diff options
| author | Roger Frank <rfrank@pglaf.org> | 2025-10-14 20:08:43 -0700 |
|---|---|---|
| committer | Roger Frank <rfrank@pglaf.org> | 2025-10-14 20:08:43 -0700 |
| commit | 6619f28d79c95b86e50d1feba35a4301a222437f (patch) | |
| tree | 5c21bc22051cc66d0b1741e718063030e0726a28 /37749-8.txt | |
Diffstat (limited to '37749-8.txt')
| -rw-r--r-- | 37749-8.txt | 12000 |
1 files changed, 12000 insertions, 0 deletions
diff --git a/37749-8.txt b/37749-8.txt new file mode 100644 index 0000000..b1b34c5 --- /dev/null +++ b/37749-8.txt @@ -0,0 +1,12000 @@ +The Project Gutenberg EBook of De Ellendigen (Deel 3 van 5), by Victor Hugo + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: De Ellendigen (Deel 3 van 5) + +Author: Victor Hugo + +Release Date: October 13, 2011 [EBook #37749] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ISO-8859-1 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE ELLENDIGEN (DEEL 3 VAN 5) *** + + + + +Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed +Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ for Project +Gutenberg. + + + + + + + + + DE ELLENDIGEN + + Naar het Fransch + Van + VICTOR HUGO. + + Opnieuw bewerkt. + + Derde deel. + + + + Arnhem en Nijmegen, + Gebrs. E. & M. Cohen. + + + + + + + +BOEK I. + +PARIJS IN ZIJN ATOMEN BESTUDEERD. + + +EERSTE HOOFDSTUK. + +PARVULUS. + + +Parijs heeft een kind, en het bosch een vogel; de vogel heet musch; +het kind heet gamin (straatjongen). + +Vereenig deze twee denkbeelden, die het eene een vuurhaard, het +andere het morgenrood bevatten, breng deze twee vonken in aanraking; +Parijs, de kindsheid, en er ontstaat een klein wezen. Homuncio zou +Plautus zeggen. + +Dit kleine wezen is vroolijk. Hij eet niet alle dagen, maar gaat zoo +'t hem goeddunkt alle avonden naar den schouwburg. Hij heeft geen hemd +aan 't lijf, geen schoenen aan de voeten, geen dak boven het hoofd, +hij is als de vliegen des hemels, die van dat alles niets hebben. Hij +is tusschen de zeven en dertien jaar oud, leeft in troepen, zwerft +langs de straat, woont onder den blooten hemel, draagt een oude broek +van zijn vader, die hem op de hielen hangt, een ouden hoed van een +anderen vader, die hem over de ooren zit, een draagband van gele +zelfkant; hij loopt, ziet, vraagt, verslijt den tijd, rookt, vloekt +als een heiden, bezoekt de kroegen, kent de dieven, spreekt gemeenzaam +met publieke vrouwen, kent de dieventaal, zingt onzedelijke liedjes, +maar heeft niets kwaads in 't hart. Want zijn ziel bezit een parel, +de onschuld; en paarlen worden niet opgelost in slijk. Zoolang de +mensch kind is, wil God dat hij onschuldig zij. + +Zoo men aan de groote stad vroeg: wie is dat? zou zij antwoorden: +'t Is mijn kind. + + + + + + +TWEEDE HOOFDSTUK. + +EENIGE ZIJNER BIJZONDERE KENTEEKENEN. + + +De straatjongen van Parijs is de dwerg der reuzin. + +Laat ons niet overdrijven, deze straatengel draagt soms een hemd, +maar dan is het zijn eenig; ook draagt hij soms schoenen, maar dan +zijn zij zonder zolen; soms heeft hij een tehuiskomen, en 't is hem +lief, want hij vindt er zijn moeder; maar aan de straat geeft hij de +voorkeur, wijl hij er de vrijheid vindt. Hij heeft eigenaardige spelen, +zijn eigenaardige guitenstreken, waarvan de haat tegen den vreedzamen +burger den grond legt; hij heeft eigenaardige leenspreuken: dood +zijn, noemt hij "paardebloemen bij den wortel opeten." Zijn beroepen +zijn: huurrijtuigen halen, de voettreden der koetsen nederlaten, bij +plasregens planken van den eenen naar den anderen kant der straat +leggen, 't geen hij noemt ponts des arts (kunstbruggen) maken, de +door de regeering ten gunste van het Fransche volk uitgesproken +redevoeringen uitventen, en tusschen de straatsteenen krabben; +hij heeft zijn eigen munt, bestaande uit allerlei stukjes koper +die men op de straat kan vinden. Deze zonderlinge munt, die men +vodderijen kan noemen, heeft een onveranderlijken, goed geregelden +koers onder deze soort van kleine heidens. Hij heeft nog zijn eigen +dierenwereld, welke hij nauwkeurig in haar schuilhoeken gadeslaat, het +onze lieven-heers-beestje, de boomluis met den doodskop, "de duivel," +een zwart insect, dat met zijn tweehoornigen staart dreigt. Hij heeft +zijn fabelachtig monster met schubben onder den buik, niet de hagedis, +met puisten op den rug--niet de pad--een monster, dat in oude kalkovens +en droge waterputten huist, dat zwart, harig, kleverig is, nu langzaam +dan snel voortkruipt, dat geen geluid geeft, maar slechts kijkt en +zoo vreeselijk is, dat nooit iemand het gezien heeft; hij noemt dit +monster "de doove." Dooven onder de steenen te zoeken is voor hem +een vermaak, dat tot de vreeselijke vermaken behoort. 't Is ook een +vermaak voor hem, plotseling een steen op te lichten om duizendbeenen +te zien. Ieder gedeelte van Parijs is wegens een of ander belangrijk +beest bekend, dat men er vinden kan. Er zijn oorwormen op de werven +der Ursulinen, duizendpooten bij het Pantheon en bloedzuigers in de +slooten van het Champ-de-Mars. + +De straatjongen heeft overigens spreekwijzen als Talleyrand. Hij is +niet minder hondsch, maar eerlijker. Hij bezit een vroolijkheid, +die hem soms overvalt zonder dat men weet waarom; hij ergert den +winkelier door zijn dol gelach. Zijn toonladder daalt gemakkelijk +van het treurspel tot de klucht af. + +Een lijkstoet gaat voorbij. Onder de volgers van het lijk bevindt zich +een geneesheer.--Hei! roept een straatjongen sinds wanneer brengen +de geneesheeren zelven hun werk thuis? + +Een andere jongen is in 't gedrang. Een deftig man met een bril en +horlogeketting keert zich verstoord om en roept: Deugniet, gij hebt +den arm mijner vrouw genomen.--Ik, mijnheer? Voel maar in mijn zakken. + + + + + + +DERDE HOOFDSTUK. + +HIJ IS BEHAGELIJK. + + +Des avonds gaat de homuncio voor eenige sous, welke hij zich steeds +weet te verschaffen, naar een schouwburg. Zoodra hij den tooverachtigen +drempel heeft overschreden, is hij herschapen: hij was straatjongen, +nu wordt hij werkgast. De schouwburgen zijn een soort van schepen met +het ruim boven. In dit ruim pakken de werkgasten zich op elkander. De +werkgast is in verhouding tot den straatjongen, wat de vlinder tot de +pop is; hij is een even fladderend en zwevend wezen. 't Is genoeg, +dat hij er is met zijn glans van geluk, zijn machtige geestdrift en +vroolijkheid, zijn handgeklap dat op wiekgeklap gelijkt, om dit enge, +bedompte, donkere, vuile, ongezonde, leelijke, afschuwelijke ruim +den naam van "paradijs" (engelenbak) te geven. + +Geef iemand het onnoodige en ontneem hem het noodzakelijke, en ge +hebt den straatjongen. + +De straatjongen is niet zonder eenig letterkundig gevoel. Wij zeggen +het met leedwezen, zijn smaak is niet voor het klassieke. Van natuur +is hij weinig Akademisch. Een voorbeeld daarvan is, dat de beroemdheid +van mademoiselle Mars bij dit kleine stormachtige kinderpubliek stof +tot spotternij gaf. De straatjongen noemde haar mademoiselle Muche. + +Hij raast, schimpt, stoeit, vecht, heeft vodderijen als een zuigeling +en lompen als een wijsgeer, vischt in de goot, jaagt in den modderpoel, +trekt vroolijkheid uit vuilnis, vervult de pleinen met zijn geschreeuw, +lacht en bijt, fluit en zingt, applaudisseert en jouwt uit, paart +aan het halleluja een straatlied, zingt alles, zelfs de profundis, +vindt zonder te zoeken, weet wat hem onbekend is, is Spartaan zelfs +tot stelen, dwaas tot wijsheid, lyrisch tot het onreine toe en zou +op den Olymp nederhurken, wentelt zich op een mesthoop en komt er +uit met sterren overdekt. De straatjongen van Parijs is een kleine +Rabelais! Met zijn broek is hij niet tevreden, zoo er geen horlogezak +in is. + +Hij verwondert zich zelden, schrikt evenmin, bespot de +bijgeloovigheden, drukt de opgeblazen overdrijvingen plat, lacht om de +verborgenheden, steekt de tong voor de spoken uit, ontneemt de stelten +haar poëzie en brengt in het gezwollen heldendicht caricaturen, niet +omdat hij prozaïsch is, verre van daar; maar hij brengt in de plaats +van het plechtige visioen een grappig geestenspel. Zoo Adamastor hem +verscheen zou de straatjongen: "Ha! Ziedaar blauwbaard!" roepen. + + + + + + +VIERDE HOOFDSTUK. + +HIJ KAN NUTTIG ZIJN. + + +Parijs begint met den gaper en eindigt met den straatjongen, twee +wezens die een andere stad niet kan opleveren; het lijdelijk wezen +dat zich tevreden stelt met te aanschouwen, en de onuitputtelijke +zelfhandeling; Prudhomme en Fouillou. Alleen Parijs heeft dit in +haar natuurlijke historie. De geheele monarchie ligt in den gaper; +de geheele anarchie in den straatjongen. + +Dit bleeke kind der Parijsche voorsteden leeft en ontwikkelt +zich, ontstaat en lost zich op in lijden, als peinzend getuige der +maatschappelijke wezenlijkheid en menschelijke zaken. Hij waant zich +onverschillig, hij is 't niet. Hij aanschouwt, tot lachen gereed; +maar ook tot iets anders. Wie ge ook zijn moogt, die u Vooroordeel, +Misbruik, Eerloosheid, Verdrukking, Ongerechtigheid, Despotisme, +Onrechtvaardigheid, Fanatisme, Dwingelandij heet--hoed u voor den +straatjongen. + +Deze kleine zal groot worden. + +Van welk leem is hij gevormd? Van het eerste het beste slijk. Een +handvol modder, een adem, en Adam ontstaat. Er behoeft slechts een +God voorbij te gaan; en een God is altijd langs een straatjongen +gegaan. De fortuin bewerkt dit kleine wezen. Onder het woord fortuin +verstaan wij min of meer het toeval. Zal deze van grove, gemeene +aarde gekneede dwerg dom, ongeleerd, ruw, eenmaal een Ioniër of een +Beotiër zijn? Heb geduld, currit rota, (het rad wentelt) de geest +van Parijs, deze demon, die de kinderen des toevals en de mannen der +wereldgeschiedenis schept, maakt, in tegenstelling van den latijnschen +pottenbakker, van de kruik een amphora. + + + + + + +VIJFDE HOOFDSTUK. + +ZIJN GRENZEN. + + +De straatjongen bemint de stad, maar ook de eenzaamheid, hij heeft +iets van den wijze in zich. Urbis amator, gelijk Fuscus; ruris amator, +gelijk Flaccus. + +Peinzend omdolen, dat is flaneeren, is voor den wijsgeer een goed +tijdverdrijf; vooral op die tamelijk leelijke, zonderlinge en +uit twee naturen bestaande bastaardvelden, welke zekere groote +steden, ook Parijs, omgeven. De omstreken eener stad hebben iets +tweeslachtigs. Einde van het geboomte, begin der daken, einde van +het gras, begin der straat, einde der akkers, begin der winkels, +einde der wagensporen, begin der hartstochten, einde van het goddelijk +gemurmel, begin van het menschelijk gewoel; dit wekt een buitengewone +belangstelling. + +Dit is de oorzaak dier schijnbaar doellooze wandelingen van den denker +in deze weinig bekoorlijke plaatsen, welke door den voorbijganger +met den naam van "treurig" worden bestempeld. + +De schrijver dezer regels zwierf dikwerf buiten de barrières van +Parijs, en dit is voor hem een bron van diepe herinneringen. Dat +korte gras, deze steenachtige paden, dat krijt, dit mergel, het +gips, die ruwe eenvormigheid der braakliggende velden, de vroege +groenten der warmoeziers, welke men eensklaps in een diepte ziet, +dat mengsel van woestheid en boerschheid, die groote woeste vlakten, +waar de tamboers van het garnizoen een gerucht makende school houden +en eenigszins een veldslag stamelen, deze spelonken des daags en +moordenaarsholen des nachts, de verlamde, draaiende windmolen, de +windassen der steengroeven, de kroegen aan den hoek der kerkhoven, +de geheimzinnige bekoorlijkheid der hooge donkere muren, welke groote +vlakten, vol zon en vlinders, doorsnijden--dit alles trok hem aan. + +Schier niemand kent deze zonderlinge plaatsen. De Campagne van Rome +is een idée; het rechtsgebied van Parijs is een andere idée; wie, in +'t geen ons een verschiet aanbiedt, niets dan velden, huizen of boomen +ziet, blijft aan de oppervlakte hangen. Al wat de dingen voorstellen +zijn gedachten Gods. De plaats, waar een vlakte zich met een stad +vereenigt, draagt immer het stempel eener treffende zwaarmoedigheid. De +natuur en het menschelijke spreken er gelijktijdig, en de plaatselijke +eigenaardigheden komen er te voorschijn. + +Wie als wij in deze eenzame streken, welke onze voorsteden begrenzen, +omdoolde, heeft niet hier en daar, op de eenzaamste plekken, +onverhoeds, achter een schrale heg of in den hoek van een treurigen +muur, levendige groepen slijkerige, met stof bedekte, havelooze +spelende kinderen gezien, die zich met koornbloempjes tooiden?! Al +die in het wilde zwervende kinderen zijn van arme gezinnen. De +buiten-boulevard is eigenlijk hun levensoord; het rechtsgebied der +stad behoort hun. Daarheen ontloopen zij immer de school. Zij zingen +er in eenvoud hun gemeene liedjes. Zij zijn dáár, of, liever gezegd, +zij leven dáár ver van aller blikken, in de zachte helderheid van de +maand Mei of Juni, geknield om een kuiltje in de aarde, knikkerende, +dobbelende, bandeloos, weggevlogen, vrij en gelukkig; maar zoodra +zij iemand zien, herinneren zij zich, dat zij een bedrijf hebben, +dat zij den kost moeten verdienen en bieden hem een oude wollen kous +met goudhanen of een ruiker seringen te koop aan. De ontmoeting van +deze zonderlinge kinderen is tevens een der aangenaamste en lastigste +bekoorlijkheden der omstreken van Parijs. + +Soms zijn er in deze troepen jongens, kleine meisjes--zijn 't +hun zusjes?--schier jongedochters, mager, koortsig, door de zon +bruin gebrand, met sproeten besprikkeld, opgeschikt met roggearen en +klaprozen in 't haar, vroolijk en gelaten, met bloote voeten. Men ziet +er die in het koren kersen eten. Des avonds hoort men ze lachen. Deze +groepen, warm door de middagzon beschenen of in den schemeravond +gezien, houden den denker lang bezig, en deze verschijningen mengen +zich in zijn mijmeringen. + +Voor deze kinderen is Parijs het middelpunt, het rechtsgebied, de +omtrek van geheel de aarde. Nooit wagen zij zich verder. Zij kunnen +evenmin uit den Parijschen dampkring komen als de visschen uit het +water. Voor hen is twee uren buiten de barrière niets meer. Met de +voorsteden eindigt voor hen de wereld. + + + + + + +ZESDE HOOFDSTUK. + +EEN WEINIG GESCHIEDENIS. + + +Op het tijdstip--'t welk nog tot onzen tijd behoort--dat de +gebeurtenis, in dit boek verhaald, plaats had, was er niet, zooals +thans, een stadssergeant aan den hoek van iedere straat, maar vloeide +het in Parijs over van zwervende kinderen. De statistiek geeft een +middelbaar cijfer van tweehonderd zestig kinderen zonder woonplaats, +die toen jaarlijks door de politieronden op den openbaren weg, +in allerlei schuilplaatsen en onder de bogen der bruggen gevonden +werden. Een dezer nesten, dat berucht is gebleven, heeft "de zwaluwen +der brug van Arcola" voortgebracht. 't Is overigens het rampzaligste +der maatschappelijke verschijnselen, dat al de misdaden van den man +met het zwerven van het kind een aanvang nemen. + +Wij zonderen echter Parijs uit. In een zekere mate, en in weerwil +van 't geen wij vermelden, is deze uitzondering gegrond. Terwijl in +iedere andere groote stad een zwervend kind, als 't man is geworden, +verloren gaat, terwijl schier alom het aan zich zelf overgelaten +kind eenigerwijs bestemd en gedoemd is tot een soort van noodlottige +dompeling in misdaden, welke hem van eerlijkheid en geweten berooft, is +de straatjongen van Parijs,--wij moeten hierop drukken--hoe gehavend +en geschonden hij uiterlijk zij, inwendig schier ongedeerd. 't +Is heerlijk er op te wijzen en het blinkt uit in de eerlijkheid +onzer volksomwentelingen; de idée, welke in de Parijsche lucht is, +veroorzaakt een soort van bederfwerend zout als dat van het water +des oceaans. In Parijs te ademen, is het behoud der ziel. + +Wat wij hier zeggen vermindert de hartsbeklemming, die men telkens +gevoelt als men een dier kinderen ontmoet, welke men als gebroken +familiebanden ziet fladderen. Bij de tegenwoordige nog zoo onvolmaakte +beschaving is het niet ongewoon, dat gezinnen vervallen, die niet eens +weten wat van hun kinderen is geworden en ze op de openbare straat +laten rondzwerven. Dit is de oorzaak van zoo veler donker lot. Men +noemt dit, want deze treurige zaak is een spreekwijze geworden: +"Op de straat geworpen te zijn." + +'t Zij in het voorbijgaande gezegd, dat door de oude monarchie +deze verlatenheid der kinderen niet werd tegengegaan. Een weinig +landlooperij onder de lagere klassen kwam de hoogere kringen niet +ongelegen en strekte ten dienste der machtigen. De afkeer van het +onderwijs der kinderen van het volk was een leerstuk. Waartoe "halve +verlichting?" Dat was het orderwoord. Het zwervende kind is het gevolg +van het onwetende kind. + +Ook had de monarchie soms kinderen noodig en dan schuimde zij de +straat. + +Onder Lodewijk XIV, om niet verder terug te gaan, wilde de koning +met recht een vloot scheppen. Een goed denkbeeld. Maar laat ons het +middel zien. Er bestaat geen vloot, zoo men bij het zeilschip, een +speeltuig van den wind, niet het vaartuig heeft, om het des vereischt +te boegseeren, opdat het òf door riemen, òf door stoom gaat waarheen +men wil; destijds waren de galeien voor de zeevaart, wat thans de +stoomschepen zijn. Er waren alzoo galeien noodig, maar de galei wordt +slechts door roeiers in beweging gebracht; men had dus roeiers noodig, +dat is, galeislaven. Colbert liet door de intendanten der provinciën +en door de parlementen zooveel mogelijk tuchtelingen maken. De +rechterlijke macht ging hierbij zeer voorkomend te werk. Zoo iemand +den hoed op het hoofd hield bij het voorbijgaan eener processie was hij +een hugenoot en men zond hem naar de galeien. Zoo men een knaap op de +straat vond, die vijftien jaar oud was en niet wist waar hij woonde, +zond men hem naar de galeien. Een groote regeering; een groote eeuw. + +Onder Lodewijk XV verdwenen de kinderen te Parijs; de politie ontvoerde +ze, men weet niet voor welk geheimzinnig doel. Men fluisterde met +ontzetting van afschuwelijke vermoedens omtrent de purperbaden des +konings. Barbier spreekt zeer naïef van deze dingen. Het gebeurde vaak +dat de agenten, die kinderen moesten hebben, dezulken namen die vaders +hadden. De wanhopige vaders liepen de agenten te lijf. In zoodanig +geval kwam het parlement tusschenbeide en liet ophangen--wie? de +politieagenten? Neen, de vaders. + + + + + + +ZEVENDE HOOFDSTUK. + +DE STRAATJONGEN VINDT ZIJN PLAATS IN DE KLASSIFICATIE DER INDIËN. + + +De Parijsche straatjongens vormen schier een kaste. Men zou kunnen +zeggen: dat niet ieder die wil er toe behooren kan. + +Dat woord gamin werd voor het eerst gedrukt en kwam uit de volks- in +de boekentaal in 1834. 't Was in een werkje, getiteld Claude Gueux +dat dit woord gevonden werd. De ergernis was groot, maar het woord +bleef in gebruik. + +De elementen, die den straatjongens onder elkander aanzien geven, +zijn zeer verschillend. Wij hebben er een gekend, die zeer geacht +en bewonderd werd, wijl hij een man van den top van den toren van +Notre Dame had zien vallen; een ander, wijl het hem gelukt was op +de achterplaats te komen waar voorloopig de beelden voor den dom +der invaliden waren geplaatst, en ze lood had weten te ontnemen; +een derde, wijl hij een diligence had zien omstorten; nog een, wijl +hij een soldaat "kende" dien een burger bijna het oog had uitgeslagen. + +Dit verklaart dezen uitroep van een Parijschen straatjongen, +iets diepzinnigs waarover men lacht zonder het te begrijpen: "Mijn +hemel! wat ben ik ongelukkig; ik heb nog nooit iemand uit de vijfde +verdieping zien vallen." + +Zekerlijk is het antwoord fraai van een boer, wien gevraagd werd: +"Vriend, uw vrouw is aan haar ziekte overleden; waarom hebt ge niet om +den dokter gezonden?"--"Wat zal ik u zeggen, mijnheer, wij arme lieden +sterven vanzelf." Ligt nu in deze woorden de geheele lijdelijkheid +van den boer, dan zekerlijk ligt de geheele, bandelooze vrijheid van +denken van den voorstadsknaap in die andere. Een ter dood veroordeelde +luistert op de kar naar zijn biechtvader. De Parijsche jongen roept: +Hij praat met den paap, o de fielt! + +Dat de straatjongen in godsdienstzaken tamelijk oneerbiedig is, +daarop laat hij zich niet weinig voorstaan. 't Geeft aanzien als hij +vrijgeest is. + +Hij acht het een plicht de doodsvoltrekkingen bij te wonen. Men wijst +elkander de guillotine lachend en geeft ze allerlei namen: De laatste +lepel soep, de laatste hap enz. enz. Om niets van de zaak te missen +klimt men op muren, op balkons, op boomen; hangt zich aan de hekken, +klemt men zich aan schoorsteenen. De straatjongen is evenzeer tot +leidekker als tot zeeman geboren. Voor een dak is hij evenmin bevreesd +als voor een mast. Geen feest is voor hem bij een terechtstelling +op het Grève-plein te vergelijken. Samson en de abbé Montès, +deze namen zijn populair. Men beschimpt den veroordeelde om hem te +bemoedigen. Soms bewondert men hem. Toen Lacenaire, als straatjongen, +den afschuwelijken Dautun moedig zag sterven, zeide hij deze woorden, +waarin een toekomst ligt besloten: "Ik benijdde hem." De straatjongen +kent niet Voltaire, maar wel Papavoine. In hetzelfde verhaal verwart +hij "staatkundigen" met moordenaars. Hij weet hoe allen het laatst +gekleed waren, deze had een hoed, gene een pet op; de een was kaal +en blootshoofd, een ander was blozend en gezond; weder een andere +twistte met zijn moeder. "Verwijt elkander toch niets!" riep een +straatjongen hun toe. Een straatjongen, te klein om in het gedrang een +veroordeelde te kunnen zien voorbijgaan, klimt op een lantaarnpaal. Een +gendarm ziet hem en fronst de wenkbrauwen.--"Laat mij gerust klimmen, +mijnheer de gendarm," zegt de jongen, "ik zal niet vallen."--"'t Is +mij onverschillig of ge valt," was het antwoord. + +In de straatjongens-wereld wordt een gewichtig ongeluk in hooge waarde +gehouden. Men heeft het toppunt bereikt, zoo men zich "tot op het been" +gesneden heeft. + +De vuist is een krachtig element van eerbied. Iets wat de straatjongen +het liefst zegt is: "Ik verzeker u, dat ik sterk ben." Links te zijn +is benijdenswaard. Scheel te zien wordt geacht. + + + + + + +ACHTSTE HOOFDSTUK. + +EEN VRIENDELIJK WOORD VAN DEN LAATSTEN KONING. + + +Des zomers wordt de straatjongen kikvorsch; des avonds, als het donker +wordt, werpt hij zich bij de bruggen van Austerlitz en Jena, van de +koolschepen en waschvrouwen-schuiten, met het hoofd vooruit, in de +Seine, in strijd met alle mogelijke voorschriften der zedelijkheid +en politie. Maar de stadssergeanten waken, en het komt tot een zeer +dramatischen toestand, die eens tot een gedenkwaardigen broederlijken +kreet aanleiding gaf; deze kreet, in 1830 beroemd, is een strategische +waarschuwing die de eene aan den anderen straatjongen geeft; die +kreet wordt bijna als een vers van Homerus gescandeerd, met even +onuitsprekelijke melodie als de eleusische melopée der Panatheners, +en men vindt er het oude Evohé in: "Hei Titi! O hee!" zoo begint hij +en het overige beteekent dat er dienders zijn; dat er slagen kunnen +vallen en men zich met zijn kleederen uit de voeten moet maken. + +Deze mug--zoo noemt hij zich--kan lezen; soms kan hij ook schrijven, +altijd kan hij kladden. Eensklaps verschaft hij zich, men weet niet +door welk wederkeerig onderwijs, al de talenten, die de openbare zaak +nuttig kunnen zijn: van 1815 tot 1830, bootste hij het geschreeuw +van den kalkoen na; van 1830 tot 1848 krabbelde hij een peer op de +muren. Op een zomeravond zag Lodewijk Filips, te voet huiswaarts +keerende, een zeer kleinen jongen, die, op de teenen, zich in het +zweet werkte om een reusachtige peer op een der pilaren van het hek +van Neuilly te teekenen; de koning, met de goedheid, welke hij van +Hendrik IV erfde, hielp den jongen, voltooide de peer, en gaf een +louisd'or aan den knaap, zeggende: "Zie, daar staat ook een peer +op." De straatjongen houdt van rumoer, en allerlei woestheid behaagt +hem. Hij verfoeit "de pastoors." Op een dag teekende een dier jonge +snaken een grooten neus op de koetspoort van het huis No. 69. "Waarom +teekent ge dit op deze deur?" vroeg hem een voorbijganger. De jongen +antwoordde: "Er woont een pastoor." Inderdaad, de pauselijke nuntius +woonde er. Welk een Voltairiaan de straatjongen overigens zij, +zoo de gelegenheid zich voordoet dat hij koorknaap kan worden, is +'t mogelijk dat hij er toe overgaat, en in dit geval dient hij zeer +lief de mis. Hij is Tantalus in twee zaken, en deze wenscht hij immer +zonder ze te kunnen verkrijgen: het gouvernement omver te werpen en +zijn broek gelapt te krijgen. + +Allernauwkeurigst kent de straatjongen al de stadssergeanten, en +weet altijd, zoo hij er een ontmoet, hem te noemen. Hij telt ze op +de vingers. Hij bestudeert hun zeden, en heeft nopens ieder hunner +bijzondere aanteekeningen. Als in een open boek leest hij in de zielen +der politie. Zonder te stotteren zegt hij: deze is een verrader; deze +is zeer ondeugend; deze is groot; deze is belachelijk (al deze woorden +hebben in zijn mond een bijzondere beteekenis), deze verbeeldt zich +dat de Pontneuf hem behoort en belet den lieden op den rand buiten +de borstwering te gaan; gene trekt de menschen aan de ooren, enz. enz. + + + + + + +NEGENDE HOOFDSTUK. + +DE OUDE GEEST VAN GALLIË. + + +In Molière was iets van den straatjongen; ook in Beaumarchais. In +het leven des straatjongens is iets van den Gallischen geest. Deze, +gepaard aan zijn gezond verstand, geeft hem soms kracht als de +alcohol den wijn. Soms is deze geest een gebrek. De straatjongen +treedt in Voltaire te voorschijn. Camille Desmoulins was een kind der +voorstad. Championnet, die de mirakelen brutaliseerde, kwam van de +Parijsche straat; jong had hij in de portalen der kerken van St. Jan +van Beauvais en van Saint Etienne du Mont kattenkwaad bedreven en +de reliquieënkast der H. Genoveva tamelijk oneerbiedig behandeld, +om later bevelen aan het fleschje van den H. Januarius te geven. + +De straatjongen van Parijs is eerbiedig, spotziek en onbeschoft. Hij +heeft leelijke tanden, omdat hij slecht gevoed wordt en zijn maag +ziekelijk is; hij heeft fraaie oogen, wijl hij schrander is. Hij groeit +tot alles op. Hij speelt in de goot en verheft zich door den opstand; +zijn onbeschaamdheid blijft hem bij, zelfs in het schrootvuur; hij +was een kwajongen, en wordt een held; gelijk de jonge Thebaan schudt +hij de leeuwenhuid; de tamboer Barra was een straatjongen van Parijs; +hij roept: Voorwaarts! en in een oogenblik is de dreumes een reus. + +Dit kind uit het straatslijk is ook het kind van het ideaal. Men mete +slechts de vleugelvlucht van Molière tot Barra. + +Ten slotte, en om alles in één woord samen te vatten: de straatjongen +is een wezen, dat zich vermaakt, wijl het ongelukkig is. + + + + + + +TIENDE HOOFDSTUK. + +ECCE PARIS, ECCE HOMO. + + +Om alles nog eens in een enkel woord te zeggen: de straatjongen van +Parijs is heden, gelijk eertijds de groeculus van Rome, 't is het +volk als kind, met den rimpel der oude wereld op het voorhoofd. + +De straatjongen is voor de natie tevens een bekoorlijkheid en een +ziekte; een ziekte die genezen moet worden; hoe? door verlichting. + +Het licht maakt gezond. + +Het licht verheldert. + +Alle maatschappelijke weldaden komen voort uit de wetenschappen, de +letterkunde, de kunsten, het onderwijs. Men vorme menschen! Verlicht +ze, opdat zij u verwarmen. Vroeg of laat zal de gewichtige +kwestie van het algemeen onderwijs met de onweerstaanbare macht van +onwedersprekelijke waarheid gevestigd zijn, en zij die dan onder het +opzicht der Fransche idée regeeren, zullen kiezen moeten tusschen de +kinderen van Frankrijk of de straatjongens van Parijs; licht tusschen +vlammen, of dwaallichten in de duisternis. + +De straatjongen is de vertegenwoordiging van Parijs, Parijs die +der wereld. + +Want Parijs is een geheel. Parijs is de zoldering van het menschelijk +geslacht. Geheel deze groote stad is een samenvatting der doode en +levende zeden. Wie Parijs ziet, meent de geheele geschiedenis met +den hemel en de sterren er tusschen te aanschouwen. Parijs heeft een +kapitool, het stadhuis, een Parthenon, Notre Dame, een berg Aventinus, +de voorstad St. Antoine, een asinarium, de Sorbonne, een Pantheon, +het Pantheon, een heilige weg (via Sacra), de boulevard des Italiens, +een windtoren, de openbare meening; en voor de gemoniën heeft het 't +belachelijke. Zijn majo heet faraud (handwerkgezel), zijn transteverijn +heet voorstedeling, zijn lazzarone heet pègre (dief), en zijn Cockney +heet Gandin. Al wat elders is, is ook te Parijs. + +Zoek iets wat Parijs niet heeft. De kuip van Trophonius bevat alles +wat in den bak van Mesmer was; Ergaphilas herrijst in Cagliostro; de +bramin Vasaphanta verlichamelijkt zich in den graaf van Saint-Germain; +en het kerkhof van St. Medardus doet evengoed wonderen als de moskee +Oumoumié te Damaskus. + +Parijs heeft een Esopus, Mayeux, en een Canidia, mejuffrouw Le +Normand. Het schrikt als Delphus bij de treffende vertooningen +der geestverschijningen; het doet de tafels draaien gelijk Dodona +de drievoeten. Het plaatst de grisette op den troon, gelijk Rome +de courtisane. Kortom: Is Lodewijk XV erger dan Claudius, madame +Dubarry is beter dan Messalina. Parijs vereenigt in zich, als in +een onbeschrijfelijke type, die bestaan heeft en waarmede wij zelfs +in aanraking zijn geweest, de Grieksche naaktheid, de hebreeuwsche +melaatschheid en de gasconsche kwinkslag. Het mengt Diogenes, Job +en Paljas ondereen, bekleedt een spook met oude nummers van den +Constitutionnel en brengt Chodruc Duclos voort. + +Hoewel Plutarchus zegt: "de tyran wordt niet oud", onderwerpt zich +toch Rome onder Sulla evenals onder Domitiaan en mengde gaarne water in +zijn wijn. De Tiber was een Lethé, zoo men den lof van Varus Vibiscus +mag gelooven: Contra Gracchos Tiberim habemus. Bibere Tiberim id est +seditionem oblevisci. Tegen de Grieken hebben wij den Tiber. Uit den +Tiber te drinken is het oproer vergeten. Parijs drinkt dagelijks een +millioen kannen water, maar dit belet niet, dat het bij gelegenheid +den stormmarsch slaat en de stormklok luidt. + +Overigens is Parijs toch goedhartig. Het neemt alles aan; in 't geen +Venus betreft, is het niet keurig; zijn Callipyge is een Hottentotsche +vrouw; zoo het maar kan lachen, vergeeft het alles; leelijkheid, +wanstaltigheid vervroolijkt het; de ondeugd verschaft het verstrooiing; +wees grappig en ge kunt een grappenmaker zijn; zelfs de huichelarij, +deze uiterste onbeschaamdheid, walgt het niet; het is zoo letterkundig, +dat het voor Basile den neus niet dichtknijpt, en zich evenmin ergert +over het gebed van Tartuffe als Horatius voor den hik van Priapus +terugdeinst. Geen trek van het gelaat der wereld ontbreekt aan het +gezicht van Parijs. Het bal-Mabille is wel niet de Polymnische dans +op den Janiculus, maar de uitdraagster loert er toch op de lorette +evenals de koppelaarster Staphyla op de maagd Planesium loerde. De +"barrière du combat" is geen Colyseum, maar men is er toch wreed +alsof Cæsar toeschouwer was. De syrische herbergierster is bevalliger +dan moeder Saguet; maar zoo Virgilius de romeinsche herberg bezocht, +David d'Angers, Balzac en Charlet kwamen in de Parijsche kroeg. Parijs +heerscht. De genieën fonkelen, de roodstaarten bloeien er. Adonaï +rijdt er door op zijn wagen met twaalf wielen van donder en bliksem, +en Sileen doet er zijn intrede op een ezel. + +Parijs is synoniem met Cosmos. Parijs is Athene, Rome, Sybaris, +Jeruzalem, Pantin. 't Is het kort begrip van alle beschaving, +evenals van alle barbaarschheden. 't Zou Parijs leed doen zoo 't geen +guillotine had. + +Een weinig Grève-plein is goed. Wat zou dit eeuwige feest zijn zonder +deze toespijs? Onze wetten hebben er wijselijk in voorzien; en aan +haar is het te danken, dat deze valbijl zijn droppels op dit carnaval +laat vallen. + + + + + + +ELFDE HOOFDSTUK. + +SCHERTSEN EN HEERSCHEN. + + +Parijs kent geen grenzen. Geen stad heeft zulk een heerschappij +gehad als de hare, die soms hen bespotte, welke zij onder het juk +bracht. "U te behagen, o Atheniensers!" riep Alexander. Parijs maakt +meer dan wetten, het maakt de mode; meer dan de mode, den sleur. Parijs +kan, als 't wil, dom zijn, en veroorlooft zich soms deze weelde; +maar dan is de wereld met Parijs dom; doch straks ontwaakt het, +wrijft zich de oogen uit, zegt: "Wat ben ik dom!" en lacht in 't +aanzien van het geheele menschdom. Welk een wonder is zulk een stad; +'t is zonderling, dat deze grootheid en dit bespottelijke zulke goede +buren zijn, dat al deze majesteit door al die parodie niet in de war +wordt gebracht, en dat dezelfde mond heden de bazuin van het laatste +oordeel en morgen een zakpijp kan blazen. Parijs bezit een heerschende +vroolijkheid. Zijn vroolijkheid is de bliksem, en zijn kluchtigheid +draagt een schepter. Zijn orkaan ontstaat soms uit een grimas. Zijn +uitbarstingen, zijn groote dagen, zijn kunstgewrochten, zijn wonderen, +zijn heldenfeiten gaan tot de uitersten der wereld; zijn domheden +insgelijks. Zijn gelach is de krater van een vulkaan, die de geheele +aarde bespat. Zijn lazzi zijn vonken. Het legt den volken zoowel zijn +caricaturen als zijn ideaal op; de hoogste monumenten der menschelijke +beschaving nemen zijn spotternijen aan en leenen hun eeuwigheid aan +zijn kwajongensstreken. Parijs is majestueus; het heeft een wonderbare +14 Juli, die den aardbol vrijmaakt; aan alle natiën laat het den eed +van de kaatsbaan doen; zijn nacht van 4 Augustus vernietigt in drie +uren de drieduizendjarige leenheerschappij; het maakt van zijn logica +de speer van den algemeenen wil; het vermenigvuldigt zich onder de +vormen van het verhevene; het vervult met zijn glans Washington, +Kosciusko, Bolivar, Botzaris, Rigo, Bem, Manin, Lopez, John Brown, +Garibaldi; het is overal waar de toekomst zich verheldert, te Boston +in 1779, op 't eiland Lion in 1820; te Pesth in 1848, te Palermo in +1860; het fluistert het machtige wachtwoord: vrijheid! in het oor +der Amerikaansche abolitionisten die bij Harpers-Ferry verzameld +zijn, en in het oor der patriotten van Ancona aan den oever der +zee, in de schaduw der Archi voor de herberg van Gozzi vereenigd; +het schept Canaris, Pisacana, Quiroga; het straalt het grootsche +op de wereld uit; 't is wijl zijn adem hen voortstuwt, dat Byron te +Missolonghi, en Mazet te Barcelona gaan sterven; het is de tribune +onder de voeten van Mirabeau en de krater onder die van Robespierre; +zijn boeken, zijn schouwburg, zijn kunsten, zijn wetenschappen, +letterkunde en wijsbegeerte zijn de leesboeken voor het menschelijk +geslacht; het heeft Pascal, Regnier, Corneille, Descartes, Jean +Jacques; Voltaire voor iederen dag, Molière voor alle eeuwen; het +doet den mond der wereld zijn taal spreken, en deze taal is woord +geworden; in alle geesten bouwt het de idée van den vooruitgang; de +bevrijdende leerstukken, die het verspreidt, zijn voor de geslachten +uitgetrokken zwaarden, en van den geest zijner denkers en dichters +zijn sedert 1789 al de helden van alle volken gevormd; schoon dat +alles het echter niet belet straatjongen te zijn; en dit groot genie, +dat Parijs wordt geheeten, en de wereld door zijn licht herschept, +teekent met houtskool Bouginiers neus op den tempel van Theseus en +schrijft "Credeville dief" op de pyramiden. + +Parijs toont altijd de tanden; als het niet bromt, lacht het. + +Zoo is Parijs. De rook zijner schoorsteenen vormt de denkbeelden der +wereld. 't Is, zoo men wil, een hoop steenen en slijk, maar bovenal een +zedelijk wezen. 't Is meer dan groot, 't is onmetelijk. Waarom? Wijl +het durft. + +Durven is de prijs van den vooruitgang. + +Alle grootsche veroveringen zijn min of meer de prijs der +stoutmoedigheid. 't Is niet voldoende, dat Montesquieu de revolutie +vooruit ziet, dat Diderot ze preekt, dat Beaumarchais ze aankondigt, +dat Condorcet ze berekent, dat Arouet ze voorbereidt, dat Rousseau +er over mijmert. Danton moet ze durven ondernemen. + +De kreet: Durven! is een Daar zij licht! Voor den vooruitgang van +het menschelijk geslacht moeten uit de hoogte steeds fiere lessen van +moed gegeven worden. Vermetelheid begoochelt de geschiedenis en stelt +den mensch in 't schitterendst licht. De dageraad durft, wanneer +zij aan de kimmen verrijst. Pogen, tarten, volharden, aanhouden, +zich zelven trouw zijn, met het voorstellen de gebeurtenissen te +verstommen door er geen vrees voor te toonen, de onrechtvaardige macht +en de bedwelmde zegepraal tarten, pal staan; ziedaar het voorbeeld, +dat de volken behoeven en het licht dat hen electriseert. Dezelfde +ontzettende bliksem schiet zoowel uit de toorts van Prometheus als +uit Cambronnes stompje. + + + + + + +TWAALFDE HOOFDSTUK. + +DE IN HET VOLK BESLOTEN TOEKOMST. + + +Zelfs als man, is het Parijsche volk altijd straatjongen; zoo men +den jongen schildert, schildert men de stad, en daarom hebben wij +den adelaar in de musch bestudeerd. + +'t Is vooral in de voorsteden, wij herhalen het, dat de Parijzenaar +te voorschijn treedt; dáár is de volbloed Parijzenaar; daar vertoont +hij zich in zijn ware gedaante, daar werkt en lijdt het volk: lijden +en werken zijn de twee gestalten der menschheid. Daar zijn onpeilbare +drommen onbekende wezens, en 't wemelt er van de zonderlingste typen, +van den sjouwerman der Rapée af tot den viller van Montfaucon. Fex +Urbis, roept Cicero; mob, voegt Burke verontwaardigd er bij. Gemeen +volk, gepeupel, deze woorden zijn gemakkelijk gezegd. Goed! Wat doet +het er toe, wat scheelt het mij, dat zij barrevoets gaan? Zoo zij +niet lezen kunnen, des te erger. Moet men hen daarom aan hun lot +overlaten? Moet men van hun nood een vloek maken? Kan het licht +deze drommen niet doordringen? Herhalen wij den kreet: licht! met +volharding. Licht! licht!--Wie weet, of deze duisternis zich niet +zal ophelderen? Zijn de revolutiën geen herscheppingen? Gaat, +wijsgeeren, onderwijst, verlicht, ontvlamt, denkt luidt, spreekt +luid, gaat vroolijk in het volle zonlicht, maakt u met de openbare +pleinen vertrouwd, verkondigt blijde tijdingen, strooit het alphabet, +verklaart de rechten van den mensch, zingt de Marseillaise, zaait +geestdrift en breekt de groene takken van de eiken. Laat de idée een +maalstroom worden. Het volk kan gereinigd worden. Laat ons gebruik +maken van deze uitgebreide ontvlamming der beginselen en deugden, die +nu en dan opgaat. Deze bloote voeten, deze bloote armen, deze lompen, +deze onwetendheid, deze verdorvenheid, deze duisternis kunnen nuttig +aangewend worden. Men zie door het volk heen, en men zal de waarheid +ontdekken. Dat men het gemeene zand, 't welk men onder den voet treedt, +in den oven werpe, het smelt en zal schitterend kristal worden, +en daarmede zullen Newtons en Galiléis sterren en werelden ontdekken. + + + + + + +DERTIENDE HOOFDSTUK. + +DE KLEINE GAVROCHE. + + +Acht of negen jaren na de in de tweede afdeeling van dit werk verhaalde +gebeurtenissen, zag men op den boulevard du Temple en in den omtrek +van het Waterkasteel een elf- of twaalfjarigen knaap, die tamelijk +nauwkeurig de type van den hiervoren geschetsten straatjongen zou +hebben verwezenlijkt, zoo, bij den glimlach van zijn leeftijd op de +lippen, zijn hart niet geheel somber en ledig ware geweest. Deze knaap +droeg wel een broek, maar hij had ze niet van zijn vader, wel een +vrouwenjak, maar niet van zijn moeder. Vreemde lieden hadden hem uit +liefdadigheid in de plunje gestoken. Hij had evenwel een vader en een +moeder. Maar zijn vader dacht niet aan hem, en zijn moeder beminde hem +niet. 't Was een dier bij uitnemendheid medelijdenswaardige kinderen, +die ouders hebben en toch weezen zijn. + +Deze knaap bevond zich nergens liever dan op de straat. Voor hem +waren de straatsteenen minder hard dan het hart zijner moeder. + +Zijn ouders hadden hem ruw in de wereld geworpen. En hij was eenvoudig +zijn weg gegaan. + +'t Was een drokke, bleeke, vlugge, snuggere, grappige knaap met +levendig, maar ziekelijk voorkomen. Hij ging, liep, zong, speelde, +morste in de goten, stal een weinig, maar vroolijk gelijk de katten +en musschen, lachte wanneer men hem deugniet, en werd kwaad als men +hem bengel noemde. Hij had geen huisvesting, geen brood, geen vuur, +geen liefde; maar hij was vroolijk, wijl hij vrij was. + +Zoodra deze arme wezens mannen zijn geworden, ontmoet hen schier altijd +de molensteen der maatschappelijke orde, die hen vermorzelt; als kind +ontsnappen zij, wijl zij klein zijn. Het kleinste gaatje redt hen. + +Hoe verlaten deze knaap was, gebeurde 't soms echter om de twee of +drie maanden, dat hij zeide: Kom, ik ga moeder bezoeken! Dan verliet +hij den boulevard, den circus, de porte St. Martin, ging langs de +kaden, over de bruggen naar de voorsteden tot aan la Salpetrière, +en waar kwam hij daar? Juist voor het dubbel nummer 50-52, dat de +lezer reeds kent, aan het vervallen huis-Gorbeau. + +Op dit tijdstip was dit oude huis 50-52, dat gewoonlijk ledig stond +en met het bordje: "kamers te huur," prijkte--zeldzamerwijs--bewoond +door verscheidene personen, die overigens, gelijk dit immer te Parijs +het geval is, volstrekt in geen betrekking tot elkander stonden. Allen +behoorden tot die armoedige klasse, welke aanvangt bij den geringen +burger, die in slechte omstandigheden verkeert, en van den eenen trap +van armoede tot den anderen in de maatschappelijke diepte verzinkt, +tot aan de volgende twee wezens, bij wie alle stoffelijke zaken der +beschaving een einde nemen: den gotenschepper, die het slijk wegveegt, +en den voddenraper. + +De "hoofdhuurderes," tijdens Jean Valjean er woonde, was overleden +en door een dergelijke vervangen. Ik weet niet, welke wijsgeer gezegd +heeft: "Aan oude vrouwen is nooit gebrek." + +Deze nieuwe oude vrouw heette vrouw Burgon en had niets merkwaardigs +in haar leven dan een dynastie van drie papegaaien, die achtereen +over haar hart geregeerd hadden. + +De armste dergenen, die het oude huis bewoonden, was een gezin van +vier personen, vader, moeder, en twee bijna volwassen dochters, allen +in dezelfde kamer gehuisvest, in een dier cellen, waarvan wij reeds +gesproken hebben. + +Dit gezin vertoonde bij den eersten aanblik niets bijzonders dan de +uiterste armoede. De vader had, toen hij de kamer huurde, gezegd, +dat hij Jondrette heette. Eenigen tijd nadat hij hier ingetrokken was, +welke intrekking, om de eigenaardige uitdrukking der "hoofdhuurderes" +te bezigen, een "verhuizing van niets" geleek, had Jondrette aan deze +vrouw gezegd, die gelijk haar voorgangster, tevens portierster was +en de trap veegde:--"Buurvrouw, zoo iemand mocht komen om een Pool +of een Italiaan, of ook een Spanjaard te spreken... deze ben ik." + +Die familie was de familie van den vroolijken barvoetigen knaap. Hij +kwam te huis en vond er nood; doch wat treuriger was, geen enkelen +glimlach; koude aan den haard en koude in de harten. Wanneer hij +binnenkwam, vroeg men hem:--"Van waar komt ge?"--Hij antwoordde:--"Van +de straat."--Wanneer hij heen ging, vroeg men hem:--"Waar gaat ge +heen?" en hij antwoordde: "Naar de straat." Zijn moeder vroeg hem: +"Wat komt ge hier doen?" + +Deze knaap leefde in ontbering van alle liefde, gelijk bleeke +grasscheuten in de kelders bij gemis van alle licht. Hij leed er +niet onder en nam het niemand kwalijk. Hij wist eigenlijk niet hoe +een vader en een moeder zijn moesten. + +Zijn moeder beminde evenwel zijn zusters. + +Wij hebben vergeten te zeggen, dat men op den boulevard du +Temple dezen knaap den kleinen Gavroche noemde. Waarom heette hij +Gavroche? Waarschijnlijk omdat zijn vader Jondrette heette. + +Den familieband te verbreken, schijnt bij sommige arme familiën een +instinct te zijn. + +De kamer, welke het gezin Jondrette in het huis Gorbeau bewoonde, +was de laatste aan het einde van de gang. + +De cel er naast werd bewoond door een zeer arm jong mensch, die +mijnheer Marius werd genoemd. + +Laat ons zeggen wie mijnheer Marius was. + + + + + + + +BOEK II. + +DE GROOTE BURGER. + + +EERSTE HOOFDSTUK. + +NEGENTIG JAREN EN TWEE-EN-DERTIG TANDEN. + + +In de straat Boucherat, in de straat de Normandie, en in de straat +Saintonge bestaan nog eenige lieden, die zich een oud man, een zekeren +mijnheer Gillenormand, herinneren en gaarne van hem spreken. Deze +man was reeds oud, toen zij jong waren. Zijn gestalte is voor hen, +die met droefgeestigen blik dat flauwe schimmengewemel aanschouwen, +'t welk men het verleden noemt, nog niet geheel en al uit dien doolhof +van straten in den omtrek van den Temple verdwenen, waaraan, onder de +regeering van Lodewijk XIV, de namen van al de provinciën van Frankrijk +werden gegeven, gelijk men in onzen tijd aan de straten der nieuwe +wijk Tivoli de namen van al de hoofdsteden van Europa gegeven heeft; +een bewijs van vooruitgang ook in dit opzicht. + +De heer Gillenormand die in 1831 nog springlevend was, was een dier +menschen, welke door hun hoogen leeftijd merkwaardig worden en thans +ongemeen zijn, terwijl zij vroeger als iedereen geleken en thans +op niemand meer gelijken. Hij was een zonderling grijsaard en wel +degelijk een man van een andere eeuw, de volmaakte en een weinig +trotsche burger der achttiende eeuw, die even fier op zijn oud +burgerschap was als de markies op zijn markiezaat. Hij was over de +negentig jaar oud, ging rechtop, sprak luid, zag helder, dronk goed, +at, sliep en ronkte evenals vroeger. Hij had nog al zijn twee-en-dertig +tanden. Slechts om te lezen gebruikte hij een bril. Hij was verliefd +van natuur, maar zeide dat hij sedert tien jaren bepaald geheel en al +van de vrouwen had afgezien. Hij kon niet meer behagen, zooals hij +zeide; hij voegde er echter niet bij: ik ben te oud; maar: ik ben +te arm; ware ik niet geruïneerd... O!--Hij bezat inderdaad slechts +een inkomen van omstreeks vijftien duizend francs. Zijn eenigste +wensch was te erven en honderd duizend francs rente te bezitten om +maitressen te kunnen houden. Hij behoorde, gelijk men ziet, niet tot +die soort van ziekelijke grijsaards die, zooals Voltaire, levenslang +sterven; hij had niet het lange leven van een gebarsten pot; de +fiksche grijsaard was altijd gezond geweest. Hij was oppervlakkig, +driftig, spoedig vergramd. Bij elke gelegenheid bruiste hij op, +meestal ten onrechte. Zoo men hem tegensprak, hief hij zijn stok op, +en sloeg de menschen als in de "groote eeuw." Hij had een ongehuwde +dochter van over de vijftig jaar, welke hij duchtig ranselde, als +hij toornig werd, en zeer gaarne zelfs had gegeeseld. Zij was voor +hem niet ouder dan acht jaar. Zijn dienstboden gaf hij oorvegen, +noemde ze beesten! en overlaadde ze met vloeken. Toch was hij soms +buitengewoon kalm en rustig; en liet zich dagelijks door een barbier +scheren, die krankzinnig was geweest en mijnheer Gillenormand haatte, +wijl hij jaloersch op hem was, om zijn vrouw, een bekoorlijke coquette. + +De heer Gillenormand bewonderde zijn eigen knapheid in alle zaken, en +verklaarde zich zelven voor zeer schrander en verstandig; hij zeide +onder anderen: "Ik heb waarlijk zooveel scherpzinnigheid, dat ik u +zou kunnen zeggen van welke vrouw ik de vloo heb, die mij bijt." De +woorden, die hij 't meest gebruikte, waren: "de gevoelige mensch" en +"de natuur." Hij gaf aan dit laatste woord niet dezelfde grootsche +beteekenis, die onze eeuw er aan hecht, maar mengde het op zijn wijze +onder zijn bijtende uitvallen in het hoekje van den haard.--De natuur, +zeide hij, schenkt der beschaving, opdat zij een weinig van alles +hebbe, zelfs velerlei soorten van vermakelijke barbaarschheden. Europa +heeft staaltjes van Azië en Afrika in klein formaat. De kat is een +kamertijger, de hagedis een zakkrokodil. De danseressen der opera +zijn rozeroode wilden. Zij eten de mannen niet op, maar zuigen ze +uit. Ofwel--die tooveressen!--zij veranderen ze in oesters en slikken +ze aldus. De Karaïeben laten slechts de beenderen over, zij niets +dan de schaal. Zoo zijn onze zeden. Wij verslinden niet, maar knagen; +wij vernietigen niet, maar houden toch vast met onze klauwen. + + + + + + +TWEEDE HOOFDSTUK. + +ZOO DE MAN, ZOO DE WONING. + + +Hij woonde in het Marais, in de straat des filles du Calvaire +No. 6. Het huis behoorde hem. Dit huis is sedert afgebroken en +herbouwd, en het nummer ervan waarschijnlijk in de omwentelingen der +hernummering, welke de straten van Parijs ondergaan, veranderd. Hij +bewoonde ruime ouderwetsche vertrekken op de eerste verdieping, +tusschen de straat en de tuinen. De wanden waren er tot aan de +zoldering behangen met groote tapijten van Gobelin en Beauvais, waarop +herderlijke tafereelen voorgesteld werden, die op de bekleedsels der +stoelen in 't klein waren nageschetst. Zijn bed was achter een groot +kamerscherm van negen, met Coromandelsch lakwerk versierde, bladen +verborgen. Lange gordijnen hingen in prachtige zware plooien voor de +ramen. De vlak onder zijn vensters liggende tuin was met een der ramen, +die den hoek vormde, verbonden door middel van een twaalf of vijftien +treden hooge trap, die de goede man zeer vlug op- en afging. Behalve +een bibliotheek naast zijn kamer had hij een boudoir, waarop hij zeer +gesteld was, met een leliegeel behang versierd, dat op order van den +heer de Vivonne, die 't zijne minnares wilde geven, op de galeien +van Lodewijk XIV door de galeislaven vervaardigd was. Dit had de +heer de Gillenormand van een knorrige tante van moederszijde geërfd, +die honderd jaar oud was geworden. Hij had twee vrouwen gehad. In zijn +manieren bezat hij iets van een hoveling, als hij nooit geweest was, en +van een magistraatspersoon, als hij had kunnen zijn. Hij was vroolijk +en als hij wilde vleiend. In zijn jongen tijd was hij een derzulken +geweest, die altijd door hun vrouwen en nooit door hun minnaressen +bedrogen worden, wijl zij tegelijk de onaangenaamste echtgenooten en +de teederste minnaars zijn. Hij was kunstkenner. In zijn kamer had hij +een bewonderenswaardig schoon portret van een onbekende, door Jordaens +met stout penseel geschilderd. De kleeding van mijnheer Gillenormand +was niet uit den tijd van Lodewijk XV of van Lodewijk XVI; 't was het +kostuum der incroyables (modegekken) van het Directoire. Tot dien tijd +had hij zich altijd jong geloofd en de mode gevolgd. Zijn rok was van +licht laken met breede overslagen, panden zoo lang als zwaluwstaarten +en groote stalen knoopen. Daarbij een korte broek en gespen op de +schoenen. Hij hield altijd de handen in zijn zakken, en zei dikwijls +met gezag: "De Fransche Revolutie was niets dan een hoop bandieten." + + + + + + +DERDE HOOFDSTUK. + +ZIJN DOOPNAMEN. + + +Op zijn zestiende jaar had hij de eer gehad, op één avond in de +opera te gelijk door twee destijds rijpe en vermaarde schoonheden, +beide door Voltaire bezongen, door la Camargo en la Sallé begluurd +te worden. Tusschen twee vuren geraakt, had hij toen een heldhaftigen +aftocht gemaakt naar een kleine danseres, Naherry genaamd, die evenals +hij zestien jaar oud en geheel onbekend was, en op wie hij verliefd +was geworden. Hij vloeide over van herinneringen. "O!" riep hij vaak, +"hoe schoon was Guimard, toen ik haar het laatst te Longchamps zag, +met haar heerlijke, sentimenteele lokken, turkooizen-oorbellen, +nieuwmodisch kleed en mof!"--In zijn jongelingsjaren had hij een +buis à la Nain-Londrin gedragen, waarvan hij gaarne en met genoegen +sprak.--"Ik was als een Turk uit de Levant gekleed," zeide hij +dan. Mevrouw de Boufflers, die hem toevallig had gezien, noemde hem, +toen hij twintig jaar oud was: "een allerliefste dwaas." Hij ergerde +zich over al de namen, welke hij in de politiek en het bewind zag, +en vond ze gemeen en burgerlijk. Hij las de dagbladen, en noemde +ze in lachen uitbarstend de "nieuwe papieren." "Wie zijn toch deze +lieden: Corbiere, Humann! Casimir Perier!" vroeg hij dan, "zijn +zij ministers? Wat zou 't grappig zijn, zoo ik eens in de courant +las: mijnheer de minister Gillenormand.--Nu, zij zijn dom genoeg om +zoo iets te doen!" Hij noemde alles onbewimpeld bij den waren naam, +zonder zich in de tegenwoordigheid van vrouwen te ontzien. De grootste +onbetamelijkheden en vuilste taal sprak hij op zulk een ongedwongen +en kalmen toon uit, alsof 't zoo behoorde. + +Wel was dit de ongedwongenheid zijner eeuw. Het is opmerkelijk, +dat de tijd van sierlijke omschrijvingen in dichtmaat juist die van +ruwheid in het proza was. Zijn peet had voorspeld, dat hij een man +van genie zou zijn en had hem de twee veelbeteekenende namen van +Luc-Esprit gegeven. (Lucas-Geest). + + + + + + +VIERDE HOOFDSTUK. + +EEN ASPIRANT NAAR DE HONDERD JAAR. + + +In zijn kindsheid had hij in de school te Moulins, waar hij geboren +was, menigmaal prijzen behaald en was er zelfs door de hand van +den hertog van Nivernais, dien hij den hertog van Nevers noemde, +bekroond. Noch de conventie, noch de dood van Lodewijk XIV, noch +Napoleon, noch de terugkomst der Bourbons, hadden de herinnering aan +die bekroning kunnen uitwisschen. De "hertog van Nevers" was voor +hem de groote figuur der eeuw. "Welk een goed, groot heer was hij, +en hoe fraai stond hem het blauwe lint," dus sprak hij dikwijls. In +zijn oogen had Katharina II de misdaad van Polens verbrokkeling +uitgewischt, door van Bestuchef voor drie duizend roebels het geheim +van het goud-elixer te koopen. Als hij daarvan sprak, geraakte hij in +vuur. "Het goud-elixer," riep hij dan, "de gele tinctuur van Bestuchef, +de droppels van generaal Lamotte,--het was in de negentiende eeuw, +voor een louisd'or het fleschje van een half ons, het groote hulpmiddel +tegen de rampen der liefde, het panacee tegen Venus. Lodewijk XV zond +er tweehonderd flesschen van aan den paus."--Men zou hem vertoornd +en tot het uiterste gebracht hebben, zoo men hem gezegd had, dat +het goud-elixer niets anders dan perchlorure van ijzer was. Mijnheer +Gillenormand vereerde de Bourbons en verfoeide 1789; zonder ophouden +kon hij vertellen, op welke wijze hij tijdens het schrikbewind +ontsnapt was, en hoe vroolijk en schrander hij had moeten zijn om +zijn hoofd te kunnen behouden. Zoo een jongeling het waagde hem +met lof van de republiek te spreken, werd hij zoo rood van toorn, +dat hij schier in onmacht viel. Soms zinspelend op zijn negentig +jaren zeide hij: "Ik hoop niet, dat ik tweemalen drie-en-negentig +jaren zal beleven." Een andermaal echter gaf hij weer te kennen, +dat hij voornemens was honderd jaar oud te worden. + + + + + + +VIJFDE HOOFDSTUK. + +BASQUE EN NICOLETTE. + + +Hij had theorieën. Eene er van was: "Zoo een man de vrouwen +hartstochtelijk bemint en hij zelf een vrouw heeft, die hem +onverschillig, die leelijk, bits, en bijgevolg vol aanmatigingen, +desnoods jaloersch is en op het wetboek steunt, schiet hem slechts +één middel over om rust en vrede te hebben, namelijk: die vrouw over +de beurs te laten beschikken. Deze afstand maakt hem vrij. Dan toch +heeft de vrouw bezigheid, krijgt zooveel lust in 't geld tellen, +dat haar vingers vuil worden, rijdt de huurders en pachters na, +raadpleegt procureurs, notarissen, advocaten, procedeert, stelt +huurcontracten op, gevoelt zich meesteres, koopt, verkoopt, regelt, +belooft, bindt en ontbindt, brengt nu alles in orde, dan in wanorde, +bezuinigt, verspilt, doet dwaasheden, hetgeen een groot geluk is, en +vindt daarin haar troost. Terwijl de echtgenoot haar veronachtzaamt, +heeft zij dus het vermaak hem te ruïneeren." Deze theorie had mijnheer +Gillenormand op zich zelven toegepast en zij was zijn geschiedenis +geworden. Zijn tweede vrouw toch had zijn vermogen zóó beheerd, dat +den heer Gillenormand, toen hij op zekeren dag weduwnaar werd, juist +genoeg overbleef om ervan te kunnen leven, zoo hij alles op lijfrente +zette, hetgeen een rente van vijftienduizend francs uitmaakte, waarvan +drie vierden met hem te niet moesten gaan. Hij had zich niet lang +bedacht en er zich weinig om bekommerd, of hij al dan niet een erfenis +naliet. Bovendien had hij gezien, dat eigendommen aan verandering +onderhevig waren en, bij voorbeeld, soms "nationaal eigendom" konden +worden; en daar hij tierceering had bijgewoond, stelde hij ook in +het grootboek geen crediet.--Dat alles was "straat Quincampoix," +zwendelarij. Wij hebben gezegd, dat het huis in de straat "des filles +du Calvaire" hem behoorde. Hij had twee dienstboden, "een mannelijke +en een vrouwelijke." Zoodra iemand bij den heer Gillenormand in dienst +kwam, werd die door hem herdoopt. Hij gaf den mannen den naam hunner +provincie: Nîmois, Courtois, Poitevin of Picard. Zijn laatste knecht +was een dik, amechtig man van vijf-en-vijftig jaar, die geen twintig +schreden kon loopen; doch daar hij te Bayonne geboren was, noemde de +heer Gillenormand hem Basque. De dienstmeiden heetten alle Nicolette +bij hem, zelfs Magnon, van wie later zal gesproken worden. Op zekeren +dag bood een keukenmeid van den eersten rang hem haar dienst aan. + +"Hoeveel loon begeert ge 's maands?" vroeg mijnheer Gillenormand. + +"Dertig francs." + +"Hoe heet ge?" + +"Olympia." + +"Ge zult vijftig francs hebben en Nicolette heeten." + + + + + + +ZESDE HOOFDSTUK. + +MAGNON MET HAAR TWEE KINDEREN. + + +Bij den heer Gillenormand uitte zich de smart in toorn; hij kon +woedend zijn over zijn wanhoop. Hij had allerlei vooroordeelen en +veroorloofde zich alles. Bovenal was hij trotsch en innig tevreden +dat hij, zooals wij gezegd hebben, nog in zijn ouderdom zoo galant was +gebleven en daarvoor ook gehouden werd. Hij noemde dit een koninklijke +vermaardheid. En zij bezorgde hem ook zonderlinge voordeelen. Op +zekeren dag bracht men hem in een oestermand een dik pasgeboren +knaapje, schreeuwende als de drommel en goed ingebakerd, waarvan +hem het vaderschap werd toegeschreven door een dienstmeid, welke hij +zes maanden geleden had weggejaagd. Mijnheer Gillenormand was toen +vier-en-tachtig jaar oud. Ergernis en gebabbel in de buurt. "Wien zou +die schaamtelooze zoo iets durven wijs maken? Welk een vermetelheid, +welk een schandelijke laster!" Maar mijnheer Gillenormand was +er volstrekt niet verstoord over. Hij beschouwde het kind met den +tevreden glimlach van iemand, wien de laster vleit, en zei: "Welnu, +wat zou dat, wat is er te doen? ge verwondert u waarlijk als menschen, +die van niets weten. De hertog van Angoulême, bastaard van zijne +Majesteit Karel IX, trouwde, toen hij vijf-en-tachtig jaar oud was, +met een nufje van vijftien jaar, mijnheer Virginal, markies van Alluye, +broeder van den kardinaal de Sourdis, aartsbisschop van Bordeaux, +verwekte, drie-en-tachtig jaar oud zijnde, een zoon bij een kamenier +van de presidentsvrouw Jaquin, een waar kind der liefde, die Malthezer +ridder en staatsraad met den degen werd; een der grootste mannen +dezer eeuw, de abt Tabaraud, is de zoon van een zeven-en-tachtigjarig +man. Die dingen hebben niets buitengewoons. En dan de bijbel! Ik +verklaar echter, dat deze kleine niet van mij is. Toch moet men hem +verzorgen. 't Is zijn schuld niet."--Zijn handelwijze was waarlijk +goedaardig. + +Het schepsel, dat Magnon heette, zond hem het volgende jaar een +dergelijk geschenk. Nu kapituleerde mijnheer Gillenormand. Hij gaf +aan de moeder de twee kleinen terug en verbond zich, om maandelijks +tachtig francs voor hun onderhoud te betalen, op voorwaarde dat +gezegde moeder het er nu bij zou laten. Hij voegde er nog bij: +"Ik verlang, dat de moeder ze goed behandelen zal. Van tijd tot tijd +zal ik ze bezoeken." En dit deed hij. Hij had een broeder gehad, die +priester en dertig jaren rector der academie van Poitiers geweest en +op negen-en-zeventigjarigen ouderdom overleden was. Toch zeide hij, +dat hij hem jong verloren had. Deze broeder, die weinige herinneringen +heeft achtergelaten, was een vreedzame vrek, die als priester zich +verplicht achtte den armen, welke hij ontmoette, aalmoezen te geven, +maar hun ook niets dan slecht of valsch geld schonk, en aldus het +middel vond langs den weg des hemels naar de hel te gaan. Mijnheer +Gillenormand senior zag op geen aalmoes en gaf gaarne en mild. Hij was +goedhartig, ruw, liefdadig, en ware hij rijk geweest, hij zou misschien +naar prachtlievendheid zijn overgeheld. Alles moest, voor zoover +'t hem aanging, op groote schaal gebeuren, zelfs schurkenstreken. + +Eenmaal, toen hij bij een erfenis op de gemeenste en tastbaarste +wijze door een zaakwaarnemer geplukt was, riep hij op plechtige wijze: +"Foei! dat is slordig! ik schaam mij er over. Alles ontaardt in deze +eeuw, zelfs de schelmen. Wat duivel! zóó laat iemand van mijn soort +zich niet plunderen. Ik ben bestolen als in een bosch, maar gemeen +bestolen. Silvæ sint consule dignæ."--Hij had, zooals wij zeiden, +twee vrouwen gehad; van de eerste had hij een dochter, die ongehuwd +was gebleven, en van de tweede nog een dochter, die op dertigjarigen +leeftijd gestorven was, na uit liefde of toevallig met een soldaat van +fortuin getrouwd te zijn geweest, die in de gelederen van republiek +en keizerrijk gediend en bij Austerlitz het kruis gekregen had, te +Waterloo tot kolonel was verheven en door den ouden burger nochtans +de schandvlek der familie werd genoemd. Hij snoof sterk en wist zeer +bevallig met den rug zijner hand de snuifkorrels van zijn kanten +chabot te slaan. Aan God geloofde hij niet sterk. + + + + + + +ZEVENDE HOOFDSTUK. + +REGEL: ONTVANG ALLEEN DES AVONDS BEZOEK. + + +Zoo was mijnheer Luc Esprit Gillenormand, die zijn meer grijze dan +witte haren nog niet verloren had en nog altijd naar de mode zijner +jeugd gekapt was. Overigens was hij bij dat alles zeer deftig. + +Hij had iets van de achttiende eeuw: beuzelachtig en groot. + +In het jaar 1814 en de eerste jaren der restauratie woonde +Gillenormand, destijds nog jong--hij was niet ouder dan +vier-en-zeventig jaar--in de voorstad Saint-Germain, in de straat +Servandoni, bij Saint-Sulpice. Eerst toen hij zich van de wereld +afzonderde, trok hij naar het Marais en wel met tachtig jaren achter +den rug. De wereld verlatende, was hij als door zijn gewoonten +ommuurd. De voornaamste en de onwrikbaarste was, dat hij des daags +zijn deur gesloten hield en niemand, voor welke zaak het ook ware, +anders dan des avonds ontving. Hij dineerde te vijf uren en zette dan +zijn deur open. 't Was de mode zijner eeuw en hij wilde er niet van +afzien.--"De dag is schelmachtig," zeide hij, "en verdient niets dan +gesloten vensters. Fatsoenlijke menschen laten hun geest lichten als +het luchtruim zijn sterren ontsteekt."--En dus bleef hij voor ieder, +zelfs voor den koning, ongenaakbaar. Dat was de oude bevalligheid +van zijn tijd. + + + + + + +ACHTSTE HOOFDSTUK. + +TWEE MAKEN GEEN PAAR. + + +Van de twee dochters des heeren Gillenormand hebben wij reeds +gesproken. De eene was tien jaren voor de andere geboren. In haar +jeugd geleken zij weinig op elkander, zoomin wat gelaat als karakter +betreft, en schenen bijna geen zusters te zijn. De jongste wendde haar +bekoorlijk hart naar al wat licht was, zij hield zich met bloemen, +verzen en muziek bezig, kon zich met etherische geestvervoering in +hooger sferen verplaatsen en was reeds van haar kindsheid af aan het +ideaal van een denkbeeldigen held verloofd. Ook de oudste had haar +droombeelden; zij zag in de wolken een zeer rijken leverancier, een +van domheid schitterend echtgenoot, een mensch geworden millioen, +of wel een prefect; terwijl de receptiën in 's prefects huis, de +boden in de voorkamer met een keten om den hals, de officiëele bals, +de aanspraken in de mairie en het denkbeeld: de vrouw van een prefect +te zijn, in haar verbeelding dooreen dwarrelden. Beide zusters hadden +alzoo ieder haar wenschen, toen zij jong waren. Beide hadden vleugelen: +de eene als van een engel, de andere als van een gans. + +Geen eerzucht wordt, ten minste niet hier op aarde, volkomen +vervuld. Er is geen aardsch paradijs meer in onzen tijd. De jongere +zuster was met den man harer droomen getrouwd, maar stierf. De oudste +was niet getrouwd. + +Op het oogenblik, dat zij in onze geschiedenis optreedt, was zij een +oude vrome, onontvlambare nuf, met den puntigsten neus en het stompste +verstand, dat men maar vinden kon. Een karakteristieke bijzonderheid +was 't voorzeker, dat niemand buiten den engen familiekring ooit haar +voornaam geweten had. Men noemde haar altijd de oudste mejuffrouw +Gillenormand. Wat de preutschheid betreft, zou zij 't van een Engelsche +dame zelfs gewonnen hebben. 't Was de beschaamdheid tot het uiterste +gedreven. Zoolang zij leefde, vervolgde haar één schrikkelijke +herinnering; eens toch had een man haar kousenband gezien. + +En deze onmeêdoogende beschaamdheid was met de jaren nog erger +geworden. Haar halsdoek was nooit dicht genoeg en zij kon ze nooit hoog +genoeg ophalen. Zij zette steeds meer haken en oogen aan en stak zelfs +spelden, waar niemand er aan dacht om te gluren. Het eigenaardige der +preutschheid is immers ook, dat er te meer schildwachten worden gezet, +naarmate de vesting minder wordt bedreigd. + +Toch liet zij zich--wie er in staat toe is verklare deze oude +verborgenheid der onschuld--niet ongaarne door een officier der +lanciers omhelzen, die haar achterneef was en Theodule heette. + +In spijt nochtans van dien begunstigden lancier kwam haar de benaming +van "preutsch", welke wij haar gegeven hebben, toch volkomen +toe. Juffrouw Gillenormand was een soort van schemeringsziel. De +preutschheid is half deugd, half ondeugd. + +Bij haar preutschheid voegde zij nog dweperij, dubbele voering voor +zulk een kleed. Zij behoorde tot het genootschap der H. Maagd, droeg +op sommige feestdagen een witten sluier, prevelde bijzondere gebeden, +vereerde het "heilige bloed" en "het heilige hart", kon uren lang +aandachtig voor een kakelbont opgeschikt jezuïetisch altaar in een +afzonderlijke, voor 't geloovig gemeen gesloten kapel blijven liggen, +en liet daar haar ziel omhoog stijgen naar marmeren wolkjes en groote +vergulde houten stralen. + +Zij had een kerkvriendin, een bedaagde maagd als zij, en daarbij zeer +dom, die juffrouw Vaubois heette, en bij wie juffrouw Gillenormand het +geluk had voor een genie door te gaan. Uitgezonderd de Agnus Dei en de +Ave Maria, verstond juffrouw Vaubois niets, dan het op verschillende +wijzen toebereiden van confituren. Juffrouw Vaubois, volmaakt in haar +soort, was de hermelijn der domheid zonder een enkel smetje verstand. + +Wij moeten zeggen, dat juffrouw Gillenormand bij de vermeerdering +harer jaren meer gewonnen dan verloren had, zooals bij lijdelijke +naturen gewoonlijk het geval is. Zij was nooit slecht geweest, +hetgeen betrekkelijk goed is; bovendien slijt de ouderdom de hoeken, +en had de tijd haar week gemaakt. Zij had een sombere treurigheid, +waarvan zij de oorzaak niet wist. In geheel haar persoon uitte zich +de verbazing over een geëindigd leven, dat geen begin heeft gekend. + +Zij bestierde de huishouding van haar vader. Mijnheer Gillenormand +had zijn dochter evenzoo bij zich, als Monseigneur Bienvenu zijn +zuster. Zulke huishoudingen van een grijsaard en een oude vrijster zijn +niet zeldzaam en vertoonen het aandoenlijk tooneel van twee zwakheden, +die elkander steunen. + +Bovendien stond in dit huis, tusschen deze oude vrijster en dezen +grijsaard in: een kind, een knaapje, steeds sprakeloos en bevende als +mijnheer Gillenormand er bij was. Nooit sprak mijnheer Gillenormand +dat kind anders dan op strengen toon en soms met opgeheven stok +toe.