diff options
| -rw-r--r-- | .gitattributes | 3 | ||||
| -rw-r--r-- | 37316-0.txt | 14975 | ||||
| -rw-r--r-- | 37316-0.zip | bin | 0 -> 272864 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 37316-h.zip | bin | 0 -> 455141 bytes | |||
| -rw-r--r-- | 37316-h/37316-h.htm | 14268 | ||||
| -rw-r--r-- | 37316-h/images/cover.jpg | bin | 0 -> 164681 bytes | |||
| -rw-r--r-- | LICENSE.txt | 11 | ||||
| -rw-r--r-- | README.md | 2 |
8 files changed, 29259 insertions, 0 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes new file mode 100644 index 0000000..6833f05 --- /dev/null +++ b/.gitattributes @@ -0,0 +1,3 @@ +* text=auto +*.txt text +*.md text diff --git a/37316-0.txt b/37316-0.txt new file mode 100644 index 0000000..52f2fc1 --- /dev/null +++ b/37316-0.txt @@ -0,0 +1,14975 @@ +The Project Gutenberg eBook of De Ellendigen (Deel 1 van 5), by Victor Hugo + +This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and +most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions +whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms +of the Project Gutenberg License included with this eBook or online at +www.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you +will have to check the laws of the country where you are located before +using this eBook. + +Title: De Ellendigen (Deel 1 van 5) + +Author: Victor Hugo + +Release Date: September 5, 2011 [eBook #37316] +[Most recently updated: December 17, 2022] + +Language: Dutch + +Character set encoding: UTF-8 + +Produced by: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team + +*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK DE ELLENDIGEN (DEEL 1 VAN 5) *** + + + + + DE ELLENDIGEN + + Naar het Fransch + Van + VICTOR HUGO. + + Opnieuw bewerkt. + + Eerste deel. + + + + Arnhem en Nijmegen, + Gebrs. E. & M. Cohen. + + + + + + + +BOEK I. + +EEN RECHTVAARDIGE. + + +EERSTE HOOFDSTUK. + +M. MYRIEL. + + +In het jaar 1815 was de heer Charles-François-Bienvenu Myriel bisschop +van Digne. Hij was een grijsaard van omstreeks vijf en zeventig jaren +en bekleedde de waardigheid van bisschop sedert 1806. + +Hoewel deze bijzonderheid eigenlijk niets te maken heeft met de +hoofdzaak van ons verhaal, heeft het misschien toch zijn nut, al +was het maar om niet te vergeten, hier te wijzen op de geruchten en +praatjes, die er omtrent hem in omloop waren op het tijdstip, dat hij +tot genoemde waardigheid werd bevorderd. Hetgeen men van de menschen +zegt, het moge dan waar zijn of niet, heeft dikwijls evenveel invloed +op hun leven en vooral op hun levensloop, als hetgeen zij doen. De +heer Myriel was de zoon van een parlementslid te Aix; van den adel +des tabbaards dus. Men vertelde, dat zijn vader, in de hoop, dat zijn +zoon hem eenmaal zou opvolgen, dezen zeer vroeg, op zijn achttiende +of twintigste jaar namelijk, had laten trouwen overeenkomstig een +gebruik in de familiën der leden van het parlement. Toch had Charles +Myriel, niettegenstaande dezen echt, veel van zich doen spreken, +naar men zeide. Hij was welgebouwd, ofschoon nog al klein, had zeer +goede manieren en was geestig; het eerste gedeelte zijns levens was +geheel en al aan de wereld en haar vermakelijkheden gewijd. + +Daar brak de revolutie uit, de eene gewichtige gebeurtenis stapelde +zich op de andere, de familiën der parlementsleden vernederd, +verjaagd en verguisd, spatten uiteen. Charles Myriel nam reeds bij +den aanvang der revolutie de wijk naar Italië. Zijn vrouw stierf er +aan een borstkwaal, waaraan zij reeds sedert lang lijdende was. Zij +hadden geen kinderen. Wat ging er toen om in het binnenste van Charles +Myriel? Deden de vernietiging der bestaande Fransche maatschappij, de +val van zijn eigen familie, de treurige tooneelen van '93, misschien +nog verschrikkelijker voor de uitgewekenen, die ze uit de verte +met toenemenden angst zagen, denkbeelden van zelfverloochening en +eenzaamheid in hem opkomen? Werd hij, te midden der verstrooiingen +en genietingen, die hem bezighielden, plotseling aangegrepen door +een van die geheimzinnige en vreeselijke slagen, die somtijds den +mensch, door hem in de ziel te treffen, verpletteren, den mensch +dien de openbare rampen niet zouden doen wankelen, al grepen ze ook +in zijn bestaan en in zijn fortuin? Niemand zou het kunnen zeggen; +al wat men wist was, dat hij als priester in Frankrijk terugkwam. + +In 1804 was Myriel pastoor van Brignolles. Hij was toen reeds oud en +leefde in de strengste afzondering. + +Omstreeks het tijdstip der kroning gaf een kleine zaak in zijn +gemeente, men weet niet recht meer wat, hem aanleiding om naar +Parijs te gaan. Onder de invloedrijke personen, die hij in het +belang zijner gemeenteleden moest spreken, behoorde ook de kardinaal +Fesch. Eens toen de Keizer zijn oom was komen bezoeken, bevond +zich de eerwaarde pastoor, die in de spreekkamer wachtte, toevallig +tegenover Zijne Majesteit. Napoleon, die zag dat de grijsaard hem met +zekere nieuwsgierigheid aankeek, keerde zich plotseling om en zeide: +"Wie is die eenvoudige man, die mij zoo aankijkt?" + +"Sire", sprak Myriel, "gij ziet een eenvoudig man en ik zie een groot +man. Ieder van ons kan hier zijn voordeel mee doen." + +Nog denzelfden avond vroeg de Keizer den kardinaal naar den naam van +dezen pastoor, en niet lang daarna was Myriel zeer verrast te vernemen, +dat hij tot bisschop van Digne benoemd was. + +En wat was er waar van de verhalen, die er over het eerste gedeelte +van Myriels leven in omloop waren? Dit wist niemand. Er waren slechts +weinig familiën, die de familie Myriel vóór de omwenteling gekend +hadden. + +Charles Myriel moest hetzelfde lot ondergaan als iedereen, die in een +kleine stad komt wonen, waar veel monden zijn die babbelen en zeer +weinig hoofden, welke denken. Hij moest het ondergaan, ofschoon en +omdat hij bisschop was. Maar per slot van rekening waren de praatjes, +waarin zijn naam werd genoemd slechts praatjes; geruchten, klanken, +woorden, minder dan woorden, leuterpraatjes. + +Hoe het zij, na tien jaren bisschop van Digne te zijn geweest, waren al +deze verhalen, die in den beginne de kleine steden en de kleinsteedsche +lieden bezighouden, geheel en al in het vergeetboek geraakt. Niemand +zou er van hebben durven spreken, niemand zou er aan durven herinneren. + +Myriel was te Digne gekomen vergezeld van een oude vrijster, juffrouw +Baptistine, zijn zuster, die tien jaar jonger was dan hij. + +Hun eenige dienstbode was een vrouw, even oud als juffrouw Baptistine +en juffrouw Magloire geheeten, die, na eerst de meid van den eerwaarden +pastoor geweest te zijn, nu den dubbelen titel droeg van kamenier +van juffrouw Baptistine en huishoudster van mijnheer pastoor. + +Juffrouw Baptistine was een lang, mager, bleek, zacht wezen; zij +verwezenlijkte het ideaal, dat het woord "eerbiedwaardig" in zich +sluit, want mij dunkt, dat men moeder moet zijn om "eerwaardig" te +kunnen heeten. Zij was nooit mooi geweest; haar geheele leven, dat +slechts een reeks van heilige werken geweest was, had een waas van +reinheid en helderheid over haar verspreid, en toen zij ouder werd +had zij verkregen wat men de schoonheid van de goedheid zou kunnen +noemen. Wat in haar jeugd magerheid was geweest, was op haar rijperen +leeftijd doorschijnendheid geworden, en deze laatste eigenschap deed +haar op een engel gelijken. Ze was meer een ziel dan een maagd. Ze +scheen van schaduw gemaakt; ze had nauwelijks lichaam genoeg om een +vrouw te zijn; ze was niets dan een weinig bezielde stof, had groote +oogen, die altijd neergeslagen waren; een voorwendsel voor een ziel +om op aarde te blijven. Juffrouw Magloire was een klein oud vrouwtje, +blank, dik, zwaarlijvig, druk, altijd hijgende, vooreerst wegens haar +bedrijvigheid, en dan tengevolge van haar asthma. + +Bij zijn aankomst werd Myriel in zijn bisschoppelijk paleis ontvangen +met de eerbewijzingen, voorgeschreven door de Keizerlijke wetten, +die den bisschop onmiddellijk na den veldmaarschalk plaatsen. De +burgemeester en de president maakten hem de eerste visite, en hij +van zijn kant bracht het eerste bezoek aan den generaal en den prefekt. + +Toen de installatie had plaats gehad, verwachtte de stad, dat haar +bisschop de handen aan het werk zou slaan. + + + + + + +TWEEDE HOOFDSTUK. + +DE HEER MYRIEL WORDT MONSEIGNEUR BIENVENU. + + +Het Bisschoppelijk paleis te D. grensde aan het gasthuis. + +Het Bisschoppelijk paleis was een groot, fraai hôtel, in 't begin +der vorige eeuw gebouwd door Monseigneur Henri Puget, docter +in de theologie bij de faculteit van Parijs en abt van Simore, +die in 1712 bisschop van D. was. Dit paleis was inderdaad een +wezenlijk vorstelijke woning. Alles had er een grootsch aanzien: +de bisschoppelijke vertrekken, de salons, de kamers, het eerplein, +dat zeer ruim en met booggangen in den ouden Florentijnschen stijl +omgeven was, tuinen met heerlijke boomen beplant. In de eetzaal, +een lange prachtige galerij, gelijkvloers, in den tuin uitkomende, +had Monseigneur Henri Puget den 29 Juli 1714 een plechtigen maaltijd +gegeven aan de prelaten Charles Brûlart de Genlis, prins-aartsbisschop +van Embrun; Antoine de Mesgrigny, kapucijn en bisschop van Grasse; +Philippe de Vendôme, groot-prior van Frankrijk, abt van St. Honoré de +Lerins; François de Berton de Grillon, bisschop en baron van Vence; +César de Sabran de Forcalquier, bisschop en heer van Glandève, en Jean +Soanen, priester van het oratorium, gewoon hofprediker, bisschop, en +heer van Senez. De portretten van deze zeven hoogeerwaarde personages +versierden deze zaal en de gedenkwaardige datum, 29 Juli 1714, was +er met gouden letters op een wit marmeren blad gegrift. + +Het hospitaal was een eng, laag gebouw, van slechts één verdieping +en met een kleinen tuin. + +Drie dagen na zijn komst bezocht de bisschop het hospitaal. Na dit +bezoek, liet hij den directeur verzoeken bij hem te komen. + +"Mijnheer de directeur," zeide hij tot hem, "hoeveel zieken hebt ge +op dit oogenblik?" + +"Zes en twintig, Monseigneur." + +"Zooveel had ik er ook geteld," zei de bisschop. + +"De bedden," hernam de directeur, "staan zeer dicht op elkander." + +"Dit heb ik gezien." + +"De zalen zijn slechts kamers en ze zijn moeilijk van versche lucht +te voorzien." + +"Dat scheen mij ook toe." + +"En, als de zon schijnt, is de tuin te klein voor de herstellenden." + +"Dat kwam mij ook zoo voor." + +"Bij epidemie--dit jaar hadden wij den typhus en voor twee jaren de +zweetkoorts--hebben wij soms honderd zieken, waarmede wij niet weten +wat wij zullen aanvangen." + +"Zoo verbeeldde ik mij ook." + +"Wat zal men zeggen, Monseigneur?" zei de directeur, "men moet zich +schikken." + +Dit gesprek werd gevoerd in de groote beneden-eetzaal. + +De bisschop bewaarde een oogenblik het stilzwijgen, toen wendde hij +zich schielijk tot den hospitaal-directeur, en sprak: + +"Hoeveel bedden, denkt ge, mijnheer, dat alleen in deze zaal kunnen +staan?" + +"In de eetzaal van Monseigneur?" riep de directeur verbaasd. + +De bisschop liet zijn blik door de zaal gaan en scheen ze met de +oogen te meten en de ruimte te berekenen. + +"Er zouden wel twintig bedden kunnen staan!" zeide hij zacht, +als tot zich zelven, en vervolgens met verheffing van stem: "Hoor, +mijnheer de directeur, ik zal u iets zeggen. Er bestaat blijkbaar een +vergissing. Gij hebt voor zes-en-twintig personen vijf of zes kleine +kamers. Wij hebben hier met ons drieën plaats voor zestig menschen; +ik zeg u: 't is een vergissing, gij hebt mijn woning en ik heb de +uwe. Geef mij mijn huis terug; dit behoort u." + +Den volgenden dag werden de zes-en-twintig arme zieken in het +bisschoppelijk paleis overgebracht, en de bisschop betrok het +hospitaal. + +De heer Myriel bezat geen vermogen; zijn familie had door de revolutie +haar bezittingen verloren. + +Zijn zuster had een lijfrente van vijfhonderd francs, die in de +pastorie voor haar persoonlijke behoeften voldoende was. Myriel +ontving als bisschop van den staat een inkomen van vijftien duizend +francs. Denzelfden dag waarop hij het hospitaal betrok, regelde +hij het gebruik dier som, eens voor al, op de volgende wijze. Wij +schrijven hier een nota over van zijn eigen hand. + + +NOTA TER REGELING DER UITGAVEN VAN MIJN HUIS: + +Voor het kleine Seminarie 1500 fr. + ,, de zendingmaatschappij 100 ,, + ,, ,, Lazaristen van Montdidier 100 ,, + ,, het Seminarie der vreemde missiën te Parijs 200 ,, + ,, de Congregatie van den H. Geest 150 ,, + ,, ,, geestelijke gestichten in het H. Land 100 ,, + ,, ,, genootschappen voor de verpleging van kraamvrouwen 300 ,, +Bovendien voor dat te Arles 50 ,, +Voor het genootschap ter verbetering der gevangenissen 400 ,, +Tot hulp en bevrijding van gevangenen 500 ,, + ,, bevrijding van voor schulden gegijzelde huisvaders 1000 ,, + ,, verhooging van het traktement van arme schoolmeesters + in het bisdom 2000 ,, +Voor het graanmagazijn der Hautes-Alpes 100 ,, + ,, de Congegratie der dames van Digne, van Manosque en + van Sisteron, voor het gratis onderwijs aan behoeftige + meisjes 1500 ,, + ,, de armen 6000 ,, + ,, uitgaven voor mijn persoon 1000 ,, + ----- + Totaal 15000 fr. + + +Zoolang de bisschop Myriel den zetel te D. bekleedde, veranderde hij +niets in deze regeling. Hij noemde het, gelijk men ziet, de regeling +der uitgaven van zijn huis. + +Deze schikking werd met volkomen goedvinden door mejuffrouw Baptistine +aangenomen. Voor deze vrome maagd was Myriel te gelijker tijd haar +broeder en haar bisschop, haar natuurlijke vriend en haar geestelijk +hoofd. Zij beminde en vereerde hem. Wanneer hij sprak, boog zij zich; +en al wat hij deed, vond zij goed. Alleen de dienstbode, Magloire, +morde wel eens. + +Zooals wij hebben gezien, had de bisschop slechts 1000 francs voor zich +gehouden, 't welk, gevoegd bij het jaargeld van juffer Baptistine, +te zamen jaarlijks 1500 francs bedroeg. Van deze vijftienhonderd +francs leefden de beide oude vrouwen en de grijsaard. + +En wanneer een dorpspastoor te D. kwam, had de bisschop, door de +strenge zuinigheid van Magloire en het schrander huisbestuur van +mejuffrouw Baptistine nog altijd gelegenheid hem behoorlijk te +ontvangen. + +De bisschop was ongeveer drie maanden te D., toen hij op zekeren +dag zeide: + +"'t Is zeker, dat mijn financiën zeer bekrompen zijn." + +"Dit geloof ik wel," hernam Magloire, "Monseigneur heeft zelfs niet +eens de gelden gevorderd, welke het departement hem schuldig is voor +zijn equipage en voor de reizen in het bisdom. De vorige bisschoppen +ontvingen die altijd." + +"'t Is waar, gij hebt gelijk, Magloire," zei de bisschop, en hij zond +zijn rekening in. + +Eenigen tijd later stond de algemeene raad van het departement, na +overweging zijner vordering, den bisschop een jaarlijksche som van +drie duizend francs toe voor de kosten van rijtuig en ter vergoeding +der herderlijke reizen. + +De burgerij der plaats maakte hierover een groote drukte, en bij +deze gelegenheid richtte een senator van het Keizerrijk, oud lid van +den raad der vijfhonderd, die een begunstiger van den 18en Brumaire +was geweest en daarvoor in de nabuurschap van Digne met een heerlijk +landgoed beloond was geworden, aan den minister van Eeredienst, Bigot +de Préameneu, een kwaadaardig vertrouwelijk schrijven, waaraan wij +de volgende authentieke regelen ontleenen. + +"Equipagekosten? waartoe die, in een stad van minder dan vier duizend +inwoners? Reiskosten? waartoe dienen vooreerst deze tochten? en hoe +kan men met extra-rijtuig in deze bergachtige streken reizen? er +zijn geen wegen. Men kan alleen te paard reizen. Zelfs de brug over +de Durance bij Château-Arnoux kan nauwelijks ossenkarren dragen. Maar +deze priesters zijn allen gelijk:--hebzuchtig en gierig. Toen deze hier +kwam, speelde hij den goeden apostel. Nu doet hij gelijk de anderen, +en begeert equipage en extra-rijtuig. Hij wil weelde ten toon spreiden, +gelijk de vorige bisschoppen. O, dat priesterras! Mijnheer de graaf, +de zaken zullen niet eerder goed gaan, dan wanneer de Keizer ons van +de papen verlost heeft. Weg met den Paus! (op dit oogenblik raakten de +zaken met Rome in de war), wat mij aangaat, ik ben vóór Cesar alleen, +enz., enz., enz." + +Magloire was daarentegen zeer verheugd over de zaak en zeide tot +mejuffer Baptistine: "Nu, Monseigneur is met de zorg voor anderen +begonnen; maar hij heeft eindelijk toch ook aan zich zelven moeten +denken. Hij heeft al zijn liefdegiften, geregeld: nu hebben wij +eindelijk dus drie duizend francs voor ons!" + +Denzelfden avond schreef de bisschop de volgende nota, welke hij aan +zijn zuster ter hand stelde: + + +EQUIPAGE EN REISKOSTEN. + +Voor bouillon ten dienste der zieken in het hospitaal 1500 fr. + ,, het genootschap ter verpleging van kraamvrouwen + te Aix 250 ,, + ,, het genootschap ter verpleging van kraamvrouwen + te Draguignan 250 ,, + ,, de vondelingen 500 ,, + ,, de weezen 500 ,, + ---- + Totaal 3000 fr. + + +Dat was het budget van den heer Myriel. + +Wat de bisschoppelijke inkomsten betrof als afkooping van geboden, +dispensatiën, doopplechtigheden, predikatiën, kerkwijdingen, +huwelijken enz., de bisschop hief ze te ijveriger van de rijken, +daar hij ze den armen ruimer gaf. + +In korten tijd stroomden de geldoffers toe. Rijken en armen klopten +gelijkelijk aan de deur van den heer Myriel, de laatsten kwamen de +aalmoezen halen, welke de eersten er hadden gebracht. + +In minder dan een jaar tijds werd de bisschop de schatmeester van alle +weldaden, en de kassier van alle noodlijdenden. Aanzienlijke sommen +gingen door zijn handen; maar niets was in staat zijn levenswijze +te veranderen of bij het noodige de geringste overtolligheid te +voegen. Integendeel. Aangezien er steeds veel meer nooden en ellenden +beneden, dan menschlievendheid boven is, was, om zoo te zeggen, +alles reeds weggegeven vóór 't ontvangen was; 't was als water op +een uitgedroogd land: hoeveel geld hij ook ontving, altijd kwam hij +te kort. Hij bekromp zich derhalve nog meer. + +Volgens gebruik plaatsten de bisschoppen hun doopnamen aan 't +hoofd hunner mandementen en herderlijke brieven. Nu hadden de arme +lieden dier streek, door een gevoel van dankbaarheid gedreven, uit +de namen en voornamen van den bisschop dien gezocht, waarin zij een +beteekenis vonden, en noemden hem in de wandeling Monseigneur Bienvenu +(Welkom). Wij zullen doen als zij, en hem bij gelegenheid ook zoo +noemen. De naam behaagde hem trouwens. "Ik houd van dien naam," +zeide hij. "Bienvenu maakt Monseigneur weder goed." + +Wij beweren niet, dat het portret, 't welk wij hier geven, +waarschijnlijk is; wij zeggen alleen dat het gelijkt. + + + + + + +DERDE HOOFDSTUK. + +EEN GOEDE BISSCHOP HEEFT EEN MOEIELIJK AMBT. + + +Hoewel de bisschop zijn equipage in aalmoezen had omgezet, deed +hij toch zijn rondreizen. Het bisdom Digne is zeer moeielijk +te bereizen. Er zijn weinig vlakten en veel bergen, schier geen +gebaande wegen, gelijk reeds gezegd is; twee-en-dertig pastorieën, +één-en-veertig vicariaten en tweehonderd vijf-en-tachtig kapellen. 't +Was een zware taak die alle te bezoeken. De bisschop deed het +echter. Hij ging te voet, wanneer hij in de buurt moest wezen, reed met +een karretje door de vlakte, en gebruikte een bergrijtuigje, als hij +hoogere streken moest bezoeken. De beide oude vrouwen vergezelden hem; +slechts wanneer de reis voor haar te moeielijk was, ging hij alleen. + +Op zekeren dag kwam hij te Senez--een oude bisschoppelijke stad--op +een ezel. Zijn beurs, die op dien tijd zeer schraal voorzien was, +had hem geen ander middel van vervoer veroorloofd. De maire der stad +ontving hem aan de deur der bisschoppelijke woning en zag hem met oogen +vol ergernis van den ezel stijgen. Eenige burgers, die er bij stonden, +lachten. "Mijnheer de maire," zei de bisschop, "en heeren burgers, ik +zie wat u ergert; ge vindt het zeer hoogmoedig van een armen priester, +dat hij rijdt op de wijze van onzen Heiland. Ik verzeker u, dat ik +het uit nood en niet uit ijdelheid doe." + +Op deze rondreizen was hij verschoonend en zachtmoedig; hij preekte +minder dan dat hij zich met de menschen onderhield. Hij ging zijn +betoogen en vergelijkingen niet ver zoeken. De inwoners der eene +buurt stelde hij tot voorbeeld van die der andere. In streken, waar +men onmeedoogend voor de behoeftigen was, zeide hij: "Ziet de lieden +van Briançon. Zij hebben aan de noodlijdenden, aan de weduwen en +weezen het recht gegeven, om drie dagen vroeger dan alle anderen, +hun weilanden te maaien. Zij herstellen kosteloos hun woningen, +wanneer deze in verval zijn. Daarom is dit ook een door God gezegend +land. Gedurende een geheele eeuw is er geen moord gepleegd. + +In dorpen, die naar winst en een rijken oogst hunkerden, zeide hij: +"Ziet de lieden van Embrun. Zoo een huisvader in den oogsttijd zijn +zonen bij het leger en zijn dochters in de stad heeft dienen, indien +hij ziek of op eene andere wijze verhinderd is, beveelt de pastoor +hem van den kansel bij de gemeente aan, en des Zondags, na de mis, +gaan al de dorpelingen, mannen, vrouwen, kinderen, naar den akker +van den armen man om voor hem te maaien, en brengen stroo en graan +in zijn schuur.--Tot families die wegens geldzaken of erfenissen in +tweedracht leefden, zeide hij: "Neemt de bergbewoners van Devolny tot +voorbeeld, een land zoo woest, dat men er een nachtegaal nauwelijks +in vijftig jaren hoort. Welnu, wanneer de vader in een gezin sterft, +gaan de jongens fortuin zoeken en laten het goed aan hun zusters, +opdat dezen echtgenooten vinden."--In districten, waar men gaarne +procedeerde en de pachters zich door gerechtszaken arm maakten, +zeide hij: "Aanschouwt de goede landlieden der vallei Queyras. Zij +tellen drie duizend zielen, en leven als in een kleine republiek. Men +kent er noch rechters, noch deurwaarders. De maire doet alles. Hij +regelt de belastingen, belast ieder naar zijn beste weten, beslecht +kosteloos alle geschillen, verdeelt de erfenissen zonder belooning, +strijkt kosteloos vonnissen, en men gehoorzaamt hem, wijl hij een +rechtvaardig man onder eenvoudige menschen is."--In de dorpen, +waar hij geen schoolmeester vond, wees hij weder op de inwoners van +Queyras. "Weet ge hoe zij doen?" zeide hij. "Wijl een klein oord +van twaalf of vijftien gezinnen niet altijd een onderwijzer kan +onderhouden, zoo heeft men schoolmeesters, welke door de geheele +vallei worden betaald, en die de dorpen rondtrekken, in dit acht +dagen, in een ander tien dagen doorbrengende en onderwijzende. Deze +onderwijzers gaan naar de jaarmarkten, waar ik hen gezien heb. Men +herkent ze aan de schrijfpennen, welke zij in het lint van hun hoed +dragen. Zij die alleen het lezen onderwijzen hebben één pen; zij die +in het lezen en rekenen les geven, hebben twee pennen; zij die lezen, +rekenen en latijn onderwijzen, hebben drie pennen. Deze laatsten zijn +groote geleerden. Maar 't is groote schande onwetend te zijn. Doet +zooals de lieden van Queyras." Aldus sprak hij, ernstig en vaderlijk; +bij gemis aan voorbeelden bedacht hij gelijkenissen, die recht op +het doel afgingen, met weinig woorden, maar veel beelden. 't Was de +welsprekendheid van Jezus Christus uit het hart komende en overredende. + + + + + + +VIERDE HOOFDSTUK. + +DE WERKEN EN DE WOORDEN ÉÉN! + + +In den omgang was hij vriendelijk en vroolijk. Hij schikte zich naar de +bevatting der beide oude vrouwen, die haar leven bij hem doorbrachten; +wanneer hij lachte, was 't de hartelijke lach van den knaap. + +Magloire noemde hem gaarne Uwe Hoogheid. Op zekeren dag stond hij +op van zijn stoel en ging naar zijn bibliotheek een boek halen. Dat +boek stond op eene der hoogste planken. Daar de bisschop klein van +gestalte was, kon hij er niet bij.-- + +"Magloire," zeide hij, "breng mij een stoel, mijn grootheid reikt +niet tot aan deze plank." + +Een zijner verre verwanten, mevrouw de gravin de Lô, liet zelden een +gelegenheid voorbijgaan zonder in zijn tegenwoordigheid op te sommen, +wat zij "de vooruitzichten" van haar drie zonen noemde. Zij had +verscheiden zeer oude bloedverwanten, van welke haar zoons natuurlijk +de erfgenamen werden. De jongste van de drie moest van een oudtante +honderd duizend francs rente erven; de tweede zou van een oom den +hertogstitel bekomen; de oudste moest zijn grootvader in het pairschap +opvolgen. De bisschop hoorde meestal zwijgend, deze onschuldige en +verschoonbare moederlijke uitweidingen aan. Eens echter scheen hij +ernstiger dan gewoonlijk, toen mevrouw de Lô wederom in 't breede van +al die erfenissen en van al die "vooruitzichten" sprak. Met eenig +ongeduld vroeg zij hem: "Maar, neef, waaraan denkt ge toch?"--"Ik +denk aan iets zonderlings," zei de bisschop, "'t geen, geloof ik, +in St. Augustinus staat, n.l.: "Stel uw hoop op hem, van wien ge +niet erft." + +Een anderen keer ontving hij een brief, het overlijden meldende van +een edelman uit het gewest, waarin met weidsche praal, behalve de +waardigheden van den overledene, al de leenheerlijke en adellijke +titels van zijn geheele familie waren opgenoemd. "Welk een breeden +rug heeft toch de dood," riep hij. "Welk een verbazenden last van +titels geeft men hem te dragen en hoeveel geest moeten de menschen +hebben om aldus het graf aan de ijdelheid dienstbaar te maken!" + +Bij gelegenheid maakte hij van vriendelijke scherts gebruik, die +meestal een ernstigen zin bevatte. In de vasten kwam een jonge kapelaan +te Digne en predikte in de hoofdkerk. Hij was vrij welsprekend. Zijn +preek had de liefdadigheid tot onderwerp. De rijken vermaande hij, +om aan de armen te geven, ten einde aan de hel te ontkomen, welke +hij zoo ijselijk mogelijk afschilderde, en om den hemel te verwerven, +dien hij heel aangenaam en begeerlijk voorstelde. Onder zijn gehoor +bevond zich een rijk koopman, die zich uit de zaken had teruggetrokken, +en een kleinen woekerhandel dreef. Hij heette Géborand en had met +het fabriceeren van grof laken, sergie en dergelijke stoffen, twee +millioen overgewonnen. In zijn geheele leven had Géborand geen aalmoes +aan een ongelukkige gegeven. Sedert deze predikatie echter merkte +men op, dat hij alle zondagen een stuiver aan de oude bedelaarsters +in het kerkportaal gaf. Het recht van daar te staan was aan zes arme +vrouwen toegestaan. Eens zag de bisschop hem die aalmoes geven en +zeide glimlachend tot zijn zuster: "Zie! mijnheer Géborand koopt voor +een stuiver den hemel." + +Wanneer het de liefdadigheid betrof, liet hij zich door geen +weigering afschrikken, maar hij vond dan woorden, die tot nadenken +brachten. Eenmaal collecteerde hij in een gezelschap voor de armen; +er bevond zich de markies de Champtercier, een oude rijke vrek, +die tegelijkertijd ultra-royalist en ultra-Voltairiaan was. Zulke +zeldzaamheden hebben bestaan. Toen de bisschop hem naderde, tikte hij +hem op den arm en zei: "Mijnheer de markies, ge moet mij iets geven." + +De markies keerde zich om, en antwoordde droog: "Monseigneur, ik heb +mijn armen." + +"Geef ze mij," hernam de bisschop. + +Op zekeren dag hield hij in de kathedraal de volgende preek: + +"Geliefde broeders, goede vrienden! In Frankrijk zijn één millioen +driehonderd twintig duizend boerenhuizen met slechts drie openingen; +één millioen achthonderd zeventien duizend met slechts twee: de deur +en het venster; en eindelijk driehonderd zes-en-veertig duizend hutten +met slechts één opening: de deur. De reden hiervan is de belasting +op deuren en vensters. Verbeeldt u nu arme gezinnen, oude vrouwen, +kleine kinderen, die daarin verblijf houden, en 't is geen wonder +dat er koortsen en andere ziekten heerschen. Helaas! God geeft den +menschen lucht, maar de wet verkoopt ze hun. Ik beschuldig de wet +niet; maar ik loof God. In het departement Isère, in dat van Var, +in de Alpendepartementen, hebben de boeren niet eens kruiwagens, den +mest vervoeren zij op hun rug; zij hebben geen kaarsen, maar branden +houtspaanders of eindjes touw, die in pek zijn gedoopt. Zoo is het in +geheel Opper-Dauphiné. Zij bakken brood voor een half jaar en stoken +den oven met gedroogden koedrek. Des winters hakken zij dat brood met +de bijl stuk, en laten het vier-en-twintig uren in water weeken om +het te kunnen eten.--Broeders, hebt mededoogen! Ziet hoe men rondom +u lijdt!" + +In Provence geboren, kende hij al de tongvallen van het zuiden en sprak +die met de bewoners. Dit had hem bij de bevolking bemind gemaakt en +er niet weinig toe bijgedragen om hem aller harten te openen. Hij was +in de stulp en in het gebergte als te huis. Hij wist de verhevenste +zaken in de eenvoudigste volkstaal te zeggen. Daar hij alle talen +sprak, vond hij den weg tot aller harten. + +Overigens was hij dezelfde voor den aanzienlijke en den geringe. + +Hij veroordeelde niet voorbarig en zonder de omstandigheden in +aanmerking te nemen. Laten wij zien, op welke wijs de misslag ontstaan +is, placht hij te zeggen. + +Daar hij, zooals hij zich zelven glimlachend noemde, een voormalig +zondaar was, verschanste hij zich niet achter een harde strengheid, +en openlijk verkondigde hij, niettegenstaande het wenkbrauwfronsen der +zoogenaamde strenge deugd, een leer, die men vrijwel in de volgende +woorden kan samenvatten: + +"De mensch draagt zijn vleesch, tevens als een last en als een +verzoeking. Hij sleept het voort en geeft er aan toe. + +"Hij moet het bewaken, bedwingen, onderdrukken, en niet dan in den +uitersten nood er aan gehoorzamen. Door deze gehoorzaamheid kan hij +nog zondigen; maar zulk een zonde is vergeeflijk. 't Is een val, +maar een val op de knieën, die met het gebed eindigen kan. + +"'t Is een uitzondering een heilige te zijn; maar 't is een +regel rechtschapen te wezen. Dwaalt, wankelt, zondigt, maar weest +rechtschapen. + +"'t Is de menschelijke wet, zoo min mogelijk te zondigen. Volstrekt +niet te zondigen, is de droom van den engel. Al het aardsche is aan +de zonde onderworpen. De zonde is een wet der zwaartekracht." + +Zag hij iedereen in ijver ontstoken en spoedig verontwaardigd worden, +dan zeide hij glimlachend: Dit schijnt een groote misdaad te wezen, +die iedereen begaat. Zie, hoe de ontstelde huichelarij zich haast, +om te protesteeren en zich bij voorbaat te verdedigen. + +Hij was toegevend jegens de vrouwen en de armen, op wie de last der +maatschappij zoo zwaar drukt.--De zonden der vrouwen, der kinderen, +der dienstboden, der zwakken, der armen en der onwetenden zijn de +zonden der echtgenooten, der vaders, der meesters, der overheden, +der rijken en der geleerden, sprak hij. + +Ook zeide hij: Onderwijs de onwetenden zooveel ge kunt; de maatschappij +bezondigt zich door geen kosteloos onderwijs te geven; de duisternis +welke zij veroorzaakt, komt te harer verantwoording. In een donkere +ziel sluipt de zonde licht. Niet hij die de zonde doet, is de +eigenlijke schuldige, maar hij die de duisternis veroorzaakt. + +Men ziet, dat de bisschop er een ongewone en eigenaardige wijze op +nahield om de zaken te beschouwen. Ik vermoed, dat hij ze aan het +evangelie had ontleend. + +Op zekeren dag hoorde hij in een gezelschap het verhaal van een +crimineel proces, dat in behandeling was. Een arm man had, na alle +pogingen om wat te verdienen beproefd te hebben, uit liefde voor een +vrouw en het kind dat zij hem geschonken had, valsche munt gemaakt. De +valsche munters werden destijds nog met den dood gestraft. De vrouw +was aangehouden, bij de uitgifte van het eerste valsche muntstuk, +dat de man gemaakt had. Men hield haar gevangen, doch men had geen +bewijzen tegen haar. Zij alleen kon haar minnaar aanklagen en hem door +haar bekentenis in 't verderf storten. Zij deed het niet. Men drong +bij haar aan. Zij bleef ontkennen. Toen kwam de procureur des konings +op een gelukkig denkbeeld. Hij gaf voor, dat haar minnaar haar ontrouw +was; en door middel van haar behendig voorgelegde brieven bracht hij de +ongelukkige tot de overtuiging dat zij een mededingster had en dat de +man haar bedroog. Nu ontstak zij hevig in jaloezie, zij beschuldigde +haar minnaar, en bekende en bewees alles. De man was verloren en zou +eerlang te Aix met zijn medeplichtige gevonnist worden. Men verhaalde +dit feit en ieder prees de behendigheid van den rechtspersoon. Door +de jaloezie op te wekken, had hij de waarheid uit den toorn doen te +voorschijn komen, en de gerechtigheid door wraakzucht doen gelden. De +bisschop hoorde dit alles zwijgend aan. Toen het verhaal ten einde was, +vroeg hij: + +"Waar zullen die man en die vrouw gevonnist worden? + +"Voor het Hof van Assises." + +"En waar," vervolgde hij, "zal mijnheer de procureur des konings +worden gevonnist?" + +Er had te Digne een treurige gebeurtenis plaats. Een man werd wegens +moord ter dood veroordeeld. 't Was een ongelukkige, die wel niet +geleerd, maar ook niet geheel onwetend was; hij had op de kermissen als +goochelaar en als openbaar schrijver rondgereisd. Het proces wekte veel +belangstelling. Den dag vóór de terechtstelling van den veroordeelde, +werd de aalmoezenier der gevangenis ziek. Een geestelijke moest den +armen zondaar in zijn laatste oogenblikken bijstaan. Men ging naar +den pastoor. 't Schijnt dat deze weigerde, zeggende: "'t Gaat mij +niet aan; ik heb met dit werk en dezen koorddanser niets te maken; +ik ben ook ziek; bovendien,'t is mijn ambt niet."--Men bracht den +bisschop dit antwoord, en deze zeide: "De heer pastoor heeft gelijk, +'t is zijn ambt niet, maar het mijne." + +Hij begaf zich terstond naar de gevangenis, liet zich naar de cel +van den "koorddanser" brengen, noemde hem bij zijn naam, drukte +hem de hand en sprak hem toe. Den geheelen dag bracht hij bij hem +door, voedsel en slaap vergetende, God biddende voor de ziel van den +veroordeelde en de veroordeelde voor zijn eigene biddende. Hij hield +hem de gezegendste waarheden voor, welke de eenvoudigste zijn. Hij +was voor hem een vader, een broeder, een vriend; bisschop alleen +om hem te zegenen. Hij onderwees, bemoedigde, troostte hem. De man +zou in wanhoop gestorven zijn; de dood was voor hem een afgrond, +aan welks rand hij stond en met vreeze terugdeinsde. Hij was niet +onwetend genoeg om geheel onverschillig te zijn. Zijn veroordeeling, +een geweldige schok, had om zoo te zeggen hier en daar het hulsel +gescheurd, dat ons van de verborgenheid der dingen scheidt, en 't welk +wij het leven noemen. Steeds blikte hij door deze noodlottige scheuren +en zag niets dan duisternis. De bisschop deed hem een licht zien. + +Den volgenden dag, toen men den ongelukkige haalde, was de bisschop bij +hem. Hij volgde hem en vertoonde zich met zijn violetkleurigen mantel +en met zijn bisschoppelijk kruis om den hals, naast den geboeiden +veroordeelde, voor de oogen des volks. + +Hij beklom met hem de kar, hij beklom met hem het schavot. De arme +zondaar, die den vorigen dag zoo somber, zoo verslagen was, had +nu een kalm voorkomen. Hij gevoelde, dat zijn ziel verzoening had +gevonden, en hij hoopte op God. De bisschop omhelsde hem, en toen +de bijl zou vallen, zeide hij: "Hem, dien de mensch doodt, zal God +weder doen opstaan; hem, dien de broeders verdrijven, neemt de vader +aan. Bid, geloof en ga het leven in! De vader wacht u!" Toen hij +het schavot verliet was er iets in zijn blik, waarvoor het volk ter +zijde ging. Men wist niet wat opmerkelijker was, òf zijn bleekheid, +òf zijn kalmte. Toen hij de nederige woning weder binnentrad, welke +hij glimlachend "zijn paleis" noemde, zeide hij tot zijn zuster: +Ik heb een hoogplechtigen dienst gedaan. + +Naardien de verhevenste zaken vaak het minst begrepen worden, waren er +personen in de stad, die dit gedrag van den bisschop "gemaaktheid" +noemden. Dit werd echter slechts in hoogere kringen gezegd. Het +volk, dat edele handelingen van geen kwaad verdenkt, was getroffen +en vol bewondering. + +Het gezicht der guillotine had intusschen den bisschop een schok +gegeven, waarvan hij zich in langen tijd niet herstelde. + +Inderdaad, wanneer het schavot dáár zoo voor u oprijst, heeft +het iets gruwelijks. Men kan ten aanzien der doodstraf eenigszins +onverschillig zijn, zich daarvoor niet uitspreken, ja noch neen zeggen, +zoolang men geen guillotine heeft gezien; maar als men er voor staat +is de schok geweldig, men moet beslissen, en partij voor of tegen +kiezen. Eenigen bewonderen, gelijk de Maistre; anderen vervloeken, +gelijk Beccaria. De guillotine is de verlichamelijking der wet; zij +noemt zich gerechtigheid; zij is niet onzijdig en veroorlooft anderen +niet, onzijdig te blijven. Die haar ziet, voelt een geheimzinnige +huivering. Alle maatschappelijke kwestiën plaatsen om de valbijl haar +vraagteekens. Het schavot is een visioen. Het schavot is geen stellage, +geen machine, geen gevoelloos werktuig van hout, ijzer en touw. Het +gelijkt een soort van wezen, dat sombere gedachten opwekt. Het is +alsof deze stellage ziet; deze machine hoort; dit werktuig begrijpt; +dit hout, dit ijzer, dit touw een wil hebben. In de afgrijselijke +gedachten, welke 't gezicht van het schavot doet oprijzen, verschijnt +het vreeselijk, doordat het aan zijn werk doet denken. Het schavot +is de medeplichtige van den beul; het verslindt; het eet vleesch en +drinkt bloed. Het schavot is een soort van gedrocht door den rechter +en den timmerman vervaardigd; een spook, dat uit den dood, die het +gegeven heeft, een verschrikkelijk leven voor zich zelven schijnt te +hebben geput. + +Daarom was ook de indruk afgrijselijk en diep; de bisschop scheen +den dag na de terechtstelling en nog vele dagen later daarna zeer +ternedergeslagen. De als door dwang tevoorschijn geroepen kalmte voor +het sombere oogenblik was verdwenen; het spook der maatschappelijke +gerechtigheid kwelde hem. Terwijl hij gewoonlijk met een vroolijke +zelfvoldoening van zijn werkzaamheden wederkeerde, scheen hij zich +nu iets te verwijten. Meermalen sprak hij in zich zelven en prevelde +binnensmonds sombere alleenspraken. Zijn zuster hoorde hem zeggen: +"Ik wist niet dat het zoo ijselijk was. 't Is verkeerd, zich in +de goddelijke wet zoo te verdiepen, dat men de menschelijke wet +vergeet. Alleen aan God behoort de dood. Met welk recht raken de +menschen aan dit onbekende?" + +Allengs werden deze indrukken zwakker, en werden waarschijnlijk geheel +uitgewischt. Evenwel merkte men op, dat de bisschop voortaan vermeed, +over de gerechtsplaats te gaan. + +Men kon den heer Myriel te allen tijde aan de sponde der zieken en +stervenden roepen. Hij wist volkomen, dat hem daar zijn duurste +plicht, zijn gewichtigste arbeid riep. Gezinnen, die ouders of +kinderen verloren hadden, behoefden hem niet te roepen; hij ging +er uit eigen beweging heen. Hij kon lang zwijgend bij den man +zitten die zijn geliefde vrouw had verloren, bij de moeder die +haar kind beweende. Evenals hij ter rechter tijd wist te zwijgen, +kende hij ook het oogenblik, dat hij moest spreken. En hoe kon hij +troosten! Hij trachtte niet de smart door vergetelheid te lenigen, +maar ze door de hoop grooter en waardiger te maken. Hij zeide: "Let +wel, op welke wijze gij de dooden beschouwt. Denk niet aan 't geen +verteert. Zie slechts scherp toe, en ge zult den levenden schijn van +uw geliefden overledene in den hemel erkennen." Den wanhopige poogde +hij tot kalmte te brengen en trachtte hem neer te zetten, door op den +onderworpen mensch te wijzen, en de smart, die een graf aanschouwt, +te veranderen in een smart die naar een ster opziet. + + + + + + +VIJFDE HOOFDSTUK. + +WAAROM MONSEIGNEUR BIENVENU TE LANG ZIJN PRIESTERROKKEN DRAAGT. + + +In het huiselijk leven waren Myriels gevoelens dezelfde als in zijn +openbaar leven. De vrijwillige armoede, waarin de bisschop van Digne +leefde, zou voor ieder, die hem van nabij had kunnen gadeslaan, +een ernstig en bekoorlijk schouwspel zijn geweest. + +Gelijk alle oude lieden en de meeste denkers, sliep hij weinig. Zijn +korte slaap was echter vast. Des morgens vroeg gaf hij zich een uur +aan zijn overdenkingen over; daarna bediende hij de mis, 't zij in de +kerk, 't zij in zijn huis. Na de mis nam hij zijn ontbijt, bestaande +in roggebrood en melk. Daarna arbeidde hij. + +Een bisschop is steeds met werkzaamheden overladen, dagelijks moet +hij den secretaris van het bisdom ontvangen, ook bijna dagelijks zijn +groot-vicarissen. Hij moet over de congegratiën het toezicht houden, +privilegiën verleenen, een geheele kerkelijke bibliotheek, getijboeken, +catechismussen, gebedenboeken enz. onderzoeken; hij moet mandementen +schrijven, predikatiën vergunnen, pastoors en maires vereenigen, een +kerkelijke en een administratieve correspondentie voeren, eenerzijds +met den staat, anderzijds met den H. Stoel; kortom, duizend zaken +wachten op hem. + +Den tijd, welken hem deze duizend zaken, zijn kerkdiensten en zijn +brevier lieten, wijdde hij vooreerst aan de noodlijdenden, de kranken +en de bedrukten; den tijd, dien deze hem lieten, besteedde hij aan +den arbeid. Nu eens spitte hij in zijn tuin, dan weer las en schreef +hij. Hij had voor deze beide soorten van werk slechts één naam: +hij noemde het tuinieren. "De geest is ook een tuin," zeide hij. + +Tegen den middag, wanneer het weder fraai was, ging bij uit en wandelde +op het veld of in de stad, en vaak trad bij de hutten binnen. Men +zag hem dan alleen, aan zijn gedachten overgegeven, met neêrgeslagen +oogen, steunende op zijn langen wandelstok, in zijn violetkleurigen, +gewatteerden en warmen rok, violetkleurige kousen, zware schoenen en +met een platten driekanten hoed, met gouden kwasten aan de punten, +op het hoofd. + +'t Was overal feest waar hij verscheen, als bracht hij bij zijn komst +iets verwarmends en verlichtends. Kinderen en oude lieden kwamen aan +de deur, om den bisschop, evenals anders om de zon. Hij deelde zegen +uit en men zegende hem. Aan elk, die iets behoefde, wees men zijn huis. + +Nu en dan bleef hij staan, om tot knaapjes en jonge meisjes te spreken, +en lachte de moeders toe. Hij bezocht de armen zoolang hij geld had; +was het uitgegeven, dan bezocht hij de rijken. + +Daar hij zijn priesterrokken zeer langen tijd droeg, en niet wilde +dat men dit opmerkte, ging hij nooit uit dan in zijn violetkleurig +kleed. Dit was hem in den zomer wel een weinig lastig. + +Te huis komende deed hij zijn middagmaal, dat aan het ontbijt +geëvenredigd was. Te half negen gebruikte hij met zijn zuster het +avondeten. Magloire bediende hen. Niets kon soberder zijn dan deze +maaltijd. Zoo de bisschop evenwel een zijner pastoors aan zijn tafel +had, maakte Magloire van deze gelegenheid gebruik om voor monseigneur +keurige visch uit de meren of fijn wild uit het gebergte op te +disschen. Ieder pastoor strekte haar tot voorwendsel voor een goeden +maaltijd, en de bisschop liet haar begaan. Gewoonlijk kwam op zijn +tafel niet anders dan gekookte groenten en soep met olie. Men zeide +dan ook in de stad: "wanneer de bisschop niet smult als een pastoor, +eet hij als een trappist." + +Na het avondeten praatte hij een half uur met Baptistine en Magloire; +vervolgens begaf hij zich naar zijn kamer en zette zich weder aan +'t schrijven, nu eens op losse bladen, dan weder op den kant van een +foliant. Hij was geletterd en tamelijk geleerd. Hij heeft vijf of zes +merkwaardige manuscripten nagelaten; onder andere een verhandeling +over het vers van Genesis: "En de geest Gods zweefde over de +wateren."--Hij vergelijkt met dit vers drie teksten: het arabisch, +dat zegt: "de winden Gods bliezen;" Flavius Josephus, die zegt: +"Een wind van boven viel op de aarde;" en eindelijk de Chaldeeuwsche +overzetting van Onkelos, die zegt: "Een wind, die van God kwam, +blies over de wateren." In een andere verhandeling onderzocht hij de +godgeleerde werken van Hugo, bisschop van Ptolomaïs, achter-oudoom +van den schrijver van dit boek en bewijst dat aan dezen bisschop de +verschillende kleine werkjes moeten worden toegeschreven, die in de +vorige eeuw onder het pseudonym van Barleycourt verschenen. + +Soms verviel hij temidden zijner lectuur, onverschillig welk boek hij +in handen had, plotseling tot diepe overpeinzing, waarna hij eenige +regels op het blad zelf van het boek schreef. Deze regels hebben vaak +volstrekt geen betrekking op het boek, dat ze bevat. Zoo hebben wij +vóór ons een door hem geschreven kantteekening, in een boek in kwarto, +getiteld: Correspondance du lord Germain avec les généraux Clinton, +Cornwallis et les amiraux de la station de l'Amérique. + +Deze kantteekening luidt als volgt: + +"O gij, die zijt! + +"In den prediker Salomo heet gij de Almachtige, in het boek der +Makkabeeën Schepper, in den brief aan de Ephezers Vrijheid, in +Baruch Onmetelijke, in de psalmen Wijsheid en Waarheid, in het +evangelie van Johannes Licht, in het boek der koningen Heer, in +het tweede boek van Mozes Voorzienigheid, in het derde Heiligheid, +in Esdra Gerechtigheid; de schepping noemt u God, de mensch Vader, +maar Salomo noemt u Erbarmer, en dit is de schoonste van al uw namen." + +Tegen negen uur 's avonds verwijderden zich de beide vrouwen en begaven +zich naar haar kamers op de eerste verdieping, en lieten den bisschop +alleen beneden tot den volgenden morgen. + +'t Zal noodig zijn hier een nauwkeurige voorstelling der woning van +den bisschop van Digne te geven. + + + + + + +ZESDE HOOFDSTUK. + +DOOR WIE HIJ ZIJN HUIS LIET BEWAREN. + + +Het huis, dat hij bewoonde, had slechts, zooals reeds gezegd is, +twee verdiepingen, en bestond uit drie benedenvertrekken, drie +kamers op de tweede verdieping, en daarboven een zolder. Achter het +huis was een tuin. De beide vrouwen hadden de eerste verdieping in +gebruik. De bisschop huisde beneden. Het eerste vertrek, dat op de +straat uitzag, diende hem tot eetzaal, het tweede tot slaapkamer en +het derde tot bidkamer. Men kon uit deze laatste niet komen, zonder +door de slaapkamer te gaan, en uit deze slechts door de eetzaal. In +de bidkamer was een afgesloten alkoof, waarin een bed, ten dienste +van logeergasten. De bisschop bood dit bed den dorpspastoors aan, +die wegens zaken of aangelegenheden hunne parochie betreffende, +te Digne kwamen. + +De apotheek van het hospitaal, een in den tuin aan het huis toegevoegd +gebouw, was in keuken en spijskamer veranderd. + +Nog bevond zich in den tuin een stal, die vroeger de keuken van het +hospitaal was geweest en waarin de bisschop twee koeien hield. Hoeveel +melk zij ook mochten geven, hij zond alle ochtenden de helft er van +aan de zieken in het hospitaal. "Ik betaal mijn tienden," zeide hij. + +Zijn tamelijk ruime kamer was in den winter moeielijk te +verwarmen. Dewijl het hout te Digne zeer duur is, had hij in den +koestal een klein vertrek van planken laten afschieten, en hier +bracht hij bij strenge koude den avond door. Hij noemde dit zijn +"wintersalon." + +In dat wintersalon was, gelijk in de eetzaal, geen ander huisraad dan +een vierkante, wit houten tafel en vier matten stoelen. De eetkamer +was bovendien nog met een oud rose geverfd buffet versierd. Een +dergelijk buffet, bekleed met witte doeken en onechte kant, had de +bisschop tot altaar in zijn bidkamer ingericht. + +Zijn rijke biechtdochters en andere vrome vrouwen van Digne hadden +herhaaldelijk met elkander het geld bijeengebracht voor een fraai, +nieuw altaar in de bidkamer van Monseigneur; maar telkens had hij het +geld aangenomen en aan de armen gegeven. "Het fraaiste altaar," zeide +hij dan, "is de ziel van een getroosten ongelukkige, die God dankt." + +Hij had in zijn bidkamer twee bidstoelen met matten zittingen en in +zijn slaapkamer een dergelijken armstoel. Wanneer hij bij toeval zeven +of acht personen te gelijk ontving, den prefect, of den generaal, +of den staf van het daarin garnizoen liggend regiment, of eenige +kweekelingen van het klein seminarie, was men verplicht de stoelen +van het wintersalon uit den stal en de bidstoelen met den armstoel +uit de bidkamer te halen, en op die wijze kon men voor de bezoekers +elf stoelen bijeenbrengen. Bij elk bezoek werd dus een der vertrekken +van zijn huisraad beroofd. + +Maar somtijds gebeurde het, dat er twaalf bezoekers waren. Alsdan +verheelde de bisschop de verlegenheid waarin hij zich bevond, des +winters door voor den schoorsteen te blijven staan, en des zomers +door in den tuin te wandelen. + +In de afgesloten alkoof stond wel is waar ook nog een stoel, maar de +zitting was versleten en hij had nog maar drie pooten, zoodat hij +slechts dienst kon doen als hij tegen den muur stond. Mejuffrouw +Baptistine had ook in haar kamer een zeer groote bergère van hout, +die vroeger verguld was, met gebloemde chineesche zijde bekleed; +maar men had deze bergère door het venster op de eerste verdieping +moeten brengen, wijl de trap te smal was; die kon dus niet dienen, +wanneer men zitplaatsen te kort kwam. + +Mejuffrouw Baptistines vurigste wensch zou geweest zijn, +een salonmeubel te kunnen koopen van mahoniehout, bekleed met +geelgebloemd trijp, en daarbij een canapé. Maar een en ander zou +minstens vijfhonderd francs hebben gekost, en daar zij 't in vijf +jaren niet verder had kunnen brengen dan hiervoor twee-en-veertig en +een halven franc te besparen, had zij er eindelijk van afgezien. Wie +ziet zijn idealen ook verwezenlijkt? + +Men kan zich niets eenvoudigers voorstellen dan de slaapkamer van den +bisschop. Door de glazen deur kwam men in den tuin; daartegenover stond +het bed, een ijzeren gasthuisbed met groene sergie-gordijnen; achter +een gordijn, ter zijde van het bed, verrieden de toiletbenoodigdheden +nog de vroegere elegante gewoonten van den man der wereld; er waren +twee deuren: door de eene, bij den schoorsteen, kwam men in het +bidvertrek; de andere, bij de bibliotheek, leidde naar de eetzaal. De +bibliotheek was een groote glazen kast vol boeken; de schoorsteen, met +een houten als marmer geschilderden mantel, was gewoonlijk zonder vuur; +een paar haardijzers in den schoorsteen en twee vazen, die vroeger +verzilverd waren, maakten een soort van bisschoppelijke weelde uit. Op +den schoorsteenmantel stond een koperen, vroeger verzilverd crucifix +op kaal zwart fluweel in een vergulde houten lijst; bij de glazen deur +stond een tafel, waarop een inktkoker, en die verder beladen was met +verstrooide papieren en dikke boekdeelen; vóór de tafel bevond zich de +armstoel met matten zitting; vóór het bed een bidstoel uit de bidkamer. + +Ter weerszijden van het bed hingen twee portretten in ovale +lijsten. Gouden opschriften op het doek, bezijden de afbeeldingen, +duidden aan, dat het eene portret den abt de Chaliot, bisschop van +St. Claude, het andere den abt Tourteau, vicaris-generaal van Agde, +abt van Grand-Champs, van de orde der Cistercienzers, voorstelde. Toen +de bisschop deze ziekenkamer van het hospitaal betrok, had hij er +deze portretten gevonden en ze laten hangen. 't Waren priesters, +vermoedelijk donateurs: twee redenen om ze te eerbiedigen. Al wat +hij van deze twee personages wist, was, dat beiden door den koning +op denzelfden dag, den 27 April 1785, de een tot bisschop, de ander +tot vicaris-generaal benoemd waren. Bij gelegenheid dat Magloire +de schilderij van den wand had genomen om ze af te stoffen, had de +bisschop deze bijzonderheid geschreven gevonden, met bleeken inkt, +op een stukje papier, dat van ouderdom geel geworden en met vier +ouwels achter het portret van den abt van Grand-Champs geplakt was. + +Vóór het venster hing een ouderwetsch gordijn van grove wollen stof, +welke zoo versleten was, dat Magloire, ten einde de kosten van een +nieuw gordijn te vermijden, verplicht was, een grooten naad in het +midden te maken, welke naad een kruis vormde. De bisschop maakte +dikwerf de opmerking, dat dit zeer goed stond. + +Al de kamers van het huis waren zonder uitzondering, zoowel beneden +als op de eerste verdieping, zooals in kazernen en hospitalen, met +kalk gewit. + +In de laatste jaren echter vond Magloire zooals men verder zal +vernemen, schilderingen onder het met kalk bestreken papier in de kamer +van mejuffrouw Baptistine. Eer dit huis een hospitaal was geworden, +had het aan een burger behoord, en van dien tijd dagteekende deze +versiering. De kamers waren met roode steenen bevloerd, die wekelijks +geschrobd werden, en vóór de bedden lagen matten. Voor 't overige +onderscheidde zich deze woning, die door twee vrouwen onderhouden +werd, van onder tot boven door de uiterste zindelijkheid. Dit was +de eenige weelde, welke de bisschop zich veroorloofde, zeggende, +dat dit den armen niets onthield. + +'t Moet echter gezegd worden, dat hem, van hetgeen hij vroeger bezeten +had, nog zes zilveren lepels en vorken en een soeplepel overgebleven +waren, welke Magloire dagelijks met ware vreugde op het groote witte +tafellaken zag prijken. En nu wij den bisschop van Digne schilderen +gelijk hij was, moeten wij zeggen, dat hij dikwijls betuigd had, +dat het hem moeielijk zou vallen niet met zilver te eten. + +Bij dat zilverwerk moeten nog twee massief zilveren kandelaars worden +gerekend, welke hij van een oud-tante had geërfd. Deze kandelaars +droegen twee waskaarsen en prijkten gewoonlijk op den schoorsteen +van den bisschop. Wanneer hij iemand ten eten had, stak Magloire de +beide waskaarsen aan en zette de twee kandelaars op de tafel. + +In de kamer van den bisschop stond, aan het hoofdeneinde van zijn bed, +een kastje, waarin Magloire 's avonds de zes zilveren vorken en lepels +en den grooten soeplepel wegsloot. De sleutel bleef evenwel steeds in +'t slot steken. + +De tuin, die door de vermelde bijgebouwen ontsierd was, had vier paden, +die bij een put elkander kruisten; een ander pad liep rondom den tuin, +langs den witten muur, die hem insloot. Deze paden verdeelden den tuin +in vier met palm omzoomde bedden. Op drie ervan verbouwde Magloire +groenten; het vierde was door den bisschop met bloemen beplant; hier en +daar stonden enkele vruchtboomen. Eens had Magloire schertsenderwijs +gezegd: "Monseigneur, hoewel ge van alles zoo goed partij weet te +trekken, is dit toch een nutteloos bed. 't Ware beter, dat er salade +op groeide, dan bloemen."--"Gij vergist u, Magloire," had de bisschop +geantwoord, "het schoone is even nuttig als het nuttige." En na eenig +zwijgen voegde hij er bij: "Misschien nog nuttiger!" + +Dit bed, uit drie of vier rijen bloemen bestaande, hield den bisschop +schier evenzeer bezig als zijn boeken. Hij bracht hier gaarne een paar +uren door met snoeien, harken, spitten en zaaien. Den insekten was +hij niet zoo vijandig als een tuinman wel gewenscht zou hebben. Voor +'t overige maakte hij geen aanspraak op botanische kennis; hij +wist niets van geslachten en klassen, voelde volstrekt geen lust om +tusschen Tournefort en de natuurlijke methode uitspraak te doen, en +koos evenmin partij voor de utriculi tegen de cotyledonen, als voor +Jussieu tegen Linnaeus. Hij bestudeerde de planten niet, maar beminde +de bloemen. Hij achtte de geleerden zeer, maar meer nog de onwetenden; +en zonder aan de achting voor beiden ooit in 't minst te kort te doen, +begoot hij zijn bloemperken alle zomeravonden met een groen geverfden +blikken gieter. + +Het huis had niet één deur met een slot. De deur der eetkamer, die, +zooals gezegd is, gelijkvloers met het kerkplein was, had vroeger +sloten en grendels als een gevangenisdeur gehad. De bisschop had dit +ijzerwerk doen wegnemen en de deur stond nu dag en nacht slechts op +de klink. Ieder voorbijganger kon, hoe laat het ook was, ze openen. In +den beginne had deze ongesloten deur de beide vrouwen zeer verontrust, +maar de bisschop had haar gezegd, dat zij, zoo zij verkozen, haar +deuren van grendels konden voorzien. Eindelijk hadden zij zijn +gerustheid gedeeld, of hielden zich althans zoo. Slechts Magloire was +nu en dan beangst. Wat de bisschop dacht, kon men aangeduid vinden +in deze regels, door hem op den rand van een bijbelblad geschreven: +"Het onderscheid is, dat de deur van een geneesheer nooit gesloten +mag zijn, en die van een priester altijd open moet wezen." + +In een ander boek, getiteld: Philosophie de la science médicale, +had hij deze kantteekening geschreven: "Ben ik geen geneesheer, +evenals zij? Ook ik heb mijn zieken: vooreerst degenen, welke zij +hun zieken noemen; en dan de mijne, welke ik de ongelukkigen noem." + +Elders had hij geschreven: "Vraag niet naar den naam van dengene, +die u een nachtverblijf verzoekt. Voor hem, die een schuilplaats +noodig heeft, is de naam een lastig ding!" + +Het gebeurde dan ook eens, dat een achtenswaardig geestelijke--ik weet +niet of 't de pastoor van Couloubroux of die van Pompierry was--hem +op zekeren dag, waarschijnlijk op aansporing van Magloire vroeg, of +Monseigneur wel zeker was niet eenigszins onvoorzichtig te handelen, +door dag en nacht zijn deur voor ieder, die wilde binnengaan, open +te laten, en of hij niet vreesde, dat in een zoo slecht bewaakt huis +eens een ongeluk zou gebeuren. De bisschop klopte hem met zachten +ernst op den schouder, zeggende: "Zoo de Heer het huis niet bewaakt, +waken de wachters vergeefs." + +Daarop sprak hij van iets anders. + +Dikwijls zeide hij: "Er is een dapperheid van den priester, evenals +er een dapperheid van den dragonder-officier is. Maar," liet hij er +op volgen, "de onze moet rustig zijn." + + + + + + +ZEVENDE HOOFDSTUK. + +CRAVATTE. + + +Hier doet zich als van zelve een feit voor, dat wij niet over 't hoofd +mogen zien; want 't behoort tot dezulken, die het best aantoonen, +welk een man de bisschop van D. was. + +Na de onderwerping der rooverbende van Gaspard Bès, die de bergengten +van Ollioules onveilig had gemaakt, nam een zijner onderbevelhebbers, +Cravatte, de wijk in het gebergte. Hij hield zich eenigen tijd met de +rest der bende van Gaspard Bès in het graafschap Nizza schuil, ging +vervolgens naar Piémont en verscheen plotseling weder in Frankrijk, +in den omtrek van Barcelonnette. Men zag hem eerst te Jauziers, daarna +te Tuiles. Hij verschool zich in de grotten van Joug de l'Aigle, +en van daar begaf hij zich langs de sluipwegen van Ubaye en Ubayette +naar de gehuchten en dorpen. + +Hij kwam zelfs tot Embrun, brak op zekeren nacht in de kerk in en +beroofde de sacristie. Zijn rooverijen verspreidden schrik in den +omtrek. Men zond de gendarmerie op hem af, doch vruchteloos. Telkens +ontsnapte hij en bood soms gewapenden tegenstand. Het was een vermetele +booswicht. Te midden van den algemeenen schrik kwam de bisschop. Op +een rondreis bezocht hij ook Chastelar. De maire kwam bij hem en ried +hem terug te keeren, wijl Cravatte het gebergte tot Arche en verder +doorkruiste. Zelfs met een escorte was het reizen gevaarlijk, het leven +van drie of vier ongelukkige gendarmes zou nutteloos zijn blootgesteld. + +"Ik ben dus ook voornemens zonder escorte te gaan," antwoordde de +bisschop. + +"Hoe kunt ge hieraan denken, Monseigneur?" hernam de maire. + +"Ik denk er zoo zeker aan, dat ik voor de gendarmes bedank en binnen +een uur vertrek." + +"Ge wilt vertrekken?" + +"Ja." + +"Alleen?" + +"Alleen." + +"Dat zult ge niet doen, Monseigneur!" + +"In het gebergte," hernam de bisschop, "ligt een zeer kleine gemeente, +welke ik sedert drie jaren niet bezocht heb. Daar wonen mijn vrienden, +vreedzame, brave herders. Van de dertig geiten, welke zij hoeden, +behoort er hun ééne, zij vervaardigen zeer fraaie wollen koorden van +verschillende kleur, en spelen bergliederen op kleine fluiten met +zes gaten. 't Is noodig, dat hun van tijd tot tijd van den goeden God +wordt gesproken. Wat zouden zij denken van een bisschop die bevreesd +is? Wat zouden zij zeggen, zoo ik niet kwam?" + +"Maar de roovers, Monseigneur?" + +"Ja," zei de bisschop, "ik denk er juist aan. Gij hebt gelijk. Ik +kon ze ontmoeten. Ook zij hebben noodig van den goeden God te hooren." + +"Maar, Monseigneur, 't is een rooverbende, een troep wolven!" + +"Mijnheer de maire, 't is misschien juist van dezen troep, dat Jezus +mij herder wil maken. Wie kent de wegen der Voorzienigheid?" + +"Zij zullen u uitplunderen, Monseigneur." + +"Ik heb niets." + +"Zij zullen u vermoorden." + +"Een ouden priester, die langs den weg zijn gebeden leest? Wat zou +'t hun baten?" + +"O, mijn hemel! Zoo ge hen ontmoette!" + +"Dan zal ik hun een aalmoes voor mijn armen vragen." + +"Ga niet, Monseigneur. In 's hemels naam! gij waagt uw leven!" + +"Is het anders niet, Mijnheer de maire?" zei de bisschop. "Ik ben niet +in de wereld om mijn leven te behoeden, maar om de zielen te behoeden." + +Men moest hem zijn wil laten. Hij vertrok, slechts van een kind +vergezeld, dat zich aanbood hem den weg te wijzen. Zijn eigenzinnigheid +werd veel besproken en baarde bekommering in de streek. + +Hij wilde noch zijn zuster, noch Magloire medenemen. Hij trok op een +muildier door het gebergte, ontmoette niemand en kwam veilig en wel bij +zijn "vrienden" de herders. Hij bleef hier veertien dagen, predikte, +verrichtte den dienst, onderwees en vermaande de gemeente. Kort voor +zijn vertrek wilde hij een plechtig Te Deum houden. Hij sprak er met +den pastoor over. Maar hoe? er waren geen bisschoppelijke sieraden. Men +kon slechts een armoedige dorpssacristie met eenige oude kazuifels +van versleten damast met valsch passement tot zijnen dienst stellen. + +"Om 't even," zei de bisschop, "kondig maar het Te Deum van den kansel +af, Mijnheer pastoor. Alles zal zich wel schikken." + +Men zocht in de kerken der nabuurschap. Al de bijeengebrachte +heerlijkheden dier armoedige parochiën zouden zelfs niet voor de +behoorlijke koorkleeding eener hoofdkerk toereikend zijn geweest. + +Tijdens deze verlegenheid werd door twee onbekenden te paard, die +onmiddellijk weder vertrokken, een groote kist voor den bisschop aan de +pastorie bezorgd. De kist werd geopend; zij bevatte een koorkleed van +goudlaken, een met diamanten bezetten mijter, een aartsbisschoppelijk +kruis, een prachtigen bisschopsstaf, kortom al de bisschoppelijke +versierselen, die een maand te voren uit de Lieve-Vrouwenkerk te +Embrun gestolen waren. In de kist lag een papier, waarop deze woorden +stonden geschreven: Cravatte aan Monseigneur Bienvenu. + +"Heb ik u niet gezegd, dat zich alles zou schikken!" zei de +bisschop. En glimlachend voegde hij er bij: "wie zich met het koorhemd +van een pastoor tevreden stelt, zendt God een aartsbisschoppelijk +koorkleed." + +"Monseigneur," mompelde de pastoor glimlachend het hoofd schuddend, +"God--of de duivel?" + +De bisschop zag den pastoor strak aan en zeide met nadruk: "God!" + +Toen hij te Chastelar terugkeerde, ijlde men overal langs den geheelen +weg, nieuwsgierig toe om hem te zien. In de pastorie van Chastelar +vond hij mejuffrouw Baptistine en Magloire, die hem wachtten, en hij +zeide tot zijn zuster: "Nu, had ik geen gelijk? de arme priester is +met ledige handen naar de arme bergbewoners gegaan, en met gevulde +handen keert hij terug. Ik was vertrokken met niets anders dan mijn +vertrouwen op God, en breng den schat eener hoofdkerk mede te huis." + +Nog zeide hij des avonds vóór 't naar bed gaan: "vreezen wij +nimmer dieven of moordenaars. Dit zijn slechts uiterlijke, geringe +gevaren. Vreezen wij ons zelven. De vooroordeelen zijn de ware dieven; +de ondeugden de ware moordenaars. De groote gevaren zetelen in ons. Wat +is er gelegen aan wat ons hoofd of onze beurs bedreigt? Laten wij +alleen denken aan 't geen onze ziel bedreigt." + +En zich tot zijn zuster wendende: "Lieve zuster, de priester mag nooit +voorzorgen tegen zijn naaste nemen. Wat de naaste doet, veroorlooft +God. Laten wij alleen God bidden, wanneer wij meenen dat ons een +ongeluk nadert. Bidden wij Hem, niet voor ons, maar dat onze broeder +niet om onzenthalve in zonde vervalle." + +Overigens waren belangrijke voorvallen zeldzaam in zijn leven. Wij +verhalen die, welke ons bekend zijn; doch gewoonlijk bracht hij zijn +leven door met steeds hetzelfde op denzelfden tijd te doen. Een maand +van zijn jaar geleek op een uur van zijn dag. + +Wat van "den schat" der kerk van Embrun werd, men zou ons in +verlegenheid brengen, daarnaar te vragen. 't Waren gewis zeer schoone, +verleidelijke voorwerpen, wel geschikt om ze ten voordeele der +ongelukkigen te stelen. Zij waren trouwens reeds gestolen. De helft +van het avontuur was volbracht; het gold nu slechts de richting van +den diefstal te veranderen, en wel ten gunste der armen. Wij zeggen +overigens niets zekers hieromtrent. Alleen vond men in de papieren +van den bisschop een eenigszins duistere aanteekening, die misschien +op deze zaak betrekking heeft, in deze woorden: "'t is de vraag, +of het aan de hoofdkerk terug of aan 't gasthuis gegeven worden moet!" + + + + + + +ACHTSTE HOOFDSTUK. + +WIJSBEGEERTE NA TAFEL. + + +De senator, van wien reeds gesproken is, was een schrander man, +die zijn weg rechtuit was gegaan, zonder te letten op de beletselen, +welke men geweten, trouw, rechtvaardigheid of plicht noemt; hij was +regelrecht op zijn doel afgegaan, zonder een enkele maal met het +oog op zijne bevordering en op zijn belang te aarzelen. Hij was een +oud procureur, wien het geluk vertroeteld had; volstrekt geen kwaad +mensch, die zijn zoons, zijn schoonzoons, zijn familie, zelfs zijn +vrienden alle mogelijke kleine diensten bewees, en die wijselijk +van het leven steeds de goede zijde, de gunstige gelegenheden, +de voordeelen gekozen had. Het overige scheen hem dwaasheid. Hij +was geestig en juist geletterd genoeg, om zich voor een discipel +van Epicurus te houden, terwijl hij misschien slechts een product +van Pigault-Lebrun was. Hij schertste gaarne en vroolijk over het +oneindige en het eeuwige, en over de "hersenschimmen van den goeden +bisschop." Soms bespotte hij die zelfs met vriendelijke aanmatiging +in de tegenwoordigheid van den bisschop, die dan luisterde. + +Bij zekere half officieele feestelijkheid, moesten graaf *** (deze +senator) en de bisschop een diner bij den prefect bijwonen. Aan +het dessert zei de senator, die eenigszins vroolijk, doch altijd +deftig was: + +"Laat ons eens praten, Monseigneur de bisschop. Een senator en een +bisschop kunnen elkander moeielijk aanzien zonder te meesmuilen. Wij +zijn beiden wichelaars. Ik zal u een bekentenis doen: ik heb zoo mijn +eigene wijsbegeerte." + +"Ge hebt gelijk," antwoordde de bisschop. "Naar men zich een +wijsbegeerte maakt, legt men zich te rusten. Gij ligt op een purperen +bed, mijnheer de senator." + +Bemoedigd door deze woorden, hernam de senator: + +"Laten we verdraagzame lieden zijn." + +"Verdraagzame duivels zelfs," zei de bisschop. + +"Ik verzeker u," hernam de senator, "dat de markies d'Argens, Pyrrhon, +Hobbes en Naigeon in 't geheel niet dom zijn. In mijn bibliotheek +staan al mijn philosofen verguld op sneê." + +"Zooals gij zelf, mijnheer de graaf," viel de bisschop hem in de rede. + +De senator ging voort: + +"Ik haat Diderot; 't is een idéoloog, een declamator en een +revolutionnair, die in den grond aan God gelooft en bigotter dan +Voltaire is. Voltaire heeft met Needham den draak gestoken, en hij +had ongelijk; want de aaltjes van Needham bewijzen dat God overbodig +is. Een droppel azijn in een lepel meeldeeg vervangt volkomen het fiat +lux (er zij licht). Veronderstel, dat de droppel en de lepel grooter +zijn, en ge hebt de wereld. De mensch is de aal. Waartoe dus de Eeuwige +Vader? Ik zeg u, Monseigneur, dat de veronderstelling van een Jehovah +mij verveelt. Zij dient nergens toe, dan om magere menschen te maken, +die onrustig droomen. Weg met dat groote Al,'t welk mij plaagt! Leve +het Niet, dat mij in rust laat! Onder ons gezegd, en om mijn zak +geheel te ledigen en aan mijn herder te biechten, zooals 't behoort, +beken ik u, dat ik gezond verstand bezit. Ik ben niet verzot op uw +Jezus, die immer en altijd ontbering en zelfopoffering predikt. 't +Is de raad van een vrek aan armen! Ontbering: waarom? Zelfopoffering: +waartoe? ik zie niet, dat een wolf zich voor het geluk van een anderen +wolf opoffert. Behouden wij onzen aard. Wij staan op de hoogste sport; +laat ons een hoogere wijsbegeerte hebben. Waartoe dient het hooger +te staan, zoo wij niet verder zien dan den neus van anderen? Leven +wij vroolijk. Het leven is alles. Dat de mensch elders, daar boven, +daar beneden, ergens een toekomstig leven zal hebben, daarvan geloof +ik geen enkel woord. Men beveelt mij opoffering en ontbering aan; ik +moet op alles wat ik doe acht geven, ik moet mij het hoofd breken met +het goed en het kwaad, met het rechtvaardige en het onrechtvaardige, +met wat geoorloofd en wat niet geoorloofd is. Waarom? wijl ik van +mijn daden rekenschap zal moeten doen. Wanneer? Na mijn dood. Welk een +droom! Hij zal slim moeten zijn, die mij na mijn dood knijpen wil. Laat +zich de hand eener schim eens met asch vullen. Zeggen wij de waarheid, +wij die ingewijden zijn en het kleed van Isis hebben opgelicht: er is +geen goed en geen kwaad; er is niets dan groeikracht. Zoeken wij het +wezenlijke; delven wij het op. Op den bodem, diep in den grond, voor +den drommel! moeten wij de waarheid opsporen en haar grijpen. Welk +een heerlijke vreugde verschaft zij dan. Men gevoelt zich krachtig, +opgewekt. Ik sta vast in mijn schoenen. De onsterfelijkheid van den +mensch, Monseigneur, is een zeepbel, een bedrieglijke hoop. Vertrouw +er op! Een heerlijk lot dat van Adam! Men is een ziel, men wordt een +engel, met blauwe vleugels aan de schouders. Kom mijn herinnering eens +te hulp; was 't niet Tertuliaan, die zeide, dat de zaligen van de eene +ster naar de andere zullen gaan? Het zij zoo, we zullen de sprinkhanen +der sterren zijn. En dan, men zal God zien! Och, wat! gekheid al +die paradijzen! God is een monsterachtig sprookje. Ik zal dit nu +wel niet in den Moniteur gaan verkondigen, maar fluister het onder +vrienden. Inter pocula (Bij den beker). De aarde voor het paradijs +op te offeren, is zijn prooi voor een schaduw los te laten. Ik ben +zoo dom niet, mij door het oneindige te laten beet nemen. Ik ben +niets. Ik heet mijnheer de graaf Niets, senator. Bestond ik vóór ik +geboren was? Neen. Zal ik na mijn dood bestaan? Neen. Wat ben ik? Een +weinig stof, door een organisme verbonden. Wat heb ik op deze aarde +te doen? Ik kan kiezen: lijden of genieten. Waartoe zal mij het lijden +voeren? tot het niet. Maar ik zal geleden hebben. Waartoe zal mij het +genot voeren? tot het niet. Maar ik zal genoten hebben. Mijn keus is +gedaan. Men moet eten of gegeten worden. Ik eet. 't Is beter tand dan +gras te zijn. Dit is mijn wijsheid. Men gaat waarheen men gedreven +wordt; de doodgraver wacht; voor sommigen onzer het Pantheon; +maar alles zinkt in den grooten kuil. Einde. Finis. Algemeene +uitkomst. En daarmede is alles gedaan. De dood is dood, geloof +mij. Ik lach om het denkbeeld, dat dáár iemand zou zijn, die mij +iets te zeggen had. Bakersprookjes. Een boeman voor de kinderen, +Jehovah voor de menschen. Neen, onze toekomst is de nacht. Aan gene +zijde van het graf is niets en alles gelijk. Of ge Sardanapales +of Vincentius van Paula zijt geweest, is hetzelfde. Ziedaar de +waarheid. Men leve alzoo en make gebruik van zijn ik, zoolang men +kan, dit is 't voornaamste. Waarlijk, Monseigneur, ik zeg u, dat ik +mijn eigen wijsbegeerte en mijn eigen wijsgeeren heb. Ik laat mij +geen zotternijen op de mouw spelden. Trouwens, de lagere klassen, +de barvoeters, de noodlijdenden, de armen mogen wel iets hebben. Men +geeft hun legenden, hersenschimmen, de ziel, de onsterfelijkheid, +den hemel, de sterren. Zij kauwen op dat alles. Zij smeren het op hun +droog brood. Die niets heeft, heeft ten minste den goeden God. Ik heb +er niets tegen; maar ik voor mij behoud mijnheer Naigeon. De goede +God is goed voor het gepeupel." + +De bisschop klapte goedkeurend in de handen. + +"Dat noem ik spreken!" riep hij. "Dat materialisme is toch een +uitmuntende, bewonderenswaardige zaak; maar niet ieder bezit +het. En als men het bezit, is men geen dupe meer; men laat zich +niet dwaselijk verbannen als Cato, noch steenigen als Stefanus, +noch levend verbranden als de maagd van Orleans. Zij, die zich dit +bewonderenswaardig materialisme hebben kunnen verschaffen, smaken +het genoegen, zich onverantwoordelijk te gevoelen en te gelooven, dat +zij, zonder eenig bezwaar, alles mogen aannemen en kunnen verduwen: +ambten, belooningen, waardigheden, eerlijk of oneerlijk verkregen +macht, winstgevende trouwbreuk, voordeelig verraad, verkrachting van +het geweten, en daarbij de overtuiging, dat zij na het genot van dit +alles, in 't graf zullen dalen. Het is zeer aardig! ik zeg dit niet +ten uwen opzichte, mijnheer de senator; 't is mij evenwel onmogelijk +u geen geluk te wenschen. Gij, groote heeren, hebt, zooals ge zegt, +een philosophie op uw eigen hand, een keurige, verfijnde alleen voor +de rijken genietbare philosophie, die voor alle gerechten geschikt is +en de wellusten des levens voortreffelijk kruidt. Deze philosophie is +door een nieuw soort denkers uit de diepte gehaald. Maar ge zijt wel +heel goed, van te willen vergunnen, dat het geloof aan den goeden +God de wijsbegeerte van het volk zij, zoo omtrent als de gans met +uien de met truffels gespekte kalkoen des armen is." + + + + + + +NEGENDE HOOFDSTUK. + +DE BROEDER DOOR DE ZUSTER GESCHILDERD. + + +Om een denkbeeld te geven van het huiselijk leven des bisschops +van Digne en hoe de beide vrome vrouwen zich in haar handelingen, +gedachten, zelfs in haar lichtgevoelig vrouwelijk instinct, naar +de gewoonten en inzichten van den bisschop voegden, zonder dat hij +ze in woorden behoefde uit te drukken, kunnen wij niet beter doen +dan een brief van mejuffrouw Baptistine aan mevrouw de Boischevron, +een vriendin harer jeugd, over te schrijven. Deze brief ligt voor mij. + + + Digne, 16 December 18.. + + + "Lieve mevrouw! Geen dag gaat voorbij, zonder dat wij van u + spreken. Dit is zoo onze gewoonte, maar er is nog een andere + reden. Verbeeld u, dat bij het schoonmaken en stoffen van zoldering + en wanden Magloire eenige ontdekkingen heeft gedaan; zoodat thans + onze twee kamers, die met oud, overgewit papier behangen waren, + een kasteel als het uwe niet zouden ontsieren. Magloire heeft het + geheele behangsel afgescheurd. Daar bevond zich iets onder. Mijn + salon, waarin geen meubelen zijn, en waarvan wij ons bedienen om + de wasch te drogen, is vijftien voet hoog, achttien voet in 't + vierkant en heeft een geschilderde zoldering, die vroeger verguld + was, evenals die bij u. Toen het huis tot hospitaal werd ingericht, + werd er een katoenen plafond over aangebracht. Het snijwerk dat + men er vindt is uit den tijd onzer grootmoeders. Maar ge moest + mijn kamer eens zien! Magloire heeft onder ten minste tien over + elkander geplakte lagen behangselpapier schilderingen ontdekt, die, + al mogen ze niet bijzonder fraai heeten, toch zeer aardig zijn. Men + ziet er Telemachus, die door Minerva tot ridder wordt geslagen; + iets verder vindt men hem in de tuinen, welker namen ik mij niet + terstond herinner; ik bedoel die, waarheen de Romeinsche dames zich + een enkelen nacht begaven. Wat zal ik u zeggen? ik heb Romeinen, + Romeinsche vrouwen (hier is een woord onleesbaar), en wat dies meer + zij. Magloire heeft dat alles schoon gemaakt, en dezen zomer zal + zij eenige beschadigde plekken herstellen, en alles vernissen; + en dan zal mijn kamer een waar museum zijn. Ook heeft zij in + een hoek van den zolder twee houten consoles van antieken vorm + gevonden. Men vroeg zes franks om ze opnieuw te vergulden, maar + 't is beter dat geld aan de armen te geven; zij zijn overigens + leelijk, en ik zou liever een ronde mahoniehouten tafel hebben. + + "Ik ben voortdurend zeer gelukkig. Mijn broeder is zoo goed. Hij + geeft alles wat hij heeft aan de armen en zieken. Wij zijn dus + steeds schraal bij kas. Des winters lijden de armen hier veel, + en moet men voor de ellendigen wel iets doen. Wat ons betreft, + wij hebben tamelijk goed verwarmde en verlichte vertrekken. Een + genot boven duizenden! + + "Mijn broeder heeft zijn eigenaardigheden. Wanneer hij er over + spreekt, zegt hij, dat een bisschop zoo wezen moet. Verbeeld u, + de huisdeur is nooit gesloten. Ieder die wil kan binnentreden, + en is terstond bij mijn broeder. Hij is nergens bang voor, zelfs + niet des nachts. Dit noemt hij zijn dapperheid. + + "Hij wil niet, dat ik mij om hem beangstige, evenmin als + Magloire. Hij stelt zich aan allerlei gevaren bloot, en wil zelfs + niet dat wij er iets van merken. Men moet hem weten te begrijpen. + + "Hij gaat uit in den regen, hij waadt door water, hij reist in + den winter. Hij vreest evenmin den nacht, als dat hij bang is op + onveilige wegen en bij gevaarlijke ontmoetingen. + + "Verleden jaar is hij alleen naar een oord gegaan, waar zich + roovers ophielden. Hij wilde ons niet medenemen, en is veertien + dagen afwezig geweest. Toen hij terugkwam, was hem niets kwaad + ontmoet; men waande hem dood, maar hij was in blakenden welstand, + en zeide: Zie, hoe men mij bestolen heeft! Toen opende hij een + koffer, die vol kostbaarheden uit de hoofdkerk van Embrun was, + welke de roovers hem gebracht hadden. + + "Toen hij dezen keer terugkwam, kon ik niet nalaten een weinig + op hem te knorren; ik deed dit echter onder het ratelen van + 't rijtuig, opdat niemand mij zou kunnen hooren. + + "In den beginne dacht ik: 't is verschrikkelijk; er is geen gevaar, + dat hem weerhoudt. Thans ben ik er aan gewoon geworden, en ik geef + Magloire een wenk, dat zij hem niet tegenhoude. Hij moge zich + wagen, zooveel hij wil. Ik ga in gezelschap van Magloire heen, + begeef mij naar mijn kamer, bid voor hem en ga slapen. Ik ben + gerust, want ik weet, dat zoo hem eenig ongeluk overkwam, dit + mijn dood zou zijn. Ik zou met mijn broeder en mijn bisschop tot + den goeden God gaan. Magloire heeft meer moeite dan ik gehad, + om zich te gewennen aan 't geen zij zijn onvoorzichtigheden + noemde. Thans is zij er ook aan gewoon. Wij bidden beiden, maken + ons beiden beangst en vallen in slaap. En zoo de duivel in huis + kwam, niemand zou hem tegenhouden. Wat hebben wij in allen gevalle + ook te vreezen? Er is hier steeds iemand bij ons, die de sterkste + is. De duivel moge in huis komen, maar de goede God woont er. + + "Dit is mij genoeg. Mijn broeder behoeft mij nu geen enkele + opheldering meer te geven. Ik begrijp hem zonder dat hij spreekt, + en wij geven ons aan de Voorzienigheid over. + + "Zoo behoort men te handelen jegens iemand van een verheven geest. + + "Ik heb mijn broeder, op uw verzoek inlichtingen gevraagd + omtrent de familie de Faux. Gij weet hoe hij met alles bekend + is en hoeveel hij zich herinnert; want hij is nog altijd een + goed koningsgezinde. 't Is werkelijk een zeer oude Normandische + familie, uit de generaliteit van Caen. Vóór vijf eeuwen leefden + Raoul de Faux, Jean de Faux en Thomas de Faux, die tot den adel + behoorden, en een hunner was heer van Rochefort. De laatste + was Guy van Etienne Alexandre, "mestre-de-camp," en nog iets + bij de chevau-légers van Bretagne. Zijn dochter Marie Louise + huwde met Adrien Charles de Gramont, zoon van den hertog Louis + de Gramont, pair van Frankrijk, kolonel der fransche garden en + luitenant-generaal. Men schrijft Faux, Fauq en Faouq. + + "Lieve mevrouw, beveel ons aan in de gebeden van uw vromen neef + den kardinaal. Uw lieve Sylvanie heeft welgedaan, dat zij de + korte oogenblikken, welke zij bij u is, niet verspilt met mij te + schrijven. Dat zij welvarend is, naar uw zin arbeidt, mij steeds + bemint, is alles wat ik wensch. Ik gevoel mij gelukkig, dat ik + door u iets van haar verneem. Mijn gezondheid is tamelijk goed, + en evenwel word ik van dag tot dag magerder. Vaarwel, het papier + is vol en noodzaakt mij afscheid van u te nemen. Duizend groeten. + + + "Baptistine." + + + "P. S. Uw neefje is allerliefst. Weet ge, dat hij weldra vijf + jaar wordt? Gisteren zag hij een paard voorbijkomen, 't welk men + kniestukken had aangedaan, en hij vroeg: wat heeft het dier aan + de knieën?--'t Is waarlijk een lief kind. Zijn broertje sleept + een ouden bezem als een rijtuig door de kamer en roept dan: ju!" + + +Zooals men uit dezen brief ziet, wisten de twee vrouwen zich naar +de eigenaardigheden van den bisschop te schikken, met dat vrouwelijk +doorzicht dat den man beter begrijpt dan hij zich zelven. Onder zijn +zacht en kalm voorkomen, 't welk zich nooit verloochende, verrichtte +de bisschop van Digne vaak grootsche, stoute en heerlijke handelingen, +zonder dat hij 't zelf scheen te vermoeden. Zij beefden dan, doch +lieten hem zijn gang gaan. Soms waagde Magloire vooraf een aanmerking; +doch nooit later. Nimmer stoorde men hem, zelfs niet door een enkel +woord of gebaar, in 't geen waarmee hij begonnen was. Zonder dat hij +'t behoefde te zeggen, en misschien zonder dat hij zelf er zich van +bewust was, zoo groot was zijn eenvoudigheid, hadden zij op sommige +oogenblikken een onbestemd gevoel, dat hij als bisschop handelde; +dan waren zij niet meer dan twee schaduwen in huis. Zij bedienden +hem lijdelijk, en zoo de gehoorzaamheid vorderde, dat zij verdwenen, +verdwenen zij. Met wonderbare kieschheid van instinct gevoelden zij, +dat te groote welwillendheid soms lastig kan wezen. Zelfs wanneer zij +meenden dat hij in gevaar was begrepen zij dan ook--ik zeg niet zijn +gedachten, maar zijn natuur in die mate, dat zij niet meer over hem +waakten. Zij vertrouwden hem aan God. + +Voor 't overige zeide Baptistine, gelijk men gelezen heeft, dat haars +broeders dood de hare zou zijn. Magloire zeide het niet, maar was er +van overtuigd. + + + + + + +TIENDE HOOFDSTUK. + +DE BISSCHOP TEGENOVER EEN ONBEKEND LICHT. + + +Op een tijdstip kort na den datum van den hiervoren medegedeelden brief +deed de bisschop iets, dat, althans naar de meening der geheele stad, +nog veel gewaagder was dan zijn tocht door het gebergte, waar zich +de roovers ophielden. + +Nabij Digne op het land, woonde iemand in volstrekte eenzaamheid. Deze +man,--om maar dadelijk het vreeselijke woord te zeggen--was een +voormalig lid der conventie. Hij heette G. + +In de kleine wereld van Digne sprak men over het conventielid G. met +een soort van afschuw. Een lid der conventie! kan men zich iets +schrikkelijkers voorstellen? Deze lieden leefden in den tijd, toen men +alle rangen ophief en elkander eenvoudig "burger" noemde. Deze man +was schier een monster. Hij had wel niet voor den dood des konings +gestemd, maar 't scheelde niet veel. Hij was dus half en half een +koningsmoorder, een vreeselijk man! Waarom had men, bij de terugkomst +der wettige vorsten, dien man niet voor een bijzondere rechtbank +gevoerd? Men zou hem wel niet onthoofd hebben;--er moet immers +barmhartigheid zijn?--maar men had hem levenslang kunnen verbannen. Men +zou een voorbeeld hebben kunnen stellen enz. enz. Bovendien was hij +een godloochenaar, zooals al die lieden.... Gekwaak van ganzen over +den gier. + +Was G. dan een gier? Ja, wanneer men naar zijne woeste eenzaamheid +oordeelde. Dewijl hij niet voor den dood des konings gestemd had, +was hij niet in de verbanningsdecreten begrepen geworden, en had in +Frankrijk mogen blijven. + +Hij woonde drie kwartier buiten de stad, ver van eenig gehucht, ver +van eenigen weg, in een verborgen hoek van een zeer woest dal. Er werd +gezegd dat hij er een soort van veld, een hol, een verblijf had. Geen +buren, geen voorbijgangers zelfs. Sinds hij die vallei bewoonde, +was het pad, 't welk er heen voerde, door het gras overgroeid. Men +sprak van dat verblijf als van het huis eens scherprechters. + +De bisschop dacht hieraan en zag soms in de verte naar den kant, waar +een groep boomen het dal van het oude lid der conventie aanduidde, +zeggende: "Daar woont een verlaten ziel!" En in gedachten voegde hij +er bij: "ik ben hem een bezoek schuldig." + +Wij moeten echter bekennen, dat dit voornemen, hoe natuurlijk ook in +den beginne, hem, na eenige overweging, ongerijmd en onmogelijk, ja, +schier stuitend, toescheen. De bisschop deelde immers in den grond +de algemeene opinie, en het lid der conventie boezemde hem, zonder +er zich recht rekenschap van te geven, een gevoel in, 't welk aan +haat grenst, en zoo juist door het woord afkeer wordt uitgedrukt. + +Evenwel, mocht de schurft van het schaap den herder verwijderd +houden? Neen. Maar welk een schaap! + +De goede bisschop was in verlegenheid. Nu eens wilde hij gaan, dan +weder terugblijven. + +Op zekeren dag verspreidde zich het gerucht in de stad, dat een +jong herder, die bij het voormalig lid der conventie G. diende, +een geneesheer was komen halen; dat de oude zondaar op sterven lag, +en hij den nacht niet zou doorkomen.--Goddank! zeiden sommigen. + +De bisschop nam zijn stok, trok zijn overjas aan, wijl zijn priesterrok +tamelijk versleten was, zooals wij reeds gezegd hebben, alsmede om +den avondwind, die spoedig zou opsteken, en toog op weg. + +De zon ging onder en was schier aan de kim, toen de bisschop in het +onherbergzaam oord aankwam. Toen hij bespeurde, dat hij dicht bij het +hol was, klopte zijn hart sneller. Hij stapte over een sloot, klom over +een heg, verwijderde eenige struiken, kwam in een verwaarloosden tuin, +ging stoutmoedig eenige schreden voorwaarts, en zag eensklaps aan het +einde van den braak liggenden grond, achter hoog kreupelhout, het hol. + +'t Was een zeer lage, armoedige, kleine, maar nette hut, met een +wijnstok langs den voorgevel. + +Vóór de deur zat op een ouden rolstoel, den armstoel van den boer, +een man met wit haar, met welgevallen naar de zon ziende. + +Naast den grijsaard stond een knaap, de kleine herder, die den oude +een kom melk toereikte. + +Terwijl de bisschop dit aanzag, sprak de oude man: "Ik dank u, ik heb +niets meer noodig." En zijn blik wendde zich van de zon, om zich naar +den knaap te richten. + +De bisschop trad nader. Toen de oude man het gerucht van voetstappen +hoorde, wendde hij het hoofd om, en zijn gelaat drukte al de verbazing +uit, welke het na een lang leven nog uitdrukken kan. + +"Sinds ik hier ben," zeide hij, "is dit de eerste maal dat iemand +mij bezoekt. Wie zijt gij, mijnheer?" + +De bisschop antwoordde: + +"Ik heet Bienvenu Myriel." + +"Bienvenu Myriel. Ik heb dezen naam meer gehoord. Zijt gij degeen, +wien het volk monseigneur Bienvenu noemt?" + +"Die ben ik." + +Half glimlachend hernam de grijsaard: + +"Dan zijt gij mijn bisschop." + +"Zoo gij wilt!" + +"Ga binnen, mijnheer." + +Het oude lid der conventie stak den bisschop zijn hand toe, maar deze +nam ze niet aan, hij zeide slechts: + +"Ik zie met genoegen, dat men mij verkeerd ingelicht heeft. Gij +schijnt in geenen deele ziek!" + +"Ik zal gezond worden, mijnheer," antwoordde de grijsaard; en na een +poos voegde hij er bij: "Binnen drie uren sterf ik. Ik ben eenigszins +een dokter en weet hoe de laatste ure komt. Gisteren waren alleen mijn +beenen koud, nu heeft de koude mijn knieën bereikt; ik voel, dat zij +hooger komt, en wanneer zij tot het hart dringt, is 't gedaan. 't +Is een fraaie avond, niet waar? ik heb mij naar buiten doen rollen +om een laatsten blik op de wereld te werpen. Gij kunt gerust tot +mij spreken, 't vermoeit mij niet. Ge hebt welgedaan, een stervende +te komen bezoeken. 't Is ook goed, dat zulk een oogenblik getuigen +hebbe. Men heeft zijn kleine wenschen: ik had zoo gaarne tot aan den +dageraad willen leven, maar ik weet dat mij nauwelijks nog drie uren +overblijven. Het zal nacht zijn. 't Is trouwens om 't even. Sterven +is een zeer eenvoudige zaak. Men heeft daartoe het daglicht niet +noodig. Het zij zoo! Ik zal onder den vrijen hemel sterven." + +De grijsaard wendde zich tot den herder: + +"Ga, leg u ter ruste. Gij hebt den vorigen nacht gewaakt. Ge zijt +vermoeid." + +De knaap ging in de hut. De grijsaard oogde hem na en voegde er bij, +als tot zich zelven sprekende: + +"Ik zal sterven, terwijl hij slaapt. De slaap van den dood en die +van het leven zullen goede buren zijn." + +De bisschop was niet bewogen, zooals men zou gedacht hebben. Hij +meende in deze wijze van sterven God niet te zien; om de waarheid te +zeggen--want de kleine tegenstrijdigheden van groote harten moeten +evenzeer als het overige aangewezen worden--hij, die zoo dikwijls om +het "Hoogwaarde heer" lachte, voelde zich eenigszins gekrenkt, dat +hij niet "Monseigneur" werd genoemd, en was bijna in verzoeking met +"burger" te antwoorden. Hij voelde schier lust tot die vernederende +gemeenzaamheid, welke men veelal bij geneesheeren en priesters vindt; +maar die bij hem niet gewoon was. Hoe het zij, deze man, dit oud +lid der conventie, deze volksvertegenwoordiger, was een machtige der +aarde geweest, en misschien voor het eerst van zijn leven kwam een +lust tot strengheid bij den bisschop op. + +Intusschen zag de zieke hem met een bescheiden vriendelijkheid aan, +waarin men misschien den ootmoed had kunnen ontdekken, welke zoozeer +past wanneer men op 't punt is, van tot stof weder te keeren. + +De bisschop, hoewel anders afkeerig van nieuwsgierigheid, welke naar +zijn meening aan beleediging grensde, aanschouwde onwillekeurig het +oud lid der conventie met eenige opmerkzaamheid, welke belangstelling +echter uit geen genegenheid ontsproot, en waaromtrent hij zich +in ieder ander geval een verwijt zou hebben gemaakt. Een lid der +conventie kwam hem voor, als eenigszins buiten de wet, zelfs buiten +de wet der liefde te staan. + +G. was kalm, hij zat bijna recht op, zijn stem was krachtig; hij was +een dier forsche tachtigjarigen, welke de physiologen in verwondering +brengen. De revolutie heeft vele van zulke mannen gezien, die met hun +tijd in overeenstemming waren. Men ontdekte in dien grijsaard den boven +beproeving verheven man. Reeds zijn einde zoo nabij, had hij al de +teekenen der gezondheid behouden. In zijn helderen blik, in zijn vaste +stem, in zijn krachtige schouderbewegingen, lag iets dat den dood in +verlegenheid had kunnen brengen. Azraël, de mahomedaansche doodsengel, +zou zijn teruggekeerd, in de meening dat hij bij den verkeerde was +gekomen. G. scheen te sterven, omdat hij het zoo wilde. Er vertoonde +zich nog vrijheid in zijn doodsstrijd. Slechts zijn beenen waren +bewegingloos; daar had de duisternis hem reeds aangegrepen. De voeten +waren dood en koud, maar het hoofd leefde met al de kracht des levens +en scheen in volkomen helderheid te zijn. G. geleek in dit ernstig +oogenblik dien koning uit de Oostersche vertellingen, die van boven +vleesch, van onder marmer was. + +De bisschop ging op een steen zitten, welke daar lag. Hij begon toen, +zonder inleiding, op den toon der berisping: + +"Ik wensch u geluk, dat gij tenminste niet voor den dood des konings +gestemd heb." + +Het oud-lid der conventie scheen den verborgen scherpen zin niet +op te merken, die in het woord "ten minste" lag opgesloten. Maar de +glimlach was geheel van zijn gelaat verdwenen. + +"Wensch mij niet te spoedig geluk, mijnheer, want ik heb voor den +dood van den tiran gestemd," antwoordde hij ongevoelig op de stem +der strengheid. + +"Wat bedoelt ge hiermede?" hernam de bisschop. + +"Ik bedoel, dat de mensch een tiran heeft, de onwetendheid. Ik heb voor +den dood van dien tiran gestemd. Deze tiran heeft het koningsschap in +'t leven geroepen, een valsch gezag, terwijl de wetenschap het ware +gezag is. De mensch moet alleen door de wetenschap bestuurd worden." + +"En door het geweten," voegde de bisschop er bij. + +"Dit is hetzelfde. Het geweten is vereeniging van alle wetenschap, +die in ons is." + +Monseigneur Bienvenu luisterde, eenigszins verwonderd, naar deze voor +hem nieuwe taal. + +De oude man vervolgde: + +"Toen het Lodewijk XVI gold, heb ik neen gezegd. Ik geloof niet dat +ik het recht heb een mensch te dooden; maar ik voel mij verplicht het +kwaad uit te roeien. Ik heb voor het einde van den tiran gestemd. Dat +wil zeggen, het einde der prostitutie van de vrouw, het einde der +slavernij van den man, het einde der onwetendheid van het kind. Toen +ik vóór de republiek stemde, stemde ik vóór dit alles. Ik stemde +vóór de broederschap, voor de eendracht, voor den dageraad! Ik heb +geholpen aan den val van vooroordeelen en dwalingen. Uit de puinhoopen +der vooroordeelen en dwalingen ontstaat het licht. Wij hebben de +oude wereld omvergeworpen; en de oude wereld, een vat vol jammer en +ellende, is een vaas van geluk geworden, toen ze omgeworpen en van +het menschelijk geslacht gestort werd." + +"Een gemengd geluk," zei de bisschop. + +"Ge kondt zeggen een verstoord geluk; en thans, na de noodlottige +terugkomst van het verleden, dat men 1814 noemt, een vervlogen +geluk. Helaas! het werk was onvoltooid, dit beken ik. Wij hebben den +ouden regeeringsvorm feitelijk vernietigd; maar wij hebben dien in +de denkbeelden niet geheel kunnen uitroeien. Het is niet genoeg de +misbruiken af te schaffen; men moet de zeden herscheppen! De molen +staat niet meer, schoon de wind er nog is." + +"Gij hebt afgebroken. Afbreken kan nuttig zijn, maar ik wantrouw het +afbreken, wanneer het in toorn geschiedt." + +"Het recht heeft zijn toorn, mijnheer de bisschop; en de toorn +van het recht is een beginsel van vooruitgang. Om 't even, en wat +men ook zegge, de fransche revolutie is de grootste stap dien het +menschdom sedert Jezus Christus gedaan heeft--een onvolledige stap +misschien, maar toch een verhevene. Zij heeft alle maatschappelijke +vraagstukken opengelegd. Zij verzachtte, kalmeerde, bevredigde, +verlichtte de gemoederen; zij heeft stroomen van beschaving over de +wereld uitgestort. Zij is goed geweest. De fransche revolutie is de +wijding der menschheid." + +De bisschop kon niet nalaten te prevelen: "Zoo, en 93?" + +Met schier indrukwekkende plechtigheid zette de grijsaard zich recht +op zijn stoel, en zeide zoo luid als 't een stervende vermag: + +"Ha, spreekt gij van 93. Ik verwachtte het! Gedurende vijftienhonderd +jaar heeft zich een wolk saamgetrokken. Na vijftien eeuwen barstte +zij los. Gij beschuldigt het onweder." + +De bisschop voelde, misschien zonder 't zich zelven te bekennen, dat +iets in hem getroffen was. Hij liet echter niets merken en antwoordde: + +"De rechter spreekt in naam der gerechtigheid; de priester spreekt +in naam der ontferming, welke niets anders is dan een hoogere +gerechtigheid. Een bliksemstraal kan niet verkeerd treffen. En Lodewijk +XVII?" voegde hij er bij, het oud lid der conventie scherp aanziende. + +De oude conventieman stak de hand uit en greep den arm des +bisschops. "Lodewijk XVII! Welnu. Wien betreurt ge? Het onschuldige +kind? Goed; dan ween ik met u. Maar het kind des konings? vergun +mij dan deze opmerking. Voor mij is de broeder van Cartouche--een +onschuldig kind, dat op het Greveplein onder de schouders werd +opgehangen tot de dood er op volgde, enkel en alleen om de misdaad, +dat hij de broeder van Cartouche was--niet minder beklagenswaard +dan de kleinzoon van Lodewijk XV,--insgelijks een onschuldig kind, +dat in den toren van den tempel werd gemarteld, enkel en alleen om +de misdaad, dat hij de kleinzoon van Lodewijk XV was. + +"Mijnheer," riep de bisschop, "zulk een bijeenvoeging van namen bevalt +mij niet." + +"Welken van beiden, Cartouche of Lodewijk XV, meent ge dat onrecht +geschiedt?" + +Er ontstond een oogenblik zwijgens. Het berouwde den bisschop schier, +dat hij gekomen was, en evenwel gevoelde hij zich op zonderlinge +wijze aangedaan. + +Het lid der conventie hernam: + +"Mijnheer de priester, gij houdt niet van de ruwe zijde der +waarheid; Christus beminde ze. Hij nam een roede en veegde den +tempel schoon. Zijn bliksemende geesel was een ruw verkondiger der +waarheid. Wanneer hij zeide: "Laat de kinderen tot mij komen!" maakte +hij geen onderscheid onder de kinderen. Hij zou niet geaarzeld +hebben den zoon van Barrabas en den zoon van Herodes naast elkander +te plaatsen. Mijnheer, de onschuld is op zich zelve een kroon. De +onschuld heeft niet noodig een koninklijke hoogheid te zijn. Zij is +even verheven in lompen als met het leliewapen!" + +"Gewis," zei de bisschop zacht. + +"Dit is niet alles," hernam G. "Ge hebt Lodewijk XVII genoemd. Laten +wij elkander verstaan. Laten wij treuren over alle onschuldigen, +alle martelaars, alle kinderen, zoowel die der lagere als der hoogere +standen. Ik neem er deel aan. Maar dan, ik heb het u gezegd, moeten wij +hooger opklimmen dan tot 93, en 't is vóór den tijd van Lodewijk XVII, +dat wij ons treuren moeten beginnen. Ik zal gaarne de kinderen der +koningen met u beweenen, mits ge met mij de kleinen des volks beweent." + +"Ik beween allen," zei de bisschop. + +"Ik evenzeer," riep G. "Zoo de balans mocht overhellen, is 't naar +de zijde des volks. Het lijdt het langst." + +Wederom ontstond een pauze. 't Was het conventielid, dat ze afbrak. Hij +richtte zich met den elleboog op, vatte een deel van zijn wang +tusschen duim en voorvinger, zooals men wel onwillekeurig doet, +wanneer men vraagt en nadenkt, en sloeg met al de kracht van den +doodsstrijd zijn blik op den bisschop. 't Was schier een uitbarsting, +waarmede hij vervolgde: + +"Ja, mijnheer, sinds lang lijdt het volk. Maar, dit is niet alles: +zeg mij, waarom komt ge mij ondervragen en mij van Lodewijk XVII +spreken? Ik ken u niet. Zoolang ik in deze streek ben, heb ik op +deze plaats gewoond, geheel alleen, ik zette geen voet er buiten +en zag niemand dan dezen knaap, die mij helpt. 't Is waar, uw naam +is flauw tot mij doorgedrongen, en, ik moet het zeggen, op geen +ongunstige wijze; maar dat heeft niets te beteekenen; behendige +lieden hebben allerlei middelen tot hun dienst om het goede volk wat +wijs te maken. Maar ik heb het ratelen van uw rijtuig niet gehoord; +ge hebt het zeker ginds achter het kreupelhout gelaten, waar de weg +zich scheidt. Ik zeg u, dat ik u niet ken. Gij hebt mij gezegd, dat +ge de bisschop zijt; maar dit zegt mij niets nopens uw zedelijken +persoon. Kortom, ik herhaal mijn vraag: Wie zijt ge? Ge zijt een +bisschop, dat wil zeggen: een prins der kerk, een dier in goud gedoste +mannen, met wapenschilden, jaargelden en rijke prebenden,--de bisschop +van Digne 15000 fr. vast traktement, 10000 fr. buitengewone inkomsten, +te zamen 25000 fr.--met koks en livreibedienden,--een dier mannen, die +in weelde leven, des vrijdags waterhoenders eten, met lakeien vóór en +achter zich in galarijtuig prijken, die paleizen bewonen en in koetsen +rijden in den naam van Jezus Christus, die barrevoets ging! Ge zijt +een prelaat; gij hebt gelijk de anderen jaargelden, paleizen, paarden, +lakeien, een rijke tafel, al de geneuchten des levens, en gelijk de +anderen, leeft ge in genot; dat is wel, maar het zegt mij te veel of +te weinig; het geeft mij geen licht genoeg aangaande uw innerlijke, +persoonlijke waarde, de waarde van u, die hier komt met het blijkbaar +doel om mij lessen te geven. Tot wien spreek ik? Wie zijt ge?" + +De bisschop boog het hoofd en antwoordde: "Vermis sum." (ik ben +een worm.) + +"Een worm in een koets!" bromde het oud lid der conventie. + +'t Was nu zijn beurt om trotsch, en die van den bisschop om deemoedig +te zijn. + +De bisschop antwoordde vriendelijk: + +"'t Zij zoo, mijnheer. Maar verklaar mij, hoe mijn koets, die ginds +achter 't geboomte staat, hoe mijn goede tafel en de waterhoenders die +ik vrijdags eet, hoe mijn vijf-en-twintig duizend francs inkomen, hoe +mijn paleis en mijn lakeien bewijzen, dat medelijden geen deugd, dat +weldadigheid geen plicht is, en dat 93 niet onbarmhartig is geweest." + +Het oud-lid der conventie streek de hand over zijn voorhoofd als om +er een wolk van te verdrijven. + +"Eer ik u antwoord," sprak hij, "verzoek ik u vergeving. Ik had zooeven +ongelijk, mijnheer. Ge zijt ten mijnent, ge zijt mijn gast. Ik ben +u beleefdheid schuldig. Gij bestrijdt mijn denkbeelden, het past mij +niet verder te gaan dan alleen uw redenen te wederleggen. Uw rijkdommen +en genietingen zijn voordeelen, die ik tegen u in de discussie heb; +maar de wellevendheid vordert, dat ik er mij niet van bedien. Ik +beloof u ze niet weder te gebruiken." + +"Ik dank u," zei de bisschop. + +G. hernam: "Laten wij wederkeeren tot de verklaringen welke ge mij +gevraagd hebt. Hoe was 't ook? Wat zeidet ge mij? dat 93 onbarmhartig +was geweest?" + +"Ja, onbarmhartig," zei de bisschop. "Wat denkt ge van Marat, die de +guillotine met handgeklap toejuichte?" + +"Wat denkt gij van Bossuet, die voor de dragonnades een Te Deum zong?" + +Dit antwoord was hard, maar het trof het doel met de kracht van een +werpspies. De bisschop ontroerde en wist niet wat te antwoorden; +hij gevoelde zich gekrenkt, dat Bossuets naam op deze wijze werd +aangehaald. De edelste geesten hebben hun afgoden, en voelen zich +gekrenkt, wanneer de logica den eerbied uit het oog verliest. + +Het lid der conventie begon zwaar te ademen; het hijgen van den +doodsstrijd, dat zich in de laatste ademtochten mengt, brak zijn +stem af, in zijn oogen blonk evenwel nog een volkomen helderheid van +geest. Hij vervolgde: + +"Ik wil nog enkele woorden over 't een en ander zeggen. Behalve de +revolutie, die in haar geheel genomen een reusachtige bevestiging van +de menschelijke waarde is, is 93, helaas; een antwoord. Gij vindt haar +onverbiddelijk; maar de geheele monarchie dan, mijnheer? Carrier is een +bandiet; maar welken naam geeft ge aan Montrevel? Fouquier Tainville +is een schurk; maar wat denkt ge van Lamoignon-Bêville? Maillard is +afschuwelijk, maar Saulx-Tavannes, als 't u belieft? Pater Duchène is +wreed, maar welken naam wilt ge aan pater Letellier geven? Jourdan +(Coupe-tête) is een monster, maar in mindere mate dan mijnheer de +markies de Louvois. Waarde heer, ik beklaag de aartshertogin en +koningin Marie-Antoinette; maar ik beklaag ook de arme Hugenootsche +vrouw, die in 1685, onder Lodewijk den Groote, mijnheer, terwijl ze +haar kind zoogde, gegrepen en tot aan de heupen bloot, aan een paal +gebonden werd, op eenigen afstand van haar kind; haar borst zwol van +melk en haar hart van angst; het hongerige bleeke kind, die borst +ziende, kermde en schreeuwde; en de beul zeide tot de vrouw, tot de +moeder en voedster: Zweer uw geloof af! haar de keus latende tusschen +den dood van haar kind en den dood van haar geweten. Wat zegt ge van +deze Tantalus-foltering, toegepast op een moeder? Bedenk het wel, +mijnheer: de fransche revolutie heeft haar redenen gehad. Haar toorn +zal de toekomst vergeven. Haar resultaat is een betere wereld. Uit +haar vreeselijkste slagen komt een liefkoozing van het menschelijk +geslacht voort. Maar ik zwijg... Mijn spel is al te schoon,--en +bovendien--de dood nadert." + +En zijn oogen van den bisschop afwendende, besloot de man zijn gedachte +met deze weinige, kalme woorden: + +"Ja, de harde, ruwe schokken van den vooruitgang heeten +revolutiën. Zoodra ze geëindigd zijn, erkent men, dat het menschelijk +geslacht ja hevig geschokt is geworden, maar ook, dat het is +vooruitgegaan." + +De oude man hield zich overtuigd, dat hij achtereenvolgens, een voor +een, al de geheime verschansingen van den bisschop had ingenomen. Eén +echter bleef er nog, en uit deze verschansing, het laatste bolwerk +des tegenstands van monseigneur Bienvenu, kwamen deze woorden, die +schier even norsch waren als de aanvang van 't gesprek: + +"De vooruitgang moet aan God gelooven. Het goede kan geen goddeloozen +dienaar hebben. Een godloochenaar is een slechte leidsman van het +menschelijk geslacht." + +De oude volksvertegenwoordiger antwoordde niet. Hij beefde. Hij +sloeg den blik ten hemel en in zijn oog welde een traan op. Toen het +ooglid geheel vochtig was, vloeide de traan langs zijn bleeke kaak, +en hij zeide schier stamelend, het hoofd omhooggeheven, zacht en als +tot zich zelf: + +"O gij, o Ideaal, gij alleen leeft!" + +De bisschop werd door een onbeschrijfelijke aandoening aangegrepen. Na +eenig zwijgen hief de grijsaard een vinger ten hemel en zeide: + +"Het oneindige bestaat. 't Is daar! Zoo het oneindige geen IK had, zou +het IK zijn grens zijn; het zou niet oneindig zijn; met andere woorden: +'t zou niet zijn. Maar het bestaat. Het heeft dus een IK. Dat IK van +het oneindige, is God." + +De stervende had deze laatste woorden met luide stem en met de trilling +der vervoering gesproken, als zag hij iemand. Toen hij gesproken +had, sloten zich zijn oogen. De inspanning had hem uitgeput. Het +was blijkbaar, dat hij in een minuut de weinige uren had afgeleefd, +die hem nog over waren. Wat hij had gezegd, had hem nader bij dengene +gebracht, die in den dood is. Het laatste oogenblik naderde. + +De bisschop begreep het; de tijd drong; als priester was hij gekomen; +van de uiterste koelheid was hij trapsgewijze tot de hoogste aandoening +overgegaan; hij aanschouwde deze gesloten oogen, hij nam deze oude +gerimpelde en kille hand en boog zich tot den stervende: + +"Dit uur is de ure Gods. Gelooft ge niet, dat het te betreuren zou +zijn, zoo wij elkander tevergeefs ontmoet hadden?" + +De grijsaard opende de oogen. Een ernst, in schaduwen gehuld, vertoonde +zich op zijn gelaat. + +"Mijnheer de bisschop," sprak hij met een langzaamheid, die misschien +meer nog uit de waardigheid der ziel dan uit zwakte voortkwam, "ik heb +mijn leven in overdenkingen, studie en aanschouwing doorgebracht. Ik +was zestig jaar oud, toen mijn land mij riep en mij gebood, mij met +zijn zaken te bemoeien. Ik gehoorzaamde. Er bestonden misbruiken, +ik heb ze bestreden; er waren dwingelandijen, ik heb ze tegengegaan; +er waren rechten en beginselen, ik heb ze verkondigd en beleden. De +vaderlandsche bodem werd overheerd, ik heb hem verdedigd; Frankrijk +was bedreigd, ik bood mijn borst aan. Ik was niet rijk; nu ben ik +arm. Ik ben een der meesters van den staat geweest; de kelders der +Bank waren zoo vol geld, dat men gedwongen was de muren te schragen, +wijl zij gevaar liepen door de zwaarte van het goud en zilver te +scheuren, en ik nam mijn middagmaal in de straat l'Arbre-Sec voor +twee-en-twintig sous. Ik kwam de verdrukten te hulp en verlichtte +de lijdenden. 't Is waar, ik heb het kleed van 't altaar gescheurd, +maar 't was om de wonden des vaderlands te verbinden. Ik heb altijd +den vooruitgang der menschheid naar het licht bevorderd en soms +meedoogenlooze stappen tegengehouden. Bij gelegenheid heb ik u, +mijn eigen tegenstanders, beschermd. Te Peteghem in Vlaanderen, op +dezelfde plaats waar de Merovingische koningen hun zomerpaleis hadden, +redde ik in 1793 een klooster van Urbanisten, de abdij van St. Clara +en Beaulieu. Ik heb mijn plicht naar vermogen vervuld, en zooveel +goeds gedaan als ik kon. Daarop werd ik verjaagd, vervolgd, verguisd, +bespot, gehoond, vervloekt en gebannen. Sinds vele jaren gevoel ik, dat +vele lieden het recht meenen te hebben mij, in weerwil mijner grijze +haren, te verachten; aan de arme onwetende menigte stelt men mij voor +als een verworpeling, en ik, die niemand haat, onderwerp mij aan de +eenzaamheid, waarin de haat mij plaatst. Thans ben ik zes-en-tachtig +jaar, en op 't punt van te sterven. Wat komt ge mij vragen?" + +"Uw zegen," zei de bisschop. + +En hij knielde. + +Toen de bisschop het hoofd weder ophief, had het gezicht van den +grijsaard een waarlijk verheven uitdrukking. Hij was gestorven. + +Diep in gedachten verzonken, keerde de bisschop naar huis. Den geheelen +nacht bracht hij in den gebede door. Den volgenden dag, toen eenige +nieuwsgierigen beproefden hem over het oud-lid der conventie G. te +spreken, wees hij slechts naar den hemel. + +Van dat oogenblik af verdubbelde zich nog zijn liefde en weldadigheid +voor de geringen en lijdenden. + +Telkens wanneer op den "ouden booswicht G." eenige toespeling gemaakt +werd, verzonk hij in gedachten. Wie kan zeggen of de verschijning +van dien geest voor den zijnen, en de weerschijn van dit grootsch +geweten op het zijne, hem niet nader tot de volmaaktheid had gebracht. + +Dit "herderlijk bezoek" werd natuurlijk het onderwerp der gesprekken +in de kleine gezelschapskringen der plaats: + +"Was het sterfbed van zulk een man de plaats voor een bisschop? Een +bekeering was toch blijkbaar niet te verwachten. Al deze +revolutionnairen zijn verstokte zondaars. Waarom er dus heengegaan? Wat +heeft hij er gezien? Hij moet wel zeer nieuwsgierig zijn geweest, +om een ziel door den duivel te zien weghalen." + +Op zekeren dag zeide een weduwe, van die onbeschaamde soort, welke +zich geestig waant, tot hem: + +"Men vraagt, Monseigneur, wanneer gij de roode muts zult +opzetten."--"O," antwoordde de bisschop, "dit is een ergerlijke +kleur. Gelukkig dat zij, die ze aan een muts verachten, ze aan een +hoed vereeren." + + + + + + +ELFDE HOOFDSTUK. + +EEN VOORBEHOUD. + + +Men zou zich grootelijks vergissen, indien men nu wilde besluiten, +dat Monseigneur Bienvenu een "wijsgeerig bisschop," een "patriottisch +pastoor was." Zijn ontmoeting met het Conventielid G., welke ontmoeting +men schier met het samentreffen van twee planeten kan vergelijken, +had een soort van verwondering bij hem achtergelaten, die hem nog +zachtmoediger maakte. Dit was alles. + +Ofschoon Monseigneur Bienvenu niets minder dan een politiek +persoon geweest zij, is 't hier misschien toch de plaats, om met +een enkel woord te vermelden, welke zijn houding was in de toenmalige +gebeurtenissen, in de veronderstelling althans dat Monseigneur Bienvenu +er ooit aan gedacht hebbe, eene houding aan te nemen. + +Gaan wij dus enkele jaren terug: + +Eenigen tijd na de verheffing van den heer Myriel tot bisschop, +had de keizer hem, gelijktijdig met verscheiden andere bisschoppen, +tot baron van het keizerrijk gemaakt. De gevangenneming van den Paus +geschiedde, gelijk bekend is, in den nacht tusschen den 5 en 6 Juli +1809; bij deze gelegenheid werd Myriel door Napoleon geroepen tot de +synode der bisschoppen van Frankrijk en Italië, die te Parijs moest +samenkomen. Die synode werd gehouden in Notre-Dame en vergaderde het +eerst den 15 Juni 1811, onder het voorzitterschap van den kardinaal +Fesch. De heer Myriel behoorde tot het getal der vijf-en-negentig +bisschoppen die er verschenen, doch hij woonde slechts één zitting, +en drie of vier afzonderlijke conferentiën bij. Het schijnt, dat +hij als bisschop uit een bergstreek en nauw aan de natuur verwant, +bovendien in landelijken eenvoud en armoede levende, onder deze zeer +aanzienlijke personen denkbeelden bracht, welke met de temperatuur +dier vergadering volstrekt niet overeenkwamen. Hij keerde spoedig naar +Digne terug. Men vroeg hem naar de reden zijner spoedige terugkomst, +en hij antwoordde:--"Ik hinderde hen. De buitenlucht kwam met mij +binnen. Ik had op hen de uitwerking als van een open deur." + +Een andermaal zeide hij:--"Wat zal ik u zeggen? Deze heeren zijn +prinsen. Ik ben slechts een arme boeren-bisschop." + +De zaak was eenvoudig deze: hij had mishaagd. + +Onder andere zonderlingheden zouden hem op zekeren avond, dat hij +zich bij een zijner voornaamste ambtsbroeders bevond, deze woorden +zijn ontsnapt:--Deze fraaie pendules, deze heerlijke tapijten, +deze keurige livreien, dat alles moet zeer lastig zijn! Ik zou al +die overdaad niet willen, die mij gestadig in de ooren zou roepen: +er zijn menschen die honger lijden! daar zijn er die verkleumen! er +zijn armen! er zijn armen! + +'t Is in 't voorbijgaan gezegd, niet verstandig de weelde te +haten. In dezen haat zou de haat tegen de schoone kunsten opgesloten +liggen. Evenwel is de weelde bij geestelijken, uitgezonderd bij +openbare plechtigheden en ceremoniën, een verkeerdheid. Zij schijnt +gewoonten aan te duiden, die weinig met een wezenlijke weldadigheid +overeenkomen. Een weelderig priester is een tegenstrijdigheid. De +priester moet zich bij de armen houden. Of kan men nacht en dag +onafgebroken met alle nooden, alle rampen, alle ontberingen in +aanraking komen, zonder zelf iets van die heilige behoeftigheid te +bezitten, als het stof van den arbeid? Kan men zich iemand voorstellen, +die, als hij bij een vuur staat, geen warmte gevoelt? Kan men zich +een arbeider voorstellen, die steeds aan een vuurhaard werkzaam, +geen enkel geschroeid haar, geen zwarten vinger, geen droppel zweet, +geen aschstofje op het gezicht zou hebben! Het groote bewijs van de +weldadigheid eens priesters, vooral van een bisschop, is de armoede. + +Zoo dacht ongetwijfeld de bisschop van Digne. + +Men moet echter niet meenen, dat hij, 't geen wij "de denkbeelden +der eeuw" zouden noemen, in sommige teedere punten deelde. Hij mengde +zich zelden in de godgeleerde twisten van dien tijd en zweeg over de +kwestiën, waar staat en kerk in betrokken waren; doch zoo men sterk bij +hem had aangedrongen, zou men hem waarschijnlijk meer ultramontaansch +dan gallikaansch hebben bevonden. Dewijl wij een portret maken, +en niets verbloemen willen, zijn wij verplicht hierbij te voegen, +dat hij koud was voor den zinkenden Napoleon. Sinds 1813 stemde +hij met alle vijandelijke manifestatiën in, en juichte ze toe. Hij +weigerde Napoleon te zien, toen deze van het eiland Elba terugkeerde, +en beval in zijn bisdom evenmin de openbare gebeden voor den keizer +aan gedurende de honderd dagen. + +Behalve zijn zuster, mejuffrouw Baptistine, had hij twee broeders, +van welken de een generaal, de andere prefekt was. Dikwijls schreef +hij aan beiden. Eenigen tijd was hij misnoegd op den eenen, wijl +de generaal, tijdens de ontscheping te Cannes een commandement in +Provence hebbende, aan de spits van twaalfhonderd man den keizer had +vervolgd, als iemand dien men wilde laten ontkomen. Hartelijker bleef +zijn briefwisseling met zijn anderen broeder, den voormaligen prefekt, +een braaf en achtenswaardig man, die te Parijs stil leefde. + +Ook Monseigneur had dus zijn oogenblikken van partijgeest, van +verstoordheid, van ontevredenheid. De schaduw der hartstochten van +dien tijd ging ook over dien zachtmoedigen, verheven geest, die zich +met het eeuwige bezighield. Zeker, zulk een man had verdiend geen +staatkundige meening te hebben. Men vergisse zich echter niet in +onze bedoeling; wij maken onderscheid tusschen hetgeen "staatkundige +meening" wordt genoemd, en die edele zucht naar vooruitgang, dat +verheven vaderlandslievend, democratisch en menschelijk geloof, +'t welk in onze dagen de eigenlijke grond van ieder edel gemoed moet +zijn. Zonder ons in kwestiën te verdiepen, die slechts zijdelings +betrekking op dit boek hebben, zeggen wij alleen: het zou schoon +geweest zijn, zoo Monseigneur Bienvenu niet royalistisch geweest +ware en zijn blik zich geen oogenblik had afgewend van die zuivere +bespiegeling, waarin men duidelijk, boven de begoochelingen en den +haat der wereld, boven de stormachtige afwisseling der menschelijke +zaken, deze drie heldere lichten: de waarheid, de gerechtigheid en +de menschlievendheid ziet stralen. + +Aannemende dat God Monseigneur Bienvenu niet voor een staatkundige +betrekking had geschapen, zouden wij zijn protest in naam van +het recht en der vrijheid, zijn fier verzet, zijn gevaarlijken, +maar rechtmatigen tegenstand tegen den machtigen Napoleon begrepen +en bewonderd hebben. Maar wat ons behaagt tegen hen die klimmen, +behaagt ons minder tegen hen die vallen. Wij beminnen slechts het +gevecht zoolang er gevaar is; en in allen geval hebben alleen de +strijders van het begin het recht, de verdelgers van het einde +te zijn. Wie tijdens den voorspoed geen moedig beschuldiger was, +moet ook bij den val zwijgen. De beschuldiger van den voorspoed +is de eenige rechtmatige veroordeelaar in den tegenspoed. Wat ons +betreft, wanneer de Voorzienigheid de zaak op zich neemt, laten wij +'t aan Haar over. 1812 begint ons te ontwapenen. In 1813 kon het +laaghartig verzet van het vroeger zwijgende wetgevend lichaam, door +de rampspoeden stoutmoedig gemaakt, niets anders dan verontwaardiging +wekken, en men had ongelijk het toe te juichen; in 1814 was het een +plicht, het hoofd af te wenden van die verraderlijke maarschalken, +van dien senaat, die van den eenen modderpoel in den anderen overging, +die hoonde na eerst vergood te hebben; van deze afvallige afgoderij, +die den afgod bespuwt; in 1815, terwijl de lucht van groote rampen +zwanger was, terwijl Frankrijk rilde bij de heillooze nadering er van, +terwijl men bereids Waterloo zich schemerend voor Napoleon kon zien +openen, had de treurige sympathie van het leger en het volk voor den +door het lot veroordeelde niets belachelijks, en, den despoot er +buiten gelaten, had, dunkt ons, een hart als dat van den bisschop +van Digne het verhevene en treffende niet moeten miskennen, dat de +hartelijke omhelzing van een groote natie, en een groot man aan den +rand des afgronds had. + +Deze eigenaardigheid uitgezonderd was hij altijd en in alles +rechtvaardig, waar, billijk, verstandig, nederig en waardig; +weldadig en welwillend, en welwillendheid is een andere vorm van +weldadigheid. Hij was een priester, een wijze, een mensch. Zelfs +moeten wij zeggen, dat hij, bij deze staatkundige gevoelens, welke +wij hem verweten hebben, en die wij geneigd zijn schier streng te +beoordeelen, verdraagzaam en verschoonend was, wellicht meer dan wij, +die er hier over spreken. De portier van het raadhuis was door den +keizer aangesteld. 't Was een oud-onderofficier der oude garde, met +het legioen van eer van Austerlitz, en zoo trouw Bonapartistisch +als de adelaar. Bij gelegenheid ontglipten dien armen drommel +eenige onbedachte woorden, welke de wet destijds met den naam van +"oproerige taal" bestempelde. Sedert het borstbeeld des keizers van +het legioen-kruis verdwenen was, kleedde hij zich nooit volgens het +voorschrift, om, zooals hij zeide, niet gedwongen te zijn dit kruis +te dragen. Met eigen handen had hij eerbiedig het keizerlijk beeld uit +het door Napoleon geschonken kruis genomen, en in de daardoor ontstane +opening niets in de plaats willen stellen. "Ik sterf liever," zeide +hij, "dan op mijn hart de drie padden te dragen!" Hij spotte gaarne +openlijk over Lodewijk XVIII, zeggende: "Die oude jichtpoot met zijn +engelsche slobkousen; laat hem naar Pruisen gaan met zijn boksbaard;" +en 't deed hem genoegen in dezelfde verwensching de twee dingen, +welke hij het meest verachtte, Pruisen en Engeland, samen te kunnen +vatten. Hij weerde zich zoo, dat hij van zijn post ontzet werd. Nu +was hij met vrouw en kinderen geheel zonder brood en huisvesting. De +bisschop deed hem bij zich komen, berispte hem welwillend en stelde +hem tot oppasser der kerk aan. + +In negen jaren had Monseigneur Bienvenu door edele daden en een +liefderijk gedrag de stad Digne met een soort van teedere, kinderlijke +vereering voor zich vervuld. Zelfs zijn gedrag tegen Napoleon was +hem niet ten kwade geduid, maar stilzwijgend vergeven door het volk, +welk volk, een goede, zwakke kudde, zijn keizer aanbad, maar zijn +bisschop beminde. + + + + + + +TWAALFDE HOOFDSTUK. + +MONSEIGNEUR BIENVENU IN DE AFZONDERING. + + +Een bisschop is bijna altijd omgeven door een schaar jonge +geestelijken, gelijk een generaal door een zwerm jonge +officieren. De waardige Franciscus van Sales noemt dezen ergens +"melkmuilpriesters." Elke loopbaan heeft haar aspiranten, welke +het gevolg vormen van hen, die het doel reeds bereikt hebben. Geen +macht of zij heeft haar omgeving, geen fortuin of zij heeft haar +hof. Zij, die een toekomst najagen, fladderen om het schitterend +tegenwoordige. Iedere hoofdkerk heeft haar staf. Elke bisschop, die +slechts eenigen invloed heeft, heeft zijn wacht van seminaristen, die +in het bisschoppelijk paleis de ronde doen, er de orde bewaren en naar +een glimlachje van Monseigneur dingen. Een bisschop voor zich winnen, +is de voet in den stijgbeugel tot het Diakenschap. Men moet vooruit +in de wereld, en het apostelschap veracht het kanunnikschap niet. + +Evenals in den staat invloedrijke ambtenaren, zijn in de kerk +invloedrijke prelaten. 't Zijn de bisschoppen, die bij het hof gezien, +rijk, sluw en in de groote wereld gezocht zijn; die ongetwijfeld kunnen +bidden, maar ook verzoeken; die er geen gewetensbezwaar in vinden om +een geheel bisdom in hun persoon vertegenwoordigd in een antichambre +te laten wachten; die zeer goed de sacristie met de diplomatie weten +te vereenigen; die veeleer abten dan priesters, veeleer kerkvorsten +dan bisschoppen zijn. Gelukkig degenen, die hen naderen mogen! Als +lieden van invloed laten zij op de dienstvaardigen en begunstigden, +op deze geheele jongelingschap die zich beminnelijk weet te maken, +een zegen van rijke pastorieën, vette prebenden, aarts-priesterdommen, +en allerlei waardigheden regenen, in afwachting van de bisschoppelijke +waardigheid. Zelf vooruitgaande, laten zij hun satellieten mede +voortgaan; 't is een soort van vooruitgaand zonnestelsel. Hun +stralen deelen het purper aan hun gevolg mede. Hun geluk strooit zich +over hun aanhangers, in kleine gunsten en bevorderingen, uit. Hoe +grooter het bisdom van den patroon, des te vetter pastorie voor den +gunsteling. En bovendien is er Rome! Een bisschop, die aartsbisschop; +een aartsbisschop, die kardinaal weet te worden, voert den gunsteling +mede naar het conclave, hij komt dan in de rota, bekomt het pallium, +wordt uditore, cameriere, monsignore; van hoogwaardig heer tot +eminentie is er slechts één schrede, en tusschen eminentie en Zijne +Heiligheid ligt slechts een verkiezing. Elk priesterkapje kan van de +drievoudige kroon droomen. De priester is in onze dagen de eenige, +die langs een geregelden weg koning kan worden. En welk een koning! de +hoogste koning! Welk een kweekschool van hoop en verwachting is dan +ook niet een seminaire! Hoevele blozende koorknapen, hoevele jonge +abten dragen, evenals Perrette uit de fabel, de kan met melk op +'t hoofd! En hoe licht noemt zich de eerzucht roeping? Misschien te +goeder trouw, en zich zelven bedriegende, vroom als zij is. + +De ootmoedige, arme, eenvoudige Monseigneur Bienvenu behoorde +niet onder de invloedrijke kerkvorsten. Dit was duidelijk aan de +volstrekte afwezigheid van jonge priesters in zijn omgeving. Men +heeft gezien, dat hij te Parijs "geen opgang had gemaakt." Daarom +trachtte ook geen enkele toekomst zich op dien eenzamen grijsaard te +enten. Geen ontluikende eerzucht was zoo dwaas, in zijn schaduw te +willen groeien. Zijn kanunniken en groot-vicarissen waren goede, oude +lieden, eenigszins burgerlijk evenals hij, in het bisdom vastgegroeid, +zonder uitzicht op het kardinaalschap, en die op hun bisschop geleken, +met dit verschil, dat zij minder en hij beter af was. Men gevoelde +zoozeer de onmogelijkheid om bij Monseigneur Bienvenu eenigszins +vooruit te komen, dat de nauwelijks door hem gewijde seminaristen +zich bij de aartsbisschoppen van Aix of van Auch deden aanbevelen +en zoo schielijk mogelijk weggingen. Want, wij herhalen het: ieder +wil vooruit! Een vroom man die in groote afzondering leeft, is een +gevaarlijke buurman; hij zou u kunnen besmetten met een ongeneselijke +armoede, de verstijving van de ter bevordering noodzakelijke leden, +kortom: met meer zelfverloochening dan gij wenscht; en daarom ontvlucht +men die aanstekende deugd. Vandaar de verlatenheid van Monseigneur +Bienvenu. Wij leven in een treurige maatschappij. Vooruitkomen! ziedaar +de leer, die uit het boven haar zwevende verderf nederdroppelt. + +De voorspoed heeft, in 't voorbijgaan gezegd, een zeer onaangename +zijde. De valsche gelijkenis, welke hij met de ware verdienste heeft, +bedriegt de menschen. Voor de groote menigte heeft de fortuin schier +hetzelfde voorkomen als de wijsheid. Door het geluk, die wederga van +het talent, laat zich ook de geschiedenis bedriegen. Alleen Juvenalis +en Tacitus onderscheiden ze. In onze dagen is een bijna officieele +wijsbegeerte in zijn dienst getreden, draagt de livrei van het geluk +en wacht in zijn voorkamer. Voorspoed wordt voor theorie gehouden, +en doet bekwaamheid veronderstellen. Wie in de loterij wint, is +een schrander man. De overwinnaar wordt altijd vereerd. Men moet +met een helm zijn geboren! dat is alles! Men hebbe slechts geluk +en al 't overige komt vanzelf; den gelukkige beschouwt men als een +groot man. Op vijf of zes uitzonderingen na, die den roem eener +eeuw uitmaken, is de hedendaagsche bewondering niet veel meer dan +kortzichtigheid. Verguldsel heet goud. Hoe men er komt, maakt niets +uit, mits men er slechts "kome." Het gemeen is een oude Narcissus, +die zich zelven aanbidt en toejuicht. De buitengewone begaafdheid, +door welke men een Mozes, een Eschylus, een Dante, een Michel-Angelo of +een Napoleon is, schrijft de menigte onnadenkend en als bij acclamatie +toe aan ieder die, in welk opzicht ook, zijn doel bereikt. Een notaris +herscheppe zich in een afgevaardigde, een valsche Corneille make een +treurspel, een gesnedene kome in 't bezit van een harem, een gewoon man +winne toevallig een beslissenden slag, een apotheker vinde bordpapieren +zolen uit voor het leger van Sambre-en-Maas en make zich uit dit voor +leder verkochte bordpapier een rente van vierhonderd duizend francs; +een pakkedrager huwe met de woekerzucht en doe haar van zeven of +acht millioen bevallen, waarvan hij de vader en zij de moeder is; +een prediker worde bisschop wegens zijn eigenaardig neusorgaan en het +draaien zijner oogen; een rentmeester eener voorname familie zij, +wanneer hij zijn dienst verlaat, zoo rijk, dat men hem minister +van financiën maakt: dat alles noemen de menschen genie, evenals +zij versiering schoonheid en omvangrijkheid majestueus noemen. De +sterrenbeelden des uitspansels verwarren zij met de sterachtige +afdruksels van eendepooten in het slijk van een modderpoel. + + + + + + +DERTIENDE HOOFDSTUK. + +WAT HIJ GELOOFDE. + + +Uit het oogpunt der orthodoxie hebben wij den bisschop van Digne niet +te onderzoeken. Voor een ziel als de zijne kunnen wij slechts eerbied +gevoelen. Het geweten van den rechtvaardige laat zich niet door woorden +beoordeelen. Voor 't overige nemen wij de mogelijke ontwikkeling van +alle volkomenheden der menschelijke natuur bij sommige karakters aan, +zelfs al verschillen ze ook met ons in godsdienstig geloof. + +Wat dacht hij over dit of dat leerstuk, over deze of gene +verborgenheid? Deze geheimen der ziel zijn slechts aan het graf +bekend, waarin de zielen naakt en bloot nederdalen. Zeker is het, +dat geloofsbezwaren zich nooit bij hem in geveinsdheid oplosten. De +diamant is aan geen verderf onderworpen. Hij geloofde zooveel hij +kon. Ik geloof in den Vader! zeide hij dikwijls. Overigens putte +hij uit de goede werken genoegzame zelfvoldoening om het geweten te +bevredigen, terwijl 't hem zacht toefluisterde: God is met u! Wij +moeten hierbij nog opmerken, dat de bisschop buiten, en om zoo te +spreken, boven zijn geloof, vervuld was van liefde. Om deze reden, +omdat hij "veel bemind had", achtten sommige "ernstige, verstandige +lieden" hem kwetsbaar. "Ernstige, verstandige lieden," geliefkoosde +uitdrukkingen onzer treurige wereld, waarin de zelfzucht het wachtwoord +van de waanwijsheid ontvangt. Waarin bestond nu deze overvloed van +liefde? In een opgeruimde welwillendheid, die, gelijk reeds gezegd +is, zich over menschen, ja soms over zaken uitbreidde. Hij kende geen +verachting. Hij was toegevend jegens al wat God geschapen had. Ieder +mensch, zelfs de beste, heeft een soort van onwillekeurige hardheid +in zich, welke hij voor het dier bewaart. Maar de bisschop van Digne +had deze hardheid niet, die evenwel velen priesters zoo eigen is. Hij +ging niet zoo ver als de brahmin, maar scheen de woorden van Salomo's +Prediker ter harte te hebben genomen: "Weet men waarheen de ziel +der dieren gaat?" Een leelijk gezicht en aangeboren onvolmaaktheden +verstoorden noch verontwaardigden hem. Hij gevoelde er zich door +aangedaan, schier verteederd. Hij scheen er over te peinzen om +aan gene zijde van het aardsche leven de oorzaak, de verklaring +of de verschooning er voor te zoeken. 't Scheen of hij soms God +om verzachting van hun lot bad. Zonder toorn, en met het oog van +een taalvorscher, die een oud handschrift ontcijfert, onderzocht +hij de schijnbare tegenstrijdigheden, die de natuur nog bevat. Deze +bespiegelingen ontlokten hem dikwijls zonderlinge woorden. Op zekeren +morgen dat hij meende alleen in zijn tuin te zijn, en hij zijn zuster +niet zag, die achter hem ging, stond hij plotseling stil en aanschouwde +iets op den grond; 't was een groote, zwarte, harige, afschuwelijke +spin. Zijn zuster hoorde hem zeggen:--Arm dier! 't is zijn schuld niet. + +Waarom zouden wij deze beuzelingen van schier hemelsche goedhartigheid +niet vertellen? Beuzelingen wel is waar, maar van die verheven +beuzelingen, als van een St. Franciscus van Assissi en van Marcus +Aurelius. Op zekeren dag verwrikte hij den voet, wijl hij een mier +niet wilde vertreden. + +Aldus leefde deze rechtvaardige. Soms was hij in den tuin ingeslapen, +en dan kon men niets eerwaardigers zien. + +Monseigneur Bienvenu was vroeger, volgens 't geen van zijn jeugd en +zelfs van zijn verderen leeftijd verhaald werd, een hartstochtelijk, +ja heftig man geweest. Zijn tegenwoordige kalmte en zachtmoedigheid +was minder zijn natuurlijk karakter dan het gevolg eener diepe +overtuiging, die gedurende zijn leven langzaam en door overdenking in +zijn hart gedroppeld was; want een karakter kan evenals een steen, door +waterdroppels worden aangedaan. Deze uithollingen zijn onuitwischbaar; +deze vormen onverstoorbaar. + +In 1815, zooals wij meenen gezegd te hebben, had hij den ouderdom van +vijf-en-zeventig jaar bereikt, doch scheen niet ouder dan zestig. Hij +was niet groot, eenigszins zwaarlijvig, en om dit te bestrijden deed +hij groote wandelingen te voet; hij ging met vasten tred en slechts +een weinig gebogen. Uit deze omstandigheid willen wij echter geen +gevolgtrekking afleiden. Gregorius XVI ging, toen hij tachtig jaren +oud was, nog rechtop, en had een vriendelijk voorkomen, 't geen niet +belette, dat hij een slecht bisschop was. Monseigneur Bienvenu had, +wat het volk "een fraaien kop" noemt; maar die was zoo vriendelijk, +dat men de fraaiheid er van voorbij zag. + +Wanneer hij met die kinderlijke opgeruimdheid sprak, welke een zijner +beminnelijkste hoedanigheden was, en waarvan wij reeds gewaagd hebben, +was het of zijn geheele persoon vroolijkheid om zich verspreidde. Zijn +blozende frissche kleur, zijn witte tanden, welke hij alle behouden had +en die door zijn glimlach zichtbaar werden, gaven hem dit openhartig +en ongekunsteld voorkomen, dat van een man doet zeggen: "er is geen +kwaad in hem," en van een grijsaard: "'t is een allerliefst man." Zoo +was, gelijk men zich herinnert, de indruk, dien hij op Napoleon had +gemaakt. Op 't eerste gezicht, en voor dengene die hem voor de eerste +maal ontmoette, was hij misschien niet veel meer dan een goedhartig +man. Maar wanneer men eenige uren in zijn gezelschap doorbracht, en hem +zag denken, veranderde het goedhartige allengs in iets indrukwekkends: +zijn hoog, ernstig voorhoofd, reeds eerbiedwaardig door het witte haar, +werd het te meer door de gedachten, welke er zich op afspiegelden; +de majesteit kwam uit de goedheid te voorschijn, zonder dat deze +laatste ophield te blinken; men gevoelde zich eenigszins aangedaan +als door de verschijning van een engel, die langzaam en glimlachend +zijn vleugelen uitbreidt. Men werd allengs door achting en eerbied +vervuld, en gevoelde, dat men een dier krachtige, beproefde en +toegevende zielen voor zich had, wier gedachten zoo verheven zijn, +dat zij niet anders dan zachtmoedig kunnen zijn. + +Men heeft gezien, dat het gebed, de verrichting der kerkelijke +diensten, het uitreiken van aalmoezen, het troosten van bedrukten, +het bebouwen van een hoekje gronds; dat broederliefde, matigheid, +gastvrijheid, ontbering, vertrouwen, studie, arbeid, elken dag van +zijn leven vervulden. "Vervullen" is het juiste woord, en zekerlijk +was de dag van den bisschop tot aan den rand vol van goede gedachten, +goede woorden en goede werken. Maar de dag was voor hem niet volledig, +als het koude, regenachtige weder hem belette des avonds, zoodra +de vrouwen zich hadden verwijderd, een paar uren in den tuin door +te brengen, vóór hij naar bed ging. 't Scheen hem een soort van +eerdienst te zijn, door overpeinzingen in 't gezicht der gesterrende +hemellichamen, zich tot den slaap voor te bereiden. Soms hoorden de +vrouwen, zoo zij niet sliepen, hem nog zeer laat in den nacht langzaam +in den tuin wandelen. Daar was hij alleen, in zich zelven gekeerd, +aandachtig, rustig, biddend, de kalmte zijns harten met de kalmte des +hemels in overeenstemming brengende, in de duisternis aangegrepen +door den zichtbaren luister der sterrenbeelden en den onzichtbaren +luister van God, en zijn ziel openende voor de gedachten, die van den +Onbekende komen. Wanneer in zulke oogenblikken, als de nachtbloemen +haar geuren deden opstijgen, zijn hart als een licht te midden van +dezen gesterrenden hemel vlamde en verrukt door de oneindige schepping +zweefde, zou hij misschien zelf niet in staat zijn geweest te zeggen, +wat in zijn geest omging; 't was hem, alsof iets uit zijn binnenste +opsteeg, en iets in hem nederdaalde. Geheimzinnig verkeer tusschen +de diepten der ziel en de diepten der Schepping. + +Hij dacht aan Gods grootheid en alomtegenwoordigheid; aan de +toekomstige eeuwigheid,--een geheimzinnige verborgenheid; aan de +doorloopen eeuwigheid,--een nog vreemder verborgenheid; aan al het +oneindige, dat zich naar alle zijden voor zijn blik uitbreidde, +en zonder het onbegrijpelijke te willen doorgronden, staarde hij het +aan. Hij bestudeerde God niet; hij verblindde zich door Zijn glans. Hij +aanschouwde die wonderbare ontmoeting van atomen, die aan het stof een +vorm geven, de krachten openbaren, de verscheidenheid en de eenheid, +de gedaanten en de ruimte, het ontelbare en het oneindige scheppen, +en door het licht de schoonheid voortbrengen. Deze samentrekking +en verwijdering van atomen heeft onophoudelijk plaats, en daaruit +ontstaan het leven en de dood. + +Hij zette zich op een houten bank tegen een vermolmd hek neder, +en zag op naar de sterren, door de takken zijner dwergachtige, +schrale vruchtboomen. Dit stukje gronds, zoo armoedig beplant en door +onooglijke gebouwen ingesloten, was hem dierbaar en voldoende. + +Wat behoefde deze grijsaard meer, die de rusturen zijns levens, +'t welk zoo weinig rusturen bevatte, verdeelde tusschen het tuinwerk +des daags en de bespiegeling des nachts? Was deze kleine ruimte, +waarboven de hemel zich welfde, niet voldoende om God beurtelings in +Zijn bekoorlijkste, en in Zijn verhevenste werken te aanbidden? Was dit +inderdaad niet alles, en wat bleef te wenschen over? Een kleine tuin om +in te wandelen, en het onmetelijke om te denken. Aan zijn voeten, wat +men kan kweeken en plukken; boven zijn hoofd, wat men kan bestudeeren +en overwegen; eenige bloemen op de aarde en de sterren aan den hemel. + + + + + + +VEERTIENDE HOOFDSTUK. + +WAT HIJ DACHT. + + +Een laatste woord. + +Dewijl deze soort van bijzonderheden, vooral in den tegenwoordigen +tijd, den bisschop van Digne een schijn van "pantheïsme" geven--om +een woord, dat thans zeer in de mode is, te gebruiken--en, hetzij +tot zijn blaam of zijn lof, konden doen gelooven, dat hij iets bezat +van die persoonlijke, onze eeuw eigene, wijsbegeerte, welke soms +in eenzaam levende geesten ontkiemt, opgroeit en zoo groot wordt, +dat zij er den godsdienst uit verdringt, zoo vermelden wij wel +uitdrukkelijk dat niemand dergenen, die Monseigneur Bienvenu gekend +hebben, zich zou veroorloofd hebben iets dergelijks te denken. Wat +dien man verlichtte, was het hart. Zijn wijsheid was uit het licht +ontstaan, dat daaruit voortkomt. + +Geen stelsels; veel feiten. Afgetrokken bespiegeling verwekt duizeling, +en er bestaat niet het minste blijk, dat hij zijn geest door de +Apocalypsis in verwarring liet brengen. De apostel kan stoutmoedig +zijn, maar de bisschop moet bescheiden wezen. Hij zou er gewis +een gewetenszaak van hebben gemaakt, zich in zekere vraagstukken te +verdiepen, die slechts aan onversaagde geesten zijn overgelaten. Onder +geheimzinnige portalen heerscht een heilige huivering; wel bevinden +zich hier en daar reten in de duisternis, maar zij fluisteren iederen +sterveling toe, dat men er niet ongestraft kan binnendringen. + +In de onpeilbare diepten der afgetrokken bespiegeling, die als 't ware +boven de godsdienstige leerstellingen zweven, dragen groote geesten +hun denkbeelden aan God op. Hun gebed is een stoutmoedige drang om meer +licht. Hun vereering is een vraag. 't Is een onmiddellijke godsdienst, +vol angsten en verantwoordelijkheid voor dengene, die er de steilten +van beproeft. + +Menschelijke bespiegelingen hebben geen grenzen. Op eigen gevaar af, +ontleedt en peilt de mensch wat zijn gedachte verblindt. Men zou +schier kunnen zeggen, dat de gedachte door een soort van schitterende +weerkaatsing de natuur verblindt; de geheimzinnige wereld die ons +omringt, geeft terug wat zij ontvangt; en 't is waarschijnlijk, +dat de beschouwers wederkeerig worden beschouwd. Hoe het zij, +er zijn menschen op de wereld--zijn zij menschen?--die duidelijk +aan den gezichteinder van den droom de hoogten van het volstrekte +zien, en die een visioen van den ontzettenden berg der oneindigheid +hebben. Monseigneur behoorde niet tot dezulken; Monseigneur Bienvenu +was geen genie, geen groote geest. Hij zou teruggedeinsd zijn voor die +hoogten, welke eenige, zelfs zeer groote geesten, als Schwedenburg en +Pascal, in verbijstering hebben gebracht. 't Is waar, deze grootsche +bespiegelingen hebben een zedelijk nut, en langs zulke steile wegen +komt men de denkbeeldige volmaaktheid nader. Hij echter koos den +kortsten weg, den weg van 't Evangelie. + +Hij trachtte van zijn kazuifel geen Eliasmantel te maken; hij wierp +geen straal der toekomst op de donkere golven der gebeurtenissen; +hij poogde niet het licht der zaken tot één vlam samen te dringen; +hij had niets van een profeet, niets van een magus (wijze). Zijn +nederige ziel beminde slechts; dat was alles! + +'t Is zeer waarschijnlijk, dat hij het gebed tot een bovenmenschelijke +verzuchting tot God uitbreidde; maar men kan evenmin te veel bidden +als te veel beminnen; en indien 't ketterij is buiten de formulieren +te bidden, dan zouden de H. Theresia en de H. Jeronimus ketters zijn. + +Hij boog zich tot alles neer wat zuchtte en boette. De wereld scheen +in zijn oog één reusachtige krankheid; overal zag hij koorts; overal +hoorde hij lijden en, zonder het raadsel te willen oplossen, poogde +hij de wonde te verbinden. + +Het vreeselijk schouwspel van al wat schepsel heet, ontwikkelde in +hem een gevoel van verteedering; hij was slechts bedacht voor zich +zelven de beste wijze te vinden om te beklagen en wel te doen, en +die aan anderen mede te deelen. Het bestaande was voor dezen goeden, +zeldzamen priester een gestadig onderwerp van droefheid, die zoekt +te vertroosten. + +Er zijn lieden, die zich bezighouden met het delven van goud: hij hield +zich bezig met het medelijden aan den dag te brengen. De algemeene +ellende was zijn mijn. Het alom heerschend lijden was voor hem slechts +een gelegenheid om onverpoosd goed te doen. "Bemint elkander;" dit +bevatte, naar zijn meening, alles; hij wenschte niets meer, en dit +was zijn geheele geloofsleer. Op zekeren dag zeide de man, die zich +"wijsgeer" waande, de reeds genoemde senator, tot den bisschop:--"Zie +toch, hoe het in de wereld toegaat; oorlog van allen tegen allen; de +sterkste is de verstandigste. Uw "bemint elkander" is een dwaasheid." + +"Welnu," antwoordde Monseigneur Bienvenu, zonder met hem te +redetwisten, "zoo het een dwaasheid is, moet het hart er zich +insluiten, als de parel in de oester." + +En hij sloot er zich in, hij leefde er in, hij was er volkomen in +tevreden, terwijl hij de groote vraagstukken onaangeroerd liet, +die lokken en benauwen, de onpeilbare diepten der bespiegeling, de +afgronden der bovennatuurkunde, al die ondoorgrondelijkheden, welke +den apostel tot God, den atheïst tot het niet voeren: het noodlot, het +goede en het kwade, de oorlog van het eene tegen het andere schepsel, +het geweten van den mensch, het denkend somnambulisme van het dier, de +herschepping door den dood, de wederopstanding van al de wezens, die +het graf bevat, de onbegrijpelijke inenting der elkander vervangende +liefdeneigingen op het steeds voortbestaande ik, de geest en het +stof, het niet en het zijn, de ziel, de natuur, de vrijheid, en de +noodzakelijkheid,--alle diepe problemen, schrikbarende duisternissen, +voor welke de reusachtige aartsengelen van het menschelijk geslacht +zich buigen; vreeselijke afgronden, welke Lucretius, Manou, Paulus +en Dante met dien vlammenschietenden blik aanstaren, die, door strak +in het oneindige te turen, er sterren schijnt te ontdekken. + +Monseigneur was eenvoudig een man, die slechts de geheimzinnige +vraagstukken uitwendig aanschouwde, zonder ze na te vorschen, zonder +zijn geest er door te verontrusten, en die in zijn ziel een diepen +eerbied voor het verborgene koesterde. + + + + + + + +BOEK II. + +DE VAL. + + +EERSTE HOOFDSTUK. + +DE AVOND NA EEN DAGREIZE. + + +In een der eerste dagen van de maand October 1815, omstreeks een uur +vóór zonsondergang, kwam een voetreiziger in de kleine stad D. aan. De +weinige inwoners, die zich op dit oogenblik aan hun ramen of voor +hun deuren bevonden, oogden dien man met een soort van ongerustheid +na. Niet licht zou men iemand van ellendiger voorkomen hebben kunnen +ontmoeten. Hij was van middelbare grootte, gezet en forsch, en in de +kracht zijns levens. Hij kon zes- of acht-en-veertig jaar oud zijn. Een +pet met lederen klep bedekte gedeeltelijk zijn met zweet bepareld +en door zon en lucht gebruind gelaat. Zijn grof geelkatoenen hemd, +dat aan den hals met een klein zilveren ankertje was vastgehecht, liet +de harige borst bloot; hij droeg een das, als een touw ineengedraaid, +een versleten blauwlinnen broek, die aan de eene knie geheel kaal was, +aan de andere een gat vertoonde; een ouden, gehavenden kiel, waarvan +een der ellebogen met een stuk groen laken gelapt en met bindgaren +saamgetrokken was; op den rug een vollen, zorgvuldig dichtgegespten +en nieuwen soldatenransel; in de hand een dikken, knoestigen stok; +zijn voeten waren zonder kousen, zijn schoenen met spijkers beslagen; +zijn hoofdhaar was kort en zijn baard lang. + +Het zweet, de hitte, de voetreis, het stof gaven aan den geheelen +persoon iets zeer haveloos. Het haar scheen nog kort geleden kaal +geschoren; 't stond nu steil op en was borstelig. + +Niemand kende den man. 't Was duidelijk, dat hij de stad slechts +doortrok. Van waar kwam hij? Uit het zuiden. Misschien van de zeekust; +want hij kwam door dezelfde straat in de stad, waar zeven maanden +geleden keizer Napoleon gepasseerd was, toen hij van Cannes naar +Parijs ging. Deze man moest wel den geheelen dag geloopen hebben; want +hij scheen zeer vermoeid. Vrouwen uit het vlek nabij de stad hadden +hem onder het geboomte van den Boulevard Gassendi zien stilstaan en +drinken bij de pomp, aan 't einde der wandelplaats. Hij had zeker +grooten dorst, want de kinderen die hem volgden zagen hem, een paar +honderd schreden verder, weder stilhouden en drinken bij de pomp van +het marktplein. Aan den hoek der straat Poichevert sloeg hij linksom +en ging naar 't Stadhuis. Hij trad binnen; een kwartier later kwam +hij er weder uit. Een gendarme zat aan de deur op de steenen bank, +waarop generaal Drouot den 4den Maart klom, om aan de ontstelde +inwoners van D. de proclamatie van de golf Juan voor te lezen. De +man nam zijn pet af en groette den gendarme onderdanig. Zonder zijn +groet te beantwoorden nam hem de gendarme nauwkeurig op en trad toen +het raadhuis binnen. + +Destijds was te D. een goede herberg, het "Kruis van Colbas." Zij werd +gehouden door zekeren Jacquin Labarre, een man, die zeer gezien was, +wegens zijn verwantschap met een anderen Labarre, die te Grenoble het +logement de "Drie Dauphins" hield en bij de guides gediend had. Tijdens +de landing des keizers hadden allerlei geruchten over dit logement de +"Drie Dauphins" geloopen. Men verhaalde, dat generaal Bertrand, als +voerman vermomd, er in de maand Januari dikwerf geweest was en toen aan +de soldaten eerekruisen en aan de burgers handen vol gouden Napoleons +had uitgedeeld. De waarheid is, dat, toen de keizer te Grenoble +aankwam, hij had geweigerd in het Hôtel der Prefectuur zijn intrek te +nemen; hij had den maire bedankt, en gezegd: "Ik ga bij een braaf man, +dien ik ken;" waarop hij naar de "Drie Dauphins" was gegaan. De roem +van dezen Labarre verbreidde zich tot op vijfentwintig mijlen afstands, +tot aan Labarre in het "Kruis van Colbas." Te D. heette het van hem: +"Hij is de neef van Labarre te Grenoble." + +De man begaf zich naar deze herberg, de beste in den omtrek. Hij trad +de keuken binnen, die gelijkvloers met de straat was. Al de fornuizen +brandden, en een groot vuur vlamde vroolijk in den haard. De kastelein, +tevens kok, liep ijverig van de eene braadpan naar de andere, en +bereidde een heerlijken maaltijd voor de voerlieden, die men in een +belendend vertrek luid hoorde lachen en spreken. Wie gereisd heeft, +weet dat niemand beter eet dan voerlieden. Een vette marmot, te midden +van witte patrijzen en boschhoenders, draaide aan een lang spit voor +het vuur rond; op de fornuizen werden twee groote karpers uit het +meer van Lauzet en een forel uit het meer van Alloz gebakken. + +De kastelein, hoorende dat de deur geopend werd en iemand binnenkwam, +zeide, zonder de oogen van zijn fornuizen op te slaan: + +"Wat wenscht mijnheer?" + +"Te eten en te slapen," antwoordde de reiziger. + +"Niets gemakkelijker dan dit," antwoordde de hospes. Maar terzelfder +tijd draaide hij het hoofd om, bekeek den vreemde van het hoofd tot +de voeten en vervolgde toen: "mits betalend." + +De man haalde een groote lederen beurs uit den zak van zijn kiel +en antwoordde: + +"Hier is geld." + +"Dan ben ik tot uw dienst," zei de kastelein. + +De man stak zijn beurs weder in den zak, ontdeed zich van zijn ransel, +legde dien bij de deur op den grond, en zette zich met zijn stok +in de hand op een bankje bij het vuur. D. ligt in het gebergte. De +Octobermaand is er koud. + +Inmiddels zag de kastelein, terwijl hij heen en weder liep, telkens +den reiziger aan. + +"Wordt er gauw gegeten?" vroeg de man. + +"Aanstonds," zei de hospes. + +Terwijl de aangekomene zich warmde, en den kastelein Labarre den rug +toekeerde, nam deze een potlood uit zijn zak en scheurde een stuk +van een oud dagblad af, dat op een tafeltje aan het venster lag. Op +den witten rand schreef hij een paar regels, vouwde het snippertje +dicht, zonder het te verzegelen, en gaf het aan een knaap, die hem +tot keukenjongen en lakei te gelijk scheen te dienen. De herbergier +fluisterde hem een paar woorden in 't oor, en de jongen liep ijlings +heen in de richting van 't Stadhuis. + +De reiziger had van dat alles niets gezien. Hij vroeg nog eens: +"Wordt er spoedig gegeten?" + +"Aanstonds!" herhaalde de kastelein. + +De knaap kwam terug; hij bracht het papier weer mede. De kastelein +opende het haastig, als iemand die een antwoord verwacht. Hij scheen +opmerkzaam te lezen, toen schudde hij het hoofd en scheen een oogenblik +na te denken. Eindelijk trad hij naar den vreemde, die in niet zeer +aangename overwegingen verdiept scheen, en zeide: + +"Ik kan u niet herbergen." + +De man richtte zich ten halve op. + +"Hoe? Vreest ge dat ik u niet zal betalen? Wilt ge vooraf geld? ik +heb u immers gezegd dat ik geld heb." + +"Daarom is 't niet." + +"Waarom dan?" + +"Ge hebt geld..." + +"Ja," zei de man. + +"Maar ik," zei de hospes, "ik heb geen kamer." + +De man hernam bedaard: "Laat mij dan maar in den stal slapen." + +"Dat kan niet." + +"Waarom?" + +"De stal is geheel vol paarden." + +"Nu," hernam de man, "dan een hoekje op den zolder. Een bos stroo. Dat +zal zich na den maaltijd wel vinden." + +"Ik kan u niet te eten geven." + +Deze op gematigden doch vasten toon gedane verklaring verraste den +vreemde. Hij stond op, en zeide: + +"O! maar ik sterf van honger. Sedert zonsopgang ben ik op reis geweest; +ik heb twaalf uren afgelegd. Ik betaal; ik wil eten." + +"Ik heb niets," antwoordde de hospes. + +De man begon te lachen en zeide, zich naar den haard en de fornuizen +wendende:--"Niets? En wat is dat dan?" + +"Dat alles is besteld." + +"Door wie?" + +"Door de voerlieden." + +"Met hoevelen zijn ze?" + +"Met hun twaalven." + +"En daar is eten genoeg voor twintig menschen." + +"Zij hebben alles besteld en vooruit betaald." + +De man ging weer zitten en zeide zonder drift: + +"Ik ben in een herberg, ik heb honger en blijf." + +Toen bracht de hospes den mond aan zijn oor en fluisterde op een toon, +die hem deed ontstellen:--"Ga heen!" + +De reiziger zat nu neêrgebogen en stiet met de ijzeren punt van zijn +stok eenige gloeiende spaanders in 't vuur; eensklaps keerde hij zich +om, maar toen hij den mond opende om te antwoorden, staarde de hospes +hem strak aan en voegde er zacht bij: + +"Houd u toch stil! Wilt ge, dat ik u uw naam noem? Ge heet Jean +Valjean. Wilt ge nu dat ik u zeg, wie ge zijt? Toen ik u zag +binnenkomen, vermoedde ik iets en zond naar 't Stadhuis; ziehier wat +men geantwoord heeft. Kunt ge lezen?" + +Dit zeggende, reikte hij den vreemde het opengevouwen papier, dat +uit de herberg naar 't Stadhuis was gegaan en van 't Stadhuis naar +de herberg terug. De man sloeg er een blik op, en na eenig zwijgen +hernam de herbergier: + +"Ik ben gewoon jegens iedereen beleefd te zijn. Ga heen." De man boog +het hoofd, raapte zijn ransel op en vertrok zwijgend. + +Hij ging op goed geluk af, rechtuit door de hoofdstraat, dicht langs +de huizen, als een gedeemoedigd, verslagen mensch. Geen enkelen +keer zag hij om. Zoo hij 't gedaan had, zou hij den herbergier van +het Kruis van Colbas voor zijn deur hebben gezien, omringd van al +zijn gasten en van een menigte voorbijgangers, luid sprekende en +hem met den vinger nawijzende. Hij zou tevens uit de wantrouwende +en verschrikte blikken dier lieden afgeleid hebben, dat zijn komst +spoedig een gewichtig nieuws voor de geheele stad zou zijn. + +Maar van dat alles zag hij niets. Bedrukten en bedroefden zien niet +om. Zij weten al te goed, dat het ongeluk hen volgt en vervolgt. + +Zoo ging hij eenigen tijd voort, op goed geluk af en door hem onbekende +straten; en hij vergat zijn vermoeienis, zooals dit bij treurigheid +het geval is. Maar eensklaps voelde hij een hevigen honger. De nacht +naderde; hij zag om zich heen, of hij niet ergens een legerplaats +kon ontdekken. + +De fraaie herberg was voor hem gesloten; nu zocht hij een minder +logement, een armoedige kroeg. Aan het einde der straat werd juist een +licht ontstoken; een dennetak, aan een ijzeren stang hangende, kwam +als uithangbord scherp uit in de dunne schemering. Hij ging er heen. + +'t Was inderdaad een herberg: de herberg in de straat Chaffaut. + +De reiziger stond even stil en keek door het raam der herberg in het +lage vertrek, dat door een kleine, op de tafel staande lamp en een +groot vuur op den haard verlicht werd. Er waren eenige mannen die +zaten te drinken. De hospes warmde zich. Boven het vuur hing aan een +ketting een pot te koken. + +Deze kroeg, die tevens een soort van logement is, heeft twee deuren: +de eene aan de straat, de andere aan een kleine plaats vol mest. + +De reiziger waagde 't niet, door de straatdeur binnen te gaan. Hij +sloop naar de plaats, stond weder stil, lichtte bedeesd de klink op +en deed de deur open. + +"Wie is dáár?" vroeg de waard. + +"Iemand die hier wenschte te slapen en te eten." + +"Goed. Men kan hier slapen en eten." + +Hij trad binnen. Al de drinkers wendden zich om. De lamp bescheen hem +aan de eene, het haardvuur aan de andere zijde. Men zag eenigen tijd +naar hem, terwijl hij zijn ransel aflegde. + +De hospes zeide toen:--"Hier is 't vuur. Het avondeten is aan de +kook. Warm u intusschen, kameraad." + +Hij zette zich aan den haard en strekte zijn vermoeide en gewonde +voeten naar het vuur uit; er kwam een heerlijke geur uit den +pot. Zijn gezicht, zoover men het onder de, in de oogen gedrukte, +pet kon zien, nam een vluchtigen schijn van welbehagen aan, gepaard +aan die smartelijke uitdrukking, welke de gewoonte van lijden aan +het gelaat geeft. + +Voor 't overige had hij een forsch, schrander en treurig +voorkomen. Zijn gelaatsuitdrukking was zonderling; ze scheen op +het eerste gezicht deemoedig, maar ging ten laatste tot strengheid +over. Zijn oogen vlamden onder de wenkbrauwen, als een vuur in een +kreupelbosch. + +Ondertusschen bevond zich onder de lieden aan tafel een vischkooper, +die, vóór hij naar de herberg in de straat Chaffaut was gegaan, +zijn paard bij Labarre op stal had gebracht. Het toeval wilde, dat +hij dien zelfden morgen den vreemdeling met het ongunstige uiterlijk +tusschen Bras d'Asse en... (de naam is mij ontgaan; ik meen dat 't +Escoublon is) ontmoet had. En deze man, die zeer vermoeid scheen, +had hem verzocht achter op zijn paard te mogen zitten, waarop +de vischkooper had geantwoord door sneller voort te rijden. Deze +vischkooper had zich, een half uur te voren, bij de groep bevonden, die +Jacquin Labarre omringde, en hij had toen zijn onaangename ontmoeting +van dien morgen aan de lieden van het Kruis van Colbas verhaald. Nu +gaf hij den hospes ongemerkt een wenk. De hospes kwam tot hem, zij +wisselden eenige fluisterende woorden met elkander. De vreemdeling +was intusschen weder in zijn overpeinzingen verdiept. + +De hospes ging nu naar den haard, legde ruw zijn hand op den schouder +van den man en zeide: + +"Ge moet u dadelijk voortmaken." + +De vreemdeling keerde zich om en antwoordde gelaten: + +"Zoo! weet ge?" + +"Ja." + +"Men heeft mij ook in de andere herberg afgewezen." + +"En men jaagt u uit deze." + +"Waarheen moet ik dan gaan?" + +"Waar ge wilt." + +De man nam zijn stok en ransel en ging heen. + +Toen hij de herberg verliet, wierpen eenige kinderen, die hem van +het Kruis van Colbas gevolgd waren en hem schenen gewacht te hebben, +met steenen naar hem. Hij keerde zich toornig om en dreigde hen met +zijn stok, waarop de kinderen als een zwerm vogels uit elkander stoven. + +Hij ging voorbij de gevangenis. Aan de deur hing de ijzeren ketting +van een schel. Hij belde. Een getralied raampje werd geopend. + +"Mijnheer de portier," zeide hij, eerbiedig zijn pet afnemende, +"zoudt ge zoo vriendelijk willen zijn mij open te doen en dezen nacht +te huisvesten?" + +Een stem antwoordde: + +"Een gevangenis is geen herberg. Laat u gevangennemen en men zal de +deur voor u openen." + +Het raampje werd gesloten. + +Toen kwam hij in een enge straat, waar veel tuinen waren. Sommige +waren slechts door hagen omsloten, 't geen de straat een vriendelijk +aanzicht gaf. Tusschen deze tuinen en hagen zag hij een huisje +van één verdieping, waarvan het raam verlicht was. Hij keek door +dit raam, evenals hij door dat der herberg had gedaan. 't Was een +ruime kamer, welker muren gewit waren, en waarin een bed met gedrukt +katoenen gordijnen stond; in een der hoeken stond nog een wieg en +verder eenige houten stoelen; aan den wand hing een jachtgeweer +met dubbelen loop. Een gedekte tafel stond in het midden van het +vertrek. Een koperen lamp verlichte het grove tafellaken, de als +zilver blinkende kan met wijn en een dampenden rooden schotel. Aan +deze tafel zat een veertigjarig man, met vroolijk open gelaat, die +een kindje op zijn knieën liet dansen. Naast hem zat een zeer jonge +vrouw met een zuigeling aan de borst. De vader lachte, het kind lachte, +de moeder glimlachte. + +Peinzend bleef de vreemdeling een oogenblik voor dit liefelijk +huiselijk tooneel staan. Wat ging er in hem om? Hij alleen zou 't +kunnen zeggen. Waarschijnlijk dacht hij, dat dit vergenoegde huis +gastvrij zou zijn, en, waar zooveel geluk woonde, hij misschien eenig +medelijden zou vinden. + +Zacht klopte hij tegen de glasruit. + +Men hoorde niet. + +Hij klopte nogmaals. Nu hoorde hij de vrouw zeggen:--"Man, ik geloof +dat er geklopt wordt." + +"Neen," antwoordde de man. + +Ten derden male klopte de vreemde. + +De man stond op, nam de lamp en deed de deur open. + +'t Was iemand van hooge gestalte, half boer, half handwerksman. Hij +droeg een groot schootsvel, dat tot aan zijn linkerschouder reikte en +waarin een hamer, een roode zakdoek en een kruithoorn staken, al welke +voorwerpen door den gordelriem als in een zak werden vastgehouden. Hij +wierp het hoofd achterover, en zijn open hemd, dat wijd omgeslagen +was, liet een gladden, naakten hals, als van een stier, zien. Hij had +zware wenkbrauwen, groote zwarte bakkebaarden, vooruitstekende oogen, +een breed uitloopend gezicht, en bij dit alles de niet te beschrijven +uitdrukking, dat men zich te huis gevoelt. + +"Vergeving, mijnheer," zei de reiziger. "Zoudt gij mij tegen betaling +een bord soep en een hoekje om te slapen in gindsche schuur in den +tuin willen vergunnen. Zeg, wilt ge? tegen betaling?" + +"Wie zijt ge?" vroeg de meester des huizes. + +De man antwoordde: "Ik kom van Puy-Moisson en heb den geheelen dag +geloopen. Ik heb twaalf uren afgelegd. Wilt ge? Tegen betaling?" + +"Ik kan een eerlijk man, die betaalt, niet weigeren te logeeren," +zei de boer. "Maar waarom gaat ge niet naar de herberg?" + +"Er is geen plaats." + +"Hoe! niet mogelijk! 't Is geen kermis of marktdag. Zijt ge bij +Labarre geweest?" + +"Ja." + +"Nu?" + +De reiziger antwoordde verlegen: "Hij wilde mij niet opnemen." + +"Zijt ge bij... hoe heet hij--in de straat Chaffaut geweest?" + +De verlegenheid van den vreemdeling vermeerderde; hij stamelde: +"Hij wilde mij evenmin herbergen." + +Het gelaat van den landman nam een achterdochtige uitdrukking aan, hij +beschouwde den vreemdeling van het hoofd tot de voeten, en eensklaps +riep hij met een zekere huivering: + +"Zoudt gij soms die man zijn?" + +Hij sloeg opnieuw een blik op den vreemde, trad drie stappen achteruit, +zette de lamp op de tafel en nam het geweer van den wand. + +Intusschen was de vrouw op de woorden van den boer: "Zoudt gij soms +die man zijn?" opgestaan, had haar beide kinderen in de armen genomen +en zich schielijk achter haar man in veiligheid gesteld, terwijl +ze den vreemdeling met ontzetting aanzag, en, met afwerend gebaar, +"struikroover" fluisterde. + +Dit alles geschiedde in minder tijd dan noodig is om het zich voor te +stellen. Na eenige oogenblikken den man aanschouwd te hebben, evenals +men een adder aanziet, ging de heer des huizes weder naar de deur, +en zeide: + +"Ga heen!" + +"Ik bid u," hernam de man, "slechts een glas water!" + +"Een geweerschot!" zei de boer. + +Toen sloot hij met kracht de deur dicht en de vreemde hoorde hem er +twee zware grendels voorschuiven. Een oogenblik later werd het luik +voor het venster gedaan en met een ijzeren boom gesloten, waarvan +het gerucht buiten gehoord werd. + +Het werd hoe langer hoe donkerder; de wind woei koud van de Alpen. In +de avondschemering zag de vreemde in een der tuinen aan den weg een +soort van hut, die van graszoden gebouwd scheen. Stoutmoedig sprong +hij over de houten heining in den tuin en naderde de hut, die tot +ingang een zeer lage opening had en overigens op die woningen geleek, +welke de [Fransche] straatwerkers aan den kant der wegen voor zich +bouwen. Hij meende ongetwijfeld, dat het inderdaad het verblijf van +een straatwerker was; hij leed koude en honger; hij had zich aan +den honger onderworpen, maar hier was ten minste een schuilplaats +tegen de koude. Deze soort van verblijven zijn gewoonlijk des nachts +onbewoond. Hij kroop op den buik in de hut. 't Was er warm, en hij +vond er een tamelijk goed strooleger. Een oogenblik bleef hij op +dit bed uitgestrekt, zonder zich te kunnen bewegen, zoo vermoeid was +hij. Maar wijl de ransel op zijn rug hem hinderde en deze hem zeer +geschikt voor een oorkussen kon dienen, begon hij een der riemen los +te gespen. Op dit oogenblik hoorde hij een nijdig gebrom. Hij hief de +oogen op en zag in de opening der hut den kop van een reusachtigen dog. + +Hij lag in een hondenhok! + +Daar hij zelf sterk en onverschrokken was, nam hij zijn stok, +gebruikte zijn ransel tot schild, en kroop zoo goed hij kon uit het +hok, evenwel niet zonder zijn lompen nog haveloozer te maken. + +Hij verliet eveneens den tuin, maar langzaam achteruit tredende en +steeds de batonneerkunst in praktijk brengende, ten einde den dog in +bedwang te houden. + +Toen hij, niet zonder moeite, weder over de heining was gekomen en zich +opnieuw alleen, zonder nachtverblijf, zonder dak, zonder schuilplaats +op de straat bevond, zelfs van dat strooleger en uit dat ellendig hok +verjaagd, liet hij zich op een steen eer vallen dan hij er zich op +zette, en, zoo het schijnt, moet een voorbijganger hem hebben hooren +uitroepen: Ik ben zelfs geen hond! + +Weldra stond hij weder op en ging verder, buiten de stad, in de +hoop een boom of een hooiberg op het veld te zullen vinden om hem +te beschutten. + +Zoo ging hij met gebogen hoofd eenigen tijd voort. Toen hij zich +verre van eenige menschelijke woning zag, sloeg hij de oogen op, en om +zich heen. Hij was op een veld en zag voor zich een dier met stoppels +bedekte hoogten, welke na den oogst kaal geschoren hoofden gelijken. + +Aan den horizon was alles donker; 't was niet alleen de nachtelijke +duisternis, 't waren lage wolken, die op den heuvel schenen te rusten +en den geheelen hemel bedekten. Maar wijl de maan opging en er aan +de kim nog eenig licht schemerde, vormden de wolken aan den hemel een +soort van wit gewelf, waaruit op aarde eenige helderheid nederdaalde. + +De aarde was dus meer verlicht dan de hemel, wat steeds eene bijzonder +onaangename uitwerking doet; en de omtrek van den lagen nietigen +heuvel kwam flauw en bleek tegen den donkeren horizon uit. Dit geheel +tooneel was somber, akelig, benauwend. Er was op het veld en op den +heuvel niets, dan een wanstaltige boom, die, op eenige schreden van +den reiziger, al huiverende verdorde. Deze man bezat blijkbaar niets +van den fijnen, geestigen zin, waardoor men voor de geheimzinnige +opvatting der dingen vatbaar is; in deze lucht, in deze vlakte en in +dezen boom was echter iets zoo sombers, dat hij, na een oogenblik +stilgestaan en gemijmerd te hebben, eensklaps omkeerde. Er zijn +oogenblikken, waarin de natuur ons vijandig schijnt. + +Hij keerde dus terug. De poorten van Digne waren gesloten. Deze stad, +welke in de religie-oorlogen meermalen belegerd is geweest, was in 1815 +nog door oude muren met vierkante torens omgeven, die sedert geslecht +zijn. Door een opening in den muur ging de man de stad weer binnen. + +'t Kon omstreeks acht uur in den avond zijn geweest. Wijl hij de +straten niet kende, begon hij weder op goed geluk af zijn wandeling. + +Zoo kwam hij aan de prefectuur, vervolgens aan het seminarie. Toen +hij over het plein der hoofdkerk ging, hief hij tegen de kerk zijn +vuist op. + +Op den hoek van dit plein is een boekdrukkerij. Daar werden het eerst +de proclamatiën des keizers en der keizerlijke garde aan het leger +gedrukt, die van het eiland Elba medegebracht, door Napoleon zelven +gedicteerd waren. + +Uitgeput van vermoeidheid en geen hoop meer hebbende, strekte de man +zich op de steenen bank uit, die bij de deur dier drukkerij stond. + +Een oude vrouw kwam juist uit de kerk. Zij zag dezen man in den +donker liggen. + +"Wat doet ge hier, vriend?" vroeg zij. + +Op ruwen, strengen toon antwoordde hij:--"Gij ziet immers, goede vrouw, +dat ik mij te slapen leg." + +De goede vrouw, welke dien naam inderdaad verdiende, was de markiezin +de R. + +"Op deze bank?" hernam zij. + +"Gedurende negentien jaren heb ik op een houten bed geslapen," zei +de man, "nu heb ik er een van steen." + +"Zijt gij soldaat geweest?" + +"Ja, goede vrouw, soldaat." + +"Waarom gaat ge niet naar de herberg?" + +"Wijl ik geen geld heb." + +"Helaas," zei mevrouw R. "ik heb slechts vier stuivers in mijn beurs." + +"Schenk ze mij." + +De man nam de vier stuivers. Mevrouw de R. hernam:--"Voor dit weinige +kunt ge in een herberg niet slapen. Hebt ge 't reeds beproefd? Ge kunt +onmogelijk den nacht zoo doorbrengen. Ge hebt ongetwijfeld honger en +zijt koud. Men had u uit menschlievendheid moeten huisvesten." + +"Ik heb overal aangeklopt." + +"En?" + +"Men heeft mij overal weggejaagd." + +De "goede vrouw" legde haar hand op den arm van den man en wees +hem aan de andere zijde van het plein een laag huis, naast het +bisschoppelijk paleis. + +"Gij zegt, dat ge overal hebt aangeklopt?" + +"Ja." + +"Hebt ge dáár aangeklopt?" + +"Neen." + +"Klop daar dan aan." + + + + + + +TWEEDE HOOFDSTUK. + +VOORZICHTIGHEID GA MET WIJSHEID GEPAARD. + + +Op dien avond was de bisschop van Digne, na zijn gewone wandeling door +de stad, tamelijk lang in zijn kamer gebleven. Hij hield zich met een +groot werk over de "Plichten" bezig, dat helaas niet voltooid is. Met +zorg verzamelde hij alles wat de kerkvaders en leeraars over dit +gewichtige onderwerp gezegd hadden. Zijn boek bevatte twee afdeelingen: +ten eerste de plichten van allen; ten tweede de plichten van ieder, +naar de klasse waartoe hij behoort. De plichten van allen zijn de +groote plichten. Zij zijn vier in getal. Mattheus wijst ze aan: +plichten jegens God, plichten jegens zich zelven, plichten jegens den +naaste, plichten jegens de schepselen. De overige plichten had de +bisschop elders aangewezen en voorgeschreven gevonden; aan de vorsten +en onderdanen, in den brief aan de Romeinen; aan de overheid, aan de +vrouwen, moeders en jongelingen, door Petrus; aan de mannen, vaders, +kinderen en dienstboden, in den brief aan de Ephezen; aan de +geloovigen, in den brief aan de Hebreeën; aan de maagden, in den brief +aan de Corinthen. + +Al deze voorschriften werkte hij tot een harmonisch geheel uit, +'t welk hij der wereld wilde aanbieden. + +Des avonds te acht uren was hij nog werkzaam, en schreef tamelijk +lastig op kleine blaadjes, met een groot opengeslagen boek op de +knieën, als Magloire, naar gewoonlijk, binnentrad om het zilverwerk +uit het kastje bij het bed te nemen. Een oogenblik daarna sloeg de +bisschop, bevroedende dat de tafel gedekt was en zijn zuster hem +misschien wachtte, het boek dicht, stond op en trad de eetkamer binnen. + +Deze eetkamer was een langwerpig vertrek met een schoorsteen, met +een deur aan de straat (zooals gezegd is), en een raam, dat in den +tuin uitzag. + +Magloire was met het dekken der tafel bezig. Ondertusschen sprak zij +met mejuffrouw Baptistine. + +Op de tafel stond een lamp; de tafel zelve stond bij den +schoorsteen. Een goed vuur brandde in den haard. + +Men kan zich gemakkelijk deze twee vrouwen voorstellen, die beide de +zestig gepasseerd waren: Magloire, klein, dik, levendig; mejuffrouw +Baptistine zachtaardig, mager, zwak, iets grooter dan haar broeder, +gekleed in een puce-kleurig zijden japon, een modekleur van 1806, +welke zij destijds te Parijs had gekocht en nog droeg. Om eene der +gemeenzame zegswijzen te gebruiken, welke de verdienste hebben met een +enkel woord het denkbeeld uit te drukken, dat een geheele bladzijde +nauwelijks zou kunnen aanduiden, Magloire zag er uit als een boerin, +en mejuffrouw Baptistine als een dame. Magloire droeg een wit geplooid +mutsje, aan den hals een gouden kruis, het eenige vrouwelijke gouden +sieraad, dat in het huis was, een helder wit halsdoekje, dat uit +een zwart wollen kleed met wijde, korte mouwen te voorschijn kwam, +een voorschoot van rood-en-groen geruit katoen, met een groenen band +om het lijf gebonden, en met een dergelijk borststuk, dat boven aan +de punten met twee spelden was vastgehecht, plompe schoenen en gele +kousen, zooals de vrouwen te Marseille dragen. De japon van mejuffrouw +Baptistine was gemaakt naar de mode van 1806: kort lijf, engen rok, +mouwen met opslagen en knoopen. Haar grijs haar was onder een gekruld +naturelletje, à l'enfant verborgen. Magloire had een schrander, +levendig en goed gezicht; de beide hoeken van haar mond, die niet op +gelijke hoogte waren, en de bovenlip, die dikker dan de onderlip was, +gaven haar iets barschs en heerschzuchtigs. Zoolang Monseigneur zweeg, +sprak zij, op half eerbiedigen, half vrijen toon, tamelijk onbeschroomd +tot hem, doch zoodra Monseigneur sprak, gehoorzaamde zij even lijdelijk +als mejuffrouw Baptistine, gelijk wij gezien hebben. Deze sprak +zelfs niet, en bepaalde er zich toe te gehoorzamen en voorkomend te +zijn. Zelfs in haar jeugd was zij niet mooi geweest; zij had groote, +eenigszins uitpuilende oogen, en een langen, smallen neus; maar haar +gelaat, haar geheele persoon drukte, gelijk vroeger gezegd is, een +oneindige goedheid uit. Zij was steeds tot zachtmoedigheid gestemd +geweest; maar de hoop, het geloof en de liefde, deze drie deugden, +welke het hart zacht verwarmen, hadden allengs deze zachtmoedigheid +tot heiligheid verheven. De natuur had haar een lam, de godsdienst +een engel gemaakt. Arme vrome dochter! Verdwenen zoete herinnering! + +Mejuffrouw Baptistine heeft sedert zoo dikwerf het gebeurde van dien +avond in de bisschoppelijke woning verhaald, dat verscheiden thans +nog in leven zijnde personen zich daarvan de kleinste bijzonderheden +herinneren. + +Toen de bisschop binnentrad, sprak Magloire met eenige levendigheid +tot mejuffrouw over een zaak, die haar gedurig bezighield en waaraan +de bisschop reeds gewoon was; namelijk over de klink der voordeur. + +Het schijnt, dat Magloire, die eenige benoodigdheden voor het avondeten +was gaan koopen, op verschillende plaatsen 't een en ander had hooren +verhalen van een verdachten landlooper en spitsboef, die in de stad +was gekomen en er zich moest ophouden, zoodat degenen, die dien nacht +laat op straat waren, gevaar konden loopen. Dat de politie buitendien +in zeer slechten staat was, aangezien mijnheer de prefect en mijnheer +de maire geen vrienden waren en elkander in ongelegenheid trachtten +te brengen door onaangename tooneelen te doen plaats hebben. De +voorzichtige burgers moesten dus zelve voor de politie zorgen en +zich beschermen; zij moesten zorgvuldig alles sluiten en grendelen, +"bovenal de voordeuren." + +Magloire drukte op deze laatste woorden; maar de bisschop kwam uit +zijn kamer, waar het tamelijk koud was geweest, nam plaats aan den +haard, warmde zich en dacht aan andere zaken. Hij lette dus niet op 't +geen Magloire gezegd had. Zij herhaalde het. Nu waagde het mejuffrouw +Baptistine, die Magloire welgevallig wilde zijn, zonder haar broeder +te mishagen, bedeesd te vragen: + +"Hoort ge, lieve broeder, wat Magloire zegt?" + +"Ik heb er iets van gehoord," antwoordde de bisschop. Hij draaide +zijn stoel ten halve om, legde zijn beide handen op de knieën, en +zijn goedhartig, vriendelijk gelaat, dat door het vuur beschenen werd, +naar de oude dienstmaagd keerende vroeg hij: + +"Nu, wat is er? wat is er? Worden wij door eenig groot gevaar +bedreigd?" + +Toen verhaalde Magloire haar geheele geschiedenis, onwillekeurig +met eenige overdrijving. Een heiden, een schooier, een soort van +gevaarlijke bedelaar zou in de stad zijn! Hij was bij Jacquin +Labarre geweest om er te logeeren, maar deze had hem niet willen +opnemen. Men had hem de voorstad Gassendi zien inkomen en tegen den +avond de straten zien doorkruisen. Een roover en moordenaar met een +verschrikkelijk gezicht. + +"Waarlijk?" zei de bisschop. + +Deze vraag moedigde Magloire aan om voort te gaan, en scheen aan te +duiden dat de bisschop niet volkomen gerust was; derhalve voer zij +zegevierend voort: + +"Ja, Monseigneur; 't is zooals ik zeg. Er gebeurt van nacht zekerlijk +een ongeluk in de stad. Iedereen zegt het. En daarbij is de politie +heel slecht (nuttige herinnering). In een bergstreek te wonen en niet +eens des nachts lantaarns op de straat te hebben! Zoo men uitgaat, +is 't er donker als in een oven! Ik zeg u, Monseigneur, en mejuffrouw +zegt het ook..." + +"Ik!" viel de zuster de spreekster in de rede, "ik zeg niets. Zooals +mijn broeder doet is 't mij wel." + +Magloire vervolgde, als ware er geen tegenspraak geschied: + +"Wij zeiden dat dit huis volstrekt niet veilig is, dat, zoo Monseigneur +het veroorlooft, ik Paulin Musebois, den smid zal gaan zeggen, dat +hij de grendels weder aan de deur moet maken; zij zijn er nog, 't +is in een oogenblik gedaan. Ik zeg u, Monseigneur, dat wij grendels +moeten hebben, al ware het alleen voor dezen nacht; want niets is +verschrikkelijker, dan een deur, die met een klink van buiten geopend +kan worden door den eerste den beste, en Monseigneur heeft de gewoonte +ieder maar binnen te laten, al is 't ook midden in den nacht; lieve +Hemel, men behoeft niet eens verlof te vragen..." Op dit oogenblik +werd juist vrij hard aan de deur geklopt. + +"Binnen," riep de bisschop. + + + + + + +DERDE HOOFDSTUK. + +HELDENMOED DER LIJDELIJKE GEHOORZAAMHEID. + + +De deur werd, met drift, wijd geopend, als door iemand die evenzeer +kracht als stoutmoedigheid bezit. + +Een man trad binnen. + +Wij kennen hem reeds. 't Is de voetreiziger, dien wij straks een +nachtverblijf hebben zien zoeken. + +Hij trad binnen, naderde een schrede, en bleef staan, de deur achter +zich open latende. Hij had den ransel op den rug, zijn stok in de +hand, een uitdrukking van ruwheid, vermetelheid, vermoeidheid en +drift in de oogen. Het schijnsel van het vuur verlichtte hem. Hij +was afschuwelijk. 't Was een onaangename verschijning. + +Magloire had zelfs de kracht niet een kreet te uiten. Zij stond met +open mond te beven. + +Mejuffrouw Baptistine keerde zich om, zag den man die binnentrad en +richtte zich, verschrikt, half op, doch wendde weder langzaam haar +hoofd naar den haard, zag haar broeder aan, en haar gelaat werd weder +volkomen kalm en onbezorgd. + +De bisschop vestigde een rustigen blik op den man. Toen hij den +mond opende, waarschijnlijk om den binnengetredene te vragen wat +hij begeerde, legde de man beide handen over elkander op zijn stok, +zag beurtelings den grijsaard en de vrouwen aan, en zeide luid, +zonder te wachten tot de bisschop sprak: + +"Hoor! ik heet Jean Valjean. Ik ben een galeiboef. Ik heb negentien +jaren in 't bagno doorgebracht. Sinds vier dagen ben ik ontslagen +en op weg naar Pontarlier, de plaats mijner bestemming. Sinds vier +dagen ben ik van Toulon op weg. Vandaag heb ik twaalf uren te voet +afgelegd. Toen ik vanavond in de stad kwam, ging ik naar een herberg, +waar men mij afwees, uithoofde van mijn geel paspoort, dat ik aan +'t Stadhuis had vertoond. Ik moest dit. Toen ging ik naar een andere +herberg. Daar zeide men tot mij: "Ga heen!" Niemand wilde met mij te +doen hebben. Ik ging naar de gevangenis, de portier wilde mij de deur +niet openen. Ik kroop in een hondenhok. De hond beet en verjoeg mij, +als ware hij een mensch geweest. Hij scheen te weten, wie ik was. Toen +ging ik naar het veld, om onder den blooten hemel te slapen. Er was +geen ster te zien. Ik meende, dat het zou regenen en er geen goede +God was om den regen tegen te houden; ik keerde dus naar de stad terug +om er een schuilplaats te zoeken. Ginds op het plein wilde ik op een +steenen bank gaan slapen, toen een goede vrouw mij uw huis wees en +zeide: "klop daar aan!" Ik heb geklopt. Wat is 't hier? Is 't hier +een herberg? Ik heb geld, mijn opgespaard loon. Honderd negen francs, +vijftien sous, die ik in bagno door mijn arbeid in negentien jaren +verdiend heb. Ik wil betalen. Wat kan 't mij schelen? Ik heb geld. Ik +ben zeer vermoeid;--twaalf uren loopens, ik heb grooten honger. Mag +ik blijven?" + +"Magloire," zei de bisschop, "dek voor nog een persoon." + +De man deed drie schreden en naderde de lamp, die op de tafel +stond. "Spreek," zeide hij, als hadde hij 't niet begrepen. "Hebt +ge mij verstaan? Ik ben een galeiboef, een tuchteling. Ik kom van +de galeien." Hij haalde een groot geel papier uit zijn zak, dat hij +opensloeg.--"Hier is mijn paspoort, ziet ge, 't is geel. Dit dient +om mij overal te doen wegjagen, waar ik kom. Wilt ge 't lezen? Ik +kan lezen; ik heb 't in 't bagno geleerd. Er is een school voor +hen, die leeren willen. Zie, wat men in het paspoort gezet heeft: +"Jean Valjean, ontslagen galeiboef, geboren te..." dat doet er niet +toe... "is negentien jaar in het bagno geweest. Vijf jaren wegens +diefstal met inbraak. Veertien jaren wegens viermaal herhaalde poging +tot ontvluchting. Deze man is zeer gevaarlijk." Dat staat er. Iedereen +heeft mij uitgeworpen. Wilt gij mij ontvangen? Is dit een herberg? Wilt +ge mij te eten en een nachtverblijf geven? hebt ge een stal?" + +"Magloire," zei de bisschop, "leg schoone lakens op het bed in +de alkoof." + +Wij hebben reeds gezegd van welken aard de gehoorzaamheid der beide +vrouwen was. + +Magloire ging om het bevel te volvoeren. + +De bisschop zeide nu tot den man: + +"Ga zitten, mijn vriend, en warm u. Wij gaan terstond aan den maaltijd, +en terwijl ge eet zal men uw bed gereed maken." + +Nu begreep de man volkomen. De uitdrukking van zijn gelaat, tot +hiertoe somber en hard, gaf verbazing, twijfel, blijdschap, een +onbeschrijfelijk gevoel te kennen. Hij stotterde als een waanzinnige! + +"Hoe? wat? inderdaad? Gij houdt mij? gij verjaagt mij niet? een +galeiboef! gij noemt mij "mijn vriend!" Gij snauwt mij niet af: weg +hond! zooals men mij steeds doet. Ik meende, dat ge mij wel zoudt +wegjagen. Daarom zeide ik dadelijk wie ik ben. O, de goede vrouw, +die mij hierheen heeft gewezen! Ik zal eten! Een bed met matrassen en +lakens! zooals iedereen heeft! een bed! Sedert negentien jaren heb ik +op geen bed geslapen! Gij meent immers dat ik mag blijven? Gij zijt +brave lieden. Ik heb trouwens geld, en zal goed betalen. Vergeving, +mijnheer de herbergier, hoe heet ge? ik zal betalen wat ge vraagt. Ge +zijt een braaf man. Ge zijt herbergier, niet waar? + +"Ik ben een priester, die hier woont," zei de bisschop. + +"Een priester!" herhaalde de man. "Ha, zoo, een waardig priester! Dus +vordert ge geen geld van mij? de pastoor, niet waar? de pastoor +van die groote kerk? Kijk, 't is waar, hoe dom, ik had uw kapje nog +niet gezien!" + +Dus sprekende had hij zijn ransel en stok in een hoek gelegd, zijn +paspoort in den zak gestoken en was gaan zitten. Mejuffrouw Baptistine +zag hem met deelneming aan. Hij hernam: + +"Ge zijt menschlievend, mijnheer de pastoor, ge veracht mij niet. Een +goed priester is iets zeer goeds. Ik behoef u dus niet te betalen?" + +"Neen," zei de bisschop, "behoud uw geld. Hoeveel hebt ge? Hebt ge +mij niet gezegd: honderd negen francs?" + +"En vijftien sous," voegde de man er bij. + +"Honderd negen francs vijftien sous. Hoeveel tijd hebt ge noodig gehad, +om dat geld te verdienen?" + +"Negentien jaren." + +"Negentien jaren!" herhaalde de bisschop met een diepen zucht. + +De man voer voort:--"Ik heb al mijn geld nog. In vier dagen heb ik +slechts vijfentwintig sous uitgegeven, welke ik verdiend heb met het +afladen van wagens te Grasse. Wijl ge een geestelijke zijt, zal ik u +zeggen, dat wij in het bagno een aalmoezenier hadden. En eenmaal heb ik +ook een bisschop gezien. Een Monseigneur, zooals men hem noemt. 't Was +de bisschop de la Majore van Marseille. 't Is de pastoor, die boven +de pastoors is. Vergeving, ge weet het beter; ik druk mij misschien +niet goed uit, maar die dingen zijn voor mij te hoog.--Ge begrijpt, +voor onze soort.--Hij deed midden in het bagno de mis, en hij had een +spits ding van goud op het hoofd. Het glinsterde in de middagzon. Wij +stonden aan drie zijden in 't gelid, tegenover ons de geladen kanonnen +met brandende lont. Wij konden niet goed zien. Hij sprak, maar hij +was te ver en wij konden hem niet verstaan. Dat is nu een bisschop." + +Terwijl hij sprak, had de bisschop de deur gesloten, die wijd open +was gebleven. + +Magloire kwam terug, met bord, lepel, vork en mes, en legde 't op +de tafel. + +"Magloire." zei de bisschop, "zet dit bord zoo dicht mogelijk bij het +vuur." En zich tot zijn gast wendende:--"De nachtwind is guur in de +Alpen. Ge moet koud zijn, mijn vriend?" + +Telkens wanneer hij dit woord met zijn minzame, ernstige stem en +op hartelijken toon tot den man sprak, glinsterde diens gelaat. 't +Woord "vriend" is voor den tuchteling als een glas water voor een +schipbreukeling der Medusa. De schande dorst naar eer. + +"Deze lamp brandt slecht," zei de bisschop. + +Magloire begreep hem en ging om van den schoorsteen in de slaapkamer +van Monseigneur de twee zilveren kandelaars te halen, welke zij met +brandende kaarsen op de tafel plaatste. + +"Ge zijt wel zeer goed, mijnheer de pastoor, gij veracht mij niet," +zei de man. "Gij ontvangt mij in uw huis. Ge ontsteekt uw waskaarsen +voor mij. Ik heb u evenwel niet verborgen, van waar ik kom en dat ik +een ongelukkige ben," + +De bisschop, die naast hem zat, legde zacht de hand op de zijne en +zeide:--"Ge behoefdet mij niet te zeggen wie ge zijt. Dit is niet +mijn huis, maar het huis van Jezus Christus. Deze deur vraagt den +binnentredende niet, hoe hij heet; maar of hij lijdt. Gij lijdt, +gij hebt honger en dorst; ge zijt dus welkom. Dank mij niet; zeg +niet, dat ik u in mijn huis ontvang. Niemand is hier te huis, dan +hij die een schuilplaats noodig heeft. Ik zeg u, die hier doortrekt, +dat ge hier meer in uw huis zijt dan ik, die hier woon. Al wat hier +is, komt u toe. Wat heb ik dus noodig uw naam te weten? Overigens, +voor ge mij dien zeidet, hadt ge er een, dien ik kende." + +De man opende wijd de oogen, en vroeg: + +"Waarlijk! wist ge hoe ik heet?" + +"Ja," antwoordde de bisschop, "gij heet mijn broeder." + +"Zie, mijnheer de pastoor!" riep de man, "toen ik hier kwam had ik +grooten honger, maar ge zijt zoo goed, dat ik nu niet meer weet wat +ik heb; 't is over." + +De bisschop zag hem aan en zeide: + +"Gij hebt veel geleden?" + +"O, het roode buis, de kogel aan den voet, een plank om op te slapen, +hitte, koude, arbeid, het roeien, de stokslagen, de dubbele keten +voor niets, het cachot voor een woord, zelfs de ketens, als men ziek +te bed ligt. De honden, de honden zijn gelukkiger! negentien jaar! ik +ben zesenveertig jaar oud. En nu de gele pas!" + +"Ja," hernam de bisschop, "gij komt uit een treurige plaats. Maar +luister! In den hemel zal meer vreugd zijn over het beschreid +gelaat van één zondaar die zich bekeert, dan over het witte kleed +van negenennegentig rechtvaardigen. Zoo ge dat smartelijke oord +hebt verlaten vol haat en vijandschap tegen de menschen, zijt ge +medelijdenswaard; zoo ge het hebt verlaten met goede, liefderijke en +vreedzame gedachten, zijt ge meer waardig dan een onzer." + +Intusschen had Magloire het avondeten opgedragen: een soep, +bestaande uit water, olie, brood en zout; een weinig spek, een stukje +schapenvleesch, vijgen, versche kaas en een groot roggebrood. Zij had +er, naar de gewoonte van den bisschop, een flesch ouden Mauveswijn +bijgevoegd. + +Thans nam het gelaat des bisschops de opgeruimde uitdrukking aan, +die aan gastvrije menschen eigen is:--Nu aan tafel! riep hij levendig, +zooals hij gewoon was, wanneer hij een gast ten eten had. Hij plaatste +den vreemdeling aan zijn rechterhand. Baptistine, die nu volkomen +gerust en in haar gewone gemoedsstemming was, zette zich aan zijn +linkerzijde. + +De bisschop sprak het gebed, toen bediende hij, als naar gewoonte, +ieder van soep. De man at gulzig. + +Eensklaps zei de bisschop:--Maar mij dunkt, dat er iets op tafel +ontbreekt. + +Inderdaad, Magloire had niet meer dan de noodige drie lepels en vorken +op tafel gelegd. 't Was echter in dit huis gebruikelijk, dat, wanneer +de bisschop iemand ten eten had, de zes zilveren lepels en vorken op +den disch werden gelegd. Dit vertoon van weelde was in dit ernstig, +vriendelijk huis een onschuldig kinderlijk genoegen, 't welk aan de +armoede waardigheid verleende. + +Magloire begreep de aanmerking, verwijderde zich zonder een woord te +zeggen, en een oogenblik later blonk het door den bisschop verlangde +zilverwerk voor ieder der drie dischgenooten op het tafellaken. + + + + + + +VIERDE HOOFDSTUK. + +BIJZONDERHEDEN AANGAANDE DE KAASMAKERIJEN TE PONTARLIER. + + +Om een denkbeeld te geven van 't geen nu aan tafel plaats had, kunnen +wij niets beter doen dan hier eenige zinsneden uit een brief van +mejuffrouw Baptistine aan mevrouw de Boischevron over te schrijven, +waarin het gesprek tusschen den galeiboef en den bisschop met naïeve +uitvoerigheid verhaald wordt. + + + +"... De man lette op niemand. Hij at met de gulzigheid van een +uitgehongerde. Evenwel zeide hij, toen het eten gedaan was: + +"Mijnheer de pastoor van den lieven God, dit alles is zekerlijk voor +mij te goed; maar ik moet toch zeggen, dat de voerlieden, die mij +niet aan hun disch wilden toelaten, beter eten dan gij. + +"Onder ons gezegd, deze aanmerking krenkte mij eenigszins. Mijn +broeder antwoordde: + +"Hun werk is zwaarder dan het mijne." + +"Neen," hernam de man, "zij hebben meer geld. Ge zijt arm, ik +zie 't wel. Misschien zijt gij niet eens pastoor. Zijt ge wel +pastoor? Voorwaar, zoo de hemel rechtvaardig ware, zoudt ge pastoor +moeten zijn." + +"De hemel is meer dan rechtvaardig," zei mijn broeder. + +"Een oogenblik later liet hij er op volgen: + +"Vriend Valjean, ge gaat naar Pontarlier, niet waar? + +"Volgens de mij voorgeschreven marschroute. + +"Ik geloof, dat de man zoo zeide. + +"Toen vervolgde hij: + +"Morgen zoodra de dag aanbreekt moet ik op weg zijn. 't Is moeielijk +reizen; des nachts koud, overdag heet." + +"Ge gaat naar een goed gewest," zei mijn broeder. Tijdens de +revolutie verloor mijn familie alles; ik nam vooreerst de wijk naar +Franche-Comté, waar ik eenigen tijd door handenarbeid leefde. Mijn +wil was goed, en ik vond er werk. Men behoeft slechts te kiezen: er +zijn papiermolens, leerlooierijen, brandewijnstokerijen, oliepersen, +groote fabrieken van uurwerken, staal- en koperfabrieken, ten minste +twintig ijzersmelterijen, waarvan vier te Lods, voorts te Chatillon, +te Audincourt, te Beure, die alle zeer belangrijk zijn... + +"Ik geloof dat ik mij niet vergis en dit de namen zijn, welke mijn +broeder noemde; toen richtte hij zich tot mij met de vraag: + +"Hebben wij in dat land niet nog verwanten, lieve zuster? + +"Ik antwoordde: + +"Wij hebben er gehad, onder anderen mijnheer de Lucenet, die tijdens +de vorige regeering te Pontarlier kapitein der poorten was. + +"Ja," hernam mijn broeder, "maar in 93 had iemand slechts zijn handen +en geen familie. Ik heb gewerkt. In de omstreken van Pontarlier, +waarheen ge gaat, vriend Valjean, wordt een zeer aartsvaderlijke en +schoone industrie uitgeoefend, namelijk de kaasmakerij." + +"Terwijl de man at, gaf mijn broeder hem eenige nauwkeurige +inlichtingen nopens die kaasmakerijen. Er zijn twee soorten:--de +groote, die aan de rijken behooren en die veertig of vijftig koeien +hebben, welke elken zomer zeven of acht duizend kazen opleveren; +en de vereenigde kaasmakerijen van de minder welgestelde boeren van +het midden-gebergte, welke hun koeien in gemeenschap houden en de +opbrengst er van deelen. Zij nemen een kaasmaker in hun dienst, dien +zij grurin noemen;--deze ontvangt driemaal daags de melk der vennooten +en teekent de hoeveelheid er van op een dubbelen kerfstok aan; tegen +het einde der maand April begint het werk der kaasmakerijen;--en +tegen half Juni drijven de kaasmakers hun koeien naar het gebergte. + +"Al etende werd de man levendiger. Mijn broeder schonk hem goeden +wijn van Mauves, dien hij zelf niet drinkt, wijl hij hem te duur +vindt. Mijn broeder zeide den man al deze bijzonderheden met zijn u +bekende gulle vroolijkheid, en mengde nu en dan onder zijn woorden +iets vleiends voor mij. + +"Hij weidde vooral uit over het goede beroep van den grurin +(kaasmaker), als wilde hij den man te verstaan geven, zonder het hem +rechtstreeks aan te raden, dat dit een uitstekend middel van bestaan +voor hem zou zijn. Één ding trof mij. De man was, wat ik u gezegd +heb. Maar mijn broeder sprak onder het eten, en ook den geheelen avond, +behalve bij zijn binnenkomen eenige woorden over Jezus, niets wat den +man kon herinneren aan 't geen hij was, noch hem kon doen weten wat +mijn broeder is. 