summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/37316-0.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to '37316-0.txt')
-rw-r--r--37316-0.txt14975
1 files changed, 14975 insertions, 0 deletions
diff --git a/37316-0.txt b/37316-0.txt
new file mode 100644
index 0000000..52f2fc1
--- /dev/null
+++ b/37316-0.txt
@@ -0,0 +1,14975 @@
+The Project Gutenberg eBook of De Ellendigen (Deel 1 van 5), by Victor Hugo
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
+most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions
+whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms
+of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at
+www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you
+will have to check the laws of the country where you are located before
+using this eBook.
+
+Title: De Ellendigen (Deel 1 van 5)
+
+Author: Victor Hugo
+
+Release Date: September 5, 2011 [eBook #37316]
+[Most recently updated: December 17, 2022]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: UTF-8
+
+Produced by: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team
+
+*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK DE ELLENDIGEN (DEEL 1 VAN 5) ***
+
+
+
+
+ DE ELLENDIGEN
+
+ Naar het Fransch
+ Van
+ VICTOR HUGO.
+
+ Opnieuw bewerkt.
+
+ Eerste deel.
+
+
+
+ Arnhem en Nijmegen,
+ Gebrs. E. & M. Cohen.
+
+
+
+
+
+
+
+BOEK I.
+
+EEN RECHTVAARDIGE.
+
+
+EERSTE HOOFDSTUK.
+
+M. MYRIEL.
+
+
+In het jaar 1815 was de heer Charles-François-Bienvenu Myriel bisschop
+van Digne. Hij was een grijsaard van omstreeks vijf en zeventig jaren
+en bekleedde de waardigheid van bisschop sedert 1806.
+
+Hoewel deze bijzonderheid eigenlijk niets te maken heeft met de
+hoofdzaak van ons verhaal, heeft het misschien toch zijn nut, al
+was het maar om niet te vergeten, hier te wijzen op de geruchten en
+praatjes, die er omtrent hem in omloop waren op het tijdstip, dat hij
+tot genoemde waardigheid werd bevorderd. Hetgeen men van de menschen
+zegt, het moge dan waar zijn of niet, heeft dikwijls evenveel invloed
+op hun leven en vooral op hun levensloop, als hetgeen zij doen. De
+heer Myriel was de zoon van een parlementslid te Aix; van den adel
+des tabbaards dus. Men vertelde, dat zijn vader, in de hoop, dat zijn
+zoon hem eenmaal zou opvolgen, dezen zeer vroeg, op zijn achttiende
+of twintigste jaar namelijk, had laten trouwen overeenkomstig een
+gebruik in de familiën der leden van het parlement. Toch had Charles
+Myriel, niettegenstaande dezen echt, veel van zich doen spreken,
+naar men zeide. Hij was welgebouwd, ofschoon nog al klein, had zeer
+goede manieren en was geestig; het eerste gedeelte zijns levens was
+geheel en al aan de wereld en haar vermakelijkheden gewijd.
+
+Daar brak de revolutie uit, de eene gewichtige gebeurtenis stapelde
+zich op de andere, de familiën der parlementsleden vernederd,
+verjaagd en verguisd, spatten uiteen. Charles Myriel nam reeds bij
+den aanvang der revolutie de wijk naar Italië. Zijn vrouw stierf er
+aan een borstkwaal, waaraan zij reeds sedert lang lijdende was. Zij
+hadden geen kinderen. Wat ging er toen om in het binnenste van Charles
+Myriel? Deden de vernietiging der bestaande Fransche maatschappij, de
+val van zijn eigen familie, de treurige tooneelen van '93, misschien
+nog verschrikkelijker voor de uitgewekenen, die ze uit de verte
+met toenemenden angst zagen, denkbeelden van zelfverloochening en
+eenzaamheid in hem opkomen? Werd hij, te midden der verstrooiingen
+en genietingen, die hem bezighielden, plotseling aangegrepen door
+een van die geheimzinnige en vreeselijke slagen, die somtijds den
+mensch, door hem in de ziel te treffen, verpletteren, den mensch
+dien de openbare rampen niet zouden doen wankelen, al grepen ze ook
+in zijn bestaan en in zijn fortuin? Niemand zou het kunnen zeggen;
+al wat men wist was, dat hij als priester in Frankrijk terugkwam.
+
+In 1804 was Myriel pastoor van Brignolles. Hij was toen reeds oud en
+leefde in de strengste afzondering.
+
+Omstreeks het tijdstip der kroning gaf een kleine zaak in zijn
+gemeente, men weet niet recht meer wat, hem aanleiding om naar
+Parijs te gaan. Onder de invloedrijke personen, die hij in het
+belang zijner gemeenteleden moest spreken, behoorde ook de kardinaal
+Fesch. Eens toen de Keizer zijn oom was komen bezoeken, bevond
+zich de eerwaarde pastoor, die in de spreekkamer wachtte, toevallig
+tegenover Zijne Majesteit. Napoleon, die zag dat de grijsaard hem met
+zekere nieuwsgierigheid aankeek, keerde zich plotseling om en zeide:
+"Wie is die eenvoudige man, die mij zoo aankijkt?"
+
+"Sire", sprak Myriel, "gij ziet een eenvoudig man en ik zie een groot
+man. Ieder van ons kan hier zijn voordeel mee doen."
+
+Nog denzelfden avond vroeg de Keizer den kardinaal naar den naam van
+dezen pastoor, en niet lang daarna was Myriel zeer verrast te vernemen,
+dat hij tot bisschop van Digne benoemd was.
+
+En wat was er waar van de verhalen, die er over het eerste gedeelte
+van Myriels leven in omloop waren? Dit wist niemand. Er waren slechts
+weinig familiën, die de familie Myriel vóór de omwenteling gekend
+hadden.
+
+Charles Myriel moest hetzelfde lot ondergaan als iedereen, die in een
+kleine stad komt wonen, waar veel monden zijn die babbelen en zeer
+weinig hoofden, welke denken. Hij moest het ondergaan, ofschoon en
+omdat hij bisschop was. Maar per slot van rekening waren de praatjes,
+waarin zijn naam werd genoemd slechts praatjes; geruchten, klanken,
+woorden, minder dan woorden, leuterpraatjes.
+
+Hoe het zij, na tien jaren bisschop van Digne te zijn geweest, waren al
+deze verhalen, die in den beginne de kleine steden en de kleinsteedsche
+lieden bezighouden, geheel en al in het vergeetboek geraakt. Niemand
+zou er van hebben durven spreken, niemand zou er aan durven herinneren.
+
+Myriel was te Digne gekomen vergezeld van een oude vrijster, juffrouw
+Baptistine, zijn zuster, die tien jaar jonger was dan hij.
+
+Hun eenige dienstbode was een vrouw, even oud als juffrouw Baptistine
+en juffrouw Magloire geheeten, die, na eerst de meid van den eerwaarden
+pastoor geweest te zijn, nu den dubbelen titel droeg van kamenier
+van juffrouw Baptistine en huishoudster van mijnheer pastoor.
+
+Juffrouw Baptistine was een lang, mager, bleek, zacht wezen; zij
+verwezenlijkte het ideaal, dat het woord "eerbiedwaardig" in zich
+sluit, want mij dunkt, dat men moeder moet zijn om "eerwaardig" te
+kunnen heeten. Zij was nooit mooi geweest; haar geheele leven, dat
+slechts een reeks van heilige werken geweest was, had een waas van
+reinheid en helderheid over haar verspreid, en toen zij ouder werd
+had zij verkregen wat men de schoonheid van de goedheid zou kunnen
+noemen. Wat in haar jeugd magerheid was geweest, was op haar rijperen
+leeftijd doorschijnendheid geworden, en deze laatste eigenschap deed
+haar op een engel gelijken. Ze was meer een ziel dan een maagd. Ze
+scheen van schaduw gemaakt; ze had nauwelijks lichaam genoeg om een
+vrouw te zijn; ze was niets dan een weinig bezielde stof, had groote
+oogen, die altijd neergeslagen waren; een voorwendsel voor een ziel
+om op aarde te blijven. Juffrouw Magloire was een klein oud vrouwtje,
+blank, dik, zwaarlijvig, druk, altijd hijgende, vooreerst wegens haar
+bedrijvigheid, en dan tengevolge van haar asthma.
+
+Bij zijn aankomst werd Myriel in zijn bisschoppelijk paleis ontvangen
+met de eerbewijzingen, voorgeschreven door de Keizerlijke wetten,
+die den bisschop onmiddellijk na den veldmaarschalk plaatsen. De
+burgemeester en de president maakten hem de eerste visite, en hij
+van zijn kant bracht het eerste bezoek aan den generaal en den prefekt.
+
+Toen de installatie had plaats gehad, verwachtte de stad, dat haar
+bisschop de handen aan het werk zou slaan.
+
+
+
+
+
+
+TWEEDE HOOFDSTUK.
+
+DE HEER MYRIEL WORDT MONSEIGNEUR BIENVENU.
+
+
+Het Bisschoppelijk paleis te D. grensde aan het gasthuis.
+
+Het Bisschoppelijk paleis was een groot, fraai hôtel, in 't begin
+der vorige eeuw gebouwd door Monseigneur Henri Puget, docter
+in de theologie bij de faculteit van Parijs en abt van Simore,
+die in 1712 bisschop van D. was. Dit paleis was inderdaad een
+wezenlijk vorstelijke woning. Alles had er een grootsch aanzien:
+de bisschoppelijke vertrekken, de salons, de kamers, het eerplein,
+dat zeer ruim en met booggangen in den ouden Florentijnschen stijl
+omgeven was, tuinen met heerlijke boomen beplant. In de eetzaal,
+een lange prachtige galerij, gelijkvloers, in den tuin uitkomende,
+had Monseigneur Henri Puget den 29 Juli 1714 een plechtigen maaltijd
+gegeven aan de prelaten Charles Brûlart de Genlis, prins-aartsbisschop
+van Embrun; Antoine de Mesgrigny, kapucijn en bisschop van Grasse;
+Philippe de Vendôme, groot-prior van Frankrijk, abt van St. Honoré de
+Lerins; François de Berton de Grillon, bisschop en baron van Vence;
+César de Sabran de Forcalquier, bisschop en heer van Glandève, en Jean
+Soanen, priester van het oratorium, gewoon hofprediker, bisschop, en
+heer van Senez. De portretten van deze zeven hoogeerwaarde personages
+versierden deze zaal en de gedenkwaardige datum, 29 Juli 1714, was
+er met gouden letters op een wit marmeren blad gegrift.
+
+Het hospitaal was een eng, laag gebouw, van slechts één verdieping
+en met een kleinen tuin.
+
+Drie dagen na zijn komst bezocht de bisschop het hospitaal. Na dit
+bezoek, liet hij den directeur verzoeken bij hem te komen.
+
+"Mijnheer de directeur," zeide hij tot hem, "hoeveel zieken hebt ge
+op dit oogenblik?"
+
+"Zes en twintig, Monseigneur."
+
+"Zooveel had ik er ook geteld," zei de bisschop.
+
+"De bedden," hernam de directeur, "staan zeer dicht op elkander."
+
+"Dit heb ik gezien."
+
+"De zalen zijn slechts kamers en ze zijn moeilijk van versche lucht
+te voorzien."
+
+"Dat scheen mij ook toe."
+
+"En, als de zon schijnt, is de tuin te klein voor de herstellenden."
+
+"Dat kwam mij ook zoo voor."
+
+"Bij epidemie--dit jaar hadden wij den typhus en voor twee jaren de
+zweetkoorts--hebben wij soms honderd zieken, waarmede wij niet weten
+wat wij zullen aanvangen."
+
+"Zoo verbeeldde ik mij ook."
+
+"Wat zal men zeggen, Monseigneur?" zei de directeur, "men moet zich
+schikken."
+
+Dit gesprek werd gevoerd in de groote beneden-eetzaal.
+
+De bisschop bewaarde een oogenblik het stilzwijgen, toen wendde hij
+zich schielijk tot den hospitaal-directeur, en sprak:
+
+"Hoeveel bedden, denkt ge, mijnheer, dat alleen in deze zaal kunnen
+staan?"
+
+"In de eetzaal van Monseigneur?" riep de directeur verbaasd.
+
+De bisschop liet zijn blik door de zaal gaan en scheen ze met de
+oogen te meten en de ruimte te berekenen.
+
+"Er zouden wel twintig bedden kunnen staan!" zeide hij zacht,
+als tot zich zelven, en vervolgens met verheffing van stem: "Hoor,
+mijnheer de directeur, ik zal u iets zeggen. Er bestaat blijkbaar een
+vergissing. Gij hebt voor zes-en-twintig personen vijf of zes kleine
+kamers. Wij hebben hier met ons drieën plaats voor zestig menschen;
+ik zeg u: 't is een vergissing, gij hebt mijn woning en ik heb de
+uwe. Geef mij mijn huis terug; dit behoort u."
+
+Den volgenden dag werden de zes-en-twintig arme zieken in het
+bisschoppelijk paleis overgebracht, en de bisschop betrok het
+hospitaal.
+
+De heer Myriel bezat geen vermogen; zijn familie had door de revolutie
+haar bezittingen verloren.
+
+Zijn zuster had een lijfrente van vijfhonderd francs, die in de
+pastorie voor haar persoonlijke behoeften voldoende was. Myriel
+ontving als bisschop van den staat een inkomen van vijftien duizend
+francs. Denzelfden dag waarop hij het hospitaal betrok, regelde
+hij het gebruik dier som, eens voor al, op de volgende wijze. Wij
+schrijven hier een nota over van zijn eigen hand.
+
+
+NOTA TER REGELING DER UITGAVEN VAN MIJN HUIS:
+
+Voor het kleine Seminarie 1500 fr.
+ ,, de zendingmaatschappij 100 ,,
+ ,, ,, Lazaristen van Montdidier 100 ,,
+ ,, het Seminarie der vreemde missiën te Parijs 200 ,,
+ ,, de Congregatie van den H. Geest 150 ,,
+ ,, ,, geestelijke gestichten in het H. Land 100 ,,
+ ,, ,, genootschappen voor de verpleging van kraamvrouwen 300 ,,
+Bovendien voor dat te Arles 50 ,,
+Voor het genootschap ter verbetering der gevangenissen 400 ,,
+Tot hulp en bevrijding van gevangenen 500 ,,
+ ,, bevrijding van voor schulden gegijzelde huisvaders 1000 ,,
+ ,, verhooging van het traktement van arme schoolmeesters
+ in het bisdom 2000 ,,
+Voor het graanmagazijn der Hautes-Alpes 100 ,,
+ ,, de Congegratie der dames van Digne, van Manosque en
+ van Sisteron, voor het gratis onderwijs aan behoeftige
+ meisjes 1500 ,,
+ ,, de armen 6000 ,,
+ ,, uitgaven voor mijn persoon 1000 ,,
+ -----
+ Totaal 15000 fr.
+
+
+Zoolang de bisschop Myriel den zetel te D. bekleedde, veranderde hij
+niets in deze regeling. Hij noemde het, gelijk men ziet, de regeling
+der uitgaven van zijn huis.
+
+Deze schikking werd met volkomen goedvinden door mejuffrouw Baptistine
+aangenomen. Voor deze vrome maagd was Myriel te gelijker tijd haar
+broeder en haar bisschop, haar natuurlijke vriend en haar geestelijk
+hoofd. Zij beminde en vereerde hem. Wanneer hij sprak, boog zij zich;
+en al wat hij deed, vond zij goed. Alleen de dienstbode, Magloire,
+morde wel eens.
+
+Zooals wij hebben gezien, had de bisschop slechts 1000 francs voor zich
+gehouden, 't welk, gevoegd bij het jaargeld van juffer Baptistine,
+te zamen jaarlijks 1500 francs bedroeg. Van deze vijftienhonderd
+francs leefden de beide oude vrouwen en de grijsaard.
+
+En wanneer een dorpspastoor te D. kwam, had de bisschop, door de
+strenge zuinigheid van Magloire en het schrander huisbestuur van
+mejuffrouw Baptistine nog altijd gelegenheid hem behoorlijk te
+ontvangen.
+
+De bisschop was ongeveer drie maanden te D., toen hij op zekeren
+dag zeide:
+
+"'t Is zeker, dat mijn financiën zeer bekrompen zijn."
+
+"Dit geloof ik wel," hernam Magloire, "Monseigneur heeft zelfs niet
+eens de gelden gevorderd, welke het departement hem schuldig is voor
+zijn equipage en voor de reizen in het bisdom. De vorige bisschoppen
+ontvingen die altijd."
+
+"'t Is waar, gij hebt gelijk, Magloire," zei de bisschop, en hij zond
+zijn rekening in.
+
+Eenigen tijd later stond de algemeene raad van het departement, na
+overweging zijner vordering, den bisschop een jaarlijksche som van
+drie duizend francs toe voor de kosten van rijtuig en ter vergoeding
+der herderlijke reizen.
+
+De burgerij der plaats maakte hierover een groote drukte, en bij
+deze gelegenheid richtte een senator van het Keizerrijk, oud lid van
+den raad der vijfhonderd, die een begunstiger van den 18en Brumaire
+was geweest en daarvoor in de nabuurschap van Digne met een heerlijk
+landgoed beloond was geworden, aan den minister van Eeredienst, Bigot
+de Préameneu, een kwaadaardig vertrouwelijk schrijven, waaraan wij
+de volgende authentieke regelen ontleenen.
+
+"Equipagekosten? waartoe die, in een stad van minder dan vier duizend
+inwoners? Reiskosten? waartoe dienen vooreerst deze tochten? en hoe
+kan men met extra-rijtuig in deze bergachtige streken reizen? er
+zijn geen wegen. Men kan alleen te paard reizen. Zelfs de brug over
+de Durance bij Château-Arnoux kan nauwelijks ossenkarren dragen. Maar
+deze priesters zijn allen gelijk:--hebzuchtig en gierig. Toen deze hier
+kwam, speelde hij den goeden apostel. Nu doet hij gelijk de anderen,
+en begeert equipage en extra-rijtuig. Hij wil weelde ten toon spreiden,
+gelijk de vorige bisschoppen. O, dat priesterras! Mijnheer de graaf,
+de zaken zullen niet eerder goed gaan, dan wanneer de Keizer ons van
+de papen verlost heeft. Weg met den Paus! (op dit oogenblik raakten de
+zaken met Rome in de war), wat mij aangaat, ik ben vóór Cesar alleen,
+enz., enz., enz."
+
+Magloire was daarentegen zeer verheugd over de zaak en zeide tot
+mejuffer Baptistine: "Nu, Monseigneur is met de zorg voor anderen
+begonnen; maar hij heeft eindelijk toch ook aan zich zelven moeten
+denken. Hij heeft al zijn liefdegiften, geregeld: nu hebben wij
+eindelijk dus drie duizend francs voor ons!"
+
+Denzelfden avond schreef de bisschop de volgende nota, welke hij aan
+zijn zuster ter hand stelde:
+
+
+EQUIPAGE EN REISKOSTEN.
+
+Voor bouillon ten dienste der zieken in het hospitaal 1500 fr.
+ ,, het genootschap ter verpleging van kraamvrouwen
+ te Aix 250 ,,
+ ,, het genootschap ter verpleging van kraamvrouwen
+ te Draguignan 250 ,,
+ ,, de vondelingen 500 ,,
+ ,, de weezen 500 ,,
+ ----
+ Totaal 3000 fr.
+
+
+Dat was het budget van den heer Myriel.
+
+Wat de bisschoppelijke inkomsten betrof als afkooping van geboden,
+dispensatiën, doopplechtigheden, predikatiën, kerkwijdingen,
+huwelijken enz., de bisschop hief ze te ijveriger van de rijken,
+daar hij ze den armen ruimer gaf.
+
+In korten tijd stroomden de geldoffers toe. Rijken en armen klopten
+gelijkelijk aan de deur van den heer Myriel, de laatsten kwamen de
+aalmoezen halen, welke de eersten er hadden gebracht.
+
+In minder dan een jaar tijds werd de bisschop de schatmeester van alle
+weldaden, en de kassier van alle noodlijdenden. Aanzienlijke sommen
+gingen door zijn handen; maar niets was in staat zijn levenswijze
+te veranderen of bij het noodige de geringste overtolligheid te
+voegen. Integendeel. Aangezien er steeds veel meer nooden en ellenden
+beneden, dan menschlievendheid boven is, was, om zoo te zeggen,
+alles reeds weggegeven vóór 't ontvangen was; 't was als water op
+een uitgedroogd land: hoeveel geld hij ook ontving, altijd kwam hij
+te kort. Hij bekromp zich derhalve nog meer.
+
+Volgens gebruik plaatsten de bisschoppen hun doopnamen aan 't
+hoofd hunner mandementen en herderlijke brieven. Nu hadden de arme
+lieden dier streek, door een gevoel van dankbaarheid gedreven, uit
+de namen en voornamen van den bisschop dien gezocht, waarin zij een
+beteekenis vonden, en noemden hem in de wandeling Monseigneur Bienvenu
+(Welkom). Wij zullen doen als zij, en hem bij gelegenheid ook zoo
+noemen. De naam behaagde hem trouwens. "Ik houd van dien naam,"
+zeide hij. "Bienvenu maakt Monseigneur weder goed."
+
+Wij beweren niet, dat het portret, 't welk wij hier geven,
+waarschijnlijk is; wij zeggen alleen dat het gelijkt.
+
+
+
+
+
+
+DERDE HOOFDSTUK.
+
+EEN GOEDE BISSCHOP HEEFT EEN MOEIELIJK AMBT.
+
+
+Hoewel de bisschop zijn equipage in aalmoezen had omgezet, deed
+hij toch zijn rondreizen. Het bisdom Digne is zeer moeielijk
+te bereizen. Er zijn weinig vlakten en veel bergen, schier geen
+gebaande wegen, gelijk reeds gezegd is; twee-en-dertig pastorieën,
+één-en-veertig vicariaten en tweehonderd vijf-en-tachtig kapellen. 't
+Was een zware taak die alle te bezoeken. De bisschop deed het
+echter. Hij ging te voet, wanneer hij in de buurt moest wezen, reed met
+een karretje door de vlakte, en gebruikte een bergrijtuigje, als hij
+hoogere streken moest bezoeken. De beide oude vrouwen vergezelden hem;
+slechts wanneer de reis voor haar te moeielijk was, ging hij alleen.
+
+Op zekeren dag kwam hij te Senez--een oude bisschoppelijke stad--op
+een ezel. Zijn beurs, die op dien tijd zeer schraal voorzien was,
+had hem geen ander middel van vervoer veroorloofd. De maire der stad
+ontving hem aan de deur der bisschoppelijke woning en zag hem met oogen
+vol ergernis van den ezel stijgen. Eenige burgers, die er bij stonden,
+lachten. "Mijnheer de maire," zei de bisschop, "en heeren burgers, ik
+zie wat u ergert; ge vindt het zeer hoogmoedig van een armen priester,
+dat hij rijdt op de wijze van onzen Heiland. Ik verzeker u, dat ik
+het uit nood en niet uit ijdelheid doe."
+
+Op deze rondreizen was hij verschoonend en zachtmoedig; hij preekte
+minder dan dat hij zich met de menschen onderhield. Hij ging zijn
+betoogen en vergelijkingen niet ver zoeken. De inwoners der eene
+buurt stelde hij tot voorbeeld van die der andere. In streken, waar
+men onmeedoogend voor de behoeftigen was, zeide hij: "Ziet de lieden
+van Briançon. Zij hebben aan de noodlijdenden, aan de weduwen en
+weezen het recht gegeven, om drie dagen vroeger dan alle anderen,
+hun weilanden te maaien. Zij herstellen kosteloos hun woningen,
+wanneer deze in verval zijn. Daarom is dit ook een door God gezegend
+land. Gedurende een geheele eeuw is er geen moord gepleegd.
+
+In dorpen, die naar winst en een rijken oogst hunkerden, zeide hij:
+"Ziet de lieden van Embrun. Zoo een huisvader in den oogsttijd zijn
+zonen bij het leger en zijn dochters in de stad heeft dienen, indien
+hij ziek of op eene andere wijze verhinderd is, beveelt de pastoor
+hem van den kansel bij de gemeente aan, en des Zondags, na de mis,
+gaan al de dorpelingen, mannen, vrouwen, kinderen, naar den akker
+van den armen man om voor hem te maaien, en brengen stroo en graan
+in zijn schuur.--Tot families die wegens geldzaken of erfenissen in
+tweedracht leefden, zeide hij: "Neemt de bergbewoners van Devolny tot
+voorbeeld, een land zoo woest, dat men er een nachtegaal nauwelijks
+in vijftig jaren hoort. Welnu, wanneer de vader in een gezin sterft,
+gaan de jongens fortuin zoeken en laten het goed aan hun zusters,
+opdat dezen echtgenooten vinden."--In districten, waar men gaarne
+procedeerde en de pachters zich door gerechtszaken arm maakten,
+zeide hij: "Aanschouwt de goede landlieden der vallei Queyras. Zij
+tellen drie duizend zielen, en leven als in een kleine republiek. Men
+kent er noch rechters, noch deurwaarders. De maire doet alles. Hij
+regelt de belastingen, belast ieder naar zijn beste weten, beslecht
+kosteloos alle geschillen, verdeelt de erfenissen zonder belooning,
+strijkt kosteloos vonnissen, en men gehoorzaamt hem, wijl hij een
+rechtvaardig man onder eenvoudige menschen is."--In de dorpen,
+waar hij geen schoolmeester vond, wees hij weder op de inwoners van
+Queyras. "Weet ge hoe zij doen?" zeide hij. "Wijl een klein oord
+van twaalf of vijftien gezinnen niet altijd een onderwijzer kan
+onderhouden, zoo heeft men schoolmeesters, welke door de geheele
+vallei worden betaald, en die de dorpen rondtrekken, in dit acht
+dagen, in een ander tien dagen doorbrengende en onderwijzende. Deze
+onderwijzers gaan naar de jaarmarkten, waar ik hen gezien heb. Men
+herkent ze aan de schrijfpennen, welke zij in het lint van hun hoed
+dragen. Zij die alleen het lezen onderwijzen hebben één pen; zij die
+in het lezen en rekenen les geven, hebben twee pennen; zij die lezen,
+rekenen en latijn onderwijzen, hebben drie pennen. Deze laatsten zijn
+groote geleerden. Maar 't is groote schande onwetend te zijn. Doet
+zooals de lieden van Queyras." Aldus sprak hij, ernstig en vaderlijk;
+bij gemis aan voorbeelden bedacht hij gelijkenissen, die recht op
+het doel afgingen, met weinig woorden, maar veel beelden. 't Was de
+welsprekendheid van Jezus Christus uit het hart komende en overredende.
+
+
+
+
+
+
+VIERDE HOOFDSTUK.
+
+DE WERKEN EN DE WOORDEN ÉÉN!
+
+
+In den omgang was hij vriendelijk en vroolijk. Hij schikte zich naar de
+bevatting der beide oude vrouwen, die haar leven bij hem doorbrachten;
+wanneer hij lachte, was 't de hartelijke lach van den knaap.
+
+Magloire noemde hem gaarne Uwe Hoogheid. Op zekeren dag stond hij
+op van zijn stoel en ging naar zijn bibliotheek een boek halen. Dat
+boek stond op eene der hoogste planken. Daar de bisschop klein van
+gestalte was, kon hij er niet bij.--
+
+"Magloire," zeide hij, "breng mij een stoel, mijn grootheid reikt
+niet tot aan deze plank."
+
+Een zijner verre verwanten, mevrouw de gravin de Lô, liet zelden een
+gelegenheid voorbijgaan zonder in zijn tegenwoordigheid op te sommen,
+wat zij "de vooruitzichten" van haar drie zonen noemde. Zij had
+verscheiden zeer oude bloedverwanten, van welke haar zoons natuurlijk
+de erfgenamen werden. De jongste van de drie moest van een oudtante
+honderd duizend francs rente erven; de tweede zou van een oom den
+hertogstitel bekomen; de oudste moest zijn grootvader in het pairschap
+opvolgen. De bisschop hoorde meestal zwijgend, deze onschuldige en
+verschoonbare moederlijke uitweidingen aan. Eens echter scheen hij
+ernstiger dan gewoonlijk, toen mevrouw de Lô wederom in 't breede van
+al die erfenissen en van al die "vooruitzichten" sprak. Met eenig
+ongeduld vroeg zij hem: "Maar, neef, waaraan denkt ge toch?"--"Ik
+denk aan iets zonderlings," zei de bisschop, "'t geen, geloof ik,
+in St. Augustinus staat, n.l.: "Stel uw hoop op hem, van wien ge
+niet erft."
+
+Een anderen keer ontving hij een brief, het overlijden meldende van
+een edelman uit het gewest, waarin met weidsche praal, behalve de
+waardigheden van den overledene, al de leenheerlijke en adellijke
+titels van zijn geheele familie waren opgenoemd. "Welk een breeden
+rug heeft toch de dood," riep hij. "Welk een verbazenden last van
+titels geeft men hem te dragen en hoeveel geest moeten de menschen
+hebben om aldus het graf aan de ijdelheid dienstbaar te maken!"
+
+Bij gelegenheid maakte hij van vriendelijke scherts gebruik, die
+meestal een ernstigen zin bevatte. In de vasten kwam een jonge kapelaan
+te Digne en predikte in de hoofdkerk. Hij was vrij welsprekend. Zijn
+preek had de liefdadigheid tot onderwerp. De rijken vermaande hij,
+om aan de armen te geven, ten einde aan de hel te ontkomen, welke
+hij zoo ijselijk mogelijk afschilderde, en om den hemel te verwerven,
+dien hij heel aangenaam en begeerlijk voorstelde. Onder zijn gehoor
+bevond zich een rijk koopman, die zich uit de zaken had teruggetrokken,
+en een kleinen woekerhandel dreef. Hij heette Géborand en had met
+het fabriceeren van grof laken, sergie en dergelijke stoffen, twee
+millioen overgewonnen. In zijn geheele leven had Géborand geen aalmoes
+aan een ongelukkige gegeven. Sedert deze predikatie echter merkte
+men op, dat hij alle zondagen een stuiver aan de oude bedelaarsters
+in het kerkportaal gaf. Het recht van daar te staan was aan zes arme
+vrouwen toegestaan. Eens zag de bisschop hem die aalmoes geven en
+zeide glimlachend tot zijn zuster: "Zie! mijnheer Géborand koopt voor
+een stuiver den hemel."
+
+Wanneer het de liefdadigheid betrof, liet hij zich door geen
+weigering afschrikken, maar hij vond dan woorden, die tot nadenken
+brachten. Eenmaal collecteerde hij in een gezelschap voor de armen;
+er bevond zich de markies de Champtercier, een oude rijke vrek,
+die tegelijkertijd ultra-royalist en ultra-Voltairiaan was. Zulke
+zeldzaamheden hebben bestaan. Toen de bisschop hem naderde, tikte hij
+hem op den arm en zei: "Mijnheer de markies, ge moet mij iets geven."
+
+De markies keerde zich om, en antwoordde droog: "Monseigneur, ik heb
+mijn armen."
+
+"Geef ze mij," hernam de bisschop.
+
+Op zekeren dag hield hij in de kathedraal de volgende preek:
+
+"Geliefde broeders, goede vrienden! In Frankrijk zijn één millioen
+driehonderd twintig duizend boerenhuizen met slechts drie openingen;
+één millioen achthonderd zeventien duizend met slechts twee: de deur
+en het venster; en eindelijk driehonderd zes-en-veertig duizend hutten
+met slechts één opening: de deur. De reden hiervan is de belasting
+op deuren en vensters. Verbeeldt u nu arme gezinnen, oude vrouwen,
+kleine kinderen, die daarin verblijf houden, en 't is geen wonder
+dat er koortsen en andere ziekten heerschen. Helaas! God geeft den
+menschen lucht, maar de wet verkoopt ze hun. Ik beschuldig de wet
+niet; maar ik loof God. In het departement Isère, in dat van Var,
+in de Alpendepartementen, hebben de boeren niet eens kruiwagens, den
+mest vervoeren zij op hun rug; zij hebben geen kaarsen, maar branden
+houtspaanders of eindjes touw, die in pek zijn gedoopt. Zoo is het in
+geheel Opper-Dauphiné. Zij bakken brood voor een half jaar en stoken
+den oven met gedroogden koedrek. Des winters hakken zij dat brood met
+de bijl stuk, en laten het vier-en-twintig uren in water weeken om
+het te kunnen eten.--Broeders, hebt mededoogen! Ziet hoe men rondom
+u lijdt!"
+
+In Provence geboren, kende hij al de tongvallen van het zuiden en sprak
+die met de bewoners. Dit had hem bij de bevolking bemind gemaakt en
+er niet weinig toe bijgedragen om hem aller harten te openen. Hij was
+in de stulp en in het gebergte als te huis. Hij wist de verhevenste
+zaken in de eenvoudigste volkstaal te zeggen. Daar hij alle talen
+sprak, vond hij den weg tot aller harten.
+
+Overigens was hij dezelfde voor den aanzienlijke en den geringe.
+
+Hij veroordeelde niet voorbarig en zonder de omstandigheden in
+aanmerking te nemen. Laten wij zien, op welke wijs de misslag ontstaan
+is, placht hij te zeggen.
+
+Daar hij, zooals hij zich zelven glimlachend noemde, een voormalig
+zondaar was, verschanste hij zich niet achter een harde strengheid,
+en openlijk verkondigde hij, niettegenstaande het wenkbrauwfronsen der
+zoogenaamde strenge deugd, een leer, die men vrijwel in de volgende
+woorden kan samenvatten:
+
+"De mensch draagt zijn vleesch, tevens als een last en als een
+verzoeking. Hij sleept het voort en geeft er aan toe.
+
+"Hij moet het bewaken, bedwingen, onderdrukken, en niet dan in den
+uitersten nood er aan gehoorzamen. Door deze gehoorzaamheid kan hij
+nog zondigen; maar zulk een zonde is vergeeflijk. 't Is een val,
+maar een val op de knieën, die met het gebed eindigen kan.
+
+"'t Is een uitzondering een heilige te zijn; maar 't is een
+regel rechtschapen te wezen. Dwaalt, wankelt, zondigt, maar weest
+rechtschapen.
+
+"'t Is de menschelijke wet, zoo min mogelijk te zondigen. Volstrekt
+niet te zondigen, is de droom van den engel. Al het aardsche is aan
+de zonde onderworpen. De zonde is een wet der zwaartekracht."
+
+Zag hij iedereen in ijver ontstoken en spoedig verontwaardigd worden,
+dan zeide hij glimlachend: Dit schijnt een groote misdaad te wezen,
+die iedereen begaat. Zie, hoe de ontstelde huichelarij zich haast,
+om te protesteeren en zich bij voorbaat te verdedigen.
+
+Hij was toegevend jegens de vrouwen en de armen, op wie de last der
+maatschappij zoo zwaar drukt.--De zonden der vrouwen, der kinderen,
+der dienstboden, der zwakken, der armen en der onwetenden zijn de
+zonden der echtgenooten, der vaders, der meesters, der overheden,
+der rijken en der geleerden, sprak hij.
+
+Ook zeide hij: Onderwijs de onwetenden zooveel ge kunt; de maatschappij
+bezondigt zich door geen kosteloos onderwijs te geven; de duisternis
+welke zij veroorzaakt, komt te harer verantwoording. In een donkere
+ziel sluipt de zonde licht. Niet hij die de zonde doet, is de
+eigenlijke schuldige, maar hij die de duisternis veroorzaakt.
+
+Men ziet, dat de bisschop er een ongewone en eigenaardige wijze op
+nahield om de zaken te beschouwen. Ik vermoed, dat hij ze aan het
+evangelie had ontleend.
+
+Op zekeren dag hoorde hij in een gezelschap het verhaal van een
+crimineel proces, dat in behandeling was. Een arm man had, na alle
+pogingen om wat te verdienen beproefd te hebben, uit liefde voor een
+vrouw en het kind dat zij hem geschonken had, valsche munt gemaakt. De
+valsche munters werden destijds nog met den dood gestraft. De vrouw
+was aangehouden, bij de uitgifte van het eerste valsche muntstuk,
+dat de man gemaakt had. Men hield haar gevangen, doch men had geen
+bewijzen tegen haar. Zij alleen kon haar minnaar aanklagen en hem door
+haar bekentenis in 't verderf storten. Zij deed het niet. Men drong
+bij haar aan. Zij bleef ontkennen. Toen kwam de procureur des konings
+op een gelukkig denkbeeld. Hij gaf voor, dat haar minnaar haar ontrouw
+was; en door middel van haar behendig voorgelegde brieven bracht hij de
+ongelukkige tot de overtuiging dat zij een mededingster had en dat de
+man haar bedroog. Nu ontstak zij hevig in jaloezie, zij beschuldigde
+haar minnaar, en bekende en bewees alles. De man was verloren en zou
+eerlang te Aix met zijn medeplichtige gevonnist worden. Men verhaalde
+dit feit en ieder prees de behendigheid van den rechtspersoon. Door
+de jaloezie op te wekken, had hij de waarheid uit den toorn doen te
+voorschijn komen, en de gerechtigheid door wraakzucht doen gelden. De
+bisschop hoorde dit alles zwijgend aan. Toen het verhaal ten einde was,
+vroeg hij:
+
+"Waar zullen die man en die vrouw gevonnist worden?
+
+"Voor het Hof van Assises."
+
+"En waar," vervolgde hij, "zal mijnheer de procureur des konings
+worden gevonnist?"
+
+Er had te Digne een treurige gebeurtenis plaats. Een man werd wegens
+moord ter dood veroordeeld. 't Was een ongelukkige, die wel niet
+geleerd, maar ook niet geheel onwetend was; hij had op de kermissen als
+goochelaar en als openbaar schrijver rondgereisd. Het proces wekte veel
+belangstelling. Den dag vóór de terechtstelling van den veroordeelde,
+werd de aalmoezenier der gevangenis ziek. Een geestelijke moest den
+armen zondaar in zijn laatste oogenblikken bijstaan. Men ging naar
+den pastoor. 't Schijnt dat deze weigerde, zeggende: "'t Gaat mij
+niet aan; ik heb met dit werk en dezen koorddanser niets te maken;
+ik ben ook ziek; bovendien,'t is mijn ambt niet."--Men bracht den
+bisschop dit antwoord, en deze zeide: "De heer pastoor heeft gelijk,
+'t is zijn ambt niet, maar het mijne."
+
+Hij begaf zich terstond naar de gevangenis, liet zich naar de cel
+van den "koorddanser" brengen, noemde hem bij zijn naam, drukte
+hem de hand en sprak hem toe. Den geheelen dag bracht hij bij hem
+door, voedsel en slaap vergetende, God biddende voor de ziel van den
+veroordeelde en de veroordeelde voor zijn eigene biddende. Hij hield
+hem de gezegendste waarheden voor, welke de eenvoudigste zijn. Hij
+was voor hem een vader, een broeder, een vriend; bisschop alleen
+om hem te zegenen. Hij onderwees, bemoedigde, troostte hem. De man
+zou in wanhoop gestorven zijn; de dood was voor hem een afgrond,
+aan welks rand hij stond en met vreeze terugdeinsde. Hij was niet
+onwetend genoeg om geheel onverschillig te zijn. Zijn veroordeeling,
+een geweldige schok, had om zoo te zeggen hier en daar het hulsel
+gescheurd, dat ons van de verborgenheid der dingen scheidt, en 't welk
+wij het leven noemen. Steeds blikte hij door deze noodlottige scheuren
+en zag niets dan duisternis. De bisschop deed hem een licht zien.
+
+Den volgenden dag, toen men den ongelukkige haalde, was de bisschop bij
+hem. Hij volgde hem en vertoonde zich met zijn violetkleurigen mantel
+en met zijn bisschoppelijk kruis om den hals, naast den geboeiden
+veroordeelde, voor de oogen des volks.
+
+Hij beklom met hem de kar, hij beklom met hem het schavot. De arme
+zondaar, die den vorigen dag zoo somber, zoo verslagen was, had
+nu een kalm voorkomen. Hij gevoelde, dat zijn ziel verzoening had
+gevonden, en hij hoopte op God. De bisschop omhelsde hem, en toen
+de bijl zou vallen, zeide hij: "Hem, dien de mensch doodt, zal God
+weder doen opstaan; hem, dien de broeders verdrijven, neemt de vader
+aan. Bid, geloof en ga het leven in! De vader wacht u!" Toen hij
+het schavot verliet was er iets in zijn blik, waarvoor het volk ter
+zijde ging. Men wist niet wat opmerkelijker was, òf zijn bleekheid,
+òf zijn kalmte. Toen hij de nederige woning weder binnentrad, welke
+hij glimlachend "zijn paleis" noemde, zeide hij tot zijn zuster:
+Ik heb een hoogplechtigen dienst gedaan.
+
+Naardien de verhevenste zaken vaak het minst begrepen worden, waren er
+personen in de stad, die dit gedrag van den bisschop "gemaaktheid"
+noemden. Dit werd echter slechts in hoogere kringen gezegd. Het
+volk, dat edele handelingen van geen kwaad verdenkt, was getroffen
+en vol bewondering.
+
+Het gezicht der guillotine had intusschen den bisschop een schok
+gegeven, waarvan hij zich in langen tijd niet herstelde.
+
+Inderdaad, wanneer het schavot dáár zoo voor u oprijst, heeft
+het iets gruwelijks. Men kan ten aanzien der doodstraf eenigszins
+onverschillig zijn, zich daarvoor niet uitspreken, ja noch neen zeggen,
+zoolang men geen guillotine heeft gezien; maar als men er voor staat
+is de schok geweldig, men moet beslissen, en partij voor of tegen
+kiezen. Eenigen bewonderen, gelijk de Maistre; anderen vervloeken,
+gelijk Beccaria. De guillotine is de verlichamelijking der wet; zij
+noemt zich gerechtigheid; zij is niet onzijdig en veroorlooft anderen
+niet, onzijdig te blijven. Die haar ziet, voelt een geheimzinnige
+huivering. Alle maatschappelijke kwestiën plaatsen om de valbijl haar
+vraagteekens. Het schavot is een visioen. Het schavot is geen stellage,
+geen machine, geen gevoelloos werktuig van hout, ijzer en touw. Het
+gelijkt een soort van wezen, dat sombere gedachten opwekt. Het is
+alsof deze stellage ziet; deze machine hoort; dit werktuig begrijpt;
+dit hout, dit ijzer, dit touw een wil hebben. In de afgrijselijke
+gedachten, welke 't gezicht van het schavot doet oprijzen, verschijnt
+het vreeselijk, doordat het aan zijn werk doet denken. Het schavot
+is de medeplichtige van den beul; het verslindt; het eet vleesch en
+drinkt bloed. Het schavot is een soort van gedrocht door den rechter
+en den timmerman vervaardigd; een spook, dat uit den dood, die het
+gegeven heeft, een verschrikkelijk leven voor zich zelven schijnt te
+hebben geput.
+
+Daarom was ook de indruk afgrijselijk en diep; de bisschop scheen
+den dag na de terechtstelling en nog vele dagen later daarna zeer
+ternedergeslagen. De als door dwang tevoorschijn geroepen kalmte voor
+het sombere oogenblik was verdwenen; het spook der maatschappelijke
+gerechtigheid kwelde hem. Terwijl hij gewoonlijk met een vroolijke
+zelfvoldoening van zijn werkzaamheden wederkeerde, scheen hij zich
+nu iets te verwijten. Meermalen sprak hij in zich zelven en prevelde
+binnensmonds sombere alleenspraken. Zijn zuster hoorde hem zeggen:
+"Ik wist niet dat het zoo ijselijk was. 't Is verkeerd, zich in
+de goddelijke wet zoo te verdiepen, dat men de menschelijke wet
+vergeet. Alleen aan God behoort de dood. Met welk recht raken de
+menschen aan dit onbekende?"
+
+Allengs werden deze indrukken zwakker, en werden waarschijnlijk geheel
+uitgewischt. Evenwel merkte men op, dat de bisschop voortaan vermeed,
+over de gerechtsplaats te gaan.
+
+Men kon den heer Myriel te allen tijde aan de sponde der zieken en
+stervenden roepen. Hij wist volkomen, dat hem daar zijn duurste
+plicht, zijn gewichtigste arbeid riep. Gezinnen, die ouders of
+kinderen verloren hadden, behoefden hem niet te roepen; hij ging
+er uit eigen beweging heen. Hij kon lang zwijgend bij den man
+zitten die zijn geliefde vrouw had verloren, bij de moeder die
+haar kind beweende. Evenals hij ter rechter tijd wist te zwijgen,
+kende hij ook het oogenblik, dat hij moest spreken. En hoe kon hij
+troosten! Hij trachtte niet de smart door vergetelheid te lenigen,
+maar ze door de hoop grooter en waardiger te maken. Hij zeide: "Let
+wel, op welke wijze gij de dooden beschouwt. Denk niet aan 't geen
+verteert. Zie slechts scherp toe, en ge zult den levenden schijn van
+uw geliefden overledene in den hemel erkennen." Den wanhopige poogde
+hij tot kalmte te brengen en trachtte hem neer te zetten, door op den
+onderworpen mensch te wijzen, en de smart, die een graf aanschouwt,
+te veranderen in een smart die naar een ster opziet.
+
+
+
+
+
+
+VIJFDE HOOFDSTUK.
+
+WAAROM MONSEIGNEUR BIENVENU TE LANG ZIJN PRIESTERROKKEN DRAAGT.
+
+
+In het huiselijk leven waren Myriels gevoelens dezelfde als in zijn
+openbaar leven. De vrijwillige armoede, waarin de bisschop van Digne
+leefde, zou voor ieder, die hem van nabij had kunnen gadeslaan,
+een ernstig en bekoorlijk schouwspel zijn geweest.
+
+Gelijk alle oude lieden en de meeste denkers, sliep hij weinig. Zijn
+korte slaap was echter vast. Des morgens vroeg gaf hij zich een uur
+aan zijn overdenkingen over; daarna bediende hij de mis, 't zij in de
+kerk, 't zij in zijn huis. Na de mis nam hij zijn ontbijt, bestaande
+in roggebrood en melk. Daarna arbeidde hij.
+
+Een bisschop is steeds met werkzaamheden overladen, dagelijks moet
+hij den secretaris van het bisdom ontvangen, ook bijna dagelijks zijn
+groot-vicarissen. Hij moet over de congegratiën het toezicht houden,
+privilegiën verleenen, een geheele kerkelijke bibliotheek, getijboeken,
+catechismussen, gebedenboeken enz. onderzoeken; hij moet mandementen
+schrijven, predikatiën vergunnen, pastoors en maires vereenigen, een
+kerkelijke en een administratieve correspondentie voeren, eenerzijds
+met den staat, anderzijds met den H. Stoel; kortom, duizend zaken
+wachten op hem.
+
+Den tijd, welken hem deze duizend zaken, zijn kerkdiensten en zijn
+brevier lieten, wijdde hij vooreerst aan de noodlijdenden, de kranken
+en de bedrukten; den tijd, dien deze hem lieten, besteedde hij aan
+den arbeid. Nu eens spitte hij in zijn tuin, dan weer las en schreef
+hij. Hij had voor deze beide soorten van werk slechts één naam:
+hij noemde het tuinieren. "De geest is ook een tuin," zeide hij.
+
+Tegen den middag, wanneer het weder fraai was, ging bij uit en wandelde
+op het veld of in de stad, en vaak trad bij de hutten binnen. Men
+zag hem dan alleen, aan zijn gedachten overgegeven, met neêrgeslagen
+oogen, steunende op zijn langen wandelstok, in zijn violetkleurigen,
+gewatteerden en warmen rok, violetkleurige kousen, zware schoenen en
+met een platten driekanten hoed, met gouden kwasten aan de punten,
+op het hoofd.
+
+'t Was overal feest waar hij verscheen, als bracht hij bij zijn komst
+iets verwarmends en verlichtends. Kinderen en oude lieden kwamen aan
+de deur, om den bisschop, evenals anders om de zon. Hij deelde zegen
+uit en men zegende hem. Aan elk, die iets behoefde, wees men zijn huis.
+
+Nu en dan bleef hij staan, om tot knaapjes en jonge meisjes te spreken,
+en lachte de moeders toe. Hij bezocht de armen zoolang hij geld had;
+was het uitgegeven, dan bezocht hij de rijken.
+
+Daar hij zijn priesterrokken zeer langen tijd droeg, en niet wilde
+dat men dit opmerkte, ging hij nooit uit dan in zijn violetkleurig
+kleed. Dit was hem in den zomer wel een weinig lastig.
+
+Te huis komende deed hij zijn middagmaal, dat aan het ontbijt
+geëvenredigd was. Te half negen gebruikte hij met zijn zuster het
+avondeten. Magloire bediende hen. Niets kon soberder zijn dan deze
+maaltijd. Zoo de bisschop evenwel een zijner pastoors aan zijn tafel
+had, maakte Magloire van deze gelegenheid gebruik om voor monseigneur
+keurige visch uit de meren of fijn wild uit het gebergte op te
+disschen. Ieder pastoor strekte haar tot voorwendsel voor een goeden
+maaltijd, en de bisschop liet haar begaan. Gewoonlijk kwam op zijn
+tafel niet anders dan gekookte groenten en soep met olie. Men zeide
+dan ook in de stad: "wanneer de bisschop niet smult als een pastoor,
+eet hij als een trappist."
+
+Na het avondeten praatte hij een half uur met Baptistine en Magloire;
+vervolgens begaf hij zich naar zijn kamer en zette zich weder aan
+'t schrijven, nu eens op losse bladen, dan weder op den kant van een
+foliant. Hij was geletterd en tamelijk geleerd. Hij heeft vijf of zes
+merkwaardige manuscripten nagelaten; onder andere een verhandeling
+over het vers van Genesis: "En de geest Gods zweefde over de
+wateren."--Hij vergelijkt met dit vers drie teksten: het arabisch,
+dat zegt: "de winden Gods bliezen;" Flavius Josephus, die zegt:
+"Een wind van boven viel op de aarde;" en eindelijk de Chaldeeuwsche
+overzetting van Onkelos, die zegt: "Een wind, die van God kwam,
+blies over de wateren." In een andere verhandeling onderzocht hij de
+godgeleerde werken van Hugo, bisschop van Ptolomaïs, achter-oudoom
+van den schrijver van dit boek en bewijst dat aan dezen bisschop de
+verschillende kleine werkjes moeten worden toegeschreven, die in de
+vorige eeuw onder het pseudonym van Barleycourt verschenen.
+
+Soms verviel hij temidden zijner lectuur, onverschillig welk boek hij
+in handen had, plotseling tot diepe overpeinzing, waarna hij eenige
+regels op het blad zelf van het boek schreef. Deze regels hebben vaak
+volstrekt geen betrekking op het boek, dat ze bevat. Zoo hebben wij
+vóór ons een door hem geschreven kantteekening, in een boek in kwarto,
+getiteld: Correspondance du lord Germain avec les généraux Clinton,
+Cornwallis et les amiraux de la station de l'Amérique.
+
+Deze kantteekening luidt als volgt:
+
+"O gij, die zijt!
+
+"In den prediker Salomo heet gij de Almachtige, in het boek der
+Makkabeeën Schepper, in den brief aan de Ephezers Vrijheid, in
+Baruch Onmetelijke, in de psalmen Wijsheid en Waarheid, in het
+evangelie van Johannes Licht, in het boek der koningen Heer, in
+het tweede boek van Mozes Voorzienigheid, in het derde Heiligheid,
+in Esdra Gerechtigheid; de schepping noemt u God, de mensch Vader,
+maar Salomo noemt u Erbarmer, en dit is de schoonste van al uw namen."
+
+Tegen negen uur 's avonds verwijderden zich de beide vrouwen en begaven
+zich naar haar kamers op de eerste verdieping, en lieten den bisschop
+alleen beneden tot den volgenden morgen.
+
+'t Zal noodig zijn hier een nauwkeurige voorstelling der woning van
+den bisschop van Digne te geven.
+
+
+
+
+
+
+ZESDE HOOFDSTUK.
+
+DOOR WIE HIJ ZIJN HUIS LIET BEWAREN.
+
+
+Het huis, dat hij bewoonde, had slechts, zooals reeds gezegd is,
+twee verdiepingen, en bestond uit drie benedenvertrekken, drie
+kamers op de tweede verdieping, en daarboven een zolder. Achter het
+huis was een tuin. De beide vrouwen hadden de eerste verdieping in
+gebruik. De bisschop huisde beneden. Het eerste vertrek, dat op de
+straat uitzag, diende hem tot eetzaal, het tweede tot slaapkamer en
+het derde tot bidkamer. Men kon uit deze laatste niet komen, zonder
+door de slaapkamer te gaan, en uit deze slechts door de eetzaal. In
+de bidkamer was een afgesloten alkoof, waarin een bed, ten dienste
+van logeergasten. De bisschop bood dit bed den dorpspastoors aan,
+die wegens zaken of aangelegenheden hunne parochie betreffende,
+te Digne kwamen.
+
+De apotheek van het hospitaal, een in den tuin aan het huis toegevoegd
+gebouw, was in keuken en spijskamer veranderd.
+
+Nog bevond zich in den tuin een stal, die vroeger de keuken van het
+hospitaal was geweest en waarin de bisschop twee koeien hield. Hoeveel
+melk zij ook mochten geven, hij zond alle ochtenden de helft er van
+aan de zieken in het hospitaal. "Ik betaal mijn tienden," zeide hij.
+
+Zijn tamelijk ruime kamer was in den winter moeielijk te
+verwarmen. Dewijl het hout te Digne zeer duur is, had hij in den
+koestal een klein vertrek van planken laten afschieten, en hier
+bracht hij bij strenge koude den avond door. Hij noemde dit zijn
+"wintersalon."
+
+In dat wintersalon was, gelijk in de eetzaal, geen ander huisraad dan
+een vierkante, wit houten tafel en vier matten stoelen. De eetkamer
+was bovendien nog met een oud rose geverfd buffet versierd. Een
+dergelijk buffet, bekleed met witte doeken en onechte kant, had de
+bisschop tot altaar in zijn bidkamer ingericht.
+
+Zijn rijke biechtdochters en andere vrome vrouwen van Digne hadden
+herhaaldelijk met elkander het geld bijeengebracht voor een fraai,
+nieuw altaar in de bidkamer van Monseigneur; maar telkens had hij het
+geld aangenomen en aan de armen gegeven. "Het fraaiste altaar," zeide
+hij dan, "is de ziel van een getroosten ongelukkige, die God dankt."
+
+Hij had in zijn bidkamer twee bidstoelen met matten zittingen en in
+zijn slaapkamer een dergelijken armstoel. Wanneer hij bij toeval zeven
+of acht personen te gelijk ontving, den prefect, of den generaal,
+of den staf van het daarin garnizoen liggend regiment, of eenige
+kweekelingen van het klein seminarie, was men verplicht de stoelen
+van het wintersalon uit den stal en de bidstoelen met den armstoel
+uit de bidkamer te halen, en op die wijze kon men voor de bezoekers
+elf stoelen bijeenbrengen. Bij elk bezoek werd dus een der vertrekken
+van zijn huisraad beroofd.
+
+Maar somtijds gebeurde het, dat er twaalf bezoekers waren. Alsdan
+verheelde de bisschop de verlegenheid waarin hij zich bevond, des
+winters door voor den schoorsteen te blijven staan, en des zomers
+door in den tuin te wandelen.
+
+In de afgesloten alkoof stond wel is waar ook nog een stoel, maar de
+zitting was versleten en hij had nog maar drie pooten, zoodat hij
+slechts dienst kon doen als hij tegen den muur stond. Mejuffrouw
+Baptistine had ook in haar kamer een zeer groote bergère van hout,
+die vroeger verguld was, met gebloemde chineesche zijde bekleed;
+maar men had deze bergère door het venster op de eerste verdieping
+moeten brengen, wijl de trap te smal was; die kon dus niet dienen,
+wanneer men zitplaatsen te kort kwam.
+
+Mejuffrouw Baptistines vurigste wensch zou geweest zijn,
+een salonmeubel te kunnen koopen van mahoniehout, bekleed met
+geelgebloemd trijp, en daarbij een canapé. Maar een en ander zou
+minstens vijfhonderd francs hebben gekost, en daar zij 't in vijf
+jaren niet verder had kunnen brengen dan hiervoor twee-en-veertig en
+een halven franc te besparen, had zij er eindelijk van afgezien. Wie
+ziet zijn idealen ook verwezenlijkt?
+
+Men kan zich niets eenvoudigers voorstellen dan de slaapkamer van den
+bisschop. Door de glazen deur kwam men in den tuin; daartegenover stond
+het bed, een ijzeren gasthuisbed met groene sergie-gordijnen; achter
+een gordijn, ter zijde van het bed, verrieden de toiletbenoodigdheden
+nog de vroegere elegante gewoonten van den man der wereld; er waren
+twee deuren: door de eene, bij den schoorsteen, kwam men in het
+bidvertrek; de andere, bij de bibliotheek, leidde naar de eetzaal. De
+bibliotheek was een groote glazen kast vol boeken; de schoorsteen, met
+een houten als marmer geschilderden mantel, was gewoonlijk zonder vuur;
+een paar haardijzers in den schoorsteen en twee vazen, die vroeger
+verzilverd waren, maakten een soort van bisschoppelijke weelde uit. Op
+den schoorsteenmantel stond een koperen, vroeger verzilverd crucifix
+op kaal zwart fluweel in een vergulde houten lijst; bij de glazen deur
+stond een tafel, waarop een inktkoker, en die verder beladen was met
+verstrooide papieren en dikke boekdeelen; vóór de tafel bevond zich de
+armstoel met matten zitting; vóór het bed een bidstoel uit de bidkamer.
+
+Ter weerszijden van het bed hingen twee portretten in ovale
+lijsten. Gouden opschriften op het doek, bezijden de afbeeldingen,
+duidden aan, dat het eene portret den abt de Chaliot, bisschop van
+St. Claude, het andere den abt Tourteau, vicaris-generaal van Agde,
+abt van Grand-Champs, van de orde der Cistercienzers, voorstelde. Toen
+de bisschop deze ziekenkamer van het hospitaal betrok, had hij er
+deze portretten gevonden en ze laten hangen. 't Waren priesters,
+vermoedelijk donateurs: twee redenen om ze te eerbiedigen. Al wat
+hij van deze twee personages wist, was, dat beiden door den koning
+op denzelfden dag, den 27 April 1785, de een tot bisschop, de ander
+tot vicaris-generaal benoemd waren. Bij gelegenheid dat Magloire
+de schilderij van den wand had genomen om ze af te stoffen, had de
+bisschop deze bijzonderheid geschreven gevonden, met bleeken inkt,
+op een stukje papier, dat van ouderdom geel geworden en met vier
+ouwels achter het portret van den abt van Grand-Champs geplakt was.
+
+Vóór het venster hing een ouderwetsch gordijn van grove wollen stof,
+welke zoo versleten was, dat Magloire, ten einde de kosten van een
+nieuw gordijn te vermijden, verplicht was, een grooten naad in het
+midden te maken, welke naad een kruis vormde. De bisschop maakte
+dikwerf de opmerking, dat dit zeer goed stond.
+
+Al de kamers van het huis waren zonder uitzondering, zoowel beneden
+als op de eerste verdieping, zooals in kazernen en hospitalen, met
+kalk gewit.
+
+In de laatste jaren echter vond Magloire zooals men verder zal
+vernemen, schilderingen onder het met kalk bestreken papier in de kamer
+van mejuffrouw Baptistine. Eer dit huis een hospitaal was geworden,
+had het aan een burger behoord, en van dien tijd dagteekende deze
+versiering. De kamers waren met roode steenen bevloerd, die wekelijks
+geschrobd werden, en vóór de bedden lagen matten. Voor 't overige
+onderscheidde zich deze woning, die door twee vrouwen onderhouden
+werd, van onder tot boven door de uiterste zindelijkheid. Dit was
+de eenige weelde, welke de bisschop zich veroorloofde, zeggende,
+dat dit den armen niets onthield.
+
+'t Moet echter gezegd worden, dat hem, van hetgeen hij vroeger bezeten
+had, nog zes zilveren lepels en vorken en een soeplepel overgebleven
+waren, welke Magloire dagelijks met ware vreugde op het groote witte
+tafellaken zag prijken. En nu wij den bisschop van Digne schilderen
+gelijk hij was, moeten wij zeggen, dat hij dikwijls betuigd had,
+dat het hem moeielijk zou vallen niet met zilver te eten.
+
+Bij dat zilverwerk moeten nog twee massief zilveren kandelaars worden
+gerekend, welke hij van een oud-tante had geërfd. Deze kandelaars
+droegen twee waskaarsen en prijkten gewoonlijk op den schoorsteen
+van den bisschop. Wanneer hij iemand ten eten had, stak Magloire de
+beide waskaarsen aan en zette de twee kandelaars op de tafel.
+
+In de kamer van den bisschop stond, aan het hoofdeneinde van zijn bed,
+een kastje, waarin Magloire 's avonds de zes zilveren vorken en lepels
+en den grooten soeplepel wegsloot. De sleutel bleef evenwel steeds in
+'t slot steken.
+
+De tuin, die door de vermelde bijgebouwen ontsierd was, had vier paden,
+die bij een put elkander kruisten; een ander pad liep rondom den tuin,
+langs den witten muur, die hem insloot. Deze paden verdeelden den tuin
+in vier met palm omzoomde bedden. Op drie ervan verbouwde Magloire
+groenten; het vierde was door den bisschop met bloemen beplant; hier en
+daar stonden enkele vruchtboomen. Eens had Magloire schertsenderwijs
+gezegd: "Monseigneur, hoewel ge van alles zoo goed partij weet te
+trekken, is dit toch een nutteloos bed. 't Ware beter, dat er salade
+op groeide, dan bloemen."--"Gij vergist u, Magloire," had de bisschop
+geantwoord, "het schoone is even nuttig als het nuttige." En na eenig
+zwijgen voegde hij er bij: "Misschien nog nuttiger!"
+
+Dit bed, uit drie of vier rijen bloemen bestaande, hield den bisschop
+schier evenzeer bezig als zijn boeken. Hij bracht hier gaarne een paar
+uren door met snoeien, harken, spitten en zaaien. Den insekten was
+hij niet zoo vijandig als een tuinman wel gewenscht zou hebben. Voor
+'t overige maakte hij geen aanspraak op botanische kennis; hij
+wist niets van geslachten en klassen, voelde volstrekt geen lust om
+tusschen Tournefort en de natuurlijke methode uitspraak te doen, en
+koos evenmin partij voor de utriculi tegen de cotyledonen, als voor
+Jussieu tegen Linnaeus. Hij bestudeerde de planten niet, maar beminde
+de bloemen. Hij achtte de geleerden zeer, maar meer nog de onwetenden;
+en zonder aan de achting voor beiden ooit in 't minst te kort te doen,
+begoot hij zijn bloemperken alle zomeravonden met een groen geverfden
+blikken gieter.
+
+Het huis had niet één deur met een slot. De deur der eetkamer, die,
+zooals gezegd is, gelijkvloers met het kerkplein was, had vroeger
+sloten en grendels als een gevangenisdeur gehad. De bisschop had dit
+ijzerwerk doen wegnemen en de deur stond nu dag en nacht slechts op
+de klink. Ieder voorbijganger kon, hoe laat het ook was, ze openen. In
+den beginne had deze ongesloten deur de beide vrouwen zeer verontrust,
+maar de bisschop had haar gezegd, dat zij, zoo zij verkozen, haar
+deuren van grendels konden voorzien. Eindelijk hadden zij zijn
+gerustheid gedeeld, of hielden zich althans zoo. Slechts Magloire was
+nu en dan beangst. Wat de bisschop dacht, kon men aangeduid vinden
+in deze regels, door hem op den rand van een bijbelblad geschreven:
+"Het onderscheid is, dat de deur van een geneesheer nooit gesloten
+mag zijn, en die van een priester altijd open moet wezen."
+
+In een ander boek, getiteld: Philosophie de la science médicale,
+had hij deze kantteekening geschreven: "Ben ik geen geneesheer,
+evenals zij? Ook ik heb mijn zieken: vooreerst degenen, welke zij
+hun zieken noemen; en dan de mijne, welke ik de ongelukkigen noem."
+
+Elders had hij geschreven: "Vraag niet naar den naam van dengene,
+die u een nachtverblijf verzoekt. Voor hem, die een schuilplaats
+noodig heeft, is de naam een lastig ding!"
+
+Het gebeurde dan ook eens, dat een achtenswaardig geestelijke--ik weet
+niet of 't de pastoor van Couloubroux of die van Pompierry was--hem
+op zekeren dag, waarschijnlijk op aansporing van Magloire vroeg, of
+Monseigneur wel zeker was niet eenigszins onvoorzichtig te handelen,
+door dag en nacht zijn deur voor ieder, die wilde binnengaan, open
+te laten, en of hij niet vreesde, dat in een zoo slecht bewaakt huis
+eens een ongeluk zou gebeuren. De bisschop klopte hem met zachten
+ernst op den schouder, zeggende: "Zoo de Heer het huis niet bewaakt,
+waken de wachters vergeefs."
+
+Daarop sprak hij van iets anders.
+
+Dikwijls zeide hij: "Er is een dapperheid van den priester, evenals
+er een dapperheid van den dragonder-officier is. Maar," liet hij er
+op volgen, "de onze moet rustig zijn."
+
+
+
+
+
+
+ZEVENDE HOOFDSTUK.
+
+CRAVATTE.
+
+
+Hier doet zich als van zelve een feit voor, dat wij niet over 't hoofd
+mogen zien; want 't behoort tot dezulken, die het best aantoonen,
+welk een man de bisschop van D. was.
+
+Na de onderwerping der rooverbende van Gaspard Bès, die de bergengten
+van Ollioules onveilig had gemaakt, nam een zijner onderbevelhebbers,
+Cravatte, de wijk in het gebergte. Hij hield zich eenigen tijd met de
+rest der bende van Gaspard Bès in het graafschap Nizza schuil, ging
+vervolgens naar Piémont en verscheen plotseling weder in Frankrijk,
+in den omtrek van Barcelonnette. Men zag hem eerst te Jauziers, daarna
+te Tuiles. Hij verschool zich in de grotten van Joug de l'Aigle,
+en van daar begaf hij zich langs de sluipwegen van Ubaye en Ubayette
+naar de gehuchten en dorpen.
+
+Hij kwam zelfs tot Embrun, brak op zekeren nacht in de kerk in en
+beroofde de sacristie. Zijn rooverijen verspreidden schrik in den
+omtrek. Men zond de gendarmerie op hem af, doch vruchteloos. Telkens
+ontsnapte hij en bood soms gewapenden tegenstand. Het was een vermetele
+booswicht. Te midden van den algemeenen schrik kwam de bisschop. Op
+een rondreis bezocht hij ook Chastelar. De maire kwam bij hem en ried
+hem terug te keeren, wijl Cravatte het gebergte tot Arche en verder
+doorkruiste. Zelfs met een escorte was het reizen gevaarlijk, het leven
+van drie of vier ongelukkige gendarmes zou nutteloos zijn blootgesteld.
+
+"Ik ben dus ook voornemens zonder escorte te gaan," antwoordde de
+bisschop.
+
+"Hoe kunt ge hieraan denken, Monseigneur?" hernam de maire.
+
+"Ik denk er zoo zeker aan, dat ik voor de gendarmes bedank en binnen
+een uur vertrek."
+
+"Ge wilt vertrekken?"
+
+"Ja."
+
+"Alleen?"
+
+"Alleen."
+
+"Dat zult ge niet doen, Monseigneur!"
+
+"In het gebergte," hernam de bisschop, "ligt een zeer kleine gemeente,
+welke ik sedert drie jaren niet bezocht heb. Daar wonen mijn vrienden,
+vreedzame, brave herders. Van de dertig geiten, welke zij hoeden,
+behoort er hun ééne, zij vervaardigen zeer fraaie wollen koorden van
+verschillende kleur, en spelen bergliederen op kleine fluiten met
+zes gaten. 't Is noodig, dat hun van tijd tot tijd van den goeden God
+wordt gesproken. Wat zouden zij denken van een bisschop die bevreesd
+is? Wat zouden zij zeggen, zoo ik niet kwam?"
+
+"Maar de roovers, Monseigneur?"
+
+"Ja," zei de bisschop, "ik denk er juist aan. Gij hebt gelijk. Ik
+kon ze ontmoeten. Ook zij hebben noodig van den goeden God te hooren."
+
+"Maar, Monseigneur, 't is een rooverbende, een troep wolven!"
+
+"Mijnheer de maire, 't is misschien juist van dezen troep, dat Jezus
+mij herder wil maken. Wie kent de wegen der Voorzienigheid?"
+
+"Zij zullen u uitplunderen, Monseigneur."
+
+"Ik heb niets."
+
+"Zij zullen u vermoorden."
+
+"Een ouden priester, die langs den weg zijn gebeden leest? Wat zou
+'t hun baten?"
+
+"O, mijn hemel! Zoo ge hen ontmoette!"
+
+"Dan zal ik hun een aalmoes voor mijn armen vragen."
+
+"Ga niet, Monseigneur. In 's hemels naam! gij waagt uw leven!"
+
+"Is het anders niet, Mijnheer de maire?" zei de bisschop. "Ik ben niet
+in de wereld om mijn leven te behoeden, maar om de zielen te behoeden."
+
+Men moest hem zijn wil laten. Hij vertrok, slechts van een kind
+vergezeld, dat zich aanbood hem den weg te wijzen. Zijn eigenzinnigheid
+werd veel besproken en baarde bekommering in de streek.
+
+Hij wilde noch zijn zuster, noch Magloire medenemen. Hij trok op een
+muildier door het gebergte, ontmoette niemand en kwam veilig en wel bij
+zijn "vrienden" de herders. Hij bleef hier veertien dagen, predikte,
+verrichtte den dienst, onderwees en vermaande de gemeente. Kort voor
+zijn vertrek wilde hij een plechtig Te Deum houden. Hij sprak er met
+den pastoor over. Maar hoe? er waren geen bisschoppelijke sieraden. Men
+kon slechts een armoedige dorpssacristie met eenige oude kazuifels
+van versleten damast met valsch passement tot zijnen dienst stellen.
+
+"Om 't even," zei de bisschop, "kondig maar het Te Deum van den kansel
+af, Mijnheer pastoor. Alles zal zich wel schikken."
+
+Men zocht in de kerken der nabuurschap. Al de bijeengebrachte
+heerlijkheden dier armoedige parochiën zouden zelfs niet voor de
+behoorlijke koorkleeding eener hoofdkerk toereikend zijn geweest.
+
+Tijdens deze verlegenheid werd door twee onbekenden te paard, die
+onmiddellijk weder vertrokken, een groote kist voor den bisschop aan de
+pastorie bezorgd. De kist werd geopend; zij bevatte een koorkleed van
+goudlaken, een met diamanten bezetten mijter, een aartsbisschoppelijk
+kruis, een prachtigen bisschopsstaf, kortom al de bisschoppelijke
+versierselen, die een maand te voren uit de Lieve-Vrouwenkerk te
+Embrun gestolen waren. In de kist lag een papier, waarop deze woorden
+stonden geschreven: Cravatte aan Monseigneur Bienvenu.
+
+"Heb ik u niet gezegd, dat zich alles zou schikken!" zei de
+bisschop. En glimlachend voegde hij er bij: "wie zich met het koorhemd
+van een pastoor tevreden stelt, zendt God een aartsbisschoppelijk
+koorkleed."
+
+"Monseigneur," mompelde de pastoor glimlachend het hoofd schuddend,
+"God--of de duivel?"
+
+De bisschop zag den pastoor strak aan en zeide met nadruk: "God!"
+
+Toen hij te Chastelar terugkeerde, ijlde men overal langs den geheelen
+weg, nieuwsgierig toe om hem te zien. In de pastorie van Chastelar
+vond hij mejuffrouw Baptistine en Magloire, die hem wachtten, en hij
+zeide tot zijn zuster: "Nu, had ik geen gelijk? de arme priester is
+met ledige handen naar de arme bergbewoners gegaan, en met gevulde
+handen keert hij terug. Ik was vertrokken met niets anders dan mijn
+vertrouwen op God, en breng den schat eener hoofdkerk mede te huis."
+
+Nog zeide hij des avonds vóór 't naar bed gaan: "vreezen wij
+nimmer dieven of moordenaars. Dit zijn slechts uiterlijke, geringe
+gevaren. Vreezen wij ons zelven. De vooroordeelen zijn de ware dieven;
+de ondeugden de ware moordenaars. De groote gevaren zetelen in ons. Wat
+is er gelegen aan wat ons hoofd of onze beurs bedreigt? Laten wij
+alleen denken aan 't geen onze ziel bedreigt."
+
+En zich tot zijn zuster wendende: "Lieve zuster, de priester mag nooit
+voorzorgen tegen zijn naaste nemen. Wat de naaste doet, veroorlooft
+God. Laten wij alleen God bidden, wanneer wij meenen dat ons een
+ongeluk nadert. Bidden wij Hem, niet voor ons, maar dat onze broeder
+niet om onzenthalve in zonde vervalle."
+
+Overigens waren belangrijke voorvallen zeldzaam in zijn leven. Wij
+verhalen die, welke ons bekend zijn; doch gewoonlijk bracht hij zijn
+leven door met steeds hetzelfde op denzelfden tijd te doen. Een maand
+van zijn jaar geleek op een uur van zijn dag.
+
+Wat van "den schat" der kerk van Embrun werd, men zou ons in
+verlegenheid brengen, daarnaar te vragen. 't Waren gewis zeer schoone,
+verleidelijke voorwerpen, wel geschikt om ze ten voordeele der
+ongelukkigen te stelen. Zij waren trouwens reeds gestolen. De helft
+van het avontuur was volbracht; het gold nu slechts de richting van
+den diefstal te veranderen, en wel ten gunste der armen. Wij zeggen
+overigens niets zekers hieromtrent. Alleen vond men in de papieren
+van den bisschop een eenigszins duistere aanteekening, die misschien
+op deze zaak betrekking heeft, in deze woorden: "'t is de vraag,
+of het aan de hoofdkerk terug of aan 't gasthuis gegeven worden moet!"
+
+
+
+
+
+
+ACHTSTE HOOFDSTUK.
+
+WIJSBEGEERTE NA TAFEL.
+
+
+De senator, van wien reeds gesproken is, was een schrander man,
+die zijn weg rechtuit was gegaan, zonder te letten op de beletselen,
+welke men geweten, trouw, rechtvaardigheid of plicht noemt; hij was
+regelrecht op zijn doel afgegaan, zonder een enkele maal met het
+oog op zijne bevordering en op zijn belang te aarzelen. Hij was een
+oud procureur, wien het geluk vertroeteld had; volstrekt geen kwaad
+mensch, die zijn zoons, zijn schoonzoons, zijn familie, zelfs zijn
+vrienden alle mogelijke kleine diensten bewees, en die wijselijk
+van het leven steeds de goede zijde, de gunstige gelegenheden,
+de voordeelen gekozen had. Het overige scheen hem dwaasheid. Hij
+was geestig en juist geletterd genoeg, om zich voor een discipel
+van Epicurus te houden, terwijl hij misschien slechts een product
+van Pigault-Lebrun was. Hij schertste gaarne en vroolijk over het
+oneindige en het eeuwige, en over de "hersenschimmen van den goeden
+bisschop." Soms bespotte hij die zelfs met vriendelijke aanmatiging
+in de tegenwoordigheid van den bisschop, die dan luisterde.
+
+Bij zekere half officieele feestelijkheid, moesten graaf *** (deze
+senator) en de bisschop een diner bij den prefect bijwonen. Aan
+het dessert zei de senator, die eenigszins vroolijk, doch altijd
+deftig was:
+
+"Laat ons eens praten, Monseigneur de bisschop. Een senator en een
+bisschop kunnen elkander moeielijk aanzien zonder te meesmuilen. Wij
+zijn beiden wichelaars. Ik zal u een bekentenis doen: ik heb zoo mijn
+eigene wijsbegeerte."
+
+"Ge hebt gelijk," antwoordde de bisschop. "Naar men zich een
+wijsbegeerte maakt, legt men zich te rusten. Gij ligt op een purperen
+bed, mijnheer de senator."
+
+Bemoedigd door deze woorden, hernam de senator:
+
+"Laten we verdraagzame lieden zijn."
+
+"Verdraagzame duivels zelfs," zei de bisschop.
+
+"Ik verzeker u," hernam de senator, "dat de markies d'Argens, Pyrrhon,
+Hobbes en Naigeon in 't geheel niet dom zijn. In mijn bibliotheek
+staan al mijn philosofen verguld op sneê."
+
+"Zooals gij zelf, mijnheer de graaf," viel de bisschop hem in de rede.
+
+De senator ging voort:
+
+"Ik haat Diderot; 't is een idéoloog, een declamator en een
+revolutionnair, die in den grond aan God gelooft en bigotter dan
+Voltaire is. Voltaire heeft met Needham den draak gestoken, en hij
+had ongelijk; want de aaltjes van Needham bewijzen dat God overbodig
+is. Een droppel azijn in een lepel meeldeeg vervangt volkomen het fiat
+lux (er zij licht). Veronderstel, dat de droppel en de lepel grooter
+zijn, en ge hebt de wereld. De mensch is de aal. Waartoe dus de Eeuwige
+Vader? Ik zeg u, Monseigneur, dat de veronderstelling van een Jehovah
+mij verveelt. Zij dient nergens toe, dan om magere menschen te maken,
+die onrustig droomen. Weg met dat groote Al,'t welk mij plaagt! Leve
+het Niet, dat mij in rust laat! Onder ons gezegd, en om mijn zak
+geheel te ledigen en aan mijn herder te biechten, zooals 't behoort,
+beken ik u, dat ik gezond verstand bezit. Ik ben niet verzot op uw
+Jezus, die immer en altijd ontbering en zelfopoffering predikt. 't
+Is de raad van een vrek aan armen! Ontbering: waarom? Zelfopoffering:
+waartoe? ik zie niet, dat een wolf zich voor het geluk van een anderen
+wolf opoffert. Behouden wij onzen aard. Wij staan op de hoogste sport;
+laat ons een hoogere wijsbegeerte hebben. Waartoe dient het hooger
+te staan, zoo wij niet verder zien dan den neus van anderen? Leven
+wij vroolijk. Het leven is alles. Dat de mensch elders, daar boven,
+daar beneden, ergens een toekomstig leven zal hebben, daarvan geloof
+ik geen enkel woord. Men beveelt mij opoffering en ontbering aan; ik
+moet op alles wat ik doe acht geven, ik moet mij het hoofd breken met
+het goed en het kwaad, met het rechtvaardige en het onrechtvaardige,
+met wat geoorloofd en wat niet geoorloofd is. Waarom? wijl ik van
+mijn daden rekenschap zal moeten doen. Wanneer? Na mijn dood. Welk een
+droom! Hij zal slim moeten zijn, die mij na mijn dood knijpen wil. Laat
+zich de hand eener schim eens met asch vullen. Zeggen wij de waarheid,
+wij die ingewijden zijn en het kleed van Isis hebben opgelicht: er is
+geen goed en geen kwaad; er is niets dan groeikracht. Zoeken wij het
+wezenlijke; delven wij het op. Op den bodem, diep in den grond, voor
+den drommel! moeten wij de waarheid opsporen en haar grijpen. Welk
+een heerlijke vreugde verschaft zij dan. Men gevoelt zich krachtig,
+opgewekt. Ik sta vast in mijn schoenen. De onsterfelijkheid van den
+mensch, Monseigneur, is een zeepbel, een bedrieglijke hoop. Vertrouw
+er op! Een heerlijk lot dat van Adam! Men is een ziel, men wordt een
+engel, met blauwe vleugels aan de schouders. Kom mijn herinnering eens
+te hulp; was 't niet Tertuliaan, die zeide, dat de zaligen van de eene
+ster naar de andere zullen gaan? Het zij zoo, we zullen de sprinkhanen
+der sterren zijn. En dan, men zal God zien! Och, wat! gekheid al
+die paradijzen! God is een monsterachtig sprookje. Ik zal dit nu
+wel niet in den Moniteur gaan verkondigen, maar fluister het onder
+vrienden. Inter pocula (Bij den beker). De aarde voor het paradijs
+op te offeren, is zijn prooi voor een schaduw los te laten. Ik ben
+zoo dom niet, mij door het oneindige te laten beet nemen. Ik ben
+niets. Ik heet mijnheer de graaf Niets, senator. Bestond ik vóór ik
+geboren was? Neen. Zal ik na mijn dood bestaan? Neen. Wat ben ik? Een
+weinig stof, door een organisme verbonden. Wat heb ik op deze aarde
+te doen? Ik kan kiezen: lijden of genieten. Waartoe zal mij het lijden
+voeren? tot het niet. Maar ik zal geleden hebben. Waartoe zal mij het
+genot voeren? tot het niet. Maar ik zal genoten hebben. Mijn keus is
+gedaan. Men moet eten of gegeten worden. Ik eet. 't Is beter tand dan
+gras te zijn. Dit is mijn wijsheid. Men gaat waarheen men gedreven
+wordt; de doodgraver wacht; voor sommigen onzer het Pantheon;
+maar alles zinkt in den grooten kuil. Einde. Finis. Algemeene
+uitkomst. En daarmede is alles gedaan. De dood is dood, geloof
+mij. Ik lach om het denkbeeld, dat dáár iemand zou zijn, die mij
+iets te zeggen had. Bakersprookjes. Een boeman voor de kinderen,
+Jehovah voor de menschen. Neen, onze toekomst is de nacht. Aan gene
+zijde van het graf is niets en alles gelijk. Of ge Sardanapales
+of Vincentius van Paula zijt geweest, is hetzelfde. Ziedaar de
+waarheid. Men leve alzoo en make gebruik van zijn ik, zoolang men
+kan, dit is 't voornaamste. Waarlijk, Monseigneur, ik zeg u, dat ik
+mijn eigen wijsbegeerte en mijn eigen wijsgeeren heb. Ik laat mij
+geen zotternijen op de mouw spelden. Trouwens, de lagere klassen,
+de barvoeters, de noodlijdenden, de armen mogen wel iets hebben. Men
+geeft hun legenden, hersenschimmen, de ziel, de onsterfelijkheid,
+den hemel, de sterren. Zij kauwen op dat alles. Zij smeren het op hun
+droog brood. Die niets heeft, heeft ten minste den goeden God. Ik heb
+er niets tegen; maar ik voor mij behoud mijnheer Naigeon. De goede
+God is goed voor het gepeupel."
+
+De bisschop klapte goedkeurend in de handen.
+
+"Dat noem ik spreken!" riep hij. "Dat materialisme is toch een
+uitmuntende, bewonderenswaardige zaak; maar niet ieder bezit
+het. En als men het bezit, is men geen dupe meer; men laat zich
+niet dwaselijk verbannen als Cato, noch steenigen als Stefanus,
+noch levend verbranden als de maagd van Orleans. Zij, die zich dit
+bewonderenswaardig materialisme hebben kunnen verschaffen, smaken
+het genoegen, zich onverantwoordelijk te gevoelen en te gelooven, dat
+zij, zonder eenig bezwaar, alles mogen aannemen en kunnen verduwen:
+ambten, belooningen, waardigheden, eerlijk of oneerlijk verkregen
+macht, winstgevende trouwbreuk, voordeelig verraad, verkrachting van
+het geweten, en daarbij de overtuiging, dat zij na het genot van dit
+alles, in 't graf zullen dalen. Het is zeer aardig! ik zeg dit niet
+ten uwen opzichte, mijnheer de senator; 't is mij evenwel onmogelijk
+u geen geluk te wenschen. Gij, groote heeren, hebt, zooals ge zegt,
+een philosophie op uw eigen hand, een keurige, verfijnde alleen voor
+de rijken genietbare philosophie, die voor alle gerechten geschikt is
+en de wellusten des levens voortreffelijk kruidt. Deze philosophie is
+door een nieuw soort denkers uit de diepte gehaald. Maar ge zijt wel
+heel goed, van te willen vergunnen, dat het geloof aan den goeden
+God de wijsbegeerte van het volk zij, zoo omtrent als de gans met
+uien de met truffels gespekte kalkoen des armen is."
+
+
+
+
+
+
+NEGENDE HOOFDSTUK.
+
+DE BROEDER DOOR DE ZUSTER GESCHILDERD.
+
+
+Om een denkbeeld te geven van het huiselijk leven des bisschops
+van Digne en hoe de beide vrome vrouwen zich in haar handelingen,
+gedachten, zelfs in haar lichtgevoelig vrouwelijk instinct, naar
+de gewoonten en inzichten van den bisschop voegden, zonder dat hij
+ze in woorden behoefde uit te drukken, kunnen wij niet beter doen
+dan een brief van mejuffrouw Baptistine aan mevrouw de Boischevron,
+een vriendin harer jeugd, over te schrijven. Deze brief ligt voor mij.
+
+
+ Digne, 16 December 18..
+
+
+ "Lieve mevrouw! Geen dag gaat voorbij, zonder dat wij van u
+ spreken. Dit is zoo onze gewoonte, maar er is nog een andere
+ reden. Verbeeld u, dat bij het schoonmaken en stoffen van zoldering
+ en wanden Magloire eenige ontdekkingen heeft gedaan; zoodat thans
+ onze twee kamers, die met oud, overgewit papier behangen waren,
+ een kasteel als het uwe niet zouden ontsieren. Magloire heeft het
+ geheele behangsel afgescheurd. Daar bevond zich iets onder. Mijn
+ salon, waarin geen meubelen zijn, en waarvan wij ons bedienen om
+ de wasch te drogen, is vijftien voet hoog, achttien voet in 't
+ vierkant en heeft een geschilderde zoldering, die vroeger verguld
+ was, evenals die bij u. Toen het huis tot hospitaal werd ingericht,
+ werd er een katoenen plafond over aangebracht. Het snijwerk dat
+ men er vindt is uit den tijd onzer grootmoeders. Maar ge moest
+ mijn kamer eens zien! Magloire heeft onder ten minste tien over
+ elkander geplakte lagen behangselpapier schilderingen ontdekt, die,
+ al mogen ze niet bijzonder fraai heeten, toch zeer aardig zijn. Men
+ ziet er Telemachus, die door Minerva tot ridder wordt geslagen;
+ iets verder vindt men hem in de tuinen, welker namen ik mij niet
+ terstond herinner; ik bedoel die, waarheen de Romeinsche dames zich
+ een enkelen nacht begaven. Wat zal ik u zeggen? ik heb Romeinen,
+ Romeinsche vrouwen (hier is een woord onleesbaar), en wat dies meer
+ zij. Magloire heeft dat alles schoon gemaakt, en dezen zomer zal
+ zij eenige beschadigde plekken herstellen, en alles vernissen;
+ en dan zal mijn kamer een waar museum zijn. Ook heeft zij in
+ een hoek van den zolder twee houten consoles van antieken vorm
+ gevonden. Men vroeg zes franks om ze opnieuw te vergulden, maar
+ 't is beter dat geld aan de armen te geven; zij zijn overigens
+ leelijk, en ik zou liever een ronde mahoniehouten tafel hebben.
+
+ "Ik ben voortdurend zeer gelukkig. Mijn broeder is zoo goed. Hij
+ geeft alles wat hij heeft aan de armen en zieken. Wij zijn dus
+ steeds schraal bij kas. Des winters lijden de armen hier veel,
+ en moet men voor de ellendigen wel iets doen. Wat ons betreft,
+ wij hebben tamelijk goed verwarmde en verlichte vertrekken. Een
+ genot boven duizenden!
+
+ "Mijn broeder heeft zijn eigenaardigheden. Wanneer hij er over
+ spreekt, zegt hij, dat een bisschop zoo wezen moet. Verbeeld u,
+ de huisdeur is nooit gesloten. Ieder die wil kan binnentreden,
+ en is terstond bij mijn broeder. Hij is nergens bang voor, zelfs
+ niet des nachts. Dit noemt hij zijn dapperheid.
+
+ "Hij wil niet, dat ik mij om hem beangstige, evenmin als
+ Magloire. Hij stelt zich aan allerlei gevaren bloot, en wil zelfs
+ niet dat wij er iets van merken. Men moet hem weten te begrijpen.
+
+ "Hij gaat uit in den regen, hij waadt door water, hij reist in
+ den winter. Hij vreest evenmin den nacht, als dat hij bang is op
+ onveilige wegen en bij gevaarlijke ontmoetingen.
+
+ "Verleden jaar is hij alleen naar een oord gegaan, waar zich
+ roovers ophielden. Hij wilde ons niet medenemen, en is veertien
+ dagen afwezig geweest. Toen hij terugkwam, was hem niets kwaad
+ ontmoet; men waande hem dood, maar hij was in blakenden welstand,
+ en zeide: Zie, hoe men mij bestolen heeft! Toen opende hij een
+ koffer, die vol kostbaarheden uit de hoofdkerk van Embrun was,
+ welke de roovers hem gebracht hadden.
+
+ "Toen hij dezen keer terugkwam, kon ik niet nalaten een weinig
+ op hem te knorren; ik deed dit echter onder het ratelen van
+ 't rijtuig, opdat niemand mij zou kunnen hooren.
+
+ "In den beginne dacht ik: 't is verschrikkelijk; er is geen gevaar,
+ dat hem weerhoudt. Thans ben ik er aan gewoon geworden, en ik geef
+ Magloire een wenk, dat zij hem niet tegenhoude. Hij moge zich
+ wagen, zooveel hij wil. Ik ga in gezelschap van Magloire heen,
+ begeef mij naar mijn kamer, bid voor hem en ga slapen. Ik ben
+ gerust, want ik weet, dat zoo hem eenig ongeluk overkwam, dit
+ mijn dood zou zijn. Ik zou met mijn broeder en mijn bisschop tot
+ den goeden God gaan. Magloire heeft meer moeite dan ik gehad,
+ om zich te gewennen aan 't geen zij zijn onvoorzichtigheden
+ noemde. Thans is zij er ook aan gewoon. Wij bidden beiden, maken
+ ons beiden beangst en vallen in slaap. En zoo de duivel in huis
+ kwam, niemand zou hem tegenhouden. Wat hebben wij in allen gevalle
+ ook te vreezen? Er is hier steeds iemand bij ons, die de sterkste
+ is. De duivel moge in huis komen, maar de goede God woont er.
+
+ "Dit is mij genoeg. Mijn broeder behoeft mij nu geen enkele
+ opheldering meer te geven. Ik begrijp hem zonder dat hij spreekt,
+ en wij geven ons aan de Voorzienigheid over.
+
+ "Zoo behoort men te handelen jegens iemand van een verheven geest.
+
+ "Ik heb mijn broeder, op uw verzoek inlichtingen gevraagd
+ omtrent de familie de Faux. Gij weet hoe hij met alles bekend
+ is en hoeveel hij zich herinnert; want hij is nog altijd een
+ goed koningsgezinde. 't Is werkelijk een zeer oude Normandische
+ familie, uit de generaliteit van Caen. Vóór vijf eeuwen leefden
+ Raoul de Faux, Jean de Faux en Thomas de Faux, die tot den adel
+ behoorden, en een hunner was heer van Rochefort. De laatste
+ was Guy van Etienne Alexandre, "mestre-de-camp," en nog iets
+ bij de chevau-légers van Bretagne. Zijn dochter Marie Louise
+ huwde met Adrien Charles de Gramont, zoon van den hertog Louis
+ de Gramont, pair van Frankrijk, kolonel der fransche garden en
+ luitenant-generaal. Men schrijft Faux, Fauq en Faouq.
+
+ "Lieve mevrouw, beveel ons aan in de gebeden van uw vromen neef
+ den kardinaal. Uw lieve Sylvanie heeft welgedaan, dat zij de
+ korte oogenblikken, welke zij bij u is, niet verspilt met mij te
+ schrijven. Dat zij welvarend is, naar uw zin arbeidt, mij steeds
+ bemint, is alles wat ik wensch. Ik gevoel mij gelukkig, dat ik
+ door u iets van haar verneem. Mijn gezondheid is tamelijk goed,
+ en evenwel word ik van dag tot dag magerder. Vaarwel, het papier
+ is vol en noodzaakt mij afscheid van u te nemen. Duizend groeten.
+
+
+ "Baptistine."
+
+
+ "P. S. Uw neefje is allerliefst. Weet ge, dat hij weldra vijf
+ jaar wordt? Gisteren zag hij een paard voorbijkomen, 't welk men
+ kniestukken had aangedaan, en hij vroeg: wat heeft het dier aan
+ de knieën?--'t Is waarlijk een lief kind. Zijn broertje sleept
+ een ouden bezem als een rijtuig door de kamer en roept dan: ju!"
+
+
+Zooals men uit dezen brief ziet, wisten de twee vrouwen zich naar
+de eigenaardigheden van den bisschop te schikken, met dat vrouwelijk
+doorzicht dat den man beter begrijpt dan hij zich zelven. Onder zijn
+zacht en kalm voorkomen, 't welk zich nooit verloochende, verrichtte
+de bisschop van Digne vaak grootsche, stoute en heerlijke handelingen,
+zonder dat hij 't zelf scheen te vermoeden. Zij beefden dan, doch
+lieten hem zijn gang gaan. Soms waagde Magloire vooraf een aanmerking;
+doch nooit later. Nimmer stoorde men hem, zelfs niet door een enkel
+woord of gebaar, in 't geen waarmee hij begonnen was. Zonder dat hij
+'t behoefde te zeggen, en misschien zonder dat hij zelf er zich van
+bewust was, zoo groot was zijn eenvoudigheid, hadden zij op sommige
+oogenblikken een onbestemd gevoel, dat hij als bisschop handelde;
+dan waren zij niet meer dan twee schaduwen in huis. Zij bedienden
+hem lijdelijk, en zoo de gehoorzaamheid vorderde, dat zij verdwenen,
+verdwenen zij. Met wonderbare kieschheid van instinct gevoelden zij,
+dat te groote welwillendheid soms lastig kan wezen. Zelfs wanneer zij
+meenden dat hij in gevaar was begrepen zij dan ook--ik zeg niet zijn
+gedachten, maar zijn natuur in die mate, dat zij niet meer over hem
+waakten. Zij vertrouwden hem aan God.
+
+Voor 't overige zeide Baptistine, gelijk men gelezen heeft, dat haars
+broeders dood de hare zou zijn. Magloire zeide het niet, maar was er
+van overtuigd.
+
+
+
+
+
+
+TIENDE HOOFDSTUK.
+
+DE BISSCHOP TEGENOVER EEN ONBEKEND LICHT.
+
+
+Op een tijdstip kort na den datum van den hiervoren medegedeelden brief
+deed de bisschop iets, dat, althans naar de meening der geheele stad,
+nog veel gewaagder was dan zijn tocht door het gebergte, waar zich
+de roovers ophielden.
+
+Nabij Digne op het land, woonde iemand in volstrekte eenzaamheid. Deze
+man,--om maar dadelijk het vreeselijke woord te zeggen--was een
+voormalig lid der conventie. Hij heette G.
+
+In de kleine wereld van Digne sprak men over het conventielid G. met
+een soort van afschuw. Een lid der conventie! kan men zich iets
+schrikkelijkers voorstellen? Deze lieden leefden in den tijd, toen men
+alle rangen ophief en elkander eenvoudig "burger" noemde. Deze man
+was schier een monster. Hij had wel niet voor den dood des konings
+gestemd, maar 't scheelde niet veel. Hij was dus half en half een
+koningsmoorder, een vreeselijk man! Waarom had men, bij de terugkomst
+der wettige vorsten, dien man niet voor een bijzondere rechtbank
+gevoerd? Men zou hem wel niet onthoofd hebben;--er moet immers
+barmhartigheid zijn?--maar men had hem levenslang kunnen verbannen. Men
+zou een voorbeeld hebben kunnen stellen enz. enz. Bovendien was hij
+een godloochenaar, zooals al die lieden.... Gekwaak van ganzen over
+den gier.
+
+Was G. dan een gier? Ja, wanneer men naar zijne woeste eenzaamheid
+oordeelde. Dewijl hij niet voor den dood des konings gestemd had,
+was hij niet in de verbanningsdecreten begrepen geworden, en had in
+Frankrijk mogen blijven.
+
+Hij woonde drie kwartier buiten de stad, ver van eenig gehucht, ver
+van eenigen weg, in een verborgen hoek van een zeer woest dal. Er werd
+gezegd dat hij er een soort van veld, een hol, een verblijf had. Geen
+buren, geen voorbijgangers zelfs. Sinds hij die vallei bewoonde,
+was het pad, 't welk er heen voerde, door het gras overgroeid. Men
+sprak van dat verblijf als van het huis eens scherprechters.
+
+De bisschop dacht hieraan en zag soms in de verte naar den kant, waar
+een groep boomen het dal van het oude lid der conventie aanduidde,
+zeggende: "Daar woont een verlaten ziel!" En in gedachten voegde hij
+er bij: "ik ben hem een bezoek schuldig."
+
+Wij moeten echter bekennen, dat dit voornemen, hoe natuurlijk ook in
+den beginne, hem, na eenige overweging, ongerijmd en onmogelijk, ja,
+schier stuitend, toescheen. De bisschop deelde immers in den grond
+de algemeene opinie, en het lid der conventie boezemde hem, zonder
+er zich recht rekenschap van te geven, een gevoel in, 't welk aan
+haat grenst, en zoo juist door het woord afkeer wordt uitgedrukt.
+
+Evenwel, mocht de schurft van het schaap den herder verwijderd
+houden? Neen. Maar welk een schaap!
+
+De goede bisschop was in verlegenheid. Nu eens wilde hij gaan, dan
+weder terugblijven.
+
+Op zekeren dag verspreidde zich het gerucht in de stad, dat een
+jong herder, die bij het voormalig lid der conventie G. diende,
+een geneesheer was komen halen; dat de oude zondaar op sterven lag,
+en hij den nacht niet zou doorkomen.--Goddank! zeiden sommigen.
+
+De bisschop nam zijn stok, trok zijn overjas aan, wijl zijn priesterrok
+tamelijk versleten was, zooals wij reeds gezegd hebben, alsmede om
+den avondwind, die spoedig zou opsteken, en toog op weg.
+
+De zon ging onder en was schier aan de kim, toen de bisschop in het
+onherbergzaam oord aankwam. Toen hij bespeurde, dat hij dicht bij het
+hol was, klopte zijn hart sneller. Hij stapte over een sloot, klom over
+een heg, verwijderde eenige struiken, kwam in een verwaarloosden tuin,
+ging stoutmoedig eenige schreden voorwaarts, en zag eensklaps aan het
+einde van den braak liggenden grond, achter hoog kreupelhout, het hol.
+
+'t Was een zeer lage, armoedige, kleine, maar nette hut, met een
+wijnstok langs den voorgevel.
+
+Vóór de deur zat op een ouden rolstoel, den armstoel van den boer,
+een man met wit haar, met welgevallen naar de zon ziende.
+
+Naast den grijsaard stond een knaap, de kleine herder, die den oude
+een kom melk toereikte.
+
+Terwijl de bisschop dit aanzag, sprak de oude man: "Ik dank u, ik heb
+niets meer noodig." En zijn blik wendde zich van de zon, om zich naar
+den knaap te richten.
+
+De bisschop trad nader. Toen de oude man het gerucht van voetstappen
+hoorde, wendde hij het hoofd om, en zijn gelaat drukte al de verbazing
+uit, welke het na een lang leven nog uitdrukken kan.
+
+"Sinds ik hier ben," zeide hij, "is dit de eerste maal dat iemand
+mij bezoekt. Wie zijt gij, mijnheer?"
+
+De bisschop antwoordde:
+
+"Ik heet Bienvenu Myriel."
+
+"Bienvenu Myriel. Ik heb dezen naam meer gehoord. Zijt gij degeen,
+wien het volk monseigneur Bienvenu noemt?"
+
+"Die ben ik."
+
+Half glimlachend hernam de grijsaard:
+
+"Dan zijt gij mijn bisschop."
+
+"Zoo gij wilt!"
+
+"Ga binnen, mijnheer."
+
+Het oude lid der conventie stak den bisschop zijn hand toe, maar deze
+nam ze niet aan, hij zeide slechts:
+
+"Ik zie met genoegen, dat men mij verkeerd ingelicht heeft. Gij
+schijnt in geenen deele ziek!"
+
+"Ik zal gezond worden, mijnheer," antwoordde de grijsaard; en na een
+poos voegde hij er bij: "Binnen drie uren sterf ik. Ik ben eenigszins
+een dokter en weet hoe de laatste ure komt. Gisteren waren alleen mijn
+beenen koud, nu heeft de koude mijn knieën bereikt; ik voel, dat zij
+hooger komt, en wanneer zij tot het hart dringt, is 't gedaan. 't
+Is een fraaie avond, niet waar? ik heb mij naar buiten doen rollen
+om een laatsten blik op de wereld te werpen. Gij kunt gerust tot
+mij spreken, 't vermoeit mij niet. Ge hebt welgedaan, een stervende
+te komen bezoeken. 't Is ook goed, dat zulk een oogenblik getuigen
+hebbe. Men heeft zijn kleine wenschen: ik had zoo gaarne tot aan den
+dageraad willen leven, maar ik weet dat mij nauwelijks nog drie uren
+overblijven. Het zal nacht zijn. 't Is trouwens om 't even. Sterven
+is een zeer eenvoudige zaak. Men heeft daartoe het daglicht niet
+noodig. Het zij zoo! Ik zal onder den vrijen hemel sterven."
+
+De grijsaard wendde zich tot den herder:
+
+"Ga, leg u ter ruste. Gij hebt den vorigen nacht gewaakt. Ge zijt
+vermoeid."
+
+De knaap ging in de hut. De grijsaard oogde hem na en voegde er bij,
+als tot zich zelven sprekende:
+
+"Ik zal sterven, terwijl hij slaapt. De slaap van den dood en die
+van het leven zullen goede buren zijn."
+
+De bisschop was niet bewogen, zooals men zou gedacht hebben. Hij
+meende in deze wijze van sterven God niet te zien; om de waarheid te
+zeggen--want de kleine tegenstrijdigheden van groote harten moeten
+evenzeer als het overige aangewezen worden--hij, die zoo dikwijls om
+het "Hoogwaarde heer" lachte, voelde zich eenigszins gekrenkt, dat
+hij niet "Monseigneur" werd genoemd, en was bijna in verzoeking met
+"burger" te antwoorden. Hij voelde schier lust tot die vernederende
+gemeenzaamheid, welke men veelal bij geneesheeren en priesters vindt;
+maar die bij hem niet gewoon was. Hoe het zij, deze man, dit oud
+lid der conventie, deze volksvertegenwoordiger, was een machtige der
+aarde geweest, en misschien voor het eerst van zijn leven kwam een
+lust tot strengheid bij den bisschop op.