--"Hier, domoor, deugniet, kom nader!--Antwoord, schelm!--Zoo +ge mij weder onder de oogen durft komen!" enz. enz. enz. Toch aanbad +hij het kind. + +Het was zijn kleinzoon. Wij zullen dat kind wedervinden. + + + + + + + +BOEK III. + +DE GROOTVADER EN DE KLEINZOON. + + +EERSTE HOOFDSTUK. + +EEN VOORMALIG SALON. + + +Toen mijnheer Gillenormand nog in de straat Servandoni woonde, +bezocht hij verscheidene aanzienlijke en adellijke kringen. Hij werd +er, schoon hij tot den burgerstand behoorde, ontvangen. Wijl hij een +dubbele geestigheid had, namelijk die welke hij bezat en die welke men +hem toeschreef, werd hij gezocht en gevierd. Hij ging nergens dan waar +hij den toon voeren kon. Er zijn lieden, die tot elken prijs invloed +uitoefenen willen, en verlangen dat men zich met hen bezig houde; +die, waar zij geen orakel kunnen zijn, hansworst worden. Mijnheer +Gillenormand had dien aard niet; zijn heerschappij in de koningsgezinde +kringen, welke hij bezocht, ontnam niets aan zijn eigenwaarde. Hij +was overal een orakel. Zelfs bood hij het hoofd aan Mr. de Bonald en +Bengy-Puy Vallée. + +Omstreeks 1817 sleet hij onveranderlijk twee middagen per week bij +mevrouw de barones de T.... die in zijne buurt, in de straat Ferou, +woonde en een achtenswaardige dame was, wier echtgenoot onder +Lodewijk XVI Fransch ambassadeur te Berlijn was geweest. Baron de +T...., die zich bij zijn leven hartstochtelijk aan de magnetische +verrukkingen en vizioenen overgaf, was arm als emigrant overleden, +niets nalatende dan tien deelen handschriften, gebonden in rood +marokijn en verguld op snede, die zeer merkwaardige herinneringen +ten opzichte van Mesmer behelsden. Mevrouw T.... had welstaanshalve +deze gedenkschriften niet uitgegeven, en leefde van een kleine rente, +die haar, men weet niet hoe, was overgebleven. Zij leefde van 't hof +verwijderd! een "zeer gemengde wereld," zooals zij het in haar edele, +fiere en armoedige verlatenheid noemde. Eenige vrienden vereenigden +zich tweemaal 's weeks om haar weduwlijken haard en vormden er een +zuiver koningsgezinden kring. Men dronk er thee en, naar gelang +men treurig of toornig gestemd was, zuchtte men of slaakte kreten +van afgrijzen over de eeuw, de constitutie, de bonapartisten, de +veilheid waarmede het blauwe ordelint aan de burgers werd gegeven, +en het Jakobinisme van Lodewijk XVIII, en sprak er fluisterend over +de hoop welke Monsieur, later Karel X, gaf. + +Met vreugdegejuich werden er spotliederen ontvangen, waarin Napoleon +Nikolaas werd genoemd. Hertoginnen, de teederste en bekoorlijkste +vrouwen zelfs, geraakten er in verrukking over verzen als deze, +aan de federalisten gericht: + + + Renfoncez dans vos culottes + Le bout d' chemise qui vous pend. + Qu'on n' dis pas qu' les patriotes + Ont arboré l' drapeau blanc! [1] + + +Men vermaakte zich met woordspelingen die men vreeselijk vond, met +onnoozele naamspelingen die men giftig waande, en met verzen van vier, +zelfs van twee regels; zoo ook met dit op het ministerie-Desolles, een +gematigd cabinet, waarin de heeren Decases en Deserre zitting hadden. + + + Pour raffermir le trône ebranlé sur sa base, + Il faut changer de sol et de serre et de case [2] + + +Of wel schold men er de Kamer der pairs voor: een afschuwelijke +Jakobijnen-kamer en koppelde er spottende namen aaneen. + +Ook parodiëerde men er de Revolutie. Men keerde bij voorbeeld den +zin van het ça ira om en zong: + + + Ah! ça ira! ça ira! ça ira! + Les buonapartist' à la lanterne! + + +Liedjes hebben veel van de guillotine: zij onthoofden onverschillig, +heden dezen, morgen genen. 't Zijn slechts variatiën. + +In het rechtsgeding Fualdès, dat in dien tijd, 1816, gevoerd werd, +koos men partij voor Bastide en Jausion, wijl Fualdès "buonapartist" +was. Men noemde de liberalen "broeders en vrienden," en dit was een +beleediging in den hoogsten graad. + +Evenals sommige kerktorens, had de salon der baronesse T... twee +weerhanen. De een was de heer Gillenormand, de andere de graaf de +Lamothe Valois, van wien men elkander met een zweem van toegevendheid +toefluisterde: "Ge weet wel, het is Lamothe van dat parelsnoer." + +Partijen verleenen zonderlinge amnestieën. + +In den burgerstand wordt een vereerende stelling al licht door het +aanknoopen van mindere betrekkingen verlaagd, en moet men behoedzaam +zijn zoo men iemand ontvangt; want even als er bij de nadering +van koude verlies van warmtestof ontstaat, is er vermindering +van hoogachting bij de nadering van verachtelijke personen. De +oude, groote wereld verhief zich boven deze wet als boven alle +andere. Marigny, broeder van la Pompadour, had toegang bij den prins +van Soubise. Hoewel? neen, omdat hij dit was. Du Barry, peet van +la Vaubernier, werd bij den maarschalk van Richelieu zeer gaarne +gezien. Deze wereld was de Olymp. Merkuur en de prins van Guémenié +waren er te huis. Een dief werd er toegelaten, mits hij tevens een +god was. + +De graaf de Lamothe, die in 1815 een vijf-en-zeventigjarige grijsaard +was, had niets bijzonders dan zijn zwijgende, peinzende houding, +zijn koel, hoekig gezicht, zijn uitnemend beschaafde manieren, zijn +tot aan de kin dichtgeknoopten rok en zijn lange beenen, welke, in +een wijde bruin gekleurde broek, als hij zat, immer over elkander +waren geslagen. Zijn gezicht had de kleur van zijn broek. + +Deze mijnheer de Lamothe was in dien salon door zijn vermaardheid +"in tel" en, zonderling, ook door den naam van Valois. + +Wat den heer Gillenormand betreft, de achting, die men hem toonde, +was van volkomen goed allooi. Zijn gezag was erkend. Hoe licht hij +was, en zonder dat het aan zijn vroolijkheid schaadde, maakte zijn +voorkomen indruk, deftig, eerlijk en burgerlijk trotsch als het was, +gepaard aan zijne hooge jaren. Men is niet voor niets een eeuw oud. De +jaren omgeven het hoofd eindelijk met iets eerbiedwaardigs. + +Bovendien gebruikte hij woorden, welke zoovele vonken waren uit +den ouden rotssteen. Zoo werd de koning van Pruisen, toen deze, +na Lodewijk XVIII op den troon te hebben hersteld, hem onder den +naam van graaf van Rupen bezocht, door den afstammeling van Lodewijk +XIV met de meest kiesche onbeschoftheid slechts als een soort van +markies van Brandenburg ontvangen. Mijnheer Gillenormand keurde +dit goed.--"Alle koningen, die geen koning van Frankrijk zijn," +zeide hij, "zijn provincie-koningen." Op zekeren dag vroeg men in +zijn tegenwoordigheid: waartoe de redacteur van den Courier Français +veroordeeld was? en toen men hierop antwoordde: Tot suspensie! merkte +Gillenormand op [3], dat sus hier te veel was. Woorden als deze geven +iemand vermaardheid. + +Bij gelegenheid dat op den verjaardag der terugkomst van de Bourbons +het Te Deum werd gezongen, zeide Gillenormand, toen hij Talleyrand +zag voorbijgaan: "Ziedaar Zijne Excellentie de Booze." + +Gewoonlijk werd mijnheer Gillenormand door zijn dochter, een lange +dame, die toen over de veertig jaar oud was en er vijftig scheen, en +door een lief en bloeiend frisch knaapje, met openhartige vroolijke +oogen, verzeld, dat nooit in den salon verscheen zonder aller stem +om hem heen te hooren fluisteren: "Welk een lieve knaap! hoe jammer, +die arme jongen!" Dit knaapje nu was het kind, van 't welk wij zoo +even gesproken hebben. Men noemde hem--"arme jongen"--wijl hij een +"bandiet van de Loire" tot vader had. + +Deze "bandiet van de Loire" was dezelfde behuwdzoon van mijnheer de +Gillenormand, van wien reeds gesproken is en dien deze de schandvlek +zijner familie genoemd had. + + + + + + +TWEEDE HOOFDSTUK. + +EEN DER ROODE SPOKEN VAN DIEN TIJD. + + +Zoo iemand in dien tijd het stadje Vernon door en de schoone +monumentale brug over ware gegaan, die, naar wij hopen, spoedig +door een leelijke hangbrug van ijzerdraad vervangen zal worden, +en dan een blik over de borstwering geslagen had, zou hij een man +van vijftigjarigen ouderdom hebben kunnen zien, die een lederen +pet, een broek en buis van grof grijs laken, waarop iets geels was +genaaid, dat vroeger een rood lint moest geweest zijn, en klompen +droeg. Zijn gezicht, door de zon verbrand, was schier zwart en zijn +hart schier wit; een breed litteeken liep van zijn voorhoofd tot over +de wang. Hij ging gebukt en gekromd, oud voor den tijd, en wandelde +bijna dagelijks, met een spade en een snoeimes in de hand, in een +der met muren omgeven tuinen, die als een terrassen-keten den linker +Seine-oever met hun bekoorlijke bloemperken omzoomen en welke, zoo zij +grooter waren, hoven, en zoo zij kleiner waren, bloemruikers konden +heeten. Al deze tuintjes grensden aan het eene einde aan de rivier, +aan 't andere einde aan een huis. De man met het buis en de klompen, +van wien wij spreken, bewoonde in 1817 het kleinste dier tuintjes en +het nederigste dier huizen. Hij woonde er alleen en eenzaam, stil en +arm, met een noch jonge, noch oude, noch schoone, noch leelijke, noch +boersche, noch steedsche vrouw, die hem bediende. Het stukje grond, +dat hij zijn tuin noemde, was door de geheele stad vermaard om de +schoone bloemen, welke hij er kweekte. Want dit was er zijn bezigheid. + +Door werkzaamheid, volharding, oplettendheid en emmers water was het +hem gelukt den Schepper na te scheppen, en had hij een soort tulpen +en dahlias uitgevonden, welke de natuur scheen vergeten te hebben. Hij +was vindingrijk en Soulange Bodin zelfs voor geweest in de aanwending +van heidegrond voor de kweeking van zeldzame en kostbare Amerikaansche +en Chineesche heesters. Des zomers was hij reeds met het opgaan der zon +tusschen zijn bloembedden bezig om te enten, te snoeien en te begieten, +alles met een uitdrukking van goedheid, treurigheid en zachtheid op het +gelaat; stond dan soms uren lang onbewegelijk naar het gezang van een +vogel in een boom en het neuriën van een kind in huis te luisteren, of +staarde naar een grasspriet, waarop het zonnelicht een dauwdroppel deed +schitteren als een diamant. Zijn maaltijden waren zeer sober, en hij +dronk meer melk dan wijn. Hij zwichtte voor een knaap en werd begromd +door zijn dienstmeid. Hij was zoo beschroomd alsof hij menschenschuw +ware, ging zelden uit, en ontving geen ander bezoek dan dat der armen, +die aan zijn venster klopten, of van zijn pastoor, den abt Mabeuf, +een oud goed man. Doch, wanneer stadsbewoners of vreemdelingen, de +eersten de besten, nieuwsgierig bij hem aanschelden, om zijn tulpen +en rozen te zien, opende hij glimlachend zijn deur. Deze man nu was +de bandiet van de Loire. + +Wie in dienzelfden tijd de militaire gedenkschriften, de biographieën, +den Moniteur en de bulletins van het groote leger had gelezen, +zou getroffen zijn geweest door een naam, die er zoo dikwerf in +voorkomt, den naam van Georges Pontmercy. In zijn jeugd was deze +Georges Pontmercy soldaat in het regiment van Saintonge. De Revolutie +brak uit. Het regiment van Saintonge behoorde tot het leger van +den Rijn. Want de oude regimenten der monarchie behielden hun namen +van provinciën, zelfs na den val der monarchie, en werden eerst in +1794 tot brigades gevormd. Pontmercy streed te Spiers, te Worms, +te Neustadt, te Turkheim, te Alzey en te Mainz, waar hij tot de +tweehonderd behoorde, die de achterhoede van Houchard vormden. Met +twaalf man hield hij achter den ouden wal van Andernach het corps van +den prins van Hessen tegen en trok niet eerder naar het leger terug, +dan toen het vijandelijk geschut een groote bres had geschoten. Onder +Kleber was hij te Marchiennes en in het gevecht van Mont-Palissel, +waar een kartetskogel hem den arm verbrijzelde. Toen trok hij +naar het Italiaansche gebied en was een der dertig grenadiers, +die met Joubert den Colde-Tende verdedigden. Joubert werd +hiervoor tot generaal-adjudant en Pontmercy tot tweeden luitenant +bevorderd. Pontmercy was aan Berthiers zijde te midden van het +schrootvuur en het gevecht van Lodi, dat Bonaparte zeggen deed: +Berthier is kanonnier, ruiter en grenadier geweest. Hij zag zijn +ouden generaal Joubert te Novi vallen, juist toen hij, met opgeheven +sabel, voorwaarts! riep. Met zijn compagnie, voor de benoodigdheden +van den veldtocht, op een klein vaartuig ingescheept, dat van Genua +naar ik weet niet welke kleine haven op de kust stevende, viel hij +in een wespennest van zeven of acht Engelsche schepen. De Genueesche +kommandant wilde de kanonnen in zee werpen, de soldaten tusschendeks +verbergen en in de duisternis als koopvaardijschip doorsluipen. Maar +Pontmercy deed de driekleur aan den mast hijschen en voer trotsch +de kanonnen der Engelschen voorbij. Twintig mijlen verder nam hij +met stijgende stoutmoedigheid een groot Engelsch transportschip, +dat troepen naar Sicilië voerde en met manschappen en paarden tot +aan de spuigaten volgeladen was. + +In 1805 behoorde hij tot de divisie Malher, die den aartshertog +Ferdinand Gunzburg ontnam. Te Wettingen ving hij, in een hagelbui van +kogels, kolonel Maupetit, die aan de spits van het 9e reg. dragonders +doodelijk gekwetst werd, in zijn armen op. Hij onderscheidde zich +te Austerlitz bij dien bewonderenswaardigen marsch, onder het vuur +des vijands volbracht. Toen de cavalerie der keizerlijke russische +garde een bataljon van het 4e linieregiment in de pan hakte, +behoorde Pontmercy tot degenen, die wraak namen en deze garde +overhoop wierpen. Toen gaf de keizer hem het kruis. Pontmercy zag +achtereenvolgens Wurmser te Mantua, Melas in Alexandrië, Mack te Ulm +krijgsgevangen maken. Hij behoorde tot het achtste corps van het groote +leger, dat Mortier kommandeerde en Hamburg bemachtigde. Vervolgens +ging hij over tot het 55e van linie, het voormalige regiment van +Vlaanderen. Te Eylau was hij op het kerkhof, waar de heldhaftige +kapitein Louis Hugo, oom van den schrijver van dit werk, alleen met +zijn compagnie van drie-en-tachtig man gedurende twee uren de pogingen +van het vijandelijke leger wederstond. Pontmercy was een van de drie, +welke levend dit kerkhof verlieten. Hij was te Friedland. Vervolgens +zag hij Moskou, toen de Beresina, toen Lutzen, Bautzen, Dresden, +Wachau, Leipzig en de bergpassen van Gelenhausen; toen Montmirail, +Chateau Thierry, Craon, de oevers der Marne, de boorden der Aisne, +en de geduchte stelling van Laon. Als kapitein sabelde hij te +Arnay-le-Duc, tien kozakken neer, en redde, niet zijn generaal, maar +zijn korporaal. Bij deze gelegenheid werd hij getroffen, en haalde men +uit zijn linkerarm niet minder dan zeven-en-twintig splinters. Acht +dagen vóór de capitulatie van Parijs had hij met een kameraad geruild +en was bij de cavalerie overgegaan. Want hij had wat men in den +ouden tijd een dubbele hand noemde, d. i. het was hem hetzelfde, +of hij als soldaat sabel en geweer hanteerde, dan wel als officier +een escadron of bataljon kommandeeren moest. Uit deze door oefening +verkregen bekwaamheid zijn verscheidene wapenhelden voortgekomen, +zooals o. a. dragonders, die tegelijk ruiters en infanteristen +zijn. Hij begeleidde Napoleon naar het eiland Elba. Te Waterloo was +hij escadronschef bij de brigade curassiers van Dubois. Hij was 't, die +het vaandel van het bataljon Lunenburg veroverde, en het aan de voeten +des keizers wierp. Toen was hij met bloed bedekt door een sabelhouw, +dien hij dwars over het gezicht had gekregen. Toen riep hem de keizer +tevreden toe: "Ge zijt kolonel, ge zijt baron, ge zijt officier van +het legioen van eer!" Toen antwoordde Pontmercy: "Sire, ik dank u voor +mijn weduwe." Een uur later viel hij in den hollen weg van Ohain. En +wie was nu die Georges Pontmercy? Het was de bandiet van de Loire. + +Men heeft nu reeds iets van zijn geschiedenis vernomen. Na den slag +van Waterloo was het Pontmercy, die, zooals men zich herinnert, uit +den hollen weg van Ohain was getrokken, gelukt zich weder bij het +leger te voegen en, van de eene tot de andere ambulance, zich tot in +het kantonnement der Loire voort te sleepen. + +De Restauratie had hem op halve soldij gesteld en vervolgens, +natuurlijk onder opzicht, Vernon tot woonplaats aangewezen. Koning +Lodewijk XVIII, al wat in de honderd dagen was gebeurd, als niet +gebeurd beschouwende, had bijgevolg noch zijn hoedanigheid van officier +van het legioen van eer, noch zijn rang van kolonel, noch zijn titel +van baron erkend. Hij van zijn kant liet geen gelegenheid voorbijgaan +om zich kolonel baron Pontmercy te teekenen. Hij had slechts één +blauwen rok, en ging niet uit zonder er het lint van officier van +het legioen van eer op te hechten. De procureur des konings deed hem +verwittigen, dat hij hem wegens het onwettig dragen dezer decoratie zou +vervolgen. Toen deze waarschuwing hem op officieuse wijze gegeven werd, +antwoordde Pontmercy met bitteren glimlach: "Ik weet niet of ik geen +Fransch meer versta, of dat gij 't niet meer spreekt, maar dit weet +ik, dat ik u niet begrijp."--Vervolgens ging hij acht dagen achtereen +met zijn lint uit. En men waagde het niet hem te verontrusten. Twee of +drie keeren schreven de minister van oorlog en de generaal kommandant +van het departement hem onder dit adres: Aan mijnheer den kommandant +Pontmercy. Hij zond de brieven ongeopend terug. In dien zelfden tijd +handelde Napoleon op St. Helena met de brieven van Sir Hudson Lowe +aan generaal Bonaparte eveneens. Pontmercy was dan ook van dezelfde +stof als zijn keizer gemaakt. + +Zoo waren te Rome ook carthageensche soldaten krijgsgevangen gemaakt, +die weigerden Flaminius te groeten en die iets van Hannibal's ziel +in zich hadden.--Op zekeren ochtend toen hij den procureur des +konings te Vernon op straat ontmoette, naderde hij hem en vroeg: +"Is 't geoorloofd, mijnheer de procureur des konings, dat ik mijn +litteeken drage?" + +Hij had niets dan zijn zeer geringe halve soldij als escadronschef. Te +Vernon had hij het kleinste huisje gehuurd, dat hij kon vinden. Men +heeft gezien, hoe eenzaam hij er woonde. Tijdens het keizerrijk +had hij, tusschen twee veldtochten in, den tijd gehad mejuffrouw +Gillenormand te huwen. De oude burger had toen zuchtend en inwendig +verontwaardigd zijn toestemming gegeven, zeggende: "De aanzienlijkste +familiën zijn er toe gedwongen." In 1815 was mevrouw Pontmercy, een +alleszins bewonderenswaardige, verhevene, zeldzame en haar echtgenoot +waardige vrouw, overleden en had hem een kind nagelaten. Dit kind +zou den kolonel in zijne eenzaamheid een vreugd zijn geweest; maar de +grootvader had gebiedend zijn kleinzoon opgeëischt, en verklaard dat +hij hem, zoo men 't kind niet gaf, onterven zou. De vader had zich in +'t belang van den kleine onderworpen, en was, toen hij zijn kind niet +meer bezitten kon, de bloemen gaan liefhebben. + +Overigens had hij zich alles ontzegd; hij hield zich stil en nam +geen deel aan samenzweringen. Hij verdeelde zijn gedachten tusschen +de onschuldige dingen welke hij deed, en de grootsche dingen die hij +verricht had. Hij bracht zijn tijd door met een ontluikende anjelier +te verbeiden en Austerlitz te gedenken. + +Mijnheer Gillenormand had volstrekt geen omgang met zijn behuwdzoon. De +kolonel was voor hem een bandiet, en hij was voor den kolonel +een zotskap. Gillenormand sprak nooit van den kolonel dan om met +"zijn baronie" te spotten. Men was nadrukkelijk overeengekomen, +dat Pontmercy nooit zou pogen om zijn zoon te zien of te spreken, +op straffe dat deze dan weggejaagd en onterfd teruggezonden zou +worden. Voor de Gillenormands was Pontmercy een pestziekte. Zij +wilden het kind op hun wijze opvoeden. Misschien had de kolonel +ongelijk deze voorwaarden aan te nemen, maar hij onderwierp zich, +in de meening dat hij er wel aan deed en slechts zich zelven opofferde. + +De erfenis van vader Gillenormand was gering, maar die van de oude +juffrouw Gillenormand aanzienlijk. Deze jongedochter gebleven tante was +rijk van moederszijde, en de zoon van haar zuster was haar natuurlijke +erfgenaam. Dit kind, Marius geheeten, wist dat hij een vader had, maar +niets meer. Niemand sprak er hem van. Evenwel waren het gefluister, +de toespelingen en de oogwenken in de kringen, waar zijn grootvader +hem bracht, allengs door den knaap opgemerkt, die eindelijk iets begon +te begrijpen en, nu hij, zooals natuurlijk was, de denkbeelden en +meeningen die, om zoo te spreken, de lucht waren welke hij ademde, +langzamerhand in zich opnam,--slechts met schaamte en een beklemd +hart aan zijn vader denken kon. + +Terwijl hij dus opgroeide, kwam de kolonel elke twee of drie maanden +eens zoo heimelijk te Parijs, alsof hij een uit zijn verblijf +ontsnapte gevonniste was, en plaatste zich aan de deur der kerk van +St. Sulpice, omstreeks het uur dat tante Gillenormand Marius naar de +mis bracht. Daar, vreezende dat de tante mocht omzien, beschouwde hij, +achter een pilaar verborgen, onbewegelijk en met ingehouden adem zijn +kind. De dappere krijger was bang voor een oude vrijster. + +Hieruit was zijn kennismaking met den pastoor van Vernon, den abt +Mabeuf, ontstaan. + +Deze achtenswaardige priester was de broeder van den kerkmeester +van St. Sulpice, die dezen man dikwerf bij 't aanschouwen van zijn +kind bespied, en tevens ook het litteeken op zijn wang, en de tranen +die in zijn oogen blonken opgemerkt had. Het gezicht van dezen man, +die zoo volkomen een man geleek en als een vrouw weende, had den +kerkmeester getroffen. Die gestalte was hem bijgebleven. + +Op zekeren dag zijn broeder te Vernon bezoekende, ontmoette hij +kolonel Pontmercy op de brug en herkende in dezen den man van +St. Sulpice. De kerkmeester sprak den pastoor over hem en beiden +brachten, onder een of ander voorwendsel, den kolonel een bezoek. Dit +werd door meerdere gevolgd. De kolonel, aanvankelijk zeer zwijgend, +werd eindelijk zoo spraakzaam, dat de pastoor en de kerkmeester met +de geheele geschiedenis bekend werden en wisten, dat Pontmercy zijn +gansche geluk aan de toekomst van zijn kind opgeofferd had. Dit had +ten gevolge, dat de pastoor achting en medelijden voor hem begon te +gevoelen en de kolonel van zijn kant bijzondere genegenheid voor den +pastoor kreeg. Trouwens, zoo beiden toevallig oprecht en goed zijn, +is er niets dat inniger en gereeder samensmelt dan een oud priester en +een oud soldaat. Want in den grond gelijken zij elkander. De een offert +zich voor het vaderland hierbeneden, de ander voor dat hierboven op; +een ander verschil is er niet. + +Tweemaal 's jaars, op den 1 Januari en op den feestdag van St. Georges, +schreef Marius zijn vader een brief uit plichtgevoel, welken zijn tante +hem dicteerde, en die als uit een formulierboek gecopieerd was. Dit was +alles wat Gillenormand toestond, en de vader antwoordde in zeer teedere +brieven, die de grootvader in zijn zak stak, zonder ze te lezen. + + + + + + +DERDE HOOFDSTUK. + +REQUIESCANT. + + +De salon van mevrouw de T. was al wat Marius Pontmercy van de +wereld kende. 't Was de eenige opening, door welke hij het leven +kon inzien. Deze opening was donker, en hij ontving er meer koude +dan warmte, meer duisternis dan licht door. Dit kind, enkel vreugd +en licht, toen hij in deze zonderlinge wereld kwam, werd in korten +tijd treurig en, wat nog meer met zijn jeugd in strijd was, ook +ernstig. Door al deze statige en zonderlinge personen omgeven, +schouwde hij met ernstige verbazing in 't rond. Alles vereenigde +zich om zijn verbazing te vermeerderen. In den salon van mevrouw +T. waren oude adellijke, zeer eerbiedwaardige dames, als: Mathan, Noé, +Levis, dat men als Levi, Cambis, dat men als Cambise uitsprak. Deze +ouderwetsche tronies en bijbelsche namen vermengden zich in den geest +van het knaapje met het oude testament, dat hij van buiten leerde, +en wanneer zij daar alle in een kring om het wegstervend vuur zaten, +ten halve door een groen gesluierde lamp verlicht, met haar strenge +gezichten, grijs of wit haar en lange kleederen uit een andere eeuw, +waarvan men niets dan de donkere kleur zag, en zij slechts zelden +eenige tevens schuwe en majestueuse woorden spraken, aanschouwde de +kleine Marius ze met verschrikte oogen, meenende, dat hij geen vrouwen, +maar patriarchen en wijzen, geen menschen, maar spoken zag. + +Onder deze spoken bevonden zich verscheidene priesters, de gewone +bezoekers van dezen ouderwetschen kring, en eenige edellieden: de +markies de Sass... secretaris van mevrouw de hertogin de Berry; +de markgraaf de Val..., die onder het pseudoniem van "Charles +Antoine" gelijkrijmende oden schreef; de prins de Beauf..., die +hoewel nog tamelijk jong een reeds grijzend hoofd en een jonge, +geestige vrouw had, wier scharlakenrood fluweelen, laag uitgesneden +kleederen met gouden snoeren deze sombere wereld verschrikten; de +markies de C... de E..., de man die het best van geheel Frankrijk +de verschillende graden van wellevendheid kende; de graaf de M..., +een goed man met een welwillende kin; en de ridder de Port-de-Guy, +steunpilaar der bibliotheek van de Louvre, het zoogenaamde koninklijke +cabinet. Mijnheer de Port-de-Guy, een man met een kaal hoofd en eer +verouderd dan oud geworden, verhaalde dat men hem in 1793, toen hij +zestien jaar oud was, als oproermaker naar het bagno had gevoerd en +daar met den tachtigjarigen bisschop de Mireboix aan dezelfde keten +had geklonken, omdat deze als priester, gelijk hij als soldaat, +den eed had geweigerd. Hun werk was, des nachts van het schavot de +hoofden en lichamen der geguillotineerden van dien dag bijeen te +rapen; en daar zij deze druipende rompen meestal op den rug droegen, +hadden hun roode galeibuizen achter aan den kraag een korst bloed, +die 's ochtends droog en 's avonds vochtig was. Van deze treurige +verhalen vloeide het in den salon van mevrouw T. over. Men vloekte er +Marat en verheerlijkte er Trestaillon. Eenige afgevaardigden van een +thans verdwenen genre speelden er whist; het waren de heeren Thibord +du Chalard, Memarchant de Gorincourt, en de vermaarde grappenmaker van +de rechterzijde, de heer Cornet Dincourt. De baljuw van Ferrette, met +zijn korte broek en spillebeenen, bezocht den salon soms als hij naar +den heer Talleyrand ging. Hij was de metgezel in alle pleiziertjes van +den graaf van Artois geweest, en in tegenstelling van Aristoteles die +op Campaspe hurkte, had hij la Guimard op handen en voeten laten loopen +en de wereld daardoor een wijsgeer vertoond, door een baljuw gewroken. + +Van de priesters vond men er den abt Halma, denzelfden die tot den heer +Larose, zijn medearbeider aan la Foudre zeide: Wel! wie is er geen +vijftiger! misschien een paar melkmuilen? Voorts de abt Letourneur, +hofprediker, de abt Frayssinous, die nog geen graaf, of bisschop, +of minister, of pair was, en een ouden priesterrok zonder knoopen +droeg; de abt Keravenant, pastoor van Saint-Germain-de-Prés; dan de +pauselijke nuntius, dan Monsignor Macchi, aartsbisschop van Nisibi, +later kardinaal, merkwaardig door zijn langen, diepdenkenden neus, +en een anderen Monsignor, getiteld: abbate Palmieri, huisprelaat, +een der zeven protonotarissen van den H. Stoel, kanunnik der +uitmuntende liberische baziliek, advocaat der heiligen, postulatore +di Sancti, 't geen tot de zaken der kanonisatie behoort en zooveel +als: rekwestmeester van de hemelsche sectie beteekent. Eindelijk +twee kardinalen, mgr. de la Luzerne en mgr. de C.... T.... Mgr. de +kardinaal de la Luzerne was een schrijver, die eenige jaren later +de eer zou hebben in den Conservateur naast Chateaubriand zijn +artikels te teekenen. Mgr. de C... T... was aartsbisschop van +Toulouse, en kwam dikwerf te Parijs om zich te ontspannen bij zijn +neef den markies de T..., die minister van marine en van oorlog +is geweest. De kardinaal de C... T... was een kleine, vroolijke +grijsaard, die onder zijn opgeschort priesterkleed zijn roode kousen +vertoonde, en zich onderscheidde door zijn haat tegen de Encyclopedie +en zijn bijzondere liefde voor het billard. Zoo zelfs dat zij, die +destijds op zomeravonden de M... straat doorgingen, waar het hôtel van +Cl... T... gelegen was, staan bleven om naar het stooten der ballen en +de scherpe stem van den kardinaal te luisteren, die zijn conclavist, +monseigneur Cottret, bisschop inpartibus van Carysta het: "Markeer, +abt, ik caramboleer!" toeriep. De kardinaal de C... T... was door +zijn boezemvriend mgr. de Roquelaure, oud bisschop van Senlis een +van de veertig, aan mevrouw T... voorgesteld. Mgr. de Roquelaure +was opmerkelijk door zijn hooge gestalte en zijn bijzonderen ijver +voor de academie; alle donderdagen konden de nieuwsgierigen door de +glazendeur der zaal, welke aan de bibliotheek grensde, waar de Fransche +Academie toen haar zittingen hield, den voormaligen bisschop van Senlis +aanschouwen, gewoonlijk staande, versch gepoederd, met violetkleurige +kousen, en den rug naar de deur gekeerd, waarschijnlijk om zijn staand +boordje beter in 't oog te doen vallen. Al deze geestelijken, schoon +evenzeer hovelingen als mannen der kerk, vermeerderden de deftigheid +van den salon van mevrouw T...., waaraan vijf pairs van Frankrijk, +de markies de Vib..., de markies de Tal..., de markies d'Herb..., +de vicomte Damb... en de hertog de Val... niet weinig luister +bijzetten. De hertog de Val..., hoewel prins van Non..., dat wil zeggen +vreemd soeverein prins, had zulk een verheven denkbeeld van Frankrijk +en van het pairschap, dat hij alleen door dit glas alles bezag. Hij +zeide: "De kardinalen zijn de Fransche pairs van Rome; de lords zijn +de Fransche pairs van Engeland." Overigens--want in deze eeuw moet +de revolutie wel overal zijn--gaf in dezen adellijken salon, zooals +wij gezegd hebben, een burger, de heer de Gillenormand, den toon aan. + +Hier was de keur, de bloem der Parijsche witte maatschappij +vereenigd. De beroemdheden, zelfs de koningsgezinde, moesten er +quarantaine houden. Want in een beroemden naam ligt altijd een +weinig regeeringloosheid en Chateaubriand, zoo hij er gekomen was, +zou er zeker den indruk van een heftig republikein gemaakt hebben. Uit +verdraagzaamheid werden echter in deze orthodoxe wereld ook eenige +bekeerden toegelaten. De graaf Burg... werd er ontvangen om zich +te beteren. + +De "adellijke" salons van heden gelijken die salons niet meer. De +voorstad Saint-Germain riekt tegenwoordig naar den mutserd. De +koningsgezinden van heden, het zij tot hun lof gezegd, zijn demagogen, +bij toen vergeleken. + +Vermits het gezelschap van mevrouw T... uitgelezen was, heerschte +er onder een uitnemende wellevendheid tevens een fijne smaak en +veel hoogheid. De gewoonten waren er onwillekeurig aan allerlei +verfijning onderworpen, evenals onder de voormalige regeering, die, +schoon begraven, nog leefde. + +Eenige dier gewoonten, vooral in de taal, schenen +zonderling. Oppervlakkige kenners zouden voor provinciaal hebben +gehouden wat slechts verouderd was. Men noemde een vrouw mevrouw de +generaalse. 't Was zelfs niet ongewoon, dat men mevrouw de kolonelse +zeide. De bekoorlijke mevrouw de Leon, waarschijnlijk als herinnering +aan de hertoginnen de Longueville en de Chevreuse, stelde deze benaming +boven haar titel van prinses. Ook de markiezin de Crequi noemde zich +mevrouw de kolonelse. + +Deze kleine groote wereld had zelfs in de Tuilerieën de verfijning +ingevoerd om, met den koning sprekende, "de koning" in den derden +persoon en nooit "uwe majesteit" te zeggen, daar deze titel door den +"overweldiger bezoedeld was." + +Daar werden èn de feiten èn de menschen beoordeeld. Men bespotte +er de eeuw, 't geen iemand ontsloeg om haar te begrijpen. Men hielp +elkander in verwondering. Men deelde elkander het licht mede dat men +bezat. Methuzalem onderrichtte Epimenides. De doode hielp den blinde +op de hoogte. Men verklaarde den tijd, sinds Koblentz verstreken, van +nul en geener waarde. Evenals Lodewijk XVIII door de gratie Gods in +het vijf-en-twintigste jaar zijner regeering was, waren de emigranten +van rechtswege in het vijf-en-twintigste jaar hunner jongelingschap. + +Alles was in harmonie; niets had te veel leven; het woord was +er nauwelijks een adem; het dagblad, in overeenstemming met de +salons, scheen een papyrusrol. Er waren jongelieden, maar zij waren +reeds eenigszins overleden. In de antichambres waren de livereien +ouderwetsch. De meesters werden er bediend door dienstboden, even +verouderd als zij. Alles scheen reeds lang geleefd te hebben en zich +tegen het graf te verzetten. Behouden, Behouding, Behouder, dat +was er bijna het geheele woordenboek; de hoofdzaak was "in goeden +reuk te staan." Inderdaad, er waaiden geuren uit de opiniën dezer +eerbiedwaardige kringen; hun denkbeelden schenen te wemelen. 't Was een +wereld van mummiën. De meesters waren gebalsemd, de knechts opgezet. + +Een deftige geëmigreerde en verarmde markiezin, die nog slechts één +dienstmaagd had, sprak voortdurend van "mijne dienstboden." + +Wat deed men in den salon van mevrouw de T.? Men was er ultra. + +Ultra te zijn,--het woord heeft, hoezeer hetgeen het vertegenwoordigt +misschien nog niet verdwenen is, thans geen zin meer. Laat ons dit +verklaren. + +Ultra zijn is overdrijven. 't Is den schepter in naam van den troon, +en den mijter in naam van het altaar aanranden; 't is de zaak, die +men behandelt, mishandelen; 't is achteruit schoppen in het tuig; +'t is den brandstapel om de meer of mindere gaarheid der ketters +lastig vallen; 't is den afgod zijn weinige afgoderij verwijten; +'t is door te veel eerbied beleedigen; 't is in den paus te weinig +pausdom, in den koning te weinig koningschap en in den nacht te +veel licht zien; 't is in naam der blankheid ontevreden zijn op het +albast, op de sneeuw, op den zwaan en op de lelie; 't is voor sommige +zaken zoo vooringenomen zijn, dat men er bijna vijandig tegen wordt; +'t is zoozeer "voor iets" zijn, dat men er "tegen" wordt! + +De ultra-geest kenmerkt bovenal het eerste tijdperk der Restauratie. + +Niets gelijkt in de geschiedenis op den tijd, die met 1814 aanvangt +en in 1820 bij de komst aan het bewind van den heer de Villèle, +den practischen man der rechterzijde, eindigt. Deze zes jaren waren +een buitengewoon oogenblik, beurtelings levendig en stil, vroolijk +en somber, als door de stralen van den dageraad verlicht en in de +duisternis der groote gebeurtenissen gehuld, die den horizont nog +bedekten en langzamerhand in het verleden wegzonken. In dat licht en +die duisternis leefde een kleine nieuwe en oude wereld, grappig en +treurig, jeugdig en bejaard, die zich de oogen wreef;--niets gelijkt +meer naar 't ontwaken dan de terugkomst;--het was er een groep, +die Frankrijk misnoegd aankeek en door Frankrijk weder spottend +beschouwd werd; het waren straten vol oude uilen-markiezen, met +wedergekomenen en wederkomenden, van lieden van voorheên, die over +alles verbaasd waren, van brave en edele edellieden, verheugd in +Frankrijk te zijn en toch ook weenend, verrukt dat ze hun vaderland +mochten wederzien en wanhopig dat ze hun monarchie niet wedervonden; +het was de adel der kruistochten, die den adel van het keizerrijk, +namelijk den adel van den degen, beschimpte; historische geslachten, +die den zin der geschiedenis vergeten hadden; zonen van hen die Karel +den groote vergezelden en de kameraden van Napoleon verachtten. De +degens beleedigden elkander; het zwaard van Fontenoy was bespottelijk +en heette oud roest; de degen van Marengo was gehaat en heette een +sabel. Het heden miskende het gisteren. Men had geen gevoel meer +voor hetgeen groot noch besef van 't geen bespottelijk was. Er was +iemand die Bonaparte Scapin noemde. Zulke menschen zijn er niet +meer. Neen, wij herhalen het, niets is thans meer van hen over. Zoo +wij toevallig een dier figuren te voorschijn doen komen en in onzen +geest pogen te doen herleven, schijnt ze ons wonderbaar als een +voorwereldlijk wezen. En ook die wereld is immers door een zondvloed +verzwolgen. Verdwenen is ze onder twee revolutiën. Welk een stroom +van ideeën! Hoe snel overdekken zij wat zij moeten vernietigen en +begraven, en hoe haastig delven zij schrikwekkende diepten! + +Zoo was het voorkomen van den salon in die verwijderde oprechte tijden, +toen Martainville geestiger dan Voltaire was. + +Die salons hadden een eigen literatuur en politiek. Men geloofde er +aan Fiévée. Agier gaf er de wet. Men commentarieerde er Colnet, den +publicist-boekenkramer op de kade Malaquais. Napoleon werd er niet +anders dan de Korsikaansche menscheneter genoemd. De latere plaats, +die de markies de Buonaparte in de geschiedenis als luitenant-generaal +der koninklijke legers vond, was slechts een concessie welke men den +tijdgeest deed. + +Die salons bleven niet lang zuiver. Reeds in 1818 daagden er eenige +doctrinaires op, als een onrustbarend verschijnsel. Dezen waren +koningsgezind, maar slechts toen ze 't moesten zijn. Waar de ultra's +zich fier betoonden waren de doctrinaires een weinig beschaamd. Zij +waren schrander en stilzwijgend; hun politieke leer werd door hoogmoed +tamelijk gerugsteund; zij moesten slagen. Bovendien maakten zij een +nuttig, schoon overdreven gebruik van witte dassen en dicht geknoopte +rokken. Het ongelijk of liever het ongeluk der doctrinaires was, dat +zij de jeugd oud maakten. Zij namen de houding van wijsgeeren aan. Zij +droomden er van om op een absoluut en buitensporig beginsel een +gematigd gezag te enten. Zij stelden soms met zeldzame schranderheid +een afbrekend liberalisme tegenover een behoudend. Zij zeiden: "Genade +voor het koningschap, het heeft meer dan één dienst bewezen. Het heeft +ons de overlevering, den eeredienst, den godsdienst, den eerbied +weder geschonken. Het is trouw, moedig, ridderlijk, beminnend en +verknocht. Het huwt, hoewel met leedwezen, aan de nieuwe grootheid der +natie de eeuwenoude grootheid der monarchie. Het heeft ongelijk dat +het de revolutie, het keizerrijk, den roem, de vrijheid, de jongere +denkbeelden, de nieuwe geslachten, de eeuw niet begrijpt. Maar +het ongelijk, dat het tegenover ons heeft, hebben wij 't ook soms +niet tegen het koningschap? De revolutie, wier erfgenamen wij zijn, +moet alles kennen. Het koningschap aan te randen, is in weerspraak +met het liberalisme. Welk een misslag, welk een verblinding! Het +revolutionaire Frankrijk heeft geen eerbied voor het historische +Frankrijk, dat is voor zijn moeder, dat is voor zich zelven. Na den +5 September behandelt men den adel der monarchie evenals men 't na +den 8 Juli den adel van het keizerrijk deed. Zij waren onrechtvaardig +tegen den adelaar, wij zijn onrechtvaardig tegen de lelie. Wil men +dan altijd iets te bannen hebben! Is het dan zoo noodzakelijk, aan +de kroon van Lodewijk XIV haar verguldsel te ontnemen, het schild +van Hendrik IV stuk te slaan? Wij lachen om de Vaublanc, die aan de +brug van Jena de N liet uitwisschen. Wat deed hij dan? Hetzelfde dat +wij doen. Bouvines behoort ons evenals Marengo. De lelie behoort ons +evengoed als de N. 't Is ons erfdeel. Waarom het te verkleinen? Men +moet evenmin het vaderland in het verleden als in het tegenwoordige +verloochenen. Waarom niet de geheele geschiedenis aangenomen? Waarom +niet geheel Frankrijk bemind?" + +Alzoo critiseerden en beschermden de doctrinaires het royalisme, +dat misnoegd was omdat het gecritiseerd, en woedend omdat het +beschermd werd. De ultra's kenmerkten het eerste tijdperk van het +royalisme; de congregatie karakteriseerde het tweede. Op drift volgde +behendigheid. Eindigen wij hiermee deze schets. + +In den loop van dit verhaal zag de schrijver dit merkwaardig oogenblik +der geschiedenis van onzen tijd als op zijn weg; hij moest er in +'t voorbijgaan een blik op slaan en eenige zonderlinge lijnen dier +nu onbekende maatschappij schetsen. Maar hij deed het vluchtig en +zonder bittere of spottende aanmerkingen. Teedere en eerbiedwaardige +herinneringen, want zij raken zijn moeder, hechten hem aan dat +verleden. Wij moeten overigens zeggen, dat ook die kleine wereld haar +grootheid had. Men moge er over glimlachen, maar ze noch verachten, +noch haten. Het was het Frankrijk van den voortijd. + +Marius Pontmercy leerde evenals alle kinderen. Toen hij uit de +handen van tante Gillenormand kwam, vertrouwde zijn vader hem aan een +onderwijzer van de zuiverste klassieke onnoozelheid toe. De jonge ziel, +die zich nauw opende, ging dus uit de handen van eene preutsche in +die van een pedant over. Na zijn schooljaren werd Marius student in de +rechtsgeleerdheid. Hij was koningsgezind, fanatiek en streng. Hij had +weinig liefde voor zijn grootvader, wiens vroolijkheid en zonderlinge +wijsbegeerte hem krenkten, en voor zijn vader was hij somber. + +Overigens was hij een hartstochtelijk en koel, een edel, fier, +godsdienstig, licht ontvlambaar jongeling; met een eigenwaarde, die +tegen alles bestand was, en een reinheid, die bijna in barbaarschheid +ontaarde. + + + + + + +VIERDE HOOFDSTUK. + +DE BANDIET STERFT. + + +Het einde van Marius' klassieke studie viel samen met de verwijdering +van den heer Gillenormand uit de groote wereld. De grijsaard nam +afscheid van de voorstad St. Germain en den salon van mevrouw T... en +betrok het huis in de straat des Filles-du-Calvaire in het Marais. Hij +had er, behalve den portier, dezelfde Nicolette in zijn dienst, die +op Magnon was gevolgd en den amechtigen hijgenden Basque, van wien +we boven reeds hebben gesproken. + +In 1827 was Marius zijn zeventiende jaar ingetreden. Op zekeren avond +te huis komende vond hij zijn grootvader met een brief in de hand. + +"Marius," zei mijnheer de Gillenormand, "morgen moet ge naar Vernon +vertrekken." + +"Waarom?" vroeg Marius. + +"Om uw vader te bezoeken." + +Marius ontstelde. Aan alles had hij gedacht, behalve aan de +mogelijkheid, dat hij eenmaal zijn vader zou zien. Niets kon hem +onverwachter, verrassender, en, wij moeten het zeggen, onaangenamer +zijn. Men dwong den verwijderde tot toenadering. 't Was geen verdriet, +maar een last. + +Marius was, zijn politieken afkeer daargelaten, overtuigd, dat zijn +vader, de voorvechter, gelijk mijnheer Gillenormand hem, wanneer hij +goed geluimd was, noemde, hem niet beminde; 't was bewezen, wijl hij +hem anders niet verlaten en aan anderen overgegeven zou hebben. Nu +hij zich niet bemind zag, beminde hij ook niet. Niets was eenvoudiger +naar hij dacht. + +Hij was zoo verbaasd, dat hij mijnheer de Gillenormand niets +vroeg. Deze hernam: + +"'t Schijnt dat hij ziek is. Hij verlangt u te zien." + +En hij voegde er na eenig zwijgen bij: + +"Ge vertrekt morgenochtend. Ik geloof, dat er te zes uren een wagen +vertrekt, die daar des avonds aankomt. Daarmede moet ge gaan. Hij zegt, +dat er haast bij is." + +Toen kreukte hij den brief ineen en stak hem in zijn zak. Marius had +denzelfden avond op reis kunnen gaan en zou dan den volgenden ochtend +bij zijn vader geweest zijn. Een diligence in de straat du Bouloy +reed destijds 's nachts over Vernon naar Rouaan. Noch Gillenormand +noch Marius dachten er echter aan hier onderzoek naar te doen. + +Den volgenden dag tegen den avond kwam Marius te Vernon. Hier en daar +werd het licht reeds ontstoken. Hij vroeg den eersten den besten, +dien hij ontmoette, naar het huis van mijnheer de Pontmercy. Want hij +was van dezelfde gedachte als de Restauratie en erkende zijn vader +evenmin als baron of kolonel. + +Men wees hem de woning aan. Hij schelde, en eene vrouw met een lampje +in de hand opende de deur. + +"Is mijnheer Pontmercy er ook?" vroeg Marius. + +De vrouw bleef onbewegelijk. + +"Ben ik terecht?" vroeg Marius. + +De vrouw knikte bevestigend. + +"Zou ik hem dan kunnen spreken?" + +De vrouw schudde ontkennend het hoofd. + +"Maar ik ben zijn zoon!" hernam Marius. "Hij wacht mij." + +"Hij wacht u niet meer," sprak de vrouw. + +Toen zag hij, dat zij weende. + +Zij wees hem met den vinger naar een kleine benedenkamer, en hij +trad binnen. + +In deze kamer, door een op den schoorsteen staande vetkaars verlicht, +waren drie mannen bijeen, een staande, een knielende, en een in 't +hemd op den vloer liggende. Hij, die op den vloer lag, was de kolonel. + +De beide anderen waren de geneesheer en de priester, die bad. + +De kolonel had drie dagen lang een hersenkoorts gehad. Bij den aanvang +der ziekte, den slechten afloop vermoedende, schreef hij mijnheer +de Gillenormand om zijn zoon. De ziekte was verergerd. Denzelfden +avond van Marius' komst te Vernon had de kolonel een aanval van +waanzin gehad; hij was, in weerwil van de pogingen der dienstbode, +uit het bed gekomen en had geroepen: "Mijn zoon komt niet, ik ga +hem te gemoet!"--Toen was hij zijn slaapvertrek uitgegaan en in de +voorkamer nedergezonken. Daar was hij ook gestorven. + +Men had den geneesheer en den pastoor geroepen. + +De geneesheer was te laat gekomen, de pastoor was te laat gekomen. + +Bij het flauwe schijnsel der kaars zag men op de bleeke wang van den +overleden kolonel een traan, die uit zijn gestorven oog was gevloeid. + +Het oog was verdoofd, maar de traan niet opgedroogd. Die traan was +om het uitblijven van zijn zoon gestort. + +Marius beschouwde dezen man, dien hij voor het eerst en het laatst +zag, dat eerwaardig mannelijk gelaat, die geopende maar blinde oogen, +die witte haarlokken, die forsche leden, waarop men hier en daar +bruine lijnen bespeurde, waar sabelhouwen, en roode starretjes, waar +kogels hem getroffen hadden. Hij beschouwde het groote litteeken dat +aan dit gezicht, waarop God het merkteeken der goedheid had gedrukt, +een stempel van heldenmoed gaf. Hij bedacht, dat die man zijn vader +was en nu was gestorven, en hij bleef koel. + +Zijn droefheid was dezelfde, die hij bij den aanblik van ieder anderen +doode gevoeld zou hebben. + +Er was rouw, smartelijke rouw in deze kamer. De dienstmaagd jammerde +in een hoek, de priester bad en men hoorde hem snikken, de geneesheer +wischte zijn oogen af, en het lijk zelf weende ook. + +Die geneesheer, die priester en die vrouw beschouwden Marius door hun +tranen heên zonder een woord te spreken; hij was hier vreemdeling. En +Marius, niet zoo diep bewogen, gevoelde zich beschaamd en verlegen +in zijn toestand; hij hield zijn hoed in de hand en liet hem vallen, +opdat men gelooven zou dat zijn smart hem de kracht ontnam hem vast +te houden. + +Maar tegelijkertijd gevoelde hij iets als wroeging in zijn binnenste +en verachtte hij zich zelven om die daad. + +Maar was 't zijn schuld dan? Hij beminde immers zijn vader niet, welnu! + +De kolonel liet niets na. De verkoop van het huisraad strekte +ternauwernood om de begrafeniskosten te betalen. De dienstmaagd vond +een stukje papier, dat zij aan Marius gaf. De hand van den kolonel +had er op geschreven: + +"Voor mijn zoon. De keizer heeft mij op het slagveld van Waterloo +baron gemaakt. Daar de restauratie mij het bezit betwist van dezen +titel, dien ik met mijn bloed betaald heb, zal mijn zoon hem nemen +en voeren. 't Spreekt vanzelf dat hij hem waardig zal zijn." Op de +achterzijde had de kolonel er bij gevoegd: "In dienzelfden slag van +Waterloo redde een sergeant mij het leven. Deze man heet Thénardier. Ik +geloof, dat hij in den laatsten tijd op een dorp in de omstreken van +Parijs te Chelles of Montfermeil een kleine herberg had. Zoo mijn +zoon Thénardier ontmoet, zal hij hem zooveel goed doen als hij kan." + +Niet uit liefde voor zijn vader, maar door dien zekeren eerbied voor +den dood, die in 't menschelijk hart altijd zoo gebiedend spreekt, +nam Marius het papier en stak het bij zich. + +Niets bleef er van den kolonel over. De heer Gillenormand liet +zijn degen en uniformrok aan een uitdrager verkoopen. De buren +plunderden den tuin en roofden de zeldzame bloemen. De overige planten +verwilderden en verstierven. + +Marius was niet langer dan achtenveertig uren te Vernon gebleven. Na +de begrafenis keerde hij naar Parijs terug en hervatte zijn studiën, +zonder veel meer aan zijn vader te denken, dan of deze nooit geleefd +had. In twee dagen tijds was de kolonel begraven, en in drie dagen +was hij vergeten. + +Marius droeg een rouwband om den hoed. Dat was alles. + + + + + + +VIJFDE HOOFDSTUK. + +OM REVOLUTIONAIR TE WORDEN, IS 'T ZEER GOED DE MIS BIJ TE WONEN. + + +Marius had de godsdienstige gewoonten zijner jeugd behouden. Op een +Zondag, toen hij in St. Sulpice de mis ging hooren, en wel in dezelfde +kapel der H. Maagd, waarheen zijn tante hem geleidde toen hij nog klein +was, was hij dien dag afgetrokkener en peinzender dan ooit achter +een pilaar nedergeknield, zonder op den trijpen stoel te letten, op +welks rug: de heer Mabeuf, kerkmeester geschilderd stond. Nauwelijks +was de mis evenwel begonnen of een oud man naderde hem en zeide: + +"Mijnheer, dit is mijn plaats." + +Waarna Marius haastig opstond, en de oude man zijn stoel in gebruik +nam. + +Na de mis was Marius, nog in gedachten verdiept, eenige schreden van +daar blijven staan, toen de grijsaard, hem opnieuw naderend, zeide: + +"Vergeef me, mijnheer, dat ik u zoo even gestoord heb en u nogmaals +storen moet; ge zult mij wel zeer lastig vinden, maar ik zal u +verklaring geven." + +"Dat is onnoodig, mijnheer," zei Marius. + +"Neen," hernam de oude man, "ik wil niet, dat ge een slecht denkbeeld +van mij zult krijgen. Zie, ik ben aan deze plaats gehecht. Het is +mij of ik er de mis beter hooren kan. Ik zal u zeggen waarom. Tien +jaren lang zag ik er geregeld om de twee of drie maanden een arm, goed +vader knielen, die geen andere gelegenheid en geen ander middel had om +zijn kind te zien, wijl men hem dit wegens familiezaken belette. Hij +kwam altijd op het uur dat zijn zoontje, zooals hem bekend was, naar +de mis werd gebracht. De kleine vermoedde niet, dat zijn vader daar +was. Misschien wist het onnoozele kind niet eens, dat hij een vader +had. En de vader zelf stond achter een pilaar, opdat men hem niet zien +zou. Daar aanschouwde hij zijn kind en weende. Want de arme man aanbad +zijn kind. Ik heb 't gezien. Die plek is als 't ware heilig voor mij +geworden, en ik ben steeds gewoon er de mis te hooren. Ik verkies +ze boven de bank, waar ik als kerkmeester recht op heb. Ik heb dien +ongelukkigen heer zelfs een weinig gekend. Hij had een schoonvader, +een rijke tante en bloedverwanten, geloof ik, die het kind dreigden te +onterven, zoo het zijn vader bezocht. En zoo had hij zich opgeofferd, +opdat zijn zoon eens rijk en gelukkig zou zijn. Men scheidde hem +van zijn kind om politieke meeningen. Ik ben niet tegen politieke +meeningen; maar er zijn menschen, die te ver gaan. Mijn God, een +mensch is geen monster, al heeft hij den slag van Waterloo bijgewoond; +daarom moet men een vader van zijn kind niet scheiden. Hij was kolonel +onder Bonaparte. Ik geloof, dat hij nu overleden is. Hij woonde te +Vernon, waar mijn broeder pastoor is, en heette, meen ik, Pontmarie +of Montpercy... Ook had hij, naar ik meen, een geducht litteeken!" + +"Pontmercy," zei Marius verbleekend. + +"Juist, Pontmercy. Hebt ge hem gekend?" + +"Mijnheer," zei Marius, "hij was mijn vader." + +De oude kerkmeester sloeg de handen ineen en riep: "Zijt ge zijn +zoon! Inderdaad, dat kind moet nu een man zijn. Voorwaar, arme zoon, +gij kunt zeggen, dat ge een vader hadt, die u teeder heeft lief gehad!" + +Marius bood den grijsaard zijn arm aan en bracht hem te huis. Den +volgenden dag zeide hij tot den heer Gillenormand: + +"Ik heb met eenige vrienden een jachtpartij bepaald. Staat ge het toe, +dat ik mij voor drie dagen verwijder?" + +"Wel vier," antwoordde de grootvader, "ga en vermaak u." + +En knipoogende fluisterde hij zijn dochter toe: + +"Zeker een liefdesgeschiedenis." + + + + + + +ZESDE HOOFDSTUK. + +WAT ER VAN KOMT, ALS MEN EEN KERKMEESTER ONTMOET. + + +Waarheen Marius ging zal men iets verder zien. + +Marius was drie dagen afwezig: toen kwam hij te Parijs terug, +ging regelrecht naar de bibliotheek der universiteit en vroeg de +verzamelde Moniteurs. + +Hij las den Moniteur, hij las de geheele geschiedenis van Republiek +en Keizerrijk, het dagboek van St. Helena, alle gedenkschriften, +dagbladen, bulletins en proclamatiën; hij verslond alles. Toen hij den +eersten keer in de bulletins van het groote leger zijns vaders naam +vond, had hij de geheele week de koorts. Hij bezocht de generaals, +onder welke Georges Pontmercy gediend had, onder anderen den graaf +H. Hij bracht den kerkmeester Mabeuf een bezoek, en deze vertelde +hem van het afgezonderde leven des kolonels, van zijn bloemen +en zijn eenzaamheid. En eindelijk begreep Marius den zeldzamen, +verheven zachtaardigen man, half leeuw half lam, begreep hij zijn +vader volkomen. + +Nu geheel aan deze studie overgegeven, die al zijn tijd, al zijn +gedachten innam, zag hij de Gillenormands echter bijna niet. Hij +verscheen wel aan den maaltijd; maar daarna zocht men hem steeds zonder +hem te vinden. Tante bromde. Vader Gillenormand glimlachte en zeide: +"Welnu, hij is in den tijd van verliefdheid!"--Soms voegde de grijsaard +er bij:--"Drommels, ik meende dat het slechts een galanterie was. Maar +'t schijnt werkelijk liefde te zijn." + +En het was ook werkelijk liefde, want Marius begon zijn vader lief +te hebben. + +Terzelfder tijd kwam er een buitengewone verandering in zijn +denkbeelden. De phasen dier verandering waren talrijk. En daar +dit de geschiedenis van velen onzer tijdgenooten is, achten wij het +noodzakelijk, die verandering van denkbeelden stap voor stap te volgen +en aan te wijzen. + +De geschiedenis, waarin hij den blik had geslagen, verschrikte hem. + +De eerste indruk was verblinding. De Republiek, het Keizerrijk toch +waren tot nog toe voor hem slechts monsterachtige woorden geweest. De +Republiek was hem een guillotine bij schemeravond; het Keizerrijk een +zwaard in de duisternis. Hij had er in gestaard, en waar hij niets dan +een duisteren chaos verwachtte, had hij met een ongehoorde verrassing, +aan angst en vrees gepaard, sterren zien fonkelen als Mirabeau, +Vergniaud, Saint Just, Robespierre, Camille Desmoulins, Danton, en +een zon zien verrijzen als Napoleon! Hij wist niet waar hij was. Voor +zooveel glans moest hij terugtreden. Langzamerhand, toen de eerste +verwondering voorbij was, werd hij aan dien stralengloed gewoon, +en aanschouwde hij, zonder te duizelen, die daden; onderzocht hij, +zonder te schrikken, die personen; voor zijn zienersoog vertoonden +zich, in een helder verschiet, de Revolutie en het Keizerrijk; +ieder dier twee groepen van gebeurtenissen en personen zag hij in +twee groote feiten samengevat: de Republiek in de souvereiniteit van +het burgerrecht, dat den volken was wedergegeven, het Keizerrijk in +de souvereiniteit der Fransche gedachte, die Europa was ingevloten; +hij zag uit de Revolutie de machtige gestalte van het volk en uit +het Keizerrijk de grootsche gestalte van Frankrijk opdagen. En zijn +geweten verklaarde hem, dat dit alles goed was geweest. + +Wat hij in zijn verblinding bij die eerste veelomvattende waardeering +over het hoofd zag, behoeven wij, naar we meenen, niet aan te +voeren. 't Is de toestand van een vooruitgaanden geest, dien wij +aangeven. Vooruitgang heeft meer dan éénen stap noodig. Dit eens +vooral, zoo voor hetgeen voorafging als voor 't geen volgen zal; +gaan wij nu voort. + +Toen bespeurde hij, dat hij tot hiertoe zijn vaderland, evenmin als +zijn vader, had begrepen. Geen van beiden had hij gekend; hij was +met vrijwillige blindheid geslagen geweest. Nu zag hij, en bewonderde +aan den eenen, vereerde aan den anderen kant. + +Vol leedwezen en wroeging bedacht hij wanhopend, dat hij al wat zijn +ziel bevatte, voortaan slechts aan een graf kon zeggen. Ach, zoo +zijn vader nog geleefd, zoo hij hem nog bij zich gehad had; zoo God, +meedoogend en goed, vergund had, dat zijn vader nog in leven was, +hoe zou hij zich gehaast hebben, hoe zou hij zich tot zijn vader +gespoed en uitgeroepen hebben: "Vader, hier ben ik! ik ben uw zoon; +ik heb hetzelfde hart als gij!" O, hoe zou hij zijn grijze hoofd +gekust, zijn haren met tranen besproeid, zijn litteeken beschouwd, +zijn handen gedrukt, zijn kleederen vereerd, zijn voeten omhelsd +hebben! Ach, waarom was zijn vader zoo vroeg, vóór den tijd, vóór de +rechtvaardigheid, vóór de liefde van zijn zoon gestorven! Marius' +hart was zoo vol zuchten, dat het telkens, helaas! schreide. Toen +werd hij tevens meer degelijk en ernstig, meer zeker van geloof en +meeningen. Ieder oogenblik hielp het licht der waarheid zijn rede. Er +ontstond in hem als een inwendige vermeerdering van groeikracht. Hij +gevoelde, dat hij natuurlijk grooter werd door hetgeen die beide hem +geheel nieuwe dingen, zijn vader en zijn vaderland, hem brachten. + +Evenals men, een sleutel hebbende, alles opent, even zoo werd hem +openbaar wat hij gehaat, doorgrondde hij wat hij verfoeid had; thans +zag hij duidelijk den vooruitziender, goddelijken en menschelijken +geest in die grootsche dingen, welke men hem geleerd had te verfoeien, +en de groote mannen, die men hem beval te vloeken. Wanneer hij aan +zijn vroegere meeningen dacht, die slechts van gisteren waren en hem +toch reeds zoo oud schenen, werd hij verontwaardigd over zich zelf +en lachte. Uit de betere opvatting omtrent zijn vader was natuurlijk +ook die van Napoleon gevolgd. + +Toch moeten wij zeggen, dat dit niet zonder moeite was geschied. + +Van zijn kindsheid af had hij het oordeel der partij van 1814 omtrent +Napoleon ingezogen. Want al die vooroordeelen der Restauratie, +al hare belangen, al haar instinct strekte slechts om Napoleon te +misvormen. Zij verfoeide hem nog meer dan Robespierre. Behendig genoeg +had zij van de afmatting des volks en den haat der moeders gebruik +gemaakt. Bonaparte was schier een fabelachtig monster geworden, en +om hem voor de verbeelding des volks, die, zooals wij straks bewezen, +de verbeelding der kinderen gelijkt, te schilderen, deed de partij van +1814 beurtelings de schrikbarendste maskers--van wat vreeselijk en toch +grootsch is af tot wat vreeselijk en bespottelijk is daarenboven, van +Tiberius af tot Blauwbaard toe--te voorschijn treden. Wanneer er dus +van Bonaparte werd gesproken, stond beide, weenen of lachen, vrij, +mits haat er slechts den grondtoon van aangaf. Marius' geest had, +nopens dezen man,--zooals men hem noemde--nooit andere denkbeelden +gekoesterd. Zij waren met de in zijn aard liggende vasthoudendheid +saamgeweven. Er was een hardnekkig ventje in zijn binnenste, dat +Napoleon haatte. + +Door de geschiedenis te lezen en ze vooral in de officiëele stukken +en stoffelijke voorwerpen te bestudeeren, zag Marius nu allengs den +sluier scheuren, die Napoleon voor zijn oogen verborg. Hij zag toen +iets grootsch, en vermoedde dat hij zich tot nog toe zoowel omtrent +Bonaparte als al het overige bedrogen had. + +Iederen dag werd zijn inzicht helderder; en langzaam, stap voor stap, +aanvankelijk schier met leedwezen, vervolgens als in dronkenschap +en als door onweerstaanbare begoocheling aangetrokken, beklom hij de +donkere, toen de flauw verlichte en eindelijk de helder schitterende +trappen der geestvervoering. + +Op zekeren nacht was hij in zijn dakkamertje alleen. Zijn licht +brandde; op de tafel geleund zat hij bij het open venster te +lezen. Allerlei droomerijen rezen in zijn geest op en vermengden +zich met zijn gedachten. Welk een schouwspel biedt de nacht! Men +hoort onduidelijke geruchten, zonder dat men weet van waar zij +komen; men ziet Jupiter als een kool vuurs gloeien, Jupiter, die +twaalfmaal grooter dan de aarde is; het hemelsblauw is zwart, de +sterren fonkelen;--'t is een ontzettend grootsch gezicht! + +Hij las de bulletins van het groote leger, die homerische strofen +op het slagveld geschreven; bij tusschenpoozen zag hij er den naam +zijns vaders en immer dien des keizers in: geheel het groote Keizerrijk +daagde voor hem op; hij gevoelde als 't ware dat er een zwellende vloed +in hem steeg; het kwam hem voor, dat zijn vader hem als een schim +voorbij zweefde en hem iets toefluisterde; hij werd hoe langer hoe +zonderlinger te moede; hij dacht het tromgeroffel, het kanongebulder, +het trompetgeschal, den afgemeten tred der bataljons, den doffen, +verren galop der cavalerie te hooren; nu en dan richtte hij de oogen +naar den hemel en aanschouwde in de onmetelijke verte de reusachtige, +fonkelende sterrenbeelden, en dan sloeg hij ze weder op zijn boek +en zag er andere kolossale dingen verward dooreenwoelen. Zijn hart +was beklemd. Hij was in vervoering en beefde en hijgde; eensklaps, +zonder te weten wat in hem omging en waaraan hij gehoorzaamde, +richtte hij zich op, stak beide armen uit het venster, keek strak +vooruit in de schaduw, in de stilte, in het oneindige duister en de +eeuwige onmetelijkheid, en riep: "Leve de Keizer!" + +Van dit oogenblik af was alles bepaald. De Corsicaansche +menscheneter--de overweldiger,--de dwingeland,--het monster dat de +minnaar zijner eigen zuster was,--de komediant wien Talma les gaf,--de +vergiftiger van Jaffa,--de tijger,--Buonaparte,--dat alles verdween +en maakte plaats in zijn geest voor een schitterenden stralenkrans, +waarin, op onbereikbare hoogte, de bleeke marmeren schim van Cesar +blonk. De Keizer was voor zijn vader niets anders dan de geliefde +veldheer geweest, dien men bewondert en voor wien men zich opoffert; +voor Marius was hij iets meer. Voor hem was hij de voorbestemde +grondvester van het Fransche volk, dat, in de wereldheerschappij, +op het Romeinsche volgde. Voor hem was hij de wonderbare opbouwer van +hetgeen was ingestort, de opvolger van Karel den Groote, van Lodewijk +XI, van Hendrik IV, van Richelieu, van Lodewijk XIV en van het comité +van algemeen welzijn, een man, die zekerlijk zijn vlekken, misslagen, +en zelfs zijne misdaden had, dat is: die zekerlijk mensch was; maar +die ook verheven in zijn misslagen, schitterend in zijn vlekken, +machtig in zijn misdaden bleek. + +Hij was de voorbestemde, die alle natiën gedwongen had van "de groote +natie" te spreken. Hij was meer nog; hij was het menschgeworden +Frankrijk zelf, dat Europa veroverde met den degen dien hij droeg, +en de wereld door het licht dat van hem afstraalde. Marius zag in +Bonaparte het begoochelend droombeeld, dat immer aan de grenzen +zal oprijzen om de toekomst te bewaken. Despoot was hij, maar ook +dictator; despoot, uit de republiek ontstaan, en een revolutie in zich +opnemend. Napoleon werd voor Marius de volkmensch, gelijk Christus +de Godmensch is. + +Men ziet, dat, gelijk bij alle bekeerden, zijn bekeering hem bedwelmde, +dat hij alles toestemde en te ver ging. Het was zijn natuur; eenmaal op +een helling, was het hem schier onmogelijk stil te staan. Het fanatisme +voor den degen greep hem aan en paarde zich aan zijn enthousiasme voor +de gedachte. Hij lette er niet op, dat hij de kracht, vermengd met het +genie, bewonderde; dat hij namelijk in zijn vergoding tegelijkertijd +het goddelijke en het ruwe vereerde. In verschillende opzichten bedroog +hij zich nu weder op een andere wijze. Hij keurde alles goed. Soms +kan men op weg naar de waarheid ook de dwaling ontmoeten. Zijn goed +geloof was zoo sterk, dat hij alles onvoorwaardelijk aannam. Op de +nieuwe baan, die hij betrad, veronachtzaamde hij, bij de beoordeeling +der grieven van de oude regeering en de afmeting van Napoleons roem, +de verzachtende omstandigheden. + +Hoe het zij, hij had een grooten stap gedaan. Waar hij vroeger den +val der monarchie had gezien, zag hij nu Frankrijks opkomst. Hij was +veranderd van richting. Het Westen was het Oosten geworden. Hij had +zich omgewend. + +Al deze omwentelingen woelden in hem, zonder dat zijn familie er iets +van vermoedde. + +En toen hij nu, bij dit geheimzinnig werken zijn oud ultra-bourbonsche +huid volkomen had verloren; toen hij den aristocraat, den jakobijn en +den koningsgezinde had afgelegd; toen hij geheel en al revolutionnair, +innig democraat en bijna republikein was geworden, ging hij naar een +graveur op de kade des Orfêvres en bestelde er honderd kaartjes met +het opschrift: "Baron Marius Pontmercy." + +Dit was een zeer logisch gevolg der in hem ontstane verandering, +een verandering waarbij zich alles om zijn vader wentelde. Daar hij +echter niemand kende en zijn kaartjes toch niet bij één portier kon +afgeven, stak hij ze in zijn zak. + +Een ander niet minder natuurlijk gevolg was, dat, naarmate hij zich +meer tot zijn vader en diens gedachtenis en de dingen, voor welke de +kolonel vijf-en-twintig jaren gestreden had, aangetrokken gevoelde, hij +zich meer van zijn grootvader verwijderde. Wij hebben 't reeds gezegd, +dat hem sinds lang de luimen van den heer Gillenormand niet meer +behaagden. Reeds verhieven zich tusschen hen beiden al de wanklanken, +die uit den ernst des jongelings en de lichtzinnigheid des grijsaards +moesten voortspruiten. De vroolijkheid van Géronte is stuitend en +bitter voor de droefgeestigheid van Werther. Zoolang beider politieke +meeningen en denkbeelden dezelfde bleven, dienden deze Marius dikwijls +tot een brug om den heer Gillenormand te bereiken. Maar toen de brug +instortte, kwam er een afgrond te voorschijn. En bovenal gevoelde +Marius toen opwellingen van onbeschrijfelijke wederspannigheid bij de +gedachte, dat de heer Gillenormand hem om dwaze redenen onmeedoogend +aan den kolonel ontrukt en zoodoende den vader zijn kind en het kind +zijn vader ontnomen had. + +Uit medelijden voor zijn vader was Marius schier afkeerig van zijn +grootvader geworden. + +Van dit alles verried zijn uiterlijk evenwel niets. Hij werd alleen hoe +langer hoe koeler; was stil aan den maaltijd en zelden te huis. Zoo +zijn tante hem daarover beknorde, was hij zeer zachtzinnig en wendde +studiën, lessen, examens, conferentiën enz. voor. De grootvader +hield zich nochtans bij zijn meening en zeide: "Hij is verliefd; +ik ken die dingen." + +Marius was nu en dan afwezig. + +"Waar zou hij toch heengaan?" vroeg tante. + +Zijn reisjes waren altijd van korten duur. Eens was hij naar +Montfermeil gereisd om den last te vervullen, dien zijn vader hem +had achtergelaten, en had er den ouden sergeant van Waterloo, den +herbergier Thénardier gezocht. Thénardier was bankroet gegaan, de +herberg was gesloten, en men wist niet waar hij gevlogen was. Door +al deze navorschingen bleef Marius drie dagen uit. + +"Nu is 't zeker," zei de grootvader; "zijn hoofd raakt in de war." + +Men had meenen te zien, dat hij op de bloote borst onder zijn hemd +iets aan een zwart lint om den hals droeg. + + + + + + +ZEVENDE HOOFDSTUK. + +EEN VROUW IN 'T SPEL. + + +Wij hebben van een lansier gesproken. + +Deze was een achterneef van vaders zijde van den heer Gillenormand, +die zonder gezin en ver van den huiselijken haard een garnizoensleven +leidde. De luitenant Théodule Gillenormand voldeed aan al de +voorwaarden, die vereischt worden om een mooi officier te zijn. Hij +had een "dames-taille," droeg een opgestreken knevel en liet zijn +sabel kletterend slepen. Zelden kwam hij te Parijs, zelfs zoo zelden, +dat Marius hem nooit gezien had. Beide neven kenden elkander slechts +bij naam. Théodule was, zooals wij gezegd meenen te hebben, de +gunsteling van tante Gillenormand, die hem voortrok, omdat zij hem +niet zag. Gewoonlijk toch kent men hun, die men niet ziet, allerlei +uitmuntende hoedanigheden toe. + +Op zekeren ochtend was de oudste juffrouw Gillenormand in zulk een +opgewondenheid tehuis gekomen, als haar gewoonlijk kalm karakter +slechts toeliet. Marius had zijn grootvader weder verlof gevraagd voor +een reisje, en gezegd, dat hij dienzelfden avond wilde vertrekken.