't Was echter een goede gelegenheid geweest voor een +kleine predikatie, om den galeiboef te doen opmerken, dat hij met een +bisschop te doen had. Het zou misschien een ander zijn voorgekomen, dat +het hier, waar hij zulk een rampzalige voor zich had, zaak was geweest +zijn ziel evenzeer als zijn lichaam te voeden en hem eenige vermaningen +en zedenlessen te geven en hem aan te sporen zich voortaan beter te +gedragen. Mijn broeder vroeg hem evenmin naar zijn geboorteplaats als +naar zijn geschiedenis. Want in zijn geschiedenis lag zijn misdrijf +opgesloten, en mijn broeder scheen alles te vermijden, wat er hem aan +kon herinneren. Dit ging zelfs zoo ver, dat toen mijn broeder sprak van +de bergbewoners van Pontarlier, die "een licht werk, nabij den hemel, +hebben en die," voegde hij er bij, "gelukkig zijn door hun onschuld," +hij plotseling ophield, vreezende dat in deze woorden, welke hem +ontglipt waren, iets mocht liggen dat den man had kunnen grieven. Na +rijpe overweging meen ik begrepen te hebben, wat in het hart mijns +broeders omging. Hij meende waarschijnlijk, dat deze man, deze Jean +Valjean, maar al te veel aan zijn tegenwoordige ellende dacht, dat +het beter was er hem van af te leiden, en, al ware het maar voor een +oogenblik, hem te doen gelooven, dat hij iemand was als ieder ander, +door jegens hem als jegens ieder ander te zijn. Is dat niet inderdaad +het rechte betoon van liefdadigheid? Is er niet, lieve mevrouw, iets +waarlijk evangelisch in deze kieschheid, welke zich van prediking, +zedenlessen en toespelingen onthoudt en, zoo de mensch een pijnlijke +plek heeft, is 't niet het beste medelijden, die in 't geheel niet +aan te raken? Het scheen mij, dat dit de heimelijke bedoeling mijns +broeders was. Hoe het zij, wat ik er van zeggen kan is, dat zoo hij +zulks bedoeld heeft, hij er niets van heeft laten blijken, zelfs niet +tegen mij; hij was van 't begin tot het einde dezelfde man als elken +avond en at met dien Jean Valjean op dezelfde wijze als hij met den +heer Gédéon of met den heer pastoor der parochie zou gegeten hebben. + +"Tegen het einde van den maaltijd, toen wij aan de vijgen waren, +werd er aan de deur geklopt. 't Was vrouw Gerbaud met haar kind op +den arm. Mijn broeder kuste het kindje op 't voorhoofd en leende +van mij vijftien stuivers, die ik in mijn beurs had, om ze aan +vrouw Gerbaud te geven. De man sloeg weinig acht op dit alles. Hij +sprak niet meer en scheen zeer vermoeid. Toen de arme oude vrouw +Gerbaud vertrokken was, dankte mijn broeder, en zich daarna tot +den man wendende zeide hij: ge hebt er zeker groote behoefte aan, +naar bed te gaan. Magloire nam schielijk de tafel af. Ik begreep dat +wij ons moesten verwijderen om den reiziger naar bed te laten gaan, +en wij gingen beiden naar boven. Een oogenblik later zond ik echter +Magloire terug, om op het bed van dien man het vel eener reegeit uit +het Schwarzwald te leggen, dat in mijn kamer ligt. De nachten zijn +koud en zulk een vel verwarmt. 't Is jammer, dat het zoo oud is; +het verliest al zijn haar. Mijn broeder heeft het gekocht toen hij +in Duitschland was, te Tottlingen, nabij de bronnen van den Donau, +zooals ook het mesje met ivoren hecht, waarvan ik mij aan tafel bedien. + +"Magloire kwam spoedig terug, en wij deden ons gebed in de zaal waar +het linnen wordt gedroogd, waarna wij elk naar onze kamer gingen, +zonder een woord te spreken." + + + + + + +VIJFDE HOOFDSTUK. + +GERUSTHEID. + + +Na zijn zuster goeden nacht te hebben gezegd, nam Monseigneur Bienvenu +een der zilveren kandelaars van de tafel, gaf den anderen aan zijn +gast en zeide: + +"Ik zal u naar uw kamer brengen, mijn vriend!" + +De man volgde hem. + +Zooals men in het voorafgaande heeft kunnen opmerken, was de woning +zoodanig ingericht dat men, om in de bidkamer waar de alkoof was te +komen, de slaapkamer van den bisschop moest doorgaan. + +Juist toen hij door die kamer ging, sloot Magloire het zilverwerk in +het kastje naast het bed. Dit was het laatste, wat zij iederen avond +verrichtte, vóór zij naar bed ging. + +De bisschop geleidde zijn gast naar de alkoof, waar een helder, +frisch bed was gespreid. De man zette den kandelaar op een tafeltje. + +"Nu," zei de bisschop, "ik wensch u een goeden nacht. Morgen vroeg, +vóór gij heengaat, zult ge een kom warme melk van onze koeien te +drinken hebben." + +"Ik dank u, mijnheer de pastoor," zei de man. + +Nauwelijks had hij deze vreedzame woorden gezegd, toen zich plotseling +en zonder eenige aanleiding een zonderling gevoel van hem meester +maakte, een gevoel, dat de twee vrome dochters, zoo zij er getuigen +van waren geweest, met schrik zou vervuld hebben! Zelfs thans nog zou +'t ons moeielijk zijn, een verklaring te geven van 't geen hem in dien +oogenblik bewoog. Wilde hij waarschuwen of dreigen? Gehoorzaamde hij +eenvoudig aan een soort van instinctmatige, hem zelven onverklaarbare +aandrift? Hij keerde zich eensklaps naar den bisschop om,--kruiste +de armen, en zijn gastheer met een wilden blik aanziende, riep hij +hem met een ruwe stem toe: + +"Zoo, ge wilt mij dus stellig huisvesten; en zoo dicht bij u?" + +Hij hield eensklaps op, en hernam toen met een vreeselijken lach : + +"Hebt ge u wel goed bedacht? Wie zegt u, dat ik geen moordenaar ben?" + +De bisschop antwoordde: + +"Dit is de zaak van den goeden God." + +Toen, de lippen bewegende als iemand die bidt of bij zich zelven +spreekt, hief hij ernstig de twee voorste vingers zijner rechterhand +op en zegende den man, die niet boog; en zonder het hoofd te wenden, +of achterom te zien, trad hij zijn kamer binnen. Wanneer iemand in de +alkoof sliep, was het altaar achter een groot sergen gordijn, dat van +den eenen kant der bidkamer tot den anderen reikte, verborgen. Voor +dit gordijn gekomen knielde de bisschop en deed een kort gebed. + +Een oogenblik later was hij in zijn tuin, daar wandelend, peinzend, +aanschouwend, terwijl ziel en geest geheel vervuld waren met die +grootsche en geheimzinnige dingen, welke God des nachts hun openbaart, +wier oogen open blijven. + +Wat den vreemde betreft, hij was werkelijk zoo vermoeid, dat hij niet +eens van zijne schoone beddelakens gebruik maakte. Na met den neus, +gelijk de tuchtelingen doen, de kaars te hebben uitgeblazen, liet hij +zich geheel gekleed op het bed neervallen en geraakte spoedig in een +diepen slaap. + +Het was middernacht, toen de bisschop uit den tuin weder in zijn +kamer trad. Weinige minuten later sliep alles in het kleine huis. + + + + + + +ZESDE HOOFDSTUK. + +JEAN VALJEAN. + + +Tegen middernacht werd Jean Valjean wakker. + +Jean Valjean was van een arme boerenfamilie in la Brie. Als kind had +hij niet leeren lezen. Toen hij den mannelijken leeftijd had bereikt, +was hij boerenarbeider en boomsnoeier te Faverolles. Zijn moeder heette +Jeanne Matthieu; zijn vader Jean Valjean of Vlajean, waarschijnlijk +een bijnaam, samengetrokken uit Voilà Jean (ziedaar Jan). + +Jean Valjean was een in zich zelven gekeerd karakter, zonder juist +treurig te zijn; hij had iets dat den zachtmoedige eigen is. Over +'t geheel was hij wel eenigszins droomerig en stumperig, althans +naar het uiterlijke. Op zeer jongen leeftijd had hij zijn ouders +verloren. Zijn moeder was bij zijn geboorte gestorven, aan een koorts +die niet goed behandeld was. Zijn vader, evenals hij een boomsnoeier, +was uit een boom gevallen en daardoor gestorven. Aan Jean Valjean bleef +toen slechts een oudere zuster over, die weduwe was met zeven kinderen, +jongens en meisjes. Deze zuster had Jean Valjean opgevoed, en, zoolang +haar man leefde, aan haar jongeren broeder woning en kost gegeven. Haar +man stierf. De oudste der zeven kinderen was acht jaar, de jongste +één jaar oud. Jean Valjean was toen in zijn vijf-en-twintigste. Hij +verving den vader, en ondersteunde nu op zijn beurt zijn zuster, +die hem had opgevoed. Jean Valjean achtte dit eenvoudig zijn plicht +en volbracht dien, schoon hij er ook een weinig onder gedrukt ging. + +Aldus ging zijn jeugd in zwaren, slecht betaalden arbeid voorbij. Men +wist in zijn woonplaats niet dat hij ooit een meisje bemind had. Hij +had geen tijd om verliefd te zijn. + +Des avonds kwam hij vermoeid te huis en at zijn soep zonder een woord +te spreken. Zijn zuster, moeder Jeanne, nam vaak, terwijl hij at, +het beste van zijn maal, een stukje vleesch, een sneetje spek, het +hart der kool, uit zijn schotel, om 't aan een van haar kinderen te +geven. Hij at steeds voort, over de tafel gebogen, schier met het +hoofd in den schotel, zoodat zijn lang haar over zijn oogen hing, +waardoor hij niets scheen te zien en alles zijn gang liet gaan. + +Te Faverolles, niet ver van de hut van Valjean, aan de overzijde, +woonde een boerin, Marie Claude. De steeds hongerige kinderen Valjean +gingen soms op naam hunner moeder bij Marie Claude een pint melk +borgen, welke zij achter een heg of in een verscholen hoek opdronken, +waarbij ze elkander dikwijls den pot uit de hand trokken en zoo +gulzig waren, dat de kleinere meisjes de melk over haar boezelaars +stortten. Zoo de moeder achter deze ondeugende streken ware gekomen, +zou zij de schuldigen streng gestraft hebben, maar Jean Valjean, +hoewel er over knorrend en brommend, betaalde buiten weten der moeder +aan Marie Claude de pint melk, en de kinderen werden niet gestraft. + +In den snoeitijd verdiende hij achttien stuivers daags, daarna +verhuurde hij zich als maaier, als daglooner, als stalknecht, +kortom voor al wat hij maar kon vinden. Zijn zuster werkte van +haar kant insgelijks, maar wat kon zij met zeven kleine kinderen +doen? 't Was een treurige groep, welke de ellende allengs omsloot en +verstikte. Er kwam een harde winter. Jean had geen werk. Het gezin +had geen brood. Letterlijk geen brood--en zeven kinderen! + +Op zekeren Zondagavond maakte Maubert Isabeau, de bakker op het +kerkplein te Faverolles, zich gereed om naar bed te gaan, toen hij +een harden slag tegen het getralied venster van den winkel hoorde. Hij +kwam tijdig genoeg om nog een arm te zien die door een vuistslag een +opening in het traliewerk en in het glas had gemaakt. De arm greep +een brood en nam het mede. Isabeau liep naar buiten; de dief vluchtte +zoo hard hij kon; Isabeau liep hem na en vatte hem. De dief had het +brood weggeworpen; maar zijn arm bloedde nog. 't Was Jean Valjean. + +Dit gebeurde in 1795. Jean Valjean werd voor de rechtbank van dien +tijd gevoerd, wegens "diefstal des nachts, gepaard met inbraak, in +een bewoond huis." Hij had een geweer en was een uitstekend schutter; +hij was min of meer als strooper bekend. Dit was zijn ongeluk. Er +bestaat tegen stroopers een rechtmatig vooroordeel. De strooper, +evenals de sluiker, wordt bijna met een roover gelijkgesteld. + +In 't voorbijgaan merken wij echter op, dat tusschen de eerste soort +van misdadigers en den afschuwelijken moordenaar der steden een +groote klove bestaat. De strooper leeft in de bosschen; de sluiker +leeft in het gebergte of op zee. De steden brengen wreede menschen +voort, wijl zij bedorven menschen voortbrengen. Het gebergte, de zee, +het woud maken de menschen ruw; zij ontwikkelen den woesten aard, +doch meestal zonder het menschelijke gevoel te vernietigen. + +Jean Valjean werd schuldig verklaard. De termen van het wetboek +spraken duidelijk. In onze beschaving zijn vreeselijke oogenblikken: +'t zijn die, waarin de strafwet een schipbreuk uitspreekt. Welk een +ontzettende minuut, wanneer de maatschappij zich van een denkend wezen +terrugtrekt en het voor altijd verstoot. Jean Valjean werd tot vijf +jaren galeistraf veroordeeld. + +Den 22 April 1796 riep men te Parijs de overwinning van Montenotte uit, +behaald door den opperbevelhebber van het Italiaansche leger, dien de +boodschap van het directoire aan de Vijfhonderd, den 2 floreal van +het jaar IV, Buona-Parte noemt. Dienzelfden dag werd te Bicêtre een +lange keten van tuchtelingen aaneengesmeed. Jean Valjean behoorde +tot dien keten. Een oud oppasser dier gevangenis, die thans bijna +negentig jaar oud is, herinnert zich nog duidelijk den ongelukkige, +die in den noorderhoek der binnenplaats aan 't uiterste punt der +vierde keten geklonken werd. Evenals de overigen zat hij op den grond +en scheen van zijn toestand geen ander begrip te hebben, dan dat die +vreeselijk was. Waarschijnlijk stelde zich de benevelde verbeelding van +den armen, geheel onwetenden man, ook iets overdrevens voor. Terwijl +men achter zijn hoofd met zware hamerslagen den klinknagel in den +ijzeren halsbeugel dreef, weende hij; hij stikte in zijn tranen +die hem beletten te spreken, slechts nu en dan gelukte het hem te +stamelen: Ik was boomsnoeier te Faverolles. Snikkend hief hij toen zijn +rechterhand op en liet ze zevenmaal lager en lager dalen, als legde +hij ze achtereenvolgens op zeven hoofden van ongelijke hoogte; en men +leidde uit dit gebaar af, dat, welke zijn misdaad ook mocht wezen, +hij ze gepleegd had om zeven kleine kinderen te kleeden en te voeden. + +Hij ging naar Toulon. Na een reis van zeven-en-twintig dagen kwam +hij hier aan, op een kar, met de keten aan den hals. Te Toulon werd +hij in het roode buis gekleed. Alles wat zijn leven was geweest, +werd uitgewischt, zelf zijn naam; hij was niet meer Jean Valjean; +hij was nummer 24601. Wat werd er van zijn zuster? Wat werd er van +de zeven kinderen? Wie bekommert zich hierover? Wat wordt van de +bladeren des jongen booms, dien men van den stam afzaagt? + +'t Is altijd dezelfde geschiedenis! Deze arme levende wezens, deze +schepselen Gods, voortaan zonder steun, zonder leidsman, zonder +toevlucht, gingen, wie weet? ieder afzonderlijk misschien, op goed +geluk af, hun weg, en zonken allengs in dien kouden nevelweg, waarin +achter elkander zoovele ongelukkige hoofden op den donkeren weg van +het menschelijk geslacht verdwijnen. Zij verlieten hun woonplaats. De +kerktoren van hun dorp vergat hen; de grenspaal van hun akkertje vergat +hen. Zelfs Jean Valjean, na eenige jaren verblijf in het bagno, vergat +hen. De wond van zijn hart was in een litteeken overgegaan. Dit +was alles. Gedurende den tijd, dien hij te Toulon doorbracht, +hoorde hij nauwelijks eenmaal van zijn zuster spreken. Ik geloof, +dat het tegen 't einde van het vierde jaar zijner gevangenschap was; +ik weet niet meer op welke wijze hem dat bericht toekwam. Iemand, +die hen in hun woonplaats had gekend, had zijn zuster te Parijs +gezien, waar zij in een armoedige straat bij de kerk St. Sulpce, +in de straat du Geindre, woonde. Zij had slechts één kind bij zich, +het jongste, een knaapje. Waar waren de zes anderen? Zij wist het +misschien zelve niet. Elken morgen ging zij naar een drukkerij in de +straat Sabot No. 3, waar zij hielp vouwen en innaaien. Zij moest er +'s morgens om zes uur wezen, 's winters lang voor de dag aanbrak. Er +was een school in het huis, waarin zich de drukkerij bevond, en naar +die school bracht zij haar zevenjarig zoontje. Maar aangezien de +school eerst te zeven uren begon en zij te zes uren in de drukkerij +moest wezen, moest het kind een uur op de binnenplaats wachten tot +de school geopend werd; des winters een uur in den donker, in de open +lucht. Men wilde het kind in de drukkerij niet toelaten, wijl het, zoo +zeide men, hinderlijk was. Des morgens zagen de drukkersgezellen in 't +voorbijgaan den armen kleine, nog half-slapend op den grond zittende, +of geheel ingeslapen in een hoek op zijn mandje ineengedoken. Als 't +regende had een oude vrouw, de portierster, medelijden met hem, zij nam +hem in haar armoedig kamertje, waarin niets was dan een stroomatras, +een spinnewiel en twee houten stoelen. Daar sliep de kleine dan in een +hoek, zich dicht tegen de kat aan vlijende om zich te warmen. Te zeven +uren werd de school geopend en hij ging er in. Dat verhaalde men aan +Jean Valjean; 't was voor hem een oogenblik, een bliksemstraal, iets +als een opengerukt venster, 't welk hem het lot vertoonde der wezens, +welke hij bemind had, en dat zich dadelijk weder sloot. Nooit hoorde +hij verder iets van hen, hij zag hen nooit weder, ontmoette hen nooit, +en men zal ze in den loop dezer treurige geschiedenis niet wedervinden. + +Tegen het einde van het vierde jaar vond Jean Valjean gelegenheid om +te ontvluchten. Zijn kameraden waren hem daarbij behulpzaam, zooals +'t in die treurige plaats meer voorkomt. Hij vluchtte, hij zwierf +twee dagen in vrijheid op het veld, zoo het vrijheid kon heeten, +vervolgd te worden, elk oogenblik angstig om te zien, bij ieder +gerucht te schrikken, voor alles bevreesd te zijn, voor den rookenden +schoorsteen, voor den voorbijganger, voor den blaffenden hond, voor +het galoppeerend paard, voor de slaande klok, voor den dag, wijl men +dan ziet, voor den nacht, wijl men dan niet ziet, voor den weg, voor +het pad, voor de haag, voor den slaap. Des avonds van den tweeden dag +werd hij weder gevangen. Hij had in zes-en-dertig uren niet gegeten +noch geslapen. Het maritime gerechtshof veroordeelde hem wegens dat +misdrijf tot een driejarige vermeerdering van straf, zoodat hij nu acht +jaren had. In het zesde jaar bood zich de gelegenheid weder aan om te +vluchten; hij maakte er gebruik van, doch zijn vlucht mislukte. Hij +ontbrak op het appèl. Het kanon werd gelost en des nachts vond de ronde +hem onder de kiel van een op de helling staand schip; hij verzette zich +tegen de gevangenbewaarders, die hem grepen. Dit was alzoo ontvluchting +en weerspannigheid. Dit feit, waartegen door de bijzondere strafwet +voorzien was, werd met een vermeerdering van vijf jaren gestraft, +waarvan twee met dubbelen ketting. Dertien jaren. In het tiende jaar +kwam hij weder in de gelegenheid, hij maakte er nogmaals gebruik +van. Het gelukte hem niet beter, en hij kreeg drie jaren voor deze +nieuwe poging. Zestien jaar. Eindelijk was 't, geloof ik, in het +dertiende jaar, dat hij een laatste poging waagde, die hem slechts +gelukte om zich vier uren later weder te zien vatten. Drie jaren voor +deze vier uren. Negentien jaren. In October 1815 werd hij ontslagen; +hij was er in 1796 gekomen, wijl hij een vensterruit gebroken en een +brood gestolen had. + +Geven wij hier aan een kleine aanmerking plaats. Dit is de tweede +maal, dat de schrijver van dit boek bij zijn studiën over strafrecht +en veroordeeling door de wet, het stelen van een brood als aanvang +vindt van het ongeluk eens menschenlevens. Claude Queux had een +brood gestolen; Jean Valjean had een brood gestolen. Een Engelsche +statistiek toont aan, dat te Londen vier diefstallen van de vijf uit +honger bedreven worden. + +Snikkende en bevende was Jean Valjean in het bagno aangekomen; +gevoelloos verliet hij het. Hij was er wanhopend ingegaan; somber +ging hij er uit. + +Wat was er in zijn ziel omgegaan? + + + + + + +ZEVENDE HOOFDSTUK. + +EEN BLIK IN DE WANHOOP. + + +Wij zullen er een verklaring van trachten te geven. + +De maatschappij is wel verplicht deze zaken te overwegen, daar ze +door haar voortgebracht worden. + +Jean Valjean, zooals gezegd is, was onwetend, doch niet zwak van +geest. Het natuurlijke licht flikkerde in hem. En het ongeluk, dat +ook zijn schijnsel heeft, vermeerderde de helderheid, welke in zijn +geest bestond. Onder den stok, in de ketenen, in het cachot, bij den +arbeid, onder de brandende zon van het bagno, op het planken bed der +tuchtelingen, trok hij zich in zich zelven terug en dacht na. Hij +verhief zich zelven tot rechtbank; hij begon zich zelven te oordeelen. + +Hij erkende, dat hij geen onschuldige, onrechtvaardig gestrafte +was. Hij stemde toe, dat hij een uiterst lakenswaardige daad +gepleegd had, dat men hem misschien dat brood niet geweigerd zou +hebben, zoo hij het gevraagd had; dat het in allen gevalle beter +was geweest, het óf van het medelijden óf van den arbeid te wachten; +dat het ontegensprekelijk geen voldoende reden is te zeggen: kan men +wachten, wanneer men honger heeft? Dat het ten eerste zelden gebeurt, +dat men letterlijk van honger sterft; dat ten tweede--gelukkig of +ongelukkig?--de mensch zoodanig is geschapen, dat hij, zedelijk en +lichamelijk, veel en lang lijden verduren kan, zonder te sterven; +dat men dus geduld moet hebben; dat dit voor de arme kleine kinderen +beter ware geweest; dat het van hem, nietig, ongelukkig mensch, een +dwaze daad was geweest, zich gewelddadig aan de geheele maatschappij +te vergrijpen en zich te verbeelden, dat men door diefstal aan de +armoede ontkomt; dat het in allen gevalle een verkeerde deur is, door +welke men, om uit de armoede te geraken, die der schande binnengaat; +kortom, dat hij ongelijk had gehad. + +Voorts vroeg hij zich af: + +Of hij de eenige was, die in zijn rampzalige geschiedenis ongelijk +had gehad? Of 't, in de eerste plaats, niet een zeer erg geval was +geweest, dat hij, een ijverig arbeider, geen werk en brood had kunnen +vinden? Of voorts de gepleegde en bekende daad niet wreed en overmatig +streng gestraft was? Of er niet meer verkeerds in de wet was, ten +opzichte der straf, dan er verkeerds was geweest bij den schuldige, +in zijn misdrijf? Of niet in een der schalen, die der boete, een +te zwaar gewicht was gelegd? Of de overmaat der straf het misdrijf +niet uitgewischt had, en tengevolge had gehad, dat de toestand was +omgekeerd, door in de plaats van de schuld des misdadigers de schuld +van den straffende te stellen, van den schuldige het slachtoffer en van +den debiteur den crediteur te maken, zoodat ten slotte het recht aan de +zijde van hem kwam, die het geschonden had? Of deze straf, in verband +met de verzwaring wegens de herhaalde pogingen ter ontvluchting, niet +ten laatste een soort van aanslag van den sterkere op den zwakkere +werd, een misdaad der maatschappij tegen het individu, een misdaad +die zich iederen dag herhaalde, een misdaad die negentien jaren duurde? + +Hij vroeg aan zich zelf, of de maatschappij het recht mocht hebben, +haar leden te doen boeten èn voor haar schandelijke verwaarloozing +èn voor haar onbarmhartige voorzorgsmaatregelen, en den arme steeds +tusschen gebrek en overmaat mocht plaatsen: gebrek aan werk en overmaat +van straf? + +Of 't niet ongehoord was, dat de maatschappij juist diegenen harer +leden zoo behandelde, welke, bij de verdeeling der goederen door het +lot, het slechtst waren bedacht, en bijgevolg het meeste recht op +toegevendheid hadden? + +Na zich deze vragen gesteld en ze beantwoord te hebben, sprak hij het +vonnis uit over de maatschappij en veroordeelde haar. Hij veroordeelde +haar tot zijn haat. Hij stelde haar verantwoordelijk voor het lot, +dat hij onderging, en zeide bij zich zelven, dat hij misschien niet +zou aarzelen eenmaal rekenschap van haar te vorderen. Hij verklaarde +voor zich zelven, dat er geen evenwicht bestond tusschen het nadeel +dat hij berokkend had en 't nadeel dat men hem berokkende; eindelijk +besloot hij, dat zijn straf wel is waar geen onrechtvaardigheid, +maar zekerlijk een onbillijkheid was. + +De toorn kan soms dwaas en ongerijmd zijn; men kan ten onrechte +vertoornd wezen. Verontwaardigd is men slechts, wanneer men in den +grond aan een of andere zijde recht heeft. Jean Valjean gevoelde +zich verontwaardigd. + +De maatschappij had hem bovendien niets dan kwaad gedaan; nooit had +hij van haar iets gezien dan dat vertoornd gelaat, 't welk men de +gerechtigheid noemt en dat zij hun toont, welke zij treft. De menschen +hadden hem slechts aangeraakt om hem te kwetsen. Iedere aanraking +met hen was voor hem een slag geweest. Nooit had hij, sedert zijn +kindsheid, sedert zijn moeder, sedert zijn zuster, een vriendelijk +woord, een welwillenden blik gevonden. Van leed tot leed was hij +allengs tot de overtuiging gekomen, dat het leven een strijd was, en +hij in den strijd de overwonnene. Hij had geen ander wapen dan zijn +haat. Hij nam voor, dien in het bagno te scherpen en mede te nemen, +wanneer hij ging. + +Te Toulon was een school voor de galeislaven, die door de broeders +Ignorantijnen werd gehouden, en waarin het noodzakelijkst onderricht +werd gegeven aan die ongelukkigen, welke zulks begeerden. Hij behoorde +tot dit getal. Op veertigjarigen ouderdom ging hij naar school en +leerde lezen, schrijven en rekenen. Hij begreep dat, door zijn verstand +te versterken, hij zijn haat verscherpte. In sommige omstandigheden +kunnen onderwijs en kennis dienen om het kwaad te vergrooten. + +'t Is treurig te moeten zeggen, dat, nadat hij de maatschappij had +gevonnist, die hem ongelukkig had gemaakt, hij de Voorzienigheid +vonniste, die de maatschappij had gemaakt, en dat hij ook haar +veroordeelde. + +Zoo steeg zijn geest en zonk tegelijkertijd, gedurende deze +negentienjarige foltering en slavernij. Aan de eene zijde nam het +licht, aan de andere zijde de duisternis toe. + +Zooals men gezien heeft, was Jean Valjean niet slecht van aard. Hij +was nog goed toen hij in het bagno kwam. Hij veroordeelde er de +maatschappij, en gevoelde dat hij slecht werd; hij veroordeelde er +de Voorzienigheid, en gevoelde dat hij goddeloos werd. + +'t Is moeielijk hier niet een oogenblik over na te denken. + +Verandert de menschelijke natuur zoo geheel en al? Kan de mensch, +door God goed geschapen, door den mensch slecht worden gemaakt? Kan +de ziel door het lot geheel anders en slecht worden, wanneer het +lot slecht is? kan het hart wanschapen worden, en zwakheden en +ongeneeslijke gebreken krijgen onder den druk van een ontzaglijk +ongeluk, gelijk de ruggegraad bij een te zwak steunsel? Zijn er +niet in iedere menschelijke ziel, waren er niet in de ziel van Jean +Valjean in 't bijzonder, een eerste vonk, een goddelijk beginsel, +onverderfelijk in deze wereld, onsterfelijk in de andere, die het +goede kunnen ontwikkelen, aanblazen en schitterend doen lichten, +en die het kwaad nooit geheel kunnen uitdooven? + +Ernstige, moeielijke vragen, op de laatste waarvan ieder physioloog +waarschijnlijk en zonder aarzeling "neen" zou geantwoord hebben, +zoo hij te Toulon in de rusturen, die voor Jean Valjean uren van +bespiegeling waren, dezen somberen, ernstigen, stillen en peinzenden +tuchteling, dezen paria der wetten, die den mensch met toorn, dezen +doemeling der beschaving, die den hemel wrokkend aanschouwde, gezien +had, met over elkander geslagen armen op den boom van een kaapstander +gezeten, met het eind van zijn ketting in den zak, opdat hij niet +nasleepte. + +Voorwaar, wij willen het niet ontveinzen, de opmerkende physioloog zou +hier een onherstelbare ellende hebben gezien; hij zou misschien dezen, +door de wet ziek gemaakten mensch beklaagd, maar hij zou niet gepoogd +hebben hem te genezen; hij zou zijn blik hebben afgewend van de donkere +holen dezer ziel; en, gelijk Dante van de poorten der hel, zou hij van +dit menschenleven het woord hebben gewischt, dat Gods vinger evenwel op +'t hoofd van ieder mensch heeft geschreven, het woord: Hoop! + +Was deze zieletoestand, welke wij gepoogd hebben te beschrijven, voor +Jean Valjean even duidelijk en klaar als wij getracht hebben dien +onzen lezers voor te stellen? Zag Jean Valjean onderscheidenlijk al +de grondelementen, waaruit zijn zedelijke ellende bestond, nadat ze +zich gevormd had, en had hij duidelijk gezien hoe ze zich vormde? Had +deze ruwe, onbeschaafde man zich nauwkeurig rekenschap gegeven van +de gedachtenreeks langs welke hij trapsgewijze was gekomen, tot +die sombere aanschouwingen, welke sinds zoovele jaren de inwendige +horizont van zijn geest uitmaakte. + +Was hij zich wel bewust van alles wat in hem was omgegaan en zich in +hem bewoog? Wij zouden het niet durven zeggen; wij gelooven het zelfs +niet. Jean Valjean was te onwetend, dan dat hij, zelfs na zoovele +rampen, niet omtrent vele zaken nog in 't duister zou zijn. Vaak +wist hij zelf niet recht wat hij gevoelde. Jean Valjean was in de +duisternis; in de duisternis leed hij; in de duisternis haatte hij; +men zou kunnen zeggen, dat hij alles rondom zich haatte. Hij leefde +bestendig in deze duisternis, en tastte rond, als een blinde, als +een droomende. Slechts van tijd tot tijd overviel hem eensklaps, +'t zij uit zich zelven of van buiten, een opwelling van toorn, +een vermeerdering van lijden, een flauwe, vluchtige bliksemstraal, +die geheel zijn ziel verlichtte, en hem overal, voor en achter, de +afgrijselijke afgronden en het donker verschiet van zijn lot vertoonde. + +Was de bliksem voorbij, dan werd het weder nacht. Waar was hij dan? Hij +wist het niet. + +Het eigenaardige van zulk een lijden, waarbij het onverbiddelijke, het +verstompende de hoofdrol speelt, is, dat door een soort van onmerkbare +gedaanteverwisseling de mensch allengs in een wild dier herschapen +wordt. Soms in een wreed dier. De herhaalde en hardnekkige pogingen van +Jean Valjean ter ontvluchting zouden voldoende zijn om deze vreemde +uitwerking der wet op de menschelijke ziel te bewijzen. Jean Valjean +zou deze zoo geheel en al nuttelooze en dwaze pogingen even dikwerf +hebben herhaald, als de gelegenheid er zich toe had aangeboden, +zonder een oogenblik aan de gevolgen of aan de opgedane ondervinding +te denken. Hij vluchtte onnadenkend, gelijk de wolf die zijn hok open +vindt. Het instinct zeide hem: Vlucht! De rede zou hem gezegd hebben: +Blijf! Maar bij zulk een sterke verzoeking, was de rede verdwenen; +alleen het instinct was gebleven. Alleen het dier handelde. En wanneer +hij weder gevat was, dienden de nieuwe strengheden, waaraan men hem +onderwierp, slechts om hem nog woester te maken. + +Een bijzonderheid, welke wij niet mogen vergeten, was dat hij +een lichaamskracht bezat, waarin geen ander der tuchtelingen hem +evenaarde. Bij den arbeid, bij het vieren van een kabel, het draaien +van een kaapstander, gold Jean Valjean voor vier man. Somwijlen tilde +hij een ontzettenden last op en droeg dien op den rug; bij zekere +gelegenheid deed hij als een windas dienst. Zijn kameraden hadden +hem dan ook den bijnaam van "Windas" gegeven. + +Eens, dat het balkon van het stadhuis te Toulon werd hersteld, +geraakte een der fraaie kariatiden, welke dat balkon steunen, los +en zou gevallen zijn. Maar Jean Valjean, die daar tegenwoordig was, +hield de kariatide zoo lang met zijn schouder tegen, dat de werklieden +tijd hadden er bij te komen. + +Zijn lenigheid overtrof nog zijn lichaamskracht. Sommige tuchtelingen, +die eeuwig aan ontvluchting denken, maken ten laatste van de +lichaamskracht, met behendigheid vereenigd, een soort wetenschap. 't +Is de wetenschap der spieren. Een geheele cursus van statica wordt +dagelijks heimelijk door de gevangenen beoefend, deze eeuwige benijders +van vliegen en vogels. + +Een loodrechte steilte te beklimmen en steunpunten te vinden, +waar nauwelijks een oneffenheid te zien was, was voor Jean Valjean +kinderspel. Was hij aan den kant van een muur, dan schoof en trok hij +zich, door inspanning van rug en knieën, terwijl hij de ellebogen en +hielen tegen de ruwe steenen klemde, als door tooverkunst tot een +derde verdieping verder. Meermalen klom hij op deze wijze tot aan +het dak van het bagno. + +Hij sprak weinig en lachte nooit. Er was iets zeer bijzonders noodig +om hem een paar keeren in 't jaar dien akeligen glimlach van den +tuchteling te ontlokken, die als een echo van den lach des duivels +is. Hij scheen immer iets vreeselijks voor zich te zien. Hij was in +waarheid in gedachten verdiept. + +Door de ziekelijke voorstellingen zijner onvolmaakte natuur en van +zijn gedrukten geest gevoelde hij duidelijk dat iets ontzettends op +hem lag, zonder te weten wat. In het vale, sombere halfdonker, waarin +hij voortkroop, zag hij, telkens wanneer hij zich omkeerde en zijn +blik poogde op te heften, tevens met ontzetting en woede boven zijn +hoofd een onafzienbaar vreeselijk steile opeenstapeling van dingen: +wetten, vooroordeelen, menschen en feiten, welker omtrekken hem niet +duidelijk waren, welker menigte hem verschrikte, en dat niets anders +was dan de wonderbare piramide, die wij beschaving noemen. Hier en +daar onderscheidde hij in dit wemelend wanstaltig geheel, nu eens +in zijn nabijheid, dan veraf en op onbereikbare vlakten, een helder +verlichte groep of eenig voorwerp, hier den opzichter met zijn stok, +dáár den gendarm met zijn sabel, ginds den gemijterden aartsbisschop, +zeer hoog boven dezen, in een soort van stralenkrans, den gekroonden, +oogverblindenden keizer. Het scheen hem alsof deze verre glans, +in plaats van de duisternis te verdrijven, haar vreeselijker en +donkerder maakte. Alles, wetten, vooroordeelen, feiten, menschen, +dingen, dat alles bewoog zich heen en weder boven hem, al naar de +ingewikkelde, verborgene beweging, welke God aan de beschaving geeft, +en vertrad en verpletterde hem met een soort van koele wreedheid en +onverbiddelijke onverschilligheid. De door de wet gebrandmerkten,--deze +in den afgrond van alle mogelijke rampen gevallenen; ongelukkigen, +in die diepten gezonken, waarin men geen blik meer slaat,--voelen op +hun hoofd de gansche zwaarte der maatschappij; zoo schrikkelijk voor +hem die er buiten, zoo ontzettend voor hem die er onder is. + +In dien toestand gaf Jean Valjean zich aan zijn overwegingen over, +en van welken aard konden die zijn? + +Zoo het gierstkorreltje onder den molensteen kon denken, zou het +zekerlijk dezelfde gedachten hebben als Jean Valjean. + +Dit alles, werkelijkheid vol spookbeelden, droombeelden +vol werkelijkheid, hadden eindelijk zijn ziel in een schier +onbeschrijfelijken toestand gebracht. + +Menigmaal hield hij plotseling te midden van zijn werk op en begon +te denken. Zijn rede, nu rijper en tevens verwarder dan vroeger, +verzette zich. Al wat hem gebeurd was, kwam hem ongerijmd voor; al +wat hem omgaf, scheen hem onmogelijk. En bij zich zelven zeide hij: +'t is een droom. Hij zag den opzichter eenige schreden van hem staan; +hij hield hem voor een spook, tot deze opzichter hem plotseling een +slag met den stok gaf. + +De zichtbare natuur bestond nauwelijks voor hem. Men zou met eenige +waarheid kunnen zeggen, dat voor Jean Valjean noch zon, noch fraaie +zomerdagen, noch een heldere hemel, noch heerlijke lentemorgens +bestonden. 't Was alsof zijn ziel gewoonlijk beschenen werd door het +licht, dat door een keldergat dringt. + +Om ten slotte al wat wij aangegeven hebben zooveel mogelijk in bepaalde +resultaten samen te vatten, zeggen wij alleen, dat Jean Valjean, +de vreedzame boomsnoeier van Faverolles, de geduchte tuchteling van +Toulon sinds negentien jaren, door de wijze, waarop het bagno hem +gevormd had, tot twee soorten van slechte handelingen in staat was +geworden: ten eerste tot een slechte, snelle, onbedachte, dolzinnige, +geheel instinctmatige handeling, een soort van wraak wegens het +ondergane leed; ten tweede tot een slechte, ernstige gewichtige, +gemoedelijk overwogene, en met de valsche denkbeelden, welke zulk een +ramp kan geven, overlegde handeling. Zijn overleggingen doorliepen +achtervolgens de drie vormen, waartoe alleen zekere karakters geschikt +zijn: denken, willen en volharden. Zijn beweegredenen waren: doorgaande +verontwaardiging, bitterheid van ziel, een diep besef der ondergane +onrechtvaardigheden, weerwraak zelfs tegen goeden, onschuldigen en +rechtvaardigen, zoo die er zijn. Het begin en het einde van al deze +gedachten was haat tegen de menschelijke wet; een haat, die, zoo hij +niet in zijn ontwikkeling wordt gestuit door bijzondere omstandigheid, +na korter of langer tijd, tot haat tegen de maatschappij, daarna tot +haat tegen het menschelijk geslacht, en eindelijk tot haat tegen +de schepping overslaat, en zich openbaart door een onbestemde, +onophoudelijke, woeste zucht om te schaden, onverschillig wat, of +welk levend schepsel.--Men ziet, dat op het paspoort Jean Valjean +niet ten onrechte een "zeer gevaarlijk mensch" werd genoemd. + +Van jaar tot jaar was zijn hart langzaam, maar op noodlottige wijze, +meer en meer verdroogd. Een droog hart, een droog oog. Toen hij het +bagno verliet, had hij in negentien jaren geen traan geweend. + + + + + + +ACHTSTE HOOFDSTUK. + +HET WATER EN DE SCHADUW. + + +Een man over boord! + +Om 't even! het schip houdt niet op. De wind blaast, het donkere +schip moet den voorgeschreven koers volgen. Het zeilt verder. + +De man verdwijnt, komt weder te voorschijn, zinkt en komt weder +boven; hij roept, strekt de armen uit; men hoort hem niet. Het schip, +dat onder den storm beeft, let slechts op zich zelf; de matrozen en +passagiers zien zelfs den zinkenden man niet meer; zijn arm hoofd +is slechts een stip in 't midden der onmetelijke golven. In de +diepte slaakt hij wanhoopskreten. Welk een gedachte, dat verdwijnend +schip! Hij oogt het in waanzinnige woede na. Het verwijdert zich, +wordt onduidelijker en kleiner. Zooeven was hij er nog op, hij +behoorde tot de bemanning, ging met de overigen heen en weder op het +dek, hij had zijn deel van lucht en zon, hij was een levende. En nu, +wat is gebeurd? Hij is gestruikeld, gevallen, en alles is gedaan. + +Hij ligt in het afschuwelijke water. Onder zijn voeten zinkt +alles weg. De door den wind gezweepte golven omgeven hem met haar +verschrikking, de diepte trekt hem aan, het schuimend water spat hem +om 't hoofd, en spuwt hem in 't aangezicht; de eene baar na de andere +overstelpt hem; telkens zinkt hij en ziet onduidelijk stikdonkere +afgronden onder zich; onbekende afgrijselijke zeeplanten vatten hem, +omstrikken zijn voeten, trekken hem tot zich; hij voelt dat hij tot den +afgrond behoort, dat hij een gedeelte van het schuim vormt, de golven +werpen hem elkander toe; hij zwelgt het zilte water in, de laaghartige +oceaan wil hem met geweld verdrinken, de onmetelijkheid speelt met +zijn doodsangst. Het schijnt, dat al dit water niets dan haat is. + +Evenwel worstelt hij. + +Hij poogt zich te verdedigen, hij beproeft boven water te blijven, +hij spant zich in en zwemt. Hij, wiens armzalige krachten zoo spoedig +zijn uitgeput, wil met het onuitputtelijke worstelen. + +Maar waar is het schip? Ginds; nauwlijks zichtbaar in de vale +duisternis van den horizont. + +De wind giert; de schuimende golven vallen op hem. Hij heft de oogen op +en ziet niets dan grijze wolken. In zijn doodsstrijd is hij de getuige +van de ontzettende woede der zee. Hij wordt door waanzin gepijnigd. Hij +hoort een voor den mensch vreemd geluid, dat van gene zijde der aarde +schijnt te komen, men weet niet uit welk vreeselijk oord. + +Er zijn vogels hoog boven de wolken, gelijk er engelen hoog boven den +menschelijken nood zijn, maar waartoe dienen zij hem? Zij vliegen, +zingen en zweven en hij--hij sterft. Hij voelt zich tegelijkertijd +door deze twee oneindigheden, den oceaan en den hemel, omgeven; +de eene is een graf, de andere is een doodskleed. + +De nacht daalt, uren lang heeft hij gezwommen; zijn krachten zijn +uitgeput; het schip, dat verwijderd voorwerp waarop menschen waren, +is verdwenen; hij is alleen in den schrikkelijken donkeren afgrond, hij +zinkt, verstijft, wringt zich, hij voelt onder zich de monsterachtige +golven van het onzichtbare; hij roept. + +Er zijn geen menschen meer. Waar is God? + +Hij roept, roept immer ... Niemand komt. + +Niets aan den horizont. Niets aan den hemel. + +Hij smeekt het uitspansel, de golven, het zeewier, de klippen; +dat alles is doof. Hij smeekt den orkaan; de onverstoorbare orkaan +gehoorzaamt alleen aan het oneindige. + +Rondom hem duisternis, nevel, eenzaamheid, het woest stormachtig +geloei, het eindeloos klotsen der verbolgen golven. In hem afgrijzen +en afmatting. Onder hem verzinking. Geen steunpunt. Hij denkt aan +'t geen het lijk in de onbegrensde duisternis te wachten heeft. De +koude verlamt hem. Zijn handen bewegen zich krampachtig; sluiten zich +en vatten niets. Winden, wolken, vlagen, hoozen, sterren, alles is +voor hem nutteloos! Wat moet hij doen? De wanhopige geeft zich over; +de uitgeputte neemt den dood aan, hij laat zich los, en de vreeselijke +diepte verzwelgt hem. + +O onbarmhartige gang der menschelijke maatschappij. Hoe vele menschen +en zielen gaan onderweg verloren! Oceaan, waarin alles valt, wat de +wet laat vallen! Heillooze verzinking der hulp! O zedelijke dood! + +De zee is de onverbiddelijke maatschappelijke duisternis, waarin de +strafwet haar veroordeelden werpt. De zee is de onmetelijke ellende. + +De ziel, die in dien afgrond wordt geworpen, kan een lijk worden. Wie +zal haar opwekken? + + + + + + +NEGENDE HOOFDSTUK. + +ANDERE GRIEVEN. + + +Toen het uur van zijn vertrek uit het bagno kwam en Jean Valjean +deze vreemde woorden: "gij zijt vrij!" hoorde, was dit voor hem een +ongelooflijk, ongehoord oogenblik, en een straal van levend licht, een +straal van het ware licht der levenden drong plotseling in hem. Doch +spoedig verbleekte deze straal. Jean Valjean was door het denkbeeld van +vrijheid verblind. Hij had aan een nieuw leven geloofd. Spoedig werd +hij gewaar, welke vrijheid het is, die men met een gelen pas geeft. + +En behalve dat, een menigte teleurstellingen. Hij had berekend, +dat, wat hij gedurende zijn verblijf in het bagno gespaard had, +honderd-een-en-zeventig francs moest bedragen. 't Is billijk hier +op te merken, dat hij vergeten had de gedwongen rust der zon- en +feestdagen in rekening te brengen, die gedurende negentien jaren een +vermindering van ongeveer vier-en-twintig francs veroorzaakte. Hoe +het zij, het bedrag was ten gevolge van verscheidene kortingen tot +honderd negen francs vijftien sous verminderd, welke som hem bij zijn +ontslag werd ter hand gesteld. + +Hij begreep hier niets van en meende zich te kort gedaan, of, om +'t juist te zeggen, bestolen. + +Den dag na zijn ontslag, zag hij te Grasse voor een destilleerderij van +oranjebloesem lieden bezig met balen af te laden. Hij bood zijn dienst +aan, die aangenomen werd, wijl er haast bij 't werk was. Hij ging +dan aan den arbeid. Hij was schrander, sterk en handig; hij deed zijn +best. De meester scheen over hem tevreden. Terwijl hij aan 't werk was, +kwam een gendarm voorbij, zag hem en vroeg hem naar zijn papieren. Hij +moest den gelen pas vertoonen. Na dit gedaan te hebben, hervatte Jean +Valjean zijn arbeid. Even te voren had hij een der werklieden gevraagd, +wat zij per dag met dit werk verdienden; ze hadden hem geantwoord: +"dertig sous." Wijl hij den volgenden dag verplicht was zijn reis voort +te zetten, ging hij des avonds naar den meester der destilleerderij +en verzocht hem zijn dagloon. De meester sprak geen woord en betaalde +hem vijftien sous. Valjean maakte zijn beklag. Men antwoordde hem: +"dit is genoeg voor u." Hij drong op meer aan. Toen zag de meester +hem schuw aan en duwde hem toe: "Wacht u voor de gevangenis!" + +Ook hier achtte hij zich bestolen. + +De maatschappij, de staat, had hem, door zijn besparingen te verkorten, +in 't groot bestolen. Nu bestal de particulier hem op zijn beurt, in +'t klein. + +Ontslag was geen bevrijding. Men kan het bagno wel verlaten, maar +niet de veroordeeling. + +Dat was hem te Grasse gebeurd. Men heeft gezien hoe hij te Digne +werd ontvangen. + + + + + + +TIENDE HOOFDSTUK. + +DE ONTWAKING. + + +De klok der hoofdkerk sloeg twee uur in den morgen, toen Jean Valjean +ontwaakte. Wat hem had wakker gemaakt, was 't het te zachte bed? Hij +had sinds bijna twintig jaren op geen bed geslapen, en, hoewel hij +zich niet ontkleed had, was deze gewaarwording toch voor hem te nieuw +en te ongewoon, om zijn slaap niet te storen. + +Hij had langer dan vier uren geslapen. Zijn vermoeidheid was +geweken. Hij was niet gewoon veel uren aan de rust te besteden. + +Hij opende de oogen en sloeg een blik in de duisternis rondom zich, +toen sloot hij ze weder om te slapen. + +Wanneer de dag door vele en verschillende gewaarwordingen bewogen is +geweest, en vele dingen den geest bezighouden, valt men wel in slaap, +maar men slaapt later niet weer in. De slaap komt gemakkelijker dan +hij terugkeert. Zoo ging 't ook met Jean Valjean. Hij kon niet weder +inslapen en begon te denken. + +Hij was in een dier oogenblikken, dat alle denkbeelden in den geest +verward zijn. In zijn hersenen woelde alles dooreen. Zijn vroegere +en zijn jongste herinneringen vloeiden ineen of kruisten elkaar; +zij verloren haar vormen, vergrootten zich onmatig en verdwenen dan +eensklaps als in een troebel, bewogen water. Vele gedachten kwamen +in hem op, maar ééne was er die gestadig terugkwam en al de overige +verdrong. Deze gedachte was:--Hij had de zes zilveren vorken en +lepels en den grooten soeplepel opgemerkt, die Magloire op de tafel +had gelegd. + +Dat zilverwerk kwelde hem. Zij lagen hier--op korten afstand--juist +toen hij de belendende kamer was doorgegaan om naar de zijne te gaan, +legde de oude dienstmaagd ze in een kastje aan 't hoofdeinde van +het bed.--Hij had het kastje goed opgemerkt,--rechts, als men uit de +eetkamer komt.--Het was oud massief zilver.--Met den grooten soeplepel +er bij zou men er ten minste tweehonderd francs voor krijgen.--Het +dubbel van hetgeen hij in negentien jaar verdiend had.--'t Is waar, +dat hij meer zou hebben verdiend zoo de "administratie" niet hem +"bestolen" had. + +Een geheel uur dobberden zijn gedachten heen en weder, niet zonder +eenigen strijd. Het sloeg drie uren. Hij opende weder de oogen, zette +zich schielijk overeind, stak tastend den arm uit, naar zijn ransel, +dien hij in een hoek der alkoof had gelegd, vervolgens liet hij zijn +beenen uit het bed hangen, zette zijn voeten op den grond en zonder +schier te weten hoe, vond hij zich op zijn bed zitten. + +Hij bleef eenigen tijd peinzend in deze houding, welke iets +onheilspellends moest hebben voor iemand, die hem alzoo +in de duisternis, de eenige wakende in het slapend huis, had +gezien. Eensklaps bukte hij zich en trok zijn schoenen uit en zette +ze zacht op de mat voor het bed, toen nam hij weder zijn peinzende +houding aan en zat weder bewegingloos. + +In deze heillooze overdenkingen woelden de gedachten, welke wij hebben +aangegeven, gestadig door zijn hersenen, kwamen er in, gingen er uit, +keerden er in terug en brachten een soort van drukking bij hem teweeg; +tegelijkertijd dacht hij, zonder te weten waarom, met de hardnekkigheid +van een droom aan zekeren tuchteling Brevet geheeten, dien hij in het +bagno had gekend, en wiens broek slechts aan één gebreiden katoenen +draagband hing. Hij had den geruiten draagband gestadig voor den geest. + +Zoo zat hij, en zou misschien tot het aanbreken van den dag zoo gezeten +hebben, indien de klok niet éénmaal geslagen had,--een kwart of een +half uur. Het was alsof deze slag hem zeide: kom aan! + +Hij stond op, aarzelde nog een oogenblik en luisterde: alles was stil +in het huis; toen ging hij rechtuit en met zachte schreden naar het +raam, dat hij zien kon. De nacht was niet erg donker; 't was volle +maan, maar de wind dreef groote zware wolken om haar heen. Daardoor +ontstond buiten een afwisseling van licht en schaduw, verduistering en +verlichting, en in de kamer een soort van schemering. Die schemering, +waarbij men genoegzaam zien kon om zich te richten, en die door de +wolken telkens verbroken werd, geleek op het bleeke licht, dat door +een kelderluik valt, waarlangs menschen heen en weer gaan. Aan het +raam gekomen, onderzocht Valjean het nauwkeurig. Het was zonder +tralies, kwam in den tuin uit en was slechts, volgens landelijk +gebruik, met een wervel gesloten. Hij opende het, maar wijl een +koude, scherpe lucht de kamer binnendrong, sloot hij het aanstonds +weder. Met een oplettenden blik, die nog meer onderzoekt dan ziet, +beschouwde hij den tuin. Deze was omgeven door een lagen witten muur, +die gemakkelijk over te klimmen was. Aan gene zijde van den muur +zag hij kruinen van boomen, op geregelden afstand van elkander, +'t geen scheen aan te duiden dat de muur den tuin van een laan, +of van een met boomen beplanten weg scheidde. + +Na dit onderzoek, maakte hij de beweging van iemand, die een vast +besluit genomen heeft, ging terug naar de alkoof, nam zijn ransel, +opende hem, en haalde er iets uit, dat hij op het bed legde. Toen stak +hij zijn schoenen in zijn zak, gespte den ransel dicht, nam hem op +den rug, zette zijn pet op, welker klep hij dicht in de oogen trok, +zocht tastend zijn stok, en zette hem in een hoek bij het raam, +waarna hij naar het bed terugkeerde en bedaard het voorwerp nam, +dat hij er op gelegd had. 't Geleek een korte ijzeren staaf, aan +'t eene eind als een spies uitloopende. 't Ware moeielijk geweest in +de duisternis te onderkennen, tot welk einde dit ijzer moest dienen; +'t kon een breekijzer, 't kon een groote beitel zijn. + +In het licht had men kunnen zien dat het eenvoudig de wigge eens +mijnwerkers was. Destijds gebruikte men soms de tuchtelingen om +steenblokken uit de hooge heuvelen, die Toulon omgeven, te halen, en +'t is dus niet vreemd, dat zij mijnwerkersgereedschappen in gebruik +hadden. Zulk een werktuig was het nu, dat hij in de rechterhand nam, +en met ingehouden adem en zachte schreden naderde hij de deur der +aangrenzende kamer waar, gelijk wij weten, de bisschop sliep. De deur +stond op een kier. De bisschop had ze niet gesloten. + + + + + + +ELFDE HOOFDSTUK. + +WAT HIJ DOET. + + +Jean Valjean luisterde. Alles was stil. + +Hij stiet met den vinger tegen de deur, even zacht en behoedzaam als +een kat, die binnen wil komen. De deur week voor de drukking en ging +onmerkbaar en zonder gerucht iets verder open. + +Hij wachtte een oogenblik, en stiet nu stoutmoediger ten tweedenmale +de deur verder open. + +Zij bewoog zich zonder gerucht, en nu was de opening zoo wijd, dat +hij er door kon gaan. Maar bij de deur stond een tafeltje, dat met +de deur een lastigen hoek vormde en den toegang versperde. + +Jean Valjean zag de moeielijkheid in; de toegang moest noodwendig +wijder zijn. + +Hij nam zijn besluit en stiet ten derden male en forscher dan vroeger +tegen de deur. Doch dezen keer liet het hengsel een lang en krijschend +geluid hooren in de duisternis. + +Jean Valjean ontroerde. Het gekners der deur klonk in zijn ooren +schetterend en vreeselijk als de bazuin van het laatste oordeel. + +In de spookachtige ontsteltenis van 't eerste oogenblik, meende hij +schier, dat het hengsel leven aannam en als een hond huilde en blafte, +om een ieder te waarschuwen en de slapenden te wekken. + +Bevend en ontsteld stond hij stil en liet zich van de teenen op de +hielen neder. Hij voelde zijn slapen als twee mokers kloppen, en zijn +adem kwam hem even sterk voor als de tochtwind die uit een spelonk +waait. Het scheen hem onmogelijk, dat dit vreeselijk gekrijsch het +huis niet als door een aardbeving geschud had; de door hem geopende +deur had onraad gemerkt, en had geroepen; de grijsaard zou opstaan, +de beide vrouwen zouden om hulp roepen, de buren zouden toesnellen +en in minder dan een kwartier zou de heele stad in beweging en de +gendarmerie op de been zijn. Een oogenblik waande hij zich verloren. + +Hij bleef staan als een zoutpilaar en waagde het niet zich te +bewegen. Alzoo verliepen eenige minuten. De deur stond wijd open. Hij +waagde het in de kamer te zien. + +Niets had er zich in geroerd. Hij luisterde. Alles was stil in het +huis. Het knarsen der deur had niemand gewekt. + +Het eerste gevaar was voorbij, maar in zijn binnenste heerschte nog +een schrikkelijk oproer. Hij trad echter niet terug. Zelfs zoo hij +zich verloren had gezien, zou hij niet terug zijn geweken. Hij dacht +aan niets anders, dan om spoedig tot een einde te komen. En met één +tred was hij in de kamer. + +In de kamer heerschte de volmaaktste rust. + +Men zag hier en daar onduidelijke voorwerpen, die overdag gezien, +op een tafel verspreide papieren, opengeslagen folianten, een bankje +met opgestapelde boeken, een stoel met kleedingstukken, een bidbankje, +waren; thans echter vertoonde zich dit alles slechts als donkere en +lichte plekken. + +Jean Valjean trad voorzichtig voort om niet tegen het huisraad +te stooten. Hij hoorde achter in de kamer de rustige gelijkmatige +ademhaling van den slapenden bisschop. + +Plotseling bleef hij staan. Hij was dicht bij het bed. Hij was hier +spoediger genaderd dan hij dacht. + +Soms verbindt de natuur haar werkingen en tooneelen aan onze daden, +zoo juist ter snede, als wilde zij ons door een ernstigen, behendigen +wenk tot nadenken brengen. Sinds bijna een half uur was de hemel door +zware wolken betrokken. Juist op 't oogenblik dat Jean Valjean voor +het bed trad, scheurde die sluier zich als met opzet, en een straal +der maan, die door het langwerpig venster schoot, verlichtte eensklaps +het bleek gelaat van den bisschop. Hij sliep rustig. Hij lag, wegens +de nachtkoude der Beneden-Alpen, half gekleed in een bruin wollen +nachtrok, te bed. Zijn hoofd rustte, een weinig achterover gebogen, +in het kussen; zijn met den bisschoppelijken ring versierde hand, +die zoovele goede werken en vrome daden had verricht, hing buiten +het bed. Zijn gelaat drukte tevredenheid, hoop en zielsrust uit. 't +Was eerder een hemelsche glans dan een glimlach, die zijn gelaat +verhelderde, en die de weerschijn geleek van een verborgen licht. De +ziel van den rechtvaardige aanschouwt in den slaap een geheimzinnigen +hemel. De glans van dien hemel bescheen den bisschop. 't Was tevens als +een doorschijnend licht, want deze hemel was in hem, was zijn geweten. + +Toen het maanlicht, om zoo te spreken, zich over dezen inwendigen +glans spreidde, scheen de slapende bisschop als door een stralenkrans +omgeven, die zacht en omsluierd als de ochtendschemering was. De maan +aan het uitspansel, de sluimerende natuur, deze geruchtlooze tuin, +het rustige huis, het nachtelijk uur, het oogenblik, de stilte gaven +aan den eerbiedwaardigen slaap van dezen man iets onbeschrijfelijk +plechtigs en omhulden, met majestueuzen, stillen luister, zijn +wit haar, zijn gesloten oogen, zijn gelaat, waarop alles van hoop +en vertrouwen sprak: dit hoofd des grijsaards en dien slaap des +kinds. Er was iets goddelijks in dezen man, die, zich zelf onbewust, +zoo eerbiedwaardig was. + +Jean Valjean stond met zijn wigge in de hand, bewegingloos in de +schaduw, verschrikt voor dezen schitterenden grijsaard. Nooit had hij +iets dergelijks gezien. De gerustheid ontstelde hem. De zedelijke +wereld kent geen grootscher schouwspel dan een ontsteld, onrustig +geweten, dat, op 't punt een slechte daad te bedrijven, den slaap +van een rechtvaardige aanschouwt. + +Deze slaap in deze afzondering en in de nabijheid van iemand als hij, +had iets verhevens, 't welk zelfs Valjean, hoewel onduidelijk, echter +onweerstaanbaar, gevoelde. Niemand, hij zelfs niet, had kunnen zeggen +wat in hem omging. Om zich daarvan een denkbeeld te kunnen maken, +zou men zich het gewelddadigste tegenover het zachtmoedigste moeten +voorstellen. Zelfs op zijn gelaat had men niets bepaalds kunnen +onderscheiden. Het drukte een schuwe verbazing uit en staarde strak +voor zich. Wat dacht hij? 't was onmogelijk te gissen. Blijkbaar was +hij getroffen en geschokt; maar van welken aard was zijn ontroering? + +Zijn blik wendde zich niet van den grijsaard af. Het eenige wat +duidelijk uit zijn houding en gelaat sprak, was een zonderlinge +besluiteloosheid. 't Scheen alsof hij tusschen twee afgronden kiezen +moest, tusschen dien, waarin men verloren gaat, en dien, die redding +geeft. Hij scheen gereed, dien man de hersens in te slaan, of ... zijn +hand te kussen. + +Na eenige oogenblikken lichtte hij langzaam zijn linkerarm op en nam +zijn pet af, toen liet hij even langzaam dien arm zinken, en met +de pet in de linker-, zijn wigge in de rechterhand, en het woest, +met borstelig haar bedekt hoofd ontbloot, verzonk Jean Valjean weder +in gedachten. + +De bisschop sliep, onder dien vreeselijken blik, rustig en diep. + +In den maneschijn vertoonde zich onduidelijk boven den schoorsteen +het kruisbeeld, dat voor beiden zijn armen scheen te openen, om den +een te zegenen, den ander te vergeven. + +Eensklaps zette Jean Valjean zijn pet weder op en ging, zonder verder +naar den bisschop te zien, rechtstreeks naar het kastje bij het +hoofdeneinde; hij hief de wigge op om het slot open te breken; maar +de sleutel stak er in; hij opende het, en het eerste voorwerp dat hij +zag, was het mandje met zilverwerk; hij nam het, en ging met haastigen +tred, onbezorgd voor het gerucht dat hij maakte, naar de deur, trad +de bidkamer weder binnen, opende het venster, nam zijn stok, stak het +zilverwerk in zijn ransel, wierp het mandje weg, klom uit het raam, +snelde door den tuin, sprong als een tijger over den muur en vluchtte. + + + + + + +TWAALFDE HOOFDSTUK. + +DE BISSCHOP WERKT. + + +Den volgenden dag wandelde Monseigneur bij zonsopgang in zijn +tuin. Magloire kwam geheel ontsteld op hem toeloopen. + +"Monseigneur, Monseigneur," riep zij, "weet uw Hoogwaarde waar het +zilver-mandje is?" + +"Ja," zei de bisschop. + +"Goddank!" riep zij. "Ik wist niet waar het gebleven was." De bisschop +had het mandje van een bloembed opgeraapt en gaf het Magloire. + +"Daar is het." + +"Er is niets in," zeide zij. "En 't zilverwerk?" + +"O! bedoelt gij het zilver?" hernam de bisschop. "Waar dat is, weet +ik niet." + +"Goede God! 't is gestolen; de man van gisterenavond heeft het +gestolen." + +Met haar gewone drift en voortvarendheid, liep de oude Magloire naar +de bidkamer; ging in de alkoof en keerde tot den bisschop terug. De +bisschop stond voorover gebogen en beschouwde zuchtend een plant +cochléaria, waarop het mandje was gevallen en die geknakt was. Hij +richtte zich op, toen Magloire riep: + +"De man is weg, Monseigneur; het zilverwerk is gestolen." + +Terwijl ze dit riep, richtte zij de oogen naar een hoek van den tuin, +waar men sporen van overklimming zag. De kalk was beschadigd. + +"Zie," riep zij, "daar is hij over den muur geklommen, en in de +straat Cochefilet gesprongen. 't Is afschuwelijk! Hij heeft ons +zilverwerk gestolen!" + +De bisschop zweeg een oogenblik, toen zag hij ernstig op en zeide +zachtmoedig tot Magloire: + +"Maar behoorde ons dit zilver wel?" + +Magloire wist niet wat te zeggen. Na een poos hernam de bisschop: + +"Magloire, ik hield sinds lang ten onrechte dit zilverwerk in +bezit. Het behoorde aan de armen. Wie was deze man! Blijkbaar een +arme." + +"Helaas!" hernam Magloire. "'t Is niet om mij of om mejuffrouw. 't Is +ons onverschillig. Maar 't is om Monseigneur. Waarmede zal Monseigneur +nu voortaan eten?" + +De bisschop zag haar verwonderd aan en vroeg: + +"Zijn er geen tinnen lepels?" + +Magloire haalde de schouders op en zeide: + +"Het tin riekt." + +"IJzeren dan?" + +Magloire zeide met een afkeerend gebaar: "Het ijzer kan men proeven." + +"Welnu," hernam de bisschop, "dan houten." + +Eenige oogenblikken later ontbeet hij aan dezelfde tafel, waaraan +Jean Valjean den vorigen avond gezeten had. Terwijl hij at, maakte +hij welgemoed aan zijn zuster, die niets zeide, en aan Magloire, die +zacht bromde, de opmerking, dat men volstrekt geen lepel of vork, zelfs +geen houten, noodig heeft, om een stuk brood in een kom melk te doopen. + +"Heeft men 't ook ooit gehoord?" prevelde Magloire binnensmonds, +heen en weer gaande, "zulk een mensch in huis te nemen! hem naast +zich te laten slapen! 't Is nog een geluk, dat hij alleen gestolen +heeft. Hemel! men beeft als men er aan denkt!" + +Terwijl broeder en zuster op 't punt waren van de tafel op te staan, +werd er aan de deur geklopt. + +"Binnen," riep de bisschop. + +De deur werd geopend. Een zonderlinge, gewelddadige groep verscheen +op den drempel. Drie mannen hielden een vierden bij den kraag. De +drie mannen waren gendarmen; de andere was Jean Valjean. + +Een brigadier der gendarmerie, die den troep scheen aan te voeren, +stond bij de deur. Hij trad binnen en naderde met militairen groet +den bisschop. + +"Monseigneur," zeide hij... + +Bij dit woord richtte Jean Valjean, die er somber en verslagen uitzag, +verbaasd het hoofd op. + +"Monseigneur!" mompelde hij. "'t Is dus niet de pastoor..." + +"Zwijg," beval een gendarm. "'t Is Monseigneur de bisschop." + +Intusschen was Monseigneur Bienvenu zoo snel genaderd als zijn hooge +jaren hem vergunden. + +"Ha! zijt gij daar!" riep hij, Jean Valjean aanziende. "Het verheugt +mij u te zien! Maar ... ik had u ook de kandelaars gegeven, die +evenzeer van zilver zijn als het andere, en waarvoor ge wel tweehonderd +francs kunt krijgen. Waarom hebt ge ze niet met uw zilveren lepels +en vorken medegenomen?" + +Jean Valjean sperde de oogen wijd open en aanschouwde den bisschop +met een uitdrukking, die geen menschelijke taal kan wedergeven. + +"Monseigneur," zei de brigadier der gendarmerie, "was het dan waar, +wat die man zeide? Wij ontmoetten hem. Hij liep als iemand die +vluchtte. Wij hielden hem aan, om te zien. Hij had dit zilverwerk +bij zich..." + +"En hij zeide u," viel de bisschop hem glimlachend in de rede, "dat +het hem door een ouden, goeden priester was gegeven, in wiens huis +hij den nacht had doorgebracht?... Nu begrijp ik het. En ge hebt hem +weer hier gebracht. 't Is een vergissing." + +"Als dat zoo is, kunnen wij hem dan laten gaan?" vroeg de brigadier. + +"Zekerlijk," antwoordde de bisschop. + +De gendarmen lieten Jean Valjean los, die achteruit trad. "Is 't dan +waar, laat men mij los?" zeide hij op een gesmoorden toon, als sprak +hij in den droom. + +"Ja, gij zijt vrij, verstaat ge 't niet?" zei een gendarm. + +"Neem eerst uw kandelaars, voor ge heengaat, mijn vriend," hernam +de bisschop. + +Hij ging naar den schoorsteen, nam de twee zilveren kandelaars en +bracht ze Jean Valjean. De beide vrouwen zagen elkander aan, zonder +een woord, een blik, een gebaar te wagen, om hem tegen te houden. + +Jean Valjean beefde aan al zijn leden. Hij nam de beide kandelaars +werktuiglijk en met een verward voorkomen aan. + +"Ga nu in vrede," zei de bisschop. "Nog een woord. Wanneer ge +wederkomt, behoeft ge niet door den tuin te gaan, mijn vriend. Ge +kunt altijd door de voordeur in- en uitkomen. Dag en nacht staat zij +slechts op de klink." Zich toen tot de gendarmen wendende, zeide hij: + +"Ge kunt gaan, mijne heeren." + +Dezen verwijderden zich. + +Jean Valjean was als iemand, die op 't punt is in onmacht te vallen. + +De bisschop naderde hem en fluisterde hem toe: + +"Vergeet niet, vergeet nooit, dat ge mij beloofd hebt, dit geld aan +te wenden om een eerlijk man te worden." + +Jean Valjean, die zich volstrekt niet herinnerde iets beloofd te +hebben, stond als versteend. De bisschop had deze woorden met nadruk +gesproken. Hij hernam plechtig: + +"Jean Valjean, mijn broeder, gij behoort niet meer tot het kwade, +maar tot het goede. Ik koop uw ziel, ik verlos haar van de slechte +gedachten en den geest des verderfs, en geef ze aan God." + + + + + + +DERTIENDE HOOFDSTUK. + +DE KLEINE GERVAIS. + + +Jean Valjean verliet als een vluchteling de stad. Hij liep haastig +naar buiten, de eerste de beste wegen en paden inslaande, die zich +aan hem vertoonde, zonder op te merken, dat deze hem telkens op +zijn schreden terugvoerden. Zoo doolde hij een ganschen ochtend, +zonder gegeten te hebben of honger te gevoelen. In zijn geest +verdrongen zich een menigte nieuwe gewaarwordingen. Hij voelde zich +vertoornd en wist niet op wien. Hij had niet kunnen zeggen, of hij +zich bewogen of gedeemoedigd gevoelde. Nu en dan werd hij door een +vreemde weekhartigheid overweldigd, welke hij bestreed en waartegen +hij zich met de verhardheid zijner twintig laatste jaren verzette. Deze +toestand verdroot hem. Hij voelde met eenige bekommering, dat de soort +van heillooze kalmte, welke de onrechtvaardigheid van zijn ongeluk +hem gegeven had, was verstoord. Hij vroeg zich af, wat daarvoor in +de plaats zou komen. Menigmaal wenschte hij zelfs, dat de gendarmen +hem maar naar de gevangenis hadden gevoerd, en de zaken zulk een +keer niet hadden genomen; dit zou hem minder ontroering hebben +veroorzaakt. Schoon het seizoen tamelijk gevorderd was, bloeiden +er hier en langs den weg nog eenige late bloemen, welker geuren hem +aan zijn kinderjaren herinnerden. Deze herinneringen waren hem bijna +onverdragelijk, omdat ze in zoo langen tijd niet voor hem verschenen +waren. + +Onuitsprekelijke gedachten drongen zich dus den ganschen dag aan +hem op. + +Toen de zon naar het westen neigde en het kleinste steentje een +lange schaduw gaf, zat Jean Valjean achter een kreupelboschje in +een rotsachtige, zeer eenzame vlakte. Aan den horizont zag men niets +dan de Alpen; zelfs geen kerktoren van eenig verwijderd dorp. Jean +Valjean kon op drie uren afstand van D. zijn geweest.--Een voetpad, +dat de vlakte doorsneed, liep eenige schreden van het kreupelhout. + +Te midden zijner overdenking, die er niet weinig toe zou hebben +bijgedragen, om zijn lompen voor dengene, die hem ontmoet had, +schrikbarend te maken, hoorde hij vroolijke klanken. + +Hij wendde het hoofd om en zag langs het pad een kleinen tienjarigen +Savooiaard, met zijn lier op zijde en zijn marmotten-kastje op den +rug, zingend naderen. Een dier goedaardige vroolijke knaapjes, die +van het eene land naar het andere trekken en wier knieën door de +gaten van hun broek steken. + +Steeds zingende, bleef de knaap nu en dan staan en speelde met eenige +geldstukken, die hij in de hand had, en waarschijnlijk zijn geheele +fortuin uitmaakten. Onder dit geld was een tweefrancstuk. + +De knaap bleef dicht bij het kreupelboschje staan, zonder Jean Valjean +te zien, en wierp zijn geldstukken omhoog, welke hij tot hiertoe zeer +behendig op den rug der hand weder opgevangen had. + +Maar ditmaal ontglipte hem het tweefrancstuk en rolde in het +kreupelhout tot dicht bij Jean Valjean. + +Jean Valjean zette er den voet op. + +De knaap, die met zijn blik het geldstuk gevolgd was, zag het. + +Hij verwonderde zich er niet over, maar ging recht op den man toe. + +Het was eene geheel eenzame plaats. Zoo ver het oog reikte, zag men +geen mensch, noch op de vlakte, noch op het voetpad. Men hoorde +niets dan het tjilpen van een zwerm trekvogels, die zeer hoog in +de lucht vlogen. De knaap stond met den rug naar de zon gekeerd, +die gouden draden in zijn haar vlocht en Valjean's woest gezicht met +een bloedrooden glans kleurde. + +"Mijnheer," zei de kleine Savooiaard met dat kinderlijk vertrouwen, +dat uit onwetendheid en onschuld bestaat;--"mijn geldstuk?" + +"Hoe heet gij?" vroeg Valjean. + +"Kleine Gervais." + +"Ga heen," zei Valjean. + +"Geef mij eerst mijn geld!" + +Valjean boog het hoofd en antwoordde niet. + +"Mijn geld!" herhaalde de knaap. + +Valjeans blik bleef op den grond gevestigd. + +"Mijn geld! mijn zilverstuk! mijn geld!" riep de knaap. + +Valjean scheen niet te hooren. De knaap greep hem bij den kraag van +zijn kiel en schudde hem heen en weder. Terzelfder tijd trachtte hij +den zwaren, gespijkerden schoen van zijn geldstuk weg te schuiven. + +"Ik wil mijn geld, mijn tweefrancstuk!" + +De knaap begon te weenen. Valjean richtte het hoofd op. Hij zat nog +steeds. Zijn oogen waren dof. Hij zag met een soort van verwondering +den knaap aan. Toen greep hij zijn stok en riep met een forsche stem: +"Wie is daar?" + +"Ik," zei de knaap, "de kleine Gervais. Ik, ik! geef mij mijn +geldstuk weder, als 't u belieft! Neem uw voet weg, als 't u +belieft!"--Eindelijk werd de knaap ernstig boos, en herhaalde schier +dreigend: + +"Kom, neem uw voet weg.--Zult ge uw voet wegnemen?" + +"Zijt gij 't nog?" zei Valjean, en eensklaps opstaande, doch den +voet steeds op het geldstuk houdende, riep hij: "Wilt ge maken dat +ge wegkomt?" + +De knaap zag hem ontsteld aan, en begon van het hoofd tot de voeten +te beven. Na eenige oogenblikken van ontzetting, liep hij zoo snel +weg als hij kon, zonder om te zien of iets te zeggen. + +Op eenigen afstand was hij buiten adem en moest blijven staan. Jean +Valjean hoorde, door zijne mijmering heen, den knaap snikken en weenen. + +Na eenige oogenblikken was de knaap verdwenen. + +De zon was ondergegaan. + +Het werd duister om Jean Valjean. Hij had den geheelen dag niet +gegeten; waarschijnlijk was hij koortsachtig. + +Hij was blijven staan, nog in dezelfde houding als toen de knaap was +weggeloopen. In lange ongeregelde tusschenpoozen deed zijn adem zijn +boezem hijgen. Zijn blik scheen met groote opmerkzaamheid een oude +blauw porseleinen scherf, op tien of twaalf schreden voor zich in het +gras, te beschouwen. Eensklaps rilde hij; hij voelde de avondkoelte. + +Hij drukte zijn pet dieper op 't hoofd en trachtte werktuiglijk zijn +kiel dicht te knoopen. Hij deed een schrede en bukte, om zijn stok +op te rapen. + +Toen zag hij het tweefrancstuk, dat zijn voet in den grond had gedrukt +en dat te midden der keitjes glinsterde. Dit veroorzaakte hem als een +elektrieken schok.--Wat is dat? mompelde hij binnensmonds. Hij trad +drie schreden achteruit, en stond toen stil, zonder zijn blik van de +plek te kunnen wenden, waar zooeven zijn voet had gestaan, als ware het +voorwerp dat daarin de duisternis glinsterde een op hem gericht oog. + +Na eenige oogenblikken sprong hij stuipachtig naar het geldstuk, +nam het, en zich oprichtende zag hij in de verte over de vlakte rond, +zijn blikken naar al de punten van den horizon wendende, en bevende +als een gejaagd hert, dat een schuilplaats zoekt. + +Hij zag niets. Het werd donker; de vlakte lag koud en onduidelijk +voor hem, een dikke blauwe nevel steeg in de avondschemering op. + +"Ha," zeide hij en schreed snel voorwaarts in de richting waar de +knaap verdwenen was. Na een dertig schreden te hebben gedaan, stond +hij stil, tuurde naar alle zijden, maar zag niets. + +Nu riep hij uit al zijn macht:--Kleine Gervais! Kleine Gervais! + +Toen zweeg hij, en wachtte. + +Niets antwoordde. + +Het veld was eenzaam en doodsch. Op deze uitgestrektheid omgaf hem +niets dan de duisternis, waarin zijn blik verloren ging, en een stilte, +waarin zijn stem verdween. + +Een kille wind verhief zich en gaf aan 't geen hem omringde, een +akelige beweging. Het struikgewas sloeg zijn kleine, dunne takken +met onbeschrijfelijke woede, als dreigden en vervolgden zij iemand. + +Hij stapte weder voort; toen begon hij harder te loopen en stond +nu en dan stil om in deze eenzaamheid, met een stem die boven alle +verbeelding schrikkelijk en wanhopig was: kleine Gervais! kleine +Gervais! te roepen. + +De knaap zou zekerlijk, zoo hij hem gehoord had, bevreesd zijn +geweest en zich gewacht hebben, voor den dag te komen. Maar hij was +waarschijnlijk reeds ver. + +Nu ontmoette Valjean een priester te paard. Hij naderde hem en zeide: + +"Mijnheer de pastoor, hebt ge ook een knaapje ontmoet?" + +"Neen," zei de geestelijke. + +"Den kleinen Gervais?" + +"Ik heb niemand gezien." + +Hij nam twee vijffrancstukken uit zijn buidel en gaf ze den priester. + +"Mijnheer de pastoor, dit is voor uw armen, mijnheer de pastoor! 't +is een knaapje van ongeveer tien jaar, met een marmot en een lier, +geloof ik. Een dier kleine savooiaards, weet ge, mijnheer de pastoor?" + +"Ik heb hem niet gezien." + +"De kleine Gervais? Is hij niet uit een dorp hier in dezen +omtrek? Zoudt ge 't mij misschien kunnen zeggen?" + +"Als 't is, zooals gij zegt, vriend, moet 't een vreemde knaap +zijn. Zij zwerven op het land. Men kent ze niet." + +Jean Valjean nam woest nog twee vijffrancstukken uit zijn buidel en +gaf ze den priester, zeggende: "voor uw armen!" + +Als in waanzin voegde hij er bij: + +"Laat mij gevangennemen, mijnheer de pastoor; ik ben een dief." + +De pastoor gaf zijn paard de sporen en reed verschrikt weg. + +Jean Valjean ijlde nu voort in de eerst door hem ingeslagen richting. + +In deze vaart legde hij een tamelijk langen weg af, immer zoekende, +roepende en schreeuwende; maar hij ontmoette niemand. Een paar keeren +liep hij in de vlakte naar iets, dat hij voor een liggend of gehurkt +mensch aanzag, maar 't waren niets dan struiken of verhevenheden van +den grond. Eindelijk hield hij stil, ter plaatse waar drie voetpaden +elkander kruisten. De maan was opgegaan. Hij staarde naar alle kanten +in de verte en riep voor de laatste maal: "Kleine Gervais! Kleine +Gervais!" Maar zijn geroep smoorde in den nevel, zonder zelfs een +echo te wekken. Nu fluisterde hij nog flauw en nauwelijks hoorbaar: +Kleine Gervais! 't Was een laatste inspanning; zijn knieën knikten +eensklaps onder hem, als werd hij door een onzichtbare macht onder +het gewicht van zijn kwaad geweten neergedrukt; uitgeput zonk hij op +een grooten steen neer, greep met beide handen in 't haar en verborg +het gezicht tusschen zijn knieën, uitroepende: Ik ben een ellendeling! + +Toen brak zijn hart en hij weende. Dit was de eerste maal sinds +negentien jaren, dat hij weende. + +Wij hebben gezien, dat, toen Jean Valjean den bisschop verliet, hij +buiten al de gedachten was, welke hem tot hiertoe geleid hadden. Hij +kon zich geen rekenschap geven van 't geen in hem omging. Hij verhardde +zich tegen de hemelsche handelwijze en de zachtmoedige woorden des +grijsaards. "Gij hebt mij beloofd, een eerlijk man te worden. Ik +koop uw ziel. Ik verlos ze van den geest des verderfs en geef ze +God." Deze woorden hoorde hij gestadig in zijn ooren. Hij stelde +tegenover deze hemelsche toegevendheid den hoogmoed, die in ons is, +als de citadel van het kwaad. Hij gevoelde flauw, dat de vergiffenis +van dezen priester de grootste en sterkste aanval was, die hem ooit +geschokt had; dat zijn verstoktheid duurzaam zou wezen, zoo hij deze +goedertierenheid wederstond; dat, zoo hij toegaf, hij van den haat +moest afzien, waarmede de daden van andere menschen gedurende zoovele +jaren zijn ziel vervuld hadden; dat hij ditmaal moest overwinnen of +verwonnen worden, en dat de strijd, een reusachtige en beslissende +strijd, begonnen was tusschen zijn eigene slechtheid en de goedheid +van dezen man. + +Al dat licht, 't welk in hem opging, maakte hem als dronken. Had hij, +terwijl hij aldus met verwarden blik voortging, een duidelijk besef van +de gevolgen welke zijn avontuur te D. voor hem kon hebben? Hoorde hij +die geheimzinnige tonen, welke in sommige oogenblikken des levens den +geest waarschuwen of kwellen? Fluisterde een stem hem in 't oor, dat +hij het plechtigste oogenblik van zijn lot had beleefd, dat er voor hem +geen middenweg meer bestond, dat, zoo hij voortaan niet de beste mensch +was, hij de slechtste zou zijn; dat hij thans, om zoo te spreken, +zich boven den bisschop moest verheffen, of lager dan de galeiboef +zou zinken; dat, zoo hij goed wilde zijn, hij een engel moest worden; +dat, zoo hij slecht wilde blijven, hij in een monster zou ontaarden. + +Hier moeten wij wederom de vraag herhalen, welke wij reeds vroeger +hebben gedaan: was er eenig donker besef van dit alles in zijn +geest? Ontwijfelbaar, zooals wij gezegd hebben, is het ongeluk de +leerschool van het verstand; 't is evenwel te betwijfelen, of Valjean +in staat was, al wat wij hier aangegeven hebben te ontleden. Zoo deze +denkbeelden bij hem opkwamen, zag hij ze slechts flauw en onbestemd +als in een nevel, en dienden ze slechts hem in een onbeschrijfelijke, +schier smartelijke onrust te brengen. Na de afschuwelijke, donkere +plaats te hebben verlaten, die men het bagno noemt, had de bisschop +zijn ziel pijnlijk aangedaan, gelijk een te helder licht bij het +verlaten der duisternis, zijn oogen zeer gedaan zou hebben. Het verder +leven, het leven, dat hem voortaan misschien wachtte, een zondeloos +rein leven, vervulde hem met angst en bekommering. Hij wist niet meer, +hoe 't met hem was. Als een uil, die plotseling de zon ziet opgaan, +was de tuchteling als verbijsterd en verblind door de deugd. + +Zeker was 't, en hij twijfelde hier niet aan, dat hij niet meer +dezelfde man, dat alles in hem veranderd was, dat 't niet meer in +zijn macht stond, te maken, dat de bisschop niet tot hem gesproken +en zijn hart niet bewogen had. + +In deze gemoedsstemming had hij den kleinen Gervais ontmoet en hem +het tweefrancstuk ontstolen. Waarom? Dit had hij zeker zelf niet +kunnen verklaren; was 't een laatste uitwerking en als een laatste +krachtsinspanning der slechte gedachten, welke hij uit het bagno +had medegebracht: een onwillekeurige opwelling, het gevolg van 't +geen in de statica de verkregene kracht wordt genoemd? Dat was 't, +en misschien was 't nog iets minder dan dat. Zeggen wij eenvoudig, +dat hij 't niet was, die gestolen had; 't was niet de mensch, 't was +het dier, dat door gewoonte en instinct gedachteloos den voet op het +geldstuk had gezet, terwijl de geest worstelde, te midden van zooveel +ongehoorde en nieuwe voorstellingen. Toen de geest tot zich zelf kwam +en deze daad van het dier zag, deinsde Jean Valjean ontsteld terug +en slaakte een kreet van verschrikking. + +Want, een zonderling verschijnsel en slechts mogelijk in den toestand +waarin hij verkeerde,--hij had toen hij den knaap het geldstuk ontstal, +iets gedaan, waartoe hij reeds niet meer in staat was. + +Hoe het zij, deze laatste slechte daad had een beslissende uitwerking +op hem; zij verbrak op een ruwe wijze den bajert van zijn verstand +en loste dien op, scheidde de duisternis van het licht, en werkte +op zijn ziel, in den toestand waarin zij toen was, gelijk sommige +scheikundige reageermiddelen op een troebel mengsel werken, door het +eene element neder te slaan en het andere te zuiveren. + +Aanvankelijk, zelfs vóór hij nadacht en overwoog, angstig, als +iemand die wil vluchten, trachtte hij den knaap te vinden, om hem +het geld weder te geven; toen hij evenwel zag, dat dit vruchteloos en +onmogelijk was, bleef hij wanhopig staan. Op het oogenblik toen hij +uitriep: Ik ben een ellendeling! had hij zich herkend gelijk hij was, +en was bereids zoo ver van zich zelven gescheiden, dat hij zich voor +een spooksel hield, en het meende voor zich te hebben--in vleesch en +been, met den stok in de hand, gekleed in een kiel, den ransel met +gestolen goederen op den rug, met somber, vermetel gezicht, den geest +vol schandelijke ontwerpen,--den afschuwelijken galeiboef Jean Valjean. + +De overmaat van zijn ongeluk had hem, wij hebben het reeds gezegd, +eenigszins tot een geestenziener gemaakt. Dit was dus een soort +van visioen. Hij zag werkelijk dien Valjean, met het onheilspellend +gezicht, voor zich. Hij was schier op 't punt zich te vragen, wie +deze man was, dien hij met afkeer aanschouwde. + +Zijn hersenen waren in een dier levendige, en toch vreeselijk kalme +oogenblikken, waarin de gedachte zoo diep is, dat zij de werkelijkheid +in zich opneemt. Dan ziet men de voorwerpen niet meer, die men voor +oogen heeft; maar men ziet buiten zich de beelden, welke men in zijn +geest heeft. + +Hij aanschouwde zich, om zoo te spreken, dus zelf in 't gezicht, +en tevens zag hij door deze begoocheling heen, in een geheimzinnige +diepte, een licht, dat hij aanvankelijk voor een fakkel hield. Toen hij +dat licht, 't welk zijn geweten verhelderde, opmerkzamer beschouwde, +zag hij, dat zij een menschelijke gestalte had, en deze fakkel de +bisschop was. + +Zijn geweten beschouwde beurtelings deze zoo voor hem staande beide +mannen, den bisschop en Jean Valjean. Niets minder dan de eerste was +nodig geweest, om den tweede te voorschijn te roepen. Door een dier +zonderlinge uitwerkselen, welke aan deze soort van zinsbegoochelingen +eigen zijn, werd, naar gelang zijn visioen duurde, de bisschop steeds +grooter en schitterender in zijn oogen, terwijl Jean Valjean kleiner +werd en allengskens verdween. Op een oogenblik was hij nog slechts +een schaduw; toen verdween hij geheel, en alleen de bisschop bleef. + +Deze vervulde de gansche ziel van dezen rampzalige met een +schitterenden glans. + +Lang weende Jean Valjean. Hij weende heete tranen, hij weende snikkend, +moedeloozer dan een vrouw, angstiger dan een kind. + +Terwijl hij zoo weende, werden zijn hersenen meer en meer verlicht, +door een buitengewoon licht, en bekoorlijk tevens. Zijn vorig leven, +zijn eerste misslag, zijn lange boete, zijn uitwendige verdierlijking, +zijn inwendige verhardheid, zijn ontslag, door zoovele wraakplannen +vergezeld, alles wat hem bij den bisschop was gebeurd, zijn laatste +daad, het stelen van een tweefrancstuk van een knaap: een misdaad te +schandelijker en lafhartiger, wijl zij gepleegd was na de vergiffenis +van den bisschop--alles verscheen hem duidelijk en helder, maar in +een helderheid, welke hij tot hiertoe niet gekend had. Hij aanschouwde +eerst zijn leven, en het kwam hem afschuwelijk voor; toen zijn ziel, +en zij scheen hem afgrijselijk. Evenwel scheen op dit leven en op +deze ziel een zacht licht. Hij meende den satan in het licht van +'t paradijs te zien. + +Hoe vele uren weende hij? Wat deed hij vervolgens? Waar ging hij +heen? Men heeft dit nimmer vernomen. Zooveel schijnt evenwel zeker, +dat de voerman van den vrachtwagen, die destijds tusschen Grenoble +en D. reed, dien nacht, omstreeks drie uren in den morgen, toen hij +de straat van het bisdom doorreed, een man in de houding des gebeds, +geknield, op de straat in de schaduw, voor de deur van Monseigneur +Bienvenu zag. + + + + + + + +BOEK III. + +HET JAAR 1817. + + +EERSTE HOOFDSTUK. + +HET JAAR 1817. + + +1817 is het jaar, dat Lodewijk XVIII, met een zeker koninklijke +aanmatiging, het twee-en-twintigste zijner regeering noemde. + +In dit jaar was mijnheer Bruguière de Sorsum een beroemdheid. Al +de winkels der kappers, die hun hoop op den terugkeer van het +haarpoeder hadden gevestigd, waren hemelsblauw geschilderd en met +leliën versierd. 't Was de goede tijd, toen de graaf Lynch alle +zondagen als kerkmeester in de kerk van St.-Germain-des-Prés zat, +gekleed als pair van Frankrijk met het roode ordelint, met zijn +langen neus en met dat majestueus gelaat, dat alleen den man eigen is, +die een schitterende daad heeft verricht. + +De schitterende daad door mijnheer Lynch verricht, was dat hij +als maire van Bordeaux, den 12 Maart 1814, deze stad een weinig te +vroeg aan den hertog van Angoulême had overgegeven. Dit had hem het +pairschap bezorgd. In 1817 zette de mode den knaapjes van vier tot +zes jaren groote groenlederen petten met oorlappen op het hoofd, die +veel op de mutsen der Eskimo's geleken. Het Fransche leger was evenals +'t Oostenrijksche in witte uniformen; de regimenten werden legioenen +genoemd, in plaats van cijfers droegen zij de namen der departementen. + +Napoleon was op St. Helena, en wijl Engeland hem groen laken weigerde, +liet hij zijn oude kleederen keeren. In 1817 zong Pellegrini, danste +melle. Bigottini, heerschte Potier; Odry bestond nog niet. Madame +Saqui verving Forioso. Er waren nog Pruisen in Frankrijk. Delalot +was een gewichtig personage. De legitimiteit had vastheid gekregen, +door Pleignier, Corbonneau, en Tolleron respectievelijk de hand en +het hoofd te doen afhouwen. Prins Talleyrand, groot-kamerheer, en de +abbé Louis, aangewezen minister van financiën, keken elkander aan als +twee wichelaars; beiden hadden den 14 Juli 1790 de federatie-mis +op het veld van Mars gevierd, Talleyrand als bisschop, Louis +als diaken. In 1817 zag men op de zijpaden van datzelfde Marsveld +groote, ronde, blauw geverfde houten palen, met overblijfselen van +vroeger vergulde adelaars en bijen, die aan den regen blootgesteld, +in het gras verrotten. 't Waren de zuilen, die twee jaren vroeger de +estrade des keizers op het Meiveld geschraagd hadden. Hier en daar +waren zij zwart gebrand, door het bivouacvuur der Oostenrijkers, +die nabij Gros-Caillou gekazerneerd waren. + +Twee of drie dezer zuilen waren in die bivouacvuren verbrand en +hadden de groote handen der "keizerlijken" verwarmd. In dit jaar 1817 +waren twee zaken populair: de Voltaire-Touquet en de snuifdoozen à la +Charte. Het laatste, dat de Parijzenaars in ontsteltenis had gebracht, +was de misdaad van Dautun, die het hoofd zijns broeders in den vijver +der bloemmarkt had geworpen. Aan het ministerie van Marine begon men +zich ongerust te maken, dat er geen tijdingen kwamen van het noodlottig +fregat la Méduse, 't welk Chaumareix met schande en Géricault met roem +overladen moest. Kolonel Selves ging naar Egypte om er Soliman-Pacha +te worden. Het paleis der Thermes (baden) in de straat la Harpe diende +tot werkplaats van een kuiper. Op het plat van den achthoekigen toren +van het hotel Cluny zag men nog het planken huisje dat aan Messier, +sterrenkundige bij het zeewezen onder Lodewijk XVI, tot observatorium +had gediend. De hertogin van Duras las aan drie of vier vrienden, +in haar met hemelsblauw versierd boudoir, haar nog onuitgegeven +Ourika voor. + +Men krabde aan het Louvre de N's uit. + +De brug van Austerlitz deed afstand van zijn naam en heette nu brug van +den koninklijken tuin, een dubbel raadsel, 't welk tevens de brug van +Austerlitz en den plantentuin verborg. Lodewijk XVIII, die, terwijl +hij met zijn nagels teekens maakte in Horatius, aan niets anders +dacht dan aan helden, die zich tot keizers, en aan klompenmakers +die zich tot dauphins maken, had twee zorgen: Napoleon en Mathurin +Bruneau. De Fransche academie stelde tot prijsvraag voor: "het geluk, +dat de studie verschaft." Bellart was officieel welsprekend. Men zag +in zijn schaduw den toekomstigen advocaat de Broë ontluiken, die aan +de bijtende spotternij van Paul Louis Courier ter prooi viel. Er +was een valsche Chateaubriand, Marchangy geheeten, in afwachting +van een valschen Marchangy, met name Arlincourt. "Claire d'Albe" +en "Malek-Adel" waren meesterstukken; madame Cottin werd voor de +voornaamste schrijfster van dien tijd verklaard. Het Instituut liet +het lid der Academie Napoleon Bonaparte van zijn lijst schrappen. Een +koninklijke ordonnantie richtte te Angoulême een marineschool op, want +daar de hertog van Angoulême groot-admiraal was, sprak 't vanzelf +dat de stad Angoulême van rechtswege al de eigenschappen van een +zeehaven moest hebben; anders zou het monarchisch beginsel gekrenkt +zijn geweest. Men twistte in den ministerraad over de vraag of men +op de aankondigingen van Franconi de afbeeldingen zou toelaten, die +de straatjongens deden samenscholen. Paër, de componist van Agnese, +een goed man met een vierkant gezicht en een wrat op iedere wang, +dirigeerde de kleine gezelschapsconcerten der markiezin de Sassenaye, +in de straat Ville l'Évêque. Al de meisjes zongen destijds l'Ermite +de Saint-Avelle, woorden van Edmond Géraud. Het blad de Nain-jaune +herschiep zich in de Miroir. Het koffiehuis Lemblin was vóór den +keizer, en het koffiehuis Valois daarentegen voor de Bourbons. Men +had den hertog van Berry, op wien Louvel bereids in de schaduw het +oog had, met een prinses van Sicilië in den echt doen treden. Het +vorige jaar was mevrouw de Staël overleden. De lijfgarden floten +mademoiselle Mars uit. De groote dagbladen waren zeer klein. Het +formaat was beperkt, maar de vrijheid groot. De Constitutionnel was +constitutionneel. De Minerva noemde Chateaubriand Chateaubriant. De +burgerij lachte hevig om die t. In bezoldigde dagbladen hoonden +veile schrijvers de ballingen van 1817. David had geen talent meer; +Arnault geen vernuft; Carnot geen ernst; Soult had geen enkelen +slag gewonnen; Napoleon was geen genie. Men weet algemeen, dat +brieven aan een balling met de post zelden terecht komen, wijl de +politie het zich ten heiligen plicht stelt ze te onderscheppen. Dit +is niets nieuws. De verbannen Descartes klaagde er reeds over. Ook +toen David in een Belgisch blad zijn ontevredenheid te kennen gaf, +dat hij de brieven niet ontving, welke men hem schreef, vonden de +koningsgezinde bladen dit zoo kluchtig, dat zij er den banneling hevig +om bespotten. Te zeggen: "de koningsmoorders" of "de stemmenden"; +"de vijanden" of "de geallieerden", "Napoleon" of "Buonaparte", +dit scheidde twee menschen meer dan een afgrond. + +Alle lieden met gezond verstand waren 't er over eens, dat de tijd der +revoluties door koning Lodewijk XVIII, bijgenaamd "de voortreffelijke +bewerker der Charte" voor altijd gesloten was. Op de Pont-Neuf beitelde +men het woord: Redivivus op het voetstuk, dat het ruiterbeeld van +Hendrik IV wachtte. De heer Piet beproefde in de straat Therese +No. 4 vereenigingen te houden ter bevestiging der monarchie. De +aanvoerders der rechterzijde zeiden bij ernstige verwikkelingen: +"men moet aan Bacot schrijven." De heeren Canuel, O'Mahony en de +Chappedelaine bereidden, met goedkeuring van Monsieur, broeder des +konings, datgene voor wat later "de samenzwering aan den waterkant" +moest zijn. L'Epingle Noire was insgelijks met samenzweringen +bezig. Delaverderie was in conferentie met Trogoff. Decazes, in zekeren +zin een liberale geest, heerschte. Chateaubriand, die elken morgen in +de straat St. Dominique No. 27 voor zijn venster stond met een lange +pantalon en pantoffels, zijn grijs hoofd met een madras omwonden, de +oogen in een spiegel geslagen, en een completen tandmeesters-winkel +vóór zich, poetste zijn tanden, die zeer fraai waren, terwijl hij zijn +secretaris, den heer Pilorge la Monarchie selon la charte dicteerde. De +gezaghebbende critiek gaf aan Lafon boven Talma de voorkeur. De heer +de Feletz teekende A., de heer Hoffmann teekende Z., Charles Nodier +schreef Therèse Aubert. De echtscheiding was afgeschaft. De lyceën +werden collegiën genoemd. De studenten, die een gouden lelie op den +rokskraag droegen, vochten met elkander wegens den koning van Rome. + +De politie van het kasteel berichtte aan haar koninklijke hoogheid de +hertogin van Berry, dat het portret van den hertog van Orleans overal +ten toon was gesteld, en hij in zijn uniform van kolonel-generaal +der huzaren een beter vertoon maakte dan de hertog van Berry in die +van kolonel-generaal der dragonders; dit was een zeer onaangenaam +iets. De stad Parijs liet op haar kosten den dom der Invaliden +vergulden. Ernstige lieden vroegen elkander wat in deze of gene +omstandigheid mijnheer de Trinquelague zou doen; mijnheer Clausel +de Montals verschilde in sommige punten met mijnheer Clausel de +Coussergues; mijnheer de Salaberry was niet tevreden. De komediant +Picard, die lid der Academie was, 't geen de komediant Molière niet +had kunnen worden, liet les deux Philibert in den schouwburg van +'t Odeon opvoeren, op welks voorgevel nog de uitgewischte woorden +Théatre de l'Imperatrice duidelijk te lezen waren. Men koos partij +voor of tegen Cugnet de Montarlot. Fabvier was oproerig; Bavoux +was revolutionnair. De boekhandelaar Pelicier gaf een editie der +werken van Voltaire uit, onder dezen titel: Oeuvres de Voltaire, +de l'academie française. "Dat lokt de koopers," zei deze naïeve +uitgever. De algemeene meening was, dat mijnheer Charles Loyson het +genie der eeuw zou zijn. + +De afgunst begon aan hem te knagen; een bewijs van roem; en men maakte +dit vers op hem: + + + Même quand Loyson vole, on sent qu'il a des pattes. [1] + + +De kardinaal Fesch weigerde zijn ontslag te nemen, weshalve de heer de +Pins, aartsbisschop van Amasie, het bisdom Lyon bestuurde. De kwestie +van het Dappendal ontstond tusschen Zwitserland en Frankrijk door +een memorie van kapitein Dufour, die thans generaal is. Saint-Simon, +destijds nog onbekend, stelde zijn verheven droom te zamen. In +de Academie der wetenschappen zat een beroemde Fourier, dien dit +nageslacht geheel vergeten is, en op een of ander zolderkamertje +een onbekende Fourier, dien de toekomst zich steeds roemrijk zal +herinneren. Lord Byron begon op te komen; een noot van een gedicht +van Millevoye kondigde hem in Frankrijk aan met deze woorden: +"een zekere lord Byron." David van Angers beproefde het marmer te +kneden. De abbé Caurie sprak, in een kleinen kring seminaristen +in het slop der Feuillanines, met lof van een onbekenden priester, +Félicité Robert genaamd, die later Lamennais werd. Iets dat rookte +en plaste op de Seine, met het geluid van een zwemmenden hond, ging +van den Pont Royal tot aan de brug van Lodewijk XV heen en weder, +voorbij de vensters der Tuilerieën. 't Was een werktuig, dat tot +niet veel nut was, een soort van speeltuig, een uitvindsel van een +zwakhoofdige, een utopie: een stoomboot. De Parijzenaars keken naar +dat nuttelooze ding met onverschilligheid. Mijnheer de Vaublauc, +die door een staatsgreep en ordonnantie het Instituut hervormd had, +kon, na verscheiden leden der Academie te hebben gemaakt, er zelf niet +inkomen. De voorstad St. Germain en het paviljoen Marsan wenschten tot +prefect van politie den heer Delavau, wegens zijn vroomheid. Dupuytren +en Recamier twistten in de geneeskundige school over de goddelijkheid +van Jezus Christus en dreigden elkander met de vuist. Cuvier poogde, +met het eene oog op het scheppingsverhaal in den bijbel en met het +andere op de natuur gericht, aan de bigotte reactie te behagen door de +fossiliën in overeenstemming met de H. Schrift te brengen en Mozes door +de mastodonten te doen eerbiedigen. Mijnheer François de Neufchâteau, +die op lofwaardige wijze de gedachtenis aan Parmentier in eere hield, +wendde duizenderlei pogingen aan om "aardappel" (pomme de terre) +als parmentière te doen uitspreken, 't geen hem echter niet gelukte. + +De abbé Grégoire, oud-bisschop, oud lid der conventie, oud-senator, +was in de koningsgezinde polemiek tot den staat van "eerloozen +Grégoire" overgegaan. + +Deze spreekwijze van "tot den staat van... overgaan" werd door den +heer Royer Collard als een nieuwigheid aangeklaagd. Men kon nog aan +zijn helderheid den steen herkennen, waarmede men vóór twee jaren, +onder den derden boog der brug van Jena, de opening der mijn weder +had dichtgemaakt, die door Blücher was aangelegd, om de brug in de +lucht te doen springen. + +De justitie daagde voor haar balie iemand, die tot den graaf van +Artois, toen deze Notre-Dame binnenging, luid gezegd had: Sapperloot, +ik betreur den tijd toen ik Bonaparte en Talma arm in arm naar het +Bal-Sauvage zag gaan.--Oproerige gesprekken. Zes maanden gevangenis. + +Verraders vertoonden zich zonder mom; mannen, die den dag vóór +den veldslag tot den vijand waren overgeloopen, bedekten niets van +het ontvangen loon, en droegen op klaarlichten dag hun schandelijk +verkregen schatten en waardigheden ten toon; deserteurs van Ligny en +Quatre-Bras bewezen hun monarchale verkleefdheid door de naaktheid, +waarmede zij hun betaalde schurkerij droegen, en vergaten wat in +Engeland op den binnenmuur der openbare waterclosets staat geschreven: +Please adjust your dress before leaving. (Voor men zich verwijdert, +brenge men zijn kleeding weder behoorlijk in orde.) + +Ziedaar, wat, verward, in 't jaar 1817 bovendreef, en thans genoegzaam +vergeten is. De geschiedenis schenkt aan al deze bijzonderheden +schier geen aandacht; en kan wel niet anders, daar het eindelooze +haar dan zou overweldigen. Evenwel zijn deze bijzonderheden, welke +men ten onrechte kleinigheden noemt,--er zijn noch kleine feiten in de +menschheid, noch kleine bladeren in den plantengroei--nuttig, 't Is uit +het gelaat der jaren, dat de gedaante der eeuwen wordt samengesteld. + +In dat jaar 1817 hadden vier jonge Parijzenaars "een aardige grap." + + + + + + +TWEEDE HOOFDSTUK. + +EEN DUBBEL VIERTAL. + + +Een dezer Parijzenaars was van Toulouse, een andere van Limoges, een +derde van Cahors en de vierde van Montauban; maar zij waren studenten, +en al wat student is, is Parijzenaar; te Parijs studeeren is te Parijs +geboren zijn. + +Deze jongelieden waren onbeduidend; iedereen heeft zulke wezens gezien; +vier staaltjes, zooals er dagelijks voorkomen; goed noch slecht, +knap noch dom, genieën noch botteriken; maar schoon--uithoofde van +de bekoorlijke lente, die "twintig jaren" heet. + +'t Waren vier Oscars; want op dat tijdstip bestonden de Arthurs +nog niet. "Brand voor hem reukwerken van Arabië," zong de Romance, +"Oscar nadert, Oscar zal ik zien!" [2] + +Men had met Ossian gedweept; het Scandinavisch en Caledonisch was +thans in de mode, eerst later kreeg het zuiver Engelsch de overhand; +de eerste Arthur, Wellington, had pas onlangs den slag van Waterloo +gewonnen. + +Deze Oscars heetten: de eene Felix Tholomyès, van Toulouse; +de andere Listolier, van Cahors; de derde Fameuil, van Limoges; +de laatste Blachevelle, van Montauban. Natuurlijk had ieder een +minnares. Blachevelle beminde Favourite, dus genoemd wijl zij in +Engeland was geweest; Listolier aanbad Dahlia, die den naam eener +bloem had gekozen; Fameuil had Zephine, verkorting van Josephine, +tot geliefde; Tholomyès had Fantine, bijgenaamd de blonde, uithoofde +van haar schoon goudkleurig haar. + +Favourite, Dahlia, Zephine en Fantine waren vier bekoorlijke meisjes, +nog min of meer naaisters, want zij hadden niet bepaald de naald +verlaten, die door de liefde een weinig verwaarloosd was; maar +zij hadden op 't gelaat nog een overblijfsel van het opgeruimde des +arbeids, en in de ziel die bloem der braafheid welke bij de vrouw den +eersten val overleeft. Een der vier werd de "jonge" genoemd, wijl zij +de jongste was, en een de "oudste"; deze was drie-en-twintig jaar.--Om +niets te verzwijgen--de drie eersten hadden meer ondervinding, waren +lichtzinniger en meer op 't gewoel der wereld verzot dan de blonde +Fantine, die zich nog in haar eerste illusiën bevond. + +Met Dahlia, Zephine en bovenal Favourite was dit het geval niet. Haar +nauwelijks begonnen roman bevatte reeds meer dan één episode, en +de minnaar, die in het eerste hoofdstuk Adolf heette, was in het +tweede Alfons, in het derde Gustaaf. Armoede en behaagzucht zijn +twee noodlottige raadslieden voor meisjes; de eene knort, de andere +vleit; en de schoone meisjes uit de volksklasse worden door beide +lastig gevallen. + +De slecht bewaakte harten luisteren. Daardoor komen zij tot den val, +en men werpt steenen op haar. Men overstelpt haar met den luister van +al wat onbevlekt en onbereikbaar is. Helaas! wanneer de jonge maagd +honger heeft? + +Favourite, die in Engeland was geweest, werd door Zephine en Dahlia +bewonderd. Zij was reeds vroeg gekamerd geweest. Haar vader was een +oude onderwijzer in de wiskunde, een ruw, opgeblazen man, ongetrouwd, +die ondanks zijn ouderdom steeds les gaf. In zijn jeugd had hij op +zekeren dag gezien, dat het kleed eener kamenier aan een aschbak +bleef haken; dit geval had hem verliefd gemaakt. Van deze liefde was +Favourite de vrucht geweest. Nu en dan slechts zag zij haar vader, +die haar goedendag kwam zeggen. Op zekeren morgen verscheen een +oude vrouw met een vroom voorkomen bij haar, zeggende:--Kent gij mij +niet, juffertje?--Neen.--Ik ben uw moeder.--Toen had de oude vrouw +de etenskast geopend, had gegeten en gedronken, had haar bed doen +brengen en was gebleven. Deze knorrige, vrome moeder sprak nooit +tot Favourite, bleef uren lang zwijgend zitten, at aan het ontbijt, +den middag- en den avond-maaltijd voor vier, en ging naar beneden +bij den portier visites maken, waar zij kwaad van haar dochter sprak. + +Wat Dahlia tot Listolier, misschien ook tot anderen, en tot de +werkeloosheid had gebracht, waren haar schoone rozige nagels. Hoe +kon zij met zulke nagels werken? Die deugdzaam wil blijven, moet geen +medelijden met zijn handen hebben. + +Wat Zephine betreft, deze had haar Fameuil veroverd door op zeer +schalksche en verlokkelijke wijze: Ja, mijnheer! te zeggen. + +De jongelingen waren kameraden, de meisjes waren dus vriendinnen. Zulke +minnarijen gaan steeds vergezeld van zulke vriendschappen. + +Wijs en wijsgeerig zijn, is verschillend; en het bewijs er van is, +dat, de kleine ongeregeldheden in haar leefwijze er buiten gelaten, +Favourite, Zephine en Dahlia wijsgeerige meisjes waren, en Fantine +een wijs meisje was. + +Wijs! zal men zeggen, en Tholomyès? Salomo zou antwoorden, dat +de liefde een deel der wijsheid uitmaakt. Wij zeggen slechts, dat +Fantine's liefde een eerste, een eenige, een trouwe liefde was. + +Zij was de eenige der vier, die slechts met een enkele gemeenzaam +omging. + +Fantine was een der wezens, die, om zoo te spreken, uit de diepte des +volks ontluiken. Uit de onpeilbaarste diepten der maatschappelijke +duisternis opgekomen, droeg zij op het hoofd het teeken van het +naamlooze en onbekende. Zij was te M. sur M. geboren. Van welke +ouders? Wie zou het kunnen zeggen? Niemand had ooit haar ouders +gekend. Zij heette Fantine. Waarom Fantine? Zij had nooit een anderen +naam gehad. + +Tijdens haar geboorte bestond het Directoire nog. Zij had evenmin een +familienaam als familie; ook geen doopnaam, want de kerk was er niet +meer. Zij heette zooals de eerste de beste haar noemde, die haar, toen +zij blootsvoets op straat rondzwierf ontmoet had. Zij ontving een naam, +evenals zij de droppen uit de wolken op haar hoofd ontving, wanneer +het regende. Men noemde haar de kleine Fantine. Niemand wist iets +meer van haar. Zóó was dit menschelijke wezen het leven ingetreden. + +Toen Fantine tien jaar oud was, verliet zij haar geboorteplaats, +en ging in dienst bij de boeren in den omtrek. Op vijftienjarigen +leeftijd kwam zij te Parijs om "fortuin te maken". Fantine was schoon +en bleef zoolang zij kon rein. Zij was een lieve blondine met fraaie +tanden. Zij had tot bruidsschat goud en paarlen; maar het goud was +op haar hoofd en de paarlen waren in haar mond. + +Zij arbeidde om te leven; daarna beminde zij insgelijks om te leven, +want ook het hart heeft zijn honger. Zij beminde Tholomyès. + +Voor hem was 't eene minnarij; voor haar een hartstocht. De straten van +het Quartier Latin, waarin het mierennest der studenten en grisetten +wemelt, zagen het begin van dezen liefdedroom. Op deze kronkelpaden +des heuvels van het Pantheon, waar zooveel avonturen aangeknoopt en +ontbonden worden, had Fantine Tholomyès lang ontvlucht, doch zoo, +dat zij hem telkens weder ontmoette. + +Er is een manier om iemand te ontwijken, die veel van zoeken +heeft. Kortom, de Idylle begon. + +Blachevelle, Listolier en Fameuil vormden een groep, waarvan Tholomyès +het hoofd was. Hij bezat de geestigheid. + +Tholomyès was de oude, veeljarige student; hij was rijk; hij bezat +vierduizend francs rente. Vierduizend francs is een schat, waarmede +op den berg van St. Genoveva heel wat kan gedaan worden. Tholomyès +was een losbol van dertig jaar, die zich slecht gehouden had. Hij +had reeds rimpels, en had reeds tanden verloren; en spottend wees +hij op zijn hoofd, dat al kaal begon te worden. Zijn spijsvertering +was niet best en hij had een traanoog. Maar naargelang zijn jeugd +vervloog, vermeerderde zijn vroolijkheid; hij verving zijn ontbrekende +tanden door kwinkslagen, zijn haar door grappen, zijn gezondheid +door spotternij, en zijn traanoog lachte altijd. Hij was vermolmd, +maar nog vol bloemen. Zijn jeugd, die vóór den tijd verdween, trok +in goede orde af, onder lach en scherts. Hij had een tooneelstuk +geschreven, dat echter overal was afgewezen. Nu en dan maakte hij +verzen. Overigens geloofde hij aan niets, 't geen hem in de oogen der +zwakken niet weinig aanzien gaf. Dewijl hij nu ironisch en kaal van +haar was, was hij het hoofd. Iron is een Engelsch woord, dat ijzer +beteekent; zou daarvan ironisch afkomstig zijn? + +Op zekeren dag nam Tholomyès de drie anderen ter zijde, maakte een +gewichtig gebaar en zeide: + +"Sinds nu bijna een jaar vragen Fantine, Dahlia, Zephine en Favourite +ons om een verrassing. Wij hebben ze haar plechtig beloofd. Zij spreken +er ons dagelijks om aan, vooral mij. Evenals de oude vrouwen te Napels +den H. Januarius toeroepen: Faccia gialluta, fa o miracolo, gele +tronie, verricht uw mirakel! zeggen onze schoonen gestadig tot mij: +Tholomyès, wanneer zal uw verrassing voor den dag komen? Tegelijkertijd +schrijven ons onze ouders. Zoo worden wij van alle zijden geplaagd. Het +oogenblik schijnt nu gekomen. Laat ons dus overleggen. + +Toen sprak Tholomyès zachter, en 't geen hij op een geheimzinnige +wijze zeide, scheen zoo grappig, dat de vier monden tegelijkertijd +in een luid schaterend gelach uitbarstten, en Blachevelle uitriep: +"Dat is een heerlijk denkbeeld!" + +Zij kwamen bij een estaminet vol rook, traden er binnen en het overige +hunner conferentie verloor zich in de duisternis. + +Het gevolg dezer duisternis was een schitterende buitenpartij, die +den volgenden Zondag zou plaats hebben, en waartoe de vier jongelingen +de vier meisjes noodigden. + + + + + + +DERDE HOOFDSTUK. + +VIER PAREN. + + +Wat vijfenveertig jaren geleden een landelijke partij van studenten en +grisettes was, kan men zich tegenwoordig moeielijk voorstellen. Parijs +heeft niet meer dezelfde omstreken; de gedaante van hetgene men het +leven om Parijs zou kunnen noemen, is sedert een halve eeuw geheel +veranderd; waar toen de koekoek [3] reed, ratelt nu de spoortrein; +de vaartuigen op de Seine zijn door stoombooten vervangen; men +gaat tegenwoordig even gemakkelijk naar Fécamp als destijds naar +St. Cloud. Het Parijs van 1862 is een stad, die geheel Frankrijk tot +buitenwijken heeft. + +De vier paren begingen zorgvuldig al de landelijke dwaasheden die +destijds mogelijk waren. 't Was in den vacantietijd, en een warme +heldere zomerdag. De oude, Favourite, de eenige die kon schrijven, +had uit naam van alle vier aan Tholomyès geschreven: "C'est une +bonne heure de sortir de bonheur." Daarom stonden zij te vijf uren 's +ochtends op. Toen voeren zij met de schuit naar St. Cloud, bezichtigden +den verdroogden waterval, en riepen: Wat moet dat fraai zijn, als +er water in is! Zij gebruikten het ontbijt, wandelden, stoeiden, +vermaakten zich op allerlei wijzen, plukten bloemen, aten en dronken, +kortom waren volkomen gelukkig. + +De meisjes koutten, lachten en zongen als ontsnapte vinken. 't Was +een dolle pret. Zij schertsten en stoeiden met haar minnaars. O +lenteroes des levens! Verrukkelijke jaren! De vleugels der nimfen +klapwieken. Wie gij ook zijt, herinnert ge u dien tijd? Zijt ge ooit +door struweelen gegaan, zorgvuldig de takken ter zijde buigende, +om het bekoorlijk kopje, dat achter u was, te beveiligen? Zijt ge +ooit van een grasheuvel, die steil en door den regen glibberig was, +afgedarteld, met een geliefde, die u stijf de hand vasthoudt, en +uitroept: "Ach, mijn nieuwe laarsjes; hoe zien zij er uit!" + +Wij moeten hierbij voegen, dat de vermakelijke ramp van een stortregen +aan dit vroolijke gezelschap ontging, hoewel Favourite bij het vertrek, +op moederlijken en matresachtigen toon gezegd had: "de slakken kruipen +langs den grond. Een voorteeken van regen, kinderen!" + +Alle vier waren schoon van schalkschheid. Een goed oud, klassiek +dichter, destijds vermaard, een man die een Eleonore had, de ridder de +Labouisse, doolde dien dag onder de kastanjeboomen van St. Cloud, en +toen hij de vier meisjes tegen tien uren 's morgens zag voorbijgaan, +zeide hij: "Er is er één te veel", waarbij hij aan de drie gratiën +dacht. Favourite, Blachevelle's minnares, de drieëntwintig-jarige, +de oude, liep vooruit onder de zware groene takken, sprong over +slooten, kroop onverschrokken door struiken en heggen, en voerde haar +vroolijke gezellen aan met al het vuur eener boschgodin. Zephine en +Dahlia, aan welke het toeval die verschillende schakeeringen der +schoonheid had geschonken, welke elkaar aanvulden en verhoogden, +verlieten elkander niet, meer nog uit instinct van coquetterie dan +uit vriendschap; tegen elkander gesteund en gevlijd, vertoonden +zij Engelsche poses. De eerste Keapsakes waren verschenen; voor +de vrouwen begon de melancholie mode te worden, zooals later het +Byronisme voor de mannen, en het haar der schoone sekse begon als +een treurwilg over het gezicht te hangen. Zephine en Dahlia waren +met krullen gekapt. Listolier en Fameuil, die in een discussie over +hun professoren verdiept waren, verklaarden aan Fantine het verschil, +dat er tusschen den heer Delvincourt en den heer Blondeau bestond. + +Blachevelle scheen opzettelijk geschapen, om des Zondags de shawl +van Favourite op den arm te dragen. + +Tholomyès volgde als de meester der groep. Hij was zeer vroolijk, +maar men voelde toch zijn heerschappij; in zijn vroolijkheid was +iets van den dictator: zijn grootste opschik was een wijde nanking +pantalon met souspieds van gevlochten koperdraad, hij had een dikken +bamboes van tweehonderd francs in de hand; en, wijl hij zich alles +veroorloofde, in den mond--iets vreemds in dien tijd--een sigaar. Er +was niets heilig voor hem--hij rookte. + +"Tholomyès is toch een ongemeen mensch," zeiden de anderen +eerbiedig. "Zie zijn pantalon! hoe forsch!" + +Fantine was de vroolijkheid zelve. Haar prachtige tanden hadden +blijkbaar van God den last ontvangen, om te lachen. Zij droeg haar +stroohoedje met lange fladderende witte kinbanden liever in de hand dan +op het hoofd. Haar zwaar blond haar, dat telkens losging en langs haar +hoofd golfde, deed haar eene Galathee gelijken, die onder de wilgen +vlucht. Haar rooskleurige lippen babbelden bekoorlijk. De wellustig +opgetrokken mondhoeken, als die der antieke afbeeldingen van Erigone, +schenen tot onbeschroomdheid aan te moedigen en uit te dagen; maar haar +lange oogwimpers wierpen een bescheiden schaduw over het ondergedeelte +van haar gezicht, als om tot ernst te vermanen. Haar geheele kleeding +en opschik had iets vroolijks, zwierigs. Zij droeg een japon van +lilas barège, lage goudlederen schoentjes met kruislinten op de fijne +witte kousen, en die soort van neteldoeken spencer, die te Marseille +is uitgevonden, en wier naam, canezou, een verbastering is van het +woord quinze août, dat schoon weder, warmte en middag beteekent. De +drie anderen, welke minder bloode waren, droegen zeer lage lijven, +'t geen des zomers, onder met bloemen bedekte hoeden, zeer bekoorlijk +en verlokkend staat. Nevens dezen onbeschaamden tooi scheen de half +doorschijnende canezou der blonde Fantine, die half vertoonde en half +verhulde, zien liet en verborg, een tartende vondst der ingetogenheid, +en het vermaarde liefdegerechtshof, voorgezeten door de burggravin de +Cette met de zeegroene oogen, zou misschien den prijs der coquetterie +aan deze canezou hebben gegeven, die als middel der eerbaarheid +diende. Het gebeurt vaak, dat de onnoozelste de schranderste is. + +Schitterend van aangezicht, met teedere omtrekken, donkerblauwe oogen, +zware oogleden, kleine fraai besneden voetjes, wonderbaar fijne leden +en gewrichten, blank vel, dat hier en daar de blauwe zwelling der +aderen vertoonde, kinderlijk frissche wangen, krachtigen hals als +die van Juno, sterken, buigzamen nek, schoon gevormde schouders, +waartusschen men, door het neteldoek heen, een verleidelijk kuiltje +zag; een beeld van vroolijkheid, door mijmering getemperd; ongemeen +bekoorlijk en schilderachtig--zoodanig was Fantine;--en 't was +blijkbaar, dat dit beeld leven en een ziel bevatte. + +Fantine was schoon, zonder dat zij 't zelf recht wist. Diepzinnige +navorschers, geheimzinnige priesters van het schoone, die stilzwijgend +alles met de volmaaktheid vergelijken, zouden in dit naaistertje, +door de Parijsche bevalligheid heen, de gewijde Euphonia der ouden +hebben ontdekt. Deze dochter der onbekendheid was van den echten +stempel. Zij was even schoon in beide opzichten, welke men stijl en +rhythmus noemt. De stijl is de vorm van het ideale; de rhythmus de +beweging er van. + +Wij hebben gezegd, dat Fantine de vroolijkheid was; zij was ook +de eerbaarheid. + +Een nauwkeurig opmerker zou, door de opgetogenheid en verrukking +van jeugd, seizoen en liefde heen, een onverwinnelijke uitdrukking +van ingetogenheid, een bescheidenheid ontdekt hebben. Zij betoonde +steeds eenige aarzeling. Deze kuische aarzeling is de tint die Psyché +van Venus onderscheidt. Fantine had de witte, fijne vingers der +Vestaalsche maagd, die met een gouden naald de asch van het heilige +vuur omroert. Hoewel zij aan Tholomyès niets had geweigerd--zooals men +maar al te spoedig zien zal--had haar gezicht, als zij in rust was, +een bij uitnemendheid maagdelijke uitdrukking; in sommige oogenblikken +vertoonde zij eensklaps een zweem van ernstige, strenge waardigheid, en +niets was zonderlinger en treffender dan haar vroolijkheid zoo ijlings +te zien verdwijnen, en haar dartelheid, zonder eenigen overgang, +voor ernstig gepeins te zien plaats maken. Deze plotselinge ernst, +die vaak krachtig uitkwam, geleek de verachting eener godin. Haar +voorhoofd, haar neus en kin bezaten die evenredigheid van lijnen, +welke geheel verschillend van de evenredigheid der verhoudingen is, en +waaruit de harmonie van het gezicht ontstaat; in de zoo karakteristieke +tusschenruimte van den neus en de bovenlip, had zij die nauwelijks +zichtbare, bekoorlijke plooi, dat geheimzinnig merk der kuischheid, +'t welk Barbarossa verliefd maakte op een, bij de opdelvingen van +Icona gevonden, Diana. + +De liefde moge een zonde zijn; maar Fantine was de onschuld, die op +de zonde dreef. + + + + + + +VIERDE HOOFDSTUK. + +THOLOMYÈS IS ZOO VROOLIJK, DAT HIJ EEN SPAANSCH LIED ZINGT. + + +Deze dag was van 't begin tot het einde als 't morgenrood. De geheele +natuur scheen feest te vieren en vroolijk te zijn. + +De bloemperken van Saint Cloud vervulden alles met hun geuren; het +koeltje, dat van de Seine overwoei, bewoog zacht de bladeren; de +takken gesticuleerden in den wind; de bijen beroofden de jasmijnen; +een drom zwervende kapellen fladderde boven de klaver- en havervelden; +in het heerlijk park van den koning van Frankrijk zwierf een troep +vagebonden--de vogels. + +De vier jeugdige paren glinsterden van vreugd, in den zonneschijn, +op het veld, bij de bloemen, bij de boomen. + +In deze paradijsachtige gemeenschap werden de koutende, zingende, +loopende, dansende, vlinders vangende, bloemen plukkende, haar +kousen in het hooge gras vochtig makende, frissche, dartele, niet +slechte meisjes, allen werden nu en dan eens gekust, door allen, +behalve Fantine, die zich peinzend en hardvochtig in haar onbepaalden +tegenstand verhard had, ofschoon zij beminde.--Gij, zei Favourite +tot haar, gij ziet er altijd uit, alsof ge heel wat zijt! + +Dat zijn ware vreugden! Deze wandelingen van gelukkige paren zijn +machtige eischen aan het leven en aan de natuur, en lokken overal +liefkoozingen en licht uit. Er was eens een fee die weiden en boomen +schiep, in 't bijzonder voor minnenden. Vandaar ontstaat dat eeuwige +dolen van verliefden door het vrije veld, dat bestendig voortduurt +en zoo lang zal duren als er velden en boschjes en verliefden zullen +zijn. Vandaar ook de liefde der denkers voor de lente. De patriciër en +de handwerksman, de hertog en pair en de arme, de lieden van het hof en +de lieden der stad, zooals men eertijds zeide, allen zijn onderdanen +dezer fee. Men schertst, men verbergt zich, de lucht straalt van +een schitterenden glans: welk een gedaanteverwisseling brengt de +liefde voort! Notaris-klerken worden goden. Deze vroolijke kreten, +die vervolgingen in het gras, die omvattingen in den snellen loop, dat +gefluister, die liefdekout, dat rooven van kersen uit den eenen mond +door den anderen, dat alles verrukt en straalt in hemelschen glans. De +schoone meisjes stoeien en schertsen, alsof 't nooit zal eindigen. De +wijsgeeren, dichters, schilders aanschouwen deze verrukking en weten +niet wat er van te maken, zoo zijn zij er door begoocheld. + +Na het ontbijt waren de vier paren gegaan naar hetgeen toen het +koninklijk vierkant werd genoemd, om er een pas uit Indië aangekomen +plant te bezichtigen, wier naam we ons nu niet herinneren, en die op +dat tijdstip geheel Parijs naar St. Cloud lokte. 't Was een zonderlinge +en fraaie heester, hoog van stam, welks tallooze bladerlooze takjes, +als draden zoo fijn, met millioenen kleine witte roosjes waren bedekt, +zoodat de plant een met haar begroeid en met bloemen bedekt hoofd +geleek. Een ontelbare menigte verdrong zich steeds om de plant te +bewonderen. + +Na de bezichtiging van dezen heester, zei Tholomyès: Ik geef +ezels! en na met een ezelverhuurder accoord te hebben gemaakt, +keerden zij langs Vanvres en Issy terug. Het park te Issy, een +nationaal eigendom, destijds in 't bezit van een zekeren Bourguin, +stond toevallig open. Zij waren het hek doorgegaan, hadden het beeld +van den kluizenaar in de grot bezocht, de geheime werkingen van de +vermaarde spiegelkamer beproefd, de waardige uitvinding van een sater, +die millionnair is geworden. Zij hadden stoutmoedig geschommeld op +den schopstoel tusschen de twee kastanjeboomen, die door den abbé +Bernis bezongen zijn. Terwijl de schoonen een voor een schommelden, +en hierdoor haar japonnen onder algemeen gelach opvlogen, zong de +Toulousiër Tholomyès, die eenigszins Spanjaard was, daar Toulouse +een nicht van Toloza is, op droefgeestige wijs het oude gallega-lied, +dat wellicht door een schoon meisje ingegeven werd, dat op een touw +tusschen twee boomen schommelde: + + + Soy de Badajoz. + Amor me Ilama. + Toda mi alma + Es en mis ojos + Porque ensenas + A tus piernas. + + +Fantine alleen wilde niet schommelen. + +Van zulke preutschheid houd ik niet, pruttelde Favourite, tamelijk +scherp. + +Toen men de ezels verlaten had, was 't een nieuw vermaak: men voer +in een bootje over de Seine, en van Passy ging men te voet naar +de barrière de l'Étoile. Zij waren, men zal 't zich herinneren, +sedert vijf uren 's ochtends op de been, maar, "och," zei Favourite, +"des Zondags wordt men niet moede; 's Zondags werkt de vermoeidheid +niet." Tegen drie uren gleden de vier paren, die vol geluk en zaligheid +waren, van de Russische bergen, een zonderling toestel, dat destijds +op de hoogte Beaujon stond en welks golvende lijn men boven de boomen +der Champs-Elysées kon zien uitkomen. + +Nu en dan riep Favourite: + +"En de verrassing nu? ik verlang naar de verrassing." + +"Geduld!" antwoordde Tholomyès. + + + + + + +VIJFDE HOOFDSTUK. + +BIJ BOMBARDA. + + +Toen men zich met de Russische bergen genoeg vermaakt had, dacht +men aan den maaltijd; en het gelukkig achttal, eindelijk een weinig +vermoeid, had in de herberg Bombarda zijn anker laten vallen. 't Was +een tweede etablissement van den vermaarden gaarkok Bombarda, wiens +uithangbord men toen in de straat Rivoli naast de passage Delorme +kon zien. + +Een ruime, maar leelijke kamer met een alkoof, waarin een bed stond +(uit hoofde der menigte die des Zondags deze herberg bezocht, had men +zich hiermede moeten behelpen); twee ramen waaruit men, tusschen de +olmen, de kade en de rivier kon zien; een prachtige zonneschijn, die +over de ramen gleed; twee tafels; op de eene reusachtige bouquetten, +met heeren- en dameshoeden vermengd; aan de andere de vier paren, +gezeten rondom dicht op elkander geschoven schotels, borden, glazen +en flesschen; kruiken bier tusschen flesschen wijn, weinig orde op +de tafel, eenige wanorde er onder: + + + Zij maakten onder de tafel + Een vreeselijk rumoer en stampten met de voeten [4], + + +zegt Molière. + + + +Zoo was het tegen half vijf uur des avonds gesteld met het herderlijk +vermaak, dat te vijf uren 's ochtends begonnen was. + +De zon daalde, de eetlust werd verzadigd. + +De Champs-Elysées, vol zonneschijn en gedrang, waren niets dan +glans en stof, twee zaken, waaruit de roem bestaat. De paarden +van Marly, deze hinnikende marmerbeelden, steigerden in een gouden +stofwolk. Rijtuigen woelden heen en weer. Een escadron der prachtige +lijfgarde, met de trompet aan zijn spits, reed door de laan van +Neuilly; op den koepel der Tuilerieën wapperde de witte vlag, +door de ondergaande zon eenigszins rood gekleurd. Op het plein de +la Concorde, nu weder plein Lodewijk XV geworden, wemelde het van +vergenoegde wandelaars. Verscheidenen droegen de zilveren lelie aan een +witzijden gewaterd lint, dat in 1817 nog niet geheel uit de knoopsgaten +verdwenen was. Hier en ginds danste temidden der juichende menigte +een kring meisjes en zong daarbij een toen geliefd Bourbonsch lied, +bestemd om de "honderd dagen" te beschimpen, en dat tot refrein had: + + + Geef ons onzen Vader van Gent, + Geef ons onzen Vader weer [5]. + + +Troepen voorstad-bewoners in Zondagsgewaad, sommigen met leliën als de +burgers opgeschikt, staken naar den ring en reden in den mallemolen; +anderen dronken; eenige drukkersgezellen droegen papieren mutsen; men +hoorde hen lachen. Allen waren vroolijk. 't Was ontegensprekelijk een +tijd van diepen vrede en van veiligheid voor de koningsgezinden; 't was +de tijd toen een vertrouwelijk en bijzonder rapport van den prefect +van politie Angles aan den koning, over de voorsteden van Parijs, +met deze woorden eindigde: "Alles welbeschouwd, Sire, is er van deze +menschen niets te vreezen. Zij zijn even onverschillig en traag als +katten. Het gemeene volk in de provinciën is onrustig, dat van Parijs +is 't niet. 't Zijn allen kleine menschen. Men zou er twee op elkander +moeten zetten, Sire, om er één uwer grenadiers van te maken. Van het +gepeupel der hoofdstad is niets te vreezen. 't Is merkwaardig, dat bij +deze bevolking sedert vijftig jaren de lichaamsgroei verminderd is, +en dat het volk der voorsteden kleiner is dan vóór de revolutie. 't +Is niet gevaarlijk. In één woord, 't is een goed soort van kanalje." + +Dat een kat zich in een leeuw kan herscheppen, dit achtten de +politie-prefecten onmogelijk; 't gebeurt evenwel; en dat is het +wonderbare van het Parijsche volk. De kat, overigens, die door +den graaf Anglès zoo weinig geteld werd, bezat de achting der oude +republikeinen; in hun oogen stelde zij het zinnebeeld der vrijheid +voor, en als om tot tegenhanger van de Minerva van den Pyreus te +dienen, stond op het plein van Corinthe het kolossale bronzen beeld +eener kat. De onnoozele politie der restauratie zag het Parijsche volk +in een al te gunstig licht. 't Is zulk een goed kanalje niet als men +meent. De Parijzenaar is onder de Franschen, wat de Athener onder de +Grieken was; niemand slaapt beter dan hij, niemand is lichtzinniger +en trager dan hij, niemand schijnt eerder te vergeten dan hij; +maar men vertrouwe hem niet: hij is tot allerlei onverschilligheid +in staat, doch zoo het roem geldt, is hij bewonderenswaard in zijn +opgewektheid. Geef hem een piek en hij veroorzaakt den 10en Augustus; +geef hem een geweer en men heeft Austerlitz. Hij is het steunpunt van +Napoleon en de hulpgenoot van Danton. Is 't om 't vaderland te doen, +dan grijpt hij de wapens; betreft het de vrijheid, dan neemt hij de +steenen uit de straat. Men wachte zich voor hem. Wanneer het uur slaat, +verandert zijn kiel in een krijgsrok; de bewoner der voorstad wordt +grooter, deze kleine man verheft zich, hij slaat een vreeselijken blik +om zich heen; zijn adem wordt een storm, en uit zijn teere, zwakke +borst zal wind genoeg komen om de Alpen te schudden. 't Is door de +hulp van den Parijschen voorstadbewoner, dat de revolutie met haar +legers Europa veroverde. Zingen is zijn lust. Dat men hem een liedje +naar zijn aard geve en men zal zien! Zoolang hij niets zingt dan de +Carmagnole, werpt hij slechts Lodewijk XVI omver; maar men late hem +de Marseillaise zingen, en hij zal de wereld bevrijden. + +Na deze aanmerking op het rapport van den graaf Anglès, keeren wij +tot onze vier paren terug. Het diner, zooals wij gezegd hebben, +liep ten einde. + + + + + + +ZESDE HOOFDSTUK. + +EEN HOOFDSTUK, WAARIN MEN AANBIDT. + + +Tafelgesprekken en liefdekout; de eerste zijn evenmin weder te geven +als de tweede; liefdekout is een wolk, tafelgesprekken zijn dampen. + +Fameuil en Dahlia neurieden; Tholomyès dronk, Zephine lachte, Fantine +glimlachte; Listolier blies op een houten kindertrompetje, dat hij +te Saint-Cloud had gekocht. Favourite lonkte teederlijk Blachevelle +toe en zeide: + +"O Blachevelle, hoe bemin ik u!" + +Dit gaf aanleiding tot Blachevelle's vraag: + +"Wat zoudt ge doen, Favourite, zoo ik ophield u te beminnen?" + +"Ik?" riep Favourite. "O, spreek zoo niet, zelfs niet in scherts. Zoo +ge ophieldt mij te beminnen, zou ik op u springen, u verscheuren, +krabben, ik zou u in 't water gooien, u gevangen doen nemen." + +Blachevelle glimlachte met het welbehagen van een man wiens eigenliefde +zich gestreeld voelt. Favourite hernam: + +"Ja, ik zou de wacht roepen! Meent ge, dat ik mij zou bedwingen, +monster?" + +Blachevelle wierp zich in verrukking achterover op zijn stoel en +kneep hoogmoedig zijn oogen dicht. + +Etende fluisterde Dahlia, temidden van het rumoer, Favourite toe: + +"Ge hebt uw Blachevelle dan wel heel lief?" + +"Ik! Ik kan hem niet uitstaan," antwoordde Favourite op denzelfden +toon, haar vork weder opnemende. "Hij is gierig. Ik bemin het heertje, +dat tegenover mij woont. Kent gij hem? een knappen jongen? Men +ziet, dat hij veel aanleg tot komediant heeft. Ik ben verzot op +komedianten. Zoodra hij te huis komt zegt zijn moeder: "Ach hemel! nu +is 't uit met mijn rust. Nu begint hij te schreeuwen. Maar, mijn kind, +ge doet mijn hoofd bersten!" Dan loopt hij het huis door tot op de +vliering, zoo hoog hij kan, om te zingen, te declameeren, en wat weet +ik het? dat men hem beneden hoort! Hij verdient reeds een franc daags +bij een deurwaarder met het schrijven van dagvaardingen. Hij is de zoon +van een zanger der kerk van St. Jacques du Haut-Pas. O, hij is heel +knap. Hij aanbidt mij zoozeer, dat hij op een dag, toen hij mij beslag +zag maken om koeken te bakken, zeide: "mejuffrouw, maak koekjes van +uw handschoenen en ik zal ze opeten." Alleen kunstenaars kunnen iets +zoo aardigs zeggen. O, hij is betooverend. Ik zou waarlijk haast op +dien lieven jongen verzot worden. Ik zeg echter maar aan Blachevelle, +dat ik hem bemin. Wel, wat zegt ge? kan ik goed liegen?" + +Favourite hernam na een pauze: + +"Weet ge, Dahlia, ik ben treurig. Het heeft den ganschen zomer +geregend; de wind hindert mij; Blachevelle is zoo vreeselijk gierig; +er zijn nog geen jonge erwtjes op de markt; men weet niet wat men +eten zal; ik heb de spleen, zooals de Engelschen zeggen; de boter is +zoo duur! en zie, 't is een gruwel, wij eten in een kamer waar een +bed staat; dit doet mij van het leven walgen." + + + + + + +ZEVENDE HOOFDSTUK. + +DE GEESTIGHEID VAN THOLOMYÈS. + + +Terwijl nu eenigen zongen, praatten de anderen luid door elkander; +'t was een rumoer, waarvan men niets onderscheiden kon. Tholomyès +kwam tusschenbeide, en zeide: + +"Laten we niet allen door elkander spreken en schreeuwen; en niet zoo +wild. Laten we nadenken, zoo wij met genoegen willen gehoord worden. Te +veel improvisatie put den geest uit en maakt dom. Loopend bier +schuimt niet. Geen overhaasting, mijnheeren. Eten wij met aandacht; +spoeden wij ons langzaam. Geen overijling. Zie de lente: zoo zij te +haastig komt, is zij naar de maan, dat wil zeggen, bevrozen. Te veel +drift doet de perzike- en abrikozeboomen verloren gaan. Te veel drift +doodt de bevalligheid en de vreugd van een goede tafel. Geen drift, +mijnheeren; Grimod de la Reynière is van Talleyrands meening." + +Een misnoegd gemor verhief zich in de groep. + +"Tholomyès, laat ons met vrede," zei Blachevelle. + +"Weg met den tyran!" zei Fameuil. + +"Leve Bombarda, Bombance en Bamboche! [6]" riep Listolier. + +"'t Is Zondag!" hernam Fameuil. + +"Wij zijn nuchter!" voegde Listolier er bij. + +"Vrienden!" riep Tholomyès op den toon van iemand, die de teugels +van het gezag herneemt. "Ik herhaal: geen drift, geen heidensch +geraas; wel kwinkslagen en woordspelingen. Woordspelingen zijn de +uitlatingen van een vliegenden geest. De kwinkslag (lazzi) valt +waar hij kan; en wanneer de geest een domheid heeft gezegd, verbergt +hij zich in de lucht. Ik houd van woordspelingen en vereer ze naar +verdienste. Al wat verheven, groot en bekoorlijk in de menschheid is +geweest, en misschien ook buiten de menschheid, heeft woordspelingen +gemaakt. Jezus Christus heeft op den naam Petrus een woordspeling +gemaakt, Mozes op dien van Isaäk, Eschylus op Polynicia, Cleopatra +op Octavius. En merkt op, dat deze laatste woordspeling den slag +van Actium voorafging, en dat zonder deze woordspeling niemand +aan de stad Toryne zou denken, een Griekschen naam, die "potlepel" +beteekent. Na deze opmerking kom ik tot mijn vermaning terug. Geen +drift, mijnheeren, geen heidensch leven, geen buitensporigheid, noch +in vroolijkheid noch in woordspelingen. Luistert, ik ben voorzichtig +als Amphiaraüs en kaal als Cesar. Zelfs woordspelingen moeten grenzen +hebben. Est modus in rebus. Ook maaltijden moeten grenzen hebben. Ge +houdt van appeltaartjes, dames, eet er niet te veel van. Zelfs bij +appeltaartjes behooren verstand en kunst. De gulzigheid straft +den gulzige. Gula punit Gulax. De indigestie is door den hemel +bestemd om de magen wijsheid te leeren. En let wel op: ieder onzer +hartstochten, zelfs de liefde, heeft een maag, die men niet te zeer +mag vullen. In alle zaken moet men te rechter tijd het woord finis +schrijven; men moet zich, als 't noodig is, bedwingen, den grendel op +zijn lust schuiven, zijn begeerten opsluiten en zich zelf op wacht +stellen. Hij is wijs, die in zekere oogenblikken zich zelven kan +gevangen nemen. Schenkt mij eenig vertrouwen. Dewijl ik een weinig +in de rechten heb gestudeerd, zooals mijn examens bewijzen, dewijl +ik het onderscheid ken, tusschen een aanhangige en een afgedane zaak, +dewijl ik in 't Latijn een thesis heb verdedigd over de folteringen, +die men te Rome aanwendde ten tijde dat Munatuis Demens questor was; +dewijl ik naar allen schijn doctor zal worden, is dit een en ander +geen volstrekt bewijs dat ik een domkop zou zijn. Ik beveel u dus +de matigheid in uw begeerten aan. Zoo waar ik Felix Tholomyès heet, +is het waar wat ik u zeg. Gelukkig hij, die, wanneer het uur slaat, +een heldhaftig besluit neemt, en als Sylla of Origenus afstand doet. + +Favourite luisterde met de diepste aandacht. + +"Felix!" zeide zij, "een mooie naam. Dien naam hoor ik gaarne. 't Is +Latijn, 't wil zeggen gelukkig." + +Tholomyès hernam: + +"Quirites, gentlemen, caballeros, waarde vrienden! Wilt ge geen +prikkel voelen, het huwelijk ontberen en de liefde tarten? Niets +gemakkelijker dan dit: Drinkt limonade, werkt buitensporig hard, +dat ge er bij neervalt, kruit zware vrachten, slaapt niet, waakt, +vult uw maag met soda en gerstewater, wisselt dat af met een aftreksel +van maankoppen, houdt daarbij een streng dieet, lijdt honger, neemt +koude baden en legt op de maag een looden plaat." + +"Ik wil liever een vrouw hebben," zei Listolier. + +"De vrouw!" hernam Tholomyès, "wacht er u voor. Wee hem die zich +aan het veranderlijk hart der vrouw overgeeft! De vrouw is valsch en +trouweloos. Zij haat de slang uit broodnijd. De slang is de winkel +aan de overzijde." + +"Tholomyès, ge zijt dronken!" riep Blachevelle. + +"Wel duivels!" zei Tholomyès. + +"Wees dan vroolijk," hernam Blachevelle. + +"Welnu, ik zal 't zijn," antwoordde Tholomyès. + +Zijn glas vullende stond hij op, en riep uit: + +"Eere den wijn! Nunc te, Bacche, canam! Vergeving, dames, 't is +Spaansch. En ziehier het bewijs, Sennoras: zoo het volk is, is het +vat. De Castiliaansche aroba bevat zestien kan, de cantaro van Alicante +twaalf, de almuda der Kanarische eilanden vijfentwintig, de cuartin +der Balearische eilanden zesentwintig, de laars van Peter den Groote +dertig. Leve deze Czaar, die groot was, en leve zijn laars, die nog +grooter was! Waarde dames! laat mij u een vriendelijken raad geven: +Vergist u in uw buurman, zoo gij er lust toe hebt. Het is de aard der +liefde, zich te vergissen. De liefde is niet gemaakt om te kruipen +en te tobben, zooals een Engelsche dienstmeid, die van het schrobben +eelt aan de knieën krijgt. Zoo is het minnen niet: het fladdert en +doolt vroolijk om. Men heeft gezegd: Dwalen is menschelijk; ik zeg: +dwalen is liefde. Ik bemin u allen, dames. O Zephine, o Josephine, +lief gedeukt gezicht, gij zoudt allerliefst zijn, zoo uw gelaat +minder breed was. Gij ziet er uit, alsof men er bij ongeluk op +was gaan zitten. En Favourite, o nimfen en muzen! zekeren dag dat +Blachevelle over de goot in de straat Guérin-Boisseau stapte, zag +hij een mooi meisje met witte heldere kousen, dat haar beenen liet +zien. Deze inleiding behaagde Blachevelle en hij was verliefd. 't Was +Favourite, die hij beminde. O, Favourite, gij hebt Ionische lippen. Er +was een Grieksch schilder, Euphorion genoemd, dien men den naam van +lippen-schilder gaf. Alleen deze Griek zou waardig zijn geweest, +uw mond te schilderen. Luister! Vóór u was er geen wezen, dien naam +waardig. Gij zijt geschapen om als Venus den appel te ontvangen of, +als Eva, hem te eten. De schoonheid begint bij u. Ik sprak van Eva; +maar gij zijt het, die haar geschapen hebt. Gij verdient eigenlijk +het patent der eerste schoone vrouw. O, Favourite, nu zal ik u +minder gemeenzaam behandelen, want ik ga van de poëzie tot het +proza over. Gij spraakt aanstonds van mijn naam. Dit heeft mij +verteederd; maar, wie wij zijn mogen, mistrouwen wij de namen. Zij +kunnen misleiden. Ik heet Felix en ben niet gelukkig. Woorden zijn +leugenaars. Neemt niet blindelings de beteekenis aan, welke zij ons +geven. 't Zou verkeerd zijn, naar Luik (Liege, kurk) om kurken te +schrijven en naar Pau (peau, vel) om handschoenen. Ik zou mij in uw +plaats Rosa noemen, miss Dahlia. Een bloem moet liefelijk rieken en +een vrouw moet geestig zijn. Van Fantine spreek ik niet; zij is een +droomster, een peinzende, een teergevoelige, een schim in de gedaante +van een nimf, met de kuischheid eener non, die in het grisetten-leven +verdwaald is, maar dit in illusiën ontvlucht; die zingt en bidt, en +het azuur aanschouwt, zonder te weten, wat zij ziet of wat zij doet, +en met hemelwaarts gerichte blikken in een tuin omdoolt, waar meer +roofvogels zijn dan zij kent! O Fantine, verneem, dat ik, Tholomyès, +een illusie ben, maar zij hoort mij zelfs niet, de blonde dochter +der luchtkasteelen! Overigens is alles in haar frisch, lief, jong, +en helder als het ochtendrood. O, Fantine, ge verdiendet Margaretha +of parel te heeten; gij zijt een diamant van 't schoonste water. Nog +een tweede raad, dames; trouwt niet; het huwelijk is een loterij met +veel nieten. Maar wat praat ik toch? Al wat ik zeg is vruchteloos. De +lust tot trouwen is ongeneeslijk bij de vrouwen; en wat wij, wijzen, +ook mogen zeggen, 't zal de naaisters en modisten niet beletten van +schatrijke echtgenooten te droomen. Mijnentwege, het zij zoo, Maar +onthoudt ten laatste dit: gij eet te veel suiker. Gij vrouwen hebt +het eenig gebrek, te veel suiker te knabbelen. O knagende sekse, +uw lieve kleine tandjes zijn te verzot op suiker. Luistert: de +suiker is een zout, en elk zout verdroogt. De suiker is het meest +verdrogend van alle zouten. Het zuigt uit de aderen de vluchtigste +deelen van het bloed, zoodat het verdikt en ten laatste verstijft; +daardoor ontstaan knobbels in de longen en deze veroorzaken den +dood. Daarom is dan ook de suikerziekte (diabéte) een zuster van de +longtering. Eet daarom geen suiker en ge zult leven! En nu richt ik +mij ten slotte tot de mannen: mijnheeren, maakt veroveringen! Rooft +elkander, zonder gewetensbezwaar, uw minnaressen. Chassez-croisez! In +liefde-zaken zijn er geen vrienden. Overal waar een schoone vrouw is, +is 't openbare strijd. Geen genade, een strijd op leven en dood! Een +schoone vrouw is een casus belli; een schoone vrouw is een openbaar +misdrijf. Van al de vijandelijke invallen, waarvan de geschiedenis +gewaagt, waren de vrouwen de aanleiding. De vrouw is het recht van +den man. Romulus schaakte de Sabijnsche maagden, Willem roofde de +Saksische vrouwen, Cesar ontvoerde de Romeinsche vrouwen. De man, +die niet bemind wordt, zweeft als een gier boven de minnaressen +van anderen; en ik richt aan de ongelukkigen, die weduwnaars zijn, +de verheven proclamatie van Bonaparte tot het leger van Italië: +"Soldaten, u ontbreekt alles. De vijand heeft wat u ontbreekt." + +Tholomyès zweeg. + +"Schiet eens in den adem, Tholomyès," zei Blachevelle. Te zelfder +tijd begon deze, geaccompagneerd door Listolier en de Fameuil, op +een klagenden toon een dier liedjes te zingen uit de werkplaatsen, +en die, rijmend of rijmloos, meestal zinledig zijn, als het geruisch +des winds, uit den tabakswalm ontstaan, en die met dezen vervliegen. + +Met het volgende couplet beantwoordde de groep deze redevoering +van Tholomyès: + + + Les pères dindons donnèrent + De l'argent à un agent + Pour que mors Clermont-Tonnerre + Fût fait pape à la Saint-Jean; + Mais Clermont ne put pas être + Fait pape, n'étant pas prêtre; + Alors leur agent rageant + Leur rapporta leur argent. [7] + + +Dit was niet geschikt om aan de improvisatie van Tholomyès een einde +te maken, want hij dronk zijn glas uit, schonk het weder vol en +begon opnieuw: + +"Weg met de wijsheid! Vergeet alles wat ik gezegd heb. Laat ons noch +preutsch, noch sluw, noch dom zijn. Brengen wij aan de vroolijkheid een +toast; laat ons vroolijk zijn. Voltooien wij onze studie in de rechten +met dwaasheden en maaltijden... Kom, Fantine, laat mij u kussen." + +Maar hij vergiste zich en kuste Favourite. + + + + + + +ACHTSTE HOOFDSTUK. + +DE DOOD VAN EEN PAARD. + + +"Men dineert beter bij Edon dan bij Bombarda," riep Zephine. + +"Ik geef aan Bombarda de voorkeur boven Edon," verklaarde +Blachevelle. "'t Is er prachtiger, 't is er meer Oostersch. Zie +slechts de benedenzaal. Er zijn spiegels in de wanden." + +"Ik heb liever dat mijn bord een spiegel is," zei Favourite. + +Blachevelle ging voort: + +"Zie de messen. De heften zijn van zilver bij Bombarda, en van been +bij Edon. Zilver is toch meer waard dan been." + +"Behalve voor hen, die een zilveren kin hebben," merkte Tholomyès op. + +Op dat oogenblik hield hij zijn blik op den dom der Invaliden gericht, +welke uit de vensters van Bombarda zichtbaar was. + +Na eenig zwijgen riep Fameuil: + +"Listolier en ik hadden zooeven een woordenstrijd, Tholomyès." + +"Een woordenstrijd is goed," antwoordde Tholomyès, "maar een twist +is beter." + +"Wij disputeerden over de philosophie." + +"Zoo." + +"Aan wien geeft gij de voorkeur, aan Descartes of Spinoza?" + +"Aan Desaugiers," zei Tholomyès. + +Na deze uitspraak dronk hij, en hernam: + +"Ik wil leven. 't Is alles op aarde nog niet gedaan, zoolang men nog +kan raaskallen. Ik dank er de onsterfelijke goden voor. Men liegt, maar +men lacht. Men bevestigt en men twijfelt. Het onverwachte ontspringt +aan de sluitrede. 't Is schoon. Er zijn hier beneden nog stervelingen, +die vroolijk de doos der verrassingen van het paradoxe weten te +openen en te sluiten. Wat ge hier zoo rustig drinkt, dames, weet, dat +het maderawijn is van het gewas van den Coural das Freiras, die zich +driehonderdzeventien vademen boven de vlakte der zee verheft. Denkt er +aan als ge drinkt! driehonderdzeventien vademen! en mijnheer Bombarda, +onze prachtige restaurateur, geeft u deze driehonderdzeventien vademen +voor vier francs vijftig centimes!" + +Wederom viel Fameuil hem in de rede: + +"Tholomyès, uw woorden gelden als wetten. Wie is uw geliefdste +schrijver?" + +"Ber..." + +"Quin?" + +"Neen. Choux." + +En Tholomyès vervolgde: + +"Eere zij Bombarda! hij zou Munophis van Elephanta evenaren, zoo hij +een almee voor me kon plukken, en Thygelion van Cheronea, zoo hij +mij een hetaire kon bezorgen; want in Griekenland en Egypte waren +Bombardas, dames, Apuleus verhaalt het ons. Helaas, altijd hetzelfde +en nooit iets nieuws. Niets onuitgegevens in de schepping van den +Schepper. Niets nieuws onder de zon, zegt Salomo; amor omnibus idem, +zegt Virgilius; en Carabine gaat met Carabijn te Saint Cloud aan +boord van de galjoot, gelijk zich Aspasia met Pericles te Samos +op de vloot inscheepte. Nog een laatste woord. Weet ge, dames, +wie Aspasia was? Een ziel, hoewel zij in een tijd leefde, toen de +vrouwen nog geen zielen hadden; een roos- en purperkleurige ziel, +heeter dan vuur, frisscher dan de dageraad. Aspasia was een wezen, +in 't welk de twee uitersten der vrouw zich vereenigden--godin en +veile vrouw. Socrates en Manon Lescaut. Aspasia was geschapen voor +'t geval, dat Prometheus een veile deern behoefde." + +Tholomyès, die nu eenmaal aan 't doordraven was, zou moeielijk in zijn +vaart tegengehouden zijn geworden, zoo niet juist op dit oogenblik een +paard op de kade gevallen was. Door den schok bleven kar en redenaar +steken. 't Was een oude, magere knol, juist voor den vilder geschikt, +en die een zeer zware kar trok. Voor Bombarda gekomen, wilde het ros, +dat vermoeid en uitgeput was, niet verder voort. Dit geval had de +menigte bijeengelokt. Nauwelijks had de verbolgen voerman den tijd +gehad een geduchten vloek te uiten, gepaard aan een onmeedoogenden +zweepslap, of de knol viel, om niet weder op te staan. Het rumoer +der voorbijgangers hoorende, keerden de vroolijke toehoorders van +Tholomyès het hoofd om, ten einde te zien wat er gaande was, en +Tholomyès maakte hiervan gebruik om zijn toespraak met dit droefgeestig +vers te eindigen: + + + Het behoorde tot die wereld, waar koetsen en karren + In hetzelfde lot deelen, + En als knol heeft het geleefd, zoo lang een knol leeft: + Den tijd van een morgen, [8] + + +"Het arme paard!" zuchtte Fantine. + +"Nu gaat Fantine waarlijk de paarden beklagen?" riep Dahlia. "Kan +iemand iets dommers doen!" + +Te zelfder tijd keek Favourite, die de armen kruiste en het hoofd +achterover wierp, Tholomyès strak in de oogen en zeide: + +"En waar blijft nu de verrassing?" + +"'t Is waar. Het oogenblik is gekomen," antwoordde +Tholomyès. "Mijnheeren, 't uur om deze dames een verrassing te bereiden +heeft geslagen. Wacht ons een oogenblikje, dames," + +"Het begint met een kus," zei Blachevelle. + +"Op het voorhoofd," voegde Tholomyès er bij. + +Ieder drukte ernstig een kus op het voorhoofd zijner minnares; +vervolgens gingen alle vier de heeren, de een achter den ander, +naar de deur, met den vinger op den mond. + +Favourite klapte bij hun vertrek in de handen en zeide:--"'t Begint +prettig." + +"Blijft niet te lang weg," lispte Fantine. "Wij wachten u." + + + + + + +NEGENDE HOOFDSTUK. + +VROOLIJK EINDE DER VREUGD. + + +Toen de meisjes alleen waren, gingen zij twee aan twee, op de ellebogen +geleund, voor de ramen staan, en praatten van het eene raam tot het +andere met elkander. + +Zij zagen de studenten gearmd de herberg uitgaan; dezen keerden het +hoofd om, wenkten de meisjes glimlachend toe en verdwenen in dien +bestoven zondagschen menschendrom, die wekelijks de Champs-Elysées +bestormt. + +"Blijft niet te lang weg!" riep Fantine. + +"Wat gaan zij ons halen?" zei Zephine. + +"'t Zal zekerlijk iets fraais zijn," zei Dahlia. + +"Ik," hernam Favourite, "wensch dat het iets van goud zij." + +Zij vonden dra verstrooiing in de beweging, welke zij door de takken +van het hoog geboomte heen, langs den kant van 't water zagen, +en die haar zeer vermaakte. 't Was het uur, dat de postkarren en +diligences vertrokken. + +Bijna al de postwagens naar het Zuiden en Westen reden toen door de +Champs-Elysées. De meeste volgden de kade en gingen uit de stad door +de barrière van Passy. + +Elk oogenblik zag men een groot geel en zwart geschilderd rijtuig, met +rammelend voorspan, zwaar beladen, wanstaltig door de vele koffers, +balen en valiezen, vol hoofden, die dra verdwenen, den straatweg tot +gruis, als dol de keien tot steentjes rijden en zich door het gedrang +een weg banen, daarbij vonken als uit een smidse slaande en stofwolken +opjagende. Dat gewoel vermaakte de meisjes. Favourite riep: + +"Welk een geweld! 't Is alsof 't hoopen kettingen zijn, die +wegvluchten." + +Een dezer rijtuigen, 't welk uithoofde der dicht bijeenstaande olmen +moeilijk te onderscheiden was, hield een oogenblik stil en reed toen +in galop verder. + +Dit verwonderde Fantine. + +"'t Is zonderling," zeide zij. "Ik meende, dat de diligences nooit +stilhielden." + +Favourite haalde de schouders op. + +"Die Fantine is toch een wonderlijk meisje. Ik zie haar met bevreemding +aan. Zij verwondert zich over de eenvoudigste dingen. Veronderstel, +dat ik op reis ga, en aan de diligence zeg: ik ga vooruit, neem mij +in 't voorbijgaan op, aan de kade. De diligence komt, ziet mij, houdt +stil, en neemt mij op. Dat gebeurt alle dagen. Ge kent het leven niet, +mijn lieve!" + +Er verliep eenige tijd. Eensklaps maakte Favourite een beweging, +als van iemand die ontwaakt. + +"Maar," zeide zij, "waar blijft de verrassing." + +"'t Is waar," hernam Dahlia, "de beloofde verrassing." + +"Zij blijven lang weg!" zei Fantine. + +Nadat Fantine dit zuchtend gezegd had, trad de knecht, die bij het eten +bediend had, binnen. Hij had iets in de hand, dat een brief geleek. + +"Wat is dat?" vroeg Favourite. + +De knecht antwoordde: + +"Het is een brief, dien de heeren van straks mij voor de dames hebben +gegeven." + +"Waarom hebt ge hem niet dadelijk gebracht?" + +"Wijl de heeren bevolen hadden hem eerst na verloop van een uur aan +de dames te geven," antwoordde de knecht. + +Favourite rukte het papier den jongen uit de handen. Het was inderdaad +een brief. + +Er is geen adres op. Maar zie, er staat op geschreven: + + + DIT IS DE VERRASSING. + + +Zij scheurde den brief haastig los en las (ze kon lezen): + + + "O, onze liefjes! + + "Weet, dat we ouders hebben. Ouders, ge weet daar zoo niet + af. In het kinderlijke en fatsoenlijke code civil heet dat + vaders en moeders. Maar die ouders zuchten naar ons, die ouden + van dagen eischen ons op, die goede mannen en die goede vrouwen + roepen ons, verloren zonen; zij snakken naar onze terugkomst + en bieden aan, gemeste kalveren te slachten. Aangezien we braaf + zijn, gehoorzamen we hun. Op het oogenblik, dat ge deze regelen + leest, brengen vijf vurige rossen ons naar onze papa's en mama's + terug. We ruimen het veld, zooals Bossuet zegt. We vertrekken, + we zijn vertrokken. Wij vluchten in de armen van Laffitte en op + de vleugels van Gaillard. De diligence van Toulouse ontvoert ons + aan den afgrond, en die afgrond zijt gij, o lieve schoonen! Wij + keeren terug in de maatschappij, tot den plicht en de orde, en + wel in vollen draf, drie mijlen in 't uur. Het vaderland eischt, + dat we, evenals iedereen, familievaders, préfecten, veldwachters + en raadsheeren worden. Vereert ons. Wij offeren ons op. Beweent + ons snel en vervangt ons spoedig. Indien deze brief u het hart + verscheurt, geef hem dan terug. Adieu. + + Gedurende bijna twee jaren hebben we u gelukkig gemaakt. Draagt + er ons geen kwaad hart om toe. + + "Geteekend: Blachevelle. + "Fameuil. + "Listolier. + "Felix Tholomyès. + + "Post-scriptum. Het diner is betaald." + + +De vier jonge meisjes zagen elkander aan. + +Favourite verbrak het eerst de stilte. + +"Wel," riep ze, "'t is in alle geval een aardige grap." + +"Die is heel goed," zei Zephine. + +"Blachevelle moet het eerst op dat idée gekomen zijn," hernam +Favourite. "Dat maakt me verliefd op hem." + +"Neen," riep Dahlia, "het is een idée van Tholomyès. Dat is zoo +duidelijk als iets." + +"In dat geval," hernam Favourite, "de dood aan Blachevelle en leve +Tholomyès!" + +"Leve Tholomyès!" riepen Dahlia en Zephine. + +En ze schaterden 't uit van lachen. + +Fantine lachte met de anderen mee. Toen zij, een uur later, haar kamer +was binnengetreden, huilde ze. Het was, zooals we hebben gezegd, +haar eerste liefde; ze had zich aan dien Tholomyès overgegeven als +aan een echtgenoot, en het arme meisje had een kind. + + + + + + + +BOEK IV. + +TOEVERTROUWEN IS SOMTIJDS GEVEN. + + +EERSTE HOOFDSTUK. + +EEN MOEDER, DIE EEN ANDERE MOEDER ONTMOET. + + +Te Montfermeil, nabij Parijs, was in het eerste vierde deel dezer +eeuw een soort van kroeg, welke thans niet meer bestaat. Deze kroeg +werd gehouden door de echtelieden Thénardier, man en vrouw, en was +gelegen in het Bakkerssteegje. Boven de deur was aan den muur een +plank gespijkerd, waarop iets stond geschilderd, dat een man geleek, +die een anderen man, met gouden generaals-epauletten en groote +zilveren sterren, op den rug droeg; roode plekken stelden bloed voor; +het overige der schilderij was vol rook, en moest waarschijnlijk een +veldslag verbeelden. Daaronder las men: IN DEN SERGEANT VAN WATERLOO. + +Gewoonlijk ziet men voor de deur eener herberg een mestkar of een +wagen. Het voertuig evenwel, of beter gezegd, het overblijfsel van +een voertuig, dat de steeg voor de kroeg de "Sergeant van Waterloo" +op een lenteavond in 1818 versperde, zou zekerlijk door zijn plompheid +de aandacht van een voorbijgaand schilder getrokken hebben. + +Het was het voorstuk van een dier wagens, welke in boschrijke oorden +worden gebruikt om zware balken en boomstammen te vervoeren. Dit +voorstuk bestond uit een dikke ijzeren as, waaraan een zware dissel, +die op twee ontzaglijk groote wielen rustte. Het geheel was plomp, +wanstaltig en zwaar. Men had het voor de affuit van een reusachtig +kanon kunnen houden. De modderpoelen hadden de wielen, de velgen, +de naven, de as en den dissel met een laag vuil, geelachtig slijk +bedekt. Het hout was onzichtbaar door het slijk, en het ijzer door +het roest. Als een guirlande hing onder den dissel een zware ketting, +als voor een gevangen Goliath. Deze ketting deed onwillekeurig denken, +niet aan de balken, welke hij moest houden, maar aan de mastodonten en +mammouts, die er in gespannen hadden kunnen worden; hij deed denken +aan een bagno, maar aan een bagno van cyclopen en reuzen, en scheen +vroeger een monster gekluisterd te hebben. Homerus zou er Polypheem +en Shakspeare Caliban in geklonken hebben. + +Waartoe bevond zich dit wagenstel te dezer plaatse op de +straat? Vooreerst om de straat te versperren, ten tweede om verder +te roesten. In de oude maatschappelijke orde bestaan een menigte +instellingen, welke men zoo op zijn weg onder den blooten hemel +ontmoet, en die geen andere reden van bestaan hebben. + +Het midden van den ketting hing over den dissel tot bijna op den +grond, en in zijn ronding zaten dien avond, als op een talter, +twee kleine meisjes, die elkander teer omstrengeld hielden, 't een +ongeveer derdehalf jaar en 't ander achttien maand oud, het kleinste +in de armen van het grootste. Een zakdoek, waarmede zij voorzichtig +vastgebonden waren, belette haar te vallen. Een moeder had dezen +schrikkelijken ketting gezien en gedacht: Ha, ziedaar een speeltuig +voor mijn kinderen. + +De twee kindertjes, die overigens eenigszins met zorg gekleed en +getooid waren, zagen er bekoorlijk uit; zij geleken twee roosjes in +oud ijzer; haar oogjes schitterden, haar frissche wangen glimlachten; +het een had kastanjebruin, het ander donkerbruin haar; haar onschuldige +gezichtjes drukten vroolijke opgetogenheid uit; een bloeiende haag in +de nabijheid verspreidde een liefelijken geur, die van de kinderen +scheen uit te gaan; het jongste meisje toonde haar naakte buikje +met de kuische achteloosheid van kleine kinderen. Boven en om deze +teedere kopjes, die van geluk vervuld en in 't licht gehuld waren, +welfde zich het plompe leelijke wagenstel, vreeselijk zwart van +het roest, en vol hoeken en scherpe kanten, als de ingang van een +hol. Eenige schreden van daar, op den drempel der deur gehurkt, +schommelde de moeder, een overigens niet zeer vriendelijke, maar op +dit oogenblik innemende vrouw, de twee kinderen met een lang koord, +met de oogen onafgewend op hen gevestigd, uit vrees van eenig ongeluk, +tevens met die dierlijke en hemelsche uitdrukking, welke slechts aan +moeders eigen is. Bij elken ruk brachten de afzichtelijke schakels een +knarsend geluid voort, dat den kreet des toorns geleek. De meisjes +waren in verrukking, de ondergaande zon paarde zich aan die vreugd, +en niets kon bekoorlijker zijn dan deze gril van het toeval, dat van +dezen titansketen een talter voor cherubijnen had gemaakt. + +Terwijl de moeder haar twee kleinen talterde, zong zij met een valsche +stem een toen in zwang zijnde romance: + + + Ja 't moet zoo zijn, sprak een soldaat. [9] + + +Haar gezang en de beschouwing harer dochtertjes beletten de vrouw te +hooren en te zien, wat in de straat voorviel. + +Intusschen was iemand haar genaderd, toen zij het eerste couplet der +romance begon, en eensklaps hoorde zij een stem, die dicht aan haar +oor fluisterde: + +"Gij hebt daar twee lieve kindertjes, madame!" + + + Aan de schoone en teedere Imogine, [10] + + +antwoordde de moeder, voortzingende, en toen zij het hoofd omwendde, +stond een jonge vrouw op een paar schreden afstands van haar. Deze +vrouw had insgelijks een kind, 't welk zij op haar arm droeg. + +Bovendien droeg zij een tamelijk grooten reiszak, die zeer zwaar +scheen. + +Het kind dezer vrouw was een der liefelijkste wezens, die men zien +kon: een meisje tusschen de twee en drie jaar! Zij had met de twee +andere kleinen in netheid van kleeding gerust kunnen wedijveren. Zij +had een fijn linnen kapje met kant op het hoofd, en linten aan haar +keursje. Haar rokje was een weinig opgelicht, zoodat men haar blank, +stevig en mollig beentje tot boven de knie kon zien. Zij was blozend +als een roos en scheen zeer gezond. Men zou in de roode koontjes, +die er zoo frisch uitzagen als appelen, hebben willen bijten. Van +haar oogen was niets te zeggen, dan dat zij zeer groot moesten zijn +en prachtige wimpers hadden. Zij sliep. + +'t Was die geruste, vertrouwende slaap, welke aan haar leeftijd eigen +is. De armen der moeders bestaan alleen uit liefde; de kinderen slapen +er gerust op. + +De moeder zelve had een armoedig en treurig voorkomen. Zij was als +een handwerkster gekleed, die weder naar het land terug begeert +te gaan. Zij was jong. Was zij schoon? Misschien; maar door haar +kleeding zag men er niets van. Haar blond haar, waarvan een vlecht +te voorschijn kwam, scheen zwaar, maar was schier geheel met een +leelijk, nauwsluitend en om de kin vastgebonden mutsje bedekt. De +lach doet de fraaie tanden uitkomen, wanneer men ze heeft; maar zij +lachte niet. Haar oogen schenen sinds lang niet droog te zijn geweest +van tranen. Zij was bleek; zij had een zeer vermoeid en eenigszins +ziekelijk voorkomen; met dien eigenaardigen blik eener moeder, die +zelve haar kind heeft gezoogd, aanschouwde zij het dochtertje, dat +in haar armen sliep. Een groote blauwe zakdoek, als die waarvan de +invaliden zich bedienen, was om haar hals geslagen en bedekte haar +borst. Haar handen waren bruin en vol zomersproeten, de wijsvinger +vereelt en vol naaldesteken. Zij droeg een bruinen, groven wollen +mantel, een katoenen kleedje en plompe schoenen. Dit was Fantine. + +Dit was Fantine. Ze was moeilijk te herkennen. Evenwel, zoo men haar +nauwkeurig beschouwde, bezat zij nog altijd haar schoonheid. Een +treurige rimpel, die een begin van bittere spotzucht scheen, had zich +op haar rechterwang gevormd. Haar kleeding, een luchtige kleeding van +neteldoek en lint, die uit vroolijkheid, lichtzinnigheid en dartelheid +geweven en een bloemengeur te verspreiden scheen, was verdwenen als +het glinsterende rijp, dat in den zonneschijn als diamanten fonkelt, +maar wanneer 't gesmolten is, den donkeren boomtak overlaat. + +Er waren tien maanden sedert "de aardige grap," de verrassing, +verstreken. + +Wat in deze tien maanden was gebeurd, is niet moeielijk te raden. + +Na de verlating was de nood gekomen. Fantine had al heel spoedig +Favourite, Zephine en Dahlia uit het oog verloren; de band, door de +mannen gebroken, was bij de meisjes vanzelf afgevallen. Zij zouden, +veertien dagen later, zeer verwonderd hebben opgezien, zoo men +haar gezegd had, dat zij vriendinnen waren; daartoe bestond geen +reden meer. Fantine was alleen gebleven. Toen de vader van haar kind +vertrokken was--deze scheidingen zijn, helaas, onvermijdelijk,--bevond +zij zich geheel verlaten, met minder gewoonte tot den arbeid en +meer lust tot vermaken. Haar betrekking met Tholomyès had haar er toe +geleid haar handwerk te verzuimen, zij had haar klanten veronachtzaamd; +zij had ze verloren. Nu was zij zonder alle hulpmiddelen. Fantine kon +nauwelijks lezen en niet schrijven; in haar kindsheid had zij niets +geleerd dan haar naam te krabbelen. Door een openbaar schrijver had +zij tot driemalen toe aan Tholomyès laten schrijven, maar Tholomyès +had geen der drie brieven beantwoord. Op zekeren dag hoorde Fantine +vrouwen, die haar kind beschouwden, zeggen: "zulke kinderen trekt +men zich niet ernstig aan; men haalt er de schouders voor op!" Toen +dacht zij aan Tholomyès, die voor zijn kind de schouders ophaalde +en zich het onschuldig wezen niet ernstig aantrok; en toen werd haar +hart somber voor dien man. Maar wat moest zij beginnen? Zij wist niet +meer, tot wien zich te wenden. Zij had een misstap begaan; maar in +den grond van haar hart was zij, gelijk men zich herinnert, kuisch +en deugdzaam. Zij gevoelde onduidelijk, dat zij op het punt was, +in armoede te verzinken en wellicht tot iets ergers te komen. + +Er was moed noodig, zij had dien en vermande zich. De gedachte kwam bij +haar op, naar haar geboorteplaats M. sur M. weder te keeren. Daar zou +misschien iemand zijn, die haar kende en haar werk gaf; maar zij moest +haar misslag verbergen. En zij vermoedde de noodzakelijkheid eener +scheiding, die nog smartelijker zou zijn dan de eerste. Haar hart brak, +maar zij nam een besluit. Gelijk men zien zal, bezat Fantine den vasten +moed des levens. Reeds had zij onversaagd van den opschik afgezien, +zich in katoen gekleed, en voor haar dochtertje al haar zijde, linten +en kanten aangewend,--de eenige ijdelheid, welke haar overbleef +en die niemand mag veroordeelen. Zij verkocht alles wat zij bezat, +'t geen haar tweehonderd francs opbracht; na haar schulden betaald te +hebben, hield zij niet meer dan ongeveer tachtig francs over. Op een +schoonen lentemorgen verliet zij, tweeëntwintig jaar oud, Parijs, haar +kind op haar rug medevoerende. Wie beiden gezien had, zou medelijden +met haar gehad hebben. Deze vrouw had ter wereld niets dan dit kind, +en dit kind had ter wereld niets dan deze vrouw. Fantine had haar +dochtertje gezoogd; tengevolge daarvan was haar borst verzwakt en +zij hoestte een weinig. + +Wij zullen geen gelegenheid hebben, meer van den heer Felix Tholomyès +te spreken. Laat ons dus slechts met een enkel woord melden, dat +hij twintig jaren later, onder koning Lodewijk Filips, een voornaam +advocaat in de provincie was, invloedrijk en vermogend, een wijs kiezer +en een zeer streng gezworene;--overigens altijd een man van pleizier. + +Tegen den middag bevond zich Fantine, na nu en dan, om eens te rusten, +tegen drie of vier stuivers in 't uur, gebruik te hebben gemaakt van +de zoogenaamde snorwagens, die destijds in de omstreken van Parijs +gevonden werden--te Montfermeil in de Bakkerssteeg. + +Toen zij aan de herberg van Thénardier kwam, vielen de twee vroolijke +meisjes op de kettingschommel haar in 't oog. Zij bleef staan voor +dit bekoorlijk tafereel. + +En zijn betooveringen. Deze twee meisjes waren een betoovering voor +deze moeder. + +Zij aanschouwde ze met de meeste aandoening. De tegenwoordigheid +van Engelen duidt een paradijs aan. Zij meende boven deze herberg +het geheimzinnig HIER der Voorzienigheid te zien. Deze twee meisjes +waren blijkbaar gelukkig. Zij aanschouwde, bewonderde ze met zulk +een verteedering, dat, toen de moeder tusschen twee verzen van haar +liedje eens in den adem schoot, Fantine het niet kon nalaten haar +deze woorden te zeggen: + +"Gij hebt daar twee lieve kindertjes, madame." + +De wildste dieren worden verteederd, wanneer men hun jongen streelt. De +moeder richtte het hoofd op en dankte de vrouw; zij noodigde haar uit, +plaats te nemen op de bank aan de deur, terwijl zij op den drempel +zat. De twee vrouwen begonnen een gesprek. + +"Ik heet madame Thénardier," zei de moeder der twee kleinen. "Wij +houden deze herberg." + +Daarna, steeds met haar romance vervuld, zong zij weder binnensmonds: + + + Het moet zoo zijn, als riddersman, + Ik ga naar Palestina. [11] + + +Vrouw Thénardier was een rosharige, forsche, zwaarlijvige vrouw, +het type eener soldatenvrouw in al haar onbehaaglijkheid.--Daarbij +had zij, wat hier zonderling bijkwam, iets sentimenteels, dat zij van +het romanlezen gekregen had.--Zij was een sentimenteel manwijf. Alle +romans, die naar den smaak van keukenmeiden berekend zijn, hebben +zulk een uitwerking. Zij was nog tamelijk jong, nauwelijks dertig +jaar oud. Zoo deze vrouw, die nu gehurkt zat, overeind had gestaan, +zou waarschijnlijk haar reusachtige gestalte en kolossaal voorkomen +de vreemde vrouw reeds op het eerste gezicht hebben verschrikt, +haar vertrouwelijkheid verdreven, waardoor onmogelijk ware gemaakt, +wat wij thans willen verhalen. Het zitten of staan van iemand kan +aan het lot een geheel andere richting geven. + +De vreemde vrouw verhaalde haar geschiedenis, een weinig gewijzigd. + +Zij was naaister; haar man was overleden; zij had te Parijs geen +werk kunnen vinden; zij wilde het elders, in haar geboorteplaats, +zoeken; zij had dien morgen Parijs verlaten, te voet; daar zij haar +kind moest dragen, was zij moede geworden; toen had zij den wagen naar +Villemomble ontmoet en daarin plaats genomen; vervolgens was zij weder +tot Montfermeil te voet gegaan; de kleine had ook een weinig geloopen, +maar niet lang; 't kind was nog zoo jong; zij had het weder op den +arm moeten nemen, en toen was de engel in slaap gevallen. + +Dit zeggende gaf zij het kind een vurigen kus, die het wakker +maakte. Het kind opende de oogen, groote blauwe oogen als die zijner +moeder, en aanschouwde, wat? Niets, alles, met dien ernstigen, +soms zoo strengen kinderlijken blik, die een verborgenheid is hunner +schitterende onschuld tegenover de schemering onzer deugd. 't Is alsof +zij gevoelen dat zij engelen, en weten dat wij menschen zijn. Toen +glimlachte het kind, en, schoon door zijn moeder tegengehouden, liet +het zich op den grond glijden, met die onweerhoudbare kracht van +een klein wezen, dat loopen wil. Eensklaps zag het meisje de twee +kinderen op hun schommel, bleef staan, en stak het puntje van haar +tong tusschen de lippen, als een teeken van bewondering. + +Moeder Thénardier maakte haar dochtertjes los, nam ze van den talter +en zeide: + +"Speelt met u drieën." + +Kinderen worden spoedig vertrouwelijk met elkander, en na verloop van +een minuut speelden de kleine Thénardier's met het vreemde meisje, +en vermaakten zich met kuilen in de aarde te krabben. + +Een onuitsprekelijk pleizier! Het vreemde meisje was zeer vroolijk; +de goedheid der moeder blijkt uit de vroolijkheid van het kind; +het had een houtspaan genomen, die haar tot spade diende, en groef +daarmede ijverig een kuil, niet grooter dan voor een vlieg. Wat de +doodgraver verricht, wordt kluchtig, als het een kind doet. + +De twee vrouwen spraken intusschen met elkander. + +"Hoe heet uw kleintje?" + +"Cosette." + +Cosette, lees Euphrasie. De kleine heette Euphrasie. Maar van +Euphrasie had de moeder Cosette gemaakt, ingevolge het verfraaiings- en +verzachtings-instinct der moeders en van het volk, dat Josefa in Pepita +en Françoise in Sillette verandert. Dit is een soort van afleiding, +die de geheele wetenschap der etymologen in de war brengt. Wij hebben +een grootmoeder gekend, wie het gelukt was van Theodora Gnon te maken. + +"Hoe oud is zij?" + +"Zij gaat in haar derde jaar." + +"Evenals mijn oudste." + +Terwijl de drie kleine meisjes vroolijk bijeengehurkt in de aarde +woelden, gebeurde iets, dat haar tegelijk verschrikte en in verrukking +bracht: een groote worm was uit de aarde gekropen. + +Zij raakten elkander met haar glimlachende hoofdjes aan; 't was alsof +men drie kopjes in een stralenkrans zag. + +"Kinderen," riep moeder Thénardier, "maken heel gauw kennis met +elkander; zou men niet zweren, dat 't drie zusjes waren!" + +Dit woord was de vonk, welke de andere moeder waarschijnlijk wachtte; +zij vatte de hand van vrouw Thénardier, zag haar strak aan en zeide: + +"Wilt gij mijn kind bij u houden?" + +Vrouw Thénardier maakte een gebaar van verwondering, dat noch +toestemming noch weigering uitdrukte. + +De moeder van Cosette hernam: + +"Ziet ge, ik kan mijn kind niet naar mijn geboorteplaats +medevoeren. Het werk vergunt het mij niet. Men vindt moeielijk een +betrekking, als men een kind heeft. In mijn geboorteplaats zijn +de menschen zoo wonderlijk. De goede God heeft mij tot uw huis +gevoerd. Toen ik uw kleintjes zoo lief en zoo net en zoo tevreden +zag, heeft mij dit getroffen. Ik dacht: Zie, dat is zeker een goede +moeder. Nu, 't zouden drie aardige zusjes zijn! Overigens zal 't niet +lang duren, dat ik wederkom. Wilt ge mijn kind hier houden?" + +"Daar moet ik eerst over denken," zei vrouw Thénardier. + +"Ik wil zes francs in de maand geven." + +Een mannenstem riep nu uit de herberg: + +"Niet minder dan zeven francs. En zes maanden vooruit betalen." + +"Zes maal zeven is twee-en-veertig," zei vrouw Thénardier. + +"Ik zal ze geven," zei de moeder. + +"En vijftien francs bovendien voor de eerste kosten," voegde de +mannenstem er bij. + +"Te zamen zeven-en-vijftig francs," zei vrouw Thénardier. En onder +deze rekening neuriede zij flauw: + + + Het moet zoo zijn, sprak een soldaat! [12] + + +"Ik geef ze," hernam de moeder; "ik heb tachtig francs. Ik zal genoeg +overhouden om mijn geboorteplaats te bereiken, als ik te voet ga. Ginds +zal ik geld verdienen, en zoodra ik wat heb, kom ik mijn engel halen." + +De mannenstem riep: + +"Heeft de kleine linnen ter verschooning?" + +"'t Is mijn man," zei vrouw Thénardier. + +"Gewis heeft mijn kleine engel verschooning. Ik hoorde wel, dat het +uw man was. Zij heeft zeer fraai linnengoed; veel, alles bij dozijnen; +en zijden jurkjes als een dame. 't Is alles in mijn reiszak. + +"Dan moet gij het geven," riep de mannenstem. + +"Zekerlijk zal ik het geven," zei de moeder. "'t Zou wat fraais zijn, +als ik mijn dochtertje naakt achterliet." + +'t Hoofd van den waard kwam nu te voorschijn. + +"Dan is 't goed;" zei hij. + +De zaak werd beklonken. De moeder bracht den nacht in de herberg door, +gaf haar geld, liet haar kind achter, bond haar reiszak, die nu, +van het kindergoed ontlast, licht en dun was geworden, weder dicht, +en vertrok den volgenden dag, in de hoop spoedig weder te keeren. Men +kan zulke scheidingen zeer bedaard overleggen; maar bij de uitvoering +vertoont zich de wanhoop. + +Een buurvrouw van de Thénardier's ontmoette de moeder toen zij vertrok, +en kwam terugloopen om te zeggen: + +"Ik heb op de straat een vrouw ontmoet, die schreide, dat er 't hart +door verscheurd werd." + +Toen Cosette's moeder vertrokken was, zei de man tot zijn vrouw: + +"Met dit geld zal ik den wissel van honderd tien francs kunnen betalen, +die morgen vervalt. Er ontbraken mij vijftig francs. Weet ge dat de +deurwaarder mij op den hals zou zijn gekomen met een protest? Ge hebt +een goede vangst met uw meisjes gedaan." + +"Zonder het te vermoeden," zei de vrouw. + + + + + + +TWEEDE HOOFDSTUK. + +EERSTE SCHETS VAN TWEE SLECHTE FIGUREN. + + +De gevangen muis was erg mager; maar de kat vermaakt zich ook met +een magere muis. + +Wie waren de echtgenooten Thénardier? + +Zeggen wij vooreerst slechts een paar woorden over hen. Later zullen +wij de schets voltooien. + +Deze wezens behoorden tot die bastaardklasse, welke uit onbeschaafde +parvenus en vervallen beschaafde lieden bestaat: een klasse tusschen +de zoogenaamde midden- en de lagere klasse in, en die eenige gebreken +der tweede met schier al de ondeugden der eerste vereenigt, zonder +den edelen ijver van den werkman of de verstandige orde van den burger +te bezitten. + +'t Zijn die dwergnaturen, welke, zoo zij toevallig door een heilloos +vuur verwarmd worden, licht iets monsterachtigs krijgen. In de vrouw +lag iets dierlijks, in den man al wat een schurk vormt. Beiden waren +in den hoogsten graad vatbaar voor den afschuwelijken vooruitgang op +een kwaden weg. Er bestaan kreeftenzielen, die gestadig achteruit naar +de duisternis gaan, zich in het leven meer achteruit dan voorwaarts +bewegen, de ondervinding slechts gebruiken om hun hatelijkheid te +vergrooten, onafgebroken slechter worden en zich meer en meer als +met een zwart slijk overdekken. Deze man en deze vrouw behoorden tot +die zielen. + +Thénardier bovenal had een afkeer-inboezemend gelaat. Men behoeft +sommige menschen slechts aan te zien, om hen te wantrouwen, want van +'t hoofd tot de voeten ligt iets stuitends in hen. Zij zijn ongerust +achter zich en dreigend voor zich. Men kent ze niet. Men kan evenmin +instaan voor 't geen zij gedaan hebben, als voor 't geen zij zullen +doen. De schaduw op hun gezicht teekent ze. Zij behoeven slechts +een woord te zeggen, een beweging te maken, of men vermoedt sombere +geheimen in hun verleden, sombere verborgenheden in hun toekomst. + +Zoo men Thénardier mocht gelooven, was hij soldaat geweest; ik +sergeant, gelijk hij zeide; hij had vermoedelijk den veldtocht van 1815 +medegemaakt en, naar het schijnt, zich zelfs dapper gedragen. Later +zullen wij zien wat er van is. Het uithangbord zijner herberg duidde +een zijner wapenfeiten aan. Hij had het zelf geschilderd; want hij +verstond van alles zoo wat; maar slecht. + +'t Was in den tijd, toen de classieke roman, vroeger Clélie, thans +Lodoïska, schoon nog steeds edel, toch erg gedaald, van madame +de Scudéry tot madame Bournon-Malarme, en van madame de Lafayette +tot madame Barthélemy-Hadot vervallen; 't was in den tijd toen die +classieke roman de liefde-ademende harten der Parijsche portières in +vuur en vlam zette, en zelfs zijn verwoestingen eenigszins tot in de +voorsteden uitbreidde. Vrouw Thénardier was juist geleerd genoeg om +deze soort van boeken te kunnen lezen. Zij voedde zich er mede. Zij +verdronk er het weinigje hersens in, dat zij had. Dit had haar, toen +zij nog jong was en zelfs iets later, een zekere peinzende houding +gegeven, bij haar man vergeleken, een schurk van eenige diepzinnigheid, +een geleerde deugniet, behalve in de letterkunde, tevens ruw en +sluw; wat godsdienstig gevoel betrof, was hij een leerling van +Pigault-Lebrun, en ten opzichte der vrouwelijke sekse, was hij, +zooals hij zich uitdrukte, even onwetend als een boonestaak. Zijn +vrouw was twaalf of vijftien jaar jonger dan hij. Later, toen het +als treurwilgen neerhangend romantisch haar, grijs begon te worden, +toen uit de Pamela een Megera ontstond, was vrouw Thénardier niets +dan een dik, ondeugend wijf, met domme romans opgevuld. En men leest +niet ongestraft ongerijmdheden! Een gevolg hiervan was, dat haar oudste +dochtertje Eponine heette; en het jongste zou Gulnare geheeten hebben, +maar zij had het aan een of andere gelukkige afleiding, door een +roman van Ducray-Duminil bewerkt, te danken, dat zij slechts Azelma +genoemd werd. + +'t Moet overigens in 't voorbijgaan gezegd worden, dat in dien +zonderlingen tijd, waarvan wij spreken en dien men den tijd der +anarchie in de doopnamen kan noemen, niet alles dwaas en oppervlakkig +was. Behalve het romantisch element, dat wij aanduidden, lag er een +maatschappelijk verschijnsel in. 't Is tegenwoordig niet zeldzaam, +dat een ossendrijversknecht Arthur, Alfred of Alphonse heet, en de +burggraaf--zoo er nog burggraven zijn--Thomas, Piet of Jakob. Deze +omkeering, welke den eleganten naam aan den man uit het volk en +den gemeenen naam aan den aristocraat geeft, is niets anders dan de +wederkeerende golfslag der gelijkheid. De onwederstaanbare, alles +doordringende nieuwe tijdgeest is hier evenals in alles zichtbaar. In +deze schijnbare tegenstrijdigheid ligt iets grootsch en dieps--de +Fransche Revolutie. + + + + + + +DERDE HOOFDSTUK. + +DE LEEUWERIK. + + +Het is niet genoeg, slecht te zijn, om fortuin te maken. De herberg +wilde niet vooruit. + +Met de zeven-en-vijftig francs van de vreemde vrouw had Thénardier +een protest voorkomen en zijn schuldbekentenis kunnen voldoen. De +volgende maand was er weder geldgebrek; de vrouw ging naar Parijs +en beleende er in den lommerd de kleederen van Cosette voor zestig +francs. Toen ook dat geld verteerd was, gewenden Thénardier en zijn +vrouw er zich aan, in het meisje slechts een kind te zien, dat zij +uit medelijden bij zich hielden en behandelden haar daarnaar. Nu de +kleine geen kleertjes meer had, lieten ze haar de versleten rokjes +en hemden der jonge Thénardier's dragen, dat wil zeggen: lompen. Men +voedde haar overigens met allerlei klieken, een weinig beter dan +den hond en slechter dan de kat; Cosette at met deze dieren onder de +tafel van een houten bord, evenals zij hadden. + +Haar moeder, die zich, zooals men later zal zien, te M. sur +M. had gevestigd, schreef, of liever liet maandelijks schrijven, +om iets nopens haar kind te vernemen. De Thénardier's antwoordden +onveranderlijk: Cosette is volmaakt wel. + +Toen de eerste zes maanden verstreken waren, zond de moeder zeven +francs voor de zevende maand, en ging daarmede zeer stipt iedere maand +voort. Het jaar was nog niet geëindigd, toen Thénardier zeide:--'t +Is een aardig voordeel, dat zij ons aanbrengt; wat kan ons zeven +francs helpen!--en hij schreef, dat hij er twaalf moest hebben. De +moeder, welke hij in den waan hield dat haar kind gelukkig was en +"goed aankwam," onderwierp zich en zond de twaalf francs. + +Sommige karakters kunnen niet aan de eene zijde beminnen, zonder aan +de andere te haten. Moeder Thénardier beminde hartstochtelijk haar +eigen beide kinderen, en daarom haatte zij het vreemde meisje. 't Is +een treurig denkbeeld, dat ook de liefde eener moeder een slechte zijde +kan hebben. Hoe weinig plaats Cosette in het huis ook innam, toch kwam +het haar voor, dat ze ten koste harer kinderen verkregen was, en dat +de kleine de lucht verminderde, welke haar meisjes inademden. Deze +vrouw had, gelijk vele vrouwen harer soort, een zekere hoeveelheid +liefkoozingen en een zekere hoeveelheid slagen en scheldwoorden, +waarvan zij zich dagelijks moest ontlasten. Zoo zij Cosette niet +had gehad, is het zeker, dat haar dochters, hoe zeer zij die ook +beminde, het een met het ander zouden ontvangen hebben. Nu kregen haar +dochters alleen de liefkoozingen. Cosette kon zich niet verroeren, +of een hagelbui van onverdiende hevige bestraffingen viel op haar +hoofd neder. Het zachte, zwakke wezen, dat noch van God, noch van +de wereld iets begreep, werd gestadig gestraft, beknord, gestooten, +geslagen, terwijl zij nevens zich twee kleine schepseltjes als zij zag, +die in een straal van 't morgenrood leefden. + +Dewijl vrouw Thénardier ondeugend voor Cosette was, waren Eponine +en Azelma het ook. Kinderen van dien leeftijd zijn slechts afdrukken +der moeder. Het formaat is alleen kleiner; dat is het onderscheid. + +Een jaar verstreek; ook een tweede. + +Men zeide in het dorp: + +"De Thénardier's zijn toch brave menschen. Schoon ze niet rijk +zijn, brengen zij toch een arm kind op, dat men bij hen heeft +achtergelaten." Men meende, dat Cosette door haar moeder vergeten +werd. Inmiddels eischte Thénardier, die op eene of andere bedekte wijze +vernomen had, dat het kind waarschijnlijk een onwettig kind was en de +moeder het niet kon wettigen, vijftien francs 's maands, zeggende, dat +het "ding" grooter werd en hoe langer hoe meer "at" en dreigende het +terug te zenden. "Zij moet mij niet wat wijs willen maken!" riep hij, +"of ik gooi haar haar popje als een bom in haar geheime zaakjes. Ik +moet meer hebben." De moeder betaalde de vijftien francs. + +Van jaar tot jaar werd het meisje grooter, maar ook haar ellende. + +Zoolang Cosette klein was, moest zij alles van de twee andere kinderen +dulden: zoodra zij zich een weinig begon te ontwikkelen, dat wil +zeggen, vóór zij nog vijf jaar oud was, werd zij de dienstmaagd van +het huis. + +Vijf jaar, zal men zeggen, dit is onwaarschijnlijk. Helaas, 't is toch +waar. Het maatschappelijk lijden begint op elken leeftijd. Hebben +wij niet onlangs het proces van een zekeren Dumollard gehad, die +van weeskind moordenaar werd, en reeds op vijfjarigen leeftijd, +zooals de gerechtsstukken bewijzen, alleen op zich zelven stond, en +"voor zijn onderhoud werkte, en stal." + +Men liet Cosette boodschappen doen, de kamers schoon maken, de plaats, +de straat schrobben, de borden wasschen en zelfs zware vrachten dragen. + +De Thénardier's meenden te eerder tot deze handelwijze gerechtigd +te zijn, wijl de moeder, die steeds te M. sur M. was, ongeregelder +begon te betalen. Zij was reeds eenige maanden ten achter. + +Zoo deze moeder na verloop van drie jaren te Montfermeil ware +teruggekeerd, zou zij haar kind niet herkend hebben. Cosette, bij haar +komst in dat huis zoo lief en frisch, was nu mager en bleek. Zij had +iets onbeschrijfelijk schuws in haar gedrag. Gluipster, noemden haar +de Thénardier's. + +De onrechtvaardige behandeling welke zij onderging had haar bits, +en het lijden leelijk gemaakt. Zij had niets overgehouden dan haar +schoone oogen, die treurigheid inboezemden; want daar zij groot waren, +scheen men er zooveel te meer treurigheid in te zien. + +'t Was hartverscheurend, wanneer men des winters het arme meisje, +dat nog geen zes jaar oud was, bibberend in haar gescheurde katoenen +lompen, vóór het licht was, met een grooten bezem in de kleine roode +handjes en met tranen in de groote oogen, de straat zag vegen. + +Men noemde haar in het plaatsje den leeuwerik. Het volk, dat van +beeldspraak houdt, gaf dien naam aan dit kleine schepseltje, dat +schuw, angstig en trillende als een vogel, elken ochtend het eerst +in het huis en het dorp wakker, en steeds vóór den dageraad op de +straat of op het veld was. + +Maar de arme leeuwerik zong nooit. + + + + + + + +BOEK V. + +STEEDS DIEPER ZINKENDE. + + +EERSTE HOOFDSTUK. + +GESCHIEDENIS VAN DEN VOORUITGANG IN DE FABRIKAGE DER ZWARTE +GLASKORALEN. + + +Wat was er intusschen geworden van deze moeder, die, zooals de +inwoners van Montfermeil zeiden, haar kind zou verlaten hebben? Waar +was zij? Wat deed zij? + +Na haar kleine Cosette bij de Thénardier's te hebben achtergelaten, +had zij haar voetreis voortgezet en was te M. sur M. aangekomen. + +'t Was, zooals men zich herinnert, in 1818. + +Fantine had haar geboorteoord omstreeks tien jaar geleden +verlaten. M. sur M. had sinds een groote verandering ondergaan. Terwijl +Fantine langzamerhand dieper zonk, was haar geboorteplaats in bloei +toegenomen. + +Voor twee jaren ongeveer had er een dier industriëele omstandigheden +plaats gehad, welke in kleine oorden gewichtige gebeurtenissen zijn. + +Deze bijzonderheid is voor ons verhaal van belang, en wij achten +het noodig, ze nader aan te duiden; wij zouden haast zeggen, er de +aandacht op te vestigen. + +Sedert onheuglijken tijd bestond te M. sur M. de eigenaardige industrie +der namaking van het Engelsch git en der Duitsche zwarte koralen; +maar deze industrie had steeds gekwijnd, uithoofde der duurte van de +grondstoffen, die op het fabrikaat nadeelig werkte. Toen Fantine te +M. sur M. terugkwam, was een algeheele omkeering in de fabrikage der +"zwarte artikelen" ontstaan. Tegen het einde van 't jaar 1815 had +zich een onbekend man in de stad nedergezet, en hij was op den inval +gekomen, bij deze fabrikage de harst door lak en, in 't bijzonder +voor de armbanden, de samenvoeging door dubbel geplet, in plaats van +door gesoldeerd blik te vervangen. + +Deze zoo kleine verandering werd een revolutie. + +Inderdaad, deze kleine verandering had in groote mate den prijs +der grondstof verminderd, 't geen in de eerste plaats vergunde het +arbeidsloon te verhoogen: een weldaad voor het oord; ten tweede de +fabrikage te verbeteren: een voordeel voor den kooper; ten derde +goedkooper te leveren en tevens driemaal meer winst te hebben: een +voordeel voor den fabrikant. + +Ziedaar dus drie gevolgen van ééne gedachte. + +In minder dan drie jaren was de uitvinder rijk geworden, wat goed is; +en hij had alles in zijn omgeving rijk gemaakt, wat nog beter is. Hij +was vreemd in het departement. Men wist niets van zijn afkomst; +van zijn begin weinig. + +Men verhaalde, dat hij met zeer weinig geld in de stad was gekomen, +hoogstens met eenige honderd francs. + +Uit dit kleine kapitaal, in den dienst gesteld van een vernuftigen +geest, vruchtbaar gemaakt door orde en overleg, was zijn fortuin en +dat van het geheele oord voortgesproten. + +Bij zijn komst te M. sur M. had hij de kleeding, de houding en de +taal van een handwerksman. + +Het schijnt, dat op denzelfden dag, waarop hij in de maand December +tegen het vallen van den avond, onbekend, met den ransel op den rug, +een doornstok in de hand, de kleine stad M. sur M. binnenkwam, een +geweldige brand in het gemeentehuis was uitgebroken. Deze man had +zich te midden der vlammen geworpen en met levensgevaar twee kinderen +gered, welke bleken van den kapitein der gendarmerie te zijn, hetgeen +de reden was, dat men er niet aan dacht, naar zijn pas te vragen. Men +vernam spoedig zijn naam. Hij heette "vader Madeleine." + + + + + + +TWEEDE HOOFDSTUK. + +MADELEINE. + + +Hij was iemand van ongeveer vijftig jaar, met een peinzend voorkomen +en een goedhartig karakter. Meer wist men niet van hem te zeggen. + +Tengevolge der snelle ontwikkeling van de industrie, in welke hij zulk +een bewonderenswaardige hervorming had gebracht, was M. sur M. het +middelpunt van een groote handelsbeweging geworden. Spanje, dat +veel git gebruikt, deed er jaarlijks aanzienlijke inkoopen. M. sur +M. concurreerde bijna in dit artikel met Londen en Berlijn. De +verdiensten van Madeleine waren zoo groot, dat hij reeds in het tweede +jaar een groote fabriek kon laten bouwen, met twee groote werkplaatsen, +een voor de mannen en een voor de vrouwen. Ieder die gebrek had kon +zich aanbieden en was verzekerd er werk en brood te vinden. Vader +Madeleine vorderde van de mannen slechts goeden wil, van de vrouwen +reine zeden, van allen eerlijkheid. Hij had de werkplaatsen verdeeld, +om de beide geslachten te scheiden, en opdat de vrouwen en meisjes +deugdzaam konden blijven. Op dit punt was hij onverbiddelijk. + +Het was het eenige, waarin hij ontoegevelijk was. Hij had te meer +reden voor deze strengheid, wijl M. sur M. een garnizoensplaats, en +alzoo de gelegenheid tot verleiding te overvloediger was. Overigens +was zijn komst een weldaad geweest en zijn verblijf een zegen. Vóór de +komst van vader Madeleine was alles kwijnend in het oord; nu leefde +alles van een gezonden arbeid. Een druk verkeer drong overal door +en verspreidde een algemeene welvaart. Lediggang en armoede waren +onbekend. Geen zak was zoo leeg, of er was nog een weinig geld in, +geen woning zoo schamel, of er was nog eenige vreugde. + +Vader Madeleine gaf iedereen werk. Hij vorderde slechts dit ééne: +wees eerlijk man! wees een eerbare vrouw! + +Zooals gezegd is, maakte vader Madeleine fortuin te midden dezer +nijverheid, waarvan hij de oorsprong en de spil was. Zonderling +echter was 't voor een eenvoudig industriëel, dat dit in geenen deele +zijn voornaamste zorg scheen. 't Was alsof hij veel aan anderen, en +weinig aan zich zelven dacht. In 1820 wist men dat hij op zijn naam +een som van zeshonderddertig duizend francs bij den bankier Laffitte +had geplaatst; maar aleer hij deze som voor zich zelven vastgezet had, +had hij meer dan een millioen voor de armen en de stad uitgegeven. + +Het gasthuis had weinig inkomsten; hij vermeerderde het op zijn +kosten met tien bedden. M. sur M. is in twee deelen verdeeld, de +boven- en de benedenstad. In de benedenstad, waar hij woonde, bestond +slechts één school, een zeer bouwvallig gebouw; hij had twee scholen +doen bouwen, een voor jongens en een voor meisjes. Uit zijn eigen +middelen verdubbelde hij het sober tractement der beide onderwijzers, +en eens zeide hij tot iemand, die zich daarover verwonderde: +"De twee voornaamste beambten van den staat zijn de min en de +schoolmeester." Op zijn eigen kosten had hij een zaal van toevlucht +(salle d'asile)--destijds nog schier iets onbekends in Frankrijk--en +een hulpkas voor oude gebrekkige werklieden opgericht. Zijn fabriek +was het middelpunt eener nieuwe wijk geworden, die snel een aantal +arme gezinnen om hem had verzameld. Hij had er een apotheek gevestigd, +welke de armen om niet van geneesmiddelen voorzag. + +In den eersten tijd, toen men hem zag beginnen, zeiden de goede lieden: +'t Is een snaak, die rijk wil worden.--Toen men hem het land zag rijk +maken vóór zich zelven te verrijken, zeiden dezelfde goede lieden: +'t Is een eerzuchtige.--Dit scheen te waarschijnlijker, wijl de +man godsdienstig was, iets, dat in dien tijd zeer gaarne gezien +werd. Hij ging geregeld alle zondagen een mis hooren. De afgevaardigde +der plaats, die overal concurrenten meende te zien, maakte zich +weldra over deze godsdienstigheid zeer ongerust. Deze afgevaardigde, +voormalig lid van het Wetgevend Lichaam onder het keizerrijk, deelde +de godsdienstige denkbeelden van een pater van het Oratorium, bekend +onder den naam van Fouché, hertog van Otrante, wiens creatuur en vriend +hij geweest was. In 't geheim spotte hij met God. Toen hij nu echter +den rijken fabrikant Madeleine te zeven uren naar de stille mis zag +gaan, vermoedde hij in hem een mogelijken candidaat voor afgevaardigde +en besloot hem te overtreffen; hij nam tot biechtvader een Jezuïet +en ging naar de hoogmis en naar de vespers. De eerzucht was in dien +tijd, in de ware beteekenis des woords, een wedloop. Voor de armen +was deze vrees overigens voordeelig, evenals voor den lieven God, +want de achtenswaardige gedeputeerde gaf aan het gasthuis ook twee +bedden; dit was dus twaalf. + +Ondertusschen verspreidde zich in 1819 in de stad het gerucht, dat +op het voorstel van den heer prefect en uit hoofde der aan het land +bewezen diensten, vader Madeleine door den koning tot maire van M. sur +M. benoemd zou worden. + +Degenen, die Madeleine "een eerzuchtige" hadden genoemd, grepen +met drift deze gelegenheid aan om te roepen: Nu, hebben wij 't +niet gezegd?--Geheel M. sur M. was er vol van, en het gerucht was +gegrond. Eenige dagen later verscheen de benoeming in den Moniteur. Den +volgenden dag bedankte vader Madeleine voor de betrekking. + +In hetzelfde jaar 1819 zag men de voortbrengselen van de nieuwe wijze +van fabrikage, door Madeleine uitgevonden, op de tentoonstelling der +industrie; op het rapport der jury benoemde de koning den uitvinder tot +ridder van het legioen van eer. Nieuw gebabbel in de kleine stad. Ziet +ge wel! hij wilde het kruis hebben! Vader Madeleine weigerde ook +het kruis. + +De man was bepaald een raadsel voor de goede lieden. Dezen wilden +evenwel toch het laatste woord hebben, en zeiden: Hij is in allen +gevalle een soort van fortuinzoeker. + +Zooals men ziet, had het oord hem veel, hadden de armen hem alles te +danken; hij was zoo nuttig, dat men hem eindelijk wel moest vereeren +en hij was zoo goedhartig, dat men hem eindelijk wel beminnen moest; +in 't bijzonder droegen zijn werklieden hem op de handen en hij +ontving deze blijken van genegenheid met een soort van droefgeestigen +ernst. Toen er geen twijfel meer bestond, dat hij rijk was, groetten +hem de lieden uit de groote wereld van M. sur M., en in de stad +noemde men hem: Mijnheer Madeleine;--zijn werklieden en de kinderen +gingen voort hem "vader Madeleine" te noemen, en dat deed hem het +vriendelijkst glimlachen. Naarmate hij hooger klom, regende het +uitnoodigingen voor hem. De "maatschappij" eischte hem. De kleine, +stijve gezelschapskringen te M. sur M., die zich zooals vanzelf +spreekt, in den eersten tijd voor den "werkman" hadden gesloten, +openden zich nu wagenwijd voor den millionnair. Men zocht hem op +duizenderlei wijzen te trekken. Hij weigerde. + +Ook nu waren de goede lieden niet verlegen.--'t Is een onbeschaafd +mensch, zonder eenige opvoeding en zeker van zeer geringe afkomst. Hij +zou niet weten, hoe zich in de groote wereld te gedragen. 't Is niet +eens bewezen, dat hij lezen kan. + +Toen men hem geld zag winnen, had men gezegd: 't is een koopman. Toen +men hem zijn geld had zien uitstrooien, had men gezegd: 't is een +eerzuchtige. Toen men hem de eerbewijzen had zien weigeren, zeide +men: 't is een gelukzoeker. Toen men hem de uitnoodigingen der +gezelschapskringen zag afwijzen, zeide men: 't is een onbeschaafd +mensch. + +Vijf jaren na zijn komst te M. sur M., in 1820, waren de diensten, +welke hij het land had bewezen, zoo uitstekend en in 't oogvallend, +en de wensch van het geheele oord was zoo eenparig, dat de koning +hem opnieuw tot maire der stad benoemde. Hij bedankte nogmaals, +maar de prefect nam zijn weigering niet aan; al de aanzienlijken +kwamen hem verzoeken, de benoeming aan te nemen, het volk bad hem +dit openlijk op de straat, kortom de aandrang was zoo sterk, dat hij +eindelijk toegaf. 't Scheen, dat hij hiertoe voornamelijk gedreven +was door de woorden eener oude vrouw uit het volk, die voor haar deur +staande, schier verstoord tot hem had geroepen: "een goed maire is +een zegen. Mag men dus weigeren goed te doen, wanneer men kan?" + +Dit was de derde trap zijner verheffing, Vader Madeleine was mijnheer +Madeleine geworden; mijnheer Madeleine werd mijnheer de maire. + + + + + + +DERDE HOOFDSTUK. + +DE GELDEN BIJ LAFFITTE. + + +Madeleine was overigens even eenvoudig gebleven als hij den eersten +dag was. Hij had grijs haar, een ernstigen blik, de bruine kleur van +den arbeider, het denkend gelaat van een wijsgeer. Gewoonlijk droeg +hij een hoed met breeden rand en een lange jas van grof laken, die tot +aan de kin was dichtgeknoopt. Hij vervulde zijn plichten als maire, +maar leefde overigens stil. Hij verkeerde met weinig menschen; onttrok +zich aan plichtplegingen, groette beleefd, verwijderde zich haastig, +glimlachte, om zich van 't spreken te verschoonen, en gaf, om zich +van 't glimlachen te verschoonen. De vrouwen noemden hem een goeden +beer. 