+
+Intusschen zag de zieke hem met een bescheiden vriendelijkheid aan,
+waarin men misschien den ootmoed had kunnen ontdekken, welke zoozeer
+past wanneer men op 't punt is, van tot stof weder te keeren.
+
+De bisschop, hoewel anders afkeerig van nieuwsgierigheid, welke naar
+zijn meening aan beleediging grensde, aanschouwde onwillekeurig het
+oud lid der conventie met eenige opmerkzaamheid, welke belangstelling
+echter uit geen genegenheid ontsproot, en waaromtrent hij zich
+in ieder ander geval een verwijt zou hebben gemaakt. Een lid der
+conventie kwam hem voor, als eenigszins buiten de wet, zelfs buiten
+de wet der liefde te staan.
+
+G. was kalm, hij zat bijna recht op, zijn stem was krachtig; hij was
+een dier forsche tachtigjarigen, welke de physiologen in verwondering
+brengen. De revolutie heeft vele van zulke mannen gezien, die met hun
+tijd in overeenstemming waren. Men ontdekte in dien grijsaard den boven
+beproeving verheven man. Reeds zijn einde zoo nabij, had hij al de
+teekenen der gezondheid behouden. In zijn helderen blik, in zijn vaste
+stem, in zijn krachtige schouderbewegingen, lag iets dat den dood in
+verlegenheid had kunnen brengen. Azraël, de mahomedaansche doodsengel,
+zou zijn teruggekeerd, in de meening dat hij bij den verkeerde was
+gekomen. G. scheen te sterven, omdat hij het zoo wilde. Er vertoonde
+zich nog vrijheid in zijn doodsstrijd. Slechts zijn beenen waren
+bewegingloos; daar had de duisternis hem reeds aangegrepen. De voeten
+waren dood en koud, maar het hoofd leefde met al de kracht des levens
+en scheen in volkomen helderheid te zijn. G. geleek in dit ernstig
+oogenblik dien koning uit de Oostersche vertellingen, die van boven
+vleesch, van onder marmer was.
+
+De bisschop ging op een steen zitten, welke daar lag. Hij begon toen,
+zonder inleiding, op den toon der berisping:
+
+"Ik wensch u geluk, dat gij tenminste niet voor den dood des konings
+gestemd heb."
+
+Het oud-lid der conventie scheen den verborgen scherpen zin niet
+op te merken, die in het woord "ten minste" lag opgesloten. Maar de
+glimlach was geheel van zijn gelaat verdwenen.
+
+"Wensch mij niet te spoedig geluk, mijnheer, want ik heb voor den
+dood van den tiran gestemd," antwoordde hij ongevoelig op de stem
+der strengheid.
+
+"Wat bedoelt ge hiermede?" hernam de bisschop.
+
+"Ik bedoel, dat de mensch een tiran heeft, de onwetendheid. Ik heb voor
+den dood van dien tiran gestemd. Deze tiran heeft het koningsschap in
+'t leven geroepen, een valsch gezag, terwijl de wetenschap het ware
+gezag is. De mensch moet alleen door de wetenschap bestuurd worden."
+
+"En door het geweten," voegde de bisschop er bij.
+
+"Dit is hetzelfde. Het geweten is vereeniging van alle wetenschap,
+die in ons is."
+
+Monseigneur Bienvenu luisterde, eenigszins verwonderd, naar deze voor
+hem nieuwe taal.
+
+De oude man vervolgde:
+
+"Toen het Lodewijk XVI gold, heb ik neen gezegd. Ik geloof niet dat
+ik het recht heb een mensch te dooden; maar ik voel mij verplicht het
+kwaad uit te roeien. Ik heb voor het einde van den tiran gestemd. Dat
+wil zeggen, het einde der prostitutie van de vrouw, het einde der
+slavernij van den man, het einde der onwetendheid van het kind. Toen
+ik vóór de republiek stemde, stemde ik vóór dit alles. Ik stemde
+vóór de broederschap, voor de eendracht, voor den dageraad! Ik heb
+geholpen aan den val van vooroordeelen en dwalingen. Uit de puinhoopen
+der vooroordeelen en dwalingen ontstaat het licht. Wij hebben de
+oude wereld omvergeworpen; en de oude wereld, een vat vol jammer en
+ellende, is een vaas van geluk geworden, toen ze omgeworpen en van
+het menschelijk geslacht gestort werd."
+
+"Een gemengd geluk," zei de bisschop.
+
+"Ge kondt zeggen een verstoord geluk; en thans, na de noodlottige
+terugkomst van het verleden, dat men 1814 noemt, een vervlogen
+geluk. Helaas! het werk was onvoltooid, dit beken ik. Wij hebben den
+ouden regeeringsvorm feitelijk vernietigd; maar wij hebben dien in
+de denkbeelden niet geheel kunnen uitroeien. Het is niet genoeg de
+misbruiken af te schaffen; men moet de zeden herscheppen! De molen
+staat niet meer, schoon de wind er nog is."
+
+"Gij hebt afgebroken. Afbreken kan nuttig zijn, maar ik wantrouw het
+afbreken, wanneer het in toorn geschiedt."
+
+"Het recht heeft zijn toorn, mijnheer de bisschop; en de toorn
+van het recht is een beginsel van vooruitgang. Om 't even, en wat
+men ook zegge, de fransche revolutie is de grootste stap dien het
+menschdom sedert Jezus Christus gedaan heeft--een onvolledige stap
+misschien, maar toch een verhevene. Zij heeft alle maatschappelijke
+vraagstukken opengelegd. Zij verzachtte, kalmeerde, bevredigde,
+verlichtte de gemoederen; zij heeft stroomen van beschaving over de
+wereld uitgestort. Zij is goed geweest. De fransche revolutie is de
+wijding der menschheid."
+
+De bisschop kon niet nalaten te prevelen: "Zoo, en 93?"
+
+Met schier indrukwekkende plechtigheid zette de grijsaard zich recht
+op zijn stoel, en zeide zoo luid als 't een stervende vermag:
+
+"Ha, spreekt gij van 93. Ik verwachtte het! Gedurende vijftienhonderd
+jaar heeft zich een wolk saamgetrokken. Na vijftien eeuwen barstte
+zij los. Gij beschuldigt het onweder."
+
+De bisschop voelde, misschien zonder 't zich zelven te bekennen, dat
+iets in hem getroffen was. Hij liet echter niets merken en antwoordde:
+
+"De rechter spreekt in naam der gerechtigheid; de priester spreekt
+in naam der ontferming, welke niets anders is dan een hoogere
+gerechtigheid. Een bliksemstraal kan niet verkeerd treffen. En Lodewijk
+XVII?" voegde hij er bij, het oud lid der conventie scherp aanziende.
+
+De oude conventieman stak de hand uit en greep den arm des
+bisschops. "Lodewijk XVII! Welnu. Wien betreurt ge? Het onschuldige
+kind? Goed; dan ween ik met u. Maar het kind des konings? vergun
+mij dan deze opmerking. Voor mij is de broeder van Cartouche--een
+onschuldig kind, dat op het Greveplein onder de schouders werd
+opgehangen tot de dood er op volgde, enkel en alleen om de misdaad,
+dat hij de broeder van Cartouche was--niet minder beklagenswaard
+dan de kleinzoon van Lodewijk XV,--insgelijks een onschuldig kind,
+dat in den toren van den tempel werd gemarteld, enkel en alleen om
+de misdaad, dat hij de kleinzoon van Lodewijk XV was.
+
+"Mijnheer," riep de bisschop, "zulk een bijeenvoeging van namen bevalt
+mij niet."
+
+"Welken van beiden, Cartouche of Lodewijk XV, meent ge dat onrecht
+geschiedt?"
+
+Er ontstond een oogenblik zwijgens. Het berouwde den bisschop schier,
+dat hij gekomen was, en evenwel gevoelde hij zich op zonderlinge
+wijze aangedaan.
+
+Het lid der conventie hernam:
+
+"Mijnheer de priester, gij houdt niet van de ruwe zijde der
+waarheid; Christus beminde ze. Hij nam een roede en veegde den
+tempel schoon. Zijn bliksemende geesel was een ruw verkondiger der
+waarheid. Wanneer hij zeide: "Laat de kinderen tot mij komen!" maakte
+hij geen onderscheid onder de kinderen. Hij zou niet geaarzeld
+hebben den zoon van Barrabas en den zoon van Herodes naast elkander
+te plaatsen. Mijnheer, de onschuld is op zich zelve een kroon. De
+onschuld heeft niet noodig een koninklijke hoogheid te zijn. Zij is
+even verheven in lompen als met het leliewapen!"
+
+"Gewis," zei de bisschop zacht.
+
+"Dit is niet alles," hernam G. "Ge hebt Lodewijk XVII genoemd. Laten
+wij elkander verstaan. Laten wij treuren over alle onschuldigen,
+alle martelaars, alle kinderen, zoowel die der lagere als der hoogere
+standen. Ik neem er deel aan. Maar dan, ik heb het u gezegd, moeten wij
+hooger opklimmen dan tot 93, en 't is vóór den tijd van Lodewijk XVII,
+dat wij ons treuren moeten beginnen. Ik zal gaarne de kinderen der
+koningen met u beweenen, mits ge met mij de kleinen des volks beweent."
+
+"Ik beween allen," zei de bisschop.
+
+"Ik evenzeer," riep G. "Zoo de balans mocht overhellen, is 't naar
+de zijde des volks. Het lijdt het langst."
+
+Wederom ontstond een pauze. 't Was het conventielid, dat ze afbrak. Hij
+richtte zich met den elleboog op, vatte een deel van zijn wang
+tusschen duim en voorvinger, zooals men wel onwillekeurig doet,
+wanneer men vraagt en nadenkt, en sloeg met al de kracht van den
+doodsstrijd zijn blik op den bisschop. 't Was schier een uitbarsting,
+waarmede hij vervolgde:
+
+"Ja, mijnheer, sinds lang lijdt het volk. Maar, dit is niet alles:
+zeg mij, waarom komt ge mij ondervragen en mij van Lodewijk XVII
+spreken? Ik ken u niet. Zoolang ik in deze streek ben, heb ik op
+deze plaats gewoond, geheel alleen, ik zette geen voet er buiten
+en zag niemand dan dezen knaap, die mij helpt. 't Is waar, uw naam
+is flauw tot mij doorgedrongen, en, ik moet het zeggen, op geen
+ongunstige wijze; maar dat heeft niets te beteekenen; behendige
+lieden hebben allerlei middelen tot hun dienst om het goede volk wat
+wijs te maken. Maar ik heb het ratelen van uw rijtuig niet gehoord;
+ge hebt het zeker ginds achter het kreupelhout gelaten, waar de weg
+zich scheidt. Ik zeg u, dat ik u niet ken. Gij hebt mij gezegd, dat
+ge de bisschop zijt; maar dit zegt mij niets nopens uw zedelijken
+persoon. Kortom, ik herhaal mijn vraag: Wie zijt ge? Ge zijt een
+bisschop, dat wil zeggen: een prins der kerk, een dier in goud gedoste
+mannen, met wapenschilden, jaargelden en rijke prebenden,--de bisschop
+van Digne 15000 fr. vast traktement, 10000 fr. buitengewone inkomsten,
+te zamen 25000 fr.--met koks en livreibedienden,--een dier mannen, die
+in weelde leven, des vrijdags waterhoenders eten, met lakeien vóór en
+achter zich in galarijtuig prijken, die paleizen bewonen en in koetsen
+rijden in den naam van Jezus Christus, die barrevoets ging! Ge zijt
+een prelaat; gij hebt gelijk de anderen jaargelden, paleizen, paarden,
+lakeien, een rijke tafel, al de geneuchten des levens, en gelijk de
+anderen, leeft ge in genot; dat is wel, maar het zegt mij te veel of
+te weinig; het geeft mij geen licht genoeg aangaande uw innerlijke,
+persoonlijke waarde, de waarde van u, die hier komt met het blijkbaar
+doel om mij lessen te geven. Tot wien spreek ik? Wie zijt ge?"
+
+De bisschop boog het hoofd en antwoordde: "Vermis sum." (ik ben
+een worm.)
+
+"Een worm in een koets!" bromde het oud lid der conventie.
+
+'t Was nu zijn beurt om trotsch, en die van den bisschop om deemoedig
+te zijn.
+
+De bisschop antwoordde vriendelijk:
+
+"'t Zij zoo, mijnheer. Maar verklaar mij, hoe mijn koets, die ginds
+achter 't geboomte staat, hoe mijn goede tafel en de waterhoenders die
+ik vrijdags eet, hoe mijn vijf-en-twintig duizend francs inkomen, hoe
+mijn paleis en mijn lakeien bewijzen, dat medelijden geen deugd, dat
+weldadigheid geen plicht is, en dat 93 niet onbarmhartig is geweest."
+
+Het oud-lid der conventie streek de hand over zijn voorhoofd als om
+er een wolk van te verdrijven.
+
+"Eer ik u antwoord," sprak hij, "verzoek ik u vergeving. Ik had zooeven
+ongelijk, mijnheer. Ge zijt ten mijnent, ge zijt mijn gast. Ik ben
+u beleefdheid schuldig. Gij bestrijdt mijn denkbeelden, het past mij
+niet verder te gaan dan alleen uw redenen te wederleggen. Uw rijkdommen
+en genietingen zijn voordeelen, die ik tegen u in de discussie heb;
+maar de wellevendheid vordert, dat ik er mij niet van bedien. Ik
+beloof u ze niet weder te gebruiken."
+
+"Ik dank u," zei de bisschop.
+
+G. hernam: "Laten wij wederkeeren tot de verklaringen welke ge mij
+gevraagd hebt. Hoe was 't ook? Wat zeidet ge mij? dat 93 onbarmhartig
+was geweest?"
+
+"Ja, onbarmhartig," zei de bisschop. "Wat denkt ge van Marat, die de
+guillotine met handgeklap toejuichte?"
+
+"Wat denkt gij van Bossuet, die voor de dragonnades een Te Deum zong?"
+
+Dit antwoord was hard, maar het trof het doel met de kracht van een
+werpspies. De bisschop ontroerde en wist niet wat te antwoorden;
+hij gevoelde zich gekrenkt, dat Bossuets naam op deze wijze werd
+aangehaald. De edelste geesten hebben hun afgoden, en voelen zich
+gekrenkt, wanneer de logica den eerbied uit het oog verliest.
+
+Het lid der conventie begon zwaar te ademen; het hijgen van den
+doodsstrijd, dat zich in de laatste ademtochten mengt, brak zijn
+stem af, in zijn oogen blonk evenwel nog een volkomen helderheid van
+geest. Hij vervolgde:
+
+"Ik wil nog enkele woorden over 't een en ander zeggen. Behalve de
+revolutie, die in haar geheel genomen een reusachtige bevestiging van
+de menschelijke waarde is, is 93, helaas; een antwoord. Gij vindt haar
+onverbiddelijk; maar de geheele monarchie dan, mijnheer? Carrier is een
+bandiet; maar welken naam geeft ge aan Montrevel? Fouquier Tainville
+is een schurk; maar wat denkt ge van Lamoignon-Bêville? Maillard is
+afschuwelijk, maar Saulx-Tavannes, als 't u belieft? Pater Duchène is
+wreed, maar welken naam wilt ge aan pater Letellier geven? Jourdan
+(Coupe-tête) is een monster, maar in mindere mate dan mijnheer de
+markies de Louvois. Waarde heer, ik beklaag de aartshertogin en
+koningin Marie-Antoinette; maar ik beklaag ook de arme Hugenootsche
+vrouw, die in 1685, onder Lodewijk den Groote, mijnheer, terwijl ze
+haar kind zoogde, gegrepen en tot aan de heupen bloot, aan een paal
+gebonden werd, op eenigen afstand van haar kind; haar borst zwol van
+melk en haar hart van angst; het hongerige bleeke kind, die borst
+ziende, kermde en schreeuwde; en de beul zeide tot de vrouw, tot de
+moeder en voedster: Zweer uw geloof af! haar de keus latende tusschen
+den dood van haar kind en den dood van haar geweten. Wat zegt ge van
+deze Tantalus-foltering, toegepast op een moeder? Bedenk het wel,
+mijnheer: de fransche revolutie heeft haar redenen gehad. Haar toorn
+zal de toekomst vergeven. Haar resultaat is een betere wereld. Uit
+haar vreeselijkste slagen komt een liefkoozing van het menschelijk
+geslacht voort. Maar ik zwijg... Mijn spel is al te schoon,--en
+bovendien--de dood nadert."
+
+En zijn oogen van den bisschop afwendende, besloot de man zijn gedachte
+met deze weinige, kalme woorden:
+
+"Ja, de harde, ruwe schokken van den vooruitgang heeten
+revolutiën. Zoodra ze geëindigd zijn, erkent men, dat het menschelijk
+geslacht ja hevig geschokt is geworden, maar ook, dat het is
+vooruitgegaan."
+
+De oude man hield zich overtuigd, dat hij achtereenvolgens, een voor
+een, al de geheime verschansingen van den bisschop had ingenomen. Eén
+echter bleef er nog, en uit deze verschansing, het laatste bolwerk
+des tegenstands van monseigneur Bienvenu, kwamen deze woorden, die
+schier even norsch waren als de aanvang van 't gesprek:
+
+"De vooruitgang moet aan God gelooven. Het goede kan geen goddeloozen
+dienaar hebben. Een godloochenaar is een slechte leidsman van het
+menschelijk geslacht."
+
+De oude volksvertegenwoordiger antwoordde niet. Hij beefde. Hij
+sloeg den blik ten hemel en in zijn oog welde een traan op. Toen het
+ooglid geheel vochtig was, vloeide de traan langs zijn bleeke kaak,
+en hij zeide schier stamelend, het hoofd omhooggeheven, zacht en als
+tot zich zelf:
+
+"O gij, o Ideaal, gij alleen leeft!"
+
+De bisschop werd door een onbeschrijfelijke aandoening aangegrepen. Na
+eenig zwijgen hief de grijsaard een vinger ten hemel en zeide:
+
+"Het oneindige bestaat. 't Is daar! Zoo het oneindige geen IK had, zou
+het IK zijn grens zijn; het zou niet oneindig zijn; met andere woorden:
+'t zou niet zijn. Maar het bestaat. Het heeft dus een IK. Dat IK van
+het oneindige, is God."
+
+De stervende had deze laatste woorden met luide stem en met de trilling
+der vervoering gesproken, als zag hij iemand. Toen hij gesproken
+had, sloten zich zijn oogen. De inspanning had hem uitgeput. Het
+was blijkbaar, dat hij in een minuut de weinige uren had afgeleefd,
+die hem nog over waren. Wat hij had gezegd, had hem nader bij dengene
+gebracht, die in den dood is. Het laatste oogenblik naderde.
+
+De bisschop begreep het; de tijd drong; als priester was hij gekomen;
+van de uiterste koelheid was hij trapsgewijze tot de hoogste aandoening
+overgegaan; hij aanschouwde deze gesloten oogen, hij nam deze oude
+gerimpelde en kille hand en boog zich tot den stervende:
+
+"Dit uur is de ure Gods. Gelooft ge niet, dat het te betreuren zou
+zijn, zoo wij elkander tevergeefs ontmoet hadden?"
+
+De grijsaard opende de oogen. Een ernst, in schaduwen gehuld, vertoonde
+zich op zijn gelaat.
+
+"Mijnheer de bisschop," sprak hij met een langzaamheid, die misschien
+meer nog uit de waardigheid der ziel dan uit zwakte voortkwam, "ik heb
+mijn leven in overdenkingen, studie en aanschouwing doorgebracht. Ik
+was zestig jaar oud, toen mijn land mij riep en mij gebood, mij met
+zijn zaken te bemoeien. Ik gehoorzaamde. Er bestonden misbruiken,
+ik heb ze bestreden; er waren dwingelandijen, ik heb ze tegengegaan;
+er waren rechten en beginselen, ik heb ze verkondigd en beleden. De
+vaderlandsche bodem werd overheerd, ik heb hem verdedigd; Frankrijk
+was bedreigd, ik bood mijn borst aan. Ik was niet rijk; nu ben ik
+arm. Ik ben een der meesters van den staat geweest; de kelders der
+Bank waren zoo vol geld, dat men gedwongen was de muren te schragen,
+wijl zij gevaar liepen door de zwaarte van het goud en zilver te
+scheuren, en ik nam mijn middagmaal in de straat l'Arbre-Sec voor
+twee-en-twintig sous. Ik kwam de verdrukten te hulp en verlichtte
+de lijdenden. 't Is waar, ik heb het kleed van 't altaar gescheurd,
+maar 't was om de wonden des vaderlands te verbinden. Ik heb altijd
+den vooruitgang der menschheid naar het licht bevorderd en soms
+meedoogenlooze stappen tegengehouden. Bij gelegenheid heb ik u,
+mijn eigen tegenstanders, beschermd. Te Peteghem in Vlaanderen, op
+dezelfde plaats waar de Merovingische koningen hun zomerpaleis hadden,
+redde ik in 1793 een klooster van Urbanisten, de abdij van St. Clara
+en Beaulieu. Ik heb mijn plicht naar vermogen vervuld, en zooveel
+goeds gedaan als ik kon. Daarop werd ik verjaagd, vervolgd, verguisd,
+bespot, gehoond, vervloekt en gebannen. Sinds vele jaren gevoel ik, dat
+vele lieden het recht meenen te hebben mij, in weerwil mijner grijze
+haren, te verachten; aan de arme onwetende menigte stelt men mij voor
+als een verworpeling, en ik, die niemand haat, onderwerp mij aan de
+eenzaamheid, waarin de haat mij plaatst. Thans ben ik zes-en-tachtig
+jaar, en op 't punt van te sterven. Wat komt ge mij vragen?"
+
+"Uw zegen," zei de bisschop.
+
+En hij knielde.
+
+Toen de bisschop het hoofd weder ophief, had het gezicht van den
+grijsaard een waarlijk verheven uitdrukking. Hij was gestorven.
+
+Diep in gedachten verzonken, keerde de bisschop naar huis. Den geheelen
+nacht bracht hij in den gebede door. Den volgenden dag, toen eenige
+nieuwsgierigen beproefden hem over het oud-lid der conventie G. te
+spreken, wees hij slechts naar den hemel.
+
+Van dat oogenblik af verdubbelde zich nog zijn liefde en weldadigheid
+voor de geringen en lijdenden.
+
+Telkens wanneer op den "ouden booswicht G." eenige toespeling gemaakt
+werd, verzonk hij in gedachten. Wie kan zeggen of de verschijning
+van dien geest voor den zijnen, en de weerschijn van dit grootsch
+geweten op het zijne, hem niet nader tot de volmaaktheid had gebracht.
+
+Dit "herderlijk bezoek" werd natuurlijk het onderwerp der gesprekken
+in de kleine gezelschapskringen der plaats:
+
+"Was het sterfbed van zulk een man de plaats voor een bisschop? Een
+bekeering was toch blijkbaar niet te verwachten. Al deze
+revolutionnairen zijn verstokte zondaars. Waarom er dus heengegaan? Wat
+heeft hij er gezien? Hij moet wel zeer nieuwsgierig zijn geweest,
+om een ziel door den duivel te zien weghalen."
+
+Op zekeren dag zeide een weduwe, van die onbeschaamde soort, welke
+zich geestig waant, tot hem:
+
+"Men vraagt, Monseigneur, wanneer gij de roode muts zult
+opzetten."--"O," antwoordde de bisschop, "dit is een ergerlijke
+kleur. Gelukkig dat zij, die ze aan een muts verachten, ze aan een
+hoed vereeren."
+
+
+
+
+
+
+ELFDE HOOFDSTUK.
+
+EEN VOORBEHOUD.
+
+
+Men zou zich grootelijks vergissen, indien men nu wilde besluiten,
+dat Monseigneur Bienvenu een "wijsgeerig bisschop," een "patriottisch
+pastoor was." Zijn ontmoeting met het Conventielid G., welke ontmoeting
+men schier met het samentreffen van twee planeten kan vergelijken,
+had een soort van verwondering bij hem achtergelaten, die hem nog
+zachtmoediger maakte. Dit was alles.
+
+Ofschoon Monseigneur Bienvenu niets minder dan een politiek
+persoon geweest zij, is 't hier misschien toch de plaats, om met
+een enkel woord te vermelden, welke zijn houding was in de toenmalige
+gebeurtenissen, in de veronderstelling althans dat Monseigneur Bienvenu
+er ooit aan gedacht hebbe, eene houding aan te nemen.
+
+Gaan wij dus enkele jaren terug:
+
+Eenigen tijd na de verheffing van den heer Myriel tot bisschop,
+had de keizer hem, gelijktijdig met verscheiden andere bisschoppen,
+tot baron van het keizerrijk gemaakt. De gevangenneming van den Paus
+geschiedde, gelijk bekend is, in den nacht tusschen den 5 en 6 Juli
+1809; bij deze gelegenheid werd Myriel door Napoleon geroepen tot de
+synode der bisschoppen van Frankrijk en Italië, die te Parijs moest
+samenkomen. Die synode werd gehouden in Notre-Dame en vergaderde het
+eerst den 15 Juni 1811, onder het voorzitterschap van den kardinaal
+Fesch. De heer Myriel behoorde tot het getal der vijf-en-negentig
+bisschoppen die er verschenen, doch hij woonde slechts één zitting,
+en drie of vier afzonderlijke conferentiën bij. Het schijnt, dat
+hij als bisschop uit een bergstreek en nauw aan de natuur verwant,
+bovendien in landelijken eenvoud en armoede levende, onder deze zeer
+aanzienlijke personen denkbeelden bracht, welke met de temperatuur
+dier vergadering volstrekt niet overeenkwamen. Hij keerde spoedig naar
+Digne terug. Men vroeg hem naar de reden zijner spoedige terugkomst,
+en hij antwoordde:--"Ik hinderde hen. De buitenlucht kwam met mij
+binnen. Ik had op hen de uitwerking als van een open deur."
+
+Een andermaal zeide hij:--"Wat zal ik u zeggen? Deze heeren zijn
+prinsen. Ik ben slechts een arme boeren-bisschop."
+
+De zaak was eenvoudig deze: hij had mishaagd.
+
+Onder andere zonderlingheden zouden hem op zekeren avond, dat hij
+zich bij een zijner voornaamste ambtsbroeders bevond, deze woorden
+zijn ontsnapt:--Deze fraaie pendules, deze heerlijke tapijten,
+deze keurige livreien, dat alles moet zeer lastig zijn! Ik zou al
+die overdaad niet willen, die mij gestadig in de ooren zou roepen:
+er zijn menschen die honger lijden! daar zijn er die verkleumen! er
+zijn armen! er zijn armen!
+
+'t Is in 't voorbijgaan gezegd, niet verstandig de weelde te
+haten. In dezen haat zou de haat tegen de schoone kunsten opgesloten
+liggen. Evenwel is de weelde bij geestelijken, uitgezonderd bij
+openbare plechtigheden en ceremoniën, een verkeerdheid. Zij schijnt
+gewoonten aan te duiden, die weinig met een wezenlijke weldadigheid
+overeenkomen. Een weelderig priester is een tegenstrijdigheid. De
+priester moet zich bij de armen houden. Of kan men nacht en dag
+onafgebroken met alle nooden, alle rampen, alle ontberingen in
+aanraking komen, zonder zelf iets van die heilige behoeftigheid te
+bezitten, als het stof van den arbeid? Kan men zich iemand voorstellen,
+die, als hij bij een vuur staat, geen warmte gevoelt? Kan men zich
+een arbeider voorstellen, die steeds aan een vuurhaard werkzaam,
+geen enkel geschroeid haar, geen zwarten vinger, geen droppel zweet,
+geen aschstofje op het gezicht zou hebben! Het groote bewijs van de
+weldadigheid eens priesters, vooral van een bisschop, is de armoede.
+
+Zoo dacht ongetwijfeld de bisschop van Digne.
+
+Men moet echter niet meenen, dat hij, 't geen wij "de denkbeelden
+der eeuw" zouden noemen, in sommige teedere punten deelde. Hij mengde
+zich zelden in de godgeleerde twisten van dien tijd en zweeg over de
+kwestiën, waar staat en kerk in betrokken waren; doch zoo men sterk bij
+hem had aangedrongen, zou men hem waarschijnlijk meer ultramontaansch
+dan gallikaansch hebben bevonden. Dewijl wij een portret maken,
+en niets verbloemen willen, zijn wij verplicht hierbij te voegen,
+dat hij koud was voor den zinkenden Napoleon. Sinds 1813 stemde
+hij met alle vijandelijke manifestatiën in, en juichte ze toe. Hij
+weigerde Napoleon te zien, toen deze van het eiland Elba terugkeerde,
+en beval in zijn bisdom evenmin de openbare gebeden voor den keizer
+aan gedurende de honderd dagen.
+
+Behalve zijn zuster, mejuffrouw Baptistine, had hij twee broeders,
+van welken de een generaal, de andere prefekt was. Dikwijls schreef
+hij aan beiden. Eenigen tijd was hij misnoegd op den eenen, wijl
+de generaal, tijdens de ontscheping te Cannes een commandement in
+Provence hebbende, aan de spits van twaalfhonderd man den keizer had
+vervolgd, als iemand dien men wilde laten ontkomen. Hartelijker bleef
+zijn briefwisseling met zijn anderen broeder, den voormaligen prefekt,
+een braaf en achtenswaardig man, die te Parijs stil leefde.
+
+Ook Monseigneur had dus zijn oogenblikken van partijgeest, van
+verstoordheid, van ontevredenheid. De schaduw der hartstochten van
+dien tijd ging ook over dien zachtmoedigen, verheven geest, die zich
+met het eeuwige bezighield. Zeker, zulk een man had verdiend geen
+staatkundige meening te hebben. Men vergisse zich echter niet in
+onze bedoeling; wij maken onderscheid tusschen hetgeen "staatkundige
+meening" wordt genoemd, en die edele zucht naar vooruitgang, dat
+verheven vaderlandslievend, democratisch en menschelijk geloof,
+'t welk in onze dagen de eigenlijke grond van ieder edel gemoed moet
+zijn. Zonder ons in kwestiën te verdiepen, die slechts zijdelings
+betrekking op dit boek hebben, zeggen wij alleen: het zou schoon
+geweest zijn, zoo Monseigneur Bienvenu niet royalistisch geweest
+ware en zijn blik zich geen oogenblik had afgewend van die zuivere
+bespiegeling, waarin men duidelijk, boven de begoochelingen en den
+haat der wereld, boven de stormachtige afwisseling der menschelijke
+zaken, deze drie heldere lichten: de waarheid, de gerechtigheid en
+de menschlievendheid ziet stralen.
+
+Aannemende dat God Monseigneur Bienvenu niet voor een staatkundige
+betrekking had geschapen, zouden wij zijn protest in naam van
+het recht en der vrijheid, zijn fier verzet, zijn gevaarlijken,
+maar rechtmatigen tegenstand tegen den machtigen Napoleon begrepen
+en bewonderd hebben. Maar wat ons behaagt tegen hen die klimmen,
+behaagt ons minder tegen hen die vallen. Wij beminnen slechts het
+gevecht zoolang er gevaar is; en in allen geval hebben alleen de
+strijders van het begin het recht, de verdelgers van het einde
+te zijn. Wie tijdens den voorspoed geen moedig beschuldiger was,
+moet ook bij den val zwijgen. De beschuldiger van den voorspoed
+is de eenige rechtmatige veroordeelaar in den tegenspoed. Wat ons
+betreft, wanneer de Voorzienigheid de zaak op zich neemt, laten wij
+'t aan Haar over. 1812 begint ons te ontwapenen. In 1813 kon het
+laaghartig verzet van het vroeger zwijgende wetgevend lichaam, door
+de rampspoeden stoutmoedig gemaakt, niets anders dan verontwaardiging
+wekken, en men had ongelijk het toe te juichen; in 1814 was het een
+plicht, het hoofd af te wenden van die verraderlijke maarschalken,
+van dien senaat, die van den eenen modderpoel in den anderen overging,
+die hoonde na eerst vergood te hebben; van deze afvallige afgoderij,
+die den afgod bespuwt; in 1815, terwijl de lucht van groote rampen
+zwanger was, terwijl Frankrijk rilde bij de heillooze nadering er van,
+terwijl men bereids Waterloo zich schemerend voor Napoleon kon zien
+openen, had de treurige sympathie van het leger en het volk voor den
+door het lot veroordeelde niets belachelijks, en, den despoot er
+buiten gelaten, had, dunkt ons, een hart als dat van den bisschop
+van Digne het verhevene en treffende niet moeten miskennen, dat de
+hartelijke omhelzing van een groote natie, en een groot man aan den
+rand des afgronds had.
+
+Deze eigenaardigheid uitgezonderd was hij altijd en in alles
+rechtvaardig, waar, billijk, verstandig, nederig en waardig;
+weldadig en welwillend, en welwillendheid is een andere vorm van
+weldadigheid. Hij was een priester, een wijze, een mensch. Zelfs
+moeten wij zeggen, dat hij, bij deze staatkundige gevoelens, welke
+wij hem verweten hebben, en die wij geneigd zijn schier streng te
+beoordeelen, verdraagzaam en verschoonend was, wellicht meer dan wij,
+die er hier over spreken. De portier van het raadhuis was door den
+keizer aangesteld. 't Was een oud-onderofficier der oude garde, met
+het legioen van eer van Austerlitz, en zoo trouw Bonapartistisch
+als de adelaar. Bij gelegenheid ontglipten dien armen drommel
+eenige onbedachte woorden, welke de wet destijds met den naam van
+"oproerige taal" bestempelde. Sedert het borstbeeld des keizers van
+het legioen-kruis verdwenen was, kleedde hij zich nooit volgens het
+voorschrift, om, zooals hij zeide, niet gedwongen te zijn dit kruis
+te dragen. Met eigen handen had hij eerbiedig het keizerlijk beeld uit
+het door Napoleon geschonken kruis genomen, en in de daardoor ontstane
+opening niets in de plaats willen stellen. "Ik sterf liever," zeide
+hij, "dan op mijn hart de drie padden te dragen!" Hij spotte gaarne
+openlijk over Lodewijk XVIII, zeggende: "Die oude jichtpoot met zijn
+engelsche slobkousen; laat hem naar Pruisen gaan met zijn boksbaard;"
+en 't deed hem genoegen in dezelfde verwensching de twee dingen,
+welke hij het meest verachtte, Pruisen en Engeland, samen te kunnen
+vatten. Hij weerde zich zoo, dat hij van zijn post ontzet werd. Nu
+was hij met vrouw en kinderen geheel zonder brood en huisvesting. De
+bisschop deed hem bij zich komen, berispte hem welwillend en stelde
+hem tot oppasser der kerk aan.
+
+In negen jaren had Monseigneur Bienvenu door edele daden en een
+liefderijk gedrag de stad Digne met een soort van teedere, kinderlijke
+vereering voor zich vervuld. Zelfs zijn gedrag tegen Napoleon was
+hem niet ten kwade geduid, maar stilzwijgend vergeven door het volk,
+welk volk, een goede, zwakke kudde, zijn keizer aanbad, maar zijn
+bisschop beminde.
+
+
+
+
+
+
+TWAALFDE HOOFDSTUK.
+
+MONSEIGNEUR BIENVENU IN DE AFZONDERING.
+
+
+Een bisschop is bijna altijd omgeven door een schaar jonge
+geestelijken, gelijk een generaal door een zwerm jonge
+officieren. De waardige Franciscus van Sales noemt dezen ergens
+"melkmuilpriesters." Elke loopbaan heeft haar aspiranten, welke
+het gevolg vormen van hen, die het doel reeds bereikt hebben. Geen
+macht of zij heeft haar omgeving, geen fortuin of zij heeft haar
+hof. Zij, die een toekomst najagen, fladderen om het schitterend
+tegenwoordige. Iedere hoofdkerk heeft haar staf. Elke bisschop, die
+slechts eenigen invloed heeft, heeft zijn wacht van seminaristen, die
+in het bisschoppelijk paleis de ronde doen, er de orde bewaren en naar
+een glimlachje van Monseigneur dingen. Een bisschop voor zich winnen,
+is de voet in den stijgbeugel tot het Diakenschap. Men moet vooruit
+in de wereld, en het apostelschap veracht het kanunnikschap niet.
+
+Evenals in den staat invloedrijke ambtenaren, zijn in de kerk
+invloedrijke prelaten. 't Zijn de bisschoppen, die bij het hof gezien,
+rijk, sluw en in de groote wereld gezocht zijn; die ongetwijfeld kunnen
+bidden, maar ook verzoeken; die er geen gewetensbezwaar in vinden om
+een geheel bisdom in hun persoon vertegenwoordigd in een antichambre
+te laten wachten; die zeer goed de sacristie met de diplomatie weten
+te vereenigen; die veeleer abten dan priesters, veeleer kerkvorsten
+dan bisschoppen zijn. Gelukkig degenen, die hen naderen mogen! Als
+lieden van invloed laten zij op de dienstvaardigen en begunstigden,
+op deze geheele jongelingschap die zich beminnelijk weet te maken,
+een zegen van rijke pastorieën, vette prebenden, aarts-priesterdommen,
+en allerlei waardigheden regenen, in afwachting van de bisschoppelijke
+waardigheid. Zelf vooruitgaande, laten zij hun satellieten mede
+voortgaan; 't is een soort van vooruitgaand zonnestelsel. Hun
+stralen deelen het purper aan hun gevolg mede. Hun geluk strooit zich
+over hun aanhangers, in kleine gunsten en bevorderingen, uit. Hoe
+grooter het bisdom van den patroon, des te vetter pastorie voor den
+gunsteling. En bovendien is er Rome! Een bisschop, die aartsbisschop;
+een aartsbisschop, die kardinaal weet te worden, voert den gunsteling
+mede naar het conclave, hij komt dan in de rota, bekomt het pallium,
+wordt uditore, cameriere, monsignore; van hoogwaardig heer tot
+eminentie is er slechts één schrede, en tusschen eminentie en Zijne
+Heiligheid ligt slechts een verkiezing. Elk priesterkapje kan van de
+drievoudige kroon droomen. De priester is in onze dagen de eenige,
+die langs een geregelden weg koning kan worden. En welk een koning! de
+hoogste koning! Welk een kweekschool van hoop en verwachting is dan
+ook niet een seminaire! Hoevele blozende koorknapen, hoevele jonge
+abten dragen, evenals Perrette uit de fabel, de kan met melk op
+'t hoofd! En hoe licht noemt zich de eerzucht roeping? Misschien te
+goeder trouw, en zich zelven bedriegende, vroom als zij is.
+
+De ootmoedige, arme, eenvoudige Monseigneur Bienvenu behoorde
+niet onder de invloedrijke kerkvorsten. Dit was duidelijk aan de
+volstrekte afwezigheid van jonge priesters in zijn omgeving. Men
+heeft gezien, dat hij te Parijs "geen opgang had gemaakt." Daarom
+trachtte ook geen enkele toekomst zich op dien eenzamen grijsaard te
+enten. Geen ontluikende eerzucht was zoo dwaas, in zijn schaduw te
+willen groeien. Zijn kanunniken en groot-vicarissen waren goede, oude
+lieden, eenigszins burgerlijk evenals hij, in het bisdom vastgegroeid,
+zonder uitzicht op het kardinaalschap, en die op hun bisschop geleken,
+met dit verschil, dat zij minder en hij beter af was. Men gevoelde
+zoozeer de onmogelijkheid om bij Monseigneur Bienvenu eenigszins
+vooruit te komen, dat de nauwelijks door hem gewijde seminaristen
+zich bij de aartsbisschoppen van Aix of van Auch deden aanbevelen
+en zoo schielijk mogelijk weggingen. Want, wij herhalen het: ieder
+wil vooruit! Een vroom man die in groote afzondering leeft, is een
+gevaarlijke buurman; hij zou u kunnen besmetten met een ongeneselijke
+armoede, de verstijving van de ter bevordering noodzakelijke leden,
+kortom: met meer zelfverloochening dan gij wenscht; en daarom ontvlucht
+men die aanstekende deugd. Vandaar de verlatenheid van Monseigneur
+Bienvenu. Wij leven in een treurige maatschappij. Vooruitkomen! ziedaar
+de leer, die uit het boven haar zwevende verderf nederdroppelt.
+
+De voorspoed heeft, in 't voorbijgaan gezegd, een zeer onaangename
+zijde. De valsche gelijkenis, welke hij met de ware verdienste heeft,
+bedriegt de menschen. Voor de groote menigte heeft de fortuin schier
+hetzelfde voorkomen als de wijsheid. Door het geluk, die wederga van
+het talent, laat zich ook de geschiedenis bedriegen. Alleen Juvenalis
+en Tacitus onderscheiden ze. In onze dagen is een bijna officieele
+wijsbegeerte in zijn dienst getreden, draagt de livrei van het geluk
+en wacht in zijn voorkamer. Voorspoed wordt voor theorie gehouden,
+en doet bekwaamheid veronderstellen. Wie in de loterij wint, is
+een schrander man. De overwinnaar wordt altijd vereerd. Men moet
+met een helm zijn geboren! dat is alles! Men hebbe slechts geluk
+en al 't overige komt vanzelf; den gelukkige beschouwt men als een
+groot man. Op vijf of zes uitzonderingen na, die den roem eener
+eeuw uitmaken, is de hedendaagsche bewondering niet veel meer dan
+kortzichtigheid. Verguldsel heet goud. Hoe men er komt, maakt niets
+uit, mits men er slechts "kome." Het gemeen is een oude Narcissus,
+die zich zelven aanbidt en toejuicht. De buitengewone begaafdheid,
+door welke men een Mozes, een Eschylus, een Dante, een Michel-Angelo of
+een Napoleon is, schrijft de menigte onnadenkend en als bij acclamatie
+toe aan ieder die, in welk opzicht ook, zijn doel bereikt. Een notaris
+herscheppe zich in een afgevaardigde, een valsche Corneille make een
+treurspel, een gesnedene kome in 't bezit van een harem, een gewoon man
+winne toevallig een beslissenden slag, een apotheker vinde bordpapieren
+zolen uit voor het leger van Sambre-en-Maas en make zich uit dit voor
+leder verkochte bordpapier een rente van vierhonderd duizend francs;
+een pakkedrager huwe met de woekerzucht en doe haar van zeven of
+acht millioen bevallen, waarvan hij de vader en zij de moeder is;
+een prediker worde bisschop wegens zijn eigenaardig neusorgaan en het
+draaien zijner oogen; een rentmeester eener voorname familie zij,
+wanneer hij zijn dienst verlaat, zoo rijk, dat men hem minister
+van financiën maakt: dat alles noemen de menschen genie, evenals
+zij versiering schoonheid en omvangrijkheid majestueus noemen. De
+sterrenbeelden des uitspansels verwarren zij met de sterachtige
+afdruksels van eendepooten in het slijk van een modderpoel.
+
+
+
+
+
+
+DERTIENDE HOOFDSTUK.
+
+WAT HIJ GELOOFDE.
+
+
+Uit het oogpunt der orthodoxie hebben wij den bisschop van Digne niet
+te onderzoeken. Voor een ziel als de zijne kunnen wij slechts eerbied
+gevoelen. Het geweten van den rechtvaardige laat zich niet door woorden
+beoordeelen. Voor 't overige nemen wij de mogelijke ontwikkeling van
+alle volkomenheden der menschelijke natuur bij sommige karakters aan,
+zelfs al verschillen ze ook met ons in godsdienstig geloof.
+
+Wat dacht hij over dit of dat leerstuk, over deze of gene
+verborgenheid? Deze geheimen der ziel zijn slechts aan het graf
+bekend, waarin de zielen naakt en bloot nederdalen. Zeker is het,
+dat geloofsbezwaren zich nooit bij hem in geveinsdheid oplosten. De
+diamant is aan geen verderf onderworpen. Hij geloofde zooveel hij
+kon. Ik geloof in den Vader! zeide hij dikwijls. Overigens putte
+hij uit de goede werken genoegzame zelfvoldoening om het geweten te
+bevredigen, terwijl 't hem zacht toefluisterde: God is met u! Wij
+moeten hierbij nog opmerken, dat de bisschop buiten, en om zoo te
+spreken, boven zijn geloof, vervuld was van liefde. Om deze reden,
+omdat hij "veel bemind had", achtten sommige "ernstige, verstandige
+lieden" hem kwetsbaar. "Ernstige, verstandige lieden," geliefkoosde
+uitdrukkingen onzer treurige wereld, waarin de zelfzucht het wachtwoord
+van de waanwijsheid ontvangt. Waarin bestond nu deze overvloed van
+liefde? In een opgeruimde welwillendheid, die, gelijk reeds gezegd
+is, zich over menschen, ja soms over zaken uitbreidde. Hij kende geen
+verachting. Hij was toegevend jegens al wat God geschapen had. Ieder
+mensch, zelfs de beste, heeft een soort van onwillekeurige hardheid
+in zich, welke hij voor het dier bewaart. Maar de bisschop van Digne
+had deze hardheid niet, die evenwel velen priesters zoo eigen is. Hij
+ging niet zoo ver als de brahmin, maar scheen de woorden van Salomo's
+Prediker ter harte te hebben genomen: "Weet men waarheen de ziel
+der dieren gaat?" Een leelijk gezicht en aangeboren onvolmaaktheden
+verstoorden noch verontwaardigden hem. Hij gevoelde er zich door
+aangedaan, schier verteederd. Hij scheen er over te peinzen om
+aan gene zijde van het aardsche leven de oorzaak, de verklaring
+of de verschooning er voor te zoeken. 't Scheen of hij soms God
+om verzachting van hun lot bad. Zonder toorn, en met het oog van
+een taalvorscher, die een oud handschrift ontcijfert, onderzocht
+hij de schijnbare tegenstrijdigheden, die de natuur nog bevat. Deze
+bespiegelingen ontlokten hem dikwijls zonderlinge woorden. Op zekeren
+morgen dat hij meende alleen in zijn tuin te zijn, en hij zijn zuster
+niet zag, die achter hem ging, stond hij plotseling stil en aanschouwde
+iets op den grond; 't was een groote, zwarte, harige, afschuwelijke
+spin. Zijn zuster hoorde hem zeggen:--Arm dier! 't is zijn schuld niet.
+
+Waarom zouden wij deze beuzelingen van schier hemelsche goedhartigheid
+niet vertellen? Beuzelingen wel is waar, maar van die verheven
+beuzelingen, als van een St. Franciscus van Assissi en van Marcus
+Aurelius. Op zekeren dag verwrikte hij den voet, wijl hij een mier
+niet wilde vertreden.
+
+Aldus leefde deze rechtvaardige. Soms was hij in den tuin ingeslapen,
+en dan kon men niets eerwaardigers zien.
+
+Monseigneur Bienvenu was vroeger, volgens 't geen van zijn jeugd en
+zelfs van zijn verderen leeftijd verhaald werd, een hartstochtelijk,
+ja heftig man geweest. Zijn tegenwoordige kalmte en zachtmoedigheid
+was minder zijn natuurlijk karakter dan het gevolg eener diepe
+overtuiging, die gedurende zijn leven langzaam en door overdenking in
+zijn hart gedroppeld was; want een karakter kan evenals een steen, door
+waterdroppels worden aangedaan. Deze uithollingen zijn onuitwischbaar;
+deze vormen onverstoorbaar.
+
+In 1815, zooals wij meenen gezegd te hebben, had hij den ouderdom van
+vijf-en-zeventig jaar bereikt, doch scheen niet ouder dan zestig. Hij
+was niet groot, eenigszins zwaarlijvig, en om dit te bestrijden deed
+hij groote wandelingen te voet; hij ging met vasten tred en slechts
+een weinig gebogen. Uit deze omstandigheid willen wij echter geen
+gevolgtrekking afleiden. Gregorius XVI ging, toen hij tachtig jaren
+oud was, nog rechtop, en had een vriendelijk voorkomen, 't geen niet
+belette, dat hij een slecht bisschop was. Monseigneur Bienvenu had,
+wat het volk "een fraaien kop" noemt; maar die was zoo vriendelijk,
+dat men de fraaiheid er van voorbij zag.
+
+Wanneer hij met die kinderlijke opgeruimdheid sprak, welke een zijner
+beminnelijkste hoedanigheden was, en waarvan wij reeds gewaagd hebben,
+was het of zijn geheele persoon vroolijkheid om zich verspreidde. Zijn
+blozende frissche kleur, zijn witte tanden, welke hij alle behouden had
+en die door zijn glimlach zichtbaar werden, gaven hem dit openhartig
+en ongekunsteld voorkomen, dat van een man doet zeggen: "er is geen
+kwaad in hem," en van een grijsaard: "'t is een allerliefst man." Zoo
+was, gelijk men zich herinnert, de indruk, dien hij op Napoleon had
+gemaakt. Op 't eerste gezicht, en voor dengene die hem voor de eerste
+maal ontmoette, was hij misschien niet veel meer dan een goedhartig
+man. Maar wanneer men eenige uren in zijn gezelschap doorbracht, en hem
+zag denken, veranderde het goedhartige allengs in iets indrukwekkends:
+zijn hoog, ernstig voorhoofd, reeds eerbiedwaardig door het witte haar,
+werd het te meer door de gedachten, welke er zich op afspiegelden;
+de majesteit kwam uit de goedheid te voorschijn, zonder dat deze
+laatste ophield te blinken; men gevoelde zich eenigszins aangedaan
+als door de verschijning van een engel, die langzaam en glimlachend
+zijn vleugelen uitbreidt. Men werd allengs door achting en eerbied
+vervuld, en gevoelde, dat men een dier krachtige, beproefde en
+toegevende zielen voor zich had, wier gedachten zoo verheven zijn,
+dat zij niet anders dan zachtmoedig kunnen zijn.
+
+Men heeft gezien, dat het gebed, de verrichting der kerkelijke
+diensten, het uitreiken van aalmoezen, het troosten van bedrukten,
+het bebouwen van een hoekje gronds; dat broederliefde, matigheid,
+gastvrijheid, ontbering, vertrouwen, studie, arbeid, elken dag van
+zijn leven vervulden. "Vervullen" is het juiste woord, en zekerlijk
+was de dag van den bisschop tot aan den rand vol van goede gedachten,
+goede woorden en goede werken. Maar de dag was voor hem niet volledig,
+als het koude, regenachtige weder hem belette des avonds, zoodra
+de vrouwen zich hadden verwijderd, een paar uren in den tuin door
+te brengen, vóór hij naar bed ging. 't Scheen hem een soort van
+eerdienst te zijn, door overpeinzingen in 't gezicht der gesterrende
+hemellichamen, zich tot den slaap voor te bereiden. Soms hoorden de
+vrouwen, zoo zij niet sliepen, hem nog zeer laat in den nacht langzaam
+in den tuin wandelen. Daar was hij alleen, in zich zelven gekeerd,
+aandachtig, rustig, biddend, de kalmte zijns harten met de kalmte des
+hemels in overeenstemming brengende, in de duisternis aangegrepen
+door den zichtbaren luister der sterrenbeelden en den onzichtbaren
+luister van God, en zijn ziel openende voor de gedachten, die van den
+Onbekende komen. Wanneer in zulke oogenblikken, als de nachtbloemen
+haar geuren deden opstijgen, zijn hart als een licht te midden van
+dezen gesterrenden hemel vlamde en verrukt door de oneindige schepping
+zweefde, zou hij misschien zelf niet in staat zijn geweest te zeggen,
+wat in zijn geest omging; 't was hem, alsof iets uit zijn binnenste
+opsteeg, en iets in hem nederdaalde. Geheimzinnig verkeer tusschen
+de diepten der ziel en de diepten der Schepping.
+
+Hij dacht aan Gods grootheid en alomtegenwoordigheid; aan de
+toekomstige eeuwigheid,--een geheimzinnige verborgenheid; aan de
+doorloopen eeuwigheid,--een nog vreemder verborgenheid; aan al het
+oneindige, dat zich naar alle zijden voor zijn blik uitbreidde,
+en zonder het onbegrijpelijke te willen doorgronden, staarde hij het
+aan. Hij bestudeerde God niet; hij verblindde zich door Zijn glans. Hij
+aanschouwde die wonderbare ontmoeting van atomen, die aan het stof een
+vorm geven, de krachten openbaren, de verscheidenheid en de eenheid,
+de gedaanten en de ruimte, het ontelbare en het oneindige scheppen,
+en door het licht de schoonheid voortbrengen. Deze samentrekking
+en verwijdering van atomen heeft onophoudelijk plaats, en daaruit
+ontstaan het leven en de dood.
+
+Hij zette zich op een houten bank tegen een vermolmd hek neder,
+en zag op naar de sterren, door de takken zijner dwergachtige,
+schrale vruchtboomen. Dit stukje gronds, zoo armoedig beplant en door
+onooglijke gebouwen ingesloten, was hem dierbaar en voldoende.
+
+Wat behoefde deze grijsaard meer, die de rusturen zijns levens,
+'t welk zoo weinig rusturen bevatte, verdeelde tusschen het tuinwerk
+des daags en de bespiegeling des nachts? Was deze kleine ruimte,
+waarboven de hemel zich welfde, niet voldoende om God beurtelings in
+Zijn bekoorlijkste, en in Zijn verhevenste werken te aanbidden? Was dit
+inderdaad niet alles, en wat bleef te wenschen over? Een kleine tuin om
+in te wandelen, en het onmetelijke om te denken. Aan zijn voeten, wat
+men kan kweeken en plukken; boven zijn hoofd, wat men kan bestudeeren
+en overwegen; eenige bloemen op de aarde en de sterren aan den hemel.
+
+
+
+
+
+
+VEERTIENDE HOOFDSTUK.
+
+WAT HIJ DACHT.
+
+
+Een laatste woord.
+
+Dewijl deze soort van bijzonderheden, vooral in den tegenwoordigen
+tijd, den bisschop van Digne een schijn van "pantheïsme" geven--om
+een woord, dat thans zeer in de mode is, te gebruiken--en, hetzij
+tot zijn blaam of zijn lof, konden doen gelooven, dat hij iets bezat
+van die persoonlijke, onze eeuw eigene, wijsbegeerte, welke soms
+in eenzaam levende geesten ontkiemt, opgroeit en zoo groot wordt,
+dat zij er den godsdienst uit verdringt, zoo vermelden wij wel
+uitdrukkelijk dat niemand dergenen, die Monseigneur Bienvenu gekend
+hebben, zich zou veroorloofd hebben iets dergelijks te denken. Wat
+dien man verlichtte, was het hart. Zijn wijsheid was uit het licht
+ontstaan, dat daaruit voortkomt.
+
+Geen stelsels; veel feiten. Afgetrokken bespiegeling verwekt duizeling,
+en er bestaat niet het minste blijk, dat hij zijn geest door de
+Apocalypsis in verwarring liet brengen. De apostel kan stoutmoedig
+zijn, maar de bisschop moet bescheiden wezen. Hij zou er gewis
+een gewetenszaak van hebben gemaakt, zich in zekere vraagstukken te
+verdiepen, die slechts aan onversaagde geesten zijn overgelaten. Onder
+geheimzinnige portalen heerscht een heilige huivering; wel bevinden
+zich hier en daar reten in de duisternis, maar zij fluisteren iederen
+sterveling toe, dat men er niet ongestraft kan binnendringen.
+
+In de onpeilbare diepten der afgetrokken bespiegeling, die als 't ware
+boven de godsdienstige leerstellingen zweven, dragen groote geesten
+hun denkbeelden aan God op. Hun gebed is een stoutmoedige drang om meer
+licht. Hun vereering is een vraag. 't Is een onmiddellijke godsdienst,
+vol angsten en verantwoordelijkheid voor dengene, die er de steilten
+van beproeft.
+
+Menschelijke bespiegelingen hebben geen grenzen. Op eigen gevaar af,
+ontleedt en peilt de mensch wat zijn gedachte verblindt. Men zou
+schier kunnen zeggen, dat de gedachte door een soort van schitterende
+weerkaatsing de natuur verblindt; de geheimzinnige wereld die ons
+omringt, geeft terug wat zij ontvangt; en 't is waarschijnlijk,
+dat de beschouwers wederkeerig worden beschouwd. Hoe het zij,
+er zijn menschen op de wereld--zijn zij menschen?--die duidelijk
+aan den gezichteinder van den droom de hoogten van het volstrekte
+zien, en die een visioen van den ontzettenden berg der oneindigheid
+hebben. Monseigneur behoorde niet tot dezulken; Monseigneur Bienvenu
+was geen genie, geen groote geest. Hij zou teruggedeinsd zijn voor die
+hoogten, welke eenige, zelfs zeer groote geesten, als Schwedenburg en
+Pascal, in verbijstering hebben gebracht. 't Is waar, deze grootsche
+bespiegelingen hebben een zedelijk nut, en langs zulke steile wegen
+komt men de denkbeeldige volmaaktheid nader. Hij echter koos den
+kortsten weg, den weg van 't Evangelie.
+
+Hij trachtte van zijn kazuifel geen Eliasmantel te maken; hij wierp
+geen straal der toekomst op de donkere golven der gebeurtenissen;
+hij poogde niet het licht der zaken tot één vlam samen te dringen;
+hij had niets van een profeet, niets van een magus (wijze). Zijn
+nederige ziel beminde slechts; dat was alles!
+
+'t Is zeer waarschijnlijk, dat hij het gebed tot een bovenmenschelijke
+verzuchting tot God uitbreidde; maar men kan evenmin te veel bidden
+als te veel beminnen; en indien 't ketterij is buiten de formulieren
+te bidden, dan zouden de H. Theresia en de H. Jeronimus ketters zijn.
+
+Hij boog zich tot alles neer wat zuchtte en boette. De wereld scheen
+in zijn oog één reusachtige krankheid; overal zag hij koorts; overal
+hoorde hij lijden en, zonder het raadsel te willen oplossen, poogde
+hij de wonde te verbinden.
+
+Het vreeselijk schouwspel van al wat schepsel heet, ontwikkelde in
+hem een gevoel van verteedering; hij was slechts bedacht voor zich
+zelven de beste wijze te vinden om te beklagen en wel te doen, en
+die aan anderen mede te deelen. Het bestaande was voor dezen goeden,
+zeldzamen priester een gestadig onderwerp van droefheid, die zoekt
+te vertroosten.
+
+Er zijn lieden, die zich bezighouden met het delven van goud: hij hield
+zich bezig met het medelijden aan den dag te brengen. De algemeene
+ellende was zijn mijn. Het alom heerschend lijden was voor hem slechts
+een gelegenheid om onverpoosd goed te doen. "Bemint elkander;" dit
+bevatte, naar zijn meening, alles; hij wenschte niets meer, en dit
+was zijn geheele geloofsleer. Op zekeren dag zeide de man, die zich
+"wijsgeer" waande, de reeds genoemde senator, tot den bisschop:--"Zie
+toch, hoe het in de wereld toegaat; oorlog van allen tegen allen; de
+sterkste is de verstandigste. Uw "bemint elkander" is een dwaasheid."
+
+"Welnu," antwoordde Monseigneur Bienvenu, zonder met hem te
+redetwisten, "zoo het een dwaasheid is, moet het hart er zich
+insluiten, als de parel in de oester."
+
+En hij sloot er zich in, hij leefde er in, hij was er volkomen in
+tevreden, terwijl hij de groote vraagstukken onaangeroerd liet,
+die lokken en benauwen, de onpeilbare diepten der bespiegeling, de
+afgronden der bovennatuurkunde, al die ondoorgrondelijkheden, welke
+den apostel tot God, den atheïst tot het niet voeren: het noodlot, het
+goede en het kwade, de oorlog van het eene tegen het andere schepsel,
+het geweten van den mensch, het denkend somnambulisme van het dier, de
+herschepping door den dood, de wederopstanding van al de wezens, die
+het graf bevat, de onbegrijpelijke inenting der elkander vervangende
+liefdeneigingen op het steeds voortbestaande ik, de geest en het
+stof, het niet en het zijn, de ziel, de natuur, de vrijheid, en de
+noodzakelijkheid,--alle diepe problemen, schrikbarende duisternissen,
+voor welke de reusachtige aartsengelen van het menschelijk geslacht
+zich buigen; vreeselijke afgronden, welke Lucretius, Manou, Paulus
+en Dante met dien vlammenschietenden blik aanstaren, die, door strak
+in het oneindige te turen, er sterren schijnt te ontdekken.
+
+Monseigneur was eenvoudig een man, die slechts de geheimzinnige
+vraagstukken uitwendig aanschouwde, zonder ze na te vorschen, zonder
+zijn geest er door te verontrusten, en die in zijn ziel een diepen
+eerbied voor het verborgene koesterde.
+
+
+
+
+
+
+
+BOEK II.
+
+DE VAL.
+
+
+EERSTE HOOFDSTUK.
+
+DE AVOND NA EEN DAGREIZE.
+
+
+In een der eerste dagen van de maand October 1815, omstreeks een uur
+vóór zonsondergang, kwam een voetreiziger in de kleine stad D. aan. De
+weinige inwoners, die zich op dit oogenblik aan hun ramen of voor
+hun deuren bevonden, oogden dien man met een soort van ongerustheid
+na. Niet licht zou men iemand van ellendiger voorkomen hebben kunnen
+ontmoeten. Hij was van middelbare grootte, gezet en forsch, en in de
+kracht zijns levens. Hij kon zes- of acht-en-veertig jaar oud zijn. Een
+pet met lederen klep bedekte gedeeltelijk zijn met zweet bepareld
+en door zon en lucht gebruind gelaat. Zijn grof geelkatoenen hemd,
+dat aan den hals met een klein zilveren ankertje was vastgehecht, liet
+de harige borst bloot; hij droeg een das, als een touw ineengedraaid,
+een versleten blauwlinnen broek, die aan de eene knie geheel kaal was,
+aan de andere een gat vertoonde; een ouden, gehavenden kiel, waarvan
+een der ellebogen met een stuk groen laken gelapt en met bindgaren
+saamgetrokken was; op den rug een vollen, zorgvuldig dichtgegespten
+en nieuwen soldatenransel; in de hand een dikken, knoestigen stok;
+zijn voeten waren zonder kousen, zijn schoenen met spijkers beslagen;
+zijn hoofdhaar was kort en zijn baard lang.
+
+Het zweet, de hitte, de voetreis, het stof gaven aan den geheelen
+persoon iets zeer haveloos. Het haar scheen nog kort geleden kaal
+geschoren; 't stond nu steil op en was borstelig.
+
+Niemand kende den man. 't Was duidelijk, dat hij de stad slechts
+doortrok. Van waar kwam hij? Uit het zuiden. Misschien van de zeekust;
+want hij kwam door dezelfde straat in de stad, waar zeven maanden
+geleden keizer Napoleon gepasseerd was, toen hij van Cannes naar
+Parijs ging. Deze man moest wel den geheelen dag geloopen hebben; want
+hij scheen zeer vermoeid. Vrouwen uit het vlek nabij de stad hadden
+hem onder het geboomte van den Boulevard Gassendi zien stilstaan en
+drinken bij de pomp, aan 't einde der wandelplaats. Hij had zeker
+grooten dorst, want de kinderen die hem volgden zagen hem, een paar
+honderd schreden verder, weder stilhouden en drinken bij de pomp van
+het marktplein. Aan den hoek der straat Poichevert sloeg hij linksom
+en ging naar 't Stadhuis. Hij trad binnen; een kwartier later kwam
+hij er weder uit. Een gendarme zat aan de deur op de steenen bank,
+waarop generaal Drouot den 4den Maart klom, om aan de ontstelde
+inwoners van D. de proclamatie van de golf Juan voor te lezen. De
+man nam zijn pet af en groette den gendarme onderdanig. Zonder zijn
+groet te beantwoorden nam hem de gendarme nauwkeurig op en trad toen
+het raadhuis binnen.
+
+Destijds was te D. een goede herberg, het "Kruis van Colbas." Zij werd
+gehouden door zekeren Jacquin Labarre, een man, die zeer gezien was,
+wegens zijn verwantschap met een anderen Labarre, die te Grenoble het
+logement de "Drie Dauphins" hield en bij de guides gediend had. Tijdens
+de landing des keizers hadden allerlei geruchten over dit logement de
+"Drie Dauphins" geloopen. Men verhaalde, dat generaal Bertrand, als
+voerman vermomd, er in de maand Januari dikwerf geweest was en toen aan
+de soldaten eerekruisen en aan de burgers handen vol gouden Napoleons
+had uitgedeeld. De waarheid is, dat, toen de keizer te Grenoble
+aankwam, hij had geweigerd in het Hôtel der Prefectuur zijn intrek te
+nemen; hij had den maire bedankt, en gezegd: "Ik ga bij een braaf man,
+dien ik ken;" waarop hij naar de "Drie Dauphins" was gegaan. De roem
+van dezen Labarre verbreidde zich tot op vijfentwintig mijlen afstands,
+tot aan Labarre in het "Kruis van Colbas." Te D. heette het van hem:
+"Hij is de neef van Labarre te Grenoble."
+
+De man begaf zich naar deze herberg, de beste in den omtrek. Hij trad
+de keuken binnen, die gelijkvloers met de straat was. Al de fornuizen
+brandden, en een groot vuur vlamde vroolijk in den haard. De kastelein,
+tevens kok, liep ijverig van de eene braadpan naar de andere, en
+bereidde een heerlijken maaltijd voor de voerlieden, die men in een
+belendend vertrek luid hoorde lachen en spreken. Wie gereisd heeft,
+weet dat niemand beter eet dan voerlieden. Een vette marmot, te midden
+van witte patrijzen en boschhoenders, draaide aan een lang spit voor
+het vuur rond; op de fornuizen werden twee groote karpers uit het
+meer van Lauzet en een forel uit het meer van Alloz gebakken.
+
+De kastelein, hoorende dat de deur geopend werd en iemand binnenkwam,
+zeide, zonder de oogen van zijn fornuizen op te slaan:
+
+"Wat wenscht mijnheer?"
+
+"Te eten en te slapen," antwoordde de reiziger.
+
+"Niets gemakkelijker dan dit," antwoordde de hospes. Maar terzelfder
+tijd draaide hij het hoofd om, bekeek den vreemde van het hoofd tot
+de voeten en vervolgde toen: "mits betalend."
+
+De man haalde een groote lederen beurs uit den zak van zijn kiel
+en antwoordde:
+
+"Hier is geld."
+
+"Dan ben ik tot uw dienst," zei de kastelein.
+
+De man stak zijn beurs weder in den zak, ontdeed zich van zijn ransel,
+legde dien bij de deur op den grond, en zette zich met zijn stok
+in de hand op een bankje bij het vuur. D. ligt in het gebergte. De
+Octobermaand is er koud.
+
+Inmiddels zag de kastelein, terwijl hij heen en weder liep, telkens
+den reiziger aan.
+
+"Wordt er gauw gegeten?" vroeg de man.
+
+"Aanstonds," zei de hospes.
+
+Terwijl de aangekomene zich warmde, en den kastelein Labarre den rug
+toekeerde, nam deze een potlood uit zijn zak en scheurde een stuk
+van een oud dagblad af, dat op een tafeltje aan het venster lag. Op
+den witten rand schreef hij een paar regels, vouwde het snippertje
+dicht, zonder het te verzegelen, en gaf het aan een knaap, die hem
+tot keukenjongen en lakei te gelijk scheen te dienen. De herbergier
+fluisterde hem een paar woorden in 't oor, en de jongen liep ijlings
+heen in de richting van 't Stadhuis.
+
+De reiziger had van dat alles niets gezien. Hij vroeg nog eens:
+"Wordt er spoedig gegeten?"
+
+"Aanstonds!" herhaalde de kastelein.
+
+De knaap kwam terug; hij bracht het papier weer mede. De kastelein
+opende het haastig, als iemand die een antwoord verwacht. Hij scheen
+opmerkzaam te lezen, toen schudde hij het hoofd en scheen een oogenblik
+na te denken. Eindelijk trad hij naar den vreemde, die in niet zeer
+aangename overwegingen verdiept scheen, en zeide:
+
+"Ik kan u niet herbergen."
+
+De man richtte zich ten halve op.
+
+"Hoe? Vreest ge dat ik u niet zal betalen? Wilt ge vooraf geld? ik
+heb u immers gezegd dat ik geld heb."
+
+"Daarom is 't niet."
+
+"Waarom dan?"
+
+"Ge hebt geld..."
+
+"Ja," zei de man.
+
+"Maar ik," zei de hospes, "ik heb geen kamer."
+
+De man hernam bedaard: "Laat mij dan maar in den stal slapen."
+
+"Dat kan niet."
+
+"Waarom?"
+
+"De stal is geheel vol paarden."
+
+"Nu," hernam de man, "dan een hoekje op den zolder. Een bos stroo. Dat
+zal zich na den maaltijd wel vinden."
+
+"Ik kan u niet te eten geven."
+
+Deze op gematigden doch vasten toon gedane verklaring verraste den
+vreemde. Hij stond op, en zeide:
+
+"O! maar ik sterf van honger. Sedert zonsopgang ben ik op reis geweest;
+ik heb twaalf uren afgelegd. Ik betaal; ik wil eten."
+
+"Ik heb niets," antwoordde de hospes.
+
+De man begon te lachen en zeide, zich naar den haard en de fornuizen
+wendende:--"Niets? En wat is dat dan?"
+
+"Dat alles is besteld."
+
+"Door wie?"
+
+"Door de voerlieden."
+
+"Met hoevelen zijn ze?"
+
+"Met hun twaalven."
+
+"En daar is eten genoeg voor twintig menschen."
+
+"Zij hebben alles besteld en vooruit betaald."
+
+De man ging weer zitten en zeide zonder drift:
+
+"Ik ben in een herberg, ik heb honger en blijf."
+
+Toen bracht de hospes den mond aan zijn oor en fluisterde op een toon,
+die hem deed ontstellen:--"Ga heen!"
+
+De reiziger zat nu neêrgebogen en stiet met de ijzeren punt van zijn
+stok eenige gloeiende spaanders in 't vuur; eensklaps keerde hij zich
+om, maar toen hij den mond opende om te antwoorden, staarde de hospes
+hem strak aan en voegde er zacht bij:
+
+"Houd u toch stil! Wilt ge, dat ik u uw naam noem? Ge heet Jean
+Valjean. Wilt ge nu dat ik u zeg, wie ge zijt? Toen ik u zag
+binnenkomen, vermoedde ik iets en zond naar 't Stadhuis; ziehier wat
+men geantwoord heeft. Kunt ge lezen?"
+
+Dit zeggende, reikte hij den vreemde het opengevouwen papier, dat
+uit de herberg naar 't Stadhuis was gegaan en van 't Stadhuis naar
+de herberg terug. De man sloeg er een blik op, en na eenig zwijgen
+hernam de herbergier:
+
+"Ik ben gewoon jegens iedereen beleefd te zijn. Ga heen." De man boog
+het hoofd, raapte zijn ransel op en vertrok zwijgend.
+
+Hij ging op goed geluk af, rechtuit door de hoofdstraat, dicht langs
+de huizen, als een gedeemoedigd, verslagen mensch. Geen enkelen
+keer zag hij om. Zoo hij 't gedaan had, zou hij den herbergier van
+het Kruis van Colbas voor zijn deur hebben gezien, omringd van al
+zijn gasten en van een menigte voorbijgangers, luid sprekende en
+hem met den vinger nawijzende. Hij zou tevens uit de wantrouwende
+en verschrikte blikken dier lieden afgeleid hebben, dat zijn komst
+spoedig een gewichtig nieuws voor de geheele stad zou zijn.
+
+Maar van dat alles zag hij niets. Bedrukten en bedroefden zien niet
+om. Zij weten al te goed, dat het ongeluk hen volgt en vervolgt.
+
+Zoo ging hij eenigen tijd voort, op goed geluk af en door hem onbekende
+straten; en hij vergat zijn vermoeienis, zooals dit bij treurigheid
+het geval is. Maar eensklaps voelde hij een hevigen honger. De nacht
+naderde; hij zag om zich heen, of hij niet ergens een legerplaats
+kon ontdekken.
+
+De fraaie herberg was voor hem gesloten; nu zocht hij een minder
+logement, een armoedige kroeg. Aan het einde der straat werd juist een
+licht ontstoken; een dennetak, aan een ijzeren stang hangende, kwam
+als uithangbord scherp uit in de dunne schemering. Hij ging er heen.
+
+'t Was inderdaad een herberg: de herberg in de straat Chaffaut.
+
+De reiziger stond even stil en keek door het raam der herberg in het
+lage vertrek, dat door een kleine, op de tafel staande lamp en een
+groot vuur op den haard verlicht werd. Er waren eenige mannen die
+zaten te drinken. De hospes warmde zich. Boven het vuur hing aan een
+ketting een pot te koken.
+
+Deze kroeg, die tevens een soort van logement is, heeft twee deuren:
+de eene aan de straat, de andere aan een kleine plaats vol mest.
+
+De reiziger waagde 't niet, door de straatdeur binnen te gaan. Hij
+sloop naar de plaats, stond weder stil, lichtte bedeesd de klink op
+en deed de deur open.
+
+"Wie is dáár?" vroeg de waard.
+
+"Iemand die hier wenschte te slapen en te eten."
+
+"Goed. Men kan hier slapen en eten."
+
+Hij trad binnen. Al de drinkers wendden zich om. De lamp bescheen hem
+aan de eene, het haardvuur aan de andere zijde. Men zag eenigen tijd
+naar hem, terwijl hij zijn ransel aflegde.
+
+De hospes zeide toen:--"Hier is 't vuur. Het avondeten is aan de
+kook. Warm u intusschen, kameraad."
+
+Hij zette zich aan den haard en strekte zijn vermoeide en gewonde
+voeten naar het vuur uit; er kwam een heerlijke geur uit den
+pot. Zijn gezicht, zoover men het onder de, in de oogen gedrukte,
+pet kon zien, nam een vluchtigen schijn van welbehagen aan, gepaard
+aan die smartelijke uitdrukking, welke de gewoonte van lijden aan
+het gelaat geeft.
+
+Voor 't overige had hij een forsch, schrander en treurig
+voorkomen. Zijn gelaatsuitdrukking was zonderling; ze scheen op
+het eerste gezicht deemoedig, maar ging ten laatste tot strengheid
+over. Zijn oogen vlamden onder de wenkbrauwen, als een vuur in een
+kreupelbosch.
+
+Ondertusschen bevond zich onder de lieden aan tafel een vischkooper,
+die, vóór hij naar de herberg in de straat Chaffaut was gegaan,
+zijn paard bij Labarre op stal had gebracht. Het toeval wilde, dat
+hij dien zelfden morgen den vreemdeling met het ongunstige uiterlijk
+tusschen Bras d'Asse en... (de naam is mij ontgaan; ik meen dat 't
+Escoublon is) ontmoet had. En deze man, die zeer vermoeid scheen,
+had hem verzocht achter op zijn paard te mogen zitten, waarop
+de vischkooper had geantwoord door sneller voort te rijden. Deze
+vischkooper had zich, een half uur te voren, bij de groep bevonden, die
+Jacquin Labarre omringde, en hij had toen zijn onaangename ontmoeting
+van dien morgen aan de lieden van het Kruis van Colbas verhaald. Nu
+gaf hij den hospes ongemerkt een wenk. De hospes kwam tot hem, zij
+wisselden eenige fluisterende woorden met elkander. De vreemdeling
+was intusschen weder in zijn overpeinzingen verdiept.
+
+De hospes ging nu naar den haard, legde ruw zijn hand op den schouder
+van den man en zeide:
+
+"Ge moet u dadelijk voortmaken."
+
+De vreemdeling keerde zich om en antwoordde gelaten:
+
+"Zoo! weet ge?"
+
+"Ja."
+
+"Men heeft mij ook in de andere herberg afgewezen."
+
+"En men jaagt u uit deze."
+
+"Waarheen moet ik dan gaan?"
+
+"Waar ge wilt."
+
+De man nam zijn stok en ransel en ging heen.
+
+Toen hij de herberg verliet, wierpen eenige kinderen, die hem van
+het Kruis van Colbas gevolgd waren en hem schenen gewacht te hebben,
+met steenen naar hem. Hij keerde zich toornig om en dreigde hen met
+zijn stok, waarop de kinderen als een zwerm vogels uit elkander stoven.
+
+Hij ging voorbij de gevangenis. Aan de deur hing de ijzeren ketting
+van een schel. Hij belde. Een getralied raampje werd geopend.
+
+"Mijnheer de portier," zeide hij, eerbiedig zijn pet afnemende,
+"zoudt ge zoo vriendelijk willen zijn mij open te doen en dezen nacht
+te huisvesten?"
+
+Een stem antwoordde:
+
+"Een gevangenis is geen herberg. Laat u gevangennemen en men zal de
+deur voor u openen."
+
+Het raampje werd gesloten.
+
+Toen kwam hij in een enge straat, waar veel tuinen waren. Sommige
+waren slechts door hagen omsloten, 't geen de straat een vriendelijk
+aanzicht gaf. Tusschen deze tuinen en hagen zag hij een huisje
+van één verdieping, waarvan het raam verlicht was. Hij keek door
+dit raam, evenals hij door dat der herberg had gedaan. 't Was een
+ruime kamer, welker muren gewit waren, en waarin een bed met gedrukt
+katoenen gordijnen stond; in een der hoeken stond nog een wieg en
+verder eenige houten stoelen; aan den wand hing een jachtgeweer
+met dubbelen loop. Een gedekte tafel stond in het midden van het
+vertrek. Een koperen lamp verlichte het grove tafellaken, de als
+zilver blinkende kan met wijn en een dampenden rooden schotel. Aan
+deze tafel zat een veertigjarig man, met vroolijk open gelaat, die
+een kindje op zijn knieën liet dansen. Naast hem zat een zeer jonge
+vrouw met een zuigeling aan de borst. De vader lachte, het kind lachte,
+de moeder glimlachte.
+
+Peinzend bleef de vreemdeling een oogenblik voor dit liefelijk
+huiselijk tooneel staan. Wat ging er in hem om? Hij alleen zou 't
+kunnen zeggen. Waarschijnlijk dacht hij, dat dit vergenoegde huis
+gastvrij zou zijn, en, waar zooveel geluk woonde, hij misschien eenig
+medelijden zou vinden.
+
+Zacht klopte hij tegen de glasruit.
+
+Men hoorde niet.
+
+Hij klopte nogmaals. Nu hoorde hij de vrouw zeggen:--"Man, ik geloof
+dat er geklopt wordt."
+
+"Neen," antwoordde de man.
+
+Ten derden male klopte de vreemde.
+
+De man stond op, nam de lamp en deed de deur open.
+
+'t Was iemand van hooge gestalte, half boer, half handwerksman. Hij
+droeg een groot schootsvel, dat tot aan zijn linkerschouder reikte en
+waarin een hamer, een roode zakdoek en een kruithoorn staken, al welke
+voorwerpen door den gordelriem als in een zak werden vastgehouden. Hij
+wierp het hoofd achterover, en zijn open hemd, dat wijd omgeslagen
+was, liet een gladden, naakten hals, als van een stier, zien. Hij had
+zware wenkbrauwen, groote zwarte bakkebaarden, vooruitstekende oogen,
+een breed uitloopend gezicht, en bij dit alles de niet te beschrijven
+uitdrukking, dat men zich te huis gevoelt.
+
+"Vergeving, mijnheer," zei de reiziger. "Zoudt gij mij tegen betaling
+een bord soep en een hoekje om te slapen in gindsche schuur in den
+tuin willen vergunnen. Zeg, wilt ge? tegen betaling?"
+
+"Wie zijt ge?" vroeg de meester des huizes.
+
+De man antwoordde: "Ik kom van Puy-Moisson en heb den geheelen dag
+geloopen. Ik heb twaalf uren afgelegd. Wilt ge? Tegen betaling?"
+
+"Ik kan een eerlijk man, die betaalt, niet weigeren te logeeren,"
+zei de boer. "Maar waarom gaat ge niet naar de herberg?"
+
+"Er is geen plaats."
+
+"Hoe! niet mogelijk! 't Is geen kermis of marktdag. Zijt ge bij
+Labarre geweest?"
+
+"Ja."
+
+"Nu?"
+
+De reiziger antwoordde verlegen: "Hij wilde mij niet opnemen."
+
+"Zijt ge bij... hoe heet hij--in de straat Chaffaut geweest?"
+
+De verlegenheid van den vreemdeling vermeerderde; hij stamelde:
+"Hij wilde mij evenmin herbergen."
+
+Het gelaat van den landman nam een achterdochtige uitdrukking aan, hij
+beschouwde den vreemdeling van het hoofd tot de voeten, en eensklaps
+riep hij met een zekere huivering:
+
+"Zoudt gij soms die man zijn?"
+
+Hij sloeg opnieuw een blik op den vreemde, trad drie stappen achteruit,
+zette de lamp op de tafel en nam het geweer van den wand.
+
+Intusschen was de vrouw op de woorden van den boer: "Zoudt gij soms
+die man zijn?" opgestaan, had haar beide kinderen in de armen genomen
+en zich schielijk achter haar man in veiligheid gesteld, terwijl
+ze den vreemdeling met ontzetting aanzag, en, met afwerend gebaar,
+"struikroover" fluisterde.
+
+Dit alles geschiedde in minder tijd dan noodig is om het zich voor te
+stellen. Na eenige oogenblikken den man aanschouwd te hebben, evenals
+men een adder aanziet, ging de heer des huizes weder naar de deur,
+en zeide:
+
+"Ga heen!"
+
+"Ik bid u," hernam de man, "slechts een glas water!"
+
+"Een geweerschot!" zei de boer.
+
+Toen sloot hij met kracht de deur dicht en de vreemde hoorde hem er
+twee zware grendels voorschuiven. Een oogenblik later werd het luik
+voor het venster gedaan en met een ijzeren boom gesloten, waarvan
+het gerucht buiten gehoord werd.
+
+Het werd hoe langer hoe donkerder; de wind woei koud van de Alpen. In
+de avondschemering zag de vreemde in een der tuinen aan den weg een
+soort van hut, die van graszoden gebouwd scheen. Stoutmoedig sprong
+hij over de houten heining in den tuin en naderde de hut, die tot
+ingang een zeer lage opening had en overigens op die woningen geleek,
+welke de [Fransche] straatwerkers aan den kant der wegen voor zich
+bouwen. Hij meende ongetwijfeld, dat het inderdaad het verblijf van
+een straatwerker was; hij leed koude en honger; hij had zich aan
+den honger onderworpen, maar hier was ten minste een schuilplaats
+tegen de koude. Deze soort van verblijven zijn gewoonlijk des nachts
+onbewoond. Hij kroop op den buik in de hut. 't Was er warm, en hij
+vond er een tamelijk goed strooleger. Een oogenblik bleef hij op
+dit bed uitgestrekt, zonder zich te kunnen bewegen, zoo vermoeid was
+hij. Maar wijl de ransel op zijn rug hem hinderde en deze hem zeer
+geschikt voor een oorkussen kon dienen, begon hij een der riemen los
+te gespen. Op dit oogenblik hoorde hij een nijdig gebrom. Hij hief de
+oogen op en zag in de opening der hut den kop van een reusachtigen dog.
+
+Hij lag in een hondenhok!
+
+Daar hij zelf sterk en onverschrokken was, nam hij zijn stok,
+gebruikte zijn ransel tot schild, en kroop zoo goed hij kon uit het
+hok, evenwel niet zonder zijn lompen nog haveloozer te maken.
+
+Hij verliet eveneens den tuin, maar langzaam achteruit tredende en
+steeds de batonneerkunst in praktijk brengende, ten einde den dog in
+bedwang te houden.
+
+Toen hij, niet zonder moeite, weder over de heining was gekomen en zich
+opnieuw alleen, zonder nachtverblijf, zonder dak, zonder schuilplaats
+op de straat bevond, zelfs van dat strooleger en uit dat ellendig hok
+verjaagd, liet hij zich op een steen eer vallen dan hij er zich op
+zette, en, zoo het schijnt, moet een voorbijganger hem hebben hooren
+uitroepen: Ik ben zelfs geen hond!
+
+Weldra stond hij weder op en ging verder, buiten de stad, in de
+hoop een boom of een hooiberg op het veld te zullen vinden om hem
+te beschutten.
+
+Zoo ging hij met gebogen hoofd eenigen tijd voort. Toen hij zich
+verre van eenige menschelijke woning zag, sloeg hij de oogen op, en om
+zich heen. Hij was op een veld en zag voor zich een dier met stoppels
+bedekte hoogten, welke na den oogst kaal geschoren hoofden gelijken.
+
+Aan den horizon was alles donker; 't was niet alleen de nachtelijke
+duisternis, 't waren lage wolken, die op den heuvel schenen te rusten
+en den geheelen hemel bedekten. Maar wijl de maan opging en er aan
+de kim nog eenig licht schemerde, vormden de wolken aan den hemel een
+soort van wit gewelf, waaruit op aarde eenige helderheid nederdaalde.
+
+De aarde was dus meer verlicht dan de hemel, wat steeds eene bijzonder
+onaangename uitwerking doet; en de omtrek van den lagen nietigen
+heuvel kwam flauw en bleek tegen den donkeren horizon uit. Dit geheel
+tooneel was somber, akelig, benauwend. Er was op het veld en op den
+heuvel niets, dan een wanstaltige boom, die, op eenige schreden van
+den reiziger, al huiverende verdorde. Deze man bezat blijkbaar niets
+van den fijnen, geestigen zin, waardoor men voor de geheimzinnige
+opvatting der dingen vatbaar is; in deze lucht, in deze vlakte en in
+dezen boom was echter iets zoo sombers, dat hij, na een oogenblik
+stilgestaan en gemijmerd te hebben, eensklaps omkeerde. Er zijn
+oogenblikken, waarin de natuur ons vijandig schijnt.
+
+Hij keerde dus terug. De poorten van Digne waren gesloten. Deze stad,
+welke in de religie-oorlogen meermalen belegerd is geweest, was in 1815
+nog door oude muren met vierkante torens omgeven, die sedert geslecht
+zijn. Door een opening in den muur ging de man de stad weer binnen.
+
+'t Kon omstreeks acht uur in den avond zijn geweest. Wijl hij de
+straten niet kende, begon hij weder op goed geluk af zijn wandeling.
+
+Zoo kwam hij aan de prefectuur, vervolgens aan het seminarie. Toen
+hij over het plein der hoofdkerk ging, hief hij tegen de kerk zijn
+vuist op.
+
+Op den hoek van dit plein is een boekdrukkerij. Daar werden het eerst
+de proclamatiën des keizers en der keizerlijke garde aan het leger
+gedrukt, die van het eiland Elba medegebracht, door Napoleon zelven
+gedicteerd waren.
+
+Uitgeput van vermoeidheid en geen hoop meer hebbende, strekte de man
+zich op de steenen bank uit, die bij de deur dier drukkerij stond.
+
+Een oude vrouw kwam juist uit de kerk. Zij zag dezen man in den
+donker liggen.
+
+"Wat doet ge hier, vriend?" vroeg zij.
+
+Op ruwen, strengen toon antwoordde hij:--"Gij ziet immers, goede vrouw,
+dat ik mij te slapen leg."
+
+De goede vrouw, welke dien naam inderdaad verdiende, was de markiezin
+de R.
+
+"Op deze bank?" hernam zij.
+
+"Gedurende negentien jaren heb ik op een houten bed geslapen," zei
+de man, "nu heb ik er een van steen."
+
+"Zijt gij soldaat geweest?"
+
+"Ja, goede vrouw, soldaat."
+
+"Waarom gaat ge niet naar de herberg?"
+
+"Wijl ik geen geld heb."
+
+"Helaas," zei mevrouw R. "ik heb slechts vier stuivers in mijn beurs."
+
+"Schenk ze mij."
+
+De man nam de vier stuivers. Mevrouw de R. hernam:--"Voor dit weinige
+kunt ge in een herberg niet slapen. Hebt ge 't reeds beproefd? Ge kunt
+onmogelijk den nacht zoo doorbrengen. Ge hebt ongetwijfeld honger en
+zijt koud. Men had u uit menschlievendheid moeten huisvesten."
+
+"Ik heb overal aangeklopt."
+
+"En?"
+
+"Men heeft mij overal weggejaagd."
+
+De "goede vrouw" legde haar hand op den arm van den man en wees
+hem aan de andere zijde van het plein een laag huis, naast het
+bisschoppelijk paleis.
+
+"Gij zegt, dat ge overal hebt aangeklopt?"
+
+"Ja."
+
+"Hebt ge dáár aangeklopt?"
+
+"Neen."
+
+"Klop daar dan aan."
+
+
+
+
+
+
+TWEEDE HOOFDSTUK.
+
+VOORZICHTIGHEID GA MET WIJSHEID GEPAARD.
+
+
+Op dien avond was de bisschop van Digne, na zijn gewone wandeling door
+de stad, tamelijk lang in zijn kamer gebleven. Hij hield zich met een
+groot werk over de "Plichten" bezig, dat helaas niet voltooid is. Met
+zorg verzamelde hij alles wat de kerkvaders en leeraars over dit
+gewichtige onderwerp gezegd hadden. Zijn boek bevatte twee afdeelingen:
+ten eerste de plichten van allen; ten tweede de plichten van ieder,
+naar de klasse waartoe hij behoort. De plichten van allen zijn de
+groote plichten. Zij zijn vier in getal. Mattheus wijst ze aan:
+plichten jegens God, plichten jegens zich zelven, plichten jegens den
+naaste, plichten jegens de schepselen. De overige plichten had de
+bisschop elders aangewezen en voorgeschreven gevonden; aan de vorsten
+en onderdanen, in den brief aan de Romeinen; aan de overheid, aan de
+vrouwen, moeders en jongelingen, door Petrus; aan de mannen, vaders,
+kinderen en dienstboden, in den brief aan de Ephezen; aan de
+geloovigen, in den brief aan de Hebreeën; aan de maagden, in den brief
+aan de Corinthen.
+
+Al deze voorschriften werkte hij tot een harmonisch geheel uit,
+'t welk hij der wereld wilde aanbieden.
+
+Des avonds te acht uren was hij nog werkzaam, en schreef tamelijk
+lastig op kleine blaadjes, met een groot opengeslagen boek op de
+knieën, als Magloire, naar gewoonlijk, binnentrad om het zilverwerk
+uit het kastje bij het bed te nemen. Een oogenblik daarna sloeg de
+bisschop, bevroedende dat de tafel gedekt was en zijn zuster hem
+misschien wachtte, het boek dicht, stond op en trad de eetkamer binnen.
+
+Deze eetkamer was een langwerpig vertrek met een schoorsteen, met
+een deur aan de straat (zooals gezegd is), en een raam, dat in den
+tuin uitzag.
+
+Magloire was met het dekken der tafel bezig. Ondertusschen sprak zij
+met mejuffrouw Baptistine.
+
+Op de tafel stond een lamp; de tafel zelve stond bij den
+schoorsteen. Een goed vuur brandde in den haard.
+
+Men kan zich gemakkelijk deze twee vrouwen voorstellen, die beide de
+zestig gepasseerd waren: Magloire, klein, dik, levendig; mejuffrouw
+Baptistine zachtaardig, mager, zwak, iets grooter dan haar broeder,
+gekleed in een puce-kleurig zijden japon, een modekleur van 1806,
+welke zij destijds te Parijs had gekocht en nog droeg. Om eene der
+gemeenzame zegswijzen te gebruiken, welke de verdienste hebben met een
+enkel woord het denkbeeld uit te drukken, dat een geheele bladzijde
+nauwelijks zou kunnen aanduiden, Magloire zag er uit als een boerin,
+en mejuffrouw Baptistine als een dame. Magloire droeg een wit geplooid
+mutsje, aan den hals een gouden kruis, het eenige vrouwelijke gouden
+sieraad, dat in het huis was, een helder wit halsdoekje, dat uit
+een zwart wollen kleed met wijde, korte mouwen te voorschijn kwam,
+een voorschoot van rood-en-groen geruit katoen, met een groenen band
+om het lijf gebonden, en met een dergelijk borststuk, dat boven aan
+de punten met twee spelden was vastgehecht, plompe schoenen en gele
+kousen, zooals de vrouwen te Marseille dragen. De japon van mejuffrouw
+Baptistine was gemaakt naar de mode van 1806: kort lijf, engen rok,
+mouwen met opslagen en knoopen. Haar grijs haar was onder een gekruld
+naturelletje, à l'enfant verborgen. Magloire had een schrander,
+levendig en goed gezicht; de beide hoeken van haar mond, die niet op
+gelijke hoogte waren, en de bovenlip, die dikker dan de onderlip was,
+gaven haar iets barschs en heerschzuchtigs. Zoolang Monseigneur zweeg,
+sprak zij, op half eerbiedigen, half vrijen toon, tamelijk onbeschroomd
+tot hem, doch zoodra Monseigneur sprak, gehoorzaamde zij even lijdelijk
+als mejuffrouw Baptistine, gelijk wij gezien hebben. Deze sprak
+zelfs niet, en bepaalde er zich toe te gehoorzamen en voorkomend te
+zijn. Zelfs in haar jeugd was zij niet mooi geweest; zij had groote,
+eenigszins uitpuilende oogen, en een langen, smallen neus; maar haar
+gelaat, haar geheele persoon drukte, gelijk vroeger gezegd is, een
+oneindige goedheid uit. Zij was steeds tot zachtmoedigheid gestemd
+geweest; maar de hoop, het geloof en de liefde, deze drie deugden,
+welke het hart zacht verwarmen, hadden allengs deze zachtmoedigheid
+tot heiligheid verheven. De natuur had haar een lam, de godsdienst
+een engel gemaakt. Arme vrome dochter! Verdwenen zoete herinnering!
+
+Mejuffrouw Baptistine heeft sedert zoo dikwerf het gebeurde van dien
+avond in de bisschoppelijke woning verhaald, dat verscheiden thans
+nog in leven zijnde personen zich daarvan de kleinste bijzonderheden
+herinneren.
+
+Toen de bisschop binnentrad, sprak Magloire met eenige levendigheid
+tot mejuffrouw over een zaak, die haar gedurig bezighield en waaraan
+de bisschop reeds gewoon was; namelijk over de klink der voordeur.
+
+Het schijnt, dat Magloire, die eenige benoodigdheden voor het avondeten
+was gaan koopen, op verschillende plaatsen 't een en ander had hooren
+verhalen van een verdachten landlooper en spitsboef, die in de stad
+was gekomen en er zich moest ophouden, zoodat degenen, die dien nacht
+laat op straat waren, gevaar konden loopen. Dat de politie buitendien
+in zeer slechten staat was, aangezien mijnheer de prefect en mijnheer
+de maire geen vrienden waren en elkander in ongelegenheid trachtten
+te brengen door onaangename tooneelen te doen plaats hebben. De
+voorzichtige burgers moesten dus zelve voor de politie zorgen en
+zich beschermen; zij moesten zorgvuldig alles sluiten en grendelen,
+"bovenal de voordeuren."
+
+Magloire drukte op deze laatste woorden; maar de bisschop kwam uit
+zijn kamer, waar het tamelijk koud was geweest, nam plaats aan den
+haard, warmde zich en dacht aan andere zaken. Hij lette dus niet op 't
+geen Magloire gezegd had. Zij herhaalde het. Nu waagde het mejuffrouw
+Baptistine, die Magloire welgevallig wilde zijn, zonder haar broeder
+te mishagen, bedeesd te vragen:
+
+"Hoort ge, lieve broeder, wat Magloire zegt?"
+
+"Ik heb er iets van gehoord," antwoordde de bisschop. Hij draaide
+zijn stoel ten halve om, legde zijn beide handen op de knieën, en
+zijn goedhartig, vriendelijk gelaat, dat door het vuur beschenen werd,
+naar de oude dienstmaagd keerende vroeg hij:
+
+"Nu, wat is er? wat is er? Worden wij door eenig groot gevaar
+bedreigd?"
+
+Toen verhaalde Magloire haar geheele geschiedenis, onwillekeurig
+met eenige overdrijving. Een heiden, een schooier, een soort van
+gevaarlijke bedelaar zou in de stad zijn! Hij was bij Jacquin
+Labarre geweest om er te logeeren, maar deze had hem niet willen
+opnemen. Men had hem de voorstad Gassendi zien inkomen en tegen den
+avond de straten zien doorkruisen. Een roover en moordenaar met een
+verschrikkelijk gezicht.
+
+"Waarlijk?" zei de bisschop.
+
+Deze vraag moedigde Magloire aan om voort te gaan, en scheen aan te
+duiden dat de bisschop niet volkomen gerust was; derhalve voer zij
+zegevierend voort:
+
+"Ja, Monseigneur; 't is zooals ik zeg. Er gebeurt van nacht zekerlijk
+een ongeluk in de stad. Iedereen zegt het. En daarbij is de politie
+heel slecht (nuttige herinnering). In een bergstreek te wonen en niet
+eens des nachts lantaarns op de straat te hebben! Zoo men uitgaat,
+is 't er donker als in een oven! Ik zeg u, Monseigneur, en mejuffrouw
+zegt het ook..."
+
+"Ik!" viel de zuster de spreekster in de rede, "ik zeg niets. Zooals
+mijn broeder doet is 't mij wel."
+
+Magloire vervolgde, als ware er geen tegenspraak geschied:
+
+"Wij zeiden dat dit huis volstrekt niet veilig is, dat, zoo Monseigneur
+het veroorlooft, ik Paulin Musebois, den smid zal gaan zeggen, dat
+hij de grendels weder aan de deur moet maken; zij zijn er nog, 't
+is in een oogenblik gedaan. Ik zeg u, Monseigneur, dat wij grendels
+moeten hebben, al ware het alleen voor dezen nacht; want niets is
+verschrikkelijker, dan een deur, die met een klink van buiten geopend
+kan worden door den eerste den beste, en Monseigneur heeft de gewoonte
+ieder maar binnen te laten, al is 't ook midden in den nacht; lieve
+Hemel, men behoeft niet eens verlof te vragen..." Op dit oogenblik
+werd juist vrij hard aan de deur geklopt.
+
+"Binnen," riep de bisschop.
+
+
+
+
+
+
+DERDE HOOFDSTUK.
+
+HELDENMOED DER LIJDELIJKE GEHOORZAAMHEID.
+
+
+De deur werd, met drift, wijd geopend, als door iemand die evenzeer
+kracht als stoutmoedigheid bezit.
+
+Een man trad binnen.
+
+Wij kennen hem reeds. 't Is de voetreiziger, dien wij straks een
+nachtverblijf hebben zien zoeken.
+
+Hij trad binnen, naderde een schrede, en bleef staan, de deur achter
+zich open latende. Hij had den ransel op den rug, zijn stok in de
+hand, een uitdrukking van ruwheid, vermetelheid, vermoeidheid en
+drift in de oogen. Het schijnsel van het vuur verlichtte hem. Hij
+was afschuwelijk. 't Was een onaangename verschijning.
+
+Magloire had zelfs de kracht niet een kreet te uiten. Zij stond met
+open mond te beven.
+
+Mejuffrouw Baptistine keerde zich om, zag den man die binnentrad en
+richtte zich, verschrikt, half op, doch wendde weder langzaam haar
+hoofd naar den haard, zag haar broeder aan, en haar gelaat werd weder
+volkomen kalm en onbezorgd.
+
+De bisschop vestigde een rustigen blik op den man. Toen hij den
+mond opende, waarschijnlijk om den binnengetredene te vragen wat
+hij begeerde, legde de man beide handen over elkander op zijn stok,
+zag beurtelings den grijsaard en de vrouwen aan, en zeide luid,
+zonder te wachten tot de bisschop sprak:
+
+"Hoor! ik heet Jean Valjean. Ik ben een galeiboef. Ik heb negentien
+jaren in 't bagno doorgebracht. Sinds vier dagen ben ik ontslagen
+en op weg naar Pontarlier, de plaats mijner bestemming. Sinds vier
+dagen ben ik van Toulon op weg. Vandaag heb ik twaalf uren te voet
+afgelegd. Toen ik vanavond in de stad kwam, ging ik naar een herberg,
+waar men mij afwees, uithoofde van mijn geel paspoort, dat ik aan
+'t Stadhuis had vertoond. Ik moest dit. Toen ging ik naar een andere
+herberg. Daar zeide men tot mij: "Ga heen!" Niemand wilde met mij te
+doen hebben. Ik ging naar de gevangenis, de portier wilde mij de deur
+niet openen. Ik kroop in een hondenhok. De hond beet en verjoeg mij,
+als ware hij een mensch geweest. Hij scheen te weten, wie ik was. Toen
+ging ik naar het veld, om onder den blooten hemel te slapen. Er was
+geen ster te zien. Ik meende, dat het zou regenen en er geen goede
+God was om den regen tegen te houden; ik keerde dus naar de stad terug
+om er een schuilplaats te zoeken. Ginds op het plein wilde ik op een
+steenen bank gaan slapen, toen een goede vrouw mij uw huis wees en
+zeide: "klop daar aan!" Ik heb geklopt. Wat is 't hier? Is 't hier
+een herberg? Ik heb geld, mijn opgespaard loon. Honderd negen francs,
+vijftien sous, die ik in bagno door mijn arbeid in negentien jaren
+verdiend heb. Ik wil betalen. Wat kan 't mij schelen? Ik heb geld. Ik
+ben zeer vermoeid;--twaalf uren loopens, ik heb grooten honger. Mag
+ik blijven?"
+
+"Magloire," zei de bisschop, "dek voor nog een persoon."
+
+De man deed drie schreden en naderde de lamp, die op de tafel
+stond. "Spreek," zeide hij, als hadde hij 't niet begrepen. "Hebt
+ge mij verstaan? Ik ben een galeiboef, een tuchteling. Ik kom van
+de galeien." Hij haalde een groot geel papier uit zijn zak, dat hij
+opensloeg.--"Hier is mijn paspoort, ziet ge, 't is geel. Dit dient
+om mij overal te doen wegjagen, waar ik kom. Wilt ge 't lezen? Ik
+kan lezen; ik heb 't in 't bagno geleerd. Er is een school voor
+hen, die leeren willen. Zie, wat men in het paspoort gezet heeft:
+"Jean Valjean, ontslagen galeiboef, geboren te..." dat doet er niet
+toe... "is negentien jaar in het bagno geweest. Vijf jaren wegens
+diefstal met inbraak. Veertien jaren wegens viermaal herhaalde poging
+tot ontvluchting. Deze man is zeer gevaarlijk." Dat staat er. Iedereen
+heeft mij uitgeworpen. Wilt gij mij ontvangen? Is dit een herberg? Wilt
+ge mij te eten en een nachtverblijf geven? hebt ge een stal?"
+
+"Magloire," zei de bisschop, "leg schoone lakens op het bed in
+de alkoof."
+
+Wij hebben reeds gezegd van welken aard de gehoorzaamheid der beide
+vrouwen was.
+
+Magloire ging om het bevel te volvoeren.
+
+De bisschop zeide nu tot den man:
+
+"Ga zitten, mijn vriend, en warm u. Wij gaan terstond aan den maaltijd,
+en terwijl ge eet zal men uw bed gereed maken."