--"'t +Is goed!" had grootvader daarop geantwoord en er, zijn wenkbrauwen hoog +optrekkende, bijgevoegd: "Hij blijft 's nachts uitgaan." Tante was +in gedachten naar haar kamer gegaan, en had op de trap uitgeroepen: +"'t Is erg! waar gaat hij toch heen?" Zij vermoedde zekerlijk een +of anderen ongeoorloofden minnehandel, een vrouw die zich verborg +of een geheime samenkomst, en had er zoo gaarne iets anders van +willen weten. Want de ontdekking van een geheim staat gelijk met het +nieuwtje van een schandaal; vrome zielen zijn er niet vies van. In +de geheime werkplaatsen der kwezelarij is men altijd nieuwsgierig +naar een schandaal. + +Zij was dus ook brandend van nieuwsgierigheid om er iets van te +vernemen. + +Om van deze nieuwsgierigheid, welke haar in buitengewone spanning +bracht, verlost te worden, had zij haar talenten te baat genomen en +zich aan een soort borduurwerk gezet, dat onder het Keizerrijk en de +Restauratie in zwang was. 't Was een eentonige arbeid en een onwillige +werkster. Eenige uren zat zij reeds op haar stoel, toen de deur werd +geopend. Juffrouw Gillenormand lichtte haar neus op; daar stond de +luitenant Théodule voor haar en bracht haar zijn militairen groet. + +Zij slaakte een vreugdekreet. Want men moge oud, preutsch, devoot en +tante zijn, het is toch altijd aangenaam een lansier in zijn kamer +te zien. + +"Gij hier, Théodule!" riep zij. + +"Voor een oogenblik, tante." + +"Maar kus mij toch!" + +"Komaan," zei Théodule. + +En hij kuste haar. Tante Gillenormand naderde haar secretaire en +opende ze. + +"Ge blijft immers de geheele week?" + +"Neen, ik vertrek van avond, tante." + +"Dat is onmogelijk!" + +"Stellig!" + +"Ach, blijf, Théoduultje, als ik u bidden mag." + +"Mijn hart zegt ja, maar het consigne neen! 't Is heel eenvoudig. Wij +wisselen van garnizoen, en trekken nu van Mélun naar Gaillon. Om uit +het oude garnizoen, in het nieuwe te komen, moet men Parijs door. En +toen dacht ik: ik ga tante eens bezoeken." + +"Dit is voor uw moeite." En zij drukte hem tien louisd'ors in de hand. + +"Voor mijn pleiziertjes, wilt ge zeggen, lieve tante." + +En Théodule omhelsde haar nogmaals, en zij had zelfs het genoegen, +dat haar hals een weinig door de snoeren der uniform geschaafd werd. + +"Doet ge de reis te paard met uw regiment?" vroeg zij. + +"Neen, tante, ik wenschte u gaarne te zien, en heb verlof +verzocht. Mijn oppasser leidt mijn paard, ik reis met de +diligence. Maar daar valt mij in, dat ik u iets vragen wilde." + +"Wat dan?" + +"Mijn neef Marius Pontmercy is ook op reis, niet waar?" + +"Hoe weet ge dat?" hernam tante, plotseling door haar nieuwsgierigheid +opnieuw geprikkeld. + +"Bij mijn aankomst ging ik naar het diligence-bureau om een plaats +te bespreken." + +"Welnu?" + +"Toen had een reiziger reeds plaats op de imperiale besproken. Ik +zag zijn naam op het register." + +"Welken naam?" + +"Marius Pontmercy." + +"Welk een losbol!" riep tante. "Ja, uw neef is zoo ordelijk niet als +gij. Begrijp eens: den nacht in een diligence door te brengen!" + +"Evenals ik." + +"Ja, maar bij u is het dienstplicht, bij hem losbandigheid." + +"Duivels!" zei Théodule. + +Nu gebeurde er iets buitengewoons met de oudste juffrouw Gillenormand; +zij kreeg een inval. Zoo zij een man ware geweest, zou zij zich voor +het voorhoofd hebben geslagen. "Weet ge ook of neef u kent?" vroeg zij. + +"Neen. Ik heb hem wel gezien, maar hij heeft zich nooit verwaardigd +op mij te letten." + +"En ge gaat dus morgen beiden op reis?" + +"Ja, hij op de imperiale, ik in de coupé." + +"Waar gaat die diligence heen?" + +"Naar Andelys." + +"Gaat Marius dan ook naar Andelys?" + +"Ja, zoo hij althans niet, evenals ik, onderweg uitstapt. Ik stap te +Vernon af, om den correspondeerenden wagen van Gaillon te pakken. De +reisroute van Marius ken ik echter niet." + +"Marius, welk een leelijke naam. Welk een denkbeeld om hem Marius te +noemen. Gij heet ten minste Théodule." + +"Ik zou liever Alfred willen heeten," zei de officier. + +"Luister, Théodule." + +"Ik luister al, tante." + +"Let dan op." + +"Ik let op." + +"Nu, luistert ge?" + +"Ja." + +"Marius is dikwerf afwezig." + +"Ei, ei!" + +"Hij reist veel." + +"Aha!" + +"Hij blijft 's nachts uit." + +"Zoo, zoo!" + +"En wij wilden gaarne weten, wat er achter schuilt." + +Théodule antwoordde met de kalmte van een man van ondervinding: + +"Een vrouw in 't spel." + +En met een lachje, dat zijn vaste overtuiging uitdrukte, voegde hij +er bij: + +"Een liefje." + +"Ja, 't is duidelijk!" riep tante nu, die mijnheer Gillenormand meende +te hooren, en wie het woord liefje, dat oudoom en achterneef schier +op denzelfden toon uitspraken, geheel en al overtuigde. Zij hernam: + +"Doe ons het genoegen en houd Marius een weinig in 't oog. 't Zal u +gemakkelijk vallen, wijl hij u niet kent. Daar er een liefje is, moet +ge het trachten te zien; dan schrijft gij ons de geschiedenis. Dat +zal zijn grootvader pleizier doen." + +Théodule had weinig smaak in zulk een bespieding, maar werd toch +verteederd door de tien louisd'ors, die mogelijk nog vermeerderd konden +worden. Hij nam de taak dus op zich en zeide: "Zooals 't u belieft, +tante;" en voegde er in stilte bij: + +"Nu ben ik duegna geworden." + +Juffrouw Gillenormand kuste hem. + +"Gij zoudt dergelijke streken niet doen, Théodule," sprak zij. "Gij +gehoorzaamt de krijgstucht, zijt een slaaf van het consigne en een +nauwgezet mensch, die zijn plicht vervult en zijn familie niet verlaten +zou om een deerne na te loopen." + +De lansier zette hetzelfde voldane gezicht als Cartouche, toen men +dezen om zijn eerlijkheid prees. + +Des avonds, na dit gesprek, nam Marius plaats op de diligence, +zonder te vermoeden dat hij bewaakt werd. Wat den bewaker betreft, +het eerst wat hij deed was te gaan slapen. En wel was 't een vaste +gemoedelijke slaap. De Argus ronkte den geheelen nacht. + +Toen de dag aanbrak riep de conducteur der diligence "Vernon! de +reizigers voor Vernon!" De luitenant Théodule ontwaakte. + +"Ha!" bromde hij nog half slapend, "hier moet ik er uit." + +Toen kreeg hij door zijn ontwaken trapsgewijze zijn geheugen terug, en +dacht hij aan zijn tante, aan de tien louisd'ors; en aan het verslag, +dat hij op zich genomen had van Marius' gedrag te zullen doen. Dit +bracht hem aan 't lachen. + +"Hij is misschien niet meer in het rijtuig," dacht hij, zijn +kleintenue-jasje dichtknoopende. "Wellicht is hij er te Poissy of +te Triel, of te Meulan, of te Mantes uitgestapt, zoo hij niet reeds +te Rolleboise of te Pocy is gebleven, om links naar Evreux of rechts +naar Laroche-Guyon te kunnen gaan. Loop gij hem maar na, tante. Doch, +wat drommel zal ik de goede oude schrijven?" + +Juist kwam een zwarte broek, die van de imperiale klom, het raampje +der coupé voorbij. + +"Zou 't Marius zijn?" dacht de luitenant. + +Het was Marius. + +Naast het rijtuig stond, te midden van paarden en postillons, een +boerinnetje, dat den reizigers bloemen aanbood, met den uitroep: +Koopt bloemen voor uw dames. + +Marius naderde haar en kocht de schoonste bloemen uit haar mandje. + +"Nu waarlijk," zei Théodule uit de coupé springende, "word ik zelf +nieuwsgierig. Wie zal hij deze bloemen gaan brengen? Zulk een fraai +bouquet moet wel voor een zeer schoon meisje zijn. Ik wil haar zien." + +En nu, niet op lastgeving maar uit persoonlijke nieuwsgierigheid, begon +hij Marius, als een hond, die voor eigen rekening jaagt, te volgen. + +Marius lette volstrekt niet op Théodule. Elegante dames stapten uit de +diligence, hij zag er niet naar om. 't Scheen alsof hij niets zag van +'t geen hem omgaf. + +"Wat is hij verliefd!" dacht Théodule. + +Marius ging naar de kerk. + +"Heerlijk!" dacht Théodule. "De kerk, dat is het juist. Rendez-vous, +met een weinig mis gekruid, zijn de beste. Niets bekoorlijker dan +een lonkje dat langs een kruisbeeld gaat." + +Marius trad de kerk niet binnen, maar ging er omheên. Daar verdween +hij achter den hoek van een der zijmuren. + +"Het rendez-vous is buiten," zei Théodule, "laat ons nu zien, wie +'t liefje is." + +En op de teenen naderde hij den hoek, waarachter Marius zijn moest. + +Daar gekomen bleef hij verstomd staan. + +Want met het hoofd in de handen lag Marius daar voorover in het gras +bij een graf. Daar had hij zijn bloemen ontbladerd. Aan het boveneinde +van den grafheuvel stond op een zwart houten kruis met witte letters: +Kolonel Baron Pontmercy. + +Marius weende hoorbaar. + +Het liefje was een graf. + + + + + + +ACHTSTE HOOFDSTUK. + +MARMER TEGEN GRANIET. + + +Daar was Marius ook bij zijn eerste reis geweest. Daar was 't dat +hij telkens wederkeerde, wanneer Gillenormand zeide: "hij blijft van +nacht weêr uit." + +Luitenant Théodule was geheel en al van zijn stuk gebracht, toen hij +zoo onverwacht een graf voor zich zag; hij gevoelde een onaangename, +zonderlinge gewaarwording, welke hij zich niet kon verklaren en die +uit den eerbied voor een graf en voor een kolonel bestond. Hij ging +terug, en liet Marius alleen op het kerkhof achter; 't was of zijn +aftocht op een ontvangen bevel geschiedde. De dood verscheen hem met +zware epauletten en hij sloeg bijna voor hem aan. Niet wetende, wat +hij aan zijn tante schrijven zou, besloot hij niet te schrijven; en +waarschijnlijk zou uit de door Théodule gedane ontdekking betreffende +Marius' liefdeshistorie niets gevolgd zijn, zoo niet, door een dier +geheimzinnige en veelvuldige spelingen van het noodlot, het tooneel +te Vernon bijna onmiddellijk te Parijs herhaald ware geworden. + +Marius kwam drie dagen later des ochtends vroeg van Vernon terug, en +de behoefte gevoelende om de vermoeidheid van twee in de diligence +doorgebrachte nachten door een bad te herstellen, spoedde hij zich +naar zijn kamer, gunde zich slechts even den tijd, zich te ontkleeden +en het zwarte lint dat hij om den hals droeg af te leggen, en ging +toen een bad nemen. + +Mijnheer de Gillenormand die, gelijk alle gezonde lieden, vroeg bij +de hand was, had hem te huis hooren komen en haastte zich, zoo snel +zijn oude beenen hem dit veroorloofden, de zoldertrap naar Marius' +kamer op, om hem te omhelzen, hem te ondervragen en zoo wat te vernemen +van waar hij kwam. + +Maar de jongeling had minder tijd noodig gehad om naar beneden, +dan de negentiger om naar boven te gaan, en toen vader Gillenormand +het zolderkamertje binnentrad, was Marius er niet meer. Op het bed, +dat niet beslapen was, waren de overjas en het zwarte lint achteloos +nedergelegd. + +"Dat heb ik liever," zei Gillenormand. + +En een oogen blik later trad hij den salon binnen, waar de oude +juffrouw Gillenormand reeds zat te borduren. Het was een zegevierende +intocht. + +In de eene hand hield mijnheer Gillenormand de overjas, in de +andere het zwarte lint en riep: "Victorie! wij zullen het geheim +ontdekken! eindelijk zullen wij er achter komen, eindelijk zullen ons +de tochtjes van onzen losbol duidelijk worden! de roman is ons. Ik +heb het portret!" + +Inderdaad, een zwart sagrijnen doosje, in den vorm van een medaillon, +hing aan het lint. + +De grijsaard nam het doosje, en beschouwde het eenigen tijd zonder +het te openen met al den wellust, de verrukking en den toorn van +een hongerigen armen drommel, die de heerlijkste gerechten zijn neus +voorbij ziet dragen, zonder dat hij er iets van krijgen kan. "Het is +stellig een portret. Ik ken die dingen. Men draagt het teeder op zijn +hart. Dom volk, ze zal zeker zoo leelijk zijn om van te schrikken. De +jongelui hebben tegenwoordig een zeer slechten smaak." + +"Laat eens zien, vader," zei de oude vrijster. + +Het doosje ging door een veer open. Zij vonden er niets in dan een +zorgvuldig dichtgevouwen papier. + +"Van denzelfde aan denzelfde," zei Gillenormand, met schaterenden +lach. "Ik weet wat het is. Een minnebrief." + +"O, laat mij lezen," zei tante. + +En zij zette haar bril op. Het papier werd opengevouwen en zij lazen: + +"Voor mijn zoon. De keizer heeft mij op het slagveld van Waterloo tot +baron verheven. Daar de restauratie mij dezen titel betwist, dien ik +met mijn bloed betaald heb, zal mijn zoon hem nemen en dragen. Het +spreekt vanzelf dat hij hem waardig zal zijn." + +Wat vader en dochter gevoelden, is niet te beschrijven. Zij waren +als door den adem van een doodshoofd verstijfd. Geen woord werd +gewisseld. De heer Gillenormand alleen zeide zacht en als tot zich +zelven: + +"'t Is het schrift van den voorvechter." + +De tante onderzocht het papier, bekeek het aan alle zijden, en legde +het weder in het doosje. + +Op hetzelfde oogenblik viel een langwerpig en in blauw papier gewikkeld +pakje uit den zak van de overjas. Juffrouw Gillenormand raapte het +op en deed het blauw papier er af. Het waren de honderd kaartjes +van Marius. Zij gaf er een van aan den heer Gillenormand, die las: +"Baron Marius Pontmercy." + +De grijsaard schelde. Nicolette kwam. De heer Gillenormand nam het +lint, het doosje en de overjas, wierp alles midden in 't vertrek op +den vloer en zeide: + +"Breng die plunje weg." + +Ruim een uur verstreek in de diepste stilte. De oude man en de oude +vrijster zaten met den rug naar elkander gekeerd, en dachten ieder +waarschijnlijk aan hetzelfde. Na verloop van dat uur zeide tante +Gillenormand: + +"'t Is mooi!" + +Weinige oogenblikken later kwam Marius. Nog vóór hij den drempel van +den salon overtrad, bespeurde hij zijn grootvader, die een zijner +kaartjes in de hand hield, en, toen hij hem zag, op hoonenden toon +en met burgerlijken trots, waarin iets verpletterends lag, hem toeriep: + +"Ha, ha, ha, ha! Zijt ge nu baron? Ik maak u mijn compliment. Wat +beteekent dat?" + +Marius bloosde en antwoordde: + +"Het beteekent dat ik de zoon mijns vaders ben." + +Mijnheer Gillenormand lachte niet meer, maar zei ruw: + +"Ik ben uw vader." + +"Mijn vader," hernam Marius met nedergeslagen oogen en streng gelaat, +"was een nederig, heldhaftig man, die Frankrijk en de Republiek +roemrijk heeft gediend, die groot was in de grootste geschiedenis, +welke de menschen ooit gemaakt hebben, die een vierde van een eeuw +in het veld was, des daags te midden van schrootvuur en kogels, +des nachts in sneeuw, slijk en regen, die twee vaandels veroverd, +twintig wonden ontvangen heeft, die in vergetelheid en verlatenheid +gestorven is en die nooit ander ongelijk heeft gehad dan toen hij +twee ondankbaren beminde, zijn vaderland en mij!" Dit was meer dan +de heer Gillenormand hooren kon. Bij het woord "republiek" was hij +opgestaan, of beter gezegd, opgesprongen. Ieder woord van Marius had +op het gezicht van den ouden koningsman dezelfde uitwerking gedaan, +als de wind uit de blaasbalg eener smidse op een glimmende kool. Van +somber was hij rood, van rood purper en van purper gloeiend geworden. + +"Marius!" riep hij. "Verfoeielijk kind! ik weet niet wat uw vader +was! Ik wil 't niet weten! ik weet er niets van; maar wat ik weet is, +dat onder die lieden niets anders dan ellendigen zijn geweest! het is, +dat allen schooiers, moordenaars, roodmutsen, dieven waren! ik zeg +allen! ik zeg allen! ik ken niemand hunner, maar ik zeg allen! hoort +ge, Marius? Ziet ge wel, nu zijt ge baron evenals mijn pantoffel! het +waren allen roovers, die Robespierre dienden! allen bandieten, die +Bu-o-naparté dienden! allen verraders, die hun wettigen koning verraden +en nog eens verraden hebben! allen lafaards, die te Waterloo voor +de Pruisen en Engelschen zijn gaan loopen! Dat weet ik. Of mijnheer +uw vader daarbij was, weet ik niet... zoo ja 't spijt mij... des +te erger." + +Op zijn beurt werd Marius nu de brandende kool, en mijnheer +Gillenormand de blaasbalg. Marius' geheele lichaam rilde; hij wist +niet wat te doen; zijn hoofd gloeide. Hij was als de priester die +al zijn hostiën in den wind ziet strooien; als de fakir, die een +voorbijganger ziet spuwen op zijn afgod. Zulke dingen mochten niet +straffeloos in zijn tegenwoordigheid gezegd worden. Maar wat te +doen? Zijn vader was in zijn tegenwoordigheid vertrapt en vertreden, +maar door wien? door zijn grootvader. Hoe nu den een te wreken zonder +den ander te hoonen? 't Was onmogelijk, zijn grootvader te beleedigen +en even onmogelijk zijn vader niet te wreken. Aan de eene zijde +een geheiligd graf, aan de andere zijde grijze haren. Een oogenblik +waggelde hij als een beschonkene, als iemand die alles in zijn hoofd +voelt duizelen; toen sloeg hij de oogen op, zag zijn grootvader strak +aan en riep met donderende stem: + +"Weg met de Bourbons en het dikke zwijn Lodewijk XVIII!" + +Lodewijk XVIII was sedert vier jaren dood, maar daaraan stoorde hij +zich niet. + +Van scharlakenrood werd de grijsaard nu eensklaps witter dan zijn +haren. Hij wendde zich naar een buste van den hertog van Berry, die +op den schoorsteenmantel stond en groette die diep, met zonderlinge +majesteit. Toen ging hij tweemaal langzaam en zwijgend van den +schoorsteen naar het venster en van het venster naar den schoorsteen, +de geheele kamer door, zoodat de vloer kraakte alsof er een steenen +beeld over ware gegaan. En voor den tweeden keer boog hij zich over +zijn dochter, die dezen donderslag met de wezenloosheid van een oud +schaap had verdragen, en zeide, bedaard glimlachende: + +"Een baron als mijnheer en een burgerman als ik kunnen niet onder +hetzelfde dak blijven." + +En zich eensklaps oprichtende, bleek, bevend, vreeselijk, met een +gefronst voorhoofd dat straalde van toorn, stak hij zijn armen naar +Marius uit en schreeuwde hem toe: + +"Ga heen!" + +Marius verliet het huis. + +Den volgenden dag zei Gillenormand tot zijn dochter: + +"Zend dien bloeddrinker alle zes maanden zestig louisd'ors, en spreek +mij nooit meer van hem." + +Daar hij een ontzaggelijke woede met zich omdroeg, waarmede hij geen +weg wist, zeide hij drie maanden lang tot zijn dochter: u. + +Marius was zijnerzijds vol woede vertrokken. Een bijzonderheid, +welke wij moeten vermelden, had zijn opgewondenheid nog verhoogd. Er +zijn altijd kleine tegenspoeden, welke huiselijke tooneelen nog meer +verwikkelen. Zij vermeerderen de ergernis, schoon de grieven er +eigenlijk niet door vergroot worden. Toen Nicolette, op bevel van +grootvader de "plunje" van Marius haastig naar diens kamer bracht, +had zij zonder het te bespeuren, waarschijnlijk op de donkere +zoldertrap het zwart sagrijnlederen doosje laten vallen, waarin het +door den kolonel geschreven papier lag. Papier noch medaillon waren +later terug te vinden. Marius hield zich overtuigd, dat "mijnheer +Gillenormand"--van dien dag af noemde hij hem nooit anders--het +"testament zijns vaders" in het vuur had geworpen. Hij kende de weinige +regels, door den kolonel geschreven, van buiten, en had er bijgevolg +niets aan verloren. Maar het papier, het schrift, die heilige reliquie, +dat alles was zijn hart zelf. Wat had men er mede gedaan? + +Marius was vertrokken zonder te zeggen waarheen hij ging, met dertig +francs, zijn horloge en eenige kleedingstukken in een reiszak. Hij +had een cabriolet gehuurd en zich op goed geluk af naar de latijnsche +wijk laten brengen. + +Wat zal er van Marius worden? + + + + + + + +BOEK IV. + +DE VRIENDEN VAN HET A. B. C. + + +EERSTE HOOFDSTUK. + +EEN GROEP, DIE BIJNA TOT DE HISTORIE HAD BEHOORD. + + +In dit schijnbaar onverschillig tijdvak, ging er een zekere +revolutionaire huivering door 't land. Een wind, uit de duisternis +van 89 en 92 geboren, vloog door de lucht. De jeugd--men vergeve +ons deze uitdrukking--begon te ruien. Door de beweging des tijds +werd men schier herschapen zonder het te weten. De wijzer, die over +de uurplaat loopt, gaat ook in de gemoederen voorwaarts. Ieder deed +den stap voorwaarts, dien hij doen moest. De koningsgezinden werden +liberalen, de liberalen democraten. + +'t Was als een door duizenden stroomen hooger stijgende +vloed; al die stroomen vermengden zich, en hierdoor ontstonden +de zonderlingste verbindingen van ideeën; men vereerde tegelijk +Napoleon en de vrijheid. Wij schrijven hier de geschiedenis. 't +Waren de luchtspiegelingen van dien tijd. De meeningen veranderen van +vorm. Het Voltaireaansch royalisme, een zonderlinge verscheidenheid, +heeft een niet minder zonderlingen tegenhanger gehad; 't was het +Bonapartisch liberalisme. + +Er waren ook andere, meer ernstige groepen van vernuften. Hier peilde +men het beginsel, ginds hield men zich aan het recht. Men geraakte in +drift voor het absolute, en vermoedde eindelooze verwezenlijkingen; +want door zijn strengheid zelf drijft het absolute de geesten opwaarts +en doet ze in het onbegrensde zweven. Niets geschikter om droomen +te scheppen dan het dogma. En niets bevrucht de toekomst meer dan de +droom. Heden een utopie, morgen vleesch en been. + +De vooruitgaande meeningen waren tweevoudig. Een beginsel van +verborgenheid bedreigde de "gevestigde orde", die verdacht en gluipend +was. Een hoogst revolutionair verschijnsel. De nevengedachte van +het gezag treft in het ondermijnen met de nevengedachte des volks +samen. Het broeien van den opstand is het antwoord op het voorbereiden +der staatsgrepen. + +Destijds bestonden die uitgebreide genootschappen, zooals de Tugendbund +in Duitschland en het Carbonarisme in Italië, in Frankrijk nog niet, +maar hier en daar kruisten zich toch reeds geheime loopgraven. De +Cougorde werd te Aix ontworpen; te Parijs, onder meer samenscholingen +van dien aard, het genootschap der vrienden van het A. B. C. + +Wat waren de vrienden van het A. B. C.? een genootschap, dat schijnbaar +de opvoeding der kinderen, maar inderdaad de verheffing der menschen +ten doel had. + +Men verklaarde zich vrienden van het A. B. C. te zijn. Het abaissé +(A. B. C. klinkt als abaissé en beteekent "vernederd") was het +volk. Dat wilde men opheffen; 't was een woordspeling, waarmede men +niet schertsen moet. Woordspelingen zijn soms in 't staatkundige van +groot gewicht; ten bewijze hiervan het Castratus ad castra dat van +Narsés een veldheer maakte; het Barbari et Barberini; het Fueros y +Fuegos; het Tu es Petrus et super hanc Petram, enz. enz. + +De vrienden van het A. B. C. waren niet talrijk. Het was nog slechts +een geheim genootschap in den dop; wij zouden schier zeggen een +coterie, zoo coterieën helden voortbrachten. Zij kwamen te Parijs +op twee plaatsen bijeen, bij de Halles, in de herberg Corinthe, +waarvan later gesproken zal worden, en bij het Pantheon in een +klein koffiehuis op het plein St. Michel, het Café Musain genaamd, +dat thans reeds is afgebroken; het eerste diende voor de werklieden, +het tweede voor de studenten. + +De gewone vergaderingen der vrienden van het A. B. C. werden in een +achterkamer van het Café Musain gehouden. In deze van het eigenlijke +koffiehuis tamelijk verwijderde kamer, waarmede het door een zeer +lange gang gemeenschap had, waren twee vensters en een uitgang met +geheime trap, die naar de kleine straat des Grés geleidde. Men rookte, +dronk, speelde en lachte er. Men sprak er luid over alles en zacht over +andere dingen. Aan den muur was een oude kaart van Frankrijk tijdens +de republiek gespijkerd: aanwijzing genoeg voor een politie-agent om +hen op het spoor te komen. + +Meest al de vrienden van het A. B. C. waren studenten, die met +verscheidene werklieden op zeer vertrouwden voet leefden. Zie hier +hoe de voornaamsten onder hen heetten: Enjolras, Combeferre, Jean +Prouvaire, Feuilly, Courfeyrac, Bahorel, Lesgle of Laigle, Joly +en Grantaire. + +Deze jongelieden vormden door hun onderlinge vriendschap een soort +van gezin. Allen, uitgezonderd Laigle, waren uit het zuiden. + +Deze groep was merkwaardig. Zij is verdwenen in de onzichtbare diepten, +die achter ons liggen. Bij het punt van het drama, waaraan wij nu +gekomen zijn, is het misschien niet onnoodig eenig licht te laten +vallen op deze jonge hoofden, voor dat de lezer hen in de schaduw +van een treurig voorval wegzinken ziet. + +Enjolras, dien wij eerst genoemd hebben--men zal later zien waarom--was +een eenige zoon en zeer rijk. + +Enjolras was een fraai jonkman, wel in staat om gevaarlijk te +worden. Hij was schoon als een engel. Een woeste Antinoüs. Bij het zien +van zijn peinzenden, stralenden blik zou men gezegd hebben, dat hij in +het vorig leven reeds de revolutionaire apokalypse was doorgegaan. De +overleveringen kende hij, alsof hij er getuige van geweest was. Hij +kende al de kleine bijzonderheden der groote zaak. Hij had een +priesterlijken krijgsmansaard, iets zeldzaams bij een jongeling. Hij +verkondigde en streed; bij den eersten aanblik was hij soldaat der +democratie, maar, boven de bewegingen van zijn tijd verheven, bleek +hij priester van het ideale. Zijn blik was diep, zijne oogleden een +weinig rood, de onderlip dik en zeer licht minachtend gekruld, zijn +voorhoofd hoog. Een hoog voorhoofd aan een gelaat is als veel lucht aan +den horizont. Gelijk vele jonge mannen bij den aanvang van deze en het +einde der vorige eeuw, die vroeg beroemd waren, had hij een krachtige +jeugd en toch frisch als van een meisje, schoon nu en dan beneveld. Nog +toen hij man was, geleek hij een kind. In plaats van twee-en-twintig +scheen hij eer zeventien jaar oud; hij was ernstig en scheen niet te +weten, dat er op aarde een wezen leefde, dat vrouw heette. Hij had +slechts één liefde, het recht; slechts één gedachte, de omverwerping +der hindernissen. Op den Aventijnschen berg zou hij Cracchus, in de +conventie Saint-Just zijn geweest. Rozen zag hij nauwelijks, hij +wist van geen lente, hij hoorde de vogelen niet zingen; de bloote +hals van Evadné zou hem evenmin als Aristogiton verteederd hebben; +voor hem, evenals voor Harmodius, waren de bloemen slechts goed om het +zwaard in te verbergen. Zelfs in vreugde was hij streng. Voor alles +wat geen republiek was sloeg hij beschaamd de oogen neder. Hij was +de marmeren minnaar der vrijheid. Zijn woorden waren als bezield en +trilden als een hymne. Onverwacht ontplooide hij zijn vleugelen. Wee +de minnaresse, die zich aan zijn zijde had gewaagd! Zoo een grisette +van het plein Cambray of de straat St. Jean de Beauvais die gestalte, +aan de school ontsnapt, die page-figuur, die lange blonde wimpers, +blauwe oogen, in den wind wuivende lokken, rozige wangen, frissche +lippen en prachtige tanden ziende, op al dat ochtendrood belust +ware geworden en haar schoonheid op Enjolras had willen beproeven, +zou een vreeselijke, verrassende blik haar onverhoeds den afgrond in +hem getoond en geleerd hebben den schrikkelijken cherub, cherub van +Ezechiël, niet met den lieven engel van Beaumarchais te verwarren. + +Naast Enjolras, die de logica der Revolutie vertegenwoordigde, +vertegenwoordigde Combeferre de wijsbegeerte. Tusschen de logica +der Revolutie en haar wijsbegeerte bestaat dit verschil, dat haar +logica tot den oorlog besluiten, haar wijsbegeerte echter slechts +tot vrede leiden kan. Combeferre vulde Enjolras aan en verbeterde +hem. Hij was niet zoo lang, maar breeder. Hij wilde, dat men +'s menschen geest met de uitgebreide beginselen der algemeene +denkbeelden gemeenzaam maakte; hij zeide: "Revolutie, maar ook +beschaving, en om den steilen berg heên, de uitgestrekte blauwe +horizont." Hierdoor was er in al de beschouwingen van Combeferre iets +genaakbaars en uitvoerbaars. De Revolutie kon men beter met Combeferre +dan met Enjolras inademen. Enjolras drukte er het goddelijk recht, +Combeferre het natuurlijk recht van uit. De eerste sloot zich bij +Robespierre aan, de tweede hield zich bij Condorcet. Combeferre +leefde, meer dan Enjolras, ieders leven mede. Zoo 't dien beiden +jongelieden verleend ware geweest tot de geschiedenis te behooren, +zou de een de rechtvaardige, de ander de wijze geweest zijn. Enjolras +was mannelijker, Combeferre menschelijker. Homo en Vir, mensch en +man, was werkelijk wat hen onderscheidde. Combeferre was even zacht +als Enjolras streng was van nature. Hij beminde het woord burger, +maar gaf aan het woord mensch de voorkeur. Gaarne zou hij, gelijk +de Spanjaards, Hombre (man en mensch) hebben gezegd. Hij las alles, +ging naar den schouwburg, volgde de openbare lessen, leerde van Arago +de polarisatie van het licht, en geraakte in vuur bij een voorlezing +waarin Geoffroy-Saint-Hilaire de tweevoudige functiën der in- en +uitwendige halsslagader verklaarde, waarvan de eene het gezicht de +andere de hersenen vormt; hij volgde de wetenschap op den voet, +vergeleek Saint-Simon met Fourier, ontcijferde de hieroglyphen, +brak de keien stuk die hij vond, en sprak mede over geologie, +teekende uit het hoofd een veelkleurige kapel, wees de fouten in de +Fransche dictionnaire de l' académie aan, bestudeerde Puységur en +Deleuze, bevestigde niets, zelfs geen mirakelen, loochende niets, +zelfs geen spoken, doorbladerde de collectie van den Moniteur, en +dacht na. Hij verklaarde, dat de toekomst in des onderwijzers hand +ligt, en hield zich met opvoedingskwestiën bezig. Hij wilde, dat de +maatschappij onvermoeid werkzaam zou zijn aan 's volks verstandelijke +en zedelijke ontwikkeling, aan de uitbreiding der wetenschap, aan +het in omloop brengen der ideeën, aan den wasdom van den geest in de +jeugd, en hij vreesde dat de tegenwoordige gebrekkige leerwijze, het +armzalig gezichtspunt op de letterkunde, tot twee of drie zoogenaamde +klassieke eeuwen beperkt, de tyrannieke leer van officiëele pedanten, +en de schoolsche vooroordeelen en sleur onze collegiën eindelijk tot +kunstmatige oesterbanken zouden maken. Hij was geleerd, puristisch, +nauwgezet, polytechnisch, en tot onderwerp zijner gedachten nam +hij het "oneindige", zooals zijn vrienden zeiden. Hij geloofde aan +alle droombeelden: aan spoorwegen, aan onderdrukking der pijn bij +heelkundige operatiën, aan het vormen der beelden in de camera +obscura, aan de electrieke telegraaf en de besturing van den +luchtbol. Overigens was hij niet zeer bevreesd voor de sterkten, +allerwege door bijgeloof, despotisme en vooroordeel gebouwd. Hij +behoorde tot dezulken, die meenen, dat de wetenschap den toestand +zal omkeeren. Enjolras was opperhoofd, Combeferre gids. Met den +een zou men hebben willen strijden, met den ander willen gaan. Niet +wijl Combeferre onbekwaam was in den strijd; nimmer weigerde hij een +hindernis te bekampen en met geweld aan te grijpen; maar 't was hem +liever, langzamerhand door het onderwijzen van grondstellingen en +'t verkondigen der positieve wetten het menschelijk geslacht met zijn +bestemming in harmonie te brengen; en zoo hij aan beide kanten gloed +zag, was hij meer voor verlichten dan voor verbranden. Een brand kan +zekerlijk ook ochtendrood geven, maar waarom het aanbreken van den +dag niet afgewacht? Een vulkaan verlicht, maar de dageraad verlicht +nog beter. Combeferre gaf misschien aan de blankheid van het schoone +boven de vlammen van het verhevene de voorkeur. Een door rook benevelde +helderheid, een door geweld verkregen vooruitgang, zij voldeden dien +teederen, ernstigen geest slechts ten halve. De nederstorting van +een volk in de waarheid, een 93, verschrikte hem; en toch had hij +van stilstand nog meer afkeer: hij gevoelde er verrotting en dood +in; alles bijeengenomen had hij liever schuim dan bedorven lucht, +en boven den modderpoel verkoos hij den stortvloed, den val van den +Niagara boven het meer van Montfaucon. Kortom, hij wilde stilstand, +noch overhaasting. Terwijl zijn onstuimige vrienden, in ridderlijke +liefde voor het absolute, voor de schitterende revolutionnaire +avonturen dweepten, was Combeferre voor een gepasten vooruitgang; +misschien koel maar zuiver; methodiek maar onberispelijk; bedaard maar +onwrikbaar. Combeferre zou met saamgevouwen handen hebben geknield, +opdat de toekomst in al haar reinheid mocht komen en niets der volken +grooten ommekeer tot de deugd mocht storen! "Het goede moet schuldeloos +zijn," herhaalde hij gestadig. En inderdaad, zoo de grootheid der +revolutie is, om het verblindend ideaal goed in de oogen te zien en +er, te midden van den bliksem, met bloed en vuur aan de klauwen op aan +te vliegen, dan is de schoonheid van den vooruitgang ook, vlekkeloos +te zijn; en tusschen Washington, die de eene vertegenwoordigt, en +Danton, die de andere verlichamelijkt, bestaat hetzelfde verschil +dat den engel met donzen wieken van dien met arendsvleugelen scheidt. + +Jean Prouvaire was van nog zachter aard dan Combeferre. Hij noemde +zich Jehan uit een zekere vluchtige grilligheid, welke zich aan de +machtige en diepe beweging paarde, waaruit de zoo noodige studie +der Middeleeuwen is voortgekomen. Jean Prouvaire was verliefd, +kweekte bloemen, speelde op de fluit, maakte verzen, had het volk +lief, beklaagde de vrouw, beweende het kind, vermengde in hetzelfde +vertrouwen God en de toekomst, en laakte de revolutie omdat zij een +koninklijk hoofd, dat van André Chénier, had doen vallen. Zijn stem +was gewoonlijk zacht, doch kon plotseling mannelijk worden. Hij was +geletterd en geleerd, en bleek min of meer thuis in de oostersche +talen. Bovenal was hij goedhartig, en gaf in zake van poëzie, +de voorkeur aan het grootsche--iets dat zeer begrijpelijk is voor +hem die weet, hoe na goedheid aan grootheid is verwant. Hij kende +Italiaansch, Latijn, Grieksch en Hebreeuwsch, en dit diende hem +om slechts vier dichters Dante, Juvenalis, Eschylus en Jesaja te +lezen. In 't Fransch stelde hij Corneille boven Racine, en Agrippa +d'Aubigné boven Corneille. Hij wandelde gaarne op roggevelden met +korenbloempjes en hield zich schier evenveel met de wolken als met +de gebeurtenissen bezig. Zijn geest helde naar twee zijden over, aan +de eene zijde naar God, aan de andere naar den mensch; hij studeerde +of aanschouwde. Den geheelen dag bepeinsde hij de maatschappelijke +vraagstukken: het werkloon, het kapitaal, het crediet, het huwelijk, +den godsdienst, de vrijheid van denken, de vrijheid van beminnen, de +opvoeding, het strafrecht, de armoede, de vereeniging, den eigendom, +de productie en de verdeeling, het raadsel hier beneden, dat de +wemelende menschendrommen met zijn duisternis omhult; des avonds +aanschouwde hij de sterren, deze ontzaggelijke wezens. Hij was, +evenals Enjolras, rijk en een eenige zoon. Hij sprak zacht, boog het +hoofd, sloeg de oogen neder, glimlachte verlegen, gedroeg zich links, +bloosde om niets en was zeer bedeesd. Overigens was hij onverschrokken. + +Feuilly was een ouderlooze waaiermakersgezel, die met moeite drie +francs daags verdiende en slechts ééne gedachte had, de wereld te +verlossen. Ook had hij nog een andere zorg, namelijk zich zelven te +onderrichten, hetgeen hij ook verlossing noemde. Hij had uit zich +zelven lezen en schrijven geleerd; alles wat hij kende had hij uit +zich zelven. Feuilly had een edelmoedig hart, dat de geheele wereld +omvatte. Deze wees had de volken als kinderen aangenomen. Bij gemis +eener moeder had hij aan het vaderland gedacht. Hij wilde niet, +dat iemand op de wereld zonder vaderland zou zijn. In hem gloeide, +bij den diepen zienersblik van den man des volks, wat wij thans het +nationaliteitsgevoel noemen. Hij had opzettelijk geschiedenis geleerd +om zijn verontwaardiging met kennis van zaken te kunnen toonen. In dien +jeugdigen kring van utopisten, welke zich vooral met Frankrijk bezig +hielden, vertegenwoordigde hij het buitenland, en wel voornamelijk +Griekenland, Polen, Hongarije en Italië. Gestadig sprak hij deze +namen te pas of te onpas met de hardnekkigheid van het recht uit. De +verkrachting van Griekenland en Thessalië door Turkije, van Warschau +door Rusland, van Venetië door Oostenrijk vertoornde hem. Bovenal de +groote moord van 1772, de verdeeling van Polen. Er is geen krachtiger +welsprekendheid dan de ware verontwaardiging; en hierdoor was hij +welsprekend. Zoo hij van dat schandelijke jaar 1772, van dat edele, +dappere, door verraad onderdrukte volk sprak, van dat misdadige +drietal, van die monsterachtige aanranding, dat toon- en voorbeeld +van al die schrikkelijke landverbrokkelingen, welke sinds dien tijd +zoovele edele natiën troffen en, om zoo te spreken, haar doopakte +verscheurd hebben, was hij onuitputtelijk. Alle maatschappelijke +aanrandingen van den tegenwoordigen tijd komen uit de verdeeling +van Polen voort. De verdeeling van Polen is een theoretische daad, +waarvan al de tegenwoordige politieke misdrijven gevolgen zijn. Er is +geen despoot, geen verrader, sedert bijna een gansche eeuw, die Polens +verdeeling niet beoogd, goedgekeurd, gecontrasigneerd en ne varietur, +geparafeerd heeft. Zoo men de lias van het hedendaagsche verraad +doorbladert, verschijnt zij het eerst. Het congres van Weenen heeft +deze misdaad geraadpleegd vóór het de zijne volbracht. 1772 doet het +jachtgeschal weerklinken, 1815 velt het wild. Dit was Feuilly's gewone +tekst. De arme werkman had zich tot voogd der gerechtigheid verheven, +en zij beloonde hem door hem groot te maken. Immers er is eeuwigheid in +het recht. Warschau kan evenmin Tartaarsch als Venetië Duitsch zijn. De +koningen geven vergeefs moeite en eer verloren. Vroeg of laat drijft +het overstroomde vaderland boven en verschijnt weder. Griekenland +wordt weder Griekenland, Italië weder Italië. Het protest van het +recht tegen het feit blijft immer volharden. De roof van geheel een +volk verjaart niet. Die hooge afzetterijen hebben geen toekomst. Men +kan het merk eener natie niet uittornen zooals men 't een zakdoek doet! + +Courfeyrac had een vader, dien men mijnheer de Courfeyrac noemde. 't +Was een valsch begrip der burgerij tijdens de Restauratie in zake van +aristocratie en adel, om aan het de nog waarde te hechten. Men weet +dat het de volstrekt geen beteekenis heeft. Maar de burgerij uit den +tijd van la Minerve waardeerde dat arme de zoo hoog, dat men zich +verplicht achtte er afstand van te doen. De heer de Chauvelin liet +zich Chauvelin, de Caumastin Caumastin, de Constant de Rebecque, +Benjamin Constant, de Lafayette Lafayette, noemen. De Courfeyrac +wilde niet achterblijven en noemde zich kortaf Courfeyrac. + +Wij zouden ons ten aanzien van Courfeyrac hierbij schier kunnen bepalen +en, wat het overige aangaat, zeggen: voor Courfeyrac, zie Tholomyes. + +Courfeyrac had inderdaad dat jeugdig vuur, 't welk men de schoonheid +der duivelsche geestigheid kan noemen. Later verdwijnt dat, evenals +de liefheid van het jonge katje, en al die bevalligheid loopt bij +den tweebeenige op den ploert en bij den vierpoot op den kater uit. + +De geslachten welke de scholen doorloopen, die elkander opvolgen, +de lichtingen der jongelingschap, dragen aan elkander deze soort van +geestigheid over; zij gaat quasi cuisores van de eene in de andere +hand en blijft bijna immer dezelfde, zoodat de eerste de beste die, +gelijk wij gezegd hebben, in 1828 Courfeyrac gehoord had, gemeend zou +hebben, dat hij naar Tholomyes in 1817 luisterde. Maar Courfeyrac was +een braaf jongeling. Onder de schijnbare overeenkomst van oppervlakkig +verstand, was het onderscheid tusschen Tholomyes en hem zeer groot. In +beiden school de man, bij dezen echter geheel anders dan bij genen. In +Tholomyes een pleitbezorger, in Courfeyrac een dolend ridder. + +Enjolras was het hoofd, Combeferre de gids, Courfeyrac het centrum. Zoo +de anderen meer licht gaven, hij gaf meer warmtestof, en had werkelijk +alle hoedanigheden van een middelpunt: rondheid en straling. + +Bahorel had in den bloedigen oploop in Juni 1822, bij gelegenheid +der begrafenis van den jongen Lallemand een rol medegespeeld. + +Bahorel was een vroolijk wezen, maar lastig in gezelschap, +moedig, verkwistend, verspillend, soms edelmoedig, praatachtig en +welsprekend, soms stoutmoedig en driest; de beste drommel ter wereld, +met onbeschaamde vesten en roode denkbeelden; een rumoermaker in 't +groot, die niets liever had dan twist of 't moest oproer, niets liever +dan oproer of 't moest revolutie zijn, die immer gereed was de glazen +in te slaan, de straatsteenen op te breken of een gouvernement om te +werpen om er de gevolgen van te zien, en thans studeerde in zijn elfde +academiejaar. Hij was student in de rechten, maar studeerde niet. Zijn +leuze was: "nooit advocaat!" en zijn wapenschild een nachttafeltje met +een rechtersbaret er in. Telkens wanneer hij voorbij de academie ging, +'t geen zelden gebeurde, knoopte hij zijn jas dicht,--de paletot was +toen nog niet uitgevonden,--en "ging voor zijn gezondheid zorgen." Het +portaal der academie noemde hij "een mooien grijsaard!" en den deken +Delvincourt: "een monument!" In een cursus zag hij een onderwerp voor +een liedje en, in zijn professoren slechts caricaturen. Door aldus +niets te doen, verteerde hij een aanzienlijk jaargeld, zoo iets als +drie duizend francs. Zijn ouders waren landlieden, welke hij steeds +eerbied voor hun zoon had weten in te boezemen. + +Van hen sprekende zeide hij: 't Zijn boeren en geen burgers; daarom +hebben zij verstand. + +Bahorel, een grillig mensch, was in alle koffiehuizen te vinden; +de anderen hadden gewoonten, hij niet. Hij flaneerde. Dwalen is +menschelijk. Flaneeren is parijsch. In den grond was hij scherpzinniger +en diepdenkender dan hij eigenlijk scheen. + +Hij was de vereenigingsband tusschen de vrienden van het A. B. C. en +andere nog ongevormde genootschappen, die later duidelijker te +voorschijn zouden treden. + +In dit conclave van jonge hoofden was een kaalkop. De markies d'Avaray, +wien Lodewijk XVIII tot hertog benoemde, wijl hij hem, toen hij het +land ontvluchtte, in een huurrijtuig geholpen had, vertelde dat in +1814 bij zijn terugkomst in Frankrijk, juist toen de koning te Calais +ontscheept was, iemand hem een request aangeboden had. + +"Wat verzoekt ge?" vroeg toen de koning. + +"Een postkantoor, sire." + +"Hoe heet ge?" + +"L'Aigle." + +De koning fronste de wenkbrauwen, beschouwde de onderteekening van +het request en zag den naam Lesgle. + +Deze volstrekt niet bonapartische naam trof den koning en hij +glimlachte.--Sire, hernam de resquestrant, mijn grootvader was +hondenjongen, en werd Lesgueules bijgenaamd. Deze bijnaam werd +mijn naam. Ik heet Lesgueules, door samentrekking Lesgle en door +verbastering l'Aigle.--De koning lachte en gaf opzettelijk of bij +vergissing den man later het postkantoor te Meaux. [4] + +Het kaalhoofdig lid van het genootschap was een zoon van dezen Lesgle, +of Lègle, en teekende Lègle (de Meaux.) Bij verkorting noemden zijn +vrienden hem Bossuet. + +Hij was een vroolijk jongeling maar niet gelukkig, zijn eigenaardigheid +toch was dat hij in niets slaagde. Daarentegen lachte hij om alles. Op +zijn vijf-en-twintigste jaar was hij reeds kaal. 't Was zijn vader +gelukt, eindelijk een eigen huis en akker te krijgen, terwijl hij, de +zoon, niets haastiger had kunnen doen dan door een verkeerde speculatie +dien akker en dat huis te verliezen. Niets was hem gebleven. Hij +had verstand en wetenschap, maar 't baatte hem niet. Alles ontbrak, +alles bedroog hem; wat hij bouwde, stortte in. Zoo hij hout hakte, +hieuw hij zich in den vinger. Zoo hij een minnares had, ontdekte hij +spoedig dat hij ook een vriend bezat. Elk oogenblik trof hem een ramp, +maar van daar juist zijne vroolijkheid. Hij zeide: "Ik woon onder een +dak, waar de pannen afvallen." Nooit verwonderd--want voor hem was +een ramp iets dat hij verwachtte--onderwierp hij zich gelaten aan het +ongeluk en glimlachte om de plagerijen van het noodlot, als iemand die +een schertsend woord verneemt. Hij was arm, maar had een zak vol goede +luim. Zijn beurs was al spoedig uitgeput, zijn vroolijkheid echter +nooit. Zoo de nood zijn intrek bij hem nam, groette hij zijn ouden +kennis beleefd; treurige voorvallen klopte hij vertrouwelijk op den +schouder, en met het noodlot stond hij op zulk een gemeenzamen voet, +dat hij 't zonder plichtplegingen "schalk!" noemde. + +Deze vervolgingen van het lot hadden hem vindingrijk gemaakt. Hij +had allerlei hulpmiddelen. Geld bezat hij niet, maar toch vond +hij middelen om, wanneer hij er lust toe had, "dolle verteringen" +te maken. Op zekeren nacht gaf hij honderd francs uit voor een soupé +met een meisje, en sprak te midden der slemppartij deze gedenkwaardige +woorden: "Meisje van vijf louisd'or; trek mijn laarzen uit." + +Bossuet ging langzaam het advocaatschap te gemoet, want hij studeerde +op dezelfde wijze als Bahorel. Bossuet had zelden een woning, soms +in 't geheel niet. Nu logeerde hij bij dezen dan bij genen, meestal +bij Joly. Joly studeerde in de geneeskunde en was twee jaren jonger +dan Bossuet. + +Joly was de jonge ingebeelde zieke. Dit had hij bij de geneeskunde +gewonnen, dat hij meer patiënt dan wel geneesheer was. Op +drieëntwintigjarigen leeftijd achtte hij zich verloren en bracht zijn +leven door met zijn tong in een spiegel te bekijken. Hij beweerde, dat +de mensch evenals de kompasnaald magnetisch wordt, en plaatste daarom +zijn bed met het hoofdeinde naar de zuidzijde zijner kamer en met het +voeteneinde naar het noorden, opdat de omloop van zijn bloed des nachts +door den grooten magnetischen stroom des aardbols niet verhinderd zou +worden. Wanneer het donderde, voelde hij zich den pols. Overigens was +hij de vroolijkste van allen. Al die tegenstrijdigheden: jonkheid, +inbeelding, zwakheid en vroolijkheid hielden samen zeer goed huis +en vormden een zonderling, aangenaam wezen, dien zijn kameraden +Jollllly noemden. Ge kunt met vier L (ailes, vleugels) vliegen, +zei Jean Prouvaire tot hem. + +Joly had de gewoonte den knop van zijn stok tegen zijn neus te houden, +'t geen het kenteeken van een schranderen bol is. + +Al deze zoo verschillende jongelieden, van welke men trouwens slechts +ernstig spreken mag, hadden denzelfden godsdienst: Den Vooruitgang. + +Alle waren de eigen zonen der Fransche Revolutie. De lichtzinnigsten +werden plechtig bij het uitspreken van het jaar 89. Hun vaders naar +den vleesche waren óf feuillanten óf koningsgezinden óf doctrinairen +geweest. Om 't even; dit mengelmoes, dat hun, jongeren, vooraf was +gegaan, zag hen niet; het zuiver bloed der beginselen vloeide in hun +aderen. Zonder zich aan eenige kleur te hechten, hielden zij zich +aan het onomkoopbaar recht, aan den absoluten plicht, vast. + +Als broeders en gewijden, werkten zij heimelijk aan het ideaal. + +Onder deze hartstochtelijke gemoederen en overtuigde zielen was +een ongeloovige. Hoe was hij er onder gekomen? Door uitwendige +aangroeiing. Deze ongeloovige heette Grantaire en teekende zich +gewoonlijk R. (grand R.) Hij was iemand, die zich er wel voor +wachtte aan iets te gelooven. Overigens was hij een der studenten, +die gedurende hun academietijd te Parijs het meest geleerd hadden; +hij wist dat het beste koffiehuis dat van Lemblin, het beste biljart +in het Café Voltaire was; dat men goede wafels en goede meisjes in +de Hermitage op den boulevard du Maine, gebraden hoenders bij moeder +Saguet, uitmuntende waterzoodjes aan de barrière de la Cunette en +een lekker wit wijntje aan de barrière du Combat vond. Kortom, hij +kende alle goede plaatsen; bovendien verstond hij de scherm- en de +danskunst en was een duchtig batonnist. Maar bovenal muntte hij uit in +het drinken. Hij was ontzettend leelijk; de liefste laarzenstikster van +dien tijd, Irma Boissy, had, over zijn leelijkheid gebelgd, dit vonnis +gewezen: "Grantaire is onmogelijk!" Maar Grantaire's zelfbehagen werd +toch niet geschokt. Teeder en strak aanschouwde hij alle vrouwen met +een blik, die scheen te zeggen: "Zoo ik wilde!" en hij poogde zijn +vrienden te doen gelooven, dat hij algemeen gezocht werd. + +Al deze woorden: rechten des volks, rechten van den mensch, +maatschappelijk verdrag, Fransche Revolutie, republiek, beschaving, +democratie, menschelijkheid, godsdienst, vooruitgang, zij waren +voor Grantaire bijna alle zonder eenige beteekenis. Hij glimlachte +er om. De twijfelzucht, die beeneter van het verstand, had in zijn +geest geen enkel volledig denkbeeld overgelaten. Hij leefde van +spotternij. Zijn leenspreuk was: Dit alleen is zeker, dat mijn glas +vol is. Hij stak den draak met den opofferingszin aller partijen, +of het die van Robespierre den jonge, dan wel die van Loizerolles +gold. Zij hebben het ver gebracht nu zij dood zijn! riep hij dan. Het +kruis noemde hij: Een galg, die geluk heeft gehad. Als nachtlooper, +speler, losbol en dronkaard zong hij voor deze jonge denkers tot hun +verdriet gestadig: J'aimons les filles et j'aimons le bon vin; air: +Vive Henri IV. (Leven de meisjes, leve de wijn!) + +Toch was deze twijfelaar op één punt nog fanatiek. Dat fanatisme +was geen idee, of geen dogma; geen kunst, of geen wetenschap; +'t was een man: Enjolras. Dezen bewonderde, beminde en vereerde +Grantaire. Bij wien sloot zich deze bandelooze twijfelaar, +in dezen phalanx van absolutisten aan? Bij den meest absoluten +van allen. Op welke wijze onderwierp Enjolras hem? Door zijne +ideeën? Neen. Door zijn karakter. En dit verschijnsel is dikwerf +waargenomen. De aansluiting van een twijfelaar bij een geloovige +is even eenvoudig als de wet der tusschenkleuren. Wat wij missen, +trekt ons aan. Niemand heeft het licht meer lief dan een blinde. De +dwerg bewondert den tamboer-majoor. De padde richt immer de oogen ten +hemel; waarom? Om den vogel te zien vliegen. Grantaire, in wien de +twijfel rondkroop, zag in Enjolras gaarne het geloof opzweven. Hij +had behoefte aan Enjolras. Zonder er zich een duidelijk begrip van +te kunnen vormen, en zonder dat het hem in de gedachte kwam het +te verklaren, bekoorde hem die kiesche, gezonde, standvastige, +regelmatige, harde, eerlijke natuur. Instinctmatig beminde hij +zijn tegenpartij. Zijn weeke, slingerende, ontwrichte, ziekelijke, +wanstaltige ideeën hechtten zich aan Enjolras als aan een ruggestreng +vast. Zijn zedelijke ruggemergziekte vond steun in deze vastheid. Bij +Enjolras werd Grantaire iets. Van zich zelven was hij uit twee +schijnbaar onvereenigbare elementen samengesteld. Hij was ironisch en +hartelijk. Hij had een beminnelijke onverschilligheid. Zijn geest wist +geloof te ontberen, en zijn hart kon de vriendschap niet missen. Groote +tegenstrijdigheid voorzeker, want vriendschap is overtuiging. Zóó was +zijn natuur. Er zijn menschen, die geschapen schijnen om steeds keer- +en weerzijde te moeten zijn. Tot dezulken behooren Pollux, Patrocles, +Nisus, Eudamidos, Ephestion en Pechmeja. Zij kunnen niet leven dan +door tegen een ander te steunen; hun naam is een aanhangsel en wordt +niet anders dan met het voegwoordje en geschreven; hun leven behoort +hun niet; het is de andere zijde van een bestemming, die de hunne +niet was. Grantaire was een dier menschen. Hij was de keerzijde +van Enjolras. + +Men zou schier kunnen zeggen dat reeds in de letters van het alphabet +verwantschap is. O. en P. zijn in de volgreeks onafscheidbaar. Men +kan naar verkiezing O. en P., of Orestes en Pylades zeggen. + +Grantaire, een wezenlijke wachter van Enjolras, verkeerde in dien +jongelingskring; hij leefde er in; alleen daar behaagde het hem; +hij volgde hen overal. 't Was hem een lust, die schaduwen te midden +der wijndampen heen en weder te zien gaan. En om zijn goede luim werd +hij verdragen. + +Als geloovige, verachtte Enjolras dezen ongeloovige; als sober en +matig, verachtte hij dien dronkaard. Hij verwaardigde hem met een +weinig trotsch medelijden. Grantaire was een miskend Pylades. + +Immer door Enjolras ruw behandeld en teruggestooten, en toch +terugkomende, kon hij nog van hem zeggen: "Wat fraai marmer!" + + + + + + +TWEEDE HOOFDSTUK. + +LIJKREDE VAN BOSSUET OP BLONDEAU. + + +Op een namiddag, die, zooals men zien zal, eenigermate samenhangt +met de hiervoor verhaalde gebeurtenissen, stond de "arend van Meaux," +behagelijk tegen den deurpost van het café Musain geleund. Hij leek +veel op een cariatide die vacantie had; want hij droeg niets dan zijn +peinzerijen. Hij keek het plein St. Michel rond. Tegen iets leunen +is een manier van staande te liggen, die den denkers niet onaangenaam +is. De arend van Meaux dacht zonder treurigheid aan een klein ongeval, +hem den voorlaatsten dag aan de academie overkomen, en dat zijn plannen +voor de toekomst, die trouwens zeer onbepaald waren, veranderen moest. + +Het in gedachten zijn belet niet dat een cabriolet voorbijrijden en +zelfs dat men die zien kan. De arend van Meaux, wiens oogen onbestemd +en verward ronddwaalden, zag in dien toestand van wakend droomen +een voertuig met twee wielen, dat stapvoets en besluiteloos over het +plein reed. Wat wilde deze cabriolet? Waarom reed ze stapvoets. De +arend lette er op. + +Naast den koetsier zat een jongeling, en voor dien jongeling lag een +tamelijk groote reiszak. Op dezen reiszak konden de voorbijgangers +een kaart gehecht zien, waarop met groote zwarte letters: Marius +Pontmercy stond. + +Die naam deed L'aigle van houding veranderen. Hij richtte zich op en +riep den jongeling in de cabriolet toe: + +"Mijnheer Marius Pontmercy!" + +De aangeroepen cabriolet hield stil. + +De jongeling, die ook diep in gedachten scheen, sloeg de oogen op. + +"Nu?" zeide hij. + +"Zijt ge mijnheer Marius Pontmercy?" + +"Ja gewis." + +"Ik zocht u," hernam L'aigle de Meaux. + +"Waarom?" vroeg Marius; want hij was 't werkelijk, die het huis +zijns grootvaders verlaten had en nu een gestalte voor zich zag, +die hij nog nooit gezien had; "ik ken u niet." + +"Ik u evenmin," antwoordde L'aigle. + +Marius meende nu met een grappenmaker te doen te hebben, die hem op +de publieke straat voor den gek wilde houden. Daar hij hiertoe op dit +oogenblik niet best geluimd was, fronste hij de wenkbrauwen. L'aigle +van Meaux hernam echter gelaten: + +"Ge waart eergisteren niet bij de lessen?" + +"'t Is mogelijk." + +"'t Is zeker." + +"Zijt gij dan student?" vroeg Marius. + +"Ja, mijnheer, evenals gij. Toevallig was ik eergisteren op de +academie. Ge weet, men heeft soms zulke gedachten. De professor was +bezig aan het appèl. Gij weet niet, hoe bespottelijk hij er op zulk +een oogenblik uitziet. Zoo men driemaal op het appèl ontbreekt, +wordt men van de lijst geschrapt. Zestig francs naar de maan!" + +Marius begon te luisteren. L'aigle ging voort: + +"'t Was Blondeau, die de namen afriep. Ge kent Blondeau met zijn +spitsen, sluwen neus, die altijd met vreugd nasnuffelt wie er afwezig +is. Listig begon hij met de letter P. Ik luisterde niet, wijl deze +letter mij niet aanging. Het appèl liep goed af. Geen uitschrapping; +allen waren tegenwoordig. Dat verdroot Blondeau. Ik dacht: neen, +lieve Blondeau, vandaag is er geen terechtstellinkje voor u te +doen. Eensklaps roept Blondeau: "Marius Pontmercy." En hij neemt +zijn pen op. Ik heb een goed hart, mijnheer. Ik dacht haastig bij +mij zelven: zou men zoo'n goeden jongen laten schrappen? Opgelet! Een +fiksche jongen kan niet altijd op zijn tijd passen. Hij is een blokker, +die altijd studeert; geen pedante melkbaard, bedreven in de letteren, +de theologie en de wijsbegeerte, en geen vervelende snaak, maar +een beste luiaard, die veel aan wandelen doet, zich met een lieve +grisette ontspant, schoone meisjes het hof maakt en misschien nu +wel juist bij zijn liefje is. Hem moeten wij redden! De duivel hale +Blondeau! Hij doopte juist zijn van 't doorschrappen reeds zwarte +pen in den inktpot, liet zijn bespiedersoog over zijn gehoor gaan +en herhaalde ten derde male: "Marius Pontmercy!" Toen antwoordde ik: +Present! En gij zijt dus niet geschrapt." + +"Mijnheer," zei Marius. + +"Maar ik ben wèl geschrapt," voegde de arend van Meaux er bij. + +"Ik begrijp u niet," zei Marius. + +L'aigle hernam: + +"Niets eenvoudiger dan dat. Ik maakte dat ik bij den catheder was +om te antwoorden en bij de deur om heên te gaan. De professor zag +mij eenigszins strak aan. Eensklaps springt Blondeau, die de sluwe +neus moet zijn, waarvan Boileau spreekt, tot de letter L over. L nu +is mijn letter. Ik heet Lesgle en ben van Meaux." + +"L'aigle!" herhaalde Marius, "een fraaie naam." + +"Nu, mijnheer Blondeau komt aan dien fraaien naam en roept: L'aigle! Ik +antwoord, Present! Toen ziet Blondeau mij met de teederheid van een +tijger aan, glimlacht en zegt: Als ge Pontmercy zijt, kunt ge L'aigle +niet zijn,--woorden die voor u onaangenaam, voor mij echter treurig +waren. En toen hij dit gezegd had, schrapte hij mij." + +"Mijnheer!" riep Marius, "het doet mij waarlijk leed!" + +"Vóór alles," hernam L'aigle, "zou ik Blondeau wel in eenige diep +gevoelde lofredenen willen balsemen. Ik wil hem voor dood houden. Aan +zijn magerheid, bleekheid, kilheid, stijfheid en geur zou niet veel +veranderd behoeven te worden. En dan zeg ik: Erudimini qui judicatis +terram. Hier ligt Blondeau, Blondeau nasica, de os der discipline, +bos disciplinæ, de rekel der orde, de engel van 't appèl, die recht, +vierkant, nauwkeurig, streng, eerlijk en leelijk was. God schrapte hem, +zoo als hij mij geschrapt heeft." + +"'t Doet mij leed," hernam Marius nogmaals. + +"Jonkman," zei de arend van Meaux, "dat u dit tot een les diene! Wees +in 't vervolg wat nauwgezetter." + +"Ik vraag u duizendmaal vergeving." + +"Stel er u niet meer aan bloot, dat uw evenmensch om uwentwil +geschrapt worde." + +"Ik ben wanhopig..." + +Daar begon L'aigle luidkeels te lachen. + +"En ik verheugd. Ik was op 't punt advocaat te worden. Die schrapping +nu redt mij. Ik zie af van de overwinningen der balie. Ik zal de weduwe +niet verdedigen en den wees niet bestrijden. Geen tabbaard meer. Aan +u, mijnheer Pontmercy, heb ik mijn doorschrapping te danken. Ik wil +u daarom plechtig mijn dankbezoek brengen. Waar woont ge?" + +"In deze cabriolet," zei Marius. + +"Dat is een bewijs van weelde," hernam L'aigle bedaard. "Ik wensch +er u geluk mede. 't Is een huur van 9000 francs per jaar." + +Juist kwam Courfeyrac uit het koffiehuis. + +Marius glimlachte treurig en zeide: + +"Ik ben sinds twee uren in die woning en wensch ze te verlaten; maar +'t is een rare geschiedenis, want ik weet niet waar ik heêngaan zal!" + +"Kom bij mij wonen, mijnheer," zei Courfeyrac. + +"Ik zou de voorhand hebben," hernam L'aigle, "maar ik heb zelf geen +woning?" + +"Zwijg Bossuet," riep Courfeyrac. + +"Bossuet," zei Marius, "maar ik meende dat ge u L'aigle hebt genoemd." + +"Van Meaux," antwoordde L'aigle, "bloemsprakig: Bossuet." Courfeyrac +klom in de cabriolet en zei: + +"Hôtel de la porte St. Jacques, koetsier." + +Denzelfden avond had Marius een kamer in het hôtel der porte +St. Jacques, naast die van Courfeyrac, betrokken. + + + + + + +DERDE HOOFDSTUK. + +MARIUS IS VERBAASD. + + +In weinige dagen was Marius Courfeyrac's vriend. De jeugd is het +seizoen van rassche aaneenhechting en heeling. Bij Courfeyrac ademde +Marius vrij, iets dat hem geheel nieuw was. Courfeyrac ondervroeg hem +niet. Het kwam hem zelfs niet in de gedachte. Op dien leeftijd zegt het +gezicht dadelijk alles. Woorden zijn onnoodig. Van menig jongeling zou +men kunnen zeggen dat zijn gelaat spreekt. Men ziet en kent elkander. + +Toch vroeg Courfeyrac hem op zekeren ochtend onverwachts: + +"A propos, hebt ge ook een politieke meening?" + +"Wat?" zei Marius door die vraag schier beleedigd. + +"Wat zijt ge?" + +"Democraat-Bonapartist." + +"De grijze kleur van de geruste muis," zei Courfeyrac. + +Den volgenden dag bracht Courfeyrac Marius in 't Café Musain. Daar +fluisterde hij hem glimlachend toe: "ik moet u entrée bij de +revolutie geven."--En toen voerde hij hem de zaal der vrienden van het +A. B. C. binnen, en stelde hem aan de overigen voor, door halfluid dit +enkele woord uit te spreken, dat Marius niet begreep: "Een leerling." + +Marius was in een wespennest van vernuften gevallen. Hij was echter, +hoe zwijgend en ernstig overigens, niet minder gevleugeld en gewapend. + +Marius, die tot hiertoe eenzaam had geleefd, en uit gewoonte en smaak +meer tot alleenspraak en afzondering overhelde, schrikte een weinig +voor den zwerm jongelieden, die hem omgaf. Al deze verschillende +meeningen trachtten hem stormenderhand te winnen. Het onstuimig +gedwarrel van al deze vrij werkende geesten deed zijn denkbeelden +duizelen. In de verwarring gingen zij soms zoo ver dat hij ze +nauwelijks kon volgen. Hij hoorde onverwachts van wijsbegeerte, +literatuur, kunsten, geschiedenis en godsdienst spreken. Hij zag +vreemde gezichten, en wijl hij ze niet in perspectief stelde, wist hij +niet zeker of hij geen chaos voor zich had. Toen hij de zienswijze +van zijn grootvader voor die zijns vaders losliet, waande hij vast +te staan; en nu vermoedde hij met bekommering en zonder 't zich +zelven te durven bekennen, dat dit niet zoo was. Het gezichtspunt, +waaruit hij alles beschouwde, begon opnieuw te wisselen. Een zekere +schok bracht elk verschiet zijner hersenen in beweging. Het was een +wonderbare inwendige woeling. Bijna deed ze hem pijn. + +Het scheen hem, dat dezen jongelingen niets heilig was. Marius +hoorde over alles zulk een zonderlinge taal voeren, dat het zijn nog +beschroomden geest hinderde. + +Er hing een schouwburgbiljet, dat de opvoering van een oud zoogenaamd +classiek treurspel aankondigde.--"Weg met het treurspel, waarmeê de +burgerlui zoo hoog loopen!" riep Bahorel. En Marius hoorde Combeferre +antwoorden: + +"Ge hebt ongelijk, Bahorel. De burgerluidjes hebben het treurspel lief +en daarom moet men hen op dit punt in rust laten. De pruiken-tragedie +heeft recht van bestaan, en ik behoor niet tot dezulken, die namens +Eschylus haar dat recht betwisten. Er zijn ook onvoltooide omtrekken in +de natuur; ook volkomene parodieën in de schepping; er zijn snavels, +die eigenlijk geen snavels, vleugels, die geen vleugels, vinnen, +die geen vinnen, pooten, die geen pooten zijn. Smartekreten, die +ons doen lachen,--dat zijn haar grillen. En daar het gevogelte naast +den vogel bestaat, zie ik niet in waarom de classieke tragedie niet +tegenover de tragedie der ouden zou staan." + +Eens geviel het, dat Marius tusschen Enjolras en Courfeyrac de straat +Jean Jacques Rousseau doorging. Toen nam Courfeyrac hem bij den arm +en zeide: + +"Let nu op. Dit is de straat Platrière, tegenwoordig de straat +Jean Jacques Rousseau genaamd, wijl zestig jaren geleden hier een +zonderling gezin woonde. Ik bedoel Jean Jacques en Therèse. Van tijd +tot tijd werden er kinderen geboren. Therèse bracht ze ter wereld en +Rousseau bracht ze naar het vondelingshuis." + +En Enjolras duwde Courfeyrac toe: + +"Zwijg van Rousseau! Ik bewonder dien man. 't Is waar: hij verloochende +zijn kinderen, maar hij nam het volk toch aan." + +Geen der jongelieden sprak ooit het woord: "keizer" uit. Alleen Jean +Prouvaire zeide soms Napoleon; de anderen zeiden Bonaparte. Enjolras +zeide Buonaparte. + +Marius was wel eenigszins verbaasd. Initium Sapientiæ--het begin +der wijsheid. + + + + + + +VIERDE HOOFDSTUK. + +DE ACHTERKAMER VAN HET KOFFIEHUIS MUSAIN. + + +Een van de gesprekken dezer jongelieden, waarbij Marius tegenwoordig +was en waarin hij zich nu en dan mengde, bracht een werkelijken schok +in zijn geest teweeg. + +Het gesprek werd gevoerd in de achterkamer van het café Musain. Bijna +alle vrienden van het A. B. C. waren er dien avond vereenigd. De +lampen brandden feestelijk. Men sprak van een en ander zonder drift +maar toch luidruchtig. Uitgezonderd Enjolras en Marius, die zwegen, +sprak ieder op goed geluk af. Gesprekken onder vrienden zijn soms +bedaard en onstuimig tevens. Het was evenzeer een bont gewemel als een +gesprek. Men wierp elkander woorden toe, die teruggekaatst werden. Men +sprak aan alle kanten. + +Geen andere vrouw werd in deze achterkamer toegelaten dan Louison, +de vatenwaschster van het koffiehuis, die de kamer nu en dan doorliep +om van en naar haar arbeid te gaan. + +Grantaire, die dronken was, maakte een oorverdoovend geraas in den +hoek, dien hij had ingenomen; hij zwetste en schreeuwde: + +"Ik heb dorst. Stervelingen, ik droom, dat het Heidelbergsche vat een +beroerte heeft gekregen, en ik een van de twaalf bloedzuigers ben, +die het gezet zullen worden. Ik wil drinken. Ik verlang het leven te +vergeten. Het leven is een vreeselijke uitvinding van ik weet niet +wien. Het duurt niet en 't deugt niet. Het leven breekt iemand den +hals. Het leven is een decoratie, met heel weinig uitwegen. Het geluk +is een chassinet, dat slechts aan één kant beschilderd is. Salomo +zegt: alles is ijdelheid, en ik denk juist als die goede man, die +misschien nooit geleefd heeft. Nul, die niet naakt wilde loopen, +kleedde zich in de ijdelheid. + +"O ijdelheid! die alles met groote woorden omkleedt! een keuken is +een laboratorium, een danser is een professor, een koorddanser is +een gymnasticus, een bokser is een kampvechter of worstelaar, een +apotheker is een chemist, een pruikenmaker is een artist, een jockey +een sportman. De ijdelheid heeft een voor- en een achterzijde; de +voorzijde is dom, 't is de neger met zijn koralen; de achterzijde is +dwaas, 't is de filozoof met zijn lompen. Ik beween den een en bespot +den ander. Wat men eer en waardigheden noemt, is over 't algemeen +slechts valsch zilver. De koningen maken van den menschelijken hoogmoed +hun speelgoed. Caligula verhief een paard tot consul; Karel II een +runderlap tot ridder. Pronk dan nu tusschen den consul Incitatus en +den baron Roastbeef. De innerlijke waarde der menschen is weinig +eerbiedwaardiger. Luister naar de lofrede van den eenen gebuur op +den anderen. Wit is nijdig op wit. Zoo de lelie spreken kon, hoe zou +zij de duivel hekelen! Een kwezel, die van een devote vrouw spreekt, +is venijniger dan een adder. 