't Was zijn vermaak, buiten in de vrije natuur te wandelen. + +Steeds at hij alleen, met een geopend boek voor zich, waarin hij +las. Hij bezat een kleine, uitgezochte bibliotheek. Hij hield veel van +boeken; boeken zijn koele, maar trouwe vrienden. Naarmate hij met de +toenemende fortuin meer vrijen tijd kreeg, scheen hij dien te besteden +aan de beschaving van zijn geest. Sinds hij te M. sur M. was, had +men opgemerkt, dat zijn taal jaarlijks beschaafder en zuiverder werd. + +Gaarne nam hij op zijn wandelingen een geweer mede, doch hij bediende +er zich zelden van. Gebeurde hem dit bij toeval, dan was zijn schot +ontzettend juist. Nooit doodde hij een weerloos dier. Nooit schoot +hij een vogeltje. + +Hoewel niet jong meer, moest hij, naar men zei, verbazend sterk +wezen. Hij bood de behulpzame hand aan wie ze behoefde, richtte een +paard op, hielp een in 't slijk gezonken wiel weer terecht, hield +een weggeloopen stier bij de hoorns vast. Zijn zakken waren steeds +vol kleine munt, als hij uitging; en ledig als hij terugkwam. Zoo +hij een dorp doorging, liepen de kleine kinderen hem vroolijk na, +en omringden hem als een zwerm muggen. + +Men meende te mogen opmaken, dat hij vroeger buiten op het land +had geleefd, want hij wist allerlei nuttige geheimen, waarmede hij +de boeren bekend maakte. Hij leerde hun den koornworm verdelgen, +door het besprenkelen van den vloer en het bevochtigen der reten in +de planken met een oplossing van gewoon keukenzout, en de kalander +te verjagen door aan de muren en daken, in de schuren en pakhuizen +bloeiende varens te hangen. "Hij had recepten" om den zwarten komijn, +den brand in 't koren, de wikke, den vossestaart en alle ander onkruid, +dat het koorn benadeelt, uit te roeien. + +Op zekeren dag zag hij eenige landlieden ijverig bezig met onkruid +uit te roeien; den hoop uitgetrokken en reeds verdroogde planten +aanschouwende, zeide hij:--'t is dood. 't Zou echter waarde hebben, +zoo men 't nuttig wist aan te wenden. De bladeren van de jonge +brandnetel zijn een heerlijke groente; ouder geworden heeft zij +stengels en vezelen, gelijk die van de hennep en het vlas. Het linnen +van brandnetels is even goed als dat van hennep. Fijn gehakt is de +brandnetel een goede spijs voor het gevogelte; gestampt, is zij goed +voor het hoornvee. Het zaad van de brandnetels onder het voeder gemengd +maakt de huid van het vee zacht en glanzig, de wortel met zout vermengd +geeft een fraaie, gele kleur. 't Is overigens een uitmuntend hooi, +dat tweemaal gemaaid kan worden. En wat heeft de netel noodig? Weinig +grond, geen zorg of opkweeking, alleen valt het zaad uit, naarmate +de plant rijp wordt, en is moeielijk in te zamelen. Dit is het eenige +bezwaar: zoo men zich eenige moeite gaf, zou de netel zeer nuttig zijn; +maar wijl men ze veronachtzaamt, wordt zij schadelijk, en men doodt +ze. Hoevele menschen gelijken de netel!--Na eenig zwijgen voegde hij er +bij: Onthoudt dit wel, vrienden, er zijn evenmin slechte kruiden als er +slechte menschen zijn. Er zijn alleen slechte kweekers en verzorgers. + +Ook de kinderen beminden hem, wijl hij zeer fraaie dingen van stroo +en notenschalen kon maken. + +Wanneer hij de deur eener kerk met zwart bekleed zag, trad hij +binnen; hij was even gaarne bij een begrafenis als anderen op een +doopmaal. Tot de verlatenheid en het ongeluk van anderen voelde hij +zich door zijn teerhartigheid aangetrokken; hij mengde zich onder de +treurende vrienden, onder de rouwende verwanten, onder de priesters +biddende om een doodkist. Hij scheen gaarne zijn gedachten bezig te +houden met de treurgezangen, die op een andere wereld wezen. De oogen +hemelwaarts, luisterde hij, met een soort van verzuchting, naar die +geheimen van het oneindige, naar de treurige stemmen, welke op den +rand van den donkeren afgrond des doods zingen. + +Hij verrichtte een menigte goede werken in 't verborgen, gelijk anderen +zich verbergen voor de slechte. Heimelijk vervoegde hij zich 's avonds +in de huizen en sloop de trap op. Meermalen vond een arme drommel +bij zijn thuiskomst, dat de deur van zijn vlieringkamertje in zijn +afwezendheid geopend, ja soms met geweld, geopend was geworden. Hij +meende, dat een boosdoener het gedaan had! Hij ging binnen, en 't +eerste wat hij zag, was een achtergelaten goudstuk op een of ander +meubelstuk. De "boosdoener" was vader Madeleine geweest. + +Hij was vriendelijk, maar droefgeestig. Het volk zeide: Hij is rijk, +maar niet trotsch. Hij is gelukkig, maar schijnt niet vergenoegd. + +Sommigen meenden, dat er iets geheimzinnigs aan en in hem was en +beweerden, dat niemand zijn kamer mocht binnengaan, die een ware +kluizenaarscel was, met gevleugelde zandloopers, met gekruiste +beenderen en doodshoofden. Dit werd zoo algemeen verhaald, dat een +paar jonge, schalksche dametjes uit de groote wereld van M. sur M. hem +op zekeren keer bezochten en vroegen: "Mijnheer de maire, laat ons +toch ook uw kamer eens zien. Men zegt, dat het een grot is." Hij +glimlachte, en geleidde ze terstond naar deze "grot." Zij werden +voor haar nieuwsgierigheid naar verdienste gestraft. 't Was een kamer +met gewone mahoniehouten meubels en met gewoon papier behangen. Niets +merkwaardigs viel haar in 't oog, dan een paar ouderwetsche kandelaars, +die op den schoorsteen stonden en van zilver schenen te zijn, "want +er stond een keur op." Een aanmerking, die volkomen den geest van +kleine steden aanduidt. + +Desniettemin bleef men hardvochtig zeggen, dat niemand deze kamer +mocht binnengaan en 't een kluizenaarsgrot, een spelonk, een hol, +een graf was. + +Men fluisterde ook, dat hij "onnoemelijke" schatten bij Laffitte had +belegd, en voegde er de bijzonderheid bij, dat zij steeds onmiddellijk +te zijner beschikking waren, en hij slechts bij Laffitte behoefde te +gaan en een kwitantie te teekenen om in tien minuten twee of drie +millioen mede te nemen. Deze twee of drie millioen bepaalden zich +inderdaad, zooals wij reeds gezegd hebben, tot zeshonderd dertig of +veertig duizend francs. + + + + + + +VIERDE HOOFDSTUK. + +DE HEER MADELEINE IN ROUW. + + +In 't begin van 't jaar 1821 berichtten de dagbladen den dood van den +heer Myriel, bisschop van D., "bijgenaamd Monseigneur Bienvenu," in +den ouderdom van twee-en-tachtig jaren en in den reuk van heiligheid +overleden. + +De bisschop van D.--om hier een bijzonderheid bij te voegen, waarvan +de dagbladen niet gewaagden, was, toen hij stierf, sedert verscheidene +jaren blind, en met zijn blindheid tevreden, wijl hij zijn zuster +bij zich had. + +Blind en bemind te zijn, wij zeggen dit in 't voorbijgaan, is op +deze aarde, waar niets volmaakt is, inderdaad een der uitgezochtste +en edelste vormen van het geluk. Gestadig aan zijn zijde een gade, +een dochter, een zuster, een vrouwelijk wezen te hebben, dat daar is, +omdat gij haar noodig hebt en zij u niet kan ontberen; te weten, dat +men onmisbaar is voor degene die wij noodig hebben; onophoudelijk +haar liefde te kunnen afmeten naar den duur harer tegenwoordigheid +bij ons, en te kunnen zeggen: dewijl zij al haar tijd aan mij wijdt, +moet ik wel haar geheele hart bezitten; haar gedachten te aanschouwen +in de plaats van haar lichaam; de trouw van zulk een wezen door haar +verzaking van de wereld bevestigd te zien, het geritsel van kleederen +te vernemen, als het klapwieken van vleugelen; haar heen en weder, in +en uit te hooren gaan, haar te hooren spreken en zingen, en te denken, +dat men het middelpunt dier stappen, dier woorden, van dien zang is; +ieder oogenblik zijn eigen aantrekkingskracht uit te oefenen, en zich +sterker te gevoelen naargelang men gebrekkiger is; in de duisternis +en door de duisternis de ster te zijn, om welke zich zulk een engel +beweegt--weinige zaligheden, die deze evenaren. Het hoogste geluk +des levens is de overtuiging, bemind te zijn, om zich zelven bemind +te zijn, of laat ons liever zeggen, ondanks zich zelven bemind te +zijn. Deze overtuiging heeft de blinde. In zulk een ramp bediend te +worden, is geliefkoosd te worden. Ontbreekt den blinde iets? Neen. Wie +de liefde bezit, heeft het licht niet verloren. En welk een liefde? Een +liefde, die geheel uit deugd bestaat. Er is geen blindheid, waar +zekerheid is. De ziel zoekt tastend de ziel en vindt haar. En de +gevondene en beproefde ziel is een vrouw. De hand die u steunt, is de +hare; een mond raakt uw voorhoofd aan, 't is haar mond; ge hoort een +adem in uw nabijheid, 't is de hare. Alles van haar te hebben, van +haar vereering af tot haar medelijden toe; nooit verlaten te worden; +deze teedere zwakheid te bezitten, die u helpt; op dat onwrikbaar riet +te steunen; met de handen de Voorzienigheid aan te raken en ze in de +armen te kunnen nemen; de tastbare godheid!--welk een verrukking! Het +hart, deze onbekende hemelsche bloem, komt tot een geheimzinnige +ontluiking. Men zou deze duisternis niet voor de grootste helderheid +willen geven! De engelenziel is er, gestadig is zij er; zoo zij zich +verwijdert, is 't om weder te keeren; zij verdwijnt als de droom, en +verschijnt weder als de werkelijkheid. Men voelt warmte naderen, zij +is 't. Het hart vloeit over van helderheid, blijdschap en verrukking; +'t is als een schittering in den nacht. En die duizend kleine zorgen +en oplettendheden! Kleinigheden, die in deze ledigheid van onmetelijke +grootte zijn. De teederste, zachtste klanken der vrouwelijke stem, +dienende om den blinde te wiegen en de voor hem verdwenen wereld +vervangende. Hij wordt door de ziel geliefkoosd. Hij ziet niets, +maar gevoelt zich bemind. 't Is een paradijs in de duisternis. + +'t Was uit dit paradijs, dat Monseigneur Bienvenu tot het andere +was overgegaan. + +Het bericht van zijn dood werd door het stedelijk blad van M. sur +M. medegedeeld. Mijnheer Madeleine verscheen den anderen dag geheel in +'t zwart, met een rouwfloers om zijn hoed. + +Deze rouw werd in de stad opgemerkt en er werd over gepraat. Ze scheen +een lichtstraal omtrent de afkomst van mijnheer Madeleine. Men leidde +er uit af, dat hij met den eerbiedwaardigen bisschop in eenigen +graad verwant was. "Hij rouwt over den bisschop van D.," zeide men +in de gezelschappen; dit verhief mijnheer Madeleine niet weinig en +schonk hem eensklaps een zeker aanzien in de aristocratische wereld +te M. sur M. De microscopische voorstad Saint-Germain van het stadje +dacht er aan, mijnheer Madeleine in haar kringen op te nemen, daar +hij waarschijnlijk de bloedverwant van een bisschop was. Mijnheer +Madeleine bespeurde zijn verheffing in de openbare opinie aan de +dieper buigingen der oude dames en aan de vriendelijker glimlachjes +der jongere. Op zekeren avond waagde een dame uit deze kleine groote +wereld, hem te vragen: "Mijnheer de maire is waarschijnlijk een neef +van wijlen den bisschop van D.?" + +"Neen, mevrouw," was het antwoord. + +"Maar," hernam de oude dame, "u rouwt toch over hem?" + +Hij antwoordde:--"'t Is, omdat ik in mijn jeugd als lakei in zijn +familie gediend heb." + +Nog één opmerking werd gemaakt, namelijk, dat telkens, wanneer een +kleine zwervende savoyaard in de stad kwam om schoorsteenen te vegen, +mijnheer de maire hem bij zich liet roepen, hem naar zijn naam vroeg +en hem geld gaf. De kleine savoyaards zeiden dit aan elkander, en er +kwamen er velen in de stad. + + + + + + +VIJFDE HOOFDSTUK. + +FLIKKERINGEN AAN DEN HORIZON. + + +Allengs en met der tijd was elke oppositie verdwenen. In den beginne +hadden zich allerlei boosaardigheden en lasterlijke praatjes tegen +den heer Madeleine verheven--een soort van algemeene wet tegen al +wat in de hoogte komt--vervolgens waren 't slechts schimpscheuten en +spotternij, tot eindelijk alles ophield; de eerbied werd algemeen, +eenparig, hartelijk, en het oogenblik kwam, omstreeks 1821, dat het +woord: "mijnheer de Maire" te M. sur M. bijna op denzelfden toon +werd gesproken, als in 1815 het woord "Monseigneur de bisschop" te +D. Men kwam tien uren ver uit den omtrek om mijnheer Madeleine te +raadplegen. Hij besliste de geschillen, voorkwam processen, verzoende +vijanden. Ieder koos hem tot scheidsrechter in zijn zaak. Het was, +alsof zijn hart het natuurlijk wetboek was. De achting, welke men +hem toedroeg, scheen aanstekelijk; want in zes of zeven jaren was +die allengskens op het geheele oord overgegaan. + +Slechts een enkel mensch in de stad en het arrondissement onttrok +zich geheel aan die vereering, en vader Madeleine mocht doen wat hij +wilde, deze man was weerspannig, alsof een soort van onverwinnelijk +en onverzetbaar instinct hem bezielde en verontrustte. 't Is, alsof +sommige menschen een wezenlijk dierlijk instinct bezitten, zuiver +en onbedorven als ieder instinct, dat sympathie en afkeer schept, +vaak op jammerlijke wijze het eene karakter van het andere scheidt, +dat nooit aarzelt, nooit zwijgt en zich nooit verloochent, dat helder +in zijn duisternis ziet, dat onbeperkt heerschend, weerspannig tegen +alle vermaningen van het verstand en de lessen der rede is, en dat, +in welken vorm de omstandigheden zich ook voordoen, heimelijk den +mensch-hond voor de tegenwoordigheid van de mensch-kat waarschuwt, +en den mensch-vos voor den mensch-leeuw. + +Vaak gebeurde het, dat, wanneer de heer Madeleine rustig, vriendelijk +over de straat ging, begroet door de zegenwenschen van allen, een man +van hooge gestalte, gekleed in een ijzerkleurige grijze jas, met een +dikken stok in de hand en een neergedrukten hoed op het hoofd, zich +plotseling achter hem omkeerde en hem naoogde tot hij verdwenen was, +de armen over elkander sloeg, langzaam het hoofd schudde en de bovenlip +met de onderlip tot aan den neus optrok; een veelbeteekenend gebaar, +dat zooveel te verstaan gaf als:--Wie is toch deze man?--Ik heb hem +stellig ergens gezien.--In allen gevalle, hij zal mij niet misleiden. + +Deze persoon, van een schier dreigende strengheid, behoorde tot +dezulken, die, zelfs slechts vluchtig gezien, lang in 't geheugen +blijven. + +Hij heette Javert en behoorde tot de politie. + +Te M. sur M. vervulde hij de moeielijke, maar nuttige functie van +inspecteur van politie. Hij had den aanvang van Madeleine niet +gezien. Javert had den post, dien hij bekleedde, te danken aan den +heer Chabouillet, den secretaris van den minister van staat Anglès, +die destijds prefect van politie te Parijs was. + +Toen Javert te M. sur M. kwam, had de groote fabrikant zijn fortuin +reeds gemaakt, en vader Madeleine was mijnheer Madeleine geworden. + +Sommige politiebeambten hebben een eigenaardige physionomie, +samengesteld uit gemeenheid en heerschzucht. Javert had zulk een +gezicht, behalve de gemeenheid. + +Wij zijn overtuigd dat, zoo de zielen voor het oog zichtbaar waren, +men duidelijk het zonderling verschijnsel zou zien, dat ieder individu +van het menschelijk geslacht met een of andere diersoort overeenkomt; +en men zou zich gemakkelijk van de nauwelijks door den denker vermoede +waarheid kunnen overtuigen, dat van de oester tot den arend, van het +zwijn tot den tijger, alle dieren in den mensch zijn, en ieder hunner +in een mensch is. Soms zelfs verscheidene tegelijkertijd. + +De dieren zijn niet anders dan de beelden onzer deugden en ondeugden, +die voor onze oogen zweven, de zichtbare beelden onzer zielen. God +toont ze ons, om ons tot nadenken te brengen. Maar, aangezien de +dieren slechts schimmen zijn, heeft God ze niet, in den volsten zin des +woords, geschikt voor de opvoeding gemaakt: wat zou het baten? Dewijl +nu onze zielen integendeel iets werkelijks zijn en een eigenaardig +doel hebben, heeft God haar het verstand gegeven, dat wil zeggen, +de geschiktheid tot opvoeding. De maatschappelijke opvoeding, wanneer +zij goed bestuurd is, kan altijd uit elke ziel, hoedanig die ook zij, +de nuttigheid trekken, welke zij bevat. + +Dit is, men versta ons wel, enkel gezegd uit het begrensde gezichtspunt +van het waarneembare aardsche leven, zonder het diepzinnige vraagstuk +der vroegere of latere persoonlijkheid der wezens, die niet mensch +zijn, aan te roeren. + +Het zichtbare IK machtigt in geenen deele den denker, het verborgen +IK te loochenen. Na deze opmerking gaan wij verder. + +Zoo men ons nu voor een oogenblik toegeeft, dat zich in ieder mensch +een diersoort der schepping bevindt, zal 't ons gemakkelijk zijn te +zeggen, wat de politiebeambte Javert was. + +De boeren in Asturië zijn in de vaste overtuiging, dat telkens wanneer +een wolvin werpt er een hond onder haar welpen is, die door de moeder +wordt gedood, wijl hij anders, wanneer hij grooter werd, de andere +kleinen zou verscheuren. + +Geef een menschelijk gezicht aan dien hond, 't jong eener wolvin, +en men zal Javert hebben. + +Javert was in een gevangenis geboren, van eene kaartlegster, wier man +in de galeien was. Toen hij grooter werd, dacht hij uit de maatschappij +te zijn gesloten, en wanhoopte er ooit in terug te keeren. Hij maakte +de opmerking, dat de maatschappij onverbiddelijk twee klassen van +menschen uitsloot: hen die haar aanranden en hen die haar bewaken; +hij had geen andere keuze dan tusschen deze beide klassen; tevens had +hij een zeker gevoel van strengheid, orde en eerlijkheid, gepaard aan +een onuitsprekelijken haat tegen dat ras van vagebonden, waartoe hij +behoorde. Hij ging in dienst der politie, en kwam er vooruit. In zijn +jeugd was hij in de bagno's van het zuiden geplaatst geweest. + +Voor wij verder gaan, willen wij eene andere verklaring geven van +het menschelijk gezicht, dat wij zoo aanstonds aan Javert toekenden. + +Het menschengezicht van Javert bestond uit een stompen neus, +met twee diepe neusgaten, welke op beide wangen zware bakkebaarden +aanraakten. 't Was een onbehaaglijke gewaarwording, wanneer men voor +het eerst deze twee wouden en die twee holen zag. Wanneer Javert +glimlachte, 't geen zeldzaam en afschuwelijk was, scheidden zich +zijn dunne lippen, en lieten niet alleen zijn tanden maar ook het +tandvleesch zien; en om zijn neus ontstond een woeste dikke plooi, +als op den muil van een wild dier. Met een ernstig gelaat was Javert +een dog; glimlachend was hij een tijger. Overigens was zijn schedel +laag, zijn kaken waren breed; zijn haar bedekte het voorhoofd en hing +op de wenkbrauwen; tusschen de oogen lag voortdurend een rimpel, als +een onheilspellende ster; zijn blik was somber, zijn mond dichtgenepen +en vreeselijk, zijn geheel voorkomen gaf woeste zucht om te bevelen +te kennen. + +Deze man was samengesteld uit twee zeer eenvoudige en betrekkelijk +goede eigenschappen, welke hij echter door ze te overdrijven, +schier slecht maakte; den eerbied voor het gezag, den haat tegen +wederstand. In zijn oog waren diefstal, moord, ja alle misdaden, +slechts verschillende vormen van wederspannigheid. Hij omvatte +met een soort van blinden en diepen eerbied allen, die eenig ambt +in den staat bekleedden, van den eersten minister tot den minsten +veldwachter. Hij zag met diepe verachting en afschuw neer op alles +wat eenmaal den wettelijken drempel van het kwade had betreden. Hij +was hierin onverzettelijk, en duldde geen uitzonderingen. Aan den +eenen kant zeide hij:--de beambte kan zich niet bedriegen; de rechter +heeft nooit ongelijk.--Aan den anderen kant: Dezen zijn onherstelbaar +verloren. Er kan niets goeds van komen.--Hij deelde volkomen het +denkbeeld derzulken, die, in hun overdrijving, aan de menschelijke +wet de macht toekennen om duivelen te maken, of, zoo men wil, iemand +voor zoodanig te doen houden, en die aan den benedensten rand der +maatschappij een Styx plaatsen. Hij was ongevoelig, ernstig, streng; +een treurig denker; nederig en trotsch als een geestdrijver. Zijn +blik was als een boor, koud en doordringend. Zijn geheel leven +was in deze twee woorden besloten: waken en bewaken. Hij had de +rechte lijn gebracht in het kromste wat ter wereld is; hij hield +zich zelven overtuigd, van zijn noodzakelijkheid, van de nuttigheid +van zijn ambt, en was spion gelijk een ander priester is. Wee hem +die in zijn handen viel! Hij zou zijn vader hebben gevangengenomen, +zoo die uit het tuchthuis had willen vluchten, en zijn moeder zou +hij hebben aangeklaagd, zoo zij haar ban verbroken had. En hij zou +'t gedaan hebben met die inwendige zelfvoldoening, welke de deugd +geeft. Daarbij leefde hij in ontbering, afzondering, zelfverloochening +en kuischheid, en gaf zich nooit aan eenige uitspanning over. Hij +was de onwrikbare plicht, de politie opgevat in denzelfden zin, +als de Spartanen Sparta opvatteden een onmeedoogende bespieding, +een ruwe eerlijkheid, een marmeren spion, Brutus in Vidocq. + +De geheele persoon van Javert had de uitdrukking van een mensch, die +bespiedt en zich verbergt. De mystieke school van Joseph de Maistre, +welke in dien tijd de zoogenaamde ultra-bladen met verheven cosmogonie +kruidde, zou niet geaarzeld hebben, Javert een symbool te noemen. Men +zag zijn voorhoofd niet, dat onder zijn hoed verdween; men zag zijn +oogen niet, die onder zijn wenkbrauwen verscholen waren; men zag +zijn kin niet, die in zijn das was gedoken; men zag zijn handen niet, +die in de mouwen teruggetrokken waren; men zag zelfs zijn stok niet, +dien hij onder zijn jas droeg. Maar kwam de gelegenheid voor, dan zag +men eensklaps uit deze gedaante, als uit een hinderlaag, een hoekig, +smal hoofd, een heilloozen blik, een dreigende kin, groote handen en +een geduchten rotting te voorschijn komen. + +In zijn vrije oogenblikken, die zeer zeldzaam waren, las hij, hoewel +hij de boeken haatte; hij was alzoo niet geheel ongeletterd. Men +erkende dit aan eenige pedanterie in zijn woorden. + +Wij hebben gezegd, dat hij geen enkele ondeugd had. Was hij zeer +tevreden met zich zelven, dan veroorloofde hij zich een snuifje te +nemen. Hierdoor bezat hij nog eenige gemeenschap met de menschheid. + +Dat Javert de schrik was dier klasse, welke jaarlijks op de staten +van den minister van justitie onder de rubriek van: "Lieden zonder +bepaald verblijf" wordt aangeduid, is licht te begrijpen. + +Reeds de naam van Javert joeg hen op de vlucht; en Javerts gezicht +deed hen als verstijven. + +Zoodanig was deze vreeselijke man. + +Javert was als een oog, dat onophoudelijk op den heer Madeleine was +gericht. Een oog vol achterdocht en vermoedens. Eindelijk werd de heer +Madeleine hierop opmerkzaam, doch 't scheen hem onverschillig. Hij +vroeg zelfs Javert niets, en zocht noch ontweek hem; hij verdroeg, +zonder dat hij er op scheen te letten, diens hinderlijken en schier +drukkenden blik. Hij behandelde Javert gelijk iedereen, ongedwongen +en met goedheid. + +Uit eenige woorden, welke Javert ontglipt waren, bleek het, dat hij +heimelijk, met die nieuwsgierigheid welke dit menschenras eigen is, +en waarin evenveel instinct als wilskracht ligt, getracht had, al de +sporen, welke vader Madeleine elders vroeger had kunnen achterlaten, +te ontdekken. Hij scheen te weten, en zeide vaak bedektelijk, +dat iemand zekere inlichtingen had verkregen in een zeker gewest +nopens een zekere verdwenen familie. Eens zeide hij, tot zich zelven +sprekende:--Ik geloof, dat ik er achter ben!--Toen bleef hij drie +dagen peinzen, zonder een woord te spreken. Het schijnt dat de draad, +dien hij meende in handen te hebben, was gebroken. + +Overigens--en dit tot noodzakelijke verklaring van den zin, dien +zekere woorden al te bepaald konden aangeven--in een menschelijk wezen +kan niets wezenlijk onfeilbaars zijn, en het eigenaardige van het +instinct is juist, dat het zich vergissen en op een dwaalweg gebracht +kan worden. Anders zou het instinct het verstand overtreffen, en het +dier een beter licht hebben dan de mensch. + +Javert gevoelde zich blijkbaar een weinig van zijn stuk gebracht door +de volkomene gerustheid en natuurlijkheid van den heer Madeleine. + +Op zekeren dag evenwel scheen zijn zonderlinge handelwijze op den heer +Madeleine eenigen indruk te maken, en wel bij de volgende gelegenheid. + + + + + + +ZESDE HOOFDSTUK. + +VADER FAUCHELEVENT. + + +Op zekeren ochtend ging mijnheer Madeleine te M. sur M. door +een kleine, ongeplaveide straat: hij hoorde rumoer en zag op +eenigen afstand een groep menschen. Hij ging er heen. Een oude man, +Fauchelevent geheeten, lag onder zijn kar, waarvan het paard gevallen +was. + +Deze Fauchelevent behoorde tot de weinige vijanden, welke de heer +Madeleine te dien tijde nog had. Toen Madeleine in het oord was +gekomen, dreef Fauchelevent, een voormalig ambtsschrijver en een +min of meer geletterde boer, een handel, die achteruit begon te +gaan. Fauchelevent zag den eenvoudigen werkman rijk worden, terwijl +hij, een baas, armer en armer werd. Dit had hem met afgunst vervuld, +en hij deed bij iedere gelegenheid al het mogelijke om Madeleine te +benadeelen. Toen hij eindelijk bankroet ging en niets meer bezat dan +een kar en een paard, werd hij op zijn ouden dag, om te kunnen leven, +voerman. Vrouw of kinderen had hij niet. + +Het paard had twee pooten gebroken en kon niet weer opstaan. De oude +man lag tusschen de wielen en was zoo ongelukkig gevallen, dat de +gansche kar op zijn borst drukte. De kar was vrij zwaar geladen. De +oude Fauchelevent jammerde erbarmelijk. Men had gepoogd, hem er onder +uit te halen, maar vruchteloos. Een onvoorzichtige krachtsinspanning, +een onhandigheid, een verkeerde beweging kon hem het leven kosten. 't +Was niet mogelijk hem te bevrijden, dan door het voertuig van onder +op te heffen. Javert, die op 't oogenblik van 't ongeluk daar ter +plaatse was, had een windas doen halen. + +Toen mijnheer Madeleine naderde, ging men eerbiedig voor hem ter zijde. + +"Help!" riep de oude Fauchelevent. "Wie is zoo goed den ouden man +te helpen?" + +De heer Madeleine wendde zich tot de omstanders en vroeg: + +"Heeft iemand een windas?" + +"Men haalt er een," antwoordde een boer. + +"Zal 't lang duren, eer men 't heeft?" + +"Men is naar den naasten smid gegaan; maar er zal wel een kwartier +uurs meê heengaan." + +"Een kwartier uurs!" riep Madeleine. Het had den vorigen dag geregend, +de grond was doorweekt; de kar zonk er ieder oogenblik dieper in en +drukte zwaarder en zwaarder op den ouden voerman. + +'t Was duidelijk, dat binnen vijf minuten zijn ribben zouden gebroken +zijn. + +"'t Is onmogelijk een kwartier uurs te wachten," zei Madeleine tot +de omstanders. + +"Het kan niet anders!" + +"Maar dan zal het te laat zijn. Ziet ge niet, dat de kar steeds +dieper zinkt?" + +"Inderdaad!" + +"Luistert," hernam Madeleine, "er is nog ruimte genoeg voor een man +om onder de kar te kruipen en ze met zijn rug op te lichten. In een +halve minuut zal de arme man er onder uitgehaald zijn. Is er iemand +die kracht en moed heeft? Er zijn vijf louis d'or te verdienen." + +Niemand bewoog zich. + +"Tien louis," zei Madeleine. + +De omstanders sloegen de oogen neder. Een mompelde er:--Men zou +wel drommels sterk moeten zijn. En daarbij loopt men gevaar verplet +te worden. + +"Nu! twintig louis d'or?" hernam Madeleine. + +Hetzelfde zwijgen. + +"'t Ontbreekt hun niet aan goeden wil," zei een stem. + +Mijnheer Madeleine keerde zich om en herkende Javert, dien hij nog +niet gezien had. + +Javert vervolgde: + +"Maar aan de kracht. Men moet wel een schrikkelijk sterk man zijn, +om met den rug zulk een kar op te lichten." + +Hij staarde den heer Madeleine nu strak aan, en op ieder zijner +woorden drukkende, zeide hij: + +"Ik heb van mijn leven slechts één man gekend, mijnheer Madeleine, +die in staat was te doen wat gij meent." + +Madeleine ontroerde. + +Javert voer op onverschilligen toon voort, doch zonder de oogen van +Madeleine af te wenden: + +"'t Was een galeislaaf." + +"Zoo!" zei Madeleine. + +"In het bagno van Toulon." + +Madeleine verbleekte. + +Ondertusschen zonk de kar langzaam dieper en dieper. De oude +Fauchelevent kermde en huilde: + +"Ik stik! Mijn ribben breken! Een windas! 't Een of 't ander! Ach!" + +Madeleine zag nogmaals om zich en zeide: + +"Is er dan niemand die twintig louis d'or wil verdienen en het leven +van dien armen ouden man redden?" + +Geen der aanwezenden bewoog zich. Javert herhaalde: + +"Ik heb maar één mensch gekend die een windas kon vervangen. 't Was +deze galeislaaf." + +"Ach! ik word verplet!" schreeuwde de grijsaard. + +Madeleine richtte het hoofd op, zag den valkenblik van Javert steeds +op zich gevestigd, zag de boeren aan, die zich niet verroerden en +glimlachte treurig. Zonder een woord te spreken, zonk hij toen op +de knieën en zelfs vóór de omstanders een kreet hadden kunnen uiten, +was hij onder de kar. + +Er ontstond een vreeselijk oogenblik van verwachting en stilte. + +Men zag Madeleine schier plat op den buik onder den vreeselijken +last tweemaal tevergeefs beproeven zijn knieën dichter tot zijn +ellebogen te brengen. Men riep hem toe:--"Vader Madeleine! kom er +onder uit."--Zelfs de oude Fauchelevent zeide:--"Ga heen, mijnheer +Madeleine. Gij ziet wel, dat ik moet sterven. Verlaat mij! Gij zult +u ook laten verpletten!"--Madeleine antwoordde niet. + +De aanwezenden ademden nauwelijks. De wielen waren dieper gezonken en +'t was reeds bijna onmogelijk voor Madeleine geworden van onder het +voertuig weg te komen. + +Eensklaps zag men het zware gevaarte wiegelen, langzaam verhief zich +de kar, de wielen kwamen ten halve uit het spoor. Men hoorde een +gesmoorde stem roepen: "Haast u! helpt!" 't Was Madeleine, die een +laatste inspanning had gedaan. + +Al de omstanders ijlden toe. De zelfopoffering van één mensch had allen +moed en kracht gegeven. De kar werd door twintig armen opgeheven. De +oude Fauchelevent was gered. + +Madeleine richtte zich op. Hij was bleek, hoewel van zweet +druipend. Zijn kleeding was gescheurd en met slijk bedekt. Allen +weenden; de grijsaard omhelsde zijn knieën en noemde hem een engel +Gods. Op Madeleine's gezicht lag een onbeschrijfelijke uitdrukking van +een hemelsch zalig lijden; hij hield zijn kalm oog op Javert gevestigd, +die hem steeds aanschouwde. + + + + + + +ZEVENDE HOOFDSTUK. + +FAUCHELEVENT WORDT TUINIER TE PARIJS. + + +Fauchelevent had door zijn val de knieschijf gebroken. Vader Madeleine +deed hem naar het gasthuis voeren, 't welk hij in het fabriek-gebouw +zelf voor zijn werklieden had opgericht, en waarin twee liefdezusters +als verpleegsters dienst deden. Den volgenden morgen vond de +grijsaard op zijn nachttafeltje een bankbriefje van duizend francs, +met deze woorden, door vader Madeleine geschreven: "Ik koop uw kar +en paard." De kar was gebroken en het paard dood. Fauchelevent genas, +maar behield een stijf been. Op aanbeveling der liefdezusters en van +den pastoor bezorgde mijnheer Madeleine den ouden man een betrekking +als tuinier in een vrouwenklooster in de wijk St. Antoine te Parijs. + +Eenigen tijd later werd de heer Madeleine tot maire benoemd. Den +eersten keer dat Javert den heer Madeleine met de sjerp zag, die +hem het hoogste gezag over de stad gaf, gevoelde hij een soort van +rilling, als een hond zou gevoelen, welke in de kleederen van zijn +meester een wolf riekt. Van dien oogenblik af vermeed hij hem zooveel +mogelijk. Wanneer zijn dienstplichten het gebiedend vorderden en hij +er niet buiten kon zich tot mijnheer den maire te begeven, sprak hij +steeds met den diepsten eerbied tot hem. + +De welvaart, die vader Madeleine te M. sur M. had doen ontstaan, had, +behalve de zichtbare teekenen welke wij reeds hebben aangewezen, +een ander verschijnsel ten gevolge, dat, hoewel niet zichtbaar, +daarom niet minder belangrijk was. Het bedriegt nooit. Wanneer het +volk lijdt, wanneer werk ontbreekt, wanneer er geen handel is, is de +belastingschuldige wederspannig aan de schatkist uit geldgebrek; hij +voldoet niet aan de voorgeschrevene belastingtermijnen, en de staat +verspilt veel geld aan vervolgingskosten en dwangmiddelen. Wanneer het +werk overvloedig is, wanneer het land rijk en gelukkig is, wordt de +belasting gereedelijk betaald en de staat heeft weinig kosten. Men kan +zeggen, dat de vervolgingskosten wegens de belasting een onfeilbare +thermometer van de armoede of den rijkdom van een land zijn. In +zeven jaren waren de kosten van vervolging in het arrondissement +M. sur M. tot een vierde verminderd, 't geen den heer de Villèle, +toen minister van financiën, dit arrondissement vaak tot voorbeeld +voor allen deed aanhalen. + +Zoodanig was de toestand in het oord, toen Fantine er +wederkeerde. Niemand herinnerde zich haar meer. Gelukkig was de poort +der fabriek van den heer Madeleine voor haar als het gezicht van +een vriend. Zij verzocht werk en werd in de werkplaats der vrouwen +toegelaten. Deze arbeid was haar geheel vreemd; zij was er dus niet +terstond vlug mede, zoodat zij slechts een gering dagloon verdiende, +doch het was toereikend, het vraagstuk was opgelost: zij verdiende +den kost. + + + + + + +ACHTSTE HOOFDSTUK. + +MEVROUW VICTURNIEN GEEFT DERTIG FRANCS UIT VOOR DE ZEDELIJKHEID. + + +Toen Fantine zag dat zij haar brood verdiende, had zij een oogenblik +van blijdschap. Welk een gunst des hemels, met eere van zijn arbeid +te leven! Zij kreeg weder lust tot arbeiden. Zij kocht een spiegel, +smaakte het genot er haar jeugd, haar fraaie haar en fraaie tanden in +te aanschouwen, vergat vele dingen, dacht slechts aan Cosette en aan +de mogelijke toekomst, en was bijna gelukkig. Zij huurde een kamertje +en kocht eenig huisraad op crediet, om het van haar toekomstig loon te +betalen;--een overblijfsel van haar eenigszins ongeregelde gewoonten. + +Wijl zij niet kon zeggen, dat zij getrouwd was, wachtte zij zich, +zooals wij reeds aangeduid hebben, van haar dochtertje te spreken. + +In den beginne, gelijk gezegd is, betaalde zij prompt de +Thénardier's. Dewijl zij echter niets dan haar naam kon teekenen, +was zij verplicht haar brieven door een openbaar schrijver te laten +schrijven. + +Het werd opgemerkt, dat zij dikwerf schreef. In de werkzaal der vrouwen +fluisterde men elkander toe, dat Fantine brieven schreef en iets aan +de hand had. + +Niemand is begeeriger om de daden van anderen te bespieden, dan +zij, wien ze niet aangaan.--Waarom komt deze heer altijd met den +donker? Waarom hangt gene donderdags nooit zijn sleutel aan den +spijker? Waarom gaat hij altijd door nauwe stegen? Waarom verlaat +mevrouw immer het huurrijtuig vóór zij aan haar huis is gekomen? Waarom +laat zij een katern postpapier halen, hoewel zij papier genoeg in huis +heeft? enz. enz.--Er zijn wezens, die om de oplossing dier raadsels +te kennen, welke hun volstrekt niet raken, meer geld verspillen, tijd +verkwisten en moeite doen, dan voor tien goede daden zou noodig zijn; +en zulks uit vrijen wil, uit vermaak, zonder voor hun nieuwsgierigheid +iets anders dan nieuwsgierigheid te verkrijgen. Geheele dagen zullen +zij dezen of genen volgen, uren lang aan den hoek eener straat, +'s nachts, in koude en regen, op schildwacht staan, boodschappers, +huurkoetsiers en lakeien dronken maken, kameniers en portiers +omkoopen. Waarom? Om niets. Eenig en alleen uit begeerte om te zien, +te hooren en te weten; alleen uit babbelzucht. En vaak heeft de +ontdekking dezer geheimen, de openbaring dezer verborgenheden, de in +'t lichtstelling dezer raadsels, ongelukken, tweegevechten, bankroeten, +den ondergang van geheele gezinnen, met verlies van menschenlevens ten +gevolge, tot groote zelfvoldoening van hen, die dit hebben "ontdekt," +zonder eenig belang en uit louter instinct. + +'t Is treurig! + +Sommige lieden zijn slecht, eeniglijk door praatzucht. Hun gesprekken, +hun onderhoud in de salons, hun gebabbel in de antichambre, is als +een schoorsteen die veel hout verslindt. Zij hebben veel brandstof +noodig, en die brandstof is de evenmensch. + +Men hield alzoo Fantine in 't oog. + +Daarbij was menigeen jaloersch op haar blond haar en haar witte tanden. + +Men had opgemerkt, dat zij in de werkplaats te midden der andere +vrouwen, vaak het hoofd omkeerde en een traan uit haar oogen +wischte. 't Was in die oogenblikken, dat zij aan haar kind dacht; +wellicht ook aan den man, dien zij bemind had. + +'t Is een smartelijke arbeid, zich van een somber verleden los te +scheuren. + +Het werd insgelijks ontdekt, dat zij ten minste tweemaal 's maands, +en altijd aan hetzelfde adres schreef, en de brieven frankeerde. Men +slaagde er in, het adres te bekomen: "Mijnheer, den heer Thénardier, +herbergier te Montfermeil." Men hoorde in de kroeg den openbaren +schrijver uit, een oud man, die zijn maag niet met rooden wijn kon +vullen, zonder zijn zak van geheimen te ledigen. Kortom, men vernam +dat Fantine een kind had. "'t Moest een soort van meisje zijn." Er +werd een vrouw gevonden, die naar Montfermeil reisde, de Thénardier's +sprak, en bij haar terugkomst zeide: voor mijn dertig francs weet ik +alles wat ik weten wilde. Ik heb het kind gezien! + +De vrouw, die dit deed, was een oude helleveeg, madame Victurnien +genaamd, een bewaarster en beschermster der deugd van iedereen. Zij +was zesenvijftig jaar oud, terwijl haar leelijkheid met de jaren nog +verdubbeld was. Haar stem was blatend als die van een geit, en haar +aard als die van een bok. Deze oude vrouw was ook eens jong geweest; +'t geen men zich haast niet kon verbeelden. In haar jeugd, in 't midden +van 93, was zij getrouwd met een uit 't klooster weggeloopen monnik, +die de roode muts had opgezet en van de Bernardijnen tot de Jakobijnen +was overgegaan. Zij was mager, dor, bits, scherp, stekelig, schier +venijnig, en dacht steeds aan haar monnik, wiens weduwe zij was, en +die haar gebreideld en tam gemaakt had. Zij was een brandnetel, wie men +kon aanzien, dat ze met de monnikskap in schuring was geweest. Tijdens +de restauratie was zij zoo vroom geworden, dat de priesters haar +wegens den monnik geabsolveerd hadden. Zij bezat een klein vermogen, +'t welk zij, zooals zij overal en voortdurend rondbazuinde, aan een +klooster wilde vermaken. + +Bij den bisschop van Arras stond zij goed aangeschreven. + +Deze mevrouw Victurnien dan, ging naar Montfermeil en kwam terug met +het bericht, dat zij het kind gezien had. + +Dat alles had tijd gekost; Fantine was reeds langer dan een jaar in +de fabriek geweest, toen de opzichtster der werkplaats haar op een +morgen vanwege mijnheer den maire vijftig francs ter hand stelde, +met de boodschap, dat zij niet meer tot de fabriek behoorde en haar, +namens den maire, uitnoodigde het oord te verlaten. + +'t Was juist in dezelfde maand, dat de Thénardier's, na in plaats +van zes francs er twaalf te hebben gevraagd, nu vijftien in plaats +van twaalf francs eischten. + +Fantine was als door den bliksem getroffen. Zij kon de stad +niet verlaten, wijl zij de huur en het bedrag van haar huisraad +schuldig was. Vijftig francs waren tot de voldoening daarvan +niet toereikend. Zij stamelde eenige smeekende woorden, maar de +opzichtster gaf haar te kennen, dat zij onmiddellijk de werkplaats +moest verlaten. Fantine was overigens slechts eene middelmatige +arbeidster. Meer nog door schaamte dan door wanhoop ternedergeslagen, +verliet zij de werkplaats en keerde naar haar kamertje terug. Haar +misslag was dan nu algemeen bekend! + +Zij had de kracht niet meer, een woord te zeggen. Men raadde haar, +mijnheer den maire zelf te gaan spreken; zij durfde niet. De maire +had haar vijftig francs gegeven, wijl hij goed was, en zond haar weg, +wijl hij rechtvaardig was. Zij boog zich voor dat vonnis. + + + + + + +NEGENDE HOOFDSTUK. + +GEVOLGEN DER HANDELING VAN MEVROUW VICTURNIEN. + + +De weduwe van den monnik was dus tot iets goed. + +De heer Madeleine wist overigens niets van dit alles. 't Was een +bijzondere samenloop van gebeurtenissen, als waarvan het leven vol +is. De heer Madeleine bezocht schier nooit de werkplaats der vrouwen. + +Hij had tot opzichtster dezer werkplaats een bejaarde dochter +aangesteld, welke hem door den pastoor was aanbevolen, en wie hij +zijn gansche vertrouwen schonk; zij was inderdaad een achtenswaardige, +kloeke, rechtvaardige, eerlijke vrouw, vol van die menschlievendheid, +welke in het geven bestaat; maar zij bezat niet in denzelfden graad +die liefdadigheid, welke medegevoelt en vergeeft. Mijnheer Madeleine +verliet zich geheel en al op haar. De beste menschen zijn vaak +gedwongen, hun gezag op anderen over te dragen. 't Was in haar vol +gezag en in de overtuiging dat zij wèl handelde, dat de opzichtster +het proces aangevangen, Fantine geoordeeld, gevonnist, en het vonnis +voltrokken had. + +De vijftig francs, welke zij gegeven had, waren van een somme gelds +genomen, die de heer Madeleine aan haar had toevertrouwd tot het geven +van aalmoezen en het verleenen van hulp en onderstand aan de werksters, +en van welke som zij geen rekenschap behoefde te doen. + +Fantine ging op het land van huis tot huis, om zich als dienstbode +aan te bieden. Niemand wilde haar echter hebben. Zij had de stad +niet kunnen verlaten. De uitdrager aan wien zij haar meubels nog +schuldig was,--en welke meubels, helaas!--had haar gezegd: Zoo gij +weggaat, laat ik u als dievegge en oplichtster gevangen zetten. De +huiseigenaar, wien zij huur schuldig was, had haar gezegd: gij zijt +jong en schoon, gij kunt wel betalen. Zij deelde de vijftig francs +tusschen den uitdrager en den huiseigenaar, gaf den eerste het drie +vierde van zijn meubels terug, behield slechts het noodzakelijke, +en bevond zich nu zonder werk, zonder verdienste, met niets dan haar +bed en nog ongeveer honderd francs schuld. + +Zij vond nu werk door 't naaien van grove hemden voor de soldaten +van het garnizoen, en won daarmede twaalf sous daags. Haar dochtertje +kostte haar tien sous. 't Was in dezen tijd, dat zij de Thénardier's +minder geregeld begon te betalen. + +Een oude vrouw, die 's avonds, wanneer zij te huis kwam, haar kaars +aanstak, leerde haar de kunst om in armoede te leven. Na het "van +weinig te leven," volgt het, "van niets te leven." 't Zijn twee kamers, +de eerste is donker, de tweede is pikzwart. + +Fantine leerde, hoe men 's winters geheel en al zonder vuur kan; +hoe men een vogel wegdoet, die in twee dagen een cent koolzaad kost; +hoe men een onderrok als deken en een deken als onderrok gebruikt; hoe +men een kaars bespaart door des avonds zijn maaltijd bij het licht van +het venster der overzijde te nuttigen. Men weet niet, hoeveel sommige +zwakke wezens, die in ontbering en eerlijkheid oud zijn geworden, al +van een stuiver doen kunnen. Ten laatste wordt dit een talent. Fantine +verkreeg dat verheven talent, en schepte weder een weinig moed. + +Omtrent dezen tijd zeide zij tot een buurvrouw: + +"O, ik zeg tot mij zelf: zoo ik slechts vijf uren slaap en den geheelen +overigen tijd aan mijn naaiwerk besteed, zal ik altijd wel zoo wat mijn +brood verdienen. En daarbij, als men treurig is, eet men weinig. Welnu, +lijden, zorg, een weinig brood eenerzijds en verdriet anderzijds, +dit alles zal mij wel verzadigen." + +'t Zou voor haar een onuitsprekelijk geluk zijn geweest, zoo zij +in dezen nood haar dochtertje bij zich had gehad. Zij dacht er wel +aan, het te laten komen. Maar hoe! zou zij het kind in haar armoede +doen deelen! bovendien was zij Thénardier geld schuldig. Hoe hem te +voldoen? en de reis! hoe die te betalen? + +De oude vrouw, welke haar, om zoo te zeggen, onderwijs in de armoede +had gegeven, was een brave, ongehuwde vrouw, Marguerite genaamd, +wezenlijk deugdzaam en godsdienstig, arm, en liefderijk voor de armen, +ja zelfs voor de rijken; zij kon niet meer dan haar naam Margeritte +schrijven, en geloofde aan God, 't geen de ware wetenschap is. + +Er zijn vele dergelijke deugdzamen in de laagste rangen der +maatschappij; eenmaal zullen zij in de hoogste zijn. Dit leven heeft +een volgenden dag. + +In de eerste dagen was Fantine zoo beschaamd geweest, dat zij niet +had durven uitgaan. + +Op de straat was 't haar, alsof men zich naar haar omkeerde en haar +met den vinger nawees; iedereen gluurde haar aan, maar niemand groette +haar; de koele, bittere verachting der voorbijgangers ging haar door +lijf en ziel als een scherpe noordenwind. + +In kleine steden verschijnt een ongelukkige naakt en bloot onder +de spotzucht en nieuwsgierigheid van iedereen. In groote steden, te +Parijs ten minste, kent de een den ander niet, en deze onbekendheid +is een soort van bekleedsel. Ach, hoe gaarne zou zij naar Parijs zijn +gegaan; maar 't was onmogelijk. + +Zij moest zich nu even goed aan de verachting gewennen, als zij zich +aan de armoede had gewend. Allengs vermande zij zich. Na verloop van +een paar maanden schudde zij de schaamte af, en ging uit als wist +zij van niets. 't Is mij onverschillig, zeide zij. + +Zij kwam en ging met opgeheven hoofd, een bitteren glimlach om de +lippen, en gevoelde dat zij onbeschaamd werd. + +Madame Victurnien zag haar soms haar venster voorbijgaan, en merkte den +nood op van "dat wezen," 't welk zij "weder op haar plaats gebracht +had", en wenschte er zich geluk mede. De slechte menschen hebben een +vreeselijk geluk. + +De overmatige arbeid putte Fantine uit, en de droge kuch, welke zij +reeds had, nam toe. Dikwijls zeide zij tot haar buurvrouw Margaretha: +"Voel eens hoe heet mijn handen zijn!" + +Des morgens echter, wanneer zij met een ouden gebroken kam haar +fraai haar, dat als vlokkige zijde golfde, in orde streek, had zij +een oogenblik van gelukkige coquetterie. + + + + + + +TIENDE HOOFDSTUK. + +VERDERE GEVOLGEN. + + +Zij was tegen 't einde van den winter uit de fabriek ontslagen; +de zomer ging voorbij, maar de winter kwam terug. Korte dagen, +minder werk. Des winters, geen warmte, geen licht, geen namiddag, +de avond grenst aan den morgen, mist, schemering, het venster is dof, +het geeft geen helder licht. De lucht komt als door een kelderluik. De +geheele dag is een kelder. De zon gelijkt een bedelares. Een akelig +jaargetijde! De winter verandert het water des hemels en het hart +des menschen in steen. Fantine's schuldeischers kwelden haar. Zij +verdiende te weinig. Haar schulden waren toegenomen. De Thénardier's, +die slecht betaald werden, schreven haar elk oogenblik brieven, +wier inhoud haar deed vertwijfelen en wier port haar ruïneerde. + +Eenmaal schreven zij haar, dat haar kleine Cosette in deze koude schier +geheel naakt was, dat zij een wollen onderrokje noodig had en de moeder +hiervoor ten minste tien francs moest zenden. Zij ontving den brief, +en frommelde hem den ganschen dag in de handen. Des avonds ging zij +naar een kapper, die aan den hoek der straat woonde, en nam den kam uit +heur haar. De prachtige blonde lokken vielen haar nu tot op de heupen. + +"Welk fraai haar!" riep de kapper. + +"Hoeveel wilt ge er mij voor geven?" vroeg zij. + +"Tien francs." + +"Snijd dan maar af." + +Zij kocht een gebreid onderrokje en zond het aan de Thénardier's. + +Dat onderrokje maakte de Thénardier's verwoed. Zij wilden geld +hebben. Het rokje gaven zij aan Eponine. De arme leeuwerik moest +bibberen als vroeger. + +Fantine dacht: Mijn kind lijdt geen koude meer. Ik heb het van mijn +haar gekleed.--Zij zette een mutsje op, dat haar geschoren kruin +bedekte, en waarmede zij nog schoon was. + +In Fantine's hart woelde echter een somber gevoel. + +Toen zij zag, dat zij zich niet meer kon kappen, begon zij alles +wat haar omgaf te haten. Lang had zij de achting, welke allen vader +Madeleine toedroegen, gedeeld: doch, daar zij gedurig tot zich zelve +zeide, dat hij haar had weggezonden en dat hij de oorzaak van haar +ongeluk was, begon zij ook hem, bovenal hem, te haten. Wanneer zij de +fabriek voorbijging, in de uren dat de werklieden aan de deur stonden, +deed zij moeite om te glimlachen en te zingen. + +Een oude werkster, die haar eens op deze wijze zag lachen en zingen, +zeide: "Met dit meisje zal 't nog eens slecht afloopen." + +Zij nam een minnaar, den eersten den besten, een man dien zij niet +beminde, uit trotseering en met de woede in het hart. 't Was een +ellendeling, een soort van straatmuzikant, een lediglooper, die haar +sloeg, en haar verliet zooals zij hem genomen had, met afkeer. + +Zij aanbad haar kind. + +Hoe dieper zij zonk, hoe somberder alles om haar werd, zooveel +te schitterender werd de kleine engel in haar hart. Zij zeide bij +zich zelve: + +"Wanneer ik rijk ben, zal ik mijn Cosette bij mij hebben;" en zij +glimlachte. De hoest verliet haar niet meer en teekenen van toenemende +zwakte openbaarden zich. + +Op zekeren dag ontving zij van Thénardier een brief van den volgenden +inhoud: "Cosette ligt aan een hier heerschende ziekte; men noemt +ze de gierstkoorts. Zij vereischt dure drankjes en geneesmiddelen, +en wij hebben geen geld om ze te betalen. Zoo ge ons nu binnen acht +dagen geen veertig francs zendt, is het meisje dood." + +Zij begon luide te lachen, en zeide tot haar oude buurvrouw: "Die +menschen zijn wel heel vriendelijk! Veertig francs! niet meer! dat zijn +twee gouden Napoleons? Hoe meenen zij dat ik daar aan zal komen? Die +boeren zijn toch dom?" + +Zij ging echter naar een vallicht bij de trap en herlas den brief. + +Toen ging zij de trap af, en springende en lachende liep zij naar +buiten. + +Iemand die haar ontmoette vroeg: wat hebt ge, dat ge zoo vroolijk zijt? + +Zij antwoordde: "Menschen van buiten hebben mij een aardige domheid +geschreven. Zij vragen mij veertig francs! Die domme boeren!" + +Toen zij het marktplein overging, zag zij een menigte menschen om een +rijtuig van zonderlingen vorm staan, op 't welk een man in 't rood +gekleed, stond te schreeuwen en te oreeren. 't Was een rondreizende +tandendokter en kiezentrekker, die aan het publiek geheele gebitten, +tandpoeders en tincturen te koop bood. + +Fantine mengde zich in den groep en lachte evenals de anderen om deze +toespraak, die beurtelings tot het gemeen en tot het meer fatsoenlijk +publiek gericht was. De tandentrekker zag het schoone lachende meisje, +en riep haar eensklaps toe:--Ge hebt fraaie tanden, lieve meid, die +daar lacht. Zoo ge mij uw voortanden wilt verkoopen, geef ik u voor +ieder een gouden Napoleon. + +"Welke meent gij?" vroeg Fantine. + +"De beide boven-voortanden," antwoordde de kiezentrekker. + +"Wel foei!" riep Fantine. + +"Twee gouden Napoleons," mompelde een oude vrouw zonder tanden. "Die +meid is waarlijk gelukkig." + +Fantine liep heen en stopte haar ooren, om de schorre stem van den man +niet te hooren, die haar nariep:--"Bedenk u, lief kind! twee gouden +Napoleons. Men kan ze gebruiken. Zoo ge lust hebt, kom van avond in +de herberg "Het zilveren schip", waar ge mij vinden kunt." + +Fantine kwam geheel verstoord te huis en verhaalde de zaak aan de +goede buurvrouw Margaretha:--"Kunt ge zoo iets begrijpen? Is 't +niet een afschuwelijke kerel? Hoe kan men zulke lieden door het land +laten trekken! Mijn twee voortanden te willen uittrekken! ik zou er +verschrikkelijk uitzien! het haar groeit weder aan, maar de tanden! O, +die gedrochtelijke kerel! ik zou liever uit de vijfde verdieping op +de straat springen! Hij zeide mij, dat hij van avond in "Het zilveren +schip" zou zijn. + +"En wat bood hij u?" vroeg Margaretha. + +"Twee gouden Napoleons." + +"Dat is veertig francs." + +"Ja," zei Fantine, "veertig francs." + +Zij begon na te denken, en zette zich aan haar werk. + +Na een kwartieruurs stond zij op en ging naar de trap om Thénardier's +brief nog eens over te lezen. + +Toen zij weder terugkwam, zeide zij tot Margaretha, die naast haar +werkte: + +"Wat is dat toch--de gierstkoorts? Weet gij 't?" + +"Ja," antwoordde de oude vrouw, "'t is een ziekte." + +"En zijn er veel artsenijen voor noodig?" + +"O, schrikkelijk veel." + +"Welke soort van ziekte is 't?" + +"Een kinderziekte." + +"Sterft men er aan?" + +"Zeer licht," zei Margaretha. + +Fantine verwijderde zich en ging nogmaals naar de trap om den brief +te lezen. + +Des avonds ging zij uit en men zag, dat zij haar schreden naar de +Parijsche straat richtte, waar de meeste herbergen zijn. + +Den volgenden morgen, toen Margaretha, vóór het licht was, Fantine's +kamer binnentrad, want zij werkten te zamen om slechts één kaars +voor haar beiden noodig te hebben, vond zij Fantine bleek en koud +op haar bed zitten. Zij had zich niet te slapen gelegd. Haar muts +lag op haar schoot. De kaars had den geheelen nacht gebrand en was +schier geheel verteerd. + +Margaretha bleef op den drempel staan, als versteend door 't gezicht +dezer wanorde en riep: + +Mijn hemel! de kaars is bijna geheel verbrand! wat is er toch gebeurd! + +Toen zag zij Fantine aan, die haar kaal hoofd naar haar zijde keerde. + +Fantine scheen sedert den vorigen avond tien jaren ouder. + +"Mijn God!" riep Margaretha; "wat scheelt u, Fantine?" + +"Mij scheelt niets," antwoordde Fantine. "Integendeel, mijn kind zal +nu niet aan die vreeselijke ziekte sterven, wegens gebrek aan hulp. Ik +ben tevreden!" + +Dit zeggende toonde zij aan de oude vrouw twee gouden Napoleons, +die op de tafel lagen. + +"Wel verbaasd!" zei Margaretha. "'t Is voorwaar een schat? van waar +hebt ge dit goud?" + +"Ik heb het ontvangen," antwoordde Fantine. + +Zij glimlachte terzelfder tijd. De kaars bescheen haar gelaat. 't +Was een afgrijselijke glimlach. Een bloedachtig speeksel bevlekte de +hoeken harer lippen, en in haar mond had zij een donkere opening. + +De voortanden waren er uitgetrokken. + +Zij zond de veertig francs naar Montfermeil. 't Was overigens slechts +een list van de Thénardier's geweest om geld te krijgen. Cosette was +niet ziek. + +Fantine wierp haar spiegel uit het venster. Sedert lang had zij haar +kamertje op de tweede verdieping verlaten voor een dakkamertje, dat +slechts met een klink sloot, een dier hokken, wier zoldering schuins +tegen den grond afloopt en waar gij telkens uw hoofd stoot. De arme +kan evenmin tot het eind van zijn kamertje als van zijn lot komen, +of hij moet zich hoe langer hoe meer krommen. Zij had geen bed meer, +maar nog iets dat zij een deken noemde, een stroomatras op den vloer en +een gebroken stoel. Een rozeboompje, dat zij had, stond verdord in een +hoek, 't was vergeten. In een anderen hoek stond een boterpot, waarin +water was, dat 's winters bevroor, en telkens ijsranden achterliet. Zij +had de schaamte verloren, zij verloor nu ook haar behaagzucht. Het +laatste noodlottig verschijnsel! Zij ging uit met een vuile muts op het +hoofd. Het zij uit tijdgebrek of uit onverschilligheid, herstelde zij +haar linnen niet meer. Zoo de hielen harer kousen versleten waren, trok +zij ze onder den voet verder in den schoen. Men zag dit aan de plooien; +zij lapte haar kleedje met oude stukken katoen, die bij de minste +beweging scheurden. De lieden, wien zij geld schuldig was, maakten haar +"standjes" en lieten haar geen rust. Zij ontmoette ze op de straat, +zij vond ze weder op haar trap. De nachten bracht zij weenend en in +sombere gedachten door. Haar oogen schitterden buitengewoon en zij +voelde voortdurend pijn aan het linker schouderblad. Zij moest veel +hoesten. Zij haatte vader Madeleine diep, maar zij klaagde niet. Zij +naaide zeventien uren daags; maar de aannemer van den arbeid in de +gevangenissen, die de gevangen vrouwen tot zeer lagen prijs liet +werken, verminderde eensklaps het loon, zoodat de vrije naaisters nu +niet meer dan negen sous daags verdienden. Zeventien uren arbeid daags +voor negen sous! Haar schuldeischers waren onmeedoogender dan ooit. De +uitdrager, die schier al het huisraad had teruggenomen, vroeg haar +onophoudelijk: "wanneer zult ge mij betalen, afzetster?" Goede God! wat +wilde men van haar? Zij werd van alle zijden vervolgd en geplaagd, +en in haar natuur ontwikkelde zich iets van een wild dier. Terzelfder +tijd schreef Thénardier haar, dat hij nu gewis lang genoeg geduld met +haar had gehad, en hij dadelijk honderd francs moest hebben, terwijl +hij anders de kleine Cosette op de straat zou zetten, niettegenstaande +zij pas van haar zware ziekte hersteld was, in weerwil der koude, +onverschillig wat van haar worden mocht; dat zij, voor hun part, +kon sterven.-- + +Honderd francs! dacht Fantine. Maar hoe is het mogelijk honderd sous +daags te verdienen? + +"Welaan," zeide zij, "verkoopen wij het overige." + +De ongelukkige werd publieke vrouw. + + + + + + +ELFDE HOOFDSTUK. + +CHRISTUS HEEFT ONS VRIJGEMAAKT. + + +Wat beteekent deze geschiedenis van Fantine? 't Is de maatschappij, +die een slavin koopt. + +Van wien? Van de armoede, van den honger, van de koude, van de +verlatenheid, van de hulpeloosheid, van het gebrek. Een rampzalige +handel. Een ziel voor een stuk brood. De nood biedt aan, de +maatschappij koopt. + +De heilige wet van Christus beheerscht onze beschaving; maar zij +doordringt ze nog niet. Men zegt, dat de slavernij uit de Europeesche +beschaving is verdwenen. Dit is zoo niet. Zij bestaat nog altijd; +maar zij drukt slechts op de vrouw, en heet prostitutie. + +Zij drukt op de vrouw, dat wil zeggen op de bevalligheid, op de +zwakheid, op de schoonheid, op het moederschap. Gewis, een diepe +schande voor den man! + +Op het punt, waar wij met dit smartelijk drama zijn gekomen, is Fantine +niets meer overgebleven van 't geen zij vroeger was. Door zich tot +slijk te verlagen is zij tot marmer versteend: wie haar aanraakt, +huivert. Zij verschijnt u, duldt u, maar zij kent u niet. Zij is een +stugge, maar onteerde gestalte. Het leven en de maatschappelijke orde +hebben het laatste woord over haar uitgesproken. Alles is met haar +gebeurd, wat met haar gebeuren kon. Zij heeft alles gevoeld, alles +verdragen, alles ondervonden, alles geleden, alles verloren, alles +beweend. Zij is onderworpen met die berusting, welke onverschilligheid +gelijkt, evenals de slaap den dood gelijkt. Zij ontziet niets meer. Zij +vreest niets meer. De hemel moge op haar neerstorten, de oceaan haar +verzwelgen. Wat is er haar aan gelegen. Zij is een volgezogen spons. + +Zij gelooft het althans. Maar 't is een dwaling, zich te verbeelden, +dat men het lot uitputten en den bodem van wat het ook zij, bereiken +kan. + +Helaas! Wat zijn al deze, aldus dooreengemengde +levensbestemmingen? waarheen gaan zij? waarom zijn zij zoo? + +Hij, die dit weet, peilt met zijn blik de diepste duisternis.--Hij, +de eenige is--God! + + + + + + +TWAALFDE HOOFDSTUK. + +HOE MIJNHEER BAMATABOIS ZICH VERMAAKT. + + +In alle kleine steden, en bijzonderlijk te M. sur M. was dit het +geval, bestaat een klasse van jongelieden, welke een inkomen +van vijftienhonderd francs 's jaars met dezelfde verwaandheid +en aanmatiging verteren, als huns gelijken te Parijs en andere +hoofdsteden tweehonderdduizend francs doorbrengen. 't Zijn wezens +van 't talrijke soort der onzijdigen; halfslachtigen, woekerplanten, +nietige wezens, die een stukje gronds bezitten, een weinig dwaasheid +en een weinig verstand hebben, in een salon lomperds zouden zijn, en +zich in de herberg edellieden wanen; die zeggen: mijn weiden, mijn +bosschen, mijn boeren, die de actrices uitfluiten om te toonen dat +zij smaak hebben, met de officieren van het garnizoen twist zoeken, +om hun moed te toonen, die jagen, rooken, geeuwen, drinken, naar den +tabaksrook rieken, op 't biljart spelen; de reizigers opnemen, die uit +de diligences stappen, in 't koffiehuis leven, in 't logement eten, +die een hond hebben, welke zij de beenderen onder de tafel toewerpen, +een maîtresse hebben die hen opschept, op een stuiver dood blijven, +de modes overdrijven, met het treurspel dwepen, de vrouwen verachten, +hun laarzen schoon afdragen, die Londen te Parijs en Parijs te +Pont-à-Mousson naäpen, die met de jaren onverdragelijker worden, +niet arbeiden, tot niets dienen en evenmin veel schade doen. + +Zoo mijnheer Felix Tholomyès in zijn provincie gebleven ware en Parijs +nooit gezien had, zou hij een dier mannen geworden zijn. + +Waren zij rijker, men zou hen voorname lieden noemen; waren zij armer, +men zou ze nietsdoeners heeten. Zij zijn eenvoudig leegloopers. En +onder deze leegloopers, zijn vervelenden, verveelden, droomers en +eenige grappenmakers. + +In dien tijd bestond een fat uit een hoogen boord, een breede das, een +horloge met sleutel en cachetten, een dubbel vest, van verschillende +kleur, het blauwe en roode onder, uit een olijfkleurigen rok met kort +lijf en zwaluwstaart, met een dubbele rij zilveren knoopen dicht op +elkander, die tot den schouder reikten, en een lichter olijfkleurige +broek, op beide naden met een onbepaald, maar altijd oneven getal +strepen, welk getal van een tot elf afwisselde, doch deze grens +niet overschreed. Voeg daarbij halve laarzen met hoefijzers, een +hoogen hoed met zeer smallen rand, het haar in een kuif, een dikken +wandelstok, en gesprekken gekruid met kwinkslagen van Potier. Bij dat +alles sporen en knevels. In dien tijd duidden snorbaarden burgers aan, +en sporen voetgangers. + +De pronker in de provincie droeg langer sporen en wreeder snorren. + +'t Was in den tijd van den oorlog der republikeinen van Zuid-Amerika +tegen den koning van Spanje, van Bolivar tegen Morillo. De hoeden met +smallen rand waren koningsgezind en heetten Morillo's; de liberalen +droegen hoeden met breeden rand, die Bolivar's heetten. + +Acht of tien maanden nu na 't geen op de vorige bladzijden verhaald +is, in de eerste dagen van Januari 1823, op een avond dat het +gesneeuwd had, vond een dier fatten, een dier leegloopers, een +"goedgezinde",--want hij droeg een Morillo, bovendien was hij in een +dier groote ruime mantels gewikkeld, welke bij koud weer de kleeding +naar de mode was,--er genoegen in, een schepsel te kwellen, dat in +wijd uitgesneden balkleeding, met bloemen op het hoofd, voor het +officierskoffiehuis zwierf. Deze fat rookte, want dit was toen de mode. + +Telkens wanneer deze vrouw hem voorbijging, blies hij haar een +rookwolk zijner sigaar in 't gezicht, en wierp haar eenige woorden +toe, welke hij voor geestig en aardig hield, bij voorbeeld: Foei, +wat zijt gij leelijk!--Ga je verbergen!--Gij hebt immers geen +tanden meer! enz. enz.--Deze mijnheer heette Bamatabois. De vrouw, +een treurige, opgeschikte schim, die heen en weer in de sneeuw ging, +antwoordde hem niet, sloeg zelfs geen blik op hem, maar zette niettemin +stil en met sombere volharding haar wandeling voort, die haar om de +vijf minuten onder hoon en bespotting bracht, gelijk een soldaat, +die door de spitsroeden heen en weder loopt. De weinige uitwerking, +welke hij te weeg bracht, verdroot waarschijnlijk den straatslijper; +hij maakte nu van de gelegenheid gebruik dat de vrouw zich omkeerde, +sloop haar achterna, bukte, nam een handvol sneeuw van de straat en +stak haar die, met een onderdrukt gelach, snel tusschen de bloote +schouders in haar kleed. Het arme meisje slaakte een gil, draaide zich +om, sprong als een panter op den man toe, drukte hem haar nagels in +'t gezicht en braakte daarbij de schrikkelijkste woorden, die ooit +van een hoofdwacht in een straatgoot zijn gevallen. Deze scheldnamen, +gebraakt door een van brandewijn schorre stem, waren afschuwelijk +en kwamen uit een mond, waarin werkelijk de twee boven-voortanden +ontbraken. 't Was Fantine. + +Op het hierdoor ontstaan rumoer verlieten de officieren ijlings +het koffiehuis, de voorbijgangers bleven staan; er vormde zich een +groote kring, die lachte, hitste en juichte om die twee worstelende +menschen, waarin men met moeite een man en een vrouw kon herkennen, +een man zich verwerende, wiens hoed op den grond was gevallen, en +een vrouw met handen en voeten slaande en schoppende, blootshoofds, +brullende, zonder tanden of haar, paars van woede, afgrijselijk. + +Eensklaps trad een man van hooge gestalte uit het gedrang, greep de +vrouw bij haar satijnen keurs, dat met slijk bemorst was, en zeide +barsch: Volg mij! + +De vrouw hief het hoofd op; plotseling versmoorde haar woedende +stem. Haar oogen schenen verglaasd, van paars werd zij doodsbleek, +en zij beefde van schrik. Zij had Javert herkend. + +Het heertje had van deze gelegenheid gebruik gemaakt om zich uit de +voeten te maken. + + + + + + +DERTIENDE HOOFDSTUK. + +OPLOSSING VAN EENIGE STEDELIJKE POLITIE-KWESTIËN. + + +Javert duwde de omstanders ter zijde, drong door den kring en +ging met snelle schreden naar het politiebureau aan 't andere +einde van het marktplein, en sleepte de rampzalige mede. Zij volgde +werktuiglijk. Geen van beiden zeide een woord. De zwerm toeschouwers, +uitgelaten van vroolijkheid, volgde en stiet allerlei schimpredenen +uit. De diepste ellende, aanleiding tot de vuilste taal! + +Aan het politiebureau gekomen--een laag vertrek, verwarmd door +een kachel en door een wacht bewaakt, met een glazen getraliede +voordeur--opende Javert de deur, trad met Fantine binnen en sloot de +deur weder achter zich, tot groote teleurstelling der nieuwsgierigen, +die op de teenen gingen staan en den hals uitstrekten voor het doffe +glas, om, zoo mogelijk, iets te kunnen zien. De nieuwsgierigheid is +even hongerig als de gulzigheid. + +Toen Fantine binnenkwam zonk zij in een hoek, bewegingloos en stom, +ineengedoken als een angstige hond. + +De sergeant der wacht zette een brandende kaars op de tafel. Javert +ging zitten, haalde een gezegeld blad papier uit zijn zak en schreef. + +Deze soort van vrouwen zijn door onze wetten geheel aan de willekeur +der politie overgeleverd. Zij handelt er mede zooals zij wil, straft +ze naar goedvinden, en berooft haar van die twee treurige zaken, welke +zij haar handwerk en haar vrijheid noemen. Javert was gevoelloos, zijn +ernstig gelaat vertoonde niet de minste aandoening. Evenwel was hij +ernstig en in diepe gedachten verzonken. 't Was een dier oogenblikken, +dat hij zonder controle, maar met al de nauwgezetheid van een streng +geweten, zijn schrikkelijke, willekeurige macht uitoefende. Hij +gevoelde in dit oogenblik, dat zijn politie-inspecteursbankje een +rechtbank was. Hij oordeelde--hij oordeelde en vonniste. Hij riep +alle denkbeelden, die in zijn geest aanwezig waren, te zamen voor +de groote zaak, waarmede hij zich bezighield. Hoe meer hij de daad +van het meisje overwoog, te meer voelde hij zich verontwaardigd. 't +Was zeker, dat hij een misdaad had zien begaan. Ginds op de straat, +had hij de maatschappij, vertegenwoordigd door een grondbezitter en +kiezer, zien hoonen en aanranden door een schepsel, dat buiten alle +wet is. Een publieke vrouw had een burger mishandeld. Hij, Javert, +had het gezien. Zwijgend schreef hij. + +Toen hij hiermee gedaan had, teekende hij, vouwde het papier dicht +en zeide tot den sergeant der wacht, terwijl hij 't hem overhandigde: + +"Neem drie man en breng dit meisje naar de gevangenis."--Daarna wendde +hij zich tot Fantine, zeggende:--"Gij hebt zes maanden." De rampzalige +beefde van ontroering. + +"Zes maanden! zes maanden gevangenis!" riep zij uit. "Zes maanden om +zeven sous daags te verdienen! Maar wat zal van Cosette worden! van +mijn kind, mijn kind! Maar ik ben nog over de honderd francs aan +Thénardier schuldig, mijnheer de inspecteur; weet ge dat?" + +Zij sleepte zich, de handen wringend en op de knieën kruipend over +den steenen vloer, die door het slijk bemorst was, dat vele voeten +er hadden achtergelaten. + +"Mijnheer Javert," jammerde zij, "ik bid u om genade; ik verzeker +u, dat ik geen schuld had. Zoo gij bij 't begin tegenwoordig waart +geweest, zoudt gij 't gezien hebben; ik zweer u bij den goeden God, +dat ik geen schuld had. 't Kwam door dien heer, dien ik niet ken, +die mij sneeuw in den rug heeft gestoken. Heeft men het recht, +wanneer wij rustig voorbijgaan, zonder iemand leed te doen, ons +sneeuw in den rug te steken? Ik wist niet, wat mij gebeurde. En, +weet ge, ik ben een weinig ziekelijk; daarbij had hij mij reeds een +geruime poos getergd. Hij riep mij toe: Ge zijt leelijk! gij hebt +geen tanden.--Ik weet wel, dat ik mijn tanden niet meer heb. Ik +stoorde er mij niet aan, maar dacht: dit is een mijnheer, die zich +vermaakt. Ik was fatsoenlijk jegens hem en zei niets. Onverhoeds +stak hij mij nu sneeuw in den rug. Mijnheer Javert, goede mijnheer de +inspecteur! is er niemand hier, die 't gezien heeft, om u te zeggen, +dat het inderdaad zoo is? Ik heb misschien ongelijk gehad mij boos te +maken. Maar gij weet, men is in het eerste oogenblik zich niet altijd +meester. Men wordt driftig. En daarbij, als men u geheel onverwacht zoo +iets kouds in den rug steekt! Ik had ongelijk dien heer den hoed van +'t hoofd te slaan. Waarom is hij heengegaan? Ik zou hem verschooning +hebben gevraagd. Ach, God, waarom zou ik hem geen verschooning willen +vragen? Heb voor deze keer genade met mij, mijnheer Javert. Zie, +ge weet het niet, in de gevangenis kan men slechts zeven sous daags +verdienen: 't is niet de schuld der regeering, maar men verdient niet +meer, en verbeeldt u, dat ik honderd francs moet betalen, of dat men +mij anders mijn kind terugzendt. Ach, God, ik kan 't niet bij mij +hebben. 't Is zoo leelijk wat ik doe. Ach, Cosette, mijn engeltje, +wat zal van haar worden; arm schaap? Ik zal u zeggen, deze Thénardier's +zijn boeren, herbergiers, die hebben niet de minste toegevendheid. Zij +willen volstrekt geld hebben. Zet mij niet in de gevangenis. Weet +ge, mijnheer Javert, zij zouden de kleine op de straat zetten, in 't +hartje van den winter, haar aan haar lot overlaten ... men moet met +zulke omstandigheden toch medelijden hebben, mijnheer Javert. Was het +meisje grooter, dan zou het den kost kunnen verdienen, maar op haar +leeftijd kan dat niet. Ik ben in mijn hart geen slechte vrouw. 't Is +geen luiheid of onmatigheid, die van mij gemaakt hebben wat ik ben. Ik +heb brandewijn gedronken, maar alleen uit ellende. Ik houd er niet +van, maar men wordt er bedwelmd door en vergeet zijn toestand. Toen +ik gelukkiger was, behoefde men maar in mijn kleerkast te zien om +te weten dat ik geen behaagzuchtige, onordelijke vrouw was. Ik had +linnen, veel linnen. Heb medelijden met mij, mijnheer Javert!" + +Zoo sprak zij, geheel verslagen, gebroken, geschokt door haar snikken, +blind door haar tranen, met blooten hals, handenwringend, hoestend +en kuchend en als een stervende met doffe stem sprekende. + +Diepe smart is een goddelijke, vreeselijke straal, die de rampzaligen +herschept. Op dit oogenblik was Fantine weder schoon geworden. Van +tijd tot tijd hield zij op en kuste eerbiedig de jas van den +politiedienaar. Zij zou een steenen hart vermurwd hebben; maar een +houten hart verteedert men niet. + +"Genoeg!" zei Javert, "ik heb u gehoord. Hebt ge nu alles gezegd? Nu +voort! Ge hebt zes maanden! Onze Lieve Heer zelf zou er niets aan +kunnen doen." + +Door deze plechtige woorden "Onze Lieve Heer zelf zou er niets aan +kunnen doen," begreep zij, dat het vonnis onherroepelijk was. Zij +zonk ineen en stamelde: + +"Genade!" + +Javert keerde haar den rug toe. + +De soldaten vatten haar bij den arm. + +Sinds eenige minuten was een man binnengekomen, zonder dat men op +hem gelet had. Hij had de deur weer dicht gedaan, was er tegen gaan +staan en had Fantine's wanhopige beden gehoord. + +Op het oogenblik toen de soldaten de hand aan de ongelukkige sloegen, +die niet wilde opstaan, trad hij een schrede uit de schaduw en zeide: + +"Een oogenblik, als 't u belieft." + +Javert sloeg de oogen op en herkende mijnheer Madeleine. Hij nam zijn +hoed af, groette eenigszins wrevelig en links, zeggende: + +"Vergeving, mijnheer de maire..." + +Dit woord: "mijnheer de maire" maakte op Fantine een zonderlingen +indruk. Zij richtte zich eensklaps overeind, als een spook dat uit +den grond rijst, stiet met beide armen de soldaten van zich, ging +recht op mijnheer Madeleine toe, voordat men haar kon tegenhouden, +staarde hem strak aan, en riep als waanzinnig: + +"Ha, zijt gij mijnheer de maire?" + +Toen lachte zij luide en spoog hem in 't gezicht. + +Mijnheer Madeleine veegde 't gezicht af en zeide: + +"Inspecteur Javert, stel deze vrouw in vrijheid." + +'t Was Javert, alsof hij op 't punt was het verstand te verliezen. Op +dit oogenblik gevoelde hij, slag op slag, en schier met elkaar +vermengd, de geweldigste schokken van aandoening, die hem in al +zijn leven getroffen hadden. Een publieke vrouw een maire in 't +gezicht spuwen, dat was iets zoo ongehoords, dat hij, zelfs bij +het vreeselijkste dat hij zich kon voorstellen, het heiligschennis +zou geacht hebben, te gelooven dat zoo iets mogelijk was. Van een +anderen kant schoot hem ijlings een vluchtige gedachte door 't hoofd +van eenig verband, dat tusschen dit meisje en dezen maire bestaan kon, +en hij zag nu met afgrijzen zeker iets natuurlijks in deze ontzettende +beleediging. Maar toen hij dezen maire, dezen overheidspersoon zich +bedaard het gezicht zag afvegen en hem hoorde zeggen: stel deze vrouw +in vrijheid, werd hij van verbazing als verbijsterd; hij kon evenmin +gedachten als woorden vinden; de hoogste graad van verwondering was +bij hem overtroffen. Hij verstomde. + +Dat woord had een niet minder vreemde uitwerking op Fantine +voortgebracht. Zij hief haar blooten arm op en greep zich aan den +sleutel der kachel, als iemand die duizelt. Evenwel schouwde zij +rondom zich en begon op zachten toon te spreken, alsof zij in zich +zelve sprak. + +"Vrij! men wil mij vrij laten; ik zal geen zes maanden in de gevangenis +zitten? Wie heeft dat gezegd? 't Is niet mogelijk, dat men dit gezegd +heeft. Ik heb verkeerd verstaan. 't Kan dat monster van een maire +niet zijn! Zijt gij 't, goede mijnheer Javert, die gezegd hebt mij in +vrijheid te stellen! O, weet ge, ik zal u iets zeggen en gij zult mij +laten gaan! Dit monster van een maire, deze oude schoft, is van alles +de oorzaak. Verbeeld u, mijnheer Javert, hij heeft mij weggejaagd! ten +gevalle van een hoop babbelaarsters, die in de werkplaats allerlei +praatjes hielden. Is 't niet een gruwel? Een arm meisje weg te zenden +dat ijverig haar werk doet! Toen verdiende ik niet genoeg meer, en al +mijn ongeluk is er uit ontstaan. Er is echter een verbetering, welke +de heeren van de politie moesten invoeren, namelijk: de ondernemers +van den arbeid in de gevangenissen te beletten, dat zij arme lieden +benadeelden. Begrijpt ge; ik zal 't u anders uitleggen. Eerst verdient +men twaalf sous met de hemden; maar vervolgens slaat het af tot negen +sous; en daarvan kan men niet leven. Men moet dus worden wat men +kan. Ik, die daarbij mijn kleine Cosette had, ik was wel genoodzaakt +een slechte vrouw te worden. Nu zult ge begrijpen, dat deze gemeene +maire al het kwaad veroorzaakt heeft! Toen heb ik den hoed van dien +heer voor het officierkoffiehuis op den grond getreden. Maar hij had +mijn geheele kleed met sneeuw bedorven. Meisjes als ik hebben slechts +één zijden kleed voor 's avonds. Hoor, mijnheer Javert, ik heb nooit +opzettelijk kwaad gedaan, waarlijk niet; en ik zie overal veel slechter +vrouwen dan ik, die veel gelukkiger zijn. Gij, mijnheer Javert, hebt +gezegd dat men mij moest laten gaan, niet waar? Doe onderzoek naar mij, +spreek mijn huisheer, ik betaal prompt mijn huur, men zal u zeggen +dat ik niet slecht ben. Ach, mijn God, vergeving, ik heb, zonder er +op te letten, den sleutel van de kachel gegrepen, en nu rookt het." + +Mijnheer Madeleine luisterde met de grootste aandacht naar +haar. Terwijl zij sprak, had hij in zijn zak getast, er zijn beurs +uitgehaald en ze geopend. Zij was ledig. Hij stak ze dus weder in +den zak. Hij zeide tot Fantine: + +"Hoeveel zeidet ge, dat ge schuldig waart?" + +Fantine, die alleen Javert had aangezien, wendde zich tot den maire +zeggende: + +"Spreek ik met u?" + +En zich daarop tot de soldaten richtende, sprak zij: + +"Hebt gij gezien, dat ik hem in 't gezicht heb gespuwd. O! oude schurk +van een maire. Ge komt hier om mij vrees aan te jagen, maar ik ben niet +bang voor u. Ik vrees alleen mijnheer Javert! den goeden heer Javert!" + +Dit zeggende wendde zij zich weder tot den inspecteur. + +"Weet ge, mijnheer de inspecteur, men moet rechtvaardig zijn. Ik +begrijp dat gij rechtvaardig zijt, mijnheer de inspecteur. 't +Beteekende overigens wel niets, dat een man zich vermaakte met +een weinig sneeuw in den rug van een vrouw te steken; het deed de +officieren lachen, en men mag zich gewis wel met iets vermaken: vrouwen +als ik zijn er immers voor om zich mede te vermaken, niet waar? Toen +kwaamt gij, en gij zijt natuurlijk wel verplicht de orde te handhaven, +gij naamt de vrouw mede, die ongelijk had ... maar wijl ge goed zijt +en hebt nagedacht, zegt ge, dat men mij in vrijheid stelle; zeker uit +hoofde van mijn kleine, want zes maanden gevangenis zou mij beletten +mijn kind te onderhouden. Maar pas op, dat 't niet weêr gebeure, zegt +ge. O 't zal niet weder gebeuren, mijnheer Javert! men moge mij nu +doen wat men wil, ik zal mij niet meer verroeren. Maar heden, weet ge, +heb ik geschreeuwd, omdat men mij kwaad deed; ik was volstrekt niet +verdacht op de sneeuw van dien heer; en daarbij, ik heb 't u reeds +gezegd, ik ben niet heel sterk, ik hoest, in mijn maag is iets dat +als een kool vuur brandt, en de dokter heeft gezegd, dat ik mij in +acht moest nemen. Zie, voel, geef uw hand, wees niet bang, 't is hier." + +Zij weende niet meer, haar stem was vleiend, en op haar blanken +teederen hals legde zij de breede ruwe hand van Javert, en zag hem +glimlachend aan. + +Eensklaps bracht zij haastig haar kleeding weder in orde, streek de +plooien van haar kleedje naar beneden, dat door het slepen over den +grond bijna tot aan de knie was opgeschort, en ging naar de deur, +met een vriendelijken hoofdknik en halfluid tot de soldaten zeggende: + +"Vrienden, mijnheer de inspecteur heeft gezegd, dat men mij zou vrij +laten, en nu wilde ik gaan." + +Zij legde de hand aan de klink. Nog een schrede en zij was op de +straat. + +Javert had tot dit oogenblik bewegingloos en met nedergeslagen oogen +bij dit tooneel gestaan, als een standbeeld, dat van zijn plaats +geraakt is en wacht, dat men het weder recht zet. + +Het gerucht der klink wekte hem. Hij hief het hoofd op met een +uitdrukking van onbeperkt gezag; een uitdrukking welke te geduchter +is, naarmate het gezag lager zonk, wreed bij het wilde dier, gruwzaam +bij den gemeenen mensch. + +"Sergeant!" riep hij, "ziet ge niet dat de deern weggaat? wie heeft +u gezegd haar te laten gaan?" + +"Ik," zei Madeleine. + +Toen Fantine Javert's stem hoorde had zij gebeefd en de klink +losgelaten, evenals een gevatte dief het gestolen voorwerp los +laat. Toen zij Madeleine's stem hoorde, draaide zij zich om en van +nu af sloeg zij haar blik, zonder dat zij een woord sprak, zonder +zelfs vrij uit te durven ademen, beurtelings van Madeleine op Javert +en van Javert op Madeleine, al naar deze of gene sprak. + +'t Was duidelijk, dat Javert, zooals men zegt, geheel uit de lijken +moest geslagen zijn, om zich te veroorloven tot den sergeant +te spreken gelijk hij gedaan had, na het bevel van den maire om +Fantine in vrijheid te stellen. Was hij zoo ver buiten zich zelven +dat hij de tegenwoordigheid van mijnheer den maire kon vergeten? Had +hij eindelijk zich zelven overreed, dat zulk een bevel onmogelijk +door een overheidspersoon kon gegeven zijn, en mijnheer de maire +zich ontwijfelbaar versproken had? Of dacht hij, dat, tegenover de +ongehoorde omstandigheden, waarvan hij sedert twee uren getuige was, +hij tot een uiterst middel moest overgaan, en het noodzakelijk was, +dat de kleine zich groot maakte, dat de politiebediende zich in een +overheidspersoon herschiep, dat hij zich tot rechter opwierp, en +dat bij dit ontzettend uiterste de orde, de wet, de zedelijkheid, +het gouvernement, de geheele maatschappij zich in hem, Javert, +verpersoonlijkte. + +Hoe het zij, toen mijnheer Madeleine het woord ik had gezegd dat +men gehoord heeft, zag men den politie-inspecteur bleek, koud, met +blauwe lippen, met wanhopigen blik, het geheele lichaam door een +inwendige siddering aangedaan, zich tot mijnheer den maire wenden +en met nedergeslagen oog, maar vaste stem, de schier ongeloofelijke +woorden tot hem zeggen: + +"Mijnheer de maire, dat kan niet." + +"Waarom niet?" vroeg mijnheer Madeleine. + +"De ongelukkige heeft een burger beleedigd." + +"Inspecteur Javert," hernam de heer Madeleine op bevredigenden, +kalmen toon, "luister. Gij zijt een braaf man en ik maak dus geen +bedenking mij jegens u te verklaren. Ziehier hoe de zaak is. Ik ging +over het marktplein, toen gij de vrouw medevoerdet; er stonden nog +groepen menschen bijeen, ik deed dus onderzoek en vernam alles: de +burger had ongelijk en de politie had dezen dus eigenlijk behooren +te arresteeren." + +Javert hernam: + +"Deze ellendige heeft mijnheer den maire beleedigd." + +"Dit gaat mij alleen aan," zei Madeleine. "Deze beleediging was tegen +mij, en ik geloof dat ik daaromtrent handelen kan naar ik verkies." + +"Vergeef mij, mijnheer de maire. De beleediging gold niet alleen u, +maar ook de justitie." + +"Inspecteur Javert," hernam mijnheer Madeleine, "de hoogste justitie +is het geweten. Ik heb deze vrouw gehoord. Ik weet wat ik doe." + +"En ik, mijnheer de maire, weet niet wat ik zie." + +"Vergenoeg u dus met te gehoorzamen." + +"Ik gehoorzaam aan mijn plicht. Mijn plicht wil, dat deze vrouw zes +maanden gevangen zitte." + +De heer Madeleine antwoordde op zachten toon: + +"Versta wel, wat ik zeg: Zij zal geen dag zitten." + +Bij deze beslissende woorden waagde Javert het, den maire strak in de +oogen te zien, en zeide, maar op een nog altijd diep eerbiedigen toon: + +"'t Doet mij ten hoogste leed, mij tegen mijnheer den maire te +moeten verzetten; 't is de eerste keer van mijn leven, maar hij +veroorlove mij hem te doen opmerken, dat ik mij binnen de grenzen +mijner bevoegdheid houd. Ik zal mij, wijl mijnheer de maire dit wil, +bij het feit van den burger bepalen. Ik was er bij. Deze vrouw heeft +mijnheer Bamatabois aangevallen, die kiezer is en eigenaar van het +fraaie hardsteenen huis, van drie verdiepingen hoog met een balkon, +aan den hoek der esplanade. Gewis, er gebeuren zonderlinge dingen +in de wereld! Hoe het zij, mijnheer de maire, 't is een zaak van +straat-politie, die mij aangaat, en ik behoud vrouw Fantine." + +Nu sloeg mijnheer Madeleine de armen over elkander, en zeide op een +strengen toon, zooals nog niemand in de stad van hem gehoord had: + +"Het feit waarvan ge spreekt, is een zaak van de stedelijke +politie. Krachtens de artt. 9, 11, 15 en 66 van het wetboek van +crimineele rechtsvordering, ben ik de rechter daarover. Ik beveel, +dat deze vrouw in vrijheid worde gesteld." + +Javert wilde nog een laatste poging beproeven. + +"Maar, mijnheer de maire..." + +"Ik herinner u aan artikel 81 der wet van 13 December 1799, over de +willekeurige inhechtenisneming." + +"Vergun mij, mijnheer de maire..." + +"Geen woord meer." + +"Maar..." + +"Ga," zei mijnheer Madeleine. + +Javert ontving den stoot staande, van voren, midden in de borst als een +Russisch soldaat. Hij boog diep voor mijnheer den maire en ging heen. + +Fantine trad ter zijde van de deur en zag hem verstomd aan, toen hij +haar voorbijging. + +Maar ook zij was aan een zonderlinge ontroering ter prooi. Zij +had, om zoo te spreken, zich door twee tegengestelde machten zien +betwisten. Zij had voor haar oogen twee mannen zien strijden, die in +hun handen haar vrijheid, haar leven, haar ziel, haar kind hadden; +een dier mannen trok haar in de duisternis, de ander bracht haar in +het licht terug. In dezen strijd, door het vergrootglas van den angst +aanschouwd, waren deze twee mannen haar als twee reuzen voorgekomen; +de een sprak als haar booze geest, de ander als haar goede engel. De +engel had den boozen geest overwonnen, en, wat haar van het hoofd +tot de voeten deed sidderen, deze goede engel, deze bevrijder was +juist de man dien zij verfoeide, de maire, dien zij zoolang als +den bewerker van al haar rampen had beschouwd! dien Madeleine! en op +denzelfden oogenblik, dat zij hem op schandelijke wijze beleedigd had, +redde hij haar. Had zij zich dus bedrogen? Moest zij haar geheele +ziel omkeeren? Zij wist het niet; zij beefde. Zij luisterde ontzet, +aanschouwde verbaasd; bij elk woord, dat mijnheer Madeleine sprak, +voelde zij de vreeselijke duisternis van den haat in zich verbleeken +en optrekken, en in haar hart iets verwarmends, iets onbeschrijfelijks +ontstaan, dat blijdschap, vertrouwen en liefde was. + +Toen Javert vertrokken was wendde mijnheer Madeleine zich tot haar, +zeide langzaam, als iemand die bedaard wil zijn en moeite heeft zijn +tranen te bedwingen: + +"Ik heb alles gehoord. Ik wist niets van 't geen gij gezegd hebt. Ik +geloof dat het waar is, en ik gevoel dat het zoo is. Ik wist zelfs +niet eens, dat ge mijn fabriek verlaten hadt. Waarom hebt ge u niet +tot mij gewend? Maar luister: Ik zal uw schulden betalen, ik zal uw +kind hier doen komen, of gij kunt er heen gaan. Gij kunt hier wonen, +of te Parijs, waar gij wilt. Ik belast mij met u en uw kind. Zoo +gij wilt, behoeft ge niet meer te werken. Ik geef u zooveel geld +als gij noodig hebt. Ge zult weder deugdzaam worden, zoodra ge weder +gelukkig zijt. En zelfs, hoor, ik verklaar het u op dit oogenblik: +indien alles is zooals gij zegt, waaraan ik niet twijfel, hebt gij +nimmer opgehouden voor God deugdzaam en goed te zijn. Arme vrouw!" + +Dit was meer dan de arme Fantine kon verdragen. Cosette bij zich te +hebben, dit schandelijke leven te verlaten! vrij, rijk, gelukkig en +eerlijk met Cosette te leven! te midden harer ellende eensklaps deze +zegeningen des Hemels voor zich te zien verwezenlijkt! Als wezenloos +staarde zij den man aan, die tot haar sprak, zij kon slechts snikkend +driemaal ach! ach! ach! slaken. Haar knieën knikten, zij zonk aan +de voeten van mijnheer Madeleine, en, vóór hij het beletten kon, +greep zij zijn hand en drukte er haar lippen op. + +Toen viel zij in onmacht. + + + + + + + +BOEK VI. + +JAVERT. + + +EERSTE HOOFDSTUK. + +BEGIN DER RUST. + + +Madeleine deed Fantine naar de ziekenzaal voeren, welke hij in zijn +eigen huis had, en gaf haar over aan de zorg der liefdezusters, die +haar te bed legden. Een heete koorts greep haar aan. Een gedeelte +van den nacht bracht zij ijlend en luid sprekend door. Eindelijk viel +zij echter in slaap. + +Tegen den middag van den volgenden dag ontwaakte Fantine. Dicht +bij haar bed hoorde zij ademen; zij schoof de bedgordijn open en +zag dat de heer Madeleine naast haar stond en iets boven haar hoofd +aanschouwde. Zijn blik was vol medelijden en angst, en biddend. Zij +volgde de richting zijner oogen en zag die op een aan den muur hangend +kruisbeeld geslagen. + +Van nu aan was mijnheer Madeleine in Fantine's oogen geheel +veranderd. Hij kwam haar voor als in licht gehuld. Hij was blijkbaar +in 't gebed verdiept. Lang aanschouwde zij hem, zonder hem te durven +storen. Eindelijk vroeg zij aarzelend: + +"Wat doet ge?" + +Mijnheer Madeleine stond reeds een uur op deze plek. Hij wachtte +Fantine's ontwaken. Nu nam hij haar hand, voelde haar den pols, +en antwoordde: + +"Hoe gaat het?" + +"Goed," zeide zij, "ik heb geslapen, en geloof dat het betert, +'t Zal spoedig over zijn." + +Hij hernam, op haar eerste vraag, alsof hij niets anders verstaan had: + +"Ik bad tot den lijder daarboven." + +En zacht in zich zelven voegde hij er bij: "Voor de lijderes +hierbeneden." + +Madeleine had een gedeelte van den nacht en den morgen doorgebracht +met onderzoek te doen. + +Nu wist hij alles. Hij kende nu de geschiedenis van Fantine in al +haar smartelijke bijzonderheden. Hij ging voort: + +"Gij hebt veel geleden, arme moeder. Maar beklaag u niet, gij +behoort thans tot de uitverkorenen. 't Is op deze wijze, dat menschen +engelen worden. 't Is hun schuld niet, zij kunnen niet anders. Want +zie, de hel, die gij nu verlaten hebt, is de eerste gedaante des +hemels. Daarmede moest ge beginnen." + +Hij zuchtte diep. Zij lachte hem echter toe met dien verheven glimlach, +waaraan twee tanden ontbraken. + +Dienzelfden nacht had Javert een brief geschreven. Hij bracht dien +brief des morgens in persoon op het postkantoor te M. sur M. Hij was +geadresseerd aan: "mijnheer Chabouillet, secretaris van mijnheer den +prefect van Politie te Parijs." Wijl het gebeurde in het politiebureau +ruchtbaar was geworden, meenden de directeur van het postkantoor en +eenige personen, die den brief, vóór hij verzonden werd, gezien en +op het adres Javerts schrift herkend hadden, dat hij er zijn ontslag +in verzocht. + +De heer Madeleine haastte zich aan Thénardier te schrijven. Fantine +was hem honderd twintig francs schuldig. Hij zond hem driehonderd +francs, er bijvoegende, dat zij zich daarvan konden betalen, maar +ten spoedigste het kind te M. sur M. moesten bezorgen, waar de zieke +moeder het terug eischte. + +Dit verraste Thénardier.--Verduiveld! zeide hij tot zijn vrouw, wij +moeten het kind niet afgeven. 't Schijnt dat de kleine een melkkoe +zal worden. Ik begrijp het. Een of andere oude gek zal op de moeder +verliefd zijn geworden. + +Hij beantwoordde den brief met een zeer nauwkeurige rekening van +vijfhonderd en eenige francs. Op deze rekening kwamen, tot een +bedrag van meer dan driehonderd francs, twee onbetwistbare posten +voor, de een van een dokter, de andere van een apotheker, die in twee +langdurige ziekten Eponine en Azelma hadden behandeld en geneesmiddelen +geleverd. Cosette was, gelijk gezegd is, niet ziek geweest. 't Was +slechts een kleine verwisseling van naam. Thénardier schreef onder +de rekening: "Op rekening ontvangen driehonderd francs." + +De heer Madeleine zond dadelijk opnieuw driehonderd francs en schreef: +Haast u Cosette te zenden. + +"Verduiveld!" zei Thénardier; "wij zullen het kind niet laten gaan." + +Intusschen beterde Fantine niet. Zij was altijd in de ziekenzaal. + +De zusters hadden in den beginne "dit vrouwspersoon" slechts met +weerzin ontvangen en verpleegd. Wie de bas-reliefs te Reims heeft +gezien, herinnert zich de opgetrokken onderlip der wijze maagden, die +de dwaze maagden aanschouwen. Deze aloude verachting der vestalinnen +voor de gevallen vrouwen is een diep instinct der vrouwelijke +waardigheid. De liefdezusters hadden deze verachting gevoed, met +de versterking, welke de godsdienst er aan geeft. Maar in weinige +dagen had Fantine haar ontwapend. Zij gebruikte allerlei deemoedige +en zachte woorden, en de moeder in haar verteederde aller hart. Op +zekeren dag hoorden de liefdezusters haar in de koorts zeggen:--ik was +een zondares, maar zoodra ik mijn kind weder heb, zal dit te kennen +geven dat God mij vergeven heeft. Op mijn slechten weg had ik Cosette +niet bij mij willen hebben; ik had haar verwonderde en treurige blikken +niet kunnen verdragen. 't Was evenwel om harentwille, dat ik zondigde, +en daarom zal de goede God mij vergeven. Ik zal Gods zegen voelen, +zoodra Cosette hier is. Ik zal haar zien; en 't zal mij goed doen, +het gezicht van het onschuldige kind. Zij weet van niets. 't Is een +engel, weet ge, zusters! In dien leeftijd zijn de vleugels nog niet +uitgevallen." + +De heer Madeleine bezocht haar tweemaal daags en telkens vroeg zij hem: + +"Zal ik spoedig mijn Cosette zien?" + +Hij antwoordde dan: + +"Misschien morgenochtend. Zij kan elk oogenblik komen, ik verwacht +haar." + +En 't bleeke gezicht der moeder schitterde van blijdschap. + +"Ach!" zeide zij, "hoe gelukkig zal ik zijn." + +Wij hebben gezegd, dat zij niet beterde. Integendeel, haar toestand +scheen van week tot week te verergeren. De sneeuw, die haar tusschen de +schouderbladen op den rug was gelegd, had eene plotselinge belemmering +der uitwaseming veroorzaakt, waardoor de ziekte, welke sinds jaren in +haar kiemde, tot snelle ontwikkeling was gekomen. Men begon destijds +bij de studie en de behandeling der borstziekten de voortreffelijke +aanwijzingen van Laënnec te volgen. De geneesheer onderzocht de borst +van Fantine en schudde het hoofd. + +"Wat zegt gij?" vroeg de heer Madeleine aan den dokter. + +"Heeft zij niet een kind dat zij wenscht te zien?" vroeg de dokter. + +"Ja." + +"Laat het dan spoedig komen." + +De heer Madeleine ontroerde. + +Fantine vroeg hem: + +"Wat zegt de dokter?" + +De heer Madeleine poogde te glimlachen. + +"Hij zegt, dat men uw kind spoedig moet doen komen. Dit zal u weer +beter maken." + +"Ja..." zeide zij, "hij heeft gelijk. Maar om welke reden behouden +de Thénardier's Cosette zoo lang! O, zij zal komen. Eindelijk zal ik +het geluk heel nabij mij hebben." + +Intusschen liet Thénardier het kind niet los, en had daarvoor allerlei +voorwendsels aan de hand: Cosette was nog een weinig ongesteld en kon +alzoo des winters niet op reis gaan. Vervolgens waren er nog eenige +kleine schulden te betalen, waarvan hij de rekeningen wachtte enz. enz. + +"Ik zal iemand zenden om Cosette te halen," zei vader Madeleine. "Zoo +'t noodig is, zal ik zelf gaan." + +Hij schreef den volgenden brief, welken Fantine hem in de pen gaf en +dien hij haar deed onderteekenen: + + + "Mijnheer Thénardier, + + + "Geef Cosette aan brengster dezes mede. + + "Men zal al de kleine schulden betalen. + + "Ik heb de eer u met achting te groeten. + + + "Fantine." + + +Middelerwijl had er iets gewichtigs plaats. Hoe wij ook pogen het +geheimzinnig marmerblok, waaruit ons leven is gemaakt, naar onzen +wensch te beitelen, de zwarte ader van het noodlot komt er gestadig +weder op te voorschijn. + + + + + + +TWEEDE HOOFDSTUK. + +HOE UIT EEN NAAM EEN ANDERE KAN ONTSTAAN. + + +Op zekeren morgen was mijnheer Madeleine in zijn kantoor bezig met +het in orde brengen van eenige spoedeischende zaken der mairie, +voor 't geval hij tot de reis naar Montfermeil mocht besluiten, +toen men hem kwam verwittigen dat de inspecteur van politie Javert +hem wenschte te spreken. Op 't hooren van dien naam kon de heer +Madeleine een onaangenaam gevoel niet bedwingen. Sedert het gebeurde +in het politiebureau had Javert hem meer dan ooit vermeden en de heer +Madeleine had hem niet weder gezien. + +"Laat hem binnenkomen," zeide hij. + +Javert trad binnen. + +De heer Madeleine was bij den haard blijven zitten met een pen in +de hand, papieren doorbladerende, waarop hij aanteekeningen maakte, +en die processen-verbaal wegens politie-overtredingen bevatten. Hij +liet zich door Javert niet storen. Onwillekeurig dacht hij aan de +arme Fantine, en hij wilde daarom koel zijn. + +Javert groette eerbiedig mijnheer den maire, die hem den rug keerde. De +maire zag hem niet aan, maar ging met zijn aanteekeningen voort. + +Javert deed drie of vier schreden in de kamer en bleef staan zonder +te spreken. + +Een gelaatkundige, die Javerts karakter gekend en sinds langen tijd +dezen wilde in dienst der beschaving, dit zonderling mengsel van +den Romein, den Spartaan, den monnik en den korporaal, dezen tot een +logen onbekwamen spion, dezen vlekkeloozen politieagent bestudeerd +had; een gelaatkundige, die met zijn heimelijken en ouden afkeer van +mijnheer Madeleine en zijn twist met den maire nopens Fantine bekend +was geweest, en Javert op dit oogenblik had gadegeslagen, zou zich +afgevraagd hebben: wat is er gebeurd? 't Was duidelijk voor ieder die +zijn scherp, helder, oprecht, eerlijk, streng en wreed gemoed kende, +dat in Javert iets gewichtigs gebeurd was. Al wat in zijn ziel omging, +vertoonde zich op zijn gelaat. Gelijk alle driftige lieden was hij aan +plotselinge afwisselingen onderworpen. Nooit had zijn gelaat zulk een +zonderlinge en onverwachte uitdrukking vertoond. Toen hij binnenkwam, +had hij zich voor mijnheer Madeleine gebogen met een blik, waarin +noch wraak, noch toorn, noch wantrouwen lag, en was eenige schreden +achter den stoel van den maire blijven staan; hij stond daar in schier +onderdanige houding, met de naïeve en ruwe kalmte van iemand die nooit +zacht, maar altijd geduldig is geweest; zonder een woord te spreken, +bewegingloos, met ware deemoedigheid en rustige onderwerping wachtte +hij tot het mijnheer den maire behaagde zich om te keeren, bedaard, +ernstig, met den hoed in de hand en met neergeslagen oogen, welker +uitdrukking het midden hield tusschen die van den soldaat tegenover +zijn officier en van den misdadiger tegenover zijn rechter. Alle +gewaarwordingen zoowel als herinneringen, die men in hem had kunnen +vermoeden, waren verdwenen. Op dit ondoordringbaar en strak gezicht +als van graniet lag niets dan een sombere treurigheid. Zijn geheele +persoon ademde gedruktheid en standvastigheid, en een soort van +moedige neerslachtigheid. + +Eindelijk legde de maire zijn pen neder en keerde zich ten halve om. + +"Nu, wat is er? wat hebt ge, Javert?" + +Javert bleef een oogenblik, als overdenkend, zwijgen; toen verhief +hij zijn stem met een soort van sombere plechtigheid, die echter +zonder gezwollenheid was. + +"Er is een schuldige daad gepleegd, mijnheer de maire." + +"Welke daad?" + +"Een ondergeschikt dienaar van 't gezag heeft op erge wijze den eerbied +aan een overheidspersoon gekrenkt. Ik kom, zoo als mijn plicht is, +dit te uwer kennis brengen." + +"Wie is die dienaar?" vroeg mijnheer Madeleine. + +"Ik," zei Javert. + +"Gij?" + +"Ik." + +"En wie is de overheidspersoon, die zich over u te beklagen heeft?" + +"Gij, mijnheer de maire." + +De heer Madeleine stond van zijn stoel op. Javert voer met ernstige +stem en steeds de oogen nedergeslagen voort: + +"Mijnheer de maire, ik kom u verzoeken, mijn ontslag bij de regeering +aan te vragen." + +De heer Madeleine was ten hoogste verbaasd, en opende den mond om te +spreken. Maar Javert kwam hem voor, zeggende: + +"Ge zult zeggen, dat ik mijn ontslag had kunnen indienen, maar dat +is niet genoeg. Zijn ontslag indienen, is eervol. Maar ik heb misdaan +en moet gestraft worden. Ik moet worden afgezet." + +En na eenig zwijgen voegde hij er bij: + +"Mijnheer de maire, ge waart voor eenige dagen streng jegens mij--toen +onrechtvaardig. Wees dus heden rechtvaardig." + +"Hoe! Waarom?" riep Madeleine. "Wat beteekenen deze woorden? Wat +bedoelt ge? Welke schuldige daad hebt ge jegens mij bedreven? Wat +hebt ge mij misdaan? Welke grieven hebt ge tegen mij? Gij beschuldigt +u zelven; gij wilt ontslagen worden..." + +"Afgezet," zei Javert. + +"Afgezet, 't zij zoo. 't Is goed; maar ik begrijp de reden niet." + +"Ge zult ze begrijpen, mijnheer de maire." + +Javert loosde een diepen zucht en hernam, altijd koel en treurig: + +"Mijnheer de maire, zes weken geleden was ik woedend, ten gevolge +van het gebeurde met dat meisje, en ik heb u toen aangeklaagd." + +"Aangeklaagd?" + +"Aan de prefectuur van politie te Parijs." + +Madeleine, die even zelden lachte als Javert, lachte nu en zeide: + +"Dat ik als maire inbreuk op de politie heb gemaakt?" + +"Neen, dat ge een gewezen tuchteling waart." + +De maire werd doodsbleek. + +Javert, die zijn oogen niet had opgeslagen, vervolgde: + +"Ik meende dit. Sinds lang had ik hiervoor redenen. Een gelijkenis, de +navorschingen welke gij te Faverolles had laten doen, uw spierkracht, +het gebeurde met den ouden Fauchelevent, uw behendigheid in +'t schieten, uw eenigszins slepende voet, en ik weet niet wat +meer... Domheden! Maar in één woord, ik hield u voor zekeren Jean +Valjean." + +"Zekeren?... hoe zegt gij?" + +"Jean Valjean. Een tuchteling dien ik twintig jaar geleden heb gezien, +toen ik onderopzichter te Toulon was. Zoo het schijnt, heeft deze +Valjean, na het bagno verlaten te hebben een bisschop bestolen, +vervolgens heeft hij een anderen diefstal, gewapenderhand, op den +openbaren weg, op een kleinen Savoyaard gepleegd. Sinds acht jaren +heeft hij zich uit de voeten gemaakt, men weet niet hoe, en men zocht +hem. Ik... ik had mij verbeeld...--Kortom, ik heb 't gedaan. De toorn +vervoerde mij, en ik klaagde u bij de prefectuur aan." + +Madeleine, die sinds eenige oogenblikken de papieren weder ter hand +had genomen, hernam op geheel onverschilligen toon: + +"En wat heeft men u geantwoord?" + +"Dat ik gek was." + +"En nu?" + +"Men had gelijk." + +"'t Is gelukkig, dat ge 't zelf erkent." + +"Ik moet wel, want de ware Jean Valjean is gevonden." + +Het blad, 't welk Madeleine in de hand hield, ontglipte zijn vingers; +hij richtte het hoofd op, staarde Javert strak aan en zeide op een +onbeschrijfelijken toon: + +"Ha!" + +Javert hernam: + +"De zaak is deze, mijnheer de maire. 't Schijnt, dat in de omstreken +van Ailly-le-Haut-Clocher iemand woonde, dien men vader Champmathieu +heette. Hij was zeer arm. Men lette niet op hem. Men weet niet waarvan +dit soort van lieden leeft. Verleden herfst werd vader Champmathieu +wegens diefstal van appelen bij... de naam is mij ontschoten, in +hechtenis genomen. Er was gestolen, over een muur geklommen, er waren +takken afgebroken. Toen heeft men Champmathieu aangehouden. Hij had +den tak van een appelboom nog in de hand. De vent werd vastgezet. Tot +zoover is 't niet veel meer dan een correctioneele zaak. Maar zie hier +de wegen der Voorzienigheid! De gevangenis was in slechten toestand +en mijnheer de rechter van instructie vindt het goed, Champmathieu +naar Arras, in de departementale gevangenis, te doen overbrengen. In +deze gevangenis nu is een oude galeiboef, Brevet genoemd, die, ik +weet niet voor welke misdaad, moet zitten en wien men, wijl hij zich +goed gedroeg, tot eenige huiselijke diensten gebruikte. Champmathieu, +mijnheer de maire, was nauwelijks aangekomen, of Brevet riep: Ha, ik +ken dezen man. 't Is een oude galeiboef. Zie mij eens aan, mijn goede +man! Ge zijt Jean Valjean!--Jean Valjean! Wie is Jean Valjean? zegt +Champmathieu die zich heel verwonderd houdt.--Kom, houd u maar zoo +dom niet, zegt Brevet. Gij zijt Jean Valjean. Gij zijt in 't bagno van +Toulon geweest; twintig jaar geleden. Wij waren er samen.--Champmathieu +ontkent! Drommels! Gij begrijpt. Men deed onderzoek, en vorschte +de zaak na. Toen kwam het volgende aan 't licht: deze Champmathieu +was vóór omstreeks dertig jaren boomsnoeier in verschillende streken, +onder anderen te Faverolles geweest. Daar verliest men zijn spoor. Veel +later vindt men hem in Auvergne, vervolgens te Parijs terug, waar hij +wagenmaker was, naar hij zegt, en met eene waschvrouw leefde, doch dit +is niet bewezen; eindelijk vindt men hem hier. Wat was nu Jean Valjean, +vóór hij wegens diefstal met verzwarende omstandigheden in 't bagno +kwam? Boomsnoeier. Waar? Te Faverolles. Een ander bewijs. Deze Valjean +heette van doopnaam Jean, terwijl de geslachtnaam zijner moeder Mathieu +was. Wat is nu natuurlijker dan te gelooven, dat toen hij het bagno +verliet, hij den naam zijner moeder aannam, om zich onbekend te houden, +en zich Jean Mathieu heeft genoemd. Hij gaat naar Auvergne. Daar +spreekt men Jean als chan uit en noemde men hem Chan Mathieu. Onze +man laat het zich welgevallen en allengs werd hij in Champmathieu +herschapen. Gij begrijpt, niet waar? De familie van Jean Valjean is er +niet meer. Men weet niet waar zij gebleven is. Ge weet, in die klasse +van menschen ziet men vaak een familie spoorloos verdwijnen. Men zoekt, +maar vindt niets. Als zulk volk geen slijk is, is 't stof. En dewijl +de aanvang dezer geschiedenis nu al dertig jaar geleden is, is er +te Faverolles niemand meer, die Jean Valjean gekend heeft. Men doet +onderzoek te Toulon. Met Brevet zijn er nog slechts twee tuchtelingen, +die Jean Valjean gezien hebben. 't Zijn de levenslang veroordeelden +Cochepaille en Chenildieu. Men laat hen uit het bagno komen en +brengt hen in tegenwoordigheid van den gewaanden Champmathieu. Zij +weifelen geen oogenblik. Zij verklaren, evenals Brevet, dat het Jean +Valjean is. Dezelfde ouderdom, vier-en-vijftig jaar, dezelfde lengte, +hetzelfde voorkomen, kortom dezelfde persoon, hij is 't. 't Was op +dezen tijd dat ik mijn aanklacht aan de prefectuur te Parijs zond. Men +antwoordt mij, dat ik mijn verstand heb verloren, en dat Jean Valjean +zich te Arras in handen der justitie bevindt. Ge kunt u voorstellen, +hoe mij dit verwonderde, daar ik meende denzelfden Jean Valjean hier +te hebben! Ik schrijf aan den rechter van instructie. Hij doet mij +komen en brengt mij in Champmathieu's tegenwoordigheid... + +"En?" viel Madeleine hem in de rede. + +Javert antwoordde met zijn onveranderlijk en treurig gelaat: + +"Wat waar is, is waar, mijnheer de maire. Ik heb mij vergist; de man +ginds is Jean Valjean. Ik heb hem ook herkend." + +Madeleine hernam met zeer zachte stem: + +"Zijt ge er zeker van?" + +Javert glimlachte, op die smartelijke wijze, welk een diepe overtuiging +te kennen geeft: + +"O zeer zeker!" + +Hij bleef een oogenblik nadenken, en nam werktuiglijk bij herhaling +een weinig zand uit het zandbakje, dat op de schrijftafel stond en +zeide toen: + +"Thans, nu ik den waren Jean Valjean heb gezien, begrijp ik niet, +hoe ik iets anders heb kunnen gelooven. Ik bid u om vergeving, +mijnheer de maire." + +Terwijl hij deze ernstige, smeekende woorden tot dengene richtte, +die hem zes weken vroeger in 't politiebureau openlijk vernederd en +tot hem gezegd had: "Vertrek, Javert!" was deze trotsche man, zonder +'t zelf te weten, vol eenvoud en waardigheid. De heer Madeleine +antwoordde op zijn verzoek niet, maar vroeg driftig: + +"En wat zegt deze man?" + +"Drommels, mijnheer de maire, 't is een splinterige zaak. Zoo 't Jean +Valjean is, is 't een herhaling van misdaad. Over een muur te klimmen, +een tak af te breken, appelen te stelen,--is een jongensstreek, +als 't een kind doet, een wanbedrijf voor een man; maar een zware +misdaad voor een vroegeren galeislaaf. Overklimming en diefstal, al het +strafbare bij elkander. 't Behoort niet bij de correctioneele politie, +'t behoort bij 't hof van assises te huis. 't Zijn geen enkele dagen +gevangenis, maar levenslange galeistraf. En daarbij de zaak van den +kleinen Savoyaard, die, naar ik hoop, terug zal komen. Drommels, er is +wel reden om zoo lang mogelijk tegen te spartelen, niet waar? Ja, zoo +'t Valjean niet was! Maar Jean Valjean is een geveinsde. Ook daaraan +herken ik hem. Een ander zou denken, dat het erg kon afloopen; +hij zou razen, tieren en koken, als een waterketel op het vuur, +hij zou niet Jean Valjean willen wezen enz. Maar hij, hij houdt zich +alsof hij niets van de zaak begrijpt, en zegt: Ik ben Champmathieu, +daar blijf ik bij!--Nog meer; hij houdt zich dom en verwonderd. O, +'t is een slimme gast! maar 't zal hem niet baten; de bewijzen zijn +er. Hij is door vier personen herkend; de oude schelm zal veroordeeld +worden. De zaak is voor de assises te Arras. Ik moet er heen om te +getuigen. Ik ben reeds gedagvaard." + +Mijnheer Madeleine had zich weder voor zijn schrijftafel geplaatst, +zijn papieren ter hand genomen, waarin hij bedaard bladerde, en las +en schreef als iemand, die dringende bezigheden heeft. Hij wendde +zich tot Javert, zeggende: + +"Genoeg, Javert. Om de waarheid te zeggen, kunnen al die bijzonderheden +mij weinig schelen. Wij verspillen er den tijd mede en hebben dringende +zaken te verrichten. Javert, ga dadelijk naar vrouw Buseaupied die +ginds aan den hoek der straat Saint-Saulve groente verkoopt. Zeg +haar dat zij haar aanklacht tegen den voerman Pierre Chesnelong +inlevert. Deze man is een ruw mensch, en heeft de vrouw met haar +kind bijna overreden. Hij moet gestraft worden. Ga vervolgens naar +mijnheer Charcellay, in de straat Montre-de-Champigny. Hij klaagt, +dat uit een dakgoot van het belendende huis het regenwater tegen het +zijne loopt, en de fundamenten van zijn huis bederft. Voorts moet ge +onderzoek doen naar de politie-overtredingen in de straat Guibourg +bij de weduwe Doris en in de straat Garraud-Blanc bij madame Renée le +Bossé, waarvan men mij kennis geeft, en gij zult er proces-verbaal +van maken. Maar ik geef u daar veel werk. Hebt ge mij niet gezegd +dat ge uit de stad moest; dat ge binnen acht of tien dagen voor de +bewuste zaak naar Arras gingt?..." + +"Eerder, mijnheer de maire." + +"Wanneer dan?" + +"Ik meen aan mijnheer den maire gezegd te hebben, dat morgen de zaak +voorkwam, en ik van nacht met de diligence vertrekken zou." + +Madeleine maakte een onmerkbare beweging. + +"En hoe lang zal de zaak duren?" + +"Hoogstens een dag. Niet later dan morgennacht zal het vonnis +worden uitgesproken. Maar ik zal niet op 't vonnis wachten, dat +niet twijfelachtig is; zoodra ik mijn verklaring heb afgelegd, keer +ik terug." + +"Dat is goed," zei de heer Madeleine. Hij gaf Javert met een handgebaar +afscheid. + +Javert ging niet. + +"Vergeef mij, mijnheer de maire," sprak hij.... + +"Wat is er nog?" vroeg Madeleine. + +"Ik moet u nog iets herinneren, mijnheer de maire." + +"Wat?" + +"Dat ik mijne afzetting wensch." + +De heer Madeleine stond op. + +"Javert, ge zijt een man van eer en ik acht u. Ge overdrijft +uw fout. 't Is overigens weder een beleediging, die mij alleen +aangaat. Javert, gij zijt waardig op te klimmen, en niet af te +dalen. Ik vertrouw, dat ge uw post wel zult willen behouden." + +Javert staarde den heer Madeleine met zijn ongehuichelde oogen aan, +waarin men zijn niet zeer verlicht, maar streng en zuiver geweten +meende te kunnen zien, en met een kalme stem zeide hij: + +"Mijnheer de maire, hierin kan ik niet bewilligen." + +"Ik herhaal," hernam de heer Madeleine, "dat de zaak alleen mij +betreft." + +Maar Javert, die zich slechts bij eene gedachte hield, voer +voort:--"Overdrijven! ik overdrijf niet. Ziehier hoe ik redeneer. Ik +heb u onrechtvaardig verdacht. Dat is niets. Wij, politiemannen, +hebben recht ieder te verdenken, hoezeer 't verkeerd is, de verdenking +tot hooger geplaatste personen uit te strekken. Nu heb ik u, zonder +bewijs, in een aanval van toorn, met het oogmerk mij te wreken, als +galeislaaf aangeklaagd, u, een achtenswaardig man, een maire, een +overheids-persoon! dit is een zeer zwaar vergrijp! Ik heb het gezag +in uw persoon gehoond; ik, de agent van het gezag! Zoo een mijner +ondergeschikten gedaan had, wat ik had gedaan, zou ik hem onwaardig +voor den dienst verklaard en weggejaagd hebben. Welnu?--Luister, +mijnheer de maire, nog één woord. In mijn leven ben ik dikwijls streng +geweest voor anderen. Dat was recht en zooals 't behoorde. Zoo ik +thans niet streng jegens mijzelven was, zou al het rechtvaardige, +dat ik gedaan heb, onrechtvaardig worden. Moet ik mij meer dan +anderen verschoonen? Neen. Hoe! zou ik alleen hebben gediend om +anderen te straffen en niet mijzelven? ik zou een ellendeling zijn, +en zij, die zeggen "Javert is een schurk," zouden gelijk hebben. Ik +begeer niet, mijnheer de maire, dat ge mij met goedheid behandelt, +uw goedheid heeft reeds genoeg kwaad bloed bij mij gezet, toen zij +anderen gold; ik wil ze voor mij niet. De goedheid, die dient om een +publieke vrouw tegen den burger, een politieagent tegen den maire, +den mindere tegen den hoogere in 't gelijk te stellen, deze noem +ik een verkeerde goedheid. 't Is met zulk een goedheid, dat de +maatschappij in wanorde komt. Mijn Hemel! 't Is zeer gemakkelijk, +goed te zijn, maar 't is moeielijk rechtvaardig te wezen. O, waart ge +degene geweest, dien ik vermoedde; voorwaar, ik zou niet goed voor u +geweest zijn! gij zoudt het ondervonden hebben. Mijnheer de maire, +ik moet jegens mijzelven handelen, evenals ik jegens anderen zou +handelen. Wanneer ik boosdoeners en deugnieten bedwong en strafte, +zeide ik vaak bij mijzelven: "zoo gij zelf struikelt, zoo ik u ooit +op een misstap betrap, houdt u dan stil."--Welnu, ik ben gestruikeld; +ik heb mij op een fout betrapt. Ik moet nu zonder genade afgezet, +weggejaagd worden: niets is billijker. Ik heb armen, ik kan werken, +'t is mij onverschillig. Mijnheer de maire, het belang van den +dienst eischt een voorbeeld. Ik verzoek eenvoudig de afzetting van +den inspecteur Javert. + +Dit alles werd op een nederigen, fieren, hopeloozen en overtuigden +toon gezegd, die dezen zonderlingen, eerlijken man eene ongewone en +vreemde soort van verhevenheid verleende. + +"Wij zullen zien," zei Madeleine. + +En hij reikte hem de hand. + +Javert trad achteruit en zeide op schuwen toon: + +"Vergeving, mijnheer de maire, dat mag niet zijn. Een maire geeft de +hand niet aan een verklikker." + +En binnensmonds mompelde hij:--Verklikker, ja; van het oogenblik +af, dat men van de politie misbruik maakt, is men niet meer dan +een verklikker. + +Toen boog hij zich diep en ging naar de deur. + +Daar wendde hij zich om, en met steeds neergeslagen oogen, zeide hij: + +"Mijnheer de maire, ik zal den dienst waarnemen tot een ander in mijn +plaats is." + +Toen verwijderde hij zich. De heer Madeleine bleef peinzend zitten +en luisterde naar den vasten, zekeren tred, die zich door de gang +verwijderde. + + + + + + + +BOEK VII. + +HET PROCES CHAMPMATHIEU. + + +EERSTE HOOFDSTUK. + +ZUSTER SIMPLICIA. + + +De gebeurtenissen, welke men nu lezen zal, zijn niet alle te M. sur +M. bekend geworden. Maar het weinige wat men er van vernam, heeft in +deze stad zulk een diepe herinnering achtergelaten, dat het in dit +boek een gewichtige leemte zou zijn, zoo wij het niet in bijzonderheden +mededeelden. + +De lezer zal hierbij een paar onwaarschijnlijke omstandigheden +ontmoeten, welke wij echter, uit eerbied voor de waarheid, niet +mogen veranderen. + +Des namiddags na het bezoek van Javert ging de heer Madeleine als +gewoonlijk Fantine bezoeken. + +Eer hij bij haar binnentrad, liet hij zuster Simplicia roepen. + +De beide geestelijke dochters, die in de ziekenzaal dienst deden, +behoorden tot de orde der Lazaristen, gelijk alle liefdezusters, +en heetten zuster Perpetua en zuster Simplicia. + +Zuster Perpetua was niets anders dan de eerste de beste plompe boerin, +en was liefdezuster geworden, zooals anderen in een dienst gaan. Zij +was geestelijke dochter, evenals men keukenmeid is. Dit type is +niet zeldzaam. De kloosterorden nemen zulke plompe boerenkarakters +gaarne aan, wijl ze zich gemakkelijk tot Capucijnen of Ursulinen +laten fatsoeneeren. Dit gehalte wordt voor het grove werk der devotie +gebruikt. De overgang van een ossendrijver tot Karmeliet heeft niets +schreeuwends; uit den eerste wordt zonder veel moeite de tweede; de +gemeenschappelijke grond der dorps- en klooster-onwetendheid is een +geschikte voorbereiding, en zet dadelijk den buitenman op dezelfde +trap als den monnik. De kiel een weinig uitgelegd, en hij wordt een +pij. Zuster Perpetua was een zeer sterke religieuse uit Marines bij +Pontoise, die haar patois rammelde, haar gebeden prevelde, drukte +maakte, suiker in de dranken deed naar gelang van de bigotheid +of geveinsdheid van den lijder, barsch met de zieken, ruw met de +stervenden, wien zij God bijna in 't gezicht wierp, terwijl ze den +zieltogende schier met toornige gebeden verpletterde; overigens moedig, +eerlijk en roodharig. + +Zuster Simplicia was wit als was. Bij zuster Perpetua was zij als de +waskaars naast de vetkaars. Vincentius van Paula heeft het portret der +liefdezuster heerlijk geschetst in deze bewonderenswaardige woorden, +waarin hij zooveel vrijheid met zooveel dienstbaarheid paart. "Zij +zullen geen ander klooster hebben dan het huis der kranken, geen andere +cel dan een gehuurde kamer, geen andere kapel dan haar parochiale kerk, +geen anderen tuin dan de straten der stad of de zalen der hospitalen, +geen andere gelofte dan de gehoorzaamheid, geen andere traliën dan de +vreeze Gods, geen anderen sluier dan de nederigheid." Dat ideaal was +levend in zuster Simplicia. Niemand had zuster Simplicia's ouderdom +kunnen aangeven; nooit was zij jong geweest en scheen nooit oud te +zullen worden. 't Was iemand--wij durven geen vrouw zeggen--die +zachtmoedig, nauwgezet, goed opgevoed, bedaard was, en nooit +gelogen had. Zij was zoo zacht, dat zij broos scheen; evenwel was +zij sterker dan graniet. Zij behandelde de ongelukkigen met fraaie, +teedere, zuivere vingers. Er lag, om zoo te spreken, iets zwijgends +in haar woorden; zij sprak juist wat noodig was, en had een stem, +die even stichtelijk in een biechtstoel als bekoorlijk in een salon +zou geweest zijn. + +Deze teederheid voegde zich in het wollen kleed en vond in de aanraking +er van een gestadige vingerwijzing naar God en den hemel. Op eene +bijzonderheid vestigen wij vooral de aandacht. Het onderscheidend +kenmerk van zuster Simplicia, de uitdrukking harer deugd was, dat +zij nooit gelogen had, dat zij nooit, om welke reden ook, zelfs in +de onverschilligste zaak, iets had gezegd, dat niet waar, dat niet de +zuiverste waarheid was. Zij was bij haar orde wegens deze onwrikbare +waarheidsliefde schier vermaard geworden. De abt Sicard spreekt in een +brief aan den doofstommen Massieu, van zuster Simplicia. Hoe oprecht +en rein wij wezen mogen, allen hebben wij toch min of meer de kleine +vlek van den onschuldigen logen op onze eerlijkheid. Zij niet. Kleine +logens, onschuldige logens, zijn er deze? Liegen is een volstrekt +kwaad. Min of meer te liegen is onmogelijk; hij die liegt, liegt de +geheele leugen. Leugen is het aangezicht des duivels; de duivel heeft +twee namen: hij heet satan en logen. Zoo dacht Simplicia. En naar +zij dacht, handelde zij ook. Hiervan was die blankheid, waarvan wij +gesproken hebben, het gevolg; een blankheid, die zelfs van haar lippen +en uit haar oogen straalde. Haar glimlach was blank, haar blik was +blank. Op het glas van haar geweten was geen enkel spindraadje, geen +enkel stofje te vinden. Toen zij in de orde van Sint Vincentius van +Paula trad, had zij bij voorkeur den naam van Simplicia aangenomen. 't +Is bekend, dat Simplicia van Sicilië de heilige was, die zich liever +beide borsten liet afsnijden dan te zeggen dat zij, die te Syracusa +het levenslicht zag, te Segesta was geboren, welke leugen haar had +kunnen redden. Deze beschermheilige paste voor deze ziel. + +Bij haar komst in de orde had zuster Simplicia twee gebreken, waarvan +zij zich allengs gebeterd had; zij hield van lekkernijen en ontving +gaarne brieven. Zij las nooit een ander boek, dan haar met groote +letters gedrukt Latijnsch getijdeboek. Zij verstond geen Latijn, +maar zij verstond het boek. + +De vrome dochter had voor Fantine bijzondere genegenheid opgevat, +waarschijnlijk wijl zij in haar een verborgen deugd vermoedde, en +zij wijdde haar zorgen schier uitsluitend aan haar. + +De heer Madeleine nam zuster Simplicia ter zijde en beval haar Fantine +op een zonderlingen toon aan, dien zij zich later herinnerde. + +Toen hij de zuster verliet, ging hij naar Fantine. + +Fantine verwachtte dagelijks de komst van mijnheer Madeleine, evenals +men een straal van zon en blijdschap verwacht. Zij zeide tot de +liefdezusters:--Ik leef slechts, wanneer mijnheer de maire hier is. + +Dien dag had zij veel koorts. Zoodra zij mijnheer Madeleine zag, +vroeg zij hem: + +"En Cosette?" + +"Spoedig," antwoordde hij glimlachend. + +Mijnheer Madeleine was jegens Fantine als gewoonlijk, behalve dat +hij thans een uur in plaats van een half uur bleef, tot Fantine's +groot genoegen. Aan iedereen beval hij dringend om de zieke niets te +laten ontbreken. Men merkte op, dat zijn gezicht voor een oogenblik +zeer treurig werd. Doch dit verklaarde zich, toen men vernam dat de +dokter hem had ingefluisterd:--Zij neemt merkelijk af. + +Vervolgens keerde hij naar de maire terug, en de kantoorknecht zag +hem aandachtig een reiskaart van Frankrijk beschouwen, die aan den +wand hing. Hij schreef eenige cijfers met potlood op een papier. + + + + + + +TWEEDE HOOFDSTUK. + +SCHERPZINNIGHEID VAN SCAUFFLAIRE. + + +Uit de mairie ging hij naar het einde der stad, bij een Vlaming, +Scaufflair, of verfranscht, Scaufflaire genoemd, die paarden en +rijtuigen verhuurde. + +De naaste weg om naar Scaufflaire te gaan, was door een weinig bezochte +straat, waar de geestelijke der kerk woonde, waartoe mijnheer Madeleine +behoorde. Zoo men zeide, was de pastoor een goed, achtenswaardig +mensch, die gaarne goeden raad gaf. Juist toen mijnheer Madeleine de +pastorie voorbijging, was er in de straat slechts één voorbijganger, +en deze merkte op, dat mijnheer de maire, de pastorie voorbij zijnde, +een oogenblik stilstond, toen terugkeerde tot aan de deur der pastorie, +haastig de hand aan den ijzeren klopper legde en hem ophief; zoo +eenige oogenblikken in gedachten bleef staan, waarna hij in plaats +van den klopper hard te laten vallen, hem zacht en zonder gerucht +nederliet, en nu met een soort van haast, die hij vroeger niet had, +zijn weg vervolgde. + +Mijnheer Madeleine vond Scaufflaire te huis, bezig met het herstellen +van paardetuig. + +"Scaufflaire, hebt ge een goed paard voor mij?" vroeg hij. + +"Mijnheer de maire," zei de Vlaming, "al mijn paarden zijn goed. Wat +bedoelt u met een goed paard?" + +"Een paard, dat twintig uren in een dag aflegt." + +"Drommels!" hernam de Vlaming, "twintig uren." + +"Ja." + +"Voor een cabriolet?" + +"Ja." + +"En hoelang zal het na dien rit rusten?" + +"Het moet desnoods den volgenden dag terugkeeren." + +"Om denzelfden afstand af te leggen?" + +"Ja." + +"Drommels! drommels! nog eens twintig uren!" + +De heer Madeleine nam uit zijn zak het papier, waarop hij cijfers had +geschreven. Hij liet ze den Vlaming zien. Het waren de getallen: 5, +6, 8-1/2. + +"Ge ziet," zeide hij; "te zamen negentien en een half; alzoo bijna +twintig uren." + +"Ik heb wat ge zoekt, mijnheer de maire," antwoordde de Vlaming. "Mijn +klein wit paard--gij hebt het zeker wel eens zien voorbijkomen--een +klein vurig dier uit het Boulonneesche. Men wilde er eerst een +rijpaard van maken, maar jawel, het sprong en steigerde en wierp +iedereen af. Men meende, dat het kwaadaardig was en wist niet wat er +mee te doen. Ik kocht het, spande het voor de cabriolet, en dat was, +wat het wilde; het werd zacht als een lam en loopt als de wind. Maar +men moet het niet op den rug komen. 't Wil met geweld geen rijpaard +wezen. Ieder zijn smaak! Trekken, goed; dragen, neen; 't is of het +dit bij zich zelven gezworen heeft." + +"En zal het dien weg kunnen afleggen?" + +"Twintig uren in vollen draf en in minder dan acht uren. Maar hoor, +op welke voorwaarden." + +"Zeg ze." + +"Vooreerst moet ge het paard te halverwege een half uur laten +uitrusten; het moet dan gevoerd worden, en bij het voeren moet men +zelf tegenwoordig zijn, om den stalknecht te verhinderen de haver te +stelen; want ik weet bij ondervinding, dat de haver in de herbergen +meer door de knechts gedronken dan door de paarden gegeten wordt." + +"Men zal er bij zijn." + +"Ten tweede ... is de cabriolet voor mijnheer den maire?" + +"Ja." + +"Kan mijnheer de maire rijden?" + +"Ja." + +"Nu, mijnheer de maire moet alleen en zonder bagage reizen, opdat +het paard geen te zware vracht hebbe." + +"Aangenomen." + +"Maar daar mijnheer de maire niemand bij zich heeft, zal hij verplicht +zijn, zelf het oog op het voeren te houden." + +"'t Zal geschieden." + +"Ik vraag dertig francs per dag, de rustdagen medegerekend. Geen +cent minder en het onderhoud van het paard ten koste van mijnheer +den maire." + +Mijnheer Madeleine nam drie gouden Napoleons uit zijn beurs en legde +ze op de tafel. + +"Ziehier twee dagen vooruit." + +"Ten vierde: Voor zulk een rit zou een cabriolet te zwaar zijn en het +paard te veel vermoeien. Mijnheer de maire zal zich moeten vergenoegen +met een kleine tilbury, die ik heb." + +"Ik neem er genoegen mede." + +"Ze is licht, maar open." + +"'t Is mij onverschillig." + +"Denkt mijnheer de maire er wel aan, dat het winter is?..." + +De heer Madeleine antwoordde niet en de Vlaming hernam: + +"Dat het zeer koud is?" + +De heer Madeleine bleef zwijgen. + +Scaufflaire voer voort: + +"Dat het kan regenen?" + +De heer Madeleine richtte het hoofd op en zeide: + +"Morgenvroeg om half vijf moet het paard met de tilbury voor mijn +deur zijn." + +"Goed, mijnheer de maire," antwoordde Scaufflaire, en met den nagel +van zijn duim een vlek van de tafel krabbende, zeide hij op dien +onverschilligen toon, waarmede de Vlamingers zoo goed hun sluwheid +bewimpelen: + +"Maar, daar valt mij in, mijnheer de maire heeft nog niet gezegd, +waarheen de reis gaat. Waar moet mijnheer de maire heen?" + +Sinds het onderhoud begonnen was, had hij aan niets anders gedacht, +maar hij wist zelf niet, waarom hij 't niet durfde vragen. + +"Is uw paard vast op de voorpooten?" vroeg de heer Madeleine. + +"Ja, mijnheer de maire. Als de weg afloopt moet ge 't alleen een weinig +inhouden. Zijn er veel hoogten en laagten in den weg, dien ge gaat?" + +"Vergeet niet morgenochtend juist om half vijf uur aan mijn deur te +zijn," antwoordde mijnheer Madeleine, heengaande. De Vlaming was nog +even "dom" als vroeger, zooals hij zich later uitdrukte. + +Mijnheer de maire was een paar minuten weg geweest, toen de deur +weder geopend werd; 't was mijnheer de maire, die terugkwam. + +Hij had nog 't zelfde peinzend en onverstoorbaar voorkomen van +daareven. + +"Scaufflaire," zeide hij, "op hoeveel schat ge uw paard en tilbury, +die ge mij wilt verhuren, het een met 't ander?" + +"Het een vóór het ander, mijnheer de maire," zei de Vlaming met een +plompen lach. + +"Nu ja." + +"Wil mijnheer de maire ze van mij koopen?" + +"Neen, maar men weet niet wat gebeuren kan, ik wil er u waarborg voor +geven. Bij mijn terugkomst geeft ge mij het geld terug. Op hoeveel +schat ge het rijtuig en het paard?" + +"Op vijfhonderd francs, mijnheer de maire." + +"Ziehier het geld." + +Mijnheer Madeleine legde een bankbriefje op de tafel, ging toen en +kwam ditmaal niet terug. + +'t Speet Scaufflaire geweldig, dat hij niet duizend francs had +gezegd. Overigens waren het paard en de tilbury te zamen nauwelijks +honderd kronen waard. + +De Vlaming riep zijn vrouw en verhaalde haar de zaak. De drommel, waar +kan mijnheer de maire toch heen willen gaan? Zij raadpleegden.--Hij +gaat naar Parijs, zei de vrouw.--Ik geloof het niet, hernam de +man.--Mijnheer Madeleine had op den schoorsteen het papiertje laten +liggen, waarop hij cijfers had geschreven. De Vlaming nam het, +en bestudeerde het.--Vijf, zes, acht en een half? dat moeten zeker +poststations aanduiden. Toen wendde hij zich tot zijn vrouw:--Ik heb +'t gevonden.--Wat?--Van hier tot Hesdin is vijf uren, van Hesdin tot +Saint-Pol zes, en van Saint-Pol tot Arras acht en een half. Hij gaat +naar Arras. + +Inmiddels was de heer Madeleine weer te huis gekomen. Van Scaufflaire +terugkeerende had hij een langeren weg genomen, alsof de deur +der pastorie een verzoeking voor hem ware geweest, en hij die had +willen ontwijken. Hij was naar zijn kamer gegaan, waar hij zich +had opgesloten, 't geen trouwens niets ongewoons was, wijl hij zich +gaarne vroegtijdig ter rust begaf. Maar de portierster der fabriek, +die tevens de eenige dienstbode van den heer Madeleine was, merkte +op, dat zijn licht om half negen ure werd uitgedaan. Zij zeide dit +tot den boekhouder, die te huis kwam, er bijvoegende: + +"Is mijnheer de maire ziek? Mij dunkt, dat hij eenigszins anders dan +gewoonlijk was." + +De boekhouder bewoonde een kamer vlak onder die van den heer +Madeleine. Hij sloeg geen acht op de woorden der portierster, +ging te bed en sliep in. Tegen middernacht werd hij plotseling +wakker; in zijn slaap had hij boven zijn hoofd gerucht gehoord. Hij +luisterde. 't Was, alsof hij in de kamer boven zich heen en weder +hoorde gaan. Hij luisterde aandachtiger en herkende den tred van +mijnheer Madeleine. 't Kwam hem vreemd voor; gewoonlijk werd in de +kamer van den heer Madeleine niet het minste gerucht gehoord, vóór hij +opstond. Een oogenblik later hoorde de boekhouder iets, alsof een kast +werd geopend en dicht gedaan. Toen werd een meubelstuk verschoven, +er ontstond stilte, en er werd nogmaals heen en weder gegaan. De +boekhouder ging overeind zitten, werd geheel wakker, en zag door +zijn venster op den muur aan de overzijde, het roode schijnsel van +een verlicht raam. Naar de richting der lichtstralen te oordeelen, +kon het geen ander raam dan dat der kamer van mijnheer Madeleine zijn. + +De lichtschijn bewoog zich, alsof die eerder van een flikkerend vuur +dan van kaarslicht kwam. De schaduw van het glasraam was er niet +op afgeteekend, 't geen bewees, dat het raam geheel open was. 't +Was zonderling, dat dit raam bij de heerschende strenge koude open +was. De boekhouder sliep weder in. Een paar uren later werd hij +nogmaals wakker. Dezelfde langzame geregelde tred ging steeds heen +en weder boven zijn hoofd. + +De lichtschijn teekende zich nog altijd op den muur af, maar nu +flauwer en stil als het schijnsel eener kaars of van een lamp. Het +raam was ook nog open. + +Ziehier wat in de kamer van mijnheer Madeleine plaats had. + + + + + + +DERDE HOOFDSTUK. + +EEN STORM ONDER EEN HERSENPAN. + + +De lezer heeft ongetwijfeld reeds geraden, dat de heer Madeleine +niemand anders dan Jean Valjean is. + +Wij hebben reeds een blik in de diepte van dat gemoed geslagen; +wij willen er nogmaals een blik in werpen. Wij doen 't niet +zonder aandoening en beving. Er is niets treffender dan zulk een +beschouwing. Het oog der ziel kan nergens een verblindender licht en +grooter duisternis vinden dan in den mensch; het kan zich op niets +ontzettenders, niets ingewikkelders, niets raadselachtigers, niets +ondoorgrondelijkers vestigen. Er is een nog grootscher schouwspel +dan de zee;--namelijk de hemel; er is een nog grootscher schouwspel +dan de hemel;--namelijk het binnenste der ziel. + +Wie in een gedicht het menschelijk gemoed, ware het slechts dat van een +enkel mensch, slechts van den geringsten mensch, juist kon voorstellen, +zou alle heldendichten in het verhevenst en volkomenst heldendicht +samenvatten. Het gemoed is de chaos der denkbeelden, der begeerten, +der neigingen; het is de oven der droomen, de spelonk der gedachten, +waarvoor men zich schaamt; het is het pandemonium der sophismen, het +slagveld der hartstochten. Men doordringe op zekere oogenblikken het +bleeke gezicht van een menschelijk wezen en schouwe in deze ziel, in +deze duisternis. Men zal er onder schijnbare rust reuzengevechten als +bij Homerus, een gewoel van draken en hydra's, wolken van spooksels +als bij Milton, wervelende visioenen als bij Dante vinden. Hoe somber +is dat ondoorgrondelijke, 't welk ieder mensch in zich omdraagt en +waarnaar hij met wanhoop den wil en de daden van zijn leven richt. + +Alighieri kwam eens aan een sombere poort, voor welke hij weifelend +bleef staan. Wij hebben er hier eene voor ons, bij welker drempel +wij evenzeer aarzelen. Treden wij echter binnen. + +Wij hebben slechts weinig te voegen bij 't geen de lezer reeds weet dat +met Jean Valjean was gebeurd, sedert zijn ontmoeting met den kleinen +Gervais. Men heeft gezien, dat hij van dat oogenblik af een ander +mensch was. Wat de bisschop van hem had willen maken, was verwezenlijkt +geworden. 't Was meer dan een verandering, 't was een herschepping. + +Het gelukte hem te ontkomen; hij verkocht het zilverwerk van den +bisschop, uitgezonderd de kandelaars, welke hij als een gedachtenis +behield; zwierf van de eene stad naar de andere door Frankrijk; kwam +te M. sur M., vormde het denkbeeld, waarvan wij gesproken en voerde +uit wat wij verhaald hebben; hij bracht zich tegen alle vervolging +in veiligheid, en nu te M. sur M. gevestigd, leefde hij gelukkig in +'t gevoel, dat zijn geweten wegens het treurig verleden ontwaakt was +en de eerste helft van zijn leven door het tweede verloochend werd; +hij leefde vreedzaam, gerust en in de blijde hoop; hij koesterde +slechts twee gedachten: zijn naam te verbergen, en zijn leven te +heiligen; den menschen te ontkomen en terug te keeren tot God. + +Deze twee gedachten waren in zijn geest zoo innig met elkander +verbonden, dat zij er slechts ééne vormden; beide vervulden +en beheerschten hem evenzeer en bestuurden zijn geringste +handelingen. Gewoonlijk waren zij 't eens bij de regeling van +zijn levensgedrag, zij trokken hem in de schaduw, zij maakten hem +welwillend en eenvoudig; zij gaven hem beide denzelfden raad. Soms +waren zij echter in strijd met elkander. In dat geval aarzelde, +gelijk wij gezien hebben, de man, dien geheel de M. sur M. mijnheer +Madeleine noemde, niet, de eerste aan de tweede, zijn veiligheid aan +zijn deugd op te offeren. Zoo had hij, in spijt van alle behoedzaamheid +en voorzichtigheid, de kandelaars van den bisschop bewaard, had over +hem gerouwd en al de kleine savooiaards die in de stad kwamen, bij +zich laten roepen en ondervraagd, had naar de families van Faverolles +berichten ingewonnen, en den ouden Fauchelevent het leven gered, +in weerwil van Javert's verontrustende toespelingen. Het scheen, +wij hebben het reeds opgemerkt, dat hij, naar het voorbeeld van allen +die goed, heilig en rechtvaardig waren, dacht, dat zijn eerste plicht +niet hem zelven gold. + +Wij moeten intusschen zeggen, dat iets zoo gewichtigs als thans hem +nog niet was voorgekomen. + +Nooit hadden de beide gedachten, die den ongelukkigen man beheerschten, +wiens lijden wij verhalen, zulk een ernstigen strijd tegen elkander +gevoerd. Hij begreep dit onbestemd, maar diep, terstond bij de eerste +woorden welke Javert zeide, toen deze zijn schrijfkamer binnentrad. Op +het oogenblik, dat de naam werd genoemd, dien hij in zulk een diepe +duisternis begraven had, werd hij door ontzetting aangegrepen en +als bedwelmd door de heillooze zonderlingheid van zijn lot, en in +deze ontzetting voelde hij die huivering, welke groote schokken +voorafgaat; hij boog als de eik bij de nadering van den storm, als +de soldaat bij den aanvang eener bestorming. Hij voelde de van onweer +zwangere wolken zich boven zijn hoofd samenpakken. Terwijl hij Javert +aanhoorde, kwam aanvankelijk de gedachte bij hem op, heen te ijlen, +zich bekend te maken, Champmathieu uit de gevangenis te bevrijden en er +zich in te laten zetten; 't was een smartelijke, pijnlijke gedachte, +als een snede in het levend vleesch; maar zij trok over, en hij zeide +bij zich zelven: laat ons zien, laat ons zien!--Hij onderdrukte deze +eerste edelmoedige opwelling en deinsde terug voor deze heldendaad. + +Voorwaar, het zou schoon zijn geweest, zoo deze man, na de +vrome woorden van den bisschop, na zoovele jaren van berouw en +zelfverloochening, te midden van een boete, zoo bewonderenswaardig +begonnen, zelfs bij al het schrikkelijke dat de omstandigheden mochten +hebben, niet een oogenblik hadde gewankeld, maar met denzelfden vasten +tred dien gapenden afgrond ware genaderd, op welks bodem de hemel lag; +'t zou schoon zijn geweest, maar 't gebeurde niet alzoo. Wij moeten +getrouw verslag geven van 't geen er in dat hart omging, en wij mogen +niet anders dan de waarheid zeggen. In de eerste plaats had de zucht +tot zelfbehoud de overhand; hij vereenigde in de haast zijn gedachten, +bedwong zijn aandoeningen, nam de tegenwoordigheid van Javert, dat +groote gevaar, in overweging, weerde ieder besluit af met de vastheid +der ontzetting, onderdrukte elke overweging omtrent 't geen hem te +doen stond, en hernam zijn kalmte, gelijk een kampvechter die zijn +schild weder opneemt. + +Hij bleef het overige van den dag in dien toestand; inwendig geroerd, +uitwendig volkomen kalm; alleen nam hij, wat men maatregelen van +zelfbehoud zou kunnen noemen. Alles was in zijn brein nog verward en +tegenstrijdig; er heerschte daar zulk een onbestemdheid, dat hij den +vorm van geen enkel denkbeeld duidelijk zag; hij zou zelf niet anders +hebben kunnen zeggen, dan dat 't hem was, of hij een geweldigen +schok had ontvangen. Als naar gewoonte ging hij naar Fantine's +ziekbed, en hij bleef er langer dan gewoonlijk, uit een instinct van +goedhartigheid; want hij zeide bij zich zelven, dat hij aldus moest +handelen en haar den liefdezusters goed aanbevelen moest, ingeval hij +genoodzaakt werd zich te verwijderen. Hij gevoelde onbestemd, dat hij +wellicht naar Arras zou moeten gaan; en, zonder in het allerminst +tot deze reis besloten te hebben, meende hij volkomen voor alle +verdenking beveiligd te zijn en dus zonder eenig bezwaar getuige te +kunnen wezen van 't geen zou plaats hebben. Hij huurde dus de tilbury +van Scaufflaire, om op alle omstandigheden voorbereid te zijn. + +Hij at met tamelijken eetlust. + +In zijn kamer wedergekeerd, gaf hij zich aan zijn overpeinzingen over. + +Hij onderzocht den toestand en vond dien gevaarlijk; zoo gevaarlijk, +dat hij te midden zijner overdenkingen, ten gevolge van een schier +onverklaarbaren angst, van zijn stoel opstond en den grendel op zijn +deur schoof. Hij vreesde, dat er nog iets zou kunnen binnenkomen. Hij +verschanste zich tegen het mogelijke. + +Kort daarna blies hij het licht uit. Het hinderde hem. + +'t Scheen hem, alsof men hem kon zien. + +Wie, men? + +Helaas! wat hij buiten de deur wilde houden, was reeds binnengekomen; +wat hij wilde verblinden, schouwde hem aan. Zijn geweten. + +Zijn geweten, dat wil zeggen: God. + +Evenwel misleidde hij zich zelven in den eersten oogenblik; hij +gevoelde zich veilig in zijn eenzaamheid; nu de deur gegrendeld was, +waande hij zich onaantastbaar; nu het licht was uitgedaan, achtte +hij zich onzichtbaar. Nu was hij weder meester van zich zelven; hij +zette zijn ellebogen op de tafel, liet zijn hoofd op de hand rusten +en gaf zich aan de duisternis zijner gedachten over. + +Waar ben ik?--Droom ik niet?--Wat heeft men mij gezegd?--Is 't +wezenlijk waar, dat ik Javert heb gezien en dat hij mij zoo heeft +toegesproken?--Wie kan deze Champmathieu zijn? Hij gelijkt dus op +mij?--Is 't mogelijk?--Als ik denk, dat ik gisteren nog zoo gerust +was en ver van iets dergelijks te vermoeden!--Wat deed ik gisteren +op dezen tijd?--Welk gewicht heeft deze omstandigheid?--Hoe zal zij +zich oplossen? Wat moet ik doen?-- + +Ziedaar de onrust, waarin hij was. Zijn brein had de kracht verloren +om zijne gedachten vast te houden, zij stroomden weg als golven, en hij +omvatte het hoofd met beide handen, om den golfslag tegen te houden. + +Deze verwarring, die zijn wil en rede in beroering bracht, en waaruit +hij een gevolgtrekking poogde af te leiden en een besluit, leverde +hem niets dan angst op. + +Zijn hoofd gloeide. Hij trad aan het raam en zette het wijd open. Geen +ster flikkerde aan den hemel. + +Hij ging weder aan de tafel zitten. + +Alzoo verstreek het eerste uur. + +Allengs begonnen zich echter in zijn gedachten flauwe omtrekken en +beelden te vormen, en hij zag met de juistheid der wezenlijkheid, +wel niet den geheelen omvang van zijn toestand, maar toch eenige +bijzonderheden. + +Hij erkende in de eerste plaats, dat, hoe buitengewoon en gevaarlijk +deze toestand ook zijn mocht, hij er volkomen meester van was. + +Zijn verlegenheid werd hierdoor echter slechts te grooter. + +Afgescheiden van het ernstig, godsdienstig doel, waarnaar hij in al +zijn daden streefde, was alles wat hij tot hiertoe verricht had, niets +dan een kuil, dien hij groef, om er zijn naam in te verbergen. Wat +hij in de uren zijner eenzame overdenkingen en slapelooze nachten +het meest gevreesd had, was, eenmaal zijn naam te hooren noemen: dat, +meende hij, zou voor hem het einde van alles zijn; de dag, waarop die +naam weder zou te voorschijn komen, zou geheel zijn nieuwe leven, +en, wie weet? misschien de nieuwe ziel, in hem doen verdwijnen. De +gedachte alleen, dat dit mogelijk kon zijn, deed hem beven. Gewis, +zoo iemand hem in die oogenblikken had gezegd, dat eenmaal het +uur komen zou, waarin die naam in zijn ooren zou klinken, dat het +hatelijk woord, Jan Valjean, eensklaps uit de duisternis voor zijn +oogen zou oprijzen, en het krachtige licht eensklaps het geheim zou +verdrijven, waarin hij zich wikkelde,... maar dat deze naam hem niet +zou bedreigen; dat dit licht slechts een grootere duisternis zou +scheppen; dat deze gescheurde sluier het geheim slechts te meer zou +verbergen; dat deze aardbeving zijn gebouw zou bevestigen: dat deze +gewichtige gebeurtenis, zoo hij wilde, geen ander gevolg zou hebben, +dan zijn leven helderder en ondoordringbaarder tevens te maken; en +dat uit de vergelijking van zijn persoon met dit spooksel van Jean +Valjean, de goede, waardige mijnheer Madeleine meer geëerd, meer +veilig en meer geacht dan ooit zou te voorschijn komen--zoo iemand +hem dit gezegd had, zou hij het hoofd geschud en deze woorden voor +onzinnig hebben gehouden. Welnu, dat alles zou nu juist gebeuren, deze +opeenstapeling van onmogelijkheden was een feit, en God had gewild, +dat deze ongeloofelijke zaken, waarheid werden! Zijn gedachten werden +steeds helderder, zijn toestand werd hem hoe langer hoe duidelijker. + +Het scheen hem, als was hij uit een zonderlingen slaap opgewekt, +en als gleed hij in 't midden van den nacht van een steile helling, +als stond hij huiverend op den uitersten rand van een afgrond en +vruchteloos poogde achteruit te gaan. Duidelijk ontdekte hij in de +duisternis een onbekende, een vreemdeling, dien het noodlot voor hem +aanzag en in zijn plaats in den afgrond stiet. Om dien afgrond te +dempen moest er iemand in storten, 't zij dan hij of die andere. + +Hij behoefde niets te doen dan de zaken haar loop te laten. + +Het werd volkomen helder en hij overwoog bij zich zelven:--Dat zijn +plaats op de galeien ledig was, dat, wat hij ook doen mocht, zij steeds +op hem bleef wachten; dat de diefstal op den kleinen Gervais gepleegd +er hem terugbracht; dat deze plaats hem zou wachten en trekken tot hij +er was, dat het noodlot dit onvermijdelijk wilde.--Vervolgens overlegde +hij bij zich zelven:--Dat hij er op dit oogenblik een plaatsvervanger +had; dat het scheen, dat een zekere Champmathieu zulk een ongeluk +had getroffen; dat hij, voortaan in het bagno in den persoon van +dien Champmathieu aanwezig, en in de maatschappij onder den naam van +Madeleine rond wandelende, niets meer te vreezen had, mits hij de +menschen er niet terughield, op het hoofd van dien Champmathieu den +steen der schande te blijven plaatsen, die, evenals de steen van het +graf, slechts éénmaal nedervalt, en nooit weder opgeheven wordt. + +Dat alles was zóó geweldig en zóó wonderbaar, dat hij plotseling door +die onbeschrijfelijke aandoening bevangen werd, welke een mensch +slechts twee of drie keer in zijn leven ondervindt, een soort van +stuiptrekking van het geweten, die al wat het hart twijfelachtigs +voedt, met geweld omkeert, die uit spotzucht, vreugde en wanhoop +bestaat, en die men een inwendigen schaterlach zou kunnen noemen. + +Hij stak haastig zijn kaars weder aan. + +"Maar hoe, vroeg hij bij zich zelven, waarvoor vrees ik? Waartoe al +deze overdenkingen? ik ben gered, alles is voorbij. Er was nog slechts +één half geopende deur, door welke mijn verleden in mijn leven kon +dringen; deze deur is nu voor altijd dicht gemetseld. Deze Javert, +die mij sinds zoo lang kwelt, zijn vreeselijk instinct, dat mij op +'t spoor scheen, dat mij inderdaad opgespoord had, en mij overal +volgde, deze afschuwelijke jachthond, die mij altijd op de hielen +zit, is nu misleid, van 't spoor gebracht, geheel tot iets anders +getrokken. Hij is nu voldaan, en zal mij voortaan gerust laten, +hij heeft zijn Jean Valjean! Wie weet, waarschijnlijk wil hij wel +de stad verlaten. En dat alles is buiten mij om gebeurd. Ik heb er +volstrekt geen deel aan gehad. Welnu! Wat is er dan voor ongelukkigs +in? Zoo mij de menschen zagen, zouden zij inderdaad gelooven, dat +mij een ramp heeft getroffen! Hoe het zij, indien er iets kwaads +voor iemand uit voortvloeit, ik heb er volstrekt geen schuld aan. De +Voorzienigheid heeft alles gedaan! Zij wil het blijkbaar zoo! Heb +ik het recht, datgene te verstoren wat Zij beschikt? Wat wil ik nu +eigenlijk? Waarmede zou ik mij bemoeien? 't Raakt mij niet. Hoe! ben +ik niet tevreden! Maar wat wil ik dan? Het doel, waarnaar ik zoovele +jaren streef, de droom mijner nachten, het voorwerp mijner gebeden +tot den hemel, mijn veiligheid, ik heb ze verkregen. God wil het +zoo. Ik mag mij niet tegen Gods wil verzetten. En waarom wil God +het? Opdat ik voortga met 't geen ik begonnen heb: opdat ik goed +doe, opdat ik eenmaal een groot, aanmoedigend voorbeeld zij, opdat +gezegd kunne worden, dat zich ten laatste een weinig geluk hecht aan +de boete, welke ik mij heb opgelegd, en aan de deugd waartoe ik ben +wedergekeerd! Waarlijk, ik begrijp niet waarom ik straks zoo bevreesd +was, bij den goeden pastoor binnen te gaan om hem, als biechtvader, +alles te verhalen en hem raad te vragen; hij zou mij ongetwijfeld +hetzelfde gezegd hebben. Het is dus beslist, wij willen de zaken haar +loop laten, en ons niet in de wegen der Voorzienigheid verzetten." + +Zoo sprak hij in de diepste overtuiging van zijn gemoed, gebogen over +'t geen men zijn eigen afgrond zou kunnen noemen. Hij stond op van +zijn stoel en wandelde door de kamer.--Kom, zeide hij, denken wij er +niet meer aan. Mijn besluit is genomen!--Maar hij voelde geen vreugde. + +Integendeel. + +Men kan evenmin den geest beletten, tot een denkbeeld terug te keeren, +als de zee om terug te keeren tot het strand. Van de zee noemt men +dit vloed; van den schuldige wroeging. God beweegt de ziel evenals +den oceaan. + +Na weinige oogenblikken--wat hij er ook tegen doen mocht--ving hij +dit sombere zelfgesprek weder aan, waarin hij sprak en hoorde beide, +zeggende wat hij had willen verzwijgen, hoorende wat hij niet had +willen hooren, zwichtende voor die geheimzinnige macht, welke tot +hem zeide: "denk!" gelijk zij, twee duizend jaren geleden, tot een +anderen veroordeelde zeide: "wandel!" + +Alvorens verder te gaan, en ten einde volkomen begrepen te worden, +moeten wij een noodzakelijke opmerking maken. + +'t Is zeker, dat men met zich zelven kan spreken; geen menschelijk +wezen, dat hiervan de ervaring niet heeft. Men kan zelfs zeggen, +dat het woord nooit een grootscher verborgenheid is, dan wanneer het +in den mensch van het verstand tot het geweten, en van het geweten +weder tot het verstand gaat. 't Is alleen in dezen zin, dat de in +dit hoofdstuk meermalen gebezigde woorden, hij zeide, hij riep, +moeten verstaan worden; men zegt iets tot zich zelven, men spreekt +met zich zelven, men roept in zich zelven, zonder dat de uitwendige +stilte verstoord wordt. Er heerscht soms in ons een groot rumoer, +alles spreekt in ons behalve de mond. De wezenlijkheden der ziel, +hoewel niet zicht- en tastbaar, zijn daarom niet minder werkelijkheden. + +Madeleine vroeg zich dus af, hoe ver hij nu gekomen was. Hij onderhield +zich over zijn "genomen besluit." Hij bekende zich zelven, dat, al +wat hij in zijn geest had bepaald, onhoudbaar was, dat "de dingen hun +loop laten,--den goeden God laten handelen" op de keper beschouwd, +afschuwelijke huichelarij was. De vergissing van het lot en van de +menschen toe te laten, ze niet te beletten, er door zwijgen toe mede +te werken, kortom: niets te doen, was evenveel als alles te doen!'t +Was de laagste trap der schandelijkste geveinsdheid. 't Was een lage, +lafhartige, gemeene, afzichtelijke, verfoeielijke misdaad! + +Voor het eerst sedert acht jaren voelde de ongelukkige man de +bitterheid eener slechte gedachte en eener slechte daad. + +Hij wierp ze met afkeer en ontzetting van zich af. + +Hij ging in zijn eigen-onderzoek voort. Hij vroeg zich ernstig af, +wat hij verstaan had onder de woorden: "Mijn doel is bereikt!" Hij +betuigde zich zelven, dat zijn leven inderdaad een doel had. Maar +welk doel? Zijn naam te verbergen? de politie te bedriegen? Was +'t voor zulk een nietige zaak, dat hij al datgene gedaan had, +wat hij had verricht? had hij geen ander doel, dat het eigenlijke, +groote doel was? Niet zijn persoon, maar zijn ziel te redden. Weder +een goed, eerlijk man te worden. Een rechtvaardige te zijn! was het +dit niet bovenal, dit niet alleen, wat hij gewild, wat de bisschop +hem aanbevolen had?--De deur voor zijn verleden sluiten? Maar hij +sloot ze hierdoor niet; integendeel, hij opende ze opnieuw, door +een schandelijke daad te plegen! hij werd weder een dief, en wel de +afschuwelijkste dief! hij stal een ander zijn bestaan, zijn leven, +zijn rust, zijn licht en geluk! hij werd een moordenaar! hij doodde, +hij doodde zedelijk een ongelukkig mensch, hij bracht hem tot dien +vreeselijken, levenden dood, dien dood in de open lucht, dien men het +bagno noemt! Daarentegen--zich over te leveren, dezen man te redden, +die 't slachtoffer van zulk een rampzalige dwaling was, zijn eigen naam +weder aan te nemen, wederom uit plichtbesef Jean Valjean te worden; dit +ware werkelijk de voltooiing zijner herleving en opstanding geweest, +en het voor eeuwig sluiten der hel, waaruit hij kwam! Er schijnbaar +in weder te keeren, was in werkelijkheid dien te verlaten! Dat +moest hij doen; zoo hij dit niet deed, had hij niets gedaan; zijn +geheel leven was nutteloos, zijn geheele boete ijdel. Hij kon niet +anders zeggen dan: waartoe heeft het gediend? Hij gevoelde, dat de +bisschop tegenwoordig was, dat hij te meer tegenwoordig was, dewijl +hij dood was; dat de bisschop zijn blik strak op hem gericht hield, +dat voortaan de maire Madeleine met al zijn deugden hem een gruwel zou +zijn, en dat de tuchteling Jean Valjean bewonderenswaardig en rein +zou wezen in zijn oogen. Dat de menschen slechts zijn masker zagen, +maar dat de bisschop zijn aangezicht zag. Dat de menschen slechts zijn +leven zagen, maar dat de bisschop zijn geweten zag. Hij moest dus +naar Arras gaan, om den gewaanden Jean Valjean te bevrijden en den +wezenlijken aan te geven. Helaas! dit was een ontzettend offer, een +smartelijke overwinning, een laatste stap; maar hij moest. Rampzalig +lot! hij kon voor Gods oog niet heilig zijn, dan wanneer hij voor de +oogen der menschen wederom in de schande verzonk! + +"Welnu," zeide hij, "laten wij hiertoe besluiten! doen wij onzen +plicht. Redden wij dien man!" + +Hij sprak deze woorden met luide stem, zonder er op te letten, dat +hij luide sprak. + +Hij nam zijn boeken, zag ze na en bracht ze in orde. Hij wierp +een lias met schuldbrieven van kleine kooplieden, die in bekrompen +omstandigheden waren, op 't vuur. Toen schreef hij een brief, dien +hij verzegelde en op welks adres men had kunnen lezen, zoo iemand +op dat oogenblik in de kamer ware geweest: "Aan Mijnheer Laffitte, +bankier, rue d'Artois te Parijs." + +Hij nam uit een secretaire een portefeuille die eenige bankbriefjes +bevatte en het paspoort, waarvan hij zich dat jaar had bediend op +zijn reis naar de verkiezingen. + +Wie hem gezien had, terwijl hij deze verschillende handelingen +verrichtte, die met zulk eene ernstige overweging gepaard gingen, zou +niet vermoed hebben wat in hem omging. Slechts nu en dan bewogen zich +zijn lippen; een andermaal richtte hij het hoofd op en vestigde zijn +blik op een of andere plek van den wand, als ware juist dáar iets, +dat hij wilde onderzoeken of uitvorschen. + +Toen hij den brief aan Laffitte geschreven had, stak hij hem in zijn +zak, evenals de portefeuille, en ging weder op en neer. + +Zijn gedachten hadden geen andere richting genomen. Duidelijk zag hij +zijn plicht, in vlammende letters geschreven, die zijn zwevenden blik +overal volgden: "Ga, noem uw naam, geef u aan!" + +Eveneens zag hij, en als bewogen zij zich in tastbare vormen voor hem, +de twee gedachten, die tot hiertoe het dubbele richtsnoer zijns levens +waren geweest: Zijn naam te verbergen, zijn ziel te heiligen. + +Voor het eerst verschenen zij hem geheel afzonderlijk. Hij erkende, dat +eene dezer gedachten noodwendig goed was, terwijl de andere slecht kon +worden; dat de eerste de godsdienstige wijding, de andere de zelfzucht +was; dat de eene den "medemensch" gold, de andere "zijn eigen ik," +dat de eene uit het licht, de andere uit de duisternis voortkwam. + +Zij streden met elkander. Hij zag ze strijden. Naarmate hij ze langer +overdacht, waren zij voor het oog van zijn geest grooter geworden; ze +hadden nu reusachtige gestalten; en het scheen hem alsof hij in zijn +binnenste, in dat oneindige, waarvan wij gesproken hebben, te midden +der duisternis en van het licht, een godin en een reuzin zag strijden. + +Hij was met ontzetting vervuld, maar 't kwam hem voor, dat de goede +gedachte de overwinning behaalde. + +Hij gevoelde, dat hij nu aan het tweede beslissende oogenblik +van zijn geweten en van zijn lot gekomen was, dat de bisschop de +aanleiding tot de eerste herschepping van zijn leven had gegeven, +en dat Champmathieu die tot de tweede geven zou. Na de groote crisis +kwam de groote beproeving. + +Intusschen vernieuwde zich allengskens de voor een oogenblik +onderdrukte koorts. Duizenden gedachten rezen in hem op, maar zij +dienden slechts om hem in zijn besluit te versterken. + +Voor een oogenblik had hij tot zich zelven gezegd:--dat hij +misschien de zaak te ernstig opvatte, dat deze Champmathieu zooveel +belangstelling niet verdiende, dat hij in alle geval gestolen had. + +Hij gaf zich zelven ten antwoord:--Zoo deze man werkelijk eenige appels +heeft gestolen, wordt hij met een maand gevangenis gestraft. Dit is een +oneindig groot verschil met de galeien. En zelfs, wie weet het? heeft +hij wel gestolen? is 't bewezen? de naam van Jean Valjean bezwaart hem +en schijnt bewijzen noodeloos te maken. Is dit niet gewoonlijk zoo, +bij de procureurs des konings? Men gelooft, dat hij een dief is wijl +men weet, dat hij een tuchteling is geweest. + +In een ander oogenblik kwam de gedachte bij hem op, dat, wanneer hij +zich zelf zou hebben aangegeven, men misschien den zeldzamen heldenmoed +dezer daad, zijn zevenjarig verdienstelijk leven en wat hij voor het +gewest had gedaan, in aanmerking zou nemen, en hem gratie schenken zou. + +Maar deze veronderstelling verdween spoedig, en hij glimlachte bitter, +als hij aan den diefstal der twee francs van den kleinen Gervais +dacht, welke diefstal hem tot een "in herhaling van misdaad vervallen" +(recidivist) maakte, dat deze zaak zekerlijk weer aan 't licht komen +zou, en hem, volgens de uitdrukkelijke woorden der wet, tot de straf +van levenslangen dwangarbeid zou doen veroordeelen. + +Hij trachtte zich aan alle zelfmisleiding te onttrekken, maakte +zich meer en meer van de aarde los en zocht elders troost en +kracht. Hij zeide tot zich zelven, dat hij zijn plicht moest doen; +dat hij misschien niet ongelukkiger zou zijn, wanneer hij zijn +plicht gedaan had, dan wanneer hij dien ontweken was; dat, zoo hij +de dingen hun loop liet en hij te M. sur M. bleef, zijn aanzien, +zijn goede naam, zijn goede werken, de achting, de vereering, welke +men hem toedroeg, zijn liefdadigheid, zijn rijkdom, de genegenheid +der bevolking, zijn deugd, met een misdaad bezoedeld zouden zijn; +en hoe zouden deze zegeningen hem kunnen smaken, wanneer ze met zoo +iets afschuwelijks gepaard gingen? terwijl, zoo hij zijn opoffering +bracht, in 't bagno, aan den schandpaal, aan de keten, met de groene +muts, in onophoudelijken arbeid, in schande zonder medelijden, zich +een hemelsche gedachte te midden van dit alles zou mengen. + +Eindelijk zeide hij, dat het noodzakelijk was, dat zijn lot +aldus bepaald was, dat hij de beschikkingen des Hemels niet mocht +verhinderen, dat hij in allen geval een keus moest doen tusschen +uitwendige deugd en inwendige schande, of tusschen inwendige deugd +en uitwendige schande. + +Bij de overweging van al deze sombere voorstellingen, wankelde zijn +moed niet, maar zijn hoofd werd moede. Onwillekeurig begon hij aan +andere, aan onverschillige dingen te denken. Zijn slapen klopten +geweldig; zijn hoofd bonsde. Hij ging altijd nog op en neer. Het sloeg +twaalf uren, eerst van den kerktoren, toen van 't stadhuis. Hij telde +de twaalf slagen van beide klokken, en vergeleek beider klank met +elkander. Hij herinnerde zich bij deze gelegenheid, dat hij voor +eenige dagen bij een oud-ijzerkoopman een oude klok had gezien, +waarop deze naam stond: Antoine Albin de Romainville. + +Hij was koud. Hij stookte het vuur aan. Hij dacht er niet aan het +venster te sluiten. + +Ondertusschen verzonk hij in een soort van wezenloosheid. Hij moest +zich geweldig inspannen, om zich te herinneren waaraan hij gedacht had, +vóór het twaalf uren sloeg. Eindelijk gelukte het hem. + +"Ha! 't is waar, ik had me voorgenomen mij aan te geven." + +En eensklaps dacht hij aan Fantine. + +"O, en die ongelukkige vrouw!" + +Een nieuwe crisis ontstond. + +Fantine, die plotseling in zijn mijmering oprees, scheen hem een +onverwachte lichtstraal. Al wat hem omgaf, scheen van aanzien te +veranderen en hij riep bij zich zelven: + +"Ja, tot hiertoe heb ik slechts alleen aan mij zelven gedacht: +alleen mijn eigen belangen overwogen! Voor mij gold de vraag, te +zwijgen of mij aan te geven,--mijn persoon te verbergen of mijn ziel +te redden,--een verachtelijk maar geacht overheidspersoon of een +versmaad maar deugdzaam galeiboef te zijn: 't is mij, altijd mij, +alleen mij, die dit aangaat. Maar mijn hemel, dit is alles slechts +zelfzucht. 't Zijn verschillende vormen der zelfzucht, maar toch +niets anders dan zelfzucht! Moet ik ook niet een weinig aan anderen +denken? De eerste trap der deugd is, aan anderen te denken? Laat ons +zien en onderzoeken! Wanneer ik weg, verdwenen, vergeten ben, wat zal +van dit alles worden?--Zoo ik mij aangeef? dan zet men mij gevangen, +men laat Champmathieu los, men voert mij weder naar de galeien:--goed, +en vervolgens? Wat gebeurt hier? Hier, hier hebben wij een stad, +fabrieken, een industrie, werklieden, mannen, vrouwen, grijsaards, +kinderen, arme lieden! Dit alles heb ik geschapen; dit alles leeft door +mij; overal waar een schoorsteen rookt, heb ik het hout op den haard +en het vleesch in den pot gedaan; ik heb welvaart, handel en krediet +aangebracht, vóór mij was van dit alles niets; ik heb het geheele +oord opgericht, verlevendigd, bezield, vruchtbaar gemaakt, versterkt +en verrijkt; ontbreek ik, dan ontbreekt de ziel. Ga ik, dan sterft +alles.--En deze vrouw, die zooveel geleden heeft, die, in weerwil +van haar val, zooveel goeds heeft, wier ongeluk ik onwillekeurig +veroorzaakt heb! En 't kind, dat ik wilde gaan halen, dat ik der +moeder beloofd heb! Ben ik ook niets aan deze vrouw verschuldigd, +ter vergoeding van het leed, dat ik haar veroorzaakt heb? Wat zal +gebeuren, zoo ik verdwijn? De moeder sterft. Het kind wordt aan zich +zelf overgelaten. Dat gebeurt, indien ik mij aangeef.--En zoo ik mij +niet aangeef? Laat eens zien, zoo ik mij niet aangeef, wat dan?" + +Na zich deze vraag gesteld te hebben, zweeg hij; hij scheen een +oogenblik te aarzelen en te beven; maar 't was slechts een oogenblik, +en hij antwoordde bedaard: + +"Welnu, deze man gaat naar de galeien; 't is waar; maar, wat drommel, +hij heeft gestolen! Ik moge zeggen wat ik wil, hij heeft gestolen! Ik +blijf hier, ik zet mijn zaken voort; in tien jaren zal ik tien +millioen hebben gewonnen; ik verspreid ze door 't land; ik zal niets +voor mij behouden; wat maakt mij dat uit? 't Is niet voor mij zelven, +wat ik doe. De algemeene welvaart neemt toe, de nijverheid ontwaakt +en ontwikkelt zich, de fabrieken en werkplaatsen vermeerderen; de +gezinnen, honderd, duizend gezinnen zijn gelukkig; het gewest wordt +volkrijker; er ontstaan dorpen, waar nu slechts hoeven zijn; er komen +hoeven waar nu niets is; de armoede verdwijnt, en met de armoede +verdwijnen zedeloosheid, de prostitutie, de diefstal, de moord, +alle ondeugden, alle misdaden! En deze arme moeder voedt haar kind +op! en een geheel gewest is welvarend en deugdzaam. O, ik was dwaas, +waanzinnig! hoe kon ik er aan denken mij te willen aangeven? Men +moet alles wel overwegen, en niets met overhaasting doen. Hoe! wijl +'t mij in den zin komt den deugdzame, den edelmoedige te spelen, +'t Zou waarlijk niets anders dan een melodrama zijn! Wijl ik alleen +aan mij, aan mijn eigen persoon gedacht heb! Om een dief, althans +blijkbaar iemand zonder beteekenis, aan een misschien al te strenge, +maar eigenlijk toch billijke straf te onttrekken, zou een geheel gewest +te gronde gaan! een arme vrouw in 't gasthuis sterven! een arm meisje +op de straat van gebrek omkomen! als een hond! O, 't zou afschuwelijk +zijn! En zelfs zonder dat de moeder haar kind heeft wedergezien! zonder +dat het kind schier de moeder gekend heeft! eeniglijk ter wille van +dien ouden schelm, dien appeldief, die zeker de galeien wel voor +iets anders heeft verdiend, zoo het niet voor deze zaak is. Fraaie +nauwgezetheid, welke een schuldige redt en onschuldigen opoffert, een +ouden landlooper redt, die bij slot van rekening toch slechts weinige +jaren te leven heeft en niet veel ongelukkiger in het bagno dan in zijn +hut zal zijn, en hiervoor een geheele bevolking, moeders, vrouwen, +kinderen zou opofferen! Die arme kleine Cosette, die niemand anders +dan mij op de wereld heeft, en op dit oogenblik, waarschijnlijk blauw +van koude, in 't ellendig verblijf der Thénardier's verwijlt. Dat zijn +ook kanaljes! En zou ik ten aanzien van deze allen aan mijn plichten +te kort doen! Ik zou mij gaan aangeven! Ik zou zulk eene dwaasheid +doen. Laat ons het ergste nemen. Laat ons aannemen, dat ik in deze +zaak slecht handel en mijn geweten 't mij eenmaal zal verwijten,--maar +zoo ik, tot welzijn van anderen, mij aan deze verwijten onderwerp, +die alleen op mij nederkomen, deze slechte daad verricht, die slechts +mijne eigene ziel schade kan doen, zoo geschiedt dit uit opoffering, +uit deugd. + +Hij stond op en ging weder op en neer. Dezen keer scheen hij met zich +zelven tevreden te zijn. + +Men vindt de diamanten slechts in den donkeren schoot der aarde; men +vindt de waarheden alleen in de diepte der gedachten. Het kwam hem +voor alsof hij, na in deze diepte te hebben verwijld, na lang in de +diepste duisternis te hebben rondgetast, eindelijk een dier diamanten, +een dier waarheden had gevonden, en dat hij ze in zijn hand hield, +terwijl hij zich door haar aanschouwing liet verblinden. + +Ja, dacht hij, zoo is het. Ik heb de waarheid, de oplossing. Men +moet zich eindelijk aan iets houden. Mijn besluit is genomen. Laat +gebeuren wat wil! Niet gewankeld, niet achteruit gegaan. Zóó is +'t in aller belang, niet in het mijne. Ik ben Madeleine, ik blijf +Madeleine. Ongelukkig, wie Jean Valjean is! Ik ben 't niet meer. Ik ken +dien man niet, ik weet niet meer wie hij is! zoo er thans nog iemand +gevonden wordt, die Jean Valjean heet, dat hij er zich uitredde. 't +Gaat mij niet aan. 't Is een noodlottige naam, die in de duisternis +zweeft; zoo hij op iemands hoofd nedervalt, des te erger voor dezen. + +Hij bezag zich in den kleinen spiegel op den schoorsteen en zeide: + +"Zie, 't heeft mij verlicht nu ik een besluit genomen heb! Ik ben nu +geheel anders." + +Hij deed nog eenige schreden, toen bleef hij plotseling staan en zeide: + +"Welaan! niet teruggedeinsd voor eenig noodzakelijk gevolg van mijn +genomen besluit. Er zijn nog draden, die mij aan dezen Jean Valjean +hechten. Ik moet ze verbreken. Zelfs in deze kamer zijn voorwerpen, +die mij zouden beschuldigen, stomme dingen, die tegen mij zouden +kunnen getuigen; ja,--dat alles moet verdwijnen. + +Hij tastte in zijn zak, nam zijn beurs en daaruit een sleuteltje. + +Hij stak dat sleuteltje in een slot, waarvan de opening nauwelijks +te ontdekken was, daar ze in de donkerste schakeeringen van het +behangselpapier, dat den muur bedekte, was verborgen. Een geheime +ruimte opende zich; een soort van kastje, dat tusschen den hoek van den +muur en den schoorsteenmantel was aangebracht. In dat kastje bevonden +zich slechts eenige prullen; een blauwlinnen kiel, een oude broek, +een oude ransel en een aan beide einden met ijzer beslagen dikke +doornen stok. Zij, die Jean Valjean gezien hadden, op het tijdstip, +toen hij in October 1815 door D. kwam, zouden gereedelijk al de +stukken zijner ellendige kleeding hebben herkend. + +Hij had ze bewaard, evenals hij de zilveren kandelaars bewaard had, +om zich steeds het keerpunt in zijn leven te herinneren. Maar dit, +dat uit het bagno kwam, verborg hij, en de kandelaars, die van den +bisschop kwamen, liet hij zien. + +Hij sloeg een schuwen blik op de deur, alsof hij vreesde, dat zij, +in weerwil van den voorgeschoven grendel, mocht geopend worden; toen +nam hij, zonder zelfs het oog te slaan op deze voorwerpen, welke hij +zoo zorgvuldig en met zooveel gevaar gedurende vele jaren had bewaard, +met een haastigen greep lompen, stok, ransel, en wierp alles te zamen +in het vuur. + +Hij sloot het verborgen kastje, en met dubbele voorzichtigheid, +die voortaan echter niet meer behoefde; wijl het kastje ledig was, +schoof hij er een zwaar meubelstuk voor. + +Na weinige seconden waren de kamer en de tegenoverstaande muur door +een sterk flikkerenden weerschijn verlicht. Alles brandde; de doornen +stok knetterde en wierp vonken tot in 't midden der kamer. + +Uit den ransel, die met de daarin zijnde afzichtelijke vodden +verbrandde, was iets gevallen, dat in de asch glinsterde. Als +men zich gebukt had, zou men gemakkelijk een geldstuk hebben +ontdekt. Ongetwijfeld het tweefrancstuk, dat aan den kleinen savooiaard +ontstolen was. + +Maar hij sloeg geen oog op het vuur en ging steeds met denzelfden +tred heen en weder. Eensklaps viel zijn blik op de beide zilveren +kandelaars, die door het schijnsel van het vuur op den schoorsteen +glinsterden. + +Ha! dacht hij, daarin leeft Jean Valjean nog geheel en al. Ook zij +moeten vernietigd worden. + +Hij nam de beide kandelaars. + +Er was vuur genoeg, om ze spoedig tot een vormloozen klomp te +versmelten en onherkenbaar te maken. + +Hij boog zich over den haard en warmde zich even. 't Deed hem goed, +en hij zeide: Een aangename warmte! + +Met een der kandelaars stookte hij het vuur op. + +Een minuut later, en beide lagen in het vuur. + +Op dit oogenblik scheen hij een inwendige stem te hooren, die hem +toeriep: "Jean Valjean! Jean Valjean!" + +Zijn haar rees te berge; het was hem als iemand, die iets vreeselijks +hoort. + +"Ja, zoo is het goed, ga voort!" zei de stem. "Voltooi +wat ge doet! vernietig deze kandelaars! vernietig deze +herinnering! vergeet den bisschop! vergeet alles! stort Champmathieu in +'t verderf! Goed! wensch u geluk! 't Is dus bepaald, besloten! deze +man, deze grijsaard, die niet weet wat men van hem wil, die wellicht +niets misdreven heeft, een onschuldige, wiens ongeluk alleen door uw +naam is veroorzaakt, op wien uw naam als een misdaad drukt, zal voor +u gehouden, zal veroordeeld worden; hij zal zijn leven in schande en +ellende doorbrengen! Goed! Wees gij een eerlijk man! Blijf mijnheer +de maire, blijf achtbaar en geëerd, verrijk de stad, voed de armen, +verpleeg de weezen, leef gelukkig, deugdzaam en bewonderd, en terwijl +gij hier in vreugde en glans zult leven, zal een ander uw roode buis, +uw eerloozen naam dragen en in het bagno uw keten sleepen. Ja, zoo +is het wijs overlegd! O, ellendeling!" + +Het zweet droop van zijn voorhoofd. Strak staarde hij op de +kandelaars. Wat evenwel in hem sprak, had nog niet geëindigd. De stem +ging voort: + +"Jean Valjean! vele stemmen zullen zich rondom u verheffen, luide +spreken en u zegenen; maar één stem, die niemand hoort, zal u in de +duisternis vloeken. Welnu, luister, eerlooze! al deze zegeningen +zullen neerslaan, vóór ze den hemel hebben bereikt, en slechts de +vloek zal tot God opstijgen." + +Deze stem, aanvankelijk zwak, uit het duisterste van zijn geweten +opgerezen, was allengs geweldig en schrikbarend geworden, en hij +hoorde ze nu in zijn ooren, 't Was hem, alsof zij van hem uit was +gegaan en nu buiten hem sprak. Hij meende zoo duidelijk de laatste +woorden te hooren, dat hij angstig de kamer rondzag. + +"Is hier iemand?" vroeg hij luid en ontroerd. + +En hij hernam, met een lach, welke dien van een waanzinnige geleek: +"Wat ben ik dwaas! hier kan niemand zijn!'' + +Er was evenwel iemand; maar iemand, dien 't menschelijk oog niet +zien kan. + +Hij zette de kandelaars weder op den schoorsteen. + +Toen hervatte hij die eentonige, sombere wandeling, welke den man, +die onder hem sliep, in zijn droomen stoorde en deed ontwaken. + +Deze wandeling verlichtte en bedwelmde hem tevens. Het schijnt, dat +men zich in gewichtige oogenblikken slechts heen en weer beweegt, +om raad te vragen aan alles wat men ontmoet. Na weinige oogenblikken +wist hij wederom niet meer hoe 't met hem geschapen was. + +Thans deinsde hij met evenveel schrik terug voor de beide besluiten, +welke hij achtereenvolgens genomen had. De beide voornemens, +die hij gevormd had, kwamen hem al even verderfelijk voor.--Welk +een noodlottige vergissing, deze Champmathieu, die voor hem werd +gehouden! Ten val te worden gebracht, juist door het middel, 't welk +de Voorzienigheid eerst scheen bestemd te hebben om hem te behoeden. + +Een oogenblik sloeg hij een oog in de toekomst. Groote God! zich zelven +aan te geven, over te leveren! Met innige wanhoop beschouwde hij alles; +wat hij moest verlaten; alles, waartoe hij moest wederkeeren. Hij +moest dan afstand doen van dit goede, reine, bekoorlijke leven, van +aller achting, van zooveel eer en van de vrijheid! Hij zou niet meer +wandelen in de velden, niet meer het gezang der vogelen hooren in de +maand Mei: hij zou de kleine kinderen geen geschenken meer geven. Hij +zou den zachten blik der dankbaarheid en der liefde niet meer op +zich gevestigd zien! Hij zou het huis verlaten, dat hij gebouwd +had; deze kleine kamer! Dit alles scheen hem in dit oogenblik zoo +dierbaar! Hij zou deze boeken niet meer lezen, niet meer aan dit nette +tafeltje schrijven! Zijn oude portierster, zijn eenige dienstbode, +zou hem zijn ontbijt niet meer brengen! Groote God! in plaats van +dat alles de gijzeling, de halsketen, het roode buis, de voetkogel, +de zware arbeid, het cachot, de brits, alle hem bekende gruwelen! En +dat op zijn leeftijd, na geweest te zijn wat hij thans was! Zoo +hij nog jong ware! Maar oud, door iedereen ruw behandeld, door den +opzichter onderzocht, door den bewaarder geslagen te worden! Barvoets +in gespijkerde schoenen te gaan. 's Ochtends en 's avonds den smid +zijn been te vertoonen. De nieuwsgierigheid der vreemdelingen te +dulden, tot wie men zou zeggen: "dit is de beruchte Jean Valjean, die +maire te M. sur M. is geweest." Des avonds, druipend van 't zweet, +uitgeput van vermoeidheid, met de groene muts op de oogen, twee aan +twee, onder de zweep van den bewaarder, die trapleer der drijvende +gevangenis te moeten opklimmen! Ach! welk een ellende! Kan dan het +lot boosaardig zijn als een verstandig wezen, en gedrochtelijk worden +als het menschelijk hart? + +Wat hij ook deed, hij verviel altijd weder tot het noodlottige dilemma, +dat aan al zijn gedachten ten grondslag lag:--"In het paradijs te +blijven en er duivel worden! Naar de hel wederkeeren en er engel +worden!" + +Wat te doen, groote God! wat te doen? + +De storm, waaruit hij zich met zooveel moeite gewerkt had, brak opnieuw +in hem los. Zijn gedachten werden verward. Zij namen dat verstompte, +lijdelijke aan, 't welk der wanhoop eigen is. De naam Romainville +kwam hem telkens in den geest, met twee verzen van een liedje, dat +hij eertijds gehoord had. + +Hij herinnerde zich dat Romainville een boschje bij Parijs was, +waar in de maand April jeugdige verliefden seringen gaan plukken. + +Hij wankelde zoowel in- als uitwendig. Hij ging als een kind zonder +leiband. + +In sommige oogenblikken verzette hij zich tegen zijne matheid en +trachtte zijn geest weder kracht te geven. Hij poogde ten laatsten +male en op beslissende wijze het raadsel op te lossen, waarbij +hij, om zoo te spreken, vermoeid was neergezonken. Moet ik mij +aangeven? moet ik zwijgen?--'t Gelukte hem niet, iets duidelijks +te zien. De flauwe schaduwbeelden van alle voorstellingen, die zijn +gepeins hadden opgewekt, flikkerden en verdwenen het een na het ander +als in rook. Dit alleen gevoelde hij, dat, waartoe hij ook besloot, +er iets in hem noodwendig en onvermijdelijk sterven moest; dat hij +zoowel links als rechts in een graf stapte; dat hij òf van zijn geluk +òf van zijn deugd afstand moest doen. + +Helaas! zijn besluiteloosheid had weder geheel de overhand. Hij was +weder niets verder dan toen hij begon. + +Alzoo worstelde deze ongelukkige ziel als in een +doodsstrijd. Achttienhonderd jaren vóór dezen rampzalige, had het +geheimzinnige wezen, in 't welk al het heilige en al het lijden der +menschheid vereenigd was,--had ook dit wezen, terwijl de olijfboomen +in den woesten wind van het oneindige sidderden, met de hand lang den +vriendelijken beker verwijderd, die, overvloeiende van duisternis en +schaduw, hem in de diepten van het gesternde uitspansel verscheen. + + + + + + +VIERDE HOOFDSTUK. + +VORMEN, DIE HET LIJDEN AANNEEMT GEDURENDE DEN SLAAP. + + +'t Had drie uren in den morgen geslagen, en gedurende vijf uren had +hij aldus schier onafgebroken heen en weder gegaan, toen hij eindelijk +op een stoel nederzeeg. + +Hij viel in slaap en droomde. + +Deze droom was, gelijk meest alle droomen, slechts door iets +smartelijks en treurigs, met den huiselijken toestand in verband, +maar deze benauwde droom maakte zulk een diepen indruk op hem, dat hij +dien later opschreef. Dit geschrift bevond zich onder zijn nagelaten +papieren. Wij meenen de woorden letterlijk te moeten mededeelen. + +Hoe deze droom ook zijn mocht, de geschiedenis van dezen nacht zou +onvolledig zijn, zoo wij hem verlieten. 't Is een treurig verhaal +van een zieke ziel. + +Ziehier. Op den omslag vinden wij dezen regel geschreven: de droom, +welken ik dien nacht had. + + + "Ik bevond mij buiten op een uitgestrekte vlakte, waar geen gras + groeide. 't Scheen mij, alsof 't geen dag en geen nacht was. Ik + wandelde met mijn broeder, den broeder uit mijne kindsheid, den + broeder, aan wien, ik beken het, ik nimmer denk, en dien ik mij + nauwelijks herinner. + + "Wij praatten met elkander en ontmoetten voorbijgangers. Wij + spraken van een buurvrouw, welke wij vroeger hadden, en die, + sedert zij aan de straat woonde, steeds voor het open venster + arbeidde. Terwijl wij dus spraken, werden wij koud door den tocht + van dat open venster. + + "Er waren geen boomen op die vlakte. + + "Wij zagen een man, die ons voorbijging. Hij was geheel naakt + en aschkleurig, en zat op een paard, dat aardkleurig was. Deze + man had geen haar; men zag zijn kalen schedel en de aderen op + den schedel. Hij had een stokje in de hand, dat buigzaam was als + een wijngaardrank en zwaar als ijzer. Deze ruiter ging voorbij + en zeide niets tot ons. + + "Mijn broeder zeide: laten wij den hollen weg nemen. + + "Er was een holle weg, waar men noch struiken, noch gras zag. Alles + was aardkleurig, zelfs de hemel. Na eenige schreden voortgegaan te + zijn, ontving ik geen antwoord meer, wanneer ik sprak. Ik merkte, + dat mijn broeder niet meer bij mij was. + + "Ik ging een dorp in, dat ik zag. Ik dacht dat het Romainville + moest zijn (waarom Romainville?) + + "De eerste straat, welke ik doorging, was doodsch en eenzaam. Ik + sloeg een tweede straat in. Op den hoek van beide straten stond + een man tegen den muur. Ik vroeg dien man: Waar ben ik? Welk oord + is dit? De man antwoordde niet. Ik zag de deur van een huis open + staan, en ging binnen. + + "De eerste kamer was ledig. Ik trad de tweede binnen. Achter + deze deur stond een man tegen den muur. Ik vroeg dien man: wien + behoort dit huis? Waar ben ik? De man antwoordde niet. Er was + een tuin bij het huis. + + "Ik verliet het huis en ging in den tuin. De tuin was woest + en ledig. Achter den eersten boom vond ik een man staan. Ik + zeide tot den man: wien behoort deze tuin? Waar ben ik? De man + antwoordde niet. + + "Ik ging 't dorp door en zag dat 't een stad was. Al de straten + waren eenzaam, al de deuren stonden open. Geen levend schepsel ging + over straat, in de kamers, of in de tuinen. Maar op den hoek van + elke straat, achter elke deur, achter elken boom stond zwijgend + een man. Men zag er altijd maar één te gelijk. Deze mannen zagen + mij voorbijgaan. + + "Ik verliet de stad en ging naar buiten. + + "Na eenigen tijd keerde ik mij om, en ik zag een groote menigte + achter mij. Ik herkende al de menschen, welke ik in de stad had + gezien. Zij hadden wonderlijke hoofden. Zij schenen zich niet te + haasten, en evenwel gingen zij sneller dan ik. Hun voetstappen + maakten geen geluid. In een oogenblik had deze menigte mij bereikt + en omringde mij. De gezichten dezer mannen waren aardkleurig. + + "Toen zeide mij de eerste, dien ik gezien en ondervraagd had, + toen ik de stad binnenging:--Waar gaat ge heen? Weet ge niet, + dat ge sinds lang dood zijt? + + "Ik opende den mond om te antwoorden, maar zag dat niemand meer + bij mij was." + + +Madeleine werd wakker. Hij was ijskoud. De koude ochtendwind deed de +opengebleven ramen op hun hengels draaien. Het vuur was uitgegaan. De +kaars brandde in de pijp. Het was nog donkere nacht. + +Hij stond op en ging naar 't raam. Geen ster was nog aan den hemel. + +Uit het venster zag men op de plaats van het huis en op de straat. Een +ratelend, krakend geluid van de straat deed hem de oogen naar beneden +slaan. + +Hij zag twee roode sterren, wier stralen op zonderlinge wijze in de +duisternis nu eens korter dan weer langer werden. + +Daar zijn gedachten nog ten halve door den droom beneveld waren, dacht +hij:--Zie, aan den hemel zijn geen sterren; zij zijn thans op de aarde. + +Zijn geestverwarring verdween echter, en een tweede gerucht, gelijk +aan het eerste, maakte hem volkomen wakker; hij zag nauwkeuriger toe +en bespeurde, dat deze twee sterren de lantaarns van een rijtuig waren. + +Bij het schijnsel van het licht, dat zij wierpen, kon hij den vorm +van een rijtuig onderscheiden. 't Was een tilbury, met een klein, +wit paard bespannen. Het gerucht, dat hij gehoord had, was de hoefslag +van het paard op de straatsteenen. + +"Wat beteekent dit rijtuig?" vroeg hij bij zich zelf. "Wie komt hier +zoo vroeg?" + +Juist werd er zacht aan de deur zijner kamer geklopt. + +Hij rilde van het hoofd tot de voeten, en riep verschrikt: + +"Wie is daar?" + +"Ik, mijnheer de maire," antwoordde iemand. + +Hij herkende de stem zijner oude portierster. + +"Welnu, wat is er?" vroeg hij. + +"Mijnheer de maire, 't is zoo vijf uur." + +"Wat gaat mij dat aan?" + +"De cabriolet is er, mijnheer de maire." + +"Welke cabriolet?" + +"De tilbury." + +"Welke tilbury?" + +"Heeft mijnheer de maire geen tilbury besteld?" + +"Neen," antwoordde hij. + +"De koetsier zegt, dat hij 't mijnheer komt brengen." + +"Welke koetsier?" + +"De koetsier van Scaufflaire." + +"Scaufflaire!" + +Deze naam deed hem schrikken, alsof een bliksemstraal langs zijn +oogen schoot. + +"O ja," hernam hij; "Scaufflaire." + +Zoo de oude vrouw hem op dat oogenblik had kunnen zien, zou zij +geschrokken zijn. + +Er ontstond eene pauze. Hij staarde met wezenloozen blik in de vlam +der kaars en nam van het heete, smeltend vet van de pit, en wreef dat +tusschen zijn vingers. De oude vrouw wachtte. Zij waagde het nogmaals +haar stem te verheffen: + +"Mijnheer de maire, wat moet ik zeggen?" + +"Zeg dat het goed is, ik kom." + + + + + + +VIJFDE HOOFDSTUK. + +SPAKEN IN DE WIELEN. + + +De postdienst van Arras naar M. sur M. werd destijds nog verricht +door kleine postkarren uit den tijd van het keizerrijk. 't Waren +tweewielige rijtuigen op veeren, van binnen met leder bekleed, en +voor niet meer dan twee personen, een passagier en den postillon. De +wielen hadden lange naven, welke andere rijtuigen op behoorlijken +afstand houden, en die men nog in Duitschland op de wegen ziet. De +langwerpige brievenkist was achter de cabriolet en maakte er een +geheel mee uit. Deze kist was zwart en de cabriolet geel geschilderd. + +Deze rijtuigen, van alle tegenwoordig bestaande geheel afwijkende, +hadden iets onbeschrijfelijk wanstaltigs en plomps; wanneer men +ze in de verte langs den weg zag voortbewegen, geleken zij op die +insekten, (termiten, geloof ik, geheeten,) met een dun voor- en zeer +dik achterlijf. Zij reden overigens zeer snel. De postkar, die alle +nachten te één ure, na de aankomst van de Parijsche postkar uit Arras +vertrok, kwam even vóór vijf uren 's morgens te M. sur M. aan. + +Dien nacht stiet de postkar, bij het inrijden der stad M. sur M, +op den hoek eener straat tegen een kleine tilbury met een wit paard +bespannen, die van den anderen kant kwam, en waarin slechts één +persoon, een man in een mantel gewikkeld, zat. Het wiel der tilbury +kreeg een vrij harden schok. De postillon riep dien man toe stil te +houden, maar de reiziger hoorde niet en reed in vollen draf voort. + +"Verduiveld! die man heeft haast," zei de postillon. + +De man, die zich zoo haastte, was hij, dien wij in zulk een +bedroevenswaardigen zielestrijd gezien hebben. + +Waarheen ging hij? Hij had het niet kunnen zeggen. Waarom +haastte hij zich? Hij wist het niet. Hij ging op goed geluk af +voorwaarts. Waarheen? Ongetwijfeld naar Arras. Wellicht ook naar +elders. Hij dacht hieraan bij wijlen, en dan ontroerde hij. Hij drong +in dezen nacht door als in een afgrond. Iets dreef hem, iets trok +hem aan. Niemand had kunnen zeggen, wat in hem omging; maar iedereen +zal 't begrijpen. Wie is niet, ten minste éénmaal van zijn leven, +de duistere spelonk van het onbekende binnengegaan? + +Overigens was hij tot geenerlei besluit gekomen, had zich niets +voorgenomen, niets bepaald, niets gedaan. Geen zijner overleggingen was +beslissend geweest. Hij was meer dan ooit als in den eersten oogenblik. + +Waarom ging hij naar Arras? + +Hij herhaalde bij zich zelven, wat hij bereids tot zich zelf had +gezegd, toen hij de cabriolet van Scaufflaire huurde--dat, welke ook +de uitkomst mocht zijn, niets hem behoefde te weerhouden, met eigen +oogen te zien, in persoon over de zaken te oordeelen;--dat het zelfs +voorzichtig was te weten wat er gebeuren zou;--dat er geen besluit +was te nemen dan na wel onderzocht en overwogen te hebben;--dat +men zich op een afstand alles vergroot voorstelt;--dat eindelijk, +wanneer hij dien Champmathieu, een of anderen ellendeling, gezien had, +zijn geweten zich waarschijnlijk zeer verlicht zou voelen door hem in +zijne plaats naar het bagno te laten gaan;--dat, wel is waar, Javert, +alsmede Brevet, Chenildieu en Cochepaille, oude tuchtelingen, die hem +gekend hadden, er ook zouden zijn; maar zij zouden hem stellig niet +herkennen.--Hoe kon hij zich zoo iets in 't hoofd halen! Javert had +allen argwaan tegen hem opgegeven,--alle gissingen en vermoedens waren +op Champmathieu gevestigd, en niets is stijfzinniger dan gissingen +en vermoedens;--er was voor hem dus niet het minste gevaar te vreezen. + +Dat het inderdaad een onaangename toestand voor hem was, maar dat +hij er wel uit zou komen;--dat hij in allen gevalle zijn lot, hoe +ongunstig het mocht wezen, in zijn handen had,--dat hij er meester +van was. Aan deze gedachten klemde hij zich vast. + +In den grond van zijn hart ware hij toch eigenlijk liever niet naar +Arras gegaan. + +Hij ging er evenwel heen. + +Zich met dergelijke gedachten bezig houdende, legde hij de zweep +over zijn paard, dat in dien regelmatigen, vasten draf bleef, waarin +derdehalf uur in één uur wordt afgelegd. + +Naar gelang het rijtuig voortging, voelde hij iets in zich, dat +achteruitging. + +Toen de dag aanbrak was hij op het vlakke veld, en de stad M. sur +M. lag reeds verre achter hem. Hij zag 't aan den gezichteinder licht +worden; hij zag, zonder er op te letten, al de koude gestalten van +een wintermorgen voorbij zich heengaan. + +De morgen heeft evenzeer zijn spookbeelden als de avond. Hij zag +ze niet; maar, zonder dat hij 't zelf merkte, voegden deze donkere +schaduwbeelden van boomen en heuvels iets sombers en treurigs toe, +aan de levende ongerustheid zijner ziel. + +Telkens wanneer hij een eenzaam huisje aan den weg voorbijreed, +zeide hij bij zich zelven: daarbinnen zijn toch lieden die slapen! + +De hoefslag van het paard, de bellen van het tuig, de wielen op den +weg brachten een zacht, eentonig geluid voort, aangenaam wanneer men +vroolijk, maar onaangenaam wanneer men treurig is. + +'t Was volkomen dag toen hij te Hesdin aankwam. Hij hield stil voor +een herberg, om zijn paard een weinig te laten uitrusten en het haver +te doen geven. + +Dat paard was, gelijk Scaufflaire had gezegd, van het kleine +Boulonneesche ras, dat te dikken kop, te grooten buik en te korten +hals heeft, maar een breede borst, een breed kruis, fijne, gespierde +en forsche pooten; een leelijk, maar sterk en gezond paardenras. Het +voortreffelijke dier had vijf uren in twee uren afgelegd en had van +achter nog geen droppel zweet. + +Madeleine steeg niet uit het rijtuig. De stalknecht, die de haver +bracht, bukte plotseling en beschouwde het linker wiel. + +"Moet ge nog verder?" vroeg hij den reiziger. + +"Waarom?" vroeg deze, steeds in gedachten verdiept. + +"Zijt ge reeds ver gekomen?" hernam de knecht. + +"Vijf uren van hier." + +"Wel zoo!" + +"Waarom verwondert u dit?" + +De knecht bukte zich opnieuw, zag een poos zwijgend naar het wiel, +en zich toen oprichtende, zeide hij: + +"'t Is mogelijk, dat dit wiel vijf uren heeft geloopen, maar stellig +zal het dit geen kwartier meer doen." + +Madeleine sprong uit het rijtuig. + +"Wat zegt ge, vriend?" + +"Ik zeg, dat 't een wonder is, dat ge vijf uren hebt afgelegd, zonder +met uw paard in een sloot langs den weg te zijn gevallen. Zie slechts." + +Inderdaad, het wiel was erg beschadigd. De stoot tegen de postkar +had twee spaken gebroken en de naaf doen barsten, waarvan de schroef +los zat. + +"Is hier een wagenmaker, vriend?" vroeg hij den stalknecht. + +"Welzeker, mijnheer." + +"Wees dan zoo goed hem te halen." + +"Hij woont twee schreden van hier. Hei, baas Bourgaillard!" + +Baas Bourgaillard, de wagenmaker, stond voor zijn deur. Hij kwam, +onderzocht het wiel en zette een gezicht als een chirurgijn, die een +gebroken been ziet. + +"Kunt ge dadelijk dat wiel herstellen?" + +"Ja, mijnheer." + +"Wanneer kan ik verder reizen?" + +"Morgen." + +"Morgen!" + +"Er is voor een dag werk aan. Heeft mijnheer haast?" + +"Groote haast. Ik moet uiterlijk over een uur vertrekken." + +"Onmogelijk, mijnheer." + +"Ik zal betalen wat ge vraagt." + +"Onmogelijk." + +"Nu, dan in twee uren." + +"Vandaag is 't niet mogelijk. Er moeten twee nieuwe spaken en een +naaf worden gemaakt. Mijnheer kan niet vóór morgen vertrekken." + +"Mijn zaak kan niet tot morgen wachten. Zoo ge een ander wiel naamt, +in plaats van dit te herstellen?" + +"Hoe?" + +"Ge zijt wagenmaker?" + +"Gewis, mijnheer." + +"Hebt ge niet een wiel te koop? ik zou dan dadelijk kunnen vertrekken." + +"Een ander wiel?" + +"Ja." + +"Ik heb geen wiel voor uw cabriolet gereed. Twee wielen maken een +paar. Twee verschillende wielen passen niet bij elkaar." + +"Verkoop mij dan een paar wielen." + +"Alle wielen passen niet op alle assen." + +"Beproef het eens." + +"'t Is onnoodig, mijnheer. Ik heb niets dan karwielen te koop. In +dit plaatsje kent men geen andere." + +"Zoudt ge mij een cabriolet kunnen verhuren?" + +De wagenmaker had bij den eersten oogopslag gezien, dat de tilbury +een huurrijtuig was. Hij haalde de schouders op. + +"Ge springt met de cabriolet, die men u verhuurt, aardig om! zoo ik +er een had, zou ik ze u niet verhuren." + +"Nu, dan verkoopen?" + +"Ik heb er geen." + +"Wat! ook niet een karretje? ik ben niet keurig, zooals ge ziet." + +"We zijn hier in een klein plaatsje. Ik heb in mijn wagenschuur," +hernam de man, "wel een oude kales, die aan een burger in de stad +behoort, welke ze mij ter bewaring heeft gegeven en ze zelden of nooit +gebruikt. Ik wil ze u wel verhuren, wat kan 't mij schelen! maar de +burger mag ze niet voorbij zien rijden, en bovendien, is 't een kales; +daar zijn twee paarden voor noodig." + +"Ik zal postpaarden nemen." + +"Waar gaat mijnheer heen?" + +"Naar Arras." + +"En wil mijnheer daar vandaag zijn." + +"Zekerlijk." + +"Met postpaarden?" + +"Waarom niet?" + +"Is 't mijnheer goed, er van nacht te vier uren aan te komen?" + +"Volstrekt niet." + +"'t Is, weet ge..., met postpaarden heeft het veel bezwaar. Heeft +mijnheer een pas?" + +"Ja." + +"Nu, zoo mijnheer postpaarden neemt, komt hij niet voor morgenochtend +te Arras. Wij hebben hier een binnenweg. De wisselpaarden zijn +moeielijk te krijgen, wijl zij op het veld zijn. 