+
+Nu begreep de man volkomen. De uitdrukking van zijn gelaat, tot
+hiertoe somber en hard, gaf verbazing, twijfel, blijdschap, een
+onbeschrijfelijk gevoel te kennen. Hij stotterde als een waanzinnige!
+
+"Hoe? wat? inderdaad? Gij houdt mij? gij verjaagt mij niet? een
+galeiboef! gij noemt mij "mijn vriend!" Gij snauwt mij niet af: weg
+hond! zooals men mij steeds doet. Ik meende, dat ge mij wel zoudt
+wegjagen. Daarom zeide ik dadelijk wie ik ben. O, de goede vrouw,
+die mij hierheen heeft gewezen! Ik zal eten! Een bed met matrassen en
+lakens! zooals iedereen heeft! een bed! Sedert negentien jaren heb ik
+op geen bed geslapen! Gij meent immers dat ik mag blijven? Gij zijt
+brave lieden. Ik heb trouwens geld, en zal goed betalen. Vergeving,
+mijnheer de herbergier, hoe heet ge? ik zal betalen wat ge vraagt. Ge
+zijt een braaf man. Ge zijt herbergier, niet waar?
+
+"Ik ben een priester, die hier woont," zei de bisschop.
+
+"Een priester!" herhaalde de man. "Ha, zoo, een waardig priester! Dus
+vordert ge geen geld van mij? de pastoor, niet waar? de pastoor
+van die groote kerk? Kijk, 't is waar, hoe dom, ik had uw kapje nog
+niet gezien!"
+
+Dus sprekende had hij zijn ransel en stok in een hoek gelegd, zijn
+paspoort in den zak gestoken en was gaan zitten. Mejuffrouw Baptistine
+zag hem met deelneming aan. Hij hernam:
+
+"Ge zijt menschlievend, mijnheer de pastoor, ge veracht mij niet. Een
+goed priester is iets zeer goeds. Ik behoef u dus niet te betalen?"
+
+"Neen," zei de bisschop, "behoud uw geld. Hoeveel hebt ge? Hebt ge
+mij niet gezegd: honderd negen francs?"
+
+"En vijftien sous," voegde de man er bij.
+
+"Honderd negen francs vijftien sous. Hoeveel tijd hebt ge noodig gehad,
+om dat geld te verdienen?"
+
+"Negentien jaren."
+
+"Negentien jaren!" herhaalde de bisschop met een diepen zucht.
+
+De man voer voort:--"Ik heb al mijn geld nog. In vier dagen heb ik
+slechts vijfentwintig sous uitgegeven, welke ik verdiend heb met het
+afladen van wagens te Grasse. Wijl ge een geestelijke zijt, zal ik u
+zeggen, dat wij in het bagno een aalmoezenier hadden. En eenmaal heb ik
+ook een bisschop gezien. Een Monseigneur, zooals men hem noemt. 't Was
+de bisschop de la Majore van Marseille. 't Is de pastoor, die boven
+de pastoors is. Vergeving, ge weet het beter; ik druk mij misschien
+niet goed uit, maar die dingen zijn voor mij te hoog.--Ge begrijpt,
+voor onze soort.--Hij deed midden in het bagno de mis, en hij had een
+spits ding van goud op het hoofd. Het glinsterde in de middagzon. Wij
+stonden aan drie zijden in 't gelid, tegenover ons de geladen kanonnen
+met brandende lont. Wij konden niet goed zien. Hij sprak, maar hij
+was te ver en wij konden hem niet verstaan. Dat is nu een bisschop."
+
+Terwijl hij sprak, had de bisschop de deur gesloten, die wijd open
+was gebleven.
+
+Magloire kwam terug, met bord, lepel, vork en mes, en legde 't op
+de tafel.
+
+"Magloire." zei de bisschop, "zet dit bord zoo dicht mogelijk bij het
+vuur." En zich tot zijn gast wendende:--"De nachtwind is guur in de
+Alpen. Ge moet koud zijn, mijn vriend?"
+
+Telkens wanneer hij dit woord met zijn minzame, ernstige stem en
+op hartelijken toon tot den man sprak, glinsterde diens gelaat. 't
+Woord "vriend" is voor den tuchteling als een glas water voor een
+schipbreukeling der Medusa. De schande dorst naar eer.
+
+"Deze lamp brandt slecht," zei de bisschop.
+
+Magloire begreep hem en ging om van den schoorsteen in de slaapkamer
+van Monseigneur de twee zilveren kandelaars te halen, welke zij met
+brandende kaarsen op de tafel plaatste.
+
+"Ge zijt wel zeer goed, mijnheer de pastoor, gij veracht mij niet,"
+zei de man. "Gij ontvangt mij in uw huis. Ge ontsteekt uw waskaarsen
+voor mij. Ik heb u evenwel niet verborgen, van waar ik kom en dat ik
+een ongelukkige ben,"
+
+De bisschop, die naast hem zat, legde zacht de hand op de zijne en
+zeide:--"Ge behoefdet mij niet te zeggen wie ge zijt. Dit is niet
+mijn huis, maar het huis van Jezus Christus. Deze deur vraagt den
+binnentredende niet, hoe hij heet; maar of hij lijdt. Gij lijdt,
+gij hebt honger en dorst; ge zijt dus welkom. Dank mij niet; zeg
+niet, dat ik u in mijn huis ontvang. Niemand is hier te huis, dan
+hij die een schuilplaats noodig heeft. Ik zeg u, die hier doortrekt,
+dat ge hier meer in uw huis zijt dan ik, die hier woon. Al wat hier
+is, komt u toe. Wat heb ik dus noodig uw naam te weten? Overigens,
+voor ge mij dien zeidet, hadt ge er een, dien ik kende."
+
+De man opende wijd de oogen, en vroeg:
+
+"Waarlijk! wist ge hoe ik heet?"
+
+"Ja," antwoordde de bisschop, "gij heet mijn broeder."
+
+"Zie, mijnheer de pastoor!" riep de man, "toen ik hier kwam had ik
+grooten honger, maar ge zijt zoo goed, dat ik nu niet meer weet wat
+ik heb; 't is over."
+
+De bisschop zag hem aan en zeide:
+
+"Gij hebt veel geleden?"
+
+"O, het roode buis, de kogel aan den voet, een plank om op te slapen,
+hitte, koude, arbeid, het roeien, de stokslagen, de dubbele keten
+voor niets, het cachot voor een woord, zelfs de ketens, als men ziek
+te bed ligt. De honden, de honden zijn gelukkiger! negentien jaar! ik
+ben zesenveertig jaar oud. En nu de gele pas!"
+
+"Ja," hernam de bisschop, "gij komt uit een treurige plaats. Maar
+luister! In den hemel zal meer vreugd zijn over het beschreid
+gelaat van één zondaar die zich bekeert, dan over het witte kleed
+van negenennegentig rechtvaardigen. Zoo ge dat smartelijke oord
+hebt verlaten vol haat en vijandschap tegen de menschen, zijt ge
+medelijdenswaard; zoo ge het hebt verlaten met goede, liefderijke en
+vreedzame gedachten, zijt ge meer waardig dan een onzer."
+
+Intusschen had Magloire het avondeten opgedragen: een soep,
+bestaande uit water, olie, brood en zout; een weinig spek, een stukje
+schapenvleesch, vijgen, versche kaas en een groot roggebrood. Zij had
+er, naar de gewoonte van den bisschop, een flesch ouden Mauveswijn
+bijgevoegd.
+
+Thans nam het gelaat des bisschops de opgeruimde uitdrukking aan,
+die aan gastvrije menschen eigen is:--Nu aan tafel! riep hij levendig,
+zooals hij gewoon was, wanneer hij een gast ten eten had. Hij plaatste
+den vreemdeling aan zijn rechterhand. Baptistine, die nu volkomen
+gerust en in haar gewone gemoedsstemming was, zette zich aan zijn
+linkerzijde.
+
+De bisschop sprak het gebed, toen bediende hij, als naar gewoonte,
+ieder van soep. De man at gulzig.
+
+Eensklaps zei de bisschop:--Maar mij dunkt, dat er iets op tafel
+ontbreekt.
+
+Inderdaad, Magloire had niet meer dan de noodige drie lepels en vorken
+op tafel gelegd. 't Was echter in dit huis gebruikelijk, dat, wanneer
+de bisschop iemand ten eten had, de zes zilveren lepels en vorken op
+den disch werden gelegd. Dit vertoon van weelde was in dit ernstig,
+vriendelijk huis een onschuldig kinderlijk genoegen, 't welk aan de
+armoede waardigheid verleende.
+
+Magloire begreep de aanmerking, verwijderde zich zonder een woord te
+zeggen, en een oogenblik later blonk het door den bisschop verlangde
+zilverwerk voor ieder der drie dischgenooten op het tafellaken.
+
+
+
+
+
+
+VIERDE HOOFDSTUK.
+
+BIJZONDERHEDEN AANGAANDE DE KAASMAKERIJEN TE PONTARLIER.
+
+
+Om een denkbeeld te geven van 't geen nu aan tafel plaats had, kunnen
+wij niets beter doen dan hier eenige zinsneden uit een brief van
+mejuffrouw Baptistine aan mevrouw de Boischevron over te schrijven,
+waarin het gesprek tusschen den galeiboef en den bisschop met naïeve
+uitvoerigheid verhaald wordt.
+
+
+
+"... De man lette op niemand. Hij at met de gulzigheid van een
+uitgehongerde. Evenwel zeide hij, toen het eten gedaan was:
+
+"Mijnheer de pastoor van den lieven God, dit alles is zekerlijk voor
+mij te goed; maar ik moet toch zeggen, dat de voerlieden, die mij
+niet aan hun disch wilden toelaten, beter eten dan gij.
+
+"Onder ons gezegd, deze aanmerking krenkte mij eenigszins. Mijn
+broeder antwoordde:
+
+"Hun werk is zwaarder dan het mijne."
+
+"Neen," hernam de man, "zij hebben meer geld. Ge zijt arm, ik
+zie 't wel. Misschien zijt gij niet eens pastoor. Zijt ge wel
+pastoor? Voorwaar, zoo de hemel rechtvaardig ware, zoudt ge pastoor
+moeten zijn."
+
+"De hemel is meer dan rechtvaardig," zei mijn broeder.
+
+"Een oogenblik later liet hij er op volgen:
+
+"Vriend Valjean, ge gaat naar Pontarlier, niet waar?
+
+"Volgens de mij voorgeschreven marschroute.
+
+"Ik geloof, dat de man zoo zeide.
+
+"Toen vervolgde hij:
+
+"Morgen zoodra de dag aanbreekt moet ik op weg zijn. 't Is moeielijk
+reizen; des nachts koud, overdag heet."
+
+"Ge gaat naar een goed gewest," zei mijn broeder. Tijdens de
+revolutie verloor mijn familie alles; ik nam vooreerst de wijk naar
+Franche-Comté, waar ik eenigen tijd door handenarbeid leefde. Mijn
+wil was goed, en ik vond er werk. Men behoeft slechts te kiezen: er
+zijn papiermolens, leerlooierijen, brandewijnstokerijen, oliepersen,
+groote fabrieken van uurwerken, staal- en koperfabrieken, ten minste
+twintig ijzersmelterijen, waarvan vier te Lods, voorts te Chatillon,
+te Audincourt, te Beure, die alle zeer belangrijk zijn...
+
+"Ik geloof dat ik mij niet vergis en dit de namen zijn, welke mijn
+broeder noemde; toen richtte hij zich tot mij met de vraag:
+
+"Hebben wij in dat land niet nog verwanten, lieve zuster?
+
+"Ik antwoordde:
+
+"Wij hebben er gehad, onder anderen mijnheer de Lucenet, die tijdens
+de vorige regeering te Pontarlier kapitein der poorten was.
+
+"Ja," hernam mijn broeder, "maar in 93 had iemand slechts zijn handen
+en geen familie. Ik heb gewerkt. In de omstreken van Pontarlier,
+waarheen ge gaat, vriend Valjean, wordt een zeer aartsvaderlijke en
+schoone industrie uitgeoefend, namelijk de kaasmakerij."
+
+"Terwijl de man at, gaf mijn broeder hem eenige nauwkeurige
+inlichtingen nopens die kaasmakerijen. Er zijn twee soorten:--de
+groote, die aan de rijken behooren en die veertig of vijftig koeien
+hebben, welke elken zomer zeven of acht duizend kazen opleveren;
+en de vereenigde kaasmakerijen van de minder welgestelde boeren van
+het midden-gebergte, welke hun koeien in gemeenschap houden en de
+opbrengst er van deelen. Zij nemen een kaasmaker in hun dienst, dien
+zij grurin noemen;--deze ontvangt driemaal daags de melk der vennooten
+en teekent de hoeveelheid er van op een dubbelen kerfstok aan; tegen
+het einde der maand April begint het werk der kaasmakerijen;--en
+tegen half Juni drijven de kaasmakers hun koeien naar het gebergte.
+
+"Al etende werd de man levendiger. Mijn broeder schonk hem goeden
+wijn van Mauves, dien hij zelf niet drinkt, wijl hij hem te duur
+vindt. Mijn broeder zeide den man al deze bijzonderheden met zijn u
+bekende gulle vroolijkheid, en mengde nu en dan onder zijn woorden
+iets vleiends voor mij.
+
+"Hij weidde vooral uit over het goede beroep van den grurin
+(kaasmaker), als wilde hij den man te verstaan geven, zonder het hem
+rechtstreeks aan te raden, dat dit een uitstekend middel van bestaan
+voor hem zou zijn. Één ding trof mij. De man was, wat ik u gezegd
+heb. Maar mijn broeder sprak onder het eten, en ook den geheelen avond,
+behalve bij zijn binnenkomen eenige woorden over Jezus, niets wat den
+man kon herinneren aan 't geen hij was, noch hem kon doen weten wat
+mijn broeder is. 't Was echter een goede gelegenheid geweest voor een
+kleine predikatie, om den galeiboef te doen opmerken, dat hij met een
+bisschop te doen had. Het zou misschien een ander zijn voorgekomen, dat
+het hier, waar hij zulk een rampzalige voor zich had, zaak was geweest
+zijn ziel evenzeer als zijn lichaam te voeden en hem eenige vermaningen
+en zedenlessen te geven en hem aan te sporen zich voortaan beter te
+gedragen. Mijn broeder vroeg hem evenmin naar zijn geboorteplaats als
+naar zijn geschiedenis. Want in zijn geschiedenis lag zijn misdrijf
+opgesloten, en mijn broeder scheen alles te vermijden, wat er hem aan
+kon herinneren. Dit ging zelfs zoo ver, dat toen mijn broeder sprak van
+de bergbewoners van Pontarlier, die "een licht werk, nabij den hemel,
+hebben en die," voegde hij er bij, "gelukkig zijn door hun onschuld,"
+hij plotseling ophield, vreezende dat in deze woorden, welke hem
+ontglipt waren, iets mocht liggen dat den man had kunnen grieven. Na
+rijpe overweging meen ik begrepen te hebben, wat in het hart mijns
+broeders omging. Hij meende waarschijnlijk, dat deze man, deze Jean
+Valjean, maar al te veel aan zijn tegenwoordige ellende dacht, dat
+het beter was er hem van af te leiden, en, al ware het maar voor een
+oogenblik, hem te doen gelooven, dat hij iemand was als ieder ander,
+door jegens hem als jegens ieder ander te zijn. Is dat niet inderdaad
+het rechte betoon van liefdadigheid? Is er niet, lieve mevrouw, iets
+waarlijk evangelisch in deze kieschheid, welke zich van prediking,
+zedenlessen en toespelingen onthoudt en, zoo de mensch een pijnlijke
+plek heeft, is 't niet het beste medelijden, die in 't geheel niet
+aan te raken? Het scheen mij, dat dit de heimelijke bedoeling mijns
+broeders was. Hoe het zij, wat ik er van zeggen kan is, dat zoo hij
+zulks bedoeld heeft, hij er niets van heeft laten blijken, zelfs niet
+tegen mij; hij was van 't begin tot het einde dezelfde man als elken
+avond en at met dien Jean Valjean op dezelfde wijze als hij met den
+heer Gédéon of met den heer pastoor der parochie zou gegeten hebben.
+
+"Tegen het einde van den maaltijd, toen wij aan de vijgen waren,
+werd er aan de deur geklopt. 't Was vrouw Gerbaud met haar kind op
+den arm. Mijn broeder kuste het kindje op 't voorhoofd en leende
+van mij vijftien stuivers, die ik in mijn beurs had, om ze aan
+vrouw Gerbaud te geven. De man sloeg weinig acht op dit alles. Hij
+sprak niet meer en scheen zeer vermoeid. Toen de arme oude vrouw
+Gerbaud vertrokken was, dankte mijn broeder, en zich daarna tot
+den man wendende zeide hij: ge hebt er zeker groote behoefte aan,
+naar bed te gaan. Magloire nam schielijk de tafel af. Ik begreep dat
+wij ons moesten verwijderen om den reiziger naar bed te laten gaan,
+en wij gingen beiden naar boven. Een oogenblik later zond ik echter
+Magloire terug, om op het bed van dien man het vel eener reegeit uit
+het Schwarzwald te leggen, dat in mijn kamer ligt. De nachten zijn
+koud en zulk een vel verwarmt. 't Is jammer, dat het zoo oud is;
+het verliest al zijn haar. Mijn broeder heeft het gekocht toen hij
+in Duitschland was, te Tottlingen, nabij de bronnen van den Donau,
+zooals ook het mesje met ivoren hecht, waarvan ik mij aan tafel bedien.
+
+"Magloire kwam spoedig terug, en wij deden ons gebed in de zaal waar
+het linnen wordt gedroogd, waarna wij elk naar onze kamer gingen,
+zonder een woord te spreken."
+
+
+
+
+
+
+VIJFDE HOOFDSTUK.
+
+GERUSTHEID.
+
+
+Na zijn zuster goeden nacht te hebben gezegd, nam Monseigneur Bienvenu
+een der zilveren kandelaars van de tafel, gaf den anderen aan zijn
+gast en zeide:
+
+"Ik zal u naar uw kamer brengen, mijn vriend!"
+
+De man volgde hem.
+
+Zooals men in het voorafgaande heeft kunnen opmerken, was de woning
+zoodanig ingericht dat men, om in de bidkamer waar de alkoof was te
+komen, de slaapkamer van den bisschop moest doorgaan.
+
+Juist toen hij door die kamer ging, sloot Magloire het zilverwerk in
+het kastje naast het bed. Dit was het laatste, wat zij iederen avond
+verrichtte, vóór zij naar bed ging.
+
+De bisschop geleidde zijn gast naar de alkoof, waar een helder,
+frisch bed was gespreid. De man zette den kandelaar op een tafeltje.
+
+"Nu," zei de bisschop, "ik wensch u een goeden nacht. Morgen vroeg,
+vóór gij heengaat, zult ge een kom warme melk van onze koeien te
+drinken hebben."
+
+"Ik dank u, mijnheer de pastoor," zei de man.
+
+Nauwelijks had hij deze vreedzame woorden gezegd, toen zich plotseling
+en zonder eenige aanleiding een zonderling gevoel van hem meester
+maakte, een gevoel, dat de twee vrome dochters, zoo zij er getuigen
+van waren geweest, met schrik zou vervuld hebben! Zelfs thans nog zou
+'t ons moeielijk zijn, een verklaring te geven van 't geen hem in dien
+oogenblik bewoog. Wilde hij waarschuwen of dreigen? Gehoorzaamde hij
+eenvoudig aan een soort van instinctmatige, hem zelven onverklaarbare
+aandrift? Hij keerde zich eensklaps naar den bisschop om,--kruiste
+de armen, en zijn gastheer met een wilden blik aanziende, riep hij
+hem met een ruwe stem toe:
+
+"Zoo, ge wilt mij dus stellig huisvesten; en zoo dicht bij u?"
+
+Hij hield eensklaps op, en hernam toen met een vreeselijken lach :
+
+"Hebt ge u wel goed bedacht? Wie zegt u, dat ik geen moordenaar ben?"
+
+De bisschop antwoordde:
+
+"Dit is de zaak van den goeden God."
+
+Toen, de lippen bewegende als iemand die bidt of bij zich zelven
+spreekt, hief hij ernstig de twee voorste vingers zijner rechterhand
+op en zegende den man, die niet boog; en zonder het hoofd te wenden,
+of achterom te zien, trad hij zijn kamer binnen. Wanneer iemand in de
+alkoof sliep, was het altaar achter een groot sergen gordijn, dat van
+den eenen kant der bidkamer tot den anderen reikte, verborgen. Voor
+dit gordijn gekomen knielde de bisschop en deed een kort gebed.
+
+Een oogenblik later was hij in zijn tuin, daar wandelend, peinzend,
+aanschouwend, terwijl ziel en geest geheel vervuld waren met die
+grootsche en geheimzinnige dingen, welke God des nachts hun openbaart,
+wier oogen open blijven.
+
+Wat den vreemde betreft, hij was werkelijk zoo vermoeid, dat hij niet
+eens van zijne schoone beddelakens gebruik maakte. Na met den neus,
+gelijk de tuchtelingen doen, de kaars te hebben uitgeblazen, liet hij
+zich geheel gekleed op het bed neervallen en geraakte spoedig in een
+diepen slaap.
+
+Het was middernacht, toen de bisschop uit den tuin weder in zijn
+kamer trad. Weinige minuten later sliep alles in het kleine huis.
+
+
+
+
+
+
+ZESDE HOOFDSTUK.
+
+JEAN VALJEAN.
+
+
+Tegen middernacht werd Jean Valjean wakker.
+
+Jean Valjean was van een arme boerenfamilie in la Brie. Als kind had
+hij niet leeren lezen. Toen hij den mannelijken leeftijd had bereikt,
+was hij boerenarbeider en boomsnoeier te Faverolles. Zijn moeder heette
+Jeanne Matthieu; zijn vader Jean Valjean of Vlajean, waarschijnlijk
+een bijnaam, samengetrokken uit Voilà Jean (ziedaar Jan).
+
+Jean Valjean was een in zich zelven gekeerd karakter, zonder juist
+treurig te zijn; hij had iets dat den zachtmoedige eigen is. Over
+'t geheel was hij wel eenigszins droomerig en stumperig, althans
+naar het uiterlijke. Op zeer jongen leeftijd had hij zijn ouders
+verloren. Zijn moeder was bij zijn geboorte gestorven, aan een koorts
+die niet goed behandeld was. Zijn vader, evenals hij een boomsnoeier,
+was uit een boom gevallen en daardoor gestorven. Aan Jean Valjean bleef
+toen slechts een oudere zuster over, die weduwe was met zeven kinderen,
+jongens en meisjes. Deze zuster had Jean Valjean opgevoed, en, zoolang
+haar man leefde, aan haar jongeren broeder woning en kost gegeven. Haar
+man stierf. De oudste der zeven kinderen was acht jaar, de jongste
+één jaar oud. Jean Valjean was toen in zijn vijf-en-twintigste. Hij
+verving den vader, en ondersteunde nu op zijn beurt zijn zuster,
+die hem had opgevoed. Jean Valjean achtte dit eenvoudig zijn plicht
+en volbracht dien, schoon hij er ook een weinig onder gedrukt ging.
+
+Aldus ging zijn jeugd in zwaren, slecht betaalden arbeid voorbij. Men
+wist in zijn woonplaats niet dat hij ooit een meisje bemind had. Hij
+had geen tijd om verliefd te zijn.
+
+Des avonds kwam hij vermoeid te huis en at zijn soep zonder een woord
+te spreken. Zijn zuster, moeder Jeanne, nam vaak, terwijl hij at,
+het beste van zijn maal, een stukje vleesch, een sneetje spek, het
+hart der kool, uit zijn schotel, om 't aan een van haar kinderen te
+geven. Hij at steeds voort, over de tafel gebogen, schier met het
+hoofd in den schotel, zoodat zijn lang haar over zijn oogen hing,
+waardoor hij niets scheen te zien en alles zijn gang liet gaan.
+
+Te Faverolles, niet ver van de hut van Valjean, aan de overzijde,
+woonde een boerin, Marie Claude. De steeds hongerige kinderen Valjean
+gingen soms op naam hunner moeder bij Marie Claude een pint melk
+borgen, welke zij achter een heg of in een verscholen hoek opdronken,
+waarbij ze elkander dikwijls den pot uit de hand trokken en zoo
+gulzig waren, dat de kleinere meisjes de melk over haar boezelaars
+stortten. Zoo de moeder achter deze ondeugende streken ware gekomen,
+zou zij de schuldigen streng gestraft hebben, maar Jean Valjean,
+hoewel er over knorrend en brommend, betaalde buiten weten der moeder
+aan Marie Claude de pint melk, en de kinderen werden niet gestraft.
+
+In den snoeitijd verdiende hij achttien stuivers daags, daarna
+verhuurde hij zich als maaier, als daglooner, als stalknecht,
+kortom voor al wat hij maar kon vinden. Zijn zuster werkte van
+haar kant insgelijks, maar wat kon zij met zeven kleine kinderen
+doen? 't Was een treurige groep, welke de ellende allengs omsloot en
+verstikte. Er kwam een harde winter. Jean had geen werk. Het gezin
+had geen brood. Letterlijk geen brood--en zeven kinderen!
+
+Op zekeren Zondagavond maakte Maubert Isabeau, de bakker op het
+kerkplein te Faverolles, zich gereed om naar bed te gaan, toen hij
+een harden slag tegen het getralied venster van den winkel hoorde. Hij
+kwam tijdig genoeg om nog een arm te zien die door een vuistslag een
+opening in het traliewerk en in het glas had gemaakt. De arm greep
+een brood en nam het mede. Isabeau liep naar buiten; de dief vluchtte
+zoo hard hij kon; Isabeau liep hem na en vatte hem. De dief had het
+brood weggeworpen; maar zijn arm bloedde nog. 't Was Jean Valjean.
+
+Dit gebeurde in 1795. Jean Valjean werd voor de rechtbank van dien
+tijd gevoerd, wegens "diefstal des nachts, gepaard met inbraak, in
+een bewoond huis." Hij had een geweer en was een uitstekend schutter;
+hij was min of meer als strooper bekend. Dit was zijn ongeluk. Er
+bestaat tegen stroopers een rechtmatig vooroordeel. De strooper,
+evenals de sluiker, wordt bijna met een roover gelijkgesteld.
+
+In 't voorbijgaan merken wij echter op, dat tusschen de eerste soort
+van misdadigers en den afschuwelijken moordenaar der steden een
+groote klove bestaat. De strooper leeft in de bosschen; de sluiker
+leeft in het gebergte of op zee. De steden brengen wreede menschen
+voort, wijl zij bedorven menschen voortbrengen. Het gebergte, de zee,
+het woud maken de menschen ruw; zij ontwikkelen den woesten aard,
+doch meestal zonder het menschelijke gevoel te vernietigen.
+
+Jean Valjean werd schuldig verklaard. De termen van het wetboek
+spraken duidelijk. In onze beschaving zijn vreeselijke oogenblikken:
+'t zijn die, waarin de strafwet een schipbreuk uitspreekt. Welk een
+ontzettende minuut, wanneer de maatschappij zich van een denkend wezen
+terrugtrekt en het voor altijd verstoot. Jean Valjean werd tot vijf
+jaren galeistraf veroordeeld.
+
+Den 22 April 1796 riep men te Parijs de overwinning van Montenotte uit,
+behaald door den opperbevelhebber van het Italiaansche leger, dien de
+boodschap van het directoire aan de Vijfhonderd, den 2 floreal van
+het jaar IV, Buona-Parte noemt. Dienzelfden dag werd te Bicêtre een
+lange keten van tuchtelingen aaneengesmeed. Jean Valjean behoorde
+tot dien keten. Een oud oppasser dier gevangenis, die thans bijna
+negentig jaar oud is, herinnert zich nog duidelijk den ongelukkige,
+die in den noorderhoek der binnenplaats aan 't uiterste punt der
+vierde keten geklonken werd. Evenals de overigen zat hij op den grond
+en scheen van zijn toestand geen ander begrip te hebben, dan dat die
+vreeselijk was. Waarschijnlijk stelde zich de benevelde verbeelding van
+den armen, geheel onwetenden man, ook iets overdrevens voor. Terwijl
+men achter zijn hoofd met zware hamerslagen den klinknagel in den
+ijzeren halsbeugel dreef, weende hij; hij stikte in zijn tranen
+die hem beletten te spreken, slechts nu en dan gelukte het hem te
+stamelen: Ik was boomsnoeier te Faverolles. Snikkend hief hij toen zijn
+rechterhand op en liet ze zevenmaal lager en lager dalen, als legde
+hij ze achtereenvolgens op zeven hoofden van ongelijke hoogte; en men
+leidde uit dit gebaar af, dat, welke zijn misdaad ook mocht wezen,
+hij ze gepleegd had om zeven kleine kinderen te kleeden en te voeden.
+
+Hij ging naar Toulon. Na een reis van zeven-en-twintig dagen kwam
+hij hier aan, op een kar, met de keten aan den hals. Te Toulon werd
+hij in het roode buis gekleed. Alles wat zijn leven was geweest,
+werd uitgewischt, zelf zijn naam; hij was niet meer Jean Valjean;
+hij was nummer 24601. Wat werd er van zijn zuster? Wat werd er van
+de zeven kinderen? Wie bekommert zich hierover? Wat wordt van de
+bladeren des jongen booms, dien men van den stam afzaagt?
+
+'t Is altijd dezelfde geschiedenis! Deze arme levende wezens, deze
+schepselen Gods, voortaan zonder steun, zonder leidsman, zonder
+toevlucht, gingen, wie weet? ieder afzonderlijk misschien, op goed
+geluk af, hun weg, en zonken allengs in dien kouden nevelweg, waarin
+achter elkander zoovele ongelukkige hoofden op den donkeren weg van
+het menschelijk geslacht verdwijnen. Zij verlieten hun woonplaats. De
+kerktoren van hun dorp vergat hen; de grenspaal van hun akkertje vergat
+hen. Zelfs Jean Valjean, na eenige jaren verblijf in het bagno, vergat
+hen. De wond van zijn hart was in een litteeken overgegaan. Dit
+was alles. Gedurende den tijd, dien hij te Toulon doorbracht,
+hoorde hij nauwelijks eenmaal van zijn zuster spreken. Ik geloof,
+dat het tegen 't einde van het vierde jaar zijner gevangenschap was;
+ik weet niet meer op welke wijze hem dat bericht toekwam. Iemand,
+die hen in hun woonplaats had gekend, had zijn zuster te Parijs
+gezien, waar zij in een armoedige straat bij de kerk St. Sulpce,
+in de straat du Geindre, woonde. Zij had slechts één kind bij zich,
+het jongste, een knaapje. Waar waren de zes anderen? Zij wist het
+misschien zelve niet. Elken morgen ging zij naar een drukkerij in de
+straat Sabot No. 3, waar zij hielp vouwen en innaaien. Zij moest er
+'s morgens om zes uur wezen, 's winters lang voor de dag aanbrak. Er
+was een school in het huis, waarin zich de drukkerij bevond, en naar
+die school bracht zij haar zevenjarig zoontje. Maar aangezien de
+school eerst te zeven uren begon en zij te zes uren in de drukkerij
+moest wezen, moest het kind een uur op de binnenplaats wachten tot
+de school geopend werd; des winters een uur in den donker, in de open
+lucht. Men wilde het kind in de drukkerij niet toelaten, wijl het, zoo
+zeide men, hinderlijk was. Des morgens zagen de drukkersgezellen in 't
+voorbijgaan den armen kleine, nog half-slapend op den grond zittende,
+of geheel ingeslapen in een hoek op zijn mandje ineengedoken. Als 't
+regende had een oude vrouw, de portierster, medelijden met hem, zij nam
+hem in haar armoedig kamertje, waarin niets was dan een stroomatras,
+een spinnewiel en twee houten stoelen. Daar sliep de kleine dan in een
+hoek, zich dicht tegen de kat aan vlijende om zich te warmen. Te zeven
+uren werd de school geopend en hij ging er in. Dat verhaalde men aan
+Jean Valjean; 't was voor hem een oogenblik, een bliksemstraal, iets
+als een opengerukt venster, 't welk hem het lot vertoonde der wezens,
+welke hij bemind had, en dat zich dadelijk weder sloot. Nooit hoorde
+hij verder iets van hen, hij zag hen nooit weder, ontmoette hen nooit,
+en men zal ze in den loop dezer treurige geschiedenis niet wedervinden.
+
+Tegen het einde van het vierde jaar vond Jean Valjean gelegenheid om
+te ontvluchten. Zijn kameraden waren hem daarbij behulpzaam, zooals
+'t in die treurige plaats meer voorkomt. Hij vluchtte, hij zwierf
+twee dagen in vrijheid op het veld, zoo het vrijheid kon heeten,
+vervolgd te worden, elk oogenblik angstig om te zien, bij ieder
+gerucht te schrikken, voor alles bevreesd te zijn, voor den rookenden
+schoorsteen, voor den voorbijganger, voor den blaffenden hond, voor
+het galoppeerend paard, voor de slaande klok, voor den dag, wijl men
+dan ziet, voor den nacht, wijl men dan niet ziet, voor den weg, voor
+het pad, voor de haag, voor den slaap. Des avonds van den tweeden dag
+werd hij weder gevangen. Hij had in zes-en-dertig uren niet gegeten
+noch geslapen. Het maritime gerechtshof veroordeelde hem wegens dat
+misdrijf tot een driejarige vermeerdering van straf, zoodat hij nu acht
+jaren had. In het zesde jaar bood zich de gelegenheid weder aan om te
+vluchten; hij maakte er gebruik van, doch zijn vlucht mislukte. Hij
+ontbrak op het appèl. Het kanon werd gelost en des nachts vond de ronde
+hem onder de kiel van een op de helling staand schip; hij verzette zich
+tegen de gevangenbewaarders, die hem grepen. Dit was alzoo ontvluchting
+en weerspannigheid. Dit feit, waartegen door de bijzondere strafwet
+voorzien was, werd met een vermeerdering van vijf jaren gestraft,
+waarvan twee met dubbelen ketting. Dertien jaren. In het tiende jaar
+kwam hij weder in de gelegenheid, hij maakte er nogmaals gebruik
+van. Het gelukte hem niet beter, en hij kreeg drie jaren voor deze
+nieuwe poging. Zestien jaar. Eindelijk was 't, geloof ik, in het
+dertiende jaar, dat hij een laatste poging waagde, die hem slechts
+gelukte om zich vier uren later weder te zien vatten. Drie jaren voor
+deze vier uren. Negentien jaren. In October 1815 werd hij ontslagen;
+hij was er in 1796 gekomen, wijl hij een vensterruit gebroken en een
+brood gestolen had.
+
+Geven wij hier aan een kleine aanmerking plaats. Dit is de tweede
+maal, dat de schrijver van dit boek bij zijn studiën over strafrecht
+en veroordeeling door de wet, het stelen van een brood als aanvang
+vindt van het ongeluk eens menschenlevens. Claude Queux had een
+brood gestolen; Jean Valjean had een brood gestolen. Een Engelsche
+statistiek toont aan, dat te Londen vier diefstallen van de vijf uit
+honger bedreven worden.
+
+Snikkende en bevende was Jean Valjean in het bagno aangekomen;
+gevoelloos verliet hij het. Hij was er wanhopend ingegaan; somber
+ging hij er uit.
+
+Wat was er in zijn ziel omgegaan?
+
+
+
+
+
+
+ZEVENDE HOOFDSTUK.
+
+EEN BLIK IN DE WANHOOP.
+
+
+Wij zullen er een verklaring van trachten te geven.
+
+De maatschappij is wel verplicht deze zaken te overwegen, daar ze
+door haar voortgebracht worden.
+
+Jean Valjean, zooals gezegd is, was onwetend, doch niet zwak van
+geest. Het natuurlijke licht flikkerde in hem. En het ongeluk, dat
+ook zijn schijnsel heeft, vermeerderde de helderheid, welke in zijn
+geest bestond. Onder den stok, in de ketenen, in het cachot, bij den
+arbeid, onder de brandende zon van het bagno, op het planken bed der
+tuchtelingen, trok hij zich in zich zelven terug en dacht na. Hij
+verhief zich zelven tot rechtbank; hij begon zich zelven te oordeelen.
+
+Hij erkende, dat hij geen onschuldige, onrechtvaardig gestrafte
+was. Hij stemde toe, dat hij een uiterst lakenswaardige daad
+gepleegd had, dat men hem misschien dat brood niet geweigerd zou
+hebben, zoo hij het gevraagd had; dat het in allen gevalle beter
+was geweest, het óf van het medelijden óf van den arbeid te wachten;
+dat het ontegensprekelijk geen voldoende reden is te zeggen: kan men
+wachten, wanneer men honger heeft? Dat het ten eerste zelden gebeurt,
+dat men letterlijk van honger sterft; dat ten tweede--gelukkig of
+ongelukkig?--de mensch zoodanig is geschapen, dat hij, zedelijk en
+lichamelijk, veel en lang lijden verduren kan, zonder te sterven;
+dat men dus geduld moet hebben; dat dit voor de arme kleine kinderen
+beter ware geweest; dat het van hem, nietig, ongelukkig mensch, een
+dwaze daad was geweest, zich gewelddadig aan de geheele maatschappij
+te vergrijpen en zich te verbeelden, dat men door diefstal aan de
+armoede ontkomt; dat het in allen gevalle een verkeerde deur is, door
+welke men, om uit de armoede te geraken, die der schande binnengaat;
+kortom, dat hij ongelijk had gehad.
+
+Voorts vroeg hij zich af:
+
+Of hij de eenige was, die in zijn rampzalige geschiedenis ongelijk
+had gehad? Of 't, in de eerste plaats, niet een zeer erg geval was
+geweest, dat hij, een ijverig arbeider, geen werk en brood had kunnen
+vinden? Of voorts de gepleegde en bekende daad niet wreed en overmatig
+streng gestraft was? Of er niet meer verkeerds in de wet was, ten
+opzichte der straf, dan er verkeerds was geweest bij den schuldige,
+in zijn misdrijf? Of niet in een der schalen, die der boete, een
+te zwaar gewicht was gelegd? Of de overmaat der straf het misdrijf
+niet uitgewischt had, en tengevolge had gehad, dat de toestand was
+omgekeerd, door in de plaats van de schuld des misdadigers de schuld
+van den straffende te stellen, van den schuldige het slachtoffer en van
+den debiteur den crediteur te maken, zoodat ten slotte het recht aan de
+zijde van hem kwam, die het geschonden had? Of deze straf, in verband
+met de verzwaring wegens de herhaalde pogingen ter ontvluchting, niet
+ten laatste een soort van aanslag van den sterkere op den zwakkere
+werd, een misdaad der maatschappij tegen het individu, een misdaad
+die zich iederen dag herhaalde, een misdaad die negentien jaren duurde?
+
+Hij vroeg aan zich zelf, of de maatschappij het recht mocht hebben,
+haar leden te doen boeten èn voor haar schandelijke verwaarloozing
+èn voor haar onbarmhartige voorzorgsmaatregelen, en den arme steeds
+tusschen gebrek en overmaat mocht plaatsen: gebrek aan werk en overmaat
+van straf?
+
+Of 't niet ongehoord was, dat de maatschappij juist diegenen harer
+leden zoo behandelde, welke, bij de verdeeling der goederen door het
+lot, het slechtst waren bedacht, en bijgevolg het meeste recht op
+toegevendheid hadden?
+
+Na zich deze vragen gesteld en ze beantwoord te hebben, sprak hij het
+vonnis uit over de maatschappij en veroordeelde haar. Hij veroordeelde
+haar tot zijn haat. Hij stelde haar verantwoordelijk voor het lot,
+dat hij onderging, en zeide bij zich zelven, dat hij misschien niet
+zou aarzelen eenmaal rekenschap van haar te vorderen. Hij verklaarde
+voor zich zelven, dat er geen evenwicht bestond tusschen het nadeel
+dat hij berokkend had en 't nadeel dat men hem berokkende; eindelijk
+besloot hij, dat zijn straf wel is waar geen onrechtvaardigheid,
+maar zekerlijk een onbillijkheid was.
+
+De toorn kan soms dwaas en ongerijmd zijn; men kan ten onrechte
+vertoornd wezen. Verontwaardigd is men slechts, wanneer men in den
+grond aan een of andere zijde recht heeft. Jean Valjean gevoelde
+zich verontwaardigd.
+
+De maatschappij had hem bovendien niets dan kwaad gedaan; nooit had
+hij van haar iets gezien dan dat vertoornd gelaat, 't welk men de
+gerechtigheid noemt en dat zij hun toont, welke zij treft. De menschen
+hadden hem slechts aangeraakt om hem te kwetsen. Iedere aanraking
+met hen was voor hem een slag geweest. Nooit had hij, sedert zijn
+kindsheid, sedert zijn moeder, sedert zijn zuster, een vriendelijk
+woord, een welwillenden blik gevonden. Van leed tot leed was hij
+allengs tot de overtuiging gekomen, dat het leven een strijd was, en
+hij in den strijd de overwonnene. Hij had geen ander wapen dan zijn
+haat. Hij nam voor, dien in het bagno te scherpen en mede te nemen,
+wanneer hij ging.
+
+Te Toulon was een school voor de galeislaven, die door de broeders
+Ignorantijnen werd gehouden, en waarin het noodzakelijkst onderricht
+werd gegeven aan die ongelukkigen, welke zulks begeerden. Hij behoorde
+tot dit getal. Op veertigjarigen ouderdom ging hij naar school en
+leerde lezen, schrijven en rekenen. Hij begreep dat, door zijn verstand
+te versterken, hij zijn haat verscherpte. In sommige omstandigheden
+kunnen onderwijs en kennis dienen om het kwaad te vergrooten.
+
+'t Is treurig te moeten zeggen, dat, nadat hij de maatschappij had
+gevonnist, die hem ongelukkig had gemaakt, hij de Voorzienigheid
+vonniste, die de maatschappij had gemaakt, en dat hij ook haar
+veroordeelde.
+
+Zoo steeg zijn geest en zonk tegelijkertijd, gedurende deze
+negentienjarige foltering en slavernij. Aan de eene zijde nam het
+licht, aan de andere zijde de duisternis toe.
+
+Zooals men gezien heeft, was Jean Valjean niet slecht van aard. Hij
+was nog goed toen hij in het bagno kwam. Hij veroordeelde er de
+maatschappij, en gevoelde dat hij slecht werd; hij veroordeelde er
+de Voorzienigheid, en gevoelde dat hij goddeloos werd.
+
+'t Is moeielijk hier niet een oogenblik over na te denken.
+
+Verandert de menschelijke natuur zoo geheel en al? Kan de mensch,
+door God goed geschapen, door den mensch slecht worden gemaakt? Kan
+de ziel door het lot geheel anders en slecht worden, wanneer het
+lot slecht is? kan het hart wanschapen worden, en zwakheden en
+ongeneeslijke gebreken krijgen onder den druk van een ontzaglijk
+ongeluk, gelijk de ruggegraad bij een te zwak steunsel? Zijn er
+niet in iedere menschelijke ziel, waren er niet in de ziel van Jean
+Valjean in 't bijzonder, een eerste vonk, een goddelijk beginsel,
+onverderfelijk in deze wereld, onsterfelijk in de andere, die het
+goede kunnen ontwikkelen, aanblazen en schitterend doen lichten,
+en die het kwaad nooit geheel kunnen uitdooven?
+
+Ernstige, moeielijke vragen, op de laatste waarvan ieder physioloog
+waarschijnlijk en zonder aarzeling "neen" zou geantwoord hebben,
+zoo hij te Toulon in de rusturen, die voor Jean Valjean uren van
+bespiegeling waren, dezen somberen, ernstigen, stillen en peinzenden
+tuchteling, dezen paria der wetten, die den mensch met toorn, dezen
+doemeling der beschaving, die den hemel wrokkend aanschouwde, gezien
+had, met over elkander geslagen armen op den boom van een kaapstander
+gezeten, met het eind van zijn ketting in den zak, opdat hij niet
+nasleepte.
+
+Voorwaar, wij willen het niet ontveinzen, de opmerkende physioloog zou
+hier een onherstelbare ellende hebben gezien; hij zou misschien dezen,
+door de wet ziek gemaakten mensch beklaagd, maar hij zou niet gepoogd
+hebben hem te genezen; hij zou zijn blik hebben afgewend van de donkere
+holen dezer ziel; en, gelijk Dante van de poorten der hel, zou hij van
+dit menschenleven het woord hebben gewischt, dat Gods vinger evenwel op
+'t hoofd van ieder mensch heeft geschreven, het woord: Hoop!
+
+Was deze zieletoestand, welke wij gepoogd hebben te beschrijven, voor
+Jean Valjean even duidelijk en klaar als wij getracht hebben dien
+onzen lezers voor te stellen? Zag Jean Valjean onderscheidenlijk al
+de grondelementen, waaruit zijn zedelijke ellende bestond, nadat ze
+zich gevormd had, en had hij duidelijk gezien hoe ze zich vormde? Had
+deze ruwe, onbeschaafde man zich nauwkeurig rekenschap gegeven van
+de gedachtenreeks langs welke hij trapsgewijze was gekomen, tot
+die sombere aanschouwingen, welke sinds zoovele jaren de inwendige
+horizont van zijn geest uitmaakte.
+
+Was hij zich wel bewust van alles wat in hem was omgegaan en zich in
+hem bewoog? Wij zouden het niet durven zeggen; wij gelooven het zelfs
+niet. Jean Valjean was te onwetend, dan dat hij, zelfs na zoovele
+rampen, niet omtrent vele zaken nog in 't duister zou zijn. Vaak
+wist hij zelf niet recht wat hij gevoelde. Jean Valjean was in de
+duisternis; in de duisternis leed hij; in de duisternis haatte hij;
+men zou kunnen zeggen, dat hij alles rondom zich haatte. Hij leefde
+bestendig in deze duisternis, en tastte rond, als een blinde, als
+een droomende. Slechts van tijd tot tijd overviel hem eensklaps,
+'t zij uit zich zelven of van buiten, een opwelling van toorn,
+een vermeerdering van lijden, een flauwe, vluchtige bliksemstraal,
+die geheel zijn ziel verlichtte, en hem overal, voor en achter, de
+afgrijselijke afgronden en het donker verschiet van zijn lot vertoonde.
+
+Was de bliksem voorbij, dan werd het weder nacht. Waar was hij dan? Hij
+wist het niet.
+
+Het eigenaardige van zulk een lijden, waarbij het onverbiddelijke, het
+verstompende de hoofdrol speelt, is, dat door een soort van onmerkbare
+gedaanteverwisseling de mensch allengs in een wild dier herschapen
+wordt. Soms in een wreed dier. De herhaalde en hardnekkige pogingen van
+Jean Valjean ter ontvluchting zouden voldoende zijn om deze vreemde
+uitwerking der wet op de menschelijke ziel te bewijzen. Jean Valjean
+zou deze zoo geheel en al nuttelooze en dwaze pogingen even dikwerf
+hebben herhaald, als de gelegenheid er zich toe had aangeboden,
+zonder een oogenblik aan de gevolgen of aan de opgedane ondervinding
+te denken. Hij vluchtte onnadenkend, gelijk de wolf die zijn hok open
+vindt. Het instinct zeide hem: Vlucht! De rede zou hem gezegd hebben:
+Blijf! Maar bij zulk een sterke verzoeking, was de rede verdwenen;
+alleen het instinct was gebleven. Alleen het dier handelde. En wanneer
+hij weder gevat was, dienden de nieuwe strengheden, waaraan men hem
+onderwierp, slechts om hem nog woester te maken.
+
+Een bijzonderheid, welke wij niet mogen vergeten, was dat hij
+een lichaamskracht bezat, waarin geen ander der tuchtelingen hem
+evenaarde. Bij den arbeid, bij het vieren van een kabel, het draaien
+van een kaapstander, gold Jean Valjean voor vier man. Somwijlen tilde
+hij een ontzettenden last op en droeg dien op den rug; bij zekere
+gelegenheid deed hij als een windas dienst. Zijn kameraden hadden
+hem dan ook den bijnaam van "Windas" gegeven.
+
+Eens, dat het balkon van het stadhuis te Toulon werd hersteld,
+geraakte een der fraaie kariatiden, welke dat balkon steunen, los
+en zou gevallen zijn. Maar Jean Valjean, die daar tegenwoordig was,
+hield de kariatide zoo lang met zijn schouder tegen, dat de werklieden
+tijd hadden er bij te komen.
+
+Zijn lenigheid overtrof nog zijn lichaamskracht. Sommige tuchtelingen,
+die eeuwig aan ontvluchting denken, maken ten laatste van de
+lichaamskracht, met behendigheid vereenigd, een soort wetenschap. 't
+Is de wetenschap der spieren. Een geheele cursus van statica wordt
+dagelijks heimelijk door de gevangenen beoefend, deze eeuwige benijders
+van vliegen en vogels.
+
+Een loodrechte steilte te beklimmen en steunpunten te vinden,
+waar nauwelijks een oneffenheid te zien was, was voor Jean Valjean
+kinderspel. Was hij aan den kant van een muur, dan schoof en trok hij
+zich, door inspanning van rug en knieën, terwijl hij de ellebogen en
+hielen tegen de ruwe steenen klemde, als door tooverkunst tot een
+derde verdieping verder. Meermalen klom hij op deze wijze tot aan
+het dak van het bagno.
+
+Hij sprak weinig en lachte nooit. Er was iets zeer bijzonders noodig
+om hem een paar keeren in 't jaar dien akeligen glimlach van den
+tuchteling te ontlokken, die als een echo van den lach des duivels
+is. Hij scheen immer iets vreeselijks voor zich te zien. Hij was in
+waarheid in gedachten verdiept.
+
+Door de ziekelijke voorstellingen zijner onvolmaakte natuur en van
+zijn gedrukten geest gevoelde hij duidelijk dat iets ontzettends op
+hem lag, zonder te weten wat. In het vale, sombere halfdonker, waarin
+hij voortkroop, zag hij, telkens wanneer hij zich omkeerde en zijn
+blik poogde op te heften, tevens met ontzetting en woede boven zijn
+hoofd een onafzienbaar vreeselijk steile opeenstapeling van dingen:
+wetten, vooroordeelen, menschen en feiten, welker omtrekken hem niet
+duidelijk waren, welker menigte hem verschrikte, en dat niets anders
+was dan de wonderbare piramide, die wij beschaving noemen. Hier en
+daar onderscheidde hij in dit wemelend wanstaltig geheel, nu eens
+in zijn nabijheid, dan veraf en op onbereikbare vlakten, een helder
+verlichte groep of eenig voorwerp, hier den opzichter met zijn stok,
+dáár den gendarm met zijn sabel, ginds den gemijterden aartsbisschop,
+zeer hoog boven dezen, in een soort van stralenkrans, den gekroonden,
+oogverblindenden keizer. Het scheen hem alsof deze verre glans,
+in plaats van de duisternis te verdrijven, haar vreeselijker en
+donkerder maakte. Alles, wetten, vooroordeelen, feiten, menschen,
+dingen, dat alles bewoog zich heen en weder boven hem, al naar de
+ingewikkelde, verborgene beweging, welke God aan de beschaving geeft,
+en vertrad en verpletterde hem met een soort van koele wreedheid en
+onverbiddelijke onverschilligheid. De door de wet gebrandmerkten,--deze
+in den afgrond van alle mogelijke rampen gevallenen; ongelukkigen,
+in die diepten gezonken, waarin men geen blik meer slaat,--voelen op
+hun hoofd de gansche zwaarte der maatschappij; zoo schrikkelijk voor
+hem die er buiten, zoo ontzettend voor hem die er onder is.
+
+In dien toestand gaf Jean Valjean zich aan zijn overwegingen over,
+en van welken aard konden die zijn?
+
+Zoo het gierstkorreltje onder den molensteen kon denken, zou het
+zekerlijk dezelfde gedachten hebben als Jean Valjean.
+
+Dit alles, werkelijkheid vol spookbeelden, droombeelden
+vol werkelijkheid, hadden eindelijk zijn ziel in een schier
+onbeschrijfelijken toestand gebracht.
+
+Menigmaal hield hij plotseling te midden van zijn werk op en begon
+te denken. Zijn rede, nu rijper en tevens verwarder dan vroeger,
+verzette zich. Al wat hem gebeurd was, kwam hem ongerijmd voor; al
+wat hem omgaf, scheen hem onmogelijk. En bij zich zelven zeide hij:
+'t is een droom. Hij zag den opzichter eenige schreden van hem staan;
+hij hield hem voor een spook, tot deze opzichter hem plotseling een
+slag met den stok gaf.
+
+De zichtbare natuur bestond nauwelijks voor hem. Men zou met eenige
+waarheid kunnen zeggen, dat voor Jean Valjean noch zon, noch fraaie
+zomerdagen, noch een heldere hemel, noch heerlijke lentemorgens
+bestonden. 't Was alsof zijn ziel gewoonlijk beschenen werd door het
+licht, dat door een keldergat dringt.
+
+Om ten slotte al wat wij aangegeven hebben zooveel mogelijk in bepaalde
+resultaten samen te vatten, zeggen wij alleen, dat Jean Valjean,
+de vreedzame boomsnoeier van Faverolles, de geduchte tuchteling van
+Toulon sinds negentien jaren, door de wijze, waarop het bagno hem
+gevormd had, tot twee soorten van slechte handelingen in staat was
+geworden: ten eerste tot een slechte, snelle, onbedachte, dolzinnige,
+geheel instinctmatige handeling, een soort van wraak wegens het
+ondergane leed; ten tweede tot een slechte, ernstige gewichtige,
+gemoedelijk overwogene, en met de valsche denkbeelden, welke zulk een
+ramp kan geven, overlegde handeling. Zijn overleggingen doorliepen
+achtervolgens de drie vormen, waartoe alleen zekere karakters geschikt
+zijn: denken, willen en volharden. Zijn beweegredenen waren: doorgaande
+verontwaardiging, bitterheid van ziel, een diep besef der ondergane
+onrechtvaardigheden, weerwraak zelfs tegen goeden, onschuldigen en
+rechtvaardigen, zoo die er zijn. Het begin en het einde van al deze
+gedachten was haat tegen de menschelijke wet; een haat, die, zoo hij
+niet in zijn ontwikkeling wordt gestuit door bijzondere omstandigheid,
+na korter of langer tijd, tot haat tegen de maatschappij, daarna tot
+haat tegen het menschelijk geslacht, en eindelijk tot haat tegen
+de schepping overslaat, en zich openbaart door een onbestemde,
+onophoudelijke, woeste zucht om te schaden, onverschillig wat, of
+welk levend schepsel.--Men ziet, dat op het paspoort Jean Valjean
+niet ten onrechte een "zeer gevaarlijk mensch" werd genoemd.
+
+Van jaar tot jaar was zijn hart langzaam, maar op noodlottige wijze,
+meer en meer verdroogd. Een droog hart, een droog oog. Toen hij het
+bagno verliet, had hij in negentien jaren geen traan geweend.
+
+
+
+
+
+
+ACHTSTE HOOFDSTUK.
+
+HET WATER EN DE SCHADUW.
+
+
+Een man over boord!
+
+Om 't even! het schip houdt niet op. De wind blaast, het donkere
+schip moet den voorgeschreven koers volgen. Het zeilt verder.
+
+De man verdwijnt, komt weder te voorschijn, zinkt en komt weder
+boven; hij roept, strekt de armen uit; men hoort hem niet. Het schip,
+dat onder den storm beeft, let slechts op zich zelf; de matrozen en
+passagiers zien zelfs den zinkenden man niet meer; zijn arm hoofd
+is slechts een stip in 't midden der onmetelijke golven. In de
+diepte slaakt hij wanhoopskreten. Welk een gedachte, dat verdwijnend
+schip! Hij oogt het in waanzinnige woede na. Het verwijdert zich,
+wordt onduidelijker en kleiner. Zooeven was hij er nog op, hij
+behoorde tot de bemanning, ging met de overigen heen en weder op het
+dek, hij had zijn deel van lucht en zon, hij was een levende. En nu,
+wat is gebeurd? Hij is gestruikeld, gevallen, en alles is gedaan.
+
+Hij ligt in het afschuwelijke water. Onder zijn voeten zinkt
+alles weg. De door den wind gezweepte golven omgeven hem met haar
+verschrikking, de diepte trekt hem aan, het schuimend water spat hem
+om 't hoofd, en spuwt hem in 't aangezicht; de eene baar na de andere
+overstelpt hem; telkens zinkt hij en ziet onduidelijk stikdonkere
+afgronden onder zich; onbekende afgrijselijke zeeplanten vatten hem,
+omstrikken zijn voeten, trekken hem tot zich; hij voelt dat hij tot den
+afgrond behoort, dat hij een gedeelte van het schuim vormt, de golven
+werpen hem elkander toe; hij zwelgt het zilte water in, de laaghartige
+oceaan wil hem met geweld verdrinken, de onmetelijkheid speelt met
+zijn doodsangst. Het schijnt, dat al dit water niets dan haat is.
+
+Evenwel worstelt hij.
+
+Hij poogt zich te verdedigen, hij beproeft boven water te blijven,
+hij spant zich in en zwemt. Hij, wiens armzalige krachten zoo spoedig
+zijn uitgeput, wil met het onuitputtelijke worstelen.
+
+Maar waar is het schip? Ginds; nauwlijks zichtbaar in de vale
+duisternis van den horizont.
+
+De wind giert; de schuimende golven vallen op hem. Hij heft de oogen op
+en ziet niets dan grijze wolken. In zijn doodsstrijd is hij de getuige
+van de ontzettende woede der zee. Hij wordt door waanzin gepijnigd. Hij
+hoort een voor den mensch vreemd geluid, dat van gene zijde der aarde
+schijnt te komen, men weet niet uit welk vreeselijk oord.
+
+Er zijn vogels hoog boven de wolken, gelijk er engelen hoog boven den
+menschelijken nood zijn, maar waartoe dienen zij hem? Zij vliegen,
+zingen en zweven en hij--hij sterft. Hij voelt zich tegelijkertijd
+door deze twee oneindigheden, den oceaan en den hemel, omgeven;
+de eene is een graf, de andere is een doodskleed.
+
+De nacht daalt, uren lang heeft hij gezwommen; zijn krachten zijn
+uitgeput; het schip, dat verwijderd voorwerp waarop menschen waren,
+is verdwenen; hij is alleen in den schrikkelijken donkeren afgrond, hij
+zinkt, verstijft, wringt zich, hij voelt onder zich de monsterachtige
+golven van het onzichtbare; hij roept.
+
+Er zijn geen menschen meer. Waar is God?
+
+Hij roept, roept immer ... Niemand komt.
+
+Niets aan den horizont. Niets aan den hemel.
+
+Hij smeekt het uitspansel, de golven, het zeewier, de klippen;
+dat alles is doof. Hij smeekt den orkaan; de onverstoorbare orkaan
+gehoorzaamt alleen aan het oneindige.
+
+Rondom hem duisternis, nevel, eenzaamheid, het woest stormachtig
+geloei, het eindeloos klotsen der verbolgen golven. In hem afgrijzen
+en afmatting. Onder hem verzinking. Geen steunpunt. Hij denkt aan
+'t geen het lijk in de onbegrensde duisternis te wachten heeft. De
+koude verlamt hem. Zijn handen bewegen zich krampachtig; sluiten zich
+en vatten niets. Winden, wolken, vlagen, hoozen, sterren, alles is
+voor hem nutteloos! Wat moet hij doen? De wanhopige geeft zich over;
+de uitgeputte neemt den dood aan, hij laat zich los, en de vreeselijke
+diepte verzwelgt hem.
+
+O onbarmhartige gang der menschelijke maatschappij. Hoe vele menschen
+en zielen gaan onderweg verloren! Oceaan, waarin alles valt, wat de
+wet laat vallen! Heillooze verzinking der hulp! O zedelijke dood!
+
+De zee is de onverbiddelijke maatschappelijke duisternis, waarin de
+strafwet haar veroordeelden werpt. De zee is de onmetelijke ellende.
+
+De ziel, die in dien afgrond wordt geworpen, kan een lijk worden. Wie
+zal haar opwekken?
+
+
+
+
+
+
+NEGENDE HOOFDSTUK.
+
+ANDERE GRIEVEN.
+
+
+Toen het uur van zijn vertrek uit het bagno kwam en Jean Valjean
+deze vreemde woorden: "gij zijt vrij!" hoorde, was dit voor hem een
+ongelooflijk, ongehoord oogenblik, en een straal van levend licht, een
+straal van het ware licht der levenden drong plotseling in hem. Doch
+spoedig verbleekte deze straal. Jean Valjean was door het denkbeeld van
+vrijheid verblind. Hij had aan een nieuw leven geloofd. Spoedig werd
+hij gewaar, welke vrijheid het is, die men met een gelen pas geeft.
+
+En behalve dat, een menigte teleurstellingen. Hij had berekend,
+dat, wat hij gedurende zijn verblijf in het bagno gespaard had,
+honderd-een-en-zeventig francs moest bedragen. 't Is billijk hier
+op te merken, dat hij vergeten had de gedwongen rust der zon- en
+feestdagen in rekening te brengen, die gedurende negentien jaren een
+vermindering van ongeveer vier-en-twintig francs veroorzaakte. Hoe
+het zij, het bedrag was ten gevolge van verscheidene kortingen tot
+honderd negen francs vijftien sous verminderd, welke som hem bij zijn
+ontslag werd ter hand gesteld.
+
+Hij begreep hier niets van en meende zich te kort gedaan, of, om
+'t juist te zeggen, bestolen.
+
+Den dag na zijn ontslag, zag hij te Grasse voor een destilleerderij van
+oranjebloesem lieden bezig met balen af te laden. Hij bood zijn dienst
+aan, die aangenomen werd, wijl er haast bij 't werk was. Hij ging
+dan aan den arbeid. Hij was schrander, sterk en handig; hij deed zijn
+best. De meester scheen over hem tevreden. Terwijl hij aan 't werk was,
+kwam een gendarm voorbij, zag hem en vroeg hem naar zijn papieren. Hij
+moest den gelen pas vertoonen. Na dit gedaan te hebben, hervatte Jean
+Valjean zijn arbeid. Even te voren had hij een der werklieden gevraagd,
+wat zij per dag met dit werk verdienden; ze hadden hem geantwoord:
+"dertig sous." Wijl hij den volgenden dag verplicht was zijn reis voort
+te zetten, ging hij des avonds naar den meester der destilleerderij
+en verzocht hem zijn dagloon. De meester sprak geen woord en betaalde
+hem vijftien sous. Valjean maakte zijn beklag. Men antwoordde hem:
+"dit is genoeg voor u." Hij drong op meer aan. Toen zag de meester
+hem schuw aan en duwde hem toe: "Wacht u voor de gevangenis!"
+
+Ook hier achtte hij zich bestolen.
+
+De maatschappij, de staat, had hem, door zijn besparingen te verkorten,
+in 't groot bestolen. Nu bestal de particulier hem op zijn beurt, in
+'t klein.
+
+Ontslag was geen bevrijding. Men kan het bagno wel verlaten, maar
+niet de veroordeeling.
+
+Dat was hem te Grasse gebeurd. Men heeft gezien hoe hij te Digne
+werd ontvangen.
+
+
+
+
+
+
+TIENDE HOOFDSTUK.
+
+DE ONTWAKING.
+
+
+De klok der hoofdkerk sloeg twee uur in den morgen, toen Jean Valjean
+ontwaakte. Wat hem had wakker gemaakt, was 't het te zachte bed? Hij
+had sinds bijna twintig jaren op geen bed geslapen, en, hoewel hij
+zich niet ontkleed had, was deze gewaarwording toch voor hem te nieuw
+en te ongewoon, om zijn slaap niet te storen.
+
+Hij had langer dan vier uren geslapen. Zijn vermoeidheid was
+geweken. Hij was niet gewoon veel uren aan de rust te besteden.
+
+Hij opende de oogen en sloeg een blik in de duisternis rondom zich,
+toen sloot hij ze weder om te slapen.
+
+Wanneer de dag door vele en verschillende gewaarwordingen bewogen is
+geweest, en vele dingen den geest bezighouden, valt men wel in slaap,
+maar men slaapt later niet weer in. De slaap komt gemakkelijker dan
+hij terugkeert. Zoo ging 't ook met Jean Valjean. Hij kon niet weder
+inslapen en begon te denken.
+
+Hij was in een dier oogenblikken, dat alle denkbeelden in den geest
+verward zijn. In zijn hersenen woelde alles dooreen. Zijn vroegere
+en zijn jongste herinneringen vloeiden ineen of kruisten elkaar;
+zij verloren haar vormen, vergrootten zich onmatig en verdwenen dan
+eensklaps als in een troebel, bewogen water. Vele gedachten kwamen
+in hem op, maar ééne was er die gestadig terugkwam en al de overige
+verdrong. Deze gedachte was:--Hij had de zes zilveren vorken en
+lepels en den grooten soeplepel opgemerkt, die Magloire op de tafel
+had gelegd.
+
+Dat zilverwerk kwelde hem. Zij lagen hier--op korten afstand--juist
+toen hij de belendende kamer was doorgegaan om naar de zijne te gaan,
+legde de oude dienstmaagd ze in een kastje aan 't hoofdeinde van
+het bed.--Hij had het kastje goed opgemerkt,--rechts, als men uit de
+eetkamer komt.--Het was oud massief zilver.--Met den grooten soeplepel
+er bij zou men er ten minste tweehonderd francs voor krijgen.--Het
+dubbel van hetgeen hij in negentien jaar verdiend had.--'t Is waar,
+dat hij meer zou hebben verdiend zoo de "administratie" niet hem
+"bestolen" had.
+
+Een geheel uur dobberden zijn gedachten heen en weder, niet zonder
+eenigen strijd. Het sloeg drie uren. Hij opende weder de oogen, zette
+zich schielijk overeind, stak tastend den arm uit, naar zijn ransel,
+dien hij in een hoek der alkoof had gelegd, vervolgens liet hij zijn
+beenen uit het bed hangen, zette zijn voeten op den grond en zonder
+schier te weten hoe, vond hij zich op zijn bed zitten.
+
+Hij bleef eenigen tijd peinzend in deze houding, welke iets
+onheilspellends moest hebben voor iemand, die hem alzoo
+in de duisternis, de eenige wakende in het slapend huis, had
+gezien. Eensklaps bukte hij zich en trok zijn schoenen uit en zette
+ze zacht op de mat voor het bed, toen nam hij weder zijn peinzende
+houding aan en zat weder bewegingloos.
+
+In deze heillooze overdenkingen woelden de gedachten, welke wij hebben
+aangegeven, gestadig door zijn hersenen, kwamen er in, gingen er uit,
+keerden er in terug en brachten een soort van drukking bij hem teweeg;
+tegelijkertijd dacht hij, zonder te weten waarom, met de hardnekkigheid
+van een droom aan zekeren tuchteling Brevet geheeten, dien hij in het
+bagno had gekend, en wiens broek slechts aan één gebreiden katoenen
+draagband hing. Hij had den geruiten draagband gestadig voor den geest.
+
+Zoo zat hij, en zou misschien tot het aanbreken van den dag zoo gezeten
+hebben, indien de klok niet éénmaal geslagen had,--een kwart of een
+half uur. Het was alsof deze slag hem zeide: kom aan!
+
+Hij stond op, aarzelde nog een oogenblik en luisterde: alles was stil
+in het huis; toen ging hij rechtuit en met zachte schreden naar het
+raam, dat hij zien kon. De nacht was niet erg donker; 't was volle
+maan, maar de wind dreef groote zware wolken om haar heen. Daardoor
+ontstond buiten een afwisseling van licht en schaduw, verduistering en
+verlichting, en in de kamer een soort van schemering. Die schemering,
+waarbij men genoegzaam zien kon om zich te richten, en die door de
+wolken telkens verbroken werd, geleek op het bleeke licht, dat door
+een kelderluik valt, waarlangs menschen heen en weer gaan. Aan het
+raam gekomen, onderzocht Valjean het nauwkeurig. Het was zonder
+tralies, kwam in den tuin uit en was slechts, volgens landelijk
+gebruik, met een wervel gesloten. Hij opende het, maar wijl een
+koude, scherpe lucht de kamer binnendrong, sloot hij het aanstonds
+weder. Met een oplettenden blik, die nog meer onderzoekt dan ziet,
+beschouwde hij den tuin. Deze was omgeven door een lagen witten muur,
+die gemakkelijk over te klimmen was. Aan gene zijde van den muur
+zag hij kruinen van boomen, op geregelden afstand van elkander,
+'t geen scheen aan te duiden dat de muur den tuin van een laan,
+of van een met boomen beplanten weg scheidde.
+
+Na dit onderzoek, maakte hij de beweging van iemand, die een vast
+besluit genomen heeft, ging terug naar de alkoof, nam zijn ransel,
+opende hem, en haalde er iets uit, dat hij op het bed legde. Toen stak
+hij zijn schoenen in zijn zak, gespte den ransel dicht, nam hem op
+den rug, zette zijn pet op, welker klep hij dicht in de oogen trok,
+zocht tastend zijn stok, en zette hem in een hoek bij het raam,
+waarna hij naar het bed terugkeerde en bedaard het voorwerp nam,
+dat hij er op gelegd had. 't Geleek een korte ijzeren staaf, aan
+'t eene eind als een spies uitloopende. 't Ware moeielijk geweest in
+de duisternis te onderkennen, tot welk einde dit ijzer moest dienen;
+'t kon een breekijzer, 't kon een groote beitel zijn.
+
+In het licht had men kunnen zien dat het eenvoudig de wigge eens
+mijnwerkers was. Destijds gebruikte men soms de tuchtelingen om
+steenblokken uit de hooge heuvelen, die Toulon omgeven, te halen, en
+'t is dus niet vreemd, dat zij mijnwerkersgereedschappen in gebruik
+hadden. Zulk een werktuig was het nu, dat hij in de rechterhand nam,
+en met ingehouden adem en zachte schreden naderde hij de deur der
+aangrenzende kamer waar, gelijk wij weten, de bisschop sliep. De deur
+stond op een kier. De bisschop had ze niet gesloten.
+
+
+
+
+
+
+ELFDE HOOFDSTUK.
+
+WAT HIJ DOET.
+
+
+Jean Valjean luisterde. Alles was stil.
+
+Hij stiet met den vinger tegen de deur, even zacht en behoedzaam als
+een kat, die binnen wil komen. De deur week voor de drukking en ging
+onmerkbaar en zonder gerucht iets verder open.
+
+Hij wachtte een oogenblik, en stiet nu stoutmoediger ten tweedenmale
+de deur verder open.
+
+Zij bewoog zich zonder gerucht, en nu was de opening zoo wijd, dat
+hij er door kon gaan. Maar bij de deur stond een tafeltje, dat met
+de deur een lastigen hoek vormde en den toegang versperde.
+
+Jean Valjean zag de moeielijkheid in; de toegang moest noodwendig
+wijder zijn.
+
+Hij nam zijn besluit en stiet ten derden male en forscher dan vroeger
+tegen de deur. Doch dezen keer liet het hengsel een lang en krijschend
+geluid hooren in de duisternis.
+
+Jean Valjean ontroerde. Het gekners der deur klonk in zijn ooren
+schetterend en vreeselijk als de bazuin van het laatste oordeel.
+
+In de spookachtige ontsteltenis van 't eerste oogenblik, meende hij
+schier, dat het hengsel leven aannam en als een hond huilde en blafte,
+om een ieder te waarschuwen en de slapenden te wekken.
+
+Bevend en ontsteld stond hij stil en liet zich van de teenen op de
+hielen neder. Hij voelde zijn slapen als twee mokers kloppen, en zijn
+adem kwam hem even sterk voor als de tochtwind die uit een spelonk
+waait. Het scheen hem onmogelijk, dat dit vreeselijk gekrijsch het
+huis niet als door een aardbeving geschud had; de door hem geopende
+deur had onraad gemerkt, en had geroepen; de grijsaard zou opstaan,
+de beide vrouwen zouden om hulp roepen, de buren zouden toesnellen
+en in minder dan een kwartier zou de heele stad in beweging en de
+gendarmerie op de been zijn. Een oogenblik waande hij zich verloren.
+
+Hij bleef staan als een zoutpilaar en waagde het niet zich te
+bewegen. Alzoo verliepen eenige minuten. De deur stond wijd open. Hij
+waagde het in de kamer te zien.
+
+Niets had er zich in geroerd. Hij luisterde. Alles was stil in het
+huis. Het knarsen der deur had niemand gewekt.
+
+Het eerste gevaar was voorbij, maar in zijn binnenste heerschte nog
+een schrikkelijk oproer. Hij trad echter niet terug. Zelfs zoo hij
+zich verloren had gezien, zou hij niet terug zijn geweken. Hij dacht
+aan niets anders, dan om spoedig tot een einde te komen. En met één
+tred was hij in de kamer.
+
+In de kamer heerschte de volmaaktste rust.
+
+Men zag hier en daar onduidelijke voorwerpen, die overdag gezien,
+op een tafel verspreide papieren, opengeslagen folianten, een bankje
+met opgestapelde boeken, een stoel met kleedingstukken, een bidbankje,
+waren; thans echter vertoonde zich dit alles slechts als donkere en
+lichte plekken.
+
+Jean Valjean trad voorzichtig voort om niet tegen het huisraad
+te stooten. Hij hoorde achter in de kamer de rustige gelijkmatige
+ademhaling van den slapenden bisschop.
+
+Plotseling bleef hij staan. Hij was dicht bij het bed. Hij was hier
+spoediger genaderd dan hij dacht.
+
+Soms verbindt de natuur haar werkingen en tooneelen aan onze daden,
+zoo juist ter snede, als wilde zij ons door een ernstigen, behendigen
+wenk tot nadenken brengen. Sinds bijna een half uur was de hemel door
+zware wolken betrokken. Juist op 't oogenblik dat Jean Valjean voor
+het bed trad, scheurde die sluier zich als met opzet, en een straal
+der maan, die door het langwerpig venster schoot, verlichtte eensklaps
+het bleek gelaat van den bisschop. Hij sliep rustig. Hij lag, wegens
+de nachtkoude der Beneden-Alpen, half gekleed in een bruin wollen
+nachtrok, te bed. Zijn hoofd rustte, een weinig achterover gebogen,
+in het kussen; zijn met den bisschoppelijken ring versierde hand,
+die zoovele goede werken en vrome daden had verricht, hing buiten
+het bed. Zijn gelaat drukte tevredenheid, hoop en zielsrust uit. 't
+Was eerder een hemelsche glans dan een glimlach, die zijn gelaat
+verhelderde, en die de weerschijn geleek van een verborgen licht. De
+ziel van den rechtvaardige aanschouwt in den slaap een geheimzinnigen
+hemel. De glans van dien hemel bescheen den bisschop. 't Was tevens als
+een doorschijnend licht, want deze hemel was in hem, was zijn geweten.
+
+Toen het maanlicht, om zoo te spreken, zich over dezen inwendigen
+glans spreidde, scheen de slapende bisschop als door een stralenkrans
+omgeven, die zacht en omsluierd als de ochtendschemering was. De maan
+aan het uitspansel, de sluimerende natuur, deze geruchtlooze tuin,
+het rustige huis, het nachtelijk uur, het oogenblik, de stilte gaven
+aan den eerbiedwaardigen slaap van dezen man iets onbeschrijfelijk
+plechtigs en omhulden, met majestueuzen, stillen luister, zijn
+wit haar, zijn gesloten oogen, zijn gelaat, waarop alles van hoop
+en vertrouwen sprak: dit hoofd des grijsaards en dien slaap des
+kinds. Er was iets goddelijks in dezen man, die, zich zelf onbewust,
+zoo eerbiedwaardig was.
+
+Jean Valjean stond met zijn wigge in de hand, bewegingloos in de
+schaduw, verschrikt voor dezen schitterenden grijsaard. Nooit had hij
+iets dergelijks gezien. De gerustheid ontstelde hem. De zedelijke
+wereld kent geen grootscher schouwspel dan een ontsteld, onrustig
+geweten, dat, op 't punt een slechte daad te bedrijven, den slaap
+van een rechtvaardige aanschouwt.
+
+Deze slaap in deze afzondering en in de nabijheid van iemand als hij,
+had iets verhevens, 't welk zelfs Valjean, hoewel onduidelijk, echter
+onweerstaanbaar, gevoelde. Niemand, hij zelfs niet, had kunnen zeggen
+wat in hem omging. Om zich daarvan een denkbeeld te kunnen maken,
+zou men zich het gewelddadigste tegenover het zachtmoedigste moeten
+voorstellen. Zelfs op zijn gelaat had men niets bepaalds kunnen
+onderscheiden. Het drukte een schuwe verbazing uit en staarde strak
+voor zich. Wat dacht hij? 't was onmogelijk te gissen. Blijkbaar was
+hij getroffen en geschokt; maar van welken aard was zijn ontroering?
+
+Zijn blik wendde zich niet van den grijsaard af. Het eenige wat
+duidelijk uit zijn houding en gelaat sprak, was een zonderlinge
+besluiteloosheid. 't Scheen alsof hij tusschen twee afgronden kiezen
+moest, tusschen dien, waarin men verloren gaat, en dien, die redding
+geeft. Hij scheen gereed, dien man de hersens in te slaan, of ... zijn
+hand te kussen.
+
+Na eenige oogenblikken lichtte hij langzaam zijn linkerarm op en nam
+zijn pet af, toen liet hij even langzaam dien arm zinken, en met
+de pet in de linker-, zijn wigge in de rechterhand, en het woest,
+met borstelig haar bedekt hoofd ontbloot, verzonk Jean Valjean weder
+in gedachten.
+
+De bisschop sliep, onder dien vreeselijken blik, rustig en diep.
+
+In den maneschijn vertoonde zich onduidelijk boven den schoorsteen
+het kruisbeeld, dat voor beiden zijn armen scheen te openen, om den
+een te zegenen, den ander te vergeven.
+
+Eensklaps zette Jean Valjean zijn pet weder op en ging, zonder verder
+naar den bisschop te zien, rechtstreeks naar het kastje bij het
+hoofdeneinde; hij hief de wigge op om het slot open te breken; maar
+de sleutel stak er in; hij opende het, en het eerste voorwerp dat hij
+zag, was het mandje met zilverwerk; hij nam het, en ging met haastigen
+tred, onbezorgd voor het gerucht dat hij maakte, naar de deur, trad
+de bidkamer weder binnen, opende het venster, nam zijn stok, stak het
+zilverwerk in zijn ransel, wierp het mandje weg, klom uit het raam,
+snelde door den tuin, sprong als een tijger over den muur en vluchtte.
+
+
+
+
+
+
+TWAALFDE HOOFDSTUK.
+
+DE BISSCHOP WERKT.
+
+
+Den volgenden dag wandelde Monseigneur bij zonsopgang in zijn
+tuin. Magloire kwam geheel ontsteld op hem toeloopen.
+
+"Monseigneur, Monseigneur," riep zij, "weet uw Hoogwaarde waar het
+zilver-mandje is?"
+
+"Ja," zei de bisschop.
+
+"Goddank!" riep zij. "Ik wist niet waar het gebleven was." De bisschop
+had het mandje van een bloembed opgeraapt en gaf het Magloire.
+
+"Daar is het."
+
+"Er is niets in," zeide zij. "En 't zilverwerk?"
+
+"O! bedoelt gij het zilver?" hernam de bisschop. "Waar dat is, weet
+ik niet."
+
+"Goede God! 't is gestolen; de man van gisterenavond heeft het
+gestolen."
+
+Met haar gewone drift en voortvarendheid, liep de oude Magloire naar
+de bidkamer; ging in de alkoof en keerde tot den bisschop terug. De
+bisschop stond voorover gebogen en beschouwde zuchtend een plant
+cochléaria, waarop het mandje was gevallen en die geknakt was. Hij
+richtte zich op, toen Magloire riep:
+
+"De man is weg, Monseigneur; het zilverwerk is gestolen."
+
+Terwijl ze dit riep, richtte zij de oogen naar een hoek van den tuin,
+waar men sporen van overklimming zag. De kalk was beschadigd.
+
+"Zie," riep zij, "daar is hij over den muur geklommen, en in de
+straat Cochefilet gesprongen. 't Is afschuwelijk! Hij heeft ons
+zilverwerk gestolen!"
+
+De bisschop zweeg een oogenblik, toen zag hij ernstig op en zeide
+zachtmoedig tot Magloire:
+
+"Maar behoorde ons dit zilver wel?"
+
+Magloire wist niet wat te zeggen. Na een poos hernam de bisschop:
+
+"Magloire, ik hield sinds lang ten onrechte dit zilverwerk in
+bezit. Het behoorde aan de armen. Wie was deze man! Blijkbaar een
+arme."
+
+"Helaas!" hernam Magloire. "'t Is niet om mij of om mejuffrouw. 't Is
+ons onverschillig. Maar 't is om Monseigneur. Waarmede zal Monseigneur
+nu voortaan eten?"
+
+De bisschop zag haar verwonderd aan en vroeg:
+
+"Zijn er geen tinnen lepels?"
+
+Magloire haalde de schouders op en zeide:
+
+"Het tin riekt."
+
+"IJzeren dan?"
+
+Magloire zeide met een afkeerend gebaar: "Het ijzer kan men proeven."
+
+"Welnu," hernam de bisschop, "dan houten."
+
+Eenige oogenblikken later ontbeet hij aan dezelfde tafel, waaraan
+Jean Valjean den vorigen avond gezeten had. Terwijl hij at, maakte
+hij welgemoed aan zijn zuster, die niets zeide, en aan Magloire, die
+zacht bromde, de opmerking, dat men volstrekt geen lepel of vork, zelfs
+geen houten, noodig heeft, om een stuk brood in een kom melk te doopen.
+
+"Heeft men 't ook ooit gehoord?" prevelde Magloire binnensmonds,
+heen en weer gaande, "zulk een mensch in huis te nemen! hem naast
+zich te laten slapen! 't Is nog een geluk, dat hij alleen gestolen
+heeft. Hemel! men beeft als men er aan denkt!"
+
+Terwijl broeder en zuster op 't punt waren van de tafel op te staan,
+werd er aan de deur geklopt.
+
+"Binnen," riep de bisschop.
+
+De deur werd geopend. Een zonderlinge, gewelddadige groep verscheen
+op den drempel. Drie mannen hielden een vierden bij den kraag. De
+drie mannen waren gendarmen; de andere was Jean Valjean.
+
+Een brigadier der gendarmerie, die den troep scheen aan te voeren,
+stond bij de deur. Hij trad binnen en naderde met militairen groet
+den bisschop.
+
+"Monseigneur," zeide hij...
+
+Bij dit woord richtte Jean Valjean, die er somber en verslagen uitzag,
+verbaasd het hoofd op.
+
+"Monseigneur!" mompelde hij. "'t Is dus niet de pastoor..."
+
+"Zwijg," beval een gendarm. "'t Is Monseigneur de bisschop."
+
+Intusschen was Monseigneur Bienvenu zoo snel genaderd als zijn hooge
+jaren hem vergunden.
+
+"Ha! zijt gij daar!" riep hij, Jean Valjean aanziende. "Het verheugt
+mij u te zien! Maar ... ik had u ook de kandelaars gegeven, die
+evenzeer van zilver zijn als het andere, en waarvoor ge wel tweehonderd
+francs kunt krijgen. Waarom hebt ge ze niet met uw zilveren lepels
+en vorken medegenomen?"
+
+Jean Valjean sperde de oogen wijd open en aanschouwde den bisschop
+met een uitdrukking, die geen menschelijke taal kan wedergeven.
+
+"Monseigneur," zei de brigadier der gendarmerie, "was het dan waar,
+wat die man zeide? Wij ontmoetten hem. Hij liep als iemand die
+vluchtte. Wij hielden hem aan, om te zien. Hij had dit zilverwerk
+bij zich..."
+
+"En hij zeide u," viel de bisschop hem glimlachend in de rede, "dat
+het hem door een ouden, goeden priester was gegeven, in wiens huis
+hij den nacht had doorgebracht?... Nu begrijp ik het. En ge hebt hem
+weer hier gebracht. 't Is een vergissing."
+
+"Als dat zoo is, kunnen wij hem dan laten gaan?" vroeg de brigadier.
+
+"Zekerlijk," antwoordde de bisschop.
+
+De gendarmen lieten Jean Valjean los, die achteruit trad. "Is 't dan
+waar, laat men mij los?" zeide hij op een gesmoorden toon, als sprak
+hij in den droom.
+
+"Ja, gij zijt vrij, verstaat ge 't niet?" zei een gendarm.
+
+"Neem eerst uw kandelaars, voor ge heengaat, mijn vriend," hernam
+de bisschop.
+
+Hij ging naar den schoorsteen, nam de twee zilveren kandelaars en
+bracht ze Jean Valjean. De beide vrouwen zagen elkander aan, zonder
+een woord, een blik, een gebaar te wagen, om hem tegen te houden.
+
+Jean Valjean beefde aan al zijn leden. Hij nam de beide kandelaars
+werktuiglijk en met een verward voorkomen aan.
+
+"Ga nu in vrede," zei de bisschop. "Nog een woord. Wanneer ge
+wederkomt, behoeft ge niet door den tuin te gaan, mijn vriend. Ge
+kunt altijd door de voordeur in- en uitkomen. Dag en nacht staat zij
+slechts op de klink." Zich toen tot de gendarmen wendende, zeide hij:
+
+"Ge kunt gaan, mijne heeren."
+
+Dezen verwijderden zich.
+
+Jean Valjean was als iemand, die op 't punt is in onmacht te vallen.
+
+De bisschop naderde hem en fluisterde hem toe:
+
+"Vergeet niet, vergeet nooit, dat ge mij beloofd hebt, dit geld aan
+te wenden om een eerlijk man te worden."
+
+Jean Valjean, die zich volstrekt niet herinnerde iets beloofd te
+hebben, stond als versteend. De bisschop had deze woorden met nadruk
+gesproken. Hij hernam plechtig:
+
+"Jean Valjean, mijn broeder, gij behoort niet meer tot het kwade,
+maar tot het goede. Ik koop uw ziel, ik verlos haar van de slechte
+gedachten en den geest des verderfs, en geef ze aan God."
+
+
+
+
+
+
+DERTIENDE HOOFDSTUK.
+
+DE KLEINE GERVAIS.
+
+
+Jean Valjean verliet als een vluchteling de stad. Hij liep haastig
+naar buiten, de eerste de beste wegen en paden inslaande, die zich
+aan hem vertoonde, zonder op te merken, dat deze hem telkens op
+zijn schreden terugvoerden. Zoo doolde hij een ganschen ochtend,
+zonder gegeten te hebben of honger te gevoelen. In zijn geest
+verdrongen zich een menigte nieuwe gewaarwordingen. Hij voelde zich
+vertoornd en wist niet op wien. Hij had niet kunnen zeggen, of hij
+zich bewogen of gedeemoedigd gevoelde. Nu en dan werd hij door een
+vreemde weekhartigheid overweldigd, welke hij bestreed en waartegen
+hij zich met de verhardheid zijner twintig laatste jaren verzette. Deze
+toestand verdroot hem. Hij voelde met eenige bekommering, dat de soort
+van heillooze kalmte, welke de onrechtvaardigheid van zijn ongeluk
+hem gegeven had, was verstoord. Hij vroeg zich af, wat daarvoor in
+de plaats zou komen. Menigmaal wenschte hij zelfs, dat de gendarmen
+hem maar naar de gevangenis hadden gevoerd, en de zaken zulk een
+keer niet hadden genomen; dit zou hem minder ontroering hebben
+veroorzaakt. Schoon het seizoen tamelijk gevorderd was, bloeiden
+er hier en langs den weg nog eenige late bloemen, welker geuren hem
+aan zijn kinderjaren herinnerden. Deze herinneringen waren hem bijna
+onverdragelijk, omdat ze in zoo langen tijd niet voor hem verschenen
+waren.
+
+Onuitsprekelijke gedachten drongen zich dus den ganschen dag aan
+hem op.
+
+Toen de zon naar het westen neigde en het kleinste steentje een
+lange schaduw gaf, zat Jean Valjean achter een kreupelboschje in
+een rotsachtige, zeer eenzame vlakte. Aan den horizont zag men niets
+dan de Alpen; zelfs geen kerktoren van eenig verwijderd dorp. Jean
+Valjean kon op drie uren afstand van D. zijn geweest.--Een voetpad,
+dat de vlakte doorsneed, liep eenige schreden van het kreupelhout.
+
+Te midden zijner overdenking, die er niet weinig toe zou hebben
+bijgedragen, om zijn lompen voor dengene, die hem ontmoet had,
+schrikbarend te maken, hoorde hij vroolijke klanken.
+
+Hij wendde het hoofd om en zag langs het pad een kleinen tienjarigen
+Savooiaard, met zijn lier op zijde en zijn marmotten-kastje op den
+rug, zingend naderen. Een dier goedaardige vroolijke knaapjes, die
+van het eene land naar het andere trekken en wier knieën door de
+gaten van hun broek steken.
+
+Steeds zingende, bleef de knaap nu en dan staan en speelde met eenige
+geldstukken, die hij in de hand had, en waarschijnlijk zijn geheele
+fortuin uitmaakten. Onder dit geld was een tweefrancstuk.
+
+De knaap bleef dicht bij het kreupelboschje staan, zonder Jean Valjean
+te zien, en wierp zijn geldstukken omhoog, welke hij tot hiertoe zeer
+behendig op den rug der hand weder opgevangen had.
+
+Maar ditmaal ontglipte hem het tweefrancstuk en rolde in het
+kreupelhout tot dicht bij Jean Valjean.
+
+Jean Valjean zette er den voet op.
+
+De knaap, die met zijn blik het geldstuk gevolgd was, zag het.
+
+Hij verwonderde zich er niet over, maar ging recht op den man toe.
+
+Het was eene geheel eenzame plaats. Zoo ver het oog reikte, zag men
+geen mensch, noch op de vlakte, noch op het voetpad. Men hoorde
+niets dan het tjilpen van een zwerm trekvogels, die zeer hoog in
+de lucht vlogen. De knaap stond met den rug naar de zon gekeerd,
+die gouden draden in zijn haar vlocht en Valjean's woest gezicht met
+een bloedrooden glans kleurde.
+
+"Mijnheer," zei de kleine Savooiaard met dat kinderlijk vertrouwen,
+dat uit onwetendheid en onschuld bestaat;--"mijn geldstuk?"
+
+"Hoe heet gij?" vroeg Valjean.
+
+"Kleine Gervais."
+
+"Ga heen," zei Valjean.
+
+"Geef mij eerst mijn geld!"
+
+Valjean boog het hoofd en antwoordde niet.
+
+"Mijn geld!" herhaalde de knaap.
+
+Valjeans blik bleef op den grond gevestigd.
+
+"Mijn geld! mijn zilverstuk! mijn geld!" riep de knaap.
+
+Valjean scheen niet te hooren. De knaap greep hem bij den kraag van
+zijn kiel en schudde hem heen en weder. Terzelfder tijd trachtte hij
+den zwaren, gespijkerden schoen van zijn geldstuk weg te schuiven.
+
+"Ik wil mijn geld, mijn tweefrancstuk!"
+
+De knaap begon te weenen. Valjean richtte het hoofd op. Hij zat nog
+steeds. Zijn oogen waren dof. Hij zag met een soort van verwondering
+den knaap aan. Toen greep hij zijn stok en riep met een forsche stem:
+"Wie is daar?"
+
+"Ik," zei de knaap, "de kleine Gervais. Ik, ik! geef mij mijn
+geldstuk weder, als 't u belieft! Neem uw voet weg, als 't u
+belieft!"--Eindelijk werd de knaap ernstig boos, en herhaalde schier
+dreigend:
+
+"Kom, neem uw voet weg.--Zult ge uw voet wegnemen?"
+
+"Zijt gij 't nog?" zei Valjean, en eensklaps opstaande, doch den
+voet steeds op het geldstuk houdende, riep hij: "Wilt ge maken dat
+ge wegkomt?"
+
+De knaap zag hem ontsteld aan, en begon van het hoofd tot de voeten
+te beven. Na eenige oogenblikken van ontzetting, liep hij zoo snel
+weg als hij kon, zonder om te zien of iets te zeggen.
+
+Op eenigen afstand was hij buiten adem en moest blijven staan. Jean
+Valjean hoorde, door zijne mijmering heen, den knaap snikken en weenen.
+
+Na eenige oogenblikken was de knaap verdwenen.
+
+De zon was ondergegaan.
+
+Het werd duister om Jean Valjean. Hij had den geheelen dag niet
+gegeten; waarschijnlijk was hij koortsachtig.
+
+Hij was blijven staan, nog in dezelfde houding als toen de knaap was
+weggeloopen. In lange ongeregelde tusschenpoozen deed zijn adem zijn
+boezem hijgen. Zijn blik scheen met groote opmerkzaamheid een oude
+blauw porseleinen scherf, op tien of twaalf schreden voor zich in het
+gras, te beschouwen. Eensklaps rilde hij; hij voelde de avondkoelte.
+
+Hij drukte zijn pet dieper op 't hoofd en trachtte werktuiglijk zijn
+kiel dicht te knoopen. Hij deed een schrede en bukte, om zijn stok
+op te rapen.
+
+Toen zag hij het tweefrancstuk, dat zijn voet in den grond had gedrukt
+en dat te midden der keitjes glinsterde. Dit veroorzaakte hem als een
+elektrieken schok.--Wat is dat? mompelde hij binnensmonds. Hij trad
+drie schreden achteruit, en stond toen stil, zonder zijn blik van de
+plek te kunnen wenden, waar zooeven zijn voet had gestaan, als ware het
+voorwerp dat daarin de duisternis glinsterde een op hem gericht oog.
+
+Na eenige oogenblikken sprong hij stuipachtig naar het geldstuk,
+nam het, en zich oprichtende zag hij in de verte over de vlakte rond,
+zijn blikken naar al de punten van den horizon wendende, en bevende
+als een gejaagd hert, dat een schuilplaats zoekt.
+
+Hij zag niets. Het werd donker; de vlakte lag koud en onduidelijk
+voor hem, een dikke blauwe nevel steeg in de avondschemering op.
+
+"Ha," zeide hij en schreed snel voorwaarts in de richting waar de
+knaap verdwenen was. Na een dertig schreden te hebben gedaan, stond
+hij stil, tuurde naar alle zijden, maar zag niets.
+
+Nu riep hij uit al zijn macht:--Kleine Gervais! Kleine Gervais!
+
+Toen zweeg hij, en wachtte.
+
+Niets antwoordde.
+
+Het veld was eenzaam en doodsch. Op deze uitgestrektheid omgaf hem
+niets dan de duisternis, waarin zijn blik verloren ging, en een stilte,
+waarin zijn stem verdween.
+
+Een kille wind verhief zich en gaf aan 't geen hem omringde, een
+akelige beweging. Het struikgewas sloeg zijn kleine, dunne takken
+met onbeschrijfelijke woede, als dreigden en vervolgden zij iemand.
+
+Hij stapte weder voort; toen begon hij harder te loopen en stond
+nu en dan stil om in deze eenzaamheid, met een stem die boven alle
+verbeelding schrikkelijk en wanhopig was: kleine Gervais! kleine
+Gervais! te roepen.
+
+De knaap zou zekerlijk, zoo hij hem gehoord had, bevreesd zijn
+geweest en zich gewacht hebben, voor den dag te komen. Maar hij was
+waarschijnlijk reeds ver.
+
+Nu ontmoette Valjean een priester te paard. Hij naderde hem en zeide:
+
+"Mijnheer de pastoor, hebt ge ook een knaapje ontmoet?"
+
+"Neen," zei de geestelijke.
+
+"Den kleinen Gervais?"
+
+"Ik heb niemand gezien."
+
+Hij nam twee vijffrancstukken uit zijn buidel en gaf ze den priester.
+
+"Mijnheer de pastoor, dit is voor uw armen, mijnheer de pastoor! 't
+is een knaapje van ongeveer tien jaar, met een marmot en een lier,
+geloof ik. Een dier kleine savooiaards, weet ge, mijnheer de pastoor?"
+
+"Ik heb hem niet gezien."
+
+"De kleine Gervais? Is hij niet uit een dorp hier in dezen
+omtrek? Zoudt ge 't mij misschien kunnen zeggen?"
+
+"Als 't is, zooals gij zegt, vriend, moet 't een vreemde knaap
+zijn. Zij zwerven op het land. Men kent ze niet."
+
+Jean Valjean nam woest nog twee vijffrancstukken uit zijn buidel en
+gaf ze den priester, zeggende: "voor uw armen!"
+
+Als in waanzin voegde hij er bij:
+
+"Laat mij gevangennemen, mijnheer de pastoor; ik ben een dief."
+
+De pastoor gaf zijn paard de sporen en reed verschrikt weg.
+
+Jean Valjean ijlde nu voort in de eerst door hem ingeslagen richting.
+
+In deze vaart legde hij een tamelijk langen weg af, immer zoekende,
+roepende en schreeuwende; maar hij ontmoette niemand. Een paar keeren
+liep hij in de vlakte naar iets, dat hij voor een liggend of gehurkt
+mensch aanzag, maar 't waren niets dan struiken of verhevenheden van
+den grond. Eindelijk hield hij stil, ter plaatse waar drie voetpaden
+elkander kruisten. De maan was opgegaan. Hij staarde naar alle kanten
+in de verte en riep voor de laatste maal: "Kleine Gervais! Kleine
+Gervais!" Maar zijn geroep smoorde in den nevel, zonder zelfs een
+echo te wekken. Nu fluisterde hij nog flauw en nauwelijks hoorbaar:
+Kleine Gervais! 't Was een laatste inspanning; zijn knieën knikten
+eensklaps onder hem, als werd hij door een onzichtbare macht onder
+het gewicht van zijn kwaad geweten neergedrukt; uitgeput zonk hij op
+een grooten steen neer, greep met beide handen in 't haar en verborg
+het gezicht tusschen zijn knieën, uitroepende: Ik ben een ellendeling!
+
+Toen brak zijn hart en hij weende. Dit was de eerste maal sinds
+negentien jaren, dat hij weende.
+
+Wij hebben gezien, dat, toen Jean Valjean den bisschop verliet, hij
+buiten al de gedachten was, welke hem tot hiertoe geleid hadden. Hij
+kon zich geen rekenschap geven van 't geen in hem omging. Hij verhardde
+zich tegen de hemelsche handelwijze en de zachtmoedige woorden des
+grijsaards. "Gij hebt mij beloofd, een eerlijk man te worden. Ik
+koop uw ziel. Ik verlos ze van den geest des verderfs en geef ze
+God." Deze woorden hoorde hij gestadig in zijn ooren. Hij stelde
+tegenover deze hemelsche toegevendheid den hoogmoed, die in ons is,
+als de citadel van het kwaad. Hij gevoelde flauw, dat de vergiffenis
+van dezen priester de grootste en sterkste aanval was, die hem ooit
+geschokt had; dat zijn verstoktheid duurzaam zou wezen, zoo hij deze
+goedertierenheid wederstond; dat, zoo hij toegaf, hij van den haat
+moest afzien, waarmede de daden van andere menschen gedurende zoovele
+jaren zijn ziel vervuld hadden; dat hij ditmaal moest overwinnen of
+verwonnen worden, en dat de strijd, een reusachtige en beslissende
+strijd, begonnen was tusschen zijn eigene slechtheid en de goedheid
+van dezen man.
+
+Al dat licht, 't welk in hem opging, maakte hem als dronken. Had hij,
+terwijl hij aldus met verwarden blik voortging, een duidelijk besef van
+de gevolgen welke zijn avontuur te D. voor hem kon hebben? Hoorde hij
+die geheimzinnige tonen, welke in sommige oogenblikken des levens den
+geest waarschuwen of kwellen? Fluisterde een stem hem in 't oor, dat
+hij het plechtigste oogenblik van zijn lot had beleefd, dat er voor hem
+geen middenweg meer bestond, dat, zoo hij voortaan niet de beste mensch
+was, hij de slechtste zou zijn; dat hij thans, om zoo te spreken,
+zich boven den bisschop moest verheffen, of lager dan de galeiboef
+zou zinken; dat, zoo hij goed wilde zijn, hij een engel moest worden;
+dat, zoo hij slecht wilde blijven, hij in een monster zou ontaarden.
+
+Hier moeten wij wederom de vraag herhalen, welke wij reeds vroeger
+hebben gedaan: was er eenig donker besef van dit alles in zijn
+geest? Ontwijfelbaar, zooals wij gezegd hebben, is het ongeluk de
+leerschool van het verstand; 't is evenwel te betwijfelen, of Valjean
+in staat was, al wat wij hier aangegeven hebben te ontleden. Zoo deze
+denkbeelden bij hem opkwamen, zag hij ze slechts flauw en onbestemd
+als in een nevel, en dienden ze slechts hem in een onbeschrijfelijke,
+schier smartelijke onrust te brengen. Na de afschuwelijke, donkere
+plaats te hebben verlaten, die men het bagno noemt, had de bisschop
+zijn ziel pijnlijk aangedaan, gelijk een te helder licht bij het
+verlaten der duisternis, zijn oogen zeer gedaan zou hebben. Het verder
+leven, het leven, dat hem voortaan misschien wachtte, een zondeloos
+rein leven, vervulde hem met angst en bekommering. Hij wist niet meer,
+hoe 't met hem was. Als een uil, die plotseling de zon ziet opgaan,
+was de tuchteling als verbijsterd en verblind door de deugd.
+
+Zeker was 't, en hij twijfelde hier niet aan, dat hij niet meer
+dezelfde man, dat alles in hem veranderd was, dat 't niet meer in
+zijn macht stond, te maken, dat de bisschop niet tot hem gesproken
+en zijn hart niet bewogen had.
+
+In deze gemoedsstemming had hij den kleinen Gervais ontmoet en hem
+het tweefrancstuk ontstolen. Waarom? Dit had hij zeker zelf niet
+kunnen verklaren; was 't een laatste uitwerking en als een laatste
+krachtsinspanning der slechte gedachten, welke hij uit het bagno
+had medegebracht: een onwillekeurige opwelling, het gevolg van 't
+geen in de statica de verkregene kracht wordt genoemd? Dat was 't,
+en misschien was 't nog iets minder dan dat. Zeggen wij eenvoudig,
+dat hij 't niet was, die gestolen had; 't was niet de mensch, 't was
+het dier, dat door gewoonte en instinct gedachteloos den voet op het
+geldstuk had gezet, terwijl de geest worstelde, te midden van zooveel
+ongehoorde en nieuwe voorstellingen. Toen de geest tot zich zelf kwam
+en deze daad van het dier zag, deinsde Jean Valjean ontsteld terug
+en slaakte een kreet van verschrikking.
+
+Want, een zonderling verschijnsel en slechts mogelijk in den toestand
+waarin hij verkeerde,--hij had toen hij den knaap het geldstuk ontstal,
+iets gedaan, waartoe hij reeds niet meer in staat was.