't Is jammer dat ik maar onwetend ben; +ik zou anders een tal van dingen kunnen aanhalen, die ik nu niet +weet. Bij voorbeeld, geest heb ik altijd gehad; toen ik nog leerling +bij Gros was, bracht ik mijn tijd, in plaats van met schilderijtjes +te kladden, reeds door met appelen te kapen. Dit wat mij betreft; +en wat u aangaat, gij zijt niet beter dan ik. + +"Ik lach om uw volmaaktheden, uitmuntendheden en hoedanigheden. Iedere +deugd gaat met een ondeugd gepaard; spaarzaamheid grenst aan +gierigheid, mildheid aan verkwisting, en moed aan grootspraak; wie iets +vrooms zegt, zegt ook iets kwezelachtigs; want er is evenveel ondeugd +in de deugd als er gaten in Diogenes' mantel zijn. Wien bewondert +ge, den vermoorde of den moordenaar, Cesar of Brutus? Men is over +'t algemeen vóór den moordenaar. Leve dan Brutus! want hij heeft +vermoord. Dat is deugd. Deugd ja, maar ook dwaasheid. Die groote +mannen hebben zonderlinge vlekken. Brutus, die Cesar vermoordde, +was verliefd op het beeld van een knaapje. Dat beeld was van +den Griekschen beeldhouwer Strongylio, die ook de amazonenfiguur +Eucnemos, "het schoone beeld" genoemd, heeft gebeiteld, hetwelk +Nero op reis medenam. Deze Strongylio heeft slechts twee beelden +nagelaten, waardoor Brutus en Nero elkander geleken; Brutus was op +het eene, Nero op het andere verliefd. De geheele geschiedenis is een +eeuwigdurend herkauwen. De eene eeuw bootst de andere na. De slag van +Marengo is een copie van den slag van Pydna; het Tolbiac van Clovis +en het Austerlitz van Napoleon gelijken elkander als twee droppelen +bloeds. Een overwinning tel ik weinig. Niets is dommer dan overwinnen; +de ware roem is overtuigen. Maar poog dan iets te bewijzen! Zoo ge +slaagt, zijt ge tevreden--dat is klein! Helaas! overal ijdelheid en +lafheid. Alles gehoorzaamt het geluk, zelfs de grammatica. Si volet +usus, zegt Horatius. Ik veracht dus het menschelijk geslacht. Willen +wij van het geheel tot de gedeelten afdalen? Wilt ge, dat ik de volken +bewondere? Maar welk volk dan, als 't u belieft? Griekenland? De +Atheners, die Parijzenaars van voorheen, vermoordden Phocion, +evenals Coligny, en vleiden de tyrannen zoozeer, dat Anacephorus van +Pisistratus zeide: Zijn uitwerpsel zelfs lokt de bijen. Gedurende +vijftig jaren was in Griekenland de aanzienlijkste man de grammaticus +Philetas, die zoo klein en mager was, dat hij zijn schoenen met lood +moest vullen, om niet door den wind weggevoerd te worden. Op het +marktplein te Corinthe stond een door Silanio gebeiteld beeld, waarvan +Plinius gewag maakt; het stelde Episthates voor. Wat heeft Episthates +gedaan? Het beentje-lichten uitgevonden. Dat is nu Griekenland en zijn +roem! Spreken wij van een ander. Zal ik Engeland, zal ik Frankrijk +bewonderen? Frankrijk? Waarom? Om Parijs? Ik heb u mijn meening over +Athene gezegd. Engeland? Waarom? Om Londen? Ik haat Carthago. En +Londen, de wereldstad der weelde, is de hoofdstad der armoede. Alleen +in de parochie van Charing-Cross sterven jaarlijks honderd menschen +van honger. Zoo is Albion. Ik voeg hier nog ten overvloede bij, dat ik +een Engelsche dame heb zien dansen met een rozenkrans en een blauwen +bril. Engeland is dus geen knip voor den neus waard. Zal ik nu broeder +Jonathan bewonderen, wijl ik het John Bull niet doe? Ik houd niet +veel van dien broeder met zijn slaven. Wat blijft er van Engeland +over, zoo ge het zijn time is money (tijd is geld) ontneemt? Wat +van Amerika zoo ge het zijn cotton is king (de katoen is koning) +rooft? Duitschland is de waterzucht, Italië de gal. Zullen wij dan +in verrukking komen voor Rusland? Voltaire bewonderde het. Maar hij +bewonderde China ook. Ik beken, dat Rusland zijn schoonheden bezit, +onder andere een sterk despotisme; maar ik beklaagde despoten. Hun +gezondheid is zwak. Een onthoofde Alexis, een doorstoken Peter, een +geworgde Paul, een andere Paul onder de hakken der laarzen vertrapt, +verscheidene Ivans vermoord, verscheidene Nicolazen en Basiliussen +vergiftigd; dit alles bewijst, dat het paleis der Russische keizers +bepaald ongezond is? Al de beschaafde volken geven der bewondering des +denkers deze bijzonderheid: de oorlog; de oorlog nu, de beschaafde +oorlog, bevat alle vormen van het rooversbedrijf in zich, van de +rooverijen der troepen in de engten van het Jaxa-gebergte af tot de +strooptochten der comansche Indianen op de prairieën toe. Ge zult +mij tegenvoeren, dat Europa toch beter dan Azië is. Ik beken het: +Azië is een koddige boel; maar ik weet eigenlijk niet, waarom ge bij +den grooten Lama zoo moet lachen, gij, westersche volken, die in uw +modes en bevalligheden al de onreinheden der majesteit hebt gemengd, +van het vuile hemd van koningin Isabella af tot den kinderstoel van +den dauphin toe. Mijne heeren, menschen, ge hebt het mis! Te Brussel +wordt het meeste bier, te Stockholm de meeste brandewijn, te Madrid de +meeste chocolade, te Amsterdam de meeste jenever, te Londen de meeste +wijn, te Konstantinopel de meeste koffie, te Parijs de meeste absynthe +gedronken; hier hebt ge alle noodzakelijke inlichtingen. Parijs heeft +bij slot van rekening het overwicht. Zelfs de voddenrapers zijn te +Parijs sybarieten, en Diogenes zou zeker even gaarne voddenraper op +het plein Maubert als wijsgeer in den Pireüs geweest zijn. Verneemt +dit nog: de kroegen der voddenrapers heeten bibines en de vermaardste +zijn la Casserolle (braadpan), en de Abbatoir (slachtplaats). Dus, +kroegen enz., ik betuig het u: ik ben een wellusteling, ik eet bij +Richard voor twee francs en wil Perzische tapijten hebben, om er +met een naakte Cleopatra op rond te rollen! Waar is Cleopatra? Ha, +zijt gij 't Louison, goeden avond." + +Zoo stroomden de woorden uit den mond van den meer dan dronken +Grantaire, die in den hoek der achterkamer van het koffiehuis Musain +de vatenwaschster beet nam. + +Bossuet strekte de hand naar hem uit, om hem het stilzwijgen op te +leggen, maar Grantaire hernam vuriger nog dan straks: + +"Weg met uw klauwen, arend van Meaux. Ge maakt op mij volstrekt +geen indruk met uw gebaar van Hippocrates, die de snuisterijen van +Artaxerxes afwees. Ik ontsla u ervan om mij tot bedaren te brengen. Ik +ben voor 't overige treurig. Wat zal ik zeggen? De mensch is slecht, +de mensch is wanstaltig; de kapel is gelukt, de mensch is mislukt. God +heeft dit dier niet afgewerkt. Een menigte is een hoop leelijkerds. De +eerste de beste is een ellendige. Vrouw rijmt op ontrouw. Ja, ik heb +het spleen, alleen nog door droefgeestigheid verergerd, met heimwee +en hypochondrie er bij, en ik ben woedend en nijdig; ik geeuw en +verveel mij, ik word stomp en dom. De duivel hale alles!" + +"Zwijg toch, kapitale R.!" hernam Bossuet, die bezig was een rechtspunt +te verdedigen en tot over de heupen in een rechtsgeleerden volzin +verzonken was, welks slot dus luidde: + +"En wat mij aangaat, hoewel ik nauwelijks rechtsgeleerde en veel +minder nog wetkenner ben, ik houd toch vol: dat, volgens de termen +der normandische gebruiken, ieder jaar op St. Michel een equivalent +moet uitbetaald worden ten voordeele van den landheer, daargelaten +het recht van anderen, door elk en een iegelijk, zoo wel eigenaars +als bij erfenis bedeelden, en wel voor alle pachten, huren, leenen, +contracten, hypotheken......" + +"Echos, nymphes plaintives!" neuriede Grantaire er tusschen. + +In Grantaires nabijheid, aan een stil tafeltje, waarop men, tusschen +twee glazen, een vel papier, een inktpot en een pen zag, was men bezig +een vaudeville te ontwerpen. Deze gewichtige zaak werd fluisterend +behandeld en de twee scheppende hoofden raakten elkander. + +"Eerst de namen gevonden. Als men die maar heeft, komt het onderwerp +vanzelf." + +"Dat is waar. Dicteer. Ik zal schrijven." + +"Mijnheer Dorimon." + +"Rentenier?" + +"Zeker." + +"Zijn dochter Célestine." + +"...tine. Verder?" + +"Kolonel Sainval." + +"Sainval is afgezaagd. Ik zou zeggen: Valsin." + +Naast deze blijspelmakers zat een andere groep, die van het geraas +gebruik maakte om zachtkens een duël te bespreken. Een oude van +dertig jaar gaf een jongere van achttien jaar raad, en beduidde hem, +met welk een tegenstander hij te doen had. + +"Drommels! Wees op uw hoede. Hij voert een geduchten degen. Hij kent +de grepen; rechtstreeks valt hij aan, zonder feintes te verspillen; +hij heeft een forsche vuist, is vlug als 't weerlicht, pareert juist +en stoot wiskunstig. Duivel! en links is hij ook." + +In een hoek tegenover Grantaire speelden Joly en Bahorel domino en +spraken over liefdezaken. + +"Ge zijt wel gelukkig," zei Joly; "ge hebt een liefje, dat altijd +lacht." + +"Dat is juist een fout in haar," antwoordde Bahorel. "De minnares, +die men heeft, mag niet lachen. Dat spoort u tot bedriegerij. Zoo ge +haar vroolijk ziet, hebt ge geen wroeging; maar ziet ge haar treurig, +dan voelt ge uw geweten." + +"Ondankbare! 't Is zulk een lief gezicht als een vrouw lacht! En gij +twist nooit met elkander?" + +"Dit hangt af van het tractaat, dat wij sloten. Bij het aangaan van +ons heilig verbond, hebben wij ieder de grens afgebakend, welke wij +niet mogen overschrijden. Vandaar onze vrede." + +"De vrede is een verterend geluk." + +"En Jolly, hoe staat het nu met den twist van uw juffertje?... Ge +weet wat ik zeggen wil?" + +"Met wreed geduld blijft zij pruilen." + +"Ge zijt toch zoo verteederend mager van verliefdheid." + +"Helaas!" + +"In uw plaats zou ik haar laten loopen." + +"Dat is gemakkelijk gezegd." + +"En gedaan. Heet zij niet Musichetta?" + +"Ja, och, mijn goede Bahorel, 't is een voortreffelijk meisje, zeer +geletterd, met kleine voetjes en kleine handjes, net gekleed, blank, +en met oogen als van een kaartlegster. Ik ben dol op haar." + +"Dan, mijn waarde, moet ge haar trachten te behagen, elegant zijn, +en de knieschijven in beweging brengen. Koop bij Staub een goede +broek van cuir de laine. Die kan 't uithouden." + +In den derden hoek was men in een poëtischen strijd gewikkeld. De +heidensche godenleer lag met de christelijke mythologie overhoop. Er +werd van den Olymp gesproken, voor welken Jean Prouvaire, uit +romantisme, partij koos. Jean Prouvaire was slechts bedeesd, als hij +in rust was. Maar geraakte hij eens in overspanning, dan barstte hij +los, dan kenmerkte zijn verrukking zich door vroolijkheid en was hij +beurtelings lachend en lyrisch. + +"Dat wij de goden niet hoonen!" sprak hij. "De goden zijn misschien +nog niet verdwenen. Jupiter komt mij volstrekt niet als een doode +voor. Ge zegt, dat de goden droomen zijn. Welnu, zelfs in de natuur, +gelijk zij thans is, vindt men na de verdwijning dier droomen nog al de +oude heidensche mythen weder. Gindsche berg met zijn vestingvorm als +de Vignemale bij voorbeeld, is voor mij nog altijd Cybeles hoofdtooi; +voor mij is 't nog niet bewezen, dat Pan des nachts niet in den hollen +stam der wilgen blaast en er met zijn vingers beurtelings de gaten +van sluit alsof hij een fluit speelde, en nog altijd heb ik geloofd +dat Iö in den waterval van Pissevache is." + +In den laatsten hoek eindelijk sprak men over de politiek. Men +mishandelde de verleende Charte. Combeferre verdedigde ze flauw, +Courfeyrac schoot er met kracht bres in. Op de tafel lag een ongelukkig +exemplaar der vermaarde Charte-Touquet. Courfeyrac had het opgevat +en schudde het, dus aan zijn argumenten het geritsel van het papier +parend. + +"Eerstens wil ik geen koningen; al ware het alleen uit een +staathuishoudkundig oogpunt; ik wil er geen; een koning is een +woekerplant. Men heeft geen koningen voor niets. Luistert: koningen +zijn duur. Toen Frans I stierf, bedroeg de Fransche staatsschuld +dertigduizend francs rente; bij den dood van Lodewijk XIV bedroeg +ze twee milliards, zeshonderd millioen, 't geen, volgens Desmarets, +in 1760 gelijk stond met vier milliards vijfhonderd millioen, en +thans gelijk zou staan met twaalf milliards. Ten tweede, Combeferre +duide het mij niet euvel, is een verleende Charte een slecht middel +tot beschaving. Den overgang weg te nemen, te verzachten, den schok +te verminderen, de natie allengs uit de monarchie tot de democratie +te brengen door de praktijk der constitutioneele fictiën--dat alles +zijn slechte redenen. Neen! neen! verlichten wij het volk nooit +met een valsch licht. Beginselen kwijnen en verbleeken in onzen +constitutioneelen kelder. Geene verbastering, geen vergelijk, geen +octrooi van den koning aan het volk. In al die octrooien schuilt +een artikel 14. Naast de hand die geeft, bestaat een klauw die +terug neemt. Ik weiger bepaald het Charte. Een Charte is een masker, +waarachter de logen zich verbergt. Het volk dat een Charte aanneemt, +doet afstand. Recht is het volle recht. Neen, geen Charte!" + +'t Was winter; een groot vuur knapte op den haard. Dit was verlokkend +en Courfeyrac kon er geen weêrstand aan bieden. Hij kreukte het arme +Charte-Touquet in zijn vuist en wierp het in 't vuur. Het papier +vatte vlam. Combeferre zag het meesterstuk van Lodewijk XVIII met +wijsgeerigen blik verbranden, en zeide niets dan: + +"De Charte in een vlam herschapen!" + +Bijtende spot, kwinkslagen, woordspelingen, alles wat de Franschen +entrain, wat de Engelschen humor noemen, goede en slechte smaak, +goede en slechte redenen, vernuftige fonkelingen van het gesprek, +dat zich nu en dan plotseling verhief en tot in alle hoeken der kamer +uitbreidde,--het schiep boven hun hoofden een soort van vroolijk +gebulder. + + + + + + +VIJFDE HOOFDSTUK. + +UITBREIDING VAN DEN GEZICHTEINDER. + + +Bij de wrijving van jeugdige geesten is dit steeds bewonderenswaardig, +dat men de vonk of het weerlicht nooit vooruit kan zien. Wat zal +er aanstonds flikkeren? Men weet het niet. Uit verteedering kan +een uitbarsting van gelach volgen. In het grappigste oogenblik doet +de ernst zijn intrede. De indrukken hangen af van het eerste woord +het beste. Ieders gloed wil het overwicht. Een lazzi (kwinkslag) is +voldoende om iets onverwachts uit te lokken. Het zijn gesprekken met +plotselinge wendingen, waarbij eensklaps het verschiet verandert. Het +toeval is de machinist dier gesprekken. + +Een ernstige gedachte, op grillige wijze uit het gegons van een gesprek +geboren, schoot eensklaps door den woordenstroom, waarin Grantaire, +Bahorel, Prouvaire, Bossuet, Combeferre en Courfeyrac verward dooreen +schermden. + +Hoe komt een zinsnede eensklaps in het gesprek boven? Hoe komt het, +dat zij eensklaps vanzelve de aandacht trekt van hen die ze hooren? Wij +hebben reeds gezegd, dat niemand het weet. Te midden van het rumoer, +besloot Bossuet iets, dat hij tot Combeferre zeide, plotseling met +deze dagteekening: + +"18 Juni 1815. Waterloo." + +Bij dien naam van Waterloo nam Marius, die bij een glas water met de +ellebogen op de tafel rustte, zijn arm van onder zijn kin en overzag +het gezelschap met strakken blik. + +"Pardieu!" riep Courfeyrac (Parbleu was op dat tijdstip in verval) +"dat cijfer 18 is zonderling en treft mij. 't Is Bonapartes noodlottig +nommer. Plaats er Lodewijk voor en Brumaire achter, en ge hebt geheel +het lot van den man, met deze merkwaardige bijzonderheid, dat het +begin door het einde als op den voet wordt gevolgd." + +Enjolras, die tot hiertoe gezwegen had, richtte nu het woord tot +Courfeyrac. + +"Ge bedoelt de misdaad door de boete." + +Het woord "misdaad" overschreed alles, wat Marius, die reeds door de +plotselinge oproeping van Waterloo bewogen was, dulden kon. + +Hij stond op, trad langzaam naar de kaart van Frankrijk, die aan den +wand hing en waarop men onderaan in een afgescheiden vak een eiland +zag; hierop legde hij den vinger en sprak: + +"Corsica. Een klein eiland dat Frankrijk wel groot heeft gemaakt." + +'t Was of een ijskoude tocht door de kamer ging. Allen zwegen. Men +gevoelde dat er iets gebeuren moest. + +Bahorel, die juist Bossuet antwoordde, wilde zijn geliefkoosde +classieke houding weder aannemen. Door het luisteren vergat hij +het echter. + +Enjolras, wiens blauwe oogen op niemand gevestigd waren en in het +ledige schenen te staren, antwoordde zonder naar Marius op te zien: + +"Frankrijk heeft geen enkel Corsica noodig om groot te zijn. Frankrijk +is groot, omdat het Frankrijk is. Quia nominor leo." + +Marius had geen lust het hierbij te laten; hij wendde zich dus tot +Enjolras, en zijn stem klonk met een trilling die uit het beven van +zijn hart ontstond. + +"God beware mij, dat ik Frankrijk zou willen verkleinen! Maar men +verkleint het niet, door het met Napoleon samen te smelten. Welaan, +laat ons spreken. Ik ben een nieuweling onder u, maar ik verklaar dat +ge mij verbaast. Wat zijn wij voor elkander? Wie zijn wij? Wie zijt +gij? Wie ben ik? Verstaan wij elkander omtrent den keizer. Ik hoor u +Buonaparte zeggen en op de u drukken evenals de koningsgezinden. Ik +verzeker u, dat mijn grootvader 't nog beter doet: hij zegt +Buonaparté. Ik hield u voor jongelieden. Waartoe hebt ge dan uwe +geestdrift? en wat doet ge er meê? Wien bewondert ge, zoo ge het +den Keizer niet doet? Wat behoeft ge meer? Zoo ge dien grooten man +niet wilt, welke groote mannen wilt ge dan? Hij bezat alles. Hij was +volkomen. In zijn hersenen lagen de menschelijke begaafdheden in haar +volste kracht. Hij maakte wetboeken als Justinianus, hij dicteerde +als Cesar; in zijn gesprekken paarde hij het bliksemlicht van Pascal +aan den donder van Tacitus; hij maakte en schreef de geschiedenis; +zijn bulletins zijn Iliaden; hij vereende de cijfers van Newton met +de bloemspraak van Mahomed, hij liet in het oosten woorden achter, +groot als de pyramiden. Te Tilsitt leerde hij den keizers de majesteit +kennen; in de Academie der Wetenschappen beantwoordde hij Laplace; +in den Raad van State bood hij Merlin het hoofd; der meetkunde van den +een en der rechtsgeleerdheid van den ander gaf hij een ziel; hij was +rechtsgeleerde met de advocaten en sterrenkundige met de astronomen; +evenals Cromwell, van twee kaarsen altijd eene uitblazende, ging hij +naar den Temple om op een gordijnkwast te dingen; hij zag alles, +hij wist alles, wat hem niet belette als een goed huisvader zich +bij de wieg van zijn kind te verblijden;--en eensklaps luisterde het +verschrikt Europa: legers rukten voorwaarts, artillerie-parken rolden, +schipbruggen strekten zich uit over de rivieren, drommen cavalerie +galoppeerden in stormmarsch, kreten, trompetgeschal en waggelende +tronen alom; de grenzen der koninkrijken trilden op de kaart; men +hoorde het klinken van een bovenmenschelijk zwaard, dat de scheede +verliet; men zag hem aan den horizon opdagen met een bliksem in de +hand en schittering in de oogen, zijn beide vleugelen in den donder +ontplooiende, over het groote leger en de oude garde, en dat was de +aartsengel van den oorlog!" + +Allen zwegen. Enjolras boog het hoofd. De stilte is altijd het +kenteeken van goedkeuring, of ten minste van de moeielijkheid om te +wederleggen. Schier zonder adem te scheppen, ging Marius met stijgende +geestdrift voort: + +"Laat ons rechtvaardig zijn, mijn vrienden! Het rijk van zulk een +keizer te zijn, is een schitterend lot voor een volk, zoo dit volk +Frankrijk is en het zijn genie bij het genie van dien man voegt! Of +wat is verhevener, wat grootscher, dan te verschijnen en te regeeren, +op te rukken en te triomfeeren, in alle hoofdsteden rust te houden, +van zijn grenadiers koningen te maken, den val der dynastieën af te +kondigen, met den stormmarsch Europa te herscheppen, bij de bedreiging +te gevoelen dat men de hand op den knop van Gods zwaard legt, in +één man Hannibal, Cesar en Karel den Groote te volgen; het volk te +zijn van iemand, die elk morgenrood door het schitterend bericht +van een gewonnen veldslag verzelt; tot ochtendwekker het kanon der +Invaliden te hebben; te midden van een sfeer van licht, wonderbare +eeuwiglichtende woorden te zien: Marengo, Arcola, Austerlitz, Wagram; +ieder oogenblik aan het zenith der eeuwen gansche sterrenbeelden van +overwinningen te doen opdagen; het Fransche rijk een Romeinsch rijk +tot tegenhanger te geven; de groote natie te zijn en het groote leger +te verwekken; zijn legioenen de geheele wereld te doen overvliegen, +gelijk een berg zijn arenden zendt naar alle kanten; te overwinnen, +te overheerschen en te verpletteren; een van roem schitterend volk te +zijn in Europa; in de geschiedenis een titans-trompetgeschal te doen +klinken; de wereld tweemaal te veroveren, eens door geweld van wapenen +en eens door den glans der overwinningen,--wat kan er grootscher zijn?" + +"Vrij te wezen!" antwoordde Combeferre. + +Op zijn beurt boog Marius het hoofd; dit eenvoudig koele woord +had, als een stalen lemmer, zijn epische ontboezeming doorboord, +en hij voelde dat ze in hem verdoofde. Toen hij de oogen opsloeg was +Combeferre er niet meer. Waarschijnlijk tevreden over zijn antwoord +op de vergoding, was hij vertrokken en allen, uitgezonderd Enjolras, +waren hem gevolgd. De kamer was ontruimd. Enjolras, nu met Marius +alleen gebleven, zag hem ernstig aan. Maar Marius, na zijn denkbeelden +eerst een weinig verzameld te hebben, hield zich niet voor geslagen; +er was nog een zieding in hem overgebleven, die waarschijnlijk in +tegen Enjolras ontwikkelde sluitredenen zou zijn overgegaan, zoo +men niet eensklaps iemand die zich verwijderde op de trap had hooren +zingen. 't Was Combeferre, die zong: + + + Si César m'avait donné + La gloire et la guerre, + Et qu'il me fallût quitter + L'amour de ma mêre. + Je dirais au grand César: + Reprends ton sceptre et ton char, + J'aime mieux ma mêre, o gué' + J'aime mieux ma mêre. [5] + + +De teedere en toch woeste toon, waarop Combeferre dit lied zong, gaf +het een wonderbare grootschheid. In gedachten met de oogen opwaarts +geheven, herhaalde Marius schier werktuiglijk: mijn moeder!... + +Op dit oogenblik voelde hij de hand van Enjolras op zijn schouder. + +"Burger," sprak Enjolras tot hem, "mijn moeder is de republiek." + + + + + + +ZESDE HOOFDSTUK. + +RES AUGUSTA. + + +Deze avond had Marius een hevigen schok gegeven en een treurige +duisternis in zijn ziel achtergelaten. Hij gevoelde wat de aarde +gevoelen moet, wanneer het ploegijzer haar scheurt, opdat de +graankorrel er een plaats in vinde; zij voelt alleen de wonde; de +trilling der ontkieming en de vreugd der vrucht komen eerst later. + +Marius was somber. Hij was pas tot een overtuiging gekomen, en moest +hij die nu reeds weder verwerpen? Hij nam zich voor het niet te doen, +en legde bij zich zelven de gelofte af niet te willen twijfelen, +schoon hij 't onwillekeurig reeds deed. 't Is ondragelijk, tusschen +twee overtuigingen te staan, die men nog niet losgelaten of aangenomen +heeft; de schemering behaagt immers slechts aan vleêrmuiszielen. Marius +had een onbevangen blik en verlangde het ware licht. Het halfdonker van +den twijfel was hem pijnlijk. Hoe hij ook begeerde te blijven wat hij +was en zich daaraan te houden, toch was hij gedwongen verder te gaan, +te onderzoeken, te denken, voorwaarts te schrijden. Waarheen zou hem +dit voeren? Hij vreesde, na zoo vele stappen te hebben gedaan, die hem +nader tot zijn vader hadden gebracht, weder schreden te moeten zetten, +die er hem van verwijderden. En zijn onaangename stemming groeide +door al deze beschouwingen nog aan. Als door een steile hoogte zag +hij zich omgeven. Hij was 't noch met zijn grootvader noch met zijn +vrienden eens; vermetel voor den een, ten achter bij de anderen, +gevoelde hij zich van beide zijden verlaten, door den ouderdom en +door de jeugd. Toen bezocht hij het café Musain niet meer. + +In de onrust van zijn geweten verloor hij zekere ernstige zijden des +levens bijna geheel uit het oog; maar de werkelijkheden des levens +kan men niet vergeten. Plotseling gaven zij hem een ruwen stoot. + +Op zekeren morgen kwam de logementhouder de kamer van Marius binnen +en zeide: + +"Mijnheer Courfeyrac is borg voor u gebleven." + +"Ja." + +"Maar ik heb geld noodig!" + +"Verzoek Courfeyrac dan om bij mij te komen," zei Marius. + +Courfeyrac kwam en de logementhouder verliet hem. Marius verhaalde +Courfeyrac wat hij hem nog niet had medegedeeld, dat hij ouderloos +en alleen op de wereld was. + +"En wat zal er dan van u worden?" vroeg Courfeyrac. + +"Ik weet het niet," antwoordde Marius. + +"Wat zult ge doen?" + +"Ik weet het niet." + +"Hebt ge geld?" + +"Vijftien francs." + +"Wil ik u leenen?" + +"Neen." + +"Hebt ge kleederen?" + +"Deze." + +"Hebt ge kostbaarheden?" + +"Een horloge." + +"Een zilveren?" + +"Een gouden, zie." + +"Ik ken een kleêrkooper, die uw jas en broek wel zal willen nemen." + +"Goed." + +"Dan houdt ge maar een broek, vest, rok en hoed over." + +"En mijn laarzen." + +"Wat, ge zoudt niet barrevoets kunnen loopen? Welk een weelde!" + +"Genoeg!" + +"Ik ken een horlogemaker die uw horloge wel zal koopen." + +"Goed." + +"Neen, dat is niet goed. Wat zult ge verder doen?" + +"Alles is mij om 't even, mits het eerlijk zij." + +"Verstaat ge Engelsch?" + +"Neen." + +"Verstaat ge Duitsch?" + +"Neen." + +"Des te erger." + +"Waarom?" + +"Een mijner bekenden, een boekhandelaar, geeft een soort van +encyclopedie uit, voor welke ge Duitsche of Engelsche artikelen +hadt kunnen vertalen. 't Wordt slecht betaald, maar men kan er toch +van leven." + +"Dan zal ik Duitsch en Engelsch leeren." + +"En intusschen?" + +"Intusschen zal ik van mijn kleedingstukken en mijn horloge leven." + +Men liet den kleêrkooper roepen. Deze kocht de kleederen voor twintig +francs. Men ging naar den horlogemaker. Deze gaf voor het horloge +veertig francs. + +"Dat is zoo slecht niet," zei Marius tot Courfeyrac toen hij te huis +kwam; "'t maakt met mijn vijftien, tachtig francs uit." + +"En de rekening van den huisheer?" merkte Courfeyrac op. + +"Ja, daar dacht ik niet aan," zei Marius. + +De huisheer gaf de rekening, die dadelijk betaald moest worden. Zij +bedroeg zeventig francs. + +"Dan blijven mij tien francs over," zei Marius. + +"Verduiveld," riep Courfeyrac, "zoo ge nu vijf francs moet uitgeven, +terwijl ge Engelsch, en vijf francs, terwijl ge Duitsch leert, zult ge +heel schielijk een taal geleerd, of heel langzaam een vijf-francstuk +verteerd hebben." + +Intusschen was tante Gillenormand, die, wanneer het treurige +omstandigheden gold, in den grond zoo kwaad niet was, er eindelijk +in geslaagd Marius' verblijf te vinden. + +Op een ochtend toen Marius van de academie te huis kwam, vond hij een +brief van zijn tante en zeshonderd francs aan goud in een verzegeld +doosje. + +Marius zond de dertig louisd'ors aan zijn tante terug met een +eerbiedigen brief, waarin hij schreef, dat hij middelen van bestaan +had en voortaan in al zijn behoeften voorzien kon. Op dat oogenblik +had hij nog drie francs over. + +Tante gaf grootvader geen kennis van deze weigering, uit vrees dat +het hem nog meer vergrammen mocht. Hij had immers gezegd: dat men +mij nooit van dezen bloeddrinker spreke! + +Marius verliet het hôtel der porte St. Jacques, om niet in schulden +te komen. + + + + + + + +BOEK V. + +HET NUT DES ONGELUKS. + + +EERSTE HOOFDSTUK. + +MARIUS BEHOEFTIG. + + +Het leven werd streng voor Marius. Zijn kleederen en horloge te +verteren, het was hem niets geweest. Nu echter moest hij van een +onbeschrijfelijk iets, van niets leven. Verschrikkelijk lot!--want toen +kwamen er dagen zonder brood, nachten zonder slaap, avonden zonder +licht, een haard zonder vuur, weken zonder arbeid, een hopelooze +toekomst, de ellebogen door de mouwen, een oude hoed, waarmede de +meisjes den spot dreven, een deur, die men 's avonds gesloten vindt, +wijl men de huur niet betaalt, de onbeschoftheid van een portier, +het smadelijk lachen der buren, allerlei vernederingen, een vertrapte +eigenwaarde, velerlei dingen, waaraan men zich onderwerpt, verdriet, +bitterheid en moedeloosheid. Marius had geleerd, hoe men dit alles +moest verduren en hoe het soms zelfs de eenige dingen zijn, die men +te verduren heeft. Op dat tijdstip des levens, wanneer de mensch +hoogmoed noodig heeft wijl hij liefde behoeft, zag hij zich bespot, +omdat hij slecht gekleed, en belachelijk gemaakt, omdat hij arm was. Op +dien leeftijd, wanneer der jeugd het hart van keizerlijke fierheid +klopt, sloeg hij menigmaal de oogen op zijn gescheurde laarzen, +en leerde hij de valsche schaamte en de knagende smart der armoede +kennen. Bewonderenswaardige en vreeselijke beproeving voorwaar, +waaruit de zwakken met schande, de sterken met eer te voorschijn +treden. Smeltkroes, waarin het lot den mensch werpt, telkens als het +een ellendige of een halfgod wil scheppen. + +Want ook in kleine gevechten worden vele grootsche daden verricht. Er +is een hardnekkige onbekende moed, die zich in de duisternis +voet voor voet verdedigt tegen de rampzalige aanvallen van nood en +laagheid. 't Is een edele, geheime triomf, dien geen blik aanschouwt, +geen vermaardheid beloont, geen trompetgeschal begroet. Het leven, +de verlatenheid, de armoede,--het zijn slagvelden, die hun helden +hebben; onbekende helden wel, maar dikwijls grooter dan de beroemde. + +Zóó slechts worden standvastige en zeldzame zielen geboren; schoon de +armoede meestal stiefmoeder is, wordt ze toch somtijds moeder; alleen +de behoefte verwekt zulk een geest- en zielskracht; de nood voedt de +fierheid, en het ongeluk is een gezonde melk voor de hooghartigen. + +Er was een oogenblik in Marius' leven, dat hij zijn eigen portaal +veegde; dat hij den schemeravond afwachtte om den bakkerswinkel in +te sluipen en een brood te koopen, dat hij zoo verborgen naar zijn +vliering bracht, alsof hij het gestolen had. Nu en dan ook zag men een +jongeling met boeken onder den arm, verlegen en toch woedend, door +een hoop spottende keukenmeiden, die hem aanstieten, heendringen, +om den slagerswinkel op den hoek binnen te sluipen. Daar zag men +hem voor de verwonderde slagersvrouw den hoed van het bezweet hoofd +nemen en, na een buiging voor den knecht, een lamscotelet vragen, +waarvoor hij zes of zeven sous betaalde, om er zich, na ze, in een +papier gewikkeld, tusschen twee boeken gestopt te hebben, onder den +arm mede te verwijderen. 't Was Marius. Van de cotelet, welke hij +zelf braadde, leefde hij drie dagen. + +Den eersten dag at hij het vleesch, den tweeden dag het vet; den +derden dag knaagde hij aan het been. Verscheiden keeren zond tante +Gillenormand hem de zestig pistolen weder, maar Marius zond ze telkens +terug, zeggende dat hij niets behoefde. + +Nog droeg hij rouw over zijn vader, toen de vermelde verandering +in hem ontstond. Sinds dien tijd had hij de zwarte kleederen niet +afgelegd. Toch lieten zij van hem af. Er kwam een dag, waarop hij +geen kleederen meer had. De broek alleen was draagbaar. Wat nu te +doen? Courfeyrac, wien hij op zijne beurt eenige diensten had bewezen, +gaf hem een oude jas. Marius liet dien voor dertig sous door een +kleermaker-portier keeren, en hij had een nieuwe; maar het was een +groene jas. Toen ging Marius niet dan des avonds uit. En dit maakte +dat zijn rok zwart geleek. Immer rouw willende dragen, kleedde hij +zich in de tint des nachts. + +In weerwil van dat alles werd hij echter advocaat. Het heette, +dat hij bij Courfeyrac woonde, die een fatsoenlijke kamer had, waar +eenige rechtsgeleerde werken overeind stonden, naast defecte deelen +van gelijk gebonden romans, welke de bibliotheek, door de reglementen +voorgeschreven, vormden. Marius liet daar zijn brieven adresseeren. + +Toen Marius advocaat was, gaf hij zijn grootvader hiervan door een +koelen, maar overigens eerbiedigen brief kennis. De heer Gillenormand +nam den brief bevend op, las hem, scheurde hem in vieren voor de +voddenmand. Een paar dagen later hoorde juffrouw Gillenormand haar +vader, die alleen in zijn kamer was, luid spreken. Dat gebeurde +telkens, wanneer hij in opgewondenheid was. Zij luisterde dus, en +de grijsaard zeide: "Zoo ge geen botterik waart, zoudt ge weten, +dat men niet tegelijk baron en advocaat kan zijn." + + + + + + +TWEEDE HOOFDSTUK. + +MARIUS IS ARM. + + +'t Is met de armoede als met alles. Zij wordt eindelijk mogelijk. Ten +laatste begint ze een vorm aan te nemen en gewent men er zich aan. Men +leidt een plantenleven, dat is, men ontwikkelt zich zwak en slechts +genoeg om in 't leven te blijven. Ziehier op welke wijze Marius de +Pontmercy zijn leven had ingericht. + +Hij was bijna uit de engte gekomen, en het werd eenigszins ruimer voor +hem. Door inspanning, moed, volharding en wilskracht was hij er in +geslaagd, door zijn arbeid ongeveer zevenhonderd francs 's jaars te +verkrijgen. Hij had Duitsch en Engelsch geleerd, dank zij Courfeyrac, +die hem met zijn vriend den boekhandelaar in aanraking gebracht +had. Marius vervulde nu in de boekhandelaarsliteratuur de rol van +"noodhulp." Hij stelde prospectussen, vertaalde uit dagbladen, maakte +noten bij uitgaven, raapte biographieën bijeen enz., en verdiende, +alles door elkander gerekend, zevenhonderd francs 's jaars. Daarvan +leefde hij. Hoe? Niet slecht. Wij zullen 't uitleggen. + +Marius bewoonde in het huis Gorbeau voor dertig francs 's jaars een +krot zonder schoorsteen, dat men een kamertje noemde, doch waarin niets +dan het onontbeerlijkst huisraad was. Dit huisraad behoorde hem. Aan +de oude eigenaarster gaf hij drie francs per maand, waarvoor zij +zijn kamertje schoon hield en hem 's ochtends een weinig warm water, +een versch ei en een halfstuiversbroodje bracht. Met dat ei en dat +broodje ontbeet hij. Dit ontbijt kostte hem, al naar gelang de eieren +goedkoop of duur waren, van twee tot vier sous. Te zes uren hield +hij zijn maaltijd in de straat St. Jacques bij Rousseau, tegenover +Bastet, den prentenkooper op den hoek van de straat des Mathurins. Hij +at geen soep. Zijn maaltijd bestond uit een portie vleesch van zes, +een halve portie groente van drie, en een dessert van nog drie sous; +voor drie sous had men er brood zooveel men wilde. In plaats van +wijn dronk hij water. Aan het buffet, waar de destijds nog mollige +en frissche madame Rousseau zetelde, gaf hij een sou voor den knecht +en schonk madame Rousseau hem een vriendelijk lonkje. Daarmeê vertrok +hij. Voor zestien sous had hij dus een diné en een lonk gehad. + +Deze restaurant Rousseau, waar zoo weinig wijn en zoo veel water +werd gedronken, was meer kalmeerend dan restaureerend. Die gaarkeuken +bestaat niet meer. De kastelein had een fraaien bijnaam, men noemde +hem "den waterigen Rousseau." + +Aldus, daar het ontbijt vier sous en het middagmaal zestien sous +kostte, kwam zijn voeding hem op een franc daags te staan, 't geen +driehonderd vijf en zestig francs 's jaars bedroeg. Zoo men daarbij +de dertig francs voor de oude vrouw en eenige kleine uitgaven rekent, +ziet men, dat Marius voor vierhonderd vijftig francs gevoed, bediend +en gehuisvest werd. Zijn kleeding kostte hem honderd, zijn linnengoed +vijftig en zijn wasch ook vijftig francs, zoodat alles te zamen +geen zeshonderd vijftig francs bedroeg. Hij hield dus vijftig francs +over. Dat maakte hem rijk. Nu en dan zelfs leende hij een vriend een +franc of tien. Courfeyrac had eens zestig francs van hem geleend. Wat +de verwarming betreft, deze had Marius, daar hij geen schoorsteen had, +zeer vereenvoudigd. + +Marius had twee stel kleedingstukken; het eene oud, "voor alle dagen" +het andere nieuw voor bijzondere gelegenheden. Beide waren zwart. Hij +had slechts drie hemden, een aan 't lijf, een bij de waschvrouw en een +in de kast. Hij vernieuwde ze naar gelang zij sleten. Gewoonlijk waren +zij gescheurd, en hierom knoopte hij zijn rok tot aan de kin dicht. + +Er waren jaren voorbijgegaan voor Marius tot dien welstand +kwam. Ruwe jaren waren 't, pijnlijk om door te komen, moeielijk om +te doorgraven. Geen dag echter had Marius gewankeld. Hij had alle +ontberingen ondergaan, alles gedaan, behalve schulden gemaakt. Hij +kon zich zelven de getuigenis geven, dat hij nooit iemand een +stuiver schuldig was geweest. Voor hem was een schuld het begin +der slavernij. Hij beweerde zelfs, dat een schuldeischer erger +dan een meester is; een meester toch bezit slechts den persoon, de +schuldeischer echter is ook machtig zijn eer te vertrappen. Liever +had hij honger geleden dan te leenen, en vele vastendagen had hij +beleefd. Wijl hij gevoelde, dat de uitersten elkander raken en dat, +zoo men er niet op let, een daling van fortuin tot verlaging der +ziel leiden kan, waakte hij nauwkeurig over zijn eigenwaarde. Een +uitdrukking of een daad, die hem in andere omstandigheden betamelijk +zou zijn voorgekomen, scheen hem nu gemeen en was stuitend voor +hem. Hij waagde niets, want hij wilde niet achterwaarts treden. Op +zijn gelaat lag een zweem van strenge zedigheid. Hij was bedeesd tot +schuwheid toe. + +In al zijne beproevingen voelde hij zich bemoedigd en soms zelfs +gedragen door een geheime kracht, die in hem was. De ziel helpt het +lichaam en heft het in sommige oogenblikken op. Zij is de eenige vogel, +die haar kooi draagt. + +Naast den naam van zijn vader stond in Marius' hart een andere naam +gegrift, het was die van Thénardier. Marius, met zijn ernstige en +opgewondene natuur, hulde dien man in een soort van stralen-krans, +waaraan hij het leven zijns vaders meende te danken te hebben, dien +onversaagden sergeant, welke den kolonel te midden van den kogelregen +bij Waterloo had gered. Hij scheidde de herinnering aan dien man nooit +van die zijns vaders en vereende ze in zijn vereering. 't Was een soort +van eeredienst met twee graden: het hoog-altaar voor den kolonel, +het kleine voor Thénardier. Wat het teedere zijner dankbaarheid +vermeerderde, was de gedachte aan den tegenspoed, waardoor hij wist +dat Thénardier gevallen en verzwolgen was. Marius had te Montfermeil +het bankroet van den ongelukkigen herbergier vernomen. Sinds had hij +alle mogelijke pogingen aangewend, om zijn spoor te ontdekken en hem +in den donkeren afgrond der armoede te bereiken, waarin Thénardier +was verdwenen. Marius had de geheele streek doorkruist; hij was te +Chelles, te Bondy, te Gournay, te Nogent en te Lagny geweest. Drie +jaren had hij hierin volhard, met deze nasporingen het weinige geld +verterende, dat hij bespaard had. Niemand had hem nopens Thénardier +eenig bericht kunnen geven; men geloofde, dat hij naar een vreemd +land vertrokken was. Ook zijn schuldeischers hadden hem gezocht, +met minder liefde zeker dan Marius, schoon even halsstarrig, maar de +hand niet op hem kunnen leggen. Marius beschuldigde en verweet zich, +dat hij in zijn nasporingen niet kon slagen. 't Was de eenige schuld, +die de kolonel had achtergelaten, en Marius achtte het een eer, ze te +voldoen.--Toen mijn vader stervend op het slagveld lag, dacht hij, +wist Thénardier hem wel, door den rook heen en te midden van het +schrootvuur, te vinden en op zijn schouders weg te dragen, schoon +hij hem niets schuldig was; en ik, die Thénardier zoo veel schuldig +ben, zou hem in de schaduw waar hij zieltoogt niet vinden, om hem op +mijn beurt uit den dood in het leven terug te brengen! O, ik zal hem +wedervinden!--Om Thénardier werkelijk te vinden zou Marius zeker een +zijner armen, en om hem aan de armoede te ontrukken zeker al zijn bloed +wel hebben veil gehad. Thénardier te zien, hem een dienst te bewijzen, +tot hem te zeggen: "Gij kent mij niet, maar ik ken u wel. Ik ben er; +beschik over mij,"--dat was Marius' liefste en heerlijkste droom. + + + + + + +DERDE HOOFDSTUK. + +MARIUS GROOT GEWORDEN. + + +Marius was nu twintig jaren oud. Het was drie jaren geleden, dat hij +zijn grootvader had verlaten. + +Nog altijd was men van weêrszijden op denzelfden voet, zonder +eenige toenadering te beproeven of elkander te willen wederzien. En +waartoe zou het wederzien ook gediend hebben? Alleen om een botsing +te veroorzaken? Wie van beiden zou bij den ander gelijk hebben +gehad? Marius was een metalen, vader Gillenormand een ijzeren pot. + +Wij moeten echter zeggen, dat Marius het hart zijns grootvaders +miskende. Hij verbeeldde zich dat Gillenormand hem nooit bemind had, +en dat deze goede man, zoo kort van stof en zoo hardvochtig, die +lachte, vloekte, schreeuwde, bulderde en den stok opgeheven had, voor +hem hoogstens de tevens flauwe en strenge liefde van een comedievader +gevoelde. Marius bedroog zich. Er zijn vaders, die hun kinderen niet +beminnen; maar er bestaat geen grootvader, die zijn kleinzoon niet +liefheeft. Wij hebben het gezegd; de heer Gillenormand had Marius in +den grond hartelijk lief, maar op zijn wijze, met norschheid en zelfs +met oorvegen. Doch toen de jongeling verdwenen was, gevoelde hij een +donkere leegte in zijn hart; hij eischte, dat men niet meer van hem +sprak, en treurde in stilte, omdat men hem zoo stipt gehoorzaamde. In +den beginne hoopte hij, dat die buonapartist, die jakobijn, die +terrorist, die septemberman weder komen zou. Maar weken gingen +voorbij, maanden, jaren verstreken; en tot groote wanhoop van den +heer Gillenormand kwam de bloeddrinker niet weder te voorschijn.--Ik +kon toch niet anders doen dan hem wegjagen, zei de grootvader bij +zich zelven, terwijl hij zich afvroeg: als zoo iets weer gebeurde, +zou ik het dan nog eens doen? Zijn hoogmoed antwoordde dadelijk: +ja! maar zijn oude hoofd, dat hij zwijgend schudde, antwoordde +treurig: neen. Hij had oogenblikken van neerslachtigheid. Marius +ontbrak hem. Grijsaards hebben evengoed genegenheid als zon of warmte +noodig. Hoe sterk hij ook van aard was, had Marius' afzijn toch iets +in hem veranderd. Voor alles ter wereld zou hij dien "kleinen snaak" +geen schrede genaderd zijn, maar toch leed hij. Nooit vernam hij +naar hem, maar toch dacht hij altijd aan hem. Meer en meer leefde +hij afgezonderd in het Marais. Hij was wel evenals vroeger vroolijk +en driftig, maar zijn vroolijkheid had een stuipachtige hardheid, +als bevatte zij smart en toorn, en zijn drift ging steeds tot een +soort van zachte, sombere neerslachtigheid over. Hij zeide soms:--"O +wat zou ik hem een flinken oorveeg geven zoo hij terugkwam!" + +Tante dacht te weinig om veel lief te hebben; voor haar was Marius +niets meer dan een donkere onduidelijke silhouet, en eindelijk was +zij zoover gekomen, dat zij zich nog minder met hem bezig hield dan +met de kat of de papegaai, welke zij waarschijnlijk wel had. + +Wat het geheime leed van vader Gillenormand nog vermeerderde was, +dat hij het geheel in zich opsloot en er niets van liet blijken. Zijn +verdriet geleek die nieuw uitgevonden haarden, welke hun eigen rook +verbranden. Soms geviel het, dat lastige gedienstige geesten hem +van Marius spraken en vroegen: "Wat doet, of wat wordt mijnheer uw +kleinzoon?" Dan antwoordde de oude burger zuchtend, zoo hij al te +treurig was, of op zijn manchetten tikkende, zoo hij vroolijk wilde +schijnen: "Mijnheer de baron Pontmercy pleit hier of daar." + +Terwijl de grijsaard Marius betreurde, wenschte Marius zich zelven +geluk. Het ongeluk had hem, zooals allen goeden harten, de bitterheid +ontnomen. Aan den heer Gillenormand dacht hij slechts met zachtheid, +maar toch volhardde hij er in, niets meer van den man te ontvangen die +slecht jegens zijn vader was geweest.--'t Was nu de verzachte vertaling +van zijn eerste misnoegen. Bovendien achtte hij zich gelukkig, geleden +te hebben en nog te lijden. Dat was voor zijn vader. Zijn sober +leven bevredigde en behaagde hem. Met een zeker gevoel van vreugd +dacht hij er aan, dat dit het minste--dat dit een boetedoening was; +dat hij anders wegens zijn goddelooze onverschilligheid voor zijn +vader, en wel voor zulk een vader, later zeker gestraft zou geworden +zijn;--dat het niet rechtvaardig was, zoo zijn vader alles en hij niets +had geleden;--wat waren overigens zijn werkzaamheden en ontberingen +bij het heldenleven van den kolonel vergeleken?--en eindelijk dat de +eenige manier om zijn vader meer nabij te komen en te gelijken was, +moedig tegen de behoefte te zijn, evenals zijn vader moedig tegen den +vijand was geweest, en dat de kolonel zoo iets ongetwijfeld bedoeld +had met de woorden: "hij zal dit waardig zijn." Woorden, die Marius +voortdurend, niet op de borst--want het geschrift van den kolonel +was verloren gegaan--maar in zijn hart droeg. + +Den dag toen zijn grootvader hem wegjoeg, was hij nog slechts een knaap +nu echter was hij man geworden. Hij gevoelde dit. De armoede,--wij +drukken hierop--was goed voor hem geweest. Armoede in de jeugd heeft +dit nut, dat zij wil en ziel tot krachtsinspanning aanspoort. Armoede +legt het stoffelijke leven al dadelijk bloot, en vertoont de daden +in al hare leelijkheid; vandaar dat onbeschrijfelijk verlangen naar +het ideale leven. De jonge rijkaard vindt honderden schitterende +en zinnelijke vermaken, wedrennen, jachtpartijen, honden, tabak, +spel, goede maaltijden en wat er meer is, alle bezigheden voor het +lagere in de ziel, ten koste van het hoogere en meer kiesche. De arme +jongeling doet alle moeite om zijn brood te winnen; hij eet, en als +hij gegeten heeft blijven hem niets dan zijn droomen over. Hij gaat om +niet naar het schouwtooneel dat God hem toont; hij aanziet den hemel, +het uitspansel, de starren, de bloemen, de kinderen, de menschheid +waarin hij lijdt, de schepping, waarin hij straalt. Hij beschouwt +de menschheid zoolang tot hij haar ziel ziet, de schepping zoolang +tot hij er God in herkent. Hij denkt na en gevoelt zich groot; hij +denkt nog dieper na en voelt zich verteederd. Van het egoïsme des +lijdenden gaat hij tot het medelijden des bespiegelenden menschen +over. Een bewonderenswaardig gevoel ontwaakt in hem; vergetelheid +voor zich zelven en medelijden voor allen. Als hij aan de ontelbare +geneugten denkt, welke de natuur de geopende zielen biedt, biedt +tot overstelpens toe, maar de geslotene zielen onthoudt, beklaagt +hij, rijk door verstand, den rijke in geld. Alle haat verdwijnt uit +zijn hart naarmate het licht zijn geest binnendringt. Is hij voor +'t overige ongelukkig? Neen. De armoede van een jongmensch is nooit +ongelukkig. De eerste de beste jongeling, hoe arm hij zij, zal, met +zijn gezondheid, zijn kracht, levendigen tred, schitterende oogen, +warm stroomend bloed, zwarte haren, frissche wangen, roode lippen, +witte tanden en zuiveren adem nog altijd een ouden keizer afgunstig +kunnen maken. Bovendien begint hij iederen ochtend weder zijn brood +te verdienen; en terwijl zijn handen dit winnen, wint zijn houding +aan fierheid, zijn verstand aan denkbeelden. Na zijn arbeid doolt +zijn geest in onuitsprekelijke genoegens, in aanschouwingen, en +vreugde rond. Zijn voet treedt door tegenspoeden en hindernissen +de straat over, langs doornen, wel soms in het slijk, maar toch met +het hoofd in het licht. Hij is vastberaden, kalm, zacht, vreedzaam, +oplettend, met weinig tevreden, goedwillig--en hij dankt God, dat die +hem die rijkdommen gaf, welke zoovele aanzienlijken moeten ontberen: +de arbeid, die hem vrij maakt, en de gedachte, die hem veredelt. + +Dat was in Marius gebeurd. Hij helde zelfs, om de waarheid te zeggen, +wel wat te veel tot bespiegeling over. Sinds het hem gelukt was +zijn brood bijna zeker te kunnen verdienen, had hij zich daarbij +bepaald, het goedkeurende dat hij arm was en den tijd aan den arbeid +ontwoekerend om dien aan overpeinzing te wijden. Een ziener gelijk, die +zich in de stille weelde der verrukking en eener inwendige lichtwereld +dompelt en daardoor verzwolgen wordt, bracht hij geheele dagen met +overpeinzingen door. + +Aldus had hij zich het raadsel des levens voorgesteld. Zoo min mogelijk +stoffelijk werk bij zooveel onstoffelijken arbeid als maar mogelijk +was, of met andere woorden, eenige uren aan het werkelijke leven, de +overige aan het oneindige te schenken. Meenende dat hem niets ontbrak, +bespeurde hij niet, dat de bespiegeling een van de vormen der luiheid +wordt; dat hij zich slechts tevredenstelde met in de eerste behoeften +des levens te voorzien en veel te vroeg rust nam. + +'t Was duidelijk, dat dit voor zulk een krachtige en edele natuur +slechts een overgangspunt was, en Marius bij den eersten schok tegen +de onvermijdelijke verwikkelingen van het noodlot ontwaken zou. + +Intusschen, schoon hij advocaat was en vader Gillenormand het dacht, +pleitte hij niet. Overpeinzing had hem het pleiten tegen gemaakt. Het +verveelde hem met procureurs om te gaan, het gerechtshof te bezoeken +en zaken op te loopen. Waartoe zou 't hem dienen? Hij vond geen +enkele reden om van kostwinning te veranderen. In het werken voor +den boekhandel vond hij een zekeren en weinig vermoeienden arbeid, +waaraan hij, zooals wij zeiden, genoeg had. + +Een der boekhandelaars, voor wien hij werkte,--ik geloof de Heer +Magimel--had hem voorgesteld bij hem in huis te komen, waar hij hem bij +behoorlijke huisvesting, geregelden arbeid en vijftienhonderd francs 's +jaars zou geven. Een goede huisvesting en vijftienhonderd francs! Zeer +verlokkend! Maar van zijn vrijheid af te staan! een loontrekkend, een +soort van letterkundig bediende te zijn! Naar Marius' gedachte zou, +zoo hij 't voorstel aannam, zijn toestand èn beter èn slechter worden; +wat hij aan welstand won, zou hij aan eigenwaarde verliezen; het was +een volmaakt, mooi ongeluk, dat in een leelijken, belachelijken dwang +veranderde; 't was iets als een blinde, die éénoogig worden kon. Hij +weigerde dus. + +Marius leefde eenzaam. Door zijn neiging voor afzondering, had hij er +bepaald van afgezien, in het genootschap over te gaan, waar Enjolras +presideerde. Overigens waren zij kameraads gebleven en bereid elkander +bij gelegenheid op allerlei wijzen te helpen; meer echter niet. + +Marius had twee vrienden, een jongen, Courfeyrac, en een ouderen, +Mabeuf. Hij helde het meest tot den laatsten over. Vooreerst had hij +dezen de in hem ontstane verandering te danken, en tevens had deze +hem zijn vader leeren kennen en beminnen. "Hij heeft mij van de staar +gelicht," zeide hij. + +Voorwaar, deze kerkmeester had het pleit beslist. + +De heer Mabeuf was evenwel bij die gelegenheid niets dan het rustige, +lijdelijke werktuig der Voorzienigheid geweest. Hij had Marius +toevallig en zonder het te weten licht geschonken, evenals de kaars +doet, die door iemand binnen gebracht wordt; hij was de kaars en niet +de persoon geweest. + +De heer Mabeuf was volkomen onbekwaam om de inwendige politieke +verandering van Marius te begrijpen, te willen of te besturen. + +Wijl men later den heer Mabeuf zal wedervinden, zijn eenige woorden +nopens hem niet onnoodig. + + + + + + +VIERDE HOOFDSTUK. + +DE HEER MABEUF. + + +Denzelfden dag, toen de heer Mabeuf tot Marius zeide: "zekerlijk, ik +keur politieke meeningen goed," drukte hij den wezenlijken toestand +van zijn geest uit. Alle politieke meeningen waren hem onverschillig, +en hij keurde ze alle zonder onderscheid goed, mits zij hem met rust +lieten, op dezelfde wijze als de Grieken de furiën, de schoonen, de +goeden en bekoorlijken de Eumeniden noemden. De politieke meening van +den heer Mabeuf was een hartstochtelijke liefde voor planten en bovenal +voor boeken. Hij had, zooals iedereen, de lettergreep ist tot uitgang, +zonder welke niemand in dien tijd kon leven, maar hij was royalist, +bonapartist, chartist, orleanist, noch anarchist; hij was bouquinist +(boekenliefhebber). Hij begreep niet, waarom de menschen wegens +zulke nietigheden als de charte, de democratie, de legitimiteit, +de monarchie, de republiek enz. elkander konden haten, terwijl er in +de wereld zoo velerlei soorten van mos, kruiden en heesters waren die +zij beschouwen, en stapels folianten die zij doorbladeren konden. Hij +wilde niet nutteloos zijn; dat hij boeken had en botanicus was, +belette hem niet te lezen en te tuinieren. Toen hij Pontmercy had +leeren kennen, ontstond tusschen den kolonel en hem sympathie, wijl +deze bloemen en de ander vruchten kweekte. De heer Mabeuf was er in +geslaagd even uitmuntende peren als die van St. Germain te telen. + +Hij ging veeleer ter mis uit gewoonte dan uit godsvrucht, en ook wijl +hij, gaarne menschen ziende maar hun gewoel hatend, hen slechts in +de kerk stil bijeen vond. Hij had, beseffende dat hij in den staat +iets moest zijn, de loopbaan van kerkmeester gekozen. Overigens was +'t hem nooit gelukt zoo verliefd op een vrouw te worden als op een +tulpbol, en was geen man hem zoo lief als een Elzevier. Hij was reeds +lang over de zestig jaar toen iemand hem vroeg: "Zijt ge nooit gehuwd +geweest?"--"Ik heb 't vergeten," antwoordde hij. Zoo 't hem nu en +dan gebeurde--en wien gebeurt dit niet?--te zeggen: "O, zoo ik rijk +ware!"--was 't niet terwijl hij een meisje begluurde, gelijk vader +Gillenormand, maar alleen bij de beschouwing van een oud boek. + +Hij leefde alleen met een oude huishoudster--en was min of meer +jichtig; in den slaap kromden zich zijn oude door het rheumatisme +verstijfde vingers over het beddelaken. Hij had een Flora over +de omstreken van Cauteretz geschreven met gekleurde platen, een +tamelijk goed werk, waarvan hij de koperplaten bezat, en dat hij zelf +verkocht. Twee of driemaal daags kwam men daarom bij hem in de straat +Mezières aanschellen. Dit bracht hem elk jaar een paar duizend francs +op, en was ongeveer zijn geheele fortuin. + +Hoewel hij arm was, had hij toch talent genoeg gehad, om door geduld, +ontbering en tijd een kostbare verzameling van zeldzame, veelsoortige +exemplaren bijeen te brengen. Nooit ging hij uit dan met een boek +onder den arm en kwam er dikwerf met twee weder te huis. De eenige +versieringen der vier benedenkamers, die met een kleinen tuin zijn +woning vormden, waren herbariums en platen van oude meesters. Het +gezicht van een sabel of geweer deed hem verstijven. In zijn +gansche leven was hij geen kanon genaderd, zelfs niet in het Hôtel +der Invaliden. Hij had een goede maag; een broeder, die pastoor was, +met witte haren; geen tanden in den mond noch in den geest; een beving +in al zijn leden; een picardischen tongval; een kinderlijken lach en +een gezicht als een oud schaap. + +Bij dat alles onder de levenden slechts één vriend, een ouden +boekhandelaar, Royol, en één wensch: dat de indigo-bouw in Frankrijk +ingevoerd mocht worden. Ook zijn dienstmeid was een rariteit van +onschuld. De goede vrouw was nog vrijster. Sultan, haar kater, die +het miserere van Allegri in de Sixtijnsche kapel had kunnen mauwen, +vervulde haar hart en bevredigde de hoeveelheid hartstocht die in +haar was. Geen harer wenschen had zich ooit tot een man verheven. De +kater was haar alles. Zij had knevels gelijk hij. Zij stelde roem +in een heldere muts. Zij vermaakte zich des zondags na de mis met +haar lijnwaad in de kast te tellen en de lappen katoen op haar bed +uit te spreiden, welke zij voor haar kleederen kocht, doch nooit +liet maken. Zij kon lezen. Mijnheer Mabeuf had haar den bijnaam van +"moeder Plutarchus" gegeven. + +Mabeuf had genegenheid voor Marius gekregen, wijl Marius, jong en +zacht van aard, zijn ouderdom verwarmde, zonder zijn bedeesdheid te +verschrikken. Jeugd en zachtheid doen op grijsaards de uitwerking van +een zonneschijn zonder wind. Toen Marius verzadigd was van militairen +roem, buskruit, marschen en contra-marschen en van al de schoone +veldslagen, waarin zijn vader sabelhouwen gegeven en ontvangen had, +bezocht hij Mabeuf, en deze sprak hem van den held naar aanleiding +zijner bloemen. + +Omstreeks 1830 was zijn broeder de pastoor overleden, en schier +eensklaps was, evenals wanneer de nacht daalt, voor den heer +Mabeuf de geheele horizont verduisterd. Door een bankroet--van een +notaris--verloor hij een som van tien duizend francs, hetgeen alles +was wat hij en zijn broeder bezaten. De Juli-revolutie veroorzaakte +een crisis in den boekhandel. In tijden van algemeenen nood worden +zelden Floras verkocht. De Flora over de omstreken van Cauteretz +ging volstrekt niet meer. Weken vervlogen zonder dat er een +kooper kwam. Soms ontroerde de heer Mabeuf, wanneer hij de schel +hoorde.--"Neen, mijnheer," zeide moeder Plutarchus dan treurig, +"'t is de waterdrager."--Kortom, op zekeren dag verliet Mabeuf de +straat Mezières, deed afstand van zijn kerkmeesterschap, verkocht +een gedeelte, niet van zijn boeken, maar van zijn prenten--waaraan +hij 't minst gehecht was,--en betrok een huisje op den boulevard +Mont-Parnasse, dat hij echter slechts twee maanden bewoonde, en wel om +twee redenen: eerstens wijl het beneden-huis en de tuin driehonderd +francs kostte, en hij niet meer dan tweehonderd francs huur kon +betalen, en ten tweede wijl erin de buurt een schijfschieterij was +en hij pistoolschoten hoorde, die hem ondragelijk waren. + +Hij nam zijn Flora, zijn koperen platen, zijn herbariums, portefeuilles +en boeken mede, en zette zich metterwoon neder bij la Salpétrière, in +een soort hut van het dorp Austerlitz, waar hij voor honderdvijftig +francs 's jaars drie kamers en een omheinden tuin met een put +had. Hij maakte van die verhuizing gebruik om bijna al zijn huisraad +te verkoopen. Op den dag zijner komst in de nieuwe woning was hij +zeer vroolijk; hij sloeg zelf de spijkers in den muur, om er zijn +prenten en herbariums aan te hangen; en toen hij moeder Plutarchus +des avonds treurig zag, klopte hij haar op den schouder, terwijl hij +glimlachend zeide: + +"Wij hebben de indigo!" + +Slechts twee bezoekers, de boekhandelaar en Marius, werden er +toegelaten in zijn hut te Austerlitz, welke oorlogzuchtige naam hem +vrij onaangenaam was. + +Hersenen,--zooals wij hebben aangewezen--die met wijsheid of +dwaasheid zijn gevuld, of, 't geen vaak gebeurt, door beide tegelijk, +zijn overigens tamelijk ongevoelig voor de werkelijke dingen des +levens. Haar bestemming is ook anders. Hieruit echter ontstaat +een lijdelijkheid, die, ware zij beredeneerd, op wijsbegeerte kon +gelijken. Zulke lieden dalen, zinken, storten zelfs neêr, zonder er +bijna iets van te bespeuren. Dit eindigt wel is waar met een ontwaking, +maar dan is het te laat. Ondertusschen houden zij zich in het spel +om hun geluk of ongeluk eenigermate onzijdig. Zij zijn wel de inzet, +doch zien bij het spel onverschillig toe! + +Alzoo had de heer Mabeuf, die allengs al zijn verwachtingen verdwijnen +zag, bij al die donkerheid welke deze doofde, zijn vroolijkheid toch +behouden, die, al was ze ook eenigszins kinderachtig, toch diep gevoeld +was. De gewoonten van zijn geest slingerden gestadig van de eene naar +de andere zijde, als de slinger van een klok. En die slingering, door +een hersenschim veroorzaakt, hield lang aan, zelfs wanneer de schim +reeds lang verdwenen was. Een horloge staat niet dadelijk stil op +'t oogenblik, dat men den sleutel er van verliest. + +De genoegens van Mabeuf waren zeer onschuldig, goedkoop en onverwacht; +het geringste toeval gaf ze hem. Op zekeren dag las moeder Plutarchus +in een hoek der kamer een roman. Zij las luid, meenende het dan beter +te zullen begrijpen. Het overluid lezen is eenigerwijs de bevestiging +van 't geen men leest. Er zijn zelfs lieden die zeer luid lezen, +alsof zij hun woord van eer willen geven, dàt zij lezen. + +Met die kracht las moeder Plutarchus den roman, dien zij in de hand +hield. Mabeuf hoorde zonder te luisteren. + +Lezende kwam moeder Plutarchus aan deze zinsnede. Er was sprake van +een dragonderofficier en een schoone. + +" ... De schoone pruilde, en de dragonder..." [6] + +Hier zweeg zij om haar bril schoon te maken. + +"Bouddha en de draak," zei Mabeuf halfluid. "Ja, 't is waar, er was +een draak die in zijn hol vlammen spuwde uit den muil en den hemel +verbrandde. Verscheidene sterren waren reeds door dat monster verbrand, +dat bovendien tijger-klauwen had. Bouddha ging zijn hol binnen en +'t gelukte hem den draak te bekeeren. 't Is een goed boek, dat ge +daar leest, moeder Plutarchus. Er is geen fraaier legende." + +En Mabeuf verdiepte zich weder in zijn aangename overpeinzingen. + + + + + + +VIJFDE HOOFDSTUK. + +ARMOEDE IS EEN GOED GEBUUR VOOR ELLENDE. + + +Marius had genegenheid opgevat voor den goeden grijsaard, die +langzamerhand tot behoeftigheid verviel en zich allengs verwonderde, +zonder zich echter erg te bedroeven. Marius ontmoette Courfeyrac en +zocht Mabeuf op. Zeer zelden evenwel; hoogstens een paar keeren in +de maand. + +Marius deed in zijn eenzaamheid gaarne groote wandelingen langs +de buitenboulevards, op het Champ de Mars of in de minst bezochte +lanen van het Luxemburg. Soms besteedde hij een halven dag met de +beschouwing van een moestuin, van saladebedden, van kippen op een +mesthoop en van een paard dat in den molen liep. De voorbijgangers +zagen hem met verbaasden blik aan; sommigen vonden iets verdachts +en gevaarlijks aan hem, hoewel hij niets dan een arm jongeling was, +die zich aan zijn gedachten overgaf. + +Op een dier wandelingen het huis Gorbeau ontdekkende, hadden de +eenzaamheid en de geringe huurprijs hem verlokt, en huurde hij er +een kamer. Men kende hem er alleen onder den naam van Marius. + +Eenige oude generaals en krijgsmakkers van zijn vader hadden hem +uitgenoodigd, toen zij hem leerden kennen, en Marius had niet +geweigerd, want dit was hem een gelegenheid om over zijn vader +te spreken. Nu en dan legde hij dus bij graaf Pajol, bij generaal +Bellavesne, bij generaal Tririon en in het Hôtel der Invaliden bezoeken +af. Men maakte er muziek en danste er. Voor deze bezoeken droeg Marius +zijn beste kleêren. Maar nooit ging hij naar deze soirées of bals, +dan wanneer het steendik vroor; want hij kon geen huurrijtuig betalen +en wilde er niet verschijnen dan met laarzen, die als spiegels blonken. + +Vaak zeide hij, doch zonder wrevel: + +"Zoo zijn de menschen! men mag in gezelschap komen zoo beslijkt +men wil, mits de schoenen zuiver zijn. Men vergt er alleen: +onberispelijkheid--van geweten?--neen, van laarzen." + +Alle driften, behalve die van 't hart, vervliegen bij den denker. Ook +de politieke koorts van Marius was vervlogen. Daartoe had de revolutie +van 1830, door hem te bevredigen en te bedaren, vooral medegewerkt. Op +zijn toorn na was hij nog schier dezelfde. Hij had nog altijd dezelfde +meeningen; maar zij waren eenigszins gewijzigd; eigenlijk gezegd, had +hij geen meeningen meer, maar sympathieën. Tot welke partij behoorde +hij? tot de partij der humaniteit. Deze koos Frankrijk tot haar doel; +in de natie koos hij het volk, in het volk de vrouw. Met haar vooral +had hij medelijden. Nu gaf hij de voorkeur aan een denkbeeld boven +een feit, aan een dichter boven een held, en bewonderde meer een boek +als dat van Job dan een gebeurtenis als die van Marengo. En dan weer, +wanneer hij na een dag van bespiegeling des avonds langs den boulevard +huiswaarts keerde, en door de takken van het geboomte het peilloos +uitspansel, het onbeschrijfelijk licht, de diepte, de schaduw, de +verborgenheid, aanschouwde, kwam al het menschelijke hem klein en +nietig voor. + +Hij geloofde zoo zeker, het ware in 't leven en de wijsbegeerte +gevonden te hebben, en had het misschien ook gevonden, dat hij +eindelijk schier niets dan den hemel aanschouwde, het eenige wat men +in den put der waarheid zien kan. + +Dit belette hem echter niet allerlei plannen, ontwerpen en +luchtkasteelen voor de toekomst te bouwen. Zoo men de droomerijen van +Marius had kunnen doorzien, zou men door de reinheid zijner ziel als +verblind zijn geweest. Immers, zoo onze lichamelijke oogen in het hart +van anderen vermochten te staren, zou men een mensch zeker meer naar +'t geen hij droomt dan naar 't geen hij denkt beoordeelen. In de +gedachte ligt het willen, niet in den droom. De vrijwillige droom +neemt, zelfs in het reusachtige en ideale, den vorm van onzen geest +aan en behoudt dien. Niets vloeit meer rechtstreeks en oprecht +uit onze ziel, dan ons onbedacht en buitensporig streven naar den +glans van het lot. In dit streven, veel meer dan in samengestelde, +beredeneerde en geregelde denkbeelden, kan men het wezenlijke karakter +van ieder mensch wedervinden. Wat ons het meest gelijkt, zijn onze +droomen. Ieder droomt naar zijn aard van het onbekende en onmogelijke. + +In het midden van het jaar 1831 verhaalde de oude vrouw, Marius' +dienstbode, hem, dat men zijn buren, het arme huisgezin Jondrette, +buiten de deur zou zetten. Marius, die bijna den geheelen dag uit was, +wist nauwelijks dat hij buren had. + +"Waarom?" vroeg hij. + +"Wijl zij de huur niet betalen; zij zijn reeds twee termijnen +schuldig." + +"Hoeveel bedraagt de som?" + +"Twintig francs," antwoordde de oude vrouw. + +"Ziedaar," sprak hij tot de oude vrouw, "hier hebt ge vijfentwintig +francs. Betaal de huur voor die arme lieden en geef hun vijf francs, +maar zeg niet dat het van mij komt." + + + + + + +ZESDE HOOFDSTUK. + +DE PLAATSVERVANGER. + + +Het toeval wilde, dat het regiment, waarbij de luitenant Theodule +behoorde, te Parijs in garnizoen kwam. Dit gaf tante Gillenormand +gelegenheid, ten tweedenmale een plan te vormen. Den eersten keer +had zij verzonnen, om Marius door Theodule te laten bespieden; nu +besloot zij Theodule in Marius' plaats te stellen. + +'t Was in alle opzichten, en ingeval grootvader eenigszins behoefte +had een jeugdig gezicht in huis te hebben--het ochtendrood doet de +bouwvallen soms genoegelijk aan--'t was noodig, een anderen Marius te +vinden. Welnu, dacht zij, wij kunnen 't als een drukfout beschouwen +en, met verschillende boeken, zeggen: Theodule, lees Marius. + +Een achterneef is genoegzaam kleinzoon; bij gebrek aan een advocaat +neemt men een lansier. + +Op zekeren ochtend was de heer Gillenormand juist bezig met het lezen +van een blad, de Quotidienne, toen zijn dochter binnentrad en op den +vleiendsten toon--want het gold haar gunsteling--zeide: + +"Vader, Theodule komt u dezen morgen een bezoek brengen." + +"Welke Theodule?" + +"Uw achterneef." + +"Zoo," zei de grootvader. + +Toen hervatte hij zijn lectuur, zonder verder aan zijn achterneef +te denken, en werd al spoedig gramstorig, zooals hem meestal +gebeurde wanneer hij las. Het blad, dat hij las--natuurlijk +koningsgezind--kondigde tegen den volgenden dag een dier kleine +politieke gebeurtenissen aan, welke destijds te Parijs aan de +orde van den dag waren: dat de studenten in de medicijnen en de +rechtsgeleerdheid des middags op het plein van het Pantheon moesten +bijeenkomen om te delibereeren. Het gold een kwestie van den dag: +de artillerie der nationale garde, alsmede een conflict tusschen +den minister van oorlog en de "burgerwacht," ter zake van de op de +binnenplaats van het Louvre geplaatste kanonnen. Daarover moesten +de studenten "raadplegen." Er was niet veel meer noodig om den heer +Gillenormand op te winden. + +Hij dacht aan Marius, die student was en, waarschijnlijk gelijk +de anderen, des middags op het plein van het Pantheon zou gaan +"delibereeren." + +Terwijl hij zich met deze onaangename gedachten bezig hield, werd +luitenant Theodule, in burgerkleeding, 't geen zeer slim overlegd was, +door mejuffrouw Gillenormand binnengeleid. De lansier had geredeneerd +als volgt: "De oude heeft niet alles op lijfrente geplaatst. Het is +dus der moeite waard zich nu en dan eens als burger te kleeden." + +Mejuffrouw Gillenormand zeide luid tot haar vader: "Theodule, uw neef." + +En zacht tot den luitenant: + +"Geef hem maar altijd gelijk." + +Toen verwijderde zij zich. + +De luitenant, weinig gewoon aan zulke deftige bezoeken, stamelde +eenigszins verlegen: "Goeden morgen, oom," en groette werktuiglijk +half als militair, half als burger. + +"Ha, zijt gij 't, goed; ga zitten," sprak grootvader. En tegelijk +vergat hij den officier weder geheel en al. + +Theodule zette zich neêr en Gillenormand stond op. Met de handen +in de zakken liep hij heên en weder, sprak luide met zich zelven en +klemde de twee horloges, welke hij in zijn zakken had, vergramd in +zijn oude vingers. + +"Die kwâjongens! dat bescheidt elkander op het plein van het +Pantheon! knapen, die nauwelijks de min ontloopen zijn! Zoo men hun in +den neus kneep, zou er melk uit komen. En morgen middag delibereeren +zij! Waar moet dat heen? waar moet dat heen? 