summaryrefslogtreecommitdiff
diff options
context:
space:
mode:
authorRoger Frank <rfrank@pglaf.org>2025-10-14 20:06:38 -0700
committerRoger Frank <rfrank@pglaf.org>2025-10-14 20:06:38 -0700
commita1e57c7463e2a47a9f96472040df3602d21ccfd2 (patch)
tree279edd349cba3c05e117c9bb00065e72f0b4af92
initial commit of ebook 36839HEADmain
-rw-r--r--.gitattributes3
-rw-r--r--36839-8.txt18506
-rw-r--r--36839-8.zipbin0 -> 394096 bytes
-rw-r--r--36839-h.zipbin0 -> 2145046 bytes
-rw-r--r--36839-h/36839-h.htm23486
-rw-r--r--36839-h/images/illo024.pngbin0 -> 63204 bytes
-rw-r--r--36839-h/images/illo030.pngbin0 -> 89893 bytes
-rw-r--r--36839-h/images/illo542.pngbin0 -> 93759 bytes
-rw-r--r--36839-h/images/large024.pngbin0 -> 1455911 bytes
-rw-r--r--36839-h/images/lijn1.pngbin0 -> 321 bytes
-rw-r--r--36839-h/images/lijn2.pngbin0 -> 559 bytes
-rw-r--r--36839-h/images/lijn3.pngbin0 -> 552 bytes
-rw-r--r--36839-h/images/lijn4.pngbin0 -> 621 bytes
-rw-r--r--36839-h/images/lijn5.pngbin0 -> 377 bytes
-rw-r--r--LICENSE.txt11
-rw-r--r--README.md2
16 files changed, 42008 insertions, 0 deletions
diff --git a/.gitattributes b/.gitattributes
new file mode 100644
index 0000000..6833f05
--- /dev/null
+++ b/.gitattributes
@@ -0,0 +1,3 @@
+* text=auto
+*.txt text
+*.md text
diff --git a/36839-8.txt b/36839-8.txt
new file mode 100644
index 0000000..fbebfef
--- /dev/null
+++ b/36839-8.txt
@@ -0,0 +1,18506 @@
+The Project Gutenberg eBook, Beknopte Geschiedenis van Friesland, by Wopke
+Eekhoff
+
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+
+
+
+Title: Beknopte Geschiedenis van Friesland
+ in Hoofdtrekken
+
+
+Author: Wopke Eekhoff
+
+
+
+Release Date: July 24, 2011 [eBook #36839]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO-8859-1
+
+
+***START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK BEKNOPTE GESCHIEDENIS VAN
+FRIESLAND***
+
+
+E-text prepared by Harry Lamé, André Engels, and the Online Distributed
+Proofreading Team (http://www.pgdp.net)
+
+
+
+Note: Project Gutenberg also has an HTML version of this
+ file which includes the original map.
+ See 36839-h.htm or 36839-h.zip:
+ (http://www.gutenberg.org/files/36839/36839-h/36839-h.htm)
+ or
+ (http://www.gutenberg.org/files/36839/36839-h.zip)
+
+
+ +------------------------------------------------------------------+
+ | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: |
+ | |
+ | In deze e-tekst wordt de volgende notatie gebruikt: |
+ | schuingedrukte tekst in het origineel wordt weergegeven tussen |
+ | _ en _, als in _tekst_; |
+ | gespatiëerde tekst wordt weergegeven tusen ~ en ~, als in |
+ | ~tekst~; |
+ | normaal gedrukte woorden in lange stukken schuingedrukte tekst |
+ | worden weergegeven tussen = en =, als in =tekst=; |
+ | woorden die in de brontekst in klein kapitaal gezet zijn, |
+ | worden hier weergegeven in hoofdletters; |
+ | tekens voorafgegaan door ^ zijn in het originele werk super- |
+ | script. |
+ | |
+ | Voetnoten zijn verplaatst naar direct onder de alinea waarin ze |
+ | vermeld zijn. |
+ | |
+ | Uitgebreidere opmerkingen zijn te vinden aan het einde van deze |
+ | tekst. |
+ | |
+ +------------------------------------------------------------------+
+
+
+
+
+
+BEKNOPTE GESCHIEDENIS VAN FRIESLAND IN HOOFDTREKKEN.
+
+
+
+
+ _"Van waar mag het toch zijn, vraagt de Geschiedvorscher, dat de
+ =Nederlanders= zich zoo vaak op de =Batavieren= beroepen, als op
+ hunne Voorvaders, uit wier bloed zij zeggen gesproten te zijn,
+ daar zulks historisch betwistbaar is? Wel waren zij de vroegste
+ en =meest beroemde bewoners= van een voornaam gedeelte des lands,
+ maar onze eigenlijke =voorvaderen= waren zij niet.--De Batavieren
+ verdwenen uit de Geschiedenis.--Zoodanig was het niet met de
+ =Friezen=. Boven vele andere Europesche volken hebben zij dit
+ vooruit, dat zij niet zijn ondergegaan bij die geweldige
+ omkeering der volken. Immer behielden zij den reeds lang
+ ingenomen grond, toen bijna alle landen van Europa van bewoners
+ verwisselden. Hier woonde de stam, welke zich staande hield, te
+ midden dier groote Europesche beroering, en hare plaatsen aan
+ geene andere inruilde. Zij echter breidde zich verder uit, van
+ het Vlie tot aan de Schelde; en altijd hier stand houdende, is
+ uit haar het nageslacht voortgesproten, dat immer deze landen
+ bewoonde. Meer dan Batavieren en Kaninefaten noemen wij,
+ Nederlanders, daarom =de Friezen= eigenlijk =onze vaderen=; dat
+ heldhaftige geslacht, hetwelk voor de teregt vereerde Batavieren
+ niet onderdeed; over wier naam wel is waar geen zoo poëtische
+ gloed ligt, als over de Batavieren, maar meer historische
+ waarheid; die daar staan te midden der volksberoeringen en
+ overstroomingen, als de krachtige eik in het woud, die de stormen
+ tart en door den stroom der wateren niet ontworteld wordt. Hen
+ ontmoeten wij reeds =vóór= onze Christelijke tijdrekening, en hun
+ nakroost, zich telkens verder over ons Vaderland uitbreidende,
+ heeft zich later weder binnen enger grenzen voortgeplant, tot op
+ onze dagen. En waarlijk, indien een Friso hun Stamvader is
+ geweest, dan hebben de dichterlijke tafereelen meer historische
+ waarheid geboekt, dien als onzen stamvader vermeldende, dan een'
+ Bato, wiens nakroost verdween."_
+
+ Prof. H. J. ROYAARDS.
+
+
+
+
+BEKNOPTE GESCHIEDENIS VAN FRIESLAND IN HOOFDTREKKEN;
+
+_bevattende een Overzigt van de lotgevallen der Friezen en van de
+voornaamste gebeurtenissen, gedurende bijna tweeduizend jaren in dit
+land voorgevallen._
+
+UIT VELE VROEGERE EN LATERE BRONNEN BEWERKT,
+
+DOOR
+
+W. EEKHOFF
+
+_Archivarius der stad Leeuwarden, Voorzitter van de Tweede Afdeeling der
+werkende Leden van het Friesch Genootschap van Geschied-, Oudheid- en
+Taalkunde, Lid van de Maatschappij van Nederlandsche Letterkunde te
+Leiden en van het Provinciaal Utrechtsch Genootschap van Kunsten en
+Wetenschappen._
+
+Met eene Schetskaart van den waarschijnlijken toestand van het land der
+Friezen en hunne naburen, omstreeks den aanvang onzer tijdrekening.
+
+_Historische zin, of eerbied voor de gedenkteekenen, de geschiedenis en
+de groote mannen des vaderlands, is het sieraad van een volk, dat in der
+vaderen glorie zijne eer en in de liefde voor zijn land zijn roem
+stelt._
+
+TE LEEUWARDEN, BIJ
+
+W. EEKHOFF.
+
+1851.
+
+
+De Schrijver en Uitgever van dit werk stelt zijn regt van kopij, tegen
+nadruk, verkorting, verkleining, vertaling of verandering van vorm,
+onder bescherming der Wet, van den 25 Jan. 1817, aan wier eischen hij
+heeft voldaan.
+
+
+
+
+VOORREDE.
+
+
+_Bij dezen neem ik de vrijheid mijne landgenooten aan te bieden eene
+=Beknopte Geschiedenis van Friesland, in Hoofdtrekken=. Verscheidene
+redenen hebben mij bewogen, dit onderwerp te behandelen en deze
+bewerking in het licht te geven. De belangrijkheid van die geschiedenis
+op zich zelve en in verband met die des vaderlands,--het gemis van een
+bevattelijk geschreven handboek over dit onderwerp,--de wensch van velen
+om zulk een werk, ingerigt naar de behoeften van dezen tijd, te
+bezitten,--de zucht om nuttig te zijn, en bovenal mijne aangeborene
+neiging voor de beoefening van die geschiedenis en liefde voor alle
+kennis en kunst, welke tot =Friesland= in betrekking staan,--ziet daar
+de drangredenen, welke eindelijk mijn schroom en wantrouwen van eigene
+krachten hebben overwonnen. Immers sedert die neiging op mijn tiende
+levensjaar bij mij werd opgewekt, en ik niet lang daarna het plan vormde
+eene korte Geschiedenis van =Friesland= te bewerken, heb ik gedurende
+dertig jaren over dit onderwerp zoo vele geschriften gelezen en
+aanteekeningen gemaakt, zoo vele stukken verzameld en onderzoekingen
+gedaan, dat de begeerte, om eenmaal de vrucht daarvan te leveren, meer
+opgewekt dan onderdrukt werd door al de menigvuldige bezwaren en moeiten
+hieraan verbonden. In weerwil ik dit onderwerp bij herhaling op
+verschillende wijzen bewerkt en geene inspanning geschroomd heb, bleef
+ik nogtans met de uitgave aarzelen, en de hoop voeden, dat een onzer
+geleerden of leden van het Friesch Genootschap die taak zou volbrengen.
+Telken jare echter werd ik daarin teleurgesteld._
+
+_Intusschen vernam ik, dat velen aan de bewerking van eene volledige en
+naauwkeurige Friesche Geschiedenis bezwaren en beletselen verbonden
+achtten, gewigtig genoeg, om ijverige beoefenaars van dit onderwerp af
+te schrikken het in zijn geheel te behandelen. Behalve dat men eerst de
+uitgave van nog meerdere bronnen en bouwstoffen verlangde, vorderde eene
+kritische behandeling van de uitgegevene kronijken groote moeite. En
+waar deze met WINSEMIUS in 1622 eindigen, zag men eene groote menigte
+Resolutieboeken van de Staten en Gedeputeerde Staten van =Friesland=,
+benevens eene massa onuitgegevene stukken in de Rijks-, Provinciale en
+Plaatselijke Archiven voor zich; om niet te spreken van de menigte
+bouwstoffen, in een aantal gedrukte werken der laatste tweehonderd jaren
+verspreid. Inderdaad, er wordt meer dan een menschenleeftijd toe
+vereischt, om daaruit al de bijzonderheden op te zamelen en tot één
+geheel te brengen, dat aan het ideaal van eene geschiedenis onzer
+provincie zou kunnen beantwoorden._
+
+_Het gewigt dier bezwaren en beletselen erkennende, zou dit alles
+meer in staat zijn, onze liefde voor de geschiedenis uit te dooven dan
+op te wekken. Het volbrengen van die taak en het bereiken van die nog
+denkbeeldige volmaaktheid blijve dus een volgend geslacht aanbevolen.
+Dat ik het, in weerwil van dat alles, toch gewaagd heb, het onderwerp te
+behandelen, moge echter niet tot mijne beschuldiging strekken. Want,
+daar al de nog te volbrengen nasporingen welligt meest bijzonderheden of
+specialiteiten betreffen, zoo heb ik, naar het licht, dat ons tijdvak
+beschijnt en naar de mate mijner krachten, mij zoeken te bepalen tot
+de =Hoofdtrekken= onzer geschiedenis, of tot die voornaamste
+gebeurtenissen, welke van het meeste belang en den grootsten invloed
+zijn geweest op de lotgevallen en de ontwikkeling van het volk.
+Aangezien ik mijne behandeling tevens tot één boekdeel wenschte te
+beperken, zoo waren deze hoofdpunten, waaromtrent wij meerdere zekerheid
+bezitten, voorshands ook voldoende tot het geven van een algemeen
+overzigt van deze geschiedenis; terwijl ook eene korte en eenvoudige
+voorstelling, bij wijze van tafereelen, het meest geschikt scheen, om de
+belangstelling voor dit onderwerp op te wekken._
+
+_Hartelijk wensch ik, dat anderen later die opgewekte belangstelling
+door volkomener en uitvoeriger bewerking mogen bevredigen, en dat deze
+arbeid bij voorraad moge voorzien in eene behoefte, welke mij dikwijls
+werd te kennen gegeven door personen uit verschillende standen, die
+gaarne met hunne volksgeschiedenis meer bekend wilden zijn. Niet minder
+natuurlijk is de wensch, dat dit werk moge bijdragen, om ook in andere
+provinciën van ons vaderland (vroeger deelen van het Friesche rijk) het
+belang en de waarde te doen erkennen van de geschiedenis der Friezen,
+als de stamvaders der Nederlanders, met betrekking tot de geschiedenis
+van =Nederland=. Bekend is het toch, dat de meeste vaderlandsche
+geschiedenissen, welke wij bezitten, zich als bij uitsluiting bepalen
+tot de historie van de aanzienlijkste provincie =Holland=. Die naam komt
+evenwel voor het eerst omstreeks het jaar 1000 voor. Het gansche
+vroegere tijdperk, en dus meer dan de helft der tijdruimte, bevat alzoo
+de geschiedenis van =Friesland=, aangezien de Batavieren reeds vroeg en
+spoorloos verdwenen. Het is dus grootelijks te verwonderen, dat de
+historieschrijvers van ons vaderland niet enkel de latere, maar ook de
+vroegere Friesche geschiedenis zoo lang verwaarloosd en soms zoo
+verminkt voorgesteld hebben, dewijl deze toch de hoofdbron of het
+~grondstuk~ is, waarop de geschiedenis van =Holland= of wel van geheel
+=Nederland= moet rusten. Reeds is dit erkend in de geschriften van de
+Utrechtsche geleerden wijlen Jhr. Mr. VAN ASCH VAN WIJCK en den Hoogl.
+ROYAARDS, wiens bestrijding van een verkeerd volksbegrip ik gemeend heb
+tegenover den titel te moeten mededeelen._
+
+_Vermits ik al de boven vermelde bezwaren en beletselen bij de bewerking
+heb ondervonden, heb ik mij met veel moeite beijverd, ze voor mijn doel
+te overwinnen, door in het bijzonder de hoofdzaken meer te doen uitkomen
+dan punten van ondergeschikt of betwist belang. Het is daarbij mijn
+hoogste streven geweest, om de beste bronnen te raadplegen, om de
+waarheid zonder partijdigheid na te sporen, en, bovenal, om eene
+~heldere~ en ~duidelijke voorstelling~ te geven van datgene, wat ons
+duurzaam belang kan inboezemen. Den tekst heb ik, op de wijze van mijne
+=Geschiedkundige Beschrijving van Leeuwarden=, zoo bevattelijk mogelijk
+geschreven, opdat ook dit werk als een nuttig en aangenaam
+Geschiedkundig Huisboek algemeene belangstelling mogt verdienen. Omtrent
+de belangrijkste zaken en betwiste of twijfelachtige punten heb ik voor
+beoefenaars van de geschiedenis en onderzoekende lezers in de
+=Aanteekeningen= meerdere bijzonderheden en bronnen medegedeeld; terwijl
+ik door de bijvoeging van historische tafels of overzigten en registers
+de bruikbaarheid van het geheel heb trachten te bevorderen. Daar de
+geschiedenis het beste onderwijs is voor alle standen der maatschappij,
+en zij ons de bijzondere pligten jegens ons vaderland doet kennen, zoo
+hoop ik eerlang ook eene verkorte uitgave, ten behoeve der scholen, in
+het licht te geven._
+
+_Bij de beoordeeling van dit werk gelieve men op te merken, dat ik
+minder nieuwe zaken medegedeeld, dan wel de verspreide berigten en
+vruchten der onderzoekingen van anderen tot een geheel gebragt heb. De
+waarheid of stellige zekerheid der feiten moge één en onveranderlijk
+zijn, de wijze van voorstelling, inkleeding en toepassing kan echter
+aanleiding geven tot zeer uiteenloopende meeningen en begrippen; vooral
+in een werk, bij welks behandeling, op een ongebaand pad, de meeste
+waarschijnlijkheid en persoonlijke beschouwingen het gebrek aan berigten
+soms moesten vervangen. Mogt ik echter in mijne, ter goeder trouw
+medegedeelde, opvattingen en inzigten gedwaald hebben, dan verzoek ik
+van bevoegde personen eene bescheidene beoordeeling en heusche
+teregtwijzing te ontvangen. In een ander opzigt hoop ik, dat wij Friezen
+te veel eerbied voor onze geschiedenis, voor ons zelve en voor onze
+christelijke verpligtingen jegens elkander zullen hebben, dan dat
+verschil van meening over sommige historische punten ons zou verlagen
+tot een hatelijk twistgeschrijf en openbare beleedigingen, waarin nijd
+en wraakzucht soms eene afschuwelijke rol spelen._
+
+_Overtuigd van mijne goede bedoelingen, doch evenzeer van mijne
+feilbaarheid, heb ik de naauwkeurigheid der bewerking zoo veel mogelijk
+trachten te verzekeren, door haar vóór de uitgave te laten lezen aan
+mijne veelgeachte vrienden de Heeren Mr. A. VAN HALMAEL JR. (wiens dood
+wij nu reeds betreuren), J. VAN LEEUWEN, Dr. J. G. OTTEMA, Jhr. Mr. H.
+B. VAN SMINIA en anderen, die ik hier openlijk mijnen dank toebreng voor
+de medegedeelde opmerkingen en teregtwijzingen. Mogt ik door de uitgave
+nog te veel gewaagd hebben, dan beken ik gaarne, daartoe vooral den moed
+te hebben bekomen door de volgende verklaring van laatstgenoemden
+deskundige: "Ik moet u betuigen, dat ik het werk met bijzonder veel
+genoegen gelezen heb, er bijna geheel mijne goedkeuring aan hecht en het
+op hoogen prijs stel. Alleen betreur ik het, dat het niet uitvoeriger en
+uitgebreider is behandeld. Doch dit lag voor het tegenwoordige niet in
+uw plan, en moeten wij dus voorshands tevreden zijn met hetgeen ons zoo
+goed gegeven is; in de hoop, dat gij later uwe krachten nog eens zult
+aanwenden, om ons eene grootere en volledige Geschiedenis van
+=Friesland= te leveren."_
+
+_En hiermede beveel ik dezen arbeid op nieuw der belangstelling mijner
+landgenooten aan._
+
+ Mei 1851.
+
+ W. EEKHOFF.
+
+
+
+
+EERSTE NAAMLIJST VAN INTEEKENAREN.
+
+
+ ZIJNE MAJESTEIT DEN KONING. g. p.
+
+ ZIJNE KONINKLIJKE HOOGHEID DEN PRINS VAN ORANJE. g. p.
+
+ ZIJNE KONINKLIJKE HOOGHEID PRINS FREDERIK DER NEDERLANDEN. g. p.
+
+ J. Ackersdijck, Hoogleeraar te Utrecht.
+ E. Adema, Secretaris van Rauwerderhem te Rauwerd.
+ C. Albarda, Kantonregter te Leeuwarden.
+ Mr. Herman Albarda, Advocaat te Leeuwarden.
+ Hor. Albarda, Jurid. Student te Groningen.
+ Mr. W. Albarda, Subst. Griffier by de Arrondissements Regtbank te
+ Leeuwarden. g. p.
+ K. S. Alberda, Landbouwer te Menaldum.
+ Jhr. W. Alberda van Ekenstein, te Groningen.
+ A. Alma, Notaris te Bergum.
+ J. S. Alma, Assessor van Franekeradeel te Schalsum.
+ J. C. & W. Altorffer, Boekh. te Middelburg. 2 ex.
+ M. C. Amoraal, te Leeuwarden.
+ L. Anders, Kantoorbediende te Leeuwarden.
+ Mr. J. H. Beucker Andreæ, Advocaat te Leeuwarden.
+ A. S. Andringa, Ondermeester te Koudum.
+ M. D. Anema, Lid van den Raad van Franekeradeel te Ried.
+ P. S. Anema, Lid van den Raad van Franekeradeel te Dongjum.
+ T. W. Anema, Landbouwer te Kimswerd.
+ Het Provinciaal Archief van Friesland.
+ E. Roos Baron van Asbeck, Grietman van Hemelumer Oldephaert en
+ Noordwolde te Koudum. g. p.
+ H. van Assen, Goud- en Zilversmid te Leeuwarden.
+ J. van Assen, te Leeuwarden.
+ R. Attama, Secretaris der stad Stavoren.
+ E. J. Attema, Notaris te Dragten.
+
+ J. van Baalen & Zn., Boekh. te Rotterdam.
+ B. T. Bakker, Lid van den Raad van Baarderadeel te Oosterlittens.
+ C. Bakker, Bzn. Boekhandelaar te Nieuwe Diep.
+ Jan F. Bakker, Stedelijk Ontvanger te Sneek.
+ S. J. Bakker, Assessor der Grietenij Rauwerderhem te Deersum.
+ W. L. Bakker, Assessor van Franekeradeel te Tjum.
+ L. S. Bakkes, Bakker te Tjummarum.
+ J. Banga, Burgemeester en Med. Doct. te Franeker.
+ J. Barends, Arrondissements Betaalmeester te Heerenveen.
+ Mr. P. de Beaufort, Lid der Gedep. Staten van Utrecht, aldaar.
+ S. van Sloterdijck Beekkerk, Directeur der Registratie en
+ Domeinen in Friesland te Leeuwarden.
+ Dr. E. M. Beima, Conservator aan 's Rijks Museum van Natuurlijke
+ Historie te Leiden.
+ H. J. C. Bekenkamp, Predikant te Knijpe.
+ A. M. van Belkum, Directeur van het Stads-Werkhuis te Leeuwarden.
+ J. C. van Belkum, Broodbakker te Leeuwarden.
+ P. Berg, Bakker te Ee.
+ Mr. C. Bergsma, Grietman van Idaarderadeel te Idaard.
+ E. H. Bergsma, 1e Luit. Ingenieur te Amsterdam.
+ H. van Berkum, Predikant te Stiens.
+ J. P. van Berkum, Predikant te Wolsum.
+ W. Beijerinck, Boekhandelaar te Amsterdam.
+ Jhr. Mr. C. L. van Beijma, Kantonregter te Dronrijp.
+ Jhr. E. D. van Beijma, Grietman van Baarderadeel te Weidum.
+ Jhr. Mr. C. L. van Beijma thoe Kingma, Secretaris van Haskerland
+ en Advocaat te Joure.
+ Jhr. U. H. Heerma van Beijma thoe Kingma, Grietman van
+ Franekeradeel te Zweins.
+ W. Bisschop, Litt. Hum. Cand. te Leiden.
+ A. Bleeker, Boekh. te Sneek.
+ J. Bloemsma, Boekhandelaar te Leeuwarden.
+ J. G. van Blom, Lid der Staten van Friesland en Notaris te
+ Dragten.
+ J. G. van Blom, voor het 5e Schooldistrict in Friesland.
+ G. H. van Boelens, Rijks-Ontvanger te Augustinusga.
+ Mr. J. H. van Boelens, Burgemeester der stad Leeuwarden.
+ J. T. de Boer, Assessor van Idaarderadeel te Roordahuizum.
+ J. Y. de Boer, Landbouwer te Hempens.
+ K. J. Boersma, te Kubaard.
+ Erven F. Bohn, Boekhandelaars te Haarlem.
+ A. M. Bokma de Boer, te Leeuwarden.
+ Mej. C. Bokma de Boer, te Leeuw.
+ W. Cool van Bokma, Boekh. te Sneek. 3 ex.
+ J. M. Bokma, te St. Jacobi-Parochie.
+ J. Fopma Bonnema Hzn. Landbouwer te Tjummarum.
+ R. J. Boorsma, Assessor van Baarderadeel te Weidum.
+ Mr. J. C. G. Boot, Rector van het Gymnasium te Leeuwarden.
+ Harmen H. Bosma, Koopman te Oosterend.
+ IJ. Bosma, Kweekeling te Bergum.
+ J. Brandsma, Notaris te Schiermonnikoog.
+ Mr. P. Brantsma, Officier van Justitie bij de Regtbank te
+ Heerenveen.
+ Jhr. G. P. C. van Breugel, Lid van den Raad en Ontvanger der
+ Directe Belastingen te Haarlem. g. p.
+ R. Baron van Breugel, Lid van den Raad van State te 's Hage.
+ J. H. Brinkman, Boekhandelaar te Amsterdam.
+ B. Brons Bzn., Onderwijzer te Haskerdijken.
+ G. Brouwer, Boekhandelaar te Deventer. 2 ex.
+ G. L. Brouwer, Secretaris van Oost-Stellingwerf te Oldeberkoop.
+ Dr. S. Brouwer, Oud-Hoogleeraar te Leeuwarden.
+ A. L. Brugsma, Doctorandus in de Letteren te Leeuwarden.
+ K. Bruining, Onderwijzer te Schalsum.
+ D. D. Büchler, te Amsterdam.
+ P. H. Buisma, Onderwijzer te Langweer.
+ B. Hopperus Buma, Jur. Student te Groningen.
+ J. Buma, Onderwijzer te Kollum.
+ Mevr. Wed. W. B. Buma, te Weidum.
+ Mr. W. W. Buma, Raadsheer in het Provinciaal Geregtshof van
+ Friesland te Leeuwarden.
+ F. H. Burghgraef, Secretaris der stad Franeker.
+ Wed. P. Burggraaff, Jr., Boekh. te Leeuwarden.
+ Th. J. van der Bij, Onderwijzer te Oenkerk.
+ E. J. A. Graaf van Bijlandt, Commissaris des Konings in de
+ provincie Zuid-Holl. te 's Hage. g. p.
+
+ J. Camminga, Ondermeester te Franeker.
+ J. Campen, Boekh. te Sneek. 4 ex.
+ G. ten Cate Fzn. Koopman te Leeuwarden.
+ S. ten Cate, Burgemeester der stad Sneek.
+ Mr. E. Manger Cats, Advocaat te Leeuwarden.
+ Mevr. S. Cats, Wed. Bieruma Oosting te Leeuwarden, g. p.
+ P. O. van der Chijs, Hoogleeraar en Directeur van het Munt- en
+ Penning-Kabinet te Leiden.
+ R. M. Cloppenburgh, te Hardegarijp.
+ H. Coster & Zn., Boekhandelaar te Alkmaar.
+ P. J. Costerus, Rector van het Gymnasium te Sneek.
+ K. J. Crap, Molenaar te St. Jacobi-Parochie.
+ S. Crommelin, Rustend Leeraar te Leeuwarden.
+ D. J. Couvée, Boekh. te Leiden.
+ F. J. Cuperus, Kuiper te Dronrijp.
+
+ H. J. Dauzon, Rijks-Ontvanger in de Wijk, bij Meppel.
+ Mr. A. Deketh, Advocaat-Generaal bij den Hoogen Raad der
+ Nederlanden te 's Hage.
+ G. H. M. Delprat, te Rotterdam.
+ Mr. W. M. J. van Dielen, voor het Leesg. Disce Legendo te
+ Utrecht.
+ Mr. J. Dirks, Lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal te
+ Leeuwarden.
+ J. Dirks, te Balk.
+ J. J. Doesburg, Boekhandelaar te Groningen, 3 ex.
+ De stad Dockum.
+ Erven Doorman, Boekhandelaar te 's Hage. 3 ex.
+ Mr. L. Dorhout, Plaatsverv. Kantonregter en Lid van den Raad der
+ stad Leeuwarden. g. p.
+ M. R. Douma, Landbouwer te Ee.
+ J. F. van Druten, Boekh. te Sneek.
+ van Druten en Bleeker, Boekh. te Sneek. 11 ex.
+ K. P. Duursma, Onderwijzer te Langezwaag.
+ F. Dijkstra, Onderwijzer der jeugd en der zeelieden te Nes op
+ Ameland.
+ F. A. Dijkstra, Landbouwer te Haskerdijken.
+ F. J. Dijkstra, Landbouwer te Ooster-Nijkerk. g. p.
+ T. R. Dijkstra, te Leeuwarden.
+ Waling Dijkstra, te Spannum.
+
+ O. J. Eekma, Boekhandelaar te Leeuwarden. 5 ex.
+ Dr. A. H. A. Ekker, Praeceptor aan het Gymn. te Utrecht.
+ J. Elgersma, Onderwijzer te Kimswerd.
+ S. F. Elgersma, te Lollum.
+ Jhr. Mr. W. E. Engelen, Secretaris van Leeuwarderadeel en
+ Advocaat te Leeuwarden.
+ W. A. Evertsz, Ridder van de Mil. Willemsorde, 4e kl.,
+ Secretaris van Utingeradeel en Notaris te Oldeboorn. g. p.
+ Jhr. Mr. C. van Eijsinga, Lid der Staten van Friesland te
+ Leeuwarden.
+ Jhr. Mr. F. J. J. van Eijsinga, Lid van de Eerste Kamer der
+ Staten-Generaal en der Arrond. Regtbank te Leeuwarden.
+ Jhr. I. F. van Eijsinga te Leeuwarden. 2 ex.
+ K. G. Eijsinga, Koopman te Leeuwarden.
+
+ J. M. Baart de la Faille, Medicinæ Doctor te Leeuwarden.
+ A. R. Falck, te Utrecht. g. p.
+ Corn. J. Feddes, Koopman te Leeuwarden.
+ P. H. Feenstra, Medic. Doct. te Kuikhorne.
+ P. M. Feenstra, Boekh. te Bolsward. 4 ex.
+ T. S. Feenstra, Boekhandelaar te Sneek. 4 ex.
+ D. Feikema, Wethouder der stad Franeker.
+ Mr. H. O. Feith, Archivarius der provincie Groningen.
+ H. Feringa Jzn. Oud-Griffier van het Vredegeregt te Augustinusga.
+ Dirk A. Ferwerda, Koopman te Stiens.
+ E. Ippius Fockens, Boekhandelaar te Franeker. 3 ex.
+ E. Schrader Fockens, Predikant te Jutrijp en Hommerts.
+ H. Frijlink, Boekhandelaar te Amsterdam.
+
+ I. Garcin, te Amsterdam.
+ P. A. van Gelder, Koopman te Dokkum.
+ Het Friesch Genootschap voor Geschied-, Oudheid- en Taalkunde te
+ Leeuwarden. g. p.
+ P. Gerbranda, Schoolonderwijzer te Lollum.
+ C. Gerdenier, Burgemeester der stad Medemblik. 2 ex.
+ Het Provinciaal Geregtshof van Friesland.
+ J. Gerritsen, Landbouwer in het Meer bij Heerenveen.
+ L. Gescher, Medicinæ Doctor te Leeuwarden.
+ M. van Geuns, Doopsgezind Leeraar te Leeuwarden.
+ Jhr. R. Gevaerts van Geervliet, Lid der Ridderschap van
+ Friesland, Ontvanger van 's Rijks Belastingen te Bergum.
+ H. P. A. van Gorcum, Boekh. te Assen.
+ O. Goslings, Cand. Notaris te Dokkum.
+ Het Provinciaal Gouvernement van Friesland. g. p.
+ Mr. M. Schaaff Gratama, Raadsheer in het Provinciaal Geregtshof
+ van Groningen.
+ J. H. Gunning, Predikant te Leeuwarden.
+
+ E. de Haan, Onderwijzer te Wirdum.
+ W. van Haarst, op Schoonoord bij Oirschot.
+ H. Haga, Doopsgezind Leeraar te Oldeboorn.
+ H. Haisma, Lid der Provinciale Staten van Friesland en Landbouwer
+ te Bergum.
+ F. A. van Hall, Minister van Staat te Amsterdam.
+ H. C. van Hall, Hoogleeraar te Groningen.
+ T. van Halteren, Boekhandelaar te Wildervank.
+ J. W. Hannema, Landbouwer te Hantum.
+ Mr. D. J. A. Baron van Harinxma Thoe Slooten, Raadsheer in het
+ Provinc. Geregtshof van Friesland te Leeuwarden.
+ M. P. D. Baron van Harinxma Thoe Slooten te Beetsterzwaag.
+ Mr. P. A. V. Baron van Harinxma Thoe Slooten, Kantonregter te
+ Holwerd.
+ H. J. van Hasinga, Adjunct Onderwijzer te Oosterzee.
+ D. J. Haspels, Boekh. te Nijmegen.
+ Sjoerd Jans Heeg, te Oosterend.
+ A. T. R. Sixma Baron van Heemstra, Grietman van Kollumerland te
+ Veenklooster. g. p.
+ C. S. Sixma Baron van Heemstra, te Zwolle.
+ D. A. Sixma Baron van Heemstra, Jur. Student te Groningen.
+ Mr. F. J. J. Baron van Heemstra, Grietman van Rauwerderhem te
+ Irnsum. g. p.
+ A. van der Heide, Onderwijzer te Leeuwarden.
+ Douwe van der Heide, Landbouwer te Ezumazijl.
+ H. A. van Helden, Boekhandelaar te Amsterdam. 2 ex.
+ Mr. E. van Heloma, te Zwolle.
+ Mr. M. van Heloma, Lid der Provinciale Staten van Friesland te
+ Heerenveen.
+ H. Hemkes Hzn., Onderwijzer te Voorburg.
+ P. H. Hendriks, te Groningen.
+ S. Gille Heringa, Directeur van het Postkantoor te Tilburg.
+ H. Klugkist Hesse, Lid der Staten van Friesland te Kollum. g. p.
+ F. Hessel, Boekh. te Heerenveen.
+ J. G. Heuveldop, Lid der Gedeputeerde Staten van Friesland te
+ Leeuwarden.
+ P. H. van den Heuvell, Boekh. te Leiden.
+ van Heiningen & Post Uiterweer, Boekhandelaars te Utrecht.
+ J. Hilarius, Boekhandelaar te Leeuwarden. 5 ex.
+ C. C. van der Hoek, Boekhandelaar te Leiden.
+ W. van der Hof, Schipper te Bakhuizen.
+ F. Holtkamp, Boekhandelaar te Sneek. 4 ex.
+ Jhr. Hooft van Woudenberg van Geerestein te Amsterdam. g. p.
+ J. W. van Hopbergen, 1e Luit. Adjudant, voor het Leesgez. van
+ Officieren van het 2e & 4e Bat. 3e Reg. Infant. te Leeuwarden.
+ W. Ter Horst, Fabrijkant te Leeuwarden.
+ J. van Hout, te Wognum.
+ J. O. van Houten, Boekhandelaar te Assen.
+ J. Ernst van Houtrijve, te Leeuwarden.
+ H. Höveker, Boekhandelaar te Amsterdam.
+ S. Hoijtema Pzn. Assessor van Utingeradeel te Akkrum.
+ Mr. U. H. Wielinga Huber, Raadsheer in het Provinc. Geregtshof
+ van Friesland te Kornjum. 2 ex.
+ Mr. H. U. Huguenin, te Sneek, voor het 8e Schooldistrict in
+ Friesland.
+ J. T. H. Huguenin, Predikant te Zuidwolde.
+ A. A. Hulshoff, Doopsgezind Leeraar te Leeuwarden.
+ K. van Hulst, Boekh. te Kampen.
+ P. P. Hylarides, Landbouwer te Witmarsum.
+
+ J. W. Idsardi, Landbouwer te Ee.
+ P. D. Idsinga, Landbouwer te Hantum.
+ Mr. G. W. H. Baron van Imhoff, Burgemeester der stad Groningen.
+
+ H. D. Jager, Grietenij-Ontvanger van Oost-Stellingwerf te
+ Oldeberkoop.
+ K. Jansma, Onderwijzer te Rottevalle.
+ Dr. L. J. F. Janssen, Conservator bij het Museum van Oudheden te
+ Leiden.
+ J. H. Jappé, Ingenieur-Verificateur van het Kadaster te
+ Groningen.
+ A. de Jong, te Leeuwarden.
+ A. de Jong Wzn., Koopman te Leeuwarden.
+ S. D. de Jong, Lid van den Grietenijraad van Idaarderadeel te
+ Warrega.
+ T. Joustra, Fabrijkant te Sneek.
+
+ Mej. J. C. Kapteijn, Hoofd-Onderwijzeres der Stedelijke
+ Meisjesschool te Leeuwarden.
+ P. N. van Kampen, Boekhandelaar te Amsterdam.
+ Abe J. Kat, Aannemer van publieke werken te Hindeloopen.
+ Jhr. Mr. O. R. van Andringa de Kempenaer te Leeuwarden. g. p.
+ Jhr. T. A. M. A. van Andringa de Kempenaer, Lid van de 1e Kamer
+ der Staten-Generaal en Grietman van het Bildt te St.
+ Anna-Parochie.
+ Jhr. W. van Andringa de Kempenaer, Grietman van Lemsterland te
+ Lemmer.
+ J. J. Kiestra, Geneesheer te Ee. g. p.
+ S. Kiestra, Onderwijzer te Sexbierum.
+ J. Kingma, Lid der Staten van Friesland en Olieslager te Makkum.
+ M. Kingma Hzn., Lid der Gedep. Staten van Friesland te Makkum.
+ E. S. van Kleffens, Kweekeling te Ee.
+ A. M. Klijnsma, Lid van den Grietenijraad van Lemsterland te
+ Lemmer.
+ S. T. Klijnsma, Luitenant-Kolonel Ingenieur te Arnhem.
+ B. Knierim, Logementhouder te Leeuwarden.
+ Mr. H. J. Koenen, Wethouder der stad Amsterdam. g. p.
+ Mr. H. van der Kooi, Griffier bij de Arrondissements-Regtbank te
+ Leeuwarden.
+ J. Koopmans, Koopman te Gorredijk.
+ K. Koopmans, Lid van den Raad van Lemsterland te Lemmer.
+ M. H. Koopmans, Veenbaas te Echten.
+ U. Koopmans, Grutter te Holwerd.
+ P. A. Koppius, Litt. Hum. Doct. en Predikant te Rottevalle.
+ N. D. Kroese, Onderwijzer te Hindeloopen.
+ A. P. H. Kuipers, Apotheker te Leeuwarden. g. p.
+ D. Kuipers, te Buitenpost.
+ H. Kuipers, te Amsterdam. g. p.
+
+ Mr. A. van der Laan, Griffier der Prov. Staten van Friesland te
+ Leeuwarden.
+ H. M. Labberté, te Tilburg.
+ H. J. Ladenius, te Leeuwarden.
+ Dr. C. Leemans, Directeur van 's Rijks Museum van Oudheden te
+ Leiden.
+ Bibliotheek der stad Leeuwarden.
+ Leesgezelschap te Slooten.
+ J. van Leeuwen, Griffier van het Prov. Geregtshof en Archivarius
+ der Provincie Friesland te Leeuwarden. g. p.
+ J. van Leeuwen Jr., Secretaris van Lemsterland te Lemmer.
+ W. Lemke, V. D. M. voor het Leesgez. te Warrega.
+ Mr. W. van Nauta Lemke, Advocaat te Leeuwarden.
+ Mr. J. van Lennep, Rijks-Advocaat te Amsterdam.
+ A. N. Lentz, Koopman te Franek.
+ R. A. Lentz, Schilder te Franeker.
+ D. H. van der Leij, te Dronrijp.
+ B. Lolcama, Lid van den Raad der stad Franeker.
+ R. Lonneman, Medic. en Artis Obst. Doct. te Franeker.
+ J. B. van Loghem Jr. Boekh. te Haarlem.
+ H. van Loo, Verwer te Leeuw.
+ J. van Loon Jzn. Fabrijkant te Huins.
+ Erven Loosjes, Boekh. te Haarlem.
+ Dr. E. J. Diest Lorgion, Predikant te Groningen.
+ Jhr. F. I. Lycklama à Nijeholt Lid der Ridderschap van Friesland
+ te Midlaren.
+ Jhr. Mr. G. W. F. Lycklama à Nijeholt, Grietman van
+ Oost-Stellingwerf te Oldeberkoop.
+ Jhr. J. A. Lycklama à Nijeholt, Lid der Provinc. Staten van
+ Friesland te Beetsterzwaag.
+ Jhr. W. H. Lycklama à Nijeholt, Grietman van Utingeradeel te
+ Oldeboorn.
+ R. Baron van Lijnden te Beetsterzwaag.
+
+ W. H. Maas, Predikant te Idsegahuizen.
+ E. van der Maaten, Stedelijk Ontvanger te Elburg.
+ Maatsch. tot Nut van 't Algemeen: Depart. Roordahuizum.
+ Mr. G. E. Le Maire, Regter in de Arr. Regtbank te Heerenveen.
+ H. Mantingh, Ontvanger te Oostermeer.
+ Mr. C. van Marle, Inspecteur-Generaal van het Middel van Waarborg
+ te Utrecht.
+ J. E. Martens, Stucadoor te Leeuwarden.
+ J. G. Arentsma Martin, Assessor van Ferwerderadeel, te Hallum.
+ J. E. Mebius, Boekhandelaar te Kollum. 3 ex.
+ T. E. Mebius, Boekhandelaar te St. Jacobi-Parochie. 6 ex.
+ van der Meer en Verbruggen, Boekhandelaars te Rotterdam.
+ H. van der Meer, Kweekeling te Roordahuizum.
+ G. Mees Azn. Regter in de Arrondissements-Regtbank te Rotterdam.
+ g. p.
+ A. Meeter Pzn. Onderwijzer te Arum.
+ J. Meeth Czn. Bode by de Staten van Friesland te Leeuwarden.
+ H. Meetsma, te 's Hage. g. p.
+ Mr. M. Meinesz, te Slooten.
+ A. H. R. Metelerkamp, Rijks-Ontvanger te Rottevalle.
+ T. G. van der Meulen, Boekh. te Bergum. 5 ex.
+ V. Meursinge, Boekhandelaar te Leeuwarden. 2 ex.
+ L. L. F. Mispelblom Beijer, Directeur van het Postkantoor te
+ Heerenveen.
+ G. J. Molengraaff, te Nijmegen.
+ S. Mollema, te Amsterdam.
+ J. Mulder, Wethouder der stad Franeker.
+ P. B. Mulder, Linnenbleeker te Leeuwarden.
+ E. Mulders, Onderwijzer te Rottevalle.
+ Mr. G. N. Mulier, Lid van den Raad der stad Leeuwarden.
+ P. Mulier, te Bolsward.
+ Gebr. Muller, Boekhandelaars te 's Bosch. 2 ex.
+ Mr. G. A. Munster Jordens, voor het Leesgez. te Deventer.
+ W. Muurling, Hoogleeraar te Groningen. g. p.
+
+ T. Hoog van Nes, Geëmploijeerde aan het Postkantoor te Rotterd.
+ P. H. Noordendorp, Boekhandelaar te 's Hage. 2 ex.
+ S. Noteboom, Boekhandelaar te Franeker.
+ D. T. Notten, voor de Bibl. der Maats. tot Nut van 't Algem. te
+ Echten.
+ A. Nugteren, Particulier te Rotterdam.
+ C. Star Numan, Hoogleeraar in de Regtsgeleerdh. te Groningen.
+ Is. An. Nijhoff, Boekhandelaar te Arnhem. 2 ex.
+
+ O. B. Oeberius, Notaris te St. Anna-Parochie.
+ Het Onderwijzers Gezelschap te Grouw.
+ U. Oosterbaan, Cand. Notaris in de Schrans, bij Leeuwarden.
+ J. H. Oosterdijk, Emeritus Predikant van Lunteren, op
+ Gelders-spijker bij Arnhem.
+ P. van Os, Instituteur te Sneek.
+ J. G. Ottema, Præceptor aan het Gymn. te Leeuwarden. g. p.
+
+ Mr. J. Pan, Raadsheer in het Provinciaal Geregtshof van Drenthe
+ te Assen.
+ Jhr. Mr. J. E. van Panhuijs, Commissaris des Konings in de
+ provincie Friesland te Leeuwarden. g. p.
+ H. Pasma Fzn., Landbouwer te Haskerdijken.
+ J. W. Petræus, Bankhouder te Harlingen.
+ Mr. I. H. Philipse, Hoogleeraar in de Regtsgeleerdheid te
+ Groningen.
+ G. Piekema, Ondermeester te Pingjum.
+ M. van der Plaats, Boekhandelaar te Harlingen. 8 ex.
+ F. Plantenga, te 's Hage.
+ F. W. van der Ploeg, Landbouwer te Ee.
+ J. Ploegsma, Onderwijzer te Rauwerd.
+ B. Poppes, Assessor van Lemsterland te Lemmer.
+ J. Poppes, Assessor van Gaasterland te Balk.
+ J. Post, Med. Doct. te Arnhem.
+ C. van der Post, Jr., Boekhandelaar te Utrecht. 5 ex.
+ Het Postkantoor te Harderwijk. 2 ex.
+ Het Postkantoor te Meppel.
+ F. Poutsma, te Slooten.
+ P. J. Prinsen, Directeur van 's Rijks Kweekschool voor
+ Onderwijzers te Haarlem.
+ M. Pruim, Instituteur te Dokkum.
+ U. Proost, Boekhandelaar te Leeuwarden. 2 ex.
+
+ Mr. A. Quæstius, Plaatsverv. Kantonregter te Dronrijp.
+
+ H. Raadsma, Timmerman te Ee.
+ K. Radersma, Onderwijzer te Wierum, voor het
+ Onderwijzers-Gezelschap West Dongeradeel.
+ Jhr. Mr. A. G. A. Ridder van Rappard, Staatsraad, Directeur van
+ 't Kabinet des Konings, te 's Hage.
+ Jhr. F. A. Ridder van Rappard, Secretaris-Generaal van het
+ Ministerie van Oorlog, te 's Hage.
+ R. A. Rauwerda, Landbouwer te Roodkerk.
+ J. H. Reddingius, Predikant te Morra en Lioessens.
+ Mr. R. A. B. Reddingius, Kantonregter te Sneek.
+ R. Reitsma, Onderwijzer te Scharnegoutum.
+ Mej. M. P. Reneman, te Leeuwarden.
+ L. H. W. Baron van Aylva Rengers, Luit.-Kolonel by het 7e
+ Regiment Infanterie te Utrecht.
+ L. R. v. Welderen Baron Rengers, Jur. Student te Groningen.
+ R. H. S. G. Juckema van Burmania Baron Rengers te Leeuwarden.
+ g. p.
+ S. van Welderen Baron Rengers, Grietman van Wymbritseradeel en
+ Lid der Provinciale Staten te Ysbrechtum.
+ W. F. L. Baron Rengers te Utrecht.
+ W. J. van Welderen Baron Rengers te Leeuwarden.
+ Dr. H. Riedel, Conrector te Groningen.
+ P. Risselada, Apotheker te Leeuwarden.
+ W. de Rivecourt, Gepensioneerd Kapitein te Zutphen.
+ A. J. Rodenhuis, Lid der Staten van Friesland en Wethouder der
+ stad Harlingen. g. p.
+ IJ. Rodenhuis Pzn. Zeehandelaar te Harlingen. g. p.
+ H. R. Roelfsema, Boekhandelaar te Groningen.
+ G. Roker, voor het Leesgezelschap te Tjallebert.
+ Th. Romein, Stads Architect te Leeuwarden.
+ D. T. Roorda te Wijtgaard.
+ H. L. Roorda, Boer te Kimswerd. g. p.
+ S. O. Roosjen te Hindeloopen.
+ H. J. Royaards, Hoogleeraar te Utrecht.
+ T. J. Rudolphi, Lid van den Raad en Landbouwer te Jutrijp.
+ Joh. W. Ruitinga, Apotheker te Harlingen.
+ J. de Ruijter, Boekhandelaar te Amsterdam.
+ E. P. Rijpma, Landbouwer te Ooster-Nijkerk.
+
+ Mr. L. R. Salverda, Secretaris van Opsterland te Beetsterzwaag.
+ R. Bloembergen Santée, 1e Deurwaarder bij de
+ Arrondissements-Regtbank te Leeuwarden.
+ A. Schaafsma, Aannemer te Harlingen.
+ A. Schaafsma, Boekhandelaar te Dokkum. 14 ex.
+ Schalekamp, van de Grampel & Bakker, Boekhandelaars te Amsterdam.
+ H. Scheltema, Ontvanger der Belastingen te Harderwijk. 2 ex.
+ Mr. H. W. de Blocq van Scheltinga, te Oranjewoud, g. p.
+ H. C. Schetsberg, Boekhandelaar te Leeuwarden. 2 ex.
+ L. Schierbeek, Boekhandelaar te Leeuwarden. 2 ex.
+ R. J. Schierbeek, Boekhandelaar te Groningen. 6 ex.
+ P. Wierdsma Schik te Leeuwarden.
+ A. L. Scholtens, Boekhandelaar te Groningen.
+ J. Kuiper van Schouwenburg, Lid van den Raad der stad Harlingen.
+ g. p.
+ B. Schuring, Boekh. te Weesp.
+ S. S. Schuurmans, Lid van den Grietenijraad van Rauwerderhem te
+ Rauwerd.
+ G. F. Baron thoe Schwartzenberg en Hohenlansberg, Grietman van
+ Menaldumadeel te Beetgum.
+ G. W. C. D. Baron thoe Schwartzenberg en Hohenlansberg, Grietman
+ van Haskerland te Joure.
+ U. Baron thoe Schwartzenberg en Hohenlansberg, Surnumerair bij de
+ Directe Belastingen te Leeuwarden. g. p.
+ W. H. T. Camstra Baron thoe Schwartzenberg en Hohenlansberg, Lid
+ der Prov. Staten van Friesland te Hichtum.
+ W. J. J. D. Baron thoe Schwartzenberg en Hohenlansberg, Grietman
+ van Doniawerstal te Langweer.
+ H. M. Scrinerius, Geneesheer te Witmarsum.
+ W. J. A. Seijffardt, Boekh. te Amsterdam.
+ Jhr. Mr. J. Hora Siccama van de Harkstede te Groningen.
+ S. G. Siedzesz, Burgemeester der stad Stavoren.
+ S. Sinnema, Contrôleur der Directe Belastingen te Dokkum.
+ J. E. Simon, Medicinæ Doctor te Leeuwarden.
+ L. van Sisseren, te Leeuwarden.
+ H. D. van Sloterdijck, te Leeuwarden.
+ Jhr. Mr. H. B. van Sminia, Grietman van Tietjerksteradeel te
+ Bergum. 1 ord. en 1 g. p.
+ Mevr. C. van Sminia, geb. Coehoorn van Scheltinga, te Oudkerk.
+ Jhr. H. van Sminia, Jur. Student te Groningen.
+ J. Molanus Smith, Onderwijzer te Hiaure.
+ De stad Sneek. g. p.
+ Jhr. Mr. H. M. Speelman Wobma, President van het Provinciaal
+ Geregtshof van Friesland te Leeuwarden.
+ Jhr. S. Speelman, te Leeuwarden.
+ J. A. Spree, te Leeuwarden.
+ M. van Staveren, Theol. Doct. en Predikant te Leeuwarden.
+ C. van der Sterr, te Helder.
+ Mr. B. S. Stienstra, Procureur te Sneek.
+ Wed. Mr. J. Stinstra, geb. Banga, te Franeker.
+ Simon Stinstra, Lid van den Raad van Harlingen.
+ W. P. van Stockum, Boekhandelaar te 's Hage. 3 ex.
+ Mr. G. N. de Stoppelaar, Advocaat te Middelburg.
+ G. Acker Stratingh, Math. Phil. Nat. et Med. Doct. te Groningen.
+ H. Stroband, te Franeker. g. p.
+ G. T. N. Suringar, Boekhandelaar te Leeuwarden.
+ T. Sybenga, Landbouwer te Nijkerk.
+ S. Sybrandi, Boekh. te Haarlem.
+ S. K. Sybrandi, Rustend Leeraar bij de Doopsgezinden te Haarlem.
+
+ H. R. Tacoma, Landbouwer te Pingjum.
+ S. Talsma, Onderwijzer te Roordahuizum.
+ W. Talsma, te Oenkerk.
+ T. Telenga, Boekhandelaar te Franeker. 20 ex.