+
+Hoe het zij, deze laatste slechte daad had een beslissende uitwerking
+op hem; zij verbrak op een ruwe wijze den bajert van zijn verstand
+en loste dien op, scheidde de duisternis van het licht, en werkte
+op zijn ziel, in den toestand waarin zij toen was, gelijk sommige
+scheikundige reageermiddelen op een troebel mengsel werken, door het
+eene element neder te slaan en het andere te zuiveren.
+
+Aanvankelijk, zelfs vóór hij nadacht en overwoog, angstig, als
+iemand die wil vluchten, trachtte hij den knaap te vinden, om hem
+het geld weder te geven; toen hij evenwel zag, dat dit vruchteloos en
+onmogelijk was, bleef hij wanhopig staan. Op het oogenblik toen hij
+uitriep: Ik ben een ellendeling! had hij zich herkend gelijk hij was,
+en was bereids zoo ver van zich zelven gescheiden, dat hij zich voor
+een spooksel hield, en het meende voor zich te hebben--in vleesch en
+been, met den stok in de hand, gekleed in een kiel, den ransel met
+gestolen goederen op den rug, met somber, vermetel gezicht, den geest
+vol schandelijke ontwerpen,--den afschuwelijken galeiboef Jean Valjean.
+
+De overmaat van zijn ongeluk had hem, wij hebben het reeds gezegd,
+eenigszins tot een geestenziener gemaakt. Dit was dus een soort
+van visioen. Hij zag werkelijk dien Valjean, met het onheilspellend
+gezicht, voor zich. Hij was schier op 't punt zich te vragen, wie
+deze man was, dien hij met afkeer aanschouwde.
+
+Zijn hersenen waren in een dier levendige, en toch vreeselijk kalme
+oogenblikken, waarin de gedachte zoo diep is, dat zij de werkelijkheid
+in zich opneemt. Dan ziet men de voorwerpen niet meer, die men voor
+oogen heeft; maar men ziet buiten zich de beelden, welke men in zijn
+geest heeft.
+
+Hij aanschouwde zich, om zoo te spreken, dus zelf in 't gezicht,
+en tevens zag hij door deze begoocheling heen, in een geheimzinnige
+diepte, een licht, dat hij aanvankelijk voor een fakkel hield. Toen hij
+dat licht, 't welk zijn geweten verhelderde, opmerkzamer beschouwde,
+zag hij, dat zij een menschelijke gestalte had, en deze fakkel de
+bisschop was.
+
+Zijn geweten beschouwde beurtelings deze zoo voor hem staande beide
+mannen, den bisschop en Jean Valjean. Niets minder dan de eerste was
+nodig geweest, om den tweede te voorschijn te roepen. Door een dier
+zonderlinge uitwerkselen, welke aan deze soort van zinsbegoochelingen
+eigen zijn, werd, naar gelang zijn visioen duurde, de bisschop steeds
+grooter en schitterender in zijn oogen, terwijl Jean Valjean kleiner
+werd en allengskens verdween. Op een oogenblik was hij nog slechts
+een schaduw; toen verdween hij geheel, en alleen de bisschop bleef.
+
+Deze vervulde de gansche ziel van dezen rampzalige met een
+schitterenden glans.
+
+Lang weende Jean Valjean. Hij weende heete tranen, hij weende snikkend,
+moedeloozer dan een vrouw, angstiger dan een kind.
+
+Terwijl hij zoo weende, werden zijn hersenen meer en meer verlicht,
+door een buitengewoon licht, en bekoorlijk tevens. Zijn vorig leven,
+zijn eerste misslag, zijn lange boete, zijn uitwendige verdierlijking,
+zijn inwendige verhardheid, zijn ontslag, door zoovele wraakplannen
+vergezeld, alles wat hem bij den bisschop was gebeurd, zijn laatste
+daad, het stelen van een tweefrancstuk van een knaap: een misdaad te
+schandelijker en lafhartiger, wijl zij gepleegd was na de vergiffenis
+van den bisschop--alles verscheen hem duidelijk en helder, maar in
+een helderheid, welke hij tot hiertoe niet gekend had. Hij aanschouwde
+eerst zijn leven, en het kwam hem afschuwelijk voor; toen zijn ziel,
+en zij scheen hem afgrijselijk. Evenwel scheen op dit leven en op
+deze ziel een zacht licht. Hij meende den satan in het licht van
+'t paradijs te zien.
+
+Hoe vele uren weende hij? Wat deed hij vervolgens? Waar ging hij
+heen? Men heeft dit nimmer vernomen. Zooveel schijnt evenwel zeker,
+dat de voerman van den vrachtwagen, die destijds tusschen Grenoble
+en D. reed, dien nacht, omstreeks drie uren in den morgen, toen hij
+de straat van het bisdom doorreed, een man in de houding des gebeds,
+geknield, op de straat in de schaduw, voor de deur van Monseigneur
+Bienvenu zag.
+
+
+
+
+
+
+
+BOEK III.
+
+HET JAAR 1817.
+
+
+EERSTE HOOFDSTUK.
+
+HET JAAR 1817.
+
+
+1817 is het jaar, dat Lodewijk XVIII, met een zeker koninklijke
+aanmatiging, het twee-en-twintigste zijner regeering noemde.
+
+In dit jaar was mijnheer Bruguière de Sorsum een beroemdheid. Al
+de winkels der kappers, die hun hoop op den terugkeer van het
+haarpoeder hadden gevestigd, waren hemelsblauw geschilderd en met
+leliën versierd. 't Was de goede tijd, toen de graaf Lynch alle
+zondagen als kerkmeester in de kerk van St.-Germain-des-Prés zat,
+gekleed als pair van Frankrijk met het roode ordelint, met zijn
+langen neus en met dat majestueus gelaat, dat alleen den man eigen is,
+die een schitterende daad heeft verricht.
+
+De schitterende daad door mijnheer Lynch verricht, was dat hij
+als maire van Bordeaux, den 12 Maart 1814, deze stad een weinig te
+vroeg aan den hertog van Angoulême had overgegeven. Dit had hem het
+pairschap bezorgd. In 1817 zette de mode den knaapjes van vier tot
+zes jaren groote groenlederen petten met oorlappen op het hoofd, die
+veel op de mutsen der Eskimo's geleken. Het Fransche leger was evenals
+'t Oostenrijksche in witte uniformen; de regimenten werden legioenen
+genoemd, in plaats van cijfers droegen zij de namen der departementen.
+
+Napoleon was op St. Helena, en wijl Engeland hem groen laken weigerde,
+liet hij zijn oude kleederen keeren. In 1817 zong Pellegrini, danste
+melle. Bigottini, heerschte Potier; Odry bestond nog niet. Madame
+Saqui verving Forioso. Er waren nog Pruisen in Frankrijk. Delalot
+was een gewichtig personage. De legitimiteit had vastheid gekregen,
+door Pleignier, Corbonneau, en Tolleron respectievelijk de hand en
+het hoofd te doen afhouwen. Prins Talleyrand, groot-kamerheer, en de
+abbé Louis, aangewezen minister van financiën, keken elkander aan als
+twee wichelaars; beiden hadden den 14 Juli 1790 de federatie-mis
+op het veld van Mars gevierd, Talleyrand als bisschop, Louis
+als diaken. In 1817 zag men op de zijpaden van datzelfde Marsveld
+groote, ronde, blauw geverfde houten palen, met overblijfselen van
+vroeger vergulde adelaars en bijen, die aan den regen blootgesteld,
+in het gras verrotten. 't Waren de zuilen, die twee jaren vroeger de
+estrade des keizers op het Meiveld geschraagd hadden. Hier en daar
+waren zij zwart gebrand, door het bivouacvuur der Oostenrijkers,
+die nabij Gros-Caillou gekazerneerd waren.
+
+Twee of drie dezer zuilen waren in die bivouacvuren verbrand en
+hadden de groote handen der "keizerlijken" verwarmd. In dit jaar 1817
+waren twee zaken populair: de Voltaire-Touquet en de snuifdoozen à la
+Charte. Het laatste, dat de Parijzenaars in ontsteltenis had gebracht,
+was de misdaad van Dautun, die het hoofd zijns broeders in den vijver
+der bloemmarkt had geworpen. Aan het ministerie van Marine begon men
+zich ongerust te maken, dat er geen tijdingen kwamen van het noodlottig
+fregat la Méduse, 't welk Chaumareix met schande en Géricault met roem
+overladen moest. Kolonel Selves ging naar Egypte om er Soliman-Pacha
+te worden. Het paleis der Thermes (baden) in de straat la Harpe diende
+tot werkplaats van een kuiper. Op het plat van den achthoekigen toren
+van het hotel Cluny zag men nog het planken huisje dat aan Messier,
+sterrenkundige bij het zeewezen onder Lodewijk XVI, tot observatorium
+had gediend. De hertogin van Duras las aan drie of vier vrienden,
+in haar met hemelsblauw versierd boudoir, haar nog onuitgegeven
+Ourika voor.
+
+Men krabde aan het Louvre de N's uit.
+
+De brug van Austerlitz deed afstand van zijn naam en heette nu brug van
+den koninklijken tuin, een dubbel raadsel, 't welk tevens de brug van
+Austerlitz en den plantentuin verborg. Lodewijk XVIII, die, terwijl
+hij met zijn nagels teekens maakte in Horatius, aan niets anders
+dacht dan aan helden, die zich tot keizers, en aan klompenmakers
+die zich tot dauphins maken, had twee zorgen: Napoleon en Mathurin
+Bruneau. De Fransche academie stelde tot prijsvraag voor: "het geluk,
+dat de studie verschaft." Bellart was officieel welsprekend. Men zag
+in zijn schaduw den toekomstigen advocaat de Broë ontluiken, die aan
+de bijtende spotternij van Paul Louis Courier ter prooi viel. Er
+was een valsche Chateaubriand, Marchangy geheeten, in afwachting
+van een valschen Marchangy, met name Arlincourt. "Claire d'Albe"
+en "Malek-Adel" waren meesterstukken; madame Cottin werd voor de
+voornaamste schrijfster van dien tijd verklaard. Het Instituut liet
+het lid der Academie Napoleon Bonaparte van zijn lijst schrappen. Een
+koninklijke ordonnantie richtte te Angoulême een marineschool op, want
+daar de hertog van Angoulême groot-admiraal was, sprak 't vanzelf
+dat de stad Angoulême van rechtswege al de eigenschappen van een
+zeehaven moest hebben; anders zou het monarchisch beginsel gekrenkt
+zijn geweest. Men twistte in den ministerraad over de vraag of men
+op de aankondigingen van Franconi de afbeeldingen zou toelaten, die
+de straatjongens deden samenscholen. Paër, de componist van Agnese,
+een goed man met een vierkant gezicht en een wrat op iedere wang,
+dirigeerde de kleine gezelschapsconcerten der markiezin de Sassenaye,
+in de straat Ville l'Évêque. Al de meisjes zongen destijds l'Ermite
+de Saint-Avelle, woorden van Edmond Géraud. Het blad de Nain-jaune
+herschiep zich in de Miroir. Het koffiehuis Lemblin was vóór den
+keizer, en het koffiehuis Valois daarentegen voor de Bourbons. Men
+had den hertog van Berry, op wien Louvel bereids in de schaduw het
+oog had, met een prinses van Sicilië in den echt doen treden. Het
+vorige jaar was mevrouw de Staël overleden. De lijfgarden floten
+mademoiselle Mars uit. De groote dagbladen waren zeer klein. Het
+formaat was beperkt, maar de vrijheid groot. De Constitutionnel was
+constitutionneel. De Minerva noemde Chateaubriand Chateaubriant. De
+burgerij lachte hevig om die t. In bezoldigde dagbladen hoonden
+veile schrijvers de ballingen van 1817. David had geen talent meer;
+Arnault geen vernuft; Carnot geen ernst; Soult had geen enkelen
+slag gewonnen; Napoleon was geen genie. Men weet algemeen, dat
+brieven aan een balling met de post zelden terecht komen, wijl de
+politie het zich ten heiligen plicht stelt ze te onderscheppen. Dit
+is niets nieuws. De verbannen Descartes klaagde er reeds over. Ook
+toen David in een Belgisch blad zijn ontevredenheid te kennen gaf,
+dat hij de brieven niet ontving, welke men hem schreef, vonden de
+koningsgezinde bladen dit zoo kluchtig, dat zij er den banneling hevig
+om bespotten. Te zeggen: "de koningsmoorders" of "de stemmenden";
+"de vijanden" of "de geallieerden", "Napoleon" of "Buonaparte",
+dit scheidde twee menschen meer dan een afgrond.
+
+Alle lieden met gezond verstand waren 't er over eens, dat de tijd der
+revoluties door koning Lodewijk XVIII, bijgenaamd "de voortreffelijke
+bewerker der Charte" voor altijd gesloten was. Op de Pont-Neuf beitelde
+men het woord: Redivivus op het voetstuk, dat het ruiterbeeld van
+Hendrik IV wachtte. De heer Piet beproefde in de straat Therese
+No. 4 vereenigingen te houden ter bevestiging der monarchie. De
+aanvoerders der rechterzijde zeiden bij ernstige verwikkelingen:
+"men moet aan Bacot schrijven." De heeren Canuel, O'Mahony en de
+Chappedelaine bereidden, met goedkeuring van Monsieur, broeder des
+konings, datgene voor wat later "de samenzwering aan den waterkant"
+moest zijn. L'Epingle Noire was insgelijks met samenzweringen
+bezig. Delaverderie was in conferentie met Trogoff. Decazes, in zekeren
+zin een liberale geest, heerschte. Chateaubriand, die elken morgen in
+de straat St. Dominique No. 27 voor zijn venster stond met een lange
+pantalon en pantoffels, zijn grijs hoofd met een madras omwonden, de
+oogen in een spiegel geslagen, en een completen tandmeesters-winkel
+vóór zich, poetste zijn tanden, die zeer fraai waren, terwijl hij zijn
+secretaris, den heer Pilorge la Monarchie selon la charte dicteerde. De
+gezaghebbende critiek gaf aan Lafon boven Talma de voorkeur. De heer
+de Feletz teekende A., de heer Hoffmann teekende Z., Charles Nodier
+schreef Therèse Aubert. De echtscheiding was afgeschaft. De lyceën
+werden collegiën genoemd. De studenten, die een gouden lelie op den
+rokskraag droegen, vochten met elkander wegens den koning van Rome.
+
+De politie van het kasteel berichtte aan haar koninklijke hoogheid de
+hertogin van Berry, dat het portret van den hertog van Orleans overal
+ten toon was gesteld, en hij in zijn uniform van kolonel-generaal
+der huzaren een beter vertoon maakte dan de hertog van Berry in die
+van kolonel-generaal der dragonders; dit was een zeer onaangenaam
+iets. De stad Parijs liet op haar kosten den dom der Invaliden
+vergulden. Ernstige lieden vroegen elkander wat in deze of gene
+omstandigheid mijnheer de Trinquelague zou doen; mijnheer Clausel
+de Montals verschilde in sommige punten met mijnheer Clausel de
+Coussergues; mijnheer de Salaberry was niet tevreden. De komediant
+Picard, die lid der Academie was, 't geen de komediant Molière niet
+had kunnen worden, liet les deux Philibert in den schouwburg van
+'t Odeon opvoeren, op welks voorgevel nog de uitgewischte woorden
+Théatre de l'Imperatrice duidelijk te lezen waren. Men koos partij
+voor of tegen Cugnet de Montarlot. Fabvier was oproerig; Bavoux
+was revolutionnair. De boekhandelaar Pelicier gaf een editie der
+werken van Voltaire uit, onder dezen titel: Oeuvres de Voltaire,
+de l'academie française. "Dat lokt de koopers," zei deze naïeve
+uitgever. De algemeene meening was, dat mijnheer Charles Loyson het
+genie der eeuw zou zijn.
+
+De afgunst begon aan hem te knagen; een bewijs van roem; en men maakte
+dit vers op hem:
+
+
+ Même quand Loyson vole, on sent qu'il a des pattes. [1]
+
+
+De kardinaal Fesch weigerde zijn ontslag te nemen, weshalve de heer de
+Pins, aartsbisschop van Amasie, het bisdom Lyon bestuurde. De kwestie
+van het Dappendal ontstond tusschen Zwitserland en Frankrijk door
+een memorie van kapitein Dufour, die thans generaal is. Saint-Simon,
+destijds nog onbekend, stelde zijn verheven droom te zamen. In
+de Academie der wetenschappen zat een beroemde Fourier, dien dit
+nageslacht geheel vergeten is, en op een of ander zolderkamertje
+een onbekende Fourier, dien de toekomst zich steeds roemrijk zal
+herinneren. Lord Byron begon op te komen; een noot van een gedicht
+van Millevoye kondigde hem in Frankrijk aan met deze woorden:
+"een zekere lord Byron." David van Angers beproefde het marmer te
+kneden. De abbé Caurie sprak, in een kleinen kring seminaristen
+in het slop der Feuillanines, met lof van een onbekenden priester,
+Félicité Robert genaamd, die later Lamennais werd. Iets dat rookte
+en plaste op de Seine, met het geluid van een zwemmenden hond, ging
+van den Pont Royal tot aan de brug van Lodewijk XV heen en weder,
+voorbij de vensters der Tuilerieën. 't Was een werktuig, dat tot
+niet veel nut was, een soort van speeltuig, een uitvindsel van een
+zwakhoofdige, een utopie: een stoomboot. De Parijzenaars keken naar
+dat nuttelooze ding met onverschilligheid. Mijnheer de Vaublauc,
+die door een staatsgreep en ordonnantie het Instituut hervormd had,
+kon, na verscheiden leden der Academie te hebben gemaakt, er zelf niet
+inkomen. De voorstad St. Germain en het paviljoen Marsan wenschten tot
+prefect van politie den heer Delavau, wegens zijn vroomheid. Dupuytren
+en Recamier twistten in de geneeskundige school over de goddelijkheid
+van Jezus Christus en dreigden elkander met de vuist. Cuvier poogde,
+met het eene oog op het scheppingsverhaal in den bijbel en met het
+andere op de natuur gericht, aan de bigotte reactie te behagen door de
+fossiliën in overeenstemming met de H. Schrift te brengen en Mozes door
+de mastodonten te doen eerbiedigen. Mijnheer François de Neufchâteau,
+die op lofwaardige wijze de gedachtenis aan Parmentier in eere hield,
+wendde duizenderlei pogingen aan om "aardappel" (pomme de terre)
+als parmentière te doen uitspreken, 't geen hem echter niet gelukte.
+
+De abbé Grégoire, oud-bisschop, oud lid der conventie, oud-senator,
+was in de koningsgezinde polemiek tot den staat van "eerloozen
+Grégoire" overgegaan.
+
+Deze spreekwijze van "tot den staat van... overgaan" werd door den
+heer Royer Collard als een nieuwigheid aangeklaagd. Men kon nog aan
+zijn helderheid den steen herkennen, waarmede men vóór twee jaren,
+onder den derden boog der brug van Jena, de opening der mijn weder
+had dichtgemaakt, die door Blücher was aangelegd, om de brug in de
+lucht te doen springen.
+
+De justitie daagde voor haar balie iemand, die tot den graaf van
+Artois, toen deze Notre-Dame binnenging, luid gezegd had: Sapperloot,
+ik betreur den tijd toen ik Bonaparte en Talma arm in arm naar het
+Bal-Sauvage zag gaan.--Oproerige gesprekken. Zes maanden gevangenis.
+
+Verraders vertoonden zich zonder mom; mannen, die den dag vóór
+den veldslag tot den vijand waren overgeloopen, bedekten niets van
+het ontvangen loon, en droegen op klaarlichten dag hun schandelijk
+verkregen schatten en waardigheden ten toon; deserteurs van Ligny en
+Quatre-Bras bewezen hun monarchale verkleefdheid door de naaktheid,
+waarmede zij hun betaalde schurkerij droegen, en vergaten wat in
+Engeland op den binnenmuur der openbare waterclosets staat geschreven:
+Please adjust your dress before leaving. (Voor men zich verwijdert,
+brenge men zijn kleeding weder behoorlijk in orde.)
+
+Ziedaar, wat, verward, in 't jaar 1817 bovendreef, en thans genoegzaam
+vergeten is. De geschiedenis schenkt aan al deze bijzonderheden
+schier geen aandacht; en kan wel niet anders, daar het eindelooze
+haar dan zou overweldigen. Evenwel zijn deze bijzonderheden, welke
+men ten onrechte kleinigheden noemt,--er zijn noch kleine feiten in de
+menschheid, noch kleine bladeren in den plantengroei--nuttig, 't Is uit
+het gelaat der jaren, dat de gedaante der eeuwen wordt samengesteld.
+
+In dat jaar 1817 hadden vier jonge Parijzenaars "een aardige grap."
+
+
+
+
+
+
+TWEEDE HOOFDSTUK.
+
+EEN DUBBEL VIERTAL.
+
+
+Een dezer Parijzenaars was van Toulouse, een andere van Limoges, een
+derde van Cahors en de vierde van Montauban; maar zij waren studenten,
+en al wat student is, is Parijzenaar; te Parijs studeeren is te Parijs
+geboren zijn.
+
+Deze jongelieden waren onbeduidend; iedereen heeft zulke wezens gezien;
+vier staaltjes, zooals er dagelijks voorkomen; goed noch slecht,
+knap noch dom, genieën noch botteriken; maar schoon--uithoofde van
+de bekoorlijke lente, die "twintig jaren" heet.
+
+'t Waren vier Oscars; want op dat tijdstip bestonden de Arthurs
+nog niet. "Brand voor hem reukwerken van Arabië," zong de Romance,
+"Oscar nadert, Oscar zal ik zien!" [2]
+
+Men had met Ossian gedweept; het Scandinavisch en Caledonisch was
+thans in de mode, eerst later kreeg het zuiver Engelsch de overhand;
+de eerste Arthur, Wellington, had pas onlangs den slag van Waterloo
+gewonnen.
+
+Deze Oscars heetten: de eene Felix Tholomyès, van Toulouse;
+de andere Listolier, van Cahors; de derde Fameuil, van Limoges;
+de laatste Blachevelle, van Montauban. Natuurlijk had ieder een
+minnares. Blachevelle beminde Favourite, dus genoemd wijl zij in
+Engeland was geweest; Listolier aanbad Dahlia, die den naam eener
+bloem had gekozen; Fameuil had Zephine, verkorting van Josephine,
+tot geliefde; Tholomyès had Fantine, bijgenaamd de blonde, uithoofde
+van haar schoon goudkleurig haar.
+
+Favourite, Dahlia, Zephine en Fantine waren vier bekoorlijke meisjes,
+nog min of meer naaisters, want zij hadden niet bepaald de naald
+verlaten, die door de liefde een weinig verwaarloosd was; maar
+zij hadden op 't gelaat nog een overblijfsel van het opgeruimde des
+arbeids, en in de ziel die bloem der braafheid welke bij de vrouw den
+eersten val overleeft. Een der vier werd de "jonge" genoemd, wijl zij
+de jongste was, en een de "oudste"; deze was drie-en-twintig jaar.--Om
+niets te verzwijgen--de drie eersten hadden meer ondervinding, waren
+lichtzinniger en meer op 't gewoel der wereld verzot dan de blonde
+Fantine, die zich nog in haar eerste illusiën bevond.
+
+Met Dahlia, Zephine en bovenal Favourite was dit het geval niet. Haar
+nauwelijks begonnen roman bevatte reeds meer dan één episode, en
+de minnaar, die in het eerste hoofdstuk Adolf heette, was in het
+tweede Alfons, in het derde Gustaaf. Armoede en behaagzucht zijn
+twee noodlottige raadslieden voor meisjes; de eene knort, de andere
+vleit; en de schoone meisjes uit de volksklasse worden door beide
+lastig gevallen.
+
+De slecht bewaakte harten luisteren. Daardoor komen zij tot den val,
+en men werpt steenen op haar. Men overstelpt haar met den luister van
+al wat onbevlekt en onbereikbaar is. Helaas! wanneer de jonge maagd
+honger heeft?
+
+Favourite, die in Engeland was geweest, werd door Zephine en Dahlia
+bewonderd. Zij was reeds vroeg gekamerd geweest. Haar vader was een
+oude onderwijzer in de wiskunde, een ruw, opgeblazen man, ongetrouwd,
+die ondanks zijn ouderdom steeds les gaf. In zijn jeugd had hij op
+zekeren dag gezien, dat het kleed eener kamenier aan een aschbak
+bleef haken; dit geval had hem verliefd gemaakt. Van deze liefde was
+Favourite de vrucht geweest. Nu en dan slechts zag zij haar vader,
+die haar goedendag kwam zeggen. Op zekeren morgen verscheen een
+oude vrouw met een vroom voorkomen bij haar, zeggende:--Kent gij mij
+niet, juffertje?--Neen.--Ik ben uw moeder.--Toen had de oude vrouw
+de etenskast geopend, had gegeten en gedronken, had haar bed doen
+brengen en was gebleven. Deze knorrige, vrome moeder sprak nooit
+tot Favourite, bleef uren lang zwijgend zitten, at aan het ontbijt,
+den middag- en den avond-maaltijd voor vier, en ging naar beneden
+bij den portier visites maken, waar zij kwaad van haar dochter sprak.
+
+Wat Dahlia tot Listolier, misschien ook tot anderen, en tot de
+werkeloosheid had gebracht, waren haar schoone rozige nagels. Hoe
+kon zij met zulke nagels werken? Die deugdzaam wil blijven, moet geen
+medelijden met zijn handen hebben.
+
+Wat Zephine betreft, deze had haar Fameuil veroverd door op zeer
+schalksche en verlokkelijke wijze: Ja, mijnheer! te zeggen.
+
+De jongelingen waren kameraden, de meisjes waren dus vriendinnen. Zulke
+minnarijen gaan steeds vergezeld van zulke vriendschappen.
+
+Wijs en wijsgeerig zijn, is verschillend; en het bewijs er van is,
+dat, de kleine ongeregeldheden in haar leefwijze er buiten gelaten,
+Favourite, Zephine en Dahlia wijsgeerige meisjes waren, en Fantine
+een wijs meisje was.
+
+Wijs! zal men zeggen, en Tholomyès? Salomo zou antwoorden, dat
+de liefde een deel der wijsheid uitmaakt. Wij zeggen slechts, dat
+Fantine's liefde een eerste, een eenige, een trouwe liefde was.
+
+Zij was de eenige der vier, die slechts met een enkele gemeenzaam
+omging.
+
+Fantine was een der wezens, die, om zoo te spreken, uit de diepte des
+volks ontluiken. Uit de onpeilbaarste diepten der maatschappelijke
+duisternis opgekomen, droeg zij op het hoofd het teeken van het
+naamlooze en onbekende. Zij was te M. sur M. geboren. Van welke
+ouders? Wie zou het kunnen zeggen? Niemand had ooit haar ouders
+gekend. Zij heette Fantine. Waarom Fantine? Zij had nooit een anderen
+naam gehad.
+
+Tijdens haar geboorte bestond het Directoire nog. Zij had evenmin een
+familienaam als familie; ook geen doopnaam, want de kerk was er niet
+meer. Zij heette zooals de eerste de beste haar noemde, die haar, toen
+zij blootsvoets op straat rondzwierf ontmoet had. Zij ontving een naam,
+evenals zij de droppen uit de wolken op haar hoofd ontving, wanneer
+het regende. Men noemde haar de kleine Fantine. Niemand wist iets
+meer van haar. Zóó was dit menschelijke wezen het leven ingetreden.
+
+Toen Fantine tien jaar oud was, verliet zij haar geboorteplaats,
+en ging in dienst bij de boeren in den omtrek. Op vijftienjarigen
+leeftijd kwam zij te Parijs om "fortuin te maken". Fantine was schoon
+en bleef zoolang zij kon rein. Zij was een lieve blondine met fraaie
+tanden. Zij had tot bruidsschat goud en paarlen; maar het goud was
+op haar hoofd en de paarlen waren in haar mond.
+
+Zij arbeidde om te leven; daarna beminde zij insgelijks om te leven,
+want ook het hart heeft zijn honger. Zij beminde Tholomyès.
+
+Voor hem was 't eene minnarij; voor haar een hartstocht. De straten van
+het Quartier Latin, waarin het mierennest der studenten en grisetten
+wemelt, zagen het begin van dezen liefdedroom. Op deze kronkelpaden
+des heuvels van het Pantheon, waar zooveel avonturen aangeknoopt en
+ontbonden worden, had Fantine Tholomyès lang ontvlucht, doch zoo,
+dat zij hem telkens weder ontmoette.
+
+Er is een manier om iemand te ontwijken, die veel van zoeken
+heeft. Kortom, de Idylle begon.
+
+Blachevelle, Listolier en Fameuil vormden een groep, waarvan Tholomyès
+het hoofd was. Hij bezat de geestigheid.
+
+Tholomyès was de oude, veeljarige student; hij was rijk; hij bezat
+vierduizend francs rente. Vierduizend francs is een schat, waarmede
+op den berg van St. Genoveva heel wat kan gedaan worden. Tholomyès
+was een losbol van dertig jaar, die zich slecht gehouden had. Hij
+had reeds rimpels, en had reeds tanden verloren; en spottend wees
+hij op zijn hoofd, dat al kaal begon te worden. Zijn spijsvertering
+was niet best en hij had een traanoog. Maar naargelang zijn jeugd
+vervloog, vermeerderde zijn vroolijkheid; hij verving zijn ontbrekende
+tanden door kwinkslagen, zijn haar door grappen, zijn gezondheid
+door spotternij, en zijn traanoog lachte altijd. Hij was vermolmd,
+maar nog vol bloemen. Zijn jeugd, die vóór den tijd verdween, trok
+in goede orde af, onder lach en scherts. Hij had een tooneelstuk
+geschreven, dat echter overal was afgewezen. Nu en dan maakte hij
+verzen. Overigens geloofde hij aan niets, 't geen hem in de oogen der
+zwakken niet weinig aanzien gaf. Dewijl hij nu ironisch en kaal van
+haar was, was hij het hoofd. Iron is een Engelsch woord, dat ijzer
+beteekent; zou daarvan ironisch afkomstig zijn?
+
+Op zekeren dag nam Tholomyès de drie anderen ter zijde, maakte een
+gewichtig gebaar en zeide:
+
+"Sinds nu bijna een jaar vragen Fantine, Dahlia, Zephine en Favourite
+ons om een verrassing. Wij hebben ze haar plechtig beloofd. Zij spreken
+er ons dagelijks om aan, vooral mij. Evenals de oude vrouwen te Napels
+den H. Januarius toeroepen: Faccia gialluta, fa o miracolo, gele
+tronie, verricht uw mirakel! zeggen onze schoonen gestadig tot mij:
+Tholomyès, wanneer zal uw verrassing voor den dag komen? Tegelijkertijd
+schrijven ons onze ouders. Zoo worden wij van alle zijden geplaagd. Het
+oogenblik schijnt nu gekomen. Laat ons dus overleggen.
+
+Toen sprak Tholomyès zachter, en 't geen hij op een geheimzinnige
+wijze zeide, scheen zoo grappig, dat de vier monden tegelijkertijd
+in een luid schaterend gelach uitbarstten, en Blachevelle uitriep:
+"Dat is een heerlijk denkbeeld!"
+
+Zij kwamen bij een estaminet vol rook, traden er binnen en het overige
+hunner conferentie verloor zich in de duisternis.
+
+Het gevolg dezer duisternis was een schitterende buitenpartij, die
+den volgenden Zondag zou plaats hebben, en waartoe de vier jongelingen
+de vier meisjes noodigden.
+
+
+
+
+
+
+DERDE HOOFDSTUK.
+
+VIER PAREN.
+
+
+Wat vijfenveertig jaren geleden een landelijke partij van studenten en
+grisettes was, kan men zich tegenwoordig moeielijk voorstellen. Parijs
+heeft niet meer dezelfde omstreken; de gedaante van hetgene men het
+leven om Parijs zou kunnen noemen, is sedert een halve eeuw geheel
+veranderd; waar toen de koekoek [3] reed, ratelt nu de spoortrein;
+de vaartuigen op de Seine zijn door stoombooten vervangen; men
+gaat tegenwoordig even gemakkelijk naar Fécamp als destijds naar
+St. Cloud. Het Parijs van 1862 is een stad, die geheel Frankrijk tot
+buitenwijken heeft.
+
+De vier paren begingen zorgvuldig al de landelijke dwaasheden die
+destijds mogelijk waren. 't Was in den vacantietijd, en een warme
+heldere zomerdag. De oude, Favourite, de eenige die kon schrijven,
+had uit naam van alle vier aan Tholomyès geschreven: "C'est une
+bonne heure de sortir de bonheur." Daarom stonden zij te vijf uren 's
+ochtends op. Toen voeren zij met de schuit naar St. Cloud, bezichtigden
+den verdroogden waterval, en riepen: Wat moet dat fraai zijn, als
+er water in is! Zij gebruikten het ontbijt, wandelden, stoeiden,
+vermaakten zich op allerlei wijzen, plukten bloemen, aten en dronken,
+kortom waren volkomen gelukkig.
+
+De meisjes koutten, lachten en zongen als ontsnapte vinken. 't Was
+een dolle pret. Zij schertsten en stoeiden met haar minnaars. O
+lenteroes des levens! Verrukkelijke jaren! De vleugels der nimfen
+klapwieken. Wie gij ook zijt, herinnert ge u dien tijd? Zijt ge ooit
+door struweelen gegaan, zorgvuldig de takken ter zijde buigende,
+om het bekoorlijk kopje, dat achter u was, te beveiligen? Zijt ge
+ooit van een grasheuvel, die steil en door den regen glibberig was,
+afgedarteld, met een geliefde, die u stijf de hand vasthoudt, en
+uitroept: "Ach, mijn nieuwe laarsjes; hoe zien zij er uit!"
+
+Wij moeten hierbij voegen, dat de vermakelijke ramp van een stortregen
+aan dit vroolijke gezelschap ontging, hoewel Favourite bij het vertrek,
+op moederlijken en matresachtigen toon gezegd had: "de slakken kruipen
+langs den grond. Een voorteeken van regen, kinderen!"
+
+Alle vier waren schoon van schalkschheid. Een goed oud, klassiek
+dichter, destijds vermaard, een man die een Eleonore had, de ridder de
+Labouisse, doolde dien dag onder de kastanjeboomen van St. Cloud, en
+toen hij de vier meisjes tegen tien uren 's morgens zag voorbijgaan,
+zeide hij: "Er is er één te veel", waarbij hij aan de drie gratiën
+dacht. Favourite, Blachevelle's minnares, de drieëntwintig-jarige,
+de oude, liep vooruit onder de zware groene takken, sprong over
+slooten, kroop onverschrokken door struiken en heggen, en voerde haar
+vroolijke gezellen aan met al het vuur eener boschgodin. Zephine en
+Dahlia, aan welke het toeval die verschillende schakeeringen der
+schoonheid had geschonken, welke elkaar aanvulden en verhoogden,
+verlieten elkander niet, meer nog uit instinct van coquetterie dan
+uit vriendschap; tegen elkander gesteund en gevlijd, vertoonden
+zij Engelsche poses. De eerste Keapsakes waren verschenen; voor
+de vrouwen begon de melancholie mode te worden, zooals later het
+Byronisme voor de mannen, en het haar der schoone sekse begon als
+een treurwilg over het gezicht te hangen. Zephine en Dahlia waren
+met krullen gekapt. Listolier en Fameuil, die in een discussie over
+hun professoren verdiept waren, verklaarden aan Fantine het verschil,
+dat er tusschen den heer Delvincourt en den heer Blondeau bestond.
+
+Blachevelle scheen opzettelijk geschapen, om des Zondags de shawl
+van Favourite op den arm te dragen.
+
+Tholomyès volgde als de meester der groep. Hij was zeer vroolijk,
+maar men voelde toch zijn heerschappij; in zijn vroolijkheid was
+iets van den dictator: zijn grootste opschik was een wijde nanking
+pantalon met souspieds van gevlochten koperdraad, hij had een dikken
+bamboes van tweehonderd francs in de hand; en, wijl hij zich alles
+veroorloofde, in den mond--iets vreemds in dien tijd--een sigaar. Er
+was niets heilig voor hem--hij rookte.
+
+"Tholomyès is toch een ongemeen mensch," zeiden de anderen
+eerbiedig. "Zie zijn pantalon! hoe forsch!"
+
+Fantine was de vroolijkheid zelve. Haar prachtige tanden hadden
+blijkbaar van God den last ontvangen, om te lachen. Zij droeg haar
+stroohoedje met lange fladderende witte kinbanden liever in de hand dan
+op het hoofd. Haar zwaar blond haar, dat telkens losging en langs haar
+hoofd golfde, deed haar eene Galathee gelijken, die onder de wilgen
+vlucht. Haar rooskleurige lippen babbelden bekoorlijk. De wellustig
+opgetrokken mondhoeken, als die der antieke afbeeldingen van Erigone,
+schenen tot onbeschroomdheid aan te moedigen en uit te dagen; maar haar
+lange oogwimpers wierpen een bescheiden schaduw over het ondergedeelte
+van haar gezicht, als om tot ernst te vermanen. Haar geheele kleeding
+en opschik had iets vroolijks, zwierigs. Zij droeg een japon van
+lilas barège, lage goudlederen schoentjes met kruislinten op de fijne
+witte kousen, en die soort van neteldoeken spencer, die te Marseille
+is uitgevonden, en wier naam, canezou, een verbastering is van het
+woord quinze août, dat schoon weder, warmte en middag beteekent. De
+drie anderen, welke minder bloode waren, droegen zeer lage lijven,
+'t geen des zomers, onder met bloemen bedekte hoeden, zeer bekoorlijk
+en verlokkend staat. Nevens dezen onbeschaamden tooi scheen de half
+doorschijnende canezou der blonde Fantine, die half vertoonde en half
+verhulde, zien liet en verborg, een tartende vondst der ingetogenheid,
+en het vermaarde liefdegerechtshof, voorgezeten door de burggravin de
+Cette met de zeegroene oogen, zou misschien den prijs der coquetterie
+aan deze canezou hebben gegeven, die als middel der eerbaarheid
+diende. Het gebeurt vaak, dat de onnoozelste de schranderste is.
+
+Schitterend van aangezicht, met teedere omtrekken, donkerblauwe oogen,
+zware oogleden, kleine fraai besneden voetjes, wonderbaar fijne leden
+en gewrichten, blank vel, dat hier en daar de blauwe zwelling der
+aderen vertoonde, kinderlijk frissche wangen, krachtigen hals als
+die van Juno, sterken, buigzamen nek, schoon gevormde schouders,
+waartusschen men, door het neteldoek heen, een verleidelijk kuiltje
+zag; een beeld van vroolijkheid, door mijmering getemperd; ongemeen
+bekoorlijk en schilderachtig--zoodanig was Fantine;--en 't was
+blijkbaar, dat dit beeld leven en een ziel bevatte.
+
+Fantine was schoon, zonder dat zij 't zelf recht wist. Diepzinnige
+navorschers, geheimzinnige priesters van het schoone, die stilzwijgend
+alles met de volmaaktheid vergelijken, zouden in dit naaistertje,
+door de Parijsche bevalligheid heen, de gewijde Euphonia der ouden
+hebben ontdekt. Deze dochter der onbekendheid was van den echten
+stempel. Zij was even schoon in beide opzichten, welke men stijl en
+rhythmus noemt. De stijl is de vorm van het ideale; de rhythmus de
+beweging er van.
+
+Wij hebben gezegd, dat Fantine de vroolijkheid was; zij was ook
+de eerbaarheid.
+
+Een nauwkeurig opmerker zou, door de opgetogenheid en verrukking
+van jeugd, seizoen en liefde heen, een onverwinnelijke uitdrukking
+van ingetogenheid, een bescheidenheid ontdekt hebben. Zij betoonde
+steeds eenige aarzeling. Deze kuische aarzeling is de tint die Psyché
+van Venus onderscheidt. Fantine had de witte, fijne vingers der
+Vestaalsche maagd, die met een gouden naald de asch van het heilige
+vuur omroert. Hoewel zij aan Tholomyès niets had geweigerd--zooals men
+maar al te spoedig zien zal--had haar gezicht, als zij in rust was,
+een bij uitnemendheid maagdelijke uitdrukking; in sommige oogenblikken
+vertoonde zij eensklaps een zweem van ernstige, strenge waardigheid, en
+niets was zonderlinger en treffender dan haar vroolijkheid zoo ijlings
+te zien verdwijnen, en haar dartelheid, zonder eenigen overgang,
+voor ernstig gepeins te zien plaats maken. Deze plotselinge ernst,
+die vaak krachtig uitkwam, geleek de verachting eener godin. Haar
+voorhoofd, haar neus en kin bezaten die evenredigheid van lijnen,
+welke geheel verschillend van de evenredigheid der verhoudingen is, en
+waaruit de harmonie van het gezicht ontstaat; in de zoo karakteristieke
+tusschenruimte van den neus en de bovenlip, had zij die nauwelijks
+zichtbare, bekoorlijke plooi, dat geheimzinnig merk der kuischheid,
+'t welk Barbarossa verliefd maakte op een, bij de opdelvingen van
+Icona gevonden, Diana.
+
+De liefde moge een zonde zijn; maar Fantine was de onschuld, die op
+de zonde dreef.
+
+
+
+
+
+
+VIERDE HOOFDSTUK.
+
+THOLOMYÈS IS ZOO VROOLIJK, DAT HIJ EEN SPAANSCH LIED ZINGT.
+
+
+Deze dag was van 't begin tot het einde als 't morgenrood. De geheele
+natuur scheen feest te vieren en vroolijk te zijn.
+
+De bloemperken van Saint Cloud vervulden alles met hun geuren; het
+koeltje, dat van de Seine overwoei, bewoog zacht de bladeren; de
+takken gesticuleerden in den wind; de bijen beroofden de jasmijnen;
+een drom zwervende kapellen fladderde boven de klaver- en havervelden;
+in het heerlijk park van den koning van Frankrijk zwierf een troep
+vagebonden--de vogels.
+
+De vier jeugdige paren glinsterden van vreugd, in den zonneschijn,
+op het veld, bij de bloemen, bij de boomen.
+
+In deze paradijsachtige gemeenschap werden de koutende, zingende,
+loopende, dansende, vlinders vangende, bloemen plukkende, haar
+kousen in het hooge gras vochtig makende, frissche, dartele, niet
+slechte meisjes, allen werden nu en dan eens gekust, door allen,
+behalve Fantine, die zich peinzend en hardvochtig in haar onbepaalden
+tegenstand verhard had, ofschoon zij beminde.--Gij, zei Favourite
+tot haar, gij ziet er altijd uit, alsof ge heel wat zijt!
+
+Dat zijn ware vreugden! Deze wandelingen van gelukkige paren zijn
+machtige eischen aan het leven en aan de natuur, en lokken overal
+liefkoozingen en licht uit. Er was eens een fee die weiden en boomen
+schiep, in 't bijzonder voor minnenden. Vandaar ontstaat dat eeuwige
+dolen van verliefden door het vrije veld, dat bestendig voortduurt
+en zoo lang zal duren als er velden en boschjes en verliefden zullen
+zijn. Vandaar ook de liefde der denkers voor de lente. De patriciër en
+de handwerksman, de hertog en pair en de arme, de lieden van het hof en
+de lieden der stad, zooals men eertijds zeide, allen zijn onderdanen
+dezer fee. Men schertst, men verbergt zich, de lucht straalt van
+een schitterenden glans: welk een gedaanteverwisseling brengt de
+liefde voort! Notaris-klerken worden goden. Deze vroolijke kreten,
+die vervolgingen in het gras, die omvattingen in den snellen loop, dat
+gefluister, die liefdekout, dat rooven van kersen uit den eenen mond
+door den anderen, dat alles verrukt en straalt in hemelschen glans. De
+schoone meisjes stoeien en schertsen, alsof 't nooit zal eindigen. De
+wijsgeeren, dichters, schilders aanschouwen deze verrukking en weten
+niet wat er van te maken, zoo zijn zij er door begoocheld.
+
+Na het ontbijt waren de vier paren gegaan naar hetgeen toen het
+koninklijk vierkant werd genoemd, om er een pas uit Indië aangekomen
+plant te bezichtigen, wier naam we ons nu niet herinneren, en die op
+dat tijdstip geheel Parijs naar St. Cloud lokte. 't Was een zonderlinge
+en fraaie heester, hoog van stam, welks tallooze bladerlooze takjes,
+als draden zoo fijn, met millioenen kleine witte roosjes waren bedekt,
+zoodat de plant een met haar begroeid en met bloemen bedekt hoofd
+geleek. Een ontelbare menigte verdrong zich steeds om de plant te
+bewonderen.
+
+Na de bezichtiging van dezen heester, zei Tholomyès: Ik geef
+ezels! en na met een ezelverhuurder accoord te hebben gemaakt,
+keerden zij langs Vanvres en Issy terug. Het park te Issy, een
+nationaal eigendom, destijds in 't bezit van een zekeren Bourguin,
+stond toevallig open. Zij waren het hek doorgegaan, hadden het beeld
+van den kluizenaar in de grot bezocht, de geheime werkingen van de
+vermaarde spiegelkamer beproefd, de waardige uitvinding van een sater,
+die millionnair is geworden. Zij hadden stoutmoedig geschommeld op
+den schopstoel tusschen de twee kastanjeboomen, die door den abbé
+Bernis bezongen zijn. Terwijl de schoonen een voor een schommelden,
+en hierdoor haar japonnen onder algemeen gelach opvlogen, zong de
+Toulousiër Tholomyès, die eenigszins Spanjaard was, daar Toulouse
+een nicht van Toloza is, op droefgeestige wijs het oude gallega-lied,
+dat wellicht door een schoon meisje ingegeven werd, dat op een touw
+tusschen twee boomen schommelde:
+
+
+ Soy de Badajoz.
+ Amor me Ilama.
+ Toda mi alma
+ Es en mis ojos
+ Porque ensenas
+ A tus piernas.
+
+
+Fantine alleen wilde niet schommelen.
+
+Van zulke preutschheid houd ik niet, pruttelde Favourite, tamelijk
+scherp.
+
+Toen men de ezels verlaten had, was 't een nieuw vermaak: men voer
+in een bootje over de Seine, en van Passy ging men te voet naar
+de barrière de l'Étoile. Zij waren, men zal 't zich herinneren,
+sedert vijf uren 's ochtends op de been, maar, "och," zei Favourite,
+"des Zondags wordt men niet moede; 's Zondags werkt de vermoeidheid
+niet." Tegen drie uren gleden de vier paren, die vol geluk en zaligheid
+waren, van de Russische bergen, een zonderling toestel, dat destijds
+op de hoogte Beaujon stond en welks golvende lijn men boven de boomen
+der Champs-Elysées kon zien uitkomen.
+
+Nu en dan riep Favourite:
+
+"En de verrassing nu? ik verlang naar de verrassing."
+
+"Geduld!" antwoordde Tholomyès.
+
+
+
+
+
+
+VIJFDE HOOFDSTUK.
+
+BIJ BOMBARDA.
+
+
+Toen men zich met de Russische bergen genoeg vermaakt had, dacht
+men aan den maaltijd; en het gelukkig achttal, eindelijk een weinig
+vermoeid, had in de herberg Bombarda zijn anker laten vallen. 't Was
+een tweede etablissement van den vermaarden gaarkok Bombarda, wiens
+uithangbord men toen in de straat Rivoli naast de passage Delorme
+kon zien.
+
+Een ruime, maar leelijke kamer met een alkoof, waarin een bed stond
+(uit hoofde der menigte die des Zondags deze herberg bezocht, had men
+zich hiermede moeten behelpen); twee ramen waaruit men, tusschen de
+olmen, de kade en de rivier kon zien; een prachtige zonneschijn, die
+over de ramen gleed; twee tafels; op de eene reusachtige bouquetten,
+met heeren- en dameshoeden vermengd; aan de andere de vier paren,
+gezeten rondom dicht op elkander geschoven schotels, borden, glazen
+en flesschen; kruiken bier tusschen flesschen wijn, weinig orde op
+de tafel, eenige wanorde er onder:
+
+
+ Zij maakten onder de tafel
+ Een vreeselijk rumoer en stampten met de voeten [4],
+
+
+zegt Molière.
+
+
+
+Zoo was het tegen half vijf uur des avonds gesteld met het herderlijk
+vermaak, dat te vijf uren 's ochtends begonnen was.
+
+De zon daalde, de eetlust werd verzadigd.
+
+De Champs-Elysées, vol zonneschijn en gedrang, waren niets dan
+glans en stof, twee zaken, waaruit de roem bestaat. De paarden
+van Marly, deze hinnikende marmerbeelden, steigerden in een gouden
+stofwolk. Rijtuigen woelden heen en weer. Een escadron der prachtige
+lijfgarde, met de trompet aan zijn spits, reed door de laan van
+Neuilly; op den koepel der Tuilerieën wapperde de witte vlag,
+door de ondergaande zon eenigszins rood gekleurd. Op het plein de
+la Concorde, nu weder plein Lodewijk XV geworden, wemelde het van
+vergenoegde wandelaars. Verscheidenen droegen de zilveren lelie aan een
+witzijden gewaterd lint, dat in 1817 nog niet geheel uit de knoopsgaten
+verdwenen was. Hier en ginds danste temidden der juichende menigte
+een kring meisjes en zong daarbij een toen geliefd Bourbonsch lied,
+bestemd om de "honderd dagen" te beschimpen, en dat tot refrein had:
+
+
+ Geef ons onzen Vader van Gent,
+ Geef ons onzen Vader weer [5].
+
+
+Troepen voorstad-bewoners in Zondagsgewaad, sommigen met leliën als de
+burgers opgeschikt, staken naar den ring en reden in den mallemolen;
+anderen dronken; eenige drukkersgezellen droegen papieren mutsen; men
+hoorde hen lachen. Allen waren vroolijk. 't Was ontegensprekelijk een
+tijd van diepen vrede en van veiligheid voor de koningsgezinden; 't was
+de tijd toen een vertrouwelijk en bijzonder rapport van den prefect
+van politie Angles aan den koning, over de voorsteden van Parijs,
+met deze woorden eindigde: "Alles welbeschouwd, Sire, is er van deze
+menschen niets te vreezen. Zij zijn even onverschillig en traag als
+katten. Het gemeene volk in de provinciën is onrustig, dat van Parijs
+is 't niet. 't Zijn allen kleine menschen. Men zou er twee op elkander
+moeten zetten, Sire, om er één uwer grenadiers van te maken. Van het
+gepeupel der hoofdstad is niets te vreezen. 't Is merkwaardig, dat bij
+deze bevolking sedert vijftig jaren de lichaamsgroei verminderd is,
+en dat het volk der voorsteden kleiner is dan vóór de revolutie. 't
+Is niet gevaarlijk. In één woord, 't is een goed soort van kanalje."
+
+Dat een kat zich in een leeuw kan herscheppen, dit achtten de
+politie-prefecten onmogelijk; 't gebeurt evenwel; en dat is het
+wonderbare van het Parijsche volk. De kat, overigens, die door
+den graaf Anglès zoo weinig geteld werd, bezat de achting der oude
+republikeinen; in hun oogen stelde zij het zinnebeeld der vrijheid
+voor, en als om tot tegenhanger van de Minerva van den Pyreus te
+dienen, stond op het plein van Corinthe het kolossale bronzen beeld
+eener kat. De onnoozele politie der restauratie zag het Parijsche volk
+in een al te gunstig licht. 't Is zulk een goed kanalje niet als men
+meent. De Parijzenaar is onder de Franschen, wat de Athener onder de
+Grieken was; niemand slaapt beter dan hij, niemand is lichtzinniger
+en trager dan hij, niemand schijnt eerder te vergeten dan hij;
+maar men vertrouwe hem niet: hij is tot allerlei onverschilligheid
+in staat, doch zoo het roem geldt, is hij bewonderenswaard in zijn
+opgewektheid. Geef hem een piek en hij veroorzaakt den 10en Augustus;
+geef hem een geweer en men heeft Austerlitz. Hij is het steunpunt van
+Napoleon en de hulpgenoot van Danton. Is 't om 't vaderland te doen,
+dan grijpt hij de wapens; betreft het de vrijheid, dan neemt hij de
+steenen uit de straat. Men wachte zich voor hem. Wanneer het uur slaat,
+verandert zijn kiel in een krijgsrok; de bewoner der voorstad wordt
+grooter, deze kleine man verheft zich, hij slaat een vreeselijken blik
+om zich heen; zijn adem wordt een storm, en uit zijn teere, zwakke
+borst zal wind genoeg komen om de Alpen te schudden. 't Is door de
+hulp van den Parijschen voorstadbewoner, dat de revolutie met haar
+legers Europa veroverde. Zingen is zijn lust. Dat men hem een liedje
+naar zijn aard geve en men zal zien! Zoolang hij niets zingt dan de
+Carmagnole, werpt hij slechts Lodewijk XVI omver; maar men late hem
+de Marseillaise zingen, en hij zal de wereld bevrijden.
+
+Na deze aanmerking op het rapport van den graaf Anglès, keeren wij
+tot onze vier paren terug. Het diner, zooals wij gezegd hebben,
+liep ten einde.
+
+
+
+
+
+
+ZESDE HOOFDSTUK.
+
+EEN HOOFDSTUK, WAARIN MEN AANBIDT.
+
+
+Tafelgesprekken en liefdekout; de eerste zijn evenmin weder te geven
+als de tweede; liefdekout is een wolk, tafelgesprekken zijn dampen.
+
+Fameuil en Dahlia neurieden; Tholomyès dronk, Zephine lachte, Fantine
+glimlachte; Listolier blies op een houten kindertrompetje, dat hij
+te Saint-Cloud had gekocht. Favourite lonkte teederlijk Blachevelle
+toe en zeide:
+
+"O Blachevelle, hoe bemin ik u!"
+
+Dit gaf aanleiding tot Blachevelle's vraag:
+
+"Wat zoudt ge doen, Favourite, zoo ik ophield u te beminnen?"
+
+"Ik?" riep Favourite. "O, spreek zoo niet, zelfs niet in scherts. Zoo
+ge ophieldt mij te beminnen, zou ik op u springen, u verscheuren,
+krabben, ik zou u in 't water gooien, u gevangen doen nemen."
+
+Blachevelle glimlachte met het welbehagen van een man wiens eigenliefde
+zich gestreeld voelt. Favourite hernam:
+
+"Ja, ik zou de wacht roepen! Meent ge, dat ik mij zou bedwingen,
+monster?"
+
+Blachevelle wierp zich in verrukking achterover op zijn stoel en
+kneep hoogmoedig zijn oogen dicht.
+
+Etende fluisterde Dahlia, temidden van het rumoer, Favourite toe:
+
+"Ge hebt uw Blachevelle dan wel heel lief?"
+
+"Ik! Ik kan hem niet uitstaan," antwoordde Favourite op denzelfden
+toon, haar vork weder opnemende. "Hij is gierig. Ik bemin het heertje,
+dat tegenover mij woont. Kent gij hem? een knappen jongen? Men
+ziet, dat hij veel aanleg tot komediant heeft. Ik ben verzot op
+komedianten. Zoodra hij te huis komt zegt zijn moeder: "Ach hemel! nu
+is 't uit met mijn rust. Nu begint hij te schreeuwen. Maar, mijn kind,
+ge doet mijn hoofd bersten!" Dan loopt hij het huis door tot op de
+vliering, zoo hoog hij kan, om te zingen, te declameeren, en wat weet
+ik het? dat men hem beneden hoort! Hij verdient reeds een franc daags
+bij een deurwaarder met het schrijven van dagvaardingen. Hij is de zoon
+van een zanger der kerk van St. Jacques du Haut-Pas. O, hij is heel
+knap. Hij aanbidt mij zoozeer, dat hij op een dag, toen hij mij beslag
+zag maken om koeken te bakken, zeide: "mejuffrouw, maak koekjes van
+uw handschoenen en ik zal ze opeten." Alleen kunstenaars kunnen iets
+zoo aardigs zeggen. O, hij is betooverend. Ik zou waarlijk haast op
+dien lieven jongen verzot worden. Ik zeg echter maar aan Blachevelle,
+dat ik hem bemin. Wel, wat zegt ge? kan ik goed liegen?"
+
+Favourite hernam na een pauze:
+
+"Weet ge, Dahlia, ik ben treurig. Het heeft den ganschen zomer
+geregend; de wind hindert mij; Blachevelle is zoo vreeselijk gierig;
+er zijn nog geen jonge erwtjes op de markt; men weet niet wat men
+eten zal; ik heb de spleen, zooals de Engelschen zeggen; de boter is
+zoo duur! en zie, 't is een gruwel, wij eten in een kamer waar een
+bed staat; dit doet mij van het leven walgen."
+
+
+
+
+
+
+ZEVENDE HOOFDSTUK.
+
+DE GEESTIGHEID VAN THOLOMYÈS.
+
+
+Terwijl nu eenigen zongen, praatten de anderen luid door elkander;
+'t was een rumoer, waarvan men niets onderscheiden kon. Tholomyès
+kwam tusschenbeide, en zeide:
+
+"Laten we niet allen door elkander spreken en schreeuwen; en niet zoo
+wild. Laten we nadenken, zoo wij met genoegen willen gehoord worden. Te
+veel improvisatie put den geest uit en maakt dom. Loopend bier
+schuimt niet. Geen overhaasting, mijnheeren. Eten wij met aandacht;
+spoeden wij ons langzaam. Geen overijling. Zie de lente: zoo zij te
+haastig komt, is zij naar de maan, dat wil zeggen, bevrozen. Te veel
+drift doet de perzike- en abrikozeboomen verloren gaan. Te veel drift
+doodt de bevalligheid en de vreugd van een goede tafel. Geen drift,
+mijnheeren; Grimod de la Reynière is van Talleyrands meening."
+
+Een misnoegd gemor verhief zich in de groep.
+
+"Tholomyès, laat ons met vrede," zei Blachevelle.
+
+"Weg met den tyran!" zei Fameuil.
+
+"Leve Bombarda, Bombance en Bamboche! [6]" riep Listolier.
+
+"'t Is Zondag!" hernam Fameuil.
+
+"Wij zijn nuchter!" voegde Listolier er bij.
+
+"Vrienden!" riep Tholomyès op den toon van iemand, die de teugels
+van het gezag herneemt. "Ik herhaal: geen drift, geen heidensch
+geraas; wel kwinkslagen en woordspelingen. Woordspelingen zijn de
+uitlatingen van een vliegenden geest. De kwinkslag (lazzi) valt
+waar hij kan; en wanneer de geest een domheid heeft gezegd, verbergt
+hij zich in de lucht. Ik houd van woordspelingen en vereer ze naar
+verdienste. Al wat verheven, groot en bekoorlijk in de menschheid is
+geweest, en misschien ook buiten de menschheid, heeft woordspelingen
+gemaakt. Jezus Christus heeft op den naam Petrus een woordspeling
+gemaakt, Mozes op dien van Isaäk, Eschylus op Polynicia, Cleopatra
+op Octavius. En merkt op, dat deze laatste woordspeling den slag
+van Actium voorafging, en dat zonder deze woordspeling niemand
+aan de stad Toryne zou denken, een Griekschen naam, die "potlepel"
+beteekent. Na deze opmerking kom ik tot mijn vermaning terug. Geen
+drift, mijnheeren, geen heidensch leven, geen buitensporigheid, noch
+in vroolijkheid noch in woordspelingen. Luistert, ik ben voorzichtig
+als Amphiaraüs en kaal als Cesar. Zelfs woordspelingen moeten grenzen
+hebben. Est modus in rebus. Ook maaltijden moeten grenzen hebben. Ge
+houdt van appeltaartjes, dames, eet er niet te veel van. Zelfs bij
+appeltaartjes behooren verstand en kunst. De gulzigheid straft
+den gulzige. Gula punit Gulax. De indigestie is door den hemel
+bestemd om de magen wijsheid te leeren. En let wel op: ieder onzer
+hartstochten, zelfs de liefde, heeft een maag, die men niet te zeer
+mag vullen. In alle zaken moet men te rechter tijd het woord finis
+schrijven; men moet zich, als 't noodig is, bedwingen, den grendel op
+zijn lust schuiven, zijn begeerten opsluiten en zich zelf op wacht
+stellen. Hij is wijs, die in zekere oogenblikken zich zelven kan
+gevangen nemen. Schenkt mij eenig vertrouwen. Dewijl ik een weinig
+in de rechten heb gestudeerd, zooals mijn examens bewijzen, dewijl
+ik het onderscheid ken, tusschen een aanhangige en een afgedane zaak,
+dewijl ik in 't Latijn een thesis heb verdedigd over de folteringen,
+die men te Rome aanwendde ten tijde dat Munatuis Demens questor was;
+dewijl ik naar allen schijn doctor zal worden, is dit een en ander
+geen volstrekt bewijs dat ik een domkop zou zijn. Ik beveel u dus
+de matigheid in uw begeerten aan. Zoo waar ik Felix Tholomyès heet,
+is het waar wat ik u zeg. Gelukkig hij, die, wanneer het uur slaat,
+een heldhaftig besluit neemt, en als Sylla of Origenus afstand doet.
+
+Favourite luisterde met de diepste aandacht.
+
+"Felix!" zeide zij, "een mooie naam. Dien naam hoor ik gaarne. 't Is
+Latijn, 't wil zeggen gelukkig."
+
+Tholomyès hernam:
+
+"Quirites, gentlemen, caballeros, waarde vrienden! Wilt ge geen
+prikkel voelen, het huwelijk ontberen en de liefde tarten? Niets
+gemakkelijker dan dit: Drinkt limonade, werkt buitensporig hard,
+dat ge er bij neervalt, kruit zware vrachten, slaapt niet, waakt,
+vult uw maag met soda en gerstewater, wisselt dat af met een aftreksel
+van maankoppen, houdt daarbij een streng dieet, lijdt honger, neemt
+koude baden en legt op de maag een looden plaat."
+
+"Ik wil liever een vrouw hebben," zei Listolier.
+
+"De vrouw!" hernam Tholomyès, "wacht er u voor. Wee hem die zich
+aan het veranderlijk hart der vrouw overgeeft! De vrouw is valsch en
+trouweloos. Zij haat de slang uit broodnijd. De slang is de winkel
+aan de overzijde."
+
+"Tholomyès, ge zijt dronken!" riep Blachevelle.
+
+"Wel duivels!" zei Tholomyès.
+
+"Wees dan vroolijk," hernam Blachevelle.
+
+"Welnu, ik zal 't zijn," antwoordde Tholomyès.
+
+Zijn glas vullende stond hij op, en riep uit:
+
+"Eere den wijn! Nunc te, Bacche, canam! Vergeving, dames, 't is
+Spaansch. En ziehier het bewijs, Sennoras: zoo het volk is, is het
+vat. De Castiliaansche aroba bevat zestien kan, de cantaro van Alicante
+twaalf, de almuda der Kanarische eilanden vijfentwintig, de cuartin
+der Balearische eilanden zesentwintig, de laars van Peter den Groote
+dertig. Leve deze Czaar, die groot was, en leve zijn laars, die nog
+grooter was! Waarde dames! laat mij u een vriendelijken raad geven:
+Vergist u in uw buurman, zoo gij er lust toe hebt. Het is de aard der
+liefde, zich te vergissen. De liefde is niet gemaakt om te kruipen
+en te tobben, zooals een Engelsche dienstmeid, die van het schrobben
+eelt aan de knieën krijgt. Zoo is het minnen niet: het fladdert en
+doolt vroolijk om. Men heeft gezegd: Dwalen is menschelijk; ik zeg:
+dwalen is liefde. Ik bemin u allen, dames. O Zephine, o Josephine,
+lief gedeukt gezicht, gij zoudt allerliefst zijn, zoo uw gelaat
+minder breed was. Gij ziet er uit, alsof men er bij ongeluk op
+was gaan zitten. En Favourite, o nimfen en muzen! zekeren dag dat
+Blachevelle over de goot in de straat Guérin-Boisseau stapte, zag
+hij een mooi meisje met witte heldere kousen, dat haar beenen liet
+zien. Deze inleiding behaagde Blachevelle en hij was verliefd. 't Was
+Favourite, die hij beminde. O, Favourite, gij hebt Ionische lippen. Er
+was een Grieksch schilder, Euphorion genoemd, dien men den naam van
+lippen-schilder gaf. Alleen deze Griek zou waardig zijn geweest,
+uw mond te schilderen. Luister! Vóór u was er geen wezen, dien naam
+waardig. Gij zijt geschapen om als Venus den appel te ontvangen of,
+als Eva, hem te eten. De schoonheid begint bij u. Ik sprak van Eva;
+maar gij zijt het, die haar geschapen hebt. Gij verdient eigenlijk
+het patent der eerste schoone vrouw. O, Favourite, nu zal ik u
+minder gemeenzaam behandelen, want ik ga van de poëzie tot het
+proza over. Gij spraakt aanstonds van mijn naam. Dit heeft mij
+verteederd; maar, wie wij zijn mogen, mistrouwen wij de namen. Zij
+kunnen misleiden. Ik heet Felix en ben niet gelukkig. Woorden zijn
+leugenaars. Neemt niet blindelings de beteekenis aan, welke zij ons
+geven. 't Zou verkeerd zijn, naar Luik (Liege, kurk) om kurken te
+schrijven en naar Pau (peau, vel) om handschoenen. Ik zou mij in uw
+plaats Rosa noemen, miss Dahlia. Een bloem moet liefelijk rieken en
+een vrouw moet geestig zijn. Van Fantine spreek ik niet; zij is een
+droomster, een peinzende, een teergevoelige, een schim in de gedaante
+van een nimf, met de kuischheid eener non, die in het grisetten-leven
+verdwaald is, maar dit in illusiën ontvlucht; die zingt en bidt, en
+het azuur aanschouwt, zonder te weten, wat zij ziet of wat zij doet,
+en met hemelwaarts gerichte blikken in een tuin omdoolt, waar meer
+roofvogels zijn dan zij kent! O Fantine, verneem, dat ik, Tholomyès,
+een illusie ben, maar zij hoort mij zelfs niet, de blonde dochter
+der luchtkasteelen! Overigens is alles in haar frisch, lief, jong,
+en helder als het ochtendrood. O, Fantine, ge verdiendet Margaretha
+of parel te heeten; gij zijt een diamant van 't schoonste water. Nog
+een tweede raad, dames; trouwt niet; het huwelijk is een loterij met
+veel nieten. Maar wat praat ik toch? Al wat ik zeg is vruchteloos. De
+lust tot trouwen is ongeneeslijk bij de vrouwen; en wat wij, wijzen,
+ook mogen zeggen, 't zal de naaisters en modisten niet beletten van
+schatrijke echtgenooten te droomen. Mijnentwege, het zij zoo, Maar
+onthoudt ten laatste dit: gij eet te veel suiker. Gij vrouwen hebt
+het eenig gebrek, te veel suiker te knabbelen. O knagende sekse,
+uw lieve kleine tandjes zijn te verzot op suiker. Luistert: de
+suiker is een zout, en elk zout verdroogt. De suiker is het meest
+verdrogend van alle zouten. Het zuigt uit de aderen de vluchtigste
+deelen van het bloed, zoodat het verdikt en ten laatste verstijft;
+daardoor ontstaan knobbels in de longen en deze veroorzaken den
+dood. Daarom is dan ook de suikerziekte (diabéte) een zuster van de
+longtering. Eet daarom geen suiker en ge zult leven! En nu richt ik
+mij ten slotte tot de mannen: mijnheeren, maakt veroveringen! Rooft
+elkander, zonder gewetensbezwaar, uw minnaressen. Chassez-croisez! In
+liefde-zaken zijn er geen vrienden. Overal waar een schoone vrouw is,
+is 't openbare strijd. Geen genade, een strijd op leven en dood! Een
+schoone vrouw is een casus belli; een schoone vrouw is een openbaar
+misdrijf. Van al de vijandelijke invallen, waarvan de geschiedenis
+gewaagt, waren de vrouwen de aanleiding. De vrouw is het recht van
+den man. Romulus schaakte de Sabijnsche maagden, Willem roofde de
+Saksische vrouwen, Cesar ontvoerde de Romeinsche vrouwen. De man,
+die niet bemind wordt, zweeft als een gier boven de minnaressen
+van anderen; en ik richt aan de ongelukkigen, die weduwnaars zijn,
+de verheven proclamatie van Bonaparte tot het leger van Italië:
+"Soldaten, u ontbreekt alles. De vijand heeft wat u ontbreekt."
+
+Tholomyès zweeg.
+
+"Schiet eens in den adem, Tholomyès," zei Blachevelle. Te zelfder
+tijd begon deze, geaccompagneerd door Listolier en de Fameuil, op
+een klagenden toon een dier liedjes te zingen uit de werkplaatsen,
+en die, rijmend of rijmloos, meestal zinledig zijn, als het geruisch
+des winds, uit den tabakswalm ontstaan, en die met dezen vervliegen.
+
+Met het volgende couplet beantwoordde de groep deze redevoering
+van Tholomyès:
+
+
+ Les pères dindons donnèrent
+ De l'argent à un agent
+ Pour que mors Clermont-Tonnerre
+ Fût fait pape à la Saint-Jean;
+ Mais Clermont ne put pas être
+ Fait pape, n'étant pas prêtre;
+ Alors leur agent rageant
+ Leur rapporta leur argent. [7]
+
+
+Dit was niet geschikt om aan de improvisatie van Tholomyès een einde
+te maken, want hij dronk zijn glas uit, schonk het weder vol en
+begon opnieuw:
+
+"Weg met de wijsheid! Vergeet alles wat ik gezegd heb. Laat ons noch
+preutsch, noch sluw, noch dom zijn. Brengen wij aan de vroolijkheid een
+toast; laat ons vroolijk zijn. Voltooien wij onze studie in de rechten
+met dwaasheden en maaltijden... Kom, Fantine, laat mij u kussen."
+
+Maar hij vergiste zich en kuste Favourite.
+
+
+
+
+
+
+ACHTSTE HOOFDSTUK.
+
+DE DOOD VAN EEN PAARD.
+
+
+"Men dineert beter bij Edon dan bij Bombarda," riep Zephine.
+
+"Ik geef aan Bombarda de voorkeur boven Edon," verklaarde
+Blachevelle. "'t Is er prachtiger, 't is er meer Oostersch. Zie
+slechts de benedenzaal. Er zijn spiegels in de wanden."
+
+"Ik heb liever dat mijn bord een spiegel is," zei Favourite.
+
+Blachevelle ging voort:
+
+"Zie de messen. De heften zijn van zilver bij Bombarda, en van been
+bij Edon. Zilver is toch meer waard dan been."
+
+"Behalve voor hen, die een zilveren kin hebben," merkte Tholomyès op.
+
+Op dat oogenblik hield hij zijn blik op den dom der Invaliden gericht,
+welke uit de vensters van Bombarda zichtbaar was.
+
+Na eenig zwijgen riep Fameuil:
+
+"Listolier en ik hadden zooeven een woordenstrijd, Tholomyès."
+
+"Een woordenstrijd is goed," antwoordde Tholomyès, "maar een twist
+is beter."
+
+"Wij disputeerden over de philosophie."
+
+"Zoo."
+
+"Aan wien geeft gij de voorkeur, aan Descartes of Spinoza?"
+
+"Aan Desaugiers," zei Tholomyès.
+
+Na deze uitspraak dronk hij, en hernam:
+
+"Ik wil leven. 't Is alles op aarde nog niet gedaan, zoolang men nog
+kan raaskallen. Ik dank er de onsterfelijke goden voor. Men liegt, maar
+men lacht. Men bevestigt en men twijfelt. Het onverwachte ontspringt
+aan de sluitrede. 't Is schoon. Er zijn hier beneden nog stervelingen,
+die vroolijk de doos der verrassingen van het paradoxe weten te
+openen en te sluiten. Wat ge hier zoo rustig drinkt, dames, weet, dat
+het maderawijn is van het gewas van den Coural das Freiras, die zich
+driehonderdzeventien vademen boven de vlakte der zee verheft. Denkt er
+aan als ge drinkt! driehonderdzeventien vademen! en mijnheer Bombarda,
+onze prachtige restaurateur, geeft u deze driehonderdzeventien vademen
+voor vier francs vijftig centimes!"
+
+Wederom viel Fameuil hem in de rede:
+
+"Tholomyès, uw woorden gelden als wetten. Wie is uw geliefdste
+schrijver?"
+
+"Ber..."
+
+"Quin?"
+
+"Neen. Choux."
+
+En Tholomyès vervolgde:
+
+"Eere zij Bombarda! hij zou Munophis van Elephanta evenaren, zoo hij
+een almee voor me kon plukken, en Thygelion van Cheronea, zoo hij
+mij een hetaire kon bezorgen; want in Griekenland en Egypte waren
+Bombardas, dames, Apuleus verhaalt het ons. Helaas, altijd hetzelfde
+en nooit iets nieuws. Niets onuitgegevens in de schepping van den
+Schepper. Niets nieuws onder de zon, zegt Salomo; amor omnibus idem,
+zegt Virgilius; en Carabine gaat met Carabijn te Saint Cloud aan
+boord van de galjoot, gelijk zich Aspasia met Pericles te Samos
+op de vloot inscheepte. Nog een laatste woord. Weet ge, dames,
+wie Aspasia was? Een ziel, hoewel zij in een tijd leefde, toen de
+vrouwen nog geen zielen hadden; een roos- en purperkleurige ziel,
+heeter dan vuur, frisscher dan de dageraad. Aspasia was een wezen,
+in 't welk de twee uitersten der vrouw zich vereenigden--godin en
+veile vrouw. Socrates en Manon Lescaut. Aspasia was geschapen voor
+'t geval, dat Prometheus een veile deern behoefde."
+
+Tholomyès, die nu eenmaal aan 't doordraven was, zou moeielijk in zijn
+vaart tegengehouden zijn geworden, zoo niet juist op dit oogenblik een
+paard op de kade gevallen was. Door den schok bleven kar en redenaar
+steken. 't Was een oude, magere knol, juist voor den vilder geschikt,
+en die een zeer zware kar trok. Voor Bombarda gekomen, wilde het ros,
+dat vermoeid en uitgeput was, niet verder voort. Dit geval had de
+menigte bijeengelokt. Nauwelijks had de verbolgen voerman den tijd
+gehad een geduchten vloek te uiten, gepaard aan een onmeedoogenden
+zweepslap, of de knol viel, om niet weder op te staan. Het rumoer
+der voorbijgangers hoorende, keerden de vroolijke toehoorders van
+Tholomyès het hoofd om, ten einde te zien wat er gaande was, en
+Tholomyès maakte hiervan gebruik om zijn toespraak met dit droefgeestig
+vers te eindigen:
+
+
+ Het behoorde tot die wereld, waar koetsen en karren
+ In hetzelfde lot deelen,
+ En als knol heeft het geleefd, zoo lang een knol leeft:
+ Den tijd van een morgen, [8]
+
+
+"Het arme paard!" zuchtte Fantine.
+
+"Nu gaat Fantine waarlijk de paarden beklagen?" riep Dahlia. "Kan
+iemand iets dommers doen!"
+
+Te zelfder tijd keek Favourite, die de armen kruiste en het hoofd
+achterover wierp, Tholomyès strak in de oogen en zeide:
+
+"En waar blijft nu de verrassing?"
+
+"'t Is waar. Het oogenblik is gekomen," antwoordde
+Tholomyès. "Mijnheeren, 't uur om deze dames een verrassing te bereiden
+heeft geslagen. Wacht ons een oogenblikje, dames,"
+
+"Het begint met een kus," zei Blachevelle.
+
+"Op het voorhoofd," voegde Tholomyès er bij.
+
+Ieder drukte ernstig een kus op het voorhoofd zijner minnares;
+vervolgens gingen alle vier de heeren, de een achter den ander,
+naar de deur, met den vinger op den mond.
+
+Favourite klapte bij hun vertrek in de handen en zeide:--"'t Begint
+prettig."
+
+"Blijft niet te lang weg," lispte Fantine. "Wij wachten u."
+
+
+
+
+
+
+NEGENDE HOOFDSTUK.
+
+VROOLIJK EINDE DER VREUGD.
+
+
+Toen de meisjes alleen waren, gingen zij twee aan twee, op de ellebogen
+geleund, voor de ramen staan, en praatten van het eene raam tot het
+andere met elkander.
+
+Zij zagen de studenten gearmd de herberg uitgaan; dezen keerden het
+hoofd om, wenkten de meisjes glimlachend toe en verdwenen in dien
+bestoven zondagschen menschendrom, die wekelijks de Champs-Elysées
+bestormt.
+
+"Blijft niet te lang weg!" riep Fantine.
+
+"Wat gaan zij ons halen?" zei Zephine.
+
+"'t Zal zekerlijk iets fraais zijn," zei Dahlia.
+
+"Ik," hernam Favourite, "wensch dat het iets van goud zij."
+
+Zij vonden dra verstrooiing in de beweging, welke zij door de takken
+van het hoog geboomte heen, langs den kant van 't water zagen,
+en die haar zeer vermaakte. 't Was het uur, dat de postkarren en
+diligences vertrokken.
+
+Bijna al de postwagens naar het Zuiden en Westen reden toen door de
+Champs-Elysées. De meeste volgden de kade en gingen uit de stad door
+de barrière van Passy.
+
+Elk oogenblik zag men een groot geel en zwart geschilderd rijtuig, met
+rammelend voorspan, zwaar beladen, wanstaltig door de vele koffers,
+balen en valiezen, vol hoofden, die dra verdwenen, den straatweg tot
+gruis, als dol de keien tot steentjes rijden en zich door het gedrang
+een weg banen, daarbij vonken als uit een smidse slaande en stofwolken
+opjagende. Dat gewoel vermaakte de meisjes. Favourite riep:
+
+"Welk een geweld! 't Is alsof 't hoopen kettingen zijn, die
+wegvluchten."
+
+Een dezer rijtuigen, 't welk uithoofde der dicht bijeenstaande olmen
+moeilijk te onderscheiden was, hield een oogenblik stil en reed toen
+in galop verder.
+
+Dit verwonderde Fantine.
+
+"'t Is zonderling," zeide zij. "Ik meende, dat de diligences nooit
+stilhielden."
+
+Favourite haalde de schouders op.
+
+"Die Fantine is toch een wonderlijk meisje. Ik zie haar met bevreemding
+aan. Zij verwondert zich over de eenvoudigste dingen. Veronderstel,
+dat ik op reis ga, en aan de diligence zeg: ik ga vooruit, neem mij
+in 't voorbijgaan op, aan de kade. De diligence komt, ziet mij, houdt
+stil, en neemt mij op. Dat gebeurt alle dagen. Ge kent het leven niet,
+mijn lieve!"
+
+Er verliep eenige tijd. Eensklaps maakte Favourite een beweging,
+als van iemand die ontwaakt.
+
+"Maar," zeide zij, "waar blijft de verrassing."
+
+"'t Is waar," hernam Dahlia, "de beloofde verrassing."
+
+"Zij blijven lang weg!" zei Fantine.
+
+Nadat Fantine dit zuchtend gezegd had, trad de knecht, die bij het eten
+bediend had, binnen. Hij had iets in de hand, dat een brief geleek.
+
+"Wat is dat?" vroeg Favourite.
+
+De knecht antwoordde:
+
+"Het is een brief, dien de heeren van straks mij voor de dames hebben
+gegeven."
+
+"Waarom hebt ge hem niet dadelijk gebracht?"
+
+"Wijl de heeren bevolen hadden hem eerst na verloop van een uur aan
+de dames te geven," antwoordde de knecht.
+
+Favourite rukte het papier den jongen uit de handen. Het was inderdaad
+een brief.
+
+Er is geen adres op. Maar zie, er staat op geschreven:
+
+
+ DIT IS DE VERRASSING.
+
+
+Zij scheurde den brief haastig los en las (ze kon lezen):
+
+
+ "O, onze liefjes!
+
+ "Weet, dat we ouders hebben. Ouders, ge weet daar zoo niet
+ af. In het kinderlijke en fatsoenlijke code civil heet dat
+ vaders en moeders. Maar die ouders zuchten naar ons, die ouden
+ van dagen eischen ons op, die goede mannen en die goede vrouwen
+ roepen ons, verloren zonen; zij snakken naar onze terugkomst
+ en bieden aan, gemeste kalveren te slachten. Aangezien we braaf
+ zijn, gehoorzamen we hun. Op het oogenblik, dat ge deze regelen
+ leest, brengen vijf vurige rossen ons naar onze papa's en mama's
+ terug. We ruimen het veld, zooals Bossuet zegt. We vertrekken,
+ we zijn vertrokken. Wij vluchten in de armen van Laffitte en op
+ de vleugels van Gaillard. De diligence van Toulouse ontvoert ons
+ aan den afgrond, en die afgrond zijt gij, o lieve schoonen! Wij
+ keeren terug in de maatschappij, tot den plicht en de orde, en
+ wel in vollen draf, drie mijlen in 't uur. Het vaderland eischt,
+ dat we, evenals iedereen, familievaders, préfecten, veldwachters
+ en raadsheeren worden. Vereert ons. Wij offeren ons op. Beweent
+ ons snel en vervangt ons spoedig. Indien deze brief u het hart
+ verscheurt, geef hem dan terug. Adieu.
+
+ Gedurende bijna twee jaren hebben we u gelukkig gemaakt. Draagt
+ er ons geen kwaad hart om toe.
+
+ "Geteekend: Blachevelle.
+ "Fameuil.
+ "Listolier.
+ "Felix Tholomyès.
+
+ "Post-scriptum. Het diner is betaald."
+
+
+De vier jonge meisjes zagen elkander aan.
+
+Favourite verbrak het eerst de stilte.
+
+"Wel," riep ze, "'t is in alle geval een aardige grap."
+
+"Die is heel goed," zei Zephine.
+
+"Blachevelle moet het eerst op dat idée gekomen zijn," hernam
+Favourite. "Dat maakt me verliefd op hem."
+
+"Neen," riep Dahlia, "het is een idée van Tholomyès. Dat is zoo
+duidelijk als iets."
+
+"In dat geval," hernam Favourite, "de dood aan Blachevelle en leve
+Tholomyès!"
+
+"Leve Tholomyès!" riepen Dahlia en Zephine.
+
+En ze schaterden 't uit van lachen.
+
+Fantine lachte met de anderen mee. Toen zij, een uur later, haar kamer
+was binnengetreden, huilde ze. Het was, zooals we hebben gezegd,
+haar eerste liefde; ze had zich aan dien Tholomyès overgegeven als
+aan een echtgenoot, en het arme meisje had een kind.
+
+
+
+
+
+
+
+BOEK IV.
+
+TOEVERTROUWEN IS SOMTIJDS GEVEN.
+
+
+EERSTE HOOFDSTUK.
+
+EEN MOEDER, DIE EEN ANDERE MOEDER ONTMOET.
+
+
+Te Montfermeil, nabij Parijs, was in het eerste vierde deel dezer
+eeuw een soort van kroeg, welke thans niet meer bestaat. Deze kroeg
+werd gehouden door de echtelieden Thénardier, man en vrouw, en was
+gelegen in het Bakkerssteegje. Boven de deur was aan den muur een
+plank gespijkerd, waarop iets stond geschilderd, dat een man geleek,
+die een anderen man, met gouden generaals-epauletten en groote
+zilveren sterren, op den rug droeg; roode plekken stelden bloed voor;
+het overige der schilderij was vol rook, en moest waarschijnlijk een
+veldslag verbeelden. Daaronder las men: IN DEN SERGEANT VAN WATERLOO.
+
+Gewoonlijk ziet men voor de deur eener herberg een mestkar of een
+wagen. Het voertuig evenwel, of beter gezegd, het overblijfsel van
+een voertuig, dat de steeg voor de kroeg de "Sergeant van Waterloo"
+op een lenteavond in 1818 versperde, zou zekerlijk door zijn plompheid
+de aandacht van een voorbijgaand schilder getrokken hebben.
+
+Het was het voorstuk van een dier wagens, welke in boschrijke oorden
+worden gebruikt om zware balken en boomstammen te vervoeren. Dit
+voorstuk bestond uit een dikke ijzeren as, waaraan een zware dissel,
+die op twee ontzaglijk groote wielen rustte. Het geheel was plomp,
+wanstaltig en zwaar. Men had het voor de affuit van een reusachtig
+kanon kunnen houden. De modderpoelen hadden de wielen, de velgen,
+de naven, de as en den dissel met een laag vuil, geelachtig slijk
+bedekt. Het hout was onzichtbaar door het slijk, en het ijzer door
+het roest. Als een guirlande hing onder den dissel een zware ketting,
+als voor een gevangen Goliath. Deze ketting deed onwillekeurig denken,
+niet aan de balken, welke hij moest houden, maar aan de mastodonten en
+mammouts, die er in gespannen hadden kunnen worden; hij deed denken
+aan een bagno, maar aan een bagno van cyclopen en reuzen, en scheen
+vroeger een monster gekluisterd te hebben. Homerus zou er Polypheem
+en Shakspeare Caliban in geklonken hebben.
+
+Waartoe bevond zich dit wagenstel te dezer plaatse op de
+straat? Vooreerst om de straat te versperren, ten tweede om verder
+te roesten. In de oude maatschappelijke orde bestaan een menigte
+instellingen, welke men zoo op zijn weg onder den blooten hemel
+ontmoet, en die geen andere reden van bestaan hebben.
+
+Het midden van den ketting hing over den dissel tot bijna op den
+grond, en in zijn ronding zaten dien avond, als op een talter,
+twee kleine meisjes, die elkander teer omstrengeld hielden, 't een
+ongeveer derdehalf jaar en 't ander achttien maand oud, het kleinste
+in de armen van het grootste. Een zakdoek, waarmede zij voorzichtig
+vastgebonden waren, belette haar te vallen. Een moeder had dezen
+schrikkelijken ketting gezien en gedacht: Ha, ziedaar een speeltuig
+voor mijn kinderen.
+
+De twee kindertjes, die overigens eenigszins met zorg gekleed en
+getooid waren, zagen er bekoorlijk uit; zij geleken twee roosjes in
+oud ijzer; haar oogjes schitterden, haar frissche wangen glimlachten;
+het een had kastanjebruin, het ander donkerbruin haar; haar onschuldige
+gezichtjes drukten vroolijke opgetogenheid uit; een bloeiende haag in
+de nabijheid verspreidde een liefelijken geur, die van de kinderen
+scheen uit te gaan; het jongste meisje toonde haar naakte buikje
+met de kuische achteloosheid van kleine kinderen. Boven en om deze
+teedere kopjes, die van geluk vervuld en in 't licht gehuld waren,
+welfde zich het plompe leelijke wagenstel, vreeselijk zwart van
+het roest, en vol hoeken en scherpe kanten, als de ingang van een
+hol. Eenige schreden van daar, op den drempel der deur gehurkt,
+schommelde de moeder, een overigens niet zeer vriendelijke, maar op
+dit oogenblik innemende vrouw, de twee kinderen met een lang koord,
+met de oogen onafgewend op hen gevestigd, uit vrees van eenig ongeluk,
+tevens met die dierlijke en hemelsche uitdrukking, welke slechts aan
+moeders eigen is. Bij elken ruk brachten de afzichtelijke schakels een
+knarsend geluid voort, dat den kreet des toorns geleek. De meisjes
+waren in verrukking, de ondergaande zon paarde zich aan die vreugd,
+en niets kon bekoorlijker zijn dan deze gril van het toeval, dat van
+dezen titansketen een talter voor cherubijnen had gemaakt.
+
+Terwijl de moeder haar twee kleinen talterde, zong zij met een valsche
+stem een toen in zwang zijnde romance:
+
+
+ Ja 't moet zoo zijn, sprak een soldaat. [9]
+
+
+Haar gezang en de beschouwing harer dochtertjes beletten de vrouw te
+hooren en te zien, wat in de straat voorviel.
+
+Intusschen was iemand haar genaderd, toen zij het eerste couplet der
+romance begon, en eensklaps hoorde zij een stem, die dicht aan haar
+oor fluisterde:
+
+"Gij hebt daar twee lieve kindertjes, madame!"
+
+
+ Aan de schoone en teedere Imogine, [10]
+
+
+antwoordde de moeder, voortzingende, en toen zij het hoofd omwendde,
+stond een jonge vrouw op een paar schreden afstands van haar. Deze
+vrouw had insgelijks een kind, 't welk zij op haar arm droeg.
+
+Bovendien droeg zij een tamelijk grooten reiszak, die zeer zwaar
+scheen.
+
+Het kind dezer vrouw was een der liefelijkste wezens, die men zien
+kon: een meisje tusschen de twee en drie jaar! Zij had met de twee
+andere kleinen in netheid van kleeding gerust kunnen wedijveren. Zij
+had een fijn linnen kapje met kant op het hoofd, en linten aan haar
+keursje. Haar rokje was een weinig opgelicht, zoodat men haar blank,
+stevig en mollig beentje tot boven de knie kon zien. Zij was blozend
+als een roos en scheen zeer gezond. Men zou in de roode koontjes,
+die er zoo frisch uitzagen als appelen, hebben willen bijten. Van
+haar oogen was niets te zeggen, dan dat zij zeer groot moesten zijn
+en prachtige wimpers hadden. Zij sliep.
+
+'t Was die geruste, vertrouwende slaap, welke aan haar leeftijd eigen
+is. De armen der moeders bestaan alleen uit liefde; de kinderen slapen
+er gerust op.
+
+De moeder zelve had een armoedig en treurig voorkomen. Zij was als
+een handwerkster gekleed, die weder naar het land terug begeert
+te gaan. Zij was jong. Was zij schoon? Misschien; maar door haar
+kleeding zag men er niets van. Haar blond haar, waarvan een vlecht
+te voorschijn kwam, scheen zwaar, maar was schier geheel met een
+leelijk, nauwsluitend en om de kin vastgebonden mutsje bedekt. De
+lach doet de fraaie tanden uitkomen, wanneer men ze heeft; maar zij
+lachte niet. Haar oogen schenen sinds lang niet droog te zijn geweest
+van tranen. Zij was bleek; zij had een zeer vermoeid en eenigszins
+ziekelijk voorkomen; met dien eigenaardigen blik eener moeder, die
+zelve haar kind heeft gezoogd, aanschouwde zij het dochtertje, dat
+in haar armen sliep. Een groote blauwe zakdoek, als die waarvan de
+invaliden zich bedienen, was om haar hals geslagen en bedekte haar
+borst. Haar handen waren bruin en vol zomersproeten, de wijsvinger
+vereelt en vol naaldesteken. Zij droeg een bruinen, groven wollen
+mantel, een katoenen kleedje en plompe schoenen. Dit was Fantine.
+
+Dit was Fantine. Ze was moeilijk te herkennen. Evenwel, zoo men haar
+nauwkeurig beschouwde, bezat zij nog altijd haar schoonheid. Een
+treurige rimpel, die een begin van bittere spotzucht scheen, had zich
+op haar rechterwang gevormd. Haar kleeding, een luchtige kleeding van
+neteldoek en lint, die uit vroolijkheid, lichtzinnigheid en dartelheid
+geweven en een bloemengeur te verspreiden scheen, was verdwenen als
+het glinsterende rijp, dat in den zonneschijn als diamanten fonkelt,
+maar wanneer 't gesmolten is, den donkeren boomtak overlaat.
+
+Er waren tien maanden sedert "de aardige grap," de verrassing,
+verstreken.
+
+Wat in deze tien maanden was gebeurd, is niet moeielijk te raden.
+
+Na de verlating was de nood gekomen. Fantine had al heel spoedig
+Favourite, Zephine en Dahlia uit het oog verloren; de band, door de
+mannen gebroken, was bij de meisjes vanzelf afgevallen. Zij zouden,
+veertien dagen later, zeer verwonderd hebben opgezien, zoo men
+haar gezegd had, dat zij vriendinnen waren; daartoe bestond geen
+reden meer. Fantine was alleen gebleven. Toen de vader van haar kind
+vertrokken was--deze scheidingen zijn, helaas, onvermijdelijk,--bevond
+zij zich geheel verlaten, met minder gewoonte tot den arbeid en
+meer lust tot vermaken. Haar betrekking met Tholomyès had haar er toe
+geleid haar handwerk te verzuimen, zij had haar klanten veronachtzaamd;
+zij had ze verloren. Nu was zij zonder alle hulpmiddelen. Fantine kon
+nauwelijks lezen en niet schrijven; in haar kindsheid had zij niets
+geleerd dan haar naam te krabbelen. Door een openbaar schrijver had
+zij tot driemalen toe aan Tholomyès laten schrijven, maar Tholomyès
+had geen der drie brieven beantwoord. Op zekeren dag hoorde Fantine
+vrouwen, die haar kind beschouwden, zeggen: "zulke kinderen trekt
+men zich niet ernstig aan; men haalt er de schouders voor op!" Toen
+dacht zij aan Tholomyès, die voor zijn kind de schouders ophaalde
+en zich het onschuldig wezen niet ernstig aantrok; en toen werd haar
+hart somber voor dien man. Maar wat moest zij beginnen? Zij wist niet
+meer, tot wien zich te wenden. Zij had een misstap begaan; maar in
+den grond van haar hart was zij, gelijk men zich herinnert, kuisch
+en deugdzaam. Zij gevoelde onduidelijk, dat zij op het punt was,
+in armoede te verzinken en wellicht tot iets ergers te komen.
+
+Er was moed noodig, zij had dien en vermande zich. De gedachte kwam bij
+haar op, naar haar geboorteplaats M. sur M. weder te keeren. Daar zou
+misschien iemand zijn, die haar kende en haar werk gaf; maar zij moest
+haar misslag verbergen. En zij vermoedde de noodzakelijkheid eener
+scheiding, die nog smartelijker zou zijn dan de eerste. Haar hart brak,
+maar zij nam een besluit. Gelijk men zien zal, bezat Fantine den vasten
+moed des levens. Reeds had zij onversaagd van den opschik afgezien,
+zich in katoen gekleed, en voor haar dochtertje al haar zijde, linten
+en kanten aangewend,--de eenige ijdelheid, welke haar overbleef
+en die niemand mag veroordeelen. Zij verkocht alles wat zij bezat,
+'t geen haar tweehonderd francs opbracht; na haar schulden betaald te
+hebben, hield zij niet meer dan ongeveer tachtig francs over. Op een
+schoonen lentemorgen verliet zij, tweeëntwintig jaar oud, Parijs, haar
+kind op haar rug medevoerende. Wie beiden gezien had, zou medelijden
+met haar gehad hebben. Deze vrouw had ter wereld niets dan dit kind,
+en dit kind had ter wereld niets dan deze vrouw. Fantine had haar
+dochtertje gezoogd; tengevolge daarvan was haar borst verzwakt en
+zij hoestte een weinig.
+
+Wij zullen geen gelegenheid hebben, meer van den heer Felix Tholomyès
+te spreken. Laat ons dus slechts met een enkel woord melden, dat
+hij twintig jaren later, onder koning Lodewijk Filips, een voornaam
+advocaat in de provincie was, invloedrijk en vermogend, een wijs kiezer
+en een zeer streng gezworene;--overigens altijd een man van pleizier.
+
+Tegen den middag bevond zich Fantine, na nu en dan, om eens te rusten,
+tegen drie of vier stuivers in 't uur, gebruik te hebben gemaakt van
+de zoogenaamde snorwagens, die destijds in de omstreken van Parijs
+gevonden werden--te Montfermeil in de Bakkerssteeg.
+
+Toen zij aan de herberg van Thénardier kwam, vielen de twee vroolijke
+meisjes op de kettingschommel haar in 't oog. Zij bleef staan voor
+dit bekoorlijk tafereel.
+
+En zijn betooveringen. Deze twee meisjes waren een betoovering voor
+deze moeder.
+
+Zij aanschouwde ze met de meeste aandoening. De tegenwoordigheid
+van Engelen duidt een paradijs aan. Zij meende boven deze herberg
+het geheimzinnig HIER der Voorzienigheid te zien. Deze twee meisjes
+waren blijkbaar gelukkig. Zij aanschouwde, bewonderde ze met zulk
+een verteedering, dat, toen de moeder tusschen twee verzen van haar
+liedje eens in den adem schoot, Fantine het niet kon nalaten haar
+deze woorden te zeggen:
+
+"Gij hebt daar twee lieve kindertjes, madame."
+
+De wildste dieren worden verteederd, wanneer men hun jongen streelt. De
+moeder richtte het hoofd op en dankte de vrouw; zij noodigde haar uit,
+plaats te nemen op de bank aan de deur, terwijl zij op den drempel
+zat. De twee vrouwen begonnen een gesprek.
+
+"Ik heet madame Thénardier," zei de moeder der twee kleinen. "Wij
+houden deze herberg."
+
+Daarna, steeds met haar romance vervuld, zong zij weder binnensmonds:
+
+
+ Het moet zoo zijn, als riddersman,
+ Ik ga naar Palestina. [11]
+
+
+Vrouw Thénardier was een rosharige, forsche, zwaarlijvige vrouw,
+het type eener soldatenvrouw in al haar onbehaaglijkheid.--Daarbij
+had zij, wat hier zonderling bijkwam, iets sentimenteels, dat zij van
+het romanlezen gekregen had.--Zij was een sentimenteel manwijf. Alle
+romans, die naar den smaak van keukenmeiden berekend zijn, hebben
+zulk een uitwerking. Zij was nog tamelijk jong, nauwelijks dertig
+jaar oud. Zoo deze vrouw, die nu gehurkt zat, overeind had gestaan,
+zou waarschijnlijk haar reusachtige gestalte en kolossaal voorkomen
+de vreemde vrouw reeds op het eerste gezicht hebben verschrikt,
+haar vertrouwelijkheid verdreven, waardoor onmogelijk ware gemaakt,
+wat wij thans willen verhalen. Het zitten of staan van iemand kan
+aan het lot een geheel andere richting geven.
+
+De vreemde vrouw verhaalde haar geschiedenis, een weinig gewijzigd.
+
+Zij was naaister; haar man was overleden; zij had te Parijs geen
+werk kunnen vinden; zij wilde het elders, in haar geboorteplaats,
+zoeken; zij had dien morgen Parijs verlaten, te voet; daar zij haar
+kind moest dragen, was zij moede geworden; toen had zij den wagen naar
+Villemomble ontmoet en daarin plaats genomen; vervolgens was zij weder
+tot Montfermeil te voet gegaan; de kleine had ook een weinig geloopen,
+maar niet lang; 't kind was nog zoo jong; zij had het weder op den
+arm moeten nemen, en toen was de engel in slaap gevallen.
+
+Dit zeggende gaf zij het kind een vurigen kus, die het wakker
+maakte. Het kind opende de oogen, groote blauwe oogen als die zijner
+moeder, en aanschouwde, wat? Niets, alles, met dien ernstigen,
+soms zoo strengen kinderlijken blik, die een verborgenheid is hunner
+schitterende onschuld tegenover de schemering onzer deugd. 't Is alsof
+zij gevoelen dat zij engelen, en weten dat wij menschen zijn. Toen
+glimlachte het kind, en, schoon door zijn moeder tegengehouden, liet
+het zich op den grond glijden, met die onweerhoudbare kracht van
+een klein wezen, dat loopen wil. Eensklaps zag het meisje de twee
+kinderen op hun schommel, bleef staan, en stak het puntje van haar
+tong tusschen de lippen, als een teeken van bewondering.
+
+Moeder Thénardier maakte haar dochtertjes los, nam ze van den talter
+en zeide:
+
+"Speelt met u drieën."
+
+Kinderen worden spoedig vertrouwelijk met elkander, en na verloop van
+een minuut speelden de kleine Thénardier's met het vreemde meisje,
+en vermaakten zich met kuilen in de aarde te krabben.
+
+Een onuitsprekelijk pleizier! Het vreemde meisje was zeer vroolijk;
+de goedheid der moeder blijkt uit de vroolijkheid van het kind;
+het had een houtspaan genomen, die haar tot spade diende, en groef
+daarmede ijverig een kuil, niet grooter dan voor een vlieg. Wat de
+doodgraver verricht, wordt kluchtig, als het een kind doet.
+
+De twee vrouwen spraken intusschen met elkander.
+
+"Hoe heet uw kleintje?"
+
+"Cosette."
+
+Cosette, lees Euphrasie. De kleine heette Euphrasie. Maar van
+Euphrasie had de moeder Cosette gemaakt, ingevolge het verfraaiings- en
+verzachtings-instinct der moeders en van het volk, dat Josefa in Pepita
+en Françoise in Sillette verandert. Dit is een soort van afleiding,
+die de geheele wetenschap der etymologen in de war brengt. Wij hebben
+een grootmoeder gekend, wie het gelukt was van Theodora Gnon te maken.
+
+"Hoe oud is zij?"
+
+"Zij gaat in haar derde jaar."
+
+"Evenals mijn oudste."
+
+Terwijl de drie kleine meisjes vroolijk bijeengehurkt in de aarde
+woelden, gebeurde iets, dat haar tegelijk verschrikte en in verrukking
+bracht: een groote worm was uit de aarde gekropen.
+
+Zij raakten elkander met haar glimlachende hoofdjes aan; 't was alsof
+men drie kopjes in een stralenkrans zag.
+
+"Kinderen," riep moeder Thénardier, "maken heel gauw kennis met
+elkander; zou men niet zweren, dat 't drie zusjes waren!"
+
+Dit woord was de vonk, welke de andere moeder waarschijnlijk wachtte;
+zij vatte de hand van vrouw Thénardier, zag haar strak aan en zeide:
+
+"Wilt gij mijn kind bij u houden?"
+
+Vrouw Thénardier maakte een gebaar van verwondering, dat noch
+toestemming noch weigering uitdrukte.
+
+De moeder van Cosette hernam:
+
+"Ziet ge, ik kan mijn kind niet naar mijn geboorteplaats
+medevoeren. Het werk vergunt het mij niet. Men vindt moeielijk een
+betrekking, als men een kind heeft. In mijn geboorteplaats zijn
+de menschen zoo wonderlijk. De goede God heeft mij tot uw huis
+gevoerd. Toen ik uw kleintjes zoo lief en zoo net en zoo tevreden
+zag, heeft mij dit getroffen. Ik dacht: Zie, dat is zeker een goede
+moeder. Nu, 't zouden drie aardige zusjes zijn! Overigens zal 't niet
+lang duren, dat ik wederkom. Wilt ge mijn kind hier houden?"
+
+"Daar moet ik eerst over denken," zei vrouw Thénardier.
+
+"Ik wil zes francs in de maand geven."
+
+Een mannenstem riep nu uit de herberg:
+
+"Niet minder dan zeven francs. En zes maanden vooruit betalen."
+
+"Zes maal zeven is twee-en-veertig," zei vrouw Thénardier.
+
+"Ik zal ze geven," zei de moeder.
+
+"En vijftien francs bovendien voor de eerste kosten," voegde de
+mannenstem er bij.