't Is duidelijk, +dat men naar den afgrond gaat. Daar hebben ons de descamisados +toe gebracht. Burger-artillerie! Onder den blooten hemel over de +burger-artillerie gaan wauwelen! En wie zullen zij er vinden! Zie nu +eens waar het jacobinisme toe leidt! Ik wed, om alles wat men wil, +dat er geen andere lieden zullen zijn dan vrijgelaten galeiboeven en +verdachte fielten. Republikeinen en galeiboeven behooren bij elkaar +als een neus en een zakdoek. Carnot zeide: "Waar zal ik heen gaan, +verrader?" En Fouché antwoordde: "Waarheen ge wilt, dwaas!" Dat zijn +nu republikeinen!" + +"'t Is waar," zei Theodule. + +De heer Gillenormand wendde het hoofd half om, zag Theodule en +ging voort: + +"Als ik er aan denk, dat die snaak fielterig genoeg was om carbonaro +te worden! Waarom hebt ge mijn huis verlaten? Om republikein te +worden. Pssst! Vooreerst wil het volk geen republiek, neen, het wil +ze niet; het heeft gezond verstand; het weet wel, dat het altijd +koningen heeft gehad en ze altijd hebben zal; het weet wel, dat het +volk in allen geval niets dan het volk is; het walgt van de republiek, +hoort ge. 't Is afschuwelijk! Op vader Duchene verliefd te worden, +de guillotine toe te lonken, romances te zingen met accompagnement van +de guitar, onder het balkon van 93! 't Is om te spuwen, zoo dom zijn +die jongelieden! Zij zijn 't allen: geen uitgezonderd. Men behoeft +de lucht op straat slechts in te ademen, om zinneloos te worden, naar +'t schijnt. De negentiende eeuw is vergiftigd. De eerste straatjongen +de beste laat zijn boksbaard groeien, meent al een kerel te zijn en +loopt van zijn oude lui weg. 't Is republikeinsch, romantisch. Wat +is romantisch? Wees zoo goed mij nu eens te zeggen, wat dat is! Alle +mogelijke gekheid. Een jaar geleden ging men naar Hernani. Nu vraag +ik u! naar Hernani! Welke tegenstrijdigheden en schandelijkheden, +die zelfs niet in goed Fransch zijn geschreven! En dan zet men nog +kanonnen op het plein van het Louvre. Zulk bandietenwerk ziet men in +dezen tijd!" + +"Ge hebt gelijk, oom," zei Theodule. + +De heer Gillenormand hernam: + +"Kanonnen op de plaats van het museum! Waarom? Wat doen die kanonnen +daar? Wil men den Apollo van Belvedère stuk schieten? Wat hebben de +blikken bussen met Venus van Medicis te maken? O! die jongelieden van +dezen tijd, 't zijn allen schoften! Welk een beweging met hun Benjamin +Constant. En wie geen schurken zijn, zijn pap-eters. Zij doen al 't +mogelijke om leelijk te zijn; zij gaan slecht gekleed, zijn bang voor +de vrouwen, en de deerns lachen hen uit om hun bedelaarsmanieren; +op mijn woord van eer, 't is alsof zij, als 't op liefde aankomt, +bedeelde armen zijn. Zij zijn wanstaltig en, wat meer is, dom; zij +herhalen de woordspelingen van Tiercelin en Pothier, dragen jassen +als zakken, palfreniersvesten, grove hemden, grove lakensche broeken, +schoenen van dik leder, en hun gesnater is als hun vederen. Hun +geraaskal is evenmin iets waard als hun sloffen. En dat dom rapalje +wil politieke meeningen hebben! 't moest streng verboden worden, +politieke meeningen te hebben. Zij fabrieken stelsels, keeren de +maatschappij om, breken de monarchie af, smijten alle wetten neêr, +gooien den zolder naar den kelder, en maken mijn portier nog koning; +zij keeren Europa het onderstboven, verbouwen de wereld, en alleen in +'t geniep durven zij naar de kuiten van hun waschvrouwen gluren! O, +Marius! O, schoft! Op de openbare straat te gaan schreeuwen, bespreken +en maatregelen nemen! gerechte goden! Dat noemen zij maatregelen! de +wanorde kruipt in haar schulp en wordt kindsch. Ik heb een chaos gezien +en nu zie ik een warboel. Dat schooljongens over de nationale garde +delibereeren, men zou 't niet eens bij de Ogibberra's en de Cadodachen +zien. De wilden, die naakt gaan en een kuif op 't hoofd hebben als +de pluim van een raket en een knots in de pooten, zijn nog minder +verdierlijkt dan deze zonen van Minerva. De wereld loopt ten einde! 't +Is stellig het einde van dezen ellendigen ontwrichten aardbol. Er was +een laatsten snik noodig, en Frankrijk zal dien geven. Delibereert +maar, guiten! 't Zal zoo ver gaan, dat zij de dagbladen onder de bogen +van 't Odéon zullen gaan lezen. 't Kost hun alles maar een stuiver, +maar ook hun gezond verstand, en hart, en ziel, en geest. Daar komt +het van dat men van zijn familie wegloopt. Dagbladen zijn de pest; +alle, zelfs de Drapeau blanc! Martainville was in den grond ook maar +een Jakobijn. O! hemel, wel kunt ge u beroemen uw grootvader tot +wanhoop te hebben gebracht!" + +"Dat is duidelijk," zei Theodule. + +En van de gelegenheid gebruik makende, dat de heer Gillenormand zweeg, +voegde de lansier er op hoogen toon bij: + +"Er moest geen ander blad dan de Moniteur, en geen ander boek dan de +militaire almanak zijn." + +De heer Gillenormand voer voort: + +"Zij zijn even als Sieyès! een koningsmoorder, die senator wordt; want +daarop loopt het altijd uit. Men begint elkander burger te noemen, +om eindelijk mijnheer de graaf te heeten. Een graaf niet dikker dan +de arm der doodslagers van September. De wijsgeer Sieyès! Ik beroem +mij, aan de wijsbegeerte van al die wijsgeeren nooit meer waarde te +hebben gehecht, dan aan den bril van den grappenmaker in Tivoli. Eens +heb ik de senatoren op de kade Malaquais in violetkleurige, met bijen +bezaaide fluweelen mantels en Henri-quatre hoeden gezien. Zij waren +afschuwelijk! Zij geleken apen aan het hof van den tijger. Ik verklaar +u, burgers, dat uw vooruitgang dwaasheid, dat uw humaniteit een droom, +dat uw revolutie een misdaad, dat uw republiek een monster, dat uw +maagdelijk jonge Frankrijk een hoer is. En dit houd ik staande voor +allen, wie ze zijn, al waart ge publicisten, economisten, of legisten, +en met vrijheid, gelijkheid en broederschap veel beter bekend dan +met de bijl der guillotine! Dit, goede lieden, zeg ik u!" + +"Parbleu!" riep de luitenant, "dat is meesterlijk en waar!" + +De heer Gillenormand, die juist een gebaar wilde maken, keerde zich +om, zag den lansier Theodule strak in de oogen en zeide: + +"Gij zijt een ezel!" + + + + + + + +BOEK VI. + +DE CONJUNCTIE VAN TWEE STERREN. + + +EERSTE HOOFDSTUK. + +HOE FAMILIENAMEN ONTSTAAN. + + +Marius was omtrent dezen tijd een fraai jongeling van middelbare +grootte, met weelderig zwart haar, een hoog schrander voorhoofd, +hartstochtelijk gebogen neusvleugels en opene, rustige trekken, +waarop een tevens trotsche, denkende en onschuldige uitdrukking +lag. Zijn gelaat, schoon rond van lijnen, was niettemin krachtig +en had die Duitsche zachtheid, welke uit den Elzas en Lotharingen +in de Fransche physionomie is gekomen, bij dat volkomen gemis van +hoeken, 't welk de Sicambren onder de Romeinen zoo kenbaar maakte, +en het leeuwenras van het adelaarsgeslacht onderscheidt. Hij was in +den leeftijd, wanneer de geest van den denkenden mensch bijna in +gelijke mate uit diepzinnigheid en naïeveteit is samengesteld. In +gewichtige aangelegenheden had hij alle gegevens om dom te zijn; maar +zoo men den sleutel nog eens omdraaide, kon hij verheven worden. Zijn +manieren waren terughoudend, koel, beleefd, weinig voorkomend. Daar +zijn mond bekoorlijk was, zijn lippen rood en zijn tanden schitterend +wit waren, temperde zijn glimlach het strenge van zijn gelaat. Op +zekere oogenblikken was zijn kuisch voorhoofd in zonderling contrast +met zijn weelderigen glimlach. Zijn oog was klein, zijn blik groot. + +In den tijd zijner grootste armoede merkte hij op, dat de meisjes +omzagen wanneer hij voorbij ging, en met den dood in het hart snelde +hij dan voort of verborg zich. Hij dacht, dat zij hem om zijn oude +kleederen nawezen en uitlachten; maar werkelijk oogden zij hem om +zijn bevalligheid na en droomden soms wel van hem. + +Dit zwijgende misverstand tusschen hem en de schoonen, die hem +voorbijgingen, had hem schuw gemaakt. Hij zocht zich geen meisje, +om de goede reden dat hij allen ontvluchtte. Zoo leefde hij dom, +besluiteloos voort, zooals Courfeyrac zei. + +Maar deze zeide hem ook: Streef er naar om eerwaardig te zijn. Wil +ik u een goeden raad geven? Lees niet zooveel in de boeken, maar +kijk meer naar de meisjes. Die schepseltjes zijn zoo kwaad niet, +Marius. Zoo ge haar blijft ontvluchten en steeds voor haar bloost, +zult ge een wild dier worden. + +Een andermaal ontmoette Courfeyrac hem en zeide: goeden dag, mijnheer +de abt! + +Wanneer Courfeyrac hem derwijze had toegesproken, vermeed Marius +acht dagen lang meer dan ooit zoowel de oude als jonge vrouwen, +en Courfeyrac op den koop toe. + +Toch waren er in de gansche groote schepping twee vrouwen, welke Marius +niet ontvluchtte en voor welke hij niet op zijn hoede was. 't Is waar, +dat hij zeer verwonderd zou geweest zijn, zoo men hem gezegd had, +dat het vrouwen waren. De eene was de oude baardige, die zijne kamer +schoon hield, en die Courfeyrac deed zeggen: Marius draagt geen baard, +wijl hij ziet dat zijn dienstmaagd er een heeft. De andere was een +jong meisje, dat hij dikwerf ontmoette, doch dat hij nooit aanzag. + +Sinds langer dan een jaar zag Marius in een eenzame laan van het +Luxemburg, de laan die langs de borstwering der kweekerij loopt, +een man en een zeer jong meisje meestal naast elkander op een +bank zitten, en wel aan het eenzaamste einde der laan, dicht bij de +Westerstraat. Telkens wanneer het toeval, dat zich met de wandelingen +bemoeit van hen die hun oogen naar binnen richten, Marius in deze +laan bracht, 't geen schier dagelijks het geval was, vond hij er dit +paar. De man kon zestig jaar oud zijn en scheen treurig en ernstig; +zijn geheele persoon toonde het forsche maar vermoeide voorkomen +van een gepensioneerd krijgsman. Zoo hij een ridderorde gehad had, +zou Marius hem voor een voormalig officier hebben gehouden. Hij +had een goed, maar niet zeer innemend gezicht en liet nooit zijn +blik op dien van een ander rusten. Hij droeg een blauwe broek, een +blauwe jas en een hoed met breeden rand, die altijd nieuw schenen, +en daarbij een zwarte das en een kwakershemd, dat sneeuwwit, schoon +van grof linnen was. Een grisette die hem eens voorbij ging, zei: +Dat is een zeer net weduwnaar! Hij had zeer witte haren. + +De eerste maal dat het meisje, 't welk hem vergezelde, met hem op de +bank ging zitten, welke zij in pacht schenen te hebben, was zij een +dertien- of veertienjarig kind, schier leelijk van magerheid, links +en onbeduidend, maar wier oogen eens fraai beloofden te worden. Zij +sloeg ze echter steeds met zekere onbevallige stoutmoedigheid op. Zij +droeg de tevens oude en kinderachtige kleeding der kloosterscholieren, +een leelijk gefatsoeneerde jurk van grove, zwarte merinos. 't Was of +zij vader en dochter waren. + +Twee of drie dagen lang sloeg Marius dezen ouden man, die nog geen +grijsaard, en het meisje, dat nog geen zelfstandig wezen was, gade, +toen lette hij er niet meer op. Zij van hun zijde schenen hem zelfs +niet te zien. Zij spraken bedaard en onverschillig met elkander. Het +meisje babbelde onophoudelijk en vroolijk. De oude man sprak weinig +en sloeg van tijd tot tijd blikken vol vaderlijke liefde op haar. + +Ziehier, hoe zich de zaak toedroeg: + +Marius kwam meestal de laan in, aan den tegenovergestelden kant hunner +bank; hij wandelde dan de geheele laan door, kwam hen voorbij, ging dan +weder terug naar den kant van waar hij gekomen was, en begon dan weder +opnieuw. Hij kwam hen op deze wijze op zijn wandeling vijf of zesmaal +voorbij, en deed deze wandeling vijf of zesmaal in de week, zonder dat +hij of deze menschen er nog toe gekomen waren een groet met elkander +te wisselen. Deze man en dit meisje, ofschoon, en misschien wel omdat, +het scheen dat zij alle opzien wilden vermijden, hadden de aandacht van +vijf of zes studenten getrokken, die nu en dan langs de boomkweekerij +naar hun lessen, of hun biljartpartij wandelden. Courfeyrac, onder +anderen, die tot deze laatsten behoorde, had het paar eenigen tijd +gadegeslagen, maar daar hij het meisje leelijk vond, had hij het +zorgvuldig vermeden. Hij was als een Parth gevlucht na een bijnaam op +haar te hebben afgeschoten. Alleen door het kleedje van het meisje +en het witte haar van den ouden man getroffen, noemde hij het kind +"juffer Lanoire" (de zwarte) en den vader "mijnheer Leblanc" (den +witte). En deze bijnamen behielden beiden, omdat men hun ware namen +niet kende. De studenten zeiden dus: Ha, daar zit mijnheer Leblanc +weêr op zijn bank! en Marius vond het evenals de anderen, gemakkelijk +den onbekende maar mijnheer Leblanc te noemen. + +Wij zullen hetzelfde doen en gemakshalve ook mijnheer Leblanc zeggen. + +Gedurende het eerste jaar zag Marius hen daar schier alle dagen +op hetzelfde uur. De man behaagde hem, maar het meisje vond hij +onbevallig. + + + + + + +TWEEDE HOOFDSTUK. + +EN 'T WERD LICHT. + + +In het tweede jaar, juist op het punt, waar wij met onze geschiedenis +gekomen zijn, liet Marius, zonder eigenlijk te weten waarom, zijn +gewone wandeling in het Luxemburg varen, en had sinds bijna zes maanden +geen voet meer in de laan gezet. Eindelijk ging hij er op een fraaien +zomermorgen weêr heen. Marius verheugde zich in het fraaie weder. 't +Was hem, alsof de vogels die hij hoorde in zijn harte zongen en het +vol was van den blauwen hemel, dien hij door het loover heen zien kon. + +Regelrecht ging hij naar "zijn laan," en zag, toen hij aan het einde +ervan gekomen was, altijd op dezelfde bank, het hem bekende paar +weder. Maar toen hij naderde was het wel dezelfde man, maar het meisje +scheen anders te zijn geworden. Het meisje toch, dat hij thans vond, +was een rijzig, schoon wezen met al die bekoorlijke vormen, welke de +vrouw bezitten kan op het oogenblik, wanneer deze nog met de naïeve +bevalligheden van het kind vereenigd zijn, het is dat vluchtige, +reine oogenblik, dat slechts door deze twee woorden: vijftien jaar, +kan uitgedrukt worden. Zij bezat wonderschoone, kastanjebruine +lokken met gouden gloed, een als uit marmer gehouwen voorhoofd, +wangen als een rozenblad, een lichten blos, een teedere blankheid, +een schoonen mond, waaraan de glimlach als een schittering ontschiet, +de woorden als muziek ontgloeien, een hoofd, dat Raphaël aan Maria +zou hebben gegeven, en een hals dien Jean Goujon aan Venus zou hebben +toebedeeld. Opdat niets aan deze bekoorlijke gestalte zou ontbreken, +was de neus niet schoon, maar lief, niet recht, noch gebogen, niet +Italiaansch, noch Grieksch; 't was de Parijsche neus, namelijk zoo +geestig en fijn, onregelmatig en zuiver, dat hij de schilders wanhopig +maakt en de dichters verrukt. + +Toen Marius haar voorbijging, kon hij haar oogen niet zien, die steeds +waren neergeslagen. Hij zag alleen haar lange kastanjekleurige wimpers +vol schaduw en kuischheid. + +Dit belette het lieve kind echter niet te glimlachen, terwijl zij naar +den man met het witte haar luisterde, die haar toesprak; en niets was +bekoorlijker dan die frissche glimlach bij zulke nedergeslagen oogen. + +Aanvankelijk dacht Marius dat het een andere dochter van denzelfden +man was, een zuster, waarschijnlijk, der eerste. Maar toen de gewone +wijze zijner wandeling hem ten tweeden male bij de bank bracht en hij +haar nauwkeuriger had beschouwd, herkende hij haar. In zes maanden was +het meisje jongedochter geworden; dat was alles. Niets is meer gewoon +dan dit verschijnsel. Er is een tijd, waarin de meisjes eensklaps +ontluiken; plotseling kunnen zij rozen worden. Gisteren heeft men ze +nog als kinderen verlaten, heden vindt men ze om uw rust te benemen. + +Deze was niet alleen grooter maar ook schooner geworden. Gelijk +sommige boomen slechts drie Aprildagen behoeven om zich met bloesem +te bedekken, had zij slechts zes maanden noodig gehad om zich in +schoonheid te kleeden. Ook haar April was gekomen. + +Men ziet soms lieden, die, arm en nietswaardig, plotseling schijnen +te ontwaken, plotseling van armoede tot weelde overgaan, allerlei +verteringen maken en schitterend, verspillend en rijk worden. Dan +is er een rente, een vervallen wissel ontvangen. Het meisje scheen +insgelijks haar verschenen kwartaal gebeurd te hebben. + +Ook was zij niet meer de kloosterscholier met haar pluchen hoed, +merinossen kleedje, rijglaarsjes en roode handen; met hare schoonheid +was de goede smaak gekomen; rijk, eenvoudig en elegant tevens +was haar gewaad. Zij droeg een zwart damasten kleed, een mantille +van dezelfde stof en een wit krippen hoed. Haar witte handschoenen +toonden de fijnheid harer hand, die met den chineeschen ivoren steel +van een parasol speelde; haar zijden laarsje verried de kleinheid +van haar voet. Haar geheel toilet ademde een jeugdigen geur, die den +voorbijganger als doordrong. + +De man was dezelfde gebleven. + +Toen Marius haar den tweeden keer voorbijging, sloeg de jonge dame +de oogen op, en hij zag haar donkere hemelsblauwe oogen, maar in +dat omsluierd blauw lag slechts de blik van een kind. Onverschillig +staarde zij Marius aan, alsof zij de marmeren vaas had aanschouwd, +die op de bank haar schaduw wierp; en Marius zette zijnerzijds zijn +wandeling voort, en dacht aan iets anders. + +Nog vier of vijf malen ging hij de bank voorbij, waarop het meisje zat, +doch zonder zijn oogen naar haar te richten. + +De volgende dagen wandelde hij als gewoonlijk naar het Luxemburg, +waar hij "vader en dochter" als gewoonlijk vond; doch hij lette niet +op hen. Hij dacht evenmin aan dit meisje nu zij schoon was, als hij +er aan gedacht had, toen zij nog leelijk was. Evenals vroeger ging +hij dicht voorbij de bank, wijl 't zoo zijn gewoonte was. + + + + + + +DERDE HOOFDSTUK. + +WERKING DER LENTE. + + +Op zekeren zoelen dag was het Luxemburg met schaduw en zonneglans +overstroomd; de hemel was zoo helder of de engelen hem des ochtends +gereinigd hadden; de musschen tjilpten in de kastanjeboomen; Marius +had zijn gansche ziel voor de natuur geopend; hij dacht aan niets; +hij leefde slechts en ademde. Daar ging hij voorbij de bank; het jonge +meisje sloeg haar oogen op hem, en beider blikken ontmoetten elkander. + +Wat lag er thans in den blik der jonge maagd? + +Marius zou 't niet hebben kunnen zeggen. Er lag niets, en er lag +alles in. 't Was een wonderbaar weêrlicht. + +Zij sloeg de oogen neder, en hij zette zijn wandeling voort. + +Wat hij gezien had, was niet de onnoozele, onbevangen blik van een +kind; het was een geheimzinnige diepte, die zich geopend en plotseling +weder gesloten had. + +Er komt een dag dat ieder meisje dien blik heeft, en wee hem, die +haar dan nabij is. + +Deze eerste blik eener ziel, die zich zelve nog niet kent, is als het +morgenrood aan den hemel. 't Is het ontwaken van iets schitterends en +onbekends. Niets kan de gevaarlijke bekoorlijkheid beschrijven van dien +onverwachten glans, die eensklaps een aanbiddelijke duisternis verlicht +en uit al de onnoozelheid van het heden en al de hartstochtelijkheid +der toekomst bestaat. 't Is een zekere besluitelooze teederheid, +die zich toevallig openbaart en wacht. 't Is een valstrik, welke de +onschuld argeloos spreidt en waarin zij onwillekeurig en zonder het +te weten de harten vangt. 't Is een maagd met den blik eener vrouw. + +Zeldzaam is 't, dat, waar deze blik treft, hij niet diep doet +droomen en peinzen. Al wat rein, al wat onschuldig is, smelt in dien +hemelschen, gevaarlijken blik samen, welke, meer dan de listigste +lonken der coquetten, de toovermacht heeft plotseling in een ziel die +donkere, giftige en geurige bloem te doen ontluiken, welke de liefde +wordt genoemd. + +Toen Marius des avonds te huis kwam, sloeg hij een blik op zijn +kleeding en zag voor het eerst dat hij zoo lomp, onbetamelijk en +ontzaggelijk dom was geweest, om in zijn daagsche kleederen in den +tuin van het Luxemburg te wandelen; en wel met een valen hoed, grove +laarzen, een aan de knieën afgesleten zwarten pantalon en een rok, +die aan de ellebogen glimmend en grijs was geworden. + + + + + + +VIERDE HOOFDSTUK. + +BEGIN EENER ZWARE ZIEKTE. + + +Den volgenden dag nam Marius op het gewone uur zijn nieuwen rok, +nieuwen pantalon en nieuwe laarzen uit de kast, kleedde zich, trok +handschoenen aan--een ongekende weelde--en wandelde naar het Luxemburg. + +Onderweg ontmoette hij Courfeyrac, maar veinsde hem niet te zien. Toen +Courfeyrac echter bij zijn vrienden kwam, zei hij: + +"Ik heb een nieuwen hoed en een nieuwen rok, met Marius er in, +ontmoet. Hij ging waarschijnlijk een examen afleggen. Hij had een +zeer dom voorkomen." + +Aan het Luxemburg gekomen wandelde Marius om den vijver en beschouwde +de zwanen; toen bleef hij lang nadenkend voor een beeld staan, +welks gelaat zwart verweerd was en waaraan een heup ontbrak. Bij den +vijver bevond zich een veertigjarig gezet man, die tot een vijfjarig +knaapje, dat hij aan de hand hield, zeide: "Vermijd overdrijving. Houd +u evenzeer van het despotisme als van de anarchie verwijderd, mijn +zoon." Marius luisterde naar den man. Toen ging hij nogmaals om den +vijver heên, en eindelijk naar "zijn laan," maar langzaam en als met +weerzin. 't Was of hij tegelijk gedrongen en belemmerd werd daarheen +te gaan. Hij wist het zich niet te verklaren en meende hetzelfde te +doen, wat hij alle dagen deed. + +Toen hij de laan intrad, zag hij aan het einde mijnheer Leblanc +en de jonge dame "op hun bank." Hij knoopte zijn rok tot bovenaan +dicht, streek de plooien langs zijn lijf glad, beschouwde met eenig +welgevallen den glans van zijn broek en trok naar de bank. Er was iets +aanvallends in zijn tred, en zekerlijk eenige veroveringszucht. Hij +trok dus naar de bank, evenals Hannibal naar Rome trok. + +Zijn bewegingen waren overigens werktuiglijk en geen oogenblik werden +de gewone werkzaamheid en gedachten van zijn geest afgebroken. Hij +dacht op dat oogenblik welk een zot boek die "Manuel du Baccalaureat" +toch was, en dat het geschreven moest zijn door zonderlinge +brekebeenen, wijl men er, als meesterstukken van den menschelijken +geest, drie treurspelen van Racine en slechts één comedie van Molière +in ontleedde. Het suisde hem in de ooren. De bank naderende streek +hij weder de plooien van zijn rok glad en richtte zijn oogen op het +meisje. 't Scheen hem, alsof zij het geheele einde der laan met een +zacht blauw licht vulde. + +Naarmate hij dichterbij trad, werden zijn schreden allengs +langzamer. Toen hij op een zekeren afstand van de bank was, nog +verre van 't einde der laan, hield hij stil, en zonder dat hij zelf +wist waarom, keerde hij plotseling terug zonder tot aan het einde +te gaan. De jonge dame kon hem nauwelijks op dien afstand bespeuren +en zien hoe fraai hem zijn nieuwe kleeding stond. Evenwel liep hij +zeer rechtop, om een goed figuur te maken in geval iemand hem van +achteren nastaarde. + +Hij bereikte het tegenovergestelde einde, keerde terug en kwam +dezen keer een weinig dichter bij de bank. Zoo zelfs dat hij er +nog slechts een tusschenruimte van drie boomen van verwijderd was, +doch toen gevoelde hij iets dat hem belette verder te gaan en +hij aarzelde. Hij meende gezien te hebben, dat het meisje haar +blik op hem had gericht. Hij deed echter een krachtige poging, +onderdrukte zijn aarzeling en ging voort. Eenige seconden later +ging hij, recht en stijf, schoon tot over de ooren blozende, de +bank voorbij, zonder rechts noch links een blik te durven slaan, +en evenals een staatsman met de hand in zijn rok. Op het oogenblik +dat hij voorbijging--als onder het geschut der vesting--voelde hij +een geweldige hartklopping. De jonge dame droeg evenals den vorigen +dag, haar damasten kleed en krippen hoed. Hij hoorde een bekoorlijke +stem, die de "hare" moest zijn. Zij sprak bedaard. Zij was zeer lief, +dat gevoelde hij, hoewel hij geen moeite deed haar te zien. + +Zij zou zeker achting en belangstelling voor mij hebben, dacht hij bij +zich zelven, zoo zij wist dat ik de schrijver der verhandeling over +Marcos Obregon de la Ronda ben, welke de heer François de Neufchateau +als de zijne aan het hoofd zijner éditie van Gil-Blas heeft geplaatst. + +Hij liep de bank voorbij tot aan het einde der laan, waar hij dicht bij +was, keerde op zijn schreden terug, en ging nogmaals langs de jonge +dame. Dezen keer was hij zeer bleek. Ook had hij slechts een zeer +onpleizierig gevoel. Hij verwijderde zich van de bank en het jonge +meisje, en terwijl hij met den rug naar haar gekeerd was, verbeeldde +hij zich, dat zij naar hem keek, 't geen hem deed struikelen. + +Toen beproefde hij het niet weder om de bank te naderen, hij hield stil +in het midden der laan, en ging zitten, 't geen hij anders nooit deed, +terwijl hij steeds op zijde gluurde, en in 't diepst zijner ziel dacht, +dat het toch zeer onwaarschijnlijk was, dat iemand, wier witten hoed +en zwart kleedje hij bewonderde, geheel onverschillig zou zijn voor +zijn glimmende broek en zijn nieuwen rok. + +Na een kwartier stond hij op, als wilde hij de wandeling naar de +bank hervatten, die voor hem door een stralenkrans omgeven was. Maar +hij bleef besluiteloos staan. Voor het eerst sedert vijftien maanden +zeide hij bij zich zelven, dat de heer, die ginds met zijn dochter +dagelijks plaats nam, hem waarschijnlijk ook had opgemerkt en zijn +gedrag wel wonderlijk moest vinden. + +Ook gevoelde hij er voor het eerst iets onbetamelijks in, om dien man, +zelfs in zijn gedachte, met den bijnaam van Leblanc te bestempelen. + +Hij bleef dus eenige oogenblikken met gebogen hoofd staan en trok met +zijn wandelstok figuren in het zand. Toen wendde hij zich plotseling +in de tegenovergestelde richting der bank en ging huiswaarts. + +Dien dag vergat hij den maaltijd te gebruiken. Dit merkte hij eerst op, +toen het 's avonds acht uren was, en vermits het toen te laat was om +naar de straat St. Jacques te gaan eten, at hij maar een stuk brood. + +Hij ging niet eer te bed dan na zijn rok geschuierd en netjes +opgevouwen te hebben. + + + + + + +VIJFDE HOOFDSTUK. + +JUFFROUW BOUGON WORDT DOOR VERSCHEIDENE BLIKSEMSTRALEN GETROFFEN. + + +Den volgenden dag zag juffrouw Bougon--zoo noemde Courfeyrac de +oude portierster en huishoudster van het huis Gorbeau, ofschoon +zij werkelijk juffrouw Burgon heette--met de uiterste verbazing, +dat mijnheer Marius weder in zijn nieuwen rok uitging. + +Hij wandelde weder naar het Luxemburg, doch ging zijn bank in het +midden der laan niet voorbij. Hij ging er zich, gelijk den vorigen +dag, nederzetten en zag van daar in het verschiet duidelijk den +witten hoed, het zwarte kleed en voornamelijk den blauwen glans. Hij +bewoog zich niet en ging eerst naar huis, toen de poort van den +tuin gesloten werd. Hij zag den heer Leblanc en zijn dochter niet +heengaan, en vermoedde dat zij door het hek in de Oosterstraat waren +vertrokken. Eenige weken later wist hij zich niet te herinneren, +waar hij dien avond gegeten had. + +Den volgenden dag, namelijk den derden, werd juffrouw Bougon weder +als door den bliksem getroffen. Marius ging weder in zijn nieuwen +rok uit!--Drie dagen achtereen! riep zij, de handen inéénslaande. + +Zij wilde hem volgen, maar Marius maakte zulke vlugge, groote schreden, +dat hij een nijlpaard geleek, 't welk op een gems jacht maakt. In een +oogenblik had zij hem uit het gezicht verloren en kwam hijgende van +kortademigheid, en schier van kwaadheid stikkende te huis.--Is dat +verstandig, bromde zij, alle dagen zijn nieuwen rok aan te trekken +en de menschen zóó te laten loopen! + +Marius ging naar het Luxemburg. + +De jonge dame was er met mijnheer Leblanc. Marius, veinzende een boek +te lezen, naderde zoo dicht mogelijk; hij bleef echter op tamelijk +verren afstand en zette zich weder op zijn bank, waar hij zich vier +uren lang bezighield met naar de musschen te kijken, die in de laan +huppelden en het voorkomen hadden hem voor den gek te houden. + +Alzoo verstreken veertien dagen. Marius ging niet naar het Luxemburg +om er te wandelen, maar om op dezelfde plaats te gaan zitten, zonder +dat hij wist waarom. Eenmaal daar gezeten zijnde, bewoog hij zich +niet meer. Iederen morgen borg hij zijn rok weg, maar trok hem iederen +avond weder aan. + +De jonge dame was ontegensprekelijk wonderschoon. De eenige aanmerking, +die men als critiek kon maken, was deze, dat het verschil tusschen +haar blik, die treurig, en haar glimlach, die vroolijk was, aan haar +gezicht zoo iets verwards gaf, dat haar zacht gelaat, hoe bekoorlijk +overigens, er een zonderlinge uitdrukking door kreeg. + + + + + + +ZESDE HOOFDSTUK. + +GEVANGEN GEMAAKT. + + +In een der laatste dagen van de volgende week zat Marius als gewoonlijk +op zijn bank met een open boek in de hand, waarvan hij sinds twee uren +geen blad had omgeslagen. Eensklaps ontroerde hij. Er gebeurde iets +aan het einde der laan. De heer Leblanc en zijn dochter hadden hun +bank verlaten en beiden gingen langzaam naar het midden der laan, +waar Marius zat. Marius sloeg zijn boek dicht, opende het weder +en poogde te lezen. Hij beefde. De straalkrans kwam rechtstreeks +op hem toe. Mijn hemel! dacht hij, ik weet niet welke houding ik +aannemen moet. Intusschen naderden de man met het witte haar en +de jonge dame steeds meer. Dit naderen scheen hem een eeuw, hoewel +'t slechts een seconde duurde.--Wat willen zij hier? vroeg hij bij +zich zelven. Ha! zij zal hier voorbijgaan! Haar voeten zullen dit +zand betreden, in deze laan op twee schreden van mij. Hij was in de +grootste ontroering, hij wenschte zeer schoon te zijn, een ridderorde +te hebben. Hij hoorde het zacht afgemeten gerucht van hun naderenden +tred. Hij verbeeldde zich, dat mijnheer Leblanc een vergramden blik +op hem sloeg. Zou mijnheer mij willen spreken? dacht hij. Hij boog het +hoofd; toen hij het ophief, waren zij zeer dicht bij hem. De jonge dame +ging voorbij, hem strak en met een zachten, peinzenden blik aanziende, +die hem van 't hoofd tot de voeten deed rillen. 't Was alsof zij hem +verweet in zoolangen tijd niet bij haar te zijn geweest, en of zij +tot hem zeide: Nu kom ik. Marius was verbijsterd door haar diepe, +schitterende oogen. + +Hij voelde zijn hoofd gloeien. Zij was tot hem gekomen; welk een +vreugd. En met welk een blik had zij hem aanschouwd. Hij vond haar +schooner dan ooit, schoon, tegelijk als een vrouw en als een engel, +zoo volmaakt schoon dat Petrarcha haar bezongen, Dante voor haar +geknield zou hebben. 't Was hem alsof hij in het azuur des hemels +zweefde. Maar tegelijkertijd voelde hij zich vreeselijk ongelukkig, +zijn laarzen waren bestoven. + +Hij geloofde zeker, dat zij ook naar zijn laarzen had gezien. + +Hij oogde haar na tot zij uit het gezicht verdwenen was. Toen liep hij +als zinneloos door den tuin. Ongetwijfeld lachte hij tusschenbeide en +sprak luide. Hij was zoo diep in gedachten, dat ieder kindermeisje, +die hem zag, meende, dat hij op haar verliefd was. + +Hij verliet het Luxemburg in de hoop haar op de straat te zullen +vinden. + +Onder de bogen van het Odéon ontmoette hij Courfeyrac en zeide tot hem: +"Ga met mij dineeren." Zij gingen naar Rousseau en verteerden zes +francs. Marius at als een wolf. Hij gaf zes sous aan den knecht. Bij +het dessert zeide hij tot Courfeyrac: "Hebt ge de courant gelezen? Welk +een fraaie redevoering heeft Audry de Puyraveau gehouden!" + +Hij was smoorlijk verliefd. + +Na den maaltijd zeide hij tot Courfeyrac: "Ga mede naar den schouwburg; +ik zal betalen." Zij gingen naar de porte St. Martin om Frederick in +de Auberge des Adrets te zien. Marius vermaakte zich ontzaggelijk. + +Maar tegelijkertijd werd hij schuwer dan ooit. Toen hij den schouwburg +verliet, durfde hij niet naar den kouseband eener modiste zien, die +over een goot stapte, en hij vond Courfeyrac schier afschuwelijk toen +deze zeide: "Ik zou dit meisje wel in mijn collectie willen opnemen." + +Courfeyrac had hem genoodigd om den volgenden dag in het café Voltaire +te ontbijten. Marius ging er heen en at nog meer dan den vorigen +dag. Hij was peinzend en zeer vroolijk. Hij scheen alle gelegenheden +aan te grijpen om luidkeels te lachen. Hij omhelsde teederlijk iederen +vreemde, die hem werd voorgesteld. Een kring studenten had zich om +hun tafel geschaard en men sprak over de zotternijen, door den staat +betaald, welke in de Sorbonne van den katheder worden voorgedragen, +vervolgens viel het gesprek op de gebreken en leemten der woordenboeken +en taalkundige werken. Marius stoorde het gesprek door plotseling uit +te roepen: "'t Is toch wel heel aangenaam een ridderorde te hebben!" + +"'t Is waarlijk kluchtig!" fluisterde Courfeyrac Jean Prouvaire toe. + +"Neen," antwoordde Jean Prouvaire, "'t is ernstig!" + +'t Was inderdaad ernstig. Marius was in dit eerste machtige, +bekoorlijke uur gekomen, waarin de groote hartstochten beginnen. + +Een blik had dat alles bewerkt. + +Wanneer de mijn geladen, de brand smeulende is, geschiedt dit zeer +eenvoudig. Een blik is een vonk. + +'t Was geschied. Marius beminde een vrouw. Zijn lot trad het +onbekende in. + +De blik der vrouw gelijkt aan schijnbaar zeer kalme, maar toch +geduchte raderwerken. Men gaat ze dagelijks bedaard en ongedeerd +voorbij, zonder iets te vreezen. Zelfs vergeet men soms, dat zij er +zijn. Men gaat peinzend, schertsend, lachend heen en weder. Maar +eensklaps voelt men zich gegrepen! 't Is gedaan! Het rad houdt u, +de blik heeft u gevangen. Het heeft u gevangen, om 't even waar +of hoe; 't zij dat uw gedachte niet op haar hoede was, of uw +geest afdwaalde. Men is verloren, en raakt geheel in 't raderwerk +beklemd. Een samenstel van geheime krachten beheerscht u. Vruchteloos +biedt men weerstand. Menschelijke hulp is niet meer mogelijk. Men +valt van het eene rad in het andere, van den eenen angst in den +anderen, van de eene foltering in de andere, uw geest, uw fortuin, +uw toekomst, uw ziel; en al naar gelang men in de macht van een +slecht of een edel hart is, komt men uit dit schrikkelijk werktuig, +óf door schande misvormd, óf door liefde veredeld. + + + + + + +ZEVENDE HOOFDSTUK. + +GISSINGEN NOPENS DE LETTER U. + + +De eenzaamheid, de volstrekte afzondering, de trots, de +onafhankelijkheid, de liefde voor de natuur, gebrek aan dagelijkschen +en stoffelijken arbeid, het inwendige leven, de geheime strijd der +kuischheid, de verrukking over de geheele schepping hadden Marius +tot de liefde voorbereid. De vereering van zijn vader was voor hem +schier godsdienst geworden, en had zich gelijk alle godsdienst, +tot diep in zijn ziel teruggetrokken. Er moest iets op den voorgrond +zijn. De liefde kwam! + +Gedurende een geheele maand ging Marius dagelijks naar het +Luxemburg. Wanneer het uur kwam, kon niets hem terughouden.--Hij is +in dienst, zei Courfeyrac. Marius leefde in verrukking. 't Was zeker +dat de jonge dame hem aanschouwde. + +Eindelijk werd hij stoutmoediger en naderde de bank. Verder ging +hij echter niet, evenzeer aan het instinct der bedeesdheid als aan +dat der voorzichtigheid van minnaars gehoorzamende. Hij oordeelde +het raadzaam de opmerkzaamheid van den vader niet te trekken. Hij +berekende met diepe schranderheid zijn standplaatsen achter de boomen +en voetstukken der standbeelden, zoodanig, dat hij zoo veel mogelijk +door de jonge dame en zoo min mogelijk door den ouden heer kon gezien +worden. Soms bleef hij halve uren lang bewegingloos in de schaduw +van een Leonidas of Spartacus staan, met een boek in de hand, over +'t welk zijn oogen de schoone maagd zochten, terwijl deze van haar +kant met een vluchtigen glimlach het bekoorlijk gelaat naar hem wendde. + +Terwijl zij heel bedaard en op de natuurlijkste wijze met den ouden +man sprak, rustte haar maagdelijke en hartstochtelijk droomende blik +op Marius. 't Was het oude eeuwenheugende spel, dat Eva reeds op den +eersten dag der schepping kende en iedere vrouw den eersten dag des +levens kent. Haar mond antwoordde den een, haar blik den ander. + +Mijnheer Leblanc scheen eindelijk toch iets opgemerkt te hebben, want +dikwerf stond hij op en wandelde verder, wanneer Marius kwam. Hij had +hun gewone plaats verlaten en aan het andere eind der laan de bank bij +den "Worstelaar" ingenomen, om te zien of Marius hen zou volgen. Marius +begreep hier niets van, en beging deze fout. "De vader" was sinds +niet meer zoo stipt, en bracht "zijne dochter" niet dagelijks meer +mede. Soms kwam hij alleen. Dan bleef Marius niet. Wederom een fout. + +Marius sloeg geen acht op deze verschijnselen. Uit het tijdperk van +verlegenheid, was hij, bij natuurlijken en noodlottigen voortgang, +het tijdperk van verblinding ingetreden. Zijn liefde groeide aan; +alle nachten droomde hij ervan. Bovendien had hij een onverwacht geluk +gehad--olie in het vuur, grootere verduistering der oogen. Op een avond +had hij in de schemering op de bank, die mijnheer "Leblanc en zijn +dochter" zoo even verlaten hadden, een eenvoudigen zakdoek gevonden, +zonder borduursel, maar wit en fijn, en die hem onbeschrijfelijke +geuren scheen uit te wademen. Hij nam dien met verrukking tot +zich. Deze zakdoek was gemerkt U. F. Marius kende niets van het +schoone meisje, noch haar familie, noch haar naam, noch haar woning; +deze twee letters waren het eerste wat hij van haar bezat, dierbare +letters, waarop hij dadelijk een geheel gebouw begon op te trekken. + +U was ontwijfelbaar de voornaam. "Ursula!" dacht hij, een bekoorlijke +naam! Hij kuste den zakdoek, ademde zijn geur in, legde des daags +hem aan zijn hart, en des nachts op zijn lippen, om in te slapen. + +"Ik gevoel er haar geheele ziel in!" riep hij. + +Maar de doek was van den ouden heer, die hem eenvoudig uit zijn zak +had laten vallen. + +Hij vertoonde zich sinds dien avond niet in den tuin van het Luxemburg, +dan met den zakdoek, dien hij kuste en aan zijn hart drukte. De +schoone jonge dame begreep er niets van en deed dit door onmiskenbare +teekenen blijken. + +"O! onschuld!" zei Marius. + + + + + + +ACHTSTE HOOFDSTUK. + +ZELFS INVALIDEN KUNNEN GELUKKIG ZIJN. + + +Vermits wij het woord "onschuld" hebben genoemd en niets willen +verzwijgen, moeten wij zeggen dat "zijn Ursula" hem eens, in weerwil +van zijn vervoering, ernstig leed veroorzaakte. 't Was op een dag, dat +zij den heer Leblanc er toe overhaalde de bank te verlaten en in de +laan te wandelen. Er woei een scherpe voorjaars-wind, die de twijgen +der boomen deed ruischen. Arm in arm gingen vader en dochter voorbij +de bank van Marius. Marius was achter hen opgestaan en oogde hen na, +zooals in zulk een teederen zielstoestand gebruikelijk is. + +Eensklaps kwam een windvlaag, die recht ondeugend en moedwillig +om het meisje heen dwarlde, haar als een boschgod pakte, die eene +nimf omarmt, en haar kleed, dit kleed heiliger dan dat van Isis, +bijna tot aan den kouseband oplichtte. Een fraai gevormd been kwam +te voorschijn. Marius zag het. Hij was woedend van toorn. + +Het meisje had ijlings, met een hemelsch ontstelde beweging, haar +kleed neergetrokken, maar desniettemin was hij verstoord.--Hij was +wel is waar de eenige in de laan; maar er had iemand kunnen zijn. En +zoo er iemand geweest ware! Kan men zich zoo iets voorstellen? 't +Was ontzettend wat zij gedaan had.--Helaas, het arme meisje had +niets gedaan; de eenige schuldige was de wind; maar Marius, in wien +onbestemd de Bartholo sidderde, die in Cherubijn is, wilde met geweld +gestoord zijn, en was jaloersch op zijn schaduw. 't Is inderdaad, dat +zoo, zelfs zonder eenige reden, in het menschelijke hart de wrange, +zonderlinge jaloezie des vleesches wordt opgewekt. Overigens, zelfs +afgescheiden van deze jaloezie, had het gezicht van dat bekoorlijk +been voor hem niets aangenaams; de witte kous van de eerste de beste +vrouw zou hem meer pleizier hebben gedaan. + +Toen "zijne Ursula" aan 't einde der laan, met mijnheer Leblanc, +terugkeerde en de bank voorbijging, waarop Marius zich weder neergezet +had, sloeg hij een norschen wrevelen blik op haar. + +De jonge dame wendde het hoofd eenigszins af en sloeg haar oog op, +als wilde zij zeggen: Welnu, wat wil hij? + +Dit was "hun eerste twist." + +Marius had haar nauwelijks dit standje met zijn oogen gemaakt, toen +iemand door de laan ging. 't Was een gebogen, gerimpelde, grijze +invalide in de uniform van Lodewijk XV, met het ovaal lapje rood laken, +waarop twee gekruiste degens, het kruis van St. Louis van den soldaat, +op de borst, en bovendien versierd met een roksmouw zonder arm er in, +met een zilveren kin en een houten been. Marius meende op te merken, +dat deze man er bijzonder tevreden uitzag. 't Scheen hem zelfs, dat +deze oude synicus hem in 't voorbijhinken een broederlijken, vroolijken +lonk had toegeworpen, alsof een toeval veroorzaakt had, dat zij in +verstandhouding waren gekomen en samen een gemeenschappelijk fortuintje +hadden gehad. Waarom was dit fragment van Mars zoo tevreden? Wat was +tusschen het houtenbeen en den andere gebeurd? Marius kwam tot den +hoogsten graad van ijverzucht.--Hij was er misschien, dacht hij, hij +heeft misschien iets gezien!--Hij had den invalide willen vernielen. + +Maar de tijd verdooft alles. Ook de gramschap van Marius +tegen "Ursula," hoe billijk en rechtvaardig zij ook ware, trok +over. Eindelijk schonk hij haar vergiffenis, maar 't kostte veel +moeite; hij was drie dagen kwaad op haar. + +Bij dit alles, en in weerwil van dat alles, groeide evenwel zijn +liefde schier tot waanzin aan. + + + + + + +NEGENDE HOOFDSTUK. + +ECLIPS. + + +Men heeft gezien hoe Marius had ontdekt of meende ontdekt te hebben, +dat zij Ursula heette. + +Zijn nieuwsgierigheid nam met zijn liefde toe; 't was veel, te weten +dat zij Ursula heette; maar 't was eigenlijk ook weinig. Marius had +zich drie of vier weken met dit geluk verheugd. Hij wilde thans een +ander. Hij wilde weten, waar zij woonde. + +Hij had een eersten misslag begaan, door naar de bank van den Gladiator +te gaan; een tweeden, door niet in den tuin van het Luxemburg te +blijven, wanneer mijnheer Leblanc er alleen was. Hij beging een derden +misslag, een grooten: hij volgde "Ursula." + +Zij woonde in de Westerstraat, in het minst bezochte gedeelte, in +een nieuw huis, van bescheiden voorkomen en drie verdiepingen hoog. + +Van dit oogenblik af voegde Marius bij het geluk van haar in het +Luxemburg te zien, het geluk haar tot aan haar huis te volgen. + +Zijn begeerte nam toe. Hij wist hoe zij heette, althans haar voornaam, +den dierbaarsten, den eigenlijken naam der vrouw, hij wist waar zij +woonde; nu wilde hij weten, wie zij was. + +Zekeren avond, na hen tot hun woning gevolgd en hen in het huis te +hebben zien verdwijnen, trad hij stout achter hen binnen en vroeg +den portier: + +"Is dit niet de heer der eerste verdieping, die zooeven te huis +is gekomen?" + +"Neen," antwoordde de portier: "'t is de heer der derde verdieping." + +'t Was weder een stap verder. Dit geluk maakte Marius stoutmoediger. + +"Aan de straat?" vroeg hij. + +"Er zijn geen andere vertrekken dan aan de straat," zei de portier. + +"En wat doet deze heer?" hernam Marius. + +"Hij is rentenier, mijnheer. Een zeer goed man, die veel goed aan +ongelukkigen doet, hoewel hij niet rijk is." + +"Hoe heet hij?" vroeg Marius. + +De portier richtte het hoofd op en zeide: + +"Is mijnheer een stille verklikker?" + +Marius sloop beschaamd heen, maar was overigens verblijd, want hij +was iets gevorderd. + +"Goed," dacht hij. "Ik weet dat zij Ursula heet, dat zij de dochter +van een rentenier is en hier in de Westerstraat op de derde verdieping +woont." + +Den volgenden dag bleven mijnheer Leblanc en zijn dochter slechts zeer +kort in het Luxemburg en verwijderden zich, lang vóór de avond viel. + +Marius volgde hen, als gewoonlijk, tot in de Westerstraat. Aan de deur +van het huis gekomen liet mijnheer Leblanc zijn dochter binnengaan, +bleef op den drempel staan, keerde zich om en zag Marius met strakken +blik aan. + +Den volgenden dag kwamen zij niet in het Luxemburg. Vruchteloos +wachtte Marius den geheelen dag. + +Toen het donker werd, ging hij naar de Westerstraat en zag licht aan +de vensters der derde verdieping. Hij wandelde onder die vensters, +tot het licht werd uitgedaan. + +Den volgenden dag was weder niemand in het Luxemburg. Marius wachtte +den geheelen dag, en ging des avonds zijn post onder de vensters +betrekken. Dat bracht hem tot tien uren. Aan eten dacht hij niet. De +koorts voedt den zieke en de liefde den verliefde. + +Op deze wijze verliepen acht dagen. Mijnheer Leblanc en zijn +dochter lieten zich niet meer in het Luxemburg zien. Marius maakte +treurige gissingen; des daags durfde hij de deur van het huis niet +bespieden. Hij stelde zich tevreden met des avonds het roode schijnsel +van het licht door de glasruiten te begluren. Nu en dan zag hij er +schimmen langs zweven, en dan klopte zijn hart. + +Toen hij den achtsten dag onder de vensters kwam, zag hij geen +licht.--Hé, zeide hij, de lamp is nog niet opgestoken. 't Is +toch donker. Zouden zij uit zijn? Hij wachtte tot tien uren, tot +middernacht; tot één ure 's ochtends. Geen licht scheen door de +vensters der derde verdieping, en niemand kwam te huis. + +Treurig verwijderde hij zich. + +Den volgenden dag,--want hij leefde van den eenen dag op den anderen, +er was om zoo te spreken voor hem geen heden meer--den volgenden dag +vond hij niemand in het Luxemburg; hij wachtte; met de schemering +ging hij naar het huis. Geen licht aan de vensters; de jaloezieën +waren dicht; alles was donker. + +Marius klopte aan de deur, trad binnen en zeide tot den portier: + +"De heer der derde verdieping?" + +"Verhuisd," antwoordde de portier. + +Marius wankelde en zeide stamelend: + +"Sinds wanneer?" + +"Sinds gisteren." + +"Waar woont hij nu?" + +"Ik weet er niets van." + +"Heeft hij zijn adres dan niet achtergelaten?" + +"Neen." + +De portier, die nu opzag, herkende Marius, en voegde er bij: "Ha, +zijt gij 't! ge zijt dus werkelijk een verspieder?" + + + + + + + +BOEK VII. + +PATRON-MINETTE. + + +EERSTE HOOFDSTUK. + +DE MIJNEN EN DE MIJNWERKERS. + + +De menschelijke maatschappijen hebben wat men in de schouwburgen +een "onder het tooneel" noemt. De maatschappelijke bodem is overal +ondermijnd, hier voor het goede, daar voor het kwade. Deze werken +liggen boven elkander. Er zijn boven- en ondermijnen; er is een boven +en een onder in dien donkeren grond, welke soms onder de beschaving +instort, en die door onze onverschilligheid en onbezorgdheid onder +den voet wordt getreden. In de vorige eeuw was de Encyclopédie schier +een mijn onder den blooten hemel. De sombere holen, de kweekplaatsen +van het eerste Christendom, wachtten onder de Cesars slechts een +gelegenheid om open te breken en het menschelijk geslacht met licht +te overstroomen. Want in de heilige duisternissen is een besloten +licht. De vulkanen zijn vol van ontvlambare duisternis. De lava komt +uit den nacht voort. De catacomben, waarin de eerste mis werd gelezen, +waren niet alleen de kelders van Rome, zij waren de onderaardsche +gewelven der wereld. + +Onder het maatschappelijk gebouw, dit wonder uit een bouwval gevormd, +zijn allerlei holen. Er zijn de godsdienstige, de philosophische, +de politieke, de staathuishoudelijke, de revolutionaire mijn. Deze +delft met de idee, gene met het cijfer, een ander met den toorn. Men +roept elkander toe uit de eene naar de andere catacombe. De Utopieën +doorkruisen deze gangen, en vertakken zich naar alle zijden. Soms +ontmoeten zij er elkander en verbroederen zich. Jean Jacques leent zijn +houweel aan Diogenes, die hem zijn lantaarn leent. Soms bestrijden +zij elkander. Calvijn plukhaart met Socinus. Maar niets stuit of +weerhoudt al deze krachten, die naar het doel streven, noch deze +eenparige groote bedrijvigheid, die in deze duisternis heen en weder, +op en neder gaat en langzaam de oppervlakte door het onderste, en het +buitenste door het binnenste verandert; een verborgen ontzaggelijk +gewoel. De maatschappij vermoedt nauwelijks deze ondermijning, welke +haar oppervlakte ongeschonden laat, doch haar ingewanden verandert. Er +zijn evenveel onderaardsche verdiepingen, als verschillende werken, +en verschillende producten. Wat komt uit die diepe ondermijningen te +voorschijn? De toekomst. + +Hoe dieper men komt, des te geheimzinniger zijn de arbeiders. Tot +op een hoogte, welke de sociale wijsgeer weet te erkennen, is de +arbeid goed; voorbij die hoogte is hij twijfelachtig en gemengd; +komt men lager, dan wordt hij vreeselijk. Op een zekere diepte zijn +de holen niet meer bereikbaar voor den geest der beschaving, de grens, +waarbinnen de mensch kan ademen is overschreden; een begin van monsters +wordt hier mogelijk. + +De nederdalende ladder is zonderling; elk harer sporten is met een +verdieping in aanraking, waarop de philosophie den voet kan zetten, +waar men een dezer soms goddelijke, soms wanstaltige arbeiders kan +ontmoeten. Onder Jan Huss is Luther; onder Luther is Descartes, onder +Descartes is Voltaire, onder Voltaire is Condorcet, onder Condorcet +is Robespierre, onder Robespierre is Marat, onder Marat is Babeuf. En +zoo gaat het voort. Lager, aan de grens, die het onduidelijke van het +onzichtbare scheidt, ontwaart men onbestemd andere donkere mannen, +die misschien nog niet bestaan. Die van gisteren zijn spoken, die +van morgen zijn schimmen. Het oog van den geest onderscheidt ze +onduidelijk. De baringsarbeid der toekomst is een der visioenen van +den wijsgeer. + +Een wereld in den toestand van wording.--Welk een ongezien beeld! + +Saint Simon, Owen, Fourier vindt men ook in de zijgangen. + +Hoewel een goddelijke, onzichtbare keten onderling al deze mijngravers, +zonder dat zij 't weten, verbindt, en zij zich steeds afgezonderd +wanen, doch 't niet zijn, is hun arbeid echter zeer verschillend en +het licht van den eenen is in strijd met de vlam der anderen. Het eene +is hemelsch, de andere is somber. Hoe groot echter de tegenstelling +zij, al deze arbeiders, van den heldersten tot den donkersten, +van den wijsten tot den dwaasten, komen met elkander overeen in: +onbaatzuchtigheid. Marat vergeet zich zelven, evenzeer als Jezus. Zij +stellen zich ter zijde, denken niet om zich zelven, verloochenen +zich zelven. Zij hebben slechts één blik, en die blik zoekt het +volkomene. De eerste heeft den geheelen hemel in 't oog; de laatste, +hoe raadselachtig hij zij, heeft toch onder den wenkbrauw den matten +schijn van het oneindige. Vereer hem, die, wat hij doen moge, dien +hemelschen blik bezit. + +Het oog van den nacht is het andere teeken. + +Bij dat oog begint het kwaad. Beef voor hem, die geen blik heeft. De +maatschappelijke orde heeft haar zwarte mijnwerkers. + +Er is een punt, waar delven begraven is en het licht uitgaat. + +Onder al deze mijnen, welke wij hebben aangewezen, onder al deze +galerijen, onder dit ontzaggelijk groot, geaderd, onderaardsch werk +van den vooruitgang en der utopieën, is dieper in de aarde, lager +dan Marat, veel lager dan Babeuf, lager, veel lager en zonder eenige +gemeenschap met de hoogere galerijen, de laatste galerij. Dit is een +vreeselijke plaats. Wij hebben haar de derde mijn genoemd. Het is de +galerij der duisternissen, de kolder der blinden. Inferi. + +Deze grenst aan den afgrond. + + + + + + +TWEEDE HOOFDSTUK. + +DE DIEPTE. + + +Hier verdwijnt de onbaatzuchtigheid. De duivel komt onduidelijk te +voorschijn; 't is daar ieder voor zich. Het ik zonder oogen brult, +zoekt, tast en knaagt. De maatschappelijke Ugolino is in dien poel. + +De wilde, vreeselijke gestalten, half dier half schimmen, die zich +in dezen kuil bewegen, bemoeien zich met geen maatschappelijken +vooruitgang, zij kennen evenmin het woord als de beteekenis, zij +denken aan niets dan aan persoonlijke bevrediging. Zij hebben schier +geen gevoel van zich zelven, in hen is iets als een schrikbarend +niet. Zij hebben twee moeders, beide stiefmoeders, de onwetendheid en +de armoede. Zij hebben een gids, de behoefte, en, voor alle vormen +van bevrediging, de begeerte. Zij zijn ruw, vraatzuchtig, dat wil +zeggen wreed; niet als een tiran, maar als een tijger. Uit het lijden +gaan deze spooksels tot misdaad over; noodlottige aaneenschakeling, +verbijsterende voortbrenging, logica der duisternis. Wat zich in de +derde maatschappelijke verdieping wentelt, is niet de gesmoorde zucht +naar het volkomene, 't is de tegenspraak der stof. De mensch wordt +er draak. Honger, dorst te hebben, is het uitgangspunt; het komt uit +bij den duivel. Uit die verdieping kwam Lacenaire. + +Men heeft in het vierde boek een der gangen van de bovenste mijn, +van de groote politieke, revolutionaire en philosophische galerij +gezien. Daar, zooals wij gezegd hebben, is alles edel, zuiver, waardig, +eerlijk. Men kan er zich bedriegen, 't is waar, en men bedriegt er +zich; maar de dwaling is er eerbiedwaardig, wijl zij heldenmoed in zich +sluit. De algemeene arbeid, die er wordt verricht, heet: Vooruitgang. + +Het oogenblik is nu gekomen om andere diepten, de afschuwelijke +diepten, te aanschouwen. + +Onder de maatschappij, wij wijzen er nogmaals op, is, en zal zijn, +tot den dag dat de onwetendheid is verdreven: de groote spelonk van +het kwaad. + +Deze is beneden allen, en de vijandin van allen. 't Is de haat zonder +uitzondering. Dit hol kent geen wijsgeeren; zijn dolk heeft nooit +een pen versneden. Zijn zwartheid heeft niets gemeens met de edele +zwartheid van den inkt. Nooit hebben de vingers der duisternis, die +zich onder dit verstikkend gewelf krommen, een boek doorbladerd, een +dagblad opengeslagen. Babeuf is voor Cartouche een werkgever; Marat +is een aristocraat voor Schinderhannes. Dit hol heeft de omverwerping +van alles ten doel. + +Van alles. Daaronder begrepen de bovengalerijen, welke het +verfoeit. Het ondermijnt niet alleen, in zijn afschuwelijken arbeid, +de tegenwoordige maatschappelijke orde; het ondermijnt de philosophie, +de wetenschap, het recht, de menschelijke gedachte, de beschaving, de +revolutie, den vooruitgang. Het heet eenvoudig diefstal, prostitutie, +moord en doodslag. Het is een duisternis, en wil den baaierd. Zijn +gewelf is uit onwetendheid samengesteld. + +Al de overige galerijen, de bovenste, hebben geen ander doel dan +zijn vernietiging. Daarheen streven tegelijkertijd de wijsbegeerte +en de vooruitgang door al haar organen, door de verbetering van het +wezenlijke, zoowel als door de bepeinzing van het volkomene. Door het +hol der onwetendheid te vernietigen, vernietigt men de mol--misdaad. + +Trekken wij in weinige woorden een gedeelte van 't geen wij geschreven +hebben samen. Het eenige maatschappelijke gevaar is de duisternis. + +Humaniteit is gelijkheid. Alle menschen zijn van hetzelfde leem. Hier +beneden ten minste is geen onderscheid in de lotsbestemming. Eerst +dezelfde schaduw, dan hetzelfde vleesch en daarna dezelfde asch. Maar +zoo de onwetendheid onder het menschelijk deeg wordt gemengd, maakt +zij het zwart. Dit ongeneeslijk zwart vreet diep in den mensch en +wordt in hem het kwaad. + + + + + + +DERDE HOOFDSTUK. + +BABET, GUEULEMER, CLAQUESOUS EN MONTPARNASSE. + + +Een viertal bandieten, Claquesous, Gueulemer, Babet en Montparnasse, +regeerden van 1830-1835 het derde onderaardsche gewelf van Parijs. + +Gueulemer was een ontaarde Hercules en had tot hol den modderpoel van +de Arche-Marion. Hij was zes voet lang, had marmeren borsten, stalen +armspieren, ijzeren ingewanden, de romp van een kolos, het hoofd van +een vogel. Men meende den Hercules van Farnese in een linnen broek en +een manchestersch buis te zien. Gueulemer had dieren kunnen bedwingen, +maar had het gemakkelijker gevonden er een te zijn. Een laag voorhoofd, +breede slapen, nog geen veertig jaar oud en diepe rimpels, borstelig, +kort haar, een baard als van een wild zwijn, zoo was deze man. Zijn +spieren vorderden arbeid, zijn domheid wilde dien niet. Hij was een +geweldige dommekracht. Hij was moordenaar uit onverschilligheid. Men +geloofde, dat hij een creool was. Hij was misschien een weinig met +maarschalk Brune in aanraking geweest, wijl hij in 1815 te Avignon +sjouwer geweest was. Later was hij bandiet geworden. + +De doorschijnende magerheid van Babet stak zeer af bij de +vleezigheid van Gueulemer. Babet was tenger en geleerd. Mager maar +ondoordringbaar. De knoken schenen door zijn vel, maar niets scheen +door zijn oog heen. Hij beweerde chimist te zijn, en was hansworst bij +Bobèche en paljas bij Bobino geweest. Op de kermis van Saint-Michel +had hij comedie gespeeld. Hij was iemand met inzichten, een redenaar +die zijn glimlachjes onderschrapte en zijn gebaren nadruk gaf. Zijn +handel bestond in het rondventen van pleisterbeelden en portretten +van het hoofd van den staat. Bovendien was hij kiezentrekker. Op de +kermissen had hij wonderen en zeldzaamheden vertoond, en een tent +bezeten, met een trompet en dit uithangbord: "Babet, dentiste, lid +van verscheidene academiën, neemt natuurkundige proeven op metalen +en metaloïden, trekt tanden en wortels, die door geen anderen konden +uitgehaald worden. Prijs: één tand, één franc vijftig centimes, twee +tanden twee francs, drie tanden twee francs vijftig. Maak gebruik van +de gelegenheid." (Dat wilde zeggen: laat u zooveel mogelijk tanden +uittrekken.) Hij was gehuwd geweest en had kinderen gehad; maar wist +niet wat van zijn vrouw en zijn kinderen geworden was. Hij had ze +verloren zooals men zijn zakdoek verliest. Babet las de dagbladen--een +zeldzame uitzondering in de wereld, waarin hij leefde. In den tijd, +toen hij zijn familie nog met zijn tent rondtrok, had hij in den +Messager gelezen, dat een vrouw van een levend kind was bevallen, +dat een kalfssnuit had, en hij riep: "Dat heet ik geluk! Mijn vrouw +zal nooit zoo verstandig zijn mij zulk een kind te schenken!" + +Sinds had hij alles verlaten om "Parijs te ondernemen," zooals hij +zich uitdrukte. + +Wie was Claquesous? Hij was de nacht. Hij wachtte, om zich te +vertoonen, tot de hemel geheel donker was. Des avonds kwam hij uit +een hol, waarin hij terugkeerde vóór het dag werd. Waar was dat +hol? 't Was niemand bekend. Zelfs in de diepste duisternis en met +zijn makkers sprak hij niet anders dan met afgewend gezicht. Heette +hij Claquesous? neen. Hij zeide: Ik heet Niemendal. Zoo er licht +kwam, deed hij een masker voor. Hij was buikspreker. Babet zeide: +Claquesous is een tweestemmige nocturne. Claquesous was als een +schaduw, zwervend, verschrikkelijk. Men was niet zeker dat hij een +naam had, want Claquesous was een bijnaam; men was niet zeker of hij +een stem had, want zijn buik sprak meer dan zijn mond; men was niet +zeker of hij een gezicht had, want niemand had ooit iets dan zijn +masker gezien. Hij verdween als een schim; zijn verschijningen waren +als verrijzenissen uit de aarde. + +Montparnasse was een somber wezen; een knaap, nog geen twintig +jaar oud, met een fraai gezicht, lippen als kersen, fraai zwart +haar, den glans der lente in de oogen; hij bezat alle ondeugden +en streefde naar alle misdaden. De verduwing van het kwade deed +de begeerte naar het ergere in hem ontstaan. Hij was de deugniet +geworden straatjongen, de bandiet geworden deugniet; overigens lief, +zacht, bevallig, sterk, week, wreed. Hij droeg zijn hoed op één oor, +om den haarlok, naar de mode van 1829, te doen uitkomen. Hij leefde +van gewelddadige diefstallen, zijn jas was naar de laatste snede, +maar kaal. Montparnasse was een modeplaatje in armoede, en moorden +plegende. De oorzaak van al de misdaden van dezen jongeling was zijn +zucht om goed gekleed te zijn. De eerste grisette die hem gezegd had: +Ge zijt schoon, had in zijn hart de vlek der duisternis geworpen en +van dezen Abel een Kaïn gemaakt. Zich mooi vindende, had hij elegant +willen zijn; de hoogste trap van elegantie nu is werkeloosheid: de +werkeloosheid van den arme is misdaad. Weinige vagebonden waren zoo +geducht als Montparnasse. Toen hij achttien jaar oud was, had hij +reeds verscheidene lijken achter zich. Meer dan een dien hij ontmoet +had, lag met uitgestrekte armen en met 't gezicht in een plas bloed, +in de schaduw van dezen ellendeling met gekapt, welriekend haar, dun +middel, vrouwenheupen, de borst van een pruisisch officier, door al +de meisjes op den boulevard bewonderd, met een kunstig geknoopte das, +een moordinstrument in den zak, een bloem in het knoopsgat--zoo was +deze moordenaarpronker. + + + + + + +VIERDE HOOFDSTUK. + +SAMENSTELLING DER BENDE. + + +Deze vier bandieten vormden te zamen een soort van Proteus, +die door de politie heen glipte en poogde, aan den lastigen blik +van Vidocq onder allerlei gedaanten te ontsnappen; zij leenden +elkander hun namen, verscholen zich in hun eigen schaduw en waren +voor elkander schuilhoeken en wijkplaatsen; zij ontdeden zich van +hun persoonlijkheid, als van een valschen neus op een gemaskerd bal, +kwamen soms te voorschijn alsof zij slechts één persoon voorstelden, +en vermenigvuldigden zich een andermaal als waren zij een menigte. + +Deze vier mannen waren niet vier onderscheiden personen, maar te +zamen één geheimzinnige dief met vier hoofden, die te Parijs zijn +handwerk in 't groot dreef; 't was de monster-polyp van het kwaad, +dat het benedenste hol der maatschappij bewoont. + +Ten gevolge hunner vertakkingen en verbintenissen waren Babet, +Gueulemer, Claquesous en Montparnasse de algemeene ondernemers +der aanrandingen in het departement der Seine. Zij voerden op de +voorbijgangers coups d'états van den laagsten rang uit. Vindingrijke +lieden in het vak, mannen met roof- en moordgedachten wendden zich +tot hen voor de uitvoering ervan. Men gaf dezen vier schurken het +plan op en zij voerden het uit. Zij werkten als voor een tooneel. Zij +waren altijd in staat een genoegzaam en geschikt personeel voor alle +aanslagen, die hulp behoefden en winst beloofden, te leveren; zoo voor +een misdaad armen noodig waren, verstrekten zij die. Zij hadden voor +alle helsche treurspelen een troep duivelachtige acteurs beschikbaar. + +Gewoonlijk vereenigden zij zich bij het vallen van den nacht, den +tijd van hun ontwaken, op de steppen die de Salpetrière omgeven. Daar +raadpleegden zij. Zij hadden de twaalf donkere uren voor zich, en +regelden het gebruik daarvan. + +Patron-Minette was de naam, die aan het onderaardsche genootschap +dezer vier mannen gegeven werd. In de oude beeldsprakige volkstaal, +die dagelijks meer en meer verdwijnt, beteekent Patron-Minette ochtend, +zooals entre chien et loup avond beteekent. De naam Patron-Minette +kwam waarschijnlijk van het uur waarin hun arbeid eindigde: met den +dageraad verdwijnen de spoken en scheiden de bandieten. Deze vier +mannen waren onder dien naam bekend. Toen de president der assises +Lacenaire in zijn gevangenis bezocht, ondervroeg hij hem nopens een +misdaad, welke Lacenaire loochende.--Wie heeft ze gepleegd? vroeg +de president.