+ Mr. A. Telting, Kantonregter te Franeker.
+ J. G. van Terveen en Zn., Boekhandelaars te Utrecht.
+ Mr. S. van Teijens, Grietman van Opsterland en Lid der Staten
+ van Friesland te Beetsterzwaag.
+ J. F. Thieme, Boekh. te Nijmegen.
+ J. Tichelaar Jzn. te Amsterdam, g. p.
+ H. Tiddens, Jur. Student te Groningen.
+ C. J. Tjessinga, Assessor van Barradeel te Minnertsga. g. p.
+ J. Lunsingh Tonckens, Med. Doctor te Beetsterzwaag.
+ Mr. G. M. Baron du Tour van Bellinchave, Raadsheer in het Prov.
+ Geregtshof van Friesland te Leeuwarden.
+ S. S. Tromp, Rustend Predikant te Britsum.
+ W. Tromp, Notaris te Bergum.
+ S. Tulp, Koopman te Leeuwarden. g. p.
+ Erven J. J. Tijl, Boekhandelaars te Zwolle. 2 ex.
+
+ R. J. Uilkema, Landbouwer te Scharnegoutum. g. p.
+
+ L. Valk, Rustend Predikant te Leeuwarden, voor het Leesgez.
+ D. A. van Valkenburg, Hoofd-Commies, belast met het Toesigt der
+ Bibliotheek van het Depart. van Oorlog te 's Hage.
+ P. Valter, Particulier te Deventer. g. p.
+ Dr. D. J. Veegens, Rector aan het Gymnasium te Amsterdam, g. p.
+ H. G. van der Veen, te Driezum.
+ Jan H. Veenbaas, Kastelein te Knijpe.
+ J. Veenland, Stud. Litt. Hum. te Rottevalle. g. p.
+ Jhr. Mr. P. B. J. Vegilin van Claerbergen, Lid der Gedeputeerde
+ Staten van Friesland te Joure. 1 ord. en 1 g. p.
+ H. W. van de Velde, Lid van den Grietenijraad van Utingeradeel te
+ Terhorne.
+ S. K. Thoden van Velzen, Predikant te Leeuwarden.
+ Gebr. Vermande, Boekh. te Hoorn
+ N. Burhoven Viëtor, Oud-Artill. Officier, Maire, Schout, Lid der
+ Prov. Staten van Friesland; Assessor van Menaldumadeel, Gepens.
+ Ontvanger der Directe Belastingen, op den huize Oorbijt te
+ Dronrijp.
+ D. Vas Visser, te Amsterdam, g. p.
+ J. Visser, Onderwijzer te Sneek.
+ J. H. Visser, Bakker te Witmarsum.
+ J. A. Visser, Jr., te Heeg.
+ P. A. Visser, Onderw. te Pingjum
+ S. W. Visser, Lid van den Raad van Lemsterland, te Lemmer.
+
+ J. P. van Visvliet, Archivarius der prov. Zeeland, te Middelburg.
+ G. W. Vreede, Hoogleeraar te Utrecht.
+ Dr. A. de Vries, Rustend Predikant te Haarlem.
+ F. Draisma de Vries, Lid van den Raad van Franekeradeel te
+ Achlum.
+ M. de Vries, Hoogl. te Groningen.
+ O. de Vries, Commissionair te Leeuwarden.
+
+ K. de Waard, Boekhandelaar te Groningen.
+ Mr. J. G. van Wageningen, Raadsheer in het Prov. Geregtshof van
+ Friesland te Leeuwarden.
+ Mr. J. H. J. van Wageningen, Secretaris van Baarderadeel te
+ Weidum.
+ M. S. de Wal, Secretaris der stad Leeuwarden.
+ O. P. Waller, Lid van den Raad der stad Leeuwarden.
+ W. C. Wansleven, Boekhandelaar te Zutphen.
+ Mr. C. C. C. Warmolts, Procureur en Wethouder der stad
+ Leeuwarden.
+ R. A. Wartena, Assessor van Rauwerderhem, te Rauwerd.
+ B. A. Wassenaar, Landbouwer te St. Jacobi-Parochie.
+ A. Wassenbergh, Predikant te St. Anna-Parochie.
+ I. Wentholt, Arrondissements Betaalmeester te Alkmaar.
+ Mr. P. ten Behm Wentholt, Regter te Heerenveen.
+ Mr. T. M. Wentholt, Griffier van het Kantongeregt te Harlingen.
+ J. P. van der Werf, Onderwijzer te Peins.
+ H. S. Westerbaan, Bakker te Arum.
+ S. H. Wiarda, Lid van den Raad van Baarderadeel te Bozum.
+ P. van Wicheren Hz., Boekhandelaar te Groningen. 6 ex.
+ Mr. C. Wichers Wierdsma, Grietman van Hennaarderadeel te Wommels.
+ J. H. Wierenga, Onderwijzer te Burum.
+ Mr. A. G. van Velsen Wiersma, Secretaris der stad Harlingen.
+ Harmen K. Wiersma, Landbouwer te Hichtum.
+ H. Wilhelmij, Landeigenaar te Bergum.
+ F. Wilkens, Boekhandelaar te Groningen.
+ N. van Willes, 1e Luit.-Adjudant bij het 3e Regiment Infanterie te
+ Arnhem, voor de Officiers-Bibliotheek. g. p.
+ T. R. Winia, Lid van den Raad van Baarderadeel te Huins.
+ T. S. van de Wint, Houthandelaar te Franeker.
+ Jhr. Mr. J. M. van Haersma de With, Grietman van Oost-Dongeradeel
+ te Metslawier. g. p.
+ H. G. Wittebol, te Leeuwarden.
+ F. J. Witteveen, Medic. Doctor en Lid van den Raad van
+ Lemsterland te Lemmer.
+ J. N. Witteveen, Lid van den Raad van Oost-Dongeradeel te
+ Metslawier.
+ J. A. van Woestenberg, Boekhandelaar te Utrecht.
+ I. Wouters, Lid der Staten van Friesland te Sneek.
+ C. Wouda, Stucadoor en Meubelfabrijkant te Leeuwarden.
+ H. C. Wouda, Wethouder der stad Sneek.
+ Mr. C. Wijbenga, Secretaris van Franekeradeel te Franeker.
+ J. Wijma Jzn. te Leeuwarden.
+ M. Wijt & Zn. Boekhandelaars te Rotterdam.
+
+ Dr. N. Ypeij, Lid van den Raad der stad Leeuwarden.
+ S. Ypeij, Jur. Student te Groningen.
+ J. H. van IJssel, V. D. M. te Hempens, voor het Leesgezelschap.
+ Jan S. IJzenbeek, Koopman te Harlingen.
+
+ A. K. Zandstra, Landbouwer te Langweer.
+ D. H. Zandstra, Landbouwer te Langweer.
+ Dirk Zeper, Wethouder der stad Leeuwarden.
+ H. Zeper, te Leeuwarden.
+ J. Zeven, Onderwijzer te Tjummarum.
+ J. G. de Waldkirch Ziepprecht, te Leiden.
+ J. Zuidema, Onderw. te Oostrum.
+ J. J. Zuidhoff, Onderwijzer te Ee.
+ F. F. van der Zwaag op het Huis ter Noord onder Oudwoude. g. p.
+ W. C. van der Zwaag, Predikant te Dronrijp.
+ P. H. van der Zijl, Landbouwer te Goënga. g. p.
+ Mr. P. Adama Zijlstra, Burgemeester der stad Harlingen. g. p.
+
+
+
+
+TWEEDE NAAMLIJST VAN INTEEKENAREN.
+
+
+ HARE MAJESTEIT DE KONINGIN-MOEDER. g. p.
+
+ J. H. Akkeringa, Doopsgezind Predikant te Workum.
+ S. Algera, Onderwijzer te Spannum.
+ T. Alma, Notaris te Menaldum.
+ E. J. Alta, Secretaris van Barradeel te Sexbierum.
+ Mr. J. P. Amersfoordt, Advokaat te Amsterdam.
+ A. Andreæ, Notaris en Lid der Staten van Friesland, te
+ Beetsterzwaag.
+ Mr. A. J. Andreæ, Oud-Directeur der Registratie en Domeinen te
+ Leeuwarden.
+ Mr. J. H. Beucker Andreæ, te Leeuwarden, voor de
+ Onderwijzers-gezelschappen in het 7e School-district van
+ Friesland.
+ J. A. Anema, te Arum.
+ D. Apon, Koopman te Amsterdam.
+ P. van Asperen, Koopman te Warrega.
+ Mr. C. J. van Assen, Hoogleeraar te Leiden.
+ P. S. Attema, te Leeuwarden.
+
+ J. van der Baan, Onderwijzer te Zaamslag.
+ M. A. J. Bakhuijzen, te 's Gravenhage.
+ J. Barends, Arrondissements-Betaalmeester te Heerenveen.
+ J. B. H. Bax, te Rotterdam, g. p.
+ C. H. Beekhuis, Notaris te Buitenpost.
+ Helm. Beekhuis, Predikant te Austerhaule.
+ H. Beekkerk, Ontvanger der Registratie te Oldeberkoop.
+ J. H. Behrns, te Franeker.
+ E. A. Bekius, te Lieve Vrouwe-Parochie.
+ J. M. Benteijn, Ridder der Militaire W. O. 4e kl., Ontvanger der
+ Registratie enz. te Leeuwarden.
+ Mr. P. J. Teding van Berkhout, te Amsterdam.
+ Bibliotheek der H.H. Officieren van het Instructie-Bataillon te
+ Kampen.
+ Bibliotheek der stad Leeuwarden.
+ Bibliotheek der stad Arnhem.
+ Bibliotheek der Officieren van het 5e Regiment Infanterie te
+ Vlissingen.
+ J. F. Blaauw, Predikant te Rotterdam.
+ J. J. de Blécourt, Notaris te Wildervank.
+ G. P. Bleeksma, Timmerman te Roordahuizum.
+ Mr. J. T. Bodel Nijenhuis, te Leiden.
+ Mr. F. A. van Boelens, Kantonregter te Beetsterzwaag.
+ J. B. de Boer, Predikant te Marrum.
+ M. L. de Boer, Predikant te Berlikum.
+ B. K. Bokma, Gemeente-Ontvanger van Idaarderadeel, te Grouw.
+ A. Bolman, Wijnhandelaar te Warrega.
+ C. J. Bolten, Ingenieur der 1e klasse van den Waterstaat te
+ Leeuwarden.
+ D. W. Bosch Dzn. te Amsterdam.
+ E. F. van den Bosch Pz. Rijks Veearts te St. Anna-Parochie.
+ J. Bosscha, Hoogleeraar te Amsterdam.
+ Mr. P. Bosscha, Hoogleeraar te Deventer.
+ H. T. Bosma, Landbouwer te Smalle-Ee onder Boornbergum.
+ Sake J. Bosma, Mr. Timmerman te Follega.
+ L. G. Bouricius, Arrond.-Directeur van 's Rijks Directe
+ Belastingen, R. N. L. te Utrecht.
+ D. D. Breuning, Lid der Staten van Friesland en Geneesh. te
+ Wolvega.
+ Jhr. J. A. van Brienen van Ramerus, Kapitein, 1e aanw. Ingenieur
+ te Nijmegen.
+ H. Brouwer, Predikant te Oudkerk.
+ S. Brouwer, Geneesheer te Bergum.
+ E. P. Brunger, Notaris en Lid der Staten van Friesland, te Lieve
+ Vrouwe-Parochie.
+ G. Brunia, Ondermeester te Sexbierum.
+ J. J. Buwalda, Med. Doctor te Franeker.
+
+ Jhr. V. V. van Cammingha, Burgemeester van Leeuwarderadeel te
+ Huizum.
+ H. G. Cannegieter, Med. Doctor te Hallum.
+ de Crane d'Heijsselaer, Borgemeester, op 't Hof de Buerstede te
+ Aertselaer, bij Antwerpen.
+
+ D. A. Deinema, Gepensioneerd Kapitein van 't O. Ind. Leger, te
+ Arnhem.
+ H. W. van Doesburg, Surnumerair bij 's Rijks Belastingen te
+ Amsterdam.
+ L. J. Dooper, Landbouwer te Hommerts.
+ Mr. H. I. Baron van Doorn van Westcapelle, Opper-Hofmaarschalk
+ van het Huis des Konings enz. te 's Hage.
+ P. H. Douma, te Hardegarijp.
+ J. Douwes, Predikant te Leens.
+ J. ab Utrecht Dresselhuis, Predikant te Wolfaartsdijk.
+ O. J. Dijkstra, Olieslager te Leeuwarden.
+
+ J. Ebbos, te Amsterdam.
+ P. Epkema, Doctor in de Letteren, te Amsterdam.
+ L. van Essen, Onderwijzer te Wijnjeterp, voor het Leesgezelschap:
+ Behoudt het goede.
+
+ J. L. Faber, Ondermeester te Bolsward.
+ Jhr. A. L. C. Fabricius van Heukelom, Lid der Ridderschap van
+ N.-Holland, te Amsterdam.
+ D. P. Farret, Rustend Predikant te Harlingen.
+ Bauke Feenstra, Opperwachtmeester by 't Regiment Rijdende
+ Artillerie, te Amersfoort.
+ A. Feickens, te Leeuwarden.
+ W. Feikema, Heelmeester te Oosterwolde.
+ A. Feima, Onderwijzer te Leeuwarden.
+ J. A. Feith, Kapitein-Ingenieur te Utrecht.
+ S. W. Fennema, te Bergum.
+ Mr. A. Ferf, Advocaat bij het Provinciaal Geregtshof van
+ Friesland, Ambtenaar bij het O. M., Kanton Bergum en Secretaris
+ der Grietenij Tietjerksteradeel te Bergum.
+ P. Fiers, Onderwijzer te Winsum.
+ J. Folkertsma, Predikant te Koudum.
+ D. Fontein Azn. Steenfabrijkant te Franeker.
+ Dirk Fontein Fz. Zeehandelaar te Harlingen.
+ Mr. J. A. Fontein, Kantonregter te Oudeberkoop.
+ Reiner Fontein, te Franeker.
+ G. R. Fopma, te Mantgum.
+ I. Fredriks, te Wolvega.
+
+ Willem F. Galema, Notariële klerk en Zaakwaarnemer te Marrum.
+ g. p.
+ J. H. van der Goot, Ontvanger te Oosterend.
+ S. H. van der Goot, Doopsgezind Predikant te Berlikum.
+ B. P. Gorter, Wethouder van de gemeente Haskerland te Joure.
+ J. J. Gouma, te Wolvega.
+ A. Gratama, Kassier te Leeuwarden.
+ K. van Someren Gréve, Mr. Steen- en Beeldhouwer te Sneek.
+ P. A. Guldenarm, te Franeker.
+ P. C. G. Guijot, te 's Hage.
+
+ W. Haamstra, Onderwijzer te Oosterwierum.
+ H. B. van der Haer, Lid der Gedep. Staten van Friesland, te
+ Leeuwarden.
+ K. J. R. v. Harderwijk, te Noordwijk-binnen.
+ E. R. Harkema, te Leeuwarden.
+ Cornelis Harmens, Zeehandelaar te Harlingen.
+ N. T. Haverschmidt, Lid van den Gemeente-raad en Apotheker te
+ Leeuwarden.
+ K. Sipkes Heep, Candidaat-Notaris te Holwerd.
+ D. Hekker Jr., Onderwijzer te Amsterdam.
+ G. A. van Hemert, Onderwijzer te Harlingen.
+ J. C. Hemsing, Med. Doctor te Blija.
+ Mr. W. J. Hemsing, Notaris en Secretaris van Gaasterland te Balk.
+ J. A. Hibma, Lid van den Raad van Barradeel te Sexbierum.
+ J. R. Hiddinga, Assessor van Barradeel te Wijnaldum.
+ A. M. Hiemstra, Lid van den Raad van Barradeel, te Klooster
+ Lidlum.
+ L. G. Hilbida, Assessor, waarnemend Grietman van Barradeel, te
+ Tjummarum.
+ J. Hingst, te Amsterdam.
+ J. Hingst, Predikant te Sijbrandaburen.
+ G. T. Hoekstra, te Deinum.
+ S. W. Hoekstra, Candidaat-Notaris te Wommels.
+ Abr. des Amorie van der Hoeven, Theol. Doct. en Professor,
+ Commandeur der Orde van den Nederlandschen Leeuw, Lid en vaste
+ Secretaris der 2e kl. van het Koninkl. Nederl. Instituut, te
+ Amsterdam.
+ W. J. Hofdijk, te Beverwijk.
+ T. Hofkamp, voor de Bibliotheek voor Onderwijzers van het 1e en
+ 2e Distrikt der prov. Groningen.
+ P. J. de Hoop, te Nieuwland.
+ J. E. F. Huguenin, te Franeker.
+ Huydecoper van Nichtevegt, Jur. Cand. te Utrecht.
+
+ K. G. Jensma, Landb. te Hallum.
+ T. Jentink, Pred. te Nieuwland.
+ Simon B. de Jong, te Leeuwarden.
+
+ K. J. Kalma, Lid der Prov. Staten van Friesland te Boxum.
+ O. van Kammen, Koopman te Leeuwarden.
+ H. F. Kamphuijzen, Onderwijzer bij de Kath. Armenschool te
+ Utrecht.
+ Otto Keer, Assuradeur te Amsterdam.
+ Mr. J. M. de Kempenaer, Advokaat te Arnhem.
+ Jhr. Mr. J. de Bosch Kemper, Advokaat-Gener. bij 't Geregtshof te
+ Amsterdam.
+ C. J. Kingma, Koopman te Leer. g. p.
+ I. Klein, Onderwijzer te Nijmegen.
+ C. C. Knoll, te Amsterdam.
+ A. T. Knoop, 1e Luit. bij het 1e Regiment Vesting-Artillerie te
+ Grave.
+ C. Koopmans, Ontvanger van Opsterland, te Beetsterzwaag.
+ H. M. Koopmans, te Lemmer.
+ S. A. Koopmans, Ondermeester te Oldeboorn.
+ T. A. Koopmans, te Beetsterzwaag.
+ S. R. Kuipers, Kastelein te Akkrum.
+
+ M. Th. Laurman, Predikant te Winsum.
+ P. Leendertz, Wzn. voor het Leesgezelschap te Woudsend.
+ Leesgezelschap te Bergum en Oostermeer.
+ Leesgezelschap te Arum.
+ Leesgezelschap: Miscens Utile Dulci, te Leijden.
+ Leesgezelschap: ter Beschaving, te Sneek.
+ Leesgezelschap te Folsgare.
+ Leesgezelschap (Het Geschied- en Letterkundig) te Zwolle.
+ A. van der Leeuw, te Delft.
+ T. Leistra, te Bergum.
+ Mr. D. J. van Lennep, voor de Bibliotheek van het Athenæum
+ Illustre te Amsterdam.
+ A. Rutgers van der Loeff, Predikant te Leiden.
+ W. Lomars, Bakker te Tjum.
+ J. D. Lont, Landbouwer te Hallum.
+ S. Lycklama à Nijeholt, Wethouder der stad Bolsward.
+
+ D. G. Mackay, Predikant te Stavoren.
+ W. Mebius, Predikant te St. Jacobi-Parochie.
+ Mr. G. A. de Meester, Lid der Staten van Gelderland, Advokaat en
+ Secretaris te Harderwijk.
+ Wed. I. Meesters-Tromp, te Steenwijk.
+ H. Meinesz, Ontvanger der Directe Belastingen te Amsterdam.
+ O. Meinsma, Rijks-Ontvanger te Meppel.
+ D. M. Mellema, Lid der Prov. Staten van Friesland en Landbouwer
+ te Oostrum.
+ F. H. Mertens, Stads-Bibliothekaris te Antwerpen.
+ H. Mestdagh, Boekhandelaar te Vlissingen.
+ Mr. L. Metman, Advokaat te 's Gravenhage.
+ J. C. Metzlar, Secretaris van West-stellingwerf te Wolvega.
+ A. H. v. d. Meulen, Koopman te Franeker.
+ Dr. P. A. van Meurs, Docent aan 't Gymnasium te Deventer.
+ J. F. Meijer, Ontvanger van 's Rijks belastingen te Witmarsum.
+ A. J. Mispelblom Beijer, Directeur der Posterijen te Leeuwarden.
+ H. Mohrman, voor het Leesgezelschap: Oefening volmaakt, te
+ Amsterdam.
+ Mr. J. Haitsma Mulier, Burgemeester der stad Bolsward.
+ Mr. T. Mulier, Burgemeester van Wonseradeel te Witmarsum.
+
+ Mr. C. F. F. Rinia van Nauta, Kantonregter van Bergum, te
+ Giekerk.
+ Mr. G. R. Nauta, President bij de Arrond.-Regtbank te Heerenveen.
+ Laurens Nauta, Kweekeling te Groningen.
+ A. R. Nicolai, Geneesheer te St. Anna-Parochie.
+ Johs. Nolledes, Olieslager te Leeuwarden.
+ G. Noordhof, Onderwijzer te Oosterwolde.
+ C. H. Nijdam, te Haskerdijken.
+
+ H. H. Okken, Min. Cand. en Hulpprediker te Bakkeveen.
+ U. P. Okken, Theol. Doct. en Predikant te Solwerd c. a.
+ J. S. Olivier, Secondant te Groningen.
+ A. van Otterloo, Instituteur te Amsterdam.
+ M. D. van Otterloo, Instituteur te Valburg.
+
+ S. van der Paauw, Stads-Architect te Leiden.
+ J. A. Palsma, voor het Leesgezelschap te Vrouwenbuurt.
+ P. K. Pel, Genees- en Heelkundige te Dragten.
+ de Petit, Kolonel van den Generalen Staf, te Arnhem.
+ R. Piekema, Commissaris van Policie der stad Leeuwarden.
+ Mr. G. L. Jansma van der Ploeg, Advokaat te Amsterdam.
+ T. van der Ploeg, Brandspuit- en Brandkast-fabrikant te Grouw.
+ G. Pol, V. D. M. te Baard, voor een Leesgezelschap.
+ Mr. J. Pols, Referendaris te 's Hage.
+ J. Posthuma, Med. Doctor te Dronrijp.
+ B. Prakken, Koopman en Wethouder der Gemeente Oost Stellingwerf
+ te Oosterwolde.
+ A. Winkler Prins, Doopsgezind Predikant te Veendam en Wildervank.
+
+ Mr. F. S. Reiding, Lid der Staten van Friesland en Secretaris van
+ Smallingerland.
+ A. C. Reneman, Wed. Persijn van Nauta, te Leeuwarden.
+ Mr. B. W. van Welderen Baron Rengers, te Leeuwarden.
+ Mr. S. J. van Rhijn, Griffier bij de Arrond. Regtbank te 's Hage.
+ J. K. van Riesen, Koopman te Grouw.
+ P. R. Römer, Geneesheer te Warrega.
+ E. S. Romkes, Assessor van Wijmbritseradeel te Scharnegoutum.
+
+ J. A. Schaaff, Notaris te Stiens.
+ J. Schaafsma, te Harlingen.
+ P. Scheltema, Archivarius der Hoofdstad en van de Provincie
+ Noord-Holland.
+ Mr. G. Schot, Notaris te Franeker.
+ J. M. Schrant, Professor in de Wijsbegeerte en Letteren te
+ Leiden.
+ J. C. Schultz Jacobi, Evang. Luth. Predikant te Rotterdam.
+ Mr. J. G. Schumacher, te Rotterdam.
+ J. Schuijten Hzn., te Dordrecht.
+ N. Sickler, Candidaat-Notaris te Leeuwarden.
+ G. D. Simon, Directeur der Belastingen in Friesland te
+ Leeuwarden.
+ J. D. Simon, Stedelijk Ontvanger te Leeuwarden.
+ M. C. Simon, Med. Doctor te Amsterdam.
+ N. J. Singels, Kostschoolhouder te Leeuwarden.
+ E. J. Sjoukes, te Lutkewierum.
+ J. W. Sluiter, Conrector aan het Gymnasium Erasmianum te
+ Rotterdam.
+ Jhr. Mr. C. J. Speelman, te Bolsward.
+ S. Spree, Ontvanger der Dir. Belastingen te Leeuwarden.
+ Dr. Th. Spree, te Veenwouden.
+ K. Stapensea, Geëmploijeerde ter Secretarie van Menaldumadeel te
+ Menaldum.
+ Jhr. N. J. Steengracht van Duivenvoorde, Hoogheemraad van
+ Rijnland te 's Hage.
+ A. W. Storm van 's Gravesande, te Enschedé.
+ Jhr. van der Straten van den Hill, Lid der Ridderschap van
+ Zeeland, op het huis te Hoorn, onder Rijswijk.
+ C. W. Stronck, Theol. Doctor en Predikant te Dordrecht.
+ Mr. Æ. M. de Swart, Procureur te Leeuwarden.
+ W. Swart, Med. Dr. te Leeuwarden.
+ A. H. Swerms, Beëedigd Klerk te Franeker.
+ J. H. Swildens, Instituteur te Amsterdam.
+ M. Sijbouts, Koopman te Leeuwarden.
+
+ H. Taconis, te Grouw.
+ J. Z. Tadema, Theol. Student te Amsterdam.
+ A. Tak, te Middelburg.
+ Mr. E. H. Tenckinck, Secretaris van Hennaarderadeel te Wommels.
+ Mr. Rein Terpstra, te Cleve.
+ H. N. van Teutem, Litt. en Theol. Doct. Predikant te Rotterdam.
+ H. A. Timmerman, Landbouwer te Munnekeburen.
+ P. J. Tolsma, Lid van den Raad van Barradeel te Almenum.
+ A. H. Tromp, te Woudsend.
+ A. M. Tromp, te Balk.
+ Mr. S. W. Tromp, Procureur en Wethouder der stad Leeuwarden.
+ D. Trompetter, Catechiseermeester te Harlingen.
+ E. van Tuinen, Apotheker te Leeuwarden.
+
+ B. B. van der Veen, Predikant te Eernewoude.
+ Mr. C. J. van der Veen, Lid der Gedeputeerde Staten van
+ Friesland, te Leeuwarden.
+ Mr. Jan van der Veen, Advokaat en Lid der Staten van Friesland,
+ te Leeuwarden. g. p.
+ Jhr. P. E. A. Vegilin van Claerbergen, oud Lid der Gedeputeerde
+ Staten van Friesland, te Blesse.
+ S. L. Vellinga, Deurwaarder te Bergum.
+ A. W. Vermeij, Predikant te Exmorra en Allingawier.
+ Dr. L. G. Visscher, Hoogleeraar te Utrecht.
+ W. W. Visser, Koopman te Gaastmeer.
+ Mr. C. L. Vitringa, Burgemeester en Notaris te Nunspeet.
+ J. J. van Vollenhoven, Predikant te Utrecht.
+ H. W. A. Voorhoeve, te Rotterdam, voor een Leesgezelschap.
+
+ Mr. R. IJ. Warmolts, Advokaat te Leeuwarden.
+ Is. Warnsinck, Architect, Secretaris der 4e kl. van het Kon. Ned.
+ Instituut te Amsterdam.
+ J. H. Warren, Rector van het Gymnasium te Dokkum.
+ B. K. Wassenaar, Landbouwer te St. Jacobi-Parochie.
+ Mej. L. P. Wentholt, te Franeker.
+ J. A. van Weperen, te Oosterwolde.
+ H. van der Werf, Koopman te Bolsward.
+ A. H. Wessels, Pred. bij de Christ. Afgescheidene Gemeente te
+ Rhijnsburg. g. p.
+ Dr. R. Westerhoff, Lid van de Tweede Kamer der Staten Generaal,
+ te Warffum.
+ C. S. Westra, Leerlooijer te Achlum.
+ Jan Westra, Opperwachtmeester bij het Regiment Rijdende
+ Artillerie te Amersfoort.
+ J. W. Weijerman, Hoofd-onderwijzer te Haarlem.
+ P. Wiarda, te Leeuwarden.
+ J. Wildeboer, Onderwijzer te Lekkum.
+ D. H. Wildschut, Theol. Doctor en Predikant te Amsterdam.
+ Mr. S. de Wind, Vice-President van het Prov. Geregtshof in
+ Zeeland, te Middelburg.
+ R. S. van de Wint, Ondermeester in de Stads-Burgerschool te
+ Harlingen.
+ Mr. J. M. de With, Plaatsverv. Kantonregter te Buitenpost.
+ J. B. Wolters, Boekhandelaar te Groningen.
+
+ H. Zaadstra, voor het Leesgezelschap te Oosterlittens.
+ Mr. Jac. Zeper, Koopman te Leeuwarden.
+ C. Zijlstra, Secondant te Barneveld.
+
+[Illustratie: Schetskaart van den WAARSCHIJNLIJKEN TOESTAND van het LAND
+DER FRIEZEN EN HUNNE NABUREN, _omstreeks den aanvang onzer
+tijdrekening_.
+
+_Volgens het ontwerp van Dr J. G. Ottema. Uitgegeven door W. Eekhoff,
+1851. Steendr der Wed. C. Brantsma._]
+
+
+
+
+VERDEELING EN ORDE VAN BEHANDELING.
+
+
+EERSTE TIJDVAK. _Het Oude Friesland._ Van de vroegste tijden of de komst
+der Romeinen in _Friesland_ tot op het einde van den strijd der Friezen
+en Franken onder _Keizer_ KAREL _den groote_. Van 11 jaren vóór CHRISTUS
+tot omstreeks den jare 800 van onze tijdrekening.
+
+TWEEDE TIJDVAK. _Het Vrije Friesland._ Van KAREL _den groote_ of de
+invoering van de Christelijke godsdienst tot op het einde der
+partijschappen tusschen de Schieringers en Vetkoopers en het verlies der
+onafhankelijkheid onder _Hertog_ ALBERT _van Saksen_. Van omstreeks het
+jaar 800 tot 1498.
+
+DERDE TIJDVAK. _Friesland bestuurd namens vreemde Vorsten._ Van de
+aanneming van _Hertog_ ALBERT _van Saksen_ tot Erfpotestaat van
+_Friesland_ tot de Hervorming in Kerk en Staat of de afwerping van het
+Spaansche juk. Van 1498 tot 1580.
+
+VIERDE TIJDVAK. _Friesland onder de Staten en de Stadhouders uit het
+Huis van Nassau._ Van de invoering der Hervorming tot de ontbinding der
+Nederlandsche republiek of de Staats-omwenteling. Van 1580 tot 1795.
+
+VIJFDE TIJDVAK. _Friesland tijdens de Fransche overheersching._ Van de
+Staats-omwenteling en de opheffing van het Stadhouderschap tot de
+herstelling van _Nederland_ en het vertrek der Franschen. Van 1795 tot
+1813.
+
+ZESDE TIJDVAK. _Het Nieuwe Friesland, onder de Koninklijke Regering._
+Van 1813 tot 1850.
+
+
+[Illustratie: BEKNOPTE GESCHIEDENIS VAN FRIESLAND, IN HOOFDTREKKEN;
+DOOR W. EEKHOFF.]
+
+
+
+
+BEKNOPTE GESCHIEDENIS VAN FRIESLAND, IN HOOFDTREKKEN.
+
+_Inleiding._
+
+
+Ons allen is zóó groot een lust tot kennis en wetenschap aangeboren, dat
+niemand kan twijfelen of de menschelijk natuur wordt, zonder uitzigt op
+eenig voordeel, van zelf daar heen getrokken. Algemeen is in het
+bijzonder bij alle volken de neiging, om te willen weten ~wat~ de
+oorsprong is van hun vaderland, ~welke~ merkwaardige gebeurtenissen
+daarin zijn voorgevallen, en ~hoe~ het in den loop der eeuwen tot zijnen
+tegenwoordigen toestand is gekomen.
+
+Deze loffelijke neiging en die vaderlandsliefde worden zeer versterkt,
+als de geschiedenis van dat volk eene eervolle afkomst kan aanwijzen;
+als zij voorstelt uit welke geringe beginselen vaak groote gevolgen zijn
+voortgekomen; maar vooral, wanneer zij aantoont, welke nooden en gevaren
+de voorvaderen al hebben doorgestaan, om dit erf te behouden en te
+verbeteren, en als zij uit den strijd tegen de vijanden des vaderlands
+edele bedrijven en heldendaden kan vermelden, waarin het nageslacht
+zijne eer en zijnen roem stelt.
+
+Dat alles is echter nog niet genoeg: want hoogere waarde voor verstand
+en hart heeft de geschiedenis, als wij daarin nasporen, welke de opkomst
+en ontwikkeling was van het volk en zijne belangen;--als zij ons
+aanwijst, door welke oorzaken, krachten en vermogens de vrijheid, de
+welvaart en andere maatschappelijke voorregten der ingezetenen zijn
+verkregen en vermeerderd, en onder welke omstandigheden zij in kennis en
+verlichting zijn toegenomen; maar bovenal, hoe zij door de Goddelijke
+Voorzienigheid zijn geleid, beschermd en gezegend, om gevormd te worden
+tot een beschaafden burgerstaat, waarvan de leden eene verhevener
+bestemming hebben dan het gedierte des velds.
+
+Weinige volken van _Europa_ kunnen op hoogere oudheid, eervoller afkomst
+en roemrijker geschiedenis bogen dan _de Friezen_. Zeldzaam en
+merkwaardig toch is het voorbeeld van een volk, dat gedurende achttien
+eeuwen zijn naam onveranderd bleef dragen, zijn eigen land bleef
+behouden, en dat zijne vrijheid, volksbestaan, taal, karakter en zeden
+zoo lang mogt bewaard zien. Vele naburige volken zijn gedurende dien
+tijd ontstaan en verdwenen of van naam veranderd--_de Friezen_ handhaven
+hun bestaan, van vóór onze jaartelling af, onafgebroken. Dikwijls
+zijn zij door vreemde legers aangevallen; veelmalen werd hunne
+onafhankelijkheid belaagd en scheen hun ondergang nabij, en
+immer bestookt door den oceaan, welke hen aan bijna alle zijden
+omringt,--moesten zij zich bestendig verdedigen tegen deze magtige
+vijanden, op wie zij, na vele verliezen, fier de overwinning mogten
+behalen. Op lage en moerassige landen en dorre heiden gevestigd, mogt
+het bovendien hunner noeste vlijt gelukken, dit land door dijk- en
+waterwerken te herscheppen in dát vruchtbaar en bloeijend oord, met
+talrijke steden, dorpen en gehuchten als bezaaid, hetwelk thans een der
+sieraden is van _Nederland_.
+
+Hoe pligtmatig is het dus niet voor ons, die, nog den ouden volksnaam
+dragende, de vruchten van dien strijd, inspanning en zorg genieten, en
+de voorregten en genoegens eener geregelde burgermaatschappij hier thans
+mogen smaken, om belang te stellen in de geschiedenis van dit land en
+dat volk. Daardoor toch zullen wij het voorgeslacht vereeren, waaraan
+wij zoo groote verpligting hebben, en kunnen opmerken hoeveel dank wij
+Gode verschuldigd zijn voor de hulp en bescherming, waarmede hij ons
+voorgeslacht boven vele andere volken begunstigde. Die belangstelling
+zal der Friezen nationaliteit en vaderlandsliefde, waardoor zij zich
+steeds blijven onderscheiden, waardig zijn. Zelfs zullen deze nieuw
+voedsel ontvangen door de vermelding van den roem huns lands en de eer
+huns volks. Nimmer echter moge dit in ijdelen volkstrots ontaarden, die
+tot beleediging of minachting van naburen strekt. Neen, de beoefening
+van die geschiedenis worde veeleer een middel tot beschaving, tot eene
+billijke opprijsstelling van de waarde der dingen, tot regtschapenheid
+en grootmoedigheid. Door haar verstandig te lezen en door acht te geven
+zoowel op de oorzaken en omstandigheden als op de gevolgen der daden en
+gebeurtenissen, zal deze bode der verloopene eeuwen de leermeesteres
+worden van onzen leeftijd, en licht verspreiden over onzen toestand. Zij
+zal vooral de eeuwige waarheid luide verkondigen, dat de hoogste
+Wijsheid in edele daden zelve hare belooning, gelijk in slechte daden de
+onvermijdelijke straf der boosheid zelve gelegd heeft. Zij zal ons met
+bemoedigende gevoelens vervullen voor de hoop der toekomst, daar zij
+aanwijst hoe met elk geslacht de toestand, de zeden en de beschaving des
+volks zijn verbeterd. Want waarheid bevat het kort en eenvoudig gezegde
+des dichters:
+
+ _In 't verleden ligt het heden,
+ In het =nu= wat worden zal._
+
+Op die wijze beoefend, zal de geschiedenis voor ons een tafereel zijn
+van Gods leiding met het voorgeslacht; dan zal zij geen bloot
+geheugenwerk, maar een waardig voorwerp van nasporing zijn, omdat zij
+leert uit hetgeen geschied is, en omdat zij den oorsprong verklaart van
+den maatschappelijken toestand, waarin wij ons thans bevinden.
+
+Hoe gaarne zouden wij eene uitvoerig bewerkte Geschiedenis van
+_Friesland_ bezitten, waarin dat alles in bijzonderheden ontwikkeld
+ware! Tot bewerking daarvan schijnt echter de tijd nog niet gekomen te
+zijn, en moeten er vooraf nog vele bijzondere bronnen opgespoord en
+uitgegeven worden. Wij willen echter eene schrede doen op dit
+uitgestrekte veld, door de ~hoofdtrekken~ dier geschiedenis of de
+voornaamste gebeurtenissen kort en eenvoudig te verhalen. Daardoor moge
+voorloopig worden voorzien in eene behoefte, welke velen onzer
+landgenooten gaarne bevredigd zagen; velen, ook in andere provinciën des
+vaderlands, welke vroeger deelen waren van het uitgestrekte Friesche
+rijk, en wier geschiedenis dus zamenvloeit met die, welke wij in de
+hoofdzaak tot de tegenwoordige provincie of het eigenlijk _Friesland_
+moesten bepalen. Hartelijk wenschen wij, dat onze bewerking, die, wegens
+gebrek aan bescheiden, niet in alles volledig kan zijn, eene heldere
+voorstelling moge geven van de hoofdgebeurtenissen, die den schakel der
+geschiedenis vormen.
+
+
+
+
+EERSTE TIJDVAK.
+
+HET OUDE FRIESLAND.
+
+VAN DE VROEGSTE TIJDEN TOT KEIZER KAREL DEN GROOTE.
+
+_Van het jaar 11 voor- tot omstreeks 800 na Christus._
+
+ Ende ist zaecke dat u belieft hier meer af te weeten, zoe bidde
+ ik u, dat ghy neerstelicken wilt overleesen die oude historien
+ van Vrieslant, inden welcken ghy alle dinck breeder ende claerder
+ vertelt zult vinden.
+
+ CORNELIS VAN GREBBER, van _Egmond_.
+ (1198)[1]
+
+ [1] Vermeld in de Aantt. op HOFDIJK'S _Jonker van Brederode_, Amst.
+ 1849, bl. 208.
+
+
+1. _De Afkomst der Friezen._
+
+De afkomst of oorsprong der Friezen schuilt zóó diep in den nacht der
+eeuwen en gaat het historische tijdperk, of de met zekerheid bekende
+geschiedenis van ons vaderland, zóó lang vooraf, dat niemand daaromtrent
+bepaalde berigten kan mededeelen. Het ontbreekt echter niet aan
+gissingen, vermoedens en volksverhalen deswege. Dat zij uit het noorden,
+uit _Scandinavië_ of _Zweden_ en _Noorwegen_ afstammen, wordt evenzeer
+beweerd, als dat zij uit _Azië_ of het oosten afkomstig en dóór
+_Germanië_ getrokken zouden zijn, vóór zij zich hier op deze kustlanden
+vestigden. Anderen houden hen voor een stam der Kimbren; doch volgens de
+jongste onderzoekingen der geleerden, zouden zij afstammen van de Celten
+of Kelten, wier voorgangers (door hen Vóór-Kelten of Vóór-Germanen
+genoemd) in een gedeelte van _Friesland_, het hooggelegene _Drenthe_, de
+stichters waren van de reusachtige ~Hunebedden~ of opeengestapelde
+steenbrokken, welke gedurende zoo vele eeuwen voorwerpen van bewondering
+zijn geweest[2]. Ook in _Gaasterland_ is in 1849 een dergelijk Hunebed,
+steengraf of kelder beneden den hoogen boschgrond ontdekt, bestaande uit
+eene massa zware steenbrokken, waar tusschen vuursteenen wiggen,
+urnscherven, houtskool enz. werden gevonden; een gedenkstuk der oudheid
+uit den vóór-historischen tijd, toen de bewoners dezer landen het
+gebruik van de metalen nog niet kenden[3].
+
+ [2] Uitvoerig handelt daarover Dr. G. ACKER STRATINGH in zijne _Aloude
+ Staat en Geschiedenis des Vaderl._ Gron. 1849, II 44, 88, 108. Zie
+ verder over de afkomst der Friezen de Voorrede van het 1e dl. van het
+ _Vriesch Charterboek_; YPEIJ, _Geschiedenis van de Ned. Taal_, Gron.
+ 1812, I 126, 150, II 106; FOEKE SJOERDS, _Beschrijving van Friesl._,
+ Leeuw. 1765, I 277; _Oudheden en Gestichten_, I 1, 38, II 337; Dr. L.
+ J. F. JANSSEN, _Drenthsche Oudheden_, 17, 167.
+
+ [3] Na een naauwkeurig onderzoek heeft de geleerde oudheidkenner Dr.
+ L. J. F. JANSSEN daarvan een uitvoerig verslag aan het Friesch
+ Genootschap medegedeeld, hetwelk geplaatst is in _de Vrije Fries_,
+ 1850, V 338.
+
+Meer geloof verwierf echter het volksverhaal, dat FRISO, eens Konings
+zoon uit _Indië_, na den dood van ALEXANDER _den groote_ uit zijn
+vaderland verdreven, zich met zijne broeders SAXO en BRUNO en vele
+anderen te scheep begeven hebbende, 313 jaren vóór onze tijdrekening met
+eene vloot in _Friesland_ zou aangeland zijn. Hij wordt gehouden voor
+den stichter van _Stavoren_, voor den bevolker van dit land en alzoo
+voor den stamvader der Friezen, die van hem hun naam ontleenden, gelijk
+de Saksers en Brunswijkers den hunnen van zijne broeders zouden
+ontvangen hebben.
+
+Het valt zeer moeijelijk te beslissen, in hoe ver dit aloude
+volksverhaal waarheid bevat. Toen het omstreeks veertien eeuwen later in
+de landskronyken werd opgenomen, werd het blijkbaar in den vorm en naar
+de denkwijze van dien tijd voorgesteld, versierd en uitgebreid, en
+daaraan eene gansche rij van Vorsten verbonden, die Prins FRISO in het
+bestuur van _Friesland_ zouden opgevolgd zijn[4]. Bestendig is dit
+verhaal het voorwerp geweest van geschil tusschen vele geleerden, die
+het bestreden en verdedigd hebben. De dichter WILLEM VAN HAREN heeft het
+zelfs tot onderwerp gekozen van een voortreffelijk heldendicht[5].
+
+ [4] Zie het _Tijdrekenkundig Overzigt van de Friesche Vorsten,
+ Opperhoofden, Koningen, Stadhouders_ enz., en de daar vóór geplaatste
+ inleiding, achter de _Aanteekeningen_ als Tweede _Bijlage_
+ medegedeeld, ter bekoming van een algemeen overzigt van de opvolging,
+ duur van regering en voornaamste feiten dezer personen.
+
+ [5] _Gevallen van Friso, Koning der Gangariden en Prasiaten_, Amst.
+ 1741, 8^o. De tweede omgewerkte druk verscheen in 1758 in 4^o. De
+ mindere waarde van dezen laatsten druk heeft Dr. J. H. HALBERTSMA
+ uitvoerig aangetoond in zijne _Fragmenten over het geslacht der van
+ Harens_, bl. 100, 137.
+
+Er bestaan nog meerdere verhalen en meeningen omtrent den oorsprong der
+Friezen, doch allen zijn even twijfelachtig, als de verklaringen van den
+naams-oorsprong[6]. Waarom zouden wij niet liever bekennen, dat de
+hooge oudheid ons verhindert deswege eenige zekerheid te bekomen, en dat
+er ~weinige~ trekken bekend zijn uit de eerste kindschheid der
+levensgeschiedenis onzer natie? Meer zeker is het echter, dat zij een
+der talrijke volksstammen waren van het uitgestrekte _Duitschland_ of
+_Germanië_. Doch volkomen zeker is het, dat zij hier reeds gevestigd
+waren, deze lage landen zich reeds tot eene bewoonbare plek gemaakt- en
+zich over eene groote landstreek uitgebreid hadden, toen de Romeinen, 11
+jaren vóór onze tijdrekening, voor het eerst in deze landen kwamen. De
+geschiedschrijvers van dat volk, wier werken wij bezitten als de eerste
+bronnen der geschiedenis van _Nederland_, maken melding van hen. Hoe
+lang zij toen reeds hier gewoond hadden, is onzeker, en, wegens gebrek
+aan kennis van de tijdrekenkunde en schrijfkunst bij dit volk, ook
+nimmer na te sporen.
+
+ [6] Zie de opsomming daarvan in VAN LEEUWEN'S Aantt. op _It aade
+ Friesche terp_, Leeuw. 1834, 291; VAN RIJN'S Aantt. en Nabericht op de
+ _Oudheden en Gestichten van Vriesland_, Leiden 1723, I 88, II 357;
+ YPEIJ, _Gesch. v. d. Ned. taal_, I 150; de Voorrede van het _Stamboek
+ van den Frieschen Adel_, Leeuw. 1846, bl. II; ACKER STRATINGH, II 108
+ en bij vele anderen.
+
+
+2. _De omvang en toestand van het Oude Friesland._
+
+Het gansche noordelijk gedeelte van _Nederland_, hetwelk thans de
+provinciën _Friesland_, _Groningen_ en _Drenthe_, benevens een deel van
+_Overijssel_, _Noord-Holland_ en de Zuiderzee uitmaakt, was, bij den
+aanvang van onze tijdrekening, ~het land der Friezen~. De rivier de Eems
+aan de oostzijde, en de Reker of Kinhem (bij _Alkmaar_), aan de
+zuidwestzijde, waren de grenzen van dit land[7]. Daar tusschen bevond
+zich het groote meer Flevo, met verscheidene grootere en kleinere
+rivieren, welke uit de hoogere oostelijke en zuidelijke streken door dit
+lagere land stroomden, om zich uit te storten in de Noordzee. Het waren
+de IJssel, de Vecht en het Flie, de Middelzee of het Boorndiep, de
+Lauwers, de Hunse, de Aa, de Fivel en andere stroomen, die alle, meest
+in noordelijke rigting, den bodem kliefden, vele beken en meren in zich
+opnamen, en zich een weg gebaand hadden door de duinen. De rij dezer
+door de natuur tegen de woede des oceaans opgeworpene zeeweringen was
+daardoor verbroken. De Noordzee had daardoor meer gelegenheid bekomen op
+deze landen in te breken. Haar geweld sloeg nu eerlang het voorland en
+daarna een groot deel der duinen zelve weg, waardoor de zeegaten
+vermeerderd en verbreed werden en de eilanden ontstonden. Zoo had dit
+land eeuwen lang te strijden met het geweld van stormen en vloeden, die
+hier groote stukken gronds wegrukten, daar den bodem deden aanwinnen,
+elders zandruggen en heuvels opwierpen, en de lagere landen met slib
+overdekten, waardoor de kleigronden zijn ontstaan.
+
+ [7] Zie over den loop dier rivieren de hierbij gevoegde _Schets_ en
+ _Aanteekening 1_. Die thans weinig meer bekende en verdwenen rivier de
+ ~Richara~, de ~Reker~ of ~Kinhem~, waarvan _Kennemerland_ zijn naam
+ draagt, welke voor den noordelijksten Rijnmond wordt gehouden, die
+ zich langs _Alkmaar_ bij _Petten_ in de Noordzee stortte, was destijds
+ van veel belang, en verdient hier vooral opgemerkt te worden, dewijl
+ zij als latere grensscheiding in de geschiedenis dikwijls voorkomt.
+ SCHOTANUS, _Beschrijv. end Chronijck_, opdr. en 301, Fran. 1655, noemt
+ haar: "de stroom Alckmaere of Almere, welcke Frieslandt ende Hollandt
+ dies tijdts scheydde." Zie daarover vooral HUYDECOPER op MELIS STOKE,
+ I 515; VAN DEN BERGH, _de Nederl. Wateren_, in NIJHOFF'S _Bijdragen_,
+ VII 208; ACKER STRATINGH, I 197 en OTTEMA, in _de Vrije Fries_, IV
+ 110; W. J. HOFDIJK noemt in zijn _Kennemerland_, 1850, 33: "het
+ _Reeker-wed_, of wadde, (een doorwaadbare, ondiepe waterboezem) die
+ zich van beneden _Koedijk_ tot aan de _Syper_ golf uitstrekte: alzoo
+ eene natuurlijke grens vormende tusschen _West-Friesland_ en 't
+ noordelijkst einde van _Kennemerland_." Zie ook het Jaarboekje:
+ _Holland_, 1851, bl. 175.
+
+De zamenstelling van de tegenwoordige oppervlakte van _Friesland_ levert
+bij onderzoek nog vele kenmerken op van hare oorspronkelijke vorming. Op
+een zandbodem rustende, bevat zij vele overblijfselen uit den
+eeuwenlangen geweldigen strijd van aarde, water en wind, welke na tijden
+van beroering in rust gekomen schijnen te zijn. Die bezinkingen en
+laagsgewijze opeenstapelingen getuigen van een woesten water-arbeid en
+door elkander werking van zand, veen, klei en gemengde stoffen,
+waarnevens zoo vele sporen zijn van groote watergangen, kolken en meren.
+Plaatselijke omstandigheden deden hier poelen en lagere streken, elders
+hooge gronden met kleiruggen ontstaan, waarnaar de stroomen hunne
+rigting verkregen. Zelfs is het waarschijnlijk, dat het water in
+_Friesland_ binnen de duinen eertijds boven de eb der Noordzee stond,
+doch van lieverlede is gedaald na het doorbreken van de duinen en het
+ontstaan van de eilanden, waardoor de gelegenheid tot afvoer van het uit
+het zuiden aanstroomende water gunstiger werd. Door die meerdere geulen
+en uitstroomingen kwam de stand van het binnen- met het buiten-water
+meer in evenwigt; een grooter gedeelte van den Frieschen grond kwam
+boven en werd bewoonbaar. Beurtelings gaf en nam zoo de Noordzee,
+waarmede dit kustland steeds in bestendigen strijd was. Door het dalen
+van den waterspiegel op Frieslands bodem verkregen de eertijds breede
+stroomen een grens en wallen, en kwamen de slijkruggen te stade, èn als
+waterkeeringen tegen de voortdurende overstroomingen, èn als
+woonplaatsen, welke door het ophoogen tot terpen eerlang de
+bewoonbaarheid vermeerderden van een land, dat eeuwen later voor het
+eerst door geregelde, hoewel nog zwakke, zeeweringen werd omgeven[8].
+
+ [8] Met genoegen heb ik bij deze globale voorstelling gebruik gemaakt
+ van denkbeelden over den oorspronkelijken toestand der omstreken van
+ _Sneek_, door den Heer J. F. BAKKER, Stedelijk Ontvanger te _Sneek_,
+ onlangs medegedeeld aan de Tweede Afdeeling van het Friesch
+ Genootschap.
+
+
+3. _De Oude Friezen._
+
+Omstreeks het begin onzer jaartelling werd dit land bewoond door _de
+Friezen_, welke destijds reeds in twee stammen verdeeld waren, waarvan
+de _Groote Friezen_ ten oosten en de _Kleine Friezen_ ten westen van den
+Fliestroom woonden. De eerste hadden de Cauchen ten oosten, de laatste
+de Frisiabonen, Caninefaten, Batavieren, Marsaten en andere stammen ten
+zuiden, tot naburen[9]. De gezinnen, familiën en horden, welke dezen
+Germaanschen volksstam uitmaakten, hadden welligt reeds lang een
+zwervend herdersleven geleid, vóór zij zich vestigden op deze
+kustlanden, waar de natuur toen anders nog weinig aanlokkelijks had. Zoo
+ver het oog reikte, bestond toch de bodem meest uit waterige landen of
+schorren, welke, allerwege doorsneden met killen, meren en poelen,
+dagelijks bij elk getij onderliepen. Nog vertoonde het land eene woeste
+natuur, eene onvruchtbare oppervlakte. Lang bleven de noordelijke, in
+de nabijheid der zee gelegene, landen zoo laag en moerassig, dat de
+Friezen met hun vee ze enkel des zomers konden bewonen. Zij waren alzoo
+verpligt in het najaar de hooger gelegene, min vruchtbare, doch
+veiliger zandstreken en wouden van _Gaasterland_, _Opsterland_, de
+_Stellingwerven_ en _Drenthe_ op te zoeken, ten einde daar te
+overwinteren.