't Is het seizoen, +dat het ploegen begint; er zijn veel paarden noodig, en men neemt +paarden waar men ze krijgen kan, zoowel aan de paardenposterij als +elders. Mijnheer zal minstens drie of vier uren aan elk station moeten +wachten. Bovendien rijdt men stapvoets, want er zijn veel hoogten in +den weg." + +"Welaan, dan rij ik te paard. Span de cabriolet uit; er zal hier wel +een zadel te koop zijn." + +"O ja; maar wil dit paard onder den zadel loopen?" + +"'t Is waar, ge herinnert er mij aan, het wil niet onder den zadel." + +"Dan...." + +"Maar in 't dorp zal ik wel een paard kunnen huren?" + +"Een paard om in ééns door naar Arras te rijden?" + +"Ja." + +"Dat zou een paard moeten zijn, zooals men er hier geen heeft. Ge +zoudt het bovendien moeten koopen, want men kent u niet. Maar te +koop noch te huur, voor geen vijfhonderd, noch voor duizend francs, +zoudt ge er een vinden." + +"Wat te doen?" + +"Op mijn woord, het beste is, dat ik het wiel herstel en ge uw reis +tot morgen uitstelt." + +"Morgen is 't te laat." + +"Dat is erg!" + +"Is er geen postkar naar Arras? Wanneer passeert ze hier?" + +"Van nacht. Beide postkarren, zoowel die aankomt als die vertrekt, +rijden 's nachts." + +"Maar hebt ge een geheelen dag werk om dit wiel te herstellen?" + +"Een dag, en wel een goeden!" + +"En zoo ge er twee werklieden aanzet?" + +"Al zette ik er tien aan." + +"Zoo men de spaken met touwen bond?" + +"Ja, de spaken, maar de naaf dan? Ook de velgen deugen niet." + +"Is in de stad een rijtuig-verhuurder?" + +"Neen." + +"Is er nog een andere wagenmaker?" + +De stalknecht en de wagenmaker antwoordden, te gelijk het hoofd +schuddende: Neen. + +Madeleine gevoelde een onbeschrijfelijke blijdschap. + +'t Was duidelijk, dat de Voorzienigheid zich hierin mengde. Zij +was het, die het wiel der tilbury had gebroken en ze op den weg +tegenhield. Hij had aan de eerste soort van sommatie niet voldaan; +alle mogelijke moeite had hij aangewend om zijn reis voort te zetten; +eerlijk en nauwgezet had hij alle middelen aangewend; hij was noch +voor het strenge seizoen, noch voor vermoeidheid, noch voor kosten +teruggedeinsd; hij had zich niets te verwijten. 't Was zijn schuld +niet, zoo hij niet verder kwam; hij kon niet meer doen, zijn geweten +was voldaan, de Voorzienigheid had het aldus beschikt. + +Hij voelde zich verlicht. Hij ademde ruimer en uit volle borst, voor de +eerste maal sedert Javert's bezoek. Het scheen hem toe, dat de ijzeren +vuist, die sinds twintig uren zijn hart had dichtgeknepen, losliet. + +Het scheen hem, dat God thans vóór hem was en zich verklaarde. + +Hij zeide bij zich zelven, dat hij alles had gedaan wat hem mogelijk +was, en hij nu gerust kon terugkeeren. + +Zoo zijn gesprek met den wagenmaker in een kamer der herberg ware +gehouden, zou het geen getuigen hebben gehad, niemand zou het hebben +gehoord, de zaak zou er bij gebleven zijn en waarschijnlijk zouden +wij geene der gebeurtenissen hebben te vertellen gehad, die nu +volgen; maar het gesprek viel op de straat voor. Ieder gesprek op +de straat lokt onvermijdelijk nieuwsgierigen. Er zijn altijd lieden, +die gaarne wat vernemen. Terwijl hij met den wagenmaker sprak, waren +eenige voorbijgangers blijven staan. Een knaap, op wien niemand had +gelet en die eenige minuten toegeluisterd had, verliet de groep en +liep haastig weg. + +Juist toen de reiziger, na de beraadslaging met zich zelven, welke +wij hebben vermeld, tot het besluit was gekomen om terug te keeren, +kwam de knaap terug, vergezeld van een oude vrouw. + +"Mijnheer," zei de vrouw, "mijn jongen zegt mij, dat ge een cabriolet +wenscht te huren?" + +Deze eenvoudige vraag van een oude vrouw, door een kind vergezeld, +deed het zweet bij hem uitbreken. Hij meende de hand, die hem had +losgelaten, weder achter zich in de schaduw te zien verschijnen, +gereed om hem te vatten. + +Hij antwoordde: + +"Ja, goede vrouw, ik wenschte een rijtuig te huren." + +En schielijk voegde hij er bij: + +"Maar men zegt, dat er hier geen zijn." + +"O ja," zei de vrouw. + +"Waar dan?" vroeg de wagenmaker. + +"Bij mij," antwoordde de oude vrouw. + +Hij ontstelde. De noodlottige hand had hem weder gegrepen. + +Inderdaad, de oude vrouw had werkelijk in een schuur een soort +van mandewagen. De wagenmaker en de stalknecht, wien 't speet, den +reiziger uit hun handen te zien ontsnappen, kwamen tusschenbeide. 't +Was een leelijke rammelkast,--zonder veeren,--de banken hingen wel +op riemen--maar het regende er in,--de wielen waren verroest en door +den regen half verteerd,--'t ding zou het niet veel verder dan de +tilbury brengen,--een ware bolderwagen!--Mijnheer zou verkeerd doen, +hierin te gaan zitten enz. enz. + +Dat alles was waar, maar die rammelkast, deze bolderwagen, dat ding, +het mocht zijn wat het wou, rolde op twee wielen en kon wel naar +Arras komen. + +Hij betaalde wat men vroeg, liet de tilbury bij den wagenmaker +herstellen, om ze bij zijn terugkomst weer te kunnen meenemen, liet +het witte paard voor het karretje spannen, klom er in en reed verder, +steeds denzelfden weg. + +Toen het karretje zich in beweging zette, bekende hij zich zelven, +dat hij een oogenblik te voren verblijd was geweest bij de gedachte, +dat hij niet verder zou reizen. Hij onderzocht deze blijdschap met +een soort van ontevredenheid en vond ze ten hoogste dwaas. Waarom +zou hij zich verheugen, als hij terugkeerde? Hij deed de reis +vrijwillig. Niemand dwong er hem toe. En zeker, er zou niets gebeuren, +dan wat hij wilde. + +Toen hij Hesdin uitreed, hoorde hij een stem die riep: "Halt, halt! Hij +hield stil, met een driftige beweging, die iets zenuwachtigs had en +wederom eenige hoop aanduidde. 't Was het knaapje van de oude vrouw. + +"Mijnheer," zeide hij, "ik heb u het wagentje bezorgd." + +"Welnu?" + +"Krijg ik geen fooitje?" + +Hij, die aan iedereen en zoo lichtvaardig gaf, vond deze vraag +onbescheiden en brutaal. + +"Zoo, zijt gij 't, jongen? gij krijgt niets," zeide hij. + +Hij legde de zweep op 't paard en reed in een draf voort. Te Hesdin +had hij veel tijd verloren; hij wilde dien inhalen. Het paardje was +vurig en trok als twee; maar 't was Februari, het had geregend en de +wegen waren slecht. Daarbij was 't niet meer de tilbury. Het karretje +was zwaar en ongemakkelijk, en de weg had veel hoogten en laagten. + +Hij besteedde bijna vier uren om van Hesdin naar St. Pol te komen; dat +is vijf uren gaans in vier uren. Te St. Pol spande hij in de eerste de +beste herberg uit, en liet zijn paard in den stal brengen. Hij bleef, +zooals hij Scaufflaire had beloofd, er zelf bij, terwijl het paard +at. Hij dacht daarbij aan treurige en verwarde dingen. + +De herbergiersvrouw kwam in den stal, en vroeg: + +"Wil mijnheer niet ontbijten?" + +"'t Is waar ook;" zeide hij, "zeker, ik heb zelfs honger." + +Hij volgde de vrouw, die een frisch en opgeruimd gezicht had. Zij +geleidde hem in een lage kamer, waarin tafeltjes met wasdoeken +kleedjes stonden. + +"Spoed u wat," hernam hij; "ik moet dadelijk weder op reis. Ik +heb haast." + +Een dikke Vlaamsche meid dekte in allerijl de tafel. Hij aanschouwde +de jonge dochter met een gevoel van welgevallen. + +"Dit hinderde mij," dacht hij; "ik had niet ontbeten." + +Men bediende hem. Hij greep het brood, nam een mondvol, legde het +toen langzaam op de tafel en raakte er niet meer aan. + +Een voerman at aan een andere tafel. Hij vroeg aan dezen: + +"Waarom maken ze hier het brood zoo bitter?" + +De voerman was een Duitscher en verstond hem niet. + +Toen keerde Madeleine naar den stal bij het paard terug. Een uur +later had hij Saint-Pol verlaten en reed naar Tinques, dat slechts +vijf uren van Arras ligt. + +Wat deed hij gedurende dien rit? Waaraan dacht hij? Evenals des morgens +zag hij de boomen, de hutten, de akkers voorbijvliegen, en ook het +landschap, dat bij elke kromming van den weg veranderde. Het gezicht +hiervan houdt de ziel soms genoegzaam bezig en ontslaat haar bijna +van het denken. Het zien van duizenden dingen voor de eerste en de +laatste maal, maakt gewis een erstigen en krachtigen indruk. Reizen +is elk oogenblik geboren worden en sterven. Wellicht maakte hij in +zijn geest vluchtige vergelijkingen tusschen deze afwisseling van +tooneelen en het menschelijk leven. Alles in 't leven is ook in +gestadige vlucht voor ons. Duisternis en licht wisselen elkander +af. Op een helder licht volgt een eclips. Men ziet, men haast zich, +men steekt de hand uit om vast te houden wat voorbijvliegt; iedere +gebeurtenis is een kromming van den weg; en eensklaps is men oud. Men +voelt iets als een schok, alles is zwart, men ziet een donkere poort, +het sombere paard des levens, dat u voorttrok, blijft staan. En men +ziet een onbekende gesluierde, die het uitspant in de duisternis. + +De avond daalde juist, toen de kinderen, die uit de school kwamen, +den reiziger Tinques zagen binnenrijden. + +Men was, 't is waar, nog in de korte dagen van het jaar. Hij hield zich +te Tinques niet op. Toen hij uit het dorp reed, hief een straatmaker +die aan den weg werkzaam was, het hoofd op en zeide: + +"Nu, dat paard is wel vermoeid!" + +Inderdaad het arme dier ging slechts stapvoets. + +"Gaat ge naar Arras?" hernam de straatmaker. + +"Ja." + +"Zoo ge niet sneller rijdt, zult ge er niet vroeg zijn." + +De reiziger hield zijn paard stil en vroeg: + +"Hoever is Arras nog van hier?" + +"Zeven groote uren." + +"Wat? het postboek geeft slechts vijf en een kwart uur op." + +"O," hernam de straatmaker, "gij weet dus niet, dat men bezig is +den weg te herstellen. Een kwartier uurs verder zult ge hem geheel +opgebroken vinden. Daar is 't onmogelijk verder te rijden." + +"Waarlijk?" + +"Maar sla links af, dat is de weg, die naar Carency voert; ga over +de rivier; te Camblin moet ge rechts afslaan; dat is de weg van +Mont-Saint-Eloy naar Arras." + +"Maar 't wordt donker en ik zal verdwalen." + +"Zijt ge niet uit deze streken?" + +"Neen." + +"Erg genoeg. 't Zijn overal binnenwegen.--Luister, mijnheer," voegde +de straatmaker er bij; "wil ik u een goeden raad geven? Uw paard is +vermoeid; keer terug naar Tinques. Er is een goede herberg. Blijf er +van nacht en ga morgen naar Arras." + +"Ik moet er hedenavond zijn." + +"Dat is iets anders. Ga dan evenwel naar die herberg en neem er een +versch paard. De knecht zal u over den binnenweg rijden." + +Hij volgde den raad van den straatmaker, keerde terug, en na een half +uur kwam hij voorbij dezelfde plek, maar in vollen draf en met een +goed versch paard. Een stalknecht, die zich voor postillon uitgaf, +zat voor op het lamoen. + +Intusschen merkte hij, dat hij tijd had verloren. + +Het was volslagen nacht. + +Zij kwamen op den binnenweg, die afschuwelijk was. Van den eenen +modderplas zonk het karretje in den anderen. Hij zeide tot den +postillon: + +"Blijf steeds in den draf, en ik geef u een dubbele fooi." + +Een hevige schok deed den zwengel breken. + +"De zwengel is gebroken, mijnheer," zei de postillon, "en ik weet nu +niet, hoe het paard in te spannen; 's nachts is deze weg schrikkelijk +slecht; zoo ge naar Tinques wildet terugkeeren en er van nacht slapen, +zouden wij morgenochtend vroeg te Arras kunnen zijn." + +Hij antwoordde: "Hebt ge touw en een mes?" + +"Ja, mijnheer." + +Hij sneed een boomtak en maakte er een zwengel van. + +Daarmede gingen weder twintig minuten verloren; toen reden zij in +galop verder. + +'t Was donker op de vlakte. Lage, dichte en donkere nevels zweefden +boven de heuvelen en stegen op als rook. Tusschen de wolken zag men +lichtvlekken. Een harde wind, die van zee kwam, loeide van alle zijden +als bruisende golven. Al wat men nog kon zien, had een schrikbarend +voorkomen. Wat beeft al niet onder die hevige winden van den nacht! + +De koude beving den reiziger. Hij had sinds den vorigen avond niet +gegeten. Hij herinnerde zich nog zijn vroegeren nachttocht op de groote +vlakte in den omtrek van D. acht jaren geleden; en 't kwam hem voor, +alsof 't gisteren was gebeurd. Hij hoorde in de verte een klok slaan +en vroeg den knecht hoe laat het was. + +"Zeven uren, mijnheer," zei deze "wij zullen te acht uren te Arras +zijn; wij zijn er nog slechts drie mijlen af." + +Nu maakte hij voor het eerst de opmerking--en vond het zonderling, +dat ze hem niet eerder in de gedachte was gekomen:--dat al de moeite, +welke hij aanwendde, misschien nutteloos was; dat hij zelfs het uur van +het rechtsgeding niet eens wist; dat hij ten minste hiernaar had moeten +vernemen; dat het bespottelijk was op die wijze voort te reizen, zonder +te weten of het ergens toe zou dienen.--Vervolgens maakte hij bij +zich zelven eenige vluchtige berekeningen:--dat de zittingen van het +hof van assises gewoonlijk des ochtends te negen uren begonnen;--dat +deze zaak niet lang zou duren;--de diefstal der appelen zou zeer +spoedig afgehandeld wezen;--dat er vervolgens niets anders was dan +de kwestie der identiteit;--vier of vijf getuigenverhooren;--weinig +door de advocaten te zeggen;--dat hij zou aankomen, wanneer alles +reeds gedaan was! + +De postillon legde de zweep over de paarden. Zij waren de rivier +overgegaan en Mont-Saint-Eloy voorbij. De nacht werd hoe langer +hoe donkerder. + + + + + + +ZESDE HOOFDSTUK. + +BEPROEVING VAN ZUSTER SIMPLICIA. + + +Intusschen verkeerde Fantine op dit oogenblik in groote blijdschap. Zij +had een zeer slechten nacht doorgebracht. Schrikkelijk hoesten, +vermeerdering van koorts, onrustige droomen. Des ochtends, toen de +geneesheer kwam, ijlde zij. Hij zette een zeer bedenkelijk gezicht +en beval, dat men hem zou verwittigen, zoodra mijnheer Madeleine kwam. + +Den ganschen morgen was zij stil, sprak weinig, frommelde met de +bedlakens en scheen binnensmonds afstanden te berekenen. Haar oogen +waren diep in hun kassen gezonken en stonden strak. Zij schenen schier +uitgedoofd; doch in sommige oogenblikken schitterden en fonkelden +zij als sterren. Het is alsof bij de nadering van zeker vreeselijk +uur het licht des hemels hen vervult, van wie het licht der aarde +zich verwijdert. + +Telkens, wanneer zuster Simplicia haar vroeg, hoe zij zich bevond, +antwoordde zij onveranderlijk: "Goed. Ik wenschte mijnheer Madeleine +te zien." + +Eenige maanden vroeger, toen Fantine haar laatste restje eerbaarheid, +haar laatste schaamte, en haar laatste vreugde had verloren, was +zij de schaduw van zich zelve geweest; thans was zij het spookbeeld +van zich zelve. Het lichamelijk lijden had het werk van het zedelijk +lijden aangevuld. Dit vijf-en-twintigjarig wezen had een gerimpeld +voorhoofd, slappe wangen, een spitsen neus, losse tanden, een blonde +kleur, een mageren hals, uitstekende sleutelbeenen, uitgeteerde leden, +een tanige huid, en grijze plekken in haar blond haar. Helaas! hoe +de ziekte eensklaps den ouderdom doet ontstaan! + +Tegen den middag kwam de geneesheer weder; hij schreef iets voor, +vroeg of mijnheer de maire in de ziekenzaal was geweest, en schudde +het hoofd. + +Gewoonlijk bezocht de heer Madeleine de zieken te drie uren. Wijl +stiptheid goedheid is, was hij stipt. + +Omstreeks half drie begon Fantine onrustig te worden. Binnen den tijd +van twintig minuten vroeg zij meer dan tien malen aan de geestelijke +zuster: + +"Zuster, hoe laat is het?" + +Het sloeg drie uur. Bij den derden slag richtte Fantine zich op, schoon +zij zich anders nauwelijks in haar bed kon bewegen; schier krampachtig +vouwde zij haar magere, gele handen samen, en de liefdezuster hoorde +uit haar borst een dier diepe zuchten opstijgen, welke een zwaren +last schijnen op te heffen. Toen wendde Fantine het hoofd en zag naar +de deur. + +Niemand kwam binnen; de deur opende zich niet. + +Zoo zat zij een kwartieruurs, met het oog op de deur gericht, +bewegingloos en als hield zij haar adem in. De zuster durfde haar niet +toespreken. Van den kerktoren sloeg het kwart over drieën. Fantine +zonk weder in het hoofdkussen. + +Zij zeide niets en begon het bedlaken weder te frommelen. + +Een half uur verstreek, een uur, maar niemand kwam; telkens wanneer +de klok sloeg, richtte Fantine zich op en zag naar de deur; dan zeeg +zij weder neer. + +Men zag duidelijk haar gedachte, maar zij sprak geen naam uit, zij +klaagde niet, zij beschuldigde niet. Maar zij hoestte akelig. 't Was +alsof iets duisters op haar nederdaalde. Zij was doodsbleek en haar +lippen waren blauw. Nu en dan glimlachte zij. + +Het sloeg vijf uren. Toen hoorde de zuster haar zeer stil en zacht +zeggen: "Maar wijl ik morgen heenga, begrijp ik niet, dat hij heden +niet komt." + +Zuster Simplicia zelve was insgelijks verwonderd over Madeleine's +uitblijven. + +Fantine zag opwaarts naar den hemel van haar bed. Zij scheen te +trachten, iets in haar geheugen terug te roepen. Eensklaps begon zij +te zingen, met een stem zoo zwak als een adem. De geestelijke zuster +luisterde. Fantine zong het volgende: + + + Nous achèterons de bien belles choses + En nous promenant le long des faubourgs. + Les bleuets sont bleus, les roses sont roses, + Les bleuets sont bleus, j'aime mes amours. + + La vierge Marie auprès de mon poèle + Est venue hier en manteau brodé; + Et m a dit:--Voici, caché sous mon voile, + Le petit qu'un jour tu m'as demandé.-- + Courez à la ville, ayez de la toile, + Achetez du fil, achetez un dé. + + Nous achèterons de bien belles choses + En nous promenant le long des faubourgs. + + Bonne sainte Vierge, auprès de mon poèle + J'ai mis un berceau de rubans orné; + Dieu me donnerait sa plus belle étoile, + J'aime mieux l'enfant que tu m'as donné. + --Madame, que faire avec cette toile? + --Faites un trousseau pour mon nouveau-né. + + Les bleuets sont bleus, les roses sont roses, + Les bleuets sont bleus, j'aime mes amours. + + Lavez cette toile--Où?--Dans la rivière, + Faites-en, sans rien gâter ni salir, + Une belle jupe avec sa brassière! + Que je veux broder et de fleurs emplir. + --L'enfant n'est plus là, madame, qu'en faire? + --Faites-en un drap pour m'ensevelir. + + Nous achèterons de bien belles choses + En nous promenant le long des faubourgs. + Les bleuets sont bleus, les roses sont roses, + Les bleuets sont bleus, j'aime mes amours. [13] + + +Dit was een oud wiegelied, waarmede zij eertijds haar kleine Cosette +in slaap zong, en 't welk haar nu in de vijf jaren, gedurende welke +zij haar kind niet meer had, niet in den geest was gekomen. Zij zong +het met zulk een treurige stem en op zulk een zachten toon, dat zij +zelfs den ongevoeligste zou hebben doen weenen. De geestelijke zuster, +aan treurige zaken gewoon, voelde een traan in haar oogen opwellen. + +Het sloeg zes uren. Fantine scheen niet te hooren. Zij scheen op +niets te letten van wat haar omgaf. + +Zuster Simplicia zond een dienstmeisje naar de portierster der fabriek +om te vernemen, of mijnheer de maire te huis was gekomen, en of hij +ook spoedig de ziekenzaal zou bezoeken. Het meisje kwam na eenige +minuten terug. + +Fantine lag altijd stil en scheen uitsluitend met haar gedachten bezig. + +Het dienstmeisje zeide fluisterend aan zuster Simplicia, dat mijnheer +de maire dienzelfden morgen vóór zes uren in een kleine tilbury met +een wit paard was uitgereden, alléén, zonder voerman; dat men niet +wist, waarheen hij was gereden, dat sommigen zeiden hem den weg naar +Arras te hebben zien inslaan, doch dat anderen verzekerden hem op +den weg naar Parijs ontmoet te hebben. Dat hij bij zijn vertrek, +als gewoonlijk, zeer minzaam was geweest, maar aan de portierster +gezegd had, dat men hem van nacht niet terug moest verwachten. + +Terwijl de twee vrouwen, met den rug naar Fantine's bed gekeerd, samen +fluisterden, de zuster vragende, het dienstmeisje antwoordende, +had zich Fantine, met de koortsige levendigheid van sommige +organische ziekten, welke de vrije bewegingen der gezondheid met de +verschrikkelijke magerheid des doods gepaard doet gaan, in haar bed +op de knieën geworpen, steunde krampachtig met haar hand op de peluw, +en zag luisterend tusschen de bedgordijnen heen. Eensklaps riep zij: + +"Gij spreekt van mijnheer Madeleine! waarom fluistert ge? Wat doet +hij? Waarom komt hij niet?" + +Haar stem klonk zoo luid en forsch, dat de beide vrouwen een mannenstem +meenden te hooren. Verschrikt zagen zij om. + +"Antwoord toch!" riep Fantine. + +Het dienstmeisje stamelde: + +"De portierster heeft mij gezegd, dat hij heden wellicht niet zou +komen." + +"Mijn kind," zei de liefdezuster, "wees rustig, ga weder liggen." + +Fantine hernam, zonder van houding te veranderen, luid en op een +heftigen, hartverscheurenden toon: + +"Zou hij niet komen? Waarom? Ge weet de reden; ge spraakt er +fluisterend over. Ik wil ze weten." + +De dienstmeid fluisterde schielijk de liefdezuster toe: "Zeg, dat +hij op het stadhuis bezig is." + +Op zuster Simplicia's gezicht kwam een lichte blos; 't was een leugen, +welke het meisje haar voorstelde. Van de andere zijde erkende zij, dat, +zoo men de zieke de waarheid zeide, haar dit een vreeselijken slag zou +toebrengen, 't geen in Fantine's toestand gevaarlijk kon zijn. De blos +op haar gelaat verdween spoedig. De liefdezuster richtte haar kalmen, +treurigen blik op Fantine en zeide: + +"Mijnheer de maire is op reis." + +Fantine richtte zich op en ging gehurkt zitten. Haar oogen +glinsterden. Haar smartelijk gelaat schitterde van onbeschrijfelijke +blijdschap. + +"Op reis!" riep zij, "hij is Cosette gaan halen." + +Toen hief zij haar handen ten hemel en haar geheele houding scheen +zich te verheffen. Haar lippen bewogen zich; zij bad in stilte. + +Toen zij gebeden had, zeide zij: "Zuster, ik wil weder gaan liggen, +ik zal alles doen wat men wil; zoo aanstonds was ik ondeugend; ik +vraag u vergeving, zoo luid gesproken te hebben; 't is volstrekt niet +goed zoo luid te spreken; ik weet het, goede zuster; maar zie, nu ben +ik zeer tevreden. De lieve God is goed; mijnheer Madeleine is goed; +verbeeldt u, hij is naar Montfermeil gegaan, om mijn Cosette te halen." + +Zij legde zich neder, hielp de liefdezuster het hoofdkussen verschikken +en kuste het zilveren kruisje, dat zij aan den hals droeg, en 't welk +zuster Simplicia haar gegeven had. + +"Mijn kind," zei de zuster, "tracht nu te slapen en spreek niet meer." + +Fantine nam de hand der zuster in haar klamme handen; deze voelde +dit zweet met inwendige smart. + +"Hij is van ochtend naar Parijs vertrokken. Hij behoeft trouwens +niet over Parijs te gaan. Montfermeil ligt van hier een weinig +links. Herinnert ge u, dat hij mij gisteren, toen ik van Cosette +sprak, zeide: "spoedig, spoedig." Hij wil mij verrassen. Ge weet, +dat hij mij een brief aan Thénardier liet teekenen, om haar terug te +eischen. Zij zullen immers geen tegenwerpingen maken, niet waar? Zij +zullen Cosette wedergeven? Zij zijn immers betaald. De overheid zou +'t immers niet veroorloven, dat men een kind behield, wanneer men +betaald is. Lieve zuster, wenk mij niet, dat ik zwijgen moet. Ik ben +zoo onuitsprekelijk gelukkig, ik gevoel mij geheel wel, mij deert +niets meer, ik zal mijn Cosette wederzien, ik heb zelfs honger. In +bijna vijf jaren heb ik haar niet gezien. Ge kunt u niet verbeelden, +hoe sterk men aan kinderen gehecht is, en zij zal zoo lief zijn! ge +zult zien. Wist ge, welke kleine lieve vingertjes zij heeft; o, zij +zal gewis fraaie handen krijgen. Toen zij een jaar oud was, waren +haar handjes heel klein.--Zij zal nu groot zijn. Zij is zeven jaar +oud. 't Is een jonge juffrouw. Ik noem haar Cosette, maar zij heet +Euphrasie. Zie, van ochtend zag ik stof op den schoorsteen, en ik +dacht, dat ik spoedig Cosette zou wederzien. Mijn hemel! hoe verkeerd +is het, zijn kinderen in jaren niet te zien! Men moest bedenken, +dat het leven niet eeuwig duurt. O, 't is goed, dat mijnheer de maire +vertrokken is; 't is waar, dat het vinnig koud is! Had hij ten minste +zijn mantel bij zich? hij zal morgen hier zijn, niet waar? 't Zal +morgen feest zijn. Morgenochtend moet ge er mij aan helpen denken, +lieve zuster, dat ik mijn mutsje met kant opzet. Montfermeil, dat is +een land! Ik heb dien weg vroeger te voet afgelegd. 't Was voor mij +ver. Maar de diligences rijden zeer snel! morgen zal hij met Cosette +hier zijn! Hoe ver ligt Montfermeil van hier?" + +De zuster, die volstrekt niets van afstanden wist, antwoordde:--O, +ik geloof wel, dat hij morgen terug zal kunnen zijn." + +"Morgen! morgen!" zei Fantine; "morgen zal ik Cosette zien! Hoor, +lieve zuster, ik ben in 't geheel niet meer ziek! Ik ben dol van +blijdschap. Ik zou kunnen dansen, als 't zijn moest." + +Wie haar een kwartier vroeger had gezien, zou van haar toestand +niets begrepen hebben. Thans was zij blozend, zij sprak levendig, +natuurlijk, geheel haar gelaat glimlachte. Nu en dan lachte ze luid +in zich zelve. Moedervreugde is bijna gelijk aan kindervreugde! + +"Welaan," hernam de geestelijke zuster, "nu ge gelukkig zijt, moet +ge mij gehoorzamen, en niet meer spreken." + +Fantine legde haar hoofd op 't kussen en zeide halfluid: + +"Ja, leg u neder, wees verstandig, nu ge uw kind weder zult +hebben. Zuster Simplicia heeft gelijk. Allen hier hebben +gelijk." Zonder zich te bewegen, zonder het hoofd te wenden, zag +zij naar alle zijden met wijdgeopende oogen en vroolijk gezicht, +en sprak niet meer. + +De zuster schoof de bedgordijnen dicht, in de hoop dat zij zou +insluimeren. + +Tusschen zeven en acht uren kwam de geneesheer. Wijl hij niets hoorde, +meende hij dat Fantine sliep, hij trad zacht binnen en ging op de +teenen naar het bed. Hij opende even de gordijnen en zag bij het +schijnsel van het nachtlicht Fantine's groote rustige oogen, die +hem aanschouwden. + +Zij sprak tot hem:--"Niet waar, mijnheer? men zal haar naast mij in +een klein bedje laten slapen?" + +De geneesheer meende, dat zij ijlde. + +Zij hernam: "Zie; er is juist plaats voor." + +De geneesheer nam zuster Simplicia ter zijde, en deze verhaalde hem, +dat mijnheer Madeleine voor een paar dagen afwezend was, dat men +gemeend had de zieke in haar waan te moeten laten, als zou mijnheer +Madeleine naar Montfermeil zijn gereisd, terwijl 't overigens mogelijk +was, dat zij juist geraden had. De geneesheer vond dit goed. Hij ging +weder naar het bed van Fantine, die hernam: + +"Want, morgen, weet ge, zal ik mijn lieve schat bij haar ontwaken +goeden morgen kunnen zeggen, en 's nachts zal ik, dewijl ik toch +niet slaap, haar hooren slapen. 't Zal mij goed doen, haar zachte +ademhaling te hooren." + +"Geef mij uw hand," zei de geneesheer. + +Zij stak haar hand uit, en zei lachend: + +"O, ziedaar! 't Is waar, gij weet het nog niet, dat ik weer geheel +beter ben. Cosette komt morgen." + +De dokter was verwonderd. Zij was inderdaad beter. De beklemdheid was +minder. De pols was krachtiger geworden. Het arme uitgeputte schepsel +scheen plotseling door een nieuw leven bezield. + +"Mijnheer de dokter," hernam zij, "heeft de zuster u gezegd, dat +mijnheer de maire het lieve kind is gaan halen?" + +De geneesheer beval stilte en dat men alle onaangename aandoeningen +moest vermijden. Hij schreef een kinadrankje voor, en, ingeval de +koorts des nachts terugkeerde, een kalmeerend middel. Toen hij +heenging zeide hij tot de zuster:--'t Gaat beter. Zoo het geluk +wilde, dat mijnheer de maire inderdaad morgen met het kind kwam; +wie weet? er zijn zulke wonderbare crisissen; men heeft meer gezien, +dat groote blijdschap een ziekte plotseling tot staan bracht; ik weet, +dat 't hier een organische en zeer vergevorderde ziekte is, maar wie +kan zeggen wat mogelijk is! Misschien ware de zieke nog te redden. + + + + + + +ZEVENDE HOOFDSTUK. + +DE AANGEKOMEN REIZIGER NEEMT MAATREGELEN OM WEDER TE VERTREKKEN. + + +'t Was omstreeks acht uren 's avonds, toen het wagentje, dat wij +onderweg verlaten hebben, de koetspoort van het posthotel te Arras +binnenreed. De man, dien wij tot hiertoe gevolgd zijn, stapte er uit, +beantwoordde verstrooid de voorkomendheid der bedienden, zond het +bijpaard terug en bracht zelf het witte paardje in den stal; daarna +opende hij de deur van een biljartzaal, die zich gelijkvloers bevond, +en plaatste zich aan een tafel, met het hoofd in de hand. Hij had +veertien uren aan deze reis besteed, welke hij in zes uren had meenen +te doen. Hij gaf zich zelven 't getuigenis, dat het niet zijn schuld +was, ofschoon 't hem in den grond zijns harten geen leed deed. + +De logementhoudster trad binnen. + +"Blijft mijnheer van nacht? soupeert mijnheer?" + +Hij schudde ontkennend met het hoofd. + +"De stalknecht zegt, dat het paard van mijnheer erg vermoeid is." + +Nu sprak hij en vroeg: + +"Zou het paard morgen niet kunnen terugkeeren?" + +"O, mijnheer, 't zal ten minste twee dagen rust noodig hebben." + +"Is 't hier de paardenposterij?" vroeg hij. + +"Ja, mijnheer." + +De logementhoudster voerde hem naar het bureau, waar hij zijn pas +vertoonde en vroeg of er dien nacht gelegenheid was met de postkar +naar M. sur M. te vertrekken. De plaats naast den postillon was nog +vrij; hij bestelde die en betaalde ze. + +"Mijnheer," zei de klerk, "zorg prompt om één uur van nacht hier +te zijn." + +Daarna verliet Madeleine het logement en ging door de straten der stad. + +Hij kende Arras niet, de straten waren donker en hij ging op het toeval +af. Hij scheen den voorbijgangers den weg niet te willen vragen. Na +het riviertje Crinchon te zijn overgegaan, bevond hij zich in een +doolhof van nauwe stegen, waarin hij verdwaalde. Een man naderde met +een lantaarn. Na eenige aarzeling sprak hij dien man aan, evenwel niet +zonder eerst voor en achter zich te hebben gezien, als vreesde hij, +dat iemand de vraag hoorde, welke hij wilde doen. + +"Kunt ge mij ook zeggen, waar 't gerechtshof is, mijnheer?" + +"Gij zijt hier denkelijk vreemd, mijnheer;" antwoordde do burger, een +oud man, "welnu, volg mij. Ik ga juist den kant van 't gerechtshof +uit, dat wil zeggen van het hôtel der prefectuur. Want men is +thans bezig met het gerechtshof te verbouwen, en derhalve worden de +terechtzittingen tijdelijk in de prefectuur gehouden." + +"Worden daar ook de assises gehouden?" + +"Ja, mijnheer, wat thans de prefectuur is, weet ge, was vóór de +revolutie het bisschoppelijk paleis. Monseigneur de Conzié, die +in twee-en-tachtig bisschop was, heeft er een groote zaal doen +bouwen. Deze zaal nu is voor de rechtbank ingericht. + +Onderweg zei de burger: + +"Zoo mijnheer een proces wil bijwonen is het te laat. De zittingen +eindigen gewoonlijk te zes uren." + +Toen zij op het marktplein waren gekomen, wees de man hem vier +verlichte vensters in den voorgevel van een groot, donker gebouw. + +"Waarlijk, mijnheer, gij komt nog vroeg genoeg; dat valt mee. Ziet +gij deze vier vensters? 't Is de zaal der assises. Er is licht. Men +is er dus nog. 't Is zeker een zaak, die veel tijd vereischt, dat +men een avondzitting houdt. Zijt ge soms in deze zaak betrokken? Is +'t een crimineele zaak? Zijt ge getuige?" + +"Ik kom voor geen zaak," was het antwoord, "ik moet slechts een +advocaat spreken." + +"Dat is iets anders," zei de burger. "Ziehier de deur, mijnheer, waar +de schildwacht staat. Ge behoeft slechts de groote trap op te gaan." + +Hij volgde de aanwijzing van den burger en eenige minuten later was +hij in een zaal, waar groepen menschen, waaronder advocaten in toga's, +hier en daar met elkander stonden te fluisteren. + +'t Is altijd een hartbeklemmend gezicht, deze in 't zwart +gekleede mannen aan den ingang der gerechtszalen met elkander +te zien fluisteren. Zelden komen menschlievendheid en medelijden +uit deze gesprekken voort. Meestal zijn het reeds vooraf beraamde +veroordeelingen. Deze groepen schijnen den opmerkzamen en peinzenden +voorbijganger zooveel donkere bijenkorven toe, waarin gonzende geesten +gemeenschappelijk aan allerlei duistere werken arbeiden. + +Deze ruime, slechts door een enkele lamp verlichte zaal, in +het voormalige bisschoppelijke paleis, diende tot wachtkamer of +voorzaal. Een, op dit oogenblik gesloten vleugeldeur, scheidde haar +van de groote zaal, waar het gerechtshof zitting hield. + +De duisternis was zoo groot, dat hij niet aarzelde, zich tot den +eersten advocaat te wenden, dien hij ontmoette. + +"Hoe ver is men, mijnheer," vroeg hij. + +"'t Is afgeloopen," zei de advocaat. + +"Afgeloopen?" + +Dit woord werd op zulk een toon uitgesproken, dat de advocaat zich +omwendde. + +"Zijt ge misschien een bloedverwant, mijnheer?" + +"Neen, ik ken hier niemand. Heeft er een veroordeeling plaats gehad?" + +"Zekerlijk. 't Kon onmogelijk anders." + +"Tot dwangarbeid?... + +"Levenslang." + +Hij hernam met een nauwelijks hoorbare stem: + +"De identiteit is dus bewezen?" + +"Welke identiteit?" hernam de advocaat. "Er was geen identiteit te +bewijzen. De zaak was eenvoudig. De vrouw had haar kind gedood; de +kindermoord was bewezen, de jury heeft de voorbedachtzaamheid niet +aangenomen, zij is voor levenslang veroordeeld." + +"'t Is dus een vrouw?" vroeg hij. + +"Maar gewis. De ongehuwde Limosin. Wie meent gij anders?" + +"O, niets. Maar waarom is de zaal nog verlicht, zoo de zaak geëindigd +is?" + +"'t Is voor een andere zaak, waarmede men voor een paar uren begonnen +is." + +"Welke is die zaak?" + +"O, deze is even duidelijk. Een soort van bedelaar, een oude galeiboef +heeft gestolen. Ik herinner mij zijn naam niet. Nu, deze draagt zijn +handwerk op zijn gezicht! Alleen dat gezicht zou mij reden genoeg +wezen om hem naar de galeien te zenden." + +"Is er mogelijkheid in de zaal te komen, mijnheer?" + +"Ik geloof 't niet. 't Is er stampvol. Maar de zitting is geschorst; +verscheiden menschen zijn heengegaan, bij de hervatting der zitting +kunt ge 't beproeven." + +"Waar is de ingang?" + +"Door deze groote deur." + +De advocaat verliet hem. In weinige oogenblikken had hij schier in +denzelfden tijd alle mogelijke aandoeningen gevoeld. De woorden van +den onverschilligen advocaat waren hem beurtelings als naalden van +ijs en als dolken van vuur door het hart gegaan. Toen hij zag, dat +de zaak niet afgeloopen was, ademde hij ruimer; doch hij had niet +kunnen zeggen, of 't geen hij gevoelde blijdschap was of smart. + +Hij naderde verschillende groepen en luisterde naar hetgeen gezegd +werd. Aangezien op de rol der assises buitengewoon veel zaken +waren, had de president voor dezen dag twee eenvoudige en korte +zaken bepaald. Men was met de zaak van een kindermoord begonnen, +en thans was men aan die van den galeiboef, den recidivist. Deze +man had appelen gestolen, doch dit scheen niet volkomen bewezen; te +zekerder was 't echter bewezen, dat hij reeds op de galeien te Toulon +was geweest. Dit maakte zijn zaak kwaad. Overigens was het verhoor +van den man ten einde en ook het getuigenverhoor, maar de advocaat +moest nog pleiten en het openbaar ministerie zijn eisen doen; dit +zou wel tot middernacht duren. De man zou waarschijnlijk veroordeeld +worden; de advocaat-generaal was zeer knap;--en "verloor" zelden zijn +beschuldigden;--'t was een geestig mensch, die verzen maakte. + +Een deurwaarder stond aan de deur, die naar de gerechtszaal +voerde. Madeleine vroeg dien deurwaarder: + +"Zal de deur spoedig geopend worden?" + +"Zij wordt niet geopend," zei de deurwaarder. + +"Hoe! wordt zij niet geopend bij de hervatting der zitting? de zitting +is immers slechts geschorst?" + +"De zitting is weder begonnen," antwoordde de deurwaarder, "maar de +deur wordt niet weder geopend." + +"Waarom?" + +"Omdat de zaal vol is." + +"Is er geen plaats meer?" + +"Geen enkele. De deur is gesloten. Niemand kan meer binnen." + +Na eenig zwijgen hernam de deurwaarder: "Er zijn nog wel een paar +plaatsen achter mijnheer den president, maar mijnheer de president +wil daar geen andere lieden toegelaten hebben, dan openbare beambten." + +Hiermede keerde de deurwaarder hem den rug toe. + +Madeleine verwijderde zich met gebogen hoofd en ging langzaam de +trap af, als aarzelde hij op elke trede. 't Is waarschijnlijk, +dat hij met zich zelven overlegde. De geweldige strijd die sinds +den vorigen dag in zijn binnenste heerschte, was niet geëindigd; +ieder oogenblik hernieuwde hij zich opnieuw. Toen hij aan het portaal +was gekomen, ging hij tegen de leuning staan en sloeg de armen over +elkander. Eensklaps opende hij zijn jas, nam zijn portefeuille, +haalde een potlood voor den dag en scheurde toen een blaadje uit, +en schreef daarop bij het licht van den lantaarn: "M. Madeleine, +maire van M. sur M.;" toen drong hij met snelle schreden door de +menigte, trad recht op den deurwaarder toe, gaf hem het briefje en +zeide gebiedend: "Breng dit aan mijnheer den president." + +De deurwaarder nam het papier, sloeg er een blik op en gehoorzaamde. + + + + + + +ACHTSTE HOOFDSTUK. + +BEVOORRECHTE TOEGANG. + + +Zonder dat hij 't zelf wist, genoot de maire van M. sur M. een zekere +vermaardheid. Sedert zeven jaren, dat het gerucht zijner deugden +geheel het Boulonneesche vervulde, had zich dat gerucht eindelijk ook +buiten de grenzen van het kleine gewest verspreid en zich over twee +of drie aangrenzende departementen verbreid. Behalve den gewichtigen +dienst, welken hij aan de hoofdplaats van het arrondissement M. sur +M. had bewezen, door de ontwikkeling der industrie, was er geen +van de honderd-een-en-veertig gemeenten des arrondissements, die +hem niet eene of andere weldaad te danken had. Hij had zelfs nu en +dan de industrie in andere arrondissementen weten te ondersteunen +en te bevorderen. Alzoo had hij door zijn krediet en zijn geld de +tulle-fabriek te Boulogne, de mechanische garenspinnerij te Frevent +en de linnenweverij te Boubers sur-Chanche staande gehouden. Alom +werd de naam van den heer Madeleine met eerbied genoemd. Arras en +Douai benijdden het gelukkig stadje M. sur M. zijn maire. + +De raadsheer bij het gerechtshof te Douai, die deze zitting der +assises te Arras presideerde, kende, als iedereen, dezen zoozeer +en zoo algemeen geëerden naam. Toen de deurwaarder de deur opende, +die uit de raadkamer naar de gerechtszaal voerde, en zich bescheiden +over den zetel van den president boog, hem het papier overhandigde, +dat we gelezen hebben, daarbij zeggende: "deze heer wenscht de zitting +bij te wonen," maakte de president dadelijk een toestemmend gebaar, +nam een pen, schreef een paar woorden onder op het papier en gaf het +den deurwaarder terug, zeggende: "laat mijnheer binnenkomen." + +De ongelukkige man, wiens geschiedenis wij verhalen, stond nog aan de +deur der zaal, op dezelfde plaats en in dezelfde houding als toen de +deurwaarder hem verlaten had. Hij hoorde, te midden zijner mijmering, +iemand tot hem zeggen: "Wil mijnheer zoo goed zijn mij te volgen?" + +'t Was dezelfde deurwaarder, die hem een oogenblik vroeger den rug +had toegekeerd en nu voor hem tot den grond boog. De deurwaarder +overhandigde hem tevens het papier. Hij opende het, en wijl hij bij +de lamp stond, kon hij lezen: "De president van het hof van assises +betuigt den heer Madeleine zijn hoogachting." + +Hij frommelde het papier in zijn handen, alsof deze weinige woorden +een vreemden, bitteren nasmaak hadden. + +Hij volgde den deurwaarder. + +Eenige oogenblikken later was hij alleen in een kamer met een ernstig +voorkomen, die verlicht werd door twee kaarsen, welke op een met +een groen kleed overdekte tafel stonden. De laatste woorden van den +deurwaarder, die hem verlaten had, ruischten hem nog in de ooren: +"Mijnheer, dit is de raadkamer; gij behoeft slechts den koperen knop +dezer deur om te draaien en ge zijt in de gerechtszaal achter den +zetel van mijnheer den president."--Deze woorden vermengden zich in +zijn gedachten met een flauwe herinnering aan nauwe gangen en donkere +trappen langs welke hij gegaan was. + +De deurwaarder had hem alleen gelaten. Het gewichtig oogenblik was +gekomen. Hij trachtte zijn zelfbeheersching te herwinnen zonder +dat hem dit gelukte. De draden van den geest breken meestal in die +oogenblikken, als men ze 't meest noodig heeft om ze aan de pijnlijke +werkelijkheid van het leven te verbinden. Hij bevond zich nu op de +plaats, waar de rechters raadplegen en veroordeelen. Met stompzinnige +kalmte beschouwde hij deze stille, vreeselijke kamer, waar zoo vele +levens gebroken waren, waar zijn naam weldra zou klinken en waar +zijn lot nu zweefde. Hij aanschouwde de wanden, toen zich zelven, +verwonderd dat het deze kamer, dat hij het was. + +Sinds langer dan vier-en-twintig uren had hij niets genuttigd, hij was +gekneusd door het schokken van het rijtuig; maar hij voelde het niet; +hij scheen niets te voelen. + +Hij naderde een zwarte lijst, die aan den muur hing en achter glas +een ouden, eigenhandigen brief bevatte van Jean Nicolas Pache, maire +van Parijs en minister, gedagteekend, waarschijnlijk bij vergissing, +9 Juni van 't jaar II, in welken Pache aan de gemeente de lijst der +ministers en afgevaardigden zond, die in hechtenis waren. Een getuige, +die hem op dit oogenblik gezien en opgemerkt had, zou zich zekerlijk +hebben verbeeld, dat deze brief hem bijzonder belang inboezemde, want +hij wendde er het oog niet af en las hem twee- of driemaal. Maar hij +las werktuiglijk en zonder er bij te denken. Hij dacht aan Fantine +en Cosette. + +In gedachten verdiept keerde hij zich om, en zijn blik viel op den +koperen knop der deur, welke hem van de gerechtszaal scheidde. Hij had +deze deur bijna vergeten. Zijn aanvankelijk rustige blik bleef op dien +knop gevestigd, maar kreeg iets onrustigs en drukte hoe langer hoe meer +angst uit. Het klamme zweet brak hem uit en druppelde langs zijn hoofd. + +Op een oogenblik maakte hij dat onbeschrijfelijk gebaar van eene +wilskracht, die zich aan tegenstand ontscheurt, 't welk zoo duidelijk +uitdrukt: "maar, wie drommel, zou mij willen dwingen?" Toen keerde hij +zich schielijk om, zag naar de deur die hij was binnengekomen, trad er +heen, opende ze en verliet de kamer. Nu was hij er buiten, in een gang, +een lange, smalle gang met verscheidene trappen en deuren, die vele +hoeken vormden, hier en daar flauw verlicht als door een ziekenlamp; +in de gang waardoor hij gekomen was. Hij schepte adem en luisterde: +vóór of achter hem geen gerucht;--nu liep hij, alsof men hem vervolgde. + +Na verscheidene hoeken van deze gang te zijn voorbijgegaan, luisterde +hij nogmaals. Steeds dezelfde stilte, dezelfde duisternis die hem +omgaf. Hij was buiten adem, hij waggelde en leunde tegen den muur. De +steenen van den muur waren koud, het zweet op zijn voorhoofd was als +ijs, huiverend richtte hij zich op. + +Alleen in deze duisternis staande, van koude en misschien van iets +anders bevende, gaf hij zich weder aan zijn gedachten over. + +Hij had den ganschen nacht, den ganschen dag gepeinsd; hij hoorde +geen andere stem in zijn binnenste dan die hem zeide: helaas! + +Zoo verstreek een kwartier. Eindelijk boog hij het hoofd, +zuchtte angstig, liet de armen hangen en keerde op zijn schreden +terug. Langzaam en verslagen trad hij voort. 't Was alsof iemand hem +in zijn vlucht had bereikt en terugvoerde. + +Hij trad de raadkamer weder binnen. Het eerste voorwerp dat hij zag +was de deurknop. Deze ronde gepolijste koperen knop glinsterde voor +zijn oogen als een onheilspellende ster. Hij aanschouwde hem, gelijk +een lam het oog eens tijgers zou aanschouwen. + +Zijn oogen konden er zich niet van afwenden. Nu en dan deed hij een +schrede en naderde de deur. + +Zoo hij geluisterd had, zou hij een dof verward gemurmel hebben +gehoord, het gerucht in de belendende zaal; maar hij luisterde niet +en hoorde niets. + +Eensklaps, zonder dat hij wist hoe, stond hij voor de deur, en greep +krampachtig den knop; de deur opende zich. + +Hij bevond zich in de gerechtszaal. + + + + + + +NEGENDE HOOFDSTUK. + +EEN PLAATS WAAR OVERTUIGINGEN BEZIG ZIJN, ZICH TE VORMEN. + + +Hij deed een schrede, sloot werktuiglijk de deur achter zich dicht +en bleef toen staan, het tooneel vóór zich beschouwende. + +'t Was een tamelijk groote, flauw verlichte ruimte, nu druk en +levendig, dan weder doodstil, met de geheele inrichting van een +crimineel proces, met zijn kleingeestige en sombere deftigheid voor +'t oog der menigte. + +Aan het einde der zaal, waar hij zich bevond, rechters met verstrooide +gezichten, in versleten tabbaarden, zich met hun nagels onledig +houdende of met de oogen gesloten; aan het andere einde een havelooze +hoop volk; advocaten in allerlei houding; soldaten met eerlijke maar +ruwe gezichten; oud, beschadigd houtwerk, vuile zoldering, tafels +met kleeden, die eer geel dan groen konden heeten, deuren die door +de handen smerig waren geworden; langs den wand aan spijkers, lampen +uit een herberg, die meer walm dan licht verspreidden; op de tafels +vetkaarsen in koperen kandelaars; duisternis, leelijkheid, treurigheid; +en uit dat alles ontwikkelde zich een strenge, verheven indruk; want +men gevoelde er die gewichtige menschelijke zaak, welke men wet noemt, +en die gewichtige hemelsche zaak, welke men rechtvaardigheid heet. + +Niemand in deze menigte lette op Madeleine. Aller blikken waren op +één punt gericht, een bank bij een kleine deur, tegen den muur ter +linkerzijde van den president. Op deze bank, die door verscheidene +kaarsen werd verlicht, zat een man tusschen twee gendarmen. + +Deze man--was de man. + +Hij zocht hem niet, hij zag hem. Zijn oogen wendden zich van zelven +in die richting, als hadden zij vooraf geweten waar deze gestalte +zich bevond. + +Hij meende zich zelven te zien, verouderd, wel niet juist zijn gezicht, +maar volkomen gelijkend in houding en voorkomen, met dat borstelig +haar, dien schuwen, onrustigen blik, met die kiel, juist zooals hij er +uitzag op den dag, toen hij D. binnentrad, vol haat, en in zijn ziel +dien afschuwelijken rijkdom van schrikkelijke gedachten verbergende, +welke hij gedurende negentien jaren in het tuchthuis had opgezameld. + +Sidderend zeide hij bij zich zelven: "Mijn God! zal ik weder zóó +worden?" + +Deze man scheen ten minste zestig jaar te zijn. Hij had een ruw, +dom en woest voorkomen. + +Toen Madeleine de deur opende, was men op zijde gegaan om hem plaats +te maken, de president had het hoofd gewend en den binnenkomende, in +wien hij den maire van M. sur M. zag, gegroet. De advocaat-generaal, +die den heer Madeleine herhaaldelijk te M. sur M. had gezien, bij +gelegenheid dat zijn ambtsverrichtingen hem daar riepen, herkende +en groette hem insgelijks. Deze bemerkte dit nauwelijks. Hij was ter +prooi aan een soort van gezichtsverwarring: hij staarde slechts. + +Rechters, een griffier, gendarmen, een menigte vreeselijk nieuwsgierige +hoofden, dat alles had hij reeds eerder, eertijds, zeven-en twintig +jaren geleden, gezien. Deze heillooze zaken vond hij hier terug; zij +waren hier, zij bewogen zich, bestonden werkelijk; 't was niet een +herinnering van zijn geest, een zinsbegoocheling, 't waren wezenlijke +gendarmen, wezenlijke rechters, wezenlijke nieuwsgierigen en wezenlijke +menschen van vleesch en been. 't Was zoo! hij zag de schrikbarendste +beelden uit zijn verleden, met al het vreeselijke der wezenlijkheid, +om zich heen verschijnen en herleven. + +Dat alles lag open voor hem. Vol afgrijzen sloot hij de oogen en riep +in 't binnenste zijner ziel: nooit! + +En door een treurig spel van het lot, dat al zijn denkbeelden verwarde +en hem schier waanzinnig maakte, was degeen, dien hij voor zich zag, +zijn tweede ik! Allen noemden den man, die hier gevonnist werd, +Jean Valjean! + +'t Was een ongehoord visioen: voor zijn oogen had hij een soort van +voorstelling van het vreeselijkst oogenblik zijns levens, die door +zijn eigen schim gespeeld werd. + +Alles was er, dezelfde inrichting, hetzelfde uur des nachts, schier +dezelfde gezichten der rechters, soldaten en toeschouwers. Alleen +bevond zich boven het hoofd van den president een kruisbeeld, hetwelk +ten tijde zijner veroordeeling, in de rechtszalen ontbrak. Toen hij +gevonnist werd, was God afwezig. + +Een stoel stond achter hem; hij liet er zich op nederzakken, ontsteld +bij de gedachte, dat men hem zien kon. Toen hij zat, trachtte hij +achter een hoop portefeuilles met akten, die op de tafel der rechters +lagen, zijn gezicht voor de geheele zaal te verbergen. Nu kon hij zien, +zonder gezien te worden. Hij kwam eindelijk tot het volle besef der +werkelijkheid; allengs herstelde hij zich. Hij herkreeg die kalmte, +waarin men in staat, is te luisteren. + +Mijnheer Bamatabois behoorde tot de gezworene. + +Hij zocht Javert, maar hij zag hem niet. De bank der getuigen was +achter de tafel van den griffier voor hem verborgen. Bovendien was +de zaal, gelijk gezegd is, zeer flauw verlicht. + +Juist toen hij binnentrad was de advocaat aan het slot zijner +pleitrede. Aller aandacht was in de hoogste mate gespannen, de zaak +had reeds drie uren geduurd. Sedert drie uren zagen de aanwezenden +een man, een onbekende, een wezen van de ellendigste soort, in den +hoogsten graad dom of sluw, allengs onder den last eener vreeselijke +waarschijnlijkheid zwichten. Deze man, zooals men weet, was een +landlooper, die was aangehouden, terwijl hij een tak met rijpe +appelen, in een naburigen boomgaard afgebroken, in de hand had. Wie +was deze man? Een onderzoek was ingesteld, getuigen waren gehoord; zij +waren allen eenstemmig geweest, uit de debatten was genoegzaam licht +opgegaan. De beschuldiging luidde:--Wij hebben hier niet alleen een +fruitdief, een strooper; wij hebben een roover voor ons, een gewezen +tuchteling. die zijn ban heeft verbroken, een allergevaarlijkste +schurk, Jean Valjean geheeten, dien de justitie sinds lang zocht, +en die, acht jaren geleden, toen hij het bagno van Toulon verliet, +gewelddadigerwijze een diefstal heeft gepleegd op den persoon van +een jongen savooiaard, kleine Gervais genaamd, een misdaad, waartegen +voorzien is bij art. 383 van het strafwetboek en voor welke wij ons +een nadere vervolging voorbehouden, zoodra de identiteit wettelijk +zal bewezen zijn. Hij heeft een nieuwen diefstal gepleegd. Alzoo +herhaling van misdaad. Veroordeelt hem voor de jongste misdaad; +later zal hij voor de vroegere terechtgesteld worden. + +De beschuldigde scheen ten hoogste verwonderd over deze aanklacht en +over de eenparigheid der getuigen. Hij maakte bewegingen en gebaren van +heftige ontkenning, of hij beschouwde de zoldering. Hij kon nauwelijks +spreken en antwoordde met moeite; maar van 't hoofd tot de voeten +loochende zijn geheele persoon. Hij geleek een wezenlooze tegenover +al deze om hem geschaarde verstandige lieden, en een vreemdeling +te midden der maatschappij, die hem vasthield. Intusschen stond +de dreigende toekomst voor hem, de waarschijnlijkheid vermeerderde +met elke minuut, en de aanwezenden huiverden met meer angst dan hij +zelf, voor het vreeselijk vonnis, dat, naar het meer en meer scheen, +hem zou treffen. Er bestond zelfs kans, dat, behalve het bagno, de +doodstraf over hem zou uitgesproken worden, ingeval de identiteit +erkend werd en de zaak van den kleinen Gervais later met een +veroordeelend vonnis eindigde. Wie was nu deze man? Van welken aard +was zijn ongevoeligheid? Was het stompzinnigheid of list? Begreep +hij volkomen, of begreep hij niets? Nopens deze vragen dachten de +aanwezigen verschillend, en ook de gezworenen schenen hieromtrent +verdeeld. Er was in dit rechtsgeding iets verontrustends en iets +vreemds, het drama was niet alleen treurig, maar ook duister. + +De verdediger had vrij goed gepleit, in die provinciale taal, welke +in Frankrijk lang de welsprekendheid der balie heeft uitgemaakt, +en waarvan eertijds al de advocaten, zoowel te Parijs als in de +kleinste provinciesteden, gebruik maakten, doch die tegenwoordig, +klassiek geworden, schier enkel nog maar door de officieele redenaars +van het parket wordt gebezigd, waarvoor zij, uithoofde harer deftige +welluidendheid en statigen periodenbouw zoo bijzonder geschikt is: +de taal waarin een gehuwd man, echtgenoot wordt genoemd, de gehuwde +vrouw, gade, Parijs, het middelpunt der kunsten en beschaving, de +koning, de monarch, monseigneur de bisschop, een heilig kerkvoogd, +de advocaat-generaal, de welsprekende tolk der wet, de pleidooien, +de woorden welke men gehoord heeft, de eeuw van Lodewijk XIV, de +groote eeuw, een schouwburg, de tempel van Melpomene, de regeerende +familie, het doorluchtig bloed onzer koningen, een concert, een +muzikale plechtigheid, de kommandant-generaal van het departement, +de doorluchtige krijgsheld, die enz., de seminaristen, deze jeugdige +levieten, de vergissingen aan de dagbladen verweten, de logen die haar +vergift in de kolommen dier organen uitstort enz. enz;--de advocaat +was dus begonnen met den diefstal der appelen te verklaren--een +zaak die in fraaien stijl moeielijk te behandelen is; maar Benigne +Bossuet was wel verplicht, in een plechtige lijkrede van een kip te +gewagen, en hij heeft zich met glans uit deze moeielijkheid gered. De +advocaat had aangetoond, dat de diefstal der appelen niet voldoende +bewezen was.--Niemand had zijn cliënt, dien hij in zijn verdediging +Champmathieu bleef noemen, over een muur zien klimmen of een tak +zien breken.--Men had hem met den tak in de hand aangehouden;--maar +hij zeide, dat hij dien op den grond gevonden en opgeraapt had. Waar +was het bewijs van het tegendeel?--Zonder twijfel was deze tak na +een overklimming afgebroken en medegenomen, en vervolgens door +den gestoorden dief weggeworpen; zonder twijfel was er diefstal +gepleegd.--Maar waaruit bleek, dat Champmathieu deze dief was? Alleen +uit de omstandigheid dat hij een gewezen galeiboef was! De advocaat +ontkende niet, dat deze omstandigheid ongelukkiglijk genoegzaam +bewezen scheen; de beschuldigde had te Faverolles gewoond; hij was er +boomsnoeier geweest; de naam van Champmathieu kon wel van Jean Mathieu +zijn oorsprong hebben; dat alles was waar; vier getuigen hadden ook +zonder aarzelen en bepaaldelijk dezen Champmathieu als den galeislaaf +Jean Valjean herkend; tegen deze bedenkingen en getuigenissen kon de +advocaat niets anders aanvoeren dan de ontkenning van zijn cliënt, +die, 't was waar, niet onpartijdig was; maar aangenomen zelfs, dat +hij de tuchteling Jean Valjean was, bewees dit, dat hij de dief van de +appelen was? 't Was een bloot vermoeden, niets meer; geen bewijs. De +beschuldigde, 't was waar, en de verdediger moest dit erkennen, +had een slecht stelsel van verdediging aangenomen. Hij volhardde +er in, alles te loochenen: den diefstal en zijn hoedanigheid van +gewezen galeiboef. Een bekentenis van dit laatste punt zou stellig +beter zijn geweest en hem de toegevendheid der rechters verworven +hebben; de advocaat had 't hem aangeraden, maar de beschuldigde had +hardnekkig geweigerd, waarschijnlijk in de meening, dat hij door +alles te loochenen zich redden kon. 't Was verkeerd; maar moest de +bekrompenheid van zijn verstand niet in aanmerking worden genomen? Deze +man was blijkbaar zwak van geest. Een langdurig verblijf in het bagno, +een langdurige armoede daarna hadden hem verdierlijkt enz. enz., hij +verdedigde zich slecht, was dit een reden om hem te veroordeelen? Wat +de zaak van den kleinen Gervais betrof, de advocaat had daarover niets +te zeggen, zij behoorde niet tot het rechtsgeding. De advocaat eindigde +met de gezworenen en het hof te verzoeken, indien de identiteit met +Jean Valjean hun bewezen voorkwam, hem correctioneel te straffen +wegens verbreking van ban, doch niet met de vreeselijke straf, welke +den gewezen galeislaaf bij herhaling van misdaad bedreigt. + +De advocaat-generaal antwoordde den verdediger. Hij was overweldigend +en bloemrijk, zooals advocaten-generaal gewoonlijk zijn. + +Hij wenschte den verdediger geluk wegens zijn "royaliteit," en +maakte behendig van die "royaliteit" gebruik. Al wat de verdediger +had toegegeven, wendde hij aan om den beschuldigde te bezwaren. De +advocaat scheen toe te geven, dat de beschuldigde Jean Valjean +was. Hiervan nam hij acte. Deze man was dus Jean Valjean. Dit +was voor de beschuldiging verkregen, en kon niet meer betwist +worden. Hier ging de advocaat-generaal door een behendige wending +terug tot de bron en de oorzaken der misdaden, en voer uit tegen +de onzedelijkheid der romantische school, destijds in haar opkomst, +onder den naam van "school van den Satan" waarmede de schrijvers der +Quotidienne in Oriflamme haar vereerd hadden; aan den invloed van deze +verderfelijke litteratuur schreef hij--niet onwaarschijnlijk--het +misdrijf van Champmathieu, of liever van Jean Valjean toe. Na deze +beschouwingen ging hij tot Jean Valjean zelven over. Wie was Jean +Valjean? Beschrijving van Jean Valjean: een monster uitgebraakt +door enz. Het model van dergelijke beschrijvingen vindt men in het +verhaal van Theramenes, dat zonder nut is voor 't treurspel, doch aan +de rechterlijke welsprekendheid dagelijks groote diensten bewijst. De +aanwezenden en de gezworenen huiverden. Na deze schildering vervolgde +de advocaat-generaal in een oratorische vlucht, die geschikt was, om +den anderen dag de verrukking van het dagblad der prefectuur tot den +hoogsten graad op te wekken:--En zulk een man enz. enz. landlooper, +bedelaar, zonder middel van bestaan enz. enz.--door zijn vorig +leven aan misdaden gewoon en door zijn verblijf in 't bagno weinig +verbeterd, zooals de misdaad, op den kleinen Gervais gepleegd, +bewijst enz. enz.--zulk een man is 't, die, op den openbaren +weg op heeter daad van diefstal betrapt, weinige schreden van een +tuinmuur en met het gestolen voorwerp nog in de hand, het feit, den +diefstal, de overklimming, alles, ja zelfs zijn naam, zijn identiteit +loochent! Behalve honderd andere bewijzen, waarop wij niet terug +willen komen, zijn er vier getuigen, die hem herkennen: Javert, de +streng eerlijke inspecteur van politie, en drie zijner voormalige +lotgenooten, de galeiboeven: Brevet, Chenildieu en Cochepaille. Wat +brengt hij tegen deze verpletterende getuigenis in? Hij ontkent. Welk +een verstoktheid! Mijne heeren de gezworenen, gij zult recht +doen enz. enz.--Terwijl de advocaat-generaal sprak, luisterde de +beschuldigde met open mond en met eene soort van verbazing, met +bewondering vermengd. Hij was blijkbaar verwonderd, dat iemand zoo +spreken kon. Nu en dan, bij de "krachtigste" plaatsen van requisitoir, +in die oogenblikken dat de onbedwingbare welsprekendheid zich in een +stroom van onteerende scheldnamen ontlastte en den beschuldigde als in +een donderwolk hulde, bewoog deze langzaam het hoofd rechts en links, +als een soort van somber en zwijgend protest, waarbij hij zich sinds +den aanvang der debatten bepaald had. Twee- of driemalen hoorden de +toeschouwers die het dichtst bij hem waren, hem halfluid zeggen:--Dat +komt er van, dat men mijnheer Baloup niet ondervraagd heeft!--De +advocaat-generaal maakte de gezworenen op zijn onnoozele houding +opmerkzaam, die blijkbaar geveinsd was en geen domheid aanduidde, maar +sluwheid, list, en die de gewoonte verried van de justitie om den tuin +te leiden, en de diepe verdorvenheid van dien mensch in 't helderste +licht stelde. Hij besloot, met zich voor te behouden op de zaak van +den kleinen Gervais terug te komen, en drong op een streng vonnis aan. + +Dit was voor 't oogenblik, gelijk men zich zal herinneren, levenslange +dwangarbeid. + +De verdediger stond op, begon met mijnheer den advocaat generaal wegens +diens uitmuntende rede een compliment te maken, vervolgens repliceerde +hij zoo goed hij kon, doch zwak, wijl toch de grond blijkbaar onder +zijn voeten was weggenomen. + + + + + + +TIENDE HOOFDSTUK. + +HET STELSEL DER ONTKENNINGEN. + + +Het oogenblik, waarop de debatten zouden worden gesloten, was +gekomen. De president beval den beschuldigde op te staan en deed hem +de gebruikelijke vraag: Hebt ge nog iets te uwer verdediging te zeggen? + +De man, die opgestaan was, draaide zijn smerige muts in de handen +rond en scheen niet te hooren. + +De president herhaalde de vraag. + +Nu hoorde de man. Hij scheen te begrijpen. Hij maakte een gebaar als +iemand die ontwaakt, sloeg de oogen rondom zich, zag het publiek, +de gendarmes, zijn advocaat, de gezworenen, het hof aan, legde zijn +groote hand op den rand der balie voor zijn bank, zag nog eens rond, +en eensklaps zijn blik op den advocaat-generaal richtende, begon hij +te spreken. 't Was als de uitbarsting van een vulkaan. Naar de wijze, +waarop zijn woorden onsamenhangend, haastig, hortend, verward uit +zijn mond stroomden, scheen het, alsof ze elkander verdrongen om er +tegelijk uit te komen. Hij sprak: + +"Dit heb ik te zeggen: Ik ben wagenmakersknecht geweest te Parijs, en +heb bij baas Baloup gewerkt. 't Is een zware arbeid, het wagenmaken; +altijd in de open lucht, op open plaatsen, bij goede bazen onder +afdaken; nooit in gesloten werkplaatsen, want er moet ruimte wezen, +weet ge. Des winters is men zoo koud, dat men zich in de armen slaat +om warm te worden; maar de meesters willen dit niet hebben, want het +is tijdverlies, zeggen zij. IJzer te bewerken, wanneer er ijs op de +straten ligt, is een zuur werk. 't Gaat iemand niet in de kleeren +zitten. In dit beroep wordt iemand reeds vroeg oud. Met de veertig +jaren is men op. Ik was drie-en-vijftig, en 't viel mij hard. En +het werkvolk is zoo ondeugend. Wanneer iemand niet jong meer is, +noemen ze u "oud dier." Ik verdiende slechts dertig sous daags, men +betaalde mij zoo weinig mogelijk; de bazen bevoordeelden zich met +mijn ouderdom. Welnu, ik had mijn dochter, die waschvrouw was aan de +rivier. Zij verdiende een weinig, met ons beiden konden wij leven. Zij +had het ook niet gemakkelijk. Den geheelen dag tot aan de middel in +een tob te staan, in regen, sneeuw en wind. Of het vriest of niet, +onverschillig, er moet gewasschen worden; er zijn menschen, die weinig +linnengoed hebben en niet lang kunnen wachten; zoo men niet waschte, +zou men zijn klanten verliezen. De planken laten 't water door, en +van boven droppelt het neer. Men wordt van boven tot onder nat. Dat +dringt door. Zij heeft ook gewasschen in 't waschhuis "Les Enfants +Rouges," waar het water uit kranen komt. Daar staat men niet in een +tobbe. Men wascht voor zich aan de kraan en spoelt achter zich in +het bekken. Wijl het besloten is, doet men er minder kou op. Maar de +damp van het heete water is onuitstaanbaar, en bederft de oogen. Zij +kwam 's avonds te zeven uren te huis, en ging dadelijk naar bed, zoo +vermoeid was ze. Haar man sloeg haar. Zij is dood. Wij zijn niet zeer +gelukkig geweest. Zij was een brave meid, die niet ging dansen; zij +was zeer stil. Ik herinner mij nog een vastenavond, toen zij te acht +uren naar bed ging. 't Is inderdaad zoo. Ik zeg de waarheid. Vraag er +maar naar. Maar vragen ... hoe dom! Parijs is een doolhof. Wie kent +den ouden Champmathieu? Alleen mijnheer Baloup, dit zeg ik u. Ga naar +mijnheer Baloup. Voor 't overige weet ik niet, wat men van mij wil." + +De man zweeg en bleef staan. Hij had dit alles met luide, haastige, +schorre, ruwe stem, met een soort van wrevele, woeste naïeveteit +gezegd. Eenmaal had hij opgehouden, om iemand onder de aanwezenden +te groeten. De soort van verklaringen, welke hij op goed geluk af er +uit wierp, kwamen hortend en stootend te voorschijn, en gingen gepaard +met de beweging van een houthakker die hout klooft. Toen hij geëindigd +had, barstten de aanwezenden in een schaterend gelach uit. Hij zag het +publiek aan, en toen hij zag dat men lachte, begreep hij niet waarom, +en begon zelf mede te lachen. + +'t Was vreeselijk! + +De president, een oplettend en welwillend man, verhief zijn stem. + +Hij herinnerde "mijnheeren de gezworenen", dat de heer Baloup, +de meester wagenmaker, bij wien de beschuldigde zeide in dienst te +zijn geweest, vruchteloos gedagvaard was geworden. Hij was bankroet +gegaan, en men had hem niet kunnen vinden. Zich vervolgens tot den +beschuldigde wendende, vermaande hij hem, te luisteren naar hetgeen +hij hem zeggen zou, en vervolgde: + +"Ge zijt in een toestand, die ernstige overweging vordert. De +zwaarste vermoedens rusten op u en kunnen tot de ernstigste gevolgen +leiden. Beschuldigde, ik vermaan u voor de laatste maal, in uw eigen +belang, u omtrent deze twee feiten duidelijk te verklaren:--Vooreerst, +zijt ge over den tuinmuur van Pierron geklommen, hebt ge den tak +afgebroken en de appelen gestolen, dat wil zeggen: de misdaad van +diefstal met overklimming gepleegd, ja of neen? Ten tweede, zijt ge +de gewezen galeislaaf Jean Valjean, ja of neen?" + +De beschuldigde schudde het hoofd als iemand, die goed begrepen had +en weet, wat hij antwoorden wil. Hij opende den mond, wendde zich +tot den president en zeide: + +"Wat het eerste betreft..." + +Toen zag hij op zijn muts, vervolgens naar den zolder en zweeg. + +"Beschuldigde," hernam de advocaat-generaal op strengen toon, "geef +wel acht. Gij antwoordt niet op 't geen u gevraagd wordt. Uw verwarring +veroordeelt u. 't Is duidelijk, dat gij niet Champmathieu heet, dat gij +de tuchteling Jean Valjean zijt, die zich aanvankelijk onder den naam +van Jean Mathieu verscholen heeft, welke naam die zijner moeder was; +dat ge naar Auvergne zijt gegaan, dat gij te Faverolles zijt geboren, +waar ge boomsnoeier waart. 't Is duidelijk, dat ge bij overklimming +in den boomgaard van Pierron rijpe appelen hebt gestolen. Mijne heeren +de gezworenen zullen dit wel bedenken." + +De beschuldigde was weder gaan zitten, maar stond schielijk op, +toen de advocaat-generaal gesproken had, en riep: + +"Gij zijt heel slecht, gij! Dat wilde ik u zeggen, maar ik kon niet +terstond woorden vinden. Ik heb niets gestolen, ik ben iemand, die +niet alle dagen te eten heeft. Ik kwam van Ailly, en ging op weg na +een geweldigen regen, die het geheele land onder water had gezet, +zoodat men langs den weg nauwelijks de toppen van het gras zag; ik +vond een afgebroken tak, waaraan appelen zaten, ik raapte den tak op, +zonder te vermoeden dat mij dit in moeilijkheden zou brengen. Ik ben nu +reeds drie maanden in de gevangenis en word op alle wijzen gekweld. Ik +weet niet, wat ik meer zeggen moet; men spreekt tegen mij; men zegt: +antwoord. De gendarm, die een goed man is, stoot mij aan den elleboog +en fluistert: antwoord toch. Ik weet mij niet goed uit te drukken, ik +heb niets geleerd; ik ben een arm man. Men moest dit begrijpen. Ik heb +niet gestolen, ik heb van den weg opgeraapt wat er lag. Gij spreekt van +Jean Valjean, Jean Mathieu. Ik ken die lieden niet. Zij wonen zeker in +'t dorp. Ik heb bij den heer Baloup, op den boulevard de l'Hopital +gewerkt. Ik heet Champmathieu. Gij zijt wel slim, dat ge mij kunt +zeggen waar ik geboren ben. Ik weet het zelf niet. Iedereen komt niet +in een huis ter wereld. Dat zou al te gemakkelijk zijn. Ik geloof, +dat mijn ouders lieden waren die in het land rondzwierven; ik weet +het trouwens niet. Toen ik een kind was, noemde men mij "Kleine", nu +heet men mij "Oude". Dat zijn mijn doopnamen. Houdt ze voor hetgeen +ge wilt. Ik ben in Auvergne, te Faverolles geweest. Drommels! Kan +men niet in Auvergne en te Faverolles zijn geweest, zonder op de +galeien geweest te zijn? Ik zeg u, dat ik niet gestolen heb en dat +ik de oude Champmathieu ben. Ik ben bij mijnheer Baloup geweest, +ik heb een woonplaats gehad. Maar al uw malle praat verveelt mij +eindelijk. Waarom vervolgt men mij als een wild dier?" + +De advocaat-generaal was blijven staan en richtte zich nu tot den +president. + +"Mijnheer de president, tegenover de verwarde, maar zeer behendige +ontkenningen van den beschuldigde, die zich gaarne voor een idioot zou +willen laten doorgaan, maar hierin niet zal slagen--dit verzekeren +wij hem--eischen wij, dat het u en het hof behagen moge, opnieuw +voor deze balie de veroordeelden Brevet, Cochepaille en Chenildieu, +benevens den inspecteur van politie Javert te doen verschijnen, en +hen ten laatste male wegens de identiteit van den beschuldigde met +den tuchteling Jean Valjean te ondervragen." + +"Ik moet mijnheer den advocaat-generaal opmerken," zei de president, +"dat de inspecteur van politie, Javert, wegens zijn ambtsplichten +naar de hoofdplaats van een naburig arrondissement teruggeroepen, +terstond na 't afleggen zijner getuigenis de zitting en zelfs de stad +heeft verlaten. Wij hebben hem de vergunning hiertoe gegeven, met de +toestemming van mijnheer den advocaat-generaal en den verdediger van +den beschuldigde." + +"'t Is waar, mijnheer de president," hernam de advocaat-generaal. "Bij +afwezigheid van den heer Javert meen ik aan mijne heeren de gezworenen +te moeten herinneren, wat hij, eenige uren geleden, hier zelf gezegd +heeft. Javert is een achtenswaardig man, die door zijn strenge, strikte +eerlijkheid zijn ondergeschikte, maar zeer gewichtige betrekking +eer aandoet. Zijn verklaring luidde als volgt: "Ik heb zelfs geen +vermoedens noch stoffelijke bewijzen noodig om de ontkenningen van +den beschuldigde te logenstraffen. Ik herken hem volkomen. Deze man +heet niet Champmathieu; 't is een voormalige galeislaaf, die zeer +ondeugend en gevreesd was, Jean Valjean geheeten. Men heeft hem na +'t einde van zijn straftijd slechts met het grootste leedwezen zijn +vrijheid hergeven. Hij heeft negentien jaren dwangarbeid gehad, +wegens diefstal met verzwarende omstandigheden. Vijf of zes keeren +heeft hij getracht te ontvluchten. Behalve van het bestelen van den +kleinen Gervais en den diefstal bij Pierron, verdenk ik hem nog van +een diefstal bij wijlen monseigneur den bisschop van D. Ik heb hem +dikwerf gezien tijdens ik adjunct-opziener in het bagno te Toulon +was. Ik herhaal, dat ik hem volkomen herken." + +Deze zoo duidelijke verklaring scheen een diepen indruk op het publiek +en de gezworenen te maken. De advocaat-generaal eischte ten slotte dat, +bij ontstentenis van Javert, de drie getuigen Brevet, Chenildieu en +Cochepaille opnieuw gehoord en plechtig ondervraagd zouden worden. + +De president gaf het bevel hiertoe aan een deurwaarder; en een +oogenblik later werd de deur der getuigenkamer geopend, De deurwaarder, +vergezeld van een gendarm, om hem den vereischten bijstand te leenen, +leidde den veroordeelde Brevet binnen. De aanwezigen waren in de +hoogste spanning en aller borst hijgde, als hadden zij slechts +één ziel. + +De voormalige galeislaaf Brevet droeg het zwart- en grijs +gevangenisbuis. Hij was iemand van zestig jaar en had het voorkomen van +een man van zaken en het gezicht van een schelm. Een en ander gaat soms +te zamen. Hij was in de gevangenis, waar nieuwe misdrijven hem hadden +teruggebracht, een soort van oppasser. Zijn chefs zeiden van hem: Hij +tracht zich verdienstelijk te maken. De geestelijken der gevangenis +gaven goede getuigenis van zijn godsdienstig gedrag. Men moet niet +uit het oog verliezen, dat dit tijdens de restauratie gebeurde. + +"Brevet," zei de president, "gij hebt een onteerende straf ondergaan +en moogt dus geen eed doen." + +Brevet sloeg de oogen neder. + +"Evenwel," hernam de president, "kan zelfs in den mensch dien de +wet onteerd heeft, zoo Gods goedheid het vergunt, een gevoel van +eer en rechtvaardigheid overblijven. Op dit gevoel doe ik in dit +gewichtig uur een beroep. Zoo dit gevoel nog in u leeft, gelijk ik +hoop, bedenk u dan wel, eer gij antwoordt; bedenk, dat een woord +van u dezen man in 't verderf kan storten, en van den anderen kant, +de justitie kan inlichten. Het is een plechtig oogenblik, en 't +is nog tijd uw verklaring te herroepen, zoo ge meent u vergist te +hebben.--Beschuldigde! sta op.--Brevet, zie den beschuldigde goed aan, +roep uwe herinneringen te zamen, en zeg ons, op uw ziel en geweten, +of ge in dezen man uw voormaligen makker in 't bagno, Jean Valjean, +blijft erkennen." + +Brevet zag den beschuldigde aan en wendde zich toen tot het hof: + +"Ja, mijnheer de president. Ik heb hem reeds vroeger herkend, en +blijf er bij. Deze man is Jean Valjean, die in 1796 te Toulon kwam en +die plaats in 1815 verliet. Een jaar later werd ik ontslagen. Thans +ziet hij er als een onnoozele uit, misschien is hij door de jaren +suf geworden; maar in 't bagno was hij slim genoeg. Ik herken hem +volkomen." + +"Ga zitten," zei de president. "Beschuldigde, blijf staan." + +Men leidde Chenildieu binnen, een tot levenslangen dwangarbeid +veroordeelde, zooals zijn rood buis en zijn groene muts te kennen +gaven. Hij onderging zijn straf in 't bagno te Toulon, van waar men +hem wegens deze zaak had doen overkomen. Hij was een kleine man, van +ongeveer vijftig jaren, levendig, gerimpeld, tenger, geel, onbeschaamd, +koortsachtig, die in al zijn leden en door zijn geheele lichaam een +soort van ziekelijke zwakheid bezat, maar een krachtige uitdrukking +in zijn blik. Zijn makkers in 't bagno noemden hem Je-nie-dieu +(Godloochenaar). + +De president richtte genoegzaam dezelfde woorden tot hem als tot +Brevet. Op 't oogenblik dat hij hem herinnerde, dat zijn eerloosheid +hem het recht ontzegde, een eed te doen, hief Chenildieu het hoofd op +en zag het publiek stijf aan. De president vermaande hem zich wel te +bedenken en vroeg hem, zooals aan Brevet, of hij in zijn verklaring +volhardde, dat hij den beschuldigde herkende. + +Chenildieu lachte luid. + +"Drommels! Of ik hem herken! wij hebben vijf jaren lang aan dezelfde +keten gezeten. Zijt ge boos, oude?" + +"Ga zitten," zei de president. + +De deurwaarder bracht Cochepaille binnen; deze tweede tot levenslangen +dwangarbeid veroordeelde, evenals Chenildieu uit het bagno gekomen en +in 't rood gekleed, was een boer uit Lourdes, en een halve beer der +Pyreneën. Hij was veehoeder in het gebergte geweest, en van veehoeder +was hij roover geworden. Cochepaille was niet minder onbeschaafd +dan de beschuldigde, en scheen nog stompzinniger. 't Was een dier +ongelukkigen, welke de natuur aanvankelijk tot wilde dieren heeft +bestemd, en waarvan de maatschappij ten slotte galeislaven maakt. + +De president beproefde, hem door eenige gemoedelijke en ernstige +woorden te bewegen en vroeg hem, evenals aan de beide anderen, of +hij zonder aarzeling en bedenken er bij bleef, dat hij den voor hem +staanden man herkende. + +"'t Is Jean Valjean," zei Cochepaille, "dezelfde dien men Jean le Cric +[14] noemde, zoo sterk was hij." + +Elk der verklaringen van deze drie mannen, die blijkbaar oprecht +en te goeder trouw waren, hadden bij de aanwezenden een gemompel, +een slecht teeken voor den beschuldigde doen ontstaan, welk gemompel +telkens sterker werd en langer aanhield, wanneer een nieuwe verklaring +zich bij de vorige voegde. De beschuldigde had alles aangehoord +met dat verbaasd gezicht, hetwelk, volgens de beschuldiging, zijn +voornaamste middel van verdediging was. Bij de eerste verklaring hadden +de gendarmen, die bij hem stonden, hem binnensmonds hooren mompelen: +"Ha, dat is er me een!" Na de tweede zeide hij een weinig luider, +schier op tevreden toon: "Goed!" Bij de derde riep hij: "Wel drommels!" + +De president vroeg hem nu: + +"Hebt ge gehoord, beschuldigde? Wat hebt ge te zeggen?" + +Hij antwoordde: + +"Ik zeg--wel drommels!" + +Bij het publiek ontstond eene opschudding, die zich schier aan de +gezworenen mededeelde. Het was duidelijk, dat de man verloren was. + +"Deurwaarders," riep de president, "zorgt voor stilte. Ik zal de +debatten sluiten." + +Op dit oogenblik ontstond dicht bij den president beweging. Men hoorde +een stem roepen: + +"Brevet, Chenildieu, Cochepaille! ziet hierheen!" + +Allen die deze stem hoorden voelden een huivering, zoo snijdend en +ontzettend was zij. Aller oogen wendden zich naar de plaats, van +waar zij gekomen was. Een man onder de bevoorrechte toeschouwers, +achter de rechters, was opgestaan, had de balie, welke de rechtbank +van het publiek scheidde, geopend en stond nu in 't midden der zaal. De +president, de advocaat-generaal, mijnheer Bamatabois, twintig personen +herkenden hem en riepen uit één mond: + +"De heer Madeleine." + + + + + + +ELFDE HOOFDSTUK. + +CHAMPMATHIEU HOE LANGER HOE MEER VERWONDERD. + + +Hij was 't inderdaad. De lamp van den griffier bescheen zijn +gelaat. Hij had den hoed in de hand, zijn kleeding was in volkomen +orde, zijn jas zorgvuldig dichtgeknoopt; maar hij was zeer bleek en +beefde eenigszins. Zijn haar, bij zijn aankomst te Arras nog grijs, +was thans heel wit. 't Was sinds een uur, dat hij zich daar bevond, +wit geworden. + +Aller hoofden richtten zich op. De opschudding was onbeschrijfelijk. De +toeschouwers verkeerden voor een oogenblik in geweldige spanning. De +stem was zoo heftig geweest, de man, die daar stond, scheen zoo +bedaard, dat men aanvankelijk niets begreep. Men vroeg elkander, +wie gesproken had. Men kon niet gelooven, dat het deze kalme man was, +die zoo luid had geroepen. + +Deze onzekerheid duurde slechts eenige seconden. Zelfs vóór de +president en de advocaat-generaal een woord hadden kunnen zeggen, +vóór de gendarmen en deurwaarders iets hadden kunnen doen, was de +man, dien allen nog mijnheer Madeleine noemden, naar de getuigen +Cochepaille, Brevet en Chenildieu gegaan. + +"Herkent ge mij niet?" zeide hij. + +Alle drie waren verwonderd en gaven door een hoofdbeweging te verstaan, +dat zij hem niet kenden. Cochepaille groette in zijn verwarring door +op militaire wijze aan te slaan. De heer Madeleine wendde zich tot +de gezworenen en het hof, en zeide met zachte stem: + +"Mijne heeren gezworenen! stelt den beschuldigde in vrijheid. Mijnheer +de president! laat mij in hechtenis nemen. De man, dien gij zoekt, +is niet hij, maar ben ik. Ik ben Jean Valjean." + +Allen hielden den adem in. Op de eerste aandoening van verbazing +was een doodsche stilte gevolgd. Men voelde in de zaal die soort +van eerbiedige huivering, welke de menigte bevangt, wanneer iets +ontzettends geschiedt. + +Het gezicht van den president drukte genegenheid en droefheid uit; hij +had een snellen blik met den advocaat-generaal en eenige fluisterende +woorden met de raadsheeren gewisseld. Toen wendde hij zich tot het +publiek, en op een toon, die door allen begrepen werd, vroeg hij: + +"Is hier een geneesheer tegenwoordig?" + +Daarop nam de advocaat-generaal het woord en zeide: + +"Mijne heeren gezworenen, het even zonderling als onverwacht voorval +dat de zitting stoort boezemt ons, evenzeer als u, een gevoel in, +dat wij niet behoeven uit te drukken. Gij kent allen, ten minste bij +naam, den achtenswaardigen heer Madeleine, maire van M. sur M. Zoo +een geneesheer in de zaal tegenwoordig is, vereenigen wij ons met +mijnheer den president, om hem te verzoeken den heer Madeleine bij +te staan en hem naar zijn woning te geleiden." + +Mijnheer Madeleine liet den advocaat-generaal niet uitspreken. Hij viel +hem op een kalmen doch tevens nadrukkelijken toon in de rede. Ziehier +de woorden, die hij sprak, letterlijk, zooals ze terstond na de +zitting door een der getuigen van dit tooneel werden opgeschreven, +en zooals ze thans nog in de ooren weerklinken van hen, die ze nu +bijna veertig jaren geleden gehoord hebben. + +"Ik dank u, mijnheer de advocaat-generaal, maar ik ben niet +krankzinnig. Ge zult er u van overtuigen. Gij waart op het punt, een +groote dwaling te begaan; laat dezen man vrij, ik vervul een plicht: +ik ben die ongelukkige veroordeelde. Ik ben de eenige, die de zaak +duidelijk ken en ik zeg u de waarheid. God, die hier boven is, ziet wat +ik op dit oogenblik doe, en dat is voldoende. Ge kunt mij laten vatten, +want hier ben ik. Ik had echter gedaan wat ik kon. Ik heb mij onder +een anderen naam verborgen; ik ben rijk geworden, ben maire geworden; +ik wilde onder de eerlijke menschen terugkeeren. 't Schijnt, dat dit +niet mogelijk is. Vele dingen kan ik u niet zeggen, ik zal u mijn +levensloop niet verhalen, eenmaal zal men dien te weten komen. 't Is +waar, dat ik Monseigneur den bisschop bestolen heb; 't is ook waar, +dat ik den kleinen Gervais heb afgezet. Men heeft terecht gezegd, dat +Jean Valjean een zeer erge misdadiger was. Misschien heeft hij echter +niet geheel en al schuld. Mijne heeren de rechters, een man, zoo diep +gezonken als ik, heeft de Voorzienigheid niet te berispen noch der +maatschappij raad te geven; maar laat ik u zeggen, dat de onteering, +waaruit ik gepoogd heb mij op te heffen, een zeer noodlottige zaak +is. De galeien maken den galeislaaf. Bedenkt dit wel. Vóór ik in het +bagno kwam, was ik een arme boer, zeer weinig ontwikkeld, een soort +van onnoozele; het bagno heeft mij veranderd. Ik was dom, ik ben slecht +geworden; ik was een blok hout, ik ben een klomp vuur geworden. Later +hebben zachtmoedigheid en goedheid mij gered, evenals strengheid +mij verdorven had. Maar vergeving, gij kunt niet begrijpen wat ik +zeg. In mijn huis zult ge in de asch van den haard het tweefrancstuk +vinden, dat ik vóór zeven jaar den kleinen Gervais ontnam. Ik heb +hier niets meer bij te voegen. Neemt mij gevangen. Mijn God! mijnheer +de advocaat-generaal schudt het hoofd; gij zegt: De heer Madeleine is +krankzinnig geworden; gij gelooft mij niet. Dit is treurig. Veroordeelt +ten minste dezen man niet. Hoe! deze lieden herkennen mij niet! Indien +Javert hier slechts ware! Hij zou mij herkennen!" + +De diepe, zachtmoedige treurigheid, welke in den toon dezer woorden +lag, is niet te beschrijven. + +Hij wendde zich tot de drie galeiboeven: + +"Nu, ik herken u, Brevet! Herinnert ge u...?" + +Hij hield op, aarzelde een oogenblik en zeide toen: + +"Herinnert ge u den gebreiden draagband met ruiten, dien ge in het +bagno droegt?" + +Brevet werd van verbazing aangegrepen en zag hem van het hoofd tot +de voeten met een ontstelden blik aan. Hij vervolgde: + +"Chenildieu, gij, die u zelven Je-nie-Dieu (Godloochenaar) noemdet; +op uw rechterschouder hebt ge het diep litteeken eener brandwonde, +doordien ge u op zekeren dag op een komfoor met gloeiende kolen +legdet, om de letters T. F. P. te doen verdwijnen, die iedereen er +echter nog zien kan. Antwoord, is 't waar?'' + +"'t Is waar," zei Chenildieu. + +Daarop zeide hij tot Cochepaille : + +"Cochepaille, ge hebt op den linkervoorarm een datum in blauwe letters +met buskruit ingebrand. 't Is de dagteekening der landing van den +keizer te Cannes, 1 Maart 1815. Stroop uw mouw op!" + +Cochepaille stroopte de mouw op, de blikken van alle omstanders +richtten zich op zijn blooten arm. Een gendarm naderde met een lamp, +de dagteekening stond er. + +Toen wendde de ongelukkige man zich tot het publiek en tot de rechters +met een glimlach, welke allen, die er bij tegenwoordig waren, nog +door het hart snijdt als zij er aan denken. 't Was de glimlach der +zegepraal, vermengd met dien der wanhoop. + +"Gij ziet nu," zeide hij, "dat ik Jean Valjean ben." + +Er waren nu in de zaal noch rechters, noch beschuldigers, +noch gendarmen; er waren slechts strakke blikken en bewogen +harten. Niemand dacht meer aan de rol, die hij te vervullen had; +de advocaat-generaal vergat, dat hij er was om een eisch te doen; +de president, dat hij er om te presideeren, de verdediger, dat hij +er om te verdedigen was. Zonderling, geen vraag werd gedaan, geen +gezag deed zich gelden. Het eigenaardige van verheven tooneelen is, +dat zij alle harten bevangen en van alle aanwezigen belangstellenden +maken. Niemand misschien gaf zich rekenschap van 't geen hij gevoelde; +niemand, waarschijnlijk, dacht er aan, dat hij hier een schitterend +licht zag schijnen; allen gevoelden zich inwendig verblind. + +'t Was nu duidelijk, dat men Jean Valjean voor zich had. De +verschijning van dezen man was voldoende geweest, om de even te voren +nog zoo duistere zaak in het helderste licht te stellen. Zonder dat +er nog eenige verklaring noodig was, begreep het gansche publiek, +als door een soort van electrische verlichting, in een enkel oogenblik +de eenvoudige en grootsche geschiedenis van een man, die zich zelven +overleverde, opdat geen ander in zijn plaats veroordeeld zou worden. De +bijzonderheden, de weifelingen, de mogelijk geringe wederstrevingen +verdwenen in deze grootsche, schitterende daad. + +De indruk ging spoedig voorbij, maar was op het oogenblik +onwederstaanbaar. + +"Ik wil de zitting niet langer storen," hernam Jean Valjean. "Ik +ga, wijl men mij niet in hechtenis neemt. Ik heb nog veel te +verrichten. Mijnheer de advocaat-generaal weet wie ik ben; hij weet +waarheen ik ga; hij kan mij doen gevangen nemen, wanneer hij wil." + +Hij ging naar de deur. Geen stem verhief zich, geen arm werd +uitgestoken om hem te verhinderen. Allen gingen ter zijde. Hij had +op dit oogenblik iets goddelijks, 't welk de menigte voor een mensch +doet wijken en ter zijde gaan. Met langzamen tred ging hij door de +zaal. Men heeft nimmer geweten, wie de deur opende; maar 't is zeker, +dat de deur geopend was, toen hij er kwam. + +Daar wendde hij zich om en zeide: + +"Mijnheer de advocaat-generaal, ik blijf te uwer beschikking." + +Vervolgens sprak hij tot het publiek: + +"Gij allen die hier zijt, gij vindt mij beklagenswaard, niet waar? Mijn +God! wanneer ik denk wat ik voornemens was te doen, vind ik mij +benijdenswaardig. 't Zou mij echter liever zijn, zoo dit alles niet +gebeurd ware." + +Hij ging de deur uit, die zich sloot gelijk zij geopend was; want zij +die iets verhevens verrichten, kunnen altijd zeker zijn, dat iemand +onder de menigte hen helpen zal. + +Binnen een uur tijds onthief de uitspraak der gezworenen Champmathieu +van alle schuld; en Champmathieu, die dadelijk op vrije voeten werd +gesteld, ging verbaasd heen, in de vaste overtuiging, dat al die +menschen gek waren, en zonder iets van het gebeurde te begrijpen. + + + + + + + +BOEK VIII. + +TERUGWERKING. + + +EERSTE HOOFDSTUK. + +IN WELKEN SPIEGEL MIJNHEER MADELEINE ZIJN HAREN BEZIET. + + +De dag begon aan te breken. Fantine had een koortsigen, slapeloozen +nacht gehad, voor 't overige vol aangename voorstellingen; tegen +den ochtend viel zij in slaap. Zuster Simplicia, die des nachts +bij haar gewaakt had, maakte van deze gelegenheid gebruik, om een +nieuwen kinadrank te bereiden. Sedert eenige oogenblikken was de +goede zuster in de apotheek met haar artsenijen en fleschjes bezig, +alles dicht onder 't gezicht houdende, uit hoofde der nog heerschende +ochtendschemering. Eensklaps wendde zij het hoofd om en slaakte een +lichten kreet. Mijnheer Madeleine stond voor haar. Hij was ongemerkt +binnengekomen. + +"Zijt gij 't, mijnheer de maire?" riep zij. + +Hij antwoordde met zachte stem: + +"Hoe gaat het met de arme vrouw?" + +"Niet erger op dit oogenblik. Maar wij zijn allen zeer ongerust +geweest." + +Zij verhaalde hem, wat had plaats gehad; dat Fantine den vorigen avond +zeer erg was geweest, doch nu veel beter was, wijl zij geloofde, +dat mijnheer de maire naar Montfermeil was gegaan, om haar kind te +halen. De zuster durfde den maire hiernaar niet vragen, maar zij zag +wel aan zijn gezicht, dat hij daar niet vandaan kwam. + +"Dit is alles goed," zeide hij, "ge hebt wel gedaan, haar in dien +waan te laten." + +"Ja," hernam de zuster, "maar wat zullen wij haar zeggen, nu zij u +zonder haar kind zal wederzien?" + +Hij bedacht zich een oogenblik. + +"God zal 't ons ingeven," zeide hij. + +"Men mag evenwel geen onwaarheid zeggen," mompelde de zuster +binnensmonds. + +'t Was nu volkomen dag geworden. Het licht viel den heer Madeleine +juist in 't gezicht. Toevallig sloeg de zuster haar oogen op. + +"Mijn Hemel, mijnheer!" riep zij, "wat is uw overkomen? uw haar is +geheel en al wit!" + +"Wit?" zeide hij. + +Zuster Simplicia had geen spiegel; zij schommelde in een instrumentlade +en nam er een spiegeltje uit, waarvan de dokter zich in de ziekenzaal +bediende, om te onderzoeken of een zieke werkelijk dood was en niet +meer ademde. Mijnheer Madeleine nam het spiegeltje, zag er zijn haar +in en zeide: "ziedaar!" + +Hij sprak dit onverschillig uit en alsof hij aan iets anders dacht. + +De zuster ontstelde over het geheimzinnige, dat zij in dit alles +vermoedde. + +Hij vroeg: + +"Kan ik haar zien?" + +"Zal mijnheer de maire heur kind niet tot haar brengen?" sprak de +zuster, die nauwelijks een vraag durfde doen. + +"Zekerlijk, maar daar zijn ten minste twee of drie dagen voor noodig." + +"Zoo zij mijnheer den maire vóór dien tijd niet ziet," hernam de +zuster bedeesd, "zal zij niet weten dat gij terug zijt; zij zal +dan gemakkelijk tot geduld te brengen zijn, en wanneer het kind +komt, zal zij natuurlijk denken, dat mijnheer de maire het heeft +medegebracht. Niemand zou dan een onwaarheid behoeven te zeggen." + +Mijnheer Madeleine scheen zich eenige oogenblikken te bedenken, +toen zeide hij met kalmen ernst: + +"Neen, zuster, ik moet haar zien. Er is misschien haast." + +De geestelijke zuster scheen het woord "misschien" niet op te merken, +dat een vreemden, duisteren zin aan de woorden van mijnheer den maire +gaf. Met nedergeslagen oogen en op eerbiedigen toon antwoordde zij: + +"Zij slaapt; maar mijnheer de maire kan binnengaan." + +Hij maakte eenige aanmerkingen wegens een deur, die niet goed sloot, +en welker gerucht de zieke kon wekken; toen trad hij in de kamer +van Fantine, naderde het bed en sloeg de gordijnen half open. Zij +sliep. Haar adem kwam uit de borst op met het akelig geluid, aan die +soort van ziekten eigen, en 't welk het hart der moeder verscheurt, die +'s nachts bij haar kind waakt. Deze moeielijke ademhaling verstoorde +evenwel de onbeschrijfbare kalmte niet, die op haar gelaat lag en haar +in haar slaap als herschiep. Haar bleekheid was blankheid geworden; +haar wangen waren blozend. Haar lange blonde oogharen, het eenige +schoon, dat haar van haar jeugd was overgebleven, trilden, hoewel de +oogleden neergeslagen en gesloten bleven. Haar geheele lichaam rilde +als door het kleppen van vleugelen, die zich uitbreidden om haar weg +te voeren, en welke men voelde bewegen, maar niet zag. Als men haar +aldus zag, kon men niet gelooven dat haar toestand hopeloos was. Zij +scheen eerder te willen wegvliegen, dan te sterven. + +De tak beeft, zoo een hand nadert om de bloem te plukken, en schijnt +zich tevens terug te trekken en zich aan te bieden. Het menschelijk +lichaam heeft iets van deze beving, wanneer 't oogenblik nadert, +dat de geheimzinnige vingers van den dood de ziel komen plukken. + +Madeleine bleef eenigen tijd bewegingloos voor het bed staan en +aanschouwde beurtelings de zieke en het kruisbeeld, evenals hij +twee maanden geleden deed, op den dag, toen hij haar voor het eerst +in deze wijkplaats bezocht. Beiden bevonden zich daar nu weder in +dezelfde houding; zij sliep, hij bad; maar thans, na verloop dezer +twee maanden, was Fantine's haar grijs, het zijne wit. + +De zuster was niet met hem binnengegaan. Hij stond bij het bed met +den vinger op de lippen, als ware er iemand in de kamer, wien hij +het zwijgen gebood. + +Zij opende de oogen, zag hem en zeide kalm en glimlachend: + +"En Cosette?" + + + + + + +TWEEDE HOOFDSTUK. + +FANTINE IS GELUKKIG. + + +Zij maakte geen beweging van verrassing noch van blijdschap; zij was +de blijdschap zelve. Deze eenvoudige vraag: "En Cosette?" werd met +zulk een innig vertrouwen, met zooveel zekerheid, zoo geheel zonder +ongerustheid en twijfel gedaan, dat hij niet wist wat hij zeggen +zou. Zij vervolgde: + +"Ik wist dat ge hier waart, ik sliep, maar ik zag u. Ik zag u sinds +lang en volgde u den ganschen nacht met mijn oogen. Ge waart door een +stralenkrans omgeven en om u zweefden allerlei hemelsche gedaanten." + +Hij hief zijn blik op tot het kruisbeeld. + +"Maar," vervolgde zij, "zeg mij nu waar Cosette is? Waarom haar niet +bij mij op 't bed gelegd, tegen 't oogenblik dat ik ontwaken zou?" + +Hij antwoordde werktuiglijk iets, dat hij zich later nimmer meer +kon herinneren. + +Gelukkig was de geneesheer, die verwittigd was, verschenen, en kwam +den heer Madeleine te hulp. + +"Wees rustig, mijn dochter, uw kind is hier." + +Fantine's oogen glinsterden en spreidden een helderen glans over haar +gelaat. Met een uitdrukking, die alles in zich sloot wat het gebed +vurigst en zachtst kan hebben, vouwde zij de handen. + +"Ach!" riep zij, "breng haar mij." + +Aandoenlijke begoocheling eener moeder! Zij meende nog altijd, dat +men haar het kind bracht. + +"Nog niet," hernam de geneesheer, "niet in dit oogenblik. Ge zijt nog +koortsig. Het gezicht van uw kind zou u te veel ontroeren en nadeelig +zijn. Vóór alles moet ge hersteld zijn." + +Zij viel hem heftig in de rede: + +"Ik ben hersteld, ik zeg u dat ik hersteld ben. Hoe dom van dien +dokter. Ik zeg u, dat ik mijn kind wil zien." + +"Ge ziet," zei de geneesheer, "dat ge driftig wordt. Zoolang ge +zóó zijt, wil ik niet, dat ge uw kind ziet. 't Is niet genoeg haar +te zien, gij moet voor haar leven. Zoodra ge bedaard en kalm zijt, +zal ik zelf u haar brengen." + +De arme moeder liet het hoofd zinken. + +"Vergeving, mijnheer de dokter, ik vraag u hartelijk +vergiffenis. Vroeger zou ik aldus niet gesproken hebben; maar ik heb +zoovele rampen doorstaan, dat ik soms niet weet wat ik zeg. Ik begrijp, +ge vreest voor opgewondenheid; ik zal zoo lang wachten als ge wilt; +maar ik verzeker u, dat het mij geen kwaad zou gedaan hebben, mijn kind +te zien. Ik zie haar toch, en sedert gisterenavond verlies ik haar niet +uit het oog. Weet ge? Zoo men het mij nu bracht, zou ik er rustig mede +praten. Anders niet. Is 't niet natuurlijk, dat ik mijn kind wensch te +zien, dat men opzettelijk van Montfermeil heeft gehaald? Ik ben niet +verstoord. Ik weet immers, dat ik gelukkig zal worden. Den geheelen +nacht heb ik witte dingen gezien en lieden die mij toelachten. Wanneer +mijnheer de dokter het goedvindt, zal hij mij Cosette wel brengen. Ik +heb geen koorts meer, want ik ben genezen; ik gevoel duidelijk, dat +mij niets meer deert; maar ik zal doen alsof ik ziek ben en stil zijn, +om de goede zusters aangenaam te zijn. Zoodra men ziet, dat ik rustig +ben, zullen zij zeggen: nu moet men haar het kind geven." + +Madeleine had zich op een stoel gezet, die naast het bed stond. Zij +wendde zich tot hem, en deed blijkbaar alle moeite om bedaard en +"zeer verstandig" te zijn, zooals zij in haar ziekelijke zwakheid +zeide, welke de kindsheid gelijkt, opdat men, als men haar zoo rustig +zag, geen bezwaar zou maken haar Cosette te brengen. Evenwel kon zij, +hoezeer zij zich bedwong, niet nalaten, den heer Madeleine duizenderlei +vragen te doen. + +"Hebt ge een voorspoedige reis gehad, mijnheer de maire? O, hoe goed +van u, dat ge haar gehaald hebt! Zeg mij maar alleen, hoe 't haar +gaat? Heeft zij de reis goed doorgestaan? Ach, zij zal mij niet meer +kennen? De lieve kleine heeft mij in al dien tijd vergeten! kinderen +hebben geen geheugen; 't gaat hun als de vogels. Vandaag zien zij dit, +morgen dat, en vergeten alles. Maar heeft zij schoon linnen? Hielden +de Thénardier's haar zindelijk? Hoe voedden zij haar? Ach, wist ge +hoe ik geleden heb, toen ik, in den tijd mijner ellende, mij al deze +vragen deed. Nu is 't voorbij! Ik ben verheugd! Ach, hoezeer wensch ik +haar te zien! Hebt ge haar mooi gevonden, mijnheer de maire? Niet waar, +mijn dochtertje is schoon? Ge moet het wel koud in de diligence gehad +hebben? Zou men haar niet voor een enkel oogenblik kunnen brengen? Ze +kunnen haar terstond weder meenemen! Spreek, gij zijt baas, en zoo +ge wildet...!" + +Hij nam haar hand en zeide: "Cosette is schoon: zij is welvarend, +gij zult haar spoedig zien; maar wees nu stil. Gij spreekt te veel, +en gij laat uw armen uit het bed hangen; dat maakt u aan 't hoesten." + +En inderdaad deden aanvallen van hoest Fantine schier bij ieder +woord afbreken. + +Fantine morde niet; zij vreesde dat zij door te harstochtelijke +klachten het vertrouwen had geschaad, dat zij wilde inboezemen, +en nu begon zij over onverschillige zaken te spreken. + +"Montfermeil is een lief plaatsje, niet waar? Des zomers doet men er +pleiziertochtjes heen. Gaan de zaken van Thénardier goed? Er komen +weinig voorname lieden bij hen. Hun herberg is een soort van kroeg." + +Madeleine hield nog altijd haar hand vast en aanschouwde haar met +bekommering; 't was hem aan te zien, dat hij gekomen was om haar dingen +te zeggen, welke hij thans aarzelde uit te spreken. De geneesheer +verwijderde zich, en nu was zuster Simplicia alleen met beiden. + +Eensklaps riep Fantine, te midden dezer stilte: + +"Ik hoor haar, mijn God! ik hoor haar!" + +Zij stak den arm uit, opdat men niet zou spreken, hield den adem in +en luisterde in verrukking. + +Op de binnenplaats speelde een kind, het kind der portierster of van +een werkster. 't Was eene dier toevalligheden, welke men zoo vaak +ontmoet en die tot de voorstelling van treurige tooneelen schijnen te +behooren. Het kind, een klein meisje, liep heen en weder, om zich te +verwarmen, en lachte en zong luide. Helaas! op welke wijze vermaken +de kinderen zich al niet! 't Was dit kleine meisje, 't welk Fantine +hoorde zingen. + +"O," hernam zij, "'t is mijn Cosette, ik herken haar stem!" + +Het kind verwijderde zich gelijk het gekomen was, haar stem verstierf; +Fantine luisterde nog een poos, toen verduisterde haar gelaat en de +heer Madeleine hoorde haar zacht zeggen: "Hoe wreed is deze geneesheer, +dat hij mij mijn kind niet wil laten zien. Die man heeft zelf een +leelijk gezicht." + +Haar vroolijke gedachten keerden echter terug. Zij ging voort met tot +zich zelve te spreken, het hoofd in 't kussen: "O, wij zullen gelukkig +zijn. Vooreerst zullen wij een kleinen tuin hebben. Mijnheer Madeleine +heeft het mij beloofd. Mijn dochtertje zal in den tuin spelen. Zij zal +de letters wel kennen en ik zal haar leeren spellen. Over het gras zal +zij de kapellen naloopen. Ik zal haar dan zien. Vervolgens zal zij haar +eerste communie doen. O, wanneer zal zij haar eerste communie doen?" + +Zij telde op haar vingers. + +"... Een, twee, drie, vier... Zij is zeven jaar oud. Dus over vijf +jaar. Dan krijgt zij een witten sluier, opengewerkte kousen... Zij +zal er uitzien als een dametje. O, lieve zuster, verbeeld u hoe dwaas, +ik denk daar aan de eerste communie van mijn dochtertje." + +Zij lachte. + +Madeleine had Fantine's hand losgelaten. Hij luisterde naar haar +woorden gelijk men naar den wind luistert, met nedergeslagen oogen, +in onbestemde gedachten verdiept. Eensklaps zweeg zij; dit deed hem +werktuiglijk het hoofd opheffen. Fantine zag er verschrikt uit. + +Zij sprak niet meer, zij ademde niet meer; ten halve had zij zich +opgericht, haar magere arm kwam uit het hemd; haar gezicht, dat +even te voren schitterde, was dof, zij scheen op iets vreeselijks te +staren vóór zich aan 't einde der kamer, haar oogen waren opengespalkt +van schrik. + +"Mijn God!" riep hij. "Wat deert u, Fantine?" + +Zij antwoordde niet, zij wendde de oogen niet af van het voorwerp, +'t welk zij scheen te zien, maar met de eene hand drukte zij zijn +arm en met de andere beduidde zij hem, achterom te zien. + +Hij keerde zich om, en zag Javert. + + + + + + +DERDE HOOFDSTUK. + +JAVERT IS TEVREDEN. + + +Ziehier wat gebeurd was. + +'t Was half één 's nachts, toen de heer Madeleine de gerechtszaal te +Arras had verlaten. Hij was tijdig genoeg in zijn herberg teruggekomen +om met de postkar te kunnen vertrekken, waarop hij, zooals men zich +herinnert, een plaats besproken had. Even voor zes uren in den morgen +was hij te M. sur M. aangekomen; en het eerst wat hij deed was zijn +brief aan den heer Laffitte naar de post te brengen, vervolgens in +de ziekenzaal Fantine te bezoeken. + +Hij had echter nauwelijks de gerechtszaal verlaten, of de +advocaat-generaal herstelde zich van zijn eerste verbazing en nam +het woord, om de krankzinnige daad van den achtenswaardigen maire +van M. sur M. te betreuren; te verklaren, dat door dat zonderling +geval, 't welk zich later wel zou ophelderen, zijn overtuiging in +'t minst niet veranderd was, en dat hij de veroordeeling eischte +van dezen Champmathieu, die blijkbaar de wezenlijke Jean Valjean +was. De halsstarrigheid van den advocaat-generaal was blijkbaar in +weerspraak met het gevoelen van allen, van het publiek, van het hof, +van de gezworenen. Het had den verdediger weinig moeite gekost deze +rede te bestrijden, en te betoogen, dat, tengevolge der verklaringen +van den heer Madeleine, dat is van den wezenlijken Jean Valjean, de +zaak geheel van gedaante was veranderd en de gezworenen een onschuldige +voor zich hadden. De advocaat haalde daarbij eenige voorbeelden aan, +die echter niet heel nieuw waren, van rechterlijke vergissingen +enz. enz.; de president had zich in zijn résumé bij den verdediger +gevoegd, en in weinige minuten hadden de gezworenen Champmathieu +buiten beschuldiging gesteld. + +Maar de advocaat-generaal moest een Jean Valjean hebben, en nu hij +Champmathieu niet meer had, nam hij Madeleine. + +Onmiddellijk na de invrijheidstelling van Champmathieu, sloot de +advocaat-generaal zich met den president op. Zij raadpleegden "over +de noodzakelijkheid om zich van den persoon van den maire van M. sur +M. te verzekeren." Deze zinsnede, met al de van's, was geschreven met +de eigen hand van den advocaat-generaal in het klad van zijn rapport +aan den prokureur-generaal. Toen de eerste aandoening voorbij was, +maakte de president slechts weinig tegenwerpingen. Het gericht moest +zijn loop hebben. En, om alles te zeggen, ofschoon de president een +goed en verstandig man was, was hij terzelfder tijd een zeer vurig +koningsgezinde, en hij had er zich over gebelgd gevoeld, dat de maire +van M. sur M., toen deze van de landing te Cannes sprak, de keizer +en niet Bonaparte had gezegd. + +Het bevel tot gevangenneming werd dus uitgevaardigd. De +advocaat-generaal zond het met een bijzonderen ijlbode naar M. sur +M. en belastte er den inspecteur Javert mede. + +Men weet dat Javert terstond na de aflegging zijner verklaring naar +M. sur M. was teruggekeerd. + +Javert was juist opgestaan, toen de bode hem het bevel tot aanhouding +en overbrenging ter hand stelde. De bode zelf was een ervaren +politieagent, die Javert in een paar woorden met het gebeurde te Arras +in kennis stelde. Het bevel tot aanhouding, door den advocaat-generaal +onderteekend, luidde aldus: "De inspecteur Javert zal zich van den +persoon van den heer Madeleine, maire van M. sur M. verzekeren, +die in de terechtzitting van heden als de gewezen tuchteling Jean +Valjean herkend is geworden." + +Wie Javert niet had gekend en hem op het oogenblik gezien had, +toen hij zich in de voorkamer der ziekenzaal begaf, zou niet hebben +kunnen gissen, wat in hem omging, en niets buitengewoons op zijn +gelaat gevonden hebben. Hij was koel, ernstig, rustig; zijn grijs +haar was heel glad langs de slapen gestreken, en hij was met zijn +gewone deftigheid de trap opgegaan. Wie hem nauwkeurig gekend en +hem aandachtig beschouwd had, zou gesidderd hebben. De gesp van zijn +lederen das zat, in plaats van in den nek, onder het linkeroor. Dit +verried een ongehoorde opgewondenheid. + +Javert was een nauwgezet man, die noch een kreuk aan zijn plicht noch +aan zijn uniform duldde; stroef tegen de schurken, streng tegen de +knoopen van zijn rok. + +Naardien hij zijn das verkeerd had omgegespt, moest een hevige +beroering in hem hebben plaats gehad, zulk eene, welke men een +inwendige aardbeving zou kunnen noemen. + +Hij was eenvoudig naar den naasten wachtpost gegaan, had er een +korporaal en vier man gerequireerd, welke hij op de binnenplaats +achterliet, had zich de kamer van Fantine doen wijzen door de argelooze +portierster, die gewoon was, dat gewapende lieden naar mijnheer den +maire kwamen vragen. + +Aan die kamer gekomen, draaide Javert den sleutel om, opende de deur +met de voorzichtigheid van een ziekenoppasser, of van een stillen +verklikker en trad binnen. + +Eigenlijk trad hij niet binnen; hij bleef in de halfgeopende deur +staan, met den hoed op 't hoofd, de linkerhand in zijn jas, die tot +aan de kin dichtgeknoopt was. In de buiging van den elleboog kon men +den looden knop van zijn dikken stok zien, die achter hem verdween. + +Zoo bleef hij bijna een minuut staan, zonder dat men zijn +tegenwoordigheid opmerkte. Eenklaps sloeg Fantine de oogen op, zag +hem en deed mijnheer Madeleine omzien. + +Juist toen Madeleine's blik dien van Javert ontmoette, was Javert, +zonder zich te bewegen of te naderen, verschrikkelijk. Geen menschelijk +gevoel is in staat zoo vreeselijk te zijn als de vreugd. + +Het was het gezicht eens duivels, die zijn doemeling heeft +teruggevonden. + +De zekerheid, dat hij nu eindelijk Jean Valjean had, deed op zijn +gelaat al wat zijn ziel bevatte te voorschijn komen. De opgewelde grond +kwam boven 't water uit. De vernedering, dat hij een oogenblik het +spoor verloren en zich aangaande Champmathieu vergist had, verdween +onder den trots, terstond zoo goed geraden en zoo lang een juist +instinct gehad te hebben. De tevredenheid van Javert blonk uit zijn +oppermachtige houding. Het hatelijke zijner zegepraal teekende zich +af op zijn smal voorhoofd. 't Was het grootst mogelijk vertoon van +afkeer, dat een tevreden gezicht kan hebben. + +Javert was op dit oogenblik in den hemel. Zonder er zich volkomen +rekenschap van te geven, doch evenwel met een donker gevoel van +zijn onmisbaarheid en zijn succes, vertegenwoordigde hij, Javert, +de gerechtigheid, het licht en de waarheid, in hun hemelsche roeping +om het kwaad uit te roeien. Hij had achter zich en om zich heen, +in een eindelooze diepte, het gezag, de rede, de veroordeeling, +het gevoel van wettigheid, de openbare straf, al de sterren; hij +beschermde de orde, hij deed uit de wet den bliksem schieten; hij +wreekte de maatschappij; hij leende de sterke hand aan de overheid; +hij stond in een stralenkrans; overigens was er in zijn overwinning +een goed deel uittarting en strijd; trotsch en opgericht vertoonde hij +in het helderst licht de onmenschelijke dierlijkheid van een wreeden +aartsengel; de vreeselijke schaduw der daad, welke hij vervulde, maakte +de flauwe flikkering van het maatschappelijke zwaard in zijn gebalde +vuist zichtbaar; gelukkig en vol verontwaardiging hield hij onder zijn +hiel de misdaad, de ondeugd, den wederstand, het verderf, de hel; +hij schitterde, verdelgde, glimlachte, en er was een onbetwistbare +grootheid in dezen monsterachtigen heiligen Michaël. + +In zijn vreeselijkheid had Javert echter niets, dat op gemeenheid leek. + +Eerlijkheid, oprechtheid, goede trouw, overtuiging, plichtsbesef, +zijn zaken, die, verkeerd begrepen, verschrikkelijk kunnen worden, +maar zelfs in haar verschrikkelijkheid grootsch blijven; haar +majesteit blijft het menschelijk gemoed gevoelen, ondanks haar +verschrikkelijkheid. 't Zijn deugden, die een ondeugd hebben, +de dwaling. De onmeedoogende oprechte vreugde van een geestdrijver +behoudt in haar volste wreedheid een heilloozen, maar ontzagwekkenden +glans. In zijn vreeselijk geluk was Javert, zonder dat hij het zelf +wist, te beklagen, evenals ieder, die onwetend zegeviert. Niets kon +vreeselijker en ontzettender zijn, dan dit gezicht, waarop zich, +om zoo te zeggen, al het slechte van het goede vertoonde. + + + + + + +VIERDE HOOFDSTUK. + +HET GEZAG HERNEEMT ZIJN RECHTEN. + + +Fantine had Javert niet wedergezien sedert den dag, waarop mijnheer +de maire haar aan dien man had ontrukt. Haar zieke hersenen konden +zich van niets rekenschap geven, maar zij twijfelde niet, of hij +kwam haar terughalen. Zij kon dat vreeselijk gezicht niet verdragen; +zij voelde, dat zij bezweek; zij bedekte haar gelaat met beide handen +en riep angstig: + +"Mijnheer Madeleine, red mij!" + +Jean Valjean,--wij zullen hem in 't vervolg niet anders noemen,--was +opgestaan. Met zachte, bedaarde stem zeide hij tot Fantine: + +"Wees gerust. Hij komt niet om u." + +Daarop zich tot Javert wendende, zeide hij: + +"Ik weet wat ge wilt." + +Javert antwoordde: "Kom, spoedig!" + +In den toon, waarop hij deze twee woorden sprak, lag iets wilds, iets +razends. Deze toon is onmogelijk weder te geven of te beschrijven; +'t was geen menschelijke spraak, maar een gebrul. + +Hij handelde niet als gewoonlijk; hij gaf geen kennis van de zaak, +hij vertoonde het dwangbevel niet. Voor hem was Jean Valjean een soort +van geheimzinnigen, onvatbaren strijder, een nevelachtige worstelaar, +dien hij sedert vijf jaren omspannen hield, zonder hem te kunnen +vatten. Deze gevangenneming was geen begin, maar een einde. Hij +vergenoegde zich met te zeggen: Kom, spoedig! + +Terwijl hij dit zeide, deed hij geen schrede voorwaarts; hij sloeg op +Jean Valjean dien blik, welken hij als een haak uitwierp en waarmede +hij gewoonlijk de rampzaligen als met geweld tot zich trok. + +'t Was deze blik, die Fantine twee maanden vroeger tot in het merg +van haar gebeente had voelen doordringen. + +Op Javert's stem had Fantine de oogen weder geopend. Maar mijnheer +de maire was er: wat had zij te vreezen? + +Javert trad tot in 't midden der kamer en riep: + +"Nu! komt ge?" + +De ongelukkige zieke zag rondom zich. Er was niemand dan de +liefdezuster en de maire. Wie kon deze smadelijke oproeping +gelden? Haar alleen! Zij rilde. + +Toen zag zij iets ongehoords, iets zoo ongehoords, dat zelfs in de +gedrochtelijkste koortsbeelden haar zoo iets niet verschenen was. Zij +zag den politieagent Javert mijnheer den maire bij den kraag vatten; +zij zag mijnheer den maire het hoofd buigen. Het was haar, alsof de +wereld onderging. + +Inderdaad, Javert had Jean Valjean bij den kraag gevat. + +"Mijnheer de maire!" riep Fantine. + +Javert lachte luid, een vreeselijke lach, die al zijn tanden liet zien. + +"Hier is geen mijnheer de maire meer!" + +Jean Valjean deed geen poging om zich van de hand te bevrijden, +die den kraag van zijn jas vasthield. Hij zeide: + +"Javert...." + +Javert beet hem toe:--"Noem mij mijnheer den inspecteur." + +"Mijnheer, hernam Jean Valjean, ik wenschte u een paar woorden onder +vier oogen te zeggen." + +"Spreek maar hardop," antwoordde Javert, "men spreekt altijd hardop +tot mij." + +Jean Valjean hernam zacht: + +"Ik wilde u een verzoek doen..." + +"Ik zeg, dat ge hardop moet spreken." + +"Maar dit mag alleen door u gehoord worden..." + +"Wat gaat mij dit aan? ik luister niet!" + +Jean Valjean keerde zich dicht tot hem en zeide schielijk en zacht: + +"Vergun mij drie dagen. Drie dagen, om het kind van deze ongelukkige +vrouw te halen. Ik zal alles betalen. Ge kunt mij vergezellen, zoo +gij wilt." + +"Houdt ge mij voor den gek?" riep Javert. "Ik dacht niet, dat ge zoo +dom waart. Ge wilt drie dagen om u uit de voeten te maken! Ge zegt, +dat ge het kind van deze deern wilt halen. Ha! ha! niet slecht! niet +slecht!" + +Fantine beefde. + +"Mijn kind!" riep zij, "mijn kind gaan halen! 't Is dus niet +hier! Zuster, spreek, waar is Cosette? Ik wil mijn kind! mijnheer +Madeleine, mijnheer de maire!" + +Javert stampvoette. + +"Is daar de andere ook? Wilt ge zwijgen, deern! Vervloekt land, +waar galeiboeven overheden zijn en publieke vrouwen als gravinnen +verpleegd worden! O, 't zal alles veranderen, 't is hoog tijd!" + +Hij zag Fantine strak aan en vervolgde, terwijl hij de das, den +hemdsboord en den rokskraag van Jean Valjean opnieuw vatte: "Ik zeg u, +dat hier geen mijnheer Madeleine en geen mijnheer de maire meer is. Er +is hier een dief, een roover, een galeiboef, die Jean Valjean heet; +en dat is degeen, dien ik hier vasthoud." + +Fantine richtte zich op, en op haar stijve armen en handen steunende, +aanschouwde zij Jean Valjean, Javert en de liefdezuster; zij opende den +mond om te spreken, maar slechts een gereutel kwam uit haar keel, haar +tanden klapperden, zij stak angstig de armen uit, opende stuiptrekkend +haar handen, en tastte om zich, als iemand die verdrinkt; toen zonk +zij eensklaps in het hoofdkussen neer. + +Haar hoofd stiet tegen het hoofdeinde van het bed, en zonk op de +borst terug, met open mond en strakke, doffe oogen. + +Zij was dood. + +Jean Valjean legde zijn hand op de hand van Javert, die hem vasthield, +en opende ze, alsof hij de hand van een kind had geopend; toen sprak +hij tot Javert: + +"Ge hebt deze vrouw gedood." + +"Komt er een eind aan?" riep Javert woedend, "ik ben hier niet om +praatjes aan te hooren. Laten we daarmee ophouden; de wacht is beneden; +terstond voort of de duimschroeven." + +In den hoek der kamer stond een oud ijzeren bed, in tamelijk slechten +toestand, dat tot rustbed diende, wanneer de zusters waakten. Jean +Valjean trad naar dit bed, brak er in een oogwenk een ijzeren stang af, +'t geen voor zijn gespierde vuist slechts kinderspel was, en met dit +wapen in de hand zag hij Javert aan, die naar de deur terugweek. Toen +ging Jean Valjean met de stang in de hand langzaam naar Fantine's +bed. Hier gekomen keerde hij zich om en zeide tot Javert met een +nauwelijks hoorbare stem: + +"Ik raad u niet, mij op dit oogenblik te storen." + +'t Is zeker, dat Javert beefde. + +Het denkbeeld kwam in hem op de wacht te roepen, maar Jean Valjean +kon van dit oogenblik gebruik maken om te ontsnappen. Hij bleef dus, +nam zijn stok bij het dunne eind en ging tegen den deurpost staan +zonder Jean Valjean uit het oog te verliezen. + +Jean Valjean rustte met zijn elleboog tegen het hoofdeinde van het +bed en hield zijn hoofd in de hand; hij zag strak op Fantine, die +bewegingloos lag uitgestrekt. Aldus bleef hij peinzend, zwijgend en +blijkbaar aan niets van deze wereld meer denkende, staan. Op zijn +gezicht en in zijn houding was alleen een onbeschrijfelijk medelijden +te lezen. Na eenige oogenblikken boog hij zich tot Fantine en sprak +haar fluisterend toe. + +Wat zeide hij haar? Wat kon deze man, een veroordeelde, zeggen tot +deze vrouw, die dood was? Wat beteekenden zijn woorden? Niemand ter +wereld heeft ze gehoord. Hoorde de gestorvene ze? Er zijn aandoenlijke +illusiën, die misschien verheven werkelijkheden zijn. Ontwijfelbaar +is het, dat zuster Simplicia, de eenige getuige van dit tooneel, +dikwerf verhaald heeft, dat, toen Jean Valjean Fantine toefluisterde, +zij duidelijk op haar bleeke lippen en in haar strakke oogen een +onbeschrijfelijken glimlach zag verschijnen. Jean Valjean nam Fantine's +hoofd met beide handen en vlijde het op het kussen evenals een moeder +haar kind zou doen, bond het bandje van haar hemd dicht en streek +het haar onder heur muts. Daarna sloot hij haar oogen. + +Fantine's gelaat glansde op dit oogenblik in een wonderbaar licht. + +De dood is de ingang tot het groote licht. + +De hand van Fantine hing uit het bed. Jean Valjean knielde voor die +hand, lichtte ze zacht op en kuste ze. + +Toen richtte hij zich op, en zeide tot Javert: + +"Nu ben ik tot uw dienst." + + + + + + +VIJFDE HOOFDSTUK. + +EEN BEHOORLIJK GRAF. + + +Javert bracht Jean Valjean naar de stadsgevangenis. De gevangenneming +van mijnheer Madeleine baarde te M. sur M. een geweldig opzien, of +liever, veroorzaakte er een buitengewone beweging. Tot ons leedwezen +kunnen wij niet verhelen, dat uithoofde van het enkele woord: "'t was +een tuchteling", schier iedereen zich van hem wendde. In minder dan +twee uren was al het goede, dat hij gedaan had, vergeten, en hij was +niets meer dan "een tuchteling". Wij moeten evenwel zeggen, dat men +de bijzonderheden van het te Arras voorgevallene nog niet kende. Den +geheelen dag hoorde men in alle wijken der stad gesprekken als deze: + +"Hebt ge 't al gehoord? Hij was een gewezen galeislaaf!"--"Wie?"--"De +maire."--"Hoe, de heer Madeleine?"--"Ja."--"Waarlijk?"--"Hij +heette niet Madeleine; hij heeft een gemeenen naam, Bejean, Bojean, +Boujean."--"Mijn Hemel!"--"Hij is in hechtenis genomen."--"In hechtenis +genomen?"--"In de gevangenis, in de stadsgevangenis, tot hij wordt +overgebracht."--"Overgebracht! zal men hem overbrengen? Waarheen +zal men hem brengen?"--"Voor de assises, wegens een diefstal op +den openbaren weg, door hem eertijds gepleegd."--"Nu, ik dacht het +wel. Deze man was al te goed, al te volmaakt, al te bescheiden. Hij +weigerde het kruis; hij gaf geld aan al de straatjongens, welke hij +ontmoette. Ik heb wel gedacht, dat daar iets kwaads achter schuilde." + +In de salons vooral werden dergelijke gesprekken gevoerd. + +Een oude dame, die op de Drapeau blanc was geabonneerd, maakte deze +opmerking, welker diepe zin moeilijk te verklaren is: + +"'t Spijt mij niet. Dat zal de Bonapartisten een les geven." + +Aldus verdween dit spooksel, dat mijnheer Madeleine heette, uit M. sur +M. Slechts drie of vier personen in de stad hielden zijn gedachtenis +in eere. De oude portierster, welke bij hem gediend had, behoorde +tot dit getal. + +Den avond van dien zelfden dag zat de goede oude vrouw in haar loge, +nog geheel ontsteld en in treurige gedachten verdiept. De fabriek was +den geheelen dag gesloten geweest, de wagenpoort gegrendeld, de straat +eenzaam. In het huis waren slechts de twee geestelijke zusters, zuster +Perpetua en zuster Simplicia, die bij het lijk van Fantine waakten. + +Tegen den tijd, dat mijnheer Madeleine gewoon was te huis te komen, +stond de goede vrouw werktuiglijk op, nam den sleutel van zijn kamer +uit een lade, en den blaker, waarvan hij zich elken avond bediende om +naar boven te gaan; vervolgens hing zij den sleutel aan den spijker, +van welken hij hem gewoonlijk nam, en zette er den blaker naast, +alsof zij hem verwachtte. Daarna ging ze weer zitten en begon weer +te dommelen. De arme goede vrouw had dit alles gedaan zonder dat zij +'t zelve wist. + +Eerst na verloop van twee uren ontwaakte zij uit haar mijmering +en riep: "O, goede Hemel! zie, ik heb den sleutel aan den spijker +gehangen!" + +Juist werd het raampje der loge geopend; een hand kwam door de opening, +nam den sleutel en den blaker en ontstak de kaars aan haar licht. + +De portierster sloeg de oogen op, opende den mond en wilde schreeuwen, +maar de kreet bleef in haar keel steken. + +Zij kende deze hand, dezen arm, die jasmouw. + +'t Was mijnheer Madeleine. + +Zij was eenige oogenblikken zoo "verbouwereerd", zooals zij zich later +uitdrukte, wanneer zij 't voorval vertelde, dat zij niet kon spreken. + +"Mijn God, mijnheer de maire," riep zij, "ik meende dat ge..." + +Zij zweeg, het einde harer zinsnede zou aan den eerbied van het begin +hebben te kort gedaan. Jean Valjean was voor haar nog altijd mijnheer +de maire. + +Hij vulde haar gedachten aan. + +"In de gevangenis waart," sprak hij. "Ik ben er geweest. Ik heb een +tralie uit het venster gebroken, heb mij van boven laten neerglijden, +en nu ben ik hier. Ik ga naar mijn kamer, roep zuster Simplicia. Zij +is waarschijnlijk bij de arme vrouw." + +De oude vrouw gehoorzaamde haastig. + +Hij beval haar niets, hij was overtuigd, dat zij hem beter zou +beveiligen, dan hij zich zelven deed. + +Niemand heeft ooit geweten, hoe het hem gelukt was op de binnenplaats +te komen zonder de koetspoort te openen. Hij droeg gewoonlijk een +looper bij zich, waarmede hij eene kleine zijdeur opende, maar men +had hem zekerlijk onderzocht en hem zijn looper ontnomen. Dit punt +is nooit opgehelderd geworden. + +Hij ging de trap op, die naar zijn kamer voerde. Boven gekomen, +zette hij den blaker op de laatste trede, opende zacht zijn kamer, +en sloot op den tast het raam en het luik; toen ging hij zijn blaker +halen en keerde in de kamer terug. + +Deze voorzorg was noodzakelijk; want, zooals men zich herinnert, +kon zijn venster van de straat gezien worden. + +Hij sloeg een blik om zich, op de tafel, zijn stoel, zijn bed, +waarin hij sedert drie dagen niet geslapen had. Geen spoor was er +te zien van de verwarring des vorigen nachts. De portierster had +"de kamer gedaan". Alleen had zij de twee einden van den met ijzer +beslagen stok en het in 't vuur zwart geworden twee-francs-stuk uit +de asch genomen en ze netjes op de tafel gelegd. + +Hij nam een vel papier, waarop hij schreef: "Dit zijn de twee einden +van den stok en het twee-francs-stuk, dat ik den kleinen Gervais +ontstolen heb, waarvan ik voor de assises heb gesproken;" en op dat +papier legde hij het geldstuk en de twee stukken van den stok zoodanig +dat deze het eerst in 't oog vielen, wanneer men in de kamer kwam. Hij +nam uit de kast een zijner oude hemden, dat hij stuk scheurde. In +de lappen wikkelde hij de twee zilveren kandelaars. Voor 't overige +was hij haastig noch gejaagd. Terwijl hij de kandelaars inpakte, +beet hij in een stuk zwart brood. Waarschijnlijk het gevangenisbrood, +dat hij in zijn vlucht had meegenomen. + +Dit werd bewezen door de broodkruimels, welke op den vloer der kamer +werden gevonden, toen de justitie later huiszoeking deed. + +Er werd tweemaal zacht aan de deur geklopt. + +"Binnen!" zeide hij. + +'t Was zuster Simplicia. + +Zij was bleek, haar oogen waren rood geweend en de kaars beefde in haar +hand. Geweldige slagen van 't noodlot hebben dit eigenaardige, dat, +hoe fijn- of hoe ongevoelig wij zijn mogen, zij uit het diepste onzer +ziel de menschelijke natuur opwekken en haar dwingen te voorschijn +te komen. Onder de beroeringen van dien dag was de geestelijke zuster +weder vrouw geworden. Zij had geweend, zij beefde. + +Jean Valjean had eenige regels op een papier geschreven, dat hij de +pleegzuster toereikte, zeggende:--Geef dit aan mijnheer den pastoor. + +Het papier was open. Zij sloeg er een blik op. + +"Ge moogt het lezen," zeide hij. + +Zij las:--"Ik verzoek mijnheer den pastoor te waken over hetgeen ik +hier achterlaat. Hij gelieve zoo goed te zijn de kosten van mijn proces +en van de begrafenis der heden overleden vrouw er van te betalen. Het +overige is voor de armen." + +De zuster wilde spreken, maar kon nauwelijks eenige onverstaanbare +klanken stamelen. Eindelijk gelukte het haar te zeggen: + +"Wil mijnheer de maire de arme ongelukkige nog niet eens zien?" + +"Neen," zeide hij, "men vervolgt mij, en zoo men mij in haar kamer +gevangen nam, zou haar dit storen." + +Hij had deze woorden nauwelijks gezegd, toen op de trap een levendig +gerucht werd gehoord. Zij hoorden voetstappen naar boven komen en de +oude portierster, die zoo luid en gillend als zij kon riep: + +"Mijn goede heer; ik zweer u bij den goeden God, dat hier den +ganschen dag en avond niemand is binnengegaan, en dat ik mijn deur +niet verlaten heb." + +Een man antwoordde: + +"Er is evenwel licht in die kamer." + +Men herkende Javert's stem. + +De kamer was zoo ingericht, dat de deur, wanneer zij openging, den +rechter kant van den muur bedekte. Jean Valjean blies het licht uit +en ging in dien hoek staan. + +Zuster Simplicia viel bij de tafel op de knieën. + +De deur werd geopend. + +Javert trad binnen. + +Men hoorde het fluisteren van verscheidene mannen en het verzet +der oude portierster. De geestelijke zuster sloeg de oogen niet +op. Zij bad. + +De kaars stond op den schoorsteen, en gaf slechts een flauw licht. + +Javert zag de zuster en bleef verrast staan. + +Men herinnere zich, dat de grondtrek van Javert's karakter, zijn adem, +zijn levensbeginsel de vereering van alle gezag was. Hij was dit +geheel, zonder voorbehoud of uitzondering. Het geestelijk gezag, wij +moeten dit zeggen, was voor hem het voornaamste; hij was godsdienstig, +en op dit punt, gelijk op alle, stipt en nauwgezet. In zijn oog was +een priester een wezen dat zich nooit bedriegt, eene geestelijke +dochter een wezen dat niet zondigt. Zijns inziens waren zij in deze +wereld gemetselde zielen, met een enkele deur, die zich alleen opende +om de waarheid uit te laten. + +Toen hij de zuster zag, was zijn eerste beweging, zich dadelijk +te verwijderen. + +Maar er was ook een andere plicht, die hem boeide en hem met geweld +in een tegenovergestelde richting dreef. Zijn tweede beweging was te +blijven, en zich ten minste een vraag te veroorloven. + +'t Was zuster Simplicia, die nimmer in haar leven gelogen had. Javert +wist dit, en vereerde haar uit dien hoofde bijzonder. + +"Zuster," zeide hij, "zijt ge alleen in deze kamer?" + +Er ontstond een vreeselijk oogenblik, gedurende 't welk de arme +portierster geheel van zich zelve raakte. + +De zuster sloeg de oogen op en antwoordde: + +"Ja." + +"Vergeving," hernam Javert, "dat ik u nog een vraag doe, 't is mijn +plicht: hebt ge van avond niet iemand gezien, die ontvlucht is, +en dien wij zoeken,... Jean Valjean ... hebt ge hem niet gezien?" + +De zuster antwoordde:--"Neen." + +Zij loog. Zij loog tweemaal achtereen, slag op slag, vlot, zonder +aarzeling, als in volkomen overtuiging. + +"Verschoon mij," zei Javert en hij ging heen, diep buigende. + +O, heilige dochter; sedert vele jaren zijt gij niet meer van deze +wereld; ge hebt u in 't hemelsche licht met uw zusters, de maagden, +en uw broeders de engelen, vereenigd; moge deze leugen u in den hemel +ten goede worden gerekend. + +De verklaring der zuster was voor Javert zoo beslissend, dat hij niet +eens op de vreemde omstandigheid lette, dat de kaars was uitgeblazen +en nog op de tafel stond te rooken. + +Een uur later verwijderde zich een man haastig tusschen het geboomte en +in de duisternis uit M. sur M. in de richting van Parijs. Deze man was +Jean Valjean. Het is door de verklaring van twee of drie voerlieden, +die hem ontmoet hadden, gebleken, dat hij een pakje droeg en in een +kiel gekleed was. Van waar had hij die kiel? Men is het nooit te +weten gekomen. Echter was eenige dagen te voren een oude werkman, in +de ziekenzaal der fabriek, overleden, die een kiel had nagelaten. 't +Was misschien deze kiel. + +Een laatste woord over Fantine. + +Allen hebben wij een moeder, de aarde. Fantine werd aan deze moeder +teruggegeven. + +De pastoor meende goed te doen, en deed misschien goed, met zooveel +mogelijk voor de armen te behouden van het geld, dat Jean Valjean had +achtergelaten. Wie waren er overigens ook in betrokken? een tuchteling +en een publieke vrouw. Daarom maakte hij de begrafenis van Fantine zoo +eenvoudig mogelijk, en beperkte die tot het volstrekt noodzakelijke, +namelijk het algemeene graf. + +Fantine werd alzoo in den hoek van het kerkhof begraven, die niets +kost, die aan allen en aan niemand behoort, en waarin de armen worden +bijeengestopt. Gelukkig weet God de zielen te vinden. Men legde +Fantine in 't donker, te midden van het eerste gebeente het beste, +in den algemeenen kuil. Haar graf geleek haar bed. + + + + EINDE VAN HET EERSTE DEEL. + + + + + + +INHOUD. + + +Boek I. + +Een rechtvaardige. + Bladz. + I. M. Myriel 7 + II. Mijnheer Myriel wordt Monseigneur Bienvenu 10 + III. Een goede bisschop heeft een moeielijk ambt 15 + IV. De werken en de woorden één! 17 + V. Waarom Monseigneur Bienvenu te lang zijn priesterrokken + draagt 23 + VI. Door wie hij zijn huis liet bewaren 26 + VII. Cravatte 30 + VIII. Wijsbegeerte na tafel 34 + IX. De broeder door de zuster geschilderd 37 + X. De bisschop tegenover een onbekend licht 40 + XI. Een voorbehoud 51 + XII. Monseigneur Bienvenu in de afzondering 55 + XIII. Wat hij geloofde 58 + XIV. Wat hij dacht 62 + + +Boek II. + +De val. + + I. De avond van een dagreize 67 + II. Voorzichtigheid ga met wijsheid gepaard 77 + III. Heldenmoed en lijdelijke gehoorzaamheid 81 + IV. Bijzonderheden aangaande de kaasmakerijen te Pontarlier 85 + V. Gerustheid 89 + VI. Jean Valjean 90 + VII. Een blik in de wanhoop 95 + VIII. Het water en de schaduw 102 + IX. Andere grieven 104 + X. De ontwaking 105 + XI. Wat hij doet 107 + XII. De bisschop werkt 110 + XIII. De kleine Gervais 114 + + +Boek III. + +Het jaar 1817. + + I. Het jaar 1817 125 + II. Een dubbel viertal 130 + III. Vier paren 134 + IV. Tholomyès is zoo vroolijk, dat hij een Spaansch + lied zingt 138 + V. Bij Bombarda 140 + VI. Een hoofdstuk, waarin men aanbidt 142 + VII. De geestigheid van Tholomyès 144 + VIII. De dood van een paard 148 + IX. Vroolijk einde der vreugd 151 + + +Boek IV. + +Toevertrouwen is somtijds geven. + + I. Een moeder die een andere moeder ontmoet 157 + II. Eerste schets van twee slechte figuren 165 + III. De leeuwerik 167 + + +Boek V. + +Steeds dieper zinkende. + + I. Geschiedenis van den vooruitgang in de fabrikage der + zwarte glaskoralen 173 + II. Madeleine 174 + III. De gelden bij Laffitte 178 + IV. De heer Madeleine in rouw 180 + V. Flikkeringen aan den horizon 183 + VI. Vader Fauchelevent 188 + VII. Fauchelevent wordt tuinier te Parijs 191 + VIII. Mevrouw Victurnien geeft dertig francs uit voor de + zedelijkheid 192 + IX. Gevolgen der handeling van mevrouw Victurnien 195 + X. Verdere gevolgen 197 + XI. Christus heeft ons vrijgemaakt 202 + XII. Hoe mijnheer Bamatabois zich vermaakt 203 + XIII. Oplossing van eenige stedelijke politie-kwestiën 205 + + +Boek VI. + +Javert. + + I. Begin der rust 217 + II. Hoe uit een naam een andere kan ontstaan 220 + + +Boek VII. + +Het proces Champmathieu. + + I. Zuster Simplicia 231 + II. Scherpzinnigheid van Scaufflaire 234 + III. Een storm onder een hersenpan 238 + IV. Vormen, die het lijden aanneemt gedurende den slaap 255 + V. Spaken in de wielen 258 + VI. Beproeving van zuster Simplicia 269 + VII. De aangekomen reiziger neemt maatregelen om weder te + vertrekken 275 + VIII. Bevoorrechte toegang 279 + IX. Een plaats, waar overtuigingen bezig zijn, zich te + vormen 282 + X. Het stelsel der ontkenningen 289 + XI. Champmathieu hoe langer hoe meer verwonderd 295 + + +Boek VIII. + +Terugwerking. + + I. In welken spiegel de heer Madeleine zijn haren beziet 303 + II. Fantine is gelukkig 305 + III. Javert is tevreden 309 + IV. Het gezag herneemt zijn rechten 312 + V. Een behoorlijk graf 315 + + + + + + +NOTEN + + +[1] Zelfs wanneer Loyson vliegt (of steelt) gevoelt men dat hij +klauwen heeft.--De aardigheid schijnt in 't woord vole te liggen, +dat zoowel vliegen als stelen betekent. + +[2] Brûlez pour lui les parfums d'Arabie, + Oscar s'avance, Oscar, je vais le voir! + +[3] Coucou, een rijtuig met twee wielen en vier tot zes plaatsen. + +[4] Ils faisaient sous la table + Un bruit, un trique-trac de pieds épouvantable. + +[5] Rendez-nous notre père de Gand, + Rendez-nous notre père. + +[6] De goede sier en de pret. + +[7] De dommen gaven geld aan een agent, opdat Clermont Tonnerre op +St. Jansdag tot paus zou worden verheven, maar wijl Clermont geen +priester was, kon hij geen paus worden gemaakt, en de agent bracht +woedend hun het geld terug. + +[8] Elle était de ce monde où coucous et carrosses + Ont le même destin, + Et, rosse, elle a vécu ce que vivent les rosses, + L'espace d'un: matin! + +[9] Il le faut, disait un guerrier. + +[10] A la belle et tendre Imogine. + +[11] Il le faut, je suis chevalier, + Et je pars pour la Palestine. + +[12] Il le faut, disait un guerrier. + +[13] Als wij op den boulevard wandelen, zullen wij mooie dingen +koopen. De koornbloempjes zijn blauw, de rozen zijn rood; ik bemin +mijn geliefde. Gisteren kwam de maagd Maria in geborduurden mantel +bij mijn kachel, en zeide mij: "Ziehier onder mijn sluier de kleine, +waarom ge mij gevraagd hebt. Spoed u naar de stad, haal linnen, +koop garen, koop een vingerhoed." + +Als wij op den boulevard wandelen, zullen wij mooie dingen koopen. + +Goede maagd Maria, bij mijn kachel heb ik een met lint versierd +wiegje gezet; al wilde God mij zijn schoonste ster geven, zou ik het +kind dat ge mij gegeven hebt, toch liever hebben. Wat moet ik met dat +lijnwaad doen, mevrouw?--Maak er hemdjes van voor mijn pasgeborene. De +korenbloempjes zijn blauw, de rozen zijn rood; ik bemin mijn geliefde, +wasch dit lijnwaad.--Waar?--In de rivier, maak er, zonder iets te +bederven of vuil te maken, een rokje en borstrokje van, dat ik wil +borduren en met bloemen vullen.--Het kind is er niet meer, mevrouw, +wat nu er van gemaakt?--Maak er voor mij een doodslaken van. + +Wanneer wij op den boulevard wandelen enz. + +[14] Cric = dommekracht + + + + +*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK DE ELLENDIGEN (DEEL 1 VAN 5) *** + +Updated editions will replace the previous one--the old editions will +be renamed. + +Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright +law means that no one owns a United States copyright in these works, +so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the +United States without permission and without paying copyright +royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part +of this license, apply to copying and distributing Project +Gutenberg-tm electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG-tm +concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark, +and may not be used if you charge for an eBook, except by following +the terms of the trademark license, including paying royalties for use +of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for +copies of this eBook, complying with the trademark license is very +easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation +of derivative works, reports, performances and research. Project +Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away--you may +do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected +by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark +license, especially commercial redistribution. + +START: FULL LICENSE + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full +Project Gutenberg-tm License available with this file or online at +www.gutenberg.org/license. + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project +Gutenberg-tm electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or +destroy all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your +possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a +Project Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound +by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the +person or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph +1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this +agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm +electronic works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the +Foundation" or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection +of Project Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual +works in the collection are in the public domain in the United +States. If an individual work is unprotected by copyright law in the +United States and you are located in the United States, we do not +claim a right to prevent you from copying, distributing, performing, +displaying or creating derivative works based on the work as long as +all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope +that you will support the Project Gutenberg-tm mission of promoting +free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg-tm +works in compliance with the terms of this agreement for keeping the +Project Gutenberg-tm name associated with the work. You can easily +comply with the terms of this agreement by keeping this work in the +same format with its attached full Project Gutenberg-tm License when +you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are +in a constant state of change. If you are outside the United States, +check the laws of your country in addition to the terms of this +agreement before downloading, copying, displaying, performing, +distributing or creating derivative works based on this work or any +other Project Gutenberg-tm work. The Foundation makes no +representations concerning the copyright status of any work in any +country other than the United States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other +immediate access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear +prominently whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work +on which the phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the +phrase "Project Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, +performed, viewed, copied or distributed: + + This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and + most other parts of the world at no cost and with almost no + restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it + under the terms of the Project Gutenberg License included with this + eBook or online at www.gutenberg.org. If you are not located in the + United States, you will have to check the laws of the country where + you are located before using this eBook. + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is +derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not +contain a notice indicating that it is posted with permission of the +copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in +the United States without paying any fees or charges. If you are +redistributing or providing access to a work with the phrase "Project +Gutenberg" associated with or appearing on the work, you must comply +either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or +obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg-tm +trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any +additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms +will be linked to the Project Gutenberg-tm License for all works +posted with the permission of the copyright holder found at the +beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including +any word processing or hypertext form. However, if you provide access +to or distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format +other than "Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official +version posted on the official Project Gutenberg-tm website +(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense +to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means +of obtaining a copy upon request, of the work in its original "Plain +Vanilla ASCII" or other form. Any alternate format must include the +full Project Gutenberg-tm License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works +provided that: + +* You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed + to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he has + agreed to donate royalties under this paragraph to the Project + Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid + within 60 days following each date on which you prepare (or are + legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty + payments should be clearly marked as such and sent to the Project + Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in + Section 4, "Information about donations to the Project Gutenberg + Literary Archive Foundation." + +* You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or destroy all + copies of the works possessed in a physical medium and discontinue + all use of and all access to other copies of Project Gutenberg-tm + works. + +* You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of + any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days of + receipt of the work. + +* You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project +Gutenberg-tm electronic work or group of works on different terms than +are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing +from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of +the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the Foundation as set +forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +works not protected by U.S. copyright law in creating the Project +Gutenberg-tm collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm +electronic works, and the medium on which they may be stored, may +contain "Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate +or corrupt data, transcription errors, a copyright or other +intellectual property infringement, a defective or damaged disk or +other medium, a computer virus, or computer codes that damage or +cannot be read by your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium +with your written explanation. The person or entity that provided you +with the defective work may elect to provide a replacement copy in +lieu of a refund. If you received the work electronically, the person +or entity providing it to you may choose to give you a second +opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If +the second copy is also defective, you may demand a refund in writing +without further opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO +OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT +LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of +damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement +violates the law of the state applicable to this agreement, the +agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or +limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or +unenforceability of any provision of this agreement shall not void the +remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in +accordance with this agreement, and any volunteers associated with the +production, promotion and distribution of Project Gutenberg-tm +electronic works, harmless from all liability, costs and expenses, +including legal fees, that arise directly or indirectly from any of +the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this +or any Project Gutenberg-tm work, (b) alteration, modification, or +additions or deletions to any Project Gutenberg-tm work, and (c) any +Defect you cause. + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of +computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It +exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations +from people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future +generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see +Sections 3 and 4 and the Foundation information page at +www.gutenberg.org + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by +U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's business office is located at 809 North 1500 West, +Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up +to date contact information can be found at the Foundation's website +and official page at www.gutenberg.org/contact + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without +widespread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine-readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To SEND +DONATIONS or determine the status of compliance for any particular +state visit www.gutenberg.org/donate + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including checks, online payments and credit card donations. To +donate, please visit: www.gutenberg.org/donate + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic works + +Professor Michael S. Hart was the originator of the Project +Gutenberg-tm concept of a library of electronic works that could be +freely shared with anyone. For forty years, he produced and +distributed Project Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of +volunteer support. + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in +the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not +necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper +edition. + +Most people start at our website which has the main PG search +facility: www.gutenberg.org + +This website includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. + + diff --git a/37316-0.zip b/37316-0.zip Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..9e66ea2 --- /dev/null +++ b/37316-0.zip diff --git a/37316-h.zip b/37316-h.zip Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..84f9dd1 --- /dev/null +++ b/37316-h.zip diff --git a/37316-h/37316-h.htm b/37316-h/37316-h.htm new file mode 100644 index 0000000..4c6869f --- /dev/null +++ b/37316-h/37316-h.htm @@ -0,0 +1,14268 @@ +<!DOCTYPE html PUBLIC "-//W3C//DTD XHTML 1.0 Strict//EN" +"http://www.w3.org/TR/xhtml1/DTD/xhtml1-strict.dtd"> +<html xmlns="http://www.w3.org/1999/xhtml" xml:lang="nl-1900" lang="nl-1900"> +<head> +<meta http-equiv="Content-Type" content="text/html;charset=utf-8" /> +<meta http-equiv="Content-Style-Type" content="text/css" /> +<title>The Project Gutenberg eBook of De Ellendigen, by Victor Hugo</title> +<link rel="coverpage" href="images/cover.jpg" /> +<style type="text/css"> + +body { margin-left: 20%; + margin-right: 20%; + text-align: justify; } + +/* Titlepage */ +.titlePage +{ +border: #DDDDDD 2px solid; +margin: 3em 0% 7em 0%; +padding: 5em 10% 6em 10%; +text-align: center; +} +.titlePage .docTitle +{ +line-height: 3.5em; +margin: 2em 0% 2em 0%; +font-weight: bold; +} +.titlePage .docTitle .mainTitle +{ +font-size: 1.8em; +} +.titlePage .docTitle .subTitle, .titlePage .docTitle .seriesTitle, .titlePage .docTitle +{ +font-size: 1.44em; +} +.titlePage .byline +{ +margin: 2em 0% 2em 0%; +font-size:1.2em; +line-height:1.72em; +} +.titlePage .byline .docAuthor +{ +font-size: 1.2em; +font-weight: bold; +} +.titlePage .figure +{ +margin: 2em 0% 2em 0%; +margin-left: auto; +margin-right: auto; +} +.titlePage .docImprint +{ +margin: 4em 0% 0em 0%; +font-size: 1.2em; +line-height: 1.72em; +} +.titlePage .docImprint .docDate +{ +font-size: 1.2em; +font-weight: bold; +} +/* End Titlepage */ +.transcribernote +{ +background-color:#DDE; +border:black 1px dotted; +color:#000; +font-family:sans-serif; +font-size:80%; +margin:2em 5%; +padding:1em; +} +.advertisment +{ +background-color:#FFFEE0; +border:black 1px dotted; +color:#000; +margin:2em 5%; +padding:1em; +} +.width20 +{ +width: 20%; +} +.width40 +{ +width: 40%; +} +.indextoc +{ +text-align: center; +} +.div0 +{ +padding-top: 5.6em; +} +.div1 +{ +padding-top: 4.8em; +} +.index +{ +font-size: 80%; +} +.div2 +{ +padding-top: 3.6em; +} +.div3, .div4, .div5 +{ +padding-top: 2.4em; +} +.footnotes .body, +.footnotes .div1 +{ +padding: 0; +} +.apparatusnote +{ +text-decoration: none; +} +table.alignedtext +{ +border-collapse: collapse; +} +table.alignedtext td +{ +vertical-align: top; +width: 50%; +} +table.alignedtext td.first +{ +border-width: 0 0.2px 0 0; +border-color: gray; +border-style: solid; +padding-right: 10px; +} +table.alignedtext td.second +{ +padding-left: 10px; +} +h1, h2, h3, h4, h5, h6, .pseudoh1, .pseudoh2, .pseudoh3, pseudoh4 +{ +clear: both; +font-style: normal; +text-transform: none; +} +h3, .pseudoh3 +{ +font-size:1.2em; +line-height:1.2em; +} +h3.label +{ +font-size:1em; +line-height:1.2em; +margin-bottom:0; +} +h4, pseudoh4 +{ +font-size:1em; +line-height:1.2em; +} +.alignleft +{ +text-align:left; +} +.alignright +{ +text-align:right; +} +.alignblock +{ +text-align:justify; +} +p.tb, hr.tb +{ +margin-top: 1.6em; +margin-bottom: 1.6em; +margin-left: auto; +margin-right: auto; +text-align: center; +} +p.argument, p.note, p.tocArgument +{ +font-size:0.9em; +line-height:1.2em; +text-indent:0; +} +p.argument, p.tocArgument +{ +margin:1.58em 10%; +} +p.tocPart +{ +margin:1.58em 0%; +font-variant: small-caps; +} +p.tocChapter +{ +margin:1.58em 0%; +} +p.tocSection +{ +margin:0.7em 5%; +} +.opener, .address +{ +margin-top: 1.6em; +margin-bottom: 1.6em; +} +.addrline +{ +margin-top: 0; +margin-bottom: 0; +} +.dateline +{ +margin-top: 1.6em; +margin-bottom: 1.6em; +text-align: right; +} +.salute +{ +margin-top: 1.6em; +margin-left: 3.58em; +text-indent: -2em; +} +.signed +{ +margin-top: 1.6em; +margin-left: 3.58em; +text-indent: -2em; +} +.epigraph +{ +font-size:0.9em; +line-height:1.2em; +width: 60%; +margin-left: auto; +} +.epigraph span.bibl +{ +display: block; +text-align: right; +} +.trailer +{ +clear: both; +padding-top: 2.4em; +padding-bottom: 1.6em; +} +.figure +{ +margin-left: auto; +margin-right: auto; +} +.floatLeft +{ +float:left; +margin:10px 10px 10px 0; +} +.floatRight +{ +float:right; +margin:10px 0 10px 10px; +} +p.figureHead +{ +font-size:100%; +text-align:center; +} +.figAnnotation +{ +font-size:80%; +position:relative; +margin: 0 auto; /* center this */ +} +.figTopLeft, .figBottomLeft +{ +float: left; +} +.figTop, .figBottom +{ +} +.figTopRight, .figBottomRight +{ +float: right; +} +.figure p +{ +font-size:80%; +margin-top:0; +text-align:center; +} +img +{ +border-width:0; +} +p.smallprint,li.smallprint +{ +color:#666666; +font-size:80%; +} +span.parnum +{ +font-weight: bold; +} +.marginnote +{ +font-size:0.8em; +height:0; +left:1%; +line-height:1.2em; +position:absolute; +text-indent:0; +width:14%; +} +.pagenum +{ +display:inline; +font-size:70%; +font-style:normal; +margin:0; +padding:0; +position:absolute; +right:1%; +text-align:right; +} +a.noteref, a.pseudonoteref +{ +font-size: 80%; +text-decoration: none; +vertical-align: 0.25em; +} +.displayfootnote +{ +display: none; +} +div.footnotes +{ +font-size: 80%; +margin-top: 1em; +padding: 0; +} +hr.fnsep +{ +margin-left: 0; +margin-right: 0; +text-align: left; +width: 25%; +} +p.footnote +{ +margin-bottom: 0.5em; +margin-top: 0.5em; +} +p.footnote .label +{ +float:left; +width:2em; +height:12pt; +display:block; +} +/* Tables */ +td, th +{ +vertical-align: top; +} +td.label, tr.label td +{ +font-weight: bold; +} +td.unit, tr.unit td +{ +font-style: italic; +} +td.sum +{ +padding-top: 2px; border-top: solid black 1px; +} +/* Poetry */ +.lgouter +{ +margin-left: auto; +margin-right: auto; +display:table; /* used to make the block shrink to the actual size */ +} +.lg +{ +text-align: left; +} +.lg h4, .lgouter h4 +{ +font-weight: normal; +} +.lg .linenum, .sp .linenum, .lgouter .linenum +{ +color:#777; +font-size:90%; +left: 16%; +margin:0; +position:absolute; +text-align:center; +text-indent:0; +top:auto; +width:1.75em; +} +p.line +{ +margin: 0 0% 0 0%; +} +span.hemistich /* invisible text to achieve visual effect of hemistich indentation. */ +{ +color: white; +} +.versenum +{ +font-weight:bold; +} +/* Drama */ +.speaker +{ +font-weight: bold; +margin-bottom: 0.4em; +} +.sp .line +{ +margin: 0 10%; +text-align: left; +} +/* End Drama */ +/* right aligned page number in table of contents */ +.tocPagenum, .flushright +{ +position: absolute; +right: 16%; +top: auto; +} +table.tocList +{ +width: 100%; +margin-left: auto; +margin-right: auto; +} +td.tocPageNum, td.tocDivNum +{ +text-align: right; +width: 15%; +padding-left: 1em; +padding-right: 1em; +} +td.tocDivTitle +{ +width: 70%; +} +span.corr, span.gap +{ +border-bottom:1px dotted red; +} +span.abbr +{ +border-bottom:1px dotted gray; +} +span.measure +{ +border-bottom:1px dotted green; +} +/* Font Styles and Colors */ +.ex +{ +letter-spacing: 0.2em; +} +.sc +{ +font-variant: small-caps; +} +.uc +{ +text-transform: uppercase; +} +/* overline is actually a bit too high; overtilde is approximated with overline */ +.overline, .overtilde +{ +text-decoration: overline; +} +.rm +{ +font-style: normal; +} +.red +{ +color: red; +} +/* End Font Styles and Colors */ +hr +{ +clear:both; +height:1px; +margin-left:auto; +margin-right:auto; +margin-top:1em; +text-align:center; +width:45%; +} +.aligncenter, div.figure +{ +text-align:center; +} +h1, h2 +{ +font-size:1.44em; +line-height:1.5em; +} +h1.label, h2.label +{ +font-size:1.2em; +line-height:1.2em; +margin-bottom:0; +} +h5, h6 +{ +font-size:1em; +font-style:italic; +line-height:1em; +} +p +{ +text-indent:0; +} +p.firstlinecaps:first-line +{ +text-transform: uppercase; +} +p.dropcap:first-letter +{ +float: left; +clear: left; +margin: 0em 0.05em 0 0; +padding: 0px; +line-height: 0.8em; +font-size: 420%; +vertical-align:super; +} +.lg +{ +padding: .5em 0% .5em 0%; +} +p.quote,div.blockquote, div.argument +{ +font-size:0.9em; +line-height:1.2em; +margin:1.58em 5%; +} +.pagenum a, a.noteref:hover, a.hidden:hover, a.hidden +{ +text-decoration:none; +} +ul { list-style-type: none; } +.castlist, .castitem { list-style-type: none; } +.titlePage +{ +color: #001FA4; +font-family: Verdana, Arial, Helvetica, sans-serif; +} +h1, h2, h3, h4, h5, h6, .pseudoh1, .pseudoh2, .pseudoh3, .pseudoh4 +{ +color: #001FA4; +font-family: Verdana, Arial, Helvetica, sans-serif; +} +p.byline +{ +font-style: italic; +margin-bottom: 2em; +} +.figureHead, .noteref, .pseudonoteref, .marginnote, p.legend, .versenum, .stage +{ +color: #001FA4; +} +.rightnote, .pagenum, .linenum, .pagenum a +{ +color: #AAAAAA; +} +a.hidden:hover, a.noteref:hover +{ +color: red; +} +p.dropcap:first-letter +{ +color: #001FA4; +font-weight: bold; +} +sub, sup +{ +line-height: 0; +} +.pagenum, .linenum +{ +speak: none; +} +</style> + +<style type="text/css"> +.xd20e113width +{ +width:451px; +} +.xd20e119 +{ +text-align:center; +} +.xd20e3314 +{ +text-indent:4em; +} +.xd20e7396 +{ +text-align:center; +} + +a:link {color:blue; text-decoration:none} +a:visited {color:blue; text-decoration:none} +a:hover {color:red} + +</style> +</head> +<body> + +<div style='text-align:center; font-size:1.2em; font-weight:bold'>The Project Gutenberg eBook of De Ellendigen (Deel 1 van 5), by Victor Hugo</div> +<div style='display:block; margin:1em 0'> +This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and +most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions +whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms +of the Project Gutenberg License included with this eBook or online +at <a href="https://www.gutenberg.org">www.gutenberg.org</a>. If you +are not located in the United States, you will have to check the laws of the +country where you are located before using this eBook. +</div> +<div style='display:block; margin-top:1em; margin-bottom:1em; margin-left:2em; text-indent:-2em'>Title: De Ellendigen (Deel 1 van 5)</div> +<div style='display:block; margin-top:1em; margin-bottom:1em; margin-left:2em; text-indent:-2em'>Author: Victor Hugo</div> +<div style='display:block; margin:1em 0'>Release Date: September 5, 2011 [eBook #37316]<br /> +[Most recently updated: December 17, 2022]</div> +<div style='display:block; margin:1em 0'>Language: Dutch</div> +<div style='display:block; margin:1em 0'>Character set encoding: UTF-8</div> +<div style='display:block; margin-left:2em; text-indent:-2em'>Produced by: Jeroen Hellingman and the Online Distributed Proofreading Team</div> +<div style='margin-top:2em; margin-bottom:4em'>*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK DE ELLENDIGEN (DEEL 1 VAN 5) ***</div> + +<div class="front"> +<div class="div1"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divBody"> +<p class="first"></p> +<div class="figure xd20e113width"> +<img src="images/cover.jpg" alt="Oorspronkelijke voorkant." width="451" height="720" /> +</div> +</div> +</div> +<div class="div1"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divBody"> +<p class="first xd20e119">De Ellendigen. <span class="pagenum">[<a id="xd20e121" href="#xd20e121" name="xd20e121">3</a>]</span></p> +</div> +</div> +<div class="titlePage"> +<div class="docTitle"> +<div class="mainTitle">De Ellendigen</div> +</div> +<div class="byline">Naar het Fransch<br/> +Van<br/> +<span class="docAuthor">Victor Hugo.</span><br/> +Op nieuw bewerkt.</div> +<div class="docTitle"> +<div class="subTitle">Eerste deel.</div> +</div> +<div class="docImprint">Arnhem en Nijmegen,<br/> +Gebrs. E. & M. Cohen.</div> +</div> +<p><span class="pagenum">[<a id="xd20e144" href="#xd20e144" name="xd20e144">4</a>]</span></p> +<div class="div1"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divBody"> +<p class="first xd20e119">Snelpersdruk van H. C. A. Thieme te Nijmegen. +<span class="pagenum">[<a id="pb5" href="#pb5" name="pb5">5</a>]</span></p> +</div> +</div> +</div> +<div class="body"> +<div class="div0"> +<h2 class="label">Boek I.</h2> +<h2 class="main">Een rechtvaardige.</h2> +<span class="pagenum">[<a id="pb7" href="#pb7" name="pb7">7</a>]</span> +<div id="ch1.1" class="div1"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">Eerste hoofdstuk.</h2> +<h2 class="main">M. Myriel.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">In het jaar 1815 was de heer +Charles-François-Bienvenu Myriel bisschop van Digne. Hij was een +grijsaard van omstreeks vijf en zeventig jaren en bekleedde de +waardigheid van bisschop sedert 1806.</p> +<p>Hoewel deze bijzonderheid eigenlijk niets te maken heeft met de +hoofdzaak van ons verhaal, heeft het misschien toch zijn nut, al was +het maar om <span class="corr" id="xd20e165" title="Bron: niets">niet</span> te vergeten, hier te wijzen op de geruchten +en praatjes, die er omtrent hem in omloop waren op het tijdstip, dat +hij tot genoemde waardigheid werd bevorderd. Hetgeen men van de +menschen zegt, het moge dan waar zijn of niet, heeft dikwijls evenveel +invloed op hun leven en vooral op hun levensloop, als hetgeen zij doen. +De heer Myriel was de zoon van een parlementslid te Aix; van den adel +des tabbaards dus. Men vertelde, dat zijn vader, in de hoop, dat zijn +zoon hem eenmaal zou opvolgen, dezen zeer vroeg, op zijn achttiende of +twintigste jaar namelijk, had laten trouwen overeenkomstig een gebruik +in de familiën der leden van het parlement. Toch had Charles +Myriel, niettegenstaande dezen echt, veel van zich doen spreken, naar +men zeide. Hij was welgebouwd, ofschoon nog al klein, had zeer goede +manieren en was geestig; het eerste gedeelte zijns levens was geheel en +al aan de wereld en haar vermakelijkheden gewijd.</p> +<p>Daar brak de revolutie uit, de eene gewichtige gebeurtenis stapelde +zich op de andere, de familiën der parlementsleden vernederd, +verjaagd en verguisd, spatten uiteen. Charles Myriel nam reeds bij den +aanvang der revolutie de wijk naar Italië. Zijn vrouw stierf er +aan een borstkwaal, waaraan zij reeds sedert lang lijdende was. Zij +hadden geen kinderen. Wat ging er toen om in het binnenste van Charles +Myriel? Deden de vernietiging der bestaande Fransche maatschappij, de +val van zijn <span class="pagenum">[<a id="pb8" href="#pb8" name="pb8">8</a>]</span>eigen familie, de treurige tooneelen van ’93, +misschien nog verschrikkelijker voor de uitgewekenen, die ze uit de +verte met toenemenden angst zagen, denkbeelden van zelfverloochening en +eenzaamheid in hem opkomen? Werd hij, te midden der verstrooiingen en +genietingen, die hem bezighielden, plotseling aangegrepen door een van +die geheimzinnige en vreeselijke slagen, die somtijds den mensch, door +hem in de ziel te treffen, verpletteren, den mensch dien de openbare +rampen niet zouden doen wankelen, al grepen ze ook in zijn bestaan en +in zijn fortuin? Niemand zou het kunnen zeggen; al wat men wist was, +dat hij als priester in Frankrijk terugkwam.</p> +<p>In 1804 was Myriel pastoor van Brignolles. Hij was toen reeds oud en +leefde in de strengste afzondering.</p> +<p>Omstreeks het tijdstip der kroning gaf een kleine zaak in zijn +gemeente, men weet niet recht meer wat, hem aanleiding om naar Parijs +te gaan. Onder de invloedrijke personen, die hij in het belang zijner +gemeenteleden moest spreken, behoorde ook de kardinaal Fesch. Eens toen +de Keizer zijn oom was komen bezoeken, bevond zich de eerwaarde +pastoor, die in de spreekkamer wachtte, toevallig tegenover Zijne +Majesteit. Napoleon, die zag dat de grijsaard hem met zekere +nieuwsgierigheid aankeek, keerde zich plotseling om en zeide: +„Wie is die eenvoudige man, die mij zoo aankijkt?”</p> +<p>„Sire”, sprak Myriel, „gij ziet een eenvoudig man +en ik zie een groot man. Ieder van ons kan hier zijn voordeel mee +doen.”</p> +<p>Nog denzelfden avond vroeg de Keizer den kardinaal naar den naam van +dezen pastoor, en niet lang daarna was Myriel zeer verrast te vernemen, +dat hij tot bisschop van Digne benoemd was.</p> +<p>En wat was er waar van de verhalen, die er over het eerste gedeelte +van Myriels leven in omloop waren? Dit wist niemand. Er waren slechts +weinig familiën, die de familie Myriel vóór de +omwenteling gekend hadden.</p> +<p>Charles Myriel moest hetzelfde lot ondergaan als iedereen, die in +een kleine stad komt wonen, waar veel monden zijn die babbelen en zeer +weinig hoofden, welke denken. Hij moest het ondergaan, ofschoon en +omdat hij bisschop was. Maar per slot van rekening waren de praatjes, +waarin zijn naam werd genoemd slechts praatjes; geruchten, klanken, +woorden, minder dan woorden, leuterpraatjes.</p> +<p>Hoe het zij, na tien jaren bisschop van Digne te zijn geweest, waren +al deze verhalen, die in den beginne de kleine steden en de +kleinsteedsche lieden bezighouden, geheel en al in het vergeetboek +geraakt. Niemand zou er van hebben durven spreken, niemand zou er aan +durven herinneren. <span class="pagenum">[<a id="pb9" href="#pb9" name="pb9">9</a>]</span></p> +<p>Myriel was te Digne gekomen vergezeld van een oude vrijster, +juffrouw Baptistine, zijn zuster, die tien jaar jonger was dan hij.</p> +<p>Hun eenige dienstbode was een vrouw, even oud als juffrouw +Baptistine en juffrouw Magloire geheeten, die, na eerst de meid van den +eerwaarden pastoor geweest te zijn, nu den dubbelen titel droeg van +kamenier van juffrouw Baptistine en huishoudster van mijnheer +pastoor.</p> +<p>Juffrouw Baptistine was een lang, mager, bleek, zacht wezen; zij +verwezenlijkte het ideaal, dat het woord „eerbiedwaardig” +in zich sluit, want mij dunkt, dat men moeder moet zijn om +„eerwaardig” te kunnen heeten. Zij was nooit mooi geweest; +haar geheele leven, dat slechts een reeks van heilige werken geweest +was, had een waas van reinheid en helderheid over haar verspreid, en +toen zij ouder werd had zij verkregen wat men de schoonheid van de +goedheid zou kunnen noemen. Wat in haar jeugd magerheid was geweest, +was op haar rijperen leeftijd doorschijnendheid geworden, en deze +laatste eigenschap deed haar op een engel gelijken. Ze was meer een +ziel dan een maagd. Ze scheen van schaduw gemaakt; ze had nauwelijks +lichaam genoeg om een vrouw te zijn; ze was niets dan een weinig +bezielde stof, had groote oogen, die altijd neergeslagen waren; een +voorwendsel voor een ziel om op aarde te blijven. Juffrouw Magloire was +een klein oud vrouwtje, blank, dik, zwaarlijvig, druk, altijd hijgende, +vooreerst wegens haar bedrijvigheid, en dan tengevolge van haar +asthma.</p> +<p>Bij zijn aankomst werd Myriel in zijn bisschoppelijk paleis +ontvangen met de eerbewijzingen, voorgeschreven door de Keizerlijke +wetten, die den bisschop onmiddellijk na den veldmaarschalk plaatsen. +De burgemeester en de president maakten hem de eerste visite, en hij +van zijn kant bracht het eerste bezoek aan den generaal en den +prefekt.</p> +<p>Toen de installatie had plaats gehad, verwachtte de stad, dat haar +bisschop de handen aan het werk zou slaan. <span class="pagenum">[<a id="pb10" href="#pb10" name="pb10">10</a>]</span></p> +</div> +</div> +<div id="ch1.2" class="div1"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">Tweede hoofdstuk.</h2> +<h2 class="main">De heer Myriel wordt Monseigneur Bienvenu.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Het Bisschoppelijk paleis te D. grensde aan het +gasthuis.</p> +<p>Het Bisschoppelijk paleis was een groot, fraai hôtel, in +’t begin der vorige eeuw gebouwd door Monseigneur Henri Puget, +docter in de theologie bij de faculteit van Parijs en abt van Simore, +die in 1712 bisschop van D. was. Dit paleis was inderdaad een wezenlijk +vorstelijke woning. Alles had er een grootsch aanzien: de +bisschoppelijke vertrekken, de salons, de kamers, het eerplein, dat +zeer ruim en met booggangen in den ouden Florentijnschen stijl omgeven +was, tuinen met heerlijke boomen beplant. In de eetzaal, een lange +prachtige galerij, gelijkvloers, in den tuin uitkomende, had +Monseigneur Henri Puget den 29 Juli 1714 een plechtigen maaltijd +gegeven aan de prelaten Charles Brûlart de Genlis, +prins-aartsbisschop van Embrun; Antoine de Mesgrigny, kapucijn en +bisschop van Grasse; Philippe de Vendôme, groot-prior van +Frankrijk, abt van St. Honoré de Lerins; François de +Berton de Grillon, bisschop en baron van Vence; César de Sabran +de Forcalquier, bisschop en heer van Glandève, en Jean Soanen, +priester van het oratorium, gewoon hofprediker, bisschop, en heer van +Senez. De portretten van deze zeven hoogeerwaarde personages versierden +deze zaal en de gedenkwaardige datum, 29 Juli 1714, was er met gouden +letters op een wit marmeren blad gegrift.</p> +<p>Het hospitaal was een eng, laag gebouw, van slechts +één verdieping en met een kleinen tuin.</p> +<p>Drie dagen na zijn komst bezocht de bisschop het hospitaal. Na dit +bezoek, liet hij den directeur verzoeken bij hem te komen.</p> +<p>„Mijnheer de directeur,” zeide hij tot hem, +„hoeveel zieken hebt ge op dit oogenblik?”</p> +<p>„Zes en twintig, Monseigneur.”</p> +<p>„Zooveel had ik er ook geteld,” zei de bisschop.</p> +<p>„De bedden,” hernam de directeur, „staan zeer +dicht op elkander.”</p> +<p>„Dit heb ik gezien.”</p> +<p>„De zalen zijn slechts kamers en ze zijn moeilijk van versche +lucht te voorzien.”</p> +<p>„Dat scheen mij ook toe.”</p> +<p>„En, als de zon schijnt, is de tuin te klein voor de +herstellenden.” <span class="pagenum">[<a id="pb11" href="#pb11" name="pb11">11</a>]</span></p> +<p>„Dat kwam mij ook zoo voor<span class="corr" id="xd20e232" +title="Bron: ,">.</span>”</p> +<p>„Bij epidemie—dit jaar hadden wij den typhus en voor +twee jaren de zweetkoorts—hebben wij soms honderd zieken, +waarmede wij niet weten wat wij zullen aanvangen.”</p> +<p>„Zoo verbeeldde ik mij ook.”</p> +<p>„Wat zal men zeggen, Monseigneur?” zei de directeur, +„men moet zich schikken.”</p> +<p>Dit gesprek werd gevoerd in de groote beneden-eetzaal.</p> +<p>De bisschop bewaarde een oogenblik het stilzwijgen, toen wendde hij +zich schielijk tot den hospitaal-directeur, en sprak:</p> +<p>„Hoeveel bedden, denkt ge, mijnheer, dat alleen in deze zaal +kunnen staan?”</p> +<p>„In de eetzaal van Monseigneur?” riep de directeur +verbaasd.</p> +<p>De bisschop liet zijn blik door de zaal gaan en scheen ze met de +oogen te meten en de ruimte te berekenen.</p> +<p>„Er zouden wel twintig bedden kunnen staan!” zeide hij +zacht, als tot zich zelven, en vervolgens met verheffing van stem: +„Hoor, mijnheer de directeur, ik zal u iets zeggen. Er bestaat +blijkbaar een vergissing. Gij hebt voor zes-en-twintig personen vijf of +zes kleine kamers. Wij hebben hier met ons drieën plaats voor +zestig menschen; ik zeg u: ’t is een vergissing, gij hebt mijn +woning en ik heb de uwe. Geef mij mijn huis terug; dit behoort +u.”</p> +<p>Den volgenden dag werden de zes-en-twintig arme zieken in het +bisschoppelijk paleis overgebracht, en de bisschop betrok het +hospitaal.</p> +<p>De heer Myriel bezat geen vermogen; zijn familie had door de +revolutie haar bezittingen verloren.</p> +<p>Zijn zuster had een lijfrente van vijfhonderd francs, die in de +pastorie voor haar persoonlijke behoeften voldoende was. Myriel ontving +als bisschop van den staat een inkomen van vijftien duizend francs. +Denzelfden dag waarop hij het hospitaal betrok, regelde hij het gebruik +dier som, eens voor al, op de volgende wijze. Wij schrijven hier een +nota over van zijn eigen hand. <span class="pagenum">[<a id="pb12" href="#pb12" name="pb12">12</a>]</span></p> +<div class="table"> +<h4 class="tablecaption"><span class="ex">Nota ter regeling der +uitgaven van mijn huis:</span></h4> +<table> +<tr valign="top"> +<td>Voor het kleine Seminarie</td> +<td>1500 fr.</td> +</tr> +<tr valign="top"> +<td>” de zendingmaatschappij</td> +<td>100 ”</td> +</tr> +<tr valign="top"> +<td>” ” Lazaristen van Montdidier</td> +<td>100 ”</td> +</tr> +<tr valign="top"> +<td>” het Seminarie der vreemde missiën te Parijs</td> +<td>200 ”</td> +</tr> +<tr valign="top"> +<td>” de Congregatie van den H. Geest</td> +<td>150 ”</td> +</tr> +<tr valign="top"> +<td>” ” geestelijke gestichten in het H. Land</td> +<td>100 ”</td> +</tr> +<tr valign="top"> +<td>” ” genootschappen voor de verpleging van +kraamvrouwen</td> +<td>300 ”</td> +</tr> +<tr valign="top"> +<td>Bovendien voor dat te Arles</td> +<td>50 ”</td> +</tr> +<tr valign="top"> +<td>Voor het genootschap ter verbetering der gevangenissen</td> +<td>400 ”</td> +</tr> +<tr valign="top"> +<td>Tot hulp en bevrijding van gevangenen</td> +<td>500 ”</td> +</tr> +<tr valign="top"> +<td>” bevrijding van voor schulden gegijzelde huisvaders</td> +<td>1000 ”</td> +</tr> +<tr valign="top"> +<td>” verhooging van het traktement van arme schoolmeesters</td> +</tr> +<tr valign="top"> +<td>in het bisdom</td> +<td>2000 ”</td> +</tr> +<tr valign="top"> +<td>Voor het graanmagazijn der Hautes-Alpes</td> +<td>100 ”</td> +</tr> +<tr valign="top"> +<td>” de Congegratie der dames van Digne, van Manosque en</td> +</tr> +<tr valign="top"> +<td>van Sisteron, voor het gratis onderwijs aan behoeftige</td> +</tr> +<tr valign="top"> +<td>meisjes</td> +<td>1500 ”</td> +</tr> +<tr valign="top"> +<td>” de armen</td> +<td>6000 ”</td> +</tr> +<tr valign="top"> +<td>” uitgaven voor mijn persoon</td> +<td>1000 ”</td> +</tr> +<tr valign="top"> +<td>Totaal</td> +<td class="sum">15000 fr.</td> +</tr> +</table> +</div> +<p>Zoolang de bisschop Myriel den zetel te D. bekleedde, veranderde hij +niets in deze regeling. Hij noemde het, gelijk men ziet, de regeling +der uitgaven van zijn huis.</p> +<p>Deze schikking werd met volkomen goedvinden door mejuffrouw +Baptistine aangenomen. Voor deze vrome maagd was Myriel te gelijker +tijd haar broeder en haar bisschop, haar natuurlijke vriend en haar +geestelijk hoofd. Zij beminde en vereerde hem. Wanneer hij sprak, boog +zij zich; en al wat hij deed, vond zij goed. Alleen de dienstbode, +Magloire, morde wel eens.</p> +<p>Zooals wij hebben gezien, had de bisschop slechts 1000 francs voor +zich gehouden, ’t welk, gevoegd bij het jaargeld van juffer +Baptistine, te zamen jaarlijks 1500 francs bedroeg. Van deze +vijftienhonderd francs leefden de beide oude vrouwen en de +grijsaard.</p> +<p>En wanneer een dorpspastoor te D. kwam, had de bisschop, door de +strenge zuinigheid van Magloire en het schrander huisbestuur van +mejuffrouw Baptistine nog altijd gelegenheid hem behoorlijk te +ontvangen.</p> +<p>De bisschop was ongeveer drie maanden te D., toen hij op zekeren dag +zeide<span class="corr" id="xd20e372" title="Bron: ;">:</span> +<span class="pagenum">[<a id="pb13" href="#pb13" name="pb13">13</a>]</span></p> +<p>„’t Is zeker, dat mijn financiën zeer bekrompen +zijn.”</p> +<p>„Dit geloof ik wel,” hernam Magloire, „Monseigneur +heeft zelfs niet eens de gelden gevorderd, welke het departement hem +schuldig is voor zijn equipage en voor de reizen in het bisdom. De +vorige bisschoppen ontvingen die altijd.”</p> +<p>„’t Is waar, gij hebt gelijk, Magloire,” zei de +bisschop, en hij zond zijn rekening in.</p> +<p>Eenigen tijd later stond de algemeene raad van het departement, na +overweging zijner vordering, den bisschop een jaarlijksche som van drie +duizend francs toe voor de kosten van rijtuig en ter vergoeding der +herderlijke reizen.</p> +<p>De burgerij der plaats maakte hierover een groote drukte, en bij +deze gelegenheid richtte een senator van het Keizerrijk, oud lid van +den raad der vijfhonderd, die een begunstiger van den 18<sup>en</sup> +Brumaire was geweest en daarvoor in de nabuurschap van Digne met een +heerlijk landgoed beloond was geworden, aan den minister van +Eeredienst, Bigot de Préameneu, een kwaadaardig vertrouwelijk +schrijven, waaraan wij de volgende authentieke regelen ontleenen.</p> +<p>„Equipagekosten? waartoe die, in een stad van minder dan vier +duizend inwoners? Reiskosten? waartoe dienen vooreerst deze tochten? en +hoe kan men met extra-rijtuig in deze bergachtige streken reizen? er +zijn geen wegen. Men kan alleen te paard reizen. Zelfs de brug over de +Durance bij Château-Arnoux kan nauwelijks ossenkarren dragen. +Maar deze priesters zijn allen gelijk:—hebzuchtig en gierig. Toen +deze hier kwam, speelde hij den goeden apostel. Nu doet hij gelijk de +anderen, en begeert equipage en extra-rijtuig. Hij wil weelde ten toon +spreiden, gelijk de vorige bisschoppen. O, dat priesterras! Mijnheer de +graaf, de zaken zullen niet eerder goed gaan, dan wanneer de Keizer ons +van de papen verlost heeft. Weg met den Paus! (op dit oogenblik raakten +de zaken met Rome in de war), wat mij aangaat, ik ben +vóór Cesar alleen, enz., enz., enz.”</p> +<p>Magloire was daarentegen zeer verheugd over de zaak en zeide tot +mejuffer Baptistine: „Nu, Monseigneur is met de zorg voor anderen +begonnen; maar hij heeft eindelijk toch ook aan zich zelven moeten +denken. Hij heeft al zijn liefdegiften, geregeld: nu hebben wij +eindelijk dus drie duizend francs voor ons!<span class="corr" id="xd20e394" title="Niet in bron">”</span></p> +<p>Denzelfden avond schreef de bisschop de volgende nota, welke hij aan +zijn zuster ter hand stelde: <span class="pagenum">[<a id="pb14" href="#pb14" name="pb14">14</a>]</span></p> +<div class="table"> +<h4 class="tablecaption"><span class="ex">Equipage en +reiskosten.</span></h4> +<table> +<tr valign="top"> +<td>Voor bouillon ten dienste der zieken in het hospitaal</td> +<td>1500 fr.</td> +</tr> +<tr valign="top"> +<td>” het genootschap ter verpleging van kraamvrouwen te Aix</td> +<td>250 ”</td> +</tr> +<tr valign="top"> +<td>” het genootschap ter verpleging van kraamvrouwen te +Draguignan</td> +<td>250 ”</td> +</tr> +<tr valign="top"> +<td>” de vondelingen</td> +<td>500 ”</td> +</tr> +<tr valign="top"> +<td>” de weezen</td> +<td>500 ”</td> +</tr> +<tr valign="top"> +<td>Totaal</td> +<td class="sum">3000 fr.</td> +</tr> +</table> +</div> +<p>Dat was het budget van den heer Myriel.</p> +<p>Wat de bisschoppelijke inkomsten betrof als afkooping van geboden, +dispensatiën, doopplechtigheden, predikatiën, kerkwijdingen, +huwelijken enz., de bisschop hief ze te ijveriger van de rijken, daar +hij ze den armen ruimer gaf.</p> +<p>In korten tijd stroomden de geldoffers toe. Rijken en armen klopten +gelijkelijk aan de deur van den heer Myriel, de laatsten kwamen de +aalmoezen halen, welke de eersten er hadden gebracht.</p> +<p>In minder dan een jaar tijds werd de bisschop de schatmeester van +alle weldaden, en de kassier van alle noodlijdenden. Aanzienlijke +sommen gingen door zijn handen; maar niets was in staat zijn +levenswijze te veranderen of bij het noodige de geringste +overtolligheid te voegen. Integendeel. Aangezien er steeds veel meer +nooden en ellenden beneden, dan menschlievendheid boven is, was, om zoo +te zeggen, alles reeds weggegeven vóór ’t ontvangen +was; ’t was als water op een uitgedroogd land: hoeveel geld hij +ook ontving, altijd kwam hij te kort. Hij bekromp zich derhalve nog +meer.</p> +<p>Volgens gebruik plaatsten de bisschoppen hun doopnamen aan ’t +hoofd hunner mandementen en herderlijke brieven. Nu hadden de arme +lieden dier streek, door een gevoel van dankbaarheid gedreven, uit de +namen en voornamen van den bisschop dien gezocht, waarin zij een +beteekenis vonden, en noemden hem in de wandeling Monseigneur Bienvenu +(Welkom<span class="corr" id="xd20e447" title="Bron: .)">).</span> Wij +zullen doen als zij, en hem bij gelegenheid ook zoo noemen. De naam +behaagde hem trouwens. „Ik houd van dien naam,” zeide hij. +„<i>Bienvenu</i> maakt <i>Monseigneur</i> weder goed.”</p> +<p>Wij beweren niet, dat het portret, ’t welk wij hier geven, +waarschijnlijk is; wij zeggen alleen dat het gelijkt. <span class="pagenum">[<a id="pb15" href="#pb15" name="pb15">15</a>]</span></p> +</div> +</div> +<div id="ch1.3" class="div1"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">Derde hoofdstuk.</h2> +<h2 class="main">Een goede bisschop heeft een moeielijk ambt.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Hoewel de bisschop zijn equipage in aalmoezen had +omgezet, deed hij toch zijn rondreizen. Het bisdom Digne is zeer +moeielijk te bereizen. Er zijn weinig vlakten en veel bergen, schier +geen gebaande wegen, gelijk reeds gezegd is; twee-en-dertig +pastorieën, één-en-veertig vicariaten en tweehonderd +vijf-en-tachtig kapellen. ’t Was een zware taak die alle te +bezoeken. De bisschop deed het echter. Hij ging te voet, wanneer hij in +de buurt moest wezen, reed met een karretje door de vlakte, en +gebruikte een bergrijtuigje, als hij hoogere streken moest bezoeken. De +beide oude vrouwen vergezelden hem; slechts wanneer de reis voor haar +te moeielijk was, ging hij alleen.</p> +<p>Op zekeren dag kwam hij te Senez—een oude bisschoppelijke +stad—op een ezel. Zijn beurs, die op dien tijd zeer schraal +voorzien was, had hem geen ander middel van vervoer veroorloofd. De +maire der stad ontving hem aan de deur der bisschoppelijke woning en +zag hem met oogen vol ergernis van den ezel stijgen. Eenige burgers, +die er bij stonden, lachten. „Mijnheer de maire,” zei de +bisschop, „en heeren burgers, ik zie wat u ergert; ge vindt het +zeer hoogmoedig van een armen priester, dat hij rijdt op de wijze van +onzen Heiland. Ik verzeker u, dat ik het uit nood en niet uit ijdelheid +doe.”</p> +<p>Op deze rondreizen was hij verschoonend en zachtmoedig; hij preekte +minder dan dat hij zich met de menschen onderhield. Hij ging zijn +betoogen en vergelijkingen niet ver zoeken. De inwoners der eene buurt +stelde hij tot voorbeeld van die der andere. In streken, waar men +onmeedoogend voor de behoeftigen was, zeide hij: „Ziet de lieden +van Briançon. Zij hebben aan de noodlijdenden, aan de weduwen en +weezen het recht gegeven, om drie dagen vroeger dan alle anderen, hun +weilanden te maaien. Zij herstellen kosteloos hun woningen, wanneer +deze in verval zijn. Daarom is dit ook een door God gezegend land. +Gedurende een geheele eeuw is er geen moord gepleegd.</p> +<p>In dorpen, die naar winst en een rijken oogst hunkerden, zeide hij: +„Ziet de lieden van Embrun. Zoo een huisvader in den oogsttijd +zijn zonen bij het leger en zijn dochters in de stad heeft dienen, +indien hij ziek of op eene andere wijze verhinderd is, beveelt de +pastoor hem van den kansel bij de gemeente aan, en des Zondags, na de +mis, gaan al de dorpelingen, <span class="pagenum">[<a id="pb16" href="#pb16" name="pb16">16</a>]</span>mannen, vrouwen, kinderen, naar den +akker van den armen man om voor hem te maaien, en brengen stroo en +graan in zijn schuur.—Tot families die wegens geldzaken of +erfenissen in tweedracht leefden, zeide hij: „Neemt de +bergbewoners van Devolny tot voorbeeld, een land zoo woest, dat men er +een nachtegaal nauwelijks in vijftig jaren hoort. Welnu, wanneer de +vader in een gezin sterft, gaan de jongens fortuin zoeken en laten het +goed aan hun zusters, opdat dezen echtgenooten vinden.”—In +districten, waar men gaarne procedeerde en de pachters zich door +gerechtszaken arm maakten, zeide hij: „Aanschouwt de goede +landlieden der vallei Queyras. Zij tellen drie duizend zielen, en leven +als in een kleine republiek. Men kent er noch rechters, noch +deurwaarders. De maire doet alles. Hij regelt de belastingen, belast +ieder naar zijn beste weten, beslecht kosteloos alle geschillen, +verdeelt de erfenissen zonder belooning, strijkt kosteloos vonnissen, +en men gehoorzaamt hem, wijl hij een rechtvaardig man onder eenvoudige +menschen is.”—In de dorpen, waar hij geen schoolmeester +vond, wees hij weder op de inwoners van Queyras. „Weet ge hoe zij +doen?” zeide hij. „Wijl een klein oord van twaalf of +vijftien gezinnen niet altijd een onderwijzer kan onderhouden, zoo +heeft men schoolmeesters, welke door de geheele vallei worden betaald, +en die de dorpen rondtrekken, in dit acht dagen, in een ander tien +dagen doorbrengende en onderwijzende. Deze onderwijzers gaan naar de +jaarmarkten, waar ik hen gezien heb. Men herkent ze aan de +schrijfpennen, welke zij in het lint van hun hoed dragen. Zij die +alleen het lezen onderwijzen hebben één pen; zij die in +het lezen en rekenen les geven, hebben twee pennen; zij die lezen, +rekenen en latijn onderwijzen, hebben drie pennen. Deze laatsten zijn +groote geleerden. Maar ’t is groote schande onwetend te zijn. +Doet zooals de lieden van Queyras.” Aldus sprak hij, ernstig en +vaderlijk; bij gemis aan voorbeelden bedacht hij gelijkenissen, die +recht op het doel afgingen, met weinig woorden, maar veel beelden. +’t Was de welsprekendheid van Jezus Christus uit het hart komende +en overredende. <span class="pagenum">[<a id="pb17" href="#pb17" name="pb17">17</a>]</span></p> +</div> +</div> +<div id="ch1.4" class="div1"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">Vierde hoofdstuk.</h2> +<h2 class="main">De werken en de woorden één!</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">In den omgang was hij vriendelijk en vroolijk. Hij +schikte zich naar de bevatting der beide oude vrouwen, die haar leven +bij hem doorbrachten; wanneer hij lachte, was ’t de hartelijke +lach van den knaap.</p> +<p>Magloire noemde hem gaarne <i>Uwe Hoogheid</i>. Op zekeren dag stond +hij op van zijn stoel en ging naar zijn bibliotheek een boek halen. Dat +boek stond op eene der hoogste planken. Daar de bisschop klein van +gestalte was, kon hij er niet bij.—</p> +<p>„Magloire,” zeide hij, „breng mij een stoel, mijn +grootheid reikt niet tot aan deze plank.”</p> +<p>Een zijner verre verwanten, mevrouw de gravin de Lô, liet +zelden een gelegenheid voorbijgaan zonder in zijn tegenwoordigheid op +te sommen, wat zij „de vooruitzichten” van haar drie zonen +noemde. Zij had verscheiden zeer oude bloedverwanten, van welke haar +zoons natuurlijk de erfgenamen werden. De jongste van de drie moest van +een oudtante honderd duizend francs rente erven; de tweede zou van een +oom den hertogstitel bekomen; de oudste moest zijn grootvader in het +pairschap opvolgen. De bisschop hoorde meestal zwijgend, deze +onschuldige en verschoonbare moederlijke uitweidingen aan. Eens echter +scheen hij ernstiger dan gewoonlijk, toen mevrouw de Lô wederom +in ’t breede van al die erfenissen en van al die +„vooruitzichten” sprak. Met eenig ongeduld vroeg zij hem: +„Maar, neef, waaraan denkt ge toch?”—„Ik denk +aan iets zonderlings,” zei de bisschop, „’t geen, +geloof ik, in St. Augustinus staat, n.l.: „Stel uw hoop op hem, +van wien ge niet erft.”</p> +<p>Een anderen keer ontving hij een brief, het overlijden meldende van +een edelman uit het gewest, waarin met weidsche praal, behalve de +waardigheden van den overledene, al de leenheerlijke en adellijke +titels van zijn geheele familie waren opgenoemd. „Welk een +breeden rug heeft toch de dood,” riep hij. „Welk een +verbazenden last van titels geeft men hem te dragen en hoeveel geest +moeten de menschen hebben om aldus het graf aan de ijdelheid dienstbaar +te maken!”</p> +<p>Bij gelegenheid maakte hij van vriendelijke scherts gebruik, die +meestal een ernstigen zin bevatte. In de vasten kwam een jonge kapelaan +te Digne en predikte in de hoofdkerk. Hij was vrij welsprekend. Zijn +preek had de liefdadigheid tot onderwerp. <span class="pagenum">[<a id="pb18" href="#pb18" name="pb18">18</a>]</span>De rijken vermaande hij, +om aan de armen te geven, ten einde aan de hel te ontkomen, welke hij +zoo ijselijk mogelijk afschilderde, en om den hemel te verwerven, dien +hij heel aangenaam en begeerlijk voorstelde. Onder zijn gehoor bevond +zich een rijk koopman, die zich uit de zaken had teruggetrokken, en een +kleinen woekerhandel dreef. Hij heette Géborand en had met het +fabriceeren van grof laken, sergie en dergelijke stoffen, twee millioen +overgewonnen. In zijn geheele leven had Géborand geen aalmoes +aan een ongelukkige gegeven. Sedert deze predikatie echter merkte men +op, dat hij alle zondagen een stuiver aan de oude bedelaarsters in het +kerkportaal gaf. Het recht van daar te staan was aan zes arme vrouwen +toegestaan. Eens zag de bisschop hem die aalmoes geven en zeide +glimlachend tot zijn zuster: „Zie! mijnheer Géborand koopt +voor een stuiver den hemel.”</p> +<p>Wanneer het de liefdadigheid betrof, liet hij zich door geen +weigering afschrikken, maar hij vond dan woorden, die tot nadenken +brachten. Eenmaal collecteerde hij in een gezelschap voor de armen; er +bevond zich de markies de Champtercier, een oude rijke vrek, die +tegelijkertijd ultra-royalist en ultra-Voltairiaan was. Zulke +zeldzaamheden hebben bestaan. Toen de bisschop hem naderde, tikte hij +hem op den arm en zei: „Mijnheer de markies, ge moet mij iets +geven.”</p> +<p>De markies keerde zich om, en antwoordde droog: „Monseigneur, +ik heb mijn armen.”</p> +<p>„Geef ze mij,” hernam de bisschop.</p> +<p>Op zekeren dag hield hij in de kathedraal de volgende preek:</p> +<p>„Geliefde broeders, goede vrienden! In Frankrijk zijn +één millioen driehonderd twintig duizend boerenhuizen met +slechts drie openingen; één millioen achthonderd +zeventien duizend met slechts twee: de deur en het venster; en +eindelijk driehonderd zes-en-veertig duizend hutten met slechts +één opening: de deur. De reden hiervan is de belasting op +deuren en vensters. Verbeeldt u nu arme gezinnen, oude vrouwen, kleine +kinderen, die daarin verblijf houden, en ’t is geen wonder dat er +koortsen en andere ziekten heerschen. Helaas! God <i>geeft</i> den +menschen lucht, maar de wet <i>verkoopt</i> ze hun. Ik beschuldig de +wet niet; maar ik loof God. In het departement Isère, in dat van +Var, in de Alpendepartementen, hebben de boeren niet eens kruiwagens, +den mest vervoeren zij op hun rug; zij hebben geen kaarsen, maar +branden houtspaanders of eindjes touw, die in pek zijn gedoopt. Zoo is +het in geheel Opper-Dauphiné. Zij bakken brood voor een half +jaar en stoken den oven met gedroogden koedrek. Des winters hakken zij +dat brood <span class="pagenum">[<a id="pb19" href="#pb19" name="pb19">19</a>]</span>met de bijl stuk, en laten het vier-en-twintig +uren in water weeken om het te kunnen eten.—Broeders, hebt +mededoogen! Ziet hoe men rondom u lijdt!”</p> +<p>In Provence geboren, kende hij al de tongvallen van het zuiden en +sprak die met de bewoners. Dit had hem bij de bevolking bemind gemaakt +en er niet weinig toe bijgedragen om hem aller harten te openen. Hij +was in de stulp en in het gebergte als te huis. Hij wist de verhevenste +zaken in de eenvoudigste volkstaal te zeggen. Daar hij alle talen +sprak, vond hij den weg tot aller harten.</p> +<p>Overigens was hij dezelfde voor den aanzienlijke en den geringe.</p> +<p>Hij veroordeelde niet voorbarig en zonder de omstandigheden in +aanmerking te nemen. Laten wij zien, op welke wijs de misslag ontstaan +is, placht hij te zeggen.</p> +<p>Daar hij, zooals hij zich zelven glimlachend noemde, een +<i>voormalig zondaar</i> was, verschanste hij zich niet achter een +harde strengheid, en openlijk verkondigde hij, niettegenstaande het +wenkbrauwfronsen der zoogenaamde strenge deugd, een leer, die men +vrijwel in de volgende woorden kan samenvatten:</p> +<p>„De mensch draagt zijn vleesch, tevens als een last en als een +verzoeking. Hij sleept het voort en geeft er aan toe.</p> +<p>„Hij moet het bewaken, bedwingen, onderdrukken, en niet dan in +den uitersten nood er aan gehoorzamen. Door deze gehoorzaamheid kan hij +nog zondigen; maar zulk een zonde is vergeeflijk. ’t Is een val, +maar een val op de knieën, die met het gebed eindigen kan.</p> +<p>„’t Is een uitzondering een heilige te zijn; maar +’t is een regel rechtschapen te wezen. Dwaalt, wankelt, zondigt, +maar weest rechtschapen.</p> +<p>„’t Is de menschelijke wet, zoo min mogelijk te +zondigen. Volstrekt niet te zondigen, is de droom van den engel. Al het +aardsche is aan de zonde onderworpen. De zonde is een wet der +zwaartekracht.”</p> +<p>Zag hij iedereen in ijver ontstoken en spoedig verontwaardigd +worden, dan zeide hij glimlachend: Dit schijnt een groote misdaad te +wezen, die iedereen begaat. Zie, hoe de ontstelde huichelarij zich +haast, om te protesteeren en zich bij voorbaat te verdedigen.</p> +<p>Hij was toegevend jegens de vrouwen en de armen, op wie de last der +maatschappij zoo zwaar drukt.—De zonden der vrouwen, der +kinderen, der dienstboden, der zwakken, der armen en der onwetenden +zijn de zonden der echtgenooten, der vaders, der meesters, der +overheden, der rijken en der geleerden, sprak hij. <span class="pagenum">[<a id="pb20" href="#pb20" name="pb20">20</a>]</span></p> +<p>Ook zeide hij: Onderwijs de onwetenden zooveel ge kunt; de +maatschappij bezondigt zich door geen kosteloos onderwijs te geven; de +duisternis welke zij veroorzaakt, komt te harer verantwoording. In een +donkere ziel sluipt de zonde licht. Niet hij die de zonde doet, is de +eigenlijke schuldige, maar hij die de duisternis veroorzaakt.</p> +<p>Men ziet, dat de bisschop er een ongewone en eigenaardige wijze op +nahield om de zaken te beschouwen. Ik vermoed, dat hij ze aan het +evangelie had ontleend.</p> +<p>Op zekeren dag hoorde hij in een gezelschap het verhaal van een +crimineel proces, dat in behandeling was. Een arm man had, na alle +pogingen om wat te verdienen beproefd te hebben, uit liefde voor een +vrouw en het kind dat zij hem geschonken had, valsche munt gemaakt. De +valsche munters werden destijds nog met den dood gestraft. De vrouw was +aangehouden, bij de uitgifte van het eerste valsche muntstuk, dat de +man gemaakt had. Men hield haar gevangen, doch men had geen bewijzen +tegen haar. Zij alleen kon haar minnaar aanklagen en hem door haar +bekentenis in ’t verderf storten. Zij deed het niet. Men drong +bij haar aan. Zij bleef ontkennen. Toen kwam de procureur des konings +op een gelukkig denkbeeld. Hij gaf voor, dat haar minnaar haar ontrouw +was; en door middel van haar behendig voorgelegde brieven bracht hij de +ongelukkige tot de overtuiging dat zij een mededingster had en dat de +man haar bedroog. Nu ontstak zij hevig in jaloezie, zij beschuldigde +haar minnaar, en bekende en bewees alles. De man was verloren en zou +eerlang te Aix met zijn medeplichtige gevonnist worden. Men verhaalde +dit feit en ieder prees de behendigheid van den rechtspersoon. Door de +jaloezie op te wekken, had hij de waarheid uit den toorn doen te +voorschijn komen, en de gerechtigheid door wraakzucht doen gelden. De +bisschop hoorde dit alles zwijgend aan. Toen het verhaal ten einde was, +vroeg hij:</p> +<p>„Waar zullen die man en die vrouw gevonnist worden?</p> +<p>„Voor het Hof van Assises.”</p> +<p>„En waar,” vervolgde hij, „zal mijnheer de +procureur des konings worden gevonnist?”