+
+"Te zamen zeven-en-vijftig francs," zei vrouw Thénardier. En onder
+deze rekening neuriede zij flauw:
+
+
+ Het moet zoo zijn, sprak een soldaat! [12]
+
+
+"Ik geef ze," hernam de moeder; "ik heb tachtig francs. Ik zal genoeg
+overhouden om mijn geboorteplaats te bereiken, als ik te voet ga. Ginds
+zal ik geld verdienen, en zoodra ik wat heb, kom ik mijn engel halen."
+
+De mannenstem riep:
+
+"Heeft de kleine linnen ter verschooning?"
+
+"'t Is mijn man," zei vrouw Thénardier.
+
+"Gewis heeft mijn kleine engel verschooning. Ik hoorde wel, dat het
+uw man was. Zij heeft zeer fraai linnengoed; veel, alles bij dozijnen;
+en zijden jurkjes als een dame. 't Is alles in mijn reiszak.
+
+"Dan moet gij het geven," riep de mannenstem.
+
+"Zekerlijk zal ik het geven," zei de moeder. "'t Zou wat fraais zijn,
+als ik mijn dochtertje naakt achterliet."
+
+'t Hoofd van den waard kwam nu te voorschijn.
+
+"Dan is 't goed;" zei hij.
+
+De zaak werd beklonken. De moeder bracht den nacht in de herberg door,
+gaf haar geld, liet haar kind achter, bond haar reiszak, die nu,
+van het kindergoed ontlast, licht en dun was geworden, weder dicht,
+en vertrok den volgenden dag, in de hoop spoedig weder te keeren. Men
+kan zulke scheidingen zeer bedaard overleggen; maar bij de uitvoering
+vertoont zich de wanhoop.
+
+Een buurvrouw van de Thénardier's ontmoette de moeder toen zij vertrok,
+en kwam terugloopen om te zeggen:
+
+"Ik heb op de straat een vrouw ontmoet, die schreide, dat er 't hart
+door verscheurd werd."
+
+Toen Cosette's moeder vertrokken was, zei de man tot zijn vrouw:
+
+"Met dit geld zal ik den wissel van honderd tien francs kunnen betalen,
+die morgen vervalt. Er ontbraken mij vijftig francs. Weet ge dat de
+deurwaarder mij op den hals zou zijn gekomen met een protest? Ge hebt
+een goede vangst met uw meisjes gedaan."
+
+"Zonder het te vermoeden," zei de vrouw.
+
+
+
+
+
+
+TWEEDE HOOFDSTUK.
+
+EERSTE SCHETS VAN TWEE SLECHTE FIGUREN.
+
+
+De gevangen muis was erg mager; maar de kat vermaakt zich ook met
+een magere muis.
+
+Wie waren de echtgenooten Thénardier?
+
+Zeggen wij vooreerst slechts een paar woorden over hen. Later zullen
+wij de schets voltooien.
+
+Deze wezens behoorden tot die bastaardklasse, welke uit onbeschaafde
+parvenus en vervallen beschaafde lieden bestaat: een klasse tusschen
+de zoogenaamde midden- en de lagere klasse in, en die eenige gebreken
+der tweede met schier al de ondeugden der eerste vereenigt, zonder
+den edelen ijver van den werkman of de verstandige orde van den burger
+te bezitten.
+
+'t Zijn die dwergnaturen, welke, zoo zij toevallig door een heilloos
+vuur verwarmd worden, licht iets monsterachtigs krijgen. In de vrouw
+lag iets dierlijks, in den man al wat een schurk vormt. Beiden waren
+in den hoogsten graad vatbaar voor den afschuwelijken vooruitgang op
+een kwaden weg. Er bestaan kreeftenzielen, die gestadig achteruit naar
+de duisternis gaan, zich in het leven meer achteruit dan voorwaarts
+bewegen, de ondervinding slechts gebruiken om hun hatelijkheid te
+vergrooten, onafgebroken slechter worden en zich meer en meer als
+met een zwart slijk overdekken. Deze man en deze vrouw behoorden tot
+die zielen.
+
+Thénardier bovenal had een afkeer-inboezemend gelaat. Men behoeft
+sommige menschen slechts aan te zien, om hen te wantrouwen, want van
+'t hoofd tot de voeten ligt iets stuitends in hen. Zij zijn ongerust
+achter zich en dreigend voor zich. Men kent ze niet. Men kan evenmin
+instaan voor 't geen zij gedaan hebben, als voor 't geen zij zullen
+doen. De schaduw op hun gezicht teekent ze. Zij behoeven slechts
+een woord te zeggen, een beweging te maken, of men vermoedt sombere
+geheimen in hun verleden, sombere verborgenheden in hun toekomst.
+
+Zoo men Thénardier mocht gelooven, was hij soldaat geweest; ik
+sergeant, gelijk hij zeide; hij had vermoedelijk den veldtocht van 1815
+medegemaakt en, naar het schijnt, zich zelfs dapper gedragen. Later
+zullen wij zien wat er van is. Het uithangbord zijner herberg duidde
+een zijner wapenfeiten aan. Hij had het zelf geschilderd; want hij
+verstond van alles zoo wat; maar slecht.
+
+'t Was in den tijd, toen de classieke roman, vroeger Clélie, thans
+Lodoïska, schoon nog steeds edel, toch erg gedaald, van madame
+de Scudéry tot madame Bournon-Malarme, en van madame de Lafayette
+tot madame Barthélemy-Hadot vervallen; 't was in den tijd toen die
+classieke roman de liefde-ademende harten der Parijsche portières in
+vuur en vlam zette, en zelfs zijn verwoestingen eenigszins tot in de
+voorsteden uitbreidde. Vrouw Thénardier was juist geleerd genoeg om
+deze soort van boeken te kunnen lezen. Zij voedde zich er mede. Zij
+verdronk er het weinigje hersens in, dat zij had. Dit had haar, toen
+zij nog jong was en zelfs iets later, een zekere peinzende houding
+gegeven, bij haar man vergeleken, een schurk van eenige diepzinnigheid,
+een geleerde deugniet, behalve in de letterkunde, tevens ruw en
+sluw; wat godsdienstig gevoel betrof, was hij een leerling van
+Pigault-Lebrun, en ten opzichte der vrouwelijke sekse, was hij,
+zooals hij zich uitdrukte, even onwetend als een boonestaak. Zijn
+vrouw was twaalf of vijftien jaar jonger dan hij. Later, toen het
+als treurwilgen neerhangend romantisch haar, grijs begon te worden,
+toen uit de Pamela een Megera ontstond, was vrouw Thénardier niets
+dan een dik, ondeugend wijf, met domme romans opgevuld. En men leest
+niet ongestraft ongerijmdheden! Een gevolg hiervan was, dat haar oudste
+dochtertje Eponine heette; en het jongste zou Gulnare geheeten hebben,
+maar zij had het aan een of andere gelukkige afleiding, door een
+roman van Ducray-Duminil bewerkt, te danken, dat zij slechts Azelma
+genoemd werd.
+
+'t Moet overigens in 't voorbijgaan gezegd worden, dat in dien
+zonderlingen tijd, waarvan wij spreken en dien men den tijd der
+anarchie in de doopnamen kan noemen, niet alles dwaas en oppervlakkig
+was. Behalve het romantisch element, dat wij aanduidden, lag er een
+maatschappelijk verschijnsel in. 't Is tegenwoordig niet zeldzaam,
+dat een ossendrijversknecht Arthur, Alfred of Alphonse heet, en de
+burggraaf--zoo er nog burggraven zijn--Thomas, Piet of Jakob. Deze
+omkeering, welke den eleganten naam aan den man uit het volk en
+den gemeenen naam aan den aristocraat geeft, is niets anders dan de
+wederkeerende golfslag der gelijkheid. De onwederstaanbare, alles
+doordringende nieuwe tijdgeest is hier evenals in alles zichtbaar. In
+deze schijnbare tegenstrijdigheid ligt iets grootsch en dieps--de
+Fransche Revolutie.
+
+
+
+
+
+
+DERDE HOOFDSTUK.
+
+DE LEEUWERIK.
+
+
+Het is niet genoeg, slecht te zijn, om fortuin te maken. De herberg
+wilde niet vooruit.
+
+Met de zeven-en-vijftig francs van de vreemde vrouw had Thénardier
+een protest voorkomen en zijn schuldbekentenis kunnen voldoen. De
+volgende maand was er weder geldgebrek; de vrouw ging naar Parijs
+en beleende er in den lommerd de kleederen van Cosette voor zestig
+francs. Toen ook dat geld verteerd was, gewenden Thénardier en zijn
+vrouw er zich aan, in het meisje slechts een kind te zien, dat zij
+uit medelijden bij zich hielden en behandelden haar daarnaar. Nu de
+kleine geen kleertjes meer had, lieten ze haar de versleten rokjes
+en hemden der jonge Thénardier's dragen, dat wil zeggen: lompen. Men
+voedde haar overigens met allerlei klieken, een weinig beter dan
+den hond en slechter dan de kat; Cosette at met deze dieren onder de
+tafel van een houten bord, evenals zij hadden.
+
+Haar moeder, die zich, zooals men later zal zien, te M. sur
+M. had gevestigd, schreef, of liever liet maandelijks schrijven,
+om iets nopens haar kind te vernemen. De Thénardier's antwoordden
+onveranderlijk: Cosette is volmaakt wel.
+
+Toen de eerste zes maanden verstreken waren, zond de moeder zeven
+francs voor de zevende maand, en ging daarmede zeer stipt iedere maand
+voort. Het jaar was nog niet geëindigd, toen Thénardier zeide:--'t
+Is een aardig voordeel, dat zij ons aanbrengt; wat kan ons zeven
+francs helpen!--en hij schreef, dat hij er twaalf moest hebben. De
+moeder, welke hij in den waan hield dat haar kind gelukkig was en
+"goed aankwam," onderwierp zich en zond de twaalf francs.
+
+Sommige karakters kunnen niet aan de eene zijde beminnen, zonder aan
+de andere te haten. Moeder Thénardier beminde hartstochtelijk haar
+eigen beide kinderen, en daarom haatte zij het vreemde meisje. 't Is
+een treurig denkbeeld, dat ook de liefde eener moeder een slechte zijde
+kan hebben. Hoe weinig plaats Cosette in het huis ook innam, toch kwam
+het haar voor, dat ze ten koste harer kinderen verkregen was, en dat
+de kleine de lucht verminderde, welke haar meisjes inademden. Deze
+vrouw had, gelijk vele vrouwen harer soort, een zekere hoeveelheid
+liefkoozingen en een zekere hoeveelheid slagen en scheldwoorden,
+waarvan zij zich dagelijks moest ontlasten. Zoo zij Cosette niet
+had gehad, is het zeker, dat haar dochters, hoe zeer zij die ook
+beminde, het een met het ander zouden ontvangen hebben. Nu kregen haar
+dochters alleen de liefkoozingen. Cosette kon zich niet verroeren,
+of een hagelbui van onverdiende hevige bestraffingen viel op haar
+hoofd neder. Het zachte, zwakke wezen, dat noch van God, noch van
+de wereld iets begreep, werd gestadig gestraft, beknord, gestooten,
+geslagen, terwijl zij nevens zich twee kleine schepseltjes als zij zag,
+die in een straal van 't morgenrood leefden.
+
+Dewijl vrouw Thénardier ondeugend voor Cosette was, waren Eponine
+en Azelma het ook. Kinderen van dien leeftijd zijn slechts afdrukken
+der moeder. Het formaat is alleen kleiner; dat is het onderscheid.
+
+Een jaar verstreek; ook een tweede.
+
+Men zeide in het dorp:
+
+"De Thénardier's zijn toch brave menschen. Schoon ze niet rijk
+zijn, brengen zij toch een arm kind op, dat men bij hen heeft
+achtergelaten." Men meende, dat Cosette door haar moeder vergeten
+werd. Inmiddels eischte Thénardier, die op eene of andere bedekte wijze
+vernomen had, dat het kind waarschijnlijk een onwettig kind was en de
+moeder het niet kon wettigen, vijftien francs 's maands, zeggende, dat
+het "ding" grooter werd en hoe langer hoe meer "at" en dreigende het
+terug te zenden. "Zij moet mij niet wat wijs willen maken!" riep hij,
+"of ik gooi haar haar popje als een bom in haar geheime zaakjes. Ik
+moet meer hebben." De moeder betaalde de vijftien francs.
+
+Van jaar tot jaar werd het meisje grooter, maar ook haar ellende.
+
+Zoolang Cosette klein was, moest zij alles van de twee andere kinderen
+dulden: zoodra zij zich een weinig begon te ontwikkelen, dat wil
+zeggen, vóór zij nog vijf jaar oud was, werd zij de dienstmaagd van
+het huis.
+
+Vijf jaar, zal men zeggen, dit is onwaarschijnlijk. Helaas, 't is toch
+waar. Het maatschappelijk lijden begint op elken leeftijd. Hebben
+wij niet onlangs het proces van een zekeren Dumollard gehad, die
+van weeskind moordenaar werd, en reeds op vijfjarigen leeftijd,
+zooals de gerechtsstukken bewijzen, alleen op zich zelven stond, en
+"voor zijn onderhoud werkte, en stal."
+
+Men liet Cosette boodschappen doen, de kamers schoon maken, de plaats,
+de straat schrobben, de borden wasschen en zelfs zware vrachten dragen.
+
+De Thénardier's meenden te eerder tot deze handelwijze gerechtigd
+te zijn, wijl de moeder, die steeds te M. sur M. was, ongeregelder
+begon te betalen. Zij was reeds eenige maanden ten achter.
+
+Zoo deze moeder na verloop van drie jaren te Montfermeil ware
+teruggekeerd, zou zij haar kind niet herkend hebben. Cosette, bij haar
+komst in dat huis zoo lief en frisch, was nu mager en bleek. Zij had
+iets onbeschrijfelijk schuws in haar gedrag. Gluipster, noemden haar
+de Thénardier's.
+
+De onrechtvaardige behandeling welke zij onderging had haar bits,
+en het lijden leelijk gemaakt. Zij had niets overgehouden dan haar
+schoone oogen, die treurigheid inboezemden; want daar zij groot waren,
+scheen men er zooveel te meer treurigheid in te zien.
+
+'t Was hartverscheurend, wanneer men des winters het arme meisje,
+dat nog geen zes jaar oud was, bibberend in haar gescheurde katoenen
+lompen, vóór het licht was, met een grooten bezem in de kleine roode
+handjes en met tranen in de groote oogen, de straat zag vegen.
+
+Men noemde haar in het plaatsje den leeuwerik. Het volk, dat van
+beeldspraak houdt, gaf dien naam aan dit kleine schepseltje, dat
+schuw, angstig en trillende als een vogel, elken ochtend het eerst
+in het huis en het dorp wakker, en steeds vóór den dageraad op de
+straat of op het veld was.
+
+Maar de arme leeuwerik zong nooit.
+
+
+
+
+
+
+
+BOEK V.
+
+STEEDS DIEPER ZINKENDE.
+
+
+EERSTE HOOFDSTUK.
+
+GESCHIEDENIS VAN DEN VOORUITGANG IN DE FABRIKAGE DER ZWARTE
+GLASKORALEN.
+
+
+Wat was er intusschen geworden van deze moeder, die, zooals de
+inwoners van Montfermeil zeiden, haar kind zou verlaten hebben? Waar
+was zij? Wat deed zij?
+
+Na haar kleine Cosette bij de Thénardier's te hebben achtergelaten,
+had zij haar voetreis voortgezet en was te M. sur M. aangekomen.
+
+'t Was, zooals men zich herinnert, in 1818.
+
+Fantine had haar geboorteoord omstreeks tien jaar geleden
+verlaten. M. sur M. had sinds een groote verandering ondergaan. Terwijl
+Fantine langzamerhand dieper zonk, was haar geboorteplaats in bloei
+toegenomen.
+
+Voor twee jaren ongeveer had er een dier industriëele omstandigheden
+plaats gehad, welke in kleine oorden gewichtige gebeurtenissen zijn.
+
+Deze bijzonderheid is voor ons verhaal van belang, en wij achten
+het noodig, ze nader aan te duiden; wij zouden haast zeggen, er de
+aandacht op te vestigen.
+
+Sedert onheuglijken tijd bestond te M. sur M. de eigenaardige industrie
+der namaking van het Engelsch git en der Duitsche zwarte koralen;
+maar deze industrie had steeds gekwijnd, uithoofde der duurte van de
+grondstoffen, die op het fabrikaat nadeelig werkte. Toen Fantine te
+M. sur M. terugkwam, was een algeheele omkeering in de fabrikage der
+"zwarte artikelen" ontstaan. Tegen het einde van 't jaar 1815 had
+zich een onbekend man in de stad nedergezet, en hij was op den inval
+gekomen, bij deze fabrikage de harst door lak en, in 't bijzonder
+voor de armbanden, de samenvoeging door dubbel geplet, in plaats van
+door gesoldeerd blik te vervangen.
+
+Deze zoo kleine verandering werd een revolutie.
+
+Inderdaad, deze kleine verandering had in groote mate den prijs
+der grondstof verminderd, 't geen in de eerste plaats vergunde het
+arbeidsloon te verhoogen: een weldaad voor het oord; ten tweede de
+fabrikage te verbeteren: een voordeel voor den kooper; ten derde
+goedkooper te leveren en tevens driemaal meer winst te hebben: een
+voordeel voor den fabrikant.
+
+Ziedaar dus drie gevolgen van ééne gedachte.
+
+In minder dan drie jaren was de uitvinder rijk geworden, wat goed is;
+en hij had alles in zijn omgeving rijk gemaakt, wat nog beter is. Hij
+was vreemd in het departement. Men wist niets van zijn afkomst;
+van zijn begin weinig.
+
+Men verhaalde, dat hij met zeer weinig geld in de stad was gekomen,
+hoogstens met eenige honderd francs.
+
+Uit dit kleine kapitaal, in den dienst gesteld van een vernuftigen
+geest, vruchtbaar gemaakt door orde en overleg, was zijn fortuin en
+dat van het geheele oord voortgesproten.
+
+Bij zijn komst te M. sur M. had hij de kleeding, de houding en de
+taal van een handwerksman.
+
+Het schijnt, dat op denzelfden dag, waarop hij in de maand December
+tegen het vallen van den avond, onbekend, met den ransel op den rug,
+een doornstok in de hand, de kleine stad M. sur M. binnenkwam, een
+geweldige brand in het gemeentehuis was uitgebroken. Deze man had
+zich te midden der vlammen geworpen en met levensgevaar twee kinderen
+gered, welke bleken van den kapitein der gendarmerie te zijn, hetgeen
+de reden was, dat men er niet aan dacht, naar zijn pas te vragen. Men
+vernam spoedig zijn naam. Hij heette "vader Madeleine."
+
+
+
+
+
+
+TWEEDE HOOFDSTUK.
+
+MADELEINE.
+
+
+Hij was iemand van ongeveer vijftig jaar, met een peinzend voorkomen
+en een goedhartig karakter. Meer wist men niet van hem te zeggen.
+
+Tengevolge der snelle ontwikkeling van de industrie, in welke hij zulk
+een bewonderenswaardige hervorming had gebracht, was M. sur M. het
+middelpunt van een groote handelsbeweging geworden. Spanje, dat
+veel git gebruikt, deed er jaarlijks aanzienlijke inkoopen. M. sur
+M. concurreerde bijna in dit artikel met Londen en Berlijn. De
+verdiensten van Madeleine waren zoo groot, dat hij reeds in het tweede
+jaar een groote fabriek kon laten bouwen, met twee groote werkplaatsen,
+een voor de mannen en een voor de vrouwen. Ieder die gebrek had kon
+zich aanbieden en was verzekerd er werk en brood te vinden. Vader
+Madeleine vorderde van de mannen slechts goeden wil, van de vrouwen
+reine zeden, van allen eerlijkheid. Hij had de werkplaatsen verdeeld,
+om de beide geslachten te scheiden, en opdat de vrouwen en meisjes
+deugdzaam konden blijven. Op dit punt was hij onverbiddelijk.
+
+Het was het eenige, waarin hij ontoegevelijk was. Hij had te meer
+reden voor deze strengheid, wijl M. sur M. een garnizoensplaats, en
+alzoo de gelegenheid tot verleiding te overvloediger was. Overigens
+was zijn komst een weldaad geweest en zijn verblijf een zegen. Vóór de
+komst van vader Madeleine was alles kwijnend in het oord; nu leefde
+alles van een gezonden arbeid. Een druk verkeer drong overal door
+en verspreidde een algemeene welvaart. Lediggang en armoede waren
+onbekend. Geen zak was zoo leeg, of er was nog een weinig geld in,
+geen woning zoo schamel, of er was nog eenige vreugde.
+
+Vader Madeleine gaf iedereen werk. Hij vorderde slechts dit ééne:
+wees eerlijk man! wees een eerbare vrouw!
+
+Zooals gezegd is, maakte vader Madeleine fortuin te midden dezer
+nijverheid, waarvan hij de oorsprong en de spil was. Zonderling
+echter was 't voor een eenvoudig industriëel, dat dit in geenen deele
+zijn voornaamste zorg scheen. 't Was alsof hij veel aan anderen, en
+weinig aan zich zelven dacht. In 1820 wist men dat hij op zijn naam
+een som van zeshonderddertig duizend francs bij den bankier Laffitte
+had geplaatst; maar aleer hij deze som voor zich zelven vastgezet had,
+had hij meer dan een millioen voor de armen en de stad uitgegeven.
+
+Het gasthuis had weinig inkomsten; hij vermeerderde het op zijn
+kosten met tien bedden. M. sur M. is in twee deelen verdeeld, de
+boven- en de benedenstad. In de benedenstad, waar hij woonde, bestond
+slechts één school, een zeer bouwvallig gebouw; hij had twee scholen
+doen bouwen, een voor jongens en een voor meisjes. Uit zijn eigen
+middelen verdubbelde hij het sober tractement der beide onderwijzers,
+en eens zeide hij tot iemand, die zich daarover verwonderde:
+"De twee voornaamste beambten van den staat zijn de min en de
+schoolmeester." Op zijn eigen kosten had hij een zaal van toevlucht
+(salle d'asile)--destijds nog schier iets onbekends in Frankrijk--en
+een hulpkas voor oude gebrekkige werklieden opgericht. Zijn fabriek
+was het middelpunt eener nieuwe wijk geworden, die snel een aantal
+arme gezinnen om hem had verzameld. Hij had er een apotheek gevestigd,
+welke de armen om niet van geneesmiddelen voorzag.
+
+In den eersten tijd, toen men hem zag beginnen, zeiden de goede lieden:
+'t Is een snaak, die rijk wil worden.--Toen men hem het land zag rijk
+maken vóór zich zelven te verrijken, zeiden dezelfde goede lieden:
+'t Is een eerzuchtige.--Dit scheen te waarschijnlijker, wijl de
+man godsdienstig was, iets, dat in dien tijd zeer gaarne gezien
+werd. Hij ging geregeld alle zondagen een mis hooren. De afgevaardigde
+der plaats, die overal concurrenten meende te zien, maakte zich
+weldra over deze godsdienstigheid zeer ongerust. Deze afgevaardigde,
+voormalig lid van het Wetgevend Lichaam onder het keizerrijk, deelde
+de godsdienstige denkbeelden van een pater van het Oratorium, bekend
+onder den naam van Fouché, hertog van Otrante, wiens creatuur en vriend
+hij geweest was. In 't geheim spotte hij met God. Toen hij nu echter
+den rijken fabrikant Madeleine te zeven uren naar de stille mis zag
+gaan, vermoedde hij in hem een mogelijken candidaat voor afgevaardigde
+en besloot hem te overtreffen; hij nam tot biechtvader een Jezuïet
+en ging naar de hoogmis en naar de vespers. De eerzucht was in dien
+tijd, in de ware beteekenis des woords, een wedloop. Voor de armen
+was deze vrees overigens voordeelig, evenals voor den lieven God,
+want de achtenswaardige gedeputeerde gaf aan het gasthuis ook twee
+bedden; dit was dus twaalf.
+
+Ondertusschen verspreidde zich in 1819 in de stad het gerucht, dat
+op het voorstel van den heer prefect en uit hoofde der aan het land
+bewezen diensten, vader Madeleine door den koning tot maire van M. sur
+M. benoemd zou worden.
+
+Degenen, die Madeleine "een eerzuchtige" hadden genoemd, grepen
+met drift deze gelegenheid aan om te roepen: Nu, hebben wij 't
+niet gezegd?--Geheel M. sur M. was er vol van, en het gerucht was
+gegrond. Eenige dagen later verscheen de benoeming in den Moniteur. Den
+volgenden dag bedankte vader Madeleine voor de betrekking.
+
+In hetzelfde jaar 1819 zag men de voortbrengselen van de nieuwe wijze
+van fabrikage, door Madeleine uitgevonden, op de tentoonstelling der
+industrie; op het rapport der jury benoemde de koning den uitvinder tot
+ridder van het legioen van eer. Nieuw gebabbel in de kleine stad. Ziet
+ge wel! hij wilde het kruis hebben! Vader Madeleine weigerde ook
+het kruis.
+
+De man was bepaald een raadsel voor de goede lieden. Dezen wilden
+evenwel toch het laatste woord hebben, en zeiden: Hij is in allen
+gevalle een soort van fortuinzoeker.
+
+Zooals men ziet, had het oord hem veel, hadden de armen hem alles te
+danken; hij was zoo nuttig, dat men hem eindelijk wel moest vereeren
+en hij was zoo goedhartig, dat men hem eindelijk wel beminnen moest;
+in 't bijzonder droegen zijn werklieden hem op de handen en hij
+ontving deze blijken van genegenheid met een soort van droefgeestigen
+ernst. Toen er geen twijfel meer bestond, dat hij rijk was, groetten
+hem de lieden uit de groote wereld van M. sur M., en in de stad
+noemde men hem: Mijnheer Madeleine;--zijn werklieden en de kinderen
+gingen voort hem "vader Madeleine" te noemen, en dat deed hem het
+vriendelijkst glimlachen. Naarmate hij hooger klom, regende het
+uitnoodigingen voor hem. De "maatschappij" eischte hem. De kleine,
+stijve gezelschapskringen te M. sur M., die zich zooals vanzelf
+spreekt, in den eersten tijd voor den "werkman" hadden gesloten,
+openden zich nu wagenwijd voor den millionnair. Men zocht hem op
+duizenderlei wijzen te trekken. Hij weigerde.
+
+Ook nu waren de goede lieden niet verlegen.--'t Is een onbeschaafd
+mensch, zonder eenige opvoeding en zeker van zeer geringe afkomst. Hij
+zou niet weten, hoe zich in de groote wereld te gedragen. 't Is niet
+eens bewezen, dat hij lezen kan.
+
+Toen men hem geld zag winnen, had men gezegd: 't is een koopman. Toen
+men hem zijn geld had zien uitstrooien, had men gezegd: 't is een
+eerzuchtige. Toen men hem de eerbewijzen had zien weigeren, zeide
+men: 't is een gelukzoeker. Toen men hem de uitnoodigingen der
+gezelschapskringen zag afwijzen, zeide men: 't is een onbeschaafd
+mensch.
+
+Vijf jaren na zijn komst te M. sur M., in 1820, waren de diensten,
+welke hij het land had bewezen, zoo uitstekend en in 't oogvallend,
+en de wensch van het geheele oord was zoo eenparig, dat de koning
+hem opnieuw tot maire der stad benoemde. Hij bedankte nogmaals,
+maar de prefect nam zijn weigering niet aan; al de aanzienlijken
+kwamen hem verzoeken, de benoeming aan te nemen, het volk bad hem
+dit openlijk op de straat, kortom de aandrang was zoo sterk, dat hij
+eindelijk toegaf. 't Scheen, dat hij hiertoe voornamelijk gedreven
+was door de woorden eener oude vrouw uit het volk, die voor haar deur
+staande, schier verstoord tot hem had geroepen: "een goed maire is
+een zegen. Mag men dus weigeren goed te doen, wanneer men kan?"
+
+Dit was de derde trap zijner verheffing, Vader Madeleine was mijnheer
+Madeleine geworden; mijnheer Madeleine werd mijnheer de maire.
+
+
+
+
+
+
+DERDE HOOFDSTUK.
+
+DE GELDEN BIJ LAFFITTE.
+
+
+Madeleine was overigens even eenvoudig gebleven als hij den eersten
+dag was. Hij had grijs haar, een ernstigen blik, de bruine kleur van
+den arbeider, het denkend gelaat van een wijsgeer. Gewoonlijk droeg
+hij een hoed met breeden rand en een lange jas van grof laken, die tot
+aan de kin was dichtgeknoopt. Hij vervulde zijn plichten als maire,
+maar leefde overigens stil. Hij verkeerde met weinig menschen; onttrok
+zich aan plichtplegingen, groette beleefd, verwijderde zich haastig,
+glimlachte, om zich van 't spreken te verschoonen, en gaf, om zich
+van 't glimlachen te verschoonen. De vrouwen noemden hem een goeden
+beer. 't Was zijn vermaak, buiten in de vrije natuur te wandelen.
+
+Steeds at hij alleen, met een geopend boek voor zich, waarin hij
+las. Hij bezat een kleine, uitgezochte bibliotheek. Hij hield veel van
+boeken; boeken zijn koele, maar trouwe vrienden. Naarmate hij met de
+toenemende fortuin meer vrijen tijd kreeg, scheen hij dien te besteden
+aan de beschaving van zijn geest. Sinds hij te M. sur M. was, had
+men opgemerkt, dat zijn taal jaarlijks beschaafder en zuiverder werd.
+
+Gaarne nam hij op zijn wandelingen een geweer mede, doch hij bediende
+er zich zelden van. Gebeurde hem dit bij toeval, dan was zijn schot
+ontzettend juist. Nooit doodde hij een weerloos dier. Nooit schoot
+hij een vogeltje.
+
+Hoewel niet jong meer, moest hij, naar men zei, verbazend sterk
+wezen. Hij bood de behulpzame hand aan wie ze behoefde, richtte een
+paard op, hielp een in 't slijk gezonken wiel weer terecht, hield
+een weggeloopen stier bij de hoorns vast. Zijn zakken waren steeds
+vol kleine munt, als hij uitging; en ledig als hij terugkwam. Zoo
+hij een dorp doorging, liepen de kleine kinderen hem vroolijk na,
+en omringden hem als een zwerm muggen.
+
+Men meende te mogen opmaken, dat hij vroeger buiten op het land
+had geleefd, want hij wist allerlei nuttige geheimen, waarmede hij
+de boeren bekend maakte. Hij leerde hun den koornworm verdelgen,
+door het besprenkelen van den vloer en het bevochtigen der reten in
+de planken met een oplossing van gewoon keukenzout, en de kalander
+te verjagen door aan de muren en daken, in de schuren en pakhuizen
+bloeiende varens te hangen. "Hij had recepten" om den zwarten komijn,
+den brand in 't koren, de wikke, den vossestaart en alle ander onkruid,
+dat het koorn benadeelt, uit te roeien.
+
+Op zekeren dag zag hij eenige landlieden ijverig bezig met onkruid
+uit te roeien; den hoop uitgetrokken en reeds verdroogde planten
+aanschouwende, zeide hij:--'t is dood. 't Zou echter waarde hebben,
+zoo men 't nuttig wist aan te wenden. De bladeren van de jonge
+brandnetel zijn een heerlijke groente; ouder geworden heeft zij
+stengels en vezelen, gelijk die van de hennep en het vlas. Het linnen
+van brandnetels is even goed als dat van hennep. Fijn gehakt is de
+brandnetel een goede spijs voor het gevogelte; gestampt, is zij goed
+voor het hoornvee. Het zaad van de brandnetels onder het voeder gemengd
+maakt de huid van het vee zacht en glanzig, de wortel met zout vermengd
+geeft een fraaie, gele kleur. 't Is overigens een uitmuntend hooi,
+dat tweemaal gemaaid kan worden. En wat heeft de netel noodig? Weinig
+grond, geen zorg of opkweeking, alleen valt het zaad uit, naarmate
+de plant rijp wordt, en is moeielijk in te zamelen. Dit is het eenige
+bezwaar: zoo men zich eenige moeite gaf, zou de netel zeer nuttig zijn;
+maar wijl men ze veronachtzaamt, wordt zij schadelijk, en men doodt
+ze. Hoevele menschen gelijken de netel!--Na eenig zwijgen voegde hij er
+bij: Onthoudt dit wel, vrienden, er zijn evenmin slechte kruiden als er
+slechte menschen zijn. Er zijn alleen slechte kweekers en verzorgers.
+
+Ook de kinderen beminden hem, wijl hij zeer fraaie dingen van stroo
+en notenschalen kon maken.
+
+Wanneer hij de deur eener kerk met zwart bekleed zag, trad hij
+binnen; hij was even gaarne bij een begrafenis als anderen op een
+doopmaal. Tot de verlatenheid en het ongeluk van anderen voelde hij
+zich door zijn teerhartigheid aangetrokken; hij mengde zich onder de
+treurende vrienden, onder de rouwende verwanten, onder de priesters
+biddende om een doodkist. Hij scheen gaarne zijn gedachten bezig te
+houden met de treurgezangen, die op een andere wereld wezen. De oogen
+hemelwaarts, luisterde hij, met een soort van verzuchting, naar die
+geheimen van het oneindige, naar de treurige stemmen, welke op den
+rand van den donkeren afgrond des doods zingen.
+
+Hij verrichtte een menigte goede werken in 't verborgen, gelijk anderen
+zich verbergen voor de slechte. Heimelijk vervoegde hij zich 's avonds
+in de huizen en sloop de trap op. Meermalen vond een arme drommel
+bij zijn thuiskomst, dat de deur van zijn vlieringkamertje in zijn
+afwezendheid geopend, ja soms met geweld, geopend was geworden. Hij
+meende, dat een boosdoener het gedaan had! Hij ging binnen, en 't
+eerste wat hij zag, was een achtergelaten goudstuk op een of ander
+meubelstuk. De "boosdoener" was vader Madeleine geweest.
+
+Hij was vriendelijk, maar droefgeestig. Het volk zeide: Hij is rijk,
+maar niet trotsch. Hij is gelukkig, maar schijnt niet vergenoegd.
+
+Sommigen meenden, dat er iets geheimzinnigs aan en in hem was en
+beweerden, dat niemand zijn kamer mocht binnengaan, die een ware
+kluizenaarscel was, met gevleugelde zandloopers, met gekruiste
+beenderen en doodshoofden. Dit werd zoo algemeen verhaald, dat een
+paar jonge, schalksche dametjes uit de groote wereld van M. sur M. hem
+op zekeren keer bezochten en vroegen: "Mijnheer de maire, laat ons
+toch ook uw kamer eens zien. Men zegt, dat het een grot is." Hij
+glimlachte, en geleidde ze terstond naar deze "grot." Zij werden
+voor haar nieuwsgierigheid naar verdienste gestraft. 't Was een kamer
+met gewone mahoniehouten meubels en met gewoon papier behangen. Niets
+merkwaardigs viel haar in 't oog, dan een paar ouderwetsche kandelaars,
+die op den schoorsteen stonden en van zilver schenen te zijn, "want
+er stond een keur op." Een aanmerking, die volkomen den geest van
+kleine steden aanduidt.
+
+Desniettemin bleef men hardvochtig zeggen, dat niemand deze kamer
+mocht binnengaan en 't een kluizenaarsgrot, een spelonk, een hol,
+een graf was.
+
+Men fluisterde ook, dat hij "onnoemelijke" schatten bij Laffitte had
+belegd, en voegde er de bijzonderheid bij, dat zij steeds onmiddellijk
+te zijner beschikking waren, en hij slechts bij Laffitte behoefde te
+gaan en een kwitantie te teekenen om in tien minuten twee of drie
+millioen mede te nemen. Deze twee of drie millioen bepaalden zich
+inderdaad, zooals wij reeds gezegd hebben, tot zeshonderd dertig of
+veertig duizend francs.
+
+
+
+
+
+
+VIERDE HOOFDSTUK.
+
+DE HEER MADELEINE IN ROUW.
+
+
+In 't begin van 't jaar 1821 berichtten de dagbladen den dood van den
+heer Myriel, bisschop van D., "bijgenaamd Monseigneur Bienvenu," in
+den ouderdom van twee-en-tachtig jaren en in den reuk van heiligheid
+overleden.
+
+De bisschop van D.--om hier een bijzonderheid bij te voegen, waarvan
+de dagbladen niet gewaagden, was, toen hij stierf, sedert verscheidene
+jaren blind, en met zijn blindheid tevreden, wijl hij zijn zuster
+bij zich had.
+
+Blind en bemind te zijn, wij zeggen dit in 't voorbijgaan, is op
+deze aarde, waar niets volmaakt is, inderdaad een der uitgezochtste
+en edelste vormen van het geluk. Gestadig aan zijn zijde een gade,
+een dochter, een zuster, een vrouwelijk wezen te hebben, dat daar is,
+omdat gij haar noodig hebt en zij u niet kan ontberen; te weten, dat
+men onmisbaar is voor degene die wij noodig hebben; onophoudelijk
+haar liefde te kunnen afmeten naar den duur harer tegenwoordigheid
+bij ons, en te kunnen zeggen: dewijl zij al haar tijd aan mij wijdt,
+moet ik wel haar geheele hart bezitten; haar gedachten te aanschouwen
+in de plaats van haar lichaam; de trouw van zulk een wezen door haar
+verzaking van de wereld bevestigd te zien, het geritsel van kleederen
+te vernemen, als het klapwieken van vleugelen; haar heen en weder, in
+en uit te hooren gaan, haar te hooren spreken en zingen, en te denken,
+dat men het middelpunt dier stappen, dier woorden, van dien zang is;
+ieder oogenblik zijn eigen aantrekkingskracht uit te oefenen, en zich
+sterker te gevoelen naargelang men gebrekkiger is; in de duisternis
+en door de duisternis de ster te zijn, om welke zich zulk een engel
+beweegt--weinige zaligheden, die deze evenaren. Het hoogste geluk
+des levens is de overtuiging, bemind te zijn, om zich zelven bemind
+te zijn, of laat ons liever zeggen, ondanks zich zelven bemind te
+zijn. Deze overtuiging heeft de blinde. In zulk een ramp bediend te
+worden, is geliefkoosd te worden. Ontbreekt den blinde iets? Neen. Wie
+de liefde bezit, heeft het licht niet verloren. En welk een liefde? Een
+liefde, die geheel uit deugd bestaat. Er is geen blindheid, waar
+zekerheid is. De ziel zoekt tastend de ziel en vindt haar. En de
+gevondene en beproefde ziel is een vrouw. De hand die u steunt, is de
+hare; een mond raakt uw voorhoofd aan, 't is haar mond; ge hoort een
+adem in uw nabijheid, 't is de hare. Alles van haar te hebben, van
+haar vereering af tot haar medelijden toe; nooit verlaten te worden;
+deze teedere zwakheid te bezitten, die u helpt; op dat onwrikbaar riet
+te steunen; met de handen de Voorzienigheid aan te raken en ze in de
+armen te kunnen nemen; de tastbare godheid!--welk een verrukking! Het
+hart, deze onbekende hemelsche bloem, komt tot een geheimzinnige
+ontluiking. Men zou deze duisternis niet voor de grootste helderheid
+willen geven! De engelenziel is er, gestadig is zij er; zoo zij zich
+verwijdert, is 't om weder te keeren; zij verdwijnt als de droom, en
+verschijnt weder als de werkelijkheid. Men voelt warmte naderen, zij
+is 't. Het hart vloeit over van helderheid, blijdschap en verrukking;
+'t is als een schittering in den nacht. En die duizend kleine zorgen
+en oplettendheden! Kleinigheden, die in deze ledigheid van onmetelijke
+grootte zijn. De teederste, zachtste klanken der vrouwelijke stem,
+dienende om den blinde te wiegen en de voor hem verdwenen wereld
+vervangende. Hij wordt door de ziel geliefkoosd. Hij ziet niets,
+maar gevoelt zich bemind. 't Is een paradijs in de duisternis.
+
+'t Was uit dit paradijs, dat Monseigneur Bienvenu tot het andere
+was overgegaan.
+
+Het bericht van zijn dood werd door het stedelijk blad van M. sur
+M. medegedeeld. Mijnheer Madeleine verscheen den anderen dag geheel in
+'t zwart, met een rouwfloers om zijn hoed.
+
+Deze rouw werd in de stad opgemerkt en er werd over gepraat. Ze scheen
+een lichtstraal omtrent de afkomst van mijnheer Madeleine. Men leidde
+er uit af, dat hij met den eerbiedwaardigen bisschop in eenigen
+graad verwant was. "Hij rouwt over den bisschop van D.," zeide men
+in de gezelschappen; dit verhief mijnheer Madeleine niet weinig en
+schonk hem eensklaps een zeker aanzien in de aristocratische wereld
+te M. sur M. De microscopische voorstad Saint-Germain van het stadje
+dacht er aan, mijnheer Madeleine in haar kringen op te nemen, daar
+hij waarschijnlijk de bloedverwant van een bisschop was. Mijnheer
+Madeleine bespeurde zijn verheffing in de openbare opinie aan de
+dieper buigingen der oude dames en aan de vriendelijker glimlachjes
+der jongere. Op zekeren avond waagde een dame uit deze kleine groote
+wereld, hem te vragen: "Mijnheer de maire is waarschijnlijk een neef
+van wijlen den bisschop van D.?"
+
+"Neen, mevrouw," was het antwoord.
+
+"Maar," hernam de oude dame, "u rouwt toch over hem?"
+
+Hij antwoordde:--"'t Is, omdat ik in mijn jeugd als lakei in zijn
+familie gediend heb."
+
+Nog één opmerking werd gemaakt, namelijk, dat telkens, wanneer een
+kleine zwervende savoyaard in de stad kwam om schoorsteenen te vegen,
+mijnheer de maire hem bij zich liet roepen, hem naar zijn naam vroeg
+en hem geld gaf. De kleine savoyaards zeiden dit aan elkander, en er
+kwamen er velen in de stad.
+
+
+
+
+
+
+VIJFDE HOOFDSTUK.
+
+FLIKKERINGEN AAN DEN HORIZON.
+
+
+Allengs en met der tijd was elke oppositie verdwenen. In den beginne
+hadden zich allerlei boosaardigheden en lasterlijke praatjes tegen
+den heer Madeleine verheven--een soort van algemeene wet tegen al
+wat in de hoogte komt--vervolgens waren 't slechts schimpscheuten en
+spotternij, tot eindelijk alles ophield; de eerbied werd algemeen,
+eenparig, hartelijk, en het oogenblik kwam, omstreeks 1821, dat het
+woord: "mijnheer de Maire" te M. sur M. bijna op denzelfden toon
+werd gesproken, als in 1815 het woord "Monseigneur de bisschop" te
+D. Men kwam tien uren ver uit den omtrek om mijnheer Madeleine te
+raadplegen. Hij besliste de geschillen, voorkwam processen, verzoende
+vijanden. Ieder koos hem tot scheidsrechter in zijn zaak. Het was,
+alsof zijn hart het natuurlijk wetboek was. De achting, welke men
+hem toedroeg, scheen aanstekelijk; want in zes of zeven jaren was
+die allengskens op het geheele oord overgegaan.
+
+Slechts een enkel mensch in de stad en het arrondissement onttrok
+zich geheel aan die vereering, en vader Madeleine mocht doen wat hij
+wilde, deze man was weerspannig, alsof een soort van onverwinnelijk
+en onverzetbaar instinct hem bezielde en verontrustte. 't Is, alsof
+sommige menschen een wezenlijk dierlijk instinct bezitten, zuiver
+en onbedorven als ieder instinct, dat sympathie en afkeer schept,
+vaak op jammerlijke wijze het eene karakter van het andere scheidt,
+dat nooit aarzelt, nooit zwijgt en zich nooit verloochent, dat helder
+in zijn duisternis ziet, dat onbeperkt heerschend, weerspannig tegen
+alle vermaningen van het verstand en de lessen der rede is, en dat,
+in welken vorm de omstandigheden zich ook voordoen, heimelijk den
+mensch-hond voor de tegenwoordigheid van de mensch-kat waarschuwt,
+en den mensch-vos voor den mensch-leeuw.
+
+Vaak gebeurde het, dat, wanneer de heer Madeleine rustig, vriendelijk
+over de straat ging, begroet door de zegenwenschen van allen, een man
+van hooge gestalte, gekleed in een ijzerkleurige grijze jas, met een
+dikken stok in de hand en een neergedrukten hoed op het hoofd, zich
+plotseling achter hem omkeerde en hem naoogde tot hij verdwenen was,
+de armen over elkander sloeg, langzaam het hoofd schudde en de bovenlip
+met de onderlip tot aan den neus optrok; een veelbeteekenend gebaar,
+dat zooveel te verstaan gaf als:--Wie is toch deze man?--Ik heb hem
+stellig ergens gezien.--In allen gevalle, hij zal mij niet misleiden.
+
+Deze persoon, van een schier dreigende strengheid, behoorde tot
+dezulken, die, zelfs slechts vluchtig gezien, lang in 't geheugen
+blijven.
+
+Hij heette Javert en behoorde tot de politie.
+
+Te M. sur M. vervulde hij de moeielijke, maar nuttige functie van
+inspecteur van politie. Hij had den aanvang van Madeleine niet
+gezien. Javert had den post, dien hij bekleedde, te danken aan den
+heer Chabouillet, den secretaris van den minister van staat Anglès,
+die destijds prefect van politie te Parijs was.
+
+Toen Javert te M. sur M. kwam, had de groote fabrikant zijn fortuin
+reeds gemaakt, en vader Madeleine was mijnheer Madeleine geworden.
+
+Sommige politiebeambten hebben een eigenaardige physionomie,
+samengesteld uit gemeenheid en heerschzucht. Javert had zulk een
+gezicht, behalve de gemeenheid.
+
+Wij zijn overtuigd dat, zoo de zielen voor het oog zichtbaar waren,
+men duidelijk het zonderling verschijnsel zou zien, dat ieder individu
+van het menschelijk geslacht met een of andere diersoort overeenkomt;
+en men zou zich gemakkelijk van de nauwelijks door den denker vermoede
+waarheid kunnen overtuigen, dat van de oester tot den arend, van het
+zwijn tot den tijger, alle dieren in den mensch zijn, en ieder hunner
+in een mensch is. Soms zelfs verscheidene tegelijkertijd.
+
+De dieren zijn niet anders dan de beelden onzer deugden en ondeugden,
+die voor onze oogen zweven, de zichtbare beelden onzer zielen. God
+toont ze ons, om ons tot nadenken te brengen. Maar, aangezien de
+dieren slechts schimmen zijn, heeft God ze niet, in den volsten zin des
+woords, geschikt voor de opvoeding gemaakt: wat zou het baten? Dewijl
+nu onze zielen integendeel iets werkelijks zijn en een eigenaardig
+doel hebben, heeft God haar het verstand gegeven, dat wil zeggen,
+de geschiktheid tot opvoeding. De maatschappelijke opvoeding, wanneer
+zij goed bestuurd is, kan altijd uit elke ziel, hoedanig die ook zij,
+de nuttigheid trekken, welke zij bevat.
+
+Dit is, men versta ons wel, enkel gezegd uit het begrensde gezichtspunt
+van het waarneembare aardsche leven, zonder het diepzinnige vraagstuk
+der vroegere of latere persoonlijkheid der wezens, die niet mensch
+zijn, aan te roeren.
+
+Het zichtbare IK machtigt in geenen deele den denker, het verborgen
+IK te loochenen. Na deze opmerking gaan wij verder.
+
+Zoo men ons nu voor een oogenblik toegeeft, dat zich in ieder mensch
+een diersoort der schepping bevindt, zal 't ons gemakkelijk zijn te
+zeggen, wat de politiebeambte Javert was.
+
+De boeren in Asturië zijn in de vaste overtuiging, dat telkens wanneer
+een wolvin werpt er een hond onder haar welpen is, die door de moeder
+wordt gedood, wijl hij anders, wanneer hij grooter werd, de andere
+kleinen zou verscheuren.
+
+Geef een menschelijk gezicht aan dien hond, 't jong eener wolvin,
+en men zal Javert hebben.
+
+Javert was in een gevangenis geboren, van eene kaartlegster, wier man
+in de galeien was. Toen hij grooter werd, dacht hij uit de maatschappij
+te zijn gesloten, en wanhoopte er ooit in terug te keeren. Hij maakte
+de opmerking, dat de maatschappij onverbiddelijk twee klassen van
+menschen uitsloot: hen die haar aanranden en hen die haar bewaken;
+hij had geen andere keuze dan tusschen deze beide klassen; tevens had
+hij een zeker gevoel van strengheid, orde en eerlijkheid, gepaard aan
+een onuitsprekelijken haat tegen dat ras van vagebonden, waartoe hij
+behoorde. Hij ging in dienst der politie, en kwam er vooruit. In zijn
+jeugd was hij in de bagno's van het zuiden geplaatst geweest.
+
+Voor wij verder gaan, willen wij eene andere verklaring geven van
+het menschelijk gezicht, dat wij zoo aanstonds aan Javert toekenden.
+
+Het menschengezicht van Javert bestond uit een stompen neus,
+met twee diepe neusgaten, welke op beide wangen zware bakkebaarden
+aanraakten. 't Was een onbehaaglijke gewaarwording, wanneer men voor
+het eerst deze twee wouden en die twee holen zag. Wanneer Javert
+glimlachte, 't geen zeldzaam en afschuwelijk was, scheidden zich
+zijn dunne lippen, en lieten niet alleen zijn tanden maar ook het
+tandvleesch zien; en om zijn neus ontstond een woeste dikke plooi,
+als op den muil van een wild dier. Met een ernstig gelaat was Javert
+een dog; glimlachend was hij een tijger. Overigens was zijn schedel
+laag, zijn kaken waren breed; zijn haar bedekte het voorhoofd en hing
+op de wenkbrauwen; tusschen de oogen lag voortdurend een rimpel, als
+een onheilspellende ster; zijn blik was somber, zijn mond dichtgenepen
+en vreeselijk, zijn geheel voorkomen gaf woeste zucht om te bevelen
+te kennen.
+
+Deze man was samengesteld uit twee zeer eenvoudige en betrekkelijk
+goede eigenschappen, welke hij echter door ze te overdrijven,
+schier slecht maakte; den eerbied voor het gezag, den haat tegen
+wederstand. In zijn oog waren diefstal, moord, ja alle misdaden,
+slechts verschillende vormen van wederspannigheid. Hij omvatte
+met een soort van blinden en diepen eerbied allen, die eenig ambt
+in den staat bekleedden, van den eersten minister tot den minsten
+veldwachter. Hij zag met diepe verachting en afschuw neer op alles
+wat eenmaal den wettelijken drempel van het kwade had betreden. Hij
+was hierin onverzettelijk, en duldde geen uitzonderingen. Aan den
+eenen kant zeide hij:--de beambte kan zich niet bedriegen; de rechter
+heeft nooit ongelijk.--Aan den anderen kant: Dezen zijn onherstelbaar
+verloren. Er kan niets goeds van komen.--Hij deelde volkomen het
+denkbeeld derzulken, die, in hun overdrijving, aan de menschelijke
+wet de macht toekennen om duivelen te maken, of, zoo men wil, iemand
+voor zoodanig te doen houden, en die aan den benedensten rand der
+maatschappij een Styx plaatsen. Hij was ongevoelig, ernstig, streng;
+een treurig denker; nederig en trotsch als een geestdrijver. Zijn
+blik was als een boor, koud en doordringend. Zijn geheel leven
+was in deze twee woorden besloten: waken en bewaken. Hij had de
+rechte lijn gebracht in het kromste wat ter wereld is; hij hield
+zich zelven overtuigd, van zijn noodzakelijkheid, van de nuttigheid
+van zijn ambt, en was spion gelijk een ander priester is. Wee hem
+die in zijn handen viel! Hij zou zijn vader hebben gevangengenomen,
+zoo die uit het tuchthuis had willen vluchten, en zijn moeder zou
+hij hebben aangeklaagd, zoo zij haar ban verbroken had. En hij zou
+'t gedaan hebben met die inwendige zelfvoldoening, welke de deugd
+geeft. Daarbij leefde hij in ontbering, afzondering, zelfverloochening
+en kuischheid, en gaf zich nooit aan eenige uitspanning over. Hij
+was de onwrikbare plicht, de politie opgevat in denzelfden zin,
+als de Spartanen Sparta opvatteden een onmeedoogende bespieding,
+een ruwe eerlijkheid, een marmeren spion, Brutus in Vidocq.
+
+De geheele persoon van Javert had de uitdrukking van een mensch, die
+bespiedt en zich verbergt. De mystieke school van Joseph de Maistre,
+welke in dien tijd de zoogenaamde ultra-bladen met verheven cosmogonie
+kruidde, zou niet geaarzeld hebben, Javert een symbool te noemen. Men
+zag zijn voorhoofd niet, dat onder zijn hoed verdween; men zag zijn
+oogen niet, die onder zijn wenkbrauwen verscholen waren; men zag
+zijn kin niet, die in zijn das was gedoken; men zag zijn handen niet,
+die in de mouwen teruggetrokken waren; men zag zelfs zijn stok niet,
+dien hij onder zijn jas droeg. Maar kwam de gelegenheid voor, dan zag
+men eensklaps uit deze gedaante, als uit een hinderlaag, een hoekig,
+smal hoofd, een heilloozen blik, een dreigende kin, groote handen en
+een geduchten rotting te voorschijn komen.
+
+In zijn vrije oogenblikken, die zeer zeldzaam waren, las hij, hoewel
+hij de boeken haatte; hij was alzoo niet geheel ongeletterd. Men
+erkende dit aan eenige pedanterie in zijn woorden.
+
+Wij hebben gezegd, dat hij geen enkele ondeugd had. Was hij zeer
+tevreden met zich zelven, dan veroorloofde hij zich een snuifje te
+nemen. Hierdoor bezat hij nog eenige gemeenschap met de menschheid.
+
+Dat Javert de schrik was dier klasse, welke jaarlijks op de staten
+van den minister van justitie onder de rubriek van: "Lieden zonder
+bepaald verblijf" wordt aangeduid, is licht te begrijpen.
+
+Reeds de naam van Javert joeg hen op de vlucht; en Javerts gezicht
+deed hen als verstijven.
+
+Zoodanig was deze vreeselijke man.
+
+Javert was als een oog, dat onophoudelijk op den heer Madeleine was
+gericht. Een oog vol achterdocht en vermoedens. Eindelijk werd de heer
+Madeleine hierop opmerkzaam, doch 't scheen hem onverschillig. Hij
+vroeg zelfs Javert niets, en zocht noch ontweek hem; hij verdroeg,
+zonder dat hij er op scheen te letten, diens hinderlijken en schier
+drukkenden blik. Hij behandelde Javert gelijk iedereen, ongedwongen
+en met goedheid.
+
+Uit eenige woorden, welke Javert ontglipt waren, bleek het, dat hij
+heimelijk, met die nieuwsgierigheid welke dit menschenras eigen is,
+en waarin evenveel instinct als wilskracht ligt, getracht had, al de
+sporen, welke vader Madeleine elders vroeger had kunnen achterlaten,
+te ontdekken. Hij scheen te weten, en zeide vaak bedektelijk,
+dat iemand zekere inlichtingen had verkregen in een zeker gewest
+nopens een zekere verdwenen familie. Eens zeide hij, tot zich zelven
+sprekende:--Ik geloof, dat ik er achter ben!--Toen bleef hij drie
+dagen peinzen, zonder een woord te spreken. Het schijnt dat de draad,
+dien hij meende in handen te hebben, was gebroken.
+
+Overigens--en dit tot noodzakelijke verklaring van den zin, dien
+zekere woorden al te bepaald konden aangeven--in een menschelijk wezen
+kan niets wezenlijk onfeilbaars zijn, en het eigenaardige van het
+instinct is juist, dat het zich vergissen en op een dwaalweg gebracht
+kan worden. Anders zou het instinct het verstand overtreffen, en het
+dier een beter licht hebben dan de mensch.
+
+Javert gevoelde zich blijkbaar een weinig van zijn stuk gebracht door
+de volkomene gerustheid en natuurlijkheid van den heer Madeleine.
+
+Op zekeren dag evenwel scheen zijn zonderlinge handelwijze op den heer
+Madeleine eenigen indruk te maken, en wel bij de volgende gelegenheid.
+
+
+
+
+
+
+ZESDE HOOFDSTUK.
+
+VADER FAUCHELEVENT.
+
+
+Op zekeren ochtend ging mijnheer Madeleine te M. sur M. door
+een kleine, ongeplaveide straat: hij hoorde rumoer en zag op
+eenigen afstand een groep menschen. Hij ging er heen. Een oude man,
+Fauchelevent geheeten, lag onder zijn kar, waarvan het paard gevallen
+was.
+
+Deze Fauchelevent behoorde tot de weinige vijanden, welke de heer
+Madeleine te dien tijde nog had. Toen Madeleine in het oord was
+gekomen, dreef Fauchelevent, een voormalig ambtsschrijver en een
+min of meer geletterde boer, een handel, die achteruit begon te
+gaan. Fauchelevent zag den eenvoudigen werkman rijk worden, terwijl
+hij, een baas, armer en armer werd. Dit had hem met afgunst vervuld,
+en hij deed bij iedere gelegenheid al het mogelijke om Madeleine te
+benadeelen. Toen hij eindelijk bankroet ging en niets meer bezat dan
+een kar en een paard, werd hij op zijn ouden dag, om te kunnen leven,
+voerman. Vrouw of kinderen had hij niet.
+
+Het paard had twee pooten gebroken en kon niet weer opstaan. De oude
+man lag tusschen de wielen en was zoo ongelukkig gevallen, dat de
+gansche kar op zijn borst drukte. De kar was vrij zwaar geladen. De
+oude Fauchelevent jammerde erbarmelijk. Men had gepoogd, hem er onder
+uit te halen, maar vruchteloos. Een onvoorzichtige krachtsinspanning,
+een onhandigheid, een verkeerde beweging kon hem het leven kosten. 't
+Was niet mogelijk hem te bevrijden, dan door het voertuig van onder
+op te heffen. Javert, die op 't oogenblik van 't ongeluk daar ter
+plaatse was, had een windas doen halen.
+
+Toen mijnheer Madeleine naderde, ging men eerbiedig voor hem ter zijde.
+
+"Help!" riep de oude Fauchelevent. "Wie is zoo goed den ouden man
+te helpen?"
+
+De heer Madeleine wendde zich tot de omstanders en vroeg:
+
+"Heeft iemand een windas?"
+
+"Men haalt er een," antwoordde een boer.
+
+"Zal 't lang duren, eer men 't heeft?"
+
+"Men is naar den naasten smid gegaan; maar er zal wel een kwartier
+uurs meê heengaan."
+
+"Een kwartier uurs!" riep Madeleine. Het had den vorigen dag geregend,
+de grond was doorweekt; de kar zonk er ieder oogenblik dieper in en
+drukte zwaarder en zwaarder op den ouden voerman.
+
+'t Was duidelijk, dat binnen vijf minuten zijn ribben zouden gebroken
+zijn.
+
+"'t Is onmogelijk een kwartier uurs te wachten," zei Madeleine tot
+de omstanders.
+
+"Het kan niet anders!"
+
+"Maar dan zal het te laat zijn. Ziet ge niet, dat de kar steeds
+dieper zinkt?"
+
+"Inderdaad!"
+
+"Luistert," hernam Madeleine, "er is nog ruimte genoeg voor een man
+om onder de kar te kruipen en ze met zijn rug op te lichten. In een
+halve minuut zal de arme man er onder uitgehaald zijn. Is er iemand
+die kracht en moed heeft? Er zijn vijf louis d'or te verdienen."
+
+Niemand bewoog zich.
+
+"Tien louis," zei Madeleine.
+
+De omstanders sloegen de oogen neder. Een mompelde er:--Men zou
+wel drommels sterk moeten zijn. En daarbij loopt men gevaar verplet
+te worden.
+
+"Nu! twintig louis d'or?" hernam Madeleine.
+
+Hetzelfde zwijgen.
+
+"'t Ontbreekt hun niet aan goeden wil," zei een stem.
+
+Mijnheer Madeleine keerde zich om en herkende Javert, dien hij nog
+niet gezien had.
+
+Javert vervolgde:
+
+"Maar aan de kracht. Men moet wel een schrikkelijk sterk man zijn,
+om met den rug zulk een kar op te lichten."
+
+Hij staarde den heer Madeleine nu strak aan, en op ieder zijner
+woorden drukkende, zeide hij:
+
+"Ik heb van mijn leven slechts één man gekend, mijnheer Madeleine,
+die in staat was te doen wat gij meent."
+
+Madeleine ontroerde.
+
+Javert voer op onverschilligen toon voort, doch zonder de oogen van
+Madeleine af te wenden:
+
+"'t Was een galeislaaf."
+
+"Zoo!" zei Madeleine.
+
+"In het bagno van Toulon."
+
+Madeleine verbleekte.
+
+Ondertusschen zonk de kar langzaam dieper en dieper. De oude
+Fauchelevent kermde en huilde:
+
+"Ik stik! Mijn ribben breken! Een windas! 't Een of 't ander! Ach!"
+
+Madeleine zag nogmaals om zich en zeide:
+
+"Is er dan niemand die twintig louis d'or wil verdienen en het leven
+van dien armen ouden man redden?"
+
+Geen der aanwezenden bewoog zich. Javert herhaalde:
+
+"Ik heb maar één mensch gekend die een windas kon vervangen. 't Was
+deze galeislaaf."
+
+"Ach! ik word verplet!" schreeuwde de grijsaard.
+
+Madeleine richtte het hoofd op, zag den valkenblik van Javert steeds
+op zich gevestigd, zag de boeren aan, die zich niet verroerden en
+glimlachte treurig. Zonder een woord te spreken, zonk hij toen op
+de knieën en zelfs vóór de omstanders een kreet hadden kunnen uiten,
+was hij onder de kar.
+
+Er ontstond een vreeselijk oogenblik van verwachting en stilte.
+
+Men zag Madeleine schier plat op den buik onder den vreeselijken
+last tweemaal tevergeefs beproeven zijn knieën dichter tot zijn
+ellebogen te brengen. Men riep hem toe:--"Vader Madeleine! kom er
+onder uit."--Zelfs de oude Fauchelevent zeide:--"Ga heen, mijnheer
+Madeleine. Gij ziet wel, dat ik moet sterven. Verlaat mij! Gij zult
+u ook laten verpletten!"--Madeleine antwoordde niet.
+
+De aanwezenden ademden nauwelijks. De wielen waren dieper gezonken en
+'t was reeds bijna onmogelijk voor Madeleine geworden van onder het
+voertuig weg te komen.
+
+Eensklaps zag men het zware gevaarte wiegelen, langzaam verhief zich
+de kar, de wielen kwamen ten halve uit het spoor. Men hoorde een
+gesmoorde stem roepen: "Haast u! helpt!" 't Was Madeleine, die een
+laatste inspanning had gedaan.
+
+Al de omstanders ijlden toe. De zelfopoffering van één mensch had allen
+moed en kracht gegeven. De kar werd door twintig armen opgeheven. De
+oude Fauchelevent was gered.
+
+Madeleine richtte zich op. Hij was bleek, hoewel van zweet
+druipend. Zijn kleeding was gescheurd en met slijk bedekt. Allen
+weenden; de grijsaard omhelsde zijn knieën en noemde hem een engel
+Gods. Op Madeleine's gezicht lag een onbeschrijfelijke uitdrukking van
+een hemelsch zalig lijden; hij hield zijn kalm oog op Javert gevestigd,
+die hem steeds aanschouwde.
+
+
+
+
+
+
+ZEVENDE HOOFDSTUK.
+
+FAUCHELEVENT WORDT TUINIER TE PARIJS.
+
+
+Fauchelevent had door zijn val de knieschijf gebroken. Vader Madeleine
+deed hem naar het gasthuis voeren, 't welk hij in het fabriek-gebouw
+zelf voor zijn werklieden had opgericht, en waarin twee liefdezusters
+als verpleegsters dienst deden. Den volgenden morgen vond de
+grijsaard op zijn nachttafeltje een bankbriefje van duizend francs,
+met deze woorden, door vader Madeleine geschreven: "Ik koop uw kar
+en paard." De kar was gebroken en het paard dood. Fauchelevent genas,
+maar behield een stijf been. Op aanbeveling der liefdezusters en van
+den pastoor bezorgde mijnheer Madeleine den ouden man een betrekking
+als tuinier in een vrouwenklooster in de wijk St. Antoine te Parijs.
+
+Eenigen tijd later werd de heer Madeleine tot maire benoemd. Den
+eersten keer dat Javert den heer Madeleine met de sjerp zag, die
+hem het hoogste gezag over de stad gaf, gevoelde hij een soort van
+rilling, als een hond zou gevoelen, welke in de kleederen van zijn
+meester een wolf riekt. Van dien oogenblik af vermeed hij hem zooveel
+mogelijk. Wanneer zijn dienstplichten het gebiedend vorderden en hij
+er niet buiten kon zich tot mijnheer den maire te begeven, sprak hij
+steeds met den diepsten eerbied tot hem.
+
+De welvaart, die vader Madeleine te M. sur M. had doen ontstaan, had,
+behalve de zichtbare teekenen welke wij reeds hebben aangewezen,
+een ander verschijnsel ten gevolge, dat, hoewel niet zichtbaar,
+daarom niet minder belangrijk was. Het bedriegt nooit. Wanneer het
+volk lijdt, wanneer werk ontbreekt, wanneer er geen handel is, is de
+belastingschuldige wederspannig aan de schatkist uit geldgebrek; hij
+voldoet niet aan de voorgeschrevene belastingtermijnen, en de staat
+verspilt veel geld aan vervolgingskosten en dwangmiddelen. Wanneer het
+werk overvloedig is, wanneer het land rijk en gelukkig is, wordt de
+belasting gereedelijk betaald en de staat heeft weinig kosten. Men kan
+zeggen, dat de vervolgingskosten wegens de belasting een onfeilbare
+thermometer van de armoede of den rijkdom van een land zijn. In
+zeven jaren waren de kosten van vervolging in het arrondissement
+M. sur M. tot een vierde verminderd, 't geen den heer de Villèle,
+toen minister van financiën, dit arrondissement vaak tot voorbeeld
+voor allen deed aanhalen.
+
+Zoodanig was de toestand in het oord, toen Fantine er
+wederkeerde. Niemand herinnerde zich haar meer. Gelukkig was de poort
+der fabriek van den heer Madeleine voor haar als het gezicht van
+een vriend. Zij verzocht werk en werd in de werkplaats der vrouwen
+toegelaten. Deze arbeid was haar geheel vreemd; zij was er dus niet
+terstond vlug mede, zoodat zij slechts een gering dagloon verdiende,
+doch het was toereikend, het vraagstuk was opgelost: zij verdiende
+den kost.
+
+
+
+
+
+
+ACHTSTE HOOFDSTUK.
+
+MEVROUW VICTURNIEN GEEFT DERTIG FRANCS UIT VOOR DE ZEDELIJKHEID.
+
+
+Toen Fantine zag dat zij haar brood verdiende, had zij een oogenblik
+van blijdschap. Welk een gunst des hemels, met eere van zijn arbeid
+te leven! Zij kreeg weder lust tot arbeiden. Zij kocht een spiegel,
+smaakte het genot er haar jeugd, haar fraaie haar en fraaie tanden in
+te aanschouwen, vergat vele dingen, dacht slechts aan Cosette en aan
+de mogelijke toekomst, en was bijna gelukkig. Zij huurde een kamertje
+en kocht eenig huisraad op crediet, om het van haar toekomstig loon te
+betalen;--een overblijfsel van haar eenigszins ongeregelde gewoonten.
+
+Wijl zij niet kon zeggen, dat zij getrouwd was, wachtte zij zich,
+zooals wij reeds aangeduid hebben, van haar dochtertje te spreken.
+
+In den beginne, gelijk gezegd is, betaalde zij prompt de
+Thénardier's. Dewijl zij echter niets dan haar naam kon teekenen,
+was zij verplicht haar brieven door een openbaar schrijver te laten
+schrijven.
+
+Het werd opgemerkt, dat zij dikwerf schreef. In de werkzaal der vrouwen
+fluisterde men elkander toe, dat Fantine brieven schreef en iets aan
+de hand had.
+
+Niemand is begeeriger om de daden van anderen te bespieden, dan
+zij, wien ze niet aangaan.--Waarom komt deze heer altijd met den
+donker? Waarom hangt gene donderdags nooit zijn sleutel aan den
+spijker? Waarom gaat hij altijd door nauwe stegen? Waarom verlaat
+mevrouw immer het huurrijtuig vóór zij aan haar huis is gekomen? Waarom
+laat zij een katern postpapier halen, hoewel zij papier genoeg in huis
+heeft? enz. enz.--Er zijn wezens, die om de oplossing dier raadsels
+te kennen, welke hun volstrekt niet raken, meer geld verspillen, tijd
+verkwisten en moeite doen, dan voor tien goede daden zou noodig zijn;
+en zulks uit vrijen wil, uit vermaak, zonder voor hun nieuwsgierigheid
+iets anders dan nieuwsgierigheid te verkrijgen. Geheele dagen zullen
+zij dezen of genen volgen, uren lang aan den hoek eener straat,
+'s nachts, in koude en regen, op schildwacht staan, boodschappers,
+huurkoetsiers en lakeien dronken maken, kameniers en portiers
+omkoopen. Waarom? Om niets. Eenig en alleen uit begeerte om te zien,
+te hooren en te weten; alleen uit babbelzucht. En vaak heeft de
+ontdekking dezer geheimen, de openbaring dezer verborgenheden, de in
+'t lichtstelling dezer raadsels, ongelukken, tweegevechten, bankroeten,
+den ondergang van geheele gezinnen, met verlies van menschenlevens ten
+gevolge, tot groote zelfvoldoening van hen, die dit hebben "ontdekt,"
+zonder eenig belang en uit louter instinct.
+
+'t Is treurig!
+
+Sommige lieden zijn slecht, eeniglijk door praatzucht. Hun gesprekken,
+hun onderhoud in de salons, hun gebabbel in de antichambre, is als
+een schoorsteen die veel hout verslindt. Zij hebben veel brandstof
+noodig, en die brandstof is de evenmensch.
+
+Men hield alzoo Fantine in 't oog.
+
+Daarbij was menigeen jaloersch op haar blond haar en haar witte tanden.
+
+Men had opgemerkt, dat zij in de werkplaats te midden der andere
+vrouwen, vaak het hoofd omkeerde en een traan uit haar oogen
+wischte. 't Was in die oogenblikken, dat zij aan haar kind dacht;
+wellicht ook aan den man, dien zij bemind had.
+
+'t Is een smartelijke arbeid, zich van een somber verleden los te
+scheuren.
+
+Het werd insgelijks ontdekt, dat zij ten minste tweemaal 's maands,
+en altijd aan hetzelfde adres schreef, en de brieven frankeerde. Men
+slaagde er in, het adres te bekomen: "Mijnheer, den heer Thénardier,
+herbergier te Montfermeil." Men hoorde in de kroeg den openbaren
+schrijver uit, een oud man, die zijn maag niet met rooden wijn kon
+vullen, zonder zijn zak van geheimen te ledigen. Kortom, men vernam
+dat Fantine een kind had. "'t Moest een soort van meisje zijn." Er
+werd een vrouw gevonden, die naar Montfermeil reisde, de Thénardier's
+sprak, en bij haar terugkomst zeide: voor mijn dertig francs weet ik
+alles wat ik weten wilde. Ik heb het kind gezien!
+
+De vrouw, die dit deed, was een oude helleveeg, madame Victurnien
+genaamd, een bewaarster en beschermster der deugd van iedereen. Zij
+was zesenvijftig jaar oud, terwijl haar leelijkheid met de jaren nog
+verdubbeld was. Haar stem was blatend als die van een geit, en haar
+aard als die van een bok. Deze oude vrouw was ook eens jong geweest;
+'t geen men zich haast niet kon verbeelden. In haar jeugd, in 't midden
+van 93, was zij getrouwd met een uit 't klooster weggeloopen monnik,
+die de roode muts had opgezet en van de Bernardijnen tot de Jakobijnen
+was overgegaan. Zij was mager, dor, bits, scherp, stekelig, schier
+venijnig, en dacht steeds aan haar monnik, wiens weduwe zij was, en
+die haar gebreideld en tam gemaakt had. Zij was een brandnetel, wie men
+kon aanzien, dat ze met de monnikskap in schuring was geweest. Tijdens
+de restauratie was zij zoo vroom geworden, dat de priesters haar
+wegens den monnik geabsolveerd hadden. Zij bezat een klein vermogen,
+'t welk zij, zooals zij overal en voortdurend rondbazuinde, aan een
+klooster wilde vermaken.
+
+Bij den bisschop van Arras stond zij goed aangeschreven.
+
+Deze mevrouw Victurnien dan, ging naar Montfermeil en kwam terug met
+het bericht, dat zij het kind gezien had.
+
+Dat alles had tijd gekost; Fantine was reeds langer dan een jaar in
+de fabriek geweest, toen de opzichtster der werkplaats haar op een
+morgen vanwege mijnheer den maire vijftig francs ter hand stelde,
+met de boodschap, dat zij niet meer tot de fabriek behoorde en haar,
+namens den maire, uitnoodigde het oord te verlaten.
+
+'t Was juist in dezelfde maand, dat de Thénardier's, na in plaats
+van zes francs er twaalf te hebben gevraagd, nu vijftien in plaats
+van twaalf francs eischten.
+
+Fantine was als door den bliksem getroffen. Zij kon de stad
+niet verlaten, wijl zij de huur en het bedrag van haar huisraad
+schuldig was. Vijftig francs waren tot de voldoening daarvan
+niet toereikend. Zij stamelde eenige smeekende woorden, maar de
+opzichtster gaf haar te kennen, dat zij onmiddellijk de werkplaats
+moest verlaten. Fantine was overigens slechts eene middelmatige
+arbeidster. Meer nog door schaamte dan door wanhoop ternedergeslagen,
+verliet zij de werkplaats en keerde naar haar kamertje terug. Haar
+misslag was dan nu algemeen bekend!
+
+Zij had de kracht niet meer, een woord te zeggen. Men raadde haar,
+mijnheer den maire zelf te gaan spreken; zij durfde niet. De maire
+had haar vijftig francs gegeven, wijl hij goed was, en zond haar weg,
+wijl hij rechtvaardig was. Zij boog zich voor dat vonnis.
+
+
+
+
+
+
+NEGENDE HOOFDSTUK.
+
+GEVOLGEN DER HANDELING VAN MEVROUW VICTURNIEN.
+
+
+De weduwe van den monnik was dus tot iets goed.
+
+De heer Madeleine wist overigens niets van dit alles. 't Was een
+bijzondere samenloop van gebeurtenissen, als waarvan het leven vol
+is. De heer Madeleine bezocht schier nooit de werkplaats der vrouwen.
+
+Hij had tot opzichtster dezer werkplaats een bejaarde dochter
+aangesteld, welke hem door den pastoor was aanbevolen, en wie hij
+zijn gansche vertrouwen schonk; zij was inderdaad een achtenswaardige,
+kloeke, rechtvaardige, eerlijke vrouw, vol van die menschlievendheid,
+welke in het geven bestaat; maar zij bezat niet in denzelfden graad
+die liefdadigheid, welke medegevoelt en vergeeft. Mijnheer Madeleine
+verliet zich geheel en al op haar. De beste menschen zijn vaak
+gedwongen, hun gezag op anderen over te dragen. 't Was in haar vol
+gezag en in de overtuiging dat zij wèl handelde, dat de opzichtster
+het proces aangevangen, Fantine geoordeeld, gevonnist, en het vonnis
+voltrokken had.
+
+De vijftig francs, welke zij gegeven had, waren van een somme gelds
+genomen, die de heer Madeleine aan haar had toevertrouwd tot het geven
+van aalmoezen en het verleenen van hulp en onderstand aan de werksters,
+en van welke som zij geen rekenschap behoefde te doen.
+
+Fantine ging op het land van huis tot huis, om zich als dienstbode
+aan te bieden. Niemand wilde haar echter hebben. Zij had de stad
+niet kunnen verlaten. De uitdrager aan wien zij haar meubels nog
+schuldig was,--en welke meubels, helaas!--had haar gezegd: Zoo gij
+weggaat, laat ik u als dievegge en oplichtster gevangen zetten. De
+huiseigenaar, wien zij huur schuldig was, had haar gezegd: gij zijt
+jong en schoon, gij kunt wel betalen. Zij deelde de vijftig francs
+tusschen den uitdrager en den huiseigenaar, gaf den eerste het drie
+vierde van zijn meubels terug, behield slechts het noodzakelijke,
+en bevond zich nu zonder werk, zonder verdienste, met niets dan haar
+bed en nog ongeveer honderd francs schuld.
+
+Zij vond nu werk door 't naaien van grove hemden voor de soldaten
+van het garnizoen, en won daarmede twaalf sous daags. Haar dochtertje
+kostte haar tien sous. 't Was in dezen tijd, dat zij de Thénardier's
+minder geregeld begon te betalen.
+
+Een oude vrouw, die 's avonds, wanneer zij te huis kwam, haar kaars
+aanstak, leerde haar de kunst om in armoede te leven. Na het "van
+weinig te leven," volgt het, "van niets te leven." 't Zijn twee kamers,
+de eerste is donker, de tweede is pikzwart.
+
+Fantine leerde, hoe men 's winters geheel en al zonder vuur kan;
+hoe men een vogel wegdoet, die in twee dagen een cent koolzaad kost;
+hoe men een onderrok als deken en een deken als onderrok gebruikt; hoe
+men een kaars bespaart door des avonds zijn maaltijd bij het licht van
+het venster der overzijde te nuttigen. Men weet niet, hoeveel sommige
+zwakke wezens, die in ontbering en eerlijkheid oud zijn geworden, al
+van een stuiver doen kunnen. Ten laatste wordt dit een talent. Fantine
+verkreeg dat verheven talent, en schepte weder een weinig moed.
+
+Omtrent dezen tijd zeide zij tot een buurvrouw:
+
+"O, ik zeg tot mij zelf: zoo ik slechts vijf uren slaap en den geheelen
+overigen tijd aan mijn naaiwerk besteed, zal ik altijd wel zoo wat mijn
+brood verdienen. En daarbij, als men treurig is, eet men weinig. Welnu,
+lijden, zorg, een weinig brood eenerzijds en verdriet anderzijds,
+dit alles zal mij wel verzadigen."
+
+'t Zou voor haar een onuitsprekelijk geluk zijn geweest, zoo zij
+in dezen nood haar dochtertje bij zich had gehad. Zij dacht er wel
+aan, het te laten komen. Maar hoe! zou zij het kind in haar armoede
+doen deelen! bovendien was zij Thénardier geld schuldig. Hoe hem te
+voldoen? en de reis! hoe die te betalen?
+
+De oude vrouw, welke haar, om zoo te zeggen, onderwijs in de armoede
+had gegeven, was een brave, ongehuwde vrouw, Marguerite genaamd,
+wezenlijk deugdzaam en godsdienstig, arm, en liefderijk voor de armen,
+ja zelfs voor de rijken; zij kon niet meer dan haar naam Margeritte
+schrijven, en geloofde aan God, 't geen de ware wetenschap is.
+
+Er zijn vele dergelijke deugdzamen in de laagste rangen der
+maatschappij; eenmaal zullen zij in de hoogste zijn. Dit leven heeft
+een volgenden dag.
+
+In de eerste dagen was Fantine zoo beschaamd geweest, dat zij niet
+had durven uitgaan.
+
+Op de straat was 't haar, alsof men zich naar haar omkeerde en haar
+met den vinger nawees; iedereen gluurde haar aan, maar niemand groette
+haar; de koele, bittere verachting der voorbijgangers ging haar door
+lijf en ziel als een scherpe noordenwind.
+
+In kleine steden verschijnt een ongelukkige naakt en bloot onder
+de spotzucht en nieuwsgierigheid van iedereen. In groote steden, te
+Parijs ten minste, kent de een den ander niet, en deze onbekendheid
+is een soort van bekleedsel. Ach, hoe gaarne zou zij naar Parijs zijn
+gegaan; maar 't was onmogelijk.
+
+Zij moest zich nu even goed aan de verachting gewennen, als zij zich
+aan de armoede had gewend. Allengs vermande zij zich. Na verloop van
+een paar maanden schudde zij de schaamte af, en ging uit als wist
+zij van niets. 't Is mij onverschillig, zeide zij.
+
+Zij kwam en ging met opgeheven hoofd, een bitteren glimlach om de
+lippen, en gevoelde dat zij onbeschaamd werd.
+
+Madame Victurnien zag haar soms haar venster voorbijgaan, en merkte den
+nood op van "dat wezen," 't welk zij "weder op haar plaats gebracht
+had", en wenschte er zich geluk mede. De slechte menschen hebben een
+vreeselijk geluk.
+
+De overmatige arbeid putte Fantine uit, en de droge kuch, welke zij
+reeds had, nam toe. Dikwijls zeide zij tot haar buurvrouw Margaretha:
+"Voel eens hoe heet mijn handen zijn!"
+
+Des morgens echter, wanneer zij met een ouden gebroken kam haar
+fraai haar, dat als vlokkige zijde golfde, in orde streek, had zij
+een oogenblik van gelukkige coquetterie.
+
+
+
+
+
+
+TIENDE HOOFDSTUK.
+
+VERDERE GEVOLGEN.
+
+
+Zij was tegen 't einde van den winter uit de fabriek ontslagen;
+de zomer ging voorbij, maar de winter kwam terug. Korte dagen,
+minder werk. Des winters, geen warmte, geen licht, geen namiddag,
+de avond grenst aan den morgen, mist, schemering, het venster is dof,
+het geeft geen helder licht. De lucht komt als door een kelderluik. De
+geheele dag is een kelder. De zon gelijkt een bedelares. Een akelig
+jaargetijde! De winter verandert het water des hemels en het hart
+des menschen in steen. Fantine's schuldeischers kwelden haar. Zij
+verdiende te weinig. Haar schulden waren toegenomen. De Thénardier's,
+die slecht betaald werden, schreven haar elk oogenblik brieven,
+wier inhoud haar deed vertwijfelen en wier port haar ruïneerde.
+
+Eenmaal schreven zij haar, dat haar kleine Cosette in deze koude schier
+geheel naakt was, dat zij een wollen onderrokje noodig had en de moeder
+hiervoor ten minste tien francs moest zenden. Zij ontving den brief,
+en frommelde hem den ganschen dag in de handen. Des avonds ging zij
+naar een kapper, die aan den hoek der straat woonde, en nam den kam uit
+heur haar. De prachtige blonde lokken vielen haar nu tot op de heupen.
+
+"Welk fraai haar!" riep de kapper.
+
+"Hoeveel wilt ge er mij voor geven?" vroeg zij.
+
+"Tien francs."
+
+"Snijd dan maar af."
+
+Zij kocht een gebreid onderrokje en zond het aan de Thénardier's.
+
+Dat onderrokje maakte de Thénardier's verwoed. Zij wilden geld
+hebben. Het rokje gaven zij aan Eponine. De arme leeuwerik moest
+bibberen als vroeger.
+
+Fantine dacht: Mijn kind lijdt geen koude meer. Ik heb het van mijn
+haar gekleed.--Zij zette een mutsje op, dat haar geschoren kruin
+bedekte, en waarmede zij nog schoon was.
+
+In Fantine's hart woelde echter een somber gevoel.
+
+Toen zij zag, dat zij zich niet meer kon kappen, begon zij alles
+wat haar omgaf te haten. Lang had zij de achting, welke allen vader
+Madeleine toedroegen, gedeeld: doch, daar zij gedurig tot zich zelve
+zeide, dat hij haar had weggezonden en dat hij de oorzaak van haar
+ongeluk was, begon zij ook hem, bovenal hem, te haten. Wanneer zij de
+fabriek voorbijging, in de uren dat de werklieden aan de deur stonden,
+deed zij moeite om te glimlachen en te zingen.
+
+Een oude werkster, die haar eens op deze wijze zag lachen en zingen,
+zeide: "Met dit meisje zal 't nog eens slecht afloopen."
+
+Zij nam een minnaar, den eersten den besten, een man dien zij niet
+beminde, uit trotseering en met de woede in het hart. 't Was een
+ellendeling, een soort van straatmuzikant, een lediglooper, die haar
+sloeg, en haar verliet zooals zij hem genomen had, met afkeer.
+
+Zij aanbad haar kind.
+
+Hoe dieper zij zonk, hoe somberder alles om haar werd, zooveel
+te schitterender werd de kleine engel in haar hart. Zij zeide bij
+zich zelve:
+
+"Wanneer ik rijk ben, zal ik mijn Cosette bij mij hebben;" en zij
+glimlachte. De hoest verliet haar niet meer en teekenen van toenemende
+zwakte openbaarden zich.
+
+Op zekeren dag ontving zij van Thénardier een brief van den volgenden
+inhoud: "Cosette ligt aan een hier heerschende ziekte; men noemt
+ze de gierstkoorts. Zij vereischt dure drankjes en geneesmiddelen,
+en wij hebben geen geld om ze te betalen. Zoo ge ons nu binnen acht
+dagen geen veertig francs zendt, is het meisje dood."
+
+Zij begon luide te lachen, en zeide tot haar oude buurvrouw: "Die
+menschen zijn wel heel vriendelijk! Veertig francs! niet meer! dat zijn
+twee gouden Napoleons? Hoe meenen zij dat ik daar aan zal komen? Die
+boeren zijn toch dom?"
+
+Zij ging echter naar een vallicht bij de trap en herlas den brief.
+
+Toen ging zij de trap af, en springende en lachende liep zij naar
+buiten.
+
+Iemand die haar ontmoette vroeg: wat hebt ge, dat ge zoo vroolijk zijt?
+
+Zij antwoordde: "Menschen van buiten hebben mij een aardige domheid
+geschreven. Zij vragen mij veertig francs! Die domme boeren!"
+
+Toen zij het marktplein overging, zag zij een menigte menschen om een
+rijtuig van zonderlingen vorm staan, op 't welk een man in 't rood
+gekleed, stond te schreeuwen en te oreeren. 't Was een rondreizende
+tandendokter en kiezentrekker, die aan het publiek geheele gebitten,
+tandpoeders en tincturen te koop bood.
+
+Fantine mengde zich in den groep en lachte evenals de anderen om deze
+toespraak, die beurtelings tot het gemeen en tot het meer fatsoenlijk
+publiek gericht was. De tandentrekker zag het schoone lachende meisje,
+en riep haar eensklaps toe:--Ge hebt fraaie tanden, lieve meid, die
+daar lacht. Zoo ge mij uw voortanden wilt verkoopen, geef ik u voor
+ieder een gouden Napoleon.
+
+"Welke meent gij?" vroeg Fantine.
+
+"De beide boven-voortanden," antwoordde de kiezentrekker.
+
+"Wel foei!" riep Fantine.
+
+"Twee gouden Napoleons," mompelde een oude vrouw zonder tanden. "Die
+meid is waarlijk gelukkig."
+
+Fantine liep heen en stopte haar ooren, om de schorre stem van den man
+niet te hooren, die haar nariep:--"Bedenk u, lief kind! twee gouden
+Napoleons. Men kan ze gebruiken. Zoo ge lust hebt, kom van avond in
+de herberg "Het zilveren schip", waar ge mij vinden kunt."
+
+Fantine kwam geheel verstoord te huis en verhaalde de zaak aan de
+goede buurvrouw Margaretha:--"Kunt ge zoo iets begrijpen? Is 't
+niet een afschuwelijke kerel? Hoe kan men zulke lieden door het land
+laten trekken! Mijn twee voortanden te willen uittrekken! ik zou er
+verschrikkelijk uitzien! het haar groeit weder aan, maar de tanden! O,
+die gedrochtelijke kerel! ik zou liever uit de vijfde verdieping op
+de straat springen! Hij zeide mij, dat hij van avond in "Het zilveren
+schip" zou zijn.
+
+"En wat bood hij u?" vroeg Margaretha.
+
+"Twee gouden Napoleons."
+
+"Dat is veertig francs."
+
+"Ja," zei Fantine, "veertig francs."
+
+Zij begon na te denken, en zette zich aan haar werk.
+
+Na een kwartieruurs stond zij op en ging naar de trap om Thénardier's
+brief nog eens over te lezen.
+
+Toen zij weder terugkwam, zeide zij tot Margaretha, die naast haar
+werkte:
+
+"Wat is dat toch--de gierstkoorts? Weet gij 't?"
+
+"Ja," antwoordde de oude vrouw, "'t is een ziekte."
+
+"En zijn er veel artsenijen voor noodig?"
+
+"O, schrikkelijk veel."
+
+"Welke soort van ziekte is 't?"
+
+"Een kinderziekte."
+
+"Sterft men er aan?"
+
+"Zeer licht," zei Margaretha.
+
+Fantine verwijderde zich en ging nogmaals naar de trap om den brief
+te lezen.
+
+Des avonds ging zij uit en men zag, dat zij haar schreden naar de
+Parijsche straat richtte, waar de meeste herbergen zijn.
+
+Den volgenden morgen, toen Margaretha, vóór het licht was, Fantine's
+kamer binnentrad, want zij werkten te zamen om slechts één kaars
+voor haar beiden noodig te hebben, vond zij Fantine bleek en koud
+op haar bed zitten. Zij had zich niet te slapen gelegd. Haar muts
+lag op haar schoot. De kaars had den geheelen nacht gebrand en was
+schier geheel verteerd.
+
+Margaretha bleef op den drempel staan, als versteend door 't gezicht
+dezer wanorde en riep:
+
+Mijn hemel! de kaars is bijna geheel verbrand! wat is er toch gebeurd!
+
+Toen zag zij Fantine aan, die haar kaal hoofd naar haar zijde keerde.
+
+Fantine scheen sedert den vorigen avond tien jaren ouder.
+
+"Mijn God!" riep Margaretha; "wat scheelt u, Fantine?"
+
+"Mij scheelt niets," antwoordde Fantine. "Integendeel, mijn kind zal
+nu niet aan die vreeselijke ziekte sterven, wegens gebrek aan hulp. Ik
+ben tevreden!"
+
+Dit zeggende toonde zij aan de oude vrouw twee gouden Napoleons,
+die op de tafel lagen.
+
+"Wel verbaasd!" zei Margaretha. "'t Is voorwaar een schat? van waar
+hebt ge dit goud?"
+
+"Ik heb het ontvangen," antwoordde Fantine.
+
+Zij glimlachte terzelfder tijd. De kaars bescheen haar gelaat. 't
+Was een afgrijselijke glimlach. Een bloedachtig speeksel bevlekte de
+hoeken harer lippen, en in haar mond had zij een donkere opening.
+
+De voortanden waren er uitgetrokken.
+
+Zij zond de veertig francs naar Montfermeil. 't Was overigens slechts
+een list van de Thénardier's geweest om geld te krijgen. Cosette was
+niet ziek.
+
+Fantine wierp haar spiegel uit het venster. Sedert lang had zij haar
+kamertje op de tweede verdieping verlaten voor een dakkamertje, dat
+slechts met een klink sloot, een dier hokken, wier zoldering schuins
+tegen den grond afloopt en waar gij telkens uw hoofd stoot. De arme
+kan evenmin tot het eind van zijn kamertje als van zijn lot komen,
+of hij moet zich hoe langer hoe meer krommen. Zij had geen bed meer,
+maar nog iets dat zij een deken noemde, een stroomatras op den vloer en
+een gebroken stoel. Een rozeboompje, dat zij had, stond verdord in een
+hoek, 't was vergeten. In een anderen hoek stond een boterpot, waarin
+water was, dat 's winters bevroor, en telkens ijsranden achterliet. Zij
+had de schaamte verloren, zij verloor nu ook haar behaagzucht. Het
+laatste noodlottig verschijnsel! Zij ging uit met een vuile muts op het
+hoofd. Het zij uit tijdgebrek of uit onverschilligheid, herstelde zij
+haar linnen niet meer. Zoo de hielen harer kousen versleten waren, trok
+zij ze onder den voet verder in den schoen. Men zag dit aan de plooien;
+zij lapte haar kleedje met oude stukken katoen, die bij de minste
+beweging scheurden. De lieden, wien zij geld schuldig was, maakten haar
+"standjes" en lieten haar geen rust. Zij ontmoette ze op de straat,
+zij vond ze weder op haar trap. De nachten bracht zij weenend en in
+sombere gedachten door. Haar oogen schitterden buitengewoon en zij
+voelde voortdurend pijn aan het linker schouderblad. Zij moest veel
+hoesten. Zij haatte vader Madeleine diep, maar zij klaagde niet. Zij
+naaide zeventien uren daags; maar de aannemer van den arbeid in de
+gevangenissen, die de gevangen vrouwen tot zeer lagen prijs liet
+werken, verminderde eensklaps het loon, zoodat de vrije naaisters nu
+niet meer dan negen sous daags verdienden. Zeventien uren arbeid daags
+voor negen sous! Haar schuldeischers waren onmeedoogender dan ooit. De
+uitdrager, die schier al het huisraad had teruggenomen, vroeg haar
+onophoudelijk: "wanneer zult ge mij betalen, afzetster?" Goede God! wat
+wilde men van haar? Zij werd van alle zijden vervolgd en geplaagd,
+en in haar natuur ontwikkelde zich iets van een wild dier. Terzelfder
+tijd schreef Thénardier haar, dat hij nu gewis lang genoeg geduld met
+haar had gehad, en hij dadelijk honderd francs moest hebben, terwijl
+hij anders de kleine Cosette op de straat zou zetten, niettegenstaande
+zij pas van haar zware ziekte hersteld was, in weerwil der koude,
+onverschillig wat van haar worden mocht; dat zij, voor hun part,
+kon sterven.--
+
+Honderd francs! dacht Fantine. Maar hoe is het mogelijk honderd sous
+daags te verdienen?
+
+"Welaan," zeide zij, "verkoopen wij het overige."
+
+De ongelukkige werd publieke vrouw.
+
+
+
+
+
+
+ELFDE HOOFDSTUK.
+
+CHRISTUS HEEFT ONS VRIJGEMAAKT.
+
+
+Wat beteekent deze geschiedenis van Fantine? 't Is de maatschappij,
+die een slavin koopt.
+
+Van wien? Van de armoede, van den honger, van de koude, van de
+verlatenheid, van de hulpeloosheid, van het gebrek. Een rampzalige
+handel. Een ziel voor een stuk brood. De nood biedt aan, de
+maatschappij koopt.
+
+De heilige wet van Christus beheerscht onze beschaving; maar zij
+doordringt ze nog niet. Men zegt, dat de slavernij uit de Europeesche
+beschaving is verdwenen. Dit is zoo niet. Zij bestaat nog altijd;
+maar zij drukt slechts op de vrouw, en heet prostitutie.
+
+Zij drukt op de vrouw, dat wil zeggen op de bevalligheid, op de
+zwakheid, op de schoonheid, op het moederschap. Gewis, een diepe
+schande voor den man!
+
+Op het punt, waar wij met dit smartelijk drama zijn gekomen, is Fantine
+niets meer overgebleven van 't geen zij vroeger was. Door zich tot
+slijk te verlagen is zij tot marmer versteend: wie haar aanraakt,
+huivert. Zij verschijnt u, duldt u, maar zij kent u niet. Zij is een
+stugge, maar onteerde gestalte. Het leven en de maatschappelijke orde
+hebben het laatste woord over haar uitgesproken. Alles is met haar
+gebeurd, wat met haar gebeuren kon. Zij heeft alles gevoeld, alles
+verdragen, alles ondervonden, alles geleden, alles verloren, alles
+beweend. Zij is onderworpen met die berusting, welke onverschilligheid
+gelijkt, evenals de slaap den dood gelijkt. Zij ontziet niets meer. Zij
+vreest niets meer. De hemel moge op haar neerstorten, de oceaan haar
+verzwelgen. Wat is er haar aan gelegen. Zij is een volgezogen spons.
+
+Zij gelooft het althans. Maar 't is een dwaling, zich te verbeelden,
+dat men het lot uitputten en den bodem van wat het ook zij, bereiken
+kan.
+
+Helaas! Wat zijn al deze, aldus dooreengemengde
+levensbestemmingen? waarheen gaan zij? waarom zijn zij zoo?
+
+Hij, die dit weet, peilt met zijn blik de diepste duisternis.--Hij,
+de eenige is--God!
+
+
+
+
+
+
+TWAALFDE HOOFDSTUK.
+
+HOE MIJNHEER BAMATABOIS ZICH VERMAAKT.
+
+
+In alle kleine steden, en bijzonderlijk te M. sur M. was dit het
+geval, bestaat een klasse van jongelieden, welke een inkomen
+van vijftienhonderd francs 's jaars met dezelfde verwaandheid
+en aanmatiging verteren, als huns gelijken te Parijs en andere
+hoofdsteden tweehonderdduizend francs doorbrengen. 't Zijn wezens
+van 't talrijke soort der onzijdigen; halfslachtigen, woekerplanten,
+nietige wezens, die een stukje gronds bezitten, een weinig dwaasheid
+en een weinig verstand hebben, in een salon lomperds zouden zijn, en
+zich in de herberg edellieden wanen; die zeggen: mijn weiden, mijn
+bosschen, mijn boeren, die de actrices uitfluiten om te toonen dat
+zij smaak hebben, met de officieren van het garnizoen twist zoeken,
+om hun moed te toonen, die jagen, rooken, geeuwen, drinken, naar den
+tabaksrook rieken, op 't biljart spelen; de reizigers opnemen, die uit
+de diligences stappen, in 't koffiehuis leven, in 't logement eten,
+die een hond hebben, welke zij de beenderen onder de tafel toewerpen,
+een maîtresse hebben die hen opschept, op een stuiver dood blijven,
+de modes overdrijven, met het treurspel dwepen, de vrouwen verachten,
+hun laarzen schoon afdragen, die Londen te Parijs en Parijs te
+Pont-à-Mousson naäpen, die met de jaren onverdragelijker worden,
+niet arbeiden, tot niets dienen en evenmin veel schade doen.
+
+Zoo mijnheer Felix Tholomyès in zijn provincie gebleven ware en Parijs
+nooit gezien had, zou hij een dier mannen geworden zijn.
+
+Waren zij rijker, men zou hen voorname lieden noemen; waren zij armer,
+men zou ze nietsdoeners heeten. Zij zijn eenvoudig leegloopers. En
+onder deze leegloopers, zijn vervelenden, verveelden, droomers en
+eenige grappenmakers.
+
+In dien tijd bestond een fat uit een hoogen boord, een breede das, een
+horloge met sleutel en cachetten, een dubbel vest, van verschillende
+kleur, het blauwe en roode onder, uit een olijfkleurigen rok met kort
+lijf en zwaluwstaart, met een dubbele rij zilveren knoopen dicht op
+elkander, die tot den schouder reikten, en een lichter olijfkleurige
+broek, op beide naden met een onbepaald, maar altijd oneven getal
+strepen, welk getal van een tot elf afwisselde, doch deze grens
+niet overschreed. Voeg daarbij halve laarzen met hoefijzers, een
+hoogen hoed met zeer smallen rand, het haar in een kuif, een dikken
+wandelstok, en gesprekken gekruid met kwinkslagen van Potier. Bij dat
+alles sporen en knevels. In dien tijd duidden snorbaarden burgers aan,
+en sporen voetgangers.
+
+De pronker in de provincie droeg langer sporen en wreeder snorren.
+
+'t Was in den tijd van den oorlog der republikeinen van Zuid-Amerika
+tegen den koning van Spanje, van Bolivar tegen Morillo. De hoeden met
+smallen rand waren koningsgezind en heetten Morillo's; de liberalen
+droegen hoeden met breeden rand, die Bolivar's heetten.
+
+Acht of tien maanden nu na 't geen op de vorige bladzijden verhaald
+is, in de eerste dagen van Januari 1823, op een avond dat het
+gesneeuwd had, vond een dier fatten, een dier leegloopers, een
+"goedgezinde",--want hij droeg een Morillo, bovendien was hij in een
+dier groote ruime mantels gewikkeld, welke bij koud weer de kleeding
+naar de mode was,--er genoegen in, een schepsel te kwellen, dat in
+wijd uitgesneden balkleeding, met bloemen op het hoofd, voor het
+officierskoffiehuis zwierf. Deze fat rookte, want dit was toen de mode.
+
+Telkens wanneer deze vrouw hem voorbijging, blies hij haar een
+rookwolk zijner sigaar in 't gezicht, en wierp haar eenige woorden
+toe, welke hij voor geestig en aardig hield, bij voorbeeld: Foei,
+wat zijt gij leelijk!--Ga je verbergen!--Gij hebt immers geen
+tanden meer! enz. enz.--Deze mijnheer heette Bamatabois. De vrouw,
+een treurige, opgeschikte schim, die heen en weer in de sneeuw ging,
+antwoordde hem niet, sloeg zelfs geen blik op hem, maar zette niettemin
+stil en met sombere volharding haar wandeling voort, die haar om de
+vijf minuten onder hoon en bespotting bracht, gelijk een soldaat,
+die door de spitsroeden heen en weder loopt. De weinige uitwerking,
+welke hij te weeg bracht, verdroot waarschijnlijk den straatslijper;
+hij maakte nu van de gelegenheid gebruik dat de vrouw zich omkeerde,
+sloop haar achterna, bukte, nam een handvol sneeuw van de straat en
+stak haar die, met een onderdrukt gelach, snel tusschen de bloote
+schouders in haar kleed. Het arme meisje slaakte een gil, draaide zich
+om, sprong als een panter op den man toe, drukte hem haar nagels in
+'t gezicht en braakte daarbij de schrikkelijkste woorden, die ooit
+van een hoofdwacht in een straatgoot zijn gevallen. Deze scheldnamen,
+gebraakt door een van brandewijn schorre stem, waren afschuwelijk
+en kwamen uit een mond, waarin werkelijk de twee boven-voortanden
+ontbraken. 't Was Fantine.
+
+Op het hierdoor ontstaan rumoer verlieten de officieren ijlings
+het koffiehuis, de voorbijgangers bleven staan; er vormde zich een
+groote kring, die lachte, hitste en juichte om die twee worstelende
+menschen, waarin men met moeite een man en een vrouw kon herkennen,
+een man zich verwerende, wiens hoed op den grond was gevallen, en
+een vrouw met handen en voeten slaande en schoppende, blootshoofds,
+brullende, zonder tanden of haar, paars van woede, afgrijselijk.
+
+Eensklaps trad een man van hooge gestalte uit het gedrang, greep de
+vrouw bij haar satijnen keurs, dat met slijk bemorst was, en zeide
+barsch: Volg mij!
+
+De vrouw hief het hoofd op; plotseling versmoorde haar woedende
+stem. Haar oogen schenen verglaasd, van paars werd zij doodsbleek,
+en zij beefde van schrik. Zij had Javert herkend.
