summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/37749-8.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to '37749-8.txt')
-rw-r--r--37749-8.txt12000
1 files changed, 12000 insertions, 0 deletions
diff --git a/37749-8.txt b/37749-8.txt
new file mode 100644
index 0000000..b1b34c5
--- /dev/null
+++ b/37749-8.txt
@@ -0,0 +1,12000 @@
+The Project Gutenberg EBook of De Ellendigen (Deel 3 van 5), by Victor Hugo
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: De Ellendigen (Deel 3 van 5)
+
+Author: Victor Hugo
+
+Release Date: October 13, 2011 [EBook #37749]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO-8859-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE ELLENDIGEN (DEEL 3 VAN 5) ***
+
+
+
+
+Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
+Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ for Project
+Gutenberg.
+
+
+
+
+
+
+
+
+ DE ELLENDIGEN
+
+ Naar het Fransch
+ Van
+ VICTOR HUGO.
+
+ Opnieuw bewerkt.
+
+ Derde deel.
+
+
+
+ Arnhem en Nijmegen,
+ Gebrs. E. & M. Cohen.
+
+
+
+
+
+
+
+BOEK I.
+
+PARIJS IN ZIJN ATOMEN BESTUDEERD.
+
+
+EERSTE HOOFDSTUK.
+
+PARVULUS.
+
+
+Parijs heeft een kind, en het bosch een vogel; de vogel heet musch;
+het kind heet gamin (straatjongen).
+
+Vereenig deze twee denkbeelden, die het eene een vuurhaard, het
+andere het morgenrood bevatten, breng deze twee vonken in aanraking;
+Parijs, de kindsheid, en er ontstaat een klein wezen. Homuncio zou
+Plautus zeggen.
+
+Dit kleine wezen is vroolijk. Hij eet niet alle dagen, maar gaat zoo
+'t hem goeddunkt alle avonden naar den schouwburg. Hij heeft geen hemd
+aan 't lijf, geen schoenen aan de voeten, geen dak boven het hoofd,
+hij is als de vliegen des hemels, die van dat alles niets hebben. Hij
+is tusschen de zeven en dertien jaar oud, leeft in troepen, zwerft
+langs de straat, woont onder den blooten hemel, draagt een oude broek
+van zijn vader, die hem op de hielen hangt, een ouden hoed van een
+anderen vader, die hem over de ooren zit, een draagband van gele
+zelfkant; hij loopt, ziet, vraagt, verslijt den tijd, rookt, vloekt
+als een heiden, bezoekt de kroegen, kent de dieven, spreekt gemeenzaam
+met publieke vrouwen, kent de dieventaal, zingt onzedelijke liedjes,
+maar heeft niets kwaads in 't hart. Want zijn ziel bezit een parel,
+de onschuld; en paarlen worden niet opgelost in slijk. Zoolang de
+mensch kind is, wil God dat hij onschuldig zij.
+
+Zoo men aan de groote stad vroeg: wie is dat? zou zij antwoorden:
+'t Is mijn kind.
+
+
+
+
+
+
+TWEEDE HOOFDSTUK.
+
+EENIGE ZIJNER BIJZONDERE KENTEEKENEN.
+
+
+De straatjongen van Parijs is de dwerg der reuzin.
+
+Laat ons niet overdrijven, deze straatengel draagt soms een hemd,
+maar dan is het zijn eenig; ook draagt hij soms schoenen, maar dan
+zijn zij zonder zolen; soms heeft hij een tehuiskomen, en 't is hem
+lief, want hij vindt er zijn moeder; maar aan de straat geeft hij de
+voorkeur, wijl hij er de vrijheid vindt. Hij heeft eigenaardige spelen,
+zijn eigenaardige guitenstreken, waarvan de haat tegen den vreedzamen
+burger den grond legt; hij heeft eigenaardige leenspreuken: dood
+zijn, noemt hij "paardebloemen bij den wortel opeten." Zijn beroepen
+zijn: huurrijtuigen halen, de voettreden der koetsen nederlaten, bij
+plasregens planken van den eenen naar den anderen kant der straat
+leggen, 't geen hij noemt ponts des arts (kunstbruggen) maken, de
+door de regeering ten gunste van het Fransche volk uitgesproken
+redevoeringen uitventen, en tusschen de straatsteenen krabben;
+hij heeft zijn eigen munt, bestaande uit allerlei stukjes koper
+die men op de straat kan vinden. Deze zonderlinge munt, die men
+vodderijen kan noemen, heeft een onveranderlijken, goed geregelden
+koers onder deze soort van kleine heidens. Hij heeft nog zijn eigen
+dierenwereld, welke hij nauwkeurig in haar schuilhoeken gadeslaat, het
+onze lieven-heers-beestje, de boomluis met den doodskop, "de duivel,"
+een zwart insect, dat met zijn tweehoornigen staart dreigt. Hij heeft
+zijn fabelachtig monster met schubben onder den buik, niet de hagedis,
+met puisten op den rug--niet de pad--een monster, dat in oude kalkovens
+en droge waterputten huist, dat zwart, harig, kleverig is, nu langzaam
+dan snel voortkruipt, dat geen geluid geeft, maar slechts kijkt en
+zoo vreeselijk is, dat nooit iemand het gezien heeft; hij noemt dit
+monster "de doove." Dooven onder de steenen te zoeken is voor hem
+een vermaak, dat tot de vreeselijke vermaken behoort. 't Is ook een
+vermaak voor hem, plotseling een steen op te lichten om duizendbeenen
+te zien. Ieder gedeelte van Parijs is wegens een of ander belangrijk
+beest bekend, dat men er vinden kan. Er zijn oorwormen op de werven
+der Ursulinen, duizendpooten bij het Pantheon en bloedzuigers in de
+slooten van het Champ-de-Mars.
+
+De straatjongen heeft overigens spreekwijzen als Talleyrand. Hij is
+niet minder hondsch, maar eerlijker. Hij bezit een vroolijkheid,
+die hem soms overvalt zonder dat men weet waarom; hij ergert den
+winkelier door zijn dol gelach. Zijn toonladder daalt gemakkelijk
+van het treurspel tot de klucht af.
+
+Een lijkstoet gaat voorbij. Onder de volgers van het lijk bevindt zich
+een geneesheer.--Hei! roept een straatjongen sinds wanneer brengen
+de geneesheeren zelven hun werk thuis?
+
+Een andere jongen is in 't gedrang. Een deftig man met een bril en
+horlogeketting keert zich verstoord om en roept: Deugniet, gij hebt
+den arm mijner vrouw genomen.--Ik, mijnheer? Voel maar in mijn zakken.
+
+
+
+
+
+
+DERDE HOOFDSTUK.
+
+HIJ IS BEHAGELIJK.
+
+
+Des avonds gaat de homuncio voor eenige sous, welke hij zich steeds
+weet te verschaffen, naar een schouwburg. Zoodra hij den tooverachtigen
+drempel heeft overschreden, is hij herschapen: hij was straatjongen,
+nu wordt hij werkgast. De schouwburgen zijn een soort van schepen met
+het ruim boven. In dit ruim pakken de werkgasten zich op elkander. De
+werkgast is in verhouding tot den straatjongen, wat de vlinder tot de
+pop is; hij is een even fladderend en zwevend wezen. 't Is genoeg,
+dat hij er is met zijn glans van geluk, zijn machtige geestdrift en
+vroolijkheid, zijn handgeklap dat op wiekgeklap gelijkt, om dit enge,
+bedompte, donkere, vuile, ongezonde, leelijke, afschuwelijke ruim
+den naam van "paradijs" (engelenbak) te geven.
+
+Geef iemand het onnoodige en ontneem hem het noodzakelijke, en ge
+hebt den straatjongen.
+
+De straatjongen is niet zonder eenig letterkundig gevoel. Wij zeggen
+het met leedwezen, zijn smaak is niet voor het klassieke. Van natuur
+is hij weinig Akademisch. Een voorbeeld daarvan is, dat de beroemdheid
+van mademoiselle Mars bij dit kleine stormachtige kinderpubliek stof
+tot spotternij gaf. De straatjongen noemde haar mademoiselle Muche.
+
+Hij raast, schimpt, stoeit, vecht, heeft vodderijen als een zuigeling
+en lompen als een wijsgeer, vischt in de goot, jaagt in den modderpoel,
+trekt vroolijkheid uit vuilnis, vervult de pleinen met zijn geschreeuw,
+lacht en bijt, fluit en zingt, applaudisseert en jouwt uit, paart
+aan het halleluja een straatlied, zingt alles, zelfs de profundis,
+vindt zonder te zoeken, weet wat hem onbekend is, is Spartaan zelfs
+tot stelen, dwaas tot wijsheid, lyrisch tot het onreine toe en zou
+op den Olymp nederhurken, wentelt zich op een mesthoop en komt er
+uit met sterren overdekt. De straatjongen van Parijs is een kleine
+Rabelais! Met zijn broek is hij niet tevreden, zoo er geen horlogezak
+in is.
+
+Hij verwondert zich zelden, schrikt evenmin, bespot de
+bijgeloovigheden, drukt de opgeblazen overdrijvingen plat, lacht om de
+verborgenheden, steekt de tong voor de spoken uit, ontneemt de stelten
+haar poëzie en brengt in het gezwollen heldendicht caricaturen, niet
+omdat hij prozaïsch is, verre van daar; maar hij brengt in de plaats
+van het plechtige visioen een grappig geestenspel. Zoo Adamastor hem
+verscheen zou de straatjongen: "Ha! Ziedaar blauwbaard!" roepen.
+
+
+
+
+
+
+VIERDE HOOFDSTUK.
+
+HIJ KAN NUTTIG ZIJN.
+
+
+Parijs begint met den gaper en eindigt met den straatjongen, twee
+wezens die een andere stad niet kan opleveren; het lijdelijk wezen
+dat zich tevreden stelt met te aanschouwen, en de onuitputtelijke
+zelfhandeling; Prudhomme en Fouillou. Alleen Parijs heeft dit in
+haar natuurlijke historie. De geheele monarchie ligt in den gaper;
+de geheele anarchie in den straatjongen.
+
+Dit bleeke kind der Parijsche voorsteden leeft en ontwikkelt
+zich, ontstaat en lost zich op in lijden, als peinzend getuige der
+maatschappelijke wezenlijkheid en menschelijke zaken. Hij waant zich
+onverschillig, hij is 't niet. Hij aanschouwt, tot lachen gereed;
+maar ook tot iets anders. Wie ge ook zijn moogt, die u Vooroordeel,
+Misbruik, Eerloosheid, Verdrukking, Ongerechtigheid, Despotisme,
+Onrechtvaardigheid, Fanatisme, Dwingelandij heet--hoed u voor den
+straatjongen.
+
+Deze kleine zal groot worden.
+
+Van welk leem is hij gevormd? Van het eerste het beste slijk. Een
+handvol modder, een adem, en Adam ontstaat. Er behoeft slechts een
+God voorbij te gaan; en een God is altijd langs een straatjongen
+gegaan. De fortuin bewerkt dit kleine wezen. Onder het woord fortuin
+verstaan wij min of meer het toeval. Zal deze van grove, gemeene
+aarde gekneede dwerg dom, ongeleerd, ruw, eenmaal een Ioniër of een
+Beotiër zijn? Heb geduld, currit rota, (het rad wentelt) de geest
+van Parijs, deze demon, die de kinderen des toevals en de mannen der
+wereldgeschiedenis schept, maakt, in tegenstelling van den latijnschen
+pottenbakker, van de kruik een amphora.
+
+
+
+
+
+
+VIJFDE HOOFDSTUK.
+
+ZIJN GRENZEN.
+
+
+De straatjongen bemint de stad, maar ook de eenzaamheid, hij heeft
+iets van den wijze in zich. Urbis amator, gelijk Fuscus; ruris amator,
+gelijk Flaccus.
+
+Peinzend omdolen, dat is flaneeren, is voor den wijsgeer een goed
+tijdverdrijf; vooral op die tamelijk leelijke, zonderlinge en
+uit twee naturen bestaande bastaardvelden, welke zekere groote
+steden, ook Parijs, omgeven. De omstreken eener stad hebben iets
+tweeslachtigs. Einde van het geboomte, begin der daken, einde van
+het gras, begin der straat, einde der akkers, begin der winkels,
+einde der wagensporen, begin der hartstochten, einde van het goddelijk
+gemurmel, begin van het menschelijk gewoel; dit wekt een buitengewone
+belangstelling.
+
+Dit is de oorzaak dier schijnbaar doellooze wandelingen van den denker
+in deze weinig bekoorlijke plaatsen, welke door den voorbijganger
+met den naam van "treurig" worden bestempeld.
+
+De schrijver dezer regels zwierf dikwerf buiten de barrières van
+Parijs, en dit is voor hem een bron van diepe herinneringen. Dat
+korte gras, deze steenachtige paden, dat krijt, dit mergel, het
+gips, die ruwe eenvormigheid der braakliggende velden, de vroege
+groenten der warmoeziers, welke men eensklaps in een diepte ziet,
+dat mengsel van woestheid en boerschheid, die groote woeste vlakten,
+waar de tamboers van het garnizoen een gerucht makende school houden
+en eenigszins een veldslag stamelen, deze spelonken des daags en
+moordenaarsholen des nachts, de verlamde, draaiende windmolen, de
+windassen der steengroeven, de kroegen aan den hoek der kerkhoven,
+de geheimzinnige bekoorlijkheid der hooge donkere muren, welke groote
+vlakten, vol zon en vlinders, doorsnijden--dit alles trok hem aan.
+
+Schier niemand kent deze zonderlinge plaatsen. De Campagne van Rome
+is een idée; het rechtsgebied van Parijs is een andere idée; wie, in
+'t geen ons een verschiet aanbiedt, niets dan velden, huizen of boomen
+ziet, blijft aan de oppervlakte hangen. Al wat de dingen voorstellen
+zijn gedachten Gods. De plaats, waar een vlakte zich met een stad
+vereenigt, draagt immer het stempel eener treffende zwaarmoedigheid. De
+natuur en het menschelijke spreken er gelijktijdig, en de plaatselijke
+eigenaardigheden komen er te voorschijn.
+
+Wie als wij in deze eenzame streken, welke onze voorsteden begrenzen,
+omdoolde, heeft niet hier en daar, op de eenzaamste plekken,
+onverhoeds, achter een schrale heg of in den hoek van een treurigen
+muur, levendige groepen slijkerige, met stof bedekte, havelooze
+spelende kinderen gezien, die zich met koornbloempjes tooiden?! Al
+die in het wilde zwervende kinderen zijn van arme gezinnen. De
+buiten-boulevard is eigenlijk hun levensoord; het rechtsgebied der
+stad behoort hun. Daarheen ontloopen zij immer de school. Zij zingen
+er in eenvoud hun gemeene liedjes. Zij zijn dáár, of, liever gezegd,
+zij leven dáár ver van aller blikken, in de zachte helderheid van de
+maand Mei of Juni, geknield om een kuiltje in de aarde, knikkerende,
+dobbelende, bandeloos, weggevlogen, vrij en gelukkig; maar zoodra
+zij iemand zien, herinneren zij zich, dat zij een bedrijf hebben,
+dat zij den kost moeten verdienen en bieden hem een oude wollen kous
+met goudhanen of een ruiker seringen te koop aan. De ontmoeting van
+deze zonderlinge kinderen is tevens een der aangenaamste en lastigste
+bekoorlijkheden der omstreken van Parijs.
+
+Soms zijn er in deze troepen jongens, kleine meisjes--zijn 't
+hun zusjes?--schier jongedochters, mager, koortsig, door de zon
+bruin gebrand, met sproeten besprikkeld, opgeschikt met roggearen en
+klaprozen in 't haar, vroolijk en gelaten, met bloote voeten. Men ziet
+er die in het koren kersen eten. Des avonds hoort men ze lachen. Deze
+groepen, warm door de middagzon beschenen of in den schemeravond
+gezien, houden den denker lang bezig, en deze verschijningen mengen
+zich in zijn mijmeringen.
+
+Voor deze kinderen is Parijs het middelpunt, het rechtsgebied, de
+omtrek van geheel de aarde. Nooit wagen zij zich verder. Zij kunnen
+evenmin uit den Parijschen dampkring komen als de visschen uit het
+water. Voor hen is twee uren buiten de barrière niets meer. Met de
+voorsteden eindigt voor hen de wereld.
+
+
+
+
+
+
+ZESDE HOOFDSTUK.
+
+EEN WEINIG GESCHIEDENIS.
+
+
+Op het tijdstip--'t welk nog tot onzen tijd behoort--dat de
+gebeurtenis, in dit boek verhaald, plaats had, was er niet, zooals
+thans, een stadssergeant aan den hoek van iedere straat, maar vloeide
+het in Parijs over van zwervende kinderen. De statistiek geeft een
+middelbaar cijfer van tweehonderd zestig kinderen zonder woonplaats,
+die toen jaarlijks door de politieronden op den openbaren weg,
+in allerlei schuilplaatsen en onder de bogen der bruggen gevonden
+werden. Een dezer nesten, dat berucht is gebleven, heeft "de zwaluwen
+der brug van Arcola" voortgebracht. 't Is overigens het rampzaligste
+der maatschappelijke verschijnselen, dat al de misdaden van den man
+met het zwerven van het kind een aanvang nemen.
+
+Wij zonderen echter Parijs uit. In een zekere mate, en in weerwil
+van 't geen wij vermelden, is deze uitzondering gegrond. Terwijl in
+iedere andere groote stad een zwervend kind, als 't man is geworden,
+verloren gaat, terwijl schier alom het aan zich zelf overgelaten
+kind eenigerwijs bestemd en gedoemd is tot een soort van noodlottige
+dompeling in misdaden, welke hem van eerlijkheid en geweten berooft, is
+de straatjongen van Parijs,--wij moeten hierop drukken--hoe gehavend
+en geschonden hij uiterlijk zij, inwendig schier ongedeerd. 't
+Is heerlijk er op te wijzen en het blinkt uit in de eerlijkheid
+onzer volksomwentelingen; de idée, welke in de Parijsche lucht is,
+veroorzaakt een soort van bederfwerend zout als dat van het water
+des oceaans. In Parijs te ademen, is het behoud der ziel.
+
+Wat wij hier zeggen vermindert de hartsbeklemming, die men telkens
+gevoelt als men een dier kinderen ontmoet, welke men als gebroken
+familiebanden ziet fladderen. Bij de tegenwoordige nog zoo onvolmaakte
+beschaving is het niet ongewoon, dat gezinnen vervallen, die niet eens
+weten wat van hun kinderen is geworden en ze op de openbare straat
+laten rondzwerven. Dit is de oorzaak van zoo veler donker lot. Men
+noemt dit, want deze treurige zaak is een spreekwijze geworden:
+"Op de straat geworpen te zijn."
+
+'t Zij in het voorbijgaande gezegd, dat door de oude monarchie
+deze verlatenheid der kinderen niet werd tegengegaan. Een weinig
+landlooperij onder de lagere klassen kwam de hoogere kringen niet
+ongelegen en strekte ten dienste der machtigen. De afkeer van het
+onderwijs der kinderen van het volk was een leerstuk. Waartoe "halve
+verlichting?" Dat was het orderwoord. Het zwervende kind is het gevolg
+van het onwetende kind.
+
+Ook had de monarchie soms kinderen noodig en dan schuimde zij de
+straat.
+
+Onder Lodewijk XIV, om niet verder terug te gaan, wilde de koning
+met recht een vloot scheppen. Een goed denkbeeld. Maar laat ons het
+middel zien. Er bestaat geen vloot, zoo men bij het zeilschip, een
+speeltuig van den wind, niet het vaartuig heeft, om het des vereischt
+te boegseeren, opdat het òf door riemen, òf door stoom gaat waarheen
+men wil; destijds waren de galeien voor de zeevaart, wat thans de
+stoomschepen zijn. Er waren alzoo galeien noodig, maar de galei wordt
+slechts door roeiers in beweging gebracht; men had dus roeiers noodig,
+dat is, galeislaven. Colbert liet door de intendanten der provinciën
+en door de parlementen zooveel mogelijk tuchtelingen maken. De
+rechterlijke macht ging hierbij zeer voorkomend te werk. Zoo iemand
+den hoed op het hoofd hield bij het voorbijgaan eener processie was hij
+een hugenoot en men zond hem naar de galeien. Zoo men een knaap op de
+straat vond, die vijftien jaar oud was en niet wist waar hij woonde,
+zond men hem naar de galeien. Een groote regeering; een groote eeuw.
+
+Onder Lodewijk XV verdwenen de kinderen te Parijs; de politie ontvoerde
+ze, men weet niet voor welk geheimzinnig doel. Men fluisterde met
+ontzetting van afschuwelijke vermoedens omtrent de purperbaden des
+konings. Barbier spreekt zeer naïef van deze dingen. Het gebeurde vaak
+dat de agenten, die kinderen moesten hebben, dezulken namen die vaders
+hadden. De wanhopige vaders liepen de agenten te lijf. In zoodanig
+geval kwam het parlement tusschenbeide en liet ophangen--wie? de
+politieagenten? Neen, de vaders.
+
+
+
+
+
+
+ZEVENDE HOOFDSTUK.
+
+DE STRAATJONGEN VINDT ZIJN PLAATS IN DE KLASSIFICATIE DER INDIËN.
+
+
+De Parijsche straatjongens vormen schier een kaste. Men zou kunnen
+zeggen: dat niet ieder die wil er toe behooren kan.
+
+Dat woord gamin werd voor het eerst gedrukt en kwam uit de volks- in
+de boekentaal in 1834. 't Was in een werkje, getiteld Claude Gueux
+dat dit woord gevonden werd. De ergernis was groot, maar het woord
+bleef in gebruik.
+
+De elementen, die den straatjongens onder elkander aanzien geven,
+zijn zeer verschillend. Wij hebben er een gekend, die zeer geacht
+en bewonderd werd, wijl hij een man van den top van den toren van
+Notre Dame had zien vallen; een ander, wijl het hem gelukt was op
+de achterplaats te komen waar voorloopig de beelden voor den dom
+der invaliden waren geplaatst, en ze lood had weten te ontnemen;
+een derde, wijl hij een diligence had zien omstorten; nog een, wijl
+hij een soldaat "kende" dien een burger bijna het oog had uitgeslagen.
+
+Dit verklaart dezen uitroep van een Parijschen straatjongen,
+iets diepzinnigs waarover men lacht zonder het te begrijpen: "Mijn
+hemel! wat ben ik ongelukkig; ik heb nog nooit iemand uit de vijfde
+verdieping zien vallen."
+
+Zekerlijk is het antwoord fraai van een boer, wien gevraagd werd:
+"Vriend, uw vrouw is aan haar ziekte overleden; waarom hebt ge niet om
+den dokter gezonden?"--"Wat zal ik u zeggen, mijnheer, wij arme lieden
+sterven vanzelf." Ligt nu in deze woorden de geheele lijdelijkheid
+van den boer, dan zekerlijk ligt de geheele, bandelooze vrijheid van
+denken van den voorstadsknaap in die andere. Een ter dood veroordeelde
+luistert op de kar naar zijn biechtvader. De Parijsche jongen roept:
+Hij praat met den paap, o de fielt!
+
+Dat de straatjongen in godsdienstzaken tamelijk oneerbiedig is,
+daarop laat hij zich niet weinig voorstaan. 't Geeft aanzien als hij
+vrijgeest is.
+
+Hij acht het een plicht de doodsvoltrekkingen bij te wonen. Men wijst
+elkander de guillotine lachend en geeft ze allerlei namen: De laatste
+lepel soep, de laatste hap enz. enz. Om niets van de zaak te missen
+klimt men op muren, op balkons, op boomen; hangt zich aan de hekken,
+klemt men zich aan schoorsteenen. De straatjongen is evenzeer tot
+leidekker als tot zeeman geboren. Voor een dak is hij evenmin bevreesd
+als voor een mast. Geen feest is voor hem bij een terechtstelling
+op het Grève-plein te vergelijken. Samson en de abbé Montès,
+deze namen zijn populair. Men beschimpt den veroordeelde om hem te
+bemoedigen. Soms bewondert men hem. Toen Lacenaire, als straatjongen,
+den afschuwelijken Dautun moedig zag sterven, zeide hij deze woorden,
+waarin een toekomst ligt besloten: "Ik benijdde hem." De straatjongen
+kent niet Voltaire, maar wel Papavoine. In hetzelfde verhaal verwart
+hij "staatkundigen" met moordenaars. Hij weet hoe allen het laatst
+gekleed waren, deze had een hoed, gene een pet op; de een was kaal
+en blootshoofd, een ander was blozend en gezond; weder een andere
+twistte met zijn moeder. "Verwijt elkander toch niets!" riep een
+straatjongen hun toe. Een straatjongen, te klein om in het gedrang een
+veroordeelde te kunnen zien voorbijgaan, klimt op een lantaarnpaal. Een
+gendarm ziet hem en fronst de wenkbrauwen.--"Laat mij gerust klimmen,
+mijnheer de gendarm," zegt de jongen, "ik zal niet vallen."--"'t Is
+mij onverschillig of ge valt," was het antwoord.
+
+In de straatjongens-wereld wordt een gewichtig ongeluk in hooge waarde
+gehouden. Men heeft het toppunt bereikt, zoo men zich "tot op het been"
+gesneden heeft.
+
+De vuist is een krachtig element van eerbied. Iets wat de straatjongen
+het liefst zegt is: "Ik verzeker u, dat ik sterk ben." Links te zijn
+is benijdenswaard. Scheel te zien wordt geacht.
+
+
+
+
+
+
+ACHTSTE HOOFDSTUK.
+
+EEN VRIENDELIJK WOORD VAN DEN LAATSTEN KONING.
+
+
+Des zomers wordt de straatjongen kikvorsch; des avonds, als het donker
+wordt, werpt hij zich bij de bruggen van Austerlitz en Jena, van de
+koolschepen en waschvrouwen-schuiten, met het hoofd vooruit, in de
+Seine, in strijd met alle mogelijke voorschriften der zedelijkheid
+en politie. Maar de stadssergeanten waken, en het komt tot een zeer
+dramatischen toestand, die eens tot een gedenkwaardigen broederlijken
+kreet aanleiding gaf; deze kreet, in 1830 beroemd, is een strategische
+waarschuwing die de eene aan den anderen straatjongen geeft; die
+kreet wordt bijna als een vers van Homerus gescandeerd, met even
+onuitsprekelijke melodie als de eleusische melopée der Panatheners,
+en men vindt er het oude Evohé in: "Hei Titi! O hee!" zoo begint hij
+en het overige beteekent dat er dienders zijn; dat er slagen kunnen
+vallen en men zich met zijn kleederen uit de voeten moet maken.
+
+Deze mug--zoo noemt hij zich--kan lezen; soms kan hij ook schrijven,
+altijd kan hij kladden. Eensklaps verschaft hij zich, men weet niet
+door welk wederkeerig onderwijs, al de talenten, die de openbare zaak
+nuttig kunnen zijn: van 1815 tot 1830, bootste hij het geschreeuw
+van den kalkoen na; van 1830 tot 1848 krabbelde hij een peer op de
+muren. Op een zomeravond zag Lodewijk Filips, te voet huiswaarts
+keerende, een zeer kleinen jongen, die, op de teenen, zich in het
+zweet werkte om een reusachtige peer op een der pilaren van het hek
+van Neuilly te teekenen; de koning, met de goedheid, welke hij van
+Hendrik IV erfde, hielp den jongen, voltooide de peer, en gaf een
+louisd'or aan den knaap, zeggende: "Zie, daar staat ook een peer
+op." De straatjongen houdt van rumoer, en allerlei woestheid behaagt
+hem. Hij verfoeit "de pastoors." Op een dag teekende een dier jonge
+snaken een grooten neus op de koetspoort van het huis No. 69. "Waarom
+teekent ge dit op deze deur?" vroeg hem een voorbijganger. De jongen
+antwoordde: "Er woont een pastoor." Inderdaad, de pauselijke nuntius
+woonde er. Welk een Voltairiaan de straatjongen overigens zij,
+zoo de gelegenheid zich voordoet dat hij koorknaap kan worden, is
+'t mogelijk dat hij er toe overgaat, en in dit geval dient hij zeer
+lief de mis. Hij is Tantalus in twee zaken, en deze wenscht hij immer
+zonder ze te kunnen verkrijgen: het gouvernement omver te werpen en
+zijn broek gelapt te krijgen.
+
+Allernauwkeurigst kent de straatjongen al de stadssergeanten, en
+weet altijd, zoo hij er een ontmoet, hem te noemen. Hij telt ze op
+de vingers. Hij bestudeert hun zeden, en heeft nopens ieder hunner
+bijzondere aanteekeningen. Als in een open boek leest hij in de zielen
+der politie. Zonder te stotteren zegt hij: deze is een verrader; deze
+is zeer ondeugend; deze is groot; deze is belachelijk (al deze woorden
+hebben in zijn mond een bijzondere beteekenis), deze verbeeldt zich
+dat de Pontneuf hem behoort en belet den lieden op den rand buiten
+de borstwering te gaan; gene trekt de menschen aan de ooren, enz. enz.
+
+
+
+
+
+
+NEGENDE HOOFDSTUK.
+
+DE OUDE GEEST VAN GALLIË.
+
+
+In Molière was iets van den straatjongen; ook in Beaumarchais. In
+het leven des straatjongens is iets van den Gallischen geest. Deze,
+gepaard aan zijn gezond verstand, geeft hem soms kracht als de
+alcohol den wijn. Soms is deze geest een gebrek. De straatjongen
+treedt in Voltaire te voorschijn. Camille Desmoulins was een kind der
+voorstad. Championnet, die de mirakelen brutaliseerde, kwam van de
+Parijsche straat; jong had hij in de portalen der kerken van St. Jan
+van Beauvais en van Saint Etienne du Mont kattenkwaad bedreven en
+de reliquieënkast der H. Genoveva tamelijk oneerbiedig behandeld,
+om later bevelen aan het fleschje van den H. Januarius te geven.
+
+De straatjongen van Parijs is eerbiedig, spotziek en onbeschoft. Hij
+heeft leelijke tanden, omdat hij slecht gevoed wordt en zijn maag
+ziekelijk is; hij heeft fraaie oogen, wijl hij schrander is. Hij groeit
+tot alles op. Hij speelt in de goot en verheft zich door den opstand;
+zijn onbeschaamdheid blijft hem bij, zelfs in het schrootvuur; hij
+was een kwajongen, en wordt een held; gelijk de jonge Thebaan schudt
+hij de leeuwenhuid; de tamboer Barra was een straatjongen van Parijs;
+hij roept: Voorwaarts! en in een oogenblik is de dreumes een reus.
+
+Dit kind uit het straatslijk is ook het kind van het ideaal. Men mete
+slechts de vleugelvlucht van Molière tot Barra.
+
+Ten slotte, en om alles in één woord samen te vatten: de straatjongen
+is een wezen, dat zich vermaakt, wijl het ongelukkig is.
+
+
+
+
+
+
+TIENDE HOOFDSTUK.
+
+ECCE PARIS, ECCE HOMO.
+
+
+Om alles nog eens in een enkel woord te zeggen: de straatjongen van
+Parijs is heden, gelijk eertijds de groeculus van Rome, 't is het
+volk als kind, met den rimpel der oude wereld op het voorhoofd.
+
+De straatjongen is voor de natie tevens een bekoorlijkheid en een
+ziekte; een ziekte die genezen moet worden; hoe? door verlichting.
+
+Het licht maakt gezond.
+
+Het licht verheldert.
+
+Alle maatschappelijke weldaden komen voort uit de wetenschappen, de
+letterkunde, de kunsten, het onderwijs. Men vorme menschen! Verlicht
+ze, opdat zij u verwarmen. Vroeg of laat zal de gewichtige
+kwestie van het algemeen onderwijs met de onweerstaanbare macht van
+onwedersprekelijke waarheid gevestigd zijn, en zij die dan onder het
+opzicht der Fransche idée regeeren, zullen kiezen moeten tusschen de
+kinderen van Frankrijk of de straatjongens van Parijs; licht tusschen
+vlammen, of dwaallichten in de duisternis.
+
+De straatjongen is de vertegenwoordiging van Parijs, Parijs die
+der wereld.
+
+Want Parijs is een geheel. Parijs is de zoldering van het menschelijk
+geslacht. Geheel deze groote stad is een samenvatting der doode en
+levende zeden. Wie Parijs ziet, meent de geheele geschiedenis met
+den hemel en de sterren er tusschen te aanschouwen. Parijs heeft een
+kapitool, het stadhuis, een Parthenon, Notre Dame, een berg Aventinus,
+de voorstad St. Antoine, een asinarium, de Sorbonne, een Pantheon,
+het Pantheon, een heilige weg (via Sacra), de boulevard des Italiens,
+een windtoren, de openbare meening; en voor de gemoniën heeft het 't
+belachelijke. Zijn majo heet faraud (handwerkgezel), zijn transteverijn
+heet voorstedeling, zijn lazzarone heet pègre (dief), en zijn Cockney
+heet Gandin. Al wat elders is, is ook te Parijs.
+
+Zoek iets wat Parijs niet heeft. De kuip van Trophonius bevat alles
+wat in den bak van Mesmer was; Ergaphilas herrijst in Cagliostro; de
+bramin Vasaphanta verlichamelijkt zich in den graaf van Saint-Germain;
+en het kerkhof van St. Medardus doet evengoed wonderen als de moskee
+Oumoumié te Damaskus.
+
+Parijs heeft een Esopus, Mayeux, en een Canidia, mejuffrouw Le
+Normand. Het schrikt als Delphus bij de treffende vertooningen
+der geestverschijningen; het doet de tafels draaien gelijk Dodona
+de drievoeten. Het plaatst de grisette op den troon, gelijk Rome
+de courtisane. Kortom: Is Lodewijk XV erger dan Claudius, madame
+Dubarry is beter dan Messalina. Parijs vereenigt in zich, als in
+een onbeschrijfelijke type, die bestaan heeft en waarmede wij zelfs
+in aanraking zijn geweest, de Grieksche naaktheid, de hebreeuwsche
+melaatschheid en de gasconsche kwinkslag. Het mengt Diogenes, Job
+en Paljas ondereen, bekleedt een spook met oude nummers van den
+Constitutionnel en brengt Chodruc Duclos voort.
+
+Hoewel Plutarchus zegt: "de tyran wordt niet oud", onderwerpt zich
+toch Rome onder Sulla evenals onder Domitiaan en mengde gaarne water in
+zijn wijn. De Tiber was een Lethé, zoo men den lof van Varus Vibiscus
+mag gelooven: Contra Gracchos Tiberim habemus. Bibere Tiberim id est
+seditionem oblevisci. Tegen de Grieken hebben wij den Tiber. Uit den
+Tiber te drinken is het oproer vergeten. Parijs drinkt dagelijks een
+millioen kannen water, maar dit belet niet, dat het bij gelegenheid
+den stormmarsch slaat en de stormklok luidt.
+
+Overigens is Parijs toch goedhartig. Het neemt alles aan; in 't geen
+Venus betreft, is het niet keurig; zijn Callipyge is een Hottentotsche
+vrouw; zoo het maar kan lachen, vergeeft het alles; leelijkheid,
+wanstaltigheid vervroolijkt het; de ondeugd verschaft het verstrooiing;
+wees grappig en ge kunt een grappenmaker zijn; zelfs de huichelarij,
+deze uiterste onbeschaamdheid, walgt het niet; het is zoo letterkundig,
+dat het voor Basile den neus niet dichtknijpt, en zich evenmin ergert
+over het gebed van Tartuffe als Horatius voor den hik van Priapus
+terugdeinst. Geen trek van het gelaat der wereld ontbreekt aan het
+gezicht van Parijs. Het bal-Mabille is wel niet de Polymnische dans
+op den Janiculus, maar de uitdraagster loert er toch op de lorette
+evenals de koppelaarster Staphyla op de maagd Planesium loerde. De
+"barrière du combat" is geen Colyseum, maar men is er toch wreed
+alsof Cæsar toeschouwer was. De syrische herbergierster is bevalliger
+dan moeder Saguet; maar zoo Virgilius de romeinsche herberg bezocht,
+David d'Angers, Balzac en Charlet kwamen in de Parijsche kroeg. Parijs
+heerscht. De genieën fonkelen, de roodstaarten bloeien er. Adonaï
+rijdt er door op zijn wagen met twaalf wielen van donder en bliksem,
+en Sileen doet er zijn intrede op een ezel.
+
+Parijs is synoniem met Cosmos. Parijs is Athene, Rome, Sybaris,
+Jeruzalem, Pantin. 't Is het kort begrip van alle beschaving,
+evenals van alle barbaarschheden. 't Zou Parijs leed doen zoo 't geen
+guillotine had.
+
+Een weinig Grève-plein is goed. Wat zou dit eeuwige feest zijn zonder
+deze toespijs? Onze wetten hebben er wijselijk in voorzien; en aan
+haar is het te danken, dat deze valbijl zijn droppels op dit carnaval
+laat vallen.
+
+
+
+
+
+
+ELFDE HOOFDSTUK.
+
+SCHERTSEN EN HEERSCHEN.
+
+
+Parijs kent geen grenzen. Geen stad heeft zulk een heerschappij
+gehad als de hare, die soms hen bespotte, welke zij onder het juk
+bracht. "U te behagen, o Atheniensers!" riep Alexander. Parijs maakt
+meer dan wetten, het maakt de mode; meer dan de mode, den sleur. Parijs
+kan, als 't wil, dom zijn, en veroorlooft zich soms deze weelde;
+maar dan is de wereld met Parijs dom; doch straks ontwaakt het,
+wrijft zich de oogen uit, zegt: "Wat ben ik dom!" en lacht in 't
+aanzien van het geheele menschdom. Welk een wonder is zulk een stad;
+'t is zonderling, dat deze grootheid en dit bespottelijke zulke goede
+buren zijn, dat al deze majesteit door al die parodie niet in de war
+wordt gebracht, en dat dezelfde mond heden de bazuin van het laatste
+oordeel en morgen een zakpijp kan blazen. Parijs bezit een heerschende
+vroolijkheid. Zijn vroolijkheid is de bliksem, en zijn kluchtigheid
+draagt een schepter. Zijn orkaan ontstaat soms uit een grimas. Zijn
+uitbarstingen, zijn groote dagen, zijn kunstgewrochten, zijn wonderen,
+zijn heldenfeiten gaan tot de uitersten der wereld; zijn domheden
+insgelijks. Zijn gelach is de krater van een vulkaan, die de geheele
+aarde bespat. Zijn lazzi zijn vonken. Het legt den volken zoowel zijn
+caricaturen als zijn ideaal op; de hoogste monumenten der menschelijke
+beschaving nemen zijn spotternijen aan en leenen hun eeuwigheid aan
+zijn kwajongensstreken. Parijs is majestueus; het heeft een wonderbare
+14 Juli, die den aardbol vrijmaakt; aan alle natiën laat het den eed
+van de kaatsbaan doen; zijn nacht van 4 Augustus vernietigt in drie
+uren de drieduizendjarige leenheerschappij; het maakt van zijn logica
+de speer van den algemeenen wil; het vermenigvuldigt zich onder de
+vormen van het verhevene; het vervult met zijn glans Washington,
+Kosciusko, Bolivar, Botzaris, Rigo, Bem, Manin, Lopez, John Brown,
+Garibaldi; het is overal waar de toekomst zich verheldert, te Boston
+in 1779, op 't eiland Lion in 1820; te Pesth in 1848, te Palermo in
+1860; het fluistert het machtige wachtwoord: vrijheid! in het oor
+der Amerikaansche abolitionisten die bij Harpers-Ferry verzameld
+zijn, en in het oor der patriotten van Ancona aan den oever der
+zee, in de schaduw der Archi voor de herberg van Gozzi vereenigd;
+het schept Canaris, Pisacana, Quiroga; het straalt het grootsche
+op de wereld uit; 't is wijl zijn adem hen voortstuwt, dat Byron te
+Missolonghi, en Mazet te Barcelona gaan sterven; het is de tribune
+onder de voeten van Mirabeau en de krater onder die van Robespierre;
+zijn boeken, zijn schouwburg, zijn kunsten, zijn wetenschappen,
+letterkunde en wijsbegeerte zijn de leesboeken voor het menschelijk
+geslacht; het heeft Pascal, Regnier, Corneille, Descartes, Jean
+Jacques; Voltaire voor iederen dag, Molière voor alle eeuwen; het
+doet den mond der wereld zijn taal spreken, en deze taal is woord
+geworden; in alle geesten bouwt het de idée van den vooruitgang; de
+bevrijdende leerstukken, die het verspreidt, zijn voor de geslachten
+uitgetrokken zwaarden, en van den geest zijner denkers en dichters
+zijn sedert 1789 al de helden van alle volken gevormd; schoon dat
+alles het echter niet belet straatjongen te zijn; en dit groot genie,
+dat Parijs wordt geheeten, en de wereld door zijn licht herschept,
+teekent met houtskool Bouginiers neus op den tempel van Theseus en
+schrijft "Credeville dief" op de pyramiden.
+
+Parijs toont altijd de tanden; als het niet bromt, lacht het.
+
+Zoo is Parijs. De rook zijner schoorsteenen vormt de denkbeelden der
+wereld. 't Is, zoo men wil, een hoop steenen en slijk, maar bovenal een
+zedelijk wezen. 't Is meer dan groot, 't is onmetelijk. Waarom? Wijl
+het durft.
+
+Durven is de prijs van den vooruitgang.
+
+Alle grootsche veroveringen zijn min of meer de prijs der
+stoutmoedigheid. 't Is niet voldoende, dat Montesquieu de revolutie
+vooruit ziet, dat Diderot ze preekt, dat Beaumarchais ze aankondigt,
+dat Condorcet ze berekent, dat Arouet ze voorbereidt, dat Rousseau
+er over mijmert. Danton moet ze durven ondernemen.
+
+De kreet: Durven! is een Daar zij licht! Voor den vooruitgang van
+het menschelijk geslacht moeten uit de hoogte steeds fiere lessen van
+moed gegeven worden. Vermetelheid begoochelt de geschiedenis en stelt
+den mensch in 't schitterendst licht. De dageraad durft, wanneer
+zij aan de kimmen verrijst. Pogen, tarten, volharden, aanhouden,
+zich zelven trouw zijn, met het voorstellen de gebeurtenissen te
+verstommen door er geen vrees voor te toonen, de onrechtvaardige macht
+en de bedwelmde zegepraal tarten, pal staan; ziedaar het voorbeeld,
+dat de volken behoeven en het licht dat hen electriseert. Dezelfde
+ontzettende bliksem schiet zoowel uit de toorts van Prometheus als
+uit Cambronnes stompje.
+
+
+
+
+
+
+TWAALFDE HOOFDSTUK.
+
+DE IN HET VOLK BESLOTEN TOEKOMST.
+
+
+Zelfs als man, is het Parijsche volk altijd straatjongen; zoo men
+den jongen schildert, schildert men de stad, en daarom hebben wij
+den adelaar in de musch bestudeerd.
+
+'t Is vooral in de voorsteden, wij herhalen het, dat de Parijzenaar
+te voorschijn treedt; dáár is de volbloed Parijzenaar; daar vertoont
+hij zich in zijn ware gedaante, daar werkt en lijdt het volk: lijden
+en werken zijn de twee gestalten der menschheid. Daar zijn onpeilbare
+drommen onbekende wezens, en 't wemelt er van de zonderlingste typen,
+van den sjouwerman der Rapée af tot den viller van Montfaucon. Fex
+Urbis, roept Cicero; mob, voegt Burke verontwaardigd er bij. Gemeen
+volk, gepeupel, deze woorden zijn gemakkelijk gezegd. Goed! Wat doet
+het er toe, wat scheelt het mij, dat zij barrevoets gaan? Zoo zij
+niet lezen kunnen, des te erger. Moet men hen daarom aan hun lot
+overlaten? Moet men van hun nood een vloek maken? Kan het licht
+deze drommen niet doordringen? Herhalen wij den kreet: licht! met
+volharding. Licht! licht!--Wie weet, of deze duisternis zich niet
+zal ophelderen? Zijn de revolutiën geen herscheppingen? Gaat,
+wijsgeeren, onderwijst, verlicht, ontvlamt, denkt luidt, spreekt
+luid, gaat vroolijk in het volle zonlicht, maakt u met de openbare
+pleinen vertrouwd, verkondigt blijde tijdingen, strooit het alphabet,
+verklaart de rechten van den mensch, zingt de Marseillaise, zaait
+geestdrift en breekt de groene takken van de eiken. Laat de idée een
+maalstroom worden. Het volk kan gereinigd worden. Laat ons gebruik
+maken van deze uitgebreide ontvlamming der beginselen en deugden, die
+nu en dan opgaat. Deze bloote voeten, deze bloote armen, deze lompen,
+deze onwetendheid, deze verdorvenheid, deze duisternis kunnen nuttig
+aangewend worden. Men zie door het volk heen, en men zal de waarheid
+ontdekken. Dat men het gemeene zand, 't welk men onder den voet treedt,
+in den oven werpe, het smelt en zal schitterend kristal worden,
+en daarmede zullen Newtons en Galiléis sterren en werelden ontdekken.
+
+
+
+
+
+
+DERTIENDE HOOFDSTUK.
+
+DE KLEINE GAVROCHE.
+
+
+Acht of negen jaren na de in de tweede afdeeling van dit werk verhaalde
+gebeurtenissen, zag men op den boulevard du Temple en in den omtrek
+van het Waterkasteel een elf- of twaalfjarigen knaap, die tamelijk
+nauwkeurig de type van den hiervoren geschetsten straatjongen zou
+hebben verwezenlijkt, zoo, bij den glimlach van zijn leeftijd op de
+lippen, zijn hart niet geheel somber en ledig ware geweest. Deze knaap
+droeg wel een broek, maar hij had ze niet van zijn vader, wel een
+vrouwenjak, maar niet van zijn moeder. Vreemde lieden hadden hem uit
+liefdadigheid in de plunje gestoken. Hij had evenwel een vader en een
+moeder. Maar zijn vader dacht niet aan hem, en zijn moeder beminde hem
+niet. 't Was een dier bij uitnemendheid medelijdenswaardige kinderen,
+die ouders hebben en toch weezen zijn.
+
+Deze knaap bevond zich nergens liever dan op de straat. Voor hem
+waren de straatsteenen minder hard dan het hart zijner moeder.
+
+Zijn ouders hadden hem ruw in de wereld geworpen. En hij was eenvoudig
+zijn weg gegaan.
+
+'t Was een drokke, bleeke, vlugge, snuggere, grappige knaap met
+levendig, maar ziekelijk voorkomen. Hij ging, liep, zong, speelde,
+morste in de goten, stal een weinig, maar vroolijk gelijk de katten
+en musschen, lachte wanneer men hem deugniet, en werd kwaad als men
+hem bengel noemde. Hij had geen huisvesting, geen brood, geen vuur,
+geen liefde; maar hij was vroolijk, wijl hij vrij was.
+
+Zoodra deze arme wezens mannen zijn geworden, ontmoet hen schier altijd
+de molensteen der maatschappelijke orde, die hen vermorzelt; als kind
+ontsnappen zij, wijl zij klein zijn. Het kleinste gaatje redt hen.
+
+Hoe verlaten deze knaap was, gebeurde 't soms echter om de twee of
+drie maanden, dat hij zeide: Kom, ik ga moeder bezoeken! Dan verliet
+hij den boulevard, den circus, de porte St. Martin, ging langs de
+kaden, over de bruggen naar de voorsteden tot aan la Salpetrière,
+en waar kwam hij daar? Juist voor het dubbel nummer 50-52, dat de
+lezer reeds kent, aan het vervallen huis-Gorbeau.
+
+Op dit tijdstip was dit oude huis 50-52, dat gewoonlijk ledig stond
+en met het bordje: "kamers te huur," prijkte--zeldzamerwijs--bewoond
+door verscheidene personen, die overigens, gelijk dit immer te Parijs
+het geval is, volstrekt in geen betrekking tot elkander stonden. Allen
+behoorden tot die armoedige klasse, welke aanvangt bij den geringen
+burger, die in slechte omstandigheden verkeert, en van den eenen trap
+van armoede tot den anderen in de maatschappelijke diepte verzinkt,
+tot aan de volgende twee wezens, bij wie alle stoffelijke zaken der
+beschaving een einde nemen: den gotenschepper, die het slijk wegveegt,
+en den voddenraper.
+
+De "hoofdhuurderes," tijdens Jean Valjean er woonde, was overleden
+en door een dergelijke vervangen. Ik weet niet, welke wijsgeer gezegd
+heeft: "Aan oude vrouwen is nooit gebrek."
+
+Deze nieuwe oude vrouw heette vrouw Burgon en had niets merkwaardigs
+in haar leven dan een dynastie van drie papegaaien, die achtereen
+over haar hart geregeerd hadden.
+
+De armste dergenen, die het oude huis bewoonden, was een gezin van
+vier personen, vader, moeder, en twee bijna volwassen dochters, allen
+in dezelfde kamer gehuisvest, in een dier cellen, waarvan wij reeds
+gesproken hebben.
+
+Dit gezin vertoonde bij den eersten aanblik niets bijzonders dan de
+uiterste armoede. De vader had, toen hij de kamer huurde, gezegd,
+dat hij Jondrette heette. Eenigen tijd nadat hij hier ingetrokken was,
+welke intrekking, om de eigenaardige uitdrukking der "hoofdhuurderes"
+te bezigen, een "verhuizing van niets" geleek, had Jondrette aan deze
+vrouw gezegd, die gelijk haar voorgangster, tevens portierster was
+en de trap veegde:--"Buurvrouw, zoo iemand mocht komen om een Pool
+of een Italiaan, of ook een Spanjaard te spreken... deze ben ik."
+
+Die familie was de familie van den vroolijken barvoetigen knaap. Hij
+kwam te huis en vond er nood; doch wat treuriger was, geen enkelen
+glimlach; koude aan den haard en koude in de harten. Wanneer hij
+binnenkwam, vroeg men hem:--"Van waar komt ge?"--Hij antwoordde:--"Van
+de straat."--Wanneer hij heen ging, vroeg men hem:--"Waar gaat ge
+heen?" en hij antwoordde: "Naar de straat." Zijn moeder vroeg hem:
+"Wat komt ge hier doen?"
+
+Deze knaap leefde in ontbering van alle liefde, gelijk bleeke
+grasscheuten in de kelders bij gemis van alle licht. Hij leed er
+niet onder en nam het niemand kwalijk. Hij wist eigenlijk niet hoe
+een vader en een moeder zijn moesten.
+
+Zijn moeder beminde evenwel zijn zusters.
+
+Wij hebben vergeten te zeggen, dat men op den boulevard du
+Temple dezen knaap den kleinen Gavroche noemde. Waarom heette hij
+Gavroche? Waarschijnlijk omdat zijn vader Jondrette heette.
+
+Den familieband te verbreken, schijnt bij sommige arme familiën een
+instinct te zijn.
+
+De kamer, welke het gezin Jondrette in het huis Gorbeau bewoonde,
+was de laatste aan het einde van de gang.
+
+De cel er naast werd bewoond door een zeer arm jong mensch, die
+mijnheer Marius werd genoemd.
+
+Laat ons zeggen wie mijnheer Marius was.
+
+
+
+
+
+
+
+BOEK II.
+
+DE GROOTE BURGER.
+
+
+EERSTE HOOFDSTUK.
+
+NEGENTIG JAREN EN TWEE-EN-DERTIG TANDEN.
+
+
+In de straat Boucherat, in de straat de Normandie, en in de straat
+Saintonge bestaan nog eenige lieden, die zich een oud man, een zekeren
+mijnheer Gillenormand, herinneren en gaarne van hem spreken. Deze
+man was reeds oud, toen zij jong waren. Zijn gestalte is voor hen,
+die met droefgeestigen blik dat flauwe schimmengewemel aanschouwen,
+'t welk men het verleden noemt, nog niet geheel en al uit dien doolhof
+van straten in den omtrek van den Temple verdwenen, waaraan, onder de
+regeering van Lodewijk XIV, de namen van al de provinciën van Frankrijk
+werden gegeven, gelijk men in onzen tijd aan de straten der nieuwe
+wijk Tivoli de namen van al de hoofdsteden van Europa gegeven heeft;
+een bewijs van vooruitgang ook in dit opzicht.
+
+De heer Gillenormand die in 1831 nog springlevend was, was een dier
+menschen, welke door hun hoogen leeftijd merkwaardig worden en thans
+ongemeen zijn, terwijl zij vroeger als iedereen geleken en thans
+op niemand meer gelijken. Hij was een zonderling grijsaard en wel
+degelijk een man van een andere eeuw, de volmaakte en een weinig
+trotsche burger der achttiende eeuw, die even fier op zijn oud
+burgerschap was als de markies op zijn markiezaat. Hij was over de
+negentig jaar oud, ging rechtop, sprak luid, zag helder, dronk goed,
+at, sliep en ronkte evenals vroeger. Hij had nog al zijn twee-en-dertig
+tanden. Slechts om te lezen gebruikte hij een bril. Hij was verliefd
+van natuur, maar zeide dat hij sedert tien jaren bepaald geheel en al
+van de vrouwen had afgezien. Hij kon niet meer behagen, zooals hij
+zeide; hij voegde er echter niet bij: ik ben te oud; maar: ik ben
+te arm; ware ik niet geruïneerd... O!--Hij bezat inderdaad slechts
+een inkomen van omstreeks vijftien duizend francs. Zijn eenigste
+wensch was te erven en honderd duizend francs rente te bezitten om
+maitressen te kunnen houden. Hij behoorde, gelijk men ziet, niet tot
+die soort van ziekelijke grijsaards die, zooals Voltaire, levenslang
+sterven; hij had niet het lange leven van een gebarsten pot; de
+fiksche grijsaard was altijd gezond geweest. Hij was oppervlakkig,
+driftig, spoedig vergramd. Bij elke gelegenheid bruiste hij op,
+meestal ten onrechte. Zoo men hem tegensprak, hief hij zijn stok op,
+en sloeg de menschen als in de "groote eeuw." Hij had een ongehuwde
+dochter van over de vijftig jaar, welke hij duchtig ranselde, als
+hij toornig werd, en zeer gaarne zelfs had gegeeseld. Zij was voor
+hem niet ouder dan acht jaar. Zijn dienstboden gaf hij oorvegen,
+noemde ze beesten! en overlaadde ze met vloeken. Toch was hij soms
+buitengewoon kalm en rustig; en liet zich dagelijks door een barbier
+scheren, die krankzinnig was geweest en mijnheer Gillenormand haatte,
+wijl hij jaloersch op hem was, om zijn vrouw, een bekoorlijke coquette.
+
+De heer Gillenormand bewonderde zijn eigen knapheid in alle zaken, en
+verklaarde zich zelven voor zeer schrander en verstandig; hij zeide
+onder anderen: "Ik heb waarlijk zooveel scherpzinnigheid, dat ik u
+zou kunnen zeggen van welke vrouw ik de vloo heb, die mij bijt." De
+woorden, die hij 't meest gebruikte, waren: "de gevoelige mensch" en
+"de natuur." Hij gaf aan dit laatste woord niet dezelfde grootsche
+beteekenis, die onze eeuw er aan hecht, maar mengde het op zijn wijze
+onder zijn bijtende uitvallen in het hoekje van den haard.--De natuur,
+zeide hij, schenkt der beschaving, opdat zij een weinig van alles
+hebbe, zelfs velerlei soorten van vermakelijke barbaarschheden. Europa
+heeft staaltjes van Azië en Afrika in klein formaat. De kat is een
+kamertijger, de hagedis een zakkrokodil. De danseressen der opera
+zijn rozeroode wilden. Zij eten de mannen niet op, maar zuigen ze
+uit. Ofwel--die tooveressen!--zij veranderen ze in oesters en slikken
+ze aldus. De Karaïeben laten slechts de beenderen over, zij niets
+dan de schaal. Zoo zijn onze zeden. Wij verslinden niet, maar knagen;
+wij vernietigen niet, maar houden toch vast met onze klauwen.
+
+
+
+
+
+
+TWEEDE HOOFDSTUK.
+
+ZOO DE MAN, ZOO DE WONING.
+
+
+Hij woonde in het Marais, in de straat des filles du Calvaire
+No. 6. Het huis behoorde hem. Dit huis is sedert afgebroken en
+herbouwd, en het nummer ervan waarschijnlijk in de omwentelingen der
+hernummering, welke de straten van Parijs ondergaan, veranderd. Hij
+bewoonde ruime ouderwetsche vertrekken op de eerste verdieping,
+tusschen de straat en de tuinen. De wanden waren er tot aan de
+zoldering behangen met groote tapijten van Gobelin en Beauvais, waarop
+herderlijke tafereelen voorgesteld werden, die op de bekleedsels der
+stoelen in 't klein waren nageschetst. Zijn bed was achter een groot
+kamerscherm van negen, met Coromandelsch lakwerk versierde, bladen
+verborgen. Lange gordijnen hingen in prachtige zware plooien voor de
+ramen. De vlak onder zijn vensters liggende tuin was met een der ramen,
+die den hoek vormde, verbonden door middel van een twaalf of vijftien
+treden hooge trap, die de goede man zeer vlug op- en afging. Behalve
+een bibliotheek naast zijn kamer had hij een boudoir, waarop hij zeer
+gesteld was, met een leliegeel behang versierd, dat op order van den
+heer de Vivonne, die 't zijne minnares wilde geven, op de galeien
+van Lodewijk XIV door de galeislaven vervaardigd was. Dit had de
+heer de Gillenormand van een knorrige tante van moederszijde geërfd,
+die honderd jaar oud was geworden. Hij had twee vrouwen gehad. In zijn
+manieren bezat hij iets van een hoveling, als hij nooit geweest was, en
+van een magistraatspersoon, als hij had kunnen zijn. Hij was vroolijk
+en als hij wilde vleiend. In zijn jongen tijd was hij een derzulken
+geweest, die altijd door hun vrouwen en nooit door hun minnaressen
+bedrogen worden, wijl zij tegelijk de onaangenaamste echtgenooten en
+de teederste minnaars zijn. Hij was kunstkenner. In zijn kamer had hij
+een bewonderenswaardig schoon portret van een onbekende, door Jordaens
+met stout penseel geschilderd. De kleeding van mijnheer Gillenormand
+was niet uit den tijd van Lodewijk XV of van Lodewijk XVI; 't was het
+kostuum der incroyables (modegekken) van het Directoire. Tot dien tijd
+had hij zich altijd jong geloofd en de mode gevolgd. Zijn rok was van
+licht laken met breede overslagen, panden zoo lang als zwaluwstaarten
+en groote stalen knoopen. Daarbij een korte broek en gespen op de
+schoenen. Hij hield altijd de handen in zijn zakken, en zei dikwijls
+met gezag: "De Fransche Revolutie was niets dan een hoop bandieten."
+
+
+
+
+
+
+DERDE HOOFDSTUK.
+
+ZIJN DOOPNAMEN.
+
+
+Op zijn zestiende jaar had hij de eer gehad, op één avond in de
+opera te gelijk door twee destijds rijpe en vermaarde schoonheden,
+beide door Voltaire bezongen, door la Camargo en la Sallé begluurd
+te worden. Tusschen twee vuren geraakt, had hij toen een heldhaftigen
+aftocht gemaakt naar een kleine danseres, Naherry genaamd, die evenals
+hij zestien jaar oud en geheel onbekend was, en op wie hij verliefd
+was geworden. Hij vloeide over van herinneringen. "O!" riep hij vaak,
+"hoe schoon was Guimard, toen ik haar het laatst te Longchamps zag,
+met haar heerlijke, sentimenteele lokken, turkooizen-oorbellen,
+nieuwmodisch kleed en mof!"--In zijn jongelingsjaren had hij een
+buis à la Nain-Londrin gedragen, waarvan hij gaarne en met genoegen
+sprak.--"Ik was als een Turk uit de Levant gekleed," zeide hij
+dan. Mevrouw de Boufflers, die hem toevallig had gezien, noemde hem,
+toen hij twintig jaar oud was: "een allerliefste dwaas." Hij ergerde
+zich over al de namen, welke hij in de politiek en het bewind zag,
+en vond ze gemeen en burgerlijk. Hij las de dagbladen, en noemde
+ze in lachen uitbarstend de "nieuwe papieren." "Wie zijn toch deze
+lieden: Corbiere, Humann! Casimir Perier!" vroeg hij dan, "zijn
+zij ministers? Wat zou 't grappig zijn, zoo ik eens in de courant
+las: mijnheer de minister Gillenormand.--Nu, zij zijn dom genoeg om
+zoo iets te doen!" Hij noemde alles onbewimpeld bij den waren naam,
+zonder zich in de tegenwoordigheid van vrouwen te ontzien. De grootste
+onbetamelijkheden en vuilste taal sprak hij op zulk een ongedwongen
+en kalmen toon uit, alsof 't zoo behoorde.
+
+Wel was dit de ongedwongenheid zijner eeuw. Het is opmerkelijk,
+dat de tijd van sierlijke omschrijvingen in dichtmaat juist die van
+ruwheid in het proza was. Zijn peet had voorspeld, dat hij een man
+van genie zou zijn en had hem de twee veelbeteekenende namen van
+Luc-Esprit gegeven. (Lucas-Geest).
+
+
+
+
+
+
+VIERDE HOOFDSTUK.
+
+EEN ASPIRANT NAAR DE HONDERD JAAR.
+
+
+In zijn kindsheid had hij in de school te Moulins, waar hij geboren
+was, menigmaal prijzen behaald en was er zelfs door de hand van
+den hertog van Nivernais, dien hij den hertog van Nevers noemde,
+bekroond. Noch de conventie, noch de dood van Lodewijk XIV, noch
+Napoleon, noch de terugkomst der Bourbons, hadden de herinnering aan
+die bekroning kunnen uitwisschen. De "hertog van Nevers" was voor
+hem de groote figuur der eeuw. "Welk een goed, groot heer was hij,
+en hoe fraai stond hem het blauwe lint," dus sprak hij dikwijls. In
+zijn oogen had Katharina II de misdaad van Polens verbrokkeling
+uitgewischt, door van Bestuchef voor drie duizend roebels het geheim
+van het goud-elixer te koopen. Als hij daarvan sprak, geraakte hij in
+vuur. "Het goud-elixer," riep hij dan, "de gele tinctuur van Bestuchef,
+de droppels van generaal Lamotte,--het was in de negentiende eeuw,
+voor een louisd'or het fleschje van een half ons, het groote hulpmiddel
+tegen de rampen der liefde, het panacee tegen Venus. Lodewijk XV zond
+er tweehonderd flesschen van aan den paus."--Men zou hem vertoornd
+en tot het uiterste gebracht hebben, zoo men hem gezegd had, dat
+het goud-elixer niets anders dan perchlorure van ijzer was. Mijnheer
+Gillenormand vereerde de Bourbons en verfoeide 1789; zonder ophouden
+kon hij vertellen, op welke wijze hij tijdens het schrikbewind
+ontsnapt was, en hoe vroolijk en schrander hij had moeten zijn om
+zijn hoofd te kunnen behouden. Zoo een jongeling het waagde hem
+met lof van de republiek te spreken, werd hij zoo rood van toorn,
+dat hij schier in onmacht viel. Soms zinspelend op zijn negentig
+jaren zeide hij: "Ik hoop niet, dat ik tweemalen drie-en-negentig
+jaren zal beleven." Een andermaal echter gaf hij weer te kennen,
+dat hij voornemens was honderd jaar oud te worden.
+
+
+
+
+
+
+VIJFDE HOOFDSTUK.
+
+BASQUE EN NICOLETTE.
+
+
+Hij had theorieën. Eene er van was: "Zoo een man de vrouwen
+hartstochtelijk bemint en hij zelf een vrouw heeft, die hem
+onverschillig, die leelijk, bits, en bijgevolg vol aanmatigingen,
+desnoods jaloersch is en op het wetboek steunt, schiet hem slechts
+één middel over om rust en vrede te hebben, namelijk: die vrouw over
+de beurs te laten beschikken. Deze afstand maakt hem vrij. Dan toch
+heeft de vrouw bezigheid, krijgt zooveel lust in 't geld tellen,
+dat haar vingers vuil worden, rijdt de huurders en pachters na,
+raadpleegt procureurs, notarissen, advocaten, procedeert, stelt
+huurcontracten op, gevoelt zich meesteres, koopt, verkoopt, regelt,
+belooft, bindt en ontbindt, brengt nu alles in orde, dan in wanorde,
+bezuinigt, verspilt, doet dwaasheden, hetgeen een groot geluk is, en
+vindt daarin haar troost. Terwijl de echtgenoot haar veronachtzaamt,
+heeft zij dus het vermaak hem te ruïneeren." Deze theorie had mijnheer
+Gillenormand op zich zelven toegepast en zij was zijn geschiedenis
+geworden. Zijn tweede vrouw toch had zijn vermogen zóó beheerd, dat
+den heer Gillenormand, toen hij op zekeren dag weduwnaar werd, juist
+genoeg overbleef om ervan te kunnen leven, zoo hij alles op lijfrente
+zette, hetgeen een rente van vijftienduizend francs uitmaakte, waarvan
+drie vierden met hem te niet moesten gaan. Hij had zich niet lang
+bedacht en er zich weinig om bekommerd, of hij al dan niet een erfenis
+naliet. Bovendien had hij gezien, dat eigendommen aan verandering
+onderhevig waren en, bij voorbeeld, soms "nationaal eigendom" konden
+worden; en daar hij tierceering had bijgewoond, stelde hij ook in
+het grootboek geen crediet.--Dat alles was "straat Quincampoix,"
+zwendelarij. Wij hebben gezegd, dat het huis in de straat "des filles
+du Calvaire" hem behoorde. Hij had twee dienstboden, "een mannelijke
+en een vrouwelijke." Zoodra iemand bij den heer Gillenormand in dienst
+kwam, werd die door hem herdoopt. Hij gaf den mannen den naam hunner
+provincie: Nîmois, Courtois, Poitevin of Picard. Zijn laatste knecht
+was een dik, amechtig man van vijf-en-vijftig jaar, die geen twintig
+schreden kon loopen; doch daar hij te Bayonne geboren was, noemde de
+heer Gillenormand hem Basque. De dienstmeiden heetten alle Nicolette
+bij hem, zelfs Magnon, van wie later zal gesproken worden. Op zekeren
+dag bood een keukenmeid van den eersten rang hem haar dienst aan.
+
+"Hoeveel loon begeert ge 's maands?" vroeg mijnheer Gillenormand.
+
+"Dertig francs."
+
+"Hoe heet ge?"
+
+"Olympia."
+
+"Ge zult vijftig francs hebben en Nicolette heeten."
+
+
+
+
+
+
+ZESDE HOOFDSTUK.
+
+MAGNON MET HAAR TWEE KINDEREN.
+
+
+Bij den heer Gillenormand uitte zich de smart in toorn; hij kon
+woedend zijn over zijn wanhoop. Hij had allerlei vooroordeelen en
+veroorloofde zich alles. Bovenal was hij trotsch en innig tevreden
+dat hij, zooals wij gezegd hebben, nog in zijn ouderdom zoo galant was
+gebleven en daarvoor ook gehouden werd. Hij noemde dit een koninklijke
+vermaardheid. En zij bezorgde hem ook zonderlinge voordeelen. Op
+zekeren dag bracht men hem in een oestermand een dik pasgeboren
+knaapje, schreeuwende als de drommel en goed ingebakerd, waarvan
+hem het vaderschap werd toegeschreven door een dienstmeid, welke hij
+zes maanden geleden had weggejaagd. Mijnheer Gillenormand was toen
+vier-en-tachtig jaar oud. Ergernis en gebabbel in de buurt. "Wien zou
+die schaamtelooze zoo iets durven wijs maken? Welk een vermetelheid,
+welk een schandelijke laster!" Maar mijnheer Gillenormand was
+er volstrekt niet verstoord over. Hij beschouwde het kind met den
+tevreden glimlach van iemand, wien de laster vleit, en zei: "Welnu,
+wat zou dat, wat is er te doen? ge verwondert u waarlijk als menschen,
+die van niets weten. De hertog van Angoulême, bastaard van zijne
+Majesteit Karel IX, trouwde, toen hij vijf-en-tachtig jaar oud was,
+met een nufje van vijftien jaar, mijnheer Virginal, markies van Alluye,
+broeder van den kardinaal de Sourdis, aartsbisschop van Bordeaux,
+verwekte, drie-en-tachtig jaar oud zijnde, een zoon bij een kamenier
+van de presidentsvrouw Jaquin, een waar kind der liefde, die Malthezer
+ridder en staatsraad met den degen werd; een der grootste mannen
+dezer eeuw, de abt Tabaraud, is de zoon van een zeven-en-tachtigjarig
+man. Die dingen hebben niets buitengewoons. En dan de bijbel! Ik
+verklaar echter, dat deze kleine niet van mij is. Toch moet men hem
+verzorgen. 't Is zijn schuld niet."--Zijn handelwijze was waarlijk
+goedaardig.
+
+Het schepsel, dat Magnon heette, zond hem het volgende jaar een
+dergelijk geschenk. Nu kapituleerde mijnheer Gillenormand. Hij gaf
+aan de moeder de twee kleinen terug en verbond zich, om maandelijks
+tachtig francs voor hun onderhoud te betalen, op voorwaarde dat
+gezegde moeder het er nu bij zou laten. Hij voegde er nog bij:
+"Ik verlang, dat de moeder ze goed behandelen zal. Van tijd tot tijd
+zal ik ze bezoeken." En dit deed hij. Hij had een broeder gehad, die
+priester en dertig jaren rector der academie van Poitiers geweest en
+op negen-en-zeventigjarigen ouderdom overleden was. Toch zeide hij,
+dat hij hem jong verloren had. Deze broeder, die weinige herinneringen
+heeft achtergelaten, was een vreedzame vrek, die als priester zich
+verplicht achtte den armen, welke hij ontmoette, aalmoezen te geven,
+maar hun ook niets dan slecht of valsch geld schonk, en aldus het
+middel vond langs den weg des hemels naar de hel te gaan. Mijnheer
+Gillenormand senior zag op geen aalmoes en gaf gaarne en mild. Hij was
+goedhartig, ruw, liefdadig, en ware hij rijk geweest, hij zou misschien
+naar prachtlievendheid zijn overgeheld. Alles moest, voor zoover
+'t hem aanging, op groote schaal gebeuren, zelfs schurkenstreken.
+
+Eenmaal, toen hij bij een erfenis op de gemeenste en tastbaarste
+wijze door een zaakwaarnemer geplukt was, riep hij op plechtige wijze:
+"Foei! dat is slordig! ik schaam mij er over. Alles ontaardt in deze
+eeuw, zelfs de schelmen. Wat duivel! zóó laat iemand van mijn soort
+zich niet plunderen. Ik ben bestolen als in een bosch, maar gemeen
+bestolen. Silvæ sint consule dignæ."--Hij had, zooals wij zeiden,
+twee vrouwen gehad; van de eerste had hij een dochter, die ongehuwd
+was gebleven, en van de tweede nog een dochter, die op dertigjarigen
+leeftijd gestorven was, na uit liefde of toevallig met een soldaat van
+fortuin getrouwd te zijn geweest, die in de gelederen van republiek
+en keizerrijk gediend en bij Austerlitz het kruis gekregen had, te
+Waterloo tot kolonel was verheven en door den ouden burger nochtans
+de schandvlek der familie werd genoemd. Hij snoof sterk en wist zeer
+bevallig met den rug zijner hand de snuifkorrels van zijn kanten
+chabot te slaan. Aan God geloofde hij niet sterk.
+
+
+
+
+
+
+ZEVENDE HOOFDSTUK.
+
+REGEL: ONTVANG ALLEEN DES AVONDS BEZOEK.
+
+
+Zoo was mijnheer Luc Esprit Gillenormand, die zijn meer grijze dan
+witte haren nog niet verloren had en nog altijd naar de mode zijner
+jeugd gekapt was. Overigens was hij bij dat alles zeer deftig.
+
+Hij had iets van de achttiende eeuw: beuzelachtig en groot.
+
+In het jaar 1814 en de eerste jaren der restauratie woonde
+Gillenormand, destijds nog jong--hij was niet ouder dan
+vier-en-zeventig jaar--in de voorstad Saint-Germain, in de straat
+Servandoni, bij Saint-Sulpice. Eerst toen hij zich van de wereld
+afzonderde, trok hij naar het Marais en wel met tachtig jaren achter
+den rug. De wereld verlatende, was hij als door zijn gewoonten
+ommuurd. De voornaamste en de onwrikbaarste was, dat hij des daags
+zijn deur gesloten hield en niemand, voor welke zaak het ook ware,
+anders dan des avonds ontving. Hij dineerde te vijf uren en zette dan
+zijn deur open. 't Was de mode zijner eeuw en hij wilde er niet van
+afzien.--"De dag is schelmachtig," zeide hij, "en verdient niets dan
+gesloten vensters. Fatsoenlijke menschen laten hun geest lichten als
+het luchtruim zijn sterren ontsteekt."--En dus bleef hij voor ieder,
+zelfs voor den koning, ongenaakbaar. Dat was de oude bevalligheid
+van zijn tijd.
+
+
+
+
+
+
+ACHTSTE HOOFDSTUK.
+
+TWEE MAKEN GEEN PAAR.
+
+
+Van de twee dochters des heeren Gillenormand hebben wij reeds
+gesproken. De eene was tien jaren voor de andere geboren. In haar
+jeugd geleken zij weinig op elkander, zoomin wat gelaat als karakter
+betreft, en schenen bijna geen zusters te zijn. De jongste wendde haar
+bekoorlijk hart naar al wat licht was, zij hield zich met bloemen,
+verzen en muziek bezig, kon zich met etherische geestvervoering in
+hooger sferen verplaatsen en was reeds van haar kindsheid af aan het
+ideaal van een denkbeeldigen held verloofd. Ook de oudste had haar
+droombeelden; zij zag in de wolken een zeer rijken leverancier, een
+van domheid schitterend echtgenoot, een mensch geworden millioen,
+of wel een prefect; terwijl de receptiën in 's prefects huis, de
+boden in de voorkamer met een keten om den hals, de officiëele bals,
+de aanspraken in de mairie en het denkbeeld: de vrouw van een prefect
+te zijn, in haar verbeelding dooreen dwarrelden. Beide zusters hadden
+alzoo ieder haar wenschen, toen zij jong waren. Beide hadden vleugelen:
+de eene als van een engel, de andere als van een gans.
+
+Geen eerzucht wordt, ten minste niet hier op aarde, volkomen
+vervuld. Er is geen aardsch paradijs meer in onzen tijd. De jongere
+zuster was met den man harer droomen getrouwd, maar stierf. De oudste
+was niet getrouwd.
+
+Op het oogenblik, dat zij in onze geschiedenis optreedt, was zij een
+oude vrome, onontvlambare nuf, met den puntigsten neus en het stompste
+verstand, dat men maar vinden kon. Een karakteristieke bijzonderheid
+was 't voorzeker, dat niemand buiten den engen familiekring ooit haar
+voornaam geweten had. Men noemde haar altijd de oudste mejuffrouw
+Gillenormand. Wat de preutschheid betreft, zou zij 't van een Engelsche
+dame zelfs gewonnen hebben. 't Was de beschaamdheid tot het uiterste
+gedreven. Zoolang zij leefde, vervolgde haar één schrikkelijke
+herinnering; eens toch had een man haar kousenband gezien.
+
+En deze onmeêdoogende beschaamdheid was met de jaren nog erger
+geworden. Haar halsdoek was nooit dicht genoeg en zij kon ze nooit hoog
+genoeg ophalen. Zij zette steeds meer haken en oogen aan en stak zelfs
+spelden, waar niemand er aan dacht om te gluren. Het eigenaardige der
+preutschheid is immers ook, dat er te meer schildwachten worden gezet,
+naarmate de vesting minder wordt bedreigd.
+
+Toch liet zij zich--wie er in staat toe is verklare deze oude
+verborgenheid der onschuld--niet ongaarne door een officier der
+lanciers omhelzen, die haar achterneef was en Theodule heette.
+
+In spijt nochtans van dien begunstigden lancier kwam haar de benaming
+van "preutsch", welke wij haar gegeven hebben, toch volkomen
+toe. Juffrouw Gillenormand was een soort van schemeringsziel. De
+preutschheid is half deugd, half ondeugd.
+
+Bij haar preutschheid voegde zij nog dweperij, dubbele voering voor
+zulk een kleed. Zij behoorde tot het genootschap der H. Maagd, droeg
+op sommige feestdagen een witten sluier, prevelde bijzondere gebeden,
+vereerde het "heilige bloed" en "het heilige hart", kon uren lang
+aandachtig voor een kakelbont opgeschikt jezuïetisch altaar in een
+afzonderlijke, voor 't geloovig gemeen gesloten kapel blijven liggen,
+en liet daar haar ziel omhoog stijgen naar marmeren wolkjes en groote
+vergulde houten stralen.
+
+Zij had een kerkvriendin, een bedaagde maagd als zij, en daarbij zeer
+dom, die juffrouw Vaubois heette, en bij wie juffrouw Gillenormand het
+geluk had voor een genie door te gaan. Uitgezonderd de Agnus Dei en de
+Ave Maria, verstond juffrouw Vaubois niets, dan het op verschillende
+wijzen toebereiden van confituren. Juffrouw Vaubois, volmaakt in haar
+soort, was de hermelijn der domheid zonder een enkel smetje verstand.
+
+Wij moeten zeggen, dat juffrouw Gillenormand bij de vermeerdering
+harer jaren meer gewonnen dan verloren had, zooals bij lijdelijke
+naturen gewoonlijk het geval is. Zij was nooit slecht geweest,
+hetgeen betrekkelijk goed is; bovendien slijt de ouderdom de hoeken,
+en had de tijd haar week gemaakt. Zij had een sombere treurigheid,
+waarvan zij de oorzaak niet wist. In geheel haar persoon uitte zich
+de verbazing over een geëindigd leven, dat geen begin heeft gekend.