</p> +<p>Er had te Digne een treurige gebeurtenis plaats. Een man werd wegens +moord ter dood veroordeeld. ’t Was een ongelukkige, die wel niet +geleerd, maar ook niet geheel onwetend was; hij had op de kermissen als +goochelaar en als openbaar schrijver rondgereisd. Het proces wekte veel +belangstelling. Den dag vóór de terechtstelling van den +veroordeelde, werd de aalmoezenier der gevangenis ziek. Een geestelijke +moest den armen zondaar in zijn laatste oogenblikken bijstaan. Men ging +naar den <span class="pagenum">[<a id="pb21" href="#pb21" name="pb21">21</a>]</span>pastoor. ’t Schijnt dat deze weigerde, +zeggende: „’t Gaat mij niet aan; ik heb met dit werk en +dezen koorddanser niets te maken; ik ben ook ziek; bovendien,’t +is mijn ambt niet.”—Men bracht den bisschop dit antwoord, +en deze zeide: „<i>De heer pastoor heeft gelijk, ’t is zijn +ambt niet, maar het mijne.</i>”</p> +<p>Hij begaf zich terstond naar de gevangenis, liet zich naar de cel +van den „koorddanser” brengen, noemde hem bij zijn naam, +drukte hem de hand en sprak hem toe. Den geheelen dag bracht hij bij +hem door, voedsel en slaap vergetende, God biddende voor de ziel van +den veroordeelde en de veroordeelde voor zijn eigene biddende. Hij +hield hem de gezegendste waarheden voor, welke de eenvoudigste zijn. +Hij was voor hem een vader, een broeder, een vriend; bisschop alleen om +hem te zegenen. Hij onderwees, bemoedigde, troostte hem. De man zou in +wanhoop gestorven zijn; de dood was voor hem een afgrond, aan welks +rand hij stond en met vreeze terugdeinsde. Hij was niet onwetend genoeg +om geheel onverschillig te zijn. Zijn veroordeeling, een geweldige +schok, had om zoo te zeggen hier en daar het hulsel gescheurd, dat ons +van de verborgenheid der dingen scheidt, en ’t welk wij het leven +noemen. Steeds blikte hij door deze noodlottige scheuren en zag niets +dan duisternis. De bisschop deed hem een licht zien.</p> +<p>Den volgenden dag, toen men den ongelukkige haalde, was de bisschop +bij hem. Hij volgde hem en vertoonde zich met zijn violetkleurigen +mantel en met zijn bisschoppelijk kruis om den hals, naast den +geboeiden veroordeelde, voor de oogen des volks.</p> +<p>Hij beklom met hem de kar, hij beklom met hem het schavot. De arme +zondaar, die den vorigen dag zoo somber, zoo verslagen was, had nu een +kalm voorkomen. Hij gevoelde, dat zijn ziel verzoening had gevonden, en +hij hoopte op God. De bisschop omhelsde hem, en toen de bijl zou +vallen, zeide hij: „Hem, dien de mensch doodt, zal God weder doen +opstaan; hem, dien de broeders verdrijven, neemt de vader aan. Bid, +geloof en ga het leven in! De vader wacht u!” Toen hij het +schavot verliet was er iets in zijn blik, waarvoor het volk ter zijde +ging. Men wist niet wat opmerkelijker was, òf zijn bleekheid, +òf zijn kalmte. Toen hij de nederige woning weder binnentrad, +welke hij glimlachend „zijn paleis” noemde, zeide hij tot +zijn zuster: Ik heb een hoogplechtigen dienst gedaan.</p> +<p>Naardien de verhevenste zaken vaak het minst begrepen worden, waren +er personen in de stad, die dit gedrag van den bisschop +„gemaaktheid” noemden. Dit werd echter slechts in hoogere +kringen gezegd. Het volk, dat edele handelingen van <span class="pagenum">[<a id="pb22" href="#pb22" name="pb22">22</a>]</span>geen +kwaad verdenkt, was getroffen en vol bewondering.</p> +<p>Het gezicht der guillotine had intusschen den bisschop een schok +gegeven, waarvan hij zich in langen tijd niet herstelde.</p> +<p>Inderdaad, wanneer het schavot dáár zoo voor u +oprijst, heeft het iets gruwelijks. Men kan ten aanzien der doodstraf +eenigszins onverschillig zijn, zich daarvoor niet uitspreken, ja noch +neen zeggen, zoolang men geen guillotine heeft gezien; maar als men er +voor staat is de schok geweldig, men moet beslissen, en partij voor of +tegen kiezen. Eenigen bewonderen, gelijk de Maistre; anderen +vervloeken, gelijk <i>Beccaria</i>. De guillotine is de +verlichamelijking der wet; zij noemt zich gerechtigheid; zij is niet +onzijdig en veroorlooft anderen niet, onzijdig te blijven. Die haar +ziet, voelt een geheimzinnige huivering. Alle maatschappelijke +kwestiën plaatsen om de valbijl haar vraagteekens. Het schavot is +een visioen. Het schavot is geen stellage, geen machine, geen +gevoelloos werktuig van hout, ijzer en touw. Het gelijkt een soort van +wezen, dat sombere gedachten opwekt. Het is alsof deze stellage ziet; +deze machine hoort; dit werktuig begrijpt; dit hout, dit ijzer, dit +touw een wil hebben. In de afgrijselijke gedachten, welke ’t +gezicht van het schavot doet oprijzen, verschijnt het vreeselijk, +doordat het aan zijn werk doet denken. Het schavot is de medeplichtige +van den beul; het verslindt; het eet vleesch en drinkt bloed. Het +schavot is een soort van gedrocht door den rechter en den timmerman +vervaardigd; een spook, dat uit den dood, die het gegeven heeft, een +verschrikkelijk leven voor zich zelven schijnt te hebben geput.</p> +<p>Daarom was ook de indruk afgrijselijk en diep; de bisschop scheen +den dag na de terechtstelling en nog vele dagen later daarna zeer +ternedergeslagen. De als door dwang tevoorschijn geroepen kalmte voor +het sombere oogenblik was verdwenen; het spook der maatschappelijke +gerechtigheid kwelde hem. Terwijl hij gewoonlijk met een vroolijke +zelfvoldoening van zijn werkzaamheden wederkeerde, scheen hij zich nu +iets te verwijten. Meermalen sprak hij in zich zelven en prevelde +binnensmonds sombere alleenspraken. Zijn zuster hoorde hem zeggen: +„Ik wist niet dat het zoo ijselijk was. ’t Is verkeerd, +zich in de goddelijke wet zoo te verdiepen, dat men de menschelijke wet +vergeet. Alleen aan God behoort de dood. Met welk recht raken de +menschen aan dit onbekende?”</p> +<p>Allengs werden deze indrukken zwakker, en werden waarschijnlijk +geheel uitgewischt. Evenwel merkte men op, dat de bisschop voortaan +vermeed, over de gerechtsplaats te gaan.</p> +<p>Men kon den heer Myriel te allen tijde aan de sponde der zieken en +stervenden roepen. Hij wist volkomen, dat hem daar <span class="pagenum">[<a id="pb23" href="#pb23" name="pb23">23</a>]</span>zijn +duurste plicht, zijn gewichtigste arbeid riep. Gezinnen, die ouders of +kinderen verloren hadden, behoefden hem niet te roepen; hij ging er uit +eigen beweging heen. Hij kon lang zwijgend bij den man zitten die zijn +geliefde vrouw had verloren, bij de moeder die haar kind beweende. +Evenals hij ter rechter tijd wist te zwijgen, kende hij ook het +oogenblik, dat hij moest spreken. En hoe kon hij troosten! Hij trachtte +niet de smart door vergetelheid te lenigen, maar ze door de hoop +grooter en waardiger te maken. Hij zeide: „Let wel, op welke +wijze gij de dooden beschouwt. Denk niet aan ’t geen verteert. +Zie slechts scherp toe, en ge zult den levenden schijn van uw geliefden +overledene in den hemel erkennen.” Den wanhopige poogde hij tot +kalmte te brengen en trachtte hem neer te zetten, door op den +onderworpen mensch te wijzen, en de smart, die een graf aanschouwt, te +veranderen in een smart die naar een ster opziet.</p> +</div> +</div> +<div id="ch1.5" class="div1"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">Vijfde hoofdstuk.</h2> +<h2 class="main">Waarom Monseigneur Bienvenu te lang zijn +priesterrokken draagt.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">In het huiselijk leven waren Myriels gevoelens +dezelfde als in zijn openbaar leven. De vrijwillige armoede, waarin de +bisschop van Digne leefde, zou voor ieder, die hem van nabij had kunnen +gadeslaan, een ernstig en bekoorlijk schouwspel zijn geweest.</p> +<p>Gelijk alle oude lieden en de meeste denkers, sliep hij weinig. Zijn +korte slaap was echter vast. Des morgens vroeg gaf hij zich een uur aan +zijn overdenkingen over; daarna bediende hij de mis, ’t zij in de +kerk, ’t zij in zijn huis. Na de mis nam hij zijn ontbijt, +bestaande in roggebrood en melk. Daarna arbeidde hij.</p> +<p>Een bisschop is steeds met werkzaamheden overladen, dagelijks moet +hij den secretaris van het bisdom ontvangen, ook bijna dagelijks zijn +groot-vicarissen. Hij moet over de congegratiën het toezicht +houden, privilegiën verleenen, een geheele kerkelijke bibliotheek, +getijboeken, catechismussen, gebedenboeken enz. onderzoeken; hij moet +mandementen schrijven, predikatiën vergunnen, pastoors en maires +vereenigen, een kerkelijke en een administratieve correspondentie +voeren, eenerzijds met den staat, anderzijds met den H. Stoel; kortom, +duizend zaken wachten op hem.</p> +<p>Den tijd, welken hem deze duizend zaken, zijn kerkdiensten +<span class="pagenum">[<a id="pb24" href="#pb24" name="pb24">24</a>]</span>en zijn brevier lieten, wijdde hij vooreerst aan +de noodlijdenden, de kranken en de bedrukten; den tijd, dien deze hem +lieten, besteedde hij aan den arbeid. Nu eens spitte hij in zijn tuin, +dan weer las en schreef hij. Hij had voor deze beide soorten van werk +slechts één naam: hij noemde het <i>tuinieren</i>. +„De geest is ook een tuin,” zeide hij.</p> +<p>Tegen den middag, wanneer het weder fraai was, ging bij uit en +wandelde op het veld of in de stad, en vaak trad bij de hutten binnen. +Men zag hem dan alleen, aan zijn gedachten overgegeven, met +neêrgeslagen oogen, steunende op zijn langen wandelstok, in zijn +violetkleurigen, gewatteerden en warmen rok, violetkleurige kousen, +zware schoenen en met een platten driekanten hoed, met gouden kwasten +aan de punten, op het hoofd.</p> +<p>’t Was overal feest waar hij verscheen, als bracht hij bij +zijn komst iets verwarmends en verlichtends. Kinderen en oude lieden +kwamen aan de deur, om den bisschop, evenals anders om de zon. Hij +deelde zegen uit en men zegende hem. Aan elk, die iets behoefde, wees +men zijn huis.</p> +<p>Nu en dan bleef hij staan, om tot knaapjes en jonge meisjes te +spreken, en lachte de moeders toe. Hij bezocht de armen zoolang hij +geld had; was het uitgegeven, dan bezocht hij de rijken.</p> +<p>Daar hij zijn priesterrokken zeer langen tijd droeg, en niet wilde +dat men dit opmerkte, ging hij nooit uit dan in zijn violetkleurig +kleed. Dit was hem in den zomer wel een weinig lastig.</p> +<p>Te huis komende deed hij zijn middagmaal, dat aan het ontbijt +geëvenredigd was. Te half negen gebruikte hij met zijn zuster het +avondeten. Magloire bediende hen. Niets kon soberder zijn dan deze +maaltijd. Zoo de bisschop evenwel een zijner pastoors aan zijn tafel +had, maakte Magloire van deze gelegenheid gebruik om voor monseigneur +keurige visch uit de meren of fijn wild uit het gebergte op te +disschen. Ieder pastoor strekte haar tot voorwendsel voor een goeden +maaltijd, en de bisschop liet haar begaan. Gewoonlijk kwam op zijn +tafel niet anders dan gekookte groenten en soep met olie. Men zeide dan +ook in de stad: „wanneer de bisschop niet smult als een pastoor, +eet hij als een trappist.”</p> +<p>Na het avondeten praatte hij een half uur met Baptistine en +Magloire; vervolgens begaf hij zich naar zijn kamer en zette zich weder +aan ’t schrijven, nu eens op losse bladen, dan weder op den kant +van een foliant. Hij was geletterd en tamelijk geleerd. Hij heeft vijf +of zes merkwaardige manuscripten nagelaten; onder andere een +verhandeling over het vers van Genesis: <span class="pagenum">[<a id="pb25" href="#pb25" name="pb25">25</a>]</span>„En de geest Gods +zweefde over de wateren.”—Hij vergelijkt met dit vers drie +teksten: het arabisch, dat zegt: „de winden Gods bliezen;” +Flavius Josephus, die zegt: „Een wind van boven viel op de +aarde;” en eindelijk de Chaldeeuwsche overzetting van Onkelos, +die zegt: „Een wind, die van God kwam, blies over de +wateren.” In een andere verhandeling onderzocht hij de +godgeleerde werken van Hugo, bisschop van Ptolomaïs, achter-oudoom +van den schrijver van dit boek en bewijst dat aan dezen bisschop de +verschillende kleine werkjes moeten worden toegeschreven, die in de +vorige eeuw onder het pseudonym van Barleycourt verschenen.</p> +<p>Soms verviel hij temidden zijner lectuur, onverschillig welk boek +hij in handen had, plotseling tot diepe overpeinzing, waarna hij eenige +regels op het blad zelf van het boek schreef. Deze regels hebben vaak +volstrekt geen betrekking op het boek, dat ze bevat. Zoo hebben wij +vóór ons een door hem geschreven kantteekening, in een +boek in kwarto, getiteld: <i lang="fr">Correspondance du lord Germain +avec les généraux Clinton, Cornwallis et les amiraux de +la station de l’Amérique</i>.</p> +<p>Deze kantteekening luidt als volgt:</p> +<p>„O gij, die zijt!</p> +<p>„In den prediker Salomo heet gij de <span class="ex">Almachtige</span>, in het boek der Makkabeeën <span class="ex">Schepper</span>, in den brief aan de Ephezers <span class="ex">Vrijheid</span>, in Baruch <span class="ex">Onmetelijke</span>, in +de psalmen <span class="ex">Wijsheid en Waarheid</span>, in het +evangelie van Johannes <span class="ex">Licht</span>, in het boek der +koningen <span class="ex">Heer</span>, in het tweede boek van Mozes +<span class="ex">Voorzienigheid</span>, in het derde <span class="ex">Heiligheid</span>, in Esdra <span class="ex">Gerechtigheid</span>; +de schepping noemt u <span class="ex">God</span>, de mensch +<span class="ex">Vader</span>, maar Salomo noemt u <span class="ex">Erbarmer</span>, en dit is de schoonste van al uw +namen.”</p> +<p>Tegen negen uur ’s avonds verwijderden zich de beide vrouwen +en begaven zich naar haar kamers op de eerste verdieping, en lieten den +bisschop alleen beneden tot den volgenden morgen.</p> +<p>’t Zal noodig zijn hier een nauwkeurige voorstelling der +woning van den bisschop van Digne te geven. <span class="pagenum">[<a id="pb26" href="#pb26" name="pb26">26</a>]</span></p> +</div> +</div> +<div id="ch1.6" class="div1"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">Zesde hoofdstuk.</h2> +<h2 class="main">Door wie hij zijn huis liet bewaren.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Het huis, dat hij bewoonde, had slechts, zooals reeds +gezegd is, twee verdiepingen, en bestond uit drie benedenvertrekken, +drie kamers op de tweede verdieping, en daarboven een zolder. Achter +het huis was een tuin. De beide vrouwen hadden de eerste verdieping in +gebruik. De bisschop huisde beneden. Het eerste vertrek, dat op de +straat uitzag, diende hem tot eetzaal, het tweede tot slaapkamer en het +derde tot bidkamer. Men kon uit deze laatste niet komen, zonder door de +slaapkamer te gaan, en uit deze slechts door de eetzaal. In de bidkamer +was een afgesloten alkoof, waarin een bed, ten dienste van +logeergasten. De bisschop bood dit bed den dorpspastoors aan, die +wegens zaken of aangelegenheden hunne parochie betreffende, te Digne +kwamen.</p> +<p>De apotheek van het hospitaal, een in den tuin aan het huis +toegevoegd gebouw, was in keuken en spijskamer veranderd.</p> +<p>Nog bevond zich in den tuin een stal, die vroeger de keuken van het +hospitaal was geweest en waarin de bisschop twee koeien hield. Hoeveel +melk zij ook mochten geven, hij zond alle ochtenden de helft er van aan +de zieken in het hospitaal. „Ik betaal mijn tienden,” zeide +hij.</p> +<p>Zijn tamelijk ruime kamer was in den winter moeielijk te verwarmen. +Dewijl het hout te Digne zeer duur is, had hij in den koestal een klein +vertrek van planken laten afschieten, en hier bracht hij bij strenge +koude den avond door. Hij noemde dit zijn +„wintersalon.”</p> +<p>In dat wintersalon was, gelijk in de eetzaal, geen ander huisraad +dan een vierkante, wit houten tafel en vier matten stoelen. De eetkamer +was bovendien nog met een oud rose geverfd buffet versierd. Een +dergelijk buffet, bekleed met witte doeken en onechte kant, had de +bisschop tot altaar in zijn bidkamer ingericht.</p> +<p>Zijn rijke biechtdochters en andere vrome vrouwen van Digne hadden +herhaaldelijk met elkander het geld bijeengebracht voor een fraai, +nieuw altaar in de bidkamer van Monseigneur; maar telkens had hij het +geld aangenomen en aan de armen gegeven. „Het fraaiste +altaar,” zeide hij dan, „is de ziel van een getroosten +ongelukkige, die God dankt.”</p> +<p>Hij had in zijn bidkamer twee bidstoelen met matten zittingen en in +zijn slaapkamer een dergelijken armstoel. Wanneer <span class="pagenum">[<a id="pb27" href="#pb27" name="pb27">27</a>]</span>hij bij +toeval zeven of acht personen te gelijk ontving, den prefect, of den +generaal, of den staf van het daarin garnizoen liggend regiment, of +eenige kweekelingen van het klein seminarie, was men verplicht de +stoelen van het wintersalon uit den stal en de bidstoelen met den +armstoel uit de bidkamer te halen, en op die wijze kon men voor de +bezoekers elf stoelen bijeenbrengen. Bij elk bezoek werd dus een der +vertrekken van zijn huisraad beroofd.</p> +<p>Maar somtijds gebeurde het, dat er twaalf bezoekers waren. Alsdan +verheelde de bisschop de verlegenheid waarin hij zich bevond, des +winters door voor den schoorsteen te blijven staan, en des zomers door +in den tuin te wandelen.</p> +<p>In de afgesloten alkoof stond wel is waar ook nog een stoel, maar de +zitting was versleten en hij had nog maar drie pooten, zoodat hij +slechts dienst kon doen als hij tegen den muur stond. Mejuffrouw +Baptistine had ook in haar kamer een zeer groote bergère van +hout, die vroeger verguld was, met gebloemde chineesche zijde bekleed; +maar men had deze bergère door het venster op de eerste +verdieping moeten brengen, wijl de trap te smal was; die kon dus niet +dienen, wanneer men zitplaatsen te kort kwam.</p> +<p>Mejuffrouw Baptistines vurigste wensch zou geweest zijn, een +salonmeubel te kunnen koopen van mahoniehout, bekleed met geelgebloemd +trijp, en daarbij een canapé. Maar een en ander zou minstens +vijfhonderd francs hebben gekost, en daar zij ’t in vijf jaren +niet verder had kunnen brengen dan hiervoor twee-en-veertig en een +halven franc te besparen, had zij er eindelijk van afgezien. Wie ziet +zijn idealen ook verwezenlijkt?</p> +<p>Men kan zich niets eenvoudigers voorstellen dan de slaapkamer van +den bisschop. Door de glazen deur kwam men in den tuin; daartegenover +stond het bed, een ijzeren gasthuisbed met groene sergie-gordijnen; +achter een gordijn, ter zijde van het bed, verrieden de +toiletbenoodigdheden nog de vroegere elegante gewoonten van den man der +wereld; er waren twee deuren: door de eene, bij den schoorsteen, kwam +men in het bidvertrek; de andere, bij de bibliotheek, leidde naar de +eetzaal. De bibliotheek was een groote glazen kast vol boeken; de +schoorsteen, met een houten als marmer geschilderden mantel, was +gewoonlijk zonder vuur; een paar haardijzers in den schoorsteen en twee +vazen, die vroeger verzilverd waren, maakten een soort van +bisschoppelijke weelde uit. Op den schoorsteenmantel stond een koperen, +vroeger verzilverd crucifix op kaal zwart fluweel in een vergulde +houten lijst; bij de glazen deur stond een tafel, waarop een inktkoker, +en die <span class="pagenum">[<a id="pb28" href="#pb28" name="pb28">28</a>]</span>verder beladen was met verstrooide papieren en +dikke boekdeelen; vóór de tafel bevond zich de armstoel +met matten zitting; vóór het bed een bidstoel uit de +bidkamer.</p> +<p>Ter weerszijden van het bed hingen twee portretten in ovale lijsten. +Gouden opschriften op het doek, bezijden de afbeeldingen, duidden aan, +dat het eene portret den abt de Chaliot, bisschop van St. Claude, het +andere den abt Tourteau, vicaris-generaal van Agde, abt van +Grand-Champs, van de orde der Cistercienzers, voorstelde. Toen de +bisschop deze ziekenkamer van het hospitaal betrok, had hij er deze +portretten gevonden en ze laten hangen. ’t Waren priesters, +vermoedelijk donateurs: twee redenen om ze te eerbiedigen. Al wat hij +van deze twee personages wist, was, dat beiden door den koning op +denzelfden dag, den 27 April 1785, de een tot bisschop, de ander tot +vicaris-generaal benoemd waren. Bij gelegenheid dat Magloire de +schilderij van den wand had genomen om ze af te stoffen, had de +bisschop deze bijzonderheid geschreven gevonden, met bleeken inkt, op +een stukje papier, dat van ouderdom geel geworden en met vier ouwels +achter het portret van den abt van Grand-Champs geplakt was.</p> +<p>Vóór het venster hing een ouderwetsch gordijn van +grove wollen stof, welke zoo versleten was, dat Magloire, ten einde de +kosten van een nieuw gordijn te vermijden, verplicht was, een grooten +naad in het midden te maken, welke naad een kruis vormde. De bisschop +maakte dikwerf de opmerking, dat dit zeer goed stond.</p> +<p>Al de kamers van het huis waren zonder uitzondering, zoowel beneden +als op de eerste verdieping, zooals in kazernen en hospitalen, met kalk +gewit.</p> +<p>In de laatste jaren echter vond Magloire zooals men verder zal +vernemen, schilderingen onder het met kalk bestreken papier in de kamer +van mejuffrouw Baptistine. Eer dit huis een hospitaal was geworden, had +het aan een burger behoord, en van dien tijd dagteekende deze +versiering. De kamers waren met roode steenen bevloerd, die wekelijks +geschrobd werden, en vóór de bedden lagen matten. Voor +’t overige onderscheidde zich deze woning, die door twee vrouwen +onderhouden werd, van onder tot boven door de uiterste zindelijkheid. +Dit was de eenige weelde, welke de bisschop zich veroorloofde, +zeggende, dat dit den armen niets onthield.</p> +<p>’t Moet echter gezegd worden, dat hem, van hetgeen hij vroeger +bezeten had, nog zes zilveren lepels en vorken en een soeplepel +overgebleven waren, welke Magloire dagelijks met ware vreugde op het +groote witte tafellaken zag prijken. En nu wij den bisschop van Digne +schilderen gelijk hij was, moeten <span class="pagenum">[<a id="pb29" href="#pb29" name="pb29">29</a>]</span>wij zeggen, dat hij dikwijls +betuigd had, dat het hem moeielijk zou vallen niet met zilver te +eten.</p> +<p>Bij dat zilverwerk moeten nog twee massief zilveren kandelaars +worden gerekend, welke hij van een oud-tante had geërfd. Deze +kandelaars droegen twee waskaarsen en prijkten gewoonlijk op den +schoorsteen van den bisschop. Wanneer hij iemand ten eten had, stak +Magloire de beide waskaarsen aan en zette de twee kandelaars op de +tafel.</p> +<p>In de kamer van den bisschop stond, aan het hoofdeneinde van zijn +bed, een kastje, waarin Magloire ’s avonds de zes zilveren vorken +en lepels en den grooten soeplepel wegsloot. De sleutel bleef evenwel +steeds in ’t slot steken.</p> +<p>De tuin, die door de vermelde bijgebouwen ontsierd was, had vier +paden, die bij een put elkander kruisten; een ander pad liep rondom den +tuin, langs den witten muur, die hem insloot. Deze paden verdeelden den +tuin in vier met palm omzoomde bedden. Op drie ervan verbouwde Magloire +groenten; het vierde was door den bisschop met bloemen beplant; hier en +daar stonden enkele vruchtboomen. Eens had Magloire schertsenderwijs +gezegd: „Monseigneur, hoewel ge van alles zoo goed partij weet te +trekken, is dit toch een nutteloos bed. ’t Ware beter, dat er +salade op groeide, dan bloemen.”—„Gij vergist u, +Magloire,” had de bisschop geantwoord, „het schoone is even +nuttig als het nuttige.” En na eenig zwijgen voegde hij er bij: +„Misschien nog nuttiger!”</p> +<p>Dit bed, uit drie of vier rijen bloemen bestaande, hield den +bisschop schier evenzeer bezig als zijn boeken. Hij bracht hier gaarne +een paar uren door met snoeien, harken, spitten en zaaien. Den insekten +was hij niet zoo vijandig als een tuinman wel gewenscht zou hebben. +Voor ’t overige maakte hij geen aanspraak op botanische kennis; +hij wist niets van geslachten en klassen, voelde volstrekt geen lust om +tusschen Tournefort en de natuurlijke methode uitspraak te doen, en +koos evenmin partij voor de utriculi tegen de cotyledonen, als voor +Jussieu tegen Linnaeus. Hij bestudeerde de planten niet, maar beminde +de bloemen. Hij achtte de geleerden zeer, maar meer nog de onwetenden; +en zonder aan de achting voor beiden ooit in ’t minst te kort te +doen, begoot hij zijn bloemperken alle zomeravonden met een groen +geverfden blikken gieter.</p> +<p>Het huis had niet één deur met een slot. De deur der +eetkamer, die, zooals gezegd is, gelijkvloers met het kerkplein was, +had vroeger sloten en grendels als een gevangenisdeur gehad. De +bisschop had dit ijzerwerk doen wegnemen en de deur stond nu dag en +nacht slechts op de klink. Ieder voorbijganger kon, hoe laat het ook +was, ze openen. In den beginne <span class="pagenum">[<a id="pb30" href="#pb30" name="pb30">30</a>]</span>had deze ongesloten deur de +beide vrouwen zeer verontrust, maar de bisschop had haar gezegd, dat +zij, zoo zij verkozen, haar deuren van grendels konden voorzien. +Eindelijk hadden zij zijn gerustheid gedeeld, of hielden zich althans +zoo. Slechts Magloire was nu en dan beangst. Wat de bisschop dacht, kon +men aangeduid vinden in deze regels, door hem op den rand van een +bijbelblad geschreven: „Het onderscheid is, dat de deur van een +geneesheer nooit gesloten mag zijn, en die van een priester altijd open +moet wezen.”</p> +<p>In een ander boek, getiteld: <i lang="fr">Philosophie de la science +médicale</i>, had hij deze kantteekening geschreven: „Ben +ik geen geneesheer, evenals zij? Ook ik heb mijn zieken: vooreerst +degenen, welke zij <i>hun</i> zieken noemen; en dan de <i>mijne</i>, +welke ik de ongelukkigen noem.<span class="corr" id="xd20e744" title="Niet in bron">”</span></p> +<p>Elders had hij geschreven: „Vraag niet naar den naam van +dengene, die u een nachtverblijf verzoekt. Voor hem, die een +schuilplaats noodig heeft, is de naam een lastig ding!<span class="corr" id="xd20e749" title="Niet in bron">”</span></p> +<p>Het gebeurde dan ook eens, dat een achtenswaardig +geestelijke—ik weet niet of ’t de pastoor van Couloubroux +of die van Pompierry was—hem op zekeren dag, waarschijnlijk op +aansporing van Magloire vroeg, of Monseigneur wel zeker was niet +eenigszins onvoorzichtig te handelen, door dag en nacht zijn deur voor +ieder, die wilde binnengaan, open te laten, en of hij niet vreesde, dat +in een zoo slecht bewaakt huis eens een ongeluk zou gebeuren. De +bisschop klopte hem met zachten ernst op den schouder, zeggende: +„Zoo de Heer het huis niet bewaakt, waken de wachters +vergeefs.”</p> +<p>Daarop sprak hij van iets anders.</p> +<p>Dikwijls zeide hij: „Er is een dapperheid van den priester, +evenals er een dapperheid van den dragonder-officier is. Maar,” +liet hij er op volgen, „de onze moet rustig zijn.”</p> +</div> +</div> +<div id="ch1.7" class="div1"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="main">Zevende hoofdstuk.</h2> +<h2 class="main">Cravatte.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Hier doet zich als van zelve een feit voor, dat wij +niet over ’t hoofd mogen zien; want ’t behoort tot +dezulken, die het best aantoonen, welk een man de bisschop van D. +was.</p> +<p>Na de onderwerping der rooverbende van Gaspard Bès, die de +bergengten van Ollioules onveilig had gemaakt, nam een zijner +onderbevelhebbers, Cravatte, de wijk in het gebergte. Hij hield zich +eenigen tijd met de rest der bende van Gaspard <span class="pagenum">[<a id="pb31" href="#pb31" name="pb31">31</a>]</span>Bès in het graafschap Nizza schuil, ging +vervolgens naar Piémont en verscheen plotseling weder in +Frankrijk, in den omtrek van Barcelonnette. Men zag hem eerst te +Jauziers, daarna te Tuiles. Hij verschool zich in de grotten van Joug +de l’Aigle, en van daar begaf hij zich langs de sluipwegen van +Ubaye en Ubayette naar de gehuchten en dorpen.</p> +<p>Hij kwam zelfs tot Embrun, brak op zekeren nacht in de kerk in en +beroofde de sacristie. Zijn rooverijen verspreidden schrik in den +omtrek. Men zond de gendarmerie op hem af, doch vruchteloos. Telkens +ontsnapte hij en bood soms gewapenden tegenstand. Het was een vermetele +booswicht. Te midden van den algemeenen schrik kwam de bisschop. Op een +rondreis bezocht hij ook Chastelar. De maire kwam bij hem en ried hem +terug te keeren, wijl Cravatte het gebergte tot Arche en verder +doorkruiste. Zelfs met een escorte was het reizen gevaarlijk, het leven +van drie of vier ongelukkige gendarmes zou nutteloos zijn +blootgesteld.</p> +<p>„Ik ben dus ook voornemens zonder escorte te gaan,” +antwoordde de bisschop.</p> +<p>„Hoe kunt ge hieraan denken, Monseigneur?” hernam de +maire.</p> +<p>„Ik denk er zoo zeker aan, dat ik voor de gendarmes bedank en +binnen een uur vertrek.”</p> +<p>„Ge wilt vertrekken?”</p> +<p>„Ja.”</p> +<p>„Alleen?”</p> +<p>„Alleen.”</p> +<p>„Dat zult ge niet doen, Monseigneur!”</p> +<p>„In het gebergte,” hernam de bisschop, „ligt een +zeer kleine gemeente, welke ik sedert drie jaren niet bezocht heb. Daar +wonen mijn vrienden, vreedzame, brave herders. Van de dertig geiten, +welke zij hoeden, behoort er hun ééne, zij vervaardigen +zeer fraaie wollen koorden van verschillende kleur, en spelen +bergliederen op kleine fluiten met zes gaten. ’t Is noodig, dat +hun van tijd tot tijd van den goeden God wordt gesproken. Wat zouden +zij denken van een bisschop die bevreesd is? Wat zouden zij zeggen, zoo +ik niet kwam?”</p> +<p>„Maar de roovers, Monseigneur?”</p> +<p>„Ja,” zei de bisschop, „ik denk er juist aan. Gij +hebt gelijk. Ik kon ze ontmoeten. Ook zij hebben noodig van den goeden +God te hooren.”</p> +<p>„Maar, Monseigneur, ’t is een rooverbende, een troep +wolven!”</p> +<p>„Mijnheer de maire, ’t is misschien juist van dezen +troep, dat Jezus mij herder wil maken. Wie kent de wegen der +Voorzienigheid?” <span class="pagenum">[<a id="pb32" href="#pb32" name="pb32">32</a>]</span></p> +<p>„Zij zullen u uitplunderen, Monseigneur.”</p> +<p>„Ik heb niets.”</p> +<p>„Zij zullen u vermoorden.”</p> +<p>„Een ouden priester, die langs den weg zijn gebeden leest? Wat +zou ’t hun baten?”</p> +<p>„O, mijn hemel! Zoo ge hen ontmoette!”</p> +<p>„Dan zal ik hun een aalmoes voor mijn armen vragen.”</p> +<p>„Ga niet, Monseigneur. In ’s hemels naam! gij waagt uw +leven!”</p> +<p>„Is het anders niet, Mijnheer de maire?” zei de +bisschop. „Ik ben niet in de wereld om mijn leven te behoeden, +maar om de zielen te behoeden.”</p> +<p>Men moest hem zijn wil laten. Hij vertrok, slechts van een kind +vergezeld, dat zich aanbood hem den weg te wijzen. Zijn eigenzinnigheid +werd veel besproken en baarde bekommering in de streek.</p> +<p>Hij wilde noch zijn zuster, noch Magloire medenemen. Hij trok op een +muildier door het gebergte, ontmoette niemand en kwam veilig en wel bij +zijn „vrienden” de herders. Hij bleef hier veertien dagen, +predikte, verrichtte den dienst, onderwees en vermaande de gemeente. +Kort voor zijn vertrek wilde hij een plechtig <i>Te Deum</i> houden. +Hij sprak er met den pastoor over. Maar hoe? er waren geen +bisschoppelijke sieraden. Men kon slechts een armoedige dorpssacristie +met eenige oude kazuifels van versleten damast met valsch passement tot +zijnen dienst stellen.</p> +<p>„Om ’t even,” zei de bisschop, „kondig maar +het Te Deum van den kansel af, Mijnheer pastoor. Alles zal zich wel +schikken.”</p> +<p>Men zocht in de kerken der nabuurschap. Al de bijeengebrachte +heerlijkheden dier armoedige parochiën zouden zelfs niet voor de +behoorlijke koorkleeding eener hoofdkerk toereikend zijn geweest.</p> +<p>Tijdens deze verlegenheid werd door twee onbekenden te paard, die +onmiddellijk weder vertrokken, een groote kist voor den bisschop aan de +pastorie bezorgd. De kist werd geopend; zij bevatte een koorkleed van +goudlaken, een met diamanten bezetten mijter, een aartsbisschoppelijk +kruis, een prachtigen bisschopsstaf, kortom al de bisschoppelijke +versierselen, die een maand te voren uit de Lieve-Vrouwenkerk te Embrun +gestolen waren. In de kist lag een papier, waarop deze woorden stonden +geschreven: <i>Cravatte aan Monseigneur Bienvenu</i>.</p> +<p>„Heb ik u niet gezegd, dat zich alles zou schikken!” zei +de bisschop. En glimlachend voegde hij er bij: „wie zich met het +koorhemd van een pastoor tevreden stelt, zendt God een +aartsbisschoppelijk koorkleed.” <span class="pagenum">[<a id="pb33" href="#pb33" name="pb33">33</a>]</span></p> +<p>„Monseigneur,” mompelde de pastoor glimlachend het hoofd +schuddend, „God—of de duivel?”</p> +<p>De bisschop zag den pastoor strak aan en zeide met nadruk: +„God!”</p> +<p>Toen hij te Chastelar terugkeerde, ijlde men overal langs den +geheelen weg, nieuwsgierig toe om hem te zien. In de pastorie van +Chastelar vond hij mejuffrouw Baptistine en Magloire, die hem wachtten, +en hij zeide tot zijn zuster: „Nu, had ik geen gelijk? de arme +priester is met ledige handen naar de arme bergbewoners gegaan, en met +gevulde handen keert hij terug. Ik was vertrokken met niets anders dan +mijn vertrouwen op God, en breng den schat eener hoofdkerk mede te +huis.”</p> +<p>Nog zeide hij des avonds vóór ’t naar bed gaan: +„vreezen wij nimmer dieven of moordenaars. Dit zijn slechts +uiterlijke, geringe gevaren. Vreezen wij ons zelven. De vooroordeelen +zijn de ware dieven; de ondeugden de ware moordenaars. De groote +gevaren zetelen in ons. Wat is er gelegen aan wat ons hoofd of onze +beurs bedreigt? Laten wij alleen denken aan ’t geen onze ziel +bedreigt.”</p> +<p>En zich tot zijn zuster wendende: „Lieve zuster, de priester +mag nooit voorzorgen tegen zijn naaste nemen. Wat de naaste doet, +<span class="corr" id="xd20e846" title="Bron: veroorloofd">veroorlooft</span> God. Laten wij alleen God +bidden, wanneer wij meenen dat ons een ongeluk nadert. Bidden wij Hem, +niet voor ons, maar dat onze broeder niet om onzenthalve in zonde +vervalle.”</p> +<p>Overigens waren belangrijke voorvallen zeldzaam in zijn leven. Wij +verhalen die, welke ons bekend zijn; doch gewoonlijk bracht hij zijn +leven door met steeds hetzelfde op denzelfden tijd te doen. Een maand +van zijn jaar geleek op een uur van zijn dag.</p> +<p>Wat van „den schat” der kerk van Embrun werd, men zou +ons in verlegenheid brengen, daarnaar te vragen. ’t Waren gewis +zeer schoone, verleidelijke voorwerpen, wel geschikt om ze ten +voordeele der ongelukkigen te stelen. Zij waren trouwens reeds +gestolen. De helft van het avontuur was volbracht; het gold nu slechts +de richting van den diefstal te veranderen, en wel ten gunste der +armen. Wij zeggen overigens niets zekers hieromtrent. Alleen vond men +in de papieren van den bisschop een eenigszins duistere aanteekening, +die misschien op deze zaak betrekking heeft, in deze woorden: +„’t is de vraag, of het aan de hoofdkerk terug of aan +’t gasthuis gegeven worden moet!” <span class="pagenum">[<a id="pb34" href="#pb34" name="pb34">34</a>]</span></p> +</div> +</div> +<div id="ch1.8" class="div1"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">Achtste hoofdstuk.</h2> +<h2 class="main">Wijsbegeerte na tafel.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">De senator, van wien reeds gesproken is, was een +schrander man, die zijn weg rechtuit was gegaan, zonder te letten op de +beletselen, welke men geweten, trouw, rechtvaardigheid of plicht noemt; +hij was regelrecht op zijn doel afgegaan, zonder een enkele maal met +het oog op zijne bevordering en op zijn belang te aarzelen. Hij was een +oud procureur, wien het geluk vertroeteld had; volstrekt geen kwaad +mensch, die zijn zoons, zijn schoonzoons, zijn familie, zelfs zijn +vrienden alle mogelijke kleine diensten bewees, en die wijselijk van +het leven steeds de goede zijde, de gunstige gelegenheden, de +voordeelen gekozen had. Het overige scheen hem dwaasheid. Hij was +geestig en juist geletterd genoeg, om zich voor een discipel van +Epicurus te houden, terwijl hij misschien slechts een product van +Pigault-Lebrun was. Hij schertste gaarne en vroolijk over het oneindige +en het eeuwige, en over de „hersenschimmen van den goeden +bisschop.” Soms bespotte hij die zelfs met vriendelijke +aanmatiging in de tegenwoordigheid van den bisschop, die dan +luisterde.</p> +<p>Bij zekere half officieele feestelijkheid, moesten graaf +<span class="corr" id="xd20e863" title="Niet in bron"></span>*** (deze +senator) en de bisschop een diner bij den prefect bijwonen. Aan het +dessert zei de senator, die eenigszins vroolijk, doch altijd deftig +was:</p> +<p>„Laat ons eens praten, Monseigneur de bisschop. Een senator en +een bisschop kunnen elkander moeielijk aanzien zonder te meesmuilen. +Wij zijn beiden wichelaars. Ik zal u een bekentenis doen: ik heb zoo +mijn eigene wijsbegeerte.”</p> +<p>„Ge hebt gelijk,” antwoordde de bisschop. „Naar +men zich een wijsbegeerte maakt, legt men zich te rusten. Gij ligt op +een purperen bed, mijnheer de senator.”</p> +<p>Bemoedigd door deze woorden, hernam de senator:</p> +<p>„Laten we verdraagzame lieden zijn.”</p> +<p>„Verdraagzame duivels zelfs,” zei de bisschop.</p> +<p>„Ik verzeker u,” hernam de senator, „dat de +markies d’Argens, Pyrrhon, Hobbes en Naigeon in ’t geheel +niet dom zijn. In mijn bibliotheek staan al mijn philosofen verguld op +sneê.”</p> +<p>„Zooals gij zelf, mijnheer de graaf,” viel de bisschop +hem in de rede.</p> +<p>De senator ging voort: <span class="pagenum">[<a id="pb35" href="#pb35" name="pb35">35</a>]</span></p> +<p>„Ik haat Diderot; ’t is een idéoloog, een +declamator en een revolutionnair, die in den grond aan God gelooft en +bigotter dan Voltaire is. Voltaire heeft met Needham den draak +gestoken, en hij had ongelijk; want de aaltjes van Needham bewijzen dat +God overbodig is. Een droppel azijn in een lepel meeldeeg vervangt +volkomen het <i lang="la">fiat lux</i> (er zij licht<span class="corr" +id="xd20e889" title="Bron: .)">).</span> Veronderstel, dat de droppel +en de lepel grooter zijn, en ge hebt de wereld. De mensch is de aal. +Waartoe dus de Eeuwige Vader? Ik zeg u, Monseigneur, dat de +veronderstelling van een Jehovah mij verveelt. Zij dient nergens toe, +dan om magere menschen te maken, die onrustig droomen. Weg met dat +groote Al,’t welk mij plaagt! Leve het Niet, dat mij in rust +laat! Onder ons gezegd, en om mijn zak geheel te ledigen en aan mijn +herder te biechten, zooals ’t behoort, beken ik u, dat ik gezond +verstand bezit. Ik ben niet verzot op uw Jezus, die immer en altijd +ontbering en zelfopoffering predikt. ’t Is de raad van een vrek +aan armen! Ontbering: waarom? Zelfopoffering: waartoe? ik zie niet, dat +een wolf zich voor het geluk van een anderen wolf opoffert. Behouden +wij onzen aard. Wij staan op de hoogste sport; laat ons een hoogere +wijsbegeerte hebben. Waartoe dient het hooger te staan, zoo wij niet +verder zien dan den neus van anderen? Leven wij vroolijk. Het leven is +alles. Dat de mensch elders, daar boven, daar beneden, ergens een +toekomstig leven zal hebben, daarvan geloof ik geen enkel woord. Men +beveelt mij opoffering en ontbering aan; ik moet op alles wat ik doe +acht geven, ik moet mij het hoofd breken met het goed en het kwaad, met +het rechtvaardige en het onrechtvaardige, met wat geoorloofd en wat +niet geoorloofd is. Waarom? wijl ik van mijn daden rekenschap zal +moeten doen. Wanneer? Na mijn dood. Welk een droom! Hij zal slim moeten +zijn, die mij na mijn dood knijpen wil. Laat zich de hand eener schim +eens met asch vullen. Zeggen wij de waarheid, wij die ingewijden zijn +en het kleed van Isis hebben opgelicht: er is geen goed en geen kwaad; +er is niets dan groeikracht. Zoeken wij het wezenlijke; delven wij het +op. Op den bodem, diep in den grond, voor den drommel! moeten wij de +waarheid opsporen en haar grijpen. Welk een heerlijke vreugde verschaft +zij dan. Men gevoelt zich krachtig, opgewekt. Ik sta vast in mijn +schoenen. De onsterfelijkheid van den mensch, Monseigneur, is een +zeepbel, een bedrieglijke hoop. Vertrouw er op! Een heerlijk lot dat +van Adam! Men is een ziel, men wordt een engel, met blauwe vleugels aan +de schouders. Kom mijn herinnering eens te hulp; was ’t niet +Tertuliaan, die zeide, dat de zaligen van de eene ster naar de andere +zullen gaan? Het zij zoo, we zullen de sprinkhanen der sterren +<span class="pagenum">[<a id="pb36" href="#pb36" name="pb36">36</a>]</span>zijn. En dan, men zal God zien! Och, wat! gekheid +al die paradijzen! God is een monsterachtig sprookje. Ik zal dit nu wel +niet in den <i>Moniteur</i> gaan verkondigen, maar fluister het onder +vrienden. Inter pocula (Bij den beker). De aarde voor het paradijs op +te offeren, is zijn prooi voor een schaduw los te laten. Ik ben zoo dom +niet, mij door het oneindige te laten beet nemen. Ik ben niets. Ik heet +mijnheer de graaf Niets, senator. Bestond ik vóór ik +geboren was? Neen. Zal ik na mijn dood bestaan? Neen. Wat ben ik? Een +weinig stof, door een organisme verbonden. Wat heb ik op deze aarde te +doen? Ik kan kiezen: lijden of genieten. Waartoe zal mij het lijden +voeren? tot het niet. Maar ik zal geleden hebben. Waartoe zal mij het +genot voeren? tot het niet. Maar ik zal genoten hebben. Mijn keus is +gedaan. Men moet eten of gegeten worden. Ik eet. ’t Is beter tand +dan gras te zijn. Dit is mijn wijsheid. Men gaat waarheen men gedreven +wordt; de doodgraver wacht; voor sommigen onzer het Pantheon; maar +alles zinkt in den grooten kuil. Einde. <i>Finis</i>. Algemeene +uitkomst. En daarmede is alles gedaan. De dood is dood, geloof mij. Ik +lach om het denkbeeld, dat dáár iemand zou zijn, die mij +iets te zeggen had. Bakersprookjes. Een boeman voor de kinderen, +Jehovah voor de menschen. Neen, onze toekomst is de nacht. Aan gene +zijde van het graf is niets en alles gelijk. Of ge Sardanapales of +Vincentius van Paula zijt geweest, is hetzelfde. Ziedaar de waarheid. +Men leve alzoo en make gebruik van zijn ik, zoolang men kan, dit is +’t voornaamste. Waarlijk, Monseigneur, ik zeg u, dat ik mijn +eigen wijsbegeerte en mijn eigen wijsgeeren heb. Ik laat mij geen +zotternijen op de mouw spelden. Trouwens, de lagere klassen, de +barvoeters, de noodlijdenden, de armen mogen wel iets hebben. Men geeft +hun legenden, hersenschimmen, de ziel, de onsterfelijkheid, den hemel, +de sterren. Zij kauwen op dat alles. Zij smeren het op hun droog brood. +Die niets heeft, heeft ten minste den goeden God. Ik heb er niets +tegen; maar ik voor mij behoud mijnheer Naigeon. De goede God is goed +voor het gepeupel.”</p> +<p>De bisschop klapte goedkeurend in de handen.</p> +<p>„Dat noem ik spreken!” riep hij. „Dat materialisme +is toch een uitmuntende, bewonderenswaardige zaak; maar niet ieder +bezit het. En als men het bezit, is men geen dupe meer; men laat zich +niet dwaselijk verbannen als Cato, noch steenigen als Stefanus, noch +levend verbranden als de maagd van Orleans. Zij, die zich dit +bewonderenswaardig materialisme hebben kunnen verschaffen, smaken het +genoegen, zich onverantwoordelijk te gevoelen en te gelooven, dat zij, +zonder eenig bezwaar, <span class="pagenum">[<a id="pb37" href="#pb37" name="pb37">37</a>]</span>alles mogen aannemen en kunnen verduwen: +ambten, belooningen, waardigheden, eerlijk of oneerlijk verkregen +macht, winstgevende trouwbreuk, voordeelig verraad, verkrachting van +het geweten, en daarbij de overtuiging, dat zij na het genot van dit +alles, in ’t graf zullen dalen. Het is zeer aardig! ik zeg dit +niet ten uwen opzichte, mijnheer de senator; ’t is mij evenwel +onmogelijk u geen geluk te wenschen. Gij, groote heeren, hebt, zooals +ge zegt, een philosophie op uw eigen hand, een keurige, verfijnde +alleen voor de rijken genietbare philosophie, die voor alle gerechten +geschikt is en de wellusten des levens voortreffelijk kruidt. Deze +philosophie is door een nieuw soort denkers uit de diepte gehaald. Maar +ge zijt wel heel goed, van te willen vergunnen, dat het geloof aan den +goeden God de wijsbegeerte van het volk zij, zoo omtrent als de gans +met uien de met truffels gespekte kalkoen des armen is.<span class="corr" id="xd20e906" title="Niet in bron">”</span></p> +</div> +</div> +<div id="ch1.9" class="div1"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">Negende hoofdstuk.</h2> +<h2 class="main">De broeder door de zuster geschilderd.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Om een denkbeeld te geven van het huiselijk leven des +bisschops van Digne en hoe de beide vrome vrouwen zich in haar +handelingen, gedachten, zelfs in haar lichtgevoelig vrouwelijk +instinct, naar de gewoonten en inzichten van den bisschop voegden, +zonder dat hij ze in woorden behoefde uit te drukken, kunnen wij niet +beter doen dan een brief van mejuffrouw Baptistine aan mevrouw de +Boischevron, een vriendin harer jeugd, over te schrijven. Deze brief +ligt voor mij.</p> +<div class="blockquote"> +<p class="first dateline">Digne, 16 December 18..</p> +<p>„Lieve mevrouw! Geen dag gaat voorbij, zonder dat wij van u +spreken. Dit is zoo onze gewoonte, maar er is nog een andere reden. +Verbeeld u, dat bij het schoonmaken en stoffen van zoldering en wanden +Magloire eenige ontdekkingen heeft gedaan; zoodat thans onze twee +kamers, die met oud, overgewit papier behangen waren, een kasteel als +het uwe niet zouden ontsieren. Magloire heeft het geheele behangsel +afgescheurd. Daar bevond zich iets onder. Mijn salon, waarin geen +meubelen zijn, en waarvan wij ons bedienen om de wasch te drogen, is +vijftien voet hoog, achttien voet in ’t vierkant en heeft een +geschilderde zoldering, die vroeger verguld was, evenals die bij u. +Toen het huis tot hospitaal werd ingericht, werd er een katoenen +plafond over aangebracht. Het snijwerk dat men er vindt is uit den tijd +onzer grootmoeders. Maar ge moest mijn <span class="pagenum">[<a id="pb38" href="#pb38" name="pb38">38</a>]</span>kamer eens zien! Magloire +heeft onder ten minste tien over elkander geplakte lagen +behangselpapier schilderingen ontdekt, die, al mogen ze niet bijzonder +fraai heeten, toch zeer aardig zijn. Men ziet er Telemachus, die door +Minerva tot ridder wordt geslagen; iets verder vindt men hem in de +tuinen, welker namen ik mij niet terstond herinner; ik bedoel die, +waarheen de Romeinsche dames zich een enkelen nacht begaven. Wat zal ik +u zeggen? ik heb Romeinen, Romeinsche vrouwen (hier is een woord +onleesbaar), en wat dies meer zij. Magloire heeft dat alles schoon +gemaakt, en dezen zomer zal zij eenige beschadigde plekken herstellen, +en alles vernissen; en dan zal mijn kamer een waar museum zijn. Ook +heeft zij in een hoek van den zolder twee houten consoles van antieken +vorm gevonden. Men vroeg zes franks om ze opnieuw te vergulden, maar +’t is beter dat geld aan de armen te geven; zij zijn overigens +leelijk, en ik zou liever een ronde mahoniehouten tafel hebben.</p> +<p>„Ik ben voortdurend zeer gelukkig. Mijn broeder is zoo goed. +Hij geeft alles wat hij heeft aan de armen en zieken. Wij zijn dus +steeds schraal bij kas. Des winters lijden de armen hier veel, en moet +men voor de ellendigen wel iets doen. Wat ons betreft, wij hebben +tamelijk goed verwarmde en verlichte vertrekken. Een genot boven +duizenden!</p> +<p>„Mijn broeder heeft zijn eigenaardigheden. Wanneer hij er over +spreekt, zegt hij, dat een bisschop zoo wezen moet. Verbeeld u, de +huisdeur is nooit gesloten. Ieder die wil kan binnentreden, en is +terstond bij mijn broeder. Hij is nergens bang voor, zelfs niet des +nachts. Dit noemt hij <i>zijn</i> dapperheid.</p> +<p>„Hij wil niet, dat ik mij om hem beangstige, evenmin als +Magloire. Hij stelt zich aan allerlei gevaren bloot, en wil zelfs niet +dat wij er iets van merken. Men moet hem weten te begrijpen.</p> +<p>„Hij gaat uit in den regen, hij waadt door water, hij reist in +den winter. Hij vreest evenmin den nacht, als dat hij bang is op +onveilige wegen en bij gevaarlijke ontmoetingen.</p> +<p>„Verleden jaar is hij alleen naar een oord gegaan, waar zich +roovers ophielden. Hij wilde ons niet medenemen, en is veertien dagen +afwezig geweest. Toen hij terugkwam, was hem niets kwaad ontmoet; men +waande hem dood, maar hij was in blakenden welstand, en zeide: Zie, hoe +men mij bestolen heeft! Toen opende hij een koffer, die vol +kostbaarheden uit de hoofdkerk van Embrun was, welke de roovers hem +gebracht hadden.</p> +<p>„Toen hij dezen keer terugkwam, kon ik niet nalaten een weinig +op hem te knorren; ik deed dit echter onder het ratelen <span class="pagenum">[<a id="pb39" href="#pb39" name="pb39">39</a>]</span>van +’t rijtuig, opdat niemand mij zou kunnen hooren.</p> +<p>„In den beginne dacht ik: ’t is verschrikkelijk; er is +geen gevaar, dat hem weerhoudt. Thans ben ik er aan gewoon geworden, en +ik geef Magloire een wenk, dat zij hem niet tegenhoude. Hij moge zich +wagen, zooveel hij wil. Ik ga in gezelschap van Magloire heen, begeef +mij naar mijn kamer, bid voor hem en ga slapen. Ik ben gerust, want ik +weet, dat zoo hem eenig ongeluk overkwam, dit mijn dood zou zijn. Ik +zou met mijn broeder en mijn bisschop tot den goeden God gaan. Magloire +heeft meer moeite dan ik gehad, om zich te gewennen aan ’t geen +zij zijn onvoorzichtigheden noemde. Thans is zij er ook aan gewoon. Wij +bidden beiden, maken ons beiden beangst en vallen in slaap. En zoo de +duivel in huis kwam, niemand zou hem tegenhouden. Wat hebben wij in +allen gevalle ook te vreezen? Er is hier steeds iemand bij ons, die de +sterkste is. De duivel moge in huis komen, maar de goede God woont +er.</p> +<p>„Dit is mij genoeg. Mijn broeder behoeft mij nu geen enkele +opheldering meer te geven. Ik begrijp hem zonder dat hij spreekt, en +wij geven ons aan de Voorzienigheid over.</p> +<p>„Zoo behoort men te handelen jegens iemand van een verheven +geest.</p> +<p>„Ik heb mijn broeder, op uw verzoek inlichtingen gevraagd +omtrent de familie de Faux. Gij weet hoe hij met alles bekend is en +hoeveel hij zich herinnert; want hij is nog altijd een goed +koningsgezinde. ’t Is werkelijk een zeer oude Normandische +familie, uit de generaliteit van Caen. Vóór vijf eeuwen +leefden Raoul de Faux, Jean de Faux en Thomas de Faux, die tot den adel +behoorden, en een hunner was heer van Rochefort. De laatste was Guy van +Etienne Alexandre, „mestre-de-camp,” en nog iets bij de +chevau-légers van Bretagne. Zijn dochter Marie Louise huwde met +Adrien Charles de Gramont, zoon van den hertog Louis de Gramont, pair +van Frankrijk, kolonel der fransche garden en luitenant-generaal. Men +schrijft Faux, Fauq en Faouq.</p> +<p>„Lieve mevrouw, beveel ons aan in de gebeden van uw vromen +neef den kardinaal. Uw lieve Sylvanie heeft welgedaan, dat zij de korte +oogenblikken, welke zij bij u is, niet verspilt met mij te schrijven. +Dat zij welvarend is, naar uw zin arbeidt, mij steeds bemint, is alles +wat ik wensch. Ik gevoel mij gelukkig, dat ik door u iets van haar +verneem. Mijn gezondheid is tamelijk goed, en evenwel word ik van dag +tot dag magerder. Vaarwel, het papier is vol en noodzaakt mij afscheid +van u te nemen. Duizend groeten.</p> +<p class="signed">„Baptistine.” <span class="pagenum">[<a id="pb40" href="#pb40" name="pb40">40</a>]</span></p> +<p>„P. S. Uw neefje is allerliefst. Weet ge, dat hij weldra vijf +jaar wordt? Gisteren zag hij een paard voorbijkomen, ’t welk men +kniestukken had aangedaan, en hij vroeg: wat heeft het dier aan de +knieën?—’t Is waarlijk een lief kind. Zijn broertje +sleept een ouden bezem als een rijtuig door de kamer en roept dan: +ju!”</p> +</div> +<p>Zooals men uit dezen brief ziet, wisten de twee vrouwen zich naar de +eigenaardigheden van den bisschop te schikken, met dat vrouwelijk +doorzicht dat den man beter begrijpt dan hij zich zelven. Onder zijn +zacht en kalm voorkomen, ’t welk zich nooit verloochende, +verrichtte de bisschop van Digne vaak grootsche, stoute en heerlijke +handelingen, zonder dat hij ’t zelf scheen te vermoeden. Zij +beefden dan, doch lieten hem zijn gang gaan. Soms waagde Magloire +vooraf een aanmerking; doch nooit later. Nimmer stoorde men hem, zelfs +niet door een enkel woord of gebaar, in ’t geen waarmee hij +begonnen was. Zonder dat hij ’t behoefde te zeggen, en misschien +zonder dat hij zelf er zich van bewust was, zoo groot was zijn +eenvoudigheid, hadden zij op sommige oogenblikken een onbestemd gevoel, +dat hij als bisschop handelde; dan waren zij niet meer dan twee +schaduwen in huis. Zij bedienden hem lijdelijk, en zoo de +gehoorzaamheid vorderde, dat zij verdwenen, verdwenen zij. Met +wonderbare kieschheid van instinct gevoelden zij, dat te groote +welwillendheid soms lastig kan wezen. Zelfs wanneer zij meenden dat hij +in gevaar was begrepen zij dan ook—ik zeg niet zijn gedachten, +maar zijn natuur in die mate, dat zij niet meer over hem waakten. Zij +vertrouwden hem aan God.</p> +<p>Voor ’t overige zeide Baptistine, gelijk men gelezen heeft, +dat haars broeders dood de hare zou zijn. Magloire zeide het niet, maar +was er van overtuigd.</p> +</div> +</div> +<div id="ch1.10" class="div1"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">Tiende hoofdstuk.</h2> +<h2 class="main">De bisschop tegenover een onbekend licht.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Op een tijdstip kort na den datum van den hiervoren +medegedeelden brief deed de bisschop iets, dat, althans naar de meening +der geheele stad, nog veel gewaagder was dan zijn tocht door het +gebergte, waar zich de roovers ophielden.</p> +<p>Nabij Digne op het land, woonde iemand in volstrekte eenzaamheid. +Deze man,—om maar dadelijk het vreeselijke woord te +zeggen—was een voormalig lid der conventie. Hij heette G. +<span class="pagenum">[<a id="pb41" href="#pb41" name="pb41">41</a>]</span></p> +<p>In de kleine wereld van Digne sprak men over het conventielid G. met +een soort van afschuw. Een lid der conventie! kan men zich iets +schrikkelijkers voorstellen? Deze lieden leefden in den tijd, toen men +alle rangen ophief en elkander eenvoudig „burger” noemde. +Deze man was schier een monster. Hij had wel niet voor den dood des +konings gestemd, maar ’t scheelde niet veel. Hij was dus half en +half een koningsmoorder, een vreeselijk man! Waarom had men, bij de +terugkomst der wettige vorsten, dien man niet voor een bijzondere +rechtbank gevoerd? Men zou hem wel niet onthoofd hebben;—er moet +immers barmhartigheid zijn?—maar men had hem levenslang kunnen +verbannen. Men zou een voorbeeld hebben kunnen stellen enz. enz. +Bovendien was hij een godloochenaar, zooals al die lieden.... Gekwaak +van ganzen over den gier.</p> +<p>Was G. dan een gier? Ja, wanneer men naar zijne woeste eenzaamheid +oordeelde. Dewijl hij niet voor den dood des konings gestemd had, was +hij niet in de verbanningsdecreten begrepen geworden, en had in +Frankrijk mogen blijven.</p> +<p>Hij woonde drie kwartier buiten de stad, ver van eenig gehucht, ver +van eenigen weg, in een verborgen hoek van een zeer woest dal. Er werd +gezegd dat hij er een soort van veld, een hol, een verblijf had. Geen +buren, geen voorbijgangers zelfs. Sinds hij die vallei bewoonde, was +het pad, ’t welk er heen voerde, door het gras overgroeid. Men +sprak van dat verblijf als van het huis eens scherprechters.</p> +<p>De bisschop dacht hieraan en zag soms in de verte naar den kant, +waar een groep boomen het dal van het oude lid der conventie aanduidde, +zeggende: „Daar woont een verlaten ziel!” En in gedachten +voegde hij er bij: „ik ben hem een bezoek schuldig.”</p> +<p>Wij moeten echter bekennen, dat dit voornemen, hoe natuurlijk ook in +den beginne, hem, na eenige overweging, ongerijmd en onmogelijk, ja, +schier stuitend, toescheen. De bisschop deelde immers in den grond de +algemeene opinie, en het lid der conventie boezemde hem, zonder er zich +recht rekenschap van te geven, een gevoel in, ’t welk aan haat +grenst, en zoo juist door het woord afkeer wordt uitgedrukt.</p> +<p>Evenwel, mocht de schurft van het schaap den herder verwijderd +houden? Neen. Maar welk een schaap!</p> +<p>De goede bisschop was in verlegenheid. Nu eens wilde hij gaan, dan +weder terugblijven.</p> +<p>Op zekeren dag verspreidde zich het gerucht in de stad, dat een jong +herder, die bij het voormalig lid der conventie G. diende, een +geneesheer was komen halen; dat de oude zondaar <span class="pagenum">[<a id="pb42" href="#pb42" name="pb42">42</a>]</span>op +sterven lag, en hij den nacht niet zou doorkomen.—Goddank! zeiden +sommigen.</p> +<p>De bisschop nam zijn stok, trok zijn overjas aan, wijl zijn +priesterrok tamelijk versleten was, zooals wij reeds gezegd hebben, +alsmede om den avondwind, die spoedig zou opsteken, en toog op weg.</p> +<p>De zon ging onder en was schier aan de kim, toen de bisschop in het +onherbergzaam oord aankwam. Toen hij bespeurde, dat hij dicht bij het +hol was, klopte zijn hart sneller. Hij stapte over een sloot, klom over +een heg, verwijderde eenige struiken, kwam in een verwaarloosden tuin, +ging stoutmoedig eenige schreden voorwaarts, en zag eensklaps aan het +einde van den braak liggenden grond, achter hoog kreupelhout, het +hol.</p> +<p>’t Was een zeer lage, armoedige, kleine, maar nette hut, met +een wijnstok langs den voorgevel.</p> +<p>Vóór de deur zat op een ouden rolstoel, den armstoel +van den boer, een man met wit haar, met welgevallen naar de zon +ziende.</p> +<p>Naast den grijsaard stond een knaap, de kleine herder, die den oude +een kom melk toereikte.</p> +<p>Terwijl de bisschop dit aanzag, sprak de oude man: „Ik dank u, +ik heb niets meer noodig.” En zijn blik wendde zich van de zon, +om zich naar den knaap te richten.</p> +<p>De bisschop trad nader. Toen de oude man het gerucht van voetstappen +hoorde, wendde hij het hoofd om, en zijn gelaat drukte al de verbazing +uit, welke het na een lang leven nog uitdrukken kan.</p> +<p>„Sinds ik hier ben,” zeide hij, „is dit de eerste +maal dat iemand mij bezoekt. Wie zijt gij, mijnheer?”</p> +<p>De bisschop antwoordde:</p> +<p>„Ik heet Bienvenu Myriel.”</p> +<p>„Bienvenu Myriel. Ik heb dezen naam meer gehoord. Zijt gij +degeen, wien het volk monseigneur Bienvenu noemt?”</p> +<p>„Die ben ik.”</p> +<p>Half glimlachend hernam de grijsaard:</p> +<p>„Dan zijt gij mijn bisschop.”</p> +<p>„Zoo gij wilt!”</p> +<p>„Ga binnen, mijnheer.”</p> +<p>Het oude lid der conventie stak den bisschop zijn hand toe, maar +deze nam ze niet aan, hij zeide slechts:</p> +<p>„Ik zie met genoegen, dat men mij verkeerd ingelicht heeft. +Gij schijnt in geenen deele ziek!”</p> +<p>„Ik zal gezond worden, mijnheer,” antwoordde de +grijsaard; en na een poos voegde hij er bij: „Binnen drie uren +sterf ik<span class="corr" id="xd20e1030" title="Bron: ,">.</span> +<span class="pagenum">[<a id="pb43" href="#pb43" name="pb43">43</a>]</span>Ik ben eenigszins een dokter en weet hoe de +laatste ure komt. Gisteren waren alleen mijn beenen koud, nu heeft de +koude mijn knieën bereikt; ik voel, dat zij hooger komt, en +wanneer zij tot het hart dringt, is ’t gedaan. ’t Is een +fraaie avond, niet waar? ik heb mij naar buiten doen rollen om een +laatsten blik op de wereld te werpen. Gij kunt gerust tot mij spreken, +’t vermoeit mij niet. Ge hebt welgedaan, een stervende te komen +bezoeken. ’t Is ook goed, dat zulk een oogenblik getuigen hebbe. +Men heeft zijn kleine wenschen: ik had zoo gaarne tot aan den dageraad +willen leven, maar ik weet dat mij nauwelijks nog drie uren +overblijven. Het zal nacht zijn. ’t Is trouwens om ’t even. +Sterven is een zeer eenvoudige zaak. Men heeft daartoe het daglicht +niet noodig. Het zij zoo! Ik zal onder den vrijen hemel +sterven.”</p> +<p>De grijsaard wendde zich tot den herder:</p> +<p>„Ga, leg u ter ruste. Gij hebt den vorigen nacht gewaakt. Ge +zijt vermoeid.”</p> +<p>De knaap ging in de hut. De grijsaard oogde hem na en voegde er bij, +als tot zich zelven sprekende:</p> +<p>„Ik zal sterven, terwijl hij slaapt. De slaap van den dood en +die van het leven zullen goede buren zijn.”</p> +<p>De bisschop was niet bewogen, zooals men zou gedacht hebben. Hij +meende in deze wijze van sterven God niet te zien; om de waarheid te +zeggen—want de kleine tegenstrijdigheden van groote harten moeten +evenzeer als het overige aangewezen worden—hij, die zoo dikwijls +om het „Hoogwaarde heer” lachte, voelde zich eenigszins +gekrenkt, dat hij niet „Monseigneur” werd genoemd, en was +bijna in verzoeking met „burger” te antwoorden. Hij voelde +schier lust tot die vernederende gemeenzaamheid, welke men veelal bij +geneesheeren en priesters vindt; maar die bij hem niet gewoon was. Hoe +het zij, deze man, dit oud lid der conventie, deze +volksvertegenwoordiger, was een machtige der aarde geweest, en +misschien voor het eerst van zijn leven kwam een lust tot strengheid +bij den bisschop op.</p> +<p>Intusschen zag de zieke hem met een bescheiden vriendelijkheid aan, +waarin men misschien den ootmoed had kunnen ontdekken, welke zoozeer +past wanneer men op ’t punt is, van tot stof weder te keeren.</p> +<p>De bisschop, hoewel anders afkeerig van nieuwsgierigheid, welke naar +zijn meening aan beleediging grensde, aanschouwde onwillekeurig het oud +lid der conventie met eenige opmerkzaamheid, welke belangstelling +echter uit geen genegenheid ontsproot, en waaromtrent hij zich in ieder +ander geval een verwijt zou hebben gemaakt. Een lid der conventie +<span class="pagenum">[<a id="pb44" href="#pb44" name="pb44">44</a>]</span>kwam hem voor, als eenigszins buiten de wet, zelfs +buiten de wet der liefde te staan.</p> +<p>G. was kalm, hij zat bijna recht op, zijn stem was krachtig; hij was +een dier forsche tachtigjarigen, welke de physiologen in verwondering +brengen. De revolutie heeft vele van zulke mannen gezien, die met hun +tijd in overeenstemming waren. Men ontdekte in dien grijsaard den boven +beproeving verheven man. Reeds zijn einde zoo nabij, had hij al de +teekenen der gezondheid behouden. In zijn helderen blik, in zijn vaste +stem, in zijn krachtige schouderbewegingen, lag iets dat den dood in +verlegenheid had kunnen brengen. Azraël, de mahomedaansche +doodsengel, zou zijn teruggekeerd, in de meening dat hij bij den +verkeerde was gekomen. G. scheen te sterven, omdat hij het zoo wilde. +Er vertoonde zich nog vrijheid in zijn doodsstrijd. Slechts zijn beenen +waren bewegingloos; daar had de duisternis hem reeds aangegrepen. De +voeten waren dood en koud, maar het hoofd leefde met al de kracht des +levens en scheen in volkomen helderheid te zijn. G. geleek in dit +ernstig oogenblik dien koning uit de Oostersche vertellingen, die van +boven vleesch, van onder marmer was.</p> +<p>De bisschop ging op een steen zitten, welke daar lag. Hij begon +toen, zonder inleiding, op den toon der berisping:</p> +<p>„Ik wensch u geluk, dat gij tenminste niet voor den dood des +konings gestemd heb.”</p> +<p>Het oud-lid der conventie scheen den verborgen scherpen zin niet op +te merken, die in het woord „ten minste” lag opgesloten. +Maar de glimlach was geheel van zijn gelaat verdwenen.</p> +<p>„Wensch mij niet te spoedig geluk, mijnheer, want <i>ik +heb</i> voor den dood van den tiran gestemd,” antwoordde hij +ongevoelig op de stem der strengheid.</p> +<p>„Wat bedoelt ge hiermede?” hernam de bisschop.</p> +<p>„Ik bedoel, dat de mensch een tiran heeft, de onwetendheid. Ik +heb voor den dood van dien tiran gestemd. Deze tiran heeft het +koningsschap in ’t leven geroepen, een valsch gezag, terwijl de +wetenschap het ware gezag is. De mensch moet alleen door de wetenschap +bestuurd worden.”</p> +<p>„En door het geweten,” voegde de bisschop er bij.</p> +<p>„Dit is hetzelfde. Het geweten is vereeniging van alle +wetenschap, die in ons is.”</p> +<p>Monseigneur Bienvenu luisterde, eenigszins verwonderd, naar deze +voor hem nieuwe taal.</p> +<p>De oude man vervolgde:</p> +<p>„Toen het Lodewijk XVI gold, heb ik neen gezegd. Ik geloof +niet dat ik het recht heb een mensch te dooden; maar ik voel +<span class="pagenum">[<a id="pb45" href="#pb45" name="pb45">45</a>]</span>mij verplicht het kwaad uit te roeien. Ik heb voor +het einde van den tiran gestemd. Dat wil zeggen, het einde der +prostitutie van de vrouw, het einde der slavernij van den man, het +einde der onwetendheid van het kind. Toen ik vóór de +republiek stemde, stemde ik vóór dit alles. Ik stemde +vóór de broederschap, voor de eendracht, voor den +dageraad! Ik heb geholpen aan den val van vooroordeelen en dwalingen. +Uit de puinhoopen der vooroordeelen en dwalingen ontstaat het licht. +Wij hebben de oude wereld omvergeworpen; en de oude wereld, een vat vol +jammer en ellende, is een vaas van geluk geworden, toen ze omgeworpen +en van het menschelijk geslacht gestort werd.”</p> +<p>„Een gemengd geluk,” zei de bisschop.</p> +<p>„Ge kondt zeggen een verstoord geluk; en thans, na de +noodlottige terugkomst van het verleden, dat men 1814 noemt, een +vervlogen geluk. Helaas! het werk was onvoltooid, dit beken ik. Wij +hebben den ouden regeeringsvorm feitelijk vernietigd; maar wij hebben +dien in de denkbeelden niet geheel kunnen uitroeien. Het is niet genoeg +de misbruiken af te schaffen; men moet de zeden herscheppen! De molen +staat niet meer, schoon de wind er nog is.”</p> +<p>„Gij hebt afgebroken. Afbreken kan nuttig zijn, maar ik +wantrouw het afbreken, wanneer het in toorn geschiedt.”</p> +<p>„Het recht heeft zijn toorn, mijnheer de bisschop; en de toorn +van het recht is een beginsel van vooruitgang. Om ’t even, en wat +men ook zegge, de fransche revolutie is de grootste stap dien het +menschdom sedert Jezus Christus gedaan heeft—een onvolledige stap +misschien, maar toch een verhevene. Zij heeft alle maatschappelijke +vraagstukken opengelegd. Zij verzachtte, kalmeerde, bevredigde, +verlichtte de gemoederen; zij heeft stroomen van beschaving over de +wereld uitgestort. Zij is goed geweest. De fransche revolutie is de +wijding der menschheid.”</p> +<p>De bisschop kon niet nalaten te prevelen: „Zoo, en +93?”</p> +<p>Met schier indrukwekkende plechtigheid zette de grijsaard zich recht +op zijn stoel, en zeide zoo luid als ’t een stervende vermag:</p> +<p>„Ha, spreekt gij van 93. Ik verwachtte het! Gedurende +vijftienhonderd jaar heeft zich een wolk saamgetrokken. Na vijftien +eeuwen barstte zij los. Gij beschuldigt het onweder.”</p> +<p>De bisschop voelde, misschien zonder ’t zich zelven te +bekennen, dat iets in hem getroffen was. Hij liet echter niets merken +en antwoordde:</p> +<p>„De rechter spreekt in naam der gerechtigheid; de priester +spreekt in naam der ontferming, welke niets anders is dan <span class="pagenum">[<a id="pb46" href="#pb46" name="pb46">46</a>]</span>een +hoogere gerechtigheid. Een bliksemstraal kan niet verkeerd treffen. En +Lodewijk XVII?” voegde hij er bij, het oud lid der conventie +scherp aanziende.</p> +<p>De oude conventieman stak de hand uit en greep den arm des +bisschops. „Lodewijk XVII! Welnu. Wien betreurt ge? Het +onschuldige kind? Goed; dan ween ik met u. Maar het kind des konings? +vergun mij dan deze opmerking. Voor mij is de broeder van +Cartouche—een onschuldig kind, dat op het Greveplein onder de +schouders werd opgehangen tot de dood er op volgde, enkel en alleen om +de misdaad, dat hij de broeder van Cartouche was—niet minder +beklagenswaard dan de kleinzoon van Lodewijk XV,—insgelijks een +onschuldig kind, dat in den toren van den tempel werd gemarteld, enkel +en alleen om de misdaad, dat hij de kleinzoon van Lodewijk XV was.</p> +<p>„Mijnheer,” riep de bisschop, „zulk een +bijeenvoeging van namen bevalt mij niet.”</p> +<p>„Welken van beiden, Cartouche of Lodewijk XV, meent ge dat +onrecht geschiedt?”</p> +<p>Er ontstond een oogenblik zwijgens. Het berouwde den bisschop +schier, dat hij gekomen was, en evenwel gevoelde hij zich op +zonderlinge wijze aangedaan.</p> +<p>Het lid der conventie hernam:</p> +<p>„Mijnheer de priester, gij houdt niet van de ruwe zijde der +waarheid; Christus beminde ze. Hij nam een roede en veegde den tempel +schoon. Zijn bliksemende geesel was een ruw verkondiger der waarheid. +Wanneer hij zeide: „Laat de kinderen tot mij komen!” maakte +hij geen onderscheid onder de kinderen. Hij zou niet geaarzeld hebben +den zoon van Barrabas en den zoon van Herodes naast elkander te +plaatsen. Mijnheer, de onschuld is op zich zelve een kroon. De onschuld +heeft niet noodig een koninklijke hoogheid te zijn. Zij is even +verheven in lompen als met het leliewapen!”</p> +<p>„Gewis,” zei de bisschop zacht.</p> +<p>„Dit is niet alles,” hernam G. „Ge hebt Lodewijk +XVII genoemd. Laten wij elkander verstaan. Laten wij treuren over alle +onschuldigen, alle martelaars, alle kinderen, zoowel die der lagere als +der hoogere standen. Ik neem er deel aan. Maar dan, ik heb het u +gezegd, moeten wij hooger opklimmen dan tot 93, en ’t is +vóór den tijd van Lodewijk XVII, dat wij ons treuren +moeten beginnen. Ik zal gaarne de kinderen der koningen met u beweenen, +mits ge met mij de kleinen des volks beweent.”</p> +<p>„Ik beween allen,” zei de bisschop.</p> +<p>„Ik evenzeer,” riep G. „Zoo de balans mocht +overhellen, is ’t naar de zijde des volks. Het lijdt het +langst.” <span class="pagenum">[<a id="pb47" href="#pb47" name="pb47">47</a>]</span></p> +<p>Wederom ontstond een pauze. ’t Was het conventielid, dat ze +afbrak. Hij richtte zich met den elleboog op, vatte een deel van zijn +wang tusschen duim en voorvinger, zooals men wel onwillekeurig doet, +wanneer men vraagt en nadenkt, en sloeg met al de kracht van den +doodsstrijd zijn blik op den bisschop. ’t Was schier een +uitbarsting, waarmede hij vervolgde:</p> +<p>„Ja, mijnheer, sinds lang lijdt het volk. Maar, dit is niet +alles: zeg mij, waarom komt ge mij ondervragen en mij van Lodewijk XVII +spreken? Ik ken u niet. Zoolang ik in deze streek ben, heb ik op deze +plaats gewoond, geheel alleen, ik zette geen voet er buiten en zag +niemand dan dezen knaap, die mij helpt. ’t Is waar, uw naam is +flauw tot mij doorgedrongen, en, ik moet het zeggen, op geen ongunstige +wijze; maar dat heeft niets te beteekenen; behendige lieden hebben +allerlei middelen tot hun dienst om het goede volk wat wijs te maken. +Maar ik heb het ratelen van uw rijtuig niet gehoord; ge hebt het zeker +ginds achter het kreupelhout gelaten, waar de weg zich scheidt. Ik zeg +u, dat ik u niet ken. Gij hebt mij gezegd, dat ge de bisschop zijt; +maar dit zegt mij niets nopens uw zedelijken persoon. Kortom, ik +herhaal mijn vraag: Wie zijt ge? Ge zijt een bisschop, dat wil zeggen: +een prins der kerk, een dier in goud gedoste mannen, met wapenschilden, +jaargelden en rijke prebenden,—de bisschop van Digne 15000 fr. +vast traktement, 10000 fr. buitengewone inkomsten, te zamen 25000 +fr.—met koks en livreibedienden,—een dier mannen, die in +weelde leven, des vrijdags waterhoenders eten, met lakeien +vóór en achter zich in galarijtuig prijken, die paleizen +bewonen en in koetsen rijden in den naam van Jezus Christus, die +barrevoets ging! Ge zijt een prelaat; gij hebt gelijk de anderen +jaargelden, paleizen, paarden, lakeien, een rijke tafel, al de +geneuchten des levens, en gelijk de anderen, leeft ge in genot; dat is +wel, maar het zegt mij te veel of te weinig; het geeft mij geen licht +genoeg aangaande uw innerlijke, persoonlijke waarde, de waarde van u, +die hier komt met het blijkbaar doel om mij lessen te geven. Tot wien +spreek ik? Wie zijt ge?”</p> +<p>De bisschop boog het hoofd en antwoordde: „<i lang="la">Vermis +sum.</i>” (ik ben een worm.)</p> +<p>„Een worm in een koets!” bromde het oud lid der +conventie.</p> +<p>’t Was nu zijn beurt om trotsch, en die van den bisschop om +deemoedig te zijn.</p> +<p>De bisschop antwoordde vriendelijk:</p> +<p>„’t Zij zoo, mijnheer. Maar verklaar mij, hoe mijn +koets, <span class="pagenum">[<a id="pb48" href="#pb48" name="pb48">48</a>]</span>die ginds achter ’t geboomte staat, hoe mijn +goede tafel en de waterhoenders die ik vrijdags eet, hoe mijn +vijf-en-twintig duizend francs inkomen, hoe mijn paleis en mijn lakeien +bewijzen, dat medelijden geen deugd, dat weldadigheid geen plicht is, +en dat 93 niet onbarmhartig is geweest.”</p> +<p>Het oud-lid der conventie streek de hand over zijn voorhoofd als om +er een wolk van te verdrijven.</p> +<p>„Eer ik u antwoord,” sprak hij, „verzoek ik u +vergeving. Ik had zooeven ongelijk, mijnheer. Ge zijt ten mijnent, ge +zijt mijn gast. Ik ben u beleefdheid schuldig. Gij bestrijdt mijn +denkbeelden, het past mij niet verder te gaan dan alleen uw redenen te +wederleggen. Uw rijkdommen en genietingen zijn voordeelen, die ik tegen +u in de discussie heb; maar de wellevendheid vordert, dat ik er mij +niet van bedien. Ik beloof u ze niet weder te gebruiken.”</p> +<p>„Ik dank u,” zei de bisschop.</p> +<p>G. hernam: „Laten wij wederkeeren tot de verklaringen welke ge +mij gevraagd hebt. Hoe was ’t ook? Wat zeidet ge mij? dat 93 +onbarmhartig was geweest?”</p> +<p>„Ja, onbarmhartig,” zei de bisschop. „Wat denkt ge +van Marat, die de guillotine met handgeklap toejuichte?”</p> +<p>„Wat denkt gij van Bossuet, die voor de dragonnades een <i>Te +Deum</i> zong?”</p> +<p>Dit antwoord was hard, maar het trof het doel met de kracht van een +werpspies. De bisschop ontroerde en wist niet wat te antwoorden; hij +gevoelde zich gekrenkt, dat Bossuets naam op deze wijze werd +aangehaald. De edelste geesten hebben hun afgoden, en voelen zich +gekrenkt, wanneer de logica den eerbied uit het oog verliest.</p> +<p>Het lid der conventie begon zwaar te ademen; het hijgen van den +doodsstrijd, dat zich in de laatste ademtochten mengt, brak zijn stem +af, in zijn oogen blonk evenwel nog een volkomen helderheid van geest. +Hij vervolgde:</p> +<p>„Ik wil nog enkele woorden over ’t een en ander zeggen. +Behalve de revolutie, die in haar geheel genomen een reusachtige +bevestiging van de menschelijke waarde is, is 93, helaas; een antwoord. +Gij vindt haar onverbiddelijk; maar de geheele monarchie dan, mijnheer? +Carrier is een bandiet; maar welken naam geeft ge aan Montrevel? +Fouquier Tainville is een schurk; maar wat denkt ge van +Lamoignon-Bêville? Maillard is afschuwelijk, maar Saulx-Tavannes, +als ’t u belieft? Pater Duchène is wreed, maar welken naam +wilt ge aan pater Letellier geven? Jourdan (Coupe-tête) is een +monster, maar in mindere mate dan mijnheer de markies de Louvois. +Waarde heer, ik beklaag de aartshertogin en koningin Marie-Antoinette; +maar ik beklaag <span class="pagenum">[<a id="pb49" href="#pb49" name="pb49">49</a>]</span>ook de arme Hugenootsche vrouw, die in 1685, onder +Lodewijk den Groote, mijnheer, terwijl ze haar kind zoogde, gegrepen en +tot aan de heupen bloot, aan een paal gebonden werd, op eenigen afstand +van haar kind; haar borst zwol van melk en haar hart van angst; het +hongerige bleeke kind, die borst ziende, kermde en schreeuwde; en de +beul zeide tot de vrouw, tot de moeder en voedster: Zweer uw geloof af! +haar de keus latende tusschen den dood van haar kind en den dood van +haar geweten. Wat zegt ge van deze Tantalus-foltering, toegepast op een +moeder? Bedenk het wel, mijnheer: de fransche revolutie heeft haar +redenen gehad. Haar toorn zal de toekomst vergeven. Haar resultaat is +een betere wereld. Uit haar vreeselijkste slagen komt een liefkoozing +van het menschelijk geslacht voort. Maar ik zwijg... Mijn spel is al te +schoon,—en bovendien—de dood nadert.”</p> +<p>En zijn oogen van den bisschop afwendende, besloot de man zijn +gedachte met deze weinige, kalme woorden:</p> +<p>„Ja, de harde, ruwe schokken van den vooruitgang heeten +revolutiën. Zoodra ze geëindigd zijn, erkent men, dat het +menschelijk geslacht ja hevig geschokt is geworden, maar ook, dat het +is vooruitgegaan.”</p> +<p>De oude man hield zich overtuigd, dat hij achtereenvolgens, een voor +een, al de geheime verschansingen van den bisschop had ingenomen. +Eén echter bleef er nog, en uit deze verschansing, het laatste +bolwerk des tegenstands van monseigneur Bienvenu, kwamen deze woorden, +die schier even norsch waren als de aanvang van ’t gesprek:</p> +<p>„De vooruitgang moet aan God gelooven. Het goede kan geen +goddeloozen dienaar hebben. Een godloochenaar is een slechte leidsman +van het menschelijk geslacht.”</p> +<p>De oude volksvertegenwoordiger antwoordde niet. Hij beefde. Hij +sloeg den blik ten hemel en in zijn oog welde een traan op. Toen het +ooglid geheel vochtig was, vloeide de traan langs zijn bleeke kaak, en +hij zeide schier stamelend, het hoofd omhooggeheven, zacht en als tot +zich zelf:</p> +<p>„O gij, o Ideaal, gij alleen leeft!”</p> +<p>De bisschop werd door een onbeschrijfelijke aandoening aangegrepen. +Na eenig zwijgen hief de grijsaard een vinger ten hemel en zeide:</p> +<p>„Het oneindige bestaat. ’t Is daar! Zoo het oneindige +geen <span class="sc">IK</span> had, zou het <span class="sc">IK</span> +zijn grens zijn; het zou niet oneindig zijn; met andere woorden: +’t zou niet zijn. Maar het bestaat. Het heeft dus een +<span class="sc">IK</span>. Dat <span class="sc">IK</span> van het +oneindige, is God.”</p> +<p>De stervende had deze laatste woorden met luide stem en met +<span class="pagenum">[<a id="pb50" href="#pb50" name="pb50">50</a>]</span>de trilling der vervoering gesproken, als zag hij +iemand. Toen hij gesproken had, sloten zich zijn oogen. De inspanning +had hem uitgeput. Het was blijkbaar, dat hij in een minuut de weinige +uren had afgeleefd, die hem nog over waren. Wat hij had gezegd, had hem +nader bij dengene gebracht, die in den dood is. Het laatste oogenblik +naderde.</p> +<p>De bisschop begreep het; de tijd drong; als priester was hij +gekomen; van de uiterste koelheid was hij trapsgewijze tot de hoogste +aandoening overgegaan; hij aanschouwde deze gesloten oogen, hij nam +deze oude gerimpelde en kille hand en boog zich tot den stervende:</p> +<p>„Dit uur is de ure Gods. Gelooft ge niet, dat het te betreuren +zou zijn, zoo wij elkander tevergeefs ontmoet hadden?”</p> +<p>De grijsaard opende de oogen. Een ernst, in schaduwen gehuld, +vertoonde zich op zijn gelaat.</p> +<p>„Mijnheer de bisschop,” sprak hij met een langzaamheid, +die misschien meer nog uit de waardigheid der ziel dan uit zwakte +voortkwam, „ik heb mijn leven in overdenkingen, studie en +aanschouwing doorgebracht. Ik was zestig jaar oud, toen mijn +<span class="corr" id="xd20e1209" title="Niet in bron">land</span> mij +riep en mij gebood, mij met zijn zaken te bemoeien. Ik gehoorzaamde. Er +bestonden misbruiken, ik heb ze bestreden; er waren dwingelandijen, ik +heb ze tegengegaan; er waren rechten en beginselen, ik heb ze +verkondigd en beleden. De vaderlandsche bodem werd overheerd, ik heb +hem verdedigd; Frankrijk was bedreigd, ik bood mijn borst aan. Ik was +niet rijk; nu ben ik arm. Ik ben een der meesters van den staat +geweest; de kelders der Bank waren zoo vol geld, dat men gedwongen was +de muren te schragen, wijl zij gevaar liepen door de zwaarte van het +goud en zilver te scheuren, en ik nam mijn middagmaal in de straat +<i>l’Arbre-Sec</i> voor twee-en-twintig sous. Ik kwam de +verdrukten te hulp en verlichtte de lijdenden. ’t Is waar, ik heb +het kleed van ’t altaar gescheurd, maar ’t was om de wonden +des vaderlands te verbinden. Ik heb altijd den vooruitgang der +menschheid naar het licht bevorderd en soms meedoogenlooze stappen +tegengehouden. Bij gelegenheid heb ik u, mijn eigen tegenstanders, +beschermd. Te Peteghem in Vlaanderen, op dezelfde plaats waar de +Merovingische koningen hun zomerpaleis hadden, redde ik in 1793 een +klooster van Urbanisten, de abdij van St. Clara en Beaulieu. Ik heb +mijn plicht naar vermogen vervuld, en zooveel goeds gedaan als ik kon. +Daarop werd ik verjaagd, vervolgd, verguisd, bespot, gehoond, vervloekt +en gebannen. Sinds vele jaren gevoel ik, dat vele lieden het recht +meenen te hebben mij, in weerwil mijner grijze haren, te verachten; aan +de arme onwetende menigte stelt men mij voor als een verworpeling, +<span class="pagenum">[<a id="pb51" href="#pb51" name="pb51">51</a>]</span>en ik, die niemand haat, onderwerp mij aan de +eenzaamheid, waarin de haat mij plaatst. Thans ben ik zes-en-tachtig +jaar, en op ’t punt van te sterven. Wat komt ge mij +vragen?”</p> +<p>„Uw zegen,” zei de bisschop.</p> +<p>En hij knielde.</p> +<p>Toen de bisschop het hoofd weder ophief, had het gezicht van den +grijsaard een waarlijk verheven uitdrukking. Hij was gestorven.</p> +<p>Diep in gedachten verzonken, keerde de bisschop naar huis. Den +geheelen nacht bracht hij in den gebede door. Den volgenden dag, toen +eenige nieuwsgierigen beproefden hem over het oud-lid der conventie G. +te spreken, wees hij slechts naar den hemel.</p> +<p>Van dat oogenblik af verdubbelde zich nog zijn liefde en +weldadigheid voor de geringen en lijdenden.</p> +<p>Telkens wanneer op den „ouden booswicht G.” eenige +toespeling gemaakt werd, verzonk hij in gedachten. Wie kan zeggen of de +verschijning van dien geest voor den zijnen, en de weerschijn van dit +grootsch geweten op het zijne, hem niet nader tot de volmaaktheid had +gebracht.</p> +<p>Dit „herderlijk bezoek” werd natuurlijk het onderwerp +der gesprekken in de kleine gezelschapskringen der plaats:</p> +<p>„Was het sterfbed van zulk een man de plaats voor een +bisschop? Een bekeering was toch blijkbaar niet te verwachten. Al deze +revolutionnairen zijn verstokte zondaars. Waarom er dus heengegaan? Wat +heeft hij er gezien? Hij moet wel zeer nieuwsgierig zijn geweest, om +een ziel door den duivel te zien weghalen.”</p> +<p>Op zekeren dag zeide een weduwe, van die onbeschaamde soort, welke +zich geestig waant, tot hem:</p> +<p>„Men vraagt, Monseigneur, wanneer gij de roode muts zult +opzetten.”—„O,” antwoordde de bisschop, +„dit is een ergerlijke kleur. Gelukkig dat zij, die ze aan een +muts verachten, ze aan een hoed vereeren.”</p> +</div> +</div> +<div id="ch1.11" class="div1"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">Elfde hoofdstuk.</h2> +<h2 class="main">Een voorbehoud.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Men zou zich grootelijks vergissen, indien men nu +wilde besluiten, dat Monseigneur Bienvenu een „wijsgeerig +bisschop,” een „patriottisch pastoor was.” Zijn +ontmoeting met het Conventielid G., welke ontmoeting men schier met het +samentreffen <span class="pagenum">[<a id="pb52" href="#pb52" name="pb52">52</a>]</span>van twee planeten kan vergelijken, had een soort +van verwondering bij hem achtergelaten, die hem nog zachtmoediger +maakte. Dit was alles.</p> +<p>Ofschoon Monseigneur Bienvenu niets minder dan een politiek persoon +geweest zij, is ’t hier misschien toch de plaats, om met een +enkel woord te vermelden, welke zijn houding was in de toenmalige +gebeurtenissen, in de veronderstelling althans dat Monseigneur Bienvenu +er ooit aan gedacht hebbe, eene houding aan te nemen.</p> +<p>Gaan wij dus enkele jaren terug:</p> +<p>Eenigen tijd na de verheffing van den heer Myriel tot bisschop, had +de keizer hem, gelijktijdig met verscheiden andere bisschoppen, tot +baron van het keizerrijk gemaakt. De gevangenneming van den Paus +geschiedde, gelijk bekend is, in den nacht tusschen den 5 en 6 Juli +1809; bij deze gelegenheid werd Myriel door Napoleon geroepen tot de +synode der bisschoppen van Frankrijk en Italië, die te Parijs +moest samenkomen. Die synode werd gehouden in Notre-Dame en vergaderde +het eerst den 15 Juni 1811, onder het voorzitterschap van den kardinaal +Fesch. De heer Myriel behoorde tot het getal der vijf-en-negentig +bisschoppen die er verschenen, doch hij woonde slechts +één zitting, en drie of vier afzonderlijke +conferentiën bij. Het schijnt, dat hij als bisschop uit een +bergstreek en nauw aan de natuur verwant, bovendien in landelijken +eenvoud en armoede levende, onder deze zeer aanzienlijke personen +denkbeelden bracht, welke met de temperatuur dier vergadering volstrekt +niet overeenkwamen. Hij keerde spoedig naar Digne terug. Men vroeg hem +naar de reden zijner spoedige terugkomst, en hij +antwoordde:—„Ik hinderde hen. De buitenlucht kwam met mij +binnen. Ik had op hen de uitwerking als van een open deur.”</p> +<p>Een andermaal zeide hij:—„Wat zal ik u zeggen? Deze +heeren zijn prinsen. Ik ben slechts een arme +boeren-bisschop.”</p> +<p>De zaak was eenvoudig deze: hij had mishaagd.</p> +<p>Onder andere zonderlingheden zouden hem op zekeren avond, dat hij +zich bij een zijner voornaamste ambtsbroeders bevond, deze woorden zijn +ontsnapt:—Deze fraaie pendules, deze heerlijke tapijten, deze +keurige livreien, dat alles moet zeer lastig zijn! Ik zou al die +overdaad niet willen, die mij gestadig in de ooren zou roepen: er zijn +menschen die honger lijden! daar zijn er die verkleumen! er zijn armen! +er zijn armen!</p> +<p>’t Is in ’t voorbijgaan gezegd, niet verstandig de +weelde te haten. In dezen haat zou de haat tegen de schoone kunsten +opgesloten liggen. Evenwel is de weelde bij geestelijken, uitgezonderd +<span class="pagenum">[<a id="pb53" href="#pb53" name="pb53">53</a>]</span>bij openbare plechtigheden en ceremoniën, een +verkeerdheid. Zij schijnt gewoonten aan te duiden, die weinig met een +wezenlijke weldadigheid overeenkomen. Een weelderig priester is een +tegenstrijdigheid. De priester moet zich bij de armen houden. Of kan +men nacht en dag onafgebroken met alle nooden, alle rampen, alle +ontberingen in aanraking komen, zonder zelf iets van die heilige +behoeftigheid te bezitten, als het stof van den arbeid? Kan men zich +iemand voorstellen, die, als hij bij een vuur staat, geen warmte +gevoelt? Kan men zich een arbeider voorstellen, die steeds aan een +vuurhaard werkzaam, geen enkel geschroeid haar, geen zwarten vinger, +geen droppel zweet, geen aschstofje op het gezicht zou hebben! Het +groote bewijs van de weldadigheid eens priesters, vooral van een +bisschop, is de armoede.</p> +<p>Zoo dacht ongetwijfeld de bisschop van Digne.</p> +<p>Men moet echter niet meenen, dat hij, ’t geen wij „de +denkbeelden der eeuw” zouden noemen, in sommige teedere punten +deelde. Hij mengde zich zelden in de godgeleerde twisten van dien tijd +en zweeg over de kwestiën, waar staat en kerk in betrokken waren; +doch zoo men sterk bij hem had aangedrongen, zou men hem waarschijnlijk +meer ultramontaansch dan gallikaansch hebben bevonden. Dewijl wij een +portret maken, en niets verbloemen willen, zijn wij verplicht hierbij +te voegen, dat hij koud was voor den zinkenden Napoleon. Sinds 1813 +stemde hij met alle vijandelijke manifestatiën in, en juichte ze +toe. Hij weigerde Napoleon te zien, toen deze van het eiland Elba +terugkeerde, en beval in zijn bisdom evenmin de openbare gebeden voor +den keizer aan gedurende de honderd dagen.</p> +<p>Behalve zijn zuster, mejuffrouw Baptistine, had hij twee broeders, +van welken de een generaal, de andere prefekt was. Dikwijls schreef hij +aan beiden. Eenigen tijd was hij misnoegd op den eenen, wijl de +generaal, tijdens de ontscheping te Cannes een commandement in Provence +hebbende, aan de spits van twaalfhonderd man den keizer had vervolgd, +als iemand dien men wilde laten ontkomen. Hartelijker bleef zijn +briefwisseling met zijn anderen broeder, den voormaligen prefekt, een +braaf en achtenswaardig man, die te Parijs stil leefde.</p> +<p>Ook Monseigneur had dus zijn oogenblikken van partijgeest, van +verstoordheid, van ontevredenheid. De schaduw der hartstochten van dien +tijd ging ook over dien zachtmoedigen, verheven geest, die zich met het +eeuwige bezighield. Zeker, zulk een man had verdiend geen staatkundige +meening te hebben. Men vergisse zich echter niet in onze bedoeling; wij +maken onderscheid tusschen hetgeen „staatkundige meening” +wordt <span class="pagenum">[<a id="pb54" href="#pb54" name="pb54">54</a>]</span>genoemd, en die edele zucht naar vooruitgang, dat +verheven vaderlandslievend, democratisch en menschelijk geloof, +’t welk in onze dagen de eigenlijke grond van ieder edel gemoed +moet zijn. Zonder ons in kwestiën te verdiepen, die slechts +zijdelings betrekking op dit boek hebben, zeggen wij alleen: het zou +schoon geweest zijn, zoo Monseigneur Bienvenu niet royalistisch geweest +ware en zijn blik zich geen oogenblik had afgewend van die zuivere +bespiegeling, waarin men duidelijk, boven de begoochelingen en den haat +der wereld, boven de stormachtige afwisseling der menschelijke zaken, +deze drie heldere lichten: de waarheid, de gerechtigheid en de +menschlievendheid ziet stralen.</p> +<p>Aannemende dat God Monseigneur Bienvenu niet voor een staatkundige +betrekking had geschapen, zouden wij zijn protest in naam van het recht +en der vrijheid, zijn fier verzet, zijn gevaarlijken, maar rechtmatigen +tegenstand tegen den machtigen Napoleon begrepen en bewonderd hebben. +Maar wat ons behaagt tegen hen die klimmen, behaagt ons minder tegen +hen die vallen. Wij beminnen slechts het gevecht zoolang er gevaar is; +en in allen geval hebben alleen de strijders van het begin het recht, +de verdelgers van het einde te zijn. Wie tijdens den voorspoed geen +moedig beschuldiger was, moet ook bij den val zwijgen. De beschuldiger +van den voorspoed is de eenige rechtmatige veroordeelaar in den +tegenspoed. Wat ons betreft, wanneer de Voorzienigheid de zaak op zich +neemt, laten wij ’t aan Haar over. 1812 begint ons te ontwapenen. +In 1813 kon het laaghartig verzet van het vroeger zwijgende wetgevend +lichaam, door de rampspoeden stoutmoedig gemaakt, niets anders dan +verontwaardiging wekken, en men had ongelijk het toe te juichen; in +1814 was het een plicht, het hoofd af te wenden van die verraderlijke +maarschalken, van dien senaat, die van den eenen modderpoel in den +anderen overging, die hoonde na eerst vergood te hebben; van deze +afvallige afgoderij, die den afgod bespuwt; in 1815, terwijl de lucht +van groote rampen zwanger was, terwijl Frankrijk rilde bij de heillooze +nadering er van, terwijl men bereids Waterloo zich schemerend voor +Napoleon kon zien openen, had de treurige sympathie van het leger en +het volk voor den door het lot veroordeelde niets belachelijks, en, den +despoot er buiten gelaten, had, dunkt ons, een hart als dat van den +bisschop van Digne het verhevene en treffende niet moeten miskennen, +dat de hartelijke omhelzing van een groote natie, en een groot man aan +den rand des afgronds had.</p> +<p>Deze eigenaardigheid uitgezonderd was hij altijd en in alles +rechtvaardig, waar, billijk, verstandig, nederig en waardig; +<span class="pagenum">[<a id="pb55" href="#pb55" name="pb55">55</a>]</span>weldadig en welwillend, en welwillendheid is een +andere vorm van weldadigheid. Hij was een priester, een wijze, een +mensch. Zelfs moeten wij zeggen, dat hij, bij deze staatkundige +gevoelens, welke wij hem verweten hebben, en die wij geneigd zijn +schier streng te beoordeelen, verdraagzaam en verschoonend was, +wellicht meer dan wij, die er hier over spreken. De portier van het +raadhuis was door den keizer aangesteld. ’t Was een +oud-onderofficier der oude garde, met het legioen van eer van +Austerlitz, en zoo trouw Bonapartistisch als de adelaar. Bij +gelegenheid ontglipten dien armen drommel eenige onbedachte woorden, +welke de wet destijds met den naam van „oproerige taal” +bestempelde. Sedert het borstbeeld des keizers van het legioen-kruis +verdwenen was, kleedde hij zich nooit volgens het voorschrift, om, +zooals hij zeide, niet gedwongen te zijn dit kruis te dragen. Met eigen +handen had hij eerbiedig het keizerlijk beeld uit het door Napoleon +geschonken kruis genomen, en in de daardoor ontstane opening niets in +de plaats willen stellen. „Ik sterf liever,” zeide hij, +„dan op mijn hart de drie padden te dragen!” Hij spotte +gaarne openlijk over Lodewijk XVIII, zeggende: „Die oude +jichtpoot met zijn engelsche slobkousen; laat hem naar Pruisen gaan met +zijn boksbaard;” en ’t deed hem genoegen in dezelfde +verwensching de twee dingen, welke hij het meest verachtte, Pruisen en +Engeland, samen te kunnen vatten. Hij weerde zich zoo, dat hij van zijn +post ontzet werd. Nu was hij met vrouw en kinderen geheel zonder brood +en huisvesting. De bisschop deed hem bij zich komen, berispte hem +welwillend en stelde hem tot oppasser der kerk aan.</p> +<p>In negen jaren had Monseigneur Bienvenu door edele daden en een +liefderijk gedrag de stad Digne met een soort van teedere, kinderlijke +vereering voor zich vervuld. Zelfs zijn gedrag tegen Napoleon was hem +niet ten kwade geduid, maar stilzwijgend vergeven door het volk, welk +volk, een goede, zwakke kudde, zijn keizer aanbad, maar zijn bisschop +beminde.</p> +</div> +</div> +<div id="ch1.12" class="div1"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">Twaalfde hoofdstuk.</h2> +<h2 class="main">Monseigneur Bienvenu in de afzondering.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Een bisschop is bijna altijd omgeven door een schaar +jonge geestelijken, gelijk een generaal door een zwerm jonge +officieren. De waardige Franciscus van Sales noemt dezen ergens +„melkmuilpriesters.” Elke loopbaan heeft haar aspiranten, +<span class="pagenum">[<a id="pb56" href="#pb56" name="pb56">56</a>]</span>welke het gevolg vormen van hen, die het doel +reeds bereikt hebben. Geen macht of zij heeft haar omgeving, geen +fortuin of zij heeft haar hof. Zij, die een toekomst najagen, fladderen +om het schitterend tegenwoordige. Iedere hoofdkerk heeft haar staf. +Elke bisschop, die slechts eenigen invloed heeft, heeft zijn wacht van +seminaristen, die in het bisschoppelijk paleis de ronde doen, er de +orde bewaren en naar een glimlachje van Monseigneur dingen. Een +bisschop voor zich winnen, is de voet in den stijgbeugel tot het +Diakenschap. Men moet vooruit in de wereld, en het apostelschap veracht +het kanunnikschap niet.</p> +<p>Evenals in den staat invloedrijke ambtenaren, zijn in de kerk +invloedrijke prelaten. ’t Zijn de bisschoppen, die bij het hof +gezien, rijk, sluw en in de groote wereld gezocht zijn; die +ongetwijfeld kunnen bidden, maar ook verzoeken; die er geen +gewetensbezwaar in vinden om een geheel bisdom in hun persoon +vertegenwoordigd in een antichambre te laten wachten; die zeer goed de +sacristie met de diplomatie weten te vereenigen; die veeleer abten dan +priesters, veeleer kerkvorsten dan bisschoppen zijn. Gelukkig degenen, +die hen naderen mogen! Als lieden van invloed laten zij op de +dienstvaardigen en begunstigden, op deze geheele jongelingschap die +zich beminnelijk weet te maken, een zegen van rijke pastorieën, +vette prebenden, aarts-priesterdommen, en allerlei waardigheden +regenen, in afwachting van de bisschoppelijke waardigheid. Zelf +vooruitgaande, laten zij hun satellieten mede voortgaan; ’t is +een soort van vooruitgaand zonnestelsel. Hun stralen deelen het purper +aan hun gevolg mede. Hun geluk strooit zich over hun aanhangers, in +kleine gunsten en bevorderingen, uit. Hoe grooter het bisdom van den +patroon, des te vetter pastorie voor den gunsteling. En bovendien is er +Rome! Een bisschop, die aartsbisschop; een aartsbisschop, die kardinaal +weet te worden, voert den gunsteling mede naar het conclave, hij komt +dan in de rota, bekomt het pallium, wordt <i lang="it">uditore, +cameriere, monsignore</i>; van hoogwaardig heer tot eminentie is er +slechts één schrede, en tusschen eminentie en Zijne +Heiligheid ligt slechts een verkiezing. Elk priesterkapje kan van de +drievoudige kroon droomen. De priester is in onze dagen de eenige, die +langs een geregelden weg koning kan worden. En welk een koning! de +hoogste koning! Welk een kweekschool van hoop en verwachting is dan ook +niet een seminaire! Hoevele blozende koorknapen, hoevele jonge abten +dragen, evenals Perrette uit de fabel, de kan met melk op ’t +hoofd! En hoe licht noemt zich de eerzucht roeping? Misschien te goeder +trouw, en zich zelven bedriegende, vroom als zij is. <span class="pagenum">[<a id="pb57" href="#pb57" name="pb57">57</a>]</span></p> +<p>De ootmoedige, arme, eenvoudige Monseigneur Bienvenu behoorde niet +onder de invloedrijke kerkvorsten. Dit was duidelijk aan de volstrekte +afwezigheid van jonge priesters in zijn omgeving. Men heeft gezien, dat +hij te Parijs „geen opgang had gemaakt.” Daarom trachtte +ook geen enkele toekomst zich op dien eenzamen grijsaard te enten. Geen +ontluikende eerzucht was zoo dwaas, in zijn schaduw te willen groeien. +Zijn kanunniken en groot-vicarissen waren goede, oude lieden, +eenigszins burgerlijk evenals hij, in het bisdom vastgegroeid, zonder +uitzicht op het kardinaalschap, en die op hun bisschop geleken, met dit +verschil, dat zij minder en hij beter af was. Men gevoelde zoozeer de +onmogelijkheid om bij Monseigneur Bienvenu eenigszins vooruit te komen, +dat de nauwelijks door hem gewijde seminaristen zich bij de +aartsbisschoppen van Aix of van Auch deden aanbevelen en zoo schielijk +mogelijk weggingen. Want, wij herhalen het: ieder wil vooruit! Een +vroom man die in groote afzondering leeft, is een gevaarlijke buurman; +hij zou u kunnen besmetten met een ongeneselijke armoede, de +verstijving van de ter bevordering noodzakelijke leden, kortom: met +meer zelfverloochening dan gij wenscht; en daarom ontvlucht men die +aanstekende deugd. Vandaar de verlatenheid van Monseigneur Bienvenu. +Wij leven in een treurige maatschappij. Vooruitkomen! ziedaar de leer, +die uit het boven haar zwevende verderf nederdroppelt.</p> +<p>De voorspoed heeft, in ’t voorbijgaan gezegd, een zeer +onaangename zijde. De valsche gelijkenis, welke hij met de ware +verdienste heeft, bedriegt de menschen. Voor de groote menigte heeft de +fortuin schier hetzelfde voorkomen als de wijsheid. Door het geluk, die +wederga van het talent, laat zich ook de geschiedenis bedriegen. Alleen +Juvenalis en Tacitus onderscheiden ze. In onze dagen is een bijna +<span class="corr" id="xd20e1301" title="Bron: officiëele">officieele</span> wijsbegeerte in zijn dienst +getreden, draagt de livrei van het geluk en wacht in zijn voorkamer. +Voorspoed wordt voor theorie gehouden, en doet bekwaamheid +veronderstellen. Wie in de loterij wint, is een schrander man. De +overwinnaar wordt altijd vereerd. Men moet met een helm zijn geboren! +dat is alles! Men hebbe slechts geluk en al ’t overige komt +vanzelf; den gelukkige beschouwt men als een groot man. Op vijf of zes +uitzonderingen na, die den roem eener eeuw uitmaken, is de +hedendaagsche bewondering niet veel meer dan kortzichtigheid. +Verguldsel heet goud. Hoe men er komt, maakt niets uit, mits men er +slechts „kome.” Het gemeen is een oude Narcissus, die zich +zelven aanbidt en toejuicht. De buitengewone begaafdheid, door welke +men een Mozes, een Eschylus, een Dante, een Michel-Angelo of een +Napoleon is, schrijft de menigte onnadenkend en als bij <span class="pagenum">[<a id="pb58" href="#pb58" name="pb58">58</a>]</span>acclamatie toe aan ieder die, in welk opzicht ook, +zijn doel bereikt. Een notaris herscheppe zich in een afgevaardigde, +een valsche Corneille make een treurspel, een gesnedene kome in +’t bezit van een harem, een gewoon man winne toevallig een +beslissenden slag, een apotheker vinde bordpapieren zolen uit voor het +leger van Sambre-en-Maas en make zich uit dit voor leder verkochte +bordpapier een rente van vierhonderd duizend francs; een pakkedrager +huwe met de woekerzucht en doe haar van zeven of acht millioen +bevallen, waarvan hij de vader en zij de moeder is; een prediker worde +bisschop wegens zijn eigenaardig neusorgaan en het draaien zijner +oogen; een rentmeester eener voorname familie zij, wanneer hij zijn +dienst verlaat, zoo rijk, dat men hem minister van financiën +maakt: dat alles noemen de menschen genie, evenals zij versiering +schoonheid en omvangrijkheid majestueus noemen. De sterrenbeelden des +uitspansels verwarren zij met de sterachtige afdruksels van eendepooten +in het slijk van een modderpoel.</p> +</div> +</div> +<div id="ch1.13" class="div1"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">Dertiende hoofdstuk.</h2> +<h2 class="main">Wat hij geloofde.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Uit het oogpunt der orthodoxie hebben wij den bisschop +van Digne niet te onderzoeken. Voor een ziel als de zijne kunnen wij +slechts eerbied gevoelen. Het geweten van den rechtvaardige laat zich +niet door woorden beoordeelen. Voor ’t overige nemen wij de +mogelijke ontwikkeling van alle volkomenheden der menschelijke natuur +bij sommige karakters aan, zelfs al verschillen ze ook met ons in +godsdienstig geloof.</p> +<p>Wat dacht hij over dit of dat leerstuk, over deze of gene +verborgenheid? Deze geheimen der ziel zijn slechts aan het graf bekend, +waarin de zielen naakt en bloot nederdalen. Zeker is het, dat +geloofsbezwaren zich nooit bij hem in geveinsdheid oplosten. De diamant +is aan geen verderf onderworpen. Hij geloofde zooveel hij kon. Ik +geloof in den Vader! zeide hij dikwijls. Overigens putte hij uit de +goede werken genoegzame zelfvoldoening om het geweten te bevredigen, +terwijl ’t hem zacht toefluisterde: God is met u! Wij moeten +hierbij nog opmerken, dat de bisschop buiten, en om zoo te spreken, +<i>boven</i> zijn geloof, vervuld was van liefde. Om deze reden, omdat +hij „veel bemind had”, achtten sommige „ernstige, +verstandige lieden” hem kwetsbaar. „Ernstige, verstandige +lieden,” <span class="pagenum">[<a id="pb59" href="#pb59" name="pb59">59</a>]</span>geliefkoosde uitdrukkingen onzer treurige wereld, +waarin de zelfzucht het wachtwoord van de waanwijsheid ontvangt. Waarin +bestond nu deze overvloed van liefde? In een opgeruimde welwillendheid, +die, gelijk reeds gezegd is, zich over menschen, ja soms over zaken +uitbreidde. Hij kende geen verachting. Hij was toegevend jegens al wat +God geschapen had. Ieder mensch, zelfs de beste, heeft een soort van +onwillekeurige hardheid in zich, welke hij voor het dier bewaart. Maar +de bisschop van Digne had deze hardheid niet, die evenwel velen +priesters zoo eigen is. Hij ging niet zoo ver als de brahmin, maar +scheen de woorden van Salomo’s Prediker ter harte te hebben +genomen: „Weet men waarheen de ziel der dieren gaat?” Een +leelijk gezicht en aangeboren onvolmaaktheden verstoorden noch +verontwaardigden hem. Hij gevoelde er zich door aangedaan, schier +verteederd. Hij scheen er over te peinzen om aan gene zijde van het +aardsche leven de oorzaak, de verklaring of de verschooning er voor te +zoeken. ’t Scheen of hij soms God om verzachting van hun lot bad. +Zonder toorn, en met het oog van een taalvorscher, die een oud +handschrift ontcijfert, onderzocht hij de schijnbare +tegenstrijdigheden, die de natuur nog bevat. Deze bespiegelingen +ontlokten hem dikwijls zonderlinge woorden. Op zekeren morgen dat hij +meende alleen in zijn tuin te zijn, en hij zijn zuster niet zag, die +achter hem ging, stond hij plotseling stil en aanschouwde iets op den +grond; ’t was een groote, zwarte, harige, afschuwelijke spin. +Zijn zuster hoorde hem zeggen:—Arm dier! ’t is zijn schuld +niet.</p> +<p>Waarom zouden wij deze beuzelingen van schier hemelsche +goedhartigheid niet vertellen? Beuzelingen wel is waar, maar van die +verheven beuzelingen, als van een St. Franciscus van Assissi en van +Marcus Aurelius. Op zekeren dag verwrikte hij den voet, wijl hij een +mier niet wilde vertreden.</p> +<p>Aldus leefde deze rechtvaardige. Soms was hij in den tuin +ingeslapen, en dan kon men niets eerwaardigers zien.</p> +<p>Monseigneur Bienvenu was vroeger, volgens ’t geen van zijn +jeugd en zelfs van zijn verderen leeftijd verhaald werd, een +hartstochtelijk, ja heftig man geweest. Zijn tegenwoordige kalmte en +zachtmoedigheid was minder zijn natuurlijk karakter dan het gevolg +eener diepe overtuiging, die gedurende zijn leven langzaam en door +overdenking in zijn hart gedroppeld was; want een karakter kan evenals +een steen, door waterdroppels worden aangedaan. Deze uithollingen zijn +onuitwischbaar; deze vormen onverstoorbaar.</p> +<p>In 1815, zooals wij meenen gezegd te hebben, had hij den ouderdom +van vijf-en-zeventig jaar bereikt, doch scheen niet ouder dan zestig. +Hij was niet groot, eenigszins zwaarlijvig, <span class="pagenum">[<a id="pb60" href="#pb60" name="pb60">60</a>]</span>en om +dit te bestrijden deed hij groote wandelingen te voet; hij ging met +vasten tred en slechts een weinig gebogen. Uit deze omstandigheid +willen wij echter geen gevolgtrekking afleiden. Gregorius XVI ging, +toen hij tachtig jaren oud was, nog rechtop, en had een vriendelijk +voorkomen, ’t geen niet belette, dat hij een slecht bisschop was. +Monseigneur Bienvenu had, wat het volk „een fraaien kop” +noemt; maar die was zoo vriendelijk, dat men de fraaiheid er van +voorbij zag.</p> +<p>Wanneer hij met die kinderlijke opgeruimdheid sprak, welke een +zijner beminnelijkste hoedanigheden was, en waarvan wij reeds gewaagd +hebben, was het of zijn geheele persoon vroolijkheid om zich +verspreidde. Zijn blozende frissche kleur, zijn witte tanden, welke hij +alle behouden had en die door zijn glimlach zichtbaar werden, gaven hem +dit openhartig en ongekunsteld voorkomen, dat van een man doet zeggen: +„er is geen kwaad in hem,” en van een grijsaard: +„’t is een allerliefst man.” Zoo was, gelijk men zich +herinnert, de indruk, dien hij op Napoleon had gemaakt. Op ’t +eerste gezicht, en voor dengene die hem voor de eerste maal ontmoette, +was hij misschien niet veel meer dan een goedhartig man. Maar wanneer +men eenige uren in zijn gezelschap doorbracht, en hem zag denken, +veranderde het goedhartige allengs in iets indrukwekkends: zijn hoog, +ernstig voorhoofd, reeds eerbiedwaardig door het witte haar, werd het +te meer door de gedachten, welke er zich op afspiegelden; de majesteit +kwam uit de goedheid te voorschijn, zonder dat deze laatste ophield te +blinken; men gevoelde zich eenigszins aangedaan als door de +verschijning van een engel, die langzaam en glimlachend zijn vleugelen +uitbreidt. Men werd allengs door achting en eerbied vervuld, en +gevoelde, dat men een dier krachtige, beproefde en toegevende zielen +voor zich had, wier gedachten zoo verheven zijn, dat zij niet anders +dan zachtmoedig kunnen zijn.</p> +<p>Men heeft gezien, dat het gebed, de verrichting der kerkelijke +diensten, het uitreiken van aalmoezen, het troosten van bedrukten, het +bebouwen van een hoekje gronds; dat broederliefde, matigheid, +gastvrijheid, ontbering, vertrouwen, studie, arbeid, elken dag van zijn +leven vervulden. „Vervullen” is het juiste woord, en +zekerlijk was de dag van den bisschop tot aan den rand vol van goede +gedachten, goede woorden en goede werken. Maar de dag was voor hem niet +volledig, als het koude, regenachtige weder hem belette des avonds, +zoodra de vrouwen zich hadden verwijderd, een paar uren in den tuin +door te brengen, vóór hij naar bed ging. ’t Scheen +hem een soort van eerdienst te zijn, door overpeinzingen in ’t +gezicht der gesterrende hemellichamen, zich tot den slaap voor te +bereiden. Soms <span class="pagenum">[<a id="pb61" href="#pb61" name="pb61">61</a>]</span>hoorden de vrouwen, zoo zij niet sliepen, hem nog +zeer laat in den nacht langzaam in den tuin wandelen. Daar was hij +alleen, in zich zelven gekeerd, aandachtig, rustig, biddend, de kalmte +zijns harten met de kalmte des hemels in overeenstemming brengende, in +de duisternis aangegrepen door den zichtbaren luister der +sterrenbeelden en den onzichtbaren luister van God, en zijn ziel +openende voor de gedachten, die van den Onbekende komen. Wanneer in +zulke oogenblikken, als de nachtbloemen haar geuren deden opstijgen, +zijn hart als een licht te midden van dezen gesterrenden hemel vlamde +en verrukt door de oneindige schepping zweefde, zou hij misschien zelf +niet in staat zijn geweest te zeggen, wat in zijn geest omging; +’t was hem, alsof iets uit zijn binnenste opsteeg, en iets in hem +nederdaalde. Geheimzinnig verkeer tusschen de diepten der ziel en de +diepten der Schepping.</p> +<p>Hij dacht aan Gods grootheid en alomtegenwoordigheid; aan de +toekomstige eeuwigheid,—een geheimzinnige verborgenheid; aan de +doorloopen eeuwigheid,—een nog vreemder verborgenheid; aan al het +oneindige, dat zich naar alle zijden voor zijn blik uitbreidde, en +zonder het onbegrijpelijke te willen doorgronden, staarde hij het aan. +Hij bestudeerde God niet; hij verblindde zich door Zijn glans. Hij +aanschouwde die wonderbare ontmoeting van atomen, die aan het stof een +vorm geven, de krachten openbaren, de verscheidenheid en de eenheid, de +gedaanten en de ruimte, het ontelbare en het oneindige scheppen, en +door het licht de schoonheid voortbrengen. Deze samentrekking en +verwijdering van atomen heeft onophoudelijk plaats, en daaruit ontstaan +het leven en de dood.</p> +<p>Hij zette zich op een houten bank tegen een vermolmd hek neder, en +zag op naar de sterren, door de takken zijner dwergachtige, schrale +vruchtboomen. Dit stukje gronds, zoo armoedig beplant en door +onooglijke gebouwen ingesloten, was hem dierbaar en voldoende.</p> +<p>Wat behoefde deze grijsaard meer, die de rusturen zijns levens, +’t welk zoo weinig rusturen bevatte, verdeelde tusschen het +tuinwerk des daags en de bespiegeling des nachts? Was deze kleine +ruimte, waarboven de hemel zich welfde, niet voldoende om God +beurtelings in Zijn bekoorlijkste, en in Zijn verhevenste werken te +aanbidden? Was dit inderdaad niet alles, en wat bleef te wenschen over? +Een kleine tuin om in te wandelen, en het onmetelijke om te denken. Aan +zijn voeten, wat men kan kweeken en plukken; boven zijn hoofd, wat men +kan bestudeeren en overwegen; eenige bloemen op de aarde en de sterren +aan den hemel. <span class="pagenum">[<a id="pb62" href="#pb62" name="pb62">62</a>]</span></p> +</div> +</div> +<div id="ch1.14" class="div1"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">Veertiende hoofdstuk.</h2> +<h2 class="main">Wat hij dacht.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Een laatste woord.</p> +<p>Dewijl deze soort van bijzonderheden, vooral in den tegenwoordigen +tijd, den bisschop van Digne een schijn van +„pantheïsme” geven—om een woord, dat thans zeer +in de mode is, te gebruiken—en, hetzij tot zijn blaam of zijn +lof, konden doen gelooven, dat hij iets bezat van die persoonlijke, +onze eeuw eigene, wijsbegeerte, welke soms in eenzaam levende geesten +ontkiemt, opgroeit en zoo groot wordt, dat zij er den godsdienst uit +verdringt, zoo vermelden wij wel uitdrukkelijk dat niemand dergenen, +die Monseigneur Bienvenu gekend hebben, zich zou veroorloofd hebben +iets dergelijks te denken. Wat dien man verlichtte, was het hart. Zijn +wijsheid was uit het licht ontstaan, dat daaruit voortkomt.</p> +<p>Geen stelsels; veel feiten. Afgetrokken bespiegeling verwekt +duizeling, en er bestaat niet het minste blijk, dat hij zijn geest door +de Apocalypsis in verwarring liet brengen. De apostel kan stoutmoedig +zijn, maar de bisschop moet bescheiden wezen. Hij zou er gewis een +gewetenszaak van hebben gemaakt, zich in zekere vraagstukken te +verdiepen, die slechts aan onversaagde geesten zijn overgelaten. Onder +geheimzinnige portalen heerscht een heilige huivering; wel bevinden +zich hier en daar reten in de duisternis, maar zij fluisteren iederen +sterveling toe, dat men er niet ongestraft kan binnendringen.</p> +<p>In de onpeilbare diepten der afgetrokken bespiegeling, die als +’t ware boven de godsdienstige leerstellingen zweven, dragen +groote geesten hun denkbeelden aan God op. Hun gebed is een +stoutmoedige drang om meer licht. Hun vereering is een vraag. ’t +Is een onmiddellijke godsdienst, vol angsten en verantwoordelijkheid +voor dengene, die er de steilten van beproeft.</p> +<p>Menschelijke bespiegelingen hebben geen grenzen. Op eigen gevaar af, +ontleedt en peilt de mensch wat zijn gedachte verblindt. Men zou schier +kunnen zeggen, dat de gedachte door een soort van schitterende +weerkaatsing de natuur verblindt; de geheimzinnige wereld die ons +omringt, geeft terug wat zij ontvangt; en ’t is waarschijnlijk, +dat de beschouwers wederkeerig worden beschouwd. Hoe het zij, er zijn +menschen op de wereld—zijn zij menschen?—die duidelijk aan +den gezichteinder van den droom de hoogten van het volstrekte +<span class="pagenum">[<a id="pb63" href="#pb63" name="pb63">63</a>]</span>zien, en die een visioen van den ontzettenden berg +der oneindigheid hebben. Monseigneur behoorde niet tot dezulken; +Monseigneur Bienvenu was geen genie, geen groote geest. Hij zou +teruggedeinsd zijn voor die hoogten, welke eenige, zelfs zeer groote +geesten, als Schwedenburg en Pascal, in verbijstering hebben gebracht. +’t Is waar, deze grootsche bespiegelingen hebben een zedelijk +nut, en langs zulke steile wegen komt men de denkbeeldige volmaaktheid +nader. Hij echter koos den kortsten weg, den weg van ’t +Evangelie.</p> +<p>Hij trachtte van zijn kazuifel geen Eliasmantel te maken; hij wierp +geen straal der toekomst op de donkere golven der gebeurtenissen; hij +poogde niet het licht der zaken tot één vlam samen te +dringen; hij had niets van een profeet, niets van een magus (wijze). +Zijn nederige ziel <i>beminde</i> slechts; dat was alles!</p> +<p>’t Is zeer waarschijnlijk, dat hij het gebed tot een +bovenmenschelijke verzuchting tot God uitbreidde; maar men kan evenmin +te veel bidden als te veel beminnen; en indien ’t ketterij is +buiten de formulieren te bidden, dan zouden de H. Theresia en de H. +Jeronimus ketters zijn.</p> +<p>Hij boog zich tot alles neer wat zuchtte en boette. De wereld scheen +in zijn oog één reusachtige krankheid; overal zag hij +koorts; overal hoorde hij lijden en, zonder het raadsel te willen +oplossen, poogde hij de wonde te verbinden.</p> +<p>Het vreeselijk schouwspel van al wat schepsel heet, ontwikkelde in +hem een gevoel van verteedering; hij was slechts bedacht voor zich +zelven de beste wijze te vinden om te beklagen en wel te doen, en die +aan anderen mede te deelen. Het bestaande was voor dezen goeden, +zeldzamen priester een gestadig onderwerp van droefheid, die zoekt te +vertroosten.</p> +<p>Er zijn lieden, die zich bezighouden met het delven van goud: hij +hield zich bezig met het medelijden aan den dag te brengen. De +algemeene ellende was zijn mijn. Het alom heerschend lijden was voor +hem slechts een gelegenheid om onverpoosd goed te doen. „Bemint +elkander;” dit bevatte, naar zijn meening, alles; hij wenschte +niets meer, en dit was zijn geheele geloofsleer. Op zekeren dag zeide +de man, die zich „wijsgeer” waande, de reeds genoemde +senator, tot den bisschop:—„Zie toch, hoe het in de wereld +toegaat; oorlog van allen tegen allen; de sterkste is de verstandigste. +Uw „bemint elkander” is een dwaasheid.”</p> +<p>„Welnu,” antwoordde Monseigneur Bienvenu, zonder met hem +te redetwisten, „zoo het een dwaasheid is, moet het hart er zich +insluiten, als de parel in de oester.”</p> +<p>En hij sloot er zich in, hij leefde er in, hij was er volkomen +<span class="pagenum">[<a id="pb64" href="#pb64" name="pb64">64</a>]</span>in tevreden, terwijl hij de groote vraagstukken +onaangeroerd liet, die lokken en benauwen, de onpeilbare diepten der +bespiegeling, de afgronden der bovennatuurkunde, al die +ondoorgrondelijkheden, welke den apostel tot God, den atheïst tot +het niet voeren: het noodlot, het goede en het kwade, de oorlog van het +eene tegen het andere schepsel, het geweten van den mensch, het denkend +somnambulisme van het dier, de herschepping door den dood, de +wederopstanding van al de wezens, die het graf bevat, de +onbegrijpelijke inenting der elkander vervangende liefdeneigingen op +het steeds voortbestaande ik, de geest en het stof, het niet en het +zijn, de ziel, de natuur, de vrijheid, en de +noodzakelijkheid,—alle diepe problemen, schrikbarende +duisternissen, voor welke de reusachtige aartsengelen van het +menschelijk geslacht zich buigen; vreeselijke afgronden, welke +Lucretius, Manou, Paulus en Dante met dien vlammenschietenden blik +aanstaren, die, door strak in het oneindige te turen, er sterren +schijnt te ontdekken.</p> +<p>Monseigneur was eenvoudig een man, die slechts de geheimzinnige +vraagstukken uitwendig aanschouwde, zonder ze na te vorschen, zonder +zijn geest er door te verontrusten, en die in zijn ziel een diepen +eerbied voor het verborgene koesterde. <span class="pagenum">[<a id="pb65" href="#pb65" name="pb65">65</a>]</span></p> +</div> +</div> +</div> +<div class="div0"> +<h2 class="label">Boek II.</h2> +<h2 class="main">De val.</h2> +<span class="pagenum">[<a id="pb67" href="#pb67" name="pb67">67</a>]</span> +<div id="ch2.1" class="div1"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">Eerste hoofdstuk.</h2> +<h2 class="main">De avond na een dagreize.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">In een der eerste dagen van de maand October 1815, +omstreeks een uur vóór zonsondergang, kwam een +voetreiziger in de kleine stad D. aan. De weinige inwoners, die zich op +dit oogenblik aan hun ramen of voor hun deuren bevonden, oogden dien +man met een soort van ongerustheid na. Niet licht zou men iemand van +ellendiger voorkomen hebben kunnen ontmoeten. Hij was van middelbare +grootte, gezet en forsch, en in de kracht zijns levens. Hij kon zes- of +acht-en-veertig jaar oud zijn. Een pet met lederen klep bedekte +gedeeltelijk zijn met zweet bepareld en door zon en lucht gebruind +gelaat. Zijn grof geelkatoenen hemd, dat aan den hals met een klein +zilveren ankertje was vastgehecht, liet de harige borst bloot; hij +droeg een das, als een touw ineengedraaid, een versleten blauwlinnen +broek, die aan de eene knie geheel kaal was, aan de andere een gat +vertoonde; een ouden, gehavenden kiel, waarvan een der ellebogen met +een stuk groen laken gelapt en met bindgaren saamgetrokken was; op den +rug een vollen, zorgvuldig dichtgegespten en nieuwen soldatenransel; in +de hand een dikken, knoestigen stok; zijn voeten waren zonder kousen, +zijn schoenen met spijkers beslagen; zijn hoofdhaar was kort en zijn +baard lang.</p> +<p>Het zweet, de hitte, de voetreis, het stof gaven aan den geheelen +persoon iets zeer haveloos. Het haar scheen nog kort geleden kaal +geschoren; ’t stond nu steil op en was borstelig.</p> +<p>Niemand kende den man. ’t Was duidelijk, dat hij de stad +slechts doortrok. Van waar kwam hij? Uit het zuiden. Misschien van de +zeekust; want hij kwam door dezelfde straat in de stad, waar zeven +maanden geleden keizer Napoleon gepasseerd was, toen hij van Cannes +naar Parijs ging. Deze man <span class="pagenum">[<a id="pb68" href="#pb68" name="pb68">68</a>]</span>moest wel den geheelen dag geloopen +hebben; want hij scheen zeer vermoeid. Vrouwen uit het vlek nabij de +stad hadden hem onder het geboomte van den Boulevard Gassendi zien +stilstaan en drinken bij de pomp, aan ’t einde der wandelplaats. +Hij had zeker grooten dorst, want de kinderen die hem volgden zagen +hem, een paar honderd schreden verder, weder stilhouden en drinken bij +de pomp van het marktplein. Aan den hoek der straat Poichevert sloeg +hij linksom en ging naar ’t Stadhuis. Hij trad binnen; een +kwartier later kwam hij er weder uit. Een gendarme zat aan de deur op +de steenen bank, waarop generaal Drouot den 4<sup>den</sup> Maart klom, +om aan de ontstelde inwoners van D. de proclamatie van de golf Juan +voor te lezen. De man nam zijn pet af en groette den gendarme +onderdanig. Zonder zijn groet te beantwoorden nam hem de gendarme +nauwkeurig op en trad toen het raadhuis binnen.</p> +<p>Destijds was te D. een goede herberg, het „Kruis van +Colbas.” Zij werd gehouden door zekeren Jacquin Labarre, een man, +die zeer gezien was, wegens zijn verwantschap met een anderen Labarre, +die te Grenoble het logement de „Drie Dauphins” hield en +bij de guides gediend had. Tijdens de landing des keizers hadden +allerlei geruchten over dit logement de „Drie Dauphins” +geloopen. Men verhaalde, dat generaal Bertrand, als voerman vermomd, er +in de maand Januari dikwerf geweest was en toen aan de soldaten +eerekruisen en aan de burgers handen vol gouden Napoleons had +uitgedeeld. De waarheid is, dat, toen de keizer te Grenoble aankwam, +hij had geweigerd in het Hôtel der Prefectuur zijn intrek te +nemen; hij had den maire bedankt, en gezegd: „Ik ga bij een braaf +man, dien ik ken;” waarop hij naar de „Drie Dauphins” +was gegaan. De roem van dezen Labarre verbreidde zich tot op +vijfentwintig mijlen afstands, tot aan Labarre in het „Kruis van +Colbas.” Te D. heette het van hem: „Hij is de neef van +Labarre te Grenoble.”</p> +<p>De man begaf zich naar deze herberg, de beste in den omtrek. Hij +trad de keuken binnen, die gelijkvloers met de straat was. Al de +fornuizen brandden, en een groot vuur vlamde vroolijk in den haard. De +kastelein, tevens kok, liep ijverig van de eene braadpan naar de +andere, en bereidde een heerlijken maaltijd voor de voerlieden, die men +in een belendend vertrek luid hoorde lachen en spreken. Wie gereisd +heeft, weet dat niemand beter eet dan voerlieden. Een vette marmot, te +midden van witte patrijzen en boschhoenders, draaide aan een lang spit +voor het vuur rond; op de fornuizen werden twee groote karpers uit het +meer van Lauzet en een forel uit het meer van Alloz gebakken. +<span class="pagenum">[<a id="pb69" href="#pb69" name="pb69">69</a>]</span></p> +<p>De kastelein, hoorende dat de deur geopend werd en iemand +binnenkwam, zeide, zonder de oogen van zijn fornuizen op te slaan:</p> +<p>„Wat wenscht mijnheer?”</p> +<p>„Te eten en te slapen,” antwoordde de reiziger.</p> +<p>„Niets gemakkelijker dan dit,” antwoordde de hospes. +Maar terzelfder tijd draaide hij het hoofd om, bekeek den vreemde van +het hoofd tot de voeten en vervolgde toen: „mits +betalend.”</p> +<p>De man haalde een groote lederen beurs uit den zak van zijn kiel en +antwoordde:</p> +<p>„Hier is geld.”</p> +<p>„Dan ben ik tot uw dienst,” zei de kastelein.</p> +<p>De man stak zijn beurs weder in den zak, ontdeed zich van zijn +ransel, legde dien bij de deur op den grond, en zette zich met zijn +stok in de hand op een bankje bij het vuur. D. ligt in het gebergte. De +Octobermaand is er koud.</p> +<p>Inmiddels zag de kastelein, terwijl hij heen en weder liep, telkens +den reiziger aan.</p> +<p>„Wordt er gauw gegeten?” vroeg de man.</p> +<p>„Aanstonds,” zei de hospes.</p> +<p>Terwijl de aangekomene zich warmde, en den kastelein Labarre den rug +toekeerde, nam deze een potlood uit zijn zak en scheurde een stuk van +een oud dagblad af, dat op een tafeltje aan het venster lag. Op den +witten rand schreef hij een paar regels, vouwde het snippertje dicht, +zonder het te verzegelen, en gaf het aan een knaap, die hem tot +keukenjongen en lakei te gelijk scheen te dienen. De herbergier +fluisterde hem een paar woorden in ’t oor, en de jongen liep +ijlings heen in de richting van ’t Stadhuis.</p> +<p>De reiziger had van dat alles niets gezien. Hij vroeg nog eens: +„Wordt er spoedig gegeten?”</p> +<p>„Aanstonds!” herhaalde de kastelein.</p> +<p>De knaap kwam terug; hij bracht het papier weer mede. De kastelein +opende het haastig, als iemand die een antwoord verwacht. Hij scheen +opmerkzaam te lezen, toen schudde hij het hoofd en scheen een oogenblik +na te denken. Eindelijk trad hij naar den vreemde, die in niet zeer +aangename overwegingen verdiept scheen, en zeide:</p> +<p>„Ik kan u niet herbergen.”</p> +<p>De man richtte zich ten halve op.</p> +<p>„Hoe? Vreest ge dat ik u niet zal betalen? Wilt ge vooraf +geld? ik heb u immers gezegd dat ik geld heb.”</p> +<p>„Daarom is ’t niet.”</p> +<p>„Waarom dan?<span class="corr" id="xd20e1453" title="Niet in bron">”</span> <span class="pagenum">[<a id="pb70" href="#pb70" name="pb70">70</a>]</span></p> +<p>„Ge hebt geld...”</p> +<p>„Ja,” zei de man.</p> +<p>„Maar ik,” zei de hospes, „ik heb geen +kamer.”</p> +<p>De man hernam bedaard: „Laat mij dan maar in den stal +slapen.”</p> +<p>„Dat kan niet.”</p> +<p>„Waarom?”</p> +<p>„De stal is geheel vol paarden.”</p> +<p>„Nu,” hernam de man, „dan een hoekje op den +zolder. Een bos stroo. Dat zal zich na den maaltijd wel +vinden.”</p> +<p>„Ik kan u niet te eten geven.”</p> +<p>Deze op gematigden doch vasten toon gedane verklaring verraste den +vreemde. Hij stond op, en zeide:</p> +<p>„O! maar ik sterf van honger. Sedert zonsopgang ben ik op reis +geweest; ik heb twaalf uren afgelegd. Ik betaal; ik wil +eten.”</p> +<p>„Ik heb niets,” antwoordde de hospes.</p> +<p>De man begon te lachen en zeide, zich naar den haard en de fornuizen +wendende:—„Niets? En wat is dat dan?”</p> +<p>„Dat alles is besteld.”</p> +<p>„Door wie?”</p> +<p>„Door de voerlieden.”</p> +<p>„Met hoevelen zijn ze?”</p> +<p>„Met hun twaalven.”</p> +<p>„En daar is eten genoeg voor twintig menschen.”</p> +<p>„Zij hebben alles besteld en vooruit betaald.”</p> +<p>De man ging weer zitten en zeide zonder drift:</p> +<p>„Ik ben in een herberg, ik heb honger en blijf.”</p> +<p>Toen bracht de hospes den mond aan zijn oor en fluisterde op een +toon, die hem deed ontstellen:—„Ga heen!”</p> +<p>De reiziger zat nu neêrgebogen en stiet met de ijzeren punt +van zijn stok eenige gloeiende spaanders in ’t vuur; eensklaps +keerde hij zich om, maar toen hij den mond opende om te antwoorden, +staarde de hospes hem strak aan en voegde er zacht bij:</p> +<p>„Houd u toch stil! Wilt ge, dat ik u uw naam noem? Ge heet +Jean Valjean. Wilt ge nu dat ik u zeg, wie ge zijt? Toen ik u zag +binnenkomen, vermoedde ik iets en zond naar ’t Stadhuis; ziehier +wat men geantwoord heeft. Kunt ge lezen?”</p> +<p>Dit zeggende, reikte hij den vreemde het opengevouwen papier, dat +uit de herberg naar ’t Stadhuis was gegaan en van ’t +Stadhuis naar de herberg terug. De man sloeg er een blik op, en na +eenig zwijgen hernam de herbergier:</p> +<p>„Ik ben gewoon jegens iedereen beleefd te zijn. Ga +heen.” De man boog het hoofd, raapte zijn ransel op en vertrok +zwijgend. <span class="pagenum">[<a id="pb71" href="#pb71" name="pb71">71</a>]</span></p> +<p>Hij ging op goed geluk af, rechtuit door de hoofdstraat, dicht langs +de huizen, als een gedeemoedigd, verslagen mensch. Geen enkelen keer +zag hij om. Zoo hij ’t gedaan had, zou hij den herbergier van het +Kruis van Colbas voor zijn deur hebben gezien, omringd van al zijn +gasten en van een menigte voorbijgangers, luid sprekende en hem met den +vinger nawijzende. Hij zou tevens uit de wantrouwende en verschrikte +blikken dier lieden afgeleid hebben, dat zijn komst spoedig een +gewichtig nieuws voor de geheele stad zou zijn.</p> +<p>Maar van dat alles zag hij niets. Bedrukten en bedroefden zien niet +om. Zij weten al te goed, dat het ongeluk hen volgt en vervolgt.</p> +<p>Zoo ging hij eenigen tijd voort, op goed geluk af en door hem +onbekende straten; en hij vergat zijn vermoeienis, zooals dit bij +treurigheid het geval is. Maar eensklaps voelde hij een hevigen honger. +De nacht naderde; hij zag om zich heen, of hij niet ergens een +legerplaats kon ontdekken.</p> +<p>De fraaie herberg was voor hem gesloten; nu zocht hij een minder +logement, een armoedige kroeg. Aan het einde der straat werd juist een +licht ontstoken; een dennetak, aan een ijzeren stang hangende, kwam als +uithangbord scherp uit in de dunne schemering. Hij ging er heen.</p> +<p>’t Was inderdaad een herberg: de herberg in de straat +Chaffaut.</p> +<p>De reiziger stond even stil en keek door het raam der herberg in het +lage vertrek, dat door een kleine, op de tafel staande lamp en een +groot vuur op den haard verlicht werd. Er waren eenige mannen die zaten +te drinken. De hospes warmde zich. Boven het vuur hing aan een ketting +een pot te koken.</p> +<p>Deze kroeg, die tevens een soort van logement is, heeft twee deuren: +de eene aan de straat, de andere aan een kleine plaats vol mest.</p> +<p>De reiziger waagde ’t niet, door de straatdeur binnen te gaan. +Hij sloop naar de plaats, stond weder stil, lichtte bedeesd de klink op +en deed de deur open.</p> +<p>„Wie is dáár?” vroeg de waard.</p> +<p>„Iemand die hier wenschte te slapen en te eten.”</p> +<p>„Goed. Men kan hier slapen en eten.”</p> +<p>Hij trad binnen. Al de drinkers wendden zich om. De lamp bescheen +hem aan de eene, het haardvuur aan de andere zijde. Men zag eenigen +tijd naar hem, terwijl hij zijn ransel aflegde.</p> +<p>De hospes zeide toen:—„Hier is ’t vuur. Het +avondeten is aan de kook. Warm u intusschen, kameraad.”</p> +<p>Hij zette zich aan den haard en strekte zijn vermoeide en +<span class="pagenum">[<a id="pb72" href="#pb72" name="pb72">72</a>]</span>gewonde voeten naar het vuur uit; er kwam een +heerlijke geur uit den pot. Zijn gezicht, zoover men het onder de, in +de oogen gedrukte, pet kon zien, nam een vluchtigen schijn van +welbehagen aan, gepaard aan die smartelijke uitdrukking, welke de +gewoonte van lijden aan het gelaat geeft.</p> +<p>Voor ’t overige had hij een forsch, schrander en treurig +voorkomen. Zijn gelaatsuitdrukking was zonderling; ze scheen op het +eerste gezicht deemoedig, maar ging ten laatste tot strengheid over. +Zijn oogen vlamden onder de wenkbrauwen, als een vuur in een +kreupelbosch.</p> +<p>Ondertusschen bevond zich onder de lieden aan tafel een vischkooper, +die, vóór hij naar de herberg in de straat Chaffaut was +gegaan, zijn paard bij Labarre op stal had gebracht. Het toeval wilde, +dat hij dien zelfden morgen den vreemdeling met het ongunstige +uiterlijk tusschen Bras d’Asse en... (de naam is mij ontgaan; ik +meen dat ’t Escoublon is) ontmoet had. En deze man, die zeer +vermoeid scheen, had hem verzocht achter op zijn paard te mogen zitten, +waarop de vischkooper had geantwoord door sneller voort te rijden. Deze +vischkooper had zich, een half uur te voren, bij de groep bevonden, die +Jacquin Labarre omringde, en hij had toen zijn onaangename ontmoeting +van dien morgen aan de lieden van het Kruis van Colbas verhaald. Nu gaf +hij den hospes ongemerkt een wenk. De hospes kwam tot hem, zij +wisselden eenige fluisterende woorden met elkander. De vreemdeling was +intusschen weder in zijn overpeinzingen verdiept.</p> +<p>De hospes ging nu naar den haard, legde ruw zijn hand op den +schouder van den man en zeide:</p> +<p>„Ge moet u dadelijk voortmaken.”</p> +<p>De vreemdeling keerde zich om en antwoordde gelaten:</p> +<p>„Zoo! weet ge?”</p> +<p>„Ja.”</p> +<p>„Men heeft mij ook in de andere herberg afgewezen.”</p> +<p>„En men jaagt u uit deze.”</p> +<p>„Waarheen moet ik dan gaan?”</p> +<p>„Waar ge wilt.”</p> +<p>De man nam zijn stok en ransel en ging heen.</p> +<p>Toen hij de herberg verliet, wierpen eenige kinderen, die hem van +het Kruis van Colbas gevolgd waren en hem schenen gewacht te hebben, +met steenen naar hem. Hij keerde zich toornig om en dreigde hen met +zijn stok, waarop de kinderen als een zwerm vogels uit elkander +stoven.</p> +<p>Hij ging voorbij de gevangenis. Aan de deur hing de ijzeren ketting +van een schel. Hij belde. Een getralied raampje werd geopend. +<span class="pagenum">[<a id="pb73" href="#pb73" name="pb73">73</a>]</span></p> +<p>„Mijnheer de portier,” zeide hij, eerbiedig zijn pet +afnemende, „zoudt ge zoo vriendelijk willen zijn mij open te doen +en dezen nacht te huisvesten?”</p> +<p>Een stem antwoordde:</p> +<p>„Een gevangenis is geen herberg. Laat u gevangennemen en men +zal de deur voor u openen.”</p> +<p>Het raampje werd gesloten.</p> +<p>Toen kwam hij in een enge straat, waar veel tuinen waren. Sommige +waren slechts door hagen omsloten, ’t geen de straat een +vriendelijk aanzicht gaf. Tusschen deze tuinen en hagen zag hij een +huisje van één verdieping, waarvan het raam verlicht was. +Hij keek door dit raam, evenals hij door dat der herberg had gedaan. +’t Was een ruime kamer, welker muren gewit waren, en waarin een +bed met gedrukt katoenen gordijnen stond; in een der hoeken stond nog +een wieg en verder eenige houten stoelen; aan den wand hing +<span class="corr" id="xd20e1586" title="Niet in bron">een</span> +jachtgeweer met dubbelen loop. Een gedekte tafel stond in het midden +van het vertrek. Een koperen lamp verlichte het grove tafellaken, de +als zilver blinkende kan met wijn en een dampenden rooden schotel. Aan +deze tafel zat een veertigjarig man, met vroolijk open gelaat, die een +kindje op zijn knieën liet dansen. Naast hem zat een zeer jonge +vrouw met een zuigeling aan de borst. De vader lachte, het kind lachte, +de moeder glimlachte.</p> +<p>Peinzend bleef de vreemdeling een oogenblik voor dit liefelijk +huiselijk tooneel staan. Wat ging er in hem om? Hij alleen zou ’t +kunnen zeggen. Waarschijnlijk dacht hij, dat dit vergenoegde huis +gastvrij zou zijn, en, waar zooveel geluk woonde, hij misschien eenig +medelijden zou vinden.</p> +<p>Zacht klopte hij tegen de glasruit.</p> +<p>Men hoorde niet.</p> +<p>Hij klopte nogmaals. Nu hoorde hij de vrouw +zeggen:—„Man, ik geloof dat er geklopt wordt.”</p> +<p>„Neen,” antwoordde de man.</p> +<p>Ten derden male klopte de vreemde.</p> +<p>De man stond op, nam de lamp en deed de deur open.</p> +<p>’t Was iemand van hooge gestalte, half boer, half +handwerksman. Hij droeg een groot schootsvel, dat tot aan zijn +linkerschouder reikte en waarin een hamer, een roode zakdoek en een +kruithoorn staken, al welke voorwerpen door den gordelriem als in een +zak werden vastgehouden. Hij wierp het hoofd achterover, en zijn open +hemd, dat wijd omgeslagen was, liet een gladden, naakten hals, als van +een stier, zien. Hij had zware wenkbrauwen, groote zwarte bakkebaarden, +vooruitstekende oogen, een breed uitloopend gezicht, en bij dit alles +de niet te beschrijven uitdrukking, dat men zich te huis gevoelt. +<span class="pagenum">[<a id="pb74" href="#pb74" name="pb74">74</a>]</span></p> +<p>„Vergeving, mijnheer,” zei de reiziger. „Zoudt gij +mij tegen betaling een bord soep en een hoekje om te slapen in gindsche +schuur in den tuin willen vergunnen. Zeg, wilt ge? tegen +betaling?”</p> +<p>„Wie zijt ge?” vroeg de meester des huizes.</p> +<p>De man antwoordde: „Ik kom van Puy-Moisson en heb den geheelen +dag geloopen. Ik heb twaalf uren afgelegd. Wilt ge? Tegen +betaling?”</p> +<p>„Ik kan een eerlijk man, die betaalt, niet weigeren te +logeeren,” zei de boer. „Maar waarom gaat ge niet naar de +herberg?”</p> +<p>„Er is geen plaats.”</p> +<p>„Hoe! niet mogelijk! ’t Is geen kermis of marktdag. Zijt +ge bij Labarre geweest?”</p> +<p>„Ja.”</p> +<p>„Nu?”</p> +<p>De reiziger antwoordde verlegen: „Hij wilde mij niet +opnemen.”</p> +<p>„Zijt ge bij... hoe heet hij—in de straat Chaffaut +geweest?”</p> +<p>De verlegenheid van den vreemdeling vermeerderde; hij stamelde: +„Hij wilde mij evenmin herbergen.”</p> +<p>Het gelaat van den landman nam een achterdochtige uitdrukking aan, +hij beschouwde den vreemdeling van het hoofd tot de voeten, en +eensklaps riep hij met een zekere huivering:</p> +<p>„Zoudt gij soms die man zijn?”</p> +<p>Hij sloeg opnieuw een blik op den vreemde, trad drie stappen +achteruit, zette de lamp op de tafel en nam het geweer van den +wand.</p> +<p>Intusschen was de vrouw op de woorden van den boer: „Zoudt gij +soms die man zijn?” opgestaan, had haar beide kinderen in de +armen genomen en zich schielijk achter haar man in veiligheid gesteld, +terwijl ze den vreemdeling met ontzetting aanzag, en, met afwerend +gebaar, „struikroover” fluisterde.</p> +<p>Dit alles geschiedde in minder tijd dan noodig is om het zich voor +te stellen. Na eenige oogenblikken den man aanschouwd te hebben, +evenals men een adder aanziet, ging de heer des huizes weder naar de +deur, en zeide:</p> +<p>„Ga heen!”</p> +<p>„Ik bid u,” hernam de man, „slechts een glas +water!”</p> +<p>„Een geweerschot!” zei de boer.</p> +<p>Toen sloot hij met kracht de deur dicht en de vreemde hoorde hem er +twee zware grendels voorschuiven. Een oogenblik <span class="pagenum">[<a id="pb75" href="#pb75" name="pb75">75</a>]</span>later +werd het luik voor het venster gedaan en met een ijzeren boom gesloten, +waarvan het gerucht buiten gehoord werd.</p> +<p>Het werd hoe langer hoe donkerder; de wind woei koud van de Alpen. +In de avondschemering zag de vreemde in een der tuinen aan den weg een +soort van hut, die van graszoden gebouwd scheen. Stoutmoedig sprong hij +over de houten heining in den tuin en naderde de hut, die tot ingang +een zeer lage opening had en overigens op die woningen geleek, welke de +[Fransche] straatwerkers aan den kant der wegen voor zich bouwen. Hij +meende ongetwijfeld, dat het inderdaad het verblijf van een +straatwerker was; hij leed koude en honger; hij had zich aan den honger +onderworpen, maar hier was ten minste een schuilplaats tegen de koude. +Deze soort van verblijven zijn gewoonlijk des nachts onbewoond. Hij +kroop op den buik in de hut. ’t Was er warm, en hij vond er een +tamelijk goed strooleger. Een oogenblik bleef hij op dit bed +uitgestrekt, zonder zich te kunnen bewegen, zoo vermoeid was hij. Maar +wijl de ransel op zijn rug hem hinderde en deze hem zeer geschikt voor +een oorkussen kon dienen, begon hij een der riemen los te gespen. Op +dit oogenblik hoorde hij een nijdig gebrom. Hij hief de oogen op en zag +in de opening der hut den kop van een reusachtigen dog.</p> +<p>Hij lag in een hondenhok!</p> +<p>Daar hij zelf sterk en onverschrokken was, nam hij zijn stok, +gebruikte zijn ransel tot schild, en kroop zoo goed hij kon uit het +hok, evenwel niet zonder zijn lompen nog haveloozer te maken.</p> +<p>Hij verliet eveneens den tuin, maar langzaam achteruit tredende en +steeds de batonneerkunst in praktijk brengende, ten einde den dog in +bedwang te houden.</p> +<p>Toen hij, niet zonder moeite, weder over de heining was gekomen en +zich opnieuw alleen, zonder nachtverblijf, zonder dak, zonder +schuilplaats op de straat bevond, zelfs van dat strooleger en uit dat +ellendig hok verjaagd, liet hij zich op een steen eer vallen dan hij er +zich op zette, en, zoo het schijnt, moet een voorbijganger hem hebben +hooren uitroepen: Ik ben zelfs geen hond!</p> +<p>Weldra stond hij weder op en ging verder, buiten de stad, in de hoop +een boom of een hooiberg op het veld te zullen vinden om hem te +beschutten.</p> +<p>Zoo ging hij met gebogen hoofd eenigen tijd voort. Toen hij zich +verre van eenige menschelijke woning zag, sloeg hij de oogen op, en om +zich heen. Hij was op een veld en zag voor zich een dier met stoppels +bedekte hoogten, welke na den oogst kaal geschoren hoofden gelijken. +<span class="pagenum">[<a id="pb76" href="#pb76" name="pb76">76</a>]</span></p> +<p>Aan den horizon was alles donker; ’t was niet alleen de +nachtelijke duisternis, ’t waren lage wolken, die op den heuvel +schenen te rusten en den geheelen hemel bedekten. Maar wijl de maan +opging en er aan de kim nog eenig licht schemerde, vormden de wolken +aan den hemel een soort van wit gewelf, waaruit op aarde eenige +helderheid nederdaalde.</p> +<p>De aarde was dus meer verlicht dan de hemel, wat steeds eene +bijzonder onaangename uitwerking doet; en de omtrek van den lagen +nietigen heuvel kwam flauw en bleek tegen den donkeren horizon uit. Dit +geheel tooneel was somber, akelig, benauwend. Er was op het veld en op +den heuvel niets, dan een wanstaltige boom, die, op eenige schreden van +den reiziger, al huiverende verdorde. Deze man bezat blijkbaar niets +van den fijnen, geestigen zin, waardoor men voor de geheimzinnige +opvatting der dingen vatbaar is; in deze lucht, in deze vlakte en in +dezen boom was echter iets zoo sombers, dat hij, na een oogenblik +stilgestaan en gemijmerd te hebben, eensklaps omkeerde. Er zijn +oogenblikken, waarin de natuur ons vijandig schijnt.</p> +<p>Hij keerde dus terug. De poorten van Digne waren gesloten. Deze +stad, welke in de religie-oorlogen meermalen belegerd is geweest, was +in 1815 nog door oude muren met vierkante torens omgeven, die sedert +geslecht zijn. Door een opening in den muur ging de man de stad weer +binnen.</p> +<p>’t Kon omstreeks acht uur in den avond zijn geweest. Wijl hij +de straten niet kende, begon hij weder op goed geluk af zijn +wandeling.</p> +<p>Zoo kwam hij aan de prefectuur, vervolgens aan het seminarie. Toen +hij over het plein der hoofdkerk ging, hief hij tegen de kerk zijn +vuist op.</p> +<p>Op den hoek van dit plein is een boekdrukkerij. Daar werden het +eerst de proclamatiën des keizers en der keizerlijke garde aan het +leger gedrukt, die van het eiland Elba medegebracht, door Napoleon +zelven gedicteerd waren.</p> +<p>Uitgeput van vermoeidheid en geen hoop meer hebbende, strekte de man +zich op de steenen bank uit, die bij de deur dier drukkerij stond.</p> +<p>Een oude vrouw kwam juist uit de kerk. Zij zag dezen man in den +donker liggen.</p> +<p>„Wat doet ge hier, vriend?” vroeg zij.</p> +<p>Op ruwen, strengen toon antwoordde hij:—„Gij ziet +immers, goede vrouw, dat ik mij te slapen leg.”</p> +<p>De goede vrouw, welke dien naam inderdaad verdiende, was de +markiezin de R.</p> +<p>„Op deze bank?” hernam zij. <span class="pagenum">[<a id="pb77" href="#pb77" name="pb77">77</a>]</span></p> +<p>„Gedurende negentien jaren heb ik op een houten bed +geslapen,” zei de man, „nu heb ik er een van +steen.”</p> +<p>„Zijt gij soldaat geweest?”</p> +<p>„Ja, goede vrouw, soldaat.”</p> +<p>„Waarom gaat ge niet naar de herberg?”</p> +<p>„Wijl ik geen geld heb.”</p> +<p>„Helaas,” zei mevrouw R. „ik heb slechts vier +stuivers in mijn beurs.”</p> +<p>„Schenk ze mij.”</p> +<p>De man nam de vier stuivers. Mevrouw de R. hernam:—„Voor +dit weinige kunt ge in een herberg niet slapen. Hebt ge ’t reeds +beproefd? Ge kunt onmogelijk den nacht zoo doorbrengen. Ge hebt +ongetwijfeld honger en zijt koud. Men had u uit menschlievendheid +moeten huisvesten.”</p> +<p>„Ik heb overal aangeklopt.”</p> +<p>„En?”</p> +<p>„Men heeft mij overal weggejaagd.”</p> +<p>De „goede vrouw” legde haar hand op den arm van den man +en wees hem aan de andere zijde van het plein een laag huis, naast het +bisschoppelijk paleis.</p> +<p>„Gij zegt, dat ge overal hebt aangeklopt?”</p> +<p>„Ja.”</p> +<p>„Hebt ge dáár aangeklopt?”</p> +<p>„Neen.”</p> +<p>„Klop daar dan aan.”</p> +</div> +</div> +<div id="ch2.2" class="div1"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">Tweede hoofdstuk.</h2> +<h2 class="main">Voorzichtigheid ga met wijsheid gepaard.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Op dien avond was de bisschop van Digne, na zijn gewone +wandeling door de stad, tamelijk lang in zijn kamer gebleven. Hij hield zich +met een groot werk over de „Plichten” bezig, dat helaas niet +voltooid is. Met zorg verzamelde hij alles wat de kerkvaders en leeraars over +dit gewichtige onderwerp gezegd hadden. Zijn boek bevatte twee afdeelingen: ten +eerste de plichten van allen; ten tweede de plichten van ieder, naar de klasse +waartoe hij behoort. De plichten van allen zijn de groote plichten. Zij zijn +vier in getal. Mattheus wijst ze aan: plichten jegens God, plichten jegens zich +zelven, plichten jegens den naaste, plichten jegens de schepselen. De overige +plichten had de bisschop elders aangewezen en voorgeschreven gevonden; aan de +vorsten en onderdanen, in den brief aan de <span class="pagenum">[<a id="pb78" href="#pb78" name= "pb78">78</a>]</span>Romeinen; aan de overheid, aan de +vrouwen, moeders en jongelingen, door Petrus; aan de mannen, vaders, kinderen +en dienstboden, in den brief aan de Ephezen; aan de geloovigen, in den brief +aan de Hebreeën; aan de maagden, in den brief aan de Corinthen.</p> +<p>Al deze voorschriften werkte hij tot een harmonisch geheel uit, +’t welk hij der wereld wilde aanbieden.</p> +<p>Des avonds te acht uren was hij nog werkzaam, en schreef tamelijk +lastig op kleine blaadjes, met een groot opengeslagen boek op de +knieën, als Magloire, naar gewoonlijk, binnentrad om het +zilverwerk uit het kastje bij het bed te nemen. Een oogenblik daarna +sloeg de bisschop, bevroedende dat de tafel gedekt was en zijn zuster +hem misschien wachtte, het boek dicht, stond op en trad de eetkamer +binnen.</p> +<p>Deze eetkamer was een langwerpig vertrek met een schoorsteen, met +een deur aan de straat (zooals gezegd is), en een raam, dat in den tuin +uitzag.</p> +<p>Magloire was met het dekken der tafel bezig. Ondertusschen sprak zij +met mejuffrouw Baptistine.</p> +<p>Op de tafel stond een lamp; de tafel zelve stond bij den +schoorsteen. Een goed vuur brandde in den haard.</p> +<p>Men kan zich gemakkelijk deze twee vrouwen voorstellen, die beide de +zestig gepasseerd waren: Magloire, klein, dik, levendig; mejuffrouw +Baptistine zachtaardig, mager, zwak, iets grooter dan haar broeder, +gekleed in een <i>puce</i>-kleurig zijden japon, een modekleur van +1806, welke zij destijds te Parijs had gekocht en nog droeg. Om eene +der gemeenzame zegswijzen te gebruiken, welke de verdienste hebben met +een enkel woord het denkbeeld uit te drukken, dat een geheele bladzijde +nauwelijks zou kunnen aanduiden, Magloire zag er uit als een +<i>boerin</i>, en mejuffrouw Baptistine als een <i>dame</i>. Magloire +droeg een wit geplooid mutsje, aan den hals een gouden kruis, het +eenige vrouwelijke gouden sieraad, dat in het huis was, een helder wit +halsdoekje, dat uit een zwart wollen kleed met wijde, korte mouwen te +voorschijn kwam, een voorschoot van rood-en-groen geruit katoen, met +een groenen band om het lijf gebonden, en met een dergelijk borststuk, +dat boven aan de punten met twee spelden was vastgehecht, plompe +schoenen en gele kousen, zooals de vrouwen te Marseille dragen. De +japon van mejuffrouw Baptistine was gemaakt naar de mode van 1806: kort +lijf, engen rok, mouwen met opslagen en knoopen. Haar grijs haar was +onder een gekruld naturelletje, <i lang="fr">à +l’enfant</i> verborgen. Magloire had een schrander, levendig en +goed gezicht; de beide hoeken van haar mond, die niet op gelijke hoogte +waren, en de bovenlip, die dikker dan de onderlip <span class="pagenum">[<a id="pb79" href="#pb79" name="pb79">79</a>]</span>was, +gaven haar iets barschs en heerschzuchtigs. Zoolang Monseigneur zweeg, +sprak zij, op half eerbiedigen, half vrijen toon, tamelijk onbeschroomd +tot hem, doch zoodra Monseigneur sprak, gehoorzaamde zij even lijdelijk +als mejuffrouw Baptistine, gelijk wij gezien hebben. Deze sprak zelfs +niet, en bepaalde er zich toe te gehoorzamen en voorkomend te zijn. +Zelfs in haar jeugd was zij niet mooi geweest; zij had groote, +eenigszins uitpuilende oogen, en een langen, smallen neus; maar haar +gelaat, haar geheele persoon drukte, gelijk vroeger gezegd is, een +oneindige goedheid uit. Zij was steeds tot zachtmoedigheid gestemd +geweest; maar de hoop, het geloof en de liefde, deze drie deugden, +welke het hart zacht verwarmen, hadden allengs deze zachtmoedigheid tot +heiligheid verheven. De natuur had haar een lam, de godsdienst een +engel gemaakt. Arme vrome dochter! Verdwenen zoete herinnering!</p> +<p>Mejuffrouw Baptistine heeft sedert zoo dikwerf het gebeurde van dien +avond in de bisschoppelijke woning verhaald, dat verscheiden thans nog +in leven zijnde personen zich daarvan de kleinste bijzonderheden +herinneren.</p> +<p>Toen de bisschop binnentrad, sprak Magloire met eenige levendigheid +tot mejuffrouw over een zaak, die haar gedurig bezighield en waaraan de +bisschop reeds gewoon was; namelijk over de klink der voordeur.</p> +<p>Het schijnt, dat Magloire, die eenige benoodigdheden voor het +avondeten was gaan koopen, op verschillende plaatsen ’t een en +ander had hooren verhalen van een verdachten landlooper en spitsboef, +die in de stad was gekomen en er zich moest ophouden, zoodat degenen, +die dien nacht laat op straat waren, gevaar konden loopen. Dat de +politie buitendien in zeer slechten staat was, aangezien mijnheer de +prefect en mijnheer de maire geen vrienden waren en elkander in +ongelegenheid trachtten te brengen door onaangename tooneelen te doen +plaats hebben. De voorzichtige burgers moesten dus zelve voor de +politie zorgen en zich beschermen; zij moesten zorgvuldig alles sluiten +en grendelen, „bovenal de voordeuren.”</p> +<p>Magloire drukte op deze laatste woorden; maar de bisschop kwam uit +zijn kamer, waar het tamelijk koud was geweest, nam plaats aan den +haard, warmde zich en dacht aan andere zaken. Hij lette dus niet op +’t geen Magloire gezegd had. Zij herhaalde het. Nu waagde het +mejuffrouw Baptistine, die Magloire welgevallig wilde zijn, zonder haar +broeder te mishagen, bedeesd te vragen:</p> +<p>„Hoort ge, lieve broeder, wat Magloire zegt?” +<span class="pagenum">[<a id="pb80" href="#pb80" name="pb80">80</a>]</span></p> +<p>„Ik heb er iets van gehoord,” antwoordde de bisschop. +Hij draaide zijn stoel ten halve om, legde zijn beide handen op de +knieën, en zijn goedhartig, vriendelijk gelaat, dat door +<span class="corr" id="xd20e1793" title="Bron: he">het</span> vuur +beschenen werd, naar de oude dienstmaagd keerende vroeg hij:</p> +<p>„Nu, wat is er? wat is er? Worden wij door eenig groot gevaar +bedreigd?”</p> +<p>Toen verhaalde Magloire haar geheele geschiedenis, onwillekeurig met +eenige overdrijving. Een heiden, een schooier, een soort van +gevaarlijke bedelaar zou in de stad zijn! Hij was bij Jacquin Labarre +geweest om er te logeeren, maar deze had hem niet willen opnemen. Men +had hem de voorstad Gassendi zien inkomen en tegen den avond de straten +zien doorkruisen. Een roover en moordenaar met een verschrikkelijk +gezicht.</p> +<p>„Waarlijk?” zei de bisschop.</p> +<p>Deze vraag moedigde Magloire aan om voort te gaan, en scheen aan te +duiden dat de bisschop niet volkomen gerust was; derhalve voer zij +zegevierend voort:</p> +<p>„Ja, Monseigneur; ’t is zooals ik zeg. Er gebeurt van +nacht zekerlijk een ongeluk in de stad. Iedereen zegt het. En daarbij +is de politie heel slecht (nuttige herinnering). In een bergstreek te +wonen en niet eens des nachts lantaarns op de straat te hebben! Zoo men +uitgaat, is ’t er donker als in een oven! Ik zeg u, Monseigneur, +en mejuffrouw zegt het ook...”</p> +<p>„Ik!” viel de zuster de spreekster in de rede, „ik +zeg niets. Zooals mijn broeder doet is ’t mij wel.”</p> +<p>Magloire vervolgde, als ware er geen tegenspraak geschied:</p> +<p>„Wij zeiden dat dit huis volstrekt niet veilig is, dat, zoo +Monseigneur het veroorlooft, ik Paulin Musebois, den smid zal gaan +zeggen, dat hij de grendels weder aan de deur moet maken; zij zijn er +nog, ’t is in een oogenblik gedaan. Ik zeg u, Monseigneur, dat +wij grendels moeten hebben, al ware het alleen voor dezen nacht; want +niets is verschrikkelijker, dan een deur, die met een klink van buiten +geopend kan worden door den eerste den beste, en Monseigneur heeft de +gewoonte ieder maar binnen te laten, al is ’t ook midden in den +nacht; lieve Hemel, men behoeft niet eens verlof te vragen...” Op +dit oogenblik werd juist vrij hard aan de deur geklopt.</p> +<p>„Binnen,” riep de bisschop. <span class="pagenum">[<a id="pb81" href="#pb81" name="pb81">81</a>]</span></p> +</div> +</div> +<div id="ch2.3" class="div1"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">Derde hoofdstuk.</h2> +<h2 class="main">Heldenmoed der lijdelijke gehoorzaamheid.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">De deur werd, met drift, wijd geopend, als door iemand +die evenzeer kracht als stoutmoedigheid bezit.</p> +<p>Een man trad binnen.</p> +<p>Wij kennen hem reeds. ’t Is de voetreiziger, dien wij straks +een nachtverblijf hebben zien zoeken.</p> +<p>Hij trad binnen, naderde een schrede, en bleef staan, de deur achter +zich open latende. Hij had den ransel op den rug, zijn stok in de hand, +een uitdrukking van ruwheid, vermetelheid, vermoeidheid en drift in de +oogen. Het schijnsel van het vuur verlichtte hem. Hij was afschuwelijk. +’t Was een onaangename verschijning.</p> +<p>Magloire had zelfs de kracht niet een kreet te uiten. Zij stond met +open mond te beven.</p> +<p>Mejuffrouw Baptistine keerde zich om, zag den man die binnentrad en +richtte zich, verschrikt, half op, doch wendde weder langzaam haar +hoofd naar den haard, zag haar broeder aan, en haar gelaat werd weder +volkomen kalm en onbezorgd.</p> +<p>De bisschop vestigde een rustigen blik op den man. Toen hij den mond +opende, waarschijnlijk om den binnengetredene te vragen wat hij +begeerde, legde de man beide handen over elkander op zijn stok, zag +beurtelings den grijsaard en de vrouwen aan, en zeide luid, zonder te +wachten tot de bisschop sprak:</p> +<p>„Hoor! ik heet Jean Valjean. Ik ben een galeiboef. Ik heb +negentien jaren in ’t bagno doorgebracht. Sinds vier dagen ben ik +ontslagen en op weg naar Pontarlier, de plaats mijner bestemming. Sinds +vier dagen ben ik van Toulon op weg. Vandaag heb ik twaalf uren te voet +afgelegd. Toen ik vanavond in de stad kwam, ging ik naar een herberg, +waar men mij afwees, uithoofde van mijn geel paspoort, dat ik aan +’t Stadhuis had vertoond. Ik moest dit. Toen ging ik naar een +andere herberg. Daar zeide men tot mij: „Ga heen!” Niemand +wilde met mij te doen hebben. Ik ging naar de gevangenis, de portier +wilde mij de deur niet openen. Ik kroop in een hondenhok. De hond beet +en verjoeg mij, als ware hij een mensch geweest. Hij scheen te weten, +wie ik was. Toen ging ik naar het veld, om onder den blooten hemel te +slapen. Er was geen ster te zien. Ik meende, dat het zou regenen en er +geen goede <span class="pagenum">[<a id="pb82" href="#pb82" name="pb82">82</a>]</span>God was om den regen tegen te houden; ik keerde +dus naar de stad terug om er een schuilplaats te zoeken. Ginds op het +plein wilde ik op een steenen bank gaan slapen, toen een goede vrouw +mij uw huis wees en zeide: „klop daar aan!” Ik heb geklopt. +Wat is ’t hier? Is ’t hier een herberg? Ik heb geld, mijn +opgespaard loon. Honderd negen francs, vijftien sous, die ik in bagno +door mijn arbeid in negentien jaren verdiend heb. Ik wil betalen. Wat +kan ’t mij schelen? Ik heb geld. Ik ben zeer +vermoeid;—twaalf uren loopens, ik heb grooten honger. Mag ik +blijven?”</p> +<p>„Magloire,” zei de bisschop, „dek voor nog een +persoon.”</p> +<p>De man deed drie schreden en naderde de lamp, die op de tafel stond. +„Spreek,” zeide hij, als hadde hij ’t niet begrepen. +„Hebt ge mij verstaan? Ik ben een galeiboef, een tuchteling. Ik +kom van de galeien.” Hij haalde een groot geel papier uit zijn +zak, dat hij opensloeg.—„Hier is mijn paspoort, ziet ge, +’t is geel. Dit dient om mij overal te doen wegjagen, waar ik +kom. Wilt ge ’t lezen? Ik kan lezen; ik heb ’t in ’t +bagno geleerd. Er is een school voor hen, die leeren willen. Zie, wat +men in het paspoort gezet heeft: „Jean Valjean, ontslagen +galeiboef, geboren te...” dat doet er niet toe... „is +negentien jaar in het bagno geweest. Vijf jaren wegens diefstal met +inbraak. Veertien jaren wegens viermaal herhaalde poging tot +ontvluchting. Deze man is zeer gevaarlijk.” Dat staat er. +Iedereen heeft mij uitgeworpen. Wilt gij mij ontvangen? Is dit een +herberg? Wilt ge mij te eten en een nachtverblijf geven? hebt ge een +stal?”</p> +<p>„Magloire,” zei de bisschop, „leg schoone lakens +op het bed in de alkoof.”</p> +<p>Wij hebben reeds gezegd van welken aard de gehoorzaamheid der beide +vrouwen was.</p> +<p>Magloire ging om het bevel te volvoeren.</p> +<p>De bisschop zeide nu tot den man:</p> +<p>„Ga zitten, mijn vriend, en warm u. Wij gaan terstond aan den +maaltijd, en terwijl ge eet zal men uw bed gereed maken.”</p> +<p>Nu begreep de man volkomen. De uitdrukking van zijn gelaat, tot +hiertoe somber en hard, gaf verbazing, twijfel, blijdschap, een +onbeschrijfelijk gevoel te kennen. Hij stotterde als een +waanzinnige!</p> +<p>„Hoe? wat? inderdaad? Gij houdt mij? gij verjaagt mij niet? +een galeiboef! gij noemt mij „mijn vriend!” Gij snauwt mij +niet af: weg hond! zooals men mij steeds doet. Ik meende, dat ge mij +wel zoudt wegjagen. Daarom zeide ik dadelijk wie ik ben. O, de goede +vrouw, die mij hierheen heeft gewezen! <span class="pagenum">[<a id="pb83" href="#pb83" name="pb83">83</a>]</span>Ik zal eten! Een bed met +matrassen en lakens! zooals iedereen heeft! een bed! Sedert negentien +jaren heb ik op geen bed geslapen! Gij meent immers dat ik mag blijven? +Gij zijt brave lieden. Ik heb trouwens geld, en zal goed betalen. +Vergeving, mijnheer de herbergier, hoe heet ge? ik zal betalen wat ge +vraagt. Ge zijt een braaf man. Ge zijt herbergier, niet waar?</p> +<p>„Ik ben een priester, die hier woont,” zei de +bisschop.</p> +<p>„Een priester!” herhaalde de man. „Ha, zoo, een +waardig priester! Dus vordert ge geen geld van mij? de pastoor, niet +waar? de pastoor van die groote kerk? Kijk, ’t is waar, hoe dom, +ik had uw kapje nog niet gezien!”</p> +<p>Dus sprekende had hij zijn ransel en stok in een hoek gelegd, zijn +paspoort in den zak gestoken en was gaan zitten. Mejuffrouw Baptistine +zag hem met deelneming aan. Hij hernam:</p> +<p>„Ge zijt menschlievend, mijnheer de pastoor, ge veracht mij +niet. Een goed priester is iets zeer goeds. Ik behoef u dus niet te +betalen?”</p> +<p>„Neen,” zei de bisschop, „behoud uw geld. Hoeveel +hebt ge? Hebt ge mij niet gezegd: honderd negen francs?”</p> +<p>„En vijftien sous,” voegde de man er bij.</p> +<p>„Honderd negen francs vijftien sous. Hoeveel tijd hebt ge +noodig gehad, om dat geld te verdienen?”</p> +<p>„Negentien jaren.”</p> +<p>„Negentien jaren!” herhaalde de bisschop met een diepen +zucht.</p> +<p>De man voer voort:—„Ik heb al mijn geld nog. In vier +dagen heb ik slechts vijfentwintig sous uitgegeven, welke ik verdiend +heb met het afladen van wagens te Grasse. Wijl ge een geestelijke zijt, +zal ik u zeggen, dat wij in het bagno een aalmoezenier hadden. En +eenmaal heb ik ook een bisschop gezien. Een Monseigneur, zooals men hem +noemt. ’t Was de bisschop de la Majore van Marseille. ’t Is +de pastoor, die boven de pastoors is. Vergeving, ge weet het beter; ik +druk mij misschien niet goed uit, maar die dingen zijn voor mij te +hoog.—Ge begrijpt, voor onze soort.—Hij deed midden in het +bagno de mis, en hij had een spits ding van goud op het hoofd. Het +glinsterde in de middagzon. Wij stonden aan drie zijden in ’t +gelid, tegenover ons de geladen kanonnen met brandende lont. Wij konden +niet goed zien. Hij sprak, maar hij was te ver en wij konden hem niet +verstaan. Dat is nu een bisschop.”</p> +<p>Terwijl hij sprak, had de bisschop de deur gesloten, die wijd open +was gebleven.</p> +<p>Magloire kwam terug, met bord, lepel, vork en mes, en legde ’t +op de tafel. <span class="pagenum">[<a id="pb84" href="#pb84" name="pb84">84</a>]</span></p> +<p>„Magloire.” zei de bisschop, „zet dit bord zoo +dicht mogelijk bij het vuur.” En zich tot zijn gast +wendende:—„De nachtwind is guur in de Alpen. Ge moet koud +zijn, mijn vriend?”</p> +<p>Telkens wanneer hij dit woord met zijn minzame, ernstige stem en op +hartelijken toon tot den man sprak, glinsterde diens gelaat. ’t +Woord „vriend” is voor den tuchteling als een glas water +voor een schipbreukeling der Medusa. De schande dorst naar eer.</p> +<p>„Deze lamp brandt slecht,” zei de bisschop.</p> +<p>Magloire begreep hem en ging om van den schoorsteen in de slaapkamer +van Monseigneur de twee zilveren kandelaars te halen, welke zij met +brandende kaarsen op de tafel plaatste.</p> +<p>„Ge zijt wel zeer goed, mijnheer de pastoor, gij veracht mij +niet,” zei de man. „Gij ontvangt mij in uw huis. Ge +ontsteekt uw waskaarsen voor mij. Ik heb u evenwel niet verborgen, van +waar ik kom en dat ik een ongelukkige ben,”</p> +<p>De bisschop, die naast hem zat, legde zacht de hand op de zijne en +zeide:—<span class="corr" id="xd20e1899" title="Niet in bron">„</span>Ge behoefdet mij niet te zeggen wie ge +zijt. Dit is niet mijn huis, maar het huis van Jezus Christus. Deze +deur vraagt den binnentredende niet, hoe hij heet; maar of hij lijdt. +Gij lijdt, gij hebt honger en dorst; ge zijt dus welkom. Dank mij niet; +zeg niet, dat ik u in mijn huis ontvang. Niemand is hier te huis, dan +hij die een schuilplaats noodig heeft. Ik zeg u, die hier doortrekt, +dat ge hier meer in uw huis zijt dan ik, die hier woon. Al wat hier is, +komt u toe. Wat heb ik dus noodig uw naam te weten? Overigens, voor ge +mij dien zeidet, hadt ge er een, dien ik kende.”</p> +<p>De man opende wijd de oogen, en vroeg:</p> +<p>„Waarlijk! wist ge hoe ik heet?”</p> +<p>„Ja,” antwoordde de bisschop, „gij heet mijn +broeder.”</p> +<p>„Zie, mijnheer de pastoor!” riep de man, „toen ik +hier kwam had ik grooten honger, maar ge zijt zoo goed, dat ik nu niet +meer weet wat ik heb; ’t is over.”</p> +<p>De bisschop zag hem aan en zeide:</p> +<p>„Gij hebt veel geleden?”</p> +<p>„O, het roode buis, de kogel aan den voet, een plank om op te +slapen, hitte, koude, arbeid, het roeien, de stokslagen, de dubbele +keten voor niets, het cachot voor een woord, zelfs de ketens, als men +ziek te bed ligt. De honden, de honden zijn gelukkiger! negentien jaar! +ik ben zesenveertig jaar oud. En nu de gele pas!”</p> +<p>„Ja,” hernam de bisschop, „gij komt uit een +treurige plaats. Maar luister! In den hemel zal meer vreugd zijn over +het <span class="pagenum">[<a id="pb85" href="#pb85" name="pb85">85</a>]</span>beschreid gelaat van één zondaar die +zich bekeert, dan over het witte kleed van negenennegentig +rechtvaardigen. Zoo ge dat smartelijke oord hebt verlaten vol haat en +vijandschap tegen de menschen, zijt ge medelijdenswaard; zoo ge het +hebt verlaten met goede, liefderijke en vreedzame gedachten, zijt ge +meer waardig dan een onzer.”</p> +<p>Intusschen had Magloire het avondeten opgedragen: een soep, +bestaande uit water, olie, brood en zout; een weinig spek, een stukje +schapenvleesch, vijgen, versche kaas en een groot roggebrood. Zij had +er, naar de gewoonte van den bisschop, een flesch ouden Mauveswijn +bijgevoegd.</p> +<p>Thans nam het gelaat des bisschops de opgeruimde uitdrukking aan, +die aan gastvrije menschen eigen is:—Nu aan tafel! riep hij +levendig, zooals hij gewoon was, wanneer hij een gast ten eten had. Hij +plaatste den vreemdeling aan zijn rechterhand. Baptistine, die nu +volkomen gerust en in haar gewone gemoedsstemming was, zette zich aan +zijn linkerzijde.</p> +<p>De bisschop sprak het gebed, toen bediende hij, als naar gewoonte, +ieder van soep. De man at gulzig.</p> +<p>Eensklaps zei de bisschop:—Maar mij dunkt, dat er iets op +tafel ontbreekt.</p> +<p>Inderdaad, Magloire had niet meer dan de noodige drie lepels en +vorken op tafel gelegd. ’t Was echter in dit huis gebruikelijk, +dat, wanneer de bisschop iemand ten eten had, de zes zilveren lepels en +vorken op den disch werden gelegd. Dit vertoon van weelde was in dit +ernstig, vriendelijk huis een onschuldig kinderlijk genoegen, ’t +welk aan de armoede waardigheid verleende.</p> +<p>Magloire begreep de aanmerking, verwijderde zich zonder een woord te +zeggen, en een oogenblik later blonk het door den bisschop verlangde +zilverwerk voor ieder der drie dischgenooten op het tafellaken.</p> +</div> +</div> +<div id="ch2.4" class="div1"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">Vierde hoofdstuk.</h2> +<h2 class="main">Bijzonderheden aangaande de kaasmakerijen te +Pontarlier.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Om een denkbeeld te geven van ’t geen nu aan +tafel plaats had, kunnen wij niets beter doen dan hier eenige zinsneden +uit een brief van mejuffrouw Baptistine aan mevrouw de Boischevron over +te schrijven, waarin het gesprek tusschen <span class="pagenum">[<a id="pb86" href="#pb86" name="pb86">86</a>]</span>den galeiboef en den +bisschop met naïeve uitvoerigheid verhaald wordt.</p> + +<hr /> + +<p>„... De man lette op niemand. Hij at met de gulzigheid van een +uitgehongerde. Evenwel zeide hij, toen het eten gedaan was:</p> +<p>„Mijnheer de pastoor van den lieven God, dit alles is +zekerlijk voor mij te goed; maar ik moet toch zeggen, dat de +voerlieden, die mij niet aan hun disch wilden toelaten, beter eten dan +gij.</p> +<p>„Onder ons gezegd, deze aanmerking krenkte mij eenigszins. +Mijn broeder antwoordde:</p> +<p>„Hun werk is zwaarder dan het mijne.”</p> +<p>„Neen,” hernam de man, „zij hebben meer geld. Ge +zijt arm, ik zie ’t wel. Misschien zijt gij niet eens pastoor. +Zijt ge wel pastoor? Voorwaar, zoo de hemel rechtvaardig ware, zoudt ge +pastoor moeten zijn.”</p> +<p>„De hemel is meer dan rechtvaardig,” zei mijn +broeder.</p> +<p>„Een oogenblik later liet hij er op volgen:</p> +<p>„Vriend Valjean, ge gaat naar Pontarlier, niet waar?</p> +<p>„Volgens de mij voorgeschreven marschroute.</p> +<p>„Ik geloof, dat de man zoo zeide.</p> +<p>„Toen vervolgde hij:</p> +<p>„Morgen zoodra de dag aanbreekt moet ik op weg zijn. ’t +Is moeielijk reizen; des nachts koud, overdag heet.”</p> +<p>„Ge gaat naar een goed gewest,” zei mijn broeder. +Tijdens de revolutie verloor mijn familie alles; ik nam vooreerst de +wijk naar Franche-Comté, waar ik eenigen tijd door handenarbeid +leefde. Mijn wil was goed, en ik vond er werk. Men behoeft slechts te +kiezen: er zijn papiermolens, leerlooierijen, brandewijnstokerijen, +oliepersen, groote fabrieken van uurwerken, staal- en koperfabrieken, +ten minste twintig ijzersmelterijen, waarvan vier te Lods, voorts te +Chatillon, te Audincourt, te Beure, die alle zeer belangrijk +zijn...</p> +<p>„Ik geloof dat ik mij niet vergis en dit de namen zijn, welke +mijn broeder noemde; toen richtte hij zich tot mij met de vraag:</p> +<p>„Hebben wij in dat land niet nog verwanten, lieve zuster?</p> +<p>„Ik antwoordde:</p> +<p>„Wij hebben er gehad, onder anderen mijnheer de Lucenet, die +tijdens de vorige regeering te Pontarlier kapitein der poorten was.</p> +<p>„Ja,” hernam mijn broeder, „maar in 93 had iemand +slechts zijn handen en geen familie. Ik heb gewerkt. In de omstreken +van Pontarlier, waarheen ge gaat, vriend Valjean, wordt een +<span class="pagenum">[<a id="pb87" href="#pb87" name="pb87">87</a>]</span>zeer aartsvaderlijke en schoone industrie +uitgeoefend, namelijk de kaasmakerij.”</p> +<p>„Terwijl de man at, gaf mijn broeder hem eenige nauwkeurige +inlichtingen nopens die kaasmakerijen. Er zijn twee soorten:—de +groote, die aan de rijken behooren en die veertig of vijftig koeien +hebben, welke elken zomer zeven of acht duizend kazen opleveren; en de +vereenigde kaasmakerijen van de minder welgestelde boeren van het +midden-gebergte, welke hun koeien in gemeenschap houden en de opbrengst +er van deelen. Zij nemen een kaasmaker in hun dienst, dien zij +<i>grurin</i> noemen;—deze ontvangt driemaal daags de melk der +vennooten en teekent de hoeveelheid er van op een dubbelen kerfstok +aan; tegen het einde der maand April begint het werk der +kaasmakerijen;—en tegen half Juni drijven de kaasmakers hun +koeien naar het gebergte.</p> +<p>„Al etende werd de man levendiger. Mijn broeder schonk hem +goeden wijn van Mauves, dien hij zelf niet drinkt, wijl hij hem te duur +vindt. Mijn broeder zeide den man al deze bijzonderheden met zijn u +bekende gulle vroolijkheid, en mengde nu en dan onder zijn woorden iets +vleiends voor mij.</p> +<p>„Hij weidde vooral uit over het goede beroep van den +<i>grurin</i> (kaasmaker), als wilde hij den man te verstaan geven, +zonder het hem rechtstreeks aan te raden, dat dit een uitstekend middel +van bestaan voor hem zou zijn. Één ding trof mij. De man +was, wat ik u gezegd heb. Maar mijn broeder sprak onder het eten, en +ook den geheelen avond, behalve bij zijn binnenkomen eenige woorden +over Jezus, niets wat den man kon herinneren aan ’t geen hij was, +noch hem kon doen weten wat mijn broeder is. ’t Was echter een +goede gelegenheid geweest voor een kleine predikatie, om den galeiboef +te doen opmerken, dat hij met een bisschop te doen had. Het zou +misschien een ander zijn voorgekomen, dat het hier, waar hij zulk een +rampzalige voor zich had, zaak was geweest zijn ziel evenzeer als zijn +lichaam te voeden en hem eenige vermaningen en zedenlessen te geven en +hem aan te sporen zich voortaan beter te gedragen. Mijn broeder vroeg +hem evenmin naar zijn geboorteplaats als naar zijn geschiedenis. Want +in zijn geschiedenis lag zijn misdrijf opgesloten, en mijn broeder +scheen alles te vermijden, wat er hem aan kon herinneren. Dit ging +zelfs zoo ver, dat toen mijn broeder sprak van de bergbewoners van +Pontarlier, die „een licht werk, nabij den hemel, hebben en +die,” voegde hij er bij, „gelukkig zijn door hun +onschuld,” hij plotseling ophield, vreezende dat in deze woorden, +welke hem ontglipt waren, iets mocht liggen dat den man had kunnen +grieven. Na rijpe overweging meen ik begrepen te hebben, wat in het +<span class="pagenum">[<a id="pb88" href="#pb88" name="pb88">88</a>]</span>hart mijns broeders omging. Hij meende +waarschijnlijk, dat deze man, deze Jean Valjean, maar al te veel aan +zijn tegenwoordige ellende dacht, dat het beter was er hem van af te +leiden, en, al ware het maar voor een oogenblik, hem te doen gelooven, +dat hij iemand was als ieder ander, door jegens hem als jegens ieder +ander te zijn. Is dat niet inderdaad het rechte betoon van +liefdadigheid? Is er niet, lieve mevrouw, iets waarlijk evangelisch in +deze kieschheid, welke zich van prediking, zedenlessen en toespelingen +onthoudt en, zoo de mensch een pijnlijke plek heeft, is ’t niet +het beste medelijden, die in ’t geheel niet aan te raken? Het +scheen mij, dat dit de heimelijke bedoeling mijns broeders was. Hoe het +zij, wat ik er van zeggen kan is, dat zoo hij zulks bedoeld heeft, hij +er niets van heeft laten blijken, zelfs niet tegen mij; hij was van +’t begin tot het einde dezelfde man als elken avond en at met +dien Jean Valjean op dezelfde wijze als hij met den heer +Gédéon of met den heer pastoor der parochie zou gegeten +hebben.</p> +<p>„Tegen het einde van den maaltijd, toen wij aan de vijgen +waren, werd er aan de deur geklopt. ’t Was vrouw Gerbaud met haar +kind op den arm. Mijn broeder kuste het kindje op ’t voorhoofd en +leende van mij vijftien stuivers, die ik in mijn beurs had, om ze aan +vrouw Gerbaud te geven. De man sloeg weinig acht op dit alles. Hij +sprak niet meer en scheen zeer vermoeid. Toen de arme oude vrouw +Gerbaud vertrokken was, dankte mijn broeder, en zich daarna tot den man +wendende zeide hij: ge hebt er zeker groote behoefte aan, naar bed te +gaan. Magloire nam schielijk de tafel af. Ik begreep dat wij ons +moesten verwijderen om den reiziger naar bed te laten gaan, en wij +gingen beiden naar boven. Een oogenblik later zond ik echter Magloire +terug, om op het bed van dien man het vel eener reegeit uit het +Schwarzwald te leggen, dat in mijn kamer ligt. De nachten zijn koud en +zulk een vel verwarmt. ’t Is jammer, dat het zoo oud is; het +verliest al zijn haar. Mijn broeder heeft het gekocht toen hij in +Duitschland was, te Tottlingen, nabij de bronnen van den Donau, zooals +ook het mesje met ivoren hecht, waarvan ik mij aan tafel bedien.</p> +<p>„Magloire kwam spoedig terug, en wij deden ons gebed in de +zaal waar het linnen wordt gedroogd, waarna wij elk naar onze kamer +gingen, zonder een woord te spreken.” <span class="pagenum">[<a id="pb89" href="#pb89" name="pb89">89</a>]</span></p> +</div> +</div> +<div id="ch2.5" class="div1"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">Vijfde hoofdstuk.</h2> +<h2 class="main">Gerustheid.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Na zijn zuster goeden nacht te hebben gezegd, nam +Monseigneur Bienvenu een der zilveren kandelaars van de tafel, gaf den +anderen aan zijn gast en zeide:</p> +<p>„Ik zal u naar uw kamer brengen, mijn vriend!”</p> +<p>De man volgde hem.</p> +<p>Zooals men in het voorafgaande heeft kunnen opmerken, was de woning +zoodanig ingericht dat men, om in de bidkamer waar de alkoof was te +komen, de slaapkamer van den bisschop moest doorgaan.</p> +<p>Juist toen hij door die kamer ging, sloot Magloire het zilverwerk in +het kastje naast het bed. Dit was het laatste, wat zij iederen avond +verrichtte, vóór zij naar bed ging.</p> +<p>De bisschop geleidde zijn gast naar de alkoof, waar een helder, +frisch bed was gespreid. De man zette den kandelaar op een +tafeltje.</p> +<p>„Nu,” zei de bisschop, „ik wensch u een goeden +nacht. Morgen vroeg, vóór gij heengaat, zult ge een kom +warme melk van onze koeien te drinken hebben.”</p> +<p>„Ik dank u, mijnheer de pastoor,” zei de man.</p> +<p>Nauwelijks had hij deze vreedzame woorden gezegd, toen zich +plotseling en zonder eenige aanleiding een zonderling gevoel van hem +meester maakte, een gevoel, dat de twee vrome dochters, zoo zij er +getuigen van waren geweest, met schrik zou vervuld hebben! Zelfs thans +nog zou ’t ons moeielijk zijn, een verklaring te geven van +’t geen hem in dien oogenblik bewoog. Wilde hij waarschuwen of +dreigen? Gehoorzaamde hij eenvoudig aan een soort van instinctmatige, +hem zelven onverklaarbare aandrift? Hij keerde zich eensklaps naar den +bisschop om,—kruiste de armen, en zijn gastheer met een wilden +blik aanziende, riep hij hem met een ruwe stem toe:</p> +<p>„Zoo, ge wilt mij dus stellig huisvesten; en zoo dicht bij +u?”</p> +<p>Hij hield eensklaps op, en hernam toen met een vreeselijken lach +:</p> +<p>„Hebt ge u wel goed bedacht? Wie zegt u, dat ik geen +moordenaar ben?”</p> +<p>De bisschop antwoordde:</p> +<p>„Dit is de zaak van den goeden God.” <span class="pagenum">[<a id="pb90" href="#pb90" name="pb90">90</a>]</span></p> +<p>Toen, de lippen bewegende als iemand die bidt of bij zich zelven +spreekt, hief hij ernstig de twee voorste vingers zijner rechterhand op +en zegende den man, die niet boog; en zonder het hoofd te wenden, of +achterom te zien, trad hij zijn kamer binnen. Wanneer iemand in de +alkoof sliep, was het altaar achter een groot sergen gordijn, dat van +den eenen kant der bidkamer tot den anderen reikte, verborgen. Voor dit +gordijn gekomen knielde de bisschop en deed een kort gebed.</p> +<p>Een oogenblik later was hij in zijn tuin, daar wandelend, peinzend, +aanschouwend, terwijl ziel en geest geheel vervuld waren met die +grootsche en geheimzinnige dingen, welke God des nachts hun openbaart, +wier oogen open blijven.</p> +<p>Wat den vreemde betreft, hij was werkelijk zoo vermoeid, dat hij +niet eens van zijne schoone beddelakens gebruik maakte. Na met den +neus, gelijk de tuchtelingen doen, de kaars te hebben uitgeblazen, liet +hij zich geheel gekleed op het bed neervallen en geraakte spoedig in +een diepen slaap.</p> +<p>Het was middernacht, toen de bisschop uit den tuin weder in zijn +kamer trad. Weinige minuten later sliep alles in het kleine huis.</p> +</div> +</div> +<div id="ch2.6" class="div1"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">Zesde hoofdstuk.</h2> +<h2 class="main">Jean Valjean.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Tegen middernacht werd Jean Valjean wakker.</p> +<p>Jean Valjean was van een arme boerenfamilie in la Brie. Als kind had +hij niet leeren lezen. Toen hij den mannelijken leeftijd had bereikt, +was hij boerenarbeider en boomsnoeier te Faverolles. Zijn moeder heette +Jeanne Matthieu; zijn vader Jean Valjean of Vlajean, waarschijnlijk een +bijnaam, samengetrokken uit <i lang="fr">Voilà Jean</i> (ziedaar +Jan).</p> +<p>Jean Valjean was een in zich zelven gekeerd karakter, zonder juist +treurig te zijn; hij had iets dat den zachtmoedige eigen is. Over +’t geheel was hij wel eenigszins droomerig en stumperig, althans +naar het uiterlijke. Op zeer jongen leeftijd had hij zijn ouders +verloren. Zijn moeder was bij zijn geboorte gestorven, aan een koorts +die niet goed behandeld was. Zijn vader, evenals hij een boomsnoeier, +was uit een boom gevallen en daardoor gestorven. Aan Jean Valjean bleef +toen slechts een oudere zuster over, die weduwe was met zeven kinderen, +<span class="pagenum">[<a id="pb91" href="#pb91" name="pb91">91</a>]</span>jongens en meisjes. Deze zuster had Jean Valjean +opgevoed, en, zoolang haar man leefde, aan haar jongeren broeder woning +en kost gegeven. Haar man stierf. De oudste der zeven kinderen was acht +jaar, de jongste één jaar oud. Jean Valjean was toen in +zijn vijf-en-twintigste. Hij verving den vader, en ondersteunde nu op +zijn beurt zijn zuster, die hem had opgevoed. Jean Valjean achtte dit +eenvoudig zijn plicht en volbracht dien, schoon hij er ook een weinig +onder gedrukt ging.</p> +<p>Aldus ging zijn jeugd in zwaren, slecht betaalden arbeid voorbij. +Men wist in zijn woonplaats niet dat hij ooit een meisje bemind had. +Hij had geen tijd om verliefd te zijn.</p> +<p>Des avonds kwam hij vermoeid te huis en at zijn soep zonder een +woord te spreken. Zijn zuster, moeder Jeanne, nam vaak, terwijl hij at, +het beste van zijn maal, een stukje vleesch, een sneetje spek, het hart +der kool, uit zijn schotel, om ’t aan een van haar kinderen te +geven. Hij at steeds voort, over de tafel gebogen, schier met het hoofd +in den schotel, zoodat zijn lang haar over zijn oogen hing, waardoor +hij niets scheen te zien en alles zijn gang liet gaan.</p> +<p>Te Faverolles, niet ver van de hut van Valjean, aan de overzijde, +woonde een boerin, Marie Claude. De steeds hongerige kinderen Valjean +gingen soms op naam hunner moeder bij Marie Claude een pint melk +borgen, welke zij achter een heg of in een verscholen hoek opdronken, +waarbij ze elkander dikwijls den pot uit de hand trokken en zoo gulzig +waren, dat de kleinere meisjes de melk over haar boezelaars stortten. +Zoo de moeder achter deze ondeugende streken ware gekomen, zou zij de +schuldigen streng gestraft hebben, maar Jean Valjean, hoewel er over +knorrend en brommend, betaalde buiten weten der moeder aan Marie Claude +de pint melk, en de kinderen werden niet gestraft.</p> +<p>In den snoeitijd verdiende hij achttien stuivers daags, daarna +verhuurde hij zich als maaier, als daglooner, als stalknecht, kortom +voor al wat hij maar kon vinden. Zijn zuster werkte van haar kant +insgelijks, maar wat kon zij met zeven kleine kinderen doen? ’t +Was een treurige groep, welke de ellende allengs omsloot en verstikte. +Er kwam een harde winter. Jean had geen werk. Het gezin had geen brood. +Letterlijk geen brood—en zeven kinderen!</p> +<p>Op zekeren Zondagavond maakte Maubert Isabeau, de bakker op het +kerkplein te Faverolles, zich gereed om naar bed te gaan, toen hij een +harden slag tegen het getralied venster van den winkel hoorde. Hij kwam +tijdig genoeg om nog een arm te zien die door een vuistslag een opening +in het traliewerk <span class="pagenum">[<a id="pb92" href="#pb92" name="pb92">92</a>]</span>en in het glas had gemaakt. De arm greep een +brood en nam het mede. Isabeau liep naar buiten; de dief vluchtte zoo +hard hij kon; Isabeau liep hem na en vatte hem. De dief had het brood +weggeworpen; maar zijn arm bloedde nog. ’t Was Jean Valjean.</p> +<p>Dit gebeurde in 1795. Jean Valjean werd voor de rechtbank van dien +tijd gevoerd, wegens „diefstal des nachts, gepaard met inbraak, +in een bewoond huis.” Hij had een geweer en was een uitstekend +schutter; hij was min of meer als strooper bekend. Dit was zijn +ongeluk. Er bestaat tegen stroopers een rechtmatig vooroordeel. De +strooper, evenals de sluiker, wordt bijna met een roover +gelijkgesteld.</p> +<p>In ’t voorbijgaan merken wij echter op, dat tusschen de eerste +soort van misdadigers en den afschuwelijken moordenaar der steden een +groote klove bestaat. De strooper leeft in de bosschen; de sluiker +leeft in het gebergte of op zee. De steden brengen wreede menschen +voort, wijl zij bedorven menschen voortbrengen. Het gebergte, de zee, +het woud maken de menschen ruw; zij ontwikkelen den woesten aard, doch +meestal zonder het menschelijke gevoel te vernietigen.</p> +<p>Jean Valjean werd schuldig verklaard. De termen van het wetboek +spraken duidelijk. In onze beschaving zijn vreeselijke oogenblikken: +’t zijn die, waarin de strafwet een schipbreuk uitspreekt. Welk +een ontzettende minuut, wanneer de maatschappij zich van een denkend +wezen terrugtrekt en het voor altijd verstoot. Jean Valjean werd tot +vijf jaren galeistraf veroordeeld.</p> +<p>Den 22 April 1796 riep men te Parijs de overwinning van Montenotte +uit, behaald door den opperbevelhebber van het Italiaansche leger, dien +de boodschap van het directoire aan de Vijfhonderd, den 2 floreal van +het jaar IV, <i>Buona-Parte</i> noemt. Dienzelfden dag werd te +Bicêtre een lange keten van tuchtelingen aaneengesmeed. Jean +Valjean behoorde tot dien keten. Een oud oppasser dier gevangenis, die +thans bijna negentig jaar oud is, herinnert zich nog duidelijk den +ongelukkige, die in den noorderhoek der binnenplaats aan ’t +uiterste punt der vierde keten geklonken werd. Evenals de overigen zat +hij op den grond en scheen van zijn toestand geen ander begrip te +hebben, dan dat die vreeselijk was. Waarschijnlijk stelde zich de +benevelde verbeelding van den armen, geheel onwetenden man, ook iets +overdrevens voor. Terwijl men achter zijn hoofd met zware hamerslagen +den klinknagel in den ijzeren halsbeugel dreef, weende hij; hij stikte +in zijn tranen die hem beletten te spreken, slechts nu en dan gelukte +het hem te stamelen: Ik was boomsnoeier te Faverolles. Snikkend hief +hij toen zijn rechterhand op en liet ze zevenmaal lager en lager dalen, +als <span class="pagenum">[<a id="pb93" href="#pb93" name="pb93">93</a>]</span>legde hij ze achtereenvolgens op zeven hoofden van +ongelijke hoogte; en men leidde uit dit gebaar af, dat, welke zijn +misdaad ook mocht wezen, hij ze gepleegd had om zeven kleine kinderen +te kleeden en te voeden.</p> +<p>Hij ging naar Toulon. Na een reis van zeven-en-twintig dagen kwam +hij hier aan, op een kar, met de keten aan den hals. Te Toulon werd hij +in het roode buis gekleed. Alles wat zijn leven was geweest, werd +uitgewischt, zelf zijn naam; hij was niet meer Jean Valjean; hij was +nummer 24601. Wat werd er van zijn zuster? Wat werd er van de zeven +kinderen? Wie bekommert zich hierover? Wat wordt van de bladeren des +jongen booms, dien men van den stam afzaagt?</p> +<p>’t Is altijd dezelfde geschiedenis! Deze arme levende wezens, +deze schepselen Gods, voortaan zonder steun, zonder leidsman, zonder +toevlucht, gingen, wie weet? ieder afzonderlijk misschien, op goed +geluk af, hun weg, en zonken allengs in dien kouden nevelweg, waarin +achter elkander zoovele ongelukkige hoofden op den donkeren weg van het +menschelijk geslacht verdwijnen. Zij verlieten hun woonplaats. De +kerktoren van hun dorp vergat hen; de grenspaal van hun akkertje vergat +hen. Zelfs Jean Valjean, na eenige jaren verblijf in het bagno, vergat +hen. De wond van zijn hart was in een litteeken overgegaan. Dit was +alles. Gedurende den tijd, dien hij te Toulon doorbracht, hoorde hij +nauwelijks eenmaal van zijn zuster spreken. Ik geloof, dat het tegen +’t einde van het vierde jaar zijner gevangenschap was; ik weet +niet meer op welke wijze hem dat bericht toekwam. Iemand, die hen in +hun woonplaats had gekend, had zijn zuster te Parijs gezien, waar zij +in een armoedige straat bij de kerk St. Sulpce, in de straat du +Geindre, woonde. Zij had slechts één kind bij zich, het +jongste, een knaapje. Waar waren de zes anderen? Zij wist het misschien +zelve niet. Elken morgen ging zij naar een drukkerij in de straat Sabot +No. 3, waar zij hielp vouwen en innaaien. Zij moest er ’s morgens +om zes uur wezen, ’s winters lang voor de dag aanbrak. Er was een +school in het huis, waarin zich de drukkerij bevond, en naar die school +bracht zij haar zevenjarig zoontje. Maar aangezien de school eerst te +zeven uren begon en zij te zes uren in de drukkerij moest wezen, moest +het kind een uur op de binnenplaats wachten tot de school geopend werd; +des winters een uur in den donker, in de open lucht. Men wilde het kind +in de drukkerij niet toelaten, wijl het, zoo zeide men, hinderlijk was. +Des morgens zagen de drukkersgezellen in ’t voorbijgaan den armen +kleine, nog half-slapend op den grond zittende, of geheel ingeslapen in +een hoek op zijn mandje ineengedoken. Als ’t regende had een +<span class="pagenum">[<a id="pb94" href="#pb94" name="pb94">94</a>]</span>oude vrouw, de portierster, medelijden met hem, +zij nam hem in haar armoedig kamertje, waarin niets was dan een +stroomatras, een spinnewiel en twee houten stoelen. Daar sliep de +kleine dan in een hoek, zich dicht tegen de kat aan vlijende om zich te +warmen. Te zeven uren werd de school geopend en hij ging er in. Dat +verhaalde men aan Jean Valjean; ’t was voor hem een oogenblik, +een bliksemstraal, iets als een opengerukt venster, ’t welk hem +het lot vertoonde der wezens, welke hij bemind had, en dat zich +dadelijk weder sloot. Nooit hoorde hij verder iets van hen, hij zag hen +nooit weder, ontmoette hen nooit, en men zal ze in den loop dezer +treurige geschiedenis niet wedervinden.</p> +<p>Tegen het einde van het vierde jaar vond Jean Valjean gelegenheid om +te ontvluchten. Zijn kameraden waren hem daarbij behulpzaam, zooals +’t in die treurige plaats meer voorkomt. Hij vluchtte, hij zwierf +twee dagen in vrijheid op het veld, zoo het vrijheid kon heeten, +vervolgd te worden, elk oogenblik angstig om te zien, bij ieder gerucht +te schrikken, voor alles bevreesd te zijn, voor den rookenden +schoorsteen, voor den voorbijganger, voor den blaffenden hond, voor het +galoppeerend paard, voor de slaande klok, voor den dag, wijl men dan +ziet, voor den nacht, wijl men dan niet ziet, voor den weg, voor het +pad, voor de haag, voor den slaap. Des avonds van den tweeden dag werd +hij weder gevangen. Hij had in zes-en-dertig uren niet gegeten noch +geslapen. Het maritime gerechtshof veroordeelde hem wegens dat misdrijf +tot een driejarige vermeerdering van straf, zoodat hij nu acht jaren +had. In het zesde jaar bood zich de gelegenheid weder aan om te +vluchten; hij maakte er gebruik van, doch zijn vlucht mislukte. Hij +ontbrak op het appèl. Het kanon werd gelost en des nachts vond +de ronde hem onder de kiel van een op de helling staand schip; hij +verzette zich tegen de gevangenbewaarders, die hem grepen. Dit was +alzoo ontvluchting en weerspannigheid. Dit feit, waartegen door de +bijzondere strafwet voorzien was, werd met een vermeerdering van vijf +jaren gestraft, waarvan twee met dubbelen ketting. Dertien jaren. In +het tiende jaar kwam hij weder in de gelegenheid, hij maakte er +nogmaals gebruik van. Het gelukte hem niet beter, en hij kreeg drie +jaren voor deze nieuwe poging. Zestien jaar. Eindelijk was ’t, +geloof ik, in het dertiende jaar, dat hij een laatste poging waagde, +die hem slechts gelukte om zich vier uren later weder te zien vatten. +Drie jaren voor deze vier uren. Negentien jaren. In October 1815 werd +hij ontslagen; hij was er in 1796 gekomen, wijl hij een vensterruit +gebroken en een brood gestolen had. <span class="pagenum">[<a id="pb95" href="#pb95" name="pb95">95</a>]</span></p> +<p>Geven wij hier aan een kleine aanmerking plaats. Dit is de tweede +maal, dat de schrijver van dit boek bij zijn studiën over +strafrecht en veroordeeling door de wet, het stelen van een brood als +aanvang vindt van het ongeluk eens menschenlevens. Claude Queux had een +brood gestolen; Jean Valjean had een brood gestolen. Een Engelsche +statistiek toont aan, dat te Londen vier diefstallen van de vijf uit +honger bedreven worden.</p> +<p>Snikkende en bevende was Jean Valjean in het bagno aangekomen; +gevoelloos verliet hij het. Hij was er wanhopend ingegaan; somber ging +hij er uit.</p> +<p>Wat was er in zijn ziel omgegaan?</p> +</div> +</div> +<div id="ch2.7" class="div1"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">Zevende hoofdstuk.</h2> +<h2 class="main">Een blik in de wanhoop.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Wij zullen er een verklaring van trachten te +geven.</p> +<p>De maatschappij is wel verplicht deze zaken te overwegen, daar ze +door haar voortgebracht worden.</p> +<p>Jean Valjean, zooals gezegd is, was onwetend, doch niet zwak van +geest. Het natuurlijke licht flikkerde in hem. En het ongeluk, dat ook +zijn schijnsel heeft, vermeerderde de helderheid, welke in zijn geest +bestond. Onder den stok, in de ketenen, in het cachot, bij den arbeid, +onder de brandende zon van het bagno, op het planken bed der +tuchtelingen, trok hij zich in zich zelven terug en dacht na. Hij +verhief zich zelven tot rechtbank; hij begon zich zelven te +oordeelen.</p> +<p>Hij erkende, dat hij geen onschuldige, onrechtvaardig gestrafte was. +Hij stemde toe, dat hij een uiterst lakenswaardige daad gepleegd had, +dat men hem misschien dat brood niet geweigerd zou hebben, zoo hij het +gevraagd had; dat het in allen gevalle beter was geweest, het óf +van het medelijden óf van den arbeid te wachten; dat het +ontegensprekelijk geen voldoende reden is te zeggen: kan men wachten, +wanneer men honger heeft? Dat het ten eerste zelden gebeurt, dat men +letterlijk van honger sterft; dat ten tweede—gelukkig of +ongelukkig?—de mensch zoodanig is geschapen, dat hij, zedelijk en +lichamelijk, veel en lang lijden verduren kan, zonder te sterven; dat +men dus geduld moet hebben; dat dit voor de arme kleine kinderen beter +ware geweest; dat het van hem, nietig, ongelukkig mensch, een dwaze +daad was geweest, zich gewelddadig aan de geheele maatschappij te +vergrijpen en zich te verbeelden, <span class="pagenum">[<a id="pb96" href="#pb96" name="pb96">96</a>]</span>dat men door diefstal aan de +armoede ontkomt; dat het in allen gevalle een verkeerde deur is, door +welke men, om uit de armoede te geraken, die der schande binnengaat; +kortom, dat hij ongelijk had gehad.