--Lacenaire gaf dit antwoord, dat raadselachtig voor +den rechter, maar duidelijk voor de politie was: "'t Is misschien +Patron-Minette." + +Men kan soms een tooneelstuk naar de naamlijst der personen +beoordeelen; eveneens een bende naar die der bandieten. Zie hier +eenige namen, die nog in 't geheugen van sommigen gebleven zijn, +en aan de hoofdpersonen der bende Patron-Minette behoorden. + +Panchaud, genoemd Printanier, of ook Bigrenaille. + +Brujon. (Er was een dynastie van Brujon, van welke wij nog een woord +zullen zeggen). + +Boulatruelle, een wegwerker, dien wij reeds gezien hebben. + +Laveuve. + +Finistère. + +Homère-Hogu, een neger. + +Mardisoir. + +Dépêche. + +Fauntleroy, genaamd Bouquetière. + +Glorieux, een ontslagen galeislaaf. + +Barrecarrosse, genaamd mijnheer Dupont. + +Lesplanade-du-Sud. + +Poussagrive. + +Carmagnolet. + +Kruideniers, genaamd Bizarro. + +Mangedentelle. + +Les-pieds-en-l'air. + +Dimi-liard, genaamd Deux-milliards; enz. enz. + +Wij slaan anderen, geen minderen, over. Deze namen zijn karakteristiek, +en drukken niet alleen wezens, maar soorten uit. Ieder dezer namen +behoort tot een verscheidenheid dier wanstaltige paddestoelen van +den ondergrond der beschaving. + +Deze menschen, die zich zelden lieten zien, behoorden niet tot degenen, +die men op de straten ontmoet. Vermoeid van hun vreeselijke nachten, +sliepen zij des daags, nu eens in kalkovens, dan in de verlaten +steengroeven van Montmartre of Montrouge, soms in riolen. Zij kropen +in den grond. + +Wat is van hen geworden? Zij bestaan nog altijd. Zij hebben altijd +bestaan. Horatius spreekt van hen: Ambubaïarum collegia, pharmacopolæ, +mendici, mimoe; en zoo lang de maatschappij zijn zal wat zij is, +zullen zij wezen wat zij zijn. Onder het donker gewelf van hun hol, +ontstaan zij voortdurend uit de maatschappelijke doorzijpeling. Zij +komen immer als dezelfde spoken weder; alleen dragen zij dezelfde +namen en dezelfde lichamen niet meer. + +Hoewel de personen zijn uitgeroeid, bestaat de stam. Zij hebben +altijd dezelfde bekwaamheden, hun ras blijft onvermengd, zij raden +de geldbuidels in de zakken, en ruiken de horloges. Goud en zilver +hebben voor hen reuk. Er zijn onnoozele lieden, van wier voorkomen +men zou kunnen zeggen dat zij besteelbaar zijn. Gene mannen volgen +geduldig deze lieden. Bij de verschijning van een vreemdeling of +provinciebewoner volgen zij de handelingen der spinnen. + +Deze mannen zijn vreeselijk, wanneer men ze om middernacht op een +eenzamen boulevard ziet of ontmoet. Zij gelijken geen menschen, maar +uit levenden nevel gevormde gestalten; 't is alsof zij zoodanig met +de duisternis vereenzelvigd zijn, dat zij er niet van te onderscheiden +zijn, dat zij geen andere ziel dan de schaduw hebben, en zich slechts +voor oogenblikken van den nacht losmaken, om eenige minuten een +gedrochtelijk leven te voeren. + +Hoe zijn deze spookselen te verdrijven? Door licht, door stroomen +licht. Geen vleermuis kan het daglicht verdragen. Verlicht de laagste +rangen der maatschappij. + + + + + + + +BOEK VIII. + +DE SLECHTE ARME. + + +EERSTE HOOFDSTUK. + +MARIUS ZOEKT EEN MEISJE MET EEN HOED EN ONTMOET EEN MAN MET EEN PET. + + +De zomer verstreek, daarna de herfst; de winter kwam. Noch mijnheer +Leblanc noch zijn dochter hadden weder een voet in het Luxemburg +gezet. Marius dacht aan niets, dan hoe hij haar lief en bekoorlijk +gezicht zou kunnen wederzien. Hij zocht immer, hij zocht overal, maar +vond niets. Hij was niet meer de enthusiastische denker, de beraden, +vurige, standvastige man, die stoutmoedig het lot het hoofd biedt; +de geest die toekomst op toekomst bouwt; het jonge hoofd vol plannen, +ontwerpen, trots, gedachten en wil; hij was een verloren hond. Hij +verzonk in treurige zwaarmoedigheid. 't Was gedaan. Hij had afkeer van +den arbeid, het wandelen vermoeide, de eenzaamheid verveelde hem; de +vrije natuur, vroeger zoo vol beelden, licht, stemmen, raadgevingen, +uitzichten, grenzen en onderricht, was nu ledig voor hem. Het scheen +hem alsof alles verdwenen was. + +Hij dacht nog altijd, want hij kon niet anders; maar hij vond geen +behagen meer in zijn gedachten. Op alles wat zij hem voortdurend +zacht voorstelden, antwoordde hij somber: "waartoe?" + +Hij deed zich honderden verwijten. Waarom volgde ik haar? Ik was +reeds zoo gelukkig haar slechts te zien! Zij zag mij aan; was dat +niet onbeschrijfelijk veel? Zij scheen mij te beminnen. Was dat +niet alles? Wat wilde ik meer? Er is niets meer. Ik was dwaas. 't +Is mijn schuld enz. enz. Courfeyrac, wien hij niets toevertrouwde, +dit was zoo zijn aard, maar die bijna alles begreep, dit was ook zoo +diens aard, was begonnen hem met zijn verliefdheid geluk te wenschen, +waarover hij zich elders verbaasde; maar toen hij Marius tot zulk +een zwaarmoedigheid zag vervallen, zeide hij tot hem: "Ik zie, dat +ge niets dan een ezel zijt geweest. Kom, ga mede naar la Chaumière." + +Op een fraaien Septemberdag had Marius zich door Courfeyrac, Bossuet +en Grantaire naar een bal te Sceaux laten medevoeren, in de hoop--welk +een droom!--haar misschien dáár te zullen wedervinden. Het spreekt +vanzelf dat hij haar niet vond, welke hij zocht.--'t Is toch hier, +mompelde Grantaire bij zich zelven, dat men alle lichte vrouwen +vindt. Marius liet zijn vrienden op het bal en ging alleen te voet, +vermoeid, koortsig, met doffe oogen en treurig, in den nacht, verdoofd +door het geraas en het stof der rijtuigen, die vol vroolijke, zingende +gasten van het feest wederkeerden en hem voorbijreden, moedeloos, en +om zich te verfrisschen den scherpen reuk der noteboomen inademende, +huiswaarts. + +Hij leefde wederom meer en meer in eenzaamheid, geheel aan zijn +treurigheid en zwaarmoedigheid overgegeven, in zijn smart heen- en +wedergaande gelijk de wolf in zijn hok, overal de afwezige zoekende, +door liefde verstompt. + +Eens had hij een ontmoeting, die een zonderlingen indruk op hem +maakte. In een der kleine straten in de nabijheid van den boulevard +der Invaliden had hij iemand als een arbeider gekleed ontmoet, +met een pet met breeden klep op, waaruit lokken zeer wit haar te +voorschijn kwamen. Marius werd door de fraaiheid van dit witte haar +getroffen en beschouwde dien man, die langzaam en als in smartelijke +gedachten verdiept, voortging. Zonderling, hij meende den heer Leblanc +te herkennen. 't Was hetzelfde haar, hetzelfde gezicht, zooveel de +pet dit vergunde te zien, dezelfde houding; maar treuriger. Maar +waarom in deze arbeiderskleeding? Wat beteekende dat? wat beduidde +deze vermomming? Marius was zeer verbaasd. Tot bezinning gekomen, +was zijn eerste gedachte den man te volgen, die hem misschien op het +spoor zou brengen, dat hij zocht. Hij wilde in allen gevalle den man +van dichterbij zien en het raadsel oplossen. Maar hij bedacht zich +te lang; reeds was de man uit het gezicht verdwenen. Hij was een +zijstraat ingegaan en Marius kon hem niet wedervinden. + +Deze ontmoeting hield hem eenige dagen bezig; eindelijk vergat hij +ze.--'t Is in allen gevalle waarschijnlijk ook niets anders dan een +gelijkenis, dacht hij. + + + + + + +TWEEDE HOOFDSTUK. + +EEN VOND. + + +Marius woonde nog altijd in het huis Gorbeau. Hij lette er op niemand. + +Op dat tijdstip waren trouwens in dat huis geen andere bewoners dan +hij en de familie Jondrette, voor wie hij eens de huur had betaald, +zonder overigens ooit met den vader, de moeder of de dochters gesproken +te hebben. De andere bewoners waren of verhuisd, of overleden, of +bij gebreke van betaling op de straat gezet. + +Op een dag in dezen winter had de zon zich des namiddags even vertoond; +'t was de 2de Februari, op Maria-lichtmis, welker verraderlijke zon, +de voorloopster eener zesweeksche koude, aan Mathieu Laensberg deze +terecht klassiek gebleven verzen inboezemde: + + + Qu'il luise ou qu'il luiserne, + L'ours rentre en sa caverne. [7] + + +Marius was uit zijn hol gekomen; de avond daalde. 't Was tijd te +gaan eten, want hij was, helaas, weder aan het eten moeten gaan. O +zwakheden der ideale liefde! + +Hij was juist de stoep overgestapt, welke juffrouw Bougon bezig was +te vegen, terwijl zij deze alleenspraak hield: + +"Wat is tegenwoordig goedkoop? alles is even duur. Alleen de zorgen +des levens zijn goedkoop; zorg en moeite heeft men in overvloed +voor niets." + +Langzaam ging Marius in gedachten en met gebogen hoofd over den +boulevard naar de straat St. Jacques. + +Eensklaps voelde hij zich in de avondschemering tegen het lijf loopen; +hij wendde het hoofd en zag twee in lompen gekleede meisjes, het eene +lang en mager, het andere kleiner, die buiten adem, hijgend, verschrikt +voortijlden als vluchtten zij. Zij waren van den anderen kant gekomen, +hadden hem niet gezien en in 't voorbijgaan hem gestooten. Marius +onderscheidde in de schemering haar bleeke gezichten, haar verwarde, +vliegende haren, haar leelijke mutsen, gescheurde kleederen en bloote +voeten. Onder 't loopen spraken zij met elkander. De grootste zeide +met zachte stem: + +"Zij kwamen en hadden mij bijna gepakt." + +De andere antwoordde: "Ik zag ze komen en ging aan den haal." + +Marius begreep aan haar vreemde uitdrukkingen, dat de gendarmes +of stadssergeanten beide meisjes bijna gegrepen hadden en zij 't +ontkomen waren. + +Zij verscholen zich tusschen de boomen van den boulevard achter hem, +en zij vertoonden daar voor eenige oogenblikken in de duisternis een +flauwen schijn, die echter spoedig verdween. + +Marius had een oogenblik stilgestaan. Hij wilde nu zijn weg vervolgen, +toen hij aan zijn voeten een klein grijs pakje bespeurde. Hij bukte +en raapte het op. 't Was een soort van omslag, dat papieren scheen +te bevatten. + +De ongelukkigen hebben het laten vallen, dacht hij. + +Hij keerde terug, riep, maar vond ze niet, stak het pakje in zijn +zak en ging naar zijn diner. + +Onderweg zag hij in een gang der straat Mouffetard de doodkist van +een kind, met een zwart laken overdekt, op drie stoelen en door een +kaars verlicht. De beide meisjes van de schemering kwamen hem weder in +'t geheugen. + +"Arme moeders! dacht hij! Er is iets nog treuriger dan zijn kinderen +te zien sterven; namelijk ze slecht te zien leven." + +Vervolgens verlieten hem deze sombere gedachten, welke zijn +droefgeestigheid eenige afleiding gaven, en hij verzonk weder in zijn +gewone mijmeringen. + +Hij dacht weder aan zijn liefde van zes maanden, en aan zijn geluk +onder den blooten hemel, en aan de schoone boomen van het Luxemburg. + +"Hoe somber is mijn leven geworden," dacht hij. "Nog altijd verschijnen +mij jonge meisjes; maar vroeger waren 't engelen; thans zijn 't +duivelinnen." + + + + + + +DERDE HOOFDSTUK. + +VIER BRIEVEN. + + +Toen hij zich 's avonds ontkleedde om naar bed te gaan, voelde hij +in den zak van zijn jas het pakje, dat hij op den boulevard had +opgeraapt. Hij had er niet meer aan gedacht. Nu meende hij, dat het +nuttig kon zijn het te openen, wijl het misschien het adres der meisjes +kon bevatten, zoo het pakje haar werkelijk behoorde, of in allen geval +de noodige inlichtingen, om het aan den persoon terug te bezorgen, +die het verloren had. + +Hij opende het omslag. + +Dit was niet verzegeld en bevatte vier brieven, die evenmin verzegeld +waren. + +Er stonden adressen op. + +Alle vier roken vreeselijk naar tabak. + +Op den eersten brief stond dit adres: "Aan mevrouw, mevrouw +de markiezin de Grucheray, op het plein tegenover de kamer der +gedeputeerden, No...." + +Marius geloofde nu de inlichtingen te zullen vinden, welke hij zocht, +en vermits de brief niet gesloten was, mocht hij waarschijnlijk zonder +bezwaar gelezen worden. + +Hij luidde als volgt, met dezelfde fouten van taal en stijl: + + + "Mevrouw de markiezin, + + "De deugd van het mededoogen en der milddadigheid is de engste + band die de maatschappij samenhoudt. Wend uw christelijk gevoel en + medelijdenden blik naar een ongelukkigen Spanjaard, een offer van + zijn trouw en verkleefdheid aan de heilige zaak der legitimiteit, + waarvoor hij zijn bloed gestort, zijn fortuin, alles gewijd heeft, + om deze zaak te verdedigen en die zich nu in de diepste ellende + bevindt. Hij twijfelt niet dat uwedele hem eenige hulp zal + verleenen, om het uiterst smartelijk leven te behouden van een + militair van goede geboorte en een man van eer, vol kwetsuren, + die vooraf op de menschelijkheid rekent, die u bezielt en op de + belangstelling van mevrouw de markiezin voor zulk een ongelukkige + natie. Hun bede zal niet vruchteloos zijn, en hun dank zal u een + aangename herinnering blijven. + + "Met gevoelens van hoogachting, waarmede ik de eer heb te zijn, + + + Mevrouw, + + "Don Alvarès, Spaansch kapitein der Caballerie, naar Frankrijk + uitgeweken koningsgezinde, die voor zijn vaderland op reis is en + wien geld ontbreekt om zijn reis voort te zetten." + + +Bij de handteekening was geen woonplaats gevoegd. Marius hoopte +het adres in den tweeden brief te vinden, die tot opschrift had: +"Aan Mevrouw, Mevrouw de gravin de Montvernet, straat Cassette +No. 9." Marius las het volgende: + + + "Mevrouw de gravin. + + + "Ik ben een ongelukkige huismoeder met zes kinderen, waarvan het + jongste slechts acht maanden oud is. Ik ben sinds mijn laatste + kraambed ziek en sedert vijf maanden door mijn man verlaten, + zonder eenige hulp ter wereld en in de vreeselijkste armoede. + + "In de hoop op mevrouw de gravin, heeft zij, mevrouw, de eer te + zijn met diepen eerbied + + + "Vrouw Balizard." + + +Marius nam den derden brief, die evenals de vorigen een bedelbrief was, +en las: + + +"Mijnheer Pabourgeot, kiezer, koopman in wollen stoffen in 't groot, +straat St. Denis, hoek der straat aux Fers. + + + "Ik neem de vrijheid u dezen brief te zenden, met het verzoek mij + de kostbare gunst uwer sympathie te schenken en uwe belangstelling + in een letterkundige, die aan het Théâtre Français een drama + heeft gezonden. Het onderwerp is historisch en het stuk speelt + in Auvergne, tijdens het Keizerrijk; ik geloof dat de stijl + natuurlijk, kernachtig en niet zonder verdienste is. Op vier + plaatsen zijn er liedjes ingelascht. Overigens is het komieke, + ernstige, verrassende er ingemengd met de verscheidenheid der + karakters, en een romantische tint ligt zacht over de geheele + intrigue verspreid, die geheimzinnig, te midden van treffende + tusschenbedrijven voortgaat en zich in schitterende tooneelen + oplost. + + "'t Is mijn hoofddoel aan den wensch te voldoen, die hoe langer + hoe meer den mensch onzer eeuw bezielt, namelijk de mode, dezen + grilligen en zonderlingen weerhaan, die bij elken wind verandert. + + "In weerwil dezer hoedanigheden heb ik reden te vreezen, dat de + ijverzucht en het egoïsme der bevoorrechte schrijvers mij uit + den schouwburg zullen verdringen, want de bitterheden waarmede + men de nieuwelingen overlaadt zijn mij niet onbekend. + + "Mijnheer Pabourgeot, de naam, dien gij terecht hebt, van een + verlicht beschermer der letterkundigen te zijn, verstout mij + mijn dochter te zenden, die u onzen armoedigen toestand zal + blootleggen, want wij hebben gebrek aan brood en brand in dit + strenge seizoen. 't Is niet noodig u te zeggen, dat ik u mijn + drama, en alle die ik nog maken zal, wensch op te dragen en u te + bewijzen, hoe vurig ik naar de eer streef mij in uw bescherming + te stellen, en mijn geschriften met uw naam op te luisteren. Zoo + ge u verwaardigt mij met een kleine gift te vereeren, zal ik + mij dadelijk aan een gedicht zetten om u mijn schatting van + dankbaarheid te voldoen. Dat gedicht, 't welk ik zoo volmaakt + mogelijk zal pogen te maken, zal u worden gezonden vóór het aan + 't hoofd van het drama zal geplaatst en op het tooneel gedebuteerd + worden. + + + "Aan mijnheer + en mevrouw Pabourgeot + mijn eerbiedigste hulde. + + Genflot, letterkundige." + + P. S. "Al is 't maar twee francs." + + "Vergeving dat ik u mijn dochter zend en niet zelf kom, maar + treurige redenen van kleeding veroorloven mij, helaas, niet, + uit te gaan..." + + +Nu opende Marius den vierden brief, aldus geadresseerd: "Aan den +weldadigen Heer van de Kerk St. Jacques du Haut-Pas. + + + "Weldadig man, + + "Zoo ge u wilt verwaardigen mijn dochter te vergezellen, zult ge + een bittere armoede vinden en ik zal u mijn certificaten toonen. + + "Bij 't gezicht dezer stukken zal uw edelmoedige ziel bewogen + worden door een levendig gevoel van medelijden, want echte + wijsgeeren gevoelen immer levendige aandoeningen. + + "Ge moet bekennen, mededoogend man, dat men in den vreeselijksten + nood moet zijn en het zeer smartelijk valt, dit door de overheid te + moeten doen bevestigen, ten einde eenigen bijstand te erlangen, + alsof men niet vrij ware te lijden en van gebrek te sterven, + in afwachting dat men onze armoede lenige. Het lot is zeer wreed + voor sommigen en al te overdadig en begunstigend voor anderen. + + "Ik wacht uw tegenwoordigheid of uw gift, zoo ge zoo goed wilt + zijn, en verzoek u de betuigingen van mijn eerbied te willen + ontvangen, waarmede ik de eer heb te zijn, + + + "Wezenlijk grootmoedig man, + + "Uw zeer onderdanige en zeer gehoorzame dienaar, + + "P. Fabantou, dramatisch artist." + + +Na deze vier brieven gelezen te hebben, wist Marius nog weinig meer +dan vroeger. + +Vooreerst gaf geen der onderteekenaars zijn woonplaats op. + +Vervolgens schenen de brieven van vier verschillende personen te zijn; +van don Alvarès, van vrouw Balizard, van den dichter Genflot en van +den dramatischen artist Fabantou; maar 't was zonderling, dat deze +brieven alle vier door dezelfde hand geschreven waren. + +Wat zou hij er anders uit afleiden, dan dat zij ook van denzelfden +persoon kwamen? + +Bovendien, en dit maakte de gissing nog waarschijnlijker, waren de +vier brieven op hetzelfde grove en verkleurde papier geschreven, +ook hadden zij denzelfden tabaksreuk en, hoewel 't duidelijk was dat +men den stijl had willen afwisselen, kwamen er echter dezelfde soort +van spelfouten in voor, zoowel bij den letterkundige Genflot als bij +den Spaanschen kapitein. + +'t Was vergeefsche moeite dit kleine geheim te willen doorgronden. Zoo +'t geen vond ware geweest, zou 't een fopperij geleken hebben. Marius +was te droefgeestig om behagen te vinden zelfs in een scherts van +het toeval, of om zich op te houden met een spel, dat de openbare +straat met hem scheen te willen spelen. Het scheen hem, alsof hij +blindemannetje was tusschen deze vier brieven, en deze hem voor den +mal hielden. + +Overigens duidde in die brieven niets aan, dat zij aan de meisjes +behoorden, welke Marius op den Boulevard ontmoet had. 't Waren in +allen geval papieren, die blijkbaar geen de minste waarde hadden. + +Marius stak ze weder in het omslag, wierp ze in een hoek en legde +zich te bed. + +Den volgenden morgen tegen zeven uren was hij opgestaan, had ontbeten +en wilde zich aan 't werk zetten, toen zacht aan zijn deur werd +geklopt. + +Vermits hij niets bezat, nam hij nimmer den sleutel uit zijn deur, +behalve slechts wanneer hij aan een dringend werk bezig was. Overigens +liet hij, zelfs wanneer hij uitging, den sleutel in de deur.--"Men +zal u bestelen," zei vrouw Bougon.--"Wat?" vroeg Marius.--Men had hem +evenwel op zekeren dag een paar oude laarzen ontstolen, tot groote +zelfvoldoening van vrouw Bougon. + +Men klopte nogmaals zeer zacht. + +"Binnen," zei Marius. + +De deur werd geopend. + +"Wat wilt ge, vrouw Bougon?" vroeg Marius zonder zijn oogen van de +boeken en papieren op te slaan, die op de tafel lagen. + +Een stem, welke niet die van vrouw Bougon was, antwoordde: + +"Vergeving, mijnheer..." + +'t Was een doffe, gebroken, schorre stem, als van een oud man die +dronken is of zich overschreeuwd heeft. + +Marius hief ijlings het hoofd op en zag een meisje. + + + + + + +VIERDE HOOFDSTUK. + +EEN ROOS IN ELLENDE. + + +Een zeer jong meisje stond in de open deur. Het zoldervenster, door +'t welk het licht in het vertrek viel, was recht tegenover de deur en +verlichtte deze gestalte met een vaal schijnsel. Het meisje was bleek, +tenger, mager; slechts een hemd en een rok bedekten haar bibberende +naakte lijf. Een bindtouw was haar ceintuur, evenals een bindtouw haar +kapsel samenhield; knokige schouders kwamen uit het hemd, zij was +ziekelijk bleek, met uitstekende wangbeenderen, roode handen, half +open mond die reeds tanden miste, doffe, brutale, gemeene oogen, de +vormen van een halfvolwassen meisje, en den blik eener oude verdorven +vrouw; vijftig en vijftien jaren ondereen gemengd; een dier tevens +zwakke en leelijke wezens, die ons doen huiveren of weenen. + +Marius was opgestaan en aanschouwde met een soort van verbazing +dit schepsel, dat een dier schimmen geleek, welke soms in den droom +verschijnen. + +Vooral scheen het smartelijk, dat dit meisje blijkbaar niet ter +wereld was gekomen om leelijk te zijn. In haar kindsheid moest zij +zelfs schoon zijn geweest. De bevalligheid der jeugd worstelde nog +bij haar tegen de leelijkheid van vroegtijdigen ouderdom, de vrucht +van buitensporigheid en armoede. Een overblijfsel van schoonheid lag +nog op dit zestienjarig gezicht, als de bleeke zonnestraal die bij +een wintermorgen door grijze wolken wordt verdoofd. + +Dat gezicht kwam Marius niet geheel onbekend voor. Hij meende zich +te herinneren het ergens gezien te hebben. + +"Wat begeert ge?" vroeg hij. + +Het meisje antwoordde met een stem als die van een dronken galeiboef: + +"Hier is een brief voor u, mijnheer Marius." + +Zij noemde Marius bij zijn naam, er was alzoo geen twijfel dat zij +bepaaldelijk hem bedoelde, maar wie was dit meisje? Hoe kende zij +zijn naam? + +Zonder te wachten dat hij haar verzocht te naderen, trad zij +binnen. Zij trad stoutmoedig voort, terwijl ze met een onbeschaamdheid, +die het hart toekneep, haar blik door de kamer en op het nog afgehaalde +bed sloeg. Zij was blootsvoets. Door de groote scheuren in haar rok kon +men haar lange beenen en magere knieën zien. Zij bibberde van koude. + +Zij hield een brief in de hand, dien zij Marius aanbood. + +Toen Marius den brief opende, merkte hij dat de groote ouwel nog nat +was. De brief kon dus niet van verre komen. Hij las: + + + "Lieve buurman,--geëerde jonge heer! + + "Ik heb uw goedheid jegens mij vernomen, dat gij, zes maanden + geleden, mijn huishuur betaald hebt. Ik zegen u, jong mensch. Mijn + oudste dochter zal u zeggen, dat wij sedert twee dagen, met ons + vieren zonder brood, en mijn vrouw ziek is. Zoo ik mij in mijn + gedachten omtrent u niet bedrieg, durf ik hopen, dat uw edelmoedig + hart zich zal verteederen bij deze mededeeling en u zal dringen + mij behulpzaam te zijn door mij een kleine weldaad te bewijzen. + + Ik ben met de hoogachting en onderscheiding, die men aan de + weldoeners der menschheid schuldig is + + + Jondrette." + + + P.S. Mijn dochter zal op uw orders wachten, waarde heer Marius." + + +Deze brief, die midden in het duistere avontuur viel, 't welk Marius +sedert den vorigen avond bezighield, was een lichtstraal in de +duisternis. Alles helderde zich eensklaps op. + +Deze brief kwam van waar de vier andere brieven kwamen. Het was +dezelfde hand, dezelfde stijl, dezelfde spelling, hetzelfde papier, +dezelfde tabaksreuk. + +Er waren vijf brieven, vijf geschiedenissen, vijf namen, vijf +handteekeningen, en één onderteekenaar. De Spaansche kapitein don +Alvarès, de ongelukkige moeder Balizard, de tooneeldichter Genflot, +de oude komediant Fatanbou heetten alle vier Jondrette, zoo ten minste +Jondrette zelf Jondrette heette. + +Sedert den reeds langen tijd, dat Marius het huis bewoonde, was hij, +zooals gezegd is, zelden in de gelegenheid geweest zijn allernaaste +buren te zien of slechts op te merken. Zijn geest was elders, en waar +de geest is, is het oog. Hij had zekerlijk meer dan eens de Jondrettes +in de gang en op de trap ontmoet; maar zij waren voor hem slechts +schimmen geweest, en zoo weinig had hij er op gelet, dat hij den +vorigen avond de dochters van Jondrette tegen 't lijf was geloopen, +zonder ze te kennen, want zij waren 't ongetwijfeld geweest, en zij, +die zijn kamer was binnengegaan, had, bij den afkeer en het medelijden, +welke zij hem inboezemde, nauwelijks een flauwe herinnering in hem +opgewekt, dat hij haar elders ontmoet had. + +Nu zag hij alles duidelijk. Hij begreep, dat zijn buurman Jondrette +in zijn nood er een bedrijf van maakte, op de weldadigheid +van menschlievende personen te werken, dat hij zich hun adressen +bezorgde, en dat hij onder verdichte namen aan lieden, die hij rijk en +mededeelzaam geloofde, brieven schreef, welke zijn dochters voor eigen +kosten en gevaar bezorgden; want deze vader waagde zijn dochters; hij +dobbelde met het lot en zette haar op 't spel. Marius begreep, uit haar +hijgende vlucht van den vorigen avond, haar schrik en de zonderlinge +woorden, welke hij had gehoord, dat deze rampzaligen bovendien nog +andere treurige beroepen uitoefenden, en dat zij door een en ander, +te midden der menschelijke maatschappij, zooals die is samengesteld, +twee ellendige wezens waren geworden, die noch kinderen, noch meisjes, +noch vrouwen, maar een soort van onreine en onschuldige monsters waren. + +Treurige schepsels zonder naam, zonder leeftijd, zonder sekse, voor +wie noch goed noch kwaad meer mogelijk is, en die, nauwelijks uit de +kindsheid getreden, niets meer in deze wereld hebben, noch vrijheid, +noch deugd, noch verantwoordelijkheid. Zielen, die gisteren ontloken, +heden verwelkt zijn, die bloemen gelijkende, welke op de straat zijn +gevallen, door allerlei slijk bezoedeld en door een rad verpletterd +worden. + +Terwijl Marius intusschen zijn verbaasden, smartelijken blik op haar +richtte, ging het meisje met de vermetelheid van een spooksel heen en +weder door het vertrek. Zij bewoog zich zonder zich om haar naaktheid +te bekommeren. Haar los en gescheurd hemd viel soms tot onder haar +borst. Zij verschoof de stoelen, verplaatste de toiletzaken die op +de commode stonden, raakte de kleederen van Marius aan en snuffelde +in alle hoeken. + +"Ha!" zeide zij, "hebt ge een spiegel?" + +En zij neuriede, als ware zij alleen geweest, liedjes uit vaudevilles, +vroolijke refreins, die door haar holle, heesche stem afschuwelijk +klonken. Onder deze stoutmoedigheid kwam echter een zekere +gedwongenheid, ongerustheid en deemoedigheid uit. Onbeschaamdheid is +een schande. + +Niets was treuriger dan haar in de kamer zoo te zien rondfladderen +als een vogel, die door het licht verblind is of den vleugel gebroken +heeft. Men gevoelde, dat de vroolijke, vrije bewegingen van het meisje, +onder andere voorwaarden van opvoeding en lotsbestemming, iets geheel +anders, iets zachts en bekoorlijks konden geweest zijn. Onder de +dieren verandert nimmer een wezen, dat geschapen is om duif te zijn, +in een uil. Dit vindt men alleen bij de menschen. + +Marius dacht, en liet haar begaan. + +Zij naderde de tafel. + +"Ha, zeide zij, boeken!" + +Een glans verlichtte haar glazig oog. Zij hernam, en haar stem +drukte het geluk uit, zich op iets te kunnen beroemen, waarvoor geen +menschelijk schepsel ongevoelig is: + +"Ik kan lezen." + +Zij greep driftig het opengeslagen boek van de tafel en las tamelijk +vlug: + +"...: Generaal Banduin ontving bevel met de vijf bataljons zijner +brigade het kasteel van Hougoment, dat in het midden van de vlakte +van Waterloo ligt, in te nemen..." + +Zij brak 't lezen af, met de woorden: + +"Ha! Waterloo! dat ken ik. 't Was een fameuze slag! mijn vader was +er bij. Mijn vader heeft in 't leger gediend. Wij zijn bonapartisten, +dat verzeker ik u. Waterloo was tegen de Engelschen." + +Zij legde het boek neder, nam een pen en riep: + +"Ik kan ook schrijven!" + +Zij doopte de pen in den inkt, wendde zich tot Marius en zeide: + +"Wilt ge 't zien. Kijk, ik zal een woord schrijven om 't u te toonen." + +Vóór hij tijd had te antwoorden schreef zij op een vel papier, dat +op de tafel lag: "De dienders zijn er." + +Toen hernam zij, de pen wegwerpende: + +"Er zijn geen spelfouten in. Zie slechts. Mijn zuster en ik hebben +een goede opvoeding gehad. Wij zijn niet altijd geweest wat wij nu +zijn. Wij waren niet bestemd om ..." + +Eensklaps zweeg zij, richtte haar doffen blik op Marius, begon luid +te lachen en zeide op een toon, die alle angsten, door hondsche +onverschilligheid onderdrukt verried: + +"Och, kom!" + +En op een vroolijke wijs zong zij: + + + J'ai faim, mon père. + Pas de fricot. + J'ai froid, ma mère. + Pas de tricot. + Grelotte, + Lolotte! + Sanglote, + Jacquot. + + +Toen zij dit couplet gezongen had, riep zij haastig: + +"Gaat ge soms naar den schouwburg, mijnheer Marius? Ik ga er dikwijls +heen. Ik heb een jongen broeder, die een vriend der acteurs is en +mij soms kaartjes geeft. Maar ik houd niet van de galerij; men zit +er ongemakkelijk. 't Is er meestal stampvol; en er zijn lieden die +leelijk rieken." + +Daarop zag zij Marius aan, en zeide op zonderlingen toon: + +"Weet ge wel, mijnheer Marius, dat ge een zeer lieve jongen zijt?" + +En op denzelfden tijd kwam bij beiden dezelfde gedachte op, die haar +deed glimlachen en hem deed blozen. + +Zij naderde hem en legde een hand op zijn schouder: + +"Hoewel ge geen acht op mij slaat, mijnheer Marius, ken ik u toch. Ik +ontmoet u hier op de trap en zie u nu en dan bij den ouden heer +Mabeuf ingaan, die in de nabijheid van Austerlitz woont, wanneer ik +daar wandel. Uw verward haar staat u zeer goed." + +Zij poogde haar stem zeer zacht te maken, doch zij klonk slechts zeer +grof. Een gedeelte harer woorden ging op den weg van haar keel naar +de lippen verloren, evenals in een klavier, waaraan toetsen ontbreken. + +Marius was een weinig achteruit gegaan. + +"Juffer," zeide hij, op koelen, ernstigen toon, "ik heb hier een pakje, +dat geloof ik van u is. Vergun mij 't u weder te geven." + +En hij overhandigde haar het pakje met de vier brieven. + +Zij klapte in haar handen en riep: + +"Wij hebben 't overal gezocht." + +Toen greep zij haastig het pakje, en opende het, terwijl zij zeide: + +"Mijn God! mijn zuster en ik hebben overal gezocht. Hebt gij 't +gevonden? Op den boulevard, niet waar? Ja, 't moet op den boulevard +zijn. Weet ge, 't is ons ontvallen, toen wij op den loop gingen. Mijn +lieve zusje heeft die domheid begaan. Toen wij te huis kwamen was 't +weg. Omdat wij niet wilden geslagen worden, 't geen onnoodig, volkomen +onnoodig, geheel en al onnoodig is, zeiden wij, dat de brieven bezorgd +waren bij de personen welke men ons had opgegeven. Ja wel! hier zijn +de brieven! Maar waaraan hebt ge gezien, dat ze mij behoorden? Ha, ja, +aan 't schrift. Gij zijt het dus, dien wij gisteren tegen 't lijf zijn +geloopen. 't Was zoo donker, dat men niet zien kon. Niet waar? Ik vroeg +aan mijn zuster: Was 't een heer? Mijn zuster antwoordde: Ik geloof, +dat 't een heer was." + +Intusschen had zij den bedelbrief "aan den weldadigen heer der kerk +van St. Jacques-du-Haut-Pas" geopend. + +"Zie," zeide zij, "deze is voor den ouden man, die naar de mis gaat. 't +Is nu de tijd, dat ik hem dien brengen moet. Hij zal ons misschien +zooveel geven om te kunnen ontbijten." + +En wederom lachende, voegde zij er bij: + +"Weet ge wat het wezen zal, zoo wij heden ontbijten? 't Zal ons +ontbijt zijn van eergisteren, ons middagmaal van eergisteren, ons +ontbijt van gisteren, ons middagmaal van gisteren, dit alles zullen +wij van morgen in ééns hebben. Nu, zoo ge er niet mede tevreden zijt, +berst dan, honden!" + +Dit herinnerde Marius wat de ongelukkige bij hem kwam zoeken. + +Hij tastte in zijn vestzak, maar vond niets. + +Het meisje sprak op een wijze voort, alsof zij er niet meer aan dacht, +dat Marius tegenwoordig was. + +"Soms ga ik 's avonds uit. Soms kom ik niet weer t'huis. Verleden +winter, vóór dat wij hier kwamen, woonden wij onder de bogen der +bruggen. Wij drongen ons dicht op elkaar om niet te bevriezen. Mijn +klein zusje weende. Water! 't is treurig. Als ik er aan dacht mij +te verdrinken, zeide ik: Neen, 't is te koud. Ik ga, als ik wil, +alleen uit en slaap in slooten. Weet ge, des nachts als ik op den +boulevard ga, schijnen mij de boomen als masten en de donkere huizen +zwaar als de torens van Notre Dame, ik verbeeld mij, dat de witte +muren water zijn en zeg dan: zie, daar is water! De sterren zijn +als illumineerglazen, 't is alsof zij rooken en de wind ze uitwaait; +ik ben dan duizelig alsof paarden mij in de ooren snoven, en hoewel +'t nacht is, hoor ik straatorgels en het geratel van weefgetouwen, +wat weet ik! Ik geloof, dat men mij met steenen werpt; ik vlucht +zonder te weten waarom... alles draait, draait... 't Is aardig als +men niet gegeten heeft..." + +Zij zag hem verwilderd aan. + +Na al zijn zakken doorzocht te hebben, gelukte het Marius eindelijk +vijf francs zestien sous bijeen te krijgen. Dit was alles wat hij op +dit oogenblik in de wereld bezat. + +"Dit is voor mijn middagmaal van heden," dacht hij, "morgen zullen +wij zien." Hij hield de zestien sous en gaf het meisje de vijf francs. + +Zij nam het geld. + +"Goed!" zeide zij: "dat is zonneschijn." + +En alsof de zon de kracht had de fragmenten van gemeene en dieventaal +in haar hersens te ontdooien, braakte zij in verrukking eene menigte +onsamenhangende woorden en zinnen in die taal uit. Toen trok zij haar +hemd weer over de schouders, maakte voor Marius een diepe buiging, +vervolgens een gemeenzamen handwenk en trad naar de deur, zeggende: + +"Goeden dag, mijnheer. Om 't even, ik ga toch mijn oude opzoeken." + +De commode voorbijgaande zag zij er een uitgedroogde korst brood in +het stof liggen, zij greep ze, beet er in en zeide: + +"'t Is lekker, maar hard, men bijt er zijn tanden op stuk." + +Toen verdween zij. + + + + + + +VIJFDE HOOFDSTUK. + +HET SPIEGAT. + + +Marius, die sedert vijf jaren in armoede, in ontbering en zelfs +in nood had geleefd, zag nu, dat hij de wezenlijke ellende der +armoede niet gekend had. Hij had ze nu gezien. 't Was het spooksel, +dat zooeven voorbij zijn oogen was gegaan. Inderdaad, die slechts de +ellende van den man heeft gezien, heeft niets gezien, men moet ook de +ellende der vrouw zien; die slechts de ellende der vrouw heeft gezien, +heeft niets gezien, men moet de ellende van het kind zien. + +Wanneer de man in den uitersten nood is gekomen, is hij ook aan +het einde zijner hulpmiddelen. Wee de weerlooze wezens, die hem +nabijkomen. Arbeid, loon, brood, vuur, moed, goede wil, alles +ontbreekt hem tegelijkertijd. Het daglicht schijnt van buiten te +worden uitgedoofd, het zedelijk licht wordt inwendig uitgedoofd; in +deze duisternis vindt de man de zwakheid der vrouw en van het kind, +en dwingt ze tot eerloosheden. + +Dan zijn alle gruwelen mogelijk. De wanhoop is door zwakke schuttingen +omgeven, die alle bij de ondeugd of de misdaad uitkomen. + +Gezondheid, jeugd, eer, de heilige schuwe kieschheid van het nog +nieuwe vleesch, het hart, de maagdelijkheid, de schaamte, dit teedere +hulsel der ziel, dit alles wordt ruw aangegrepen door de hand die +naar redmiddelen zoekt, die eerloosheid vindt en die zich daarin +schikt. Vaders, moeders, kinderen, broeders, zusters, mannen, vrouwen, +dochters kleven en hechten zich samen, schier als een delfstoffelijke +vorming, in deze verwarde mengeling van geslachten, bloedverwantschap, +ouderdom, schandelijkheden en onschuld. Zij hurken dicht bijeen, +in een soort van noodlotshol. Met erbarmelijken blik aanschouwen zij +elkander. O! de rampzaligen! hoe bleek, hoe koud zijn zij! Het schijnt, +dat zij op een planeet zijn, die veel verder van de zon is dan wij. + +Dit meisje scheen Marius een afgezant uit de duisternis. + +Zij ontsluierde voor hem een geheel afschuwelijke zijde van den nacht. + +Marius verweet zich schier, dat zijn inspanningen van mijmering +en hartstocht hem tot hiertoe verhinderd hadden, een blik op zijn +buren te slaan. Dat hij hun huishuur had betaald, was slechts een +werktuiglijke beweging geweest, die iedereen zou gehad hebben; maar +hij, Marius, had iets beter behooren te doen. Hoe! slechts een muur +scheidde hem van deze verlaten wezens, die in de duisternis tastend, +verwijderd van andere menschen leefden, hij was in hun nabijheid, +zij waren om zoo te spreken met hem, als de uiterste schakel van +het menschelijk geslacht, in aanraking; hij hoorde ze leven, of +liever reutelen, naast zich, en hij lette er niet op; dagelijks, +ieder oogenblik hoorde hij door den muur heen, hen op en neer gaan, +spreken en hij merkte 't niet; in die woorden was gekerm, en hij +luisterde er zelfs niet naar! Zijn gedachten waren elders, aan +droomen, aan hersenschimmen, aan een in de lucht zwevende liefde, +aan dwaasheden overgegeven; en evenwel zieltoogden in zijn nabijheid +deze menschelijke wezens, zijn broeders in Jezus Christus, zijn +broeders in het volk; zij zieltoogden vruchteloos; hij zelf had deel +aan hun ongeluk en verergerde het. Want zoo zij een anderen buurman, +een minder hersenschimmig en meer oplettend buurman, een gewoon en +liefderijk mensch hadden gehad, zouden stellig hun ellende bespeurd, +hun noodseinen opgemerkt zijn, en sinds lang misschien zouden zij +opgenomen en gered zijn geweest! Zij schenen ongetwijfeld zeer +verlaagd, verdorven, diep gezonken, zelfs zeer slecht, maar 't is +zeldzaam, dat de gevallenen niet zijn ontaard; er is overigens één +punt waar ongelukkigen en eerloozen als in één woord samensmelten en +zich vermengen, een heilloos woord "verstootenen". Aan wie ligt de +schuld? En moet de liefde niet grooter zijn naarmate de val dieper is? + +Terwijl Marius zich zelf deze zedenlessen voorhield,--want het +gebeurde soms, dat hij, evenals ieder wezenlijk braaf gemoed, +zijn eigen zedenmeester was en zich zelven meer berispte dan hij +verdiende,--zag hij naar den muur, die hem van de familie Jondrette +scheidde, als wilde hij er zijn medelijdenden blik doorheen laten +dringen, om er deze rampzaligen mede te verwarmen. De muur bestond +slechts uit dunne, bepleisterde latten, door welke men, zooals gezegd +is, volkomen den klank der woorden en stemmen kon hooren. Men moest +zoo afgetrokken als Marius zijn geweest, om dit nog niet opgemerkt +te hebben. Noch aan den kant van Jondrette noch aan dien van Marius +was deze muur behangen; men zag er de naakte ruwheid van. + +Schier werktuiglijk bezag Marius dien wand: de mijmering beschouwt, +onderzoekt en bemerkt vaak even nauwkeurig als het de gedachte doen +zou. Eensklaps stond hij op; hij had boven aan den wand, dicht bij +den zolder, een kleine driekantige opening gezien, door drie latten +gevormd. De kalk was er tusschen uitgevallen en zoo men op de commode +klom, kon men door deze opening in het vertrek van Jondrette zien. Het +mededoogen heeft zijn nieuwsgierigheid en mag die hebben. Deze opening +was een soort van spiegat. Men mag de armoede verraderlijk bespieden +om haar bij te staan.--Laat ons zien, dacht Marius, wie deze lieden +zijn en hoe 't er mede gesteld is. Hij klom op de commode, hield zijn +oog voor de opening en gluurde er door. + + + + + + +ZESDE HOOFDSTUK. + +DE WILDE MENSCH IN ZIJN HOL. + + +De steden hebben, even zoowel als de wouden, haar holen, waarin zich +het boosaardigste en schrikkelijkste wat zij bevatten verbergt. Maar +in de steden is, hetgeen zich aldus verbergt, wild, onrein en nietig; +dat wil zeggen leelijk; wat zich in de wouden verbergt is wreed, +wild en groot, dat wil zeggen schoon. Hoe het zij, de schuilplaatsen +der dieren zijn boven die der menschen te verkiezen. Dierenholen zijn +beter dan menschenholen. + +Wat Marius zag was zulk een hol. + +Marius was arm en zijn kamer armoedig; maar even edel als zijn armoede +was, was zijn verblijf zindelijk. Het kot, waar hij nu zijn blik +insloeg, was afschuwelijk, vuil, walgelijk, donker en smerig. Geen +ander huisraad dan een matten stoel, een kreupele tafel, eenige +potscherven en in twee hoeken twee niet te beschrijven slaapsteden; +geen ander licht dan dat uit een zoldervenster met vier ruiten, +vol spinrag, kwam. Dit licht was juist genoeg om een mensch als een +spookgestalte te doen voorkomen. De muren hadden een rotachtig aanzien +en waren gescheurd en met naden, als een door een afschuwelijke ziekte +misvormd gelaat; zij zweetten een druipend kleverig vocht uit. Men +zag er met houtskool ruwe ontuchtige figuren op geteekend. + +De door Marius bewoonde kamer had een steenen vloer; die der andere +had noch steenen, noch planken, en men ging er op de zwart geworden +kalk waarin de steenen gemetseld waren geweest. Op zekeren ongelijken +grond, waarin het stof als gegroeid was en die sinds lang geen bezem +gevoeld had, lagen grillig dooreen allerlei leelijke vodden, sloffen, +sokken. Dit vertrek had echter een stookplaats, en daarom werd het +voor veertig francs 's jaars verhuurd. Er waren in die stookplaats +een komfoor, een pot, gebroken planken, aan spijkers hangende vodden, +een vogelkooi, asch en zelfs een weinig vuur. Een paar spanen rookten +er treurig. + +De leelijkheid van dit vertrek kwam te meer uit, wijl het ruim was. Er +waren uitspringende wanden, kanten, donkere holen, dakpannen, baaien +en kapen. Hierdoor ontstonden afzichtelijke hoeken, waar 't oog +niet kon doordringen, doch waarin zekerlijk monsterachtige spinnen +en duizendbeenen moesten huizen, misschien ook wel, wie weet welke, +monsterachtige menschelijke wezens. + +Eene krib stond bij de deur, een andere bij het venster. Beide kwamen +met het eind tegen den schoorsteen en stonden tegenover Marius. In +een hoek dicht bij de opening, door welke Marius keek, hing aan den +muur in een zwarte lijst een gekleurde prent, waaronder met groote +letters geschreven stond: de droom. Zij stelde een slapende vrouw voor, +met een slapend kind op haar schoot, een arend in een wolk, met een +kroon in den bek, welke kroon de vrouw van het hoofd des kinds afwendde +zonder dat zij overigens ontwaakte; op den achtergrond Napoleon in een +stralenkrans op een donkerblauwe kolom, met geel kapiteel rustende, +waarop deze inscriptie: + + + Marengo + Austerlits + Jena + Wagramme + Elot + + +Onder deze schilderij stond een vierkant houten bord, meer lang dan +breed, schuins tegen den muur. Het geleek een omgekeerde schilderij, +die men van den muur afgenomen en daar zoolang neergezet had, om ze +later weder op te hangen. + +Aan de tafel waarop Marius een pen, inkt en papier zag, zat een klein, +mager, bleek man van ongeveer zestig jaren, met sluw, wreed en onrustig +gelaat; kortom een afschuwelijke kerel. + +Zoo Lavater dat gezicht had gezien, zou hij er den gier gepaard aan +den procureur in hebben gevonden; den roofvogel en den chicaneur, die +wederzijds elkander leelijker maakten en aanvulden; de chicaneur door +den roofvogel gemeen, en de roofvogel door den chicaneur afschuwelijk +te maken. + +Dezen man had een langen grijzen baard. Hij had een vrouwenhemd aan, +dat zijn harige borst en zijn met steile grijze haren begroeide armen +bloot liet. Beneden dit hemd zag men een beslijkte broek en laarzen, +waaruit de teenen staken. + +Hij rookte een pijp. Er was geen brood in het hol, maar wel tabak. Hij +schreef waarschijnlijk een brief van de soort als Marius gelezen had. + +Op den hoek der tafel zag men een roodachtig, onvolledig boekdeel, +welks formaat een roman verried. Op den omslag las men in groote +kapitale letters: Dieu, le Roi, l'honneur et les dames par +Ducray-Duminil. 1814. + +Terwijl de man schreef sprak hij luid, en Marius hoorde deze woorden: + +"Er mag geen gelijkheid zijn, zelfs niet wanneer men dood is! Zie +Père-Lachaise! De grooten, de rijken, liggen boven in de acacia-laan +die bestraat is. Zij kunnen er met rijtuig komen. Maar de kleinen, +de armen, de ongelukkigen! O, men legt ze beneden, waar men tot aan +de knieën in de modder, in gaten en plassen zinkt. Men legt ze daar, +opdat zij spoediger vergaan zouden. Men kan ze niet bezoeken zonder +in den grond te zakken." + +Hij zweeg, sloeg met de vuist op de tafel en knarsetandend voegde +hij er bij: + +"Ik zou de wereld willen verslinden!" + +Een dikke vrouw, die even goed veertig als honderd jaar oud kon zijn, +zat op haar bloote voeten voor den schoorsteen gehurkt. + +Ook zij droeg niets dan een hemd en een gebreiden onderrok met stukken +oud laken opgelapt. Een voorschoot van grof linnen bedekte de helft +van den rok. Hoewel deze vrouw ineengedoken zat, kon men zien dat zij +zeer groot van gestalte was, 't was een soort van reuzin, bij haar +man vergeleken. Zij had leelijk, ros, grijsachtig haar, waarin zij +nu en dan met haar groote smerige handen, met platte nagels, woelde. + +Nevens haar lag op den grond, geheel opengeslagen, een boekdeel van +hetzelfde formaat als het vorige, en waarschijnlijk van denzelfden +roman. + +Op een der legersteden zag Marius onduidelijk een lang, bleek, schier +naakt meisje, met hangende beenen zitten, dat niet scheen te hooren, +noch te zien, noch te leven. + +Zeker de jongere zuster van degene die bij hem was geweest. + +Zij scheen elf of twaalf jaar oud. Doch zoo men haar nauwkeurig +beschouwde, ontdekte men, dat zij wel veertien jaar oud moest zijn. Dit +was het kind, hetwelk den vorigen avond op den boulevard had gezegd: +"Ik ging aan den haal!" + +Zij behoorde tot de ziekelijke soort, welke lang ten achter blijft, +doch dan eensklaps en snel opgroeit. 't Is de armoede, die zulke +treurige menschelijke planten voortbrengt. Deze schepsels hebben noch +kindsheid, noch jeugd. Op vijftienjarigen leeftijd schijnen zij twaalf +jaar, op zestienjarigen twintig jaar oud te zijn. Heden klein meisje, +morgen vrouw. 't Is alsof zij het leven met groote stappen doorloopen +om te eerder aan het einde te zijn. + +Op dit oogenblik geleek dit wezen een kind. + +Overigens vertoonde zich in dit verblijf geen het minste spoor van +arbeid; geen weefgetouw, geen spinnewiel, geenerlei werktuig. In +een hoek lag eenig verdacht ijzerwerk. 't Was de vadzige luiheid, +welke op de wanhoop volgt en de gansche vernietiging voorafgaat. + +Marius aanschouwde een poos dit akelig verblijf, dat schrikkelijker +dan 't inwendige van een graf scheen, want men zag de menschelijke +ziel bewegen en het leven er in kloppen. + +De holen, de kelders, de kuilen, waarin sommige behoeftigen der laagste +trappen van het maatschappelijk gebouw kruipen, zijn niet volkomen het +graf, maar de voorkamers ervan: gelijk de rijken hun grootste pracht +aan den ingang hunner paleizen ten toon stellen, schijnt de dood zijn +grootste ellende in die voorkamers te vertoonen, welke aan hem grenzen. + +De man zweeg nu, de vrouw sprak niet, het meisje scheen niet te +ademen. Men hoorde de pen over het papier krassen. + +De man bromde, zonder zijn schrijven te staken: "canaille, canaille, +alles is canaille!" + +Deze variant op Salomo's uitroep: "IJdelheid" enz., deed de vrouw +zuchten. + +"Wees bedaard, mijn vriend," zeide zij. "Maak u niet kwaad, mijn +lieve. Ge zijt waarlijk al te goed door aan al die lieden te schrijven, +mijn beste." + +In den nood dringen de lichamen tegen elkander als in de koude, maar +de harten verwijderen zich. Naar alle waarschijnlijkheid had deze +vrouw dien man moeten beminnen met al de liefde welke in haar was, +maar vermoedelijk was deze liefde, door de dagelijksche wederzijdsche +verwijten eener vreeselijke armoede, die op het geheele gezin drukte, +uitgedoofd. Er was in haar nog slechts de asch van genegenheid voor +haar man. Evenwel waren de teedere namen, gelijk vaak gebeurt, +overgebleven. Zij noemde hem nog steeds: "mijn lieve, mijn hart, +mijn vriend enz." met den mond, maar het hart zweeg. + +De man had zich weder aan 't schrijven gezet. + + + + + + +ZEVENDE HOOFDSTUK. + +STRATEGIE EN TACTIEK. + + +Marius, wiens hart bedrukt was, wilde het soort van observatorium +dat hij uitgevonden had, verlaten, toen een gerucht zijn aandacht +trok en er hem deed blijven. + +Eensklaps werd de deur van het vertrek geopend. De oudste dochter +verscheen op den drempel. Zij droeg grove mansschoenen met slijk +overdekt, die tot aan haar roode enkels was gespat, en een oude +gescheurde mantille, die ze niet gedragen had, toen Marius haar +vóór een uur had gezien, maar die zij waarschijnlijk aan de deur had +nedergelegd, om te meer medelijden te verwekken, en bij 't heengaan +weder omgedaan had. Zij trad binnen, stiet de deur achter zich dicht, +stond even stil om in den adem te schieten, want zij hijgde vreeselijk, +en riep toen op zegevierenden verheugden toon: + +"Hij komt!" + +De man hief de oogen op, de vrouw wendde het hoofd om, het zusje +bewoog zich niet. + +"Wie?" vroeg de vader. + +"De mijnheer." + +"De menschenvriend?" + +"Ja." + +"Van de kerk St. Jacques?" + +"Ja." + +"Die oude?" + +"Ja." + +"Zal hij spoedig komen?" + +"Hij volgt mij." + +"Is 't zeker?" + +"Gewis.--In een huurrijtuig." + +"In een huurrijtuig! 't Is een Rothschild!" + +De vader stond op. + +"Hoe zijt ge hier zeker van? Als hij per rijtuig komt, hoe komt het +dan, dat ge hier vóór hem zijt? Hebt ge hem ten minste het adres wel +gegeven? Hebt ge hem wel gezegd, dat het de laatste deur rechts aan +het einde van de gang is? Als hij zich maar niet vergist! Ge hebt hem +dus in de kerk gevonden? Heeft hij mijn brief gelezen? Wat heeft hij +u gezegd?" + +"Ho! ho! ho!" riep de dochter, "wat draaft ge door, man! Ik zal +u zeggen: ik trad de kerk binnen, vond hem op zijn gewone plaats, +boog voor hem en stelde hem den brief ter hand. Hij las hem en zeide +mij: "Waar woont ge, mijn kind?" Ik antwoordde: Ik zal 't u wijzen, +mijnheer. "Neen," zeide hij; "geef mij uw adres; mijn dochter heeft +nog eenige boodschappen te doen, ik zal een rijtuig nemen en er even +spoedig zijn als gij." Ik gaf hem het adres. Toen ik hem het huis +aanduidde, scheen hij een oogenblik verwonderd en aarzelend, maar +zeide eindelijk: "Om 't even, ik zal gaan." Toen de mis geëindigd +was, zag ik hem met zijn dochter de kerk verlaten, en beiden in een +huurrijtuig plaats nemen. Ik heb hem duidelijk gezegd de laatste deur +rechts, aan 't einde van de gang." + +"Wat geeft u zekerheid, dat hij komen zal?" + +"Ik heb de huurkoets gezien, toen zij de straat Petit-Banquier inreed, +daarom heb ik zoo hard geloopen." + +"Hoe weet ge, dat het dezelfde huurkoets is?" + +"Wijl ik het nummer ervan had onthouden." + +"Welk nummer?" + +"440." + +"Goed, ge zijt een schrandere meid." + +Met stouten blik aanschouwde zij haar vader, en hem op de schoenen +wijzende, die zij aan de voeten had, zeide zij: + +"Schrander, 't is mogelijk, maar ik zeg u, dat ik deze schoenen niet +meer aandoe en ze niet meer hebben wil; vooreerst om mijn gezondheid, +en dan om de zindelijkheid. Er is niets hatelijker dan zolen die het +water inzuigen, en onderweg spatten. Ik ga liever barrevoets." + +"Ge hebt gelijk," antwoordde de vader op vriendelijken toon, die bij +de ruwheid van de dochter sterk uitkwam; "maar dan zal men u niet +meer in de kerken toelaten; armen moeten schoenen hebben. Men gaat +niet barrevoets tot den goeden God," voegde hij er bitter bij. En op +het oogenblik terugkomende, dat hem bezighield: "Nu, zijt ge zeker, +heel zeker, dat hij komt?" + +"Hij volgt mij op de hielen," was het antwoord. + +De man richtte het hoofd op. Er kwam een soort van glans op zijn +gezicht. + +"Vrouw," riep hij, "hoort ge. De menschenvriend komt. Doof het +vuur uit." + +De verbaasde moeder bewoog zich niet. + +Met de vlugheid van een koordedanser nam de vader een gebersten pot +van den schoorsteen en wierp water op de rookende spaanders. + +Toen zeide hij tot zijn oudste dochter: + +"Komaan, ruk de mat uit den stoel." + +Zijn dochter begreep hem niet. + +Hij greep den stoel en trapte de mat ervan in, zoodat zijn been +er doorging. + +Terwijl hij zijn been er weer uittrok, vroeg hij aan zijn dochter: + +"Is 't koud?" + +"Fel koud; het sneeuwt." + +Zich toen tot zijn dochter wendende, die op het bed bij het venster +zat, riep hij haar toe, met donderende stem: + +"Haast u, van 't bed, luiwammes! Zult ge dan nooit iets doen! sla +een ruit in!" + +Bibberend sprong het meisje van het bed. + +"Sla een ruit in!" herhaalde hij. + +Het kind was als versuft. + +"Hoort ge niet?" herhaalde de vader, "ik zeg u, dat ge een ruit moet +stuk slaan." + +Met angstige gehoorzaamheid richtte het meisje zich op de teenen +omhoog, en sloeg met haar vuist een glasruit stuk. Het glas viel +rinkelend op den grond. + +"Goed," zei de vader. + +Hij was ernstig en driftig. Zijn blik doorvloog haastig al de hoeken +van 't vertrek. + +Hij geleek een veldheer, met de laatste toebereidselen voor een +veldslag bezig, die zoo aanstonds beginnen zal. + +De moeder, die nog niet gesproken had, richtte zich op en vroeg +met zulk een langzame en doffe stem, alsof de woorden die zij sprak +bevrozen waren: + +"Lieve man, wat wilt ge doen?" + +"Ga naar bed," antwoordde de man. + +De toon, waarop dit gezegd werd, gedoogde geen bedenking. De moeder +gehoorzaamde en wierp zich loom en zwaar op een der kribben. + +Intusschen hoorde men in een hoek snikken. + +"Wat is er?" vroeg de vader. + +De jongste dochter toonde haar bloedende hand, zonder uit den donkeren +hoek te voorschijn te komen, waarin zij was neergehurkt. Zij had zich +met het stuk slaan der ruit gekwetst; en was naar het bed harer moeder +gegaan, waar zij stil weende. + +'t Was nu de beurt der moeder om zich op te richten en te schreeuwen. + +"Zie nu, wat voor domheden gij begint; zij heeft zich aan het glas +gesneden, toen zij het stuk sloeg." + +"Des te beter," zei de man, "ik had er op gerekend..." + +"Wat? des te beter?" hernam de vrouw. + +"Zwijg!" riep de vader, "ik hef de vrijheid der pers op!" + +En van het vrouwenhemd, dat hij droeg, scheurde hij een lap af, +en wond dien schielijk om de bloedende hand van het meisje. + +Na dit gedaan te hebben, sloeg hij een tevreden blik op zijn gescheurd +hemd. + +"Ook het hemd," zeide hij, "alles heeft nu een goed aanzien." + +Een ijskoude wind floot door de ruit in de kamer. De mist drong +binnen en verspreidde zich door het vertrek. De wind joeg de sneeuw +binnen. De koude, welke de zon van den vorigen dag, van Maria-lichtmis, +had beloofd, was inderdaad gekomen. + +De vader sloeg zijn blik in 't rond, als wilde hij zich overtuigen, +dat hij niets vergeten had. Hij nam een oude schop, en strooide asch +op de bevochtigde spaanders aan den haard, om ze geheel te verbergen. + +Toen richtte hij zich op, en tegen den schoorsteen leunend, zeide hij: +"Nu kunnen wij den menschenvriend afwachten." + + + + + + +ACHTSTE HOOFDSTUK. + +EEN LICHTSTRAAL IN HET HOL. + + +Het groote meisje naderde en legde haar hand op die haars vaders, +zeggende: + +"Voel, hoe koud ik ben." + +"Och," antwoordde de vader, "ik ben nog kouder dan gij." + +De moeder riep heftig: + +"Gij, gij hebt immers altijd alles beter dan anderen; tot zelfs het +kwade toe." + +"Zwijg!" zei de man. + +De moeder zweeg, bij den bijzonderen blik, dien de man op haar sloeg. + +Er ontstond een oogenblik stilte in het ellendig verblijf. + +De oudste dochter wreef met een achtelooze houding het slijk van den +rand harer mantille; de jongste dochter snikte nog steeds; de moeder +had het hoofd van 't kind in beide handen genomen en bedekte het met +kussen, fluisterend zeggende: + +"Wees stil, mijn schatje, 't is niets; ween niet, uw vader zou boos +worden." + +"Neen," riep de vader; "integendeel, schrei en snik, dat is goed." + +En zich weder tot de oudste wendende, hernam hij: + +"Wel, hoe is 't! hij komt niet! zoo hij niet kwam, zou ik voor niets +mijn vuur uitgedoofd, mijn stoel ingetrapt, mijn hemd gescheurd en +mijn ruit gebroken hebben." + +"En de kleine gewond," mompelde de moeder. + +"Weet ge," hernam de vader, "dat het duivels koud in dit hondenhok +is? Zoo de man niet kwam! Maar ja, hij laat zich wachten en denkt: +Laat hen wachten, zij zijn er voor.--O, ik haat deze rijken, en zou +ze met gejuich, vreugde, blijdschap en wellust kunnen worgen; die +zoogenaamde liefdadige lieden, die zich vroom houden, ter mis gaan, +die met de zwartrokken en priester verkeeren, en meenen dat zij boven +ons zijn verheven, die ons komen vernederen, en ons kleeren brengen, +zooals zij zeggen! vodden zijn 't, die geen oordje waard zijn; en +brood! Dat is 't niet wat ik wil, canailletroep! ik wil geld! Geld! dat +geven ze niet, want zij zeggen dat wij 't zouden verdrinken en dat +wij luiaards en dronkaards zijn! En zij! wat zijn zij! wat zijn zij +in hun tijd geweest? dieven, zij zouden anders zoo rijk niet zijn. O, +men moest de maatschappij als een laken aan de vier hoeken nemen +en alles in de lucht uitslaan! 't is mogelijk dat alles brak, maar +niemand zou iets hebben, en dat was reeds iets gewonnen.--Maar waar +blijft toch de oude, menschlievende heer? Zal hij komen! misschien +heeft de ezel het adres vergeten; ik wed dat het oude dier..." + +Juist werd zacht aan de deur geklopt; de man ijlde toe en opende ze, +terwijl hij met diepe buigingen en eerbiedige lachjes, riep: + +"Kom binnen, mijnheer, wees zoo goed binnen te komen, eerbiedwaardige +weldoener, en ook uw bekoorlijke dochter!" + +Een bejaard man en een jonge dame verschenen op den drempel. + +Marius had zijn plaats niet verlaten. Wat hij op dit oogenblik gevoelde +is onmogelijk in menschelijke spraak uit te drukken. + +"Zij was 't!" + +Wie bemind heeft, weet welk een hemelsche verrukking in dit woord +zij ligt. + +Zij was 't inderdaad. Marius kon haar nauwelijks onderscheiden door den +flikkerenden nevel, die plotseling voor zijn oogen zweefde. 't Was het +liefelijke wezen, de ster welke zes maanden voor hem geschenen had, +en toen verdwenen was; 't was dat oog, dat voorhoofd, die mond, dat +bloeiend schoon gezicht, dat, bij haar verdwijnen, hem in duisternis +had gehuld. De eclips was geëindigd; het hemellichaam kwam terug. + +Het kwam terug in deze duisternis, in dit hol, in dit afschuwelijk +verblijf, in deze ellende. + +Marius beefde van verrassing. Hoe! zij was 't! Zijn hartkloppingen +verduisterden zijn gezicht. Hij voelde zich op 't punt in tranen uit +te breken. Hij zag haar eindelijk weder, na haar zoo lang gezocht +te hebben! 't Was hem, alsof hij zijn ziel wedervond, welke hij +verloren had. + +Zij was nog dezelfde, slechts iets bleeker; haar fijn gelaat was door +een violetkleurigen, fluweelen hoed omgeven, haar gestalte verborgen +onder een zwart satijnen mantel. Onder haar lang kleed kwam even haar +kleine voet, in een zijden laarsje, te voorschijn. + +Zij was ook nu weder in gezelschap van mijnheer Leblanc. + +Zij was de tafel genaderd en had er een vrij groot pak op gelegd. + +De oudste dochter van Jondrette was achter de deur gegaan en zag +met somberen blik naar den fluweelen hoed, den zijden mantel en het +bekoorlijk, gelukkig gelaat. + + + + + + +NEGENDE HOOFDSTUK. + +JONDRETTE WEENT BIJNA. + + +Het was zoo donker in het vertrek, dat degenen, die van buiten kwamen, +aanvankelijk in een kelder meenden te gaan. De beide zoo even gekomenen +naderden dus eenigszins aarzelend, nauwelijks de voorwerpen kunnende +onderscheiden, terwijl zij volkomen gezien en opgenomen werden door de +oogen der bewoners van het kot, die aan deze schemering gewoon waren. + +Mijnheer Leblanc naderde met zijn goedhartig en treurig gezicht, +en zeide tot vader Jondrette: + +"Mijnheer, gij zult in dit pak nieuwe kleederen, wollen kousen en +dekens vinden." + +"Onze hemelsche weldoener overlaadt ons met weldaden," zei Jondrette +tot den grond buigende.--Toen de beide bezoekers daarop het armoedig +verblijf in oogenschouw namen, fluisterde hij zacht en haastig zijn +oudste dochter in 't oor: + +"Nu, heb ik 't niet gezegd? kleederen! geen geld! Zij zijn +allen eender. Zeg eens, hoe was de brief aan dezen ouden schelm +onderteekend?" + +"Fabantou," antwoordde de dochter. + +"Dramatisch artist, goed!" + +'t Was goed, dat Jondrette deze vraag gedaan had, want juist kwam de +heer Leblanc naar hem toe en sprak tot hem, op den toon van iemand, +die een naam zoekt: + +"Ik zie dat ge wel zeer te beklagen zijt, mijnheer..." + +"Fabantou," antwoordde Jondrette haastig. + +"Mijnheer Fabantou! juist. Nu herinner ik mij." + +"Dramatisch artist, mijnheer, indertijd zeer toegejuicht." + +Jondrette meende, dat nu het oogenblik gekomen was om den +menschenvriend in te pakken. En met een stem, die evenveel van +den bluf des marktschreeuwers voor een kermistent, als van den +ootmoed des straatbedelaars had, riep hij: "Een leerling van Talma, +mijnheer! Ja, ik ben een leerling van Talma! Eertijds lachte mij +de fortuin toe. Helaas, nu is de beurt aan het ongeluk. Zie, mijn +weldoener, geen brood, geen vuur. Mijn arme kinderen hebben geen +vuur. Mijn eenige stoel is zonder mat. Een gebroken vensterruit! in +zulk een weder! Mijn vrouw ziek te bed!" + +"Arme vrouw!" zei Leblanc. + +"Mijn kind gewond!" voegde Jondrette er bij. + +Door de komst der vreemden afgeleid, had het kind opgehouden te +schreien en zag nu met alle aandacht naar de jonge dame. + +"Schrei, balk toch!" beet Jondrette haar in 't oor. Tegelijkertijd +kneep hij in haar gewonde hand. Dit alles voerde hij uit met de +behendigheid van een goochelaar. + +Het meisje begon luide te krijten. + +De bekoorlijke jonge dame, die Marius in zijn hart "zijn Ursula" +noemde, naderde haastig, uitroepende: + +"Arm, lief kind!" + +"Zie haar bloedende hand, schoone jonge dame," zei Jondrette. "Dat +ongeluk heeft zij gekregen aan de machine, waaraan zij werkt, om +dagelijks zes sous te verdienen. Haar arm zal misschien afgezet +moeten worden." + +"Waarlijk," zei de oude heer verschrikt. + +Het meisje, dat de zaak in ernst opvatte, begon opnieuw hevig te +schreien. + +"Helaas! ja, mijn weldoener," antwoordde de vader. + +Sinds eenige oogenblikken beschouwde Jondrette den menschenvriend +op een zonderlinge wijze. Terwijl hij sprak, zag hij hem scherp en +nauwkeurig aan, als of hij zijn geheugen inspande. Eensklaps van een +oogenblik gebruik makende, dat de beide vreemden met belangstelling +het meisje nopens haar gewonde hand ondervroegen, trad hij naar zijn +vrouw, die als versuft en wezenloos te bed lag, en zeide haastig en +heel zacht tot haar: + +"Bezie dien man eens nauwkeurig!" + +Toen keerde hij zich weder tot den heer Leblanc en hervatte zijn +jammerklacht: + +"Zie, mijnheer, ik heb geen andere kleeding dan een hemd mijner +vrouw, een gescheurd hemd! in 't hartje van den winter. Ik kan niet +uitgaan, bij gemis van kleeding. Zoo ik slechts eenigszins voegzame +kleeding had, ging ik tot mademoiselle Mars, die mij kent en mij zeer +genegen is. Zij woont immers nog in de straat Tour des Dames? Weet ge, +mijnheer, wij hebben samen in de buitensteden gespeeld. Ik heb deel aan +haar lauweren gehad. Célimène zou mij gewis helpen, mijnheer! Elmire +zou Belisarius een aalmoes geven. Maar neen, niets. Geen sou in +huis! Mijne vrouw ziek, en geen sou! En mijn dochter gevaarlijk gewond, +en geen sou! Mijn vrouw lijdt aan benauwdheden. 't Is de ouderdom, +en daarbij komt het zenuwgestel. Zij moet hulp hebben, en mijn dochter +ook. Maar de geneesheer, de apotheker! hoe ze te betalen? Geen cent! Ik +zou voor een sou op de knieën vallen, mijnheer! Zoover is het met +de kunst gekomen! En weet ge, bekoorlijke jonge dame, en gij mijn +edele beschermer, weet ge, dat mijn dochter u, die deugd en goedheid +ademt, dagelijks ziet in de kerk, welke gij met uw geuren vervult, +en waar zij gaat bidden? Want ik geef mijn kinderen een godsdienstige +opvoeding. Ik wil niet, dat zij zich aan het tooneel verbinden. Ik +zou haar niet raden, dat ze iets onbehoorlijks deden; want op dat +punt versta ik geen scherts. Ik prent haar de beginselen van deugd, +eer en zedelijkheid met nadruk in. Vraag haar maar! Zij moeten strikt +op den rechten weg blijven. Zij hebben een vader. Zij behooren niet +tot die rampzaligen, welke beginnen met geen vader te hebben en +eindigen met het publiek te trouwen. Men is mejuffrouw Niemand en +wordt mevrouw Iedereen. Verd...! dat niet in de familie Fabantou! Ik +wil ze deugdzaam opvoeden, zij moeten eerlijk en braaf zijn, en in de +vreeze Gods opgroeien, voor den d... Nu, mijnheer, mijn waarde heer, +weet ge wat morgen zal gebeuren? Morgen is het de 4de Februari, +de noodlottige dag, het laatste uitstel dat de huisheer mij heeft +gegeven; zoo ik hem van avond niet betaald heb. zullen wij morgen, +mijn oudste dochter, ik, mijn vrouw met haar koorts, mijn kind met +haar kwetsuur, wij alle vier uit het huis gedreven en op de straat, +op den boulevard worden gezet, zonder onderkomen, in den regen, +in de sneeuw. Weet ge, mijnheer? Ik ben vier kwartalen schuldig, +een jaar! dat wil zeggen zestig francs." + +Jondrette loog. Een jaar huur bedroeg slechts veertig francs, en +hij kon geen vier kwartalen schuldig zijn, wijl geen zes maanden +verstreken waren sinds Marius twee kwartalen betaald had. + +Mijnheer Leblanc nam een vijffrancstuk uit zijn zak en wierp het op +de tafel. + +Jondrette had den tijd zijn oudste dochter in 't oor te fluisteren: + +"De vrek! wat meent hij dat ik met vijf francs kan uitvoeren? Mijn +stoel en glasruit zijn er niet eens meê betaald. Men make nu nog +kosten!" + +Ondertusschen had mijnheer Leblanc een groote bruine jas uitgetrokken, +die hij over zijn blauwe jas droeg, en op den rug van den stoel +geworpen. + +"Mijnheer Fabantou, zeide hij, ik heb niet meer dan vijf francs +bij mij, maar ik zal mijn dochter naar huis brengen en van avond +terugkomen; van avond moet ge betalen, niet waar?" + +Op zonderlinge wijze verhelderde zich Jondrettes gelaat. Haastig +antwoordde hij: + +"Ja, mijn waarde heer, te acht uren moet ik bij den huisheer zijn." + +"Ik zal hier te zes uren wezen en u de zestig francs brengen." + +"Mijn weldoener!" riep Jondrette in vervoering. + +En hij voegde er zacht bij: + +"Bezie hem goed, vrouw!" + +Mijnheer Leblanc had den arm der schoone jonge dame genomen en wendde +zich naar de deur. + +"Tot van avond, vrienden!" zeide hij. + +"Te zes uren?" riep Jondrette. + +"Te zes uren precies." + +De overjas, die op den stoel was achtergebleven, trok juist het oog +der oudste dochter, die zeide: + +"Gij vergeet uw overjas", mijnheer." + +Jondrette sloeg een verpletterenden blik op zijn dochter, gepaard +aan een heftig terughoudend gebaar. Mijnheer Leblanc keerde om, +en antwoordde glimlachend: "Ik vergeet hem niet, maar laat hem hier." + +"O, mijn beschermer, zei Jondrette, mijn edele weldoener! ik kan +mijn tranen niet weerhouden. Vergun mij, dat ik u tot aan het rijtuig +uitgeleide doe." + +"Trek die overjas aan, als ge uitgaat," antwoordde mijnheer Leblanc; +"'t is scherp koud." + +Jondrette liet het zich geen tweemaal zeggen en trok haastig de bruine +overjas aan. + +Alle drie gingen naar buiten; Jondrette ging beide vreemden voor. + + + + + + +TIENDE HOOFDSTUK. + +TARIEF DER HUURRIJTUIGEN: TWEE FRANCS IN 'T UUR. + + +Niets van dit tooneel was aan Marius ontgaan, en evenwel had hij er +inderdaad weinig van gezien. Zijn oogen waren steeds gericht geweest +op de jonge dame, zijn hart had haar om zoo te spreken geheel omvat +en opgenomen, zoodra zij dit vertrek was binnengekomen. Zoolang zij +er geweest was, had hij in die vervoering geleefd, welke de zintuigen +het vermogen van stoffelijke opmerking ontneemt en de geheele ziel +op één punt richt. Hij aanschouwde niet de jonge dame, maar dat licht +met een zijden mantel en fluweelen hoed. Ware de ster Sirius de kamer +binnengekomen, zou zijn verbijstering niet grooter hebben kunnen zijn. + +Terwijl de jonge dame het pak opende, de kleedingstukken en dekens +ontvouwde, de zieke vrouw met goedhartigheid en het gewonde meisje +met teederheid toesprak, bespiedde hij al haar bewegingen, en trachtte +haar woorden te verstaan. Hij kende haar oogen, haar voorhoofd, haar +schoonheid, haar gestalte, haar gang, maar hij kende den klank harer +stem niet. Hij meende in het Luxemburg eens eenige woorden van haar +te hebben opgevangen; doch was daar niet volkomen zeker van. Hij had +tien jaren van zijn leven gegeven, om haar te hooren en in zijn ziel +een weinig dier muziek te kunnen medenemen. Maar alles ging in de +erbarmelijke jammerklachten en het gezwets van Jondrette verloren. Dit +mengde wezenlijken toorn onder de verrukking van Marius. Hij verstond +haar met zijn oogen. Hij kon zich niet verbeelden, dat het werkelijk +dit goddelijke wezen was, 't welk hij te midden dezer afzichtelijke +schepsels in dit afschuwlijk hol zag. 