+
+Zij bestierde de huishouding van haar vader. Mijnheer Gillenormand
+had zijn dochter evenzoo bij zich, als Monseigneur Bienvenu zijn
+zuster. Zulke huishoudingen van een grijsaard en een oude vrijster zijn
+niet zeldzaam en vertoonen het aandoenlijk tooneel van twee zwakheden,
+die elkander steunen.
+
+Bovendien stond in dit huis, tusschen deze oude vrijster en dezen
+grijsaard in: een kind, een knaapje, steeds sprakeloos en bevende als
+mijnheer Gillenormand er bij was. Nooit sprak mijnheer Gillenormand
+dat kind anders dan op strengen toon en soms met opgeheven stok
+toe.--"Hier, domoor, deugniet, kom nader!--Antwoord, schelm!--Zoo
+ge mij weder onder de oogen durft komen!" enz. enz. enz. Toch aanbad
+hij het kind.
+
+Het was zijn kleinzoon. Wij zullen dat kind wedervinden.
+
+
+
+
+
+
+
+BOEK III.
+
+DE GROOTVADER EN DE KLEINZOON.
+
+
+EERSTE HOOFDSTUK.
+
+EEN VOORMALIG SALON.
+
+
+Toen mijnheer Gillenormand nog in de straat Servandoni woonde,
+bezocht hij verscheidene aanzienlijke en adellijke kringen. Hij werd
+er, schoon hij tot den burgerstand behoorde, ontvangen. Wijl hij een
+dubbele geestigheid had, namelijk die welke hij bezat en die welke men
+hem toeschreef, werd hij gezocht en gevierd. Hij ging nergens dan waar
+hij den toon voeren kon. Er zijn lieden, die tot elken prijs invloed
+uitoefenen willen, en verlangen dat men zich met hen bezig houde;
+die, waar zij geen orakel kunnen zijn, hansworst worden. Mijnheer
+Gillenormand had dien aard niet; zijn heerschappij in de koningsgezinde
+kringen, welke hij bezocht, ontnam niets aan zijn eigenwaarde. Hij
+was overal een orakel. Zelfs bood hij het hoofd aan Mr. de Bonald en
+Bengy-Puy Vallée.
+
+Omstreeks 1817 sleet hij onveranderlijk twee middagen per week bij
+mevrouw de barones de T.... die in zijne buurt, in de straat Ferou,
+woonde en een achtenswaardige dame was, wier echtgenoot onder
+Lodewijk XVI Fransch ambassadeur te Berlijn was geweest. Baron de
+T...., die zich bij zijn leven hartstochtelijk aan de magnetische
+verrukkingen en vizioenen overgaf, was arm als emigrant overleden,
+niets nalatende dan tien deelen handschriften, gebonden in rood
+marokijn en verguld op snede, die zeer merkwaardige herinneringen
+ten opzichte van Mesmer behelsden. Mevrouw T.... had welstaanshalve
+deze gedenkschriften niet uitgegeven, en leefde van een kleine rente,
+die haar, men weet niet hoe, was overgebleven. Zij leefde van 't hof
+verwijderd! een "zeer gemengde wereld," zooals zij het in haar edele,
+fiere en armoedige verlatenheid noemde. Eenige vrienden vereenigden
+zich tweemaal 's weeks om haar weduwlijken haard en vormden er een
+zuiver koningsgezinden kring. Men dronk er thee en, naar gelang
+men treurig of toornig gestemd was, zuchtte men of slaakte kreten
+van afgrijzen over de eeuw, de constitutie, de bonapartisten, de
+veilheid waarmede het blauwe ordelint aan de burgers werd gegeven,
+en het Jakobinisme van Lodewijk XVIII, en sprak er fluisterend over
+de hoop welke Monsieur, later Karel X, gaf.
+
+Met vreugdegejuich werden er spotliederen ontvangen, waarin Napoleon
+Nikolaas werd genoemd. Hertoginnen, de teederste en bekoorlijkste
+vrouwen zelfs, geraakten er in verrukking over verzen als deze,
+aan de federalisten gericht:
+
+
+ Renfoncez dans vos culottes
+ Le bout d' chemise qui vous pend.
+ Qu'on n' dis pas qu' les patriotes
+ Ont arboré l' drapeau blanc! [1]
+
+
+Men vermaakte zich met woordspelingen die men vreeselijk vond, met
+onnoozele naamspelingen die men giftig waande, en met verzen van vier,
+zelfs van twee regels; zoo ook met dit op het ministerie-Desolles, een
+gematigd cabinet, waarin de heeren Decases en Deserre zitting hadden.
+
+
+ Pour raffermir le trône ebranlé sur sa base,
+ Il faut changer de sol et de serre et de case [2]
+
+
+Of wel schold men er de Kamer der pairs voor: een afschuwelijke
+Jakobijnen-kamer en koppelde er spottende namen aaneen.
+
+Ook parodiëerde men er de Revolutie. Men keerde bij voorbeeld den
+zin van het ça ira om en zong:
+
+
+ Ah! ça ira! ça ira! ça ira!
+ Les buonapartist' à la lanterne!
+
+
+Liedjes hebben veel van de guillotine: zij onthoofden onverschillig,
+heden dezen, morgen genen. 't Zijn slechts variatiën.
+
+In het rechtsgeding Fualdès, dat in dien tijd, 1816, gevoerd werd,
+koos men partij voor Bastide en Jausion, wijl Fualdès "buonapartist"
+was. Men noemde de liberalen "broeders en vrienden," en dit was een
+beleediging in den hoogsten graad.
+
+Evenals sommige kerktorens, had de salon der baronesse T... twee
+weerhanen. De een was de heer Gillenormand, de andere de graaf de
+Lamothe Valois, van wien men elkander met een zweem van toegevendheid
+toefluisterde: "Ge weet wel, het is Lamothe van dat parelsnoer."
+
+Partijen verleenen zonderlinge amnestieën.
+
+In den burgerstand wordt een vereerende stelling al licht door het
+aanknoopen van mindere betrekkingen verlaagd, en moet men behoedzaam
+zijn zoo men iemand ontvangt; want even als er bij de nadering
+van koude verlies van warmtestof ontstaat, is er vermindering
+van hoogachting bij de nadering van verachtelijke personen. De
+oude, groote wereld verhief zich boven deze wet als boven alle
+andere. Marigny, broeder van la Pompadour, had toegang bij den prins
+van Soubise. Hoewel? neen, omdat hij dit was. Du Barry, peet van
+la Vaubernier, werd bij den maarschalk van Richelieu zeer gaarne
+gezien. Deze wereld was de Olymp. Merkuur en de prins van Guémenié
+waren er te huis. Een dief werd er toegelaten, mits hij tevens een
+god was.
+
+De graaf de Lamothe, die in 1815 een vijf-en-zeventigjarige grijsaard
+was, had niets bijzonders dan zijn zwijgende, peinzende houding,
+zijn koel, hoekig gezicht, zijn uitnemend beschaafde manieren, zijn
+tot aan de kin dichtgeknoopten rok en zijn lange beenen, welke, in
+een wijde bruin gekleurde broek, als hij zat, immer over elkander
+waren geslagen. Zijn gezicht had de kleur van zijn broek.
+
+Deze mijnheer de Lamothe was in dien salon door zijn vermaardheid
+"in tel" en, zonderling, ook door den naam van Valois.
+
+Wat den heer Gillenormand betreft, de achting, die men hem toonde,
+was van volkomen goed allooi. Zijn gezag was erkend. Hoe licht hij
+was, en zonder dat het aan zijn vroolijkheid schaadde, maakte zijn
+voorkomen indruk, deftig, eerlijk en burgerlijk trotsch als het was,
+gepaard aan zijne hooge jaren. Men is niet voor niets een eeuw oud. De
+jaren omgeven het hoofd eindelijk met iets eerbiedwaardigs.
+
+Bovendien gebruikte hij woorden, welke zoovele vonken waren uit
+den ouden rotssteen. Zoo werd de koning van Pruisen, toen deze,
+na Lodewijk XVIII op den troon te hebben hersteld, hem onder den
+naam van graaf van Rupen bezocht, door den afstammeling van Lodewijk
+XIV met de meest kiesche onbeschoftheid slechts als een soort van
+markies van Brandenburg ontvangen. Mijnheer Gillenormand keurde
+dit goed.--"Alle koningen, die geen koning van Frankrijk zijn,"
+zeide hij, "zijn provincie-koningen." Op zekeren dag vroeg men in
+zijn tegenwoordigheid: waartoe de redacteur van den Courier Français
+veroordeeld was? en toen men hierop antwoordde: Tot suspensie! merkte
+Gillenormand op [3], dat sus hier te veel was. Woorden als deze geven
+iemand vermaardheid.
+
+Bij gelegenheid dat op den verjaardag der terugkomst van de Bourbons
+het Te Deum werd gezongen, zeide Gillenormand, toen hij Talleyrand
+zag voorbijgaan: "Ziedaar Zijne Excellentie de Booze."
+
+Gewoonlijk werd mijnheer Gillenormand door zijn dochter, een lange
+dame, die toen over de veertig jaar oud was en er vijftig scheen, en
+door een lief en bloeiend frisch knaapje, met openhartige vroolijke
+oogen, verzeld, dat nooit in den salon verscheen zonder aller stem
+om hem heen te hooren fluisteren: "Welk een lieve knaap! hoe jammer,
+die arme jongen!" Dit knaapje nu was het kind, van 't welk wij zoo
+even gesproken hebben. Men noemde hem--"arme jongen"--wijl hij een
+"bandiet van de Loire" tot vader had.
+
+Deze "bandiet van de Loire" was dezelfde behuwdzoon van mijnheer de
+Gillenormand, van wien reeds gesproken is en dien deze de schandvlek
+zijner familie genoemd had.
+
+
+
+
+
+
+TWEEDE HOOFDSTUK.
+
+EEN DER ROODE SPOKEN VAN DIEN TIJD.
+
+
+Zoo iemand in dien tijd het stadje Vernon door en de schoone
+monumentale brug over ware gegaan, die, naar wij hopen, spoedig
+door een leelijke hangbrug van ijzerdraad vervangen zal worden,
+en dan een blik over de borstwering geslagen had, zou hij een man
+van vijftigjarigen ouderdom hebben kunnen zien, die een lederen
+pet, een broek en buis van grof grijs laken, waarop iets geels was
+genaaid, dat vroeger een rood lint moest geweest zijn, en klompen
+droeg. Zijn gezicht, door de zon verbrand, was schier zwart en zijn
+hart schier wit; een breed litteeken liep van zijn voorhoofd tot over
+de wang. Hij ging gebukt en gekromd, oud voor den tijd, en wandelde
+bijna dagelijks, met een spade en een snoeimes in de hand, in een
+der met muren omgeven tuinen, die als een terrassen-keten den linker
+Seine-oever met hun bekoorlijke bloemperken omzoomen en welke, zoo zij
+grooter waren, hoven, en zoo zij kleiner waren, bloemruikers konden
+heeten. Al deze tuintjes grensden aan het eene einde aan de rivier,
+aan 't andere einde aan een huis. De man met het buis en de klompen,
+van wien wij spreken, bewoonde in 1817 het kleinste dier tuintjes en
+het nederigste dier huizen. Hij woonde er alleen en eenzaam, stil en
+arm, met een noch jonge, noch oude, noch schoone, noch leelijke, noch
+boersche, noch steedsche vrouw, die hem bediende. Het stukje grond,
+dat hij zijn tuin noemde, was door de geheele stad vermaard om de
+schoone bloemen, welke hij er kweekte. Want dit was er zijn bezigheid.
+
+Door werkzaamheid, volharding, oplettendheid en emmers water was het
+hem gelukt den Schepper na te scheppen, en had hij een soort tulpen
+en dahlias uitgevonden, welke de natuur scheen vergeten te hebben. Hij
+was vindingrijk en Soulange Bodin zelfs voor geweest in de aanwending
+van heidegrond voor de kweeking van zeldzame en kostbare Amerikaansche
+en Chineesche heesters. Des zomers was hij reeds met het opgaan der zon
+tusschen zijn bloembedden bezig om te enten, te snoeien en te begieten,
+alles met een uitdrukking van goedheid, treurigheid en zachtheid op het
+gelaat; stond dan soms uren lang onbewegelijk naar het gezang van een
+vogel in een boom en het neuriën van een kind in huis te luisteren, of
+staarde naar een grasspriet, waarop het zonnelicht een dauwdroppel deed
+schitteren als een diamant. Zijn maaltijden waren zeer sober, en hij
+dronk meer melk dan wijn. Hij zwichtte voor een knaap en werd begromd
+door zijn dienstmeid. Hij was zoo beschroomd alsof hij menschenschuw
+ware, ging zelden uit, en ontving geen ander bezoek dan dat der armen,
+die aan zijn venster klopten, of van zijn pastoor, den abt Mabeuf,
+een oud goed man. Doch, wanneer stadsbewoners of vreemdelingen, de
+eersten de besten, nieuwsgierig bij hem aanschelden, om zijn tulpen
+en rozen te zien, opende hij glimlachend zijn deur. Deze man nu was
+de bandiet van de Loire.
+
+Wie in dienzelfden tijd de militaire gedenkschriften, de biographieën,
+den Moniteur en de bulletins van het groote leger had gelezen,
+zou getroffen zijn geweest door een naam, die er zoo dikwerf in
+voorkomt, den naam van Georges Pontmercy. In zijn jeugd was deze
+Georges Pontmercy soldaat in het regiment van Saintonge. De Revolutie
+brak uit. Het regiment van Saintonge behoorde tot het leger van
+den Rijn. Want de oude regimenten der monarchie behielden hun namen
+van provinciën, zelfs na den val der monarchie, en werden eerst in
+1794 tot brigades gevormd. Pontmercy streed te Spiers, te Worms,
+te Neustadt, te Turkheim, te Alzey en te Mainz, waar hij tot de
+tweehonderd behoorde, die de achterhoede van Houchard vormden. Met
+twaalf man hield hij achter den ouden wal van Andernach het corps van
+den prins van Hessen tegen en trok niet eerder naar het leger terug,
+dan toen het vijandelijk geschut een groote bres had geschoten. Onder
+Kleber was hij te Marchiennes en in het gevecht van Mont-Palissel,
+waar een kartetskogel hem den arm verbrijzelde. Toen trok hij
+naar het Italiaansche gebied en was een der dertig grenadiers,
+die met Joubert den Colde-Tende verdedigden. Joubert werd
+hiervoor tot generaal-adjudant en Pontmercy tot tweeden luitenant
+bevorderd. Pontmercy was aan Berthiers zijde te midden van het
+schrootvuur en het gevecht van Lodi, dat Bonaparte zeggen deed:
+Berthier is kanonnier, ruiter en grenadier geweest. Hij zag zijn
+ouden generaal Joubert te Novi vallen, juist toen hij, met opgeheven
+sabel, voorwaarts! riep. Met zijn compagnie, voor de benoodigdheden
+van den veldtocht, op een klein vaartuig ingescheept, dat van Genua
+naar ik weet niet welke kleine haven op de kust stevende, viel hij
+in een wespennest van zeven of acht Engelsche schepen. De Genueesche
+kommandant wilde de kanonnen in zee werpen, de soldaten tusschendeks
+verbergen en in de duisternis als koopvaardijschip doorsluipen. Maar
+Pontmercy deed de driekleur aan den mast hijschen en voer trotsch
+de kanonnen der Engelschen voorbij. Twintig mijlen verder nam hij
+met stijgende stoutmoedigheid een groot Engelsch transportschip,
+dat troepen naar Sicilië voerde en met manschappen en paarden tot
+aan de spuigaten volgeladen was.
+
+In 1805 behoorde hij tot de divisie Malher, die den aartshertog
+Ferdinand Gunzburg ontnam. Te Wettingen ving hij, in een hagelbui van
+kogels, kolonel Maupetit, die aan de spits van het 9e reg. dragonders
+doodelijk gekwetst werd, in zijn armen op. Hij onderscheidde zich
+te Austerlitz bij dien bewonderenswaardigen marsch, onder het vuur
+des vijands volbracht. Toen de cavalerie der keizerlijke russische
+garde een bataljon van het 4e linieregiment in de pan hakte,
+behoorde Pontmercy tot degenen, die wraak namen en deze garde
+overhoop wierpen. Toen gaf de keizer hem het kruis. Pontmercy zag
+achtereenvolgens Wurmser te Mantua, Melas in Alexandrië, Mack te Ulm
+krijgsgevangen maken. Hij behoorde tot het achtste corps van het groote
+leger, dat Mortier kommandeerde en Hamburg bemachtigde. Vervolgens
+ging hij over tot het 55e van linie, het voormalige regiment van
+Vlaanderen. Te Eylau was hij op het kerkhof, waar de heldhaftige
+kapitein Louis Hugo, oom van den schrijver van dit werk, alleen met
+zijn compagnie van drie-en-tachtig man gedurende twee uren de pogingen
+van het vijandelijke leger wederstond. Pontmercy was een van de drie,
+welke levend dit kerkhof verlieten. Hij was te Friedland. Vervolgens
+zag hij Moskou, toen de Beresina, toen Lutzen, Bautzen, Dresden,
+Wachau, Leipzig en de bergpassen van Gelenhausen; toen Montmirail,
+Chateau Thierry, Craon, de oevers der Marne, de boorden der Aisne,
+en de geduchte stelling van Laon. Als kapitein sabelde hij te
+Arnay-le-Duc, tien kozakken neer, en redde, niet zijn generaal, maar
+zijn korporaal. Bij deze gelegenheid werd hij getroffen, en haalde men
+uit zijn linkerarm niet minder dan zeven-en-twintig splinters. Acht
+dagen vóór de capitulatie van Parijs had hij met een kameraad geruild
+en was bij de cavalerie overgegaan. Want hij had wat men in den
+ouden tijd een dubbele hand noemde, d. i. het was hem hetzelfde,
+of hij als soldaat sabel en geweer hanteerde, dan wel als officier
+een escadron of bataljon kommandeeren moest. Uit deze door oefening
+verkregen bekwaamheid zijn verscheidene wapenhelden voortgekomen,
+zooals o. a. dragonders, die tegelijk ruiters en infanteristen
+zijn. Hij begeleidde Napoleon naar het eiland Elba. Te Waterloo was
+hij escadronschef bij de brigade curassiers van Dubois. Hij was 't, die
+het vaandel van het bataljon Lunenburg veroverde, en het aan de voeten
+des keizers wierp. Toen was hij met bloed bedekt door een sabelhouw,
+dien hij dwars over het gezicht had gekregen. Toen riep hem de keizer
+tevreden toe: "Ge zijt kolonel, ge zijt baron, ge zijt officier van
+het legioen van eer!" Toen antwoordde Pontmercy: "Sire, ik dank u voor
+mijn weduwe." Een uur later viel hij in den hollen weg van Ohain. En
+wie was nu die Georges Pontmercy? Het was de bandiet van de Loire.
+
+Men heeft nu reeds iets van zijn geschiedenis vernomen. Na den slag
+van Waterloo was het Pontmercy, die, zooals men zich herinnert, uit
+den hollen weg van Ohain was getrokken, gelukt zich weder bij het
+leger te voegen en, van de eene tot de andere ambulance, zich tot in
+het kantonnement der Loire voort te sleepen.
+
+De Restauratie had hem op halve soldij gesteld en vervolgens,
+natuurlijk onder opzicht, Vernon tot woonplaats aangewezen. Koning
+Lodewijk XVIII, al wat in de honderd dagen was gebeurd, als niet
+gebeurd beschouwende, had bijgevolg noch zijn hoedanigheid van officier
+van het legioen van eer, noch zijn rang van kolonel, noch zijn titel
+van baron erkend. Hij van zijn kant liet geen gelegenheid voorbijgaan
+om zich kolonel baron Pontmercy te teekenen. Hij had slechts één
+blauwen rok, en ging niet uit zonder er het lint van officier van
+het legioen van eer op te hechten. De procureur des konings deed hem
+verwittigen, dat hij hem wegens het onwettig dragen dezer decoratie zou
+vervolgen. Toen deze waarschuwing hem op officieuse wijze gegeven werd,
+antwoordde Pontmercy met bitteren glimlach: "Ik weet niet of ik geen
+Fransch meer versta, of dat gij 't niet meer spreekt, maar dit weet
+ik, dat ik u niet begrijp."--Vervolgens ging hij acht dagen achtereen
+met zijn lint uit. En men waagde het niet hem te verontrusten. Twee of
+drie keeren schreven de minister van oorlog en de generaal kommandant
+van het departement hem onder dit adres: Aan mijnheer den kommandant
+Pontmercy. Hij zond de brieven ongeopend terug. In dien zelfden tijd
+handelde Napoleon op St. Helena met de brieven van Sir Hudson Lowe
+aan generaal Bonaparte eveneens. Pontmercy was dan ook van dezelfde
+stof als zijn keizer gemaakt.
+
+Zoo waren te Rome ook carthageensche soldaten krijgsgevangen gemaakt,
+die weigerden Flaminius te groeten en die iets van Hannibal's ziel
+in zich hadden.--Op zekeren ochtend toen hij den procureur des
+konings te Vernon op straat ontmoette, naderde hij hem en vroeg:
+"Is 't geoorloofd, mijnheer de procureur des konings, dat ik mijn
+litteeken drage?"
+
+Hij had niets dan zijn zeer geringe halve soldij als escadronschef. Te
+Vernon had hij het kleinste huisje gehuurd, dat hij kon vinden. Men
+heeft gezien, hoe eenzaam hij er woonde. Tijdens het keizerrijk
+had hij, tusschen twee veldtochten in, den tijd gehad mejuffrouw
+Gillenormand te huwen. De oude burger had toen zuchtend en inwendig
+verontwaardigd zijn toestemming gegeven, zeggende: "De aanzienlijkste
+familiën zijn er toe gedwongen." In 1815 was mevrouw Pontmercy, een
+alleszins bewonderenswaardige, verhevene, zeldzame en haar echtgenoot
+waardige vrouw, overleden en had hem een kind nagelaten. Dit kind
+zou den kolonel in zijne eenzaamheid een vreugd zijn geweest; maar de
+grootvader had gebiedend zijn kleinzoon opgeëischt, en verklaard dat
+hij hem, zoo men 't kind niet gaf, onterven zou. De vader had zich in
+'t belang van den kleine onderworpen, en was, toen hij zijn kind niet
+meer bezitten kon, de bloemen gaan liefhebben.
+
+Overigens had hij zich alles ontzegd; hij hield zich stil en nam
+geen deel aan samenzweringen. Hij verdeelde zijn gedachten tusschen
+de onschuldige dingen welke hij deed, en de grootsche dingen die hij
+verricht had. Hij bracht zijn tijd door met een ontluikende anjelier
+te verbeiden en Austerlitz te gedenken.
+
+Mijnheer Gillenormand had volstrekt geen omgang met zijn behuwdzoon. De
+kolonel was voor hem een bandiet, en hij was voor den kolonel
+een zotskap. Gillenormand sprak nooit van den kolonel dan om met
+"zijn baronie" te spotten. Men was nadrukkelijk overeengekomen,
+dat Pontmercy nooit zou pogen om zijn zoon te zien of te spreken,
+op straffe dat deze dan weggejaagd en onterfd teruggezonden zou
+worden. Voor de Gillenormands was Pontmercy een pestziekte. Zij
+wilden het kind op hun wijze opvoeden. Misschien had de kolonel
+ongelijk deze voorwaarden aan te nemen, maar hij onderwierp zich,
+in de meening dat hij er wel aan deed en slechts zich zelven opofferde.
+
+De erfenis van vader Gillenormand was gering, maar die van de oude
+juffrouw Gillenormand aanzienlijk. Deze jongedochter gebleven tante was
+rijk van moederszijde, en de zoon van haar zuster was haar natuurlijke
+erfgenaam. Dit kind, Marius geheeten, wist dat hij een vader had, maar
+niets meer. Niemand sprak er hem van. Evenwel waren het gefluister,
+de toespelingen en de oogwenken in de kringen, waar zijn grootvader
+hem bracht, allengs door den knaap opgemerkt, die eindelijk iets begon
+te begrijpen en, nu hij, zooals natuurlijk was, de denkbeelden en
+meeningen die, om zoo te spreken, de lucht waren welke hij ademde,
+langzamerhand in zich opnam,--slechts met schaamte en een beklemd
+hart aan zijn vader denken kon.
+
+Terwijl hij dus opgroeide, kwam de kolonel elke twee of drie maanden
+eens zoo heimelijk te Parijs, alsof hij een uit zijn verblijf
+ontsnapte gevonniste was, en plaatste zich aan de deur der kerk van
+St. Sulpice, omstreeks het uur dat tante Gillenormand Marius naar de
+mis bracht. Daar, vreezende dat de tante mocht omzien, beschouwde hij,
+achter een pilaar verborgen, onbewegelijk en met ingehouden adem zijn
+kind. De dappere krijger was bang voor een oude vrijster.
+
+Hieruit was zijn kennismaking met den pastoor van Vernon, den abt
+Mabeuf, ontstaan.
+
+Deze achtenswaardige priester was de broeder van den kerkmeester
+van St. Sulpice, die dezen man dikwerf bij 't aanschouwen van zijn
+kind bespied, en tevens ook het litteeken op zijn wang, en de tranen
+die in zijn oogen blonken opgemerkt had. Het gezicht van dezen man,
+die zoo volkomen een man geleek en als een vrouw weende, had den
+kerkmeester getroffen. Die gestalte was hem bijgebleven.
+
+Op zekeren dag zijn broeder te Vernon bezoekende, ontmoette hij
+kolonel Pontmercy op de brug en herkende in dezen den man van
+St. Sulpice. De kerkmeester sprak den pastoor over hem en beiden
+brachten, onder een of ander voorwendsel, den kolonel een bezoek. Dit
+werd door meerdere gevolgd. De kolonel, aanvankelijk zeer zwijgend,
+werd eindelijk zoo spraakzaam, dat de pastoor en de kerkmeester met
+de geheele geschiedenis bekend werden en wisten, dat Pontmercy zijn
+gansche geluk aan de toekomst van zijn kind opgeofferd had. Dit had
+ten gevolge, dat de pastoor achting en medelijden voor hem begon te
+gevoelen en de kolonel van zijn kant bijzondere genegenheid voor den
+pastoor kreeg. Trouwens, zoo beiden toevallig oprecht en goed zijn,
+is er niets dat inniger en gereeder samensmelt dan een oud priester en
+een oud soldaat. Want in den grond gelijken zij elkander. De een offert
+zich voor het vaderland hierbeneden, de ander voor dat hierboven op;
+een ander verschil is er niet.
+
+Tweemaal 's jaars, op den 1 Januari en op den feestdag van St. Georges,
+schreef Marius zijn vader een brief uit plichtgevoel, welken zijn tante
+hem dicteerde, en die als uit een formulierboek gecopieerd was. Dit was
+alles wat Gillenormand toestond, en de vader antwoordde in zeer teedere
+brieven, die de grootvader in zijn zak stak, zonder ze te lezen.
+
+
+
+
+
+
+DERDE HOOFDSTUK.
+
+REQUIESCANT.
+
+
+De salon van mevrouw de T. was al wat Marius Pontmercy van de
+wereld kende. 't Was de eenige opening, door welke hij het leven
+kon inzien. Deze opening was donker, en hij ontving er meer koude
+dan warmte, meer duisternis dan licht door. Dit kind, enkel vreugd
+en licht, toen hij in deze zonderlinge wereld kwam, werd in korten
+tijd treurig en, wat nog meer met zijn jeugd in strijd was, ook
+ernstig. Door al deze statige en zonderlinge personen omgeven,
+schouwde hij met ernstige verbazing in 't rond. Alles vereenigde
+zich om zijn verbazing te vermeerderen. In den salon van mevrouw
+T. waren oude adellijke, zeer eerbiedwaardige dames, als: Mathan, Noé,
+Levis, dat men als Levi, Cambis, dat men als Cambise uitsprak. Deze
+ouderwetsche tronies en bijbelsche namen vermengden zich in den geest
+van het knaapje met het oude testament, dat hij van buiten leerde,
+en wanneer zij daar alle in een kring om het wegstervend vuur zaten,
+ten halve door een groen gesluierde lamp verlicht, met haar strenge
+gezichten, grijs of wit haar en lange kleederen uit een andere eeuw,
+waarvan men niets dan de donkere kleur zag, en zij slechts zelden
+eenige tevens schuwe en majestueuse woorden spraken, aanschouwde de
+kleine Marius ze met verschrikte oogen, meenende, dat hij geen vrouwen,
+maar patriarchen en wijzen, geen menschen, maar spoken zag.
+
+Onder deze spoken bevonden zich verscheidene priesters, de gewone
+bezoekers van dezen ouderwetschen kring, en eenige edellieden: de
+markies de Sass... secretaris van mevrouw de hertogin de Berry;
+de markgraaf de Val..., die onder het pseudoniem van "Charles
+Antoine" gelijkrijmende oden schreef; de prins de Beauf..., die
+hoewel nog tamelijk jong een reeds grijzend hoofd en een jonge,
+geestige vrouw had, wier scharlakenrood fluweelen, laag uitgesneden
+kleederen met gouden snoeren deze sombere wereld verschrikten; de
+markies de C... de E..., de man die het best van geheel Frankrijk
+de verschillende graden van wellevendheid kende; de graaf de M...,
+een goed man met een welwillende kin; en de ridder de Port-de-Guy,
+steunpilaar der bibliotheek van de Louvre, het zoogenaamde koninklijke
+cabinet. Mijnheer de Port-de-Guy, een man met een kaal hoofd en eer
+verouderd dan oud geworden, verhaalde dat men hem in 1793, toen hij
+zestien jaar oud was, als oproermaker naar het bagno had gevoerd en
+daar met den tachtigjarigen bisschop de Mireboix aan dezelfde keten
+had geklonken, omdat deze als priester, gelijk hij als soldaat,
+den eed had geweigerd. Hun werk was, des nachts van het schavot de
+hoofden en lichamen der geguillotineerden van dien dag bijeen te
+rapen; en daar zij deze druipende rompen meestal op den rug droegen,
+hadden hun roode galeibuizen achter aan den kraag een korst bloed,
+die 's ochtends droog en 's avonds vochtig was. Van deze treurige
+verhalen vloeide het in den salon van mevrouw T. over. Men vloekte er
+Marat en verheerlijkte er Trestaillon. Eenige afgevaardigden van een
+thans verdwenen genre speelden er whist; het waren de heeren Thibord
+du Chalard, Memarchant de Gorincourt, en de vermaarde grappenmaker van
+de rechterzijde, de heer Cornet Dincourt. De baljuw van Ferrette, met
+zijn korte broek en spillebeenen, bezocht den salon soms als hij naar
+den heer Talleyrand ging. Hij was de metgezel in alle pleiziertjes van
+den graaf van Artois geweest, en in tegenstelling van Aristoteles die
+op Campaspe hurkte, had hij la Guimard op handen en voeten laten loopen
+en de wereld daardoor een wijsgeer vertoond, door een baljuw gewroken.
+
+Van de priesters vond men er den abt Halma, denzelfden die tot den heer
+Larose, zijn medearbeider aan la Foudre zeide: Wel! wie is er geen
+vijftiger! misschien een paar melkmuilen? Voorts de abt Letourneur,
+hofprediker, de abt Frayssinous, die nog geen graaf, of bisschop,
+of minister, of pair was, en een ouden priesterrok zonder knoopen
+droeg; de abt Keravenant, pastoor van Saint-Germain-de-Prés; dan de
+pauselijke nuntius, dan Monsignor Macchi, aartsbisschop van Nisibi,
+later kardinaal, merkwaardig door zijn langen, diepdenkenden neus,
+en een anderen Monsignor, getiteld: abbate Palmieri, huisprelaat,
+een der zeven protonotarissen van den H. Stoel, kanunnik der
+uitmuntende liberische baziliek, advocaat der heiligen, postulatore
+di Sancti, 't geen tot de zaken der kanonisatie behoort en zooveel
+als: rekwestmeester van de hemelsche sectie beteekent. Eindelijk
+twee kardinalen, mgr. de la Luzerne en mgr. de C.... T.... Mgr. de
+kardinaal de la Luzerne was een schrijver, die eenige jaren later
+de eer zou hebben in den Conservateur naast Chateaubriand zijn
+artikels te teekenen. Mgr. de C... T... was aartsbisschop van
+Toulouse, en kwam dikwerf te Parijs om zich te ontspannen bij zijn
+neef den markies de T..., die minister van marine en van oorlog
+is geweest. De kardinaal de C... T... was een kleine, vroolijke
+grijsaard, die onder zijn opgeschort priesterkleed zijn roode kousen
+vertoonde, en zich onderscheidde door zijn haat tegen de Encyclopedie
+en zijn bijzondere liefde voor het billard. Zoo zelfs dat zij, die
+destijds op zomeravonden de M... straat doorgingen, waar het hôtel van
+Cl... T... gelegen was, staan bleven om naar het stooten der ballen en
+de scherpe stem van den kardinaal te luisteren, die zijn conclavist,
+monseigneur Cottret, bisschop inpartibus van Carysta het: "Markeer,
+abt, ik caramboleer!" toeriep. De kardinaal de C... T... was door
+zijn boezemvriend mgr. de Roquelaure, oud bisschop van Senlis een
+van de veertig, aan mevrouw T... voorgesteld. Mgr. de Roquelaure
+was opmerkelijk door zijn hooge gestalte en zijn bijzonderen ijver
+voor de academie; alle donderdagen konden de nieuwsgierigen door de
+glazendeur der zaal, welke aan de bibliotheek grensde, waar de Fransche
+Academie toen haar zittingen hield, den voormaligen bisschop van Senlis
+aanschouwen, gewoonlijk staande, versch gepoederd, met violetkleurige
+kousen, en den rug naar de deur gekeerd, waarschijnlijk om zijn staand
+boordje beter in 't oog te doen vallen. Al deze geestelijken, schoon
+evenzeer hovelingen als mannen der kerk, vermeerderden de deftigheid
+van den salon van mevrouw T...., waaraan vijf pairs van Frankrijk,
+de markies de Vib..., de markies de Tal..., de markies d'Herb...,
+de vicomte Damb... en de hertog de Val... niet weinig luister
+bijzetten. De hertog de Val..., hoewel prins van Non..., dat wil zeggen
+vreemd soeverein prins, had zulk een verheven denkbeeld van Frankrijk
+en van het pairschap, dat hij alleen door dit glas alles bezag. Hij
+zeide: "De kardinalen zijn de Fransche pairs van Rome; de lords zijn
+de Fransche pairs van Engeland." Overigens--want in deze eeuw moet
+de revolutie wel overal zijn--gaf in dezen adellijken salon, zooals
+wij gezegd hebben, een burger, de heer de Gillenormand, den toon aan.
+
+Hier was de keur, de bloem der Parijsche witte maatschappij
+vereenigd. De beroemdheden, zelfs de koningsgezinde, moesten er
+quarantaine houden. Want in een beroemden naam ligt altijd een
+weinig regeeringloosheid en Chateaubriand, zoo hij er gekomen was,
+zou er zeker den indruk van een heftig republikein gemaakt hebben. Uit
+verdraagzaamheid werden echter in deze orthodoxe wereld ook eenige
+bekeerden toegelaten. De graaf Burg... werd er ontvangen om zich
+te beteren.
+
+De "adellijke" salons van heden gelijken die salons niet meer. De
+voorstad Saint-Germain riekt tegenwoordig naar den mutserd. De
+koningsgezinden van heden, het zij tot hun lof gezegd, zijn demagogen,
+bij toen vergeleken.
+
+Vermits het gezelschap van mevrouw T... uitgelezen was, heerschte
+er onder een uitnemende wellevendheid tevens een fijne smaak en
+veel hoogheid. De gewoonten waren er onwillekeurig aan allerlei
+verfijning onderworpen, evenals onder de voormalige regeering, die,
+schoon begraven, nog leefde.
+
+Eenige dier gewoonten, vooral in de taal, schenen
+zonderling. Oppervlakkige kenners zouden voor provinciaal hebben
+gehouden wat slechts verouderd was. Men noemde een vrouw mevrouw de
+generaalse. 't Was zelfs niet ongewoon, dat men mevrouw de kolonelse
+zeide. De bekoorlijke mevrouw de Leon, waarschijnlijk als herinnering
+aan de hertoginnen de Longueville en de Chevreuse, stelde deze benaming
+boven haar titel van prinses. Ook de markiezin de Crequi noemde zich
+mevrouw de kolonelse.
+
+Deze kleine groote wereld had zelfs in de Tuilerieën de verfijning
+ingevoerd om, met den koning sprekende, "de koning" in den derden
+persoon en nooit "uwe majesteit" te zeggen, daar deze titel door den
+"overweldiger bezoedeld was."
+
+Daar werden èn de feiten èn de menschen beoordeeld. Men bespotte
+er de eeuw, 't geen iemand ontsloeg om haar te begrijpen. Men hielp
+elkander in verwondering. Men deelde elkander het licht mede dat men
+bezat. Methuzalem onderrichtte Epimenides. De doode hielp den blinde
+op de hoogte. Men verklaarde den tijd, sinds Koblentz verstreken, van
+nul en geener waarde. Evenals Lodewijk XVIII door de gratie Gods in
+het vijf-en-twintigste jaar zijner regeering was, waren de emigranten
+van rechtswege in het vijf-en-twintigste jaar hunner jongelingschap.
+
+Alles was in harmonie; niets had te veel leven; het woord was
+er nauwelijks een adem; het dagblad, in overeenstemming met de
+salons, scheen een papyrusrol. Er waren jongelieden, maar zij waren
+reeds eenigszins overleden. In de antichambres waren de livereien
+ouderwetsch. De meesters werden er bediend door dienstboden, even
+verouderd als zij. Alles scheen reeds lang geleefd te hebben en zich
+tegen het graf te verzetten. Behouden, Behouding, Behouder, dat
+was er bijna het geheele woordenboek; de hoofdzaak was "in goeden
+reuk te staan." Inderdaad, er waaiden geuren uit de opiniën dezer
+eerbiedwaardige kringen; hun denkbeelden schenen te wemelen. 't Was een
+wereld van mummiën. De meesters waren gebalsemd, de knechts opgezet.
+
+Een deftige geëmigreerde en verarmde markiezin, die nog slechts één
+dienstmaagd had, sprak voortdurend van "mijne dienstboden."
+
+Wat deed men in den salon van mevrouw de T.? Men was er ultra.
+
+Ultra te zijn,--het woord heeft, hoezeer hetgeen het vertegenwoordigt
+misschien nog niet verdwenen is, thans geen zin meer. Laat ons dit
+verklaren.
+
+Ultra zijn is overdrijven. 't Is den schepter in naam van den troon,
+en den mijter in naam van het altaar aanranden; 't is de zaak, die
+men behandelt, mishandelen; 't is achteruit schoppen in het tuig;
+'t is den brandstapel om de meer of mindere gaarheid der ketters
+lastig vallen; 't is den afgod zijn weinige afgoderij verwijten;
+'t is door te veel eerbied beleedigen; 't is in den paus te weinig
+pausdom, in den koning te weinig koningschap en in den nacht te
+veel licht zien; 't is in naam der blankheid ontevreden zijn op het
+albast, op de sneeuw, op den zwaan en op de lelie; 't is voor sommige
+zaken zoo vooringenomen zijn, dat men er bijna vijandig tegen wordt;
+'t is zoozeer "voor iets" zijn, dat men er "tegen" wordt!
+
+De ultra-geest kenmerkt bovenal het eerste tijdperk der Restauratie.
+
+Niets gelijkt in de geschiedenis op den tijd, die met 1814 aanvangt
+en in 1820 bij de komst aan het bewind van den heer de Villèle,
+den practischen man der rechterzijde, eindigt. Deze zes jaren waren
+een buitengewoon oogenblik, beurtelings levendig en stil, vroolijk
+en somber, als door de stralen van den dageraad verlicht en in de
+duisternis der groote gebeurtenissen gehuld, die den horizont nog
+bedekten en langzamerhand in het verleden wegzonken. In dat licht en
+die duisternis leefde een kleine nieuwe en oude wereld, grappig en
+treurig, jeugdig en bejaard, die zich de oogen wreef;--niets gelijkt
+meer naar 't ontwaken dan de terugkomst;--het was er een groep,
+die Frankrijk misnoegd aankeek en door Frankrijk weder spottend
+beschouwd werd; het waren straten vol oude uilen-markiezen, met
+wedergekomenen en wederkomenden, van lieden van voorheên, die over
+alles verbaasd waren, van brave en edele edellieden, verheugd in
+Frankrijk te zijn en toch ook weenend, verrukt dat ze hun vaderland
+mochten wederzien en wanhopig dat ze hun monarchie niet wedervonden;
+het was de adel der kruistochten, die den adel van het keizerrijk,
+namelijk den adel van den degen, beschimpte; historische geslachten,
+die den zin der geschiedenis vergeten hadden; zonen van hen die Karel
+den groote vergezelden en de kameraden van Napoleon verachtten. De
+degens beleedigden elkander; het zwaard van Fontenoy was bespottelijk
+en heette oud roest; de degen van Marengo was gehaat en heette een
+sabel. Het heden miskende het gisteren. Men had geen gevoel meer
+voor hetgeen groot noch besef van 't geen bespottelijk was. Er was
+iemand die Bonaparte Scapin noemde. Zulke menschen zijn er niet
+meer. Neen, wij herhalen het, niets is thans meer van hen over. Zoo
+wij toevallig een dier figuren te voorschijn doen komen en in onzen
+geest pogen te doen herleven, schijnt ze ons wonderbaar als een
+voorwereldlijk wezen. En ook die wereld is immers door een zondvloed
+verzwolgen. Verdwenen is ze onder twee revolutiën. Welk een stroom
+van ideeën! Hoe snel overdekken zij wat zij moeten vernietigen en
+begraven, en hoe haastig delven zij schrikwekkende diepten!
+
+Zoo was het voorkomen van den salon in die verwijderde oprechte tijden,
+toen Martainville geestiger dan Voltaire was.
+
+Die salons hadden een eigen literatuur en politiek. Men geloofde er
+aan Fiévée. Agier gaf er de wet. Men commentarieerde er Colnet, den
+publicist-boekenkramer op de kade Malaquais. Napoleon werd er niet
+anders dan de Korsikaansche menscheneter genoemd. De latere plaats,
+die de markies de Buonaparte in de geschiedenis als luitenant-generaal
+der koninklijke legers vond, was slechts een concessie welke men den
+tijdgeest deed.
+
+Die salons bleven niet lang zuiver. Reeds in 1818 daagden er eenige
+doctrinaires op, als een onrustbarend verschijnsel. Dezen waren
+koningsgezind, maar slechts toen ze 't moesten zijn. Waar de ultra's
+zich fier betoonden waren de doctrinaires een weinig beschaamd. Zij
+waren schrander en stilzwijgend; hun politieke leer werd door hoogmoed
+tamelijk gerugsteund; zij moesten slagen. Bovendien maakten zij een
+nuttig, schoon overdreven gebruik van witte dassen en dicht geknoopte
+rokken. Het ongelijk of liever het ongeluk der doctrinaires was, dat
+zij de jeugd oud maakten. Zij namen de houding van wijsgeeren aan. Zij
+droomden er van om op een absoluut en buitensporig beginsel een
+gematigd gezag te enten. Zij stelden soms met zeldzame schranderheid
+een afbrekend liberalisme tegenover een behoudend. Zij zeiden: "Genade
+voor het koningschap, het heeft meer dan één dienst bewezen. Het heeft
+ons de overlevering, den eeredienst, den godsdienst, den eerbied
+weder geschonken. Het is trouw, moedig, ridderlijk, beminnend en
+verknocht. Het huwt, hoewel met leedwezen, aan de nieuwe grootheid der
+natie de eeuwenoude grootheid der monarchie. Het heeft ongelijk dat
+het de revolutie, het keizerrijk, den roem, de vrijheid, de jongere
+denkbeelden, de nieuwe geslachten, de eeuw niet begrijpt. Maar
+het ongelijk, dat het tegenover ons heeft, hebben wij 't ook soms
+niet tegen het koningschap? De revolutie, wier erfgenamen wij zijn,
+moet alles kennen. Het koningschap aan te randen, is in weerspraak
+met het liberalisme. Welk een misslag, welk een verblinding! Het
+revolutionaire Frankrijk heeft geen eerbied voor het historische
+Frankrijk, dat is voor zijn moeder, dat is voor zich zelven. Na den
+5 September behandelt men den adel der monarchie evenals men 't na
+den 8 Juli den adel van het keizerrijk deed. Zij waren onrechtvaardig
+tegen den adelaar, wij zijn onrechtvaardig tegen de lelie. Wil men
+dan altijd iets te bannen hebben! Is het dan zoo noodzakelijk, aan
+de kroon van Lodewijk XIV haar verguldsel te ontnemen, het schild
+van Hendrik IV stuk te slaan? Wij lachen om de Vaublanc, die aan de
+brug van Jena de N liet uitwisschen. Wat deed hij dan? Hetzelfde dat
+wij doen. Bouvines behoort ons evenals Marengo. De lelie behoort ons
+evengoed als de N. 't Is ons erfdeel. Waarom het te verkleinen? Men
+moet evenmin het vaderland in het verleden als in het tegenwoordige
+verloochenen. Waarom niet de geheele geschiedenis aangenomen? Waarom
+niet geheel Frankrijk bemind?"
+
+Alzoo critiseerden en beschermden de doctrinaires het royalisme,
+dat misnoegd was omdat het gecritiseerd, en woedend omdat het
+beschermd werd. De ultra's kenmerkten het eerste tijdperk van het
+royalisme; de congregatie karakteriseerde het tweede. Op drift volgde
+behendigheid. Eindigen wij hiermee deze schets.
+
+In den loop van dit verhaal zag de schrijver dit merkwaardig oogenblik
+der geschiedenis van onzen tijd als op zijn weg; hij moest er in
+'t voorbijgaan een blik op slaan en eenige zonderlinge lijnen dier
+nu onbekende maatschappij schetsen. Maar hij deed het vluchtig en
+zonder bittere of spottende aanmerkingen. Teedere en eerbiedwaardige
+herinneringen, want zij raken zijn moeder, hechten hem aan dat
+verleden. Wij moeten overigens zeggen, dat ook die kleine wereld haar
+grootheid had. Men moge er over glimlachen, maar ze noch verachten,
+noch haten. Het was het Frankrijk van den voortijd.
+
+Marius Pontmercy leerde evenals alle kinderen. Toen hij uit de
+handen van tante Gillenormand kwam, vertrouwde zijn vader hem aan een
+onderwijzer van de zuiverste klassieke onnoozelheid toe. De jonge ziel,
+die zich nauw opende, ging dus uit de handen van eene preutsche in
+die van een pedant over. Na zijn schooljaren werd Marius student in de
+rechtsgeleerdheid. Hij was koningsgezind, fanatiek en streng. Hij had
+weinig liefde voor zijn grootvader, wiens vroolijkheid en zonderlinge
+wijsbegeerte hem krenkten, en voor zijn vader was hij somber.
+
+Overigens was hij een hartstochtelijk en koel, een edel, fier,
+godsdienstig, licht ontvlambaar jongeling; met een eigenwaarde, die
+tegen alles bestand was, en een reinheid, die bijna in barbaarschheid
+ontaarde.
+
+
+
+
+
+
+VIERDE HOOFDSTUK.
+
+DE BANDIET STERFT.
+
+
+Het einde van Marius' klassieke studie viel samen met de verwijdering
+van den heer Gillenormand uit de groote wereld. De grijsaard nam
+afscheid van de voorstad St. Germain en den salon van mevrouw T... en
+betrok het huis in de straat des Filles-du-Calvaire in het Marais. Hij
+had er, behalve den portier, dezelfde Nicolette in zijn dienst, die
+op Magnon was gevolgd en den amechtigen hijgenden Basque, van wien
+we boven reeds hebben gesproken.
+
+In 1827 was Marius zijn zeventiende jaar ingetreden. Op zekeren avond
+te huis komende vond hij zijn grootvader met een brief in de hand.
+
+"Marius," zei mijnheer de Gillenormand, "morgen moet ge naar Vernon
+vertrekken."
+
+"Waarom?" vroeg Marius.
+
+"Om uw vader te bezoeken."
+
+Marius ontstelde. Aan alles had hij gedacht, behalve aan de
+mogelijkheid, dat hij eenmaal zijn vader zou zien. Niets kon hem
+onverwachter, verrassender, en, wij moeten het zeggen, onaangenamer
+zijn. Men dwong den verwijderde tot toenadering. 't Was geen verdriet,
+maar een last.
+
+Marius was, zijn politieken afkeer daargelaten, overtuigd, dat zijn
+vader, de voorvechter, gelijk mijnheer Gillenormand hem, wanneer hij
+goed geluimd was, noemde, hem niet beminde; 't was bewezen, wijl hij
+hem anders niet verlaten en aan anderen overgegeven zou hebben. Nu
+hij zich niet bemind zag, beminde hij ook niet. Niets was eenvoudiger
+naar hij dacht.
+
+Hij was zoo verbaasd, dat hij mijnheer de Gillenormand niets
+vroeg. Deze hernam:
+
+"'t Schijnt dat hij ziek is. Hij verlangt u te zien."
+
+En hij voegde er na eenig zwijgen bij:
+
+"Ge vertrekt morgenochtend. Ik geloof, dat er te zes uren een wagen
+vertrekt, die daar des avonds aankomt. Daarmede moet ge gaan. Hij zegt,
+dat er haast bij is."
+
+Toen kreukte hij den brief ineen en stak hem in zijn zak. Marius had
+denzelfden avond op reis kunnen gaan en zou dan den volgenden ochtend
+bij zijn vader geweest zijn. Een diligence in de straat du Bouloy
+reed destijds 's nachts over Vernon naar Rouaan. Noch Gillenormand
+noch Marius dachten er echter aan hier onderzoek naar te doen.
+
+Den volgenden dag tegen den avond kwam Marius te Vernon. Hier en daar
+werd het licht reeds ontstoken. Hij vroeg den eersten den besten,
+dien hij ontmoette, naar het huis van mijnheer de Pontmercy. Want hij
+was van dezelfde gedachte als de Restauratie en erkende zijn vader
+evenmin als baron of kolonel.
+
+Men wees hem de woning aan. Hij schelde, en eene vrouw met een lampje
+in de hand opende de deur.
+
+"Is mijnheer Pontmercy er ook?" vroeg Marius.
+
+De vrouw bleef onbewegelijk.
+
+"Ben ik terecht?" vroeg Marius.
+
+De vrouw knikte bevestigend.
+
+"Zou ik hem dan kunnen spreken?"
+
+De vrouw schudde ontkennend het hoofd.
+
+"Maar ik ben zijn zoon!" hernam Marius. "Hij wacht mij."
+
+"Hij wacht u niet meer," sprak de vrouw.
+
+Toen zag hij, dat zij weende.
+
+Zij wees hem met den vinger naar een kleine benedenkamer, en hij
+trad binnen.
+
+In deze kamer, door een op den schoorsteen staande vetkaars verlicht,
+waren drie mannen bijeen, een staande, een knielende, en een in 't
+hemd op den vloer liggende. Hij, die op den vloer lag, was de kolonel.
+
+De beide anderen waren de geneesheer en de priester, die bad.
+
+De kolonel had drie dagen lang een hersenkoorts gehad. Bij den aanvang
+der ziekte, den slechten afloop vermoedende, schreef hij mijnheer
+de Gillenormand om zijn zoon. De ziekte was verergerd. Denzelfden
+avond van Marius' komst te Vernon had de kolonel een aanval van
+waanzin gehad; hij was, in weerwil van de pogingen der dienstbode,
+uit het bed gekomen en had geroepen: "Mijn zoon komt niet, ik ga
+hem te gemoet!"--Toen was hij zijn slaapvertrek uitgegaan en in de
+voorkamer nedergezonken. Daar was hij ook gestorven.
+
+Men had den geneesheer en den pastoor geroepen.
+
+De geneesheer was te laat gekomen, de pastoor was te laat gekomen.
+
+Bij het flauwe schijnsel der kaars zag men op de bleeke wang van den
+overleden kolonel een traan, die uit zijn gestorven oog was gevloeid.
+
+Het oog was verdoofd, maar de traan niet opgedroogd. Die traan was
+om het uitblijven van zijn zoon gestort.
+
+Marius beschouwde dezen man, dien hij voor het eerst en het laatst
+zag, dat eerwaardig mannelijk gelaat, die geopende maar blinde oogen,
+die witte haarlokken, die forsche leden, waarop men hier en daar
+bruine lijnen bespeurde, waar sabelhouwen, en roode starretjes, waar
+kogels hem getroffen hadden. Hij beschouwde het groote litteeken dat
+aan dit gezicht, waarop God het merkteeken der goedheid had gedrukt,
+een stempel van heldenmoed gaf. Hij bedacht, dat die man zijn vader
+was en nu was gestorven, en hij bleef koel.
+
+Zijn droefheid was dezelfde, die hij bij den aanblik van ieder anderen
+doode gevoeld zou hebben.
+
+Er was rouw, smartelijke rouw in deze kamer. De dienstmaagd jammerde
+in een hoek, de priester bad en men hoorde hem snikken, de geneesheer
+wischte zijn oogen af, en het lijk zelf weende ook.
+
+Die geneesheer, die priester en die vrouw beschouwden Marius door hun
+tranen heên zonder een woord te spreken; hij was hier vreemdeling. En
+Marius, niet zoo diep bewogen, gevoelde zich beschaamd en verlegen
+in zijn toestand; hij hield zijn hoed in de hand en liet hem vallen,
+opdat men gelooven zou dat zijn smart hem de kracht ontnam hem vast
+te houden.
+
+Maar tegelijkertijd gevoelde hij iets als wroeging in zijn binnenste
+en verachtte hij zich zelven om die daad.
+
+Maar was 't zijn schuld dan? Hij beminde immers zijn vader niet, welnu!
+
+De kolonel liet niets na. De verkoop van het huisraad strekte
+ternauwernood om de begrafeniskosten te betalen. De dienstmaagd vond
+een stukje papier, dat zij aan Marius gaf. De hand van den kolonel
+had er op geschreven:
+
+"Voor mijn zoon. De keizer heeft mij op het slagveld van Waterloo
+baron gemaakt. Daar de restauratie mij het bezit betwist van dezen
+titel, dien ik met mijn bloed betaald heb, zal mijn zoon hem nemen
+en voeren. 't Spreekt vanzelf dat hij hem waardig zal zijn." Op de
+achterzijde had de kolonel er bij gevoegd: "In dienzelfden slag van
+Waterloo redde een sergeant mij het leven. Deze man heet Thénardier. Ik
+geloof, dat hij in den laatsten tijd op een dorp in de omstreken van
+Parijs te Chelles of Montfermeil een kleine herberg had. Zoo mijn
+zoon Thénardier ontmoet, zal hij hem zooveel goed doen als hij kan."
+
+Niet uit liefde voor zijn vader, maar door dien zekeren eerbied voor
+den dood, die in 't menschelijk hart altijd zoo gebiedend spreekt,
+nam Marius het papier en stak het bij zich.
+
+Niets bleef er van den kolonel over. De heer Gillenormand liet
+zijn degen en uniformrok aan een uitdrager verkoopen. De buren
+plunderden den tuin en roofden de zeldzame bloemen. De overige planten
+verwilderden en verstierven.
+
+Marius was niet langer dan achtenveertig uren te Vernon gebleven. Na
+de begrafenis keerde hij naar Parijs terug en hervatte zijn studiën,
+zonder veel meer aan zijn vader te denken, dan of deze nooit geleefd
+had. In twee dagen tijds was de kolonel begraven, en in drie dagen
+was hij vergeten.
+
+Marius droeg een rouwband om den hoed. Dat was alles.
+
+
+
+
+
+
+VIJFDE HOOFDSTUK.
+
+OM REVOLUTIONAIR TE WORDEN, IS 'T ZEER GOED DE MIS BIJ TE WONEN.
+
+
+Marius had de godsdienstige gewoonten zijner jeugd behouden. Op een
+Zondag, toen hij in St. Sulpice de mis ging hooren, en wel in dezelfde
+kapel der H. Maagd, waarheen zijn tante hem geleidde toen hij nog klein
+was, was hij dien dag afgetrokkener en peinzender dan ooit achter
+een pilaar nedergeknield, zonder op den trijpen stoel te letten, op
+welks rug: de heer Mabeuf, kerkmeester geschilderd stond. Nauwelijks
+was de mis evenwel begonnen of een oud man naderde hem en zeide:
+
+"Mijnheer, dit is mijn plaats."
+
+Waarna Marius haastig opstond, en de oude man zijn stoel in gebruik
+nam.
+
+Na de mis was Marius, nog in gedachten verdiept, eenige schreden van
+daar blijven staan, toen de grijsaard, hem opnieuw naderend, zeide:
+
+"Vergeef me, mijnheer, dat ik u zoo even gestoord heb en u nogmaals
+storen moet; ge zult mij wel zeer lastig vinden, maar ik zal u
+verklaring geven."
+
+"Dat is onnoodig, mijnheer," zei Marius.
+
+"Neen," hernam de oude man, "ik wil niet, dat ge een slecht denkbeeld
+van mij zult krijgen. Zie, ik ben aan deze plaats gehecht. Het is
+mij of ik er de mis beter hooren kan. Ik zal u zeggen waarom. Tien
+jaren lang zag ik er geregeld om de twee of drie maanden een arm, goed
+vader knielen, die geen andere gelegenheid en geen ander middel had om
+zijn kind te zien, wijl men hem dit wegens familiezaken belette. Hij
+kwam altijd op het uur dat zijn zoontje, zooals hem bekend was, naar
+de mis werd gebracht. De kleine vermoedde niet, dat zijn vader daar
+was. Misschien wist het onnoozele kind niet eens, dat hij een vader
+had. En de vader zelf stond achter een pilaar, opdat men hem niet zien
+zou. Daar aanschouwde hij zijn kind en weende. Want de arme man aanbad
+zijn kind. Ik heb 't gezien. Die plek is als 't ware heilig voor mij
+geworden, en ik ben steeds gewoon er de mis te hooren. Ik verkies
+ze boven de bank, waar ik als kerkmeester recht op heb. Ik heb dien
+ongelukkigen heer zelfs een weinig gekend. Hij had een schoonvader,
+een rijke tante en bloedverwanten, geloof ik, die het kind dreigden te
+onterven, zoo het zijn vader bezocht. En zoo had hij zich opgeofferd,
+opdat zijn zoon eens rijk en gelukkig zou zijn. Men scheidde hem
+van zijn kind om politieke meeningen. Ik ben niet tegen politieke
+meeningen; maar er zijn menschen, die te ver gaan. Mijn God, een
+mensch is geen monster, al heeft hij den slag van Waterloo bijgewoond;
+daarom moet men een vader van zijn kind niet scheiden. Hij was kolonel
+onder Bonaparte. Ik geloof, dat hij nu overleden is. Hij woonde te
+Vernon, waar mijn broeder pastoor is, en heette, meen ik, Pontmarie
+of Montpercy... Ook had hij, naar ik meen, een geducht litteeken!"
+
+"Pontmercy," zei Marius verbleekend.
+
+"Juist, Pontmercy. Hebt ge hem gekend?"
+
+"Mijnheer," zei Marius, "hij was mijn vader."
+
+De oude kerkmeester sloeg de handen ineen en riep: "Zijt ge zijn
+zoon! Inderdaad, dat kind moet nu een man zijn. Voorwaar, arme zoon,
+gij kunt zeggen, dat ge een vader hadt, die u teeder heeft lief gehad!"
+
+Marius bood den grijsaard zijn arm aan en bracht hem te huis. Den
+volgenden dag zeide hij tot den heer Gillenormand:
+
+"Ik heb met eenige vrienden een jachtpartij bepaald. Staat ge het toe,
+dat ik mij voor drie dagen verwijder?"
+
+"Wel vier," antwoordde de grootvader, "ga en vermaak u."
+
+En knipoogende fluisterde hij zijn dochter toe:
+
+"Zeker een liefdesgeschiedenis."
+
+
+
+
+
+
+ZESDE HOOFDSTUK.
+
+WAT ER VAN KOMT, ALS MEN EEN KERKMEESTER ONTMOET.
+
+
+Waarheen Marius ging zal men iets verder zien.
+
+Marius was drie dagen afwezig: toen kwam hij te Parijs terug,
+ging regelrecht naar de bibliotheek der universiteit en vroeg de
+verzamelde Moniteurs.
+
+Hij las den Moniteur, hij las de geheele geschiedenis van Republiek
+en Keizerrijk, het dagboek van St. Helena, alle gedenkschriften,
+dagbladen, bulletins en proclamatiën; hij verslond alles. Toen hij den
+eersten keer in de bulletins van het groote leger zijns vaders naam
+vond, had hij de geheele week de koorts. Hij bezocht de generaals,
+onder welke Georges Pontmercy gediend had, onder anderen den graaf
+H. Hij bracht den kerkmeester Mabeuf een bezoek, en deze vertelde
+hem van het afgezonderde leven des kolonels, van zijn bloemen
+en zijn eenzaamheid. En eindelijk begreep Marius den zeldzamen,
+verheven zachtaardigen man, half leeuw half lam, begreep hij zijn
+vader volkomen.
+
+Nu geheel aan deze studie overgegeven, die al zijn tijd, al zijn
+gedachten innam, zag hij de Gillenormands echter bijna niet. Hij
+verscheen wel aan den maaltijd; maar daarna zocht men hem steeds zonder
+hem te vinden. Tante bromde. Vader Gillenormand glimlachte en zeide:
+"Welnu, hij is in den tijd van verliefdheid!"--Soms voegde de grijsaard
+er bij:--"Drommels, ik meende dat het slechts een galanterie was. Maar
+'t schijnt werkelijk liefde te zijn."
+
+En het was ook werkelijk liefde, want Marius begon zijn vader lief
+te hebben.
+
+Terzelfder tijd kwam er een buitengewone verandering in zijn
+denkbeelden. De phasen dier verandering waren talrijk. En daar
+dit de geschiedenis van velen onzer tijdgenooten is, achten wij het
+noodzakelijk, die verandering van denkbeelden stap voor stap te volgen
+en aan te wijzen.
+
+De geschiedenis, waarin hij den blik had geslagen, verschrikte hem.
+
+De eerste indruk was verblinding. De Republiek, het Keizerrijk toch
+waren tot nog toe voor hem slechts monsterachtige woorden geweest. De
+Republiek was hem een guillotine bij schemeravond; het Keizerrijk een
+zwaard in de duisternis. Hij had er in gestaard, en waar hij niets dan
+een duisteren chaos verwachtte, had hij met een ongehoorde verrassing,
+aan angst en vrees gepaard, sterren zien fonkelen als Mirabeau,
+Vergniaud, Saint Just, Robespierre, Camille Desmoulins, Danton, en
+een zon zien verrijzen als Napoleon! Hij wist niet waar hij was. Voor
+zooveel glans moest hij terugtreden. Langzamerhand, toen de eerste
+verwondering voorbij was, werd hij aan dien stralengloed gewoon,
+en aanschouwde hij, zonder te duizelen, die daden; onderzocht hij,
+zonder te schrikken, die personen; voor zijn zienersoog vertoonden
+zich, in een helder verschiet, de Revolutie en het Keizerrijk;
+ieder dier twee groepen van gebeurtenissen en personen zag hij in
+twee groote feiten samengevat: de Republiek in de souvereiniteit van
+het burgerrecht, dat den volken was wedergegeven, het Keizerrijk in
+de souvereiniteit der Fransche gedachte, die Europa was ingevloten;
+hij zag uit de Revolutie de machtige gestalte van het volk en uit
+het Keizerrijk de grootsche gestalte van Frankrijk opdagen. En zijn
+geweten verklaarde hem, dat dit alles goed was geweest.
+
+Wat hij in zijn verblinding bij die eerste veelomvattende waardeering
+over het hoofd zag, behoeven wij, naar we meenen, niet aan te
+voeren. 't Is de toestand van een vooruitgaanden geest, dien wij
+aangeven. Vooruitgang heeft meer dan éénen stap noodig. Dit eens
+vooral, zoo voor hetgeen voorafging als voor 't geen volgen zal;
+gaan wij nu voort.
+
+Toen bespeurde hij, dat hij tot hiertoe zijn vaderland, evenmin als
+zijn vader, had begrepen. Geen van beiden had hij gekend; hij was
+met vrijwillige blindheid geslagen geweest. Nu zag hij, en bewonderde
+aan den eenen, vereerde aan den anderen kant.
+
+Vol leedwezen en wroeging bedacht hij wanhopend, dat hij al wat zijn
+ziel bevatte, voortaan slechts aan een graf kon zeggen. Ach, zoo
+zijn vader nog geleefd, zoo hij hem nog bij zich gehad had; zoo God,
+meedoogend en goed, vergund had, dat zijn vader nog in leven was,
+hoe zou hij zich gehaast hebben, hoe zou hij zich tot zijn vader
+gespoed en uitgeroepen hebben: "Vader, hier ben ik! ik ben uw zoon;
+ik heb hetzelfde hart als gij!" O, hoe zou hij zijn grijze hoofd
+gekust, zijn haren met tranen besproeid, zijn litteeken beschouwd,
+zijn handen gedrukt, zijn kleederen vereerd, zijn voeten omhelsd
+hebben! Ach, waarom was zijn vader zoo vroeg, vóór den tijd, vóór de
+rechtvaardigheid, vóór de liefde van zijn zoon gestorven! Marius'
+hart was zoo vol zuchten, dat het telkens, helaas! schreide. Toen
+werd hij tevens meer degelijk en ernstig, meer zeker van geloof en
+meeningen. Ieder oogenblik hielp het licht der waarheid zijn rede. Er
+ontstond in hem als een inwendige vermeerdering van groeikracht. Hij
+gevoelde, dat hij natuurlijk grooter werd door hetgeen die beide hem
+geheel nieuwe dingen, zijn vader en zijn vaderland, hem brachten.
+
+Evenals men, een sleutel hebbende, alles opent, even zoo werd hem
+openbaar wat hij gehaat, doorgrondde hij wat hij verfoeid had; thans
+zag hij duidelijk den vooruitziender, goddelijken en menschelijken
+geest in die grootsche dingen, welke men hem geleerd had te verfoeien,
+en de groote mannen, die men hem beval te vloeken. Wanneer hij aan
+zijn vroegere meeningen dacht, die slechts van gisteren waren en hem
+toch reeds zoo oud schenen, werd hij verontwaardigd over zich zelf
+en lachte. Uit de betere opvatting omtrent zijn vader was natuurlijk
+ook die van Napoleon gevolgd.
+
+Toch moeten wij zeggen, dat dit niet zonder moeite was geschied.
+
+Van zijn kindsheid af had hij het oordeel der partij van 1814 omtrent
+Napoleon ingezogen. Want al die vooroordeelen der Restauratie,
+al hare belangen, al haar instinct strekte slechts om Napoleon te
+misvormen. Zij verfoeide hem nog meer dan Robespierre. Behendig genoeg
+had zij van de afmatting des volks en den haat der moeders gebruik
+gemaakt. Bonaparte was schier een fabelachtig monster geworden, en
+om hem voor de verbeelding des volks, die, zooals wij straks bewezen,
+de verbeelding der kinderen gelijkt, te schilderen, deed de partij van
+1814 beurtelings de schrikbarendste maskers--van wat vreeselijk en toch
+grootsch is af tot wat vreeselijk en bespottelijk is daarenboven, van
+Tiberius af tot Blauwbaard toe--te voorschijn treden. Wanneer er dus
+van Bonaparte werd gesproken, stond beide, weenen of lachen, vrij,
+mits haat er slechts den grondtoon van aangaf. Marius' geest had,
+nopens dezen man,--zooals men hem noemde--nooit andere denkbeelden
+gekoesterd. Zij waren met de in zijn aard liggende vasthoudendheid
+saamgeweven. Er was een hardnekkig ventje in zijn binnenste, dat
+Napoleon haatte.
+
+Door de geschiedenis te lezen en ze vooral in de officiëele stukken
+en stoffelijke voorwerpen te bestudeeren, zag Marius nu allengs den
+sluier scheuren, die Napoleon voor zijn oogen verborg. Hij zag toen
+iets grootsch, en vermoedde dat hij zich tot nog toe zoowel omtrent
+Bonaparte als al het overige bedrogen had.
+
+Iederen dag werd zijn inzicht helderder; en langzaam, stap voor stap,
+aanvankelijk schier met leedwezen, vervolgens als in dronkenschap
+en als door onweerstaanbare begoocheling aangetrokken, beklom hij de
+donkere, toen de flauw verlichte en eindelijk de helder schitterende
+trappen der geestvervoering.
+
+Op zekeren nacht was hij in zijn dakkamertje alleen. Zijn licht
+brandde; op de tafel geleund zat hij bij het open venster te
+lezen. Allerlei droomerijen rezen in zijn geest op en vermengden
+zich met zijn gedachten. Welk een schouwspel biedt de nacht! Men
+hoort onduidelijke geruchten, zonder dat men weet van waar zij
+komen; men ziet Jupiter als een kool vuurs gloeien, Jupiter, die
+twaalfmaal grooter dan de aarde is; het hemelsblauw is zwart, de
+sterren fonkelen;--'t is een ontzettend grootsch gezicht!
+
+Hij las de bulletins van het groote leger, die homerische strofen
+op het slagveld geschreven; bij tusschenpoozen zag hij er den naam
+zijns vaders en immer dien des keizers in: geheel het groote Keizerrijk
+daagde voor hem op; hij gevoelde als 't ware dat er een zwellende vloed
+in hem steeg; het kwam hem voor, dat zijn vader hem als een schim
+voorbij zweefde en hem iets toefluisterde; hij werd hoe langer hoe
+zonderlinger te moede; hij dacht het tromgeroffel, het kanongebulder,
+het trompetgeschal, den afgemeten tred der bataljons, den doffen,
+verren galop der cavalerie te hooren; nu en dan richtte hij de oogen
+naar den hemel en aanschouwde in de onmetelijke verte de reusachtige,
+fonkelende sterrenbeelden, en dan sloeg hij ze weder op zijn boek
+en zag er andere kolossale dingen verward dooreenwoelen. Zijn hart
+was beklemd. Hij was in vervoering en beefde en hijgde; eensklaps,
+zonder te weten wat in hem omging en waaraan hij gehoorzaamde,
+richtte hij zich op, stak beide armen uit het venster, keek strak
+vooruit in de schaduw, in de stilte, in het oneindige duister en de
+eeuwige onmetelijkheid, en riep: "Leve de Keizer!"
+
+Van dit oogenblik af was alles bepaald. De Corsicaansche
+menscheneter--de overweldiger,--de dwingeland,--het monster dat de
+minnaar zijner eigen zuster was,--de komediant wien Talma les gaf,--de
+vergiftiger van Jaffa,--de tijger,--Buonaparte,--dat alles verdween
+en maakte plaats in zijn geest voor een schitterenden stralenkrans,
+waarin, op onbereikbare hoogte, de bleeke marmeren schim van Cesar
+blonk. De Keizer was voor zijn vader niets anders dan de geliefde
+veldheer geweest, dien men bewondert en voor wien men zich opoffert;
+voor Marius was hij iets meer. Voor hem was hij de voorbestemde
+grondvester van het Fransche volk, dat, in de wereldheerschappij,
+op het Romeinsche volgde. Voor hem was hij de wonderbare opbouwer van
+hetgeen was ingestort, de opvolger van Karel den Groote, van Lodewijk
+XI, van Hendrik IV, van Richelieu, van Lodewijk XIV en van het comité
+van algemeen welzijn, een man, die zekerlijk zijn vlekken, misslagen,
+en zelfs zijne misdaden had, dat is: die zekerlijk mensch was; maar
+die ook verheven in zijn misslagen, schitterend in zijn vlekken,
+machtig in zijn misdaden bleek.
+
+Hij was de voorbestemde, die alle natiën gedwongen had van "de groote
+natie" te spreken. Hij was meer nog; hij was het menschgeworden
+Frankrijk zelf, dat Europa veroverde met den degen dien hij droeg,
+en de wereld door het licht dat van hem afstraalde. Marius zag in
+Bonaparte het begoochelend droombeeld, dat immer aan de grenzen
+zal oprijzen om de toekomst te bewaken. Despoot was hij, maar ook
+dictator; despoot, uit de republiek ontstaan, en een revolutie in zich
+opnemend. Napoleon werd voor Marius de volkmensch, gelijk Christus
+de Godmensch is.
+
+Men ziet, dat, gelijk bij alle bekeerden, zijn bekeering hem bedwelmde,
+dat hij alles toestemde en te ver ging. Het was zijn natuur; eenmaal op
+een helling, was het hem schier onmogelijk stil te staan. Het fanatisme
+voor den degen greep hem aan en paarde zich aan zijn enthousiasme voor
+de gedachte. Hij lette er niet op, dat hij de kracht, vermengd met het
+genie, bewonderde; dat hij namelijk in zijn vergoding tegelijkertijd
+het goddelijke en het ruwe vereerde. In verschillende opzichten bedroog
+hij zich nu weder op een andere wijze. Hij keurde alles goed. Soms
+kan men op weg naar de waarheid ook de dwaling ontmoeten. Zijn goed
+geloof was zoo sterk, dat hij alles onvoorwaardelijk aannam. Op de
+nieuwe baan, die hij betrad, veronachtzaamde hij, bij de beoordeeling
+der grieven van de oude regeering en de afmeting van Napoleons roem,
+de verzachtende omstandigheden.
+
+Hoe het zij, hij had een grooten stap gedaan. Waar hij vroeger den
+val der monarchie had gezien, zag hij nu Frankrijks opkomst. Hij was
+veranderd van richting. Het Westen was het Oosten geworden. Hij had
+zich omgewend.
+
+Al deze omwentelingen woelden in hem, zonder dat zijn familie er iets
+van vermoedde.
+
+En toen hij nu, bij dit geheimzinnig werken zijn oud ultra-bourbonsche
+huid volkomen had verloren; toen hij den aristocraat, den jakobijn en
+den koningsgezinde had afgelegd; toen hij geheel en al revolutionnair,
+innig democraat en bijna republikein was geworden, ging hij naar een
+graveur op de kade des Orfêvres en bestelde er honderd kaartjes met
+het opschrift: "Baron Marius Pontmercy."
+
+Dit was een zeer logisch gevolg der in hem ontstane verandering,
+een verandering waarbij zich alles om zijn vader wentelde. Daar hij
+echter niemand kende en zijn kaartjes toch niet bij één portier kon
+afgeven, stak hij ze in zijn zak.
+
+Een ander niet minder natuurlijk gevolg was, dat, naarmate hij zich
+meer tot zijn vader en diens gedachtenis en de dingen, voor welke de
+kolonel vijf-en-twintig jaren gestreden had, aangetrokken gevoelde, hij
+zich meer van zijn grootvader verwijderde. Wij hebben 't reeds gezegd,
+dat hem sinds lang de luimen van den heer Gillenormand niet meer
+behaagden. Reeds verhieven zich tusschen hen beiden al de wanklanken,
+die uit den ernst des jongelings en de lichtzinnigheid des grijsaards
+moesten voortspruiten. De vroolijkheid van Géronte is stuitend en
+bitter voor de droefgeestigheid van Werther. Zoolang beider politieke
+meeningen en denkbeelden dezelfde bleven, dienden deze Marius dikwijls
+tot een brug om den heer Gillenormand te bereiken. Maar toen de brug
+instortte, kwam er een afgrond te voorschijn. En bovenal gevoelde
+Marius toen opwellingen van onbeschrijfelijke wederspannigheid bij de
+gedachte, dat de heer Gillenormand hem om dwaze redenen onmeedoogend
+aan den kolonel ontrukt en zoodoende den vader zijn kind en het kind
+zijn vader ontnomen had.
+
+Uit medelijden voor zijn vader was Marius schier afkeerig van zijn
+grootvader geworden.
+
+Van dit alles verried zijn uiterlijk evenwel niets. Hij werd alleen hoe
+langer hoe koeler; was stil aan den maaltijd en zelden te huis. Zoo
+zijn tante hem daarover beknorde, was hij zeer zachtzinnig en wendde
+studiën, lessen, examens, conferentiën enz. voor. De grootvader
+hield zich nochtans bij zijn meening en zeide: "Hij is verliefd;
+ik ken die dingen."
+
+Marius was nu en dan afwezig.
+
+"Waar zou hij toch heengaan?" vroeg tante.
+
+Zijn reisjes waren altijd van korten duur. Eens was hij naar
+Montfermeil gereisd om den last te vervullen, dien zijn vader hem
+had achtergelaten, en had er den ouden sergeant van Waterloo, den
+herbergier Thénardier gezocht. Thénardier was bankroet gegaan, de
+herberg was gesloten, en men wist niet waar hij gevlogen was. Door
+al deze navorschingen bleef Marius drie dagen uit.
+
+"Nu is 't zeker," zei de grootvader; "zijn hoofd raakt in de war."
+
+Men had meenen te zien, dat hij op de bloote borst onder zijn hemd
+iets aan een zwart lint om den hals droeg.
+
+
+
+
+
+
+ZEVENDE HOOFDSTUK.
+
+EEN VROUW IN 'T SPEL.
+
+
+Wij hebben van een lansier gesproken.
+
+Deze was een achterneef van vaders zijde van den heer Gillenormand,
+die zonder gezin en ver van den huiselijken haard een garnizoensleven
+leidde. De luitenant Théodule Gillenormand voldeed aan al de
+voorwaarden, die vereischt worden om een mooi officier te zijn. Hij
+had een "dames-taille," droeg een opgestreken knevel en liet zijn
+sabel kletterend slepen. Zelden kwam hij te Parijs, zelfs zoo zelden,
+dat Marius hem nooit gezien had. Beide neven kenden elkander slechts
+bij naam. Théodule was, zooals wij gezegd meenen te hebben, de
+gunsteling van tante Gillenormand, die hem voortrok, omdat zij hem
+niet zag. Gewoonlijk toch kent men hun, die men niet ziet, allerlei
+uitmuntende hoedanigheden toe.