+
+ [9] Omtrent de oorden, door die volksstammen bewoond, zie men de
+ vermelde _Schetskaart_.
+
+Doch ten gevolge der veelvuldige overstroomingen van de zee werden de
+noordelijke landen van tijd tot tijd met een vetten kleibodem overdekt
+en verhoogd. Die meerdere vruchtbaarheid van den grond boven die der
+zandstreken lokte hen uit, zich daar meer te vestigen. Aan groote
+gevaren stelden zij zich echter daarbij bloot, dewijl zij immer met de
+hooge vloeden der zee hadden te kampen. Daarom wierpen zij op hooge
+plaatsen, meest in de nabijheid van de kust der Noordzee en der
+Middelzee, met gemeenschappelijke krachten die talrijke heuvels of
+terpen op, welke nog in _Friesland_, _Groningen_ en elders onze
+bewondering verdienen. Op deze wijkplaatsen of vliedbergen, welke van
+tijd tot tijd verhoogd werden en waarin ze ook de aarden lijkbussen
+hunner afgestorvenen begroeven[10], sloegen zij hunne woningen op. Nog
+waren dit slechts hutten van takken, rijswerk en leem zamengesteld.
+Hunne kleeding bestond nog in eene beestenvacht, welke zij om hunne
+forsch gebouwde leden heensloegen. Als in een natuurstaat leefden zij
+hoogst eenvoudig. Eerst waren het vischvangst en jagt, vervolgens
+veefokkerij en landbouw, welke in hunne weinige behoeften voorzagen, en
+hun de noodzakelijkste huishoudelijke voorwerpen verschaften. Onder den
+invloed van goede zeden, werden zij bestuurd door de oudsten der
+gezinnen en des volks, die tevens voorgangers of priesters waren bij de
+vereering van de heidensche Goden, aan welke zij op geheiligde plaatsen
+en in bosschen godsdienstige eer bewezen en de offers hunner
+dankbaarheid toebragten.
+
+ [10] Zie _Oude Friesche Wetten_ in de Aantt. van P. WIERDSMA, 95, en
+ verder bl. 277, 278 en 295 van het 1e dl. mijner _Geschiedkundige
+ Beschrijving van Leeuwarden_, waar meerdere bijzonderheden en bronnen
+ zijn vermeld, welke ik hier zeker niet behoef te herhalen.
+
+Zeker was het een krachtig en moedig volk, dat zich, in weerwil van zoo
+vele moeiten en gevaren, zulk een oord tot eene geschikte woonplaats
+wist te bereiden. Doch niet zelden ziet men een volk, begaafd met
+oorspronkelijke deugden, door aanhoudende inspanning zijner vermogens,
+van de ongenade der natuur wenschelijker vruchten trekken dan van hare
+liefelijkste weldaden. Reeds hadden zij in dit afgezonderd oord lang
+gewoond, en waren ze talrijk en magtig geworden, toen eene belangrijke
+gebeurtenis eene groote verandering in hunnen toestand te weeg bragt.
+Zij kwamen voor het eerst in aanraking met een vreemd en beschaafd volk.
+
+
+4. _Der Friezen verbond met- en opstand tegen de Romeinen. (11 jaren
+voor- en 28 na Christus.)_
+
+Het was den Romeinen niet genoeg, reeds vele volken van het oosten
+overwonnen- en ook _Gallië_ (_Frankrijk_), _België_, de Batavieren en
+andere Germaansche stammen aan zich onderworpen te hebben. Met
+onbegrensde zucht tot uitbreiding van hun gebied, wilden zij, na den
+Rijnstroom als eene versterkingslinie met legerplaatsen bezet te hebben,
+ook de rustige volken van het noordelijk _Germanië_ ten onder brengen.
+Het was hun veldheer DRUSUS, die (11 jaren voor den aanvang onzer
+tijdrekening) met dat oogmerk den Rijn afzakte, en, met zijne schepen
+langs het land der Friezen trekkende, dit volk voor het eerst leerde
+kennen. Hij onderwierp het in zoo verre aan het Romeinsche gezag, dat
+hij een verbond van vriendschap met hen sloot, waarbij zij beloofden,
+jaarlijks een zeker getal ossenhuiden aan de Romeinen op te brengen.
+
+Getrouw voldeden de Friezen aan deze belofte, en bleven daardoor in
+goede verstandhouding met de Romeinen, die, om de zee te vermijden,
+verscheidene kanalen in dit land groeven ter verbinding van de rivieren,
+waarover hunne vlooten daarna vele malen door _Friesland_ stevenden.
+Maar, toen in het jaar 28 van onze jaartelling een wreede landvoogd,
+OLENNIUS, met de invordering van die schatting belast was, eischte hij
+eene grootere soort van ossenhuiden, dan zij konden leveren. Tegen zulk
+eene baatzuchtige handelwijze verzette het volk zich eerst niet. Doch,
+toen hij voortging hen te kwellen, en zich zelfs van hunne bezittingen,
+vrouwen en kinderen meester maakte,--toen stonden de Friezen tegen de
+Romeinen op en begonnen zij den regtvaardigsten strijd. Met al de woede
+van een getergd volk vielen zij op hunne onderdrukkers aan, versloegen
+de Romeinsche krijgsknechten, en belegerden hun bevelhebber, die in de
+sterkte _Flevum_, gevlugt was. Te vergeefs werd dit kasteel door de
+moedige, doch in de krijgskunst nog onbedrevene Friezen aangevallen.
+Weldra kwam nu een ander Romeinsch krijgshoofd, APRONIUS, met eene
+talrijke magt ruiters en keurbenden tot ontzet opdagen. Doch het volk
+trok ook deze nieuwe vijanden te gemoet, met zulk een gelukkig gevolg,
+dat zij op verschillende punten deels teruggedreven, deels verslagen
+werden; terwijl op éénen dag bij een gewijd bosch, _Baduhenna_ geheeten,
+900 en op eene andere plaats 400 Romeinen door de handen der getergde
+Friezen den dood vonden.
+
+Deze nederlaag kostte zoo vele Romeinen, en daaronder vele dappere
+oversten, het leven, dat de tijding daarvan Keizer TIBERIUS ontzette,
+hoewel hij de schade ontveinsde, omdat hij het niet durfde wagen de
+schande zijner wapenen te wreken. De Romeinsche Geschiedschrijver, die
+deze gebeurtenis verhaalt, voegt er bij: _Sinds dien tijd werd de
+Friesche naam vermaard onder de Germanen._ (Zie _Aant. 2_.)
+
+Sedert hebben de Romeinen de Friezen ongemoeid gelaten; ook later deden
+zij geene poging, om zich over deze nederlaag te wreken. Wèl kwam
+twintig jaren daarna hun veldheer CORBULO hier op nieuw, om eene
+bezetting in _Friesland_ te leggen, doch spoedig ontving hij van Keizer
+CLAUDIUS bevel, om over den Rijn, als de grens des rijks, terug te
+trekken.
+
+Roemrijk was alzoo deze overwinning van een klein en afgelegen volk op
+de wereld-dwingende Romeinen, die gewoon waren altijd te zegepralen en
+nooit eene nederlaag te lijden, en die der Friezen naburen, de Cauchen
+en Batavieren, nog zoo lang al de zwaarte der Romeinsche overheersching
+deden gevoelen. Het was destijds een even zeldzaam als merkwaardig blijk
+van heldenmoed en vrijheidsmin, hetwelk den Friezen een eervollen rang
+bezorgde in de geschiedenis der volken. Indien alle voorvallen uit de
+vroegste geschiedenis van een volk, gelijk uit de kindsche jaren van een
+groot man, belangrijk zijn, als middelen ter hunner ontwikkeling en
+volgende grootheid, dan is dit hier vooral het geval. Vandaar het
+schoone gezegde van onzen Frieschen dichter WILLEM VAN HAREN:
+
+ _O Dapperheid! o Deugd! Tot nog toe zag de zon
+ Geen volk, welks heerschappij zóó zegerijk begon.--
+ Ziedaar, hoe dat een volk, nog niet verwijfd van zeden,
+ Het onregtvaardig doel zeeghaftig kan weêrstaan
+ Van die de handen durft aan zijne Vrijheid slaan!_[11]
+
+ [11] Even als de volgende dichtregelen, uit het vermelde heldendicht
+ _Friso_.
+
+
+5. _De Gevolgen van der Friezen verkeer met de Romeinen._
+
+Voorzeker is het altijd eene groote ramp voor een volk, zijne
+onafhankelijkheid te verliezen, en veroverd of verdrukt te worden door
+eene andere en vreemde natie. Evenwel kunnen zulke rampen in de uitkomst
+dikwijls in zegeningen verkeeren, als ze in de hand van God middelen
+zijn tot ontwikkeling en vordering in beschaving. In bestendigen vrede
+rustig op zich zelf staande, blijft een volk veelal lang in den zelfden
+toestand, zonder ongemeene inspanning van krachten, welke alleen
+vooruitgang kan bevorderen. Doch verkeer en strijd met andere volken,
+die reeds lang hooger stonden in kennis en beschaving, was dikwijls eene
+leerschool tot verbetering van den maatschappelijken toestand. Daarom is
+het zoo belangrijk de ~gevolgen~ na te gaan van elke groote gebeurtenis
+en ook van deze.
+
+Zoolang de Friezen als in den natuurstaat verkeerden, waren hunne
+behoeften gering en hunne kleeding, woningen en levenswijze zeer
+eenvoudig. De Romeinen, die eene grootsche stad bewoonden, en ook in het
+oosten de weelde van onderscheidene volken mogten leeren kennen, hadden
+veel meerdere behoeften, welke zij ook hier zoo veel mogelijk wilden
+bevredigd zien. Zij werden dus de leermeesters der Friezen in het
+verbeteren van hunne woningen, huishoudelijke zaken, kleeding, spijzen
+enz. Deze voorzagen de Romeinen van levensmiddelen, en ruilden daartegen
+van hen allerlei voorwerpen in, ook tegen gemunt geld, zoodat er handel
+ontstond, mede met naburige volksstammen. Want ook het aanleggen van
+wegen en het verbeteren van de gemeenschap te water leerden zij van de
+Romeinen, wier talrijke vlooten, herhaalde malen door hun land
+trekkende, hun een denkbeeld gaven van scheepsbouw en scheepvaart. Vele
+zaken leerden zij kennen, waarvan zij vroeger geen begrip hadden, vooral
+ook het ijzer en andere metalen, die spoedig tot de noodzakelijkste
+behoeften behoorden.
+
+Nadat hun vee een voorwerp van handel was geworden, vond de veefokkerij
+groote aanmoediging. Doch van uitstekende waarde was de dienst, welke de
+Romeinen hun bewezen, in het verbeteren en uitbreiden van den akkerbouw,
+en door hun werktuigen en gereedschappen te verschaffen, om hier koren
+te bouwen, dat tot dusverre voor de legers veelal uit _Brittannië_ werd
+gehaald. Dit was van gewigtigen invloed. Doch niet slechts als
+levensmiddelen en voorwerpen van handel gaven de veldvruchten
+voordeelen. De bearbeiding van den grond gaf aan meerdere handen werk.
+Die grond verkreeg grootere waarde. De eigendom werd gevestigd. De
+bezitter werd meer gebonden aan de hoeve, die hij bebouwde, dan vroeger,
+toen hij dáár henen trok, waar hij de beste weiden voor zijn vee vond.
+De gehechtheid aan dien grond en aan het vaderland werd versterkt,
+zoodat de opofferingen ligter vielen, om dat land eerlang tegen de
+herhaalde overstroomingen der zee door dijken te beveiligen, waarmede de
+Romeinen elders reeds een aanvang maakten. In één woord: de eerste
+aanleiding tot nijverheid en handel, tot welvaart en maatschappelijke
+vereeniging, tot onderling leven en verkeer, en tot eenige meerdere
+kennis en beschaving, werd verkregen of bevorderd ten gevolge van het
+verkeer met de Romeinen. (_Aanteekening 3._)
+
+De ramp, welke de Friezen door het verlies van hunne onafhankelijkheid
+scheen te treffen, werd hun alzoo tot zegen, en tot eene oorzaak van
+verbetering en uitbreiding van hunne middelen van bestaan en tot
+ontwikkeling van hun verstand en bekwaamheden. Zoo leert de
+geschiedenis dikwijls de waarheid van de woorden des dichters:
+
+ _Des Hemels God, schoon Hij der menschen dwaasheên duldt,
+ Laat door het Kwaad somtijds het Goede zijn vervuld,
+ En, spottend met den weg van zwakke stervelingen,
+ Doet uit hun dwaasheid zelf wel nut en heil ontspringen._
+
+
+6. _Der Friezen Afgezanten te Rome. (59)_
+
+Een opmerkelijk voorval strekt ons ten bewijze, dat de Friezen, ondanks
+het voorgevallene, goede Bondgenooten van de Romeinen waren gebleven.
+
+Eenige bouwlanden, aan de boorden van den Rijn gelegen, en aan de
+Romeinsche soldaten ten gebruike afgestaan, waren een tijdlang onbebouwd
+gebleven en daarom door de Friezen ingenomen en gebruikt geworden. De
+bevelhebber van _Neder-Germanië_ beval hun echter deze oorden te
+verlaten. Hieruit ontstond een geschil van zóó veel belang, dat de
+Friezen het wel der moeite waardig achtten, twee hunner opperhoofden,
+door de Romeinen VERRITUS en MALORIX genoemd, ten jare 59, tot hen te
+zenden, ten einde hunne belangen aan Keizer NERO voor te dragen. Zij
+reisden naar _Rome_; doch vóór zij gehoor bij den Keizer konden bekomen,
+bragt men hen in den schouwburg van POMPEJUS. De eenvoudige Friezen
+begrepen weinig of niets van de voor hen vreemde schouwspelen. Onder de
+menigte toeschouwers bemerkten zij evenwel eenige personen in uitheemsch
+gewaad, die op de hooge zetels van de Romeinsche Raadsheeren waren
+gezeten. Op hunne vraag, wie dat waren, ontvingen zij tot antwoord, dat
+het gezanten waren van volken, die bekend stonden, in dapperheid, trouw
+en vriendschap jegens de Romeinen uit te munten, en aan wie dáárom deze
+eer werd bewezen. »Geen volk onder de zon overtreft de Friezen in
+dapperheid en trouw," antwoordden VERRITUS en MALORIX, en, hunne
+plaatsen verlatende, zetten zij zich ongenoodigd naast de vermelde
+gezanten neder. Zij gaven daardoor een blijk van fierheid en volkstrots,
+zoowel als van zelfstandigheid en eergierigheid; eigenschappen, welke te
+allen tijde kenmerken van der Friezen aard en karakter zijn gebleven. De
+wellevende Romeinen merkten daarin opregtheid en loffelijken naijver op;
+zelfs de wreede Keizer NERO duidde hun deze handelwijze niet ten kwade:
+want, ofschoon hij hun verlangen, om de in bezit genomene gronden te
+behouden, niet kon toestaan, schonk hij hun beide het Romeinsche
+burgerregt, als een uitnemend eerbewijs[12].
+
+ [12] TACITUS, _Jaarboeken_, 13, 310. Dat hunne namen in het Friesch
+ GERRIT en MURK waren, zoo als YPEIJ, I 161, wil, is waarschijnlijker
+ dan de meening van WINSEMIUS, 24, dat ze van het geslacht HERMANA en
+ CAMMINGHA zouden geweest zijn. Familienamen en Wapens schijnen hier
+ toch eerst omstreeks den tijd der kruistogten in de 11e eeuw te zijn
+ aangenomen.
+
+
+7. _Uitbreiding van Friesland. (240-455)_
+
+Het verkeer met de Romeinen had niet enkel der Friezen behoeften
+vermeerderd, maar ook hunne zucht opgewekt, om hun land te vergrooten.
+Het vorige verhaal geeft reeds een blijk hoe grooten prijs zij op
+landbezit stelden ten behoeve van hunnen akkerbouw, en hoeveel moeite
+zij zich gaven, om hun gebied uit te breiden. Eene groote verandering in
+den toestand veler volken van _Europa_ gaf eerlang aanleiding, om die
+zucht voedsel te geven en te bevredigen. Want de Romeinen, nadat zij
+eenmaal ten top van grootheid en magt waren gestegen, verzwakten onder
+hunne laatste slechte en heerschzuchtige Keizers, en vielen in den haat
+der volken, welke zij lang verdrukt hadden. Deze waren intusschen
+magtiger geworden, en ondersteunden ook elkander, om _Rome_ tegenstand
+te bieden. Zoo verleenden de Friezen omstreeks den jare 70 hulp aan
+hunne zuidelijke naburen de Batavieren, hoewel deze niet zoo gelukkig
+slaagden, als zij vroeger, in de afschudding van het Romeinsche juk.
+Meer andere stammen trachtten zich allengs van _Rome_ los te scheuren;
+bovendien vielen ook vele uit het oosten aanrukkende volken op het
+Romeinsche rijk aan. Eerlang had dit eene algemeene volksverhuizing ten
+gevolge.
+
+Opmerkelijk was vooral in het midden van de derde eeuw het verbond van
+een aantal volken, tusschen den ~Rijn~, de ~Noordzee~, de ~Elbe~ en de
+~Main~ woonachtig. Onder den naam van _Franken_ of Vrijen was hun doel
+het herwinnen van hunne onafhankelijkheid, door het verdrijven van de
+Romeinen uit deze streken; alsmede om zich-zelven te vestigen in hun
+gebied, vooral in het meer vruchtbare _Gallië_. Dit doel gelukte hun na
+langen strijd, en de naam van het tegenwoordige _Frankrijk_, dat zij
+veroverden, draagt daarvan nog getuigenis.
+
+Eerst namen de Friezen deel in dit verbond; doch zij waren te gehecht
+aan hun eigen land, om dit te verlaten, en zich aan de kansen van een
+twijfelachtigen strijd te wagen. Liever maakten zij van deze algemeene
+beweging gebruik tot het uitbreiden van hunne eigene grenzen, waartoe
+hun zoo gunstige gelegenheid werd aangeboden. »Het vuur der vrijheidsmin
+ontvlamde de Friezen niet minder dan de Franken. Door deze hun
+aangeboren zucht voor vrijheid boden zij telkens, wanneer zij door
+andere volken werden aangevallen, met weergâloozen moed, een
+onverzettelijken tegenstand, en gebeurde het niet zelden, dat zij, hunne
+vijanden overmannende, dezelve aan zich cijnsbaar maakten, in de meening
+van door de aanvallen op hen gedaan, daartoe volkomen regt te hebben.
+Werkelijk hebben zij in dit tijdperk veroveringen van dien aard op hunne
+naburen gemaakt, waardoor hunne heerschappij zich allengs tot eene
+groote uitgestrektheid heeft uitgezet"[13]. Zuidwaarts breidden zij zich
+alzoo over den ~Rijn~ en de ~Maas~ tot aan het ~Zwin~ of het ~Sincfal~,
+een zeeboezem in _West-Vlaanderen_, uit[14], en oostwaarts over de
+~Eems~ tot den ~Wezer~ of zelfs verder, welke laatste streken door de
+Cauchen en andere stammen waren verlaten[15]. Evenzoo deden de Saksers,
+welke de landen ten oosten en zuiden daarvan in bezit namen, en soms in
+verbond traden met de Friezen. Tusschen de jaren 240 en 455 bekwam het
+Friesche rijk alzoo eene groote uitgestrektheid langs de kust der
+~Noordzee~, bevattende alstoen een gedeelte van het tegenwoordige
+_Vlaanderen_, _Zeeland_, _Holland_, _Utrecht_, _Gelderland_,
+_Overijssel_, _Friesland_, _Groningen_, _Drenthe_, _Oost-Friesland_,
+_Oldenburg_ enz., met de landen, later door de ~Zuiderzee~ ingenomen.
+Ten gevolge van al die verhuizingen waren er dus in het midden der
+vijfde eeuw in het noordwestelijk gedeelte van _Europa_ drie magtige
+vrije volken gevestigd: de _Franken_, de _Friezen_ en de _Saksers_.
+(_Aanteek. 4._)
+
+ [13] YPEIJ, _Geschiedenis der Nederl. Taal_, I 150.
+
+ [14] Het ~Zwin~, oudtijds het ~Sincfal~ en later het ~Hazegat~
+ geheeten, komt in vele oude wetten en geschriften als de toenmalige
+ grens van _Friesland_ voor. Het is de eertijds breedere inham en haven
+ der stad _Sluis_ benoorden _Brugge_, welke _nog_ de grensscheiding
+ tusschen _Nederland_ en _België_, of tusschen het vaste land van
+ _Zeeland_ en _West-Vlaanderen_ uitmaakt. BLOMMAERT in zijne _Aloude
+ Geschiedenis der Belgen_, Gent 1849, 20, en VAN DEN BERGH in NIJHOFF'S
+ _Bijdragen_, VII 282, spreken uitvoerig over dezen grensstroom, die
+ zich tot _Damme_ uitstrekte, en in de 13e eeuw eene der voornaamste
+ havens niet slechts dezer landen, maar van gansch _Midden-Europa_ was.
+ Zie ook ACKER STRATINGH, I 114 en de kaart; DRESSELHUIS, _de Provincie
+ Zeeland_, 76 enz.
+
+ [15] Sommige schrijvers zeggen zelfs stellig: "tot over de Elve en dus
+ tot op de grenzen van _Denemarken_." Zie JOH. A LEIDIS _Chronicon_,
+ lib. II cap. 15; VAN LOON, _Aloude Regeeringwijs van Holland_, I 106,
+ enz.
+
+
+8. _Der Friezen togt naar Brittannië. (449)_
+
+Tegen het midden der vijfde eeuw werden de Britten, de oorspronkelijke
+bewoners van _Brittannië_ of het tegenwoordige _Engeland_, zeer ontrust
+door de Pikten en Schotten, die het noordelijk deel des lands in bezit
+genomen hadden. Tegen hunne overmagt niet bestand, hadden zij van hen
+reeds aanzienlijke verliezen in goed en bloed geleden. Van de Romeinen,
+die voorheen hen dikwerf tegen die volken beschermd hadden, maar nu van
+het eiland reeds vertrokken waren, konden zij geen bijstand meer
+verwachten. Zij zagen dus rond naar andere hulp, en meenden die het best
+te kunnen vinden bij hunne oostelijke naburen op het vaste land: de
+_Neder-Saksers_, die toen de Vlaamsche en een gedeelte der Fransche kust
+bewoonden en aan de scheepvaart en het zeeleven gewoon waren; de
+_Anglen_ en _Warners_, die zich aan de monden van den Rijn, Maas en Waal
+gevestigd hadden en de _Friezen_, die het verdere kustland bezaten.
+Volken, die zich meermalen ter bereiking van hunne bedoelingen
+verbonden; terwijl de Friezen, als de magtigste dezer stammen, zich
+daarna over een groot deel van het gebied der eersten uitbreidden.
+
+Als dappere en ondernemende volken bekend, namen zij, vol van strijdlust
+en tuk op roem en buit, gaarne de gelegenheid waar, om een zwakken
+nabuur, waarmede zij reeds lang in handelsbetrekking stonden, tegen
+zijnen sterkeren vijand bijstand t bieden. Welhaast staken zij dan op
+achttien schepen met hunne weerbare manschap over, onder bevel van twee
+kloeke krijgshelden, HENGIST en HORS geheeten, en boden der Britten
+Koning VORTIGERN hunne dienst aan. Spoedig zochten zij diens vijanden
+op, en mogt het hen in een roemrijken veldslag gelukken, de Pikten en
+Schotten te overwinnen, door ze deels te verslaan, deels te verdrijven.
+
+Doch dit inroepen van vreemde hulp (altijd zoo hoogst gevaarlijk) kwam
+den Koning duur te staan. Want die benden der Friezen, Anglen, Warners
+en Neder-Saksers, belooning eischende voor hunnen bijstand, werden door
+de vruchtbaarheid des lands zoodanig bekoord, dat zij in het beste
+gedeelte des rijks zich met der woon vestigden en eerst hunne vrouwen en
+kinderen en daarna nog velen hunner landgenooten tot zich lieten
+overkomen. Jaren lang duurde deze verhuizing van het vaste land naar het
+eiland voort. Eindelijk ontstond er tusschen hen en de Britten een
+hevigen strijd, waarin zij de zege mogten behalen. Nu werd de Koning
+gevangen genomen, vele aanzienlijken verloren het leven, de overigen
+namen de vlugt, en HENGIST, weldra bezitter van geheel _Kent_, werd tot
+Koning verheven, onder wien deze stammen zich hier verder vestigden en
+uitbreidden. De oude Britsche volksstam vestigde zich deels diep in de
+gebergten van _Wallis_, deels in het tegenwoordige _Brétagne_ in
+_Frankrijk_, waar hunne oorspronkelijke taal en zeden nog het langst
+bewaard bleven. Want de Angelsaksische en Friesche taal, zeden en
+gebruiken werden, met den veranderden volksnaam, in _Engeland_
+ingevoerd. Hoezeer ze in latere tijden veranderd en door vreemde woorden
+en vormen verbasterd zijn, is derzelver overeenstemming met de taal, de
+zeden en gebruiken der Friezen nog in onze dagen een bewijs van de
+vroegere onderlinge vermenging dezer volken, ten gevolge van dezen togt
+in het midden der vijfde eeuw. (Zie _Aanteekening 5_.)
+
+
+9. _De strijd der Friezen tegen de Franken._
+
+Sedert de verdrijving van de Romeinen en den ondergang van het
+Westersche keizerrijk waren de in _Gallië_ gevestigde _Franken_ magtig
+geworden. Eerlang bleek het, dat de veroveringszucht der Romeinen nu op
+hen was overgegaan. Zij konden niet dulden, dat de Friezen en Saksers
+zich over hunne vroegere landstreken hadden uitgebreid. Hunne
+heerschzucht had nieuw voedsel bekomen sedert hun Koning KLOVIS de
+Christelijke godsdienst had aangenomen (496): want de zucht, om deze
+leer te verspreiden en onder de heidensche volken voort te planten, werd
+nu voor hem en zijne opvolgers een voorwendsel bij hunne krijgstogten
+ter uitbreiding van hun gebied. Zij werden daartoe aangespoord door eene
+magtige Geestelijkheid, die hen ondersteunde, in de hoop dat zij het
+Westersche keizerrijk in nieuwe kracht zouden herstellen, en de eenheid
+en luister der Kerk bevorderen. Eerst dwongen zij de Friezen, zich tot
+den Rijn terug te trekken; daarna wilden zij hen noodzaken de
+Christelijke godsdienst aan te nemen, en eindelijk, wraak nemende wegens
+de door hen geledene nederlagen, trachtten zij Friezen en Saksers beide
+geheel te overwinnen en aan het Frankische gezag te onderwerpen.
+
+Die twee strijdbare volken sloegen nu met eene edele vrijheidszucht
+somtijds de handen in-een, tot onderlinge hulp en tegenstand. Met
+afwisselende kans werd die bloedige strijd gestreden. En met welk eene
+dapperheid zij hunne vrijheid en godsdienst verdedigden en dikwijls
+geduchte legers wederstonden--dit blijkt uit de langdurigheid van dien
+krijg, daar beide volken eerst na verloop van ruim drie eeuwen voor de
+overmagt bezweken. Vandaar, dat zij door hun gedrag in dien oorlog
+grooten roem bij andere volken verwierven.
+
+»Die strijd gedurende zoo vele eeuwen gestreden tusschen Franken en
+Friezen, tusschen Christendom en Heidendom, gevoerd door het zwaard der
+vorsten en het woord der geestelijken, geëindigd door de zegepraal des
+Christendoms en de kracht van KAREL _den groote_, maar niet tot oneer
+der overwonnenen,--die strijd verdient wel onze belangstelling, om zijne
+belangrijkheid en zijn invloed op de volgende geschiedenis des
+vaderlands. Het is een schoon schouwspel, te zien hoe een edel en dapper
+volk kampte en streed voor zijne zelfstandigheid en, hoe het, ook na die
+worsteling, haar wist te bewaren en te handhaven."[16]
+
+ [16] _De strijd der Friezen en Franken. Eene voorlezing door_ Jhr. Mr.
+ B. J. L. DE GEER, Utrecht 1850, bl. 6.
+
+De voornaamste bijzonderheden van dien strijd willen wij mededeelen bij
+de vermelding van
+
+
+10. _De pogingen der Franken ter invoering van de Christelijke
+Godsdienst in Friesland. (630-800)_
+
+In een geheel ander licht doet zich de strijd der Friezen tegen de
+Franken voor, als wij dien meer uit een godsdienstig dan staatkundig
+oogpunt beschouwen; als wij in de veroveringszucht der Franken een
+middel zien, hetwelk Gods wijsheid bezigde, om de Friezen aan de
+duisternis des heidendoms te onttrekken en hen in den zegen des
+Christendoms te doen deelen. Schijnbaar zouden zij die leer des
+evangelies, welke liefde en vrede verkondigt en de beschaving aller
+volken bedoelt, spoediger hebben aangenomen, als zij hun niet was
+opgedrongen door trotsche vijanden, die, met het zwaard in de vuist, hen
+van hunne dierbaarste panden, van vrijheid en godsdienst te gelijk
+wilden berooven. Groot waren deze beletselen bij de ruwheid en onkunde,
+welke nog algemeen heerschten. Neen, het verwondert ons niet, dat het
+toen reeds verbasterde Christendom zoo weinig ingang kon vinden bij een
+fier en krachtig volk, nog bezield door het Germaansch beginsel van
+liefde voor godsdienst en vrijheid, van haat tegen vreemde
+overheersching, en dat het zoo lang het uiterste beproefde, om zijne
+zelfstandigheid te bewaren.
+
+Rustig en vrij toch leefden de Friezen tusschen Schelde en Wezer in de
+6e eeuw, door hunne vorsten naar eigene instellingen en gewoonten
+bestuurd, door hunne dapperheid geacht en door toenemend handelsverkeer
+verbonden met hunne naburen,--totdat de aanvallen der Franken hen
+opriepen ter verdediging van den vaderlandschen grond. De minst bevolkte
+en afgelegene zuidelijke streken konden dezer overmagt op den duur niet
+weêrstaan. Na langen strijd werden zij ingenomen, en der Friezen gebied
+tot den Rijn bepaald. Van toen af stelden de Franken pogingen in het
+werk, om het Christendom bij de Friezen in te voeren. Het was hun Koning
+DAGOBERT I, die ten jare 630 te _Wiltenburg_ of _Utrecht_ eene eerste
+Christenkerk liet bouwen. Deze voormalige Romeinsche legerplaats, aan
+Rijn en Vecht zoo gunstig voor den handel gelegen, werd nu het
+middelpunt, zoowel van den strijd als van de verspreiding der nieuwe
+leer.
+
+De Geestelijkheid, die ten doel had, om in het westen van _Europa_ door
+de Franken een Christelijken Staat te stichten, zond nu weldra den
+ijverigen prediker ELIGIUS herwaarts, om onder de heidensche Friezen het
+evangelie te verkondigen. Hij werd daarin niet verhinderd door den
+vreedzamen Koning der Friezen ADGILD I, die zelfs den bisschop WILFRIED,
+op deze kusten gestrand, in bescherming nam tegen den Frankischen vorst
+EBROIN, en hem toeliet hier te onderwijzen en te doopen. Aan hem bleek
+het, dat vele Friezen minder afkeerig waren van het Christendom dan van
+de Franken.
+
+Een geheel andere geest bezielde zijn zoon en opvolger RADBOUD I. Den
+Franken vijandig, maakte hij van de zwakheid der opvolgers van DAGOBERT
+gebruik, om de verlorene landstreken te herwinnen en _Utrecht_ weder te
+bemagtigen. De daar gestichte St. Thomaskapel werd verwoest, en der
+Friezen vrijheid, grondbezit en godsdienst in luister hersteld (680).
+
+Eerst na verloop van twaalf jaren kwam echter PEPYN _van Herstal_ met
+een magtig Frankisch leger herwaarts, om dat verlies te herstellen. Dit
+gelukte hem, daar hij de landen bezuiden den Rijn weder veroverde, en,
+na hardnekkigen tegenstand, RADBOUD eene nederlaag toebragt bij
+_Dorestad_, het latere _Wijk bij Duurstede_, toenmaals de stapelplaats
+van den Frieschen handel (692). Hij dwong RADBOUD, zich te onderwerpen
+en de vrije prediking van het evangelie te gedoogen. Daartoe
+ondersteunde en beschermde hij den geloofsverkondiger WILLEBRORD, in
+_Engeland_ geboren, doch van afkomst aan de Friezen verwant en met hunne
+taal bekend[17]. Deze toch scheen zeer geschikt, hier de nieuwe leer
+voort te planten. Daarom werd hij in 696 te _Rome_ tot Aartsbisschop der
+Friezen gewijd. Eerst nadat de tegenstand van RADBOUD andermaal door
+PEPYN was overwonnen (697), gelukte het WILLEBRORD, te _Utrecht_ op
+nieuw eene kerk te bouwen, die later de zetel van dit Bisdom werd.
+IJverige pogingen werden er nu aangewend, om door onderwijs en prediking
+en door het stichten van bedehuizen op sommige plaatsen, van
+_Vlaardingen_ af tot _Heilo_ toe, het Christelijk geloof uit te breiden.
+Zij bleven echter meest tot den omtrek van _Utrecht_ bepaald, dewijl de
+ontoegankelijkheid der afgelegene noordelijke streken van _Friesland_ de
+algemeene verbreiding moeijelijker maakte.
+
+ [17] De stam- en taalverwantschap der Engelschen en Friezen
+ begunstigde zeer de pogingen dier Evangelie-predikers uit _Engeland_,
+ waar het Christendom reeds vroeg ingang vond en de zucht algemeen was,
+ om het ook onder de Heidensche volken uit te breiden. Zie ook
+ _Aanteekening 5_.
+
+ * * * * *
+
+Die algemeene invoering was ook vooreerst nog niet mogelijk, zoolang de
+onverzettelijke RADBOUD het Christendom zoo vijandig bleef. Naauwelijks
+was PEPYN in 714 gestorven, of hij vat de wapenen tegen der Franken
+gezag weder op, verdrijft hunne zendelingen uit zijn gebied, en verwoest
+de kerken, of geeft ze der voorouderlijke godsdienst terug (716). Hij
+trekt voort tot _Utrecht_ en verjaagt daar WILLEBRORD en zijne
+geestelijken, die de vlugt nemen naar _Trier_. Ook _Dorestad_ valt in
+zijne handen, en, daardoor weder meester van den Rijn, waagt hij het
+zelfs met zijn leger langs dien stroom naar _Keulen_ op te varen, waar
+PLECTRUDE, PEPYN'S weduwe, zich bevond. Daar behaalt hij op het
+Frankische leger onder KAREL MARTEL eene volkomene overwinning, verwoest
+de omliggende streken en keert met grooten buit beladen naar zijn rijk
+terug.
+
+»Is het wonder (zegt een geacht geschiedschrijver), dat bij dergelijke
+tooneelen, waarin de opkomende geslachten telkens eene oefenschool
+vonden voor onversaagdheid, en vervuld werden met het gevoel van eigene
+krachten, de geest van heldenmoed en van onafhankelijkheid, den
+_Frieschen_ landaard zoo bijzonder eigen, bevestigd en versterkt werd?
+Is het wonder, dat de deugden, aan woeste volken eigen, bij de Friezen
+lang gepaard bleven met de sporen der aloude ruwheid?"[18] En zulks te
+meer, omdat de Friezen, te gelijk met de Franken, in de Noormannen en
+Denen nog woester en gevaarlijker vijanden hadden te bestrijden,
+waartegen zij eeuwen lang een woedenden krijg voerden.
+
+ [18] J. BOSSCHA, _Neêrl. Heldendaden te land_, Leeuw. 1834, I 22.
+
+Reeds in het volgende jaar (717) kwam KAREL herwaarts, om over de
+geledene nederlaag eene geduchte wraak te nemen. In een hevigen strijd,
+aan den Rijn bij _Utrecht_, gelukt het hem op zijne beurt de overwinning
+te behalen op RADBOUD, die op nieuw genoodzaakt wordt het Frankische
+gezag te erkennen en de verkondiging van het evangelie toe te staan. Hij
+zelf zou toen beloofd hebben het Christendom aan te nemen. Doch toen de
+Bisschop WULFRAM hem daartoe te _Medemblik_, zijn zetel, den doop
+plegtig zou toedienen, en hij op zijne vraag, waar zijne Heidensche
+voorouders zich bevonden, tot antwoord ontving, dat deze, als
+ongeloovigen, verdoemd waren, trok hij zijn voet uit de doopvont terug,
+verklarende, liever met zijn voorgeslacht in Wodans zalig Walhalla dan
+met den geringen hoop Christenen in den hemel te willen zijn. Kort
+daarna stierf hij, in 719, hoog bejaard. Met groote standvastigheid en
+ijver had hij den strijd volgehouden tegen Franken en geestelijken.
+Geene nederlagen hadden hem ontmoedigd, maar hij was getrouw gebleven
+aan het doel zijns levens: de verdediging van der Friezen godsdienst en
+onafhankelijkheid.
+
+Zijn opvolger ADGILD II was even vredelievend als de eerste vorst van
+dien naam. Terwijl WILLEBRORD de Utrechtsche kerk in luister herstelde
+en zijne zendelingen overal uitzond, om de leer des kruises te
+verkondigen, liet hij de vrije prediking toe. Hij kon echter niet
+verhinderen, dat in het noorden of het hart van _Friesland_, waar het
+heidendom nog zijne meeste aanhangers telde, eene nieuwe poging werd
+gedaan tot verdrijving van de Franken en hunne zendelingen. Daarom kwam
+KAREL MARTEL in 726 en op nieuw in 736 met een leger in dit vroeger
+minder bezochte gedeelte van het Friesche rijk; in het laatstgenoemde
+jaar zelfs met eene vloot, welke de Middelzee inviel, aan wier boorden
+hij een bloedigen slag leverde, waarin ook der Friezen veldheer POPPO
+sneuvelde, terwijl Koning ADGILD van hartzeer daarover stierf. Door het
+vernietigen van tempels, godenbeelden en gewijde bosschen zocht men nu
+in _Oostergoo_ en _Westergoo_ het heidendom te verdelgen, en door
+prediking de nieuwe leer te planten. Doch te vergeefs: want zulke
+geweldige middelen waren meer geschikt om den wrok tegen de Franken in
+de harten des volks te voeden, dan het te winnen voor eene leer,
+waarvoor het nog onvatbaar was, en van wier hooge waarde en heiligheid
+het weinig blijken zag in de handelingen zijner vijanden. Dáárom werden
+de heiligdommen weldra hersteld en de Christenen verdreven. Zij werden
+daarin ondersteund door den laatsten hunner Koningen RADBOUD II, een
+even groot voorvechter van het heidendom en tegenstander van de Franken
+als zijn voorzaat van dien naam. Of deze RADBOUD een Fries was, dan wel
+een Deensch vorst, die het land met geweld veroverd had, ook om de
+Franken het voortdringen te beletten, is nog hoogst onzeker. De
+toestand, waarin het volk nu weder verkeerde, bewoog den edelen Bisschop
+BONIFACIUS, die reeds zoo lang in _Friesland_ en _Duitschland_ het
+evangelie had verkondigd, in 755 op nieuw naar het noordelijk gedeelte
+van het Friesche rijk te trekken. Krachtig door zijn vromen zin en
+geholpen door vijftig togtgenooten, onderwijst en predikt hij alom, rigt
+verwoeste kerken weder op en verzamelt en ondersteunt de verstrooide
+Christenen. Bij _Dokkum_ gekomen, staat hij op nieuw gereed te prediken,
+toen hij onverhoeds door eene bende heidensche Friezen wordt aangevallen
+en met de zijnen vermoord. Met christelijke lijdzaamheid offerde hij
+zich op aan de zaak, waaraan hij zijn leven had gewijd. Doch ook zijn
+bloed zou het zaad worden, waaruit de bloei der kerk ontsproot.
+
+ * * * * *
+
+Het Friesche rijk was destijds verdeeld in drie hoofdstammen. De
+~eigenlijke Friezen~, de kern van den ouden volksstam, woonden in het
+midden, tusschen de rivieren de ~Reker~ of ~Kinhem~ en de ~Eems~. Alle
+landstreken bezuiden de ~Reker~ (den vroeger vermelden Rijnmond bij
+_Petten_, benoorden _Alkmaar_), welke de Friezen van tijd tot tijd
+veroverd hadden, stonden het meest aan de aanvallen der Franken ten
+doel, en werden het eerst van het Friezen-verbond afgerukt, welligt
+reeds ten gevolge der veroveringen van PEPYN ~van Herstal~ in 692 en
+697, of van KAREL MARTEL in 715.
+
+De meest afgelegene en later aangewonnen landstreken, beoosten de rivier
+de ~Eems~ (_Oost-Friesland_, _Oldenburg_ enz.), weêrstonden het langst
+de magt der Franken, doordien zij zich met hunne naburen de Saksers tot
+tegenstand verbonden hadden, en in de ondernemingen en lotgevallen van
+dezen deelden.
+
+De ~oorspronkelijke Friezen~, tusschen de ~Reker~ en de ~Eems~ (een
+gedeelte van _Noord-Holland_, _Friesland_, _Groningen_, _Drenthe_ enz.
+bewonende), waarover RADBOUD II regeerde, stonden dus op zich zelve
+tegenover de Franken. Bij de vorderingen, welke de verkondiging van het
+Christendom van lieverlede gemaakt had, vooral tijdens de prediking van
+den vromen Bisschop BONIFACIUS, zagen velen hunner in, dat alle
+tegenstand op den duur vruchteloos zou zijn. Doch hun Koning bleef zich
+met kracht tegen de evangelieleer verzetten. De moord van BONIFACIUS,
+zoo men wil op aanstoken van RADBOUD geschied, bragt echter weldra eene
+groote verandering te weeg: want vele aanzienlijke, reeds bekeerde,
+Friezen vereenigden zich nu met de Franken, om dien moord te wreken. En
+toen RADBOUD, om staande te blijven in zijn gezag, de hulp inriep van
+WITIKIND, het opperhoofd der Saksers, wier woeste benden de Christenen
+hier gruwelijk vervolgden,--toen werden de Friezen zóó afkeerig van
+hunnen Koning, dat zij de ~bescherming~ inriepen van den Koning der
+Franken, op wiens komst RADBOUD naar _Denemarken_ vlugtte en de Saksers
+naar hun land terugtrokken (775).
+
+Die Koning der Franken was KAREL, eerlang _de groote_ bijgenaamd, wegens
+zijne voortreffelijke eigenschappen, grootsche ontwerpen en stoute
+daden, doch vooral wegens zijn voortreffelijk rijksbestuur en zorg voor
+de uitbreiding van het Christendom. Na den dood van zijn vader PEPYN _de
+korte_ (768) en van zijn broeder KARLOMAN (771) was hij meester geworden
+van geheel _Frankrijk_, dat hij vervolgens met het rijk der Longobarden,
+een gedeelte van _Spanje_, _Beijeren_ enz. vergrootte. Gaarne verleende
+hij zijne ~bescherming~ aan een volk, dat zijne achting had verworven
+wegens de dapperheid, waarmede het de aanvallen zijner voorgangers zoo
+láng had wederstaan, en dat nu eindelijk vrijwillig bereid was, aan een
+hunner hoofdvoorwaarden, de aanneming van de Christelijke godsdienst, te
+voldoen. Vanhier, dat hij, bij verdrag als ~Beschermheer~ van dit volk
+aangenomen, tot hetzelve in eene geheel andere betrekking kwam en het
+geheel anders behandelde dan volken, welke hij ~overwon~ of
+~veroverde~, gelijk het geval was met de Oost-Friezen en Saksers, die
+hij eerst in 804, na herhaalde en geweldige aanvallen, welke steeds den
+hevigsten tegenstand ondervonden, aan zijn gezag onderwierp[19]. (Zie
+ook bl. 47.)
+
+ [19] De algemeene bronnen van dit tijdvak zijn natuurlijk de Kronyken
+ van SCHARLENSIS, 1597, WINSEMIUS, 1622 en SCHOTANUS, 1658, alsmede
+ FOEKE SJOERDS, _Friesche Jaarboeken_, 1768, I; _Tegenw. Staat van
+ Friesland_, 1785, I; WAGENAAR, _Vad. Historie_, 1749, I; CERISIER,
+ _Gesch. der Ned._, 1781, I, 24, 29, 82-136; GAILLARD, _Geschied. van_
+ KAREL _den grooten_, 1785, I 225, II 32 enz.; WESTENDORP, _Jaarboek_,
+ Gron. 1829, 1-97; VAN LEEUWEN'S _Kronyk der vrije Friezen_, 1834,
+ 1-59, benevens de belangrijke Aanteekeningen daarop, enz. Omtrent de
+ bijzondere bronnen van dit laatste gedeelte, zie men _Aanteekening 6_.
+
+De vrucht van dezen langen en bloedigen strijd was alzoo de invoering
+van het Christendom, het licht der wereld, de bron van ware verlichting
+en beschaving, hetwelk overal, waar het is doorgedrongen, door de kennis
+van het Hoogste Wezen en van den Heiland der wereld, eene weldadige
+verandering in de denkwijze, gezindheden en zeden der volken heeft te
+weeg gebragt. Was die kennis in den beginne nog gebrekkig; was de
+eeredienst reeds verbasterd en bleven er lang verkeerde voorstellingen
+heerschen,--toch vereeren wij deze belangrijke gebeurtenis, welke zoo
+uitgestrekte gevolgen had, als de grondslag, waarop in volgende eeuwen
+werd voortgebouwd tot verspreiding van kennis en licht, en tot heiliging
+van ons geslacht door geloof, hoop en liefde.
+
+
+
+
+TWEEDE TIJDVAK.
+
+HET VRIJE FRIESLAND.
+
+VAN KEIZER KAREL DEN GROOTE TOT HERTOG ALBERT VAN SAKSEN.
+
+_Van omstreeks het jaar 800 tot 1498._
+
+
+11. _De Friezen tijdens Karel den groote._
+
+Na het eindigen van den strijd met de Franken en de vervanging van het
+Heidendom door het Christendom, was er een nieuw tijdperk van volksleven
+en ontwikkeling voor de Friezen aangebroken. Vrede en verzoening
+tusschen beide volken was daarvan het eerste gevolg. De langdurigheid
+van dien strijd levert reeds een bewijs op, dat de Friezen destijds
+talrijk, strijdbaar en vermogend waren. Er zijn vele blijken over, dat
+er toen onder de ingezetenen welvaart bestond, ten gevolge van landbouw,
+veeteelt en visscherij, wier voortbrengselen door handel en scheepvaart
+onder de naburen verspreid werden. _Utrecht_, _Duurstede_, _Tiel_,
+_Stavoren_, _Dokkum_ en andere plaatsen, aan den uitloop van
+onderscheidene rivieren op deze noordwestkust van _Europa_ gunstig
+gelegen, worden als handelsplaatsen vermeld, Reeds vroeg waren de
+Friezen als stoute zeevaarders vermaard. Ook langs den Rijn dreven zij
+handel met _Keulen_, en hadden zich mede te _Ments_ gevestigd, Zelfs
+waren er handwerken of fabrijken, die hier bloeiden, zoo als de
+lakenweverijen, welke eene zware wollen stof of duffel vervaardigden,
+nog _Fries_ genoemd, waarvan gekleurde en fraai bewerkte mantels werden
+gemaakt, die groote vermaardheid hadden en naar onderscheidene landen
+verzonden werden. Door Keizer KAREL werden op hooge feesten zulke
+~Friesche Mantels~ als kostbare geschenken uitgedeeld. (_Aanteekening
+7._)
+
+ * * * * *
+
+Van de drie hoofdstammen des Frieschen volks mogten alzoo de eigenlijke
+Friezen, wonende tusschen de ~Reker~ en de ~Eems~, het voorregt smaken,
+hunne vrijheid en onafhankelijkheid behouden te hebben, en, onder eigene
+wetten en opperhoofden, hunne eigendommen gerust te bezitten. Dit
+voorregt, waardoor zij zich _Vrije Friezen_ noemden, genoten zij boven
+hunne vroegere stamgenooten en naburen bij uitnemendheid. Want deze
+laatste waren door KAREL overwonnen, en stonden, naar het regt des
+oorlogs dier dagen, onder de vrije beschikking des Keizers, die
+onderscheidene gedeelten van dit eigendom opdroeg of wegschonk aan zijne
+Leenmannen, welke van de diep onderworpene inwoners cijns, schot, lot en
+heeren-diensten naar goedvinden vorderden. Zij behandelden deze als
+lijfeigenen en slaven, aan den grond verbonden. De invoering van de
+instellingen der ~Leenregering~ volgde toch overal, waar de Franken zich
+vestigden. Zwaar heeft dat ~Leenstelsel~ gedurende vele eeuwen op de
+meeste volken van _Europa_ gedrukt, en de ontwikkeling van welvaart en
+kennis verhinderd. Dit lot hebben deze Friezen niet ondergaan; zij zijn
+in het bezit hunner eigendommen, vrijheden en voorregten gebleven; en
+deze hadden voor hen hoogere waarde, omdat hunne naburen daarvan
+verstoken waren. Zij _eerbiedigden_ den Keizer van het Duitsche Rijk wel
+als Beschermheer, doch zij _gehoorzaamden_ hem niet als gebieder, die
+het regt had over hun land, personen en eigendommen te beschikken;
+terwijl zij voor die bescherming jaarlijks gaarne eene geringe schatting
+aan het Rijk opbragten. Die Vrijheid hebben zij te allen tijde als hun
+oorspronkelijk volksregt, waarop zij bijzonder gezet waren, gehandhaafd.
+Met regt kon dus HELMERS hen noemen:
+
+ _De Friezen, waardig 't bloed, waaruit zij zijn gesproten,
+ Aan wie de vrijheid met de melk is ingegoten._
+
+ * * * * *
+
+KAREL _de groote_ verdeelde het Friesche rijk nu in een aantal
+landschappen, waarover hij Graven en Schouten aanstelde; de andere
+bestuurders, opperhoofden en regters werden door het volk gekozen. In
+het tegenwoordige _Friesland_ ontstonden alzoo de Gouen of Graafschappen
+_Oostergoo_, _Westergoo_, _Stavoren_ en een deel van _Islegoo_. Ook hier
+voerde hij de rijkswetten of capitularia in, doch met behoud van de
+Friesche wetten, volksregten en gewoonten, welke hij in schrift liet
+brengen en naar de behoeften des volks en in verband met de rijkswetten
+wijzigde. Ten aanzien der vrijheid, (in tegenoverstelling der
+hofhoorigheid of leenroerigheid der andere volken) waren de voornaamste
+bepalingen dier wetten: dat de vrije Fries persoonlijk vrij en aan geen
+heer onderworpen was, zoodat hij kon gaan, werwaarts hij verkoos; dat
+hij ter verdediging van zijn land wel tot de volkswapening verpligt was,
+doch niet kon gedwongen worden, om buiten de grenzen zijns lands ten
+strijde te trekken; dat hij zijne bezittingen en ouderlijk erf vrij en
+onbelast bezat, en geene schatting behoefde te betalen, waarin hij zelf
+niet had toegestemd; dat hij onder de oude voorvaderlijke wetten en
+gebruiken leefde, waarvan de uitvoering was opgedragen aan overheden,
+regters en ambtlieden, door de vrije keus des volks benoemd enz. De
+volks-overleveringen voegen hier bij, dat de Keizer hun bij deze nog
+meerdere voorregten schonk, uithoofde de Friesche krijgsbenden hem
+vrijwillig bijstand verleenden op zijne krijgstogten in _Spanje_ (778),
+tegen de Wilten aan de Oostzee (789), tegen de Avaren aan den Donau
+(791), en vooral op den togt ter verovering van _Rome_ (809), tot
+herstel van Paus LEO in zijn gezag, bij welke gelegenheid de Friezen hun
+vaandel op Romes hoogsten burg zouden geplant hebben. (_Aanteek. 8._)
+
+Bij zoovele blijken van achting en onderscheiding jegens de Friezen
+voegde Keizer KAREL ter goeder ure de invoering, vestiging en
+bescherming van de Christelijke Godsdienst, als eene weldaad van hooge
+waarde. Onderscheidene predikers en zendelingen kwamen in _Friesland_
+het evangelie verkondigen. Al de inrigtingen van het heidendom werden
+zoo veel mogelijk verwijderd of vervangen, en op den grond der
+heidensche tempels en offerplaatsen christen-kerken en scholen gebouwd.