</p> +<p>Voorts vroeg hij zich af:</p> +<p>Of hij de eenige was, die in zijn rampzalige geschiedenis ongelijk +had gehad? Of ’t, in de eerste plaats, niet een zeer erg geval +was geweest, dat hij, een ijverig arbeider, geen werk en brood had +kunnen vinden? Of voorts de gepleegde en bekende daad niet wreed en +overmatig streng gestraft was? Of er niet meer verkeerds in de wet was, +ten opzichte der straf, dan er verkeerds was geweest bij den schuldige, +in zijn misdrijf? Of niet in een der schalen, die der boete, een te +zwaar gewicht was gelegd? Of de overmaat der straf het misdrijf niet +uitgewischt had, en tengevolge had gehad, dat de toestand was +omgekeerd, door in de plaats van de schuld des misdadigers de schuld +van den straffende te stellen, van den schuldige het slachtoffer en van +den debiteur den crediteur te maken, zoodat ten slotte het recht aan de +zijde van hem kwam, die het geschonden had? Of deze straf, in verband +met de verzwaring wegens de herhaalde pogingen ter ontvluchting, niet +ten laatste een soort van aanslag van den sterkere op den zwakkere +werd, een misdaad der maatschappij tegen het individu, een misdaad die +zich iederen dag herhaalde, een misdaad die negentien jaren duurde?</p> +<p>Hij vroeg aan zich zelf, of de maatschappij het recht mocht hebben, +haar leden te doen boeten èn voor haar schandelijke +verwaarloozing èn voor haar onbarmhartige voorzorgsmaatregelen, +en den arme steeds tusschen gebrek en overmaat mocht plaatsen: gebrek +aan werk en overmaat van straf?</p> +<p>Of ’t niet ongehoord was, dat de maatschappij juist diegenen +harer leden zoo behandelde, welke, bij de verdeeling der goederen door +het lot, het slechtst waren bedacht, en bijgevolg het meeste recht op +toegevendheid hadden?</p> +<p>Na zich deze vragen gesteld en ze beantwoord te hebben, sprak hij +het vonnis uit over de maatschappij en veroordeelde haar. Hij +veroordeelde haar tot zijn haat. Hij stelde haar verantwoordelijk voor +het lot, dat hij onderging, en zeide bij zich zelven, dat hij misschien +niet zou aarzelen eenmaal rekenschap van haar te vorderen. Hij +verklaarde voor zich zelven, dat er geen evenwicht bestond tusschen het +nadeel dat hij berokkend had en ’t nadeel dat men hem berokkende; +eindelijk besloot hij, dat zijn straf wel is waar geen +onrechtvaardigheid, maar zekerlijk een onbillijkheid was.</p> +<p>De toorn kan soms dwaas en ongerijmd zijn; men kan ten <span class="pagenum">[<a id="pb97" href="#pb97" name="pb97">97</a>]</span>onrechte +vertoornd wezen. Verontwaardigd is men slechts, wanneer men in den +grond aan een of andere zijde recht heeft. Jean Valjean gevoelde zich +verontwaardigd.</p> +<p>De maatschappij had hem bovendien niets dan kwaad gedaan; nooit had +hij van haar iets gezien dan dat vertoornd gelaat, ’t welk men de +gerechtigheid noemt en dat zij hun toont, welke zij treft. De menschen +hadden hem slechts aangeraakt om hem te kwetsen. Iedere aanraking met +hen was voor hem een slag geweest. Nooit had hij, sedert zijn +kindsheid, sedert zijn moeder, sedert zijn zuster, een vriendelijk +woord, een welwillenden blik gevonden. Van leed tot leed was hij +allengs tot de overtuiging gekomen, dat het leven een strijd was, en +hij in den strijd de overwonnene. Hij had geen ander wapen dan zijn +haat. Hij nam voor, dien in het bagno te scherpen en mede te nemen, +wanneer hij ging.</p> +<p>Te Toulon was een school voor de galeislaven, die door de broeders +Ignorantijnen werd gehouden, en waarin het noodzakelijkst onderricht +werd gegeven aan die ongelukkigen, welke zulks begeerden. Hij behoorde +tot dit getal. Op veertigjarigen ouderdom ging hij naar school en +leerde lezen, schrijven en rekenen. Hij begreep dat, door zijn verstand +te versterken, hij zijn haat verscherpte. In sommige omstandigheden +kunnen onderwijs en kennis dienen om het kwaad te vergrooten.</p> +<p>’t Is treurig te moeten zeggen, dat, nadat hij de maatschappij +had gevonnist, die hem ongelukkig had gemaakt, hij de Voorzienigheid +vonniste, die de maatschappij had gemaakt, en dat hij ook haar +veroordeelde.</p> +<p>Zoo steeg zijn geest en zonk tegelijkertijd, gedurende deze +negentienjarige foltering en slavernij. Aan de eene zijde nam het +licht, aan de andere zijde de duisternis toe.</p> +<p>Zooals men gezien heeft, was Jean Valjean niet slecht van aard. Hij +was nog goed toen hij in het bagno kwam. Hij veroordeelde er de +maatschappij, en gevoelde dat hij slecht werd; hij veroordeelde er de +Voorzienigheid, en gevoelde dat hij goddeloos werd.</p> +<p>’t Is moeielijk hier niet een oogenblik over na te denken.</p> +<p>Verandert de menschelijke natuur zoo geheel en al? Kan de mensch, +door God goed geschapen, door den mensch slecht worden gemaakt? Kan de +ziel door het lot geheel anders en slecht worden, wanneer het lot +slecht is? kan het hart wanschapen worden, en zwakheden en +ongeneeslijke gebreken krijgen onder den druk van een ontzaglijk +ongeluk, gelijk de ruggegraad bij een te zwak steunsel? Zijn er niet in +iedere menschelijke ziel, waren er niet in de ziel van Jean Valjean in +’t bijzonder, een eerste vonk, een goddelijk beginsel, +onverderfelijk <span class="pagenum">[<a id="pb98" href="#pb98" name="pb98">98</a>]</span>in deze wereld, onsterfelijk in de andere, die het +goede kunnen ontwikkelen, aanblazen en schitterend doen lichten, en die +het kwaad nooit geheel kunnen uitdooven?</p> +<p>Ernstige, moeielijke vragen, op de laatste waarvan ieder physioloog +waarschijnlijk en zonder aarzeling „neen” zou geantwoord +hebben, zoo hij te Toulon in de rusturen, die voor Jean Valjean uren +van bespiegeling waren, dezen somberen, ernstigen, stillen en +peinzenden tuchteling, dezen paria der wetten, die den mensch met +toorn, dezen doemeling der beschaving, die den hemel wrokkend +aanschouwde, gezien had, met over elkander geslagen armen op den boom +van een kaapstander gezeten, met het eind van zijn ketting in den zak, +opdat hij niet nasleepte.</p> +<p>Voorwaar, wij willen het niet ontveinzen, de opmerkende physioloog +zou hier een onherstelbare ellende hebben gezien; hij zou misschien +dezen, door de wet ziek gemaakten mensch beklaagd, maar hij zou niet +gepoogd hebben hem te genezen; hij zou zijn blik hebben afgewend van de +donkere holen dezer ziel; en, gelijk Dante van de poorten der hel, zou +hij van dit menschenleven het woord hebben gewischt, dat Gods vinger +evenwel op ’t hoofd van ieder mensch heeft geschreven, het woord: +<span class="ex">Hoop</span>!</p> +<p>Was deze zieletoestand, welke wij gepoogd hebben te beschrijven, +voor Jean Valjean even duidelijk en klaar als wij getracht hebben dien +onzen lezers voor te stellen? Zag Jean Valjean onderscheidenlijk al de +grondelementen, waaruit zijn zedelijke ellende bestond, nadat ze zich +gevormd had, en had hij duidelijk gezien hoe ze zich vormde? Had deze +ruwe, onbeschaafde man zich nauwkeurig rekenschap gegeven van de +gedachtenreeks langs welke hij trapsgewijze was gekomen, tot die +sombere aanschouwingen, welke sinds zoovele jaren de inwendige horizont +van zijn geest uitmaakte.</p> +<p>Was hij zich wel bewust van alles wat in hem was omgegaan en zich in +hem bewoog? Wij zouden het niet durven zeggen; wij gelooven het zelfs +niet. Jean Valjean was te onwetend, dan dat hij, zelfs na zoovele +rampen, niet omtrent vele zaken nog in ’t duister zou zijn. Vaak +wist hij zelf niet recht wat hij gevoelde. Jean Valjean was in de +duisternis; in de duisternis leed hij; in de duisternis haatte hij; men +zou kunnen zeggen, dat hij alles rondom zich haatte. Hij leefde +bestendig in deze duisternis, en tastte rond, als een blinde, als een +droomende. Slechts van tijd tot tijd overviel hem eensklaps, ’t +zij uit zich zelven of van buiten, een opwelling van toorn, een +vermeerdering van lijden, een flauwe, vluchtige bliksemstraal, die +geheel zijn ziel verlichtte, en hem overal, voor en <span class="pagenum">[<a id="pb99" href="#pb99" name="pb99">99</a>]</span>achter, +de afgrijselijke afgronden en het donker verschiet van zijn lot +vertoonde.</p> +<p>Was de bliksem voorbij, dan werd het weder nacht. Waar was hij dan? +Hij wist het niet.</p> +<p>Het eigenaardige van zulk een lijden, waarbij het onverbiddelijke, +het verstompende de hoofdrol speelt, is, dat door een soort van +onmerkbare gedaanteverwisseling de mensch allengs in een wild dier +herschapen wordt. Soms in een wreed dier. De herhaalde en hardnekkige +pogingen van Jean Valjean ter ontvluchting zouden voldoende zijn om +deze vreemde uitwerking der wet op de menschelijke ziel te bewijzen. +Jean Valjean zou deze zoo geheel en al nuttelooze en dwaze pogingen +even dikwerf hebben herhaald, als de gelegenheid er zich toe had +aangeboden, zonder een oogenblik aan de gevolgen of aan de opgedane +ondervinding te denken. Hij vluchtte onnadenkend, gelijk de wolf die +zijn hok open vindt. Het instinct zeide hem: Vlucht! De rede zou hem +gezegd hebben: Blijf! Maar bij zulk een sterke verzoeking, was de rede +verdwenen; alleen het instinct was gebleven. Alleen het dier handelde. +En wanneer hij weder gevat was, dienden de nieuwe strengheden, waaraan +men hem onderwierp, slechts om hem nog woester te maken.</p> +<p>Een bijzonderheid, welke wij niet mogen vergeten, was dat hij een +lichaamskracht bezat, waarin geen ander der tuchtelingen hem evenaarde. +Bij den arbeid, bij het vieren van een kabel, het draaien van een +kaapstander, gold Jean Valjean voor vier man. Somwijlen tilde hij een +ontzettenden last op en droeg dien op den rug; bij zekere gelegenheid +deed hij als een windas dienst. Zijn kameraden hadden hem dan ook den +bijnaam van „Windas” gegeven.</p> +<p>Eens, dat het balkon van het stadhuis te Toulon werd hersteld, +geraakte een der fraaie kariatiden, welke dat balkon steunen, los en +zou gevallen zijn. Maar Jean Valjean, die daar tegenwoordig was, hield +de kariatide zoo lang met zijn schouder tegen, dat de werklieden tijd +hadden er bij te komen.</p> +<p>Zijn lenigheid overtrof nog zijn lichaamskracht. Sommige +tuchtelingen, die eeuwig aan ontvluchting denken, maken ten laatste van +de lichaamskracht, met behendigheid vereenigd, een soort wetenschap. +’t Is de wetenschap der spieren. Een geheele cursus van statica +wordt dagelijks heimelijk door de gevangenen beoefend, deze eeuwige +benijders van vliegen en vogels.</p> +<p>Een loodrechte steilte te beklimmen en steunpunten te vinden, waar +nauwelijks een oneffenheid te zien was, was voor Jean Valjean +kinderspel. Was hij aan den kant van een muur, <span class="pagenum">[<a id="pb100" href="#pb100" name="pb100">100</a>]</span>dan +schoof en trok hij zich, door inspanning van rug en knieën, +terwijl hij de ellebogen en hielen tegen de ruwe steenen klemde, als +door tooverkunst tot een derde verdieping verder. Meermalen klom hij op +deze wijze tot aan het dak van het bagno.</p> +<p>Hij sprak weinig en lachte nooit. Er was iets zeer bijzonders noodig +om hem een paar keeren in ’t jaar dien akeligen glimlach van den +tuchteling te ontlokken, die als een echo van den lach des duivels is. +Hij scheen immer iets vreeselijks voor zich te zien. Hij was in +waarheid in gedachten verdiept.</p> +<p>Door de ziekelijke voorstellingen zijner onvolmaakte natuur en van +zijn gedrukten geest gevoelde hij duidelijk dat iets ontzettends op hem +lag, zonder te weten wat. In het vale, sombere halfdonker, waarin hij +voortkroop, zag hij, telkens wanneer hij zich omkeerde en zijn blik +poogde op te heften, tevens met ontzetting en woede boven zijn hoofd +een onafzienbaar vreeselijk steile opeenstapeling van dingen: wetten, +vooroordeelen, menschen en feiten, welker omtrekken hem niet duidelijk +waren, welker menigte hem verschrikte, en dat niets anders was dan de +wonderbare piramide, die wij beschaving noemen. Hier en daar +onderscheidde hij in dit wemelend wanstaltig geheel, nu eens in zijn +nabijheid, dan veraf en op onbereikbare vlakten, een helder verlichte +groep of eenig voorwerp, hier den opzichter met zijn stok, +dáár den gendarm met zijn sabel, ginds den gemijterden +aartsbisschop, zeer hoog boven dezen, in een soort van stralenkrans, +den gekroonden, oogverblindenden keizer. Het scheen hem alsof deze +verre glans, in plaats van de duisternis te verdrijven, haar +vreeselijker en donkerder maakte. Alles, wetten, vooroordeelen, feiten, +menschen, dingen, dat alles bewoog zich heen en weder boven hem, al +naar de ingewikkelde, verborgene beweging, welke God aan de beschaving +geeft, en vertrad en verpletterde hem met een soort van koele wreedheid +en onverbiddelijke onverschilligheid. De door de wet +gebrandmerkten,—deze in den afgrond van alle mogelijke rampen +gevallenen; ongelukkigen, in die diepten gezonken, waarin men geen blik +meer slaat,—voelen op hun hoofd de gansche zwaarte der +maatschappij; zoo schrikkelijk voor hem die er buiten, zoo ontzettend +voor hem die er onder is.</p> +<p>In dien toestand gaf Jean Valjean zich aan zijn overwegingen over, +en van welken aard konden die zijn?</p> +<p>Zoo het gierstkorreltje onder den molensteen kon denken, zou het +zekerlijk dezelfde gedachten hebben als Jean Valjean. <span class="pagenum">[<a id="pb101" href="#pb101" name="pb101">101</a>]</span></p> +<p>Dit alles, werkelijkheid vol spookbeelden, droombeelden vol +werkelijkheid, hadden eindelijk zijn ziel in een schier +onbeschrijfelijken toestand gebracht.</p> +<p>Menigmaal hield hij plotseling te midden van zijn werk op en begon +te denken. Zijn rede, nu rijper en tevens verwarder dan vroeger, +verzette zich. Al wat hem gebeurd was, kwam hem ongerijmd voor; al wat +hem omgaf, scheen hem onmogelijk. En bij zich zelven zeide hij: +’t is een droom. Hij zag den opzichter eenige schreden van hem +staan; hij hield hem voor een spook, tot deze opzichter hem plotseling +een slag met den stok gaf.</p> +<p>De zichtbare natuur bestond nauwelijks voor hem. Men zou met eenige +waarheid kunnen zeggen, dat voor Jean Valjean noch zon, noch fraaie +zomerdagen, noch een heldere hemel, noch heerlijke lentemorgens +bestonden. ’t Was alsof zijn ziel gewoonlijk beschenen werd door +het licht, dat door een keldergat dringt.</p> +<p>Om ten slotte al wat wij aangegeven hebben zooveel mogelijk in +bepaalde resultaten samen te vatten, zeggen wij alleen, dat Jean +Valjean, de vreedzame boomsnoeier van Faverolles, de geduchte +tuchteling van Toulon sinds negentien jaren, door de wijze, waarop het +bagno hem gevormd had, tot twee soorten van slechte handelingen in +staat was geworden: ten eerste tot een slechte, snelle, onbedachte, +dolzinnige, geheel instinctmatige handeling, een soort van wraak wegens +het ondergane leed; ten tweede tot een slechte, ernstige gewichtige, +gemoedelijk overwogene, en met de valsche denkbeelden, welke zulk een +ramp kan geven, overlegde handeling. Zijn overleggingen doorliepen +achtervolgens de drie vormen, waartoe alleen zekere karakters geschikt +zijn: denken, willen en volharden. Zijn beweegredenen waren: doorgaande +verontwaardiging, bitterheid van ziel, een diep besef der ondergane +onrechtvaardigheden, weerwraak zelfs tegen goeden, onschuldigen en +rechtvaardigen, zoo die er zijn. Het begin en het einde van al deze +gedachten was haat tegen de menschelijke wet; een haat, die, zoo hij +niet in zijn ontwikkeling wordt gestuit door bijzondere omstandigheid, +na korter of langer tijd, tot haat tegen de maatschappij, daarna tot +haat tegen het menschelijk geslacht, en eindelijk tot haat tegen de +schepping overslaat, en zich openbaart door een onbestemde, +onophoudelijke, woeste zucht om te schaden, onverschillig wat, of welk +levend schepsel.—Men ziet, dat op het paspoort Jean Valjean niet +ten onrechte een „zeer gevaarlijk mensch” werd genoemd.</p> +<p>Van jaar tot jaar was zijn hart langzaam, maar op noodlottige +<span class="pagenum">[<a id="pb102" href="#pb102" name="pb102">102</a>]</span>wijze, meer en meer verdroogd. Een droog hart, +een droog oog. Toen hij het bagno verliet, had hij in negentien jaren +geen traan geweend.</p> +</div> +</div> +<div id="ch2.8" class="div1"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">Achtste hoofdstuk.</h2> +<h2 class="main">Het water en de schaduw.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Een man over boord!</p> +<p>Om ’t even! het schip houdt niet op. De wind blaast, het +donkere schip moet den voorgeschreven koers volgen. Het zeilt +verder.</p> +<p>De man verdwijnt, komt weder te voorschijn, zinkt en komt weder +boven; hij roept, strekt de armen uit; men hoort hem niet. Het schip, +dat onder den storm beeft, let slechts op zich zelf; de matrozen en +passagiers zien zelfs den zinkenden man niet meer; zijn arm hoofd is +slechts een stip in ’t midden der onmetelijke golven. In de +diepte slaakt hij wanhoopskreten. Welk een gedachte, dat verdwijnend +schip! Hij oogt het in waanzinnige woede na. Het verwijdert zich, wordt +onduidelijker en kleiner. Zooeven was hij er nog op, hij behoorde tot +de bemanning, ging met de overigen heen en weder op het dek, hij had +zijn deel van lucht en zon, hij was een levende. En nu, wat is gebeurd? +Hij is gestruikeld, gevallen, en alles is gedaan.</p> +<p>Hij ligt in het afschuwelijke water. Onder zijn voeten zinkt alles +weg. De door den wind gezweepte golven omgeven hem met haar +verschrikking, de diepte trekt hem aan, het schuimend water spat hem om +’t hoofd, en spuwt hem in ’t aangezicht; de eene baar na de +andere overstelpt hem; telkens zinkt hij en ziet onduidelijk +stikdonkere afgronden onder zich; onbekende afgrijselijke zeeplanten +vatten hem, omstrikken zijn voeten, trekken hem tot zich; hij voelt dat +hij tot den afgrond behoort, dat hij een gedeelte van het schuim vormt, +de golven werpen hem elkander toe; hij zwelgt het zilte water in, de +laaghartige oceaan wil hem met geweld verdrinken, de onmetelijkheid +speelt met zijn doodsangst. Het schijnt, dat al dit water niets dan +haat is.</p> +<p>Evenwel worstelt hij.</p> +<p>Hij poogt zich te verdedigen, hij beproeft boven water te blijven, +hij spant zich in en zwemt. Hij, wiens armzalige krachten zoo spoedig +zijn uitgeput, wil met het onuitputtelijke worstelen. <span class="pagenum">[<a id="pb103" href="#pb103" name="pb103">103</a>]</span></p> +<p>Maar waar is het schip? Ginds; nauwlijks zichtbaar in de vale +duisternis van den horizont.</p> +<p>De wind giert; de schuimende golven vallen op hem. Hij heft de oogen +op en ziet niets dan grijze wolken. In zijn doodsstrijd is hij de +getuige van de ontzettende woede der zee. Hij wordt door waanzin +gepijnigd. Hij hoort een voor den mensch vreemd geluid, dat van gene +zijde der aarde schijnt te komen, men weet niet uit welk vreeselijk +oord.</p> +<p>Er zijn vogels hoog boven de wolken, gelijk er engelen hoog boven +den menschelijken nood zijn, maar waartoe dienen zij hem? Zij vliegen, +zingen en zweven en hij—hij sterft. Hij voelt zich tegelijkertijd +door deze twee oneindigheden, den oceaan en den hemel, omgeven; de eene +is een graf, de andere is een doodskleed.</p> +<p>De nacht daalt, uren lang heeft hij gezwommen; zijn krachten zijn +uitgeput; het schip, dat verwijderd voorwerp waarop menschen waren, is +verdwenen; hij is alleen in den schrikkelijken donkeren afgrond, hij +zinkt, verstijft, wringt zich, hij voelt onder zich de monsterachtige +golven van het onzichtbare; hij roept.</p> +<p>Er zijn geen menschen meer. Waar is God?</p> +<p>Hij roept, roept immer ... Niemand komt.</p> +<p>Niets aan den horizont. Niets aan den hemel.</p> +<p>Hij smeekt het uitspansel, de golven, het zeewier, de klippen; dat +alles is doof. Hij smeekt den orkaan; de onverstoorbare orkaan +gehoorzaamt alleen aan het oneindige.</p> +<p>Rondom hem duisternis, nevel, eenzaamheid, het woest stormachtig +geloei, het eindeloos klotsen der verbolgen golven. In hem afgrijzen en +afmatting. Onder hem verzinking. Geen steunpunt. Hij denkt aan ’t +geen het lijk in de onbegrensde duisternis te wachten heeft. De koude +verlamt hem. Zijn handen bewegen zich krampachtig; sluiten zich en +vatten niets. Winden, wolken, vlagen, hoozen, sterren, alles is voor +hem nutteloos! Wat moet hij doen? De wanhopige geeft zich over; de +uitgeputte neemt den dood aan, hij laat zich los, en de vreeselijke +diepte verzwelgt hem.</p> +<p>O onbarmhartige gang der menschelijke maatschappij. Hoe vele +menschen en zielen gaan onderweg verloren! Oceaan, waarin alles valt, +wat de wet laat vallen! Heillooze verzinking der hulp! O zedelijke +dood!</p> +<p>De zee is de onverbiddelijke maatschappelijke duisternis, waarin de +strafwet haar veroordeelden werpt. De zee is de onmetelijke +ellende.</p> +<p>De ziel, die in dien afgrond wordt geworpen, kan een lijk worden. +Wie zal haar opwekken? <span class="pagenum">[<a id="pb104" href="#pb104" name="pb104">104</a>]</span></p> +</div> +</div> +<div id="ch2.9" class="div1"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">Negende hoofdstuk.</h2> +<h2 class="main">Andere grieven.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Toen het uur van zijn vertrek uit het bagno kwam en +Jean Valjean deze vreemde woorden: „gij zijt vrij!” hoorde, +was dit voor hem een ongelooflijk, ongehoord oogenblik, en een straal +van levend licht, een straal van het ware licht der levenden drong +plotseling in hem. Doch spoedig verbleekte deze straal. Jean Valjean +was door het denkbeeld van vrijheid verblind. Hij had aan een nieuw +leven geloofd. Spoedig werd hij gewaar, welke vrijheid het is, die men +met een gelen pas geeft.</p> +<p>En behalve dat, een menigte teleurstellingen. Hij had berekend, dat, +wat hij gedurende zijn verblijf in het bagno gespaard had, +honderd-een-en-zeventig francs moest bedragen. ’t Is billijk hier +op te merken, dat hij vergeten had de gedwongen rust der zon- en +feestdagen in rekening te brengen, die gedurende negentien jaren een +vermindering van ongeveer vier-en-twintig francs veroorzaakte. Hoe het +zij, het bedrag was ten gevolge van verscheidene kortingen tot honderd +negen francs vijftien sous verminderd, welke som hem bij zijn ontslag +werd ter hand gesteld.</p> +<p>Hij begreep hier niets van en meende zich te kort gedaan, of, om +’t juist te zeggen, bestolen.</p> +<p>Den dag na zijn ontslag, zag hij te Grasse voor een destilleerderij +van oranjebloesem lieden bezig met balen af te laden. Hij bood zijn +dienst aan, die aangenomen werd, wijl er haast bij ’t werk was. +Hij ging dan aan den arbeid. Hij was schrander, sterk en handig; hij +deed zijn best. De meester scheen over hem tevreden. Terwijl hij aan +’t werk was, kwam een gendarm voorbij, zag hem en vroeg hem naar +zijn papieren. Hij moest den gelen pas vertoonen. Na dit gedaan te +hebben, hervatte Jean Valjean zijn arbeid. Even te voren had hij een +der werklieden gevraagd, wat zij per dag met dit werk verdienden; ze +hadden hem geantwoord: „dertig sous.” Wijl hij den +volgenden dag verplicht was zijn reis voort te zetten, ging hij des +avonds naar den meester der destilleerderij en verzocht hem zijn +dagloon. De meester sprak geen woord en betaalde hem vijftien sous. +Valjean maakte zijn beklag. Men antwoordde hem: „dit is genoeg +voor u.” Hij drong op meer aan. Toen zag de meester hem schuw aan +en duwde hem toe: „Wacht u voor de gevangenis!” +<span class="pagenum">[<a id="pb105" href="#pb105" name="pb105">105</a>]</span></p> +<p>Ook hier achtte hij zich bestolen.</p> +<p>De maatschappij, de staat, had hem, door zijn besparingen te +verkorten, in ’t groot bestolen. Nu bestal de particulier hem op +zijn beurt, in ’t klein.</p> +<p>Ontslag was geen bevrijding. Men kan het bagno wel verlaten, maar +niet de veroordeeling.</p> +<p>Dat was hem te Grasse gebeurd. Men heeft gezien hoe hij te Digne +werd ontvangen.</p> +</div> +</div> +<div id="ch2.10" class="div1"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">Tiende hoofdstuk.</h2> +<h2 class="main">De ontwaking.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">De klok der hoofdkerk sloeg twee uur in den morgen, +toen Jean Valjean ontwaakte. Wat hem had wakker gemaakt, was ’t +het te zachte bed? Hij had sinds bijna twintig jaren op geen bed +geslapen, en, hoewel hij zich niet ontkleed had, was deze gewaarwording +toch voor hem te nieuw en te ongewoon, om zijn slaap niet te +storen.</p> +<p>Hij had langer dan vier uren geslapen. Zijn vermoeidheid was +geweken. Hij was niet gewoon veel uren aan de rust te besteden.</p> +<p>Hij opende de oogen en sloeg een blik in de duisternis rondom zich, +toen sloot hij ze weder om te slapen.</p> +<p>Wanneer de dag door vele en verschillende gewaarwordingen bewogen is +geweest, en vele dingen den geest bezighouden, valt men wel in slaap, +maar men slaapt later niet weer in. De slaap komt gemakkelijker dan hij +terugkeert. Zoo ging ’t ook met Jean Valjean. Hij kon niet weder +inslapen en begon te denken.</p> +<p>Hij was in een dier oogenblikken, dat alle denkbeelden in den geest +verward zijn. In zijn hersenen woelde alles dooreen. Zijn vroegere en +zijn jongste herinneringen vloeiden ineen of kruisten elkaar; zij +verloren haar vormen, vergrootten zich onmatig en verdwenen dan +eensklaps als in een troebel, bewogen water. Vele gedachten kwamen in +hem op, maar ééne was er die gestadig terugkwam en al de +overige verdrong. Deze gedachte was:—Hij had de zes zilveren +vorken en lepels en den grooten soeplepel opgemerkt, die Magloire op de +tafel had gelegd.</p> +<p>Dat zilverwerk kwelde hem. Zij lagen hier—op korten +afstand—juist toen hij de belendende kamer was doorgegaan om naar +de zijne te gaan, legde de oude dienstmaagd ze in <span class="pagenum">[<a id="pb106" href="#pb106" name="pb106">106</a>]</span>een +kastje aan ’t hoofdeinde van het bed.—Hij had het kastje +goed opgemerkt,—rechts, als men uit de eetkamer komt.—Het +was oud massief zilver.—Met den grooten soeplepel er bij zou men +er ten minste tweehonderd francs voor krijgen.—Het dubbel van +hetgeen hij in negentien jaar verdiend had.—’t Is waar, dat +hij meer zou hebben verdiend zoo de „administratie” niet +hem „bestolen” had.</p> +<p>Een geheel uur dobberden zijn gedachten heen en weder, niet zonder +eenigen strijd. Het sloeg drie uren. Hij opende weder de oogen, zette +zich schielijk overeind, stak tastend den arm uit, naar zijn ransel, +dien hij in een hoek der alkoof had gelegd, vervolgens liet hij zijn +beenen uit het bed hangen, zette zijn voeten op den grond en zonder +schier te weten hoe, vond hij zich op zijn bed zitten.</p> +<p>Hij bleef eenigen tijd peinzend in deze houding, welke iets +onheilspellends moest hebben voor iemand, die hem alzoo in de +duisternis, de eenige <span class="corr" id="xd20e2289" title="Bron: wakenden">wakende</span> in het slapend huis, had gezien. +Eensklaps bukte hij zich en trok zijn schoenen uit en zette ze zacht op +de mat voor het bed, toen nam hij weder zijn peinzende houding aan en +zat weder bewegingloos.</p> +<p>In deze heillooze overdenkingen woelden de gedachten, welke wij +hebben aangegeven, gestadig door zijn hersenen, kwamen er in, gingen er +uit, keerden er in terug en brachten een soort van drukking bij hem +teweeg; tegelijkertijd dacht hij, zonder te weten waarom, met de +hardnekkigheid van een droom aan zekeren tuchteling Brevet geheeten, +dien hij in het bagno had gekend, en wiens broek slechts aan +één gebreiden katoenen draagband hing. Hij had den +geruiten draagband gestadig voor den geest.</p> +<p>Zoo zat hij, en zou misschien tot het aanbreken van den dag zoo +gezeten hebben, indien de klok niet éénmaal geslagen +had,—een kwart of een half uur. Het was alsof deze slag hem +zeide: kom aan!</p> +<p>Hij stond op, aarzelde nog een oogenblik en luisterde: alles was +stil in het huis; toen ging hij rechtuit en met zachte schreden naar +het raam, dat hij zien kon. De nacht was niet erg donker; ’t was +volle maan, maar de wind dreef groote zware wolken om haar heen. +Daardoor ontstond buiten een afwisseling van licht en schaduw, +verduistering en verlichting, en in de kamer een soort van schemering. +Die schemering, waarbij men genoegzaam zien kon om zich te richten, en +die door de wolken telkens verbroken werd, geleek op het bleeke licht, +dat door een kelderluik valt, waarlangs menschen heen en weer gaan. Aan +het raam gekomen, onderzocht Valjean het nauwkeurig. Het was zonder +tralies, kwam in den tuin <span class="pagenum">[<a id="pb107" href="#pb107" name="pb107">107</a>]</span>uit en was slechts, volgens +landelijk gebruik, met een wervel gesloten. Hij opende het, maar wijl +een koude, scherpe lucht de kamer binnendrong, sloot hij het aanstonds +weder. Met een oplettenden blik, die nog meer onderzoekt dan ziet, +beschouwde hij den tuin. Deze was omgeven door een lagen witten muur, +die gemakkelijk over te klimmen was. Aan gene zijde van den muur zag +hij kruinen van boomen, op geregelden afstand van elkander, ’t +geen scheen aan te duiden dat de muur den tuin van een laan, of van een +met boomen beplanten weg scheidde.</p> +<p>Na dit onderzoek, maakte hij de beweging van iemand, die een vast +besluit genomen heeft, ging terug naar de alkoof, nam zijn ransel, +opende hem, en haalde er iets uit, dat hij op het bed legde. Toen stak +hij zijn schoenen in zijn zak, gespte den ransel dicht, nam hem op den +rug, zette zijn pet op, welker klep hij dicht in de oogen trok, zocht +tastend zijn stok, en zette hem in een hoek bij het raam, waarna hij +naar het bed terugkeerde en bedaard het voorwerp nam, dat hij er op +gelegd had. ’t Geleek een korte ijzeren staaf, aan ’t eene +eind als een spies uitloopende. ’t Ware moeielijk geweest in de +duisternis te onderkennen, tot welk einde dit ijzer moest dienen; +’t kon een breekijzer, ’t kon een groote beitel zijn.</p> +<p>In het licht had men kunnen zien dat het eenvoudig de wigge eens +mijnwerkers was. Destijds gebruikte men soms de tuchtelingen om +steenblokken uit de hooge heuvelen, die Toulon omgeven, te halen, en +’t is dus niet vreemd, dat zij mijnwerkersgereedschappen in +gebruik hadden. Zulk een werktuig was het nu, dat hij in de rechterhand +nam, en met ingehouden adem en zachte schreden naderde hij de deur der +aangrenzende kamer waar, gelijk wij weten, de bisschop sliep. De deur +stond op een kier. De bisschop had ze niet gesloten.</p> +</div> +</div> +<div id="ch2.11" class="div1"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">Elfde hoofdstuk.</h2> +<h2 class="main">Wat hij doet.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Jean Valjean luisterde. Alles was stil.</p> +<p>Hij stiet met den vinger tegen de deur, even zacht en behoedzaam als +een kat, die binnen wil komen. De deur week voor de drukking en ging +onmerkbaar en zonder gerucht iets verder open.</p> +<p>Hij wachtte een oogenblik, en stiet nu stoutmoediger ten tweedenmale +de deur verder open. <span class="pagenum">[<a id="pb108" href="#pb108" name="pb108">108</a>]</span></p> +<p>Zij bewoog zich zonder gerucht, en nu was de opening zoo wijd, dat +hij er door kon gaan. Maar bij de deur stond een tafeltje, dat met de +deur een lastigen hoek vormde en den toegang versperde.</p> +<p>Jean Valjean zag de moeielijkheid in; de toegang moest noodwendig +wijder zijn.</p> +<p>Hij nam zijn besluit en stiet ten derden male en forscher dan +vroeger tegen de deur. Doch dezen keer liet het hengsel een lang en +krijschend geluid hooren in de duisternis.</p> +<p>Jean Valjean ontroerde. Het gekners der deur klonk in zijn ooren +schetterend en vreeselijk als de bazuin van het laatste oordeel.</p> +<p>In de spookachtige ontsteltenis van ’t eerste oogenblik, +meende hij schier, dat het hengsel leven aannam en als een hond huilde +en blafte, om een ieder te waarschuwen en de slapenden te wekken.</p> +<p>Bevend en ontsteld stond hij stil en liet zich van de teenen op de +hielen neder. Hij voelde zijn slapen als twee mokers kloppen, en zijn +adem kwam hem even sterk voor als de tochtwind die uit een spelonk +waait. Het scheen hem onmogelijk, dat dit vreeselijk gekrijsch het huis +niet als door een aardbeving geschud had; de door hem geopende deur had +onraad gemerkt, en had geroepen; de grijsaard zou opstaan, de beide +vrouwen zouden om hulp roepen, de buren zouden toesnellen en in minder +dan een kwartier zou de heele stad in beweging en de gendarmerie op de +been zijn. Een oogenblik waande hij zich verloren.</p> +<p>Hij bleef staan als een zoutpilaar en waagde het niet zich te +bewegen. Alzoo verliepen eenige minuten. De deur stond wijd open. Hij +waagde het in de kamer te zien.</p> +<p>Niets had er zich in geroerd. Hij luisterde. Alles was stil in het +huis. Het knarsen der deur had niemand gewekt.</p> +<p>Het eerste gevaar was voorbij, maar in zijn binnenste heerschte nog +een schrikkelijk oproer. Hij trad echter niet terug. Zelfs zoo hij zich +verloren had gezien, zou hij niet terug zijn geweken. Hij dacht aan +niets anders, dan om spoedig tot een einde te komen. En met +één tred was hij in de kamer.</p> +<p>In de kamer heerschte de volmaaktste rust.</p> +<p>Men zag hier en daar onduidelijke voorwerpen, die overdag gezien, op +een tafel verspreide papieren, opengeslagen folianten, een bankje met +opgestapelde boeken, een stoel met kleedingstukken, een bidbankje, +waren; thans echter vertoonde zich dit alles slechts als donkere en +lichte plekken.</p> +<p>Jean Valjean trad voorzichtig voort om niet tegen het huisraad +<span class="pagenum">[<a id="pb109" href="#pb109" name="pb109">109</a>]</span>te stooten. Hij hoorde achter in de kamer de +rustige gelijkmatige ademhaling van den slapenden bisschop.</p> +<p>Plotseling bleef hij staan. Hij was dicht bij het bed. Hij was hier +spoediger genaderd dan hij dacht.</p> +<p>Soms verbindt de natuur haar werkingen en tooneelen aan onze daden, +zoo juist ter snede, als wilde zij ons door een ernstigen, behendigen +wenk tot nadenken brengen. Sinds bijna een half uur was de hemel door +zware wolken betrokken. Juist op ’t oogenblik dat Jean Valjean +voor het bed trad, scheurde die sluier zich als met opzet, en een +straal der maan, die door het langwerpig venster schoot, verlichtte +eensklaps het bleek gelaat van den bisschop. Hij sliep rustig. Hij lag, +wegens de nachtkoude der Beneden-Alpen, half gekleed in een bruin +wollen nachtrok, te bed. Zijn hoofd rustte, een weinig achterover +gebogen, in het kussen; zijn met den bisschoppelijken ring versierde +hand, die zoovele goede werken en vrome daden had verricht, hing buiten +het bed. Zijn gelaat drukte tevredenheid, hoop en zielsrust uit. +’t Was eerder een hemelsche glans dan een glimlach, die zijn +gelaat verhelderde, en die de weerschijn geleek van een verborgen +licht. De ziel van den rechtvaardige aanschouwt in den slaap een +geheimzinnigen hemel. De glans van dien hemel bescheen den bisschop. +’t Was tevens als een doorschijnend licht, want deze hemel was in +hem, was zijn geweten.</p> +<p>Toen het maanlicht, om zoo te spreken, zich over dezen inwendigen +glans spreidde, scheen de slapende bisschop als door een stralenkrans +omgeven, die zacht en omsluierd als de ochtendschemering was. De maan +aan het uitspansel, de sluimerende natuur, deze geruchtlooze tuin, het +rustige huis, het nachtelijk uur, het oogenblik, de stilte gaven aan +den eerbiedwaardigen slaap van dezen man iets onbeschrijfelijk +plechtigs en omhulden, met majestueuzen, stillen luister, zijn wit +haar, zijn gesloten oogen, zijn gelaat, waarop alles van hoop en +vertrouwen sprak: dit hoofd des grijsaards en dien slaap des kinds. Er +was iets goddelijks in dezen man, die, zich zelf onbewust, zoo +eerbiedwaardig was.</p> +<p>Jean Valjean stond met zijn wigge in de hand, bewegingloos in de +schaduw, verschrikt voor dezen schitterenden grijsaard. Nooit had hij +iets dergelijks gezien. De gerustheid ontstelde hem. De zedelijke +wereld kent geen grootscher schouwspel dan een ontsteld, onrustig +geweten, dat, op ’t punt een slechte daad te bedrijven, den slaap +van een rechtvaardige aanschouwt.</p> +<p>Deze slaap in deze afzondering en in de nabijheid van iemand als +hij, had iets verhevens, ’t welk zelfs Valjean, hoewel +<span class="pagenum">[<a id="pb110" href="#pb110" name="pb110">110</a>]</span>onduidelijk, echter onweerstaanbaar, gevoelde. +Niemand, hij zelfs niet, had kunnen zeggen wat in hem omging. Om zich +daarvan een denkbeeld te kunnen maken, zou men zich het gewelddadigste +tegenover het zachtmoedigste moeten voorstellen. Zelfs op zijn gelaat +had men niets bepaalds kunnen onderscheiden. Het drukte een schuwe +verbazing uit en staarde strak voor zich. Wat dacht hij? ’t was +onmogelijk te gissen. Blijkbaar was hij getroffen en geschokt; maar van +welken aard was zijn ontroering?</p> +<p>Zijn blik wendde zich niet van den grijsaard af. Het eenige wat +duidelijk uit zijn houding en gelaat sprak, was een zonderlinge +besluiteloosheid. ’t Scheen alsof hij tusschen twee afgronden +kiezen moest, tusschen dien, waarin men verloren gaat, en dien, die +redding geeft. Hij scheen gereed, dien man de hersens in te slaan, of +... zijn hand te kussen.</p> +<p>Na eenige oogenblikken lichtte hij langzaam zijn linkerarm op en nam +zijn pet af, toen liet hij even langzaam dien arm zinken, en met de pet +in de linker-, zijn wigge in de rechterhand, en het woest, met +borstelig haar bedekt hoofd ontbloot, verzonk Jean Valjean weder in +gedachten.</p> +<p>De bisschop sliep, onder dien vreeselijken blik, rustig en diep.</p> +<p>In den maneschijn vertoonde zich onduidelijk boven den schoorsteen +het kruisbeeld, dat voor beiden zijn armen scheen te openen, om den een +te zegenen, den ander te vergeven.</p> +<p>Eensklaps zette Jean Valjean zijn pet weder op en ging, zonder +verder naar den bisschop te zien, rechtstreeks naar het kastje bij het +hoofdeneinde; hij hief de wigge op om het slot open te breken; maar de +sleutel stak er in; hij opende het, en het eerste voorwerp dat hij zag, +was het mandje met zilverwerk; hij nam het, en ging met haastigen tred, +onbezorgd voor het gerucht dat hij maakte, naar de deur, trad de +bidkamer weder binnen, opende het venster, nam zijn stok, stak het +zilverwerk in zijn ransel, wierp het mandje weg, klom uit het raam, +snelde door den tuin, sprong als een tijger over den muur en +vluchtte.</p> +</div> +</div> +<div id="ch2.12" class="div1"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">Twaalfde hoofdstuk.</h2> +<h2 class="main">De bisschop werkt.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Den volgenden dag wandelde Monseigneur bij zonsopgang +in zijn tuin. Magloire kwam geheel ontsteld op hem toeloopen.</p> +<p>„Monseigneur, Monseigneur,” riep zij, „weet uw +Hoogwaarde waar het zilver-mandje is?” <span class="pagenum">[<a id="pb111" href="#pb111" name="pb111">111</a>]</span></p> +<p>„Ja,” zei de bisschop.</p> +<p>„Goddank!” riep zij. „Ik wist niet waar het +gebleven was.” De bisschop had het mandje van een bloembed +opgeraapt en gaf het Magloire.</p> +<p>„Daar is het.”</p> +<p>„Er is niets in,” zeide zij. „En ’t +zilverwerk?”</p> +<p>„O! bedoelt gij het zilver?” hernam de bisschop. +„Waar dat is, weet ik niet.”</p> +<p>„Goede God! ’t is gestolen; de man van gisterenavond +heeft het gestolen.”</p> +<p>Met haar gewone drift en voortvarendheid, liep de oude Magloire naar +de bidkamer; ging in de alkoof en keerde tot den bisschop terug. De +bisschop stond voorover gebogen en beschouwde zuchtend een plant +cochléaria, waarop het mandje was gevallen en die geknakt was. +Hij richtte zich op, toen Magloire riep:</p> +<p>„De man is weg, Monseigneur; het zilverwerk is +gestolen.”</p> +<p>Terwijl ze dit riep, richtte zij de oogen naar een hoek van den +tuin, waar men sporen van overklimming zag. De kalk was beschadigd.</p> +<p>„Zie,” riep zij, „daar is hij over den muur +geklommen, en in de straat Cochefilet gesprongen. ’t Is +afschuwelijk! Hij heeft ons zilverwerk gestolen!”</p> +<p>De bisschop zweeg een oogenblik, toen zag hij ernstig op en zeide +zachtmoedig tot Magloire:</p> +<p>„Maar behoorde ons dit zilver wel?”</p> +<p>Magloire wist niet wat te zeggen. Na een poos hernam de +bisschop:</p> +<p>„Magloire, ik hield sinds lang ten onrechte dit zilverwerk in +bezit. Het behoorde aan de armen. Wie was deze man! Blijkbaar een +arme.”</p> +<p>„Helaas!” hernam Magloire. „’t Is niet om +mij of om mejuffrouw. ’t Is ons onverschillig. Maar ’t is +om Monseigneur. Waarmede zal Monseigneur nu voortaan eten?”</p> +<p>De bisschop zag haar verwonderd aan en vroeg:</p> +<p>„Zijn er geen tinnen lepels?”</p> +<p>Magloire haalde de schouders op en zeide:</p> +<p>„Het tin riekt.”</p> +<p>„IJzeren dan?”</p> +<p>Magloire zeide met een afkeerend gebaar: „Het ijzer kan men +proeven.”</p> +<p>„Welnu,” hernam de bisschop, „dan +houten.”</p> +<p>Eenige oogenblikken later ontbeet hij aan dezelfde tafel, waaraan +Jean Valjean den vorigen avond gezeten had. Terwijl hij at, maakte hij +welgemoed aan zijn zuster, die niets <span class="pagenum">[<a id="pb112" href="#pb112" name="pb112">112</a>]</span>zeide, en aan +Magloire, die zacht bromde, de opmerking, dat men volstrekt geen lepel +of vork, zelfs geen houten, noodig heeft, om een stuk brood in een kom +melk te doopen.</p> +<p>„Heeft men ’t ook ooit gehoord?” prevelde Magloire +binnensmonds, heen en weer gaande, „zulk een mensch in huis te +nemen! hem naast zich te laten slapen! ’t Is nog een geluk, dat +hij alleen gestolen heeft. Hemel! men beeft als men er aan +denkt!”</p> +<p>Terwijl broeder en zuster op ’t punt waren van de tafel op te +staan, werd er aan de deur geklopt.</p> +<p>„Binnen,” riep de bisschop.</p> +<p>De deur werd geopend. Een zonderlinge, gewelddadige groep verscheen +op den drempel. Drie mannen hielden een vierden bij den kraag. De drie +mannen waren gendarmen; de andere was Jean Valjean.</p> +<p>Een brigadier der gendarmerie, die den troep scheen aan te voeren, +stond bij de deur. Hij trad binnen en naderde met militairen groet den +bisschop.</p> +<p>„Monseigneur,” zeide hij...</p> +<p>Bij dit woord richtte Jean Valjean, die er somber en verslagen +uitzag, verbaasd het hoofd op.</p> +<p>„Monseigneur!” mompelde hij. „’t Is dus niet +de pastoor...”</p> +<p>„Zwijg,” beval een gendarm. „’t Is +Monseigneur de bisschop.”</p> +<p>Intusschen was Monseigneur Bienvenu zoo snel genaderd als zijn hooge +jaren hem vergunden.</p> +<p>„Ha! zijt gij daar!” riep hij, Jean Valjean aanziende. +„Het verheugt mij u te zien! Maar ... ik had u ook de kandelaars +gegeven, die evenzeer van zilver zijn als het andere, en waarvoor ge +wel tweehonderd francs kunt krijgen. Waarom hebt ge ze niet met uw +zilveren lepels en vorken medegenomen?”</p> +<p>Jean Valjean sperde de oogen wijd open en aanschouwde den bisschop +met een uitdrukking, die geen menschelijke taal kan wedergeven.</p> +<p>„Monseigneur,” zei de brigadier der gendarmerie, +„was het dan waar, wat die man zeide? Wij ontmoetten hem. Hij +liep als iemand die vluchtte. Wij hielden hem aan, om te zien. Hij had +dit zilverwerk bij zich...”</p> +<p>„En hij zeide u,” viel de bisschop hem glimlachend in de +rede, „dat het hem door een ouden, goeden priester was gegeven, +in wiens huis hij den nacht had doorgebracht?... Nu begrijp ik het. En +ge hebt hem weer hier gebracht. ’t Is een vergissing.” +<span class="pagenum">[<a id="pb113" href="#pb113" name="pb113">113</a>]</span></p> +<p>„Als dat zoo is, kunnen wij hem dan laten gaan?” vroeg +de brigadier.</p> +<p>„Zekerlijk,” antwoordde de bisschop.</p> +<p>De gendarmen lieten Jean Valjean los, die achteruit trad. „Is +’t dan waar, laat men mij los?” zeide hij op een gesmoorden +toon, als sprak hij in den droom.</p> +<p>„Ja, gij zijt vrij, verstaat ge ’t niet?” zei een +gendarm.</p> +<p>„Neem eerst uw kandelaars, voor ge heengaat, mijn +vriend,” hernam de bisschop.</p> +<p>Hij ging naar den schoorsteen, nam de twee zilveren kandelaars en +bracht ze Jean Valjean. De beide vrouwen zagen elkander aan, zonder een +woord, een blik, een gebaar te wagen, om hem tegen te houden.</p> +<p>Jean Valjean beefde aan al zijn leden. Hij nam de beide kandelaars +werktuiglijk en met een verward voorkomen aan.</p> +<p>„Ga nu in vrede,” zei de bisschop. „Nog een woord. +Wanneer ge wederkomt, behoeft ge niet door den tuin te gaan, mijn +vriend. Ge kunt altijd door de voordeur in- en uitkomen. Dag en nacht +staat zij slechts op de klink.” Zich toen tot de gendarmen +wendende, zeide hij:</p> +<p>„Ge kunt gaan, mijne heeren.”</p> +<p>Dezen verwijderden zich.</p> +<p>Jean Valjean was als iemand, die op ’t punt is in onmacht te +vallen.</p> +<p>De bisschop naderde hem en fluisterde hem toe:</p> +<p>„Vergeet niet, vergeet nooit, dat ge mij beloofd hebt, dit +geld aan te wenden om een eerlijk man te worden.”</p> +<p>Jean Valjean, die zich volstrekt niet herinnerde iets beloofd te +hebben, stond als versteend. De bisschop had deze woorden met nadruk +gesproken. Hij hernam plechtig:</p> +<p>„Jean Valjean, mijn broeder, gij behoort niet meer tot het +kwade, maar tot het goede. Ik koop uw ziel, ik verlos haar van de +slechte gedachten en den geest des verderfs, en geef ze aan God.” +<span class="pagenum">[<a id="pb114" href="#pb114" name="pb114">114</a>]</span></p> +</div> +</div> +<div id="ch2.13" class="div1"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">Dertiende hoofdstuk.</h2> +<h2 class="main">De kleine Gervais.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Jean Valjean verliet als een vluchteling de stad. Hij +liep haastig naar buiten, de eerste de beste wegen en paden inslaande, +die zich aan hem vertoonde, zonder op te merken, dat deze hem telkens +op zijn schreden terugvoerden. Zoo doolde hij een ganschen ochtend, +zonder gegeten te hebben of honger te gevoelen. In zijn geest +verdrongen zich een menigte nieuwe gewaarwordingen. Hij voelde zich +vertoornd en wist niet op wien. Hij had niet kunnen zeggen, of hij zich +bewogen of gedeemoedigd gevoelde. Nu en dan werd hij door een vreemde +weekhartigheid overweldigd, welke hij bestreed en waartegen hij zich +met de verhardheid zijner twintig laatste jaren verzette. Deze toestand +verdroot hem. Hij voelde met eenige bekommering, dat de soort van +heillooze kalmte, welke de onrechtvaardigheid van zijn ongeluk hem +gegeven had, was verstoord. Hij vroeg zich af, wat daarvoor in de +plaats zou komen. Menigmaal wenschte hij zelfs, dat de gendarmen hem +maar naar de gevangenis hadden gevoerd, en de zaken zulk een keer niet +hadden genomen; dit zou hem minder ontroering hebben veroorzaakt. +Schoon het seizoen tamelijk gevorderd was, bloeiden er hier en langs +den weg nog eenige late bloemen, welker geuren hem aan zijn kinderjaren +herinnerden. Deze herinneringen waren hem bijna onverdragelijk, omdat +ze in zoo langen tijd niet voor hem verschenen waren.</p> +<p>Onuitsprekelijke gedachten drongen zich dus den ganschen dag aan hem +op.</p> +<p>Toen de zon naar het westen neigde en het kleinste steentje een +lange schaduw gaf, zat Jean Valjean achter een kreupelboschje in een +<span class="corr" id="xd20e2501" title="Bron: rosachtige">rotsachtige</span>, zeer eenzame vlakte. Aan den +horizont zag men niets dan de Alpen; zelfs geen kerktoren van eenig +verwijderd dorp. Jean Valjean kon op drie uren afstand van D. zijn +geweest.—Een voetpad, dat de vlakte doorsneed, liep eenige +schreden van het kreupelhout.</p> +<p>Te midden zijner overdenking, die er niet weinig toe zou hebben +bijgedragen, om zijn lompen voor dengene, die hem ontmoet had, +schrikbarend te maken, hoorde hij vroolijke klanken.</p> +<p>Hij wendde het hoofd om en zag langs het pad een kleinen tienjarigen +Savooiaard, met zijn lier op zijde en zijn marmotten-kastje +<span class="pagenum">[<a id="pb115" href="#pb115" name="pb115">115</a>]</span>op den rug, zingend naderen. Een dier +goedaardige vroolijke knaapjes, die van het eene land naar het andere +trekken en wier knieën door de gaten van hun broek steken.</p> +<p>Steeds zingende, bleef de knaap nu en dan staan en speelde met +eenige geldstukken, die hij in de hand had, en waarschijnlijk zijn +geheele fortuin uitmaakten. Onder dit geld was een tweefrancstuk.</p> +<p>De knaap bleef dicht bij het kreupelboschje staan, zonder Jean +Valjean te zien, en wierp zijn geldstukken omhoog, welke hij tot +hiertoe zeer behendig op den rug der hand weder opgevangen had.</p> +<p>Maar ditmaal ontglipte hem het tweefrancstuk en rolde in het +kreupelhout tot dicht bij Jean Valjean.</p> +<p>Jean Valjean zette er den voet op.</p> +<p>De knaap, die met zijn blik het geldstuk gevolgd was, zag het.</p> +<p>Hij verwonderde zich er niet over, maar ging recht op den man +toe.</p> +<p>Het was eene geheel eenzame plaats. Zoo ver het oog reikte, zag men +geen mensch, noch op de vlakte, noch op het voetpad. Men hoorde niets +dan het tjilpen van een zwerm trekvogels, die zeer hoog in de lucht +vlogen. De knaap stond met den rug naar de zon gekeerd, die gouden +draden in zijn haar vlocht en Valjean’s woest gezicht met een +bloedrooden glans kleurde.</p> +<p>„Mijnheer,” zei de kleine Savooiaard met dat kinderlijk +vertrouwen, dat uit onwetendheid en onschuld bestaat;—„mijn +geldstuk?”</p> +<p>„Hoe heet gij?” vroeg Valjean.</p> +<p>„Kleine Gervais.”</p> +<p>„Ga heen,” zei Valjean.</p> +<p>„Geef mij eerst mijn geld!”</p> +<p>Valjean boog het hoofd en antwoordde niet.</p> +<p>„Mijn geld!” herhaalde de knaap.</p> +<p>Valjeans blik bleef op den grond gevestigd.</p> +<p>„Mijn geld! mijn zilverstuk! mijn geld!” riep de +knaap.</p> +<p>Valjean scheen niet te hooren. De knaap greep hem bij den kraag van +zijn kiel en schudde hem heen en weder. Terzelfder tijd trachtte hij +den zwaren, gespijkerden schoen van zijn geldstuk weg te schuiven.</p> +<p>„Ik wil mijn geld, mijn tweefrancstuk!”</p> +<p>De knaap begon te weenen. Valjean richtte het hoofd op. Hij zat nog +steeds. Zijn oogen waren dof. Hij zag met een soort van verwondering +den knaap aan. Toen greep hij zijn stok en riep met een forsche stem: +„Wie is daar?” <span class="pagenum">[<a id="pb116" href="#pb116" name="pb116">116</a>]</span></p> +<p>„Ik,” zei de knaap, „de kleine Gervais. Ik, ik! +geef mij mijn geldstuk weder, als ’t u belieft! Neem uw voet weg, +als ’t u belieft!”—Eindelijk werd de knaap ernstig +boos, en herhaalde schier dreigend:</p> +<p>„Kom, neem uw voet weg.—Zult ge uw voet +wegnemen?”</p> +<p>„Zijt gij ’t nog?” zei Valjean, en eensklaps +opstaande, doch den voet steeds op het geldstuk houdende, riep hij: +„Wilt ge maken dat ge wegkomt?”</p> +<p>De knaap zag hem ontsteld aan, en begon van het hoofd tot de voeten +te beven. Na eenige oogenblikken van ontzetting, liep hij zoo snel weg +als hij kon, zonder om te zien of iets te zeggen.</p> +<p>Op eenigen afstand was hij buiten adem en moest blijven staan. Jean +Valjean hoorde, door zijne mijmering heen, den knaap snikken en +weenen.</p> +<p>Na eenige oogenblikken was de knaap verdwenen.</p> +<p>De zon was ondergegaan.</p> +<p>Het werd duister om Jean Valjean. Hij had den geheelen dag niet +gegeten; waarschijnlijk was hij koortsachtig.</p> +<p>Hij was blijven staan, nog in dezelfde houding als toen de knaap was +weggeloopen. In lange ongeregelde tusschenpoozen deed zijn adem zijn +boezem hijgen. Zijn blik scheen met groote opmerkzaamheid een oude +blauw porseleinen scherf, op tien of twaalf schreden voor zich in het +gras, te beschouwen. Eensklaps rilde hij; hij voelde de +avondkoelte.</p> +<p>Hij drukte zijn pet dieper op ’t hoofd en trachtte +werktuiglijk zijn kiel dicht te knoopen. Hij deed een schrede en bukte, +om zijn stok op te rapen.</p> +<p>Toen zag hij het tweefrancstuk, dat zijn voet in den grond had +gedrukt en dat te midden der keitjes glinsterde. Dit veroorzaakte hem +als een elektrieken schok.—Wat is dat? mompelde hij binnensmonds. +Hij trad drie schreden achteruit, en stond toen stil, zonder zijn blik +van de plek te kunnen wenden, waar zooeven zijn voet had gestaan, als +ware het voorwerp dat daarin de duisternis glinsterde een op hem +gericht oog.</p> +<p>Na eenige oogenblikken sprong hij stuipachtig naar het geldstuk, nam +het, en zich oprichtende zag hij in de verte over de vlakte rond, zijn +blikken naar al de punten van den horizon wendende, en bevende als een +gejaagd hert, dat een schuilplaats zoekt.</p> +<p>Hij zag niets. Het werd donker; de vlakte lag koud en onduidelijk +voor hem, een dikke blauwe nevel steeg in de avondschemering op.</p> +<p>„Ha,” zeide hij en schreed snel voorwaarts in de +richting <span class="pagenum">[<a id="pb117" href="#pb117" name="pb117">117</a>]</span>waar de knaap verdwenen was. Na een dertig +schreden te hebben gedaan, stond hij stil, tuurde naar alle zijden, +maar zag niets.</p> +<p>Nu riep hij uit al zijn macht:—Kleine Gervais! Kleine +Gervais!</p> +<p>Toen zweeg hij, en wachtte.</p> +<p>Niets antwoordde.</p> +<p>Het veld was eenzaam en doodsch. Op deze uitgestrektheid omgaf hem +niets dan de duisternis, waarin zijn blik verloren ging, en een stilte, +waarin zijn stem verdween.</p> +<p>Een kille wind verhief zich en gaf aan ’t geen hem omringde, +een akelige beweging. Het struikgewas sloeg zijn kleine, dunne takken +met onbeschrijfelijke woede, als dreigden en vervolgden zij iemand.</p> +<p>Hij stapte weder voort; toen begon hij harder te loopen en stond nu +en dan stil om in deze eenzaamheid, met een stem die boven alle +verbeelding schrikkelijk en wanhopig was: kleine Gervais! kleine +Gervais! te roepen.</p> +<p>De knaap zou zekerlijk, zoo hij hem gehoord had, bevreesd zijn +geweest en zich gewacht hebben, voor den dag te komen. Maar hij was +waarschijnlijk reeds ver.</p> +<p>Nu ontmoette Valjean een priester te paard. Hij naderde hem en +zeide:</p> +<p>„Mijnheer de pastoor, hebt ge ook een knaapje +ontmoet?”</p> +<p>„Neen,” zei de geestelijke.</p> +<p>„Den kleinen Gervais?”</p> +<p>„Ik heb niemand gezien.”</p> +<p>Hij nam twee vijffrancstukken uit zijn buidel en gaf ze den +priester.</p> +<p>„Mijnheer de pastoor, dit is voor uw armen, mijnheer de +pastoor! ’t is een knaapje van ongeveer tien jaar, met een marmot +en een lier, geloof ik. Een dier kleine savooiaards, weet ge, mijnheer +de pastoor?”</p> +<p>„Ik heb hem niet gezien.”</p> +<p>„De kleine Gervais? Is hij niet uit een dorp hier in dezen +omtrek? Zoudt ge ’t mij misschien kunnen zeggen?”</p> +<p>„Als ’t is, zooals gij zegt, vriend, moet ’t een +vreemde knaap zijn. Zij zwerven op het land. Men kent ze +niet.”</p> +<p>Jean Valjean nam woest nog twee vijffrancstukken uit zijn buidel en +gaf ze den priester, zeggende: „voor uw armen!”</p> +<p>Als in waanzin voegde hij er bij:</p> +<p>„Laat mij gevangennemen, mijnheer de pastoor; ik ben een +dief.”</p> +<p>De pastoor gaf zijn paard de sporen en reed verschrikt weg.</p> +<p>Jean Valjean ijlde nu voort in de eerst door hem ingeslagen +richting. <span class="pagenum">[<a id="pb118" href="#pb118" name="pb118">118</a>]</span></p> +<p>In deze vaart legde hij een tamelijk langen weg af, immer zoekende, +roepende en schreeuwende; maar hij ontmoette niemand. Een paar keeren +liep hij in de vlakte naar iets, dat hij voor een liggend of gehurkt +mensch aanzag, maar ’t waren niets dan struiken of verhevenheden +van den grond. Eindelijk hield hij stil, ter plaatse waar drie +voetpaden elkander kruisten. De maan was opgegaan. Hij staarde naar +alle kanten in de verte en riep voor de laatste maal: „Kleine +Gervais! Kleine Gervais!” Maar zijn geroep smoorde in den nevel, +zonder zelfs een echo te wekken. Nu fluisterde hij nog flauw en +nauwelijks hoorbaar: Kleine Gervais! ’t Was een laatste +inspanning; zijn knieën knikten eensklaps onder hem, als werd hij +door een onzichtbare macht onder het gewicht van zijn kwaad geweten +neergedrukt; uitgeput zonk hij op een grooten steen neer, greep met +beide handen in ’t haar en verborg het gezicht tusschen zijn +knieën, uitroepende: Ik ben een ellendeling!</p> +<p>Toen brak zijn hart en hij weende. Dit was de eerste maal sinds +negentien jaren, dat hij weende.</p> +<p>Wij hebben gezien, dat, toen Jean Valjean den bisschop verliet, hij +buiten al de gedachten was, welke hem tot hiertoe geleid hadden. Hij +kon zich geen rekenschap geven van ’t geen in hem omging. Hij +verhardde zich tegen de hemelsche handelwijze en de zachtmoedige +woorden des grijsaards. „Gij hebt mij beloofd, een eerlijk man te +worden. Ik koop uw ziel. Ik verlos ze van den geest des verderfs en +geef ze God.” Deze woorden hoorde hij gestadig in zijn ooren. Hij +stelde tegenover deze hemelsche toegevendheid den hoogmoed, die in ons +is, als de citadel van het kwaad. Hij gevoelde flauw, dat de +vergiffenis van dezen priester de grootste en sterkste aanval was, die +hem ooit geschokt had; dat zijn verstoktheid duurzaam zou wezen, zoo +hij deze goedertierenheid wederstond; dat, zoo hij toegaf, hij van den +haat moest afzien, waarmede de daden van andere menschen gedurende +zoovele jaren zijn ziel vervuld hadden; dat hij ditmaal moest +overwinnen of verwonnen worden, en dat de strijd, een reusachtige en +beslissende strijd, begonnen was tusschen zijn eigene slechtheid en de +goedheid van dezen man.</p> +<p>Al dat licht, ’t welk in hem opging, maakte hem als dronken. +Had hij, terwijl hij aldus met verwarden blik voortging, een duidelijk +besef van de gevolgen welke zijn avontuur te D. voor hem kon hebben? +Hoorde hij die geheimzinnige tonen, welke in sommige oogenblikken des +levens den geest waarschuwen of kwellen? Fluisterde een stem hem in +’t oor, dat hij het plechtigste oogenblik van zijn lot had +beleefd, dat er <span class="pagenum">[<a id="pb119" href="#pb119" name="pb119">119</a>]</span>voor hem geen middenweg meer bestond, dat, +zoo hij voortaan niet de beste mensch was, hij de slechtste zou zijn; +dat hij thans, om zoo te spreken, zich boven den bisschop moest +verheffen, of lager dan de galeiboef zou zinken; dat, zoo hij goed +wilde zijn, hij een engel moest worden; dat, zoo hij slecht wilde +blijven, hij in een monster zou ontaarden.</p> +<p>Hier moeten wij wederom de vraag herhalen, welke wij reeds vroeger +hebben gedaan: was er eenig donker besef van dit alles in zijn geest? +Ontwijfelbaar, zooals wij gezegd hebben, is het ongeluk de leerschool +van het verstand; ’t is evenwel te betwijfelen, of Valjean in +staat was, al wat wij hier aangegeven hebben te ontleden. Zoo deze +denkbeelden bij hem opkwamen, zag hij ze slechts flauw en onbestemd als +in een nevel, en dienden ze slechts hem in een onbeschrijfelijke, +schier smartelijke onrust te brengen. Na de afschuwelijke, donkere +plaats te hebben verlaten, die men het bagno noemt, had de bisschop +zijn ziel pijnlijk aangedaan, gelijk een te helder licht bij het +verlaten der duisternis, zijn oogen zeer gedaan zou hebben. Het verder +leven, het leven, dat hem voortaan misschien wachtte, een zondeloos +rein leven, vervulde hem met angst en bekommering. Hij wist niet meer, +hoe ’t met hem was. Als een uil, die plotseling de zon ziet +opgaan, was de tuchteling als verbijsterd en verblind door de +deugd.</p> +<p>Zeker was ’t, en hij twijfelde hier niet aan, dat hij niet +meer dezelfde man, dat alles in hem veranderd was, dat ’t niet +meer in zijn macht stond, te maken, dat de bisschop niet tot hem +gesproken en zijn hart niet bewogen had.</p> +<p>In deze gemoedsstemming had hij den kleinen Gervais ontmoet en hem +het tweefrancstuk ontstolen. Waarom? Dit had hij zeker zelf niet kunnen +verklaren; was ’t een laatste uitwerking en als een laatste +krachtsinspanning der slechte gedachten, welke hij uit het bagno had +medegebracht: een onwillekeurige opwelling, het gevolg van ’t +geen in de statica de <i>verkregene kracht</i> wordt genoemd? Dat was +’t, en misschien was ’t nog iets minder dan dat. Zeggen wij +eenvoudig, dat <i>hij</i> ’t niet was, die gestolen had; ’t +was niet de mensch, ’t was het dier, dat door gewoonte en +instinct gedachteloos den voet op het geldstuk had gezet, terwijl de +geest worstelde, te midden van zooveel ongehoorde en nieuwe +voorstellingen. Toen de geest tot zich zelf kwam en deze daad van het +dier zag, deinsde Jean Valjean ontsteld terug en slaakte een kreet van +verschrikking.</p> +<p>Want, een zonderling verschijnsel en slechts mogelijk in den +toestand waarin hij verkeerde,—hij had toen hij den knaap +<span class="pagenum">[<a id="pb120" href="#pb120" name="pb120">120</a>]</span>het geldstuk ontstal, iets gedaan, waartoe hij +reeds niet meer in staat was.</p> +<p>Hoe het zij, deze laatste slechte daad had een beslissende +uitwerking op hem; zij verbrak op een ruwe wijze den bajert van zijn +verstand en loste dien op, scheidde de duisternis van het licht, en +werkte op zijn ziel, in den toestand waarin zij toen was, gelijk +sommige scheikundige reageermiddelen op een troebel mengsel werken, +door het eene element neder te slaan en het andere te zuiveren.</p> +<p>Aanvankelijk, zelfs vóór hij nadacht en overwoog, +angstig, als iemand die wil vluchten, trachtte hij den knaap te vinden, +om hem het geld weder te geven; toen hij evenwel zag, dat dit +vruchteloos en onmogelijk was, bleef hij wanhopig staan. Op het +oogenblik toen hij uitriep: Ik ben een ellendeling! had hij zich +herkend gelijk hij was, en was bereids zoo ver van zich zelven +gescheiden, dat hij zich voor een spooksel hield, en het meende voor +zich te hebben—in vleesch en been, met den stok in de hand, +gekleed in een kiel, den ransel met gestolen goederen op den rug, met +somber, vermetel gezicht, den geest vol schandelijke +ontwerpen,—den afschuwelijken galeiboef Jean Valjean.</p> +<p>De overmaat van zijn ongeluk had hem, wij hebben het reeds gezegd, +eenigszins tot een geestenziener gemaakt. Dit was dus een soort van +visioen. Hij zag werkelijk dien Valjean, met het onheilspellend +gezicht, voor zich. Hij was schier op ’t punt zich te vragen, wie +deze man was, dien hij met afkeer aanschouwde.</p> +<p>Zijn hersenen waren in een dier levendige, en toch vreeselijk kalme +oogenblikken, waarin de gedachte zoo diep is, dat zij de werkelijkheid +in zich opneemt. Dan ziet men de voorwerpen niet meer, die men voor +oogen heeft; maar men ziet buiten zich de beelden, welke men in zijn +geest heeft.</p> +<p>Hij aanschouwde zich, om zoo te spreken, dus zelf in ’t +gezicht, en tevens zag hij door deze begoocheling heen, in een +geheimzinnige diepte, een licht, dat hij aanvankelijk voor een fakkel +hield. Toen hij dat licht, ’t welk zijn geweten verhelderde, +opmerkzamer beschouwde, zag hij, dat zij een menschelijke gestalte had, +en deze fakkel de bisschop was.</p> +<p>Zijn geweten beschouwde beurtelings deze zoo voor hem staande beide +mannen, den bisschop en Jean Valjean. Niets minder dan de eerste was +nodig geweest, om den tweede te voorschijn te roepen. Door een dier +zonderlinge uitwerkselen, welke aan deze soort van zinsbegoochelingen +eigen zijn, werd, naar gelang zijn visioen duurde, de bisschop steeds +grooter en schitterender in zijn oogen, terwijl Jean Valjean kleiner +werd en <span class="pagenum">[<a id="pb121" href="#pb121" name="pb121">121</a>]</span>allengskens verdween. Op een oogenblik was hij +nog slechts een schaduw; toen verdween hij geheel, en alleen de +bisschop bleef.</p> +<p>Deze vervulde de gansche ziel van dezen rampzalige met een +schitterenden glans.</p> +<p>Lang weende Jean Valjean. Hij weende heete tranen, hij weende +snikkend, moedeloozer dan een vrouw, angstiger dan een kind.</p> +<p>Terwijl hij zoo weende, werden zijn hersenen meer en meer verlicht, +door een buitengewoon licht, en bekoorlijk tevens. Zijn vorig leven, +zijn eerste misslag, zijn lange boete, zijn uitwendige verdierlijking, +zijn inwendige verhardheid, zijn ontslag, door zoovele wraakplannen +vergezeld, alles wat hem bij den bisschop was gebeurd, zijn laatste +daad, het stelen van een tweefrancstuk van een knaap: een misdaad te +schandelijker en lafhartiger, wijl zij gepleegd was na de vergiffenis +van den bisschop—alles verscheen hem duidelijk en helder, maar in +een helderheid, welke hij tot hiertoe niet gekend had. Hij aanschouwde +eerst zijn leven, en het kwam hem afschuwelijk voor; toen zijn ziel, en +zij scheen hem afgrijselijk. Evenwel scheen op dit leven en op deze +ziel een zacht licht. Hij meende den satan in het licht van ’t +paradijs te zien.</p> +<p>Hoe vele uren weende hij? Wat deed hij vervolgens? Waar ging hij +heen? Men heeft dit nimmer vernomen. Zooveel schijnt evenwel zeker, dat +de voerman van den vrachtwagen, die destijds tusschen Grenoble en D. +reed, dien nacht, omstreeks drie uren in den morgen, toen hij de straat +van het bisdom doorreed, een man in de houding des gebeds, geknield, op +de straat in de schaduw, voor de deur van Monseigneur Bienvenu zag. +<span class="pagenum">[<a id="pb123" href="#pb123" name="pb123">123</a>]</span></p> +</div> +</div> +</div> +<div class="div0"> +<h2 class="label">Boek III.</h2> +<h2 class="main">Het jaar 1817.</h2> +<span class="pagenum">[<a id="pb125" href="#pb125" name="pb125">125</a>]</span> +<div id="ch3.1" class="div1"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">Eerste hoofdstuk.</h2> +<h2 class="main">Het jaar 1817.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">1817 is het jaar, dat Lodewijk XVIII, met een zeker +koninklijke aanmatiging, het twee-en-twintigste zijner regeering +noemde.</p> +<p>In dit jaar was mijnheer Bruguière de Sorsum een beroemdheid. +Al de winkels der kappers, die hun hoop op den terugkeer van het +haarpoeder hadden gevestigd, waren hemelsblauw geschilderd en met +leliën versierd. ’t Was de goede tijd, toen de graaf Lynch +alle zondagen als kerkmeester in de kerk van +St.-Germain-des-Prés zat, gekleed als pair van Frankrijk met het +roode ordelint, met zijn langen neus en met dat majestueus gelaat, dat +alleen den man eigen is, die een schitterende daad heeft verricht.</p> +<p>De schitterende daad door mijnheer Lynch verricht, was dat hij als +maire van Bordeaux, den 12 Maart 1814, deze stad een weinig te vroeg +aan den hertog van Angoulême had overgegeven. Dit had hem het +pairschap bezorgd. In 1817 zette de mode den knaapjes van vier tot zes +jaren groote groenlederen petten met oorlappen op het hoofd, die veel +op de mutsen der Eskimo’s geleken. Het Fransche leger was evenals +’t Oostenrijksche in witte uniformen; de regimenten werden +legioenen genoemd, in plaats van cijfers droegen zij de namen der +departementen.</p> +<p>Napoleon was op St. Helena, en wijl Engeland hem groen laken +weigerde, liet hij zijn oude kleederen keeren. In 1817 zong Pellegrini, +danste m<sup>elle</sup>. Bigottini, heerschte Potier; Odry bestond nog +niet. Madame Saqui verving Forioso. Er waren nog Pruisen in Frankrijk. +Delalot was een gewichtig personage. De legitimiteit had vastheid +gekregen, door Pleignier, Corbonneau, en Tolleron respectievelijk de +hand en het hoofd te doen afhouwen. Prins Talleyrand, groot-kamerheer, +en de abbé Louis, aangewezen minister van financiën, keken +elkander <span class="pagenum">[<a id="pb126" href="#pb126" name="pb126">126</a>]</span>aan als twee wichelaars; beiden hadden den 14 +Juli 1790 de federatie-mis op het veld van Mars gevierd, Talleyrand als +bisschop, Louis als diaken. In 1817 zag men op de zijpaden van +datzelfde Marsveld groote, ronde, blauw geverfde houten palen, met +overblijfselen van vroeger vergulde adelaars en bijen, die aan den +regen blootgesteld, in het gras verrotten. ’t Waren de zuilen, +die twee jaren vroeger de estrade des keizers op het Meiveld geschraagd +hadden. Hier en daar waren zij zwart gebrand, door het bivouacvuur der +Oostenrijkers, die nabij Gros-Caillou gekazerneerd waren.</p> +<p>Twee of drie dezer zuilen waren in die bivouacvuren verbrand en +hadden de groote handen der „keizerlijken” verwarmd. In dit +jaar 1817 waren twee zaken populair: de Voltaire-Touquet en de +snuifdoozen <i>à la Charte</i>. Het laatste, dat de Parijzenaars +in ontsteltenis had gebracht, was de misdaad van Dautun, die het hoofd +zijns broeders in den vijver der bloemmarkt had geworpen. Aan het +ministerie van Marine begon men zich ongerust te maken, dat er geen +tijdingen kwamen van het noodlottig fregat <i>la Méduse</i>, +’t welk Chaumareix met schande en Géricault met roem +overladen moest. Kolonel Selves ging naar Egypte om er Soliman-Pacha te +worden. Het paleis der Thermes (baden) in de straat la Harpe diende tot +werkplaats van een kuiper. Op het plat van den achthoekigen toren van +het hotel Cluny zag men nog het planken huisje dat aan Messier, +sterrenkundige bij het zeewezen onder Lodewijk XVI, tot observatorium +had gediend. De hertogin van Duras las aan drie of vier vrienden, in +haar met hemelsblauw versierd boudoir, haar nog onuitgegeven +<i>Ourika</i> voor.</p> +<p>Men krabde aan het Louvre de N’s uit.</p> +<p>De brug van Austerlitz deed afstand van zijn naam en heette nu brug +van den koninklijken tuin, een dubbel raadsel, ’t welk tevens de +brug van Austerlitz en den plantentuin verborg. Lodewijk XVIII, die, +terwijl hij met zijn nagels teekens maakte in Horatius, aan niets +anders dacht dan aan helden, die zich tot keizers, en aan klompenmakers +die zich tot dauphins maken, had twee zorgen: Napoleon en Mathurin +Bruneau. De Fransche academie stelde tot prijsvraag voor: „het +geluk, dat de studie verschaft.” Bellart was officieel +welsprekend. Men zag in zijn schaduw den toekomstigen advocaat de +Broë ontluiken, die aan de bijtende spotternij van Paul Louis +Courier ter prooi viel. Er was een valsche Chateaubriand, Marchangy +geheeten, in afwachting van een valschen Marchangy, met name +Arlincourt. „Claire d’Albe” en +„Malek-Adel” waren meesterstukken; madame Cottin werd voor +de voornaamste schrijfster van dien tijd verklaard. Het Instituut +<span class="pagenum">[<a id="pb127" href="#pb127" name="pb127">127</a>]</span>liet het lid der Academie Napoleon Bonaparte van +zijn lijst schrappen. Een koninklijke ordonnantie richtte te +Angoulême een marineschool op, want daar de hertog van +Angoulême groot-admiraal was, sprak ’t vanzelf dat de stad +Angoulême van rechtswege al de eigenschappen van een zeehaven +moest hebben; anders zou het monarchisch beginsel gekrenkt zijn +geweest. Men twistte in den ministerraad over de vraag of men op de +aankondigingen van Franconi de afbeeldingen zou toelaten, die de +straatjongens deden samenscholen. Paër, de componist van +<i>Agnese</i>, een goed man met een vierkant gezicht en een wrat op +iedere wang, dirigeerde de kleine gezelschapsconcerten der markiezin de +Sassenaye, in de straat Ville l’Évêque. Al de +meisjes zongen destijds l’Ermite de Saint-Avelle, woorden van +Edmond Géraud. Het blad de <i>Nain-jaune</i> herschiep zich in +de <i>Miroir</i>. Het koffiehuis Lemblin was vóór den +keizer, en het koffiehuis Valois daarentegen voor de Bourbons. Men had +den hertog van Berry, op wien Louvel bereids in de schaduw het oog had, +met een prinses van Sicilië in den echt doen treden. Het vorige +jaar was mevrouw de Staël overleden. De lijfgarden floten +mademoiselle Mars uit. De groote dagbladen waren zeer klein. Het +formaat was beperkt, maar de vrijheid groot. De <i>Constitutionnel</i> +was constitutionneel. De <i>Minerva</i> noemde Chateaubriand +<i>Chateaubriant</i>. De burgerij lachte hevig om die <i>t</i>. In +bezoldigde dagbladen hoonden veile schrijvers de ballingen van 1817. +David had geen talent meer; Arnault geen vernuft; Carnot geen ernst; +Soult had geen enkelen slag gewonnen; Napoleon was geen genie. Men weet +algemeen, dat brieven aan een balling met de post zelden terecht komen, +wijl de politie het zich ten heiligen plicht stelt ze te onderscheppen. +Dit is niets nieuws. De verbannen Descartes klaagde er reeds over. Ook +toen David in een Belgisch blad zijn ontevredenheid te kennen gaf, dat +hij de brieven niet ontving, welke men hem schreef, vonden de +koningsgezinde bladen dit zoo kluchtig, dat zij er den banneling hevig +om bespotten. Te zeggen: „de koningsmoorders” of „de +stemmenden”; „de vijanden” of „de +geallieerden”, „Napoleon” of +„Buonaparte”, dit scheidde twee menschen meer dan een +afgrond.</p> +<p>Alle lieden met gezond verstand waren ’t er over eens, dat de +tijd der revoluties door koning Lodewijk XVIII, bijgenaamd „de +voortreffelijke bewerker der Charte” voor altijd gesloten was. Op +de <i>Pont-Neuf</i> beitelde men het woord: <i>Redivivus</i> op het +voetstuk, dat het ruiterbeeld van Hendrik IV wachtte. De heer Piet +beproefde in de straat Therese N<sup>o</sup>. 4 vereenigingen te houden +ter bevestiging der monarchie. De aanvoerders der rechterzijde zeiden +bij ernstige verwikkelingen: „men moet <span class="pagenum">[<a id="pb128" href="#pb128" name="pb128">128</a>]</span>aan +Bacot schrijven.” De heeren Canuel, O’Mahony en de +Chappedelaine bereidden, met goedkeuring van Monsieur, broeder des +konings, datgene voor wat later „de samenzwering aan den +waterkant” moest zijn. L’Epingle Noire was insgelijks met +samenzweringen bezig. Delaverderie was in conferentie met Trogoff. +Decazes, in zekeren zin een liberale geest, heerschte. Chateaubriand, +die elken morgen in de straat St. Dominique No. 27 voor zijn venster +stond met een lange pantalon en pantoffels, zijn grijs hoofd met een +madras omwonden, de oogen in een spiegel geslagen, en een completen +tandmeesters-winkel vóór zich, poetste zijn tanden, die +zeer fraai waren, terwijl hij zijn secretaris, den heer Pilorge +<i lang="fr">la Monarchie selon la charte</i> dicteerde. De +gezaghebbende critiek gaf aan Lafon boven Talma de voorkeur. De heer de +Feletz teekende A., de heer Hoffmann teekende Z.<span class="corr" id="xd20e2760" title="Niet in bron">,</span> Charles Nodier schreef +Therèse Aubert. De echtscheiding was afgeschaft. De lyceën +werden collegiën genoemd. De studenten, die een gouden lelie op +den rokskraag droegen, vochten met elkander wegens den koning van +Rome.</p> +<p>De politie van het kasteel berichtte aan haar koninklijke hoogheid +de hertogin van Berry, dat het portret van den hertog van Orleans +overal ten toon was gesteld, en hij in zijn uniform van +kolonel-generaal der huzaren een beter vertoon maakte dan de hertog van +Berry in die van kolonel-generaal der dragonders; dit was een zeer +onaangenaam iets. De stad Parijs liet op haar kosten den dom der +Invaliden vergulden. Ernstige lieden vroegen elkander wat in deze of +gene omstandigheid mijnheer de Trinquelague zou doen; mijnheer Clausel +de Montals verschilde in sommige punten met mijnheer Clausel de +Coussergues; mijnheer de Salaberry was niet tevreden. De <span class="corr" id="xd20e2765" title="Bron: komediand">komediant</span> Picard, +die lid der Academie was, ’t geen de komediant Molière +niet had kunnen worden, liet <i lang="fr">les deux Philibert</i> in den +schouwburg van ’t <i>Odeon</i> opvoeren, op welks voorgevel nog +de uitgewischte woorden <i lang="fr">Théatre de +l’Imperatrice</i> duidelijk te lezen waren. Men koos partij voor +of tegen Cugnet de Montarlot. Fabvier was oproerig; Bavoux was +revolutionnair. De boekhandelaar Pelicier gaf een editie der werken van +Voltaire uit, onder dezen titel: <i lang="fr">Oeuvres de Voltaire, de +l’academie française</i>. „Dat lokt de +koopers,” zei deze naïeve uitgever. De algemeene meening +was, dat mijnheer Charles Loyson het genie der eeuw zou zijn.</p> +<p>De afgunst begon aan hem te knagen; een bewijs van roem; en men +maakte dit vers op hem: <span class="pagenum">[<a id="pb129" href="#pb129" name="pb129">129</a>]</span></p> +<div lang="fr" class="lgouter"> +<p class="line">Même quand Loyson vole, on sent qu’il a des +pattes.<a class="noteref" id="xd20e2787src" href="#xd20e2787" name="xd20e2787src">1</a></p> +</div> +<p class="first">De kardinaal Fesch weigerde zijn ontslag te nemen, +weshalve de heer de Pins, aartsbisschop van Amasie, het bisdom Lyon +bestuurde. De kwestie van het Dappendal ontstond tusschen Zwitserland +en Frankrijk door een memorie van kapitein Dufour, die thans generaal +is. Saint-Simon, destijds nog onbekend, stelde zijn verheven droom te +zamen. In de Academie der wetenschappen zat een beroemde Fourier, dien +dit nageslacht geheel vergeten is, en op een of ander zolderkamertje +een onbekende Fourier, dien de toekomst zich steeds roemrijk zal +herinneren. Lord Byron begon op te komen; een noot van een gedicht van +Millevoye kondigde hem in Frankrijk aan met deze woorden: „een +zekere lord Byron.” David van Angers beproefde het marmer te +kneden. De abbé Caurie sprak, in een kleinen kring seminaristen +in het slop der Feuillanines, met lof van een onbekenden priester, +Félicité Robert genaamd, die later Lamennais werd. Iets +dat rookte en plaste op de Seine, met het geluid van een zwemmenden +hond, ging van den Pont Royal tot aan de brug van Lodewijk XV heen en +weder, voorbij de vensters der Tuilerieën. ’t Was een +werktuig, dat tot niet veel nut was, een soort van speeltuig, een +uitvindsel van een zwakhoofdige, een utopie: een stoomboot. De +Parijzenaars keken naar dat nuttelooze ding met onverschilligheid. +Mijnheer de Vaublauc, die door een staatsgreep en ordonnantie het +Instituut hervormd had, kon, na verscheiden leden der Academie te +hebben gemaakt, er zelf niet inkomen. De voorstad St. Germain en het +paviljoen Marsan wenschten tot prefect van politie den heer Delavau, +wegens zijn vroomheid. Dupuytren en Recamier twistten in de +geneeskundige school over de goddelijkheid van Jezus Christus en +dreigden elkander met de vuist. Cuvier poogde, met het eene oog op het +scheppingsverhaal in den bijbel en met het andere op de natuur gericht, +aan de bigotte reactie te behagen door de fossiliën in +overeenstemming met de H. Schrift te brengen en Mozes door de +mastodonten te doen eerbiedigen. Mijnheer François de +Neufchâteau, die op lofwaardige wijze de gedachtenis aan +Parmentier in eere hield, wendde duizenderlei pogingen aan om +„aardappel” (<i lang="fr">pomme de terre</i>) als <i lang="fr">parmentière</i> te doen uitspreken, ’t geen hem +echter niet gelukte.</p> +<p>De abbé Grégoire, oud-bisschop, oud lid der conventie, +oud-senator, <span class="pagenum">[<a id="pb130" href="#pb130" name="pb130">130</a>]</span>was in de koningsgezinde polemiek tot den staat +van „eerloozen Grégoire” overgegaan.</p> +<p>Deze spreekwijze van „tot den staat van... overgaan” +werd door den heer Royer Collard als een nieuwigheid aangeklaagd. Men +kon nog aan zijn helderheid den steen herkennen, waarmede men +vóór twee jaren, onder den derden boog der brug van Jena, +de opening der mijn weder had dichtgemaakt, die door Blücher was +aangelegd, om de brug in de lucht te doen springen.</p> +<p>De justitie daagde voor haar balie iemand, die tot den graaf van +Artois, toen deze Notre-Dame binnenging, luid gezegd had: Sapperloot, +ik betreur den tijd toen ik Bonaparte en Talma arm in arm naar het +Bal-Sauvage zag gaan.—Oproerige gesprekken. Zes maanden +gevangenis.</p> +<p>Verraders vertoonden zich zonder mom; mannen, die den dag +vóór den veldslag tot den vijand waren overgeloopen, +bedekten niets van het ontvangen loon, en droegen op klaarlichten dag +hun schandelijk verkregen schatten en waardigheden ten toon; deserteurs +van Ligny en Quatre-Bras bewezen hun monarchale verkleefdheid door de +naaktheid, waarmede zij hun betaalde schurkerij droegen, en vergaten +wat in Engeland op den binnenmuur der openbare waterclosets staat +geschreven: <i lang="en">Please adjust your dress before leaving</i>. +(Voor men zich verwijdert, brenge men zijn kleeding weder behoorlijk in +orde.)</p> +<p>Ziedaar, wat, verward, in ’t jaar 1817 bovendreef, en thans +genoegzaam vergeten is. De geschiedenis schenkt aan al deze +bijzonderheden schier geen aandacht; en kan wel niet anders, daar het +eindelooze haar dan zou overweldigen. Evenwel zijn deze bijzonderheden, +welke men ten onrechte kleinigheden noemt,—er zijn noch kleine +feiten in de menschheid, noch kleine bladeren in den +plantengroei—nuttig, ’t Is uit het gelaat der jaren, dat de +gedaante der eeuwen wordt samengesteld.</p> +<p>In dat jaar 1817 hadden vier jonge Parijzenaars „een aardige +grap.”</p> +</div> +<div class="footnotes"> + +<hr /> + +<p class="footnote" lang="nl-1900"><span class="label"><a class="noteref" id="xd20e2787" href="#xd20e2787src" name="xd20e2787">1</a></span> Zelfs wanneer Loyson <i>vliegt</i> (of +<i>steelt</i>) gevoelt men dat hij klauwen heeft.—De aardigheid +schijnt in ’t woord <i>vole</i> te liggen, dat zoowel +<i>vliegen</i> als <i>stelen</i> betekent.</p> +</div> +</div> +<div id="ch3.2" class="div1"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">Tweede hoofdstuk.</h2> +<h2 class="main">Een dubbel viertal.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Een dezer Parijzenaars was van Toulouse, een andere +van Limoges, een derde van Cahors en de vierde van Montauban; maar zij +waren studenten, en al wat student is, is Parijzenaar; te Parijs +studeeren is te Parijs geboren zijn. <span class="pagenum">[<a id="pb131" href="#pb131" name="pb131">131</a>]</span></p> +<p>Deze jongelieden waren onbeduidend; iedereen heeft zulke wezens +gezien; vier staaltjes, zooals er dagelijks voorkomen; goed noch +slecht, knap noch dom, genieën noch botteriken; maar +schoon—uithoofde van de bekoorlijke lente, die „twintig +jaren” heet.</p> +<p>’t Waren vier Oscars; want op dat tijdstip bestonden de +Arthurs nog niet. „Brand voor hem reukwerken van +Arabië,” zong de Romance, „Oscar nadert, Oscar zal ik +zien!”<a class="noteref" id="xd20e2841src" href="#xd20e2841" name="xd20e2841src">1</a></p> +<p>Men had met Ossian gedweept; het Scandinavisch en Caledonisch was +thans in de mode, eerst later kreeg het zuiver Engelsch de overhand; de +eerste Arthur, Wellington, had pas onlangs den slag van Waterloo +gewonnen.</p> +<p>Deze Oscars heetten: de eene Felix Tholomyès, van Toulouse; +de andere Listolier, van Cahors; de derde Fameuil, van Limoges; de +laatste Blachevelle, van Montauban. Natuurlijk had ieder een minnares. +Blachevelle beminde Favourite, dus genoemd wijl zij in Engeland was +geweest; Listolier aanbad Dahlia, die den naam eener bloem had gekozen; +Fameuil had Zephine, verkorting van Josephine, tot geliefde; +Tholomyès had Fantine, bijgenaamd de blonde, uithoofde van haar +schoon goudkleurig haar.</p> +<p>Favourite, Dahlia, Zephine en Fantine waren vier bekoorlijke +meisjes, nog min of meer naaisters, want zij hadden niet bepaald de +naald verlaten, die door de liefde een weinig verwaarloosd was; maar +zij hadden op ’t gelaat nog een overblijfsel van het opgeruimde +des arbeids, en in de ziel die bloem der braafheid welke bij de vrouw +den eersten val overleeft. Een der vier werd de „jonge” +genoemd, wijl zij de jongste was, en een de „oudste”; deze +was drie-en-twintig jaar.—Om niets te verzwijgen—de drie +eersten hadden meer ondervinding, waren lichtzinniger en meer op +’t gewoel der wereld verzot dan de blonde Fantine, die zich nog +in haar eerste illusiën bevond.</p> +<p>Met Dahlia, Zephine en bovenal Favourite was dit het geval niet. +Haar nauwelijks begonnen roman bevatte reeds meer dan één +episode, en de minnaar, die in het eerste hoofdstuk Adolf heette, was +in het tweede Alfons, in het derde Gustaaf. Armoede en behaagzucht zijn +twee noodlottige raadslieden voor meisjes; de eene knort, de andere +vleit; en de schoone meisjes uit de volksklasse worden door beide +lastig gevallen.</p> +<p>De slecht bewaakte harten luisteren. Daardoor komen zij tot den val, +en men werpt steenen op haar. Men overstelpt <span class="pagenum">[<a id="pb132" href="#pb132" name="pb132">132</a>]</span>haar +met den luister van al wat onbevlekt en onbereikbaar is. Helaas! +wanneer de jonge maagd honger heeft?</p> +<p>Favourite, die in Engeland was geweest, werd door Zephine en Dahlia +bewonderd. Zij was reeds vroeg gekamerd geweest. Haar vader was een +oude onderwijzer in de wiskunde, een ruw, opgeblazen man, ongetrouwd, +die ondanks zijn ouderdom steeds les gaf. In zijn jeugd had hij op +zekeren dag gezien, dat het kleed eener kamenier aan een aschbak bleef +haken; dit geval had hem verliefd gemaakt. Van deze liefde was +Favourite de vrucht geweest. Nu en dan slechts zag zij haar vader, die +haar goedendag kwam zeggen. Op zekeren morgen verscheen een oude vrouw +met een vroom voorkomen bij haar, zeggende:—Kent gij mij niet, +juffertje?—Neen.—Ik ben uw moeder.—Toen had de oude +vrouw de etenskast geopend, had gegeten en gedronken, had haar bed doen +brengen en was gebleven. Deze knorrige, vrome moeder sprak nooit tot +Favourite, bleef uren lang zwijgend zitten, at aan het ontbijt, den +middag- en den avond-maaltijd voor vier, en ging naar beneden bij den +portier visites maken, waar zij kwaad van haar dochter sprak.</p> +<p>Wat Dahlia tot Listolier, misschien ook tot anderen, en tot de +werkeloosheid had gebracht, waren haar schoone rozige nagels. Hoe kon +zij met zulke nagels werken? Die deugdzaam wil blijven, moet geen +medelijden met zijn handen hebben.</p> +<p>Wat Zephine betreft, deze had haar Fameuil veroverd door op zeer +schalksche en verlokkelijke wijze: Ja, mijnheer! te zeggen.</p> +<p>De jongelingen waren kameraden, de meisjes waren dus vriendinnen. +Zulke minnarijen gaan steeds vergezeld van zulke vriendschappen.</p> +<p>Wijs en wijsgeerig zijn, is verschillend; en het bewijs er van is, +dat, de kleine ongeregeldheden in haar leefwijze er buiten gelaten, +Favourite, Zephine en Dahlia wijsgeerige meisjes waren, en Fantine een +wijs meisje was.</p> +<p>Wijs! zal men zeggen, en Tholomyès? Salomo zou antwoorden, +dat de liefde een deel der wijsheid uitmaakt. Wij zeggen slechts, dat +Fantine’s liefde een eerste, een eenige, een trouwe liefde +was.</p> +<p>Zij was de eenige der vier, die slechts met een enkele gemeenzaam +omging.</p> +<p>Fantine was een der wezens, die, om zoo te spreken, uit de diepte +des volks ontluiken. Uit de onpeilbaarste diepten der maatschappelijke +duisternis opgekomen, droeg zij op het hoofd het teeken van het +naamlooze en onbekende. Zij was te M. sur M. geboren. Van welke ouders? +Wie zou het kunnen <span class="pagenum">[<a id="pb133" href="#pb133" name="pb133">133</a>]</span>zeggen? Niemand had ooit haar ouders +gekend. Zij heette Fantine. Waarom Fantine? Zij had nooit een anderen +naam gehad.</p> +<p>Tijdens haar geboorte bestond het Directoire nog. Zij had evenmin +een familienaam als familie; ook geen doopnaam, want de kerk was er +niet meer. Zij heette zooals de eerste de beste haar noemde, die haar, +toen zij blootsvoets op straat rondzwierf ontmoet had. Zij ontving een +naam, evenals zij de droppen uit de wolken op haar hoofd ontving, +wanneer het regende. Men noemde haar de kleine Fantine. Niemand wist +iets meer van haar. Zóó was dit menschelijke wezen het +leven ingetreden.</p> +<p>Toen Fantine tien jaar oud was, verliet zij haar geboorteplaats, en +ging in dienst bij de boeren in den omtrek. Op vijftienjarigen leeftijd +kwam zij te Parijs om „fortuin te maken”. Fantine was +schoon en bleef zoolang zij kon rein. Zij was een lieve blondine met +fraaie tanden. Zij had tot bruidsschat goud en paarlen; maar het goud +was op haar hoofd en de paarlen waren in haar mond.</p> +<p>Zij arbeidde om te leven; daarna beminde zij insgelijks om te leven, +want ook het hart heeft zijn honger. Zij beminde Tholomyès.</p> +<p>Voor hem was ’t eene minnarij; voor haar een hartstocht. De +straten van het Quartier Latin, waarin het mierennest der studenten en +grisetten wemelt, zagen het begin van dezen liefdedroom. Op deze +kronkelpaden des heuvels van het Pantheon, waar zooveel avonturen +aangeknoopt en ontbonden worden, had Fantine Tholomyès lang +ontvlucht, doch zoo, dat zij hem telkens weder ontmoette.</p> +<p>Er is een manier om iemand te ontwijken, die veel van zoeken heeft. +Kortom, de Idylle begon.</p> +<p>Blachevelle, Listolier en Fameuil vormden een groep, waarvan +Tholomyès het hoofd was. Hij bezat de geestigheid.</p> +<p>Tholomyès was de oude, veeljarige student; hij was rijk; hij +bezat vierduizend francs rente. Vierduizend francs is een schat, +waarmede op den berg van St. Genoveva heel wat kan gedaan worden. +Tholomyès was een losbol van dertig jaar, die zich slecht +gehouden had. Hij had reeds rimpels, en had reeds tanden verloren; en +spottend wees hij op zijn hoofd, dat al kaal begon te worden. Zijn +spijsvertering was niet best en hij had een traanoog. Maar naargelang +zijn jeugd vervloog, vermeerderde zijn vroolijkheid; hij verving zijn +ontbrekende tanden door kwinkslagen, zijn haar door grappen, zijn +gezondheid door spotternij, en zijn traanoog lachte altijd. Hij was +vermolmd, maar nog vol bloemen. Zijn jeugd, die <span class="pagenum">[<a id="pb134" href="#pb134" name="pb134">134</a>]</span>vóór den tijd verdween, trok in +goede orde af, onder lach en scherts. Hij had een tooneelstuk +geschreven, dat echter overal was afgewezen. Nu en dan maakte hij +verzen. Overigens geloofde hij aan niets, ’t geen hem in de oogen +der zwakken niet weinig aanzien gaf. Dewijl hij nu ironisch en kaal van +haar was, was hij het hoofd. <i>Iron</i> is een Engelsch woord, dat +ijzer beteekent; zou daarvan ironisch afkomstig zijn?</p> +<p>Op zekeren dag nam Tholomyès de drie anderen ter zijde, +maakte een gewichtig gebaar en zeide:</p> +<p>„Sinds nu bijna een jaar vragen Fantine, Dahlia, Zephine en +Favourite ons om een verrassing. Wij hebben ze haar plechtig beloofd. +Zij spreken er ons dagelijks om aan, vooral mij. Evenals de oude +vrouwen te Napels den H. Januarius toeroepen: <i lang="it">Faccia +gialluta, fa o miracolo</i>, gele tronie, verricht uw mirakel! zeggen +onze schoonen gestadig tot mij: Tholomyès, wanneer zal uw +verrassing voor den dag komen? Tegelijkertijd schrijven ons onze +ouders. Zoo worden wij van alle zijden geplaagd. Het oogenblik schijnt +nu gekomen. Laat ons dus overleggen.</p> +<p>Toen sprak Tholomyès zachter, en ’t geen hij op een +geheimzinnige wijze zeide, scheen zoo grappig, dat de vier monden +tegelijkertijd in een luid schaterend gelach uitbarstten, en +Blachevelle uitriep: „Dat is een heerlijk denkbeeld!”</p> +<p>Zij kwamen bij een estaminet vol rook, traden er binnen en het +overige hunner conferentie verloor zich in de duisternis.</p> +<p>Het gevolg dezer duisternis was een schitterende buitenpartij, die +den volgenden Zondag zou plaats hebben, en waartoe de vier jongelingen +de vier meisjes noodigden.</p> +</div> +<div class="footnotes"> + +<hr /> + +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id="xd20e2841" href="#xd20e2841src" name="xd20e2841">1</a></span></p> +<div class="q"> +<div class="body"> +<div lang="fr" class="lgouter footnote"> +<p class="line">Brûlez pour lui les parfums d’Arabie,</p> +<p class="line">Oscar s’avance, Oscar, je vais le voir!</p> +</div> +</div> +</div> +</div> +</div> +<div id="ch3.3" class="div1"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">Derde hoofdstuk.</h2> +<h2 class="main">Vier paren.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Wat vijfenveertig jaren geleden een landelijke partij +van studenten en grisettes was, kan men zich tegenwoordig moeielijk +voorstellen. Parijs heeft niet meer dezelfde omstreken; de gedaante van +hetgene men het leven om Parijs zou kunnen noemen, is sedert een halve +eeuw geheel veranderd; waar toen de koekoek<a class="noteref" id="xd20e2922src" href="#xd20e2922" name="xd20e2922src">1</a> reed, ratelt +nu de spoortrein; de vaartuigen op de Seine zijn door stoombooten +vervangen; men gaat tegenwoordig <span class="pagenum">[<a id="pb135" href="#pb135" name="pb135">135</a>]</span>even gemakkelijk naar +Fécamp als destijds naar St. Cloud. Het Parijs van 1862 is een +stad, die geheel Frankrijk tot buitenwijken heeft.</p> +<p>De vier paren begingen zorgvuldig al de landelijke dwaasheden die +destijds mogelijk waren. ’t Was in den vacantietijd, en een warme +heldere zomerdag. De oude, Favourite, de eenige die kon schrijven, had +uit naam van alle vier aan Tholomyès geschreven: +„<span lang="fr">C’est une bonne heure de sortir de +bonheur.</span>” Daarom stonden zij te vijf uren ’s +ochtends op. Toen voeren zij met de schuit naar St. Cloud, bezichtigden +den verdroogden waterval, en riepen: Wat moet dat fraai zijn, als er +water in is! Zij gebruikten het ontbijt, wandelden, stoeiden, +vermaakten zich op allerlei wijzen, plukten bloemen, aten en dronken, +kortom waren volkomen gelukkig.</p> +<p>De meisjes koutten, lachten en zongen als ontsnapte vinken. ’t +Was een dolle pret. Zij schertsten en stoeiden met haar minnaars. O +lenteroes des levens! Verrukkelijke jaren! De vleugels der nimfen +klapwieken. Wie gij ook zijt, herinnert ge u dien tijd? Zijt ge ooit +door struweelen gegaan, zorgvuldig de takken ter zijde buigende, om het +bekoorlijk kopje, dat achter u was, te beveiligen? Zijt ge ooit van een +grasheuvel, die steil en door den regen glibberig was, afgedarteld, met +een geliefde, die u stijf de hand vasthoudt, en uitroept: „Ach, +mijn nieuwe laarsjes; hoe zien zij er uit!”</p> +<p>Wij moeten hierbij voegen, dat de vermakelijke ramp van een +stortregen aan dit vroolijke gezelschap ontging, hoewel Favourite bij +het vertrek, op moederlijken en matresachtigen toon gezegd had: +„de slakken kruipen langs den grond. Een voorteeken van regen, +kinderen!”</p> +<p>Alle vier waren schoon van schalkschheid. Een goed oud, klassiek +dichter, destijds vermaard, een man die een Eleonore had, de ridder de +Labouisse, doolde dien dag onder de kastanjeboomen van St. Cloud, en +toen hij de vier meisjes tegen tien uren ’s morgens zag +voorbijgaan, zeide hij: „Er is er één te +veel”, waarbij hij aan de drie gratiën dacht. Favourite, +Blachevelle’s minnares, de drieëntwintig-jarige, de oude, +liep vooruit onder de zware groene takken, sprong over slooten, kroop +onverschrokken door struiken en heggen, en voerde haar vroolijke +gezellen aan met al het vuur eener boschgodin. Zephine en Dahlia, aan +welke het toeval die verschillende schakeeringen der schoonheid had +geschonken, welke elkaar aanvulden en verhoogden, verlieten elkander +niet, meer nog uit instinct van coquetterie dan uit vriendschap; tegen +elkander gesteund en gevlijd, vertoonden zij Engelsche poses. De eerste +<i lang="en">Keapsakes</i> waren verschenen; voor de vrouwen begon +<span class="pagenum">[<a id="pb136" href="#pb136" name="pb136">136</a>]</span>de melancholie mode te worden, zooals later het +Byronisme voor de mannen, en het haar der schoone sekse begon als een +treurwilg over het gezicht te hangen. Zephine en Dahlia waren met +krullen gekapt. Listolier en Fameuil, die in een discussie over hun +professoren verdiept waren, verklaarden aan Fantine het verschil, dat +er tusschen den heer Delvincourt en den heer Blondeau bestond.</p> +<p>Blachevelle scheen opzettelijk geschapen, om des Zondags de shawl +van Favourite op den arm te dragen.</p> +<p>Tholomyès volgde als de meester der groep. Hij was zeer +vroolijk, maar men voelde toch zijn heerschappij; in zijn vroolijkheid +was iets van den dictator: zijn grootste opschik was een wijde nanking +pantalon met <i lang="fr">souspieds</i> van gevlochten koperdraad, hij +had een dikken bamboes van tweehonderd francs in de hand; en, wijl hij +zich alles veroorloofde, in den mond—iets vreemds in dien +tijd—een sigaar. Er was niets heilig voor hem—hij +rookte.</p> +<p>„Tholomyès is toch een ongemeen mensch,” zeiden +de anderen eerbiedig. „Zie zijn pantalon! hoe forsch!”</p> +<p>Fantine was de vroolijkheid zelve. Haar prachtige tanden hadden +blijkbaar van God den last ontvangen, om te lachen. Zij droeg haar +stroohoedje met lange fladderende witte kinbanden liever in de hand dan +op het hoofd. Haar zwaar blond haar, dat telkens losging en langs haar +hoofd golfde, deed haar eene Galathee gelijken, die onder de wilgen +vlucht. Haar rooskleurige lippen babbelden bekoorlijk. De wellustig +opgetrokken mondhoeken, als die der antieke afbeeldingen van Erigone, +schenen tot onbeschroomdheid aan te moedigen en uit te dagen; maar haar +lange oogwimpers wierpen een bescheiden schaduw over het ondergedeelte +van haar gezicht, als om tot ernst te vermanen. Haar geheele kleeding +en opschik had iets vroolijks, zwierigs. Zij droeg een japon van lilas +barège, lage goudlederen schoentjes met kruislinten op de fijne +witte kousen, en die soort van neteldoeken spencer, die te Marseille is +uitgevonden, en wier naam, <i lang="fr">canezou</i>, een verbastering +is van het woord <i lang="fr">quinze août</i>, dat schoon weder, +warmte en middag beteekent. De drie anderen, welke minder bloode waren, +droegen zeer lage lijven, ’t geen des zomers, onder met bloemen +bedekte hoeden, zeer bekoorlijk en verlokkend staat. Nevens dezen +onbeschaamden tooi scheen de half doorschijnende canezou der blonde +Fantine, die half vertoonde en half verhulde, zien liet en verborg, een +tartende <span class="corr" id="xd20e2962" title="Bron: vond">vondst</span> der ingetogenheid, en het vermaarde +liefdegerechtshof, voorgezeten door de burggravin de Cette met de +zeegroene oogen, zou misschien den prijs der coquetterie aan deze +canezou hebben gegeven, die als middel <span class="pagenum">[<a id="pb137" href="#pb137" name="pb137">137</a>]</span>der eerbaarheid +diende. Het gebeurt vaak, dat de onnoozelste de schranderste is.</p> +<p>Schitterend van aangezicht, met teedere omtrekken, donkerblauwe +oogen, zware oogleden, kleine fraai besneden voetjes, wonderbaar fijne +leden en gewrichten, blank vel, dat hier en daar de blauwe zwelling der +aderen vertoonde, kinderlijk frissche wangen, krachtigen hals als die +van Juno, sterken, buigzamen nek, schoon gevormde schouders, +waartusschen men, door het neteldoek heen, een verleidelijk kuiltje +zag; een beeld van vroolijkheid, door mijmering getemperd; ongemeen +bekoorlijk en schilderachtig—zoodanig was Fantine;—en +’t was blijkbaar, dat dit beeld leven en een ziel bevatte.</p> +<p>Fantine was schoon, zonder dat zij ’t zelf recht wist. +Diepzinnige navorschers, geheimzinnige priesters van het schoone, die +stilzwijgend alles met de volmaaktheid vergelijken, zouden in dit +naaistertje, door de Parijsche bevalligheid heen, de gewijde Euphonia +der ouden hebben ontdekt. Deze dochter der onbekendheid was van den +echten stempel. Zij was even schoon in beide opzichten, welke men stijl +en rhythmus noemt. De stijl is de vorm van het ideale; de rhythmus de +beweging er van.</p> +<p>Wij hebben gezegd, dat Fantine de vroolijkheid was; zij was ook de +eerbaarheid.</p> +<p>Een nauwkeurig opmerker zou, door de opgetogenheid en verrukking van +jeugd, seizoen en liefde heen, een onverwinnelijke uitdrukking van +ingetogenheid, een bescheidenheid ontdekt hebben. Zij betoonde steeds +eenige aarzeling. Deze kuische aarzeling is de tint die Psyché +van Venus onderscheidt. Fantine had de witte, fijne vingers der +Vestaalsche maagd, die met een gouden naald de asch van het heilige +vuur omroert. Hoewel zij aan Tholomyès niets had +geweigerd—zooals men maar al te spoedig zien zal—had haar +gezicht, als zij in rust was, een bij uitnemendheid maagdelijke +uitdrukking; in sommige oogenblikken vertoonde zij eensklaps een zweem +van ernstige, strenge waardigheid, en niets was zonderlinger en +treffender dan haar vroolijkheid zoo ijlings te zien verdwijnen, en +haar dartelheid, zonder eenigen overgang, voor ernstig gepeins te zien +plaats maken. Deze plotselinge ernst, die vaak krachtig uitkwam, geleek +de verachting eener godin. Haar voorhoofd, haar neus en kin bezaten die +evenredigheid van lijnen, welke geheel verschillend van de +evenredigheid der verhoudingen is, en waaruit de harmonie van het +gezicht ontstaat; in de zoo karakteristieke tusschenruimte van den neus +en de bovenlip, had zij die nauwelijks zichtbare, bekoorlijke plooi, +dat geheimzinnig merk der kuischheid, ’t welk Barbarossa +<span class="pagenum">[<a id="pb138" href="#pb138" name="pb138">138</a>]</span>verliefd maakte op een, bij de opdelvingen van +Icona gevonden, Diana.</p> +<p>De liefde moge een zonde zijn; maar Fantine was de onschuld, die op +de zonde dreef.</p> +</div> +<div class="footnotes"> + +<hr /> + +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id="xd20e2922" href="#xd20e2922src" name="xd20e2922">1</a></span> +<i>Coucou</i>, een rijtuig met twee wielen en vier tot zes +plaatsen.</p> +</div> +</div> +<div id="ch3.4" class="div1"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">Vierde hoofdstuk.</h2> +<h2 class="main">Tholomyès is zoo vroolijk, dat hij een Spaansch +lied zingt.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Deze dag was van ’t begin tot het einde als +’t morgenrood. De geheele natuur scheen feest te vieren en +vroolijk te zijn.</p> +<p>De bloemperken van Saint Cloud vervulden alles met hun geuren; het +koeltje, dat van de Seine overwoei, bewoog zacht de bladeren; de takken +gesticuleerden in den wind; de bijen beroofden de jasmijnen; een drom +zwervende kapellen fladderde boven de klaver- en havervelden; in het +heerlijk park van den koning van Frankrijk zwierf een troep +vagebonden—de vogels.</p> +<p>De vier jeugdige paren glinsterden van vreugd, in den zonneschijn, +op het veld, bij de bloemen, bij de boomen.</p> +<p>In deze paradijsachtige gemeenschap werden de koutende, zingende, +loopende, dansende, vlinders vangende, bloemen plukkende, haar kousen +in het hooge gras vochtig makende, frissche, dartele, niet slechte +meisjes, allen werden nu en dan eens gekust, door allen, behalve +Fantine, die zich peinzend en hardvochtig in haar onbepaalden +tegenstand verhard had, ofschoon zij beminde.—Gij, zei Favourite +tot haar, gij ziet er altijd uit, alsof ge heel wat zijt!</p> +<p>Dat zijn ware vreugden! Deze wandelingen van gelukkige paren zijn +machtige eischen aan het leven en aan de natuur, en lokken overal +liefkoozingen en licht uit. Er was eens een fee die weiden en boomen +schiep, in ’t bijzonder voor minnenden. Vandaar ontstaat dat +eeuwige dolen van verliefden door het vrije veld, dat bestendig +voortduurt en zoo lang zal duren als er velden en boschjes en +verliefden zullen zijn. Vandaar ook de liefde der denkers voor de +lente. De patriciër en de handwerksman, de hertog en pair en de +arme, de lieden van het hof en de lieden der stad, zooals men eertijds +zeide, allen zijn onderdanen dezer fee. Men schertst, men verbergt +zich, de lucht straalt van een schitterenden glans: welk een +gedaanteverwisseling brengt de liefde voort! Notaris-klerken worden +goden. Deze vroolijke kreten, die vervolgingen in het gras, die +omvattingen in den snellen loop, dat gefluister, die liefdekout, dat +rooven van kersen uit den eenen mond door den <span class="pagenum">[<a id="pb139" href="#pb139" name="pb139">139</a>]</span>anderen, dat alles verrukt en straalt in +hemelschen glans. De schoone meisjes stoeien en schertsen, alsof +’t nooit zal eindigen. De wijsgeeren, dichters, schilders +aanschouwen deze verrukking en weten niet wat er van te maken, zoo zijn +zij er door begoocheld.</p> +<p>Na het ontbijt waren de vier paren gegaan naar hetgeen toen het +koninklijk vierkant werd genoemd, om er een pas uit Indië +aangekomen plant te bezichtigen, wier naam we ons nu niet herinneren, +en die op dat tijdstip geheel Parijs naar St. Cloud lokte. ’t Was +een zonderlinge en fraaie heester, hoog van stam, welks tallooze +bladerlooze takjes, als draden zoo fijn, met millioenen kleine witte +roosjes waren bedekt, zoodat de plant een met haar begroeid en met +bloemen bedekt hoofd geleek. Een ontelbare menigte verdrong zich steeds +om de plant te bewonderen.</p> +<p>Na de bezichtiging van dezen heester, zei Tholomyès: Ik geef +ezels! en na met een ezelverhuurder accoord te hebben gemaakt, keerden +zij langs Vanvres en Issy terug. Het park te Issy, een nationaal +eigendom, destijds in ’t bezit van een zekeren Bourguin, stond +toevallig open. Zij waren het hek doorgegaan, hadden het beeld van den +kluizenaar in de grot bezocht, de geheime werkingen van de vermaarde +spiegelkamer beproefd, de waardige uitvinding van een sater, die +millionnair is geworden. Zij hadden stoutmoedig geschommeld op den +schopstoel tusschen de twee kastanjeboomen, die door den abbé +Bernis bezongen zijn. Terwijl de schoonen een voor een schommelden, en +hierdoor haar japonnen onder algemeen gelach opvlogen, zong de +Toulousiër Tholomyès, die eenigszins Spanjaard was, daar +Toulouse een nicht van Toloza is, op droefgeestige wijs het oude +gallega-lied, dat wellicht door een schoon meisje ingegeven werd, dat +op een touw tusschen twee boomen schommelde:</p> +<div lang="es" class="lgouter"> +<p class="line">Soy de Badajoz.</p> +<p class="line">Amor me Ilama.</p> +<p class="line">Toda mi alma</p> +<p class="line">Es en mis ojos</p> +<p class="line">Porque ensenas</p> +<p class="line">A tus piernas.</p> +</div> +<p class="first">Fantine alleen wilde niet schommelen.</p> +<p>Van zulke preutschheid houd ik niet, pruttelde Favourite, tamelijk +scherp.</p> +<p>Toen men de ezels verlaten had, was ’t een nieuw vermaak: men +voer in een bootje over de Seine, en van Passy ging men te voet naar de +barrière de l’Étoile. Zij waren, men zal ’t +zich <span class="pagenum">[<a id="pb140" href="#pb140" name="pb140">140</a>]</span>herinneren, sedert vijf uren ’s ochtends +op de been, maar, „och,” zei Favourite, „des Zondags +wordt men niet moede; ’s Zondags werkt de vermoeidheid +niet.” Tegen drie uren gleden de vier paren, die vol geluk en +zaligheid waren, van de Russische bergen, een zonderling toestel, dat +destijds op de hoogte Beaujon stond en welks golvende lijn men boven de +boomen der Champs-Elysées kon zien uitkomen.</p> +<p>Nu en dan riep Favourite:</p> +<p>„En de verrassing nu? ik verlang naar de +verrassing.”</p> +<p>„Geduld!” antwoordde Tholomyès.</p> +</div> +</div> +<div id="ch3.5" class="div1"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">Vijfde hoofdstuk.</h2> +<h2 class="main">Bij Bombarda.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Toen men zich met de Russische bergen genoeg vermaakt +had, dacht men aan den maaltijd; en het gelukkig achttal, eindelijk een +weinig vermoeid, had in de herberg Bombarda zijn anker laten vallen. +’t Was een tweede etablissement van den vermaarden gaarkok +Bombarda, wiens uithangbord men toen in de straat Rivoli naast de +passage Delorme kon zien.</p> +<p>Een ruime, maar leelijke kamer met een alkoof, waarin een bed stond +(uit hoofde der menigte die des Zondags deze herberg bezocht, had men +zich hiermede moeten behelpen); twee ramen waaruit men, tusschen de +olmen, de kade en de rivier kon zien; een prachtige zonneschijn, die +over de ramen gleed; twee tafels; op de eene reusachtige bouquetten, +met heeren- en dameshoeden vermengd; aan de andere de vier paren, +gezeten rondom dicht op elkander geschoven schotels, borden, glazen en +flesschen; kruiken bier tusschen flesschen wijn, weinig orde op de +tafel, eenige wanorde er onder:</p> +<div class="lgouter"> +<p class="line">Zij maakten onder de tafel</p> +<p class="line">Een vreeselijk rumoer en stampten met de +voeten<a class="noteref" id="xd20e3043src" href="#xd20e3043" name="xd20e3043src">1</a>,</p> +</div> +<p class="first">zegt Molière.</p> + +<hr /> + +<p>Zoo was het tegen half vijf uur des avonds gesteld met het +herderlijk vermaak, dat te vijf uren ’s ochtends begonnen +was.</p> +<p>De zon daalde, de eetlust werd verzadigd. <span class="pagenum">[<a id="pb141" href="#pb141" name="pb141">141</a>]</span></p> +<p>De Champs-Elysées, vol zonneschijn en gedrang, waren niets +dan glans en stof, twee zaken, waaruit de roem bestaat. De paarden van +Marly, deze hinnikende marmerbeelden, steigerden in een gouden +stofwolk. Rijtuigen woelden heen en weer. Een escadron der prachtige +lijfgarde, met de trompet aan zijn spits, reed door de laan van +Neuilly; op den koepel der Tuilerieën wapperde de witte vlag, door +de ondergaande zon eenigszins rood gekleurd. Op het plein de la +Concorde, nu weder plein Lodewijk XV geworden, wemelde het van +vergenoegde wandelaars. Verscheidenen droegen de zilveren lelie aan een +witzijden gewaterd lint, dat in 1817 nog niet geheel uit de knoopsgaten +verdwenen was. Hier en ginds danste temidden der juichende menigte een +kring meisjes en zong daarbij een toen geliefd Bourbonsch lied, bestemd +om de „honderd dagen” te beschimpen, en dat tot refrein +had:</p> +<div class="lgouter"> +<p class="line">Geef ons onzen Vader van Gent,</p> +<p class="line">Geef ons onzen Vader weer<a class="noteref" id="xd20e3069src" href="#xd20e3069" name="xd20e3069src">2</a><span class="corr" id="xd20e3078" title="Bron: ,">.</span></p> +</div> +<p class="first">Troepen voorstad-bewoners in Zondagsgewaad, sommigen +met leliën als de burgers opgeschikt, staken naar den ring en +reden in den mallemolen; anderen dronken; eenige drukkersgezellen +droegen papieren mutsen; men hoorde hen lachen. Allen waren vroolijk. +’t Was ontegensprekelijk een tijd van diepen vrede en van +veiligheid voor de koningsgezinden; ’t was de tijd toen een +vertrouwelijk en bijzonder rapport van den prefect van politie Angles +aan den koning, over de voorsteden van Parijs, met deze woorden +eindigde: „Alles welbeschouwd, Sire, is er van deze menschen +niets te vreezen. Zij zijn even onverschillig en traag als katten. Het +gemeene volk in de provinciën is onrustig, dat van Parijs is +’t niet. ’t Zijn allen kleine menschen. Men zou er twee op +elkander moeten zetten, Sire, om er één uwer grenadiers +van te maken. Van het gepeupel der hoofdstad is niets te vreezen. +’t Is merkwaardig, dat bij deze bevolking sedert vijftig jaren de +lichaamsgroei verminderd is, en dat het volk der voorsteden kleiner is +dan vóór de revolutie. ’t Is niet gevaarlijk. In +één woord, ’t is een goed soort van +kanalje.”</p> +<p>Dat een kat zich in een leeuw kan herscheppen, dit achtten de +politie-prefecten onmogelijk; ’t gebeurt evenwel; en dat is het +wonderbare van het Parijsche volk. De kat, overigens, die door den +graaf Anglès zoo weinig geteld werd, bezat de achting +<span class="pagenum">[<a id="pb142" href="#pb142" name="pb142">142</a>]</span>der oude republikeinen; in hun oogen stelde zij +het zinnebeeld der vrijheid voor, en als om tot tegenhanger van de +Minerva van den Pyreus te dienen, stond op het plein van Corinthe het +kolossale bronzen beeld eener kat. De onnoozele politie der restauratie +zag het Parijsche volk in een al te gunstig licht. ’t Is zulk een +goed kanalje niet als men meent. De Parijzenaar is onder de Franschen, +wat de Athener onder de Grieken was; niemand slaapt beter dan hij, +niemand is lichtzinniger en trager dan hij, niemand schijnt eerder te +vergeten dan hij; maar men vertrouwe hem niet: hij is tot allerlei +onverschilligheid in staat, doch zoo het roem geldt, is hij +bewonderenswaard in zijn opgewektheid. Geef hem een piek en hij +veroorzaakt den 10en Augustus; geef hem een geweer en men heeft +Austerlitz. Hij is het steunpunt van Napoleon en de hulpgenoot van +Danton. Is ’t om ’t vaderland te doen, dan grijpt hij de +wapens; betreft het de vrijheid, dan neemt hij de steenen uit de +straat. Men wachte zich voor hem. Wanneer het uur slaat, verandert zijn +kiel in een krijgsrok; de bewoner der voorstad wordt grooter, deze +kleine man verheft zich, hij slaat een vreeselijken blik om zich heen; +zijn adem wordt een storm, en uit zijn teere, zwakke borst zal wind +genoeg komen om de Alpen te schudden. ’t Is door de hulp van den +Parijschen voorstadbewoner, dat de revolutie met haar legers Europa +veroverde. Zingen is zijn lust. Dat men hem een liedje naar zijn aard +geve en men zal zien! Zoolang hij niets zingt dan de Carmagnole, werpt +hij slechts Lodewijk XVI omver; maar men late hem de Marseillaise +zingen, en hij zal de wereld bevrijden.</p> +<p>Na deze aanmerking op het rapport van den graaf Anglès, +keeren wij tot onze vier paren terug. Het diner, zooals wij gezegd +hebben, liep ten einde.</p> +</div> +<div class="footnotes"> + +<hr /> + +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id="xd20e3043" href="#xd20e3043src" name="xd20e3043">1</a></span></p> +<div class="q"> +<div class="body"> +<div lang="fr" class="lgouter footnote"> +<p class="line">Ils faisaient sous la table</p> +<p class="line">Un bruit, un trique-trac de pieds +épouvantable.</p> +</div> +</div> +</div> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id="xd20e3069" href="#xd20e3069src" name="xd20e3069">2</a></span></p> +<div class="q"> +<div class="body"> +<div lang="fr" class="lgouter footnote"> +<p class="line">Rendez-nous notre père de Gand,</p> +<p class="line">Rendez-nous notre père.</p> +</div> +</div> +</div> +</div> +</div> +<div id="ch3.6" class="div1"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">Zesde hoofdstuk.</h2> +<h2 class="main">Een hoofdstuk, waarin men aanbidt.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Tafelgesprekken en liefdekout; de eerste zijn evenmin +weder te geven als de tweede; liefdekout is een wolk, tafelgesprekken +zijn dampen.</p> +<p>Fameuil en Dahlia neurieden; Tholomyès dronk, Zephine lachte, +Fantine glimlachte; Listolier blies op een houten kindertrompetje, dat +hij te Saint-Cloud had gekocht. Favourite lonkte teederlijk Blachevelle +toe en zeide: <span class="pagenum">[<a id="pb143" href="#pb143" name="pb143">143</a>]</span></p> +<p>„O Blachevelle, hoe bemin ik u!”</p> +<p>Dit gaf aanleiding tot Blachevelle’s vraag:</p> +<p>„Wat zoudt ge doen, Favourite, zoo ik ophield u te +beminnen?”</p> +<p>„Ik?” riep Favourite. „O, spreek zoo niet, zelfs +niet in scherts. Zoo ge ophieldt mij te beminnen, zou ik op u springen, +u verscheuren, krabben, ik zou u in ’t water gooien, u gevangen +doen nemen.”</p> +<p>Blachevelle glimlachte met het welbehagen van een man wiens +eigenliefde zich gestreeld voelt. Favourite hernam:</p> +<p>„Ja, ik zou de wacht roepen! Meent ge, dat ik mij zou +bedwingen, monster?”</p> +<p>Blachevelle wierp zich in verrukking achterover op zijn stoel en +kneep hoogmoedig zijn oogen dicht.</p> +<p>Etende fluisterde Dahlia, temidden van het rumoer, Favourite +toe:</p> +<p>„Ge hebt uw Blachevelle dan wel heel lief?”</p> +<p>„Ik! Ik kan hem niet uitstaan,” antwoordde Favourite op +denzelfden toon, haar vork weder opnemende. „Hij is gierig. Ik +bemin het heertje, dat tegenover mij woont. Kent gij hem? een knappen +jongen? Men ziet, dat hij veel aanleg tot komediant heeft. Ik ben +verzot op komedianten. Zoodra hij te huis komt zegt zijn moeder: +„Ach hemel! nu is ’t uit met mijn rust. Nu begint hij te +schreeuwen. Maar, mijn kind, ge doet mijn hoofd bersten!” Dan +loopt hij het huis door tot op de vliering, zoo hoog hij kan, om te +zingen, te declameeren, en wat weet ik het? dat men hem beneden hoort! +Hij verdient reeds een franc daags bij een deurwaarder met het +schrijven van dagvaardingen. Hij is de zoon van een zanger der kerk van +St. Jacques du Haut-Pas. O, hij is heel knap. Hij aanbidt mij zoozeer, +dat hij op een dag, toen hij mij beslag zag maken om koeken te bakken, +zeide: „mejuffrouw, maak koekjes van uw handschoenen en ik zal ze +opeten.” Alleen kunstenaars kunnen iets zoo aardigs zeggen. O, +hij is betooverend. Ik zou waarlijk haast op dien lieven jongen verzot +worden. Ik zeg echter maar aan Blachevelle, dat ik hem bemin. Wel, wat +zegt ge? kan ik goed liegen?”</p> +<p>Favourite hernam na een pauze:</p> +<p>„Weet ge, Dahlia, ik ben treurig. Het heeft den ganschen zomer +geregend; de wind hindert mij; Blachevelle is zoo vreeselijk gierig; er +zijn nog geen jonge erwtjes op de markt; men weet niet wat men eten +zal; ik heb de <i>spleen</i>, zooals de Engelschen zeggen; de boter is +zoo duur! en zie, ’t is een gruwel, wij eten in een kamer waar +een bed staat; dit doet mij van het leven walgen.” <span class="pagenum">[<a id="pb144" href="#pb144" name="pb144">144</a>]</span></p> +</div> +</div> +<div id="ch3.7" class="div1"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">Zevende hoofdstuk.</h2> +<h2 class="main">De geestigheid van Tholomyès.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Terwijl nu eenigen zongen, praatten de anderen luid +door elkander; ’t was een rumoer, waarvan men niets onderscheiden +kon. Tholomyès kwam tusschenbeide, en zeide:</p> +<p>„Laten we niet allen door elkander spreken en schreeuwen; en +niet zoo wild. Laten we nadenken, zoo wij met genoegen willen gehoord +worden. Te veel improvisatie put den geest uit en maakt dom. Loopend +bier schuimt niet. Geen overhaasting, mijnheeren. Eten wij met +aandacht; spoeden wij ons langzaam. Geen overijling. Zie de lente: zoo +zij te haastig komt, is zij naar de maan, dat wil zeggen, bevrozen. Te +veel drift doet de perzike- en abrikozeboomen verloren gaan. Te veel +drift doodt de bevalligheid en de vreugd van een goede tafel. Geen +drift, mijnheeren; Grimod de la Reynière is van Talleyrands +meening.”</p> +<p>Een misnoegd gemor verhief zich in de groep.</p> +<p>„Tholomyès, laat ons met vrede,” zei +Blachevelle.</p> +<p>„Weg met den tyran!” zei Fameuil.</p> +<p>„Leve Bombarda, Bombance en Bamboche!<a class="noteref" id="xd20e3145src" href="#xd20e3145" name="xd20e3145src">1</a><span class="corr" id="xd20e3147" title="Niet in bron">”</span> riep +Listolier.</p> +<p>„’t Is Zondag!” hernam Fameuil.</p> +<p>„Wij zijn nuchter!” voegde Listolier er bij.</p> +<p>„Vrienden!” riep Tholomyès op den toon van +iemand, die de teugels van het gezag herneemt. „Ik herhaal: geen +drift, geen heidensch geraas; wel kwinkslagen en woordspelingen. +Woordspelingen zijn de uitlatingen van een vliegenden geest. De +kwinkslag (lazzi) valt waar hij kan; en wanneer de geest een domheid +heeft gezegd, verbergt hij zich in de lucht. Ik houd van woordspelingen +en vereer ze naar verdienste. Al wat verheven, groot en bekoorlijk in +de menschheid is geweest, en misschien ook buiten de menschheid, heeft +woordspelingen gemaakt. Jezus Christus heeft op den naam Petrus een +woordspeling gemaakt, Mozes op dien van Isaäk, Eschylus op +Polynicia, Cleopatra op Octavius. En merkt op, dat deze laatste +woordspeling den slag van Actium voorafging, en dat zonder deze +woordspeling niemand aan de stad Toryne zou denken, een Griekschen +naam, die „potlepel” beteekent. Na deze opmerking kom ik +tot mijn vermaning terug. Geen drift, mijnheeren, geen heidensch leven, +geen buitensporigheid, noch in vroolijkheid <span class="pagenum">[<a id="pb145" href="#pb145" name="pb145">145</a>]</span>noch +in woordspelingen. Luistert, ik ben voorzichtig als Amphiaraüs en +kaal als Cesar. Zelfs woordspelingen moeten grenzen hebben. <i lang="la">Est modus in rebus</i>. Ook maaltijden moeten grenzen hebben. Ge +houdt van appeltaartjes, dames, eet er niet te veel van. Zelfs bij +appeltaartjes behooren verstand en kunst. De gulzigheid straft den +gulzige. <i lang="la">Gula punit Gulax</i>. De indigestie is door den +hemel bestemd om de magen wijsheid te leeren. En let wel op: ieder +onzer hartstochten, zelfs de liefde, heeft een maag, die men niet te +zeer mag vullen. In alle zaken moet men te rechter tijd het woord +<i lang="la">finis</i> schrijven; men moet zich, als ’t noodig +is, bedwingen, den grendel op zijn lust schuiven, zijn begeerten +opsluiten en zich zelf op wacht stellen. Hij is wijs, die in zekere +oogenblikken zich zelven kan gevangen nemen. Schenkt mij eenig +vertrouwen. Dewijl ik een weinig in de rechten heb gestudeerd, zooals +mijn examens bewijzen, dewijl ik het onderscheid ken, tusschen een +aanhangige en een afgedane zaak, dewijl ik in ’t Latijn een +thesis heb verdedigd over de folteringen, die men te Rome aanwendde ten +tijde dat Munatuis Demens questor was; dewijl ik naar allen schijn +doctor zal worden, is dit een en ander geen volstrekt bewijs dat ik een +domkop zou zijn. Ik beveel u dus de matigheid in uw begeerten aan. Zoo +waar ik Felix Tholomyès heet, is het waar wat ik u zeg. Gelukkig +hij, die, wanneer het uur slaat, een heldhaftig besluit neemt, en als +Sylla of Origenus afstand doet.</p> +<p>Favourite luisterde met de diepste aandacht.</p> +<p>„Felix!” zeide zij, „een mooie naam. Dien naam +hoor ik gaarne. ’t Is Latijn, ’t wil zeggen +gelukkig.”</p> +<p>Tholomyès hernam:</p> +<p>„Quirites, <span lang="en">gentlemen</span>, <span lang="es">caballeros</span>, waarde vrienden! Wilt ge geen prikkel voelen, +het huwelijk ontberen en de liefde tarten? Niets gemakkelijker dan dit: +Drinkt limonade, werkt buitensporig hard, dat ge er bij neervalt, kruit +zware vrachten, slaapt niet, waakt, vult uw maag met soda en +gerstewater, wisselt dat af met een aftreksel van maankoppen, houdt +daarbij een streng dieet, lijdt honger, neemt koude baden en legt op de +maag een looden plaat.”</p> +<p>„Ik wil liever een vrouw hebben,” zei Listolier.</p> +<p>„De vrouw!” hernam Tholomyès, „wacht er u +voor. Wee hem die zich aan het veranderlijk hart der vrouw overgeeft! +De vrouw is valsch en trouweloos. Zij haat de slang uit broodnijd. De +slang is de winkel aan de overzijde.”</p> +<p>„Tholomyès, ge zijt dronken!” riep +Blachevelle.</p> +<p>„Wel duivels!” zei Tholomyès.</p> +<p>„Wees dan vroolijk,” hernam Blachevelle. <span class="pagenum">[<a id="pb146" href="#pb146" name="pb146">146</a>]</span></p> +<p>„Welnu, ik zal ’t zijn,” antwoordde +Tholomyès.</p> +<p>Zijn glas vullende stond hij op, en riep uit:</p> +<p>„Eere den wijn! <i lang="la">Nunc te, Bacche, canam!</i> +Vergeving, dames, ’t is Spaansch. En ziehier het bewijs, +Sennoras: zoo het volk is, is het vat. De Castiliaansche aroba bevat +zestien kan, de cantaro van Alicante twaalf, de almuda der Kanarische +eilanden vijfentwintig, de cuartin der Balearische eilanden +zesentwintig, de laars van Peter den Groote dertig. Leve deze Czaar, +die groot was, en leve zijn laars, die nog grooter was! Waarde dames! +laat mij u een vriendelijken raad geven: Vergist u in uw buurman, zoo +gij er lust toe hebt. Het is de aard der liefde, zich te vergissen. De +liefde is niet gemaakt om te kruipen en te tobben, zooals een Engelsche +dienstmeid, die van het schrobben eelt aan de knieën krijgt. Zoo +is het minnen niet: het fladdert en doolt vroolijk om. Men heeft +gezegd: Dwalen is menschelijk; ik zeg: dwalen is liefde. Ik bemin u +allen, dames. O Zephine, o Josephine, lief gedeukt gezicht, gij zoudt +allerliefst zijn, zoo uw gelaat minder breed was. Gij ziet er uit, +alsof men er bij ongeluk op was gaan zitten. En Favourite, o nimfen en +muzen! zekeren dag dat Blachevelle over de goot in de straat +Guérin-Boisseau stapte, zag hij een mooi meisje met witte +heldere kousen, dat haar beenen liet zien. Deze inleiding behaagde +Blachevelle en hij was verliefd. ’t Was Favourite, die hij +beminde. O, Favourite, gij hebt Ionische lippen. Er was een Grieksch +schilder, Euphorion genoemd, dien men den naam van lippen-schilder gaf. +Alleen deze Griek zou waardig zijn geweest, uw mond te schilderen. +Luister! Vóór u was er geen wezen, dien naam waardig. Gij +zijt geschapen om als Venus den appel te ontvangen of, als Eva, hem te +eten. De schoonheid begint bij u. Ik sprak van Eva; maar gij zijt het, +die haar geschapen hebt. Gij verdient eigenlijk het patent der eerste +schoone vrouw. O, Favourite, nu zal ik u minder gemeenzaam behandelen, +want ik ga van de poëzie tot het proza over. Gij spraakt aanstonds +van mijn naam. Dit heeft mij verteederd; maar, wie wij zijn mogen, +mistrouwen wij de namen. Zij kunnen misleiden. Ik heet Felix en ben +niet gelukkig. Woorden zijn leugenaars. Neemt niet blindelings de +beteekenis aan, welke zij ons geven. ’t Zou verkeerd zijn, naar +Luik (<i lang="fr">Liege</i>, kurk) om kurken te schrijven en naar Pau +(<i lang="fr">peau</i>, vel) om handschoenen. Ik zou mij in uw plaats +Rosa noemen, miss Dahlia. Een bloem moet liefelijk rieken en een vrouw +moet geestig zijn. Van Fantine spreek ik niet; zij is een droomster, +een peinzende, een teergevoelige, een schim in de gedaante van een +nimf, met de kuischheid eener non, die in het grisetten-leven verdwaald +is, maar dit in illusiën ontvlucht; die zingt en bidt, en het +azuur <span class="pagenum">[<a id="pb147" href="#pb147" name="pb147">147</a>]</span>aanschouwt, zonder te weten, wat zij ziet of wat +zij doet, en met hemelwaarts gerichte blikken in een tuin omdoolt, waar +meer roofvogels zijn dan zij kent! O Fantine, verneem, dat ik, +Tholomyès, een illusie ben, maar zij hoort mij zelfs niet, de +blonde dochter der luchtkasteelen! Overigens is alles in haar frisch, +lief, jong, en helder als het ochtendrood. O, Fantine, ge verdiendet +Margaretha of parel te heeten; gij zijt een diamant van ’t +schoonste water. Nog een tweede raad, dames; trouwt niet; het huwelijk +is een loterij met veel nieten. Maar wat praat ik toch? Al wat ik zeg +is vruchteloos. De lust tot trouwen is ongeneeslijk bij de vrouwen; en +wat wij, wijzen, ook mogen zeggen, ’t zal de naaisters en +modisten niet beletten van schatrijke echtgenooten te droomen. +Mijnentwege, het zij zoo, Maar onthoudt ten laatste dit: gij eet te +veel suiker. Gij vrouwen hebt het eenig gebrek, te veel suiker te +knabbelen. O knagende sekse, uw lieve kleine tandjes zijn te verzot op +suiker. Luistert: de suiker is een zout, en elk zout verdroogt. De +suiker is het meest verdrogend van alle zouten. Het zuigt uit de aderen +de vluchtigste deelen van het bloed, zoodat het verdikt en ten laatste +verstijft; daardoor ontstaan knobbels in de longen en deze veroorzaken +den dood. Daarom is dan ook de suikerziekte (diabéte) een zuster +van de longtering. Eet daarom geen suiker en ge zult leven! En nu richt +ik mij ten slotte tot de mannen: mijnheeren, maakt veroveringen! Rooft +elkander, zonder gewetensbezwaar, uw minnaressen. <i lang="fr">Chassez-croisez!</i> In liefde-zaken zijn er geen vrienden. Overal +waar een schoone vrouw is, is ’t openbare strijd. Geen genade, +een strijd op leven en dood! Een schoone vrouw is een <i lang="la">casus belli</i>; een schoone vrouw is een openbaar misdrijf. Van +al de vijandelijke invallen, waarvan de geschiedenis gewaagt, waren de +vrouwen de aanleiding. De vrouw is het recht van den man. Romulus +schaakte de Sabijnsche maagden, Willem roofde de Saksische vrouwen, +Cesar ontvoerde de Romeinsche vrouwen. De man, die niet bemind wordt, +zweeft als een gier boven de minnaressen van anderen; en ik richt aan +de ongelukkigen, die weduwnaars zijn, de verheven proclamatie van +Bonaparte tot het leger van Italië: „Soldaten, u ontbreekt +alles. De vijand heeft wat u ontbreekt.”</p> +<p>Tholomyès zweeg.</p> +<p>„Schiet eens in den adem, Tholomyès,” zei +Blachevelle. Te zelfder tijd begon deze, geaccompagneerd door Listolier +en de Fameuil, op een klagenden toon een dier liedjes te zingen uit de +werkplaatsen, en die, rijmend of rijmloos, meestal zinledig zijn, als +het geruisch des winds, uit den tabakswalm ontstaan, en die met dezen +vervliegen. <span class="pagenum">[<a id="pb148" href="#pb148" name="pb148">148</a>]</span></p> +<p>Met het volgende couplet beantwoordde de groep deze redevoering van +Tholomyès:</p> +<div lang="fr" class="lgouter"> +<p class="line">Les pères dindons donnèrent</p> +<p class="line">De l’argent à un agent</p> +<p class="line">Pour que mors Clermont-Tonnerre</p> +<p class="line">Fût fait pape à la Saint-Jean;</p> +<p class="line">Mais Clermont ne put pas être</p> +<p class="line">Fait pape, n’étant pas prêtre;</p> +<p class="line">Alors leur agent rageant</p> +<p class="line">Leur rapporta leur argent.<a class="noteref" id="xd20e3242src" href="#xd20e3242" name="xd20e3242src">2</a></p> +</div> +<p class="first">Dit was niet geschikt om aan de improvisatie van +Tholomyès een einde te maken, want hij dronk zijn glas uit, +schonk het weder vol en begon opnieuw:</p> +<p>„Weg met de wijsheid! Vergeet alles wat ik gezegd heb. Laat +ons noch preutsch, noch sluw, noch dom zijn. Brengen wij aan de +vroolijkheid een toast; laat ons vroolijk zijn. Voltooien wij onze +studie in de rechten met dwaasheden en maaltijden... Kom, Fantine, laat +mij u kussen.”</p> +<p>Maar hij vergiste zich en kuste Favourite.</p> +</div> +<div class="footnotes"> + +<hr /> + +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id="xd20e3145" href="#xd20e3145src" name="xd20e3145">1</a></span> De goede +sier en de pret.</p> +<p class="footnote" lang="nl-1900"><span class="label"><a class="noteref" id="xd20e3242" href="#xd20e3242src" name="xd20e3242">2</a></span> De dommen gaven geld aan een agent, opdat +Clermont Tonnerre op St. Jansdag tot paus zou worden verheven, maar +wijl Clermont geen priester was, kon hij geen paus worden gemaakt, en +de agent bracht woedend hun het geld terug.</p> +</div> +</div> +<div id="ch3.8" class="div1"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">Achtste hoofdstuk.</h2> +<h2 class="main">De dood van een paard.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">„Men dineert beter bij Edon dan bij +Bombarda,” riep Zephine.</p> +<p>„Ik geef aan Bombarda de voorkeur boven Edon,” +verklaarde Blachevelle. „’t Is er prachtiger, ’t is +er meer Oostersch. Zie slechts de benedenzaal. Er zijn spiegels in de +wanden.”</p> +<p>„Ik heb liever dat mijn bord een spiegel is,” zei +Favourite.</p> +<p>Blachevelle ging voort:</p> +<p>„Zie de messen. De heften zijn van zilver bij Bombarda, en van +been bij Edon. Zilver is toch meer waard dan been.” <span class="pagenum">[<a id="pb149" href="#pb149" name="pb149">149</a>]</span></p> +<p>„Behalve voor hen, die een zilveren kin hebben,” merkte +Tholomyès op.</p> +<p>Op dat oogenblik hield hij zijn blik op den dom der Invaliden +gericht, welke uit de vensters van Bombarda zichtbaar was.</p> +<p>Na eenig zwijgen riep Fameuil:</p> +<p>„Listolier en ik hadden zooeven een woordenstrijd, +Tholomyès.”</p> +<p>„Een woordenstrijd is goed,” antwoordde +Tholomyès, „maar een twist is beter.”</p> +<p>„Wij disputeerden over de philosophie.”</p> +<p>„Zoo.”</p> +<p>„Aan wien geeft gij de voorkeur, aan Descartes of +Spinoza?”</p> +<p>„Aan Desaugiers,” zei Tholomyès.</p> +<p>Na deze uitspraak dronk hij, en hernam:</p> +<p>„Ik wil leven. ’t Is alles op aarde nog niet gedaan, +zoolang men nog kan raaskallen. Ik dank er de onsterfelijke goden voor. +Men liegt, maar men lacht. Men bevestigt en men twijfelt. Het +onverwachte ontspringt aan de sluitrede. ’t Is schoon. Er zijn +hier beneden nog stervelingen, die vroolijk de doos der verrassingen +van het paradoxe weten te openen en te sluiten. Wat ge hier zoo rustig +drinkt, dames, weet, dat het maderawijn is van het gewas van den Coural +das Freiras, die zich driehonderdzeventien vademen boven de vlakte der +zee verheft. Denkt er aan als ge drinkt! driehonderdzeventien vademen! +en mijnheer Bombarda, onze prachtige restaurateur, geeft u deze +driehonderdzeventien vademen voor vier francs vijftig +centimes!”</p> +<p>Wederom viel Fameuil hem in de rede:</p> +<p>„Tholomyès, uw woorden gelden als wetten. Wie is uw +geliefdste schrijver?”</p> +<p>„Ber...”</p> +<p>„Quin?”</p> +<p>„Neen. Choux.”</p> +<p>En Tholomyès vervolgde:</p> +<p>„Eere zij Bombarda! hij zou Munophis van Elephanta evenaren, +zoo hij een almee voor me kon plukken, en Thygelion van Cheronea, zoo +hij mij een hetaire kon bezorgen; want in Griekenland en Egypte waren +Bombardas, dames, Apuleus verhaalt het ons. Helaas, altijd hetzelfde en +nooit iets nieuws. Niets onuitgegevens in de schepping van den +Schepper. Niets nieuws onder de zon, zegt Salomo; <i lang="la">amor +omnibus idem</i>, zegt Virgilius; en Carabine gaat met Carabijn te +Saint Cloud aan boord van de galjoot, gelijk zich Aspasia met Pericles +te Samos <span class="pagenum">[<a id="pb150" href="#pb150" name="pb150">150</a>]</span>op de vloot inscheepte. Nog een laatste woord. +Weet ge, dames, wie Aspasia was? Een ziel, hoewel zij in een tijd +leefde, toen de vrouwen nog geen zielen hadden; een roos- en +purperkleurige ziel, heeter dan vuur, frisscher dan de dageraad. +Aspasia was een wezen, in ’t welk de twee uitersten der vrouw +zich vereenigden—godin en veile vrouw. Socrates en Manon Lescaut. +Aspasia was geschapen voor ’t geval, dat Prometheus een veile +deern behoefde.”</p> +<p>Tholomyès, die nu eenmaal aan ’t doordraven was, zou +moeielijk in zijn vaart tegengehouden zijn geworden, zoo niet juist op +dit oogenblik een paard op de kade gevallen was. Door den schok bleven +kar en redenaar steken. ’t Was een oude, magere knol, juist voor +den vilder geschikt, en die een zeer zware kar trok. Voor Bombarda +gekomen, wilde het ros, dat vermoeid en uitgeput was, niet verder +voort. Dit geval had de menigte bijeengelokt. Nauwelijks had de +verbolgen voerman den tijd gehad een geduchten vloek te uiten, gepaard +aan een onmeedoogenden zweepslap, of de knol viel, om niet weder op te +staan. Het rumoer der voorbijgangers hoorende, keerden de vroolijke +toehoorders van Tholomyès het hoofd om, ten einde te zien wat er +gaande was, en Tholomyès maakte hiervan gebruik om zijn +toespraak met dit droefgeestig vers te eindigen:</p> +<div class="lgouter"> +<p class="line">Het behoorde tot die wereld, waar koetsen en karren</p> +<p class="line xd20e3314">In hetzelfde lot deelen,</p> +<p class="line">En als knol heeft het geleefd, zoo lang een knol +leeft:</p> +<p class="line xd20e3314">Den tijd van een morgen,<a class="noteref" +id="xd20e3320src" href="#xd20e3320" name="xd20e3320src">1</a></p> +</div> +<p class="first">„Het arme paard!” zuchtte Fantine.</p> +<p>„Nu gaat Fantine waarlijk de paarden beklagen?” riep +Dahlia. „Kan iemand iets dommers doen!”</p> +<p>Te zelfder tijd keek Favourite, die de armen kruiste en het hoofd +achterover wierp, Tholomyès strak in de oogen en zeide:</p> +<p>„En waar blijft nu de verrassing?”</p> +<p>„’t Is waar. Het oogenblik is gekomen,” antwoordde +Tholomyès. „Mijnheeren, ’t uur om deze dames een +verrassing te bereiden heeft geslagen. Wacht ons een oogenblikje, +dames,”</p> +<p>„Het begint met een kus,” zei Blachevelle.</p> +<p>„Op het voorhoofd,” voegde Tholomyès er bij. +<span class="pagenum">[<a id="pb151" href="#pb151" name="pb151">151</a>]</span></p> +<p>Ieder drukte ernstig een kus op het voorhoofd zijner minnares; +vervolgens gingen alle vier de heeren, de een achter den ander, naar de +deur, met den vinger op den mond.</p> +<p>Favourite klapte bij hun vertrek in de handen en +zeide:—”’t Begint prettig.”</p> +<p>„Blijft niet te lang weg,” lispte Fantine. „Wij +wachten u.”</p> +</div> +<div class="footnotes"> + +<hr /> + +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id="xd20e3320" href="#xd20e3320src" name="xd20e3320">1</a></span></p> +<div class="q"> +<div class="body"> +<div lang="fr" class="lgouter footnote"> +<p class="line">Elle était de ce monde où coucous et +carrosses</p> +<p class="line xd20e3314">Ont le même destin,</p> +<p class="line">Et, rosse, elle a vécu ce que vivent les +rosses,</p> +<p class="line xd20e3314">L’espace d’un: matin!</p> +</div> +</div> +</div> +</div> +</div> +<div id="ch3.9" class="div1"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">Negende hoofdstuk.</h2> +<h2 class="main">Vroolijk einde der vreugd.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Toen de meisjes alleen waren, gingen zij twee aan +twee, op de ellebogen geleund, voor de ramen staan, en praatten van het +eene raam tot het andere met elkander.</p> +<p>Zij zagen de studenten gearmd de herberg uitgaan; dezen keerden het +hoofd om, wenkten de meisjes glimlachend toe en verdwenen in dien +bestoven zondagschen menschendrom, die wekelijks de +Champs-Elysées bestormt.</p> +<p>„Blijft niet te lang weg!” riep Fantine.</p> +<p>„Wat gaan zij ons halen?” zei Zephine.</p> +<p>„’t Zal zekerlijk iets fraais zijn,” zei +Dahlia.</p> +<p>„Ik,” hernam Favourite, „wensch dat het iets van +goud zij.”</p> +<p>Zij vonden dra verstrooiing in de beweging, welke zij door de takken +van het hoog geboomte heen, langs den kant van ’t water zagen, en +die haar zeer vermaakte. ’t Was het uur, dat de postkarren en +diligences vertrokken.</p> +<p>Bijna al de postwagens naar het Zuiden en Westen reden toen door de +Champs-Elysées. De meeste volgden de kade en gingen uit de stad +door de barrière van Passy.</p> +<p>Elk oogenblik zag men een groot geel en zwart geschilderd rijtuig, +met rammelend voorspan, zwaar beladen, wanstaltig door de vele koffers, +balen en valiezen, vol hoofden, die dra verdwenen, den straatweg tot +gruis, als dol de keien tot steentjes rijden en zich door het gedrang +een weg banen, daarbij vonken als uit een smidse slaande en stofwolken +opjagende. Dat gewoel vermaakte de meisjes. Favourite riep:</p> +<p>„Welk een geweld! ’t Is alsof ’t hoopen kettingen +zijn, die wegvluchten.”</p> +<p>Een dezer rijtuigen, ’t welk uithoofde der dicht bijeenstaande +olmen moeilijk te onderscheiden was, hield een oogenblik stil en reed +toen in galop verder.</p> +<p>Dit verwonderde Fantine. <span class="pagenum">[<a id="pb152" href="#pb152" name="pb152">152</a>]</span></p> +<p>„’t Is zonderling,” zeide zij. „Ik meende, +dat de diligences nooit stilhielden.”</p> +<p>Favourite haalde de schouders op.</p> +<p>„Die Fantine is toch een wonderlijk meisje. Ik zie haar met +bevreemding aan. Zij verwondert zich over de eenvoudigste dingen. +Veronderstel, dat ik op reis ga, en aan de diligence zeg: ik ga +vooruit, neem mij in ’t voorbijgaan op, aan de kade. De diligence +komt, ziet mij, houdt stil, en neemt mij op. Dat gebeurt alle dagen. Ge +kent het leven niet, mijn lieve!”</p> +<p>Er verliep eenige tijd. Eensklaps maakte Favourite een beweging, als +van iemand die ontwaakt.</p> +<p>„Maar,” zeide zij, „waar blijft de +verrassing.”</p> +<p>„’t Is waar,” hernam Dahlia, „de beloofde +verrassing.”</p> +<p>„Zij blijven lang weg!” zei Fantine.</p> +<p>Nadat Fantine dit zuchtend gezegd had, trad de knecht, die bij het +eten bediend had, binnen. Hij had iets in de hand, dat een brief +geleek.</p> +<p>„Wat is dat?” vroeg Favourite.</p> +<p>De knecht antwoordde:</p> +<p>„Het is een brief, dien de heeren van straks mij voor de dames +hebben gegeven.”</p> +<p>„Waarom hebt ge hem niet dadelijk gebracht?”</p> +<p>„Wijl de heeren bevolen hadden hem eerst na verloop van een +uur aan de dames te geven,” antwoordde de knecht.</p> +<p>Favourite rukte het papier den jongen uit de handen. Het was +inderdaad een brief.</p> +<p>Er is geen adres op. Maar zie, er staat op geschreven:</p> +<div class="blockquote"> +<p class="first xd20e119"><span class="sc">DIT IS DE +VERRASSING.</span></p> +</div> +<p>Zij scheurde den brief haastig los en las (ze kon lezen):</p> +<div class="blockquote"> +<p class="first salute">„O, onze liefjes!</p> +<p>„Weet, dat we ouders hebben. Ouders, ge weet daar zoo niet af. +In het kinderlijke en fatsoenlijke <i>code civil</i> heet dat vaders en +moeders. Maar die ouders zuchten naar ons, die ouden van dagen eischen +ons op, die goede mannen en die goede vrouwen roepen ons, verloren +zonen; zij snakken naar onze terugkomst en bieden aan, gemeste kalveren +te slachten. Aangezien we braaf zijn, gehoorzamen we hun. Op het +oogenblik, dat ge deze regelen leest, brengen vijf vurige rossen ons +naar onze papa’s en mama’s terug. We ruimen het veld, +zooals Bossuet zegt. We vertrekken, we zijn vertrokken. Wij vluchten in +de armen van Laffitte en op de vleugels van Gaillard. <span class="pagenum">[<a id="pb153" href="#pb153" name="pb153">153</a>]</span>De +diligence van Toulouse ontvoert ons aan den afgrond, en die afgrond +zijt gij, o lieve schoonen! Wij keeren terug in de maatschappij, tot +den plicht en de orde, en wel in vollen draf, drie mijlen in ’t +uur. Het vaderland eischt, dat we, evenals iedereen, familievaders, +préfecten, veldwachters en raadsheeren worden. Vereert ons. Wij +offeren ons op. Beweent ons snel en vervangt ons spoedig. Indien deze +brief u het hart verscheurt, geef hem dan terug. Adieu.</p> +<p>Gedurende bijna twee jaren hebben we u gelukkig gemaakt. Draagt er +ons geen kwaad hart om toe.</p> +<p class="signed">„Geteekend: <span class="sc">Blachevelle</span>. ”<span class="sc">Fameuil</span>. +”<span class="sc">Listolier</span>. ”<span class="sc">Felix +Tholomyès</span>.</p> +<p>„<span class="ex">Post-scriptum</span>. Het diner is +betaald.”</p> +</div> +<p>De vier jonge meisjes zagen elkander aan.</p> +<p>Favourite verbrak het eerst de stilte.</p> +<p>„Wel,” riep ze, „’t is in alle geval een +aardige grap.”</p> +<p>„Die is heel goed,” zei Zephine.</p> +<p>„Blachevelle moet het eerst op dat idée gekomen +zijn,” hernam Favourite. „Dat maakt me verliefd op +hem.”</p> +<p>„Neen,” riep Dahlia, „het is een idée van +Tholomyès. Dat is zoo duidelijk als iets.”</p> +<p>„In dat geval,” hernam Favourite, „de dood aan +Blachevelle en leve Tholomyès!”</p> +<p>„Leve Tholomyès!” riepen Dahlia en Zephine.</p> +<p>En ze schaterden ’t uit van lachen.</p> +<p>Fantine lachte met de anderen mee. Toen zij, een uur later, haar +kamer was binnengetreden, huilde ze. Het was, zooals we hebben gezegd, +haar eerste liefde; ze had zich aan dien Tholomyès overgegeven +als aan een echtgenoot, en het arme meisje had een kind. <span class="pagenum">[<a id="pb155" href="#pb155" name="pb155">155</a>]</span></p> +</div> +</div> +</div> +<div class="div0"> +<h2 class="label">Boek IV.</h2> +<h2 class="main">Toevertrouwen is somtijds geven.</h2> +<span class="pagenum">[<a id="pb157" href="#pb157" name="pb157">157</a>]</span> +<div id="ch4.1" class="div1"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">Eerste hoofdstuk.</h2> +<h2 class="main">Een moeder, die een andere moeder ontmoet.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Te Montfermeil, nabij Parijs, was in het eerste vierde +deel dezer eeuw een soort van kroeg, welke thans niet meer bestaat. +Deze kroeg werd gehouden door de echtelieden Thénardier, man en +vrouw, en was gelegen in het Bakkerssteegje. Boven de deur was aan den +muur een plank gespijkerd, waarop iets stond geschilderd, dat een man +geleek, die een anderen man, met gouden generaals<span class="corr" id="xd20e3492" title="Bron: ">-</span>epauletten en groote zilveren +sterren, op den rug droeg; roode plekken stelden bloed voor; het +overige der schilderij was vol rook, en moest waarschijnlijk een +veldslag verbeelden. Daaronder las men: <span class="sc">IN DEN +SERGEANT VAN WATERLOO</span>.</p> +<p>Gewoonlijk ziet men voor de deur eener herberg een mestkar of een +wagen. Het voertuig evenwel, of beter gezegd, het overblijfsel van een +voertuig, dat de steeg voor de kroeg de „Sergeant van +Waterloo” op een lenteavond in 1818 versperde, zou zekerlijk door +zijn plompheid de aandacht van een voorbijgaand schilder getrokken +hebben.</p> +<p>Het was het voorstuk van een dier wagens, welke in boschrijke oorden +worden gebruikt om zware balken en boomstammen te vervoeren. Dit +voorstuk bestond uit een dikke ijzeren as, waaraan een zware dissel, +die op twee ontzaglijk groote wielen rustte. Het geheel was plomp, +wanstaltig en zwaar. Men had het voor de affuit van een reusachtig +kanon kunnen houden. De modderpoelen hadden de wielen, de velgen, de +naven, de as en den dissel met een laag vuil, geelachtig slijk bedekt. +Het hout was onzichtbaar door het slijk, en het ijzer door het roest. +Als een guirlande hing onder den dissel een zware ketting, als voor een +gevangen Goliath. Deze ketting deed onwillekeurig denken, niet aan de +balken, welke hij moest houden, maar aan de mastodonten en mammouts, +die er in gespannen hadden kunnen worden; hij deed denken aan een +<span class="pagenum">[<a id="pb158" href="#pb158" name="pb158">158</a>]</span>bagno, maar aan een bagno van cyclopen en +reuzen, en scheen vroeger een monster gekluisterd te hebben. Homerus +zou er Polypheem en Shakspeare Caliban in geklonken hebben.</p> +<p>Waartoe bevond zich dit wagenstel te dezer plaatse op de straat? +Vooreerst om de straat te versperren, ten tweede om verder te roesten. +In de oude maatschappelijke orde bestaan een menigte instellingen, +welke men zoo op zijn weg onder den blooten hemel ontmoet, en die geen +andere reden van bestaan hebben.</p> +<p>Het midden van den ketting hing over den dissel tot bijna op den +grond, en in zijn ronding zaten dien avond, als op een talter, twee +kleine meisjes, die elkander teer omstrengeld hielden, ’t een +ongeveer derdehalf jaar en ’t ander achttien maand oud, het +kleinste in de armen van het grootste. Een zakdoek, waarmede zij +voorzichtig vastgebonden waren, belette haar te vallen. Een moeder had +dezen schrikkelijken ketting gezien en gedacht: Ha, ziedaar een +speeltuig voor mijn kinderen.</p> +<p>De twee kindertjes, die overigens eenigszins met zorg gekleed en +getooid waren, zagen er bekoorlijk uit; zij geleken twee roosjes in oud +ijzer; haar oogjes schitterden, haar frissche wangen glimlachten; het +een had kastanjebruin, het ander donkerbruin haar; haar onschuldige +gezichtjes drukten vroolijke opgetogenheid uit; een bloeiende haag in +de nabijheid verspreidde een liefelijken geur, die van de kinderen +scheen uit te gaan; het jongste meisje toonde haar naakte buikje met de +kuische achteloosheid van kleine kinderen. Boven en om deze teedere +kopjes, die van geluk vervuld en in ’t licht gehuld waren, welfde +zich het plompe leelijke wagenstel, vreeselijk zwart van het roest, en +vol hoeken en scherpe kanten, als de ingang van een hol. Eenige +schreden van daar, op den drempel der deur gehurkt, schommelde de +moeder, een overigens niet zeer vriendelijke, maar op dit oogenblik +innemende vrouw, de twee kinderen met een lang koord, met de oogen +onafgewend op hen gevestigd, uit vrees van eenig ongeluk, tevens met +die dierlijke en hemelsche uitdrukking, welke slechts aan moeders eigen +is. Bij elken ruk brachten de afzichtelijke schakels een knarsend +geluid voort, dat den kreet des toorns geleek. De meisjes waren in +verrukking, de ondergaande zon paarde zich aan die vreugd, en niets kon +bekoorlijker zijn dan deze gril van het toeval, dat van dezen +titansketen een talter voor cherubijnen had gemaakt.</p> +<p>Terwijl de moeder haar twee kleinen talterde, zong zij met een +valsche stem een toen in zwang zijnde romance: <span class="pagenum">[<a id="pb159" href="#pb159" name="pb159">159</a>]</span></p> +<div class="lgouter"> +<p class="line">Ja ’t moet zoo zijn, sprak een soldaat.<a class="noteref" id="xd20e3516src" href="#xd20e3516" name="xd20e3516src">1</a></p> +</div> +<p class="first">Haar gezang en de beschouwing harer dochtertjes +beletten de vrouw te hooren en te zien, wat in de straat voorviel.</p> +<p>Intusschen was iemand haar genaderd, toen zij het eerste couplet der +romance begon, en eensklaps hoorde zij een stem, die dicht aan haar oor +fluisterde:</p> +<p>„Gij hebt daar twee lieve kindertjes, madame!”</p> +<div class="lgouter"> +<p class="line">Aan de schoone en teedere Imogine,<a class="noteref" +id="xd20e3528src" href="#xd20e3528" name="xd20e3528src">2</a></p> +</div> +<p class="first">antwoordde de moeder, voortzingende, en toen zij het +hoofd omwendde, stond een jonge vrouw op een paar schreden afstands van +haar. Deze vrouw had insgelijks een kind, ’t welk zij op haar arm +droeg.</p> +<p>Bovendien droeg zij een tamelijk grooten reiszak, die zeer zwaar +scheen.</p> +<p>Het kind dezer vrouw was een der liefelijkste wezens, die men zien +kon: een meisje tusschen de twee en drie jaar! Zij had met de twee +andere kleinen in netheid van kleeding gerust kunnen wedijveren. Zij +had een fijn linnen kapje met kant op het hoofd, en linten aan haar +keursje. Haar rokje was een weinig opgelicht, zoodat men haar blank, +stevig en mollig beentje tot boven de knie kon zien. Zij was blozend +als een roos en scheen zeer gezond. Men zou in de roode koontjes, die +er zoo frisch uitzagen als appelen, hebben willen bijten. Van haar +oogen was niets te zeggen, dan dat zij zeer groot moesten zijn en +prachtige wimpers hadden. Zij sliep.</p> +<p>’t Was die geruste, vertrouwende slaap, welke aan haar +leeftijd eigen is. De armen der moeders bestaan alleen uit liefde; de +kinderen slapen er gerust op.</p> +<p>De moeder zelve had een armoedig en treurig voorkomen. Zij was als +een handwerkster gekleed, die weder naar het land terug begeert te +gaan. Zij was jong. Was zij schoon? Misschien; maar door haar kleeding +zag men er niets van. Haar blond haar, waarvan een vlecht te voorschijn +kwam, scheen zwaar, maar was schier geheel met een leelijk, +nauwsluitend en om de kin vastgebonden mutsje bedekt. De lach doet de +fraaie tanden uitkomen, wanneer men ze heeft; maar zij lachte niet. +Haar oogen schenen sinds lang niet droog te zijn geweest van tranen. +Zij was bleek; zij had een zeer vermoeid en eenigszins ziekelijk +voorkomen; met dien eigenaardigen blik eener <span class="pagenum">[<a id="pb160" href="#pb160" name="pb160">160</a>]</span>moeder, die zelve haar kind heeft gezoogd, +aanschouwde zij het dochtertje, dat in haar armen sliep. Een groote +blauwe zakdoek, als die waarvan de invaliden zich bedienen, was om haar +hals geslagen en bedekte haar borst. Haar handen waren bruin en vol +zomersproeten, de wijsvinger vereelt en vol naaldesteken. Zij droeg een +bruinen, groven wollen mantel, een katoenen kleedje en plompe schoenen. +Dit was Fantine.</p> +<p>Dit was Fantine. Ze was moeilijk te herkennen. Evenwel, zoo men haar +nauwkeurig beschouwde, bezat zij nog altijd haar schoonheid. Een +treurige rimpel, die een begin van bittere spotzucht scheen, had zich +op haar rechterwang gevormd. Haar kleeding, een luchtige kleeding van +neteldoek en lint, die uit vroolijkheid, lichtzinnigheid en dartelheid +geweven en een bloemengeur te verspreiden scheen, was verdwenen als het +glinsterende rijp, dat in den zonneschijn als diamanten fonkelt, maar +wanneer ’t gesmolten is, den donkeren boomtak overlaat.</p> +<p>Er waren tien maanden sedert „de aardige grap,” de +verrassing, verstreken.</p> +<p>Wat in deze tien maanden was gebeurd, is niet moeielijk te +raden.</p> +<p>Na de verlating was de nood gekomen. Fantine had al heel spoedig +Favourite, Zephine en Dahlia uit het oog verloren; de band, door de +mannen gebroken, was bij de meisjes vanzelf afgevallen. Zij zouden, +veertien dagen later, zeer verwonderd hebben opgezien, zoo men haar +gezegd had, dat zij vriendinnen waren; daartoe bestond geen reden meer. +Fantine was alleen gebleven. Toen de vader van haar kind vertrokken +was—deze scheidingen zijn, helaas, onvermijdelijk,—bevond +zij zich geheel verlaten, met minder gewoonte tot den arbeid en meer +lust tot vermaken. Haar betrekking met Tholomyès had haar er toe +geleid haar handwerk te verzuimen, zij had haar klanten veronachtzaamd; +zij had ze verloren. Nu was zij zonder alle hulpmiddelen. Fantine kon +nauwelijks lezen en niet schrijven; in haar kindsheid had zij niets +geleerd dan haar naam te krabbelen. Door een openbaar schrijver had zij +tot driemalen toe aan Tholomyès laten schrijven, maar +Tholomyès had geen der drie brieven beantwoord. Op zekeren dag +hoorde Fantine vrouwen, die haar kind beschouwden, zeggen: „zulke +kinderen trekt men zich niet ernstig aan; men haalt er de schouders +voor op!” Toen dacht zij aan Tholomyès, die voor zijn kind +de schouders ophaalde en zich het onschuldig wezen niet ernstig +aantrok; en toen werd haar hart somber voor dien man. Maar wat moest +zij beginnen? Zij wist niet meer, tot wien zich te wenden. Zij had een +misstap begaan; maar in den <span class="pagenum">[<a id="pb161" href="#pb161" name="pb161">161</a>]</span>grond van haar hart was zij, +gelijk men zich herinnert, kuisch en deugdzaam. Zij gevoelde +onduidelijk, dat zij op het punt was, in armoede te verzinken en +wellicht tot iets ergers te komen.</p> +<p>Er was moed noodig, zij had dien en vermande zich. De gedachte kwam +bij haar op, naar haar geboorteplaats M. sur M. weder te keeren. Daar +zou misschien iemand zijn, die haar kende en haar werk gaf; maar zij +moest haar misslag verbergen. En zij vermoedde de noodzakelijkheid +eener scheiding, die nog smartelijker zou zijn dan de eerste. Haar hart +brak, maar zij nam een besluit. Gelijk men zien zal, bezat Fantine den +vasten moed des levens. Reeds had zij onversaagd van den opschik +afgezien, zich in katoen gekleed, en voor haar dochtertje al haar +zijde, linten en kanten aangewend,—de eenige ijdelheid, welke +haar overbleef en die niemand mag veroordeelen. Zij verkocht alles wat +zij bezat, ’t geen haar tweehonderd francs opbracht; na haar +schulden betaald te hebben, hield zij niet meer dan ongeveer tachtig +francs over. Op een schoonen lentemorgen verliet zij, +tweeëntwintig jaar oud, Parijs, haar kind op haar rug +medevoerende. Wie beiden gezien had, zou medelijden met haar gehad +hebben. Deze vrouw had ter wereld niets dan dit kind, en dit kind had +ter wereld niets dan deze vrouw. Fantine had haar dochtertje gezoogd; +tengevolge daarvan was haar borst verzwakt en zij hoestte een +weinig.</p> +<p>Wij zullen geen gelegenheid hebben, meer van den heer Felix +Tholomyès te spreken. Laat ons dus slechts met een enkel woord +melden, dat hij twintig jaren later, onder koning Lodewijk Filips, een +voornaam advocaat in de provincie was, invloedrijk en vermogend, een +wijs kiezer en een zeer streng gezworene;—overigens altijd een +man van pleizier.</p> +<p>Tegen den middag bevond zich Fantine, na nu en dan, om eens te +rusten, tegen drie of vier stuivers in ’t uur, gebruik te hebben +gemaakt van de zoogenaamde snorwagens, die destijds in de omstreken van +Parijs gevonden werden—te Montfermeil in de Bakkerssteeg.</p> +<p>Toen zij aan de herberg van Thénardier kwam, vielen de twee +vroolijke meisjes op de kettingschommel haar in ’t oog. Zij bleef +staan voor dit bekoorlijk tafereel.</p> +<p>En zijn betooveringen. Deze twee meisjes waren een betoovering voor +deze moeder.</p> +<p>Zij aanschouwde ze met de meeste aandoening. De tegenwoordigheid van +Engelen duidt een paradijs aan. Zij meende boven deze herberg het +geheimzinnig <span class="sc">HIER</span> der Voorzienigheid te zien. +Deze twee meisjes waren blijkbaar gelukkig. Zij aanschouwde, bewonderde +ze met zulk een verteedering, dat, toen <span class="pagenum">[<a id="pb162" href="#pb162" name="pb162">162</a>]</span>de moeder tusschen +twee verzen van haar liedje eens in den adem schoot, Fantine het niet +kon nalaten haar deze woorden te zeggen:</p> +<p>„Gij hebt daar twee lieve kindertjes, madame.”</p> +<p>De wildste dieren worden verteederd, wanneer men hun jongen streelt. +De moeder richtte het hoofd op en dankte de vrouw; zij noodigde haar +uit, plaats te nemen op de bank aan de deur, terwijl zij op den drempel +zat. De twee vrouwen begonnen een gesprek.</p> +<p>„Ik heet madame Thénardier,” zei de moeder der +twee kleinen. „Wij houden deze herberg.”</p> +<p>Daarna, steeds met haar romance vervuld, zong zij weder +binnensmonds:</p> +<div class="lgouter"> +<p class="line">Het moet zoo zijn, als riddersman,</p> +<p class="line xd20e3314">Ik ga naar Palestina.<a class="noteref" id="xd20e3584src" href="#xd20e3584" name="xd20e3584src">3</a></p> +</div> +<p class="first">Vrouw Thénardier was een rosharige, forsche, +zwaarlijvige vrouw, het type eener soldatenvrouw in al haar +onbehaaglijkheid.—Daarbij had zij, wat hier zonderling bijkwam, +iets sentimenteels, dat zij van het romanlezen gekregen had.—Zij +was een sentimenteel manwijf. Alle romans, die naar den smaak van +keukenmeiden berekend zijn, hebben zulk een uitwerking. Zij was nog +tamelijk jong, nauwelijks dertig jaar oud. Zoo deze vrouw, die nu +gehurkt zat, overeind had gestaan, zou waarschijnlijk haar reusachtige +gestalte en kolossaal voorkomen de vreemde vrouw reeds op het eerste +gezicht hebben verschrikt, haar vertrouwelijkheid verdreven, waardoor +onmogelijk ware gemaakt, wat wij thans willen verhalen. Het zitten of +staan van iemand kan aan het lot een geheel andere richting geven.</p> +<p>De vreemde vrouw verhaalde haar geschiedenis, een weinig +gewijzigd.</p> +<p>Zij was naaister; haar man was overleden; zij had te Parijs geen +werk kunnen vinden; zij wilde het elders, in haar geboorteplaats, +zoeken; zij had dien morgen Parijs verlaten, te voet; daar zij haar +kind moest dragen, was zij moede geworden; toen had zij den wagen naar +Villemomble ontmoet en daarin plaats genomen; vervolgens was zij weder +tot Montfermeil te voet gegaan; de kleine had ook een weinig geloopen, +maar niet lang; ’t kind was nog zoo jong; zij had het weder op +den arm moeten nemen, en toen was de engel in slaap gevallen. +<span class="pagenum">[<a id="pb163" href="#pb163" name="pb163">163</a>]</span></p> +<p>Dit zeggende gaf zij het kind een vurigen kus, die het wakker +maakte. Het kind opende de oogen, groote blauwe oogen als die zijner +moeder, en aanschouwde, wat? Niets, alles, met dien ernstigen, soms zoo +strengen kinderlijken blik, die een verborgenheid is hunner +schitterende onschuld tegenover de schemering onzer deugd. ’t Is +alsof zij gevoelen dat zij engelen, en weten dat wij menschen zijn. +Toen glimlachte het kind, en, schoon door zijn moeder tegengehouden, +liet het zich op den grond glijden, met die onweerhoudbare kracht van +een klein wezen, dat loopen wil. Eensklaps zag het meisje de twee +kinderen op hun schommel, bleef staan, en stak het puntje van haar tong +tusschen de lippen, als een teeken van bewondering.</p> +<p>Moeder Thénardier maakte haar dochtertjes los, nam ze van den +talter en zeide:</p> +<p>„Speelt met u drieën.”</p> +<p>Kinderen worden spoedig vertrouwelijk met elkander, en na verloop +van een minuut speelden de kleine Thénardier’s met het +vreemde meisje, en vermaakten zich met kuilen in de aarde te +krabben.</p> +<p>Een onuitsprekelijk pleizier! Het vreemde meisje was zeer vroolijk; +de goedheid der moeder blijkt uit de vroolijkheid van het kind; het had +een houtspaan genomen, die haar tot spade diende, en groef daarmede +ijverig een kuil, niet grooter dan voor een vlieg. Wat de doodgraver +verricht, wordt kluchtig, als het een kind doet.</p> +<p>De twee vrouwen spraken intusschen met elkander.</p> +<p>„Hoe heet uw kleintje?”</p> +<p>„Cosette.”</p> +<p>Cosette, lees Euphrasie. De kleine heette Euphrasie. Maar van +Euphrasie had de moeder Cosette gemaakt, ingevolge het verfraaiings- en +verzachtings-instinct der moeders en van het volk, dat Josefa in Pepita +en Françoise in Sillette verandert. Dit is een soort van +afleiding, die de geheele wetenschap der etymologen in de war brengt. +Wij hebben een grootmoeder gekend, wie het gelukt was van Theodora Gnon +te maken.</p> +<p>„Hoe oud is zij?”</p> +<p>„Zij gaat in haar derde jaar.”</p> +<p>„Evenals mijn oudste.”</p> +<p>Terwijl de drie kleine meisjes vroolijk bijeengehurkt in de aarde +woelden, gebeurde iets, dat haar tegelijk verschrikte en in verrukking +bracht: een groote worm was uit de aarde gekropen.</p> +<p>Zij raakten elkander met haar glimlachende hoofdjes aan; ’t +was alsof men drie kopjes in een stralenkrans zag. <span class="pagenum">[<a id="pb164" href="#pb164" name="pb164">164</a>]</span></p> +<p>„Kinderen,” riep moeder Thénardier, „maken +heel gauw kennis met elkander; zou men niet zweren, dat ’t drie +zusjes waren!”</p> +<p>Dit woord was de vonk, welke de andere moeder waarschijnlijk +wachtte; zij vatte de hand van vrouw Thénardier, zag haar strak +aan en zeide:</p> +<p>„Wilt gij mijn kind bij u houden?”</p> +<p>Vrouw Thénardier maakte een gebaar van verwondering, dat noch +toestemming noch weigering uitdrukte.</p> +<p>De moeder van Cosette hernam:</p> +<p>„Ziet ge, ik kan mijn kind niet naar mijn geboorteplaats +medevoeren. Het werk vergunt het mij niet. Men vindt moeielijk een +betrekking, als men een kind heeft. In mijn geboorteplaats zijn de +menschen zoo wonderlijk. De goede God heeft mij tot uw huis gevoerd. +Toen ik uw kleintjes zoo lief en zoo net en zoo tevreden zag, heeft mij +dit getroffen. Ik dacht: Zie, dat is zeker een goede moeder. Nu, +’t zouden drie aardige zusjes zijn! Overigens zal ’t niet +lang duren, dat ik wederkom. Wilt ge mijn kind hier houden?”</p> +<p>„Daar moet ik eerst over denken,” zei vrouw +Thénardier.</p> +<p>„Ik wil zes francs in de maand geven.”</p> +<p>Een mannenstem riep nu uit de herberg:</p> +<p>„Niet minder dan zeven francs. En zes maanden vooruit +betalen.”</p> +<p>„Zes maal zeven is twee-en-veertig,” zei vrouw +Thénardier.</p> +<p>„Ik zal ze geven,” zei de moeder.</p> +<p>„En vijftien francs bovendien voor de eerste kosten,” +voegde de mannenstem er bij.</p> +<p>„Te zamen zeven-en-vijftig francs,” zei vrouw +Thénardier. En onder deze rekening neuriede zij flauw:</p> +<div class="lgouter"> +<p class="line">Het moet zoo zijn, sprak een soldaat!<a class="noteref" +id="xd20e3662src" href="#xd20e3662" name="xd20e3662src">4</a></p> +</div> +<p class="first">„Ik geef ze,” hernam de moeder; +<span class="corr" id="xd20e3667" title="Niet in bron">„</span>ik +heb tachtig francs. Ik zal genoeg overhouden om mijn geboorteplaats te +bereiken, als ik te voet ga. Ginds zal ik geld verdienen, en zoodra ik +wat heb, kom ik mijn engel halen.”</p> +<p>De mannenstem riep:</p> +<p>„Heeft de kleine linnen ter verschooning?”</p> +<p>„’t Is mijn man,” zei vrouw Thénardier.</p> +<p>„Gewis heeft mijn kleine engel verschooning. Ik hoorde wel, +dat het uw man was. Zij heeft zeer fraai linnengoed; veel, alles bij +dozijnen; en zijden jurkjes als een dame. ’t Is alles in mijn +reiszak. <span class="pagenum">[<a id="pb165" href="#pb165" name="pb165">165</a>]</span></p> +<p>„Dan moet gij het geven,” riep de mannenstem.</p> +<p>„Zekerlijk zal ik het geven,” zei de moeder. +„’t Zou wat fraais zijn, als ik mijn dochtertje naakt +achterliet.”</p> +<p>’t Hoofd van den waard kwam nu te voorschijn.</p> +<p>„Dan is ’t goed;” zei hij.</p> +<p>De zaak werd beklonken. De moeder bracht den nacht in de herberg +door, gaf haar geld, liet haar kind achter, bond haar reiszak, die nu, +van het kindergoed ontlast, licht en dun was geworden, weder dicht, en +vertrok den volgenden dag, in de hoop spoedig weder te keeren. Men kan +zulke scheidingen zeer bedaard overleggen; maar bij de uitvoering +vertoont zich de wanhoop.</p> +<p>Een buurvrouw van de Thénardier’s ontmoette de moeder +toen zij vertrok, en kwam terugloopen om te zeggen:</p> +<p>„Ik heb op de straat een vrouw ontmoet, die schreide, dat er +’t hart door verscheurd werd.”</p> +<p>Toen Cosette’s moeder vertrokken was, zei de man tot zijn +vrouw:</p> +<p>„Met dit geld zal ik den wissel van honderd tien francs kunnen +betalen, die morgen vervalt. Er ontbraken mij vijftig francs. Weet ge +dat de deurwaarder mij op den hals zou zijn gekomen met een protest? Ge +hebt een goede vangst met uw meisjes gedaan.”</p> +<p>„Zonder het te vermoeden,” zei de vrouw.</p> +</div> +<div class="footnotes"> + +<hr /> + +<p class="footnote" lang="fr"><span class="label"><a class="noteref" +id="xd20e3516" href="#xd20e3516src" name="xd20e3516">1</a></span> Il le +faut, disait un guerrier.</p> +<p class="footnote" lang="fr"><span class="label"><a class="noteref" +id="xd20e3528" href="#xd20e3528src" name="xd20e3528">2</a></span> A la +belle et tendre Imogine.</p> +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id="xd20e3584" href="#xd20e3584src" name="xd20e3584">3</a></span></p> +<div class="q"> +<div class="body"> +<div lang="fr" class="lgouter footnote"> +<p class="line">Il le faut, je suis chevalier,</p> +<p class="line xd20e3314">Et je pars pour la Palestine.</p> +</div> +</div> +</div> +<p class="footnote" lang="fr"><span class="label"><a class="noteref" +id="xd20e3662" href="#xd20e3662src" name="xd20e3662">4</a></span> Il le +faut, disait un guerrier.</p> +</div> +</div> +<div id="ch4.2" class="div1"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">Tweede hoofdstuk.</h2> +<h2 class="main">Eerste schets van twee slechte figuren.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">De gevangen muis was erg mager; maar de kat vermaakt +zich ook met een magere muis.</p> +<p>Wie waren de echtgenooten Thénardier?</p> +<p>Zeggen wij vooreerst slechts een paar woorden over hen. Later zullen +wij de schets voltooien.</p> +<p>Deze wezens behoorden tot die bastaardklasse, welke uit onbeschaafde +parvenus en vervallen beschaafde lieden bestaat: een klasse tusschen de +zoogenaamde midden- en de lagere klasse in, en die eenige gebreken der +tweede met schier al de ondeugden der eerste vereenigt, zonder den +edelen ijver van den werkman of de verstandige orde van den burger te +bezitten.</p> +<p>’t Zijn die dwergnaturen, welke, zoo zij toevallig door een +heilloos vuur verwarmd worden, licht iets monsterachtigs krijgen. +<span class="pagenum">[<a id="pb166" href="#pb166" name="pb166">166</a>]</span>In de vrouw lag iets dierlijks, in den man al +wat een schurk vormt. Beiden waren in den hoogsten graad vatbaar voor +den afschuwelijken vooruitgang op een kwaden weg. Er bestaan +kreeftenzielen, die gestadig achteruit naar de duisternis gaan, zich in +het leven meer achteruit dan voorwaarts bewegen, de ondervinding +slechts gebruiken om hun hatelijkheid te vergrooten, onafgebroken +slechter worden en zich meer en meer als met een zwart slijk +overdekken. Deze man en deze vrouw behoorden tot die zielen.</p> +<p>Thénardier bovenal had een afkeer-inboezemend gelaat. Men +behoeft sommige menschen slechts aan te zien, om hen te wantrouwen, +want van ’t hoofd tot de voeten ligt iets stuitends in hen. Zij +zijn ongerust achter zich en dreigend voor zich. Men kent ze niet. Men +kan evenmin instaan voor ’t geen zij gedaan hebben, als voor +’t geen zij zullen doen. De schaduw op hun gezicht teekent ze. +Zij behoeven slechts een woord te zeggen, een beweging te maken, of men +vermoedt sombere geheimen in hun verleden, sombere verborgenheden in +hun toekomst.</p> +<p>Zoo men Thénardier mocht gelooven, was hij soldaat geweest; +ik sergeant, gelijk hij zeide; hij had vermoedelijk den veldtocht van +1815 medegemaakt en, naar het schijnt, zich zelfs dapper gedragen. +Later zullen wij zien wat er van is. Het uithangbord zijner herberg +duidde een zijner wapenfeiten aan. Hij had het zelf geschilderd; want +hij verstond van alles zoo wat; maar slecht.</p> +<p>’t Was in den tijd, toen de classieke roman, vroeger +<i>Clélie</i>, thans <i>Lodoïska</i>, schoon nog steeds +edel, toch erg gedaald, van madame de Scudéry tot madame +Bournon-Malarme, en van madame de Lafayette tot madame +Barthélemy-Hadot vervallen; ’t was in den tijd toen die +classieke roman de liefde-ademende harten der Parijsche +portières in vuur en vlam zette, en zelfs zijn verwoestingen +eenigszins tot in de voorsteden uitbreidde. Vrouw Thénardier was +juist geleerd genoeg om deze soort van boeken te kunnen lezen. Zij +voedde zich er mede. Zij verdronk er het weinigje hersens in, dat zij +had. Dit had haar, toen zij nog jong was en zelfs iets later, een +zekere peinzende houding gegeven, bij haar man vergeleken, een schurk +van eenige diepzinnigheid, een geleerde deugniet, behalve in de +letterkunde, tevens ruw en sluw; wat godsdienstig gevoel betrof, was +hij een leerling van Pigault-Lebrun, en ten opzichte der vrouwelijke +sekse, was hij, zooals hij zich uitdrukte, even onwetend als een +boonestaak. Zijn vrouw was twaalf of vijftien jaar jonger dan hij. +Later, toen het als treurwilgen neerhangend romantisch haar, grijs +begon te worden, toen <span class="pagenum">[<a id="pb167" href="#pb167" name="pb167">167</a>]</span>uit de Pamela een Megera ontstond, +was vrouw Thénardier niets dan een dik, ondeugend wijf, met +domme romans opgevuld. En men leest niet ongestraft ongerijmdheden! Een +gevolg hiervan was, dat haar oudste dochtertje Eponine heette; en het +jongste zou Gulnare geheeten hebben, maar zij had het aan een of andere +gelukkige afleiding, door een roman van Ducray-Duminil bewerkt, te +danken, dat zij slechts Azelma genoemd werd.</p> +<p>’t Moet overigens in ’t voorbijgaan gezegd worden, dat +in dien zonderlingen tijd, waarvan wij spreken en dien men den tijd der +anarchie in de doopnamen kan noemen, niet alles dwaas en oppervlakkig +was. Behalve het romantisch element, dat wij aanduidden, lag er een +maatschappelijk verschijnsel in. ’t Is tegenwoordig niet +zeldzaam, dat een ossendrijversknecht Arthur, Alfred of Alphonse heet, +en de burggraaf—zoo er nog burggraven zijn—Thomas, Piet of +Jakob. Deze omkeering, welke den eleganten naam aan den man uit het +volk en den gemeenen naam aan den aristocraat geeft, is niets anders +dan de wederkeerende golfslag der gelijkheid. De onwederstaanbare, +alles doordringende nieuwe tijdgeest is hier evenals in alles +zichtbaar. In deze schijnbare tegenstrijdigheid ligt iets grootsch en +dieps—de Fransche Revolutie.</p> +</div> +</div> +<div id="ch4.3" class="div1"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">Derde hoofdstuk.</h2> +<h2 class="main">De leeuwerik.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Het is niet genoeg, slecht te zijn, om fortuin te +maken. De herberg wilde niet vooruit.</p> +<p>Met de zeven-en-vijftig francs van de vreemde vrouw had +Thénardier een protest voorkomen en zijn schuldbekentenis kunnen +voldoen. De volgende maand was er weder geldgebrek; de vrouw ging naar +Parijs en beleende er in den lommerd de kleederen van Cosette voor +zestig francs. Toen ook dat geld verteerd was, gewenden +Thénardier en zijn vrouw er zich aan, in het meisje slechts een +kind te zien, dat zij uit medelijden bij zich hielden en behandelden +haar daarnaar. Nu de kleine geen kleertjes meer had, lieten ze haar de +versleten rokjes en hemden der jonge Thénardier’s dragen, +dat wil zeggen: lompen. Men voedde haar overigens met allerlei klieken, +een weinig beter dan den hond en slechter dan de kat; Cosette at met +deze dieren onder de tafel van een houten bord, evenals zij hadden. +<span class="pagenum">[<a id="pb168" href="#pb168" name="pb168">168</a>]</span></p> +<p>Haar moeder, die zich, zooals men later zal zien, te M. sur M. had +gevestigd, schreef, of liever liet maandelijks schrijven, om iets +nopens haar kind te vernemen. De Thénardier’s antwoordden +onveranderlijk: Cosette is volmaakt wel.</p> +<p>Toen de eerste zes maanden verstreken waren, zond de moeder zeven +francs voor de zevende maand, en ging daarmede zeer stipt iedere maand +voort. Het jaar was nog niet geëindigd, toen Thénardier +zeide:—’t Is een aardig voordeel, dat zij ons aanbrengt; +wat kan ons zeven francs helpen!—en hij schreef, dat hij er +twaalf moest hebben. De moeder, welke hij in den waan hield dat haar +kind gelukkig was en „goed aankwam,” onderwierp zich en +zond de twaalf francs.</p> +<p>Sommige karakters kunnen niet aan de eene zijde beminnen, zonder aan +de andere te haten. Moeder Thénardier beminde hartstochtelijk +haar eigen beide kinderen, en daarom haatte zij het vreemde meisje. +’t Is een treurig denkbeeld, dat ook de liefde eener moeder een +slechte zijde kan hebben. Hoe weinig plaats Cosette in het huis ook +innam, toch kwam het haar voor, dat ze ten koste harer kinderen +verkregen was, en dat de kleine de lucht verminderde, welke haar +meisjes inademden. Deze vrouw had, gelijk vele vrouwen harer soort, een +zekere hoeveelheid liefkoozingen en een zekere hoeveelheid slagen en +scheldwoorden, waarvan zij zich dagelijks moest ontlasten. Zoo zij +Cosette niet had gehad, is het zeker, dat haar dochters, hoe zeer zij +die ook beminde, het een met het ander zouden ontvangen hebben. Nu +kregen haar dochters alleen de liefkoozingen. Cosette kon zich niet +verroeren, of een hagelbui van onverdiende hevige bestraffingen viel op +haar hoofd neder. Het zachte, zwakke wezen, dat noch van God, noch van +de wereld iets begreep, werd gestadig gestraft, beknord, gestooten, +geslagen, terwijl zij nevens zich twee kleine schepseltjes als zij zag, +die in een straal van ’t morgenrood leefden.</p> +<p>Dewijl vrouw Thénardier ondeugend voor Cosette was, waren +Eponine en Azelma het ook. Kinderen van dien leeftijd zijn slechts +afdrukken der moeder. Het formaat is alleen kleiner; dat is het +onderscheid.</p> +<p>Een jaar verstreek; ook een tweede.</p> +<p>Men zeide in het dorp:</p> +<p>„De Thénardier’s zijn toch brave menschen. Schoon +ze niet rijk zijn, brengen zij toch een arm kind op, dat men bij hen +heeft achtergelaten.” Men meende, dat Cosette door haar moeder +vergeten werd. Inmiddels eischte Thénardier, die op eene of +andere bedekte wijze vernomen had, dat het kind waarschijnlijk een +onwettig kind was en de moeder het niet kon wettigen, vijftien francs +’s maands, zeggende, dat het „ding” <span class="pagenum">[<a id="pb169" href="#pb169" name="pb169">169</a>]</span>grooter werd en hoe langer hoe meer +„at” en dreigende het terug te zenden. „Zij moet mij +niet wat wijs willen maken!” riep hij, „of ik gooi haar +haar popje als een bom in haar geheime zaakjes. Ik moet meer +hebben.” De moeder betaalde de vijftien francs.</p> +<p>Van jaar tot jaar werd het meisje grooter, maar ook haar +ellende.</p> +<p>Zoolang Cosette klein was, moest zij alles van de twee andere +kinderen dulden: zoodra zij zich een weinig begon te ontwikkelen, dat +wil zeggen, vóór zij nog vijf jaar oud was, werd zij de +dienstmaagd van het huis.</p> +<p>Vijf jaar, zal men zeggen, dit is onwaarschijnlijk. Helaas, ’t +is toch waar. Het maatschappelijk lijden begint op elken leeftijd. +Hebben wij niet onlangs het proces van een zekeren Dumollard gehad, die +van weeskind moordenaar werd, en reeds op vijfjarigen leeftijd, zooals +de gerechtsstukken bewijzen, alleen op zich zelven stond, en +„voor zijn onderhoud werkte, en stal.”</p> +<p>Men liet Cosette boodschappen doen, de kamers schoon maken, de +plaats, de straat schrobben, de borden wasschen en zelfs zware vrachten +dragen.</p> +<p>De Thénardier’s meenden te eerder tot deze handelwijze +gerechtigd te zijn, wijl de moeder, die steeds te M. sur M. was, +ongeregelder begon te betalen. Zij was reeds eenige maanden ten +achter.</p> +<p>Zoo deze moeder na verloop van drie jaren te Montfermeil ware +teruggekeerd, zou zij haar kind niet herkend hebben. Cosette, bij haar +komst in dat huis zoo lief en frisch, was nu mager en bleek. Zij had +iets onbeschrijfelijk schuws in haar gedrag. Gluipster, noemden haar de +Thénardier’s.</p> +<p>De onrechtvaardige behandeling welke zij onderging had haar bits, en +het lijden leelijk gemaakt. Zij had niets overgehouden dan haar schoone +oogen, die treurigheid inboezemden; want daar zij groot waren, scheen +men er zooveel te meer treurigheid in te zien.</p> +<p>’t Was hartverscheurend, wanneer men des winters het arme +meisje, dat nog geen zes jaar oud was, bibberend in haar gescheurde +katoenen lompen, vóór het licht was, met een grooten +bezem in de kleine roode handjes en met tranen in de groote oogen, de +straat zag vegen.</p> +<p>Men noemde haar in het plaatsje den leeuwerik. Het volk, dat van +beeldspraak houdt, gaf dien naam aan dit kleine schepseltje, dat schuw, +angstig en trillende als een vogel, elken ochtend het eerst in het huis +en het dorp wakker, en steeds vóór den dageraad op de +straat of op het veld was.</p> +<p>Maar de arme leeuwerik zong nooit. <span class="pagenum">[<a id="pb171" href="#pb171" name="pb171">171</a>]</span></p> +</div> +</div> +</div> +<div class="div0"> +<h2 class="label">Boek V.</h2> +<h2 class="main">Steeds dieper zinkende.</h2> +<span class="pagenum">[<a id="pb173" href="#pb173" name="pb173">173</a>]</span> +<div id="ch5.1" class="div1"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">Eerste hoofdstuk.</h2> +<h2 class="main">Geschiedenis van den vooruitgang in de fabrikage der +zwarte glaskoralen.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Wat was er intusschen geworden van deze moeder, die, +zooals de inwoners van Montfermeil zeiden, haar kind zou verlaten +hebben? Waar was zij? Wat deed zij?</p> +<p>Na haar kleine Cosette bij de Thénardier’s te hebben +achtergelaten, had zij haar voetreis voortgezet en was te M. sur M. +aangekomen.</p> +<p>’t Was, zooals men zich herinnert, in 1818.</p> +<p>Fantine had haar geboorteoord omstreeks tien jaar geleden verlaten. +M. sur M. had sinds een groote verandering ondergaan. Terwijl Fantine +langzamerhand dieper zonk, was haar geboorteplaats in bloei +toegenomen.</p> +<p>Voor twee jaren ongeveer had er een dier industriëele +omstandigheden plaats gehad, welke in kleine oorden gewichtige +gebeurtenissen zijn.</p> +<p>Deze bijzonderheid is voor ons verhaal van belang, en wij achten het +noodig, ze nader aan te duiden; wij zouden haast zeggen, er de aandacht +op te vestigen.</p> +<p>Sedert onheuglijken tijd bestond te M. sur M. de eigenaardige +industrie der namaking van het Engelsch git en der Duitsche zwarte +koralen; maar deze industrie had steeds gekwijnd, uithoofde der duurte +van de grondstoffen, die op het fabrikaat nadeelig werkte. Toen Fantine +te M. sur M. terugkwam, was een algeheele omkeering in de fabrikage der +„zwarte artikelen” ontstaan. Tegen het einde van ’t +jaar 1815 had zich een onbekend man in de stad nedergezet, en hij was +op den inval gekomen, bij deze fabrikage de harst door lak en, in +’t bijzonder voor de armbanden, de samenvoeging door dubbel +geplet, in plaats van door gesoldeerd blik te vervangen.</p> +<p>Deze zoo kleine verandering werd een revolutie.</p> +<p>Inderdaad, deze kleine verandering had in groote mate den +<span class="pagenum">[<a id="pb174" href="#pb174" name="pb174">174</a>]</span>prijs der grondstof verminderd, ’t geen in +de eerste plaats vergunde het arbeidsloon te verhoogen: een weldaad +voor het oord; ten tweede de fabrikage te verbeteren: een voordeel voor +den kooper; ten derde goedkooper te leveren en tevens driemaal meer +winst te hebben: een voordeel voor den fabrikant.</p> +<p>Ziedaar dus drie gevolgen van ééne gedachte.</p> +<p>In minder dan drie jaren was de uitvinder rijk geworden, wat goed +is; en hij had alles in zijn omgeving rijk gemaakt, wat nog beter is. +Hij was vreemd in het departement. Men wist niets van zijn afkomst; van +zijn begin weinig.</p> +<p>Men verhaalde, dat hij met zeer weinig geld in de stad was gekomen, +hoogstens met eenige honderd francs.</p> +<p>Uit dit kleine kapitaal, in den dienst gesteld van een vernuftigen +geest, vruchtbaar gemaakt door orde en overleg, was zijn fortuin en dat +van het geheele oord voortgesproten.</p> +<p>Bij zijn komst te M. sur M. had hij de kleeding, de houding en de +taal van een handwerksman.</p> +<p>Het schijnt, dat op denzelfden dag, waarop hij in de maand December +tegen het vallen van den avond, onbekend, met den ransel op den rug, +een doornstok in de hand, de kleine stad M. sur M. binnenkwam, een +geweldige brand in het gemeentehuis was uitgebroken. Deze man had zich +te midden der vlammen geworpen en met levensgevaar twee kinderen gered, +welke bleken van den kapitein der gendarmerie te zijn, hetgeen de reden +was, dat men er niet aan dacht, naar zijn pas te vragen. Men vernam +spoedig zijn naam. Hij heette „vader Madeleine.”</p> +</div> +</div> +<div id="ch5.2" class="div1"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">Tweede hoofdstuk.</h2> +<h2 class="main">Madeleine.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Hij was iemand van ongeveer vijftig jaar, met een +peinzend voorkomen en een goedhartig karakter. Meer wist men niet van +hem te zeggen.</p> +<p>Tengevolge der snelle ontwikkeling van de industrie, in welke hij +zulk een bewonderenswaardige hervorming had gebracht, was M. sur M. het +middelpunt van een groote handelsbeweging geworden. Spanje, dat veel +git gebruikt, deed er jaarlijks aanzienlijke inkoopen. M. sur M. +concurreerde bijna in dit artikel met Londen en Berlijn. De verdiensten +van Madeleine waren zoo groot, dat hij reeds in het tweede jaar een +groote fabriek kon laten bouwen, met twee groote werkplaatsen, +<span class="pagenum">[<a id="pb175" href="#pb175" name="pb175">175</a>]</span>een voor de mannen en een voor de vrouwen. Ieder +die gebrek had kon zich aanbieden en was verzekerd er werk en brood te +vinden. Vader Madeleine vorderde van de mannen slechts goeden wil, van +de vrouwen reine zeden, van allen eerlijkheid. Hij had de werkplaatsen +verdeeld, om de beide geslachten te scheiden, en opdat de vrouwen en +meisjes deugdzaam konden blijven. Op dit punt was hij +onverbiddelijk.</p> +<p>Het was het eenige, waarin hij <span class="corr" id="xd20e3838" +title="Bron: ontoegefelijk">ontoegevelijk</span> was. Hij had te meer +reden voor deze strengheid, wijl M. sur M. een garnizoensplaats, en +alzoo de gelegenheid tot verleiding te overvloediger was. Overigens was +zijn komst een weldaad geweest en zijn verblijf een zegen. +Vóór de komst van vader Madeleine was alles kwijnend in +het oord; nu leefde alles van een gezonden arbeid. Een druk verkeer +drong overal door en verspreidde een algemeene welvaart. Lediggang en +armoede waren onbekend. Geen zak was zoo leeg, of er was nog een weinig +geld in, geen woning zoo schamel, of er was nog eenige vreugde.</p> +<p>Vader Madeleine gaf iedereen werk. Hij vorderde slechts dit +ééne: wees eerlijk man! wees een eerbare vrouw!</p> +<p>Zooals gezegd is, maakte vader Madeleine fortuin te midden dezer +nijverheid, waarvan hij de oorsprong en de spil was. Zonderling echter +was ’t voor een eenvoudig industriëel, dat dit in geenen +deele zijn voornaamste zorg scheen. ’t Was alsof hij veel aan +anderen, en weinig aan zich zelven dacht. In 1820 wist men dat hij op +zijn naam een som van zeshonderddertig duizend francs bij den bankier +<span class="corr" id="xd20e3845" title="Bron: Lafitte">Laffitte</span> +had geplaatst; maar aleer hij deze som voor zich zelven vastgezet had, +had hij meer dan een millioen voor de armen en de stad uitgegeven.</p> +<p>Het gasthuis had weinig inkomsten; hij vermeerderde het op zijn +kosten met tien bedden. M. sur M. is in twee deelen verdeeld, de boven- +en de benedenstad. In de benedenstad, waar hij woonde, bestond slechts +één school, een zeer bouwvallig gebouw; hij had twee +scholen doen bouwen, een voor jongens en een voor meisjes. Uit zijn +eigen middelen verdubbelde hij het sober tractement der beide +onderwijzers, en eens zeide hij tot iemand, die zich daarover +verwonderde: „De twee voornaamste beambten van den staat zijn de +min en de schoolmeester.” Op zijn eigen kosten had hij een zaal +van toevlucht (salle d’asile)—destijds nog schier iets +onbekends in Frankrijk—en een hulpkas voor oude gebrekkige +werklieden opgericht. Zijn fabriek was het middelpunt eener nieuwe wijk +geworden, die snel een aantal arme gezinnen om hem had verzameld. Hij +had er een apotheek gevestigd, welke de armen om niet van +geneesmiddelen voorzag. <span class="pagenum">[<a id="pb176" href="#pb176" name="pb176">176</a>]</span></p> +<p>In den eersten tijd, toen men hem zag beginnen, zeiden de goede +lieden: ’t Is een snaak, die rijk wil worden.—Toen men hem +het land zag rijk maken vóór zich zelven te verrijken, +zeiden dezelfde goede lieden: ’t Is een eerzuchtige.—Dit +scheen te waarschijnlijker, wijl de man godsdienstig was, iets, dat in +dien tijd zeer gaarne gezien werd. Hij ging geregeld alle zondagen een +mis hooren. De afgevaardigde der plaats, die overal concurrenten meende +te zien, maakte zich weldra over deze godsdienstigheid zeer ongerust. +Deze afgevaardigde, voormalig lid van het Wetgevend Lichaam onder het +keizerrijk, deelde de godsdienstige denkbeelden van een pater van het +Oratorium, bekend onder den naam van Fouché, hertog van Otrante, +wiens creatuur en vriend hij geweest was. In ’t geheim spotte hij +met God. Toen hij nu echter den rijken fabrikant Madeleine te zeven +uren naar de stille mis zag gaan, vermoedde hij in hem een mogelijken +candidaat voor afgevaardigde en besloot hem te overtreffen; hij nam tot +biechtvader een Jezuïet en ging naar de hoogmis en naar de +vespers. De eerzucht was in dien tijd, in de ware beteekenis des +woords, een wedloop. Voor de armen was deze vrees overigens voordeelig, +evenals voor den lieven God, want de achtenswaardige gedeputeerde gaf +aan het gasthuis ook twee bedden; dit was dus twaalf.</p> +<p>Ondertusschen verspreidde zich in 1819 in de stad het gerucht, dat +op het voorstel van den heer prefect en uit hoofde der aan het land +bewezen diensten, vader Madeleine door den koning tot maire van M. sur +M. benoemd zou worden.</p> +<p>Degenen, die Madeleine „een eerzuchtige” hadden genoemd, +grepen met drift deze gelegenheid aan om te roepen: Nu, hebben wij +’t niet gezegd?—Geheel M. sur M. was er vol van, en het +gerucht was gegrond. Eenige dagen later verscheen de benoeming in den +<i>Moniteur</i>. Den volgenden dag bedankte vader Madeleine voor de +betrekking.</p> +<p>In hetzelfde jaar 1819 zag men de voortbrengselen van de nieuwe +wijze van fabrikage, door Madeleine uitgevonden, op de tentoonstelling +der industrie; op het rapport der jury benoemde de koning den uitvinder +tot ridder van het legioen van eer. Nieuw gebabbel in de kleine stad. +Ziet ge wel! hij wilde het kruis hebben! Vader Madeleine weigerde ook +het kruis.</p> +<p>De man was bepaald een raadsel voor de goede lieden. Dezen wilden +evenwel toch het laatste woord hebben, en zeiden: Hij is in allen +gevalle een soort van fortuinzoeker.</p> +<p>Zooals men ziet, had het oord hem veel, hadden de armen <span class="pagenum">[<a id="pb177" href="#pb177" name="pb177">177</a>]</span>hem +alles te danken; hij was zoo nuttig, dat men hem eindelijk wel moest +vereeren en hij was zoo goedhartig, dat men hem eindelijk wel beminnen +moest; in ’t bijzonder droegen zijn werklieden hem op de handen +en hij ontving deze blijken van genegenheid met een soort van +droefgeestigen ernst. Toen er geen twijfel meer bestond, dat hij rijk +was, groetten hem de lieden uit de groote wereld van M. sur M., en in +de stad noemde men hem: Mijnheer Madeleine;—zijn werklieden en de +kinderen gingen voort hem „vader Madeleine” te noemen, en +dat deed hem het vriendelijkst glimlachen. Naarmate hij hooger klom, +regende het uitnoodigingen voor hem. De „maatschappij” +eischte hem. De kleine, stijve gezelschapskringen te M. sur M., die +zich zooals vanzelf spreekt, in den eersten tijd voor den +„werkman” hadden gesloten, openden zich nu wagenwijd voor +den millionnair. Men zocht hem op duizenderlei wijzen te +trekken<span class="corr" id="xd20e3869" title="Bron: ,">.</span> Hij +weigerde.</p> +<p>Ook nu waren de goede lieden niet verlegen.—’t Is een +onbeschaafd mensch, zonder eenige opvoeding en zeker van zeer geringe +afkomst. Hij zou niet weten, hoe zich in de groote wereld te gedragen. +’t Is niet eens bewezen, dat hij lezen kan.</p> +<p>Toen men hem geld zag winnen, had men gezegd: ’t is een +koopman. Toen men hem zijn geld had zien uitstrooien, had men gezegd: +’t is een eerzuchtige. Toen men hem de eerbewijzen had zien +weigeren, zeide men: ’t is een gelukzoeker. Toen men hem de +uitnoodigingen der gezelschapskringen zag afwijzen, zeide men: ’t +is een onbeschaafd mensch.</p> +<p>Vijf jaren na zijn komst te M. sur M., in 1820, waren de diensten, +welke hij het land had bewezen, zoo uitstekend en in ’t +oogvallend, en de wensch van het geheele oord was zoo eenparig, dat de +koning hem opnieuw tot maire der stad benoemde. Hij bedankte nogmaals, +maar de prefect nam zijn weigering niet aan; al de aanzienlijken kwamen +hem verzoeken, de benoeming aan te nemen, het volk bad hem dit openlijk +op de straat, kortom de aandrang was zoo sterk, dat hij eindelijk +toegaf. ’t Scheen, dat hij hiertoe voornamelijk gedreven was door +de woorden eener oude vrouw uit het volk, die voor haar deur staande, +schier verstoord tot hem had geroepen: „een goed maire is een +zegen. Mag men dus weigeren goed te doen, wanneer men kan?”</p> +<p>Dit was de derde trap zijner verheffing, Vader Madeleine was +mijnheer Madeleine geworden; mijnheer Madeleine werd mijnheer de maire. +<span class="pagenum">[<a id="pb178" href="#pb178" name="pb178">178</a>]</span></p> +</div> +</div> +<div id="ch5.3" class="div1"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">Derde hoofdstuk.</h2> +<h2 class="main">De gelden bij Laffitte.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Madeleine was overigens even eenvoudig gebleven als +hij den eersten dag was. Hij had grijs haar, een ernstigen blik, de +bruine kleur van den arbeider, het denkend gelaat van een wijsgeer. +Gewoonlijk droeg hij een hoed met breeden rand en een lange jas van +grof laken, die tot aan de kin was dichtgeknoopt. Hij vervulde zijn +plichten als maire, maar leefde overigens stil. Hij verkeerde met +weinig menschen; onttrok zich aan plichtplegingen, groette beleefd, +verwijderde zich haastig, glimlachte, om zich van ’t spreken te +verschoonen, en gaf, om zich van ’t glimlachen te verschoonen. De +vrouwen noemden hem een goeden beer. ’t Was zijn vermaak, buiten +in de vrije natuur te wandelen.