+
+Op zekeren ochtend was de oudste juffrouw Gillenormand in zulk een
+opgewondenheid tehuis gekomen, als haar gewoonlijk kalm karakter
+slechts toeliet. Marius had zijn grootvader weder verlof gevraagd voor
+een reisje, en gezegd, dat hij dienzelfden avond wilde vertrekken.--"'t
+Is goed!" had grootvader daarop geantwoord en er, zijn wenkbrauwen hoog
+optrekkende, bijgevoegd: "Hij blijft 's nachts uitgaan." Tante was
+in gedachten naar haar kamer gegaan, en had op de trap uitgeroepen:
+"'t Is erg! waar gaat hij toch heen?" Zij vermoedde zekerlijk een
+of anderen ongeoorloofden minnehandel, een vrouw die zich verborg
+of een geheime samenkomst, en had er zoo gaarne iets anders van
+willen weten. Want de ontdekking van een geheim staat gelijk met het
+nieuwtje van een schandaal; vrome zielen zijn er niet vies van. In
+de geheime werkplaatsen der kwezelarij is men altijd nieuwsgierig
+naar een schandaal.
+
+Zij was dus ook brandend van nieuwsgierigheid om er iets van te
+vernemen.
+
+Om van deze nieuwsgierigheid, welke haar in buitengewone spanning
+bracht, verlost te worden, had zij haar talenten te baat genomen en
+zich aan een soort borduurwerk gezet, dat onder het Keizerrijk en de
+Restauratie in zwang was. 't Was een eentonige arbeid en een onwillige
+werkster. Eenige uren zat zij reeds op haar stoel, toen de deur werd
+geopend. Juffrouw Gillenormand lichtte haar neus op; daar stond de
+luitenant Théodule voor haar en bracht haar zijn militairen groet.
+
+Zij slaakte een vreugdekreet. Want men moge oud, preutsch, devoot en
+tante zijn, het is toch altijd aangenaam een lansier in zijn kamer
+te zien.
+
+"Gij hier, Théodule!" riep zij.
+
+"Voor een oogenblik, tante."
+
+"Maar kus mij toch!"
+
+"Komaan," zei Théodule.
+
+En hij kuste haar. Tante Gillenormand naderde haar secretaire en
+opende ze.
+
+"Ge blijft immers de geheele week?"
+
+"Neen, ik vertrek van avond, tante."
+
+"Dat is onmogelijk!"
+
+"Stellig!"
+
+"Ach, blijf, Théoduultje, als ik u bidden mag."
+
+"Mijn hart zegt ja, maar het consigne neen! 't Is heel eenvoudig. Wij
+wisselen van garnizoen, en trekken nu van Mélun naar Gaillon. Om uit
+het oude garnizoen, in het nieuwe te komen, moet men Parijs door. En
+toen dacht ik: ik ga tante eens bezoeken."
+
+"Dit is voor uw moeite." En zij drukte hem tien louisd'ors in de hand.
+
+"Voor mijn pleiziertjes, wilt ge zeggen, lieve tante."
+
+En Théodule omhelsde haar nogmaals, en zij had zelfs het genoegen,
+dat haar hals een weinig door de snoeren der uniform geschaafd werd.
+
+"Doet ge de reis te paard met uw regiment?" vroeg zij.
+
+"Neen, tante, ik wenschte u gaarne te zien, en heb verlof
+verzocht. Mijn oppasser leidt mijn paard, ik reis met de
+diligence. Maar daar valt mij in, dat ik u iets vragen wilde."
+
+"Wat dan?"
+
+"Mijn neef Marius Pontmercy is ook op reis, niet waar?"
+
+"Hoe weet ge dat?" hernam tante, plotseling door haar nieuwsgierigheid
+opnieuw geprikkeld.
+
+"Bij mijn aankomst ging ik naar het diligence-bureau om een plaats
+te bespreken."
+
+"Welnu?"
+
+"Toen had een reiziger reeds plaats op de imperiale besproken. Ik
+zag zijn naam op het register."
+
+"Welken naam?"
+
+"Marius Pontmercy."
+
+"Welk een losbol!" riep tante. "Ja, uw neef is zoo ordelijk niet als
+gij. Begrijp eens: den nacht in een diligence door te brengen!"
+
+"Evenals ik."
+
+"Ja, maar bij u is het dienstplicht, bij hem losbandigheid."
+
+"Duivels!" zei Théodule.
+
+Nu gebeurde er iets buitengewoons met de oudste juffrouw Gillenormand;
+zij kreeg een inval. Zoo zij een man ware geweest, zou zij zich voor
+het voorhoofd hebben geslagen. "Weet ge ook of neef u kent?" vroeg zij.
+
+"Neen. Ik heb hem wel gezien, maar hij heeft zich nooit verwaardigd
+op mij te letten."
+
+"En ge gaat dus morgen beiden op reis?"
+
+"Ja, hij op de imperiale, ik in de coupé."
+
+"Waar gaat die diligence heen?"
+
+"Naar Andelys."
+
+"Gaat Marius dan ook naar Andelys?"
+
+"Ja, zoo hij althans niet, evenals ik, onderweg uitstapt. Ik stap te
+Vernon af, om den correspondeerenden wagen van Gaillon te pakken. De
+reisroute van Marius ken ik echter niet."
+
+"Marius, welk een leelijke naam. Welk een denkbeeld om hem Marius te
+noemen. Gij heet ten minste Théodule."
+
+"Ik zou liever Alfred willen heeten," zei de officier.
+
+"Luister, Théodule."
+
+"Ik luister al, tante."
+
+"Let dan op."
+
+"Ik let op."
+
+"Nu, luistert ge?"
+
+"Ja."
+
+"Marius is dikwerf afwezig."
+
+"Ei, ei!"
+
+"Hij reist veel."
+
+"Aha!"
+
+"Hij blijft 's nachts uit."
+
+"Zoo, zoo!"
+
+"En wij wilden gaarne weten, wat er achter schuilt."
+
+Théodule antwoordde met de kalmte van een man van ondervinding:
+
+"Een vrouw in 't spel."
+
+En met een lachje, dat zijn vaste overtuiging uitdrukte, voegde hij
+er bij:
+
+"Een liefje."
+
+"Ja, 't is duidelijk!" riep tante nu, die mijnheer Gillenormand meende
+te hooren, en wie het woord liefje, dat oudoom en achterneef schier
+op denzelfden toon uitspraken, geheel en al overtuigde. Zij hernam:
+
+"Doe ons het genoegen en houd Marius een weinig in 't oog. 't Zal u
+gemakkelijk vallen, wijl hij u niet kent. Daar er een liefje is, moet
+ge het trachten te zien; dan schrijft gij ons de geschiedenis. Dat
+zal zijn grootvader pleizier doen."
+
+Théodule had weinig smaak in zulk een bespieding, maar werd toch
+verteederd door de tien louisd'ors, die mogelijk nog vermeerderd konden
+worden. Hij nam de taak dus op zich en zeide: "Zooals 't u belieft,
+tante;" en voegde er in stilte bij:
+
+"Nu ben ik duegna geworden."
+
+Juffrouw Gillenormand kuste hem.
+
+"Gij zoudt dergelijke streken niet doen, Théodule," sprak zij. "Gij
+gehoorzaamt de krijgstucht, zijt een slaaf van het consigne en een
+nauwgezet mensch, die zijn plicht vervult en zijn familie niet verlaten
+zou om een deerne na te loopen."
+
+De lansier zette hetzelfde voldane gezicht als Cartouche, toen men
+dezen om zijn eerlijkheid prees.
+
+Des avonds, na dit gesprek, nam Marius plaats op de diligence,
+zonder te vermoeden dat hij bewaakt werd. Wat den bewaker betreft,
+het eerst wat hij deed was te gaan slapen. En wel was 't een vaste
+gemoedelijke slaap. De Argus ronkte den geheelen nacht.
+
+Toen de dag aanbrak riep de conducteur der diligence "Vernon! de
+reizigers voor Vernon!" De luitenant Théodule ontwaakte.
+
+"Ha!" bromde hij nog half slapend, "hier moet ik er uit."
+
+Toen kreeg hij door zijn ontwaken trapsgewijze zijn geheugen terug, en
+dacht hij aan zijn tante, aan de tien louisd'ors; en aan het verslag,
+dat hij op zich genomen had van Marius' gedrag te zullen doen. Dit
+bracht hem aan 't lachen.
+
+"Hij is misschien niet meer in het rijtuig," dacht hij, zijn
+kleintenue-jasje dichtknoopende. "Wellicht is hij er te Poissy of
+te Triel, of te Meulan, of te Mantes uitgestapt, zoo hij niet reeds
+te Rolleboise of te Pocy is gebleven, om links naar Evreux of rechts
+naar Laroche-Guyon te kunnen gaan. Loop gij hem maar na, tante. Doch,
+wat drommel zal ik de goede oude schrijven?"
+
+Juist kwam een zwarte broek, die van de imperiale klom, het raampje
+der coupé voorbij.
+
+"Zou 't Marius zijn?" dacht de luitenant.
+
+Het was Marius.
+
+Naast het rijtuig stond, te midden van paarden en postillons, een
+boerinnetje, dat den reizigers bloemen aanbood, met den uitroep:
+Koopt bloemen voor uw dames.
+
+Marius naderde haar en kocht de schoonste bloemen uit haar mandje.
+
+"Nu waarlijk," zei Théodule uit de coupé springende, "word ik zelf
+nieuwsgierig. Wie zal hij deze bloemen gaan brengen? Zulk een fraai
+bouquet moet wel voor een zeer schoon meisje zijn. Ik wil haar zien."
+
+En nu, niet op lastgeving maar uit persoonlijke nieuwsgierigheid, begon
+hij Marius, als een hond, die voor eigen rekening jaagt, te volgen.
+
+Marius lette volstrekt niet op Théodule. Elegante dames stapten uit de
+diligence, hij zag er niet naar om. 't Scheen alsof hij niets zag van
+'t geen hem omgaf.
+
+"Wat is hij verliefd!" dacht Théodule.
+
+Marius ging naar de kerk.
+
+"Heerlijk!" dacht Théodule. "De kerk, dat is het juist. Rendez-vous,
+met een weinig mis gekruid, zijn de beste. Niets bekoorlijker dan
+een lonkje dat langs een kruisbeeld gaat."
+
+Marius trad de kerk niet binnen, maar ging er omheên. Daar verdween
+hij achter den hoek van een der zijmuren.
+
+"Het rendez-vous is buiten," zei Théodule, "laat ons nu zien, wie
+'t liefje is."
+
+En op de teenen naderde hij den hoek, waarachter Marius zijn moest.
+
+Daar gekomen bleef hij verstomd staan.
+
+Want met het hoofd in de handen lag Marius daar voorover in het gras
+bij een graf. Daar had hij zijn bloemen ontbladerd. Aan het boveneinde
+van den grafheuvel stond op een zwart houten kruis met witte letters:
+Kolonel Baron Pontmercy.
+
+Marius weende hoorbaar.
+
+Het liefje was een graf.
+
+
+
+
+
+
+ACHTSTE HOOFDSTUK.
+
+MARMER TEGEN GRANIET.
+
+
+Daar was Marius ook bij zijn eerste reis geweest. Daar was 't dat
+hij telkens wederkeerde, wanneer Gillenormand zeide: "hij blijft van
+nacht weêr uit."
+
+Luitenant Théodule was geheel en al van zijn stuk gebracht, toen hij
+zoo onverwacht een graf voor zich zag; hij gevoelde een onaangename,
+zonderlinge gewaarwording, welke hij zich niet kon verklaren en die
+uit den eerbied voor een graf en voor een kolonel bestond. Hij ging
+terug, en liet Marius alleen op het kerkhof achter; 't was of zijn
+aftocht op een ontvangen bevel geschiedde. De dood verscheen hem met
+zware epauletten en hij sloeg bijna voor hem aan. Niet wetende, wat
+hij aan zijn tante schrijven zou, besloot hij niet te schrijven; en
+waarschijnlijk zou uit de door Théodule gedane ontdekking betreffende
+Marius' liefdeshistorie niets gevolgd zijn, zoo niet, door een dier
+geheimzinnige en veelvuldige spelingen van het noodlot, het tooneel
+te Vernon bijna onmiddellijk te Parijs herhaald ware geworden.
+
+Marius kwam drie dagen later des ochtends vroeg van Vernon terug, en
+de behoefte gevoelende om de vermoeidheid van twee in de diligence
+doorgebrachte nachten door een bad te herstellen, spoedde hij zich
+naar zijn kamer, gunde zich slechts even den tijd, zich te ontkleeden
+en het zwarte lint dat hij om den hals droeg af te leggen, en ging
+toen een bad nemen.
+
+Mijnheer de Gillenormand die, gelijk alle gezonde lieden, vroeg bij
+de hand was, had hem te huis hooren komen en haastte zich, zoo snel
+zijn oude beenen hem dit veroorloofden, de zoldertrap naar Marius'
+kamer op, om hem te omhelzen, hem te ondervragen en zoo wat te vernemen
+van waar hij kwam.
+
+Maar de jongeling had minder tijd noodig gehad om naar beneden,
+dan de negentiger om naar boven te gaan, en toen vader Gillenormand
+het zolderkamertje binnentrad, was Marius er niet meer. Op het bed,
+dat niet beslapen was, waren de overjas en het zwarte lint achteloos
+nedergelegd.
+
+"Dat heb ik liever," zei Gillenormand.
+
+En een oogen blik later trad hij den salon binnen, waar de oude
+juffrouw Gillenormand reeds zat te borduren. Het was een zegevierende
+intocht.
+
+In de eene hand hield mijnheer Gillenormand de overjas, in de
+andere het zwarte lint en riep: "Victorie! wij zullen het geheim
+ontdekken! eindelijk zullen wij er achter komen, eindelijk zullen ons
+de tochtjes van onzen losbol duidelijk worden! de roman is ons. Ik
+heb het portret!"
+
+Inderdaad, een zwart sagrijnen doosje, in den vorm van een medaillon,
+hing aan het lint.
+
+De grijsaard nam het doosje, en beschouwde het eenigen tijd zonder
+het te openen met al den wellust, de verrukking en den toorn van
+een hongerigen armen drommel, die de heerlijkste gerechten zijn neus
+voorbij ziet dragen, zonder dat hij er iets van krijgen kan. "Het is
+stellig een portret. Ik ken die dingen. Men draagt het teeder op zijn
+hart. Dom volk, ze zal zeker zoo leelijk zijn om van te schrikken. De
+jongelui hebben tegenwoordig een zeer slechten smaak."
+
+"Laat eens zien, vader," zei de oude vrijster.
+
+Het doosje ging door een veer open. Zij vonden er niets in dan een
+zorgvuldig dichtgevouwen papier.
+
+"Van denzelfde aan denzelfde," zei Gillenormand, met schaterenden
+lach. "Ik weet wat het is. Een minnebrief."
+
+"O, laat mij lezen," zei tante.
+
+En zij zette haar bril op. Het papier werd opengevouwen en zij lazen:
+
+"Voor mijn zoon. De keizer heeft mij op het slagveld van Waterloo tot
+baron verheven. Daar de restauratie mij dezen titel betwist, dien ik
+met mijn bloed betaald heb, zal mijn zoon hem nemen en dragen. Het
+spreekt vanzelf dat hij hem waardig zal zijn."
+
+Wat vader en dochter gevoelden, is niet te beschrijven. Zij waren
+als door den adem van een doodshoofd verstijfd. Geen woord werd
+gewisseld. De heer Gillenormand alleen zeide zacht en als tot zich
+zelven:
+
+"'t Is het schrift van den voorvechter."
+
+De tante onderzocht het papier, bekeek het aan alle zijden, en legde
+het weder in het doosje.
+
+Op hetzelfde oogenblik viel een langwerpig en in blauw papier gewikkeld
+pakje uit den zak van de overjas. Juffrouw Gillenormand raapte het
+op en deed het blauw papier er af. Het waren de honderd kaartjes
+van Marius. Zij gaf er een van aan den heer Gillenormand, die las:
+"Baron Marius Pontmercy."
+
+De grijsaard schelde. Nicolette kwam. De heer Gillenormand nam het
+lint, het doosje en de overjas, wierp alles midden in 't vertrek op
+den vloer en zeide:
+
+"Breng die plunje weg."
+
+Ruim een uur verstreek in de diepste stilte. De oude man en de oude
+vrijster zaten met den rug naar elkander gekeerd, en dachten ieder
+waarschijnlijk aan hetzelfde. Na verloop van dat uur zeide tante
+Gillenormand:
+
+"'t Is mooi!"
+
+Weinige oogenblikken later kwam Marius. Nog vóór hij den drempel van
+den salon overtrad, bespeurde hij zijn grootvader, die een zijner
+kaartjes in de hand hield, en, toen hij hem zag, op hoonenden toon
+en met burgerlijken trots, waarin iets verpletterends lag, hem toeriep:
+
+"Ha, ha, ha, ha! Zijt ge nu baron? Ik maak u mijn compliment. Wat
+beteekent dat?"
+
+Marius bloosde en antwoordde:
+
+"Het beteekent dat ik de zoon mijns vaders ben."
+
+Mijnheer Gillenormand lachte niet meer, maar zei ruw:
+
+"Ik ben uw vader."
+
+"Mijn vader," hernam Marius met nedergeslagen oogen en streng gelaat,
+"was een nederig, heldhaftig man, die Frankrijk en de Republiek
+roemrijk heeft gediend, die groot was in de grootste geschiedenis,
+welke de menschen ooit gemaakt hebben, die een vierde van een eeuw
+in het veld was, des daags te midden van schrootvuur en kogels,
+des nachts in sneeuw, slijk en regen, die twee vaandels veroverd,
+twintig wonden ontvangen heeft, die in vergetelheid en verlatenheid
+gestorven is en die nooit ander ongelijk heeft gehad dan toen hij
+twee ondankbaren beminde, zijn vaderland en mij!" Dit was meer dan
+de heer Gillenormand hooren kon. Bij het woord "republiek" was hij
+opgestaan, of beter gezegd, opgesprongen. Ieder woord van Marius had
+op het gezicht van den ouden koningsman dezelfde uitwerking gedaan,
+als de wind uit de blaasbalg eener smidse op een glimmende kool. Van
+somber was hij rood, van rood purper en van purper gloeiend geworden.
+
+"Marius!" riep hij. "Verfoeielijk kind! ik weet niet wat uw vader
+was! Ik wil 't niet weten! ik weet er niets van; maar wat ik weet is,
+dat onder die lieden niets anders dan ellendigen zijn geweest! het is,
+dat allen schooiers, moordenaars, roodmutsen, dieven waren! ik zeg
+allen! ik zeg allen! ik ken niemand hunner, maar ik zeg allen! hoort
+ge, Marius? Ziet ge wel, nu zijt ge baron evenals mijn pantoffel! het
+waren allen roovers, die Robespierre dienden! allen bandieten, die
+Bu-o-naparté dienden! allen verraders, die hun wettigen koning verraden
+en nog eens verraden hebben! allen lafaards, die te Waterloo voor
+de Pruisen en Engelschen zijn gaan loopen! Dat weet ik. Of mijnheer
+uw vader daarbij was, weet ik niet... zoo ja 't spijt mij... des
+te erger."
+
+Op zijn beurt werd Marius nu de brandende kool, en mijnheer
+Gillenormand de blaasbalg. Marius' geheele lichaam rilde; hij wist
+niet wat te doen; zijn hoofd gloeide. Hij was als de priester die
+al zijn hostiën in den wind ziet strooien; als de fakir, die een
+voorbijganger ziet spuwen op zijn afgod. Zulke dingen mochten niet
+straffeloos in zijn tegenwoordigheid gezegd worden. Maar wat te
+doen? Zijn vader was in zijn tegenwoordigheid vertrapt en vertreden,
+maar door wien? door zijn grootvader. Hoe nu den een te wreken zonder
+den ander te hoonen? 't Was onmogelijk, zijn grootvader te beleedigen
+en even onmogelijk zijn vader niet te wreken. Aan de eene zijde
+een geheiligd graf, aan de andere zijde grijze haren. Een oogenblik
+waggelde hij als een beschonkene, als iemand die alles in zijn hoofd
+voelt duizelen; toen sloeg hij de oogen op, zag zijn grootvader strak
+aan en riep met donderende stem:
+
+"Weg met de Bourbons en het dikke zwijn Lodewijk XVIII!"
+
+Lodewijk XVIII was sedert vier jaren dood, maar daaraan stoorde hij
+zich niet.
+
+Van scharlakenrood werd de grijsaard nu eensklaps witter dan zijn
+haren. Hij wendde zich naar een buste van den hertog van Berry, die
+op den schoorsteenmantel stond en groette die diep, met zonderlinge
+majesteit. Toen ging hij tweemaal langzaam en zwijgend van den
+schoorsteen naar het venster en van het venster naar den schoorsteen,
+de geheele kamer door, zoodat de vloer kraakte alsof er een steenen
+beeld over ware gegaan. En voor den tweeden keer boog hij zich over
+zijn dochter, die dezen donderslag met de wezenloosheid van een oud
+schaap had verdragen, en zeide, bedaard glimlachende:
+
+"Een baron als mijnheer en een burgerman als ik kunnen niet onder
+hetzelfde dak blijven."
+
+En zich eensklaps oprichtende, bleek, bevend, vreeselijk, met een
+gefronst voorhoofd dat straalde van toorn, stak hij zijn armen naar
+Marius uit en schreeuwde hem toe:
+
+"Ga heen!"
+
+Marius verliet het huis.
+
+Den volgenden dag zei Gillenormand tot zijn dochter:
+
+"Zend dien bloeddrinker alle zes maanden zestig louisd'ors, en spreek
+mij nooit meer van hem."
+
+Daar hij een ontzaggelijke woede met zich omdroeg, waarmede hij geen
+weg wist, zeide hij drie maanden lang tot zijn dochter: u.
+
+Marius was zijnerzijds vol woede vertrokken. Een bijzonderheid,
+welke wij moeten vermelden, had zijn opgewondenheid nog verhoogd. Er
+zijn altijd kleine tegenspoeden, welke huiselijke tooneelen nog meer
+verwikkelen. Zij vermeerderen de ergernis, schoon de grieven er
+eigenlijk niet door vergroot worden. Toen Nicolette, op bevel van
+grootvader de "plunje" van Marius haastig naar diens kamer bracht,
+had zij zonder het te bespeuren, waarschijnlijk op de donkere
+zoldertrap het zwart sagrijnlederen doosje laten vallen, waarin het
+door den kolonel geschreven papier lag. Papier noch medaillon waren
+later terug te vinden. Marius hield zich overtuigd, dat "mijnheer
+Gillenormand"--van dien dag af noemde hij hem nooit anders--het
+"testament zijns vaders" in het vuur had geworpen. Hij kende de weinige
+regels, door den kolonel geschreven, van buiten, en had er bijgevolg
+niets aan verloren. Maar het papier, het schrift, die heilige reliquie,
+dat alles was zijn hart zelf. Wat had men er mede gedaan?
+
+Marius was vertrokken zonder te zeggen waarheen hij ging, met dertig
+francs, zijn horloge en eenige kleedingstukken in een reiszak. Hij
+had een cabriolet gehuurd en zich op goed geluk af naar de latijnsche
+wijk laten brengen.
+
+Wat zal er van Marius worden?
+
+
+
+
+
+
+
+BOEK IV.
+
+DE VRIENDEN VAN HET A. B. C.
+
+
+EERSTE HOOFDSTUK.
+
+EEN GROEP, DIE BIJNA TOT DE HISTORIE HAD BEHOORD.
+
+
+In dit schijnbaar onverschillig tijdvak, ging er een zekere
+revolutionaire huivering door 't land. Een wind, uit de duisternis
+van 89 en 92 geboren, vloog door de lucht. De jeugd--men vergeve
+ons deze uitdrukking--begon te ruien. Door de beweging des tijds
+werd men schier herschapen zonder het te weten. De wijzer, die over
+de uurplaat loopt, gaat ook in de gemoederen voorwaarts. Ieder deed
+den stap voorwaarts, dien hij doen moest. De koningsgezinden werden
+liberalen, de liberalen democraten.
+
+'t Was als een door duizenden stroomen hooger stijgende
+vloed; al die stroomen vermengden zich, en hierdoor ontstonden
+de zonderlingste verbindingen van ideeën; men vereerde tegelijk
+Napoleon en de vrijheid. Wij schrijven hier de geschiedenis. 't
+Waren de luchtspiegelingen van dien tijd. De meeningen veranderen van
+vorm. Het Voltaireaansch royalisme, een zonderlinge verscheidenheid,
+heeft een niet minder zonderlingen tegenhanger gehad; 't was het
+Bonapartisch liberalisme.
+
+Er waren ook andere, meer ernstige groepen van vernuften. Hier peilde
+men het beginsel, ginds hield men zich aan het recht. Men geraakte in
+drift voor het absolute, en vermoedde eindelooze verwezenlijkingen;
+want door zijn strengheid zelf drijft het absolute de geesten opwaarts
+en doet ze in het onbegrensde zweven. Niets geschikter om droomen
+te scheppen dan het dogma. En niets bevrucht de toekomst meer dan de
+droom. Heden een utopie, morgen vleesch en been.
+
+De vooruitgaande meeningen waren tweevoudig. Een beginsel van
+verborgenheid bedreigde de "gevestigde orde", die verdacht en gluipend
+was. Een hoogst revolutionair verschijnsel. De nevengedachte van
+het gezag treft in het ondermijnen met de nevengedachte des volks
+samen. Het broeien van den opstand is het antwoord op het voorbereiden
+der staatsgrepen.
+
+Destijds bestonden die uitgebreide genootschappen, zooals de Tugendbund
+in Duitschland en het Carbonarisme in Italië, in Frankrijk nog niet,
+maar hier en daar kruisten zich toch reeds geheime loopgraven. De
+Cougorde werd te Aix ontworpen; te Parijs, onder meer samenscholingen
+van dien aard, het genootschap der vrienden van het A. B. C.
+
+Wat waren de vrienden van het A. B. C.? een genootschap, dat schijnbaar
+de opvoeding der kinderen, maar inderdaad de verheffing der menschen
+ten doel had.
+
+Men verklaarde zich vrienden van het A. B. C. te zijn. Het abaissé
+(A. B. C. klinkt als abaissé en beteekent "vernederd") was het
+volk. Dat wilde men opheffen; 't was een woordspeling, waarmede men
+niet schertsen moet. Woordspelingen zijn soms in 't staatkundige van
+groot gewicht; ten bewijze hiervan het Castratus ad castra dat van
+Narsés een veldheer maakte; het Barbari et Barberini; het Fueros y
+Fuegos; het Tu es Petrus et super hanc Petram, enz. enz.
+
+De vrienden van het A. B. C. waren niet talrijk. Het was nog slechts
+een geheim genootschap in den dop; wij zouden schier zeggen een
+coterie, zoo coterieën helden voortbrachten. Zij kwamen te Parijs
+op twee plaatsen bijeen, bij de Halles, in de herberg Corinthe,
+waarvan later gesproken zal worden, en bij het Pantheon in een
+klein koffiehuis op het plein St. Michel, het Café Musain genaamd,
+dat thans reeds is afgebroken; het eerste diende voor de werklieden,
+het tweede voor de studenten.
+
+De gewone vergaderingen der vrienden van het A. B. C. werden in een
+achterkamer van het Café Musain gehouden. In deze van het eigenlijke
+koffiehuis tamelijk verwijderde kamer, waarmede het door een zeer
+lange gang gemeenschap had, waren twee vensters en een uitgang met
+geheime trap, die naar de kleine straat des Grés geleidde. Men rookte,
+dronk, speelde en lachte er. Men sprak er luid over alles en zacht over
+andere dingen. Aan den muur was een oude kaart van Frankrijk tijdens
+de republiek gespijkerd: aanwijzing genoeg voor een politie-agent om
+hen op het spoor te komen.
+
+Meest al de vrienden van het A. B. C. waren studenten, die met
+verscheidene werklieden op zeer vertrouwden voet leefden. Zie hier
+hoe de voornaamsten onder hen heetten: Enjolras, Combeferre, Jean
+Prouvaire, Feuilly, Courfeyrac, Bahorel, Lesgle of Laigle, Joly
+en Grantaire.
+
+Deze jongelieden vormden door hun onderlinge vriendschap een soort
+van gezin. Allen, uitgezonderd Laigle, waren uit het zuiden.
+
+Deze groep was merkwaardig. Zij is verdwenen in de onzichtbare diepten,
+die achter ons liggen. Bij het punt van het drama, waaraan wij nu
+gekomen zijn, is het misschien niet onnoodig eenig licht te laten
+vallen op deze jonge hoofden, voor dat de lezer hen in de schaduw
+van een treurig voorval wegzinken ziet.
+
+Enjolras, dien wij eerst genoemd hebben--men zal later zien waarom--was
+een eenige zoon en zeer rijk.
+
+Enjolras was een fraai jonkman, wel in staat om gevaarlijk te
+worden. Hij was schoon als een engel. Een woeste Antinoüs. Bij het zien
+van zijn peinzenden, stralenden blik zou men gezegd hebben, dat hij in
+het vorig leven reeds de revolutionaire apokalypse was doorgegaan. De
+overleveringen kende hij, alsof hij er getuige van geweest was. Hij
+kende al de kleine bijzonderheden der groote zaak. Hij had een
+priesterlijken krijgsmansaard, iets zeldzaams bij een jongeling. Hij
+verkondigde en streed; bij den eersten aanblik was hij soldaat der
+democratie, maar, boven de bewegingen van zijn tijd verheven, bleek
+hij priester van het ideale. Zijn blik was diep, zijne oogleden een
+weinig rood, de onderlip dik en zeer licht minachtend gekruld, zijn
+voorhoofd hoog. Een hoog voorhoofd aan een gelaat is als veel lucht aan
+den horizont. Gelijk vele jonge mannen bij den aanvang van deze en het
+einde der vorige eeuw, die vroeg beroemd waren, had hij een krachtige
+jeugd en toch frisch als van een meisje, schoon nu en dan beneveld. Nog
+toen hij man was, geleek hij een kind. In plaats van twee-en-twintig
+scheen hij eer zeventien jaar oud; hij was ernstig en scheen niet te
+weten, dat er op aarde een wezen leefde, dat vrouw heette. Hij had
+slechts één liefde, het recht; slechts één gedachte, de omverwerping
+der hindernissen. Op den Aventijnschen berg zou hij Cracchus, in de
+conventie Saint-Just zijn geweest. Rozen zag hij nauwelijks, hij
+wist van geen lente, hij hoorde de vogelen niet zingen; de bloote
+hals van Evadné zou hem evenmin als Aristogiton verteederd hebben;
+voor hem, evenals voor Harmodius, waren de bloemen slechts goed om het
+zwaard in te verbergen. Zelfs in vreugde was hij streng. Voor alles
+wat geen republiek was sloeg hij beschaamd de oogen neder. Hij was
+de marmeren minnaar der vrijheid. Zijn woorden waren als bezield en
+trilden als een hymne. Onverwacht ontplooide hij zijn vleugelen. Wee
+de minnaresse, die zich aan zijn zijde had gewaagd! Zoo een grisette
+van het plein Cambray of de straat St. Jean de Beauvais die gestalte,
+aan de school ontsnapt, die page-figuur, die lange blonde wimpers,
+blauwe oogen, in den wind wuivende lokken, rozige wangen, frissche
+lippen en prachtige tanden ziende, op al dat ochtendrood belust
+ware geworden en haar schoonheid op Enjolras had willen beproeven,
+zou een vreeselijke, verrassende blik haar onverhoeds den afgrond in
+hem getoond en geleerd hebben den schrikkelijken cherub, cherub van
+Ezechiël, niet met den lieven engel van Beaumarchais te verwarren.
+
+Naast Enjolras, die de logica der Revolutie vertegenwoordigde,
+vertegenwoordigde Combeferre de wijsbegeerte. Tusschen de logica
+der Revolutie en haar wijsbegeerte bestaat dit verschil, dat haar
+logica tot den oorlog besluiten, haar wijsbegeerte echter slechts
+tot vrede leiden kan. Combeferre vulde Enjolras aan en verbeterde
+hem. Hij was niet zoo lang, maar breeder. Hij wilde, dat men
+'s menschen geest met de uitgebreide beginselen der algemeene
+denkbeelden gemeenzaam maakte; hij zeide: "Revolutie, maar ook
+beschaving, en om den steilen berg heên, de uitgestrekte blauwe
+horizont." Hierdoor was er in al de beschouwingen van Combeferre iets
+genaakbaars en uitvoerbaars. De Revolutie kon men beter met Combeferre
+dan met Enjolras inademen. Enjolras drukte er het goddelijk recht,
+Combeferre het natuurlijk recht van uit. De eerste sloot zich bij
+Robespierre aan, de tweede hield zich bij Condorcet. Combeferre
+leefde, meer dan Enjolras, ieders leven mede. Zoo 't dien beiden
+jongelieden verleend ware geweest tot de geschiedenis te behooren,
+zou de een de rechtvaardige, de ander de wijze geweest zijn. Enjolras
+was mannelijker, Combeferre menschelijker. Homo en Vir, mensch en
+man, was werkelijk wat hen onderscheidde. Combeferre was even zacht
+als Enjolras streng was van nature. Hij beminde het woord burger,
+maar gaf aan het woord mensch de voorkeur. Gaarne zou hij, gelijk
+de Spanjaards, Hombre (man en mensch) hebben gezegd. Hij las alles,
+ging naar den schouwburg, volgde de openbare lessen, leerde van Arago
+de polarisatie van het licht, en geraakte in vuur bij een voorlezing
+waarin Geoffroy-Saint-Hilaire de tweevoudige functiën der in- en
+uitwendige halsslagader verklaarde, waarvan de eene het gezicht de
+andere de hersenen vormt; hij volgde de wetenschap op den voet,
+vergeleek Saint-Simon met Fourier, ontcijferde de hieroglyphen,
+brak de keien stuk die hij vond, en sprak mede over geologie,
+teekende uit het hoofd een veelkleurige kapel, wees de fouten in de
+Fransche dictionnaire de l' académie aan, bestudeerde Puységur en
+Deleuze, bevestigde niets, zelfs geen mirakelen, loochende niets,
+zelfs geen spoken, doorbladerde de collectie van den Moniteur, en
+dacht na. Hij verklaarde, dat de toekomst in des onderwijzers hand
+ligt, en hield zich met opvoedingskwestiën bezig. Hij wilde, dat de
+maatschappij onvermoeid werkzaam zou zijn aan 's volks verstandelijke
+en zedelijke ontwikkeling, aan de uitbreiding der wetenschap, aan
+het in omloop brengen der ideeën, aan den wasdom van den geest in de
+jeugd, en hij vreesde dat de tegenwoordige gebrekkige leerwijze, het
+armzalig gezichtspunt op de letterkunde, tot twee of drie zoogenaamde
+klassieke eeuwen beperkt, de tyrannieke leer van officiëele pedanten,
+en de schoolsche vooroordeelen en sleur onze collegiën eindelijk tot
+kunstmatige oesterbanken zouden maken. Hij was geleerd, puristisch,
+nauwgezet, polytechnisch, en tot onderwerp zijner gedachten nam
+hij het "oneindige", zooals zijn vrienden zeiden. Hij geloofde aan
+alle droombeelden: aan spoorwegen, aan onderdrukking der pijn bij
+heelkundige operatiën, aan het vormen der beelden in de camera
+obscura, aan de electrieke telegraaf en de besturing van den
+luchtbol. Overigens was hij niet zeer bevreesd voor de sterkten,
+allerwege door bijgeloof, despotisme en vooroordeel gebouwd. Hij
+behoorde tot dezulken, die meenen, dat de wetenschap den toestand
+zal omkeeren. Enjolras was opperhoofd, Combeferre gids. Met den
+een zou men hebben willen strijden, met den ander willen gaan. Niet
+wijl Combeferre onbekwaam was in den strijd; nimmer weigerde hij een
+hindernis te bekampen en met geweld aan te grijpen; maar 't was hem
+liever, langzamerhand door het onderwijzen van grondstellingen en
+'t verkondigen der positieve wetten het menschelijk geslacht met zijn
+bestemming in harmonie te brengen; en zoo hij aan beide kanten gloed
+zag, was hij meer voor verlichten dan voor verbranden. Een brand kan
+zekerlijk ook ochtendrood geven, maar waarom het aanbreken van den
+dag niet afgewacht? Een vulkaan verlicht, maar de dageraad verlicht
+nog beter. Combeferre gaf misschien aan de blankheid van het schoone
+boven de vlammen van het verhevene de voorkeur. Een door rook benevelde
+helderheid, een door geweld verkregen vooruitgang, zij voldeden dien
+teederen, ernstigen geest slechts ten halve. De nederstorting van
+een volk in de waarheid, een 93, verschrikte hem; en toch had hij
+van stilstand nog meer afkeer: hij gevoelde er verrotting en dood
+in; alles bijeengenomen had hij liever schuim dan bedorven lucht,
+en boven den modderpoel verkoos hij den stortvloed, den val van den
+Niagara boven het meer van Montfaucon. Kortom, hij wilde stilstand,
+noch overhaasting. Terwijl zijn onstuimige vrienden, in ridderlijke
+liefde voor het absolute, voor de schitterende revolutionnaire
+avonturen dweepten, was Combeferre voor een gepasten vooruitgang;
+misschien koel maar zuiver; methodiek maar onberispelijk; bedaard maar
+onwrikbaar. Combeferre zou met saamgevouwen handen hebben geknield,
+opdat de toekomst in al haar reinheid mocht komen en niets der volken
+grooten ommekeer tot de deugd mocht storen! "Het goede moet schuldeloos
+zijn," herhaalde hij gestadig. En inderdaad, zoo de grootheid der
+revolutie is, om het verblindend ideaal goed in de oogen te zien en
+er, te midden van den bliksem, met bloed en vuur aan de klauwen op aan
+te vliegen, dan is de schoonheid van den vooruitgang ook, vlekkeloos
+te zijn; en tusschen Washington, die de eene vertegenwoordigt, en
+Danton, die de andere verlichamelijkt, bestaat hetzelfde verschil
+dat den engel met donzen wieken van dien met arendsvleugelen scheidt.
+
+Jean Prouvaire was van nog zachter aard dan Combeferre. Hij noemde
+zich Jehan uit een zekere vluchtige grilligheid, welke zich aan de
+machtige en diepe beweging paarde, waaruit de zoo noodige studie
+der Middeleeuwen is voortgekomen. Jean Prouvaire was verliefd,
+kweekte bloemen, speelde op de fluit, maakte verzen, had het volk
+lief, beklaagde de vrouw, beweende het kind, vermengde in hetzelfde
+vertrouwen God en de toekomst, en laakte de revolutie omdat zij een
+koninklijk hoofd, dat van André Chénier, had doen vallen. Zijn stem
+was gewoonlijk zacht, doch kon plotseling mannelijk worden. Hij was
+geletterd en geleerd, en bleek min of meer thuis in de oostersche
+talen. Bovenal was hij goedhartig, en gaf in zake van poëzie,
+de voorkeur aan het grootsche--iets dat zeer begrijpelijk is voor
+hem die weet, hoe na goedheid aan grootheid is verwant. Hij kende
+Italiaansch, Latijn, Grieksch en Hebreeuwsch, en dit diende hem
+om slechts vier dichters Dante, Juvenalis, Eschylus en Jesaja te
+lezen. In 't Fransch stelde hij Corneille boven Racine, en Agrippa
+d'Aubigné boven Corneille. Hij wandelde gaarne op roggevelden met
+korenbloempjes en hield zich schier evenveel met de wolken als met
+de gebeurtenissen bezig. Zijn geest helde naar twee zijden over, aan
+de eene zijde naar God, aan de andere naar den mensch; hij studeerde
+of aanschouwde. Den geheelen dag bepeinsde hij de maatschappelijke
+vraagstukken: het werkloon, het kapitaal, het crediet, het huwelijk,
+den godsdienst, de vrijheid van denken, de vrijheid van beminnen, de
+opvoeding, het strafrecht, de armoede, de vereeniging, den eigendom,
+de productie en de verdeeling, het raadsel hier beneden, dat de
+wemelende menschendrommen met zijn duisternis omhult; des avonds
+aanschouwde hij de sterren, deze ontzaggelijke wezens. Hij was,
+evenals Enjolras, rijk en een eenige zoon. Hij sprak zacht, boog het
+hoofd, sloeg de oogen neder, glimlachte verlegen, gedroeg zich links,
+bloosde om niets en was zeer bedeesd. Overigens was hij onverschrokken.
+
+Feuilly was een ouderlooze waaiermakersgezel, die met moeite drie
+francs daags verdiende en slechts ééne gedachte had, de wereld te
+verlossen. Ook had hij nog een andere zorg, namelijk zich zelven te
+onderrichten, hetgeen hij ook verlossing noemde. Hij had uit zich
+zelven lezen en schrijven geleerd; alles wat hij kende had hij uit
+zich zelven. Feuilly had een edelmoedig hart, dat de geheele wereld
+omvatte. Deze wees had de volken als kinderen aangenomen. Bij gemis
+eener moeder had hij aan het vaderland gedacht. Hij wilde niet,
+dat iemand op de wereld zonder vaderland zou zijn. In hem gloeide,
+bij den diepen zienersblik van den man des volks, wat wij thans het
+nationaliteitsgevoel noemen. Hij had opzettelijk geschiedenis geleerd
+om zijn verontwaardiging met kennis van zaken te kunnen toonen. In dien
+jeugdigen kring van utopisten, welke zich vooral met Frankrijk bezig
+hielden, vertegenwoordigde hij het buitenland, en wel voornamelijk
+Griekenland, Polen, Hongarije en Italië. Gestadig sprak hij deze
+namen te pas of te onpas met de hardnekkigheid van het recht uit. De
+verkrachting van Griekenland en Thessalië door Turkije, van Warschau
+door Rusland, van Venetië door Oostenrijk vertoornde hem. Bovenal de
+groote moord van 1772, de verdeeling van Polen. Er is geen krachtiger
+welsprekendheid dan de ware verontwaardiging; en hierdoor was hij
+welsprekend. Zoo hij van dat schandelijke jaar 1772, van dat edele,
+dappere, door verraad onderdrukte volk sprak, van dat misdadige
+drietal, van die monsterachtige aanranding, dat toon- en voorbeeld
+van al die schrikkelijke landverbrokkelingen, welke sinds dien tijd
+zoovele edele natiën troffen en, om zoo te spreken, haar doopakte
+verscheurd hebben, was hij onuitputtelijk. Alle maatschappelijke
+aanrandingen van den tegenwoordigen tijd komen uit de verdeeling
+van Polen voort. De verdeeling van Polen is een theoretische daad,
+waarvan al de tegenwoordige politieke misdrijven gevolgen zijn. Er is
+geen despoot, geen verrader, sedert bijna een gansche eeuw, die Polens
+verdeeling niet beoogd, goedgekeurd, gecontrasigneerd en ne varietur,
+geparafeerd heeft. Zoo men de lias van het hedendaagsche verraad
+doorbladert, verschijnt zij het eerst. Het congres van Weenen heeft
+deze misdaad geraadpleegd vóór het de zijne volbracht. 1772 doet het
+jachtgeschal weerklinken, 1815 velt het wild. Dit was Feuilly's gewone
+tekst. De arme werkman had zich tot voogd der gerechtigheid verheven,
+en zij beloonde hem door hem groot te maken. Immers er is eeuwigheid in
+het recht. Warschau kan evenmin Tartaarsch als Venetië Duitsch zijn. De
+koningen geven vergeefs moeite en eer verloren. Vroeg of laat drijft
+het overstroomde vaderland boven en verschijnt weder. Griekenland
+wordt weder Griekenland, Italië weder Italië. Het protest van het
+recht tegen het feit blijft immer volharden. De roof van geheel een
+volk verjaart niet. Die hooge afzetterijen hebben geen toekomst. Men
+kan het merk eener natie niet uittornen zooals men 't een zakdoek doet!
+
+Courfeyrac had een vader, dien men mijnheer de Courfeyrac noemde. 't
+Was een valsch begrip der burgerij tijdens de Restauratie in zake van
+aristocratie en adel, om aan het de nog waarde te hechten. Men weet
+dat het de volstrekt geen beteekenis heeft. Maar de burgerij uit den
+tijd van la Minerve waardeerde dat arme de zoo hoog, dat men zich
+verplicht achtte er afstand van te doen. De heer de Chauvelin liet
+zich Chauvelin, de Caumastin Caumastin, de Constant de Rebecque,
+Benjamin Constant, de Lafayette Lafayette, noemen. De Courfeyrac
+wilde niet achterblijven en noemde zich kortaf Courfeyrac.
+
+Wij zouden ons ten aanzien van Courfeyrac hierbij schier kunnen bepalen
+en, wat het overige aangaat, zeggen: voor Courfeyrac, zie Tholomyes.
+
+Courfeyrac had inderdaad dat jeugdig vuur, 't welk men de schoonheid
+der duivelsche geestigheid kan noemen. Later verdwijnt dat, evenals
+de liefheid van het jonge katje, en al die bevalligheid loopt bij
+den tweebeenige op den ploert en bij den vierpoot op den kater uit.
+
+De geslachten welke de scholen doorloopen, die elkander opvolgen,
+de lichtingen der jongelingschap, dragen aan elkander deze soort van
+geestigheid over; zij gaat quasi cuisores van de eene in de andere
+hand en blijft bijna immer dezelfde, zoodat de eerste de beste die,
+gelijk wij gezegd hebben, in 1828 Courfeyrac gehoord had, gemeend zou
+hebben, dat hij naar Tholomyes in 1817 luisterde. Maar Courfeyrac was
+een braaf jongeling. Onder de schijnbare overeenkomst van oppervlakkig
+verstand, was het onderscheid tusschen Tholomyes en hem zeer groot. In
+beiden school de man, bij dezen echter geheel anders dan bij genen. In
+Tholomyes een pleitbezorger, in Courfeyrac een dolend ridder.
+
+Enjolras was het hoofd, Combeferre de gids, Courfeyrac het centrum. Zoo
+de anderen meer licht gaven, hij gaf meer warmtestof, en had werkelijk
+alle hoedanigheden van een middelpunt: rondheid en straling.
+
+Bahorel had in den bloedigen oploop in Juni 1822, bij gelegenheid
+der begrafenis van den jongen Lallemand een rol medegespeeld.
+
+Bahorel was een vroolijk wezen, maar lastig in gezelschap,
+moedig, verkwistend, verspillend, soms edelmoedig, praatachtig en
+welsprekend, soms stoutmoedig en driest; de beste drommel ter wereld,
+met onbeschaamde vesten en roode denkbeelden; een rumoermaker in 't
+groot, die niets liever had dan twist of 't moest oproer, niets liever
+dan oproer of 't moest revolutie zijn, die immer gereed was de glazen
+in te slaan, de straatsteenen op te breken of een gouvernement om te
+werpen om er de gevolgen van te zien, en thans studeerde in zijn elfde
+academiejaar. Hij was student in de rechten, maar studeerde niet. Zijn
+leuze was: "nooit advocaat!" en zijn wapenschild een nachttafeltje met
+een rechtersbaret er in. Telkens wanneer hij voorbij de academie ging,
+'t geen zelden gebeurde, knoopte hij zijn jas dicht,--de paletot was
+toen nog niet uitgevonden,--en "ging voor zijn gezondheid zorgen." Het
+portaal der academie noemde hij "een mooien grijsaard!" en den deken
+Delvincourt: "een monument!" In een cursus zag hij een onderwerp voor
+een liedje en, in zijn professoren slechts caricaturen. Door aldus
+niets te doen, verteerde hij een aanzienlijk jaargeld, zoo iets als
+drie duizend francs. Zijn ouders waren landlieden, welke hij steeds
+eerbied voor hun zoon had weten in te boezemen.
+
+Van hen sprekende zeide hij: 't Zijn boeren en geen burgers; daarom
+hebben zij verstand.
+
+Bahorel, een grillig mensch, was in alle koffiehuizen te vinden;
+de anderen hadden gewoonten, hij niet. Hij flaneerde. Dwalen is
+menschelijk. Flaneeren is parijsch. In den grond was hij scherpzinniger
+en diepdenkender dan hij eigenlijk scheen.
+
+Hij was de vereenigingsband tusschen de vrienden van het A. B. C. en
+andere nog ongevormde genootschappen, die later duidelijker te
+voorschijn zouden treden.
+
+In dit conclave van jonge hoofden was een kaalkop. De markies d'Avaray,
+wien Lodewijk XVIII tot hertog benoemde, wijl hij hem, toen hij het
+land ontvluchtte, in een huurrijtuig geholpen had, vertelde dat in
+1814 bij zijn terugkomst in Frankrijk, juist toen de koning te Calais
+ontscheept was, iemand hem een request aangeboden had.
+
+"Wat verzoekt ge?" vroeg toen de koning.
+
+"Een postkantoor, sire."
+
+"Hoe heet ge?"
+
+"L'Aigle."
+
+De koning fronste de wenkbrauwen, beschouwde de onderteekening van
+het request en zag den naam Lesgle.
+
+Deze volstrekt niet bonapartische naam trof den koning en hij
+glimlachte.--Sire, hernam de resquestrant, mijn grootvader was
+hondenjongen, en werd Lesgueules bijgenaamd. Deze bijnaam werd
+mijn naam. Ik heet Lesgueules, door samentrekking Lesgle en door
+verbastering l'Aigle.--De koning lachte en gaf opzettelijk of bij
+vergissing den man later het postkantoor te Meaux. [4]
+
+Het kaalhoofdig lid van het genootschap was een zoon van dezen Lesgle,
+of Lègle, en teekende Lègle (de Meaux.) Bij verkorting noemden zijn
+vrienden hem Bossuet.
+
+Hij was een vroolijk jongeling maar niet gelukkig, zijn eigenaardigheid
+toch was dat hij in niets slaagde. Daarentegen lachte hij om alles. Op
+zijn vijf-en-twintigste jaar was hij reeds kaal. 't Was zijn vader
+gelukt, eindelijk een eigen huis en akker te krijgen, terwijl hij, de
+zoon, niets haastiger had kunnen doen dan door een verkeerde speculatie
+dien akker en dat huis te verliezen. Niets was hem gebleven. Hij
+had verstand en wetenschap, maar 't baatte hem niet. Alles ontbrak,
+alles bedroog hem; wat hij bouwde, stortte in. Zoo hij hout hakte,
+hieuw hij zich in den vinger. Zoo hij een minnares had, ontdekte hij
+spoedig dat hij ook een vriend bezat. Elk oogenblik trof hem een ramp,
+maar van daar juist zijne vroolijkheid. Hij zeide: "Ik woon onder een
+dak, waar de pannen afvallen." Nooit verwonderd--want voor hem was
+een ramp iets dat hij verwachtte--onderwierp hij zich gelaten aan het
+ongeluk en glimlachte om de plagerijen van het noodlot, als iemand die
+een schertsend woord verneemt. Hij was arm, maar had een zak vol goede
+luim. Zijn beurs was al spoedig uitgeput, zijn vroolijkheid echter
+nooit. Zoo de nood zijn intrek bij hem nam, groette hij zijn ouden
+kennis beleefd; treurige voorvallen klopte hij vertrouwelijk op den
+schouder, en met het noodlot stond hij op zulk een gemeenzamen voet,
+dat hij 't zonder plichtplegingen "schalk!" noemde.
+
+Deze vervolgingen van het lot hadden hem vindingrijk gemaakt. Hij
+had allerlei hulpmiddelen. Geld bezat hij niet, maar toch vond
+hij middelen om, wanneer hij er lust toe had, "dolle verteringen"
+te maken. Op zekeren nacht gaf hij honderd francs uit voor een soupé
+met een meisje, en sprak te midden der slemppartij deze gedenkwaardige
+woorden: "Meisje van vijf louisd'or; trek mijn laarzen uit."
+
+Bossuet ging langzaam het advocaatschap te gemoet, want hij studeerde
+op dezelfde wijze als Bahorel. Bossuet had zelden een woning, soms
+in 't geheel niet. Nu logeerde hij bij dezen dan bij genen, meestal
+bij Joly. Joly studeerde in de geneeskunde en was twee jaren jonger
+dan Bossuet.
+
+Joly was de jonge ingebeelde zieke. Dit had hij bij de geneeskunde
+gewonnen, dat hij meer patiënt dan wel geneesheer was. Op
+drieëntwintigjarigen leeftijd achtte hij zich verloren en bracht zijn
+leven door met zijn tong in een spiegel te bekijken. Hij beweerde, dat
+de mensch evenals de kompasnaald magnetisch wordt, en plaatste daarom
+zijn bed met het hoofdeinde naar de zuidzijde zijner kamer en met het
+voeteneinde naar het noorden, opdat de omloop van zijn bloed des nachts
+door den grooten magnetischen stroom des aardbols niet verhinderd zou
+worden. Wanneer het donderde, voelde hij zich den pols. Overigens was
+hij de vroolijkste van allen. Al die tegenstrijdigheden: jonkheid,
+inbeelding, zwakheid en vroolijkheid hielden samen zeer goed huis
+en vormden een zonderling, aangenaam wezen, dien zijn kameraden
+Jollllly noemden. Ge kunt met vier L (ailes, vleugels) vliegen,
+zei Jean Prouvaire tot hem.
+
+Joly had de gewoonte den knop van zijn stok tegen zijn neus te houden,
+'t geen het kenteeken van een schranderen bol is.
+
+Al deze zoo verschillende jongelieden, van welke men trouwens slechts
+ernstig spreken mag, hadden denzelfden godsdienst: Den Vooruitgang.
+
+Alle waren de eigen zonen der Fransche Revolutie. De lichtzinnigsten
+werden plechtig bij het uitspreken van het jaar 89. Hun vaders naar
+den vleesche waren óf feuillanten óf koningsgezinden óf doctrinairen
+geweest. Om 't even; dit mengelmoes, dat hun, jongeren, vooraf was
+gegaan, zag hen niet; het zuiver bloed der beginselen vloeide in hun
+aderen. Zonder zich aan eenige kleur te hechten, hielden zij zich
+aan het onomkoopbaar recht, aan den absoluten plicht, vast.
+
+Als broeders en gewijden, werkten zij heimelijk aan het ideaal.
+
+Onder deze hartstochtelijke gemoederen en overtuigde zielen was
+een ongeloovige. Hoe was hij er onder gekomen? Door uitwendige
+aangroeiing. Deze ongeloovige heette Grantaire en teekende zich
+gewoonlijk R. (grand R.) Hij was iemand, die zich er wel voor
+wachtte aan iets te gelooven. Overigens was hij een der studenten,
+die gedurende hun academietijd te Parijs het meest geleerd hadden;
+hij wist dat het beste koffiehuis dat van Lemblin, het beste biljart
+in het Café Voltaire was; dat men goede wafels en goede meisjes in
+de Hermitage op den boulevard du Maine, gebraden hoenders bij moeder
+Saguet, uitmuntende waterzoodjes aan de barrière de la Cunette en
+een lekker wit wijntje aan de barrière du Combat vond. Kortom, hij
+kende alle goede plaatsen; bovendien verstond hij de scherm- en de
+danskunst en was een duchtig batonnist. Maar bovenal muntte hij uit in
+het drinken. Hij was ontzettend leelijk; de liefste laarzenstikster van
+dien tijd, Irma Boissy, had, over zijn leelijkheid gebelgd, dit vonnis
+gewezen: "Grantaire is onmogelijk!" Maar Grantaire's zelfbehagen werd
+toch niet geschokt. Teeder en strak aanschouwde hij alle vrouwen met
+een blik, die scheen te zeggen: "Zoo ik wilde!" en hij poogde zijn
+vrienden te doen gelooven, dat hij algemeen gezocht werd.
+
+Al deze woorden: rechten des volks, rechten van den mensch,
+maatschappelijk verdrag, Fransche Revolutie, republiek, beschaving,
+democratie, menschelijkheid, godsdienst, vooruitgang, zij waren
+voor Grantaire bijna alle zonder eenige beteekenis. Hij glimlachte
+er om. De twijfelzucht, die beeneter van het verstand, had in zijn
+geest geen enkel volledig denkbeeld overgelaten. Hij leefde van
+spotternij. Zijn leenspreuk was: Dit alleen is zeker, dat mijn glas
+vol is. Hij stak den draak met den opofferingszin aller partijen,
+of het die van Robespierre den jonge, dan wel die van Loizerolles
+gold. Zij hebben het ver gebracht nu zij dood zijn! riep hij dan. Het
+kruis noemde hij: Een galg, die geluk heeft gehad. Als nachtlooper,
+speler, losbol en dronkaard zong hij voor deze jonge denkers tot hun
+verdriet gestadig: J'aimons les filles et j'aimons le bon vin; air:
+Vive Henri IV. (Leven de meisjes, leve de wijn!)
+
+Toch was deze twijfelaar op één punt nog fanatiek. Dat fanatisme
+was geen idee, of geen dogma; geen kunst, of geen wetenschap;
+'t was een man: Enjolras. Dezen bewonderde, beminde en vereerde
+Grantaire. Bij wien sloot zich deze bandelooze twijfelaar,
+in dezen phalanx van absolutisten aan? Bij den meest absoluten
+van allen. Op welke wijze onderwierp Enjolras hem? Door zijne
+ideeën? Neen. Door zijn karakter. En dit verschijnsel is dikwerf
+waargenomen. De aansluiting van een twijfelaar bij een geloovige
+is even eenvoudig als de wet der tusschenkleuren. Wat wij missen,
+trekt ons aan. Niemand heeft het licht meer lief dan een blinde. De
+dwerg bewondert den tamboer-majoor. De padde richt immer de oogen ten
+hemel; waarom? Om den vogel te zien vliegen. Grantaire, in wien de
+twijfel rondkroop, zag in Enjolras gaarne het geloof opzweven. Hij
+had behoefte aan Enjolras. Zonder er zich een duidelijk begrip van
+te kunnen vormen, en zonder dat het hem in de gedachte kwam het
+te verklaren, bekoorde hem die kiesche, gezonde, standvastige,
+regelmatige, harde, eerlijke natuur. Instinctmatig beminde hij
+zijn tegenpartij. Zijn weeke, slingerende, ontwrichte, ziekelijke,
+wanstaltige ideeën hechtten zich aan Enjolras als aan een ruggestreng
+vast. Zijn zedelijke ruggemergziekte vond steun in deze vastheid. Bij
+Enjolras werd Grantaire iets. Van zich zelven was hij uit twee
+schijnbaar onvereenigbare elementen samengesteld. Hij was ironisch en
+hartelijk. Hij had een beminnelijke onverschilligheid. Zijn geest wist
+geloof te ontberen, en zijn hart kon de vriendschap niet missen. Groote
+tegenstrijdigheid voorzeker, want vriendschap is overtuiging. Zóó was
+zijn natuur. Er zijn menschen, die geschapen schijnen om steeds keer-
+en weerzijde te moeten zijn. Tot dezulken behooren Pollux, Patrocles,
+Nisus, Eudamidos, Ephestion en Pechmeja. Zij kunnen niet leven dan
+door tegen een ander te steunen; hun naam is een aanhangsel en wordt
+niet anders dan met het voegwoordje en geschreven; hun leven behoort
+hun niet; het is de andere zijde van een bestemming, die de hunne
+niet was. Grantaire was een dier menschen. Hij was de keerzijde
+van Enjolras.
+
+Men zou schier kunnen zeggen dat reeds in de letters van het alphabet
+verwantschap is. O. en P. zijn in de volgreeks onafscheidbaar. Men
+kan naar verkiezing O. en P., of Orestes en Pylades zeggen.
+
+Grantaire, een wezenlijke wachter van Enjolras, verkeerde in dien
+jongelingskring; hij leefde er in; alleen daar behaagde het hem;
+hij volgde hen overal. 't Was hem een lust, die schaduwen te midden
+der wijndampen heen en weder te zien gaan. En om zijn goede luim werd
+hij verdragen.
+
+Als geloovige, verachtte Enjolras dezen ongeloovige; als sober en
+matig, verachtte hij dien dronkaard. Hij verwaardigde hem met een
+weinig trotsch medelijden. Grantaire was een miskend Pylades.
+
+Immer door Enjolras ruw behandeld en teruggestooten, en toch
+terugkomende, kon hij nog van hem zeggen: "Wat fraai marmer!"
+
+
+
+
+
+
+TWEEDE HOOFDSTUK.
+
+LIJKREDE VAN BOSSUET OP BLONDEAU.
+
+
+Op een namiddag, die, zooals men zien zal, eenigermate samenhangt
+met de hiervoor verhaalde gebeurtenissen, stond de "arend van Meaux,"
+behagelijk tegen den deurpost van het café Musain geleund. Hij leek
+veel op een cariatide die vacantie had; want hij droeg niets dan zijn
+peinzerijen. Hij keek het plein St. Michel rond. Tegen iets leunen
+is een manier van staande te liggen, die den denkers niet onaangenaam
+is. De arend van Meaux dacht zonder treurigheid aan een klein ongeval,
+hem den voorlaatsten dag aan de academie overkomen, en dat zijn plannen
+voor de toekomst, die trouwens zeer onbepaald waren, veranderen moest.
+
+Het in gedachten zijn belet niet dat een cabriolet voorbijrijden en
+zelfs dat men die zien kan. De arend van Meaux, wiens oogen onbestemd
+en verward ronddwaalden, zag in dien toestand van wakend droomen
+een voertuig met twee wielen, dat stapvoets en besluiteloos over het
+plein reed. Wat wilde deze cabriolet? Waarom reed ze stapvoets. De
+arend lette er op.
+
+Naast den koetsier zat een jongeling, en voor dien jongeling lag een
+tamelijk groote reiszak. Op dezen reiszak konden de voorbijgangers
+een kaart gehecht zien, waarop met groote zwarte letters: Marius
+Pontmercy stond.
+
+Die naam deed L'aigle van houding veranderen. Hij richtte zich op en
+riep den jongeling in de cabriolet toe:
+
+"Mijnheer Marius Pontmercy!"
+
+De aangeroepen cabriolet hield stil.
+
+De jongeling, die ook diep in gedachten scheen, sloeg de oogen op.
+
+"Nu?" zeide hij.
+
+"Zijt ge mijnheer Marius Pontmercy?"
+
+"Ja gewis."
+
+"Ik zocht u," hernam L'aigle de Meaux.
+
+"Waarom?" vroeg Marius; want hij was 't werkelijk, die het huis
+zijns grootvaders verlaten had en nu een gestalte voor zich zag,
+die hij nog nooit gezien had; "ik ken u niet."
+
+"Ik u evenmin," antwoordde L'aigle.
+
+Marius meende nu met een grappenmaker te doen te hebben, die hem op
+de publieke straat voor den gek wilde houden. Daar hij hiertoe op dit
+oogenblik niet best geluimd was, fronste hij de wenkbrauwen. L'aigle
+van Meaux hernam echter gelaten:
+
+"Ge waart eergisteren niet bij de lessen?"
+
+"'t Is mogelijk."
+
+"'t Is zeker."
+
+"Zijt gij dan student?" vroeg Marius.
+
+"Ja, mijnheer, evenals gij. Toevallig was ik eergisteren op de
+academie. Ge weet, men heeft soms zulke gedachten. De professor was
+bezig aan het appèl. Gij weet niet, hoe bespottelijk hij er op zulk
+een oogenblik uitziet. Zoo men driemaal op het appèl ontbreekt,
+wordt men van de lijst geschrapt. Zestig francs naar de maan!"
+
+Marius begon te luisteren. L'aigle ging voort:
+
+"'t Was Blondeau, die de namen afriep. Ge kent Blondeau met zijn
+spitsen, sluwen neus, die altijd met vreugd nasnuffelt wie er afwezig
+is. Listig begon hij met de letter P. Ik luisterde niet, wijl deze
+letter mij niet aanging. Het appèl liep goed af. Geen uitschrapping;
+allen waren tegenwoordig. Dat verdroot Blondeau. Ik dacht: neen,
+lieve Blondeau, vandaag is er geen terechtstellinkje voor u te
+doen. Eensklaps roept Blondeau: "Marius Pontmercy." En hij neemt
+zijn pen op. Ik heb een goed hart, mijnheer. Ik dacht haastig bij
+mij zelven: zou men zoo'n goeden jongen laten schrappen? Opgelet! Een
+fiksche jongen kan niet altijd op zijn tijd passen. Hij is een blokker,
+die altijd studeert; geen pedante melkbaard, bedreven in de letteren,
+de theologie en de wijsbegeerte, en geen vervelende snaak, maar
+een beste luiaard, die veel aan wandelen doet, zich met een lieve
+grisette ontspant, schoone meisjes het hof maakt en misschien nu
+wel juist bij zijn liefje is. Hem moeten wij redden! De duivel hale
+Blondeau! Hij doopte juist zijn van 't doorschrappen reeds zwarte
+pen in den inktpot, liet zijn bespiedersoog over zijn gehoor gaan
+en herhaalde ten derde male: "Marius Pontmercy!" Toen antwoordde ik:
+Present! En gij zijt dus niet geschrapt."
+
+"Mijnheer," zei Marius.
+
+"Maar ik ben wèl geschrapt," voegde de arend van Meaux er bij.
+
+"Ik begrijp u niet," zei Marius.
+
+L'aigle hernam:
+
+"Niets eenvoudiger dan dat. Ik maakte dat ik bij den catheder was
+om te antwoorden en bij de deur om heên te gaan. De professor zag
+mij eenigszins strak aan. Eensklaps springt Blondeau, die de sluwe
+neus moet zijn, waarvan Boileau spreekt, tot de letter L over. L nu
+is mijn letter. Ik heet Lesgle en ben van Meaux."
+
+"L'aigle!" herhaalde Marius, "een fraaie naam."
+
+"Nu, mijnheer Blondeau komt aan dien fraaien naam en roept: L'aigle! Ik
+antwoord, Present! Toen ziet Blondeau mij met de teederheid van een
+tijger aan, glimlacht en zegt: Als ge Pontmercy zijt, kunt ge L'aigle
+niet zijn,--woorden die voor u onaangenaam, voor mij echter treurig
+waren. En toen hij dit gezegd had, schrapte hij mij."
+
+"Mijnheer!" riep Marius, "het doet mij waarlijk leed!"
+
+"Vóór alles," hernam L'aigle, "zou ik Blondeau wel in eenige diep
+gevoelde lofredenen willen balsemen. Ik wil hem voor dood houden. Aan
+zijn magerheid, bleekheid, kilheid, stijfheid en geur zou niet veel
+veranderd behoeven te worden. En dan zeg ik: Erudimini qui judicatis
+terram. Hier ligt Blondeau, Blondeau nasica, de os der discipline,
+bos disciplinæ, de rekel der orde, de engel van 't appèl, die recht,
+vierkant, nauwkeurig, streng, eerlijk en leelijk was. God schrapte hem,
+zoo als hij mij geschrapt heeft."
+
+"'t Doet mij leed," hernam Marius nogmaals.
+
+"Jonkman," zei de arend van Meaux, "dat u dit tot een les diene! Wees
+in 't vervolg wat nauwgezetter."
+
+"Ik vraag u duizendmaal vergeving."
+
+"Stel er u niet meer aan bloot, dat uw evenmensch om uwentwil
+geschrapt worde."
+
+"Ik ben wanhopig..."
+
+Daar begon L'aigle luidkeels te lachen.
+
+"En ik verheugd. Ik was op 't punt advocaat te worden. Die schrapping
+nu redt mij. Ik zie af van de overwinningen der balie. Ik zal de weduwe
+niet verdedigen en den wees niet bestrijden. Geen tabbaard meer. Aan
+u, mijnheer Pontmercy, heb ik mijn doorschrapping te danken. Ik wil
+u daarom plechtig mijn dankbezoek brengen. Waar woont ge?"
+
+"In deze cabriolet," zei Marius.
+
+"Dat is een bewijs van weelde," hernam L'aigle bedaard. "Ik wensch
+er u geluk mede. 't Is een huur van 9000 francs per jaar."
+
+Juist kwam Courfeyrac uit het koffiehuis.
+
+Marius glimlachte treurig en zeide:
+
+"Ik ben sinds twee uren in die woning en wensch ze te verlaten; maar
+'t is een rare geschiedenis, want ik weet niet waar ik heêngaan zal!"
+
+"Kom bij mij wonen, mijnheer," zei Courfeyrac.
+
+"Ik zou de voorhand hebben," hernam L'aigle, "maar ik heb zelf geen
+woning?"
+
+"Zwijg Bossuet," riep Courfeyrac.
+
+"Bossuet," zei Marius, "maar ik meende dat ge u L'aigle hebt genoemd."
+
+"Van Meaux," antwoordde L'aigle, "bloemsprakig: Bossuet." Courfeyrac
+klom in de cabriolet en zei:
+
+"Hôtel de la porte St. Jacques, koetsier."
+
+Denzelfden avond had Marius een kamer in het hôtel der porte
+St. Jacques, naast die van Courfeyrac, betrokken.
+
+
+
+
+
+
+DERDE HOOFDSTUK.
+
+MARIUS IS VERBAASD.
+
+
+In weinige dagen was Marius Courfeyrac's vriend. De jeugd is het
+seizoen van rassche aaneenhechting en heeling. Bij Courfeyrac ademde
+Marius vrij, iets dat hem geheel nieuw was. Courfeyrac ondervroeg hem
+niet. Het kwam hem zelfs niet in de gedachte. Op dien leeftijd zegt het
+gezicht dadelijk alles. Woorden zijn onnoodig. Van menig jongeling zou
+men kunnen zeggen dat zijn gelaat spreekt. Men ziet en kent elkander.
+
+Toch vroeg Courfeyrac hem op zekeren ochtend onverwachts:
+
+"A propos, hebt ge ook een politieke meening?"
+
+"Wat?" zei Marius door die vraag schier beleedigd.
+
+"Wat zijt ge?"
+
+"Democraat-Bonapartist."
+
+"De grijze kleur van de geruste muis," zei Courfeyrac.
+
+Den volgenden dag bracht Courfeyrac Marius in 't Café Musain. Daar
+fluisterde hij hem glimlachend toe: "ik moet u entrée bij de
+revolutie geven."--En toen voerde hij hem de zaal der vrienden van het
+A. B. C. binnen, en stelde hem aan de overigen voor, door halfluid dit
+enkele woord uit te spreken, dat Marius niet begreep: "Een leerling."
+
+Marius was in een wespennest van vernuften gevallen. Hij was echter,
+hoe zwijgend en ernstig overigens, niet minder gevleugeld en gewapend.
+
+Marius, die tot hiertoe eenzaam had geleefd, en uit gewoonte en smaak
+meer tot alleenspraak en afzondering overhelde, schrikte een weinig
+voor den zwerm jongelieden, die hem omgaf. Al deze verschillende
+meeningen trachtten hem stormenderhand te winnen. Het onstuimig
+gedwarrel van al deze vrij werkende geesten deed zijn denkbeelden
+duizelen. In de verwarring gingen zij soms zoo ver dat hij ze
+nauwelijks kon volgen. Hij hoorde onverwachts van wijsbegeerte,
+literatuur, kunsten, geschiedenis en godsdienst spreken. Hij zag
+vreemde gezichten, en wijl hij ze niet in perspectief stelde, wist hij
+niet zeker of hij geen chaos voor zich had. Toen hij de zienswijze
+van zijn grootvader voor die zijns vaders losliet, waande hij vast
+te staan; en nu vermoedde hij met bekommering en zonder 't zich
+zelven te durven bekennen, dat dit niet zoo was. Het gezichtspunt,
+waaruit hij alles beschouwde, begon opnieuw te wisselen. Een zekere
+schok bracht elk verschiet zijner hersenen in beweging. Het was een
+wonderbare inwendige woeling. Bijna deed ze hem pijn.
+
+Het scheen hem, dat dezen jongelingen niets heilig was. Marius
+hoorde over alles zulk een zonderlinge taal voeren, dat het zijn nog
+beschroomden geest hinderde.
+
+Er hing een schouwburgbiljet, dat de opvoering van een oud zoogenaamd
+classiek treurspel aankondigde.--"Weg met het treurspel, waarmeê de
+burgerlui zoo hoog loopen!" riep Bahorel. En Marius hoorde Combeferre
+antwoorden:
+
+"Ge hebt ongelijk, Bahorel. De burgerluidjes hebben het treurspel lief
+en daarom moet men hen op dit punt in rust laten. De pruiken-tragedie
+heeft recht van bestaan, en ik behoor niet tot dezulken, die namens
+Eschylus haar dat recht betwisten. Er zijn ook onvoltooide omtrekken in
+de natuur; ook volkomene parodieën in de schepping; er zijn snavels,
+die eigenlijk geen snavels, vleugels, die geen vleugels, vinnen,
+die geen vinnen, pooten, die geen pooten zijn. Smartekreten, die
+ons doen lachen,--dat zijn haar grillen. En daar het gevogelte naast
+den vogel bestaat, zie ik niet in waarom de classieke tragedie niet
+tegenover de tragedie der ouden zou staan."
+
+Eens geviel het, dat Marius tusschen Enjolras en Courfeyrac de straat
+Jean Jacques Rousseau doorging. Toen nam Courfeyrac hem bij den arm
+en zeide:
+
+"Let nu op. Dit is de straat Platrière, tegenwoordig de straat
+Jean Jacques Rousseau genaamd, wijl zestig jaren geleden hier een
+zonderling gezin woonde. Ik bedoel Jean Jacques en Therèse. Van tijd
+tot tijd werden er kinderen geboren. Therèse bracht ze ter wereld en
+Rousseau bracht ze naar het vondelingshuis."
+
+En Enjolras duwde Courfeyrac toe:
+
+"Zwijg van Rousseau! Ik bewonder dien man. 't Is waar: hij verloochende
+zijn kinderen, maar hij nam het volk toch aan."
+
+Geen der jongelieden sprak ooit het woord: "keizer" uit. Alleen Jean
+Prouvaire zeide soms Napoleon; de anderen zeiden Bonaparte. Enjolras
+zeide Buonaparte.
+
+Marius was wel eenigszins verbaasd. Initium Sapientiæ--het begin
+der wijsheid.
+
+
+
+
+
+
+VIERDE HOOFDSTUK.
+
+DE ACHTERKAMER VAN HET KOFFIEHUIS MUSAIN.
+
+
+Een van de gesprekken dezer jongelieden, waarbij Marius tegenwoordig
+was en waarin hij zich nu en dan mengde, bracht een werkelijken schok
+in zijn geest teweeg.
+
+Het gesprek werd gevoerd in de achterkamer van het café Musain. Bijna
+alle vrienden van het A. B. C. waren er dien avond vereenigd. De
+lampen brandden feestelijk. Men sprak van een en ander zonder drift
+maar toch luidruchtig. Uitgezonderd Enjolras en Marius, die zwegen,
+sprak ieder op goed geluk af. Gesprekken onder vrienden zijn soms
+bedaard en onstuimig tevens. Het was evenzeer een bont gewemel als een
+gesprek. Men wierp elkander woorden toe, die teruggekaatst werden. Men
+sprak aan alle kanten.
+
+Geen andere vrouw werd in deze achterkamer toegelaten dan Louison,
+de vatenwaschster van het koffiehuis, die de kamer nu en dan doorliep
+om van en naar haar arbeid te gaan.
+
+Grantaire, die dronken was, maakte een oorverdoovend geraas in den
+hoek, dien hij had ingenomen; hij zwetste en schreeuwde:
+
+"Ik heb dorst. Stervelingen, ik droom, dat het Heidelbergsche vat een
+beroerte heeft gekregen, en ik een van de twaalf bloedzuigers ben,
+die het gezet zullen worden. Ik wil drinken. Ik verlang het leven te
+vergeten. Het leven is een vreeselijke uitvinding van ik weet niet
+wien. Het duurt niet en 't deugt niet. Het leven breekt iemand den
+hals. Het leven is een decoratie, met heel weinig uitwegen. Het geluk
+is een chassinet, dat slechts aan één kant beschilderd is. Salomo
+zegt: alles is ijdelheid, en ik denk juist als die goede man, die
+misschien nooit geleefd heeft. Nul, die niet naakt wilde loopen,
+kleedde zich in de ijdelheid.
+
+"O ijdelheid! die alles met groote woorden omkleedt! een keuken is
+een laboratorium, een danser is een professor, een koorddanser is
+een gymnasticus, een bokser is een kampvechter of worstelaar, een
+apotheker is een chemist, een pruikenmaker is een artist, een jockey
+een sportman. De ijdelheid heeft een voor- en een achterzijde; de
+voorzijde is dom, 't is de neger met zijn koralen; de achterzijde is
+dwaas, 't is de filozoof met zijn lompen. Ik beween den een en bespot
+den ander. Wat men eer en waardigheden noemt, is over 't algemeen
+slechts valsch zilver. De koningen maken van den menschelijken hoogmoed
+hun speelgoed. Caligula verhief een paard tot consul; Karel II een
+runderlap tot ridder. Pronk dan nu tusschen den consul Incitatus en
+den baron Roastbeef. De innerlijke waarde der menschen is weinig
+eerbiedwaardiger. Luister naar de lofrede van den eenen gebuur op
+den anderen. Wit is nijdig op wit. Zoo de lelie spreken kon, hoe zou
+zij de duivel hekelen! Een kwezel, die van een devote vrouw spreekt,
+is venijniger dan een adder. 't Is jammer dat ik maar onwetend ben;
+ik zou anders een tal van dingen kunnen aanhalen, die ik nu niet
+weet. Bij voorbeeld, geest heb ik altijd gehad; toen ik nog leerling
+bij Gros was, bracht ik mijn tijd, in plaats van met schilderijtjes
+te kladden, reeds door met appelen te kapen. Dit wat mij betreft;
+en wat u aangaat, gij zijt niet beter dan ik.