't Was hem als zag hij een +colibri tusschen padden. + +Toen zij zich verwijderde, had hij slechts ééne gedachte: haar te +volgen, haar spoor niet te verliezen, haar niet eerder te verlaten +dan wanneer hij wist waar zij woonde, haar in geen geval weder te +verliezen na haar zoo wonderbaar te hebben wedergevonden. Hij sprong +van de commode en greep zijn hoed. Toen hij de hand aan den knop der +deur legde en wilde uitgaan, hield een overweging hem tegen. De gang +was lang, de trap steil, Jondrette praatachtig; mijnheer Leblanc was +zeker nog niet in het rijtuig; zoo hij in de gang, op de trap of op den +drempel omzag, zou hij hem, Marius, in dit huis zien; vermoedelijk zou +hij er door getroffen zijn en middel vinden hem nogmaals te ontsnappen, +en dan was 't weder gedaan! Wat te doen? een weinig te wachten? Maar +terwijl hij wachtte, kon het rijtuig wegrijden. Marius was in groote +verlegenheid. Eindelijk waagde hij het en verliet de kamer. + +In de gang was niemand meer. Hij ijlde naar de trap. Ook daar was +niemand. Haastig ging hij naar beneden en kwam tijdig genoeg op +den boulevard om een huurkoets te zien, die den hoek der straat +Petit-Banquier omsloeg en de stad binnenreed. + +Marius spoedde zich in die richting. Aan den hoek van den boulevard +gekomen, zag hij de huurkoets weder, die in snellen draf de straat +Mouffetard doorreed; 't rijtuig was reeds ver, en geen middel het in +te halen. 't Was niet mogelijk zoo hard te loopen, en bovendien zou +men uit het rijtuig zekerlijk iemand hebben opgemerkt, die het uit +alle macht naliep, en de vader zou hem herkennen. Juist zag Marius, +als een ongehoord gelukkig toeval, een huurcabriolet, die ledig over +den boulevard reed. Niets was natuurlijker dan in deze cabriolet te +stijgen en de huurkoets te volgen. Dit was inderdaad het veiligste +en zekerste middel. + +Marius wenkte den koetsier stil te houden en riep: + +"Bij 't uur!" + +Marius was zonder das, in zijn huisjas, waaraan knoopen ontbraken, +voor de borst was zijn overhemd gescheurd. + +De koetsier hield stil, knipoogde, stak Marius zijn linkerhand toe, +en maakte met duim en voorvinger het gebaar van geldtellen. + +"Wat?" zei Marius. + +"Vooraf betalen!" zei de koetsier. + +Marius herinnerde zich, dat hij niet meer dan zestien sous bij +zich had. + +"Hoeveel?" vroeg hij. + +"Twee francs." + +"Ik zal u betalen als ik te huis ben." + +De koetsier, in plaats van te antwoorden, floot een deuntje en legde +de zweep over zijn paard. + +Marius zag ontsteld de cabriolet wegrijden. Om twee francs, die +hem ontbraken, verloor hij zijn vreugd, zijn geluk, zijn liefde; hij +verviel weder in nacht! hij had gezien, en werd weder blind. Met bitter +leedwezen, en wij moeten 't erkennen met diepen spijt, dacht hij aan +de vijf francs, welke hij dien eigen morgen aan dat ellendig meisje +had gegeven. Met die vijf francs ware hij gered geweest, herboren, en +van de spleen, de eenzaamheid, de verlatenheid gered; hij knoopte den +zwarten draad van zijn lot weder aan den schoonen gouden draad vast, +die voor zijn oogen had gezweefd en wederom gebroken was. Wanhopend +keerde hij naar zijn woning terug. + +Hij had bij zich zelven kunnen zeggen, dat de heer Leblanc beloofd had +'s avonds terug te komen, en hij nu beter moest oppassen om hem te +volgen; maar in zijn verrukte aanschouwing had hij nauwelijks gehoord. + +Juist toen hij de trap wilde opgaan, zag hij aan de overzijde +van den boulevard, langs de eenzame muren van de straat der +barrière des Gobelins, Jondrette in de lange, bruine overjas van den +"menschenvriend", sprekende met een dier lieden van verdacht voorkomen, +welke men barrière-schooiers noemt, lieden met dubbelzinnig gelaat en +verontrustende woorden, die 't voorkomen hebben steeds aan slechte +dingen te denken, en gewoonlijk des daags slapen, 't geen doet +vermoeden, dat zij 's nachts werken. + +Deze twee mannen, die onbewegelijk met elkander stonden te spreken, +in de sneeuw, die geeselend neerviel, vormden een groep, waarop een +stadssergeant zeker het oog zou hebben geslagen, maar Marius lette +er nauwelijks op. + +Hoezeer hij overigens ook in zijn treurige overpeinzingen verdiept +was, verhinderde hem dit niet, bij zich zelven te denken dat de +schooier met wien Jondrette sprak, zeer veel op een zekeren Panchaud, +bijgenaamd Printanier, of Bigrenaille, geleek, dien Courfeyrac hem eens +gewezen had en die in de buurt voor een zeer gevaarlijk nachtzwerver +gehouden werd. In het vorige boek heeft men den naam van dien man +gezien. Deze Panchaud, bijgenaamd Printanier, of Bigrenaille, kwam +later in verscheidene crimineele processen voor, en is vervolgens +een beruchte schelm geworden. Toen was hij nog slechts een befaamd +deugniet. Tegenwoordig behoort hij tot de overleveringen van dieven +en moordenaars. Tegen het einde der vorige regeering was hij in +zijn leertijd. Des avonds, wanneer de dieven bij elkander komen, +sprak men van hem in la Force. In die gevangenis kon men, ter plaatse +waar de riolen liggen, door welke in 1843 op klaar lichten dag dertig +gevangenen ontvluchtten, op een steen den naam Panchaud lezen, door +hem zelven er op gegrift. In 1832 werd hij reeds door de politie in +'t oog gehouden, doch had nog niet ernstig gedebuteerd. + + + + + + +ELFDE HOOFDSTUK. + +DIENSTAANBIEDING VAN DE ARMOEDE AAN DE SMART. + + +Marius ging langzaam de trap op; toen hij zijn kamertje wilde +binnengaan, zag hij achter zich, in de gang, de oudste dochter van +Jondrette die hem volgde. Haar gezicht verwekte hem afkeer, zij was +het, die zijn vijf francs had, 't was te laat om ze haar terug te +vragen, de cabriolet was er niet meer, de huurkoets was lang weg. Zij +zou ze hem bovendien niet wedergeven. 't Was overigens nutteloos +haar naar de woning der lieden, die straks hier geweest waren, te +ondervragen; 't was blijkbaar dat zij die niet wist, wijl de brief, +als Fabantou onderteekend, geadresseerd was aan "den weldadigen heer +der kerk van Saint Jacques du Haut-Pas." + +Marius trad zijn kamer binnen en stiet de deur achter zich dicht. Maar +zij was niet in 't slot; hij wendde zich om, en zag een hand, die de +half opene deur tegenhield. + +"Wat is dat?" vroeg hij, "wie is daar?" + +'t Was de dochter van Jondrette. + +"Zijt gij 't?" hernam Marius eenigszins ruw, "gij wederom! Wat +wilt ge?" + +Zij scheen in gedachten en zag niet op. Zij was niet meer zoo +stoutmoedig als des ochtends. Zij ging niet binnen, maar bleef in de +schaduw op de gang, waar Marius haar door de half openstaande deur zag. + +"Nu, waarom antwoordt ge niet?" hernam Marius. "Wat wilt ge?" + +Zij richtte haar doffen blik op hem, waarin zich een flauw licht +scheen te ontsteken, en zeide: + +"Gij schijnt treurig, mijnheer Marius, wat deert u?" + +"Mij?" zei Marius. + +"Ja, u." + +"Mij deert niets." + +"Toch." + +"Neen." + +"Ik zeg u, ja." + +"Laat mij met vrede." + +Marius wilde opnieuw de deur dicht doen, zij hield ze tegen. + +"Luister," zeide zij, "ge hebt ongelijk. Hoewel gij niet rijk zijt, +zijt ge van morgen heel goed geweest. Wees 't nu ook. Ge hebt mij +iets gegeven om te kunnen eten, zeg mij nu wat u deert. Men ziet, dat +gij verdriet hebt. Ik wenschte dat gij geen verdriet hadt. Wat kan ik +er voor doen. Kan ik u in iets van dienst zijn. Beschik over mij. Ik +begeer uw geheimen niet te weten, ge behoeft ze mij niet te zeggen, +maar ik kan u misschien nuttig zijn. Ik kan u evengoed helpen, als ik +mijn vader help. Ik bied u mijn dienst aan om brieven te bezorgen, +in de huizen te gaan, van deur tot deur een adres te zoeken, iemand +te volgen. Gij kunt mij uw begeerte zeggen, en ik zal de lieden gaan +spreken; men verneemt dikwijls iets, als men met de menschen spreekt, +en de zaak komt in orde. Bedien u van mij." + +Dit bracht Marius op een denkbeeld. Van welken tak maakt men geen +gebruik, wanneer men voelt dat men vallen zal. + +Hij naderde het meisje en zeide: + +"Luister." + +Met een glans van blijdschap in de oogen viel zij hem in de rede +en zeide: + +"Ha, nu doet gij wel." + +"Gij hebt den ouden heer met zijn dochter hierheen gebracht?" hernam +hij. + +"Ja." + +"Weet ge waar zij wonen?" + +"Neen." + +"Poog het voor mij te ontdekken." + +Het oog van het meisje was eerst van treurig vroolijk geworden; +nu werd het weder van vroolijk treurig. + +"Is het dat, wat ge begeert?" vroeg zij. + +"Ja." + +"Kent gij hen?" + +"Neen." + +"Dat wil zeggen: gij kent haar niet, maar wenscht haar te kennen," +hernam zij levendig. + +In dat woordje haar, dat zij nu in plaats van hen gebruikte, lag iets +bijzonders en scherps. + +"Nu, kunt ge 't doen?" vroeg Marius. + +"Ge zult het adres der schoone jonge dame hebben." + +Er lag in deze woorden "schoone jonge dame" weder iets dat Marius +hinderde. Hij hernam: + +"Om 't even! de woning van den vader en van de dochter. Hun +woning! hoor?" + +Zij zag hem strak aan. + +"Wat geeft ge mij?" + +"Al wat ge wilt." + +"Al wat ik wil?" + +"Ja." + +"Ge zult het adres hebben." + +Zij boog het hoofd en met een driftige beweging trok zij de deur +achter zich dicht. + +Marius was alleen. + +Hij zonk op een stoel neder, met het hoofd in de beide ellebogen +op het bed, en verzonk in gedachten, welke hij niet kon vasthouden, +alsof hij door een duizeling bevangen was. Al wat sedert den morgen +gebeurd was, de verschijning en verdwijning van den engel, wat hem +het meisje gezegd had, een schemering van hoop in zijn ontzettende +wanhoop, dit alles woelde verward in zijn hersenen. Eensklaps werd +hij met geweld uit zijn mijmering gewekt. Hij hoorde de luide, ruwe +stem van Jondrette, deze woorden sprekende, die hem de zonderlingste +belangstelling inboezemden: + +"Ik zeg, dat ik er zeker van ben en dat ik hem herkend heb." + +Van wien sprak Jondrette? wien had hij herkend? Mijnheer Leblanc? den +vader van "zijn Ursula?" Hoe? kende Jondrette hem? Zou Marius nu op +zulk een plotselinge onverwachte wijze al de inlichtingen verkrijgen, +zonder welke zijn eigen leven donker voor hem was? Zou hij eindelijk +weten, wie hij beminde, wie de jonge dame was, wie haar vader +was? Was de dichte schaduw, die hen omhulde, op het punt zich te +verhelderen? zou de sluier verscheurd worden! O hemel! + +Hij sprong, veeleer dan hij klom, op de commode en plaatste zich +weder voor het kleine spiegat in den wand. + +Hij zag weder in Jondrettes woning. + + + + + + +TWAALFDE HOOFDSTUK. + +BESTEDING VAN HET VIJFFRANCSTUK VAN DEN HEER LEBLANC. + + +Niets was in het aanzien van het gezin veranderd, dan dat de vrouw +en dochters het pak kleeren verdeeld en de wollen kousen en jakken +aangetrokken hadden. Twee nieuwe dekens waren op de beide kribben +gelegd. + +Jondrette was blijkbaar juist binnengekomen. Hij hijgde nog van de +buitenlucht. Zijn dochters zaten op den grond bij den schoorsteen; +de oudste verbond de hand der jongste. De vrouw zat met verbaasd +gezicht als ineengezegen op de het dichtst bij den haard staande +krib. Jondrette liep met groote stappen door het vertrek heen en +weder. Zijn oogen hadden een buitengewone uitdrukking. + +De vrouw, die beschroomd voor haar man scheen en als van stomme +verbazing getroffen, waagde het tot hem te zeggen: + +"Wat zegt gij? Zijt ge er zeker van?" + +"Gewis! 't Is wel acht jaar geleden; maar ik herken hem volkomen, ik +herkende hem terstond. Is 't u dan niet dadelijk in het oog gevallen?" + +"Neen." + +"Ik heb u toch nog wel gezegd: merk hem goed op! 't Is zijn gestalte, +zijn gezicht, nauwelijks iets verouderd; er zijn lieden die niet +verouderen; ik weet niet wat zij er voor doen. 't Was de toon zijner +stem. Hij was beter gekleed, anders niet. Ha, oude geheimzinnige +duivel, nu heb ik u! + +Hij zweeg en zeide vervolgens tot zijn dochters: + +"Gaat!--'t Is zonderling dat 't u niet in 't oog is gevallen." + +Zij stonden op om te gaan. + +De moeder stamelde: + +"Met haar gewonde hand?" + +"De lucht zal haar goed doen," zei Jondrette. "Gaat." + +De man behoorde blijkbaar tot die lieden, welke geen tegenspraak +dulden. De beide meisjes gingen. + +Juist toen zij uit de deur wilden gaan, hield de vader de oudste bij +den arm tegen en zeide op een bijzonderen toon: + +"Precies te vijf uren moet ge beiden weder hier zijn. Ik heb u noodig." + +Marius verdubbelde zijn opmerkzaamheid. + +Toen Jondrette met zijn vrouw alleen was, ging hij wederom een paar +keeren zwijgend het vertrek op en neer. Vervolgens bracht hij eenige +oogenblikken door met de slip van het vrouwenhemd, dat hij droeg, +weder in zijn broek te stoppen. + +Eensklaps wendde hij zich tot zijn vrouw, sloeg de armen over elkander +en riep: + +"Wil ik u iets zeggen? de jonge dame..." + +"Nu wat?" hernam de vrouw, "de jonge dame?" + +Marius kon niet twijfelen, 't was inderdaad van haar, dat men +sprak. Met gloeienden angst luisterde hij. Zijn geheel leven lag in +zijn ooren. + +Jondrette had zich voorover gebogen en zeer zacht met zijn vrouw +gesproken. Toen richtte hij zich weder op en zeide luid: + +"Deze is 't!" + +"Die?" hernam de vrouw. + +"Ja, zij!" herhaalde de man. + +'t Is niet mogelijk de uitdrukking weder te geven, die in het woord +"die" der moeder lag. In haar afgrijselijken toon waren verwondering, +woede, haat, toorn vermengd. Eenige woorden, vermoedelijk de naam, +door haar man deze dikke halfslapende vrouw ingefluisterd, waren +voldoende geweest om haar op te wekken, en nu werd zij van afzichtelijk +vreeselijk. + +"Niet mogelijk!" riep zij; "als ik er aan denk, dat mijn dochters +blootsvoets gaan en geen kleeren aan 't lijf hebben. Hoe! een +satijnen mantel, een fluweelen hoed, laarsjes, en alles! voor meer +dan tweehonderd francs aan 't lijf! zoodat men haar voor een dame zou +moeten houden! neen, ge bedriegt u! daarbij was de andere leelijk, +deze ziet er niet slecht uit; zij is waarlijk niet leelijk; zij kan +het niet zijn!" + +"Ik zeg u, dat zij 't is. Ge zult zien." + +Bij deze zoo stellige bevestiging hief vrouw Jondrette haar rood, +blond gezicht op en zag met een ontstelden blik naar boven! In dezen +oogenblik scheen zij Marius nog vreeselijker dan haar man. 't Was +een zeug met den blik van een tijgerin. + +"Wat, hernam zij, zou deze afschuwelijke schoone jonge dame, die +mijn dochters met een blik van medelijden aanzag, die bedeldeern +zijn. O! ik zou haar met mijn klomp den buik willen intrappen." + +Zij sprong van het bed, en bleef een oogenblik staan met hangend haar, +uitgezette neusvleugelen, open mond, gebalde vuisten, het hoofd in +den nek geworpen. Toen zeeg zij weder op de krib neder. De man ging +op en neder, zonder op zijn vrouw te letten. + +Na eenige oogenblikken stilte naderde hij haar en bleef, gelijk een +oogenblik te voren, met over elkander geslagen armen voor haar staan. + +"Zal ik u nog eens iets zeggen?" + +"Wat?" vroeg zij. + +Kortaf en met zachte stem antwoordde hij: + +"Dat mijn fortuin gemaakt is." + +Vrouw Jondrette staarde hem aan met een blik, die te kennen gaf: +"Wordt degeen, die tot mij spreekt gek?" + +Hij hernam: + +"Voor den donder! 't is reeds lang genoeg dat ik tot de armenparochie +behoor: sterf van honger als gij vuur hebt, sterf van kou als gij +brood hebt; ik heb ellende genoeg gehad! mijn eigen pak en dat van +anderen. Ik scherts niet meer, noch vind het grappig. Mijn God! Ik heb +nu lang genoeg geleden. Ik wil nu eten als ik honger en drinken als +ik dorst heb; ik wil luieren, slapen, wanneer 't mij lust; enfin, vóór +ik sterf, wil ik ook een beurt hebben en een weinig millionair zijn." + +Hij ging nog eens door het vertrek, en voegde er bij: + +"Gelijk anderen." + +"Wat bedoelt ge?" vroeg de vrouw. + +Hij schudde het hoofd, knipoogde en verhief de stem als een +marktschreeuwer, die op de straat iets verklaren wil: + +"Wat ik bedoel? Luister!" + +"Stil," mompelde vrouw Jondrette, "niet zoo luid; 't zijn zaken, +die anderen niet behoeven te hooren." + +"Kom! wie zou 't hooren? de buurman? Ik heb hem straks zien uitgaan. En +bovendien kan die ezel wel hooren? Hij is overigens, zooals ik u zeg, +uitgegaan." + +Jondrette sprak evenwel als door een soort van instinct zachter, doch +niet zoo zacht of Marius kon zijn woorden verstaan. Als een gunstige +omstandigheid voor Marius kwam hierbij, dat de gevallen sneeuw het +geraas der rijtuigen op den boulevard verdoofde, en Marius dus geen +woord ontging. + +Marius hoorde nu dit: + +"Luister goed. Wij hebben den Cresus gevangen. 't Is zoo goed als +geschied. Alles is geregeld. Ik heb mijn lieden gesproken. Hij komt +van avond te zes uren, zijn zestig francs brengen, de canaille! Hebt +ge gehoord, hoe ik hem met mijn zestig francs huur, mijn huisheer, +en 4 Februari beet heb gehad? 't is nog geen drie maanden! Hij zal +dus te zes uren komen; op dat uur gaat de buurman eten; vrouw Burgon +is uit schoonmaken; er is dus niemand in huis. De buurman komt nooit +vóór elf uren t'huis. De meisjes zullen de wacht houden. Gij moet +ons helpen. Het moet gebeuren!" + +"En zoo 't niet gebeurt?" vroeg de vrouw. + +Jondrette maakte een heilloos gebaar, zeggende: + +"Dan zullen wij 't hem wel leeren." + +Hij lachte luide. + +'t Was de eerste keer dat Marius hem zag lachen. Die lach was kil en +flauw en deed iemand rillen. + +Jondrette opende een kast bij den schoorsteen, en nam er een oude +pet uit, die hij opzette, na hem met zijn mouw afgeveegd te hebben. + +"Nu ga ik uit," zeide hij. "Ik moet nog lieden spreken... goede. Ge +zult zien, hoe goed het gaat. Ik zal niet lang uitblijven; 't zal +een mooie slag zijn; blijf gij te huis." + +Toen bleef hij met beide handen in zijn broekzakken een oogenblik in +nadenken staan en riep eindelijk: + +"'t Is in allen geval gelukkig, dat hij mij niet herkend heeft. Zoo hij +mij herkend had, zou hij niet terugkomen. Hij zou ons ontsnappen. 't +Is mijn baard, die mij gered heeft! mijn romantische baard; mijn lief +romantisch baardje!" + +En wederom lachte hij. + +Hij trad naar het venster. Het sneeuwde nog altijd en de lucht +was grijs. + +"'t Is een hondenweer!" zeide hij. + +Toen knoopte hij de jas dicht. + +"Ze is mij te wijd," zeide hij. "Om 't even; de oude schurk heeft wel +gedaan ze mij te laten. Ik zou anders niet hebben kunnen uitgaan, +en alles was mis geweest. Aan welke omstandigheden hangen toch de +gebeurtenissen?" + +Hij drukte de pet op zijn oogen en ging uit. + +Nauwelijks kon hij eenige schreden gedaan hebben, toen de deur +weder geopend werd en zijn woest en ruw gezicht opnieuw in de woning +verscheen. + +"Ik vergat iets," zeide hij. "Ge moet houtskool halen." En hij wierp +het vijffrancstuk dat de "menschenvriend" hem gegeven had in den +schoot der vrouw. + +"Houtskool?" vroeg de vrouw. + +"Ja." + +"Hoeveel maten?" + +"Twee." + +"Dit is dertig sous. Voor het overige zal ik een middagmaal gereed +maken." + +"Verduiveld, neen." + +"Waarom?" + +"Geef het vijffrancstuk niet geheel uit." + +"Waarom?" + +"Wijl ik iets voor mij moet koopen." + +"Wat?" + +"Iets." + +"Hoeveel hebt ge noodig?" + +"Is hier in de buurt een ijzerwinkel?" + +"In de straat Mouffetard." + +"Ha, ja! op den hoek eener straat, ik herinner mij." + +"Zeg mij hoeveel ge noodig hebt." + +"Twee en een half of drie francs." + +"Er zal niet veel voor het eten overblijven." + +"Vandaag denken wij niet aan eten. Er is iets beter te doen." + +"'t Is goed, mijn schat." + +Op deze woorden der vrouw stiet Jondrette de deur dicht, en nu hoorde +Marius hem haastig door de gang en de trap afgaan. + +Op St. Medard sloeg het één uur. + + + + + + +DERTIENDE HOOFDSTUK. + +TWEE ALLEEN BIDDEN NIET OP EEN AFGELEGEN PLAATS. + + +Hoe droomerig Marius tegenwoordig ook was, bezat hij echter, +zooals wij gezegd hebben, een vaste, krachtige natuur. Zijn eenzaam, +denkend leven, dat deelneming en medelijden in hem ontwikkelde, had +wellicht zijn driftigen aard eenigszins getemperd, maar zijn afkeer +van wat laag en verachtelijk is in volle kracht gelaten; hij bezat +bij de welwillendheid van een bramin de strengheid van een rechter, +hij had medelijden met een padde, maar vertrad een slang. En 't was +een slangennest dat hij thans voor zijn oogen had. + +Deze ellendelingen moeten bedwongen worden, zeide hij. + +Geen der raadsels, welke hij gehoopt had opgelost te zien, was +opgehelderd; alle, integendeel, waren misschien nog duisterder +geworden, hij wist wegens het schoone meisje van het Luxemburg en den +man, dien hij Leblanc noemde, niets dan dat Jondrette hen kende. In +de onduidelijke woorden welke gesproken waren, zag hij niets helder, +dan dat een hinderlaag, een onbekende, maar vreeselijke hinderlaag +werd voorbereid; dat beide aan een groot gevaar waren blootgesteld, +zij misschien, haar vader zeker; dat zij moesten gered worden; dat +de heillooze plannen der Jondrettes moesten verijdeld, en het web +dier spinnen moest verscheurd worden. + +Een oogenblik sloeg hij vrouw Jondrette gade. Zij had uit een hoek +een oud ijzeren fornuis gehaald en zocht in oud ijzerwerk. + +Zoo voorzichtig mogelijk klom hij van de commode, ten einde geen +gerucht te maken. + +In zijn angst, wegens hetgeen werd voorbereid, en in zijn afgrijzen, +'t welk de Jondrettes hem hadden ingeboezemd, gevoelde hij een soort +van vreugde bij de gedachte, dat het hem misschien mogelijk zou zijn +een wezenlijken dienst aan haar, die hij beminde, te bewijzen. + +Maar wat zou hij doen? Zou hij de bedreigde personen waarschuwen? Waar +zou hij ze vinden? Hij wist niet waar zij woonden. Zij waren hem een +oogenblik voor de oogen verschenen, en toen weder in de ontzaggelijke +diepte van Parijs verdwenen. Zou hij den heer Leblanc te zes uren +aan de deur wachten, en hem, bij zijn komst, voor den valstrik +waarschuwen? Maar Jondrette en zijn lieden zouden hem op de wacht +zien staan, de plaats was eenzaam, zij zouden sterker dan hij zijn, +zij zouden middelen vinden hem te vatten of te verwijderen, en degeen, +dien Marius wilde redden, zou verloren zijn. Het was één uur geslagen; +te zes uren moest de aanslag volbracht worden. Marius had nog vijf +uren voor zich. + +Er was slechts één zaak te doen. + +Hij trok zijn goeden rok aan, knoopte een foulard om den hals, nam +zijn hoed en ging uit, niet meer gerucht makende, dan wanneer hij +blootsvoets op mos had geloopen. Intusschen ging vrouw Jondrette +voort met in het oud ijzer te rammelen. + +Zoodra hij uit het huis was, begaf hij zich naar de straat +Petit-Banquier. + +Hij was in het midden der straat bij een lagen muur gekomen, welken men +op sommige plaatsen kon overklimmen en die een onbebouwd erf omgaf. Hij +ging langzaam, in gedachten verdiept, zijn schreden werden door de +sneeuw verdoofd. Hij wendde 't hoofd om, de straat was eenzaam, +hij zag niemand, 't was klaar lichte dag, en evenwel hoorde hij +duidelijk stemmen. + +Hij zag over den muur, langs welken hij ging. + +Daar zaten werkelijk in de sneeuw tegen den muur twee mannen, die +zacht spraken. + +'t Waren twee hem onbekende personen, de een had een baard en droeg een +kiel, de andere was een man met lang haar, en in lompen. De gebaarde +droeg een Grieksch kapje, de andere was blootshoofd, met de sneeuw +in de haren. + +Toen Marius 't hoofd vooruitstak, kon hij hooren wat zij zeiden. + +De langharige stiet den andere aan en zeide: + +"Met Patron-Minette kan 't niet missen." + +"Dunkt u?" zei de gebaarde; en de langharige hernam: + +"'t Zal voor ieder een winstje van vijfhonderd schijven geven, en +het ergste wat kan gebeuren is vijf, zes, hoogstens tien jaren!" + +De andere antwoordde met eenige aarzeling en onder zijn Grieksch +mutsje bibberend: + +"'t Is een gewichtige zaak, en men weet niet wat uit zulke zaken +kan voortkomen." + +"Ik zeg u dat ze niet kan mislukken," hernam de langharige. + +Toen spraken zij van een tooneelstuk, dat zij den vorigen dag in de +Gaîté gezien hadden. + +Marius zette zijn weg voort. + +Het kwam hem niet onwaarschijnlijk voor, dat de duistere woorden +dezer achter den muur in de sneeuw zittende mannen wel eenigszins in +verband konden staan met de afschuwelijke plannen van Jondrette. 't +Kon de bewuste "zaak" zijn. + +Hij ging naar de voorstad Saint-Marceau en vroeg in den eersten den +besten winkel naar een commissaris van politie. + +Men wees hem naar de rue de Pontoise No. 14. + +Marius ging er heen. + +Hij kocht in 't voorbijgaan bij een bakker een tweesous-broodje en +at het, wel voorziende dat hij vandaag geen middagmaal zou hebben. + +Onderweg dankte hij de Voorzienigheid: hij overwoog, dat, zoo hij dien +morgen zijn laatste vijffrancstuk niet aan de dochter van Jondrette +had gegeven, hij de huurkoets van den heer Leblanc zou nagereden zijn, +en bijgevolg niets zou vernomen hebben; dat niets dan den aanslag +van Jondrette zou hebben verhinderd en de heer Leblanc verloren ware +geweest, en waarschijnlijk zijn dochter tevens. + + + + + + +VEERTIENDE HOOFDSTUK. + +WAARIN EEN POLITIEAGENT TWEE PISTOLEN AAN EEN ADVOCAAT GEEFT. + + +Aan het huis No. 14 in de rue de Pontoise gekomen, klom Marius naar de +eerste verdieping en verzocht den commissaris van politie te spreken. + +"Mijnheer de commissaris is hier niet," zei een schrijver; "maar er +is hier een inspecteur die hem vervangt. Wilt ge dezen spreken? Is +er haast bij?" + +"Ja," zei Marius. + +De klerk voerde hem in het vertrek van den commissaris. Een man +van rijzige gestalte stond achter een traliehek tegen een kachel, +met beide handen de slippen van een ruime overjas met drie kragen +ophoudende. 't Was een vierkant gezicht, met dunne krachtige lippen, +zwarte, halfgrijze bakkebaarden en een blik, die uw zakken scheen om +te keeren. Men zou van dien blik hebben kunnen zeggen, niet dat hij +doordringend was, maar dat hij omwoelde. + +Het voorkomen van dien man was weinig minder wreed en geducht dan +dat van Jondrette; de dog is soms niet minder gevaarlijk dan de wolf. + +"Wat wilt ge?" zeide hij tot Marius, zonder hem mijnheer te noemen. + +"Mijnheer de commissaris van politie?" + +"Hij is afwezend. Ik vervang hem." + +"'t Betreft een zeer geheime zaak." + +"Spreek dan." + +"Er is veel haast bij." + +"Spreek dan spoedig." + +Deze kalme, barsche man was tegelijk schrikbarend en +geruststellend. Hij boezemde vrees en vertrouwen in. Marius verhaalde +hem de zaak.--Dat iemand, dien hij slechts van gezicht kende, +dien avond in een hinderlaag zou worden gelokt;--dat hij, Marius +Pontmercy, advocaat, de kamer naast het vertrek waar het plan beraamd +was bewonende, door den dunnen wand de geheele overlegging gehoord +had--dat de aanlegger van het plan Jondrette heette;--dat hij zeker +medeplichtigen zou hebben, waarschijnlijk barrière-schooiers, onder +anderen een zekeren Panchaud, genoemd Printanier of Bigrenaille;--dat +de dochters van Jondrette op wacht zouden staan--dat er geen middel +bestond om den bedreigden persoon te waarschuwen, aangezien men +zijn naam niet kende;--en eindelijk, dat dit alles 's avonds te zes +uren op de eenzaamste plek van den boulevard de l'Hôpital zou worden +uitgevoerd, in het huis No. 50-52. + +Toen de inspecteur dit nummer hoorde noemen, hief hij het hoofd op +en zeide koel: + +"'t Is dus in de kamer aan 't einde van de gang?" + +"Juist," zei Marius, en hij voegde erbij: "kent ge dat huis?" + +De inspecteur zweeg een oogenblik, toen antwoordde hij, terwijl hij +den zool van zijn laars voor de opening van de kachel warmde: + +"Wel mogelijk." + +Hij voegde er binnensmonds, minder tot Marius dan tot zijn das +sprekende, bij: + +"Daar moet iets van Patron-Minette onder schuilen." + +Die naam trof Marius. + +"Patron-Minette," zeide hij. "Ik heb inderdaad dat woord hooren +noemen." + +En hij verhaalde aan den inspecteur het gesprek tusschen den +langharigen en den gebaarden man, die in de sneeuw, achter den muur +der straat Petit-Banquier zaten. + +De inspecteur mompelde: + +"De langharige moet Brujon zijn, en de gebaarde Demi-Liard, genaamd +Deux-Milliards." + +Hij sloeg de oogen neder en dacht na. + +"Den ouden Chose vermoed ik er ook bij. Daar heb ik mijn jas +gebrand. Men stookt deze vervloekte kachels altijd zoo hard. Nummer +50--52, vroeger 't huis Gorbeau." + +Toen sloeg hij zijn blik op Marius en vroeg: + +"Hebt ge niemand dan dien gebaarde en dien langharige gezien?" + +"En Panchaud." + +"Hebt ge er ook niet een kleinen modegek zien zwerven?" + +"Neen." + +"Noch een dikken, die op den olifant in den plantentuin gelijkt?" + +"Neen." + +"Noch een kerel, die zoo rood als een vos is?" + +"Neen." + +"Nu, niemand ziet dezen vierde, zelfs niet zijn adjudanten, bedienden +en ondergeschikten. 't Is dus niet te verwonderen, dat gij hem niet +gezien hebt." + +"Wie zijn al deze menschen?" vroeg Marius. + +De inspecteur antwoordde: + +"'t Is trouwens hun uur niet." + +Weder zweeg hij, waarna hij hernam: + +"No. 50--52! Ik ken dat hol.--'t Is onmogelijk ons er in te verbergen +zonder dat de acteurs het zien; en dan zouden zij er af zijn met het +kluchtspel niet op te voeren. Zij zijn zoo bescheiden; het publiek +hindert hen. Dat niet, dat niet! Ik wil ze hooren zingen en ze laten +dansen." + +Na deze alleenspraak wendde hij zich tot Marius en vroeg, hem strak +in de oogen ziende: + +"Zijt ge bang?" + +"Waarvoor?" zei Marius. + +"Voor die lieden?" + +"Evenmin als voor u!" antwoordde Marius ruw, die er op begon te letten, +dat deze politiebeambte hem nog niet mijnheer had genoemd. + +De inspecteur zag Marius nog strakker in de oogen en hernam met een +soort van plechtigen nadruk: + +"Gij spreekt als een moedig, eerlijk man. De moed vreest de misdaad +niet, evenmin als de eerlijkheid het gezag." + +Marius viel hem in de rede: + +"Goed, maar wat zijt ge voornemens?" + +De inspecteur antwoordde niets anders dan: + +"De bewoners van dat huis hebben ieder een sleutel van de voordeur om +'s nachts te kunnen binnenkomen. Gij hebt er zeker ook een, niet waar?" + +"Ja," zei Marius. + +"Hebt ge hem bij u?" + +"Ja." + +"Geef hem mij," zei de inspecteur. + +Marius nam den sleutel uit zijn zak, en gaf hem den inspecteur, +zeggende: + +"Zoo ik u raden mag, breng dan versterking mede." + +De inspecteur sloeg een blik op Marius als Voltaire op een lid der +academie uit de provincie zou hebben geslagen, die hem een vers had +voorgesteld; hij stak tegelijkertijd zijn twee groote handen in de +wijde zakken van zijn jas, haalde er twee zakpistolen uit, die hij +Marius aanbood, terwijl hij kortaf en schielijk zeide: + +"Neem deze. Ga weder naar huis. Verberg u in uw kamer, zoodat men +gelooft dat ge uit zijt. Zij zijn geladen; ieder met twee kogels. Let +wel op: gij hebt mij gezegd dat er een gat in den muur is. De lieden +zullen komen. Laat hen een weinig hun gang gaan. Als ge oordeelt +dat het genoeg is en tijd wordt hen tegen te houden, los dan een +pistoolschot in de lucht, tegen den zolder, om 't even waar. Maar +vooral niet te vroeg. Wacht totdat er een begin van uitvoering is. Ge +zijt advocaat en weet wat dat te zeggen is." + +Marius nam de pistolen en stak ze in den zijzak van zijn jas. + +"Dat veroorzaakt een bult, men kan 't zien," zei de inspecteur. "Steek +ze liever in uw broekzakken." + +Marius deed het. + +"Nu is er voor niemand een minuut meer te verliezen," vervolgde de +inspecteur. "Hoe laat is het? half drie. Dus te zeven uren?" + +"Om zes uur," zei Marius. + +"Ik heb den tijd," hernam de inspecteur, "maar ook niet meer dan den +tijd. Vergeet niets van 't geen ik u gezegd heb. Één pistoolschot." + +"Wees gerust," antwoordde Marius. + +En terwijl Marius de hand aan den deurknop sloeg om te gaan, riep de +inspecteur hem toe: + +"Mocht ge mij vóór dien tijd noodig hebben, kom dan of zend +iemand. Laat naar den inspecteur Javert vragen." + + + + + + +VIJFTIENDE HOOFDSTUK. + +JONDRETTE DOET INKOOPEN. + + +Eenige oogenblikken later, tegen drie uren, ging Courfeyrac toevallig +door de straat Mouffetard in gezelschap van Bossuet. De sneeuw viel +sterker dan vroeger en bedekte den weg. Bossuet zeide tot Courfeyrac: + +"Bij het zien van al deze sneeuwvlokken zou men zeggen, dat er in +den hemel een pest onder de witte vlinders heerschte." + +Eensklaps zag Bossuet Marius, die met een zonderling voorkomen in de +richting der barrière ging. + +"Zie," zei Bossuet, "Marius!" + +"Ik heb hem gezien," zei Courfeyrac; "spreken wij hem niet aan." + +"Waarom?" + +"Hij is ingespannen." + +"Waarmee?" + +"Ziet ge 't niet aan zijn gezicht?" + +"Wat dan?" + +"Hij ziet er uit, alsof hij iemand volgt." + +"'t Is waar." zei Bossuet. + +"Zie welke oogen hij zet!" hernam Courfeyrac. + +"Maar wie drommel volgt hij?" + +"Zeker een of ander jong dametje! hij is verliefd!" + +"Maar ik zie niets op de straat dat op een dametje gelijkt; zelfs +geen vrouw." + +Courfeyrac keek en riep: + +"Hij volgt een man!" + +Inderdaad, een man met een pet op 't hoofd, en wiens grijzen baard men +eenigszins kon onderscheiden, hoewel men hem slechts op den rug zag, +ging een twintigtal schreden vóór Marius uit. + +Deze man droeg een geheel nieuwe jas, die hem te groot was, en een +leelijke gescheurde broek, geheel bemorst en beslijkt. + +Bossuet lachte luidkeels. + +"Wie kan de man zijn?" + +"'t Is een poëet," antwoordde Courfeyrac. "Poëten dragen gaarne +pantalons als die van oude joden, en jassen als die van pairs van +Frankrijk." + +"Laat ons zien, waarheen Marius en deze man gaan: volgen wij hen, +zullen we?" + +"Bossuet!" riep Courfeyrac, "Arend van Meaux, ge zijt soms vreeselijk +dwaas. Een man na te loopen, die een man naloopt!" + +Zij keerden om. + +Marius had inderdaad Jondrette de straat Mouffetard zien doorgaan, +en sloeg hem gade. + +Jondrette ging voor hem, zonder te vermoeden dat reeds een blik op hem +gevestigd was. Hij ging uit de straat Mouffetard, en Marius zag hem in +een der afschuwelijkste woningen der straat Gracieuse binnentreden, +waar hij omstreeks een kwartier uurs bleef, toen keerde hij naar +de straat Mouffetard terug. Daar trad hij in een ijzerwinkel, +die zich destijds om den hoek der straat Pierre Lombard bevond, +en eenige minuten later zag Marius hem met een grooten beitel, met +wit houten steel, dien hij onder zijn jas verborg, uit den winkel +komen. Ter hoogte der straat Petit-Gentilly sloeg hij links de straat +Petit-Banquier in. Het begon donker te worden, de sneeuw, die een +oogenblik had opgehouden, begon weder te vallen. Marius verschool +zich om den hoek der straat Petit-Banquier, die eenzaam als altijd +was, en volgde Jondrette niet. 't Was gelukkig voor hem, want bij +den lagen muur gekomen, waar Marius den langharige en den gebaarde +samen had hooren spreken, keerde Jondrette om, overtuigde zich dat +niemand hem volgde noch zag, stapte over den muur en verdween. + +Het ongebouwde terrein, waarlangs deze muur liep, was in gemeenschap +met de achterplaats van een rijtuigverhuurder, die bankroet was geweest +en in een slechten naam stond, en die onder loodsen nog eenige oude +rijtuigen had. + +Marius achtte het raadzaam van Jondrettes afwezigheid gebruik te +maken om weder in huis te gaan; bovendien werd het laat; alle avonden +ging vrouw Burgon uit, om borden schoon te maken, en zij was gewoon +de huisdeur te sluiten, die in den schemeravond steeds dicht was; +Marius had zijn sleutel aan den inspecteur van politie gegeven; +'t was dus noodzakelijk, dat hij zich haastte. + +De avond was gekomen; 't was bijna geheel donker; aan den horizon en +het uitspansel was nog slechts één door de zon verlicht punt, de maan. + +Zij ging rood achter den lagen dom der Salpétrière op. + +Haastig naderde Marius het huis No. 50--52. Hij ging op de teenen naar +boven en sloop langs den gangmuur naar zijn kamer. Men herinnere zich, +dat deze gang aan beide zijden kamers had, die op dit oogenblik alle +ledig waren en te huur stonden. Vrouw Burgon liet er gewoonlijk de +deuren van open. Toen Marius een dier deuren voorbij ging, meende hij +in het onbewoonde kamertje vier mannenhoofden te zien, bewegingloos, +en flauw door het schemerlicht, dat door het venster viel, beschenen. + +Marius, die niet wilde gezien worden, sloop stil voorbij. Het gelukte +hem onopgemerkt en zonder gerucht te maken in zijn kamer te komen. Het +was tijd. Een oogenblik later hoorde hij vrouw Burgon uitgaan en de +voordeur sluiten. + + + + + + +ZESTIENDE HOOFDSTUK. + +HET LIEDJE OP EEN ENGELSCHE WIJS, IN 1832 IN DE MODE. + + +Marius ging op zijn bed zitten. Het kon half zes zijn geweest. Nog +slechts een half uur scheidde hem van 't geen zou gebeuren. Hij hoorde +zijn aderen kloppen, zooals men een horloge in de duisternis hoort. Hij +dacht aan den dubbelen gang, die in dit oogenblik in de duisternis +gemaakt werd: de misdaad die aan de eene zijde, de justitie die aan +de andere zijde naderde. Hij had geen vrees, doch kon niet zonder een +zekere siddering denken aan 't geen gebeuren zou. Zooals met allen het +geval is, die eensklaps door een wonderbaar avontuur worden verrast, +scheen deze dag voor hem een droom, en om zich te overtuigen, dat hij +niet onder den druk eener nacht-merrie was, moest hij in zijn zakken +de koude pistolen betasten. + +Het sneeuwde niet meer; de maan drong hoe langer hoe helderder door +de nevels heen, en haar licht, gepaard aan den witten weerschijn der +gevallen sneeuw, gaf de kamer een schemerachtige verlichting. + +Er was licht in Jondrettes verblijf. Marius zag in de opening van +den wand een roodachtig schijnsel, dat hem bloedig voorkwam. + +Het was duidelijk, dat dit schijnsel door geen kaars werd +voortgebracht. Overigens hoorde hij geen de minste beweging bij de +Jondrettes, niemand verroerde zich, niemand sprak of ademde, de stilte +was er diep en kil, en zonder dit licht zou men zich naast een graf +hebben gewaand. + +Marius trok zacht zijn laarzen uit en zette ze onder zijn bed. + +Eenige minuten verstreken. Marius hoorde de benedendeur op haar +hengsels draaien, een zwaren, haastigen tred op de trap en in de gang, +en de klink der deur hard oplichten; 't was Jondrette die te huis kwam. + +Aanstonds verhieven zich verscheidene stemmen. Het geheele gezin was +in het vertrek. Maar het had zich in de afwezigheid van den meester +stil gehouden, gelijk de jonge wolven in de afwezigheid van den wolf. + +"Ik ben 't," zeide hij. + +"Goeden avond, vadertje," riepen de meisjes. + +"Welnu?" vroeg de moeder. + +"Alles gaat goed," antwoordde Jondrette, "maar mijn voeten zijn +gruwelijk koud. Goed, dat gij gekleed zijt, want ge moet vertrouwen +kunnen inboezemen." + +"Gereed om uit te gaan." + +"Zult ge niets vergeten van 't geen ik u gezegd heb; en alles +behoorlijk uitvoeren?" + +"Wees gerust." + +"'t Is..." zei Jondrette; maar hij voleindde den zin niet. + +Marius hoorde hem iets zwaars op de tafel leggen, waarschijnlijk den +beitel dien hij gekocht had. + +"Wel," hernam Jondrette, "is hier gegeten?" + +"Ja," zei de moeder, "drie groote aardappelen met zout. Wijl ik vuur +had, heb ik ze gekookt." + +"Goed," hernam Jondrette, "morgen zullen wij anders eten. Een eendvogel +en wat er bij behoort. Ge zult smullen als koningen.--Alles gaat goed." + +En met zachte stem voegde hij er bij: + +"De muizenval is open. De katten zijn er." + +En met nog zachter stem: + +"Leg dit in het vuur." + +Marius hoorde het geklink van een tang of ijzeren voorwerp, dat in +de houtskolen woelt, en Jondrette hernam: + +"Hebt ge de hengsels der deur gesmeerd om ze niet te doen krijschen." + +"Ja," antwoordde de moeder. + +"Hoe laat is het?" + +"Omtrent zes uren. Op St. Medard heeft het halfuur geslagen." + +"Duivels," zei Jondrette. "De meisjes moeten op de wacht. Komt hier, +kinderen; luistert." + +Er werd gefluisterd. + +Wederom verhief zich de stem van Jondrette. + +"Is vrouw Burgon uitgegaan?" + +"Ja," zei de moeder. + +"Zijt ge zeker, dat er niemand in de kamer van onzen buurman is?" + +"Hij is den geheelen dag niet te huis geweest, en gij weet wel, +dat het nu zijn etensuur is." + +"Zijt ge er zeker van?" + +"Zeker." + +"Om 't even," hernam Jondrette, "'t kan geen kwaad te gaan zien of +hij te huis is. Neem de kaars, meisje, en ga zien." + +Marius liet zich op handen en knieën vallen en kroop stil onder +zijn bed. + +Nauwelijks had hij zich aldus verscholen, of hij zag door de reten +der deur licht. + +"Va!" riep een stem, "hij is uit." + +Marius herkende de stem der oudste dochter. + +"Zijt ge binnen geweest?" vroeg de vader. + +"Neen," antwoordde de dochter; "maar hij is uit; want de sleutel is +in het slot." + +De vader riep: + +"Ga evenwel binnen." + +De deur werd geopend en Marius zag de oudste dochter met een kaars +in de hand binnenkomen. Zij was gelijk des ochtends, alleen bij het +licht nog afschuwelijker. + +Zij ging regelrecht naar het bed; Marius had een oogenblik van +onbeschrijfelijken angst, maar er bevond zich dicht bij 't bed een +spiegel tegen den muur gehangen, en zij ging daar heen. Zij verhief +zich op de teenen en beschouwde zich in den spiegel. Men hoorde in +het belendend vertrek het gerammel van ijzer. Met de palm van haar +hand streek zij zich het haar glad, en voor den spiegel glimlachend, +zong zij met haar schorre grafstem: + + + Nos amours ont duré toute une semaine. + Mais que du bonheur les instants sont courts! + S'adorer huit jours, c'était bien la peine! + Le temps des amours devrait durer toujours! + Devrait durer toujours! devrait durer toujours! [8] + + +Intusschen beefde Marius. Hij meende, dat zij hem stellig moest +hooren ademen. + +Zij ging naar het venster en zag naar buiten, terwijl zij luide, +met de half zinnelooze uitdrukking die haar eigen was, zeide: + +"Hoe leelijk is Parijs als het een wit hemd heeft aangetrokken." + +Zij keerde naar den spiegel terug, maakte allerlei gebaren en +beschouwde zich achtereenvolgens aan alle zijden. + +"Nu!" riep de vader, "wat doet ge toch?" + +"Ik zie onder het bed en de meubels," antwoordde zij, terwijl ze heur +haar bleef glad strijken; "er is niemand." + +"Kom hier, dadelijk," brulde de vader, "laat ons geen tijd verliezen." + +"Ik kom, ik kom," antwoordde zij. "Men heeft in hun kot den tijd +voor niets." + +Zij neuriede: + + + Vous me quittez pour aller à la gloire, + Mon triste coeur suivra partout vos pas. [9] + + +Na een laatsten blik in den spiegel te hebben geworpen, ging zij en +sloot de deur achter zich. + +Een oogenblik daarna hoorde Marius het gerucht der bloote voeten van +de beide meisjes in de gang, en de stem van Jondrette die haar toeriep: + +"Past nauwkeurig op! de eene naar den kant der barrière; de andere +bij den hoek der straat Petit-Banquier. Verlies geen minuut de deur +van het huis uit het oog, en keer, zoo hard ge loopen kunt, terug, +zoo ge iets ziet! Ge hebt een sleutel om binnen te komen." + +De oudste dochter bromde: + +"Met bloote voeten in de sneeuw te staan schilderen." + +"Morgen zult ge laarsjes van bruine zijde hebben!" zei de vader. Zij +gingen de trap af, en eenige seconden later verkondigde het dichtslaan +der voordeur, dat zij op de straat waren. + +Nu waren Marius en het echtpaar Jondrette alleen in het huis, +waarschijnlijk ook de mannen, die Marius in de schemering achter de +deur der onbewoonde kamer had gezien. + + + + + + +ZEVENTIENDE HOOFDSTUK. + +HOE HET VIJFFRANCSTUK VAN MARIUS BESTEED WERD. + + +Marius oordeelde dat het oogenblik gekomen was, om zich weder op zijn +observatorium te begeven. In een oogwenk, en met de vlugheid der jeugd, +was hij voor de opening in den wand. Hij zag er door. + +Het verblijf van Jondrette had een zonderling aanzien, en +Marius ontdekte nu de oorzaak van het wonderbaar licht dat hij +had opgemerkt. Een kaars brandde op een groen uitgeslagen koperen +kandelaar, maar deze kaars verlichtte eigenlijk het vertrek niet. Het +geheele hol was als geïllumineerd door het schijnsel van de brandende +kolen in een groot ijzeren komfoor, dat onder den schoorsteen stond. De +kolen gloeiden en het komfoor was rood; een blauwe vlam danste er door +en hielp den vorm van den beitel te onderscheiden, welke Jondrette in +de straat Pierre-Lombard gekocht had, en die in de kolen rood gloeiend +werd gemaakt. In een hoek bij de deur zag men twee hoopen, den eenen +van oud ijzer, den anderen van touw, die er voor een bepaald gebruik +schenen nedergelegd te zijn. Iemand die geheel onbekend was met wat +hier werd voorbereid, zou op het denkbeeld van iets zeer gruwzaams +of iets zeer eenvoudigs gekomen zijn. Het aldus verlichte hol geleek +meer een smederij, dan een mond der hel, maar Jondrette had bij dien +schijn meer het voorkomen van een duivel dan van een smid. + +De hitte van 't vuur was zoo geweldig, dat de kaars op de tafel aan de +zijde van het komfoor smolt en afliep. Een oude koperen dievenlantaarn, +die voor een Diogenes, in een Cartouche herschapen, goed zou zijn +geweest, stond op den schoorsteen. + +Het komfoor, dat in den haard was geplaatst tusschen de half +uitgebrande spaanders, zond zijn rook door den schoorsteen en +veroorzaakte geen lucht in 't vertrek. + +De maan wierp haar wit licht, door de vier ruiten van het raam, in +het vertrek, dat door den vuurgloed purper gekleurd was; voor den +poëtischen geest van Marius, die zelfs op 't oogenblik der handeling +nog peinsde, was dit als een gedachte des hemels, vermengd met de +verwarde droomen der aarde. + +De tocht, die door de gebroken vensterruit kwam, hielp den kolendamp +verdrijven en het komfoor onopgemerkt maken. + +Het verblijf van Jondrette was, zoo men zich nog herinnert wat wij +van het huis Gorbeau gezegd hebben, uitmuntend gekozen als plaats +ter uitvoering van een gewelddadigen aanslag en om een misdaad te +verbergen. 't Was de afgelegenste kamer van het afgezonderdste huis +op den eenzaamsten boulevard van Parijs. Zoo men hier geen hinderlaag +gekend had, zou men ze er uitgevonden hebben. + +De geheele lengte van een huis, en een menigte onbewoonde kamers, +scheidden dit kot van den boulevard, en het eenige venster dat het +had, zag op woeste en onbebouwde gronden uit, omgeven van muren +en rasterwerk. + +Jondrette had zijn pijp aangestoken, en zat op den ingetrapten stoel +te rooken. Zijn vrouw sprak zacht tot hem. + +Zoo Marius Courfeyrac ware geweest, namelijk een dier menschen, +die in alle omstandigheden des levens lachen, zou hij schaterend +zijn uitgebroken, toen zijn blik op vrouw Jondrette viel. Zij +droeg een zwarten hoed met veeren, zeer gelijkende op de hoeden der +wapenherauten bij de zalving van Karel X; een grooten geruiten shawl +over haar gebreiden wollen onderrok en de mansschoenen, welke haar +dochter des morgens zoo versmaad had. Dit toilet had Jondrette met +welgevallen doen zeggen: + +"Goed, dat ge u met zorg gekleed hebt. Gij moet vertrouwen weten in +te boezemen." + +Jondrette had de nieuwe, maar voor hem te groote jas, die de heer +Leblanc hem gegeven had, nog niet afgelegd, en zijn kleeding bood nog +altijd het contrast aan van jas en pantalon, 't welk naar Courfeyrac's +meening het ideaal van den dichter daarstelde. + +Eensklaps zeide Jondrette luid: + +"Zeg eens! ik denk daar aan: in zulk een weêr als 't nu is, zal hij +zeker met een huurrijtuig komen. Steek de lantaarn aan en ga er mede +naar beneden. Blijf beneden achter de deur staan. Open dadelijk de +deur, zoodra ge het rijtuig hoort stilhouden; hij zal dan naar boven +gaan; licht hem op de trap en de gang, en terwijl hij binnenkomt, +gaat ge weder ijlings naar beneden, betaalt den koetsier en laat het +rijtuig heengaan." + +"En het geld?" vroeg de vrouw. + +Jondrette tastte in zijn zak en gaf haar een vijffrancstuk. + +"Wat is dat?" riep zij verwonderd. + +Jondrette antwoordde deftig: + +"'t Is de monarch, dien de buurman van ochtend gegeven heeft." + +Na eene poos hernam hij: + +"Er zijn twee stoelen noodig." + +"Waarom?" + +"Om op te zitten." + +Marius voelde een rilling door zijn lichaam loopen, toen hij vrouw +Jondrette koel hoorde antwoorden: + +"Nu, ik zal ze uit de kamer van den buurman halen." + +Haastig opende zij de deur en trad in de gang. + +Marius had den tijd niet om van de commode te klimmen, naar zijn bed +te gaan en er zich onder te verbergen. + +"Neem de kaars," riep Jondrette. + +"Neen," zeide zij, "dit zou mij te lastig zijn, ik moet twee stoelen +dragen. De maan schijnt." + +Marius hoorde de zware hand van vrouw Jondrette in de duisternis +naar den sleutel tasten. De deur ging open. Hij bleef van schrik en +ontzetting als vastgeworteld op zijn plaats. + +Vrouw Jondrette trad binnen. + +Door het dakvenster wierp de maan haar schijnsel tusschen twee groote +vakken duisternis. Een dezer donkere vakken bedekte den muur, waartegen +Marius stond, zoodat hij onzichtbaar was. + +Vrouw Jondrette zag hem niet, nam de twee stoelen, de eenige die Marius +bezat, en verwijderde zich, de deur hard achter zich dichtslaande. + +"Hier zijn de twee stoelen," zeide zij, de kamer binnentredende. + +"En daar hebt ge de lantaarn," zei de man. "Ga nu spoedig naar +beneden." + +Zij gehoorzaamde bereidvaardig, en Jondrette was nu alleen. + +Hij plaatste de stoelen aan beide zijden der tafel, draaide den +beitel in de gloeiende kolen om, zette voor den schoorsteen een oud +vuurscherm, dat het komfoor verborg, ging toen naar den hoek, waar de +hoop touwen lag, en bukte als om er iets aan na te zien. Toen ontdekte +Marius, dat hetgeen hij voor een hoop touwwerk had gehouden, een +touwladder was met houten sporten en twee haken, om ze vast te hangen. + +Deze ladder en eenige grove werktuigen, wezenlijke ijzeren knotsen, +die onder den hoop ijzerwerk achter de deur lagen, waren des ochtends +niet in het vertrek en er waarschijnlijk des namiddags, terwijl Marius +afwezig was, gebracht. + +'t Zijn smidswerktuigen, dacht Marius. + +Zoo Marius in dit opzicht meer ervaren ware geweest, zou hij geweten +hebben, dat hetgeen hij voor smidswerktuigen hield, instrumenten +waren om een slot of deur open te breken, andere om te snijden; +beide soorten van werktuigen die bij dieven in gebruik zijn. + +De schoorsteen en de tafel met de twee stoelen bevonden zich recht +tegenover Marius. Wijl het komfoor thans verborgen was, werd de kamer +alleen door de kaars verlicht; het kleinste voorwerp op de tafel of +den schoorsteen wierp een lange schaduw, die van een waterkruik besloeg +de helft van een muur. In het vertrek heerschte een akelige, dreigende +stilte. Men gevoelde, dat er iets verschrikkelijks zou gebeuren. + +Jondrette had zijn pijp laten uitgaan, een bewijs dat hij diep in +gedachten was, en was weder gaan zitten. Het kaarslicht deed de hoeken +van zijn wreed, sluw gezicht scherp uitkomen. Hij fronste nu en dan de +wenkbrauwen en bewoog driftig zijn rechterhand, als antwoordde hij op +de laatste raadgevingen van een inwendige, sombere alleenspraak. Bij +een dier geheime antwoorden, welke hij zich zelven deed, trok hij +driftig de tafellade open, nam er een lang keukenmes uit, dat hij er +in had geborgen, en beproefde op zijn nagel de scherpte ervan. Toen +legde hij het mes weder in de lade, die hij dichtschoof. + +Marius haalde zijnerzijds het pistool, dat in zijn rechterbroekzak was, +te voorschijn, en spande den haan. + +Dit veroorzaakte een licht knappend geluid. + +Jondrette verschrikte en richtte zich ten halve van zijn stoel op. + +"Wat is dat?" riep hij. + +Marius hield zijn adem in, Jondrette luisterde een oogenblik, begon +toen te lachen en zeide: + +"Hoe dom? 't Is de wand die kraakt." + +Marius hield het pistool steeds in zijn hand. + + + + + + +ACHTTIENDE HOOFDSTUK. + +DE TWEE STOELEN VAN MARIUS STAAN TEGENOVER ELKANDER. + + +Eensklaps deed de verwijderde, treurige klank eener klok de glasruiten +trillen. Het sloeg op St. Médard zes uren. + +Jondrette knikte bij iederen klokslag met het hoofd. Na den zesden +slag snoot hij de kaars met zijn vingers. + +Toen ging hij door de kamer, luisterde in de gang, ging en luisterde +weder. + +"Als hij maar komt!" bromde hij binnensmonds. + +Hij keerde naar zijn stoel terug, doch nauwelijks was hij gezeten +toen de deur geopend werd. + +Vrouw Jondrette had ze geopend en bleef in de gang staan, haar gezicht, +'t welk een der gaten van de dievenlantaarn van onderen bescheen, +in een afschuwelijk vriendelijken plooi trekkende. + +"Kom binnen, mijnheer," zeide zij. + +"Kom binnen, mijn weldoener," herhaalde Jondrette, haastig opstaande. + +De heer Leblanc verscheen. + +Zijn gelaat droeg den stempel van volkomen tevredenheid, 't geen hem +een bijzonder eerwaardig voorkomen verleende. + +Hij legde vier Louisd'ors op de tafel. + +"Neem dit voor de huur en de eerste behoeften, mijnheer Fabantou," +sprak hij. "Vervolgens zullen wij zien." + +"God beloone 't u, mijn edele weldoener," zei Jondrette. Daarop +haastig zijn vrouw naderende, fluisterde hij haar in: + +"Zend de huurkoets weg!" + +Zij sloop naar buiten, terwijl haar man den heer Leblanc met +beleefdheden overlaadde en een stoel aanbood. Een oogenblik later +kwam zij terug en fluisterde hem in 't oor: + +"'t Is geschied." + +De gedurende den geheelen dag gevallen sneeuw was zoo dik, dat men +de huurkoets niet had hooren naderen en haar nu evenmin hoorde +wegrijden. Intusschen had mijnheer Leblanc op den stoel plaats +genomen. Jondrette had zich op dien tegenover hem gezet. + +Om zich nu een denkbeeld te vormen van het volgend tooneel, moet +de lezer zich een ijskouden winternacht voorstellen, de eenzame +omstreken van la Salpêtrière met sneeuw overdekt, en in 't maanlicht +als groote lijkwaden gelijkende, het flauwe licht der straatlantaarns, +die hier en daar op den treurigen boulevard en op de lange rijen +zwarte olmen een rood schijnsel werpen; geen mensch misschien op +straat, een kwartier in den omtrek; het huis Gorbeau in de diepste +stilte, stikdonker, te midden dier eenzaamheid, het ruim vertrek van +Jondrette door een enkele kaars verlicht, en in dat kot twee mannen +aan een tafel gezeten, de heer Leblanc gerust, Jondrette glimlachend +en vreeselijk, vrouw Jondrette, de wolvin, in een hoek, en Marius +onzichtbaar aan den anderen kant van den muur staande, geen woord, +geen beweging verliezende, met turend oog en het pistool in de hand. + +Marius gevoelde overigens slechts een gewaarwording van afschuw, +maar niet de minste vrees. Hij hield den knop van het pistool in de +hand gedrukt en gevoelde zich gerust.--Ik zal dien ellendeling kunnen +tegenhouden, wanneer ik wil, dacht hij. + +Hij had de overtuiging, dat de politie in de nabijheid in hinderlaag +was, het bepaalde teeken afwachtende en gereed om de handen uit +te steken. + +Overigens hoopte hij, dat door deze geweldige ontmoeting van Jondrette +en den heer Leblanc eenig licht zou ontstaan omtrent alles wat hij +wenschte te weten. + + + + + + +NEGENTIENDE HOOFDSTUK. + +EEN DONKERE ACHTERGROND. + + +Nauwelijks zat de heer Leblanc of hij wendde de oogen naar de ledige +kribben. + +"Hoe gaat het met de kleine gewonde?" vroeg hij. + +"Slecht," antwoordde Jondrette treurig, met verplichtenden glimlach, +"zeer slecht, mijn waarde heer. Haar zuster is met haar uitgegaan +om haar te laten verbinden. Ge zult ze aanstonds zien, als zij +terugkomen." + +"Uw vrouw schijnt beter te zijn?" hernam mijnheer Leblanc, een blik +op den zonderlingen opschik van vrouw Jondrette slaande, die tusschen +hem en de deur stond, als wilde zij den uitgang bewaken, en hem in +een dreigende houding aanziende. + +"Zij is doodziek," zei Jondrette. "Maar wat zal men zeggen, +mijnheer! zij bezit een wonderbaar sterke geestkracht. 't Is geen +vrouw, 't is een os." + +Vrouw Jondrette, door dit compliment gestreeld, hernam met de +liefelijkheid van een gevleid monster: + +"Ge zijt steeds al te goed voor mij, Jondrette!" + +"Jondrette," zei de heer Leblanc, "ik meende dat uw naam Fabantou was?" + +"Fabantou, genaamd Jondrette!" hernam de man schielijk. "Een +acteurs-bijnaam." En terwijl hij zijn vrouw een blik toewierp, dien +de heer Leblanc niet zag, vervolgde hij, op een toon van vriendelijke +ophemeling: + +"O, wij hebben altijd heel goed met elkander geleefd, mijne arme +lieve vrouw en ik! Wat zouden wij anders ook gehad hebben? Wij zijn +zoo ongelukkig, mijn eerbiedwaardige heer! Men heeft armen, maar geen +arbeid! men heeft goeden wil, maar geen werk! Ik weet niet, hoe de +regeering hieromtrent handelt, maar op mijn woord van eer mijnheer, +ik ben geen jakobijn, geen slecht burger, mijnheer, ik wensch haar +niets geen kwaad; maar zoo ik een der ministers was, 't zou, zoo +waar ik leef, anders gaan. Bijvoorbeeld, ik wilde mijn dochters het +doozen maken laten leeren. Hoe, een beroep? zult ge zeggen. Ja! een +beroep! een broodwinning. Welk een val! mijn weldoener! welk een +vernedering, na geweest te zijn wat wij waren! Helaas! er is niets +overgebleven van onze dagen van voorspoed. Niets ter wereld dan een +schilderij, waaraan ik veel waarde hecht, maar waarvan ik mij toch +zou willen ontdoen, want men moet leven, ja, men moet leven!" + +Terwijl Jondrette aldus schijnbaar verward sprak, doch zonder dat dit +iets aan de sluwe, bezadigde uitdrukking van zijn gelaat ontnam, sloeg +Marius de oogen op en zag op den achtergrond van het vertrek iemand, +dien hij nog niet gezien had. Een man was zoo zacht binnengekomen, +dat men de deur niet had hooren opengaan. Deze man droeg een vuil +gelen gebreiden borstrok, versleten en vol gaten, een wijde pantalon +van katoenfluweel, sokken aan de voeten, geen overhemd, blooten hals, +bloote getatoueerde armen, terwijl zijn gezicht was zwart gemaakt. Hij +had stil, met over elkander geslagen armen op het naaste bed plaats +genomen, en wijl hij achter vrouw Jondrette zat, kon men hem slechts +onduidelijk zien. + +Een soort van magnetisch instinct, dat den blik waarschuwt, +veroorzaakte, dat de heer Leblanc schier tegelijkertijd met Marius +omzag. Hij kon een gebaar van verwondering niet bedwingen, 't welk +Jondrette opmerkte. + +"Ha, ik zie!" riep Jondrette, met een houding van welgevallen zijn +jas dichtknoopende, "gij beziet mijn jas? Hij zit mij goed, niet waar, +hij zit mij goed!" + +"Wie is die man?" vroeg de heer Leblanc. + +"Hij?" hernam Jondrette. "Een buurman, laat hij u niet hinderen." + +De buurman zag er zeer zonderling uit. Maar in de voorstad Saint +Marceau zijn veel fabrieken van chemicaliën. De meeste werklieden in +die fabrieken hebben een zwart gezicht. Overigens gaf het geheele +voorkomen van den heer Leblanc het eerlijkst en onverschrokkenst +vertrouwen te kennen. Hij hernam: + +"Vergeving, wat zeidet gij ook, mijnheer Fabantou?" + +"Ik zeide u, mijnheer en waarde beschermer," hernam Jondrette, +de ellebogen op de tafel leggende en den heer Leblanc met strakke, +teedere oogen, als die van een boaslang, aanstarende, "ik zeide u, +dat ik een schilderij te koop had." + +Een zacht gerucht liet zich aan de deur hooren. Een tweede persoon +trad binnen en zette zich op het bed, achter vrouw Jondrette. Evenals +de eerste had hij bloote armen en een masker van inkt of roet voor +'t gezicht. + +Hoewel deze man letterlijk de kamer was binnengeslopen, had de heer +Leblanc hem evenwel opgemerkt. + +"Sla er geen acht op," zei Jondrette. "'t Zijn lieden van het huis. Ik +zeide dan, dat mij nog een kostbare schilderij was overgebleven.... Zie +hier, mijnheer, zie." + +Hij stond op, ging naar den muur, waartegen het bord waarvan wij +gesproken hebben stond, en draaide het om, terwijl hij 't echter tegen +den muur liet staan. 't Was werkelijk iets dat een schilderij geleek +en door de kaars min of meer in het licht kwam. Marius kon er niets +van onderscheiden, wijl Jondrette tusschen hem en de schilderij stond; +hij zag slechts onduidelijk een soort van hoofdpersoon in ruw kladwerk, +met harde kleuren als van een uithangbord. + +"Wat is dat?" vroeg de heer Leblanc. + +Jondrette sprak met ophef: + +"Een meesterstuk, een kostbare schilderij, mijn weldoener! ik ben er +niet minder aan gehecht dan aan mijne beide dochters; het wekt dierbare +herinneringen in mij op; maar ik zeg nog eens en wil mijn woorden niet +intrekken, ik ben zoo ongelukkig, dat ik mij ervan moet ontdoen..." + +Hetzij toevallig, hetzij dat de heer Leblanc een opwelling van +ongerustheid gevoelde, hij wendde zijn blik weder, terwijl hij de +schilderij bezag, naar den achtergrond der kamer. Er waren nu vier +mannen, drie op het bed zittende en één bij den deurpost staande; +alle vier met bloote armen, bewegingloos, en met zwart gemaakte +gezichten. Een dergenen die op het bed zaten, leunde tegen den muur met +gesloten oogen en scheen te slapen. Hij was oud, en had een vreeselijk +aanzien met zijn wit haar en zwart gezicht. De twee anderen schenen +jong, de een had een zwaren baard, de andere lang haar, geen hunner +droeg schoenen; zij die geen sokken hadden, waren blootsvoets. + +Jondrette bespeurde dat de blik van den heer Leblanc op deze mannen +was gericht. + +"'t Zijn vrienden, buren," zeide hij. "Zij zijn zwart, wijl zij met +kolen omgaan. 