</p> +<p>Steeds at hij alleen, met een geopend boek voor zich, waarin hij +las. Hij bezat een kleine, uitgezochte bibliotheek. Hij hield veel van +boeken; boeken zijn koele, maar trouwe vrienden. Naarmate hij met de +toenemende fortuin meer vrijen tijd kreeg, scheen hij dien te besteden +aan de beschaving van zijn geest. Sinds hij te M. sur M. was, had men +opgemerkt, dat zijn taal jaarlijks beschaafder en zuiverder werd.</p> +<p>Gaarne nam hij op zijn wandelingen een geweer mede, doch hij +bediende er zich zelden van. Gebeurde hem dit bij toeval, dan was zijn +schot ontzettend juist. Nooit doodde hij een weerloos dier. Nooit +schoot hij een vogeltje.</p> +<p>Hoewel niet jong meer, moest hij, naar men zei, verbazend sterk +wezen. Hij bood de behulpzame hand aan wie ze behoefde, richtte een +paard op, hielp een in ’t slijk gezonken wiel weer terecht, hield +een weggeloopen stier bij de hoorns vast. Zijn zakken waren steeds vol +kleine munt, als hij uitging; en ledig als hij terugkwam. Zoo hij een +dorp doorging, liepen de kleine kinderen hem vroolijk na, en omringden +hem als een zwerm muggen.</p> +<p>Men meende te mogen opmaken, dat hij vroeger buiten op het land had +geleefd, want hij wist allerlei nuttige geheimen, waarmede hij de +boeren bekend maakte. Hij leerde hun den koornworm verdelgen, door het +besprenkelen van den vloer en het bevochtigen der reten in de planken +met een oplossing van gewoon keukenzout, en de kalander te verjagen +door aan de muren en daken, in de schuren en pakhuizen bloeiende varens +te hangen. „Hij had recepten” om den zwarten <span class="pagenum">[<a id="pb179" href="#pb179" name="pb179">179</a>]</span>komijn, den brand in ’t koren, de wikke, +den vossestaart en alle ander onkruid, dat het koorn benadeelt, uit te +roeien.</p> +<p>Op zekeren dag zag hij eenige landlieden ijverig bezig met onkruid +uit te roeien; den hoop uitgetrokken en reeds verdroogde planten +aanschouwende, zeide hij:—’t is dood. ’t Zou echter +waarde hebben, zoo men ’t nuttig wist aan te wenden. De bladeren +van de jonge brandnetel zijn een heerlijke groente; ouder geworden +heeft zij stengels en vezelen, gelijk die van de hennep en het vlas. +Het linnen van brandnetels is even goed als dat van hennep. Fijn gehakt +is de brandnetel een goede spijs voor het gevogelte; gestampt, is zij +goed voor het hoornvee. Het zaad van de brandnetels onder het voeder +gemengd maakt de huid van het vee zacht en glanzig, de wortel met zout +vermengd geeft een fraaie, gele kleur. ’t Is overigens een +uitmuntend hooi, dat tweemaal gemaaid kan worden. En wat heeft de netel +noodig? Weinig grond, geen zorg of opkweeking, alleen valt het zaad +uit, naarmate de plant rijp wordt, en is moeielijk in te zamelen. Dit +is het eenige bezwaar: zoo men zich eenige moeite gaf, zou de netel +zeer nuttig zijn; maar wijl men ze veronachtzaamt, wordt zij +schadelijk, en men doodt ze. Hoevele menschen gelijken de +netel!—Na eenig zwijgen voegde hij er bij: Onthoudt dit wel, +vrienden, er zijn evenmin slechte kruiden als er slechte menschen zijn. +Er zijn alleen slechte kweekers en verzorgers.</p> +<p>Ook de kinderen beminden hem, wijl hij zeer fraaie dingen van stroo +en notenschalen kon maken.</p> +<p>Wanneer hij de deur eener kerk met zwart bekleed zag, trad hij +binnen; hij was even gaarne bij een begrafenis als anderen op een +doopmaal. Tot de verlatenheid en het ongeluk van anderen voelde hij +zich door zijn teerhartigheid aangetrokken; hij mengde zich onder de +treurende vrienden, onder de rouwende verwanten, onder de priesters +biddende om een doodkist. Hij scheen gaarne zijn gedachten bezig te +houden met de treurgezangen, die op een andere wereld wezen. De oogen +hemelwaarts, luisterde hij, met een soort van verzuchting, naar die +geheimen van het oneindige, naar de treurige stemmen, welke op den rand +van den donkeren afgrond des doods zingen.</p> +<p>Hij verrichtte een menigte goede werken in ’t verborgen, +gelijk anderen zich verbergen voor de slechte. Heimelijk vervoegde hij +zich ’s avonds in de huizen en sloop de trap op. Meermalen vond +een arme drommel bij zijn thuiskomst, dat de deur van zijn +vlieringkamertje in zijn afwezendheid geopend, <span class="pagenum">[<a id="pb180" href="#pb180" name="pb180">180</a>]</span>ja +soms met geweld, geopend was geworden. Hij meende, dat een boosdoener +het gedaan had! Hij ging binnen, en ’t eerste wat hij zag, was +een achtergelaten goudstuk op een of ander meubelstuk. De +„boosdoener” was vader Madeleine geweest.</p> +<p>Hij was vriendelijk, maar droefgeestig. Het volk zeide: Hij is rijk, +maar niet trotsch. Hij is gelukkig, maar schijnt niet vergenoegd.</p> +<p>Sommigen meenden, dat er iets geheimzinnigs aan en in hem was en +beweerden, dat niemand zijn kamer mocht binnengaan, die een ware +kluizenaarscel was, met gevleugelde zandloopers, met gekruiste +beenderen en doodshoofden. Dit werd zoo algemeen verhaald, dat een paar +jonge, schalksche dametjes uit de groote wereld van M. sur M. hem op +zekeren keer bezochten en vroegen: „Mijnheer de maire, laat ons +toch ook uw kamer eens zien. Men zegt, dat het een grot is.” Hij +glimlachte, en geleidde ze terstond naar deze „grot.” Zij +werden voor haar nieuwsgierigheid naar verdienste gestraft. ’t +Was een kamer met gewone mahoniehouten meubels en met gewoon papier +behangen. Niets merkwaardigs viel haar in ’t oog, dan een paar +ouderwetsche kandelaars, die op den schoorsteen stonden en van zilver +schenen te zijn, „want er stond een keur op.” Een +aanmerking, die volkomen den geest van kleine steden aanduidt.</p> +<p>Desniettemin bleef men hardvochtig zeggen, dat niemand deze kamer +mocht binnengaan en ’t een kluizenaarsgrot, een spelonk, een hol, +een graf was.</p> +<p>Men fluisterde ook, dat hij „onnoemelijke” schatten bij +Laffitte had belegd, en voegde er de bijzonderheid bij, dat zij steeds +onmiddellijk te zijner beschikking waren, en hij slechts bij Laffitte +behoefde te gaan en een kwitantie te teekenen om in tien minuten twee +of drie millioen mede te nemen. Deze twee of drie millioen bepaalden +zich inderdaad, zooals wij reeds gezegd hebben, tot zeshonderd dertig +of veertig duizend francs.</p> +</div> +</div> +<div id="ch5.4" class="div1"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">Vierde hoofdstuk.</h2> +<h2 class="main">De heer Madeleine in rouw.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">In ’t begin van ’t jaar 1821 berichtten de +dagbladen den dood van den heer Myriel, bisschop van D., +„bijgenaamd Monseigneur Bienvenu,” in den ouderdom van +twee-en-tachtig jaren en in den reuk van heiligheid overleden. +<span class="pagenum">[<a id="pb181" href="#pb181" name="pb181">181</a>]</span></p> +<p>De bisschop van D.—om hier een bijzonderheid bij te voegen, +waarvan de dagbladen niet gewaagden, was, toen hij stierf, sedert +verscheidene jaren blind, en met zijn blindheid tevreden, wijl hij zijn +zuster bij zich had.</p> +<p>Blind en bemind te zijn, wij zeggen dit in ’t voorbijgaan, is +op deze aarde, waar niets volmaakt is, inderdaad een der uitgezochtste +en edelste vormen van het geluk. Gestadig aan zijn zijde een gade, een +dochter, een zuster, een vrouwelijk wezen te hebben, dat daar is, omdat +gij haar noodig hebt en zij u niet kan ontberen; te weten, dat men +onmisbaar is voor degene die wij noodig hebben; onophoudelijk haar +liefde te kunnen afmeten naar den duur harer tegenwoordigheid bij ons, +en te kunnen zeggen: dewijl zij al haar tijd aan mij wijdt, moet ik wel +haar geheele hart bezitten; haar gedachten te aanschouwen in de plaats +van haar lichaam; de trouw van zulk een wezen door haar verzaking van +de wereld bevestigd te zien, het geritsel van kleederen te vernemen, +als het klapwieken van vleugelen; haar heen en weder, in en uit te +hooren gaan, haar te hooren spreken en zingen, en te denken, dat men +het middelpunt dier stappen, dier woorden, van dien zang is; ieder +oogenblik zijn eigen aantrekkingskracht uit te oefenen, en zich sterker +te gevoelen naargelang men gebrekkiger is; in de duisternis en door de +duisternis de ster te zijn, om welke zich zulk een engel +beweegt—weinige zaligheden, die deze evenaren. Het hoogste geluk +des levens is de overtuiging, bemind te zijn, om zich zelven bemind te +zijn, of laat ons liever zeggen, ondanks zich zelven bemind te zijn. +Deze overtuiging heeft de blinde. In zulk een ramp bediend te worden, +is geliefkoosd te worden. Ontbreekt den blinde iets? Neen. Wie de +liefde bezit, heeft het licht niet verloren. En welk een liefde? Een +liefde, die geheel uit deugd bestaat. Er is geen blindheid, waar +zekerheid is. De ziel zoekt tastend de ziel en vindt haar. En de +gevondene en beproefde ziel is een vrouw. De hand die u steunt, is de +hare; een mond raakt uw voorhoofd aan, ’t is haar mond; ge hoort +een adem in uw nabijheid, ’t is de hare. Alles van haar te +hebben, van haar vereering af tot haar medelijden toe; nooit verlaten +te worden; deze teedere zwakheid te bezitten, die u helpt; op dat +onwrikbaar riet te steunen; met de handen de Voorzienigheid aan te +raken en ze in de armen te kunnen nemen; de tastbare +godheid!—welk een verrukking! Het hart, deze onbekende hemelsche +bloem, komt tot een geheimzinnige ontluiking. Men zou deze duisternis +niet voor de grootste helderheid willen geven! De engelenziel is er, +gestadig is zij er; zoo zij zich verwijdert, is ’t om weder te +keeren; zij verdwijnt als de droom, <span class="pagenum">[<a id="pb182" href="#pb182" name="pb182">182</a>]</span>en verschijnt weder +als de werkelijkheid. Men voelt warmte naderen, zij is ’t. Het +hart vloeit over van helderheid, blijdschap en verrukking; ’t is +als een schittering in den nacht. En die duizend kleine zorgen en +oplettendheden! Kleinigheden, die in deze ledigheid van onmetelijke +grootte zijn. De teederste, zachtste klanken der vrouwelijke stem, +dienende om den blinde te wiegen en de voor hem verdwenen wereld +vervangende. Hij wordt door de ziel geliefkoosd. Hij ziet niets, maar +gevoelt zich bemind. ’t Is een paradijs in de duisternis.</p> +<p>’t Was uit dit paradijs, dat Monseigneur Bienvenu tot het +andere was overgegaan.</p> +<p>Het bericht van zijn dood werd door het stedelijk blad van M. sur M. +medegedeeld. Mijnheer Madeleine verscheen den anderen dag geheel in +’t zwart, met een rouwfloers om zijn hoed.</p> +<p>Deze rouw werd in de stad opgemerkt en er werd over gepraat. Ze +scheen een lichtstraal omtrent de afkomst van mijnheer Madeleine. Men +leidde er uit af, dat hij met den eerbiedwaardigen bisschop in eenigen +graad verwant was. „Hij rouwt over den bisschop van D.,” +zeide men in de gezelschappen; dit verhief mijnheer Madeleine niet +weinig en schonk hem eensklaps een zeker aanzien in de aristocratische +wereld te M. sur M. De microscopische voorstad Saint-Germain van het +stadje dacht er aan, mijnheer Madeleine in haar kringen op te nemen, +daar hij waarschijnlijk de bloedverwant van een bisschop was. Mijnheer +Madeleine bespeurde zijn verheffing in de openbare opinie aan de dieper +buigingen der oude dames en aan de vriendelijker glimlachjes der +jongere. Op zekeren avond waagde een dame uit deze kleine groote +wereld, hem te vragen: „Mijnheer de maire is waarschijnlijk een +neef van wijlen den bisschop van D.?”</p> +<p>„Neen, mevrouw,” was het antwoord.</p> +<p>„Maar,” hernam de oude dame, „u rouwt toch over +hem?”</p> +<p>Hij antwoordde:—”’t Is, omdat ik in mijn jeugd als +lakei in zijn familie gediend heb.”</p> +<p>Nog één opmerking werd gemaakt, namelijk, dat telkens, +wanneer een kleine zwervende savoyaard in de stad kwam om schoorsteenen +te vegen, mijnheer de maire hem bij zich liet roepen, hem naar zijn +naam vroeg en hem geld gaf. De kleine savoyaards zeiden dit aan +elkander, en er kwamen er velen in de stad. <span class="pagenum">[<a id="pb183" href="#pb183" name="pb183">183</a>]</span></p> +</div> +</div> +<div id="ch5.5" class="div1"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">Vijfde hoofdstuk.</h2> +<h2 class="main">Flikkeringen aan den horizon.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Allengs en met der tijd was elke oppositie verdwenen. +In den beginne hadden zich allerlei boosaardigheden en lasterlijke +praatjes tegen den heer Madeleine verheven—een soort van +algemeene wet tegen al wat in de hoogte komt—vervolgens waren +’t slechts schimpscheuten en spotternij, tot eindelijk alles +ophield; de eerbied werd algemeen, eenparig, hartelijk, en het +oogenblik kwam, omstreeks 1821, dat het woord: „mijnheer de +Maire” te M. sur M. bijna op denzelfden toon werd gesproken, als +in 1815 het woord „Monseigneur de bisschop” te D. Men kwam +tien uren ver uit den omtrek om mijnheer Madeleine te raadplegen. Hij +besliste de geschillen, voorkwam processen, verzoende vijanden. Ieder +koos hem tot scheidsrechter in zijn zaak. Het was, alsof zijn hart het +natuurlijk wetboek was. De achting, welke men hem toedroeg, scheen +aanstekelijk; want in zes of zeven jaren was die allengskens op het +geheele oord overgegaan.</p> +<p>Slechts een enkel mensch in de stad en het arrondissement onttrok +zich geheel aan die vereering, en vader Madeleine mocht doen wat hij +wilde, deze man was weerspannig, alsof een soort van onverwinnelijk en +onverzetbaar instinct hem bezielde en verontrustte. ’t Is, alsof +sommige menschen een wezenlijk dierlijk instinct bezitten, zuiver en +onbedorven als ieder instinct, dat sympathie en afkeer schept, vaak op +jammerlijke wijze het eene karakter van het andere scheidt, dat nooit +aarzelt, nooit zwijgt en zich nooit verloochent, dat helder in zijn +duisternis ziet, dat onbeperkt heerschend, weerspannig tegen alle +vermaningen van het verstand en de lessen der rede is, en dat, in +welken vorm de omstandigheden zich ook voordoen, heimelijk den +mensch-hond voor de tegenwoordigheid van de mensch-kat waarschuwt, en +den mensch-vos voor den mensch-leeuw.</p> +<p>Vaak gebeurde het, dat, wanneer de heer Madeleine rustig, +vriendelijk over de straat ging, begroet door de zegenwenschen van +allen, een man van hooge gestalte, gekleed in een ijzerkleurige grijze +jas, met een dikken stok in de hand en een neergedrukten hoed op het +hoofd, zich plotseling achter hem omkeerde en hem naoogde tot hij +verdwenen was, de armen over elkander sloeg, langzaam het hoofd schudde +en de bovenlip met de onderlip tot aan den neus optrok; een +veelbeteekenend <span class="pagenum">[<a id="pb184" href="#pb184" name="pb184">184</a>]</span>gebaar, dat zooveel te verstaan gaf +als:—Wie is toch deze man?—Ik heb hem stellig ergens +gezien.—In allen gevalle, hij zal mij niet misleiden.</p> +<p>Deze persoon, van een schier dreigende strengheid, behoorde tot +dezulken, die, zelfs slechts vluchtig gezien, lang in ’t geheugen +blijven.</p> +<p>Hij heette Javert en behoorde tot de politie.</p> +<p>Te M. sur M. vervulde hij de moeielijke, maar nuttige functie van +inspecteur van politie. Hij had den aanvang van Madeleine niet gezien. +Javert had den post, dien hij bekleedde, te danken aan den heer +Chabouillet, den secretaris van den minister van staat Anglès, +die destijds prefect van politie te Parijs was.</p> +<p>Toen Javert te M. sur M. kwam, had de groote fabrikant zijn fortuin +reeds gemaakt, en <i>vader</i> Madeleine was <i>mijnheer</i> Madeleine +geworden.</p> +<p>Sommige politiebeambten hebben een eigenaardige physionomie, +samengesteld uit gemeenheid en heerschzucht. Javert had zulk een +gezicht, behalve de gemeenheid.</p> +<p>Wij zijn overtuigd dat, zoo de zielen voor het oog zichtbaar waren, +men duidelijk het zonderling verschijnsel zou zien, dat ieder individu +van het menschelijk geslacht met een of andere diersoort overeenkomt; +en men zou zich gemakkelijk van de nauwelijks door den denker vermoede +waarheid kunnen overtuigen, dat van de oester tot den arend, van het +zwijn tot den tijger, alle dieren in den mensch zijn, en ieder hunner +in een mensch is. Soms zelfs verscheidene tegelijkertijd.</p> +<p>De dieren zijn niet anders dan de beelden onzer deugden en +ondeugden, die voor onze oogen zweven, de zichtbare beelden onzer +zielen. God toont ze ons, om ons tot nadenken te brengen. Maar, +aangezien de dieren slechts schimmen zijn, heeft God ze niet, in den +volsten zin des woords, geschikt voor de opvoeding gemaakt: wat zou het +baten? Dewijl nu onze zielen integendeel iets werkelijks zijn en een +eigenaardig doel hebben, heeft God haar het verstand gegeven, dat wil +zeggen, de geschiktheid tot opvoeding. De maatschappelijke opvoeding, +wanneer zij goed bestuurd is, kan altijd uit elke ziel, hoedanig die +ook zij, de nuttigheid trekken, welke zij bevat.</p> +<p>Dit is, men versta ons wel, enkel gezegd uit het begrensde +gezichtspunt van het waarneembare aardsche leven, zonder het +diepzinnige vraagstuk der vroegere of latere persoonlijkheid der +wezens, die niet mensch zijn, aan te roeren.</p> +<p>Het zichtbare <span class="sc">IK</span> machtigt in geenen deele +den denker, het verborgen <span class="sc">IK</span> te loochenen. Na +deze opmerking gaan wij verder.</p> +<p>Zoo men ons nu voor een oogenblik toegeeft, dat zich in <span class="pagenum">[<a id="pb185" href="#pb185" name="pb185">185</a>]</span>ieder mensch een diersoort der schepping +bevindt, zal ’t ons gemakkelijk zijn te zeggen, wat de +politiebeambte Javert was.</p> +<p>De boeren in Asturië zijn in de vaste overtuiging, dat telkens +wanneer een wolvin werpt er een hond onder haar welpen is, die door de +moeder wordt gedood, wijl hij anders, wanneer hij grooter werd, de +andere kleinen zou verscheuren.</p> +<p>Geef een menschelijk gezicht aan dien hond, ’t jong eener +wolvin, en men zal Javert hebben.</p> +<p>Javert was in een gevangenis geboren, van eene kaartlegster, wier +man in de galeien was. Toen hij grooter werd, dacht hij uit de +maatschappij te zijn gesloten, en wanhoopte er ooit in terug te keeren. +Hij maakte de opmerking, dat de maatschappij onverbiddelijk twee +klassen van menschen uitsloot: hen die haar aanranden en hen die haar +bewaken; hij had geen andere keuze dan tusschen deze beide klassen; +tevens had hij een zeker gevoel van strengheid, orde en eerlijkheid, +gepaard aan een onuitsprekelijken haat tegen dat ras van vagebonden, +waartoe hij behoorde. Hij ging in dienst der politie, en kwam er +vooruit. In zijn jeugd was hij in de bagno’s van het zuiden +geplaatst geweest.</p> +<p>Voor wij verder gaan, willen wij eene andere verklaring geven van +het menschelijk gezicht, dat wij zoo aanstonds aan Javert +toekenden.</p> +<p>Het menschengezicht van Javert bestond uit een stompen neus, met +twee diepe neusgaten, welke op beide wangen zware bakkebaarden +aanraakten. ’t Was een onbehaaglijke gewaarwording, wanneer men +voor het eerst deze twee wouden en die twee holen zag. Wanneer Javert +glimlachte, ’t geen zeldzaam en afschuwelijk was, scheidden zich +zijn dunne lippen, en lieten niet alleen zijn tanden maar ook het +tandvleesch zien; en om zijn neus ontstond een woeste dikke plooi, als +op den muil van een wild dier. Met een ernstig gelaat was Javert een +dog; glimlachend was hij een tijger. Overigens was zijn schedel laag, +zijn kaken waren breed; zijn haar bedekte het voorhoofd en hing op de +wenkbrauwen; tusschen de oogen lag voortdurend een rimpel, als een +onheilspellende ster; zijn blik was somber, zijn mond dichtgenepen en +vreeselijk, zijn geheel voorkomen gaf woeste zucht om te bevelen te +kennen.</p> +<p>Deze man was samengesteld uit twee zeer eenvoudige en betrekkelijk +goede eigenschappen, welke hij echter door ze te overdrijven, schier +slecht maakte; den eerbied voor het gezag, den haat tegen wederstand. +In zijn oog waren diefstal, moord, ja alle misdaden, slechts +verschillende vormen van wederspannigheid. Hij omvatte met een soort +van blinden en diepen <span class="pagenum">[<a id="pb186" href="#pb186" name="pb186">186</a>]</span>eerbied allen, die eenig ambt in +den staat bekleedden, van den eersten minister tot den minsten +veldwachter. Hij zag met diepe verachting en afschuw neer op alles wat +eenmaal den wettelijken drempel van het kwade had betreden. Hij was +hierin onverzettelijk, en duldde geen uitzonderingen. Aan den eenen +kant zeide hij:—de beambte kan zich niet bedriegen; de rechter +heeft nooit ongelijk.—Aan den anderen kant: Dezen zijn +onherstelbaar verloren. Er kan niets goeds van komen.—Hij deelde +volkomen het denkbeeld derzulken, die, in hun overdrijving, aan de +menschelijke wet de macht toekennen om duivelen te maken, of, zoo men +wil, iemand voor zoodanig te doen houden, en die aan den benedensten +rand der maatschappij een Styx plaatsen. Hij was ongevoelig, ernstig, +streng; een treurig denker; nederig en trotsch als een geestdrijver. +Zijn blik was als een boor, koud en doordringend. Zijn geheel leven was +in deze twee woorden besloten: waken en bewaken. Hij had de rechte lijn +gebracht in het kromste wat ter wereld is; hij hield zich zelven +overtuigd, van zijn noodzakelijkheid, van de nuttigheid van zijn ambt, +en was <i>spion</i> gelijk een ander <i>priester</i> is. Wee hem die in +zijn handen viel! Hij zou zijn vader hebben gevangengenomen, zoo die +uit het tuchthuis had willen vluchten, en zijn moeder zou hij hebben +aangeklaagd, zoo zij haar ban verbroken had. En hij zou ’t gedaan +hebben met die inwendige zelfvoldoening, welke de deugd geeft. Daarbij +leefde hij in ontbering, afzondering, zelfverloochening en kuischheid, +en gaf zich nooit aan eenige uitspanning over. Hij was de onwrikbare +plicht, de politie opgevat in denzelfden zin, als de Spartanen Sparta +opvatteden een onmeedoogende bespieding, een ruwe eerlijkheid, een +marmeren spion, Brutus in Vidocq.</p> +<p>De geheele persoon van Javert had de uitdrukking van een mensch, die +bespiedt en zich verbergt. De mystieke school van Joseph de Maistre, +welke in dien tijd de zoogenaamde ultra-bladen met verheven cosmogonie +kruidde, zou niet geaarzeld hebben, Javert een symbool te noemen. Men +zag zijn voorhoofd niet, dat onder zijn hoed verdween; men zag zijn +oogen niet, die onder zijn wenkbrauwen verscholen waren; men zag zijn +kin niet, die in zijn das was gedoken; men zag zijn handen niet, die in +de mouwen teruggetrokken waren; men zag zelfs zijn stok niet, dien hij +onder zijn jas droeg. Maar kwam de gelegenheid voor, dan zag men +eensklaps uit deze gedaante, als uit een hinderlaag, een hoekig, smal +hoofd, een heilloozen blik, een dreigende kin, groote handen en een +geduchten rotting te voorschijn komen.</p> +<p>In zijn vrije oogenblikken, die zeer zeldzaam waren, las hij, +<span class="pagenum">[<a id="pb187" href="#pb187" name="pb187">187</a>]</span>hoewel hij de boeken haatte; hij was alzoo niet +geheel ongeletterd. Men erkende dit aan eenige pedanterie in zijn +woorden.</p> +<p>Wij hebben gezegd, dat hij geen enkele ondeugd had. Was hij zeer +tevreden met zich zelven, dan veroorloofde hij zich een snuifje te +nemen. Hierdoor bezat hij nog eenige gemeenschap met de menschheid.</p> +<p>Dat Javert de schrik was dier klasse, welke jaarlijks op de staten +van den minister van justitie onder de rubriek van: „Lieden +zonder bepaald verblijf” wordt aangeduid, is licht te +begrijpen.</p> +<p>Reeds de naam van Javert joeg hen op de vlucht; en Javerts gezicht +deed hen als verstijven.</p> +<p>Zoodanig was deze vreeselijke man.</p> +<p>Javert was als een oog, dat onophoudelijk op den heer Madeleine was +gericht. Een oog vol achterdocht en vermoedens. Eindelijk werd de heer +Madeleine hierop opmerkzaam, doch ’t scheen hem onverschillig. +Hij vroeg zelfs Javert niets, en zocht noch ontweek hem; hij verdroeg, +zonder dat hij er op scheen te letten, diens hinderlijken en schier +drukkenden blik. Hij behandelde Javert gelijk iedereen, ongedwongen en +met goedheid.</p> +<p>Uit eenige woorden, welke Javert ontglipt waren, bleek het, dat hij +heimelijk, met die nieuwsgierigheid welke dit menschenras eigen is, en +waarin evenveel instinct als wilskracht ligt, getracht had, al de +sporen, welke vader Madeleine elders vroeger had kunnen achterlaten, te +ontdekken. Hij scheen te weten, en zeide vaak bedektelijk, dat iemand +zekere inlichtingen had verkregen in een zeker gewest nopens een zekere +verdwenen familie. Eens zeide hij, tot zich zelven sprekende:—Ik +geloof, dat ik er achter ben!—Toen bleef hij drie dagen peinzen, +zonder een woord te spreken. Het schijnt dat de draad, dien hij meende +in handen te hebben, was gebroken.</p> +<p>Overigens—en dit tot noodzakelijke verklaring van den zin, +dien zekere woorden al te bepaald konden aangeven—in een +menschelijk wezen kan niets wezenlijk onfeilbaars zijn, en het +eigenaardige van het instinct is juist, dat het zich vergissen en op +een dwaalweg gebracht kan worden. Anders zou het instinct het verstand +overtreffen, en het dier een beter licht hebben dan de mensch.</p> +<p>Javert gevoelde zich blijkbaar een weinig van zijn stuk gebracht +door de volkomene gerustheid en natuurlijkheid van den heer +Madeleine.</p> +<p>Op zekeren dag evenwel scheen zijn zonderlinge handelwijze op den +heer Madeleine eenigen indruk te maken, en wel bij de volgende +gelegenheid. <span class="pagenum">[<a id="pb188" href="#pb188" name="pb188">188</a>]</span></p> +</div> +</div> +<div id="ch5.6" class="div1"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">Zesde hoofdstuk.</h2> +<h2 class="main">Vader Fauchelevent.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Op zekeren ochtend ging mijnheer Madeleine te M. sur +M. door een kleine, ongeplaveide straat: hij hoorde rumoer en zag op +eenigen afstand een groep menschen. Hij ging er heen. Een oude man, +Fauchelevent geheeten, lag onder zijn kar, waarvan het paard gevallen +was.</p> +<p>Deze Fauchelevent behoorde tot de weinige vijanden, welke de heer +Madeleine te dien tijde nog had. Toen Madeleine in het oord was +gekomen, dreef Fauchelevent, een voormalig ambtsschrijver en een min of +meer geletterde boer, een handel, die achteruit begon te gaan. +Fauchelevent zag den eenvoudigen werkman rijk worden, terwijl hij, een +baas, armer en armer werd. Dit had hem met afgunst vervuld, en hij deed +bij iedere gelegenheid al het mogelijke om Madeleine te benadeelen. +Toen hij eindelijk bankroet ging en niets meer bezat dan een kar en een +paard, werd hij op zijn ouden dag, om te kunnen leven, voerman. Vrouw +of kinderen had hij niet.</p> +<p>Het paard had twee pooten gebroken en kon niet weer opstaan. De oude +man lag tusschen de wielen en was zoo ongelukkig gevallen, dat de +gansche kar op zijn borst drukte. De kar was vrij zwaar geladen. De +oude Fauchelevent jammerde erbarmelijk. Men had gepoogd, hem er onder +uit te halen, maar vruchteloos. Een onvoorzichtige krachtsinspanning, +een onhandigheid, een verkeerde beweging kon hem het leven kosten. +’t Was niet mogelijk hem te bevrijden, dan door het voertuig van +onder op te heffen. Javert, die op ’t oogenblik van ’t +ongeluk daar ter plaatse was, had een windas doen halen.</p> +<p>Toen mijnheer Madeleine naderde, ging men eerbiedig voor hem ter +zijde.</p> +<p>„Help!” riep de oude Fauchelevent. „Wie is zoo +goed den ouden man te helpen?”</p> +<p>De heer Madeleine wendde zich tot de omstanders en vroeg:</p> +<p>„Heeft iemand een windas?”</p> +<p>„Men haalt er een,” antwoordde een boer.</p> +<p>„Zal ’t lang duren, eer men ’t heeft?”</p> +<p>„Men is naar den naasten smid gegaan; maar er zal wel een +kwartier uurs meê heengaan.<span class="corr" id="xd20e4067" +title="Niet in bron">”</span> <span class="pagenum">[<a id="pb189" href="#pb189" name="pb189">189</a>]</span></p> +<p>„Een kwartier uurs!” riep Madeleine. Het had den vorigen +dag geregend, de grond was doorweekt; de kar zonk er ieder oogenblik +dieper in en drukte zwaarder en zwaarder op den ouden voerman.</p> +<p>’t Was duidelijk, dat binnen vijf minuten zijn ribben zouden +gebroken zijn.</p> +<p>„’t Is onmogelijk een kwartier uurs te wachten,” +zei Madeleine tot de omstanders.</p> +<p>„Het kan niet anders!”</p> +<p>„Maar dan zal het te laat zijn. Ziet ge niet, dat de kar +steeds dieper zinkt?”</p> +<p>„Inderdaad!”</p> +<p>„Luistert,” hernam Madeleine, „er is nog ruimte +genoeg voor een man om onder de kar te kruipen en ze met zijn rug op te +lichten. In een halve minuut zal de arme man er onder uitgehaald zijn. +Is er iemand die kracht en moed heeft? Er zijn vijf louis d’or te +verdienen.”</p> +<p>Niemand bewoog zich.</p> +<p>„Tien louis,” zei Madeleine.</p> +<p>De omstanders sloegen de oogen neder. Een mompelde er:—Men zou +wel drommels sterk moeten zijn. En daarbij loopt men gevaar verplet te +worden.</p> +<p>„Nu! twintig louis d’or?” hernam Madeleine.</p> +<p>Hetzelfde zwijgen.</p> +<p>„’t Ontbreekt hun niet aan goeden wil,” zei een +stem.</p> +<p>Mijnheer Madeleine keerde zich om en herkende Javert, dien hij nog +niet gezien had.</p> +<p>Javert vervolgde:</p> +<p>„Maar aan de kracht. Men moet wel een schrikkelijk sterk man +zijn, om met den rug zulk een kar op te lichten.”</p> +<p>Hij staarde den heer Madeleine nu strak aan, en op ieder zijner +woorden drukkende, zeide hij:</p> +<p>„Ik heb van mijn leven slechts één man gekend, +mijnheer Madeleine, die in staat was te doen wat gij meent.”</p> +<p>Madeleine ontroerde.</p> +<p>Javert voer op onverschilligen toon voort, doch zonder de oogen van +Madeleine af te wenden:</p> +<p>„’t Was een galeislaaf.”</p> +<p>„Zoo!” zei Madeleine.</p> +<p>„In het bagno van Toulon.”</p> +<p>Madeleine verbleekte.</p> +<p>Ondertusschen zonk de kar langzaam dieper en dieper. De oude +Fauchelevent kermde en huilde:</p> +<p>„Ik stik! Mijn ribben breken! Een windas! ’t Een of +’t ander! Ach!” <span class="pagenum">[<a id="pb190" href="#pb190" name="pb190">190</a>]</span></p> +<p>Madeleine zag nogmaals om zich en zeide:</p> +<p>„Is er dan niemand die twintig louis d’or wil verdienen +en het leven van dien armen ouden man redden?”</p> +<p>Geen der aanwezenden bewoog zich. Javert herhaalde:</p> +<p>„Ik heb maar één mensch gekend die een windas +kon vervangen. ’t Was deze galeislaaf.”</p> +<p>„Ach! ik word verplet!” schreeuwde de grijsaard.</p> +<p>Madeleine richtte het hoofd op, zag den valkenblik van Javert steeds +op zich gevestigd, zag de boeren aan, die zich niet verroerden en +glimlachte treurig. Zonder een woord te spreken, zonk hij toen op de +knieën en zelfs vóór de omstanders een kreet hadden +kunnen uiten, was hij onder de kar.</p> +<p>Er ontstond een vreeselijk oogenblik van verwachting en stilte.</p> +<p>Men zag Madeleine schier plat op den buik onder den vreeselijken +last tweemaal tevergeefs beproeven zijn knieën dichter tot zijn +ellebogen te brengen. Men riep hem toe:—<span class="corr" id="xd20e4143" title="Niet in bron">„</span>Vader Madeleine! kom er +onder uit.<span class="corr" id="xd20e4146" title="Niet in bron">”</span>—Zelfs de oude Fauchelevent +zeide:—<span class="corr" id="xd20e4149" title="Niet in bron">„</span>Ga heen, mijnheer Madeleine. Gij ziet wel, +dat ik moet sterven. Verlaat mij! Gij zult u ook laten +verpletten!<span class="corr" id="xd20e4152" title="Niet in bron">”</span>—Madeleine antwoordde niet.</p> +<p>De aanwezenden ademden nauwelijks. De wielen waren dieper gezonken +en ’t was reeds bijna onmogelijk voor Madeleine geworden van +onder het voertuig weg te komen.</p> +<p>Eensklaps zag men het zware gevaarte wiegelen, langzaam verhief zich +de kar, de wielen kwamen ten halve uit het spoor. Men hoorde een +gesmoorde stem roepen: „Haast u! helpt!” ’t Was +Madeleine, die een laatste inspanning had gedaan.</p> +<p>Al de omstanders ijlden toe. De zelfopoffering van één +mensch had allen moed en kracht gegeven. De kar werd door twintig armen +opgeheven. De oude Fauchelevent was gered.</p> +<p>Madeleine richtte zich op. Hij was bleek, hoewel van zweet druipend. +Zijn kleeding was gescheurd en met slijk bedekt. Allen weenden; de +grijsaard omhelsde zijn knieën en noemde hem een engel Gods. Op +Madeleine’s gezicht lag een onbeschrijfelijke uitdrukking van een +hemelsch zalig lijden; hij hield zijn kalm oog op Javert gevestigd, die +hem steeds aanschouwde. <span class="pagenum">[<a id="pb191" href="#pb191" name="pb191">191</a>]</span></p> +</div> +</div> +<div id="ch5.7" class="div1"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">Zevende hoofdstuk.</h2> +<h2 class="main">Fauchelevent wordt tuinier te Parijs.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Fauchelevent had door zijn val de knieschijf gebroken. +Vader Madeleine deed hem naar het gasthuis voeren, ’t welk hij in +het fabriek-gebouw zelf voor zijn werklieden had opgericht, en waarin +twee liefdezusters als verpleegsters dienst deden. Den volgenden morgen +vond de grijsaard op zijn nachttafeltje een bankbriefje van duizend +francs, met deze woorden, door vader Madeleine geschreven: „Ik +koop uw kar en paard.” De kar was gebroken en het paard dood. +Fauchelevent genas, maar behield een stijf been. Op aanbeveling der +liefdezusters en van den pastoor bezorgde mijnheer Madeleine den ouden +man een betrekking als tuinier in een vrouwenklooster in de wijk St. +Antoine te Parijs.</p> +<p>Eenigen tijd later werd de heer Madeleine tot maire benoemd. Den +eersten keer dat Javert den heer Madeleine met de sjerp zag, die hem +het hoogste gezag over de stad gaf, gevoelde hij een soort van rilling, +als een hond zou gevoelen, welke in de kleederen van zijn meester een +wolf riekt. Van dien oogenblik af vermeed hij hem zooveel mogelijk. +Wanneer zijn dienstplichten het gebiedend vorderden en hij er niet +buiten kon zich tot mijnheer den maire te begeven, sprak hij steeds met +den diepsten eerbied tot hem.</p> +<p>De welvaart, die vader Madeleine te M. sur M. had doen ontstaan, +had, behalve de zichtbare teekenen welke wij reeds hebben aangewezen, +een ander verschijnsel ten gevolge, dat, hoewel niet zichtbaar, daarom +niet minder belangrijk was. Het bedriegt nooit. Wanneer het volk lijdt, +wanneer werk ontbreekt, wanneer er geen handel is, is de +belastingschuldige wederspannig aan de schatkist uit geldgebrek; hij +voldoet niet aan de voorgeschrevene belastingtermijnen, en de staat +verspilt veel geld aan vervolgingskosten en dwangmiddelen. Wanneer het +werk overvloedig is, wanneer het land rijk en gelukkig is, wordt de +belasting gereedelijk betaald en de staat heeft weinig kosten. Men kan +zeggen, dat de vervolgingskosten wegens de belasting een onfeilbare +thermometer van de armoede of den rijkdom van een land zijn. In zeven +jaren waren de kosten van vervolging in het arrondissement M. sur M. +tot een vierde verminderd, ’t geen den heer de Villèle, +toen minister van financiën, dit arrondissement vaak tot voorbeeld +voor allen deed aanhalen. <span class="pagenum">[<a id="pb192" href="#pb192" name="pb192">192</a>]</span></p> +<p>Zoodanig was de toestand in het oord, toen Fantine er wederkeerde. +Niemand herinnerde zich haar meer. Gelukkig was de poort der fabriek +van den heer Madeleine voor haar als het gezicht van een vriend. Zij +verzocht werk en werd in de werkplaats der vrouwen toegelaten. Deze +arbeid was haar geheel vreemd; zij was er dus niet terstond vlug mede, +zoodat zij slechts een gering dagloon verdiende, doch het was +toereikend, het vraagstuk was opgelost: zij verdiende den kost.</p> +</div> +</div> +<div id="ch5.8" class="div1"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">Achtste hoofdstuk.</h2> +<h2 class="main">Mevrouw Victurnien geeft dertig francs uit voor de +zedelijkheid.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Toen Fantine zag dat zij haar brood verdiende, had zij +een oogenblik van blijdschap. Welk een gunst des hemels, met eere van +zijn arbeid te leven! Zij kreeg weder lust tot arbeiden. Zij kocht een +spiegel, smaakte het genot er haar jeugd, haar fraaie haar en fraaie +tanden in te aanschouwen, vergat vele dingen, dacht slechts aan Cosette +en aan de mogelijke toekomst, en was bijna gelukkig. Zij huurde een +kamertje en kocht eenig huisraad op crediet, om het van haar toekomstig +loon te betalen;—een overblijfsel van haar eenigszins ongeregelde +gewoonten.</p> +<p>Wijl zij niet kon zeggen, dat zij getrouwd was, wachtte zij zich, +zooals wij reeds aangeduid hebben, van haar dochtertje te spreken.</p> +<p>In den beginne, gelijk gezegd is, betaalde zij prompt de +Thénardier’s. Dewijl zij echter niets dan haar naam kon +teekenen, was zij verplicht haar brieven door een openbaar schrijver te +laten schrijven.</p> +<p>Het werd opgemerkt, dat zij dikwerf schreef. In de werkzaal der +vrouwen fluisterde men elkander toe, dat Fantine brieven schreef en +iets aan de hand had.</p> +<p>Niemand is begeeriger om de daden van anderen te bespieden, dan zij, +wien ze niet aangaan.—Waarom komt deze heer altijd met den +donker? Waarom hangt gene donderdags nooit zijn sleutel aan den +spijker? Waarom gaat hij altijd door nauwe stegen? Waarom verlaat +mevrouw immer het huurrijtuig vóór zij aan haar huis is +gekomen? Waarom laat zij een katern postpapier halen, hoewel zij papier +genoeg in huis heeft? enz. enz.—Er zijn wezens, die om de +oplossing <span class="pagenum">[<a id="pb193" href="#pb193" name="pb193">193</a>]</span>dier raadsels te kennen, welke hun volstrekt +niet raken, meer geld verspillen, tijd verkwisten en moeite doen, dan +voor tien goede daden zou noodig zijn; en zulks uit vrijen wil, uit +vermaak, zonder voor hun nieuwsgierigheid iets anders dan +nieuwsgierigheid te verkrijgen. Geheele dagen zullen zij dezen of genen +volgen, uren lang aan den hoek eener straat, ’s nachts, in koude +en regen, op schildwacht staan, boodschappers, huurkoetsiers en lakeien +dronken maken, kameniers en portiers omkoopen. Waarom? Om niets. Eenig +en alleen uit begeerte om te zien, te hooren en te weten; alleen uit +babbelzucht. En vaak heeft de ontdekking dezer geheimen, de openbaring +dezer verborgenheden, de in ’t lichtstelling dezer raadsels, +ongelukken, tweegevechten, bankroeten, den ondergang van geheele +gezinnen, met verlies van menschenlevens ten gevolge, tot groote +zelfvoldoening van hen, die dit hebben „ontdekt,” zonder +eenig belang en uit louter instinct.</p> +<p>’t Is treurig!</p> +<p>Sommige lieden zijn slecht, eeniglijk door praatzucht. Hun +gesprekken, hun onderhoud in de salons, hun gebabbel in de antichambre, +is als een schoorsteen die veel hout verslindt. Zij hebben veel +brandstof noodig, en die brandstof is de evenmensch.</p> +<p>Men hield alzoo Fantine in ’t oog.</p> +<p>Daarbij was menigeen jaloersch op haar blond haar en haar witte +tanden.</p> +<p>Men had opgemerkt, dat zij in de werkplaats te midden der andere +vrouwen, vaak het hoofd omkeerde en een traan uit haar oogen wischte. +’t Was in die oogenblikken, dat zij aan haar kind dacht; wellicht +ook aan den man, dien zij bemind had.</p> +<p>’t Is een smartelijke arbeid, zich van een somber verleden los +te scheuren.</p> +<p>Het werd insgelijks ontdekt, dat zij ten minste tweemaal ’s +maands, en altijd aan hetzelfde adres schreef, en de brieven +frankeerde. Men slaagde er in, het adres te bekomen: „Mijnheer, +den heer Thénardier, herbergier te Montfermeil.” Men +hoorde in de kroeg den openbaren schrijver uit, een oud man, die zijn +maag niet met rooden wijn kon vullen, zonder zijn zak van geheimen te +ledigen. Kortom, men vernam dat Fantine een kind had. „’t +Moest een soort van meisje zijn.” Er werd een vrouw gevonden, die +naar Montfermeil reisde, de Thénardier’s sprak, en bij +haar terugkomst zeide: voor mijn dertig francs weet ik alles wat ik +weten wilde. Ik heb het kind gezien!</p> +<p>De vrouw, die dit deed, was een oude helleveeg, madame <span class="pagenum">[<a id="pb194" href="#pb194" name="pb194">194</a>]</span>Victurnien genaamd, een bewaarster en +beschermster der deugd van iedereen. Zij was zesenvijftig jaar oud, +terwijl haar leelijkheid met de jaren nog verdubbeld was. Haar stem was +blatend als die van een geit, en haar aard als die van een bok. Deze +oude vrouw was ook eens jong geweest; ’t geen men zich haast niet +kon verbeelden. In haar jeugd, in ’t midden van 93, was zij +getrouwd met een uit ’t klooster weggeloopen monnik, die de roode +muts had opgezet en van de Bernardijnen tot de Jakobijnen was +overgegaan. Zij was mager, dor, bits, scherp, stekelig, schier +venijnig, en dacht steeds aan haar monnik, wiens weduwe zij was, en die +haar gebreideld en tam gemaakt had. Zij was een brandnetel, wie men kon +aanzien, dat ze met de monnikskap in schuring was geweest. Tijdens de +restauratie was zij zoo vroom geworden, dat de priesters haar wegens +den monnik geabsolveerd hadden. Zij bezat een klein vermogen, ’t +welk zij, zooals zij overal en voortdurend rondbazuinde, aan een +klooster wilde vermaken.</p> +<p>Bij den bisschop van Arras stond zij goed aangeschreven.</p> +<p>Deze mevrouw Victurnien dan, ging naar Montfermeil en kwam terug met +het bericht, dat zij het kind gezien had.</p> +<p>Dat alles had tijd gekost; Fantine was reeds langer dan een jaar in +de fabriek geweest, toen de opzichtster der werkplaats haar op een +morgen vanwege mijnheer den maire vijftig francs ter hand stelde, met +de boodschap, dat zij niet meer tot de fabriek behoorde en haar, namens +den maire, uitnoodigde het oord te verlaten.</p> +<p>’t Was juist in dezelfde maand, dat de +Thénardier’s, na in plaats van zes francs er twaalf te +hebben gevraagd, nu vijftien in plaats van twaalf francs eischten.</p> +<p>Fantine was als door den bliksem getroffen. Zij kon de stad niet +verlaten, wijl zij de huur en het bedrag van haar huisraad schuldig +was. Vijftig francs waren tot de voldoening daarvan niet toereikend. +Zij stamelde eenige smeekende woorden, maar de opzichtster gaf haar te +kennen, dat zij onmiddellijk de werkplaats moest verlaten. Fantine was +overigens slechts eene middelmatige arbeidster. Meer nog door schaamte +dan door wanhoop ternedergeslagen, verliet zij de werkplaats en keerde +naar haar kamertje terug. Haar misslag was dan nu algemeen bekend!</p> +<p>Zij had de kracht niet meer, een woord te zeggen. Men raadde haar, +mijnheer den maire zelf te gaan spreken; zij durfde niet. De maire had +haar vijftig francs gegeven, wijl hij goed was, en zond haar weg, wijl +hij rechtvaardig was. Zij boog zich voor dat vonnis. <span class="pagenum">[<a id="pb195" href="#pb195" name="pb195">195</a>]</span></p> +</div> +</div> +<div id="ch5.9" class="div1"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">Negende hoofdstuk.</h2> +<h2 class="main">Gevolgen der handeling van mevrouw Victurnien.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">De weduwe van den monnik was dus tot iets goed.</p> +<p>De heer Madeleine wist overigens niets van dit alles. ’t Was +een bijzondere samenloop van gebeurtenissen, als waarvan het leven vol +is. De heer Madeleine bezocht schier nooit de werkplaats der +vrouwen.</p> +<p>Hij had tot opzichtster dezer werkplaats een bejaarde dochter +aangesteld, welke hem door den pastoor was aanbevolen, en wie hij zijn +gansche vertrouwen schonk; zij was inderdaad een achtenswaardige, +kloeke, rechtvaardige, eerlijke vrouw, vol van die menschlievendheid, +welke in het geven bestaat; maar zij bezat niet in denzelfden graad die +liefdadigheid, welke medegevoelt en vergeeft. Mijnheer Madeleine +verliet zich geheel en al op haar. De beste menschen zijn vaak +gedwongen, hun gezag op anderen over te dragen. ’t Was in haar +vol gezag en in de overtuiging dat zij wèl handelde, dat de +opzichtster het proces aangevangen, Fantine geoordeeld, gevonnist, en +het vonnis voltrokken had.</p> +<p>De vijftig francs, welke zij gegeven had, waren van een somme gelds +genomen, die de heer Madeleine aan haar had toevertrouwd tot het geven +van aalmoezen en het verleenen van hulp en onderstand aan de werksters, +en van welke som zij geen rekenschap behoefde te doen.</p> +<p>Fantine ging op het land van huis tot huis, om zich als dienstbode +aan te bieden. Niemand wilde haar echter hebben. Zij had de stad niet +kunnen verlaten. De uitdrager aan wien zij haar meubels nog schuldig +was,—en welke meubels, helaas!—had haar gezegd: Zoo gij +weggaat, laat ik u als dievegge en oplichtster gevangen zetten. De +huiseigenaar, wien zij huur schuldig was, had haar gezegd: gij zijt +jong en schoon, gij kunt wel betalen. Zij deelde de vijftig francs +tusschen den uitdrager en den huiseigenaar, gaf den eerste het drie +vierde van zijn meubels terug, behield slechts het noodzakelijke, en +bevond zich nu zonder werk, zonder verdienste, met niets dan haar bed +en nog ongeveer honderd francs schuld.</p> +<p>Zij vond nu werk door ’t naaien van grove hemden voor de +soldaten van het garnizoen, en won daarmede twaalf sous daags. Haar +dochtertje kostte haar tien sous. ’t Was in dezen tijd, dat zij +de Thénardier’s minder geregeld begon te betalen. +<span class="pagenum">[<a id="pb196" href="#pb196" name="pb196">196</a>]</span></p> +<p>Een oude vrouw, die ’s avonds, wanneer zij te huis kwam, haar +kaars aanstak, leerde haar de kunst om in armoede te leven. Na het +„van weinig te leven,” volgt het, „van niets te +leven.” ’t Zijn twee kamers, de eerste is donker, de tweede +is pikzwart.</p> +<p>Fantine leerde, hoe men ’s winters geheel en al zonder vuur +kan; hoe men een vogel wegdoet, die in twee dagen een cent koolzaad +kost; hoe men een onderrok als deken en een deken als onderrok +gebruikt; hoe men een kaars bespaart door des avonds zijn maaltijd bij +het licht van het venster der overzijde te nuttigen. Men weet niet, +hoeveel sommige zwakke wezens, die in ontbering en eerlijkheid oud zijn +geworden, al van een stuiver doen kunnen. Ten laatste wordt dit een +talent. Fantine verkreeg dat verheven talent, en schepte weder een +weinig moed.</p> +<p>Omtrent dezen tijd zeide zij tot een buurvrouw:</p> +<p>„O, ik zeg tot mij zelf: zoo ik slechts vijf uren slaap en den +geheelen overigen tijd aan mijn naaiwerk besteed, zal ik altijd wel zoo +wat mijn brood verdienen. En daarbij, als men treurig is, eet men +weinig. Welnu, lijden, zorg, een weinig brood eenerzijds en verdriet +anderzijds, dit alles zal mij wel verzadigen.”</p> +<p>’t Zou voor haar een onuitsprekelijk geluk zijn geweest, zoo +zij in dezen nood haar dochtertje bij zich had gehad. Zij dacht er wel +aan, het te laten komen. Maar hoe! zou zij het kind in haar armoede +doen deelen! bovendien was zij Thénardier geld schuldig. Hoe hem +te voldoen? en de reis! hoe die te betalen?</p> +<p>De oude vrouw, welke haar, om zoo te zeggen, onderwijs in de armoede +had gegeven, was een brave, ongehuwde vrouw, Marguerite genaamd, +wezenlijk deugdzaam en godsdienstig, arm, en liefderijk voor de armen, +ja zelfs voor de rijken; zij kon niet meer dan haar naam +<i>Margeritte</i> schrijven, en geloofde aan God, ’t geen de ware +wetenschap is.</p> +<p>Er zijn vele dergelijke deugdzamen in de laagste rangen der +maatschappij; eenmaal zullen zij in de hoogste zijn. Dit leven heeft +een volgenden dag.</p> +<p>In de eerste dagen was Fantine zoo beschaamd geweest, dat zij niet +had durven uitgaan.</p> +<p>Op de straat was ’t haar, alsof men zich naar haar omkeerde en +haar met den vinger nawees; iedereen gluurde haar aan, maar niemand +groette haar; de koele, bittere verachting der voorbijgangers ging haar +door lijf en ziel als een scherpe noordenwind.</p> +<p>In kleine steden verschijnt een ongelukkige naakt en bloot +<span class="pagenum">[<a id="pb197" href="#pb197" name="pb197">197</a>]</span>onder de spotzucht en nieuwsgierigheid van +iedereen. In groote steden, te Parijs ten minste, kent de een den ander +niet, en deze onbekendheid is een soort van bekleedsel. Ach, hoe gaarne +zou zij naar Parijs zijn gegaan; maar ’t was onmogelijk.</p> +<p>Zij moest zich nu even goed aan de verachting gewennen, als zij zich +aan de armoede had gewend. Allengs vermande zij zich. Na verloop van +een paar maanden schudde zij de schaamte af, en ging uit als wist zij +van niets. ’t Is mij onverschillig, zeide zij.</p> +<p>Zij kwam en ging met opgeheven hoofd, een bitteren glimlach om de +lippen, en gevoelde dat zij onbeschaamd werd.</p> +<p>Madame Victurnien zag haar soms haar venster voorbijgaan, en merkte +den nood op van „dat wezen,” ’t welk zij „weder +op haar plaats gebracht had”, en wenschte er zich geluk mede. De +slechte menschen hebben een vreeselijk geluk.</p> +<p>De overmatige arbeid putte Fantine uit, en de droge kuch, welke zij +reeds had, nam toe. Dikwijls zeide zij tot haar buurvrouw Margaretha: +„Voel eens hoe heet mijn handen zijn!”</p> +<p>Des morgens echter, wanneer zij met een ouden gebroken kam haar +fraai haar, dat als vlokkige zijde golfde, in orde streek, had zij een +oogenblik van gelukkige coquetterie.</p> +</div> +</div> +<div id="ch5.10" class="div1"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">Tiende hoofdstuk.</h2> +<h2 class="main">Verdere gevolgen.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Zij was tegen ’t einde van den winter uit de +fabriek ontslagen; de zomer ging voorbij, maar de winter kwam terug. +Korte dagen, minder werk. Des winters, geen warmte, geen licht, geen +namiddag, de avond grenst aan den morgen, mist, schemering, het venster +is dof, het geeft geen helder licht. De lucht komt als door een +kelderluik. De geheele dag is een kelder. De zon gelijkt een bedelares. +Een akelig jaargetijde! De winter verandert het water des hemels en het +hart des menschen in steen. Fantine’s schuldeischers kwelden +haar. Zij verdiende te weinig. Haar schulden waren toegenomen. De +Thénardier’s, die slecht betaald werden, schreven haar elk +oogenblik brieven, wier inhoud haar deed vertwijfelen en wier port haar +ruïneerde.</p> +<p>Eenmaal schreven zij haar, dat haar kleine Cosette in deze koude +schier geheel naakt was, dat zij een wollen onderrokje noodig had en de +moeder hiervoor ten minste tien francs moest zenden. Zij ontving den +brief, en frommelde hem den ganschen <span class="pagenum">[<a id="pb198" href="#pb198" name="pb198">198</a>]</span>dag in de handen. Des +avonds ging zij naar een kapper, die aan den hoek der straat woonde, en +nam den kam uit heur haar. De prachtige blonde lokken vielen haar nu +tot op de heupen.</p> +<p>„Welk fraai haar!” riep de kapper.</p> +<p>„Hoeveel wilt ge er mij voor geven?” vroeg zij.</p> +<p>„Tien francs.”</p> +<p>„Snijd dan maar af.”</p> +<p>Zij kocht een gebreid onderrokje en zond het aan de +Thénardier’s.</p> +<p>Dat onderrokje maakte de Thénardier’s verwoed. Zij +wilden geld hebben. Het rokje gaven zij aan Eponine. De arme leeuwerik +moest bibberen als vroeger.</p> +<p>Fantine dacht: Mijn kind lijdt geen koude meer. Ik heb het van mijn +haar gekleed.—Zij zette een mutsje op, dat haar geschoren kruin +bedekte, en waarmede zij nog schoon was.</p> +<p>In Fantine’s hart woelde echter een somber gevoel.</p> +<p>Toen zij zag, dat zij zich niet meer kon kappen, begon zij alles wat +haar omgaf te haten. Lang had zij de achting, welke allen vader +Madeleine toedroegen, gedeeld: doch, daar zij gedurig tot zich zelve +zeide, dat hij haar had weggezonden en dat hij de oorzaak van haar +ongeluk was, begon zij ook hem, bovenal hem, te haten. Wanneer zij de +fabriek voorbijging, in de uren dat de werklieden aan de deur stonden, +deed zij moeite om te glimlachen en te zingen.</p> +<p>Een oude werkster, die haar eens op deze wijze zag lachen en zingen, +zeide: „Met dit meisje zal ’t nog eens slecht +afloopen.”</p> +<p>Zij nam een minnaar, den eersten den besten, een man dien zij niet +beminde, uit trotseering en met de woede in het hart. ’t Was een +ellendeling, een soort van straatmuzikant, een lediglooper, die haar +sloeg, en haar verliet zooals zij hem genomen had, met afkeer.</p> +<p>Zij aanbad haar kind.</p> +<p>Hoe dieper zij zonk, hoe somberder alles om haar werd, zooveel te +schitterender werd de kleine engel in haar hart. Zij zeide bij zich +zelve:</p> +<p>„Wanneer ik rijk ben, zal ik mijn Cosette bij mij +hebben;” en zij glimlachte. De hoest verliet haar niet meer en +teekenen van toenemende zwakte openbaarden zich.</p> +<p>Op zekeren dag ontving zij van Thénardier een brief van den +volgenden inhoud: „Cosette ligt aan een hier heerschende ziekte; +men noemt ze de gierstkoorts. Zij vereischt dure drankjes en +geneesmiddelen, en wij hebben geen geld om ze te betalen. Zoo ge ons nu +binnen acht dagen geen veertig francs zendt, is het meisje dood.” +<span class="pagenum">[<a id="pb199" href="#pb199" name="pb199">199</a>]</span></p> +<p>Zij begon luide te lachen, en zeide tot haar oude buurvrouw: +„Die menschen zijn wel heel vriendelijk! Veertig francs! niet +meer! dat zijn twee gouden Napoleons? Hoe meenen zij dat ik daar aan +zal komen? Die boeren zijn toch dom?”</p> +<p>Zij ging echter naar een vallicht bij de trap en herlas den +brief.</p> +<p>Toen ging zij de trap af, en springende en lachende liep zij naar +buiten.</p> +<p>Iemand die haar ontmoette vroeg: wat hebt ge, dat ge zoo vroolijk +zijt?</p> +<p>Zij antwoordde: „Menschen van buiten hebben mij een aardige +domheid geschreven. Zij vragen mij veertig francs! Die domme +boeren!”</p> +<p>Toen zij het marktplein overging, zag zij een menigte menschen om +een rijtuig van zonderlingen vorm staan, op ’t welk een man in +’t rood gekleed, stond te schreeuwen en te oreeren. ’t Was +een rondreizende tandendokter en kiezentrekker, die aan het publiek +geheele gebitten, tandpoeders en tincturen te koop bood.</p> +<p>Fantine mengde zich in den groep en lachte evenals de anderen om +deze toespraak, die beurtelings tot het gemeen en tot het meer +fatsoenlijk publiek gericht was. De tandentrekker zag het schoone +lachende meisje, en riep haar eensklaps toe:—Ge hebt fraaie +tanden, lieve meid, die daar lacht. Zoo ge mij uw voortanden wilt +verkoopen, geef ik u voor ieder een gouden Napoleon.</p> +<p>„Welke meent gij?” vroeg Fantine.</p> +<p>„De beide boven-voortanden,” antwoordde de +kiezentrekker.</p> +<p>„Wel foei!” riep Fantine.</p> +<p>„Twee gouden Napoleons,” mompelde een oude vrouw zonder +tanden. „Die meid is waarlijk gelukkig.”</p> +<p>Fantine liep heen en stopte haar ooren, om de schorre stem van den +man niet te hooren, die haar nariep:—„Bedenk u, lief kind! +twee gouden Napoleons. Men kan ze gebruiken. Zoo ge lust hebt, kom van +avond in de herberg „Het zilveren schip”, waar ge mij +vinden kunt.”</p> +<p>Fantine kwam geheel verstoord te huis en verhaalde de zaak aan de +goede buurvrouw Margaretha:—„Kunt ge zoo iets begrijpen? Is +’t niet een afschuwelijke kerel? Hoe kan men zulke lieden door +het land laten trekken! Mijn twee voortanden te willen uittrekken! ik +zou er verschrikkelijk uitzien! het haar groeit weder aan, maar de +tanden! O, die gedrochtelijke kerel! ik zou liever uit de vijfde +verdieping op de straat springen! Hij zeide mij, dat hij van avond in +„Het zilveren schip” zou zijn. <span class="pagenum">[<a id="pb200" href="#pb200" name="pb200">200</a>]</span></p> +<p>„En wat bood hij u?” vroeg Margaretha.</p> +<p>„Twee gouden Napoleons.”</p> +<p>„Dat is veertig francs.”</p> +<p>„Ja,” zei Fantine, „veertig francs.”</p> +<p>Zij begon na te denken, en zette zich aan haar werk.</p> +<p>Na een kwartieruurs stond zij op en ging naar de trap om +Thénardier’s brief nog eens over te lezen.</p> +<p>Toen zij weder terugkwam, zeide zij tot Margaretha, die naast haar +werkte:</p> +<p>„Wat is dat toch—de gierstkoorts? Weet gij +’t?”</p> +<p>„Ja,” antwoordde de oude vrouw, „’t is een +ziekte.”</p> +<p>„En zijn er veel artsenijen voor noodig?”</p> +<p>„O, schrikkelijk veel.”</p> +<p>„Welke soort van ziekte is ’t?”</p> +<p>„Een kinderziekte.”</p> +<p>„Sterft men er aan?”</p> +<p>„Zeer licht,” zei Margaretha.</p> +<p>Fantine verwijderde zich en ging nogmaals naar de trap om den brief +te lezen.</p> +<p>Des avonds ging zij uit en men zag, dat zij haar schreden naar de +Parijsche straat richtte, waar de meeste herbergen zijn.</p> +<p>Den volgenden morgen, toen Margaretha, vóór het licht +was, Fantine’s kamer binnentrad, want zij werkten te zamen om +slechts één kaars voor haar beiden noodig te hebben, vond +zij Fantine bleek en koud op haar bed zitten. Zij had zich niet te +slapen gelegd. Haar muts lag op haar schoot. De kaars had den geheelen +nacht gebrand en was schier geheel verteerd.</p> +<p>Margaretha bleef op den drempel staan, als versteend door ’t +gezicht dezer wanorde en riep:</p> +<p>Mijn hemel! de kaars is bijna geheel verbrand! wat is er toch +gebeurd!</p> +<p>Toen zag zij Fantine aan, die haar kaal hoofd naar haar zijde +keerde.</p> +<p>Fantine scheen sedert den vorigen avond tien jaren ouder.</p> +<p>„Mijn God!” riep Margaretha; „wat scheelt u, +Fantine?”</p> +<p>„Mij scheelt niets,” antwoordde Fantine. +„Integendeel, mijn kind zal nu niet aan die vreeselijke ziekte +sterven, wegens gebrek aan hulp. Ik ben tevreden!”</p> +<p>Dit zeggende toonde zij aan de oude vrouw twee gouden Napoleons, die +op de tafel lagen.</p> +<p>„Wel verbaasd!” zei Margaretha. „’t Is +voorwaar een schat? van waar hebt ge dit goud?”</p> +<p>„Ik heb het ontvangen,” antwoordde Fantine. <span class="pagenum">[<a id="pb201" href="#pb201" name="pb201">201</a>]</span></p> +<p>Zij glimlachte terzelfder tijd. De kaars bescheen haar gelaat. +’t Was een afgrijselijke glimlach. Een bloedachtig speeksel +bevlekte de hoeken harer lippen, en in haar mond had zij een donkere +opening.</p> +<p>De voortanden waren er uitgetrokken.</p> +<p>Zij zond de veertig francs naar Montfermeil. ’t Was overigens +slechts een list van de Thénardier’s geweest om geld te +krijgen. Cosette was niet ziek.</p> +<p>Fantine wierp haar spiegel uit het venster. Sedert lang had zij haar +kamertje op de tweede verdieping verlaten voor een dakkamertje, dat +slechts met een klink sloot, een dier hokken, wier zoldering schuins +tegen den grond afloopt en waar gij telkens uw hoofd stoot. De arme kan +evenmin tot het eind van zijn kamertje als van zijn lot komen, of hij +moet zich hoe langer hoe meer krommen. Zij had geen bed meer, maar nog +iets dat zij een deken noemde, een stroomatras op den vloer en een +gebroken stoel. Een rozeboompje, dat zij had, stond verdord in een +hoek, ’t was vergeten. In een anderen hoek stond een boterpot, +waarin water was, dat ’s winters bevroor, en telkens ijsranden +achterliet. Zij had de schaamte verloren, zij verloor nu ook haar +behaagzucht. Het laatste noodlottig verschijnsel! Zij ging uit met een +vuile muts op het hoofd. Het zij uit tijdgebrek of uit +onverschilligheid, herstelde zij haar linnen niet meer. Zoo de hielen +harer kousen versleten waren, trok zij ze onder den voet verder in den +schoen. Men zag dit aan de plooien; zij lapte haar kleedje met oude +stukken katoen, die bij de minste beweging scheurden. De lieden, wien +zij geld schuldig was, maakten haar „standjes” en lieten +haar geen rust. Zij ontmoette ze op de straat, zij vond ze weder op +haar trap. De nachten bracht zij weenend en in sombere gedachten door. +Haar oogen schitterden buitengewoon en zij voelde voortdurend pijn aan +het linker schouderblad. Zij moest veel hoesten. Zij haatte vader +Madeleine diep, maar zij klaagde niet. Zij naaide zeventien uren daags; +maar de aannemer van den arbeid in de gevangenissen, die de gevangen +vrouwen tot zeer lagen prijs liet werken, verminderde eensklaps het +loon, zoodat de vrije naaisters nu niet meer dan negen sous daags +verdienden. Zeventien uren arbeid daags voor negen sous! Haar +schuldeischers waren onmeedoogender dan ooit. De uitdrager, die schier +al het huisraad had teruggenomen, vroeg haar onophoudelijk: +„wanneer zult ge mij betalen, afzetster?” Goede God! wat +wilde men van haar? Zij werd van alle zijden vervolgd en geplaagd, en +in haar natuur ontwikkelde zich iets van een wild dier. Terzelfder tijd +schreef Thénardier haar, dat hij nu gewis lang genoeg geduld met +haar had gehad, en hij <span class="pagenum">[<a id="pb202" href="#pb202" name="pb202">202</a>]</span>dadelijk honderd francs moest +hebben, terwijl hij anders de kleine Cosette op de straat zou zetten, +niettegenstaande zij pas van haar zware ziekte hersteld was, in weerwil +der koude, onverschillig wat van haar worden mocht; dat zij, voor hun +part, kon sterven.—</p> +<p>Honderd francs! dacht Fantine. Maar hoe is het mogelijk honderd sous +daags te verdienen?</p> +<p>„Welaan,” zeide zij, „verkoopen wij het +overige.”</p> +<p>De ongelukkige werd publieke vrouw.</p> +</div> +</div> +<div id="ch5.11" class="div1"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">Elfde hoofdstuk.</h2> +<h2 class="main">Christus heeft ons vrijgemaakt.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Wat beteekent deze geschiedenis van Fantine? ’t +Is de maatschappij, die een slavin koopt.</p> +<p>Van wien? Van de armoede, van den honger, van de koude, van de +verlatenheid, van de hulpeloosheid, van het gebrek. Een rampzalige +handel. Een ziel voor een stuk brood. De nood biedt aan, de +maatschappij koopt.</p> +<p>De heilige wet van Christus beheerscht onze beschaving; maar zij +doordringt ze nog niet. Men zegt, dat de slavernij uit de Europeesche +beschaving is verdwenen. Dit is zoo niet. Zij bestaat nog altijd; maar +zij drukt slechts op de vrouw, en heet prostitutie.</p> +<p>Zij drukt op de vrouw, dat wil zeggen op de bevalligheid, op de +zwakheid, op de schoonheid, op het moederschap. Gewis, een diepe +schande voor den man!</p> +<p>Op het punt, waar wij met dit smartelijk drama zijn gekomen, is +Fantine niets meer overgebleven van ’t geen zij vroeger was. Door +zich tot slijk te verlagen is zij tot marmer versteend: wie haar +aanraakt, huivert. Zij verschijnt u, duldt u, maar zij kent u niet. Zij +is een stugge, maar onteerde gestalte. Het leven en de maatschappelijke +orde hebben het laatste woord over haar uitgesproken. Alles is met haar +gebeurd, wat met haar gebeuren kon. Zij heeft alles gevoeld, alles +verdragen, alles ondervonden, alles geleden, alles verloren, alles +beweend. Zij is onderworpen met die berusting, welke onverschilligheid +gelijkt, evenals de slaap den dood gelijkt. Zij ontziet niets meer. Zij +vreest niets meer. De hemel moge op haar neerstorten, de oceaan haar +verzwelgen. Wat is er haar aan gelegen. Zij is een volgezogen +spons.</p> +<p>Zij gelooft het althans. Maar ’t is een dwaling, zich te +verbeelden, <span class="pagenum">[<a id="pb203" href="#pb203" name="pb203">203</a>]</span>dat men het lot uitputten en den bodem van wat +het ook zij, bereiken kan.</p> +<p>Helaas! Wat zijn al deze, aldus dooreengemengde levensbestemmingen? +waarheen gaan zij? waarom zijn zij zoo?</p> +<p>Hij, die dit weet, peilt met zijn blik de diepste +duisternis.—Hij, de eenige is—God!</p> +</div> +</div> +<div id="ch5.12" class="div1"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">Twaalfde hoofdstuk.</h2> +<h2 class="main">Hoe mijnheer Bamatabois zich vermaakt.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">In alle kleine steden, en bijzonderlijk te M. sur M. +was dit het geval, bestaat een klasse van jongelieden, welke een +inkomen van vijftienhonderd francs ’s jaars met dezelfde +verwaandheid en aanmatiging verteren, als huns gelijken te Parijs en +andere hoofdsteden tweehonderdduizend francs doorbrengen. ’t Zijn +wezens van ’t talrijke soort der onzijdigen; halfslachtigen, +woekerplanten, nietige wezens, die een stukje gronds bezitten, een +weinig dwaasheid en een weinig verstand hebben, in een salon lomperds +zouden zijn, en zich in de herberg edellieden wanen; die zeggen: mijn +weiden, mijn bosschen, mijn boeren, die de actrices uitfluiten om te +toonen dat zij smaak hebben, met de officieren van het garnizoen twist +zoeken, om hun moed te toonen, die jagen, rooken, geeuwen, drinken, +naar den tabaksrook rieken, op ’t biljart spelen; de reizigers +opnemen, die uit de diligences stappen, in ’t koffiehuis leven, +in ’t logement eten, die een hond hebben, welke zij de beenderen +onder de tafel toewerpen, een maîtresse hebben die hen opschept, +op een stuiver dood blijven, de modes overdrijven, met het treurspel +dwepen, de vrouwen verachten, hun laarzen schoon afdragen, die Londen +te Parijs en Parijs te Pont-à-Mousson naäpen, die met de +jaren onverdragelijker worden, niet arbeiden, tot niets dienen en +evenmin veel schade doen.</p> +<p>Zoo mijnheer Felix Tholomyès in zijn provincie gebleven ware +en Parijs nooit gezien had, zou hij een dier mannen geworden zijn.</p> +<p>Waren zij rijker, men zou hen voorname lieden noemen; waren zij +armer, men zou ze nietsdoeners heeten. Zij zijn eenvoudig leegloopers. +En onder deze leegloopers, zijn vervelenden, verveelden, droomers en +eenige grappenmakers.</p> +<p>In dien tijd bestond een fat uit een hoogen boord, een breede das, +een horloge met sleutel en cachetten, een dubbel vest, <span class="pagenum">[<a id="pb204" href="#pb204" name="pb204">204</a>]</span>van +verschillende kleur, het blauwe en roode onder, uit een olijfkleurigen +rok met kort lijf en zwaluwstaart, met een dubbele rij zilveren knoopen +dicht op elkander, die tot den schouder reikten, en een lichter +olijfkleurige broek, op beide naden met een onbepaald, maar altijd +oneven getal strepen, welk getal van een tot elf afwisselde, doch deze +grens niet overschreed. Voeg daarbij halve laarzen met hoefijzers, een +hoogen hoed met zeer smallen rand, het haar in een kuif, een dikken +wandelstok, en gesprekken gekruid met kwinkslagen van Potier. Bij dat +alles sporen en knevels. In dien tijd duidden snorbaarden burgers aan, +en sporen voetgangers.</p> +<p>De pronker in de provincie droeg langer sporen en wreeder +snorren.</p> +<p>’t Was in den tijd van den oorlog der republikeinen van +Zuid-Amerika tegen den koning van Spanje, van Bolivar tegen Morillo. De +hoeden met smallen rand waren koningsgezind en heetten Morillo’s; +de liberalen droegen hoeden met breeden rand, die Bolivar’s +heetten.</p> +<p>Acht of tien maanden nu na ’t geen op de vorige bladzijden +verhaald is, in de eerste dagen van Januari 1823, op een avond dat het +gesneeuwd had, vond een dier fatten, een dier leegloopers, een +„goedgezinde”,—want hij droeg een Morillo, bovendien +was hij in een dier groote ruime mantels gewikkeld, welke bij koud weer +de kleeding naar de mode was,—er genoegen in, een schepsel te +kwellen, dat in wijd uitgesneden balkleeding, met bloemen op het hoofd, +voor het officierskoffiehuis zwierf. Deze fat rookte, want dit was toen +de mode.</p> +<p>Telkens wanneer deze vrouw hem voorbijging, blies hij haar een +rookwolk zijner sigaar in ’t gezicht, en wierp haar eenige +woorden toe, welke hij voor geestig en aardig hield, bij voorbeeld: +Foei, wat zijt gij leelijk!—Ga je verbergen!—Gij hebt +immers geen tanden meer! enz. enz.—Deze mijnheer heette +Bamatabois. De vrouw, een treurige, opgeschikte schim, die heen en weer +in de sneeuw ging, antwoordde hem niet, sloeg zelfs geen blik op hem, +maar zette niettemin stil en met sombere volharding haar wandeling +voort, die haar om de vijf minuten onder hoon en bespotting bracht, +gelijk een soldaat, die door de spitsroeden heen en weder loopt. De +weinige uitwerking, welke hij te weeg bracht, verdroot waarschijnlijk +den straatslijper; hij maakte nu van de gelegenheid gebruik dat de +vrouw zich omkeerde, sloop haar achterna, bukte, nam een handvol sneeuw +van de straat en stak haar die, met een onderdrukt gelach, snel +tusschen de bloote schouders in haar kleed. Het arme meisje slaakte een +gil, draaide <span class="pagenum">[<a id="pb205" href="#pb205" name="pb205">205</a>]</span>zich om, sprong als een panter op den man toe, +drukte hem haar nagels in ’t gezicht en braakte daarbij de +schrikkelijkste woorden, die ooit van een hoofdwacht in een straatgoot +zijn gevallen. Deze scheldnamen, gebraakt door een van brandewijn +schorre stem, waren afschuwelijk en kwamen uit een mond, waarin +werkelijk de twee boven-voortanden ontbraken. ’t Was Fantine.</p> +<p>Op het hierdoor ontstaan rumoer verlieten de officieren ijlings het +koffiehuis, de voorbijgangers bleven staan; er vormde zich een groote +kring, die lachte, hitste en juichte om die twee worstelende menschen, +waarin men met moeite een man en een vrouw kon herkennen, een man zich +verwerende, wiens hoed op den grond was gevallen, en een vrouw met +handen en voeten slaande en schoppende, blootshoofds, brullende, zonder +tanden of haar, paars van woede, afgrijselijk.</p> +<p>Eensklaps trad een man van hooge gestalte uit het gedrang, greep de +vrouw bij haar satijnen keurs, dat met slijk bemorst was, en zeide +barsch: Volg mij!</p> +<p>De vrouw hief het hoofd op; plotseling versmoorde haar woedende +stem. Haar oogen schenen verglaasd, van paars werd zij doodsbleek, en +zij beefde van schrik. Zij had Javert herkend.</p> +<p>Het heertje had van deze gelegenheid gebruik gemaakt om zich uit de +voeten te maken.</p> +</div> +</div> +<div id="ch5.13" class="div1"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">Dertiende hoofdstuk.</h2> +<h2 class="main">Oplossing van eenige stedelijke +politie-kwestiën.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Javert duwde de omstanders ter zijde, drong door den +kring en ging met snelle schreden naar het politiebureau aan ’t +andere einde van het marktplein, en sleepte de rampzalige mede. Zij +volgde werktuiglijk. Geen van beiden zeide een woord. De zwerm +toeschouwers, uitgelaten van vroolijkheid, volgde en stiet allerlei +schimpredenen uit. De diepste ellende, aanleiding tot de vuilste +taal!</p> +<p>Aan het politiebureau gekomen—een laag vertrek, verwarmd door +een kachel en door een wacht bewaakt, met een glazen getraliede +voordeur—opende Javert de deur, trad met Fantine binnen en sloot +de deur weder achter zich, tot groote teleurstelling der +nieuwsgierigen, die op de teenen gingen staan en den hals uitstrekten +voor het doffe glas, om, zoo <span class="pagenum">[<a id="pb206" href="#pb206" name="pb206">206</a>]</span>mogelijk, iets te kunnen zien. De +nieuwsgierigheid is even hongerig als de gulzigheid.</p> +<p>Toen Fantine binnenkwam zonk zij in een hoek, bewegingloos en stom, +ineengedoken als een angstige hond.</p> +<p>De sergeant der wacht zette een brandende kaars op de tafel. Javert +ging zitten, haalde een gezegeld blad papier uit zijn zak en +schreef.</p> +<p>Deze soort van vrouwen zijn door onze wetten geheel aan de willekeur +der politie overgeleverd. Zij handelt er mede zooals zij wil, straft ze +naar goedvinden, en berooft haar van die twee treurige zaken, welke zij +haar handwerk en haar vrijheid noemen. Javert was gevoelloos, zijn +ernstig gelaat vertoonde niet de minste aandoening. Evenwel was hij +ernstig en in diepe gedachten verzonken. ’t Was een dier +oogenblikken, dat hij zonder controle, maar met al de nauwgezetheid van +een streng geweten, zijn schrikkelijke, willekeurige macht uitoefende. +Hij gevoelde in dit oogenblik, dat zijn politie-inspecteursbankje een +rechtbank was. Hij oordeelde—hij oordeelde en vonniste. Hij riep +alle denkbeelden, die in zijn geest aanwezig waren, te zamen voor de +groote zaak, waarmede hij zich bezighield. Hoe meer hij de daad van het +meisje overwoog, te meer voelde hij zich verontwaardigd. ’t Was +zeker, dat hij een misdaad had zien begaan. Ginds op de straat, had hij +de maatschappij, vertegenwoordigd door een grondbezitter en kiezer, +zien hoonen en aanranden door een schepsel, dat buiten alle wet is. Een +publieke vrouw had een burger mishandeld. Hij, Javert, had het gezien. +Zwijgend schreef hij.</p> +<p>Toen hij hiermee gedaan had, teekende hij, vouwde het papier dicht +en zeide tot den sergeant der wacht, terwijl hij ’t hem +overhandigde:</p> +<p>„Neem drie man en breng dit meisje naar de +gevangenis.”—Daarna wendde hij zich tot Fantine, +zeggende:—„Gij hebt zes maanden.” De rampzalige +beefde van ontroering.</p> +<p>„Zes maanden! zes maanden gevangenis!” riep zij uit. +„Zes maanden om zeven sous daags te verdienen! Maar wat zal van +Cosette worden! van mijn kind, mijn kind! Maar ik ben nog over de +honderd francs aan Thénardier schuldig, mijnheer de inspecteur; +weet ge dat?”</p> +<p>Zij sleepte zich, de handen wringend en op de knieën kruipend +over den steenen vloer, die door het slijk bemorst was, dat vele voeten +er hadden achtergelaten.</p> +<p>„Mijnheer Javert,” jammerde zij, „ik bid u om +genade; ik verzeker u, dat ik geen schuld had. Zoo gij bij ’t +begin tegenwoordig waart geweest, zoudt gij ’t gezien hebben; ik +zweer u bij den goeden God, dat ik geen schuld had. ’t Kwam door +<span class="pagenum">[<a id="pb207" href="#pb207" name="pb207">207</a>]</span>dien heer, dien ik niet ken, die mij sneeuw in +den rug heeft gestoken. Heeft men het recht, wanneer wij rustig +voorbijgaan, zonder iemand leed te doen, ons sneeuw in den rug te +steken? Ik wist niet, wat mij gebeurde. En, weet ge, ik ben een weinig +ziekelijk; daarbij had hij mij reeds een geruime poos getergd. Hij riep +mij toe: Ge zijt leelijk! gij hebt geen tanden.—Ik weet wel, dat +ik mijn tanden niet meer heb. Ik stoorde er mij niet aan, maar dacht: +dit is een mijnheer, die zich vermaakt. Ik was fatsoenlijk jegens hem +en zei niets. Onverhoeds stak hij mij nu sneeuw in den rug. Mijnheer +Javert, goede mijnheer de inspecteur! is er niemand hier, die ’t +gezien heeft, om u te zeggen, dat het inderdaad zoo is? Ik heb +misschien ongelijk gehad mij boos te maken. Maar gij weet, men is in +het eerste oogenblik zich niet altijd meester. Men wordt driftig. En +daarbij, als men u geheel onverwacht zoo iets kouds in den rug steekt! +Ik had ongelijk dien heer den hoed van ’t hoofd te slaan. Waarom +is hij heengegaan? Ik zou hem verschooning hebben gevraagd. Ach, God, +waarom zou ik hem geen verschooning willen vragen? Heb voor deze keer +genade met mij, mijnheer Javert. Zie, ge weet het niet, in de +gevangenis kan men slechts zeven sous daags verdienen: ’t is niet +de schuld der regeering, maar men verdient niet meer, en verbeeldt u, +dat ik honderd francs moet betalen, of dat men mij anders mijn kind +terugzendt. Ach, God, ik kan ’t niet bij mij hebben. ’t Is +zoo leelijk wat ik doe. Ach, Cosette, mijn engeltje, wat zal van haar +worden; arm schaap? Ik zal u zeggen, deze Thénardier’s +zijn boeren, herbergiers, die hebben niet de minste toegevendheid. Zij +willen volstrekt geld hebben. Zet mij niet in de gevangenis. Weet ge, +mijnheer Javert, zij zouden de kleine op de straat zetten, in ’t +hartje van den winter, haar aan haar lot overlaten ... men moet met +zulke omstandigheden toch medelijden hebben, mijnheer Javert. Was het +meisje grooter, dan zou het den kost kunnen verdienen, maar op haar +leeftijd kan dat niet. Ik ben in mijn hart geen slechte vrouw. ’t +Is geen luiheid of onmatigheid, die van mij gemaakt hebben wat ik ben. +Ik heb brandewijn gedronken, maar alleen uit ellende. Ik houd er niet +van, maar men wordt er bedwelmd door en vergeet zijn toestand. Toen ik +gelukkiger was, behoefde men maar in mijn kleerkast te zien om te weten +dat ik geen behaagzuchtige, onordelijke vrouw was. Ik had linnen, veel +linnen. Heb medelijden met mij, mijnheer Javert!”</p> +<p>Zoo sprak zij, geheel verslagen, gebroken, geschokt door haar +snikken, blind door haar tranen, met blooten hals, handenwringend, +hoestend en kuchend en als een stervende met doffe stem sprekende. +<span class="pagenum">[<a id="pb208" href="#pb208" name="pb208">208</a>]</span></p> +<p>Diepe smart is een goddelijke, vreeselijke straal, die de +rampzaligen herschept. Op dit oogenblik was Fantine weder schoon +geworden. Van tijd tot tijd hield zij op en kuste eerbiedig de jas van +den politiedienaar. Zij zou een steenen hart vermurwd hebben; maar een +houten hart verteedert men niet.</p> +<p>„Genoeg!” zei Javert, „ik heb u gehoord. Hebt ge +nu alles gezegd? Nu voort! Ge hebt zes maanden! Onze Lieve Heer zelf +zou er niets aan kunnen doen.”</p> +<p>Door deze plechtige woorden „Onze Lieve Heer zelf zou er niets +aan kunnen doen,” begreep zij, dat het vonnis onherroepelijk was. +Zij zonk ineen en stamelde:</p> +<p>„Genade!”</p> +<p>Javert keerde haar den rug toe.</p> +<p>De soldaten vatten haar bij den arm.</p> +<p>Sinds eenige minuten was een man binnengekomen, zonder dat men op +hem gelet had. Hij had de deur weer dicht gedaan, was er tegen gaan +staan en had Fantine’s wanhopige beden gehoord.</p> +<p>Op het oogenblik toen de soldaten de hand aan de ongelukkige +sloegen, die niet wilde opstaan, trad hij een schrede uit de schaduw en +zeide:</p> +<p>„Een oogenblik, als ’t u belieft.”</p> +<p>Javert sloeg de oogen op en herkende mijnheer Madeleine. Hij nam +zijn hoed af, groette eenigszins wrevelig en links, zeggende:</p> +<p>„Vergeving, mijnheer de maire...”</p> +<p>Dit woord: „mijnheer de maire” maakte op Fantine een +zonderlingen indruk. Zij richtte zich eensklaps overeind, als een spook +dat uit den grond rijst, stiet met beide armen de soldaten van zich, +ging recht op mijnheer Madeleine toe, voordat men haar kon tegenhouden, +staarde hem strak aan, en riep als waanzinnig:</p> +<p>„Ha, zijt gij mijnheer de maire?”</p> +<p>Toen lachte zij luide en spoog hem in ’t gezicht.</p> +<p>Mijnheer Madeleine veegde ’t gezicht af en zeide:</p> +<p>„Inspecteur Javert, stel deze vrouw in vrijheid.”</p> +<p>’t Was Javert, alsof hij op ’t punt was het verstand te +verliezen. Op dit oogenblik gevoelde hij, slag op slag, en schier met +elkaar vermengd, de geweldigste schokken van aandoening, die hem in al +zijn leven getroffen hadden. Een publieke vrouw een maire in ’t +gezicht spuwen, dat was iets zoo ongehoords, dat hij, zelfs bij het +vreeselijkste dat hij zich kon voorstellen, het heiligschennis zou +geacht hebben, te gelooven dat zoo iets mogelijk was. Van een anderen +kant schoot hem <span class="pagenum">[<a id="pb209" href="#pb209" name="pb209">209</a>]</span>ijlings een vluchtige gedachte door +’t hoofd van eenig verband, dat tusschen dit meisje en dezen +maire bestaan kon, en hij zag nu met afgrijzen zeker iets natuurlijks +in deze ontzettende beleediging. Maar toen hij dezen maire, dezen +overheidspersoon zich bedaard het gezicht zag afvegen en hem hoorde +zeggen: stel deze vrouw in vrijheid, werd hij van verbazing als +verbijsterd; hij kon evenmin gedachten als woorden vinden; de hoogste +graad van verwondering was bij hem overtroffen. Hij verstomde.</p> +<p>Dat woord had een niet minder vreemde uitwerking op Fantine +voortgebracht. Zij hief haar blooten arm op en greep zich aan den +sleutel der kachel, als iemand die duizelt. Evenwel schouwde zij rondom +zich en begon op zachten toon te spreken, alsof zij in zich zelve +sprak.</p> +<p>„Vrij! men wil mij vrij laten; ik zal geen zes maanden in de +gevangenis zitten? Wie heeft dat gezegd? ’t Is niet mogelijk, dat +men dit gezegd heeft. Ik heb verkeerd verstaan. ’t Kan dat +monster van een maire niet zijn! Zijt gij ’t, goede mijnheer +Javert, die gezegd hebt mij in vrijheid te stellen! O, weet ge, ik zal +u iets zeggen en gij zult mij laten gaan! Dit monster van een maire, +deze oude schoft, is van alles de oorzaak. Verbeeld u, mijnheer Javert, +hij heeft mij weggejaagd! ten gevalle van een hoop babbelaarsters, die +in de werkplaats allerlei praatjes hielden. Is ’t niet een +gruwel? Een arm meisje weg te zenden dat ijverig haar werk doet! Toen +verdiende ik niet genoeg meer, en al mijn ongeluk is er uit ontstaan. +Er is echter een verbetering, welke de heeren van de politie moesten +invoeren, namelijk: de ondernemers van den arbeid in de gevangenissen +te beletten, dat zij arme lieden benadeelden. Begrijpt ge; ik zal +’t u anders uitleggen. Eerst verdient men twaalf sous met de +hemden; maar vervolgens slaat het af tot negen sous; en daarvan kan men +niet leven. Men moet dus worden wat men kan. Ik, die daarbij mijn +kleine Cosette had, ik was wel genoodzaakt een slechte vrouw te worden. +Nu zult ge begrijpen, dat deze gemeene maire al het kwaad veroorzaakt +heeft! Toen heb ik den hoed van dien heer voor het officierkoffiehuis +op den grond getreden. Maar hij had mijn geheele kleed met sneeuw +bedorven. Meisjes als ik hebben slechts één zijden kleed +voor ’s avonds. Hoor, mijnheer Javert, ik heb nooit opzettelijk +kwaad gedaan, waarlijk niet; en ik zie overal veel slechter vrouwen dan +ik, die veel gelukkiger zijn. Gij, mijnheer Javert, hebt gezegd dat men +mij moest laten gaan, niet waar? Doe onderzoek naar mij, spreek mijn +huisheer, ik betaal prompt mijn huur, men zal u zeggen dat ik niet +slecht ben. Ach, mijn God, vergeving, ik <span class="pagenum">[<a id="pb210" href="#pb210" name="pb210">210</a>]</span>heb, zonder er op te +letten, den sleutel van de kachel gegrepen, en nu rookt het.”</p> +<p>Mijnheer Madeleine luisterde met de grootste aandacht naar haar. +Terwijl zij sprak, had hij in zijn zak getast, er zijn beurs uitgehaald +en ze geopend. Zij was ledig. Hij stak ze dus weder in den zak. Hij +zeide tot Fantine:</p> +<p>„Hoeveel zeidet ge, dat ge schuldig waart?”</p> +<p>Fantine, die alleen Javert had aangezien, wendde zich tot den maire +zeggende:</p> +<p>„Spreek ik met u?”</p> +<p>En zich daarop tot de soldaten richtende, sprak zij:</p> +<p>„Hebt gij gezien, dat ik hem in ’t gezicht heb gespuwd. +O! oude schurk van een maire. Ge komt hier om mij vrees aan te jagen, +maar ik ben niet bang voor u. Ik vrees alleen mijnheer Javert! den +goeden heer Javert!”</p> +<p>Dit zeggende wendde zij zich weder tot den inspecteur.</p> +<p>„Weet ge, mijnheer de inspecteur, men moet rechtvaardig zijn. +Ik begrijp dat gij rechtvaardig zijt, mijnheer de inspecteur. ’t +Beteekende overigens wel niets, dat een man zich vermaakte met een +weinig sneeuw in den rug van een vrouw te steken; het deed de +officieren lachen, en men mag zich gewis wel met iets vermaken: vrouwen +als ik zijn er immers voor om zich mede te vermaken, niet waar? Toen +kwaamt gij, en gij zijt natuurlijk wel verplicht de orde te handhaven, +gij naamt de vrouw mede, die ongelijk had ... maar wijl ge goed zijt en +hebt nagedacht, zegt ge, dat men mij in vrijheid stelle; zeker uit +hoofde van mijn kleine, want zes maanden gevangenis zou mij beletten +mijn kind te onderhouden. Maar pas op, dat ’t niet weêr +gebeure, zegt ge. O ’t zal niet weder gebeuren, mijnheer Javert! +men moge mij nu doen wat men wil, ik zal mij niet meer verroeren. Maar +heden, weet ge, heb ik geschreeuwd, omdat men mij kwaad deed; ik was +volstrekt niet verdacht op de sneeuw van dien heer; en daarbij, ik heb +’t u reeds gezegd, ik ben niet heel sterk, ik hoest, in mijn maag +is iets dat als een kool vuur brandt, en de dokter heeft gezegd, dat ik +mij in acht moest nemen. Zie, voel, geef uw hand, wees niet bang, +’t is hier.”</p> +<p>Zij weende niet meer, haar stem was vleiend, en op haar blanken +teederen hals legde zij de breede ruwe hand van Javert, en zag hem +glimlachend aan.</p> +<p>Eensklaps bracht zij haastig haar kleeding weder in orde, streek de +plooien van haar kleedje naar beneden, dat door het slepen over den +grond bijna tot aan de knie was opgeschort, en ging naar de deur, met +een vriendelijken hoofdknik en halfluid tot de soldaten zeggende: +<span class="pagenum">[<a id="pb211" href="#pb211" name="pb211">211</a>]</span></p> +<p>„Vrienden, mijnheer de inspecteur heeft gezegd, dat men mij +zou vrij laten, en nu wilde ik gaan.”</p> +<p>Zij legde de hand aan de klink. Nog een schrede en zij was op de +straat.</p> +<p>Javert had tot dit oogenblik bewegingloos en met nedergeslagen oogen +bij dit tooneel gestaan, als een standbeeld, dat van zijn plaats +geraakt is en wacht, dat men het weder recht zet.</p> +<p>Het gerucht der klink wekte hem. Hij hief het hoofd op met een +uitdrukking van onbeperkt gezag; een uitdrukking welke te geduchter is, +naarmate het gezag lager zonk, wreed bij het wilde dier, gruwzaam bij +den gemeenen mensch.</p> +<p>„Sergeant!” riep hij, „ziet ge niet dat de deern +weggaat? wie heeft u gezegd haar te laten gaan?”</p> +<p>„Ik,” zei Madeleine.</p> +<p>Toen Fantine Javert’s stem hoorde had zij gebeefd en de klink +losgelaten, evenals een gevatte dief het gestolen voorwerp los laat. +Toen zij Madeleine’s stem hoorde, draaide zij zich om en van nu +af sloeg zij haar blik, zonder dat zij een woord sprak, zonder zelfs +vrij uit te durven ademen, beurtelings van Madeleine op Javert en van +Javert op Madeleine, al naar deze of gene sprak.</p> +<p>’t Was duidelijk, dat Javert, zooals men zegt, geheel uit de +lijken moest geslagen zijn, om zich te veroorloven tot den sergeant te +spreken gelijk hij gedaan had, na het bevel van den maire om Fantine in +vrijheid te stellen. Was hij zoo ver buiten zich zelven dat hij de +tegenwoordigheid van mijnheer den maire kon vergeten? Had hij eindelijk +zich zelven overreed, dat zulk een bevel onmogelijk door een +overheidspersoon kon gegeven zijn, en mijnheer de maire zich +ontwijfelbaar versproken had? Of dacht hij, dat, tegenover de +ongehoorde omstandigheden, waarvan hij sedert twee uren getuige was, +hij tot een uiterst middel moest overgaan, en het noodzakelijk was, dat +de kleine zich groot maakte, dat de politiebediende zich in een +overheidspersoon herschiep, dat hij zich tot rechter opwierp, en dat +bij dit ontzettend uiterste de orde, de wet, de zedelijkheid, het +gouvernement, de geheele maatschappij zich in hem, Javert, +verpersoonlijkte.</p> +<p>Hoe het zij, toen mijnheer Madeleine het woord <i>ik</i> had gezegd +dat men gehoord heeft, zag men den politie-inspecteur bleek, koud, met +blauwe lippen, met wanhopigen blik, het geheele lichaam door een +inwendige siddering aangedaan, zich tot mijnheer den maire wenden en +met nedergeslagen oog, maar vaste stem, de schier ongeloofelijke +woorden tot hem zeggen: <span class="pagenum">[<a id="pb212" href="#pb212" name="pb212">212</a>]</span></p> +<p>„Mijnheer de maire, dat kan niet.”</p> +<p>„Waarom niet?” vroeg mijnheer Madeleine.</p> +<p>„De ongelukkige heeft een burger beleedigd.”</p> +<p>„Inspecteur Javert,” hernam de heer Madeleine op +bevredigenden, kalmen toon, „luister. Gij zijt een braaf man en +ik maak dus geen bedenking mij jegens u te verklaren. Ziehier hoe de +zaak is. Ik ging over het marktplein, toen gij de vrouw medevoerdet; er +stonden nog groepen menschen bijeen, ik deed dus onderzoek en vernam +alles: de burger had ongelijk en de politie had dezen dus eigenlijk +behooren te arresteeren.”</p> +<p>Javert hernam:</p> +<p>„Deze ellendige heeft mijnheer den maire beleedigd.”</p> +<p>„Dit gaat mij alleen aan,” zei Madeleine. „Deze +beleediging was tegen mij, en ik geloof dat ik daaromtrent handelen kan +naar ik verkies.”</p> +<p>„Vergeef mij, mijnheer de maire. De beleediging gold niet +alleen u, maar ook de justitie.”</p> +<p>„Inspecteur Javert,” hernam mijnheer Madeleine, +„de hoogste justitie is het geweten. Ik heb deze vrouw gehoord. +Ik weet wat ik doe.”</p> +<p>„En ik, mijnheer de maire, weet niet wat ik zie.”</p> +<p>„Vergenoeg u dus met te gehoorzamen.”</p> +<p>„Ik gehoorzaam aan mijn plicht. Mijn plicht wil, dat deze +vrouw zes maanden gevangen zitte.”</p> +<p>De heer Madeleine antwoordde op zachten toon:</p> +<p>„Versta wel, wat ik zeg: Zij zal geen dag zitten.”</p> +<p>Bij deze beslissende woorden waagde Javert het, den maire strak in +de oogen te zien, en zeide, maar op een nog altijd diep eerbiedigen +toon:</p> +<p>„’t Doet mij ten hoogste leed, mij tegen mijnheer den +maire te moeten verzetten; ’t is de eerste keer van mijn leven, +maar hij veroorlove mij hem te doen opmerken, dat ik mij binnen de +grenzen mijner bevoegdheid houd. Ik zal mij, wijl mijnheer de maire dit +wil, bij het feit van den burger bepalen. Ik was er bij. Deze vrouw +heeft mijnheer Bamatabois aangevallen, die kiezer is en eigenaar van +het fraaie hardsteenen huis, van drie verdiepingen hoog met een balkon, +aan den hoek der esplanade. Gewis, er gebeuren zonderlinge dingen in de +wereld! Hoe het zij, mijnheer de maire, ’t is een zaak van +straat-politie, die mij aangaat, en ik behoud vrouw Fantine.”</p> +<p>Nu sloeg mijnheer Madeleine de armen over elkander, en zeide op een +strengen toon, zooals nog niemand in de stad van hem gehoord had: +<span class="pagenum">[<a id="pb213" href="#pb213" name="pb213">213</a>]</span></p> +<p>„Het feit waarvan ge spreekt, is een zaak van de stedelijke +politie. Krachtens de artt. 9, 11, 15 en 66 van het wetboek van +crimineele rechtsvordering, ben ik de rechter daarover. Ik beveel, dat +deze vrouw in vrijheid worde gesteld.”</p> +<p>Javert wilde nog een laatste poging beproeven.</p> +<p>„Maar, mijnheer de maire...”</p> +<p>„Ik herinner u aan artikel 81 der wet van 13 December 1799, +over de willekeurige inhechtenisneming.”</p> +<p>„Vergun mij, mijnheer de maire...”</p> +<p>„Geen woord meer.”</p> +<p>„Maar...”</p> +<p>„Ga,” zei mijnheer Madeleine.</p> +<p>Javert ontving den stoot staande, van voren, midden in de borst als +een Russisch soldaat. Hij boog diep voor mijnheer den maire en ging +heen.</p> +<p>Fantine trad ter zijde van de deur en zag hem verstomd aan, toen hij +haar voorbijging.</p> +<p>Maar ook zij was aan een zonderlinge ontroering ter prooi. Zij had, +om zoo te spreken, zich door twee tegengestelde machten zien betwisten. +Zij had voor haar oogen twee mannen zien strijden, die in hun handen +haar vrijheid, haar leven, haar ziel, haar kind hadden; een dier mannen +trok haar in de duisternis, de ander bracht haar in het licht terug. In +dezen strijd, door het vergrootglas van den angst aanschouwd, waren +deze twee mannen haar als twee reuzen voorgekomen; de een sprak als +haar booze geest, de ander als haar goede engel. De engel had den +boozen geest overwonnen, en, wat haar van het hoofd tot de voeten deed +sidderen, deze goede engel, deze bevrijder was juist de man dien zij +verfoeide, de maire, dien zij zoolang als den bewerker van al haar +rampen had beschouwd! dien Madeleine! en op denzelfden oogenblik, dat +zij hem op schandelijke wijze beleedigd had, redde hij haar. Had zij +zich dus bedrogen? Moest zij haar geheele ziel omkeeren? Zij wist het +niet; zij beefde. Zij luisterde ontzet, aanschouwde verbaasd; bij elk +woord, dat mijnheer Madeleine sprak, voelde zij de vreeselijke +duisternis van den haat in zich verbleeken en optrekken, en in haar +hart iets verwarmends, iets onbeschrijfelijks ontstaan, dat blijdschap, +vertrouwen en liefde was.</p> +<p>Toen Javert vertrokken was wendde mijnheer Madeleine zich tot haar, +zeide langzaam, als iemand die bedaard wil zijn en moeite heeft zijn +tranen te bedwingen:</p> +<p>„Ik heb alles gehoord. Ik wist niets van ’t geen gij +gezegd hebt. Ik geloof dat het waar is, en ik gevoel dat het zoo is. Ik +wist zelfs niet eens, dat ge mijn fabriek verlaten hadt. <span class="pagenum">[<a id="pb214" href="#pb214" name="pb214">214</a>]</span>Waarom hebt ge u niet tot mij gewend? Maar +luister: Ik zal uw schulden betalen, ik zal uw kind hier doen komen, of +gij kunt er heen gaan. Gij kunt hier wonen, of te Parijs, waar gij +wilt. Ik belast mij met u en uw kind. Zoo gij wilt, behoeft ge niet +meer te werken. Ik geef u zooveel geld als gij noodig hebt. Ge zult +weder deugdzaam worden, zoodra ge weder gelukkig zijt. En zelfs, hoor, +ik verklaar het u op dit oogenblik: indien alles is zooals gij zegt, +waaraan ik niet twijfel, hebt gij nimmer opgehouden voor God deugdzaam +en goed te zijn. Arme vrouw!”</p> +<p>Dit was meer dan de arme Fantine kon verdragen. Cosette bij zich te +hebben, dit schandelijke leven te verlaten! vrij, rijk, gelukkig en +eerlijk met Cosette te leven! te midden harer ellende eensklaps deze +zegeningen des Hemels voor zich te zien verwezenlijkt! Als wezenloos +staarde zij den man aan, die tot haar sprak, zij kon slechts snikkend +driemaal ach! ach! ach! slaken. Haar knieën knikten, zij zonk aan +de voeten van mijnheer Madeleine, en, vóór hij het +beletten kon, greep zij zijn hand en drukte er haar lippen op.</p> +<p>Toen viel zij in onmacht. <span class="pagenum">[<a id="pb215" href="#pb215" name="pb215">215</a>]</span></p> +</div> +</div> +</div> +<div class="div0"> +<h2 class="label">Boek VI.</h2> +<h2 class="main">Javert.</h2> +<span class="pagenum">[<a id="pb217" href="#pb217" name="pb217">217</a>]</span> +<div id="ch6.1" class="div1"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">Eerste hoofdstuk.</h2> +<h2 class="main">Begin der rust.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Madeleine deed Fantine naar de ziekenzaal voeren, +welke hij in zijn eigen huis had, en gaf haar over aan de zorg der +liefdezusters, die haar te bed legden. Een heete koorts greep haar aan. +Een gedeelte van den nacht bracht zij ijlend en luid sprekend door. +Eindelijk viel zij echter in slaap.</p> +<p>Tegen den middag van den volgenden dag ontwaakte Fantine. Dicht bij +haar bed hoorde zij ademen; zij schoof de bedgordijn open en zag dat de +heer Madeleine naast haar stond en iets boven haar hoofd aanschouwde. +Zijn blik was vol medelijden en angst, en biddend. Zij volgde de +richting zijner oogen en zag die op een aan den muur hangend kruisbeeld +geslagen.</p> +<p>Van nu aan was mijnheer Madeleine in Fantine’s oogen geheel +veranderd. Hij kwam haar voor als in licht gehuld. Hij was blijkbaar in +’t gebed verdiept. Lang aanschouwde zij hem, zonder hem te durven +storen. Eindelijk vroeg zij aarzelend:</p> +<p>„Wat doet ge?”</p> +<p>Mijnheer Madeleine stond reeds een uur op deze plek. Hij wachtte +Fantine’s ontwaken. Nu nam hij haar hand, voelde haar den pols, +en antwoordde:</p> +<p>„Hoe gaat het?”</p> +<p>„Goed,” zeide zij, „ik heb geslapen, en geloof dat +het betert, ’t Zal spoedig over zijn.”</p> +<p>Hij hernam, op haar eerste vraag, alsof hij niets anders verstaan +had:</p> +<p>„Ik bad tot den lijder daarboven.”</p> +<p>En zacht in zich zelven voegde hij er bij: „Voor de lijderes +hierbeneden.”</p> +<p>Madeleine had een gedeelte van den nacht en den morgen doorgebracht +met onderzoek te doen.</p> +<p>Nu wist hij alles. Hij kende nu de geschiedenis van Fantine in al +haar smartelijke bijzonderheden. Hij ging voort: <span class="pagenum">[<a id="pb218" href="#pb218" name="pb218">218</a>]</span></p> +<p>„Gij hebt veel geleden, arme moeder. Maar beklaag u niet, gij +behoort thans tot de uitverkorenen. ’t Is op deze wijze, dat +menschen engelen worden. ’t Is hun schuld niet, zij kunnen niet +anders. Want zie, de hel, die gij nu verlaten hebt, is de eerste +gedaante des hemels. Daarmede moest ge beginnen.”</p> +<p>Hij zuchtte diep. Zij lachte hem echter toe met dien verheven +glimlach, waaraan twee tanden ontbraken.</p> +<p>Dienzelfden nacht had Javert een brief geschreven. Hij bracht dien +brief des morgens in persoon op het postkantoor te M. sur M. Hij was +geadresseerd aan: „mijnheer Chabouillet, secretaris van mijnheer +den prefect van Politie te Parijs.” Wijl het gebeurde in het +politiebureau ruchtbaar was geworden, meenden de directeur van het +postkantoor en eenige personen, die den brief, vóór hij +verzonden werd, gezien en op het adres Javerts schrift herkend hadden, +dat hij er zijn ontslag in verzocht.</p> +<p>De heer Madeleine haastte zich aan Thénardier te schrijven. +Fantine was hem honderd twintig francs schuldig. Hij zond hem +driehonderd francs, er bijvoegende, dat zij zich daarvan konden +betalen, maar ten spoedigste het kind te M. sur M. moesten bezorgen, +waar de zieke moeder het terug eischte.</p> +<p>Dit verraste Thénardier.—Verduiveld! zeide hij tot zijn +vrouw, wij moeten het kind niet afgeven. ’t Schijnt dat de kleine +een melkkoe zal worden. Ik begrijp het. Een of andere oude gek zal op +de moeder verliefd zijn geworden.</p> +<p>Hij beantwoordde den brief met een zeer nauwkeurige rekening van +vijfhonderd en eenige francs. Op deze rekening kwamen, tot een bedrag +van meer dan driehonderd francs, twee onbetwistbare posten voor, de een +van een dokter, de andere van een apotheker, die in twee langdurige +ziekten Eponine en Azelma hadden behandeld en geneesmiddelen geleverd. +Cosette was, gelijk gezegd is, niet ziek geweest. ’t Was slechts +een kleine verwisseling van naam. Thénardier schreef onder de +rekening: „Op rekening ontvangen driehonderd francs.”</p> +<p>De heer Madeleine zond dadelijk opnieuw driehonderd francs en +schreef: Haast u Cosette te zenden.</p> +<p>„Verduiveld!” zei Thénardier; „wij zullen +het kind niet laten gaan.”</p> +<p>Intusschen beterde Fantine niet. Zij was altijd in de +ziekenzaal.</p> +<p>De zusters hadden in den beginne „dit vrouwspersoon” +slechts met weerzin ontvangen en verpleegd. Wie de bas-reliefs te Reims +heeft gezien, herinnert zich de opgetrokken <span class="pagenum">[<a id="pb219" href="#pb219" name="pb219">219</a>]</span>onderlip der wijze maagden, die de dwaze maagden +aanschouwen. Deze aloude verachting der vestalinnen voor de gevallen +vrouwen is een diep instinct der vrouwelijke waardigheid. De +liefdezusters hadden deze verachting gevoed, met de versterking, welke +de godsdienst er aan geeft. Maar in weinige dagen had Fantine haar +ontwapend. Zij gebruikte allerlei deemoedige en zachte woorden, en de +moeder in haar verteederde aller hart. Op zekeren dag hoorden de +liefdezusters haar in de koorts zeggen:—ik was een zondares, maar +zoodra ik mijn kind weder heb, zal dit te kennen geven dat God mij +vergeven heeft. Op mijn slechten weg had ik Cosette niet bij mij willen +hebben; ik had haar verwonderde en treurige blikken niet kunnen +verdragen. ’t Was evenwel om harentwille, dat ik zondigde, en +daarom zal de goede God mij vergeven. Ik zal Gods zegen voelen, zoodra +Cosette hier is. Ik zal haar zien; en ’t zal mij goed doen, het +gezicht van het onschuldige kind. Zij weet van niets. ’t Is een +engel, weet ge, zusters! In dien leeftijd zijn de vleugels nog niet +uitgevallen.”</p> +<p>De heer Madeleine bezocht haar tweemaal daags en telkens vroeg zij +hem:</p> +<p>„Zal ik spoedig mijn Cosette zien?”</p> +<p>Hij antwoordde dan:</p> +<p>„Misschien morgenochtend. Zij kan elk oogenblik komen, ik +verwacht haar.”</p> +<p>En ’t bleeke gezicht der moeder schitterde van blijdschap.</p> +<p>„Ach!” zeide zij, „hoe gelukkig zal ik +zijn.”</p> +<p>Wij hebben gezegd, dat zij niet beterde. Integendeel, haar toestand +scheen van week tot week te verergeren. De sneeuw, die haar tusschen de +schouderbladen op den rug was gelegd, had eene plotselinge belemmering +der uitwaseming veroorzaakt, waardoor de ziekte, welke sinds jaren in +haar kiemde, tot snelle ontwikkeling was gekomen. Men begon destijds +bij de studie en de behandeling der borstziekten de voortreffelijke +aanwijzingen van Laënnec te volgen. De geneesheer onderzocht de +borst van Fantine en schudde het hoofd.</p> +<p>„Wat zegt gij?” vroeg de heer Madeleine aan den +dokter.</p> +<p>„Heeft zij niet een kind dat zij wenscht te zien?” vroeg +de dokter.</p> +<p>„Ja.”</p> +<p>„Laat het dan spoedig komen.”</p> +<p>De heer Madeleine ontroerde.</p> +<p>Fantine vroeg hem:</p> +<p>„Wat zegt de dokter?” <span class="pagenum">[<a id="pb220" href="#pb220" name="pb220">220</a>]</span></p> +<p>De heer Madeleine poogde te glimlachen.</p> +<p><span class="corr" id="xd20e4770" title="Niet in bron">„</span>Hij zegt, dat men uw kind spoedig moet +doen komen. Dit zal u weer beter maken.”</p> +<p>„Ja...” zeide zij, „hij heeft gelijk. Maar om +welke reden behouden de Thénardier’s Cosette zoo lang! O, +zij zal komen. Eindelijk zal ik het geluk heel nabij mij +hebben.”</p> +<p>Intusschen liet Thénardier het kind niet los, en had daarvoor +allerlei voorwendsels aan de hand: Cosette was nog een weinig ongesteld +en kon alzoo des winters niet op reis gaan. Vervolgens waren er nog +eenige kleine schulden te betalen, waarvan hij de rekeningen wachtte +enz. enz.</p> +<p>„Ik zal iemand zenden om Cosette te halen,” zei vader +Madeleine. „Zoo ’t noodig is, zal ik zelf gaan.”</p> +<p>Hij schreef den volgenden brief, welken Fantine hem in de pen gaf en +dien hij haar deed onderteekenen:</p> +<div class="blockquote"> +<p class="first salute">„Mijnheer Thénardier,</p> +<p>„Geef Cosette aan brengster dezes mede.</p> +<p>„Men zal al de kleine schulden betalen.</p> +<p>„Ik heb de eer u met achting te groeten.</p> +<p class="signed">„Fantine.”</p> +</div> +<p>Middelerwijl had er iets gewichtigs plaats. Hoe wij ook pogen het +geheimzinnig marmerblok, waaruit ons leven is gemaakt, naar onzen +wensch te beitelen, de zwarte ader van het noodlot komt er gestadig +weder op te voorschijn.</p> +</div> +</div> +<div id="ch6.2" class="div1"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">Tweede hoofdstuk.</h2> +<h2 class="main">Hoe uit een naam een andere kan ontstaan.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Op zekeren morgen was mijnheer Madeleine in zijn +kantoor bezig met het in orde brengen van eenige spoedeischende zaken +der mairie, voor ’t geval hij tot de reis naar Montfermeil mocht +besluiten, toen men hem kwam verwittigen dat de inspecteur van politie +Javert hem wenschte te spreken. Op ’t hooren van dien naam kon de +heer Madeleine een onaangenaam gevoel niet bedwingen. Sedert het +gebeurde in het politiebureau had Javert hem meer dan ooit vermeden en +de heer Madeleine had hem niet weder gezien.</p> +<p>„Laat hem binnenkomen,” zeide hij.</p> +<p>Javert trad binnen. <span class="pagenum">[<a id="pb221" href="#pb221" name="pb221">221</a>]</span></p> +<p>De heer Madeleine was bij den haard blijven zitten met een pen in de +hand, papieren doorbladerende, waarop hij aanteekeningen maakte, en die +processen-verbaal wegens politie-overtredingen bevatten. Hij liet zich +door Javert niet storen. Onwillekeurig dacht hij aan de arme Fantine, +en hij wilde daarom koel zijn.</p> +<p>Javert groette eerbiedig mijnheer den maire, die hem den rug keerde. +De maire zag hem niet aan, maar ging met zijn aanteekeningen voort.</p> +<p>Javert deed drie of vier schreden in de kamer en bleef staan zonder +te spreken.</p> +<p>Een gelaatkundige, die Javerts karakter gekend en sinds langen tijd +dezen wilde in dienst der beschaving, dit zonderling mengsel van den +Romein, den Spartaan, den monnik en den korporaal, dezen tot een logen +onbekwamen spion, dezen vlekkeloozen politieagent bestudeerd had; een +gelaatkundige, die met zijn heimelijken en ouden afkeer van mijnheer +Madeleine en zijn twist met den maire nopens Fantine bekend was +geweest, en Javert op dit oogenblik had gadegeslagen, zou zich +afgevraagd hebben: wat is er gebeurd? ’t Was duidelijk voor ieder +die zijn scherp, helder, oprecht, eerlijk, streng en wreed gemoed +kende, dat in Javert iets gewichtigs gebeurd was. Al wat in zijn ziel +omging, vertoonde zich op zijn gelaat. Gelijk alle driftige lieden was +hij aan plotselinge afwisselingen onderworpen. Nooit had zijn gelaat +zulk een zonderlinge en onverwachte uitdrukking vertoond. Toen hij +binnenkwam, had hij zich voor mijnheer Madeleine gebogen met een blik, +waarin noch wraak, noch toorn, noch wantrouwen lag, en was eenige +schreden achter den stoel van den maire blijven staan; hij stond daar +in schier onderdanige houding, met de naïeve en ruwe kalmte van +iemand die nooit zacht, maar altijd geduldig is geweest; zonder een +woord te spreken, bewegingloos, met ware deemoedigheid en rustige +onderwerping wachtte hij tot het mijnheer den maire behaagde zich om te +keeren, bedaard, ernstig, met den hoed in de hand en met neergeslagen +oogen, welker uitdrukking het midden hield tusschen die van den soldaat +tegenover zijn officier en van den misdadiger tegenover zijn rechter. +Alle gewaarwordingen zoowel als herinneringen, die men in hem had +kunnen vermoeden, waren verdwenen. Op dit ondoordringbaar en strak +gezicht als van graniet lag niets dan een sombere treurigheid. Zijn +geheele persoon ademde gedruktheid en standvastigheid, en een soort van +moedige neerslachtigheid.</p> +<p>Eindelijk legde de maire zijn pen neder en keerde zich ten halve om. +<span class="pagenum">[<a id="pb222" href="#pb222" name="pb222">222</a>]</span></p> +<p>„Nu, wat is er? wat hebt ge, Javert?”</p> +<p>Javert bleef een oogenblik, als overdenkend, zwijgen; toen verhief +hij zijn stem met een soort van sombere plechtigheid, die echter zonder +gezwollenheid was.</p> +<p>„Er is een schuldige daad gepleegd, mijnheer de +maire.”</p> +<p>„Welke daad?”</p> +<p>„Een ondergeschikt dienaar van ’t gezag heeft op erge +wijze den eerbied aan een overheidspersoon gekrenkt. Ik kom, zoo als +mijn plicht is, dit te uwer kennis brengen.”</p> +<p>„Wie is die dienaar?” vroeg mijnheer Madeleine.</p> +<p>„Ik,” zei Javert.</p> +<p>„Gij?”</p> +<p>„Ik.”</p> +<p>„En wie is de overheidspersoon, die zich over u te beklagen +heeft?”</p> +<p>„Gij, mijnheer de maire.”</p> +<p>De heer Madeleine stond van zijn stoel op. Javert voer met ernstige +stem en steeds de oogen nedergeslagen voort:</p> +<p>„Mijnheer de maire, ik kom u verzoeken, mijn ontslag bij de +regeering aan te vragen.”</p> +<p>De heer Madeleine was ten hoogste verbaasd, en opende den mond om te +spreken. Maar Javert kwam hem voor, zeggende:</p> +<p>„Ge zult zeggen, dat ik mijn ontslag had kunnen indienen, maar +dat is niet genoeg. Zijn ontslag indienen, is eervol. Maar ik heb +misdaan en moet gestraft worden. Ik moet worden afgezet.”</p> +<p>En na eenig zwijgen voegde hij er bij:</p> +<p>„Mijnheer de maire, ge waart voor eenige dagen streng jegens +mij—toen onrechtvaardig. Wees dus heden rechtvaardig.”</p> +<p>„Hoe! Waarom?” riep Madeleine. „Wat beteekenen +deze woorden? Wat bedoelt ge? Welke schuldige daad hebt ge jegens mij +bedreven? Wat hebt ge mij misdaan? Welke grieven hebt ge tegen mij? Gij +beschuldigt u zelven; gij wilt ontslagen worden...”</p> +<p>„Afgezet,” zei Javert.</p> +<p>„Afgezet, ’t zij zoo. ’t Is goed; maar ik begrijp +de reden niet.”</p> +<p>„Ge zult ze begrijpen, mijnheer de maire.”</p> +<p>Javert loosde een diepen zucht en hernam, altijd koel en +treurig:</p> +<p>„Mijnheer de maire, zes weken geleden was ik woedend, ten +gevolge van het gebeurde met dat meisje, en ik heb u toen +aangeklaagd.” <span class="pagenum">[<a id="pb223" href="#pb223" name="pb223">223</a>]</span></p> +<p>„Aangeklaagd?”</p> +<p>„Aan de prefectuur van politie te Parijs.”</p> +<p>Madeleine, die even zelden lachte als Javert, lachte nu en +zeide:</p> +<p>„Dat ik als maire inbreuk op de politie heb +gemaakt?”</p> +<p>„Neen, dat ge een gewezen tuchteling waart.”</p> +<p>De maire werd doodsbleek.</p> +<p>Javert, die zijn oogen niet had opgeslagen, vervolgde:</p> +<p>„Ik meende dit. Sinds lang had ik hiervoor redenen. Een +gelijkenis, de navorschingen welke gij te Faverolles had laten doen, uw +spierkracht, het gebeurde met den ouden Fauchelevent, uw behendigheid +in ’t schieten, uw eenigszins slepende voet, en ik weet niet wat +meer... Domheden! Maar in één woord, ik hield u voor +zekeren Jean Valjean.”</p> +<p>„Zekeren?... hoe zegt gij?”</p> +<p>„Jean Valjean. Een tuchteling dien ik twintig jaar geleden heb +gezien, toen ik onderopzichter te Toulon was. Zoo het schijnt, heeft +deze Valjean, na het bagno verlaten te hebben een bisschop bestolen, +vervolgens heeft hij een anderen diefstal, gewapenderhand, op den +openbaren weg, op een kleinen Savoyaard gepleegd. Sinds acht jaren +heeft hij zich uit de voeten gemaakt, men weet niet hoe, en men zocht +hem. Ik... ik had mij verbeeld...—Kortom, ik heb ’t gedaan. +De toorn vervoerde mij, en ik klaagde u bij de prefectuur +aan.”</p> +<p>Madeleine, die sinds eenige oogenblikken de papieren weder ter hand +had genomen, hernam op geheel onverschilligen toon:</p> +<p>„En wat heeft men u geantwoord?”</p> +<p>„Dat ik gek was.”</p> +<p>„En nu?”</p> +<p>„Men had gelijk.”</p> +<p>„’t Is gelukkig, dat ge ’t zelf erkent.”</p> +<p>„Ik moet wel, want de ware Jean Valjean is +gevonden.”</p> +<p>Het blad, ’t welk Madeleine in de hand hield, ontglipte zijn +vingers; hij richtte het hoofd op, staarde Javert strak aan en zeide op +een onbeschrijfelijken toon:</p> +<p>„Ha!”</p> +<p>Javert hernam:</p> +<p>„De zaak is deze, mijnheer de maire. ’t Schijnt, dat in +de omstreken van Ailly-le-Haut-Clocher iemand woonde, dien men vader +Champmathieu heette. Hij was zeer arm. Men lette niet op hem. Men weet +niet waarvan dit soort van lieden leeft. Verleden herfst werd vader +Champmathieu wegens diefstal van appelen bij... de naam is mij +ontschoten, in hechtenis genomen. <span class="pagenum">[<a id="pb224" href="#pb224" name="pb224">224</a>]</span>Er was gestolen, over een +muur geklommen, er waren takken afgebroken. Toen heeft men Champmathieu +aangehouden. Hij had den tak van een appelboom nog in de hand. De vent +werd vastgezet. Tot zoover is ’t niet veel meer dan een +correctioneele zaak. Maar zie hier de wegen der Voorzienigheid! De +gevangenis was in slechten toestand en mijnheer de rechter van +instructie vindt het goed, Champmathieu naar Arras, in de +departementale gevangenis, te doen overbrengen. In deze gevangenis nu +is een oude galeiboef, Brevet genoemd, die, ik weet niet voor welke +misdaad, moet zitten en wien men, wijl hij zich goed gedroeg, tot +eenige huiselijke diensten gebruikte. Champmathieu, mijnheer de maire, +was nauwelijks aangekomen, of Brevet riep: Ha, ik ken dezen man. +’t Is een oude galeiboef. Zie mij eens aan, mijn goede man! Ge +zijt Jean Valjean!—Jean Valjean! Wie is Jean Valjean? zegt +Champmathieu die zich heel verwonderd houdt.—Kom, houd u maar zoo +dom niet, zegt Brevet. Gij zijt Jean Valjean. Gij zijt in ’t +bagno van Toulon geweest; twintig jaar geleden. Wij waren er +samen.—Champmathieu ontkent! Drommels! Gij begrijpt. Men deed +onderzoek, en vorschte de zaak na. Toen kwam het volgende aan ’t +licht: deze Champmathieu was vóór omstreeks dertig jaren +boomsnoeier in verschillende streken, onder anderen te Faverolles +geweest. Daar verliest men zijn spoor. Veel later vindt men hem in +Auvergne, vervolgens te Parijs terug, waar hij wagenmaker was, naar hij +zegt, en met eene waschvrouw leefde, doch dit is niet bewezen; +eindelijk vindt men hem hier. Wat was nu Jean Valjean, +vóór hij wegens diefstal met verzwarende omstandigheden +in ’t bagno kwam? Boomsnoeier. Waar? Te Faverolles. Een ander +bewijs. Deze Valjean heette van doopnaam Jean, terwijl de geslachtnaam +zijner moeder Mathieu was. Wat is nu natuurlijker dan te gelooven, dat +toen hij het bagno verliet, hij den naam zijner moeder aannam, om zich +onbekend te houden, en zich Jean Mathieu heeft genoemd. Hij gaat naar +Auvergne. Daar spreekt men <i>Jean</i> als <i>chan</i> uit en noemde +men hem Chan Mathieu. Onze man laat het zich welgevallen en allengs +werd hij in Champmathieu herschapen. Gij begrijpt, niet waar? De +familie van Jean Valjean is er niet meer. Men weet niet waar zij +gebleven is. Ge weet, in die klasse van menschen ziet men vaak een +familie spoorloos verdwijnen. Men zoekt, maar vindt niets. Als zulk +volk geen slijk is, is ’t stof. En dewijl de aanvang dezer +geschiedenis nu al dertig jaar geleden is, is er te Faverolles niemand +meer, die Jean Valjean gekend heeft. Men doet onderzoek te Toulon. Met +Brevet zijn er nog slechts twee tuchtelingen, die Jean <span class="pagenum">[<a id="pb225" href="#pb225" name="pb225">225</a>]</span>Valjean gezien hebben. ’t Zijn de +levenslang veroordeelden Cochepaille en Chenildieu. Men laat hen uit +het bagno komen en brengt hen in tegenwoordigheid van den gewaanden +Champmathieu. Zij weifelen geen oogenblik. Zij verklaren, evenals +Brevet, dat het Jean Valjean is. Dezelfde ouderdom, vier-en-vijftig +jaar, dezelfde lengte, hetzelfde voorkomen, kortom dezelfde persoon, +hij is ’t. ’t Was op dezen tijd dat ik mijn aanklacht aan +de prefectuur te Parijs zond. Men antwoordt mij, dat ik mijn verstand +heb verloren, en dat Jean Valjean zich te Arras in handen der justitie +bevindt. Ge kunt u voorstellen, hoe mij dit verwonderde, daar ik meende +denzelfden Jean Valjean hier te hebben! Ik schrijf aan den rechter van +instructie. Hij doet mij komen en brengt mij in Champmathieu’s +tegenwoordigheid...</p> +<p>„En?” viel Madeleine hem in de rede.</p> +<p>Javert antwoordde met zijn onveranderlijk en treurig gelaat:</p> +<p>„Wat waar is, is waar, mijnheer de maire. Ik heb mij vergist; +de man ginds is Jean Valjean. Ik heb hem ook herkend.”</p> +<p>Madeleine hernam met zeer zachte stem:</p> +<p>„Zijt ge er zeker van?”</p> +<p>Javert glimlachte, op die smartelijke wijze, welk een diepe +overtuiging te kennen geeft:</p> +<p>„O zeer zeker!”</p> +<p>Hij bleef een oogenblik nadenken, en nam werktuiglijk bij herhaling +een weinig zand uit het zandbakje, dat op de schrijftafel stond en +zeide toen:</p> +<p>„Thans, nu ik den waren Jean Valjean heb gezien, begrijp ik +niet, hoe ik iets anders heb kunnen gelooven. Ik bid u om vergeving, +mijnheer de maire.”</p> +<p>Terwijl hij deze ernstige, smeekende woorden tot dengene richtte, +die hem zes weken vroeger in ’t politiebureau openlijk vernederd +en tot hem gezegd had: „Vertrek, Javert!” was deze trotsche +man, zonder ’t zelf te weten, vol eenvoud en waardigheid. De heer +Madeleine antwoordde op zijn verzoek niet, maar vroeg driftig:</p> +<p>„En wat zegt deze man?”</p> +<p>„Drommels, mijnheer de maire, ’t is een splinterige +zaak. Zoo ’t Jean Valjean is, is ’t een herhaling van +misdaad. Over een muur te klimmen, een tak af te breken, appelen te +stelen,—is een jongensstreek, als ’t een kind doet, een +wanbedrijf voor een man; maar een zware misdaad voor een vroegeren +galeislaaf. Overklimming en diefstal, al het strafbare bij elkander. +’t Behoort niet bij de correctioneele politie, ’t behoort +bij <span class="pagenum">[<a id="pb226" href="#pb226" name="pb226">226</a>]</span>’t hof van assises te huis. ’t Zijn +geen enkele dagen gevangenis, maar levenslange galeistraf. En daarbij +de zaak van den kleinen Savoyaard, die, naar ik hoop, terug zal komen. +Drommels, er is wel reden om zoo lang mogelijk tegen te spartelen, niet +waar? Ja, zoo ’t Valjean niet was! Maar Jean Valjean is een +geveinsde. Ook daaraan herken ik hem. Een ander zou denken, dat het erg +kon afloopen; hij zou razen, tieren en koken, als een waterketel op het +vuur, hij zou niet Jean Valjean willen wezen enz. Maar hij, hij houdt +zich alsof hij niets van de zaak begrijpt, en zegt: Ik ben +Champmathieu, daar blijf ik bij!—Nog meer; hij houdt zich dom en +verwonderd. O, ’t is een slimme gast! maar ’t zal hem niet +baten; de bewijzen zijn er. Hij is door vier personen herkend; de oude +schelm zal veroordeeld worden. De zaak is voor de assises te Arras. Ik +moet er heen om te getuigen. Ik ben reeds gedagvaard.”</p> +<p>Mijnheer Madeleine had zich weder voor zijn schrijftafel geplaatst, +zijn papieren ter hand genomen, waarin hij bedaard bladerde, en las en +schreef als iemand, die dringende bezigheden heeft. Hij wendde zich tot +Javert, zeggende:</p> +<p>„Genoeg, Javert. Om de waarheid te zeggen, kunnen al die +bijzonderheden mij weinig schelen. Wij verspillen er den tijd mede en +hebben dringende zaken te verrichten. Javert, ga dadelijk naar vrouw +Buseaupied die ginds aan den hoek der straat Saint-Saulve groente +verkoopt. Zeg haar dat zij haar aanklacht tegen den voerman Pierre +Chesnelong inlevert. Deze man is een ruw mensch, en heeft de vrouw met +haar kind bijna overreden. Hij moet gestraft worden. Ga vervolgens naar +mijnheer Charcellay, in de straat Montre-de-Champigny. Hij klaagt, dat +uit een dakgoot van het belendende huis het regenwater tegen het zijne +loopt, en de fundamenten van zijn huis bederft. Voorts moet ge +onderzoek doen naar de politie-overtredingen in de straat Guibourg bij +de weduwe Doris en in de straat Garraud-Blanc bij madame Renée +le Bossé, waarvan men mij kennis geeft, en gij zult er +proces-verbaal van maken. Maar ik geef u daar veel werk. Hebt ge mij +niet gezegd dat ge uit de stad moest; dat ge binnen acht of tien dagen +voor de bewuste zaak naar Arras gingt?...”</p> +<p>„Eerder, mijnheer de maire.”</p> +<p>„Wanneer dan?”</p> +<p>„Ik meen aan mijnheer den maire gezegd te hebben, dat morgen +de zaak voorkwam, en ik van nacht met de diligence vertrekken +zou.”</p> +<p>Madeleine maakte een onmerkbare beweging.</p> +<p>„En hoe lang zal de zaak duren?” <span class="pagenum">[<a id="pb227" href="#pb227" name="pb227">227</a>]</span></p> +<p>„Hoogstens een dag. Niet later dan morgennacht zal het vonnis +worden uitgesproken. Maar ik zal niet op ’t vonnis wachten, dat +niet twijfelachtig is; zoodra ik mijn verklaring heb afgelegd, keer ik +terug.”</p> +<p>„Dat is goed,” zei de heer Madeleine. Hij gaf Javert met +een handgebaar afscheid.</p> +<p>Javert ging niet.</p> +<p>„Vergeef mij, mijnheer de maire,” sprak hij....</p> +<p>„Wat is er nog?” vroeg Madeleine.</p> +<p>„Ik moet u nog iets herinneren, mijnheer de maire.”</p> +<p>„Wat?”</p> +<p>„Dat ik mijne afzetting wensch.”</p> +<p>De heer Madeleine stond op.</p> +<p>„Javert, ge zijt een man van eer en ik acht u. Ge overdrijft +uw fout. ’t Is overigens weder een beleediging, die mij alleen +aangaat. Javert, gij zijt waardig op te <span class="corr" id="xd20e4986" title="Bron: klmmen">klimmen</span>, en niet af te dalen. +Ik vertrouw, dat ge uw post wel zult willen behouden.”</p> +<p>Javert staarde den heer Madeleine met zijn ongehuichelde oogen aan, +waarin men zijn niet zeer verlicht, maar streng en zuiver geweten +meende te kunnen zien, en met een kalme stem zeide hij:</p> +<p>„Mijnheer de maire, hierin kan ik niet bewilligen.”</p> +<p>„Ik herhaal,” hernam de heer Madeleine, „dat de +zaak alleen mij betreft.”</p> +<p>Maar Javert, die zich slechts bij eene gedachte hield, voer +voort:—„Overdrijven! ik overdrijf niet. Ziehier hoe ik +redeneer. Ik heb u onrechtvaardig verdacht. Dat is niets. Wij, +politiemannen, hebben recht ieder te verdenken, hoezeer ’t +verkeerd is, de verdenking tot hooger geplaatste personen uit te +strekken. Nu heb ik u, zonder bewijs, in een aanval van toorn, met het +oogmerk mij te wreken, als galeislaaf aangeklaagd, u, een +achtenswaardig man, een maire, een overheids-persoon! dit is een zeer +zwaar vergrijp! Ik heb het gezag in uw persoon gehoond; ik, de agent +van het gezag! Zoo een mijner ondergeschikten gedaan had, wat ik had +gedaan, zou ik hem onwaardig voor den dienst verklaard en weggejaagd +hebben. Welnu?—Luister, mijnheer de maire, nog één +woord. In mijn leven ben ik dikwijls streng geweest voor anderen. Dat +was recht en zooals ’t behoorde. Zoo ik thans niet streng jegens +mijzelven was, zou al het rechtvaardige, dat ik gedaan heb, +onrechtvaardig worden. Moet ik mij meer dan anderen verschoonen? Neen. +Hoe! zou ik alleen hebben gediend om anderen te straffen en niet +mijzelven? ik zou een ellendeling zijn, en zij, die zeggen +„Javert is een schurk,” zouden gelijk <span class="pagenum">[<a id="pb228" href="#pb228" name="pb228">228</a>]</span>hebben. Ik begeer niet, mijnheer de maire, dat +ge mij met goedheid behandelt, uw goedheid heeft reeds genoeg kwaad +bloed bij mij gezet, toen zij anderen gold; ik wil ze voor mij niet. De +goedheid, die dient om een publieke vrouw tegen den burger, een +politieagent tegen den maire, den mindere tegen den hoogere in ’t +gelijk te stellen, deze noem ik een verkeerde goedheid. ’t Is met +zulk een goedheid, dat de maatschappij in wanorde komt. Mijn Hemel! +’t Is zeer gemakkelijk, goed te zijn, maar ’t is moeielijk +rechtvaardig te wezen. O, waart ge degene geweest, dien ik vermoedde; +voorwaar, ik zou niet goed voor u geweest zijn! gij zoudt het +ondervonden hebben. Mijnheer de maire, ik moet jegens mijzelven +handelen, evenals ik jegens anderen zou handelen. Wanneer ik +boosdoeners en deugnieten bedwong en strafte, zeide ik vaak bij +mijzelven: „zoo gij zelf struikelt, zoo ik u ooit op een misstap +betrap, houdt u dan stil.”—Welnu, ik ben gestruikeld; ik +heb mij op een fout betrapt. Ik moet nu zonder genade afgezet, +weggejaagd worden: niets is billijker. Ik heb armen, ik kan werken, +’t is mij onverschillig. Mijnheer de maire, het belang van den +dienst eischt een voorbeeld. Ik verzoek eenvoudig de afzetting van den +inspecteur Javert.</p> +<p>Dit alles werd op een nederigen, fieren, hopeloozen en overtuigden +toon gezegd, die dezen zonderlingen, eerlijken man eene ongewone en +vreemde soort van verhevenheid verleende.</p> +<p>„Wij zullen zien,” zei Madeleine.</p> +<p>En hij reikte hem de hand.</p> +<p>Javert trad achteruit en zeide op schuwen toon:</p> +<p>„Vergeving, mijnheer de maire, dat mag niet zijn. Een maire +geeft de hand niet aan een verklikker.”</p> +<p>En binnensmonds mompelde hij:—Verklikker, ja; van het +oogenblik af, dat men van de politie misbruik maakt, is men niet meer +dan een verklikker.</p> +<p>Toen boog hij zich diep en ging naar de deur.</p> +<p>Daar wendde hij zich om, en met steeds neergeslagen oogen, zeide +hij:</p> +<p>„Mijnheer de maire, ik zal den dienst waarnemen tot een ander +in mijn plaats is.”</p> +<p>Toen verwijderde hij zich. De heer Madeleine bleef peinzend zitten +en luisterde naar den vasten, zekeren tred, die zich door de gang +verwijderde. <span class="pagenum">[<a id="pb229" href="#pb229" name="pb229">229</a>]</span></p> +</div> +</div> +</div> +<div class="div0"> +<h2 class="label">Boek VII.</h2> +<h2 class="main">Het proces Champmathieu.</h2> +<span class="pagenum">[<a id="pb231" href="#pb231" name="pb231">231</a>]</span> +<div id="ch7.1" class="div1"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">Eerste hoofdstuk.</h2> +<h2 class="main">Zuster Simplicia.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">De gebeurtenissen, welke men nu lezen zal, zijn niet +alle te M. sur M. bekend geworden. Maar het weinige wat men er van +vernam, heeft in deze stad zulk een diepe herinnering achtergelaten, +dat het in dit boek een gewichtige leemte zou zijn, zoo wij het niet in +bijzonderheden mededeelden.</p> +<p>De lezer zal hierbij een paar onwaarschijnlijke omstandigheden +ontmoeten, welke wij echter, uit eerbied voor de waarheid, niet mogen +veranderen.</p> +<p>Des namiddags na het bezoek van Javert ging de heer Madeleine als +gewoonlijk Fantine bezoeken.</p> +<p>Eer hij bij haar binnentrad, liet hij zuster Simplicia roepen.</p> +<p>De beide geestelijke dochters, die in de ziekenzaal dienst deden, +behoorden tot de orde der Lazaristen, gelijk alle liefdezusters, en +heetten zuster Perpetua en zuster Simplicia.</p> +<p>Zuster Perpetua was niets anders dan de eerste de beste plompe +boerin, en was liefdezuster geworden, zooals anderen in een dienst +gaan. Zij was geestelijke dochter, evenals men keukenmeid is. Dit type +is niet zeldzaam. De kloosterorden nemen zulke plompe boerenkarakters +gaarne aan, wijl ze zich gemakkelijk tot Capucijnen of Ursulinen laten +fatsoeneeren. Dit gehalte wordt voor het grove werk der devotie +gebruikt. De overgang van een ossendrijver tot Karmeliet heeft niets +schreeuwends; uit den eerste wordt zonder veel moeite de tweede; de +gemeenschappelijke grond der dorps- en klooster-onwetendheid is een +geschikte voorbereiding, en zet dadelijk den buitenman op dezelfde trap +als den monnik. De kiel een weinig uitgelegd, en hij wordt een pij. +Zuster Perpetua was een zeer sterke religieuse uit Marines bij +Pontoise, die haar patois rammelde, haar gebeden prevelde, drukte +maakte, suiker in de dranken deed naar gelang van de bigotheid of +geveinsdheid van den lijder, barsch met de zieken, ruw met de +stervenden, <span class="pagenum">[<a id="pb232" href="#pb232" name="pb232">232</a>]</span>wien zij God bijna in ’t gezicht wierp, +terwijl ze den zieltogende schier met toornige gebeden verpletterde; +overigens moedig, eerlijk en roodharig.</p> +<p>Zuster Simplicia was wit als was. Bij zuster Perpetua was zij als de +waskaars naast de vetkaars. Vincentius van Paula heeft het portret der +liefdezuster heerlijk geschetst in deze bewonderenswaardige woorden, +waarin hij zooveel vrijheid met zooveel dienstbaarheid paart. +„Zij zullen geen ander klooster hebben dan het huis der kranken, +geen andere cel dan een gehuurde kamer, geen andere kapel dan haar +parochiale kerk, geen anderen tuin dan de straten der stad of de zalen +der hospitalen, geen andere gelofte dan de gehoorzaamheid, geen andere +traliën dan de vreeze Gods, geen anderen sluier dan de +nederigheid.” Dat ideaal was levend in zuster Simplicia. Niemand +had zuster Simplicia’s ouderdom kunnen aangeven; nooit was zij +jong geweest en scheen nooit oud te zullen worden. ’t Was +iemand—wij durven geen <i>vrouw</i> zeggen—die zachtmoedig, +nauwgezet, goed opgevoed, bedaard was, en nooit gelogen had. Zij was +zoo zacht, dat zij broos scheen; evenwel was zij sterker dan graniet. +Zij behandelde de ongelukkigen met fraaie, teedere, zuivere vingers. Er +lag, om zoo te spreken, iets zwijgends in haar woorden; zij sprak juist +wat noodig was, en had een stem, die even stichtelijk in een +biechtstoel als bekoorlijk in een salon zou geweest zijn.</p> +<p>Deze teederheid voegde zich in het wollen kleed en vond in de +aanraking er van een gestadige vingerwijzing naar God en den hemel. Op +eene bijzonderheid vestigen wij vooral de aandacht. Het onderscheidend +kenmerk van zuster Simplicia, de uitdrukking harer deugd was, dat zij +nooit gelogen had, dat zij nooit, om welke reden ook, zelfs in de +onverschilligste zaak, iets had gezegd, dat niet waar, dat niet de +zuiverste waarheid was. Zij was bij haar orde wegens deze onwrikbare +waarheidsliefde schier vermaard geworden. De abt Sicard spreekt in een +brief aan den doofstommen Massieu, van zuster Simplicia. Hoe oprecht en +rein wij wezen mogen, allen hebben wij toch min of meer de kleine vlek +van den onschuldigen logen op onze eerlijkheid. Zij niet. Kleine +logens, onschuldige logens, zijn er deze? Liegen is een volstrekt +kwaad. Min of meer te liegen is onmogelijk; hij die liegt, liegt de +geheele leugen. Leugen is het aangezicht des duivels; de duivel heeft +twee namen: hij heet satan en logen. Zoo dacht Simplicia. En naar zij +dacht, handelde zij ook. Hiervan was die blankheid, waarvan wij +gesproken hebben, het gevolg; een blankheid, die zelfs van haar lippen +en uit haar oogen straalde. Haar glimlach was blank, haar blik was +blank. Op het glas van haar geweten <span class="pagenum">[<a id="pb233" href="#pb233" name="pb233">233</a>]</span>was geen enkel +spindraadje, geen enkel stofje te vinden. Toen zij in de orde van Sint +Vincentius van Paula trad, had zij bij voorkeur den naam van Simplicia +aangenomen. ’t Is bekend, dat Simplicia van Sicilië de +heilige was, die zich liever beide borsten liet afsnijden dan te zeggen +dat zij, die te Syracusa het levenslicht zag, te Segesta was geboren, +welke leugen haar had kunnen redden. Deze beschermheilige paste voor +deze ziel.</p> +<p>Bij haar komst in de orde had zuster Simplicia twee gebreken, +waarvan zij zich allengs gebeterd had; zij hield van lekkernijen en +ontving gaarne brieven. Zij las nooit een ander boek, dan haar met +groote letters gedrukt Latijnsch getijdeboek. Zij verstond geen Latijn, +maar zij verstond het boek.</p> +<p>De vrome dochter had voor Fantine bijzondere genegenheid opgevat, +waarschijnlijk wijl zij in haar een verborgen deugd vermoedde, en zij +wijdde haar zorgen schier uitsluitend aan haar.</p> +<p>De heer Madeleine nam zuster Simplicia ter zijde en beval haar +Fantine op een zonderlingen toon aan, dien zij zich later +herinnerde.</p> +<p>Toen hij de zuster verliet, ging hij naar Fantine.</p> +<p>Fantine verwachtte dagelijks de komst van mijnheer Madeleine, +evenals men een straal van zon en blijdschap verwacht. Zij zeide tot de +liefdezusters:—Ik leef slechts, wanneer mijnheer de maire hier +is.</p> +<p>Dien dag had zij veel koorts. Zoodra zij mijnheer Madeleine zag, +vroeg zij hem:</p> +<p>„En Cosette?”</p> +<p>„Spoedig,” antwoordde hij glimlachend.</p> +<p>Mijnheer Madeleine was jegens Fantine als gewoonlijk, behalve dat +hij thans een uur in plaats van een half uur bleef, tot Fantine’s +groot genoegen. Aan iedereen beval hij dringend om de zieke niets te +laten ontbreken. Men merkte op, dat zijn gezicht voor een oogenblik +zeer treurig werd. Doch dit verklaarde zich, toen men vernam dat de +dokter hem had ingefluisterd:—Zij neemt merkelijk af.</p> +<p>Vervolgens keerde hij naar de maire terug, en de kantoorknecht zag +hem aandachtig een reiskaart van Frankrijk beschouwen, die aan den wand +hing. Hij schreef eenige cijfers met potlood op een papier. +<span class="pagenum">[<a id="pb234" href="#pb234" name="pb234">234</a>]</span></p> +</div> +</div> +<div id="ch7.2" class="div1"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">Tweede hoofdstuk.</h2> +<h2 class="main">Scherpzinnigheid van Scaufflaire.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Uit de mairie ging hij naar het einde der stad, bij +een Vlaming, Scaufflair, of verfranscht, Scaufflaire genoemd, die +paarden en rijtuigen verhuurde.</p> +<p>De naaste weg om naar Scaufflaire te gaan, was door een weinig +bezochte straat, waar de geestelijke der kerk woonde, waartoe mijnheer +Madeleine behoorde. Zoo men zeide, was de pastoor een goed, +achtenswaardig mensch, die gaarne goeden raad gaf. Juist toen mijnheer +Madeleine de pastorie voorbijging, was er in de straat slechts +één voorbijganger, en deze merkte op, dat mijnheer de +maire, de pastorie voorbij zijnde, een oogenblik stilstond, toen +terugkeerde tot aan de deur der pastorie, haastig de hand aan den +ijzeren klopper legde en hem ophief; zoo eenige oogenblikken in +gedachten bleef staan, waarna hij in plaats van den klopper hard te +laten vallen, hem zacht en zonder gerucht nederliet, en nu met een +soort van haast, die hij vroeger niet had, zijn weg vervolgde.</p> +<p>Mijnheer Madeleine vond Scaufflaire te huis, bezig met het +herstellen van paardetuig.</p> +<p>„Scaufflaire, hebt ge een goed paard voor mij?” vroeg +hij.</p> +<p>„Mijnheer de maire,” zei de Vlaming, „al mijn +paarden zijn goed. Wat bedoelt u met een goed paard?”</p> +<p>„Een paard, dat twintig uren in een dag aflegt.”</p> +<p>„Drommels!” hernam de Vlaming, „twintig +uren.”</p> +<p>„Ja.”</p> +<p>„Voor een cabriolet?”</p> +<p>„Ja.”</p> +<p>„En hoelang zal het na dien rit rusten?”</p> +<p>„Het moet desnoods den volgenden dag terugkeeren.”</p> +<p>„Om denzelfden afstand af te leggen?”</p> +<p>„Ja.”</p> +<p>„Drommels! drommels! nog eens twintig uren!”</p> +<p>De heer Madeleine nam uit zijn zak het papier, waarop hij cijfers +had geschreven. Hij liet ze den Vlaming zien. Het waren de getallen: 5, +6, 8½.</p> +<p>„Ge ziet,” zeide hij; „te zamen negentien en een +half; alzoo bijna twintig uren.”</p> +<p>„Ik heb wat ge zoekt, mijnheer de maire,” antwoordde de +Vlaming. „Mijn klein wit paard—gij hebt het zeker wel +<span class="pagenum">[<a id="pb235" href="#pb235" name="pb235">235</a>]</span>eens zien voorbijkomen—een klein vurig +dier uit het Boulonneesche. Men wilde er eerst een rijpaard van maken, +maar jawel, het sprong en steigerde en wierp iedereen af. Men meende, +dat het kwaadaardig was en wist niet wat er mee te doen. Ik kocht het, +spande het voor de cabriolet, en dat was, wat het wilde; het werd zacht +als een lam en loopt als de wind. Maar men moet het niet op den rug +komen. ’t Wil met geweld geen rijpaard wezen. Ieder zijn smaak! +Trekken, goed; dragen, neen; ’t is of het dit bij zich zelven +gezworen heeft.”</p> +<p>„En zal het dien weg kunnen afleggen?”</p> +<p>„Twintig uren in vollen draf en in minder dan acht uren. Maar +hoor, op welke voorwaarden.”</p> +<p>„Zeg ze.”</p> +<p>„Vooreerst moet ge het paard te halverwege een half uur laten +uitrusten; het moet dan gevoerd worden, en bij het voeren moet men zelf +tegenwoordig zijn, om den stalknecht te verhinderen de haver te stelen; +want ik weet bij ondervinding, dat de haver in de herbergen meer door +de knechts gedronken dan door de paarden gegeten wordt.”</p> +<p>„Men zal er bij zijn.”</p> +<p>„Ten tweede ... is de cabriolet voor mijnheer den +maire?”</p> +<p>„Ja.”</p> +<p>„Kan mijnheer de maire rijden?”</p> +<p>„Ja.”</p> +<p>„Nu, mijnheer de maire moet alleen en zonder bagage reizen, +opdat het paard geen te zware vracht hebbe.”</p> +<p>„Aangenomen.”</p> +<p>„Maar daar mijnheer de maire niemand bij zich heeft, zal hij +verplicht zijn, zelf het oog op het voeren te houden.”</p> +<p>„’t Zal geschieden.”</p> +<p>„Ik vraag dertig francs per dag, de rustdagen medegerekend. +Geen cent minder en het onderhoud van het paard ten koste van mijnheer +den maire.”</p> +<p>Mijnheer Madeleine nam drie gouden Napoleons uit zijn beurs en legde +ze op de tafel.</p> +<p>„Ziehier twee dagen vooruit.”</p> +<p>„Ten vierde: Voor zulk een rit zou een cabriolet te zwaar zijn +en het paard te veel vermoeien. Mijnheer de maire zal zich moeten +vergenoegen met een kleine tilbury, die ik heb.”</p> +<p>„Ik neem er genoegen mede.”</p> +<p>„Ze is licht, maar open.”</p> +<p>„’t Is mij onverschillig.”</p> +<p>„Denkt mijnheer de maire er wel aan, dat het winter +is?...”</p> +<p>De heer Madeleine antwoordde niet en de Vlaming hernam: <span class="pagenum">[<a id="pb236" href="#pb236" name="pb236">236</a>]</span></p> +<p>„Dat het zeer koud is?”</p> +<p>De heer Madeleine bleef zwijgen.</p> +<p>Scaufflaire voer voort:</p> +<p>„Dat het kan regenen?”</p> +<p>De heer Madeleine richtte het hoofd op en zeide:</p> +<p>„Morgenvroeg om half vijf moet het paard met de tilbury voor +mijn deur zijn.”</p> +<p>„Goed, mijnheer de maire,” antwoordde Scaufflaire, en +met den nagel van zijn duim een vlek van de tafel krabbende, zeide hij +op dien onverschilligen toon, waarmede de Vlamingers zoo goed hun +sluwheid bewimpelen:</p> +<p>„Maar, daar valt mij in, mijnheer de maire heeft nog niet +gezegd, waarheen de reis gaat. Waar moet mijnheer de maire +heen?”</p> +<p>Sinds het onderhoud begonnen was, had hij aan niets anders gedacht, +maar hij wist zelf niet, waarom hij ’t niet durfde vragen.</p> +<p>„Is uw paard vast op de voorpooten?” vroeg de heer +Madeleine.</p> +<p>„Ja, mijnheer de maire. Als de weg afloopt moet ge ’t +alleen een weinig inhouden. Zijn er veel hoogten en laagten in den weg, +dien ge gaat?”</p> +<p>„Vergeet niet morgenochtend juist om half vijf uur aan mijn +deur te zijn,” antwoordde mijnheer Madeleine, heengaande. De +Vlaming was nog even „dom” als vroeger, zooals hij zich +later uitdrukte.</p> +<p>Mijnheer de maire was een paar minuten weg geweest, toen de deur +weder geopend werd; ’t was mijnheer de maire, die terugkwam.</p> +<p>Hij had nog ’t zelfde peinzend en onverstoorbaar voorkomen van +daareven.</p> +<p>„Scaufflaire,” zeide hij, „op hoeveel schat ge uw +paard en tilbury, die ge mij wilt verhuren, het een met ’t +ander?”</p> +<p>„Het een vóór het ander, mijnheer de +maire,” zei de Vlaming met een plompen lach.</p> +<p>„Nu ja.”</p> +<p>„Wil mijnheer de maire ze van mij koopen?”</p> +<p>„Neen, maar men weet niet wat gebeuren kan, ik wil er u +waarborg voor geven. Bij mijn terugkomst geeft ge mij het geld terug. +Op hoeveel schat ge het rijtuig en het paard?”</p> +<p>„Op vijfhonderd francs, mijnheer de maire.”</p> +<p>„Ziehier het geld.”</p> +<p>Mijnheer Madeleine legde een bankbriefje op de tafel, ging toen en +kwam ditmaal niet terug.</p> +<p>’t Speet Scaufflaire geweldig, dat hij niet duizend francs had +<span class="pagenum">[<a id="pb237" href="#pb237" name="pb237">237</a>]</span>gezegd. Overigens waren het paard en de tilbury +te zamen nauwelijks honderd kronen waard.</p> +<p>De Vlaming riep zijn vrouw en verhaalde haar de zaak. De drommel, +waar kan mijnheer de maire toch heen willen gaan? Zij +raadpleegden.—Hij gaat naar Parijs, zei de vrouw.—Ik geloof +het niet, hernam de man.—Mijnheer Madeleine had op den +schoorsteen het papiertje laten liggen, waarop hij cijfers had +geschreven. De Vlaming nam het, en bestudeerde het.—Vijf, zes, +acht en een half? dat moeten zeker poststations aanduiden. Toen wendde +hij zich tot zijn vrouw:—Ik heb ’t +gevonden.—Wat?—Van hier tot Hesdin is vijf uren, van Hesdin +tot Saint-Pol zes, en van Saint-Pol tot Arras acht en een half. Hij +gaat naar Arras.</p> +<p>Inmiddels was de heer Madeleine weer te huis gekomen. Van +Scaufflaire terugkeerende had hij een langeren weg genomen, alsof de +deur der pastorie een verzoeking voor hem ware geweest, en hij die had +willen ontwijken. Hij was naar zijn kamer gegaan, waar hij zich had +opgesloten, ’t geen trouwens niets ongewoons was, wijl hij zich +gaarne vroegtijdig ter rust begaf. Maar de portierster der fabriek, die +tevens de eenige dienstbode van den heer Madeleine was, merkte op, dat +zijn licht om half negen ure werd uitgedaan. Zij zeide dit tot den +boekhouder, die te huis kwam, er bijvoegende:</p> +<p>„Is mijnheer de maire ziek? Mij dunkt, dat hij eenigszins +anders dan gewoonlijk was.”</p> +<p>De boekhouder bewoonde een kamer vlak onder die van den heer +Madeleine. Hij sloeg geen acht op de woorden der portierster, ging te +bed en sliep in. Tegen middernacht werd hij plotseling wakker; in zijn +slaap had hij boven zijn hoofd gerucht gehoord. Hij luisterde. ’t +Was, alsof hij in de kamer boven zich heen en weder hoorde gaan. Hij +luisterde aandachtiger en herkende den tred van mijnheer Madeleine. +’t Kwam hem vreemd voor; gewoonlijk werd in de kamer van den heer +Madeleine niet het minste gerucht gehoord, vóór hij +opstond. Een oogenblik later hoorde de boekhouder iets, alsof een kast +werd geopend en dicht gedaan. Toen werd een meubelstuk verschoven, er +ontstond stilte, en er werd nogmaals heen en weder gegaan. De +boekhouder ging overeind zitten, werd geheel wakker, en zag door zijn +venster op den muur aan de overzijde, het roode schijnsel van een +verlicht raam. Naar de richting der lichtstralen te oordeelen, kon het +geen ander raam dan dat der kamer van mijnheer Madeleine zijn.</p> +<p>De lichtschijn bewoog zich, alsof die eerder van een flikkerend vuur +dan van kaarslicht kwam. De schaduw van het glasraam was er niet op +afgeteekend, ’t geen bewees, dat het raam <span class="pagenum">[<a id="pb238" href="#pb238" name="pb238">238</a>]</span>geheel open was. ’t Was zonderling, dat +dit raam bij de heerschende strenge koude open was. De boekhouder sliep +weder in. Een paar uren later werd hij nogmaals wakker. Dezelfde +langzame geregelde tred ging steeds heen en weder boven zijn hoofd.</p> +<p>De lichtschijn teekende zich nog altijd op den muur af, maar nu +flauwer en stil als het schijnsel eener kaars of van een lamp. Het raam +was ook nog open.</p> +<p>Ziehier wat in de kamer van mijnheer Madeleine plaats had.</p> +</div> +</div> +<div id="ch7.3" class="div1"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">Derde hoofdstuk.</h2> +<h2 class="main">Een storm onder een hersenpan.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">De lezer heeft ongetwijfeld reeds geraden, dat de heer +Madeleine niemand anders dan Jean Valjean is.</p> +<p>Wij hebben reeds een blik in de diepte van dat gemoed geslagen; wij +willen er nogmaals een blik in werpen. Wij doen ’t niet zonder +aandoening en beving. Er is niets treffender dan zulk een beschouwing. +Het oog der ziel kan nergens een verblindender licht en grooter +duisternis vinden dan in den mensch; het kan zich op niets +ontzettenders, niets ingewikkelders, niets raadselachtigers, niets +ondoorgrondelijkers vestigen. Er is een nog grootscher schouwspel dan +de zee;—namelijk de hemel; er is een nog grootscher schouwspel +dan de hemel;—namelijk het binnenste der ziel.</p> +<p>Wie in een gedicht het menschelijk gemoed, ware het slechts dat van +een enkel mensch, slechts van den geringsten mensch, juist kon +voorstellen, zou alle heldendichten in het verhevenst en volkomenst +heldendicht samenvatten. Het gemoed is de chaos der denkbeelden, der +begeerten, der neigingen; het is de oven der droomen, de spelonk der +gedachten, waarvoor men zich schaamt; het is het pandemonium der +sophismen, het slagveld der hartstochten. Men doordringe op zekere +oogenblikken het bleeke gezicht van een menschelijk wezen en schouwe in +deze ziel, in deze duisternis. Men zal er onder schijnbare rust +reuzengevechten als bij Homerus, een gewoel van draken en +hydra’s, wolken van spooksels als bij Milton, wervelende +visioenen als bij Dante vinden. Hoe somber is dat ondoorgrondelijke, +’t welk ieder mensch in zich omdraagt en waarnaar hij met wanhoop +den wil en de daden van zijn leven richt.</p> +<p>Alighieri kwam eens aan een sombere poort, voor welke hij +<span class="pagenum">[<a id="pb239" href="#pb239" name="pb239">239</a>]</span>weifelend bleef staan. Wij hebben er hier eene +voor ons, bij welker drempel wij evenzeer aarzelen. Treden wij echter +binnen.</p> +<p>Wij hebben slechts weinig te voegen bij ’t geen de lezer reeds +weet dat met Jean Valjean was gebeurd, sedert zijn ontmoeting met den +kleinen Gervais. Men heeft gezien, dat hij van dat oogenblik af een +ander mensch was. Wat de bisschop van hem had willen maken, was +verwezenlijkt geworden. ’t Was meer dan een verandering, ’t +was een herschepping.</p> +<p>Het gelukte hem te ontkomen; hij verkocht het zilverwerk van den +bisschop, uitgezonderd de kandelaars, welke hij als een gedachtenis +behield; zwierf van de eene stad naar de andere door Frankrijk; kwam te +M. sur M., vormde het denkbeeld, waarvan wij gesproken en voerde uit +wat wij verhaald hebben; hij bracht zich tegen alle vervolging in +veiligheid, en nu te M. sur M. gevestigd, leefde hij gelukkig in +’t gevoel, dat zijn geweten wegens het treurig verleden ontwaakt +was en de eerste helft van zijn leven door het tweede verloochend werd; +hij leefde vreedzaam, gerust en in de blijde hoop; hij koesterde +slechts twee gedachten: zijn naam te verbergen, en zijn leven te +heiligen; den menschen te ontkomen en terug te keeren tot God.</p> +<p>Deze twee gedachten waren in zijn geest zoo innig met elkander +verbonden, dat zij er slechts ééne vormden; beide +vervulden en beheerschten hem evenzeer en bestuurden zijn geringste +handelingen. Gewoonlijk waren zij ’t eens bij de regeling van +zijn levensgedrag, zij trokken hem in de schaduw, zij maakten hem +welwillend en eenvoudig; zij gaven hem beide denzelfden raad. Soms +waren zij echter in strijd met elkander. In dat geval aarzelde, gelijk +wij gezien hebben, de man, dien geheel <span class="corr" id="xd20e5256" title="Niet in bron"></span>de M. sur M. mijnheer Madeleine +noemde, niet, de eerste aan de tweede, zijn veiligheid aan zijn deugd +op te offeren. Zoo had hij, in spijt van alle behoedzaamheid en +voorzichtigheid, de kandelaars van den bisschop bewaard, had over hem +gerouwd en al de kleine savooiaards die in de stad kwamen, bij zich +laten roepen en ondervraagd, had naar de families van Faverolles +berichten ingewonnen, en den ouden Fauchelevent het leven gered, in +weerwil van Javert’s verontrustende toespelingen. Het scheen, wij +hebben het reeds opgemerkt, dat hij, naar het voorbeeld van allen die +goed, heilig en rechtvaardig waren, dacht, dat zijn eerste plicht niet +hem zelven gold.</p> +<p>Wij moeten intusschen zeggen, dat iets zoo gewichtigs als thans hem +nog niet was voorgekomen. <span class="pagenum">[<a id="pb240" href="#pb240" name="pb240">240</a>]</span></p> +<p>Nooit hadden de beide gedachten, die den ongelukkigen man +beheerschten, wiens lijden wij verhalen, zulk een ernstigen strijd +tegen elkander gevoerd. Hij begreep dit onbestemd, maar diep, terstond +bij de eerste woorden welke Javert zeide, toen deze zijn schrijfkamer +binnentrad. Op het oogenblik, dat de naam werd genoemd, dien hij in +zulk een diepe duisternis begraven had, werd hij door ontzetting +aangegrepen en als bedwelmd door de heillooze zonderlingheid van zijn +lot, en in deze ontzetting voelde hij die huivering, welke groote +schokken voorafgaat; hij boog als de eik bij de nadering van den storm, +als de soldaat bij den aanvang eener bestorming. Hij voelde de van +onweer zwangere wolken zich boven zijn hoofd samenpakken. Terwijl hij +Javert aanhoorde, kwam aanvankelijk de gedachte bij hem op, heen te +ijlen, zich bekend te maken, Champmathieu uit de gevangenis te +bevrijden en er zich in te laten zetten; ’t was een smartelijke, +pijnlijke gedachte, als een snede in het levend vleesch; maar zij trok +over, en hij zeide bij zich zelven: laat ons zien, laat ons +zien!—Hij onderdrukte deze eerste edelmoedige opwelling en +deinsde terug voor deze heldendaad.</p> +<p>Voorwaar, het zou schoon zijn geweest, zoo deze man, na de vrome +woorden van den bisschop, na zoovele jaren van berouw en +zelfverloochening, te midden van een boete, zoo bewonderenswaardig +begonnen, zelfs bij al het schrikkelijke dat de omstandigheden mochten +hebben, niet een oogenblik hadde gewankeld, maar met denzelfden vasten +tred dien gapenden afgrond ware genaderd, op welks bodem de hemel lag; +’t zou schoon zijn geweest, maar ’t gebeurde niet alzoo. +Wij moeten getrouw verslag geven van ’t geen er in dat hart +omging, en wij mogen niet anders dan de waarheid zeggen. In de eerste +plaats had de zucht tot zelfbehoud de overhand; hij vereenigde in de +haast zijn gedachten, bedwong zijn aandoeningen, nam de +tegenwoordigheid van Javert, dat groote gevaar, in overweging, weerde +ieder besluit af met de vastheid der ontzetting, onderdrukte elke +overweging omtrent ’t geen hem te doen stond, en hernam zijn +kalmte, gelijk een kampvechter die zijn schild weder opneemt.</p> +<p>Hij bleef het overige van den dag in dien toestand; inwendig +geroerd, uitwendig volkomen kalm; alleen nam hij, wat men maatregelen +van zelfbehoud zou kunnen noemen. Alles was in zijn brein nog verward +en tegenstrijdig; er heerschte daar zulk een onbestemdheid, dat hij den +vorm van geen enkel denkbeeld duidelijk zag; hij zou zelf niet anders +hebben kunnen zeggen, dan dat ’t hem was, of hij een geweldigen +schok had ontvangen. Als naar gewoonte ging hij naar Fantine’s +<span class="pagenum">[<a id="pb241" href="#pb241" name="pb241">241</a>]</span>ziekbed, en hij bleef er langer dan gewoonlijk, +uit een instinct van goedhartigheid; want hij zeide bij zich zelven, +dat hij aldus moest handelen en haar den liefdezusters goed aanbevelen +moest, ingeval hij genoodzaakt werd zich te verwijderen. Hij gevoelde +onbestemd, dat hij wellicht naar Arras zou moeten gaan; en, zonder in +het allerminst tot deze reis besloten te hebben, meende hij volkomen +voor alle verdenking beveiligd te zijn en dus zonder eenig bezwaar +getuige te kunnen wezen van ’t geen zou plaats hebben. Hij huurde +dus de tilbury van Scaufflaire, om op alle omstandigheden voorbereid te +zijn.</p> +<p>Hij at met tamelijken eetlust.</p> +<p>In zijn kamer wedergekeerd, gaf hij zich aan zijn overpeinzingen +over.</p> +<p>Hij onderzocht den toestand en vond dien gevaarlijk; zoo gevaarlijk, +dat hij te midden zijner overdenkingen, ten gevolge van een schier +onverklaarbaren angst, van zijn stoel opstond en den grendel op zijn +deur schoof. Hij vreesde, dat er nog iets zou kunnen binnenkomen. Hij +verschanste zich tegen het mogelijke.</p> +<p>Kort daarna blies hij het licht uit. Het hinderde hem.</p> +<p>’t Scheen hem, alsof men hem kon zien.</p> +<p>Wie, men?</p> +<p>Helaas! wat hij buiten de deur wilde houden, was reeds +binnengekomen; wat hij wilde verblinden, schouwde hem aan. Zijn +geweten.</p> +<p>Zijn geweten, dat wil zeggen: God.</p> +<p>Evenwel misleidde hij zich zelven in den eersten oogenblik; hij +gevoelde zich veilig in zijn eenzaamheid; nu de deur gegrendeld was, +waande hij zich onaantastbaar; nu het licht was uitgedaan, achtte hij +zich onzichtbaar. Nu was hij weder meester van zich zelven; hij zette +zijn ellebogen op de tafel, liet zijn hoofd op de hand rusten en gaf +zich aan de duisternis zijner gedachten over.</p> +<p>Waar ben ik?—Droom ik niet?—Wat heeft men mij +gezegd?—Is ’t wezenlijk waar, dat ik Javert heb gezien en +dat hij mij zoo heeft toegesproken?—Wie kan deze Champmathieu +zijn? Hij gelijkt dus op mij?—Is ’t mogelijk?—Als ik +denk, dat ik gisteren nog zoo gerust was en ver van iets dergelijks te +vermoeden!—Wat deed ik gisteren op dezen tijd?—Welk gewicht +heeft deze omstandigheid?—Hoe zal zij zich oplossen? Wat moet ik +doen?—</p> +<p>Ziedaar de onrust, waarin hij was. Zijn brein had de kracht verloren +om zijne gedachten vast te houden, zij stroomden weg als golven, en hij +omvatte het hoofd met beide handen, om den golfslag tegen te houden. +<span class="pagenum">[<a id="pb242" href="#pb242" name="pb242">242</a>]</span></p> +<p>Deze verwarring, die zijn wil en rede in beroering bracht, en +waaruit hij een gevolgtrekking poogde af te leiden en een besluit, +leverde hem niets dan angst op.</p> +<p>Zijn hoofd gloeide. Hij trad aan het raam en zette het wijd open. +Geen ster flikkerde aan den hemel.</p> +<p>Hij ging weder aan de tafel zitten.</p> +<p>Alzoo verstreek het eerste uur.</p> +<p>Allengs begonnen zich echter in zijn gedachten flauwe omtrekken en +beelden te vormen, en hij zag met de juistheid der wezenlijkheid, wel +niet den geheelen omvang van zijn toestand, maar toch eenige +bijzonderheden.</p> +<p>Hij erkende in de eerste plaats, dat, hoe buitengewoon en gevaarlijk +deze toestand ook zijn mocht, hij er volkomen meester van was.</p> +<p>Zijn verlegenheid werd hierdoor echter slechts te grooter.</p> +<p>Afgescheiden van het ernstig, godsdienstig doel, waarnaar hij in al +zijn daden streefde, was alles wat hij tot hiertoe verricht had, niets +dan een kuil, dien hij groef, om er zijn naam in te verbergen. Wat hij +in de uren zijner eenzame overdenkingen en slapelooze nachten het meest +gevreesd had, was, eenmaal zijn naam te hooren noemen: dat, meende hij, +zou voor hem het einde van alles zijn; de dag, waarop die naam weder +zou te voorschijn komen, zou geheel zijn nieuwe leven, en, wie weet? +misschien de nieuwe ziel, in hem doen verdwijnen. De gedachte alleen, +dat dit mogelijk kon zijn, deed hem beven. Gewis, zoo iemand hem in die +oogenblikken had gezegd, dat eenmaal het uur komen zou, waarin die naam +in zijn ooren zou klinken, dat het hatelijk woord, Jan Valjean, +eensklaps uit de duisternis voor zijn oogen zou oprijzen, en het +krachtige licht eensklaps het geheim zou verdrijven, waarin hij zich +wikkelde,... maar dat deze naam hem niet zou bedreigen; dat dit licht +slechts een grootere duisternis zou scheppen; dat deze gescheurde +sluier het geheim slechts te meer zou verbergen; dat deze aardbeving +zijn gebouw zou bevestigen: dat deze gewichtige gebeurtenis, zoo hij +wilde, geen ander gevolg zou hebben, dan zijn leven helderder en +ondoordringbaarder tevens te maken; en dat uit de vergelijking van zijn +persoon met dit spooksel van Jean Valjean, de goede, waardige mijnheer +Madeleine meer geëerd, meer veilig en meer geacht dan ooit zou te +voorschijn komen—zoo iemand hem dit gezegd had, zou hij het hoofd +geschud en deze woorden voor onzinnig hebben gehouden. Welnu, dat alles +zou nu juist gebeuren, deze opeenstapeling van onmogelijkheden was een +feit, en God had gewild, dat deze ongeloofelijke zaken, waarheid +werden! Zijn gedachten werden <span class="pagenum">[<a id="pb243" href="#pb243" name="pb243">243</a>]</span>steeds helderder, zijn +toestand werd hem hoe langer hoe duidelijker.</p> +<p>Het scheen hem, als was hij uit een zonderlingen slaap opgewekt, en +als gleed hij in ’t midden van den nacht van een steile helling, +als stond hij huiverend op den uitersten rand van een afgrond en +vruchteloos poogde achteruit te gaan. Duidelijk ontdekte hij in de +duisternis een onbekende, een vreemdeling, dien het noodlot voor hem +aanzag en in zijn plaats in den afgrond stiet. Om dien afgrond te +dempen moest er iemand in storten, ’t zij dan hij of die +andere.</p> +<p>Hij behoefde niets te doen dan de zaken haar loop te laten.</p> +<p>Het werd volkomen helder en hij overwoog bij zich zelven:—Dat +zijn plaats op de galeien ledig was, dat, wat hij ook doen mocht, zij +steeds op hem bleef wachten; dat de diefstal op den kleinen Gervais +gepleegd er hem terugbracht; dat deze plaats hem zou wachten en trekken +tot hij er was, dat het noodlot dit onvermijdelijk +wilde.—Vervolgens overlegde hij bij zich zelven:—Dat hij er +op dit oogenblik een plaatsvervanger had; dat het scheen, dat een +zekere Champmathieu zulk een ongeluk had getroffen; dat hij, voortaan +in het bagno in den persoon van dien Champmathieu aanwezig, en in de +maatschappij onder den naam van Madeleine rond wandelende, niets meer +te vreezen had, mits hij de menschen er niet terughield, op het hoofd +van dien Champmathieu den steen der schande te blijven plaatsen, die, +evenals de steen van het graf, slechts éénmaal nedervalt, +en nooit weder opgeheven wordt.</p> +<p>Dat alles was zóó geweldig en zóó +wonderbaar, dat hij plotseling door die onbeschrijfelijke aandoening +bevangen werd, welke een mensch slechts twee of drie keer in zijn leven +ondervindt, een soort van stuiptrekking van het geweten, die al wat het +hart twijfelachtigs voedt, met geweld omkeert, die uit spotzucht, +vreugde en wanhoop bestaat, en die men een inwendigen schaterlach zou +kunnen noemen.</p> +<p>Hij stak haastig zijn kaars weder aan.</p> +<p>„Maar hoe, vroeg hij bij zich zelven, waarvoor vrees ik? +Waartoe al deze overdenkingen? ik ben gered, alles is voorbij. Er was +nog slechts één half geopende deur, door welke mijn +verleden in mijn leven kon dringen; deze deur is nu voor altijd dicht +gemetseld. Deze Javert, die mij sinds zoo lang kwelt, zijn vreeselijk +instinct, dat mij op ’t spoor scheen, dat mij inderdaad +opgespoord had, en mij overal volgde, deze afschuwelijke jachthond, die +mij altijd op de hielen zit, is nu <span class="pagenum">[<a id="pb244" href="#pb244" name="pb244">244</a>]</span>misleid, van ’t spoor +gebracht, geheel tot iets anders getrokken. Hij is nu voldaan, en zal +mij voortaan gerust laten, hij heeft zijn Jean Valjean! Wie weet, +waarschijnlijk wil hij wel de stad verlaten. En dat alles is buiten mij +om gebeurd. Ik heb er volstrekt geen deel aan gehad. Welnu! Wat is er +dan voor ongelukkigs in? Zoo mij de menschen zagen, zouden zij +inderdaad gelooven, dat mij een ramp heeft getroffen! Hoe het zij, +indien er iets kwaads voor iemand uit voortvloeit, ik heb er volstrekt +geen schuld aan. De Voorzienigheid heeft alles gedaan! Zij wil het +blijkbaar zoo! Heb ik het recht, datgene te verstoren wat Zij beschikt? +Wat wil ik nu eigenlijk? Waarmede zou ik mij bemoeien? ’t Raakt +mij niet. Hoe! ben ik niet tevreden! Maar wat wil ik dan? Het doel, +waarnaar ik zoovele jaren streef, de droom mijner nachten, het voorwerp +mijner gebeden tot den hemel, mijn veiligheid, ik heb ze verkregen. God +wil het zoo. Ik mag mij niet tegen Gods wil verzetten. En waarom wil +God het? Opdat ik voortga met ’t geen ik begonnen heb: opdat ik +goed doe, opdat ik eenmaal een groot, aanmoedigend voorbeeld zij, opdat +gezegd kunne worden, dat zich ten laatste een weinig geluk hecht aan de +boete, welke ik mij heb opgelegd, en aan de deugd waartoe ik ben +wedergekeerd! Waarlijk, ik begrijp niet waarom ik straks zoo bevreesd +was, bij den goeden pastoor binnen te gaan om hem, als biechtvader, +alles te verhalen en hem raad te vragen; hij zou mij ongetwijfeld +hetzelfde gezegd hebben. Het is dus beslist, wij willen de zaken haar +loop laten, en ons niet in de wegen der Voorzienigheid +verzetten.”</p> +<p>Zoo sprak hij in de diepste overtuiging van zijn gemoed, gebogen +over ’t geen men zijn eigen afgrond zou kunnen noemen. Hij stond +op van zijn stoel en wandelde door de kamer.—Kom, zeide hij, +denken wij er niet meer aan. Mijn besluit is genomen!—Maar hij +voelde geen vreugde.</p> +<p>Integendeel.</p> +<p>Men kan evenmin den geest beletten, tot een denkbeeld terug te +keeren, als de zee om terug te keeren tot het strand. Van de zee noemt +men dit vloed; van den schuldige wroeging. God beweegt de ziel evenals +den oceaan.</p> +<p>Na weinige oogenblikken—wat hij er ook tegen doen +mocht—ving hij dit sombere zelfgesprek weder aan, waarin hij +sprak en hoorde beide, zeggende wat hij had willen verzwijgen, hoorende +wat hij niet had willen hooren, zwichtende voor die geheimzinnige +macht, welke tot hem zeide: „denk!” gelijk zij, twee +duizend jaren geleden, tot een anderen veroordeelde zeide: +„wandel!”</p> +<p>Alvorens verder te gaan, en ten einde volkomen begrepen <span class="pagenum">[<a id="pb245" href="#pb245" name="pb245">245</a>]</span>te +worden, moeten wij een noodzakelijke opmerking maken.</p> +<p>’t Is zeker, dat men met zich zelven kan spreken; geen +menschelijk wezen, dat hiervan de ervaring niet heeft. Men kan zelfs +zeggen, dat het <i>woord</i> nooit een grootscher verborgenheid is, dan +wanneer het in den mensch van het verstand tot het geweten, en van het +geweten weder tot het verstand gaat. ’t Is alleen in dezen zin, +dat de in dit hoofdstuk meermalen gebezigde woorden, <i>hij zeide</i>, +<i>hij riep</i>, moeten verstaan worden; men zegt iets tot zich zelven, +men spreekt met zich zelven, men roept in zich zelven, zonder dat de +uitwendige stilte verstoord wordt. Er heerscht soms in ons een groot +rumoer, alles spreekt in ons behalve de mond. De wezenlijkheden der +ziel, hoewel niet zicht- en tastbaar, zijn daarom niet minder +werkelijkheden.</p> +<p>Madeleine vroeg zich dus af, hoe ver hij nu gekomen was. Hij +onderhield zich over zijn „genomen besluit.” Hij bekende +zich zelven, dat, al wat hij in zijn geest had bepaald, onhoudbaar was, +dat „de dingen hun loop laten,—den goeden God laten +handelen” op de keper beschouwd, afschuwelijke huichelarij was. +De vergissing van het lot en van de menschen toe te laten, ze niet te +beletten, er door zwijgen toe mede te werken, kortom: <i>niets te +doen</i>, was evenveel als alles te doen!’t Was de laagste trap +der schandelijkste geveinsdheid. ’t Was een lage, lafhartige, +gemeene, afzichtelijke, verfoeielijke misdaad!</p> +<p>Voor het eerst sedert acht jaren voelde de ongelukkige man de +bitterheid eener slechte gedachte en eener slechte daad.</p> +<p>Hij wierp ze met afkeer en ontzetting van zich af.</p> +<p>Hij ging in zijn eigen-onderzoek voort. Hij vroeg zich ernstig af, +wat hij verstaan had onder de woorden: „Mijn doel is +bereikt!” Hij betuigde zich zelven, dat zijn leven inderdaad een +doel had. Maar welk doel? Zijn naam te verbergen? de politie te +bedriegen? Was ’t voor zulk een nietige zaak, dat hij al datgene +gedaan had, wat hij had verricht? had hij geen ander doel, dat het +eigenlijke, groote doel was? Niet zijn persoon, maar zijn ziel te +redden. Weder een goed, eerlijk man te worden. Een rechtvaardige te +zijn! was het dit niet bovenal, dit niet alleen, wat hij gewild, wat de +bisschop hem aanbevolen had?—De deur voor zijn verleden sluiten? +Maar hij sloot ze hierdoor niet; integendeel, hij opende ze opnieuw, +door een schandelijke daad te plegen! hij werd weder een dief, en wel +de afschuwelijkste dief! hij stal een ander zijn bestaan, zijn leven, +zijn rust, zijn licht en geluk! hij werd <span class="pagenum">[<a id="pb246" href="#pb246" name="pb246">246</a>]</span>een moordenaar! hij +doodde, hij doodde zedelijk een ongelukkig mensch, hij bracht hem tot +dien vreeselijken, levenden dood, dien dood in de open lucht, dien men +het bagno noemt! Daarentegen—zich over te leveren, dezen man te +redden, die ’t slachtoffer van zulk een rampzalige dwaling was, +zijn eigen naam weder aan te nemen, wederom uit plichtbesef Jean +Valjean te worden; dit ware werkelijk de voltooiing zijner herleving en +opstanding geweest, en het voor eeuwig sluiten der hel, waaruit hij +kwam! Er schijnbaar in weder te keeren, was in werkelijkheid dien te +verlaten! Dat moest hij doen; zoo hij dit niet deed, had hij niets +gedaan; zijn geheel leven was nutteloos, zijn geheele boete ijdel. Hij +kon niet anders zeggen dan: waartoe heeft het gediend? Hij gevoelde, +dat de bisschop tegenwoordig was, dat hij te meer tegenwoordig was, +dewijl hij dood was; dat de bisschop zijn blik strak op hem gericht +hield, dat voortaan de maire Madeleine met al zijn deugden hem een +gruwel zou zijn, en dat de tuchteling Jean Valjean bewonderenswaardig +en rein zou wezen in zijn oogen. Dat de menschen slechts zijn masker +zagen, maar dat de bisschop zijn aangezicht zag. Dat de menschen +slechts zijn leven zagen, maar dat de bisschop zijn geweten zag. Hij +moest dus naar Arras gaan, om den gewaanden Jean Valjean te bevrijden +en den wezenlijken aan te geven. Helaas! dit was een ontzettend offer, +een smartelijke overwinning, een laatste stap; maar hij moest. +Rampzalig lot! hij kon voor Gods oog niet heilig zijn, dan wanneer hij +voor de oogen der menschen wederom in de schande verzonk!</p> +<p>„Welnu,” zeide hij, „laten wij hiertoe besluiten! +doen wij onzen plicht. Redden wij dien man!”</p> +<p>Hij sprak deze woorden met luide stem, zonder er op te letten, dat +hij luide sprak.</p> +<p>Hij nam zijn boeken, zag ze na en bracht ze in orde. Hij wierp een +lias met schuldbrieven van kleine kooplieden, die in bekrompen +omstandigheden waren, op ’t vuur. Toen schreef hij een brief, +dien hij verzegelde en op welks adres men had kunnen lezen, zoo iemand +op dat oogenblik in de kamer ware geweest: „<i>Aan Mijnheer +Laffitte, bankier, rue d’Artois te Parijs</i>.”</p> +<p>Hij nam uit een secretaire een portefeuille die eenige bankbriefjes +bevatte en het paspoort, waarvan hij zich dat jaar had bediend op zijn +reis naar de verkiezingen.</p> +<p>Wie hem gezien had, terwijl hij deze verschillende handelingen +verrichtte, die met zulk eene ernstige overweging gepaard gingen, zou +niet vermoed hebben wat in hem omging. Slechts nu en dan bewogen zich +zijn lippen; een andermaal richtte hij het hoofd op en vestigde zijn +blik op een of andere <span class="pagenum">[<a id="pb247" href="#pb247" name="pb247">247</a>]</span>plek van den wand, als ware juist +dáar iets, dat hij wilde onderzoeken of uitvorschen.</p> +<p>Toen hij den brief aan Laffitte geschreven had, stak hij hem in zijn +zak, evenals de portefeuille, en ging weder op en neer.</p> +<p>Zijn gedachten hadden geen andere richting genomen. Duidelijk zag +hij zijn plicht, in vlammende letters geschreven, die zijn zwevenden +blik overal volgden: „Ga, noem uw naam, geef u aan!”</p> +<p>Eveneens zag hij, en als bewogen zij zich in tastbare vormen voor +hem, de twee gedachten, die tot hiertoe het dubbele richtsnoer zijns +levens waren geweest: Zijn naam te verbergen, zijn ziel te +heiligen.</p> +<p>Voor het eerst verschenen zij hem geheel afzonderlijk. Hij erkende, +dat eene dezer gedachten noodwendig goed was, terwijl de andere slecht +kon worden; dat de eerste de godsdienstige wijding, de andere de +zelfzucht was; dat de eene den „medemensch” gold, de andere +„zijn eigen ik,” dat de eene uit het licht, de andere uit +de duisternis voortkwam.</p> +<p>Zij streden met elkander. Hij zag ze strijden. Naarmate hij ze +langer overdacht, waren zij voor het oog van zijn geest grooter +geworden; ze hadden nu reusachtige gestalten; en het scheen hem alsof +hij in zijn binnenste, in dat oneindige, waarvan wij gesproken hebben, +te midden der duisternis en van het licht, een godin en een reuzin zag +strijden.</p> +<p>Hij was met ontzetting vervuld, maar ’t kwam hem voor, dat de +goede gedachte de overwinning behaalde.</p> +<p>Hij gevoelde, dat hij nu aan het tweede beslissende oogenblik van +zijn geweten en van zijn lot gekomen was, dat de bisschop de aanleiding +tot de eerste herschepping van zijn leven had gegeven, en dat +Champmathieu die tot de tweede geven zou. Na de groote crisis kwam de +groote beproeving.</p> +<p>Intusschen vernieuwde zich allengskens de voor een oogenblik +onderdrukte koorts. Duizenden gedachten rezen in hem op, maar zij +dienden slechts om hem in zijn besluit te versterken.</p> +<p>Voor een oogenblik had hij tot zich zelven gezegd:—dat hij +misschien de zaak te ernstig opvatte, dat deze Champmathieu zooveel +belangstelling niet verdiende, dat hij in alle geval gestolen had.</p> +<p>Hij gaf zich zelven ten antwoord:—Zoo deze man werkelijk +eenige appels heeft gestolen, wordt hij met een maand gevangenis +gestraft. Dit is een oneindig groot verschil met de galeien. En zelfs, +wie weet het? heeft hij wel gestolen? is ’t bewezen? de naam van +Jean Valjean bezwaart hem en schijnt bewijzen noodeloos te maken. Is +dit niet gewoonlijk zoo, bij <span class="pagenum">[<a id="pb248" href="#pb248" name="pb248">248</a>]</span>de procureurs des konings? Men +gelooft, dat hij een dief is wijl men weet, dat hij een tuchteling is +geweest.</p> +<p>In een ander oogenblik kwam de gedachte bij hem op, dat, wanneer hij +zich zelf zou hebben aangegeven, men misschien den zeldzamen heldenmoed +dezer daad, zijn zevenjarig verdienstelijk leven en wat hij voor het +gewest had gedaan, in aanmerking zou nemen, en hem gratie schenken +zou.</p> +<p>Maar deze veronderstelling verdween spoedig, en hij glimlachte +bitter, als hij aan den diefstal der twee francs van den kleinen +Gervais dacht, welke diefstal hem tot een „in herhaling van +misdaad vervallen” (recidivist) maakte, dat deze zaak zekerlijk +weer aan ’t licht komen zou, en hem, volgens de uitdrukkelijke +woorden der wet, tot de straf van levenslangen dwangarbeid zou doen +veroordeelen.</p> +<p>Hij trachtte zich aan alle zelfmisleiding te onttrekken, maakte zich +meer en meer van de aarde los en zocht elders troost en kracht. Hij +zeide tot zich zelven, dat hij zijn plicht moest doen; dat hij +misschien niet ongelukkiger zou zijn, wanneer hij zijn plicht gedaan +had, dan wanneer hij dien ontweken was; dat, zoo hij de dingen hun loop +liet en hij te M. sur M. bleef, zijn aanzien, zijn goede naam, zijn +goede werken, de achting, de vereering, welke men hem toedroeg, zijn +liefdadigheid, zijn rijkdom, de genegenheid der bevolking, zijn deugd, +met een misdaad bezoedeld zouden zijn; en hoe zouden deze zegeningen +hem kunnen smaken, wanneer ze met zoo iets afschuwelijks gepaard +gingen? terwijl, zoo hij zijn opoffering bracht, in ’t bagno, aan +den schandpaal, aan de keten, met de groene muts, in onophoudelijken +arbeid, in schande zonder medelijden, zich een hemelsche gedachte te +midden van dit alles zou mengen.</p> +<p>Eindelijk zeide hij, dat het noodzakelijk was, dat zijn lot aldus +bepaald was, dat hij de beschikkingen des Hemels niet mocht +verhinderen, dat hij in allen geval een keus moest doen tusschen +uitwendige deugd en inwendige schande, of tusschen inwendige deugd en +uitwendige schande.</p> +<p>Bij de overweging van al deze sombere voorstellingen, wankelde zijn +moed niet, maar zijn hoofd werd moede. Onwillekeurig begon hij aan +andere, aan onverschillige dingen te denken. Zijn slapen klopten +geweldig; zijn hoofd bonsde. Hij ging altijd nog op en neer. Het sloeg +twaalf uren, eerst van den kerktoren, toen van ’t stadhuis. Hij +telde de twaalf slagen van beide klokken, en vergeleek beider klank met +elkander. Hij herinnerde zich bij deze gelegenheid, dat hij voor eenige +dagen bij een oud-ijzerkoopman een oude klok had gezien, waarop deze +naam stond: <i>Antoine Albin de Romainville</i>. <span class="pagenum">[<a id="pb249" href="#pb249" name="pb249">249</a>]</span></p> +<p>Hij was koud. Hij stookte het vuur aan. Hij dacht er niet aan het +venster te sluiten.</p> +<p>Ondertusschen verzonk hij in een soort van wezenloosheid. Hij moest +zich geweldig inspannen, om zich te herinneren waaraan hij gedacht had, +vóór het twaalf uren sloeg. Eindelijk gelukte het +hem.</p> +<p>„Ha! ’t is waar, ik had me voorgenomen mij aan te +geven.”</p> +<p>En eensklaps dacht hij aan Fantine.</p> +<p>„O, en die ongelukkige vrouw!”</p> +<p>Een nieuwe crisis ontstond.</p> +<p>Fantine, die plotseling in zijn mijmering oprees, scheen hem een +onverwachte lichtstraal. Al wat hem omgaf, scheen van aanzien te +veranderen en hij riep bij zich zelven:</p> +<p>„Ja, tot hiertoe heb ik slechts alleen aan mij zelven gedacht: +alleen mijn eigen belangen overwogen! Voor mij gold de vraag, te +zwijgen of mij aan te geven,—mijn persoon te verbergen of mijn +ziel te redden,—een verachtelijk maar geacht overheidspersoon of +een versmaad maar deugdzaam galeiboef te zijn: ’t is mij, altijd +mij, alleen mij, die dit aangaat. Maar mijn hemel, dit is alles slechts +zelfzucht. ’t Zijn verschillende vormen der zelfzucht, maar toch +niets anders dan zelfzucht! Moet ik ook niet een weinig aan anderen +denken? De eerste trap der deugd is, aan anderen te denken? Laat ons +zien en onderzoeken! Wanneer ik weg, verdwenen, vergeten ben, wat zal +van dit alles worden?—Zoo ik mij aangeef? dan zet men mij +gevangen, men laat Champmathieu los, men voert mij weder naar de +galeien:—goed, en vervolgens? Wat gebeurt hier? Hier, hier hebben +wij een stad, fabrieken, een industrie, werklieden, mannen, vrouwen, +grijsaards, kinderen, arme lieden! Dit alles heb ik geschapen; dit +alles leeft door mij; overal waar een schoorsteen rookt, heb ik het +hout op den haard en het vleesch in den pot gedaan; ik heb welvaart, +handel en krediet aangebracht, vóór mij was van dit alles +niets; ik heb het geheele oord opgericht, verlevendigd, bezield, +vruchtbaar gemaakt, versterkt en verrijkt; ontbreek ik, dan ontbreekt +de ziel. Ga ik, dan sterft alles.—En deze vrouw, die zooveel +geleden heeft, die, in weerwil van haar val, zooveel goeds heeft, wier +ongeluk ik onwillekeurig veroorzaakt heb! En ’t kind, dat ik +wilde gaan halen, dat ik der moeder beloofd heb! Ben ik ook niets aan +deze vrouw verschuldigd, ter vergoeding van het leed, dat ik haar +veroorzaakt heb? Wat zal gebeuren, zoo ik verdwijn? De moeder sterft. +Het kind wordt aan zich zelf overgelaten. Dat gebeurt, indien ik mij +aangeef.—En zoo ik mij niet aangeef? Laat eens zien, zoo ik mij +niet aangeef, wat dan?” <span class="pagenum">[<a id="pb250" href="#pb250" name="pb250">250</a>]</span></p> +<p>Na zich deze vraag gesteld te hebben, zweeg hij; hij scheen een +oogenblik te aarzelen en te beven; maar ’t was slechts een +oogenblik, en hij antwoordde bedaard:</p> +<p>„Welnu, deze man gaat naar de galeien; ’t is waar; maar, +wat drommel, hij heeft gestolen! Ik moge zeggen wat ik wil, hij heeft +gestolen! Ik blijf hier, ik zet mijn zaken voort; in tien jaren zal ik +tien millioen hebben gewonnen; ik verspreid ze door ’t land; ik +zal niets voor mij behouden; wat maakt mij dat uit? ’t Is niet +voor mij zelven, wat ik doe. De algemeene welvaart neemt toe, de +nijverheid ontwaakt en ontwikkelt zich, de fabrieken en werkplaatsen +vermeerderen; de gezinnen, honderd, duizend gezinnen zijn gelukkig; het +gewest wordt volkrijker; er ontstaan dorpen, waar nu slechts hoeven +zijn; er komen hoeven waar nu niets is; de armoede verdwijnt, en met de +armoede verdwijnen zedeloosheid, de prostitutie, de diefstal, de moord, +alle ondeugden, alle misdaden! En deze arme moeder voedt haar kind op! +en een geheel gewest is welvarend en deugdzaam. O, ik was dwaas, +waanzinnig! hoe kon ik er aan denken mij te willen aangeven? Men moet +alles wel overwegen, en niets met overhaasting doen. Hoe! wijl ’t +mij in den zin komt den deugdzame, den edelmoedige te spelen, ’t +Zou waarlijk niets anders dan een melodrama zijn! Wijl ik alleen aan +mij, aan mijn eigen persoon gedacht heb! Om een dief, althans blijkbaar +iemand zonder beteekenis, aan een misschien al te strenge, maar +eigenlijk toch billijke straf te onttrekken, zou een geheel gewest te +gronde gaan! een arme vrouw in ’t gasthuis sterven! een arm +meisje op de straat van gebrek omkomen! als een hond! O, ’t zou +afschuwelijk zijn! En zelfs zonder dat de moeder haar kind heeft +wedergezien! zonder dat het kind schier de moeder gekend heeft! +eeniglijk ter wille van dien ouden schelm, dien appeldief, die zeker de +galeien wel voor iets anders heeft verdiend, zoo het niet voor deze +zaak is. Fraaie nauwgezetheid, welke een schuldige redt en onschuldigen +opoffert, een ouden landlooper redt, die bij slot van rekening toch +slechts weinige jaren te leven heeft en niet veel ongelukkiger in het +bagno dan in zijn hut zal zijn, en hiervoor een geheele bevolking, +moeders, vrouwen, kinderen zou opofferen! Die arme kleine Cosette, die +niemand anders dan mij op de wereld heeft, en op dit oogenblik, +waarschijnlijk blauw van koude, in ’t ellendig verblijf der +Thénardier’s verwijlt. Dat zijn ook kanaljes! En zou ik +ten aanzien van deze allen aan mijn plichten te kort doen! Ik zou mij +gaan aangeven! Ik zou zulk eene dwaasheid doen. Laat ons het ergste +nemen. Laat ons aannemen, dat ik in deze zaak slecht handel en mijn +geweten ’t mij eenmaal <span class="pagenum">[<a id="pb251" href="#pb251" name="pb251">251</a>]</span>zal verwijten,—maar zoo ik, +tot welzijn van anderen, mij aan deze verwijten onderwerp, die alleen +op mij nederkomen, deze slechte daad verricht, die slechts mijne eigene +ziel schade kan doen, zoo geschiedt dit uit opoffering, uit deugd.</p> +<p>Hij stond op en ging weder op en neer. Dezen keer scheen hij met +zich zelven tevreden te zijn.</p> +<p>Men vindt de diamanten slechts in den donkeren schoot der aarde; men +vindt de waarheden alleen in de diepte der gedachten. Het kwam hem voor +alsof hij, na in deze diepte te hebben verwijld, na lang in de diepste +duisternis te hebben rondgetast, eindelijk een dier diamanten, een dier +waarheden had gevonden, en dat hij ze in zijn hand hield, terwijl hij +zich door haar aanschouwing liet verblinden.</p> +<p>Ja, dacht hij, zoo is het. Ik heb de waarheid, de oplossing. Men +moet zich eindelijk aan iets houden. Mijn besluit is genomen. Laat +gebeuren wat wil! Niet gewankeld, niet achteruit gegaan. +Zóó is ’t in aller belang, niet in het mijne. Ik +ben Madeleine, ik blijf Madeleine. Ongelukkig, wie Jean Valjean is! Ik +ben ’t niet meer. Ik ken dien man niet, ik weet niet meer wie hij +is! zoo er thans nog iemand gevonden wordt, die Jean Valjean heet, dat +hij er zich uitredde. ’t Gaat mij niet aan. ’t Is een +noodlottige naam, die in de duisternis zweeft; zoo hij op iemands hoofd +nedervalt, des te erger voor dezen.</p> +<p>Hij bezag zich in den kleinen spiegel op den schoorsteen en +zeide:</p> +<p>„Zie, ’t heeft mij verlicht nu ik een besluit genomen +heb! Ik ben nu geheel anders.”</p> +<p>Hij deed nog eenige schreden, toen bleef hij plotseling staan en +zeide:</p> +<p>„Welaan! niet teruggedeinsd voor eenig noodzakelijk gevolg van +mijn genomen besluit. Er zijn nog draden, die mij aan dezen Jean +Valjean hechten. Ik moet ze verbreken. Zelfs in deze kamer zijn +voorwerpen, die mij zouden beschuldigen, stomme dingen, die tegen mij +zouden kunnen getuigen; ja,—dat alles moet verdwijnen.</p> +<p>Hij tastte in zijn zak, nam zijn beurs en daaruit een +sleuteltje.</p> +<p>Hij stak dat sleuteltje in een slot, waarvan de opening nauwelijks +te ontdekken was, daar ze in de donkerste schakeeringen van het +behangselpapier, dat den muur bedekte, was verborgen. Een geheime +ruimte opende zich; een soort van kastje, dat tusschen den hoek van den +muur en den schoorsteenmantel was aangebracht. In dat kastje bevonden +zich slechts eenige prullen; een blauwlinnen kiel, een oude +<span class="pagenum">[<a id="pb252" href="#pb252" name="pb252">252</a>]</span>broek, een oude ransel en een aan beide einden +met ijzer beslagen dikke doornen stok. Zij, die Jean Valjean gezien +hadden, op het tijdstip, toen hij in October 1815 door D. kwam, zouden +gereedelijk al de stukken zijner ellendige kleeding hebben herkend.</p> +<p>Hij had ze bewaard, evenals hij de zilveren kandelaars bewaard had, +om zich steeds het keerpunt in zijn leven te herinneren. Maar dit, dat +uit het bagno kwam, verborg hij, en de kandelaars, die van den bisschop +kwamen, liet hij zien.</p> +<p>Hij sloeg een schuwen blik op de deur, alsof hij vreesde, dat zij, +in weerwil van den voorgeschoven grendel, mocht geopend worden; toen +nam hij, zonder zelfs het oog te slaan op deze voorwerpen, welke hij +zoo zorgvuldig en met zooveel gevaar gedurende vele jaren had bewaard, +met een haastigen greep lompen, stok, ransel, en wierp alles te zamen +in het vuur.</p> +<p>Hij sloot het verborgen kastje, en met dubbele voorzichtigheid, die +voortaan echter niet meer behoefde; wijl het kastje ledig was, schoof +hij er een zwaar meubelstuk voor.</p> +<p>Na weinige seconden waren de kamer en de tegenoverstaande muur door +een sterk flikkerenden weerschijn verlicht. Alles brandde; de doornen +stok knetterde en wierp vonken tot in ’t midden der kamer.</p> +<p>Uit den ransel, die met de daarin zijnde afzichtelijke vodden +verbrandde, was iets gevallen, dat in de asch glinsterde. Als men zich +gebukt had, zou men gemakkelijk een geldstuk hebben ontdekt. +Ongetwijfeld het tweefrancstuk, dat aan den kleinen savooiaard +ontstolen was.</p> +<p>Maar hij sloeg geen oog op het vuur en ging steeds met denzelfden +tred heen en weder. Eensklaps viel zijn blik op de beide zilveren +kandelaars, die door het schijnsel van het vuur op den schoorsteen +glinsterden.</p> +<p>Ha! dacht hij, daarin leeft Jean Valjean nog geheel en al. Ook zij +moeten vernietigd worden.</p> +<p>Hij nam de beide kandelaars.</p> +<p>Er was vuur genoeg, om ze spoedig tot een vormloozen klomp te +versmelten en onherkenbaar te maken.</p> +<p>Hij boog zich over den haard en warmde zich even. ’t Deed hem +goed, en hij zeide: Een aangename warmte!</p> +<p>Met een der kandelaars stookte hij het vuur op.</p> +<p>Een minuut later, en beide lagen in het vuur.</p> +<p>Op dit oogenblik scheen hij een inwendige stem te hooren, die hem +toeriep: „Jean Valjean! Jean Valjean!”</p> +<p>Zijn haar rees te berge; het was hem als iemand, die iets +vreeselijks hoort. <span class="pagenum">[<a id="pb253" href="#pb253" name="pb253">253</a>]</span></p> +<p>„Ja, zoo is het goed, ga voort!” zei de stem. +„Voltooi wat ge doet! vernietig deze kandelaars! vernietig deze +herinnering! vergeet den bisschop! vergeet alles! stort Champmathieu in +’t verderf! Goed! wensch u geluk! ’t Is dus bepaald, +besloten! deze man, deze grijsaard, die niet weet wat men van hem wil, +die wellicht niets misdreven heeft, een onschuldige, wiens ongeluk +alleen door uw naam is veroorzaakt, op wien uw naam als een misdaad +drukt, zal voor u gehouden, zal veroordeeld worden; hij zal zijn leven +in schande en ellende doorbrengen! Goed! Wees gij een eerlijk man! +Blijf mijnheer de maire, blijf achtbaar en geëerd, verrijk de +stad, voed de armen, verpleeg de weezen, leef gelukkig, deugdzaam en +bewonderd, en terwijl gij hier in vreugde en glans zult leven, zal een +ander uw roode buis, uw eerloozen naam dragen en in het bagno uw keten +sleepen. Ja, zoo is het wijs overlegd! O, ellendeling!”</p> +<p>Het zweet droop van zijn voorhoofd. Strak staarde hij op de +kandelaars. Wat evenwel in hem sprak, had nog niet geëindigd. De +stem ging voort:</p> +<p>„Jean Valjean! vele stemmen zullen zich rondom u verheffen, +luide spreken en u zegenen; maar één stem, die niemand +hoort, zal u in de duisternis vloeken. Welnu, luister, eerlooze! al +deze zegeningen zullen neerslaan, vóór ze den hemel +hebben bereikt, en slechts de vloek zal tot God opstijgen.”</p> +<p>Deze stem, aanvankelijk zwak, uit het duisterste van zijn geweten +opgerezen, was allengs geweldig en schrikbarend geworden, en hij hoorde +ze nu in zijn ooren, ’t Was hem, alsof zij van hem uit was gegaan +en nu buiten hem sprak. Hij meende zoo duidelijk de laatste woorden te +hooren, dat hij angstig de kamer rondzag.</p> +<p>„Is hier iemand?” vroeg hij luid en ontroerd.</p> +<p>En hij hernam, met een lach, welke dien van een waanzinnige geleek: +„Wat ben ik dwaas! hier kan niemand zijn!’’</p> +<p>Er was evenwel iemand; maar iemand, dien ’t menschelijk oog +niet zien kan.</p> +<p>Hij zette de kandelaars weder op den schoorsteen.</p> +<p>Toen hervatte hij die eentonige, sombere wandeling, welke den man, +die onder hem sliep, in zijn droomen stoorde en deed ontwaken.</p> +<p>Deze wandeling verlichtte en bedwelmde hem tevens. Het schijnt, dat +men zich in gewichtige oogenblikken slechts heen en weer beweegt, om +raad te vragen aan alles wat men ontmoet. Na weinige oogenblikken wist +hij wederom niet meer hoe ’t met hem geschapen was. <span class="pagenum">[<a id="pb254" href="#pb254" name="pb254">254</a>]</span></p> +<p>Thans deinsde hij met evenveel schrik terug voor de beide besluiten, +welke hij achtereenvolgens genomen had. De beide voornemens, die hij +gevormd had, kwamen hem al even verderfelijk voor.—Welk een +noodlottige vergissing, deze Champmathieu, die voor hem werd gehouden! +Ten val te worden gebracht, juist door het middel, ’t welk de +Voorzienigheid eerst scheen bestemd te hebben om hem te behoeden.</p> +<p>Een oogenblik sloeg hij een oog in de toekomst. Groote God! zich +zelven aan te geven, over te leveren! Met innige wanhoop beschouwde hij +alles; wat hij moest verlaten; alles, waartoe hij moest wederkeeren. +Hij moest dan afstand doen van dit goede, reine, bekoorlijke leven, van +aller achting, van zooveel eer en van de vrijheid! Hij zou niet meer +wandelen in de velden, niet meer het gezang der vogelen hooren in de +maand Mei: hij zou de kleine kinderen geen geschenken meer geven. Hij +zou den zachten blik der dankbaarheid en der liefde niet meer op zich +gevestigd zien! Hij zou het huis verlaten, dat hij gebouwd had; deze +kleine kamer! Dit alles scheen hem in dit oogenblik zoo dierbaar! Hij +zou deze boeken niet meer lezen, niet meer aan dit nette tafeltje +schrijven! Zijn oude portierster, zijn eenige dienstbode, zou hem zijn +ontbijt niet meer brengen! Groote God! in plaats van dat alles de +gijzeling, de halsketen, het roode buis, de voetkogel, de zware arbeid, +het cachot, de brits, alle hem bekende gruwelen! En dat op zijn +leeftijd, na geweest te zijn wat hij thans was! Zoo hij nog jong ware! +Maar oud, door iedereen ruw behandeld, door den opzichter onderzocht, +door den bewaarder geslagen te worden! Barvoets in gespijkerde schoenen +te gaan. ’s Ochtends en ’s avonds den smid zijn been te +vertoonen. De nieuwsgierigheid der vreemdelingen te dulden, tot wie men +zou zeggen: „dit is de beruchte Jean Valjean, die maire te M. sur +M. is geweest.” Des avonds, druipend van ’t zweet, uitgeput +van vermoeidheid, met de groene muts op de oogen, twee aan twee, onder +de zweep van den bewaarder, die trapleer der drijvende gevangenis te +moeten opklimmen! Ach! welk een ellende! Kan dan het lot boosaardig +zijn als een verstandig wezen, en gedrochtelijk worden als het +menschelijk hart?</p> +<p>Wat hij ook deed, hij verviel altijd weder tot het noodlottige +dilemma, dat aan al zijn gedachten ten grondslag lag:—„In +het paradijs te blijven en er duivel worden! Naar de hel wederkeeren en +er engel worden!”</p> +<p>Wat te doen, groote God! wat te doen?</p> +<p>De storm, waaruit hij zich met zooveel moeite gewerkt had, brak +opnieuw in hem los. Zijn gedachten werden verward. Zij namen dat +verstompte, lijdelijke aan, ’t welk der wanhoop <span class="pagenum">[<a id="pb255" href="#pb255" name="pb255">255</a>]</span>eigen is. De naam Romainville kwam hem telkens +in den geest, met twee verzen van een liedje, dat hij eertijds gehoord +had.</p> +<p>Hij herinnerde zich dat Romainville een boschje bij Parijs was, waar +in de maand April jeugdige verliefden seringen gaan plukken.</p> +<p>Hij wankelde zoowel in- als uitwendig. Hij ging als een kind zonder +leiband.</p> +<p>In sommige oogenblikken verzette hij zich tegen zijne matheid en +trachtte zijn geest weder kracht te geven. Hij poogde ten laatsten male +en op beslissende wijze het raadsel op te lossen, waarbij hij, om zoo +te spreken, vermoeid was neergezonken. Moet ik mij aangeven? moet ik +zwijgen?—’t Gelukte hem niet, iets duidelijks te zien. De +flauwe schaduwbeelden van alle voorstellingen, die zijn gepeins hadden +opgewekt, flikkerden en verdwenen het een na het ander als in rook. Dit +alleen gevoelde hij, dat, waartoe hij ook besloot, er iets in hem +noodwendig en onvermijdelijk sterven moest; dat hij zoowel links als +rechts in een graf stapte; dat hij òf van zijn geluk òf +van zijn deugd afstand moest doen.</p> +<p>Helaas! zijn besluiteloosheid had weder geheel de overhand. Hij was +weder niets verder dan toen hij begon.</p> +<p>Alzoo worstelde deze ongelukkige ziel als in een doodsstrijd. +Achttienhonderd jaren vóór dezen rampzalige, had het +geheimzinnige wezen, in ’t welk al het heilige en al het lijden +der menschheid vereenigd was,—had ook dit wezen, terwijl de +olijfboomen in den woesten wind van het oneindige sidderden, met de +hand lang den vriendelijken beker verwijderd, die, overvloeiende van +duisternis en schaduw, hem in de diepten van het gesternde uitspansel +verscheen.</p> +</div> +</div> +<div id="ch7.4" class="div1"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">Vierde hoofdstuk.</h2> +<h2 class="main">Vormen, die het lijden aanneemt gedurende den +slaap.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">’t Had drie uren in den morgen geslagen, en +gedurende vijf uren had hij aldus schier onafgebroken heen en weder +gegaan, toen hij eindelijk op een stoel nederzeeg.</p> +<p>Hij viel in slaap en droomde.</p> +<p>Deze droom was, gelijk meest alle droomen, slechts door iets +smartelijks en treurigs, met den huiselijken toestand in verband, maar +deze benauwde droom maakte zulk een diepen indruk op hem, dat hij dien +later opschreef. Dit geschrift bevond <span class="pagenum">[<a id="pb256" href="#pb256" name="pb256">256</a>]</span>zich onder zijn +nagelaten papieren. Wij meenen de woorden letterlijk te moeten +mededeelen.</p> +<p>Hoe deze droom ook zijn mocht, de geschiedenis van dezen nacht zou +onvolledig zijn, zoo wij hem verlieten. ’t Is een treurig verhaal +van een zieke ziel.</p> +<p>Ziehier. Op den omslag vinden wij dezen regel geschreven: +<span class="ex">de droom, welken ik dien nacht had</span>.</p> +<div class="blockquote"> +<p class="first">„Ik bevond mij buiten op een uitgestrekte +vlakte, waar geen gras groeide. ’t Scheen mij, alsof ’t +geen dag en geen nacht was. Ik wandelde met mijn broeder, den broeder +uit mijne kindsheid, den broeder, aan wien, ik beken het, ik nimmer +denk, en dien ik mij nauwelijks herinner.</p> +<p>„Wij praatten met elkander en ontmoetten voorbijgangers. Wij +spraken van een buurvrouw, welke wij vroeger hadden, en die, sedert zij +aan de straat woonde, steeds voor het open venster arbeidde. Terwijl +wij dus spraken, werden wij koud door den tocht van dat open +venster.</p> +<p>„Er waren geen boomen op die vlakte.</p> +<p>„Wij zagen een man, die ons voorbijging. Hij was geheel naakt +en aschkleurig, en zat op een paard, dat aardkleurig was. Deze man had +geen haar; men zag zijn kalen schedel en de aderen op den schedel. Hij +had een stokje in de hand, dat buigzaam was als een wijngaardrank en +zwaar als ijzer. Deze ruiter ging voorbij en zeide niets tot ons.</p> +<p>„Mijn broeder zeide: laten wij den hollen weg nemen.</p> +<p>„Er was een holle weg, waar men noch struiken, noch gras zag. +Alles was aardkleurig, zelfs de hemel. Na eenige schreden voortgegaan +te zijn, ontving ik geen antwoord meer, wanneer ik sprak. Ik merkte, +dat mijn broeder niet meer bij mij was.</p> +<p>„Ik ging een dorp in, dat ik zag. Ik dacht dat het Romainville +moest zijn (waarom Romainville?)</p> +<p>„De eerste straat, welke ik doorging, was doodsch en eenzaam. +Ik sloeg een tweede straat in. Op den hoek van beide straten stond een +man tegen den muur. Ik vroeg dien man: Waar ben ik? Welk oord is dit? +De man antwoordde niet. Ik zag de deur van een huis open staan, en ging +binnen.</p> +<p>„De eerste kamer was ledig. Ik trad de tweede binnen. Achter +deze deur stond een man tegen den muur. Ik vroeg dien man: wien behoort +dit huis? Waar ben ik? De man antwoordde niet. Er was een tuin bij het +huis.</p> +<p>„Ik verliet het huis en ging in den tuin. De tuin was woest en +ledig. Achter den eersten boom vond ik een man staan. Ik <span class="pagenum">[<a id="pb257" href="#pb257" name="pb257">257</a>]</span>zeide tot den man: wien behoort deze tuin? Waar +ben ik? De man antwoordde niet.</p> +<p>„Ik ging ’t dorp door en zag dat ’t een stad was. +Al de straten waren eenzaam, al de deuren stonden open. Geen levend +schepsel ging over straat, in de kamers, of in de tuinen. Maar op den +hoek van elke straat, achter elke deur, achter elken boom stond +zwijgend een man. Men zag er altijd maar één te gelijk. +Deze mannen zagen mij voorbijgaan.</p> +<p>„Ik verliet de stad en ging naar buiten.</p> +<p>„Na eenigen tijd keerde ik mij om, en ik zag een groote +menigte achter mij. Ik herkende al de menschen, welke ik in de stad had +gezien. Zij hadden wonderlijke hoofden. Zij schenen zich niet te +haasten, en evenwel gingen zij sneller dan ik. Hun voetstappen maakten +geen geluid. In een oogenblik had deze menigte mij bereikt en omringde +mij. De gezichten dezer mannen waren aardkleurig.</p> +<p>„Toen zeide mij de eerste, dien ik gezien en ondervraagd had, +toen ik de stad binnenging:—Waar gaat ge heen? Weet ge niet, dat +ge sinds lang dood zijt?</p> +<p>„Ik opende den mond om te antwoorden, maar zag dat niemand +meer bij mij was.”