+De kerk van _Utrecht_ werd bij hare bezittingen bevestigd, en in gezag,
+rijkdom en aanzien uitgebreid. Geen vreemdeling, maar THEODARD, een
+Fries, werd daar als Bisschop aan het hoofd der Friesche geestelijkheid
+gesteld; gelijk aan WIJHO, LUDGER en HILDEGRIM, uit Frieschen stam, ter
+belooning van hunne ijverige evangelie-prediking, door KAREL bisdommen
+in _Saksen_ werden opgedragen.
+
+
+12. _Invloed der Franken en der vestiging van het Christendom._
+
+Groot waren gewis de gevolgen van de algemeene aanneming der
+evangelieleer. De redelijke geest der landzaten, zoo lang gedrukt door
+de duisternis des heidendoms, werd door een nieuw en weldadig licht
+beschenen, waardoor het leven eene hoogere beteekenis verkreeg. Niet
+slechts kennis en bekwaamheid, maar vooral ~menschelijkheid~ werd door
+het Christendom bevorderd, al bleven de uiterlijke vormen van den
+krachtigen mensch nog lang de blijken der vroegere woestheid en ruwheid
+dragen. Wel was dat Christendom toen reeds verbasterd en werd de
+eeredienst naar heidensche gewoonten geschoeid,--toch was het de eerste
+schrede ter bevordering van kennis, verlichting en beschaving, welke
+vooral later op de denkbeelden en zeden een weldadigen invloed
+verkregen.
+
+Bovendien werkte het Christendom gunstig op de vestiging en verbetering
+van den burgerlijken toestand des volks. Want waar, op geschikt gelegene
+plaatsen, kerken en leerscholen gebouwd werden, daar verzamelden de
+inwoners zich meer tot buurten en dorpen, waaruit eerlang de steden
+ontstonden. Gezellige verkeering, onderling dienstbetoon, bijstand in
+gevaar, zorg voor armen en ongelukkigen, hulp ter voorziening in
+elkanders behoeften, handwerken en handel,--dat alles droeg bij ter
+vorming van eene geregelde burgermaatschappij. Hun verkeer met
+Frankische geestelijken, ambtenaren en krijgslieden, afkomstig uit een
+land, waarin de meerdere beschaving van het zuidelijk _Europa_ reeds was
+doorgedrongen, moest op hunne kennis, zeden, levenswijze en
+huishoudelijke behoeften van grooten invloed zijn. Deze leerden den
+Friezen verschillende bedrijven en handwerken kennen; hunne huizen,
+dijken en gereedschappen verbeteren, en sluizen en bruggen aanleggen;
+alles tot meerdere beveiliging en onderlinge gemeenschap. De
+verpligtingen, welke hieruit voortvloeiden jegens het algemeen, haalden
+den maatschappelijken band naauwer toe, en werden er in de wetten zelfs
+bepalingen deswege opgenomen. De verlichte en edele KAREL _de groote_
+toch begreep zijne roeping, en, afkeerig om de door hem overwonnene
+volken met despotischen trots te onderdrukken, waren al zijne pogingen
+dáár henen gerigt, om door wijze maatregelen de stoffelijke,
+verstandelijke en godsdienstige belangen dier volken te bevorderen.
+Groot en edel was deze bedoeling in eene eeuw, waarin de onkunde nog zóó
+algemeen was, dat het voornaamste hulpmiddel tot beschaving, de lees- en
+schrijfkunst, bij de meeste volken nog onbekend en alleen in het bezit
+van weinige geestelijken was. Maar ook in deze behoefte voorzag eerlang
+het Christendom, hetwelk de zorg voor de opvoeding der jeugd aan de
+beoefening van kunsten en wetenschappen paarde. Met regt vereerden
+daarom ook de Friezen KAREL steeds als een weldoener, als een zegenrijk
+middel in Gods hand tot verbetering van hunnen toestand. Nog eeuwen lang
+na zijnen dood, die in 814 voorviel, erkenden zij, van hem de
+bevestiging van hunne vrijheid, de bescherming van hunne onafhankelijke
+instellingen en wetten ontvangen te hebben[20]. Daarom bleef hij in hun
+volksgezang en herinneringen leven. Zeker hadden zij de van hem
+ontvangene gunstbewijzen van weinige veroveringszuchtige vorsten kunnen
+verwachten: want gewigtig was het voorregt, »dat _Friesland_ onder der
+Franken heerschappij zijne zelfstandigheid behield, zijne nationaliteit
+bewaarde, en dat het einde van dien langen strijd wel eene nieuwe
+inrigting aan _Friesland_ gaf en de zegepraal aan het Christendom
+verzekerde, maar met behoud der vrijheid, der eigenaardigheid des
+volks."
+
+ [20] Zie dit in _Aanteekening 9_ nog in een stuk van 1430 vermeld.
+
+»En die bleef ook later behouden en vertoonde zich steeds krachtig en
+scherp tegenover alles, wat van Frankischen oorsprong of Frankischen zin
+was. Vandaar dien strijd tegen de graven van _Holland_, zoo hardnekkig
+gevoerd; die afgunstige bewaring hunner regten tegenover den Bisschop
+van _Utrecht_. Maar ook vandaar dien afkeer tegen de Friezen bij de
+Frankisch gezinde Hollandsche Kronykschrijvers, die eenen MELIS STOKE b.
+v. in zijn klooster te _Egmond_ bezielde; vandaar die eigenaardige
+ontwikkeling des Frieschen regts, des Frieschen volks in de volgende
+tijden, tegenover de overige gedeelten onzes vaderlands."
+
+»Wij zien het, niet waren het de Franken, die _Friesland_ overwonnen,
+maar het Christendom baande er den weg aan KAREL _den groote_, en aan
+hem onderworpen, werden de Friezen zelfstandig en vrij opgenomen in het
+westersch Christelijk keizerrijk, waarvan hij het hoofd was. Zoo kon het
+Friesche volkslied van KAREL zingen, dat hij geliefd en goed was, en
+trouw en waarheid stichtte en der Koningen wet en aller lieden keur en
+landregt en aller landen regten zette. Zoo eindigde die strijd, maar
+niet tot oneer der overwonnenen"[21].
+
+ [21] Prof. DE GEER, _de strijd der Friezen en Franken_, Utrecht 1850,
+ 43. Deze laatste denkbeelden en schoone voorstelling van den jongsten
+ schrijver over dit onderwerp heb ik zeer gaarne hier overgenomen, mede
+ als bewijs, hoe gunstig ook zij, die geene Friezen zijn, thans na rijp
+ onderzoek over den oorsprong der veel betwiste Friesche vrijheid
+ denken.
+
+ * * * * *
+
+Nog een blik op de gevolgen van deze hoogst belangrijke gebeurtenis, het
+keerpunt in het volksbestaan der Friezen. Zij hadden daardoor twee
+gewigtige betrekkingen aangeknoopt, welke, vereenigd, ongeveer acht
+eeuwen onder bijna gelijke vormen zouden stand houden: zij waren
+Christenen en, in zekeren zin, deelgenooten van het Duitsche Rijk
+geworden. Door de eerste werden zij leden van een groot en schoon
+verbond, dat reeds zoo vele volken van wijd uiteenloopenden aanleg en
+belangen omvatte, doch die allen door gevoelens van algemeene
+welwillendheid en onderlinge toegenegenheid het bestaan van een band van
+broederschap erkenden, en door gelijke beginselen van zedelijkheid en
+volkenregt zich verbonden gevoelden. De onderlinge gemeenschap dier
+volken werd hierdoor bevorderd. Men had regt op elkander; men leerde en
+onderrigtte elkander; men nam de vruchten der kennis en ondervinding,
+ook in handel, bedrijven en kunsten, van elkander over; en de wijsten of
+meest geoefende leeraren konden meer algemeen de schatten van kennis,
+godsdienstleer en zedelijkheid verkondigen, als vruchten van den
+weldadigen boom door Christus ten behoeve der menschen geplant. Zelfs de
+geestelijke oppermagt, welke zich in de middeleeuwen over het westelijk
+_Europa_ uitbreidde, bragt meer goeds dan kwaads te weeg, en was vaak
+een tegenwigt van heilzame strekking tegen de al te vaak misbruikte magt
+der wereldlijke regering.
+
+Ook de betrekking tot het Duitsche Rijk was voor het staatkundig bestaan
+der Friezen eene zaak van groot belang. Dat zij daartoe niet als
+overwonnenen en dienstpligtigen behoorden, was een voorregt, waarin geen
+ander volk met hen deelde, en waarom zij den naam van _Vrije Friezen_
+bij uitnemendheid droegen. Maar hunne wetten werden naar de bepalingen
+van het algemeene regt des rijks gewijzigd. De gelijkheid in de vormen
+van regtspleging en bestuur werd een band te meer met volken, van wie
+zij te lang waren afgescheiden geweest, behoudens de eigenaardigheid van
+hun stam en krachten. Door verkeer, omgang en betrekkingen met deze
+moest ook hier toeneming in beschaving worden bevorderd. Belangrijk was
+die betrekking inzonderheid voor de Friezen, omdat zij hen een waarborg
+was voor hunne vrijheid; een voormuur tegen de aanranding van
+geweldenaren, wier overmagt zij zeker niet waren ontkomen, zonder deze
+bescherming des rijks. Maar bovenal, omdat zij hen vrijwaarde van den
+last des Leenstelsels, dat onder heerschzuchtige heeren en magtige
+veroveraars met looden zwaarte op de diep vernederde volken van _Europa_
+drukte. Ja, deze betrekking bleek later daadwerkelijk eene beschutting
+te zijn tegen de hebzucht van anderen en tegen de partijzucht van den
+adel, bij het twisten over de onderlinge belangen.
+
+Beide betrekkingen waren in de hand des Allerhoogsten middelen ter
+verheffing van het volk, uit de duisternis tot het licht--door strijd en
+lijden tot volmaking. Bij al de beroeringen en woelingen onder de volken
+van het westelijk _Europa_, waarin de Friezen noodwendig moesten deelen
+en waaruit zij zich onmogelijk konden houden, viel hun in de gevolgen
+het beste deel te beurt. En mogt de strijd tegen vreemde vijanden hun
+moed en vaderlandsliefde sterken--het verbond en het verkeer met die
+vreemden bragt hen in aanraking, in gemeenschap, in stoffelijke en
+geestelijke verbroedering met de bewoners van andere oorden, die weder
+van hunne gemeenschap voordeel trokken.
+
+Zoo wil het God, wiens wijze leiding wij, ook te midden der
+heerschzuchtige woelingen zijner menschen-kinderen, ter bevordering van
+zijne heilige bedoelingen kunnen herkennen.
+
+
+13. _De invallen der Denen en Noormannen. (Van omstreeks 520-1010.)_
+
+Dat de Friezen hun onafhankelijk volksbestaan bleven behouden, verdient
+inderdaad onze verwondering in nog hoogere mate, als wij bedenken, dat
+zij in de zelfde eeuwen, waarin zij aan de zuid- of landzijde door de
+legers der magtige Franken werden aangevallen, en nog lang daarna, ook
+aan de noord- of zeezijde te kampen hadden met niet minder geduchte
+vijanden, die op den duur nog moeijelijker waren te weêrstaan. In die
+onveilige tijden, toen de verschillende volksstammen van het
+noordwestelijk _Europa_ zeldzaam eene vaste woonplaats hadden, zich
+gemakkelijk van de eene naar andere en betere landstreken verplaatsten,
+en nog geen volkenregt kenden of eerbiedigden, was de zucht om elkander
+te berooven en buit te maken veelal het hoofdbeginsel van den oorlog.
+
+Geen volk was als zoodanig meer gevreesd dan de _Noormannen_, dan die
+woeste benden van Deensche, Zweedsche en Noorweegsche zeeschuimers, wier
+schepen bij menigte den oceaan vervulden en onveilig maakten. Als stoute
+zeeroovers van vervaarlijke kracht en onverbiddelijke wreedheid, waren
+zij steeds de schrik der bewoners van de kusten der Noordzee en het
+Kanaal. Want niet alleen _Friesland_, maar ook _Frankrijk_ en _Engeland_
+verontrustten zij door hunne strooptogten. Onverhoeds landden zij, en
+overvielen de ongewapende landbewoners, welke zij uit huis en erf
+verdreven, om zich intusschen van derzelver goederen en vee meester te
+maken en dit met hunne schepen weg te voeren. Die aanvallen waren soms
+zóó stout, dat zij gansche streken overweldigden, het land aan hun gezag
+onderwierpen, en er door overmagt een tijdlang eene dwinglandij
+uitoefenden, welke voor den landzaat onduldbaar was. Vooral heeft de
+Deensche Koning HERIOLD met zijne broeders RORUK en HEMMING het
+zuidelijk deel van _Friesland_ jaren lang in bezit gehouden, waarbij ze
+hun zetel veelal in de aanzienlijke handelplaats _Dorestad_ gevestigd
+hadden. Zelfs wordt de laatste Friesche Koning RADBOUD II gehouden voor
+een Deensch vorst, die zich van dit land met geweld had meester
+gemaakt.
+
+De oude geschiedverhalen gewagen daarom telkens van hunne invallen en
+strooptogten, die omstreeks den jare 520 begonnen en eerst in de elfde
+eeuw opgehouden moeten zijn. Met het woeste en nog weinig bebouwde land
+hunner geboorte niet tevreden, zochten deze schrikbarende geweldenaars
+vooral die kustplaatsen op, waar handel en nijverheid reeds welvaart
+hadden verspreid, en waar zij dus de beste gelegenheid vonden, om buit
+te behalen. Waar ze kwamen, voerden ze plundering, moord en brand in hun
+gevolg, of legden de overrompelde bewoners zware schattingen op.
+Vandaar, dat het noemen van hun naam alom reeds siddering verwekte.
+
+Niet zelden echter ondervonden zij van de dapperheid der Friezen een
+tegenstand, welke hen met groot verlies naar hunne schepen deed
+terugkeeren. Immer moesten deze op hunne aanvallen bedacht en daar tegen
+gewapend zijn. Vreeselijke gevechten zijn er tegen hen gevoerd, waarbij
+de Friezen en hunne legerhoofden of Potestaten met eere streden, en hen
+afschrikten deze oorden vooreerst weder te bezoeken. Ja, »de Friezen
+zijn in de historie gekenmerkt als de moedigste bestrijders van de
+mannen uit het noorden"[22]. Uit zucht naar wraak trokken ook zij zelfs
+meermalen te scheep naar de Oostzee, om den Noorman de geledene
+verliezen in zijn eigen land betaald te zetten.
+
+ [22] Zie VAN LEEUWEN'S schets dezer togten voor de _Herinnering aan
+ het geslacht Sirtema van Grovestins_, in _de Vrije Fries_, V 232, en
+ vooral de noot op bl. 237, omtrent den tijd van het eindigen dezer
+ invallen.
+
+Er bestond echter, buiten de plunderzucht der Noormannen, nog eene
+reden, waarom zij _Friesland_ aan de Franken zoo lang en zoo hevig
+betwistten. Zij hadden het Christendom een gloeijenden haat gezworen. En
+indien de Franken voorgaven, de Friezen tegen hun geweld te willen
+beschermen, waren zij de eersten nog te meer vijandig, omdat deze de
+laatsten te gelijk aan het Heidendom zochten te onttrekken. Dat
+Heidendom toch vuurde hen aan tot den strijd en deed hen den heldendood
+met verrukking te gemoet zien, omdat deze hen zou overvoeren in een
+hemel, waar zij zich, bij al de genietingen van den wellust, dronken
+zouden drinken aan lekker bier uit de bloedige bekkeneelen hunner
+vijanden. Vreeselijk was daarom hunne verbittering tegen de
+Christen-Franken, die ze vervolgens ook in hun eigen land bestookten, en
+wier magt zelfs niet kon verhinderen, dat de Noormannen zich op hunne
+kust vestigden (_Normandië_).
+
+Somtijds werden zij evenwel met kracht wederstaan en geslagen. Toen in
+885 gansche drommen van dezen schrik der wateren _Engeland_,
+_Frankrijk_, _Vlaanderen_ en de _Nederlanden_ overstroomden, en aan de
+oevers van Theems en Seine, Schelde, Rijn en Maas de bloedige sporen
+hunner verwoestingen achterlieten, tastte eene vloot dezer zeeroovers
+ook de Oude of Neder-Saksers aan. Deze, toen aan de Vlaamsche kust
+gevestigd, konden bijstand bekomen van de Friezen, met wier hulp het hun
+gelukte, in één jaar tweemaal de overwinning op hen te behalen. Doch,
+hoe dikwijls ook verslagen, telkens groeide hun getal aan. Ongeloofelijk
+schijnt het bijna, dat er in 889 eene vloot met 100,000 Noormannen voor
+de Maas verscheen, waarvan het grootste gedeelte aan land kwam en de
+toegesnelde verdedigers dezer gewesten versloeg; maar ook, dat Keizer
+ARNOLD, in het volgende jaar 890, (zoo men meent ter plaatse, waar nu
+_Leuven_ ligt) met een groot leger hen tegentrekkende, hun eene
+allerbloedigste en beslissende nederlaag toebragt, »waarbij het vooral
+de Friezen waren, die zich het meest onderscheidden."
+
+Met de Franken als bondgenooten vereenigd, weêrstonden alzoo de Friezen
+de Noordsche heirmagten, waartegen beide volken steun vonden in
+elkander, en waarbij _Friesland_ aan _Frankrijk_ ten voormuur
+verstrekte. Ook hierdoor laat zich verklaren, welk belang de Franken
+hadden bij het bezit van _Friesland_, en evenzeer welk belang onze
+vaderen hadden bij de bescherming der Franken; wáárom zij KAREL _den
+groote_ als Beschermheer aannamen, en om welke reden deze hen meer als
+bondgenooten dan als overwonnenen behandelde. De vereenigde magt van
+Franken en Friezen beschermde, na 775, de gansche noordwestkust van
+_Europa_, van de Elve tot de Pyreneën, tegen het geweld der Noormannen.
+Meer algemeene en krachtdadige tegenstand verzwakte eerlang echter de
+krachten van dezen; en toen eindelijk, in de elfde eeuw, de weldadige
+stralen des Christendoms ook doordrongen tot die Noordsche rijken, er de
+ruwheid van zeden verzachtten en er volkenregt deden eerbiedigen,--toen
+verminderden van lieverlede die togten, welke eindelijk geheel
+ophielden.
+
+De Friesche geschiedboeken verhalen evenwel, dat nog in 1306 een hoop
+Noormannen de Lauwerszee inviel en hier verwoestingen aanrigtte; doch
+ook, dat zij door de Friezen dapper aangevallen- en, met achterlating
+van 900 dooden en grooten buit, naar hunne schepen gedreven werden,
+terwijl deze het verlies van 400 man, en daaronder hun wakkeren
+aanvoerder, den Potestaat REINDER CAMMINGHA, te betreuren hadden[23].
+
+ [23] De hoofdbron van de geschiedenis dezer invallen is thans het
+ belangrijke werk van Dr. J. H. VAN BOLHUIS, _de Noormannen in
+ Nederland_, Utrecht 1834, 2 st. Zie mede omtrent het vermelde, behalve
+ onze Kronyken op vele plaatsen, MOLHUIJSEN, in NIJHOFF'S _Bijdragen_,
+ VII 182; BOSSCHA, _Neêrlands Heldendaden_, I 22; FOEKE SJOERDS,
+ _Jaarboeken_, III 224 enz.
+
+Wij besluiten het algemeen overzigt van deze togten der Noormannen met
+de volgende lofspraak op de dapperheid der Friezen in dien strijd, van
+den dichter Mr. J. VAN LENNEP[24]:
+
+ [24] _De Roem van twintig eeuwen_, 1831.
+
+ _Nooren, Finnen, fiere Deenen,
+ Die hun overmacht vereenen,
+ Landen op de Friesche kust.
+ Meer nog dan de woeste dieren,
+ Dan de wolven, raven, gieren,
+ Die hun krijgsstandaarden cieren,
+ Zijn ze op roof en buit belust._
+
+ * * * * *
+
+ _Maar geen vloot, geen krijgsgevaren,
+ Maar geen plonderzieke scharen,
+ Zullen immer sidd'ring baren
+ In der Friezen fier gemoed.
+ De ijz'ren knods blinkt in hun handen:
+ Wie hen driftig aan durft randen,
+ Heeft zijn stoutheid ras geboet._
+
+ * * * * *
+
+ _Alle volkren op deze aard
+ Zien wij eens hun naam verliezen;
+ Maar de grootsche naam van Friezen
+ Blijft in eeuwigheid vermaard._
+
+
+14. _Het Verbond der Zeven Vrije Friesche Zeelanden._
+
+De opvolgers van KAREL _den groote_ en van zijn zoon LODEWIJK _den
+vrome_, die van 814 tot 840 regeerde, waren meestal zwakke Vorsten, die
+zich weinig met het bestuur van hunne eigene en veel minder met dat van
+deze afgelegene landen bemoeiden. Gedurige rijksverdeelingen en
+beroeringen van allerlei aard verzwakten bovendien hun gezag. Zelfs
+bleven de Graven of gezanten, welke in de eerste tijden jaarlijks of om
+de drie jaren in _Friesland_ kwamen, om in buitengewone zaken regt te
+spreken en de schatting te innen, eerlang geheel weg. Van deze
+nalatigheid maakten alzoo de vrijheidminnende bewoners dezer landen
+gretig gebruik, om zich nader aan elkander te verbinden en eene
+onafhankelijke volksregering te vestigen, vooral tot onderling
+hulpbetoon: aan de eene zijde tegen de invallen van de Noormannen en aan
+de andere zijde tegen de magtig gewordene Graven en Leenmannen.
+
+Deze toch maakten van die zelfde omstandigheden gebruik ter vergrooting
+van hunne magt en tot verdrukking van het volk. Dit was bijzonder het
+geval in dat eerst veroverde westelijk gedeelte van het Friesche rijk,
+tusschen het ~Sincfal~ en de ~Reker~, dat eerlang door de _Graven van
+Holland en Zeeland_, de _Bisschoppen van Utrecht_ en andere Heeren als
+eene eigene en erfelijke bezitting werd beschouwd. Het tweede gedeelte
+of het eigenlijk _Friesland_, tusschen de ~Reker~ en de ~Eems~, genoot
+eene gewenschte onafhankelijkheid, doch had veel te lijden van de woeste
+strooptogten der Denen. Het derde gedeelte, _Oost-Friesland_, tusschen
+de ~Eems~ en den ~Wezer~, dat ten gevolge van zijne gemeenschap met de
+Saksers later veroverd was, had reeds van KAREL'S zoon, LODEWIJK _den
+vrome_, het regt op het vaderlijk erfgoed, bij de verovering hun
+onthouden, terug bekomen. Het stond nu bloot aan de overheersching der
+Saksische Vorsten en andere Heeren en Bisschoppen, en verlangde zeer in
+het genot te deelen van gelijke regten en vrijheden, als de Friezen
+bewesten de Eems bezaten. Met deze oude stamgenooten sloot het dus een
+verbond tot onderlinge bescherming. Ook andere oostelijke stammen, onder
+gelijke omstandigheden verkeerende, en wonende tusschen den ~Wezer~ en
+de ~Elbe~, en van daar tot den ~Eider~ (de Noord- of Strand-Friezen),
+sloten zich een tijdlang daarbij aan, doch werden later daarvan
+afgetrokken.
+
+Hierdoor ontstond de staat der _Zeven Vrije Friesche Zeelanden_ of aan
+zee gelegene landstreken, welke door zoo vele stroomen of rivieren van
+elkander waren afgescheiden. Het _eerste Zeeland_ lag tusschen de
+~Reker~ en het ~Flie~ en was het latere _West-Friesland_ of een groot
+deel van _Noord-Holland_.
+
+Het _tweede Zeeland_, tusschen het ~Flie~ en de ~Middelzee~ of het
+~Boorndiep~, bevatte _Westergoo_, _Stavoren_, _Gaasterland_ en
+_Doniawerstal_, of ongeveer de westelijke helft van het tegenwoordig
+_Friesland_.
+
+Het _derde Zeeland_, tusschen de ~Middelzee~ en de ~Lauwers~, maakte een
+groot deel der oostelijke helft dezer provincie, of het landschap
+_Oostergoo_ met _Opsterland_, _Utingeradeel_, _Haskerland_ en
+_Ængwirden_ uit.
+
+De zuidoostelijke streken van dit gewest, als _Schoterland_,
+_Lemsterland_ en de _Stellingwerven_, vormden met het noordelijk
+gedeelte van _Overijssel_ en geheel _Drenthe_, die te zamen vermoedelijk
+het Graafschap _Islegoo_ uitmaakten, het _vierde Zeeland_.
+
+De landstreken, waaruit de tegenwoordige provincie _Groningen_ is
+zamengesteld, als: het _Gooregt_, _Hunsego_, _Fivelgo_, het _Oldampt_,
+_Westerwolde_ en het _Wester-kwartier_, benevens _Reiderland_, tusschen
+de ~Lauwers~ en de ~Eems~, maakten het _vijfde Zeeland_ uit.
+
+Het _zesde_ en _zevende Zeeland_ bevatte de landstreken, waaruit
+_Oost-Friesland_ enz. bestaat, en strekte zich van de ~Eems~ tot den
+~Wezer~ uit, terwijl de ~Jade~ de grens tusschen deze beide deelen was.
+
+Het doel dezer vereeniging van stamgenooten was eigenlijk een
+verdedigings-verbond. Ofschoon ieder dezer landschappen onafhankelijk op
+zich zelf stond en zijne eigene overheden, regters en wetten had, hield
+dit verbond allen als vrije Friezen aan elkander gestrengeld. Jaarlijks
+hielden de afgevaardigden uit ieder Zeeland een algemeenen Landsdag, om,
+in het belang van het geheele vrije land, de bestaande geschillen te
+beslechten, den vrede en eendragt te bevorderen, de wederspannigen tot
+gehoorzaamheid te brengen, zich tegen de aanvallen van vreemde Vorsten
+of de aanmatigingen van Leenheeren met eendragtigen moed te verbinden,
+en om nuttige wetten en verordeningen, te maken of de bestaande te
+verbeteren. De plaats, waar men tot dit einde bijeenkwam, noemde men den
+_Opstalsboom_, een beplante heuvel in de nabijheid der stad _Aurik_ in
+_Oost-Friesland_, welke nog in wezen is. Daar vergaderden op den eersten
+Dingsdag na het Pinksterfeest ieder jaar de geestelijken, edelen en
+vrijgeboren mannen, welke ieder der Zeelanden ter behartiging der
+algemeene belangen had afgezonden. In het midden zaten de voor elk jaar
+benoemde regters, die de voorstellen deden; daar om heen waren de
+plaatsen der afgevaardigden, terwijl het volk zich daar rondom schaarde.
+Indien een voorstel beviel, strekte een luid gekletter der wapenen tot
+een teeken van aanneming; doch een luid gemor verhief zich, zoodra het
+niet welgevallig was of nader moest worden besproken. Alles geschiedde
+overeenkomstig de zeden der oude Germanen, die hier het langst bewaard
+bleven[25].
+
+ [25] Naar aanleiding van WIARDA'S werkje over de _Landdagen der
+ Friezen bij Upstalboom_, gaf de Heer Mr. A. TELTING daarvan in de
+ _Leeuw. Cour._ 1831, N^o. 79 eene Herinnering, welke voor een groot
+ gedeelte is overgenomen in VAN LEEUWEN'S Aantt. op _it aade Friesche
+ terp_, bl. 399. Zie ook SCHOTANUS, 170 en _tabl._ 16.
+
+In elkander vonden deze Friesche landstreken alzoo een steun tot vorming
+van een vasten grondslag voor hun maatschappelijk welzijn, namelijk, het
+vermogen om te bestaan zonder hulp van buiten. Na het bezorgen hunner
+eigene veiligheid, rekenden zij het onnoodig van zwakke bondgenooten af
+te hangen. Alleen door het schild des Keizers achtten zij zich genoeg
+beschermd tegen aanrandingen van vreemden, en weinig deerde het hen, dat
+deze zelfde hoofden des rijks misbruik maakten van die bescherming, door
+sommige deelen van hun land nu aan dezen dan aan genen, als ware het
+leengoed, weg te schenken. Immer bleef die zucht, om onafhankelijk te
+willen bestaan, zonder hulp van buiten, een kenmerk van der Friezen
+aard.
+
+In die duistere en nog weinig beschaafde middeleeuwen, toen de lagere
+standen des volks in meest alle overheerde landen van _Europa_ met
+lijdzaamheid de onderdrukking en willekeur van het geweld der magtigen
+moesten verduren, was dit verbond eene even merkwaardige uitzondering
+als deze vrije toestand der ingezetenen eene groote zeldzaamheid. Eeuwen
+lang, zelfs tot in de 15e eeuw[26], heeft dat verbond bestaan, en eene
+vrijheid en volkstrouw beschermd, waarvan bij weinige andere volken het
+voorbeeld is. Dit feit is tevens een bewijs voor de geldigheid van den
+oorsprong van der Friezen volksvoorregten, door velen meermalen
+betwijfeld. Deze zijn echter door den Roomsch-Koning Graaf WILLEM II in
+1248 en door Keizer RUDOLF in 1276 erkend, bevestigd en vermeerderd,
+zoodat zij een wettig gezag bezaten[27]. Zuivere vrijheidsmin en hechte
+volkstrouw hielden onze Friesche vaderen verbonden. Met zelfgevoel en
+liefde waren zij aan hunne wetten en staatsinstellingen gehecht.
+»Dáárdoor wisten zij zich staande te houden te midden der groote
+Europesche beroeringen, en ruilden zij hunne plaatsen voor geene andere
+in. Ja, te midden dier volksbewegingen en overstroomingen stonden zij
+daar, als de krachtige eik in het woud, die de stormen tart en door den
+stroom der wateren niet ontworteld wordt"[28].
+
+ [26] Het verbond van 1430, in het _Vriesch Charterboek_, I 494,
+ schijnt een der laatste sporen dezer vereeniging te zijn. Zie _Aant.
+ 9_.
+
+ [27] Zie _Vriesch Charterb._ I 94; FOEKE SJOERDS, _Jaarb._ III 120.
+
+ [28] Zie ROYAARDS, _Geschiedenis der invoering en vestiging van het
+ Christend._ 41, uitvoeriger in het motto tegenover den titel
+ aangehaald.
+
+De volksstammen, welke tot dit verbond behoorden, hadden in den beginne
+eene volkomene volksregering. Doch in latere eeuwen, toen sommige edelen
+zich boven anderen in aanzien en magt begonnen te verheffen; toen het
+eene Zeeland zich regten en vrijheden boven het andere aanmatigde; toen
+de eerbied voor de wetten verminderde en de vrijheidszucht ontaarde in
+bandeloosheid:--toen werd het eigenbelang boven het algemeen belang
+voorgetrokken en deze schoone band vaneen gereten. In 1323 werd bij de
+Willekeuren van den Opstalsboom het verbond bekrachtigd, het regt der
+Overheden hernieuwd, de boosheid met straffen bedreigd en den landvrede
+bevestigd. Van latere vergaderingen is echter geen spoor. In 1361 werden
+er pogingen gedaan tot vernieuwing van het verbond, waarbij de
+vergaderingen van den _Opstalsboom_ werden verlegd naar het in magt
+sterk toenemende _Groningen_. Doch te vergeefs. Het had zijne
+verbindende kracht voor allen verloren. Binnenlandsche oorlogen en
+persoonlijke veeten, zucht naar gezag en heerschappij verteerden de
+krachten des volks. Geestelijke en wereldlijke Heeren maakten daarvan
+gebruik ter uitbreiding van hun gebied. Zóó ging het eene Zeeland voor
+en het andere na verloren, en werd de eenmaal zoo uitgestrekte Friesche
+vrijstaat gesloopt. Het eerste Zeeland, _West-Friesland_, bezweek, na
+zich langer dan drie eeuwen moedig verdedigd te hebben, voor de overmagt
+der Graven van _Holland_. _Oost-Friesland_ werd een buit van trotsche
+Hoofdlingen en Graven, die elkander lang de oppermagt betwistten, en aan
+de Bisschoppen van _Bremen_ en _Munster_ nog sommige gedeelten van dat
+land moesten afstaan. In _Overijssel_ (het _Over-sticht_) en _Drenthe_
+vestigde de magtig gewordene Utrechtsche Bisschop zijn wereldlijk gezag,
+gelijk hij reeds lang deed in de stad _Groningen_ en het _Gooregt_,
+welke hij door Stedevoogden liet besturen[29]. Alléén het tegenwoordige
+_Friesland_, de kern van den ouden volksstam, bleef ongedeerd en vrij,
+dewijl het zich steeds moedig tegen de aanvallen van vreemde Heeren mogt
+verdedigen. Dankbaar bleef het dit voorregt erkennen, zoo als ook blijkt
+uit een oud-friesch geschrift, vermoedelijk uit het begin der 15e eeuw,
+waarin omtrent dit gedeelte gezegd wordt: »Deze twee Zeelanden, als het
+tweede en derde (_Oostergoo_ en _Westergoo_), zijn tot nog toe vrij en
+anders geen Heer onderworpen, behalve den Keizer des Roomschen Rijks.
+Maar ontzettende schade en menigvuldige aanvechtingen hebben deze landen
+geleden, om hunne vrijheid te beschermen, welke hen geschonken is van
+den grooten Koning KAREL, waartoe zij vele zware strijden hebben
+geslagen tegen de Graven van _Holland_, om hunne landen te beschermen.
+Ook _Stellingwerf_ en _Schoterland_ zijn nog vrij, doch hebben zware
+aanvechtingen en oorlogen gehad met de Bisschoppen van _Utrecht_, die
+het overig gedeelte van dit vierde Zeeland (_Kuinder_, _Giethoorn_,
+_Vollenhove_, _Steenwijk_ en _Drenthe_) hebben bedwongen"[30].
+
+ [29] YPEIJ en FEITH, _Oudheden van het Gooregt en Groningen_, 1836, I,
+ 37 env.; DIEST LORGION, _Geschiedkundige Beschrijving van Groningen_,
+ 1849, 18 env.; DRIESSEN, _Monum. Gron._ 857.
+
+ [30] Zie het Klein Traktaat van de zeven Zeelanden in SCHOTANUS,
+ _Kronyk_, _tablinum_, 19, en, met de vertaling, in FOEKE SJOERDS,
+ _Beschrijving_, I 55. Vergelijk verder _Aanteekening 9_.
+
+Lang zou dit gedeelte die zeldzame en eervolle onafhankelijkheid hebben
+behouden, indien zijne burgers zich des waardig hadden gedragen. Maar
+ook zij leverden het bewijs, hoe bezwaarlijk de vrijheid, zelfs onder
+bescherming van goede wetten, wordt gehandhaafd, wanneer menschelijke
+zwakheden en ondeugden een overwigt in den staat bekomen. Eer- en
+heerschzucht begonnen den boventoon te voeren; de oude goede trouw werd
+vervangen door bandelooze partijzucht en familie-veeten. Een opperhoofd
+of Potestaat uit hun eigen midden had geen gezag meer; zoodat eindelijk
+de Keizer het bestuur van dit land opdroeg aan een vreemden vorst, aan
+Hertog ALBERT _van Saksen_, die hen tot eendragt en rust, tot orde en
+regt dwong, en hun den verloren vrede hergaf, doch ten koste van een
+groot deel der onafhankelijkheid.
+
+
+15. _Veranderingen in den toestand des bodems van Friesland._
+
+_Watervloeden, de Zuiderzee, de Middelzee enz._
+
+Een niet minder gevaarlijken vijand dan de Noormannen hadden de Friezen
+op hunne kust bestendig te bestrijden in de ~Noordzee~. Wel had de
+natuur hun laag gelegen land tegen haar geweld zoeken te beschermen door
+het met een zoom duinen te omgeven; wel had zucht tot zelfbeveiliging
+hen op hooge plaatsen menigvuldige terpen doen opwerpen, om tot woon- en
+schuilplaats voor personen en vee te strekken bij het opkomen der
+vloeden, die dagelijks de riviermonden binnenstroomden; zelfs waren ze,
+zoo men wil in de 7e eeuw, reeds begonnen, langs den oever zeedijken en
+waterkeeringen aan te leggen:--in gewone gevallen bood dit alles
+genoegzame bescherming aan, om hun het rustig bezit en genot van het
+land te verzekeren. Maar ongenoegzaam, ja zelfs onbeduidend waren die
+zwakke beveiligingsmiddelen, zoo dikwijls hevige stormen de hoog
+gestegen vloeden met woedend geweld voortzweepten, en deze, met
+verachting van allen wederstand, het land overstroomden, vele de
+gewrochten van menschelijke vlijt en arbeid verwoestten en nood en dood
+alom verspreidden. Ontzettende ellende en verbazende schade hebben de
+bewoners dezer landen gedurende vele eeuwen van deze geduchte en zoo
+dikwijls herhaalde watervloeden te lijden gehad.
+
+ Want, ach! als hij loeide, die woedende orkaan,
+ En randde de kusten des Vaderlands aan,
+ Wat waarde had dan nog het leven?
+ Dan dekte het zeezout het zuchtende land,
+ Verwijderde staag het bedwingende strand,
+ Deed honderden, duizenden sneven.
+
+ En huizen, en hoven, en menschen, en vee
+ Verzwolg ze, die woeste, verslindende zee,
+ En naakt en berooid moest hij vlugten
+ De landman;--'t verlies van zijn have getroost,
+ Behield hij zijn vrouw maar, zijne ouders, zijn kroost,
+ Wier dood er zoo velen deed zuchten.
+
+ En groende zijn weide als de lente verscheen?
+ Ontlook dan zijn koren, zijn welvaart? Ach neen!
+ Die zee, ach die zee wou niet wijken!
+ En schoon ook de landwind verdroogde die plas,
+ De zee liet haar zout, en de grond bleef moeras,
+ Geen scheutje, geen aar kon er prijken[31].
+
+ [31] Mr. A. VAN HALMAEL JR., _Lied, Kaspar Robles door den Frieschen
+ Landman toegezongen_, geplaatst in de Aantt. op de _Hulde aan H. J.
+ Groen_, door Mr. ROBIDÉ VAN DER AA, Leeuw. 1825, 18.
+
+Bij al die verliezen aan menschen, vee en bezittingen; bij al de schade,
+welke de algemeene welvaart telkens leed, onderging bovendien het land
+zelf ten gevolge dier veelvuldige overstroomingen een zeer groot
+verlies, doordien de zee eene groote uitgestrektheid gronds verzwolg.
+Elders werd daarentegen weêr land aangewonnen. Land werd in zee--zee
+werd in land herschapen.--Deze merkwaardige vervorming van een gedeelte
+des vaderlandschen bodems had op den toestand van het geheel en op de
+ligging van de bijzondere deelen en plaatsen een grooten invloed. Ten
+aanzien van het tegenwoordige _Friesland_ willen wij de voornaamste
+bijzonderheden daarvan mededeelen.
+
+De laaggelegene noordwesthoek van _Nederland_ stond natuurlijk het meest
+bloot aan de woede van den oceaan. Bovendien vloeiden hier verscheidene
+grootere en kleinere rivieren en stroomen zeewaarts, ter ontlasting
+van het boezemwater des lands. De ~IJssel~, door het Marsdiep
+uitstroomende, was van meer belang geworden sedert hij met een deel der
+wateren van den Rijn werd belast. Het ~Flie~, dat door de Vecht, het
+Zwarte water, de Kuinder of Tjonger en de Linde gevoed werd, was breeder
+en dieper geworden, sinds het bezwaard was met den afvoer der wateren
+uit het zuidelijk _Friesland_, waar langs het vroeger een deel zijner
+krachten had afgezet naar de ~Middelzee~ of het ~Boorndiep~. De
+aanvankelijke verlanding van dezen zeeboezem aan de zuidzijde gaf toch
+een geheel anderen loop aan vele stroomen, en was van evenveel belang
+als de nieuwe mond of uitstrooming, welke de Middelzee, reeds vóór de
+7e eeuw, tusschen _Terschelling_ en _Ameland_ had bekomen, waardoor zij
+de Boorn en vele wateren van _Oostergoo_ en _Westergoo_ gemakkelijker
+afvoerde. Verder was het de ~Lauwers~, welke, vereenigd met de Ee, de
+Hunse en de Aa, zich tusschen _Ameland_ en _Schiermonnikoog_ met een
+breeden mond in de Noordzee stortte. De eertijds geheel met duinen
+bezette kust was door deze riviermonden verbroken. De Noordzee had
+daardoor gelegenheid bekomen, om bij hevige stormen met meer geweld op
+deze landen in te breken, waarbij vele duinen weggeslagen en de zeegaten
+verbreed en verdiept werden. Terwijl aldus de toegang der zee ruimer en
+de afvoer van IJssel en Flie hooger en krachtiger was geworden, zoo
+bragten deze en andere omstandigheden te zamen genomen te weeg, dat de
+lage landen langs die zeegaten en stroomen van lieverlede afgeschuurd,
+verbroken en verzwolgen werden; dat de duinenrij slechts eene smalle
+strook lands kon beschermen, welke als zoovele eilanden bewaard bleven,
+en dat de gansche uitgestrektheid lands tusschen _Friesland_ en
+_Noord-Holland_ weggeslagen en met het oude meer Flevo vereenigd werd,
+waardoor de ~Zuiderzee~ is ontstaan[32].
+
+ [32] Vergelijk hierbij en bij het volgende Dr. OTTEMA'S _Kaart van de
+ Zuiderzee_, bij zijne Redevoering over haar ontstaan, in _de Vrije
+ Fries_, IV 183, in _Aanteekening 10_ nader vermeld.
+
+Dit alles geschiedde trapsgewijze door geduchte overstroomingen, wier
+geheugenis in de geschiedboeken is bewaard. Na lange voorbereiding werd
+het eerst in 1170 bij den vreeselijken Allerheiligen-vloed, die overal
+schrikbarende verwoestingen aanrigtte, het land tusschen _Medemblik_ en
+_Flieland_ weggescheurd, alsmede het meer Flevo aan de oostzijde
+vergroot. Na latere overstroomingen van het begin der volgende eeuw,
+bekwam die kom bezuiden _Flieland_, omstreeks 1237, nog grootere
+uitbreiding. Met geweld bruischte de zee nu vervolgens door de verwijde
+zeegaten op de lage landen in, zoodat, ten gevolge der watervloeden,
+welke _Friesland_ drie jaren achtereen teisterden, in 1250 al de overige
+landen bewesten de Friesche kust, van _Harlingen_ tot voorbij
+_Hindeloopen_, weggerukt en in eene onafzienbare watervlakte herschapen
+werden. Omstreeks dien zelfden tijd werd er bezuiden _de Lemmer_ nog
+grooter veld weggeslagen en daardoor de oppervlakte van het meer Flevo
+verdubbeld.
+
+Nadat in 1277 beoosten _Groningen_ eene groote uitgestrektheid aan den
+mond der Eems was weggerukt en in den Dollard herschapen, was de
+watervloed van 1287 hier zóó geducht, dat elders het gerucht werd
+verspreid, dat geheel _Friesland_ verzwolgen was. Het getal der daarbij
+omgekomene personen in dit gewest werd op 30,000 begroot. Hierbij had de
+~Westerzee~ weder eene uitbreiding verkregen door het wegslaan van de
+landstreek tusschen _Harlingen_ en _Terschelling_; terwijl de overige
+landen bezuiden dit eiland en _Ameland_, een groot gedeelte der
+tegenwoordige Wadden, eerlang voor de woede der golven bezweken. Na
+herhaalde watervloeden werd eindelijk in de volgende eeuw ook de
+landstreek tusschen _Medemblik_, _Enkhuizen_ en _Stavoren_ verzwolgen,
+waardoor de Westerzee met het vergroote meer Flevo vereenigd werd en de
+~Zuiderzee~ nagenoeg hare tegenwoordige grootte en grenzen verkreeg[33].
+(Zie _Aanteekening 10_.)
+
+ [33] Vermits de meeste toenmaals weggerukte gronden nog in zandplaten
+ en ondiepten bestaan, en aangezien de Noordzee sedert dien tijd door
+ het uitkolken van onze stranden en het afslaan van de eilanden voor
+ onze tegenwoordige zeeweringen hoe langer hoe gevaarlijker is
+ geworden, zijn er, die meenen, dat thans de tijd gekomen is, om
+ het vroeger verlorene te herwinnen, met al de middelen, welke de
+ kunst en het vermogen der 19e eeuw aanbieden. Wenschelijk wordt het
+ voorgesteld, dat de Noordzee tot hare oorspronkelijke grens (de
+ duinenrij op de eilanden) teruggedrongen en dat de Zuider- en
+ Lauwerszee met de daar tusschen gelegene Wadden bedijkt en tot land
+ gemaakt worden.
+
+ * * * * *
+
+Na zoo vele aanzienlijke verliezen in grond, in bewoners, in vee en
+eigendommen te hebben geleden, zou menigeen welligt dit gevaarvolle land
+verlaten en een veiliger oord opgezocht hebben. Niet alzoo onze vaderen,
+wier moed door al die gevaren opgewekt werd, om te strijden ter
+bedwinging van het woeste element. Met ijver trok men aan het werk, om
+langs de gespaarde kust zeedijken op te werpen, ten einde dit land te
+beschermen tegen meerdere verliezen.
+
+ Natuur! van wie de stervelingen
+ Een eigen Vaderland ontfingen,
+ Wat heeft ons met uw haat belaân,
+ Dat wij alleen van alle volken
+ Voor 't brijzelend geweld der diepe waterkolken
+ Aan alle kant ten doelwit staan?
+
+ Doch dat we ons niet van haar beklagen!
+ In weervergelding dezer plagen
+ Schonk ze ons een onverschrokken moed,
+ Om stout ten golven uit te stijgen,
+ Die al wat ze ons onthield vrijmachtig deed verkrijgen,
+ Ten prijz' van eigen zweet en bloed[34].
+
+ [34] BILDERDIJK, _de ware Liefde tot het Vaderland_.
+
+Reeds vroeger had men zulke breede zeeweringen langs de westkust van
+_Oostergoo_ en den oostoever van _Westergoo_ opgeworpen ter breideling
+van den breeden zeeboezem de ~Middelzee~ of het ~Boorndiep~. Ook had men
+Binnendijken of waterkeeringen in het land aangelegd, tot bescherming
+van sommige gedeelten, om de verspreiding van het vloedwater tegen te
+gaan. Aangenaam was echter bij al die verliezen het verschijnsel, dat,
+gelijktijdig met de wegscheuring van de westelijke landen, de
+~Middelzee~ van tijd tot tijd smaller en ondieper werd, en in de 13e en
+14e eeuw geheel in hoog en vruchtbaar land werd herschapen. In de
+vroegste tijden had deze zeeboezem waarschijnlijk eene breedte van de
+_Oudeschouw_ voorbij _Sneek_ en _Ylst_ tot _Bolsward_, en was de Hem- en
+Groendijk daarvan de waterkeering aan de zuidzijde. Een gedeelte van den
+tegenwoordigen Slagtedijk, van _Bolsward_, over _Bozum_, _Weidum_ en
+_Berlikum_ naar _Dijkshoek_, omzoomde haar aan de noord- en westzijde;
+terwijl de dijken, waarop thans meest straatwegen zijn aangelegd, van de
+_Oudeschouw_ over _Leeuwarden_ en verder voorbij _Stiens_ tot onder
+_Hallum_, haar ter oostzijde bedwongen.
+
+Toen nu, ten gevolge der verwijding van den ~Fliestroom~, de toevoer
+van water uit het zuiden naar de ~Middelzee~ verminderde, bewaarde deze
+stilstaande kom gereedelijk de slibstoffen, welke noordweste stormen
+elders wegrukten en herwaarts heenvoerden. Ten einde die ter zuidzijde
+aangeslibde gronden te bewaren en voor den landbouw met meerdere
+veiligheid te gebruiken, werd er een dijk gelegd, van _Rauwerd_ in
+zuidwestelijke rigting langs _Scharnegoutum_, _Tirns_ en _Folsgare_ tot
+nabij _Bolsward_. Doch het daardoor overgebleven meer verlandde ten
+gevolge van voortdurende aanslibbingen zoo spoedig, dat op dien grond
+reeds in 1277 de kerk van het dorp _Nieuwland_ gesticht werd. De
+uitbreiding van de Zuiderzee en het wegslaan van de gronden der Wadden
+bevorderde vervolgens de landwinning zoo snel, dat de Middelzee in de
+13e en 14e eeuw van lieverlede inkromp en in vruchtbaar kleiland
+herschapen werd, waarvan wij reeds in 1398 een gedeelte van _het Bildt_
+vinden vermeld. Vanhier, dat deze groote uitgestrektheid _Nieuwland_,
+welke in 1505 door de bedijking van _het Bildt_ werd afgesloten, eene
+belangrijke vergoeding geacht werd voor al de verlorene gronden bewesten
+de Friesche kust.
+
+Ten gevolge van dat alles had het land eene gansch andere gedaante
+verkregen. _Leeuwarden_, _Sneek_, _Ylst_ en _Bolsward_, welke als
+Zeeplaatsen in het opkomen waren, werden van toen af Landsteden en
+daardoor geheel andere belangen toegedaan. _Harlingen_, _Workum_ en
+_Hindeloopen_ daarentegen begonnen als zeeplaatsen te bloeijen;
+_Stavoren_ echter, die oude en aanzienlijke stad, welke aan eene
+gunstige ligging ter wederzijden van den Fliestroom hare scheepvaart
+en handel, welvaart en uitbreiding had te danken, zoodat zij
+onder de steden van het Hanseverbond als de derde in rang werd
+opgenomen,--_Stavoren_ had, ten gevolge van al die zeeveroveringen en
+de verbreeding van het Flie, een groot verlies te lijden. Wel bleef de
+ligging van het overgebleven gedeelte op dien landhoek aan de Zuiderzee
+zeer gunstig; wel verkreeg zij van de Hollandsche Graven, die van 1292
+tot 1414 daar hun gezag trachtten staande te houden, groote voorregten,
+en zag zij hare handelsprivilegiën op de Oostzee nog in 1363 en 1368
+door verbonden met de Koningen van _Denemarken_ en _Zweden_ bevestigd en
+uitgebreid: toch neigde zij eerlang ten val. De overlevering wil, dat
+hare welvaart verminderde ten gevolge van verregaande weelde en
+euvelmoed, waarvoor de verzanding van hare haven zelfs eene straf geacht
+werd. Nadat de zee eerst een gedeelte der stad met de in 1132 gestichte
+kerk en het oude St. Odulphus-klooster had weggeslagen, was een
+noodlottige brand, die ongeveer 500 huizen zou verteerd hebben, in 1420
+de oorzaak van meerdere afneming en verval, welke later aanmerkelijk
+zijn toegenomen[35].
+
+ [35] Zie _Charterboek_ I 72, 124, 227, 232 enz. WESTERMAN,
+ _Beschrijving van Stavoren_, van 1613, achter zijne _Zeepostille_.
+ Onder vele bijzonderheden omtrent de vroegere uitgebreidheid en handel
+ der stad vermeldt deze, dat de zeevaarders van _Stavoren_ de eerste
+ geweest zijn, die de Noordsche landen en de Zond bezochten, waarom de
+ Koning van _Denemarken_ hun het voorregt verleende van bij het
+ doorvaren van de Zond vóór alle andere schippers vertold te worden;
+ ter bewaring van welk privilegie zij vervolgens jaarlijks met het
+ eerste schip den Koning een Leidsch laken vereerden.