+
+Het heertje had van deze gelegenheid gebruik gemaakt om zich uit de
+voeten te maken.
+
+
+
+
+
+
+DERTIENDE HOOFDSTUK.
+
+OPLOSSING VAN EENIGE STEDELIJKE POLITIE-KWESTIËN.
+
+
+Javert duwde de omstanders ter zijde, drong door den kring en
+ging met snelle schreden naar het politiebureau aan 't andere
+einde van het marktplein, en sleepte de rampzalige mede. Zij volgde
+werktuiglijk. Geen van beiden zeide een woord. De zwerm toeschouwers,
+uitgelaten van vroolijkheid, volgde en stiet allerlei schimpredenen
+uit. De diepste ellende, aanleiding tot de vuilste taal!
+
+Aan het politiebureau gekomen--een laag vertrek, verwarmd door
+een kachel en door een wacht bewaakt, met een glazen getraliede
+voordeur--opende Javert de deur, trad met Fantine binnen en sloot de
+deur weder achter zich, tot groote teleurstelling der nieuwsgierigen,
+die op de teenen gingen staan en den hals uitstrekten voor het doffe
+glas, om, zoo mogelijk, iets te kunnen zien. De nieuwsgierigheid is
+even hongerig als de gulzigheid.
+
+Toen Fantine binnenkwam zonk zij in een hoek, bewegingloos en stom,
+ineengedoken als een angstige hond.
+
+De sergeant der wacht zette een brandende kaars op de tafel. Javert
+ging zitten, haalde een gezegeld blad papier uit zijn zak en schreef.
+
+Deze soort van vrouwen zijn door onze wetten geheel aan de willekeur
+der politie overgeleverd. Zij handelt er mede zooals zij wil, straft
+ze naar goedvinden, en berooft haar van die twee treurige zaken, welke
+zij haar handwerk en haar vrijheid noemen. Javert was gevoelloos, zijn
+ernstig gelaat vertoonde niet de minste aandoening. Evenwel was hij
+ernstig en in diepe gedachten verzonken. 't Was een dier oogenblikken,
+dat hij zonder controle, maar met al de nauwgezetheid van een streng
+geweten, zijn schrikkelijke, willekeurige macht uitoefende. Hij
+gevoelde in dit oogenblik, dat zijn politie-inspecteursbankje een
+rechtbank was. Hij oordeelde--hij oordeelde en vonniste. Hij riep
+alle denkbeelden, die in zijn geest aanwezig waren, te zamen voor
+de groote zaak, waarmede hij zich bezighield. Hoe meer hij de daad
+van het meisje overwoog, te meer voelde hij zich verontwaardigd. 't
+Was zeker, dat hij een misdaad had zien begaan. Ginds op de straat,
+had hij de maatschappij, vertegenwoordigd door een grondbezitter en
+kiezer, zien hoonen en aanranden door een schepsel, dat buiten alle
+wet is. Een publieke vrouw had een burger mishandeld. Hij, Javert,
+had het gezien. Zwijgend schreef hij.
+
+Toen hij hiermee gedaan had, teekende hij, vouwde het papier dicht
+en zeide tot den sergeant der wacht, terwijl hij 't hem overhandigde:
+
+"Neem drie man en breng dit meisje naar de gevangenis."--Daarna wendde
+hij zich tot Fantine, zeggende:--"Gij hebt zes maanden." De rampzalige
+beefde van ontroering.
+
+"Zes maanden! zes maanden gevangenis!" riep zij uit. "Zes maanden om
+zeven sous daags te verdienen! Maar wat zal van Cosette worden! van
+mijn kind, mijn kind! Maar ik ben nog over de honderd francs aan
+Thénardier schuldig, mijnheer de inspecteur; weet ge dat?"
+
+Zij sleepte zich, de handen wringend en op de knieën kruipend over
+den steenen vloer, die door het slijk bemorst was, dat vele voeten
+er hadden achtergelaten.
+
+"Mijnheer Javert," jammerde zij, "ik bid u om genade; ik verzeker
+u, dat ik geen schuld had. Zoo gij bij 't begin tegenwoordig waart
+geweest, zoudt gij 't gezien hebben; ik zweer u bij den goeden God,
+dat ik geen schuld had. 't Kwam door dien heer, dien ik niet ken,
+die mij sneeuw in den rug heeft gestoken. Heeft men het recht,
+wanneer wij rustig voorbijgaan, zonder iemand leed te doen, ons
+sneeuw in den rug te steken? Ik wist niet, wat mij gebeurde. En,
+weet ge, ik ben een weinig ziekelijk; daarbij had hij mij reeds een
+geruime poos getergd. Hij riep mij toe: Ge zijt leelijk! gij hebt
+geen tanden.--Ik weet wel, dat ik mijn tanden niet meer heb. Ik
+stoorde er mij niet aan, maar dacht: dit is een mijnheer, die zich
+vermaakt. Ik was fatsoenlijk jegens hem en zei niets. Onverhoeds
+stak hij mij nu sneeuw in den rug. Mijnheer Javert, goede mijnheer de
+inspecteur! is er niemand hier, die 't gezien heeft, om u te zeggen,
+dat het inderdaad zoo is? Ik heb misschien ongelijk gehad mij boos te
+maken. Maar gij weet, men is in het eerste oogenblik zich niet altijd
+meester. Men wordt driftig. En daarbij, als men u geheel onverwacht zoo
+iets kouds in den rug steekt! Ik had ongelijk dien heer den hoed van
+'t hoofd te slaan. Waarom is hij heengegaan? Ik zou hem verschooning
+hebben gevraagd. Ach, God, waarom zou ik hem geen verschooning willen
+vragen? Heb voor deze keer genade met mij, mijnheer Javert. Zie,
+ge weet het niet, in de gevangenis kan men slechts zeven sous daags
+verdienen: 't is niet de schuld der regeering, maar men verdient niet
+meer, en verbeeldt u, dat ik honderd francs moet betalen, of dat men
+mij anders mijn kind terugzendt. Ach, God, ik kan 't niet bij mij
+hebben. 't Is zoo leelijk wat ik doe. Ach, Cosette, mijn engeltje,
+wat zal van haar worden; arm schaap? Ik zal u zeggen, deze Thénardier's
+zijn boeren, herbergiers, die hebben niet de minste toegevendheid. Zij
+willen volstrekt geld hebben. Zet mij niet in de gevangenis. Weet
+ge, mijnheer Javert, zij zouden de kleine op de straat zetten, in 't
+hartje van den winter, haar aan haar lot overlaten ... men moet met
+zulke omstandigheden toch medelijden hebben, mijnheer Javert. Was het
+meisje grooter, dan zou het den kost kunnen verdienen, maar op haar
+leeftijd kan dat niet. Ik ben in mijn hart geen slechte vrouw. 't Is
+geen luiheid of onmatigheid, die van mij gemaakt hebben wat ik ben. Ik
+heb brandewijn gedronken, maar alleen uit ellende. Ik houd er niet
+van, maar men wordt er bedwelmd door en vergeet zijn toestand. Toen
+ik gelukkiger was, behoefde men maar in mijn kleerkast te zien om
+te weten dat ik geen behaagzuchtige, onordelijke vrouw was. Ik had
+linnen, veel linnen. Heb medelijden met mij, mijnheer Javert!"
+
+Zoo sprak zij, geheel verslagen, gebroken, geschokt door haar snikken,
+blind door haar tranen, met blooten hals, handenwringend, hoestend
+en kuchend en als een stervende met doffe stem sprekende.
+
+Diepe smart is een goddelijke, vreeselijke straal, die de rampzaligen
+herschept. Op dit oogenblik was Fantine weder schoon geworden. Van
+tijd tot tijd hield zij op en kuste eerbiedig de jas van den
+politiedienaar. Zij zou een steenen hart vermurwd hebben; maar een
+houten hart verteedert men niet.
+
+"Genoeg!" zei Javert, "ik heb u gehoord. Hebt ge nu alles gezegd? Nu
+voort! Ge hebt zes maanden! Onze Lieve Heer zelf zou er niets aan
+kunnen doen."
+
+Door deze plechtige woorden "Onze Lieve Heer zelf zou er niets aan
+kunnen doen," begreep zij, dat het vonnis onherroepelijk was. Zij
+zonk ineen en stamelde:
+
+"Genade!"
+
+Javert keerde haar den rug toe.
+
+De soldaten vatten haar bij den arm.
+
+Sinds eenige minuten was een man binnengekomen, zonder dat men op
+hem gelet had. Hij had de deur weer dicht gedaan, was er tegen gaan
+staan en had Fantine's wanhopige beden gehoord.
+
+Op het oogenblik toen de soldaten de hand aan de ongelukkige sloegen,
+die niet wilde opstaan, trad hij een schrede uit de schaduw en zeide:
+
+"Een oogenblik, als 't u belieft."
+
+Javert sloeg de oogen op en herkende mijnheer Madeleine. Hij nam zijn
+hoed af, groette eenigszins wrevelig en links, zeggende:
+
+"Vergeving, mijnheer de maire..."
+
+Dit woord: "mijnheer de maire" maakte op Fantine een zonderlingen
+indruk. Zij richtte zich eensklaps overeind, als een spook dat uit
+den grond rijst, stiet met beide armen de soldaten van zich, ging
+recht op mijnheer Madeleine toe, voordat men haar kon tegenhouden,
+staarde hem strak aan, en riep als waanzinnig:
+
+"Ha, zijt gij mijnheer de maire?"
+
+Toen lachte zij luide en spoog hem in 't gezicht.
+
+Mijnheer Madeleine veegde 't gezicht af en zeide:
+
+"Inspecteur Javert, stel deze vrouw in vrijheid."
+
+'t Was Javert, alsof hij op 't punt was het verstand te verliezen. Op
+dit oogenblik gevoelde hij, slag op slag, en schier met elkaar
+vermengd, de geweldigste schokken van aandoening, die hem in al
+zijn leven getroffen hadden. Een publieke vrouw een maire in 't
+gezicht spuwen, dat was iets zoo ongehoords, dat hij, zelfs bij
+het vreeselijkste dat hij zich kon voorstellen, het heiligschennis
+zou geacht hebben, te gelooven dat zoo iets mogelijk was. Van een
+anderen kant schoot hem ijlings een vluchtige gedachte door 't hoofd
+van eenig verband, dat tusschen dit meisje en dezen maire bestaan kon,
+en hij zag nu met afgrijzen zeker iets natuurlijks in deze ontzettende
+beleediging. Maar toen hij dezen maire, dezen overheidspersoon zich
+bedaard het gezicht zag afvegen en hem hoorde zeggen: stel deze vrouw
+in vrijheid, werd hij van verbazing als verbijsterd; hij kon evenmin
+gedachten als woorden vinden; de hoogste graad van verwondering was
+bij hem overtroffen. Hij verstomde.
+
+Dat woord had een niet minder vreemde uitwerking op Fantine
+voortgebracht. Zij hief haar blooten arm op en greep zich aan den
+sleutel der kachel, als iemand die duizelt. Evenwel schouwde zij
+rondom zich en begon op zachten toon te spreken, alsof zij in zich
+zelve sprak.
+
+"Vrij! men wil mij vrij laten; ik zal geen zes maanden in de gevangenis
+zitten? Wie heeft dat gezegd? 't Is niet mogelijk, dat men dit gezegd
+heeft. Ik heb verkeerd verstaan. 't Kan dat monster van een maire
+niet zijn! Zijt gij 't, goede mijnheer Javert, die gezegd hebt mij in
+vrijheid te stellen! O, weet ge, ik zal u iets zeggen en gij zult mij
+laten gaan! Dit monster van een maire, deze oude schoft, is van alles
+de oorzaak. Verbeeld u, mijnheer Javert, hij heeft mij weggejaagd! ten
+gevalle van een hoop babbelaarsters, die in de werkplaats allerlei
+praatjes hielden. Is 't niet een gruwel? Een arm meisje weg te zenden
+dat ijverig haar werk doet! Toen verdiende ik niet genoeg meer, en al
+mijn ongeluk is er uit ontstaan. Er is echter een verbetering, welke
+de heeren van de politie moesten invoeren, namelijk: de ondernemers
+van den arbeid in de gevangenissen te beletten, dat zij arme lieden
+benadeelden. Begrijpt ge; ik zal 't u anders uitleggen. Eerst verdient
+men twaalf sous met de hemden; maar vervolgens slaat het af tot negen
+sous; en daarvan kan men niet leven. Men moet dus worden wat men
+kan. Ik, die daarbij mijn kleine Cosette had, ik was wel genoodzaakt
+een slechte vrouw te worden. Nu zult ge begrijpen, dat deze gemeene
+maire al het kwaad veroorzaakt heeft! Toen heb ik den hoed van dien
+heer voor het officierkoffiehuis op den grond getreden. Maar hij had
+mijn geheele kleed met sneeuw bedorven. Meisjes als ik hebben slechts
+één zijden kleed voor 's avonds. Hoor, mijnheer Javert, ik heb nooit
+opzettelijk kwaad gedaan, waarlijk niet; en ik zie overal veel slechter
+vrouwen dan ik, die veel gelukkiger zijn. Gij, mijnheer Javert, hebt
+gezegd dat men mij moest laten gaan, niet waar? Doe onderzoek naar mij,
+spreek mijn huisheer, ik betaal prompt mijn huur, men zal u zeggen
+dat ik niet slecht ben. Ach, mijn God, vergeving, ik heb, zonder er
+op te letten, den sleutel van de kachel gegrepen, en nu rookt het."
+
+Mijnheer Madeleine luisterde met de grootste aandacht naar
+haar. Terwijl zij sprak, had hij in zijn zak getast, er zijn beurs
+uitgehaald en ze geopend. Zij was ledig. Hij stak ze dus weder in
+den zak. Hij zeide tot Fantine:
+
+"Hoeveel zeidet ge, dat ge schuldig waart?"
+
+Fantine, die alleen Javert had aangezien, wendde zich tot den maire
+zeggende:
+
+"Spreek ik met u?"
+
+En zich daarop tot de soldaten richtende, sprak zij:
+
+"Hebt gij gezien, dat ik hem in 't gezicht heb gespuwd. O! oude schurk
+van een maire. Ge komt hier om mij vrees aan te jagen, maar ik ben niet
+bang voor u. Ik vrees alleen mijnheer Javert! den goeden heer Javert!"
+
+Dit zeggende wendde zij zich weder tot den inspecteur.
+
+"Weet ge, mijnheer de inspecteur, men moet rechtvaardig zijn. Ik
+begrijp dat gij rechtvaardig zijt, mijnheer de inspecteur. 't
+Beteekende overigens wel niets, dat een man zich vermaakte met
+een weinig sneeuw in den rug van een vrouw te steken; het deed de
+officieren lachen, en men mag zich gewis wel met iets vermaken: vrouwen
+als ik zijn er immers voor om zich mede te vermaken, niet waar? Toen
+kwaamt gij, en gij zijt natuurlijk wel verplicht de orde te handhaven,
+gij naamt de vrouw mede, die ongelijk had ... maar wijl ge goed zijt
+en hebt nagedacht, zegt ge, dat men mij in vrijheid stelle; zeker uit
+hoofde van mijn kleine, want zes maanden gevangenis zou mij beletten
+mijn kind te onderhouden. Maar pas op, dat 't niet weêr gebeure, zegt
+ge. O 't zal niet weder gebeuren, mijnheer Javert! men moge mij nu
+doen wat men wil, ik zal mij niet meer verroeren. Maar heden, weet ge,
+heb ik geschreeuwd, omdat men mij kwaad deed; ik was volstrekt niet
+verdacht op de sneeuw van dien heer; en daarbij, ik heb 't u reeds
+gezegd, ik ben niet heel sterk, ik hoest, in mijn maag is iets dat
+als een kool vuur brandt, en de dokter heeft gezegd, dat ik mij in
+acht moest nemen. Zie, voel, geef uw hand, wees niet bang, 't is hier."
+
+Zij weende niet meer, haar stem was vleiend, en op haar blanken
+teederen hals legde zij de breede ruwe hand van Javert, en zag hem
+glimlachend aan.
+
+Eensklaps bracht zij haastig haar kleeding weder in orde, streek de
+plooien van haar kleedje naar beneden, dat door het slepen over den
+grond bijna tot aan de knie was opgeschort, en ging naar de deur,
+met een vriendelijken hoofdknik en halfluid tot de soldaten zeggende:
+
+"Vrienden, mijnheer de inspecteur heeft gezegd, dat men mij zou vrij
+laten, en nu wilde ik gaan."
+
+Zij legde de hand aan de klink. Nog een schrede en zij was op de
+straat.
+
+Javert had tot dit oogenblik bewegingloos en met nedergeslagen oogen
+bij dit tooneel gestaan, als een standbeeld, dat van zijn plaats
+geraakt is en wacht, dat men het weder recht zet.
+
+Het gerucht der klink wekte hem. Hij hief het hoofd op met een
+uitdrukking van onbeperkt gezag; een uitdrukking welke te geduchter
+is, naarmate het gezag lager zonk, wreed bij het wilde dier, gruwzaam
+bij den gemeenen mensch.
+
+"Sergeant!" riep hij, "ziet ge niet dat de deern weggaat? wie heeft
+u gezegd haar te laten gaan?"
+
+"Ik," zei Madeleine.
+
+Toen Fantine Javert's stem hoorde had zij gebeefd en de klink
+losgelaten, evenals een gevatte dief het gestolen voorwerp los
+laat. Toen zij Madeleine's stem hoorde, draaide zij zich om en van
+nu af sloeg zij haar blik, zonder dat zij een woord sprak, zonder
+zelfs vrij uit te durven ademen, beurtelings van Madeleine op Javert
+en van Javert op Madeleine, al naar deze of gene sprak.
+
+'t Was duidelijk, dat Javert, zooals men zegt, geheel uit de lijken
+moest geslagen zijn, om zich te veroorloven tot den sergeant
+te spreken gelijk hij gedaan had, na het bevel van den maire om
+Fantine in vrijheid te stellen. Was hij zoo ver buiten zich zelven
+dat hij de tegenwoordigheid van mijnheer den maire kon vergeten? Had
+hij eindelijk zich zelven overreed, dat zulk een bevel onmogelijk
+door een overheidspersoon kon gegeven zijn, en mijnheer de maire
+zich ontwijfelbaar versproken had? Of dacht hij, dat, tegenover de
+ongehoorde omstandigheden, waarvan hij sedert twee uren getuige was,
+hij tot een uiterst middel moest overgaan, en het noodzakelijk was,
+dat de kleine zich groot maakte, dat de politiebediende zich in een
+overheidspersoon herschiep, dat hij zich tot rechter opwierp, en
+dat bij dit ontzettend uiterste de orde, de wet, de zedelijkheid,
+het gouvernement, de geheele maatschappij zich in hem, Javert,
+verpersoonlijkte.
+
+Hoe het zij, toen mijnheer Madeleine het woord ik had gezegd dat
+men gehoord heeft, zag men den politie-inspecteur bleek, koud, met
+blauwe lippen, met wanhopigen blik, het geheele lichaam door een
+inwendige siddering aangedaan, zich tot mijnheer den maire wenden
+en met nedergeslagen oog, maar vaste stem, de schier ongeloofelijke
+woorden tot hem zeggen:
+
+"Mijnheer de maire, dat kan niet."
+
+"Waarom niet?" vroeg mijnheer Madeleine.
+
+"De ongelukkige heeft een burger beleedigd."
+
+"Inspecteur Javert," hernam de heer Madeleine op bevredigenden,
+kalmen toon, "luister. Gij zijt een braaf man en ik maak dus geen
+bedenking mij jegens u te verklaren. Ziehier hoe de zaak is. Ik ging
+over het marktplein, toen gij de vrouw medevoerdet; er stonden nog
+groepen menschen bijeen, ik deed dus onderzoek en vernam alles: de
+burger had ongelijk en de politie had dezen dus eigenlijk behooren
+te arresteeren."
+
+Javert hernam:
+
+"Deze ellendige heeft mijnheer den maire beleedigd."
+
+"Dit gaat mij alleen aan," zei Madeleine. "Deze beleediging was tegen
+mij, en ik geloof dat ik daaromtrent handelen kan naar ik verkies."
+
+"Vergeef mij, mijnheer de maire. De beleediging gold niet alleen u,
+maar ook de justitie."
+
+"Inspecteur Javert," hernam mijnheer Madeleine, "de hoogste justitie
+is het geweten. Ik heb deze vrouw gehoord. Ik weet wat ik doe."
+
+"En ik, mijnheer de maire, weet niet wat ik zie."
+
+"Vergenoeg u dus met te gehoorzamen."
+
+"Ik gehoorzaam aan mijn plicht. Mijn plicht wil, dat deze vrouw zes
+maanden gevangen zitte."
+
+De heer Madeleine antwoordde op zachten toon:
+
+"Versta wel, wat ik zeg: Zij zal geen dag zitten."
+
+Bij deze beslissende woorden waagde Javert het, den maire strak in de
+oogen te zien, en zeide, maar op een nog altijd diep eerbiedigen toon:
+
+"'t Doet mij ten hoogste leed, mij tegen mijnheer den maire te
+moeten verzetten; 't is de eerste keer van mijn leven, maar hij
+veroorlove mij hem te doen opmerken, dat ik mij binnen de grenzen
+mijner bevoegdheid houd. Ik zal mij, wijl mijnheer de maire dit wil,
+bij het feit van den burger bepalen. Ik was er bij. Deze vrouw heeft
+mijnheer Bamatabois aangevallen, die kiezer is en eigenaar van het
+fraaie hardsteenen huis, van drie verdiepingen hoog met een balkon,
+aan den hoek der esplanade. Gewis, er gebeuren zonderlinge dingen
+in de wereld! Hoe het zij, mijnheer de maire, 't is een zaak van
+straat-politie, die mij aangaat, en ik behoud vrouw Fantine."
+
+Nu sloeg mijnheer Madeleine de armen over elkander, en zeide op een
+strengen toon, zooals nog niemand in de stad van hem gehoord had:
+
+"Het feit waarvan ge spreekt, is een zaak van de stedelijke
+politie. Krachtens de artt. 9, 11, 15 en 66 van het wetboek van
+crimineele rechtsvordering, ben ik de rechter daarover. Ik beveel,
+dat deze vrouw in vrijheid worde gesteld."
+
+Javert wilde nog een laatste poging beproeven.
+
+"Maar, mijnheer de maire..."
+
+"Ik herinner u aan artikel 81 der wet van 13 December 1799, over de
+willekeurige inhechtenisneming."
+
+"Vergun mij, mijnheer de maire..."
+
+"Geen woord meer."
+
+"Maar..."
+
+"Ga," zei mijnheer Madeleine.
+
+Javert ontving den stoot staande, van voren, midden in de borst als een
+Russisch soldaat. Hij boog diep voor mijnheer den maire en ging heen.
+
+Fantine trad ter zijde van de deur en zag hem verstomd aan, toen hij
+haar voorbijging.
+
+Maar ook zij was aan een zonderlinge ontroering ter prooi. Zij
+had, om zoo te spreken, zich door twee tegengestelde machten zien
+betwisten. Zij had voor haar oogen twee mannen zien strijden, die in
+hun handen haar vrijheid, haar leven, haar ziel, haar kind hadden;
+een dier mannen trok haar in de duisternis, de ander bracht haar in
+het licht terug. In dezen strijd, door het vergrootglas van den angst
+aanschouwd, waren deze twee mannen haar als twee reuzen voorgekomen;
+de een sprak als haar booze geest, de ander als haar goede engel. De
+engel had den boozen geest overwonnen, en, wat haar van het hoofd
+tot de voeten deed sidderen, deze goede engel, deze bevrijder was
+juist de man dien zij verfoeide, de maire, dien zij zoolang als
+den bewerker van al haar rampen had beschouwd! dien Madeleine! en op
+denzelfden oogenblik, dat zij hem op schandelijke wijze beleedigd had,
+redde hij haar. Had zij zich dus bedrogen? Moest zij haar geheele
+ziel omkeeren? Zij wist het niet; zij beefde. Zij luisterde ontzet,
+aanschouwde verbaasd; bij elk woord, dat mijnheer Madeleine sprak,
+voelde zij de vreeselijke duisternis van den haat in zich verbleeken
+en optrekken, en in haar hart iets verwarmends, iets onbeschrijfelijks
+ontstaan, dat blijdschap, vertrouwen en liefde was.
+
+Toen Javert vertrokken was wendde mijnheer Madeleine zich tot haar,
+zeide langzaam, als iemand die bedaard wil zijn en moeite heeft zijn
+tranen te bedwingen:
+
+"Ik heb alles gehoord. Ik wist niets van 't geen gij gezegd hebt. Ik
+geloof dat het waar is, en ik gevoel dat het zoo is. Ik wist zelfs
+niet eens, dat ge mijn fabriek verlaten hadt. Waarom hebt ge u niet
+tot mij gewend? Maar luister: Ik zal uw schulden betalen, ik zal uw
+kind hier doen komen, of gij kunt er heen gaan. Gij kunt hier wonen,
+of te Parijs, waar gij wilt. Ik belast mij met u en uw kind. Zoo
+gij wilt, behoeft ge niet meer te werken. Ik geef u zooveel geld
+als gij noodig hebt. Ge zult weder deugdzaam worden, zoodra ge weder
+gelukkig zijt. En zelfs, hoor, ik verklaar het u op dit oogenblik:
+indien alles is zooals gij zegt, waaraan ik niet twijfel, hebt gij
+nimmer opgehouden voor God deugdzaam en goed te zijn. Arme vrouw!"
+
+Dit was meer dan de arme Fantine kon verdragen. Cosette bij zich te
+hebben, dit schandelijke leven te verlaten! vrij, rijk, gelukkig en
+eerlijk met Cosette te leven! te midden harer ellende eensklaps deze
+zegeningen des Hemels voor zich te zien verwezenlijkt! Als wezenloos
+staarde zij den man aan, die tot haar sprak, zij kon slechts snikkend
+driemaal ach! ach! ach! slaken. Haar knieën knikten, zij zonk aan
+de voeten van mijnheer Madeleine, en, vóór hij het beletten kon,
+greep zij zijn hand en drukte er haar lippen op.
+
+Toen viel zij in onmacht.
+
+
+
+
+
+
+
+BOEK VI.
+
+JAVERT.
+
+
+EERSTE HOOFDSTUK.
+
+BEGIN DER RUST.
+
+
+Madeleine deed Fantine naar de ziekenzaal voeren, welke hij in zijn
+eigen huis had, en gaf haar over aan de zorg der liefdezusters, die
+haar te bed legden. Een heete koorts greep haar aan. Een gedeelte
+van den nacht bracht zij ijlend en luid sprekend door. Eindelijk viel
+zij echter in slaap.
+
+Tegen den middag van den volgenden dag ontwaakte Fantine. Dicht
+bij haar bed hoorde zij ademen; zij schoof de bedgordijn open en
+zag dat de heer Madeleine naast haar stond en iets boven haar hoofd
+aanschouwde. Zijn blik was vol medelijden en angst, en biddend. Zij
+volgde de richting zijner oogen en zag die op een aan den muur hangend
+kruisbeeld geslagen.
+
+Van nu aan was mijnheer Madeleine in Fantine's oogen geheel
+veranderd. Hij kwam haar voor als in licht gehuld. Hij was blijkbaar
+in 't gebed verdiept. Lang aanschouwde zij hem, zonder hem te durven
+storen. Eindelijk vroeg zij aarzelend:
+
+"Wat doet ge?"
+
+Mijnheer Madeleine stond reeds een uur op deze plek. Hij wachtte
+Fantine's ontwaken. Nu nam hij haar hand, voelde haar den pols,
+en antwoordde:
+
+"Hoe gaat het?"
+
+"Goed," zeide zij, "ik heb geslapen, en geloof dat het betert,
+'t Zal spoedig over zijn."
+
+Hij hernam, op haar eerste vraag, alsof hij niets anders verstaan had:
+
+"Ik bad tot den lijder daarboven."
+
+En zacht in zich zelven voegde hij er bij: "Voor de lijderes
+hierbeneden."
+
+Madeleine had een gedeelte van den nacht en den morgen doorgebracht
+met onderzoek te doen.
+
+Nu wist hij alles. Hij kende nu de geschiedenis van Fantine in al
+haar smartelijke bijzonderheden. Hij ging voort:
+
+"Gij hebt veel geleden, arme moeder. Maar beklaag u niet, gij
+behoort thans tot de uitverkorenen. 't Is op deze wijze, dat menschen
+engelen worden. 't Is hun schuld niet, zij kunnen niet anders. Want
+zie, de hel, die gij nu verlaten hebt, is de eerste gedaante des
+hemels. Daarmede moest ge beginnen."
+
+Hij zuchtte diep. Zij lachte hem echter toe met dien verheven glimlach,
+waaraan twee tanden ontbraken.
+
+Dienzelfden nacht had Javert een brief geschreven. Hij bracht dien
+brief des morgens in persoon op het postkantoor te M. sur M. Hij was
+geadresseerd aan: "mijnheer Chabouillet, secretaris van mijnheer den
+prefect van Politie te Parijs." Wijl het gebeurde in het politiebureau
+ruchtbaar was geworden, meenden de directeur van het postkantoor en
+eenige personen, die den brief, vóór hij verzonden werd, gezien en
+op het adres Javerts schrift herkend hadden, dat hij er zijn ontslag
+in verzocht.
+
+De heer Madeleine haastte zich aan Thénardier te schrijven. Fantine
+was hem honderd twintig francs schuldig. Hij zond hem driehonderd
+francs, er bijvoegende, dat zij zich daarvan konden betalen, maar
+ten spoedigste het kind te M. sur M. moesten bezorgen, waar de zieke
+moeder het terug eischte.
+
+Dit verraste Thénardier.--Verduiveld! zeide hij tot zijn vrouw, wij
+moeten het kind niet afgeven. 't Schijnt dat de kleine een melkkoe
+zal worden. Ik begrijp het. Een of andere oude gek zal op de moeder
+verliefd zijn geworden.
+
+Hij beantwoordde den brief met een zeer nauwkeurige rekening van
+vijfhonderd en eenige francs. Op deze rekening kwamen, tot een
+bedrag van meer dan driehonderd francs, twee onbetwistbare posten
+voor, de een van een dokter, de andere van een apotheker, die in twee
+langdurige ziekten Eponine en Azelma hadden behandeld en geneesmiddelen
+geleverd. Cosette was, gelijk gezegd is, niet ziek geweest. 't Was
+slechts een kleine verwisseling van naam. Thénardier schreef onder
+de rekening: "Op rekening ontvangen driehonderd francs."
+
+De heer Madeleine zond dadelijk opnieuw driehonderd francs en schreef:
+Haast u Cosette te zenden.
+
+"Verduiveld!" zei Thénardier; "wij zullen het kind niet laten gaan."
+
+Intusschen beterde Fantine niet. Zij was altijd in de ziekenzaal.
+
+De zusters hadden in den beginne "dit vrouwspersoon" slechts met
+weerzin ontvangen en verpleegd. Wie de bas-reliefs te Reims heeft
+gezien, herinnert zich de opgetrokken onderlip der wijze maagden, die
+de dwaze maagden aanschouwen. Deze aloude verachting der vestalinnen
+voor de gevallen vrouwen is een diep instinct der vrouwelijke
+waardigheid. De liefdezusters hadden deze verachting gevoed, met
+de versterking, welke de godsdienst er aan geeft. Maar in weinige
+dagen had Fantine haar ontwapend. Zij gebruikte allerlei deemoedige
+en zachte woorden, en de moeder in haar verteederde aller hart. Op
+zekeren dag hoorden de liefdezusters haar in de koorts zeggen:--ik was
+een zondares, maar zoodra ik mijn kind weder heb, zal dit te kennen
+geven dat God mij vergeven heeft. Op mijn slechten weg had ik Cosette
+niet bij mij willen hebben; ik had haar verwonderde en treurige blikken
+niet kunnen verdragen. 't Was evenwel om harentwille, dat ik zondigde,
+en daarom zal de goede God mij vergeven. Ik zal Gods zegen voelen,
+zoodra Cosette hier is. Ik zal haar zien; en 't zal mij goed doen,
+het gezicht van het onschuldige kind. Zij weet van niets. 't Is een
+engel, weet ge, zusters! In dien leeftijd zijn de vleugels nog niet
+uitgevallen."
+
+De heer Madeleine bezocht haar tweemaal daags en telkens vroeg zij hem:
+
+"Zal ik spoedig mijn Cosette zien?"
+
+Hij antwoordde dan:
+
+"Misschien morgenochtend. Zij kan elk oogenblik komen, ik verwacht
+haar."
+
+En 't bleeke gezicht der moeder schitterde van blijdschap.
+
+"Ach!" zeide zij, "hoe gelukkig zal ik zijn."
+
+Wij hebben gezegd, dat zij niet beterde. Integendeel, haar toestand
+scheen van week tot week te verergeren. De sneeuw, die haar tusschen de
+schouderbladen op den rug was gelegd, had eene plotselinge belemmering
+der uitwaseming veroorzaakt, waardoor de ziekte, welke sinds jaren in
+haar kiemde, tot snelle ontwikkeling was gekomen. Men begon destijds
+bij de studie en de behandeling der borstziekten de voortreffelijke
+aanwijzingen van Laënnec te volgen. De geneesheer onderzocht de borst
+van Fantine en schudde het hoofd.
+
+"Wat zegt gij?" vroeg de heer Madeleine aan den dokter.
+
+"Heeft zij niet een kind dat zij wenscht te zien?" vroeg de dokter.
+
+"Ja."
+
+"Laat het dan spoedig komen."
+
+De heer Madeleine ontroerde.
+
+Fantine vroeg hem:
+
+"Wat zegt de dokter?"
+
+De heer Madeleine poogde te glimlachen.
+
+"Hij zegt, dat men uw kind spoedig moet doen komen. Dit zal u weer
+beter maken."
+
+"Ja..." zeide zij, "hij heeft gelijk. Maar om welke reden behouden
+de Thénardier's Cosette zoo lang! O, zij zal komen. Eindelijk zal ik
+het geluk heel nabij mij hebben."
+
+Intusschen liet Thénardier het kind niet los, en had daarvoor allerlei
+voorwendsels aan de hand: Cosette was nog een weinig ongesteld en kon
+alzoo des winters niet op reis gaan. Vervolgens waren er nog eenige
+kleine schulden te betalen, waarvan hij de rekeningen wachtte enz. enz.
+
+"Ik zal iemand zenden om Cosette te halen," zei vader Madeleine. "Zoo
+'t noodig is, zal ik zelf gaan."
+
+Hij schreef den volgenden brief, welken Fantine hem in de pen gaf en
+dien hij haar deed onderteekenen:
+
+
+ "Mijnheer Thénardier,
+
+
+ "Geef Cosette aan brengster dezes mede.
+
+ "Men zal al de kleine schulden betalen.
+
+ "Ik heb de eer u met achting te groeten.
+
+
+ "Fantine."
+
+
+Middelerwijl had er iets gewichtigs plaats. Hoe wij ook pogen het
+geheimzinnig marmerblok, waaruit ons leven is gemaakt, naar onzen
+wensch te beitelen, de zwarte ader van het noodlot komt er gestadig
+weder op te voorschijn.
+
+
+
+
+
+
+TWEEDE HOOFDSTUK.
+
+HOE UIT EEN NAAM EEN ANDERE KAN ONTSTAAN.
+
+
+Op zekeren morgen was mijnheer Madeleine in zijn kantoor bezig met
+het in orde brengen van eenige spoedeischende zaken der mairie,
+voor 't geval hij tot de reis naar Montfermeil mocht besluiten,
+toen men hem kwam verwittigen dat de inspecteur van politie Javert
+hem wenschte te spreken. Op 't hooren van dien naam kon de heer
+Madeleine een onaangenaam gevoel niet bedwingen. Sedert het gebeurde
+in het politiebureau had Javert hem meer dan ooit vermeden en de heer
+Madeleine had hem niet weder gezien.
+
+"Laat hem binnenkomen," zeide hij.
+
+Javert trad binnen.
+
+De heer Madeleine was bij den haard blijven zitten met een pen in
+de hand, papieren doorbladerende, waarop hij aanteekeningen maakte,
+en die processen-verbaal wegens politie-overtredingen bevatten. Hij
+liet zich door Javert niet storen. Onwillekeurig dacht hij aan de
+arme Fantine, en hij wilde daarom koel zijn.
+
+Javert groette eerbiedig mijnheer den maire, die hem den rug keerde. De
+maire zag hem niet aan, maar ging met zijn aanteekeningen voort.
+
+Javert deed drie of vier schreden in de kamer en bleef staan zonder
+te spreken.
+
+Een gelaatkundige, die Javerts karakter gekend en sinds langen tijd
+dezen wilde in dienst der beschaving, dit zonderling mengsel van
+den Romein, den Spartaan, den monnik en den korporaal, dezen tot een
+logen onbekwamen spion, dezen vlekkeloozen politieagent bestudeerd
+had; een gelaatkundige, die met zijn heimelijken en ouden afkeer van
+mijnheer Madeleine en zijn twist met den maire nopens Fantine bekend
+was geweest, en Javert op dit oogenblik had gadegeslagen, zou zich
+afgevraagd hebben: wat is er gebeurd? 't Was duidelijk voor ieder die
+zijn scherp, helder, oprecht, eerlijk, streng en wreed gemoed kende,
+dat in Javert iets gewichtigs gebeurd was. Al wat in zijn ziel omging,
+vertoonde zich op zijn gelaat. Gelijk alle driftige lieden was hij aan
+plotselinge afwisselingen onderworpen. Nooit had zijn gelaat zulk een
+zonderlinge en onverwachte uitdrukking vertoond. Toen hij binnenkwam,
+had hij zich voor mijnheer Madeleine gebogen met een blik, waarin
+noch wraak, noch toorn, noch wantrouwen lag, en was eenige schreden
+achter den stoel van den maire blijven staan; hij stond daar in schier
+onderdanige houding, met de naïeve en ruwe kalmte van iemand die nooit
+zacht, maar altijd geduldig is geweest; zonder een woord te spreken,
+bewegingloos, met ware deemoedigheid en rustige onderwerping wachtte
+hij tot het mijnheer den maire behaagde zich om te keeren, bedaard,
+ernstig, met den hoed in de hand en met neergeslagen oogen, welker
+uitdrukking het midden hield tusschen die van den soldaat tegenover
+zijn officier en van den misdadiger tegenover zijn rechter. Alle
+gewaarwordingen zoowel als herinneringen, die men in hem had kunnen
+vermoeden, waren verdwenen. Op dit ondoordringbaar en strak gezicht
+als van graniet lag niets dan een sombere treurigheid. Zijn geheele
+persoon ademde gedruktheid en standvastigheid, en een soort van
+moedige neerslachtigheid.
+
+Eindelijk legde de maire zijn pen neder en keerde zich ten halve om.
+
+"Nu, wat is er? wat hebt ge, Javert?"
+
+Javert bleef een oogenblik, als overdenkend, zwijgen; toen verhief
+hij zijn stem met een soort van sombere plechtigheid, die echter
+zonder gezwollenheid was.
+
+"Er is een schuldige daad gepleegd, mijnheer de maire."
+
+"Welke daad?"
+
+"Een ondergeschikt dienaar van 't gezag heeft op erge wijze den eerbied
+aan een overheidspersoon gekrenkt. Ik kom, zoo als mijn plicht is,
+dit te uwer kennis brengen."
+
+"Wie is die dienaar?" vroeg mijnheer Madeleine.
+
+"Ik," zei Javert.
+
+"Gij?"
+
+"Ik."
+
+"En wie is de overheidspersoon, die zich over u te beklagen heeft?"
+
+"Gij, mijnheer de maire."
+
+De heer Madeleine stond van zijn stoel op. Javert voer met ernstige
+stem en steeds de oogen nedergeslagen voort:
+
+"Mijnheer de maire, ik kom u verzoeken, mijn ontslag bij de regeering
+aan te vragen."
+
+De heer Madeleine was ten hoogste verbaasd, en opende den mond om te
+spreken. Maar Javert kwam hem voor, zeggende:
+
+"Ge zult zeggen, dat ik mijn ontslag had kunnen indienen, maar dat
+is niet genoeg. Zijn ontslag indienen, is eervol. Maar ik heb misdaan
+en moet gestraft worden. Ik moet worden afgezet."
+
+En na eenig zwijgen voegde hij er bij:
+
+"Mijnheer de maire, ge waart voor eenige dagen streng jegens mij--toen
+onrechtvaardig. Wees dus heden rechtvaardig."
+
+"Hoe! Waarom?" riep Madeleine. "Wat beteekenen deze woorden? Wat
+bedoelt ge? Welke schuldige daad hebt ge jegens mij bedreven? Wat
+hebt ge mij misdaan? Welke grieven hebt ge tegen mij? Gij beschuldigt
+u zelven; gij wilt ontslagen worden..."
+
+"Afgezet," zei Javert.
+
+"Afgezet, 't zij zoo. 't Is goed; maar ik begrijp de reden niet."
+
+"Ge zult ze begrijpen, mijnheer de maire."
+
+Javert loosde een diepen zucht en hernam, altijd koel en treurig:
+
+"Mijnheer de maire, zes weken geleden was ik woedend, ten gevolge
+van het gebeurde met dat meisje, en ik heb u toen aangeklaagd."
+
+"Aangeklaagd?"
+
+"Aan de prefectuur van politie te Parijs."
+
+Madeleine, die even zelden lachte als Javert, lachte nu en zeide:
+
+"Dat ik als maire inbreuk op de politie heb gemaakt?"
+
+"Neen, dat ge een gewezen tuchteling waart."
+
+De maire werd doodsbleek.
+
+Javert, die zijn oogen niet had opgeslagen, vervolgde:
+
+"Ik meende dit. Sinds lang had ik hiervoor redenen. Een gelijkenis, de
+navorschingen welke gij te Faverolles had laten doen, uw spierkracht,
+het gebeurde met den ouden Fauchelevent, uw behendigheid in
+'t schieten, uw eenigszins slepende voet, en ik weet niet wat
+meer... Domheden! Maar in één woord, ik hield u voor zekeren Jean
+Valjean."
+
+"Zekeren?... hoe zegt gij?"
+
+"Jean Valjean. Een tuchteling dien ik twintig jaar geleden heb gezien,
+toen ik onderopzichter te Toulon was. Zoo het schijnt, heeft deze
+Valjean, na het bagno verlaten te hebben een bisschop bestolen,
+vervolgens heeft hij een anderen diefstal, gewapenderhand, op den
+openbaren weg, op een kleinen Savoyaard gepleegd. Sinds acht jaren
+heeft hij zich uit de voeten gemaakt, men weet niet hoe, en men zocht
+hem. Ik... ik had mij verbeeld...--Kortom, ik heb 't gedaan. De toorn
+vervoerde mij, en ik klaagde u bij de prefectuur aan."
+
+Madeleine, die sinds eenige oogenblikken de papieren weder ter hand
+had genomen, hernam op geheel onverschilligen toon:
+
+"En wat heeft men u geantwoord?"
+
+"Dat ik gek was."
+
+"En nu?"
+
+"Men had gelijk."
+
+"'t Is gelukkig, dat ge 't zelf erkent."
+
+"Ik moet wel, want de ware Jean Valjean is gevonden."
+
+Het blad, 't welk Madeleine in de hand hield, ontglipte zijn vingers;
+hij richtte het hoofd op, staarde Javert strak aan en zeide op een
+onbeschrijfelijken toon:
+
+"Ha!"
+
+Javert hernam:
+
+"De zaak is deze, mijnheer de maire. 't Schijnt, dat in de omstreken
+van Ailly-le-Haut-Clocher iemand woonde, dien men vader Champmathieu
+heette. Hij was zeer arm. Men lette niet op hem. Men weet niet waarvan
+dit soort van lieden leeft. Verleden herfst werd vader Champmathieu
+wegens diefstal van appelen bij... de naam is mij ontschoten, in
+hechtenis genomen. Er was gestolen, over een muur geklommen, er waren
+takken afgebroken. Toen heeft men Champmathieu aangehouden. Hij had
+den tak van een appelboom nog in de hand. De vent werd vastgezet. Tot
+zoover is 't niet veel meer dan een correctioneele zaak. Maar zie hier
+de wegen der Voorzienigheid! De gevangenis was in slechten toestand
+en mijnheer de rechter van instructie vindt het goed, Champmathieu
+naar Arras, in de departementale gevangenis, te doen overbrengen. In
+deze gevangenis nu is een oude galeiboef, Brevet genoemd, die, ik
+weet niet voor welke misdaad, moet zitten en wien men, wijl hij zich
+goed gedroeg, tot eenige huiselijke diensten gebruikte. Champmathieu,
+mijnheer de maire, was nauwelijks aangekomen, of Brevet riep: Ha, ik
+ken dezen man. 't Is een oude galeiboef. Zie mij eens aan, mijn goede
+man! Ge zijt Jean Valjean!--Jean Valjean! Wie is Jean Valjean? zegt
+Champmathieu die zich heel verwonderd houdt.--Kom, houd u maar zoo
+dom niet, zegt Brevet. Gij zijt Jean Valjean. Gij zijt in 't bagno van
+Toulon geweest; twintig jaar geleden. Wij waren er samen.--Champmathieu
+ontkent! Drommels! Gij begrijpt. Men deed onderzoek, en vorschte
+de zaak na. Toen kwam het volgende aan 't licht: deze Champmathieu
+was vóór omstreeks dertig jaren boomsnoeier in verschillende streken,
+onder anderen te Faverolles geweest. Daar verliest men zijn spoor. Veel
+later vindt men hem in Auvergne, vervolgens te Parijs terug, waar hij
+wagenmaker was, naar hij zegt, en met eene waschvrouw leefde, doch dit
+is niet bewezen; eindelijk vindt men hem hier. Wat was nu Jean Valjean,
+vóór hij wegens diefstal met verzwarende omstandigheden in 't bagno
+kwam? Boomsnoeier. Waar? Te Faverolles. Een ander bewijs. Deze Valjean
+heette van doopnaam Jean, terwijl de geslachtnaam zijner moeder Mathieu
+was. Wat is nu natuurlijker dan te gelooven, dat toen hij het bagno
+verliet, hij den naam zijner moeder aannam, om zich onbekend te houden,
+en zich Jean Mathieu heeft genoemd. Hij gaat naar Auvergne. Daar
+spreekt men Jean als chan uit en noemde men hem Chan Mathieu. Onze
+man laat het zich welgevallen en allengs werd hij in Champmathieu
+herschapen. Gij begrijpt, niet waar? De familie van Jean Valjean is er
+niet meer. Men weet niet waar zij gebleven is. Ge weet, in die klasse
+van menschen ziet men vaak een familie spoorloos verdwijnen. Men zoekt,
+maar vindt niets. Als zulk volk geen slijk is, is 't stof. En dewijl
+de aanvang dezer geschiedenis nu al dertig jaar geleden is, is er
+te Faverolles niemand meer, die Jean Valjean gekend heeft. Men doet
+onderzoek te Toulon. Met Brevet zijn er nog slechts twee tuchtelingen,
+die Jean Valjean gezien hebben. 't Zijn de levenslang veroordeelden
+Cochepaille en Chenildieu. Men laat hen uit het bagno komen en
+brengt hen in tegenwoordigheid van den gewaanden Champmathieu. Zij
+weifelen geen oogenblik. Zij verklaren, evenals Brevet, dat het Jean
+Valjean is. Dezelfde ouderdom, vier-en-vijftig jaar, dezelfde lengte,
+hetzelfde voorkomen, kortom dezelfde persoon, hij is 't. 't Was op
+dezen tijd dat ik mijn aanklacht aan de prefectuur te Parijs zond. Men
+antwoordt mij, dat ik mijn verstand heb verloren, en dat Jean Valjean
+zich te Arras in handen der justitie bevindt. Ge kunt u voorstellen,
+hoe mij dit verwonderde, daar ik meende denzelfden Jean Valjean hier
+te hebben! Ik schrijf aan den rechter van instructie. Hij doet mij
+komen en brengt mij in Champmathieu's tegenwoordigheid...
+
+"En?" viel Madeleine hem in de rede.
+
+Javert antwoordde met zijn onveranderlijk en treurig gelaat:
+
+"Wat waar is, is waar, mijnheer de maire. Ik heb mij vergist; de man
+ginds is Jean Valjean. Ik heb hem ook herkend."
+
+Madeleine hernam met zeer zachte stem:
+
+"Zijt ge er zeker van?"
+
+Javert glimlachte, op die smartelijke wijze, welk een diepe overtuiging
+te kennen geeft:
+
+"O zeer zeker!"
+
+Hij bleef een oogenblik nadenken, en nam werktuiglijk bij herhaling
+een weinig zand uit het zandbakje, dat op de schrijftafel stond en
+zeide toen:
+
+"Thans, nu ik den waren Jean Valjean heb gezien, begrijp ik niet,
+hoe ik iets anders heb kunnen gelooven. Ik bid u om vergeving,
+mijnheer de maire."
+
+Terwijl hij deze ernstige, smeekende woorden tot dengene richtte,
+die hem zes weken vroeger in 't politiebureau openlijk vernederd en
+tot hem gezegd had: "Vertrek, Javert!" was deze trotsche man, zonder
+'t zelf te weten, vol eenvoud en waardigheid. De heer Madeleine
+antwoordde op zijn verzoek niet, maar vroeg driftig:
+
+"En wat zegt deze man?"
+
+"Drommels, mijnheer de maire, 't is een splinterige zaak. Zoo 't Jean
+Valjean is, is 't een herhaling van misdaad. Over een muur te klimmen,
+een tak af te breken, appelen te stelen,--is een jongensstreek,
+als 't een kind doet, een wanbedrijf voor een man; maar een zware
+misdaad voor een vroegeren galeislaaf. Overklimming en diefstal, al het
+strafbare bij elkander. 't Behoort niet bij de correctioneele politie,
+'t behoort bij 't hof van assises te huis. 't Zijn geen enkele dagen
+gevangenis, maar levenslange galeistraf. En daarbij de zaak van den
+kleinen Savoyaard, die, naar ik hoop, terug zal komen. Drommels, er is
+wel reden om zoo lang mogelijk tegen te spartelen, niet waar? Ja, zoo
+'t Valjean niet was! Maar Jean Valjean is een geveinsde. Ook daaraan
+herken ik hem. Een ander zou denken, dat het erg kon afloopen;
+hij zou razen, tieren en koken, als een waterketel op het vuur,
+hij zou niet Jean Valjean willen wezen enz. Maar hij, hij houdt zich
+alsof hij niets van de zaak begrijpt, en zegt: Ik ben Champmathieu,
+daar blijf ik bij!--Nog meer; hij houdt zich dom en verwonderd. O,
+'t is een slimme gast! maar 't zal hem niet baten; de bewijzen zijn
+er. Hij is door vier personen herkend; de oude schelm zal veroordeeld
+worden. De zaak is voor de assises te Arras. Ik moet er heen om te
+getuigen. Ik ben reeds gedagvaard."
+
+Mijnheer Madeleine had zich weder voor zijn schrijftafel geplaatst,
+zijn papieren ter hand genomen, waarin hij bedaard bladerde, en las
+en schreef als iemand, die dringende bezigheden heeft. Hij wendde
+zich tot Javert, zeggende:
+
+"Genoeg, Javert. Om de waarheid te zeggen, kunnen al die bijzonderheden
+mij weinig schelen. Wij verspillen er den tijd mede en hebben dringende
+zaken te verrichten. Javert, ga dadelijk naar vrouw Buseaupied die
+ginds aan den hoek der straat Saint-Saulve groente verkoopt. Zeg
+haar dat zij haar aanklacht tegen den voerman Pierre Chesnelong
+inlevert. Deze man is een ruw mensch, en heeft de vrouw met haar
+kind bijna overreden. Hij moet gestraft worden. Ga vervolgens naar
+mijnheer Charcellay, in de straat Montre-de-Champigny. Hij klaagt,
+dat uit een dakgoot van het belendende huis het regenwater tegen het
+zijne loopt, en de fundamenten van zijn huis bederft. Voorts moet ge
+onderzoek doen naar de politie-overtredingen in de straat Guibourg
+bij de weduwe Doris en in de straat Garraud-Blanc bij madame Renée le
+Bossé, waarvan men mij kennis geeft, en gij zult er proces-verbaal
+van maken. Maar ik geef u daar veel werk. Hebt ge mij niet gezegd
+dat ge uit de stad moest; dat ge binnen acht of tien dagen voor de
+bewuste zaak naar Arras gingt?..."
+
+"Eerder, mijnheer de maire."
+
+"Wanneer dan?"
+
+"Ik meen aan mijnheer den maire gezegd te hebben, dat morgen de zaak
+voorkwam, en ik van nacht met de diligence vertrekken zou."
+
+Madeleine maakte een onmerkbare beweging.
+
+"En hoe lang zal de zaak duren?"
+
+"Hoogstens een dag. Niet later dan morgennacht zal het vonnis
+worden uitgesproken. Maar ik zal niet op 't vonnis wachten, dat
+niet twijfelachtig is; zoodra ik mijn verklaring heb afgelegd, keer
+ik terug."
+
+"Dat is goed," zei de heer Madeleine. Hij gaf Javert met een handgebaar
+afscheid.
+
+Javert ging niet.
+
+"Vergeef mij, mijnheer de maire," sprak hij....
+
+"Wat is er nog?" vroeg Madeleine.
+
+"Ik moet u nog iets herinneren, mijnheer de maire."
+
+"Wat?"
+
+"Dat ik mijne afzetting wensch."
+
+De heer Madeleine stond op.
+
+"Javert, ge zijt een man van eer en ik acht u. Ge overdrijft
+uw fout. 't Is overigens weder een beleediging, die mij alleen
+aangaat. Javert, gij zijt waardig op te klimmen, en niet af te
+dalen. Ik vertrouw, dat ge uw post wel zult willen behouden."
+
+Javert staarde den heer Madeleine met zijn ongehuichelde oogen aan,
+waarin men zijn niet zeer verlicht, maar streng en zuiver geweten
+meende te kunnen zien, en met een kalme stem zeide hij:
+
+"Mijnheer de maire, hierin kan ik niet bewilligen."
+
+"Ik herhaal," hernam de heer Madeleine, "dat de zaak alleen mij
+betreft."
+
+Maar Javert, die zich slechts bij eene gedachte hield, voer
+voort:--"Overdrijven! ik overdrijf niet. Ziehier hoe ik redeneer. Ik
+heb u onrechtvaardig verdacht. Dat is niets. Wij, politiemannen,
+hebben recht ieder te verdenken, hoezeer 't verkeerd is, de verdenking
+tot hooger geplaatste personen uit te strekken. Nu heb ik u, zonder
+bewijs, in een aanval van toorn, met het oogmerk mij te wreken, als
+galeislaaf aangeklaagd, u, een achtenswaardig man, een maire, een
+overheids-persoon! dit is een zeer zwaar vergrijp! Ik heb het gezag
+in uw persoon gehoond; ik, de agent van het gezag! Zoo een mijner
+ondergeschikten gedaan had, wat ik had gedaan, zou ik hem onwaardig
+voor den dienst verklaard en weggejaagd hebben. Welnu?--Luister,
+mijnheer de maire, nog één woord. In mijn leven ben ik dikwijls streng
+geweest voor anderen. Dat was recht en zooals 't behoorde. Zoo ik
+thans niet streng jegens mijzelven was, zou al het rechtvaardige,
+dat ik gedaan heb, onrechtvaardig worden. Moet ik mij meer dan
+anderen verschoonen? Neen. Hoe! zou ik alleen hebben gediend om
+anderen te straffen en niet mijzelven? ik zou een ellendeling zijn,
+en zij, die zeggen "Javert is een schurk," zouden gelijk hebben. Ik
+begeer niet, mijnheer de maire, dat ge mij met goedheid behandelt,
+uw goedheid heeft reeds genoeg kwaad bloed bij mij gezet, toen zij
+anderen gold; ik wil ze voor mij niet. De goedheid, die dient om een
+publieke vrouw tegen den burger, een politieagent tegen den maire,
+den mindere tegen den hoogere in 't gelijk te stellen, deze noem
+ik een verkeerde goedheid. 't Is met zulk een goedheid, dat de
+maatschappij in wanorde komt. Mijn Hemel! 't Is zeer gemakkelijk,
+goed te zijn, maar 't is moeielijk rechtvaardig te wezen. O, waart ge
+degene geweest, dien ik vermoedde; voorwaar, ik zou niet goed voor u
+geweest zijn! gij zoudt het ondervonden hebben. Mijnheer de maire,
+ik moet jegens mijzelven handelen, evenals ik jegens anderen zou
+handelen. Wanneer ik boosdoeners en deugnieten bedwong en strafte,
+zeide ik vaak bij mijzelven: "zoo gij zelf struikelt, zoo ik u ooit
+op een misstap betrap, houdt u dan stil."--Welnu, ik ben gestruikeld;
+ik heb mij op een fout betrapt. Ik moet nu zonder genade afgezet,
+weggejaagd worden: niets is billijker. Ik heb armen, ik kan werken,
+'t is mij onverschillig. Mijnheer de maire, het belang van den
+dienst eischt een voorbeeld. Ik verzoek eenvoudig de afzetting van
+den inspecteur Javert.
+
+Dit alles werd op een nederigen, fieren, hopeloozen en overtuigden
+toon gezegd, die dezen zonderlingen, eerlijken man eene ongewone en
+vreemde soort van verhevenheid verleende.
+
+"Wij zullen zien," zei Madeleine.
+
+En hij reikte hem de hand.
+
+Javert trad achteruit en zeide op schuwen toon:
+
+"Vergeving, mijnheer de maire, dat mag niet zijn. Een maire geeft de
+hand niet aan een verklikker."
+
+En binnensmonds mompelde hij:--Verklikker, ja; van het oogenblik
+af, dat men van de politie misbruik maakt, is men niet meer dan
+een verklikker.
+
+Toen boog hij zich diep en ging naar de deur.
+
+Daar wendde hij zich om, en met steeds neergeslagen oogen, zeide hij:
+
+"Mijnheer de maire, ik zal den dienst waarnemen tot een ander in mijn
+plaats is."
+
+Toen verwijderde hij zich. De heer Madeleine bleef peinzend zitten
+en luisterde naar den vasten, zekeren tred, die zich door de gang
+verwijderde.
+
+
+
+
+
+
+
+BOEK VII.
+
+HET PROCES CHAMPMATHIEU.
+
+
+EERSTE HOOFDSTUK.
+
+ZUSTER SIMPLICIA.
+
+
+De gebeurtenissen, welke men nu lezen zal, zijn niet alle te M. sur
+M. bekend geworden. Maar het weinige wat men er van vernam, heeft in
+deze stad zulk een diepe herinnering achtergelaten, dat het in dit
+boek een gewichtige leemte zou zijn, zoo wij het niet in bijzonderheden
+mededeelden.
+
+De lezer zal hierbij een paar onwaarschijnlijke omstandigheden
+ontmoeten, welke wij echter, uit eerbied voor de waarheid, niet
+mogen veranderen.
+
+Des namiddags na het bezoek van Javert ging de heer Madeleine als
+gewoonlijk Fantine bezoeken.
+
+Eer hij bij haar binnentrad, liet hij zuster Simplicia roepen.
+
+De beide geestelijke dochters, die in de ziekenzaal dienst deden,
+behoorden tot de orde der Lazaristen, gelijk alle liefdezusters,
+en heetten zuster Perpetua en zuster Simplicia.
+
+Zuster Perpetua was niets anders dan de eerste de beste plompe boerin,
+en was liefdezuster geworden, zooals anderen in een dienst gaan. Zij
+was geestelijke dochter, evenals men keukenmeid is. Dit type is
+niet zeldzaam. De kloosterorden nemen zulke plompe boerenkarakters
+gaarne aan, wijl ze zich gemakkelijk tot Capucijnen of Ursulinen
+laten fatsoeneeren. Dit gehalte wordt voor het grove werk der devotie
+gebruikt. De overgang van een ossendrijver tot Karmeliet heeft niets
+schreeuwends; uit den eerste wordt zonder veel moeite de tweede; de
+gemeenschappelijke grond der dorps- en klooster-onwetendheid is een
+geschikte voorbereiding, en zet dadelijk den buitenman op dezelfde
+trap als den monnik. De kiel een weinig uitgelegd, en hij wordt een
+pij. Zuster Perpetua was een zeer sterke religieuse uit Marines bij
+Pontoise, die haar patois rammelde, haar gebeden prevelde, drukte
+maakte, suiker in de dranken deed naar gelang van de bigotheid
+of geveinsdheid van den lijder, barsch met de zieken, ruw met de
+stervenden, wien zij God bijna in 't gezicht wierp, terwijl ze den
+zieltogende schier met toornige gebeden verpletterde; overigens moedig,
+eerlijk en roodharig.
+
+Zuster Simplicia was wit als was. Bij zuster Perpetua was zij als de
+waskaars naast de vetkaars. Vincentius van Paula heeft het portret der
+liefdezuster heerlijk geschetst in deze bewonderenswaardige woorden,
+waarin hij zooveel vrijheid met zooveel dienstbaarheid paart. "Zij
+zullen geen ander klooster hebben dan het huis der kranken, geen andere
+cel dan een gehuurde kamer, geen andere kapel dan haar parochiale kerk,
+geen anderen tuin dan de straten der stad of de zalen der hospitalen,
+geen andere gelofte dan de gehoorzaamheid, geen andere traliën dan de
+vreeze Gods, geen anderen sluier dan de nederigheid." Dat ideaal was
+levend in zuster Simplicia. Niemand had zuster Simplicia's ouderdom
+kunnen aangeven; nooit was zij jong geweest en scheen nooit oud te
+zullen worden. 't Was iemand--wij durven geen vrouw zeggen--die
+zachtmoedig, nauwgezet, goed opgevoed, bedaard was, en nooit
+gelogen had. Zij was zoo zacht, dat zij broos scheen; evenwel was
+zij sterker dan graniet. Zij behandelde de ongelukkigen met fraaie,
+teedere, zuivere vingers. Er lag, om zoo te spreken, iets zwijgends
+in haar woorden; zij sprak juist wat noodig was, en had een stem,
+die even stichtelijk in een biechtstoel als bekoorlijk in een salon
+zou geweest zijn.
+
+Deze teederheid voegde zich in het wollen kleed en vond in de aanraking
+er van een gestadige vingerwijzing naar God en den hemel. Op eene
+bijzonderheid vestigen wij vooral de aandacht. Het onderscheidend
+kenmerk van zuster Simplicia, de uitdrukking harer deugd was, dat
+zij nooit gelogen had, dat zij nooit, om welke reden ook, zelfs in
+de onverschilligste zaak, iets had gezegd, dat niet waar, dat niet de
+zuiverste waarheid was. Zij was bij haar orde wegens deze onwrikbare
+waarheidsliefde schier vermaard geworden. De abt Sicard spreekt in een
+brief aan den doofstommen Massieu, van zuster Simplicia. Hoe oprecht
+en rein wij wezen mogen, allen hebben wij toch min of meer de kleine
+vlek van den onschuldigen logen op onze eerlijkheid. Zij niet. Kleine
+logens, onschuldige logens, zijn er deze? Liegen is een volstrekt
+kwaad. Min of meer te liegen is onmogelijk; hij die liegt, liegt de
+geheele leugen. Leugen is het aangezicht des duivels; de duivel heeft
+twee namen: hij heet satan en logen. Zoo dacht Simplicia. En naar
+zij dacht, handelde zij ook. Hiervan was die blankheid, waarvan wij
+gesproken hebben, het gevolg; een blankheid, die zelfs van haar lippen
+en uit haar oogen straalde. Haar glimlach was blank, haar blik was
+blank. Op het glas van haar geweten was geen enkel spindraadje, geen
+enkel stofje te vinden. Toen zij in de orde van Sint Vincentius van
+Paula trad, had zij bij voorkeur den naam van Simplicia aangenomen. 't
+Is bekend, dat Simplicia van Sicilië de heilige was, die zich liever
+beide borsten liet afsnijden dan te zeggen dat zij, die te Syracusa
+het levenslicht zag, te Segesta was geboren, welke leugen haar had
+kunnen redden. Deze beschermheilige paste voor deze ziel.
+
+Bij haar komst in de orde had zuster Simplicia twee gebreken, waarvan
+zij zich allengs gebeterd had; zij hield van lekkernijen en ontving
+gaarne brieven. Zij las nooit een ander boek, dan haar met groote
+letters gedrukt Latijnsch getijdeboek. Zij verstond geen Latijn,
+maar zij verstond het boek.
+
+De vrome dochter had voor Fantine bijzondere genegenheid opgevat,
+waarschijnlijk wijl zij in haar een verborgen deugd vermoedde, en
+zij wijdde haar zorgen schier uitsluitend aan haar.
+
+De heer Madeleine nam zuster Simplicia ter zijde en beval haar Fantine
+op een zonderlingen toon aan, dien zij zich later herinnerde.
+
+Toen hij de zuster verliet, ging hij naar Fantine.
+
+Fantine verwachtte dagelijks de komst van mijnheer Madeleine, evenals
+men een straal van zon en blijdschap verwacht. Zij zeide tot de
+liefdezusters:--Ik leef slechts, wanneer mijnheer de maire hier is.
+
+Dien dag had zij veel koorts. Zoodra zij mijnheer Madeleine zag,
+vroeg zij hem:
+
+"En Cosette?"
+
+"Spoedig," antwoordde hij glimlachend.
+
+Mijnheer Madeleine was jegens Fantine als gewoonlijk, behalve dat
+hij thans een uur in plaats van een half uur bleef, tot Fantine's
+groot genoegen. Aan iedereen beval hij dringend om de zieke niets te
+laten ontbreken. Men merkte op, dat zijn gezicht voor een oogenblik
+zeer treurig werd. Doch dit verklaarde zich, toen men vernam dat de
+dokter hem had ingefluisterd:--Zij neemt merkelijk af.
+
+Vervolgens keerde hij naar de maire terug, en de kantoorknecht zag
+hem aandachtig een reiskaart van Frankrijk beschouwen, die aan den
+wand hing. Hij schreef eenige cijfers met potlood op een papier.
+
+
+
+
+
+
+TWEEDE HOOFDSTUK.
+
+SCHERPZINNIGHEID VAN SCAUFFLAIRE.
+
+
+Uit de mairie ging hij naar het einde der stad, bij een Vlaming,
+Scaufflair, of verfranscht, Scaufflaire genoemd, die paarden en
+rijtuigen verhuurde.
+
+De naaste weg om naar Scaufflaire te gaan, was door een weinig bezochte
+straat, waar de geestelijke der kerk woonde, waartoe mijnheer Madeleine
+behoorde. Zoo men zeide, was de pastoor een goed, achtenswaardig
+mensch, die gaarne goeden raad gaf. Juist toen mijnheer Madeleine de
+pastorie voorbijging, was er in de straat slechts één voorbijganger,
+en deze merkte op, dat mijnheer de maire, de pastorie voorbij zijnde,
+een oogenblik stilstond, toen terugkeerde tot aan de deur der pastorie,
+haastig de hand aan den ijzeren klopper legde en hem ophief; zoo
+eenige oogenblikken in gedachten bleef staan, waarna hij in plaats
+van den klopper hard te laten vallen, hem zacht en zonder gerucht
+nederliet, en nu met een soort van haast, die hij vroeger niet had,
+zijn weg vervolgde.
+
+Mijnheer Madeleine vond Scaufflaire te huis, bezig met het herstellen
+van paardetuig.
+
+"Scaufflaire, hebt ge een goed paard voor mij?" vroeg hij.
+
+"Mijnheer de maire," zei de Vlaming, "al mijn paarden zijn goed. Wat
+bedoelt u met een goed paard?"
+
+"Een paard, dat twintig uren in een dag aflegt."
+
+"Drommels!" hernam de Vlaming, "twintig uren."
+
+"Ja."
+
+"Voor een cabriolet?"
+
+"Ja."
+
+"En hoelang zal het na dien rit rusten?"
+
+"Het moet desnoods den volgenden dag terugkeeren."
+
+"Om denzelfden afstand af te leggen?"
+
+"Ja."
+
+"Drommels! drommels! nog eens twintig uren!"
+
+De heer Madeleine nam uit zijn zak het papier, waarop hij cijfers had
+geschreven. Hij liet ze den Vlaming zien. Het waren de getallen: 5,
+6, 8-1/2.
+
+"Ge ziet," zeide hij; "te zamen negentien en een half; alzoo bijna
+twintig uren."
+
+"Ik heb wat ge zoekt, mijnheer de maire," antwoordde de Vlaming. "Mijn
+klein wit paard--gij hebt het zeker wel eens zien voorbijkomen--een
+klein vurig dier uit het Boulonneesche. Men wilde er eerst een
+rijpaard van maken, maar jawel, het sprong en steigerde en wierp
+iedereen af. Men meende, dat het kwaadaardig was en wist niet wat er
+mee te doen. Ik kocht het, spande het voor de cabriolet, en dat was,
+wat het wilde; het werd zacht als een lam en loopt als de wind. Maar
+men moet het niet op den rug komen. 't Wil met geweld geen rijpaard
+wezen. Ieder zijn smaak! Trekken, goed; dragen, neen; 't is of het
+dit bij zich zelven gezworen heeft."
+
+"En zal het dien weg kunnen afleggen?"
+
+"Twintig uren in vollen draf en in minder dan acht uren. Maar hoor,
+op welke voorwaarden."
+
+"Zeg ze."
+
+"Vooreerst moet ge het paard te halverwege een half uur laten
+uitrusten; het moet dan gevoerd worden, en bij het voeren moet men
+zelf tegenwoordig zijn, om den stalknecht te verhinderen de haver te
+stelen; want ik weet bij ondervinding, dat de haver in de herbergen
+meer door de knechts gedronken dan door de paarden gegeten wordt."
+
+"Men zal er bij zijn."
+
+"Ten tweede ... is de cabriolet voor mijnheer den maire?"
+
+"Ja."
+
+"Kan mijnheer de maire rijden?"
+
+"Ja."
+
+"Nu, mijnheer de maire moet alleen en zonder bagage reizen, opdat
+het paard geen te zware vracht hebbe."
+
+"Aangenomen."
+
+"Maar daar mijnheer de maire niemand bij zich heeft, zal hij verplicht
+zijn, zelf het oog op het voeren te houden."
+
+"'t Zal geschieden."
+
+"Ik vraag dertig francs per dag, de rustdagen medegerekend. Geen
+cent minder en het onderhoud van het paard ten koste van mijnheer
+den maire."
+
+Mijnheer Madeleine nam drie gouden Napoleons uit zijn beurs en legde
+ze op de tafel.
+
+"Ziehier twee dagen vooruit."
+
+"Ten vierde: Voor zulk een rit zou een cabriolet te zwaar zijn en het
+paard te veel vermoeien. Mijnheer de maire zal zich moeten vergenoegen
+met een kleine tilbury, die ik heb."
+
+"Ik neem er genoegen mede."
+
+"Ze is licht, maar open."
+
+"'t Is mij onverschillig."
+
+"Denkt mijnheer de maire er wel aan, dat het winter is?..."
+
+De heer Madeleine antwoordde niet en de Vlaming hernam:
+
+"Dat het zeer koud is?"
+
+De heer Madeleine bleef zwijgen.
+
+Scaufflaire voer voort:
+
+"Dat het kan regenen?"
+
+De heer Madeleine richtte het hoofd op en zeide:
+
+"Morgenvroeg om half vijf moet het paard met de tilbury voor mijn
+deur zijn."
+
+"Goed, mijnheer de maire," antwoordde Scaufflaire, en met den nagel
+van zijn duim een vlek van de tafel krabbende, zeide hij op dien
+onverschilligen toon, waarmede de Vlamingers zoo goed hun sluwheid
+bewimpelen:
+
+"Maar, daar valt mij in, mijnheer de maire heeft nog niet gezegd,
+waarheen de reis gaat. Waar moet mijnheer de maire heen?"
+
+Sinds het onderhoud begonnen was, had hij aan niets anders gedacht,
+maar hij wist zelf niet, waarom hij 't niet durfde vragen.
+
+"Is uw paard vast op de voorpooten?" vroeg de heer Madeleine.
+
+"Ja, mijnheer de maire. Als de weg afloopt moet ge 't alleen een weinig
+inhouden. Zijn er veel hoogten en laagten in den weg, dien ge gaat?"
+
+"Vergeet niet morgenochtend juist om half vijf uur aan mijn deur te
+zijn," antwoordde mijnheer Madeleine, heengaande. De Vlaming was nog
+even "dom" als vroeger, zooals hij zich later uitdrukte.
+
+Mijnheer de maire was een paar minuten weg geweest, toen de deur
+weder geopend werd; 't was mijnheer de maire, die terugkwam.
+
+Hij had nog 't zelfde peinzend en onverstoorbaar voorkomen van
+daareven.
+
+"Scaufflaire," zeide hij, "op hoeveel schat ge uw paard en tilbury,
+die ge mij wilt verhuren, het een met 't ander?"
+
+"Het een vóór het ander, mijnheer de maire," zei de Vlaming met een
+plompen lach.
+
+"Nu ja."
+
+"Wil mijnheer de maire ze van mij koopen?"
+
+"Neen, maar men weet niet wat gebeuren kan, ik wil er u waarborg voor
+geven. Bij mijn terugkomst geeft ge mij het geld terug. Op hoeveel
+schat ge het rijtuig en het paard?"
+
+"Op vijfhonderd francs, mijnheer de maire."
+
+"Ziehier het geld."
+
+Mijnheer Madeleine legde een bankbriefje op de tafel, ging toen en
+kwam ditmaal niet terug.
+
+'t Speet Scaufflaire geweldig, dat hij niet duizend francs had
+gezegd. Overigens waren het paard en de tilbury te zamen nauwelijks
+honderd kronen waard.
+
+De Vlaming riep zijn vrouw en verhaalde haar de zaak. De drommel, waar
+kan mijnheer de maire toch heen willen gaan? Zij raadpleegden.--Hij
+gaat naar Parijs, zei de vrouw.--Ik geloof het niet, hernam de
+man.--Mijnheer Madeleine had op den schoorsteen het papiertje laten
+liggen, waarop hij cijfers had geschreven. De Vlaming nam het,
+en bestudeerde het.--Vijf, zes, acht en een half? dat moeten zeker
+poststations aanduiden. Toen wendde hij zich tot zijn vrouw:--Ik heb
+'t gevonden.--Wat?--Van hier tot Hesdin is vijf uren, van Hesdin tot
+Saint-Pol zes, en van Saint-Pol tot Arras acht en een half. Hij gaat
+naar Arras.
+
+Inmiddels was de heer Madeleine weer te huis gekomen. Van Scaufflaire
+terugkeerende had hij een langeren weg genomen, alsof de deur
+der pastorie een verzoeking voor hem ware geweest, en hij die had
+willen ontwijken. Hij was naar zijn kamer gegaan, waar hij zich
+had opgesloten, 't geen trouwens niets ongewoons was, wijl hij zich
+gaarne vroegtijdig ter rust begaf. Maar de portierster der fabriek,
+die tevens de eenige dienstbode van den heer Madeleine was, merkte
+op, dat zijn licht om half negen ure werd uitgedaan. Zij zeide dit
+tot den boekhouder, die te huis kwam, er bijvoegende:
+
+"Is mijnheer de maire ziek? Mij dunkt, dat hij eenigszins anders dan
+gewoonlijk was."
+
+De boekhouder bewoonde een kamer vlak onder die van den heer
+Madeleine. Hij sloeg geen acht op de woorden der portierster,
+ging te bed en sliep in. Tegen middernacht werd hij plotseling
+wakker; in zijn slaap had hij boven zijn hoofd gerucht gehoord. Hij
+luisterde. 't Was, alsof hij in de kamer boven zich heen en weder
+hoorde gaan. Hij luisterde aandachtiger en herkende den tred van
+mijnheer Madeleine. 't Kwam hem vreemd voor; gewoonlijk werd in de
+kamer van den heer Madeleine niet het minste gerucht gehoord, vóór hij
+opstond. Een oogenblik later hoorde de boekhouder iets, alsof een kast
+werd geopend en dicht gedaan. Toen werd een meubelstuk verschoven,
+er ontstond stilte, en er werd nogmaals heen en weder gegaan. De
+boekhouder ging overeind zitten, werd geheel wakker, en zag door
+zijn venster op den muur aan de overzijde, het roode schijnsel van
+een verlicht raam. Naar de richting der lichtstralen te oordeelen,
+kon het geen ander raam dan dat der kamer van mijnheer Madeleine zijn.
+
+De lichtschijn bewoog zich, alsof die eerder van een flikkerend vuur
+dan van kaarslicht kwam. De schaduw van het glasraam was er niet
+op afgeteekend, 't geen bewees, dat het raam geheel open was. 't
+Was zonderling, dat dit raam bij de heerschende strenge koude open
+was. De boekhouder sliep weder in. Een paar uren later werd hij
+nogmaals wakker. Dezelfde langzame geregelde tred ging steeds heen
+en weder boven zijn hoofd.
+
+De lichtschijn teekende zich nog altijd op den muur af, maar nu
+flauwer en stil als het schijnsel eener kaars of van een lamp. Het
+raam was ook nog open.
+
+Ziehier wat in de kamer van mijnheer Madeleine plaats had.
+
+
+
+
+
+
+DERDE HOOFDSTUK.
+
+EEN STORM ONDER EEN HERSENPAN.
+
+
+De lezer heeft ongetwijfeld reeds geraden, dat de heer Madeleine
+niemand anders dan Jean Valjean is.
+
+Wij hebben reeds een blik in de diepte van dat gemoed geslagen;
+wij willen er nogmaals een blik in werpen. Wij doen 't niet
+zonder aandoening en beving. Er is niets treffender dan zulk een
+beschouwing. Het oog der ziel kan nergens een verblindender licht en
+grooter duisternis vinden dan in den mensch; het kan zich op niets
+ontzettenders, niets ingewikkelders, niets raadselachtigers, niets
+ondoorgrondelijkers vestigen. Er is een nog grootscher schouwspel
+dan de zee;--namelijk de hemel; er is een nog grootscher schouwspel
+dan de hemel;--namelijk het binnenste der ziel.
+
+Wie in een gedicht het menschelijk gemoed, ware het slechts dat van een
+enkel mensch, slechts van den geringsten mensch, juist kon voorstellen,
+zou alle heldendichten in het verhevenst en volkomenst heldendicht
+samenvatten. Het gemoed is de chaos der denkbeelden, der begeerten,
+der neigingen; het is de oven der droomen, de spelonk der gedachten,
+waarvoor men zich schaamt; het is het pandemonium der sophismen, het
+slagveld der hartstochten. Men doordringe op zekere oogenblikken het
+bleeke gezicht van een menschelijk wezen en schouwe in deze ziel, in
+deze duisternis. Men zal er onder schijnbare rust reuzengevechten als
+bij Homerus, een gewoel van draken en hydra's, wolken van spooksels
+als bij Milton, wervelende visioenen als bij Dante vinden. Hoe somber
+is dat ondoorgrondelijke, 't welk ieder mensch in zich omdraagt en
+waarnaar hij met wanhoop den wil en de daden van zijn leven richt.
+
+Alighieri kwam eens aan een sombere poort, voor welke hij weifelend
+bleef staan. Wij hebben er hier eene voor ons, bij welker drempel
+wij evenzeer aarzelen. Treden wij echter binnen.
+
+Wij hebben slechts weinig te voegen bij 't geen de lezer reeds weet dat
+met Jean Valjean was gebeurd, sedert zijn ontmoeting met den kleinen
+Gervais. Men heeft gezien, dat hij van dat oogenblik af een ander
+mensch was. Wat de bisschop van hem had willen maken, was verwezenlijkt
+geworden. 't Was meer dan een verandering, 't was een herschepping.
+
+Het gelukte hem te ontkomen; hij verkocht het zilverwerk van den
+bisschop, uitgezonderd de kandelaars, welke hij als een gedachtenis
+behield; zwierf van de eene stad naar de andere door Frankrijk; kwam
+te M. sur M., vormde het denkbeeld, waarvan wij gesproken en voerde
+uit wat wij verhaald hebben; hij bracht zich tegen alle vervolging
+in veiligheid, en nu te M. sur M. gevestigd, leefde hij gelukkig in
+'t gevoel, dat zijn geweten wegens het treurig verleden ontwaakt was
+en de eerste helft van zijn leven door het tweede verloochend werd;
+hij leefde vreedzaam, gerust en in de blijde hoop; hij koesterde
+slechts twee gedachten: zijn naam te verbergen, en zijn leven te
+heiligen; den menschen te ontkomen en terug te keeren tot God.
+
+Deze twee gedachten waren in zijn geest zoo innig met elkander
+verbonden, dat zij er slechts ééne vormden; beide vervulden
+en beheerschten hem evenzeer en bestuurden zijn geringste
+handelingen. Gewoonlijk waren zij 't eens bij de regeling van
+zijn levensgedrag, zij trokken hem in de schaduw, zij maakten hem
+welwillend en eenvoudig; zij gaven hem beide denzelfden raad. Soms
+waren zij echter in strijd met elkander. In dat geval aarzelde,
+gelijk wij gezien hebben, de man, dien geheel de M. sur M. mijnheer
+Madeleine noemde, niet, de eerste aan de tweede, zijn veiligheid aan
+zijn deugd op te offeren. Zoo had hij, in spijt van alle behoedzaamheid
+en voorzichtigheid, de kandelaars van den bisschop bewaard, had over
+hem gerouwd en al de kleine savooiaards die in de stad kwamen, bij
+zich laten roepen en ondervraagd, had naar de families van Faverolles
+berichten ingewonnen, en den ouden Fauchelevent het leven gered,
+in weerwil van Javert's verontrustende toespelingen. Het scheen,
+wij hebben het reeds opgemerkt, dat hij, naar het voorbeeld van allen
+die goed, heilig en rechtvaardig waren, dacht, dat zijn eerste plicht
+niet hem zelven gold.
+
+Wij moeten intusschen zeggen, dat iets zoo gewichtigs als thans hem
+nog niet was voorgekomen.
+
+Nooit hadden de beide gedachten, die den ongelukkigen man beheerschten,
+wiens lijden wij verhalen, zulk een ernstigen strijd tegen elkander
+gevoerd. Hij begreep dit onbestemd, maar diep, terstond bij de eerste
+woorden welke Javert zeide, toen deze zijn schrijfkamer binnentrad. Op
+het oogenblik, dat de naam werd genoemd, dien hij in zulk een diepe
+duisternis begraven had, werd hij door ontzetting aangegrepen en
+als bedwelmd door de heillooze zonderlingheid van zijn lot, en in
+deze ontzetting voelde hij die huivering, welke groote schokken
+voorafgaat; hij boog als de eik bij de nadering van den storm, als
+de soldaat bij den aanvang eener bestorming. Hij voelde de van onweer
+zwangere wolken zich boven zijn hoofd samenpakken. Terwijl hij Javert
+aanhoorde, kwam aanvankelijk de gedachte bij hem op, heen te ijlen,
+zich bekend te maken, Champmathieu uit de gevangenis te bevrijden en er
+zich in te laten zetten; 't was een smartelijke, pijnlijke gedachte,
+als een snede in het levend vleesch; maar zij trok over, en hij zeide
+bij zich zelven: laat ons zien, laat ons zien!--Hij onderdrukte deze
+eerste edelmoedige opwelling en deinsde terug voor deze heldendaad.
+
+Voorwaar, het zou schoon zijn geweest, zoo deze man, na de
+vrome woorden van den bisschop, na zoovele jaren van berouw en
+zelfverloochening, te midden van een boete, zoo bewonderenswaardig
+begonnen, zelfs bij al het schrikkelijke dat de omstandigheden mochten
+hebben, niet een oogenblik hadde gewankeld, maar met denzelfden vasten
+tred dien gapenden afgrond ware genaderd, op welks bodem de hemel lag;
+'t zou schoon zijn geweest, maar 't gebeurde niet alzoo. Wij moeten
+getrouw verslag geven van 't geen er in dat hart omging, en wij mogen
+niet anders dan de waarheid zeggen. In de eerste plaats had de zucht
+tot zelfbehoud de overhand; hij vereenigde in de haast zijn gedachten,
+bedwong zijn aandoeningen, nam de tegenwoordigheid van Javert, dat
+groote gevaar, in overweging, weerde ieder besluit af met de vastheid
+der ontzetting, onderdrukte elke overweging omtrent 't geen hem te
+doen stond, en hernam zijn kalmte, gelijk een kampvechter die zijn
+schild weder opneemt.
+
+Hij bleef het overige van den dag in dien toestand; inwendig geroerd,
+uitwendig volkomen kalm; alleen nam hij, wat men maatregelen van
+zelfbehoud zou kunnen noemen. Alles was in zijn brein nog verward en
+tegenstrijdig; er heerschte daar zulk een onbestemdheid, dat hij den
+vorm van geen enkel denkbeeld duidelijk zag; hij zou zelf niet anders
+hebben kunnen zeggen, dan dat 't hem was, of hij een geweldigen
+schok had ontvangen. Als naar gewoonte ging hij naar Fantine's
+ziekbed, en hij bleef er langer dan gewoonlijk, uit een instinct van
+goedhartigheid; want hij zeide bij zich zelven, dat hij aldus moest
+handelen en haar den liefdezusters goed aanbevelen moest, ingeval hij
+genoodzaakt werd zich te verwijderen. Hij gevoelde onbestemd, dat hij
+wellicht naar Arras zou moeten gaan; en, zonder in het allerminst
+tot deze reis besloten te hebben, meende hij volkomen voor alle
+verdenking beveiligd te zijn en dus zonder eenig bezwaar getuige te
+kunnen wezen van 't geen zou plaats hebben. Hij huurde dus de tilbury
+van Scaufflaire, om op alle omstandigheden voorbereid te zijn.
+
+Hij at met tamelijken eetlust.
+
+In zijn kamer wedergekeerd, gaf hij zich aan zijn overpeinzingen over.
+
+Hij onderzocht den toestand en vond dien gevaarlijk; zoo gevaarlijk,
+dat hij te midden zijner overdenkingen, ten gevolge van een schier
+onverklaarbaren angst, van zijn stoel opstond en den grendel op zijn
+deur schoof. Hij vreesde, dat er nog iets zou kunnen binnenkomen. Hij
+verschanste zich tegen het mogelijke.
+
+Kort daarna blies hij het licht uit. Het hinderde hem.
+
+'t Scheen hem, alsof men hem kon zien.
+
+Wie, men?
+
+Helaas! wat hij buiten de deur wilde houden, was reeds binnengekomen;
+wat hij wilde verblinden, schouwde hem aan. Zijn geweten.
+
+Zijn geweten, dat wil zeggen: God.
+
+Evenwel misleidde hij zich zelven in den eersten oogenblik; hij
+gevoelde zich veilig in zijn eenzaamheid; nu de deur gegrendeld was,
+waande hij zich onaantastbaar; nu het licht was uitgedaan, achtte
+hij zich onzichtbaar. Nu was hij weder meester van zich zelven; hij
+zette zijn ellebogen op de tafel, liet zijn hoofd op de hand rusten
+en gaf zich aan de duisternis zijner gedachten over.
+
+Waar ben ik?--Droom ik niet?--Wat heeft men mij gezegd?--Is 't
+wezenlijk waar, dat ik Javert heb gezien en dat hij mij zoo heeft
+toegesproken?--Wie kan deze Champmathieu zijn? Hij gelijkt dus op
+mij?--Is 't mogelijk?--Als ik denk, dat ik gisteren nog zoo gerust
+was en ver van iets dergelijks te vermoeden!--Wat deed ik gisteren
+op dezen tijd?--Welk gewicht heeft deze omstandigheid?--Hoe zal zij
+zich oplossen? Wat moet ik doen?--
+
+Ziedaar de onrust, waarin hij was. Zijn brein had de kracht verloren
+om zijne gedachten vast te houden, zij stroomden weg als golven, en hij
+omvatte het hoofd met beide handen, om den golfslag tegen te houden.
+
+Deze verwarring, die zijn wil en rede in beroering bracht, en waaruit
+hij een gevolgtrekking poogde af te leiden en een besluit, leverde
+hem niets dan angst op.
+
+Zijn hoofd gloeide. Hij trad aan het raam en zette het wijd open. Geen
+ster flikkerde aan den hemel.
+
+Hij ging weder aan de tafel zitten.
+
+Alzoo verstreek het eerste uur.
+
+Allengs begonnen zich echter in zijn gedachten flauwe omtrekken en
+beelden te vormen, en hij zag met de juistheid der wezenlijkheid,
+wel niet den geheelen omvang van zijn toestand, maar toch eenige
+bijzonderheden.
+
+Hij erkende in de eerste plaats, dat, hoe buitengewoon en gevaarlijk
+deze toestand ook zijn mocht, hij er volkomen meester van was.
+
+Zijn verlegenheid werd hierdoor echter slechts te grooter.
+
+Afgescheiden van het ernstig, godsdienstig doel, waarnaar hij in al
+zijn daden streefde, was alles wat hij tot hiertoe verricht had, niets
+dan een kuil, dien hij groef, om er zijn naam in te verbergen. Wat
+hij in de uren zijner eenzame overdenkingen en slapelooze nachten
+het meest gevreesd had, was, eenmaal zijn naam te hooren noemen: dat,
+meende hij, zou voor hem het einde van alles zijn; de dag, waarop die
+naam weder zou te voorschijn komen, zou geheel zijn nieuwe leven,
+en, wie weet? misschien de nieuwe ziel, in hem doen verdwijnen. De
+gedachte alleen, dat dit mogelijk kon zijn, deed hem beven. Gewis,
+zoo iemand hem in die oogenblikken had gezegd, dat eenmaal het
+uur komen zou, waarin die naam in zijn ooren zou klinken, dat het
+hatelijk woord, Jan Valjean, eensklaps uit de duisternis voor zijn
+oogen zou oprijzen, en het krachtige licht eensklaps het geheim zou
+verdrijven, waarin hij zich wikkelde,... maar dat deze naam hem niet
+zou bedreigen; dat dit licht slechts een grootere duisternis zou
+scheppen; dat deze gescheurde sluier het geheim slechts te meer zou
+verbergen; dat deze aardbeving zijn gebouw zou bevestigen: dat deze
+gewichtige gebeurtenis, zoo hij wilde, geen ander gevolg zou hebben,
+dan zijn leven helderder en ondoordringbaarder tevens te maken; en
+dat uit de vergelijking van zijn persoon met dit spooksel van Jean
+Valjean, de goede, waardige mijnheer Madeleine meer geëerd, meer
+veilig en meer geacht dan ooit zou te voorschijn komen--zoo iemand
+hem dit gezegd had, zou hij het hoofd geschud en deze woorden voor
+onzinnig hebben gehouden. Welnu, dat alles zou nu juist gebeuren, deze
+opeenstapeling van onmogelijkheden was een feit, en God had gewild,
+dat deze ongeloofelijke zaken, waarheid werden! Zijn gedachten werden
+steeds helderder, zijn toestand werd hem hoe langer hoe duidelijker.
+
+Het scheen hem, als was hij uit een zonderlingen slaap opgewekt,
+en als gleed hij in 't midden van den nacht van een steile helling,
+als stond hij huiverend op den uitersten rand van een afgrond en
+vruchteloos poogde achteruit te gaan. Duidelijk ontdekte hij in de
+duisternis een onbekende, een vreemdeling, dien het noodlot voor hem
+aanzag en in zijn plaats in den afgrond stiet. Om dien afgrond te
+dempen moest er iemand in storten, 't zij dan hij of die andere.
+
+Hij behoefde niets te doen dan de zaken haar loop te laten.
+
+Het werd volkomen helder en hij overwoog bij zich zelven:--Dat zijn
+plaats op de galeien ledig was, dat, wat hij ook doen mocht, zij steeds
+op hem bleef wachten; dat de diefstal op den kleinen Gervais gepleegd
+er hem terugbracht; dat deze plaats hem zou wachten en trekken tot hij
+er was, dat het noodlot dit onvermijdelijk wilde.--Vervolgens overlegde
+hij bij zich zelven:--Dat hij er op dit oogenblik een plaatsvervanger
+had; dat het scheen, dat een zekere Champmathieu zulk een ongeluk
+had getroffen; dat hij, voortaan in het bagno in den persoon van
+dien Champmathieu aanwezig, en in de maatschappij onder den naam van
+Madeleine rond wandelende, niets meer te vreezen had, mits hij de
+menschen er niet terughield, op het hoofd van dien Champmathieu den
+steen der schande te blijven plaatsen, die, evenals de steen van het
+graf, slechts éénmaal nedervalt, en nooit weder opgeheven wordt.
+
+Dat alles was zóó geweldig en zóó wonderbaar, dat hij plotseling door
+die onbeschrijfelijke aandoening bevangen werd, welke een mensch
+slechts twee of drie keer in zijn leven ondervindt, een soort van
+stuiptrekking van het geweten, die al wat het hart twijfelachtigs
+voedt, met geweld omkeert, die uit spotzucht, vreugde en wanhoop
+bestaat, en die men een inwendigen schaterlach zou kunnen noemen.
+
+Hij stak haastig zijn kaars weder aan.
+
+"Maar hoe, vroeg hij bij zich zelven, waarvoor vrees ik? Waartoe al
+deze overdenkingen? ik ben gered, alles is voorbij. Er was nog slechts
+één half geopende deur, door welke mijn verleden in mijn leven kon
+dringen; deze deur is nu voor altijd dicht gemetseld. Deze Javert,
+die mij sinds zoo lang kwelt, zijn vreeselijk instinct, dat mij op
+'t spoor scheen, dat mij inderdaad opgespoord had, en mij overal
+volgde, deze afschuwelijke jachthond, die mij altijd op de hielen
+zit, is nu misleid, van 't spoor gebracht, geheel tot iets anders
+getrokken. Hij is nu voldaan, en zal mij voortaan gerust laten,
+hij heeft zijn Jean Valjean! Wie weet, waarschijnlijk wil hij wel
+de stad verlaten. En dat alles is buiten mij om gebeurd. Ik heb er
+volstrekt geen deel aan gehad. Welnu! Wat is er dan voor ongelukkigs
+in? Zoo mij de menschen zagen, zouden zij inderdaad gelooven, dat
+mij een ramp heeft getroffen! Hoe het zij, indien er iets kwaads
+voor iemand uit voortvloeit, ik heb er volstrekt geen schuld aan. De
+Voorzienigheid heeft alles gedaan! Zij wil het blijkbaar zoo! Heb
+ik het recht, datgene te verstoren wat Zij beschikt? Wat wil ik nu
+eigenlijk? Waarmede zou ik mij bemoeien? 't Raakt mij niet. Hoe! ben
+ik niet tevreden! Maar wat wil ik dan? Het doel, waarnaar ik zoovele
+jaren streef, de droom mijner nachten, het voorwerp mijner gebeden
+tot den hemel, mijn veiligheid, ik heb ze verkregen. God wil het
+zoo. Ik mag mij niet tegen Gods wil verzetten. En waarom wil God
+het? Opdat ik voortga met 't geen ik begonnen heb: opdat ik goed
+doe, opdat ik eenmaal een groot, aanmoedigend voorbeeld zij, opdat
+gezegd kunne worden, dat zich ten laatste een weinig geluk hecht aan
+de boete, welke ik mij heb opgelegd, en aan de deugd waartoe ik ben
+wedergekeerd! Waarlijk, ik begrijp niet waarom ik straks zoo bevreesd
+was, bij den goeden pastoor binnen te gaan om hem, als biechtvader,
+alles te verhalen en hem raad te vragen; hij zou mij ongetwijfeld
+hetzelfde gezegd hebben. Het is dus beslist, wij willen de zaken haar
+loop laten, en ons niet in de wegen der Voorzienigheid verzetten."
+
+Zoo sprak hij in de diepste overtuiging van zijn gemoed, gebogen over
+'t geen men zijn eigen afgrond zou kunnen noemen. Hij stond op van
+zijn stoel en wandelde door de kamer.--Kom, zeide hij, denken wij er
+niet meer aan. Mijn besluit is genomen!--Maar hij voelde geen vreugde.
+
+Integendeel.
+
+Men kan evenmin den geest beletten, tot een denkbeeld terug te keeren,
+als de zee om terug te keeren tot het strand. Van de zee noemt men
+dit vloed; van den schuldige wroeging. God beweegt de ziel evenals
+den oceaan.
+
+Na weinige oogenblikken--wat hij er ook tegen doen mocht--ving hij
+dit sombere zelfgesprek weder aan, waarin hij sprak en hoorde beide,
+zeggende wat hij had willen verzwijgen, hoorende wat hij niet had
+willen hooren, zwichtende voor die geheimzinnige macht, welke tot
+hem zeide: "denk!" gelijk zij, twee duizend jaren geleden, tot een
+anderen veroordeelde zeide: "wandel!"
+
+Alvorens verder te gaan, en ten einde volkomen begrepen te worden,
+moeten wij een noodzakelijke opmerking maken.
+
+'t Is zeker, dat men met zich zelven kan spreken; geen menschelijk
+wezen, dat hiervan de ervaring niet heeft. Men kan zelfs zeggen,
+dat het woord nooit een grootscher verborgenheid is, dan wanneer het
+in den mensch van het verstand tot het geweten, en van het geweten
+weder tot het verstand gaat. 't Is alleen in dezen zin, dat de in
+dit hoofdstuk meermalen gebezigde woorden, hij zeide, hij riep,
+moeten verstaan worden; men zegt iets tot zich zelven, men spreekt
+met zich zelven, men roept in zich zelven, zonder dat de uitwendige
+stilte verstoord wordt. Er heerscht soms in ons een groot rumoer,
+alles spreekt in ons behalve de mond. De wezenlijkheden der ziel,
+hoewel niet zicht- en tastbaar, zijn daarom niet minder werkelijkheden.
+
+Madeleine vroeg zich dus af, hoe ver hij nu gekomen was. Hij onderhield
+zich over zijn "genomen besluit." Hij bekende zich zelven, dat, al
+wat hij in zijn geest had bepaald, onhoudbaar was, dat "de dingen hun
+loop laten,--den goeden God laten handelen" op de keper beschouwd,
+afschuwelijke huichelarij was. De vergissing van het lot en van de
+menschen toe te laten, ze niet te beletten, er door zwijgen toe mede
+te werken, kortom: niets te doen, was evenveel als alles te doen!'t
+Was de laagste trap der schandelijkste geveinsdheid. 't Was een lage,
+lafhartige, gemeene, afzichtelijke, verfoeielijke misdaad!
+
+Voor het eerst sedert acht jaren voelde de ongelukkige man de
+bitterheid eener slechte gedachte en eener slechte daad.
+
+Hij wierp ze met afkeer en ontzetting van zich af.
+
+Hij ging in zijn eigen-onderzoek voort. Hij vroeg zich ernstig af,
+wat hij verstaan had onder de woorden: "Mijn doel is bereikt!" Hij
+betuigde zich zelven, dat zijn leven inderdaad een doel had. Maar
+welk doel? Zijn naam te verbergen? de politie te bedriegen? Was
+'t voor zulk een nietige zaak, dat hij al datgene gedaan had,
+wat hij had verricht? had hij geen ander doel, dat het eigenlijke,
+groote doel was? Niet zijn persoon, maar zijn ziel te redden. Weder
+een goed, eerlijk man te worden. Een rechtvaardige te zijn! was het
+dit niet bovenal, dit niet alleen, wat hij gewild, wat de bisschop
+hem aanbevolen had?--De deur voor zijn verleden sluiten? Maar hij
+sloot ze hierdoor niet; integendeel, hij opende ze opnieuw, door
+een schandelijke daad te plegen! hij werd weder een dief, en wel de
+afschuwelijkste dief! hij stal een ander zijn bestaan, zijn leven,
+zijn rust, zijn licht en geluk! hij werd een moordenaar! hij doodde,
+hij doodde zedelijk een ongelukkig mensch, hij bracht hem tot dien
+vreeselijken, levenden dood, dien dood in de open lucht, dien men het
+bagno noemt! Daarentegen--zich over te leveren, dezen man te redden,
+die 't slachtoffer van zulk een rampzalige dwaling was, zijn eigen naam
+weder aan te nemen, wederom uit plichtbesef Jean Valjean te worden; dit
+ware werkelijk de voltooiing zijner herleving en opstanding geweest,
+en het voor eeuwig sluiten der hel, waaruit hij kwam! Er schijnbaar
+in weder te keeren, was in werkelijkheid dien te verlaten! Dat
+moest hij doen; zoo hij dit niet deed, had hij niets gedaan; zijn
+geheel leven was nutteloos, zijn geheele boete ijdel. Hij kon niet
+anders zeggen dan: waartoe heeft het gediend? Hij gevoelde, dat de
+bisschop tegenwoordig was, dat hij te meer tegenwoordig was, dewijl
+hij dood was; dat de bisschop zijn blik strak op hem gericht hield,
+dat voortaan de maire Madeleine met al zijn deugden hem een gruwel zou
+zijn, en dat de tuchteling Jean Valjean bewonderenswaardig en rein
+zou wezen in zijn oogen. Dat de menschen slechts zijn masker zagen,
+maar dat de bisschop zijn aangezicht zag. Dat de menschen slechts zijn
+leven zagen, maar dat de bisschop zijn geweten zag. Hij moest dus
+naar Arras gaan, om den gewaanden Jean Valjean te bevrijden en den
+wezenlijken aan te geven. Helaas! dit was een ontzettend offer, een
+smartelijke overwinning, een laatste stap; maar hij moest. Rampzalig
+lot! hij kon voor Gods oog niet heilig zijn, dan wanneer hij voor de
+oogen der menschen wederom in de schande verzonk!
+
+"Welnu," zeide hij, "laten wij hiertoe besluiten! doen wij onzen
+plicht. Redden wij dien man!"
+
+Hij sprak deze woorden met luide stem, zonder er op te letten, dat
+hij luide sprak.
+
+Hij nam zijn boeken, zag ze na en bracht ze in orde. Hij wierp
+een lias met schuldbrieven van kleine kooplieden, die in bekrompen
+omstandigheden waren, op 't vuur. Toen schreef hij een brief, dien
+hij verzegelde en op welks adres men had kunnen lezen, zoo iemand
+op dat oogenblik in de kamer ware geweest: "Aan Mijnheer Laffitte,
+bankier, rue d'Artois te Parijs."
+
+Hij nam uit een secretaire een portefeuille die eenige bankbriefjes
+bevatte en het paspoort, waarvan hij zich dat jaar had bediend op
+zijn reis naar de verkiezingen.
+
+Wie hem gezien had, terwijl hij deze verschillende handelingen
+verrichtte, die met zulk eene ernstige overweging gepaard gingen, zou
+niet vermoed hebben wat in hem omging. Slechts nu en dan bewogen zich
+zijn lippen; een andermaal richtte hij het hoofd op en vestigde zijn
+blik op een of andere plek van den wand, als ware juist dáar iets,
+dat hij wilde onderzoeken of uitvorschen.