</p> +</div> +<p>Madeleine werd wakker. Hij was ijskoud. De koude ochtendwind deed de +opengebleven ramen op hun hengels draaien. Het vuur was uitgegaan. De +kaars brandde in de pijp. Het was nog donkere nacht.</p> +<p>Hij stond op en ging naar ’t raam. Geen ster was nog aan den +hemel.</p> +<p>Uit het venster zag men op de plaats van het huis en op de straat. +Een ratelend, krakend geluid van de straat deed hem de oogen naar +beneden slaan.</p> +<p>Hij zag twee roode sterren, wier stralen op zonderlinge wijze in de +duisternis nu eens korter dan weer langer werden.</p> +<p>Daar zijn gedachten nog ten halve door den droom beneveld waren, +dacht hij:—Zie, aan den hemel zijn geen sterren; zij zijn thans +op de aarde.</p> +<p>Zijn geestverwarring verdween echter, en een tweede gerucht, gelijk +aan het eerste, maakte hem volkomen wakker; hij zag nauwkeuriger toe en +bespeurde, dat deze twee sterren de lantaarns van een rijtuig +waren.</p> +<p>Bij het schijnsel van het licht, dat zij wierpen, kon hij den vorm +van een rijtuig onderscheiden. ’t Was een tilbury, met een klein, +wit paard bespannen. Het gerucht, dat hij gehoord had, was de hoefslag +van het paard op de straatsteenen. <span class="pagenum">[<a id="pb258" href="#pb258" name="pb258">258</a>]</span></p> +<p>„Wat beteekent dit rijtuig?” vroeg hij bij zich zelf. +„Wie komt hier zoo vroeg?”</p> +<p>Juist werd er zacht aan de deur zijner kamer geklopt.</p> +<p>Hij rilde van het hoofd tot de voeten, en riep verschrikt:</p> +<p>„Wie is daar?”</p> +<p>„Ik, mijnheer de maire,” antwoordde iemand.</p> +<p>Hij herkende de stem zijner oude portierster.</p> +<p>„Welnu, wat is er?” vroeg hij.</p> +<p>„Mijnheer de maire, ’t is zoo vijf uur.”</p> +<p>„Wat gaat mij dat aan?”</p> +<p>„De cabriolet is er, mijnheer de maire.”</p> +<p>„Welke cabriolet?”</p> +<p>„De tilbury.”</p> +<p>„Welke tilbury?”</p> +<p>„Heeft mijnheer de maire geen tilbury besteld?”</p> +<p>„Neen,” antwoordde hij.</p> +<p>„De koetsier zegt, dat hij ’t mijnheer komt +brengen.”</p> +<p>„Welke koetsier?”</p> +<p>„De koetsier van Scaufflaire.”</p> +<p>„Scaufflaire!”</p> +<p>Deze naam deed hem schrikken, alsof een bliksemstraal langs zijn +oogen schoot.</p> +<p>„O ja,” hernam hij; „Scaufflaire.”</p> +<p>Zoo de oude vrouw hem op dat oogenblik had kunnen zien, zou zij +geschrokken zijn.</p> +<p>Er ontstond eene pauze. Hij staarde met wezenloozen blik in de vlam +der kaars en nam van het heete, smeltend vet van de pit, en wreef dat +tusschen zijn vingers. De oude vrouw wachtte. Zij waagde het nogmaals +haar stem te verheffen:</p> +<p>„Mijnheer de maire, wat moet ik zeggen?”</p> +<p>„Zeg dat het goed is, ik kom.”</p> +</div> +</div> +<div id="ch7.5" class="div1"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">Vijfde hoofdstuk.</h2> +<h2 class="main">Spaken in de wielen.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">De postdienst van Arras naar M. sur M. werd destijds +nog verricht door kleine postkarren uit den tijd van het keizerrijk. +’t Waren tweewielige rijtuigen op veeren, van binnen met leder +bekleed, en voor niet meer dan twee personen, een passagier en den +postillon. De wielen hadden lange naven, welke andere rijtuigen op +behoorlijken afstand houden, en die men nog in Duitschland op de wegen +ziet. De langwerpige brievenkist was <span class="pagenum">[<a id="pb259" href="#pb259" name="pb259">259</a>]</span>achter de cabriolet +en maakte er een geheel mee uit. Deze kist was zwart en de cabriolet +geel geschilderd.</p> +<p>Deze rijtuigen, van alle tegenwoordig bestaande geheel afwijkende, +hadden iets onbeschrijfelijk wanstaltigs en plomps; wanneer men ze in +de verte langs den weg zag voortbewegen, geleken zij op die insekten, +(termiten, geloof ik, geheeten,) met een dun voor- en zeer dik +achterlijf. Zij reden overigens zeer snel. De postkar, die alle nachten +te één ure, na de aankomst van de Parijsche postkar uit +Arras vertrok, kwam even vóór vijf uren ’s morgens +te M. sur M. aan.</p> +<p>Dien nacht stiet de postkar, bij het inrijden der stad M. sur M, op +den hoek eener straat tegen een kleine tilbury met een wit paard +bespannen, die van den anderen kant kwam, en waarin slechts +één persoon, een man in een mantel gewikkeld, zat. Het +wiel der tilbury kreeg een vrij harden schok. De postillon riep dien +man toe stil te houden, maar de reiziger hoorde niet en reed in vollen +draf voort.</p> +<p>„Verduiveld! die man heeft haast,” zei de postillon.</p> +<p>De man, die zich zoo haastte, was hij, dien wij in zulk een +bedroevenswaardigen zielestrijd gezien hebben.</p> +<p>Waarheen ging hij? Hij had het niet kunnen zeggen. Waarom haastte +hij zich? Hij wist het niet. Hij ging op goed geluk af voorwaarts. +Waarheen? Ongetwijfeld naar Arras. Wellicht ook naar elders. Hij dacht +hieraan bij wijlen, en dan ontroerde hij. Hij drong in dezen nacht door +als in een afgrond. Iets dreef hem, iets trok hem aan. Niemand had +kunnen zeggen, wat in hem omging; maar iedereen zal ’t begrijpen. +Wie is niet, ten minste éénmaal van zijn leven, de +duistere spelonk van het onbekende binnengegaan?</p> +<p>Overigens was hij tot geenerlei besluit gekomen, had zich niets +voorgenomen, niets bepaald, niets gedaan. Geen zijner overleggingen was +beslissend geweest. Hij was meer dan ooit als in den eersten +oogenblik.</p> +<p>Waarom ging hij naar Arras?</p> +<p>Hij herhaalde bij zich zelven, wat hij bereids tot zich zelf had +gezegd, toen hij de cabriolet van Scaufflaire huurde—dat, welke +ook de uitkomst mocht zijn, niets hem behoefde te weerhouden, met eigen +oogen te zien, in persoon over de zaken te oordeelen;—dat het +zelfs voorzichtig was te weten wat er gebeuren zou;—dat er geen +besluit was te nemen dan na wel onderzocht en overwogen te +hebben;—dat men zich op een afstand alles vergroot +voorstelt;—dat eindelijk, wanneer hij dien Champmathieu, een of +anderen ellendeling, gezien had, zijn geweten zich waarschijnlijk zeer +verlicht zou voelen door hem in zijne plaats naar het bagno te laten +gaan;—<span class="pagenum">[<a id="pb260" href="#pb260" name="pb260">260</a>]</span>dat, wel is waar, Javert, alsmede Brevet, +Chenildieu en Cochepaille, oude tuchtelingen, die hem gekend hadden, er +ook zouden zijn; maar zij zouden hem stellig niet herkennen.—Hoe +kon hij zich zoo iets in ’t hoofd halen! Javert had allen argwaan +tegen hem opgegeven,—alle gissingen en vermoedens waren op +Champmathieu gevestigd, en niets is stijfzinniger dan gissingen en +vermoedens;—er was voor hem dus niet het minste gevaar te +vreezen.</p> +<p>Dat het inderdaad een onaangename toestand voor hem was, maar dat +hij er wel uit zou komen;—dat hij in allen gevalle zijn lot, hoe +ongunstig het mocht wezen, in zijn handen had,—dat hij er meester +van was. Aan deze gedachten klemde hij zich vast.</p> +<p>In den grond van zijn hart ware hij toch eigenlijk liever niet naar +Arras gegaan.</p> +<p>Hij ging er evenwel heen.</p> +<p>Zich met dergelijke gedachten bezig houdende, legde hij de zweep +over zijn paard, dat in dien regelmatigen, vasten draf bleef, waarin +derdehalf uur in één uur wordt afgelegd.</p> +<p>Naar gelang het rijtuig voortging, voelde hij iets in zich, dat +achteruitging.</p> +<p>Toen de dag aanbrak was hij op het vlakke veld, en de stad M. sur M. +lag reeds verre achter hem. Hij zag ’t aan den gezichteinder +licht worden; hij zag, zonder er op te letten, al de koude gestalten +van een wintermorgen voorbij zich heengaan.</p> +<p>De morgen heeft evenzeer zijn spookbeelden als de avond. Hij zag ze +niet; maar, zonder dat hij ’t zelf merkte, voegden deze donkere +schaduwbeelden van boomen en heuvels iets sombers en treurigs toe, aan +de levende ongerustheid zijner ziel.</p> +<p>Telkens wanneer hij een eenzaam huisje aan den weg voorbijreed, +zeide hij bij zich zelven: daarbinnen zijn toch lieden die slapen!</p> +<p>De hoefslag van het paard, de bellen van het tuig, de wielen op den +weg brachten een zacht, eentonig geluid voort, aangenaam wanneer men +vroolijk, maar onaangenaam wanneer men treurig is.</p> +<p>’t Was volkomen dag toen hij te Hesdin aankwam. Hij hield stil +voor een herberg, om zijn paard een weinig te laten uitrusten en het +haver te doen geven.</p> +<p>Dat paard was, gelijk Scaufflaire had gezegd, van het kleine +Boulonneesche ras, dat te dikken kop, te grooten buik en te korten hals +heeft, maar een breede borst, een breed kruis, fijne, gespierde en +forsche pooten; een leelijk, maar sterk en gezond paardenras. Het +voortreffelijke dier had vijf <span class="pagenum">[<a id="pb261" href="#pb261" name="pb261">261</a>]</span>uren in twee uren afgelegd en +had van achter nog geen droppel zweet.</p> +<p>Madeleine steeg niet uit het rijtuig. De stalknecht, die de haver +bracht, bukte plotseling en beschouwde het linker wiel.</p> +<p>„Moet ge nog verder?” vroeg hij den reiziger.</p> +<p>„Waarom?” vroeg deze, steeds in gedachten verdiept.</p> +<p>„Zijt ge reeds ver gekomen?” hernam de knecht.</p> +<p>„Vijf uren van hier.”</p> +<p>„Wel zoo!”</p> +<p>„Waarom verwondert u dit?”</p> +<p>De knecht bukte zich opnieuw, zag een poos zwijgend naar het wiel, +en zich toen oprichtende, zeide hij:</p> +<p>„’t Is mogelijk, dat dit wiel vijf uren heeft geloopen, +maar stellig zal het dit geen kwartier meer doen.”</p> +<p>Madeleine sprong uit het rijtuig.</p> +<p>„Wat zegt ge, vriend?”</p> +<p>„Ik zeg, dat ’t een wonder is, dat ge vijf uren hebt +afgelegd, zonder met uw paard in een sloot langs den weg te zijn +gevallen. Zie slechts.”</p> +<p>Inderdaad, het wiel was erg beschadigd. De stoot tegen de postkar +had twee spaken gebroken en de naaf doen barsten, waarvan de schroef +los zat.</p> +<p>„Is hier een wagenmaker, vriend?” vroeg hij den +stalknecht.</p> +<p>„Welzeker, mijnheer.”</p> +<p>„Wees dan zoo goed hem te halen.”</p> +<p>„Hij woont twee schreden van hier. Hei, baas +Bourgaillard!”</p> +<p>Baas Bourgaillard, de wagenmaker, stond voor zijn deur. Hij kwam, +onderzocht het wiel en zette een gezicht als een chirurgijn, die een +gebroken been ziet.</p> +<p>„Kunt ge dadelijk dat wiel herstellen?”</p> +<p>„Ja, mijnheer.”</p> +<p>„Wanneer kan ik verder reizen?”</p> +<p>„Morgen.”</p> +<p>„Morgen!”</p> +<p>„Er is voor een dag werk aan. Heeft mijnheer haast?”</p> +<p>„Groote haast. Ik moet uiterlijk over een uur +vertrekken.”</p> +<p>„Onmogelijk, mijnheer.”</p> +<p>„Ik zal betalen wat ge vraagt.”</p> +<p>„Onmogelijk.”</p> +<p>„Nu, dan in twee uren.”</p> +<p>„Vandaag is ’t niet mogelijk. Er moeten twee nieuwe +spaken en een naaf worden gemaakt. Mijnheer kan niet vóór +morgen vertrekken.”</p> +<p>„Mijn zaak kan niet tot morgen wachten. Zoo ge een ander wiel +naamt, in plaats van dit te herstellen?” <span class="pagenum">[<a id="pb262" href="#pb262" name="pb262">262</a>]</span></p> +<p>„Hoe?”</p> +<p>„Ge zijt wagenmaker?”</p> +<p>„Gewis, mijnheer.”</p> +<p>„Hebt ge niet een wiel te koop? ik zou dan dadelijk kunnen +vertrekken.”</p> +<p>„Een ander wiel?”</p> +<p>„Ja.”</p> +<p>„Ik heb geen wiel voor uw cabriolet gereed. Twee wielen maken +een paar. Twee verschillende wielen passen niet bij elkaar.”</p> +<p>„Verkoop mij dan een paar wielen.”</p> +<p>„Alle wielen passen niet op alle assen.”</p> +<p>„Beproef het eens.”</p> +<p>„’t Is onnoodig, mijnheer. Ik heb niets dan karwielen te +koop. In dit plaatsje kent men geen andere.”</p> +<p>„Zoudt ge mij een cabriolet kunnen verhuren?”</p> +<p>De wagenmaker had bij den eersten oogopslag gezien, dat de tilbury +een huurrijtuig was. Hij haalde de schouders op.</p> +<p>„Ge springt met de cabriolet, die men u verhuurt, aardig om! +zoo ik er een had, zou ik ze u niet verhuren.”</p> +<p>„Nu, dan verkoopen?”</p> +<p>„Ik heb er geen.”</p> +<p>„Wat! ook niet een karretje? ik ben niet keurig, zooals ge +ziet.”</p> +<p>„We zijn hier in een klein plaatsje. Ik heb in mijn +wagenschuur,” hernam de man, „wel een oude kales, die aan +een burger in de stad behoort, welke ze mij ter bewaring heeft gegeven +en ze zelden of nooit gebruikt. Ik wil ze u wel verhuren, wat kan +’t mij schelen! maar de burger mag ze niet voorbij zien rijden, +en bovendien, is ’t een kales; daar zijn twee paarden voor +noodig.”</p> +<p>„Ik zal postpaarden nemen.”</p> +<p>„Waar gaat mijnheer heen?”</p> +<p>„Naar Arras.”</p> +<p>„En wil mijnheer daar vandaag zijn.”</p> +<p>„Zekerlijk.”</p> +<p>„Met postpaarden?”</p> +<p>„Waarom niet?”</p> +<p>„Is ’t mijnheer goed, er van nacht te vier uren aan te +komen?”</p> +<p>„Volstrekt niet.”</p> +<p>„’t Is, weet ge..., met postpaarden heeft het veel +bezwaar. Heeft mijnheer een pas?”</p> +<p>„Ja.” <span class="pagenum">[<a id="pb263" href="#pb263" name="pb263">263</a>]</span></p> +<p>„Nu, zoo mijnheer postpaarden neemt, komt hij niet voor +morgenochtend te Arras. Wij hebben hier een binnenweg. De wisselpaarden +zijn moeielijk te krijgen, wijl zij op het veld zijn. ’t Is het +seizoen, dat het ploegen begint; er zijn veel paarden noodig, en men +neemt paarden waar men ze krijgen kan, zoowel aan de paardenposterij +als elders. Mijnheer zal minstens drie of vier uren aan elk station +moeten wachten. Bovendien rijdt men stapvoets, want er zijn veel +hoogten in den weg.”</p> +<p>„Welaan, dan rij ik te paard. Span de cabriolet uit; er zal +hier wel een zadel te koop zijn.”</p> +<p>„O ja; maar wil dit paard onder den zadel loopen?”</p> +<p>„’t Is waar, ge herinnert er mij aan, het wil niet onder +den zadel.”</p> +<p>„Dan....”</p> +<p>„Maar in ’t dorp zal ik wel een paard kunnen +huren?”</p> +<p>„Een paard om in ééns door naar Arras te +rijden?”</p> +<p>„Ja.”</p> +<p>„Dat zou een paard moeten zijn, zooals men er hier geen heeft. +Ge zoudt het bovendien moeten koopen, want men kent u niet. Maar te +koop noch te huur, voor geen vijfhonderd, noch voor duizend francs, +zoudt ge er een vinden.”</p> +<p>„Wat te doen?”</p> +<p>„Op mijn woord, het beste is, dat ik het wiel herstel en ge uw +reis tot morgen uitstelt.”</p> +<p>„Morgen is ’t te laat.”</p> +<p>„Dat is erg!”</p> +<p>„Is er geen postkar naar Arras? Wanneer passeert ze +hier?”</p> +<p>„Van nacht. Beide postkarren, zoowel die aankomt als die +vertrekt, rijden ’s nachts.”</p> +<p>„Maar hebt ge een geheelen dag werk om dit wiel te +herstellen?”</p> +<p>„Een dag, en wel een goeden!”</p> +<p>„En zoo ge er twee werklieden aanzet?”</p> +<p>„Al zette ik er tien aan.”</p> +<p>„Zoo men de spaken met touwen bond?”</p> +<p>„Ja, de spaken, maar de naaf dan? Ook de velgen deugen +niet.”</p> +<p>„Is in de stad een rijtuig-verhuurder?”</p> +<p>„Neen.”</p> +<p>„Is er nog een andere wagenmaker?”</p> +<p>De stalknecht en de wagenmaker antwoordden, te gelijk het hoofd +schuddende: Neen.</p> +<p>Madeleine gevoelde een onbeschrijfelijke blijdschap. <span class="pagenum">[<a id="pb264" href="#pb264" name="pb264">264</a>]</span></p> +<p>’t Was duidelijk, dat de Voorzienigheid zich hierin mengde. +Zij was het, die het wiel der tilbury had gebroken en ze op den weg +tegenhield. Hij had aan de eerste soort van sommatie niet voldaan; alle +mogelijke moeite had hij aangewend om zijn reis voort te zetten; +eerlijk en nauwgezet had hij alle middelen aangewend; hij was noch voor +het strenge seizoen, noch voor vermoeidheid, noch voor kosten +teruggedeinsd; hij had zich niets te verwijten. ’t Was zijn +schuld niet, zoo hij niet verder kwam; hij kon niet meer doen, zijn +geweten was voldaan, de Voorzienigheid had het aldus beschikt.</p> +<p>Hij voelde zich verlicht. Hij ademde ruimer en uit volle borst, voor +de eerste maal sedert Javert’s bezoek. Het scheen hem toe, dat de +ijzeren vuist, die sinds twintig uren zijn hart had dichtgeknepen, +losliet.</p> +<p>Het scheen hem, dat God thans vóór hem was en zich +verklaarde.</p> +<p>Hij zeide bij zich zelven, dat hij alles had gedaan wat hem mogelijk +was, en hij nu gerust kon terugkeeren.</p> +<p>Zoo zijn gesprek met den wagenmaker in een kamer der herberg ware +gehouden, zou het geen getuigen hebben gehad, niemand zou het hebben +gehoord, de zaak zou er bij gebleven zijn en waarschijnlijk zouden wij +geene der gebeurtenissen hebben te vertellen gehad, die nu volgen; maar +het gesprek viel op de straat voor. Ieder gesprek op de straat lokt +onvermijdelijk nieuwsgierigen. Er zijn altijd lieden, die gaarne wat +vernemen. Terwijl hij met den wagenmaker sprak, waren eenige +voorbijgangers blijven staan. Een knaap, op wien niemand had gelet en +die eenige minuten toegeluisterd had, verliet de groep en liep haastig +weg.</p> +<p>Juist toen de reiziger, na de beraadslaging met zich zelven, welke +wij hebben vermeld, tot het besluit was gekomen om terug te keeren, +kwam de knaap terug, vergezeld van een oude vrouw.</p> +<p>„Mijnheer,” zei de vrouw, „mijn jongen zegt mij, +dat ge een cabriolet wenscht te huren?”</p> +<p>Deze eenvoudige vraag van een oude vrouw, door een kind vergezeld, +deed het zweet bij hem uitbreken. Hij meende de hand, die hem had +losgelaten, weder achter zich in de schaduw te zien verschijnen, gereed +om hem te vatten.</p> +<p>Hij antwoordde:</p> +<p>„Ja, goede vrouw, ik wenschte een rijtuig te huren.”</p> +<p>En schielijk voegde hij er bij:</p> +<p>„Maar men zegt, dat er hier geen zijn.”</p> +<p>„O ja,” zei de vrouw. <span class="pagenum">[<a id="pb265" href="#pb265" name="pb265">265</a>]</span></p> +<p>„Waar dan?” vroeg de wagenmaker.</p> +<p>„Bij mij,” antwoordde de oude vrouw.</p> +<p>Hij ontstelde. De noodlottige hand had hem weder gegrepen.</p> +<p>Inderdaad, de oude vrouw had werkelijk in een schuur een soort van +mandewagen. De wagenmaker en de stalknecht, wien ’t speet, den +reiziger uit hun handen te zien ontsnappen, kwamen tusschenbeide. +’t Was een leelijke rammelkast,—zonder veeren,—de +banken hingen wel op riemen—maar het regende er in,—de +wielen waren verroest en door den regen half verteerd,—’t +ding zou het niet veel verder dan de tilbury brengen,—een ware +bolderwagen!—Mijnheer zou verkeerd doen, hierin te gaan zitten +enz. enz.</p> +<p>Dat alles was waar, maar die rammelkast, deze bolderwagen, dat ding, +het mocht zijn wat het wou, rolde op twee wielen en kon wel naar Arras +komen.</p> +<p>Hij betaalde wat men vroeg, liet de tilbury bij den wagenmaker +herstellen, om ze bij zijn terugkomst weer te kunnen meenemen, liet het +witte paard voor het karretje spannen, klom er in en reed verder, +steeds denzelfden weg.</p> +<p>Toen het karretje zich in beweging zette, bekende hij zich zelven, +dat hij een oogenblik te voren verblijd was geweest bij de gedachte, +dat hij niet verder zou reizen. Hij onderzocht deze blijdschap met een +soort van ontevredenheid en vond ze ten hoogste dwaas. Waarom zou hij +zich verheugen, als hij terugkeerde? Hij deed de reis vrijwillig. +Niemand dwong er hem toe. En zeker, er zou niets gebeuren, dan wat hij +wilde.</p> +<p>Toen hij Hesdin uitreed, hoorde hij een stem die riep: „Halt, +halt! Hij hield stil, met een driftige beweging, die iets zenuwachtigs +had en wederom eenige hoop aanduidde. ’t Was het knaapje van de +oude vrouw.</p> +<p>„Mijnheer,” zeide hij, „ik heb u het wagentje +bezorgd.”</p> +<p>„Welnu?”</p> +<p>„Krijg ik geen fooitje?”</p> +<p>Hij, die aan iedereen en zoo lichtvaardig gaf, vond deze vraag +onbescheiden en brutaal.</p> +<p>„Zoo, zijt gij ’t, jongen? gij krijgt niets,” +zeide hij.</p> +<p>Hij legde de zweep op ’t paard en reed in een draf voort. Te +Hesdin had hij veel tijd verloren; hij wilde dien inhalen. Het paardje +was vurig en trok als twee; maar ’t was Februari, het had +geregend en de wegen waren slecht. Daarbij was ’t niet meer de +tilbury. Het karretje was zwaar en ongemakkelijk, en de weg had veel +hoogten en laagten.</p> +<p>Hij besteedde bijna vier uren om van Hesdin naar St. Pol +<span class="pagenum">[<a id="pb266" href="#pb266" name="pb266">266</a>]</span>te komen; dat is vijf uren gaans in vier uren. +Te St. Pol spande hij in de eerste de beste herberg uit, en liet zijn +paard in den stal brengen. Hij bleef, zooals hij Scaufflaire had +beloofd, er zelf bij, terwijl het paard at. Hij dacht daarbij aan +treurige en verwarde dingen.</p> +<p>De herbergiersvrouw kwam in den stal, en vroeg:</p> +<p>„Wil mijnheer niet ontbijten?”</p> +<p>„’t Is waar ook;” zeide hij, „zeker, ik heb +zelfs honger.”</p> +<p>Hij volgde de vrouw, die een frisch en opgeruimd gezicht had. Zij +geleidde hem in een lage kamer, waarin tafeltjes met wasdoeken kleedjes +stonden.</p> +<p>„Spoed u wat,” hernam hij; „ik moet dadelijk weder +op reis. Ik heb haast.”</p> +<p>Een dikke Vlaamsche meid dekte in allerijl de tafel. Hij aanschouwde +de jonge dochter met een gevoel van welgevallen.</p> +<p>„Dit hinderde mij,” dacht hij; „ik had niet +ontbeten.”</p> +<p>Men bediende hem. Hij greep het brood, nam een mondvol, legde het +toen langzaam op de tafel en raakte er niet meer aan.</p> +<p>Een voerman at aan een andere tafel. Hij vroeg aan dezen:</p> +<p>„Waarom maken ze hier het brood zoo bitter?”</p> +<p>De voerman was een Duitscher en verstond hem niet.</p> +<p>Toen keerde Madeleine naar den stal bij het paard terug. Een uur +later had hij Saint-Pol verlaten en reed naar Tinques, dat slechts vijf +uren van Arras ligt.</p> +<p>Wat deed hij gedurende dien rit? Waaraan dacht hij? Evenals des +morgens zag hij de boomen, de hutten, de akkers voorbijvliegen, en ook +het landschap, dat bij elke kromming van den weg veranderde. Het +gezicht hiervan houdt de ziel soms genoegzaam bezig en ontslaat haar +bijna van het denken. Het zien van duizenden dingen voor de eerste en +de laatste maal, maakt gewis een erstigen en krachtigen indruk. Reizen +is elk oogenblik geboren worden en sterven. Wellicht maakte hij in zijn +geest vluchtige vergelijkingen tusschen deze afwisseling van tooneelen +en het menschelijk leven. Alles in ’t leven is ook in gestadige +vlucht voor ons. Duisternis en licht wisselen elkander af. Op een +helder licht volgt een eclips. Men ziet, men haast zich, men steekt de +hand uit om vast te houden wat voorbijvliegt; iedere gebeurtenis is een +kromming van den weg; en eensklaps is men oud. Men voelt iets als een +schok, alles is zwart, men ziet een donkere poort, het sombere paard +des levens, dat u voorttrok, blijft staan. En men ziet een onbekende +gesluierde, die het uitspant in de duisternis. <span class="pagenum">[<a id="pb267" href="#pb267" name="pb267">267</a>]</span></p> +<p>De avond daalde juist, toen de kinderen, die uit de school kwamen, +den reiziger Tinques zagen binnenrijden.</p> +<p>Men was, ’t is waar, nog in de korte dagen van het jaar. Hij +hield zich te Tinques niet op. Toen hij uit het dorp reed, hief een +straatmaker die aan den weg werkzaam was, het hoofd op en zeide:</p> +<p>„Nu, dat paard is wel vermoeid!”</p> +<p>Inderdaad het arme dier ging slechts stapvoets.</p> +<p>„Gaat ge naar Arras?” hernam de straatmaker.</p> +<p>„Ja.”</p> +<p>„Zoo ge niet sneller rijdt, zult ge er niet vroeg +zijn.”</p> +<p>De reiziger hield zijn paard stil en vroeg:</p> +<p>„Hoever is Arras nog van hier?”</p> +<p>„Zeven groote uren.”</p> +<p>„Wat? het postboek geeft slechts vijf en een kwart uur +op.”</p> +<p>„O,” hernam de straatmaker, <span class="corr" id="xd20e6010" title="Bron: »">„</span>gij weet dus niet, dat +men bezig is den weg te herstellen. Een kwartier uurs verder zult ge +hem geheel opgebroken vinden. Daar is ’t onmogelijk verder te +rijden.”</p> +<p>„Waarlijk?”</p> +<p>„Maar sla links af, dat is de weg, die naar Carency voert; ga +over de rivier; te Camblin moet ge rechts afslaan; dat is de weg van +Mont-Saint-Eloy naar Arras.”</p> +<p>„Maar ’t wordt donker en ik zal verdwalen.”</p> +<p>„Zijt ge niet uit deze streken?”</p> +<p>„Neen.”</p> +<p>„Erg genoeg. ’t Zijn overal binnenwegen.—Luister, +mijnheer,” voegde de straatmaker er bij; „wil ik u een +goeden raad geven? Uw paard is vermoeid; keer terug naar Tinques. Er is +een goede herberg. Blijf er van nacht en ga morgen naar +Arras.”</p> +<p>„Ik moet er hedenavond zijn.”</p> +<p>„Dat is iets anders. Ga dan evenwel naar die herberg en neem +er een versch paard. De knecht zal u over den binnenweg +rijden.”</p> +<p>Hij volgde den raad van den straatmaker, keerde terug, en na een +half uur kwam hij voorbij dezelfde plek, maar in vollen draf en met een +goed versch paard. Een stalknecht, die zich voor postillon uitgaf, zat +voor op het lamoen.</p> +<p>Intusschen merkte hij, dat hij tijd had verloren.</p> +<p>Het was volslagen nacht.</p> +<p>Zij kwamen op den binnenweg, die afschuwelijk was. Van den eenen +modderplas zonk het karretje in den anderen. Hij zeide tot den +postillon:</p> +<p>„Blijf steeds in den draf, en ik geef u een dubbele +fooi.” <span class="pagenum">[<a id="pb268" href="#pb268" name="pb268">268</a>]</span></p> +<p>Een hevige schok deed den zwengel breken.</p> +<p>„De zwengel is gebroken, mijnheer,” zei de postillon, +„en ik weet nu niet, hoe het paard in te spannen; ’s nachts +is deze weg schrikkelijk slecht; zoo ge naar Tinques wildet terugkeeren +en er van nacht slapen, zouden wij morgenochtend vroeg te Arras kunnen +zijn.”</p> +<p>Hij antwoordde: „Hebt ge touw en een mes?”</p> +<p>„Ja, mijnheer.”</p> +<p>Hij sneed een boomtak en maakte er een zwengel van.</p> +<p>Daarmede gingen weder twintig minuten verloren; toen reden zij in +galop verder.</p> +<p>’t Was donker op de vlakte. Lage, dichte en donkere nevels +zweefden boven de heuvelen en stegen op als rook. Tusschen de wolken +zag men lichtvlekken. Een harde wind, die van zee kwam, loeide van alle +zijden als bruisende golven. Al wat men nog kon zien, had een +schrikbarend voorkomen. Wat beeft al niet onder die hevige winden van +den nacht!</p> +<p>De koude beving den reiziger. Hij had sinds den vorigen avond niet +gegeten. Hij herinnerde zich nog zijn vroegeren nachttocht op de groote +vlakte in den omtrek van D. acht jaren geleden; en ’t kwam hem +voor, alsof ’t gisteren was gebeurd. Hij hoorde in de verte een +klok slaan en vroeg den knecht hoe laat het was.</p> +<p>„Zeven uren, mijnheer,” zei deze „wij zullen te +acht uren te Arras zijn; wij zijn er nog slechts drie mijlen +af.”</p> +<p>Nu maakte hij voor het eerst de opmerking—en vond het +zonderling, dat ze hem niet eerder in de gedachte was +gekomen:—dat al de moeite, welke hij aanwendde, misschien +nutteloos was; dat hij zelfs het uur van het rechtsgeding niet eens +wist; dat hij ten minste hiernaar had moeten vernemen; dat het +bespottelijk was op die wijze voort te reizen, zonder te weten of het +ergens toe zou dienen.—Vervolgens maakte hij bij zich zelven +eenige vluchtige berekeningen:—dat de zittingen van het hof van +assises gewoonlijk des ochtends te negen uren begonnen;—dat deze +zaak niet lang zou duren;—de diefstal der appelen zou zeer +spoedig afgehandeld wezen;—dat er vervolgens niets anders was dan +de kwestie der identiteit;—vier of vijf +getuigenverhooren;—weinig door de advocaten te zeggen;—dat +hij zou aankomen, wanneer alles reeds gedaan was!</p> +<p>De postillon legde de zweep over de paarden. Zij waren de rivier +overgegaan en Mont-Saint-Eloy voorbij. De nacht werd hoe langer hoe +donkerder. <span class="pagenum">[<a id="pb269" href="#pb269" name="pb269">269</a>]</span></p> +</div> +</div> +<div id="ch7.6" class="div1"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">Zesde hoofdstuk.</h2> +<h2 class="main">Beproeving van zuster Simplicia.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Intusschen verkeerde Fantine op dit oogenblik in +groote blijdschap. Zij had een zeer slechten nacht doorgebracht. +Schrikkelijk hoesten, vermeerdering van koorts, onrustige droomen. Des +ochtends, toen de geneesheer kwam, ijlde zij. Hij zette een zeer +bedenkelijk gezicht en beval, dat men hem zou verwittigen, zoodra +mijnheer Madeleine kwam.</p> +<p>Den ganschen morgen was zij stil, sprak weinig, frommelde met de +bedlakens en scheen binnensmonds afstanden te berekenen. Haar oogen +waren diep in hun kassen gezonken en stonden strak. Zij schenen schier +uitgedoofd; doch in sommige oogenblikken schitterden en fonkelden zij +als sterren. Het is alsof bij de nadering van zeker vreeselijk uur het +licht des hemels hen vervult, van wie het licht der aarde zich +verwijdert.</p> +<p>Telkens, wanneer zuster Simplicia haar vroeg, hoe zij zich bevond, +antwoordde zij onveranderlijk: „Goed. Ik wenschte mijnheer +Madeleine te zien.”</p> +<p>Eenige maanden vroeger, toen Fantine haar laatste restje +eerbaarheid, haar laatste schaamte, en haar laatste vreugde had +verloren, was zij de schaduw van zich zelve geweest; thans was zij het +spookbeeld van zich zelve. Het lichamelijk lijden had het werk van het +zedelijk lijden aangevuld. Dit vijf-en-twintigjarig wezen had een +gerimpeld voorhoofd, slappe wangen, een spitsen neus, losse tanden, een +blonde kleur, een mageren hals, uitstekende sleutelbeenen, uitgeteerde +leden, een tanige huid, en grijze plekken in haar blond haar. Helaas! +hoe de ziekte eensklaps den ouderdom doet ontstaan!</p> +<p>Tegen den middag kwam de geneesheer weder; hij schreef iets voor, +vroeg of mijnheer de maire in de ziekenzaal was geweest, en schudde het +hoofd.</p> +<p>Gewoonlijk bezocht de heer Madeleine de zieken te drie uren. Wijl +stiptheid goedheid is, was hij stipt.</p> +<p>Omstreeks half drie begon Fantine onrustig te worden. Binnen den +tijd van twintig minuten vroeg zij meer dan tien malen aan de +geestelijke zuster:</p> +<p>„Zuster, hoe laat is het?”</p> +<p>Het sloeg drie uur. Bij den derden slag richtte Fantine zich op, +schoon zij zich anders nauwelijks in haar bed kon bewegen; <span class="pagenum">[<a id="pb270" href="#pb270" name="pb270">270</a>]</span>schier krampachtig vouwde zij haar magere, gele +handen samen, en de liefdezuster hoorde uit haar borst een dier diepe +zuchten opstijgen, welke een zwaren last schijnen op te heffen. Toen +wendde Fantine het hoofd en zag naar de deur.</p> +<p>Niemand kwam binnen; de deur opende zich niet.</p> +<p>Zoo zat zij een kwartieruurs, met het oog op de deur gericht, +bewegingloos en als hield zij haar adem in. De zuster durfde haar niet +toespreken. Van den kerktoren sloeg het kwart over drieën. Fantine +zonk weder in het hoofdkussen.</p> +<p>Zij zeide niets en begon het bedlaken weder te frommelen.</p> +<p>Een half uur verstreek, een uur, maar niemand kwam; telkens wanneer +de klok sloeg, richtte Fantine zich op en zag naar de deur; dan zeeg +zij weder neer.</p> +<p>Men zag duidelijk haar gedachte, maar zij sprak geen naam uit, zij +klaagde niet, zij beschuldigde niet. Maar zij hoestte akelig. ’t +Was alsof iets duisters op haar nederdaalde. Zij was doodsbleek en haar +lippen waren blauw. Nu en dan glimlachte zij.</p> +<p>Het sloeg vijf uren. Toen hoorde de zuster haar zeer stil en zacht +zeggen: „Maar wijl ik morgen heenga, begrijp ik niet, dat hij +heden niet komt.”</p> +<p>Zuster Simplicia zelve was insgelijks verwonderd over +Madeleine’s uitblijven.</p> +<p>Fantine zag opwaarts naar den hemel van haar bed. Zij scheen te +trachten, iets in haar geheugen terug te roepen. Eensklaps begon zij te +zingen, met een stem zoo zwak als een adem. De geestelijke zuster +luisterde. Fantine zong het volgende:</p> +<div lang="fr" class="lgouter"> +<div class="lg"> +<p class="line">Nous achèterons de bien belles choses</p> +<p class="line">En nous promenant le long des faubourgs.</p> +<p class="line">Les bleuets sont bleus, les roses sont roses,</p> +<p class="line">Les bleuets sont bleus, j’aime mes amours.</p> +</div> +<div class="lg"> +<p class="line">La vierge Marie auprès de mon poèle</p> +<p class="line">Est venue hier en manteau brodé;</p> +<p class="line">Et m a dit:—Voici, caché sous mon +voile,</p> +<p class="line">Le petit qu’un jour tu m’as +demandé.—</p> +<p class="line">Courez à la ville, ayez de la toile,</p> +<p class="line">Achetez du fil, achetez un dé.</p> +</div> +<div class="lg"> +<p class="line">Nous achèterons de bien belles choses</p> +<p class="line">En nous promenant le long des faubourgs.</p> +</div> +<div class="lg"> +<p class="line">Bonne sainte Vierge, auprès de mon +poèle</p> +<p class="line">J’ai mis un berceau de rubans +orné;<span class="pagenum">[<a id="pb271" href="#pb271" name="pb271">271</a>]</span></p> +<p class="line">Dieu me donnerait sa plus belle étoile,</p> +<p class="line">J’aime mieux l’enfant que tu m’as +donné.</p> +<p class="line">—Madame, que faire avec cette toile?</p> +<p class="line">—Faites un trousseau pour mon +nouveau-né.</p> +</div> +<div class="lg"> +<p class="line">Les bleuets sont bleus, les roses sont roses,</p> +<p class="line">Les bleuets sont bleus, j’aime mes amours.</p> +</div> +<div class="lg"> +<p class="line">Lavez cette toile—Où?—Dans la +rivière,</p> +<p class="line">Faites-en, sans rien gâter ni salir,</p> +<p class="line">Une belle jupe avec sa brassière!</p> +<p class="line">Que je veux broder et de fleurs emplir.</p> +<p class="line">—L’enfant n’est plus là, +madame, qu’en faire?</p> +<p class="line">—Faites-en un drap pour m’ensevelir.</p> +</div> +<div class="lg"> +<p class="line">Nous achèterons de bien belles choses</p> +<p class="line">En nous promenant le long des <span class="corr" id="xd20e6172" title="Bron: fabourgs">faubourgs</span>.</p> +<p class="line">Les bleuets sont bleus, les roses sont roses,</p> +<p class="line">Les bleuets sont bleus, j’aime mes +amours.<a class="noteref" id="xd20e6179src" href="#xd20e6179" name="xd20e6179src">1</a></p> +</div> +</div> +<p class="first">Dit was een oud wiegelied, waarmede zij eertijds haar +kleine Cosette in slaap zong, en ’t welk haar nu in de vijf +jaren, gedurende welke zij haar kind niet meer had, niet in den geest +was gekomen. Zij zong het met zulk een treurige stem en op zulk een +zachten toon, dat zij zelfs den ongevoeligste zou hebben doen weenen. +De geestelijke zuster, aan treurige zaken gewoon, voelde een traan in +haar oogen opwellen.</p> +<p>Het sloeg zes uren. Fantine scheen niet te hooren. Zij scheen op +niets te letten van wat haar omgaf.</p> +<p>Zuster Simplicia zond een dienstmeisje naar de portierster +<span class="pagenum">[<a id="pb272" href="#pb272" name="pb272">272</a>]</span>der fabriek om te vernemen, of mijnheer de maire +te huis was gekomen, en of hij ook spoedig de ziekenzaal zou bezoeken. +Het meisje kwam na eenige minuten terug.</p> +<p>Fantine lag altijd stil en scheen uitsluitend met haar gedachten +bezig.</p> +<p>Het dienstmeisje zeide fluisterend aan zuster Simplicia, dat +mijnheer de maire dienzelfden morgen vóór zes uren in een +kleine tilbury met een wit paard was uitgereden, alléén, +zonder voerman; dat men niet wist, waarheen hij was gereden, dat +sommigen zeiden hem den weg naar Arras te hebben zien inslaan, doch dat +anderen verzekerden hem op den weg naar Parijs ontmoet te hebben. Dat +hij bij zijn vertrek, als gewoonlijk, zeer minzaam was geweest, maar +aan de portierster gezegd had, dat men hem van nacht niet terug moest +verwachten.</p> +<p>Terwijl de twee vrouwen, met den rug naar Fantine’s bed +gekeerd, samen fluisterden, de zuster vragende, het dienstmeisje +antwoordende, had zich Fantine, met de koortsige levendigheid van +sommige organische ziekten, welke de vrije bewegingen der gezondheid +met de verschrikkelijke magerheid des doods gepaard doet gaan, in haar +bed op de knieën geworpen, steunde krampachtig met haar hand op de +peluw, en zag luisterend tusschen de bedgordijnen heen. Eensklaps riep +zij:</p> +<p>„Gij spreekt van mijnheer Madeleine! waarom fluistert ge? Wat +doet hij? Waarom komt hij niet?”</p> +<p>Haar stem klonk zoo luid en forsch, dat de beide vrouwen een +mannenstem meenden te hooren. Verschrikt zagen zij om.</p> +<p>„Antwoord toch!” riep Fantine.</p> +<p>Het dienstmeisje stamelde:</p> +<p>„De portierster heeft mij gezegd, dat hij heden wellicht niet +zou komen.”</p> +<p>„Mijn kind,” zei de liefdezuster, „wees rustig, ga +weder liggen.”</p> +<p>Fantine hernam, zonder van houding te veranderen, luid en op een +heftigen, hartverscheurenden toon:</p> +<p>„Zou hij niet komen? Waarom? Ge weet de reden; ge spraakt er +fluisterend over. Ik wil ze weten.”</p> +<p>De dienstmeid fluisterde schielijk de liefdezuster toe: „Zeg, +dat hij op het stadhuis bezig is.”</p> +<p>Op zuster Simplicia’s gezicht kwam een lichte blos; ’t +was een leugen, welke het meisje haar voorstelde. Van de andere zijde +erkende zij, dat, zoo men de zieke de waarheid zeide, haar dit een +vreeselijken slag zou toebrengen, ’t geen in Fantine’s +toestand gevaarlijk kon zijn. De blos op haar gelaat verdween spoedig. +De liefdezuster richtte haar kalmen, treurigen blik op Fantine en +zeide: <span class="pagenum">[<a id="pb273" href="#pb273" name="pb273">273</a>]</span></p> +<p>„Mijnheer de maire is op reis.”</p> +<p>Fantine richtte zich op en ging gehurkt zitten. Haar oogen +glinsterden. Haar smartelijk gelaat schitterde van onbeschrijfelijke +blijdschap.</p> +<p>„Op reis!” riep zij, „hij is Cosette gaan +halen.”</p> +<p>Toen hief zij haar handen ten hemel en haar geheele houding scheen +zich te verheffen. Haar lippen bewogen zich; zij bad in stilte.</p> +<p>Toen zij gebeden had, zeide zij: „Zuster, ik wil weder gaan +liggen, ik zal alles doen wat men wil; zoo aanstonds was ik ondeugend; +ik vraag u vergeving, zoo luid gesproken te hebben; ’t is +volstrekt niet goed zoo luid te spreken; ik weet het, goede zuster; +maar zie, nu ben ik zeer tevreden. De lieve God is goed; mijnheer +Madeleine is goed; verbeeldt u, hij is naar Montfermeil gegaan, om mijn +Cosette te halen.”</p> +<p>Zij legde zich neder, hielp de liefdezuster het hoofdkussen +verschikken en kuste het zilveren kruisje, dat zij aan den hals droeg, +en ’t welk zuster Simplicia haar gegeven had.</p> +<p>„Mijn kind,” zei de zuster, „tracht nu te slapen +en spreek niet meer.”</p> +<p>Fantine nam de hand der zuster in haar klamme handen; deze voelde +dit zweet met inwendige smart.</p> +<p>„Hij is van ochtend naar Parijs vertrokken. Hij behoeft +trouwens niet over Parijs te gaan. Montfermeil ligt van hier een weinig +links. Herinnert ge u, dat hij mij gisteren, toen ik van Cosette sprak, +zeide: „spoedig, spoedig.” Hij wil mij verrassen. Ge weet, +dat hij mij een brief aan Thénardier liet teekenen, om haar +terug te eischen. Zij zullen immers geen tegenwerpingen maken, niet +waar? Zij zullen Cosette wedergeven? Zij zijn immers betaald. De +overheid zou ’t immers niet veroorloven, dat men een kind +behield, wanneer men betaald is. Lieve zuster, wenk mij niet, dat ik +zwijgen moet. Ik ben zoo onuitsprekelijk gelukkig, ik gevoel mij geheel +wel, mij deert niets meer, ik zal mijn Cosette wederzien, ik heb zelfs +honger. In bijna vijf jaren heb ik haar niet gezien. Ge kunt u niet +verbeelden, hoe sterk men aan kinderen gehecht is, en zij zal zoo lief +zijn! ge zult zien. Wist ge, welke kleine lieve vingertjes zij heeft; +o, zij zal gewis fraaie handen krijgen. Toen zij een jaar oud was, +waren haar handjes heel klein.—Zij zal nu groot zijn. Zij is +zeven jaar oud. ’t Is een jonge juffrouw. Ik noem haar Cosette, +maar zij heet Euphrasie. Zie, van ochtend zag ik stof op den +schoorsteen, en ik dacht, dat ik spoedig Cosette zou wederzien. Mijn +hemel! hoe verkeerd is het, zijn kinderen in jaren niet te zien! Men +moest <span class="pagenum">[<a id="pb274" href="#pb274" name="pb274">274</a>]</span>bedenken, dat het leven niet eeuwig duurt. O, +’t is goed, dat mijnheer de maire vertrokken is; ’t is +waar, dat het vinnig koud is! Had hij ten minste zijn mantel bij zich? +hij zal morgen hier zijn, niet waar? ’t Zal morgen feest zijn. +Morgenochtend moet ge er mij aan helpen denken, lieve zuster, dat ik +mijn mutsje met kant opzet. Montfermeil, dat is een land! Ik heb dien +weg vroeger te voet afgelegd. ’t Was voor mij ver. Maar de +diligences rijden zeer snel! morgen zal hij met Cosette hier zijn! Hoe +ver ligt Montfermeil van hier?”</p> +<p>De zuster, die volstrekt niets van afstanden wist, +antwoordde:—O, ik geloof wel, dat hij morgen terug zal kunnen +zijn.”</p> +<p>„Morgen! morgen!” zei Fantine; „morgen zal ik +Cosette zien! Hoor, lieve zuster, ik ben in ’t geheel niet meer +ziek! Ik ben dol van blijdschap. Ik zou kunnen dansen, als ’t +zijn moest.”</p> +<p>Wie haar een kwartier vroeger had gezien, zou van haar toestand +niets begrepen hebben. Thans was zij blozend, zij sprak levendig, +natuurlijk, geheel haar gelaat glimlachte. Nu en dan lachte ze luid in +zich zelve. Moedervreugde is bijna gelijk aan kindervreugde!</p> +<p>„Welaan,” hernam de geestelijke zuster, „nu ge +gelukkig zijt, moet ge mij gehoorzamen, en niet meer +spreken.”</p> +<p>Fantine legde haar hoofd op ’t kussen en zeide halfluid:</p> +<p>„Ja, leg u neder, wees verstandig, nu ge uw kind weder zult +hebben. Zuster Simplicia heeft gelijk. Allen hier hebben gelijk.” +Zonder zich te bewegen, zonder het hoofd te wenden, zag zij naar alle +zijden met wijdgeopende oogen en vroolijk gezicht, en sprak niet +meer.</p> +<p>De zuster schoof de bedgordijnen dicht, in de hoop dat zij zou +insluimeren.</p> +<p>Tusschen zeven en acht uren kwam de geneesheer. Wijl hij niets +hoorde, meende hij dat Fantine sliep, hij trad zacht binnen en ging op +de teenen naar het bed. Hij opende even de gordijnen en zag bij het +schijnsel van het nachtlicht Fantine’s groote rustige oogen, die +hem aanschouwden.</p> +<p>Zij sprak tot hem:—„Niet waar, mijnheer? men zal haar +naast mij in een klein bedje laten slapen?”</p> +<p>De geneesheer meende, dat zij ijlde.</p> +<p>Zij hernam: „Zie; er is juist plaats voor.”</p> +<p>De geneesheer nam zuster Simplicia ter zijde, en deze verhaalde hem, +dat mijnheer Madeleine voor een paar dagen afwezend was, dat men +gemeend had de zieke in haar waan te moeten laten, als zou mijnheer +Madeleine naar Montfermeil zijn gereisd, terwijl ’t overigens +mogelijk was, dat zij <span class="pagenum">[<a id="pb275" href="#pb275" name="pb275">275</a>]</span>juist geraden had. De geneesheer +vond dit goed. Hij ging weder naar het bed van Fantine, die hernam:</p> +<p>„Want, morgen, weet ge, zal ik mijn lieve schat bij haar +ontwaken goeden morgen kunnen zeggen, en ’s nachts zal ik, dewijl +ik toch niet slaap, haar hooren slapen. ’t Zal mij goed doen, +haar zachte ademhaling te hooren.”</p> +<p>„Geef mij uw hand,” zei de geneesheer.</p> +<p>Zij stak haar hand uit, en zei lachend:</p> +<p>„O, ziedaar! ’t Is waar, gij weet het nog niet, dat ik +weer geheel beter ben. Cosette komt morgen.”</p> +<p>De dokter was verwonderd. Zij was inderdaad beter. De beklemdheid +was minder. De pols was krachtiger geworden. Het arme uitgeputte +schepsel scheen plotseling door een nieuw leven bezield.</p> +<p>„Mijnheer de dokter,” hernam zij, „heeft de zuster +u gezegd, dat mijnheer de maire het lieve kind is gaan +halen?”</p> +<p>De geneesheer beval stilte en dat men alle onaangename aandoeningen +moest vermijden. Hij schreef een kinadrankje voor, en, ingeval de +koorts des nachts terugkeerde, een kalmeerend middel. Toen hij heenging +zeide hij tot de zuster:—’t Gaat beter. Zoo het geluk +wilde, dat mijnheer de maire inderdaad morgen met het kind kwam; wie +weet? er zijn zulke wonderbare crisissen; men heeft meer gezien, dat +groote blijdschap een ziekte plotseling tot staan bracht; ik weet, dat +’t hier een organische en zeer vergevorderde ziekte is, maar wie +kan zeggen wat mogelijk is! Misschien ware de zieke nog te redden.</p> +</div> +<div class="footnotes"> + +<hr /> + +<p class="footnote" lang="nl-1900"><span class="label"><a class="noteref" id="xd20e6179" href="#xd20e6179src" name="xd20e6179">1</a></span> Als wij op den boulevard wandelen, zullen wij +mooie dingen koopen. De koornbloempjes zijn blauw, de rozen zijn rood; +ik bemin mijn geliefde. Gisteren kwam de maagd Maria in geborduurden +mantel bij mijn kachel, en zeide mij: „Ziehier onder mijn sluier +de kleine, waarom ge mij gevraagd hebt. Spoed u naar de stad, haal +linnen, koop garen, koop een vingerhoed.”</p> +<p class="footnote">Als wij op den boulevard wandelen, zullen wij mooie +dingen koopen.</p> +<p class="footnote">Goede maagd Maria, bij mijn kachel heb ik een met +lint versierd wiegje gezet; al wilde God mij zijn schoonste ster geven, +zou ik het kind dat ge mij gegeven hebt, toch liever hebben. Wat moet +ik met dat lijnwaad doen, mevrouw?—Maak er hemdjes van voor mijn +pasgeborene. De korenbloempjes zijn blauw, de rozen zijn rood; ik bemin +mijn geliefde, wasch dit lijnwaad.—Waar?—In de rivier, maak +er, zonder iets te bederven of vuil te maken, een rokje en borstrokje +van, dat ik wil borduren en met bloemen vullen.—Het kind is er +niet meer, mevrouw, wat nu er van gemaakt?—Maak er voor mij een +doodslaken van.</p> +<p class="footnote">Wanneer wij op den boulevard wandelen enz.</p> +</div> +</div> +<div id="ch7.7" class="div1"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">Zevende hoofdstuk.</h2> +<h2 class="main">De aangekomen reiziger neemt maatregelen om weder te +vertrekken.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">’t Was omstreeks acht uren ’s avonds, toen +het wagentje, dat wij onderweg verlaten hebben, de koetspoort van het +posthotel te Arras binnenreed. De man, dien wij tot hiertoe gevolgd +zijn, stapte er uit, beantwoordde verstrooid de voorkomendheid der +bedienden, zond het bijpaard terug en bracht zelf het witte paardje in +den stal; daarna opende hij de deur van een biljartzaal, die zich +gelijkvloers bevond, en plaatste zich aan een tafel, met het hoofd in +de hand. Hij had veertien uren aan deze reis besteed, welke hij in zes +uren had meenen te doen. Hij gaf zich zelven ’t getuigenis, dat +het niet zijn schuld was, ofschoon ’t hem in den grond zijns +harten geen leed deed. <span class="pagenum">[<a id="pb276" href="#pb276" name="pb276">276</a>]</span></p> +<p>De logementhoudster trad binnen.</p> +<p>„Blijft mijnheer van nacht? soupeert mijnheer?”</p> +<p>Hij schudde ontkennend met het hoofd.</p> +<p>„De stalknecht zegt, dat het paard van mijnheer erg vermoeid +is.”</p> +<p>Nu sprak hij en vroeg:</p> +<p>„Zou het paard morgen niet kunnen terugkeeren?”</p> +<p>„O, mijnheer, ’t zal ten minste twee dagen rust noodig +hebben.”</p> +<p>„Is ’t hier de paardenposterij?” vroeg hij.</p> +<p>„Ja, mijnheer.”</p> +<p>De logementhoudster voerde hem naar het bureau, waar hij zijn pas +vertoonde en vroeg of er dien nacht gelegenheid was met de postkar naar +M. sur M. te vertrekken. De plaats naast den postillon was nog vrij; +hij bestelde die en betaalde ze.</p> +<p>„Mijnheer,” zei de klerk, „zorg prompt om +één uur van nacht hier te zijn.”</p> +<p>Daarna verliet Madeleine het logement en ging door de straten der +stad.</p> +<p>Hij kende Arras niet, de straten waren donker en hij ging op het +toeval af. Hij scheen den voorbijgangers den weg niet te willen vragen. +Na het riviertje Crinchon te zijn overgegaan, bevond hij zich in een +doolhof van nauwe stegen, waarin hij verdwaalde. Een man naderde met +een lantaarn. Na eenige aarzeling sprak hij dien man aan, evenwel niet +zonder eerst voor en achter zich te hebben gezien, als vreesde hij, dat +iemand de vraag hoorde, welke hij wilde doen.</p> +<p>„Kunt ge mij ook zeggen, waar ’t gerechtshof is, +mijnheer?”</p> +<p>„Gij zijt hier denkelijk vreemd, mijnheer;” antwoordde +do burger, een oud man, „welnu, volg mij. Ik ga juist den kant +van ’t gerechtshof uit, dat wil zeggen van het hôtel der +prefectuur. Want men is thans bezig met het gerechtshof te verbouwen, +en derhalve worden de terechtzittingen tijdelijk in de prefectuur +gehouden.”</p> +<p>„Worden daar ook de <i>assises</i> gehouden?”</p> +<p>„Ja, mijnheer, wat thans de prefectuur is, weet ge, was +vóór de revolutie het bisschoppelijk paleis. Monseigneur +de Conzié, die in twee-en-tachtig bisschop was, heeft er een +groote zaal doen bouwen. Deze zaal nu is voor de rechtbank +ingericht.</p> +<p>Onderweg zei de burger:</p> +<p>„Zoo mijnheer een proces wil bijwonen is het te laat. De +zittingen eindigen gewoonlijk te zes uren.”</p> +<p>Toen zij op het marktplein waren gekomen, wees de man <span class="pagenum">[<a id="pb277" href="#pb277" name="pb277">277</a>]</span>hem +vier verlichte vensters in den voorgevel van een groot, donker +gebouw.</p> +<p>„Waarlijk, mijnheer, gij komt nog vroeg genoeg; dat valt mee. +Ziet gij deze vier vensters? ’t Is de zaal der <i>assises</i>. Er +is licht. Men is er dus nog. ’t Is zeker een zaak, die veel tijd +vereischt, dat men een avondzitting houdt. Zijt ge soms in deze zaak +betrokken? Is ’t een crimineele zaak? Zijt ge getuige?”</p> +<p>„Ik kom voor geen zaak,” was het antwoord, „ik +moet slechts een advocaat spreken.”</p> +<p>„Dat is iets anders,” zei de burger. „Ziehier de +deur, mijnheer, waar de schildwacht staat. Ge behoeft slechts de groote +trap op te gaan.”</p> +<p>Hij volgde de aanwijzing van den burger en eenige minuten later was +hij in een zaal, waar groepen menschen, waaronder advocaten in +toga’s, hier en daar met elkander stonden te fluisteren.</p> +<p>’t Is altijd een hartbeklemmend gezicht, deze in ’t +zwart gekleede mannen aan den ingang der gerechtszalen met elkander te +zien fluisteren. Zelden komen menschlievendheid en medelijden uit deze +gesprekken voort. Meestal zijn het reeds vooraf beraamde +veroordeelingen. Deze groepen schijnen den opmerkzamen en peinzenden +voorbijganger zooveel donkere bijenkorven toe, waarin gonzende geesten +gemeenschappelijk aan allerlei duistere werken arbeiden.</p> +<p>Deze ruime, slechts door een enkele lamp verlichte zaal, in het +voormalige bisschoppelijke paleis, diende tot wachtkamer of voorzaal. +Een, op dit oogenblik gesloten vleugeldeur, scheidde haar van de groote +zaal, waar het gerechtshof zitting hield.</p> +<p>De duisternis was zoo groot, dat hij niet aarzelde, zich tot den +eersten advocaat te wenden, dien hij ontmoette.</p> +<p>„Hoe ver is men, mijnheer,” vroeg hij.</p> +<p>„’t Is afgeloopen,” zei de advocaat.</p> +<p>„Afgeloopen?”</p> +<p>Dit woord werd op zulk een toon uitgesproken, dat de advocaat zich +omwendde.</p> +<p>„Zijt ge misschien een bloedverwant, mijnheer?”</p> +<p>„Neen, ik ken hier niemand. Heeft er een veroordeeling plaats +gehad?”</p> +<p>„Zekerlijk. ’t Kon onmogelijk anders.”</p> +<p>„Tot dwangarbeid?...</p> +<p>„Levenslang.”</p> +<p>Hij hernam met een nauwelijks hoorbare stem:</p> +<p>„De identiteit is dus bewezen?” <span class="pagenum">[<a id="pb278" href="#pb278" name="pb278">278</a>]</span></p> +<p>„Welke identiteit?” hernam de advocaat. „Er was +geen identiteit te bewijzen. De zaak was eenvoudig. De vrouw had haar +kind gedood; de kindermoord was bewezen, de jury heeft de +voorbedachtzaamheid niet aangenomen, zij is voor levenslang +veroordeeld.”</p> +<p>„’t Is dus een vrouw?” vroeg hij.</p> +<p>„Maar gewis. De ongehuwde Limosin. Wie meent gij +anders?”</p> +<p>„O, niets. Maar waarom is de zaal nog verlicht, zoo de zaak +geëindigd is?”</p> +<p>„’t Is voor een andere zaak, waarmede men voor een paar +uren begonnen is.”</p> +<p>„Welke is die zaak?”</p> +<p>„O, deze is even duidelijk. Een soort van bedelaar, een oude +galeiboef heeft gestolen. Ik herinner mij zijn naam niet. Nu, deze +draagt zijn handwerk op zijn gezicht! Alleen dat gezicht zou mij reden +genoeg wezen om hem naar de galeien te zenden.”</p> +<p>„Is er mogelijkheid in de zaal te komen, mijnheer?”</p> +<p>„Ik geloof ’t niet. ’t Is er stampvol. Maar de +zitting is geschorst; verscheiden menschen zijn heengegaan, bij de +hervatting der zitting kunt ge ’t beproeven.”</p> +<p>„Waar is de ingang?”</p> +<p>„Door deze groote deur.”</p> +<p>De advocaat verliet hem. In weinige oogenblikken had hij schier in +denzelfden tijd alle mogelijke aandoeningen gevoeld. De woorden van den +onverschilligen advocaat waren hem beurtelings als naalden van ijs en +als dolken van vuur door het hart gegaan. Toen hij zag, dat de zaak +niet afgeloopen was, ademde hij ruimer; doch hij had niet kunnen +zeggen, of ’t geen hij gevoelde blijdschap was of smart.</p> +<p>Hij naderde verschillende groepen en luisterde naar hetgeen gezegd +werd. Aangezien op de rol der <i>assises</i> buitengewoon veel zaken +waren, had de president voor dezen dag twee eenvoudige en korte zaken +bepaald. Men was met de zaak van een kindermoord begonnen, en thans was +men aan die van den galeiboef, den recidivist. Deze man had appelen +gestolen, doch dit scheen niet volkomen bewezen; te zekerder was +’t echter bewezen, dat hij reeds op de galeien te Toulon was +geweest. Dit maakte zijn zaak kwaad. Overigens was het verhoor van den +man ten einde en ook het getuigenverhoor, maar de advocaat moest nog +pleiten en het openbaar ministerie zijn eisen doen; dit zou wel tot +middernacht duren. De man zou waarschijnlijk veroordeeld worden; de +advocaat-generaal was zeer <span class="pagenum">[<a id="pb279" href="#pb279" name="pb279">279</a>]</span>knap;—en +„verloor” zelden zijn beschuldigden;—’t was een +geestig mensch, die verzen maakte.</p> +<p>Een deurwaarder stond aan de deur, die naar de gerechtszaal voerde. +Madeleine vroeg dien deurwaarder:</p> +<p>„Zal de deur spoedig geopend worden?”</p> +<p>„Zij wordt niet geopend,” zei de deurwaarder.</p> +<p>„Hoe! wordt zij niet geopend bij de hervatting der zitting? de +zitting is immers slechts geschorst?”</p> +<p>„De zitting is weder begonnen,” antwoordde de +deurwaarder, „maar de deur wordt niet weder geopend.”</p> +<p>„Waarom?”</p> +<p>„Omdat de zaal vol is.”</p> +<p>„Is er geen plaats meer?”</p> +<p>„Geen enkele. De deur is gesloten. Niemand kan meer +binnen.”</p> +<p>Na eenig zwijgen hernam de deurwaarder: „Er zijn nog wel een +paar plaatsen achter mijnheer den president, maar mijnheer de president +wil daar geen andere lieden toegelaten hebben, dan openbare +beambten.”</p> +<p>Hiermede keerde de deurwaarder hem den rug toe.</p> +<p>Madeleine verwijderde zich met gebogen hoofd en ging langzaam de +trap af, als aarzelde hij op elke trede. ’t Is waarschijnlijk, +dat hij met zich zelven overlegde. De geweldige strijd die sinds den +vorigen dag in zijn binnenste heerschte, was niet geëindigd; ieder +oogenblik hernieuwde hij zich opnieuw. Toen hij aan het portaal was +gekomen, ging hij tegen de leuning staan en sloeg de armen over +elkander. Eensklaps opende hij zijn jas, nam zijn portefeuille, haalde +een potlood voor den dag en scheurde toen een blaadje uit, en schreef +daarop bij het licht van den lantaarn: „M. Madeleine, maire van +M. sur M.;” toen drong hij met snelle schreden door de menigte, +trad recht op den deurwaarder toe, gaf hem het briefje en zeide +gebiedend: „Breng dit aan mijnheer den president.”</p> +<p>De deurwaarder nam het papier, sloeg er een blik op en +gehoorzaamde.</p> +</div> +</div> +<div id="ch7.8" class="div1"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">Achtste hoofdstuk.</h2> +<h2 class="main">Bevoorrechte toegang.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Zonder dat hij ’t zelf wist, genoot de maire van +M. sur M. een zekere vermaardheid. Sedert zeven jaren, dat het gerucht +zijner deugden geheel het Boulonneesche vervulde, had zich <span class="pagenum">[<a id="pb280" href="#pb280" name="pb280">280</a>]</span>dat +gerucht eindelijk ook buiten de grenzen van het kleine gewest verspreid +en zich over twee of drie aangrenzende departementen verbreid. Behalve +den gewichtigen dienst, welken hij aan de hoofdplaats van het +arrondissement M. sur M. had bewezen, door de ontwikkeling der +industrie, was er geen van de honderd-een-en-veertig gemeenten des +arrondissements, die hem niet eene of andere weldaad te danken had. Hij +had zelfs nu en dan de industrie in andere arrondissementen weten te +ondersteunen en te bevorderen. Alzoo had hij door zijn krediet en zijn +geld de tulle-fabriek te Boulogne, de mechanische garenspinnerij te +Frevent en de linnenweverij te Boubers sur-Chanche staande gehouden. +Alom werd de naam van den heer Madeleine met eerbied genoemd. Arras en +Douai benijdden het gelukkig stadje M. sur M. zijn maire.</p> +<p>De raadsheer bij het gerechtshof te Douai, die deze zitting der +<i>assises</i> te Arras presideerde, kende, als iedereen, dezen zoozeer +en zoo algemeen geëerden naam. Toen de deurwaarder de deur opende, +die uit de raadkamer naar de gerechtszaal voerde, en zich bescheiden +over den zetel van den president boog, hem het papier overhandigde, dat +we gelezen hebben, daarbij zeggende: „deze heer wenscht de +zitting bij te wonen,” maakte de president dadelijk een +toestemmend gebaar, nam een pen, schreef een paar woorden onder op het +papier en gaf het den deurwaarder terug, zeggende: „laat mijnheer +binnenkomen.”</p> +<p>De ongelukkige man, wiens geschiedenis wij verhalen, stond nog aan +de deur der zaal, op dezelfde plaats en in dezelfde houding als toen de +deurwaarder hem verlaten had. Hij hoorde, te midden zijner mijmering, +iemand tot hem zeggen: „Wil mijnheer zoo goed zijn mij te +volgen?”</p> +<p>’t Was dezelfde deurwaarder, die hem een oogenblik vroeger den +rug had toegekeerd en nu voor hem tot den grond boog. De deurwaarder +overhandigde hem tevens het papier. Hij opende het, en wijl hij bij de +lamp stond, kon hij lezen: „De president van het hof van assises +betuigt den heer Madeleine zijn hoogachting.”</p> +<p>Hij frommelde het papier in zijn handen, alsof deze weinige woorden +een vreemden, bitteren nasmaak hadden.</p> +<p>Hij volgde den deurwaarder.</p> +<p>Eenige oogenblikken later was hij alleen in een kamer met een +ernstig voorkomen, die verlicht werd door twee kaarsen, welke op een +met een groen kleed overdekte tafel stonden. De laatste woorden van den +deurwaarder, die hem verlaten had, ruischten hem nog in de ooren: +„Mijnheer, dit is de raadkamer; gij behoeft slechts den koperen +knop dezer deur om te <span class="pagenum">[<a id="pb281" href="#pb281" name="pb281">281</a>]</span>draaien en ge zijt in de +gerechtszaal achter den zetel van mijnheer den president<span class="corr" id="xd20e6469" title="Niet in bron">.</span>”—Deze +woorden vermengden zich in zijn gedachten met een flauwe herinnering +aan nauwe gangen en donkere trappen langs welke hij gegaan was.</p> +<p>De deurwaarder had hem alleen gelaten. Het gewichtig oogenblik was +gekomen. Hij trachtte zijn zelfbeheersching te herwinnen zonder dat hem +dit gelukte. De draden van den geest breken meestal in die +oogenblikken, als men ze ’t meest noodig heeft om ze aan de +pijnlijke werkelijkheid van het leven te verbinden. Hij bevond zich nu +op de plaats, waar de rechters raadplegen en veroordeelen. Met +stompzinnige kalmte beschouwde hij deze stille, vreeselijke kamer, waar +zoo vele levens gebroken waren, waar zijn naam weldra zou klinken en +waar zijn lot nu zweefde. Hij aanschouwde de wanden, toen zich zelven, +verwonderd dat het deze kamer, dat hij het was.</p> +<p>Sinds langer dan vier-en-twintig uren had hij niets genuttigd, hij +was gekneusd door het schokken van het rijtuig; maar hij voelde het +niet; hij scheen niets te voelen.</p> +<p>Hij naderde een zwarte lijst, die aan den muur hing en achter glas +een ouden, eigenhandigen brief bevatte van Jean Nicolas Pache, maire +van Parijs en minister, gedagteekend, waarschijnlijk bij vergissing, 9 +Juni van ’t jaar II, in welken Pache aan de gemeente de lijst der +ministers en afgevaardigden zond, die in hechtenis waren. Een getuige, +die hem op dit oogenblik gezien en opgemerkt had, zou zich zekerlijk +hebben verbeeld, dat deze brief hem bijzonder belang inboezemde, want +hij wendde er het oog niet af en las hem twee- of driemaal. Maar hij +las werktuiglijk en zonder er bij te denken. Hij dacht aan Fantine en +Cosette.</p> +<p>In gedachten verdiept keerde hij zich om, en zijn blik viel op den +koperen knop der deur, welke hem van de gerechtszaal scheidde. Hij had +deze deur bijna vergeten. Zijn aanvankelijk rustige blik bleef op dien +knop gevestigd, maar kreeg iets onrustigs en drukte hoe langer hoe meer +angst uit. Het klamme zweet brak hem uit en druppelde langs zijn +hoofd.</p> +<p>Op een oogenblik maakte hij dat onbeschrijfelijk gebaar van eene +wilskracht, die zich aan tegenstand ontscheurt, ’t welk zoo +duidelijk uitdrukt: „maar, wie drommel, zou mij willen +dwingen?” Toen keerde hij zich schielijk om, zag naar de deur die +hij was binnengekomen, trad er heen, opende ze en verliet de kamer. Nu +was hij er buiten, in een gang, een lange, smalle gang met verscheidene +trappen en deuren, die vele hoeken vormden, hier en daar flauw verlicht +als door een ziekenlamp; in de <span class="pagenum">[<a id="pb282" href="#pb282" name="pb282">282</a>]</span>gang waardoor hij gekomen +was. Hij schepte adem en luisterde: vóór of achter hem +geen gerucht;—nu liep hij, alsof men hem vervolgde.</p> +<p>Na verscheidene hoeken van deze gang te zijn voorbijgegaan, +luisterde hij nogmaals. Steeds dezelfde stilte, dezelfde duisternis die +hem omgaf. Hij was buiten adem, hij waggelde en leunde tegen den muur. +De steenen van den muur waren koud, het zweet op zijn voorhoofd was als +ijs, huiverend richtte hij zich op.</p> +<p>Alleen in deze duisternis staande, van koude en misschien van iets +anders bevende, gaf hij zich weder aan zijn gedachten over.</p> +<p>Hij had den ganschen nacht, den ganschen dag gepeinsd; hij hoorde +geen andere stem in zijn binnenste dan die hem zeide: helaas!</p> +<p>Zoo verstreek een kwartier. Eindelijk boog hij het hoofd, zuchtte +angstig, liet de armen hangen en keerde op zijn schreden terug. +Langzaam en verslagen trad hij voort. ’t Was alsof iemand hem in +zijn vlucht had bereikt en terugvoerde.</p> +<p>Hij trad de raadkamer weder binnen. Het eerste voorwerp dat hij zag +was de deurknop. Deze ronde gepolijste koperen knop glinsterde voor +zijn oogen als een onheilspellende ster. Hij aanschouwde hem, gelijk +een lam het oog eens tijgers zou aanschouwen.</p> +<p>Zijn oogen konden er zich niet van afwenden. Nu en dan deed hij een +schrede en naderde de deur.</p> +<p>Zoo hij geluisterd had, zou hij een dof verward gemurmel hebben +gehoord, het gerucht in de belendende zaal; maar hij luisterde niet en +hoorde niets.</p> +<p>Eensklaps, zonder dat hij wist hoe, stond hij voor de deur, en greep +krampachtig den knop; de deur opende zich.</p> +<p>Hij bevond zich in de gerechtszaal.</p> +</div> +</div> +<div id="ch7.9" class="div1"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">Negende hoofdstuk.</h2> +<h2 class="main">Een plaats waar overtuigingen bezig zijn, zich te +vormen.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Hij deed een schrede, sloot werktuiglijk de deur +achter zich dicht en bleef toen staan, het tooneel vóór +zich beschouwende.</p> +<p>’t Was een tamelijk groote, flauw verlichte ruimte, nu druk en +levendig, dan weder doodstil, met de geheele inrichting <span class="pagenum">[<a id="pb283" href="#pb283" name="pb283">283</a>]</span>van +een crimineel proces, met zijn kleingeestige en sombere deftigheid voor +’t oog der menigte.</p> +<p>Aan het einde der zaal, waar hij zich bevond, rechters met +verstrooide gezichten, in versleten tabbaarden, zich met hun nagels +onledig houdende of met de oogen gesloten; aan het andere einde een +havelooze hoop volk; advocaten in allerlei houding; soldaten met +eerlijke maar ruwe gezichten; oud, beschadigd houtwerk, vuile +zoldering, tafels met kleeden, die eer geel dan groen konden heeten, +deuren die door de handen smerig waren geworden; langs den wand aan +spijkers, lampen uit een herberg, die meer walm dan licht verspreidden; +op de tafels vetkaarsen in koperen kandelaars; duisternis, leelijkheid, +treurigheid; en uit dat alles ontwikkelde zich een strenge, verheven +indruk; want men gevoelde er die gewichtige menschelijke zaak, welke +men wet noemt, en die gewichtige hemelsche zaak, welke men +rechtvaardigheid heet.</p> +<p>Niemand in deze menigte lette op Madeleine. Aller blikken waren op +één punt gericht, een bank bij een kleine deur, tegen den +muur ter linkerzijde van den president. Op deze bank, die door +verscheidene kaarsen werd verlicht, zat een man tusschen twee +gendarmen.</p> +<p>Deze man—was <i>de</i> man.</p> +<p>Hij zocht hem niet, hij zag hem. Zijn oogen wendden zich van zelven +in die richting, als hadden zij vooraf geweten waar deze gestalte zich +bevond.</p> +<p>Hij meende zich zelven te zien, verouderd, wel niet juist zijn +gezicht, maar volkomen gelijkend in houding en voorkomen, met dat +borstelig haar, dien schuwen, onrustigen blik, met die kiel, juist +zooals hij er uitzag op den dag, toen hij D. binnentrad, vol haat, en +in zijn ziel dien afschuwelijken rijkdom van schrikkelijke gedachten +verbergende, welke hij gedurende negentien jaren in het tuchthuis had +opgezameld.</p> +<p>Sidderend zeide hij bij zich zelven: „Mijn God! zal ik weder +zóó worden?”</p> +<p>Deze man scheen ten minste zestig jaar te zijn. Hij had een ruw, dom +en woest voorkomen.</p> +<p>Toen Madeleine de deur opende, was men op zijde gegaan om hem plaats +te maken, de president had het hoofd gewend en den binnenkomende, in +wien hij den maire van M. sur M. zag, gegroet. De advocaat-generaal, +die den heer Madeleine herhaaldelijk te M. sur M. had gezien, bij +gelegenheid dat zijn ambtsverrichtingen hem daar riepen, herkende en +groette hem insgelijks. Deze bemerkte dit nauwelijks. Hij was ter prooi +aan een soort van gezichtsverwarring: hij staarde slechts.</p> +<p>Rechters, een griffier, gendarmen, een menigte vreeselijk +<span class="pagenum">[<a id="pb284" href="#pb284" name="pb284">284</a>]</span>nieuwsgierige hoofden, dat alles had hij reeds +eerder, eertijds, zeven-en twintig jaren geleden, gezien. Deze +heillooze zaken vond hij hier terug; zij waren hier, zij bewogen zich, +bestonden werkelijk; ’t was niet een herinnering van zijn geest, +een zinsbegoocheling, ’t waren wezenlijke gendarmen, wezenlijke +rechters, wezenlijke nieuwsgierigen en wezenlijke menschen van vleesch +en been. ’t Was zoo! hij zag de schrikbarendste beelden uit zijn +verleden, met al het vreeselijke der wezenlijkheid, om zich heen +verschijnen en herleven.</p> +<p>Dat alles lag open voor hem. Vol afgrijzen sloot hij de oogen en +riep in ’t binnenste zijner ziel: nooit!</p> +<p>En door een treurig spel van het lot, dat al zijn denkbeelden +verwarde en hem schier waanzinnig maakte, was degeen, dien hij voor +zich zag, zijn tweede ik! Allen noemden den man, die hier gevonnist +werd, Jean Valjean!</p> +<p>’t Was een ongehoord visioen: voor zijn oogen had hij een +soort van voorstelling van het vreeselijkst oogenblik zijns levens, die +door zijn eigen schim gespeeld werd.</p> +<p>Alles was er, dezelfde inrichting, hetzelfde uur des nachts, schier +dezelfde gezichten der rechters, soldaten en toeschouwers. Alleen +bevond zich boven het hoofd van den president een kruisbeeld, hetwelk +ten tijde zijner veroordeeling, in de rechtszalen ontbrak. Toen hij +gevonnist werd, was God afwezig.</p> +<p>Een stoel stond achter hem; hij liet er zich op nederzakken, +ontsteld bij de gedachte, dat men hem zien kon. Toen hij zat, trachtte +hij achter een hoop portefeuilles met akten, die op de tafel der +rechters lagen, zijn gezicht voor de geheele zaal te verbergen. Nu kon +hij zien, zonder gezien te worden. Hij kwam eindelijk tot het volle +besef der werkelijkheid; allengs herstelde hij zich. Hij herkreeg die +kalmte, waarin men in staat, is te luisteren.</p> +<p>Mijnheer Bamatabois behoorde tot de gezworene.</p> +<p>Hij zocht Javert, maar hij zag hem niet. De bank der getuigen was +achter de tafel van den griffier voor hem verborgen. Bovendien was de +zaal, gelijk gezegd is, zeer flauw verlicht.</p> +<p>Juist toen hij binnentrad was de advocaat aan het slot zijner +pleitrede. Aller aandacht was in de hoogste mate gespannen, de zaak had +reeds drie uren geduurd. Sedert drie uren zagen de aanwezenden een man, +een onbekende, een wezen van de ellendigste soort, in den hoogsten +graad dom of sluw, allengs onder den last eener vreeselijke +waarschijnlijkheid zwichten. Deze man, zooals men weet, was een +landlooper, die was aangehouden, terwijl hij een tak met rijpe appelen, +in een naburigen boomgaard afgebroken, in de hand had. Wie was deze +<span class="pagenum">[<a id="pb285" href="#pb285" name="pb285">285</a>]</span>man? Een onderzoek was ingesteld, getuigen waren +gehoord; zij waren allen eenstemmig geweest, uit de debatten was +genoegzaam licht opgegaan. De beschuldiging luidde:—Wij hebben +hier niet alleen een fruitdief, een strooper; wij hebben een roover +voor ons, een gewezen tuchteling. die zijn ban heeft verbroken, een +allergevaarlijkste schurk, Jean Valjean geheeten, dien de justitie +sinds lang zocht, en die, acht jaren geleden, toen hij het bagno van +Toulon verliet, gewelddadigerwijze een diefstal heeft gepleegd op den +persoon van een jongen savooiaard, kleine Gervais genaamd, een misdaad, +waartegen voorzien is bij art. 383 van het strafwetboek en voor welke +wij ons een nadere vervolging voorbehouden, zoodra de identiteit +wettelijk zal bewezen zijn. Hij heeft een nieuwen diefstal gepleegd. +Alzoo herhaling van misdaad. Veroordeelt hem voor de jongste misdaad; +later zal hij voor de vroegere terechtgesteld worden.</p> +<p>De beschuldigde scheen ten hoogste verwonderd over deze aanklacht en +over de eenparigheid der getuigen. Hij maakte bewegingen en gebaren van +heftige ontkenning, of hij beschouwde de zoldering. Hij kon nauwelijks +spreken en antwoordde met moeite; maar van ’t hoofd tot de voeten +loochende zijn geheele persoon. Hij geleek een wezenlooze tegenover al +deze om hem geschaarde verstandige lieden, en een vreemdeling te midden +der maatschappij, die hem vasthield. Intusschen stond de dreigende +toekomst voor hem, de waarschijnlijkheid vermeerderde met elke minuut, +en de aanwezenden huiverden met meer angst dan hij zelf, voor het +vreeselijk vonnis, dat, naar het meer en meer scheen, hem zou treffen. +Er bestond zelfs kans, dat, behalve het bagno, de doodstraf over hem +zou uitgesproken worden, ingeval de identiteit erkend werd en de zaak +van den kleinen Gervais later met een veroordeelend vonnis eindigde. +Wie was nu deze man? Van welken aard was zijn ongevoeligheid? Was het +stompzinnigheid of list? Begreep hij volkomen, of begreep hij niets? +Nopens deze vragen dachten de aanwezigen verschillend, en ook de +gezworenen schenen hieromtrent verdeeld. Er was in dit rechtsgeding +iets verontrustends en iets vreemds, het drama was niet alleen treurig, +maar ook duister.</p> +<p>De verdediger had vrij goed gepleit, in die provinciale taal, welke +in Frankrijk lang de welsprekendheid der balie heeft uitgemaakt, en +waarvan eertijds al de advocaten, zoowel te Parijs als in de kleinste +provinciesteden, gebruik maakten, doch die tegenwoordig, klassiek +geworden, schier enkel nog maar door de officieele redenaars van het +parket wordt gebezigd, waarvoor zij, uithoofde harer deftige +welluidendheid en statigen periodenbouw <span class="pagenum">[<a id="pb286" href="#pb286" name="pb286">286</a>]</span>zoo bijzonder +geschikt is: de taal waarin een gehuwd man, <i>echtgenoot</i> wordt +genoemd, de gehuwde vrouw, <i>gade</i>, Parijs, <i>het middelpunt der +kunsten en beschaving</i>, de koning, <i>de monarch</i>, monseigneur de +bisschop, <i>een heilig kerkvoogd</i>, de advocaat-generaal, <i>de +welsprekende tolk der wet</i>, de pleidooien, <i>de woorden welke men +gehoord heeft</i>, de eeuw van Lodewijk XIV, <i>de groote eeuw</i>, een +schouwburg, <i>de tempel van Melpomene</i>, de regeerende familie, +<i>het doorluchtig bloed onzer koningen</i>, een concert, <i>een +muzikale plechtigheid</i>, de kommandant<span class="corr" id="xd20e6600" title="Bron: ">-</span>generaal van het departement, <i>de +doorluchtige krijgsheld, die</i> enz., de seminaristen, <i>deze +jeugdige levieten</i>, de vergissingen aan de dagbladen verweten, <i>de +logen die haar vergift in de kolommen dier organen uitstort</i> enz. +enz;—de advocaat was dus begonnen met den diefstal der appelen te +verklaren—een zaak die in fraaien stijl moeielijk te behandelen +is; maar Benigne Bossuet was wel verplicht, in een plechtige lijkrede +van een kip te gewagen, en hij heeft zich met glans uit deze +moeielijkheid gered. De advocaat had aangetoond, dat de diefstal der +appelen niet voldoende bewezen was.—Niemand had zijn cliënt, +dien hij in zijn verdediging Champmathieu bleef noemen, over een muur +zien klimmen of een tak zien breken.—Men had hem met den tak in +de hand aangehouden;—maar hij zeide, dat hij dien op den grond +gevonden en opgeraapt had. Waar was het bewijs van het +tegendeel?—Zonder twijfel was deze tak na een overklimming +afgebroken en medegenomen, en vervolgens door den gestoorden dief +weggeworpen; zonder twijfel was er diefstal gepleegd.—Maar +waaruit bleek, dat Champmathieu deze dief was? Alleen uit de +omstandigheid dat hij een gewezen galeiboef was! De advocaat ontkende +niet, dat deze omstandigheid ongelukkiglijk genoegzaam bewezen scheen; +de beschuldigde had te Faverolles gewoond; hij was er boomsnoeier +geweest; de naam van Champmathieu kon wel van Jean Mathieu zijn +oorsprong hebben; dat alles was waar; vier getuigen hadden ook zonder +aarzelen en bepaaldelijk dezen Champmathieu als den galeislaaf Jean +Valjean herkend; tegen deze bedenkingen en getuigenissen kon de +advocaat niets anders aanvoeren dan de ontkenning van zijn cliënt, +die, ’t was waar, niet onpartijdig was; maar aangenomen zelfs, +dat hij de tuchteling Jean Valjean was, bewees dit, dat hij de dief van +de appelen was? ’t Was een bloot vermoeden, niets meer; geen +bewijs. De beschuldigde, ’t was waar, en de verdediger moest dit +erkennen, had een slecht stelsel van verdediging aangenomen. Hij +volhardde er in, alles te loochenen: den diefstal en zijn hoedanigheid +van gewezen galeiboef. Een bekentenis van dit laatste punt zou stellig +beter zijn geweest en <span class="pagenum">[<a id="pb287" href="#pb287" name="pb287">287</a>]</span>hem de toegevendheid der rechters +verworven hebben; de advocaat had ’t hem aangeraden, maar de +beschuldigde had hardnekkig geweigerd, waarschijnlijk in de meening, +dat hij door alles te loochenen zich redden kon. ’t Was verkeerd; +maar moest de bekrompenheid van zijn verstand niet in aanmerking worden +genomen? Deze man was blijkbaar zwak van geest. Een langdurig verblijf +in het bagno, een langdurige armoede daarna hadden hem verdierlijkt +enz. enz., hij verdedigde zich slecht, was dit een reden om hem te +veroordeelen? Wat de zaak van den kleinen Gervais betrof, de advocaat +had daarover niets te zeggen, zij behoorde niet tot het rechtsgeding. +De advocaat eindigde met de gezworenen en het hof te verzoeken, indien +de identiteit met Jean Valjean hun bewezen voorkwam, hem correctioneel +te straffen wegens verbreking van ban, doch niet met de vreeselijke +straf, welke den gewezen galeislaaf bij herhaling van misdaad +bedreigt.</p> +<p>De advocaat-generaal antwoordde den verdediger. Hij was +overweldigend en bloemrijk, zooals advocaten-generaal gewoonlijk +zijn.</p> +<p>Hij wenschte den verdediger geluk wegens zijn +„royaliteit,” en maakte behendig van die +„royaliteit” gebruik. Al wat de verdediger had toegegeven, +wendde hij aan om den beschuldigde te bezwaren. De advocaat scheen toe +te geven, dat de beschuldigde Jean Valjean was. Hiervan nam hij acte. +Deze man was <i>dus</i> Jean Valjean. Dit was voor de beschuldiging +verkregen, en kon niet meer betwist worden. Hier ging de +advocaat-generaal door een behendige wending terug tot de bron en de +oorzaken der misdaden, en voer uit tegen de onzedelijkheid der +romantische school, destijds in haar opkomst, onder den naam van +„school van den Satan” waarmede de schrijvers der +<i>Quotidienne</i> in <i>Oriflamme</i> haar vereerd hadden; aan den +invloed van deze verderfelijke litteratuur schreef hij—niet +onwaarschijnlijk—het misdrijf van Champmathieu, of liever van +Jean Valjean toe. Na deze beschouwingen ging hij tot Jean Valjean +zelven over. Wie was Jean Valjean? Beschrijving van Jean Valjean: een +monster uitgebraakt door enz. Het model van dergelijke beschrijvingen +vindt men in het verhaal van Theramenes, dat zonder nut is voor +’t treurspel, doch aan de rechterlijke welsprekendheid dagelijks +groote diensten bewijst. De aanwezenden en de gezworenen huiverden. Na +deze schildering vervolgde de advocaat-generaal in een oratorische +vlucht, die geschikt was, om den anderen dag de verrukking van het +dagblad der prefectuur tot den hoogsten graad op te wekken:—En +zulk een man enz. enz. landlooper, bedelaar, zonder middel van bestaan +enz. enz.—<span class="pagenum">[<a id="pb288" href="#pb288" name="pb288">288</a>]</span>door zijn vorig leven aan misdaden gewoon +en door zijn verblijf in ’t bagno weinig verbeterd, zooals de +misdaad, op den kleinen Gervais gepleegd, bewijst enz. enz.—zulk +een man is ’t, die, op den openbaren weg op heeter daad van +diefstal betrapt, weinige schreden van een tuinmuur en met het gestolen +voorwerp nog in de hand, het feit, den diefstal, de overklimming, +alles, ja zelfs zijn naam, zijn identiteit loochent! Behalve honderd +andere bewijzen, waarop wij niet terug willen komen, zijn er vier +getuigen, die hem herkennen: Javert, de streng eerlijke inspecteur van +politie, en drie zijner voormalige lotgenooten, de galeiboeven: Brevet, +Chenildieu en Cochepaille. Wat brengt hij tegen deze verpletterende +getuigenis in? Hij ontkent. Welk een verstoktheid! Mijne heeren de +gezworenen, gij zult recht doen enz. enz.—Terwijl de +advocaat-generaal sprak, luisterde de beschuldigde met open mond en met +eene soort van verbazing, met bewondering vermengd. Hij was blijkbaar +verwonderd, dat iemand zoo spreken kon. Nu en dan, bij de +„krachtigste” plaatsen van requisitoir, in die oogenblikken +dat de onbedwingbare welsprekendheid zich in een stroom van onteerende +scheldnamen ontlastte en den beschuldigde als in een donderwolk hulde, +bewoog deze langzaam het hoofd rechts en links, als een soort van +somber en zwijgend protest, waarbij hij zich sinds den aanvang der +debatten bepaald had. Twee- of driemalen hoorden de toeschouwers die +het dichtst bij hem waren, hem halfluid zeggen:—Dat komt er van, +dat men mijnheer Baloup niet ondervraagd heeft!—De +advocaat-generaal maakte de gezworenen op zijn onnoozele houding +opmerkzaam, die blijkbaar geveinsd was en geen domheid aanduidde, maar +sluwheid, list, en die de gewoonte verried van de justitie om den tuin +te leiden, en de diepe verdorvenheid van dien mensch in ’t +helderste licht stelde. Hij besloot, met zich voor te behouden op de +zaak van den kleinen Gervais terug te komen, en drong op een streng +vonnis aan.</p> +<p>Dit was voor ’t oogenblik, gelijk men zich zal herinneren, +levenslange dwangarbeid.</p> +<p>De verdediger stond op, begon met mijnheer den advocaat generaal +wegens diens uitmuntende rede een compliment te maken, vervolgens +repliceerde hij zoo goed hij kon, doch zwak, wijl toch de grond +blijkbaar onder zijn voeten was weggenomen. <span class="pagenum">[<a id="pb289" href="#pb289" name="pb289">289</a>]</span></p> +</div> +</div> +<div id="ch7.10" class="div1"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">Tiende hoofdstuk.</h2> +<h2 class="main">Het stelsel der ontkenningen.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Het oogenblik, waarop de debatten zouden worden +gesloten, was gekomen. De president beval den beschuldigde op te staan +en deed hem de gebruikelijke vraag: Hebt ge nog iets te uwer +verdediging te zeggen?</p> +<p>De man, die opgestaan was, draaide zijn smerige muts in de handen +rond en scheen niet te hooren.</p> +<p>De president herhaalde de vraag.</p> +<p>Nu hoorde de man. Hij scheen te begrijpen. Hij maakte een gebaar als +iemand die ontwaakt, sloeg de oogen rondom zich, zag het publiek, de +gendarmes, zijn advocaat, de gezworenen, het hof aan, legde zijn groote +hand op den rand der balie voor zijn bank, zag nog eens rond, en +eensklaps zijn blik op den advocaat-generaal richtende, begon hij te +spreken. ’t Was als de uitbarsting van een vulkaan. Naar de +wijze, waarop zijn woorden onsamenhangend, haastig, hortend, verward +uit zijn mond stroomden, scheen het, alsof ze elkander verdrongen om er +tegelijk uit te komen. Hij sprak:</p> +<p>„Dit heb ik te zeggen: Ik ben wagenmakersknecht geweest te +Parijs, en heb bij baas Baloup gewerkt. ’t Is een zware arbeid, +het wagenmaken; altijd in de open lucht, op open plaatsen, bij goede +bazen onder afdaken; nooit in gesloten werkplaatsen, want er moet +ruimte wezen, weet ge. Des winters is men zoo koud, dat men zich in de +armen slaat om warm te worden; maar de meesters willen dit niet hebben, +want het is tijdverlies, zeggen zij. IJzer te bewerken, wanneer er ijs +op de straten ligt, is een zuur werk. ’t Gaat iemand niet in de +kleeren zitten. In dit beroep wordt iemand reeds vroeg oud. Met de +veertig jaren is men op. Ik was drie-en-vijftig, en ’t viel mij +hard. En het werkvolk is zoo ondeugend. Wanneer iemand niet jong meer +is, noemen ze u „oud dier.” Ik verdiende slechts dertig +sous daags, men betaalde mij zoo weinig mogelijk; de bazen +bevoordeelden zich met mijn ouderdom. Welnu, ik had mijn dochter, die +waschvrouw was aan de rivier. Zij verdiende een weinig, met ons beiden +konden wij leven. Zij had het ook niet gemakkelijk. Den geheelen dag +tot aan de middel in een tob te staan, in regen, sneeuw en wind. Of het +vriest of niet, onverschillig, er moet gewasschen worden; er zijn +menschen, die weinig linnengoed hebben en niet lang kunnen wachten; zoo +men niet waschte, zou men zijn klanten <span class="pagenum">[<a id="pb290" href="#pb290" name="pb290">290</a>]</span>verliezen. De planken +laten ’t water door, en van boven droppelt het neer. Men wordt +van boven tot onder nat. Dat dringt door. Zij heeft ook gewasschen in +’t waschhuis „Les Enfants Rouges,” waar het water uit +kranen komt. Daar staat men niet in een tobbe. Men wascht voor zich aan +de kraan en spoelt achter zich in het bekken. Wijl het besloten is, +doet men er minder kou op. Maar de damp van het heete water is +onuitstaanbaar, en bederft de oogen. Zij kwam ’s avonds te zeven +uren te huis, en ging dadelijk naar bed, zoo vermoeid was ze. Haar man +sloeg haar. Zij is dood. Wij zijn niet zeer gelukkig geweest. Zij was +een brave meid, die niet ging dansen; zij was zeer stil. Ik herinner +mij nog een vastenavond, toen zij te acht uren naar bed ging. ’t +Is inderdaad zoo. Ik zeg de waarheid. Vraag er maar naar. Maar vragen +... hoe dom! Parijs is een doolhof. Wie kent den ouden Champmathieu? +Alleen mijnheer Baloup, dit zeg ik u. Ga naar mijnheer Baloup. Voor +’t overige weet ik niet, wat men van mij wil.”</p> +<p>De man zweeg en bleef staan. Hij had dit alles met luide, haastige, +schorre, ruwe stem, met een soort van wrevele, woeste naïeveteit +gezegd. Eenmaal had hij opgehouden, om iemand onder de aanwezenden te +groeten. De soort van verklaringen, welke hij op goed geluk af er uit +wierp, kwamen hortend en stootend te voorschijn, en gingen gepaard met +de beweging van een houthakker die hout klooft. Toen hij geëindigd +had, barstten de aanwezenden in een schaterend gelach uit. Hij zag het +publiek aan, en toen hij zag dat men lachte, begreep hij niet waarom, +en begon zelf mede te lachen.</p> +<p>’t Was vreeselijk!</p> +<p>De president, een oplettend en welwillend man, verhief zijn +stem.</p> +<p>Hij herinnerde „mijnheeren de gezworenen”, dat de heer +Baloup, de meester wagenmaker, bij wien de beschuldigde zeide in dienst +te zijn geweest, vruchteloos gedagvaard was geworden. Hij was bankroet +gegaan, en men had hem niet kunnen vinden. Zich vervolgens tot den +beschuldigde wendende, vermaande hij hem, te luisteren naar hetgeen hij +hem zeggen zou, en vervolgde:</p> +<p>„Ge zijt in een toestand, die ernstige overweging vordert. De +zwaarste vermoedens rusten op u en kunnen tot de ernstigste gevolgen +leiden. Beschuldigde, ik vermaan u voor de laatste maal, in uw eigen +belang, u omtrent deze twee feiten duidelijk te +verklaren:—Vooreerst, zijt ge over den tuinmuur van Pierron +geklommen, hebt ge den tak afgebroken en de <span class="pagenum">[<a id="pb291" href="#pb291" name="pb291">291</a>]</span>appelen gestolen, dat wil zeggen: de misdaad van +diefstal met overklimming gepleegd, ja of neen? Ten tweede, zijt ge de +gewezen galeislaaf Jean Valjean, ja of neen?”</p> +<p>De beschuldigde schudde het hoofd als iemand, die goed begrepen had +en weet, wat hij antwoorden wil. Hij opende den mond, wendde zich tot +den president en zeide:</p> +<p>„Wat het eerste betreft...”</p> +<p>Toen zag hij op zijn muts, vervolgens naar den zolder en zweeg.</p> +<p>„Beschuldigde,” hernam de advocaat-generaal op strengen +toon, „geef wel acht. Gij antwoordt niet op ’t geen u +gevraagd wordt. Uw verwarring veroordeelt u. ’t Is duidelijk, dat +gij niet Champmathieu heet, dat gij de tuchteling Jean Valjean zijt, +die zich aanvankelijk onder den naam van Jean Mathieu verscholen heeft, +welke naam die zijner moeder was; dat ge naar Auvergne zijt gegaan, dat +gij te Faverolles zijt geboren, waar ge boomsnoeier waart. ’t Is +duidelijk, dat ge bij overklimming in den boomgaard van Pierron rijpe +appelen hebt gestolen. Mijne heeren de gezworenen zullen dit wel +bedenken.”</p> +<p>De beschuldigde was weder gaan zitten, maar stond schielijk op, toen +de advocaat-generaal gesproken had, en riep:</p> +<p>„Gij zijt heel slecht, gij! Dat wilde ik u zeggen, maar ik kon +niet terstond woorden vinden. Ik heb niets gestolen, ik ben iemand, die +niet alle dagen te eten heeft. Ik kwam van Ailly, en ging op weg na een +geweldigen regen, die het geheele land onder water had gezet, zoodat +men langs den weg nauwelijks de toppen van het gras zag; ik vond een +afgebroken tak, waaraan appelen zaten, ik raapte den tak op, zonder te +vermoeden dat mij dit in moeilijkheden zou brengen. Ik ben nu reeds +drie maanden in de gevangenis en word op alle wijzen gekweld. Ik weet +niet, wat ik meer zeggen moet; men spreekt tegen mij; men zegt: +antwoord. De gendarm, die een goed man is, stoot mij aan den elleboog +en fluistert: antwoord toch. Ik weet mij niet goed uit te drukken, ik +heb niets geleerd; ik ben een arm man. Men moest dit begrijpen. Ik heb +niet gestolen, ik heb van den weg opgeraapt wat er lag. Gij spreekt van +Jean Valjean, Jean Mathieu. Ik ken die lieden niet. Zij wonen zeker in +’t dorp. Ik heb bij den heer Baloup, op den boulevard de +l’Hopital gewerkt. Ik heet Champmathieu. Gij zijt wel slim, dat +ge mij kunt zeggen waar ik geboren ben. Ik weet het zelf niet. Iedereen +komt niet in een huis ter wereld. Dat zou al te gemakkelijk zijn. Ik +geloof, dat mijn ouders lieden waren die in het land rondzwierven; ik +weet het <span class="pagenum">[<a id="pb292" href="#pb292" name="pb292">292</a>]</span>trouwens niet. Toen ik een kind was, noemde men +mij „Kleine”, nu heet men mij „Oude”. Dat zijn +mijn doopnamen. Houdt ze voor hetgeen ge wilt. Ik ben in Auvergne, te +Faverolles geweest. Drommels! Kan men niet in Auvergne en te Faverolles +zijn geweest, zonder op de galeien geweest te zijn? Ik zeg u, dat ik +niet gestolen heb en dat ik de oude Champmathieu ben. Ik ben bij +mijnheer Baloup geweest, ik heb een woonplaats gehad. Maar al uw malle +praat verveelt mij eindelijk. Waarom vervolgt men mij als een wild +dier?”</p> +<p>De advocaat-generaal was blijven staan en richtte zich nu tot den +president.</p> +<p>„Mijnheer de president, tegenover de verwarde, maar zeer +behendige ontkenningen van den beschuldigde, die zich gaarne voor een +idioot zou willen laten doorgaan, maar hierin niet zal slagen—dit +verzekeren wij hem—eischen wij, dat het u en het hof behagen +moge, opnieuw voor deze balie de veroordeelden Brevet, Cochepaille en +Chenildieu, benevens den inspecteur van politie Javert te doen +verschijnen, en hen ten laatste male wegens de identiteit van den +beschuldigde met den tuchteling Jean Valjean te ondervragen.”</p> +<p>„Ik moet mijnheer den advocaat-generaal opmerken,” zei +de president, „dat de inspecteur van politie, Javert, wegens zijn +ambtsplichten naar de hoofdplaats van een naburig arrondissement +teruggeroepen, terstond na ’t afleggen zijner getuigenis de +zitting en zelfs de stad heeft verlaten. Wij hebben hem de vergunning +hiertoe gegeven, met de toestemming van mijnheer den advocaat-generaal +en den verdediger van den beschuldigde.”</p> +<p>„’t Is waar, mijnheer de president,” hernam de +advocaat-generaal. „Bij afwezigheid van den heer Javert meen ik +aan mijne heeren de gezworenen te moeten herinneren, wat hij, eenige +uren geleden, hier zelf gezegd heeft. Javert is een achtenswaardig man, +die door zijn strenge, strikte eerlijkheid zijn ondergeschikte, maar +zeer gewichtige betrekking eer aandoet. Zijn verklaring luidde als +volgt: „Ik heb zelfs geen vermoedens noch stoffelijke bewijzen +noodig om de ontkenningen van den beschuldigde te logenstraffen. Ik +herken hem volkomen. Deze man heet niet Champmathieu; ’t is een +voormalige galeislaaf, die zeer ondeugend en gevreesd was, Jean Valjean +geheeten. Men heeft hem na ’t einde van zijn straftijd slechts +met het grootste leedwezen zijn vrijheid hergeven. Hij heeft negentien +jaren dwangarbeid gehad, wegens diefstal met verzwarende +omstandigheden. Vijf of zes keeren heeft hij getracht te ontvluchten. +Behalve van het bestelen van den kleinen Gervais en den diefstal bij +Pierron, verdenk ik hem nog van een diefstal <span class="pagenum">[<a id="pb293" href="#pb293" name="pb293">293</a>]</span>bij +wijlen monseigneur den bisschop van D. Ik heb hem dikwerf gezien +tijdens ik adjunct-opziener in het bagno te Toulon was. Ik herhaal, dat +ik hem volkomen herken.”</p> +<p>Deze zoo duidelijke verklaring scheen een diepen indruk op het +publiek en de gezworenen te maken. De advocaat-generaal eischte ten +slotte dat, bij ontstentenis van Javert, de drie getuigen Brevet, +Chenildieu en Cochepaille opnieuw gehoord en plechtig ondervraagd +zouden worden.</p> +<p>De president gaf het bevel hiertoe aan een deurwaarder; en een +oogenblik later werd de deur der getuigenkamer geopend, De deurwaarder, +vergezeld van een gendarm, om hem den vereischten bijstand te leenen, +leidde den veroordeelde Brevet binnen. De aanwezigen waren in de +hoogste spanning en aller borst hijgde, als hadden zij slechts +één ziel.</p> +<p>De voormalige galeislaaf Brevet droeg het zwart- en grijs +gevangenisbuis. Hij was iemand van zestig jaar en had het voorkomen van +een man van zaken en het gezicht van een schelm. Een en ander gaat soms +te zamen. Hij was in de gevangenis, waar nieuwe misdrijven hem hadden +teruggebracht, een soort van oppasser. Zijn chefs zeiden van hem: Hij +tracht zich verdienstelijk te maken. De geestelijken der gevangenis +gaven goede getuigenis van zijn godsdienstig gedrag. Men moet niet uit +het oog verliezen, dat dit tijdens de restauratie gebeurde.</p> +<p>„Brevet,” zei de president, „gij hebt een +onteerende straf ondergaan en moogt dus geen eed doen.”</p> +<p>Brevet sloeg de oogen neder.</p> +<p>„Evenwel,” hernam de president, „kan zelfs in den +mensch dien de wet onteerd heeft, zoo Gods goedheid het vergunt, een +gevoel van eer en rechtvaardigheid overblijven. Op dit gevoel doe ik in +dit gewichtig uur een beroep. Zoo dit gevoel nog in u leeft, gelijk ik +hoop, bedenk u dan wel, eer gij antwoordt; bedenk, dat een woord van u +dezen man in ’t verderf kan storten, en van den anderen kant, de +justitie kan inlichten. Het is een plechtig oogenblik, en ’t is +nog tijd uw verklaring te herroepen, zoo ge meent u vergist te +hebben.—Beschuldigde! sta op.—Brevet, zie den beschuldigde +goed aan, roep uwe herinneringen te zamen, en zeg ons, op uw ziel en +geweten, of ge in dezen man uw voormaligen makker in ’t bagno, +Jean Valjean, blijft erkennen.”</p> +<p>Brevet zag den beschuldigde aan en wendde zich toen tot het hof:</p> +<p>„Ja, mijnheer de president. Ik heb hem reeds vroeger herkend, +en blijf er bij. Deze man is Jean Valjean, die in 1796 te Toulon kwam +en die plaats in 1815 verliet. Een jaar later <span class="pagenum">[<a id="pb294" href="#pb294" name="pb294">294</a>]</span>werd +ik ontslagen. Thans ziet hij er als een onnoozele uit, misschien is hij +door de jaren suf geworden; maar in ’t bagno was hij slim genoeg. +Ik herken hem volkomen.”</p> +<p>„Ga zitten,” zei de president. „Beschuldigde, +blijf staan.”</p> +<p>Men leidde Chenildieu binnen, een tot levenslangen dwangarbeid +veroordeelde, zooals zijn rood buis en zijn groene muts te kennen +gaven. Hij onderging zijn straf in ’t bagno te Toulon, van waar +men hem wegens deze zaak had doen overkomen. Hij was een kleine man, +van ongeveer vijftig jaren, levendig, gerimpeld, tenger, geel, +onbeschaamd, koortsachtig, die in al zijn leden en door zijn geheele +lichaam een soort van ziekelijke zwakheid bezat, maar een krachtige +uitdrukking in zijn blik. Zijn makkers in ’t bagno noemden hem +Je-nie-dieu (Godloochenaar).</p> +<p>De president richtte genoegzaam dezelfde woorden tot hem als tot +Brevet. Op ’t oogenblik dat hij hem herinnerde, dat zijn +eerloosheid hem het recht ontzegde, een eed te doen, hief Chenildieu +het hoofd op en zag het publiek stijf aan. De president vermaande hem +zich wel te bedenken en vroeg hem, zooals aan Brevet, of hij in zijn +verklaring volhardde, dat hij den beschuldigde herkende.</p> +<p>Chenildieu lachte luid.</p> +<p>„Drommels! Of ik hem herken! wij hebben vijf jaren lang aan +dezelfde keten gezeten. Zijt ge boos, oude?”</p> +<p>„Ga zitten,” zei de president.</p> +<p>De deurwaarder bracht Cochepaille binnen; deze tweede tot +levenslangen dwangarbeid veroordeelde, evenals Chenildieu uit het bagno +gekomen en in ’t rood gekleed, was een boer uit Lourdes, en een +halve beer der Pyreneën. Hij was veehoeder in het gebergte +geweest, en van veehoeder was hij roover geworden. Cochepaille was niet +minder onbeschaafd dan de beschuldigde, en scheen nog stompzinniger. +’t Was een dier ongelukkigen, welke de natuur aanvankelijk tot +wilde dieren heeft bestemd, en waarvan de maatschappij ten slotte +galeislaven maakt.</p> +<p>De president beproefde, hem door eenige gemoedelijke en ernstige +woorden te bewegen en vroeg hem, evenals aan de beide anderen, of hij +zonder aarzeling en bedenken er bij bleef, dat hij den voor hem +staanden man herkende.</p> +<p>„’t Is Jean Valjean,” zei Cochepaille, +„dezelfde dien men Jean le Cric<a class="noteref" id="xd20e6726src" href="#xd20e6726" name="xd20e6726src">1</a> noemde, zoo +sterk was hij.”</p> +<p>Elk der verklaringen van deze drie mannen, die blijkbaar +<span class="pagenum">[<a id="pb295" href="#pb295" name="pb295">295</a>]</span>oprecht en te goeder trouw waren, hadden bij de +aanwezenden een gemompel, een slecht teeken voor den beschuldigde doen +ontstaan, welk gemompel telkens sterker werd en langer aanhield, +wanneer een nieuwe verklaring zich bij de vorige voegde. De +beschuldigde had alles aangehoord met dat verbaasd gezicht, hetwelk, +volgens de beschuldiging, zijn voornaamste middel van verdediging was. +Bij de eerste verklaring hadden de gendarmen, die bij hem stonden, hem +binnensmonds hooren mompelen: „Ha, dat is er me een!” Na de +tweede zeide hij een weinig luider, schier op tevreden toon: +„Goed!” Bij de derde riep hij: „Wel +drommels!”</p> +<p>De president vroeg hem nu:</p> +<p>„Hebt ge gehoord, beschuldigde? Wat hebt ge te +zeggen?”</p> +<p>Hij antwoordde:</p> +<p>„Ik zeg—wel drommels!”</p> +<p>Bij het publiek ontstond eene opschudding, die zich schier aan de +gezworenen mededeelde. Het was duidelijk, dat de man verloren was.</p> +<p>„Deurwaarders,” riep de president, „zorgt voor +stilte. Ik zal de debatten sluiten.”</p> +<p>Op dit oogenblik ontstond dicht bij den president beweging. Men +hoorde een stem roepen:</p> +<p>„Brevet, Chenildieu, Cochepaille! ziet hierheen!”</p> +<p>Allen die deze stem hoorden voelden een huivering, zoo snijdend en +ontzettend was zij. Aller oogen wendden zich naar de plaats, van waar +zij gekomen was. Een man onder de bevoorrechte toeschouwers, achter de +rechters, was opgestaan, had de balie, welke de rechtbank van het +publiek scheidde, geopend en stond nu in ’t midden der zaal. De +president, de advocaat-generaal, mijnheer Bamatabois, twintig personen +herkenden hem en riepen uit één mond:</p> +<p>„De heer Madeleine.”</p> +</div> +<div class="footnotes"> + +<hr /> + +<p class="footnote"><span class="label"><a class="noteref" id="xd20e6726" href="#xd20e6726src" name="xd20e6726">1</a></span> +<span class="sc">Cric</span> = <i>dommekracht</i></p> +</div> +</div> +<div id="ch7.11" class="div1"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">Elfde hoofdstuk.</h2> +<h2 class="main">Champmathieu hoe langer hoe meer verwonderd.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Hij was ’t inderdaad. De lamp van den griffier +bescheen zijn gelaat. Hij had den hoed in de hand, zijn kleeding was in +volkomen orde, zijn jas zorgvuldig dichtgeknoopt; maar hij was zeer +bleek en beefde eenigszins. Zijn haar, bij zijn aankomst te Arras nog +grijs, was thans heel wit. ’t Was sinds een uur, dat hij zich +daar bevond, wit geworden. <span class="pagenum">[<a id="pb296" href="#pb296" name="pb296">296</a>]</span></p> +<p>Aller hoofden richtten zich op. De opschudding was onbeschrijfelijk. +De toeschouwers verkeerden voor een oogenblik in geweldige spanning. De +stem was zoo heftig geweest, de man, die daar stond, scheen zoo +bedaard, dat men aanvankelijk niets begreep. Men vroeg elkander, wie +gesproken had. Men kon niet gelooven, dat het deze kalme man was, die +zoo luid had geroepen.</p> +<p>Deze onzekerheid duurde slechts eenige seconden. Zelfs +vóór de president en de advocaat-generaal een woord +hadden kunnen zeggen, vóór de gendarmen en deurwaarders +iets hadden kunnen doen, was de man, dien allen nog mijnheer Madeleine +noemden, naar de getuigen Cochepaille, Brevet en Chenildieu gegaan.</p> +<p>„Herkent ge mij niet?” zeide hij.</p> +<p>Alle drie waren verwonderd en gaven door een hoofdbeweging te +verstaan, dat zij hem niet kenden. Cochepaille groette in zijn +verwarring door op militaire wijze aan te slaan. De heer Madeleine +wendde zich tot de gezworenen en het hof, en zeide met zachte stem:</p> +<p>„Mijne heeren gezworenen! stelt den beschuldigde in vrijheid. +Mijnheer de president! laat mij in hechtenis nemen. De man, dien gij +zoekt, is niet hij, maar ben ik. Ik ben Jean Valjean.”</p> +<p>Allen hielden den adem in. Op de eerste aandoening van verbazing was +een doodsche stilte gevolgd. Men voelde in de zaal die soort van +eerbiedige huivering, welke de menigte bevangt, wanneer iets +ontzettends geschiedt.</p> +<p>Het gezicht van den president drukte genegenheid en droefheid uit; +hij had een snellen blik met den advocaat-generaal en eenige +fluisterende woorden met de raadsheeren gewisseld. Toen wendde hij zich +tot het publiek, en op een toon, die door allen begrepen werd, vroeg +hij:</p> +<p>„Is hier een geneesheer tegenwoordig?”</p> +<p>Daarop nam de advocaat-generaal het woord en zeide:</p> +<p>„Mijne heeren gezworenen, het even zonderling als onverwacht +voorval dat de zitting stoort boezemt ons, evenzeer als u, een gevoel +in, dat wij niet behoeven uit te drukken. Gij kent allen, ten minste +bij naam, den achtenswaardigen heer Madeleine, maire van M. sur M. Zoo +een geneesheer in de zaal tegenwoordig is, vereenigen wij ons met +mijnheer den president, om hem te verzoeken den heer Madeleine bij te +staan en hem naar zijn woning te geleiden.”</p> +<p>Mijnheer Madeleine liet den advocaat-generaal niet uitspreken. Hij +viel hem op een kalmen doch tevens nadrukkelijken toon in de rede. +Ziehier de woorden, die hij sprak, letterlijk, <span class="pagenum">[<a id="pb297" href="#pb297" name="pb297">297</a>]</span>zooals ze terstond na de zitting door een der +getuigen van dit tooneel werden opgeschreven, en zooals ze thans nog in +de ooren weerklinken van hen, die ze nu bijna veertig jaren geleden +gehoord hebben.</p> +<p>„Ik dank u, mijnheer de advocaat-generaal, maar ik ben niet +krankzinnig. Ge zult er u van overtuigen. Gij waart op het punt, een +groote dwaling te begaan; laat dezen man vrij, ik vervul een plicht: ik +ben die ongelukkige veroordeelde. Ik ben de eenige, die de zaak +duidelijk ken en ik zeg u de waarheid. God, die hier boven is, ziet wat +ik op dit oogenblik doe, en dat is voldoende. Ge kunt mij laten vatten, +want hier ben ik. Ik had echter gedaan wat ik kon. Ik heb mij onder een +anderen naam verborgen; ik ben rijk geworden, ben maire geworden; ik +wilde onder de eerlijke menschen terugkeeren. ’t Schijnt, dat dit +niet mogelijk is. Vele dingen kan ik u niet zeggen, ik zal u mijn +levensloop niet verhalen, eenmaal zal men dien te weten komen. ’t +Is waar, dat ik Monseigneur den bisschop bestolen heb; ’t is ook +waar, dat ik den kleinen Gervais heb afgezet. Men heeft terecht gezegd, +dat Jean Valjean een zeer erge misdadiger was. Misschien heeft hij +echter niet geheel en al schuld. Mijne heeren de rechters, een man, zoo +diep gezonken als ik, heeft de Voorzienigheid niet te berispen noch der +maatschappij raad te geven; maar laat ik u zeggen, dat de onteering, +waaruit ik gepoogd heb mij op te heffen, een zeer noodlottige zaak is. +De galeien maken den galeislaaf. Bedenkt dit wel. Vóór ik +in het bagno kwam, was ik een arme boer, zeer weinig ontwikkeld, een +soort van onnoozele; het bagno heeft mij veranderd. Ik was <i>dom</i>, +ik ben <i>slecht</i> geworden; ik was een <i>blok hout</i>, ik ben een +<i>klomp vuur</i> geworden. Later hebben zachtmoedigheid en goedheid +mij gered, evenals strengheid mij verdorven had. Maar vergeving, gij +kunt niet begrijpen wat ik zeg. In mijn huis zult ge in de asch van den +haard het tweefrancstuk vinden, dat ik vóór zeven jaar +den kleinen Gervais ontnam. Ik heb hier niets meer bij te voegen. Neemt +mij gevangen. Mijn God! mijnheer de advocaat-generaal schudt het hoofd; +gij zegt: De heer Madeleine is krankzinnig geworden; gij gelooft mij +niet. Dit is treurig. Veroordeelt ten minste dezen man niet. Hoe! deze +lieden herkennen mij niet! Indien Javert hier slechts ware! Hij zou mij +herkennen!”</p> +<p>De diepe, zachtmoedige treurigheid, welke in den toon dezer woorden +lag, is niet te beschrijven.</p> +<p>Hij wendde zich tot de drie galeiboeven:</p> +<p>„Nu, ik herken u, Brevet! Herinnert ge u...?”</p> +<p>Hij hield op, aarzelde een oogenblik en zeide toen: <span class="pagenum">[<a id="pb298" href="#pb298" name="pb298">298</a>]</span></p> +<p>„Herinnert ge u den gebreiden draagband met ruiten, dien ge in +het bagno droegt?”</p> +<p>Brevet werd van verbazing aangegrepen en zag hem van het hoofd tot +de voeten met een ontstelden blik aan. Hij vervolgde:</p> +<p>„Chenildieu, gij, die u zelven Je-nie-Dieu (Godloochenaar) +noemdet; op uw rechterschouder hebt ge het diep litteeken eener +brandwonde, doordien ge u op zekeren dag op een komfoor met gloeiende +kolen legdet, om de letters T. F. P. te doen verdwijnen, die iedereen +er echter nog zien kan. Antwoord, is ’t waar?’’</p> +<p>„’t Is waar,” zei Chenildieu.</p> +<p>Daarop zeide hij tot Cochepaille :</p> +<p>„Cochepaille, ge hebt op den linkervoorarm een datum in blauwe +letters met buskruit ingebrand. ’t Is de dagteekening der landing +van den keizer te Cannes, 1 Maart 1815. Stroop uw mouw op!”</p> +<p>Cochepaille stroopte de mouw op, de blikken van alle omstanders +richtten zich op zijn blooten arm. Een gendarm naderde met een lamp, de +dagteekening stond er.</p> +<p>Toen wendde de ongelukkige man zich tot het publiek en tot de +rechters met een glimlach, welke allen, die er bij tegenwoordig waren, +nog door het hart snijdt als zij er aan denken. ’t Was de +glimlach der zegepraal, vermengd met dien der wanhoop.</p> +<p>„Gij ziet nu,” zeide hij, „dat ik Jean Valjean +ben.”</p> +<p>Er waren nu in de zaal noch rechters, noch beschuldigers, noch +gendarmen; er waren slechts strakke blikken en bewogen harten. Niemand +dacht meer aan de rol, die hij te vervullen had; de advocaat-generaal +vergat, dat hij er was om een eisch te doen; de president, dat hij er +om te presideeren, de verdediger, dat hij er om te verdedigen was. +Zonderling, geen vraag werd gedaan, geen gezag deed zich gelden. Het +eigenaardige van verheven tooneelen is, dat zij alle harten bevangen en +van alle aanwezigen belangstellenden maken. Niemand misschien gaf zich +rekenschap van ’t geen hij gevoelde; niemand, waarschijnlijk, +dacht er aan, dat hij hier een schitterend licht zag schijnen; allen +gevoelden zich inwendig verblind.</p> +<p>’t Was nu duidelijk, dat men Jean Valjean voor zich had. De +verschijning van dezen man was voldoende geweest, om de even te voren +nog zoo duistere zaak in het helderste licht te stellen. Zonder dat er +nog eenige verklaring noodig was, begreep het gansche publiek, als door +een soort van electrische verlichting, in een enkel oogenblik de +eenvoudige en <span class="pagenum">[<a id="pb299" href="#pb299" name="pb299">299</a>]</span>grootsche geschiedenis van een man, die zich +zelven overleverde, opdat geen ander in zijn plaats veroordeeld zou +worden. De bijzonderheden, de weifelingen, de mogelijk geringe +wederstrevingen verdwenen in deze grootsche, schitterende daad.</p> +<p>De indruk ging spoedig voorbij, maar was op het oogenblik +onwederstaanbaar.</p> +<p>„Ik wil de zitting niet langer storen,” hernam Jean +Valjean. „Ik ga, wijl men mij niet in hechtenis neemt. Ik heb nog +veel te verrichten. Mijnheer de advocaat-generaal weet wie ik ben; hij +weet waarheen ik ga; hij kan mij doen gevangen nemen, wanneer hij +wil.”</p> +<p>Hij ging naar de deur. Geen stem verhief zich, geen arm werd +uitgestoken om hem te verhinderen. Allen gingen ter zijde. Hij had op +dit oogenblik iets goddelijks, ’t welk de menigte voor een mensch +doet wijken en ter zijde gaan. Met langzamen tred ging hij door de +zaal. Men heeft nimmer geweten, wie de deur opende; maar ’t is +zeker, dat de deur geopend was, toen hij er kwam.</p> +<p>Daar wendde hij zich om en zeide:</p> +<p>„Mijnheer de advocaat-generaal, ik blijf te uwer +beschikking.”</p> +<p>Vervolgens sprak hij tot het publiek:</p> +<p>„Gij allen die hier zijt, gij vindt mij beklagenswaard, niet +waar? Mijn God! wanneer ik denk wat ik voornemens was te doen, vind ik +mij benijdenswaardig. ’t Zou mij echter liever zijn, zoo dit +alles niet gebeurd ware.”</p> +<p>Hij ging de deur uit, die zich sloot gelijk zij geopend was; want +zij die iets verhevens verrichten, kunnen altijd zeker zijn, dat iemand +onder de menigte hen helpen zal.</p> +<p>Binnen een uur tijds onthief de uitspraak der gezworenen +Champmathieu van alle schuld; en Champmathieu, die dadelijk op vrije +voeten werd gesteld, ging verbaasd heen, in de vaste overtuiging, dat +al die menschen gek waren, en zonder iets van het gebeurde te +begrijpen. <span class="pagenum">[<a id="pb301" href="#pb301" name="pb301">301</a>]</span></p> +</div> +</div> +</div> +<div class="div0"> +<h2 class="label">Boek VIII.</h2> +<h2 class="main">Terugwerking.</h2> +<span class="pagenum">[<a id="pb303" href="#pb303" name="pb303">303</a>]</span> +<div id="ch8.1" class="div1"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">Eerste hoofdstuk.</h2> +<h2 class="main">In welken spiegel mijnheer Madeleine zijn haren +beziet.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">De dag begon aan te breken. Fantine had een +koortsigen, slapeloozen nacht gehad, voor ’t overige vol +aangename voorstellingen; tegen den ochtend viel zij in slaap. Zuster +Simplicia, die des nachts bij haar gewaakt had, maakte van deze +gelegenheid gebruik, om een nieuwen kinadrank te bereiden. Sedert +eenige oogenblikken was de goede zuster in de apotheek met haar +artsenijen en fleschjes bezig, alles dicht onder ’t gezicht +houdende, uit hoofde der nog heerschende ochtendschemering. Eensklaps +wendde zij het hoofd om en slaakte een lichten kreet. Mijnheer +Madeleine stond voor haar. Hij was ongemerkt binnengekomen.</p> +<p>„Zijt gij ’t, mijnheer de maire?” riep zij.</p> +<p>Hij antwoordde met zachte stem:</p> +<p>„Hoe gaat het met de arme vrouw?”</p> +<p>„Niet erger op dit oogenblik. Maar wij zijn allen zeer +ongerust geweest.”</p> +<p>Zij verhaalde hem, wat had plaats gehad; dat Fantine den vorigen +avond zeer erg was geweest, doch nu veel beter was, wijl zij geloofde, +dat mijnheer de maire naar Montfermeil was gegaan, om haar kind te +halen. De zuster durfde den maire hiernaar niet vragen, maar zij zag +wel aan zijn gezicht, dat hij daar niet vandaan kwam.</p> +<p>„Dit is alles goed,” zeide hij, „ge hebt wel +gedaan, haar in dien waan te laten.”</p> +<p>„Ja,” hernam de zuster, „maar wat zullen wij haar +zeggen, nu zij u zonder haar kind zal wederzien?”</p> +<p>Hij bedacht zich een oogenblik.</p> +<p>„God zal ’t ons ingeven,” zeide hij.</p> +<p>„Men mag evenwel geen onwaarheid zeggen,” mompelde de +zuster binnensmonds. <span class="pagenum">[<a id="pb304" href="#pb304" name="pb304">304</a>]</span></p> +<p>’t Was nu volkomen dag geworden. Het licht viel den heer +Madeleine juist in ’t gezicht. Toevallig sloeg de zuster haar +oogen op.</p> +<p>„Mijn Hemel, mijnheer!” riep zij, „wat is uw +overkomen? uw haar is geheel en al wit!”</p> +<p>„Wit?” zeide hij.</p> +<p>Zuster Simplicia had geen spiegel; zij schommelde in een +instrumentlade en nam er een spiegeltje uit, waarvan de dokter zich in +de ziekenzaal bediende, om te onderzoeken of een zieke werkelijk dood +was en niet meer ademde. Mijnheer Madeleine nam het spiegeltje, zag er +zijn haar in en zeide: „ziedaar!”</p> +<p>Hij sprak dit onverschillig uit en alsof hij aan iets anders +dacht.</p> +<p>De zuster ontstelde over het geheimzinnige, dat zij in dit alles +vermoedde.</p> +<p>Hij vroeg:</p> +<p>„Kan ik haar zien?”</p> +<p>„Zal mijnheer de maire heur kind niet tot haar brengen?” +sprak de zuster, die nauwelijks een vraag durfde doen.</p> +<p>„Zekerlijk, maar daar zijn ten minste twee of drie dagen voor +noodig.”</p> +<p>„Zoo zij mijnheer den maire vóór dien tijd niet +ziet,” hernam de zuster bedeesd, „zal zij niet weten dat +gij terug zijt; zij zal dan gemakkelijk tot geduld te brengen zijn, en +wanneer het kind komt, zal zij natuurlijk denken, dat mijnheer de maire +het heeft medegebracht. Niemand zou dan een onwaarheid behoeven te +zeggen.”</p> +<p>Mijnheer Madeleine scheen zich eenige oogenblikken te bedenken, toen +zeide hij met kalmen ernst:</p> +<p>„Neen, zuster, ik moet haar zien. Er is misschien +haast.”</p> +<p>De geestelijke zuster scheen het woord „misschien” niet +op te merken, dat een vreemden, duisteren zin aan de woorden van +mijnheer den maire gaf. Met nedergeslagen oogen en op eerbiedigen toon +antwoordde zij:</p> +<p>„Zij slaapt; maar mijnheer de maire kan binnengaan.”</p> +<p>Hij maakte eenige aanmerkingen wegens een deur, die niet goed sloot, +en welker gerucht de zieke kon wekken; toen trad hij in de kamer van +Fantine, naderde het bed en sloeg de gordijnen half open. Zij sliep. +Haar adem kwam uit de borst op met het akelig geluid, aan die soort van +ziekten eigen, en ’t welk het hart der moeder verscheurt, die +’s nachts bij haar kind waakt. Deze moeielijke ademhaling +verstoorde evenwel de onbeschrijfbare kalmte niet, die op haar gelaat +lag en haar in haar slaap als herschiep. Haar bleekheid was blankheid +<span class="pagenum">[<a id="pb305" href="#pb305" name="pb305">305</a>]</span>geworden; haar wangen waren blozend. Haar lange +blonde oogharen, het eenige schoon, dat haar van haar jeugd was +overgebleven, trilden, hoewel de oogleden neergeslagen en gesloten +bleven. Haar geheele lichaam rilde als door het kleppen van vleugelen, +die zich uitbreidden om haar weg te voeren, en welke men voelde +bewegen, maar niet zag. Als men haar aldus zag, kon men niet gelooven +dat haar toestand hopeloos was. Zij scheen eerder te willen wegvliegen, +dan te sterven.</p> +<p>De tak beeft, zoo een hand nadert om de bloem te plukken, en schijnt +zich tevens terug te trekken en zich aan te bieden. Het menschelijk +lichaam heeft iets van deze beving, wanneer ’t oogenblik nadert, +dat de geheimzinnige vingers van den dood de ziel komen plukken.</p> +<p>Madeleine bleef eenigen tijd bewegingloos voor het bed staan en +aanschouwde beurtelings de zieke en het kruisbeeld, evenals hij twee +maanden geleden deed, op den dag, toen hij haar voor het eerst in deze +wijkplaats bezocht. Beiden bevonden zich daar nu weder in dezelfde +houding; zij sliep, hij bad; maar thans, na verloop dezer twee maanden, +was Fantine’s haar grijs, het zijne wit.</p> +<p>De zuster was niet met hem binnengegaan. Hij stond bij het bed met +den vinger op de lippen, als ware er iemand in de kamer, wien hij het +zwijgen gebood.</p> +<p>Zij opende de oogen, zag hem en zeide kalm en glimlachend:</p> +<p>„En Cosette?”</p> +</div> +</div> +<div id="ch8.2" class="div1"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">Tweede hoofdstuk.</h2> +<h2 class="main">Fantine is gelukkig.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Zij maakte geen beweging van verrassing noch van +blijdschap; zij was de blijdschap zelve. Deze eenvoudige vraag: +„En Cosette?” werd met zulk een innig vertrouwen, met +zooveel zekerheid, zoo geheel zonder ongerustheid en twijfel gedaan, +dat hij niet wist wat hij zeggen zou. Zij vervolgde:</p> +<p>„Ik wist dat ge hier waart, ik sliep, maar ik zag u. Ik zag u +sinds lang en volgde u den ganschen nacht met mijn oogen. Ge waart door +een stralenkrans omgeven en om u zweefden allerlei hemelsche +gedaanten.”</p> +<p>Hij hief zijn blik op tot het kruisbeeld.</p> +<p>„Maar,” vervolgde zij, „zeg mij nu waar Cosette +is? Waarom haar niet bij mij op ’t bed gelegd, tegen ’t +oogenblik dat ik ontwaken zou?” <span class="pagenum">[<a id="pb306" href="#pb306" name="pb306">306</a>]</span></p> +<p>Hij antwoordde werktuiglijk iets, dat hij zich later nimmer meer kon +herinneren.</p> +<p>Gelukkig was de geneesheer, die verwittigd was, verschenen, en kwam +den heer Madeleine te hulp.</p> +<p>„Wees rustig, mijn dochter, uw kind is hier.”</p> +<p>Fantine’s oogen glinsterden en spreidden een helderen glans +over haar gelaat. Met een uitdrukking, die alles in zich sloot wat het +gebed vurigst en zachtst kan hebben, vouwde zij de handen.</p> +<p>„Ach!” riep zij, „breng haar mij.”</p> +<p>Aandoenlijke begoocheling eener moeder! Zij meende nog altijd, dat +men haar het kind bracht.</p> +<p>„Nog niet,” hernam de geneesheer, „niet in dit +oogenblik. Ge zijt nog koortsig. Het gezicht van uw kind zou u te veel +ontroeren en nadeelig zijn. Vóór alles moet ge hersteld +zijn.”</p> +<p>Zij viel hem heftig in de rede:</p> +<p>„Ik ben hersteld, ik zeg u dat ik hersteld ben. Hoe dom van +dien dokter. Ik zeg u, dat ik mijn kind wil zien.”</p> +<p>„Ge ziet,” zei de geneesheer, „dat ge driftig +wordt. Zoolang ge zóó zijt, wil ik niet, dat ge uw kind +ziet. ’t Is niet genoeg haar te zien, gij moet voor haar leven. +Zoodra ge bedaard en kalm zijt, zal ik zelf u haar brengen.”</p> +<p>De arme moeder liet het hoofd zinken.</p> +<p>„Vergeving, mijnheer de dokter, ik vraag u hartelijk +vergiffenis. Vroeger zou ik aldus niet gesproken hebben; maar ik heb +zoovele rampen doorstaan, dat ik soms niet weet wat ik zeg. Ik begrijp, +ge vreest voor opgewondenheid; ik zal zoo lang wachten als ge wilt; +maar ik verzeker u, dat het mij geen kwaad zou gedaan hebben, mijn kind +te zien. Ik zie haar toch, en sedert gisterenavond verlies ik haar niet +uit het oog. Weet ge? Zoo men het mij nu bracht, zou ik er rustig mede +praten. Anders niet. Is ’t niet natuurlijk, dat ik mijn kind +wensch te zien, dat men opzettelijk van Montfermeil heeft gehaald? Ik +ben niet verstoord. Ik weet immers, dat ik gelukkig zal worden. Den +geheelen nacht heb ik witte dingen gezien en lieden die mij toelachten. +Wanneer mijnheer de dokter het goedvindt, zal hij mij Cosette wel +brengen. Ik heb geen koorts meer, want ik ben genezen; ik gevoel +duidelijk, dat mij niets meer deert; maar ik zal doen alsof ik ziek ben +en stil zijn, om de goede zusters aangenaam te zijn. Zoodra men ziet, +dat ik rustig ben, zullen zij zeggen: nu moet men haar het kind +geven.”</p> +<p>Madeleine had zich op een stoel gezet, die naast het bed stond. Zij +wendde zich tot hem, en deed blijkbaar alle moeite om bedaard en +„zeer verstandig” te zijn, zooals zij in haar ziekelijke +zwakheid zeide, welke de kindsheid gelijkt, opdat <span class="pagenum">[<a id="pb307" href="#pb307" name="pb307">307</a>]</span>men, +als men haar zoo rustig zag, geen bezwaar zou maken haar Cosette te +brengen. Evenwel kon zij, hoezeer zij zich bedwong, niet nalaten, den +heer Madeleine duizenderlei vragen te doen.</p> +<p>„Hebt ge een voorspoedige reis gehad, mijnheer de maire? O, +hoe goed van u, dat ge haar gehaald hebt! Zeg mij maar alleen, hoe +’t haar gaat? Heeft zij de reis goed doorgestaan? Ach, zij zal +mij niet meer kennen? De lieve kleine heeft mij in al dien tijd +vergeten! kinderen hebben geen geheugen; ’t gaat hun als de +vogels. Vandaag zien zij dit, morgen dat, en vergeten alles. Maar heeft +zij schoon linnen? Hielden de Thénardier’s haar zindelijk? +Hoe voedden zij haar? Ach, wist ge hoe ik geleden heb, toen ik, in den +tijd mijner ellende, mij al deze vragen deed. Nu is ’t voorbij! +Ik ben verheugd! Ach, hoezeer wensch ik haar te zien! Hebt ge haar mooi +gevonden, mijnheer de maire? Niet waar, mijn dochtertje is schoon? Ge +moet het wel koud in de diligence gehad hebben? Zou men haar niet voor +een enkel oogenblik kunnen brengen? Ze kunnen haar terstond weder +meenemen! Spreek, gij zijt baas, en zoo ge wildet...!”</p> +<p>Hij nam haar hand en zeide: „Cosette is schoon: zij is +welvarend, gij zult haar spoedig zien; maar wees nu stil. Gij spreekt +te veel, en gij laat uw armen uit het bed hangen; dat maakt u aan +’t hoesten.”</p> +<p>En inderdaad deden aanvallen van hoest Fantine schier bij ieder +woord afbreken.</p> +<p>Fantine morde niet; zij vreesde dat zij door te harstochtelijke +klachten het vertrouwen had geschaad, dat zij wilde inboezemen, en nu +begon zij over onverschillige zaken te spreken.</p> +<p>„Montfermeil is een lief plaatsje, niet waar? Des zomers doet +men er pleiziertochtjes heen. Gaan de zaken van Thénardier goed? +Er komen weinig voorname lieden bij hen. Hun herberg is een soort van +kroeg.”</p> +<p>Madeleine hield nog altijd haar hand vast en aanschouwde haar met +bekommering; ’t was hem aan te zien, dat hij gekomen was om haar +dingen te zeggen, welke hij thans aarzelde uit te spreken. De +geneesheer verwijderde zich, en nu was zuster Simplicia alleen met +beiden.</p> +<p>Eensklaps riep Fantine, te midden dezer stilte:</p> +<p>„Ik hoor haar, mijn God! ik hoor haar!”</p> +<p>Zij stak den arm uit, opdat men niet zou spreken, hield den adem in +en luisterde in verrukking.</p> +<p>Op de binnenplaats speelde een kind, het kind der portierster of van +een werkster. ’t Was eene dier toevalligheden, welke <span class="pagenum">[<a id="pb308" href="#pb308" name="pb308">308</a>]</span>men +zoo vaak ontmoet en die tot de voorstelling van treurige tooneelen +schijnen te behooren. Het kind, een klein meisje, liep heen en weder, +om zich te verwarmen, en lachte en zong luide. Helaas! op welke wijze +vermaken de kinderen zich al niet! ’t Was dit kleine meisje, +’t welk Fantine hoorde zingen.</p> +<p>„O,” hernam zij, „’t is mijn Cosette, ik +herken haar stem!”</p> +<p>Het kind verwijderde zich gelijk het gekomen was, haar stem +verstierf; Fantine luisterde nog een poos, toen verduisterde haar +gelaat en de heer Madeleine hoorde haar zacht zeggen: „Hoe wreed +is deze geneesheer, dat hij mij mijn kind niet wil laten zien. Die man +heeft zelf een leelijk gezicht.”</p> +<p>Haar vroolijke gedachten keerden echter terug. Zij ging voort met +tot zich zelve te spreken, het hoofd in ’t kussen: „O, wij +zullen gelukkig zijn. Vooreerst zullen wij een kleinen tuin hebben. +Mijnheer Madeleine heeft het mij beloofd. Mijn dochtertje zal in den +tuin spelen. Zij zal de letters wel kennen en ik zal haar leeren +spellen. Over het gras zal zij de kapellen naloopen. Ik zal haar dan +zien. Vervolgens zal zij haar eerste communie doen. O, wanneer zal zij +haar eerste communie doen?”</p> +<p>Zij telde op haar vingers.</p> +<p>„... Een, twee, drie, vier... Zij is zeven jaar oud. Dus over +vijf jaar. Dan krijgt zij een witten sluier, opengewerkte kousen... Zij +zal er uitzien als een dametje. O, lieve zuster, verbeeld u hoe dwaas, +ik denk daar aan de eerste communie van mijn dochtertje.”</p> +<p>Zij lachte.</p> +<p>Madeleine had Fantine’s hand losgelaten. Hij luisterde naar +haar woorden gelijk men naar den wind luistert, met nedergeslagen +oogen, in onbestemde gedachten verdiept. Eensklaps zweeg zij; dit deed +hem werktuiglijk het hoofd opheffen. Fantine zag er verschrikt uit.</p> +<p>Zij sprak niet meer, zij ademde niet meer; ten halve had zij zich +opgericht, haar magere arm kwam uit het hemd; haar gezicht, dat even te +voren schitterde, was dof, zij scheen op iets vreeselijks te staren +vóór zich aan ’t einde der kamer, haar oogen waren +opengespalkt van schrik.</p> +<p>„Mijn God!” riep hij. „Wat deert u, +Fantine?”</p> +<p>Zij antwoordde niet, zij wendde de oogen niet af van het voorwerp, +’t welk zij scheen te zien, maar met de eene hand drukte zij zijn +arm en met de andere beduidde zij hem, achterom te zien.</p> +<p>Hij keerde zich om, en zag Javert. <span class="pagenum">[<a id="pb309" href="#pb309" name="pb309">309</a>]</span></p> +</div> +</div> +<div id="ch8.3" class="div1"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">Derde hoofdstuk.</h2> +<h2 class="main">Javert is tevreden.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Ziehier wat gebeurd was.</p> +<p>’t Was half één ’s nachts, toen de heer +Madeleine de gerechtszaal te Arras had verlaten. Hij was tijdig genoeg +in zijn herberg teruggekomen om met de postkar te kunnen vertrekken, +waarop hij, zooals men zich herinnert, een plaats besproken had. Even +voor zes uren in den morgen was hij te M. sur M. aangekomen; en het +eerst wat hij deed was zijn brief aan den heer Laffitte naar de post te +brengen, vervolgens in de ziekenzaal Fantine te bezoeken.</p> +<p>Hij had echter nauwelijks de gerechtszaal verlaten, of de +advocaat-generaal herstelde zich van zijn eerste verbazing en nam het +woord, om de krankzinnige daad van den achtenswaardigen maire van M. +sur M. te betreuren; te verklaren, dat door dat zonderling geval, +’t welk zich later wel zou ophelderen, zijn overtuiging in +’t minst niet veranderd was, en dat hij de veroordeeling eischte +van dezen Champmathieu, die blijkbaar de wezenlijke Jean Valjean was. +De halsstarrigheid van den advocaat-generaal was blijkbaar in +weerspraak met het gevoelen van allen, van het publiek, van het hof, +van de gezworenen. Het had den verdediger weinig moeite gekost deze +rede te bestrijden, en te betoogen, dat, tengevolge der verklaringen +van den heer Madeleine, dat is van den wezenlijken Jean Valjean, de +zaak geheel van gedaante was veranderd en de gezworenen een onschuldige +voor zich hadden. De advocaat haalde daarbij eenige voorbeelden aan, +die echter niet heel nieuw waren, van rechterlijke vergissingen enz. +enz.; de president had zich in zijn résumé bij den +verdediger gevoegd, en in weinige minuten hadden de gezworenen +Champmathieu buiten beschuldiging gesteld.</p> +<p>Maar de advocaat-generaal moest een Jean Valjean hebben, en nu hij +Champmathieu niet meer had, nam hij Madeleine.</p> +<p>Onmiddellijk na de invrijheidstelling van Champmathieu, sloot de +advocaat-generaal zich met den president op. Zij raadpleegden +„over de noodzakelijkheid om zich van den persoon van den maire +van M. sur M. te verzekeren.” Deze zinsnede, met al de +<i>van’s</i>, was geschreven met de eigen hand van den +advocaat-generaal in het klad van zijn rapport aan den +prokureur-generaal. Toen de eerste aandoening voorbij was, maakte de +president slechts weinig tegenwerpingen. Het gericht moest <span class="pagenum">[<a id="pb310" href="#pb310" name="pb310">310</a>]</span>zijn +loop hebben. En, om alles te zeggen, ofschoon de president een goed en +verstandig man was, was hij terzelfder tijd een zeer vurig +koningsgezinde, en hij had er zich <span class="corr" id="xd20e7050" +title="Bron: overgebelgd">over gebelgd</span> gevoeld, dat de maire van +M. sur M., toen deze van de landing te Cannes sprak, <i>de keizer</i> +en niet <i>Bonaparte</i> had gezegd.</p> +<p>Het bevel tot gevangenneming werd dus uitgevaardigd. De +advocaat-generaal zond het met een bijzonderen ijlbode naar M. sur M. +en belastte er den inspecteur Javert mede.</p> +<p>Men weet dat Javert terstond na de aflegging zijner verklaring naar +M. sur M. was teruggekeerd.</p> +<p>Javert was juist opgestaan, toen de bode hem het bevel tot +aanhouding en overbrenging ter hand stelde. De bode zelf was een +ervaren politieagent, die Javert in een paar woorden met het gebeurde +te Arras in kennis stelde. Het bevel tot aanhouding, door den +advocaat-generaal onderteekend, luidde aldus: „De inspecteur +Javert zal zich van den persoon van den heer Madeleine, maire van M. +sur M. verzekeren, die in de terechtzitting van heden als de gewezen +tuchteling Jean Valjean herkend is geworden.”</p> +<p>Wie Javert niet had gekend en hem op het oogenblik gezien had, toen +hij zich in de voorkamer der ziekenzaal begaf, zou niet hebben kunnen +gissen, wat in hem omging, en niets buitengewoons op zijn gelaat +gevonden hebben. Hij was koel, ernstig, rustig; zijn grijs haar was +heel glad langs de slapen gestreken, en hij was met zijn gewone +deftigheid de trap opgegaan. Wie hem nauwkeurig gekend en hem +aandachtig beschouwd had, zou gesidderd hebben. De gesp van zijn +lederen das zat, in plaats van in den nek, onder het linkeroor. Dit +verried een ongehoorde opgewondenheid.</p> +<p>Javert was een nauwgezet man, die noch een kreuk aan zijn plicht +noch aan zijn uniform duldde; stroef tegen de schurken, streng tegen de +knoopen van zijn rok.</p> +<p>Naardien hij zijn das verkeerd had omgegespt, moest een hevige +beroering in hem hebben plaats gehad, zulk eene, welke men een +inwendige aardbeving zou kunnen noemen.</p> +<p>Hij was eenvoudig naar den naasten wachtpost gegaan, had er een +korporaal en vier man gerequireerd, welke hij op de binnenplaats +achterliet, had zich de kamer van Fantine doen wijzen door de argelooze +portierster, die gewoon was, dat gewapende lieden naar mijnheer den +maire kwamen vragen.</p> +<p>Aan die kamer gekomen, draaide Javert den sleutel om, opende de deur +met de voorzichtigheid van een ziekenoppasser, of van een stillen +verklikker en trad binnen.</p> +<p>Eigenlijk trad hij niet binnen; hij bleef in de halfgeopende deur +staan, met den hoed op ’t hoofd, de linkerhand in zijn +<span class="pagenum">[<a id="pb311" href="#pb311" name="pb311">311</a>]</span>jas, die tot aan de kin dichtgeknoopt was. In de +buiging van den elleboog kon men den looden knop van zijn dikken stok +zien, die achter hem verdween.</p> +<p>Zoo bleef hij bijna een minuut staan, zonder dat men zijn +tegenwoordigheid opmerkte. Eenklaps sloeg Fantine de oogen op, zag hem +en deed mijnheer Madeleine omzien.</p> +<p>Juist toen Madeleine’s blik dien van Javert ontmoette, was +Javert, zonder zich te bewegen of te naderen, verschrikkelijk. Geen +menschelijk gevoel is in staat zoo vreeselijk te zijn als de +vreugd.</p> +<p>Het was het gezicht eens duivels, die zijn doemeling heeft +teruggevonden.</p> +<p>De zekerheid, dat hij nu eindelijk Jean Valjean had, deed op zijn +gelaat al wat zijn ziel bevatte te voorschijn komen. De opgewelde grond +kwam boven ’t water uit. De vernedering, dat hij een oogenblik +het spoor verloren en zich aangaande Champmathieu vergist had, verdween +onder den trots, terstond zoo goed geraden en zoo lang een juist +instinct gehad te hebben. De tevredenheid van Javert blonk uit zijn +oppermachtige houding. Het hatelijke zijner zegepraal teekende zich af +op zijn smal voorhoofd. ’t Was het grootst mogelijk vertoon van +afkeer, dat een tevreden gezicht kan hebben.</p> +<p>Javert was op dit oogenblik in den hemel. Zonder er zich volkomen +rekenschap van te geven, doch evenwel met een donker gevoel van zijn +onmisbaarheid en zijn succes, vertegenwoordigde hij, Javert, de +gerechtigheid, het licht en de waarheid, in hun hemelsche roeping om +het kwaad uit te roeien. Hij had achter zich en om zich heen, in een +eindelooze diepte, het gezag, de rede, de veroordeeling, het gevoel van +wettigheid, de openbare straf, al de sterren; hij beschermde de orde, +hij deed uit de wet den bliksem schieten; hij wreekte de maatschappij; +hij leende de sterke hand aan de overheid; hij stond in een +stralenkrans; overigens was er in zijn overwinning een goed deel +uittarting en strijd; trotsch en opgericht vertoonde hij in het +helderst licht de onmenschelijke dierlijkheid van een wreeden +aartsengel; de vreeselijke schaduw der daad, welke hij vervulde, maakte +de flauwe flikkering van het maatschappelijke zwaard in zijn gebalde +vuist zichtbaar; gelukkig en vol verontwaardiging hield hij onder zijn +hiel de misdaad, de ondeugd, den wederstand, het verderf, de hel; hij +schitterde, verdelgde, glimlachte, en er was een onbetwistbare +grootheid in dezen monsterachtigen heiligen Michaël.</p> +<p>In zijn vreeselijkheid had Javert echter niets, dat op gemeenheid +leek.</p> +<p>Eerlijkheid, oprechtheid, goede trouw, overtuiging, plichtsbesef, +<span class="pagenum">[<a id="pb312" href="#pb312" name="pb312">312</a>]</span>zijn zaken, die, verkeerd begrepen, +verschrikkelijk kunnen worden, maar zelfs in haar verschrikkelijkheid +grootsch blijven; haar majesteit blijft het menschelijk gemoed +gevoelen, ondanks haar verschrikkelijkheid. ’t Zijn deugden, die +een ondeugd hebben, de dwaling. De onmeedoogende oprechte vreugde van +een geestdrijver behoudt in haar volste wreedheid een heilloozen, maar +ontzagwekkenden glans. In zijn vreeselijk geluk was Javert, zonder dat +hij het zelf wist, te beklagen, evenals ieder, die onwetend zegeviert. +Niets kon vreeselijker en ontzettender zijn, dan dit gezicht, waarop +zich, om zoo te zeggen, al het slechte van het goede vertoonde.</p> +</div> +</div> +<div id="ch8.4" class="div1"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">Vierde hoofdstuk.</h2> +<h2 class="main">Het gezag herneemt zijn rechten.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Fantine had Javert niet wedergezien sedert den dag, +waarop mijnheer de maire haar aan dien man had ontrukt. Haar zieke +hersenen konden zich van niets rekenschap geven, maar zij twijfelde +niet, of hij kwam haar terughalen. Zij kon dat vreeselijk gezicht niet +verdragen; zij voelde, dat zij bezweek; zij bedekte haar gelaat met +beide handen en riep angstig:</p> +<p>„Mijnheer Madeleine, red mij!”</p> +<p>Jean Valjean,—wij zullen hem in ’t vervolg niet anders +noemen,—was opgestaan. Met zachte, bedaarde stem zeide hij tot +Fantine:</p> +<p>„Wees gerust. Hij komt niet om u.”</p> +<p>Daarop zich tot Javert wendende, zeide hij:</p> +<p>„Ik weet wat ge wilt.”</p> +<p>Javert antwoordde: „Kom, spoedig!”</p> +<p>In den toon, waarop hij deze twee woorden sprak, lag iets wilds, +iets razends. Deze toon is onmogelijk weder te geven of te beschrijven; +’t was geen menschelijke spraak, maar een gebrul.</p> +<p>Hij handelde niet als gewoonlijk; hij gaf geen kennis van de zaak, +hij vertoonde het dwangbevel niet. Voor hem was Jean Valjean een soort +van geheimzinnigen, onvatbaren strijder, een nevelachtige worstelaar, +dien hij sedert vijf jaren omspannen hield, zonder hem te kunnen +vatten. Deze gevangenneming was geen begin, maar een einde. Hij +vergenoegde zich met te zeggen: Kom, spoedig!</p> +<p>Terwijl hij dit zeide, deed hij geen schrede voorwaarts; hij sloeg +op Jean Valjean dien blik, welken hij als een haak <span class="pagenum">[<a id="pb313" href="#pb313" name="pb313">313</a>]</span>uitwierp en waarmede hij gewoonlijk de +rampzaligen als met geweld tot zich trok.</p> +<p>’t Was deze blik, die Fantine twee maanden vroeger tot in het +merg van haar gebeente had voelen doordringen<span class="corr" id="xd20e7127" title="Niet in bron">.</span></p> +<p>Op Javert’s stem had Fantine de oogen weder geopend. Maar +mijnheer de maire was er: wat had zij te vreezen?</p> +<p>Javert trad tot in ’t midden der kamer en riep:</p> +<p>„Nu! komt ge?”</p> +<p>De ongelukkige zieke zag rondom zich. Er was niemand dan de +liefdezuster en de maire. Wie kon deze smadelijke oproeping gelden? +Haar alleen! Zij rilde.</p> +<p>Toen zag zij iets ongehoords, iets zoo ongehoords, dat zelfs in de +gedrochtelijkste koortsbeelden haar zoo iets niet verschenen was. Zij +zag den politieagent Javert mijnheer den maire bij den kraag vatten; +zij zag mijnheer den maire het hoofd buigen. Het was haar, alsof de +wereld onderging.</p> +<p>Inderdaad, Javert had Jean Valjean bij den kraag gevat.</p> +<p>„Mijnheer de maire!” riep Fantine.</p> +<p>Javert lachte luid, een vreeselijke lach, die al zijn tanden liet +zien.</p> +<p>„Hier is geen mijnheer de maire meer!”</p> +<p>Jean Valjean deed geen poging om zich van de hand te bevrijden, die +den kraag van zijn jas vasthield. Hij zeide:</p> +<p><span class="corr" id="xd20e7152" title="Niet in bron">„</span>Javert....”</p> +<p>Javert beet hem toe:—„Noem mij mijnheer den +inspecteur.”</p> +<p>„Mijnheer, hernam Jean Valjean, ik wenschte u een paar woorden +onder vier oogen te zeggen.”</p> +<p>„Spreek maar hardop,” antwoordde Javert, „men +spreekt altijd hardop tot mij.”</p> +<p>Jean Valjean hernam zacht:</p> +<p>„Ik wilde u een verzoek doen...”</p> +<p>„Ik zeg, dat ge hardop moet spreken.”</p> +<p>„Maar dit mag alleen door u gehoord worden...”</p> +<p>„Wat gaat mij dit aan? ik luister niet!”</p> +<p>Jean Valjean keerde zich dicht tot hem en zeide schielijk en +zacht:</p> +<p>„Vergun mij drie dagen. Drie dagen, om het kind van deze +ongelukkige vrouw te halen. Ik zal alles betalen. Ge kunt mij +vergezellen, zoo gij wilt.”</p> +<p>„Houdt ge mij voor den gek?” riep Javert. „Ik +dacht niet, dat ge zoo dom waart. Ge wilt drie dagen om u uit de voeten +te maken! Ge zegt, dat ge het kind van deze deern wilt halen. Ha! ha! +niet slecht! niet slecht!”</p> +<p>Fantine beefde. <span class="pagenum">[<a id="pb314" href="#pb314" name="pb314">314</a>]</span></p> +<p>„Mijn kind!” riep zij, „mijn kind gaan halen! +’t Is dus niet hier! Zuster, spreek, waar is Cosette? Ik wil mijn +kind! mijnheer Madeleine, mijnheer de maire!”</p> +<p>Javert stampvoette.</p> +<p>„Is daar de andere ook? Wilt ge zwijgen, deern! Vervloekt +land, waar galeiboeven overheden zijn en publieke vrouwen als gravinnen +verpleegd worden! O, ’t zal alles veranderen, ’t is hoog +tijd!”</p> +<p>Hij zag Fantine strak aan en vervolgde, terwijl hij de das, den +hemdsboord en den rokskraag van Jean Valjean opnieuw vatte: „Ik +zeg u, dat hier geen mijnheer Madeleine en geen mijnheer de maire meer +is. Er is hier een dief, een roover, een galeiboef, die Jean Valjean +heet; en dat is degeen, dien ik hier vasthoud.”</p> +<p>Fantine richtte zich op, en op haar stijve armen en handen +steunende, aanschouwde zij Jean Valjean, Javert en de liefdezuster; zij +opende den mond om te spreken, maar slechts een gereutel kwam uit haar +keel, haar tanden klapperden, zij stak angstig de armen uit, opende +stuiptrekkend haar handen, en tastte om zich, als iemand die verdrinkt; +toen zonk zij eensklaps in het hoofdkussen neer.</p> +<p>Haar hoofd stiet tegen het hoofdeinde van het bed, en zonk op de +borst terug, met open mond en <span class="corr" id="xd20e7193" title="Bron: strake">strakke</span>, doffe oogen.</p> +<p>Zij was dood.</p> +<p>Jean Valjean legde zijn hand op de hand van Javert, die hem +vasthield, en opende ze, alsof hij de hand van een kind had geopend; +toen sprak hij tot Javert:</p> +<p>„Ge hebt deze vrouw gedood.”</p> +<p>„Komt er een eind aan?” riep Javert woedend, „ik +ben hier niet om praatjes aan te hooren. Laten we daarmee ophouden; de +wacht is beneden; terstond voort of de duimschroeven.”</p> +<p>In den hoek der kamer stond een oud ijzeren bed, in tamelijk +slechten toestand, dat tot rustbed diende, wanneer de zusters waakten. +Jean Valjean trad naar dit bed, brak er in een oogwenk een ijzeren +stang af, ’t geen voor zijn gespierde vuist slechts kinderspel +was, en met dit wapen in de hand zag hij Javert aan, die naar de deur +terugweek. Toen ging Jean Valjean met de stang in de hand langzaam naar +Fantine’s bed. Hier gekomen keerde hij zich om en zeide tot +Javert met een nauwelijks hoorbare stem:</p> +<p>„Ik raad u niet, mij op dit oogenblik te storen.”</p> +<p>’t Is zeker, dat Javert beefde.</p> +<p>Het denkbeeld kwam in hem op de wacht te roepen, maar <span class="pagenum">[<a id="pb315" href="#pb315" name="pb315">315</a>]</span>Jean +Valjean kon van dit oogenblik gebruik maken om te ontsnappen. Hij bleef +dus, nam zijn stok bij het dunne eind en ging tegen den deurpost staan +zonder Jean Valjean uit het oog te verliezen.</p> +<p>Jean Valjean rustte met zijn elleboog tegen het hoofdeinde van het +bed en hield zijn hoofd in de hand; hij zag strak op Fantine, die +bewegingloos lag uitgestrekt. Aldus bleef hij peinzend, zwijgend en +blijkbaar aan niets van deze wereld meer denkende, staan. Op zijn +gezicht en in zijn houding was alleen een onbeschrijfelijk medelijden +te lezen. Na eenige oogenblikken boog hij zich tot Fantine en sprak +haar fluisterend toe.</p> +<p>Wat zeide hij haar? Wat kon deze man, een veroordeelde, zeggen tot +deze vrouw, die dood was? Wat beteekenden zijn woorden? Niemand ter +wereld heeft ze gehoord. Hoorde de gestorvene ze? Er zijn aandoenlijke +illusiën, die misschien verheven werkelijkheden zijn. +Ontwijfelbaar is het, dat zuster Simplicia, de eenige getuige van dit +tooneel, dikwerf verhaald heeft, dat, toen Jean Valjean Fantine +toefluisterde, zij duidelijk op haar bleeke lippen en in haar strakke +oogen een onbeschrijfelijken glimlach zag verschijnen. Jean Valjean nam +Fantine’s hoofd met beide handen en vlijde het op het kussen +evenals een moeder haar kind zou doen, bond het bandje van haar hemd +dicht en streek het haar onder heur muts. Daarna sloot hij haar +oogen.</p> +<p>Fantine’s gelaat glansde op dit oogenblik in een wonderbaar +licht.</p> +<p>De dood is de ingang tot het groote licht.</p> +<p>De hand van Fantine hing uit het bed. Jean Valjean knielde voor die +hand, lichtte ze zacht op en kuste ze.</p> +<p>Toen richtte hij zich op, en zeide tot Javert:</p> +<p>„Nu ben ik tot uw dienst.”</p> +</div> +</div> +<div id="ch8.5" class="div1"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="label">Vijfde hoofdstuk.</h2> +<h2 class="main">Een behoorlijk graf.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first">Javert bracht Jean Valjean naar de stadsgevangenis. De +gevangenneming van mijnheer Madeleine baarde te M. sur M. een geweldig +opzien, of liever, veroorzaakte er een buitengewone beweging. Tot ons +leedwezen kunnen wij niet verhelen, dat uithoofde van het enkele woord: +„’t was een tuchteling”, schier iedereen zich van hem +wendde. In minder dan twee <span class="pagenum">[<a id="pb316" href="#pb316" name="pb316">316</a>]</span>uren was al het goede, dat hij +gedaan had, vergeten, en hij was niets meer dan „een +tuchteling”. Wij moeten evenwel zeggen, dat men de bijzonderheden +van het te Arras voorgevallene nog niet kende. Den geheelen dag hoorde +men in alle wijken der stad gesprekken als deze:</p> +<p>„Hebt ge ’t al gehoord? Hij was een gewezen +galeislaaf!”—„Wie?”—„De +maire.”—„Hoe, de heer +Madeleine?”—„Ja.”—„Waarlijk?”—„Hij +heette niet Madeleine; hij heeft een gemeenen naam, Bejean, Bojean, +Boujean.”—„Mijn Hemel!”—„Hij is in +hechtenis genomen.”—„In hechtenis +genomen?”—„In de gevangenis, in de stadsgevangenis, +tot hij wordt overgebracht.”—„Overgebracht! zal men +hem overbrengen? Waarheen zal men hem brengen?”—„Voor +de <i>assises</i>, wegens een diefstal op den openbaren weg, door hem +eertijds gepleegd.”—„Nu, ik dacht het wel. Deze man +was al te goed, al te volmaakt, al te bescheiden. Hij weigerde het +kruis; hij gaf geld aan al de straatjongens, welke hij ontmoette. Ik +heb wel gedacht, dat daar iets kwaads achter schuilde.”</p> +<p>In de salons vooral werden dergelijke gesprekken gevoerd.</p> +<p>Een oude dame, die op de <i>Drapeau blanc</i> was geabonneerd, +maakte deze opmerking, welker diepe zin moeilijk te verklaren is:</p> +<p>„’t Spijt mij niet. Dat zal de Bonapartisten een les +geven.”</p> +<p>Aldus verdween dit spooksel, dat mijnheer Madeleine heette, uit M. +sur M. Slechts drie of vier personen in de stad hielden zijn +gedachtenis in eere. De oude portierster, welke bij hem gediend had, +behoorde tot dit getal.</p> +<p>Den avond van dien zelfden dag zat de goede oude vrouw in haar loge, +nog geheel ontsteld en in treurige gedachten verdiept. De fabriek was +den geheelen dag gesloten geweest, de wagenpoort gegrendeld, de straat +eenzaam. In het huis waren slechts de twee geestelijke zusters, zuster +Perpetua en zuster Simplicia, die bij het lijk van Fantine waakten.</p> +<p>Tegen den tijd, dat mijnheer Madeleine gewoon was te huis te komen, +stond de goede vrouw werktuiglijk op, nam den sleutel van zijn kamer +uit een lade, en den blaker, waarvan hij zich elken avond bediende om +naar boven te gaan; vervolgens hing zij den sleutel aan den spijker, +van welken hij hem gewoonlijk nam, en zette er den blaker naast, alsof +zij hem verwachtte. Daarna ging ze weer zitten en begon weer te +dommelen. De arme goede vrouw had dit alles gedaan zonder dat zij +’t zelve wist.</p> +<p>Eerst na verloop van twee uren ontwaakte zij uit haar mijmering en +riep: „O, goede Hemel! zie, ik heb den sleutel aan den spijker +gehangen!” <span class="pagenum">[<a id="pb317" href="#pb317" name="pb317">317</a>]</span></p> +<p>Juist werd het raampje der loge geopend; een hand kwam door de +opening, nam den sleutel en den blaker en ontstak de kaars aan haar +licht.</p> +<p>De portierster sloeg de oogen op, opende den mond en wilde +schreeuwen, maar de kreet bleef in haar keel steken.</p> +<p>Zij kende deze hand, dezen arm, die jasmouw.</p> +<p><span class="corr" id="xd20e7270" title="Bron: t">’t</span> +Was mijnheer Madeleine.</p> +<p>Zij was eenige oogenblikken zoo „verbouwereerd”, zooals +zij zich later uitdrukte, wanneer zij ’t voorval vertelde, dat +zij niet kon spreken.</p> +<p>„Mijn God, mijnheer de maire,” riep zij, „ik +meende dat ge...”</p> +<p>Zij zweeg, het einde harer zinsnede zou aan den eerbied van het +begin hebben te kort gedaan. Jean Valjean was voor haar nog altijd +mijnheer de maire.</p> +<p>Hij vulde haar gedachten aan.</p> +<p>„In de gevangenis waart,” sprak hij. „Ik ben er +geweest. Ik heb een tralie uit het venster gebroken, heb mij van boven +laten neerglijden, en nu ben ik hier. Ik ga naar mijn kamer, roep +zuster Simplicia. Zij is waarschijnlijk bij de arme vrouw.”</p> +<p>De oude vrouw gehoorzaamde haastig.</p> +<p>Hij beval haar niets, hij was overtuigd, dat zij hem beter zou +beveiligen, dan hij zich zelven deed.</p> +<p>Niemand heeft ooit geweten, hoe het hem gelukt was op de +binnenplaats te komen zonder de koetspoort te openen. Hij droeg +gewoonlijk een looper bij zich, waarmede hij eene kleine zijdeur +opende, maar men had hem zekerlijk onderzocht en hem zijn looper +ontnomen. Dit punt is nooit opgehelderd geworden.</p> +<p>Hij ging de trap op, die naar zijn kamer voerde. Boven gekomen, +zette hij den blaker op de laatste trede, opende zacht zijn kamer, en +sloot op den tast het raam en het luik; toen ging hij zijn blaker halen +en keerde in de kamer terug.</p> +<p>Deze voorzorg was noodzakelijk; want, zooals men zich herinnert, kon +zijn venster van de straat gezien worden.</p> +<p>Hij sloeg een blik om zich, op de tafel, zijn stoel, zijn bed, +waarin hij sedert drie dagen niet geslapen had. Geen spoor was er te +zien van de verwarring des vorigen nachts. De portierster had „de +kamer gedaan”. Alleen had zij de twee einden van den met ijzer +beslagen stok en het in ’t vuur zwart geworden twee-francs-stuk +uit de asch genomen en ze netjes op de tafel gelegd.</p> +<p>Hij nam een vel papier, waarop hij schreef: „Dit zijn de +<span class="pagenum">[<a id="pb318" href="#pb318" name="pb318">318</a>]</span>twee einden van den stok en het +twee-francs-stuk, dat ik den kleinen Gervais ontstolen heb, waarvan ik +voor de <i>assises</i> heb gesproken;” en op dat papier legde hij +het geldstuk en de twee stukken van den stok zoodanig dat deze het +eerst in ’t oog vielen, wanneer men in de kamer kwam. Hij nam uit +de kast een zijner oude hemden, dat hij stuk scheurde. In de lappen +wikkelde hij de twee zilveren kandelaars. Voor ’t overige was hij +haastig noch gejaagd. Terwijl hij de kandelaars inpakte, beet hij in +een stuk zwart brood. Waarschijnlijk het gevangenisbrood, dat hij in +zijn vlucht had meegenomen.</p> +<p>Dit werd bewezen door de broodkruimels, welke op den vloer der kamer +werden gevonden, toen de justitie later huiszoeking deed.</p> +<p>Er werd tweemaal zacht aan de deur geklopt.</p> +<p>„Binnen!” zeide hij.</p> +<p>’t Was zuster Simplicia.</p> +<p>Zij was bleek, haar oogen waren rood geweend en de kaars beefde in +haar hand. Geweldige slagen van ’t noodlot hebben dit +eigenaardige, dat, hoe fijn- of hoe ongevoelig wij zijn mogen, zij uit +het diepste onzer ziel de menschelijke natuur opwekken en haar dwingen +te voorschijn te komen. Onder de beroeringen van dien dag was de +geestelijke zuster weder vrouw geworden. Zij had geweend, zij +beefde.</p> +<p>Jean Valjean had eenige regels op een papier geschreven, dat hij de +pleegzuster toereikte, zeggende:—Geef dit aan mijnheer den +pastoor.</p> +<p>Het papier was open. Zij sloeg er een blik op.</p> +<p>„Ge moogt het lezen,” zeide hij.</p> +<p>Zij las:—„Ik verzoek mijnheer den pastoor te waken over +hetgeen ik hier achterlaat. Hij gelieve zoo goed te zijn de kosten van +mijn proces en van de begrafenis der heden overleden vrouw er van te +betalen. Het overige is voor de armen.”</p> +<p>De zuster wilde spreken, maar kon nauwelijks eenige onverstaanbare +klanken stamelen. Eindelijk gelukte het haar te zeggen:</p> +<p>„Wil mijnheer de maire de arme ongelukkige nog niet eens +zien?”</p> +<p>„Neen,” zeide hij, „men vervolgt mij, en zoo men +mij in haar kamer gevangen nam, zou haar dit storen.”</p> +<p>Hij had deze woorden nauwelijks gezegd, toen op de trap een levendig +gerucht werd gehoord. Zij hoorden voetstappen naar boven komen en de +oude portierster, die zoo luid en gillend als zij kon riep:</p> +<p>„Mijn goede heer; ik zweer u bij den goeden God, dat hier +<span class="pagenum">[<a id="pb319" href="#pb319" name="pb319">319</a>]</span>den ganschen dag en avond niemand is +binnengegaan, en dat ik mijn deur niet verlaten heb.”</p> +<p>Een man antwoordde:</p> +<p>„Er is evenwel licht in die kamer.”</p> +<p>Men herkende Javert’s stem.</p> +<p>De kamer was zoo ingericht, dat de deur, wanneer zij openging, den +rechter kant van den muur bedekte. Jean Valjean blies het licht uit en +ging in dien hoek staan.</p> +<p>Zuster Simplicia viel bij de tafel op de knieën.</p> +<p>De deur werd geopend.</p> +<p>Javert trad binnen.</p> +<p>Men hoorde het fluisteren van verscheidene mannen en het verzet der +oude portierster. De geestelijke zuster sloeg de oogen niet op. Zij +bad.</p> +<p>De kaars stond op den schoorsteen, en gaf slechts een flauw +licht.</p> +<p>Javert zag de zuster en bleef verrast staan.</p> +<p>Men herinnere zich, dat de grondtrek van Javert’s karakter, +zijn adem, zijn levensbeginsel de vereering van alle gezag was. Hij was +dit geheel, zonder voorbehoud of uitzondering. Het geestelijk gezag, +wij moeten dit zeggen, was voor hem het voornaamste; hij was +godsdienstig, en op dit punt, gelijk op alle, stipt en nauwgezet. In +zijn oog was een priester een wezen dat zich nooit bedriegt, eene +geestelijke dochter een wezen dat niet zondigt. Zijns inziens waren zij +in deze wereld gemetselde zielen, met een enkele deur, die zich alleen +opende om de waarheid uit te laten.</p> +<p>Toen hij de zuster zag, was zijn eerste beweging, zich dadelijk te +verwijderen.</p> +<p>Maar er was ook een andere plicht, die hem boeide en hem met geweld +in een tegenovergestelde richting dreef. Zijn tweede beweging was te +blijven, en zich ten minste een vraag te veroorloven.</p> +<p>’t Was zuster Simplicia, die nimmer in haar leven gelogen had. +Javert wist dit, en vereerde haar uit dien hoofde bijzonder.</p> +<p>„Zuster,” zeide hij, „zijt ge alleen in deze +kamer?”</p> +<p>Er ontstond een vreeselijk oogenblik, gedurende ’t welk de +arme portierster geheel van zich zelve raakte.</p> +<p>De zuster sloeg de oogen op en antwoordde:</p> +<p>„Ja.”</p> +<p>„Vergeving,” hernam Javert, „dat ik u nog een +vraag doe, ’t is mijn plicht: hebt ge van avond niet iemand +gezien, die ontvlucht is, en dien wij zoeken,... Jean Valjean ... hebt +ge hem niet gezien?” <span class="pagenum">[<a id="pb320" href="#pb320" name="pb320">320</a>]</span></p> +<p>De zuster antwoordde:—„Neen.”</p> +<p>Zij loog. Zij loog tweemaal achtereen, slag op slag, vlot, zonder +aarzeling, als in volkomen overtuiging.</p> +<p>„Verschoon mij,” zei Javert en hij ging heen, diep +buigende.</p> +<p>O, heilige dochter; sedert vele jaren zijt gij niet meer van deze +wereld; ge hebt u in ’t hemelsche licht met uw zusters, de +maagden, en uw broeders de engelen, vereenigd; moge deze leugen u in +den hemel ten goede worden gerekend.</p> +<p>De verklaring der zuster was voor Javert zoo beslissend, dat hij +niet eens op de vreemde omstandigheid lette, dat de kaars was +uitgeblazen en nog op de tafel stond te rooken.</p> +<p>Een uur later verwijderde zich een man haastig tusschen het geboomte +en in de duisternis uit M. sur M. in de richting van Parijs. Deze man +was Jean Valjean. Het is door de verklaring van twee of drie +voerlieden, die hem ontmoet hadden, gebleken, dat hij een pakje droeg +en in een kiel gekleed was. Van waar had hij die kiel? Men is het nooit +te weten gekomen. Echter was eenige dagen te voren een oude werkman, in +de ziekenzaal der fabriek, overleden, die een kiel had nagelaten. +’t Was misschien deze kiel.</p> +<p>Een laatste woord over Fantine.</p> +<p>Allen hebben wij een moeder, de aarde. Fantine werd aan deze moeder +teruggegeven.</p> +<p>De pastoor meende goed te doen, en deed misschien goed, met zooveel +mogelijk voor de armen te behouden van het geld, dat Jean Valjean had +achtergelaten. Wie waren er overigens ook in betrokken? een tuchteling +en een publieke vrouw. Daarom maakte hij de begrafenis van Fantine zoo +eenvoudig mogelijk, en beperkte die tot het volstrekt noodzakelijke, +namelijk het algemeene graf.</p> +<p>Fantine werd alzoo in den hoek van het kerkhof begraven, die niets +kost, die aan allen en aan niemand behoort, en waarin de armen worden +bijeengestopt. Gelukkig weet God de zielen te vinden. Men legde Fantine +in ’t donker, te midden van het eerste gebeente het beste, in den +algemeenen kuil. Haar graf geleek haar bed.</p> +<p class="trailer xd20e7396">Einde van het eerste deel.</p> +<p><span class="pagenum">[<a id="pb321" href="#pb321" name="pb321">321</a>]</span></p> +</div> +</div> +</div> +</div> +<div class="back"> +<div id="toc" class="div1"><span class="pagenum">[<a href="#toc">Inhoud</a>]</span> +<div class="divHead"> +<h2 class="main">Inhoud.</h2> +</div> +<div class="divBody"> +<p class="first tocChapter"><span class="uc">Boek I.</span></p> +<p class="tocChapter"><span class="uc">Een rechtvaardige.</span></p> +<table class="tocList"> +<tr> +<td class="tocDivNum"></td> +<td class="tocDivTitle"></td> +<td class="tocPageNum">Bladz<span class="corr" id="xd20e7416" title="Niet in bron">.</span></td> +</tr> +<tr> +<td class="tocDivNum">I.</td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#ch1.1">M. Myriel</a></td> +<td class="tocPageNum">7</td> +</tr> +<tr> +<td class="tocDivNum">II.</td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#ch1.2">Mijnheer Myriel wordt +Monseigneur Bienvenu</a></td> +<td class="tocPageNum">10</td> +</tr> +<tr> +<td class="tocDivNum">III.</td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#ch1.3">Een goede bisschop heeft een +moeielijk ambt</a></td> +<td class="tocPageNum">15</td> +</tr> +<tr> +<td class="tocDivNum">IV.</td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#ch1.4">De werken en de woorden +één!</a></td> +<td class="tocPageNum">17</td> +</tr> +<tr> +<td class="tocDivNum">V.</td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#ch1.5">Waarom Monseigneur Bienvenu te +lang zijn priesterrokken draagt</a></td> +<td class="tocPageNum">23</td> +</tr> +<tr> +<td class="tocDivNum">VI.</td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#ch1.6">Door wie hij zijn huis liet +bewaren</a></td> +<td class="tocPageNum">26</td> +</tr> +<tr> +<td class="tocDivNum">VII.</td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#ch1.7">Cravatte</a></td> +<td class="tocPageNum">30</td> +</tr> +<tr> +<td class="tocDivNum">VIII.</td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#ch1.8">Wijsbegeerte na tafel</a></td> +<td class="tocPageNum">34</td> +</tr> +<tr> +<td class="tocDivNum">IX.</td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#ch1.9">De broeder door de zuster +geschilderd</a></td> +<td class="tocPageNum">37</td> +</tr> +<tr> +<td class="tocDivNum">X.</td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#ch1.10">De bisschop tegenover een +onbekend licht</a></td> +<td class="tocPageNum">40</td> +</tr> +<tr> +<td class="tocDivNum">XI.</td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#ch1.11">Een voorbehoud</a></td> +<td class="tocPageNum">51</td> +</tr> +<tr> +<td class="tocDivNum">XII.</td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#ch1.12">Monseigneur Bienvenu in de +afzondering</a></td> +<td class="tocPageNum">55</td> +</tr> +<tr> +<td class="tocDivNum">XIII.</td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#ch1.13">Wat hij geloofde</a></td> +<td class="tocPageNum">58</td> +</tr> +<tr> +<td class="tocDivNum">XIV.</td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#ch1.14">Wat hij dacht</a></td> +<td class="tocPageNum">62</td> +</tr> +</table> +<p class="tocChapter"><span class="uc">Boek II.</span></p> +<p class="tocChapter"><span class="uc">De val.</span></p> +<table class="tocList"> +<tr> +<td class="tocDivNum">I.</td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#ch2.1">De avond van een +dagreize</a></td> +<td class="tocPageNum">67</td> +</tr> +<tr> +<td class="tocDivNum">II.</td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#ch2.2">Voorzichtigheid ga met +wijsheid gepaard</a></td> +<td class="tocPageNum">77</td> +</tr> +<tr> +<td class="tocDivNum">III.</td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#ch2.3">Heldenmoed en lijdelijke +gehoorzaamheid</a></td> +<td class="tocPageNum">81</td> +</tr> +<tr> +<td class="tocDivNum">IV.</td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#ch2.4">Bijzonderheden aangaande de +kaasmakerijen te Pontarlier</a> <span class="pagenum">[<a id="pb322" href="#pb322" name="pb322">322</a>]</span></td> +<td class="tocPageNum">85</td> +</tr> +<tr> +<td class="tocDivNum">V.</td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#ch2.5">Gerustheid</a></td> +<td class="tocPageNum">89</td> +</tr> +<tr> +<td class="tocDivNum">VI.</td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#ch2.6">Jean Valjean</a></td> +<td class="tocPageNum">90</td> +</tr> +<tr> +<td class="tocDivNum">VII.</td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#ch2.7">Een blik in de +wanhoop</a></td> +<td class="tocPageNum">95</td> +</tr> +<tr> +<td class="tocDivNum">VIII.</td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#ch2.8">Het water en de +schaduw</a></td> +<td class="tocPageNum">102</td> +</tr> +<tr> +<td class="tocDivNum">IX.</td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#ch2.9">Andere grieven</a></td> +<td class="tocPageNum">104</td> +</tr> +<tr> +<td class="tocDivNum">X.</td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#ch2.10">De ontwaking</a></td> +<td class="tocPageNum">105</td> +</tr> +<tr> +<td class="tocDivNum">XI.</td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#ch2.11">Wat hij doet</a></td> +<td class="tocPageNum">107</td> +</tr> +<tr> +<td class="tocDivNum">XII.</td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#ch2.12">De bisschop werkt</a></td> +<td class="tocPageNum">110</td> +</tr> +<tr> +<td class="tocDivNum">XIII.</td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#ch2.13">De kleine Gervais</a></td> +<td class="tocPageNum">114</td> +</tr> +</table> +<p class="tocChapter"><span class="uc">Boek III.</span></p> +<p class="tocChapter"><span class="uc">Het jaar 1817.</span></p> +<table class="tocList"> +<tr> +<td class="tocDivNum">I.</td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#ch3.1">Het jaar 1817</a></td> +<td class="tocPageNum">125</td> +</tr> +<tr> +<td class="tocDivNum">II.</td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#ch3.2">Een dubbel viertal</a></td> +<td class="tocPageNum">130</td> +</tr> +<tr> +<td class="tocDivNum">III.</td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#ch3.3">Vier paren</a></td> +<td class="tocPageNum">134</td> +</tr> +<tr> +<td class="tocDivNum">IV.</td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#ch3.4">Tholomyès is zoo +vroolijk, dat hij een Spaansch lied zingt</a></td> +<td class="tocPageNum">138</td> +</tr> +<tr> +<td class="tocDivNum">V.</td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#ch3.5">Bij Bombarda</a></td> +<td class="tocPageNum">140</td> +</tr> +<tr> +<td class="tocDivNum">VI.</td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#ch3.6">Een hoofdstuk, waarin men +aanbidt</a></td> +<td class="tocPageNum">142</td> +</tr> +<tr> +<td class="tocDivNum">VII.</td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#ch3.7">De geestigheid van +Tholomyès</a></td> +<td class="tocPageNum">144</td> +</tr> +<tr> +<td class="tocDivNum">VIII.</td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#ch3.8">De dood van een paard</a></td> +<td class="tocPageNum">148</td> +</tr> +<tr> +<td class="tocDivNum">IX.</td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#ch3.9">Vroolijk einde der +vreugd</a></td> +<td class="tocPageNum">151</td> +</tr> +</table> +<p class="tocChapter"><span class="uc">Boek IV.</span></p> +<p class="tocChapter"><span class="uc">Toevertrouwen is somtijds +geven.</span></p> +<table class="tocList"> +<tr> +<td class="tocDivNum">I.</td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#ch4.1">Een moeder die een andere +moeder ontmoet</a></td> +<td class="tocPageNum">157</td> +</tr> +<tr> +<td class="tocDivNum">II.</td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#ch4.2">Eerste schets van twee slechte +figuren</a></td> +<td class="tocPageNum">165</td> +</tr> +<tr> +<td class="tocDivNum">III.</td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#ch4.3">De leeuwerik</a></td> +<td class="tocPageNum">167</td> +</tr> +</table> +<p class="tocChapter"><span class="uc">Boek V.</span></p> +<p class="tocChapter"><span class="uc">Steeds dieper +zinkende.</span></p> +<table class="tocList"> +<tr> +<td class="tocDivNum">I.</td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#ch5.1">Geschiedenis van den +vooruitgang in de fabrikage der zwarte glaskoralen</a></td> +<td class="tocPageNum">173</td> +</tr> +<tr> +<td class="tocDivNum">II.</td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#ch5.2">Madeleine</a></td> +<td class="tocPageNum">174</td> +</tr> +<tr> +<td class="tocDivNum">III.</td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#ch5.3">De gelden bij +Laffitte</a></td> +<td class="tocPageNum">178</td> +</tr> +<tr> +<td class="tocDivNum">IV.</td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#ch5.4">De heer Madeleine in +rouw</a></td> +<td class="tocPageNum">180</td> +</tr> +<tr> +<td class="tocDivNum">V.</td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#ch5.5">Flikkeringen aan den +horizon</a></td> +<td class="tocPageNum">183</td> +</tr> +<tr> +<td class="tocDivNum">VI.</td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#ch5.6">Vader Fauchelevent</a> +<span class="pagenum">[<a id="pb323" href="#pb323" name="pb323">323</a>]</span></td> +<td class="tocPageNum">188</td> +</tr> +<tr> +<td class="tocDivNum">VII.</td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#ch5.7">Fauchelevent wordt tuinier te +Parijs</a></td> +<td class="tocPageNum">191</td> +</tr> +<tr> +<td class="tocDivNum">VIII.</td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#ch5.8">Mevrouw Victurnien geeft +dertig francs uit voor de zedelijkheid</a></td> +<td class="tocPageNum">192</td> +</tr> +<tr> +<td class="tocDivNum">IX.</td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#ch5.9">Gevolgen der handeling van +mevrouw Victurnien</a></td> +<td class="tocPageNum">195</td> +</tr> +<tr> +<td class="tocDivNum">X.</td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#ch5.10">Verdere gevolgen</a></td> +<td class="tocPageNum">197</td> +</tr> +<tr> +<td class="tocDivNum">XI.</td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#ch5.11">Christus heeft ons +vrijgemaakt</a></td> +<td class="tocPageNum">202</td> +</tr> +<tr> +<td class="tocDivNum">XII.</td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#ch5.12">Hoe mijnheer Bamatabois zich +vermaakt</a></td> +<td class="tocPageNum">203</td> +</tr> +<tr> +<td class="tocDivNum">XIII.</td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#ch5.13">Oplossing van eenige +stedelijke politie-kwestiën</a></td> +<td class="tocPageNum">205</td> +</tr> +</table> +<p class="tocChapter"><span class="uc">Boek VI.</span></p> +<p class="tocChapter"><span class="uc">Javert.</span></p> +<table class="tocList"> +<tr> +<td class="tocDivNum">I.</td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#ch6.1">Begin der rust</a></td> +<td class="tocPageNum">217</td> +</tr> +<tr> +<td class="tocDivNum">II.</td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#ch6.2">Hoe uit een naam een andere +kan ontstaan</a></td> +<td class="tocPageNum">220</td> +</tr> +</table> +<p class="tocChapter"><span class="uc">Boek VII.</span></p> +<p class="tocChapter"><span class="uc">Het proces +Champmathieu.</span></p> +<table class="tocList"> +<tr> +<td class="tocDivNum">I.</td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#ch7.1">Zuster Simplicia</a></td> +<td class="tocPageNum">231</td> +</tr> +<tr> +<td class="tocDivNum">II.</td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#ch7.2">Scherpzinnigheid van +Scaufflaire</a></td> +<td class="tocPageNum">234</td> +</tr> +<tr> +<td class="tocDivNum">III.</td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#ch7.3">Een storm onder een +hersenpan</a></td> +<td class="tocPageNum">238</td> +</tr> +<tr> +<td class="tocDivNum">IV.</td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#ch7.4">Vormen, die het lijden +aanneemt gedurende den slaap</a></td> +<td class="tocPageNum">255</td> +</tr> +<tr> +<td class="tocDivNum">V.</td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#ch7.5">Spaken in de wielen</a></td> +<td class="tocPageNum">258</td> +</tr> +<tr> +<td class="tocDivNum">VI.</td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#ch7.6">Beproeving van zuster +Simplicia</a></td> +<td class="tocPageNum">269</td> +</tr> +<tr> +<td class="tocDivNum">VII.</td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#ch7.7">De aangekomen reiziger neemt +maatregelen om weder te vertrekken</a></td> +<td class="tocPageNum">275</td> +</tr> +<tr> +<td class="tocDivNum">VIII.</td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#ch7.8">Bevoorrechte toegang</a></td> +<td class="tocPageNum">279</td> +</tr> +<tr> +<td class="tocDivNum">IX.</td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#ch7.9">Een plaats, waar overtuigingen +bezig zijn, zich te vormen</a></td> +<td class="tocPageNum">282</td> +</tr> +<tr> +<td class="tocDivNum">X.</td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#ch7.10">Het stelsel der +ontkenningen</a></td> +<td class="tocPageNum">289</td> +</tr> +<tr> +<td class="tocDivNum">XI.</td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#ch7.11">Champmathieu hoe langer hoe +meer verwonderd</a></td> +<td class="tocPageNum">295</td> +</tr> +</table> +<p class="tocChapter"><span class="uc">Boek VIII.</span></p> +<p class="tocChapter"><span class="uc">Terugwerking.</span></p> +<table class="tocList"> +<tr> +<td class="tocDivNum">I.</td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#ch8.1">In welken spiegel de heer +Madeleine zijn haren beziet</a></td> +<td class="tocPageNum">303</td> +</tr> +<tr> +<td class="tocDivNum">II.</td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#ch8.2">Fantine is gelukkig</a></td> +<td class="tocPageNum">305</td> +</tr> +<tr> +<td class="tocDivNum">III.</td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#ch8.3">Javert is tevreden</a></td> +<td class="tocPageNum">309</td> +</tr> +<tr> +<td class="tocDivNum">IV.</td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#ch8.4">Het gezag herneemt zijn +rechten</a></td> +<td class="tocPageNum">312</td> +</tr> +<tr> +<td class="tocDivNum">V.</td> +<td class="tocDivTitle"><a href="#ch8.5">Een behoorlijk graf</a></td> +<td class="tocPageNum">315</td> +</tr> +</table> +</div> +</div> +<div class="transcribernote"> +<h2 class="main">Colofon</h2> +<h3 class="main">Verbeteringen</h3> +<p>De volgende verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:</p> +<table width="75%" summary="Overzicht van verbeteringen aangebracht in de tekst."> +<tr> +<th>Bladzijde</th> +<th>Bron</th> +<th>Verbetering</th> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href="#xd20e165">7</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">niets</td> +<td class="width40" valign="bottom">niet</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href="#xd20e232">11</a>, <a class="pageref" href="#xd20e1030">42</a>, +<a class="pageref" href="#xd20e3078">141</a>, <a class="pageref" href="#xd20e3869">177</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">,</td> +<td class="width40" valign="bottom">.</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href="#xd20e372">12</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">;</td> +<td class="width40" valign="bottom">:</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href="#xd20e394">13</a>, <a class="pageref" href="#xd20e744">30</a>, +<a class="pageref" href="#xd20e749">30</a>, <a class="pageref" href="#xd20e906">37</a>, <a class="pageref" href="#xd20e1453">69</a>, +<a class="pageref" href="#xd20e3147">144</a>, <a class="pageref" href="#xd20e4067">188</a>, <a class="pageref" href="#xd20e4146">190</a>, +<a class="pageref" href="#xd20e4152">190</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">[<i>Niet in bron</i>]</td> +<td class="width40" valign="bottom">”</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href="#xd20e447">14</a>, <a class="pageref" href="#xd20e889">35</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">.)</td> +<td class="width40" valign="bottom">).</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href="#xd20e846">33</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">veroorloofd</td> +<td class="width40" valign="bottom">veroorlooft</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href="#xd20e863">34</a>, <a class="pageref" href="#xd20e5256">239</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">[<i>Niet in bron</i>]</td> +<td class="width40" valign="bottom"></td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href="#xd20e1209">50</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">[<i>Niet in bron</i>]</td> +<td class="width40" valign="bottom">land</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href="#xd20e1301">57</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">officiëele</td> +<td class="width40" valign="bottom">officieele</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href="#xd20e1586">73</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">[<i>Niet in bron</i>]</td> +<td class="width40" valign="bottom">een</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href="#xd20e1793">80</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">he</td> +<td class="width40" valign="bottom">het</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href="#xd20e1899">84</a>, <a class="pageref" href="#xd20e3667">164</a>, +<a class="pageref" href="#xd20e4143">190</a>, <a class="pageref" href="#xd20e4149">190</a>, <a class="pageref" href="#xd20e4770">220</a>, +<a class="pageref" href="#xd20e7152">313</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">[<i>Niet in bron</i>]</td> +<td class="width40" valign="bottom">„</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href="#xd20e2289">106</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">wakenden</td> +<td class="width40" valign="bottom">wakende</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href="#xd20e2501">114</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">rosachtige</td> +<td class="width40" valign="bottom">rotsachtige</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href="#xd20e2760">128</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">[<i>Niet in bron</i>]</td> +<td class="width40" valign="bottom">,</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href="#xd20e2765">128</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">komediand</td> +<td class="width40" valign="bottom">komediant</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href="#xd20e2962">136</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">vond</td> +<td class="width40" valign="bottom">vondst</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href="#xd20e3492">157</a>, <a class="pageref" href="#xd20e6600">286</a></td> +<td class="width40" valign="bottom"></td> +<td class="width40" valign="bottom">-</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href="#xd20e3838">175</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">ontoegefelijk</td> +<td class="width40" valign="bottom">ontoegevelijk</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href="#xd20e3845">175</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">Lafitte</td> +<td class="width40" valign="bottom">Laffitte</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href="#xd20e4986">227</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">klmmen</td> +<td class="width40" valign="bottom">klimmen</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href="#xd20e6010">267</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">»</td> +<td class="width40" valign="bottom">„</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href="#xd20e6172">271</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">fabourgs</td> +<td class="width40" valign="bottom">faubourgs</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href="#xd20e6469">281</a>, <a class="pageref" href="#xd20e7127">313</a>, +<a class="pageref" href="#xd20e7416">321</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">[<i>Niet in bron</i>]</td> +<td class="width40" valign="bottom">.</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href="#xd20e7050">310</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">overgebelgd</td> +<td class="width40" valign="bottom">over gebelgd</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href="#xd20e7193">314</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">strake</td> +<td class="width40" valign="bottom">strakke</td> +</tr> +<tr> +<td class="width20" valign="top"><a class="pageref" href="#xd20e7270">317</a></td> +<td class="width40" valign="bottom">t</td> +<td class="width40" valign="bottom">’t</td> +</tr> +</table> +</div> +</div> + +<div style='display:block; margin-top:4em'>*** END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK DE ELLENDIGEN (DEEL 1 VAN 5) ***</div> +<div style='text-align:left'> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +Updated editions will replace the previous one—the old editions will +be renamed. +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +Creating the works from print editions not protected by U.S. copyright +law means that no one owns a United States copyright in these works, +so the Foundation (and you!) can copy and distribute it in the United +States without permission and without paying copyright +royalties. Special rules, set forth in the General Terms of Use part +of this license, apply to copying and distributing Project +Gutenberg™ electronic works to protect the PROJECT GUTENBERG™ +concept and trademark. Project Gutenberg is a registered trademark, +and may not be used if you charge for an eBook, except by following +the terms of the trademark license, including paying royalties for use +of the Project Gutenberg trademark. If you do not charge anything for +copies of this eBook, complying with the trademark license is very +easy. You may use this eBook for nearly any purpose such as creation +of derivative works, reports, performances and research. Project +Gutenberg eBooks may be modified and printed and given away--you may +do practically ANYTHING in the United States with eBooks not protected +by U.S. copyright law. Redistribution is subject to the trademark +license, especially commercial redistribution. +</div> + +<div style='margin:0.83em 0; font-size:1.1em; text-align:center'>START: FULL LICENSE<br /> +<span style='font-size:smaller'>THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE<br /> +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK</span> +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +To protect the Project Gutenberg™ mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase “Project +Gutenberg”), you agree to comply with all the terms of the Full +Project Gutenberg™ License available with this file or online at +www.gutenberg.org/license. +</div> + +<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'> +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg™ electronic works +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg™ +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or +destroy all copies of Project Gutenberg™ electronic works in your +possession. If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a +Project Gutenberg™ electronic work and you do not agree to be bound +by the terms of this agreement, you may obtain a refund from the person +or entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +1.B. “Project Gutenberg” is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg™ electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg™ electronic works if you follow the terms of this +agreement and help preserve free future access to Project Gutenberg™ +electronic works. See paragraph 1.E below. +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation (“the +Foundation” or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection +of Project Gutenberg™ electronic works. Nearly all the individual +works in the collection are in the public domain in the United +States. If an individual work is unprotected by copyright law in the +United States and you are located in the United States, we do not +claim a right to prevent you from copying, distributing, performing, +displaying or creating derivative works based on the work as long as +all references to Project Gutenberg are removed. Of course, we hope +that you will support the Project Gutenberg™ mission of promoting +free access to electronic works by freely sharing Project Gutenberg™ +works in compliance with the terms of this agreement for keeping the +Project Gutenberg™ name associated with the work. You can easily +comply with the terms of this agreement by keeping this work in the +same format with its attached full Project Gutenberg™ License when +you share it without charge with others. +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are +in a constant state of change. If you are outside the United States, +check the laws of your country in addition to the terms of this +agreement before downloading, copying, displaying, performing, +distributing or creating derivative works based on this work or any +other Project Gutenberg™ work. The Foundation makes no +representations concerning the copyright status of any work in any +country other than the United States. +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other +immediate access to, the full Project Gutenberg™ License must appear +prominently whenever any copy of a Project Gutenberg™ work (any work +on which the phrase “Project Gutenberg” appears, or with which the +phrase “Project Gutenberg” is associated) is accessed, displayed, +performed, viewed, copied or distributed: +</div> + +<blockquote> + <div style='display:block; margin:1em 0'> + This eBook is for the use of anyone anywhere in the United States and most + other parts of the world at no cost and with almost no restrictions + whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms + of the Project Gutenberg License included with this eBook or online + at <a href="https://www.gutenberg.org">www.gutenberg.org</a>. If you + are not located in the United States, you will have to check the laws + of the country where you are located before using this eBook. + </div> +</blockquote> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +1.E.2. If an individual Project Gutenberg™ electronic work is +derived from texts not protected by U.S. copyright law (does not +contain a notice indicating that it is posted with permission of the +copyright holder), the work can be copied and distributed to anyone in +the United States without paying any fees or charges. If you are +redistributing or providing access to a work with the phrase “Project +Gutenberg” associated with or appearing on the work, you must comply +either with the requirements of paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 or +obtain permission for the use of the work and the Project Gutenberg™ +trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or 1.E.9. +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +1.E.3. If an individual Project Gutenberg™ electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any +additional terms imposed by the copyright holder. Additional terms +will be linked to the Project Gutenberg™ License for all works +posted with the permission of the copyright holder found at the +beginning of this work. +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg™ +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg™. +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg™ License. +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including +any word processing or hypertext form. However, if you provide access +to or distribute copies of a Project Gutenberg™ work in a format +other than “Plain Vanilla ASCII” or other format used in the official +version posted on the official Project Gutenberg™ website +(www.gutenberg.org), you must, at no additional cost, fee or expense +to the user, provide a copy, a means of exporting a copy, or a means +of obtaining a copy upon request, of the work in its original “Plain +Vanilla ASCII” or other form. Any alternate format must include the +full Project Gutenberg™ License as specified in paragraph 1.E.1. +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg™ works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg™ electronic works +provided that: +</div> + +<div style='margin-left:0.7em;'> + <div style='text-indent:-0.7em'> + • You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg™ works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is owed + to the owner of the Project Gutenberg™ trademark, but he has + agreed to donate royalties under this paragraph to the Project + Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments must be paid + within 60 days following each date on which you prepare (or are + legally required to prepare) your periodic tax returns. Royalty + payments should be clearly marked as such and sent to the Project + Gutenberg Literary Archive Foundation at the address specified in + Section 4, “Information about donations to the Project Gutenberg + Literary Archive Foundation.” + </div> + + <div style='text-indent:-0.7em'> + • You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg™ + License. You must require such a user to return or destroy all + copies of the works possessed in a physical medium and discontinue + all use of and all access to other copies of Project Gutenberg™ + works. + </div> + + <div style='text-indent:-0.7em'> + • You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of + any money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days of + receipt of the work. + </div> + + <div style='text-indent:-0.7em'> + • You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg™ works. + </div> +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project +Gutenberg™ electronic work or group of works on different terms than +are set forth in this agreement, you must obtain permission in writing +from the Project Gutenberg Literary Archive Foundation, the manager of +the Project Gutenberg™ trademark. Contact the Foundation as set +forth in Section 3 below. +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +1.F. +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +works not protected by U.S. copyright law in creating the Project +Gutenberg™ collection. Despite these efforts, Project Gutenberg™ +electronic works, and the medium on which they may be stored, may +contain “Defects,” such as, but not limited to, incomplete, inaccurate +or corrupt data, transcription errors, a copyright or other +intellectual property infringement, a defective or damaged disk or +other medium, a computer virus, or computer codes that damage or +cannot be read by your equipment. +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the “Right +of Replacement or Refund” described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg™ trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg™ electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium +with your written explanation. The person or entity that provided you +with the defective work may elect to provide a replacement copy in +lieu of a refund. If you received the work electronically, the person +or entity providing it to you may choose to give you a second +opportunity to receive the work electronically in lieu of a refund. If +the second copy is also defective, you may demand a refund in writing +without further opportunities to fix the problem. +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you ‘AS-IS’, WITH NO +OTHER WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT +LIMITED TO WARRANTIES OF MERCHANTABILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of +damages. If any disclaimer or limitation set forth in this agreement +violates the law of the state applicable to this agreement, the +agreement shall be interpreted to make the maximum disclaimer or +limitation permitted by the applicable state law. The invalidity or +unenforceability of any provision of this agreement shall not void the +remaining provisions. +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg™ electronic works in +accordance with this agreement, and any volunteers associated with the +production, promotion and distribution of Project Gutenberg™ +electronic works, harmless from all liability, costs and expenses, +including legal fees, that arise directly or indirectly from any of +the following which you do or cause to occur: (a) distribution of this +or any Project Gutenberg™ work, (b) alteration, modification, or +additions or deletions to any Project Gutenberg™ work, and (c) any +Defect you cause. +</div> + +<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'> +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg™ +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +Project Gutenberg™ is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of +computers including obsolete, old, middle-aged and new computers. It +exists because of the efforts of hundreds of volunteers and donations +from people in all walks of life. +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg™’s +goals and ensuring that the Project Gutenberg™ collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg™ and future +generations. To learn more about the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation and how your efforts and donations can help, see +Sections 3 and 4 and the Foundation information page at www.gutenberg.org. +</div> + +<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'> +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non-profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation’s EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation are tax deductible to the full extent permitted by +U.S. federal laws and your state’s laws. +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +The Foundation’s business office is located at 809 North 1500 West, +Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887. Email contact links and up +to date contact information can be found at the Foundation’s website +and official page at www.gutenberg.org/contact +</div> + +<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'> +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +Project Gutenberg™ depends upon and cannot survive without widespread +public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine-readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To SEND +DONATIONS or determine the status of compliance for any particular state +visit <a href="https://www.gutenberg.org/donate/">www.gutenberg.org/donate</a>. +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +Please check the Project Gutenberg web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including checks, online payments and credit card donations. To +donate, please visit: www.gutenberg.org/donate +</div> + +<div style='display:block; font-size:1.1em; margin:1em 0; font-weight:bold'> +Section 5. General Information About Project Gutenberg™ electronic works +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +Professor Michael S. Hart was the originator of the Project +Gutenberg™ concept of a library of electronic works that could be +freely shared with anyone. For forty years, he produced and +distributed Project Gutenberg™ eBooks with only a loose network of +volunteer support. +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +Project Gutenberg™ eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as not protected by copyright in +the U.S. unless a copyright notice is included. Thus, we do not +necessarily keep eBooks in compliance with any particular paper +edition. +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +Most people start at our website which has the main PG search +facility: <a href="https://www.gutenberg.org">www.gutenberg.org</a>. +</div> + +<div style='display:block; margin:1em 0'> +This website includes information about Project Gutenberg™, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. +</div> + +</div> + +</body> +</html> diff --git a/37316-h/images/cover.jpg b/37316-h/images/cover.jpg Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..13ba5a6 --- /dev/null +++ b/37316-h/images/cover.jpg diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt new file mode 100644 index 0000000..6312041 --- /dev/null +++ b/LICENSE.txt @@ -0,0 +1,11 @@ +This eBook, including all associated images, markup, improvements, +metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be +in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES. + +Procedures for determining public domain status are described in +the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org. + +No investigation has been made concerning possible copyrights in +jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize +this eBook outside of the United States should confirm copyright +status under the laws that apply to them. diff --git a/README.md b/README.md new file mode 100644 index 0000000..c55bac7 --- /dev/null +++ b/README.md @@ -0,0 +1,2 @@ +Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org) public repository for +eBook #37316 (https://www.gutenberg.org/ebooks/37316) |