+
+ * * * * *
+
+Ofschoon later nog een aantal watervloeden _Friesland_ overstroomden en
+vele schade veroorzaakten, mogt het den Friezen toch gelukken, sedert
+dien tijd hun land te behouden en tegen meerdere verliezen te
+beschermen. Zeker kostte het verbazende moeite, volharding en
+opoffering, om dit land, dat lager ligt dan den dagelijkschen vloed der
+zee, met zulk eene uitgestrektheid zware zeedijken te omringen, om zoo
+vele kostbare zeesluizen aan te leggen, om zoo vele binnendijken en
+waterkeeringen met sluizen tot stand te brengen, en om zoo vele lage
+landen met kunstmiddelen vruchtgevend te maken en te houden. Gewis,
+indien moed en standvastige fierheid tot het overwinnen van moeiten en
+gevaren geene kenmerken van het karakter der Friezen waren
+geweest;--indien het vaderland, waaraan zij zoo zeer gehecht waren, hen
+niet dierbaarder was geworden, naar gelang de pogingen om het te
+behouden zorg en inspanning kostten,--zij zouden geene zoo grootsche
+overwinning behaald hebben in den strijd tegen een vijand, als de
+woedende Noordzee.
+
+Vrij moge men dan elders in trotsche gewrochten der bouwkunst
+of in reusachtige Hunebedden de krachten van het voorgeslacht
+bewonderen--hier, in dit gedeelte van het oude _Friesland_, zijn de
+talrijke terpen en zware zeeweringen eervolle blijken van volhardenden
+moed en liefde tot het vaderland. En gaarne zeggen wij dus een onzer
+volksdichters na:
+
+ _Sa faek troch stoarm yn djippe sé beditsen,
+ Oeralde ljeawe Friesce groun!
+ Waerd noait dy taie bôan foarbritsen,
+ Dy Friesen oen hjar lôan forboen._
+
+ _Trochloftich folk fen disse alde namme!
+ Weas jimmer op dy alders great.
+ Bljou iwich fen dy grise hege stamme
+ Ien grien, ien kreftich doerjend leat_[36].
+
+ [36] Dr. E. HALBERTSMA in _de Lapekoer fen Gabe Scroar_, 1834, 226.
+
+
+16. _Der Friezen aandeel in de Kruistogten naar het Heilige land.
+1096-1270._
+
+In het laatst der elfde eeuw werden de Christenen van het westen en ook
+de Friezen opgeroepen tot deelneming in een strijd, welke geheel
+_Europa_ in beweging bragt. _Palestina_ of het _Heilige land_, waar de
+stichter van het Christendom geleefd en geleden had, waaraan
+godsdienstige eerbied zoo vele heilige herinneringen verbond, bevond
+zich in de magt der Saracenen of Turken. De kwellingen, welke deze de
+Christenen aandeden, wekten in _Europa_ den godsdienstijver van vorsten
+en volken op tot het doen van een kruistogt, om _Palestina_ weder in de
+magt der Christenen te brengen.
+
+De eerste kruistogt werd ten jare 1096 ondernomen. Uit verschillende
+landen werd een verbazend groot leger bijeengebragt. Met vele bezwaren
+en rampen had het op den langen togt naar het oosten te strijden. Het
+gelukte echter deze kruisvaarders de steden _Nicéa_, _Antiochië_,
+_Cesaréa_ en _Jeruzalem_ te veroveren, en het koningrijk _Jeruzalem_ te
+stichten, waarvan GODFRIED VAN BOUILLON, Hertog van _Neder-Lotharingen_,
+tot Koning werd uitgeroepen, welken titel hij echter niet aannam, maar
+zich vergenoegde met dien van Beschermer van het Heilige graf.
+
+'t Is zeer natuurlijk, dat eene zoo krijgshaftige natie als de Friezen
+ijverig deel nam in dezen togt en aandeel had in deze overwinningen. Ook
+na KAREL _den groote_ hadden zij buitenlandsche Vorsten vrijwillig
+bijstand geboden, en bekend is het, dat de BURMANIA'S, CAMMINGHA'S,
+ROORDA'S en anderen in de 11e eeuw met roem overladen terugkeerden uit
+het leger van Keizer HENDRIK III, dien zij op zijne oorlogstogten in
+_Boheme_, _Hongarije_ en elders gevolgd waren[37]. In bijna al de
+kruisvaarten betoonden de Friezen zich roemruchtige kampvechters voor
+het Christelijk geloof, die andere volken in koenheid overtroffen, maar
+die onafhankelijk, onder eigene bevelhebbers staande, geen ander gezag
+eerbiedigden dan dat van den Paus. Oude geschiedverhalen noemen zelfs de
+namen der aanzienlijke edelen, onder welke zij in den eersten kruistogt
+uittrokken, als de leden der geslachten: LIAUCKAMA, BOTNIA, HERMANA,
+GALAMA, FORTEMAN en anderen. Bijzonder onderscheidden zich door
+dapperheid EELKO LIAUCKAMA en FEIKO BOTNIA, waarom zij tot bevelhebbers
+over 3000 man ruiters benoemd werden. Na in onderscheidene gevechten
+zware wonden bekomen te hebben, werden zij, na de verovering van
+_Jeruzalem_, ter belooning van hunnen moed, door den Koning tot Ridders
+geslagen. Bij de belegering van _Nicéa_ sneuvelde de laatste
+afstammeling der FORTEMANS met SICKO LIAUCKAMA en EPO HARTMAN op het bed
+van eer (1097).
+
+ [37] Dit vermeldt BOSSCHA, _Neêrlands Heldendaden_, I 34.
+
+Onderscheidene andere edelen, als HOMME HOMMINGA, GOFFE ROORDA, SICKO
+CAMMINGHA en TJALLING OCKINGA voerden eerlang nieuwe benden Friezen aan.
+In vele gevechten met de Saracenen behaalden zij grooten lof van
+dapperheid, waarom BOUDEWIJN, de tweede Koning van _Jeruzalem_, en
+andere hoofden des legers hen bijzondere achting toedroegen. Naar het
+vaderland terug verlangende, ontsloeg de Koning hen noode uit zijne
+dienst. Hij zelf geleidde hen met 100 ruiters naar _Jaffa_, vanwaar zij
+zich inscheepten, en eerlang, na vele gevaren te hebben doorgestaan, in
+_Friesland_ terugkwamen, waar zij met blijdschap in plegtigen optogt
+werden ontvangen (1106).
+
+ * * * * *
+
+Aan bijna al de verdere kruistogten, vooral aan die van de jaren 1119,
+1147 en 1189, namen vervolgens vele Friezen deel, en hielden zij den
+eens verworven roem van beleid en dapperheid staande. Doch op geenen
+togt behaalden zij grooter lof en eer, dan op een der laatste, in 1217
+ondernomen. De Priester OLIVIER van _Keulen_ was naar _Friesland_
+gezonden, om daar het kruis te prediken. Het gelukte hem, de menigte met
+zulk eene geestdrift voor dezen togt te bezielen, dat, volgens zijn
+eigen berigt, 50,000 Friezen de wapenen opnamen en zich te _Dokkum_ en
+elders op meer dan 80 schepen ter zee begaven. Onderweg vereenigde deze
+vloot zich met die van Graaf WILLEM I van _Holland_. Na zich lang in
+_Portugal_ te hebben opgehouden, overwinterden zij in de haven der
+Italiaansche stad _Corneto_, waar zij van Paus HONORIUS III vele
+gunstbewijzen ontvingen.
+
+In het volgende voorjaar zetten zij de reis voort naar de sterke
+Egyptische stad _Damiate_, aan een der monden van den Nijl en de
+Middellandsche zee gelegen. Reeds dadelijk bij de landing bewonderde het
+leger den moed van een Friesch boogschutter. Toen de Saracenen zich naar
+het strand begaven, om de landing te beletten, schoot deze onversaagde
+krijgsman de eene pijl na de andere op hen af, zoodat velen getroffen
+ter aarde zonken. Vlugtende ontwijken nu de anderen den vijand, en het
+was door deze koenheid, dat de Christenen hunne legerplaatsen
+ongehinderd konden opslaan.
+
+Vóór dat men de rivier kon opzeilen, om bij _Damiate_ te komen, moest er
+een sterke toren, op een eiland, veroverd worden, terwijl er eene
+ketting over de rivier was gespannen. De ongeduldige Friezen zwommen
+echter den Nijl over, en raakten slaags met de Saracenen. Men riep hen
+van daar terug, en nu hielpen zij met mannenmoed den sterken toren
+belegeren. Dappere tegenweer deed herhaalde aanvallen mislukken. Daarom
+bouwden de Friezen en Duitschers een vreemd krijgswerktuig, om hiermede
+den toren te bestormen. Op twee hunner schepen, koggen genaamd, legden
+zij zware balken, zetten vier masten daarop, en bouwden daar boven een
+toren, van planken en vlechtwerk, met huiden gedekt, om tegen de pijlen
+en het grieksch vuur der belegerden beschut te zijn. Een lange ladder en
+valbrug waren er aan verbonden, om den toren te kunnen beklimmen. Onder
+de gebeden der Christenen en den hevigsten tegenstand der Turken, werd
+met dit gevaarte de sterkte aangevallen. Van weerszijden werd woedend
+gestreden. Een jong ridder uit _Luik_ beklom het eerst den toren. Hem
+volgde een zeer jonge Fries, HAIJO, van _Wolvega_, die, met een
+dorschvlegel gewapend, allen versloeg, die hem tegenstonden, en ook het
+vaandel van den Sultan veroverde. Weldra werd nu, als blijk van de
+overwinning, onder het gejuich der Christenen, den standaard des kruises
+op den toren geplant. Later gelukte het de Friezen en Duitschers met
+bewonderenswaardige dapperheid de schipbrug over den Nijl te vernielen
+en de vrije vaart op deze rivier te openen. Geene mindere hulp boden zij
+bij de belegering van _Damiate_, dat in het laatst van 1219 overging. De
+Patriarch van _Jeruzalem_ en OLIVIER gaven de Friezen bij hunnen aftogt
+loffelijke getuigschriften mede van hunne betoonde stoutmoedigheid en
+braaf gedrag. Men wil, dat de inwoners van _Dokkum_, in welke zeeplaats
+vele schepen werden uitgerust, groot aandeel hadden aan dezen togt, en
+dat het koggeschip, dat lang tot windwijzer van hun toren diende,
+alsmede de drie sterren en eene kwartier maan, welke zij later in het
+stadswapen voerden, afkomstig zijn »ter gedachtenisse van de
+overwinningen, in de heilige oorlogen op de Saracenen behaald."
+
+De diensten door de Friezen op dien kruistogt bewezen, werden zelfs door
+het opperhoofd der kerk, Paus HONORIUS III, dankbaar erkend, bij
+gelegenheid dat hij in 1226 op nieuw hunne hulp inriep bij eenen
+afzonderlijken brief, waarin hij zich in dezer voege uitlaat: »Voorwaer,
+also ghy Vriesen voormaels met den Cruyce geteyckent, ons te scheepe in
+den Over-lande getrouwelyck gedient hebt, in alsulcker voegen, dat u
+loff ende eere van geslachte tot geslachte sal verbreydet worden, hebben
+wy noodich ende raetsaem gevonden, u specialycken, als vermaerde
+Camp-Vechters Christi, tot zynen dienste te roepen ende te verschryven;
+vast vertrouwende, dat terwylen ghy in stoutmoedicheyt ende cracht
+andere natien te boven gaet, dat ghy met manlycke couragie 't Heylige
+oorloge sult aanveerden, opdat wy, strydende voor 't aertsche Jerusalem,
+het eeuwige sullen bekomen."[38]
+
+ [38] Zie _Vriesch Charterboek_, I 93; VAN MIERIS, _Charterb._ 1 200;
+ WINSEMIUS, 161.
+
+ * * * * *
+
+Uit dezen zelfden kruistogt is het verhaal van een kloekmoedig bedrijf
+bewaard. Het gebeurde eens, dat de beide legers der Christenen en
+Saracenen tegenover elkander lagen, en zich ten strijde toerustten. Daar
+treedt een ongemeen groot Prins der Mooren voor het Saraceensche leger
+uit, en daagt, vol verwaanden trots, een der dapperste ridders der
+Christenen uit, om met hem een kampstrijd te wagen. Een moedig Friesch
+edelman uit het geslacht van ROORDA, van _Genum_, kon niet dulden, dat
+zulk eene uitdaging onbeantwoord bleef. Met verlof van zijn hoofdman en
+in vertrouwen op de hulp van den God der Christenen, treedt hij den
+gespierden moor, in het aanzien van beide legers, onversaagd tegen.
+Deze ziet met overmoed en verachting op hem neder, en denkt met éénen
+slag hem den schedel te klooven. Doch hij bedriegt zich. Ridderlijk valt
+ROORDA hem aan, en, al zijne krachten inspannende, brengt hij,
+dapperlijk vechtende, zijnen vijand verscheidene wonden toe, ja
+overweldigt, hem ten laatste zoo volkomen, dat de van spijt en woede
+brullende uitdager, doodelijk getroffen ter aarde valt. Gejuich vervult
+het leger der Christenen. Des Prinsen afgehouwen hoofd brengt hij als
+prijs der overwinning op de punt van zijn zwaard in het leger der
+kruisvaarders, waarin hij met uitbundigen lof en eere wordt ontvangen.
+Om deze kloeke daad werd hij tot Ridder geslagen, en hem toegestaan, een
+moriaanshoofd in zijn wapen te voeren, gelijk zijne nakomelingen nog
+eeuwen lang na hem hebben gedaan.
+
+ * * * * *
+
+Terwijl dit alles in het oosten voorviel, mogten ook verscheidene oorden
+van _Europa_ van der Friezen krijgsroem gewagen. Bij den grooten
+kruistogt van 1147 in _Portugal_ geland, was het mede door hunne hulp,
+dat de magtige stad _Lissabon_, na een lang en hevig beleg, aan de magt
+der Saracenen ontrukt werd. Zelfs vindt men gemeld, dat bij die
+gelegenheid 200 man Friezen, onder aanvoering van een vromen held,
+POPTATUS, 30,000 Heidenen verslagen hebben, welk getal echter overdreven
+zal zijn[39]. Bij een lateren togt (van 1217) hielpen zij, met 25
+schepen, de Portugesche stad _Santa Maria_ op de Saracenen veroveren. In
+1147 deelden zij, met de Westfalingers en Saksers verbonden, in een togt
+tegen de Wenden, of de Heidensche Slavoniërs aan de Oostzee. Ook daar
+gedroegen zij zich zoo dapper, dat als een (bijna ongeloofelijk) bewijs
+daarvan vermeld wordt, dat 100 Friezen, die zich te _Suse_ gevestigd
+hadden, aangemoedigd en voorgegaan door een edelen en onverschrokken
+priester, GERLACUS, zich tegen een heir van 3,000 Wenden verzetten en
+dit na een langdurig en hevig gevecht op de vlugt sloegen[40].
+
+ [39] Mr. SIMON VAN DER AA heeft dezen togt naar _Lissabon_ in
+ dichtmaat voorgesteld in den _Friesche Volks-Almanak_ voor 1845, 140.
+
+ [40] Zie bij SCHOTANUS, _Kronyk_, 92, het uitvoerig verhaal daarvan.
+
+Gelijktijdig dienden er onderscheidene Friesche edelen in de legers der
+voornaamste vorsten van _Europa_. Twee MARTENA'S stonden bij Keizer
+FREDERIK BARBAROSSA (_Roodbaard_) om hunne kloekmoedigheid in hooge
+gunst. De een sneuvelde in _Italië_; de andere was 's Keizers lotgenoot
+in den dood op zijnen togt naar _Palestina_ (1199). In den noodlottigen
+kruistogt van LODEWIJK IX, tegen _Tunis_, waren het de Friezen, die
+althans nog eenig voordeel behaalden. Keizer RUDOLF bewees de Friesche
+edelen bijzondere achting; vooral onderscheidde zich WATSE JOULSMA
+als een manhaftig krijgsman. Een andere Fries, die door zijne
+krijgsbedrijven zich buitenlands beroemd heeft gemaakt, was JUW DEKAMA,
+die Koning EDUARD I, bij de verovering van _Schotland_ belangrijke
+diensten bewees (1298). Een afstammeling van het zelfde geslacht vond,
+met een der BEYMA'S, den dood in _Italië_, waar zij te _Pisa_ begraven
+werden op last van Keizer HENDRIK VII, wien zij met hunne landgenooten
+AYLVA, HETTINGA en anderen hunnen dapperen arm geleend hadden (1312).
+Meerdere voorbeelden van Friesche krijgshelden uit dat tijdvak zouden
+wij kunnen opnoemen; doch genoeg om den heldenaard der Friezen regt te
+doen wedervaren[41].
+
+ [41] Dus spreekt de Hoogleeraar BOSSCHA, _Heldendaden_, I 34, 35, die
+ deze en andere krijgsbedrijven der Friezen met hoogen lof vermeldt.
+
+ * * * * *
+
+Maar vooral behaalden de Friezen grooten roem wegens hun ~beleid~, bij
+de belegering van de stad _Aken_, in 1248. De Hollandsche Graaf WILLEM
+II, door den invloed van den Paus tot Keizer van _Duitschland_ verkozen,
+moest dáár tot Roomsch-Koning gekroond worden; doch de vroeger verkoren
+Koning KOENRAAD hield de stad bezet voor zijnen vader, den in den ban
+gedanen Keizer FREDERIK II, en weigerde haar over te geven. Juist hadden
+verscheidene volken zich reisvaardig gemaakt, om een nieuwen kruistogt
+naar _Palestina_ te doen. De Paus ontsloeg hen echter van deze gelofte,
+indien zij zich naar _Aken_ wilden begeven, om deze stad voor Koning
+WILLEM in te nemen. Niet minder dan 200,000(?) krijgers trokken nu
+derwaarts. Te vergeefs benaauwden deze, bijna een halfjaar lang, de
+kloek verdedigde stad, die nog altijd langs eene vlakte aan de
+noordzijde gelegenheid had, nieuwen toevoer te bekomen.
+
+Tegen den herfst kwam echter, op verzoek des Konings, eene nieuwe bende
+Friezen, aangevoerd door een moedig edelman, TJAARD DOTINGA, in het
+leger aan. Deze begonnen met het bezetten van de vlakte benoorden de
+stad. Drie malen trachtten de nu geheel ingeslotene stedelingen hen van
+daar te verdrijven; doch de onverzettelijke Friezen weken geen voetbreed
+terug, maar verschansten zich op het veld, en namen ook eene andere
+sterkte in, die niemand te voren had durven aantasten. Doch dit was niet
+genoeg: want hoe fel de honger en ellende in de stad ook drongen, zij
+was tot geene overgave te bewegen. Daarom namen de Friezen list te baat,
+door de stad te bestoken met het zelfde element, waartegen zij in hun
+land met dijken en dammen hadden te strijden. Zij legden namelijk ten
+oosten der stad een zwaren en hoogen dijk over het lage land en dóór de
+beek, die het water afvoerde, hetwelk uit de talrijke bronnen der
+omgelegene bergen ontsprong. De door de herfstregens opgezwollen beken
+konden zich nu niet ontlasten, en zetten een groot deel der in een dal
+gelegene stad onder water. Nu klom de nood zóó hoog, dat de stad zich
+eindelijk overgaf, en Koning WILLEM zijne luisterrijke intrede in _Aken_
+deed, waar hij 1 Nov. 1248 werd gekroond.
+
+Gaarne had hij hun heldenarm zich verder ten nutte gemaakt, maar
+onverzettelijk verklaarden zij de opgenomene taak voor afgedaan. Zij
+keerden echter niet huiswaarts, dan na het ontvangen van vele
+betuigingen van dankbaarheid voor die hulp, en van een duurzaam
+getuigenis hunner betoonde dapperheid en bewezene diensten. Want de
+eerste verordening, welke Koning WILLEM, na zijne krooning, als
+aanstaand opperhoofd van het Duitsche rijk uitvaardigde, bestond in een
+Giftbrief, waarbij hij al de regten, vrijheden en privilegiën, welke de
+Friezen bezaten, als door Keizer KAREL _den groote_ hun gegund,
+bevestigde, goedkeurde en vernieuwde, »om te strekken tot een eeuwig
+monument, opdat de geheele natie der Friezen en hare nakomelingen mogten
+weten, in wat voege hare voorvaderen de Roomsche kerk en het keizerrijk
+geholpen en hunne sterkte en deugden getoond hadden in de belegering van
+_Aken_"[42]. Dit gunstbewijs werd door de vrijheidminnende Friezen
+steeds op hoogen prijs geschat, als een adelbrief voor het gansche volk
+en de grootste weldaad, waarmede de Koning hun ijver kon vergelden.
+Grooten roem verwierf hun gedrag bovendien bij naburige volken, in een
+ridderlijken tijd, toen moed, beleid en stoutmoedigheid in den strijd
+inzonderheid als hoofddeugden werden vereerd.
+
+ [42] Zie dezen Giftbrief in het _Charterboek_, I 94; WINSEMIUS, 168;
+ SCHOTANUS, _Kronyk_, 130, _tabl._ 10; FOEKE SJOERDS, _Jaarboeken_, III
+ 27; DIRKS, _de Friezen voor Aken_, in _de Vrije Fries_, V 53.
+
+Twintig jaren later gaven de Friezen nogmaals gehoor aan de laatste
+oproeping tot een kruistogt naar het Heilige land. Dit toch was toen op
+nieuw door de Saracenen ingenomen, en de hoog gestegen nood der
+Christenen aldaar bewoog den Franschen Koning LODEWIJK IX en den
+Engelschen Prins EDUARD, nog eene poging te doen om het te herwinnen,
+waartoe ook de Paus in de _Nederlanden_ het kruis deed prediken. In alle
+deelen van _Friesland_ betoonden vele personen zich tot hulp bereid, en
+weldra had men vijftig kogschepen bijeengebragt, waarop zij zich in 1269
+inscheepten. Na eenigen tijd in _Vlaanderen_ vertoefd te hebben,
+vertrokken zij naar _Marseille_, waar het kruisleger zich zou
+verzamelen. De Koning was echter reeds vertrokken naar de Afrikaansche
+kust, om _Tunis_ te belegeren; zij volgden hem derwaarts en hielpen met
+veel onverschrokkenheid den Graaf van _Vlaanderen_ eene overwinning op
+de Saracenen behalen. Vervolgens stevenden zij wel naar _Ptolemaïs_ en
+_Tyrus_, doch vonden geene gelegenheid tot den strijd. Integendeel, zij
+vonden het Christen-leger verdeeld; stormen hadden hunne schepen
+ontredderd; ziekten dunden hunne rijen; zoodat zij in 1270, in veel
+verminderd getal, den terugtogt naar het vaderland aannamen, en, na zoo
+vele vergeefsche pogingen gedaan te hebben, het Heilige land in het
+bezit der Saracenen moesten laten. (Zie _Aanteekening 11_.)
+
+Die herhaalde togten en verbazende opofferingen hadden gewis een
+gunstiger uitslag verdiend. Doch in belangrijke zaken is ook het willen
+grootsch, het streven edel, en het bezwijken geene schande.
+
+
+17. _Veranderingen in den toestand des volks en de vestiging van
+Gemeenten en Steden, gedurende en na de Kruistogten._
+
+De Kruistogten naar _Palestina_ zijn op zich zelve een merkwaardig
+verschijnsel in de geschiedenis. Maar hoogst belangrijk werden zij door
+hunne ~gevolgen~, dewijl deze geweldige beroering eene omkeering in den
+toestand der meeste staten van dit werelddeel te weeg bragt. Ook op den
+toestand der Friezen oefenden zij in verschillende betrekkingen en in
+verband met gelijktijdige gebeurtenissen een invloed uit, welken wij in
+eenige hoofdtrekken willen schetsen.
+
+Bij den immer voortdurenden krijg tegen de Noormannen waren, in de drie
+eerste eeuwen na de invoering van het Christendom, de omstandigheden
+niet zeer gunstig geweest, om den toestand des volks zóódanig te
+verbeteren en om dien vooruitgang te bevorderen, welken men van zoo
+heilrijk eene gebeurtenis had mogen verwachten. De geest van KAREL _den
+groote_, die zoo vaderlijk voor zijne landzaten had gezorgd, was uit
+het staatsbestuur geweken, en zijne laffe opvolgers waren geenszins
+gezind, als hij, om pogingen aan te wenden tot verbetering van de
+maatschappelijke betrekkingen des volks. Veeleer werd dit onderdrukt en
+der ellende prijs gegeven door magtige grooten, die veelal de Keizers
+de wet stelden en allerlei gunsten van hen konden bekomen. Der
+geestelijkheid scheen het genoeg te zijn, dat de volken Christenen waren
+geworden in naam en de eeredienst en plegtigheden der kerk bijwoonden,
+doch zij deden geene of geringe pogingen, om door onderwijs en leer het
+verstand te verlichten en de ruwheid van zeden te verzachten. Onkunde en
+bijgeloof heerschten alom en hielden de meeste volken in een staat van
+bekrompenheid en domheid, welke de hoofden der kerk hadden moeten
+verdrijven, zoo zij hunne Christelijke roeping eenigzins hadden
+begrepen. Doch zucht naar geld en gezag beheerschte toen vooral zoowel
+de geestelijkheid als den opkomenden adelstand, en het scheen alsof men
+de lagere standen met opzet in vernedering hield; terwijl het deze aan
+vermogen en gelegenheid ontbrak, om zich van die banden te ontslaan, en
+de steun te worden van den staat.
+
+De kruistogten gaven echter een schok, welke tot alle standen en
+betrekkingen doordrong, waardoor ze, in het bijzonder voor ons
+vaderland, van onberekenbare gevolgen zijn geweest. Even als van elke
+groote gebeurtenis, waren die gevolgen zoowel na- als voordeelig. Doch
+de nadeelen waren tijdelijk, golden meest bijzondere belangen en zijn
+alzoo geleden en vergeten. Maar de voordeelen, voor zooverre ze de
+algemeene belangen betroffen, zijn gebleven, en hebben hun invloed ook
+tot volgende geslachten uitgestrekt.
+
+Immers, die togten naar zoovele vreemde landen, en dat verkeer met
+allerlei volken waren voor velen onzer landgenooten eene leerschool,
+welke den kring der denkbeelden en behoeften uitbreidde. Het bezoeken
+van groote steden, het zien van schoone gebouwen en kunstwerken, en de
+kennis van zeevaart, wapenhandel, levenswijze, handwerken en
+gereedschappen van andere volken,--dit alles schonk aan de terugkeerende
+kruisvaarders bekwaamheden en hulpmiddelen tot vooruitgang, wier goede
+aanwending weldra allerwege welvaart verspreidde. De havens werden
+vervuld met schepen, die na volbragten kruistogt naar _Engeland_, de
+Oostzee en elders werden gerigt. Vele voortbrengselen van het Oosten
+werden naar deze Westersche streken overgebragt en door den handel
+allerwege verspreid. Slaven, die deelnamen aan deze togten, bekwamen
+daardoor hunne vrijheid. Vele vrije lieden werden nu gebezigd tot het
+verrigten van diensten, welke voormaals tot den allerlaagsten staat
+behoord hadden. Deze diensten vereischten nu een billijk loon, en, in
+geval van verschil, uitspraak van goede wetten. Dus kreeg het
+werkzaamste deel des volks schooner kans, om zich te beveiligen tegen de
+armoede, en om door handel en landbouw of oefening van bedrijven en
+kunsten tot het bezit van vaste goederen en welvaart te geraken. Heeft
+dit alles niet veel uitgewerkt, om de burgerlijke vrijheid in ons land
+te bevorderen?[43] Voorzeker, want algemeen waren de behoeften des volks
+vermeerderd, doch te gelijk had het ook krachten en gelegenheden
+bekomen, om daarin te voorzien. Zoo vele nieuwe kundigheden openden
+nieuwe uitzigten en ondernemingen. Leven en werkzaamheid baarden
+voorspoed, en vandaar, dat, naar aanleiding van dit alles, de
+middelstand in vermogen en geestkracht dermate toenam, dat hierdoor de
+stand der ~Burgers~ ontstond, en dat de door hen bewoonde dorpen tot
+~Steden~ werden verheven.
+
+ [43] STIJL, _Opkomst en bloei der Nederlanden_, 1778, 28.
+
+ * * * * *
+
+In _Friesland_ was die overgang echter niet zoo groot als in andere
+landstreken: want nevens de geestelijkheid en den in aanzien stijgenden
+Adel, of de groote grondbezitters, had de algemeene volksvrijheid hier
+een stand van vrije mannen gevestigd, die als huurders het land
+bebouwden of handel dreven en handwerken uitoefenden, en wier
+dienstbaren zelfs geene slaven of lijfeigenen waren, zoo als elders[44].
+Hier kende men geen Leenstelsel en ook geene Graven of Heeren, die
+elders, door het schenken van vrijheden en voorregten of privilegiën, de
+aan hen onderworpene of lijfeigene ingezetenen vrij verklaarden en
+daardoor de verheffing van de Steden bevorderden. De voordeelen van deze
+verheffing en de zucht naar onafhankelijkheid wekten bij de Friezen den
+geest van navolging op. Hier schijnen de bewoners van de aanzienlijkste
+dorpen of handelplaatsen, waarin de koop- en handwerkslieden zich al
+vroeg tot Gilden verbonden, zich onderling vereenigd te hebben ter
+bekoming van het regt, om zich zelve, door een eigen Bestuur, te doen
+regeren. Zij matigden zich het regt aan, om, met uitsluiting van de
+overige omliggende dorpen, handel te drijven, markten te houden, maten
+en gewigten vast te stellen en handwerken en bedrijven uit te oefenen,
+waaraan zij plaatselijke voorregten verbonden. Omstreeks het midden der
+13e eeuw en dus in den zelfden tijd, dat _Oostergoo_ en _Westergoo_,
+tot dusverre verdeeld in landstreken, waarschijnlijk Marken, Ferden
+en Hemrikken geheeten[45], eene nieuwe gemeente-regeling en verdeeling
+in Grietenijen bekwam, onttrokken zich alzoo die voornaamste
+handelplaatsen, vooral de hoofddorpen der Hemrikken, aan het Bestuur en
+de Regtsmagt van de Landgemeente of der Grietenij, ten einde zich zelve
+naar eigene, en voor hare bijzondere behoeften meer geschikte,
+wettelijke bepalingen te besturen; waarbij ze veelal een der
+vermogendste edelen, die daar stinzen gebouwd hadden, ter hunner
+bescherming aan het hoofd der regering stelden[46].
+
+ [44] Dat er ook slaven en lijfeigenen in _Friesland_ zouden geweest
+ zijn, wordt op grond van enkele plaatsen der oude Friesche wetten door
+ sommigen beweerd, doch door anderen tegengesproken, op grond der
+ algemeene volksvrijheid en gelijkheid van alle ingezetenen voor de
+ wet; alsmede, omdat de slavernij haren grond had in het regt van
+ verovering. Aangezien nu de Friezen, althans na KAREL _den groote_,
+ van het zwerven en veroveren hadden afgezien, en zich door eene
+ bijzondere gehechtheid aan hun land kenmerkten, is hier kwalijk aan
+ slavernij te denken, ten zij gevangen genomen Noormannen daarin
+ vielen. Zoo denkt ook HALBERTSMA in zijne _Letterkundige Naoogst_,
+ 1840, I 135, 138.
+
+ [45] Zie _Oude Friesche Wetten_ en de Aantt. van P. WIERDSMA, bl. 23,
+ 42, 70, 294, 304.
+
+ [46] Ten aanzien van dit, altijd zeer twijfelachtig, onderwerp, en
+ aangaande den aard en oorsprong van het Stederegt, neem ik de vrijheid
+ te verwijzen naar de uitvoerige berigten, medegedeeld in mijne
+ _Geschiedkundige Beschrijving van Leeuwarden_, I 8, 33, 274, 298 enz.
+ en de daarbij aangehaalde schrijvers.
+
+Bij gebrek aan stellige narigten zullen wij ons, uit velerlei
+omstandigheden, zeker met de meeste waarschijnlijkheid mogen
+voorstellen, dat er op zulk eene wijze in de 12e en 13e eeuw in
+_Friesland_, tusschen het Flie en de Lauwers, _elf_ Steden zijn
+ontstaan. Reeds vroeger (bl. 63) hebben wij gesproken over de oudste
+dier steden, over _Stavoren_, en evenzeer gewaagd van hare gunstige
+ligging aan den Fliestroom, waardoor hare scheepvaart en handel zich
+reeds vroeg ontwikkelden, als van de oorzaken, waardoor zij in verval is
+geraakt. _Dokkum_, aan de tegenovergestelde zijde van dit gewest op eene
+zeer hooge terp aan de Ee en de Donger, in de nabijheid der Lauwerszee
+voor scheepvaart en handel niet minder voordeelig gelegen en reeds vroeg
+door den marteldood van BONIFACIUS algemeen bekend, wordt naar den
+ouderdom voor de tweede in rang dezer steden gehouden. Aan de westzijde
+der Ee, waar zij met andere stroomen in de Middelzee viel, was
+_Leeuwarden_ aan een landhoek op twee breede terpen of werden ontstaan;
+eene ligging, aan dien breeden zeeboezem, welke visscherij, scheepvaart
+en handels-verkeer zeer begunstigde, en de spoedige uitbreiding dezer
+zeeplaats bevorderde. Zoolang zij een dorp was, droeg ze den naam van
+_Nijehove_, in tegenstelling van het daarbij gelegene en om zijne
+leerschool beroemde dorp _Oldehove_, waarmede zij aan de westzijde,
+gelijk met het dorp _Hoek_ aan de oostzijde in 1435 tot ééne grootere
+stad verbonden en uitgebreid werd, nadat zij, door het opslijken of
+verlanden van de Middelzee van eene Zee- in eene Landstad was
+herschapen. Dit zelfde was het geval met _Bolsward_, _Sneek_ en _Ylst_,
+oorspronkelijk aan de zuidzijde van dien zeeboezem gelegen, doch wier
+zeehandel en scheepvaart zich nu, na het gelijktijdig ontstaan van de
+Zuiderzee, verplaatsten naar _Harlingen_, _Workum_ en _Hindeloopen_, die
+zich eerlang uitbreidden en in bloei toenamen, ook ten gevolge van het
+verval van _Stavoren_. De opkomst en uitbreiding van _Franeker_, waar
+reeds vroeg de Grafelijke regtstoel en der Vijf deelen regtspleging werd
+gehouden, werd vooral bevorderd, doordien een aantal vermogende edelen
+van _Westergoo_ zich daar vestigde, en te midden der woningen van de
+nijvere burgers sterke huizen liet bouwen. Gelijktijdig vervielen de
+zeeplaatsen _Ezonstad_ aan de Lauwerszee, _Uitgong_ aan den mond der
+Middelzee, waaruit het latere aanzienlijke dorp _Berlikum_ ontsproot, en
+_Grind_, thans eene zandplaat N. W. van _Harlingen_. Het is echter zeer
+twijfelachtig of deze plaatsen, gelijk ook het, in eene lage veenachtige
+streek, afgelegene _Wartena_, eertijds stedelijke regten hebben bezeten:
+want dat wallen en poorten toen nog geene kenmerken waren van eene stad,
+hebben al de elf Friesche steden bewezen, dewijl de meeste daarvan eerst
+in de 14e en 15e eeuw, bij het toenemen van de binnenlandsche oorlogen,
+zijn versterkt geworden; terwijl _Ylst_, _Workum_ en _Hindeloopen_ zelfs
+geene wallen en poorten hebben bekomen en onbevestigd zijn gebleven.
+
+In het algemeen beschouwd, is het ontstaan van de Steden in ons
+vaderland een blijk, hoe een wakker gedeelte der toenmalige bevolking
+zich den kinderlijken leeftijd ontwassen achtte, en als knaap naar
+meerdere ontwikkeling en zelfstandigheid streefde; ofschoon het later
+mede eene der oorzaken werd van die bloedige partijschappen en
+burgeroorlogen, welke in ons vaderland zoo lang vooruitgang en
+beschaving hebben tegengehouden.
+
+ * * * * *
+
+Groot waren alzoo de veranderingen, welke _Friesland_, vooral
+gedurende de 13e eeuw, onderging, ten gevolge van een zamenloop van
+omstandigheden, die echter niet alle regtstreeksche gevolgen waren der
+kruistogten. De toestand des volks was in vele opzigten verbeterd; de
+bronnen van bestaan waren vermeerderd; kennis en bekwaamheden werden
+ontwikkeld, zoodat er voor de algemeene beschaving des volks werkelijk
+eene betere toekomst scheen aan te breken. Naar wijze wetten en
+verordeningen, welke nog voorhanden zijn[47], werden, bij jaarlijksche
+beurtwisseling, de Steden bestuurd door een Olderman, Burgemeesters en
+Schepenen, gelijk de Grietenijen door een Grietman en zijne Bijzitters
+of Regters. Aan allen was mede de uitoefening van het regt, zoowel in
+burgerlijke als in strafzaken, opgedragen, welke vroeger door den Graaf,
+den Schout of Schelte, den Asega of Aesga en den Frana met de door het
+volk verkozene regters geschiedde[48]. Toen werden de regtdagen of
+weerstallen en warven onder den open hemel, veelal op kerkhoven, later
+in of aan de kerken, gehouden, waarvan de _Wonser-_, _Midlumer-_ en
+_Donia-weerstallen_ of regtplaatsen nog bij name bekend zijn, even als
+de _Warkeamers_ nog aan sommige kerken worden gevonden[49]. De straffen
+voor de misdaden bestonden destijds in vee of in geld, als boete aan den
+beleedigde en breuk aan den regter en het volk, wegens de overtreding
+van de wet. Ieder Goo had bovendien een Landraad en Gooregters, die de
+algemeene belangen behandelden en hoofdmisdaden beregtten. In
+_Oostergoo_ hielden deze, althans in de 15e eeuw, de landsdagen op de
+stins _Barrahuis_ onder _Wirdum_, in _Westergoo_ te _Hartwerd_ en later
+te _Franeker_, en in de _Zevenwouden_ (eerst in het begin der 15e eeuw
+tot een geheel verbonden) te Rottum[50].
+
+ [47] _Oude Friesche Wetten_, afgedrukt in SCHOTANUS, _Beschrijvinge
+ van Frieslandt_, 1664, 23, en later verbeterd, vertaald en met
+ belangrijke aanteekeningen uitgegeven door P. WIERDSMA, Kampen en
+ Leeuwarden, 1782; RICHTHOFEN, _Friesische Rechtsquellen_, enz.
+
+ [48] Zie over die wijze van regtspleging, behalve de _O. F. W._, ook
+ het voortreffelijke werk van HALSEMA, bl. 56, 76, 91 en vervolgens, in
+ _Aanteekening 9_ breeder vermeld.
+
+ [49] Aanteekeningen op de _Oude Friesche Wetten_, 40, 106, 179, 197.
+
+ [50] Zie WORP VAN THABOR, _Kronyk_, IV 2.
+
+Later hielden de voornaamste edelen en geestelijken, met de hoofden der
+steden en grietenijen Gaarleggers of bijeenkomsten op verschillende
+plaatsen, om, onafhankelijk van den Landraad, de algemeene of bijzondere
+belangen te regelen. Tevens vinden wij in de geschiedenis dikwijls
+Potestaten vermeld, als hoofdbestuurders, opperbevelhebbers of
+aanvoerders, in de plaats van de vroegere Hertogen of Goograven. Welligt
+werden zij enkel in tijden van nood of gevaar gekozen en aan het hoofd
+van den Landraad geplaatst, om de hoogste magt voor een bepaalden tijd
+uit te oefenen. Omtrent deze personen heerscht er echter veel duisters
+in onze geschiedenis[51]. Het gansche Staatsbestuur droeg blijken, hoe
+zeer men de aanleiding tot misbruik van magt vreesde, en de regten des
+volks trachtte te bewaren tegen de aanmatigingen zoowel van vreemden
+als van sommige edelen[52]. »De Friesche natie leverde te dezen aanzien
+een treffend contrast op, met den staat van andere natiën vergeleken. In
+alle andere landen berustte toen de oppermagt óf in handen van eenen
+volstrekten Meester, óf zij was tusschen den Vorst en een klein getal
+wreede en hoogmoedige Edellieden verdeeld. Deze laatsten, welverre van
+de vrijheid der volken te beschermen, waren als zoo vele dwingelanden,
+die haar uitdelgden. De inwoners van _Friesland_, niet tevreden dat
+zij door eene afhankelijkheid, welke inderdaad slechts in naam bestond,
+aan het Duitsche rijk verbonden waren, en óf door zich zelven óf door
+hunne vertegenwoordigers invloed op de volksvergaderingen hadden,
+namen dikwijls het bestier der zaken op zich, en stelden zich
+staatsligchaamswijze aan het hoofd der openbare verrigtingen. Schoon de
+algemeene landsdag-vergaderingen voornamelijk uit de afgezondenen der
+onderscheidene regtsgebieden en plaatsen waren zamengesteld, hadden
+echter alle inwoners het regt haar bij te wonen. Ook ziet men, tot in de
+16e eeuw toe, openbare acten uitgegeven in den naam niet alleen van de
+Overheden, maar ook van de Gemeente en het gansche ligchaam des
+Volks"[53].
+
+ [51] Aanteekening op de _Oude Friesche Wetten_, 118.
+
+ [52] Zie over het vermelde VAN LOON, _Aloude Regeringswijs van
+ Holland_, IV 175; FOEKE SJOERDS, _Beschrijv._ I 423; _Tegenw. Staat_,
+ I 128; VAN HALMAEL, in het _Friesch Jierboeckjen foar 1834_, VII.
+
+ [53] _Grondwettige Herstelling van Nederlands Staatswezen_, Amsterdam
+ 1784, I 80, met aanhaling van het _Charterboek_, I 124, 131, en VAN
+ IDSINGA, _Staats-recht der Nederlanden_, 363.
+
+Gelijktijdig was er nog eene andere magt in den Staat en eene niet
+minder gevreesde regtbank, die der _Geestelijkheid_, wier invloed
+destijds van veel belang was, als naauw met het wereldlijk gezag
+verbonden. Wij achten het nuttig, ook daarvan een algemeen overzigt te
+geven.
+
+
+18. _De Friesche Geestelijkheid, Kerken en Kloosters in de
+middeleeuwen._
+
+In der Friezen aard en karakter is het dikwijls opgemerkt, dat zij tegen
+vreemde personen en nieuwe zaken vaak zeer ingenomen zijn, zoolang zij
+die niet kennen, doch dat zij later, als derzelver waarde de proef des
+onderzoeks heeft doorgestaan, daarvan even ijverige voorstanders worden,
+als zij vroeger tegenstanders waren. Het gezond verstand en de
+billijkheid (waardoor de Friezen zich steeds hebben onderscheiden)
+behalen dan de overwinning op een aangeboren afkeer van vreemden, op de
+gehechtheid aan het oude en op de vrees voor schade bij eene
+verandering, welke de voorzigtigheid nog niet als eene verbetering heeft
+leeren kennen.
+
+Omtrent geene zaak is dit krachtiger gebleken, dan ten aanzien van het
+Christendom. Eeuwen lang streden de Friezen daar tegen, ook om
+staatkundige redenen, en bleven zij afkeerig van de aanneming der
+Christelijke leer, zoolang zij haar niet kenden. Maar toen zij haar
+eenmaal hadden aangenomen en van hare waarde overtuigd waren, werden zij
+daarvan eerlang even groote voorstanders als weleer tegenstanders.
+Spoedig echter ging deze overgang niet, en zijn er, om boven vermelde
+redenen (zie bl. 75), uit de drie eerste eeuwen na de aanneming van die
+leer geringe sporen van dien ijver bekend. Maar de geschiedenis getuigt
+en de blijken zijn er nog van over, dat er weinige landen van gelijke
+uitgestrektheid in _Europa_ bestaan, waarin de vrome zin der ingezetenen
+uit eigene middelen zoo vele Kerken en Kloosters heeft gesticht en
+rijkelijk begiftigd, als in deze provincie. Ja, het is geene
+overdrijving als wij zeggen, dat er in _Friesland_ nagenoeg zoo vele
+Steden gesticht werden als er maanden-, zoo vele Kloosters als er weken-
+en zoo vele Dorpen als er dagen in het jaar zijn. Indien dan
+vreemdelingen in dit noordelijk geweest te vergeefs zoeken naar zulke
+grootsche en prachtige gewrochten der bouwkunst, als in andere landen
+door vereenigde krachten werden tot stand gebragt, dan kan nog het
+_aanzienlijk getal_ torenspitsen onzer steden en dorpen getuigen, dat de
+vroomheid der vaderen hier zeer vele bewijzen heeft achtergelaten van
+hunnen ijver voor Christendom en Kerk.
+
+Vermits KAREL _de groote_ bepaald had, dat de ingezetenen van ieder
+kerspel voor eene kerk en woning van den Pastoor moesten zorgen, zoo
+werden er in dit gedeelte van _Friesland_ bij de invoering van de
+Christelijke leer hier en daar reeds kerken gesticht. Het waren toen
+echter nog slechts van hout opgetrokkene bedehuizen met riet gedekt.
+Doch in de 11e, 12e en 13e eeuw, toen het bouwen met steen werd
+ingevoerd, vermeerderde dit getal in groote mate[54]. Daarvoor waren
+verscheidene redenen en aanleidingen. Toen toch werd de maatschappelijke
+toestand der gemeenten meer en meer geregeld, bij de toeneming van
+welvaart en vermogen. De zucht om verdienstelijke werken te doen,
+waarvoor de Kerk vergeving van zonden had toegezegd, was voor sommigen
+eene aansporing om zich naar het Heilige land te begeven, en voor
+anderen een prikkel, om door hunne middelen den opbouw van Kerken en
+Kloosters te bevorderen. Hier waren het nu vroomheid en godsdienstijver;
+daar eerzucht en hoogmoed, om iets grooters en schooners te bouwen dan
+anderen reeds hadden gedaan, en elders zucht naar onafhankelijkheid,
+gepaard met nijd en onderlinge wedijvering van de edelen, die elkander
+den voorrang in het offeren op de altaren betwistten, welke het getal
+kerken en parochiën deden vermeerderen[55].
+
+ [54] Ook HALSEMA getuigt bl. 466 en 469, dat de menigvuldige kerken in
+ _Friesland_ door de landzaten of karspellieden, waaronder eenige
+ weinige edelen, en niet door milddadigheid van koningen en vorsten
+ zijn gesticht en met de noodige goederen begiftigd, waarop hun regt
+ gegrond is tot bestelling van die kerken of het benoemen van leeraren
+ en het beheer van die goederen. Zie mede WIERSMA'S Aanteekeningen op
+ de _Oude Friesche Wetten_, 257, en SCHARLENSIS, 33^o.
+
+ [55] De Heer EYCK TOT ZUYLICHEM te _Utrecht_ heeft in _de Vrije
+ Fries_, V 163, eene Beschouwing van den Bouwtrant van eenige oude
+ Kerken in _Friesland_ gegeven, waarin hij de gewone, nog onveranderde
+ bouworde onzer dorpskerken zeer merkwaardig noemt, als behoorende tot
+ den Romaanschen of Oud-Gothischen bouwtrant, met ronde koorsluiting,
+ van niet later dan de 11e of 12e eeuw. Opmerkelijk is het, dat de
+ gewone bouworde onzer Kerktorens, met gewoon huisdak tusschen twee
+ brandgevels, hier even algemeen is als in _Denemarken_, en slechts
+ zeldzaam in zuidelijker provinciën wordt gevonden. Vele dier torens
+ hebben den vorm en de zwaarte onzer oude Friesche Stinzen, en schijnen
+ mede gebouwd te zijn met het doel, om door de ingezetenen gebruikt te
+ worden als plaats van toevlugt en bescherming, in tijden van nood en
+ gevaar.
+
+Nagenoeg de zelfde oorzaken en drijfveren werkten gelijktijdig mede, om
+de stichting en opbouw te bevorderen van een aantal _Kloosters_; van die
+gestichten in en nabij steden en dorpen, waarin een aantal mannen of
+vrouwen zich begaven, om zich van de woelige wereld af te zonderen en
+zich geheel over te geven aan godsdienstige bespiegelingen, gebeden en
+werken van liefdadigheid. Naarmate de onrust der tijden vermeerderde,
+ten gevolge der binnenlandsche oorlogen en partijschappen, namen deze
+kloosters in aantal en vermogen toe, dewijl weerlooze vrouwen en rustige
+ingezetenen daarin veiligheid en bescherming vonden, en tevens
+gelegenheid, om zich op wetenschappen en kunsten toe te leggen. Het _St.
+Bonifaas-klooster_ te _Dokkum_ en dat van _St. Odulphus_ te _Stavoren_
+worden hier voor de oudste gehouden. In _Oostergoo_ waren verder de
+voornaamste: de Abtdijen van _Mariëngaard_ en _Klaarkamp_ onder
+_Hallum_ en _Rinsumageest_, in 1163 en 1165 gesticht; benevens het
+_Smallen-eester-_, _Gerkes-_ en _Foswerder-klooster_; terwijl er alleen
+in en bij de stad _Leeuwarden_ vier zulke gestichten verrezen, waaronder
+het _Dominikaner-Klooster der Predikheeren_ (1245) (waarvan de nog
+bestaande Groote kerk de kapel was) tot de aanzienlijkste van dit gewest
+gerekend werd. In _Westergoo_ bekwamen de Abtdijen van _Lidlum_ bij
+_Tjummarum_ (1182), _Oldeklooster_ bij _Hartwerd_ (1191), _Ludingakerk_
+onder _Achlum_ (1157), benevens de kloosters _Thabor_ onder _Tirns_
+(1406) en _Groendijk_ bij _Sneek_, _Monnikebaaijum_ onder _Winsum_
+(1188) en meer andere groot aanzien en vermogen; terwijl van de
+kloosters der _Zevenwouden_ de _Aalsumer-_, _Nesser-_, _Hasker-_ en
+_Schoter-konventen_ het meest vermaard waren[56].
+
+ [56] Waarschijnlijk zal ik onder de Bijlagen eene Lijst van al de
+ Kloosters opnemen. Het aantal verschillende gebouwen, waaruit die
+ gestichten veelal bestonden, is opgenoemd door den Heer VAN LEEUWEN in
+ de Aantt. op _it aade Friesche terp_, bl. 440.
+
+ * * * * *
+
+Gedurende de drie à vier eeuwen, dat de meeste dezer kloosters in
+_Friesland_ bestonden, zijn ze van groot nut, gezag en invloed geweest.
+Want, vermits kloosters als _Lidlum_ in 1293, zoo men wil, 600 en
+_Mariëngaard_ 400 inwoners telden, welke doorgaans zeer bekwame Abten of
+Priors, die soms op buitenlandsche reizen geoefend waren, aan het hoofd
+hadden, en meest allen door erfenissen en giften aanzienlijke goederen
+bezaten, zoo waren deze gestichten eene veel vermogende magt in den
+Staat geworden. Heilzaam werkte die magt, ook buiten het geestelijke,
+ten behoeve van verschillende maatschappelijke belangen van dien tijd,
+waaraan zij tevens haar eigen voordeel zocht te verbinden: want de
+staatkundige en geestelijke betrekkingen, regten en verpligtingen der
+ingezetenen waren destijds zeer naauw vereenigd en stonden minder op
+zich zelve als later. Zoo verleenden de kloosters, wegens hunne
+aanzienlijke grondeigendommen, dikwijls krachtige hulp tot het aanleggen
+van zeedijken, het graven van vaarten, het verbeteren van wegen, het
+leggen van sluizen enz.;--zaken, tot wier daarstelling de afzonderlijke
+krachten der ingezetenen vaak te zwak of te verdeeld waren. Vele dorpen
+ondersteunden zij tot het bouwen van parochie-kerken; en, terwijl zij
+hier de verbetering van landerijen, daar de landwinning en elders de
+afgraving van de hooge veenen bevorderden, zien wij hen voor het
+algemeen belang vele openbare werken tot stand brengen. Behalve op de
+wetenschappen en kunsten, welke bijna alleen in deze vreedzame
+oefenplaatsen bescherming vonden, hadden de kloosterlingen ook veel
+invloed op de ontwikkeling van de nijverheid, door verbetering van de
+bouwkunst, van vele handwerken, van den landbouw en van het boter-en
+kaasmaken, welke, als bronnen van bestaan voor het volk, later zoo
+belangrijk werden.