+
+Toen hij den brief aan Laffitte geschreven had, stak hij hem in zijn
+zak, evenals de portefeuille, en ging weder op en neer.
+
+Zijn gedachten hadden geen andere richting genomen. Duidelijk zag hij
+zijn plicht, in vlammende letters geschreven, die zijn zwevenden blik
+overal volgden: "Ga, noem uw naam, geef u aan!"
+
+Eveneens zag hij, en als bewogen zij zich in tastbare vormen voor hem,
+de twee gedachten, die tot hiertoe het dubbele richtsnoer zijns levens
+waren geweest: Zijn naam te verbergen, zijn ziel te heiligen.
+
+Voor het eerst verschenen zij hem geheel afzonderlijk. Hij erkende, dat
+eene dezer gedachten noodwendig goed was, terwijl de andere slecht kon
+worden; dat de eerste de godsdienstige wijding, de andere de zelfzucht
+was; dat de eene den "medemensch" gold, de andere "zijn eigen ik,"
+dat de eene uit het licht, de andere uit de duisternis voortkwam.
+
+Zij streden met elkander. Hij zag ze strijden. Naarmate hij ze langer
+overdacht, waren zij voor het oog van zijn geest grooter geworden; ze
+hadden nu reusachtige gestalten; en het scheen hem alsof hij in zijn
+binnenste, in dat oneindige, waarvan wij gesproken hebben, te midden
+der duisternis en van het licht, een godin en een reuzin zag strijden.
+
+Hij was met ontzetting vervuld, maar 't kwam hem voor, dat de goede
+gedachte de overwinning behaalde.
+
+Hij gevoelde, dat hij nu aan het tweede beslissende oogenblik
+van zijn geweten en van zijn lot gekomen was, dat de bisschop de
+aanleiding tot de eerste herschepping van zijn leven had gegeven,
+en dat Champmathieu die tot de tweede geven zou. Na de groote crisis
+kwam de groote beproeving.
+
+Intusschen vernieuwde zich allengskens de voor een oogenblik
+onderdrukte koorts. Duizenden gedachten rezen in hem op, maar zij
+dienden slechts om hem in zijn besluit te versterken.
+
+Voor een oogenblik had hij tot zich zelven gezegd:--dat hij
+misschien de zaak te ernstig opvatte, dat deze Champmathieu zooveel
+belangstelling niet verdiende, dat hij in alle geval gestolen had.
+
+Hij gaf zich zelven ten antwoord:--Zoo deze man werkelijk eenige appels
+heeft gestolen, wordt hij met een maand gevangenis gestraft. Dit is een
+oneindig groot verschil met de galeien. En zelfs, wie weet het? heeft
+hij wel gestolen? is 't bewezen? de naam van Jean Valjean bezwaart hem
+en schijnt bewijzen noodeloos te maken. Is dit niet gewoonlijk zoo,
+bij de procureurs des konings? Men gelooft, dat hij een dief is wijl
+men weet, dat hij een tuchteling is geweest.
+
+In een ander oogenblik kwam de gedachte bij hem op, dat, wanneer hij
+zich zelf zou hebben aangegeven, men misschien den zeldzamen heldenmoed
+dezer daad, zijn zevenjarig verdienstelijk leven en wat hij voor het
+gewest had gedaan, in aanmerking zou nemen, en hem gratie schenken zou.
+
+Maar deze veronderstelling verdween spoedig, en hij glimlachte bitter,
+als hij aan den diefstal der twee francs van den kleinen Gervais
+dacht, welke diefstal hem tot een "in herhaling van misdaad vervallen"
+(recidivist) maakte, dat deze zaak zekerlijk weer aan 't licht komen
+zou, en hem, volgens de uitdrukkelijke woorden der wet, tot de straf
+van levenslangen dwangarbeid zou doen veroordeelen.
+
+Hij trachtte zich aan alle zelfmisleiding te onttrekken, maakte
+zich meer en meer van de aarde los en zocht elders troost en
+kracht. Hij zeide tot zich zelven, dat hij zijn plicht moest doen;
+dat hij misschien niet ongelukkiger zou zijn, wanneer hij zijn
+plicht gedaan had, dan wanneer hij dien ontweken was; dat, zoo hij
+de dingen hun loop liet en hij te M. sur M. bleef, zijn aanzien,
+zijn goede naam, zijn goede werken, de achting, de vereering, welke
+men hem toedroeg, zijn liefdadigheid, zijn rijkdom, de genegenheid
+der bevolking, zijn deugd, met een misdaad bezoedeld zouden zijn;
+en hoe zouden deze zegeningen hem kunnen smaken, wanneer ze met zoo
+iets afschuwelijks gepaard gingen? terwijl, zoo hij zijn opoffering
+bracht, in 't bagno, aan den schandpaal, aan de keten, met de groene
+muts, in onophoudelijken arbeid, in schande zonder medelijden, zich
+een hemelsche gedachte te midden van dit alles zou mengen.
+
+Eindelijk zeide hij, dat het noodzakelijk was, dat zijn lot
+aldus bepaald was, dat hij de beschikkingen des Hemels niet mocht
+verhinderen, dat hij in allen geval een keus moest doen tusschen
+uitwendige deugd en inwendige schande, of tusschen inwendige deugd
+en uitwendige schande.
+
+Bij de overweging van al deze sombere voorstellingen, wankelde zijn
+moed niet, maar zijn hoofd werd moede. Onwillekeurig begon hij aan
+andere, aan onverschillige dingen te denken. Zijn slapen klopten
+geweldig; zijn hoofd bonsde. Hij ging altijd nog op en neer. Het sloeg
+twaalf uren, eerst van den kerktoren, toen van 't stadhuis. Hij telde
+de twaalf slagen van beide klokken, en vergeleek beider klank met
+elkander. Hij herinnerde zich bij deze gelegenheid, dat hij voor
+eenige dagen bij een oud-ijzerkoopman een oude klok had gezien,
+waarop deze naam stond: Antoine Albin de Romainville.
+
+Hij was koud. Hij stookte het vuur aan. Hij dacht er niet aan het
+venster te sluiten.
+
+Ondertusschen verzonk hij in een soort van wezenloosheid. Hij moest
+zich geweldig inspannen, om zich te herinneren waaraan hij gedacht had,
+vóór het twaalf uren sloeg. Eindelijk gelukte het hem.
+
+"Ha! 't is waar, ik had me voorgenomen mij aan te geven."
+
+En eensklaps dacht hij aan Fantine.
+
+"O, en die ongelukkige vrouw!"
+
+Een nieuwe crisis ontstond.
+
+Fantine, die plotseling in zijn mijmering oprees, scheen hem een
+onverwachte lichtstraal. Al wat hem omgaf, scheen van aanzien te
+veranderen en hij riep bij zich zelven:
+
+"Ja, tot hiertoe heb ik slechts alleen aan mij zelven gedacht:
+alleen mijn eigen belangen overwogen! Voor mij gold de vraag, te
+zwijgen of mij aan te geven,--mijn persoon te verbergen of mijn ziel
+te redden,--een verachtelijk maar geacht overheidspersoon of een
+versmaad maar deugdzaam galeiboef te zijn: 't is mij, altijd mij,
+alleen mij, die dit aangaat. Maar mijn hemel, dit is alles slechts
+zelfzucht. 't Zijn verschillende vormen der zelfzucht, maar toch
+niets anders dan zelfzucht! Moet ik ook niet een weinig aan anderen
+denken? De eerste trap der deugd is, aan anderen te denken? Laat ons
+zien en onderzoeken! Wanneer ik weg, verdwenen, vergeten ben, wat zal
+van dit alles worden?--Zoo ik mij aangeef? dan zet men mij gevangen,
+men laat Champmathieu los, men voert mij weder naar de galeien:--goed,
+en vervolgens? Wat gebeurt hier? Hier, hier hebben wij een stad,
+fabrieken, een industrie, werklieden, mannen, vrouwen, grijsaards,
+kinderen, arme lieden! Dit alles heb ik geschapen; dit alles leeft door
+mij; overal waar een schoorsteen rookt, heb ik het hout op den haard
+en het vleesch in den pot gedaan; ik heb welvaart, handel en krediet
+aangebracht, vóór mij was van dit alles niets; ik heb het geheele
+oord opgericht, verlevendigd, bezield, vruchtbaar gemaakt, versterkt
+en verrijkt; ontbreek ik, dan ontbreekt de ziel. Ga ik, dan sterft
+alles.--En deze vrouw, die zooveel geleden heeft, die, in weerwil
+van haar val, zooveel goeds heeft, wier ongeluk ik onwillekeurig
+veroorzaakt heb! En 't kind, dat ik wilde gaan halen, dat ik der
+moeder beloofd heb! Ben ik ook niets aan deze vrouw verschuldigd,
+ter vergoeding van het leed, dat ik haar veroorzaakt heb? Wat zal
+gebeuren, zoo ik verdwijn? De moeder sterft. Het kind wordt aan zich
+zelf overgelaten. Dat gebeurt, indien ik mij aangeef.--En zoo ik mij
+niet aangeef? Laat eens zien, zoo ik mij niet aangeef, wat dan?"
+
+Na zich deze vraag gesteld te hebben, zweeg hij; hij scheen een
+oogenblik te aarzelen en te beven; maar 't was slechts een oogenblik,
+en hij antwoordde bedaard:
+
+"Welnu, deze man gaat naar de galeien; 't is waar; maar, wat drommel,
+hij heeft gestolen! Ik moge zeggen wat ik wil, hij heeft gestolen! Ik
+blijf hier, ik zet mijn zaken voort; in tien jaren zal ik tien
+millioen hebben gewonnen; ik verspreid ze door 't land; ik zal niets
+voor mij behouden; wat maakt mij dat uit? 't Is niet voor mij zelven,
+wat ik doe. De algemeene welvaart neemt toe, de nijverheid ontwaakt
+en ontwikkelt zich, de fabrieken en werkplaatsen vermeerderen; de
+gezinnen, honderd, duizend gezinnen zijn gelukkig; het gewest wordt
+volkrijker; er ontstaan dorpen, waar nu slechts hoeven zijn; er komen
+hoeven waar nu niets is; de armoede verdwijnt, en met de armoede
+verdwijnen zedeloosheid, de prostitutie, de diefstal, de moord,
+alle ondeugden, alle misdaden! En deze arme moeder voedt haar kind
+op! en een geheel gewest is welvarend en deugdzaam. O, ik was dwaas,
+waanzinnig! hoe kon ik er aan denken mij te willen aangeven? Men
+moet alles wel overwegen, en niets met overhaasting doen. Hoe! wijl
+'t mij in den zin komt den deugdzame, den edelmoedige te spelen,
+'t Zou waarlijk niets anders dan een melodrama zijn! Wijl ik alleen
+aan mij, aan mijn eigen persoon gedacht heb! Om een dief, althans
+blijkbaar iemand zonder beteekenis, aan een misschien al te strenge,
+maar eigenlijk toch billijke straf te onttrekken, zou een geheel gewest
+te gronde gaan! een arme vrouw in 't gasthuis sterven! een arm meisje
+op de straat van gebrek omkomen! als een hond! O, 't zou afschuwelijk
+zijn! En zelfs zonder dat de moeder haar kind heeft wedergezien! zonder
+dat het kind schier de moeder gekend heeft! eeniglijk ter wille van
+dien ouden schelm, dien appeldief, die zeker de galeien wel voor
+iets anders heeft verdiend, zoo het niet voor deze zaak is. Fraaie
+nauwgezetheid, welke een schuldige redt en onschuldigen opoffert, een
+ouden landlooper redt, die bij slot van rekening toch slechts weinige
+jaren te leven heeft en niet veel ongelukkiger in het bagno dan in zijn
+hut zal zijn, en hiervoor een geheele bevolking, moeders, vrouwen,
+kinderen zou opofferen! Die arme kleine Cosette, die niemand anders
+dan mij op de wereld heeft, en op dit oogenblik, waarschijnlijk blauw
+van koude, in 't ellendig verblijf der Thénardier's verwijlt. Dat zijn
+ook kanaljes! En zou ik ten aanzien van deze allen aan mijn plichten
+te kort doen! Ik zou mij gaan aangeven! Ik zou zulk eene dwaasheid
+doen. Laat ons het ergste nemen. Laat ons aannemen, dat ik in deze
+zaak slecht handel en mijn geweten 't mij eenmaal zal verwijten,--maar
+zoo ik, tot welzijn van anderen, mij aan deze verwijten onderwerp,
+die alleen op mij nederkomen, deze slechte daad verricht, die slechts
+mijne eigene ziel schade kan doen, zoo geschiedt dit uit opoffering,
+uit deugd.
+
+Hij stond op en ging weder op en neer. Dezen keer scheen hij met zich
+zelven tevreden te zijn.
+
+Men vindt de diamanten slechts in den donkeren schoot der aarde; men
+vindt de waarheden alleen in de diepte der gedachten. Het kwam hem
+voor alsof hij, na in deze diepte te hebben verwijld, na lang in de
+diepste duisternis te hebben rondgetast, eindelijk een dier diamanten,
+een dier waarheden had gevonden, en dat hij ze in zijn hand hield,
+terwijl hij zich door haar aanschouwing liet verblinden.
+
+Ja, dacht hij, zoo is het. Ik heb de waarheid, de oplossing. Men
+moet zich eindelijk aan iets houden. Mijn besluit is genomen. Laat
+gebeuren wat wil! Niet gewankeld, niet achteruit gegaan. Zóó is
+'t in aller belang, niet in het mijne. Ik ben Madeleine, ik blijf
+Madeleine. Ongelukkig, wie Jean Valjean is! Ik ben 't niet meer. Ik ken
+dien man niet, ik weet niet meer wie hij is! zoo er thans nog iemand
+gevonden wordt, die Jean Valjean heet, dat hij er zich uitredde. 't
+Gaat mij niet aan. 't Is een noodlottige naam, die in de duisternis
+zweeft; zoo hij op iemands hoofd nedervalt, des te erger voor dezen.
+
+Hij bezag zich in den kleinen spiegel op den schoorsteen en zeide:
+
+"Zie, 't heeft mij verlicht nu ik een besluit genomen heb! Ik ben nu
+geheel anders."
+
+Hij deed nog eenige schreden, toen bleef hij plotseling staan en zeide:
+
+"Welaan! niet teruggedeinsd voor eenig noodzakelijk gevolg van mijn
+genomen besluit. Er zijn nog draden, die mij aan dezen Jean Valjean
+hechten. Ik moet ze verbreken. Zelfs in deze kamer zijn voorwerpen,
+die mij zouden beschuldigen, stomme dingen, die tegen mij zouden
+kunnen getuigen; ja,--dat alles moet verdwijnen.
+
+Hij tastte in zijn zak, nam zijn beurs en daaruit een sleuteltje.
+
+Hij stak dat sleuteltje in een slot, waarvan de opening nauwelijks
+te ontdekken was, daar ze in de donkerste schakeeringen van het
+behangselpapier, dat den muur bedekte, was verborgen. Een geheime
+ruimte opende zich; een soort van kastje, dat tusschen den hoek van den
+muur en den schoorsteenmantel was aangebracht. In dat kastje bevonden
+zich slechts eenige prullen; een blauwlinnen kiel, een oude broek,
+een oude ransel en een aan beide einden met ijzer beslagen dikke
+doornen stok. Zij, die Jean Valjean gezien hadden, op het tijdstip,
+toen hij in October 1815 door D. kwam, zouden gereedelijk al de
+stukken zijner ellendige kleeding hebben herkend.
+
+Hij had ze bewaard, evenals hij de zilveren kandelaars bewaard had,
+om zich steeds het keerpunt in zijn leven te herinneren. Maar dit,
+dat uit het bagno kwam, verborg hij, en de kandelaars, die van den
+bisschop kwamen, liet hij zien.
+
+Hij sloeg een schuwen blik op de deur, alsof hij vreesde, dat zij,
+in weerwil van den voorgeschoven grendel, mocht geopend worden; toen
+nam hij, zonder zelfs het oog te slaan op deze voorwerpen, welke hij
+zoo zorgvuldig en met zooveel gevaar gedurende vele jaren had bewaard,
+met een haastigen greep lompen, stok, ransel, en wierp alles te zamen
+in het vuur.
+
+Hij sloot het verborgen kastje, en met dubbele voorzichtigheid,
+die voortaan echter niet meer behoefde; wijl het kastje ledig was,
+schoof hij er een zwaar meubelstuk voor.
+
+Na weinige seconden waren de kamer en de tegenoverstaande muur door
+een sterk flikkerenden weerschijn verlicht. Alles brandde; de doornen
+stok knetterde en wierp vonken tot in 't midden der kamer.
+
+Uit den ransel, die met de daarin zijnde afzichtelijke vodden
+verbrandde, was iets gevallen, dat in de asch glinsterde. Als
+men zich gebukt had, zou men gemakkelijk een geldstuk hebben
+ontdekt. Ongetwijfeld het tweefrancstuk, dat aan den kleinen savooiaard
+ontstolen was.
+
+Maar hij sloeg geen oog op het vuur en ging steeds met denzelfden
+tred heen en weder. Eensklaps viel zijn blik op de beide zilveren
+kandelaars, die door het schijnsel van het vuur op den schoorsteen
+glinsterden.
+
+Ha! dacht hij, daarin leeft Jean Valjean nog geheel en al. Ook zij
+moeten vernietigd worden.
+
+Hij nam de beide kandelaars.
+
+Er was vuur genoeg, om ze spoedig tot een vormloozen klomp te
+versmelten en onherkenbaar te maken.
+
+Hij boog zich over den haard en warmde zich even. 't Deed hem goed,
+en hij zeide: Een aangename warmte!
+
+Met een der kandelaars stookte hij het vuur op.
+
+Een minuut later, en beide lagen in het vuur.
+
+Op dit oogenblik scheen hij een inwendige stem te hooren, die hem
+toeriep: "Jean Valjean! Jean Valjean!"
+
+Zijn haar rees te berge; het was hem als iemand, die iets vreeselijks
+hoort.
+
+"Ja, zoo is het goed, ga voort!" zei de stem. "Voltooi
+wat ge doet! vernietig deze kandelaars! vernietig deze
+herinnering! vergeet den bisschop! vergeet alles! stort Champmathieu in
+'t verderf! Goed! wensch u geluk! 't Is dus bepaald, besloten! deze
+man, deze grijsaard, die niet weet wat men van hem wil, die wellicht
+niets misdreven heeft, een onschuldige, wiens ongeluk alleen door uw
+naam is veroorzaakt, op wien uw naam als een misdaad drukt, zal voor
+u gehouden, zal veroordeeld worden; hij zal zijn leven in schande en
+ellende doorbrengen! Goed! Wees gij een eerlijk man! Blijf mijnheer
+de maire, blijf achtbaar en geëerd, verrijk de stad, voed de armen,
+verpleeg de weezen, leef gelukkig, deugdzaam en bewonderd, en terwijl
+gij hier in vreugde en glans zult leven, zal een ander uw roode buis,
+uw eerloozen naam dragen en in het bagno uw keten sleepen. Ja, zoo
+is het wijs overlegd! O, ellendeling!"
+
+Het zweet droop van zijn voorhoofd. Strak staarde hij op de
+kandelaars. Wat evenwel in hem sprak, had nog niet geëindigd. De stem
+ging voort:
+
+"Jean Valjean! vele stemmen zullen zich rondom u verheffen, luide
+spreken en u zegenen; maar één stem, die niemand hoort, zal u in de
+duisternis vloeken. Welnu, luister, eerlooze! al deze zegeningen
+zullen neerslaan, vóór ze den hemel hebben bereikt, en slechts de
+vloek zal tot God opstijgen."
+
+Deze stem, aanvankelijk zwak, uit het duisterste van zijn geweten
+opgerezen, was allengs geweldig en schrikbarend geworden, en hij
+hoorde ze nu in zijn ooren, 't Was hem, alsof zij van hem uit was
+gegaan en nu buiten hem sprak. Hij meende zoo duidelijk de laatste
+woorden te hooren, dat hij angstig de kamer rondzag.
+
+"Is hier iemand?" vroeg hij luid en ontroerd.
+
+En hij hernam, met een lach, welke dien van een waanzinnige geleek:
+"Wat ben ik dwaas! hier kan niemand zijn!''
+
+Er was evenwel iemand; maar iemand, dien 't menschelijk oog niet
+zien kan.
+
+Hij zette de kandelaars weder op den schoorsteen.
+
+Toen hervatte hij die eentonige, sombere wandeling, welke den man,
+die onder hem sliep, in zijn droomen stoorde en deed ontwaken.
+
+Deze wandeling verlichtte en bedwelmde hem tevens. Het schijnt, dat
+men zich in gewichtige oogenblikken slechts heen en weer beweegt,
+om raad te vragen aan alles wat men ontmoet. Na weinige oogenblikken
+wist hij wederom niet meer hoe 't met hem geschapen was.
+
+Thans deinsde hij met evenveel schrik terug voor de beide besluiten,
+welke hij achtereenvolgens genomen had. De beide voornemens,
+die hij gevormd had, kwamen hem al even verderfelijk voor.--Welk
+een noodlottige vergissing, deze Champmathieu, die voor hem werd
+gehouden! Ten val te worden gebracht, juist door het middel, 't welk
+de Voorzienigheid eerst scheen bestemd te hebben om hem te behoeden.
+
+Een oogenblik sloeg hij een oog in de toekomst. Groote God! zich zelven
+aan te geven, over te leveren! Met innige wanhoop beschouwde hij alles;
+wat hij moest verlaten; alles, waartoe hij moest wederkeeren. Hij
+moest dan afstand doen van dit goede, reine, bekoorlijke leven, van
+aller achting, van zooveel eer en van de vrijheid! Hij zou niet meer
+wandelen in de velden, niet meer het gezang der vogelen hooren in de
+maand Mei: hij zou de kleine kinderen geen geschenken meer geven. Hij
+zou den zachten blik der dankbaarheid en der liefde niet meer op
+zich gevestigd zien! Hij zou het huis verlaten, dat hij gebouwd
+had; deze kleine kamer! Dit alles scheen hem in dit oogenblik zoo
+dierbaar! Hij zou deze boeken niet meer lezen, niet meer aan dit nette
+tafeltje schrijven! Zijn oude portierster, zijn eenige dienstbode,
+zou hem zijn ontbijt niet meer brengen! Groote God! in plaats van
+dat alles de gijzeling, de halsketen, het roode buis, de voetkogel,
+de zware arbeid, het cachot, de brits, alle hem bekende gruwelen! En
+dat op zijn leeftijd, na geweest te zijn wat hij thans was! Zoo
+hij nog jong ware! Maar oud, door iedereen ruw behandeld, door den
+opzichter onderzocht, door den bewaarder geslagen te worden! Barvoets
+in gespijkerde schoenen te gaan. 's Ochtends en 's avonds den smid
+zijn been te vertoonen. De nieuwsgierigheid der vreemdelingen te
+dulden, tot wie men zou zeggen: "dit is de beruchte Jean Valjean, die
+maire te M. sur M. is geweest." Des avonds, druipend van 't zweet,
+uitgeput van vermoeidheid, met de groene muts op de oogen, twee aan
+twee, onder de zweep van den bewaarder, die trapleer der drijvende
+gevangenis te moeten opklimmen! Ach! welk een ellende! Kan dan het
+lot boosaardig zijn als een verstandig wezen, en gedrochtelijk worden
+als het menschelijk hart?
+
+Wat hij ook deed, hij verviel altijd weder tot het noodlottige dilemma,
+dat aan al zijn gedachten ten grondslag lag:--"In het paradijs te
+blijven en er duivel worden! Naar de hel wederkeeren en er engel
+worden!"
+
+Wat te doen, groote God! wat te doen?
+
+De storm, waaruit hij zich met zooveel moeite gewerkt had, brak opnieuw
+in hem los. Zijn gedachten werden verward. Zij namen dat verstompte,
+lijdelijke aan, 't welk der wanhoop eigen is. De naam Romainville
+kwam hem telkens in den geest, met twee verzen van een liedje, dat
+hij eertijds gehoord had.
+
+Hij herinnerde zich dat Romainville een boschje bij Parijs was,
+waar in de maand April jeugdige verliefden seringen gaan plukken.
+
+Hij wankelde zoowel in- als uitwendig. Hij ging als een kind zonder
+leiband.
+
+In sommige oogenblikken verzette hij zich tegen zijne matheid en
+trachtte zijn geest weder kracht te geven. Hij poogde ten laatsten
+male en op beslissende wijze het raadsel op te lossen, waarbij
+hij, om zoo te spreken, vermoeid was neergezonken. Moet ik mij
+aangeven? moet ik zwijgen?--'t Gelukte hem niet, iets duidelijks
+te zien. De flauwe schaduwbeelden van alle voorstellingen, die zijn
+gepeins hadden opgewekt, flikkerden en verdwenen het een na het ander
+als in rook. Dit alleen gevoelde hij, dat, waartoe hij ook besloot,
+er iets in hem noodwendig en onvermijdelijk sterven moest; dat hij
+zoowel links als rechts in een graf stapte; dat hij òf van zijn geluk
+òf van zijn deugd afstand moest doen.
+
+Helaas! zijn besluiteloosheid had weder geheel de overhand. Hij was
+weder niets verder dan toen hij begon.
+
+Alzoo worstelde deze ongelukkige ziel als in een
+doodsstrijd. Achttienhonderd jaren vóór dezen rampzalige, had het
+geheimzinnige wezen, in 't welk al het heilige en al het lijden der
+menschheid vereenigd was,--had ook dit wezen, terwijl de olijfboomen
+in den woesten wind van het oneindige sidderden, met de hand lang den
+vriendelijken beker verwijderd, die, overvloeiende van duisternis en
+schaduw, hem in de diepten van het gesternde uitspansel verscheen.
+
+
+
+
+
+
+VIERDE HOOFDSTUK.
+
+VORMEN, DIE HET LIJDEN AANNEEMT GEDURENDE DEN SLAAP.
+
+
+'t Had drie uren in den morgen geslagen, en gedurende vijf uren had
+hij aldus schier onafgebroken heen en weder gegaan, toen hij eindelijk
+op een stoel nederzeeg.
+
+Hij viel in slaap en droomde.
+
+Deze droom was, gelijk meest alle droomen, slechts door iets
+smartelijks en treurigs, met den huiselijken toestand in verband,
+maar deze benauwde droom maakte zulk een diepen indruk op hem, dat hij
+dien later opschreef. Dit geschrift bevond zich onder zijn nagelaten
+papieren. Wij meenen de woorden letterlijk te moeten mededeelen.
+
+Hoe deze droom ook zijn mocht, de geschiedenis van dezen nacht zou
+onvolledig zijn, zoo wij hem verlieten. 't Is een treurig verhaal
+van een zieke ziel.
+
+Ziehier. Op den omslag vinden wij dezen regel geschreven: de droom,
+welken ik dien nacht had.
+
+
+ "Ik bevond mij buiten op een uitgestrekte vlakte, waar geen gras
+ groeide. 't Scheen mij, alsof 't geen dag en geen nacht was. Ik
+ wandelde met mijn broeder, den broeder uit mijne kindsheid, den
+ broeder, aan wien, ik beken het, ik nimmer denk, en dien ik mij
+ nauwelijks herinner.
+
+ "Wij praatten met elkander en ontmoetten voorbijgangers. Wij
+ spraken van een buurvrouw, welke wij vroeger hadden, en die,
+ sedert zij aan de straat woonde, steeds voor het open venster
+ arbeidde. Terwijl wij dus spraken, werden wij koud door den tocht
+ van dat open venster.
+
+ "Er waren geen boomen op die vlakte.
+
+ "Wij zagen een man, die ons voorbijging. Hij was geheel naakt
+ en aschkleurig, en zat op een paard, dat aardkleurig was. Deze
+ man had geen haar; men zag zijn kalen schedel en de aderen op
+ den schedel. Hij had een stokje in de hand, dat buigzaam was als
+ een wijngaardrank en zwaar als ijzer. Deze ruiter ging voorbij
+ en zeide niets tot ons.
+
+ "Mijn broeder zeide: laten wij den hollen weg nemen.
+
+ "Er was een holle weg, waar men noch struiken, noch gras zag. Alles
+ was aardkleurig, zelfs de hemel. Na eenige schreden voortgegaan te
+ zijn, ontving ik geen antwoord meer, wanneer ik sprak. Ik merkte,
+ dat mijn broeder niet meer bij mij was.
+
+ "Ik ging een dorp in, dat ik zag. Ik dacht dat het Romainville
+ moest zijn (waarom Romainville?)
+
+ "De eerste straat, welke ik doorging, was doodsch en eenzaam. Ik
+ sloeg een tweede straat in. Op den hoek van beide straten stond
+ een man tegen den muur. Ik vroeg dien man: Waar ben ik? Welk oord
+ is dit? De man antwoordde niet. Ik zag de deur van een huis open
+ staan, en ging binnen.
+
+ "De eerste kamer was ledig. Ik trad de tweede binnen. Achter
+ deze deur stond een man tegen den muur. Ik vroeg dien man: wien
+ behoort dit huis? Waar ben ik? De man antwoordde niet. Er was
+ een tuin bij het huis.
+
+ "Ik verliet het huis en ging in den tuin. De tuin was woest
+ en ledig. Achter den eersten boom vond ik een man staan. Ik
+ zeide tot den man: wien behoort deze tuin? Waar ben ik? De man
+ antwoordde niet.
+
+ "Ik ging 't dorp door en zag dat 't een stad was. Al de straten
+ waren eenzaam, al de deuren stonden open. Geen levend schepsel ging
+ over straat, in de kamers, of in de tuinen. Maar op den hoek van
+ elke straat, achter elke deur, achter elken boom stond zwijgend
+ een man. Men zag er altijd maar één te gelijk. Deze mannen zagen
+ mij voorbijgaan.
+
+ "Ik verliet de stad en ging naar buiten.
+
+ "Na eenigen tijd keerde ik mij om, en ik zag een groote menigte
+ achter mij. Ik herkende al de menschen, welke ik in de stad had
+ gezien. Zij hadden wonderlijke hoofden. Zij schenen zich niet te
+ haasten, en evenwel gingen zij sneller dan ik. Hun voetstappen
+ maakten geen geluid. In een oogenblik had deze menigte mij bereikt
+ en omringde mij. De gezichten dezer mannen waren aardkleurig.
+
+ "Toen zeide mij de eerste, dien ik gezien en ondervraagd had,
+ toen ik de stad binnenging:--Waar gaat ge heen? Weet ge niet,
+ dat ge sinds lang dood zijt?
+
+ "Ik opende den mond om te antwoorden, maar zag dat niemand meer
+ bij mij was."
+
+
+Madeleine werd wakker. Hij was ijskoud. De koude ochtendwind deed de
+opengebleven ramen op hun hengels draaien. Het vuur was uitgegaan. De
+kaars brandde in de pijp. Het was nog donkere nacht.
+
+Hij stond op en ging naar 't raam. Geen ster was nog aan den hemel.
+
+Uit het venster zag men op de plaats van het huis en op de straat. Een
+ratelend, krakend geluid van de straat deed hem de oogen naar beneden
+slaan.
+
+Hij zag twee roode sterren, wier stralen op zonderlinge wijze in de
+duisternis nu eens korter dan weer langer werden.
+
+Daar zijn gedachten nog ten halve door den droom beneveld waren, dacht
+hij:--Zie, aan den hemel zijn geen sterren; zij zijn thans op de aarde.
+
+Zijn geestverwarring verdween echter, en een tweede gerucht, gelijk
+aan het eerste, maakte hem volkomen wakker; hij zag nauwkeuriger toe
+en bespeurde, dat deze twee sterren de lantaarns van een rijtuig waren.
+
+Bij het schijnsel van het licht, dat zij wierpen, kon hij den vorm
+van een rijtuig onderscheiden. 't Was een tilbury, met een klein,
+wit paard bespannen. Het gerucht, dat hij gehoord had, was de hoefslag
+van het paard op de straatsteenen.
+
+"Wat beteekent dit rijtuig?" vroeg hij bij zich zelf. "Wie komt hier
+zoo vroeg?"
+
+Juist werd er zacht aan de deur zijner kamer geklopt.
+
+Hij rilde van het hoofd tot de voeten, en riep verschrikt:
+
+"Wie is daar?"
+
+"Ik, mijnheer de maire," antwoordde iemand.
+
+Hij herkende de stem zijner oude portierster.
+
+"Welnu, wat is er?" vroeg hij.
+
+"Mijnheer de maire, 't is zoo vijf uur."
+
+"Wat gaat mij dat aan?"
+
+"De cabriolet is er, mijnheer de maire."
+
+"Welke cabriolet?"
+
+"De tilbury."
+
+"Welke tilbury?"
+
+"Heeft mijnheer de maire geen tilbury besteld?"
+
+"Neen," antwoordde hij.
+
+"De koetsier zegt, dat hij 't mijnheer komt brengen."
+
+"Welke koetsier?"
+
+"De koetsier van Scaufflaire."
+
+"Scaufflaire!"
+
+Deze naam deed hem schrikken, alsof een bliksemstraal langs zijn
+oogen schoot.
+
+"O ja," hernam hij; "Scaufflaire."
+
+Zoo de oude vrouw hem op dat oogenblik had kunnen zien, zou zij
+geschrokken zijn.
+
+Er ontstond eene pauze. Hij staarde met wezenloozen blik in de vlam
+der kaars en nam van het heete, smeltend vet van de pit, en wreef dat
+tusschen zijn vingers. De oude vrouw wachtte. Zij waagde het nogmaals
+haar stem te verheffen:
+
+"Mijnheer de maire, wat moet ik zeggen?"
+
+"Zeg dat het goed is, ik kom."
+
+
+
+
+
+
+VIJFDE HOOFDSTUK.
+
+SPAKEN IN DE WIELEN.
+
+
+De postdienst van Arras naar M. sur M. werd destijds nog verricht
+door kleine postkarren uit den tijd van het keizerrijk. 't Waren
+tweewielige rijtuigen op veeren, van binnen met leder bekleed, en
+voor niet meer dan twee personen, een passagier en den postillon. De
+wielen hadden lange naven, welke andere rijtuigen op behoorlijken
+afstand houden, en die men nog in Duitschland op de wegen ziet. De
+langwerpige brievenkist was achter de cabriolet en maakte er een
+geheel mee uit. Deze kist was zwart en de cabriolet geel geschilderd.
+
+Deze rijtuigen, van alle tegenwoordig bestaande geheel afwijkende,
+hadden iets onbeschrijfelijk wanstaltigs en plomps; wanneer men
+ze in de verte langs den weg zag voortbewegen, geleken zij op die
+insekten, (termiten, geloof ik, geheeten,) met een dun voor- en zeer
+dik achterlijf. Zij reden overigens zeer snel. De postkar, die alle
+nachten te één ure, na de aankomst van de Parijsche postkar uit Arras
+vertrok, kwam even vóór vijf uren 's morgens te M. sur M. aan.
+
+Dien nacht stiet de postkar, bij het inrijden der stad M. sur M,
+op den hoek eener straat tegen een kleine tilbury met een wit paard
+bespannen, die van den anderen kant kwam, en waarin slechts één
+persoon, een man in een mantel gewikkeld, zat. Het wiel der tilbury
+kreeg een vrij harden schok. De postillon riep dien man toe stil te
+houden, maar de reiziger hoorde niet en reed in vollen draf voort.
+
+"Verduiveld! die man heeft haast," zei de postillon.
+
+De man, die zich zoo haastte, was hij, dien wij in zulk een
+bedroevenswaardigen zielestrijd gezien hebben.
+
+Waarheen ging hij? Hij had het niet kunnen zeggen. Waarom
+haastte hij zich? Hij wist het niet. Hij ging op goed geluk af
+voorwaarts. Waarheen? Ongetwijfeld naar Arras. Wellicht ook naar
+elders. Hij dacht hieraan bij wijlen, en dan ontroerde hij. Hij drong
+in dezen nacht door als in een afgrond. Iets dreef hem, iets trok
+hem aan. Niemand had kunnen zeggen, wat in hem omging; maar iedereen
+zal 't begrijpen. Wie is niet, ten minste éénmaal van zijn leven,
+de duistere spelonk van het onbekende binnengegaan?
+
+Overigens was hij tot geenerlei besluit gekomen, had zich niets
+voorgenomen, niets bepaald, niets gedaan. Geen zijner overleggingen was
+beslissend geweest. Hij was meer dan ooit als in den eersten oogenblik.
+
+Waarom ging hij naar Arras?
+
+Hij herhaalde bij zich zelven, wat hij bereids tot zich zelf had
+gezegd, toen hij de cabriolet van Scaufflaire huurde--dat, welke ook
+de uitkomst mocht zijn, niets hem behoefde te weerhouden, met eigen
+oogen te zien, in persoon over de zaken te oordeelen;--dat het zelfs
+voorzichtig was te weten wat er gebeuren zou;--dat er geen besluit
+was te nemen dan na wel onderzocht en overwogen te hebben;--dat
+men zich op een afstand alles vergroot voorstelt;--dat eindelijk,
+wanneer hij dien Champmathieu, een of anderen ellendeling, gezien had,
+zijn geweten zich waarschijnlijk zeer verlicht zou voelen door hem in
+zijne plaats naar het bagno te laten gaan;--dat, wel is waar, Javert,
+alsmede Brevet, Chenildieu en Cochepaille, oude tuchtelingen, die hem
+gekend hadden, er ook zouden zijn; maar zij zouden hem stellig niet
+herkennen.--Hoe kon hij zich zoo iets in 't hoofd halen! Javert had
+allen argwaan tegen hem opgegeven,--alle gissingen en vermoedens waren
+op Champmathieu gevestigd, en niets is stijfzinniger dan gissingen
+en vermoedens;--er was voor hem dus niet het minste gevaar te vreezen.
+
+Dat het inderdaad een onaangename toestand voor hem was, maar dat
+hij er wel uit zou komen;--dat hij in allen gevalle zijn lot, hoe
+ongunstig het mocht wezen, in zijn handen had,--dat hij er meester
+van was. Aan deze gedachten klemde hij zich vast.
+
+In den grond van zijn hart ware hij toch eigenlijk liever niet naar
+Arras gegaan.
+
+Hij ging er evenwel heen.
+
+Zich met dergelijke gedachten bezig houdende, legde hij de zweep
+over zijn paard, dat in dien regelmatigen, vasten draf bleef, waarin
+derdehalf uur in één uur wordt afgelegd.
+
+Naar gelang het rijtuig voortging, voelde hij iets in zich, dat
+achteruitging.
+
+Toen de dag aanbrak was hij op het vlakke veld, en de stad M. sur
+M. lag reeds verre achter hem. Hij zag 't aan den gezichteinder licht
+worden; hij zag, zonder er op te letten, al de koude gestalten van
+een wintermorgen voorbij zich heengaan.
+
+De morgen heeft evenzeer zijn spookbeelden als de avond. Hij zag
+ze niet; maar, zonder dat hij 't zelf merkte, voegden deze donkere
+schaduwbeelden van boomen en heuvels iets sombers en treurigs toe,
+aan de levende ongerustheid zijner ziel.
+
+Telkens wanneer hij een eenzaam huisje aan den weg voorbijreed,
+zeide hij bij zich zelven: daarbinnen zijn toch lieden die slapen!
+
+De hoefslag van het paard, de bellen van het tuig, de wielen op den
+weg brachten een zacht, eentonig geluid voort, aangenaam wanneer men
+vroolijk, maar onaangenaam wanneer men treurig is.
+
+'t Was volkomen dag toen hij te Hesdin aankwam. Hij hield stil voor
+een herberg, om zijn paard een weinig te laten uitrusten en het haver
+te doen geven.
+
+Dat paard was, gelijk Scaufflaire had gezegd, van het kleine
+Boulonneesche ras, dat te dikken kop, te grooten buik en te korten
+hals heeft, maar een breede borst, een breed kruis, fijne, gespierde
+en forsche pooten; een leelijk, maar sterk en gezond paardenras. Het
+voortreffelijke dier had vijf uren in twee uren afgelegd en had van
+achter nog geen droppel zweet.
+
+Madeleine steeg niet uit het rijtuig. De stalknecht, die de haver
+bracht, bukte plotseling en beschouwde het linker wiel.
+
+"Moet ge nog verder?" vroeg hij den reiziger.
+
+"Waarom?" vroeg deze, steeds in gedachten verdiept.
+
+"Zijt ge reeds ver gekomen?" hernam de knecht.
+
+"Vijf uren van hier."
+
+"Wel zoo!"
+
+"Waarom verwondert u dit?"
+
+De knecht bukte zich opnieuw, zag een poos zwijgend naar het wiel,
+en zich toen oprichtende, zeide hij:
+
+"'t Is mogelijk, dat dit wiel vijf uren heeft geloopen, maar stellig
+zal het dit geen kwartier meer doen."
+
+Madeleine sprong uit het rijtuig.
+
+"Wat zegt ge, vriend?"
+
+"Ik zeg, dat 't een wonder is, dat ge vijf uren hebt afgelegd, zonder
+met uw paard in een sloot langs den weg te zijn gevallen. Zie slechts."
+
+Inderdaad, het wiel was erg beschadigd. De stoot tegen de postkar
+had twee spaken gebroken en de naaf doen barsten, waarvan de schroef
+los zat.
+
+"Is hier een wagenmaker, vriend?" vroeg hij den stalknecht.
+
+"Welzeker, mijnheer."
+
+"Wees dan zoo goed hem te halen."
+
+"Hij woont twee schreden van hier. Hei, baas Bourgaillard!"
+
+Baas Bourgaillard, de wagenmaker, stond voor zijn deur. Hij kwam,
+onderzocht het wiel en zette een gezicht als een chirurgijn, die een
+gebroken been ziet.
+
+"Kunt ge dadelijk dat wiel herstellen?"
+
+"Ja, mijnheer."
+
+"Wanneer kan ik verder reizen?"
+
+"Morgen."
+
+"Morgen!"
+
+"Er is voor een dag werk aan. Heeft mijnheer haast?"
+
+"Groote haast. Ik moet uiterlijk over een uur vertrekken."
+
+"Onmogelijk, mijnheer."
+
+"Ik zal betalen wat ge vraagt."
+
+"Onmogelijk."
+
+"Nu, dan in twee uren."
+
+"Vandaag is 't niet mogelijk. Er moeten twee nieuwe spaken en een
+naaf worden gemaakt. Mijnheer kan niet vóór morgen vertrekken."
+
+"Mijn zaak kan niet tot morgen wachten. Zoo ge een ander wiel naamt,
+in plaats van dit te herstellen?"
+
+"Hoe?"
+
+"Ge zijt wagenmaker?"
+
+"Gewis, mijnheer."
+
+"Hebt ge niet een wiel te koop? ik zou dan dadelijk kunnen vertrekken."
+
+"Een ander wiel?"
+
+"Ja."
+
+"Ik heb geen wiel voor uw cabriolet gereed. Twee wielen maken een
+paar. Twee verschillende wielen passen niet bij elkaar."
+
+"Verkoop mij dan een paar wielen."
+
+"Alle wielen passen niet op alle assen."
+
+"Beproef het eens."
+
+"'t Is onnoodig, mijnheer. Ik heb niets dan karwielen te koop. In
+dit plaatsje kent men geen andere."
+
+"Zoudt ge mij een cabriolet kunnen verhuren?"
+
+De wagenmaker had bij den eersten oogopslag gezien, dat de tilbury
+een huurrijtuig was. Hij haalde de schouders op.
+
+"Ge springt met de cabriolet, die men u verhuurt, aardig om! zoo ik
+er een had, zou ik ze u niet verhuren."
+
+"Nu, dan verkoopen?"
+
+"Ik heb er geen."
+
+"Wat! ook niet een karretje? ik ben niet keurig, zooals ge ziet."
+
+"We zijn hier in een klein plaatsje. Ik heb in mijn wagenschuur,"
+hernam de man, "wel een oude kales, die aan een burger in de stad
+behoort, welke ze mij ter bewaring heeft gegeven en ze zelden of nooit
+gebruikt. Ik wil ze u wel verhuren, wat kan 't mij schelen! maar de
+burger mag ze niet voorbij zien rijden, en bovendien, is 't een kales;
+daar zijn twee paarden voor noodig."
+
+"Ik zal postpaarden nemen."
+
+"Waar gaat mijnheer heen?"
+
+"Naar Arras."
+
+"En wil mijnheer daar vandaag zijn."
+
+"Zekerlijk."
+
+"Met postpaarden?"
+
+"Waarom niet?"
+
+"Is 't mijnheer goed, er van nacht te vier uren aan te komen?"
+
+"Volstrekt niet."
+
+"'t Is, weet ge..., met postpaarden heeft het veel bezwaar. Heeft
+mijnheer een pas?"
+
+"Ja."
+
+"Nu, zoo mijnheer postpaarden neemt, komt hij niet voor morgenochtend
+te Arras. Wij hebben hier een binnenweg. De wisselpaarden zijn
+moeielijk te krijgen, wijl zij op het veld zijn. 't Is het seizoen,
+dat het ploegen begint; er zijn veel paarden noodig, en men neemt
+paarden waar men ze krijgen kan, zoowel aan de paardenposterij als
+elders. Mijnheer zal minstens drie of vier uren aan elk station moeten
+wachten. Bovendien rijdt men stapvoets, want er zijn veel hoogten in
+den weg."
+
+"Welaan, dan rij ik te paard. Span de cabriolet uit; er zal hier wel
+een zadel te koop zijn."
+
+"O ja; maar wil dit paard onder den zadel loopen?"
+
+"'t Is waar, ge herinnert er mij aan, het wil niet onder den zadel."
+
+"Dan...."
+
+"Maar in 't dorp zal ik wel een paard kunnen huren?"
+
+"Een paard om in ééns door naar Arras te rijden?"
+
+"Ja."
+
+"Dat zou een paard moeten zijn, zooals men er hier geen heeft. Ge
+zoudt het bovendien moeten koopen, want men kent u niet. Maar te
+koop noch te huur, voor geen vijfhonderd, noch voor duizend francs,
+zoudt ge er een vinden."
+
+"Wat te doen?"
+
+"Op mijn woord, het beste is, dat ik het wiel herstel en ge uw reis
+tot morgen uitstelt."
+
+"Morgen is 't te laat."
+
+"Dat is erg!"
+
+"Is er geen postkar naar Arras? Wanneer passeert ze hier?"
+
+"Van nacht. Beide postkarren, zoowel die aankomt als die vertrekt,
+rijden 's nachts."
+
+"Maar hebt ge een geheelen dag werk om dit wiel te herstellen?"
+
+"Een dag, en wel een goeden!"
+
+"En zoo ge er twee werklieden aanzet?"
+
+"Al zette ik er tien aan."
+
+"Zoo men de spaken met touwen bond?"
+
+"Ja, de spaken, maar de naaf dan? Ook de velgen deugen niet."
+
+"Is in de stad een rijtuig-verhuurder?"
+
+"Neen."
+
+"Is er nog een andere wagenmaker?"
+
+De stalknecht en de wagenmaker antwoordden, te gelijk het hoofd
+schuddende: Neen.
+
+Madeleine gevoelde een onbeschrijfelijke blijdschap.
+
+'t Was duidelijk, dat de Voorzienigheid zich hierin mengde. Zij
+was het, die het wiel der tilbury had gebroken en ze op den weg
+tegenhield. Hij had aan de eerste soort van sommatie niet voldaan;
+alle mogelijke moeite had hij aangewend om zijn reis voort te zetten;
+eerlijk en nauwgezet had hij alle middelen aangewend; hij was noch
+voor het strenge seizoen, noch voor vermoeidheid, noch voor kosten
+teruggedeinsd; hij had zich niets te verwijten. 't Was zijn schuld
+niet, zoo hij niet verder kwam; hij kon niet meer doen, zijn geweten
+was voldaan, de Voorzienigheid had het aldus beschikt.
+
+Hij voelde zich verlicht. Hij ademde ruimer en uit volle borst, voor de
+eerste maal sedert Javert's bezoek. Het scheen hem toe, dat de ijzeren
+vuist, die sinds twintig uren zijn hart had dichtgeknepen, losliet.
+
+Het scheen hem, dat God thans vóór hem was en zich verklaarde.
+
+Hij zeide bij zich zelven, dat hij alles had gedaan wat hem mogelijk
+was, en hij nu gerust kon terugkeeren.
+
+Zoo zijn gesprek met den wagenmaker in een kamer der herberg ware
+gehouden, zou het geen getuigen hebben gehad, niemand zou het hebben
+gehoord, de zaak zou er bij gebleven zijn en waarschijnlijk zouden
+wij geene der gebeurtenissen hebben te vertellen gehad, die nu
+volgen; maar het gesprek viel op de straat voor. Ieder gesprek op
+de straat lokt onvermijdelijk nieuwsgierigen. Er zijn altijd lieden,
+die gaarne wat vernemen. Terwijl hij met den wagenmaker sprak, waren
+eenige voorbijgangers blijven staan. Een knaap, op wien niemand had
+gelet en die eenige minuten toegeluisterd had, verliet de groep en
+liep haastig weg.
+
+Juist toen de reiziger, na de beraadslaging met zich zelven, welke
+wij hebben vermeld, tot het besluit was gekomen om terug te keeren,
+kwam de knaap terug, vergezeld van een oude vrouw.
+
+"Mijnheer," zei de vrouw, "mijn jongen zegt mij, dat ge een cabriolet
+wenscht te huren?"
+
+Deze eenvoudige vraag van een oude vrouw, door een kind vergezeld,
+deed het zweet bij hem uitbreken. Hij meende de hand, die hem had
+losgelaten, weder achter zich in de schaduw te zien verschijnen,
+gereed om hem te vatten.
+
+Hij antwoordde:
+
+"Ja, goede vrouw, ik wenschte een rijtuig te huren."
+
+En schielijk voegde hij er bij:
+
+"Maar men zegt, dat er hier geen zijn."
+
+"O ja," zei de vrouw.
+
+"Waar dan?" vroeg de wagenmaker.
+
+"Bij mij," antwoordde de oude vrouw.
+
+Hij ontstelde. De noodlottige hand had hem weder gegrepen.
+
+Inderdaad, de oude vrouw had werkelijk in een schuur een soort
+van mandewagen. De wagenmaker en de stalknecht, wien 't speet, den
+reiziger uit hun handen te zien ontsnappen, kwamen tusschenbeide. 't
+Was een leelijke rammelkast,--zonder veeren,--de banken hingen wel
+op riemen--maar het regende er in,--de wielen waren verroest en door
+den regen half verteerd,--'t ding zou het niet veel verder dan de
+tilbury brengen,--een ware bolderwagen!--Mijnheer zou verkeerd doen,
+hierin te gaan zitten enz. enz.
+
+Dat alles was waar, maar die rammelkast, deze bolderwagen, dat ding,
+het mocht zijn wat het wou, rolde op twee wielen en kon wel naar
+Arras komen.
+
+Hij betaalde wat men vroeg, liet de tilbury bij den wagenmaker
+herstellen, om ze bij zijn terugkomst weer te kunnen meenemen, liet
+het witte paard voor het karretje spannen, klom er in en reed verder,
+steeds denzelfden weg.
+
+Toen het karretje zich in beweging zette, bekende hij zich zelven,
+dat hij een oogenblik te voren verblijd was geweest bij de gedachte,
+dat hij niet verder zou reizen. Hij onderzocht deze blijdschap met
+een soort van ontevredenheid en vond ze ten hoogste dwaas. Waarom
+zou hij zich verheugen, als hij terugkeerde? Hij deed de reis
+vrijwillig. Niemand dwong er hem toe. En zeker, er zou niets gebeuren,
+dan wat hij wilde.
+
+Toen hij Hesdin uitreed, hoorde hij een stem die riep: "Halt, halt! Hij
+hield stil, met een driftige beweging, die iets zenuwachtigs had en
+wederom eenige hoop aanduidde. 't Was het knaapje van de oude vrouw.
+
+"Mijnheer," zeide hij, "ik heb u het wagentje bezorgd."
+
+"Welnu?"
+
+"Krijg ik geen fooitje?"
+
+Hij, die aan iedereen en zoo lichtvaardig gaf, vond deze vraag
+onbescheiden en brutaal.
+
+"Zoo, zijt gij 't, jongen? gij krijgt niets," zeide hij.
+
+Hij legde de zweep op 't paard en reed in een draf voort. Te Hesdin
+had hij veel tijd verloren; hij wilde dien inhalen. Het paardje was
+vurig en trok als twee; maar 't was Februari, het had geregend en de
+wegen waren slecht. Daarbij was 't niet meer de tilbury. Het karretje
+was zwaar en ongemakkelijk, en de weg had veel hoogten en laagten.
+
+Hij besteedde bijna vier uren om van Hesdin naar St. Pol te komen; dat
+is vijf uren gaans in vier uren. Te St. Pol spande hij in de eerste de
+beste herberg uit, en liet zijn paard in den stal brengen. Hij bleef,
+zooals hij Scaufflaire had beloofd, er zelf bij, terwijl het paard
+at. Hij dacht daarbij aan treurige en verwarde dingen.
+
+De herbergiersvrouw kwam in den stal, en vroeg:
+
+"Wil mijnheer niet ontbijten?"
+
+"'t Is waar ook;" zeide hij, "zeker, ik heb zelfs honger."
+
+Hij volgde de vrouw, die een frisch en opgeruimd gezicht had. Zij
+geleidde hem in een lage kamer, waarin tafeltjes met wasdoeken
+kleedjes stonden.
+
+"Spoed u wat," hernam hij; "ik moet dadelijk weder op reis. Ik
+heb haast."
+
+Een dikke Vlaamsche meid dekte in allerijl de tafel. Hij aanschouwde
+de jonge dochter met een gevoel van welgevallen.
+
+"Dit hinderde mij," dacht hij; "ik had niet ontbeten."
+
+Men bediende hem. Hij greep het brood, nam een mondvol, legde het
+toen langzaam op de tafel en raakte er niet meer aan.
+
+Een voerman at aan een andere tafel. Hij vroeg aan dezen:
+
+"Waarom maken ze hier het brood zoo bitter?"
+
+De voerman was een Duitscher en verstond hem niet.
+
+Toen keerde Madeleine naar den stal bij het paard terug. Een uur
+later had hij Saint-Pol verlaten en reed naar Tinques, dat slechts
+vijf uren van Arras ligt.
+
+Wat deed hij gedurende dien rit? Waaraan dacht hij? Evenals des morgens
+zag hij de boomen, de hutten, de akkers voorbijvliegen, en ook het
+landschap, dat bij elke kromming van den weg veranderde. Het gezicht
+hiervan houdt de ziel soms genoegzaam bezig en ontslaat haar bijna
+van het denken. Het zien van duizenden dingen voor de eerste en de
+laatste maal, maakt gewis een erstigen en krachtigen indruk. Reizen
+is elk oogenblik geboren worden en sterven. Wellicht maakte hij in
+zijn geest vluchtige vergelijkingen tusschen deze afwisseling van
+tooneelen en het menschelijk leven. Alles in 't leven is ook in
+gestadige vlucht voor ons. Duisternis en licht wisselen elkander
+af. Op een helder licht volgt een eclips. Men ziet, men haast zich,
+men steekt de hand uit om vast te houden wat voorbijvliegt; iedere
+gebeurtenis is een kromming van den weg; en eensklaps is men oud. Men
+voelt iets als een schok, alles is zwart, men ziet een donkere poort,
+het sombere paard des levens, dat u voorttrok, blijft staan. En men
+ziet een onbekende gesluierde, die het uitspant in de duisternis.
+
+De avond daalde juist, toen de kinderen, die uit de school kwamen,
+den reiziger Tinques zagen binnenrijden.
+
+Men was, 't is waar, nog in de korte dagen van het jaar. Hij hield zich
+te Tinques niet op. Toen hij uit het dorp reed, hief een straatmaker
+die aan den weg werkzaam was, het hoofd op en zeide:
+
+"Nu, dat paard is wel vermoeid!"
+
+Inderdaad het arme dier ging slechts stapvoets.
+
+"Gaat ge naar Arras?" hernam de straatmaker.
+
+"Ja."
+
+"Zoo ge niet sneller rijdt, zult ge er niet vroeg zijn."
+
+De reiziger hield zijn paard stil en vroeg:
+
+"Hoever is Arras nog van hier?"
+
+"Zeven groote uren."
+
+"Wat? het postboek geeft slechts vijf en een kwart uur op."
+
+"O," hernam de straatmaker, "gij weet dus niet, dat men bezig is
+den weg te herstellen. Een kwartier uurs verder zult ge hem geheel
+opgebroken vinden. Daar is 't onmogelijk verder te rijden."
+
+"Waarlijk?"
+
+"Maar sla links af, dat is de weg, die naar Carency voert; ga over
+de rivier; te Camblin moet ge rechts afslaan; dat is de weg van
+Mont-Saint-Eloy naar Arras."
+
+"Maar 't wordt donker en ik zal verdwalen."
+
+"Zijt ge niet uit deze streken?"
+
+"Neen."
+
+"Erg genoeg. 't Zijn overal binnenwegen.--Luister, mijnheer," voegde
+de straatmaker er bij; "wil ik u een goeden raad geven? Uw paard is
+vermoeid; keer terug naar Tinques. Er is een goede herberg. Blijf er
+van nacht en ga morgen naar Arras."
+
+"Ik moet er hedenavond zijn."
+
+"Dat is iets anders. Ga dan evenwel naar die herberg en neem er een
+versch paard. De knecht zal u over den binnenweg rijden."
+
+Hij volgde den raad van den straatmaker, keerde terug, en na een half
+uur kwam hij voorbij dezelfde plek, maar in vollen draf en met een
+goed versch paard. Een stalknecht, die zich voor postillon uitgaf,
+zat voor op het lamoen.
+
+Intusschen merkte hij, dat hij tijd had verloren.
+
+Het was volslagen nacht.
+
+Zij kwamen op den binnenweg, die afschuwelijk was. Van den eenen
+modderplas zonk het karretje in den anderen. Hij zeide tot den
+postillon:
+
+"Blijf steeds in den draf, en ik geef u een dubbele fooi."
+
+Een hevige schok deed den zwengel breken.
+
+"De zwengel is gebroken, mijnheer," zei de postillon, "en ik weet nu
+niet, hoe het paard in te spannen; 's nachts is deze weg schrikkelijk
+slecht; zoo ge naar Tinques wildet terugkeeren en er van nacht slapen,
+zouden wij morgenochtend vroeg te Arras kunnen zijn."
+
+Hij antwoordde: "Hebt ge touw en een mes?"
+
+"Ja, mijnheer."
+
+Hij sneed een boomtak en maakte er een zwengel van.
+
+Daarmede gingen weder twintig minuten verloren; toen reden zij in
+galop verder.
+
+'t Was donker op de vlakte. Lage, dichte en donkere nevels zweefden
+boven de heuvelen en stegen op als rook. Tusschen de wolken zag men
+lichtvlekken. Een harde wind, die van zee kwam, loeide van alle zijden
+als bruisende golven. Al wat men nog kon zien, had een schrikbarend
+voorkomen. Wat beeft al niet onder die hevige winden van den nacht!
+
+De koude beving den reiziger. Hij had sinds den vorigen avond niet
+gegeten. Hij herinnerde zich nog zijn vroegeren nachttocht op de groote
+vlakte in den omtrek van D. acht jaren geleden; en 't kwam hem voor,
+alsof 't gisteren was gebeurd. Hij hoorde in de verte een klok slaan
+en vroeg den knecht hoe laat het was.
+
+"Zeven uren, mijnheer," zei deze "wij zullen te acht uren te Arras
+zijn; wij zijn er nog slechts drie mijlen af."
+
+Nu maakte hij voor het eerst de opmerking--en vond het zonderling,
+dat ze hem niet eerder in de gedachte was gekomen:--dat al de moeite,
+welke hij aanwendde, misschien nutteloos was; dat hij zelfs het uur van
+het rechtsgeding niet eens wist; dat hij ten minste hiernaar had moeten
+vernemen; dat het bespottelijk was op die wijze voort te reizen, zonder
+te weten of het ergens toe zou dienen.--Vervolgens maakte hij bij
+zich zelven eenige vluchtige berekeningen:--dat de zittingen van het
+hof van assises gewoonlijk des ochtends te negen uren begonnen;--dat
+deze zaak niet lang zou duren;--de diefstal der appelen zou zeer
+spoedig afgehandeld wezen;--dat er vervolgens niets anders was dan
+de kwestie der identiteit;--vier of vijf getuigenverhooren;--weinig
+door de advocaten te zeggen;--dat hij zou aankomen, wanneer alles
+reeds gedaan was!
+
+De postillon legde de zweep over de paarden. Zij waren de rivier
+overgegaan en Mont-Saint-Eloy voorbij. De nacht werd hoe langer
+hoe donkerder.
+
+
+
+
+
+
+ZESDE HOOFDSTUK.
+
+BEPROEVING VAN ZUSTER SIMPLICIA.
+
+
+Intusschen verkeerde Fantine op dit oogenblik in groote blijdschap. Zij
+had een zeer slechten nacht doorgebracht. Schrikkelijk hoesten,
+vermeerdering van koorts, onrustige droomen. Des ochtends, toen de
+geneesheer kwam, ijlde zij. Hij zette een zeer bedenkelijk gezicht
+en beval, dat men hem zou verwittigen, zoodra mijnheer Madeleine kwam.
+
+Den ganschen morgen was zij stil, sprak weinig, frommelde met de
+bedlakens en scheen binnensmonds afstanden te berekenen. Haar oogen
+waren diep in hun kassen gezonken en stonden strak. Zij schenen schier
+uitgedoofd; doch in sommige oogenblikken schitterden en fonkelden
+zij als sterren. Het is alsof bij de nadering van zeker vreeselijk
+uur het licht des hemels hen vervult, van wie het licht der aarde
+zich verwijdert.
+
+Telkens, wanneer zuster Simplicia haar vroeg, hoe zij zich bevond,
+antwoordde zij onveranderlijk: "Goed. Ik wenschte mijnheer Madeleine
+te zien."
+
+Eenige maanden vroeger, toen Fantine haar laatste restje eerbaarheid,
+haar laatste schaamte, en haar laatste vreugde had verloren, was
+zij de schaduw van zich zelve geweest; thans was zij het spookbeeld
+van zich zelve. Het lichamelijk lijden had het werk van het zedelijk
+lijden aangevuld. Dit vijf-en-twintigjarig wezen had een gerimpeld
+voorhoofd, slappe wangen, een spitsen neus, losse tanden, een blonde
+kleur, een mageren hals, uitstekende sleutelbeenen, uitgeteerde leden,
+een tanige huid, en grijze plekken in haar blond haar. Helaas! hoe
+de ziekte eensklaps den ouderdom doet ontstaan!
+
+Tegen den middag kwam de geneesheer weder; hij schreef iets voor,
+vroeg of mijnheer de maire in de ziekenzaal was geweest, en schudde
+het hoofd.
+
+Gewoonlijk bezocht de heer Madeleine de zieken te drie uren. Wijl
+stiptheid goedheid is, was hij stipt.
+
+Omstreeks half drie begon Fantine onrustig te worden. Binnen den tijd
+van twintig minuten vroeg zij meer dan tien malen aan de geestelijke
+zuster:
+
+"Zuster, hoe laat is het?"
+
+Het sloeg drie uur. Bij den derden slag richtte Fantine zich op, schoon
+zij zich anders nauwelijks in haar bed kon bewegen; schier krampachtig
+vouwde zij haar magere, gele handen samen, en de liefdezuster hoorde
+uit haar borst een dier diepe zuchten opstijgen, welke een zwaren
+last schijnen op te heffen. Toen wendde Fantine het hoofd en zag naar
+de deur.
+
+Niemand kwam binnen; de deur opende zich niet.
+
+Zoo zat zij een kwartieruurs, met het oog op de deur gericht,
+bewegingloos en als hield zij haar adem in. De zuster durfde haar niet
+toespreken. Van den kerktoren sloeg het kwart over drieën. Fantine
+zonk weder in het hoofdkussen.
+
+Zij zeide niets en begon het bedlaken weder te frommelen.
+
+Een half uur verstreek, een uur, maar niemand kwam; telkens wanneer
+de klok sloeg, richtte Fantine zich op en zag naar de deur; dan zeeg
+zij weder neer.
+
+Men zag duidelijk haar gedachte, maar zij sprak geen naam uit, zij
+klaagde niet, zij beschuldigde niet. Maar zij hoestte akelig. 't Was
+alsof iets duisters op haar nederdaalde. Zij was doodsbleek en haar
+lippen waren blauw. Nu en dan glimlachte zij.
+
+Het sloeg vijf uren. Toen hoorde de zuster haar zeer stil en zacht
+zeggen: "Maar wijl ik morgen heenga, begrijp ik niet, dat hij heden
+niet komt."
+
+Zuster Simplicia zelve was insgelijks verwonderd over Madeleine's
+uitblijven.
+
+Fantine zag opwaarts naar den hemel van haar bed. Zij scheen te
+trachten, iets in haar geheugen terug te roepen. Eensklaps begon zij
+te zingen, met een stem zoo zwak als een adem. De geestelijke zuster
+luisterde. Fantine zong het volgende:
+
+
+ Nous achèterons de bien belles choses
+ En nous promenant le long des faubourgs.
+ Les bleuets sont bleus, les roses sont roses,
+ Les bleuets sont bleus, j'aime mes amours.
+
+ La vierge Marie auprès de mon poèle
+ Est venue hier en manteau brodé;
+ Et m a dit:--Voici, caché sous mon voile,
+ Le petit qu'un jour tu m'as demandé.--
+ Courez à la ville, ayez de la toile,
+ Achetez du fil, achetez un dé.
+
+ Nous achèterons de bien belles choses
+ En nous promenant le long des faubourgs.
+
+ Bonne sainte Vierge, auprès de mon poèle
+ J'ai mis un berceau de rubans orné;
+ Dieu me donnerait sa plus belle étoile,
+ J'aime mieux l'enfant que tu m'as donné.
+ --Madame, que faire avec cette toile?
+ --Faites un trousseau pour mon nouveau-né.
+
+ Les bleuets sont bleus, les roses sont roses,
+ Les bleuets sont bleus, j'aime mes amours.
+
+ Lavez cette toile--Où?--Dans la rivière,
+ Faites-en, sans rien gâter ni salir,
+ Une belle jupe avec sa brassière!
+ Que je veux broder et de fleurs emplir.
+ --L'enfant n'est plus là, madame, qu'en faire?
+ --Faites-en un drap pour m'ensevelir.
+
+ Nous achèterons de bien belles choses
+ En nous promenant le long des faubourgs.
+ Les bleuets sont bleus, les roses sont roses,
+ Les bleuets sont bleus, j'aime mes amours. [13]
+
+
+Dit was een oud wiegelied, waarmede zij eertijds haar kleine Cosette
+in slaap zong, en 't welk haar nu in de vijf jaren, gedurende welke
+zij haar kind niet meer had, niet in den geest was gekomen. Zij zong
+het met zulk een treurige stem en op zulk een zachten toon, dat zij
+zelfs den ongevoeligste zou hebben doen weenen. De geestelijke zuster,
+aan treurige zaken gewoon, voelde een traan in haar oogen opwellen.
+
+Het sloeg zes uren. Fantine scheen niet te hooren. Zij scheen op
+niets te letten van wat haar omgaf.
+
+Zuster Simplicia zond een dienstmeisje naar de portierster der fabriek
+om te vernemen, of mijnheer de maire te huis was gekomen, en of hij
+ook spoedig de ziekenzaal zou bezoeken. Het meisje kwam na eenige
+minuten terug.
+
+Fantine lag altijd stil en scheen uitsluitend met haar gedachten bezig.
+
+Het dienstmeisje zeide fluisterend aan zuster Simplicia, dat mijnheer
+de maire dienzelfden morgen vóór zes uren in een kleine tilbury met
+een wit paard was uitgereden, alléén, zonder voerman; dat men niet
+wist, waarheen hij was gereden, dat sommigen zeiden hem den weg naar
+Arras te hebben zien inslaan, doch dat anderen verzekerden hem op
+den weg naar Parijs ontmoet te hebben. Dat hij bij zijn vertrek,
+als gewoonlijk, zeer minzaam was geweest, maar aan de portierster
+gezegd had, dat men hem van nacht niet terug moest verwachten.
+
+Terwijl de twee vrouwen, met den rug naar Fantine's bed gekeerd, samen
+fluisterden, de zuster vragende, het dienstmeisje antwoordende,
+had zich Fantine, met de koortsige levendigheid van sommige
+organische ziekten, welke de vrije bewegingen der gezondheid met de
+verschrikkelijke magerheid des doods gepaard doet gaan, in haar bed
+op de knieën geworpen, steunde krampachtig met haar hand op de peluw,
+en zag luisterend tusschen de bedgordijnen heen. Eensklaps riep zij:
+
+"Gij spreekt van mijnheer Madeleine! waarom fluistert ge? Wat doet
+hij? Waarom komt hij niet?"
+
+Haar stem klonk zoo luid en forsch, dat de beide vrouwen een mannenstem
+meenden te hooren. Verschrikt zagen zij om.
+
+"Antwoord toch!" riep Fantine.
+
+Het dienstmeisje stamelde:
+
+"De portierster heeft mij gezegd, dat hij heden wellicht niet zou
+komen."
+
+"Mijn kind," zei de liefdezuster, "wees rustig, ga weder liggen."
+
+Fantine hernam, zonder van houding te veranderen, luid en op een
+heftigen, hartverscheurenden toon:
+
+"Zou hij niet komen? Waarom? Ge weet de reden; ge spraakt er
+fluisterend over. Ik wil ze weten."
+
+De dienstmeid fluisterde schielijk de liefdezuster toe: "Zeg, dat
+hij op het stadhuis bezig is."
+
+Op zuster Simplicia's gezicht kwam een lichte blos; 't was een leugen,
+welke het meisje haar voorstelde. Van de andere zijde erkende zij, dat,
+zoo men de zieke de waarheid zeide, haar dit een vreeselijken slag zou
+toebrengen, 't geen in Fantine's toestand gevaarlijk kon zijn. De blos
+op haar gelaat verdween spoedig. De liefdezuster richtte haar kalmen,
+treurigen blik op Fantine en zeide:
+
+"Mijnheer de maire is op reis."
+
+Fantine richtte zich op en ging gehurkt zitten. Haar oogen
+glinsterden. Haar smartelijk gelaat schitterde van onbeschrijfelijke
+blijdschap.
+
+"Op reis!" riep zij, "hij is Cosette gaan halen."
+
+Toen hief zij haar handen ten hemel en haar geheele houding scheen
+zich te verheffen. Haar lippen bewogen zich; zij bad in stilte.
+
+Toen zij gebeden had, zeide zij: "Zuster, ik wil weder gaan liggen,
+ik zal alles doen wat men wil; zoo aanstonds was ik ondeugend; ik
+vraag u vergeving, zoo luid gesproken te hebben; 't is volstrekt niet
+goed zoo luid te spreken; ik weet het, goede zuster; maar zie, nu ben
+ik zeer tevreden. De lieve God is goed; mijnheer Madeleine is goed;
+verbeeldt u, hij is naar Montfermeil gegaan, om mijn Cosette te halen."
+
+Zij legde zich neder, hielp de liefdezuster het hoofdkussen verschikken
+en kuste het zilveren kruisje, dat zij aan den hals droeg, en 't welk
+zuster Simplicia haar gegeven had.
+
+"Mijn kind," zei de zuster, "tracht nu te slapen en spreek niet meer."
+
+Fantine nam de hand der zuster in haar klamme handen; deze voelde
+dit zweet met inwendige smart.
+
+"Hij is van ochtend naar Parijs vertrokken. Hij behoeft trouwens
+niet over Parijs te gaan. Montfermeil ligt van hier een weinig
+links. Herinnert ge u, dat hij mij gisteren, toen ik van Cosette
+sprak, zeide: "spoedig, spoedig." Hij wil mij verrassen. Ge weet,
+dat hij mij een brief aan Thénardier liet teekenen, om haar terug te
+eischen. Zij zullen immers geen tegenwerpingen maken, niet waar? Zij
+zullen Cosette wedergeven? Zij zijn immers betaald. De overheid zou
+'t immers niet veroorloven, dat men een kind behield, wanneer men
+betaald is. Lieve zuster, wenk mij niet, dat ik zwijgen moet. Ik ben
+zoo onuitsprekelijk gelukkig, ik gevoel mij geheel wel, mij deert
+niets meer, ik zal mijn Cosette wederzien, ik heb zelfs honger. In
+bijna vijf jaren heb ik haar niet gezien. Ge kunt u niet verbeelden,
+hoe sterk men aan kinderen gehecht is, en zij zal zoo lief zijn! ge
+zult zien. Wist ge, welke kleine lieve vingertjes zij heeft; o, zij
+zal gewis fraaie handen krijgen. Toen zij een jaar oud was, waren
+haar handjes heel klein.--Zij zal nu groot zijn. Zij is zeven jaar
+oud. 't Is een jonge juffrouw. Ik noem haar Cosette, maar zij heet
+Euphrasie. Zie, van ochtend zag ik stof op den schoorsteen, en ik
+dacht, dat ik spoedig Cosette zou wederzien. Mijn hemel! hoe verkeerd
+is het, zijn kinderen in jaren niet te zien! Men moest bedenken,
+dat het leven niet eeuwig duurt. O, 't is goed, dat mijnheer de maire
+vertrokken is; 't is waar, dat het vinnig koud is! Had hij ten minste
+zijn mantel bij zich? hij zal morgen hier zijn, niet waar? 't Zal
+morgen feest zijn. Morgenochtend moet ge er mij aan helpen denken,
+lieve zuster, dat ik mijn mutsje met kant opzet. Montfermeil, dat is
+een land! Ik heb dien weg vroeger te voet afgelegd. 't Was voor mij
+ver. Maar de diligences rijden zeer snel! morgen zal hij met Cosette
+hier zijn! Hoe ver ligt Montfermeil van hier?"
+
+De zuster, die volstrekt niets van afstanden wist, antwoordde:--O,
+ik geloof wel, dat hij morgen terug zal kunnen zijn."
+
+"Morgen! morgen!" zei Fantine; "morgen zal ik Cosette zien! Hoor,
+lieve zuster, ik ben in 't geheel niet meer ziek! Ik ben dol van
+blijdschap. Ik zou kunnen dansen, als 't zijn moest."
+
+Wie haar een kwartier vroeger had gezien, zou van haar toestand
+niets begrepen hebben. Thans was zij blozend, zij sprak levendig,
+natuurlijk, geheel haar gelaat glimlachte. Nu en dan lachte ze luid
+in zich zelve. Moedervreugde is bijna gelijk aan kindervreugde!
+
+"Welaan," hernam de geestelijke zuster, "nu ge gelukkig zijt, moet
+ge mij gehoorzamen, en niet meer spreken."
+
+Fantine legde haar hoofd op 't kussen en zeide halfluid:
+
+"Ja, leg u neder, wees verstandig, nu ge uw kind weder zult
+hebben. Zuster Simplicia heeft gelijk. Allen hier hebben
+gelijk." Zonder zich te bewegen, zonder het hoofd te wenden, zag
+zij naar alle zijden met wijdgeopende oogen en vroolijk gezicht,
+en sprak niet meer.
+
+De zuster schoof de bedgordijnen dicht, in de hoop dat zij zou
+insluimeren.
+
+Tusschen zeven en acht uren kwam de geneesheer. Wijl hij niets hoorde,
+meende hij dat Fantine sliep, hij trad zacht binnen en ging op de
+teenen naar het bed. Hij opende even de gordijnen en zag bij het
+schijnsel van het nachtlicht Fantine's groote rustige oogen, die
+hem aanschouwden.
+
+Zij sprak tot hem:--"Niet waar, mijnheer? men zal haar naast mij in
+een klein bedje laten slapen?"
+
+De geneesheer meende, dat zij ijlde.
+
+Zij hernam: "Zie; er is juist plaats voor."
+
+De geneesheer nam zuster Simplicia ter zijde, en deze verhaalde hem,
+dat mijnheer Madeleine voor een paar dagen afwezend was, dat men
+gemeend had de zieke in haar waan te moeten laten, als zou mijnheer
+Madeleine naar Montfermeil zijn gereisd, terwijl 't overigens mogelijk
+was, dat zij juist geraden had. De geneesheer vond dit goed. Hij ging
+weder naar het bed van Fantine, die hernam:
+
+"Want, morgen, weet ge, zal ik mijn lieve schat bij haar ontwaken
+goeden morgen kunnen zeggen, en 's nachts zal ik, dewijl ik toch
+niet slaap, haar hooren slapen. 't Zal mij goed doen, haar zachte
+ademhaling te hooren."
+
+"Geef mij uw hand," zei de geneesheer.
+
+Zij stak haar hand uit, en zei lachend:
+
+"O, ziedaar! 't Is waar, gij weet het nog niet, dat ik weer geheel
+beter ben. Cosette komt morgen."
+
+De dokter was verwonderd. Zij was inderdaad beter. De beklemdheid was
+minder. De pols was krachtiger geworden. Het arme uitgeputte schepsel
+scheen plotseling door een nieuw leven bezield.
+
+"Mijnheer de dokter," hernam zij, "heeft de zuster u gezegd, dat
+mijnheer de maire het lieve kind is gaan halen?"
+
+De geneesheer beval stilte en dat men alle onaangename aandoeningen
+moest vermijden. Hij schreef een kinadrankje voor, en, ingeval de
+koorts des nachts terugkeerde, een kalmeerend middel. Toen hij
+heenging zeide hij tot de zuster:--'t Gaat beter. Zoo het geluk
+wilde, dat mijnheer de maire inderdaad morgen met het kind kwam;
+wie weet? er zijn zulke wonderbare crisissen; men heeft meer gezien,
+dat groote blijdschap een ziekte plotseling tot staan bracht; ik weet,
+dat 't hier een organische en zeer vergevorderde ziekte is, maar wie
+kan zeggen wat mogelijk is! Misschien ware de zieke nog te redden.
+
+
+
+
+
+
+ZEVENDE HOOFDSTUK.
+
+DE AANGEKOMEN REIZIGER NEEMT MAATREGELEN OM WEDER TE VERTREKKEN.
+
+
+'t Was omstreeks acht uren 's avonds, toen het wagentje, dat wij
+onderweg verlaten hebben, de koetspoort van het posthotel te Arras
+binnenreed. De man, dien wij tot hiertoe gevolgd zijn, stapte er uit,
+beantwoordde verstrooid de voorkomendheid der bedienden, zond het
+bijpaard terug en bracht zelf het witte paardje in den stal; daarna
+opende hij de deur van een biljartzaal, die zich gelijkvloers bevond,
+en plaatste zich aan een tafel, met het hoofd in de hand. Hij had
+veertien uren aan deze reis besteed, welke hij in zes uren had meenen
+te doen. Hij gaf zich zelven 't getuigenis, dat het niet zijn schuld
+was, ofschoon 't hem in den grond zijns harten geen leed deed.
+
+De logementhoudster trad binnen.
+
+"Blijft mijnheer van nacht? soupeert mijnheer?"
+
+Hij schudde ontkennend met het hoofd.
+
+"De stalknecht zegt, dat het paard van mijnheer erg vermoeid is."
+
+Nu sprak hij en vroeg:
+
+"Zou het paard morgen niet kunnen terugkeeren?"
+
+"O, mijnheer, 't zal ten minste twee dagen rust noodig hebben."
+
+"Is 't hier de paardenposterij?" vroeg hij.
+
+"Ja, mijnheer."
+
+De logementhoudster voerde hem naar het bureau, waar hij zijn pas
+vertoonde en vroeg of er dien nacht gelegenheid was met de postkar
+naar M. sur M. te vertrekken. De plaats naast den postillon was nog
+vrij; hij bestelde die en betaalde ze.
+
+"Mijnheer," zei de klerk, "zorg prompt om één uur van nacht hier
+te zijn."
+
+Daarna verliet Madeleine het logement en ging door de straten der stad.
+
+Hij kende Arras niet, de straten waren donker en hij ging op het toeval
+af. Hij scheen den voorbijgangers den weg niet te willen vragen. Na
+het riviertje Crinchon te zijn overgegaan, bevond hij zich in een
+doolhof van nauwe stegen, waarin hij verdwaalde. Een man naderde met
+een lantaarn. Na eenige aarzeling sprak hij dien man aan, evenwel niet
+zonder eerst voor en achter zich te hebben gezien, als vreesde hij,
+dat iemand de vraag hoorde, welke hij wilde doen.
+
+"Kunt ge mij ook zeggen, waar 't gerechtshof is, mijnheer?"
+
+"Gij zijt hier denkelijk vreemd, mijnheer;" antwoordde do burger, een
+oud man, "welnu, volg mij. Ik ga juist den kant van 't gerechtshof
+uit, dat wil zeggen van het hôtel der prefectuur. Want men is
+thans bezig met het gerechtshof te verbouwen, en derhalve worden de
+terechtzittingen tijdelijk in de prefectuur gehouden."
+
+"Worden daar ook de assises gehouden?"
+
+"Ja, mijnheer, wat thans de prefectuur is, weet ge, was vóór de
+revolutie het bisschoppelijk paleis. Monseigneur de Conzié, die
+in twee-en-tachtig bisschop was, heeft er een groote zaal doen
+bouwen. Deze zaal nu is voor de rechtbank ingericht.
+
+Onderweg zei de burger:
+
+"Zoo mijnheer een proces wil bijwonen is het te laat. De zittingen
+eindigen gewoonlijk te zes uren."
+
+Toen zij op het marktplein waren gekomen, wees de man hem vier
+verlichte vensters in den voorgevel van een groot, donker gebouw.
+
+"Waarlijk, mijnheer, gij komt nog vroeg genoeg; dat valt mee. Ziet
+gij deze vier vensters? 't Is de zaal der assises. Er is licht. Men
+is er dus nog. 't Is zeker een zaak, die veel tijd vereischt, dat
+men een avondzitting houdt. Zijt ge soms in deze zaak betrokken? Is
+'t een crimineele zaak? Zijt ge getuige?"
+
+"Ik kom voor geen zaak," was het antwoord, "ik moet slechts een
+advocaat spreken."
+
+"Dat is iets anders," zei de burger. "Ziehier de deur, mijnheer, waar
+de schildwacht staat. Ge behoeft slechts de groote trap op te gaan."
+
+Hij volgde de aanwijzing van den burger en eenige minuten later was
+hij in een zaal, waar groepen menschen, waaronder advocaten in toga's,
+hier en daar met elkander stonden te fluisteren.
+
+'t Is altijd een hartbeklemmend gezicht, deze in 't zwart
+gekleede mannen aan den ingang der gerechtszalen met elkander
+te zien fluisteren. Zelden komen menschlievendheid en medelijden
+uit deze gesprekken voort. Meestal zijn het reeds vooraf beraamde
+veroordeelingen. Deze groepen schijnen den opmerkzamen en peinzenden
+voorbijganger zooveel donkere bijenkorven toe, waarin gonzende geesten
+gemeenschappelijk aan allerlei duistere werken arbeiden.
+
+Deze ruime, slechts door een enkele lamp verlichte zaal, in
+het voormalige bisschoppelijke paleis, diende tot wachtkamer of
+voorzaal. Een, op dit oogenblik gesloten vleugeldeur, scheidde haar
+van de groote zaal, waar het gerechtshof zitting hield.
+
+De duisternis was zoo groot, dat hij niet aarzelde, zich tot den
+eersten advocaat te wenden, dien hij ontmoette.
+
+"Hoe ver is men, mijnheer," vroeg hij.
+
+"'t Is afgeloopen," zei de advocaat.
+
+"Afgeloopen?"
+
+Dit woord werd op zulk een toon uitgesproken, dat de advocaat zich
+omwendde.
+
+"Zijt ge misschien een bloedverwant, mijnheer?"
+
+"Neen, ik ken hier niemand. Heeft er een veroordeeling plaats gehad?"
+
+"Zekerlijk. 't Kon onmogelijk anders."
+
+"Tot dwangarbeid?...
+
+"Levenslang."
+
+Hij hernam met een nauwelijks hoorbare stem:
+
+"De identiteit is dus bewezen?"
+
+"Welke identiteit?" hernam de advocaat. "Er was geen identiteit te
+bewijzen. De zaak was eenvoudig. De vrouw had haar kind gedood; de
+kindermoord was bewezen, de jury heeft de voorbedachtzaamheid niet
+aangenomen, zij is voor levenslang veroordeeld."
+
+"'t Is dus een vrouw?" vroeg hij.
+
+"Maar gewis. De ongehuwde Limosin. Wie meent gij anders?"
+
+"O, niets. Maar waarom is de zaal nog verlicht, zoo de zaak geëindigd
+is?"
+
+"'t Is voor een andere zaak, waarmede men voor een paar uren begonnen
+is."
+
+"Welke is die zaak?"
+
+"O, deze is even duidelijk. Een soort van bedelaar, een oude galeiboef
+heeft gestolen. Ik herinner mij zijn naam niet. Nu, deze draagt zijn
+handwerk op zijn gezicht! Alleen dat gezicht zou mij reden genoeg
+wezen om hem naar de galeien te zenden."
+
+"Is er mogelijkheid in de zaal te komen, mijnheer?"
+
+"Ik geloof 't niet. 't Is er stampvol. Maar de zitting is geschorst;
+verscheiden menschen zijn heengegaan, bij de hervatting der zitting
+kunt ge 't beproeven."
+
+"Waar is de ingang?"
+
+"Door deze groote deur."
+
+De advocaat verliet hem. In weinige oogenblikken had hij schier in
+denzelfden tijd alle mogelijke aandoeningen gevoeld. De woorden van
+den onverschilligen advocaat waren hem beurtelings als naalden van
+ijs en als dolken van vuur door het hart gegaan. Toen hij zag, dat
+de zaak niet afgeloopen was, ademde hij ruimer; doch hij had niet
+kunnen zeggen, of 't geen hij gevoelde blijdschap was of smart.
+
+Hij naderde verschillende groepen en luisterde naar hetgeen gezegd
+werd. Aangezien op de rol der assises buitengewoon veel zaken
+waren, had de president voor dezen dag twee eenvoudige en korte
+zaken bepaald. Men was met de zaak van een kindermoord begonnen,
+en thans was men aan die van den galeiboef, den recidivist. Deze
+man had appelen gestolen, doch dit scheen niet volkomen bewezen; te
+zekerder was 't echter bewezen, dat hij reeds op de galeien te Toulon
+was geweest. Dit maakte zijn zaak kwaad. Overigens was het verhoor
+van den man ten einde en ook het getuigenverhoor, maar de advocaat
+moest nog pleiten en het openbaar ministerie zijn eisen doen; dit
+zou wel tot middernacht duren. De man zou waarschijnlijk veroordeeld
+worden; de advocaat-generaal was zeer knap;--en "verloor" zelden zijn
+beschuldigden;--'t was een geestig mensch, die verzen maakte.
+
+Een deurwaarder stond aan de deur, die naar de gerechtszaal
+voerde. Madeleine vroeg dien deurwaarder:
+
+"Zal de deur spoedig geopend worden?"
+
+"Zij wordt niet geopend," zei de deurwaarder.
+
+"Hoe! wordt zij niet geopend bij de hervatting der zitting? de zitting
+is immers slechts geschorst?"
+
+"De zitting is weder begonnen," antwoordde de deurwaarder, "maar de
+deur wordt niet weder geopend."
+
+"Waarom?"
+
+"Omdat de zaal vol is."
+
+"Is er geen plaats meer?"
+
+"Geen enkele. De deur is gesloten. Niemand kan meer binnen."
+
+Na eenig zwijgen hernam de deurwaarder: "Er zijn nog wel een paar
+plaatsen achter mijnheer den president, maar mijnheer de president
+wil daar geen andere lieden toegelaten hebben, dan openbare beambten."
+
+Hiermede keerde de deurwaarder hem den rug toe.
+
+Madeleine verwijderde zich met gebogen hoofd en ging langzaam de
+trap af, als aarzelde hij op elke trede. 't Is waarschijnlijk,
+dat hij met zich zelven overlegde. De geweldige strijd die sinds
+den vorigen dag in zijn binnenste heerschte, was niet geëindigd;
+ieder oogenblik hernieuwde hij zich opnieuw. Toen hij aan het portaal
+was gekomen, ging hij tegen de leuning staan en sloeg de armen over
+elkander. Eensklaps opende hij zijn jas, nam zijn portefeuille,
+haalde een potlood voor den dag en scheurde toen een blaadje uit,
+en schreef daarop bij het licht van den lantaarn: "M. Madeleine,
+maire van M. sur M.;" toen drong hij met snelle schreden door de
+menigte, trad recht op den deurwaarder toe, gaf hem het briefje en
+zeide gebiedend: "Breng dit aan mijnheer den president."
+
+De deurwaarder nam het papier, sloeg er een blik op en gehoorzaamde.
+
+
+
+
+
+
+ACHTSTE HOOFDSTUK.
+
+BEVOORRECHTE TOEGANG.
+
+
+Zonder dat hij 't zelf wist, genoot de maire van M. sur M. een zekere
+vermaardheid. Sedert zeven jaren, dat het gerucht zijner deugden
+geheel het Boulonneesche vervulde, had zich dat gerucht eindelijk ook
+buiten de grenzen van het kleine gewest verspreid en zich over twee
+of drie aangrenzende departementen verbreid. Behalve den gewichtigen
+dienst, welken hij aan de hoofdplaats van het arrondissement M. sur
+M. had bewezen, door de ontwikkeling der industrie, was er geen
+van de honderd-een-en-veertig gemeenten des arrondissements, die
+hem niet eene of andere weldaad te danken had. Hij had zelfs nu en
+dan de industrie in andere arrondissementen weten te ondersteunen
+en te bevorderen. Alzoo had hij door zijn krediet en zijn geld de
+tulle-fabriek te Boulogne, de mechanische garenspinnerij te Frevent
+en de linnenweverij te Boubers sur-Chanche staande gehouden. Alom
+werd de naam van den heer Madeleine met eerbied genoemd. Arras en
+Douai benijdden het gelukkig stadje M. sur M. zijn maire.
+
+De raadsheer bij het gerechtshof te Douai, die deze zitting der
+assises te Arras presideerde, kende, als iedereen, dezen zoozeer
+en zoo algemeen geëerden naam. Toen de deurwaarder de deur opende,
+die uit de raadkamer naar de gerechtszaal voerde, en zich bescheiden
+over den zetel van den president boog, hem het papier overhandigde,
+dat we gelezen hebben, daarbij zeggende: "deze heer wenscht de zitting
+bij te wonen," maakte de president dadelijk een toestemmend gebaar,
+nam een pen, schreef een paar woorden onder op het papier en gaf het
+den deurwaarder terug, zeggende: "laat mijnheer binnenkomen."
+
+De ongelukkige man, wiens geschiedenis wij verhalen, stond nog aan de
+deur der zaal, op dezelfde plaats en in dezelfde houding als toen de
+deurwaarder hem verlaten had. Hij hoorde, te midden zijner mijmering,
+iemand tot hem zeggen: "Wil mijnheer zoo goed zijn mij te volgen?"
+
+'t Was dezelfde deurwaarder, die hem een oogenblik vroeger den rug
+had toegekeerd en nu voor hem tot den grond boog. De deurwaarder
+overhandigde hem tevens het papier. Hij opende het, en wijl hij bij
+de lamp stond, kon hij lezen: "De president van het hof van assises
+betuigt den heer Madeleine zijn hoogachting."
+
+Hij frommelde het papier in zijn handen, alsof deze weinige woorden
+een vreemden, bitteren nasmaak hadden.
+
+Hij volgde den deurwaarder.
+
+Eenige oogenblikken later was hij alleen in een kamer met een ernstig
+voorkomen, die verlicht werd door twee kaarsen, welke op een met
+een groen kleed overdekte tafel stonden. De laatste woorden van den
+deurwaarder, die hem verlaten had, ruischten hem nog in de ooren:
+"Mijnheer, dit is de raadkamer; gij behoeft slechts den koperen knop
+dezer deur om te draaien en ge zijt in de gerechtszaal achter den
+zetel van mijnheer den president."--Deze woorden vermengden zich in
+zijn gedachten met een flauwe herinnering aan nauwe gangen en donkere
+trappen langs welke hij gegaan was.
+
+De deurwaarder had hem alleen gelaten. Het gewichtig oogenblik was
+gekomen. Hij trachtte zijn zelfbeheersching te herwinnen zonder
+dat hem dit gelukte. De draden van den geest breken meestal in die
+oogenblikken, als men ze 't meest noodig heeft om ze aan de pijnlijke
+werkelijkheid van het leven te verbinden. Hij bevond zich nu op de
+plaats, waar de rechters raadplegen en veroordeelen. Met stompzinnige
+kalmte beschouwde hij deze stille, vreeselijke kamer, waar zoo vele
+levens gebroken waren, waar zijn naam weldra zou klinken en waar
+zijn lot nu zweefde. Hij aanschouwde de wanden, toen zich zelven,
+verwonderd dat het deze kamer, dat hij het was.
+
+Sinds langer dan vier-en-twintig uren had hij niets genuttigd, hij was
+gekneusd door het schokken van het rijtuig; maar hij voelde het niet;
+hij scheen niets te voelen.
+
+Hij naderde een zwarte lijst, die aan den muur hing en achter glas
+een ouden, eigenhandigen brief bevatte van Jean Nicolas Pache, maire
+van Parijs en minister, gedagteekend, waarschijnlijk bij vergissing,
+9 Juni van 't jaar II, in welken Pache aan de gemeente de lijst der
+ministers en afgevaardigden zond, die in hechtenis waren. Een getuige,
+die hem op dit oogenblik gezien en opgemerkt had, zou zich zekerlijk
+hebben verbeeld, dat deze brief hem bijzonder belang inboezemde, want
+hij wendde er het oog niet af en las hem twee- of driemaal. Maar hij
+las werktuiglijk en zonder er bij te denken. Hij dacht aan Fantine
+en Cosette.
+
+In gedachten verdiept keerde hij zich om, en zijn blik viel op den
+koperen knop der deur, welke hem van de gerechtszaal scheidde. Hij had
+deze deur bijna vergeten. Zijn aanvankelijk rustige blik bleef op dien
+knop gevestigd, maar kreeg iets onrustigs en drukte hoe langer hoe meer
+angst uit. Het klamme zweet brak hem uit en druppelde langs zijn hoofd.
+
+Op een oogenblik maakte hij dat onbeschrijfelijk gebaar van eene
+wilskracht, die zich aan tegenstand ontscheurt, 't welk zoo duidelijk
+uitdrukt: "maar, wie drommel, zou mij willen dwingen?" Toen keerde hij
+zich schielijk om, zag naar de deur die hij was binnengekomen, trad er
+heen, opende ze en verliet de kamer. Nu was hij er buiten, in een gang,
+een lange, smalle gang met verscheidene trappen en deuren, die vele
+hoeken vormden, hier en daar flauw verlicht als door een ziekenlamp;
+in de gang waardoor hij gekomen was. Hij schepte adem en luisterde:
+vóór of achter hem geen gerucht;--nu liep hij, alsof men hem vervolgde.
+
+Na verscheidene hoeken van deze gang te zijn voorbijgegaan, luisterde
+hij nogmaals. Steeds dezelfde stilte, dezelfde duisternis die hem
+omgaf. Hij was buiten adem, hij waggelde en leunde tegen den muur. De
+steenen van den muur waren koud, het zweet op zijn voorhoofd was als
+ijs, huiverend richtte hij zich op.
+
+Alleen in deze duisternis staande, van koude en misschien van iets
+anders bevende, gaf hij zich weder aan zijn gedachten over.
+
+Hij had den ganschen nacht, den ganschen dag gepeinsd; hij hoorde
+geen andere stem in zijn binnenste dan die hem zeide: helaas!
+
+Zoo verstreek een kwartier. Eindelijk boog hij het hoofd,
+zuchtte angstig, liet de armen hangen en keerde op zijn schreden
+terug. Langzaam en verslagen trad hij voort. 't Was alsof iemand hem
+in zijn vlucht had bereikt en terugvoerde.
+
+Hij trad de raadkamer weder binnen. Het eerste voorwerp dat hij zag
+was de deurknop. Deze ronde gepolijste koperen knop glinsterde voor
+zijn oogen als een onheilspellende ster. Hij aanschouwde hem, gelijk
+een lam het oog eens tijgers zou aanschouwen.
+
+Zijn oogen konden er zich niet van afwenden. Nu en dan deed hij een
+schrede en naderde de deur.
+
+Zoo hij geluisterd had, zou hij een dof verward gemurmel hebben
+gehoord, het gerucht in de belendende zaal; maar hij luisterde niet
+en hoorde niets.
+
+Eensklaps, zonder dat hij wist hoe, stond hij voor de deur, en greep
+krampachtig den knop; de deur opende zich.
+
+Hij bevond zich in de gerechtszaal.
+
+
+
+
+
+
+NEGENDE HOOFDSTUK.
+
+EEN PLAATS WAAR OVERTUIGINGEN BEZIG ZIJN, ZICH TE VORMEN.
+
+
+Hij deed een schrede, sloot werktuiglijk de deur achter zich dicht
+en bleef toen staan, het tooneel vóór zich beschouwende.
+
+'t Was een tamelijk groote, flauw verlichte ruimte, nu druk en
+levendig, dan weder doodstil, met de geheele inrichting van een
+crimineel proces, met zijn kleingeestige en sombere deftigheid voor
+'t oog der menigte.
+
+Aan het einde der zaal, waar hij zich bevond, rechters met verstrooide
+gezichten, in versleten tabbaarden, zich met hun nagels onledig
+houdende of met de oogen gesloten; aan het andere einde een havelooze
+hoop volk; advocaten in allerlei houding; soldaten met eerlijke maar
+ruwe gezichten; oud, beschadigd houtwerk, vuile zoldering, tafels
+met kleeden, die eer geel dan groen konden heeten, deuren die door
+de handen smerig waren geworden; langs den wand aan spijkers, lampen
+uit een herberg, die meer walm dan licht verspreidden; op de tafels
+vetkaarsen in koperen kandelaars; duisternis, leelijkheid, treurigheid;
+en uit dat alles ontwikkelde zich een strenge, verheven indruk; want
+men gevoelde er die gewichtige menschelijke zaak, welke men wet noemt,
+en die gewichtige hemelsche zaak, welke men rechtvaardigheid heet.
+
+Niemand in deze menigte lette op Madeleine. Aller blikken waren op
+één punt gericht, een bank bij een kleine deur, tegen den muur ter
+linkerzijde van den president. Op deze bank, die door verscheidene
+kaarsen werd verlicht, zat een man tusschen twee gendarmen.
+
+Deze man--was de man.
+
+Hij zocht hem niet, hij zag hem. Zijn oogen wendden zich van zelven
+in die richting, als hadden zij vooraf geweten waar deze gestalte
+zich bevond.
+
+Hij meende zich zelven te zien, verouderd, wel niet juist zijn gezicht,
+maar volkomen gelijkend in houding en voorkomen, met dat borstelig
+haar, dien schuwen, onrustigen blik, met die kiel, juist zooals hij er
+uitzag op den dag, toen hij D. binnentrad, vol haat, en in zijn ziel
+dien afschuwelijken rijkdom van schrikkelijke gedachten verbergende,
+welke hij gedurende negentien jaren in het tuchthuis had opgezameld.
+
+Sidderend zeide hij bij zich zelven: "Mijn God! zal ik weder zóó
+worden?"
+
+Deze man scheen ten minste zestig jaar te zijn. Hij had een ruw,
+dom en woest voorkomen.
+
+Toen Madeleine de deur opende, was men op zijde gegaan om hem plaats
+te maken, de president had het hoofd gewend en den binnenkomende, in
+wien hij den maire van M. sur M. zag, gegroet. De advocaat-generaal,
+die den heer Madeleine herhaaldelijk te M. sur M. had gezien, bij
+gelegenheid dat zijn ambtsverrichtingen hem daar riepen, herkende
+en groette hem insgelijks. Deze bemerkte dit nauwelijks. Hij was ter
+prooi aan een soort van gezichtsverwarring: hij staarde slechts.
+
+Rechters, een griffier, gendarmen, een menigte vreeselijk nieuwsgierige
+hoofden, dat alles had hij reeds eerder, eertijds, zeven-en twintig
+jaren geleden, gezien. Deze heillooze zaken vond hij hier terug; zij
+waren hier, zij bewogen zich, bestonden werkelijk; 't was niet een
+herinnering van zijn geest, een zinsbegoocheling, 't waren wezenlijke
+gendarmen, wezenlijke rechters, wezenlijke nieuwsgierigen en wezenlijke
+menschen van vleesch en been. 't Was zoo! hij zag de schrikbarendste
+beelden uit zijn verleden, met al het vreeselijke der wezenlijkheid,
+om zich heen verschijnen en herleven.
+
+Dat alles lag open voor hem. Vol afgrijzen sloot hij de oogen en riep
+in 't binnenste zijner ziel: nooit!
+
+En door een treurig spel van het lot, dat al zijn denkbeelden verwarde
+en hem schier waanzinnig maakte, was degeen, dien hij voor zich zag,
+zijn tweede ik! Allen noemden den man, die hier gevonnist werd,
+Jean Valjean!
+
+'t Was een ongehoord visioen: voor zijn oogen had hij een soort van
+voorstelling van het vreeselijkst oogenblik zijns levens, die door
+zijn eigen schim gespeeld werd.
+
+Alles was er, dezelfde inrichting, hetzelfde uur des nachts, schier
+dezelfde gezichten der rechters, soldaten en toeschouwers. Alleen
+bevond zich boven het hoofd van den president een kruisbeeld, hetwelk
+ten tijde zijner veroordeeling, in de rechtszalen ontbrak. Toen hij
+gevonnist werd, was God afwezig.
+
+Een stoel stond achter hem; hij liet er zich op nederzakken, ontsteld
+bij de gedachte, dat men hem zien kon. Toen hij zat, trachtte hij
+achter een hoop portefeuilles met akten, die op de tafel der rechters
+lagen, zijn gezicht voor de geheele zaal te verbergen. Nu kon hij zien,
+zonder gezien te worden. Hij kwam eindelijk tot het volle besef der
+werkelijkheid; allengs herstelde hij zich. Hij herkreeg die kalmte,
+waarin men in staat, is te luisteren.
+
+Mijnheer Bamatabois behoorde tot de gezworene.
+
+Hij zocht Javert, maar hij zag hem niet. De bank der getuigen was
+achter de tafel van den griffier voor hem verborgen. Bovendien was
+de zaal, gelijk gezegd is, zeer flauw verlicht.