+
+"Ik lach om uw volmaaktheden, uitmuntendheden en hoedanigheden. Iedere
+deugd gaat met een ondeugd gepaard; spaarzaamheid grenst aan
+gierigheid, mildheid aan verkwisting, en moed aan grootspraak; wie iets
+vrooms zegt, zegt ook iets kwezelachtigs; want er is evenveel ondeugd
+in de deugd als er gaten in Diogenes' mantel zijn. Wien bewondert
+ge, den vermoorde of den moordenaar, Cesar of Brutus? Men is over
+'t algemeen vóór den moordenaar. Leve dan Brutus! want hij heeft
+vermoord. Dat is deugd. Deugd ja, maar ook dwaasheid. Die groote
+mannen hebben zonderlinge vlekken. Brutus, die Cesar vermoordde,
+was verliefd op het beeld van een knaapje. Dat beeld was van
+den Griekschen beeldhouwer Strongylio, die ook de amazonenfiguur
+Eucnemos, "het schoone beeld" genoemd, heeft gebeiteld, hetwelk
+Nero op reis medenam. Deze Strongylio heeft slechts twee beelden
+nagelaten, waardoor Brutus en Nero elkander geleken; Brutus was op
+het eene, Nero op het andere verliefd. De geheele geschiedenis is een
+eeuwigdurend herkauwen. De eene eeuw bootst de andere na. De slag van
+Marengo is een copie van den slag van Pydna; het Tolbiac van Clovis
+en het Austerlitz van Napoleon gelijken elkander als twee droppelen
+bloeds. Een overwinning tel ik weinig. Niets is dommer dan overwinnen;
+de ware roem is overtuigen. Maar poog dan iets te bewijzen! Zoo ge
+slaagt, zijt ge tevreden--dat is klein! Helaas! overal ijdelheid en
+lafheid. Alles gehoorzaamt het geluk, zelfs de grammatica. Si volet
+usus, zegt Horatius. Ik veracht dus het menschelijk geslacht. Willen
+wij van het geheel tot de gedeelten afdalen? Wilt ge, dat ik de volken
+bewondere? Maar welk volk dan, als 't u belieft? Griekenland? De
+Atheners, die Parijzenaars van voorheen, vermoordden Phocion,
+evenals Coligny, en vleiden de tyrannen zoozeer, dat Anacephorus van
+Pisistratus zeide: Zijn uitwerpsel zelfs lokt de bijen. Gedurende
+vijftig jaren was in Griekenland de aanzienlijkste man de grammaticus
+Philetas, die zoo klein en mager was, dat hij zijn schoenen met lood
+moest vullen, om niet door den wind weggevoerd te worden. Op het
+marktplein te Corinthe stond een door Silanio gebeiteld beeld, waarvan
+Plinius gewag maakt; het stelde Episthates voor. Wat heeft Episthates
+gedaan? Het beentje-lichten uitgevonden. Dat is nu Griekenland en zijn
+roem! Spreken wij van een ander. Zal ik Engeland, zal ik Frankrijk
+bewonderen? Frankrijk? Waarom? Om Parijs? Ik heb u mijn meening over
+Athene gezegd. Engeland? Waarom? Om Londen? Ik haat Carthago. En
+Londen, de wereldstad der weelde, is de hoofdstad der armoede. Alleen
+in de parochie van Charing-Cross sterven jaarlijks honderd menschen
+van honger. Zoo is Albion. Ik voeg hier nog ten overvloede bij, dat ik
+een Engelsche dame heb zien dansen met een rozenkrans en een blauwen
+bril. Engeland is dus geen knip voor den neus waard. Zal ik nu broeder
+Jonathan bewonderen, wijl ik het John Bull niet doe? Ik houd niet
+veel van dien broeder met zijn slaven. Wat blijft er van Engeland
+over, zoo ge het zijn time is money (tijd is geld) ontneemt? Wat
+van Amerika zoo ge het zijn cotton is king (de katoen is koning)
+rooft? Duitschland is de waterzucht, Italië de gal. Zullen wij dan
+in verrukking komen voor Rusland? Voltaire bewonderde het. Maar hij
+bewonderde China ook. Ik beken, dat Rusland zijn schoonheden bezit,
+onder andere een sterk despotisme; maar ik beklaagde despoten. Hun
+gezondheid is zwak. Een onthoofde Alexis, een doorstoken Peter, een
+geworgde Paul, een andere Paul onder de hakken der laarzen vertrapt,
+verscheidene Ivans vermoord, verscheidene Nicolazen en Basiliussen
+vergiftigd; dit alles bewijst, dat het paleis der Russische keizers
+bepaald ongezond is? Al de beschaafde volken geven der bewondering des
+denkers deze bijzonderheid: de oorlog; de oorlog nu, de beschaafde
+oorlog, bevat alle vormen van het rooversbedrijf in zich, van de
+rooverijen der troepen in de engten van het Jaxa-gebergte af tot de
+strooptochten der comansche Indianen op de prairieën toe. Ge zult
+mij tegenvoeren, dat Europa toch beter dan Azië is. Ik beken het:
+Azië is een koddige boel; maar ik weet eigenlijk niet, waarom ge bij
+den grooten Lama zoo moet lachen, gij, westersche volken, die in uw
+modes en bevalligheden al de onreinheden der majesteit hebt gemengd,
+van het vuile hemd van koningin Isabella af tot den kinderstoel van
+den dauphin toe. Mijne heeren, menschen, ge hebt het mis! Te Brussel
+wordt het meeste bier, te Stockholm de meeste brandewijn, te Madrid de
+meeste chocolade, te Amsterdam de meeste jenever, te Londen de meeste
+wijn, te Konstantinopel de meeste koffie, te Parijs de meeste absynthe
+gedronken; hier hebt ge alle noodzakelijke inlichtingen. Parijs heeft
+bij slot van rekening het overwicht. Zelfs de voddenrapers zijn te
+Parijs sybarieten, en Diogenes zou zeker even gaarne voddenraper op
+het plein Maubert als wijsgeer in den Pireüs geweest zijn. Verneemt
+dit nog: de kroegen der voddenrapers heeten bibines en de vermaardste
+zijn la Casserolle (braadpan), en de Abbatoir (slachtplaats). Dus,
+kroegen enz., ik betuig het u: ik ben een wellusteling, ik eet bij
+Richard voor twee francs en wil Perzische tapijten hebben, om er
+met een naakte Cleopatra op rond te rollen! Waar is Cleopatra? Ha,
+zijt gij 't Louison, goeden avond."
+
+Zoo stroomden de woorden uit den mond van den meer dan dronken
+Grantaire, die in den hoek der achterkamer van het koffiehuis Musain
+de vatenwaschster beet nam.
+
+Bossuet strekte de hand naar hem uit, om hem het stilzwijgen op te
+leggen, maar Grantaire hernam vuriger nog dan straks:
+
+"Weg met uw klauwen, arend van Meaux. Ge maakt op mij volstrekt
+geen indruk met uw gebaar van Hippocrates, die de snuisterijen van
+Artaxerxes afwees. Ik ontsla u ervan om mij tot bedaren te brengen. Ik
+ben voor 't overige treurig. Wat zal ik zeggen? De mensch is slecht,
+de mensch is wanstaltig; de kapel is gelukt, de mensch is mislukt. God
+heeft dit dier niet afgewerkt. Een menigte is een hoop leelijkerds. De
+eerste de beste is een ellendige. Vrouw rijmt op ontrouw. Ja, ik heb
+het spleen, alleen nog door droefgeestigheid verergerd, met heimwee
+en hypochondrie er bij, en ik ben woedend en nijdig; ik geeuw en
+verveel mij, ik word stomp en dom. De duivel hale alles!"
+
+"Zwijg toch, kapitale R.!" hernam Bossuet, die bezig was een rechtspunt
+te verdedigen en tot over de heupen in een rechtsgeleerden volzin
+verzonken was, welks slot dus luidde:
+
+"En wat mij aangaat, hoewel ik nauwelijks rechtsgeleerde en veel
+minder nog wetkenner ben, ik houd toch vol: dat, volgens de termen
+der normandische gebruiken, ieder jaar op St. Michel een equivalent
+moet uitbetaald worden ten voordeele van den landheer, daargelaten
+het recht van anderen, door elk en een iegelijk, zoo wel eigenaars
+als bij erfenis bedeelden, en wel voor alle pachten, huren, leenen,
+contracten, hypotheken......"
+
+"Echos, nymphes plaintives!" neuriede Grantaire er tusschen.
+
+In Grantaires nabijheid, aan een stil tafeltje, waarop men, tusschen
+twee glazen, een vel papier, een inktpot en een pen zag, was men bezig
+een vaudeville te ontwerpen. Deze gewichtige zaak werd fluisterend
+behandeld en de twee scheppende hoofden raakten elkander.
+
+"Eerst de namen gevonden. Als men die maar heeft, komt het onderwerp
+vanzelf."
+
+"Dat is waar. Dicteer. Ik zal schrijven."
+
+"Mijnheer Dorimon."
+
+"Rentenier?"
+
+"Zeker."
+
+"Zijn dochter Célestine."
+
+"...tine. Verder?"
+
+"Kolonel Sainval."
+
+"Sainval is afgezaagd. Ik zou zeggen: Valsin."
+
+Naast deze blijspelmakers zat een andere groep, die van het geraas
+gebruik maakte om zachtkens een duël te bespreken. Een oude van
+dertig jaar gaf een jongere van achttien jaar raad, en beduidde hem,
+met welk een tegenstander hij te doen had.
+
+"Drommels! Wees op uw hoede. Hij voert een geduchten degen. Hij kent
+de grepen; rechtstreeks valt hij aan, zonder feintes te verspillen;
+hij heeft een forsche vuist, is vlug als 't weerlicht, pareert juist
+en stoot wiskunstig. Duivel! en links is hij ook."
+
+In een hoek tegenover Grantaire speelden Joly en Bahorel domino en
+spraken over liefdezaken.
+
+"Ge zijt wel gelukkig," zei Joly; "ge hebt een liefje, dat altijd
+lacht."
+
+"Dat is juist een fout in haar," antwoordde Bahorel. "De minnares,
+die men heeft, mag niet lachen. Dat spoort u tot bedriegerij. Zoo ge
+haar vroolijk ziet, hebt ge geen wroeging; maar ziet ge haar treurig,
+dan voelt ge uw geweten."
+
+"Ondankbare! 't Is zulk een lief gezicht als een vrouw lacht! En gij
+twist nooit met elkander?"
+
+"Dit hangt af van het tractaat, dat wij sloten. Bij het aangaan van
+ons heilig verbond, hebben wij ieder de grens afgebakend, welke wij
+niet mogen overschrijden. Vandaar onze vrede."
+
+"De vrede is een verterend geluk."
+
+"En Jolly, hoe staat het nu met den twist van uw juffertje?... Ge
+weet wat ik zeggen wil?"
+
+"Met wreed geduld blijft zij pruilen."
+
+"Ge zijt toch zoo verteederend mager van verliefdheid."
+
+"Helaas!"
+
+"In uw plaats zou ik haar laten loopen."
+
+"Dat is gemakkelijk gezegd."
+
+"En gedaan. Heet zij niet Musichetta?"
+
+"Ja, och, mijn goede Bahorel, 't is een voortreffelijk meisje, zeer
+geletterd, met kleine voetjes en kleine handjes, net gekleed, blank,
+en met oogen als van een kaartlegster. Ik ben dol op haar."
+
+"Dan, mijn waarde, moet ge haar trachten te behagen, elegant zijn,
+en de knieschijven in beweging brengen. Koop bij Staub een goede
+broek van cuir de laine. Die kan 't uithouden."
+
+In den derden hoek was men in een poëtischen strijd gewikkeld. De
+heidensche godenleer lag met de christelijke mythologie overhoop. Er
+werd van den Olymp gesproken, voor welken Jean Prouvaire, uit
+romantisme, partij koos. Jean Prouvaire was slechts bedeesd, als hij
+in rust was. Maar geraakte hij eens in overspanning, dan barstte hij
+los, dan kenmerkte zijn verrukking zich door vroolijkheid en was hij
+beurtelings lachend en lyrisch.
+
+"Dat wij de goden niet hoonen!" sprak hij. "De goden zijn misschien
+nog niet verdwenen. Jupiter komt mij volstrekt niet als een doode
+voor. Ge zegt, dat de goden droomen zijn. Welnu, zelfs in de natuur,
+gelijk zij thans is, vindt men na de verdwijning dier droomen nog al de
+oude heidensche mythen weder. Gindsche berg met zijn vestingvorm als
+de Vignemale bij voorbeeld, is voor mij nog altijd Cybeles hoofdtooi;
+voor mij is 't nog niet bewezen, dat Pan des nachts niet in den hollen
+stam der wilgen blaast en er met zijn vingers beurtelings de gaten
+van sluit alsof hij een fluit speelde, en nog altijd heb ik geloofd
+dat Iö in den waterval van Pissevache is."
+
+In den laatsten hoek eindelijk sprak men over de politiek. Men
+mishandelde de verleende Charte. Combeferre verdedigde ze flauw,
+Courfeyrac schoot er met kracht bres in. Op de tafel lag een ongelukkig
+exemplaar der vermaarde Charte-Touquet. Courfeyrac had het opgevat
+en schudde het, dus aan zijn argumenten het geritsel van het papier
+parend.
+
+"Eerstens wil ik geen koningen; al ware het alleen uit een
+staathuishoudkundig oogpunt; ik wil er geen; een koning is een
+woekerplant. Men heeft geen koningen voor niets. Luistert: koningen
+zijn duur. Toen Frans I stierf, bedroeg de Fransche staatsschuld
+dertigduizend francs rente; bij den dood van Lodewijk XIV bedroeg
+ze twee milliards, zeshonderd millioen, 't geen, volgens Desmarets,
+in 1760 gelijk stond met vier milliards vijfhonderd millioen, en
+thans gelijk zou staan met twaalf milliards. Ten tweede, Combeferre
+duide het mij niet euvel, is een verleende Charte een slecht middel
+tot beschaving. Den overgang weg te nemen, te verzachten, den schok
+te verminderen, de natie allengs uit de monarchie tot de democratie
+te brengen door de praktijk der constitutioneele fictiën--dat alles
+zijn slechte redenen. Neen! neen! verlichten wij het volk nooit
+met een valsch licht. Beginselen kwijnen en verbleeken in onzen
+constitutioneelen kelder. Geene verbastering, geen vergelijk, geen
+octrooi van den koning aan het volk. In al die octrooien schuilt
+een artikel 14. Naast de hand die geeft, bestaat een klauw die
+terug neemt. Ik weiger bepaald het Charte. Een Charte is een masker,
+waarachter de logen zich verbergt. Het volk dat een Charte aanneemt,
+doet afstand. Recht is het volle recht. Neen, geen Charte!"
+
+'t Was winter; een groot vuur knapte op den haard. Dit was verlokkend
+en Courfeyrac kon er geen weêrstand aan bieden. Hij kreukte het arme
+Charte-Touquet in zijn vuist en wierp het in 't vuur. Het papier
+vatte vlam. Combeferre zag het meesterstuk van Lodewijk XVIII met
+wijsgeerigen blik verbranden, en zeide niets dan:
+
+"De Charte in een vlam herschapen!"
+
+Bijtende spot, kwinkslagen, woordspelingen, alles wat de Franschen
+entrain, wat de Engelschen humor noemen, goede en slechte smaak,
+goede en slechte redenen, vernuftige fonkelingen van het gesprek,
+dat zich nu en dan plotseling verhief en tot in alle hoeken der kamer
+uitbreidde,--het schiep boven hun hoofden een soort van vroolijk
+gebulder.
+
+
+
+
+
+
+VIJFDE HOOFDSTUK.
+
+UITBREIDING VAN DEN GEZICHTEINDER.
+
+
+Bij de wrijving van jeugdige geesten is dit steeds bewonderenswaardig,
+dat men de vonk of het weerlicht nooit vooruit kan zien. Wat zal
+er aanstonds flikkeren? Men weet het niet. Uit verteedering kan
+een uitbarsting van gelach volgen. In het grappigste oogenblik doet
+de ernst zijn intrede. De indrukken hangen af van het eerste woord
+het beste. Ieders gloed wil het overwicht. Een lazzi (kwinkslag) is
+voldoende om iets onverwachts uit te lokken. Het zijn gesprekken met
+plotselinge wendingen, waarbij eensklaps het verschiet verandert. Het
+toeval is de machinist dier gesprekken.
+
+Een ernstige gedachte, op grillige wijze uit het gegons van een gesprek
+geboren, schoot eensklaps door den woordenstroom, waarin Grantaire,
+Bahorel, Prouvaire, Bossuet, Combeferre en Courfeyrac verward dooreen
+schermden.
+
+Hoe komt een zinsnede eensklaps in het gesprek boven? Hoe komt het,
+dat zij eensklaps vanzelve de aandacht trekt van hen die ze hooren? Wij
+hebben reeds gezegd, dat niemand het weet. Te midden van het rumoer,
+besloot Bossuet iets, dat hij tot Combeferre zeide, plotseling met
+deze dagteekening:
+
+"18 Juni 1815. Waterloo."
+
+Bij dien naam van Waterloo nam Marius, die bij een glas water met de
+ellebogen op de tafel rustte, zijn arm van onder zijn kin en overzag
+het gezelschap met strakken blik.
+
+"Pardieu!" riep Courfeyrac (Parbleu was op dat tijdstip in verval)
+"dat cijfer 18 is zonderling en treft mij. 't Is Bonapartes noodlottig
+nommer. Plaats er Lodewijk voor en Brumaire achter, en ge hebt geheel
+het lot van den man, met deze merkwaardige bijzonderheid, dat het
+begin door het einde als op den voet wordt gevolgd."
+
+Enjolras, die tot hiertoe gezwegen had, richtte nu het woord tot
+Courfeyrac.
+
+"Ge bedoelt de misdaad door de boete."
+
+Het woord "misdaad" overschreed alles, wat Marius, die reeds door de
+plotselinge oproeping van Waterloo bewogen was, dulden kon.
+
+Hij stond op, trad langzaam naar de kaart van Frankrijk, die aan den
+wand hing en waarop men onderaan in een afgescheiden vak een eiland
+zag; hierop legde hij den vinger en sprak:
+
+"Corsica. Een klein eiland dat Frankrijk wel groot heeft gemaakt."
+
+'t Was of een ijskoude tocht door de kamer ging. Allen zwegen. Men
+gevoelde dat er iets gebeuren moest.
+
+Bahorel, die juist Bossuet antwoordde, wilde zijn geliefkoosde
+classieke houding weder aannemen. Door het luisteren vergat hij
+het echter.
+
+Enjolras, wiens blauwe oogen op niemand gevestigd waren en in het
+ledige schenen te staren, antwoordde zonder naar Marius op te zien:
+
+"Frankrijk heeft geen enkel Corsica noodig om groot te zijn. Frankrijk
+is groot, omdat het Frankrijk is. Quia nominor leo."
+
+Marius had geen lust het hierbij te laten; hij wendde zich dus tot
+Enjolras, en zijn stem klonk met een trilling die uit het beven van
+zijn hart ontstond.
+
+"God beware mij, dat ik Frankrijk zou willen verkleinen! Maar men
+verkleint het niet, door het met Napoleon samen te smelten. Welaan,
+laat ons spreken. Ik ben een nieuweling onder u, maar ik verklaar dat
+ge mij verbaast. Wat zijn wij voor elkander? Wie zijn wij? Wie zijt
+gij? Wie ben ik? Verstaan wij elkander omtrent den keizer. Ik hoor u
+Buonaparte zeggen en op de u drukken evenals de koningsgezinden. Ik
+verzeker u, dat mijn grootvader 't nog beter doet: hij zegt
+Buonaparté. Ik hield u voor jongelieden. Waartoe hebt ge dan uwe
+geestdrift? en wat doet ge er meê? Wien bewondert ge, zoo ge het
+den Keizer niet doet? Wat behoeft ge meer? Zoo ge dien grooten man
+niet wilt, welke groote mannen wilt ge dan? Hij bezat alles. Hij was
+volkomen. In zijn hersenen lagen de menschelijke begaafdheden in haar
+volste kracht. Hij maakte wetboeken als Justinianus, hij dicteerde
+als Cesar; in zijn gesprekken paarde hij het bliksemlicht van Pascal
+aan den donder van Tacitus; hij maakte en schreef de geschiedenis;
+zijn bulletins zijn Iliaden; hij vereende de cijfers van Newton met
+de bloemspraak van Mahomed, hij liet in het oosten woorden achter,
+groot als de pyramiden. Te Tilsitt leerde hij den keizers de majesteit
+kennen; in de Academie der Wetenschappen beantwoordde hij Laplace;
+in den Raad van State bood hij Merlin het hoofd; der meetkunde van den
+een en der rechtsgeleerdheid van den ander gaf hij een ziel; hij was
+rechtsgeleerde met de advocaten en sterrenkundige met de astronomen;
+evenals Cromwell, van twee kaarsen altijd eene uitblazende, ging hij
+naar den Temple om op een gordijnkwast te dingen; hij zag alles,
+hij wist alles, wat hem niet belette als een goed huisvader zich
+bij de wieg van zijn kind te verblijden;--en eensklaps luisterde het
+verschrikt Europa: legers rukten voorwaarts, artillerie-parken rolden,
+schipbruggen strekten zich uit over de rivieren, drommen cavalerie
+galoppeerden in stormmarsch, kreten, trompetgeschal en waggelende
+tronen alom; de grenzen der koninkrijken trilden op de kaart; men
+hoorde het klinken van een bovenmenschelijk zwaard, dat de scheede
+verliet; men zag hem aan den horizon opdagen met een bliksem in de
+hand en schittering in de oogen, zijn beide vleugelen in den donder
+ontplooiende, over het groote leger en de oude garde, en dat was de
+aartsengel van den oorlog!"
+
+Allen zwegen. Enjolras boog het hoofd. De stilte is altijd het
+kenteeken van goedkeuring, of ten minste van de moeielijkheid om te
+wederleggen. Schier zonder adem te scheppen, ging Marius met stijgende
+geestdrift voort:
+
+"Laat ons rechtvaardig zijn, mijn vrienden! Het rijk van zulk een
+keizer te zijn, is een schitterend lot voor een volk, zoo dit volk
+Frankrijk is en het zijn genie bij het genie van dien man voegt! Of
+wat is verhevener, wat grootscher, dan te verschijnen en te regeeren,
+op te rukken en te triomfeeren, in alle hoofdsteden rust te houden,
+van zijn grenadiers koningen te maken, den val der dynastieën af te
+kondigen, met den stormmarsch Europa te herscheppen, bij de bedreiging
+te gevoelen dat men de hand op den knop van Gods zwaard legt, in
+één man Hannibal, Cesar en Karel den Groote te volgen; het volk te
+zijn van iemand, die elk morgenrood door het schitterend bericht
+van een gewonnen veldslag verzelt; tot ochtendwekker het kanon der
+Invaliden te hebben; te midden van een sfeer van licht, wonderbare
+eeuwiglichtende woorden te zien: Marengo, Arcola, Austerlitz, Wagram;
+ieder oogenblik aan het zenith der eeuwen gansche sterrenbeelden van
+overwinningen te doen opdagen; het Fransche rijk een Romeinsch rijk
+tot tegenhanger te geven; de groote natie te zijn en het groote leger
+te verwekken; zijn legioenen de geheele wereld te doen overvliegen,
+gelijk een berg zijn arenden zendt naar alle kanten; te overwinnen,
+te overheerschen en te verpletteren; een van roem schitterend volk te
+zijn in Europa; in de geschiedenis een titans-trompetgeschal te doen
+klinken; de wereld tweemaal te veroveren, eens door geweld van wapenen
+en eens door den glans der overwinningen,--wat kan er grootscher zijn?"
+
+"Vrij te wezen!" antwoordde Combeferre.
+
+Op zijn beurt boog Marius het hoofd; dit eenvoudig koele woord
+had, als een stalen lemmer, zijn epische ontboezeming doorboord,
+en hij voelde dat ze in hem verdoofde. Toen hij de oogen opsloeg was
+Combeferre er niet meer. Waarschijnlijk tevreden over zijn antwoord
+op de vergoding, was hij vertrokken en allen, uitgezonderd Enjolras,
+waren hem gevolgd. De kamer was ontruimd. Enjolras, nu met Marius
+alleen gebleven, zag hem ernstig aan. Maar Marius, na zijn denkbeelden
+eerst een weinig verzameld te hebben, hield zich niet voor geslagen;
+er was nog een zieding in hem overgebleven, die waarschijnlijk in
+tegen Enjolras ontwikkelde sluitredenen zou zijn overgegaan, zoo
+men niet eensklaps iemand die zich verwijderde op de trap had hooren
+zingen. 't Was Combeferre, die zong:
+
+
+ Si César m'avait donné
+ La gloire et la guerre,
+ Et qu'il me fallût quitter
+ L'amour de ma mêre.
+ Je dirais au grand César:
+ Reprends ton sceptre et ton char,
+ J'aime mieux ma mêre, o gué'
+ J'aime mieux ma mêre. [5]
+
+
+De teedere en toch woeste toon, waarop Combeferre dit lied zong, gaf
+het een wonderbare grootschheid. In gedachten met de oogen opwaarts
+geheven, herhaalde Marius schier werktuiglijk: mijn moeder!...
+
+Op dit oogenblik voelde hij de hand van Enjolras op zijn schouder.
+
+"Burger," sprak Enjolras tot hem, "mijn moeder is de republiek."
+
+
+
+
+
+
+ZESDE HOOFDSTUK.
+
+RES AUGUSTA.
+
+
+Deze avond had Marius een hevigen schok gegeven en een treurige
+duisternis in zijn ziel achtergelaten. Hij gevoelde wat de aarde
+gevoelen moet, wanneer het ploegijzer haar scheurt, opdat de
+graankorrel er een plaats in vinde; zij voelt alleen de wonde; de
+trilling der ontkieming en de vreugd der vrucht komen eerst later.
+
+Marius was somber. Hij was pas tot een overtuiging gekomen, en moest
+hij die nu reeds weder verwerpen? Hij nam zich voor het niet te doen,
+en legde bij zich zelven de gelofte af niet te willen twijfelen,
+schoon hij 't onwillekeurig reeds deed. 't Is ondragelijk, tusschen
+twee overtuigingen te staan, die men nog niet losgelaten of aangenomen
+heeft; de schemering behaagt immers slechts aan vleêrmuiszielen. Marius
+had een onbevangen blik en verlangde het ware licht. Het halfdonker van
+den twijfel was hem pijnlijk. Hoe hij ook begeerde te blijven wat hij
+was en zich daaraan te houden, toch was hij gedwongen verder te gaan,
+te onderzoeken, te denken, voorwaarts te schrijden. Waarheen zou hem
+dit voeren? Hij vreesde, na zoo vele stappen te hebben gedaan, die hem
+nader tot zijn vader hadden gebracht, weder schreden te moeten zetten,
+die er hem van verwijderden. En zijn onaangename stemming groeide
+door al deze beschouwingen nog aan. Als door een steile hoogte zag
+hij zich omgeven. Hij was 't noch met zijn grootvader noch met zijn
+vrienden eens; vermetel voor den een, ten achter bij de anderen,
+gevoelde hij zich van beide zijden verlaten, door den ouderdom en
+door de jeugd. Toen bezocht hij het café Musain niet meer.
+
+In de onrust van zijn geweten verloor hij zekere ernstige zijden des
+levens bijna geheel uit het oog; maar de werkelijkheden des levens
+kan men niet vergeten. Plotseling gaven zij hem een ruwen stoot.
+
+Op zekeren morgen kwam de logementhouder de kamer van Marius binnen
+en zeide:
+
+"Mijnheer Courfeyrac is borg voor u gebleven."
+
+"Ja."
+
+"Maar ik heb geld noodig!"
+
+"Verzoek Courfeyrac dan om bij mij te komen," zei Marius.
+
+Courfeyrac kwam en de logementhouder verliet hem. Marius verhaalde
+Courfeyrac wat hij hem nog niet had medegedeeld, dat hij ouderloos
+en alleen op de wereld was.
+
+"En wat zal er dan van u worden?" vroeg Courfeyrac.
+
+"Ik weet het niet," antwoordde Marius.
+
+"Wat zult ge doen?"
+
+"Ik weet het niet."
+
+"Hebt ge geld?"
+
+"Vijftien francs."
+
+"Wil ik u leenen?"
+
+"Neen."
+
+"Hebt ge kleederen?"
+
+"Deze."
+
+"Hebt ge kostbaarheden?"
+
+"Een horloge."
+
+"Een zilveren?"
+
+"Een gouden, zie."
+
+"Ik ken een kleêrkooper, die uw jas en broek wel zal willen nemen."
+
+"Goed."
+
+"Dan houdt ge maar een broek, vest, rok en hoed over."
+
+"En mijn laarzen."
+
+"Wat, ge zoudt niet barrevoets kunnen loopen? Welk een weelde!"
+
+"Genoeg!"
+
+"Ik ken een horlogemaker die uw horloge wel zal koopen."
+
+"Goed."
+
+"Neen, dat is niet goed. Wat zult ge verder doen?"
+
+"Alles is mij om 't even, mits het eerlijk zij."
+
+"Verstaat ge Engelsch?"
+
+"Neen."
+
+"Verstaat ge Duitsch?"
+
+"Neen."
+
+"Des te erger."
+
+"Waarom?"
+
+"Een mijner bekenden, een boekhandelaar, geeft een soort van
+encyclopedie uit, voor welke ge Duitsche of Engelsche artikelen
+hadt kunnen vertalen. 't Wordt slecht betaald, maar men kan er toch
+van leven."
+
+"Dan zal ik Duitsch en Engelsch leeren."
+
+"En intusschen?"
+
+"Intusschen zal ik van mijn kleedingstukken en mijn horloge leven."
+
+Men liet den kleêrkooper roepen. Deze kocht de kleederen voor twintig
+francs. Men ging naar den horlogemaker. Deze gaf voor het horloge
+veertig francs.
+
+"Dat is zoo slecht niet," zei Marius tot Courfeyrac toen hij te huis
+kwam; "'t maakt met mijn vijftien, tachtig francs uit."
+
+"En de rekening van den huisheer?" merkte Courfeyrac op.
+
+"Ja, daar dacht ik niet aan," zei Marius.
+
+De huisheer gaf de rekening, die dadelijk betaald moest worden. Zij
+bedroeg zeventig francs.
+
+"Dan blijven mij tien francs over," zei Marius.
+
+"Verduiveld," riep Courfeyrac, "zoo ge nu vijf francs moet uitgeven,
+terwijl ge Engelsch, en vijf francs, terwijl ge Duitsch leert, zult ge
+heel schielijk een taal geleerd, of heel langzaam een vijf-francstuk
+verteerd hebben."
+
+Intusschen was tante Gillenormand, die, wanneer het treurige
+omstandigheden gold, in den grond zoo kwaad niet was, er eindelijk
+in geslaagd Marius' verblijf te vinden.
+
+Op een ochtend toen Marius van de academie te huis kwam, vond hij een
+brief van zijn tante en zeshonderd francs aan goud in een verzegeld
+doosje.
+
+Marius zond de dertig louisd'ors aan zijn tante terug met een
+eerbiedigen brief, waarin hij schreef, dat hij middelen van bestaan
+had en voortaan in al zijn behoeften voorzien kon. Op dat oogenblik
+had hij nog drie francs over.
+
+Tante gaf grootvader geen kennis van deze weigering, uit vrees dat
+het hem nog meer vergrammen mocht. Hij had immers gezegd: dat men
+mij nooit van dezen bloeddrinker spreke!
+
+Marius verliet het hôtel der porte St. Jacques, om niet in schulden
+te komen.
+
+
+
+
+
+
+
+BOEK V.
+
+HET NUT DES ONGELUKS.
+
+
+EERSTE HOOFDSTUK.
+
+MARIUS BEHOEFTIG.
+
+
+Het leven werd streng voor Marius. Zijn kleederen en horloge te
+verteren, het was hem niets geweest. Nu echter moest hij van een
+onbeschrijfelijk iets, van niets leven. Verschrikkelijk lot!--want toen
+kwamen er dagen zonder brood, nachten zonder slaap, avonden zonder
+licht, een haard zonder vuur, weken zonder arbeid, een hopelooze
+toekomst, de ellebogen door de mouwen, een oude hoed, waarmede de
+meisjes den spot dreven, een deur, die men 's avonds gesloten vindt,
+wijl men de huur niet betaalt, de onbeschoftheid van een portier,
+het smadelijk lachen der buren, allerlei vernederingen, een vertrapte
+eigenwaarde, velerlei dingen, waaraan men zich onderwerpt, verdriet,
+bitterheid en moedeloosheid. Marius had geleerd, hoe men dit alles
+moest verduren en hoe het soms zelfs de eenige dingen zijn, die men
+te verduren heeft. Op dat tijdstip des levens, wanneer de mensch
+hoogmoed noodig heeft wijl hij liefde behoeft, zag hij zich bespot,
+omdat hij slecht gekleed, en belachelijk gemaakt, omdat hij arm was. Op
+dien leeftijd, wanneer der jeugd het hart van keizerlijke fierheid
+klopt, sloeg hij menigmaal de oogen op zijn gescheurde laarzen,
+en leerde hij de valsche schaamte en de knagende smart der armoede
+kennen. Bewonderenswaardige en vreeselijke beproeving voorwaar,
+waaruit de zwakken met schande, de sterken met eer te voorschijn
+treden. Smeltkroes, waarin het lot den mensch werpt, telkens als het
+een ellendige of een halfgod wil scheppen.
+
+Want ook in kleine gevechten worden vele grootsche daden verricht. Er
+is een hardnekkige onbekende moed, die zich in de duisternis
+voet voor voet verdedigt tegen de rampzalige aanvallen van nood en
+laagheid. 't Is een edele, geheime triomf, dien geen blik aanschouwt,
+geen vermaardheid beloont, geen trompetgeschal begroet. Het leven,
+de verlatenheid, de armoede,--het zijn slagvelden, die hun helden
+hebben; onbekende helden wel, maar dikwijls grooter dan de beroemde.
+
+Zóó slechts worden standvastige en zeldzame zielen geboren; schoon de
+armoede meestal stiefmoeder is, wordt ze toch somtijds moeder; alleen
+de behoefte verwekt zulk een geest- en zielskracht; de nood voedt de
+fierheid, en het ongeluk is een gezonde melk voor de hooghartigen.
+
+Er was een oogenblik in Marius' leven, dat hij zijn eigen portaal
+veegde; dat hij den schemeravond afwachtte om den bakkerswinkel in
+te sluipen en een brood te koopen, dat hij zoo verborgen naar zijn
+vliering bracht, alsof hij het gestolen had. Nu en dan ook zag men een
+jongeling met boeken onder den arm, verlegen en toch woedend, door
+een hoop spottende keukenmeiden, die hem aanstieten, heendringen,
+om den slagerswinkel op den hoek binnen te sluipen. Daar zag men
+hem voor de verwonderde slagersvrouw den hoed van het bezweet hoofd
+nemen en, na een buiging voor den knecht, een lamscotelet vragen,
+waarvoor hij zes of zeven sous betaalde, om er zich, na ze, in een
+papier gewikkeld, tusschen twee boeken gestopt te hebben, onder den
+arm mede te verwijderen. 't Was Marius. Van de cotelet, welke hij
+zelf braadde, leefde hij drie dagen.
+
+Den eersten dag at hij het vleesch, den tweeden dag het vet; den
+derden dag knaagde hij aan het been. Verscheiden keeren zond tante
+Gillenormand hem de zestig pistolen weder, maar Marius zond ze telkens
+terug, zeggende dat hij niets behoefde.
+
+Nog droeg hij rouw over zijn vader, toen de vermelde verandering
+in hem ontstond. Sinds dien tijd had hij de zwarte kleederen niet
+afgelegd. Toch lieten zij van hem af. Er kwam een dag, waarop hij
+geen kleederen meer had. De broek alleen was draagbaar. Wat nu te
+doen? Courfeyrac, wien hij op zijne beurt eenige diensten had bewezen,
+gaf hem een oude jas. Marius liet dien voor dertig sous door een
+kleermaker-portier keeren, en hij had een nieuwe; maar het was een
+groene jas. Toen ging Marius niet dan des avonds uit. En dit maakte
+dat zijn rok zwart geleek. Immer rouw willende dragen, kleedde hij
+zich in de tint des nachts.
+
+In weerwil van dat alles werd hij echter advocaat. Het heette,
+dat hij bij Courfeyrac woonde, die een fatsoenlijke kamer had, waar
+eenige rechtsgeleerde werken overeind stonden, naast defecte deelen
+van gelijk gebonden romans, welke de bibliotheek, door de reglementen
+voorgeschreven, vormden. Marius liet daar zijn brieven adresseeren.
+
+Toen Marius advocaat was, gaf hij zijn grootvader hiervan door een
+koelen, maar overigens eerbiedigen brief kennis. De heer Gillenormand
+nam den brief bevend op, las hem, scheurde hem in vieren voor de
+voddenmand. Een paar dagen later hoorde juffrouw Gillenormand haar
+vader, die alleen in zijn kamer was, luid spreken. Dat gebeurde
+telkens, wanneer hij in opgewondenheid was. Zij luisterde dus, en
+de grijsaard zeide: "Zoo ge geen botterik waart, zoudt ge weten,
+dat men niet tegelijk baron en advocaat kan zijn."
+
+
+
+
+
+
+TWEEDE HOOFDSTUK.
+
+MARIUS IS ARM.
+
+
+'t Is met de armoede als met alles. Zij wordt eindelijk mogelijk. Ten
+laatste begint ze een vorm aan te nemen en gewent men er zich aan. Men
+leidt een plantenleven, dat is, men ontwikkelt zich zwak en slechts
+genoeg om in 't leven te blijven. Ziehier op welke wijze Marius de
+Pontmercy zijn leven had ingericht.
+
+Hij was bijna uit de engte gekomen, en het werd eenigszins ruimer voor
+hem. Door inspanning, moed, volharding en wilskracht was hij er in
+geslaagd, door zijn arbeid ongeveer zevenhonderd francs 's jaars te
+verkrijgen. Hij had Duitsch en Engelsch geleerd, dank zij Courfeyrac,
+die hem met zijn vriend den boekhandelaar in aanraking gebracht
+had. Marius vervulde nu in de boekhandelaarsliteratuur de rol van
+"noodhulp." Hij stelde prospectussen, vertaalde uit dagbladen, maakte
+noten bij uitgaven, raapte biographieën bijeen enz., en verdiende,
+alles door elkander gerekend, zevenhonderd francs 's jaars. Daarvan
+leefde hij. Hoe? Niet slecht. Wij zullen 't uitleggen.
+
+Marius bewoonde in het huis Gorbeau voor dertig francs 's jaars een
+krot zonder schoorsteen, dat men een kamertje noemde, doch waarin niets
+dan het onontbeerlijkst huisraad was. Dit huisraad behoorde hem. Aan
+de oude eigenaarster gaf hij drie francs per maand, waarvoor zij
+zijn kamertje schoon hield en hem 's ochtends een weinig warm water,
+een versch ei en een halfstuiversbroodje bracht. Met dat ei en dat
+broodje ontbeet hij. Dit ontbijt kostte hem, al naar gelang de eieren
+goedkoop of duur waren, van twee tot vier sous. Te zes uren hield
+hij zijn maaltijd in de straat St. Jacques bij Rousseau, tegenover
+Bastet, den prentenkooper op den hoek van de straat des Mathurins. Hij
+at geen soep. Zijn maaltijd bestond uit een portie vleesch van zes,
+een halve portie groente van drie, en een dessert van nog drie sous;
+voor drie sous had men er brood zooveel men wilde. In plaats van
+wijn dronk hij water. Aan het buffet, waar de destijds nog mollige
+en frissche madame Rousseau zetelde, gaf hij een sou voor den knecht
+en schonk madame Rousseau hem een vriendelijk lonkje. Daarmeê vertrok
+hij. Voor zestien sous had hij dus een diné en een lonk gehad.
+
+Deze restaurant Rousseau, waar zoo weinig wijn en zoo veel water
+werd gedronken, was meer kalmeerend dan restaureerend. Die gaarkeuken
+bestaat niet meer. De kastelein had een fraaien bijnaam, men noemde
+hem "den waterigen Rousseau."
+
+Aldus, daar het ontbijt vier sous en het middagmaal zestien sous
+kostte, kwam zijn voeding hem op een franc daags te staan, 't geen
+driehonderd vijf en zestig francs 's jaars bedroeg. Zoo men daarbij
+de dertig francs voor de oude vrouw en eenige kleine uitgaven rekent,
+ziet men, dat Marius voor vierhonderd vijftig francs gevoed, bediend
+en gehuisvest werd. Zijn kleeding kostte hem honderd, zijn linnengoed
+vijftig en zijn wasch ook vijftig francs, zoodat alles te zamen
+geen zeshonderd vijftig francs bedroeg. Hij hield dus vijftig francs
+over. Dat maakte hem rijk. Nu en dan zelfs leende hij een vriend een
+franc of tien. Courfeyrac had eens zestig francs van hem geleend. Wat
+de verwarming betreft, deze had Marius, daar hij geen schoorsteen had,
+zeer vereenvoudigd.
+
+Marius had twee stel kleedingstukken; het eene oud, "voor alle dagen"
+het andere nieuw voor bijzondere gelegenheden. Beide waren zwart. Hij
+had slechts drie hemden, een aan 't lijf, een bij de waschvrouw en een
+in de kast. Hij vernieuwde ze naar gelang zij sleten. Gewoonlijk waren
+zij gescheurd, en hierom knoopte hij zijn rok tot aan de kin dicht.
+
+Er waren jaren voorbijgegaan voor Marius tot dien welstand
+kwam. Ruwe jaren waren 't, pijnlijk om door te komen, moeielijk om
+te doorgraven. Geen dag echter had Marius gewankeld. Hij had alle
+ontberingen ondergaan, alles gedaan, behalve schulden gemaakt. Hij
+kon zich zelven de getuigenis geven, dat hij nooit iemand een
+stuiver schuldig was geweest. Voor hem was een schuld het begin
+der slavernij. Hij beweerde zelfs, dat een schuldeischer erger
+dan een meester is; een meester toch bezit slechts den persoon, de
+schuldeischer echter is ook machtig zijn eer te vertrappen. Liever
+had hij honger geleden dan te leenen, en vele vastendagen had hij
+beleefd. Wijl hij gevoelde, dat de uitersten elkander raken en dat,
+zoo men er niet op let, een daling van fortuin tot verlaging der
+ziel leiden kan, waakte hij nauwkeurig over zijn eigenwaarde. Een
+uitdrukking of een daad, die hem in andere omstandigheden betamelijk
+zou zijn voorgekomen, scheen hem nu gemeen en was stuitend voor
+hem. Hij waagde niets, want hij wilde niet achterwaarts treden. Op
+zijn gelaat lag een zweem van strenge zedigheid. Hij was bedeesd tot
+schuwheid toe.
+
+In al zijne beproevingen voelde hij zich bemoedigd en soms zelfs
+gedragen door een geheime kracht, die in hem was. De ziel helpt het
+lichaam en heft het in sommige oogenblikken op. Zij is de eenige vogel,
+die haar kooi draagt.
+
+Naast den naam van zijn vader stond in Marius' hart een andere naam
+gegrift, het was die van Thénardier. Marius, met zijn ernstige en
+opgewondene natuur, hulde dien man in een soort van stralen-krans,
+waaraan hij het leven zijns vaders meende te danken te hebben, dien
+onversaagden sergeant, welke den kolonel te midden van den kogelregen
+bij Waterloo had gered. Hij scheidde de herinnering aan dien man nooit
+van die zijns vaders en vereende ze in zijn vereering. 't Was een soort
+van eeredienst met twee graden: het hoog-altaar voor den kolonel,
+het kleine voor Thénardier. Wat het teedere zijner dankbaarheid
+vermeerderde, was de gedachte aan den tegenspoed, waardoor hij wist
+dat Thénardier gevallen en verzwolgen was. Marius had te Montfermeil
+het bankroet van den ongelukkigen herbergier vernomen. Sinds had hij
+alle mogelijke pogingen aangewend, om zijn spoor te ontdekken en hem
+in den donkeren afgrond der armoede te bereiken, waarin Thénardier
+was verdwenen. Marius had de geheele streek doorkruist; hij was te
+Chelles, te Bondy, te Gournay, te Nogent en te Lagny geweest. Drie
+jaren had hij hierin volhard, met deze nasporingen het weinige geld
+verterende, dat hij bespaard had. Niemand had hem nopens Thénardier
+eenig bericht kunnen geven; men geloofde, dat hij naar een vreemd
+land vertrokken was. Ook zijn schuldeischers hadden hem gezocht,
+met minder liefde zeker dan Marius, schoon even halsstarrig, maar de
+hand niet op hem kunnen leggen. Marius beschuldigde en verweet zich,
+dat hij in zijn nasporingen niet kon slagen. 't Was de eenige schuld,
+die de kolonel had achtergelaten, en Marius achtte het een eer, ze te
+voldoen.--Toen mijn vader stervend op het slagveld lag, dacht hij,
+wist Thénardier hem wel, door den rook heen en te midden van het
+schrootvuur, te vinden en op zijn schouders weg te dragen, schoon
+hij hem niets schuldig was; en ik, die Thénardier zoo veel schuldig
+ben, zou hem in de schaduw waar hij zieltoogt niet vinden, om hem op
+mijn beurt uit den dood in het leven terug te brengen! O, ik zal hem
+wedervinden!--Om Thénardier werkelijk te vinden zou Marius zeker een
+zijner armen, en om hem aan de armoede te ontrukken zeker al zijn bloed
+wel hebben veil gehad. Thénardier te zien, hem een dienst te bewijzen,
+tot hem te zeggen: "Gij kent mij niet, maar ik ken u wel. Ik ben er;
+beschik over mij,"--dat was Marius' liefste en heerlijkste droom.
+
+
+
+
+
+
+DERDE HOOFDSTUK.
+
+MARIUS GROOT GEWORDEN.
+
+
+Marius was nu twintig jaren oud. Het was drie jaren geleden, dat hij
+zijn grootvader had verlaten.
+
+Nog altijd was men van weêrszijden op denzelfden voet, zonder
+eenige toenadering te beproeven of elkander te willen wederzien. En
+waartoe zou het wederzien ook gediend hebben? Alleen om een botsing
+te veroorzaken? Wie van beiden zou bij den ander gelijk hebben
+gehad? Marius was een metalen, vader Gillenormand een ijzeren pot.
+
+Wij moeten echter zeggen, dat Marius het hart zijns grootvaders
+miskende. Hij verbeeldde zich dat Gillenormand hem nooit bemind had,
+en dat deze goede man, zoo kort van stof en zoo hardvochtig, die
+lachte, vloekte, schreeuwde, bulderde en den stok opgeheven had, voor
+hem hoogstens de tevens flauwe en strenge liefde van een comedievader
+gevoelde. Marius bedroog zich. Er zijn vaders, die hun kinderen niet
+beminnen; maar er bestaat geen grootvader, die zijn kleinzoon niet
+liefheeft. Wij hebben het gezegd; de heer Gillenormand had Marius in
+den grond hartelijk lief, maar op zijn wijze, met norschheid en zelfs
+met oorvegen. Doch toen de jongeling verdwenen was, gevoelde hij een
+donkere leegte in zijn hart; hij eischte, dat men niet meer van hem
+sprak, en treurde in stilte, omdat men hem zoo stipt gehoorzaamde. In
+den beginne hoopte hij, dat die buonapartist, die jakobijn, die
+terrorist, die septemberman weder komen zou. Maar weken gingen
+voorbij, maanden, jaren verstreken; en tot groote wanhoop van den
+heer Gillenormand kwam de bloeddrinker niet weder te voorschijn.--Ik
+kon toch niet anders doen dan hem wegjagen, zei de grootvader bij
+zich zelven, terwijl hij zich afvroeg: als zoo iets weer gebeurde,
+zou ik het dan nog eens doen? Zijn hoogmoed antwoordde dadelijk:
+ja! maar zijn oude hoofd, dat hij zwijgend schudde, antwoordde
+treurig: neen. Hij had oogenblikken van neerslachtigheid. Marius
+ontbrak hem. Grijsaards hebben evengoed genegenheid als zon of warmte
+noodig. Hoe sterk hij ook van aard was, had Marius' afzijn toch iets
+in hem veranderd. Voor alles ter wereld zou hij dien "kleinen snaak"
+geen schrede genaderd zijn, maar toch leed hij. Nooit vernam hij
+naar hem, maar toch dacht hij altijd aan hem. Meer en meer leefde
+hij afgezonderd in het Marais. Hij was wel evenals vroeger vroolijk
+en driftig, maar zijn vroolijkheid had een stuipachtige hardheid,
+als bevatte zij smart en toorn, en zijn drift ging steeds tot een
+soort van zachte, sombere neerslachtigheid over. Hij zeide soms:--"O
+wat zou ik hem een flinken oorveeg geven zoo hij terugkwam!"
+
+Tante dacht te weinig om veel lief te hebben; voor haar was Marius
+niets meer dan een donkere onduidelijke silhouet, en eindelijk was
+zij zoover gekomen, dat zij zich nog minder met hem bezig hield dan
+met de kat of de papegaai, welke zij waarschijnlijk wel had.
+
+Wat het geheime leed van vader Gillenormand nog vermeerderde was,
+dat hij het geheel in zich opsloot en er niets van liet blijken. Zijn
+verdriet geleek die nieuw uitgevonden haarden, welke hun eigen rook
+verbranden. Soms geviel het, dat lastige gedienstige geesten hem
+van Marius spraken en vroegen: "Wat doet, of wat wordt mijnheer uw
+kleinzoon?" Dan antwoordde de oude burger zuchtend, zoo hij al te
+treurig was, of op zijn manchetten tikkende, zoo hij vroolijk wilde
+schijnen: "Mijnheer de baron Pontmercy pleit hier of daar."
+
+Terwijl de grijsaard Marius betreurde, wenschte Marius zich zelven
+geluk. Het ongeluk had hem, zooals allen goeden harten, de bitterheid
+ontnomen. Aan den heer Gillenormand dacht hij slechts met zachtheid,
+maar toch volhardde hij er in, niets meer van den man te ontvangen die
+slecht jegens zijn vader was geweest.--'t Was nu de verzachte vertaling
+van zijn eerste misnoegen. Bovendien achtte hij zich gelukkig, geleden
+te hebben en nog te lijden. Dat was voor zijn vader. Zijn sober
+leven bevredigde en behaagde hem. Met een zeker gevoel van vreugd
+dacht hij er aan, dat dit het minste--dat dit een boetedoening was;
+dat hij anders wegens zijn goddelooze onverschilligheid voor zijn
+vader, en wel voor zulk een vader, later zeker gestraft zou geworden
+zijn;--dat het niet rechtvaardig was, zoo zijn vader alles en hij niets
+had geleden;--wat waren overigens zijn werkzaamheden en ontberingen
+bij het heldenleven van den kolonel vergeleken?--en eindelijk dat de
+eenige manier om zijn vader meer nabij te komen en te gelijken was,
+moedig tegen de behoefte te zijn, evenals zijn vader moedig tegen den
+vijand was geweest, en dat de kolonel zoo iets ongetwijfeld bedoeld
+had met de woorden: "hij zal dit waardig zijn." Woorden, die Marius
+voortdurend, niet op de borst--want het geschrift van den kolonel
+was verloren gegaan--maar in zijn hart droeg.
+
+Den dag toen zijn grootvader hem wegjoeg, was hij nog slechts een knaap
+nu echter was hij man geworden. Hij gevoelde dit. De armoede,--wij
+drukken hierop--was goed voor hem geweest. Armoede in de jeugd heeft
+dit nut, dat zij wil en ziel tot krachtsinspanning aanspoort. Armoede
+legt het stoffelijke leven al dadelijk bloot, en vertoont de daden
+in al hare leelijkheid; vandaar dat onbeschrijfelijk verlangen naar
+het ideale leven. De jonge rijkaard vindt honderden schitterende
+en zinnelijke vermaken, wedrennen, jachtpartijen, honden, tabak,
+spel, goede maaltijden en wat er meer is, alle bezigheden voor het
+lagere in de ziel, ten koste van het hoogere en meer kiesche. De arme
+jongeling doet alle moeite om zijn brood te winnen; hij eet, en als
+hij gegeten heeft blijven hem niets dan zijn droomen over. Hij gaat om
+niet naar het schouwtooneel dat God hem toont; hij aanziet den hemel,
+het uitspansel, de starren, de bloemen, de kinderen, de menschheid
+waarin hij lijdt, de schepping, waarin hij straalt. Hij beschouwt
+de menschheid zoolang tot hij haar ziel ziet, de schepping zoolang
+tot hij er God in herkent. Hij denkt na en gevoelt zich groot; hij
+denkt nog dieper na en voelt zich verteederd. Van het egoïsme des
+lijdenden gaat hij tot het medelijden des bespiegelenden menschen
+over. Een bewonderenswaardig gevoel ontwaakt in hem; vergetelheid
+voor zich zelven en medelijden voor allen. Als hij aan de ontelbare
+geneugten denkt, welke de natuur de geopende zielen biedt, biedt
+tot overstelpens toe, maar de geslotene zielen onthoudt, beklaagt
+hij, rijk door verstand, den rijke in geld. Alle haat verdwijnt uit
+zijn hart naarmate het licht zijn geest binnendringt. Is hij voor
+'t overige ongelukkig? Neen. De armoede van een jongmensch is nooit
+ongelukkig. De eerste de beste jongeling, hoe arm hij zij, zal, met
+zijn gezondheid, zijn kracht, levendigen tred, schitterende oogen,
+warm stroomend bloed, zwarte haren, frissche wangen, roode lippen,
+witte tanden en zuiveren adem nog altijd een ouden keizer afgunstig
+kunnen maken. Bovendien begint hij iederen ochtend weder zijn brood
+te verdienen; en terwijl zijn handen dit winnen, wint zijn houding
+aan fierheid, zijn verstand aan denkbeelden. Na zijn arbeid doolt
+zijn geest in onuitsprekelijke genoegens, in aanschouwingen, en
+vreugde rond. Zijn voet treedt door tegenspoeden en hindernissen
+de straat over, langs doornen, wel soms in het slijk, maar toch met
+het hoofd in het licht. Hij is vastberaden, kalm, zacht, vreedzaam,
+oplettend, met weinig tevreden, goedwillig--en hij dankt God, dat die
+hem die rijkdommen gaf, welke zoovele aanzienlijken moeten ontberen:
+de arbeid, die hem vrij maakt, en de gedachte, die hem veredelt.
+
+Dat was in Marius gebeurd. Hij helde zelfs, om de waarheid te zeggen,
+wel wat te veel tot bespiegeling over. Sinds het hem gelukt was
+zijn brood bijna zeker te kunnen verdienen, had hij zich daarbij
+bepaald, het goedkeurende dat hij arm was en den tijd aan den arbeid
+ontwoekerend om dien aan overpeinzing te wijden. Een ziener gelijk, die
+zich in de stille weelde der verrukking en eener inwendige lichtwereld
+dompelt en daardoor verzwolgen wordt, bracht hij geheele dagen met
+overpeinzingen door.
+
+Aldus had hij zich het raadsel des levens voorgesteld. Zoo min mogelijk
+stoffelijk werk bij zooveel onstoffelijken arbeid als maar mogelijk
+was, of met andere woorden, eenige uren aan het werkelijke leven, de
+overige aan het oneindige te schenken. Meenende dat hem niets ontbrak,
+bespeurde hij niet, dat de bespiegeling een van de vormen der luiheid
+wordt; dat hij zich slechts tevredenstelde met in de eerste behoeften
+des levens te voorzien en veel te vroeg rust nam.
+
+'t Was duidelijk, dat dit voor zulk een krachtige en edele natuur
+slechts een overgangspunt was, en Marius bij den eersten schok tegen
+de onvermijdelijke verwikkelingen van het noodlot ontwaken zou.
+
+Intusschen, schoon hij advocaat was en vader Gillenormand het dacht,
+pleitte hij niet. Overpeinzing had hem het pleiten tegen gemaakt. Het
+verveelde hem met procureurs om te gaan, het gerechtshof te bezoeken
+en zaken op te loopen. Waartoe zou 't hem dienen? Hij vond geen
+enkele reden om van kostwinning te veranderen. In het werken voor
+den boekhandel vond hij een zekeren en weinig vermoeienden arbeid,
+waaraan hij, zooals wij zeiden, genoeg had.
+
+Een der boekhandelaars, voor wien hij werkte,--ik geloof de Heer
+Magimel--had hem voorgesteld bij hem in huis te komen, waar hij hem bij
+behoorlijke huisvesting, geregelden arbeid en vijftienhonderd francs 's
+jaars zou geven. Een goede huisvesting en vijftienhonderd francs! Zeer
+verlokkend! Maar van zijn vrijheid af te staan! een loontrekkend, een
+soort van letterkundig bediende te zijn! Naar Marius' gedachte zou,
+zoo hij 't voorstel aannam, zijn toestand èn beter èn slechter worden;
+wat hij aan welstand won, zou hij aan eigenwaarde verliezen; het was
+een volmaakt, mooi ongeluk, dat in een leelijken, belachelijken dwang
+veranderde; 't was iets als een blinde, die éénoogig worden kon. Hij
+weigerde dus.
+
+Marius leefde eenzaam. Door zijn neiging voor afzondering, had hij er
+bepaald van afgezien, in het genootschap over te gaan, waar Enjolras
+presideerde. Overigens waren zij kameraads gebleven en bereid elkander
+bij gelegenheid op allerlei wijzen te helpen; meer echter niet.
+
+Marius had twee vrienden, een jongen, Courfeyrac, en een ouderen,
+Mabeuf. Hij helde het meest tot den laatsten over. Vooreerst had hij
+dezen de in hem ontstane verandering te danken, en tevens had deze
+hem zijn vader leeren kennen en beminnen. "Hij heeft mij van de staar
+gelicht," zeide hij.
+
+Voorwaar, deze kerkmeester had het pleit beslist.
+
+De heer Mabeuf was evenwel bij die gelegenheid niets dan het rustige,
+lijdelijke werktuig der Voorzienigheid geweest. Hij had Marius
+toevallig en zonder het te weten licht geschonken, evenals de kaars
+doet, die door iemand binnen gebracht wordt; hij was de kaars en niet
+de persoon geweest.
+
+De heer Mabeuf was volkomen onbekwaam om de inwendige politieke
+verandering van Marius te begrijpen, te willen of te besturen.
+
+Wijl men later den heer Mabeuf zal wedervinden, zijn eenige woorden
+nopens hem niet onnoodig.
+
+
+
+
+
+
+VIERDE HOOFDSTUK.
+
+DE HEER MABEUF.
+
+
+Denzelfden dag, toen de heer Mabeuf tot Marius zeide: "zekerlijk, ik
+keur politieke meeningen goed," drukte hij den wezenlijken toestand
+van zijn geest uit. Alle politieke meeningen waren hem onverschillig,
+en hij keurde ze alle zonder onderscheid goed, mits zij hem met rust
+lieten, op dezelfde wijze als de Grieken de furiën, de schoonen, de
+goeden en bekoorlijken de Eumeniden noemden. De politieke meening van
+den heer Mabeuf was een hartstochtelijke liefde voor planten en bovenal
+voor boeken. Hij had, zooals iedereen, de lettergreep ist tot uitgang,
+zonder welke niemand in dien tijd kon leven, maar hij was royalist,
+bonapartist, chartist, orleanist, noch anarchist; hij was bouquinist
+(boekenliefhebber). Hij begreep niet, waarom de menschen wegens
+zulke nietigheden als de charte, de democratie, de legitimiteit,
+de monarchie, de republiek enz. elkander konden haten, terwijl er in
+de wereld zoo velerlei soorten van mos, kruiden en heesters waren die
+zij beschouwen, en stapels folianten die zij doorbladeren konden. Hij
+wilde niet nutteloos zijn; dat hij boeken had en botanicus was,
+belette hem niet te lezen en te tuinieren. Toen hij Pontmercy had
+leeren kennen, ontstond tusschen den kolonel en hem sympathie, wijl
+deze bloemen en de ander vruchten kweekte. De heer Mabeuf was er in
+geslaagd even uitmuntende peren als die van St. Germain te telen.
+
+Hij ging veeleer ter mis uit gewoonte dan uit godsvrucht, en ook wijl
+hij, gaarne menschen ziende maar hun gewoel hatend, hen slechts in
+de kerk stil bijeen vond. Hij had, beseffende dat hij in den staat
+iets moest zijn, de loopbaan van kerkmeester gekozen. Overigens was
+'t hem nooit gelukt zoo verliefd op een vrouw te worden als op een
+tulpbol, en was geen man hem zoo lief als een Elzevier. Hij was reeds
+lang over de zestig jaar toen iemand hem vroeg: "Zijt ge nooit gehuwd
+geweest?"--"Ik heb 't vergeten," antwoordde hij. Zoo 't hem nu en
+dan gebeurde--en wien gebeurt dit niet?--te zeggen: "O, zoo ik rijk
+ware!"--was 't niet terwijl hij een meisje begluurde, gelijk vader
+Gillenormand, maar alleen bij de beschouwing van een oud boek.
+
+Hij leefde alleen met een oude huishoudster--en was min of meer
+jichtig; in den slaap kromden zich zijn oude door het rheumatisme
+verstijfde vingers over het beddelaken. Hij had een Flora over
+de omstreken van Cauteretz geschreven met gekleurde platen, een
+tamelijk goed werk, waarvan hij de koperplaten bezat, en dat hij zelf
+verkocht. Twee of driemaal daags kwam men daarom bij hem in de straat
+Mezières aanschellen. Dit bracht hem elk jaar een paar duizend francs
+op, en was ongeveer zijn geheele fortuin.
+
+Hoewel hij arm was, had hij toch talent genoeg gehad, om door geduld,
+ontbering en tijd een kostbare verzameling van zeldzame, veelsoortige
+exemplaren bijeen te brengen. Nooit ging hij uit dan met een boek
+onder den arm en kwam er dikwerf met twee weder te huis. De eenige
+versieringen der vier benedenkamers, die met een kleinen tuin zijn
+woning vormden, waren herbariums en platen van oude meesters. Het
+gezicht van een sabel of geweer deed hem verstijven. In zijn
+gansche leven was hij geen kanon genaderd, zelfs niet in het Hôtel
+der Invaliden. Hij had een goede maag; een broeder, die pastoor was,
+met witte haren; geen tanden in den mond noch in den geest; een beving
+in al zijn leden; een picardischen tongval; een kinderlijken lach en
+een gezicht als een oud schaap.
+
+Bij dat alles onder de levenden slechts één vriend, een ouden
+boekhandelaar, Royol, en één wensch: dat de indigo-bouw in Frankrijk
+ingevoerd mocht worden. Ook zijn dienstmeid was een rariteit van
+onschuld. De goede vrouw was nog vrijster. Sultan, haar kater, die
+het miserere van Allegri in de Sixtijnsche kapel had kunnen mauwen,
+vervulde haar hart en bevredigde de hoeveelheid hartstocht die in
+haar was. Geen harer wenschen had zich ooit tot een man verheven. De
+kater was haar alles. Zij had knevels gelijk hij. Zij stelde roem
+in een heldere muts. Zij vermaakte zich des zondags na de mis met
+haar lijnwaad in de kast te tellen en de lappen katoen op haar bed
+uit te spreiden, welke zij voor haar kleederen kocht, doch nooit
+liet maken. Zij kon lezen. Mijnheer Mabeuf had haar den bijnaam van
+"moeder Plutarchus" gegeven.
+
+Mabeuf had genegenheid voor Marius gekregen, wijl Marius, jong en
+zacht van aard, zijn ouderdom verwarmde, zonder zijn bedeesdheid te
+verschrikken. Jeugd en zachtheid doen op grijsaards de uitwerking van
+een zonneschijn zonder wind. Toen Marius verzadigd was van militairen
+roem, buskruit, marschen en contra-marschen en van al de schoone
+veldslagen, waarin zijn vader sabelhouwen gegeven en ontvangen had,
+bezocht hij Mabeuf, en deze sprak hem van den held naar aanleiding
+zijner bloemen.
+
+Omstreeks 1830 was zijn broeder de pastoor overleden, en schier
+eensklaps was, evenals wanneer de nacht daalt, voor den heer
+Mabeuf de geheele horizont verduisterd. Door een bankroet--van een
+notaris--verloor hij een som van tien duizend francs, hetgeen alles
+was wat hij en zijn broeder bezaten. De Juli-revolutie veroorzaakte
+een crisis in den boekhandel. In tijden van algemeenen nood worden
+zelden Floras verkocht. De Flora over de omstreken van Cauteretz
+ging volstrekt niet meer. Weken vervlogen zonder dat er een
+kooper kwam. Soms ontroerde de heer Mabeuf, wanneer hij de schel
+hoorde.--"Neen, mijnheer," zeide moeder Plutarchus dan treurig,
+"'t is de waterdrager."--Kortom, op zekeren dag verliet Mabeuf de
+straat Mezières, deed afstand van zijn kerkmeesterschap, verkocht
+een gedeelte, niet van zijn boeken, maar van zijn prenten--waaraan
+hij 't minst gehecht was,--en betrok een huisje op den boulevard
+Mont-Parnasse, dat hij echter slechts twee maanden bewoonde, en wel om
+twee redenen: eerstens wijl het beneden-huis en de tuin driehonderd
+francs kostte, en hij niet meer dan tweehonderd francs huur kon
+betalen, en ten tweede wijl erin de buurt een schijfschieterij was
+en hij pistoolschoten hoorde, die hem ondragelijk waren.
+
+Hij nam zijn Flora, zijn koperen platen, zijn herbariums, portefeuilles
+en boeken mede, en zette zich metterwoon neder bij la Salpétrière, in
+een soort hut van het dorp Austerlitz, waar hij voor honderdvijftig
+francs 's jaars drie kamers en een omheinden tuin met een put
+had. Hij maakte van die verhuizing gebruik om bijna al zijn huisraad
+te verkoopen. Op den dag zijner komst in de nieuwe woning was hij
+zeer vroolijk; hij sloeg zelf de spijkers in den muur, om er zijn
+prenten en herbariums aan te hangen; en toen hij moeder Plutarchus
+des avonds treurig zag, klopte hij haar op den schouder, terwijl hij
+glimlachend zeide:
+
+"Wij hebben de indigo!"
+
+Slechts twee bezoekers, de boekhandelaar en Marius, werden er
+toegelaten in zijn hut te Austerlitz, welke oorlogzuchtige naam hem
+vrij onaangenaam was.
+
+Hersenen,--zooals wij hebben aangewezen--die met wijsheid of
+dwaasheid zijn gevuld, of, 't geen vaak gebeurt, door beide tegelijk,
+zijn overigens tamelijk ongevoelig voor de werkelijke dingen des
+levens. Haar bestemming is ook anders. Hieruit echter ontstaat
+een lijdelijkheid, die, ware zij beredeneerd, op wijsbegeerte kon
+gelijken. Zulke lieden dalen, zinken, storten zelfs neêr, zonder er
+bijna iets van te bespeuren. Dit eindigt wel is waar met een ontwaking,
+maar dan is het te laat. Ondertusschen houden zij zich in het spel
+om hun geluk of ongeluk eenigermate onzijdig. Zij zijn wel de inzet,
+doch zien bij het spel onverschillig toe!
+
+Alzoo had de heer Mabeuf, die allengs al zijn verwachtingen verdwijnen
+zag, bij al die donkerheid welke deze doofde, zijn vroolijkheid toch
+behouden, die, al was ze ook eenigszins kinderachtig, toch diep gevoeld
+was. De gewoonten van zijn geest slingerden gestadig van de eene naar
+de andere zijde, als de slinger van een klok. En die slingering, door
+een hersenschim veroorzaakt, hield lang aan, zelfs wanneer de schim
+reeds lang verdwenen was. Een horloge staat niet dadelijk stil op
+'t oogenblik, dat men den sleutel er van verliest.
+
+De genoegens van Mabeuf waren zeer onschuldig, goedkoop en onverwacht;
+het geringste toeval gaf ze hem. Op zekeren dag las moeder Plutarchus
+in een hoek der kamer een roman. Zij las luid, meenende het dan beter
+te zullen begrijpen. Het overluid lezen is eenigerwijs de bevestiging
+van 't geen men leest. Er zijn zelfs lieden die zeer luid lezen,
+alsof zij hun woord van eer willen geven, dàt zij lezen.
+
+Met die kracht las moeder Plutarchus den roman, dien zij in de hand
+hield. Mabeuf hoorde zonder te luisteren.
+
+Lezende kwam moeder Plutarchus aan deze zinsnede. Er was sprake van
+een dragonderofficier en een schoone.
+
+" ... De schoone pruilde, en de dragonder..." [6]
+
+Hier zweeg zij om haar bril schoon te maken.
+
+"Bouddha en de draak," zei Mabeuf halfluid. "Ja, 't is waar, er was
+een draak die in zijn hol vlammen spuwde uit den muil en den hemel
+verbrandde. Verscheidene sterren waren reeds door dat monster verbrand,
+dat bovendien tijger-klauwen had. Bouddha ging zijn hol binnen en
+'t gelukte hem den draak te bekeeren. 't Is een goed boek, dat ge
+daar leest, moeder Plutarchus. Er is geen fraaier legende."
+
+En Mabeuf verdiepte zich weder in zijn aangename overpeinzingen.
+
+
+
+
+
+
+VIJFDE HOOFDSTUK.
+
+ARMOEDE IS EEN GOED GEBUUR VOOR ELLENDE.
+
+
+Marius had genegenheid opgevat voor den goeden grijsaard, die
+langzamerhand tot behoeftigheid verviel en zich allengs verwonderde,
+zonder zich echter erg te bedroeven. Marius ontmoette Courfeyrac en
+zocht Mabeuf op. Zeer zelden evenwel; hoogstens een paar keeren in
+de maand.
+
+Marius deed in zijn eenzaamheid gaarne groote wandelingen langs
+de buitenboulevards, op het Champ de Mars of in de minst bezochte
+lanen van het Luxemburg. Soms besteedde hij een halven dag met de
+beschouwing van een moestuin, van saladebedden, van kippen op een
+mesthoop en van een paard dat in den molen liep. De voorbijgangers
+zagen hem met verbaasden blik aan; sommigen vonden iets verdachts
+en gevaarlijks aan hem, hoewel hij niets dan een arm jongeling was,
+die zich aan zijn gedachten overgaf.
+
+Op een dier wandelingen het huis Gorbeau ontdekkende, hadden de
+eenzaamheid en de geringe huurprijs hem verlokt, en huurde hij er
+een kamer. Men kende hem er alleen onder den naam van Marius.
+
+Eenige oude generaals en krijgsmakkers van zijn vader hadden hem
+uitgenoodigd, toen zij hem leerden kennen, en Marius had niet
+geweigerd, want dit was hem een gelegenheid om over zijn vader
+te spreken. Nu en dan legde hij dus bij graaf Pajol, bij generaal
+Bellavesne, bij generaal Tririon en in het Hôtel der Invaliden bezoeken
+af. Men maakte er muziek en danste er. Voor deze bezoeken droeg Marius
+zijn beste kleêren. Maar nooit ging hij naar deze soirées of bals,
+dan wanneer het steendik vroor; want hij kon geen huurrijtuig betalen
+en wilde er niet verschijnen dan met laarzen, die als spiegels blonken.
+
+Vaak zeide hij, doch zonder wrevel:
+
+"Zoo zijn de menschen! men mag in gezelschap komen zoo beslijkt
+men wil, mits de schoenen zuiver zijn. Men vergt er alleen:
+onberispelijkheid--van geweten?--neen, van laarzen."
+
+Alle driften, behalve die van 't hart, vervliegen bij den denker. Ook
+de politieke koorts van Marius was vervlogen. Daartoe had de revolutie
+van 1830, door hem te bevredigen en te bedaren, vooral medegewerkt. Op
+zijn toorn na was hij nog schier dezelfde. Hij had nog altijd dezelfde
+meeningen; maar zij waren eenigszins gewijzigd; eigenlijk gezegd, had
+hij geen meeningen meer, maar sympathieën. Tot welke partij behoorde
+hij? tot de partij der humaniteit. Deze koos Frankrijk tot haar doel;
+in de natie koos hij het volk, in het volk de vrouw. Met haar vooral
+had hij medelijden. Nu gaf hij de voorkeur aan een denkbeeld boven
+een feit, aan een dichter boven een held, en bewonderde meer een boek
+als dat van Job dan een gebeurtenis als die van Marengo. En dan weer,
+wanneer hij na een dag van bespiegeling des avonds langs den boulevard
+huiswaarts keerde, en door de takken van het geboomte het peilloos
+uitspansel, het onbeschrijfelijk licht, de diepte, de schaduw, de
+verborgenheid, aanschouwde, kwam al het menschelijke hem klein en
+nietig voor.
+
+Hij geloofde zoo zeker, het ware in 't leven en de wijsbegeerte
+gevonden te hebben, en had het misschien ook gevonden, dat hij
+eindelijk schier niets dan den hemel aanschouwde, het eenige wat men
+in den put der waarheid zien kan.
+
+Dit belette hem echter niet allerlei plannen, ontwerpen en
+luchtkasteelen voor de toekomst te bouwen. Zoo men de droomerijen van
+Marius had kunnen doorzien, zou men door de reinheid zijner ziel als
+verblind zijn geweest. Immers, zoo onze lichamelijke oogen in het hart
+van anderen vermochten te staren, zou men een mensch zeker meer naar
+'t geen hij droomt dan naar 't geen hij denkt beoordeelen. In de
+gedachte ligt het willen, niet in den droom. De vrijwillige droom
+neemt, zelfs in het reusachtige en ideale, den vorm van onzen geest
+aan en behoudt dien. Niets vloeit meer rechtstreeks en oprecht
+uit onze ziel, dan ons onbedacht en buitensporig streven naar den
+glans van het lot. In dit streven, veel meer dan in samengestelde,
+beredeneerde en geregelde denkbeelden, kan men het wezenlijke karakter
+van ieder mensch wedervinden. Wat ons het meest gelijkt, zijn onze
+droomen. Ieder droomt naar zijn aard van het onbekende en onmogelijke.
+
+In het midden van het jaar 1831 verhaalde de oude vrouw, Marius'
+dienstbode, hem, dat men zijn buren, het arme huisgezin Jondrette,
+buiten de deur zou zetten. Marius, die bijna den geheelen dag uit was,
+wist nauwelijks dat hij buren had.
+
+"Waarom?" vroeg hij.
+
+"Wijl zij de huur niet betalen; zij zijn reeds twee termijnen
+schuldig."
+
+"Hoeveel bedraagt de som?"
+
+"Twintig francs," antwoordde de oude vrouw.
+
+"Ziedaar," sprak hij tot de oude vrouw, "hier hebt ge vijfentwintig
+francs. Betaal de huur voor die arme lieden en geef hun vijf francs,
+maar zeg niet dat het van mij komt."
+
+
+
+
+
+
+ZESDE HOOFDSTUK.
+
+DE PLAATSVERVANGER.
+
+
+Het toeval wilde, dat het regiment, waarbij de luitenant Theodule
+behoorde, te Parijs in garnizoen kwam. Dit gaf tante Gillenormand
+gelegenheid, ten tweedenmale een plan te vormen. Den eersten keer
+had zij verzonnen, om Marius door Theodule te laten bespieden; nu
+besloot zij Theodule in Marius' plaats te stellen.
+
+'t Was in alle opzichten, en ingeval grootvader eenigszins behoefte
+had een jeugdig gezicht in huis te hebben--het ochtendrood doet de
+bouwvallen soms genoegelijk aan--'t was noodig, een anderen Marius te
+vinden. Welnu, dacht zij, wij kunnen 't als een drukfout beschouwen
+en, met verschillende boeken, zeggen: Theodule, lees Marius.
+
+Een achterneef is genoegzaam kleinzoon; bij gebrek aan een advocaat
+neemt men een lansier.
+
+Op zekeren ochtend was de heer Gillenormand juist bezig met het lezen
+van een blad, de Quotidienne, toen zijn dochter binnentrad en op den
+vleiendsten toon--want het gold haar gunsteling--zeide:
+
+"Vader, Theodule komt u dezen morgen een bezoek brengen."
+
+"Welke Theodule?"
+
+"Uw achterneef."
+
+"Zoo," zei de grootvader.
+
+Toen hervatte hij zijn lectuur, zonder verder aan zijn achterneef
+te denken, en werd al spoedig gramstorig, zooals hem meestal
+gebeurde wanneer hij las. Het blad, dat hij las--natuurlijk
+koningsgezind--kondigde tegen den volgenden dag een dier kleine
+politieke gebeurtenissen aan, welke destijds te Parijs aan de
+orde van den dag waren: dat de studenten in de medicijnen en de
+rechtsgeleerdheid des middags op het plein van het Pantheon moesten
+bijeenkomen om te delibereeren. Het gold een kwestie van den dag:
+de artillerie der nationale garde, alsmede een conflict tusschen
+den minister van oorlog en de "burgerwacht," ter zake van de op de
+binnenplaats van het Louvre geplaatste kanonnen. Daarover moesten
+de studenten "raadplegen." Er was niet veel meer noodig om den heer
+Gillenormand op te winden.
+
+Hij dacht aan Marius, die student was en, waarschijnlijk gelijk
+de anderen, des middags op het plein van het Pantheon zou gaan
+"delibereeren."
+
+Terwijl hij zich met deze onaangename gedachten bezig hield, werd
+luitenant Theodule, in burgerkleeding, 't geen zeer slim overlegd was,
+door mejuffrouw Gillenormand binnengeleid. De lansier had geredeneerd
+als volgt: "De oude heeft niet alles op lijfrente geplaatst. Het is
+dus der moeite waard zich nu en dan eens als burger te kleeden."
+
+Mejuffrouw Gillenormand zeide luid tot haar vader: "Theodule, uw neef."
+
+En zacht tot den luitenant:
+
+"Geef hem maar altijd gelijk."
+
+Toen verwijderde zij zich.
+
+De luitenant, weinig gewoon aan zulke deftige bezoeken, stamelde
+eenigszins verlegen: "Goeden morgen, oom," en groette werktuiglijk
+half als militair, half als burger.