+
+Zulk een magtig geestelijk ligchaam in den Staat werd eerlang ook van
+veel staatkundig belang in de regering des lands. De kloosters werden
+daarin vertegenwoordigd door bekwame Prelaten, die de belangen van de
+geestelijkheid en het volk op de landsdagen en gaarleggers deden gelden
+tegen de aanmatigingen van den adel. Zij voerden de pen, stelden de
+besluiten en verdragen, en werden dikwijls als afgezanten naar vreemde
+vorsten gezonden. Sommige kloosters voerden zelfs hevigen strijd tegen
+aanzienlijke geweldenaars, of namen deel in den binnenlandschen krijg
+door het ondersteunen van hunne partij of vrienden.
+
+Wanneer wij de bevolking van ieder dier vijftig Friesche kloosters
+door-een op zestig personen schatten, en bedenken, dat de
+parochie-kerken der elf steden en 360 dorpen een of meer Hoofdpriesters
+en vele ook een Vicaris hadden (om van de Prebende-priesters, die
+bijzondere altaren bedienden, te zwijgen), dan kunnen wij ons een gering
+denkbeeld vormen van de talrijkheid der toenmalige Friesche
+geestelijkheid. Wanneer wij bovendien opmerken, dat die kerken en
+kloosters in het bezit waren van een groot deel der vaste goederen in
+dit gewest of dat zij renten daarvan trokken[57]; alsmede, dat de meeste
+dier geestelijke personen zich door meerdere kennis en bekwaamheid
+onderscheidden, dan is het zeer natuurlijk, dat zij in een tijdvak,
+waarin het volk meerendeels nog onwetend en onmondig was, groot gezag en
+invloed konden en moesten uitoefenen. De gansche strekking van het
+Roomsch Katholijk godsdienst-stelsel droeg mede veel bij, om het volk
+aan de oppermagt der kerkelijke heerschappij onderworpen te houden. Lang
+werkte die magt gunstig, doch onmogelijk kon zij duurzaam zijn: want zij
+moest van zelf ontbonden worden, toen eerlang het volk, zijne
+kindschheid ontwassen, naar meerder licht streefde, en toen misbruiken
+het ligchaam der geestelijkheid zelve bevlekt hadden. In weerwil van al
+de onvolkomenheden der geestelijken en de ongeregeldheden, welke aan het
+kloosterleven eigen mogen geweest zijn, verdienen echter de geestelijke
+instellingen dier dagen onzen eerbied en duurzame belangstelling.
+Onbillijk is het immers, de toenmalige wereld naar onzen maatstaf en
+naar aanleiding van misbruiken, die zelfs de beste inrigtingen
+aankleven, te beoordeelen. Wie toch zou het evangelie willen verwerpen,
+om de vervolgingen, waartoe het aanleiding gaf? En wie ziet niet in de
+geschiedenis zoowel als in het dagelijksch leven, dat bekrompenheid,
+onkunde en gebrek aan godsdienst bij een groot deel der bevolking, 't
+welk enkel voor de zinnen leeft, de oorzaken zijn van dwaling, zonde en
+misbruik, ook van de heiligste zaken. Immer bestonden er evenwel vele
+stille vromen, die God en den Heer van ganscher harte liefhadden en
+dienden; die reinheid van gemoed en veredeling van den onsterfelijken
+geest hooger waardeerden, dan alle uitwendige praalvertooning. Deze
+vonden, onder de bestendige stormen van den krijg, in de kloosters een
+toevlugt en bescherming; zij waren een scherp tegenbeeld van de
+zinnelijk-dierlijke denkwijze der wereldlingen; zij toonden hen, die
+slechts naar roof en rijkdom, naar magt en aanzien jaagden, dat er nog
+iets beters te vinden was dan het vergankelijke. Door zulk een
+verhevener zin werkten zij weldadig op de wereld, die echter eerlang,
+uit partijzucht, de deugden en verdiensten der geestelijken vergat, om
+enkel de ondeugden van sommigen hunner, uitzonderingen op den algemeenen
+regel, voor de vergetelheid te bewaren. Hoe gebrekkig de kerkleer en hoe
+weinig verheffend de plegtigheden dier dagen ook waren, toch hielden zij
+de weldadige vlam der godsdienst levendig, en weerhielden zij het volk,
+om geheel tot woestheid en onwetendheid te vervallen. »Ja, hadden de
+middeleeuwen naast de hutten der landbewoners en de kasteelen van den
+meestal krijgvoerenden adel geene kloosters, als zoo vele wijkplaatsen
+en oefenperken voor denkende wezens, gekend, dan zou de maatschappij in
+_Europa_ slechts uit last- en roofdieren hebben bestaan"[58].
+
+ [57] De _Beneficiaal-boeken van Friesl._ (Leeuw. 1850) bevatten eene
+ lijst der Inkomsten en Bezittingen van meest alle ~Parochiën~, zoo als
+ die in 1543, op bevel der regering, aangegeven zijn. Het gezamenlijk
+ bedrag van de goederen der ~Kloosters~ zal wel niet minder geweest
+ zijn. Bekend is het, dat Graaf WILLEM III reeds in 1328 allen
+ Kloosteren en Geestelijken in _Holland_, _Zeeland_ en _Friesland_
+ verbood, meerdere vaste goederen aan te koopen, _Charterb._ I 183. Wij
+ betwijfelen het echter, dat zij in _Friesland_ ooit, en veelminder
+ destijds reeds, tweederden der landerijen zouden hebben bezeten, zoo
+ als CERISIER, _Tafereel der Nederl. Geschiedenis_, Utrecht 1781, I 411
+ en _Tegenwoordige Staat_, I 477 melden.
+
+ [58] Zoo oordeelt MACAULAY, in zijne voortreffelijke _Geschiedenis van
+ Engeland_, 's Hage 1850, I 9.
+
+ * * * * *
+
+Reeds bij de invoering van het Christendom was _Friesland_ tusschen het
+Flie en de Lauwers onder het geestelijk gebied van den Bisschop van
+_Utrecht_ gesteld, met uitzondering van de grietenij _Achtkarspelen_,
+welke, met _Groningen_ en verdere oostelijke landstreken, onder den
+Bisschop van _Munster_ kwam[59]. Het land was in de 13e eeuw verdeeld
+in Dekenschappen, aan wier hoofd Dekens of Landdekens stonden, welke
+aangesteld werden door den Bisschop en die Proosten der Utrechtsche
+kerk, welke Aarts Diakens in _Friesland_ waren. De Dekens met hunne
+Bijzitters hadden het bestuur en de regtspraak over de geestelijken en
+leeken der parochiën, volgens het Friesche Kerkelijk regt, het Zeendregt
+of _Syndriucht_ geheeten[60]. Alle drie of vier jaren kwam er een
+Koor-Bisschop, als afgezant van den Bisschop, herwaarts, om Zeend of
+Synode te houden en de hoogste geestelijke magt uit te oefenen. Later
+waren er ook in ieder Goo Geestelijke Commissarissen, die het opzigt
+hadden over het gedrag en de regtsoefening der Dekens, de levenswijze
+der geestelijken enz. Van de Kloosters werden sommige, die den rang van
+Abtdijen hadden, door Abten en andere door Priors bestuurd. Zij stonden
+geheel op zich zelve, en waren alleen den Paus onderworpen[61].
+
+ [59] Deze opmerkelijke uitzondering schrijft SCHOTANUS, _Beschrijv.
+ end Chronyck_, 301, daaraan toe, dat de evangelie-prediker LUDGER van
+ _Wierum_, later Bisschop van _Munster_, het Christelijk geloof in
+ _Achtkarspelen_ had gebragt, waardoor dit gedeelte bewesten de Lauwers
+ onder het geestelijk gebied van dat stift is gekomen.
+
+ [60] Behalve bij SCHOTANUS, t. a. p. 286, is dit Zeendregt, met
+ vertaling en belangrijke verklarende Aantt. van WIERDSMA, afgedrukt in
+ het 2e st. der _Oude Friesche Wetten_, 201, 207.
+
+ [61] Over de Friesche kerken en kloosters kan men uitvoeriger berigten
+ vinden in: SCHOTANUS, _Beschrijvinge end Chron._ 298; _Oudheden en
+ Gestichten_, I 24 en verv.; FOEKE SJOERDS, _Beschrijving_, I 64, 635;
+ _Tegenwoordige Staat_, I 32, 251, 434; VAN HALMAEL, in het _Friesch
+ Jierboeckjen foar 1834_, XV, en de _Lijst der Kloosters_ achter het
+ _Stamboek van den Frieschen Adel_; VAN LEEUWEN, Aantt. op _it aade
+ Friesche terp_, 395, 405, 440. Zeer wenschelijk is het, dat de
+ geschiedenis van de Friesche Kloosters eenmaal opzettelijk onderzocht
+ en behandeld mag worden.
+
+Hoe veel gezag de geestelijke oppermagt in de middeleeuwen ook over de
+volken van _Europa_ uitoefende, de geschiedenis heeft ook deze
+opmerkelijke bijzonderheid bewaard, dat de Friezen de zelfde vrijheid,
+welke zij in het staatkundige bezaten, ook ten aanzien van het
+geestelijke vasthielden en zich niet lieten ontwringen. »Zij toonden,
+wanneer zij het begrepen, van geen kerkbewind, hoe hoog ook, wetten te
+willen ontvangen, zich storende noch aan Bisschop noch aan Paus. In den
+boezem des volks bleef het regt en de magt berusten, om hunne eigene
+pastoren aan te stellen, kerkelijke bedieningen te begeven en de
+kerkegoederen te beheeren, waardoor zij ook zorgden, dat geene vreemden
+hier tot waardigheden verheven werden. Verpligte tienden aan de
+geestelijkheid hebben zij zich evenmin laten opleggen, als zij leenen
+wilden erkennen. Geene pauselijke besluiten waren van eenige kracht bij
+hunne geestelijkheid, indien ze niet door de burgerlijke regering
+gewettigd waren. Hieruit moet ook verklaard worden, dat de
+godsdienstleer der kerk hier veel zuiverder, dan wel in andere landen
+voorgedragen en beleden werd. Zóó was het gesteld in de kerk van geheel
+_Friesland_"[62].
+
+ [62] YPEIJ en DERMOUT, _Geschied. der Ned. Herv. Kerk_, Breda 1819, I
+ 410, Aantt. 185; YPEIJ, _Geschied. der Syst. Godgeleerdh._, Haarlem
+ 1793, I 180; BUMA, _Het regt der Friesche Floreenpligtigen_,
+ Leeuwarden 1849, 13, 30; doch vooral uitvoerige berigten deswege in
+ het belangrijke werk van V. IDSINGA, _Staats-recht der Nederl._ Leeuw.
+ 1758, I 379, en de in die werken aangehaalde schrijvers, bijzonder
+ HALSEMA, 475, en niet minder WIERDSMA in de _O. F. W._ 257.
+
+
+19. _De Partijschappen tusschen de Schieringers en Vetkoopers. (Van
+omstreeks 1300-1498.)_
+
+ Ik moet der Friezen aard vooraf u kennen leeren:
+ De zonen van dit land, kuisch, werkzaam, stout, en rond,
+ Verkleefd aan d' eigen haard en d' ouderlijken grond,
+ Eenvoudig, nooit door zucht naar nieuwigheên bewogen,
+ Betrachten, als het wit van al hun doen en pogen,
+ De vrijheid voor zich-zelve en 't oord door hen bewoond.
+ God, en de Keizer door het Hoofd der Kerk gekroond,
+ Ziedaar alleen 't gezag, de Heeren die ze erkennen,
+ En nimmer zal een Fries aan andren zich gewennen;
+ Hij lijdt geen schijn van dwang, aan lichaam noch aan ziel;
+ Geen keten waar' zoo licht, die hem verdraaglijk viel.
+ Geen vreemde inzonderheid beproeve 't hem te dwingen,
+ Die walgt van al het vreemde en alle vreemdelingen,
+ Er geen ten burger wil, hun omgang schuwt en vliedt,
+ En op zijn wettig erf hen noô vertoeven ziet.--
+ Zoo denkt een echte Fries, zoo denkt hij al zijn leven;
+ Dien inborst kunt ge niet hervormen of weêrstreven[63].
+
+ [63] VAN HALMAEL, _Ats Bonninga, Treurspel_, Leeuw. 1830, 2. Ten
+ aanzien mijner behandeling in het algemeen, doch van dit onderwerp in
+ het bijzonder, meen ik niet onopgemerkt te moeten laten, dat, daar ik
+ de Friesche Geschiedenis in Hoofdtrekken tracht voor te stellen, ik
+ zeker velen lezers en nog minder der wetenschap dienst zou doen,
+ wanneer ik hierin alle of zelfs de voornaamste feiten en
+ gebeurtenissen opnam, welke onze kronyken in bijzonderheden vermelden.
+ Bij mijne meer algemeene beschouwingen mag men die kronyken, ter
+ kennismaking met de bijzondere voorvallen, blijven lezen, waartoe ik,
+ behalve SCHARLENSIS, WINSEMIUS en SCHOTANUS, voor algemeen gebruik
+ bijzonder aanbeveel: _It aade Friesche Terp of Kronyk der
+ Geschiedenissen van de Vrije Friesen; met Bijvoegsels en
+ Aanteekeningen van_ J. VAN LEEUWEN, Leeuwarden 1834, 480 bladz., thans
+ voor slechts [f]1,30 algemeen te bekomen.
+
+Hoe gelukkig zoude een volk met zulke eigenschappen geweest zijn,
+wanneer het al zijne maatschappelijke voorregten, bij het genot van
+vrijheid, orde en welvaart, ~in vrede~ en ~eensgezindheid~ had mogen
+smaken! Doch het nog onbeschaafde en veelal ruwe volk was hiervoor nog
+evenmin vatbaar als de veelal krijgszuchtige adel, bij wien de volkstrek
+van eerzucht en ligtgeraaktheid zich het meest vertoonde. In die zelfde
+gunstige omstandigheden lagen ook de zaden van onrust en strijd. Want de
+vrijheid is een onwaardeerbaar voorregt, als zij goed aangewend wordt,
+en als ieder burger van zijn ~persoonlijk~ belang iets wil afstaan, om
+het ~algemeen~ belang te bevorderen. De welvaart is een zegen, zoolang
+zij niet misbruikt wordt: want goed geeft moed, en vermogen magt,
+hoezeer die dikwijls in overmoed en trots ontaarden. In volksregeringen
+zijn er bovendien altijd aanzienlijken, die zich de meeste magt
+aanmatigen, welke ligt tot heerschzucht overslaat; terwijl geen krachtig
+volk ooit misbruik van magt kon dulden, en de minderen altijd de
+vermogenden benijdden en hen gaarne zouden vernederen. In vroegere
+tijden, toen de oude eenvoudigheid nog zoo weinig behoeften kende, was
+het onderscheid in vermogen niet zoo groot en het verschil in standen
+minder merkbaar. Maar hoe zeer was alles veranderd! De kruistogten
+hadden eene strijdhaftigheid opgewekt en, vooral bij den adel, een
+hooghartigen ridderlijken geest nagelaten, welke bij een strijdbaar
+volk, dat gaarne gelegenheid zocht om zijn moed te koelen, gevaarlijk
+waren voor de inwendige rust. Hoe heilig en verheven de Christelijke
+godsdienst ook ware, waarvoor men zoo vele honderden kerken en kloosters
+stichtte, te zwak bleef haar zedelijke invloed op verstand en gemoed,
+vooral ter beteugeling van één hartstogt, welke immer en overal zulke
+schrikkelijke verwoestingen aanrigtte, en die toen vooral, als ware hij
+eene deugd, gevierd en geëerd werd. Het was de onchristelijke
+~wraakzucht~, de onverzoenlijke haat, de erfelijke veeten, welke voedsel
+vonden in den woesten, onbetemden volksaard en ras beleedigde eerzucht,
+die, onder al de vermelde omstandigheden, tusschen heerschzuchtige
+edelen en het volk, en vooral tusschen de adellijke geslachten
+onderling, eene verbittering deden ontstaan, welke in het laatst der
+12e eeuw uitbrak in de grootste aller rampen, in den--_Burgeroorlog_.
+
+ Een onverjaarde twist, wiens oorsprong is verloren,
+ Maar wiens gedachtnis schor den landzaat klinkt in de ooren,
+ Scheurde in twee deelen eens den Adel, meldt de faam,
+ En schonk aan ieder deel zijn hatelijken naam;
+ Vetkoopers doopte hij, die Oostergo verheerden,
+ En Schieringers, die meest in Westergo regeerden.
+ Die namen zwemen niet voor de almacht van den tijd,
+ Maar zijn de leuzen nog, alom, in elken strijd,
+ Die straks een tweeden baart ter teling van een ander.
+ Zoo drijven op ons strand de golven ook elkander,
+ En elke, daar ze een spoor heurs aanzijns achterlaat,
+ Versterkt aldus de macht van die te volgen staat.
+ Verblinden![64]
+
+ [64] VAN HALMAEL, _Ats Bonninga_, 4. Zie verder SCHARLENSIS, 33;
+ WINSEMIUS, 183; SCHOTANUS, 164; SJOERDS, _Jaarboeken_, III 129 enz.
+
+Ja, _Vetkoopers_ en _Schieringers_ waren de namen en leuzen der
+partijen, die, even als gelijktijdig de _Heeckerens_ en _Bronckhorsten_
+in _Gelderland_ en de _Hoekschen_ en _Kabeljaauwschen_ in _Holland_,
+hier de rust der burgers en den vrede des lands verstoorden door een
+nutteloozen strijd--niet tegen een buitenlandschen vijand, maar tegen
+zich zelve,--niet om eene eerlijke zaak, maar om gelijk te hebben, om
+zich te wreken over vermeende beleedigingen en nederlagen, en om, met
+vernedering van de eene, de zegepraal der andere partij te bevechten.
+Die namen schijnen aan te duiden, dat de strijd tot oorsprong had:
+verzet van het gemeene volk of de armen (nog wel het ~graauw~ genoemd,
+welk woord met ~schier~ verwant is en aan de grijze kleur der kleeding
+schijnt ontleend te zijn) tegen de rijken, die het ~vette~ der aarde
+genoten. 't Was echter niet ééne enkele oorzaak, die de onrust baarde:
+onderscheidene oorzaken en aanleidingen vloeiden zamen. Vele
+brandstoffen ontvlamden na het ophouden van de kruistogten. De daardoor
+opgewekte riddergeest en zucht om uit te blinken had tóen een doel
+gehad--het Heilige land. Doch bij gemis daarvan, werden de
+strijdkrachten van den adel nu onderling tegen elkander gerigt en
+verspild. Hevige twisten ontstonden er, nu over den voorrang in het
+offeren op de altaren der parochie-kerken, dan over de aanmatiging van
+gezag en heerschappij, welke de adel en de aanzienlijken zich
+veroorloofden ook over de minderen, waarvan velen zich intusschen tot
+een krachtvollen middelstand hadden verheven. De burgerijen der
+toenemende steden verzetten zich tegen die magt, en matigden zich regten
+aan ten nadeele van het platteland, welks bewoners dáárom de steden vaak
+zoo vijandig waren, dat zij alles deden om haar te vernederen en te
+benadeelen. Het geweld was de grondslag van het regt geworden. Doch
+welke ook de oorzaak ware, spoedig ging deze verloren of werd zij
+gewijzigd in den algemeenen burgerkrijg, waarin zich veel persoonlijke
+vijandschap en familie-twisten mengden, in welke iedereen partij moest
+kiezen.
+
+ * * * * *
+
+Er was toen geen besturend opperhoofd of Vorst in _Friesland_, aan wiens
+bevelen alle ingezeten moesten gehoorzamen. Ieder hunner had, volgens de
+wetten, gelijke regten. Maar juist daarom kon geene vrije Fries dulden,
+dat een ander zich boven hem in vermogen en aanzien verhief. Vanhier,
+dat de adel, die overal sterke kasteelen of stinzen stichtte en zich van
+het gezag meester trachtte te maken, in den haat viel der burgers en
+onderling strijd voerde. Zoo vestigen zich als Hoofdlingen in de
+voornaamste steden de geslachten: CAMMINGHA, UNIA en AUCKAMA te
+_Leeuwarden_, JONGAMA te _Bolsward_, SJAERDAMA te _Franeker_, HEEMSTRA
+en RIEMERSMA te _Dokkum_, GERBRANDA en GRATINGA te _Harlingen_, HARINXMA
+te _Sneek_ en _Slooten_ enz. Twistgierige edelen, die onder het volk hun
+aanhang hadden, belegerden elkander nu op hunne sloten of verwoestten
+elkanders bezittingen. Dan verzetten de burgers zich tegen het gezag van
+den adel, of de landbewoners zich tegen de aanmatigingen der steden, die
+op hare beurt de edelen bestookten of de dorpelingen uitplunderden. Met
+aangeworven hoopen bestreed men elkander, en kon men al zijn doel niet
+bereiken, dan vertrok men naar een ander, den omtrek in puin of in
+vlammen achterlatende. Men behoefde slechts kerken en kloosters
+rijkelijk te begiftigen, om kwijtschelding voor bedreven, ja
+aanmoediging en een eervollen naam te verwerven bij geestelijken en
+kloosterlingen, die vaak zelve oorlog tegen elkander voerden. Dikwijls
+trok die geestelijkheid partij; en, in plaats van door de kracht des
+evangelies, dat zachtmoedigheid, vergevingsgezindheid en liefde predikt,
+vrede te stichten, blies zij het vuur der tweedragt aan. Overal en tot
+alle standen drong de verdeeldheid door. Verschrikkelijk was, tusschen
+de jaren 1300 en 1500, soms de onrust, de haat, de vervolging en de
+onveiligheid van leven en bezittingen. Het regt, dat weinigen meer
+eerbiedigden, was van kracht beroofd, om al deze misdrijven te straffen:
+want geweld, willekeur en het regt van den sterkste gold overal. Roof,
+moord en brandstichting heerschten op vele plaatsen. Persoonlijke
+vrijheid, rust en welvaart, die groote voorregten van een burger, waren
+geweken. En wanneer bij dat alles soms ook de pest in deze oorden
+woedde, of watervloeden nood en dood verspreidden en hongersnood ten
+gevolge hadden--dan stegen jammer en ellende ten top, en werden die
+plagen gehouden voor straffen des hemels, wegens de boosheid van het
+ongelukkige volk. (Zie _Aanteek. 12_.)
+
+ * * * * *
+
+Intusschen waren er somtijds ook tijdperken van rust en verademing voor
+_Friesland_, even als er steden en grietenijen waren, die zich buiten
+den twist hielden en lang vrede genoten. Na hevige schokken, sloegen
+vaak de verbitterde vijanden, vermoeid van krijg, ook de bloedige handen
+ineen, om voor een tijdlang de vervolgingen te staken. Vooral geschiedde
+dit, wanneer een gevaar hen van buiten bedreigde, en de volksvrijheid
+door veroveraars belaagd werd[65]. En hoe dikwijls was dit niet het
+geval! Ook daarvan willen wij een tafereel ophangen, vermits het altijd
+een belangwekkend schouwspel oplevert, een mensch met den tegenspoed en
+een volk om de vrijheid te zien kampen.
+
+ [65] "Waer omme den Friesen schaedelicker was vrede, dan aenvechtinge
+ van vreemde heeren: want zij in tyde des vredes meer bloedt storten
+ onder malcanderen, dan als sy eendrachtelick die wtlandtsche vianden
+ teghen stonden," zegt WORP VAN THABOR, _Kronyk_, IV 5.
+
+
+20. _Der Friezen verdediging van hunne Vrijheid tegen de aanvallen van
+de Bisschoppen van Utrecht en de Graven van Holland._
+
+In het weleer door de Friezen ingenomene, doch later door de Franken
+weder veroverde westelijk gedeelte van het oude Friesche rijk (bezuiden
+de Kinhem of Reker in _Noord-Holland_) hadden de Duitsche keizers een
+groot deel lands als leengoed opgedragen of geschonken aan den Bisschop
+van _Utrecht_ en de Graven van _Holland_ en _Zeeland_. De eersten, die
+het geestelijk gezag over het bijna geheel _Friesland_ uitoefenden,
+trachtten ook hunne wereldlijke of staatkundige magt uit te breiden, en
+slaagden er in, om, met keizerlijke giftbrieven en geweld, van
+lieverlede een gedeelte van het vierde en vijfde der Friesche Zeelanden
+(de stad _Groningen_ met _Drenthe_ en het noorden van _Overijssel_) van
+het vrijheidsverbond af te trekken en onder hun wereldlijk gebied te
+brengen. Dit geschiedde echter niet zonder hevigen strijd. Zelfs leed de
+Bisschop OTTO II in 1226 daarbij eene zóó geduchte nederlaag, dat hij de
+krijgszuchtige poging, om zijn gebied te vergrooten, zelf met den dood
+moest boeten. Zijne opvolgers trachtten hun gebied ook in de
+_Stellingwerven_ te vestigen, doch hadden zeer veel moeite zich daar
+staande te houden. Te vergeefs liet Bisschop GUY _van Henegouwen_ er
+daarom in 1309 eene sterkte bouwen--eer deze voltooid was, wierpen de
+Friezen haar af, vervolgden hunne onderdrukkers tot _Vollenhove_, dat
+zij plunderden, en waar zij zelfs het Bisschoppelijke slot belegerden.
+Zij beschoten het van een houten stormgevaarte met steenen en pijlen
+zoodanig, dat de overgaaf nabij was, toen de Bisschop, met hulp van den
+Hollandschen Graaf en vele zijner edelen, over de Zuiderzee eene groote
+heirmagt overzond, die het slot ontzette en de Friezen met groot verlies
+deed wijken. Het voornemen, om hen in hun eigen land te vervolgen en te
+straffen, werd echter niet volbragt, maar verhinderd door hevige stormen
+en regens, zoodat het leger terug trok, en den Bisschop niets anders
+overbleef dan de Stellingwervers in den ban te doen, en eerlang een
+verdrag met hen te sluiten (1313)[66].--Ook later deden de Bisschoppen
+herhaalde vergeefsche pogingen, om deze streken tot onderwerping te
+brengen. Doch geen hunner vatte de zaak zoo ernstig ter hand als
+FREDERIK VAN BLANKENHEIM, in 1413. Met eene aanzienlijke krijgsmagt trok
+hij naar de Stellingwerven, verbrandde _Peperga_, _Blesdijk_ en andere
+dorpen en huizen, zonder zijn oogmerk te bereiken. In het zelfde jaar
+zond hij zijn Maarschalk ADOLF VAN SWIETEN met volk naar _Lemsterland_,
+waar deze door rooven en branden het gezag des Bisschops zocht te
+vestigen, doch spoedig eene geduchte wraak moest ondervinden, daar de
+bijeengetrokken Friezen hem aantastten en hem met bijna al zijn volk
+doodsloegen. Vanhier, dat de Bisschop zich haastte met hen een
+vredeverdrag te sluiten, en deze Woudlieden verder ongemoeid liet[67].
+
+ [66] Zie WAGENAAR, _Vaderlandsche Historie_, III 194; SJOERDS,
+ _Jaarboeken_, III 236; VAN KAMPEN, _Geschiedenis der Nederlanden_, I
+ 126; _Charterboek_ I 138, 151.
+
+ [67] _Charterboek_, 379; SCHOTANUS, _Beschrijv. end Chron._ 175; WORP
+ VAN THABOR, _Kron._ IV 10, 21; _Tegenwoordige Staat_, I 590.
+
+De _Hollandsche Graven_ hadden van de slappe regering van Keizer KAREL
+_den kale_ en zijne opvolgers gebruik gemaakt, om hun gezag uit te
+breiden, en om de voor hun persoon ontvangene groote Leenen
+stilzwijgend op hunne zonen en opvolgers te doen overgaan. Deze
+erfelijke overgang van de groote Leenen was eene zaak van veel gewigt.
+Nu magtige heerschers geworden zijnde, was hun gebied hen spoedig te
+klein; weldra zagen zij rond naar middelen om dat uit te breiden. Geene
+poging daartoe scheen gunstiger te zullen slagen dan een aanval op de
+ten noorden van hun Graafschap wonende West-Friezen; en eerlang was het
+besluit genomen, hen aan te vallen en te veroveren, opdat hun land van
+het Friesche verbond afgetrokken- en het Graafschap toegevoegd mogt
+worden.
+
+Dit ging echter niet zoo gemakkelijk als zij zich voorgesteld hadden:
+want verbazend was de dapperheid van dezen kleinen volksstam in dat lage
+en toen nog zoo waterrijke _Noord-Holland_ tegenover de in den krijg
+geharde Hollandsche benden. Al mogten ze vreezen, eens voor de overmagt
+te zullen moeten bezwijken,--toch wilden ze hunne vrijheid beschermen of
+duur verkoopen, vóór zij een Heer aannamen en zich bukten onder het juk
+der leenregering. Hun vrije toestand, nog een overblijfsel van het
+Germaansch beginsel, dat bij hen was bewaard gebleven, was een doorn in
+het oog dier Graven; en nadat hunne veroveringszucht den eersten aanval
+gewaagd had, zonder gunstigen uitslag, verklaarden zij als oproerigen en
+wederspannigen
+
+ _Die Friezen, tuk op krijg en achter hun moerassen
+ Geen leenplicht kennend en weerbarstig aan den dwang._[68]
+
+ [68] Mr. J. VAN LENNEP, _Verontschuldiging_, 1850, 22. Zie ook
+ EIKELENBERG, _West Friesland_, 24, 44, aangeh. in HOFDIJK, _Jonker van
+ Brederode_, 1849, Aanteekening 198.
+
+In een land, allerwege met meren en stroomen doorsneden, waren zij niet
+te genaken dan in zeer drooge zomers, of wanneer een strenge winter de
+wateren en wegen tot een vasten vloer had gemaakt. Boden zij gelegenheid
+tot een hoofdtreffen, dan was hun aanval hevig en onweêrstaanbaar. Dit
+ondervond reeds in 1004 Graaf ARNOUD in den bloedigen slag bij het dorp
+_Winkel_, waar hij met de bloem van den Hollandschen adel het leven
+liet. Bij een lateren aanval, in 1169, werd Graaf FLORIS III met eene
+menigte zijner edelen geheel-en-al door hen verslagen. Vruchteloos
+werden Hollands krachten gedurig aan hunne bestrijding verspild. Graaf
+WILLEM II meende eindelijk in het opwerpen van versterkte sloten het
+middel tot hunne onderwerping te hebben gevonden; doch ook dit werd door
+den hardnekkigen tegenstand der Friezen bijna onuitvoerlijk: want niet
+dan met de uiterste inspanning konden deze kasteelen tot stand
+gebragt-en tegen hunne woedende aanvallen verdedigd worden. En toen die
+zelfde Graaf WILLEM II, op het punt om _Keizer van Duitschland_ te
+worden, hen in persoon wilde bestrijden en daartoe den winter koos, om
+overal te kunnen doordringen, moest ook hij, bij _Hoogwoud_ door het ijs
+zakkende en door zijne vijanden overvallen, zijne vermetelheid met den
+dood boeten (1256).
+
+Zoo duurde de strijd immer voort. De Hollanders waren door buitenlandsch
+wapenbedrijf meer geoefend in den krijg; de Friezen hadden alleen hunne
+eigene dapperheid en listen daar tegenover te stellen. Huurbenden
+begonnen het leger der Hollanders te vermeerderen; de gedurige inbreuken
+van de zee en verwijding der stroomen verminderden gelijktijdig het erf
+en het vermogen der West-Friezen met de gelegenheid, om hulp van hunne
+oostelijke stamgenooten te bekomen. In weerwil dezer toegenomene
+bezwaren, ondervond Graaf FLORIS V, brandende van verlangen, om den dood
+zijns vaders te wreken, hoe moeijelijk het was, dit fiere volk van zijne
+vrijheid te berooven. Eerst na vier veldtogten en het bouwen van vier
+sterke kasteelen, en nadat een ontzettende watervloed het land
+geteisterd- en het volk weerloos gemaakt had, zoodat het niet moeijelijk
+viel met platboomde vaartuigen dorp voor dorp te bemagtigen, knakte hij
+der Friezen krachten (1288). Na zijn dood hadden zij nog eenmaal kracht
+genoeg den dwang te weêrstaan en drie der vier sloten te vernielen; doch
+dit was hunne laatste worsteling. Want Graaf JAN _van Avennes_ bragt met
+vreemde hulp een aanzienlijk heir bijeen, waarmede hij hen te land en
+ter zee aanviel en overmeesterde (1297). Hem gelukte het eindelijk door
+geweld een einde te maken aan hunne betrekking tot de overige Friesche
+Zeelanden, en _West-Friesland_, tusschen de Kinhem en het Flie, aan de
+Hollandsche Grafelijkheid toe te voegen. Ruim drie eeuwen lang (van 993
+tot 1297) duurde alzoo een strijd, die de overwonnenen tot grooter roem
+verstrekte dan de overwinnaars[69].
+
+ [69] Uithoofde dit onderwerp in onze vaderlandsche geschiedenissen
+ veelal verkeerd, of naar de opvatting van de Hollanders, wordt
+ voorgesteld, heb ik deze en de volgende togten dier Graven eenigzins
+ uitvoeriger bewerkt. Zie hierover breeder bij WAGENAAR, _Vaderlandsche
+ Historie_, II 115, 129, 235, 240, 260, 401; III 43, 102 enz.;
+ _Tegenwoordige Staat_, I 429; SJOERDS, _Jaarboeken_, II 169 env.;
+ BOSSCHA, _Heldendaden_, I 23 enz.
+
+ * * * * *
+
+Doch ook tot het bezit van _Friesland_ tusschen het Flie en de Lauwers
+strekte de begeerte der Hollandsche Graven zich uit, en dit lag nu aan
+de beurt, om met geweld van wapenen veroverd te worden, als het zich
+niet vrijwillig mogt onderwerpen. Deze Graven wendden voor, regt of
+aanspraak te hebben ook op dit land, op grond van Giftbrieven der
+Duitsche Keizers[70]. Doch die hoofden des rijks hadden vergeten of
+schenen onbekend te zijn met der Friezen volksregten en hunne
+oorspronkelijke betrekking tot het rijk, ten gevolge waarvan hun land
+geen leengoed- en dus voor geene verschenking of opdragt vatbaar was. En
+evenwel schonken zij _Oostergoo_, _Westergoo_ of _Stavoren_ nu aan de
+Bisschoppen van _Utrecht_, dan aan de Graven van _Holland_ of aan die
+van _Gelder_ en later weder aan den Markgraaf van _Brunswijk_ en
+anderen, hetzij als eene belooning voor genoten diensten, hetzij tot
+kwijting van schuld of wel om andere redenen[71]. De Friezen lieten hun
+regt daartegen somtijds wel gelden, doch bekreunden zich meesttijds
+daarover weinig of niet, en erkenden evenmin de geldigheid dier
+giftbrieven als zij gezind waren eenigen vreemden Landsheer, die zich
+aan hen wilde opdringen, te ontvangen; te meer, omdat zeldzaam iemand
+van die begunstigde personen zijne aanspraken deed of kon doen gelden,
+zoodat zij daarvan geringe of geene gevolgen ondervonden.
+
+ [70] Ofschoon Graaf ARNOUD in de geslachtlijst der Graven van _Gent_,
+ bij VAN LOON, _Aloude Hollandsche Histori_, 1734, II 236, reeds Heer
+ over geheel _Friesland_ genoemd wordt, en ook Giftbrieven in de levens
+ der eerste Graven, bij SCHRIVERIUS, hiervan gewagen, zoo heeft reeds
+ UBBO EMMIUS, _Hist. Fris._ lib. V, te kennen gegeven: "datter van de
+ Hollandsche scribenten bygelapt is, dat Vriesland oock van de
+ Bataviers af tot de Riviere den Lauwers in de selve gifte van Karel
+ mede begreepen, ende aen den selven Diederick geschoncken is geweest:
+ dewijl sulcks noch uyt oude Historiën of brieven van donatie kan waer
+ ghemaeckt worden; maer ter contrarie dit landt door de bepalinge van
+ Kinhem klaer en uytdruckelijck genoech daer uyt wordt geslooten." Zie
+ SCHRIVERIUS, _Levens der Graven_, 's Hage 1667, 34.
+
+ [71] Zie die zoogenaamde Giftbrieven op vele plaatsen in de
+ Hollandsche en Friesche Charterboeken. SCHOTANUS heeft in zijne
+ _Beschrijv. end Chron._ 71, vele verzameld onder een hoofdstuk: _Vande
+ verschenckingen deses Landts_. Zie ook HALSEMA, _Verh._ 306, en Mr. J.
+ DIRKS, _Bijdragen tot de Penningkunde van Friesland_, in de _Vrije
+ Fries_, III 28, 37 enz.
+
+ Ons Friesland was een maagd, die, schoon wat stug van aard,
+ In veler Vorsten hart een gloed van lusten baart;
+ De lust wekt list, en, om de maagd tot vrouw te maken,
+ Ontzag zich geen van hen haar d' ouderen te ontschaken[72].
+
+ [72] VAN HALMAEL, _de Schieringers en de Vetkoopers_, 142.
+
+Nog vóór het eindigen van den strijd tegen de West-Friezen verlangde
+Graaf FLORIS V ook _Friesland_ te bemagtigen. In 1288 schijnt hij
+daartoe eene vergeefsche poging gedaan te hebben; doch in 1292 gelukte
+het hem, om, met eene vloot over de Zuiderzee gekomen, zijn gezag alléén
+te vestigen in de koopstad _Stavoren_, welke zich daartoe zonder
+tegenstand gemakkelijk liet overhalen, omdat zij voor haren handel
+daarbij meer kon winnen dan verliezen. Want op den zelfden dag, den 1
+April 1292, dat zij den Graaf huldigde, verkreeg zij van hem voorregten
+en vrijheden, die voor haar van belang waren. Het is niet bekend, dat de
+Graaf verder pogingen deed, om ook het overig gedeelte van _Friesland_
+te bemagtigen[73].
+
+ [73] Zie _Charterb._ I 124, 126, 131 env.; SCHOTANUS, _tabl._ 13;
+ WINSEMIUS, 179; WAGENAAR, III 46; SJOERDS, III 142, 149, 181.
+
+Ofschoon _Stavoren_ in 1299 Graaf JAN II op gelijke wijze huldigde en de
+bevestiging harer privilegiën van hem verkreeg, schijnt zij die
+Hollandsche regering spoedig moede geweest- en haar afgevallen te zijn.
+Immers, naauwelijks was Graaf WILLEM III, die eerlang den bijnaam van de
+goede verwierf, in 1305 aan de regering gekomen, of hij ondernam met
+1500 man een togt naar _Friesland_, en landde in _Gaasterland_, met
+oogmerk om _Stavoren_ van de landzijde te bemagtigen. Doch de Friezen
+boden, onder hunnen Potestaat HESSEL MARTENA, hem zoo dapperen
+tegenstand, dat hij met de zijnen zich spoedig weder aan boord begaf en
+aftrok. Uithoofde er zich bij zijne benden West-Friezen bevonden, die
+vroeger door hunne stamgenooten tegen de overheersching der Hollandsche
+Graven geholpen waren, zoo namen de Friezen dezen aanval zeer euvel op.
+Daarom deden velen hunner een togt naar _Noord-Holland_, en bragten de
+ingezetenen van _Enkhuizen_ en omstreken met rooven en branden groote
+schade toe. Uit wraak zonden deze omgekochte brandstichters in
+_Friesland_, die eenige stinzen der edelen, welke bij dien togt
+tegenwoordig waren geweest, in koolen leidden. Uit weêrwraak stak men
+van hier nogmaals naar _Enkhuizen_ over, verbrandde wel vijf-en-twintig
+huizen dier stad en keerde met buit beladen terug, welk verlies de
+Enkhuizers weêr betaald zetten, door in 1310 het St. Odulphus-klooster
+te _Stavoren_ bij nacht uit te plunderen en in brand te steken[74].--Met
+zulk een barbaarschen haat en wraak vervolgden christen-landgenooten
+elkander in die dagen! En tot welk doel?
+
+ [74] WINSEMIUS, 187; SCHOTANUS, 165; WAGENAAR, III 225; _Tegenwoordige
+ Staat_, I 443, 446. In 1318 hadden er op nieuw zulke strooptogten
+ plaats.
+
+ * * * * *
+
+Graaf WILLEM had de overtuiging bekomen, dat het aanwenden van geweld
+het regte middel niet was om de Friezen te winnen. Hij nam dus zachtere
+middelen, eene behendige staatkunde te baat, om zijn doel te bereiken.
+In 1310 sloeg hij eene verzoening met _Stavoren_ voor, welke werd
+aangenomen; terwijl de roem zijner zachtmoedigheid en regtvaardigheid
+zelfs _Westergoo_ bewoog, hem, bij een verdrag, nabij _Alkmaar_
+gesloten, tot Heer aan te nemen; welligt, omdat het in de hooggerezen
+binnenlandsche twisten te vaak zijne zwakheid gevoelde tegenover het
+magtiger _Oostergoo_, dat zich tegen de aanneming van den Graaf
+bestendig bleef verzetten. Deze zag intusschen zijn gezag bevestigd door
+den Roomsch Koning LODEWIJK, die zelfs _Oostergoo_ en _Westergoo_ beide
+beval hem als Heer te erkennen (1314). In weerwil hij der Friezen
+verschillen met _Harderwijk_ en _Kampen_ zeer in hun belang regelde, en
+door vriendelijkheid en billijkheid ieder zocht te believen, verzetten
+die van _Stavoren_ in 1328 zich weder tegen zijn gezag, door het
+verjagen van zijne Schouten en het afbreken van hunne huizen. Hiertegen
+wapende de Graaf zich wel met eene vloot en leger, nam de Friesche
+schepen op de Zuiderzee en liet strooptogten doen in _Gaasterland_, doch
+ondervond tevens eene hevige wraak daarover van de Friezen, die zijne
+schepen moedig aanvielen en de vrijheid namen in _West-Friesland_
+wederkeerig te plunderen.
+
+Hoewel aan dit geschil, door bemiddeling der Geestelijkheid, een einde
+werd gemaakt door een zoen, welke te _Haarlem_ door den Graaf met
+_Stavoren_ en _Westergoo_ werd gemaakt, schijnt hij in _Friesland_
+weinig gezag te hebben uitgeoefend. Nooit is hij althans door
+_Oostergoo_ erkend geworden, en welligt ook nooit in persoon in
+_Friesland_ geweest om regten uit te oefenen. Een jaar na zijn
+overlijden, dat in 1337 voorviel, erkende _Stavoren_ zijn zoon en
+opvolger Graaf WILLEM IV wel als Heer, en bevestigde deze de voorregten
+dier stad, welke hij twee jaren later vermeerderde; doch _Westergoo_
+volgde dit voorbeeld evenmin als _Oostergoo_[75].
+
+ [75] Zie over het medegedeelde omtrent Graaf WILLEM _den goede_,
+ _Charterb._ 149-199; SCHOTANUS, 168; WINSEMIUS, 190 env.; WAGENAAR,
+ III 224; SJOERDS, _Jaarboeken_, III 228; _Teg. Staat_, I 454.
+
+ * * * * *
+
+Deze versmading van zijn vermeend gezag en eenige gewelddadigheden te
+_Stavoren_ voorgevallen, waarbij de zoon van een grafelijk ambtenaar
+het leven verloor, en welligt ook andere redenen, bewogen den trotschen
+en onbesuisden Graaf WILLEM IV ten jare 1345 krachtige maatregelen aan
+te wenden, om gansch _Friesland_ aan zich te onderwerpen. Hij bragt eene
+groote vloot bijeen, waarop hij een leger overvoerde, dat (zeker
+overdreven) op 85,000 man werd geschat. Hiermede stak hij over de
+Zuiderzee en landde in de nabijheid van _Stavoren_. Een krachtige
+nationale tegenstand werd hem geboden: want hoe min talrijk de nu als
+één man vereenigde en slecht gewapende Friezen ook waren, hun moed was
+een muur. Hunne liefde voor de vrijheid telde de overmagt niet der
+vijanden, maar klom met het gevaar, daar ze geene geweldige aanranding
+van hun land konden dulden. De grievende vernedering, welke de Graaf
+kort te voren het door hem belegerde en zich vrijwillig overgevende
+_Utrecht_ had aangedaan, spelde hen, wat zij van zijn wraaklust hadden
+te vreezen, als zij te kort schoten en hij mogt zegepralen. Zij trokken
+hem vurig te gemoet, en, zoo ooit, was het toen, dat het volgende
+_Strijdlied_ in hunnen mond voegde:
+
+ Wierne de alde Friesen fry,
+ Friesce soannen binne wy.
+ De alde moed is net forroen:
+ O, wy stjerre foar ues groun!
+
+ Stoarm in wetter haww' wy hôan
+ Oer ues ljeawe Friesce lôan;
+ 't Folk, dat foar nin weagen swicht,
+ Fait it oarlochsswird eak licht.
+
+ Jane wy den eak nin keap
+ Foar ien wylde stropers heap!
+ Frydom, koft troch eigen moed,
+ Is ues meer as goed in bloed.
+
+ 't Gleaune scerpe krigersswird
+ Loeke wy foar hoes in hird,
+ In wy binne eang of bang,
+ As foar frjemde keunings twang.
+
+ Broes' nou 't alde Friesce bloed!
+ Kom wer, frye Friesce moed!
+ Frydom, frydom is ues noft
+ As de foegels yn de loft.
+
+ De alde Friesen wierne fry,
+ Foar de frydom fjochte wy;
+ In ien echte frye Fries
+ Het fen frjemde twang ien grys[76].
+
+ [76] Dr. E. HALBERTSMA in _de Lapekoer fen Gabe Scroar_, 1834, 259.
+
+De vloot, door ruw herfstweder verstrooid, landde niet gelijktijdig,
+zoodat de Graaf geene gelegenheid had, zijn leger in behoorlijke orde te
+scharen. Dit werd ook vóórgekomen door de Friezen, die zoo dapper op de
+Hollandsche benden aanvielen, dat zij eerst een gedeelte, door JAN _van
+Henegouwen_ aangevoerd, versloegen, en daarna het andere gedeelte, met
+den Graaf aan het hoofd, zóó lang en zóó onversaagd, van den opgang der
+zon tot den laten avond, bestreden, dat het leger geheel verslagen en
+verstrooid werd, en dat de Graaf zelf in het heetst van het gevecht
+sneuvelde met zeer vele edelen uit de voornaamste geslachten van
+_Holland_, _Zeeland_ en _Henegouwen_, wier getal op 240, gelijk het
+gansche getal gesneuvelden van den vijand op 18,000(?) man begroot werd.
+
+»Holland en Zeeland smolt in rouw op de tyding deezer nederlaage," zegt
+een Hollandsch geschiedschrijver[77]. Wie billijkt niet die smart? en
+niet minder die »der jonge Graavin over de dood haars Egtgenoots?" Maar
+wie ontroert het niet, daarbij van eene vrouw te moeten lezen: »dat zij
+daarover zoo gebeten was op de Friezen, dat zij niet alleen hunne
+goederen in _Holland_ allen verbeurd verklaarde, maar dat zij ook het
+klooster _Mariënhof_ op het eiland _Marken_, door de Hallumer Abtdij
+_Mariëngaarde_ met Friesche Monniken bevolkt, aan hare wraakzucht
+opofferde, door eene bende krijgsvolk derwaarts te zenden, die, buiten
+oorlog en in koelen bloede, 't gebouw in brand stak en de ongelukkige
+monniken in de Zuiderzee smeet"[78].
+
+ [77] WAGENAAR, III 261. Zie verder SCHOTANUS, 180; WINSEMIUS, 202;
+ FOEKE SJOERDS, III 384; _Tegenwoordige Staat_, I 492.
+
+ [78] WAGENAAR, III 261. Indien WILLEM'S weduwe, JOHANNA, dit wreed
+ bedrijf niet heeft gepleegd, maar wel zijne zuster en opvolgster,
+ MARGAREET, gemalin van _Keizer_ LODEWIJK _van Beijeren_ (zoo als
+ SCHOTANUS en WINSEMIUS willen), dan is het nog schandelijker, dewijl
+ het dan na verloop van eenigen tijd en met koud overleg, en niet uit
+ droefheid of in drift geschiedde.
+
+Men is gewoon laag te vallen op de ruwheid der Friezen in hunne
+oorlogen; maar van zulk een gruwel heeft de Friesche geschiedenis geen
+voorbeeld. Rampzalig de eeuw en het land, waarin zelfs eene Vorstin zich
+zóó kon verlagen, en zich straffeloos vergrijpen aan het leven en de
+bezittingen van weerloozen! Wie onzer zou die tijden terugwenschen?
+
+Maar nog geen wraak genoeg. Graaf WILLEM V trachtte den dood zijns
+voorgangers te wreken door de Friezen--niet met eerlijke wapenen in
+openbaren strijd, maar te straffen, door het uitgeven van last- of
+kaperbrieven aan bijzondere personen, om op hen te panden, of hen te
+lande en te water, aan lijf en goed, allerwege te beschadigen en te
+berooven (1347). Van zulk een laag middel hadden de Friezen voor hunnen
+handel en bezittingen de grootste nadeelen te vreezen. Gaarne sloten zij
+dus in den volgenden jare een vredeverdrag of bestand voor twintig
+jaren, niet enkel met den Graaf, maar ook met de Ridderschap, Steden en
+Ingezetenen van _Holland_, _Zeeland_ en _West-Friesland_;--een verdrag,
+waarbij de voorwaarden geheel in het belang van _Oostergoo_ en
+_Westergoo_ gesteld waren, en waarbij de Graaf zelfs beloofde, dat zijne
+onderzaten de grenzen van _Friesland_ niet zouden overschrijden, dan in
+geval van nood en om koophandel te drijven, waartoe zij zich echter
+enkel tot de drie marktplaatsen _Harich_, _Kornwerd_ en _Holwerd_
+moesten bepalen[79]. Later gaf de Graaf ook den Friezen volle vrijheid,
+om in _Noord-Holland_ handel te drijven en de markt te _Haarlem_ te
+bezoeken[80].
+
+ [79] Dit belangrijk stuk, enkel vermeld in het _Charterboek_, I 208,
+ is eerst in 1817 uitgegeven door Jhr. J. C. DE JONGE, achter zijne
+ _Verhandeling over de Hoeksche en Kabeljaauwsche twisten_. Jhr. W. VAN
+ SWINDEREN gaf de hoofdinhoud daarvan met toelichtingen in 't
+ Mengelwerk der _Leeuwarder Courant_ van 1832, N^o. 61. De eerste
+ deelde de Heer VAN LEEUWEN ook mede in zijne Aanteekeningen op _it
+ aade Friesche terp_, 418.
+
+ [80] _Charterboek_; I 208; _Tegenwoordige Staat_, I 501.
+
+ * * * * *
+
+Zoo scheen dan eindelijk het tijdperk te zullen aanbreken van rust en
+vrede tusschen de ingezetenen van zoo nà bij elkander gelegene landen,
+die beide zoo veel belang hadden bij eene goede verstandhouding en bij
+het rustig genot van de wederzijdsche regten en bezittingen. Ofschoon
+_Stavoren_ kort daarna afviel (1352) en den Graaf als Heer aannam, uit
+baatzucht welligt, ten einde van hem voor haren handel vrijdom van
+tollen en gelijke voorregten te bekomen, als waarmede de Hollandsche
+koopsteden begunstigd waren;--ofschoon Keizer KAREL IV _Oostergoo_ en
+_Westergoo_ beval, den Graaf insgelijks als Heer te erkennen
+(1362)[81],--werd het bestand telkens verlengd, en bleven de Friezen
+eene halve eeuw lang van deze zijde ongestoord, hoewel zij gelijktijdig
+onderling in partijschappen hevig verdeeld waren[82]. Herhaaldelijk gaf
+echter de opvolgende Graaf van _Holland_, Hertog ALBRECHT _van
+Beijeren_, blijken, dat hij zijne aanspraken op het bezit van
+_Friesland_ geenszins liet varen. Doch hij waagde het niet, deze met
+eene krijgsmagt te doen gelden, dewijl hij in zijn eigen land moeite
+genoeg had, zich staande te houden bij de hooggestegen beroerten der
+Hoekschen en Kabeljaauwschen en bij huiselijke twisten, ten gevolge
+waarvan zijn oudste zoon, Graaf WILLEM _van Oostervant_, naar
+_Frankrijk_ gevlugt was. Dáár werd deze echter aan 's Konings tafel
+smadelijk verweten, dat hem die plaats der eere niet toekwam, vermits
+het wapen van zijn geslacht was geschonden of verloren door de nederlaag
+van zijn oudoom Graaf WILLEM IV, die in 's vijands land verslagen en nog
+onbegraven was, zonder dat iemand van zijn geslacht dien dood had
+gewroken[83].