't Zijn stokers. Sla geen acht op hen, mijn weldoener, +maar koop mij mijn schilderij af. Heb medelijden met mijn ellende. Ik +zal ze u niet duur verkoopen. Hoe hoog schat gij ze?" + +"Wel," zei de heer Leblanc, op Jondrette een schuinschen blik slaande, +als iemand die op zijn hoede is; "'t is een uithangbord van een of +andere herberg, dat misschien drie francs waard is." + +Jondrette antwoordde heel bedaard: + +"Hebt ge uw portefeuille bij u? ik zou mij met duizend kronen tevreden +stellen." + +De heer Leblanc stond op, plaatste zich tegen den muur en sloeg een +snellen blik door de kamer. Jondrette stond aan zijn linkerzijde +bij het venster, en vrouw Jondrette met de vier mannen aan zijn +rechterzijde bij de deur. De vier mannen verroerden zich niet en +schenen hem zelfs niet te zien; Jondrette begon weder op klagenden +toon te spreken, en met zulk een verwilderd oog en erbarmelijke stem, +dat de heer Leblanc kon meenen, dat degene dien hij voor zich had, +van ellende krankzinnig was geworden. + +"Zoo ge mijn schilderij niet koopt, waarde weldoener," zei Jondrette, +"zie ik geen uitkomst en blijft mij niets over dan in het water te +springen. Ik wilde mijn dochters kartonwerken laten leeren. Daarvoor +heeft men een tafel met zijplankjes noodig, opdat het glas niet op +den grond kan vallen; een opzettelijk daarvoor gemaakt fornuis, een +pot met drie vakken, voor de verschillende lijmsoorten, al naar zij +voor hout, papier of stoffen moeten dienen, een mes voor het snijden +van het karton, een vormblok, een hamertje om de stalen versierselen +te spijkeren, penseelen, en de drommel weet wat al meer! en dat alles +om vier sous daags te verdienen! en men werkt veertien uren! en ieder +doosje gaat dertien malen door de hand der werkster! en het papier +bevochtigen! en niets bevlekken! de lijm warm houden! ik zeg u, +vier sous daags! hoe wilt ge dat men daarvan leve!" + +Terwijl hij dus sprak zag Jondrette den heer Leblanc niet aan, die hem +gadesloeg. Het oog van den heer Leblanc was op Jondrette, en dat van +dezen op de deur gericht. Marius hield met ingehouden adem beiden in +'t oog. + +Mijnheer Leblanc scheen bij zich zelven te vragen: + +"Is hij krankzinnig?" Jondrette herhaalde twee of drie keeren in +allerlei afwisseling van klaag- en jammertoon: "Mij blijft niets over +dan in 't water te springen! ik ben onlangs daartoe bij de brug van +Austerlitz drie treden naar beneden gegaan!" + +Eensklaps schitterde zijn dof oog van een helsche vlam; deze kleine +man richtte zich op en werd verschrikkelijk; hij trad naar den heer +Leblanc en riep hem met donderende stem toe: + +"Van dit alles is thans geen sprake! herkent ge mij?" + + + + + + +TWINTIGSTE HOOFDSTUK. + +DE HINDERLAAG. + + +De deur van het vertrek werd eensklaps geopend en drie mannen +in blauwlinnen kielen, met zwart papieren maskers voor, traden te +voorschijn. De eerste was mager en had een langen met ijzer beslagen +knuppel, de tweede, een soort van kolossus, droeg bij het midden van +den steel een zware bijl, waarmede men een os had kunnen vellen, +in de hand. De derde, een man met forsche schouders, minder mager +dan de eerste, minder zwaar dan de tweede, had in de vuist een zeer +grooten sleutel als die eener gevangenisdeur. + +Het scheen dat Jondrette op deze mannen gewacht had. Een haastig +gesprek ontstond tusschen hem en den man met den knuppel, den magere. + +"Is alles gereed?" vroeg Jondrette. + +"Ja," antwoordde de magere man. + +"Waar is Montparnasse?" + +"Hij is achtergebleven om met uw dochter te spreken." + +"Welke?" + +"De oudste." + +"Is er een huurkoets beneden?" + +"Ja." + +"Is het rijtuig ingespannen?" + +"Ingespannen." + +"Met twee goede paarden?" + +"Beste." + +"Wacht het, waar ik heb gezegd dat het wachten moest?" + +"Ja." + +"Goed," zei Jondrette. + +De heer Leblanc was zeer bleek. Hij beschouwde alles wat hem in het +vertrek omgaf, als iemand die begrijpt in welken kuil hij gevallen is; +zijn hoofd dat zich beurtelings naar al de hoofden die hem omringden +wendde, bewoog zich langzaam met aandacht en verbazing, doch niets +aan hem verried eenige vrees. Hij had zich van de tafel een soort van +verschansing gemaakt; en deze man, die even te voren het voorkomen +had van een goed oud man, was plotseling een soort van worstelaar +geworden en legde met dreigend gebaar zijn gespierde hand op den rug +van den stoel. + +Deze grijsaard, zoo krachtig en moedig tegenover zulk een gevaar, +scheen een dier naturen, wie de moed evenzeer als de goedheid +is aangeboren. De vader eener vrouw die men bemint is ons niet +onverschillig. Marius gevoelde zich trotsch op dezen onbekende. + +Drie der mannen welke Jondrette "stokers" had genoemd, hadden uit +den hoop oud ijzer, de eene een grooten beitel, de andere een tang, +de derde een hamer genomen, en zich zonder een woord te spreken voor +de deur geplaatst. De oude was op het bed gebleven, en had slechts +de oogen geopend. Vrouw Jondrette had zich naast hem nedergezet. + +Marius dacht dat hij binnen weinige seconden tusschenbeide zou moeten +komen, en hief den arm op naar de zoldering, naar den kant van de gang, +gereed om zijn pistool te lossen. + +Na zijn gesprek met den man met den knuppel wendde Jondrette zich +weder tot den heer Leblanc, en herhaalde zijn vraag met dien stillen, +onbedwongen en vreeselijken lach, die hem eigen was: + +"Gij herkent mij dus niet?" + +De heer Leblanc zag hem in 't gezicht en antwoordde: + +"Neen." + +Toen naderde Jondrette de tafel, boog zich met over de borst gekruiste +armen over de kaars, bracht zijn hoekige kin dicht bij het bedaarde +gezicht van den heer Leblanc, en naderde hem zoo dicht mogelijk, +zonder dat de heer Leblanc achteruit week, en in deze houding van +een wild dier dat zijn prooi bespringt, riep hij: + +"Ik heet niet Fabantou, ik heet niet Jondrette, ik heet Thénardier! ik +ben de herbergier van Montfermeil! hoort ge wel? Thénardier! herkent +ge mij nu?" + +Een nauwelijks zichtbare blos vloog over het voorhoofd van den heer +Leblanc, en hij antwoordde, zonder dat zijn stem beefde of zich +verhief, en met zijn gewone bedaardheid: + +"Evenmin!" + +Marius hoorde dat antwoord niet. Wie hem in dien oogenblik in +de duisternis had gezien, zou hem voor verwilderd, wezenloos en +verplet gehouden hebben. Op het oogenblik, dat Jondrette zeide: +"Ik heet Thénardier," had Marius door al zijn leden gebeefd en +zich aan den muur vastgehouden, als voelde hij de kilheid van een +degenkling in zijn hart. Zijn rechterarm, gereed om het seinschot +te lossen, was langzaam gezonken, en toen Jondrette had herhaald: +"Hoort ge wel, Thénardier?" liet Marius het pistool schier uit zijn +bevende handen vallen. Toen Jondrette te kennen gaf wie hij was, +had hij niet den heer Leblanc doen ontstellen, maar Marius in de +grootste ontroering gebracht. Dezen naam Thénardier, dien de heer +Leblanc niet scheen te kennen, kende Marius. Men herinnere zich, wat +deze naam voor hem was! hij had dezen naam, in het testament zijns +vaders geschreven, aan zijn hart gedragen; hij droeg hem in het diepste +zijner gedachten, zijner herinnering, door deze heilige aanbeveling: +"Een zekere Thénardier heeft mij het leven gered. Zoo mijn zoon hem +ontmoet, moet hij hem zooveel goeds doen als in zijn vermogen is." Men +herinnere zich, dat deze naam, met dien van zijn vader, het voorwerp +zijner vereering was. En dit was nu deze Thénardier, deze herbergier +van Montfermeil, dien hij zoo lang vruchteloos gezocht had. Eindelijk +had hij hem gevonden, maar hoe? deze redder zijns vaders was een +bandiet! deze man, voor wien Marius vurig wenschte zich op te offeren, +was een schurk! deze redder van den kolonel Pontmercy was op het punt +een aanslag te volvoeren, waarvan Marius nog niet duidelijk den vorm +zag, maar die een moordaanslag geleek! en op wien? goede God! welk +een noodlottigheid! welk een bittere scherts van het lot! Zijn vader +beval hem uit zijn graf, Thénardier zooveel mogelijk goed te doen; +sinds vier jaren had Marius geen andere gedachten, dan de voldoening +van deze schuld zijns vaders, en op hetzelfde oogenblik dat hij door +de justitie een roover te midden zijner misdaad wil doen vatten, +roept het lot hem toe: 't Is Thénardier! Eindelijk zou hij dan +dezen man het leven zijns vaders, dat te midden van het schrootvuur +op het heldenslagveld van Waterloo gered was, gaan betalen, en het +betalen met--het schavot. Hij had zich voorgesteld, zoo hij ooit dien +Thénardier mocht ontmoeten, voor hem neder te knielen, en nu vond hij +hem inderdaad, maar om hem aan den beul over te leveren! Zijn vader +zeide hem: Help Thénardier! en hij antwoordde op deze vereerde, heilige +stem met Thénardier te verpletteren! met zijn vader in diens graf het +schouwspel te geven van de terechtstelling op het plein St. Jacques, +van den man, die hem met levensgevaar aan den dood ontrukt had, en +welks terechtstelling bewerkt was door zijn zoon, door dien Marius, +aan wien hij dezen man had aanbevolen! En welk een tegenstelling! zoo +lang den laatsten wil zijns vaders, eigenhandig door hem geschreven, +op zijn borst te hebben gedragen, om op gruwzame wijze geheel het +tegenovergestelde te doen! Maar, aan den anderen kant, bij dezen +aanslag tegenwoordig te zijn, zonder ze te beletten! Wat! het offer +veroordeelen en den moordenaar sparen! Was men aan zulk een ellendeling +dankbaarheid schuldig? Alle gedachten, die Marius sedert vier jaren +gekoesterd had, werden door dezen onverwachten slag als vernietigd. Hij +huiverde. Alles hing van hem af. Zonder dat zij het wisten, hield +hij in zijn hand het lot der wezens die zich daar voor zijn oogen +bewogen. Zoo hij zijn pistool loste, was de heer Leblanc gered en +Thénardier verloren; zoo hij het niet loste, was de heer Leblanc +geofferd, en, wie weet? Thénardier ontsnapt. Den een in 't ongeluk +storten of den ander doen vallen? Aan beide kanten wroeging. Wat te +doen? Wat te kiezen? de plechtigste herinneringen hoonen; de innigste +verbintenissen met zich zelven aangegaan verbreken, den heiligsten +plicht, het eerwaardigst voorschrift verkrachten; het testament zijns +vaders niet nakomen of een misdaad laten volbrengen! aan den eenen kant +scheen hij "zijn Ursula" hem voor haar vader te hooren bidden, aan +den anderen kant den kolonel hem Thénardier aanbevelen. Hij gevoelde +zich als zinneloos! Zijn knieën knikten, hij had zelfs den tijd niet +te overleggen, zoo snel ontwikkelde zich het tooneel dat hij voor +zijn oogen had. 't Was als een hoos, waarvan hij zich beheerscher had +gewaand en die hem medevoerde. Een oogenblik meende hij te bezwijmen. + +Ondertusschen wandelde Thénardier, wij zullen hem voortaan niet anders +noemen, heen en weder voorbij de tafel, in een soort van razernij +van verwarring en zegepraal. + +Hij nam met de volle hand de kaars en zette ze met zulk een geweldigen +slag op den schoorsteen, dat zij schier uitging en het vet tegen den +muur spatte. + +Toen wendde hij zich tot den heer Leblanc en brulde verwoed: + +"In de val geloopen! gesnapt! Eindelijk heb ik u gevonden, +mijnheer de menschenvriend, mijnheer de kale millionair! mijnheer +de poppengever! Oude Jocrisse! ha, ge herkent mij niet! Zijt ge +niet, acht jaren geleden, in mijn herberg te Montfermeil geweest, +in den kerstnacht van 1823; hebt ge het kind van Fantine niet van mij +medegevoerd! de leeuwerik! droegt ge geen bruine jas! hadt ge niet een +pakje kleedingstukken in de hand, evenals toen ge vanmorgen bij mij +kwaamt! Spreek gij, mijn vrouw! 't schijnt, dat het zijn liefhebberij +is, in de huizen pakken met wollen kousen te brengen, die oude +menschenvriend! Zijt ge kousenkooper, mijnheer de millionair? geeft +ge uw winkelgoederen aan de armen, vroom man? Ha! ge herkent mij +niet! Nu, ik herken u; ik herkende u dadelijk, zoodra ge hier uw +neus hadt ingestoken. Men zal eens zien of 't altijd even aardig +is de huizen der menschen binnen te dringen, onder het voorwendsel +dat men er logeeren wil, in een oude plunje, als een arm mensch, +wien men een cent zou hebben gegeven; de menschen te bedriegen, den +edelmoedige te spelen, den menschen hun broodwinning te ontnemen en +hen in het bosch te dreigen; en dat men er niet mede af is, om later, +wanneer de menschen arm zijn geworden, hun een te groote jas en twee +ellendige hospitaaldekens te brengen, oude schurk, kinderdief!" + +Hij zweeg en scheen een poos als in zich zelven te spreken. Het +was alsof zijn toorn, gelijk de Rhône, in een hol viel; toen, als +voltooide hij luid wat hij zacht gezegd had, sloeg hij met de vuist +op de tafel en riep: + +"Met zijn goedhartig voorkomen!" + +En tot den heer Leblanc het woord richtende: + +"Voor den d....! Gij hebt mij vroeger beet gehad! Gij zijt de schuld +van al mijn ongeluk! Gij hebt mij voor vijftienhonderd francs een +meisje ontnomen, dat ik in mijn bezit had en dat zekerlijk aan rijke +lieden behoorde, dat mij reeds veel geld had opgebracht, en van 't +welk ik zooveel moest trekken om er mijn geheel leven van te kunnen +bestaan! Een meisje, dat mij alles zou vergoed hebben, wat ik in die +afschuwelijke kroeg verloren en als een dwaas doorgebracht heb. O, +ik wenschte dat al de wijn, dien men bij mij gedronken heeft, +in vergif ware veranderd voor hen die ze gedronken hebben. Om 't +even! Maar zeg! ge moet mij wel uitgelachen hebben, toen ge met de +leeuwerik heengingt. Gij hadt in het bosch uw dikken knuppel, gij +waart de sterkste! Nu neem ik revanche! Nu heb ik de troeven! Gij +zijt kapot, goede man. Ik lach, ja, waarachtig, ik lach! Hij is +heerlijk in de val geloopen! Ik zeide hem dat ik acteur was, dat ik +Fabantou heette, dat ik met mademoiselle Mars comedie had gespeeld, +dat mijn huisheer morgen 4 Februari betaald wilde zijn, en hij heeft +zelfs niet opgemerkt dat de huur den 8 Januari en niet den 4 Februari +vervalt. Dom uilskuiken! En hij brengt mij vier ellendige goudstukken +met Lodewijk Filips er op! Canaille! Hij heeft den moed niet gehad +om slechts tot vijfhonderd francs te komen! Aan al mijn spotternij +heeft hij geloofd. Ik had er pret in! Ik dacht: Ha, schoft, ik heb +u in mijn macht! Van morgen kruip ik voor u, maar van avond vreet ik +u het hart uit het lijf!" + +Thénardier hield op. Hij was buiten adem. Zijn enge borst hijgde als +een smidsblaasbalg. Zijn oog glom van die gemeene vreugde van een +zwak, wreed, laag schepsel, dat eindelijk datgene kan nederwerpen +wat het vreesde, en hoonen wat het vleide, de vreugd van een dwerg, +die den voet op 't hoofd van Goliath zou zetten, de vreugd van een +jakhals, die een zieken stier begint te verslinden, te stervend om +zich te kunnen verdedigen, maar nog levend genoeg om te lijden. + +De heer Leblanc viel hem niet in de rede, maar zeide, toen hij zweeg: + +"Ik weet niet, wat ge bedoelt. Gij vergist u. Ik ben een zeer arm man, +en niets minder dan een millionair. Ik ken u niet. Ge ziet mij voor +een ander aan." + +"Ha," krijschte Thénardier; "gij wilt nog verder met mij +schertsen! Maar, 't is mis, man! Zoo, herinnert gij het u niet! Ziet +gij niet wie ik ben?" + +"Verschoon mij, mijnheer," antwoordde de heer Leblanc op een beleefden +toon, die op dit oogenblik iets zonderlings en machtigs had; "ik zie, +dat ge een bandiet zijt." + +Wie heeft niet opgemerkt, dat de grootste booswichten een gevoelige +plek hebben, dat monsters nog prikkelbaar zijn. Op dit woord "bandiet", +sprong vrouw Thénardier uit het bed, greep Thénardier zijn stoel, +als wilde hij dien in zijn hand vermorzelen. + +"Verroer u niet!" riep hij zijn vrouw toe, en tot den heer Leblanc +zeide hij: + +"Een bandiet! ja, ik weet dat gij, rijke lieden, ons zoo noemt! Ja, +'t is waar, ik ben bankroet gegaan, ik verberg mij, ik heb geen brood, +geen geld, ik ben een bandiet! Sinds drie dagen heb ik niet gegeten, +ik ben een bandiet! O, gij! gij warmt uw voeten, hebt schoenen van +Sakoski, gewatteerde jassen, als van aartsbisschoppen; ge woont +op de eerste verdieping in huizen met portiers, ge eet truffels, +asperges, die in de maand Januari veertig francs de bos kosten; +ge eet doperwtjes, ge smult; en als ge weten wilt of 't koud is, +kijkt ge in de courant hoe de thermometer staat; wij, wij zijn +zelven thermometers! Wij behoeven niet naar den toren de l'Horloge +te gaan, om te zien hoeveel graden koud het is, wij voelen het bloed +in onze aderen stollen en het ijs ons hart verstijven, en wij zeggen: +Er is geen God! En gij komt in onze holen, ja, in onze holen, om ons +bandieten te noemen. Maar wij zullen u verslinden! ja verslinden! Weet, +mijnheer de millionair, dat ik een goed gevestigd, gepatenteerd man, +een kiesgerechtigde, een burger ben geweest, en gij zijt het misschien +niet, gij!" + +Nu trad Thénardier een schrede naar de mannen, die aan de deur stonden +en voegde er wrokkend bij: + +"Als ik denk, dat hij tot mij durft spreken, alsof ik een schoenlapper +ben." + +Met vermeerderde woede wendde hij zich weder tot den heer Leblanc: + +"Weet nog dit, mijnheer de menschenvriend! dat ik geen gluiper ben, +ik ben geen man wiens naam men niet kent, en die de kinderen uit de +huizen haalt. Ik ben een oud Fransch soldaat, ik moest gedecoreerd +zijn. Ik was te Waterloo, ik! en in dien veldslag heb ik een generaal, +graaf de Pontmercy, genaamd, gered! Weet ge wat deze schilderij, die +David te Burqueselles (Brussel) heeft geschilderd, voorstelt? Zij +stelt mij voor. David heeft dit wapenfeit willen vereeuwigen! Ik +houd generaal Pontmercy op mijn rug en draag hem door het schrootvuur +heen. Dat is de geschiedenis! Die generaal heeft zelfs nooit iets voor +mij gedaan, hij was niet beter dan alle anderen. Ik redde niettemin, +met gevaar van mijn leven, het zijne, en daarvan heb ik zakken vol +getuigschriften. Ik ben een soldaat van Waterloo, duizend bommen! En, +nu ik zoo goed ben geweest u dat alles te zeggen, nu moet er een +einde aan komen; ik moet geld hebben, veel geld, ontzettend veel geld, +of ik verdelg u, voor den d.....!" + +Marius had weder eenige macht op zich zelven gewonnen en luisterde. De +laatste mogelijkheid van twijfel was verdwenen. 't Was wel degelijk +de Thénardier van het testament. Marius huiverde bij dit verwijt van +ondankbaarheid, tot zijn vader gericht, 't welk hij op 't punt was +zoo noodlottig te rechtvaardigen. Zijn verlegenheid nam hierdoor +toe. Overigens was in al de woorden van Thénardier, in zijn toon, +in zijn gebaren, in zijn blik, die bij ieder woord vlammen schoot, in +deze uitbarsting eener slechte natuur, die zich geheel vertoonde, in +dit mengsel van pralerij en verworpenheid, van hoogmoed en nietigheid, +van woede en dwaasheid, in dien baaierd van wezenlijke grieven en +valsche gevoelens, in deze onbeschaamdheid van een slecht mensch, die +zich aan den wellust van het geweld overgeeft, in deze ontvlamming +van allerlei lijden, vermengd met allerlei haat--iets afschuwelijks +als het kwade, iets treffends als de waarheid. + +Het meesterstuk, de schilderij van David, welke hij aan den heer +Leblanc te koop had aangeboden, was, gelijk de lezer zal vermoed +hebben, niets anders dan het uithangbord zijner kroeg, dat, zoo men +zich herinnert, door hem zelven geschilderd was; het eenige wat van +zijn schipbreuk te Montfermeil was overgebleven. + +Vermits hij zich uit het gezichtsveld van Marius had verwijderd, +kon deze dit voorwerp nu aanschouwen, en in dit kladwerk erkende hij +werkelijk een veldslag, een achtergrond vol damp en rook, en een man +die een ander droeg. Dit was de groep van Thénardier en Pontmercy; +de reddende sergeant, de geredde kolonel. Marius was als dronken, deze +schilderij deed zijn vader om zoo te spreken herleven; 't was niet meer +het uithangbord der kroeg van Montfermeil, 't was een verrijzenis; +een graf opende zich, een schim richtte zich op. Marius hoorde zijn +polsen kloppen; het kanon van Waterloo suisde in zijn ooren, zijn +bloedende vader, onduidelijk op dit paneel voorgesteld, ontroerde hem, +en 't was hem alsof deze wanstaltige figuur hem strak aanschouwde. + +Toen Thénardier weder in den adem was geschoten, richtte hij zijn +bloedige oogen op den heer Leblanc en zeide met gesmoorde stem, kortaf: + +"Wat hebt ge te zeggen, vóór dat men tot andere middelen overgaat?" + +De heer Leblanc zweeg. Te midden der stilte, riep een ruwe stem in +de gang deze gruwzame spotternij: + +"Zoo er hout moet gekloofd worden, ben ik gereed!" + +'t Was de man met de bijl, die grappig wilde zijn. + +Te zelfder tijd verscheen in de deur een aardkleurig, leelijk gezicht +met afgrijselijken grijnslach, die geen tanden, maar brokken van +tanden liet zien. + +'t Was het gezicht van den man met de bijl. + +"Waarom hebt ge uw masker afgedaan?" riep Thénardier toornig. + +"Om te lachen," antwoordde de man. + +Sedert eenige oogenblikken scheen de heer Leblanc al de bewegingen +van Thénardier in 't oog te houden en te volgen, die, door zijn woede +verblind en bedwelmd, heen en weder door het dievenhol liep, in het +volle vertrouwen dat de deur goed bewaakt werd, in het bewustzijn dat +hij een weerloos man in zijn macht had en zij negen tegen één waren, +zelfs aannemende dat vrouw Thénardier slechts voor één man telde. Toen +Thénardier tot den man met de bijl sprak, was hij met den rug naar +den heer Leblanc gekeerd. + +Van dit oogenblik maakte deze gebruik, wierp met den voet den stoel, +met de vuist de tafel omver, en in één sprong was hij met wonderbare +vlugheid aan het venster, vóór Thénardier den tijd had gehad zich om +te keeren. Het venster te openen, er in te klimmen, er het been uit +te brengen was het werk van een oogenblik. Hij was er half buiten toen +zeer forsche vuisten hem grepen en ruw in het vertrek terug trokken. 't +Waren de drie "stokers", die op hem toegeschoten waren. Tegelijkertijd +had vrouw Thénardier hem bij het haar gegrepen. + +Op het gerucht dat zij hoorden kwamen de overige bandieten uit de +gang. De oude, die op het bed zat en dronken scheen, kwam er af en +naderde waggelend, met een stratenmakershamer in de hand. + +Een der stokers, wiens zwartgemaakt gezicht door het kaarslicht werd +beschenen en in wien Marius, in weerwil der zwarte kleur, Panchaud, +bijgenaamd Printanier of Bigrenaille, herkende, hief boven het hoofd +van den heer Leblanc een soort van knots op, zijnde een ijzeren staaf, +aan beide einden met een looden kogel. + +Marius kon dat schouwspel niet langer uitstaan.--"Vergeef mij, +mijn vader!" dacht hij, en zijn vinger zocht den trekker van zijn +pistool. Hij was op 't punt om 't over te halen, toen Thénardier riep: + +"Doe hem geen leed!" + +Deze wanhopige poging van den bedreigde had Thénardier, in plaats +van hem verwoed te maken, tot kalmte gebracht. + +In hem waren twee menschen, de wreede en de listige mensch. Tot hiertoe +had, in de verrukking der zegepraal, tegenover de nedergedrukte, +lijdelijke prooi, de wreede mensch het overwicht gehad, maar toen +deze prooi weerstand bood en scheen te willen worstelen, kwam de +listige mensch weder te voorschijn en kreeg de overhand. + +"Doe hem geen leed!" herhaalde hij, en zonder het te vermoeden, +had hij in de eerste plaats het geluk Marius tegen te houden zijn +pistool te lossen, daar het oogenblikkelijk gevaar scheen geweken te +zijn, en hij in dezen nieuwen stand van zaken geen bezwaar vond nog +te wachten. Wie weet, dacht hij, of niet 't een of ander gebeurt, +dat mij van de vreeselijke keus bevrijdt, òf den vader van Ursula te +doen omkomen, òf den redder van den kolonel in 't verderf te storten? + +Een reuzengevecht was ontstaan. Met een vuistslag tegen de borst had de +heer Leblanc den oude in het midden der kamer doen rollen, daarop met +twee slagen twee andere aanvallers nedergeworpen, die hij ieder onder +een knie hield; de ellendigen kermden onder deze drukking als onder +een molensteen; maar de vier anderen hadden den vreeselijken grijsaard +bij de armen en den nek gegrepen, terwijl hij de twee nedergeworpen +"stokers" steeds onder zijne knieën hield. Alzoo meester van de eenen +en door de anderen overweldigd, de onder hem liggenden verpletterend, +en stikkende onder de bovensten, vruchteloos al het geweld trachtende +af te schudden, dat hem aanviel, werd de heer Leblanc onzichtbaar +onder den afschuwelijken groep bandieten, evenals een wild zwijn +onder een troep huilende doggen en jachthonden. + +'t Gelukte hun hem achterover op het naaste bed bij het venster te +krijgen en er hem in bedwang te houden. Vrouw Thénardier had zijn +haar niet losgelaten. + +"Bemoei gij er u niet meê," riep Thénardier. "Ge zult uw kleeren +beschadigen." + +Vrouw Thénardier gehoorzaamde grommend, zooals de wolvin een wolf +gehoorzaamt. + +"Onderzoekt hem nu," beval Thénardier aan de overigen. + +De heer Leblanc scheen van wederstand te hebben afgezien. Men +doorzocht hem. Hij had niets bij zich dan een lederen geldbeurs, +waarin zes francs, en zijn zakdoek. + +Thénardier stak den zakdoek bij zich. + +"Hoe, geen portefeuille?" vroeg hij. + +"Noch horloge," antwoordde een der "stokers." + +"Om 't even," zei, met een stem als van een buikspreker, de gemaskerde +man met den grooten sleutel, "de oude is sterk." + +Thénardier ging naar den hoek bij de deur en nam den hoop touw, +dien hij hun toewierp. + +"Bindt hem aan den voet van de krib," zeide hij en, den oude ziende, +die, door den vuistslag van den heer Leblanc op den grond geworpen, +was blijven liggen en zich niet bewoog, vroeg hij: + +"Is Boulatruelle dood?" + +"Neen," antwoordde Bigrenaille, "hij is dronken." + +"Veeg hem in een hoek," zei Thénardier. + +Twee "stokers" stieten den dronkaard met den voet naar den hoop +oud ijzer. + +"Babet, waarom hebt ge er zooveel meêgebracht?" zei Thénardier zacht +tot den man met den knuppel, "dit was niet noodig." + +"Wat zal ik zeggen?" antwoordde de man met den knuppel; "zij wilden +er allen bij zijn. 't Is een slechte tijd; er valt zoo weinig te doen." + +De krib, waarop de heer Leblanc was geworpen, geleek als die uit +een hospitaal en stond op vier dikke, ruwe vierkante pooten. De heer +Leblanc hield zich lijdelijk. De bandieten bonden hem stevig, terwijl +hij stond, met de voeten aan 't hoofdeneind der krib, die het verst +van het venster en het dichtst bij den schoorsteen was. + +Toen de laatste knoop gelegd was, nam Thénardier een stoel en zette +zich schier recht tegenover den heer Leblanc. Thénardier scheen niet +meer dezelfde; in een oogenblik was zijn gezicht van dolle woede tot +bedaarde, zachte en sluwe kalmte overgegaan. Marius kon nauwelijks +in dien vriendelijken glimlach van den onderdanigen mensch, den +dierlijken, even te voren schuimbekkenden man herkennen; met verbazing +aanschouwde hij deze phantastische en verontrustende herschepping, +en hij had het gevoel van iemand die een tijger in een solliciteur +zag veranderen. + +"Mijnheer..." zei Thénardier. + +En met een handwenk de bandieten verwijderende, die den heer Leblanc +nog vasthielden: + +"Gaat een weinig ter zijde en laat mij met dezen heer spreken." + +Allen traden naar de deur terug. Hij hernam: + +"Mijnheer, gij hadt ongelijk, uit het raam te willen springen. Gij +hadt een been kunnen breken. Zoo ge het vergunt, willen wij nu eens +bedaard spreken. Ik moet u vooreerst een opmerking mededeelen, die +ik maakte, namelijk, dat ge nog niet den minsten kreet geslaakt hebt." + +Thénardier had gelijk, dit was werkelijk het geval, schoon het aan +Marius in zijn verwarring ontgaan was. De heer Leblanc had nauwelijks +eenige woorden gesproken, zonder zijn stem te verheffen, en zelfs in +zijn worsteling tegen de zes bandieten bij het venster, had hij het +diepste, zonderlingste zwijgen in acht genomen. Thénardier hernam: + +"Mijn hemel! ik zou het volstrekt niet vreemd hebben gevonden, +zoo ge om hulp hadt geroepen! Men roept in sommige omstandigheden +soms moord en brand! en ik zou u dit volstrekt niet kwalijk hebben +genomen. 't Is heel natuurlijk dat men een weinig lawaai maakt, +wanneer men met lieden is, wie men niet volkomen vertrouwt. Men +zou 't u niet belet hebben; zelfs zou men u den mond niet hebben +gestopt. Ik zal u zeggen waarom. 't Is omdat niets uit deze kamer kan +gehoord worden. Dit is haar eenige goede eigenschap; 't is er echter +een! Ze is als een kelder. Men zou hier een kanon kunnen afschieten, +zonder dat dit aan de naaste wachtpost meer gerucht veroorzaakte, +dan het snorken van een dronkaard. Hier verdooft evenzeer het kanon +als de donder. 't Is een zeer gemakkelijke woning. Kortom, ge hebt +niet geschreeuwd, dat is zeer goed; ik maak u mijn compliment en zal u +zeggen wat ik hieruit afleid: Wanneer men schreeuwt komt de politie, +en na de politie, de justitie. Welnu, gij hebt niet geschreeuwd, +en bijgevolg hebt ge even weinig lust als wij om met de politie en +justitie in aanraking te komen. En wel--zooals ik reeds sinds lang +vermoedde--omdat gij er belang bij hebt iets te verbergen. Wij, +van onzen kant hebben hetzelfde belang. Wij begrijpen elkander dus." + +Terwijl hij dus sprak scheen het alsof Thénardier, zijn blik op den +heer Leblanc gericht, de dolken, die uit zijn oogen schoten, tot in +het binnenste des harten van zijn gevangene wilde boren. Overigens +was zijn taal, waarin een gematigde en wrokkende onbeschaamdheid lag, +zuiver en schier gekuischt, en men ontdekte in dezen ellendeling, die +zoo aanstonds slechts een bandiet was, nu den man die voor priester +had gestudeerd. De stilte, die de gevangene had in acht genomen, deze +voorzorg, die zelfs zoover ging, dat hij er zijn leven voor in de +waagschaal stelde, die weerstand, aan de eerste opwelling der natuur +geboden, die tot het slaken van een kreet aandreef, dit alles had, +wij moeten 't bekennen, sedert hierop aanmerking gemaakt was, voor +Marius iets onaangenaams en het verwonderde hem smartelijk. + +De zoo gegronde aanmerking van Thénardier hulde voor Marius in nog +dieper duisternis dezen ernstigen, zonderlingen man, wien Courfeyrac +den naam van mijnheer Leblanc had gegeven. Wie hij evenwel ook zijn +mocht, deze man, met touwen gekneveld, omgeven door beulen, om zoo te +zeggen half in een kuil geworpen, die ieder oogenblik dieper onder +hem werd, hij bleef zoowel tegenover de woede als de zachtheid van +Thénardier rustig en kalm. Marius kon niet nalaten op dit oogenblik +zijn verheven treurig gezicht te bewonderen. + +'t Was blijkbaar iemand, wiens ziel geen verschrikking kende en die +niet wist wat vertwijfeling was. 't Was een derzulken, die zelfs de +verbazing in wanhopige omstandigheden weten te beheerschen. Hoe groot +het gevaar was, hoe onvermijdelijk een noodlottigen afloop scheen, +hij had niets van den doodsangst des drenkelings, die onder water +zijn verschrikte oogen opent. + +Zonder gemaaktheid stond Thénardier op, naderde den schoorsteen, nam +het scherm weg, dat hij tegen het naaste bed zette, en vertoonde alzoo +het komfoor met gloeiende kolen, waarin de gevangene duidelijk den +wit gegloeiden beitel kon zien, die met kleine roode vuursterretjes +gespikkeld was. + +Toen zette hij zich weder voor den heer Leblanc. + +"Ik herhaal," zeide hij, "wij kunnen elkander verstaan. Laten wij onze +zaak in der minne schikken. Ik had ongelijk mij aanstonds driftig te +maken, ik weet niet wat mij in het hoofd kwam; ik ben te ver gegaan; ik +heb dwaasheden gezegd. Bij voorbeeld, omdat gij millionair zijt, zeide +ik, dat ik geld, veel geld, ontzaggelijk veel geld wilde hebben. Dit +was onverstandig. Mijn hemel, gij moogt zoo rijk zijn als ge wilt; +ge hebt ook uw nooden; wie heeft ze niet? ik wil u niet ruïneeren, +ik ben in allen geval geen uitzuiger, ik behoor niet tot de lieden +die, omdat zij de omstandigheden in hun macht hebben, daarvan tot het +uiterste gebruik maken. Hoor, ik zal iets toegeven en van mijn kant een +opoffering doen. Ik wil niet meer dan tweemaal honderd duizend francs." + +De heer Leblanc sprak geen woord. Thénardier ging voort: + +"Ge ziet dat ik terdeeg water in mijn wijn doe. Ik ken den staat van +uw fortuin niet; maar ik weet, dat ge niet aan 't geld gehecht zijt, +en een weldadig mensch als gij, kan wel tweemaal honderd duizend francs +aan een huisvader geven, die niet gelukkig is.--Gij zijt zeker ook een +verstandig mensch, en kunt u niet verbeeld hebben, dat ik mij heden +al die moeite gegeven en de zaak voor dezen avond in orde gebracht +zou hebben, dat een zeer moeielijk werk is geweest, zooals deze heeren +kunnen getuigen, enkel om u eene kleinigheid te vragen, voor een glas +wijn en een geringen maaltijd. Tweemaal honderd duizend francs komt +er mij voor toe. Hebt ge deze eenmaal afgeschoven, dan verzeker ik u, +dat alles is afgedaan en gij 't minst niet meer te vreezen hebt. Ge +zult zeggen: Ik heb geen tweemaal honderd duizend francs bij mij. O, +dat verlang ik ook niet; ik ben niet ongemakkelijk. Ik vraag u slechts +de goedheid te hebben te schrijven wat ik u zal voorzeggen." + +Thénardier zweeg, vervolgens zeide hij, met meerder nadruk en een +glimlachenden schuinschen blik op het komfoor slaande: + +"Ik waarschuw u vooraf, dat ik het voorwendsel, dat ge niet zoudt +kunnen schrijven, niet aanneem." + +Een groot-inquisiteur zou hem dien glimlach benijd hebben. Thénardier +schoof de tafel dicht bij den heer Leblanc, nam den inktpot, een pen +en een vel papier uit de lade, welke hij half open liet, en waarin +het lange mes glinsterde. + +Toen legde hij het vel papier voor mijnheer Leblanc. + +"Schrijf!" zeide hij. + +Eindelijk sprak de gevangene: + +"Hoe wilt ge dat ik schrijve? ik ben gebonden." + +"'t Is waar, vergeving! ge hebt gelijk," zei Thénardier; en zich tot +Bigrenaille wendende: + +"Maak den rechterarm van Mijnheer los." + +Panchaud, genaamd Bigrenaille of Printanier, volbracht Thénardiers +bevel. Toen de rechterhand van den gevangene los was, stak Thénardier +de pen in den inkt en reikte ze hem. + +"Denk er wel aan, mijnheer, dat ge in onze macht zijt, geheel aan +ons overgeleverd; dat geen menschelijke macht u hieruit kan redden +en 't ons inderdaad zeer spijten zou, zoo wij gedwongen waren tot +onaangename uitersten over te gaan. Ik ken noch uw naam, noch uw +woonplaats, maar verwittig u, dat ge hier zoo lang gebonden zult +blijven tot de persoon, welke uw brief zal bezorgen, teruggekeerd +is. Wees nu zoo goed te schrijven." + +"Wat?" vroeg de gevangene. + +"Ik zal 't u voorzeggen." + +De heer Leblanc nam de pen. + +Thénardier begon te dicteeren. + +"Lieve dochter..." + +De gevangene ontroerde en zag op naar Thénardier. + +"Schrijf: "lieve dochter," hernam Thénardier. De heer Leblanc +gehoorzaamde. Thénardier ging voort: + +"Kom terstond. Ik moet u noodzakelijk spreken. De persoon, die u dit +briefje zal ter hand stellen, heeft in last u tot mij te brengen. Ik +wacht u. Kom onbevreesd." + +De heer Leblanc had geschreven. Thénardier hernam: + +"Wacht! schrap "kom onbevreesd" uit; 't zou kunnen doen vermoeden +dat er iets achter schuilt, en wantrouwen inboezemen." + +De heer Leblanc schrapte de beide woorden uit. + +"Zet nu uw naam," zeide Thénardier; "hoe heet ge?" + +De gevangene legde de pen neder en vroeg: + +"Voor wie is deze brief?" + +"Ge weet het immers," antwoordde Thénardier, "voor het meisje. Ik heb +'t u straks gezegd." + +Het was duidelijk dat Thénardier vermeed het meisje te noemen, van 't +welk spraak was. Hij zeide "de leeuwerik"--"het meisje", maar noemde +geen naam. Een behendige voorzorg om tegenover zijn medeplichtigen +het geheim te bewaren. Door den naam te noemen, zou hij hun de geheele +"zaak" overgeleverd en meer gezegd hebben dan zij behoefden te weten. + +Hij hernam: + +"Teeken. Hoe heet ge?" + +"Urbain Fabre," zei de gevangene. + +Thénardier stak, met de beweging eener kat, zijn hand in zijn zak en +haalde er den zakdoek van den heer Leblanc uit. Hij zocht er het merk +op en trad dicht bij de kaars. "U. F. Juist. Urbain Fabre. Welnu, +teeken U. F." + +De gevangene onderteekende. + +"Geef den brief; wijl men twee handen behoeft om hem dicht te vouwen, +zal ik hem dichtvouwen." + +Na dit gedaan te hebben, hernam Thénardier: + +"Schrijf het adres. "Mejuffrouw Fabre" te uwen huize. Ik weet dat ge +niet ver van hier woont, dicht bij de kerk St. Jacques du Haut-Pas, +wijl ge er alle dagen ter mis gaat; maar ik weet niet in welke +straat. Ik zie, dat ge uw toestand begrijpt. Wijl ge omtrent uw naam +niet gelogen hebt, zult ge dit ook niet ten opzichte uwer woonplaats +doen. Schrijf dus." + +De gevangene dacht een oogenblik na, toen nam hij de pen en schreef: + +"Mejuffrouw Fabre, ten huize van den heer Urbain Fabre, in de straat +St. Dominique d'Enfer No. 17." + +Thénardier greep den brief met koortsachtige stuiptrekking. + +"Vrouw!" riep hij. + +Vrouw Thénardier kwam toeloopen. + +"Hier is de brief. Gij weet, wat ge te doen hebt. Een huurkoets +wacht. Vertrek terstond en kom ten spoedigste terug." + +"Gij," voegde hij er bij, tot den man met de bijl gewend, "daar gij +uw cache-nez hebt afgedaan, vergezel mijn vrouw; ga achter op het +rijtuig staan. Ge weet waar ge het rijtuig gelaten hebt?" + +"Ja," zei de man; en zijn bijl in een hoek zettende, volgde hij +vrouw Thénardier. + +Terwijl zij zich verwijderden stak Thénardier het hoofd door de half +geopende deur en riep in de gang: + +"Verlies vooral den brief niet! Denk er aan, dat ge tweemaal honderd +duizend francs bij u hebt." + +Vrouw Thénardier antwoordde met hare schorre stem: + +"Wees gerust; ik heb hem goed geborgen." + +Nauwelijks was een minuut verloopen, of men hoorde het klappen eener +zweep, dat echter snel verflauwde en wegstierf. + +"Goed," mompelde Thénardier. "Zij rijden hard. Op die wijze zal mijn +vrouw binnen drie kwartiers terug kunnen zijn." + +Toen schoof hij een stoel naar den schoorsteen, zette er zich op neer, +met de armen over de borst geslagen, en stak zijn beslijkte voeten +uit naar het komfoor. + +"Ik heb koude voeten," zeide hij. + +Nu waren in de kamer met Thénardier en den gevangene slechts nog vijf +bandieten. Deze geleken, met hunne zwarte maskers of zwart gemaakte +gezichten, kolenbranders, negers of duivels, overigens hielden +zij zich onverschillig en stil; men gevoelde dat zij een misdaad +pleegden, evenals zij iedere andere bezigheid zouden verrichten, +bedaard, zonder toorn en zonder medelijden, zelfs met een zweem +van verveling. Zij waren in een hoek als dieren samengedrongen en +zwegen. Thénardier warmde zijn voeten. De gevangene was weder geheel +zwijgend. Een akelige stilte was op het woest gerucht gevolgd, dat +eenige oogenblikken te voren in het vertrek heerschte. + +De kaars, wier pit niet gesnoten was, verlichtte nauwelijks de holle +ruimte, het vuur in het fornuis was verdoofd, en al deze gedrochtelijke +hoofden vormden wanstaltige schaduwen op de muren en de zoldering. + +Men hoorde niets dan de geruste ademhaling van den dronken ouden man, +die sliep. + +Marius wachtte, in een angst die door alle omstandigheden toenam. Het +raadsel was onoplosbaarder dan ooit. Wie was dit "meisje" dat +Thénardier ook de "leeuwerik" had genoemd? Was het "zijn Ursula?" Den +gevangene scheen dat woord "de leeuwerik" niet getroffen te hebben +en hij had op de eenvoudigste wijze der wereld geantwoord: "Ik +weet niet wat ge meent." Van den anderen kant waren de twee letters +U. F. verklaard, zij beteekenden Urbain Fabre, en Ursula heette niet +meer Ursula. Dit was Marius van alles het duidelijkst. Een soort +van betoovering hield hem op zijn plaats gekluisterd, van waar hij +dit geheele tooneel aanschouwde en beheerschte. Hij was nauwelijks +in staat te denken en zich te bewegen, en als vernietigd door de +afschuwelijke omstandigheden, welke hij van zoo dicht bij zag. Hij +wachtte, en hoopte op iets onverwachts, om 't even wat, want hij kon +tot geen kalm overleg komen en wist niet wat te doen. + +"In allen geval," zeide hij bij zich zelven, "zoo zij de Leeuwerik is +zal ik haar zien, want vrouw Thénardier zal haar hier brengen. Dan +zal ik er mij meê bemoeien; ik zal, zoo 't zijn moet, mijn bloed en +leven geven, maar ik zal haar bevrijden! Niets zal mij tegenhouden." + +Bijna een half uur verliep op deze wijze. Thénardier scheen in sombere +gedachten verzonken te zijn; de gevangene verroerde zich niet. Evenwel +meende Marius nu en dan, sinds eenige oogenblikken, een zacht gerucht +van den kant des gevangenen op te merken. + +Eensklaps richtte Thénardier het woord tot den gevangene: + +"Luister, mijnheer Fabre, 't is even goed, dat ik 't u dadelijk zegge." + +Deze weinige woorden schenen het begin eener opheldering te +zijn. Marius spitste de ooren. Thénardier vervolgde: + +"Word niet ongeduldig, mijn vrouw zal spoedig terugkomen. Ik +geloof, dat de Leeuwerik werkelijk uw dochter is, en ik vind het +heel natuurlijk, dat ge zorg voor haar draagt. Maar luister mijn +vrouw brengt haar uw brief. Ik heb mijn vrouw gezegd, dat zij zich +fatsoenlijk moest kleeden, zooals ge gezien hebt, opdat uw dochter +haar zonder eenig bezwaar zou volgen. Beide zullen in de huurkoets +plaats nemen en mijn kameraad achterop. Op zekere plaats buiten een der +barrières staat een rijtuig met twee goede paarden. Daarheen voert men +uwe dochter. Zij stapt uit de huurkoets. Mijn kameraad neemt met haar +plaats in het rijtuig met twee paarden, en mijn vrouw komt hier terug, +om te zeggen dat het geschied is. Uw dochter zal geen leed geschieden, +het rijtuig voert haar naar een plaats, waar zij gerust en veilig is, +en zoodra ge mij de tweemaal honderd duizend francs hebt gegeven, +krijgt ge haar terug. Zoo ge mij laat in hechtenis nemen, weet mijn +kameraad, wat hij met de Leeuwerik moet doen." + +De gevangene sprak niet. Na een pauze hernam Thénardier: + +"Ge ziet, 't is alles zeer eenvoudig. Er zal geen kwaad gebeuren, +zoo ge 't zelf niet wilt. Ik verhaal u de zaak, en waarschuw u, +opdat ge weet waaraan u te houden." + +Hij hield op, de gevangene bleef steeds zwijgen. Thénardier hernam: + +"Zoodra mijn vrouw terug is en gezegd heeft: De Leeuwerik is onderweg, +zullen wij u loslaten en ge zijt vrij naar huis te gaan slapen. Ge +ziet dat wij geen slechte bedoelingen hebben." + +Afgrijselijke beelden verrezen in Marius' geest. + +Men zou het meisje oplichten en niet hier brengen? een dier monsters +zou haar in de duisternis wegvoeren! Waarheen?... + +En zoo zij het ware! En 't was duidelijk dat zij het was! Marius +voelde het bloed in zijn hart stilstaan. Wat te doen? het pistool +lossen! al deze ellendigen in de handen der justitie overleveren? Maar +de vreeselijke man met de bijl zou desniettemin met het meisje buiten +alle bereik zijn, en Marius dacht aan Thénardiers woorden, waarvan hij +de bloedige beteekenis begreep: "Zoo ge mij laat in hechtenis nemen, +weet mijn kameraad wat hij met de Leeuwerik doen moet." + +Nu was 't niet alleen het testament van den kolonel dat hem weerhield, +maar tevens zijn liefde, het gevaar waarin zij, die hij beminde, +verkeerde. + +Deze schrikkelijke toestand, die reeds langer dan een uur duurde, +veranderde elk oogenblik van aanzien. Marius gaf zich aan de +pijnlijkste gissingen over, trachtte een hoop te vinden, maar vond +ze niet. De onrust van zijn geest was in zonderlingen strijd met de +noodlottige stilte van het roovershol. + +Te midden der stilte hoorde men de voordeur openen en weder sluiten. + +De gevangene bewoog zich in zijn banden. + +"Daar is mijn vrouw terug," zei Thénardier. + +Hij had dit nauwelijks gezegd, toen vrouw Thénardier inderdaad rood, +blazend, hijgend, met vlammende oogen binnenstormde en, met haar +beide lompe handen tegelijk op haar heupen slaande, riep: + +"Een valsch adres!" + +De bandiet, dien zij had medegenomen, verscheen achter haar en nam +weder zijn bijl. + +"Een valsch adres?" herhaalde Thénardier. + +Zij hernam: + +"Niemand! straat St. Dominique, nummer zeventien, geen mijnheer Urbain +Fabre! Men kent er niemand van dien naam." + +Buiten adem zweeg zij; vervolgens hernam ze: + +"Thénardier, deze oude heeft u voor den gek gehouden; ge zijt al te +goed, weet ge! ik zou hem, om te beginnen, anders hebben aangepakt, +en, zoo hij niet goed wilde, hem levend gebraden hebben; ik zou hem +wel gedwongen hebben te spreken en te zeggen waar het meisje, en +waar het geld is! Zoo zou ik hebben gehandeld! Men heeft wel gelijk +te zeggen dat de mannen dommer dan de vrouwen zijn. Niemand! nummer +zeventien is een groote koetspoort! Geen mijnheer Fabre! In galop +naar de straat St. Dominique rijden, drinkgeld voor den koetsier en +alles voor niets! Ik heb den portier en de portierster gesproken, +een schoone sterke vrouw; zij kenden den naam niet." + +Marius ademde ruimer. Zij, Ursula of de Leeuwerik, hij wist niet meer +hoe haar te noemen, was gered. + +Terwijl de verwoede vrouw verwenschingen uitbraakte, had Thénardier +zich op de tafel gezet; gedurende eenige oogenblikken sprak hij niet, +schommelde met zijn rechterbeen en zag mijmerend, met woesten blik +naar het komfoor. + +Eindelijk zeide hij langzaam, en met onderdrukte woede tot den +gevangene: + +"Een valsch adres? wat hooptet ge dan toch?" + +"Tijd te winnen!" riep de gevangene met heldere, forsche stem. + +En tegelijkertijd schudde hij de touwen af; zij waren doorgesneden. De +gevangene was nu nog slechts met een been aan de krib gebonden. + +Vóór de zeven mannen den tijd hadden zich te herstellen en zich op +hem te werpen, bukte hij zich naar den schoorsteen, stak de hand +naar het komfoor, en toen hij zich weder oprichtte waren Thénardier, +zijn vrouw en de bandieten verschrikt achteruit geweken en staarden +hem met ontzetting aan, terwijl hij genoegzaam geheel los en in eene +vreeselijke houding boven zijn hoofd den gloeienden beitel zwaaide, +die een heilloozen gloed wierp. + +Het gerechtelijk onderzoek, waartoe later deze aanslag in het huis +Gorbeau aanleiding gaf, heeft aangetoond, dat in het vertrek een +doorgesneden en op eigenaardige wijs bewerkt koperen soustuk werd +gevonden, toen de politie er huiszoeking deed; dit soustuk was een +staaltje van die wonderen der industrie, die het geduld in de bagno's +weet voort te brengen, en welke kunststukken in de duisternis en ten +dienste der duisternis vervaardigd, niets anders zijn dan werktuigen +ter ontvluchting. Deze afschuwelijke en fijne voortbrengselen +eener verwonderlijke kunst zijn in de bijouterie wat de beelden der +dieventaal in de poëzie zijn. In het bagno zijn Benvenuto Cellina's, +evenals er in de taal Villon's zijn. De rampzalige, die naar zijn +vrijheid snakt, weet soms zonder werktuigen, met een oud mes, een +koperen sou in tweeën te splijten, de twee plaatjes uit te hollen +zonder de munt te beschadigen en een schroefdraad aan de randen +te brengen, om beide stukken weder aaneen te sluiten. 't Is dan een +doosje, dat men open en dicht kan schroeven, en waarin een horlogeveer +wordt verborgen, met welke horlogeveer dikke ketens en ijzeren staven +kunnen worden doorgesneden. Men gelooft, dat de arme tuchteling slechts +een koperen sou bezit; neen, hij bezit de vrijheid. 't Was zulk een +koperen sou, die, bij een later onderzoek der politie, open en in twee +stukken onder het bed bij het venster werd gevonden. Men vond ook een +klein zaagje van blauw staal, dat in den sou kon verborgen worden. 't +Is waarschijnlijk dat, toen de bandieten den gevangene doorzochten, +hij dat koperstuk, 't welk hij bij zich had, in zijn hand verborg en +het vervolgens, toen zijn hand los was, openschroefde en zich van het +zaagje bediende om de touwen door te snijden, waarmede hij gebonden +was; 't geen het zacht gerucht en de schier onmerkbare bewegingen, +welke Marius had opgemerkt, verklaart. + +Wijl hij, uit vrees van zich te verraden, niet durfde bukken, had +hij de koorden van zijn linkerbeen niet doorgesneden. + +De bandieten hadden zich van hun eerste verbazing hersteld. + +"Wees gerust," zei Bigrenaille tot Thénardier, "hij is nog aan een +been gebonden en zal niet wegloopen. Ik sta er voor in. Ik heb dien +poot gebonden." + +Nu sprak de gevangene: + +"Ge zijt ellendigen, ofschoon mijn leven niet der moeite waard is het +zoo te verdedigen. Zoo ge echter meent, dat ge mij zult doen spreken, +doen schrijven, wat ik niet zeggen, wat ik niet schrijven wil..." + +Hij stroopte de mouw van zijn linkerarm op en voegde er bij: + +"Zietdaar!" + +Toen strekte hij zijn arm uit en hield op het bloote vleesch den +gloeienden beitel, welke hij bij den houten steel in de rechterhand +hield. + +Men hoorde het gesis van het brandende vleesch, en een brandlucht +verspreidde zich in het vertrek. Marius waggelde van ontzetting, zelfs +de bandieten ijsden; maar de grijsaard vertrok schier geen gezicht, +en terwijl het gloeiend ijzer dieper in de rookende wond ging, +richtte hij rustig en zonder toorn op Thénardier zijn edelen blik, +waarin de smart zich in kalme majesteit oploste. + +Bij groote en sterke karakters doet de strijd van het vleesch en der +zinnen tegen stoffelijke pijn de ziel te voorschijn komen en zich op +'t gelaat vertoonen; evenals bij onderlingen strijd der soldaten de +kapitein genoodzaakt is te voorschijn te treden. + +"Ellendigen," zeide hij, "hebt evenmin vrees voor mij, als ik vrees +voor u heb!" + +En den beitel van de wond nemende, wierp hij hem uit het open geblevene +venster; het vreeselijk gloeiend werktuig verdween in den nacht, +om op een afstand in de sneeuw uit te dooven. + +De gevangene hernam: + +"Doet met mij wat ge wilt." + +Hij was weerloos. + +"Vat hem!" zei Thénardier. + +Twee bandieten grepen hem bij de schouders; en de gemaskerde man met +de stem van een buikspreker, stond tegenover hem, gereed om hem bij +de minste beweging met den sleutel de hersenpan te verbrijzelen. + +Terzelfder tijd hoorde Marius beneden zich, maar te dicht bij den wand +om de sprekers te kunnen zien, deze zacht gefluisterde samenspraak: + +"Er blijft nog maar één ding te doen over." + +"Hem koud te maken." + +"Ja." + +'t Waren de man en de vrouw die raadpleegden. + +Thénardier naderde langzaam de tafel, opende de lade en nam er het +mes uit. + +Marius omklemde den knop van het pistool. Hij was in de ontzettendste +vertwijfeling. Gedurende twee uren spraken twee stemmen in zijn +binnenste, de eene zeide hem, dat hij het testament zijns vaders moest +eerbiedigen, de andere riep hem toe, dat hij den gevangene te hulp +moest komen. Onverpoosd zetten deze twee stemmen haar strijd voort, +die hem in doodsangst bracht. Tot hiertoe had hij onbepaald gehoopt +een middel te zullen vinden om deze twee plichten in overeenstemming +te brengen, maar er had zich niets hiertoe aangeboden. Het gevaar werd +intusschen dreigend, de laatste grens van den aanslag was overschreden; +op korten afstand van den gevangene stond Thénardier in gedachten, +met het mes in de hand. + +Marius liet zijn blik rondweiden, het laatste werktuiglijk middel +der wanhoop. + +Eensklaps ontroerde hij. + +Onder zijn voeten op de tafel lag een papier, dat door de maan helder +verlicht en hem als aangewezen werd. Op dat blad las hij dezen regel, +dien zelfden ochtend door de oudste dochter van Thénardier met groote +letters geschreven: + +de dienders komen. + +Een gedachte, een uitkomst verrees in Marius' geest; dit was het +middel wat hij zocht, de oplossing van het vreeselijke raadsel, 't +welk hem folterde; den moordenaar te sparen, het offer te redden. Hij +boog zich op de commode, stak den arm uit, nam het papier, maakte +zacht een stuk kalk van den wand los, wikkelde het in het papier, +en wierp een en ander door de opening te midden van het dievenhol. + +'t Was tijd. Thénardier had zijn laatste bedenkingen, zijn laatsten +schroom overwonnen, en naderde den gevangene. + +"Er valt iets," riep vrouw Thénardier. + +"Wat is 't?" zei de man. + +De vrouw was toegesneld, en had het in 't papier gewikkelde stuk kalk +opgeraapt. Zij gaf het haar man. + +"Waar is dit vandaan gekomen?" vroeg Thénardier. + +"Waar zou 't anders vandaan gekomen zijn, dan door het venster," +zei de vrouw. + +"Ik heb 't zien vallen," zei Bigrenaille. + +Haastig opende Thénardier het papier en hield het bij het licht. + +"'t Is Epopine's schrift. Duivels!" + +Hij wenkte zijn vrouw, die schielijk naderde, en toonde haar den op +het papier geschreven regel, met doffe stem zeggende: + +"Haastig! de ladder! laat ons maken dat we weg komen! het spek moge +in de val achterblijven." + +"Zonder den kerel den hals af te snijden?" vroeg vrouw Thénardier. + +"Wij hebben geen tijd." + +"Waarheen?" vroeg Bigrenaille. + +"Door het venster," antwoordde Thénardier. "Dewijl Ponine den steen +door het venster heeft geworpen, is aan die zijde het huis niet +omsingeld." + +De gemaskerde, met de stem eens buiksprekers, legde den grooten +sleutel op den vloer, hief beide armen omhoog en opende en sloot +driemalen zijn handen, zonder iets te zeggen. Dit was het teeken tot +den aftocht. De bandieten, die den gevangene vast hielden, lieten +hem los; in een oogwenk was de touwladder uit het venster en stevig +met de twee ijzeren haken aan 't kozijn gehecht. + +De gevangene sloeg geen acht op 't geen gebeurde. Hij scheen te denken +of te bidden. + +Zoodra de touwladder was vastgemaakt, riep Thénardier: + +"Kom, vrouw!" + +En hij ijlde naar het raam. + +Maar toen hij er uit wilde klimmen, greep Bigrenaille hem ruw bij +den kraag. + +"Neen, neen, oude snaak! na ons!" + +"Na ons!" brulden de bandieten. + +"Ge zijt kinderachtig," zei Thénardier, "wij verliezen tijd. De +dienders zijn ons op de hielen." + +"Nu," zei een der bandieten, "laat er ons om trekken, wie 't eerst +zal gaan." + +Maar Thénardier riep: + +"Zijt ge dwaas! zijt ge zinneloos! Welk een hoop botteriken, tijd +verspillen, niet waar? er om trekken, met strootjes, of de namen op +papiertjes schrijven en ze in een pet schudden...." + +"Wilt ge mijn hoed?" riep een stem op den drempel. + +Allen zagen om. 't Was Javert! + +Hij had zijn hoed in de hand en hield hem hun glimlachend toe. + + + + + + +EEN-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK. + +MEN MOET ALTIJD EERST DE OFFERS VATTEN. + + +Javert had, zoodra het donker werd, agenten op de loer gesteld en zelf +zich achter de boomen der straat de la Barrière der Gobelins tegenover +het huis Gorbeau en den boulevard verscholen. Hij was begonnen met de +twee meisjes te willen inpakken, die gelast waren de toegangen van +het huis te bewaken. Doch hij had alleen Azelme gevat. Eponine was +niet meer op haar post, maar verdwenen, en hij had haar niet kunnen +vangen. Toen had Javert gewacht naar het afgesproken teeken. Het heen +en weder rijden van het huurrijtuig had hem in niet geringe onrust +gebracht. Eindelijk was hij ongeduldig geworden, en in de overtuiging +dat hier een nest was, en zeker dat er een vangst was te doen, wijl +hij verscheidene bandieten had herkend, die waren binnengegaan, +besloot hij ten laatste ook binnen te gaan, zonder langer op het +pistoolschot te wachten. + +Men weet, dat hij den huissleutel van Marius had. Hij was te juister +ure gekomen. + +De verschrikte bandieten wierpen zich op de wapens, welke zij in alle +hoeken hadden geworpen, toen zij wilden vluchten. In minder dan een +seconde tijds groepeerden zich deze zeven afschuwelijke lieden in +een verdedigende houding, de eene met zijn bijl, de andere met zijn +sleutel, de derde met den knuppel, de anderen met staven, tangen +en hamers; Thénardier met het mes in de hand. Vrouw Thénardier nam +een grooten straatsteen, die in een hoek lag en haar dochters tot +zitbankje diende. + +Javert zette den hoed weder op, deed een paar schreden in de kamer, +met de armen over elkander, den stok onder den arm, den degen in +de scheede. + +"Halt!" riep hij. "Gij zult niet door het venster, maar door de deur +gaan; dit is niet zoo gevaarlijk. Gij zijt zeven man sterk, wij zijn +met ons vijftienen. Laat ons dus niet als straatjongens vechten. Houdt +uw fatsoen." + +Bigrenaille nam een pistool, dat hij onder zijn kiel droeg, en gaf +het Thénardier, dezen in 't oor fluisterend: "'t Is Javert. Ik durf +op dien man niet te schieten. Durft gij?" + +"Waarom niet?" antwoordde Thénardier. + +"Schiet dan!" + +Thénardier nam het pistool, en legde op Javert aan. + +Javert, die drie schreden van hem stond, aanschouwde hem strak en +zeide niets anders dan: + +"Schiet niet; het pistool zal ketsen." + +Thénardier drukte af. Het pistool weigerde. + +"Heb ik 't niet gezegd!" riep Javert. + +Bigrenaille wierp zijn knots Javert voor de voeten, en zeide: + +"Gij zijt de keizer der duivels! ik geef mij over." + +"En gij?" vroeg Javert de andere bandieten. + +Zij antwoordden: + +"Wij ook." + +Javert hernam bedaard: + +"Zoo is 't goed, ik heb u immers gezegd, dat ge uw fatsoen moest +houden." + +"Slechts één verzoek," hernam Bigrenaille; "dat men mij tabak geve, +zoo lang ik opgesloten ben." + +"Toegestaan," zei Javert. + +En zich omkeerende, riep hij: + +"Komt nu binnen!" + +Verscheiden stadssergeanten, met den degen in de vuist, en +politieagenten, met knuppels en stokken gewapend, stormden toe op +Javerts geroep. Men knevelde de bandieten. Deze troep menschen, +ternauwernood door een kaars beschenen, vervulden het hol met +duisternis. + +"Allen de duimschroeven aangelegd!" riep Javert. + +"Nadert als ge durft," riep een stem, die geen mannenstem scheen, +doch welke niemand voor een vrouwenstem zou erkend hebben. Vrouw +Thénardier had zich in een hoek bij het venster verschanst en deze +woorden uitgebraakt. + +De stadssergeanten en politieagenten traden achteruit. + +Zij had haar shawl afgeworpen, maar haar hoed opgehouden; haar man, +achter haar gehurkt, was schier onzichtbaar onder den gevallen shawl, +en zij dekte hem met haar lichaam, terwijl zij met beide handen den +straatsteen boven haar hoofd hief, als een reuzin die een rotsklomp +wil slingeren. + +"Neemt u in acht!" riep zij. + +Allen deinsden naar de gang. Een groote ruimte ontstond in 't midden +van 't vertrek. + +Vrouw Thénardier sloeg een blik op de bandieten, die zich hadden +laten binden, en mompelde met schorre, barsche stem: + +"Lafaards!" + +Javert trad glimlachend in de ledige ruimte, die vrouw Thénardier +met bliksemende oogen beheerschte. + +"Nader niet, ga!" riep zij, "of ik verpletter u!" + +"Een grenadier!" riep Javert; "ge hebt een baard als een man, wijfje, +maar ik heb nagels als een vrouw." + +Hij naderde haar dichter. + +Vrouw Thénardier, die schrikkelijk was om te zien, met haar woest +vliegend haar, zette de beenen van elkander, boog zich achterover en +wierp uit alle macht de straatkei naar Javerts hoofd. Javert bukte, +de steen vloog over hem, tegen den muur, waarvan brokken kalk vielen, +en rolde achter de voeten van Javert. + +Ter zelfder tijd naderde Javert het echtpaar Thénardier. Hij legde +een zijner forsche vuisten op den schouder der vrouw, en de andere +op het hoofd van den man. + +"De duimschroeven!" riep hij. + +De politieagenten kwamen toeschieten, en in weinige seconden was +Javerts bevel volbracht. + +Vrouw Thénardier was als verpletterd, zij zag haar handen en die van +haar man gekneveld, zonk op den grond en riep weenend: + +"Mijn dochters!" + +"Zij zijn in zekerheid," zei Javert. + +Ondertusschen hadden de politieagenten den slapenden dronkaard achter +de deur gevonden en schudden hem. Hij werd wakker en stamelde: + +"Is 't gedaan, Jondrette?" + +"Ja," antwoordde Javert. + +De zes bandieten stonden gekneveld; zij hadden overigens nog hun +spookachtig voorkomen; drie met zwartgemaakte gezichten, drie +gemaskerd. + +"Houdt uw maskers," zei Javert. + +Hij monsterde ze toen met een blik als dien van Frederik II op de +parade van Potsdam, en zeide tot de drie "stokers": + +"Goeden dag, Bigrenaille! Goeden dag, Brujon! Goeden dag, +Deux-Milliards!" + +En zich toen tot de drie gemaskerden wendende, zeide hij tot den man +met de bijl: + +"Goeden dag, Gueulemer!" + +Tot den man met den knuppel: + +"Goeden dag, Babet!" + +En tot den buikspreker: + +"Wees gegroet, Claquesous!" + +In hetzelfde oogenblik ontdekte hij den gevangene der bandieten, +die sedert de komst der politieagenten geen woord had gesproken en +zijn hoofd gebogen hield. + +"Maakt mijnheer los!" zei Javert, "en dat niemand de kamer verlate!" + +Dit gezegd hebbende ging hij met waardigheid aan de tafel zitten, +waarop nog de kaars en de inktpot stonden, nam een gezegeld papier +uit zijn zak en begon zijn proces-verbaal. + +Toen hij eenige regels geschreven had, behelzende de gewone formules, +sloeg hij de oogen op, zeggende: + +"Laat de heer naderen, dien deze heeren gebonden hadden." + +De agenten zagen naar hem om. + +"Nu," vroeg Javert, "waar is hij?" + +De gevangene der bandieten, de heer Leblanc, de heer Urbain Fabre, +de vader van Ursula of de Leeuwerik, was verdwenen. + +De deur was bewaakt, maar het venster niet. Zoodra hij los was en +terwijl Javert het proces-verbaal schreef, had hij van de verwarring, +het gewoel, het gedrang, de duisternis en van een oogenblik dat men +niet op hem lette, gebruik gemaakt om door het venster te ontvluchten. + +Een agent ijlde naar het raam en zag er uit. Hij zag niemand. + +De touwladder slingerde nog. + +"Verduiveld!" zei Javert binnensmonds, "dit moest de beste van de +vangst zijn!" + + + + + + +TWEE-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK. + +DE KLEINE DIE IN HET TWEEDE DEEL SCHREEUWDE. + + +Den dag, nadat deze gebeurtenissen in het huis op den boulevard de +l'Hopital waren voorgevallen, ging een knaap, die van de brug van +Austerlitz scheen te komen, langs het rechter voetpad naar de barrière +van Fontainebleau. 't Was een donkere avond. + +Deze knaap was bleek, mager, in lompen gekleed, met een linnen broek, +hoewel 't Februari was, en zong luidkeels. + +Om den hoek der straat Petit-Banquier stond een oude vrouw bij een hoop +vuilnis gebogen, waarin zij bij het licht der straatlantaarn zocht. De +knaap stiet haar in het voorbijgaan, trad toen achteruit en riep: + +"Kijk, ik dacht dat 't een groote hond was!" + +Hij herhaalde op spottenden en gerekten toon het woord, alsof men +schrijven zou "groote hond." + +De vrouw richtte zich verwoed op. + +"Leelijke bengel!" bromde zij. "Zoo ik niet gebukt had gestaan, +zou ik u een schop voor uw .... gegeven hebben." + +De knaap was reeds op behoorlijken afstand. + +"Ksch! ksch! Nu zie ik dat ik mij niet vergist heb!" tergde hij. + +De oude vrouw, van woede stikkend, richtte zich geheel op, en het roode +licht der lantaarn bescheen haar bleek, hoekig, gerimpeld gelaat. Men +zag niets dan haar hoofd, daar 't overige van haar lichaam in de +schaduw was gehuld. Zij geleek het beeld der afgeleefdheid, door een +lichtstraal in den nacht beschenen. De knaap keek haar aan. + +"Mevrouw bezit de soort van schoonheid niet die mij zou +behagen!" schimpte hij. + +Toen zette hij zijn weg voort, zingende: + + + Le roi Coupdesabot + S'en allait à la chasse, + A la chasse aux corbeaux... + + +Na deze drie regels zweeg hij. Hij bevond zich voor het huis No. 50-52, +en de deur gesloten vindende begon hij er met zulk een geweld tegen +te schoppen en te trappen, dat het gerucht veelmeer de mansschoenen +die hij droeg dan de kindervoeten die hij had, deed uitkomen. + +Intusschen was de oude vrouw, welke hij aan den hoek der straat +Petit-Banquier had ontmoet, hem nageloopen en schreeuwde en dreigde +hem. + +"Wat is dat? wat is dat?" riep zij. "Heer, mijn God! men trapt de +deur in; men vernielt het huis!" + +De knaap ging voort met tegen de deur te trappen. + +De oude vrouw riep buiten adem: + +"Gaat men tegenwoordig zoo met de huizen om!" + +Eensklaps hield zij stil. Zij had den straatjongen herkend. + +"Hoe! is 't deze duivel?" + +"Ha! 't is de oude!" zei de knaap. "Dag, moeder Burgon! Ik kom mijn +oudelui bezoeken." + +De oude vrouw antwoordde, met een gezicht dat haat, ouderdom en +leelijkheid uitdrukte, 't geen helaas echter in de duisternis +verloren ging: + +"Er is niemand in huis, kwâjongen." + +"Zoo!" hernam de knaap, "waar is dan mijn vader?" + +"In de gevangenis." + +"Zoo! en mijn moeder?" + +"In de gevangenis." + +"Zoo, en mijn zusters?" + +"In de gevangenis." + +De knaap krabde zich achter het oor, zag vrouw Burgon aan en zeide +eenvoudig: "Zoo!" + +Toen draaide hij zich op de hielen om, en een oogenblik later hoorde +de oude vrouw, die hem aan de deur nazag, hem met heldere, jeugdige +stem zingen, terwijl hij onder de donkere boomen, die in den nachtwind +floten, verdween: + + + Le roi Coupdesabot + S'en allait à la chasse, + A la chasse aux corbeaux, + Monté sur des échasses. + Quand on passait dessous, + On lui payait deux sous. + + + + EINDE VAN HET DERDE DEEL. + + + + + + + +INHOUD. + + +Boek I. + +Parijs in zijn atomen bestudeerd. + + Bladz. + I. Parvulus 7 + II. Eenige zijner bijzondere kenteekenen 8 + III. Hij is behagelijk 9 + IV. Hij kan nuttig zijn 10 + V. Zijn grenzen 11 + VI. Een weinig geschiedenis 12 + VII. De straatjongen vindt zijn plaats in de klassificatie + der Indiën 14 + VIII. Een vriendelijk woord van den laatsten koning 16 + IX. De oude geest van Gallië 17 + X. Ecce Paris, ecce Homo 18 + XI. Schertsen en heerschen 20 + XII. De in het volk besloten toekomst 22 + XIII. De kleine Gavroche 23 + + +Boek II. + +De groote burger. + + I. Negentig jaren en twee-en-dertig tanden 29 + II. Zoo de man, zoo de woning 30 + III. Zijn doopnamen 32 + IV. Een aspirant naar de honderd jaar 33 + V. Basque en Nicolette 34 + VI. Magnon met hare twee kinderen 35 + VII. Regel: ontvang alleen des avonds bezoek 36 + VIII. Twee maken geen paar 37 + + +Boek III. + +De grootvader en de kleinzoon. + + I. Een voormalig salon 43 + II. Een der roode spoken van dien tijd 46 + III. Requiescant 52 + IV. De bandiet sterft 59 + V. Om revolutionair te worden, is 't zeer goed de mis + bij te wonen 62 + VI. Wat er van komt, als men een kerkmeester ontmoet 64 + VII. Een vrouw in 't spel 70 + VIII. Marmer tegen graniet 74 + + +Boek IV. + +De vrienden van het A. B. C. + + I. Een groep, die bijna tot de historie had behoord 81 + II. Lijkrede van Bossuet op Blondeau 93 + III. Marius is verbaasd 96 + IV. De achterkamer van het koffiehuis Musain 98 + V. Uitbreiding van den gezichteinder 105 + VI. Res Augusta 108 + + +Boek V. + +Het nut des ongeluks. + + I. Marius behoeftig 115 + II. Marius is arm 117 + III. Marius groot geworden 120 + IV. De heer Mabeuf 124 + V. Armoede is een goede gebuur voor ellende 128 + VI. De plaatsvervanger 130 + + +Boek VI. + +De conjunctie van twee sterren. + + I. Hoe familienamen ontstaan 137 + II. En 't werd licht 139 + III. Werking der lente 141 + IV. Begin eener zware ziekte 142 + V. Juffrouw Bougon wordt door verscheidene + bliksemstralen getroffen 145 + VI. Gevangen gemaakt 146 + VII. Gissingen nopens de letter U 148 + VIII. Zelfs invaliden kunnen gelukkig zijn 150 + IX. Eclips 151 + + +Boek VII. + +Patron-Minette. + + I. De mijnen en de mijnwerkers 157 + II. De diepte 159 + III. Babet, Gueulemer, Claquesous en Montparnasse 161 + IV. Samenstelling der bende 163 + + +Boek VIII. + +De slechte arme. + + I. Marius zoekt een meisje met een hoed, en ontmoet een + man met een pet 169 + II. Een vond 170 + III. Vier brieven 172 + IV. Een roos in ellende 176 + V. Het spiegat 182 + VI. De wilde mensch in zijn hol 185 + VII. Strategie en tactiek 188 + VIII. Een lichtstraal in het hol 192 + IX. Jondrette weent bijna 194 + X. Tarief der huurrijtuigen: twee francs in 't uur 197 + XI. Dienstaanbieding van de armoede aan de smart 200 + XII. Besteding van het vijffrancsstuk van den heer Leblanc 203 + XIII. Twee alleen bidden niet op een afgelegen plaats 207 + XIV. Waarin een politieagent twee pistolen aan een + advocaat geeft 209 + XV. Jondrette doet inkoopen 213 + XVI. Het liedje op een Engelsche wijs, in 1832 in de mode 215 + XVII. Hoe het vijffrancsstuk van Marius besteed werd 218 + XVIII. De twee stoelen van Marius staan tegenover elkander 222 + XIX. Een donkere achtergrond 223 + XX. De hinderlaag 227 + XXI. Men moet altijd eerst de offers vatten 249 + XXII. De kleine die in het tweede deel schreeuwde 252 + + + + + + + +AANTEEKENINGEN + + +[1] Steek den slip van uw hemd in uw broek, opdat men niet zegge, +dat de patriotten de witte vlag hebben uitgehangen. + +[2] Een onvertaalbare woordspeling op Desolles, Decases en Deserre. De +beteekenis van dit tweeregelig vers is, dat, om den op zijn grond +vesten geschokten troon te schragen, men van bodem, de sol, van +broeikas, de serre, en van hut, de case, veranderen moet; alzoo +Desolles, Deserre, Decases moesten vervangen worden. + +[3] Een woordspeling. Door van suspendu (geschorst) de eerste +lettergreep sus te nemen, krijgt men pendu (gehangen). + +[4] L'Aigle de Meaux. Aldus werd Bossuet genoemd, die bisschop te +Meaux was. + +[5] Zoo Cesar mij roem en oorlog had gegeven en ik daarvoor de liefde +mijner moeder missen moest, zou ik den grooten Cesar zeggen: neem uw +schepter en uw zegekar terug, ik heb mijn moeder nog liever. + +[6] La belle bouda et le dragon. Hierop slaat Bouddha en draak. + +[7] Zij moge schijnen of stralen, + De beer keert naar zijn hol terug. + +[8] Onze liefde duurde een geheele week; maar hoe kort zijn de +oogenblikken des geluks! 't Is niet der moeite waard acht dagen te +beminnen! De tijd der liefde moest immer duren; immer, immer duren! + +[9] Gij verlaat mij om roem te behalen; mijn treurig hart volgt alom +uw schreden. + + + + + + +End of Project Gutenberg's De Ellendigen (Deel 3 van 5), by Victor Hugo + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK DE ELLENDIGEN (DEEL 3 VAN 5) *** + +***** This file should be named 37749-8.txt or 37749-8.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + https://www.gutenberg.org/3/7/7/4/37749/ + +Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed +Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ for Project +Gutenberg. + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +https://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at https://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +https://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at https://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit https://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including including checks, online payments and credit card +donations. To donate, please visit: https://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart was the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + https://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. |