+
+"Ha, zijt gij 't, goed; ga zitten," sprak grootvader. En tegelijk
+vergat hij den officier weder geheel en al.
+
+Theodule zette zich neêr en Gillenormand stond op. Met de handen
+in de zakken liep hij heên en weder, sprak luide met zich zelven en
+klemde de twee horloges, welke hij in zijn zakken had, vergramd in
+zijn oude vingers.
+
+"Die kwâjongens! dat bescheidt elkander op het plein van het
+Pantheon! knapen, die nauwelijks de min ontloopen zijn! Zoo men hun in
+den neus kneep, zou er melk uit komen. En morgen middag delibereeren
+zij! Waar moet dat heen? waar moet dat heen? 't Is duidelijk,
+dat men naar den afgrond gaat. Daar hebben ons de descamisados
+toe gebracht. Burger-artillerie! Onder den blooten hemel over de
+burger-artillerie gaan wauwelen! En wie zullen zij er vinden! Zie nu
+eens waar het jacobinisme toe leidt! Ik wed, om alles wat men wil,
+dat er geen andere lieden zullen zijn dan vrijgelaten galeiboeven en
+verdachte fielten. Republikeinen en galeiboeven behooren bij elkaar
+als een neus en een zakdoek. Carnot zeide: "Waar zal ik heen gaan,
+verrader?" En Fouché antwoordde: "Waarheen ge wilt, dwaas!" Dat zijn
+nu republikeinen!"
+
+"'t Is waar," zei Theodule.
+
+De heer Gillenormand wendde het hoofd half om, zag Theodule en
+ging voort:
+
+"Als ik er aan denk, dat die snaak fielterig genoeg was om carbonaro
+te worden! Waarom hebt ge mijn huis verlaten? Om republikein te
+worden. Pssst! Vooreerst wil het volk geen republiek, neen, het wil
+ze niet; het heeft gezond verstand; het weet wel, dat het altijd
+koningen heeft gehad en ze altijd hebben zal; het weet wel, dat het
+volk in allen geval niets dan het volk is; het walgt van de republiek,
+hoort ge. 't Is afschuwelijk! Op vader Duchene verliefd te worden,
+de guillotine toe te lonken, romances te zingen met accompagnement van
+de guitar, onder het balkon van 93! 't Is om te spuwen, zoo dom zijn
+die jongelieden! Zij zijn 't allen: geen uitgezonderd. Men behoeft
+de lucht op straat slechts in te ademen, om zinneloos te worden, naar
+'t schijnt. De negentiende eeuw is vergiftigd. De eerste straatjongen
+de beste laat zijn boksbaard groeien, meent al een kerel te zijn en
+loopt van zijn oude lui weg. 't Is republikeinsch, romantisch. Wat
+is romantisch? Wees zoo goed mij nu eens te zeggen, wat dat is! Alle
+mogelijke gekheid. Een jaar geleden ging men naar Hernani. Nu vraag
+ik u! naar Hernani! Welke tegenstrijdigheden en schandelijkheden,
+die zelfs niet in goed Fransch zijn geschreven! En dan zet men nog
+kanonnen op het plein van het Louvre. Zulk bandietenwerk ziet men in
+dezen tijd!"
+
+"Ge hebt gelijk, oom," zei Theodule.
+
+De heer Gillenormand hernam:
+
+"Kanonnen op de plaats van het museum! Waarom? Wat doen die kanonnen
+daar? Wil men den Apollo van Belvedère stuk schieten? Wat hebben de
+blikken bussen met Venus van Medicis te maken? O! die jongelieden van
+dezen tijd, 't zijn allen schoften! Welk een beweging met hun Benjamin
+Constant. En wie geen schurken zijn, zijn pap-eters. Zij doen al 't
+mogelijke om leelijk te zijn; zij gaan slecht gekleed, zijn bang voor
+de vrouwen, en de deerns lachen hen uit om hun bedelaarsmanieren;
+op mijn woord van eer, 't is alsof zij, als 't op liefde aankomt,
+bedeelde armen zijn. Zij zijn wanstaltig en, wat meer is, dom; zij
+herhalen de woordspelingen van Tiercelin en Pothier, dragen jassen
+als zakken, palfreniersvesten, grove hemden, grove lakensche broeken,
+schoenen van dik leder, en hun gesnater is als hun vederen. Hun
+geraaskal is evenmin iets waard als hun sloffen. En dat dom rapalje
+wil politieke meeningen hebben! 't moest streng verboden worden,
+politieke meeningen te hebben. Zij fabrieken stelsels, keeren de
+maatschappij om, breken de monarchie af, smijten alle wetten neêr,
+gooien den zolder naar den kelder, en maken mijn portier nog koning;
+zij keeren Europa het onderstboven, verbouwen de wereld, en alleen in
+'t geniep durven zij naar de kuiten van hun waschvrouwen gluren! O,
+Marius! O, schoft! Op de openbare straat te gaan schreeuwen, bespreken
+en maatregelen nemen! gerechte goden! Dat noemen zij maatregelen! de
+wanorde kruipt in haar schulp en wordt kindsch. Ik heb een chaos gezien
+en nu zie ik een warboel. Dat schooljongens over de nationale garde
+delibereeren, men zou 't niet eens bij de Ogibberra's en de Cadodachen
+zien. De wilden, die naakt gaan en een kuif op 't hoofd hebben als
+de pluim van een raket en een knots in de pooten, zijn nog minder
+verdierlijkt dan deze zonen van Minerva. De wereld loopt ten einde! 't
+Is stellig het einde van dezen ellendigen ontwrichten aardbol. Er was
+een laatsten snik noodig, en Frankrijk zal dien geven. Delibereert
+maar, guiten! 't Zal zoo ver gaan, dat zij de dagbladen onder de bogen
+van 't Odéon zullen gaan lezen. 't Kost hun alles maar een stuiver,
+maar ook hun gezond verstand, en hart, en ziel, en geest. Daar komt
+het van dat men van zijn familie wegloopt. Dagbladen zijn de pest;
+alle, zelfs de Drapeau blanc! Martainville was in den grond ook maar
+een Jakobijn. O! hemel, wel kunt ge u beroemen uw grootvader tot
+wanhoop te hebben gebracht!"
+
+"Dat is duidelijk," zei Theodule.
+
+En van de gelegenheid gebruik makende, dat de heer Gillenormand zweeg,
+voegde de lansier er op hoogen toon bij:
+
+"Er moest geen ander blad dan de Moniteur, en geen ander boek dan de
+militaire almanak zijn."
+
+De heer Gillenormand voer voort:
+
+"Zij zijn even als Sieyès! een koningsmoorder, die senator wordt; want
+daarop loopt het altijd uit. Men begint elkander burger te noemen,
+om eindelijk mijnheer de graaf te heeten. Een graaf niet dikker dan
+de arm der doodslagers van September. De wijsgeer Sieyès! Ik beroem
+mij, aan de wijsbegeerte van al die wijsgeeren nooit meer waarde te
+hebben gehecht, dan aan den bril van den grappenmaker in Tivoli. Eens
+heb ik de senatoren op de kade Malaquais in violetkleurige, met bijen
+bezaaide fluweelen mantels en Henri-quatre hoeden gezien. Zij waren
+afschuwelijk! Zij geleken apen aan het hof van den tijger. Ik verklaar
+u, burgers, dat uw vooruitgang dwaasheid, dat uw humaniteit een droom,
+dat uw revolutie een misdaad, dat uw republiek een monster, dat uw
+maagdelijk jonge Frankrijk een hoer is. En dit houd ik staande voor
+allen, wie ze zijn, al waart ge publicisten, economisten, of legisten,
+en met vrijheid, gelijkheid en broederschap veel beter bekend dan
+met de bijl der guillotine! Dit, goede lieden, zeg ik u!"
+
+"Parbleu!" riep de luitenant, "dat is meesterlijk en waar!"
+
+De heer Gillenormand, die juist een gebaar wilde maken, keerde zich
+om, zag den lansier Theodule strak in de oogen en zeide:
+
+"Gij zijt een ezel!"
+
+
+
+
+
+
+
+BOEK VI.
+
+DE CONJUNCTIE VAN TWEE STERREN.
+
+
+EERSTE HOOFDSTUK.
+
+HOE FAMILIENAMEN ONTSTAAN.
+
+
+Marius was omtrent dezen tijd een fraai jongeling van middelbare
+grootte, met weelderig zwart haar, een hoog schrander voorhoofd,
+hartstochtelijk gebogen neusvleugels en opene, rustige trekken,
+waarop een tevens trotsche, denkende en onschuldige uitdrukking
+lag. Zijn gelaat, schoon rond van lijnen, was niettemin krachtig
+en had die Duitsche zachtheid, welke uit den Elzas en Lotharingen
+in de Fransche physionomie is gekomen, bij dat volkomen gemis van
+hoeken, 't welk de Sicambren onder de Romeinen zoo kenbaar maakte,
+en het leeuwenras van het adelaarsgeslacht onderscheidt. Hij was in
+den leeftijd, wanneer de geest van den denkenden mensch bijna in
+gelijke mate uit diepzinnigheid en naïeveteit is samengesteld. In
+gewichtige aangelegenheden had hij alle gegevens om dom te zijn; maar
+zoo men den sleutel nog eens omdraaide, kon hij verheven worden. Zijn
+manieren waren terughoudend, koel, beleefd, weinig voorkomend. Daar
+zijn mond bekoorlijk was, zijn lippen rood en zijn tanden schitterend
+wit waren, temperde zijn glimlach het strenge van zijn gelaat. Op
+zekere oogenblikken was zijn kuisch voorhoofd in zonderling contrast
+met zijn weelderigen glimlach. Zijn oog was klein, zijn blik groot.
+
+In den tijd zijner grootste armoede merkte hij op, dat de meisjes
+omzagen wanneer hij voorbij ging, en met den dood in het hart snelde
+hij dan voort of verborg zich. Hij dacht, dat zij hem om zijn oude
+kleederen nawezen en uitlachten; maar werkelijk oogden zij hem om
+zijn bevalligheid na en droomden soms wel van hem.
+
+Dit zwijgende misverstand tusschen hem en de schoonen, die hem
+voorbijgingen, had hem schuw gemaakt. Hij zocht zich geen meisje,
+om de goede reden dat hij allen ontvluchtte. Zoo leefde hij dom,
+besluiteloos voort, zooals Courfeyrac zei.
+
+Maar deze zeide hem ook: Streef er naar om eerwaardig te zijn. Wil
+ik u een goeden raad geven? Lees niet zooveel in de boeken, maar
+kijk meer naar de meisjes. Die schepseltjes zijn zoo kwaad niet,
+Marius. Zoo ge haar blijft ontvluchten en steeds voor haar bloost,
+zult ge een wild dier worden.
+
+Een andermaal ontmoette Courfeyrac hem en zeide: goeden dag, mijnheer
+de abt!
+
+Wanneer Courfeyrac hem derwijze had toegesproken, vermeed Marius
+acht dagen lang meer dan ooit zoowel de oude als jonge vrouwen,
+en Courfeyrac op den koop toe.
+
+Toch waren er in de gansche groote schepping twee vrouwen, welke Marius
+niet ontvluchtte en voor welke hij niet op zijn hoede was. 't Is waar,
+dat hij zeer verwonderd zou geweest zijn, zoo men hem gezegd had,
+dat het vrouwen waren. De eene was de oude baardige, die zijne kamer
+schoon hield, en die Courfeyrac deed zeggen: Marius draagt geen baard,
+wijl hij ziet dat zijn dienstmaagd er een heeft. De andere was een
+jong meisje, dat hij dikwerf ontmoette, doch dat hij nooit aanzag.
+
+Sinds langer dan een jaar zag Marius in een eenzame laan van het
+Luxemburg, de laan die langs de borstwering der kweekerij loopt,
+een man en een zeer jong meisje meestal naast elkander op een
+bank zitten, en wel aan het eenzaamste einde der laan, dicht bij de
+Westerstraat. Telkens wanneer het toeval, dat zich met de wandelingen
+bemoeit van hen die hun oogen naar binnen richten, Marius in deze
+laan bracht, 't geen schier dagelijks het geval was, vond hij er dit
+paar. De man kon zestig jaar oud zijn en scheen treurig en ernstig;
+zijn geheele persoon toonde het forsche maar vermoeide voorkomen
+van een gepensioneerd krijgsman. Zoo hij een ridderorde gehad had,
+zou Marius hem voor een voormalig officier hebben gehouden. Hij
+had een goed, maar niet zeer innemend gezicht en liet nooit zijn
+blik op dien van een ander rusten. Hij droeg een blauwe broek, een
+blauwe jas en een hoed met breeden rand, die altijd nieuw schenen,
+en daarbij een zwarte das en een kwakershemd, dat sneeuwwit, schoon
+van grof linnen was. Een grisette die hem eens voorbij ging, zei:
+Dat is een zeer net weduwnaar! Hij had zeer witte haren.
+
+De eerste maal dat het meisje, 't welk hem vergezelde, met hem op de
+bank ging zitten, welke zij in pacht schenen te hebben, was zij een
+dertien- of veertienjarig kind, schier leelijk van magerheid, links
+en onbeduidend, maar wier oogen eens fraai beloofden te worden. Zij
+sloeg ze echter steeds met zekere onbevallige stoutmoedigheid op. Zij
+droeg de tevens oude en kinderachtige kleeding der kloosterscholieren,
+een leelijk gefatsoeneerde jurk van grove, zwarte merinos. 't Was of
+zij vader en dochter waren.
+
+Twee of drie dagen lang sloeg Marius dezen ouden man, die nog geen
+grijsaard, en het meisje, dat nog geen zelfstandig wezen was, gade,
+toen lette hij er niet meer op. Zij van hun zijde schenen hem zelfs
+niet te zien. Zij spraken bedaard en onverschillig met elkander. Het
+meisje babbelde onophoudelijk en vroolijk. De oude man sprak weinig
+en sloeg van tijd tot tijd blikken vol vaderlijke liefde op haar.
+
+Ziehier, hoe zich de zaak toedroeg:
+
+Marius kwam meestal de laan in, aan den tegenovergestelden kant hunner
+bank; hij wandelde dan de geheele laan door, kwam hen voorbij, ging dan
+weder terug naar den kant van waar hij gekomen was, en begon dan weder
+opnieuw. Hij kwam hen op deze wijze op zijn wandeling vijf of zesmaal
+voorbij, en deed deze wandeling vijf of zesmaal in de week, zonder dat
+hij of deze menschen er nog toe gekomen waren een groet met elkander
+te wisselen. Deze man en dit meisje, ofschoon, en misschien wel omdat,
+het scheen dat zij alle opzien wilden vermijden, hadden de aandacht van
+vijf of zes studenten getrokken, die nu en dan langs de boomkweekerij
+naar hun lessen, of hun biljartpartij wandelden. Courfeyrac, onder
+anderen, die tot deze laatsten behoorde, had het paar eenigen tijd
+gadegeslagen, maar daar hij het meisje leelijk vond, had hij het
+zorgvuldig vermeden. Hij was als een Parth gevlucht na een bijnaam op
+haar te hebben afgeschoten. Alleen door het kleedje van het meisje
+en het witte haar van den ouden man getroffen, noemde hij het kind
+"juffer Lanoire" (de zwarte) en den vader "mijnheer Leblanc" (den
+witte). En deze bijnamen behielden beiden, omdat men hun ware namen
+niet kende. De studenten zeiden dus: Ha, daar zit mijnheer Leblanc
+weêr op zijn bank! en Marius vond het evenals de anderen, gemakkelijk
+den onbekende maar mijnheer Leblanc te noemen.
+
+Wij zullen hetzelfde doen en gemakshalve ook mijnheer Leblanc zeggen.
+
+Gedurende het eerste jaar zag Marius hen daar schier alle dagen
+op hetzelfde uur. De man behaagde hem, maar het meisje vond hij
+onbevallig.
+
+
+
+
+
+
+TWEEDE HOOFDSTUK.
+
+EN 'T WERD LICHT.
+
+
+In het tweede jaar, juist op het punt, waar wij met onze geschiedenis
+gekomen zijn, liet Marius, zonder eigenlijk te weten waarom, zijn
+gewone wandeling in het Luxemburg varen, en had sinds bijna zes maanden
+geen voet meer in de laan gezet. Eindelijk ging hij er op een fraaien
+zomermorgen weêr heen. Marius verheugde zich in het fraaie weder. 't
+Was hem, alsof de vogels die hij hoorde in zijn harte zongen en het
+vol was van den blauwen hemel, dien hij door het loover heen zien kon.
+
+Regelrecht ging hij naar "zijn laan," en zag, toen hij aan het einde
+ervan gekomen was, altijd op dezelfde bank, het hem bekende paar
+weder. Maar toen hij naderde was het wel dezelfde man, maar het meisje
+scheen anders te zijn geworden. Het meisje toch, dat hij thans vond,
+was een rijzig, schoon wezen met al die bekoorlijke vormen, welke de
+vrouw bezitten kan op het oogenblik, wanneer deze nog met de naïeve
+bevalligheden van het kind vereenigd zijn, het is dat vluchtige,
+reine oogenblik, dat slechts door deze twee woorden: vijftien jaar,
+kan uitgedrukt worden. Zij bezat wonderschoone, kastanjebruine
+lokken met gouden gloed, een als uit marmer gehouwen voorhoofd,
+wangen als een rozenblad, een lichten blos, een teedere blankheid,
+een schoonen mond, waaraan de glimlach als een schittering ontschiet,
+de woorden als muziek ontgloeien, een hoofd, dat Raphaël aan Maria
+zou hebben gegeven, en een hals dien Jean Goujon aan Venus zou hebben
+toebedeeld. Opdat niets aan deze bekoorlijke gestalte zou ontbreken,
+was de neus niet schoon, maar lief, niet recht, noch gebogen, niet
+Italiaansch, noch Grieksch; 't was de Parijsche neus, namelijk zoo
+geestig en fijn, onregelmatig en zuiver, dat hij de schilders wanhopig
+maakt en de dichters verrukt.
+
+Toen Marius haar voorbijging, kon hij haar oogen niet zien, die steeds
+waren neergeslagen. Hij zag alleen haar lange kastanjekleurige wimpers
+vol schaduw en kuischheid.
+
+Dit belette het lieve kind echter niet te glimlachen, terwijl zij naar
+den man met het witte haar luisterde, die haar toesprak; en niets was
+bekoorlijker dan die frissche glimlach bij zulke nedergeslagen oogen.
+
+Aanvankelijk dacht Marius dat het een andere dochter van denzelfden
+man was, een zuster, waarschijnlijk, der eerste. Maar toen de gewone
+wijze zijner wandeling hem ten tweeden male bij de bank bracht en hij
+haar nauwkeuriger had beschouwd, herkende hij haar. In zes maanden was
+het meisje jongedochter geworden; dat was alles. Niets is meer gewoon
+dan dit verschijnsel. Er is een tijd, waarin de meisjes eensklaps
+ontluiken; plotseling kunnen zij rozen worden. Gisteren heeft men ze
+nog als kinderen verlaten, heden vindt men ze om uw rust te benemen.
+
+Deze was niet alleen grooter maar ook schooner geworden. Gelijk
+sommige boomen slechts drie Aprildagen behoeven om zich met bloesem
+te bedekken, had zij slechts zes maanden noodig gehad om zich in
+schoonheid te kleeden. Ook haar April was gekomen.
+
+Men ziet soms lieden, die, arm en nietswaardig, plotseling schijnen
+te ontwaken, plotseling van armoede tot weelde overgaan, allerlei
+verteringen maken en schitterend, verspillend en rijk worden. Dan
+is er een rente, een vervallen wissel ontvangen. Het meisje scheen
+insgelijks haar verschenen kwartaal gebeurd te hebben.
+
+Ook was zij niet meer de kloosterscholier met haar pluchen hoed,
+merinossen kleedje, rijglaarsjes en roode handen; met hare schoonheid
+was de goede smaak gekomen; rijk, eenvoudig en elegant tevens
+was haar gewaad. Zij droeg een zwart damasten kleed, een mantille
+van dezelfde stof en een wit krippen hoed. Haar witte handschoenen
+toonden de fijnheid harer hand, die met den chineeschen ivoren steel
+van een parasol speelde; haar zijden laarsje verried de kleinheid
+van haar voet. Haar geheel toilet ademde een jeugdigen geur, die den
+voorbijganger als doordrong.
+
+De man was dezelfde gebleven.
+
+Toen Marius haar den tweeden keer voorbijging, sloeg de jonge dame
+de oogen op, en hij zag haar donkere hemelsblauwe oogen, maar in
+dat omsluierd blauw lag slechts de blik van een kind. Onverschillig
+staarde zij Marius aan, alsof zij de marmeren vaas had aanschouwd,
+die op de bank haar schaduw wierp; en Marius zette zijnerzijds zijn
+wandeling voort, en dacht aan iets anders.
+
+Nog vier of vijf malen ging hij de bank voorbij, waarop het meisje zat,
+doch zonder zijn oogen naar haar te richten.
+
+De volgende dagen wandelde hij als gewoonlijk naar het Luxemburg,
+waar hij "vader en dochter" als gewoonlijk vond; doch hij lette niet
+op hen. Hij dacht evenmin aan dit meisje nu zij schoon was, als hij
+er aan gedacht had, toen zij nog leelijk was. Evenals vroeger ging
+hij dicht voorbij de bank, wijl 't zoo zijn gewoonte was.
+
+
+
+
+
+
+DERDE HOOFDSTUK.
+
+WERKING DER LENTE.
+
+
+Op zekeren zoelen dag was het Luxemburg met schaduw en zonneglans
+overstroomd; de hemel was zoo helder of de engelen hem des ochtends
+gereinigd hadden; de musschen tjilpten in de kastanjeboomen; Marius
+had zijn gansche ziel voor de natuur geopend; hij dacht aan niets;
+hij leefde slechts en ademde. Daar ging hij voorbij de bank; het jonge
+meisje sloeg haar oogen op hem, en beider blikken ontmoetten elkander.
+
+Wat lag er thans in den blik der jonge maagd?
+
+Marius zou 't niet hebben kunnen zeggen. Er lag niets, en er lag
+alles in. 't Was een wonderbaar weêrlicht.
+
+Zij sloeg de oogen neder, en hij zette zijn wandeling voort.
+
+Wat hij gezien had, was niet de onnoozele, onbevangen blik van een
+kind; het was een geheimzinnige diepte, die zich geopend en plotseling
+weder gesloten had.
+
+Er komt een dag dat ieder meisje dien blik heeft, en wee hem, die
+haar dan nabij is.
+
+Deze eerste blik eener ziel, die zich zelve nog niet kent, is als het
+morgenrood aan den hemel. 't Is het ontwaken van iets schitterends en
+onbekends. Niets kan de gevaarlijke bekoorlijkheid beschrijven van dien
+onverwachten glans, die eensklaps een aanbiddelijke duisternis verlicht
+en uit al de onnoozelheid van het heden en al de hartstochtelijkheid
+der toekomst bestaat. 't Is een zekere besluitelooze teederheid,
+die zich toevallig openbaart en wacht. 't Is een valstrik, welke de
+onschuld argeloos spreidt en waarin zij onwillekeurig en zonder het
+te weten de harten vangt. 't Is een maagd met den blik eener vrouw.
+
+Zeldzaam is 't, dat, waar deze blik treft, hij niet diep doet
+droomen en peinzen. Al wat rein, al wat onschuldig is, smelt in dien
+hemelschen, gevaarlijken blik samen, welke, meer dan de listigste
+lonken der coquetten, de toovermacht heeft plotseling in een ziel die
+donkere, giftige en geurige bloem te doen ontluiken, welke de liefde
+wordt genoemd.
+
+Toen Marius des avonds te huis kwam, sloeg hij een blik op zijn
+kleeding en zag voor het eerst dat hij zoo lomp, onbetamelijk en
+ontzaggelijk dom was geweest, om in zijn daagsche kleederen in den
+tuin van het Luxemburg te wandelen; en wel met een valen hoed, grove
+laarzen, een aan de knieën afgesleten zwarten pantalon en een rok,
+die aan de ellebogen glimmend en grijs was geworden.
+
+
+
+
+
+
+VIERDE HOOFDSTUK.
+
+BEGIN EENER ZWARE ZIEKTE.
+
+
+Den volgenden dag nam Marius op het gewone uur zijn nieuwen rok,
+nieuwen pantalon en nieuwe laarzen uit de kast, kleedde zich, trok
+handschoenen aan--een ongekende weelde--en wandelde naar het Luxemburg.
+
+Onderweg ontmoette hij Courfeyrac, maar veinsde hem niet te zien. Toen
+Courfeyrac echter bij zijn vrienden kwam, zei hij:
+
+"Ik heb een nieuwen hoed en een nieuwen rok, met Marius er in,
+ontmoet. Hij ging waarschijnlijk een examen afleggen. Hij had een
+zeer dom voorkomen."
+
+Aan het Luxemburg gekomen wandelde Marius om den vijver en beschouwde
+de zwanen; toen bleef hij lang nadenkend voor een beeld staan,
+welks gelaat zwart verweerd was en waaraan een heup ontbrak. Bij den
+vijver bevond zich een veertigjarig gezet man, die tot een vijfjarig
+knaapje, dat hij aan de hand hield, zeide: "Vermijd overdrijving. Houd
+u evenzeer van het despotisme als van de anarchie verwijderd, mijn
+zoon." Marius luisterde naar den man. Toen ging hij nogmaals om den
+vijver heên, en eindelijk naar "zijn laan," maar langzaam en als met
+weerzin. 't Was of hij tegelijk gedrongen en belemmerd werd daarheen
+te gaan. Hij wist het zich niet te verklaren en meende hetzelfde te
+doen, wat hij alle dagen deed.
+
+Toen hij de laan intrad, zag hij aan het einde mijnheer Leblanc
+en de jonge dame "op hun bank." Hij knoopte zijn rok tot bovenaan
+dicht, streek de plooien langs zijn lijf glad, beschouwde met eenig
+welgevallen den glans van zijn broek en trok naar de bank. Er was iets
+aanvallends in zijn tred, en zekerlijk eenige veroveringszucht. Hij
+trok dus naar de bank, evenals Hannibal naar Rome trok.
+
+Zijn bewegingen waren overigens werktuiglijk en geen oogenblik werden
+de gewone werkzaamheid en gedachten van zijn geest afgebroken. Hij
+dacht op dat oogenblik welk een zot boek die "Manuel du Baccalaureat"
+toch was, en dat het geschreven moest zijn door zonderlinge
+brekebeenen, wijl men er, als meesterstukken van den menschelijken
+geest, drie treurspelen van Racine en slechts één comedie van Molière
+in ontleedde. Het suisde hem in de ooren. De bank naderende streek
+hij weder de plooien van zijn rok glad en richtte zijn oogen op het
+meisje. 't Scheen hem, alsof zij het geheele einde der laan met een
+zacht blauw licht vulde.
+
+Naarmate hij dichterbij trad, werden zijn schreden allengs
+langzamer. Toen hij op een zekeren afstand van de bank was, nog
+verre van 't einde der laan, hield hij stil, en zonder dat hij zelf
+wist waarom, keerde hij plotseling terug zonder tot aan het einde
+te gaan. De jonge dame kon hem nauwelijks op dien afstand bespeuren
+en zien hoe fraai hem zijn nieuwe kleeding stond. Evenwel liep hij
+zeer rechtop, om een goed figuur te maken in geval iemand hem van
+achteren nastaarde.
+
+Hij bereikte het tegenovergestelde einde, keerde terug en kwam
+dezen keer een weinig dichter bij de bank. Zoo zelfs dat hij er
+nog slechts een tusschenruimte van drie boomen van verwijderd was,
+doch toen gevoelde hij iets dat hem belette verder te gaan en
+hij aarzelde. Hij meende gezien te hebben, dat het meisje haar
+blik op hem had gericht. Hij deed echter een krachtige poging,
+onderdrukte zijn aarzeling en ging voort. Eenige seconden later
+ging hij, recht en stijf, schoon tot over de ooren blozende, de
+bank voorbij, zonder rechts noch links een blik te durven slaan,
+en evenals een staatsman met de hand in zijn rok. Op het oogenblik
+dat hij voorbijging--als onder het geschut der vesting--voelde hij
+een geweldige hartklopping. De jonge dame droeg evenals den vorigen
+dag, haar damasten kleed en krippen hoed. Hij hoorde een bekoorlijke
+stem, die de "hare" moest zijn. Zij sprak bedaard. Zij was zeer lief,
+dat gevoelde hij, hoewel hij geen moeite deed haar te zien.
+
+Zij zou zeker achting en belangstelling voor mij hebben, dacht hij bij
+zich zelven, zoo zij wist dat ik de schrijver der verhandeling over
+Marcos Obregon de la Ronda ben, welke de heer François de Neufchateau
+als de zijne aan het hoofd zijner éditie van Gil-Blas heeft geplaatst.
+
+Hij liep de bank voorbij tot aan het einde der laan, waar hij dicht bij
+was, keerde op zijn schreden terug, en ging nogmaals langs de jonge
+dame. Dezen keer was hij zeer bleek. Ook had hij slechts een zeer
+onpleizierig gevoel. Hij verwijderde zich van de bank en het jonge
+meisje, en terwijl hij met den rug naar haar gekeerd was, verbeeldde
+hij zich, dat zij naar hem keek, 't geen hem deed struikelen.
+
+Toen beproefde hij het niet weder om de bank te naderen, hij hield stil
+in het midden der laan, en ging zitten, 't geen hij anders nooit deed,
+terwijl hij steeds op zijde gluurde, en in 't diepst zijner ziel dacht,
+dat het toch zeer onwaarschijnlijk was, dat iemand, wier witten hoed
+en zwart kleedje hij bewonderde, geheel onverschillig zou zijn voor
+zijn glimmende broek en zijn nieuwen rok.
+
+Na een kwartier stond hij op, als wilde hij de wandeling naar de
+bank hervatten, die voor hem door een stralenkrans omgeven was. Maar
+hij bleef besluiteloos staan. Voor het eerst sedert vijftien maanden
+zeide hij bij zich zelven, dat de heer, die ginds met zijn dochter
+dagelijks plaats nam, hem waarschijnlijk ook had opgemerkt en zijn
+gedrag wel wonderlijk moest vinden.
+
+Ook gevoelde hij er voor het eerst iets onbetamelijks in, om dien man,
+zelfs in zijn gedachte, met den bijnaam van Leblanc te bestempelen.
+
+Hij bleef dus eenige oogenblikken met gebogen hoofd staan en trok met
+zijn wandelstok figuren in het zand. Toen wendde hij zich plotseling
+in de tegenovergestelde richting der bank en ging huiswaarts.
+
+Dien dag vergat hij den maaltijd te gebruiken. Dit merkte hij eerst op,
+toen het 's avonds acht uren was, en vermits het toen te laat was om
+naar de straat St. Jacques te gaan eten, at hij maar een stuk brood.
+
+Hij ging niet eer te bed dan na zijn rok geschuierd en netjes
+opgevouwen te hebben.
+
+
+
+
+
+
+VIJFDE HOOFDSTUK.
+
+JUFFROUW BOUGON WORDT DOOR VERSCHEIDENE BLIKSEMSTRALEN GETROFFEN.
+
+
+Den volgenden dag zag juffrouw Bougon--zoo noemde Courfeyrac de
+oude portierster en huishoudster van het huis Gorbeau, ofschoon
+zij werkelijk juffrouw Burgon heette--met de uiterste verbazing,
+dat mijnheer Marius weder in zijn nieuwen rok uitging.
+
+Hij wandelde weder naar het Luxemburg, doch ging zijn bank in het
+midden der laan niet voorbij. Hij ging er zich, gelijk den vorigen
+dag, nederzetten en zag van daar in het verschiet duidelijk den
+witten hoed, het zwarte kleed en voornamelijk den blauwen glans. Hij
+bewoog zich niet en ging eerst naar huis, toen de poort van den
+tuin gesloten werd. Hij zag den heer Leblanc en zijn dochter niet
+heengaan, en vermoedde dat zij door het hek in de Oosterstraat waren
+vertrokken. Eenige weken later wist hij zich niet te herinneren,
+waar hij dien avond gegeten had.
+
+Den volgenden dag, namelijk den derden, werd juffrouw Bougon weder
+als door den bliksem getroffen. Marius ging weder in zijn nieuwen
+rok uit!--Drie dagen achtereen! riep zij, de handen inéénslaande.
+
+Zij wilde hem volgen, maar Marius maakte zulke vlugge, groote schreden,
+dat hij een nijlpaard geleek, 't welk op een gems jacht maakt. In een
+oogenblik had zij hem uit het gezicht verloren en kwam hijgende van
+kortademigheid, en schier van kwaadheid stikkende te huis.--Is dat
+verstandig, bromde zij, alle dagen zijn nieuwen rok aan te trekken
+en de menschen zóó te laten loopen!
+
+Marius ging naar het Luxemburg.
+
+De jonge dame was er met mijnheer Leblanc. Marius, veinzende een boek
+te lezen, naderde zoo dicht mogelijk; hij bleef echter op tamelijk
+verren afstand en zette zich weder op zijn bank, waar hij zich vier
+uren lang bezighield met naar de musschen te kijken, die in de laan
+huppelden en het voorkomen hadden hem voor den gek te houden.
+
+Alzoo verstreken veertien dagen. Marius ging niet naar het Luxemburg
+om er te wandelen, maar om op dezelfde plaats te gaan zitten, zonder
+dat hij wist waarom. Eenmaal daar gezeten zijnde, bewoog hij zich
+niet meer. Iederen morgen borg hij zijn rok weg, maar trok hem iederen
+avond weder aan.
+
+De jonge dame was ontegensprekelijk wonderschoon. De eenige aanmerking,
+die men als critiek kon maken, was deze, dat het verschil tusschen
+haar blik, die treurig, en haar glimlach, die vroolijk was, aan haar
+gezicht zoo iets verwards gaf, dat haar zacht gelaat, hoe bekoorlijk
+overigens, er een zonderlinge uitdrukking door kreeg.
+
+
+
+
+
+
+ZESDE HOOFDSTUK.
+
+GEVANGEN GEMAAKT.
+
+
+In een der laatste dagen van de volgende week zat Marius als gewoonlijk
+op zijn bank met een open boek in de hand, waarvan hij sinds twee uren
+geen blad had omgeslagen. Eensklaps ontroerde hij. Er gebeurde iets
+aan het einde der laan. De heer Leblanc en zijn dochter hadden hun
+bank verlaten en beiden gingen langzaam naar het midden der laan,
+waar Marius zat. Marius sloeg zijn boek dicht, opende het weder
+en poogde te lezen. Hij beefde. De straalkrans kwam rechtstreeks
+op hem toe. Mijn hemel! dacht hij, ik weet niet welke houding ik
+aannemen moet. Intusschen naderden de man met het witte haar en
+de jonge dame steeds meer. Dit naderen scheen hem een eeuw, hoewel
+'t slechts een seconde duurde.--Wat willen zij hier? vroeg hij bij
+zich zelven. Ha! zij zal hier voorbijgaan! Haar voeten zullen dit
+zand betreden, in deze laan op twee schreden van mij. Hij was in de
+grootste ontroering, hij wenschte zeer schoon te zijn, een ridderorde
+te hebben. Hij hoorde het zacht afgemeten gerucht van hun naderenden
+tred. Hij verbeeldde zich, dat mijnheer Leblanc een vergramden blik
+op hem sloeg. Zou mijnheer mij willen spreken? dacht hij. Hij boog het
+hoofd; toen hij het ophief, waren zij zeer dicht bij hem. De jonge dame
+ging voorbij, hem strak en met een zachten, peinzenden blik aanziende,
+die hem van 't hoofd tot de voeten deed rillen. 't Was alsof zij hem
+verweet in zoolangen tijd niet bij haar te zijn geweest, en of zij
+tot hem zeide: Nu kom ik. Marius was verbijsterd door haar diepe,
+schitterende oogen.
+
+Hij voelde zijn hoofd gloeien. Zij was tot hem gekomen; welk een
+vreugd. En met welk een blik had zij hem aanschouwd. Hij vond haar
+schooner dan ooit, schoon, tegelijk als een vrouw en als een engel,
+zoo volmaakt schoon dat Petrarcha haar bezongen, Dante voor haar
+geknield zou hebben. 't Was hem alsof hij in het azuur des hemels
+zweefde. Maar tegelijkertijd voelde hij zich vreeselijk ongelukkig,
+zijn laarzen waren bestoven.
+
+Hij geloofde zeker, dat zij ook naar zijn laarzen had gezien.
+
+Hij oogde haar na tot zij uit het gezicht verdwenen was. Toen liep hij
+als zinneloos door den tuin. Ongetwijfeld lachte hij tusschenbeide en
+sprak luide. Hij was zoo diep in gedachten, dat ieder kindermeisje,
+die hem zag, meende, dat hij op haar verliefd was.
+
+Hij verliet het Luxemburg in de hoop haar op de straat te zullen
+vinden.
+
+Onder de bogen van het Odéon ontmoette hij Courfeyrac en zeide tot hem:
+"Ga met mij dineeren." Zij gingen naar Rousseau en verteerden zes
+francs. Marius at als een wolf. Hij gaf zes sous aan den knecht. Bij
+het dessert zeide hij tot Courfeyrac: "Hebt ge de courant gelezen? Welk
+een fraaie redevoering heeft Audry de Puyraveau gehouden!"
+
+Hij was smoorlijk verliefd.
+
+Na den maaltijd zeide hij tot Courfeyrac: "Ga mede naar den schouwburg;
+ik zal betalen." Zij gingen naar de porte St. Martin om Frederick in
+de Auberge des Adrets te zien. Marius vermaakte zich ontzaggelijk.
+
+Maar tegelijkertijd werd hij schuwer dan ooit. Toen hij den schouwburg
+verliet, durfde hij niet naar den kouseband eener modiste zien, die
+over een goot stapte, en hij vond Courfeyrac schier afschuwelijk toen
+deze zeide: "Ik zou dit meisje wel in mijn collectie willen opnemen."
+
+Courfeyrac had hem genoodigd om den volgenden dag in het café Voltaire
+te ontbijten. Marius ging er heen en at nog meer dan den vorigen
+dag. Hij was peinzend en zeer vroolijk. Hij scheen alle gelegenheden
+aan te grijpen om luidkeels te lachen. Hij omhelsde teederlijk iederen
+vreemde, die hem werd voorgesteld. Een kring studenten had zich om
+hun tafel geschaard en men sprak over de zotternijen, door den staat
+betaald, welke in de Sorbonne van den katheder worden voorgedragen,
+vervolgens viel het gesprek op de gebreken en leemten der woordenboeken
+en taalkundige werken. Marius stoorde het gesprek door plotseling uit
+te roepen: "'t Is toch wel heel aangenaam een ridderorde te hebben!"
+
+"'t Is waarlijk kluchtig!" fluisterde Courfeyrac Jean Prouvaire toe.
+
+"Neen," antwoordde Jean Prouvaire, "'t is ernstig!"
+
+'t Was inderdaad ernstig. Marius was in dit eerste machtige,
+bekoorlijke uur gekomen, waarin de groote hartstochten beginnen.
+
+Een blik had dat alles bewerkt.
+
+Wanneer de mijn geladen, de brand smeulende is, geschiedt dit zeer
+eenvoudig. Een blik is een vonk.
+
+'t Was geschied. Marius beminde een vrouw. Zijn lot trad het
+onbekende in.
+
+De blik der vrouw gelijkt aan schijnbaar zeer kalme, maar toch
+geduchte raderwerken. Men gaat ze dagelijks bedaard en ongedeerd
+voorbij, zonder iets te vreezen. Zelfs vergeet men soms, dat zij er
+zijn. Men gaat peinzend, schertsend, lachend heen en weder. Maar
+eensklaps voelt men zich gegrepen! 't Is gedaan! Het rad houdt u,
+de blik heeft u gevangen. Het heeft u gevangen, om 't even waar
+of hoe; 't zij dat uw gedachte niet op haar hoede was, of uw
+geest afdwaalde. Men is verloren, en raakt geheel in 't raderwerk
+beklemd. Een samenstel van geheime krachten beheerscht u. Vruchteloos
+biedt men weerstand. Menschelijke hulp is niet meer mogelijk. Men
+valt van het eene rad in het andere, van den eenen angst in den
+anderen, van de eene foltering in de andere, uw geest, uw fortuin,
+uw toekomst, uw ziel; en al naar gelang men in de macht van een
+slecht of een edel hart is, komt men uit dit schrikkelijk werktuig,
+óf door schande misvormd, óf door liefde veredeld.
+
+
+
+
+
+
+ZEVENDE HOOFDSTUK.
+
+GISSINGEN NOPENS DE LETTER U.
+
+
+De eenzaamheid, de volstrekte afzondering, de trots, de
+onafhankelijkheid, de liefde voor de natuur, gebrek aan dagelijkschen
+en stoffelijken arbeid, het inwendige leven, de geheime strijd der
+kuischheid, de verrukking over de geheele schepping hadden Marius
+tot de liefde voorbereid. De vereering van zijn vader was voor hem
+schier godsdienst geworden, en had zich gelijk alle godsdienst,
+tot diep in zijn ziel teruggetrokken. Er moest iets op den voorgrond
+zijn. De liefde kwam!
+
+Gedurende een geheele maand ging Marius dagelijks naar het
+Luxemburg. Wanneer het uur kwam, kon niets hem terughouden.--Hij is
+in dienst, zei Courfeyrac. Marius leefde in verrukking. 't Was zeker
+dat de jonge dame hem aanschouwde.
+
+Eindelijk werd hij stoutmoediger en naderde de bank. Verder ging
+hij echter niet, evenzeer aan het instinct der bedeesdheid als aan
+dat der voorzichtigheid van minnaars gehoorzamende. Hij oordeelde
+het raadzaam de opmerkzaamheid van den vader niet te trekken. Hij
+berekende met diepe schranderheid zijn standplaatsen achter de boomen
+en voetstukken der standbeelden, zoodanig, dat hij zoo veel mogelijk
+door de jonge dame en zoo min mogelijk door den ouden heer kon gezien
+worden. Soms bleef hij halve uren lang bewegingloos in de schaduw
+van een Leonidas of Spartacus staan, met een boek in de hand, over
+'t welk zijn oogen de schoone maagd zochten, terwijl deze van haar
+kant met een vluchtigen glimlach het bekoorlijk gelaat naar hem wendde.
+
+Terwijl zij heel bedaard en op de natuurlijkste wijze met den ouden
+man sprak, rustte haar maagdelijke en hartstochtelijk droomende blik
+op Marius. 't Was het oude eeuwenheugende spel, dat Eva reeds op den
+eersten dag der schepping kende en iedere vrouw den eersten dag des
+levens kent. Haar mond antwoordde den een, haar blik den ander.
+
+Mijnheer Leblanc scheen eindelijk toch iets opgemerkt te hebben, want
+dikwerf stond hij op en wandelde verder, wanneer Marius kwam. Hij had
+hun gewone plaats verlaten en aan het andere eind der laan de bank bij
+den "Worstelaar" ingenomen, om te zien of Marius hen zou volgen. Marius
+begreep hier niets van, en beging deze fout. "De vader" was sinds
+niet meer zoo stipt, en bracht "zijne dochter" niet dagelijks meer
+mede. Soms kwam hij alleen. Dan bleef Marius niet. Wederom een fout.
+
+Marius sloeg geen acht op deze verschijnselen. Uit het tijdperk van
+verlegenheid, was hij, bij natuurlijken en noodlottigen voortgang,
+het tijdperk van verblinding ingetreden. Zijn liefde groeide aan;
+alle nachten droomde hij ervan. Bovendien had hij een onverwacht geluk
+gehad--olie in het vuur, grootere verduistering der oogen. Op een avond
+had hij in de schemering op de bank, die mijnheer "Leblanc en zijn
+dochter" zoo even verlaten hadden, een eenvoudigen zakdoek gevonden,
+zonder borduursel, maar wit en fijn, en die hem onbeschrijfelijke
+geuren scheen uit te wademen. Hij nam dien met verrukking tot
+zich. Deze zakdoek was gemerkt U. F. Marius kende niets van het
+schoone meisje, noch haar familie, noch haar naam, noch haar woning;
+deze twee letters waren het eerste wat hij van haar bezat, dierbare
+letters, waarop hij dadelijk een geheel gebouw begon op te trekken.
+
+U was ontwijfelbaar de voornaam. "Ursula!" dacht hij, een bekoorlijke
+naam! Hij kuste den zakdoek, ademde zijn geur in, legde des daags
+hem aan zijn hart, en des nachts op zijn lippen, om in te slapen.
+
+"Ik gevoel er haar geheele ziel in!" riep hij.
+
+Maar de doek was van den ouden heer, die hem eenvoudig uit zijn zak
+had laten vallen.
+
+Hij vertoonde zich sinds dien avond niet in den tuin van het Luxemburg,
+dan met den zakdoek, dien hij kuste en aan zijn hart drukte. De
+schoone jonge dame begreep er niets van en deed dit door onmiskenbare
+teekenen blijken.
+
+"O! onschuld!" zei Marius.
+
+
+
+
+
+
+ACHTSTE HOOFDSTUK.
+
+ZELFS INVALIDEN KUNNEN GELUKKIG ZIJN.
+
+
+Vermits wij het woord "onschuld" hebben genoemd en niets willen
+verzwijgen, moeten wij zeggen dat "zijn Ursula" hem eens, in weerwil
+van zijn vervoering, ernstig leed veroorzaakte. 't Was op een dag, dat
+zij den heer Leblanc er toe overhaalde de bank te verlaten en in de
+laan te wandelen. Er woei een scherpe voorjaars-wind, die de twijgen
+der boomen deed ruischen. Arm in arm gingen vader en dochter voorbij
+de bank van Marius. Marius was achter hen opgestaan en oogde hen na,
+zooals in zulk een teederen zielstoestand gebruikelijk is.
+
+Eensklaps kwam een windvlaag, die recht ondeugend en moedwillig
+om het meisje heen dwarlde, haar als een boschgod pakte, die eene
+nimf omarmt, en haar kleed, dit kleed heiliger dan dat van Isis,
+bijna tot aan den kouseband oplichtte. Een fraai gevormd been kwam
+te voorschijn. Marius zag het. Hij was woedend van toorn.
+
+Het meisje had ijlings, met een hemelsch ontstelde beweging, haar
+kleed neergetrokken, maar desniettemin was hij verstoord.--Hij was
+wel is waar de eenige in de laan; maar er had iemand kunnen zijn. En
+zoo er iemand geweest ware! Kan men zich zoo iets voorstellen? 't
+Was ontzettend wat zij gedaan had.--Helaas, het arme meisje had
+niets gedaan; de eenige schuldige was de wind; maar Marius, in wien
+onbestemd de Bartholo sidderde, die in Cherubijn is, wilde met geweld
+gestoord zijn, en was jaloersch op zijn schaduw. 't Is inderdaad, dat
+zoo, zelfs zonder eenige reden, in het menschelijke hart de wrange,
+zonderlinge jaloezie des vleesches wordt opgewekt. Overigens, zelfs
+afgescheiden van deze jaloezie, had het gezicht van dat bekoorlijk
+been voor hem niets aangenaams; de witte kous van de eerste de beste
+vrouw zou hem meer pleizier hebben gedaan.
+
+Toen "zijne Ursula" aan 't einde der laan, met mijnheer Leblanc,
+terugkeerde en de bank voorbijging, waarop Marius zich weder neergezet
+had, sloeg hij een norschen wrevelen blik op haar.
+
+De jonge dame wendde het hoofd eenigszins af en sloeg haar oog op,
+als wilde zij zeggen: Welnu, wat wil hij?
+
+Dit was "hun eerste twist."
+
+Marius had haar nauwelijks dit standje met zijn oogen gemaakt, toen
+iemand door de laan ging. 't Was een gebogen, gerimpelde, grijze
+invalide in de uniform van Lodewijk XV, met het ovaal lapje rood laken,
+waarop twee gekruiste degens, het kruis van St. Louis van den soldaat,
+op de borst, en bovendien versierd met een roksmouw zonder arm er in,
+met een zilveren kin en een houten been. Marius meende op te merken,
+dat deze man er bijzonder tevreden uitzag. 't Scheen hem zelfs, dat
+deze oude synicus hem in 't voorbijhinken een broederlijken, vroolijken
+lonk had toegeworpen, alsof een toeval veroorzaakt had, dat zij in
+verstandhouding waren gekomen en samen een gemeenschappelijk fortuintje
+hadden gehad. Waarom was dit fragment van Mars zoo tevreden? Wat was
+tusschen het houtenbeen en den andere gebeurd? Marius kwam tot den
+hoogsten graad van ijverzucht.--Hij was er misschien, dacht hij, hij
+heeft misschien iets gezien!--Hij had den invalide willen vernielen.
+
+Maar de tijd verdooft alles. Ook de gramschap van Marius
+tegen "Ursula," hoe billijk en rechtvaardig zij ook ware, trok
+over. Eindelijk schonk hij haar vergiffenis, maar 't kostte veel
+moeite; hij was drie dagen kwaad op haar.
+
+Bij dit alles, en in weerwil van dat alles, groeide evenwel zijn
+liefde schier tot waanzin aan.
+
+
+
+
+
+
+NEGENDE HOOFDSTUK.
+
+ECLIPS.
+
+
+Men heeft gezien hoe Marius had ontdekt of meende ontdekt te hebben,
+dat zij Ursula heette.
+
+Zijn nieuwsgierigheid nam met zijn liefde toe; 't was veel, te weten
+dat zij Ursula heette; maar 't was eigenlijk ook weinig. Marius had
+zich drie of vier weken met dit geluk verheugd. Hij wilde thans een
+ander. Hij wilde weten, waar zij woonde.
+
+Hij had een eersten misslag begaan, door naar de bank van den Gladiator
+te gaan; een tweeden, door niet in den tuin van het Luxemburg te
+blijven, wanneer mijnheer Leblanc er alleen was. Hij beging een derden
+misslag, een grooten: hij volgde "Ursula."
+
+Zij woonde in de Westerstraat, in het minst bezochte gedeelte, in
+een nieuw huis, van bescheiden voorkomen en drie verdiepingen hoog.
+
+Van dit oogenblik af voegde Marius bij het geluk van haar in het
+Luxemburg te zien, het geluk haar tot aan haar huis te volgen.
+
+Zijn begeerte nam toe. Hij wist hoe zij heette, althans haar voornaam,
+den dierbaarsten, den eigenlijken naam der vrouw, hij wist waar zij
+woonde; nu wilde hij weten, wie zij was.
+
+Zekeren avond, na hen tot hun woning gevolgd en hen in het huis te
+hebben zien verdwijnen, trad hij stout achter hen binnen en vroeg
+den portier:
+
+"Is dit niet de heer der eerste verdieping, die zooeven te huis
+is gekomen?"
+
+"Neen," antwoordde de portier: "'t is de heer der derde verdieping."
+
+'t Was weder een stap verder. Dit geluk maakte Marius stoutmoediger.
+
+"Aan de straat?" vroeg hij.
+
+"Er zijn geen andere vertrekken dan aan de straat," zei de portier.
+
+"En wat doet deze heer?" hernam Marius.
+
+"Hij is rentenier, mijnheer. Een zeer goed man, die veel goed aan
+ongelukkigen doet, hoewel hij niet rijk is."
+
+"Hoe heet hij?" vroeg Marius.
+
+De portier richtte het hoofd op en zeide:
+
+"Is mijnheer een stille verklikker?"
+
+Marius sloop beschaamd heen, maar was overigens verblijd, want hij
+was iets gevorderd.
+
+"Goed," dacht hij. "Ik weet dat zij Ursula heet, dat zij de dochter
+van een rentenier is en hier in de Westerstraat op de derde verdieping
+woont."
+
+Den volgenden dag bleven mijnheer Leblanc en zijn dochter slechts zeer
+kort in het Luxemburg en verwijderden zich, lang vóór de avond viel.
+
+Marius volgde hen, als gewoonlijk, tot in de Westerstraat. Aan de deur
+van het huis gekomen liet mijnheer Leblanc zijn dochter binnengaan,
+bleef op den drempel staan, keerde zich om en zag Marius met strakken
+blik aan.
+
+Den volgenden dag kwamen zij niet in het Luxemburg. Vruchteloos
+wachtte Marius den geheelen dag.
+
+Toen het donker werd, ging hij naar de Westerstraat en zag licht aan
+de vensters der derde verdieping. Hij wandelde onder die vensters,
+tot het licht werd uitgedaan.
+
+Den volgenden dag was weder niemand in het Luxemburg. Marius wachtte
+den geheelen dag, en ging des avonds zijn post onder de vensters
+betrekken. Dat bracht hem tot tien uren. Aan eten dacht hij niet. De
+koorts voedt den zieke en de liefde den verliefde.
+
+Op deze wijze verliepen acht dagen. Mijnheer Leblanc en zijn
+dochter lieten zich niet meer in het Luxemburg zien. Marius maakte
+treurige gissingen; des daags durfde hij de deur van het huis niet
+bespieden. Hij stelde zich tevreden met des avonds het roode schijnsel
+van het licht door de glasruiten te begluren. Nu en dan zag hij er
+schimmen langs zweven, en dan klopte zijn hart.
+
+Toen hij den achtsten dag onder de vensters kwam, zag hij geen
+licht.--Hé, zeide hij, de lamp is nog niet opgestoken. 't Is
+toch donker. Zouden zij uit zijn? Hij wachtte tot tien uren, tot
+middernacht; tot één ure 's ochtends. Geen licht scheen door de
+vensters der derde verdieping, en niemand kwam te huis.
+
+Treurig verwijderde hij zich.
+
+Den volgenden dag,--want hij leefde van den eenen dag op den anderen,
+er was om zoo te spreken voor hem geen heden meer--den volgenden dag
+vond hij niemand in het Luxemburg; hij wachtte; met de schemering
+ging hij naar het huis. Geen licht aan de vensters; de jaloezieën
+waren dicht; alles was donker.
+
+Marius klopte aan de deur, trad binnen en zeide tot den portier:
+
+"De heer der derde verdieping?"
+
+"Verhuisd," antwoordde de portier.
+
+Marius wankelde en zeide stamelend:
+
+"Sinds wanneer?"
+
+"Sinds gisteren."
+
+"Waar woont hij nu?"
+
+"Ik weet er niets van."
+
+"Heeft hij zijn adres dan niet achtergelaten?"
+
+"Neen."
+
+De portier, die nu opzag, herkende Marius, en voegde er bij: "Ha,
+zijt gij 't! ge zijt dus werkelijk een verspieder?"
+
+
+
+
+
+
+
+BOEK VII.
+
+PATRON-MINETTE.
+
+
+EERSTE HOOFDSTUK.
+
+DE MIJNEN EN DE MIJNWERKERS.
+
+
+De menschelijke maatschappijen hebben wat men in de schouwburgen
+een "onder het tooneel" noemt. De maatschappelijke bodem is overal
+ondermijnd, hier voor het goede, daar voor het kwade. Deze werken
+liggen boven elkander. Er zijn boven- en ondermijnen; er is een boven
+en een onder in dien donkeren grond, welke soms onder de beschaving
+instort, en die door onze onverschilligheid en onbezorgdheid onder
+den voet wordt getreden. In de vorige eeuw was de Encyclopédie schier
+een mijn onder den blooten hemel. De sombere holen, de kweekplaatsen
+van het eerste Christendom, wachtten onder de Cesars slechts een
+gelegenheid om open te breken en het menschelijk geslacht met licht
+te overstroomen. Want in de heilige duisternissen is een besloten
+licht. De vulkanen zijn vol van ontvlambare duisternis. De lava komt
+uit den nacht voort. De catacomben, waarin de eerste mis werd gelezen,
+waren niet alleen de kelders van Rome, zij waren de onderaardsche
+gewelven der wereld.
+
+Onder het maatschappelijk gebouw, dit wonder uit een bouwval gevormd,
+zijn allerlei holen. Er zijn de godsdienstige, de philosophische,
+de politieke, de staathuishoudelijke, de revolutionaire mijn. Deze
+delft met de idee, gene met het cijfer, een ander met den toorn. Men
+roept elkander toe uit de eene naar de andere catacombe. De Utopieën
+doorkruisen deze gangen, en vertakken zich naar alle zijden. Soms
+ontmoeten zij er elkander en verbroederen zich. Jean Jacques leent zijn
+houweel aan Diogenes, die hem zijn lantaarn leent. Soms bestrijden
+zij elkander. Calvijn plukhaart met Socinus. Maar niets stuit of
+weerhoudt al deze krachten, die naar het doel streven, noch deze
+eenparige groote bedrijvigheid, die in deze duisternis heen en weder,
+op en neder gaat en langzaam de oppervlakte door het onderste, en het
+buitenste door het binnenste verandert; een verborgen ontzaggelijk
+gewoel. De maatschappij vermoedt nauwelijks deze ondermijning, welke
+haar oppervlakte ongeschonden laat, doch haar ingewanden verandert. Er
+zijn evenveel onderaardsche verdiepingen, als verschillende werken,
+en verschillende producten. Wat komt uit die diepe ondermijningen te
+voorschijn? De toekomst.
+
+Hoe dieper men komt, des te geheimzinniger zijn de arbeiders. Tot
+op een hoogte, welke de sociale wijsgeer weet te erkennen, is de
+arbeid goed; voorbij die hoogte is hij twijfelachtig en gemengd;
+komt men lager, dan wordt hij vreeselijk. Op een zekere diepte zijn
+de holen niet meer bereikbaar voor den geest der beschaving, de grens,
+waarbinnen de mensch kan ademen is overschreden; een begin van monsters
+wordt hier mogelijk.
+
+De nederdalende ladder is zonderling; elk harer sporten is met een
+verdieping in aanraking, waarop de philosophie den voet kan zetten,
+waar men een dezer soms goddelijke, soms wanstaltige arbeiders kan
+ontmoeten. Onder Jan Huss is Luther; onder Luther is Descartes, onder
+Descartes is Voltaire, onder Voltaire is Condorcet, onder Condorcet
+is Robespierre, onder Robespierre is Marat, onder Marat is Babeuf. En
+zoo gaat het voort. Lager, aan de grens, die het onduidelijke van het
+onzichtbare scheidt, ontwaart men onbestemd andere donkere mannen,
+die misschien nog niet bestaan. Die van gisteren zijn spoken, die
+van morgen zijn schimmen. Het oog van den geest onderscheidt ze
+onduidelijk. De baringsarbeid der toekomst is een der visioenen van
+den wijsgeer.
+
+Een wereld in den toestand van wording.--Welk een ongezien beeld!
+
+Saint Simon, Owen, Fourier vindt men ook in de zijgangen.
+
+Hoewel een goddelijke, onzichtbare keten onderling al deze mijngravers,
+zonder dat zij 't weten, verbindt, en zij zich steeds afgezonderd
+wanen, doch 't niet zijn, is hun arbeid echter zeer verschillend en
+het licht van den eenen is in strijd met de vlam der anderen. Het eene
+is hemelsch, de andere is somber. Hoe groot echter de tegenstelling
+zij, al deze arbeiders, van den heldersten tot den donkersten,
+van den wijsten tot den dwaasten, komen met elkander overeen in:
+onbaatzuchtigheid. Marat vergeet zich zelven, evenzeer als Jezus. Zij
+stellen zich ter zijde, denken niet om zich zelven, verloochenen
+zich zelven. Zij hebben slechts één blik, en die blik zoekt het
+volkomene. De eerste heeft den geheelen hemel in 't oog; de laatste,
+hoe raadselachtig hij zij, heeft toch onder den wenkbrauw den matten
+schijn van het oneindige. Vereer hem, die, wat hij doen moge, dien
+hemelschen blik bezit.
+
+Het oog van den nacht is het andere teeken.
+
+Bij dat oog begint het kwaad. Beef voor hem, die geen blik heeft. De
+maatschappelijke orde heeft haar zwarte mijnwerkers.
+
+Er is een punt, waar delven begraven is en het licht uitgaat.
+
+Onder al deze mijnen, welke wij hebben aangewezen, onder al deze
+galerijen, onder dit ontzaggelijk groot, geaderd, onderaardsch werk
+van den vooruitgang en der utopieën, is dieper in de aarde, lager
+dan Marat, veel lager dan Babeuf, lager, veel lager en zonder eenige
+gemeenschap met de hoogere galerijen, de laatste galerij. Dit is een
+vreeselijke plaats. Wij hebben haar de derde mijn genoemd. Het is de
+galerij der duisternissen, de kolder der blinden. Inferi.
+
+Deze grenst aan den afgrond.
+
+
+
+
+
+
+TWEEDE HOOFDSTUK.
+
+DE DIEPTE.
+
+
+Hier verdwijnt de onbaatzuchtigheid. De duivel komt onduidelijk te
+voorschijn; 't is daar ieder voor zich. Het ik zonder oogen brult,
+zoekt, tast en knaagt. De maatschappelijke Ugolino is in dien poel.
+
+De wilde, vreeselijke gestalten, half dier half schimmen, die zich
+in dezen kuil bewegen, bemoeien zich met geen maatschappelijken
+vooruitgang, zij kennen evenmin het woord als de beteekenis, zij
+denken aan niets dan aan persoonlijke bevrediging. Zij hebben schier
+geen gevoel van zich zelven, in hen is iets als een schrikbarend
+niet. Zij hebben twee moeders, beide stiefmoeders, de onwetendheid en
+de armoede. Zij hebben een gids, de behoefte, en, voor alle vormen
+van bevrediging, de begeerte. Zij zijn ruw, vraatzuchtig, dat wil
+zeggen wreed; niet als een tiran, maar als een tijger. Uit het lijden
+gaan deze spooksels tot misdaad over; noodlottige aaneenschakeling,
+verbijsterende voortbrenging, logica der duisternis. Wat zich in de
+derde maatschappelijke verdieping wentelt, is niet de gesmoorde zucht
+naar het volkomene, 't is de tegenspraak der stof. De mensch wordt
+er draak. Honger, dorst te hebben, is het uitgangspunt; het komt uit
+bij den duivel. Uit die verdieping kwam Lacenaire.
+
+Men heeft in het vierde boek een der gangen van de bovenste mijn,
+van de groote politieke, revolutionaire en philosophische galerij
+gezien. Daar, zooals wij gezegd hebben, is alles edel, zuiver, waardig,
+eerlijk. Men kan er zich bedriegen, 't is waar, en men bedriegt er
+zich; maar de dwaling is er eerbiedwaardig, wijl zij heldenmoed in zich
+sluit. De algemeene arbeid, die er wordt verricht, heet: Vooruitgang.
+
+Het oogenblik is nu gekomen om andere diepten, de afschuwelijke
+diepten, te aanschouwen.
+
+Onder de maatschappij, wij wijzen er nogmaals op, is, en zal zijn,
+tot den dag dat de onwetendheid is verdreven: de groote spelonk van
+het kwaad.
+
+Deze is beneden allen, en de vijandin van allen. 't Is de haat zonder
+uitzondering. Dit hol kent geen wijsgeeren; zijn dolk heeft nooit
+een pen versneden. Zijn zwartheid heeft niets gemeens met de edele
+zwartheid van den inkt. Nooit hebben de vingers der duisternis, die
+zich onder dit verstikkend gewelf krommen, een boek doorbladerd, een
+dagblad opengeslagen. Babeuf is voor Cartouche een werkgever; Marat
+is een aristocraat voor Schinderhannes. Dit hol heeft de omverwerping
+van alles ten doel.
+
+Van alles. Daaronder begrepen de bovengalerijen, welke het
+verfoeit. Het ondermijnt niet alleen, in zijn afschuwelijken arbeid,
+de tegenwoordige maatschappelijke orde; het ondermijnt de philosophie,
+de wetenschap, het recht, de menschelijke gedachte, de beschaving, de
+revolutie, den vooruitgang. Het heet eenvoudig diefstal, prostitutie,
+moord en doodslag. Het is een duisternis, en wil den baaierd. Zijn
+gewelf is uit onwetendheid samengesteld.
+
+Al de overige galerijen, de bovenste, hebben geen ander doel dan
+zijn vernietiging. Daarheen streven tegelijkertijd de wijsbegeerte
+en de vooruitgang door al haar organen, door de verbetering van het
+wezenlijke, zoowel als door de bepeinzing van het volkomene. Door het
+hol der onwetendheid te vernietigen, vernietigt men de mol--misdaad.
+
+Trekken wij in weinige woorden een gedeelte van 't geen wij geschreven
+hebben samen. Het eenige maatschappelijke gevaar is de duisternis.
+
+Humaniteit is gelijkheid. Alle menschen zijn van hetzelfde leem. Hier
+beneden ten minste is geen onderscheid in de lotsbestemming. Eerst
+dezelfde schaduw, dan hetzelfde vleesch en daarna dezelfde asch. Maar
+zoo de onwetendheid onder het menschelijk deeg wordt gemengd, maakt
+zij het zwart. Dit ongeneeslijk zwart vreet diep in den mensch en
+wordt in hem het kwaad.
+
+
+
+
+
+
+DERDE HOOFDSTUK.
+
+BABET, GUEULEMER, CLAQUESOUS EN MONTPARNASSE.
+
+
+Een viertal bandieten, Claquesous, Gueulemer, Babet en Montparnasse,
+regeerden van 1830-1835 het derde onderaardsche gewelf van Parijs.
+
+Gueulemer was een ontaarde Hercules en had tot hol den modderpoel van
+de Arche-Marion. Hij was zes voet lang, had marmeren borsten, stalen
+armspieren, ijzeren ingewanden, de romp van een kolos, het hoofd van
+een vogel. Men meende den Hercules van Farnese in een linnen broek en
+een manchestersch buis te zien. Gueulemer had dieren kunnen bedwingen,
+maar had het gemakkelijker gevonden er een te zijn. Een laag voorhoofd,
+breede slapen, nog geen veertig jaar oud en diepe rimpels, borstelig,
+kort haar, een baard als van een wild zwijn, zoo was deze man. Zijn
+spieren vorderden arbeid, zijn domheid wilde dien niet. Hij was een
+geweldige dommekracht. Hij was moordenaar uit onverschilligheid. Men
+geloofde, dat hij een creool was. Hij was misschien een weinig met
+maarschalk Brune in aanraking geweest, wijl hij in 1815 te Avignon
+sjouwer geweest was. Later was hij bandiet geworden.
+
+De doorschijnende magerheid van Babet stak zeer af bij de
+vleezigheid van Gueulemer. Babet was tenger en geleerd. Mager maar
+ondoordringbaar. De knoken schenen door zijn vel, maar niets scheen
+door zijn oog heen. Hij beweerde chimist te zijn, en was hansworst bij
+Bobèche en paljas bij Bobino geweest. Op de kermis van Saint-Michel
+had hij comedie gespeeld. Hij was iemand met inzichten, een redenaar
+die zijn glimlachjes onderschrapte en zijn gebaren nadruk gaf. Zijn
+handel bestond in het rondventen van pleisterbeelden en portretten
+van het hoofd van den staat. Bovendien was hij kiezentrekker. Op de
+kermissen had hij wonderen en zeldzaamheden vertoond, en een tent
+bezeten, met een trompet en dit uithangbord: "Babet, dentiste, lid
+van verscheidene academiën, neemt natuurkundige proeven op metalen
+en metaloïden, trekt tanden en wortels, die door geen anderen konden
+uitgehaald worden. Prijs: één tand, één franc vijftig centimes, twee
+tanden twee francs, drie tanden twee francs vijftig. Maak gebruik van
+de gelegenheid." (Dat wilde zeggen: laat u zooveel mogelijk tanden
+uittrekken.) Hij was gehuwd geweest en had kinderen gehad; maar wist
+niet wat van zijn vrouw en zijn kinderen geworden was. Hij had ze
+verloren zooals men zijn zakdoek verliest. Babet las de dagbladen--een
+zeldzame uitzondering in de wereld, waarin hij leefde. In den tijd,
+toen hij zijn familie nog met zijn tent rondtrok, had hij in den
+Messager gelezen, dat een vrouw van een levend kind was bevallen,
+dat een kalfssnuit had, en hij riep: "Dat heet ik geluk! Mijn vrouw
+zal nooit zoo verstandig zijn mij zulk een kind te schenken!"
+
+Sinds had hij alles verlaten om "Parijs te ondernemen," zooals hij
+zich uitdrukte.
+
+Wie was Claquesous? Hij was de nacht. Hij wachtte, om zich te
+vertoonen, tot de hemel geheel donker was. Des avonds kwam hij uit
+een hol, waarin hij terugkeerde vóór het dag werd. Waar was dat
+hol? 't Was niemand bekend. Zelfs in de diepste duisternis en met
+zijn makkers sprak hij niet anders dan met afgewend gezicht. Heette
+hij Claquesous? neen. Hij zeide: Ik heet Niemendal. Zoo er licht
+kwam, deed hij een masker voor. Hij was buikspreker. Babet zeide:
+Claquesous is een tweestemmige nocturne. Claquesous was als een
+schaduw, zwervend, verschrikkelijk. Men was niet zeker dat hij een
+naam had, want Claquesous was een bijnaam; men was niet zeker of hij
+een stem had, want zijn buik sprak meer dan zijn mond; men was niet
+zeker of hij een gezicht had, want niemand had ooit iets dan zijn
+masker gezien. Hij verdween als een schim; zijn verschijningen waren
+als verrijzenissen uit de aarde.
+
+Montparnasse was een somber wezen; een knaap, nog geen twintig
+jaar oud, met een fraai gezicht, lippen als kersen, fraai zwart
+haar, den glans der lente in de oogen; hij bezat alle ondeugden
+en streefde naar alle misdaden. De verduwing van het kwade deed
+de begeerte naar het ergere in hem ontstaan. Hij was de deugniet
+geworden straatjongen, de bandiet geworden deugniet; overigens lief,
+zacht, bevallig, sterk, week, wreed. Hij droeg zijn hoed op één oor,
+om den haarlok, naar de mode van 1829, te doen uitkomen. Hij leefde
+van gewelddadige diefstallen, zijn jas was naar de laatste snede,
+maar kaal. Montparnasse was een modeplaatje in armoede, en moorden
+plegende. De oorzaak van al de misdaden van dezen jongeling was zijn
+zucht om goed gekleed te zijn. De eerste grisette die hem gezegd had:
+Ge zijt schoon, had in zijn hart de vlek der duisternis geworpen en
+van dezen Abel een Kaïn gemaakt. Zich mooi vindende, had hij elegant
+willen zijn; de hoogste trap van elegantie nu is werkeloosheid: de
+werkeloosheid van den arme is misdaad. Weinige vagebonden waren zoo
+geducht als Montparnasse. Toen hij achttien jaar oud was, had hij
+reeds verscheidene lijken achter zich. Meer dan een dien hij ontmoet
+had, lag met uitgestrekte armen en met 't gezicht in een plas bloed,
+in de schaduw van dezen ellendeling met gekapt, welriekend haar, dun
+middel, vrouwenheupen, de borst van een pruisisch officier, door al
+de meisjes op den boulevard bewonderd, met een kunstig geknoopte das,
+een moordinstrument in den zak, een bloem in het knoopsgat--zoo was
+deze moordenaarpronker.
+
+
+
+
+
+
+VIERDE HOOFDSTUK.
+
+SAMENSTELLING DER BENDE.
+
+
+Deze vier bandieten vormden te zamen een soort van Proteus,
+die door de politie heen glipte en poogde, aan den lastigen blik
+van Vidocq onder allerlei gedaanten te ontsnappen; zij leenden
+elkander hun namen, verscholen zich in hun eigen schaduw en waren
+voor elkander schuilhoeken en wijkplaatsen; zij ontdeden zich van
+hun persoonlijkheid, als van een valschen neus op een gemaskerd bal,
+kwamen soms te voorschijn alsof zij slechts één persoon voorstelden,
+en vermenigvuldigden zich een andermaal als waren zij een menigte.
+
+Deze vier mannen waren niet vier onderscheiden personen, maar te
+zamen één geheimzinnige dief met vier hoofden, die te Parijs zijn
+handwerk in 't groot dreef; 't was de monster-polyp van het kwaad,
+dat het benedenste hol der maatschappij bewoont.
+
+Ten gevolge hunner vertakkingen en verbintenissen waren Babet,
+Gueulemer, Claquesous en Montparnasse de algemeene ondernemers
+der aanrandingen in het departement der Seine. Zij voerden op de
+voorbijgangers coups d'états van den laagsten rang uit. Vindingrijke
+lieden in het vak, mannen met roof- en moordgedachten wendden zich
+tot hen voor de uitvoering ervan. Men gaf dezen vier schurken het
+plan op en zij voerden het uit. Zij werkten als voor een tooneel. Zij
+waren altijd in staat een genoegzaam en geschikt personeel voor alle
+aanslagen, die hulp behoefden en winst beloofden, te leveren; zoo voor
+een misdaad armen noodig waren, verstrekten zij die. Zij hadden voor
+alle helsche treurspelen een troep duivelachtige acteurs beschikbaar.
+
+Gewoonlijk vereenigden zij zich bij het vallen van den nacht, den
+tijd van hun ontwaken, op de steppen die de Salpetrière omgeven. Daar
+raadpleegden zij. Zij hadden de twaalf donkere uren voor zich, en
+regelden het gebruik daarvan.
+
+Patron-Minette was de naam, die aan het onderaardsche genootschap
+dezer vier mannen gegeven werd. In de oude beeldsprakige volkstaal,
+die dagelijks meer en meer verdwijnt, beteekent Patron-Minette ochtend,
+zooals entre chien et loup avond beteekent. De naam Patron-Minette
+kwam waarschijnlijk van het uur waarin hun arbeid eindigde: met den
+dageraad verdwijnen de spoken en scheiden de bandieten. Deze vier
+mannen waren onder dien naam bekend. Toen de president der assises
+Lacenaire in zijn gevangenis bezocht, ondervroeg hij hem nopens een
+misdaad, welke Lacenaire loochende.--Wie heeft ze gepleegd? vroeg
+de president.--Lacenaire gaf dit antwoord, dat raadselachtig voor
+den rechter, maar duidelijk voor de politie was: "'t Is misschien
+Patron-Minette."
+
+Men kan soms een tooneelstuk naar de naamlijst der personen
+beoordeelen; eveneens een bende naar die der bandieten. Zie hier
+eenige namen, die nog in 't geheugen van sommigen gebleven zijn,
+en aan de hoofdpersonen der bende Patron-Minette behoorden.
+
+Panchaud, genoemd Printanier, of ook Bigrenaille.
+
+Brujon. (Er was een dynastie van Brujon, van welke wij nog een woord
+zullen zeggen).
+
+Boulatruelle, een wegwerker, dien wij reeds gezien hebben.
+
+Laveuve.
+
+Finistère.
+
+Homère-Hogu, een neger.
+
+Mardisoir.
+
+Dépêche.
+
+Fauntleroy, genaamd Bouquetière.
+
+Glorieux, een ontslagen galeislaaf.
+
+Barrecarrosse, genaamd mijnheer Dupont.
+
+Lesplanade-du-Sud.
+
+Poussagrive.
+
+Carmagnolet.
+
+Kruideniers, genaamd Bizarro.
+
+Mangedentelle.
+
+Les-pieds-en-l'air.
+
+Dimi-liard, genaamd Deux-milliards; enz. enz.
+
+Wij slaan anderen, geen minderen, over. Deze namen zijn karakteristiek,
+en drukken niet alleen wezens, maar soorten uit. Ieder dezer namen
+behoort tot een verscheidenheid dier wanstaltige paddestoelen van
+den ondergrond der beschaving.
+
+Deze menschen, die zich zelden lieten zien, behoorden niet tot degenen,
+die men op de straten ontmoet. Vermoeid van hun vreeselijke nachten,
+sliepen zij des daags, nu eens in kalkovens, dan in de verlaten
+steengroeven van Montmartre of Montrouge, soms in riolen. Zij kropen
+in den grond.
+
+Wat is van hen geworden? Zij bestaan nog altijd. Zij hebben altijd
+bestaan. Horatius spreekt van hen: Ambubaïarum collegia, pharmacopolæ,
+mendici, mimoe; en zoo lang de maatschappij zijn zal wat zij is,
+zullen zij wezen wat zij zijn. Onder het donker gewelf van hun hol,
+ontstaan zij voortdurend uit de maatschappelijke doorzijpeling. Zij
+komen immer als dezelfde spoken weder; alleen dragen zij dezelfde
+namen en dezelfde lichamen niet meer.
+
+Hoewel de personen zijn uitgeroeid, bestaat de stam. Zij hebben
+altijd dezelfde bekwaamheden, hun ras blijft onvermengd, zij raden
+de geldbuidels in de zakken, en ruiken de horloges. Goud en zilver
+hebben voor hen reuk. Er zijn onnoozele lieden, van wier voorkomen
+men zou kunnen zeggen dat zij besteelbaar zijn. Gene mannen volgen
+geduldig deze lieden. Bij de verschijning van een vreemdeling of
+provinciebewoner volgen zij de handelingen der spinnen.
+
+Deze mannen zijn vreeselijk, wanneer men ze om middernacht op een
+eenzamen boulevard ziet of ontmoet. Zij gelijken geen menschen, maar
+uit levenden nevel gevormde gestalten; 't is alsof zij zoodanig met
+de duisternis vereenzelvigd zijn, dat zij er niet van te onderscheiden
+zijn, dat zij geen andere ziel dan de schaduw hebben, en zich slechts
+voor oogenblikken van den nacht losmaken, om eenige minuten een
+gedrochtelijk leven te voeren.
+
+Hoe zijn deze spookselen te verdrijven? Door licht, door stroomen
+licht. Geen vleermuis kan het daglicht verdragen. Verlicht de laagste
+rangen der maatschappij.
+
+
+
+
+
+
+
+BOEK VIII.
+
+DE SLECHTE ARME.
+
+
+EERSTE HOOFDSTUK.
+
+MARIUS ZOEKT EEN MEISJE MET EEN HOED EN ONTMOET EEN MAN MET EEN PET.