+
+ [81] _Charterboek_, 208, 209, 210, 226, 227.
+
+ [82] _Charterboek_, 233-255.
+
+ [83] Tien dagen na den slag tusschen _Stavoren_ en _Warns_ in 1345 was
+ 's Graven lijk gevonden geworden door MARTEN, kommandeur der St.
+ Jansheeren te _Haarlem_, die het liet begraven in het Klooster
+ _Bloemkamp_ bij _Bolsward_, van waar het later door ALBRECHT naar
+ _Valenciennes_ is overgebragt. Onbegraven beteekent hier: in geen
+ vorstelijk graf bijgezet.
+
+ * * * * *
+
+Als een kloek ridder was hem die smaad onduldbaar. Die smet wilde hij
+afwisschen. De eerste stap daartoe was, zich met zijn vader te verzoenen
+en dezen te bewegen, om _Friesland_, het kostte wat het wilde, te
+veroveren. Dit gelukte hem, en naauwelijks was het voornemen van Hertog
+ALBRECHT, om de Friezen te bestrijden, bekend geworden, of er openbaarde
+zich eene zóó algemeene geestdrift tot deelneming, dat het scheen alsof
+er een kruistogt gepredikt ware. Vele aanzienlijke graven en ridders
+kwamen ook uit andere landen over, om deel te nemen aan een strijd,
+welke gelegenheid tot schitterende wapenfeiten scheen aan te bieden.
+Meer dan een jaar lang werden er in allerlei oorden, in en buiten des
+Graven gebied, manschappen aangenomen en schepen, door verbod om buiten
+'s land te varen, geprest tot den togt naar _Friesland_. Eene verbazende
+magt werd er alzoo ontwikkeld, waarvan het toenmaals eerst opkomende
+zeewezen van ons land nog geen voorbeeld had gegeven, en welke zelfs ook
+later geene weêrgade vond. Want (hoe onwaarschijnlijk ook) op 180,000
+man werd het leger begroot, dat uit Hollanders, Zeeuwen, Vlamingen en
+Henegouwers, ja zelfs uit Fransche, Engelsche en Duitsche hulpbenden
+bestond, welke werden overgevoerd op eene vloot, wier sterkte men op
+3000 groote schepen en 400 kleinere vaartuigen schatte.--En zulk eene
+vloot en leger achtte men noodig, om een land, zóó klein van omvang,
+doch zóó geducht door den heldenmoed en de vrijheidsliefde zijner
+bewoners, te veroveren! Een vervaarlijk onweder trok alzoo te zamen, dat
+_Friesland_ met eene onvermijdelijke overweldiging bedreigde.
+
+Hoe zouden de Friezen tegen zulk eene overmagt bestand zijn geweest?
+Terwijl de vijand, door geene onderhandelingen te bewegen, om van zijn
+voornemen af te zien, alle hulp van naburen bekomen- en hen alle wegen
+tot verkrijging van ondersteuning afgesneden had, konden zij uit hun
+eigen land niet meer dan 30,000 weerbare mannen bijeenbrengen. Om met
+deze, ongeoefend en slecht gewapend als ze waren, zulk een leger te
+wederstaan, scheen gevaarlijk, zoo niet roekeloos. Daarom gaf de door
+hen op een landsdag verkozen Potestaat JUW JUWINGA of JONGAMA van
+_Bolsward_, die als krijgsman op buitenlandsche togten vele proeven van
+dapperheid gegeven- en rijke ervaring verworven had, hun den
+verstandigen raad, om den vijand geen slag te leveren in het open veld,
+maar zich in de steden en dorpen te verschansen, ten einde het leger af
+te matten, en door gebrek aan leeftogt tot terugkeer te noodzaken. Doch
+met onstuimige strijdzucht verachtten zij dien raad, omdat het ontwijken
+van een slag den schijn zou geven alsof zij lafhartig een vijand
+ontweken, dien zij, even als hunne vaderen vijftig jaren vroeger, nog
+durfden staan. Afkeerig van allen dwang en met fierheid elke poging tot
+hunne overheersching verfoeijende, trokken zij, onder de kreet: »Wij
+sterven liever als vrije Friezen dan ons aan een vreemden heer te
+onderwerpen!" den vijand tegen, ten einde »vrij en friesch, met lijf en
+goed, de vrijheid te beschermen, en alle vreemde landsheeren
+eendragtelijk tegen te staan."
+
+Hertog ALBRECHT _van Beijeren_, die in het opperbevel door drie zijner
+zonen ondersteund werd, had zijne legermagt te _Enkhuizen_ verzameld,
+stak de Zuiderzee over en landde aan den zeedijk tusschen _de Lemmer_ en
+_de Kuinder_. Nadat de Friezen vruchteloos getracht hadden de landing te
+verhinderen, werd er, op den 29 Augustus 1396, op een daaraan gelegen
+groot veld, het _Oostzingerland_ of _Oosterzee-ingerland_ geheeten, bij
+_Schoterzijl_, slag geleverd. Verschrikkelijk was de woede van dit
+gevecht. Met heldenmoed voor hunne vrijheid strijdende, verrigtten de
+Friezen wonderen van dapperheid. Eenige uren lang bleef de zege
+twijfelachtig; maar, toen zij eindelijk door nieuwe benden aan alle
+zijden ingesloten waren, sloegen zij verwoed en verward op den vijand
+in, en moesten voor het welgewapende en overmagtige leger bukken. Een
+groot getal Friezen was gesneuveld en daaronder ook hun edele Potestaat,
+die, schoon men zijn raad niet wilde opvolgen, zich toch aan het hoofd
+des legers had gesteld, om allen door zijn voorbeeld aan te sporen[84].
+
+ [84] In alle tijden is het voorzeker een blijk van ongemeene
+ regtschapenheid, wanneer regenten, overstemd en verpligt zijnde een
+ besluit der meerderheid uit te voeren, van welks nadeelige strekking
+ zij zich voor hun persoon overtuigd houden, die uitvoering op eene
+ waardige wijze volbrengen, zelfs met gevaar van het leven of het
+ uitzigt op een wissen dood.
+
+Nog had het volk kracht genoeg, drie dagen later een tweede gevecht te
+wagen, hetwelk echter, even als latere herhaalde schermutselingen, niet
+gelukkiger uitviel, hoewel ook daarbij vele vijanden omkwamen. De
+Hollandsche benden trokken nu het land in, om de vrucht hunner
+zegepraal te genieten, door overal te plunderen en te branden. Vijf
+weken lang duurde dit woeden. Onstuimig herfstweder en gebrek aan
+leeftogt en betaling noodzaakten ALBRECHT het overschot van zijn leger
+nog vóór den winter terug te voeren naar _Enkhuizen_, waar het ontbonden
+werd. In _Stavoren_, waar hij een sterk kasteel zou hebben laten bouwen,
+en op andere plaatsen had hij eenige bezetting achtergelaten, doch deze
+werd weldra door de Friezen verdreven; en toen de Hertog, in Februarij
+1397, om die benden te hulp te komen, drie Hollandsche Edelen aan het
+hoofd van eene legermagt herwaarts zond, en deze te _Hindeloopen_
+meenden te landen, werden ze door de Friezen zoo krachtig ontvangen, dat
+zij met groot verlies naar hunne schepen en naar _Holland_ terugkeerden.
+Zoo waren al de voordeelen der behaalde overwinning verloren gegaan.
+Doch de overwinnaar was laag genoeg, om nu zijn wrok te koelen, door het
+uitgeven van een aantal magt- of pandbrieven aan vele personen, om zijne
+vijanden, de Friezen, te water en te land te beoorlogen, te beschadigen
+en afbreuk te doen. Zelfs stelde hij zijne twee Admiralen aan het hoofd
+dezer kaperschepen[85].
+
+ [85] Zie deze Brieven in het _Vriesch Charterboek_, I 260-269.
+
+ * * * * *
+
+De verpletterende ramp, welke _Friesland_ bedreigd en als ten ondergang
+bestemd had, was alzoo gelukkig te boven gekomen, en had de vrijheid uit
+den strijd het hoofd weder opgebeurd. 't Was echter, alsof het Hertog
+ALBRECHT krenkte, dat hij van zijne overwinning zoo slecht gebruik had
+gemaakt, en dat de vijand, dien hij wel overmeesterd, doch niet
+bedwongen had, zijne ontzettende opofferingen door de verdrijving van
+zijne benden met vernedering en bespotting vergold. Nogmaals wilde hij
+dat weerbarstige _Friesland_ veroveren, bedwingen en aan zijn gebied
+onderwerpen. Met nieuwen ijver hervatte hij de oorlogs-toebereidselen.
+In Mei 1398 beval hij al zijne leenmannen en ridders, zelfs die
+uitlandig waren, om hem, tegen het laatst der maand Junij, met een
+bepaald getal gewapende mannen ter hulp te komen tot den nieuwen togt
+naar _Friesland_. Evenzoo de steden van _Holland_, en _Zeeland_, waarvan
+enkel _Dordrecht_ moest leveren: 600 gewapende mannen, 20 timmerlieden,
+10 smeden, 10 metselaars en 25 schutters, benevens een aantal horden.
+Deze laatste waren bestemd om den overtogt langs moerassen en slechte
+wegen gemakkelijk te maken[86]; terwijl de getallen dier handwerkslieden
+blijken geven, dat de Hertog zijn gezag hier nu wilde vestigen door het
+bouwen van kasteelen, gelijk vroeger in _Noord-Holland_ was geschied,
+waartoe hij eene groote hoeveelheid »calck, yser ende hout dede copen
+totter timmeragie in ons reysen, die wy, off God wil(!), doen sullen op
+onse vyanden die Oistvriesen." Bovendien moesten de elf voornaamste
+Hollandsche steden 444 schepen (behalve de groote) leveren, en verzocht
+hij de stad _Zierikzee_, om hem 25 groote geproviandeerde schepen te
+leenen en daarmede de hulpbenden, welke hij in _Engeland_ had
+aangeworven, te halen en naar _Vlissingen_ te brengen. Van elders leende
+hij nog 300 schepen, ontbood hulp uit _Zeeland_, _Utrecht_, _Zalland_,
+het land van _Altena_ enz.; terwijl de Heer van _Hensberg_ hem met 200
+bemande galeijen en 4000 Gld., gelijk _Haarlem_ met 4 schepen en 5000
+oude Schilden, bijstand deed. Zelfs verzocht hij ondersteuning van den
+Koning van _Frankrijk_ en andere vreemde Vorsten, en besloten de
+Zeeuwen hem 8000 man te leveren, behalve de manschappen, welke reeds van
+hunne Steden waren gevorderd. Eindelijk waren de menigvuldige
+toebereidselen tot den Frieschen oorlog gereed, en het groote leger met
+de talrijke vloot te _Enkhuizen_ verzameld, alsof het de verovering van
+het Heilige land zou gelden[87].
+
+ [86] Dit is waarschijnlijker dan IDSINGA'S meening van planken, tot
+ bedekking van de kuilen, welke men den Hertog gezegd had, dat de
+ Friezen gegraven hadden ter plaatse, waar hij zou landen.
+
+ [87] Omtrent de krijgstoerustingen van dezen tweeden togt zijn er veel
+ meer bescheiden in de Hollandsche, Friesche en andere Charterboeken
+ bewaard dan omtrent den eersten. Blijkens deze werd er bijzondere zorg
+ gedragen voor bouwmaterialen, doch nog meer voor den leeftogt.
+ Omstreeks half Junij werden de personen benoemd, die de volgende
+ ambten op de vloot zouden bekleeden, als: 2 Admiralen, 2 Bos- en
+ Graafmeesters, 3 Timmermeesters, 2 Tentmeesters, 2 Tarwe- en
+ Bierkoopers, 2 Ossekoopers, 2 Wijnkoopers, 2 "Malvezie, craemcruyt
+ ende cokenkruyt besorgers," 2 Schape-, 2 Visch- en 2 Boter- en
+ Kaaskoopers, 4 Meester Ridderen, 5 Meester Knapen, mede belast "te
+ coopen schottelen, azyn, eyer, mostert, turff, ende zout." Voorts
+ "Pentiers, Bottelgiers, Cocks en Warderobben, die sullen besorgen XII
+ knechten meer dan sy nu hebben, die tortyssen dragen sullen voir mynen
+ Heere, ende die vierpannen voor myns Heren tenten te vieren, te
+ waecken ende die tenten helpen op te breken."--"Item, sal men hebben
+ vier groote schepen van Amsterdam, ende in elck schip vyff ovens; by
+ elcken schepe een schip met meel, ende in den grooten schepen sal men
+ leggen die barninge mede te backen. Binnen Medenblick sal men een deel
+ ovens stellen, om daer brood voor 't gemeen volck te backen, drie
+ bruyn ende 't vierde witt." Doch wij zouden te uitvoerig worden, als
+ wy meerdere bijzonderheden tot kenschetsing van dezen togt
+ mededeelden. Van wapentuigen of vuurwapenen vindt men hierbij echter
+ nog geen spoor vermeld.
+
+Op een der eerste dagen van Julij 1398 stak deze krijgsmagt, onder bevel
+van Graaf WILLEM _van Oostervant_, over de Zuiderzee, en landde tusschen
+_de Lemmer_ en _Takozijl_. Zij vond vooreerst geen tegenstand, gelijk
+vroeger: want de Friezen waren nu geheel anders gezind dan toen. Sedert
+dien tijd hadden de partijschappen het hoofd zóó verwoed opgestoken, dat
+het in den vorigen jare 1397 bij _Dronrijp_ tot een veldslag was
+gekomen, waarin de Vetkoopers de nederlaag hadden geleden. Uit zucht
+naar wraak en om zich te herstellen, helden deze nu naar de zijde van
+_Holland_ over en boden geen tegenstand, ook op hoop van door den Graaf
+in aanzienlijke betrekkingen gesteld te zullen worden. De Schieringers
+vreesden de gevolgen van dezen aanval minder; terwijl de ondervinding
+ook had geleerd, dat het vruchteloos was, zoo vele vreemde benden in het
+open veld te bestrijden. Naar den vroegeren raad van den Potestaat
+JUWINGA, hield men zich nu meer in de steden op en trachtte deze te
+versterken[88]. Het leger trok alzoo onverhinderd door _Gaasterland_,
+doch vond niet ver van _Hindeloopen_ vele Friezen verzameld, die eene
+poging wilden doen om _Stavoren_ te beschermen. Zij werden echter na een
+hevig gevecht verdreven, en nu trok men naar _Stavoren_, waarin zich
+eene groote menigte volks had verzameld. Langer dan drie weken werd deze
+stad vruchteloos belegerd, en zij gaf zich niet over, vóór de
+aanzienlijkste edelen van _Oostergoo_ en _Westergoo_ met WILLEM _van
+Oostervant_ in het leger een verdrag hadden gesloten, waarbij ze zijnen
+vader wel tot Heer aannamen, en hem toestonden sloten en burgten in het
+land te bouwen en overheden aan te stellen; doch waarbij ze tevens
+uitdrukkelijk bedongen, dat de Friezen hunne goederen vrij zouden
+blijven bezitten, dat zij tot geene heervaart buiten 's lands zouden
+verpligt zijn, dat hun veiligheid van personen en goederen verzekerd
+werd, dat ze hun eigen Friesch regt zouden behouden enz.[89]
+
+ [88] Zie dit omtrent _Leeuwarden_ in de _Geschiedk. Beschrijv._ I 55,
+ 372.
+
+ [89] Zie dit Verdrag in het _Charterb._ 281; SJOERDS, _Jaarb._ IV 127.
+
+Eerlang werd nu Hertog ALBRECHT _van Beijeren_ door geheel _Friesland_
+als Heer gehuldigd, bij uitvoerige zoen-en huldebrieven. Op verscheidene
+plaatsen liet hij kasteelen bouwen tot bedwang van het land; naar
+Hollandsche wijze stelde hij hier Schouten, Baljuwen en Schepenen aan,
+begiftigde vele aanzienlijke edelen met goederen, en deed hij ook
+daardoor werkelijk pogingen, om hier het Leenstelsel in te voeren.
+Hierin en in meerdere bepalingen van zijnen zoenbrief week hij af van
+het eerste verdrag van aanneming, en ziet daar al dadelijk den grond
+gelegd van een tegenstand en verzet van het volk, welke zich reeds in
+het begin des volgenden jaars openbaarden[90]. Die schending van het
+verdrag was den vrijheidminnenden Friezen even onduldbaar als al de
+blijken van overheersching; en inderdaad werden eerlang alle kasteelen
+door het volk gesloopt, de ambtenaren verjaagd en de bezettingen,
+behalve uit _Stavoren_, verdreven. Te vergeefs zond de Hertog nieuwe
+benden uit de Hollandsche steden naar _Stavoren_, dat door de Friezen
+krachtig, doch zonder vrucht, werd aangevallen. Te vergeefs trachtte hij
+bij een naderen zoenbrief door gunstiger bepalingen, omtrent het vrij en
+onbezwaard bezit der eigendommen, de schattingen en regten, de bezwaren
+der Friezen weg te nemen. Reeds was het gansche land tegen het
+Hollandsche gezag ingenomen en gewapend. Voor de derdemaal schreef hij
+in Julij 1400 eene algemeene heirvaart tegen de Friezen uit, en werden
+al zijne ridderen en leenmannen, steden en dorpen in _Holland_ en
+_Zeeland_, ja zelfs in _Utrecht_, aangeschreven, hem ten spoedigste met
+550 galeijen en een bepaald getal manschappen te hulp te komen.
+_Dordrecht_ was daarbij weder gesteld op 600 gewapende mannen en 40
+arbeiders, »of Smeden, Tymmerluden, Maetselairs ende andere luden met
+breecbilen, hantbomen, ghetouwen ende ander gherieschap, om te woesten
+ende te vellen alle Sloten, Stenhuzen ende Vestenissen, dye onze
+meynedighe luden van Oistvrieslant jeghens ons houden." De overige
+steden en plaatsen moesten hulp leveren naar evenredigheid[91].
+
+ [90] Dit blijkt uit de stukken _Charterb._ 289, 290, 298.
+
+ [91] Zie al die oproepingen in het _Charterb._ 309-314.
+
+Ook deze togt liep weder vruchteloos af, daar het leger, onder
+aanvoering van Graaf WILLEM _van Oostervant_ te _Stavoren_ geland, wel
+de zeekust langs trok, met de Friezen schermutselingen hield en _Dokkum_
+innam; doch te magteloos was, het Hollandsche gezag hier te herstellen,
+waarom het eerlang terugtrok, nadat al de pogingen, om 's Graven gezag
+ook in _Groningen_ te vestigen, mede verijdeld waren.
+
+In weerwil van zoo herhaalde teleurstellingen en aanzienlijke
+opofferingen, was de oude Hertog den strijd nog niet moede. In Junij des
+volgenden jaars 1401 schreef hij in _Holland_ en _Zeeland_ eene dubbele
+en driedubbele heirvaart uit, om hem te hulp te komen met gewapende
+mannen en sterke gravers met schup en spade en piek of boog, ten einde
+daarmede een togt te doen naar _Stavoren_, om de twee kasteelen te
+voltooijen, welke hij begonnen was, daar tot versterking van deze stad
+te doen bouwen[92]. Doch dit was ook zijne laatste poging ter bedwinging
+van een land, dat getoond had, zich niet te willen onderwerpen. De
+uitputting zijner geldmiddelen en de mindere gewilligheid der
+Hollandsche edelen en steden, om zijner veroveringszucht langer ten
+dienste te staan, deden hem zelfs naar vrede verlangen. Den 1 October
+1401 werd die te _Bolsward_ voor zes jaren gesloten, bij een verdrag,
+waarbij de Friezen tusschen den Wezer en _de Lemmer_ voor zich gunstige
+bepalingen van vrijheid en rust bedongen, en den Hertog alleen het
+gebied over _Stavoren_ lieten behouden[93].
+
+ [92] Zie deze stukken in het _Charterb._ 321-325, ook 298. Het
+ kasteel, in 1398 gesticht, schijnt dus toen verwoest te zijn geweest.
+
+ [93] Zie dit Verdrag in het _Charterb._ 327 en SJOERDS, _Jaarb._ IV
+ 225.
+
+ * * * * *
+
+De gevolgen van deze herhaalde togten en ongemeene kracht-inspanning
+waren voor Hertog ALBRECHT zeer bedroevend: want die verbazende
+krijgstoerustingen en de daarop gevolgde Arkelsche oorlog hadden hem zoo
+zeer verarmd en met schulden bezwaard, dat, bij zijn dood in 1404, zijn
+boedel door zijne weduwe met den voet werd gestooten. De Friezen
+herstelden zich vervolgens van hunne nederlaag, door het verjagen van de
+vijandelijke bezetting, maar het verlies van den Overwinnaar was
+onherstelbaar, dewijl hij overal, waar hem het gebieden voegde, verpligt
+was te gehoorzamen[94]. Zijne veroveringszucht gedijdde hem alzoo
+evenzeer tot schade en schande, als den Friezen tot eere, dewijl zij
+daardoor gelegenheid hadden, nieuwe blijken te geven van heldenmoed ter
+handhaving van vrijheid en regt, bij de bestrijding van overmagtige
+legers, die hun volksbestaan met den ondergang bedreigden. (Zie
+_Aanteekening 13_.)
+
+ [94] STIJL, _Opkomst en bloei der Nederlanden_, 2e dr. 59.
+
+ * * * * *
+
+Al de latere Graven van _Holland_ in de 15e eeuw hebben echter
+bestendig hunne vermeende aanspraak op _Friesland_ doen gelden, door
+bijna jaarlijks het geslotene vrede-verdrag te vernieuwen. Niet minder
+deden zij dit door het aanwenden van rustelooze pogingen, bij wijze van
+onderhandeling, om zich door de Friezen als Heer of Graaf erkend te
+zien, hoewel deze, wanneer de drang hun te sterk voorkwam, zich telkens
+tijdig genoeg verzekerden van nieuwe keizerlijke bullen, waarbij hun
+regt, om zich zelve te regeren en buiten het rijk, dat hun bescherming
+verleende, geenen heer onderdanig te zijn, werd bevestigd[95]. Geen dier
+Graven deed echter zijne aanspraken meer met geweld of magt van wapenen
+gelden. Dit was hun afgeleerd. Het lot hunner voorzaten bleef hen
+deswege eene heilzame waarschuwing. Onnatuurlijk was echter die klove
+tusschen zoo nabij elkander gelegen gewesten. Zeker zou eene gewenschte
+toenadering eerder hebben plaats gehad, indien de Hollanders niet immer
+getoond hadden, den meester te willen spelen over de Friezen, die echter
+niet gezind waren het hoofd zoo spoedig in den schoot te leggen, maar
+die stonden, waar zij meenden te moeten staan, zonder lafheid of vrees
+voor een heerschzuchtigen nabuur, wiens aanvallen zij zoo dikwijls
+gedrongen waren, op eene bloedige wijze betaald te zetten. Veel moest er
+nog gebeuren, geheel andere tijden en omstandigheden moesten er komen,
+vóór die verwijdering kon ophouden, om vervangen te worden door eene
+toenadering, vereeniging en zamenwerking, welke beider belangen en het
+heil des geheelen vaderlands in één staatkundigen band zou omvatten en
+bevorderen. Terwijl wij het dus bij deze togten betreuren, dat zoo vele
+Vorsten uit veroveringszucht zoo veel bloed hunner nijvere ingezetenen
+hebben verspild, heeft de geschiedenis der Friezen ons weder een
+luisterrijk voorbeeld gegeven, hoe zelfs geringe volken, door liefde tot
+de vrijheid bezield en aangedreven, met onverschrokken moed magtige
+overheerschers kunnen wederstaan, en hoe zij met de gebrekkigste
+hulpmiddelen uitkomsten te weeg brengen, welke de bewondering van
+tijdgenoot en nageslacht verdienen.
+
+ [95] Zie WORP VAN THABOR, IV 38, 97; _Charterb._ 399, 593.
+
+ _Zóó is de Fries. Wanneer gevaren
+ Der Vrijheid zweven, om zijn kust,
+ Dan weet zijn moed van geen bedaren,
+ Noch zijne Leeuw van logge rust.
+ Wee hem! die dezen Leeuw verschrikken
+ Of wil betemmen of verblikken,
+ Hij schuimbekt, raast en kent geen reên!_[96]
+
+ [96] O. Z. VAN HAREN, _de Geuzen_, 15e zang.
+
+
+21. _Oorzaken van het verlies der onafhankelijkheid._
+
+Het is inderdaad een opmerkelijk en raadselachtig verschijnsel in onze
+geschiedenis, dat hetzelfde volk, hetwelk zijne vrijheid zoo krachtig
+wist te verdedigen tegen vreemden, onderling zoo zwak was, dat het
+misbruik maakte van die vrijheid, door zich daden te veroorloven, welke
+zoodanig streden tegen de maatschappelijke orde, dat deze haren
+ondergang noodwendig moesten veroorzaken. Zoodra toch hadden de Friezen
+geene aanvallen van buiten meer te duchten, of zij waren op nieuw hevig
+onder elkander in krijg. Eensgezind jegens vreemden, was _Friesland_
+sterk; verdeeld en verzwakt door partijwoede, bereidde het zelf zijnen
+val. In algemeene trekken hebben wij hier vóór (bl. 93) over het
+ontstaan en den aard der partijschap tusschen de Schieringers en
+Vetkoopers gesproken; thans willen wij haar laatste tijdperk en de
+vrucht, die ze droeg, kortelijk vermelden.
+
+Na het sluiten van den vrede met Hertog ALBRECHT _van Beijeren_, staken
+de oude verdeeldheden met geweld het hoofd weder op, en de bloedige
+tooneelen van den burgerkrijg, tusschen de aanzienlijkste adellijke
+geslachten, kloosters en steden, vertoonden zich op nieuw. Dit was
+zoowel in _Friesland_, als in _Groningen_ en _Oost-Friesland_ het geval,
+en deze gedienstige naburen hadden heimelijke redenen, om hier het vuur
+der tweespalt bestendig aan te blazen. Gesteund door de Keizers, die
+hunne volksvoorregten in de 15e eeuw tweemalen bevestigden, waren de
+Friezen op hunne vrijheid zoo fier, dat deze in overmoed en
+bandeloosheid ontaardde. Handhaving van orde en rust, en gehoorzaamheid
+aan de wetten des lands zijn toch de eerste pligten van den burger,
+zullen de algemeene vrijheid en welvaart worden bevorderd en blijven
+bestaan; doch waar deze worden geschonden, waar ieder zijne persoonlijke
+vrijheid en willekeur met geweld wil doen gelden, en waar alle middelen
+geoorloofd geacht worden, om zijne partij te doen zegepralen,--daar moet
+de staat te gronde gaan. Zoo ging het vervolgens in den loop der
+onrustige 15e eeuw in _Friesland_.
+
+Gedurende al deze onlusten werd de band tusschen de Zeven Vrije Friesche
+Zeelanden ontbonden. Wel trachtten eenige leden daarvan in 1430 nog de
+oude betrekking te vernieuwen, door de belofte van elkander en de
+onderlinge voorregten te zullen beschermen; maar als zij deze
+bescherming verleenden, maakten sommigen daarvan dikwijls zulk een
+misbruik, dat het eene Zeeland over het andere begon te heerschen, en
+dat die hulp alzoo duur te staan kwam. Dit deed althans de stad
+_Groningen_, die in magt en gezag vooral was toegenomen, sedert de
+Opstalboomsche vergaderingen in 1361 derwaarts verlegd waren. Terwijl de
+Schieringers, die meest in _Westergoo_ woonden, soms hulp in _Holland_
+zochten, riepen de Vetkoopers van _Oostergoo_ daarentegen de
+ondersteuning van _Groningen_ in. Gereedelijk voldeed dit aan dat
+verlangen, zoo het slechts in magt of geld daarvoor vergoeding ontving.
+Ja, deze stad wist het met allerlei middelen zóó verre te brengen, dat
+zij, gebruik makende van de beroeringen, met een aantal edelen en
+geestelijken van _Friesland_ een verbond van bescherming aanging,
+waarbij haar een groot deel der oppermagt zou worden opgedragen. Dan de
+Keizer, wiens toestemming daartoe zij eerst listig had verkregen, zond
+eerst in 1485 en daarna weder in 1494 gezanten in _Friesland_ tot
+herstel van de rust. Zijn afgezant OTTO VAN LANGEN, Domheer van _Ments_,
+verklaarde dat verbond voor nietig, en verbood den Groningers, namens
+den Keizer, zich hier eenig regt of gezag aan te matigen[97].
+Vruchteloos wendde hij alle moeite aan om de verdeeldheden bij te
+leggen, en den zoo lang verloren vrede te herstellen. Op een landsdag te
+_Sneek_ gehouden en meest door de Schieringers bijgewoond, wist hij te
+bewerken, dat JUW DEKAMA, van _Baard_, een wijs en vredelievend man, tot
+Potestaat werd verkozen. Doch de Vetkoopers weigerden dezen te erkennen,
+zoodat het vuur der verdeeldheid, hetwelk hij getracht had te blusschen,
+nog meer ontvlamde. Al deze maatregelen, om den adel tot rust en
+eendragt te bewegen, werden verijdeld door de verbittering dier
+onbuigzame gemoederen. Met felle woede en vreemde hulp vochten de
+partijen om de zegepraal.--Terwijl dus de Friezen blijken gaven, dat zij
+zich zelve niet meer konden besturen, maar dat zij hunne krachten
+verspilden in onderlingen strijd, zonder op wet, regt of orde acht te
+geven,--toen behaagde het Keizer MAXIMILIAAN hieraan een einde te maken,
+door _Friesland_ op te dragen, of wel voor ruim 250,000 Goudgld. te
+verpanden, aan den moedigen ALBERT, _Hertog van Saksen_, dien hij,
+onder den titel van _Erfpotestaat_, het bestuur over dit gewest
+toevertrouwde[98].
+
+ [97] _Charterboek_, 754, 758, 760.
+
+ [98] Zie al de schrijvers aang. op bl. 136 der _Geschiedk. Beschrijv._
+ I.
+
+Op deze wijze ging de aloude Friesche vrijheid voor een groot gedeelte
+verloren, en was het volk genoodzaakt een vreemden bestuurder als Heer
+te erkennen. Die vrijheid, eens als blijk van onafhankelijkheid en
+zelfstandigheid zoo hoog geschat, was eene klank, was een denkbeeldig,
+ja zelfs schadelijk voorregt geworden, nadat ze was verbasterd in eene
+vrijheid om elkander schaamteloos te plunderen en te vermoorden. Het
+gezag der wetten zweeg toch voor het geweld. Bij velen gold toen de
+regel der losbandigheid:
+
+ _Mijn rechten zijn mijn wil, mijn wetboek is mijn zwaard.
+ Zoo denkt een vrije Fries, zijn eigen Heer en Koning,
+ Zoo wars van vleijerij als van ontzagbetooning_[99].
+
+ [99] VAN HALMAEL, _Ats Bonninga_.
+
+Die misbruikte vrijheid was een kanker, welke aan den Staat knaagde,
+eene doodelijke wonde gelijk, die tot behoud van het gansche ligchaam
+noodwendig moest worden uitgesneden. Door haar te verliezen, zijn nog
+grootere rampen, dan reeds zijn geleden, vóórgekomen. Want wij hebben ze
+niet kunnen vermelden al de bijzondere ellenden en gruwelen van roof,
+moord en brandstichting, welke gedurende zoo vele jaren in het nagenoeg
+regeringlooze _Friesland_ de inwoners nood en dood en schade
+berokkenden. Wij hebben gezwegen van de ingewikkelde familie-geschillen,
+waaruit de _Donia-oorlog_ en de _twist om Bolsward_ ontstonden[100]. Wij
+hebben niet kunnen verhalen hoe dikwijls de in bloei en magt toenemende
+steden _Leeuwarden_, _Bolsward_, _Sneek_, _Franeker_, _Slooten_ en
+andere in hare rustelooze twisten met de woeligste edelen JELKAMA,
+CAMSTRA, JUCKEMA, GROUSTINS, JONGAMA, HARINXMA, SJAERDAMA en anderen
+belegerd, verbrand en geplunderd werden; hoe zij op hare beurt de
+stinzen en dorpen verwoestten van die edelen, welke elkander gedurig
+beoorloogden; of welk een rol de Raad van _Groningen_ onder dat alles
+gespeeld heeft.
+
+ [100] In de Narede van hier vóór genoemde treurspel en in de _Friesche
+ Volks-Almanakken_ van 1841 en 1845 komen omtrent beide deze
+ onderwerpen belangrijke berigten voor, indien men deswege nader
+ wenscht ingelicht te worden.
+
+Voorzeker waren er nog altijd vele welgezinden, die de rust poogden te
+herstellen, en het sluiten van die talrijke verbonden van vrede
+bevorderden, welke er in deze eeuw zoo dikwijls tusschen de edelen,
+grietenijen, steden en gooën werden gesloten, als zoo vele getuigen van
+de goede voornemens en de behoefte aan eendragt en rust. Doch hoe
+spoedig werden ze weer verbroken door het geweld, dat sterker was dan de
+kracht der bezegelde zoenbrieven[101]. Het krijgvoeren was heviger
+geworden, sedert hier omstreeks 1460 het buskruid en het gebruik van
+kanonnen en geweren (destijds bussen en roeren genoemd) waren ingevoerd
+geworden. Vreemde woeste soldaten, die de zwakkere partij soms tot hulp
+liet overkomen, brandden en roofden op het onveilige land, waar niemand
+het zijne meer rustig bezat. Openbare werken, vaarten en wegen, ja zelfs
+de zeedijken werden ten gevolge der verdeeldheden veelal verwaarloosd,
+zoodat alleen in deze 15e eeuw dertien overstroomingen de algemeene
+ellende verzwaarden.
+
+ [101] Eene menigte dezer overeenkomsten tot onderlinge bescherming
+ bevat het _Charterboek_ en het Stedelijk Archief van _Leeuwarden_.
+
+De zucht om de onrustige wereld te ontvlieden bewoog vele vromen zich te
+begeven in de Kloosters, wier getal te gelijk met hunne bezittingen
+toenamen; terwijl anderen vergeving voor gepleegde misdaden zochten te
+bekomen, door het schenken van giften aan de geestelijkheid of tot den
+opbouw van forsche Kerkgebouwen, van welke er in deze eeuw, vooral in de
+steden, verscheidene vernieuwd en vergroot werden. Hoe zouden kennis en
+wetenschap hebben kunnen toenemen bij een immer krijgvoerend volk, dat
+integendeel door ruwheid en woestheid van zeden moest ontaarden. En de
+heilige godsdienst der Christenen, bestemd om door geloof, liefde en
+hoop het leven te veredelen en den geest voor eene betere toekomst te
+vormen, droeg alzoo geene harer waardige vruchten voor het
+maatschappelijk welzijn.
+
+Zulk een toestand van een land kon niet duurzaam zijn. Alwat kwaad is
+verwoest zich zelf. Alleen godsvrucht, zedelijkheid en pligtsbetrachting
+kunnen heilrijke en duurzame vruchten dragen tot volksgeluk. Het land
+had rust noodig, waarin het zich zou kunnen herstellen en zijne krachten
+ontwikkelen tot vooruitgang, tot voortdurenden wasdom en beschaving.
+Daartoe werd eene gansche verandering van den maatschappelijken toestand
+vereischt. Het verlies der onafhankelijkheid en het bestuur van een
+vreemden Vorst werd hiertoe het middel in de hand van Hem, die zelfs de
+dwalingen zijner kinderen dienstbaar maakt aan de bereiking van zijne
+vaderlijke bedoelingen tot hun heil.
+
+ _Zóó dekt de Almagtige zijn wegen;
+ Zóó is met wijsheid kracht vereend,
+ En 't allergrootste nut gelegen
+ In 't geen de mensch verwarring meent.
+ Maar onverwacht zal 't licht verschijnen,
+ Dat alle nevlen doet verdwijnen
+ En wijst der Godheid ware reên.
+ Leer, stervling! leer altijd te hopen,
+ Totdat de tijd uwe oogen open'
+ En toon', wáárom gij hebt geleên_[102].
+
+ [102] O. Z. VAN HAREN, in den aanhef van _de Geuzen_. Zie ook
+ _Aanteekening 14_.
+
+
+
+
+DERDE TIJDVAK.
+
+FRIESLAND BESTUURD NAMENS VREEMDE VORSTEN.
+
+VAN DE AANNEMING VAN HERTOG ALBERT VAN SAKSEN, TOT ERFPOTESTAAT VAN
+FRIESLAND, TOT DE HERVORMING IN KERK EN STAAT.
+
+_Van het jaar 1498 tot 1580._
+
+
+22. _Friesland onder het bestuur der Hertogen van Saksen. (1498-1515.)_
+
+ALBERT of ALBRECHT, _Hertog van Saksen-Meissen_, een der grootste
+veldheeren van zijn tijd, zonder wien een tijdlang geen krijg in
+_Duitschland_, _Hongarije_, _Italië_ en _Nederland_ werd gevoerd; de
+man, die de regterhand des Keizers genoemd werd en wegens zijne
+onversaagde krijgsbedrijven alom was ontzien, had gedurende de
+minderjarigheid van FILIPS II, door het bedwingen van de oproerige
+Vlamingen en door het dempen van den opstand van het Kaas- en Broodsvolk
+in _Holland_, dezen Graaf groote diensten bewezen. Het bleek alras, dat
+ALBERT niet gezind was met ledige handen te vertrekken, dewijl ook een
+hevige brand, welke de stad _Dresden_ in 1491 voor een groot gedeelte
+verteerde, zijne middelen had uitgeput. 300,000 Rijnsche guldens was de
+schuldvordering, welke hij, wegens achterstallige soldij aan zijne
+krijgsknechten, inbragt. Des Graven vader, Keizer MAXIMILIAAN, dien het
+immer aan geld, doch zelden aan beraad ontbrak, wist geen beter middel
+om zich uit deze verlegenheid te redden, dan door den Hertog, tegen
+teruggave van de Hollandsche sloten, voor deze som verpand, met het
+Erfstadhouderschap over _Friesland_ te beleenen, indien hij slechts kans
+zag, van dat gewest meester te worden. Reeds had hij dit zes jaren lang
+beproefd, door onderhandelingen en het heimelijk ondersteunen van de
+zwakkere partij der Schieringers, toen deze eindelijk, in 1498, openlijk
+zijne hulp inriepen tegen de Vetkoopers, die de Groningers tot steun
+hadden. Zóó hoog waren toen de partijschappen gestegen, dat men tot zulk
+een wanhopig middel overging, en (even als driehonderd jaren later) om
+zijne partij te doen zegepralen, liever vrijheid en vaderland prijs gaf
+aan vreemden, dan zich onderling te verstaan en vrede, eendragt en rust
+na te jagen!
+
+ALBERT zond nu spoedig zijn krijgsbevelhebber, Graaf WILLEBRORD VAN
+SCHAUMBURG, als stedehouder, met een leger van 2 à 3000 man naar
+_Friesland_. Weinig moeite kostte het dezen, de steden en grietenijen
+van _Westergoo_ te bemagtigen, en zijn Vorst dáár te doen erkennen. Doch
+het meer Vetkoopersgezinde _Oostergoo_ en vooral het afgelegene
+_Zevenwouden_ moesten met kracht van wapenen daartoe gedrongen worden.
+Zelfs werd _Leeuwarden_ tweemalen door hem belegerd, vóór het zich
+overgaf en het gezag des Hertogs erkende. Tot versterking van deze
+aanzienlijkste der toenmalige steden liet hij daar een groot kasteel,
+blokhuis of legerplaats bouwen, ter vestiging en bescherming van het
+opgedrongen gezag.
+
+In Junij van het volgende jaar, 1499, kwam ALBERT zelf met zijn zoon
+HENDRIK in _Friesland_, om het bestuur des lands te regelen. Hiertoe
+stelde hij een Provincialen Raad van elf edelen in, met zijn kanselier
+SIGMUNDT PHLUG aan het hoofd. Aan dezen Raad, te _Franeker_ op
+_Sjaerdama-huis_ gezeteld, was zoowel het bestuur van het land als de
+uitoefening van het regt opgedragen. Nadat hij in de kerk van _Oldehove_
+te _Leeuwarden_ met veel luister tot Landsheer was gehuldigd, vertrok
+hij naar _Groningen_, dewijl hij ook dat gewest, hem mede door den
+Keizer geschonken, had te bemagtigen.
+
+Hij had hier zijn zoon HENDRIK ter uitoefening van het bewind
+achtergelaten; doch deze was jong, onbedreven en heerschzuchtig. Hij
+handelde voor 't minst zeer onvoorzigtig en verkeerd, toen hij de
+Friezen met strengheid wilde besturen, en de uitschrijving van
+belastingen met scherpe bedreigingen deed gepaard gaan. Hierdoor bedierf
+hij de zaak zijns vaders in eens zóódanig, dat hij zich gehaat maakte
+bij vele Friezen, die ook toen weder hun volksaard toonden, door
+afkeerigheid van dwang en harde middelen, waardoor zij immer veel minder
+werden gewonnen als door redelijke overtuiging en zachte behandeling.
+Reeds in den volgenden jare, 1500, kwamen zij in verzet, weigerden de
+gevorderde belasting te voldoen, schoolden bijeen en bragten weldra eene
+groote magt onder de wapenen, waarmede zij den Hertog in _Franeker_ (van
+half Mei tot half Julij) belegerden, met oogmerk, om zich spoedig van
+dezen nieuwen Heer te ontslaan. Hoewel het getal dier misnoegden wel op
+16,000 begroot werd, was er zoo weinig orde en bestuur onder, dat zij
+het zwakke stadje niet eens konden bemagtigen, en zich eerlang
+verstrooiden, toen ALBERT zelf met eene legermagt van 5 à 6000 man tot
+ontzet kwam opdagen. Na over deze schending van zijn gezag wreede
+strafoefening gehouden te hebben, vertrok hij weder naar het beleg van
+_Groningen_, doch overleed kort daarna te _Emden_ (12 Sept. 1500).
+
+Vervolgens werd _Friesland_ gedurende drie jaren op naam van Hertog
+HENDRIK en zijnen broeder GEORG _van Saksen_ door den Stadhouder HUGO
+_van Leijsenach_ bestuurd. Niet voor Mei van den jare 1504 kwam Hertog
+GEORG zelf in _Friesland_ en alléén aan de regering. Eerst toen werd het
+landsbestuur met kracht aangevat, en werden er nuttige maatregelen tot
+stand gebragt. Als een verstandig man doorzag hij terstond de behoeften
+des lands, en met een krachtigen wil beraamde hij dadelijk de middelen,
+om daarin te voorzien, ten einde, door het invoeren van verbeteringen,
+orde en regel in het bestuur te brengen en het wezenlijk belang der
+ingezetenen te bevorderen. Zoo vaardigde hij in 1504 de bekende
+_Ordonnantie van Saksen_ uit, welke uitvoerige bepalingen ter
+uitoefening van het regterlijk en burgerlijk bestuur, zoowel door het
+Hof als in de grietenijen en dorpen en in de steden, bevatte. De
+uitvoering daarvan werd opgedragen aan een opperste Geregtshof, waarvoor
+te _Leeuwarden_ naast het Blokhuis eene Kanselarij werd gebouwd. Ook
+werd er eene Munt opgerigt in deze zelfde stad, welke dáárdoor het
+aanzien van Hoofdstad van _Friesland_ bekwam. Vervolgens voerde hij
+strenge bepalingen in tot herstel van de zoo deerlijk verwaarloosde
+zeedijken. De belangrijke aanslijking van _het Bildt_, welke zijn vader
+reeds in bezit had genomen, liet hij verpachten om bedijkt te worden.
+Bijna toegegroeide of onbevaarbare kanalen, als de Ee tusschen
+_Leeuwarden_ en _Dokkum_ en andere, welke mede gedurende de onlusten zoo
+lang waren verwaarloosd, werden uitgediept. Tusschen _Leeuwarden_ en
+_Franeker_, _Sneek_ en _Bolsward_, werden onder zijn bestuur breede
+vaarten deels gegraven, deels verbeterd, waardoor zoowel de gemeenschap
+te water tusschen de voornaamste steden als de afstrooming zeer werden
+bevorderd. Hij drong aan op het eenparig gebruik van maten en gewigten,
+en, terwijl de Friezen stellig weigerden aan zijne begeerte te voldoen
+ter invoering van het Leenstelsel, regelde hij de belasting op de
+vastigheden door de invoering van de Floreenrente, welke nog eeuwen lang
+daarna de grondslag der heffingen bleef en zulks ten deele nog is[103].
+
+ [103] Bij gebrek van een ordelijken maatstaf was de grondbelasting tot
+ dusverre zeer onevenredig geheven. Daarom liet de Hertog over geheel
+ _Friesland_ Cohieren aanleggen, bevattende lijsten van al de
+ vastigheden, met bijvoeging van de jaarlijksche huursom (destijds
+ rente genaamd) in Goudguldens of Floreenen van 28 stuivers. Op ieder
+ dezer Floreenen werd toen eene "Jaartax" of schatting van 3 stuivers
+ gelegd, welke later, naar de behoeften des lands, verhoogd werd, en in
+ de vorige eeuw reeds de hoogte van 2 dukatons ([f]6,30) bereikte. Naar
+ dezen maatstaf werden bovendien vele omslagen ten behoeve van het
+ onderhoud van zeedijken en andere openbare werken geheven. Zie
+ _Charterb._ II 13; SCHOTANUS, _Kronyk_, 497; FOEKE SJOERDS,
+ _Beschrijving_, I 881; _Tegenw. Staat_, IV 338; GRATAMA, _Gelukkige
+ toestand van Friesland_, Harl. 1795, 32.
+
+Door de invoering van al deze en meerdere verbeteringen mogt Hertog
+GEORG met regt een weldoener van _Friesland_ genoemd worden. Bovendien
+trof het hoogst gelukkig, dat de uitvoering daarvan werd voorbereid
+door-en voor een groot deel opgedragen was aan een Stadhouder, als
+HENDRIK, _Graaf van Stolberg_, die reeds in 1501 herwaarts kwam en van
+1505 tot 1508 's Hertogen plaatsbekleeder was. Een man, wiens naam wij
+met liefde en hoogachting noemen; van wien wel geene roemruchte
+heldendaden bekend zijn, maar die de lofspraak zijner tijdgenooten
+verdiende, dat hij alles deed wat de rust des lands, de welvaart der
+ingezetenen en de eer van zijnen Vorst kon bevorderen. Als »een goed,
+regtvaardig en onpartijdig regent en als een braaf Christen, die God
+boven alle menschen ontzag en zijnen pligt en het land lief had," werd
+hij door de Friezen bemind en vereerd. En toen hij, die reeds in 1509 te
+_Keulen_ overleed, in de Groote Kerk te _Leeuwarden_ met groote
+plegtigheid begraven werd, was de algemeene droefheid over zijnen dood
+eene waardige hulde aan zijne deugden en verdiensten.
+
+Hoe vele redenen hadden de Friezen dus niet, om het verlies van hunne
+onafhankelijkheid en het bestuur van een vreemden vorst te zegenen! Zij
+waren billijk genoeg, dit dan ook werkelijk te doen. Zij haalden adem na
+zoo langdurige vermoeijenissen van den krijg. Zij dankten God, zegt een
+tijdgenoot, onder zulk eene rustige regering te mogen leven, daar zij
+vergaten wat er vroeger al droevigs gebeurd was[104]. Want toen eerst
+werden er in _Friesland_ rust en maatschappelijke orde, regt en
+veiligheid, zoo groote voorregten eens burgers! verkregen. Landbouw en
+handel konden zich ongestoord ontwikkelen; godsdienst en zedelijkheid
+werden aangekweekt, en de welvaart der ingezetenen nam toe onder
+begunstiging van vrede en van een regtvaardig en zorgvol landsbestuur,
+dat zijne plannen tot verbetering met klem en kracht doorzette. Hoe
+jammer, dat die gelukkige toestand slechts weinige jaren duurde, en dat
+de menschelijke driften, uit verschil van meeningen en belangen ontstaan
+en door heillooze partijschappen gevoed, weldra op nieuw al de ellenden
+van den oorlog deden gevoelen.
+
+ [104] MARTENA, _Landboek_, _Chart._ II 67; DOUWAMA, _Geschriften_,
+ 135.
+
+EVERWIJN, _Graaf van Benthem_, in 1509 de opvolgende Stadhouder, was
+niet zoo rustig en verstandig als zijn voorganger, en mogt de
+genegenheid der Friezen niet verwerven. Integendeel, door het
+uitschrijven van drukkende schattingen, ook ten behoeve van den
+vruchteloozen oorlog ter bemagtiging van _Groningen_, en door andere
+maatregelen verbitterde hij het volk. Het griefde hen evenzeer, dat hij
+twee voorname edelen, GERBRAND MOCKEMA en JEMME HERJUWSMA, van
+heimelijke verstandhouding met den Graaf van _Oost-Friesland_
+beschuldigd en overtuigd, in 1512 te _Leeuwarden_ liet onthoofden. Het
+zwaard, dat door hunne halzen ging, wondde ook de harten des volks en
+sneed de genegenheid af, welke men den Saksischen Vorst tot dusver had
+toegedragen. Men haakte naar verandering, en meende daartoe hulp te
+zullen bekomen van den Hertog van _Gelder_, die ze gereedelijk beloofde,
+en zelfs voorgaf de Friezen behulpzaam te willen zijn in het
+terugbekomen hunner onafhankelijkheid. In dien drang van omstandigheden
+vond Hertog GEORG _van Saksen_ het geraden, zich veilig terug te
+trekken, en zijn regt op het bewind over _Friesland_ in 1515 voor
+100,000 Goudgld. over te dragen aan KAREL _van Oostenrijk, Graaf van
+Holland_[105].
+
+ [105] Zie over ALBERT en zijne zonen meer bijzondere berigten in VON
+ LANGENN, _Herzog Albrecht der Beherzte_, Leipzig 1838, 232 env. en
+ BÖTTIGER, _Geschichte des Kurstaates und Königreiches Sachsen_,
+ Hamburg 1830, I 468-480. Verder _Aanteekening 15_.
+
+
+23. _De Gelderschen in Friesland. (1514-1523.)_
+
+Te vergeefs hadden de Hertogen van _Saksen_ lang getracht, ook het
+naburige _Groningen_ en de Ommelanden te bemagtigen. Graaf EDZARD _van
+Oost-Friesland_ ondersteunde daartoe de Groningers, omdat hij vreesde,
+dat de Saksers daarna ook de onderwerping van zijn land mogten eischen.
+Tevens begeerde hij zelf het gebied over _Groningen_ te bekomen, en,
+toen zijne krachten te kort schoten, zocht hij daartoe hulp bij den
+listigen KAREL _van Egmond, Hertog van Gelder_. Doch tegen dezen
+heerschzuchtigen en geslepen Vorst was hij niet opgewassen. Zij kwamen
+heimelijk overeen, het wankelende Saksische gezag omver te stooten, door
+Geldersche benden in _Groningen_ en _Friesland_ te zenden, waarover
+EDZARD het bevel zou voeren in naam van KAREL, die, des verkiezende,
+zijn gezag weder als leenman aan den Koning van _Frankrijk_ zou kunnen
+opdragen. Doch, zoodra KAREL _van Egmond_ een gedeelte der voor zijne
+hulp bedongene som had ontvangen, gebruikte hij juist dit, om zoowel den
+Saks als EDZARD van het gezag te ontzetten en zich zelven in beider
+plaats te vestigen. Met list gelukte het hem, den trouwelooze, de
+Groningers in verlegenheid te brengen, en zich door hen als Opperheer te
+doen huldigen. Weinig stoorde hij zich aan EDZARD, die over deze
+misleiding in woede was ontstoken, en evenmin aan den Saks, die daarover
+wraak nam door het bedrijven van velerlei wreedheden. Nu rigtte hij al
+zijne krachten naar _Friesland_, om ook dáár het zelfde doel te
+bereiken, waartoe hij aanleiding vond in het verzoek van eenige
+aanzienlijke Friezen, om hen te hulp te komen ter verdrijving van de
+Saksers.
+
+Ten jare 1514 trok dan een groot getal Geldersche soldaten herwaarts.