+
+Juist toen hij binnentrad was de advocaat aan het slot zijner
+pleitrede. Aller aandacht was in de hoogste mate gespannen, de zaak
+had reeds drie uren geduurd. Sedert drie uren zagen de aanwezenden
+een man, een onbekende, een wezen van de ellendigste soort, in den
+hoogsten graad dom of sluw, allengs onder den last eener vreeselijke
+waarschijnlijkheid zwichten. Deze man, zooals men weet, was een
+landlooper, die was aangehouden, terwijl hij een tak met rijpe
+appelen, in een naburigen boomgaard afgebroken, in de hand had. Wie
+was deze man? Een onderzoek was ingesteld, getuigen waren gehoord; zij
+waren allen eenstemmig geweest, uit de debatten was genoegzaam licht
+opgegaan. De beschuldiging luidde:--Wij hebben hier niet alleen een
+fruitdief, een strooper; wij hebben een roover voor ons, een gewezen
+tuchteling. die zijn ban heeft verbroken, een allergevaarlijkste
+schurk, Jean Valjean geheeten, dien de justitie sinds lang zocht,
+en die, acht jaren geleden, toen hij het bagno van Toulon verliet,
+gewelddadigerwijze een diefstal heeft gepleegd op den persoon van
+een jongen savooiaard, kleine Gervais genaamd, een misdaad, waartegen
+voorzien is bij art. 383 van het strafwetboek en voor welke wij ons
+een nadere vervolging voorbehouden, zoodra de identiteit wettelijk
+zal bewezen zijn. Hij heeft een nieuwen diefstal gepleegd. Alzoo
+herhaling van misdaad. Veroordeelt hem voor de jongste misdaad;
+later zal hij voor de vroegere terechtgesteld worden.
+
+De beschuldigde scheen ten hoogste verwonderd over deze aanklacht en
+over de eenparigheid der getuigen. Hij maakte bewegingen en gebaren van
+heftige ontkenning, of hij beschouwde de zoldering. Hij kon nauwelijks
+spreken en antwoordde met moeite; maar van 't hoofd tot de voeten
+loochende zijn geheele persoon. Hij geleek een wezenlooze tegenover
+al deze om hem geschaarde verstandige lieden, en een vreemdeling
+te midden der maatschappij, die hem vasthield. Intusschen stond
+de dreigende toekomst voor hem, de waarschijnlijkheid vermeerderde
+met elke minuut, en de aanwezenden huiverden met meer angst dan hij
+zelf, voor het vreeselijk vonnis, dat, naar het meer en meer scheen,
+hem zou treffen. Er bestond zelfs kans, dat, behalve het bagno, de
+doodstraf over hem zou uitgesproken worden, ingeval de identiteit
+erkend werd en de zaak van den kleinen Gervais later met een
+veroordeelend vonnis eindigde. Wie was nu deze man? Van welken aard
+was zijn ongevoeligheid? Was het stompzinnigheid of list? Begreep
+hij volkomen, of begreep hij niets? Nopens deze vragen dachten de
+aanwezigen verschillend, en ook de gezworenen schenen hieromtrent
+verdeeld. Er was in dit rechtsgeding iets verontrustends en iets
+vreemds, het drama was niet alleen treurig, maar ook duister.
+
+De verdediger had vrij goed gepleit, in die provinciale taal, welke
+in Frankrijk lang de welsprekendheid der balie heeft uitgemaakt,
+en waarvan eertijds al de advocaten, zoowel te Parijs als in de
+kleinste provinciesteden, gebruik maakten, doch die tegenwoordig,
+klassiek geworden, schier enkel nog maar door de officieele redenaars
+van het parket wordt gebezigd, waarvoor zij, uithoofde harer deftige
+welluidendheid en statigen periodenbouw zoo bijzonder geschikt is:
+de taal waarin een gehuwd man, echtgenoot wordt genoemd, de gehuwde
+vrouw, gade, Parijs, het middelpunt der kunsten en beschaving, de
+koning, de monarch, monseigneur de bisschop, een heilig kerkvoogd,
+de advocaat-generaal, de welsprekende tolk der wet, de pleidooien,
+de woorden welke men gehoord heeft, de eeuw van Lodewijk XIV, de
+groote eeuw, een schouwburg, de tempel van Melpomene, de regeerende
+familie, het doorluchtig bloed onzer koningen, een concert, een
+muzikale plechtigheid, de kommandant-generaal van het departement,
+de doorluchtige krijgsheld, die enz., de seminaristen, deze jeugdige
+levieten, de vergissingen aan de dagbladen verweten, de logen die haar
+vergift in de kolommen dier organen uitstort enz. enz;--de advocaat
+was dus begonnen met den diefstal der appelen te verklaren--een
+zaak die in fraaien stijl moeielijk te behandelen is; maar Benigne
+Bossuet was wel verplicht, in een plechtige lijkrede van een kip te
+gewagen, en hij heeft zich met glans uit deze moeielijkheid gered. De
+advocaat had aangetoond, dat de diefstal der appelen niet voldoende
+bewezen was.--Niemand had zijn cliënt, dien hij in zijn verdediging
+Champmathieu bleef noemen, over een muur zien klimmen of een tak
+zien breken.--Men had hem met den tak in de hand aangehouden;--maar
+hij zeide, dat hij dien op den grond gevonden en opgeraapt had. Waar
+was het bewijs van het tegendeel?--Zonder twijfel was deze tak na
+een overklimming afgebroken en medegenomen, en vervolgens door
+den gestoorden dief weggeworpen; zonder twijfel was er diefstal
+gepleegd.--Maar waaruit bleek, dat Champmathieu deze dief was? Alleen
+uit de omstandigheid dat hij een gewezen galeiboef was! De advocaat
+ontkende niet, dat deze omstandigheid ongelukkiglijk genoegzaam
+bewezen scheen; de beschuldigde had te Faverolles gewoond; hij was er
+boomsnoeier geweest; de naam van Champmathieu kon wel van Jean Mathieu
+zijn oorsprong hebben; dat alles was waar; vier getuigen hadden ook
+zonder aarzelen en bepaaldelijk dezen Champmathieu als den galeislaaf
+Jean Valjean herkend; tegen deze bedenkingen en getuigenissen kon de
+advocaat niets anders aanvoeren dan de ontkenning van zijn cliënt,
+die, 't was waar, niet onpartijdig was; maar aangenomen zelfs, dat
+hij de tuchteling Jean Valjean was, bewees dit, dat hij de dief van de
+appelen was? 't Was een bloot vermoeden, niets meer; geen bewijs. De
+beschuldigde, 't was waar, en de verdediger moest dit erkennen,
+had een slecht stelsel van verdediging aangenomen. Hij volhardde
+er in, alles te loochenen: den diefstal en zijn hoedanigheid van
+gewezen galeiboef. Een bekentenis van dit laatste punt zou stellig
+beter zijn geweest en hem de toegevendheid der rechters verworven
+hebben; de advocaat had 't hem aangeraden, maar de beschuldigde had
+hardnekkig geweigerd, waarschijnlijk in de meening, dat hij door
+alles te loochenen zich redden kon. 't Was verkeerd; maar moest de
+bekrompenheid van zijn verstand niet in aanmerking worden genomen? Deze
+man was blijkbaar zwak van geest. Een langdurig verblijf in het bagno,
+een langdurige armoede daarna hadden hem verdierlijkt enz. enz., hij
+verdedigde zich slecht, was dit een reden om hem te veroordeelen? Wat
+de zaak van den kleinen Gervais betrof, de advocaat had daarover niets
+te zeggen, zij behoorde niet tot het rechtsgeding. De advocaat eindigde
+met de gezworenen en het hof te verzoeken, indien de identiteit met
+Jean Valjean hun bewezen voorkwam, hem correctioneel te straffen
+wegens verbreking van ban, doch niet met de vreeselijke straf, welke
+den gewezen galeislaaf bij herhaling van misdaad bedreigt.
+
+De advocaat-generaal antwoordde den verdediger. Hij was overweldigend
+en bloemrijk, zooals advocaten-generaal gewoonlijk zijn.
+
+Hij wenschte den verdediger geluk wegens zijn "royaliteit," en
+maakte behendig van die "royaliteit" gebruik. Al wat de verdediger
+had toegegeven, wendde hij aan om den beschuldigde te bezwaren. De
+advocaat scheen toe te geven, dat de beschuldigde Jean Valjean
+was. Hiervan nam hij acte. Deze man was dus Jean Valjean. Dit
+was voor de beschuldiging verkregen, en kon niet meer betwist
+worden. Hier ging de advocaat-generaal door een behendige wending
+terug tot de bron en de oorzaken der misdaden, en voer uit tegen
+de onzedelijkheid der romantische school, destijds in haar opkomst,
+onder den naam van "school van den Satan" waarmede de schrijvers der
+Quotidienne in Oriflamme haar vereerd hadden; aan den invloed van deze
+verderfelijke litteratuur schreef hij--niet onwaarschijnlijk--het
+misdrijf van Champmathieu, of liever van Jean Valjean toe. Na deze
+beschouwingen ging hij tot Jean Valjean zelven over. Wie was Jean
+Valjean? Beschrijving van Jean Valjean: een monster uitgebraakt
+door enz. Het model van dergelijke beschrijvingen vindt men in het
+verhaal van Theramenes, dat zonder nut is voor 't treurspel, doch aan
+de rechterlijke welsprekendheid dagelijks groote diensten bewijst. De
+aanwezenden en de gezworenen huiverden. Na deze schildering vervolgde
+de advocaat-generaal in een oratorische vlucht, die geschikt was, om
+den anderen dag de verrukking van het dagblad der prefectuur tot den
+hoogsten graad op te wekken:--En zulk een man enz. enz. landlooper,
+bedelaar, zonder middel van bestaan enz. enz.--door zijn vorig
+leven aan misdaden gewoon en door zijn verblijf in 't bagno weinig
+verbeterd, zooals de misdaad, op den kleinen Gervais gepleegd,
+bewijst enz. enz.--zulk een man is 't, die, op den openbaren
+weg op heeter daad van diefstal betrapt, weinige schreden van een
+tuinmuur en met het gestolen voorwerp nog in de hand, het feit, den
+diefstal, de overklimming, alles, ja zelfs zijn naam, zijn identiteit
+loochent! Behalve honderd andere bewijzen, waarop wij niet terug
+willen komen, zijn er vier getuigen, die hem herkennen: Javert, de
+streng eerlijke inspecteur van politie, en drie zijner voormalige
+lotgenooten, de galeiboeven: Brevet, Chenildieu en Cochepaille. Wat
+brengt hij tegen deze verpletterende getuigenis in? Hij ontkent. Welk
+een verstoktheid! Mijne heeren de gezworenen, gij zult recht
+doen enz. enz.--Terwijl de advocaat-generaal sprak, luisterde de
+beschuldigde met open mond en met eene soort van verbazing, met
+bewondering vermengd. Hij was blijkbaar verwonderd, dat iemand zoo
+spreken kon. Nu en dan, bij de "krachtigste" plaatsen van requisitoir,
+in die oogenblikken dat de onbedwingbare welsprekendheid zich in een
+stroom van onteerende scheldnamen ontlastte en den beschuldigde als in
+een donderwolk hulde, bewoog deze langzaam het hoofd rechts en links,
+als een soort van somber en zwijgend protest, waarbij hij zich sinds
+den aanvang der debatten bepaald had. Twee- of driemalen hoorden de
+toeschouwers die het dichtst bij hem waren, hem halfluid zeggen:--Dat
+komt er van, dat men mijnheer Baloup niet ondervraagd heeft!--De
+advocaat-generaal maakte de gezworenen op zijn onnoozele houding
+opmerkzaam, die blijkbaar geveinsd was en geen domheid aanduidde, maar
+sluwheid, list, en die de gewoonte verried van de justitie om den tuin
+te leiden, en de diepe verdorvenheid van dien mensch in 't helderste
+licht stelde. Hij besloot, met zich voor te behouden op de zaak van
+den kleinen Gervais terug te komen, en drong op een streng vonnis aan.
+
+Dit was voor 't oogenblik, gelijk men zich zal herinneren, levenslange
+dwangarbeid.
+
+De verdediger stond op, begon met mijnheer den advocaat generaal wegens
+diens uitmuntende rede een compliment te maken, vervolgens repliceerde
+hij zoo goed hij kon, doch zwak, wijl toch de grond blijkbaar onder
+zijn voeten was weggenomen.
+
+
+
+
+
+
+TIENDE HOOFDSTUK.
+
+HET STELSEL DER ONTKENNINGEN.
+
+
+Het oogenblik, waarop de debatten zouden worden gesloten, was
+gekomen. De president beval den beschuldigde op te staan en deed hem
+de gebruikelijke vraag: Hebt ge nog iets te uwer verdediging te zeggen?
+
+De man, die opgestaan was, draaide zijn smerige muts in de handen
+rond en scheen niet te hooren.
+
+De president herhaalde de vraag.
+
+Nu hoorde de man. Hij scheen te begrijpen. Hij maakte een gebaar als
+iemand die ontwaakt, sloeg de oogen rondom zich, zag het publiek,
+de gendarmes, zijn advocaat, de gezworenen, het hof aan, legde zijn
+groote hand op den rand der balie voor zijn bank, zag nog eens rond,
+en eensklaps zijn blik op den advocaat-generaal richtende, begon hij
+te spreken. 't Was als de uitbarsting van een vulkaan. Naar de wijze,
+waarop zijn woorden onsamenhangend, haastig, hortend, verward uit
+zijn mond stroomden, scheen het, alsof ze elkander verdrongen om er
+tegelijk uit te komen. Hij sprak:
+
+"Dit heb ik te zeggen: Ik ben wagenmakersknecht geweest te Parijs, en
+heb bij baas Baloup gewerkt. 't Is een zware arbeid, het wagenmaken;
+altijd in de open lucht, op open plaatsen, bij goede bazen onder
+afdaken; nooit in gesloten werkplaatsen, want er moet ruimte wezen,
+weet ge. Des winters is men zoo koud, dat men zich in de armen slaat
+om warm te worden; maar de meesters willen dit niet hebben, want het
+is tijdverlies, zeggen zij. IJzer te bewerken, wanneer er ijs op de
+straten ligt, is een zuur werk. 't Gaat iemand niet in de kleeren
+zitten. In dit beroep wordt iemand reeds vroeg oud. Met de veertig
+jaren is men op. Ik was drie-en-vijftig, en 't viel mij hard. En
+het werkvolk is zoo ondeugend. Wanneer iemand niet jong meer is,
+noemen ze u "oud dier." Ik verdiende slechts dertig sous daags, men
+betaalde mij zoo weinig mogelijk; de bazen bevoordeelden zich met
+mijn ouderdom. Welnu, ik had mijn dochter, die waschvrouw was aan de
+rivier. Zij verdiende een weinig, met ons beiden konden wij leven. Zij
+had het ook niet gemakkelijk. Den geheelen dag tot aan de middel in
+een tob te staan, in regen, sneeuw en wind. Of het vriest of niet,
+onverschillig, er moet gewasschen worden; er zijn menschen, die weinig
+linnengoed hebben en niet lang kunnen wachten; zoo men niet waschte,
+zou men zijn klanten verliezen. De planken laten 't water door, en
+van boven droppelt het neer. Men wordt van boven tot onder nat. Dat
+dringt door. Zij heeft ook gewasschen in 't waschhuis "Les Enfants
+Rouges," waar het water uit kranen komt. Daar staat men niet in een
+tobbe. Men wascht voor zich aan de kraan en spoelt achter zich in
+het bekken. Wijl het besloten is, doet men er minder kou op. Maar de
+damp van het heete water is onuitstaanbaar, en bederft de oogen. Zij
+kwam 's avonds te zeven uren te huis, en ging dadelijk naar bed, zoo
+vermoeid was ze. Haar man sloeg haar. Zij is dood. Wij zijn niet zeer
+gelukkig geweest. Zij was een brave meid, die niet ging dansen; zij
+was zeer stil. Ik herinner mij nog een vastenavond, toen zij te acht
+uren naar bed ging. 't Is inderdaad zoo. Ik zeg de waarheid. Vraag er
+maar naar. Maar vragen ... hoe dom! Parijs is een doolhof. Wie kent
+den ouden Champmathieu? Alleen mijnheer Baloup, dit zeg ik u. Ga naar
+mijnheer Baloup. Voor 't overige weet ik niet, wat men van mij wil."
+
+De man zweeg en bleef staan. Hij had dit alles met luide, haastige,
+schorre, ruwe stem, met een soort van wrevele, woeste naïeveteit
+gezegd. Eenmaal had hij opgehouden, om iemand onder de aanwezenden
+te groeten. De soort van verklaringen, welke hij op goed geluk af er
+uit wierp, kwamen hortend en stootend te voorschijn, en gingen gepaard
+met de beweging van een houthakker die hout klooft. Toen hij geëindigd
+had, barstten de aanwezenden in een schaterend gelach uit. Hij zag het
+publiek aan, en toen hij zag dat men lachte, begreep hij niet waarom,
+en begon zelf mede te lachen.
+
+'t Was vreeselijk!
+
+De president, een oplettend en welwillend man, verhief zijn stem.
+
+Hij herinnerde "mijnheeren de gezworenen", dat de heer Baloup,
+de meester wagenmaker, bij wien de beschuldigde zeide in dienst te
+zijn geweest, vruchteloos gedagvaard was geworden. Hij was bankroet
+gegaan, en men had hem niet kunnen vinden. Zich vervolgens tot den
+beschuldigde wendende, vermaande hij hem, te luisteren naar hetgeen
+hij hem zeggen zou, en vervolgde:
+
+"Ge zijt in een toestand, die ernstige overweging vordert. De
+zwaarste vermoedens rusten op u en kunnen tot de ernstigste gevolgen
+leiden. Beschuldigde, ik vermaan u voor de laatste maal, in uw eigen
+belang, u omtrent deze twee feiten duidelijk te verklaren:--Vooreerst,
+zijt ge over den tuinmuur van Pierron geklommen, hebt ge den tak
+afgebroken en de appelen gestolen, dat wil zeggen: de misdaad van
+diefstal met overklimming gepleegd, ja of neen? Ten tweede, zijt ge
+de gewezen galeislaaf Jean Valjean, ja of neen?"
+
+De beschuldigde schudde het hoofd als iemand, die goed begrepen had
+en weet, wat hij antwoorden wil. Hij opende den mond, wendde zich
+tot den president en zeide:
+
+"Wat het eerste betreft..."
+
+Toen zag hij op zijn muts, vervolgens naar den zolder en zweeg.
+
+"Beschuldigde," hernam de advocaat-generaal op strengen toon, "geef
+wel acht. Gij antwoordt niet op 't geen u gevraagd wordt. Uw verwarring
+veroordeelt u. 't Is duidelijk, dat gij niet Champmathieu heet, dat gij
+de tuchteling Jean Valjean zijt, die zich aanvankelijk onder den naam
+van Jean Mathieu verscholen heeft, welke naam die zijner moeder was;
+dat ge naar Auvergne zijt gegaan, dat gij te Faverolles zijt geboren,
+waar ge boomsnoeier waart. 't Is duidelijk, dat ge bij overklimming
+in den boomgaard van Pierron rijpe appelen hebt gestolen. Mijne heeren
+de gezworenen zullen dit wel bedenken."
+
+De beschuldigde was weder gaan zitten, maar stond schielijk op,
+toen de advocaat-generaal gesproken had, en riep:
+
+"Gij zijt heel slecht, gij! Dat wilde ik u zeggen, maar ik kon niet
+terstond woorden vinden. Ik heb niets gestolen, ik ben iemand, die
+niet alle dagen te eten heeft. Ik kwam van Ailly, en ging op weg na
+een geweldigen regen, die het geheele land onder water had gezet,
+zoodat men langs den weg nauwelijks de toppen van het gras zag; ik
+vond een afgebroken tak, waaraan appelen zaten, ik raapte den tak op,
+zonder te vermoeden dat mij dit in moeilijkheden zou brengen. Ik ben nu
+reeds drie maanden in de gevangenis en word op alle wijzen gekweld. Ik
+weet niet, wat ik meer zeggen moet; men spreekt tegen mij; men zegt:
+antwoord. De gendarm, die een goed man is, stoot mij aan den elleboog
+en fluistert: antwoord toch. Ik weet mij niet goed uit te drukken, ik
+heb niets geleerd; ik ben een arm man. Men moest dit begrijpen. Ik heb
+niet gestolen, ik heb van den weg opgeraapt wat er lag. Gij spreekt van
+Jean Valjean, Jean Mathieu. Ik ken die lieden niet. Zij wonen zeker in
+'t dorp. Ik heb bij den heer Baloup, op den boulevard de l'Hopital
+gewerkt. Ik heet Champmathieu. Gij zijt wel slim, dat ge mij kunt
+zeggen waar ik geboren ben. Ik weet het zelf niet. Iedereen komt niet
+in een huis ter wereld. Dat zou al te gemakkelijk zijn. Ik geloof,
+dat mijn ouders lieden waren die in het land rondzwierven; ik weet
+het trouwens niet. Toen ik een kind was, noemde men mij "Kleine", nu
+heet men mij "Oude". Dat zijn mijn doopnamen. Houdt ze voor hetgeen
+ge wilt. Ik ben in Auvergne, te Faverolles geweest. Drommels! Kan
+men niet in Auvergne en te Faverolles zijn geweest, zonder op de
+galeien geweest te zijn? Ik zeg u, dat ik niet gestolen heb en dat
+ik de oude Champmathieu ben. Ik ben bij mijnheer Baloup geweest,
+ik heb een woonplaats gehad. Maar al uw malle praat verveelt mij
+eindelijk. Waarom vervolgt men mij als een wild dier?"
+
+De advocaat-generaal was blijven staan en richtte zich nu tot den
+president.
+
+"Mijnheer de president, tegenover de verwarde, maar zeer behendige
+ontkenningen van den beschuldigde, die zich gaarne voor een idioot zou
+willen laten doorgaan, maar hierin niet zal slagen--dit verzekeren
+wij hem--eischen wij, dat het u en het hof behagen moge, opnieuw
+voor deze balie de veroordeelden Brevet, Cochepaille en Chenildieu,
+benevens den inspecteur van politie Javert te doen verschijnen, en
+hen ten laatste male wegens de identiteit van den beschuldigde met
+den tuchteling Jean Valjean te ondervragen."
+
+"Ik moet mijnheer den advocaat-generaal opmerken," zei de president,
+"dat de inspecteur van politie, Javert, wegens zijn ambtsplichten
+naar de hoofdplaats van een naburig arrondissement teruggeroepen,
+terstond na 't afleggen zijner getuigenis de zitting en zelfs de stad
+heeft verlaten. Wij hebben hem de vergunning hiertoe gegeven, met de
+toestemming van mijnheer den advocaat-generaal en den verdediger van
+den beschuldigde."
+
+"'t Is waar, mijnheer de president," hernam de advocaat-generaal. "Bij
+afwezigheid van den heer Javert meen ik aan mijne heeren de gezworenen
+te moeten herinneren, wat hij, eenige uren geleden, hier zelf gezegd
+heeft. Javert is een achtenswaardig man, die door zijn strenge, strikte
+eerlijkheid zijn ondergeschikte, maar zeer gewichtige betrekking
+eer aandoet. Zijn verklaring luidde als volgt: "Ik heb zelfs geen
+vermoedens noch stoffelijke bewijzen noodig om de ontkenningen van
+den beschuldigde te logenstraffen. Ik herken hem volkomen. Deze man
+heet niet Champmathieu; 't is een voormalige galeislaaf, die zeer
+ondeugend en gevreesd was, Jean Valjean geheeten. Men heeft hem na
+'t einde van zijn straftijd slechts met het grootste leedwezen zijn
+vrijheid hergeven. Hij heeft negentien jaren dwangarbeid gehad,
+wegens diefstal met verzwarende omstandigheden. Vijf of zes keeren
+heeft hij getracht te ontvluchten. Behalve van het bestelen van den
+kleinen Gervais en den diefstal bij Pierron, verdenk ik hem nog van
+een diefstal bij wijlen monseigneur den bisschop van D. Ik heb hem
+dikwerf gezien tijdens ik adjunct-opziener in het bagno te Toulon
+was. Ik herhaal, dat ik hem volkomen herken."
+
+Deze zoo duidelijke verklaring scheen een diepen indruk op het publiek
+en de gezworenen te maken. De advocaat-generaal eischte ten slotte dat,
+bij ontstentenis van Javert, de drie getuigen Brevet, Chenildieu en
+Cochepaille opnieuw gehoord en plechtig ondervraagd zouden worden.
+
+De president gaf het bevel hiertoe aan een deurwaarder; en een
+oogenblik later werd de deur der getuigenkamer geopend, De deurwaarder,
+vergezeld van een gendarm, om hem den vereischten bijstand te leenen,
+leidde den veroordeelde Brevet binnen. De aanwezigen waren in de
+hoogste spanning en aller borst hijgde, als hadden zij slechts
+één ziel.
+
+De voormalige galeislaaf Brevet droeg het zwart- en grijs
+gevangenisbuis. Hij was iemand van zestig jaar en had het voorkomen van
+een man van zaken en het gezicht van een schelm. Een en ander gaat soms
+te zamen. Hij was in de gevangenis, waar nieuwe misdrijven hem hadden
+teruggebracht, een soort van oppasser. Zijn chefs zeiden van hem: Hij
+tracht zich verdienstelijk te maken. De geestelijken der gevangenis
+gaven goede getuigenis van zijn godsdienstig gedrag. Men moet niet
+uit het oog verliezen, dat dit tijdens de restauratie gebeurde.
+
+"Brevet," zei de president, "gij hebt een onteerende straf ondergaan
+en moogt dus geen eed doen."
+
+Brevet sloeg de oogen neder.
+
+"Evenwel," hernam de president, "kan zelfs in den mensch dien de
+wet onteerd heeft, zoo Gods goedheid het vergunt, een gevoel van
+eer en rechtvaardigheid overblijven. Op dit gevoel doe ik in dit
+gewichtig uur een beroep. Zoo dit gevoel nog in u leeft, gelijk ik
+hoop, bedenk u dan wel, eer gij antwoordt; bedenk, dat een woord
+van u dezen man in 't verderf kan storten, en van den anderen kant,
+de justitie kan inlichten. Het is een plechtig oogenblik, en 't
+is nog tijd uw verklaring te herroepen, zoo ge meent u vergist te
+hebben.--Beschuldigde! sta op.--Brevet, zie den beschuldigde goed aan,
+roep uwe herinneringen te zamen, en zeg ons, op uw ziel en geweten,
+of ge in dezen man uw voormaligen makker in 't bagno, Jean Valjean,
+blijft erkennen."
+
+Brevet zag den beschuldigde aan en wendde zich toen tot het hof:
+
+"Ja, mijnheer de president. Ik heb hem reeds vroeger herkend, en
+blijf er bij. Deze man is Jean Valjean, die in 1796 te Toulon kwam en
+die plaats in 1815 verliet. Een jaar later werd ik ontslagen. Thans
+ziet hij er als een onnoozele uit, misschien is hij door de jaren
+suf geworden; maar in 't bagno was hij slim genoeg. Ik herken hem
+volkomen."
+
+"Ga zitten," zei de president. "Beschuldigde, blijf staan."
+
+Men leidde Chenildieu binnen, een tot levenslangen dwangarbeid
+veroordeelde, zooals zijn rood buis en zijn groene muts te kennen
+gaven. Hij onderging zijn straf in 't bagno te Toulon, van waar men
+hem wegens deze zaak had doen overkomen. Hij was een kleine man, van
+ongeveer vijftig jaren, levendig, gerimpeld, tenger, geel, onbeschaamd,
+koortsachtig, die in al zijn leden en door zijn geheele lichaam een
+soort van ziekelijke zwakheid bezat, maar een krachtige uitdrukking
+in zijn blik. Zijn makkers in 't bagno noemden hem Je-nie-dieu
+(Godloochenaar).
+
+De president richtte genoegzaam dezelfde woorden tot hem als tot
+Brevet. Op 't oogenblik dat hij hem herinnerde, dat zijn eerloosheid
+hem het recht ontzegde, een eed te doen, hief Chenildieu het hoofd op
+en zag het publiek stijf aan. De president vermaande hem zich wel te
+bedenken en vroeg hem, zooals aan Brevet, of hij in zijn verklaring
+volhardde, dat hij den beschuldigde herkende.
+
+Chenildieu lachte luid.
+
+"Drommels! Of ik hem herken! wij hebben vijf jaren lang aan dezelfde
+keten gezeten. Zijt ge boos, oude?"
+
+"Ga zitten," zei de president.
+
+De deurwaarder bracht Cochepaille binnen; deze tweede tot levenslangen
+dwangarbeid veroordeelde, evenals Chenildieu uit het bagno gekomen en
+in 't rood gekleed, was een boer uit Lourdes, en een halve beer der
+Pyreneën. Hij was veehoeder in het gebergte geweest, en van veehoeder
+was hij roover geworden. Cochepaille was niet minder onbeschaafd
+dan de beschuldigde, en scheen nog stompzinniger. 't Was een dier
+ongelukkigen, welke de natuur aanvankelijk tot wilde dieren heeft
+bestemd, en waarvan de maatschappij ten slotte galeislaven maakt.
+
+De president beproefde, hem door eenige gemoedelijke en ernstige
+woorden te bewegen en vroeg hem, evenals aan de beide anderen, of
+hij zonder aarzeling en bedenken er bij bleef, dat hij den voor hem
+staanden man herkende.
+
+"'t Is Jean Valjean," zei Cochepaille, "dezelfde dien men Jean le Cric
+[14] noemde, zoo sterk was hij."
+
+Elk der verklaringen van deze drie mannen, die blijkbaar oprecht
+en te goeder trouw waren, hadden bij de aanwezenden een gemompel,
+een slecht teeken voor den beschuldigde doen ontstaan, welk gemompel
+telkens sterker werd en langer aanhield, wanneer een nieuwe verklaring
+zich bij de vorige voegde. De beschuldigde had alles aangehoord
+met dat verbaasd gezicht, hetwelk, volgens de beschuldiging, zijn
+voornaamste middel van verdediging was. Bij de eerste verklaring hadden
+de gendarmen, die bij hem stonden, hem binnensmonds hooren mompelen:
+"Ha, dat is er me een!" Na de tweede zeide hij een weinig luider,
+schier op tevreden toon: "Goed!" Bij de derde riep hij: "Wel drommels!"
+
+De president vroeg hem nu:
+
+"Hebt ge gehoord, beschuldigde? Wat hebt ge te zeggen?"
+
+Hij antwoordde:
+
+"Ik zeg--wel drommels!"
+
+Bij het publiek ontstond eene opschudding, die zich schier aan de
+gezworenen mededeelde. Het was duidelijk, dat de man verloren was.
+
+"Deurwaarders," riep de president, "zorgt voor stilte. Ik zal de
+debatten sluiten."
+
+Op dit oogenblik ontstond dicht bij den president beweging. Men hoorde
+een stem roepen:
+
+"Brevet, Chenildieu, Cochepaille! ziet hierheen!"
+
+Allen die deze stem hoorden voelden een huivering, zoo snijdend en
+ontzettend was zij. Aller oogen wendden zich naar de plaats, van
+waar zij gekomen was. Een man onder de bevoorrechte toeschouwers,
+achter de rechters, was opgestaan, had de balie, welke de rechtbank
+van het publiek scheidde, geopend en stond nu in 't midden der zaal. De
+president, de advocaat-generaal, mijnheer Bamatabois, twintig personen
+herkenden hem en riepen uit één mond:
+
+"De heer Madeleine."
+
+
+
+
+
+
+ELFDE HOOFDSTUK.
+
+CHAMPMATHIEU HOE LANGER HOE MEER VERWONDERD.
+
+
+Hij was 't inderdaad. De lamp van den griffier bescheen zijn
+gelaat. Hij had den hoed in de hand, zijn kleeding was in volkomen
+orde, zijn jas zorgvuldig dichtgeknoopt; maar hij was zeer bleek en
+beefde eenigszins. Zijn haar, bij zijn aankomst te Arras nog grijs,
+was thans heel wit. 't Was sinds een uur, dat hij zich daar bevond,
+wit geworden.
+
+Aller hoofden richtten zich op. De opschudding was onbeschrijfelijk. De
+toeschouwers verkeerden voor een oogenblik in geweldige spanning. De
+stem was zoo heftig geweest, de man, die daar stond, scheen zoo
+bedaard, dat men aanvankelijk niets begreep. Men vroeg elkander,
+wie gesproken had. Men kon niet gelooven, dat het deze kalme man was,
+die zoo luid had geroepen.
+
+Deze onzekerheid duurde slechts eenige seconden. Zelfs vóór de
+president en de advocaat-generaal een woord hadden kunnen zeggen,
+vóór de gendarmen en deurwaarders iets hadden kunnen doen, was de
+man, dien allen nog mijnheer Madeleine noemden, naar de getuigen
+Cochepaille, Brevet en Chenildieu gegaan.
+
+"Herkent ge mij niet?" zeide hij.
+
+Alle drie waren verwonderd en gaven door een hoofdbeweging te verstaan,
+dat zij hem niet kenden. Cochepaille groette in zijn verwarring door
+op militaire wijze aan te slaan. De heer Madeleine wendde zich tot
+de gezworenen en het hof, en zeide met zachte stem:
+
+"Mijne heeren gezworenen! stelt den beschuldigde in vrijheid. Mijnheer
+de president! laat mij in hechtenis nemen. De man, dien gij zoekt,
+is niet hij, maar ben ik. Ik ben Jean Valjean."
+
+Allen hielden den adem in. Op de eerste aandoening van verbazing
+was een doodsche stilte gevolgd. Men voelde in de zaal die soort
+van eerbiedige huivering, welke de menigte bevangt, wanneer iets
+ontzettends geschiedt.
+
+Het gezicht van den president drukte genegenheid en droefheid uit; hij
+had een snellen blik met den advocaat-generaal en eenige fluisterende
+woorden met de raadsheeren gewisseld. Toen wendde hij zich tot het
+publiek, en op een toon, die door allen begrepen werd, vroeg hij:
+
+"Is hier een geneesheer tegenwoordig?"
+
+Daarop nam de advocaat-generaal het woord en zeide:
+
+"Mijne heeren gezworenen, het even zonderling als onverwacht voorval
+dat de zitting stoort boezemt ons, evenzeer als u, een gevoel in,
+dat wij niet behoeven uit te drukken. Gij kent allen, ten minste bij
+naam, den achtenswaardigen heer Madeleine, maire van M. sur M. Zoo
+een geneesheer in de zaal tegenwoordig is, vereenigen wij ons met
+mijnheer den president, om hem te verzoeken den heer Madeleine bij
+te staan en hem naar zijn woning te geleiden."
+
+Mijnheer Madeleine liet den advocaat-generaal niet uitspreken. Hij viel
+hem op een kalmen doch tevens nadrukkelijken toon in de rede. Ziehier
+de woorden, die hij sprak, letterlijk, zooals ze terstond na de
+zitting door een der getuigen van dit tooneel werden opgeschreven,
+en zooals ze thans nog in de ooren weerklinken van hen, die ze nu
+bijna veertig jaren geleden gehoord hebben.
+
+"Ik dank u, mijnheer de advocaat-generaal, maar ik ben niet
+krankzinnig. Ge zult er u van overtuigen. Gij waart op het punt, een
+groote dwaling te begaan; laat dezen man vrij, ik vervul een plicht:
+ik ben die ongelukkige veroordeelde. Ik ben de eenige, die de zaak
+duidelijk ken en ik zeg u de waarheid. God, die hier boven is, ziet wat
+ik op dit oogenblik doe, en dat is voldoende. Ge kunt mij laten vatten,
+want hier ben ik. Ik had echter gedaan wat ik kon. Ik heb mij onder
+een anderen naam verborgen; ik ben rijk geworden, ben maire geworden;
+ik wilde onder de eerlijke menschen terugkeeren. 't Schijnt, dat dit
+niet mogelijk is. Vele dingen kan ik u niet zeggen, ik zal u mijn
+levensloop niet verhalen, eenmaal zal men dien te weten komen. 't Is
+waar, dat ik Monseigneur den bisschop bestolen heb; 't is ook waar,
+dat ik den kleinen Gervais heb afgezet. Men heeft terecht gezegd, dat
+Jean Valjean een zeer erge misdadiger was. Misschien heeft hij echter
+niet geheel en al schuld. Mijne heeren de rechters, een man, zoo diep
+gezonken als ik, heeft de Voorzienigheid niet te berispen noch der
+maatschappij raad te geven; maar laat ik u zeggen, dat de onteering,
+waaruit ik gepoogd heb mij op te heffen, een zeer noodlottige zaak
+is. De galeien maken den galeislaaf. Bedenkt dit wel. Vóór ik in het
+bagno kwam, was ik een arme boer, zeer weinig ontwikkeld, een soort
+van onnoozele; het bagno heeft mij veranderd. Ik was dom, ik ben slecht
+geworden; ik was een blok hout, ik ben een klomp vuur geworden. Later
+hebben zachtmoedigheid en goedheid mij gered, evenals strengheid
+mij verdorven had. Maar vergeving, gij kunt niet begrijpen wat ik
+zeg. In mijn huis zult ge in de asch van den haard het tweefrancstuk
+vinden, dat ik vóór zeven jaar den kleinen Gervais ontnam. Ik heb
+hier niets meer bij te voegen. Neemt mij gevangen. Mijn God! mijnheer
+de advocaat-generaal schudt het hoofd; gij zegt: De heer Madeleine is
+krankzinnig geworden; gij gelooft mij niet. Dit is treurig. Veroordeelt
+ten minste dezen man niet. Hoe! deze lieden herkennen mij niet! Indien
+Javert hier slechts ware! Hij zou mij herkennen!"
+
+De diepe, zachtmoedige treurigheid, welke in den toon dezer woorden
+lag, is niet te beschrijven.
+
+Hij wendde zich tot de drie galeiboeven:
+
+"Nu, ik herken u, Brevet! Herinnert ge u...?"
+
+Hij hield op, aarzelde een oogenblik en zeide toen:
+
+"Herinnert ge u den gebreiden draagband met ruiten, dien ge in het
+bagno droegt?"
+
+Brevet werd van verbazing aangegrepen en zag hem van het hoofd tot
+de voeten met een ontstelden blik aan. Hij vervolgde:
+
+"Chenildieu, gij, die u zelven Je-nie-Dieu (Godloochenaar) noemdet;
+op uw rechterschouder hebt ge het diep litteeken eener brandwonde,
+doordien ge u op zekeren dag op een komfoor met gloeiende kolen
+legdet, om de letters T. F. P. te doen verdwijnen, die iedereen er
+echter nog zien kan. Antwoord, is 't waar?''
+
+"'t Is waar," zei Chenildieu.
+
+Daarop zeide hij tot Cochepaille :
+
+"Cochepaille, ge hebt op den linkervoorarm een datum in blauwe letters
+met buskruit ingebrand. 't Is de dagteekening der landing van den
+keizer te Cannes, 1 Maart 1815. Stroop uw mouw op!"
+
+Cochepaille stroopte de mouw op, de blikken van alle omstanders
+richtten zich op zijn blooten arm. Een gendarm naderde met een lamp,
+de dagteekening stond er.
+
+Toen wendde de ongelukkige man zich tot het publiek en tot de rechters
+met een glimlach, welke allen, die er bij tegenwoordig waren, nog
+door het hart snijdt als zij er aan denken. 't Was de glimlach der
+zegepraal, vermengd met dien der wanhoop.
+
+"Gij ziet nu," zeide hij, "dat ik Jean Valjean ben."
+
+Er waren nu in de zaal noch rechters, noch beschuldigers,
+noch gendarmen; er waren slechts strakke blikken en bewogen
+harten. Niemand dacht meer aan de rol, die hij te vervullen had;
+de advocaat-generaal vergat, dat hij er was om een eisch te doen;
+de president, dat hij er om te presideeren, de verdediger, dat hij
+er om te verdedigen was. Zonderling, geen vraag werd gedaan, geen
+gezag deed zich gelden. Het eigenaardige van verheven tooneelen is,
+dat zij alle harten bevangen en van alle aanwezigen belangstellenden
+maken. Niemand misschien gaf zich rekenschap van 't geen hij gevoelde;
+niemand, waarschijnlijk, dacht er aan, dat hij hier een schitterend
+licht zag schijnen; allen gevoelden zich inwendig verblind.
+
+'t Was nu duidelijk, dat men Jean Valjean voor zich had. De
+verschijning van dezen man was voldoende geweest, om de even te voren
+nog zoo duistere zaak in het helderste licht te stellen. Zonder dat
+er nog eenige verklaring noodig was, begreep het gansche publiek,
+als door een soort van electrische verlichting, in een enkel oogenblik
+de eenvoudige en grootsche geschiedenis van een man, die zich zelven
+overleverde, opdat geen ander in zijn plaats veroordeeld zou worden. De
+bijzonderheden, de weifelingen, de mogelijk geringe wederstrevingen
+verdwenen in deze grootsche, schitterende daad.
+
+De indruk ging spoedig voorbij, maar was op het oogenblik
+onwederstaanbaar.
+
+"Ik wil de zitting niet langer storen," hernam Jean Valjean. "Ik
+ga, wijl men mij niet in hechtenis neemt. Ik heb nog veel te
+verrichten. Mijnheer de advocaat-generaal weet wie ik ben; hij weet
+waarheen ik ga; hij kan mij doen gevangen nemen, wanneer hij wil."
+
+Hij ging naar de deur. Geen stem verhief zich, geen arm werd
+uitgestoken om hem te verhinderen. Allen gingen ter zijde. Hij had
+op dit oogenblik iets goddelijks, 't welk de menigte voor een mensch
+doet wijken en ter zijde gaan. Met langzamen tred ging hij door de
+zaal. Men heeft nimmer geweten, wie de deur opende; maar 't is zeker,
+dat de deur geopend was, toen hij er kwam.
+
+Daar wendde hij zich om en zeide:
+
+"Mijnheer de advocaat-generaal, ik blijf te uwer beschikking."
+
+Vervolgens sprak hij tot het publiek:
+
+"Gij allen die hier zijt, gij vindt mij beklagenswaard, niet waar? Mijn
+God! wanneer ik denk wat ik voornemens was te doen, vind ik mij
+benijdenswaardig. 't Zou mij echter liever zijn, zoo dit alles niet
+gebeurd ware."
+
+Hij ging de deur uit, die zich sloot gelijk zij geopend was; want zij
+die iets verhevens verrichten, kunnen altijd zeker zijn, dat iemand
+onder de menigte hen helpen zal.
+
+Binnen een uur tijds onthief de uitspraak der gezworenen Champmathieu
+van alle schuld; en Champmathieu, die dadelijk op vrije voeten werd
+gesteld, ging verbaasd heen, in de vaste overtuiging, dat al die
+menschen gek waren, en zonder iets van het gebeurde te begrijpen.
+
+
+
+
+
+
+
+BOEK VIII.
+
+TERUGWERKING.
+
+
+EERSTE HOOFDSTUK.
+
+IN WELKEN SPIEGEL MIJNHEER MADELEINE ZIJN HAREN BEZIET.
+
+
+De dag begon aan te breken. Fantine had een koortsigen, slapeloozen
+nacht gehad, voor 't overige vol aangename voorstellingen; tegen
+den ochtend viel zij in slaap. Zuster Simplicia, die des nachts
+bij haar gewaakt had, maakte van deze gelegenheid gebruik, om een
+nieuwen kinadrank te bereiden. Sedert eenige oogenblikken was de
+goede zuster in de apotheek met haar artsenijen en fleschjes bezig,
+alles dicht onder 't gezicht houdende, uit hoofde der nog heerschende
+ochtendschemering. Eensklaps wendde zij het hoofd om en slaakte een
+lichten kreet. Mijnheer Madeleine stond voor haar. Hij was ongemerkt
+binnengekomen.
+
+"Zijt gij 't, mijnheer de maire?" riep zij.
+
+Hij antwoordde met zachte stem:
+
+"Hoe gaat het met de arme vrouw?"
+
+"Niet erger op dit oogenblik. Maar wij zijn allen zeer ongerust
+geweest."
+
+Zij verhaalde hem, wat had plaats gehad; dat Fantine den vorigen avond
+zeer erg was geweest, doch nu veel beter was, wijl zij geloofde,
+dat mijnheer de maire naar Montfermeil was gegaan, om haar kind te
+halen. De zuster durfde den maire hiernaar niet vragen, maar zij zag
+wel aan zijn gezicht, dat hij daar niet vandaan kwam.
+
+"Dit is alles goed," zeide hij, "ge hebt wel gedaan, haar in dien
+waan te laten."
+
+"Ja," hernam de zuster, "maar wat zullen wij haar zeggen, nu zij u
+zonder haar kind zal wederzien?"
+
+Hij bedacht zich een oogenblik.
+
+"God zal 't ons ingeven," zeide hij.
+
+"Men mag evenwel geen onwaarheid zeggen," mompelde de zuster
+binnensmonds.
+
+'t Was nu volkomen dag geworden. Het licht viel den heer Madeleine
+juist in 't gezicht. Toevallig sloeg de zuster haar oogen op.
+
+"Mijn Hemel, mijnheer!" riep zij, "wat is uw overkomen? uw haar is
+geheel en al wit!"
+
+"Wit?" zeide hij.
+
+Zuster Simplicia had geen spiegel; zij schommelde in een instrumentlade
+en nam er een spiegeltje uit, waarvan de dokter zich in de ziekenzaal
+bediende, om te onderzoeken of een zieke werkelijk dood was en niet
+meer ademde. Mijnheer Madeleine nam het spiegeltje, zag er zijn haar
+in en zeide: "ziedaar!"
+
+Hij sprak dit onverschillig uit en alsof hij aan iets anders dacht.
+
+De zuster ontstelde over het geheimzinnige, dat zij in dit alles
+vermoedde.
+
+Hij vroeg:
+
+"Kan ik haar zien?"
+
+"Zal mijnheer de maire heur kind niet tot haar brengen?" sprak de
+zuster, die nauwelijks een vraag durfde doen.
+
+"Zekerlijk, maar daar zijn ten minste twee of drie dagen voor noodig."
+
+"Zoo zij mijnheer den maire vóór dien tijd niet ziet," hernam de
+zuster bedeesd, "zal zij niet weten dat gij terug zijt; zij zal
+dan gemakkelijk tot geduld te brengen zijn, en wanneer het kind
+komt, zal zij natuurlijk denken, dat mijnheer de maire het heeft
+medegebracht. Niemand zou dan een onwaarheid behoeven te zeggen."
+
+Mijnheer Madeleine scheen zich eenige oogenblikken te bedenken,
+toen zeide hij met kalmen ernst:
+
+"Neen, zuster, ik moet haar zien. Er is misschien haast."
+
+De geestelijke zuster scheen het woord "misschien" niet op te merken,
+dat een vreemden, duisteren zin aan de woorden van mijnheer den maire
+gaf. Met nedergeslagen oogen en op eerbiedigen toon antwoordde zij:
+
+"Zij slaapt; maar mijnheer de maire kan binnengaan."
+
+Hij maakte eenige aanmerkingen wegens een deur, die niet goed sloot,
+en welker gerucht de zieke kon wekken; toen trad hij in de kamer
+van Fantine, naderde het bed en sloeg de gordijnen half open. Zij
+sliep. Haar adem kwam uit de borst op met het akelig geluid, aan die
+soort van ziekten eigen, en 't welk het hart der moeder verscheurt, die
+'s nachts bij haar kind waakt. Deze moeielijke ademhaling verstoorde
+evenwel de onbeschrijfbare kalmte niet, die op haar gelaat lag en haar
+in haar slaap als herschiep. Haar bleekheid was blankheid geworden;
+haar wangen waren blozend. Haar lange blonde oogharen, het eenige
+schoon, dat haar van haar jeugd was overgebleven, trilden, hoewel de
+oogleden neergeslagen en gesloten bleven. Haar geheele lichaam rilde
+als door het kleppen van vleugelen, die zich uitbreidden om haar weg
+te voeren, en welke men voelde bewegen, maar niet zag. Als men haar
+aldus zag, kon men niet gelooven dat haar toestand hopeloos was. Zij
+scheen eerder te willen wegvliegen, dan te sterven.
+
+De tak beeft, zoo een hand nadert om de bloem te plukken, en schijnt
+zich tevens terug te trekken en zich aan te bieden. Het menschelijk
+lichaam heeft iets van deze beving, wanneer 't oogenblik nadert,
+dat de geheimzinnige vingers van den dood de ziel komen plukken.
+
+Madeleine bleef eenigen tijd bewegingloos voor het bed staan en
+aanschouwde beurtelings de zieke en het kruisbeeld, evenals hij
+twee maanden geleden deed, op den dag, toen hij haar voor het eerst
+in deze wijkplaats bezocht. Beiden bevonden zich daar nu weder in
+dezelfde houding; zij sliep, hij bad; maar thans, na verloop dezer
+twee maanden, was Fantine's haar grijs, het zijne wit.
+
+De zuster was niet met hem binnengegaan. Hij stond bij het bed met
+den vinger op de lippen, als ware er iemand in de kamer, wien hij
+het zwijgen gebood.
+
+Zij opende de oogen, zag hem en zeide kalm en glimlachend:
+
+"En Cosette?"
+
+
+
+
+
+
+TWEEDE HOOFDSTUK.
+
+FANTINE IS GELUKKIG.
+
+
+Zij maakte geen beweging van verrassing noch van blijdschap; zij was
+de blijdschap zelve. Deze eenvoudige vraag: "En Cosette?" werd met
+zulk een innig vertrouwen, met zooveel zekerheid, zoo geheel zonder
+ongerustheid en twijfel gedaan, dat hij niet wist wat hij zeggen
+zou. Zij vervolgde:
+
+"Ik wist dat ge hier waart, ik sliep, maar ik zag u. Ik zag u sinds
+lang en volgde u den ganschen nacht met mijn oogen. Ge waart door een
+stralenkrans omgeven en om u zweefden allerlei hemelsche gedaanten."
+
+Hij hief zijn blik op tot het kruisbeeld.
+
+"Maar," vervolgde zij, "zeg mij nu waar Cosette is? Waarom haar niet
+bij mij op 't bed gelegd, tegen 't oogenblik dat ik ontwaken zou?"
+
+Hij antwoordde werktuiglijk iets, dat hij zich later nimmer meer
+kon herinneren.
+
+Gelukkig was de geneesheer, die verwittigd was, verschenen, en kwam
+den heer Madeleine te hulp.
+
+"Wees rustig, mijn dochter, uw kind is hier."
+
+Fantine's oogen glinsterden en spreidden een helderen glans over haar
+gelaat. Met een uitdrukking, die alles in zich sloot wat het gebed
+vurigst en zachtst kan hebben, vouwde zij de handen.
+
+"Ach!" riep zij, "breng haar mij."
+
+Aandoenlijke begoocheling eener moeder! Zij meende nog altijd, dat
+men haar het kind bracht.
+
+"Nog niet," hernam de geneesheer, "niet in dit oogenblik. Ge zijt nog
+koortsig. Het gezicht van uw kind zou u te veel ontroeren en nadeelig
+zijn. Vóór alles moet ge hersteld zijn."
+
+Zij viel hem heftig in de rede:
+
+"Ik ben hersteld, ik zeg u dat ik hersteld ben. Hoe dom van dien
+dokter. Ik zeg u, dat ik mijn kind wil zien."
+
+"Ge ziet," zei de geneesheer, "dat ge driftig wordt. Zoolang ge
+zóó zijt, wil ik niet, dat ge uw kind ziet. 't Is niet genoeg haar
+te zien, gij moet voor haar leven. Zoodra ge bedaard en kalm zijt,
+zal ik zelf u haar brengen."
+
+De arme moeder liet het hoofd zinken.
+
+"Vergeving, mijnheer de dokter, ik vraag u hartelijk
+vergiffenis. Vroeger zou ik aldus niet gesproken hebben; maar ik heb
+zoovele rampen doorstaan, dat ik soms niet weet wat ik zeg. Ik begrijp,
+ge vreest voor opgewondenheid; ik zal zoo lang wachten als ge wilt;
+maar ik verzeker u, dat het mij geen kwaad zou gedaan hebben, mijn kind
+te zien. Ik zie haar toch, en sedert gisterenavond verlies ik haar niet
+uit het oog. Weet ge? Zoo men het mij nu bracht, zou ik er rustig mede
+praten. Anders niet. Is 't niet natuurlijk, dat ik mijn kind wensch te
+zien, dat men opzettelijk van Montfermeil heeft gehaald? Ik ben niet
+verstoord. Ik weet immers, dat ik gelukkig zal worden. Den geheelen
+nacht heb ik witte dingen gezien en lieden die mij toelachten. Wanneer
+mijnheer de dokter het goedvindt, zal hij mij Cosette wel brengen. Ik
+heb geen koorts meer, want ik ben genezen; ik gevoel duidelijk, dat
+mij niets meer deert; maar ik zal doen alsof ik ziek ben en stil zijn,
+om de goede zusters aangenaam te zijn. Zoodra men ziet, dat ik rustig
+ben, zullen zij zeggen: nu moet men haar het kind geven."
+
+Madeleine had zich op een stoel gezet, die naast het bed stond. Zij
+wendde zich tot hem, en deed blijkbaar alle moeite om bedaard en
+"zeer verstandig" te zijn, zooals zij in haar ziekelijke zwakheid
+zeide, welke de kindsheid gelijkt, opdat men, als men haar zoo rustig
+zag, geen bezwaar zou maken haar Cosette te brengen. Evenwel kon zij,
+hoezeer zij zich bedwong, niet nalaten, den heer Madeleine duizenderlei
+vragen te doen.
+
+"Hebt ge een voorspoedige reis gehad, mijnheer de maire? O, hoe goed
+van u, dat ge haar gehaald hebt! Zeg mij maar alleen, hoe 't haar
+gaat? Heeft zij de reis goed doorgestaan? Ach, zij zal mij niet meer
+kennen? De lieve kleine heeft mij in al dien tijd vergeten! kinderen
+hebben geen geheugen; 't gaat hun als de vogels. Vandaag zien zij dit,
+morgen dat, en vergeten alles. Maar heeft zij schoon linnen? Hielden
+de Thénardier's haar zindelijk? Hoe voedden zij haar? Ach, wist ge
+hoe ik geleden heb, toen ik, in den tijd mijner ellende, mij al deze
+vragen deed. Nu is 't voorbij! Ik ben verheugd! Ach, hoezeer wensch ik
+haar te zien! Hebt ge haar mooi gevonden, mijnheer de maire? Niet waar,
+mijn dochtertje is schoon? Ge moet het wel koud in de diligence gehad
+hebben? Zou men haar niet voor een enkel oogenblik kunnen brengen? Ze
+kunnen haar terstond weder meenemen! Spreek, gij zijt baas, en zoo
+ge wildet...!"
+
+Hij nam haar hand en zeide: "Cosette is schoon: zij is welvarend,
+gij zult haar spoedig zien; maar wees nu stil. Gij spreekt te veel,
+en gij laat uw armen uit het bed hangen; dat maakt u aan 't hoesten."
+
+En inderdaad deden aanvallen van hoest Fantine schier bij ieder
+woord afbreken.
+
+Fantine morde niet; zij vreesde dat zij door te harstochtelijke
+klachten het vertrouwen had geschaad, dat zij wilde inboezemen,
+en nu begon zij over onverschillige zaken te spreken.
+
+"Montfermeil is een lief plaatsje, niet waar? Des zomers doet men er
+pleiziertochtjes heen. Gaan de zaken van Thénardier goed? Er komen
+weinig voorname lieden bij hen. Hun herberg is een soort van kroeg."
+
+Madeleine hield nog altijd haar hand vast en aanschouwde haar met
+bekommering; 't was hem aan te zien, dat hij gekomen was om haar dingen
+te zeggen, welke hij thans aarzelde uit te spreken. De geneesheer
+verwijderde zich, en nu was zuster Simplicia alleen met beiden.
+
+Eensklaps riep Fantine, te midden dezer stilte:
+
+"Ik hoor haar, mijn God! ik hoor haar!"
+
+Zij stak den arm uit, opdat men niet zou spreken, hield den adem in
+en luisterde in verrukking.
+
+Op de binnenplaats speelde een kind, het kind der portierster of van
+een werkster. 't Was eene dier toevalligheden, welke men zoo vaak
+ontmoet en die tot de voorstelling van treurige tooneelen schijnen te
+behooren. Het kind, een klein meisje, liep heen en weder, om zich te
+verwarmen, en lachte en zong luide. Helaas! op welke wijze vermaken
+de kinderen zich al niet! 't Was dit kleine meisje, 't welk Fantine
+hoorde zingen.
+
+"O," hernam zij, "'t is mijn Cosette, ik herken haar stem!"
+
+Het kind verwijderde zich gelijk het gekomen was, haar stem verstierf;
+Fantine luisterde nog een poos, toen verduisterde haar gelaat en de
+heer Madeleine hoorde haar zacht zeggen: "Hoe wreed is deze geneesheer,
+dat hij mij mijn kind niet wil laten zien. Die man heeft zelf een
+leelijk gezicht."
+
+Haar vroolijke gedachten keerden echter terug. Zij ging voort met tot
+zich zelve te spreken, het hoofd in 't kussen: "O, wij zullen gelukkig
+zijn. Vooreerst zullen wij een kleinen tuin hebben. Mijnheer Madeleine
+heeft het mij beloofd. Mijn dochtertje zal in den tuin spelen. Zij zal
+de letters wel kennen en ik zal haar leeren spellen. Over het gras zal
+zij de kapellen naloopen. Ik zal haar dan zien. Vervolgens zal zij haar
+eerste communie doen. O, wanneer zal zij haar eerste communie doen?"
+
+Zij telde op haar vingers.
+
+"... Een, twee, drie, vier... Zij is zeven jaar oud. Dus over vijf
+jaar. Dan krijgt zij een witten sluier, opengewerkte kousen... Zij
+zal er uitzien als een dametje. O, lieve zuster, verbeeld u hoe dwaas,
+ik denk daar aan de eerste communie van mijn dochtertje."
+
+Zij lachte.
+
+Madeleine had Fantine's hand losgelaten. Hij luisterde naar haar
+woorden gelijk men naar den wind luistert, met nedergeslagen oogen,
+in onbestemde gedachten verdiept. Eensklaps zweeg zij; dit deed hem
+werktuiglijk het hoofd opheffen. Fantine zag er verschrikt uit.
+
+Zij sprak niet meer, zij ademde niet meer; ten halve had zij zich
+opgericht, haar magere arm kwam uit het hemd; haar gezicht, dat
+even te voren schitterde, was dof, zij scheen op iets vreeselijks te
+staren vóór zich aan 't einde der kamer, haar oogen waren opengespalkt
+van schrik.
+
+"Mijn God!" riep hij. "Wat deert u, Fantine?"
+
+Zij antwoordde niet, zij wendde de oogen niet af van het voorwerp,
+'t welk zij scheen te zien, maar met de eene hand drukte zij zijn
+arm en met de andere beduidde zij hem, achterom te zien.
+
+Hij keerde zich om, en zag Javert.
+
+
+
+
+
+
+DERDE HOOFDSTUK.
+
+JAVERT IS TEVREDEN.
+
+
+Ziehier wat gebeurd was.
+
+'t Was half één 's nachts, toen de heer Madeleine de gerechtszaal te
+Arras had verlaten. Hij was tijdig genoeg in zijn herberg teruggekomen
+om met de postkar te kunnen vertrekken, waarop hij, zooals men zich
+herinnert, een plaats besproken had. Even voor zes uren in den morgen
+was hij te M. sur M. aangekomen; en het eerst wat hij deed was zijn
+brief aan den heer Laffitte naar de post te brengen, vervolgens in
+de ziekenzaal Fantine te bezoeken.
+
+Hij had echter nauwelijks de gerechtszaal verlaten, of de
+advocaat-generaal herstelde zich van zijn eerste verbazing en nam
+het woord, om de krankzinnige daad van den achtenswaardigen maire
+van M. sur M. te betreuren; te verklaren, dat door dat zonderling
+geval, 't welk zich later wel zou ophelderen, zijn overtuiging in
+'t minst niet veranderd was, en dat hij de veroordeeling eischte
+van dezen Champmathieu, die blijkbaar de wezenlijke Jean Valjean
+was. De halsstarrigheid van den advocaat-generaal was blijkbaar in
+weerspraak met het gevoelen van allen, van het publiek, van het hof,
+van de gezworenen. Het had den verdediger weinig moeite gekost deze
+rede te bestrijden, en te betoogen, dat, tengevolge der verklaringen
+van den heer Madeleine, dat is van den wezenlijken Jean Valjean, de
+zaak geheel van gedaante was veranderd en de gezworenen een onschuldige
+voor zich hadden. De advocaat haalde daarbij eenige voorbeelden aan,
+die echter niet heel nieuw waren, van rechterlijke vergissingen
+enz. enz.; de president had zich in zijn résumé bij den verdediger
+gevoegd, en in weinige minuten hadden de gezworenen Champmathieu
+buiten beschuldiging gesteld.
+
+Maar de advocaat-generaal moest een Jean Valjean hebben, en nu hij
+Champmathieu niet meer had, nam hij Madeleine.
+
+Onmiddellijk na de invrijheidstelling van Champmathieu, sloot de
+advocaat-generaal zich met den president op. Zij raadpleegden "over
+de noodzakelijkheid om zich van den persoon van den maire van M. sur
+M. te verzekeren." Deze zinsnede, met al de van's, was geschreven met
+de eigen hand van den advocaat-generaal in het klad van zijn rapport
+aan den prokureur-generaal. Toen de eerste aandoening voorbij was,
+maakte de president slechts weinig tegenwerpingen. Het gericht moest
+zijn loop hebben. En, om alles te zeggen, ofschoon de president een
+goed en verstandig man was, was hij terzelfder tijd een zeer vurig
+koningsgezinde, en hij had er zich over gebelgd gevoeld, dat de maire
+van M. sur M., toen deze van de landing te Cannes sprak, de keizer
+en niet Bonaparte had gezegd.
+
+Het bevel tot gevangenneming werd dus uitgevaardigd. De
+advocaat-generaal zond het met een bijzonderen ijlbode naar M. sur
+M. en belastte er den inspecteur Javert mede.
+
+Men weet dat Javert terstond na de aflegging zijner verklaring naar
+M. sur M. was teruggekeerd.
+
+Javert was juist opgestaan, toen de bode hem het bevel tot aanhouding
+en overbrenging ter hand stelde. De bode zelf was een ervaren
+politieagent, die Javert in een paar woorden met het gebeurde te Arras
+in kennis stelde. Het bevel tot aanhouding, door den advocaat-generaal
+onderteekend, luidde aldus: "De inspecteur Javert zal zich van den
+persoon van den heer Madeleine, maire van M. sur M. verzekeren,
+die in de terechtzitting van heden als de gewezen tuchteling Jean
+Valjean herkend is geworden."
+
+Wie Javert niet had gekend en hem op het oogenblik gezien had,
+toen hij zich in de voorkamer der ziekenzaal begaf, zou niet hebben
+kunnen gissen, wat in hem omging, en niets buitengewoons op zijn
+gelaat gevonden hebben. Hij was koel, ernstig, rustig; zijn grijs
+haar was heel glad langs de slapen gestreken, en hij was met zijn
+gewone deftigheid de trap opgegaan. Wie hem nauwkeurig gekend en
+hem aandachtig beschouwd had, zou gesidderd hebben. De gesp van zijn
+lederen das zat, in plaats van in den nek, onder het linkeroor. Dit
+verried een ongehoorde opgewondenheid.
+
+Javert was een nauwgezet man, die noch een kreuk aan zijn plicht noch
+aan zijn uniform duldde; stroef tegen de schurken, streng tegen de
+knoopen van zijn rok.
+
+Naardien hij zijn das verkeerd had omgegespt, moest een hevige
+beroering in hem hebben plaats gehad, zulk eene, welke men een
+inwendige aardbeving zou kunnen noemen.
+
+Hij was eenvoudig naar den naasten wachtpost gegaan, had er een
+korporaal en vier man gerequireerd, welke hij op de binnenplaats
+achterliet, had zich de kamer van Fantine doen wijzen door de argelooze
+portierster, die gewoon was, dat gewapende lieden naar mijnheer den
+maire kwamen vragen.
+
+Aan die kamer gekomen, draaide Javert den sleutel om, opende de deur
+met de voorzichtigheid van een ziekenoppasser, of van een stillen
+verklikker en trad binnen.
+
+Eigenlijk trad hij niet binnen; hij bleef in de halfgeopende deur
+staan, met den hoed op 't hoofd, de linkerhand in zijn jas, die tot
+aan de kin dichtgeknoopt was. In de buiging van den elleboog kon men
+den looden knop van zijn dikken stok zien, die achter hem verdween.
+
+Zoo bleef hij bijna een minuut staan, zonder dat men zijn
+tegenwoordigheid opmerkte. Eenklaps sloeg Fantine de oogen op, zag
+hem en deed mijnheer Madeleine omzien.
+
+Juist toen Madeleine's blik dien van Javert ontmoette, was Javert,
+zonder zich te bewegen of te naderen, verschrikkelijk. Geen menschelijk
+gevoel is in staat zoo vreeselijk te zijn als de vreugd.
+
+Het was het gezicht eens duivels, die zijn doemeling heeft
+teruggevonden.
+
+De zekerheid, dat hij nu eindelijk Jean Valjean had, deed op zijn
+gelaat al wat zijn ziel bevatte te voorschijn komen. De opgewelde grond
+kwam boven 't water uit. De vernedering, dat hij een oogenblik het
+spoor verloren en zich aangaande Champmathieu vergist had, verdween
+onder den trots, terstond zoo goed geraden en zoo lang een juist
+instinct gehad te hebben. De tevredenheid van Javert blonk uit zijn
+oppermachtige houding. Het hatelijke zijner zegepraal teekende zich
+af op zijn smal voorhoofd. 't Was het grootst mogelijk vertoon van
+afkeer, dat een tevreden gezicht kan hebben.
+
+Javert was op dit oogenblik in den hemel. Zonder er zich volkomen
+rekenschap van te geven, doch evenwel met een donker gevoel van
+zijn onmisbaarheid en zijn succes, vertegenwoordigde hij, Javert,
+de gerechtigheid, het licht en de waarheid, in hun hemelsche roeping
+om het kwaad uit te roeien. Hij had achter zich en om zich heen,
+in een eindelooze diepte, het gezag, de rede, de veroordeeling,
+het gevoel van wettigheid, de openbare straf, al de sterren; hij
+beschermde de orde, hij deed uit de wet den bliksem schieten; hij
+wreekte de maatschappij; hij leende de sterke hand aan de overheid;
+hij stond in een stralenkrans; overigens was er in zijn overwinning
+een goed deel uittarting en strijd; trotsch en opgericht vertoonde hij
+in het helderst licht de onmenschelijke dierlijkheid van een wreeden
+aartsengel; de vreeselijke schaduw der daad, welke hij vervulde, maakte
+de flauwe flikkering van het maatschappelijke zwaard in zijn gebalde
+vuist zichtbaar; gelukkig en vol verontwaardiging hield hij onder zijn
+hiel de misdaad, de ondeugd, den wederstand, het verderf, de hel;
+hij schitterde, verdelgde, glimlachte, en er was een onbetwistbare
+grootheid in dezen monsterachtigen heiligen Michaël.
+
+In zijn vreeselijkheid had Javert echter niets, dat op gemeenheid leek.
+
+Eerlijkheid, oprechtheid, goede trouw, overtuiging, plichtsbesef,
+zijn zaken, die, verkeerd begrepen, verschrikkelijk kunnen worden,
+maar zelfs in haar verschrikkelijkheid grootsch blijven; haar
+majesteit blijft het menschelijk gemoed gevoelen, ondanks haar
+verschrikkelijkheid. 't Zijn deugden, die een ondeugd hebben,
+de dwaling. De onmeedoogende oprechte vreugde van een geestdrijver
+behoudt in haar volste wreedheid een heilloozen, maar ontzagwekkenden
+glans. In zijn vreeselijk geluk was Javert, zonder dat hij het zelf
+wist, te beklagen, evenals ieder, die onwetend zegeviert. Niets kon
+vreeselijker en ontzettender zijn, dan dit gezicht, waarop zich,
+om zoo te zeggen, al het slechte van het goede vertoonde.
+
+
+
+
+
+
+VIERDE HOOFDSTUK.
+
+HET GEZAG HERNEEMT ZIJN RECHTEN.
+
+
+Fantine had Javert niet wedergezien sedert den dag, waarop mijnheer
+de maire haar aan dien man had ontrukt. Haar zieke hersenen konden
+zich van niets rekenschap geven, maar zij twijfelde niet, of hij
+kwam haar terughalen. Zij kon dat vreeselijk gezicht niet verdragen;
+zij voelde, dat zij bezweek; zij bedekte haar gelaat met beide handen
+en riep angstig:
+
+"Mijnheer Madeleine, red mij!"
+
+Jean Valjean,--wij zullen hem in 't vervolg niet anders noemen,--was
+opgestaan. Met zachte, bedaarde stem zeide hij tot Fantine:
+
+"Wees gerust. Hij komt niet om u."
+
+Daarop zich tot Javert wendende, zeide hij:
+
+"Ik weet wat ge wilt."
+
+Javert antwoordde: "Kom, spoedig!"
+
+In den toon, waarop hij deze twee woorden sprak, lag iets wilds, iets
+razends. Deze toon is onmogelijk weder te geven of te beschrijven;
+'t was geen menschelijke spraak, maar een gebrul.
+
+Hij handelde niet als gewoonlijk; hij gaf geen kennis van de zaak,
+hij vertoonde het dwangbevel niet. Voor hem was Jean Valjean een soort
+van geheimzinnigen, onvatbaren strijder, een nevelachtige worstelaar,
+dien hij sedert vijf jaren omspannen hield, zonder hem te kunnen
+vatten. Deze gevangenneming was geen begin, maar een einde. Hij
+vergenoegde zich met te zeggen: Kom, spoedig!
+
+Terwijl hij dit zeide, deed hij geen schrede voorwaarts; hij sloeg op
+Jean Valjean dien blik, welken hij als een haak uitwierp en waarmede
+hij gewoonlijk de rampzaligen als met geweld tot zich trok.
+
+'t Was deze blik, die Fantine twee maanden vroeger tot in het merg
+van haar gebeente had voelen doordringen.
+
+Op Javert's stem had Fantine de oogen weder geopend. Maar mijnheer
+de maire was er: wat had zij te vreezen?
+
+Javert trad tot in 't midden der kamer en riep:
+
+"Nu! komt ge?"
+
+De ongelukkige zieke zag rondom zich. Er was niemand dan de
+liefdezuster en de maire. Wie kon deze smadelijke oproeping
+gelden? Haar alleen! Zij rilde.
+
+Toen zag zij iets ongehoords, iets zoo ongehoords, dat zelfs in de
+gedrochtelijkste koortsbeelden haar zoo iets niet verschenen was. Zij
+zag den politieagent Javert mijnheer den maire bij den kraag vatten;
+zij zag mijnheer den maire het hoofd buigen. Het was haar, alsof de
+wereld onderging.
+
+Inderdaad, Javert had Jean Valjean bij den kraag gevat.
+
+"Mijnheer de maire!" riep Fantine.
+
+Javert lachte luid, een vreeselijke lach, die al zijn tanden liet zien.
+
+"Hier is geen mijnheer de maire meer!"
+
+Jean Valjean deed geen poging om zich van de hand te bevrijden,
+die den kraag van zijn jas vasthield. Hij zeide:
+
+"Javert...."
+
+Javert beet hem toe:--"Noem mij mijnheer den inspecteur."
+
+"Mijnheer, hernam Jean Valjean, ik wenschte u een paar woorden onder
+vier oogen te zeggen."
+
+"Spreek maar hardop," antwoordde Javert, "men spreekt altijd hardop
+tot mij."
+
+Jean Valjean hernam zacht:
+
+"Ik wilde u een verzoek doen..."
+
+"Ik zeg, dat ge hardop moet spreken."
+
+"Maar dit mag alleen door u gehoord worden..."
+
+"Wat gaat mij dit aan? ik luister niet!"
+
+Jean Valjean keerde zich dicht tot hem en zeide schielijk en zacht:
+
+"Vergun mij drie dagen. Drie dagen, om het kind van deze ongelukkige
+vrouw te halen. Ik zal alles betalen. Ge kunt mij vergezellen, zoo
+gij wilt."
+
+"Houdt ge mij voor den gek?" riep Javert. "Ik dacht niet, dat ge zoo
+dom waart. Ge wilt drie dagen om u uit de voeten te maken! Ge zegt,
+dat ge het kind van deze deern wilt halen. Ha! ha! niet slecht! niet
+slecht!"
+
+Fantine beefde.
+
+"Mijn kind!" riep zij, "mijn kind gaan halen! 't Is dus niet
+hier! Zuster, spreek, waar is Cosette? Ik wil mijn kind! mijnheer
+Madeleine, mijnheer de maire!"
+
+Javert stampvoette.
+
+"Is daar de andere ook? Wilt ge zwijgen, deern! Vervloekt land,
+waar galeiboeven overheden zijn en publieke vrouwen als gravinnen
+verpleegd worden! O, 't zal alles veranderen, 't is hoog tijd!"
+
+Hij zag Fantine strak aan en vervolgde, terwijl hij de das, den
+hemdsboord en den rokskraag van Jean Valjean opnieuw vatte: "Ik zeg u,
+dat hier geen mijnheer Madeleine en geen mijnheer de maire meer is. Er
+is hier een dief, een roover, een galeiboef, die Jean Valjean heet;
+en dat is degeen, dien ik hier vasthoud."
+
+Fantine richtte zich op, en op haar stijve armen en handen steunende,
+aanschouwde zij Jean Valjean, Javert en de liefdezuster; zij opende den
+mond om te spreken, maar slechts een gereutel kwam uit haar keel, haar
+tanden klapperden, zij stak angstig de armen uit, opende stuiptrekkend
+haar handen, en tastte om zich, als iemand die verdrinkt; toen zonk
+zij eensklaps in het hoofdkussen neer.
+
+Haar hoofd stiet tegen het hoofdeinde van het bed, en zonk op de
+borst terug, met open mond en strakke, doffe oogen.
+
+Zij was dood.
+
+Jean Valjean legde zijn hand op de hand van Javert, die hem vasthield,
+en opende ze, alsof hij de hand van een kind had geopend; toen sprak
+hij tot Javert:
+
+"Ge hebt deze vrouw gedood."
+
+"Komt er een eind aan?" riep Javert woedend, "ik ben hier niet om
+praatjes aan te hooren. Laten we daarmee ophouden; de wacht is beneden;
+terstond voort of de duimschroeven."
+
+In den hoek der kamer stond een oud ijzeren bed, in tamelijk slechten
+toestand, dat tot rustbed diende, wanneer de zusters waakten. Jean
+Valjean trad naar dit bed, brak er in een oogwenk een ijzeren stang af,
+'t geen voor zijn gespierde vuist slechts kinderspel was, en met dit
+wapen in de hand zag hij Javert aan, die naar de deur terugweek. Toen
+ging Jean Valjean met de stang in de hand langzaam naar Fantine's
+bed. Hier gekomen keerde hij zich om en zeide tot Javert met een
+nauwelijks hoorbare stem:
+
+"Ik raad u niet, mij op dit oogenblik te storen."
+
+'t Is zeker, dat Javert beefde.
+
+Het denkbeeld kwam in hem op de wacht te roepen, maar Jean Valjean
+kon van dit oogenblik gebruik maken om te ontsnappen. Hij bleef dus,
+nam zijn stok bij het dunne eind en ging tegen den deurpost staan
+zonder Jean Valjean uit het oog te verliezen.
+
+Jean Valjean rustte met zijn elleboog tegen het hoofdeinde van het
+bed en hield zijn hoofd in de hand; hij zag strak op Fantine, die
+bewegingloos lag uitgestrekt. Aldus bleef hij peinzend, zwijgend en
+blijkbaar aan niets van deze wereld meer denkende, staan. Op zijn
+gezicht en in zijn houding was alleen een onbeschrijfelijk medelijden
+te lezen. Na eenige oogenblikken boog hij zich tot Fantine en sprak
+haar fluisterend toe.
+
+Wat zeide hij haar? Wat kon deze man, een veroordeelde, zeggen tot
+deze vrouw, die dood was? Wat beteekenden zijn woorden? Niemand ter
+wereld heeft ze gehoord. Hoorde de gestorvene ze? Er zijn aandoenlijke
+illusiën, die misschien verheven werkelijkheden zijn. Ontwijfelbaar
+is het, dat zuster Simplicia, de eenige getuige van dit tooneel,
+dikwerf verhaald heeft, dat, toen Jean Valjean Fantine toefluisterde,
+zij duidelijk op haar bleeke lippen en in haar strakke oogen een
+onbeschrijfelijken glimlach zag verschijnen. Jean Valjean nam Fantine's
+hoofd met beide handen en vlijde het op het kussen evenals een moeder
+haar kind zou doen, bond het bandje van haar hemd dicht en streek
+het haar onder heur muts. Daarna sloot hij haar oogen.
+
+Fantine's gelaat glansde op dit oogenblik in een wonderbaar licht.
+
+De dood is de ingang tot het groote licht.
+
+De hand van Fantine hing uit het bed. Jean Valjean knielde voor die
+hand, lichtte ze zacht op en kuste ze.
+
+Toen richtte hij zich op, en zeide tot Javert:
+
+"Nu ben ik tot uw dienst."
+
+
+
+
+
+
+VIJFDE HOOFDSTUK.
+
+EEN BEHOORLIJK GRAF.
+
+
+Javert bracht Jean Valjean naar de stadsgevangenis. De gevangenneming
+van mijnheer Madeleine baarde te M. sur M. een geweldig opzien, of
+liever, veroorzaakte er een buitengewone beweging. Tot ons leedwezen
+kunnen wij niet verhelen, dat uithoofde van het enkele woord: "'t was
+een tuchteling", schier iedereen zich van hem wendde. In minder dan
+twee uren was al het goede, dat hij gedaan had, vergeten, en hij was
+niets meer dan "een tuchteling". Wij moeten evenwel zeggen, dat men
+de bijzonderheden van het te Arras voorgevallene nog niet kende. Den
+geheelen dag hoorde men in alle wijken der stad gesprekken als deze:
+
+"Hebt ge 't al gehoord? Hij was een gewezen galeislaaf!"--"Wie?"--"De
+maire."--"Hoe, de heer Madeleine?"--"Ja."--"Waarlijk?"--"Hij
+heette niet Madeleine; hij heeft een gemeenen naam, Bejean, Bojean,
+Boujean."--"Mijn Hemel!"--"Hij is in hechtenis genomen."--"In hechtenis
+genomen?"--"In de gevangenis, in de stadsgevangenis, tot hij wordt
+overgebracht."--"Overgebracht! zal men hem overbrengen? Waarheen
+zal men hem brengen?"--"Voor de assises, wegens een diefstal op
+den openbaren weg, door hem eertijds gepleegd."--"Nu, ik dacht het
+wel. Deze man was al te goed, al te volmaakt, al te bescheiden. Hij
+weigerde het kruis; hij gaf geld aan al de straatjongens, welke hij
+ontmoette. Ik heb wel gedacht, dat daar iets kwaads achter schuilde."
+
+In de salons vooral werden dergelijke gesprekken gevoerd.
+
+Een oude dame, die op de Drapeau blanc was geabonneerd, maakte deze
+opmerking, welker diepe zin moeilijk te verklaren is:
+
+"'t Spijt mij niet. Dat zal de Bonapartisten een les geven."
+
+Aldus verdween dit spooksel, dat mijnheer Madeleine heette, uit M. sur
+M. Slechts drie of vier personen in de stad hielden zijn gedachtenis
+in eere. De oude portierster, welke bij hem gediend had, behoorde
+tot dit getal.
+
+Den avond van dien zelfden dag zat de goede oude vrouw in haar loge,
+nog geheel ontsteld en in treurige gedachten verdiept. De fabriek was
+den geheelen dag gesloten geweest, de wagenpoort gegrendeld, de straat
+eenzaam. In het huis waren slechts de twee geestelijke zusters, zuster
+Perpetua en zuster Simplicia, die bij het lijk van Fantine waakten.
+
+Tegen den tijd, dat mijnheer Madeleine gewoon was te huis te komen,
+stond de goede vrouw werktuiglijk op, nam den sleutel van zijn kamer
+uit een lade, en den blaker, waarvan hij zich elken avond bediende om
+naar boven te gaan; vervolgens hing zij den sleutel aan den spijker,
+van welken hij hem gewoonlijk nam, en zette er den blaker naast,
+alsof zij hem verwachtte. Daarna ging ze weer zitten en begon weer
+te dommelen. De arme goede vrouw had dit alles gedaan zonder dat zij
+'t zelve wist.
+
+Eerst na verloop van twee uren ontwaakte zij uit haar mijmering
+en riep: "O, goede Hemel! zie, ik heb den sleutel aan den spijker
+gehangen!"
+
+Juist werd het raampje der loge geopend; een hand kwam door de opening,
+nam den sleutel en den blaker en ontstak de kaars aan haar licht.
+
+De portierster sloeg de oogen op, opende den mond en wilde schreeuwen,
+maar de kreet bleef in haar keel steken.
+
+Zij kende deze hand, dezen arm, die jasmouw.
+
+'t Was mijnheer Madeleine.
+
+Zij was eenige oogenblikken zoo "verbouwereerd", zooals zij zich later
+uitdrukte, wanneer zij 't voorval vertelde, dat zij niet kon spreken.
+
+"Mijn God, mijnheer de maire," riep zij, "ik meende dat ge..."
+
+Zij zweeg, het einde harer zinsnede zou aan den eerbied van het begin
+hebben te kort gedaan. Jean Valjean was voor haar nog altijd mijnheer
+de maire.
+
+Hij vulde haar gedachten aan.
+
+"In de gevangenis waart," sprak hij. "Ik ben er geweest. Ik heb een
+tralie uit het venster gebroken, heb mij van boven laten neerglijden,
+en nu ben ik hier. Ik ga naar mijn kamer, roep zuster Simplicia. Zij
+is waarschijnlijk bij de arme vrouw."
+
+De oude vrouw gehoorzaamde haastig.
+
+Hij beval haar niets, hij was overtuigd, dat zij hem beter zou
+beveiligen, dan hij zich zelven deed.
+
+Niemand heeft ooit geweten, hoe het hem gelukt was op de binnenplaats
+te komen zonder de koetspoort te openen. Hij droeg gewoonlijk een
+looper bij zich, waarmede hij eene kleine zijdeur opende, maar men
+had hem zekerlijk onderzocht en hem zijn looper ontnomen. Dit punt
+is nooit opgehelderd geworden.
+
+Hij ging de trap op, die naar zijn kamer voerde. Boven gekomen,
+zette hij den blaker op de laatste trede, opende zacht zijn kamer,
+en sloot op den tast het raam en het luik; toen ging hij zijn blaker
+halen en keerde in de kamer terug.
+
+Deze voorzorg was noodzakelijk; want, zooals men zich herinnert,
+kon zijn venster van de straat gezien worden.
+
+Hij sloeg een blik om zich, op de tafel, zijn stoel, zijn bed,
+waarin hij sedert drie dagen niet geslapen had. Geen spoor was er
+te zien van de verwarring des vorigen nachts. De portierster had
+"de kamer gedaan". Alleen had zij de twee einden van den met ijzer
+beslagen stok en het in 't vuur zwart geworden twee-francs-stuk uit
+de asch genomen en ze netjes op de tafel gelegd.
+
+Hij nam een vel papier, waarop hij schreef: "Dit zijn de twee einden
+van den stok en het twee-francs-stuk, dat ik den kleinen Gervais
+ontstolen heb, waarvan ik voor de assises heb gesproken;" en op dat
+papier legde hij het geldstuk en de twee stukken van den stok zoodanig
+dat deze het eerst in 't oog vielen, wanneer men in de kamer kwam. Hij
+nam uit de kast een zijner oude hemden, dat hij stuk scheurde. In
+de lappen wikkelde hij de twee zilveren kandelaars. Voor 't overige
+was hij haastig noch gejaagd. Terwijl hij de kandelaars inpakte,
+beet hij in een stuk zwart brood. Waarschijnlijk het gevangenisbrood,
+dat hij in zijn vlucht had meegenomen.
+
+Dit werd bewezen door de broodkruimels, welke op den vloer der kamer
+werden gevonden, toen de justitie later huiszoeking deed.
+
+Er werd tweemaal zacht aan de deur geklopt.
+
+"Binnen!" zeide hij.
+
+'t Was zuster Simplicia.
+
+Zij was bleek, haar oogen waren rood geweend en de kaars beefde in haar
+hand. Geweldige slagen van 't noodlot hebben dit eigenaardige, dat,
+hoe fijn- of hoe ongevoelig wij zijn mogen, zij uit het diepste onzer
+ziel de menschelijke natuur opwekken en haar dwingen te voorschijn
+te komen. Onder de beroeringen van dien dag was de geestelijke zuster
+weder vrouw geworden. Zij had geweend, zij beefde.
+
+Jean Valjean had eenige regels op een papier geschreven, dat hij de
+pleegzuster toereikte, zeggende:--Geef dit aan mijnheer den pastoor.
+
+Het papier was open. Zij sloeg er een blik op.
+
+"Ge moogt het lezen," zeide hij.
+
+Zij las:--"Ik verzoek mijnheer den pastoor te waken over hetgeen ik
+hier achterlaat. Hij gelieve zoo goed te zijn de kosten van mijn proces
+en van de begrafenis der heden overleden vrouw er van te betalen. Het
+overige is voor de armen."
+
+De zuster wilde spreken, maar kon nauwelijks eenige onverstaanbare
+klanken stamelen. Eindelijk gelukte het haar te zeggen:
+
+"Wil mijnheer de maire de arme ongelukkige nog niet eens zien?"
+
+"Neen," zeide hij, "men vervolgt mij, en zoo men mij in haar kamer
+gevangen nam, zou haar dit storen."
+
+Hij had deze woorden nauwelijks gezegd, toen op de trap een levendig
+gerucht werd gehoord. Zij hoorden voetstappen naar boven komen en de
+oude portierster, die zoo luid en gillend als zij kon riep:
+
+"Mijn goede heer; ik zweer u bij den goeden God, dat hier den
+ganschen dag en avond niemand is binnengegaan, en dat ik mijn deur
+niet verlaten heb."
+
+Een man antwoordde:
+
+"Er is evenwel licht in die kamer."
+
+Men herkende Javert's stem.
+
+De kamer was zoo ingericht, dat de deur, wanneer zij openging, den
+rechter kant van den muur bedekte. Jean Valjean blies het licht uit
+en ging in dien hoek staan.
+
+Zuster Simplicia viel bij de tafel op de knieën.
+
+De deur werd geopend.
+
+Javert trad binnen.
+
+Men hoorde het fluisteren van verscheidene mannen en het verzet
+der oude portierster. De geestelijke zuster sloeg de oogen niet
+op. Zij bad.
+
+De kaars stond op den schoorsteen, en gaf slechts een flauw licht.
+
+Javert zag de zuster en bleef verrast staan.
+
+Men herinnere zich, dat de grondtrek van Javert's karakter, zijn adem,
+zijn levensbeginsel de vereering van alle gezag was. Hij was dit
+geheel, zonder voorbehoud of uitzondering. Het geestelijk gezag, wij
+moeten dit zeggen, was voor hem het voornaamste; hij was godsdienstig,
+en op dit punt, gelijk op alle, stipt en nauwgezet. In zijn oog was
+een priester een wezen dat zich nooit bedriegt, eene geestelijke
+dochter een wezen dat niet zondigt. Zijns inziens waren zij in deze
+wereld gemetselde zielen, met een enkele deur, die zich alleen opende
+om de waarheid uit te laten.
+
+Toen hij de zuster zag, was zijn eerste beweging, zich dadelijk
+te verwijderen.
+
+Maar er was ook een andere plicht, die hem boeide en hem met geweld
+in een tegenovergestelde richting dreef. Zijn tweede beweging was te
+blijven, en zich ten minste een vraag te veroorloven.
+
+'t Was zuster Simplicia, die nimmer in haar leven gelogen had. Javert
+wist dit, en vereerde haar uit dien hoofde bijzonder.
+
+"Zuster," zeide hij, "zijt ge alleen in deze kamer?"
+
+Er ontstond een vreeselijk oogenblik, gedurende 't welk de arme
+portierster geheel van zich zelve raakte.
+
+De zuster sloeg de oogen op en antwoordde:
+
+"Ja."
+
+"Vergeving," hernam Javert, "dat ik u nog een vraag doe, 't is mijn
+plicht: hebt ge van avond niet iemand gezien, die ontvlucht is,
+en dien wij zoeken,... Jean Valjean ... hebt ge hem niet gezien?"
+
+De zuster antwoordde:--"Neen."
+
+Zij loog. Zij loog tweemaal achtereen, slag op slag, vlot, zonder
+aarzeling, als in volkomen overtuiging.
+
+"Verschoon mij," zei Javert en hij ging heen, diep buigende.
+
+O, heilige dochter; sedert vele jaren zijt gij niet meer van deze
+wereld; ge hebt u in 't hemelsche licht met uw zusters, de maagden,
+en uw broeders de engelen, vereenigd; moge deze leugen u in den hemel
+ten goede worden gerekend.
+
+De verklaring der zuster was voor Javert zoo beslissend, dat hij niet
+eens op de vreemde omstandigheid lette, dat de kaars was uitgeblazen
+en nog op de tafel stond te rooken.
+
+Een uur later verwijderde zich een man haastig tusschen het geboomte en
+in de duisternis uit M. sur M. in de richting van Parijs. Deze man was
+Jean Valjean. Het is door de verklaring van twee of drie voerlieden,
+die hem ontmoet hadden, gebleken, dat hij een pakje droeg en in een
+kiel gekleed was. Van waar had hij die kiel? Men is het nooit te
+weten gekomen. Echter was eenige dagen te voren een oude werkman, in
+de ziekenzaal der fabriek, overleden, die een kiel had nagelaten. 't
+Was misschien deze kiel.
+
+Een laatste woord over Fantine.
+
+Allen hebben wij een moeder, de aarde. Fantine werd aan deze moeder
+teruggegeven.
+
+De pastoor meende goed te doen, en deed misschien goed, met zooveel
+mogelijk voor de armen te behouden van het geld, dat Jean Valjean had
+achtergelaten. Wie waren er overigens ook in betrokken? een tuchteling
+en een publieke vrouw. Daarom maakte hij de begrafenis van Fantine zoo
+eenvoudig mogelijk, en beperkte die tot het volstrekt noodzakelijke,
+namelijk het algemeene graf.
+
+Fantine werd alzoo in den hoek van het kerkhof begraven, die niets
+kost, die aan allen en aan niemand behoort, en waarin de armen worden
+bijeengestopt. Gelukkig weet God de zielen te vinden. Men legde
+Fantine in 't donker, te midden van het eerste gebeente het beste,
+in den algemeenen kuil. Haar graf geleek haar bed.
+
+
+
+ EINDE VAN HET EERSTE DEEL.
+
+
+
+
+
+
+INHOUD.
+
+
+Boek I.
+
+Een rechtvaardige.
+ Bladz.
+ I. M. Myriel 7
+ II. Mijnheer Myriel wordt Monseigneur Bienvenu 10
+ III. Een goede bisschop heeft een moeielijk ambt 15
+ IV. De werken en de woorden één! 17
+ V. Waarom Monseigneur Bienvenu te lang zijn priesterrokken
+ draagt 23
+ VI. Door wie hij zijn huis liet bewaren 26
+ VII. Cravatte 30
+ VIII. Wijsbegeerte na tafel 34
+ IX. De broeder door de zuster geschilderd 37
+ X. De bisschop tegenover een onbekend licht 40
+ XI. Een voorbehoud 51
+ XII. Monseigneur Bienvenu in de afzondering 55
+ XIII. Wat hij geloofde 58
+ XIV. Wat hij dacht 62
+
+
+Boek II.
+
+De val.
+
+ I. De avond van een dagreize 67
+ II. Voorzichtigheid ga met wijsheid gepaard 77
+ III. Heldenmoed en lijdelijke gehoorzaamheid 81
+ IV. Bijzonderheden aangaande de kaasmakerijen te Pontarlier 85
+ V. Gerustheid 89
+ VI. Jean Valjean 90
+ VII. Een blik in de wanhoop 95
+ VIII. Het water en de schaduw 102
+ IX. Andere grieven 104
+ X. De ontwaking 105
+ XI. Wat hij doet 107
+ XII. De bisschop werkt 110
+ XIII. De kleine Gervais 114
+
+
+Boek III.
+
+Het jaar 1817.
+
+ I. Het jaar 1817 125
+ II. Een dubbel viertal 130
+ III. Vier paren 134
+ IV. Tholomyès is zoo vroolijk, dat hij een Spaansch
+ lied zingt 138
+ V. Bij Bombarda 140
+ VI. Een hoofdstuk, waarin men aanbidt 142
+ VII. De geestigheid van Tholomyès 144
+ VIII. De dood van een paard 148
+ IX. Vroolijk einde der vreugd 151
+
+
+Boek IV.
+
+Toevertrouwen is somtijds geven.
+
+ I. Een moeder die een andere moeder ontmoet 157
+ II. Eerste schets van twee slechte figuren 165
+ III. De leeuwerik 167
+
+
+Boek V.
+
+Steeds dieper zinkende.
+
+ I. Geschiedenis van den vooruitgang in de fabrikage der
+ zwarte glaskoralen 173
+ II. Madeleine 174
+ III. De gelden bij Laffitte 178
+ IV. De heer Madeleine in rouw 180
+ V. Flikkeringen aan den horizon 183
+ VI. Vader Fauchelevent 188
+ VII. Fauchelevent wordt tuinier te Parijs 191
+ VIII. Mevrouw Victurnien geeft dertig francs uit voor de
+ zedelijkheid 192
+ IX. Gevolgen der handeling van mevrouw Victurnien 195
+ X. Verdere gevolgen 197
+ XI. Christus heeft ons vrijgemaakt 202
+ XII. Hoe mijnheer Bamatabois zich vermaakt 203
+ XIII. Oplossing van eenige stedelijke politie-kwestiën 205
+
+
+Boek VI.
+
+Javert.
+
+ I. Begin der rust 217
+ II. Hoe uit een naam een andere kan ontstaan 220
+
+
+Boek VII.
+
+Het proces Champmathieu.
+
+ I. Zuster Simplicia 231
+ II. Scherpzinnigheid van Scaufflaire 234
+ III. Een storm onder een hersenpan 238
+ IV. Vormen, die het lijden aanneemt gedurende den slaap 255
+ V. Spaken in de wielen 258
+ VI. Beproeving van zuster Simplicia 269
+ VII. De aangekomen reiziger neemt maatregelen om weder te
+ vertrekken 275
+ VIII. Bevoorrechte toegang 279
+ IX. Een plaats, waar overtuigingen bezig zijn, zich te
+ vormen 282
+ X. Het stelsel der ontkenningen 289
+ XI. Champmathieu hoe langer hoe meer verwonderd 295
+
+
+Boek VIII.
+
+Terugwerking.
+
+ I. In welken spiegel de heer Madeleine zijn haren beziet 303
+ II. Fantine is gelukkig 305
+ III. Javert is tevreden 309
+ IV. Het gezag herneemt zijn rechten 312
+ V. Een behoorlijk graf 315
+
+
+
+
+
+
+NOTEN
+
+
+[1] Zelfs wanneer Loyson vliegt (of steelt) gevoelt men dat hij
+klauwen heeft.--De aardigheid schijnt in 't woord vole te liggen,
+dat zoowel vliegen als stelen betekent.
+
+[2] Brûlez pour lui les parfums d'Arabie,
+ Oscar s'avance, Oscar, je vais le voir!
+
+[3] Coucou, een rijtuig met twee wielen en vier tot zes plaatsen.
+
+[4] Ils faisaient sous la table
+ Un bruit, un trique-trac de pieds épouvantable.
+
+[5] Rendez-nous notre père de Gand,
+ Rendez-nous notre père.
+
+[6] De goede sier en de pret.
+
+[7] De dommen gaven geld aan een agent, opdat Clermont Tonnerre op
+St. Jansdag tot paus zou worden verheven, maar wijl Clermont geen
+priester was, kon hij geen paus worden gemaakt, en de agent bracht
+woedend hun het geld terug.
+
+[8] Elle était de ce monde où coucous et carrosses
+ Ont le même destin,
+ Et, rosse, elle a vécu ce que vivent les rosses,
+ L'espace d'un: matin!
+
+[9] Il le faut, disait un guerrier.
+
+[10] A la belle et tendre Imogine.
+
+[11] Il le faut, je suis chevalier,
+ Et je pars pour la Palestine.
+
+[12] Il le faut, disait un guerrier.
+
+[13] Als wij op den boulevard wandelen, zullen wij mooie dingen
+koopen. De koornbloempjes zijn blauw, de rozen zijn rood; ik bemin
+mijn geliefde. Gisteren kwam de maagd Maria in geborduurden mantel
+bij mijn kachel, en zeide mij: "Ziehier onder mijn sluier de kleine,
+waarom ge mij gevraagd hebt. Spoed u naar de stad, haal linnen,
+koop garen, koop een vingerhoed."
+
+Als wij op den boulevard wandelen, zullen wij mooie dingen koopen.
+
+Goede maagd Maria, bij mijn kachel heb ik een met lint versierd
+wiegje gezet; al wilde God mij zijn schoonste ster geven, zou ik het
+kind dat ge mij gegeven hebt, toch liever hebben. Wat moet ik met dat
+lijnwaad doen, mevrouw?--Maak er hemdjes van voor mijn pasgeborene. De
+korenbloempjes zijn blauw, de rozen zijn rood; ik bemin mijn geliefde,
+wasch dit lijnwaad.--Waar?--In de rivier, maak er, zonder iets te
+bederven of vuil te maken, een rokje en borstrokje van, dat ik wil
+borduren en met bloemen vullen.--Het kind is er niet meer, mevrouw,
+wat nu er van gemaakt?--Maak er voor mij een doodslaken van.
+
+Wanneer wij op den boulevard wandelen enz.
+
+[14] Cric = dommekracht
+
+
+
+
+*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK DE ELLENDIGEN (DEEL 1 VAN 5) ***
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions will
+be renamed.
+
+Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright
+law means that no one owns a United States copyright in these works,
+so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the
+United States without permission and without paying copyright
+royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part
+of this license, apply to copying and distributing Project
+Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm
+concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark,
+and may not be used if you charge for an eBook, except by following
+the terms of the trademark license, including paying royalties for use
+of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for
+copies of this eBook, complying with the trademark license is very
+easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation
+of derivative works, reports, performances and research. Project
+Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away--you may
+do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected
+by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark
+license, especially commercial redistribution.
+
+START: FULL LICENSE
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full
+Project Gutenberg-tm License available with this file or online at
+www.gutenberg.org/license.
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project
+Gutenberg-tm electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or
+destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your
+possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a
+Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound
+by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the
+person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph
+1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this
+agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm
+electronic works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the
+Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection
+of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual
+works in the collection are in the public domain in the United
+States. If an individual work is unprotected by copyright law in the
+United States and you are located in the United States, we do not
+claim a right to prevent you from copying, distributing, performing,
+displaying or creating derivative works based on the work as long as
+all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope
+that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting
+free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm
+works in compliance with the terms of this agreement for keeping the
+Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily
+comply with the terms of this agreement by keeping this work in the
+same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when
+you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are
+in a constant state of change. If you are outside the United States,
+check the laws of your country in addition to the terms of this
+agreement before downloading, copying, displaying, performing,
+distributing or creating derivative works based on this work or any
+other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no
+representations concerning the copyright status of any work in any
+country other than the United States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other
+immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear
+prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work
+on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the
+phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed,
+performed, viewed, copied or distributed:
+
+ This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and
+ most other parts of the world at no cost and with almost no
+ restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it
+ under the terms of the Project Gutenberg License included with this
+ eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the
+ United States, you will have to check the laws of the country where
+ you are located before using this eBook.
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is
+derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not
+contain a notice indicating that it is posted with permission of the
+copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in
+the United States without paying any fees or charges. If you are
+redistributing or providing access to a work with the phrase "Project
+Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply
+either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or
+obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm
+trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any
+additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms
+will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works
+posted with the permission of the copyright holder found at the
+beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including
+any word processing or hypertext form. However, if you provide access
+to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format
+other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official
+version posted on the official Project Gutenberg-tm website
+(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense
+to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means
+of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain
+Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the
+full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works
+provided that:
+
+* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed
+ to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has
+ agreed to donate royalties under this paragraph to the Project
+ Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid
+ within 60 days following each date on which you prepare (or are
+ legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty
+ payments should be clearly marked as such and sent to the Project
+ Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in
+ Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg
+ Literary Archive Foundation."
+
+* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or destroy all
+ copies of the works possessed in a physical medium and discontinue
+ all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm
+ works.
+
+* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of
+ any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days of
+ receipt of the work.
+
+* You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project
+Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than
+are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing
+from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of
+the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the Foundation as set
+forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+works not protected by U.S. copyright law in creating the Project
+Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm
+electronic works, and the medium on which they may be stored, may
+contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate
+or corrupt data, transcription errors, a copyright or other
+intellectual property infringement, a defective or damaged disk or
+other medium, a computer virus, or computer codes that damage or
+cannot be read by your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium
+with your written explanation. The person or entity that provided you
+with the defective work may elect to provide a replacement copy in
+lieu of a refund. If you received the work electronically, the person
+or entity providing it to you may choose to give you a second
+opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If
+the second copy is also defective, you may demand a refund in writing
+without further opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO
+OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT
+LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of
+damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement
+violates the law of the state applicable to this agreement, the
+agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or
+limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or
+unenforceability of any provision of this agreement shall not void the
+remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in
+accordance with this agreement, and any volunteers associated with the
+production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm
+electronic works, harmless from all liability, costs and expenses,
+including legal fees, that arise directly or indirectly from any of
+the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this
+or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or
+additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any
+Defect you cause.
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of
+computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It
+exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations
+from people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future
+generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see
+Sections 3 and 4 and the Foundation information page at
+www.gutenberg.org
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by
+U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's business office is located at 809 North 1500 West,
+Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up
+to date contact information can be found at the Foundation's website
+and official page at www.gutenberg.org/contact
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without
+widespread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine-readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To SEND
+DONATIONS or determine the status of compliance for any particular
+state visit www.gutenberg.org/donate
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including checks, online payments and credit card donations. To
+donate, please visit: www.gutenberg.org/donate
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works
+
+Professor Michael S. Hart was the originator of the Project
+Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be
+freely shared with anyone. For forty years, he produced and
+distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of
+volunteer support.
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in
+the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not
+necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper
+edition.
+
+Most people start at our website which has the main PG search
+facility: www.gutenberg.org
+
+This website includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
+
+