+
+
+De zomer verstreek, daarna de herfst; de winter kwam. Noch mijnheer
+Leblanc noch zijn dochter hadden weder een voet in het Luxemburg
+gezet. Marius dacht aan niets, dan hoe hij haar lief en bekoorlijk
+gezicht zou kunnen wederzien. Hij zocht immer, hij zocht overal, maar
+vond niets. Hij was niet meer de enthusiastische denker, de beraden,
+vurige, standvastige man, die stoutmoedig het lot het hoofd biedt;
+de geest die toekomst op toekomst bouwt; het jonge hoofd vol plannen,
+ontwerpen, trots, gedachten en wil; hij was een verloren hond. Hij
+verzonk in treurige zwaarmoedigheid. 't Was gedaan. Hij had afkeer van
+den arbeid, het wandelen vermoeide, de eenzaamheid verveelde hem; de
+vrije natuur, vroeger zoo vol beelden, licht, stemmen, raadgevingen,
+uitzichten, grenzen en onderricht, was nu ledig voor hem. Het scheen
+hem alsof alles verdwenen was.
+
+Hij dacht nog altijd, want hij kon niet anders; maar hij vond geen
+behagen meer in zijn gedachten. Op alles wat zij hem voortdurend
+zacht voorstelden, antwoordde hij somber: "waartoe?"
+
+Hij deed zich honderden verwijten. Waarom volgde ik haar? Ik was
+reeds zoo gelukkig haar slechts te zien! Zij zag mij aan; was dat
+niet onbeschrijfelijk veel? Zij scheen mij te beminnen. Was dat
+niet alles? Wat wilde ik meer? Er is niets meer. Ik was dwaas. 't
+Is mijn schuld enz. enz. Courfeyrac, wien hij niets toevertrouwde,
+dit was zoo zijn aard, maar die bijna alles begreep, dit was ook zoo
+diens aard, was begonnen hem met zijn verliefdheid geluk te wenschen,
+waarover hij zich elders verbaasde; maar toen hij Marius tot zulk
+een zwaarmoedigheid zag vervallen, zeide hij tot hem: "Ik zie, dat
+ge niets dan een ezel zijt geweest. Kom, ga mede naar la Chaumière."
+
+Op een fraaien Septemberdag had Marius zich door Courfeyrac, Bossuet
+en Grantaire naar een bal te Sceaux laten medevoeren, in de hoop--welk
+een droom!--haar misschien dáár te zullen wedervinden. Het spreekt
+vanzelf dat hij haar niet vond, welke hij zocht.--'t Is toch hier,
+mompelde Grantaire bij zich zelven, dat men alle lichte vrouwen
+vindt. Marius liet zijn vrienden op het bal en ging alleen te voet,
+vermoeid, koortsig, met doffe oogen en treurig, in den nacht, verdoofd
+door het geraas en het stof der rijtuigen, die vol vroolijke, zingende
+gasten van het feest wederkeerden en hem voorbijreden, moedeloos, en
+om zich te verfrisschen den scherpen reuk der noteboomen inademende,
+huiswaarts.
+
+Hij leefde wederom meer en meer in eenzaamheid, geheel aan zijn
+treurigheid en zwaarmoedigheid overgegeven, in zijn smart heen- en
+wedergaande gelijk de wolf in zijn hok, overal de afwezige zoekende,
+door liefde verstompt.
+
+Eens had hij een ontmoeting, die een zonderlingen indruk op hem
+maakte. In een der kleine straten in de nabijheid van den boulevard
+der Invaliden had hij iemand als een arbeider gekleed ontmoet,
+met een pet met breeden klep op, waaruit lokken zeer wit haar te
+voorschijn kwamen. Marius werd door de fraaiheid van dit witte haar
+getroffen en beschouwde dien man, die langzaam en als in smartelijke
+gedachten verdiept, voortging. Zonderling, hij meende den heer Leblanc
+te herkennen. 't Was hetzelfde haar, hetzelfde gezicht, zooveel de
+pet dit vergunde te zien, dezelfde houding; maar treuriger. Maar
+waarom in deze arbeiderskleeding? Wat beteekende dat? wat beduidde
+deze vermomming? Marius was zeer verbaasd. Tot bezinning gekomen,
+was zijn eerste gedachte den man te volgen, die hem misschien op het
+spoor zou brengen, dat hij zocht. Hij wilde in allen gevalle den man
+van dichterbij zien en het raadsel oplossen. Maar hij bedacht zich
+te lang; reeds was de man uit het gezicht verdwenen. Hij was een
+zijstraat ingegaan en Marius kon hem niet wedervinden.
+
+Deze ontmoeting hield hem eenige dagen bezig; eindelijk vergat hij
+ze.--'t Is in allen gevalle waarschijnlijk ook niets anders dan een
+gelijkenis, dacht hij.
+
+
+
+
+
+
+TWEEDE HOOFDSTUK.
+
+EEN VOND.
+
+
+Marius woonde nog altijd in het huis Gorbeau. Hij lette er op niemand.
+
+Op dat tijdstip waren trouwens in dat huis geen andere bewoners dan
+hij en de familie Jondrette, voor wie hij eens de huur had betaald,
+zonder overigens ooit met den vader, de moeder of de dochters gesproken
+te hebben. De andere bewoners waren of verhuisd, of overleden, of
+bij gebreke van betaling op de straat gezet.
+
+Op een dag in dezen winter had de zon zich des namiddags even vertoond;
+'t was de 2de Februari, op Maria-lichtmis, welker verraderlijke zon,
+de voorloopster eener zesweeksche koude, aan Mathieu Laensberg deze
+terecht klassiek gebleven verzen inboezemde:
+
+
+ Qu'il luise ou qu'il luiserne,
+ L'ours rentre en sa caverne. [7]
+
+
+Marius was uit zijn hol gekomen; de avond daalde. 't Was tijd te
+gaan eten, want hij was, helaas, weder aan het eten moeten gaan. O
+zwakheden der ideale liefde!
+
+Hij was juist de stoep overgestapt, welke juffrouw Bougon bezig was
+te vegen, terwijl zij deze alleenspraak hield:
+
+"Wat is tegenwoordig goedkoop? alles is even duur. Alleen de zorgen
+des levens zijn goedkoop; zorg en moeite heeft men in overvloed
+voor niets."
+
+Langzaam ging Marius in gedachten en met gebogen hoofd over den
+boulevard naar de straat St. Jacques.
+
+Eensklaps voelde hij zich in de avondschemering tegen het lijf loopen;
+hij wendde het hoofd en zag twee in lompen gekleede meisjes, het eene
+lang en mager, het andere kleiner, die buiten adem, hijgend, verschrikt
+voortijlden als vluchtten zij. Zij waren van den anderen kant gekomen,
+hadden hem niet gezien en in 't voorbijgaan hem gestooten. Marius
+onderscheidde in de schemering haar bleeke gezichten, haar verwarde,
+vliegende haren, haar leelijke mutsen, gescheurde kleederen en bloote
+voeten. Onder 't loopen spraken zij met elkander. De grootste zeide
+met zachte stem:
+
+"Zij kwamen en hadden mij bijna gepakt."
+
+De andere antwoordde: "Ik zag ze komen en ging aan den haal."
+
+Marius begreep aan haar vreemde uitdrukkingen, dat de gendarmes
+of stadssergeanten beide meisjes bijna gegrepen hadden en zij 't
+ontkomen waren.
+
+Zij verscholen zich tusschen de boomen van den boulevard achter hem,
+en zij vertoonden daar voor eenige oogenblikken in de duisternis een
+flauwen schijn, die echter spoedig verdween.
+
+Marius had een oogenblik stilgestaan. Hij wilde nu zijn weg vervolgen,
+toen hij aan zijn voeten een klein grijs pakje bespeurde. Hij bukte
+en raapte het op. 't Was een soort van omslag, dat papieren scheen
+te bevatten.
+
+De ongelukkigen hebben het laten vallen, dacht hij.
+
+Hij keerde terug, riep, maar vond ze niet, stak het pakje in zijn
+zak en ging naar zijn diner.
+
+Onderweg zag hij in een gang der straat Mouffetard de doodkist van
+een kind, met een zwart laken overdekt, op drie stoelen en door een
+kaars verlicht. De beide meisjes van de schemering kwamen hem weder in
+'t geheugen.
+
+"Arme moeders! dacht hij! Er is iets nog treuriger dan zijn kinderen
+te zien sterven; namelijk ze slecht te zien leven."
+
+Vervolgens verlieten hem deze sombere gedachten, welke zijn
+droefgeestigheid eenige afleiding gaven, en hij verzonk weder in zijn
+gewone mijmeringen.
+
+Hij dacht weder aan zijn liefde van zes maanden, en aan zijn geluk
+onder den blooten hemel, en aan de schoone boomen van het Luxemburg.
+
+"Hoe somber is mijn leven geworden," dacht hij. "Nog altijd verschijnen
+mij jonge meisjes; maar vroeger waren 't engelen; thans zijn 't
+duivelinnen."
+
+
+
+
+
+
+DERDE HOOFDSTUK.
+
+VIER BRIEVEN.
+
+
+Toen hij zich 's avonds ontkleedde om naar bed te gaan, voelde hij
+in den zak van zijn jas het pakje, dat hij op den boulevard had
+opgeraapt. Hij had er niet meer aan gedacht. Nu meende hij, dat het
+nuttig kon zijn het te openen, wijl het misschien het adres der meisjes
+kon bevatten, zoo het pakje haar werkelijk behoorde, of in allen geval
+de noodige inlichtingen, om het aan den persoon terug te bezorgen,
+die het verloren had.
+
+Hij opende het omslag.
+
+Dit was niet verzegeld en bevatte vier brieven, die evenmin verzegeld
+waren.
+
+Er stonden adressen op.
+
+Alle vier roken vreeselijk naar tabak.
+
+Op den eersten brief stond dit adres: "Aan mevrouw, mevrouw
+de markiezin de Grucheray, op het plein tegenover de kamer der
+gedeputeerden, No...."
+
+Marius geloofde nu de inlichtingen te zullen vinden, welke hij zocht,
+en vermits de brief niet gesloten was, mocht hij waarschijnlijk zonder
+bezwaar gelezen worden.
+
+Hij luidde als volgt, met dezelfde fouten van taal en stijl:
+
+
+ "Mevrouw de markiezin,
+
+ "De deugd van het mededoogen en der milddadigheid is de engste
+ band die de maatschappij samenhoudt. Wend uw christelijk gevoel en
+ medelijdenden blik naar een ongelukkigen Spanjaard, een offer van
+ zijn trouw en verkleefdheid aan de heilige zaak der legitimiteit,
+ waarvoor hij zijn bloed gestort, zijn fortuin, alles gewijd heeft,
+ om deze zaak te verdedigen en die zich nu in de diepste ellende
+ bevindt. Hij twijfelt niet dat uwedele hem eenige hulp zal
+ verleenen, om het uiterst smartelijk leven te behouden van een
+ militair van goede geboorte en een man van eer, vol kwetsuren,
+ die vooraf op de menschelijkheid rekent, die u bezielt en op de
+ belangstelling van mevrouw de markiezin voor zulk een ongelukkige
+ natie. Hun bede zal niet vruchteloos zijn, en hun dank zal u een
+ aangename herinnering blijven.
+
+ "Met gevoelens van hoogachting, waarmede ik de eer heb te zijn,
+
+
+ Mevrouw,
+
+ "Don Alvarès, Spaansch kapitein der Caballerie, naar Frankrijk
+ uitgeweken koningsgezinde, die voor zijn vaderland op reis is en
+ wien geld ontbreekt om zijn reis voort te zetten."
+
+
+Bij de handteekening was geen woonplaats gevoegd. Marius hoopte
+het adres in den tweeden brief te vinden, die tot opschrift had:
+"Aan Mevrouw, Mevrouw de gravin de Montvernet, straat Cassette
+No. 9." Marius las het volgende:
+
+
+ "Mevrouw de gravin.
+
+
+ "Ik ben een ongelukkige huismoeder met zes kinderen, waarvan het
+ jongste slechts acht maanden oud is. Ik ben sinds mijn laatste
+ kraambed ziek en sedert vijf maanden door mijn man verlaten,
+ zonder eenige hulp ter wereld en in de vreeselijkste armoede.
+
+ "In de hoop op mevrouw de gravin, heeft zij, mevrouw, de eer te
+ zijn met diepen eerbied
+
+
+ "Vrouw Balizard."
+
+
+Marius nam den derden brief, die evenals de vorigen een bedelbrief was,
+en las:
+
+
+"Mijnheer Pabourgeot, kiezer, koopman in wollen stoffen in 't groot,
+straat St. Denis, hoek der straat aux Fers.
+
+
+ "Ik neem de vrijheid u dezen brief te zenden, met het verzoek mij
+ de kostbare gunst uwer sympathie te schenken en uwe belangstelling
+ in een letterkundige, die aan het Théâtre Français een drama
+ heeft gezonden. Het onderwerp is historisch en het stuk speelt
+ in Auvergne, tijdens het Keizerrijk; ik geloof dat de stijl
+ natuurlijk, kernachtig en niet zonder verdienste is. Op vier
+ plaatsen zijn er liedjes ingelascht. Overigens is het komieke,
+ ernstige, verrassende er ingemengd met de verscheidenheid der
+ karakters, en een romantische tint ligt zacht over de geheele
+ intrigue verspreid, die geheimzinnig, te midden van treffende
+ tusschenbedrijven voortgaat en zich in schitterende tooneelen
+ oplost.
+
+ "'t Is mijn hoofddoel aan den wensch te voldoen, die hoe langer
+ hoe meer den mensch onzer eeuw bezielt, namelijk de mode, dezen
+ grilligen en zonderlingen weerhaan, die bij elken wind verandert.
+
+ "In weerwil dezer hoedanigheden heb ik reden te vreezen, dat de
+ ijverzucht en het egoïsme der bevoorrechte schrijvers mij uit
+ den schouwburg zullen verdringen, want de bitterheden waarmede
+ men de nieuwelingen overlaadt zijn mij niet onbekend.
+
+ "Mijnheer Pabourgeot, de naam, dien gij terecht hebt, van een
+ verlicht beschermer der letterkundigen te zijn, verstout mij
+ mijn dochter te zenden, die u onzen armoedigen toestand zal
+ blootleggen, want wij hebben gebrek aan brood en brand in dit
+ strenge seizoen. 't Is niet noodig u te zeggen, dat ik u mijn
+ drama, en alle die ik nog maken zal, wensch op te dragen en u te
+ bewijzen, hoe vurig ik naar de eer streef mij in uw bescherming
+ te stellen, en mijn geschriften met uw naam op te luisteren. Zoo
+ ge u verwaardigt mij met een kleine gift te vereeren, zal ik
+ mij dadelijk aan een gedicht zetten om u mijn schatting van
+ dankbaarheid te voldoen. Dat gedicht, 't welk ik zoo volmaakt
+ mogelijk zal pogen te maken, zal u worden gezonden vóór het aan
+ 't hoofd van het drama zal geplaatst en op het tooneel gedebuteerd
+ worden.
+
+
+ "Aan mijnheer
+ en mevrouw Pabourgeot
+ mijn eerbiedigste hulde.
+
+ Genflot, letterkundige."
+
+ P. S. "Al is 't maar twee francs."
+
+ "Vergeving dat ik u mijn dochter zend en niet zelf kom, maar
+ treurige redenen van kleeding veroorloven mij, helaas, niet,
+ uit te gaan..."
+
+
+Nu opende Marius den vierden brief, aldus geadresseerd: "Aan den
+weldadigen Heer van de Kerk St. Jacques du Haut-Pas.
+
+
+ "Weldadig man,
+
+ "Zoo ge u wilt verwaardigen mijn dochter te vergezellen, zult ge
+ een bittere armoede vinden en ik zal u mijn certificaten toonen.
+
+ "Bij 't gezicht dezer stukken zal uw edelmoedige ziel bewogen
+ worden door een levendig gevoel van medelijden, want echte
+ wijsgeeren gevoelen immer levendige aandoeningen.
+
+ "Ge moet bekennen, mededoogend man, dat men in den vreeselijksten
+ nood moet zijn en het zeer smartelijk valt, dit door de overheid te
+ moeten doen bevestigen, ten einde eenigen bijstand te erlangen,
+ alsof men niet vrij ware te lijden en van gebrek te sterven,
+ in afwachting dat men onze armoede lenige. Het lot is zeer wreed
+ voor sommigen en al te overdadig en begunstigend voor anderen.
+
+ "Ik wacht uw tegenwoordigheid of uw gift, zoo ge zoo goed wilt
+ zijn, en verzoek u de betuigingen van mijn eerbied te willen
+ ontvangen, waarmede ik de eer heb te zijn,
+
+
+ "Wezenlijk grootmoedig man,
+
+ "Uw zeer onderdanige en zeer gehoorzame dienaar,
+
+ "P. Fabantou, dramatisch artist."
+
+
+Na deze vier brieven gelezen te hebben, wist Marius nog weinig meer
+dan vroeger.
+
+Vooreerst gaf geen der onderteekenaars zijn woonplaats op.
+
+Vervolgens schenen de brieven van vier verschillende personen te zijn;
+van don Alvarès, van vrouw Balizard, van den dichter Genflot en van
+den dramatischen artist Fabantou; maar 't was zonderling, dat deze
+brieven alle vier door dezelfde hand geschreven waren.
+
+Wat zou hij er anders uit afleiden, dan dat zij ook van denzelfden
+persoon kwamen?
+
+Bovendien, en dit maakte de gissing nog waarschijnlijker, waren de
+vier brieven op hetzelfde grove en verkleurde papier geschreven,
+ook hadden zij denzelfden tabaksreuk en, hoewel 't duidelijk was dat
+men den stijl had willen afwisselen, kwamen er echter dezelfde soort
+van spelfouten in voor, zoowel bij den letterkundige Genflot als bij
+den Spaanschen kapitein.
+
+'t Was vergeefsche moeite dit kleine geheim te willen doorgronden. Zoo
+'t geen vond ware geweest, zou 't een fopperij geleken hebben. Marius
+was te droefgeestig om behagen te vinden zelfs in een scherts van
+het toeval, of om zich op te houden met een spel, dat de openbare
+straat met hem scheen te willen spelen. Het scheen hem, alsof hij
+blindemannetje was tusschen deze vier brieven, en deze hem voor den
+mal hielden.
+
+Overigens duidde in die brieven niets aan, dat zij aan de meisjes
+behoorden, welke Marius op den Boulevard ontmoet had. 't Waren in
+allen geval papieren, die blijkbaar geen de minste waarde hadden.
+
+Marius stak ze weder in het omslag, wierp ze in een hoek en legde
+zich te bed.
+
+Den volgenden morgen tegen zeven uren was hij opgestaan, had ontbeten
+en wilde zich aan 't werk zetten, toen zacht aan zijn deur werd
+geklopt.
+
+Vermits hij niets bezat, nam hij nimmer den sleutel uit zijn deur,
+behalve slechts wanneer hij aan een dringend werk bezig was. Overigens
+liet hij, zelfs wanneer hij uitging, den sleutel in de deur.--"Men
+zal u bestelen," zei vrouw Bougon.--"Wat?" vroeg Marius.--Men had hem
+evenwel op zekeren dag een paar oude laarzen ontstolen, tot groote
+zelfvoldoening van vrouw Bougon.
+
+Men klopte nogmaals zeer zacht.
+
+"Binnen," zei Marius.
+
+De deur werd geopend.
+
+"Wat wilt ge, vrouw Bougon?" vroeg Marius zonder zijn oogen van de
+boeken en papieren op te slaan, die op de tafel lagen.
+
+Een stem, welke niet die van vrouw Bougon was, antwoordde:
+
+"Vergeving, mijnheer..."
+
+'t Was een doffe, gebroken, schorre stem, als van een oud man die
+dronken is of zich overschreeuwd heeft.
+
+Marius hief ijlings het hoofd op en zag een meisje.
+
+
+
+
+
+
+VIERDE HOOFDSTUK.
+
+EEN ROOS IN ELLENDE.
+
+
+Een zeer jong meisje stond in de open deur. Het zoldervenster, door
+'t welk het licht in het vertrek viel, was recht tegenover de deur en
+verlichtte deze gestalte met een vaal schijnsel. Het meisje was bleek,
+tenger, mager; slechts een hemd en een rok bedekten haar bibberende
+naakte lijf. Een bindtouw was haar ceintuur, evenals een bindtouw haar
+kapsel samenhield; knokige schouders kwamen uit het hemd, zij was
+ziekelijk bleek, met uitstekende wangbeenderen, roode handen, half
+open mond die reeds tanden miste, doffe, brutale, gemeene oogen, de
+vormen van een halfvolwassen meisje, en den blik eener oude verdorven
+vrouw; vijftig en vijftien jaren ondereen gemengd; een dier tevens
+zwakke en leelijke wezens, die ons doen huiveren of weenen.
+
+Marius was opgestaan en aanschouwde met een soort van verbazing
+dit schepsel, dat een dier schimmen geleek, welke soms in den droom
+verschijnen.
+
+Vooral scheen het smartelijk, dat dit meisje blijkbaar niet ter
+wereld was gekomen om leelijk te zijn. In haar kindsheid moest zij
+zelfs schoon zijn geweest. De bevalligheid der jeugd worstelde nog
+bij haar tegen de leelijkheid van vroegtijdigen ouderdom, de vrucht
+van buitensporigheid en armoede. Een overblijfsel van schoonheid lag
+nog op dit zestienjarig gezicht, als de bleeke zonnestraal die bij
+een wintermorgen door grijze wolken wordt verdoofd.
+
+Dat gezicht kwam Marius niet geheel onbekend voor. Hij meende zich
+te herinneren het ergens gezien te hebben.
+
+"Wat begeert ge?" vroeg hij.
+
+Het meisje antwoordde met een stem als die van een dronken galeiboef:
+
+"Hier is een brief voor u, mijnheer Marius."
+
+Zij noemde Marius bij zijn naam, er was alzoo geen twijfel dat zij
+bepaaldelijk hem bedoelde, maar wie was dit meisje? Hoe kende zij
+zijn naam?
+
+Zonder te wachten dat hij haar verzocht te naderen, trad zij
+binnen. Zij trad stoutmoedig voort, terwijl ze met een onbeschaamdheid,
+die het hart toekneep, haar blik door de kamer en op het nog afgehaalde
+bed sloeg. Zij was blootsvoets. Door de groote scheuren in haar rok kon
+men haar lange beenen en magere knieën zien. Zij bibberde van koude.
+
+Zij hield een brief in de hand, dien zij Marius aanbood.
+
+Toen Marius den brief opende, merkte hij dat de groote ouwel nog nat
+was. De brief kon dus niet van verre komen. Hij las:
+
+
+ "Lieve buurman,--geëerde jonge heer!
+
+ "Ik heb uw goedheid jegens mij vernomen, dat gij, zes maanden
+ geleden, mijn huishuur betaald hebt. Ik zegen u, jong mensch. Mijn
+ oudste dochter zal u zeggen, dat wij sedert twee dagen, met ons
+ vieren zonder brood, en mijn vrouw ziek is. Zoo ik mij in mijn
+ gedachten omtrent u niet bedrieg, durf ik hopen, dat uw edelmoedig
+ hart zich zal verteederen bij deze mededeeling en u zal dringen
+ mij behulpzaam te zijn door mij een kleine weldaad te bewijzen.
+
+ Ik ben met de hoogachting en onderscheiding, die men aan de
+ weldoeners der menschheid schuldig is
+
+
+ Jondrette."
+
+
+ P.S. Mijn dochter zal op uw orders wachten, waarde heer Marius."
+
+
+Deze brief, die midden in het duistere avontuur viel, 't welk Marius
+sedert den vorigen avond bezighield, was een lichtstraal in de
+duisternis. Alles helderde zich eensklaps op.
+
+Deze brief kwam van waar de vier andere brieven kwamen. Het was
+dezelfde hand, dezelfde stijl, dezelfde spelling, hetzelfde papier,
+dezelfde tabaksreuk.
+
+Er waren vijf brieven, vijf geschiedenissen, vijf namen, vijf
+handteekeningen, en één onderteekenaar. De Spaansche kapitein don
+Alvarès, de ongelukkige moeder Balizard, de tooneeldichter Genflot,
+de oude komediant Fatanbou heetten alle vier Jondrette, zoo ten minste
+Jondrette zelf Jondrette heette.
+
+Sedert den reeds langen tijd, dat Marius het huis bewoonde, was hij,
+zooals gezegd is, zelden in de gelegenheid geweest zijn allernaaste
+buren te zien of slechts op te merken. Zijn geest was elders, en waar
+de geest is, is het oog. Hij had zekerlijk meer dan eens de Jondrettes
+in de gang en op de trap ontmoet; maar zij waren voor hem slechts
+schimmen geweest, en zoo weinig had hij er op gelet, dat hij den
+vorigen avond de dochters van Jondrette tegen 't lijf was geloopen,
+zonder ze te kennen, want zij waren 't ongetwijfeld geweest, en zij,
+die zijn kamer was binnengegaan, had, bij den afkeer en het medelijden,
+welke zij hem inboezemde, nauwelijks een flauwe herinnering in hem
+opgewekt, dat hij haar elders ontmoet had.
+
+Nu zag hij alles duidelijk. Hij begreep, dat zijn buurman Jondrette
+in zijn nood er een bedrijf van maakte, op de weldadigheid
+van menschlievende personen te werken, dat hij zich hun adressen
+bezorgde, en dat hij onder verdichte namen aan lieden, die hij rijk en
+mededeelzaam geloofde, brieven schreef, welke zijn dochters voor eigen
+kosten en gevaar bezorgden; want deze vader waagde zijn dochters; hij
+dobbelde met het lot en zette haar op 't spel. Marius begreep, uit haar
+hijgende vlucht van den vorigen avond, haar schrik en de zonderlinge
+woorden, welke hij had gehoord, dat deze rampzaligen bovendien nog
+andere treurige beroepen uitoefenden, en dat zij door een en ander,
+te midden der menschelijke maatschappij, zooals die is samengesteld,
+twee ellendige wezens waren geworden, die noch kinderen, noch meisjes,
+noch vrouwen, maar een soort van onreine en onschuldige monsters waren.
+
+Treurige schepsels zonder naam, zonder leeftijd, zonder sekse, voor
+wie noch goed noch kwaad meer mogelijk is, en die, nauwelijks uit de
+kindsheid getreden, niets meer in deze wereld hebben, noch vrijheid,
+noch deugd, noch verantwoordelijkheid. Zielen, die gisteren ontloken,
+heden verwelkt zijn, die bloemen gelijkende, welke op de straat zijn
+gevallen, door allerlei slijk bezoedeld en door een rad verpletterd
+worden.
+
+Terwijl Marius intusschen zijn verbaasden, smartelijken blik op haar
+richtte, ging het meisje met de vermetelheid van een spooksel heen en
+weder door het vertrek. Zij bewoog zich zonder zich om haar naaktheid
+te bekommeren. Haar los en gescheurd hemd viel soms tot onder haar
+borst. Zij verschoof de stoelen, verplaatste de toiletzaken die op
+de commode stonden, raakte de kleederen van Marius aan en snuffelde
+in alle hoeken.
+
+"Ha!" zeide zij, "hebt ge een spiegel?"
+
+En zij neuriede, als ware zij alleen geweest, liedjes uit vaudevilles,
+vroolijke refreins, die door haar holle, heesche stem afschuwelijk
+klonken. Onder deze stoutmoedigheid kwam echter een zekere
+gedwongenheid, ongerustheid en deemoedigheid uit. Onbeschaamdheid is
+een schande.
+
+Niets was treuriger dan haar in de kamer zoo te zien rondfladderen
+als een vogel, die door het licht verblind is of den vleugel gebroken
+heeft. Men gevoelde, dat de vroolijke, vrije bewegingen van het meisje,
+onder andere voorwaarden van opvoeding en lotsbestemming, iets geheel
+anders, iets zachts en bekoorlijks konden geweest zijn. Onder de
+dieren verandert nimmer een wezen, dat geschapen is om duif te zijn,
+in een uil. Dit vindt men alleen bij de menschen.
+
+Marius dacht, en liet haar begaan.
+
+Zij naderde de tafel.
+
+"Ha, zeide zij, boeken!"
+
+Een glans verlichtte haar glazig oog. Zij hernam, en haar stem
+drukte het geluk uit, zich op iets te kunnen beroemen, waarvoor geen
+menschelijk schepsel ongevoelig is:
+
+"Ik kan lezen."
+
+Zij greep driftig het opengeslagen boek van de tafel en las tamelijk
+vlug:
+
+"...: Generaal Banduin ontving bevel met de vijf bataljons zijner
+brigade het kasteel van Hougoment, dat in het midden van de vlakte
+van Waterloo ligt, in te nemen..."
+
+Zij brak 't lezen af, met de woorden:
+
+"Ha! Waterloo! dat ken ik. 't Was een fameuze slag! mijn vader was
+er bij. Mijn vader heeft in 't leger gediend. Wij zijn bonapartisten,
+dat verzeker ik u. Waterloo was tegen de Engelschen."
+
+Zij legde het boek neder, nam een pen en riep:
+
+"Ik kan ook schrijven!"
+
+Zij doopte de pen in den inkt, wendde zich tot Marius en zeide:
+
+"Wilt ge 't zien. Kijk, ik zal een woord schrijven om 't u te toonen."
+
+Vóór hij tijd had te antwoorden schreef zij op een vel papier, dat
+op de tafel lag: "De dienders zijn er."
+
+Toen hernam zij, de pen wegwerpende:
+
+"Er zijn geen spelfouten in. Zie slechts. Mijn zuster en ik hebben
+een goede opvoeding gehad. Wij zijn niet altijd geweest wat wij nu
+zijn. Wij waren niet bestemd om ..."
+
+Eensklaps zweeg zij, richtte haar doffen blik op Marius, begon luid
+te lachen en zeide op een toon, die alle angsten, door hondsche
+onverschilligheid onderdrukt verried:
+
+"Och, kom!"
+
+En op een vroolijke wijs zong zij:
+
+
+ J'ai faim, mon père.
+ Pas de fricot.
+ J'ai froid, ma mère.
+ Pas de tricot.
+ Grelotte,
+ Lolotte!
+ Sanglote,
+ Jacquot.
+
+
+Toen zij dit couplet gezongen had, riep zij haastig:
+
+"Gaat ge soms naar den schouwburg, mijnheer Marius? Ik ga er dikwijls
+heen. Ik heb een jongen broeder, die een vriend der acteurs is en
+mij soms kaartjes geeft. Maar ik houd niet van de galerij; men zit
+er ongemakkelijk. 't Is er meestal stampvol; en er zijn lieden die
+leelijk rieken."
+
+Daarop zag zij Marius aan, en zeide op zonderlingen toon:
+
+"Weet ge wel, mijnheer Marius, dat ge een zeer lieve jongen zijt?"
+
+En op denzelfden tijd kwam bij beiden dezelfde gedachte op, die haar
+deed glimlachen en hem deed blozen.
+
+Zij naderde hem en legde een hand op zijn schouder:
+
+"Hoewel ge geen acht op mij slaat, mijnheer Marius, ken ik u toch. Ik
+ontmoet u hier op de trap en zie u nu en dan bij den ouden heer
+Mabeuf ingaan, die in de nabijheid van Austerlitz woont, wanneer ik
+daar wandel. Uw verward haar staat u zeer goed."
+
+Zij poogde haar stem zeer zacht te maken, doch zij klonk slechts zeer
+grof. Een gedeelte harer woorden ging op den weg van haar keel naar
+de lippen verloren, evenals in een klavier, waaraan toetsen ontbreken.
+
+Marius was een weinig achteruit gegaan.
+
+"Juffer," zeide hij, op koelen, ernstigen toon, "ik heb hier een pakje,
+dat geloof ik van u is. Vergun mij 't u weder te geven."
+
+En hij overhandigde haar het pakje met de vier brieven.
+
+Zij klapte in haar handen en riep:
+
+"Wij hebben 't overal gezocht."
+
+Toen greep zij haastig het pakje, en opende het, terwijl zij zeide:
+
+"Mijn God! mijn zuster en ik hebben overal gezocht. Hebt gij 't
+gevonden? Op den boulevard, niet waar? Ja, 't moet op den boulevard
+zijn. Weet ge, 't is ons ontvallen, toen wij op den loop gingen. Mijn
+lieve zusje heeft die domheid begaan. Toen wij te huis kwamen was 't
+weg. Omdat wij niet wilden geslagen worden, 't geen onnoodig, volkomen
+onnoodig, geheel en al onnoodig is, zeiden wij, dat de brieven bezorgd
+waren bij de personen welke men ons had opgegeven. Ja wel! hier zijn
+de brieven! Maar waaraan hebt ge gezien, dat ze mij behoorden? Ha, ja,
+aan 't schrift. Gij zijt het dus, dien wij gisteren tegen 't lijf zijn
+geloopen. 't Was zoo donker, dat men niet zien kon. Niet waar? Ik vroeg
+aan mijn zuster: Was 't een heer? Mijn zuster antwoordde: Ik geloof,
+dat 't een heer was."
+
+Intusschen had zij den bedelbrief "aan den weldadigen heer der kerk
+van St. Jacques-du-Haut-Pas" geopend.
+
+"Zie," zeide zij, "deze is voor den ouden man, die naar de mis gaat. 't
+Is nu de tijd, dat ik hem dien brengen moet. Hij zal ons misschien
+zooveel geven om te kunnen ontbijten."
+
+En wederom lachende, voegde zij er bij:
+
+"Weet ge wat het wezen zal, zoo wij heden ontbijten? 't Zal ons
+ontbijt zijn van eergisteren, ons middagmaal van eergisteren, ons
+ontbijt van gisteren, ons middagmaal van gisteren, dit alles zullen
+wij van morgen in ééns hebben. Nu, zoo ge er niet mede tevreden zijt,
+berst dan, honden!"
+
+Dit herinnerde Marius wat de ongelukkige bij hem kwam zoeken.
+
+Hij tastte in zijn vestzak, maar vond niets.
+
+Het meisje sprak op een wijze voort, alsof zij er niet meer aan dacht,
+dat Marius tegenwoordig was.
+
+"Soms ga ik 's avonds uit. Soms kom ik niet weer t'huis. Verleden
+winter, vóór dat wij hier kwamen, woonden wij onder de bogen der
+bruggen. Wij drongen ons dicht op elkaar om niet te bevriezen. Mijn
+klein zusje weende. Water! 't is treurig. Als ik er aan dacht mij
+te verdrinken, zeide ik: Neen, 't is te koud. Ik ga, als ik wil,
+alleen uit en slaap in slooten. Weet ge, des nachts als ik op den
+boulevard ga, schijnen mij de boomen als masten en de donkere huizen
+zwaar als de torens van Notre Dame, ik verbeeld mij, dat de witte
+muren water zijn en zeg dan: zie, daar is water! De sterren zijn
+als illumineerglazen, 't is alsof zij rooken en de wind ze uitwaait;
+ik ben dan duizelig alsof paarden mij in de ooren snoven, en hoewel
+'t nacht is, hoor ik straatorgels en het geratel van weefgetouwen,
+wat weet ik! Ik geloof, dat men mij met steenen werpt; ik vlucht
+zonder te weten waarom... alles draait, draait... 't Is aardig als
+men niet gegeten heeft..."
+
+Zij zag hem verwilderd aan.
+
+Na al zijn zakken doorzocht te hebben, gelukte het Marius eindelijk
+vijf francs zestien sous bijeen te krijgen. Dit was alles wat hij op
+dit oogenblik in de wereld bezat.
+
+"Dit is voor mijn middagmaal van heden," dacht hij, "morgen zullen
+wij zien." Hij hield de zestien sous en gaf het meisje de vijf francs.
+
+Zij nam het geld.
+
+"Goed!" zeide zij: "dat is zonneschijn."
+
+En alsof de zon de kracht had de fragmenten van gemeene en dieventaal
+in haar hersens te ontdooien, braakte zij in verrukking eene menigte
+onsamenhangende woorden en zinnen in die taal uit. Toen trok zij haar
+hemd weer over de schouders, maakte voor Marius een diepe buiging,
+vervolgens een gemeenzamen handwenk en trad naar de deur, zeggende:
+
+"Goeden dag, mijnheer. Om 't even, ik ga toch mijn oude opzoeken."
+
+De commode voorbijgaande zag zij er een uitgedroogde korst brood in
+het stof liggen, zij greep ze, beet er in en zeide:
+
+"'t Is lekker, maar hard, men bijt er zijn tanden op stuk."
+
+Toen verdween zij.
+
+
+
+
+
+
+VIJFDE HOOFDSTUK.
+
+HET SPIEGAT.
+
+
+Marius, die sedert vijf jaren in armoede, in ontbering en zelfs
+in nood had geleefd, zag nu, dat hij de wezenlijke ellende der
+armoede niet gekend had. Hij had ze nu gezien. 't Was het spooksel,
+dat zooeven voorbij zijn oogen was gegaan. Inderdaad, die slechts de
+ellende van den man heeft gezien, heeft niets gezien, men moet ook de
+ellende der vrouw zien; die slechts de ellende der vrouw heeft gezien,
+heeft niets gezien, men moet de ellende van het kind zien.
+
+Wanneer de man in den uitersten nood is gekomen, is hij ook aan
+het einde zijner hulpmiddelen. Wee de weerlooze wezens, die hem
+nabijkomen. Arbeid, loon, brood, vuur, moed, goede wil, alles
+ontbreekt hem tegelijkertijd. Het daglicht schijnt van buiten te
+worden uitgedoofd, het zedelijk licht wordt inwendig uitgedoofd; in
+deze duisternis vindt de man de zwakheid der vrouw en van het kind,
+en dwingt ze tot eerloosheden.
+
+Dan zijn alle gruwelen mogelijk. De wanhoop is door zwakke schuttingen
+omgeven, die alle bij de ondeugd of de misdaad uitkomen.
+
+Gezondheid, jeugd, eer, de heilige schuwe kieschheid van het nog
+nieuwe vleesch, het hart, de maagdelijkheid, de schaamte, dit teedere
+hulsel der ziel, dit alles wordt ruw aangegrepen door de hand die
+naar redmiddelen zoekt, die eerloosheid vindt en die zich daarin
+schikt. Vaders, moeders, kinderen, broeders, zusters, mannen, vrouwen,
+dochters kleven en hechten zich samen, schier als een delfstoffelijke
+vorming, in deze verwarde mengeling van geslachten, bloedverwantschap,
+ouderdom, schandelijkheden en onschuld. Zij hurken dicht bijeen,
+in een soort van noodlotshol. Met erbarmelijken blik aanschouwen zij
+elkander. O! de rampzaligen! hoe bleek, hoe koud zijn zij! Het schijnt,
+dat zij op een planeet zijn, die veel verder van de zon is dan wij.
+
+Dit meisje scheen Marius een afgezant uit de duisternis.
+
+Zij ontsluierde voor hem een geheel afschuwelijke zijde van den nacht.
+
+Marius verweet zich schier, dat zijn inspanningen van mijmering
+en hartstocht hem tot hiertoe verhinderd hadden, een blik op zijn
+buren te slaan. Dat hij hun huishuur had betaald, was slechts een
+werktuiglijke beweging geweest, die iedereen zou gehad hebben; maar
+hij, Marius, had iets beter behooren te doen. Hoe! slechts een muur
+scheidde hem van deze verlaten wezens, die in de duisternis tastend,
+verwijderd van andere menschen leefden, hij was in hun nabijheid,
+zij waren om zoo te spreken met hem, als de uiterste schakel van
+het menschelijk geslacht, in aanraking; hij hoorde ze leven, of
+liever reutelen, naast zich, en hij lette er niet op; dagelijks,
+ieder oogenblik hoorde hij door den muur heen, hen op en neer gaan,
+spreken en hij merkte 't niet; in die woorden was gekerm, en hij
+luisterde er zelfs niet naar! Zijn gedachten waren elders, aan
+droomen, aan hersenschimmen, aan een in de lucht zwevende liefde,
+aan dwaasheden overgegeven; en evenwel zieltoogden in zijn nabijheid
+deze menschelijke wezens, zijn broeders in Jezus Christus, zijn
+broeders in het volk; zij zieltoogden vruchteloos; hij zelf had deel
+aan hun ongeluk en verergerde het. Want zoo zij een anderen buurman,
+een minder hersenschimmig en meer oplettend buurman, een gewoon en
+liefderijk mensch hadden gehad, zouden stellig hun ellende bespeurd,
+hun noodseinen opgemerkt zijn, en sinds lang misschien zouden zij
+opgenomen en gered zijn geweest! Zij schenen ongetwijfeld zeer
+verlaagd, verdorven, diep gezonken, zelfs zeer slecht, maar 't is
+zeldzaam, dat de gevallenen niet zijn ontaard; er is overigens één
+punt waar ongelukkigen en eerloozen als in één woord samensmelten en
+zich vermengen, een heilloos woord "verstootenen". Aan wie ligt de
+schuld? En moet de liefde niet grooter zijn naarmate de val dieper is?
+
+Terwijl Marius zich zelf deze zedenlessen voorhield,--want het
+gebeurde soms, dat hij, evenals ieder wezenlijk braaf gemoed,
+zijn eigen zedenmeester was en zich zelven meer berispte dan hij
+verdiende,--zag hij naar den muur, die hem van de familie Jondrette
+scheidde, als wilde hij er zijn medelijdenden blik doorheen laten
+dringen, om er deze rampzaligen mede te verwarmen. De muur bestond
+slechts uit dunne, bepleisterde latten, door welke men, zooals gezegd
+is, volkomen den klank der woorden en stemmen kon hooren. Men moest
+zoo afgetrokken als Marius zijn geweest, om dit nog niet opgemerkt
+te hebben. Noch aan den kant van Jondrette noch aan dien van Marius
+was deze muur behangen; men zag er de naakte ruwheid van.
+
+Schier werktuiglijk bezag Marius dien wand: de mijmering beschouwt,
+onderzoekt en bemerkt vaak even nauwkeurig als het de gedachte doen
+zou. Eensklaps stond hij op; hij had boven aan den wand, dicht bij
+den zolder, een kleine driekantige opening gezien, door drie latten
+gevormd. De kalk was er tusschen uitgevallen en zoo men op de commode
+klom, kon men door deze opening in het vertrek van Jondrette zien. Het
+mededoogen heeft zijn nieuwsgierigheid en mag die hebben. Deze opening
+was een soort van spiegat. Men mag de armoede verraderlijk bespieden
+om haar bij te staan.--Laat ons zien, dacht Marius, wie deze lieden
+zijn en hoe 't er mede gesteld is. Hij klom op de commode, hield zijn
+oog voor de opening en gluurde er door.
+
+
+
+
+
+
+ZESDE HOOFDSTUK.
+
+DE WILDE MENSCH IN ZIJN HOL.
+
+
+De steden hebben, even zoowel als de wouden, haar holen, waarin zich
+het boosaardigste en schrikkelijkste wat zij bevatten verbergt. Maar
+in de steden is, hetgeen zich aldus verbergt, wild, onrein en nietig;
+dat wil zeggen leelijk; wat zich in de wouden verbergt is wreed,
+wild en groot, dat wil zeggen schoon. Hoe het zij, de schuilplaatsen
+der dieren zijn boven die der menschen te verkiezen. Dierenholen zijn
+beter dan menschenholen.
+
+Wat Marius zag was zulk een hol.
+
+Marius was arm en zijn kamer armoedig; maar even edel als zijn armoede
+was, was zijn verblijf zindelijk. Het kot, waar hij nu zijn blik
+insloeg, was afschuwelijk, vuil, walgelijk, donker en smerig. Geen
+ander huisraad dan een matten stoel, een kreupele tafel, eenige
+potscherven en in twee hoeken twee niet te beschrijven slaapsteden;
+geen ander licht dan dat uit een zoldervenster met vier ruiten,
+vol spinrag, kwam. Dit licht was juist genoeg om een mensch als een
+spookgestalte te doen voorkomen. De muren hadden een rotachtig aanzien
+en waren gescheurd en met naden, als een door een afschuwelijke ziekte
+misvormd gelaat; zij zweetten een druipend kleverig vocht uit. Men
+zag er met houtskool ruwe ontuchtige figuren op geteekend.
+
+De door Marius bewoonde kamer had een steenen vloer; die der andere
+had noch steenen, noch planken, en men ging er op de zwart geworden
+kalk waarin de steenen gemetseld waren geweest. Op zekeren ongelijken
+grond, waarin het stof als gegroeid was en die sinds lang geen bezem
+gevoeld had, lagen grillig dooreen allerlei leelijke vodden, sloffen,
+sokken. Dit vertrek had echter een stookplaats, en daarom werd het
+voor veertig francs 's jaars verhuurd. Er waren in die stookplaats
+een komfoor, een pot, gebroken planken, aan spijkers hangende vodden,
+een vogelkooi, asch en zelfs een weinig vuur. Een paar spanen rookten
+er treurig.
+
+De leelijkheid van dit vertrek kwam te meer uit, wijl het ruim was. Er
+waren uitspringende wanden, kanten, donkere holen, dakpannen, baaien
+en kapen. Hierdoor ontstonden afzichtelijke hoeken, waar 't oog
+niet kon doordringen, doch waarin zekerlijk monsterachtige spinnen
+en duizendbeenen moesten huizen, misschien ook wel, wie weet welke,
+monsterachtige menschelijke wezens.
+
+Eene krib stond bij de deur, een andere bij het venster. Beide kwamen
+met het eind tegen den schoorsteen en stonden tegenover Marius. In
+een hoek dicht bij de opening, door welke Marius keek, hing aan den
+muur in een zwarte lijst een gekleurde prent, waaronder met groote
+letters geschreven stond: de droom. Zij stelde een slapende vrouw voor,
+met een slapend kind op haar schoot, een arend in een wolk, met een
+kroon in den bek, welke kroon de vrouw van het hoofd des kinds afwendde
+zonder dat zij overigens ontwaakte; op den achtergrond Napoleon in een
+stralenkrans op een donkerblauwe kolom, met geel kapiteel rustende,
+waarop deze inscriptie:
+
+
+ Marengo
+ Austerlits
+ Jena
+ Wagramme
+ Elot
+
+
+Onder deze schilderij stond een vierkant houten bord, meer lang dan
+breed, schuins tegen den muur. Het geleek een omgekeerde schilderij,
+die men van den muur afgenomen en daar zoolang neergezet had, om ze
+later weder op te hangen.
+
+Aan de tafel waarop Marius een pen, inkt en papier zag, zat een klein,
+mager, bleek man van ongeveer zestig jaren, met sluw, wreed en onrustig
+gelaat; kortom een afschuwelijke kerel.
+
+Zoo Lavater dat gezicht had gezien, zou hij er den gier gepaard aan
+den procureur in hebben gevonden; den roofvogel en den chicaneur, die
+wederzijds elkander leelijker maakten en aanvulden; de chicaneur door
+den roofvogel gemeen, en de roofvogel door den chicaneur afschuwelijk
+te maken.
+
+Dezen man had een langen grijzen baard. Hij had een vrouwenhemd aan,
+dat zijn harige borst en zijn met steile grijze haren begroeide armen
+bloot liet. Beneden dit hemd zag men een beslijkte broek en laarzen,
+waaruit de teenen staken.
+
+Hij rookte een pijp. Er was geen brood in het hol, maar wel tabak. Hij
+schreef waarschijnlijk een brief van de soort als Marius gelezen had.
+
+Op den hoek der tafel zag men een roodachtig, onvolledig boekdeel,
+welks formaat een roman verried. Op den omslag las men in groote
+kapitale letters: Dieu, le Roi, l'honneur et les dames par
+Ducray-Duminil. 1814.
+
+Terwijl de man schreef sprak hij luid, en Marius hoorde deze woorden:
+
+"Er mag geen gelijkheid zijn, zelfs niet wanneer men dood is! Zie
+Père-Lachaise! De grooten, de rijken, liggen boven in de acacia-laan
+die bestraat is. Zij kunnen er met rijtuig komen. Maar de kleinen,
+de armen, de ongelukkigen! O, men legt ze beneden, waar men tot aan
+de knieën in de modder, in gaten en plassen zinkt. Men legt ze daar,
+opdat zij spoediger vergaan zouden. Men kan ze niet bezoeken zonder
+in den grond te zakken."
+
+Hij zweeg, sloeg met de vuist op de tafel en knarsetandend voegde
+hij er bij:
+
+"Ik zou de wereld willen verslinden!"
+
+Een dikke vrouw, die even goed veertig als honderd jaar oud kon zijn,
+zat op haar bloote voeten voor den schoorsteen gehurkt.
+
+Ook zij droeg niets dan een hemd en een gebreiden onderrok met stukken
+oud laken opgelapt. Een voorschoot van grof linnen bedekte de helft
+van den rok. Hoewel deze vrouw ineengedoken zat, kon men zien dat zij
+zeer groot van gestalte was, 't was een soort van reuzin, bij haar
+man vergeleken. Zij had leelijk, ros, grijsachtig haar, waarin zij
+nu en dan met haar groote smerige handen, met platte nagels, woelde.
+
+Nevens haar lag op den grond, geheel opengeslagen, een boekdeel van
+hetzelfde formaat als het vorige, en waarschijnlijk van denzelfden
+roman.
+
+Op een der legersteden zag Marius onduidelijk een lang, bleek, schier
+naakt meisje, met hangende beenen zitten, dat niet scheen te hooren,
+noch te zien, noch te leven.
+
+Zeker de jongere zuster van degene die bij hem was geweest.
+
+Zij scheen elf of twaalf jaar oud. Doch zoo men haar nauwkeurig
+beschouwde, ontdekte men, dat zij wel veertien jaar oud moest zijn. Dit
+was het kind, hetwelk den vorigen avond op den boulevard had gezegd:
+"Ik ging aan den haal!"
+
+Zij behoorde tot de ziekelijke soort, welke lang ten achter blijft,
+doch dan eensklaps en snel opgroeit. 't Is de armoede, die zulke
+treurige menschelijke planten voortbrengt. Deze schepsels hebben noch
+kindsheid, noch jeugd. Op vijftienjarigen leeftijd schijnen zij twaalf
+jaar, op zestienjarigen twintig jaar oud te zijn. Heden klein meisje,
+morgen vrouw. 't Is alsof zij het leven met groote stappen doorloopen
+om te eerder aan het einde te zijn.
+
+Op dit oogenblik geleek dit wezen een kind.
+
+Overigens vertoonde zich in dit verblijf geen het minste spoor van
+arbeid; geen weefgetouw, geen spinnewiel, geenerlei werktuig. In
+een hoek lag eenig verdacht ijzerwerk. 't Was de vadzige luiheid,
+welke op de wanhoop volgt en de gansche vernietiging voorafgaat.
+
+Marius aanschouwde een poos dit akelig verblijf, dat schrikkelijker
+dan 't inwendige van een graf scheen, want men zag de menschelijke
+ziel bewegen en het leven er in kloppen.
+
+De holen, de kelders, de kuilen, waarin sommige behoeftigen der laagste
+trappen van het maatschappelijk gebouw kruipen, zijn niet volkomen het
+graf, maar de voorkamers ervan: gelijk de rijken hun grootste pracht
+aan den ingang hunner paleizen ten toon stellen, schijnt de dood zijn
+grootste ellende in die voorkamers te vertoonen, welke aan hem grenzen.
+
+De man zweeg nu, de vrouw sprak niet, het meisje scheen niet te
+ademen. Men hoorde de pen over het papier krassen.
+
+De man bromde, zonder zijn schrijven te staken: "canaille, canaille,
+alles is canaille!"
+
+Deze variant op Salomo's uitroep: "IJdelheid" enz., deed de vrouw
+zuchten.
+
+"Wees bedaard, mijn vriend," zeide zij. "Maak u niet kwaad, mijn
+lieve. Ge zijt waarlijk al te goed door aan al die lieden te schrijven,
+mijn beste."
+
+In den nood dringen de lichamen tegen elkander als in de koude, maar
+de harten verwijderen zich. Naar alle waarschijnlijkheid had deze
+vrouw dien man moeten beminnen met al de liefde welke in haar was,
+maar vermoedelijk was deze liefde, door de dagelijksche wederzijdsche
+verwijten eener vreeselijke armoede, die op het geheele gezin drukte,
+uitgedoofd. Er was in haar nog slechts de asch van genegenheid voor
+haar man. Evenwel waren de teedere namen, gelijk vaak gebeurt,
+overgebleven. Zij noemde hem nog steeds: "mijn lieve, mijn hart,
+mijn vriend enz." met den mond, maar het hart zweeg.
+
+De man had zich weder aan 't schrijven gezet.
+
+
+
+
+
+
+ZEVENDE HOOFDSTUK.
+
+STRATEGIE EN TACTIEK.
+
+
+Marius, wiens hart bedrukt was, wilde het soort van observatorium
+dat hij uitgevonden had, verlaten, toen een gerucht zijn aandacht
+trok en er hem deed blijven.
+
+Eensklaps werd de deur van het vertrek geopend. De oudste dochter
+verscheen op den drempel. Zij droeg grove mansschoenen met slijk
+overdekt, die tot aan haar roode enkels was gespat, en een oude
+gescheurde mantille, die ze niet gedragen had, toen Marius haar
+vóór een uur had gezien, maar die zij waarschijnlijk aan de deur had
+nedergelegd, om te meer medelijden te verwekken, en bij 't heengaan
+weder omgedaan had. Zij trad binnen, stiet de deur achter zich dicht,
+stond even stil om in den adem te schieten, want zij hijgde vreeselijk,
+en riep toen op zegevierenden verheugden toon:
+
+"Hij komt!"
+
+De man hief de oogen op, de vrouw wendde het hoofd om, het zusje
+bewoog zich niet.
+
+"Wie?" vroeg de vader.
+
+"De mijnheer."
+
+"De menschenvriend?"
+
+"Ja."
+
+"Van de kerk St. Jacques?"
+
+"Ja."
+
+"Die oude?"
+
+"Ja."
+
+"Zal hij spoedig komen?"
+
+"Hij volgt mij."
+
+"Is 't zeker?"
+
+"Gewis.--In een huurrijtuig."
+
+"In een huurrijtuig! 't Is een Rothschild!"
+
+De vader stond op.
+
+"Hoe zijt ge hier zeker van? Als hij per rijtuig komt, hoe komt het
+dan, dat ge hier vóór hem zijt? Hebt ge hem ten minste het adres wel
+gegeven? Hebt ge hem wel gezegd, dat het de laatste deur rechts aan
+het einde van de gang is? Als hij zich maar niet vergist! Ge hebt hem
+dus in de kerk gevonden? Heeft hij mijn brief gelezen? Wat heeft hij
+u gezegd?"
+
+"Ho! ho! ho!" riep de dochter, "wat draaft ge door, man! Ik zal
+u zeggen: ik trad de kerk binnen, vond hem op zijn gewone plaats,
+boog voor hem en stelde hem den brief ter hand. Hij las hem en zeide
+mij: "Waar woont ge, mijn kind?" Ik antwoordde: Ik zal 't u wijzen,
+mijnheer. "Neen," zeide hij; "geef mij uw adres; mijn dochter heeft
+nog eenige boodschappen te doen, ik zal een rijtuig nemen en er even
+spoedig zijn als gij." Ik gaf hem het adres. Toen ik hem het huis
+aanduidde, scheen hij een oogenblik verwonderd en aarzelend, maar
+zeide eindelijk: "Om 't even, ik zal gaan." Toen de mis geëindigd
+was, zag ik hem met zijn dochter de kerk verlaten, en beiden in een
+huurrijtuig plaats nemen. Ik heb hem duidelijk gezegd de laatste deur
+rechts, aan 't einde van de gang."
+
+"Wat geeft u zekerheid, dat hij komen zal?"
+
+"Ik heb de huurkoets gezien, toen zij de straat Petit-Banquier inreed,
+daarom heb ik zoo hard geloopen."
+
+"Hoe weet ge, dat het dezelfde huurkoets is?"
+
+"Wijl ik het nummer ervan had onthouden."
+
+"Welk nummer?"
+
+"440."
+
+"Goed, ge zijt een schrandere meid."
+
+Met stouten blik aanschouwde zij haar vader, en hem op de schoenen
+wijzende, die zij aan de voeten had, zeide zij:
+
+"Schrander, 't is mogelijk, maar ik zeg u, dat ik deze schoenen niet
+meer aandoe en ze niet meer hebben wil; vooreerst om mijn gezondheid,
+en dan om de zindelijkheid. Er is niets hatelijker dan zolen die het
+water inzuigen, en onderweg spatten. Ik ga liever barrevoets."
+
+"Ge hebt gelijk," antwoordde de vader op vriendelijken toon, die bij
+de ruwheid van de dochter sterk uitkwam; "maar dan zal men u niet
+meer in de kerken toelaten; armen moeten schoenen hebben. Men gaat
+niet barrevoets tot den goeden God," voegde hij er bitter bij. En op
+het oogenblik terugkomende, dat hem bezighield: "Nu, zijt ge zeker,
+heel zeker, dat hij komt?"
+
+"Hij volgt mij op de hielen," was het antwoord.
+
+De man richtte het hoofd op. Er kwam een soort van glans op zijn
+gezicht.
+
+"Vrouw," riep hij, "hoort ge. De menschenvriend komt. Doof het
+vuur uit."
+
+De verbaasde moeder bewoog zich niet.
+
+Met de vlugheid van een koordedanser nam de vader een gebersten pot
+van den schoorsteen en wierp water op de rookende spaanders.
+
+Toen zeide hij tot zijn oudste dochter:
+
+"Komaan, ruk de mat uit den stoel."
+
+Zijn dochter begreep hem niet.
+
+Hij greep den stoel en trapte de mat ervan in, zoodat zijn been
+er doorging.
+
+Terwijl hij zijn been er weer uittrok, vroeg hij aan zijn dochter:
+
+"Is 't koud?"
+
+"Fel koud; het sneeuwt."
+
+Zich toen tot zijn dochter wendende, die op het bed bij het venster
+zat, riep hij haar toe, met donderende stem:
+
+"Haast u, van 't bed, luiwammes! Zult ge dan nooit iets doen! sla
+een ruit in!"
+
+Bibberend sprong het meisje van het bed.
+
+"Sla een ruit in!" herhaalde hij.
+
+Het kind was als versuft.
+
+"Hoort ge niet?" herhaalde de vader, "ik zeg u, dat ge een ruit moet
+stuk slaan."
+
+Met angstige gehoorzaamheid richtte het meisje zich op de teenen
+omhoog, en sloeg met haar vuist een glasruit stuk. Het glas viel
+rinkelend op den grond.
+
+"Goed," zei de vader.
+
+Hij was ernstig en driftig. Zijn blik doorvloog haastig al de hoeken
+van 't vertrek.
+
+Hij geleek een veldheer, met de laatste toebereidselen voor een
+veldslag bezig, die zoo aanstonds beginnen zal.
+
+De moeder, die nog niet gesproken had, richtte zich op en vroeg
+met zulk een langzame en doffe stem, alsof de woorden die zij sprak
+bevrozen waren:
+
+"Lieve man, wat wilt ge doen?"
+
+"Ga naar bed," antwoordde de man.
+
+De toon, waarop dit gezegd werd, gedoogde geen bedenking. De moeder
+gehoorzaamde en wierp zich loom en zwaar op een der kribben.
+
+Intusschen hoorde men in een hoek snikken.
+
+"Wat is er?" vroeg de vader.
+
+De jongste dochter toonde haar bloedende hand, zonder uit den donkeren
+hoek te voorschijn te komen, waarin zij was neergehurkt. Zij had zich
+met het stuk slaan der ruit gekwetst; en was naar het bed harer moeder
+gegaan, waar zij stil weende.
+
+'t Was nu de beurt der moeder om zich op te richten en te schreeuwen.
+
+"Zie nu, wat voor domheden gij begint; zij heeft zich aan het glas
+gesneden, toen zij het stuk sloeg."
+
+"Des te beter," zei de man, "ik had er op gerekend..."
+
+"Wat? des te beter?" hernam de vrouw.
+
+"Zwijg!" riep de vader, "ik hef de vrijheid der pers op!"
+
+En van het vrouwenhemd, dat hij droeg, scheurde hij een lap af,
+en wond dien schielijk om de bloedende hand van het meisje.
+
+Na dit gedaan te hebben, sloeg hij een tevreden blik op zijn gescheurd
+hemd.
+
+"Ook het hemd," zeide hij, "alles heeft nu een goed aanzien."
+
+Een ijskoude wind floot door de ruit in de kamer. De mist drong
+binnen en verspreidde zich door het vertrek. De wind joeg de sneeuw
+binnen. De koude, welke de zon van den vorigen dag, van Maria-lichtmis,
+had beloofd, was inderdaad gekomen.
+
+De vader sloeg zijn blik in 't rond, als wilde hij zich overtuigen,
+dat hij niets vergeten had. Hij nam een oude schop, en strooide asch
+op de bevochtigde spaanders aan den haard, om ze geheel te verbergen.
+
+Toen richtte hij zich op, en tegen den schoorsteen leunend, zeide hij:
+"Nu kunnen wij den menschenvriend afwachten."
+
+
+
+
+
+
+ACHTSTE HOOFDSTUK.
+
+EEN LICHTSTRAAL IN HET HOL.
+
+
+Het groote meisje naderde en legde haar hand op die haars vaders,
+zeggende:
+
+"Voel, hoe koud ik ben."
+
+"Och," antwoordde de vader, "ik ben nog kouder dan gij."
+
+De moeder riep heftig:
+
+"Gij, gij hebt immers altijd alles beter dan anderen; tot zelfs het
+kwade toe."
+
+"Zwijg!" zei de man.
+
+De moeder zweeg, bij den bijzonderen blik, dien de man op haar sloeg.
+
+Er ontstond een oogenblik stilte in het ellendig verblijf.
+
+De oudste dochter wreef met een achtelooze houding het slijk van den
+rand harer mantille; de jongste dochter snikte nog steeds; de moeder
+had het hoofd van 't kind in beide handen genomen en bedekte het met
+kussen, fluisterend zeggende:
+
+"Wees stil, mijn schatje, 't is niets; ween niet, uw vader zou boos
+worden."
+
+"Neen," riep de vader; "integendeel, schrei en snik, dat is goed."
+
+En zich weder tot de oudste wendende, hernam hij:
+
+"Wel, hoe is 't! hij komt niet! zoo hij niet kwam, zou ik voor niets
+mijn vuur uitgedoofd, mijn stoel ingetrapt, mijn hemd gescheurd en
+mijn ruit gebroken hebben."
+
+"En de kleine gewond," mompelde de moeder.
+
+"Weet ge," hernam de vader, "dat het duivels koud in dit hondenhok
+is? Zoo de man niet kwam! Maar ja, hij laat zich wachten en denkt:
+Laat hen wachten, zij zijn er voor.--O, ik haat deze rijken, en zou
+ze met gejuich, vreugde, blijdschap en wellust kunnen worgen; die
+zoogenaamde liefdadige lieden, die zich vroom houden, ter mis gaan,
+die met de zwartrokken en priester verkeeren, en meenen dat zij boven
+ons zijn verheven, die ons komen vernederen, en ons kleeren brengen,
+zooals zij zeggen! vodden zijn 't, die geen oordje waard zijn; en
+brood! Dat is 't niet wat ik wil, canailletroep! ik wil geld! Geld! dat
+geven ze niet, want zij zeggen dat wij 't zouden verdrinken en dat
+wij luiaards en dronkaards zijn! En zij! wat zijn zij! wat zijn zij
+in hun tijd geweest? dieven, zij zouden anders zoo rijk niet zijn. O,
+men moest de maatschappij als een laken aan de vier hoeken nemen
+en alles in de lucht uitslaan! 't is mogelijk dat alles brak, maar
+niemand zou iets hebben, en dat was reeds iets gewonnen.--Maar waar
+blijft toch de oude, menschlievende heer? Zal hij komen! misschien
+heeft de ezel het adres vergeten; ik wed dat het oude dier..."
+
+Juist werd zacht aan de deur geklopt; de man ijlde toe en opende ze,
+terwijl hij met diepe buigingen en eerbiedige lachjes, riep:
+
+"Kom binnen, mijnheer, wees zoo goed binnen te komen, eerbiedwaardige
+weldoener, en ook uw bekoorlijke dochter!"
+
+Een bejaard man en een jonge dame verschenen op den drempel.
+
+Marius had zijn plaats niet verlaten. Wat hij op dit oogenblik gevoelde
+is onmogelijk in menschelijke spraak uit te drukken.
+
+"Zij was 't!"
+
+Wie bemind heeft, weet welk een hemelsche verrukking in dit woord
+zij ligt.
+
+Zij was 't inderdaad. Marius kon haar nauwelijks onderscheiden door den
+flikkerenden nevel, die plotseling voor zijn oogen zweefde. 't Was het
+liefelijke wezen, de ster welke zes maanden voor hem geschenen had,
+en toen verdwenen was; 't was dat oog, dat voorhoofd, die mond, dat
+bloeiend schoon gezicht, dat, bij haar verdwijnen, hem in duisternis
+had gehuld. De eclips was geëindigd; het hemellichaam kwam terug.
+
+Het kwam terug in deze duisternis, in dit hol, in dit afschuwelijk
+verblijf, in deze ellende.
+
+Marius beefde van verrassing. Hoe! zij was 't! Zijn hartkloppingen
+verduisterden zijn gezicht. Hij voelde zich op 't punt in tranen uit
+te breken. Hij zag haar eindelijk weder, na haar zoo lang gezocht
+te hebben! 't Was hem, alsof hij zijn ziel wedervond, welke hij
+verloren had.
+
+Zij was nog dezelfde, slechts iets bleeker; haar fijn gelaat was door
+een violetkleurigen, fluweelen hoed omgeven, haar gestalte verborgen
+onder een zwart satijnen mantel. Onder haar lang kleed kwam even haar
+kleine voet, in een zijden laarsje, te voorschijn.
+
+Zij was ook nu weder in gezelschap van mijnheer Leblanc.
+
+Zij was de tafel genaderd en had er een vrij groot pak op gelegd.
+
+De oudste dochter van Jondrette was achter de deur gegaan en zag
+met somberen blik naar den fluweelen hoed, den zijden mantel en het
+bekoorlijk, gelukkig gelaat.
+
+
+
+
+
+
+NEGENDE HOOFDSTUK.
+
+JONDRETTE WEENT BIJNA.
+
+
+Het was zoo donker in het vertrek, dat degenen, die van buiten kwamen,
+aanvankelijk in een kelder meenden te gaan. De beide zoo even gekomenen
+naderden dus eenigszins aarzelend, nauwelijks de voorwerpen kunnende
+onderscheiden, terwijl zij volkomen gezien en opgenomen werden door de
+oogen der bewoners van het kot, die aan deze schemering gewoon waren.
+
+Mijnheer Leblanc naderde met zijn goedhartig en treurig gezicht,
+en zeide tot vader Jondrette:
+
+"Mijnheer, gij zult in dit pak nieuwe kleederen, wollen kousen en
+dekens vinden."
+
+"Onze hemelsche weldoener overlaadt ons met weldaden," zei Jondrette
+tot den grond buigende.--Toen de beide bezoekers daarop het armoedig
+verblijf in oogenschouw namen, fluisterde hij zacht en haastig zijn
+oudste dochter in 't oor:
+
+"Nu, heb ik 't niet gezegd? kleederen! geen geld! Zij zijn
+allen eender. Zeg eens, hoe was de brief aan dezen ouden schelm
+onderteekend?"
+
+"Fabantou," antwoordde de dochter.
+
+"Dramatisch artist, goed!"
+
+'t Was goed, dat Jondrette deze vraag gedaan had, want juist kwam de
+heer Leblanc naar hem toe en sprak tot hem, op den toon van iemand,
+die een naam zoekt:
+
+"Ik zie dat ge wel zeer te beklagen zijt, mijnheer..."
+
+"Fabantou," antwoordde Jondrette haastig.
+
+"Mijnheer Fabantou! juist. Nu herinner ik mij."
+
+"Dramatisch artist, mijnheer, indertijd zeer toegejuicht."
+
+Jondrette meende, dat nu het oogenblik gekomen was om den
+menschenvriend in te pakken. En met een stem, die evenveel van
+den bluf des marktschreeuwers voor een kermistent, als van den
+ootmoed des straatbedelaars had, riep hij: "Een leerling van Talma,
+mijnheer! Ja, ik ben een leerling van Talma! Eertijds lachte mij
+de fortuin toe. Helaas, nu is de beurt aan het ongeluk. Zie, mijn
+weldoener, geen brood, geen vuur. Mijn arme kinderen hebben geen
+vuur. Mijn eenige stoel is zonder mat. Een gebroken vensterruit! in
+zulk een weder! Mijn vrouw ziek te bed!"
+
+"Arme vrouw!" zei Leblanc.
+
+"Mijn kind gewond!" voegde Jondrette er bij.
+
+Door de komst der vreemden afgeleid, had het kind opgehouden te
+schreien en zag nu met alle aandacht naar de jonge dame.
+
+"Schrei, balk toch!" beet Jondrette haar in 't oor. Tegelijkertijd
+kneep hij in haar gewonde hand. Dit alles voerde hij uit met de
+behendigheid van een goochelaar.
+
+Het meisje begon luide te krijten.
+
+De bekoorlijke jonge dame, die Marius in zijn hart "zijn Ursula"
+noemde, naderde haastig, uitroepende:
+
+"Arm, lief kind!"
+
+"Zie haar bloedende hand, schoone jonge dame," zei Jondrette. "Dat
+ongeluk heeft zij gekregen aan de machine, waaraan zij werkt, om
+dagelijks zes sous te verdienen. Haar arm zal misschien afgezet
+moeten worden."
+
+"Waarlijk," zei de oude heer verschrikt.
+
+Het meisje, dat de zaak in ernst opvatte, begon opnieuw hevig te
+schreien.
+
+"Helaas! ja, mijn weldoener," antwoordde de vader.
+
+Sinds eenige oogenblikken beschouwde Jondrette den menschenvriend
+op een zonderlinge wijze. Terwijl hij sprak, zag hij hem scherp en
+nauwkeurig aan, als of hij zijn geheugen inspande. Eensklaps van een
+oogenblik gebruik makende, dat de beide vreemden met belangstelling
+het meisje nopens haar gewonde hand ondervroegen, trad hij naar zijn
+vrouw, die als versuft en wezenloos te bed lag, en zeide haastig en
+heel zacht tot haar:
+
+"Bezie dien man eens nauwkeurig!"
+
+Toen keerde hij zich weder tot den heer Leblanc en hervatte zijn
+jammerklacht:
+
+"Zie, mijnheer, ik heb geen andere kleeding dan een hemd mijner
+vrouw, een gescheurd hemd! in 't hartje van den winter. Ik kan niet
+uitgaan, bij gemis van kleeding. Zoo ik slechts eenigszins voegzame
+kleeding had, ging ik tot mademoiselle Mars, die mij kent en mij zeer
+genegen is. Zij woont immers nog in de straat Tour des Dames? Weet ge,
+mijnheer, wij hebben samen in de buitensteden gespeeld. Ik heb deel aan
+haar lauweren gehad. Célimène zou mij gewis helpen, mijnheer! Elmire
+zou Belisarius een aalmoes geven. Maar neen, niets. Geen sou in
+huis! Mijne vrouw ziek, en geen sou! En mijn dochter gevaarlijk gewond,
+en geen sou! Mijn vrouw lijdt aan benauwdheden. 't Is de ouderdom,
+en daarbij komt het zenuwgestel. Zij moet hulp hebben, en mijn dochter
+ook. Maar de geneesheer, de apotheker! hoe ze te betalen? Geen cent! Ik
+zou voor een sou op de knieën vallen, mijnheer! Zoover is het met
+de kunst gekomen! En weet ge, bekoorlijke jonge dame, en gij mijn
+edele beschermer, weet ge, dat mijn dochter u, die deugd en goedheid
+ademt, dagelijks ziet in de kerk, welke gij met uw geuren vervult,
+en waar zij gaat bidden? Want ik geef mijn kinderen een godsdienstige
+opvoeding. Ik wil niet, dat zij zich aan het tooneel verbinden. Ik
+zou haar niet raden, dat ze iets onbehoorlijks deden; want op dat
+punt versta ik geen scherts. Ik prent haar de beginselen van deugd,
+eer en zedelijkheid met nadruk in. Vraag haar maar! Zij moeten strikt
+op den rechten weg blijven. Zij hebben een vader. Zij behooren niet
+tot die rampzaligen, welke beginnen met geen vader te hebben en
+eindigen met het publiek te trouwen. Men is mejuffrouw Niemand en
+wordt mevrouw Iedereen. Verd...! dat niet in de familie Fabantou! Ik
+wil ze deugdzaam opvoeden, zij moeten eerlijk en braaf zijn, en in de
+vreeze Gods opgroeien, voor den d... Nu, mijnheer, mijn waarde heer,
+weet ge wat morgen zal gebeuren? Morgen is het de 4de Februari,
+de noodlottige dag, het laatste uitstel dat de huisheer mij heeft
+gegeven; zoo ik hem van avond niet betaald heb. zullen wij morgen,
+mijn oudste dochter, ik, mijn vrouw met haar koorts, mijn kind met
+haar kwetsuur, wij alle vier uit het huis gedreven en op de straat,
+op den boulevard worden gezet, zonder onderkomen, in den regen,
+in de sneeuw. Weet ge, mijnheer? Ik ben vier kwartalen schuldig,
+een jaar! dat wil zeggen zestig francs."
+
+Jondrette loog. Een jaar huur bedroeg slechts veertig francs, en
+hij kon geen vier kwartalen schuldig zijn, wijl geen zes maanden
+verstreken waren sinds Marius twee kwartalen betaald had.
+
+Mijnheer Leblanc nam een vijffrancstuk uit zijn zak en wierp het op
+de tafel.
+
+Jondrette had den tijd zijn oudste dochter in 't oor te fluisteren:
+
+"De vrek! wat meent hij dat ik met vijf francs kan uitvoeren? Mijn
+stoel en glasruit zijn er niet eens meê betaald. Men make nu nog
+kosten!"
+
+Ondertusschen had mijnheer Leblanc een groote bruine jas uitgetrokken,
+die hij over zijn blauwe jas droeg, en op den rug van den stoel
+geworpen.
+
+"Mijnheer Fabantou, zeide hij, ik heb niet meer dan vijf francs
+bij mij, maar ik zal mijn dochter naar huis brengen en van avond
+terugkomen; van avond moet ge betalen, niet waar?"
+
+Op zonderlinge wijze verhelderde zich Jondrettes gelaat. Haastig
+antwoordde hij:
+
+"Ja, mijn waarde heer, te acht uren moet ik bij den huisheer zijn."
+
+"Ik zal hier te zes uren wezen en u de zestig francs brengen."
+
+"Mijn weldoener!" riep Jondrette in vervoering.
+
+En hij voegde er zacht bij:
+
+"Bezie hem goed, vrouw!"
+
+Mijnheer Leblanc had den arm der schoone jonge dame genomen en wendde
+zich naar de deur.
+
+"Tot van avond, vrienden!" zeide hij.
+
+"Te zes uren?" riep Jondrette.
+
+"Te zes uren precies."
+
+De overjas, die op den stoel was achtergebleven, trok juist het oog
+der oudste dochter, die zeide:
+
+"Gij vergeet uw overjas", mijnheer."
+
+Jondrette sloeg een verpletterenden blik op zijn dochter, gepaard
+aan een heftig terughoudend gebaar. Mijnheer Leblanc keerde om,
+en antwoordde glimlachend: "Ik vergeet hem niet, maar laat hem hier."
+
+"O, mijn beschermer, zei Jondrette, mijn edele weldoener! ik kan
+mijn tranen niet weerhouden. Vergun mij, dat ik u tot aan het rijtuig
+uitgeleide doe."
+
+"Trek die overjas aan, als ge uitgaat," antwoordde mijnheer Leblanc;
+"'t is scherp koud."
+
+Jondrette liet het zich geen tweemaal zeggen en trok haastig de bruine
+overjas aan.
+
+Alle drie gingen naar buiten; Jondrette ging beide vreemden voor.
+
+
+
+
+
+
+TIENDE HOOFDSTUK.
+
+TARIEF DER HUURRIJTUIGEN: TWEE FRANCS IN 'T UUR.
+
+
+Niets van dit tooneel was aan Marius ontgaan, en evenwel had hij er
+inderdaad weinig van gezien. Zijn oogen waren steeds gericht geweest
+op de jonge dame, zijn hart had haar om zoo te spreken geheel omvat
+en opgenomen, zoodra zij dit vertrek was binnengekomen. Zoolang zij
+er geweest was, had hij in die vervoering geleefd, welke de zintuigen
+het vermogen van stoffelijke opmerking ontneemt en de geheele ziel
+op één punt richt. Hij aanschouwde niet de jonge dame, maar dat licht
+met een zijden mantel en fluweelen hoed. Ware de ster Sirius de kamer
+binnengekomen, zou zijn verbijstering niet grooter hebben kunnen zijn.
+
+Terwijl de jonge dame het pak opende, de kleedingstukken en dekens
+ontvouwde, de zieke vrouw met goedhartigheid en het gewonde meisje
+met teederheid toesprak, bespiedde hij al haar bewegingen, en trachtte
+haar woorden te verstaan. Hij kende haar oogen, haar voorhoofd, haar
+schoonheid, haar gestalte, haar gang, maar hij kende den klank harer
+stem niet. Hij meende in het Luxemburg eens eenige woorden van haar
+te hebben opgevangen; doch was daar niet volkomen zeker van. Hij had
+tien jaren van zijn leven gegeven, om haar te hooren en in zijn ziel
+een weinig dier muziek te kunnen medenemen. Maar alles ging in de
+erbarmelijke jammerklachten en het gezwets van Jondrette verloren. Dit
+mengde wezenlijken toorn onder de verrukking van Marius. Hij verstond
+haar met zijn oogen. Hij kon zich niet verbeelden, dat het werkelijk
+dit goddelijke wezen was, 't welk hij te midden dezer afzichtelijke
+schepsels in dit afschuwlijk hol zag. 't Was hem als zag hij een
+colibri tusschen padden.
+
+Toen zij zich verwijderde, had hij slechts ééne gedachte: haar te
+volgen, haar spoor niet te verliezen, haar niet eerder te verlaten
+dan wanneer hij wist waar zij woonde, haar in geen geval weder te
+verliezen na haar zoo wonderbaar te hebben wedergevonden. Hij sprong
+van de commode en greep zijn hoed. Toen hij de hand aan den knop der
+deur legde en wilde uitgaan, hield een overweging hem tegen. De gang
+was lang, de trap steil, Jondrette praatachtig; mijnheer Leblanc was
+zeker nog niet in het rijtuig; zoo hij in de gang, op de trap of op den
+drempel omzag, zou hij hem, Marius, in dit huis zien; vermoedelijk zou
+hij er door getroffen zijn en middel vinden hem nogmaals te ontsnappen,
+en dan was 't weder gedaan! Wat te doen? een weinig te wachten? Maar
+terwijl hij wachtte, kon het rijtuig wegrijden. Marius was in groote
+verlegenheid. Eindelijk waagde hij het en verliet de kamer.
+
+In de gang was niemand meer. Hij ijlde naar de trap. Ook daar was
+niemand. Haastig ging hij naar beneden en kwam tijdig genoeg op
+den boulevard om een huurkoets te zien, die den hoek der straat
+Petit-Banquier omsloeg en de stad binnenreed.
+
+Marius spoedde zich in die richting. Aan den hoek van den boulevard
+gekomen, zag hij de huurkoets weder, die in snellen draf de straat
+Mouffetard doorreed; 't rijtuig was reeds ver, en geen middel het in
+te halen. 't Was niet mogelijk zoo hard te loopen, en bovendien zou
+men uit het rijtuig zekerlijk iemand hebben opgemerkt, die het uit
+alle macht naliep, en de vader zou hem herkennen. Juist zag Marius,
+als een ongehoord gelukkig toeval, een huurcabriolet, die ledig over
+den boulevard reed. Niets was natuurlijker dan in deze cabriolet te
+stijgen en de huurkoets te volgen. Dit was inderdaad het veiligste
+en zekerste middel.
+
+Marius wenkte den koetsier stil te houden en riep:
+
+"Bij 't uur!"
+
+Marius was zonder das, in zijn huisjas, waaraan knoopen ontbraken,
+voor de borst was zijn overhemd gescheurd.
+
+De koetsier hield stil, knipoogde, stak Marius zijn linkerhand toe,
+en maakte met duim en voorvinger het gebaar van geldtellen.
+
+"Wat?" zei Marius.
+
+"Vooraf betalen!" zei de koetsier.
+
+Marius herinnerde zich, dat hij niet meer dan zestien sous bij
+zich had.
+
+"Hoeveel?" vroeg hij.
+
+"Twee francs."
+
+"Ik zal u betalen als ik te huis ben."
+
+De koetsier, in plaats van te antwoorden, floot een deuntje en legde
+de zweep over zijn paard.
+
+Marius zag ontsteld de cabriolet wegrijden. Om twee francs, die
+hem ontbraken, verloor hij zijn vreugd, zijn geluk, zijn liefde; hij
+verviel weder in nacht! hij had gezien, en werd weder blind. Met bitter
+leedwezen, en wij moeten 't erkennen met diepen spijt, dacht hij aan
+de vijf francs, welke hij dien eigen morgen aan dat ellendig meisje
+had gegeven. Met die vijf francs ware hij gered geweest, herboren, en
+van de spleen, de eenzaamheid, de verlatenheid gered; hij knoopte den
+zwarten draad van zijn lot weder aan den schoonen gouden draad vast,
+die voor zijn oogen had gezweefd en wederom gebroken was. Wanhopend
+keerde hij naar zijn woning terug.
+
+Hij had bij zich zelven kunnen zeggen, dat de heer Leblanc beloofd had
+'s avonds terug te komen, en hij nu beter moest oppassen om hem te
+volgen; maar in zijn verrukte aanschouwing had hij nauwelijks gehoord.
+
+Juist toen hij de trap wilde opgaan, zag hij aan de overzijde
+van den boulevard, langs de eenzame muren van de straat der
+barrière des Gobelins, Jondrette in de lange, bruine overjas van den
+"menschenvriend", sprekende met een dier lieden van verdacht voorkomen,
+welke men barrière-schooiers noemt, lieden met dubbelzinnig gelaat en
+verontrustende woorden, die 't voorkomen hebben steeds aan slechte
+dingen te denken, en gewoonlijk des daags slapen, 't geen doet
+vermoeden, dat zij 's nachts werken.
+
+Deze twee mannen, die onbewegelijk met elkander stonden te spreken,
+in de sneeuw, die geeselend neerviel, vormden een groep, waarop een
+stadssergeant zeker het oog zou hebben geslagen, maar Marius lette
+er nauwelijks op.
+
+Hoezeer hij overigens ook in zijn treurige overpeinzingen verdiept
+was, verhinderde hem dit niet, bij zich zelven te denken dat de
+schooier met wien Jondrette sprak, zeer veel op een zekeren Panchaud,
+bijgenaamd Printanier, of Bigrenaille, geleek, dien Courfeyrac hem eens
+gewezen had en die in de buurt voor een zeer gevaarlijk nachtzwerver
+gehouden werd. In het vorige boek heeft men den naam van dien man
+gezien. Deze Panchaud, bijgenaamd Printanier, of Bigrenaille, kwam
+later in verscheidene crimineele processen voor, en is vervolgens
+een beruchte schelm geworden. Toen was hij nog slechts een befaamd
+deugniet. Tegenwoordig behoort hij tot de overleveringen van dieven
+en moordenaars. Tegen het einde der vorige regeering was hij in
+zijn leertijd. Des avonds, wanneer de dieven bij elkander komen,
+sprak men van hem in la Force. In die gevangenis kon men, ter plaatse
+waar de riolen liggen, door welke in 1843 op klaar lichten dag dertig
+gevangenen ontvluchtten, op een steen den naam Panchaud lezen, door
+hem zelven er op gegrift. In 1832 werd hij reeds door de politie in
+'t oog gehouden, doch had nog niet ernstig gedebuteerd.
+
+
+
+
+
+
+ELFDE HOOFDSTUK.
+
+DIENSTAANBIEDING VAN DE ARMOEDE AAN DE SMART.
+
+
+Marius ging langzaam de trap op; toen hij zijn kamertje wilde
+binnengaan, zag hij achter zich, in de gang, de oudste dochter van
+Jondrette die hem volgde. Haar gezicht verwekte hem afkeer, zij was
+het, die zijn vijf francs had, 't was te laat om ze haar terug te
+vragen, de cabriolet was er niet meer, de huurkoets was lang weg. Zij
+zou ze hem bovendien niet wedergeven. 't Was overigens nutteloos
+haar naar de woning der lieden, die straks hier geweest waren, te
+ondervragen; 't was blijkbaar dat zij die niet wist, wijl de brief,
+als Fabantou onderteekend, geadresseerd was aan "den weldadigen heer
+der kerk van Saint Jacques du Haut-Pas."
+
+Marius trad zijn kamer binnen en stiet de deur achter zich dicht. Maar
+zij was niet in 't slot; hij wendde zich om, en zag een hand, die de
+half opene deur tegenhield.
+
+"Wat is dat?" vroeg hij, "wie is daar?"
+
+'t Was de dochter van Jondrette.
+
+"Zijt gij 't?" hernam Marius eenigszins ruw, "gij wederom! Wat
+wilt ge?"
+
+Zij scheen in gedachten en zag niet op. Zij was niet meer zoo
+stoutmoedig als des ochtends. Zij ging niet binnen, maar bleef in de
+schaduw op de gang, waar Marius haar door de half openstaande deur zag.
+
+"Nu, waarom antwoordt ge niet?" hernam Marius. "Wat wilt ge?"
+
+Zij richtte haar doffen blik op hem, waarin zich een flauw licht
+scheen te ontsteken, en zeide:
+
+"Gij schijnt treurig, mijnheer Marius, wat deert u?"
+
+"Mij?" zei Marius.
+
+"Ja, u."
+
+"Mij deert niets."
+
+"Toch."
+
+"Neen."
+
+"Ik zeg u, ja."
+
+"Laat mij met vrede."
+
+Marius wilde opnieuw de deur dicht doen, zij hield ze tegen.
+
+"Luister," zeide zij, "ge hebt ongelijk. Hoewel gij niet rijk zijt,
+zijt ge van morgen heel goed geweest. Wees 't nu ook. Ge hebt mij
+iets gegeven om te kunnen eten, zeg mij nu wat u deert. Men ziet, dat
+gij verdriet hebt. Ik wenschte dat gij geen verdriet hadt. Wat kan ik
+er voor doen. Kan ik u in iets van dienst zijn. Beschik over mij. Ik
+begeer uw geheimen niet te weten, ge behoeft ze mij niet te zeggen,
+maar ik kan u misschien nuttig zijn. Ik kan u evengoed helpen, als ik
+mijn vader help. Ik bied u mijn dienst aan om brieven te bezorgen,
+in de huizen te gaan, van deur tot deur een adres te zoeken, iemand
+te volgen. Gij kunt mij uw begeerte zeggen, en ik zal de lieden gaan
+spreken; men verneemt dikwijls iets, als men met de menschen spreekt,
+en de zaak komt in orde. Bedien u van mij."
+
+Dit bracht Marius op een denkbeeld. Van welken tak maakt men geen
+gebruik, wanneer men voelt dat men vallen zal.
+
+Hij naderde het meisje en zeide:
+
+"Luister."
+
+Met een glans van blijdschap in de oogen viel zij hem in de rede
+en zeide:
+
+"Ha, nu doet gij wel."
+
+"Gij hebt den ouden heer met zijn dochter hierheen gebracht?" hernam
+hij.
+
+"Ja."
+
+"Weet ge waar zij wonen?"
+
+"Neen."
+
+"Poog het voor mij te ontdekken."
+
+Het oog van het meisje was eerst van treurig vroolijk geworden;
+nu werd het weder van vroolijk treurig.
+
+"Is het dat, wat ge begeert?" vroeg zij.
+
+"Ja."
+
+"Kent gij hen?"
+
+"Neen."
+
+"Dat wil zeggen: gij kent haar niet, maar wenscht haar te kennen,"
+hernam zij levendig.
+
+In dat woordje haar, dat zij nu in plaats van hen gebruikte, lag iets
+bijzonders en scherps.
+
+"Nu, kunt ge 't doen?" vroeg Marius.
+
+"Ge zult het adres der schoone jonge dame hebben."
+
+Er lag in deze woorden "schoone jonge dame" weder iets dat Marius
+hinderde. Hij hernam:
+
+"Om 't even! de woning van den vader en van de dochter. Hun
+woning! hoor?"
+
+Zij zag hem strak aan.
+
+"Wat geeft ge mij?"
+
+"Al wat ge wilt."
+
+"Al wat ik wil?"
+
+"Ja."
+
+"Ge zult het adres hebben."
+
+Zij boog het hoofd en met een driftige beweging trok zij de deur
+achter zich dicht.
+
+Marius was alleen.
+
+Hij zonk op een stoel neder, met het hoofd in de beide ellebogen
+op het bed, en verzonk in gedachten, welke hij niet kon vasthouden,
+alsof hij door een duizeling bevangen was. Al wat sedert den morgen
+gebeurd was, de verschijning en verdwijning van den engel, wat hem
+het meisje gezegd had, een schemering van hoop in zijn ontzettende
+wanhoop, dit alles woelde verward in zijn hersenen. Eensklaps werd
+hij met geweld uit zijn mijmering gewekt. Hij hoorde de luide, ruwe
+stem van Jondrette, deze woorden sprekende, die hem de zonderlingste
+belangstelling inboezemden:
+
+"Ik zeg, dat ik er zeker van ben en dat ik hem herkend heb."
+
+Van wien sprak Jondrette? wien had hij herkend? Mijnheer Leblanc? den
+vader van "zijn Ursula?" Hoe? kende Jondrette hem? Zou Marius nu op
+zulk een plotselinge onverwachte wijze al de inlichtingen verkrijgen,
+zonder welke zijn eigen leven donker voor hem was? Zou hij eindelijk
+weten, wie hij beminde, wie de jonge dame was, wie haar vader
+was? Was de dichte schaduw, die hen omhulde, op het punt zich te
+verhelderen? zou de sluier verscheurd worden! O hemel!
+
+Hij sprong, veeleer dan hij klom, op de commode en plaatste zich
+weder voor het kleine spiegat in den wand.
+
+Hij zag weder in Jondrettes woning.
+
+
+
+
+
+
+TWAALFDE HOOFDSTUK.
+
+BESTEDING VAN HET VIJFFRANCSTUK VAN DEN HEER LEBLANC.
+
+
+Niets was in het aanzien van het gezin veranderd, dan dat de vrouw
+en dochters het pak kleeren verdeeld en de wollen kousen en jakken
+aangetrokken hadden. Twee nieuwe dekens waren op de beide kribben
+gelegd.
+
+Jondrette was blijkbaar juist binnengekomen. Hij hijgde nog van de
+buitenlucht. Zijn dochters zaten op den grond bij den schoorsteen;
+de oudste verbond de hand der jongste. De vrouw zat met verbaasd
+gezicht als ineengezegen op de het dichtst bij den haard staande
+krib. Jondrette liep met groote stappen door het vertrek heen en
+weder. Zijn oogen hadden een buitengewone uitdrukking.
+
+De vrouw, die beschroomd voor haar man scheen en als van stomme
+verbazing getroffen, waagde het tot hem te zeggen:
+
+"Wat zegt gij? Zijt ge er zeker van?"
+
+"Gewis! 't Is wel acht jaar geleden; maar ik herken hem volkomen, ik
+herkende hem terstond. Is 't u dan niet dadelijk in het oog gevallen?"
+
+"Neen."
+
+"Ik heb u toch nog wel gezegd: merk hem goed op! 't Is zijn gestalte,
+zijn gezicht, nauwelijks iets verouderd; er zijn lieden die niet
+verouderen; ik weet niet wat zij er voor doen. 't Was de toon zijner
+stem. Hij was beter gekleed, anders niet. Ha, oude geheimzinnige
+duivel, nu heb ik u!
+
+Hij zweeg en zeide vervolgens tot zijn dochters:
+
+"Gaat!--'t Is zonderling dat 't u niet in 't oog is gevallen."
+
+Zij stonden op om te gaan.
+
+De moeder stamelde:
+
+"Met haar gewonde hand?"
+
+"De lucht zal haar goed doen," zei Jondrette. "Gaat."
+
+De man behoorde blijkbaar tot die lieden, welke geen tegenspraak
+dulden. De beide meisjes gingen.
+
+Juist toen zij uit de deur wilden gaan, hield de vader de oudste bij
+den arm tegen en zeide op een bijzonderen toon:
+
+"Precies te vijf uren moet ge beiden weder hier zijn. Ik heb u noodig."
+
+Marius verdubbelde zijn opmerkzaamheid.
+
+Toen Jondrette met zijn vrouw alleen was, ging hij wederom een paar
+keeren zwijgend het vertrek op en neer. Vervolgens bracht hij eenige
+oogenblikken door met de slip van het vrouwenhemd, dat hij droeg,
+weder in zijn broek te stoppen.
+
+Eensklaps wendde hij zich tot zijn vrouw, sloeg de armen over elkander
+en riep:
+
+"Wil ik u iets zeggen? de jonge dame..."
+
+"Nu wat?" hernam de vrouw, "de jonge dame?"
+
+Marius kon niet twijfelen, 't was inderdaad van haar, dat men
+sprak. Met gloeienden angst luisterde hij. Zijn geheel leven lag in
+zijn ooren.
+
+Jondrette had zich voorover gebogen en zeer zacht met zijn vrouw
+gesproken. Toen richtte hij zich weder op en zeide luid:
+
+"Deze is 't!"
+
+"Die?" hernam de vrouw.
+
+"Ja, zij!" herhaalde de man.
+
+'t Is niet mogelijk de uitdrukking weder te geven, die in het woord
+"die" der moeder lag. In haar afgrijselijken toon waren verwondering,
+woede, haat, toorn vermengd. Eenige woorden, vermoedelijk de naam,
+door haar man deze dikke halfslapende vrouw ingefluisterd, waren
+voldoende geweest om haar op te wekken, en nu werd zij van afzichtelijk
+vreeselijk.
+
+"Niet mogelijk!" riep zij; "als ik er aan denk, dat mijn dochters
+blootsvoets gaan en geen kleeren aan 't lijf hebben. Hoe! een
+satijnen mantel, een fluweelen hoed, laarsjes, en alles! voor meer
+dan tweehonderd francs aan 't lijf! zoodat men haar voor een dame zou
+moeten houden! neen, ge bedriegt u! daarbij was de andere leelijk,
+deze ziet er niet slecht uit; zij is waarlijk niet leelijk; zij kan
+het niet zijn!"
+
+"Ik zeg u, dat zij 't is. Ge zult zien."
+
+Bij deze zoo stellige bevestiging hief vrouw Jondrette haar rood,
+blond gezicht op en zag met een ontstelden blik naar boven! In dezen
+oogenblik scheen zij Marius nog vreeselijker dan haar man. 't Was
+een zeug met den blik van een tijgerin.
+
+"Wat, hernam zij, zou deze afschuwelijke schoone jonge dame, die
+mijn dochters met een blik van medelijden aanzag, die bedeldeern
+zijn. O! ik zou haar met mijn klomp den buik willen intrappen."
+
+Zij sprong van het bed, en bleef een oogenblik staan met hangend haar,
+uitgezette neusvleugelen, open mond, gebalde vuisten, het hoofd in
+den nek geworpen. Toen zeeg zij weder op de krib neder. De man ging
+op en neder, zonder op zijn vrouw te letten.
+
+Na eenige oogenblikken stilte naderde hij haar en bleef, gelijk een
+oogenblik te voren, met over elkander geslagen armen voor haar staan.
+
+"Zal ik u nog eens iets zeggen?"
+
+"Wat?" vroeg zij.
+
+Kortaf en met zachte stem antwoordde hij:
+
+"Dat mijn fortuin gemaakt is."
+
+Vrouw Jondrette staarde hem aan met een blik, die te kennen gaf:
+"Wordt degeen, die tot mij spreekt gek?"
+
+Hij hernam:
+
+"Voor den donder! 't is reeds lang genoeg dat ik tot de armenparochie
+behoor: sterf van honger als gij vuur hebt, sterf van kou als gij
+brood hebt; ik heb ellende genoeg gehad! mijn eigen pak en dat van
+anderen. Ik scherts niet meer, noch vind het grappig. Mijn God! Ik heb
+nu lang genoeg geleden. Ik wil nu eten als ik honger en drinken als
+ik dorst heb; ik wil luieren, slapen, wanneer 't mij lust; enfin, vóór
+ik sterf, wil ik ook een beurt hebben en een weinig millionair zijn."
+
+Hij ging nog eens door het vertrek, en voegde er bij:
+
+"Gelijk anderen."
+
+"Wat bedoelt ge?" vroeg de vrouw.
+
+Hij schudde het hoofd, knipoogde en verhief de stem als een
+marktschreeuwer, die op de straat iets verklaren wil:
+
+"Wat ik bedoel? Luister!"
+
+"Stil," mompelde vrouw Jondrette, "niet zoo luid; 't zijn zaken,
+die anderen niet behoeven te hooren."
+
+"Kom! wie zou 't hooren? de buurman? Ik heb hem straks zien uitgaan. En
+bovendien kan die ezel wel hooren? Hij is overigens, zooals ik u zeg,
+uitgegaan."
+
+Jondrette sprak evenwel als door een soort van instinct zachter, doch
+niet zoo zacht of Marius kon zijn woorden verstaan. Als een gunstige
+omstandigheid voor Marius kwam hierbij, dat de gevallen sneeuw het
+geraas der rijtuigen op den boulevard verdoofde, en Marius dus geen
+woord ontging.
+
+Marius hoorde nu dit:
+
+"Luister goed. Wij hebben den Cresus gevangen. 't Is zoo goed als
+geschied. Alles is geregeld. Ik heb mijn lieden gesproken. Hij komt
+van avond te zes uren, zijn zestig francs brengen, de canaille! Hebt
+ge gehoord, hoe ik hem met mijn zestig francs huur, mijn huisheer,
+en 4 Februari beet heb gehad? 't is nog geen drie maanden! Hij zal
+dus te zes uren komen; op dat uur gaat de buurman eten; vrouw Burgon
+is uit schoonmaken; er is dus niemand in huis. De buurman komt nooit
+vóór elf uren t'huis. De meisjes zullen de wacht houden. Gij moet
+ons helpen. Het moet gebeuren!"
+
+"En zoo 't niet gebeurt?" vroeg de vrouw.
+
+Jondrette maakte een heilloos gebaar, zeggende:
+
+"Dan zullen wij 't hem wel leeren."
+
+Hij lachte luide.
+
+'t Was de eerste keer dat Marius hem zag lachen. Die lach was kil en
+flauw en deed iemand rillen.
+
+Jondrette opende een kast bij den schoorsteen, en nam er een oude
+pet uit, die hij opzette, na hem met zijn mouw afgeveegd te hebben.
+
+"Nu ga ik uit," zeide hij. "Ik moet nog lieden spreken... goede. Ge
+zult zien, hoe goed het gaat. Ik zal niet lang uitblijven; 't zal
+een mooie slag zijn; blijf gij te huis."
+
+Toen bleef hij met beide handen in zijn broekzakken een oogenblik in
+nadenken staan en riep eindelijk:
+
+"'t Is in allen geval gelukkig, dat hij mij niet herkend heeft. Zoo hij
+mij herkend had, zou hij niet terugkomen. Hij zou ons ontsnappen. 't
+Is mijn baard, die mij gered heeft! mijn romantische baard; mijn lief
+romantisch baardje!"
+
+En wederom lachte hij.
+
+Hij trad naar het venster. Het sneeuwde nog altijd en de lucht
+was grijs.
+
+"'t Is een hondenweer!" zeide hij.
+
+Toen knoopte hij de jas dicht.
+
+"Ze is mij te wijd," zeide hij. "Om 't even; de oude schurk heeft wel
+gedaan ze mij te laten. Ik zou anders niet hebben kunnen uitgaan,
+en alles was mis geweest. Aan welke omstandigheden hangen toch de
+gebeurtenissen?"
+
+Hij drukte de pet op zijn oogen en ging uit.
+
+Nauwelijks kon hij eenige schreden gedaan hebben, toen de deur
+weder geopend werd en zijn woest en ruw gezicht opnieuw in de woning
+verscheen.
+
+"Ik vergat iets," zeide hij. "Ge moet houtskool halen." En hij wierp
+het vijffrancstuk dat de "menschenvriend" hem gegeven had in den
+schoot der vrouw.
+
+"Houtskool?" vroeg de vrouw.
+
+"Ja."
+
+"Hoeveel maten?"
+
+"Twee."
+
+"Dit is dertig sous. Voor het overige zal ik een middagmaal gereed
+maken."
+
+"Verduiveld, neen."
+
+"Waarom?"
+
+"Geef het vijffrancstuk niet geheel uit."
+
+"Waarom?"
+
+"Wijl ik iets voor mij moet koopen."
+
+"Wat?"
+
+"Iets."
+
+"Hoeveel hebt ge noodig?"
+
+"Is hier in de buurt een ijzerwinkel?"
+
+"In de straat Mouffetard."
+
+"Ha, ja! op den hoek eener straat, ik herinner mij."
+
+"Zeg mij hoeveel ge noodig hebt."
+
+"Twee en een half of drie francs."
+
+"Er zal niet veel voor het eten overblijven."
+
+"Vandaag denken wij niet aan eten. Er is iets beter te doen."
+
+"'t Is goed, mijn schat."
+
+Op deze woorden der vrouw stiet Jondrette de deur dicht, en nu hoorde
+Marius hem haastig door de gang en de trap afgaan.
+
+Op St. Medard sloeg het één uur.
+
+
+
+
+
+
+DERTIENDE HOOFDSTUK.
+
+TWEE ALLEEN BIDDEN NIET OP EEN AFGELEGEN PLAATS.
+
+
+Hoe droomerig Marius tegenwoordig ook was, bezat hij echter,
+zooals wij gezegd hebben, een vaste, krachtige natuur. Zijn eenzaam,
+denkend leven, dat deelneming en medelijden in hem ontwikkelde, had
+wellicht zijn driftigen aard eenigszins getemperd, maar zijn afkeer
+van wat laag en verachtelijk is in volle kracht gelaten; hij bezat
+bij de welwillendheid van een bramin de strengheid van een rechter,
+hij had medelijden met een padde, maar vertrad een slang. En 't was
+een slangennest dat hij thans voor zijn oogen had.
+
+Deze ellendelingen moeten bedwongen worden, zeide hij.
+
+Geen der raadsels, welke hij gehoopt had opgelost te zien, was
+opgehelderd; alle, integendeel, waren misschien nog duisterder
+geworden, hij wist wegens het schoone meisje van het Luxemburg en den
+man, dien hij Leblanc noemde, niets dan dat Jondrette hen kende. In
+de onduidelijke woorden welke gesproken waren, zag hij niets helder,
+dan dat een hinderlaag, een onbekende, maar vreeselijke hinderlaag
+werd voorbereid; dat beide aan een groot gevaar waren blootgesteld,
+zij misschien, haar vader zeker; dat zij moesten gered worden; dat
+de heillooze plannen der Jondrettes moesten verijdeld, en het web
+dier spinnen moest verscheurd worden.
+
+Een oogenblik sloeg hij vrouw Jondrette gade. Zij had uit een hoek
+een oud ijzeren fornuis gehaald en zocht in oud ijzerwerk.
+
+Zoo voorzichtig mogelijk klom hij van de commode, ten einde geen
+gerucht te maken.
+
+In zijn angst, wegens hetgeen werd voorbereid, en in zijn afgrijzen,
+'t welk de Jondrettes hem hadden ingeboezemd, gevoelde hij een soort
+van vreugde bij de gedachte, dat het hem misschien mogelijk zou zijn
+een wezenlijken dienst aan haar, die hij beminde, te bewijzen.
+
+Maar wat zou hij doen? Zou hij de bedreigde personen waarschuwen? Waar
+zou hij ze vinden? Hij wist niet waar zij woonden. Zij waren hem een
+oogenblik voor de oogen verschenen, en toen weder in de ontzaggelijke
+diepte van Parijs verdwenen. Zou hij den heer Leblanc te zes uren
+aan de deur wachten, en hem, bij zijn komst, voor den valstrik
+waarschuwen? Maar Jondrette en zijn lieden zouden hem op de wacht
+zien staan, de plaats was eenzaam, zij zouden sterker dan hij zijn,
+zij zouden middelen vinden hem te vatten of te verwijderen, en degeen,
+dien Marius wilde redden, zou verloren zijn. Het was één uur geslagen;
+te zes uren moest de aanslag volbracht worden. Marius had nog vijf
+uren voor zich.
+
+Er was slechts één zaak te doen.
+
+Hij trok zijn goeden rok aan, knoopte een foulard om den hals, nam
+zijn hoed en ging uit, niet meer gerucht makende, dan wanneer hij
+blootsvoets op mos had geloopen. Intusschen ging vrouw Jondrette
+voort met in het oud ijzer te rammelen.
+
+Zoodra hij uit het huis was, begaf hij zich naar de straat
+Petit-Banquier.
+
+Hij was in het midden der straat bij een lagen muur gekomen, welken men
+op sommige plaatsen kon overklimmen en die een onbebouwd erf omgaf. Hij
+ging langzaam, in gedachten verdiept, zijn schreden werden door de
+sneeuw verdoofd. Hij wendde 't hoofd om, de straat was eenzaam,
+hij zag niemand, 't was klaar lichte dag, en evenwel hoorde hij
+duidelijk stemmen.
+
+Hij zag over den muur, langs welken hij ging.
+
+Daar zaten werkelijk in de sneeuw tegen den muur twee mannen, die
+zacht spraken.
+
+'t Waren twee hem onbekende personen, de een had een baard en droeg een
+kiel, de andere was een man met lang haar, en in lompen. De gebaarde
+droeg een Grieksch kapje, de andere was blootshoofd, met de sneeuw
+in de haren.
+
+Toen Marius 't hoofd vooruitstak, kon hij hooren wat zij zeiden.
+
+De langharige stiet den andere aan en zeide:
+
+"Met Patron-Minette kan 't niet missen."
+
+"Dunkt u?" zei de gebaarde; en de langharige hernam:
+
+"'t Zal voor ieder een winstje van vijfhonderd schijven geven, en
+het ergste wat kan gebeuren is vijf, zes, hoogstens tien jaren!"
+
+De andere antwoordde met eenige aarzeling en onder zijn Grieksch
+mutsje bibberend:
+
+"'t Is een gewichtige zaak, en men weet niet wat uit zulke zaken
+kan voortkomen."
+
+"Ik zeg u dat ze niet kan mislukken," hernam de langharige.
+
+Toen spraken zij van een tooneelstuk, dat zij den vorigen dag in de
+Gaîté gezien hadden.
+
+Marius zette zijn weg voort.
+
+Het kwam hem niet onwaarschijnlijk voor, dat de duistere woorden
+dezer achter den muur in de sneeuw zittende mannen wel eenigszins in
+verband konden staan met de afschuwelijke plannen van Jondrette. 't
+Kon de bewuste "zaak" zijn.
+
+Hij ging naar de voorstad Saint-Marceau en vroeg in den eersten den
+besten winkel naar een commissaris van politie.
+
+Men wees hem naar de rue de Pontoise No. 14.
+
+Marius ging er heen.
+
+Hij kocht in 't voorbijgaan bij een bakker een tweesous-broodje en
+at het, wel voorziende dat hij vandaag geen middagmaal zou hebben.
+
+Onderweg dankte hij de Voorzienigheid: hij overwoog, dat, zoo hij dien
+morgen zijn laatste vijffrancstuk niet aan de dochter van Jondrette
+had gegeven, hij de huurkoets van den heer Leblanc zou nagereden zijn,
+en bijgevolg niets zou vernomen hebben; dat niets dan den aanslag
+van Jondrette zou hebben verhinderd en de heer Leblanc verloren ware
+geweest, en waarschijnlijk zijn dochter tevens.
+
+
+
+
+
+
+VEERTIENDE HOOFDSTUK.
+
+WAARIN EEN POLITIEAGENT TWEE PISTOLEN AAN EEN ADVOCAAT GEEFT.
+
+
+Aan het huis No. 14 in de rue de Pontoise gekomen, klom Marius naar de
+eerste verdieping en verzocht den commissaris van politie te spreken.
+
+"Mijnheer de commissaris is hier niet," zei een schrijver; "maar er
+is hier een inspecteur die hem vervangt. Wilt ge dezen spreken? Is
+er haast bij?"
+
+"Ja," zei Marius.
+
+De klerk voerde hem in het vertrek van den commissaris. Een man
+van rijzige gestalte stond achter een traliehek tegen een kachel,
+met beide handen de slippen van een ruime overjas met drie kragen
+ophoudende. 't Was een vierkant gezicht, met dunne krachtige lippen,
+zwarte, halfgrijze bakkebaarden en een blik, die uw zakken scheen om
+te keeren. Men zou van dien blik hebben kunnen zeggen, niet dat hij
+doordringend was, maar dat hij omwoelde.
+
+Het voorkomen van dien man was weinig minder wreed en geducht dan
+dat van Jondrette; de dog is soms niet minder gevaarlijk dan de wolf.
+
+"Wat wilt ge?" zeide hij tot Marius, zonder hem mijnheer te noemen.
+
+"Mijnheer de commissaris van politie?"
+
+"Hij is afwezend. Ik vervang hem."
+
+"'t Betreft een zeer geheime zaak."
+
+"Spreek dan."
+
+"Er is veel haast bij."
+
+"Spreek dan spoedig."
+
+Deze kalme, barsche man was tegelijk schrikbarend en
+geruststellend. Hij boezemde vrees en vertrouwen in. Marius verhaalde
+hem de zaak.--Dat iemand, dien hij slechts van gezicht kende,
+dien avond in een hinderlaag zou worden gelokt;--dat hij, Marius
+Pontmercy, advocaat, de kamer naast het vertrek waar het plan beraamd
+was bewonende, door den dunnen wand de geheele overlegging gehoord
+had--dat de aanlegger van het plan Jondrette heette;--dat hij zeker
+medeplichtigen zou hebben, waarschijnlijk barrière-schooiers, onder
+anderen een zekeren Panchaud, genoemd Printanier of Bigrenaille;--dat
+de dochters van Jondrette op wacht zouden staan--dat er geen middel
+bestond om den bedreigden persoon te waarschuwen, aangezien men
+zijn naam niet kende;--en eindelijk, dat dit alles 's avonds te zes
+uren op de eenzaamste plek van den boulevard de l'Hôpital zou worden
+uitgevoerd, in het huis No. 50-52.
+
+Toen de inspecteur dit nummer hoorde noemen, hief hij het hoofd op
+en zeide koel:
+
+"'t Is dus in de kamer aan 't einde van de gang?"
+
+"Juist," zei Marius, en hij voegde erbij: "kent ge dat huis?"
+
+De inspecteur zweeg een oogenblik, toen antwoordde hij, terwijl hij
+den zool van zijn laars voor de opening van de kachel warmde:
+
+"Wel mogelijk."
+
+Hij voegde er binnensmonds, minder tot Marius dan tot zijn das
+sprekende, bij:
+
+"Daar moet iets van Patron-Minette onder schuilen."
+
+Die naam trof Marius.
+
+"Patron-Minette," zeide hij. "Ik heb inderdaad dat woord hooren
+noemen."
+
+En hij verhaalde aan den inspecteur het gesprek tusschen den
+langharigen en den gebaarden man, die in de sneeuw, achter den muur
+der straat Petit-Banquier zaten.
+
+De inspecteur mompelde:
+
+"De langharige moet Brujon zijn, en de gebaarde Demi-Liard, genaamd
+Deux-Milliards."
+
+Hij sloeg de oogen neder en dacht na.
+
+"Den ouden Chose vermoed ik er ook bij. Daar heb ik mijn jas
+gebrand. Men stookt deze vervloekte kachels altijd zoo hard. Nummer
+50--52, vroeger 't huis Gorbeau."
+
+Toen sloeg hij zijn blik op Marius en vroeg:
+
+"Hebt ge niemand dan dien gebaarde en dien langharige gezien?"
+
+"En Panchaud."
+
+"Hebt ge er ook niet een kleinen modegek zien zwerven?"
+
+"Neen."
+
+"Noch een dikken, die op den olifant in den plantentuin gelijkt?"
+
+"Neen."
+
+"Noch een kerel, die zoo rood als een vos is?"
+
+"Neen."
+
+"Nu, niemand ziet dezen vierde, zelfs niet zijn adjudanten, bedienden
+en ondergeschikten. 't Is dus niet te verwonderen, dat gij hem niet
+gezien hebt."
+
+"Wie zijn al deze menschen?" vroeg Marius.
+
+De inspecteur antwoordde:
+
+"'t Is trouwens hun uur niet."
+
+Weder zweeg hij, waarna hij hernam:
+
+"No. 50--52! Ik ken dat hol.--'t Is onmogelijk ons er in te verbergen
+zonder dat de acteurs het zien; en dan zouden zij er af zijn met het
+kluchtspel niet op te voeren. Zij zijn zoo bescheiden; het publiek
+hindert hen. Dat niet, dat niet! Ik wil ze hooren zingen en ze laten
+dansen."
+
+Na deze alleenspraak wendde hij zich tot Marius en vroeg, hem strak
+in de oogen ziende:
+
+"Zijt ge bang?"
+
+"Waarvoor?" zei Marius.
+
+"Voor die lieden?"
+
+"Evenmin als voor u!" antwoordde Marius ruw, die er op begon te letten,
+dat deze politiebeambte hem nog niet mijnheer had genoemd.
+
+De inspecteur zag Marius nog strakker in de oogen en hernam met een
+soort van plechtigen nadruk:
+
+"Gij spreekt als een moedig, eerlijk man. De moed vreest de misdaad
+niet, evenmin als de eerlijkheid het gezag."
+
+Marius viel hem in de rede:
+
+"Goed, maar wat zijt ge voornemens?"
+
+De inspecteur antwoordde niets anders dan:
+
+"De bewoners van dat huis hebben ieder een sleutel van de voordeur om
+'s nachts te kunnen binnenkomen. Gij hebt er zeker ook een, niet waar?"
+
+"Ja," zei Marius.
+
+"Hebt ge hem bij u?"
+
+"Ja."
+
+"Geef hem mij," zei de inspecteur.
+
+Marius nam den sleutel uit zijn zak, en gaf hem den inspecteur,
+zeggende:
+
+"Zoo ik u raden mag, breng dan versterking mede."
+
+De inspecteur sloeg een blik op Marius als Voltaire op een lid der
+academie uit de provincie zou hebben geslagen, die hem een vers had
+voorgesteld; hij stak tegelijkertijd zijn twee groote handen in de
+wijde zakken van zijn jas, haalde er twee zakpistolen uit, die hij
+Marius aanbood, terwijl hij kortaf en schielijk zeide:
+
+"Neem deze. Ga weder naar huis. Verberg u in uw kamer, zoodat men
+gelooft dat ge uit zijt. Zij zijn geladen; ieder met twee kogels. Let
+wel op: gij hebt mij gezegd dat er een gat in den muur is. De lieden
+zullen komen. Laat hen een weinig hun gang gaan. Als ge oordeelt
+dat het genoeg is en tijd wordt hen tegen te houden, los dan een
+pistoolschot in de lucht, tegen den zolder, om 't even waar. Maar
+vooral niet te vroeg. Wacht totdat er een begin van uitvoering is. Ge
+zijt advocaat en weet wat dat te zeggen is."
+
+Marius nam de pistolen en stak ze in den zijzak van zijn jas.
+
+"Dat veroorzaakt een bult, men kan 't zien," zei de inspecteur. "Steek
+ze liever in uw broekzakken."
+
+Marius deed het.
+
+"Nu is er voor niemand een minuut meer te verliezen," vervolgde de
+inspecteur. "Hoe laat is het? half drie. Dus te zeven uren?"
+
+"Om zes uur," zei Marius.
+
+"Ik heb den tijd," hernam de inspecteur, "maar ook niet meer dan den
+tijd. Vergeet niets van 't geen ik u gezegd heb. Één pistoolschot."
+
+"Wees gerust," antwoordde Marius.
+
+En terwijl Marius de hand aan den deurknop sloeg om te gaan, riep de
+inspecteur hem toe:
+
+"Mocht ge mij vóór dien tijd noodig hebben, kom dan of zend
+iemand. Laat naar den inspecteur Javert vragen."
+
+
+
+
+
+
+VIJFTIENDE HOOFDSTUK.
+
+JONDRETTE DOET INKOOPEN.
+
+
+Eenige oogenblikken later, tegen drie uren, ging Courfeyrac toevallig
+door de straat Mouffetard in gezelschap van Bossuet. De sneeuw viel
+sterker dan vroeger en bedekte den weg. Bossuet zeide tot Courfeyrac:
+
+"Bij het zien van al deze sneeuwvlokken zou men zeggen, dat er in
+den hemel een pest onder de witte vlinders heerschte."
+
+Eensklaps zag Bossuet Marius, die met een zonderling voorkomen in de
+richting der barrière ging.
+
+"Zie," zei Bossuet, "Marius!"
+
+"Ik heb hem gezien," zei Courfeyrac; "spreken wij hem niet aan."
+
+"Waarom?"
+
+"Hij is ingespannen."
+
+"Waarmee?"
+
+"Ziet ge 't niet aan zijn gezicht?"
+
+"Wat dan?"
+
+"Hij ziet er uit, alsof hij iemand volgt."
+
+"'t Is waar." zei Bossuet.
+
+"Zie welke oogen hij zet!" hernam Courfeyrac.
+
+"Maar wie drommel volgt hij?"
+
+"Zeker een of ander jong dametje! hij is verliefd!"
+
+"Maar ik zie niets op de straat dat op een dametje gelijkt; zelfs
+geen vrouw."
+
+Courfeyrac keek en riep:
+
+"Hij volgt een man!"
+
+Inderdaad, een man met een pet op 't hoofd, en wiens grijzen baard men
+eenigszins kon onderscheiden, hoewel men hem slechts op den rug zag,
+ging een twintigtal schreden vóór Marius uit.
+
+Deze man droeg een geheel nieuwe jas, die hem te groot was, en een
+leelijke gescheurde broek, geheel bemorst en beslijkt.
+
+Bossuet lachte luidkeels.
+
+"Wie kan de man zijn?"
+
+"'t Is een poëet," antwoordde Courfeyrac. "Poëten dragen gaarne
+pantalons als die van oude joden, en jassen als die van pairs van
+Frankrijk."
+
+"Laat ons zien, waarheen Marius en deze man gaan: volgen wij hen,
+zullen we?"
+
+"Bossuet!" riep Courfeyrac, "Arend van Meaux, ge zijt soms vreeselijk
+dwaas. Een man na te loopen, die een man naloopt!"
+
+Zij keerden om.
+
+Marius had inderdaad Jondrette de straat Mouffetard zien doorgaan,
+en sloeg hem gade.
+
+Jondrette ging voor hem, zonder te vermoeden dat reeds een blik op hem
+gevestigd was. Hij ging uit de straat Mouffetard, en Marius zag hem in
+een der afschuwelijkste woningen der straat Gracieuse binnentreden,
+waar hij omstreeks een kwartier uurs bleef, toen keerde hij naar
+de straat Mouffetard terug. Daar trad hij in een ijzerwinkel,
+die zich destijds om den hoek der straat Pierre Lombard bevond,
+en eenige minuten later zag Marius hem met een grooten beitel, met
+wit houten steel, dien hij onder zijn jas verborg, uit den winkel
+komen. Ter hoogte der straat Petit-Gentilly sloeg hij links de straat
+Petit-Banquier in. Het begon donker te worden, de sneeuw, die een
+oogenblik had opgehouden, begon weder te vallen. Marius verschool
+zich om den hoek der straat Petit-Banquier, die eenzaam als altijd
+was, en volgde Jondrette niet. 't Was gelukkig voor hem, want bij
+den lagen muur gekomen, waar Marius den langharige en den gebaarde
+samen had hooren spreken, keerde Jondrette om, overtuigde zich dat
+niemand hem volgde noch zag, stapte over den muur en verdween.
+
+Het ongebouwde terrein, waarlangs deze muur liep, was in gemeenschap
+met de achterplaats van een rijtuigverhuurder, die bankroet was geweest
+en in een slechten naam stond, en die onder loodsen nog eenige oude
+rijtuigen had.
+
+Marius achtte het raadzaam van Jondrettes afwezigheid gebruik te
+maken om weder in huis te gaan; bovendien werd het laat; alle avonden
+ging vrouw Burgon uit, om borden schoon te maken, en zij was gewoon
+de huisdeur te sluiten, die in den schemeravond steeds dicht was;
+Marius had zijn sleutel aan den inspecteur van politie gegeven;
+'t was dus noodzakelijk, dat hij zich haastte.
+
+De avond was gekomen; 't was bijna geheel donker; aan den horizon en
+het uitspansel was nog slechts één door de zon verlicht punt, de maan.
+
+Zij ging rood achter den lagen dom der Salpétrière op.
+
+Haastig naderde Marius het huis No. 50--52. Hij ging op de teenen naar
+boven en sloop langs den gangmuur naar zijn kamer. Men herinnere zich,
+dat deze gang aan beide zijden kamers had, die op dit oogenblik alle
+ledig waren en te huur stonden. Vrouw Burgon liet er gewoonlijk de
+deuren van open. Toen Marius een dier deuren voorbij ging, meende hij
+in het onbewoonde kamertje vier mannenhoofden te zien, bewegingloos,
+en flauw door het schemerlicht, dat door het venster viel, beschenen.
+
+Marius, die niet wilde gezien worden, sloop stil voorbij. Het gelukte
+hem onopgemerkt en zonder gerucht te maken in zijn kamer te komen. Het
+was tijd. Een oogenblik later hoorde hij vrouw Burgon uitgaan en de
+voordeur sluiten.
+
+
+
+
+
+
+ZESTIENDE HOOFDSTUK.
+
+HET LIEDJE OP EEN ENGELSCHE WIJS, IN 1832 IN DE MODE.
+
+
+Marius ging op zijn bed zitten. Het kon half zes zijn geweest. Nog
+slechts een half uur scheidde hem van 't geen zou gebeuren. Hij hoorde
+zijn aderen kloppen, zooals men een horloge in de duisternis hoort. Hij
+dacht aan den dubbelen gang, die in dit oogenblik in de duisternis
+gemaakt werd: de misdaad die aan de eene zijde, de justitie die aan
+de andere zijde naderde. Hij had geen vrees, doch kon niet zonder een
+zekere siddering denken aan 't geen gebeuren zou. Zooals met allen het
+geval is, die eensklaps door een wonderbaar avontuur worden verrast,
+scheen deze dag voor hem een droom, en om zich te overtuigen, dat hij
+niet onder den druk eener nacht-merrie was, moest hij in zijn zakken
+de koude pistolen betasten.
+
+Het sneeuwde niet meer; de maan drong hoe langer hoe helderder door
+de nevels heen, en haar licht, gepaard aan den witten weerschijn der
+gevallen sneeuw, gaf de kamer een schemerachtige verlichting.
+
+Er was licht in Jondrettes verblijf. Marius zag in de opening van
+den wand een roodachtig schijnsel, dat hem bloedig voorkwam.
+
+Het was duidelijk, dat dit schijnsel door geen kaars werd
+voortgebracht. Overigens hoorde hij geen de minste beweging bij de
+Jondrettes, niemand verroerde zich, niemand sprak of ademde, de stilte
+was er diep en kil, en zonder dit licht zou men zich naast een graf
+hebben gewaand.
+
+Marius trok zacht zijn laarzen uit en zette ze onder zijn bed.
+
+Eenige minuten verstreken. Marius hoorde de benedendeur op haar
+hengsels draaien, een zwaren, haastigen tred op de trap en in de gang,
+en de klink der deur hard oplichten; 't was Jondrette die te huis kwam.
+
+Aanstonds verhieven zich verscheidene stemmen. Het geheele gezin was
+in het vertrek. Maar het had zich in de afwezigheid van den meester
+stil gehouden, gelijk de jonge wolven in de afwezigheid van den wolf.
+
+"Ik ben 't," zeide hij.
+
+"Goeden avond, vadertje," riepen de meisjes.
+
+"Welnu?" vroeg de moeder.
+
+"Alles gaat goed," antwoordde Jondrette, "maar mijn voeten zijn
+gruwelijk koud. Goed, dat gij gekleed zijt, want ge moet vertrouwen
+kunnen inboezemen."
+
+"Gereed om uit te gaan."
+
+"Zult ge niets vergeten van 't geen ik u gezegd heb; en alles
+behoorlijk uitvoeren?"
+
+"Wees gerust."
+
+"'t Is..." zei Jondrette; maar hij voleindde den zin niet.
+
+Marius hoorde hem iets zwaars op de tafel leggen, waarschijnlijk den
+beitel dien hij gekocht had.
+
+"Wel," hernam Jondrette, "is hier gegeten?"
+
+"Ja," zei de moeder, "drie groote aardappelen met zout. Wijl ik vuur
+had, heb ik ze gekookt."
+
+"Goed," hernam Jondrette, "morgen zullen wij anders eten. Een eendvogel
+en wat er bij behoort. Ge zult smullen als koningen.--Alles gaat goed."
+
+En met zachte stem voegde hij er bij:
+
+"De muizenval is open. De katten zijn er."
+
+En met nog zachter stem:
+
+"Leg dit in het vuur."
+
+Marius hoorde het geklink van een tang of ijzeren voorwerp, dat in
+de houtskolen woelt, en Jondrette hernam:
+
+"Hebt ge de hengsels der deur gesmeerd om ze niet te doen krijschen."
+
+"Ja," antwoordde de moeder.
+
+"Hoe laat is het?"
+
+"Omtrent zes uren. Op St. Medard heeft het halfuur geslagen."
+
+"Duivels," zei Jondrette. "De meisjes moeten op de wacht. Komt hier,
+kinderen; luistert."
+
+Er werd gefluisterd.
+
+Wederom verhief zich de stem van Jondrette.
+
+"Is vrouw Burgon uitgegaan?"
+
+"Ja," zei de moeder.
+
+"Zijt ge zeker, dat er niemand in de kamer van onzen buurman is?"
+
+"Hij is den geheelen dag niet te huis geweest, en gij weet wel,
+dat het nu zijn etensuur is."
+
+"Zijt ge er zeker van?"
+
+"Zeker."
+
+"Om 't even," hernam Jondrette, "'t kan geen kwaad te gaan zien of
+hij te huis is. Neem de kaars, meisje, en ga zien."
+
+Marius liet zich op handen en knieën vallen en kroop stil onder
+zijn bed.
+
+Nauwelijks had hij zich aldus verscholen, of hij zag door de reten
+der deur licht.
+
+"Va!" riep een stem, "hij is uit."
+
+Marius herkende de stem der oudste dochter.
+
+"Zijt ge binnen geweest?" vroeg de vader.
+
+"Neen," antwoordde de dochter; "maar hij is uit; want de sleutel is
+in het slot."
+
+De vader riep:
+
+"Ga evenwel binnen."
+
+De deur werd geopend en Marius zag de oudste dochter met een kaars
+in de hand binnenkomen. Zij was gelijk des ochtends, alleen bij het
+licht nog afschuwelijker.
+
+Zij ging regelrecht naar het bed; Marius had een oogenblik van
+onbeschrijfelijken angst, maar er bevond zich dicht bij 't bed een
+spiegel tegen den muur gehangen, en zij ging daar heen. Zij verhief
+zich op de teenen en beschouwde zich in den spiegel. Men hoorde in
+het belendend vertrek het gerammel van ijzer. Met de palm van haar
+hand streek zij zich het haar glad, en voor den spiegel glimlachend,
+zong zij met haar schorre grafstem:
+
+
+ Nos amours ont duré toute une semaine.
+ Mais que du bonheur les instants sont courts!
+ S'adorer huit jours, c'était bien la peine!
+ Le temps des amours devrait durer toujours!
+ Devrait durer toujours! devrait durer toujours! [8]
+
+
+Intusschen beefde Marius. Hij meende, dat zij hem stellig moest
+hooren ademen.
+
+Zij ging naar het venster en zag naar buiten, terwijl zij luide,
+met de half zinnelooze uitdrukking die haar eigen was, zeide:
+
+"Hoe leelijk is Parijs als het een wit hemd heeft aangetrokken."
+
+Zij keerde naar den spiegel terug, maakte allerlei gebaren en
+beschouwde zich achtereenvolgens aan alle zijden.
+
+"Nu!" riep de vader, "wat doet ge toch?"
+
+"Ik zie onder het bed en de meubels," antwoordde zij, terwijl ze heur
+haar bleef glad strijken; "er is niemand."
+
+"Kom hier, dadelijk," brulde de vader, "laat ons geen tijd verliezen."
+
+"Ik kom, ik kom," antwoordde zij. "Men heeft in hun kot den tijd
+voor niets."
+
+Zij neuriede:
+
+
+ Vous me quittez pour aller à la gloire,
+ Mon triste coeur suivra partout vos pas. [9]
+
+
+Na een laatsten blik in den spiegel te hebben geworpen, ging zij en
+sloot de deur achter zich.
+
+Een oogenblik daarna hoorde Marius het gerucht der bloote voeten van
+de beide meisjes in de gang, en de stem van Jondrette die haar toeriep:
+
+"Past nauwkeurig op! de eene naar den kant der barrière; de andere
+bij den hoek der straat Petit-Banquier. Verlies geen minuut de deur
+van het huis uit het oog, en keer, zoo hard ge loopen kunt, terug,
+zoo ge iets ziet! Ge hebt een sleutel om binnen te komen."
+
+De oudste dochter bromde:
+
+"Met bloote voeten in de sneeuw te staan schilderen."
+
+"Morgen zult ge laarsjes van bruine zijde hebben!" zei de vader. Zij
+gingen de trap af, en eenige seconden later verkondigde het dichtslaan
+der voordeur, dat zij op de straat waren.
+
+Nu waren Marius en het echtpaar Jondrette alleen in het huis,
+waarschijnlijk ook de mannen, die Marius in de schemering achter de
+deur der onbewoonde kamer had gezien.
+
+
+
+
+
+
+ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.
+
+HOE HET VIJFFRANCSTUK VAN MARIUS BESTEED WERD.
+
+
+Marius oordeelde dat het oogenblik gekomen was, om zich weder op zijn
+observatorium te begeven. In een oogwenk, en met de vlugheid der jeugd,
+was hij voor de opening in den wand. Hij zag er door.
+
+Het verblijf van Jondrette had een zonderling aanzien, en
+Marius ontdekte nu de oorzaak van het wonderbaar licht dat hij
+had opgemerkt. Een kaars brandde op een groen uitgeslagen koperen
+kandelaar, maar deze kaars verlichtte eigenlijk het vertrek niet. Het
+geheele hol was als geïllumineerd door het schijnsel van de brandende
+kolen in een groot ijzeren komfoor, dat onder den schoorsteen stond. De
+kolen gloeiden en het komfoor was rood; een blauwe vlam danste er door
+en hielp den vorm van den beitel te onderscheiden, welke Jondrette in
+de straat Pierre-Lombard gekocht had, en die in de kolen rood gloeiend
+werd gemaakt. In een hoek bij de deur zag men twee hoopen, den eenen
+van oud ijzer, den anderen van touw, die er voor een bepaald gebruik
+schenen nedergelegd te zijn. Iemand die geheel onbekend was met wat
+hier werd voorbereid, zou op het denkbeeld van iets zeer gruwzaams
+of iets zeer eenvoudigs gekomen zijn. Het aldus verlichte hol geleek
+meer een smederij, dan een mond der hel, maar Jondrette had bij dien
+schijn meer het voorkomen van een duivel dan van een smid.
+
+De hitte van 't vuur was zoo geweldig, dat de kaars op de tafel aan de
+zijde van het komfoor smolt en afliep. Een oude koperen dievenlantaarn,
+die voor een Diogenes, in een Cartouche herschapen, goed zou zijn
+geweest, stond op den schoorsteen.
+
+Het komfoor, dat in den haard was geplaatst tusschen de half
+uitgebrande spaanders, zond zijn rook door den schoorsteen en
+veroorzaakte geen lucht in 't vertrek.
+
+De maan wierp haar wit licht, door de vier ruiten van het raam, in
+het vertrek, dat door den vuurgloed purper gekleurd was; voor den
+poëtischen geest van Marius, die zelfs op 't oogenblik der handeling
+nog peinsde, was dit als een gedachte des hemels, vermengd met de
+verwarde droomen der aarde.
+
+De tocht, die door de gebroken vensterruit kwam, hielp den kolendamp
+verdrijven en het komfoor onopgemerkt maken.
+
+Het verblijf van Jondrette was, zoo men zich nog herinnert wat wij
+van het huis Gorbeau gezegd hebben, uitmuntend gekozen als plaats
+ter uitvoering van een gewelddadigen aanslag en om een misdaad te
+verbergen. 't Was de afgelegenste kamer van het afgezonderdste huis
+op den eenzaamsten boulevard van Parijs. Zoo men hier geen hinderlaag
+gekend had, zou men ze er uitgevonden hebben.
+
+De geheele lengte van een huis, en een menigte onbewoonde kamers,
+scheidden dit kot van den boulevard, en het eenige venster dat het
+had, zag op woeste en onbebouwde gronden uit, omgeven van muren
+en rasterwerk.
+
+Jondrette had zijn pijp aangestoken, en zat op den ingetrapten stoel
+te rooken. Zijn vrouw sprak zacht tot hem.
+
+Zoo Marius Courfeyrac ware geweest, namelijk een dier menschen,
+die in alle omstandigheden des levens lachen, zou hij schaterend
+zijn uitgebroken, toen zijn blik op vrouw Jondrette viel. Zij
+droeg een zwarten hoed met veeren, zeer gelijkende op de hoeden der
+wapenherauten bij de zalving van Karel X; een grooten geruiten shawl
+over haar gebreiden wollen onderrok en de mansschoenen, welke haar
+dochter des morgens zoo versmaad had. Dit toilet had Jondrette met
+welgevallen doen zeggen:
+
+"Goed, dat ge u met zorg gekleed hebt. Gij moet vertrouwen weten in
+te boezemen."
+
+Jondrette had de nieuwe, maar voor hem te groote jas, die de heer
+Leblanc hem gegeven had, nog niet afgelegd, en zijn kleeding bood nog
+altijd het contrast aan van jas en pantalon, 't welk naar Courfeyrac's
+meening het ideaal van den dichter daarstelde.
+
+Eensklaps zeide Jondrette luid:
+
+"Zeg eens! ik denk daar aan: in zulk een weêr als 't nu is, zal hij
+zeker met een huurrijtuig komen. Steek de lantaarn aan en ga er mede
+naar beneden. Blijf beneden achter de deur staan. Open dadelijk de
+deur, zoodra ge het rijtuig hoort stilhouden; hij zal dan naar boven
+gaan; licht hem op de trap en de gang, en terwijl hij binnenkomt,
+gaat ge weder ijlings naar beneden, betaalt den koetsier en laat het
+rijtuig heengaan."
+
+"En het geld?" vroeg de vrouw.
+
+Jondrette tastte in zijn zak en gaf haar een vijffrancstuk.
+
+"Wat is dat?" riep zij verwonderd.
+
+Jondrette antwoordde deftig:
+
+"'t Is de monarch, dien de buurman van ochtend gegeven heeft."
+
+Na eene poos hernam hij:
+
+"Er zijn twee stoelen noodig."
+
+"Waarom?"
+
+"Om op te zitten."
+
+Marius voelde een rilling door zijn lichaam loopen, toen hij vrouw
+Jondrette koel hoorde antwoorden:
+
+"Nu, ik zal ze uit de kamer van den buurman halen."
+
+Haastig opende zij de deur en trad in de gang.
+
+Marius had den tijd niet om van de commode te klimmen, naar zijn bed
+te gaan en er zich onder te verbergen.
+
+"Neem de kaars," riep Jondrette.
+
+"Neen," zeide zij, "dit zou mij te lastig zijn, ik moet twee stoelen
+dragen. De maan schijnt."
+
+Marius hoorde de zware hand van vrouw Jondrette in de duisternis
+naar den sleutel tasten. De deur ging open. Hij bleef van schrik en
+ontzetting als vastgeworteld op zijn plaats.
+
+Vrouw Jondrette trad binnen.
+
+Door het dakvenster wierp de maan haar schijnsel tusschen twee groote
+vakken duisternis. Een dezer donkere vakken bedekte den muur, waartegen
+Marius stond, zoodat hij onzichtbaar was.
+
+Vrouw Jondrette zag hem niet, nam de twee stoelen, de eenige die Marius
+bezat, en verwijderde zich, de deur hard achter zich dichtslaande.
+
+"Hier zijn de twee stoelen," zeide zij, de kamer binnentredende.
+
+"En daar hebt ge de lantaarn," zei de man. "Ga nu spoedig naar
+beneden."
+
+Zij gehoorzaamde bereidvaardig, en Jondrette was nu alleen.
+
+Hij plaatste de stoelen aan beide zijden der tafel, draaide den
+beitel in de gloeiende kolen om, zette voor den schoorsteen een oud
+vuurscherm, dat het komfoor verborg, ging toen naar den hoek, waar de
+hoop touwen lag, en bukte als om er iets aan na te zien. Toen ontdekte
+Marius, dat hetgeen hij voor een hoop touwwerk had gehouden, een
+touwladder was met houten sporten en twee haken, om ze vast te hangen.
+
+Deze ladder en eenige grove werktuigen, wezenlijke ijzeren knotsen,
+die onder den hoop ijzerwerk achter de deur lagen, waren des ochtends
+niet in het vertrek en er waarschijnlijk des namiddags, terwijl Marius
+afwezig was, gebracht.
+
+'t Zijn smidswerktuigen, dacht Marius.
+
+Zoo Marius in dit opzicht meer ervaren ware geweest, zou hij geweten
+hebben, dat hetgeen hij voor smidswerktuigen hield, instrumenten
+waren om een slot of deur open te breken, andere om te snijden;
+beide soorten van werktuigen die bij dieven in gebruik zijn.
+
+De schoorsteen en de tafel met de twee stoelen bevonden zich recht
+tegenover Marius. Wijl het komfoor thans verborgen was, werd de kamer
+alleen door de kaars verlicht; het kleinste voorwerp op de tafel of
+den schoorsteen wierp een lange schaduw, die van een waterkruik besloeg
+de helft van een muur. In het vertrek heerschte een akelige, dreigende
+stilte. Men gevoelde, dat er iets verschrikkelijks zou gebeuren.
+
+Jondrette had zijn pijp laten uitgaan, een bewijs dat hij diep in
+gedachten was, en was weder gaan zitten. Het kaarslicht deed de hoeken
+van zijn wreed, sluw gezicht scherp uitkomen. Hij fronste nu en dan de
+wenkbrauwen en bewoog driftig zijn rechterhand, als antwoordde hij op
+de laatste raadgevingen van een inwendige, sombere alleenspraak. Bij
+een dier geheime antwoorden, welke hij zich zelven deed, trok hij
+driftig de tafellade open, nam er een lang keukenmes uit, dat hij er
+in had geborgen, en beproefde op zijn nagel de scherpte ervan. Toen
+legde hij het mes weder in de lade, die hij dichtschoof.
+
+Marius haalde zijnerzijds het pistool, dat in zijn rechterbroekzak was,
+te voorschijn, en spande den haan.
+
+Dit veroorzaakte een licht knappend geluid.
+
+Jondrette verschrikte en richtte zich ten halve van zijn stoel op.
+
+"Wat is dat?" riep hij.
+
+Marius hield zijn adem in, Jondrette luisterde een oogenblik, begon
+toen te lachen en zeide:
+
+"Hoe dom? 't Is de wand die kraakt."
+
+Marius hield het pistool steeds in zijn hand.
+
+
+
+
+
+
+ACHTTIENDE HOOFDSTUK.
+
+DE TWEE STOELEN VAN MARIUS STAAN TEGENOVER ELKANDER.
+
+
+Eensklaps deed de verwijderde, treurige klank eener klok de glasruiten
+trillen. Het sloeg op St. Médard zes uren.
+
+Jondrette knikte bij iederen klokslag met het hoofd. Na den zesden
+slag snoot hij de kaars met zijn vingers.
+
+Toen ging hij door de kamer, luisterde in de gang, ging en luisterde
+weder.
+
+"Als hij maar komt!" bromde hij binnensmonds.
+
+Hij keerde naar zijn stoel terug, doch nauwelijks was hij gezeten
+toen de deur geopend werd.
+
+Vrouw Jondrette had ze geopend en bleef in de gang staan, haar gezicht,
+'t welk een der gaten van de dievenlantaarn van onderen bescheen,
+in een afschuwelijk vriendelijken plooi trekkende.
+
+"Kom binnen, mijnheer," zeide zij.
+
+"Kom binnen, mijn weldoener," herhaalde Jondrette, haastig opstaande.
+
+De heer Leblanc verscheen.
+
+Zijn gelaat droeg den stempel van volkomen tevredenheid, 't geen hem
+een bijzonder eerwaardig voorkomen verleende.
+
+Hij legde vier Louisd'ors op de tafel.
+
+"Neem dit voor de huur en de eerste behoeften, mijnheer Fabantou,"
+sprak hij. "Vervolgens zullen wij zien."
+
+"God beloone 't u, mijn edele weldoener," zei Jondrette. Daarop
+haastig zijn vrouw naderende, fluisterde hij haar in:
+
+"Zend de huurkoets weg!"
+
+Zij sloop naar buiten, terwijl haar man den heer Leblanc met
+beleefdheden overlaadde en een stoel aanbood. Een oogenblik later
+kwam zij terug en fluisterde hem in 't oor:
+
+"'t Is geschied."
+
+De gedurende den geheelen dag gevallen sneeuw was zoo dik, dat men
+de huurkoets niet had hooren naderen en haar nu evenmin hoorde
+wegrijden. Intusschen had mijnheer Leblanc op den stoel plaats
+genomen. Jondrette had zich op dien tegenover hem gezet.
+
+Om zich nu een denkbeeld te vormen van het volgend tooneel, moet
+de lezer zich een ijskouden winternacht voorstellen, de eenzame
+omstreken van la Salpêtrière met sneeuw overdekt, en in 't maanlicht
+als groote lijkwaden gelijkende, het flauwe licht der straatlantaarns,
+die hier en daar op den treurigen boulevard en op de lange rijen
+zwarte olmen een rood schijnsel werpen; geen mensch misschien op
+straat, een kwartier in den omtrek; het huis Gorbeau in de diepste
+stilte, stikdonker, te midden dier eenzaamheid, het ruim vertrek van
+Jondrette door een enkele kaars verlicht, en in dat kot twee mannen
+aan een tafel gezeten, de heer Leblanc gerust, Jondrette glimlachend
+en vreeselijk, vrouw Jondrette, de wolvin, in een hoek, en Marius
+onzichtbaar aan den anderen kant van den muur staande, geen woord,
+geen beweging verliezende, met turend oog en het pistool in de hand.
+
+Marius gevoelde overigens slechts een gewaarwording van afschuw,
+maar niet de minste vrees. Hij hield den knop van het pistool in de
+hand gedrukt en gevoelde zich gerust.--Ik zal dien ellendeling kunnen
+tegenhouden, wanneer ik wil, dacht hij.
+
+Hij had de overtuiging, dat de politie in de nabijheid in hinderlaag
+was, het bepaalde teeken afwachtende en gereed om de handen uit
+te steken.
+
+Overigens hoopte hij, dat door deze geweldige ontmoeting van Jondrette
+en den heer Leblanc eenig licht zou ontstaan omtrent alles wat hij
+wenschte te weten.
+
+
+
+
+
+
+NEGENTIENDE HOOFDSTUK.
+
+EEN DONKERE ACHTERGROND.
+
+
+Nauwelijks zat de heer Leblanc of hij wendde de oogen naar de ledige
+kribben.
+
+"Hoe gaat het met de kleine gewonde?" vroeg hij.
+
+"Slecht," antwoordde Jondrette treurig, met verplichtenden glimlach,
+"zeer slecht, mijn waarde heer. Haar zuster is met haar uitgegaan
+om haar te laten verbinden. Ge zult ze aanstonds zien, als zij
+terugkomen."
+
+"Uw vrouw schijnt beter te zijn?" hernam mijnheer Leblanc, een blik
+op den zonderlingen opschik van vrouw Jondrette slaande, die tusschen
+hem en de deur stond, als wilde zij den uitgang bewaken, en hem in
+een dreigende houding aanziende.
+
+"Zij is doodziek," zei Jondrette. "Maar wat zal men zeggen,
+mijnheer! zij bezit een wonderbaar sterke geestkracht. 't Is geen
+vrouw, 't is een os."
+
+Vrouw Jondrette, door dit compliment gestreeld, hernam met de
+liefelijkheid van een gevleid monster:
+
+"Ge zijt steeds al te goed voor mij, Jondrette!"
+
+"Jondrette," zei de heer Leblanc, "ik meende dat uw naam Fabantou was?"
+
+"Fabantou, genaamd Jondrette!" hernam de man schielijk. "Een
+acteurs-bijnaam." En terwijl hij zijn vrouw een blik toewierp, dien
+de heer Leblanc niet zag, vervolgde hij, op een toon van vriendelijke
+ophemeling:
+
+"O, wij hebben altijd heel goed met elkander geleefd, mijne arme
+lieve vrouw en ik! Wat zouden wij anders ook gehad hebben? Wij zijn
+zoo ongelukkig, mijn eerbiedwaardige heer! Men heeft armen, maar geen
+arbeid! men heeft goeden wil, maar geen werk! Ik weet niet, hoe de
+regeering hieromtrent handelt, maar op mijn woord van eer mijnheer,
+ik ben geen jakobijn, geen slecht burger, mijnheer, ik wensch haar
+niets geen kwaad; maar zoo ik een der ministers was, 't zou, zoo
+waar ik leef, anders gaan. Bijvoorbeeld, ik wilde mijn dochters het
+doozen maken laten leeren. Hoe, een beroep? zult ge zeggen. Ja! een
+beroep! een broodwinning. Welk een val! mijn weldoener! welk een
+vernedering, na geweest te zijn wat wij waren! Helaas! er is niets
+overgebleven van onze dagen van voorspoed. Niets ter wereld dan een
+schilderij, waaraan ik veel waarde hecht, maar waarvan ik mij toch
+zou willen ontdoen, want men moet leven, ja, men moet leven!"
+
+Terwijl Jondrette aldus schijnbaar verward sprak, doch zonder dat dit
+iets aan de sluwe, bezadigde uitdrukking van zijn gelaat ontnam, sloeg
+Marius de oogen op en zag op den achtergrond van het vertrek iemand,
+dien hij nog niet gezien had. Een man was zoo zacht binnengekomen,
+dat men de deur niet had hooren opengaan. Deze man droeg een vuil
+gelen gebreiden borstrok, versleten en vol gaten, een wijde pantalon
+van katoenfluweel, sokken aan de voeten, geen overhemd, blooten hals,
+bloote getatoueerde armen, terwijl zijn gezicht was zwart gemaakt. Hij
+had stil, met over elkander geslagen armen op het naaste bed plaats
+genomen, en wijl hij achter vrouw Jondrette zat, kon men hem slechts
+onduidelijk zien.
+
+Een soort van magnetisch instinct, dat den blik waarschuwt,
+veroorzaakte, dat de heer Leblanc schier tegelijkertijd met Marius
+omzag. Hij kon een gebaar van verwondering niet bedwingen, 't welk
+Jondrette opmerkte.
+
+"Ha, ik zie!" riep Jondrette, met een houding van welgevallen zijn
+jas dichtknoopende, "gij beziet mijn jas? Hij zit mij goed, niet waar,
+hij zit mij goed!"
+
+"Wie is die man?" vroeg de heer Leblanc.
+
+"Hij?" hernam Jondrette. "Een buurman, laat hij u niet hinderen."
+
+De buurman zag er zeer zonderling uit. Maar in de voorstad Saint
+Marceau zijn veel fabrieken van chemicaliën. De meeste werklieden in
+die fabrieken hebben een zwart gezicht. Overigens gaf het geheele
+voorkomen van den heer Leblanc het eerlijkst en onverschrokkenst
+vertrouwen te kennen. Hij hernam:
+
+"Vergeving, wat zeidet gij ook, mijnheer Fabantou?"
+
+"Ik zeide u, mijnheer en waarde beschermer," hernam Jondrette,
+de ellebogen op de tafel leggende en den heer Leblanc met strakke,
+teedere oogen, als die van een boaslang, aanstarende, "ik zeide u,
+dat ik een schilderij te koop had."
+
+Een zacht gerucht liet zich aan de deur hooren. Een tweede persoon
+trad binnen en zette zich op het bed, achter vrouw Jondrette. Evenals
+de eerste had hij bloote armen en een masker van inkt of roet voor
+'t gezicht.
+
+Hoewel deze man letterlijk de kamer was binnengeslopen, had de heer
+Leblanc hem evenwel opgemerkt.
+
+"Sla er geen acht op," zei Jondrette. "'t Zijn lieden van het huis. Ik
+zeide dan, dat mij nog een kostbare schilderij was overgebleven.... Zie
+hier, mijnheer, zie."
+
+Hij stond op, ging naar den muur, waartegen het bord waarvan wij
+gesproken hebben stond, en draaide het om, terwijl hij 't echter tegen
+den muur liet staan. 't Was werkelijk iets dat een schilderij geleek
+en door de kaars min of meer in het licht kwam. Marius kon er niets
+van onderscheiden, wijl Jondrette tusschen hem en de schilderij stond;
+hij zag slechts onduidelijk een soort van hoofdpersoon in ruw kladwerk,
+met harde kleuren als van een uithangbord.
+
+"Wat is dat?" vroeg de heer Leblanc.
+
+Jondrette sprak met ophef:
+
+"Een meesterstuk, een kostbare schilderij, mijn weldoener! ik ben er
+niet minder aan gehecht dan aan mijne beide dochters; het wekt dierbare
+herinneringen in mij op; maar ik zeg nog eens en wil mijn woorden niet
+intrekken, ik ben zoo ongelukkig, dat ik mij ervan moet ontdoen..."
+
+Hetzij toevallig, hetzij dat de heer Leblanc een opwelling van
+ongerustheid gevoelde, hij wendde zijn blik weder, terwijl hij de
+schilderij bezag, naar den achtergrond der kamer. Er waren nu vier
+mannen, drie op het bed zittende en één bij den deurpost staande;
+alle vier met bloote armen, bewegingloos, en met zwart gemaakte
+gezichten. Een dergenen die op het bed zaten, leunde tegen den muur met
+gesloten oogen en scheen te slapen. Hij was oud, en had een vreeselijk
+aanzien met zijn wit haar en zwart gezicht. De twee anderen schenen
+jong, de een had een zwaren baard, de andere lang haar, geen hunner
+droeg schoenen; zij die geen sokken hadden, waren blootsvoets.
+
+Jondrette bespeurde dat de blik van den heer Leblanc op deze mannen
+was gericht.
+
+"'t Zijn vrienden, buren," zeide hij. "Zij zijn zwart, wijl zij met
+kolen omgaan. 't Zijn stokers. Sla geen acht op hen, mijn weldoener,
+maar koop mij mijn schilderij af. Heb medelijden met mijn ellende. Ik
+zal ze u niet duur verkoopen. Hoe hoog schat gij ze?"
+
+"Wel," zei de heer Leblanc, op Jondrette een schuinschen blik slaande,
+als iemand die op zijn hoede is; "'t is een uithangbord van een of
+andere herberg, dat misschien drie francs waard is."
+
+Jondrette antwoordde heel bedaard:
+
+"Hebt ge uw portefeuille bij u? ik zou mij met duizend kronen tevreden
+stellen."
+
+De heer Leblanc stond op, plaatste zich tegen den muur en sloeg een
+snellen blik door de kamer. Jondrette stond aan zijn linkerzijde
+bij het venster, en vrouw Jondrette met de vier mannen aan zijn
+rechterzijde bij de deur. De vier mannen verroerden zich niet en
+schenen hem zelfs niet te zien; Jondrette begon weder op klagenden
+toon te spreken, en met zulk een verwilderd oog en erbarmelijke stem,
+dat de heer Leblanc kon meenen, dat degene dien hij voor zich had,
+van ellende krankzinnig was geworden.
+
+"Zoo ge mijn schilderij niet koopt, waarde weldoener," zei Jondrette,
+"zie ik geen uitkomst en blijft mij niets over dan in het water te
+springen. Ik wilde mijn dochters kartonwerken laten leeren. Daarvoor
+heeft men een tafel met zijplankjes noodig, opdat het glas niet op
+den grond kan vallen; een opzettelijk daarvoor gemaakt fornuis, een
+pot met drie vakken, voor de verschillende lijmsoorten, al naar zij
+voor hout, papier of stoffen moeten dienen, een mes voor het snijden
+van het karton, een vormblok, een hamertje om de stalen versierselen
+te spijkeren, penseelen, en de drommel weet wat al meer! en dat alles
+om vier sous daags te verdienen! en men werkt veertien uren! en ieder
+doosje gaat dertien malen door de hand der werkster! en het papier
+bevochtigen! en niets bevlekken! de lijm warm houden! ik zeg u,
+vier sous daags! hoe wilt ge dat men daarvan leve!"
+
+Terwijl hij dus sprak zag Jondrette den heer Leblanc niet aan, die hem
+gadesloeg. Het oog van den heer Leblanc was op Jondrette, en dat van
+dezen op de deur gericht. Marius hield met ingehouden adem beiden in
+'t oog.
+
+Mijnheer Leblanc scheen bij zich zelven te vragen:
+
+"Is hij krankzinnig?" Jondrette herhaalde twee of drie keeren in
+allerlei afwisseling van klaag- en jammertoon: "Mij blijft niets over
+dan in 't water te springen! ik ben onlangs daartoe bij de brug van
+Austerlitz drie treden naar beneden gegaan!"
+
+Eensklaps schitterde zijn dof oog van een helsche vlam; deze kleine
+man richtte zich op en werd verschrikkelijk; hij trad naar den heer
+Leblanc en riep hem met donderende stem toe:
+
+"Van dit alles is thans geen sprake! herkent ge mij?"
+
+
+
+
+
+
+TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+DE HINDERLAAG.
+
+
+De deur van het vertrek werd eensklaps geopend en drie mannen
+in blauwlinnen kielen, met zwart papieren maskers voor, traden te
+voorschijn. De eerste was mager en had een langen met ijzer beslagen
+knuppel, de tweede, een soort van kolossus, droeg bij het midden van
+den steel een zware bijl, waarmede men een os had kunnen vellen,
+in de hand. De derde, een man met forsche schouders, minder mager
+dan de eerste, minder zwaar dan de tweede, had in de vuist een zeer
+grooten sleutel als die eener gevangenisdeur.
+
+Het scheen dat Jondrette op deze mannen gewacht had. Een haastig
+gesprek ontstond tusschen hem en den man met den knuppel, den magere.
+
+"Is alles gereed?" vroeg Jondrette.
+
+"Ja," antwoordde de magere man.
+
+"Waar is Montparnasse?"
+
+"Hij is achtergebleven om met uw dochter te spreken."
+
+"Welke?"
+
+"De oudste."
+
+"Is er een huurkoets beneden?"
+
+"Ja."
+
+"Is het rijtuig ingespannen?"
+
+"Ingespannen."
+
+"Met twee goede paarden?"
+
+"Beste."
+
+"Wacht het, waar ik heb gezegd dat het wachten moest?"
+
+"Ja."
+
+"Goed," zei Jondrette.
+
+De heer Leblanc was zeer bleek. Hij beschouwde alles wat hem in het
+vertrek omgaf, als iemand die begrijpt in welken kuil hij gevallen is;
+zijn hoofd dat zich beurtelings naar al de hoofden die hem omringden
+wendde, bewoog zich langzaam met aandacht en verbazing, doch niets
+aan hem verried eenige vrees. Hij had zich van de tafel een soort van
+verschansing gemaakt; en deze man, die even te voren het voorkomen
+had van een goed oud man, was plotseling een soort van worstelaar
+geworden en legde met dreigend gebaar zijn gespierde hand op den rug
+van den stoel.
+
+Deze grijsaard, zoo krachtig en moedig tegenover zulk een gevaar,
+scheen een dier naturen, wie de moed evenzeer als de goedheid
+is aangeboren. De vader eener vrouw die men bemint is ons niet
+onverschillig. Marius gevoelde zich trotsch op dezen onbekende.
+
+Drie der mannen welke Jondrette "stokers" had genoemd, hadden uit
+den hoop oud ijzer, de eene een grooten beitel, de andere een tang,
+de derde een hamer genomen, en zich zonder een woord te spreken voor
+de deur geplaatst. De oude was op het bed gebleven, en had slechts
+de oogen geopend. Vrouw Jondrette had zich naast hem nedergezet.
+
+Marius dacht dat hij binnen weinige seconden tusschenbeide zou moeten
+komen, en hief den arm op naar de zoldering, naar den kant van de gang,
+gereed om zijn pistool te lossen.
+
+Na zijn gesprek met den man met den knuppel wendde Jondrette zich
+weder tot den heer Leblanc, en herhaalde zijn vraag met dien stillen,
+onbedwongen en vreeselijken lach, die hem eigen was:
+
+"Gij herkent mij dus niet?"
+
+De heer Leblanc zag hem in 't gezicht en antwoordde:
+
+"Neen."
+
+Toen naderde Jondrette de tafel, boog zich met over de borst gekruiste
+armen over de kaars, bracht zijn hoekige kin dicht bij het bedaarde
+gezicht van den heer Leblanc, en naderde hem zoo dicht mogelijk,
+zonder dat de heer Leblanc achteruit week, en in deze houding van
+een wild dier dat zijn prooi bespringt, riep hij:
+
+"Ik heet niet Fabantou, ik heet niet Jondrette, ik heet Thénardier! ik
+ben de herbergier van Montfermeil! hoort ge wel? Thénardier! herkent
+ge mij nu?"
+
+Een nauwelijks zichtbare blos vloog over het voorhoofd van den heer
+Leblanc, en hij antwoordde, zonder dat zijn stem beefde of zich
+verhief, en met zijn gewone bedaardheid:
+
+"Evenmin!"
+
+Marius hoorde dat antwoord niet. Wie hem in dien oogenblik in
+de duisternis had gezien, zou hem voor verwilderd, wezenloos en
+verplet gehouden hebben. Op het oogenblik, dat Jondrette zeide:
+"Ik heet Thénardier," had Marius door al zijn leden gebeefd en
+zich aan den muur vastgehouden, als voelde hij de kilheid van een
+degenkling in zijn hart. Zijn rechterarm, gereed om het seinschot
+te lossen, was langzaam gezonken, en toen Jondrette had herhaald:
+"Hoort ge wel, Thénardier?" liet Marius het pistool schier uit zijn
+bevende handen vallen. Toen Jondrette te kennen gaf wie hij was,
+had hij niet den heer Leblanc doen ontstellen, maar Marius in de
+grootste ontroering gebracht. Dezen naam Thénardier, dien de heer
+Leblanc niet scheen te kennen, kende Marius. Men herinnere zich, wat
+deze naam voor hem was! hij had dezen naam, in het testament zijns
+vaders geschreven, aan zijn hart gedragen; hij droeg hem in het diepste
+zijner gedachten, zijner herinnering, door deze heilige aanbeveling:
+"Een zekere Thénardier heeft mij het leven gered. Zoo mijn zoon hem
+ontmoet, moet hij hem zooveel goeds doen als in zijn vermogen is." Men
+herinnere zich, dat deze naam, met dien van zijn vader, het voorwerp
+zijner vereering was. En dit was nu deze Thénardier, deze herbergier
+van Montfermeil, dien hij zoo lang vruchteloos gezocht had. Eindelijk
+had hij hem gevonden, maar hoe? deze redder zijns vaders was een
+bandiet! deze man, voor wien Marius vurig wenschte zich op te offeren,
+was een schurk! deze redder van den kolonel Pontmercy was op het punt
+een aanslag te volvoeren, waarvan Marius nog niet duidelijk den vorm
+zag, maar die een moordaanslag geleek! en op wien? goede God! welk
+een noodlottigheid! welk een bittere scherts van het lot! Zijn vader
+beval hem uit zijn graf, Thénardier zooveel mogelijk goed te doen;
+sinds vier jaren had Marius geen andere gedachten, dan de voldoening
+van deze schuld zijns vaders, en op hetzelfde oogenblik dat hij door
+de justitie een roover te midden zijner misdaad wil doen vatten,
+roept het lot hem toe: 't Is Thénardier! Eindelijk zou hij dan
+dezen man het leven zijns vaders, dat te midden van het schrootvuur
+op het heldenslagveld van Waterloo gered was, gaan betalen, en het
+betalen met--het schavot. Hij had zich voorgesteld, zoo hij ooit dien
+Thénardier mocht ontmoeten, voor hem neder te knielen, en nu vond hij
+hem inderdaad, maar om hem aan den beul over te leveren! Zijn vader
+zeide hem: Help Thénardier! en hij antwoordde op deze vereerde, heilige
+stem met Thénardier te verpletteren! met zijn vader in diens graf het
+schouwspel te geven van de terechtstelling op het plein St. Jacques,
+van den man, die hem met levensgevaar aan den dood ontrukt had, en
+welks terechtstelling bewerkt was door zijn zoon, door dien Marius,
+aan wien hij dezen man had aanbevolen! En welk een tegenstelling! zoo
+lang den laatsten wil zijns vaders, eigenhandig door hem geschreven,
+op zijn borst te hebben gedragen, om op gruwzame wijze geheel het
+tegenovergestelde te doen! Maar, aan den anderen kant, bij dezen
+aanslag tegenwoordig te zijn, zonder ze te beletten! Wat! het offer
+veroordeelen en den moordenaar sparen! Was men aan zulk een ellendeling
+dankbaarheid schuldig? Alle gedachten, die Marius sedert vier jaren
+gekoesterd had, werden door dezen onverwachten slag als vernietigd. Hij
+huiverde. Alles hing van hem af. Zonder dat zij het wisten, hield
+hij in zijn hand het lot der wezens die zich daar voor zijn oogen
+bewogen. Zoo hij zijn pistool loste, was de heer Leblanc gered en
+Thénardier verloren; zoo hij het niet loste, was de heer Leblanc
+geofferd, en, wie weet? Thénardier ontsnapt. Den een in 't ongeluk
+storten of den ander doen vallen? Aan beide kanten wroeging. Wat te
+doen? Wat te kiezen? de plechtigste herinneringen hoonen; de innigste
+verbintenissen met zich zelven aangegaan verbreken, den heiligsten
+plicht, het eerwaardigst voorschrift verkrachten; het testament zijns
+vaders niet nakomen of een misdaad laten volbrengen! aan den eenen kant
+scheen hij "zijn Ursula" hem voor haar vader te hooren bidden, aan
+den anderen kant den kolonel hem Thénardier aanbevelen. Hij gevoelde
+zich als zinneloos! Zijn knieën knikten, hij had zelfs den tijd niet
+te overleggen, zoo snel ontwikkelde zich het tooneel dat hij voor
+zijn oogen had. 't Was als een hoos, waarvan hij zich beheerscher had
+gewaand en die hem medevoerde. Een oogenblik meende hij te bezwijmen.
+
+Ondertusschen wandelde Thénardier, wij zullen hem voortaan niet anders
+noemen, heen en weder voorbij de tafel, in een soort van razernij
+van verwarring en zegepraal.
+
+Hij nam met de volle hand de kaars en zette ze met zulk een geweldigen
+slag op den schoorsteen, dat zij schier uitging en het vet tegen den
+muur spatte.
+
+Toen wendde hij zich tot den heer Leblanc en brulde verwoed:
+
+"In de val geloopen! gesnapt! Eindelijk heb ik u gevonden,
+mijnheer de menschenvriend, mijnheer de kale millionair! mijnheer
+de poppengever! Oude Jocrisse! ha, ge herkent mij niet! Zijt ge
+niet, acht jaren geleden, in mijn herberg te Montfermeil geweest,
+in den kerstnacht van 1823; hebt ge het kind van Fantine niet van mij
+medegevoerd! de leeuwerik! droegt ge geen bruine jas! hadt ge niet een
+pakje kleedingstukken in de hand, evenals toen ge vanmorgen bij mij
+kwaamt! Spreek gij, mijn vrouw! 't schijnt, dat het zijn liefhebberij
+is, in de huizen pakken met wollen kousen te brengen, die oude
+menschenvriend! Zijt ge kousenkooper, mijnheer de millionair? geeft
+ge uw winkelgoederen aan de armen, vroom man? Ha! ge herkent mij
+niet! Nu, ik herken u; ik herkende u dadelijk, zoodra ge hier uw
+neus hadt ingestoken. Men zal eens zien of 't altijd even aardig
+is de huizen der menschen binnen te dringen, onder het voorwendsel
+dat men er logeeren wil, in een oude plunje, als een arm mensch,
+wien men een cent zou hebben gegeven; de menschen te bedriegen, den
+edelmoedige te spelen, den menschen hun broodwinning te ontnemen en
+hen in het bosch te dreigen; en dat men er niet mede af is, om later,
+wanneer de menschen arm zijn geworden, hun een te groote jas en twee
+ellendige hospitaaldekens te brengen, oude schurk, kinderdief!"
+
+Hij zweeg en scheen een poos als in zich zelven te spreken. Het
+was alsof zijn toorn, gelijk de Rhône, in een hol viel; toen, als
+voltooide hij luid wat hij zacht gezegd had, sloeg hij met de vuist
+op de tafel en riep:
+
+"Met zijn goedhartig voorkomen!"
+
+En tot den heer Leblanc het woord richtende:
+
+"Voor den d....! Gij hebt mij vroeger beet gehad! Gij zijt de schuld
+van al mijn ongeluk! Gij hebt mij voor vijftienhonderd francs een
+meisje ontnomen, dat ik in mijn bezit had en dat zekerlijk aan rijke
+lieden behoorde, dat mij reeds veel geld had opgebracht, en van 't
+welk ik zooveel moest trekken om er mijn geheel leven van te kunnen
+bestaan! Een meisje, dat mij alles zou vergoed hebben, wat ik in die
+afschuwelijke kroeg verloren en als een dwaas doorgebracht heb. O,
+ik wenschte dat al de wijn, dien men bij mij gedronken heeft,
+in vergif ware veranderd voor hen die ze gedronken hebben. Om 't
+even! Maar zeg! ge moet mij wel uitgelachen hebben, toen ge met de
+leeuwerik heengingt. Gij hadt in het bosch uw dikken knuppel, gij
+waart de sterkste! Nu neem ik revanche! Nu heb ik de troeven! Gij
+zijt kapot, goede man. Ik lach, ja, waarachtig, ik lach! Hij is
+heerlijk in de val geloopen! Ik zeide hem dat ik acteur was, dat ik
+Fabantou heette, dat ik met mademoiselle Mars comedie had gespeeld,
+dat mijn huisheer morgen 4 Februari betaald wilde zijn, en hij heeft
+zelfs niet opgemerkt dat de huur den 8 Januari en niet den 4 Februari
+vervalt. Dom uilskuiken! En hij brengt mij vier ellendige goudstukken
+met Lodewijk Filips er op! Canaille! Hij heeft den moed niet gehad
+om slechts tot vijfhonderd francs te komen! Aan al mijn spotternij
+heeft hij geloofd. Ik had er pret in! Ik dacht: Ha, schoft, ik heb
+u in mijn macht! Van morgen kruip ik voor u, maar van avond vreet ik
+u het hart uit het lijf!"
+
+Thénardier hield op. Hij was buiten adem. Zijn enge borst hijgde als
+een smidsblaasbalg. Zijn oog glom van die gemeene vreugde van een
+zwak, wreed, laag schepsel, dat eindelijk datgene kan nederwerpen
+wat het vreesde, en hoonen wat het vleide, de vreugd van een dwerg,
+die den voet op 't hoofd van Goliath zou zetten, de vreugd van een
+jakhals, die een zieken stier begint te verslinden, te stervend om
+zich te kunnen verdedigen, maar nog levend genoeg om te lijden.
+
+De heer Leblanc viel hem niet in de rede, maar zeide, toen hij zweeg:
+
+"Ik weet niet, wat ge bedoelt. Gij vergist u. Ik ben een zeer arm man,
+en niets minder dan een millionair. Ik ken u niet. Ge ziet mij voor
+een ander aan."
+
+"Ha," krijschte Thénardier; "gij wilt nog verder met mij
+schertsen! Maar, 't is mis, man! Zoo, herinnert gij het u niet! Ziet
+gij niet wie ik ben?"
+
+"Verschoon mij, mijnheer," antwoordde de heer Leblanc op een beleefden
+toon, die op dit oogenblik iets zonderlings en machtigs had; "ik zie,
+dat ge een bandiet zijt."
+
+Wie heeft niet opgemerkt, dat de grootste booswichten een gevoelige
+plek hebben, dat monsters nog prikkelbaar zijn. Op dit woord "bandiet",
+sprong vrouw Thénardier uit het bed, greep Thénardier zijn stoel,
+als wilde hij dien in zijn hand vermorzelen.
+
+"Verroer u niet!" riep hij zijn vrouw toe, en tot den heer Leblanc
+zeide hij:
+
+"Een bandiet! ja, ik weet dat gij, rijke lieden, ons zoo noemt! Ja,
+'t is waar, ik ben bankroet gegaan, ik verberg mij, ik heb geen brood,
+geen geld, ik ben een bandiet! Sinds drie dagen heb ik niet gegeten,
+ik ben een bandiet! O, gij! gij warmt uw voeten, hebt schoenen van
+Sakoski, gewatteerde jassen, als van aartsbisschoppen; ge woont
+op de eerste verdieping in huizen met portiers, ge eet truffels,
+asperges, die in de maand Januari veertig francs de bos kosten;
+ge eet doperwtjes, ge smult; en als ge weten wilt of 't koud is,
+kijkt ge in de courant hoe de thermometer staat; wij, wij zijn
+zelven thermometers! Wij behoeven niet naar den toren de l'Horloge
+te gaan, om te zien hoeveel graden koud het is, wij voelen het bloed
+in onze aderen stollen en het ijs ons hart verstijven, en wij zeggen:
+Er is geen God! En gij komt in onze holen, ja, in onze holen, om ons
+bandieten te noemen. Maar wij zullen u verslinden! ja verslinden! Weet,
+mijnheer de millionair, dat ik een goed gevestigd, gepatenteerd man,
+een kiesgerechtigde, een burger ben geweest, en gij zijt het misschien
+niet, gij!"
+
+Nu trad Thénardier een schrede naar de mannen, die aan de deur stonden
+en voegde er wrokkend bij:
+
+"Als ik denk, dat hij tot mij durft spreken, alsof ik een schoenlapper
+ben."
+
+Met vermeerderde woede wendde hij zich weder tot den heer Leblanc:
+
+"Weet nog dit, mijnheer de menschenvriend! dat ik geen gluiper ben,
+ik ben geen man wiens naam men niet kent, en die de kinderen uit de
+huizen haalt. Ik ben een oud Fransch soldaat, ik moest gedecoreerd
+zijn. Ik was te Waterloo, ik! en in dien veldslag heb ik een generaal,
+graaf de Pontmercy, genaamd, gered! Weet ge wat deze schilderij, die
+David te Burqueselles (Brussel) heeft geschilderd, voorstelt? Zij
+stelt mij voor. David heeft dit wapenfeit willen vereeuwigen! Ik
+houd generaal Pontmercy op mijn rug en draag hem door het schrootvuur
+heen. Dat is de geschiedenis! Die generaal heeft zelfs nooit iets voor
+mij gedaan, hij was niet beter dan alle anderen. Ik redde niettemin,
+met gevaar van mijn leven, het zijne, en daarvan heb ik zakken vol
+getuigschriften. Ik ben een soldaat van Waterloo, duizend bommen! En,
+nu ik zoo goed ben geweest u dat alles te zeggen, nu moet er een
+einde aan komen; ik moet geld hebben, veel geld, ontzettend veel geld,
+of ik verdelg u, voor den d.....!"
+
+Marius had weder eenige macht op zich zelven gewonnen en luisterde. De
+laatste mogelijkheid van twijfel was verdwenen. 't Was wel degelijk
+de Thénardier van het testament. Marius huiverde bij dit verwijt van
+ondankbaarheid, tot zijn vader gericht, 't welk hij op 't punt was
+zoo noodlottig te rechtvaardigen. Zijn verlegenheid nam hierdoor
+toe. Overigens was in al de woorden van Thénardier, in zijn toon,
+in zijn gebaren, in zijn blik, die bij ieder woord vlammen schoot, in
+deze uitbarsting eener slechte natuur, die zich geheel vertoonde, in
+dit mengsel van pralerij en verworpenheid, van hoogmoed en nietigheid,
+van woede en dwaasheid, in dien baaierd van wezenlijke grieven en
+valsche gevoelens, in deze onbeschaamdheid van een slecht mensch, die
+zich aan den wellust van het geweld overgeeft, in deze ontvlamming
+van allerlei lijden, vermengd met allerlei haat--iets afschuwelijks
+als het kwade, iets treffends als de waarheid.
+
+Het meesterstuk, de schilderij van David, welke hij aan den heer
+Leblanc te koop had aangeboden, was, gelijk de lezer zal vermoed
+hebben, niets anders dan het uithangbord zijner kroeg, dat, zoo men
+zich herinnert, door hem zelven geschilderd was; het eenige wat van
+zijn schipbreuk te Montfermeil was overgebleven.
+
+Vermits hij zich uit het gezichtsveld van Marius had verwijderd,
+kon deze dit voorwerp nu aanschouwen, en in dit kladwerk erkende hij
+werkelijk een veldslag, een achtergrond vol damp en rook, en een man
+die een ander droeg. Dit was de groep van Thénardier en Pontmercy;
+de reddende sergeant, de geredde kolonel. Marius was als dronken, deze
+schilderij deed zijn vader om zoo te spreken herleven; 't was niet meer
+het uithangbord der kroeg van Montfermeil, 't was een verrijzenis;
+een graf opende zich, een schim richtte zich op. Marius hoorde zijn
+polsen kloppen; het kanon van Waterloo suisde in zijn ooren, zijn
+bloedende vader, onduidelijk op dit paneel voorgesteld, ontroerde hem,
+en 't was hem alsof deze wanstaltige figuur hem strak aanschouwde.
+
+Toen Thénardier weder in den adem was geschoten, richtte hij zijn
+bloedige oogen op den heer Leblanc en zeide met gesmoorde stem, kortaf:
+
+"Wat hebt ge te zeggen, vóór dat men tot andere middelen overgaat?"
+
+De heer Leblanc zweeg. Te midden der stilte, riep een ruwe stem in
+de gang deze gruwzame spotternij:
+
+"Zoo er hout moet gekloofd worden, ben ik gereed!"
+
+'t Was de man met de bijl, die grappig wilde zijn.
+
+Te zelfder tijd verscheen in de deur een aardkleurig, leelijk gezicht
+met afgrijselijken grijnslach, die geen tanden, maar brokken van
+tanden liet zien.
+
+'t Was het gezicht van den man met de bijl.
+
+"Waarom hebt ge uw masker afgedaan?" riep Thénardier toornig.
+
+"Om te lachen," antwoordde de man.
+
+Sedert eenige oogenblikken scheen de heer Leblanc al de bewegingen
+van Thénardier in 't oog te houden en te volgen, die, door zijn woede
+verblind en bedwelmd, heen en weder door het dievenhol liep, in het
+volle vertrouwen dat de deur goed bewaakt werd, in het bewustzijn dat
+hij een weerloos man in zijn macht had en zij negen tegen één waren,
+zelfs aannemende dat vrouw Thénardier slechts voor één man telde. Toen
+Thénardier tot den man met de bijl sprak, was hij met den rug naar
+den heer Leblanc gekeerd.
+
+Van dit oogenblik maakte deze gebruik, wierp met den voet den stoel,
+met de vuist de tafel omver, en in één sprong was hij met wonderbare
+vlugheid aan het venster, vóór Thénardier den tijd had gehad zich om
+te keeren. Het venster te openen, er in te klimmen, er het been uit
+te brengen was het werk van een oogenblik. Hij was er half buiten toen
+zeer forsche vuisten hem grepen en ruw in het vertrek terug trokken. 't
+Waren de drie "stokers", die op hem toegeschoten waren. Tegelijkertijd
+had vrouw Thénardier hem bij het haar gegrepen.
+
+Op het gerucht dat zij hoorden kwamen de overige bandieten uit de
+gang. De oude, die op het bed zat en dronken scheen, kwam er af en
+naderde waggelend, met een stratenmakershamer in de hand.
+
+Een der stokers, wiens zwartgemaakt gezicht door het kaarslicht werd
+beschenen en in wien Marius, in weerwil der zwarte kleur, Panchaud,
+bijgenaamd Printanier of Bigrenaille, herkende, hief boven het hoofd
+van den heer Leblanc een soort van knots op, zijnde een ijzeren staaf,
+aan beide einden met een looden kogel.
+
+Marius kon dat schouwspel niet langer uitstaan.--"Vergeef mij,
+mijn vader!" dacht hij, en zijn vinger zocht den trekker van zijn
+pistool. Hij was op 't punt om 't over te halen, toen Thénardier riep:
+
+"Doe hem geen leed!"
+
+Deze wanhopige poging van den bedreigde had Thénardier, in plaats
+van hem verwoed te maken, tot kalmte gebracht.
+
+In hem waren twee menschen, de wreede en de listige mensch. Tot hiertoe
+had, in de verrukking der zegepraal, tegenover de nedergedrukte,
+lijdelijke prooi, de wreede mensch het overwicht gehad, maar toen
+deze prooi weerstand bood en scheen te willen worstelen, kwam de
+listige mensch weder te voorschijn en kreeg de overhand.
+
+"Doe hem geen leed!" herhaalde hij, en zonder het te vermoeden,
+had hij in de eerste plaats het geluk Marius tegen te houden zijn
+pistool te lossen, daar het oogenblikkelijk gevaar scheen geweken te
+zijn, en hij in dezen nieuwen stand van zaken geen bezwaar vond nog
+te wachten. Wie weet, dacht hij, of niet 't een of ander gebeurt,
+dat mij van de vreeselijke keus bevrijdt, òf den vader van Ursula te
+doen omkomen, òf den redder van den kolonel in 't verderf te storten?
+
+Een reuzengevecht was ontstaan. Met een vuistslag tegen de borst had de
+heer Leblanc den oude in het midden der kamer doen rollen, daarop met
+twee slagen twee andere aanvallers nedergeworpen, die hij ieder onder
+een knie hield; de ellendigen kermden onder deze drukking als onder
+een molensteen; maar de vier anderen hadden den vreeselijken grijsaard
+bij de armen en den nek gegrepen, terwijl hij de twee nedergeworpen
+"stokers" steeds onder zijne knieën hield. Alzoo meester van de eenen
+en door de anderen overweldigd, de onder hem liggenden verpletterend,
+en stikkende onder de bovensten, vruchteloos al het geweld trachtende
+af te schudden, dat hem aanviel, werd de heer Leblanc onzichtbaar
+onder den afschuwelijken groep bandieten, evenals een wild zwijn
+onder een troep huilende doggen en jachthonden.
+
+'t Gelukte hun hem achterover op het naaste bed bij het venster te
+krijgen en er hem in bedwang te houden. Vrouw Thénardier had zijn
+haar niet losgelaten.
+
+"Bemoei gij er u niet meê," riep Thénardier. "Ge zult uw kleeren
+beschadigen."
+
+Vrouw Thénardier gehoorzaamde grommend, zooals de wolvin een wolf
+gehoorzaamt.
+
+"Onderzoekt hem nu," beval Thénardier aan de overigen.
+
+De heer Leblanc scheen van wederstand te hebben afgezien. Men
+doorzocht hem. Hij had niets bij zich dan een lederen geldbeurs,
+waarin zes francs, en zijn zakdoek.
+
+Thénardier stak den zakdoek bij zich.
+
+"Hoe, geen portefeuille?" vroeg hij.
+
+"Noch horloge," antwoordde een der "stokers."
+
+"Om 't even," zei, met een stem als van een buikspreker, de gemaskerde
+man met den grooten sleutel, "de oude is sterk."
+
+Thénardier ging naar den hoek bij de deur en nam den hoop touw,
+dien hij hun toewierp.
+
+"Bindt hem aan den voet van de krib," zeide hij en, den oude ziende,
+die, door den vuistslag van den heer Leblanc op den grond geworpen,
+was blijven liggen en zich niet bewoog, vroeg hij:
+
+"Is Boulatruelle dood?"
+
+"Neen," antwoordde Bigrenaille, "hij is dronken."
+
+"Veeg hem in een hoek," zei Thénardier.
+
+Twee "stokers" stieten den dronkaard met den voet naar den hoop
+oud ijzer.
+
+"Babet, waarom hebt ge er zooveel meêgebracht?" zei Thénardier zacht
+tot den man met den knuppel, "dit was niet noodig."
+
+"Wat zal ik zeggen?" antwoordde de man met den knuppel; "zij wilden
+er allen bij zijn. 't Is een slechte tijd; er valt zoo weinig te doen."
+
+De krib, waarop de heer Leblanc was geworpen, geleek als die uit
+een hospitaal en stond op vier dikke, ruwe vierkante pooten. De heer
+Leblanc hield zich lijdelijk. De bandieten bonden hem stevig, terwijl
+hij stond, met de voeten aan 't hoofdeneind der krib, die het verst
+van het venster en het dichtst bij den schoorsteen was.
+
+Toen de laatste knoop gelegd was, nam Thénardier een stoel en zette
+zich schier recht tegenover den heer Leblanc. Thénardier scheen niet
+meer dezelfde; in een oogenblik was zijn gezicht van dolle woede tot
+bedaarde, zachte en sluwe kalmte overgegaan. Marius kon nauwelijks
+in dien vriendelijken glimlach van den onderdanigen mensch, den
+dierlijken, even te voren schuimbekkenden man herkennen; met verbazing
+aanschouwde hij deze phantastische en verontrustende herschepping,
+en hij had het gevoel van iemand die een tijger in een solliciteur
+zag veranderen.
+
+"Mijnheer..." zei Thénardier.
+
+En met een handwenk de bandieten verwijderende, die den heer Leblanc
+nog vasthielden:
+
+"Gaat een weinig ter zijde en laat mij met dezen heer spreken."
+
+Allen traden naar de deur terug. Hij hernam:
+
+"Mijnheer, gij hadt ongelijk, uit het raam te willen springen. Gij
+hadt een been kunnen breken. Zoo ge het vergunt, willen wij nu eens
+bedaard spreken. Ik moet u vooreerst een opmerking mededeelen, die
+ik maakte, namelijk, dat ge nog niet den minsten kreet geslaakt hebt."
+
+Thénardier had gelijk, dit was werkelijk het geval, schoon het aan
+Marius in zijn verwarring ontgaan was. De heer Leblanc had nauwelijks
+eenige woorden gesproken, zonder zijn stem te verheffen, en zelfs in
+zijn worsteling tegen de zes bandieten bij het venster, had hij het
+diepste, zonderlingste zwijgen in acht genomen. Thénardier hernam:
+
+"Mijn hemel! ik zou het volstrekt niet vreemd hebben gevonden,
+zoo ge om hulp hadt geroepen! Men roept in sommige omstandigheden
+soms moord en brand! en ik zou u dit volstrekt niet kwalijk hebben
+genomen. 't Is heel natuurlijk dat men een weinig lawaai maakt,
+wanneer men met lieden is, wie men niet volkomen vertrouwt. Men
+zou 't u niet belet hebben; zelfs zou men u den mond niet hebben
+gestopt. Ik zal u zeggen waarom. 't Is omdat niets uit deze kamer kan
+gehoord worden. Dit is haar eenige goede eigenschap; 't is er echter
+een! Ze is als een kelder. Men zou hier een kanon kunnen afschieten,
+zonder dat dit aan de naaste wachtpost meer gerucht veroorzaakte,
+dan het snorken van een dronkaard. Hier verdooft evenzeer het kanon
+als de donder. 't Is een zeer gemakkelijke woning. Kortom, ge hebt
+niet geschreeuwd, dat is zeer goed; ik maak u mijn compliment en zal u
+zeggen wat ik hieruit afleid: Wanneer men schreeuwt komt de politie,
+en na de politie, de justitie. Welnu, gij hebt niet geschreeuwd,
+en bijgevolg hebt ge even weinig lust als wij om met de politie en
+justitie in aanraking te komen. En wel--zooals ik reeds sinds lang
+vermoedde--omdat gij er belang bij hebt iets te verbergen. Wij,
+van onzen kant hebben hetzelfde belang. Wij begrijpen elkander dus."
+
+Terwijl hij dus sprak scheen het alsof Thénardier, zijn blik op den
+heer Leblanc gericht, de dolken, die uit zijn oogen schoten, tot in
+het binnenste des harten van zijn gevangene wilde boren. Overigens
+was zijn taal, waarin een gematigde en wrokkende onbeschaamdheid lag,
+zuiver en schier gekuischt, en men ontdekte in dezen ellendeling, die
+zoo aanstonds slechts een bandiet was, nu den man die voor priester
+had gestudeerd. De stilte, die de gevangene had in acht genomen, deze
+voorzorg, die zelfs zoover ging, dat hij er zijn leven voor in de
+waagschaal stelde, die weerstand, aan de eerste opwelling der natuur
+geboden, die tot het slaken van een kreet aandreef, dit alles had,
+wij moeten 't bekennen, sedert hierop aanmerking gemaakt was, voor
+Marius iets onaangenaams en het verwonderde hem smartelijk.
+
+De zoo gegronde aanmerking van Thénardier hulde voor Marius in nog
+dieper duisternis dezen ernstigen, zonderlingen man, wien Courfeyrac
+den naam van mijnheer Leblanc had gegeven. Wie hij evenwel ook zijn
+mocht, deze man, met touwen gekneveld, omgeven door beulen, om zoo te
+zeggen half in een kuil geworpen, die ieder oogenblik dieper onder
+hem werd, hij bleef zoowel tegenover de woede als de zachtheid van
+Thénardier rustig en kalm. Marius kon niet nalaten op dit oogenblik
+zijn verheven treurig gezicht te bewonderen.
+
+'t Was blijkbaar iemand, wiens ziel geen verschrikking kende en die
+niet wist wat vertwijfeling was. 't Was een derzulken, die zelfs de
+verbazing in wanhopige omstandigheden weten te beheerschen. Hoe groot
+het gevaar was, hoe onvermijdelijk een noodlottigen afloop scheen,
+hij had niets van den doodsangst des drenkelings, die onder water
+zijn verschrikte oogen opent.
+
+Zonder gemaaktheid stond Thénardier op, naderde den schoorsteen, nam
+het scherm weg, dat hij tegen het naaste bed zette, en vertoonde alzoo
+het komfoor met gloeiende kolen, waarin de gevangene duidelijk den
+wit gegloeiden beitel kon zien, die met kleine roode vuursterretjes
+gespikkeld was.
+
+Toen zette hij zich weder voor den heer Leblanc.
+
+"Ik herhaal," zeide hij, "wij kunnen elkander verstaan. Laten wij onze
+zaak in der minne schikken. Ik had ongelijk mij aanstonds driftig te
+maken, ik weet niet wat mij in het hoofd kwam; ik ben te ver gegaan; ik
+heb dwaasheden gezegd. Bij voorbeeld, omdat gij millionair zijt, zeide
+ik, dat ik geld, veel geld, ontzaggelijk veel geld wilde hebben. Dit
+was onverstandig. Mijn hemel, gij moogt zoo rijk zijn als ge wilt;
+ge hebt ook uw nooden; wie heeft ze niet? ik wil u niet ruïneeren,
+ik ben in allen geval geen uitzuiger, ik behoor niet tot de lieden
+die, omdat zij de omstandigheden in hun macht hebben, daarvan tot het
+uiterste gebruik maken. Hoor, ik zal iets toegeven en van mijn kant een
+opoffering doen. Ik wil niet meer dan tweemaal honderd duizend francs."
+
+De heer Leblanc sprak geen woord. Thénardier ging voort:
+
+"Ge ziet dat ik terdeeg water in mijn wijn doe. Ik ken den staat van
+uw fortuin niet; maar ik weet, dat ge niet aan 't geld gehecht zijt,
+en een weldadig mensch als gij, kan wel tweemaal honderd duizend francs
+aan een huisvader geven, die niet gelukkig is.--Gij zijt zeker ook een
+verstandig mensch, en kunt u niet verbeeld hebben, dat ik mij heden
+al die moeite gegeven en de zaak voor dezen avond in orde gebracht
+zou hebben, dat een zeer moeielijk werk is geweest, zooals deze heeren
+kunnen getuigen, enkel om u eene kleinigheid te vragen, voor een glas
+wijn en een geringen maaltijd. Tweemaal honderd duizend francs komt
+er mij voor toe. Hebt ge deze eenmaal afgeschoven, dan verzeker ik u,
+dat alles is afgedaan en gij 't minst niet meer te vreezen hebt. Ge
+zult zeggen: Ik heb geen tweemaal honderd duizend francs bij mij. O,
+dat verlang ik ook niet; ik ben niet ongemakkelijk. Ik vraag u slechts
+de goedheid te hebben te schrijven wat ik u zal voorzeggen."
+
+Thénardier zweeg, vervolgens zeide hij, met meerder nadruk en een
+glimlachenden schuinschen blik op het komfoor slaande:
+
+"Ik waarschuw u vooraf, dat ik het voorwendsel, dat ge niet zoudt
+kunnen schrijven, niet aanneem."
+
+Een groot-inquisiteur zou hem dien glimlach benijd hebben. Thénardier
+schoof de tafel dicht bij den heer Leblanc, nam den inktpot, een pen
+en een vel papier uit de lade, welke hij half open liet, en waarin
+het lange mes glinsterde.
+
+Toen legde hij het vel papier voor mijnheer Leblanc.
+
+"Schrijf!" zeide hij.
+
+Eindelijk sprak de gevangene:
+
+"Hoe wilt ge dat ik schrijve? ik ben gebonden."
+
+"'t Is waar, vergeving! ge hebt gelijk," zei Thénardier; en zich tot
+Bigrenaille wendende:
+
+"Maak den rechterarm van Mijnheer los."
+
+Panchaud, genaamd Bigrenaille of Printanier, volbracht Thénardiers
+bevel. Toen de rechterhand van den gevangene los was, stak Thénardier
+de pen in den inkt en reikte ze hem.
+
+"Denk er wel aan, mijnheer, dat ge in onze macht zijt, geheel aan
+ons overgeleverd; dat geen menschelijke macht u hieruit kan redden
+en 't ons inderdaad zeer spijten zou, zoo wij gedwongen waren tot
+onaangename uitersten over te gaan. Ik ken noch uw naam, noch uw
+woonplaats, maar verwittig u, dat ge hier zoo lang gebonden zult
+blijven tot de persoon, welke uw brief zal bezorgen, teruggekeerd
+is. Wees nu zoo goed te schrijven."
+
+"Wat?" vroeg de gevangene.
+
+"Ik zal 't u voorzeggen."
+
+De heer Leblanc nam de pen.
+
+Thénardier begon te dicteeren.
+
+"Lieve dochter..."
+
+De gevangene ontroerde en zag op naar Thénardier.
+
+"Schrijf: "lieve dochter," hernam Thénardier. De heer Leblanc
+gehoorzaamde. Thénardier ging voort:
+
+"Kom terstond. Ik moet u noodzakelijk spreken. De persoon, die u dit
+briefje zal ter hand stellen, heeft in last u tot mij te brengen. Ik
+wacht u. Kom onbevreesd."
+
+De heer Leblanc had geschreven. Thénardier hernam:
+
+"Wacht! schrap "kom onbevreesd" uit; 't zou kunnen doen vermoeden
+dat er iets achter schuilt, en wantrouwen inboezemen."
+
+De heer Leblanc schrapte de beide woorden uit.
+
+"Zet nu uw naam," zeide Thénardier; "hoe heet ge?"
+
+De gevangene legde de pen neder en vroeg:
+
+"Voor wie is deze brief?"
+
+"Ge weet het immers," antwoordde Thénardier, "voor het meisje. Ik heb
+'t u straks gezegd."
+
+Het was duidelijk dat Thénardier vermeed het meisje te noemen, van 't
+welk spraak was. Hij zeide "de leeuwerik"--"het meisje", maar noemde
+geen naam. Een behendige voorzorg om tegenover zijn medeplichtigen
+het geheim te bewaren. Door den naam te noemen, zou hij hun de geheele
+"zaak" overgeleverd en meer gezegd hebben dan zij behoefden te weten.
+
+Hij hernam:
+
+"Teeken. Hoe heet ge?"
+
+"Urbain Fabre," zei de gevangene.
+
+Thénardier stak, met de beweging eener kat, zijn hand in zijn zak en
+haalde er den zakdoek van den heer Leblanc uit. Hij zocht er het merk
+op en trad dicht bij de kaars. "U. F. Juist. Urbain Fabre. Welnu,
+teeken U. F."
+
+De gevangene onderteekende.
+
+"Geef den brief; wijl men twee handen behoeft om hem dicht te vouwen,
+zal ik hem dichtvouwen."
+
+Na dit gedaan te hebben, hernam Thénardier:
+
+"Schrijf het adres. "Mejuffrouw Fabre" te uwen huize. Ik weet dat ge
+niet ver van hier woont, dicht bij de kerk St. Jacques du Haut-Pas,
+wijl ge er alle dagen ter mis gaat; maar ik weet niet in welke
+straat. Ik zie, dat ge uw toestand begrijpt. Wijl ge omtrent uw naam
+niet gelogen hebt, zult ge dit ook niet ten opzichte uwer woonplaats
+doen. Schrijf dus."
+
+De gevangene dacht een oogenblik na, toen nam hij de pen en schreef:
+
+"Mejuffrouw Fabre, ten huize van den heer Urbain Fabre, in de straat
+St. Dominique d'Enfer No. 17."
+
+Thénardier greep den brief met koortsachtige stuiptrekking.
+
+"Vrouw!" riep hij.
+
+Vrouw Thénardier kwam toeloopen.
+
+"Hier is de brief. Gij weet, wat ge te doen hebt. Een huurkoets
+wacht. Vertrek terstond en kom ten spoedigste terug."
+
+"Gij," voegde hij er bij, tot den man met de bijl gewend, "daar gij
+uw cache-nez hebt afgedaan, vergezel mijn vrouw; ga achter op het
+rijtuig staan. Ge weet waar ge het rijtuig gelaten hebt?"
+
+"Ja," zei de man; en zijn bijl in een hoek zettende, volgde hij
+vrouw Thénardier.
+
+Terwijl zij zich verwijderden stak Thénardier het hoofd door de half
+geopende deur en riep in de gang:
+
+"Verlies vooral den brief niet! Denk er aan, dat ge tweemaal honderd
+duizend francs bij u hebt."
+
+Vrouw Thénardier antwoordde met hare schorre stem:
+
+"Wees gerust; ik heb hem goed geborgen."
+
+Nauwelijks was een minuut verloopen, of men hoorde het klappen eener
+zweep, dat echter snel verflauwde en wegstierf.
+
+"Goed," mompelde Thénardier. "Zij rijden hard. Op die wijze zal mijn
+vrouw binnen drie kwartiers terug kunnen zijn."
+
+Toen schoof hij een stoel naar den schoorsteen, zette er zich op neer,
+met de armen over de borst geslagen, en stak zijn beslijkte voeten
+uit naar het komfoor.
+
+"Ik heb koude voeten," zeide hij.
+
+Nu waren in de kamer met Thénardier en den gevangene slechts nog vijf
+bandieten. Deze geleken, met hunne zwarte maskers of zwart gemaakte
+gezichten, kolenbranders, negers of duivels, overigens hielden
+zij zich onverschillig en stil; men gevoelde dat zij een misdaad
+pleegden, evenals zij iedere andere bezigheid zouden verrichten,
+bedaard, zonder toorn en zonder medelijden, zelfs met een zweem
+van verveling. Zij waren in een hoek als dieren samengedrongen en
+zwegen. Thénardier warmde zijn voeten. De gevangene was weder geheel
+zwijgend. Een akelige stilte was op het woest gerucht gevolgd, dat
+eenige oogenblikken te voren in het vertrek heerschte.
+
+De kaars, wier pit niet gesnoten was, verlichtte nauwelijks de holle
+ruimte, het vuur in het fornuis was verdoofd, en al deze gedrochtelijke
+hoofden vormden wanstaltige schaduwen op de muren en de zoldering.
+
+Men hoorde niets dan de geruste ademhaling van den dronken ouden man,
+die sliep.
+
+Marius wachtte, in een angst die door alle omstandigheden toenam. Het
+raadsel was onoplosbaarder dan ooit. Wie was dit "meisje" dat
+Thénardier ook de "leeuwerik" had genoemd? Was het "zijn Ursula?" Den
+gevangene scheen dat woord "de leeuwerik" niet getroffen te hebben
+en hij had op de eenvoudigste wijze der wereld geantwoord: "Ik
+weet niet wat ge meent." Van den anderen kant waren de twee letters
+U. F. verklaard, zij beteekenden Urbain Fabre, en Ursula heette niet
+meer Ursula. Dit was Marius van alles het duidelijkst. Een soort
+van betoovering hield hem op zijn plaats gekluisterd, van waar hij
+dit geheele tooneel aanschouwde en beheerschte. Hij was nauwelijks
+in staat te denken en zich te bewegen, en als vernietigd door de
+afschuwelijke omstandigheden, welke hij van zoo dicht bij zag. Hij
+wachtte, en hoopte op iets onverwachts, om 't even wat, want hij kon
+tot geen kalm overleg komen en wist niet wat te doen.
+
+"In allen geval," zeide hij bij zich zelven, "zoo zij de Leeuwerik is
+zal ik haar zien, want vrouw Thénardier zal haar hier brengen. Dan
+zal ik er mij meê bemoeien; ik zal, zoo 't zijn moet, mijn bloed en
+leven geven, maar ik zal haar bevrijden! Niets zal mij tegenhouden."
+
+Bijna een half uur verliep op deze wijze. Thénardier scheen in sombere
+gedachten verzonken te zijn; de gevangene verroerde zich niet. Evenwel
+meende Marius nu en dan, sinds eenige oogenblikken, een zacht gerucht
+van den kant des gevangenen op te merken.
+
+Eensklaps richtte Thénardier het woord tot den gevangene:
+
+"Luister, mijnheer Fabre, 't is even goed, dat ik 't u dadelijk zegge."
+
+Deze weinige woorden schenen het begin eener opheldering te
+zijn. Marius spitste de ooren. Thénardier vervolgde:
+
+"Word niet ongeduldig, mijn vrouw zal spoedig terugkomen. Ik
+geloof, dat de Leeuwerik werkelijk uw dochter is, en ik vind het
+heel natuurlijk, dat ge zorg voor haar draagt. Maar luister mijn
+vrouw brengt haar uw brief. Ik heb mijn vrouw gezegd, dat zij zich
+fatsoenlijk moest kleeden, zooals ge gezien hebt, opdat uw dochter
+haar zonder eenig bezwaar zou volgen. Beide zullen in de huurkoets
+plaats nemen en mijn kameraad achterop. Op zekere plaats buiten een der
+barrières staat een rijtuig met twee goede paarden. Daarheen voert men
+uwe dochter. Zij stapt uit de huurkoets. Mijn kameraad neemt met haar
+plaats in het rijtuig met twee paarden, en mijn vrouw komt hier terug,
+om te zeggen dat het geschied is. Uw dochter zal geen leed geschieden,
+het rijtuig voert haar naar een plaats, waar zij gerust en veilig is,
+en zoodra ge mij de tweemaal honderd duizend francs hebt gegeven,
+krijgt ge haar terug. Zoo ge mij laat in hechtenis nemen, weet mijn
+kameraad, wat hij met de Leeuwerik moet doen."
+
+De gevangene sprak niet. Na een pauze hernam Thénardier:
+
+"Ge ziet, 't is alles zeer eenvoudig. Er zal geen kwaad gebeuren,
+zoo ge 't zelf niet wilt. Ik verhaal u de zaak, en waarschuw u,
+opdat ge weet waaraan u te houden."
+
+Hij hield op, de gevangene bleef steeds zwijgen. Thénardier hernam:
+
+"Zoodra mijn vrouw terug is en gezegd heeft: De Leeuwerik is onderweg,
+zullen wij u loslaten en ge zijt vrij naar huis te gaan slapen. Ge
+ziet dat wij geen slechte bedoelingen hebben."
+
+Afgrijselijke beelden verrezen in Marius' geest.
+
+Men zou het meisje oplichten en niet hier brengen? een dier monsters
+zou haar in de duisternis wegvoeren! Waarheen?...
+
+En zoo zij het ware! En 't was duidelijk dat zij het was! Marius
+voelde het bloed in zijn hart stilstaan. Wat te doen? het pistool
+lossen! al deze ellendigen in de handen der justitie overleveren? Maar
+de vreeselijke man met de bijl zou desniettemin met het meisje buiten
+alle bereik zijn, en Marius dacht aan Thénardiers woorden, waarvan hij
+de bloedige beteekenis begreep: "Zoo ge mij laat in hechtenis nemen,
+weet mijn kameraad wat hij met de Leeuwerik doen moet."
+
+Nu was 't niet alleen het testament van den kolonel dat hem weerhield,
+maar tevens zijn liefde, het gevaar waarin zij, die hij beminde,
+verkeerde.
+
+Deze schrikkelijke toestand, die reeds langer dan een uur duurde,
+veranderde elk oogenblik van aanzien. Marius gaf zich aan de
+pijnlijkste gissingen over, trachtte een hoop te vinden, maar vond
+ze niet. De onrust van zijn geest was in zonderlingen strijd met de
+noodlottige stilte van het roovershol.
+
+Te midden der stilte hoorde men de voordeur openen en weder sluiten.
+
+De gevangene bewoog zich in zijn banden.
+
+"Daar is mijn vrouw terug," zei Thénardier.
+
+Hij had dit nauwelijks gezegd, toen vrouw Thénardier inderdaad rood,
+blazend, hijgend, met vlammende oogen binnenstormde en, met haar
+beide lompe handen tegelijk op haar heupen slaande, riep:
+
+"Een valsch adres!"
+
+De bandiet, dien zij had medegenomen, verscheen achter haar en nam
+weder zijn bijl.
+
+"Een valsch adres?" herhaalde Thénardier.
+
+Zij hernam:
+
+"Niemand! straat St. Dominique, nummer zeventien, geen mijnheer Urbain
+Fabre! Men kent er niemand van dien naam."
+
+Buiten adem zweeg zij; vervolgens hernam ze:
+
+"Thénardier, deze oude heeft u voor den gek gehouden; ge zijt al te
+goed, weet ge! ik zou hem, om te beginnen, anders hebben aangepakt,
+en, zoo hij niet goed wilde, hem levend gebraden hebben; ik zou hem
+wel gedwongen hebben te spreken en te zeggen waar het meisje, en
+waar het geld is! Zoo zou ik hebben gehandeld! Men heeft wel gelijk
+te zeggen dat de mannen dommer dan de vrouwen zijn. Niemand! nummer
+zeventien is een groote koetspoort! Geen mijnheer Fabre! In galop
+naar de straat St. Dominique rijden, drinkgeld voor den koetsier en
+alles voor niets! Ik heb den portier en de portierster gesproken,
+een schoone sterke vrouw; zij kenden den naam niet."
+
+Marius ademde ruimer. Zij, Ursula of de Leeuwerik, hij wist niet meer
+hoe haar te noemen, was gered.
+
+Terwijl de verwoede vrouw verwenschingen uitbraakte, had Thénardier
+zich op de tafel gezet; gedurende eenige oogenblikken sprak hij niet,
+schommelde met zijn rechterbeen en zag mijmerend, met woesten blik
+naar het komfoor.
+
+Eindelijk zeide hij langzaam, en met onderdrukte woede tot den
+gevangene:
+
+"Een valsch adres? wat hooptet ge dan toch?"
+
+"Tijd te winnen!" riep de gevangene met heldere, forsche stem.
+
+En tegelijkertijd schudde hij de touwen af; zij waren doorgesneden. De
+gevangene was nu nog slechts met een been aan de krib gebonden.
+
+Vóór de zeven mannen den tijd hadden zich te herstellen en zich op
+hem te werpen, bukte hij zich naar den schoorsteen, stak de hand
+naar het komfoor, en toen hij zich weder oprichtte waren Thénardier,
+zijn vrouw en de bandieten verschrikt achteruit geweken en staarden
+hem met ontzetting aan, terwijl hij genoegzaam geheel los en in eene
+vreeselijke houding boven zijn hoofd den gloeienden beitel zwaaide,
+die een heilloozen gloed wierp.
+
+Het gerechtelijk onderzoek, waartoe later deze aanslag in het huis
+Gorbeau aanleiding gaf, heeft aangetoond, dat in het vertrek een
+doorgesneden en op eigenaardige wijs bewerkt koperen soustuk werd
+gevonden, toen de politie er huiszoeking deed; dit soustuk was een
+staaltje van die wonderen der industrie, die het geduld in de bagno's
+weet voort te brengen, en welke kunststukken in de duisternis en ten
+dienste der duisternis vervaardigd, niets anders zijn dan werktuigen
+ter ontvluchting. Deze afschuwelijke en fijne voortbrengselen
+eener verwonderlijke kunst zijn in de bijouterie wat de beelden der
+dieventaal in de poëzie zijn. In het bagno zijn Benvenuto Cellina's,
+evenals er in de taal Villon's zijn. De rampzalige, die naar zijn
+vrijheid snakt, weet soms zonder werktuigen, met een oud mes, een
+koperen sou in tweeën te splijten, de twee plaatjes uit te hollen
+zonder de munt te beschadigen en een schroefdraad aan de randen
+te brengen, om beide stukken weder aaneen te sluiten. 't Is dan een
+doosje, dat men open en dicht kan schroeven, en waarin een horlogeveer
+wordt verborgen, met welke horlogeveer dikke ketens en ijzeren staven
+kunnen worden doorgesneden. Men gelooft, dat de arme tuchteling slechts
+een koperen sou bezit; neen, hij bezit de vrijheid. 't Was zulk een
+koperen sou, die, bij een later onderzoek der politie, open en in twee
+stukken onder het bed bij het venster werd gevonden. Men vond ook een
+klein zaagje van blauw staal, dat in den sou kon verborgen worden. 't
+Is waarschijnlijk dat, toen de bandieten den gevangene doorzochten,
+hij dat koperstuk, 't welk hij bij zich had, in zijn hand verborg en
+het vervolgens, toen zijn hand los was, openschroefde en zich van het
+zaagje bediende om de touwen door te snijden, waarmede hij gebonden
+was; 't geen het zacht gerucht en de schier onmerkbare bewegingen,
+welke Marius had opgemerkt, verklaart.
+
+Wijl hij, uit vrees van zich te verraden, niet durfde bukken, had
+hij de koorden van zijn linkerbeen niet doorgesneden.
+
+De bandieten hadden zich van hun eerste verbazing hersteld.
+
+"Wees gerust," zei Bigrenaille tot Thénardier, "hij is nog aan een
+been gebonden en zal niet wegloopen. Ik sta er voor in. Ik heb dien
+poot gebonden."
+
+Nu sprak de gevangene:
+
+"Ge zijt ellendigen, ofschoon mijn leven niet der moeite waard is het
+zoo te verdedigen. Zoo ge echter meent, dat ge mij zult doen spreken,
+doen schrijven, wat ik niet zeggen, wat ik niet schrijven wil..."
+
+Hij stroopte de mouw van zijn linkerarm op en voegde er bij:
+
+"Zietdaar!"
+
+Toen strekte hij zijn arm uit en hield op het bloote vleesch den
+gloeienden beitel, welke hij bij den houten steel in de rechterhand
+hield.
+
+Men hoorde het gesis van het brandende vleesch, en een brandlucht
+verspreidde zich in het vertrek. Marius waggelde van ontzetting, zelfs
+de bandieten ijsden; maar de grijsaard vertrok schier geen gezicht,
+en terwijl het gloeiend ijzer dieper in de rookende wond ging,
+richtte hij rustig en zonder toorn op Thénardier zijn edelen blik,
+waarin de smart zich in kalme majesteit oploste.
+
+Bij groote en sterke karakters doet de strijd van het vleesch en der
+zinnen tegen stoffelijke pijn de ziel te voorschijn komen en zich op
+'t gelaat vertoonen; evenals bij onderlingen strijd der soldaten de
+kapitein genoodzaakt is te voorschijn te treden.
+
+"Ellendigen," zeide hij, "hebt evenmin vrees voor mij, als ik vrees
+voor u heb!"
+
+En den beitel van de wond nemende, wierp hij hem uit het open geblevene
+venster; het vreeselijk gloeiend werktuig verdween in den nacht,
+om op een afstand in de sneeuw uit te dooven.
+
+De gevangene hernam:
+
+"Doet met mij wat ge wilt."
+
+Hij was weerloos.
+
+"Vat hem!" zei Thénardier.
+
+Twee bandieten grepen hem bij de schouders; en de gemaskerde man met
+de stem van een buikspreker, stond tegenover hem, gereed om hem bij
+de minste beweging met den sleutel de hersenpan te verbrijzelen.
+
+Terzelfder tijd hoorde Marius beneden zich, maar te dicht bij den wand
+om de sprekers te kunnen zien, deze zacht gefluisterde samenspraak:
+
+"Er blijft nog maar één ding te doen over."
+
+"Hem koud te maken."
+
+"Ja."
+
+'t Waren de man en de vrouw die raadpleegden.
+
+Thénardier naderde langzaam de tafel, opende de lade en nam er het
+mes uit.
+
+Marius omklemde den knop van het pistool. Hij was in de ontzettendste
+vertwijfeling. Gedurende twee uren spraken twee stemmen in zijn
+binnenste, de eene zeide hem, dat hij het testament zijns vaders moest
+eerbiedigen, de andere riep hem toe, dat hij den gevangene te hulp
+moest komen. Onverpoosd zetten deze twee stemmen haar strijd voort,
+die hem in doodsangst bracht. Tot hiertoe had hij onbepaald gehoopt
+een middel te zullen vinden om deze twee plichten in overeenstemming
+te brengen, maar er had zich niets hiertoe aangeboden. Het gevaar werd
+intusschen dreigend, de laatste grens van den aanslag was overschreden;
+op korten afstand van den gevangene stond Thénardier in gedachten,
+met het mes in de hand.
+
+Marius liet zijn blik rondweiden, het laatste werktuiglijk middel
+der wanhoop.
+
+Eensklaps ontroerde hij.
+
+Onder zijn voeten op de tafel lag een papier, dat door de maan helder
+verlicht en hem als aangewezen werd. Op dat blad las hij dezen regel,
+dien zelfden ochtend door de oudste dochter van Thénardier met groote
+letters geschreven:
+
+de dienders komen.
+
+Een gedachte, een uitkomst verrees in Marius' geest; dit was het
+middel wat hij zocht, de oplossing van het vreeselijke raadsel, 't
+welk hem folterde; den moordenaar te sparen, het offer te redden. Hij
+boog zich op de commode, stak den arm uit, nam het papier, maakte
+zacht een stuk kalk van den wand los, wikkelde het in het papier,
+en wierp een en ander door de opening te midden van het dievenhol.
+
+'t Was tijd. Thénardier had zijn laatste bedenkingen, zijn laatsten
+schroom overwonnen, en naderde den gevangene.
+
+"Er valt iets," riep vrouw Thénardier.
+
+"Wat is 't?" zei de man.
+
+De vrouw was toegesneld, en had het in 't papier gewikkelde stuk kalk
+opgeraapt. Zij gaf het haar man.
+
+"Waar is dit vandaan gekomen?" vroeg Thénardier.
+
+"Waar zou 't anders vandaan gekomen zijn, dan door het venster,"
+zei de vrouw.
+
+"Ik heb 't zien vallen," zei Bigrenaille.
+
+Haastig opende Thénardier het papier en hield het bij het licht.
+
+"'t Is Epopine's schrift. Duivels!"
+
+Hij wenkte zijn vrouw, die schielijk naderde, en toonde haar den op
+het papier geschreven regel, met doffe stem zeggende:
+
+"Haastig! de ladder! laat ons maken dat we weg komen! het spek moge
+in de val achterblijven."
+
+"Zonder den kerel den hals af te snijden?" vroeg vrouw Thénardier.
+
+"Wij hebben geen tijd."
+
+"Waarheen?" vroeg Bigrenaille.
+
+"Door het venster," antwoordde Thénardier. "Dewijl Ponine den steen
+door het venster heeft geworpen, is aan die zijde het huis niet
+omsingeld."
+
+De gemaskerde, met de stem eens buiksprekers, legde den grooten
+sleutel op den vloer, hief beide armen omhoog en opende en sloot
+driemalen zijn handen, zonder iets te zeggen. Dit was het teeken tot
+den aftocht. De bandieten, die den gevangene vast hielden, lieten
+hem los; in een oogwenk was de touwladder uit het venster en stevig
+met de twee ijzeren haken aan 't kozijn gehecht.
+
+De gevangene sloeg geen acht op 't geen gebeurde. Hij scheen te denken
+of te bidden.
+
+Zoodra de touwladder was vastgemaakt, riep Thénardier:
+
+"Kom, vrouw!"
+
+En hij ijlde naar het raam.
+
+Maar toen hij er uit wilde klimmen, greep Bigrenaille hem ruw bij
+den kraag.
+
+"Neen, neen, oude snaak! na ons!"
+
+"Na ons!" brulden de bandieten.
+
+"Ge zijt kinderachtig," zei Thénardier, "wij verliezen tijd. De
+dienders zijn ons op de hielen."
+
+"Nu," zei een der bandieten, "laat er ons om trekken, wie 't eerst
+zal gaan."
+
+Maar Thénardier riep:
+
+"Zijt ge dwaas! zijt ge zinneloos! Welk een hoop botteriken, tijd
+verspillen, niet waar? er om trekken, met strootjes, of de namen op
+papiertjes schrijven en ze in een pet schudden...."
+
+"Wilt ge mijn hoed?" riep een stem op den drempel.
+
+Allen zagen om. 't Was Javert!
+
+Hij had zijn hoed in de hand en hield hem hun glimlachend toe.
+
+
+
+
+
+
+EEN-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+MEN MOET ALTIJD EERST DE OFFERS VATTEN.
+
+
+Javert had, zoodra het donker werd, agenten op de loer gesteld en zelf
+zich achter de boomen der straat de la Barrière der Gobelins tegenover
+het huis Gorbeau en den boulevard verscholen. Hij was begonnen met de
+twee meisjes te willen inpakken, die gelast waren de toegangen van
+het huis te bewaken. Doch hij had alleen Azelme gevat. Eponine was
+niet meer op haar post, maar verdwenen, en hij had haar niet kunnen
+vangen. Toen had Javert gewacht naar het afgesproken teeken. Het heen
+en weder rijden van het huurrijtuig had hem in niet geringe onrust
+gebracht. Eindelijk was hij ongeduldig geworden, en in de overtuiging
+dat hier een nest was, en zeker dat er een vangst was te doen, wijl
+hij verscheidene bandieten had herkend, die waren binnengegaan,
+besloot hij ten laatste ook binnen te gaan, zonder langer op het
+pistoolschot te wachten.
+
+Men weet, dat hij den huissleutel van Marius had. Hij was te juister
+ure gekomen.
+
+De verschrikte bandieten wierpen zich op de wapens, welke zij in alle
+hoeken hadden geworpen, toen zij wilden vluchten. In minder dan een
+seconde tijds groepeerden zich deze zeven afschuwelijke lieden in
+een verdedigende houding, de eene met zijn bijl, de andere met zijn
+sleutel, de derde met den knuppel, de anderen met staven, tangen
+en hamers; Thénardier met het mes in de hand. Vrouw Thénardier nam
+een grooten straatsteen, die in een hoek lag en haar dochters tot
+zitbankje diende.
+
+Javert zette den hoed weder op, deed een paar schreden in de kamer,
+met de armen over elkander, den stok onder den arm, den degen in
+de scheede.
+
+"Halt!" riep hij. "Gij zult niet door het venster, maar door de deur
+gaan; dit is niet zoo gevaarlijk. Gij zijt zeven man sterk, wij zijn
+met ons vijftienen. Laat ons dus niet als straatjongens vechten. Houdt
+uw fatsoen."
+
+Bigrenaille nam een pistool, dat hij onder zijn kiel droeg, en gaf
+het Thénardier, dezen in 't oor fluisterend: "'t Is Javert. Ik durf
+op dien man niet te schieten. Durft gij?"
+
+"Waarom niet?" antwoordde Thénardier.
+
+"Schiet dan!"
+
+Thénardier nam het pistool, en legde op Javert aan.
+
+Javert, die drie schreden van hem stond, aanschouwde hem strak en
+zeide niets anders dan:
+
+"Schiet niet; het pistool zal ketsen."
+
+Thénardier drukte af. Het pistool weigerde.
+
+"Heb ik 't niet gezegd!" riep Javert.
+
+Bigrenaille wierp zijn knots Javert voor de voeten, en zeide:
+
+"Gij zijt de keizer der duivels! ik geef mij over."
+
+"En gij?" vroeg Javert de andere bandieten.
+
+Zij antwoordden:
+
+"Wij ook."
+
+Javert hernam bedaard:
+
+"Zoo is 't goed, ik heb u immers gezegd, dat ge uw fatsoen moest
+houden."
+
+"Slechts één verzoek," hernam Bigrenaille; "dat men mij tabak geve,
+zoo lang ik opgesloten ben."
+
+"Toegestaan," zei Javert.
+
+En zich omkeerende, riep hij:
+
+"Komt nu binnen!"
+
+Verscheiden stadssergeanten, met den degen in de vuist, en
+politieagenten, met knuppels en stokken gewapend, stormden toe op
+Javerts geroep. Men knevelde de bandieten. Deze troep menschen,
+ternauwernood door een kaars beschenen, vervulden het hol met
+duisternis.
+
+"Allen de duimschroeven aangelegd!" riep Javert.
+
+"Nadert als ge durft," riep een stem, die geen mannenstem scheen,
+doch welke niemand voor een vrouwenstem zou erkend hebben. Vrouw
+Thénardier had zich in een hoek bij het venster verschanst en deze
+woorden uitgebraakt.
+
+De stadssergeanten en politieagenten traden achteruit.
+
+Zij had haar shawl afgeworpen, maar haar hoed opgehouden; haar man,
+achter haar gehurkt, was schier onzichtbaar onder den gevallen shawl,
+en zij dekte hem met haar lichaam, terwijl zij met beide handen den
+straatsteen boven haar hoofd hief, als een reuzin die een rotsklomp
+wil slingeren.
+
+"Neemt u in acht!" riep zij.
+
+Allen deinsden naar de gang. Een groote ruimte ontstond in 't midden
+van 't vertrek.
+
+Vrouw Thénardier sloeg een blik op de bandieten, die zich hadden
+laten binden, en mompelde met schorre, barsche stem:
+
+"Lafaards!"
+
+Javert trad glimlachend in de ledige ruimte, die vrouw Thénardier
+met bliksemende oogen beheerschte.
+
+"Nader niet, ga!" riep zij, "of ik verpletter u!"
+
+"Een grenadier!" riep Javert; "ge hebt een baard als een man, wijfje,
+maar ik heb nagels als een vrouw."
+
+Hij naderde haar dichter.
+
+Vrouw Thénardier, die schrikkelijk was om te zien, met haar woest
+vliegend haar, zette de beenen van elkander, boog zich achterover en
+wierp uit alle macht de straatkei naar Javerts hoofd. Javert bukte,
+de steen vloog over hem, tegen den muur, waarvan brokken kalk vielen,
+en rolde achter de voeten van Javert.
+
+Ter zelfder tijd naderde Javert het echtpaar Thénardier. Hij legde
+een zijner forsche vuisten op den schouder der vrouw, en de andere
+op het hoofd van den man.
+
+"De duimschroeven!" riep hij.
+
+De politieagenten kwamen toeschieten, en in weinige seconden was
+Javerts bevel volbracht.
+
+Vrouw Thénardier was als verpletterd, zij zag haar handen en die van
+haar man gekneveld, zonk op den grond en riep weenend:
+
+"Mijn dochters!"
+
+"Zij zijn in zekerheid," zei Javert.
+
+Ondertusschen hadden de politieagenten den slapenden dronkaard achter
+de deur gevonden en schudden hem. Hij werd wakker en stamelde:
+
+"Is 't gedaan, Jondrette?"
+
+"Ja," antwoordde Javert.
+
+De zes bandieten stonden gekneveld; zij hadden overigens nog hun
+spookachtig voorkomen; drie met zwartgemaakte gezichten, drie
+gemaskerd.
+
+"Houdt uw maskers," zei Javert.
+
+Hij monsterde ze toen met een blik als dien van Frederik II op de
+parade van Potsdam, en zeide tot de drie "stokers":
+
+"Goeden dag, Bigrenaille! Goeden dag, Brujon! Goeden dag,
+Deux-Milliards!"
+
+En zich toen tot de drie gemaskerden wendende, zeide hij tot den man
+met de bijl:
+
+"Goeden dag, Gueulemer!"
+
+Tot den man met den knuppel:
+
+"Goeden dag, Babet!"
+
+En tot den buikspreker:
+
+"Wees gegroet, Claquesous!"
+
+In hetzelfde oogenblik ontdekte hij den gevangene der bandieten,
+die sedert de komst der politieagenten geen woord had gesproken en
+zijn hoofd gebogen hield.
+
+"Maakt mijnheer los!" zei Javert, "en dat niemand de kamer verlate!"
+
+Dit gezegd hebbende ging hij met waardigheid aan de tafel zitten,
+waarop nog de kaars en de inktpot stonden, nam een gezegeld papier
+uit zijn zak en begon zijn proces-verbaal.
+
+Toen hij eenige regels geschreven had, behelzende de gewone formules,
+sloeg hij de oogen op, zeggende:
+
+"Laat de heer naderen, dien deze heeren gebonden hadden."
+
+De agenten zagen naar hem om.
+
+"Nu," vroeg Javert, "waar is hij?"
+
+De gevangene der bandieten, de heer Leblanc, de heer Urbain Fabre,
+de vader van Ursula of de Leeuwerik, was verdwenen.
+
+De deur was bewaakt, maar het venster niet. Zoodra hij los was en
+terwijl Javert het proces-verbaal schreef, had hij van de verwarring,
+het gewoel, het gedrang, de duisternis en van een oogenblik dat men
+niet op hem lette, gebruik gemaakt om door het venster te ontvluchten.
+
+Een agent ijlde naar het raam en zag er uit. Hij zag niemand.
+
+De touwladder slingerde nog.
+
+"Verduiveld!" zei Javert binnensmonds, "dit moest de beste van de
+vangst zijn!"
+
+
+
+
+
+
+TWEE-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.
+
+DE KLEINE DIE IN HET TWEEDE DEEL SCHREEUWDE.
+
+
+Den dag, nadat deze gebeurtenissen in het huis op den boulevard de
+l'Hopital waren voorgevallen, ging een knaap, die van de brug van
+Austerlitz scheen te komen, langs het rechter voetpad naar de barrière
+van Fontainebleau. 't Was een donkere avond.
+
+Deze knaap was bleek, mager, in lompen gekleed, met een linnen broek,
+hoewel 't Februari was, en zong luidkeels.
+
+Om den hoek der straat Petit-Banquier stond een oude vrouw bij een hoop
+vuilnis gebogen, waarin zij bij het licht der straatlantaarn zocht. De
+knaap stiet haar in het voorbijgaan, trad toen achteruit en riep:
+
+"Kijk, ik dacht dat 't een groote hond was!"
+
+Hij herhaalde op spottenden en gerekten toon het woord, alsof men
+schrijven zou "groote hond."
+
+De vrouw richtte zich verwoed op.
+
+"Leelijke bengel!" bromde zij. "Zoo ik niet gebukt had gestaan,
+zou ik u een schop voor uw .... gegeven hebben."
+
+De knaap was reeds op behoorlijken afstand.
+
+"Ksch! ksch! Nu zie ik dat ik mij niet vergist heb!" tergde hij.
+
+De oude vrouw, van woede stikkend, richtte zich geheel op, en het roode
+licht der lantaarn bescheen haar bleek, hoekig, gerimpeld gelaat. Men
+zag niets dan haar hoofd, daar 't overige van haar lichaam in de
+schaduw was gehuld. Zij geleek het beeld der afgeleefdheid, door een
+lichtstraal in den nacht beschenen. De knaap keek haar aan.
+
+"Mevrouw bezit de soort van schoonheid niet die mij zou
+behagen!" schimpte hij.
+
+Toen zette hij zijn weg voort, zingende:
+
+
+ Le roi Coupdesabot
+ S'en allait à la chasse,
+ A la chasse aux corbeaux...
+
+
+Na deze drie regels zweeg hij. Hij bevond zich voor het huis No. 50-52,
+en de deur gesloten vindende begon hij er met zulk een geweld tegen
+te schoppen en te trappen, dat het gerucht veelmeer de mansschoenen
+die hij droeg dan de kindervoeten die hij had, deed uitkomen.
+
+Intusschen was de oude vrouw, welke hij aan den hoek der straat
+Petit-Banquier had ontmoet, hem nageloopen en schreeuwde en dreigde
+hem.
+
+"Wat is dat? wat is dat?" riep zij. "Heer, mijn God! men trapt de
+deur in; men vernielt het huis!"
+
+De knaap ging voort met tegen de deur te trappen.
+
+De oude vrouw riep buiten adem:
+
+"Gaat men tegenwoordig zoo met de huizen om!"
+
+Eensklaps hield zij stil. Zij had den straatjongen herkend.
+
+"Hoe! is 't deze duivel?"
+
+"Ha! 't is de oude!" zei de knaap. "Dag, moeder Burgon! Ik kom mijn
+oudelui bezoeken."
+
+De oude vrouw antwoordde, met een gezicht dat haat, ouderdom en
+leelijkheid uitdrukte, 't geen helaas echter in de duisternis
+verloren ging:
+
+"Er is niemand in huis, kwâjongen."
+
+"Zoo!" hernam de knaap, "waar is dan mijn vader?"
+
+"In de gevangenis."
+
+"Zoo! en mijn moeder?"
+
+"In de gevangenis."
+
+"Zoo, en mijn zusters?"
+
+"In de gevangenis."
+
+De knaap krabde zich achter het oor, zag vrouw Burgon aan en zeide
+eenvoudig: "Zoo!"
+
+Toen draaide hij zich op de hielen om, en een oogenblik later hoorde
+de oude vrouw, die hem aan de deur nazag, hem met heldere, jeugdige
+stem zingen, terwijl hij onder de donkere boomen, die in den nachtwind
+floten, verdween:
+
+
+ Le roi Coupdesabot
+ S'en allait à la chasse,
+ A la chasse aux corbeaux,
+ Monté sur des échasses.
+ Quand on passait dessous,
+ On lui payait deux sous.
+
+
+
+ EINDE VAN HET DERDE DEEL.
+
+
+
+
+
+
+
+INHOUD.
+
+
+Boek I.
+
+Parijs in zijn atomen bestudeerd.
+
+ Bladz.
+ I. Parvulus 7
+ II. Eenige zijner bijzondere kenteekenen 8
+ III. Hij is behagelijk 9
+ IV. Hij kan nuttig zijn 10
+ V. Zijn grenzen 11
+ VI. Een weinig geschiedenis 12
+ VII. De straatjongen vindt zijn plaats in de klassificatie
+ der Indiën 14
+ VIII. Een vriendelijk woord van den laatsten koning 16
+ IX. De oude geest van Gallië 17
+ X. Ecce Paris, ecce Homo 18
+ XI. Schertsen en heerschen 20
+ XII. De in het volk besloten toekomst 22
+ XIII. De kleine Gavroche 23
+
+
+Boek II.
+
+De groote burger.
+
+ I. Negentig jaren en twee-en-dertig tanden 29
+ II. Zoo de man, zoo de woning 30
+ III. Zijn doopnamen 32
+ IV. Een aspirant naar de honderd jaar 33
+ V. Basque en Nicolette 34
+ VI. Magnon met hare twee kinderen 35
+ VII. Regel: ontvang alleen des avonds bezoek 36
+ VIII. Twee maken geen paar 37
+
+
+Boek III.
+
+De grootvader en de kleinzoon.
+
+ I. Een voormalig salon 43
+ II. Een der roode spoken van dien tijd 46
+ III. Requiescant 52
+ IV. De bandiet sterft 59
+ V. Om revolutionair te worden, is 't zeer goed de mis
+ bij te wonen 62
+ VI. Wat er van komt, als men een kerkmeester ontmoet 64
+ VII. Een vrouw in 't spel 70
+ VIII. Marmer tegen graniet 74
+
+
+Boek IV.
+
+De vrienden van het A. B. C.
+
+ I. Een groep, die bijna tot de historie had behoord 81
+ II. Lijkrede van Bossuet op Blondeau 93
+ III. Marius is verbaasd 96
+ IV. De achterkamer van het koffiehuis Musain 98
+ V. Uitbreiding van den gezichteinder 105
+ VI. Res Augusta 108
+
+
+Boek V.
+
+Het nut des ongeluks.
+
+ I. Marius behoeftig 115
+ II. Marius is arm 117
+ III. Marius groot geworden 120
+ IV. De heer Mabeuf 124
+ V. Armoede is een goede gebuur voor ellende 128
+ VI. De plaatsvervanger 130
+
+
+Boek VI.
+
+De conjunctie van twee sterren.
+
+ I. Hoe familienamen ontstaan 137
+ II. En 't werd licht 139
+ III. Werking der lente 141
+ IV. Begin eener zware ziekte 142
+ V. Juffrouw Bougon wordt door verscheidene
+ bliksemstralen getroffen 145
+ VI. Gevangen gemaakt 146
+ VII. Gissingen nopens de letter U 148
+ VIII. Zelfs invaliden kunnen gelukkig zijn 150
+ IX. Eclips 151
+
+
+Boek VII.
+
+Patron-Minette.
+
+ I. De mijnen en de mijnwerkers 157
+ II. De diepte 159
+ III. Babet, Gueulemer, Claquesous en Montparnasse 161
+ IV. Samenstelling der bende 163
+
+
+Boek VIII.
+
+De slechte arme.
+
+ I. Marius zoekt een meisje met een hoed, en ontmoet een
+ man met een pet 169
+ II. Een vond 170
+ III. Vier brieven 172
+ IV. Een roos in ellende 176
+ V. Het spiegat 182
+ VI. De wilde mensch in zijn hol 185
+ VII. Strategie en tactiek 188
+ VIII. Een lichtstraal in het hol 192
+ IX. Jondrette weent bijna 194
+ X. Tarief der huurrijtuigen: twee francs in 't uur 197
+ XI. Dienstaanbieding van de armoede aan de smart 200
+ XII. Besteding van het vijffrancsstuk van den heer Leblanc 203
+ XIII. Twee alleen bidden niet op een afgelegen plaats 207
+ XIV. Waarin een politieagent twee pistolen aan een
+ advocaat geeft 209
+ XV. Jondrette doet inkoopen 213
+ XVI. Het liedje op een Engelsche wijs, in 1832 in de mode 215
+ XVII. Hoe het vijffrancsstuk van Marius besteed werd 218
+ XVIII. De twee stoelen van Marius staan tegenover elkander 222
+ XIX. Een donkere achtergrond 223
+ XX. De hinderlaag 227
+ XXI. Men moet altijd eerst de offers vatten 249
+ XXII. De kleine die in het tweede deel schreeuwde 252
+
+
+
+
+
+
+
+AANTEEKENINGEN
+
+
+[1] Steek den slip van uw hemd in uw broek, opdat men niet zegge,
+dat de patriotten de witte vlag hebben uitgehangen.
+
+[2] Een onvertaalbare woordspeling op Desolles, Decases en Deserre. De
+beteekenis van dit tweeregelig vers is, dat, om den op zijn grond
+vesten geschokten troon te schragen, men van bodem, de sol, van
+broeikas, de serre, en van hut, de case, veranderen moet; alzoo
+Desolles, Deserre, Decases moesten vervangen worden.
+
+[3] Een woordspeling. Door van suspendu (geschorst) de eerste
+lettergreep sus te nemen, krijgt men pendu (gehangen).
+
+[4] L'Aigle de Meaux. Aldus werd Bossuet genoemd, die bisschop te
+Meaux was.
+
+[5] Zoo Cesar mij roem en oorlog had gegeven en ik daarvoor de liefde
+mijner moeder missen moest, zou ik den grooten Cesar zeggen: neem uw
+schepter en uw zegekar terug, ik heb mijn moeder nog liever.
+
+[6] La belle bouda et le dragon. Hierop slaat Bouddha en draak.
+
+[7] Zij moge schijnen of stralen,
+ De beer keert naar zijn hol terug.
+
+[8] Onze liefde duurde een geheele week; maar hoe kort zijn de
+oogenblikken des geluks! 't Is niet der moeite waard acht dagen te
+beminnen! De tijd der liefde moest immer duren; immer, immer duren!
+
+[9] Gij verlaat mij om roem te behalen; mijn treurig hart volgt alom
+uw schreden.
+
+
+
+
+
+
+End of Project Gutenberg's De Ellendigen (Deel 3 van 5), by Victor Hugo
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE ELLENDIGEN (DEEL 3 VAN 5) ***
+
+***** This file should be named 37749-8.txt or 37749-8.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ https://www.gutenberg.org/3/7/7/4/37749/
+
+Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
+Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ for Project
+Gutenberg.
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+https://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at https://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at https://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit https://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including including checks, online payments and credit card
+donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ https://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.