+Met weinig moeite namen zij de steden en grietenijen van het zuidelijk
+gedeelte van _Friesland_ voor den Hertog van _Gelder_ in. Dit viel hun
+te gemakkelijker, dewijl zij overal voorgaven de herstelling van der
+Friezen vrijheid en ontheffing van de hooggestegene schattingen der
+Saksers aan te brengen. En toen eerlang het gerucht werd verspreid, dat
+de Saks _Friesland_ verraden- en aan den Hollandschen Graaf, den
+erfvijand, zoowel van de Friezen als van den Hertog, verkocht had, toen
+bleven er in het noordelijk gedeelte van dit gewest slechts drie steden
+en acht grietenijen over, die zich vóór KAREL _van Oostenrijk_ en niet
+vóór den Gelderschen Hertog verklaarden. _Sneek_ werd toen de zetel van
+het Geldersche gezag, dat daar zijn luister ten toon spreidde, en van
+daar talrijke benden uitzond ter bemagtiging van de overige deelen des
+lands.
+
+Op nieuw begon toen het vuur van partijschap en burgeroorlog te branden.
+De Bourgondische partij, die den Saks had vervangen, stond nu tegen de
+Geldersche over. Van beide zijden werden gruwelen bedreven, om elkander
+te vernietigen en om meester te worden. Verslagenheid en onveiligheid
+heerschten alom, daar de partijen elkander met woede bestreden, vele
+dorpen uitplunderden, kerken en kloosters verbrandden en de ingezetenen
+beroofden. Behalve de Geldersche en de Bourgondische knechten, deed dit
+bovendien inzonderheid eene talrijke bende, de _Zwarte hoop_ geheeten,
+op 5000 man begroot, die de Saks onbetaald had achtergelaten, en die
+dáárom zich zelve vergoeding zocht te bezorgen. Ook in andere provinciën
+bedreef zij schrikkelijken moedwil. Talrijke dorpen werden plat gebrand
+en de landzaten met onmenschelijke wreedheid behandeld. Zelfs waagden de
+Gelderschen het in 1516 de stad _Leeuwarden_ met eene groote magt aan te
+vallen en haar acht weken lang belegerd te houden. Zij braken echter
+eerlang op, toen Prins KAREL een aanzienlijk leger van 4000 knechten en
+300 ruiters uit _Holland_ herwaarts zond, dat te _Harlingen_ landde en
+_Leeuwarden_, den zetel van zijn gezag, ontzette. Deze Bourgondische
+benden deden nu herhaalde uitvallen, en bestreden bestendig de
+Gelderschen, die hulp uit _Groningen_ en zelfs uit _Frankrijk_ hadden
+ontvangen. Jaren lang bleef _Friesland_ alzoo een twistappel tusschen
+twee magtige vorsten, van wier woeste benden de lijdelijke ingezetenen
+alles kwaads hadden te verduren, zonder dat zij iets konden doen, om
+zich van dezen last te ontslaan. Eerst met den jare 1522 verkeerde de
+kans. De Hertog van _Gelder_, hoe moedig ook, en gewoon zich met
+geringe middelen tegen den magtigsten te meten en voor geene gevaren
+terug te deinzen, liet toen eindelijk zijne aanspraken op dit gewest
+varen, dewijl hij inzag, zich op den duur niet te kunnen staande houden
+tegen den magtigen Graaf van _Holland_, die intusschen ook _Koning van
+Spanje_ en _Keizer van Duitschland_ was geworden, en die als KAREL _de
+vijfde_ spoedig door wapenfeiten schitterde en door aanzien en vermogen
+algemeen ontzien en geëerd was.
+
+
+24. _Krijgsbedrijven van Groote Pier. (1515-1520.)_
+
+Bij al het plunderen en brandschatten van het platte land was ook de
+kerk en de buurt van het dorp _Kimswerd_ bij _Harlingen_ in 1515 door de
+uit _Holland_ overgekomene Bourgondische benden in asch gelegd. Daar
+woonde destijds een bemiddeld man, die zijn verlies en geleden hoon op
+eene geduchte wijze wilde wreken. Wegens zijne lange gestalte, sterkte
+en forsch voorkomen was hij onder den naam van LANGE of GROOTE PIER
+bekend, hoewel hij waarschijnlijk een edelman was uit het geslacht VAN
+HEEMSTRA[106]. Hij wordt beschreven als een rijzig zwart man, met groote
+oogen, breede schouders en langen baard, gruwelijk van aanzien,
+bijzonder als hij toornig was. Met velen uit den omtrek, die, even als
+hij, hunne have hadden verloren en van wraakzucht gloeiden, spande hij
+zaâm, en bragt weldra een legertje van omstreeks 600 man bijeen, dat
+eerlang, wegens koene bedrijven, den naam van de _Arumer Zwarte_ _hoop_
+verkreeg. Met zulk een wakker man als PIER en zijn niet minder kloeken
+neef GROOTE WIERD (JELCKAMA) aan het hoofd, maakten zij er hun eerste
+werk van, de Saksische benden na te zetten en uit _Friesland_ te
+verdrijven. Vervolgens bestreden zij vol moed de door den Graaf van
+_Holland_ herwaarts gezondene knechten, en verder allen, die zij
+meenden, dat de rust en de vrijheid des lands belaagden. Het was hun
+eenigste begeerte en ernstig streven, om alle vreemde vorsten en magten
+te doen wijken en de vroegere onafhankelijkheid des lands op nieuw te
+vestigen.
+
+ [106] Dit vermoeden van SCHOTANUS, op de kaart van _Wonseradeel_, is
+ bevestigd door de berigten in het _Stamboek van den Frieschen Adel_,
+ II, Nalez. 12.
+
+Gereedelijk vereenigden zij zich dus met de magt van den Hertog van
+_Gelder_, wiens vriendelijke woorden en beloften, dat hij de Friesche
+vrijheid in eere herstellen zou, zij zoo gaarne geloofden, omdat zij
+niets vuriger wenschten. Doch die Hertog van _Gelder_ vereenigde zich
+ook gaarne met hen, zoowel tot versterking van zijne krachten, als omdat
+hij deze onverschrokken Friezen zou hebben te vreezen, indien slechts
+het vermoeden bij hen oprees, dat hij heimelijk niets vuriger wenschte,
+dan om ook Heer van _Friesland_ te worden, gelijk hij reeds van
+_Groningen_ was. Dáár had sluwheid zijner heerschzucht de hand geboden,
+om een mededinger als Graaf EDZARD den voet te ligten. Hier kon PIER hem
+even gevaarlijk worden en zijne plannen verijdelen; en daarom scherpte
+hij zijn vernuft om nu ook dezen uit den weg te zetten, ten einde hem
+onschadelijk te maken, doch tevens aan zich verbonden te houden tot
+bereiking van zijne bedoelingen. En inderdaad, dit gelukte den geslepen
+Gelderschman boven verwachting.
+
+Drie middelen had hij daartoe in zijne magt. Het eerste was: den haat,
+welken de Friezen, even als hij, de Hollanders toedroegen, zoowel van
+ouds als wegens de verwoestingen, welke de uit _Holland_ overgezonden
+benden nu allerwege hadden aangerigt. Het tweede was: hunne vrees, dat
+zij, wier vaderen zoo vele eeuwen tegen de Hollandsche Graven met
+leeuwenmoed hadden gestreden, nu eindelijk door hen overheerscht zouden
+worden, dewijl de gehate Saks op eene, in hun oog, verraderlijke wijze
+_Friesland_, ~voor geld!~ had verkocht aan Prins KAREL _van Oostenrijk_,
+Gelders erfvijand en nu zijn mededinger om een land, dat hij hem
+betwisten zou, zoolang zijne vuist het zwaard kon voeren. Het derde
+middel was: eene vrij aanzienlijke vloot, welke hij op de Zuiderzee had
+toegerust en bemand, met oogmerk, om dát _Holland_ te tuchtigen en
+afbreuk te doen, waar hij kon. Jaren lang had hij dit reeds gedaan,
+zoowel te land als te water, met eene woede, die alom vrees en verbazing
+wekte. Sedert 1492 hadden KAREL'S grootvader en vader hem het regt op
+_Gelder_ en _Zutphen_ betwist, hoewel hij zich daarin door kracht van
+wapenen wist staande te houden. Immer vonden zij in hem een
+onverschrokken en listig vijand te bestrijden, die zelfs Fransche
+hulpbenden in dienst had, en die _Holland_ voor der Gelderschen invallen
+bestendig »in de uiterste bekommering" hield. Sinds hij in 1504 te
+_Harderwijk_ eene vloot uitrustte, had hij het vooral op de rijkgeladene
+koopvaardijschepen der Hollanders gemunt[107]. Mogt zijn eerste
+scheepstogt, in laatstgenoemd jaar, voor _Monnikendam_, mislukken, hij
+stelde zich later daarvoor ruimschoots schadeloos door herhaalde
+strooptogten en plunderingen. Zoowel op de Zuiderzee als op den Rijn,
+zoowel in _Overijssel_ als in _Utrecht_ streefde de onvermoeide krijger
+naar buit of gezag, en waagde het zelfs in 1507 en op nieuw in 1512
+_Amsterdam_ aan te vallen, de voorstad in brand te steken en 22
+koopvaardijschepen in vlammen te doen opgaan[108]. Dat zulk een man, die
+lang de gave bezat, zich bij het volk bemind te maken; die te
+_Groningen_ zich als Opperheer en in _Utrecht_ als Beschermheer erkend
+zag; die zijne Staten uitbreidde en het magtige _Holland_ ~vijftig~
+jaren lang trotseerde en groote schade berokkende,--dat zulk een man
+_Friesland_ in dien toestand niet dadelijk bemagtigd heeft, en het zelfs
+nimmer geheel heeft kunnen magtig worden, is altijd hoogst bevreemdend.
+
+ [107] Zie WAGENAAR, _Vaderlandsche Historie_, IV 306, 322, 324, die
+ ook vermeldt, dat FILIPS in 1504, tot bescherming van de Zuiderzee
+ tegen de Gelderschen, te _Hoorn_, _Enkhuizen_ en _Edam_ eenige
+ oorlogschepen uitrustte, en het bevel daarvan opdroeg aan een, bij
+ onze schrijvers onbekend gebleven, zeeman PIETER VAN LEEUWARDEN. Gewis
+ een vreemd verschijnsel, dat de Hollandsche Graaf destijds een Fries
+ tot vlootvoogd op zijne schepen aanstelde.
+
+ [108] WAGENAAR, _Vaderlandsche Historie_, IV 375; DEZ. _Amsterdam_, I
+ 210-214; VAN KAMPEN, _Geschied. der Nederlanden_, I 215-238; BOSSCHA,
+ _Heldendaden_, I 120; NIJHOFF, _Bijdragen_, VIII 66. Ik heb dit alles
+ inzonderheid gemeld, om te doen zien, dat al de hierna vermelde
+ bedrijven van PIER tegen _Holland_ niets anders waren dan eene
+ voortzetting van hetgeen KAREL _van Gelder_ reeds langer dan tien
+ jaren had gedaan, zoodat niet de Friezen, maar de Gelderschen oorlog
+ voerden tegen de Hollanders, waarin de Friezen slechts als hulpbenden
+ deelnamen.
+
+In zijnen toestand en voor zijn belang was het destijds weder eene
+gelukkige greep, dat hij PIER wist over te halen, om zich met zijne
+manschap te begeven op de Geldersche vloot, en om, onder den grootschen
+titel van _Admiraal der Zuiderzee_, het opperbevel daarvan te
+aanvaarden. Op die wijze schikte hij deze vrijheidlievende landzaten
+niet enkel van de hand, ten einde hier des te beter zijne bedoelingen na
+te jagen; maar zij konden hem met-een dienen, om het Bourgondische huis,
+dat hij een erfhaat had gezworen, te vernederen, om _Holland_ te
+beschadigen en om de hulp van krijgsbehoeften en levensmiddelen, welke
+van daar naar _Harlingen_ werd gezonden, tot ondersteuning van KAREL'S
+benden in _Friesland_, te onderscheppen en tot eigen voordeel aan te
+wenden. Deze laatste oogmerken waren genoeg, om PIER en de zijnen te
+bewegen, den voorslag aan te nemen en zich te scheep te begeven. Niets
+meer te verliezen hebbende, kenden zij ook geene eervoller taak dan het
+vernederen van de vijanden huns vaderlands, welks vrijheid toch in eere
+hersteld zou worden door den Hertog van _Gelder_, die dit zoo dikwijls
+beloofd had, en wiens vleijende woorden en toezeggingen zij niet durfden
+wantrouwen.
+
+En inderdaad PIER kweet zich zoo stout van zijn last; hij zette de taak
+der Gelderschen zoo krachtig voort, en roofde met zoo vele
+onversaagdheid alles, wat niet tot zijne partij behoorde, dat hij in
+1517 zijne vloot door al de genomene schepen tot 150 kielen, bemand met
+1200 man, zag aangegroeid, en als de geesel der Zuiderzee gevreesd werd.
+Wij zouden te uitvoerig worden, indien wij al de bekende bijzonderheden
+van zijne togten en scheepsstrijden hier wilden mededeelen. Zijne daden
+bewezen maar al te zeer, tot welk eene hoogte wraakzucht en volkshaat
+kunnen stijgen, en hoe vele onmenschelijkheden krijgers zich durven
+veroorloven onder de leus van voor het vaderland te strijden.
+
+Met zulk eene magt waagde hij het stoute plannen te volbrengen. Te
+vergeefs wapende _Holland_ zich tegen der Gelderschen euvelmoed door in
+de West-Friesche zeesteden bestendig schepen tegen hen uit te rusten.
+Het eerste elftal, dat PIER niet ver van _Hoorn_ ontmoette, nam hij
+prijs. Eene tweede vloot, van 28 zeilen onder HIERONIMUS SNEES, met
+betaling voor het krijgsvolk in _Friesland_ in zee gestoken, werd met 18
+schepen door hem aangevallen, na een bloedig gevecht bemagtigd en met
+400 gevangenen in triumf te _Workum_ opgebragt. Uit _Enkhuizen_ werd
+eene vloot baarsen en 34 rijnschepen afgezonden, om hem te bestrijden,
+doch ook deze werden genomen en deels vernield. Verstoord over de
+trouweloosheid van sommige kooplieden van _Medemblik_, verzamelt hij
+zijne magt bij _de Kuinder_, valt die stad aan, plundert en verbrandt
+haar ten deele, en keert met buit beladen terug. Ook _Hindeloopen_, dat
+door een hopman TENGNAGEL met 300 Bourgondische soldaten was bezet, viel
+hij heftig aan, drong er binnen, en, zonder de inwoners leed te doen,
+bemagtigde hij den vijand, waarvan er 170 in den strijd bleven en de
+overigen vlugtten of gevangen genomen werden. In 1519 geraakte hij niet
+ver van _Hoorn_ met overmagtige vijanden slaags. Reeds ziet hij een
+zijner schepen nemen; den bevelhebber verdrinken. Nu kent zijne woede en
+strijdlust geene palen. Krachtig spoort hij de zijnen aan. Een hevige
+aanval gelukt, en elf schepen zijn in zijne magt. Vijfhonderd Hollanders
+laat hij over boord werpen; zeilt naar _Hoorn_, dat ingenomen en
+geplunderd wordt; trekt _Enkhuizen_ na het nemen van een schip voorbij;
+begeeft zich weder naar _Medemblik_, waar hij een viertal huizen in
+brand laat steken, en keert daarop naar _Friesland_ terug. Men wil, dat
+hij ook andere Hollandsche plaatsen, als _Alkmaar_, _Beverwijk_ enz.,
+zou bemagtigd hebben, en dat mede de eilanden _Texel_, _Flieland_ en
+_Wieringen_ veel van zijn volk te lijden hadden. Alwat tusschen
+_Holland_ en _Friesland_ voer, hulken, karveelen en boeijers, ja ook
+Hamburger en andere koopvaardijschepen, nam hij prijs of stelde ze op
+rantsoen. Zelfs overwon hij »een carueell van oerloeghe wuyt Schotlandt,
+dat een Meester ende een Blockhuys op ter zee was." De buit (dien hij
+onder zijn volk verdeelde) was groot, maar het ontzag, dat hij baarde,
+was nog grooter[109].
+
+ [109] Dus spreekt MARTENA, _Landboek_, _Charterb._ II 92, 100.
+
+Dat hij de manschap der overwonnene schepen over boord wierp en liet
+verdrinken, is hem zeer euvel geduid. Doch zijne vijanden, die zijn
+vriend OFFINGAHUIS mishandelden, die zijn neef GROOTE WIERD te
+_Leeuwarden_ op een schavot eerlang deden onthoofden, en die een zijner
+beste kapteins voor zijne oogen in zee wierpen, gaven hem daarvan het
+voorbeeld, en vreeselijk verbitterd volgde hij dat na. Het was ook het
+krijgsregt dier ruwe, immer naar wraak hijgende dagen, waarvan de
+geschiedenis van Neêrlands Zeewezen, ook nog veel later, menigvuldige
+voorbeelden heeft[110]. Doch eerlijk was zulk een dood, in vergelijking
+van de schand- en moordtooneelen, welke de Hollandsche benden te
+gelijker tijd in _Friesland_, in koelen bloede, aanrigtten, zoo als
+onder anderen te _Irnsum_, waar der bezetting van _Douma-huis_
+lijfsgenade beloofd was, doch die na de overgave op de wreedste wijze,
+tot 27 personen toe, door beulshanden werd vermoord[111].
+
+ [110] DE JONGE, _Geschied. v. h. Ned. Zeewezen_, I 156, 189, 328, 351.
+
+ [111] Zie het roerend verhaal dier wreedheden, zoodat zelfs den beul
+ "dat arbeit verdroet," bij PETER VAN THABOR, _Archief_, II 201;
+ SCHOTANUS, _Kron._ 587; JACOBY, _Kort en Beknopt Chron._ Leeuw. 1755,
+ 121.
+
+Nadat PIER in 1517 de Gelderschen tot verdediging van het belegerde
+_Sneek_ ondersteund- en in het laatst van 1519 den Hertog van _Gelder_
+op een togt naar _Emmerik_ vergezeld had, zien wij hem op eens dat
+woelig krijgstooneel verlaten en zich als stil burger te _Sneek_
+nederzetten, waar hij reeds in het volgende jaar, 1520, overleed. Hij
+had geen ander doel gehad dan door de vernedering van zijne vijanden de
+vrijheid zijns vaderlands te herstellen. Maar toen hij eindelijk de
+listige handelwijze van Hertog KAREL bemerkte en diens bedoeling, om
+zelf Heer van _Friesland_ te worden, doorgrondde,--toen trok hij in
+teleurgestelde verwachting zich terug, om den uitslag van den strijd der
+partijen af te wachten. Ruwe moed en wreede dapperheid moge men hem te
+laste leggen, zonder op de wijze van oorlogvoeren in die dagen, ook bij
+zijne vijanden, acht te geven; de haat der door hem zoo fel bestredene
+Hollanders moge invloed gehad hebben op hunne geschiedschrijvers, die
+hem als een onmenschelijk geweldenaar en verachtelijk zeeschuimer
+voorstellen,--gansch anders is het oordeel over hem van land- en
+tijdgenooten, die met zijn persoon, gedrag en omstandigheden bijzonder
+bekend waren. De kloosterbroeder PETER VAN THABOR[112] noemt hem een
+man: »forsch van bouw en vervaarlijk van kracht en daardoor dapper en
+fel op zijne vijanden, maar rond en eerlijk van inborst en redelijk van
+hart als een Christen: want hij had eene goede meening, om vrij en
+friesch te wezen en het land in goeden staat te brengen en te houden.
+Hij toch was liever bij zijn ploeg gebleven, dan dat hij geoorloogd had.
+Maar dat men hem zijn land niet met vrede had laten bebouwen, en zijn
+huis, dorp en kerk verbrand had, dát wilde hij wreken zoo veel hij kon
+en mogt." Zijne edelmoedigheid betoonde hij ook dáárin, dat, toen zijn
+volk op de Zuiderzee een schip prijs genomen had, waarin zich de vrouwen
+en dochters bevonden van zijne vijanden, de vrienden der Saksers, HESSEL
+MARTENA en JUW BOTNIA, benevens eenige burgers van _Franeker_, hij de
+stem der wraak smoorde en hen enkel gevankelijk naar _Sneek_ liet
+voeren. Hoe hard hij de Hollanders ook viel, omdat zij zijn land
+bevochten, nogtans kon hij niet dulden, dat hun in _Friesland_ door
+de Gelderschen leed werd gedaan gedurende het bestand. Zoo kloekmoedig
+hij jegens den vijand was geweest, zoo rondborstig verweet hij
+de Gelderschen, dat zij de Friezen misleidden, en dat zij niet
+volbragten, wat ze beloofd hadden. Dáárom vreesden zij hem, die, als
+een onverbasterde zoon der vrijheid, de kenmerken van den echten
+Fries vertoonde, in zucht naar onafhankelijkheid, dapperheid en
+vaderlandsliefde. Daarom verdient zijn naam eene eervolle nagedachtenis,
+en zeggen wij gaarne den dichter VAN HALMAEL na:
+
+ [112] _Archief_, II 259, waar meerdere bijzonderheden, die hem
+ kenschetsen, worden gevonden.
+
+ _Die 't Vaderland in nood beschermt,
+ Voor recht en vrijheid strijdt,
+ Zich over weeûw en wees ontfermt,
+ Geweld noch onrecht lijdt;
+ Dien, zij hij boer, of edelman,
+ Of burger, of soldaat,
+ Dien prijs, wat prijzen mag en kan
+ Als steunsel van den Staat.
+ Dien reik m' alom, in ieder oord,
+ Dat knielt voor God-alleen,
+ Den laauwer, die den held behoort,
+ En d' eikenkrans metéén!_
+
+ _Held Pier, de groote Pier genoemd,--
+ Niet, slechts om lichaamskracht,--
+ Op wiens geboorte ons Kimswert roemt,
+ Zij zóó door ons herdacht.
+ Hij leed van Saksens dwinglandij,
+ En Hollands overmoed,
+ En vocht zich koen van beiden vrij,
+ Ten prijs van goed en bloed.
+ Hij zag zijn heerlijk Vaderland
+ Gefolterd, overheerd,
+ En 't slagzwaard blonk in 's landmans hand.
+ Hier blijf' zijn naam vereerd!_[113].
+
+ [113] _Friesche Volks-Almanak_, 1837, 98. Verder _Aanteekening 16_.
+
+
+25. _Frieslands voorspoed onder de regering der Stadhouders van Keizer
+Karel den vijfde. (1515-1555.)_
+
+_Keizer_ KAREL V is een der belangrijkste personen in de geschiedenis.
+In een gewigtig tijdvak, waarin de meeste volken van _Europa_, na
+langdurige verdrukking van wereldlijk en geestelijk gezag, naar meerdere
+vrijheid en verlichting streefden, en waarin de gevolgen der ontdekking
+van _Amerika_ en van de uitvinding der Boekdrukkunst gunstig begonnen te
+werken op handel, welvaart en kennis, was hij als Keizer van
+_Duitschland_, Koning van _Spanje_, _Napels_, _Sicilië_, _Mexico_ en
+_Peru_, Hertog van _Bourgondië_, Graaf van _Holland_ enz. een magtig
+gebieder over vele volken. Als een man van groote bekwaamheden, zoowel
+in de staatkunde als in de krijgskunst, wist hij deze landen, door zijne
+stadhouders of plaatsbekleeders, met wijsheid te doen besturen en met
+kracht tegen zijne vijanden te verdedigen. Het gelukte hem het eerst, in
+1543, alle Nederlandsche gewesten (te voren door afzonderlijke Heeren
+bezeten) onder één Hoofd te brengen, waardoor er meer eenheid in het
+bestuur des lands kwam. Bij zijne afwezigheid werden de Nederlanders
+eerst door zijne moei MARGARETHA _van Oostenrijk_, als Gouvernante, en
+sedert 1530 door zijne zuster MARIA _van Hongarije_ als Landvoogdes
+bestuurd.
+
+ * * * * *
+
+Toen KAREL in 1515 _Heer van Friesland_ was geworden, zond hij Graaf
+FLORIS _van Egmond_ als zijn Stadhouder herwaarts, om bezit van dit land
+te nemen. Doch de Gelderschen hadden zich intusschen van zulk een groot
+gedeelte meester gemaakt, dat alleen de steden _Leeuwarden_, _Harlingen_
+en _Franeker_, benevens slechts acht der noordelijkste grietenijen de
+zijde van KAREL kozen en hem huldigden. Er kwam alzoo eene groote
+krijgsmagt uit _Holland_ over, zoowel om zijn gezag in deze streken te
+beschermen als om het in andere uit te breiden, en de Gelderschen te
+bestrijden en te verdrijven. Dit ging evenwel zeer moeijelijk: want de
+Gelderschen hadden zich zóó vast genesteld, en wisten de ingezetenen
+door allerlei schoone beloften zóódanig tegen het gezag van den
+Hollandschen Graaf in te nemen, dat _Friesland_ gedurende de
+eerstvolgende jaren op nieuw al de ellenden van een binnenlandschen
+oorlog, van plundering, brand en moord had te verduren. Watervloeden en
+hongersnood verzwaarden nog de rampen, die de Friezen moesten lijden,
+omdat twee magtige Vorsten streden om het regt, wie hunner hen zou
+besturen. Dat regt moest hunne heerschzucht echter koopen voor het goed
+en bloed van duizenden stille burgers, die er weinig belang bij hadden,
+wie dit kleine hoekje lands bestuurde, zoo het slechts een gematigd
+bestuur ware. Gelukkig, dat de uitslag ten gunste van den verstandigsten
+Vorst was.
+
+Want eerst nadat de opvolgende Stadhouder WILLEM _van Roggendorf_ (1517)
+in 1521 vervangen was door GEORG SCHENCK, Vrijheer van _Toutenburg_,
+werden er krachtiger middelen ondernomen ter verdrijving van de
+Gelderschen. De stad _Sneek_, welke zoo lang hun zetel was geweest, werd
+in 1522 door hen verlaten; _Dokkum_ en _Bolsward_ gingen in het volgende
+jaar over, en in 1524 kwam geheel _Friesland_ onder het gezag van Keizer
+KAREL, die nu bij traktaat zich verbond, der Friezen land, vrijheden en
+regten te beschermen, en als Erfheer hen te doen besturen, tegen het
+genot van geene hoogere belastingen, dan die vroeger onder de Saksische
+regering waren toegestaan[114].
+
+ [114] Zie _Charterb._ II 143, 436-478; WINSEMIUS 463; SCHOT. 613.
+
+Met den jare 1524 werd dus de vrede in _Friesland_ hersteld en het
+bestuur des lands op een eenparigen voet geregeld. Terwijl andere
+provinciën van ons vaderland, als _Groningen_, _Utrecht_, _Overijssel_
+en _Gelderland_, nog bijna twintig jaren lang de twistappels der
+strijdende partijen bleven, hadden de Friezen het geluk, toen reeds het
+genot te bekomen van de grootste der maatschappelijke voorregten: van
+vrede en veiligheid en van orde in bestuur en regtspleging, die welvaart
+en vooruitgang ten gevolge hadden. De gunst van den nieuwen landsheer
+was der getrouw geblevene steden _Leeuwarden_, _Harlingen_ en _Franeker_
+al spoedig gebleken, door het ontvangen van belangrijke giften en
+voorregten, die haren bloei konden bevorderen, en waardoor zij mede in
+staat gesteld werden hare vestingwerken te versterken. Ook andere steden
+werden vervolgens met zulke privilegiën begiftigd. Klemmende bepalingen
+werden er gemaakt tot beter onderhoud van zeedijken, sluizen en vaarten.
+Nieuwe wegen werden er aangelegd en bestaande verbeterd, vooral om den
+toegang naar de Hoofdstad gemakkelijker te maken. Eene nieuwe Munt en
+Leerschool werden dáár opgerigt. Nuttige verordeningen ten aanzien van
+zeevaart en handel bevorderden den uitvoer van boter, kaas, granen,
+vleesch, visch en andere voortbrengselen des lands naar _Bremen_, de
+Oostzee en elders, zoodat er leven en verkeer, voorspoed en weelde
+ontstond, welke in alle rangen en standen van gunstigen invloed waren.
+Zoowel op het land als in de steden werd er een aantal aanzienlijke
+gebouwen, gestichten, kerken en torens gebouwd of vernieuwd, welke
+blijken droegen van moed, kracht en overvloed, waardoor men ook opgewekt
+werd kunsten en wetenschappen te beoefenen. Rustig en gelukkig waren dus
+de jaren, waarin de genoemde Stadhouder SCHENCK dit gewest vervolgens
+bestuurde. Ook zijne opvolgers, MAXIMILIAAN _van egmond_, Graaf van
+_Buren_ (1540) en JOHAN _van ligne_, Graaf van _Aremberg_ (1548), wisten
+zoowel de belangen van hunnen Heer als die der ingezetenen met ijver te
+bevorderen. Want in dit tijdperk van vrede en voorspoed, waarin de
+Nederlandsche gewesten, eindelijk onder één Heer vereenigd, één,
+elkander niet meer vijandig, geheel vormden, werden velerlei burgerlijke
+betrekkingen geregeld, de bronnen van bestaan ontwikkeld, kennis en
+beschaving gekweekt en onderling verkeer en vriendschappelijke
+toenadering bevorderd. De moed tot groote ondernemingen werd opgewekt.
+Zoo werden ook vele dorre hooge veengronden in het zuidoosten van
+_Friesland_ in dezen tijd in vruchtgevende akkers herschapen, door ze af
+te graven, den turf te vervoeren, groote vaarten aan te leggen en de
+afgegravene landen te ontginnen. Deze verveeningen, reeds vroeger
+begonnen, doch daar eerst toen op eene groote schaal voortgezet door den
+Raadsheer PIETER VAN DEKAMA en andere Heeren, hebben den oorsprong
+gegeven aan het vlek _Heerenveen_, de vruchtbaarheid van dat oord
+bevorderd, en daar leven en werkzaamheid bij groote voordeelen
+aangebragt.--Aldus werden de krachten en de geest der ingezetenen
+ontwikkeld en bereid, om in een volgend tijdperk vatbaar te zijn voor
+het genot van nog grootere voorregten, als burgers en als christenen.
+
+ * * * * *
+
+Het midden der 16e eeuw biedt alzoo een geschikt tijdpunt aan, om een
+overzigt te geven van den toenmaligen toestand des lands en de zeden der
+inwoners. Wij zullen daarbij niet het oordeel van latere schrijvers,
+maar de eenvoudige beschrijving van een tijdgenoot volgen. Daar die
+schrijver, WORP VAN THABOR, in 1538 overleed, zal deze schets welligt op
+omstreeks 1530 moeten worden toegepast. Des te meer zullen wij ons
+moeten verwonderen over de sporen van rijkdom en levensgenot, welke hij
+vermeldt. Deze toch zijn zoo vele blijken hoe spoedig een klein, doch
+nijver volk zich weet te herstellen van de rampen, welke de
+verwoestingen des oorlogs zoo vele jaren lang hadden te weeg gebragt.
+Opmerkelijk is het tevens, dat de Friezen, ondanks den invloed van de
+Saksische en Bourgondische Vorsten, hunne zelfstandigheid en
+nationaliteit bleven handhaven. Hun volksleven en eigendommelijkheid
+verhief zich steeds krachtig boven allen vreemden invloed, hoezeer de
+uiterlijke vormen van lieverlede verzacht en de zeden iets meer
+beschaafd werden. Hunne zedelijke eenheid en kracht wisten ook den
+volksaard en de voorvaderlijke instellingen zóó vast te bewaren en te
+beschermen tegen alle staatkundige overheersching, dat de pogingen der
+Stadhouders, om hunne vrijheden in te krimpen en de magt des Keizers te
+vergrooten, bij hen immer schipbreuk leden.
+
+
+26. _Schets van den Toestand van Friesland, omstreeks den jare 1530._
+
+»_Friesland_ (schrijft WORP VAN THABOR) is een vlak land, zonder bergen,
+maar rijk in groot en klein vee. In dat gedeelte, hetwelk aan den
+noordelijken oceaan grenst, bestaat de grond uit zware klei, vruchtbaar
+in granen, overvloedig in gras, overdekt met weidevelden en voor de
+veeteelt uitnemend geschikt. Vanhier, dat die streken ontzaggelijke
+groote en vette ossen opleveren, die door inheemsche en vreemde
+kooplieden naar elders worden uitgevoerd. Bovendien levert dit gedeelte
+van _Friesland_ overvloed van melk, boter en honig op, waarvan het vele
+streken van _Nederland_ voorziet. Het zuidelijk gedeelte des lands heeft
+een meer zandigen grond, en is meer geschikt voor graanbouw dan voor
+veeteelt. Ook heeft het meer overvloed van hout. Op vele andere
+plaatsen is de grond moerassig. Aldaar worden kluiten aarde (veen)
+uitgestoken, die, in de zon gedroogd, het gebrek aan hout, tot
+haardbrand, rijkelijk vergoeden; anderen evenwel voeden het vuur met
+gedroogden koemest. Overigens telt _Friesland_ slechts weinige steden,
+maar daarentegen des te talrijker dorpen en buurtschappen, die, bijna
+door het gansche land, zoodanig aan elkander gerijd zijn, dat men de
+eene van de andere naauwelijks onderscheiden kan. In sommige deelen
+vindt men uitgestrekte en nuttige meren, die overvloed van visch
+opleveren. Bovendien telt dit land, door Gods voorzienige zorg, zoo
+velerlei land- en watergevogelte, welks eijeren en vleesch een even
+voortreffelijk voedsel opleveren, dat zelfs aan rijke lekkerbekken niets
+ontbreekt, om hunnen smaak te streelen. Want, om van eenden, ganzen en
+andere soorten van vogels niet te spreken, die in _Friesland_ ontelbaar
+zijn, doch die men ook elders vindt, is er hier eene zóó groote
+hoeveelheid zwanen, dat niet slechts edelen en vermogenden, tot wier
+spijs zij meer bijzonder behooren, maar zelfs de geringere klassen en de
+boeren, daarvan tot verzadiging toe kunnen eten. _Friesland_ brengt
+derhalve alles wat tot levensonderhoud noodig is in den ruimsten
+overvloed voort; wijn en olie alleen uitgezonderd."
+
+
+27. _Schets van de Zeden der Friezen, omstreeks den jare 1530._
+
+»Terwijl ik den lof der Friezen te vermelden en hunne zeden te schetsen
+wensch (dus vervolgt WORP VAN THABOR), verdient te worden opgemerkt, dat
+de Friezen, hoewel zij tot de Germanen gerekend worden, thans door
+voorkomen, taal en zeden ten sterkste van de overige Duitsche volken
+verschillen. Dat verschil bestond reeds bij onze vaderen, zoodat een
+Fries, ver van zijn vaderland verwijderd, alleen daaraan gemakkelijk kon
+gekend worden. De oorzaak hiervan meen ik daaruit te moeten verklaren,
+dat de Friezen eertijds weinig omgang met hunne naburen hadden. Doch
+thans zijn zij, ten gevolge van het veelvuldig onderling verkeer, naar
+het uitwendige, meer aan de Duitschers gelijk geworden; ofschoon de
+vrouwen, nog tot op den huidigen dag, in kleeding, en vooral in kapsels,
+aanmerkelijk van de vrouwen der naburige volken verschillen.
+
+De Friesche landlieden overtreffen echter die van alle andere
+Germaansche gewesten door de beschaafdheid en ingetogenheid van hunne
+gesprekken en manieren; door de pracht hunner huizen, de netheid en
+fraaiheid van hun huisraad, de kostbaarheid en sierlijkheid hunner
+kleeding en hun overvloed van zilver en goud. Vandaar, dat de vrouwen op
+feestdagen zoodanig van goud en zilver schitteren, dat het moeijelijk
+zou zijn, elders in de christenwereld daarvan een dergelijk voorbeeld te
+vinden. Zelden ziet men alsdan eene boerenvrouw, die niet met een zuiver
+zilveren of vergulden gordel van groot gewigt is versierd. Hierbij
+voegen de rijken, naar voorvaderlijk gebruik, armbanden, en als
+borstsieraad gouden en zilveren haken en platen, van niet geringe
+waarde. En dit alles betreft nog slechts de vrouwen uit het volk. De
+adellijke vrouwen zijn met nog zoovele andere gouden en zilveren
+kleinodiën van allerlei aard opgepronkt, dat zij er meer mede beladen
+dan versierd schijnen, hetgeen voor de Duitschers, die soms _Friesland_
+bezoeken, een ongewoon en vermakelijk schouwspel oplevert.
+
+Ofschoon men gewoon is, aan de Friezen eene woeste en onmeêdoogende
+geaardheid toe te kennen, openbaren zij die echter, zoo men juist wil
+spreken, alleen ten opzigte van hunne vijanden, en geenszins van allen
+zonder onderscheid. Door buitengewone mildheid, wellevendheid en
+gastvrijheid overtreffen zij veeleer andere volken. Vreemdelingen,
+onbekenden en behoeftigen worden vaak vriendelijk ontvangen en rijkelijk
+onthaald. Ook vieren zij talrijke, ja bijna dagelijksche gastmalen,
+waarbij zij echter, naar de wijze der Germanen, gewoon zijn, zich meer
+dan betamelijk is aan de dronkenschap over te geven. Zij bezitten eene
+soort van horens, van wilde dieren afkomstig en van ontzettenden omvang,
+met goud of zilver beslagen, van welke zij zich bij hunne maaltijden
+bedienen. Als zij aan tafel een ander den beker toebrengen, zijn zij
+gewoon elkander de regterhand te drukken, waarbij de vrouwen gewoonlijk
+nog een kus voegen. Dit wordt in geen geval onvoegzaam geoordeeld.
+
+Tot lof des Frieschen volks is veel door de uitstekendste mannen
+geschreven, waarvan ons het een en ander in handen is gekomen. Ik zal
+mij vergenoegen hier aan te halen wat BARTHOLOMEUS _de Engelschman_ en
+na hem AENEAS SYLVIUS (die, later (1458) tot Paus verheven, den naam van
+PIUS II heeft aangenomen) in hunne schriften getuigd hebben. »Het
+Friesche volk, zeggen zij, is krijgshaftig, in den wapenhandel geoefend,
+van forschen en krachtigen ligchaamsbouw, van een kalm en onvertsaagd
+gemoed. Het is een vrij volk, dat zijne eigenaardige zeden heeft, en,
+ongeneigd om aan vreemden te gehoorzamen, ook over anderen niet begeert
+te heerschen. Uit liefde tot de vrijheid aarzelt het niet, zich aan
+levensgevaar bloot te stellen, en het verkiest den dood boven het juk
+der slavernij. Daarom erkennen zij ook geen krijgsrang of waardigheden,
+en dulden niet, dat iemand hunner, om den wille des oorlogs, zich boven
+zijne medeburgers verheffe. Echter gehoorzamen zij aan regters, die zij
+jaarlijks uit hun midden verkiezen, en die het gemeenebest naar
+billijkheid besturen. Op kuischheid stellen zij hoogen prijs, en het
+gebrek aan eerbaarheid wordt in de vrouwen gestrengelijk gestraft. »Zij
+hebben in hun gewest een aantal magtige en vorstelijke kloosters
+gesticht, waarin eene ontelbare menigte personen van beide seksen zich,
+in reinheid van zeden en onderwerping aan de ordelijke kloostertucht,
+aan de dienst van God hebben toegewijd." (Zie _Aanteekening 17_.)
+
+Deze beschrijvingen van het land en de zeden der Friezen in den
+toenmaligen tijd zijn voorzeker zeer gunstig. Zij dragen blijken van
+hooge ingenomenheid, welke zich laat verklaren uit der Friezen sterke
+liefde en gehechtheid aan hun land, hetwelk door de vaderen met veel
+zorg en strijd tegen de zee en de vijanden verdedigd was, en dat boven
+vele andere landen groote voorregten mogt genieten. Vandaar ook die
+geestkracht, moed en fierheid van karakter, waarvan zoo vele Friezen
+blijken gaven, en waarvan ons bij het verhaal van de latere
+gebeurtenissen zoo vele treffende voorbeelden zullen voorkomen: want
+naarmate die kenmerken van den volksaard toegepast werden op edele
+voorwerpen, gaven zij aanleiding tot het verrigten van schitterende
+daden, waar het de behartiging van de algemeene belangen gold.
+
+
+28. _Merkwaardige Personen, uit het midden der 16e eeuw._
+
+Waar het de behartiging van de algemeene belangen des vaderlands gold,
+daar zien wij in deze eeuw vooral den talrijken, krachtigen en
+vermogenden Frieschen Adel werkzaam; ofschoon ook de middelstand tijdens
+den langdurigen vrede in aanzien en vermogen toenam, zoodat daaruit
+reeds eenige personen voortkwamen, die zich door bekwaamheden
+onderscheidden en tot waardigheden verheven werden[115]. Een aantal der
+op het land verspreid wonende edelen, die vroeger met elkander oorlog
+voerden, besteedde nu den tijd van rust en vrede, om zich op de
+wetenschappen toe te leggen en zich in staatszaken te oefenen, ten einde
+in de raadsvergaderingen aan de lands belangen te kunnen medewerken.
+Sedert de oprigting van het _Hof van Friesland_ vielen vele edelen
+bijzonder op de beoefening van de regtsgeleerdheid, ten einde zich te
+bekwamen, om de eervolle betrekking van Raadsheer in dat Hof te
+bekleeden. Bij gebrek aan leerscholen in ons eigen land, deden zij ter
+verkrijging van kundigheden veelal groote reizen door _Duitschland_,
+_Frankrijk_ en zelfs _Italië_, waar zij de hoogescholen bezochten en
+veel kennis en ondervinding opdeden, zoodat sommigen na hunne terugkomst
+sieraden van hun vaderland werden en als staatsmannen of regtsgeleerden
+in hoog aanzien kwamen of tot belangrijke waardigheden geroepen werden.
+_Wittemberg_ en _Pavia_, doch vooral _Keulen_, _Leuven_ en _Rostok_,
+worden inzonderheid genoemd als plaatsen, werwaarts de jonge lieden uit
+_Friesland_ zich ter studie begaven[116]. Opmerkelijk is het althans,
+dat er, omstreeks het midden der 16e eeuw, toen de geleerdheid in ons
+vaderland nog op een lagen trap stond, uit _Friesland_ zoo vele
+uitstekende personen zijn voortgekomen, die door bekwaamheid en
+eer-ambten zich binnen- en buitenlands beroemd hebben gemaakt. De
+voornaamste der door ons bedoelde personen willen wij hier kortelijk
+vermelden.
+
+ [115] Eene lijst der Friesche Edelen, ten jare 1505, onder de
+ Saksische regering opgemaakt, komt voor bij WINSEMIUS, 402 en _Oudh.
+ en Gest._ II 502. Het was een vrije Adel, dat is, van geen Graaf of
+ Leenheer afhankelijk; doch ook dáárom bezat deze adel hier geene
+ heerlijke regten boven de overige ingezetenen, zoo als elders.
+
+ [116] Zie JANCKO DOUWAMA'S _Geschriften_, 508 en Inleid. 45. Hij raadt
+ zijne vrouw, hunne zonen liever naar _Parijs_ of _Orleans_ ter studie
+ te zenden, omdat het "aldaer niet also costumelijck is to drincken,
+ alst in dese Nederlanden wal is!"
+
+Als ~Regtsgeleerden~ en ~Staatsmannen~ hebben bijzonder uitgeblonken:
+VIGLIUS VAN AYTTA VAN ZWICHEM (geb. 1507 nabij _Wirdum_), die, wegens
+uitstekende bekwaamheden, door Keizer KAREL en zijn zoon FILIPS tot
+hooge waardigheden verheven, vooral als Voorzitter van den geheimen Raad
+te _Brussel_, in een belangrijk tijdperk zijn vaderland groote diensten
+bewees, even als zijn vriend JOACHIM HOPPERS (geb. 1522 te _Sneek_), die
+mogt opklimmen tot Geheimraad en Groot-Zegelbewaarder van den Koning van
+_Spanje_, te _Madrid_. AGGE ALBADA, van _Goënga_, was eerst Raadsheer in
+het Friesche Hof en daarna in het Keizerlijk Kamergerigt te _Spiers_ en
+bekleedde buitenlands ook andere aanzienlijke waardigheden. In dat
+zelfde Kamergerigt te _Spiers_ had ook zitting CIPRIANUS STAPERT, van
+_Wommels_, die door den Keurvorst van _Ments_ tot Hoogleeraar aldaar
+werd aangesteld. Evenzoo werden BOËTIUS EPO (BOTE YPES, van
+_Roordahuizum_) te _Douai_, WYBRANDUS VAN AYTTA te _Dôle_, JULIUS VAN
+BEYMA (geb. 1539 te _Dokkum_) te _Wittemberg_, REGNERUS SIXTINUS (geb.
+1543 te _Leeuwarden_) te _Marburg_, JOANNES VAN DOCKUM te _Keulen_ en
+SUFFRIDUS PETRUS (geb. 1527 te _Leeuwarden_) te _Erfurt_, _Leuven_ en
+_Keulen_, tot Hoogleeraren in de regten verheven. Verscheidene
+buitenlandsche Akademiën droegen alzoo blijken van de geleerdheid der
+Friezen. Bovendien waren in _Friesland_ KEMPO VAN MARTENA, HECTOR VAN
+HOXWIER, UPCO VAN BURMANIA, SICKE en PIETER VAN DEKAMA, SYDS TJAERDA,
+HAIJO HERMANNUS, WILCO VAN HOLDINGA en anderen om hunne geleerdheid en
+bekwaamheid destijds in hoog aanzien.
+
+Als beoefenaren van de ~Letterkunde~ der Grieken en Romeinen waren toen
+en later, behalve genoemde SUFFRIDUS PETRUS, zeer geacht: GEORG RATALLER
+(geb. 1528 te _Leeuwarden_), die Raadsheer werd te _Artois_, _Mechelen_
+en _Utrecht_, Gezant naar _Denemarken_ enz.; STEPHANUS SYLVIUS, Pastoor
+te _Leeuwarden_, te _Heidelberg_ tot Doctor in de Godgeleerdheid
+bevorderd, en WILLEM CANTER (geb. 1542 te _Leeuwarden_), die, even als
+VITUS WINSEMIUS en de vier geleerde broeders POPMA van _Ylst_,
+onderscheidene letterkundige en regtsgeleerde werken hebben uitgegeven.
+
+In de ~Wis-~, ~Natuur-~ en ~Geneeskundige Wetenschappen~ vinden wij
+destijds mede reeds mannen van naam vermeld, als: GEMMA FRISIUS (1508
+geb. te _Dokkum_) en zijn zoon CORNELIUS GEMMA, beide Hoogleeraren te
+_Leuven_, waar zij een aantal wiskundige geschriften in het licht gaven.
+Als Wis- en Bouwkundige en Schilder behaalde JAN VREDEMAN DE VRIES (geb.
+1527 te _Leeuwarden_) in _Antwerpen_ en elders grooten roem. JOANNES
+ACRONIUS (van _Akkrum_) was Hoogleeraar in de Genees- en Wiskunde te
+_Bazel_, in welke stad, op de grenzen van _Zwitserland_, ook LAURENTIUS
+DE FRIES in 1531 een geneeskundig werk in het licht gaf. ANDREAS MIRICA
+(geb. te _Lemmer_) doorreisde bijna geheel _Europa_ en was daarna te
+_Leeuwarden_ als Geneeskundige beroemd; SIXTUS HEMMEMA, Doctor in de
+Wis- en Geneeskunde te _Leuven_, bestreed de Astrologen dier dagen;
+terwijl PETRUS TIARA (in 1514 geb. te _Workum_), wegens zijne
+geleerdheid zoowel in de oude letteren als in de Wis-, Natuur- en
+Geneeskunde vermaard, na vele reizen Hoogleeraar werd te _Leuven_,
+_Douai_, _Leiden_ en _Franeker_.
+
+Ook de ~Geschiedenis~ van _Friesland_ vond in het eerste gedeelte dezer
+eeuw ijverige beoefenaars in JANCKO DOUWAMA van _Oldeboorn_, in KEMPO
+VAN MARTENA, in de kloosterbroeders PETER en WORP VAN THABOR, en later
+in CORNELIUS KEMPIUS (van _Dokkum_) en genoemden SUFFRIDUS PETRUS, in
+wier geschriften vele merkwaardige bijzonderheden uit sommige tijdvakken
+onzer geschiedenis voor het nageslacht zijn bewaard gebleven.
+(_Aanteekening 18._)
+
+Als wij in aanmerking nemen, hoe weinige hulpmiddelen er destijds nog
+maar bestonden ter bekoming van kennis en geleerdheid, dewijl het getal
+gedrukte boeken toen nog zoo gering was, en er, zoo ver bekend is, vóór
+1570 in _Friesland_ geene boekdrukkerij heeft bestaan;--en als wij
+bedenken, hoe gebrekkig toenmaals de wegen en de middelen van vervoer
+waren, zoodat het uiterst moeijelijk moet gevallen zijn, soms ook wegens
+het woeden van den oorlog, naar buitenlandsche hoogescholen te reizen,
+om kennis en wetenschap te vergâren:--dan mogen wij ons met regt
+verwonderen over het groot getal geleerden, welke _Friesland_ omstreeks
+het midden der 16e eeuw heeft opgeleverd. Dat velen hunner in naburige
+landen wetenschappelijke betrekkingen aannamen, was zeer natuurlijk,
+dewijl er vóór 1576 in _Noord-Nederland_ nog geene hoogescholen of
+algemeene leerstoelen van wetenschap bestonden. Zelfs deed de regering
+des lands lang moeite, om hier de beoefening van de wetenschappen te
+onderdrukken, omdat zij ze als schadelijk beschouwde, bijzonder voor de
+godsdienstige ontwikkeling des volks, welke men lang en met vele moeite
+te keer ging, dewijl zij geenerlei verandering in de godsdienst wilde
+gedoogen. In weerwil van velerlei bezwaren wisten echter de krachtige
+volksgeest en het gezond verstand der Friezen zich zelve een weg te
+banen, ter vermeerdering van kennis, ter ontwikkeling van het verstand
+en tot beschaving van den geest, welke eerlang, hoewel na hevigen
+strijd, rijke vruchten zouden dragen voor godsdienst en zedelijkheid, de
+zuilen van iederen burgerstaat.
+
+
+29. _De Regering van Koning Filips van Spanje. (1555-1580.)_
+
+Het was een merkwaardig schouwspel, hetwelk de stad _Brussel_ den 25
+October 1555 opleverde. _Keizer_ KAREL V, die bijna veertig jaren lang
+_Duitschland_, _Spanje_, _Nederland_ en zijne overige Staten met roem
+had bestuurd, haakte naar rust, welke hij door afzondering in een
+Spaansch klooster meende te zullen vinden. In eene plegtige vergadering
+van vorsten, grooten, geestelijken en afgevaardigden van al de
+Nederlandsche provinciën, deed hij afstand van de regering dezer landen
+ten behoeve van zijn zoon FILIPS. Hij deed dit met eene roerende
+aanspraak, waarin hij terugzag op hetgeen hij gedaan, had, terwijl hij
+hoopte, dat de jeugdiger krachten van zijn opvolger alles zouden
+vermogen, wat hem de duurzame liefde der ingezetenen zou kunnen doen
+verwerven. Hierna beloofde FILIPS onder eede, dat hij de regten der
+landzaten zoude handhaven, en ontving van de afgevaardigden den eed van
+trouw en hulde.
+
+Bij het doen van dezen eed viel er eene bijzonderheid voor, welke weder
+een blijk gaf van de fierheid en volkstrots der Friezen. Volgens eene
+gewoonte der vorsten van het Oostenrijksche huis, vorderde de hoftoon,
+dat de eed ~geknield~ werd afgelegd. Alle gezanten der zestien
+Nederlandsche provinciën volgden dit gebruik en knielden neder. Doch de
+acht afgevaardigden van _Friesland_ zagen hierin een vernederend
+huldebetoon, hetwelk hun eerbied voor het heilige alleen Gode toekende.
+Zij weigeren te knielen, en, terwijl zij te midden der nedergebogene
+schare alleen ~staan~ blijven, verontschuldigen zij zich bij monde van
+een hunner, GEMME VAN BURMANIA, door te zeggen:
+
+ _Wij Friezen knielen alléén voor God._
+
+Van dit rustige en fiere antwoord bekwam deze edelman sedert den bijnaam
+van _de Stand-Fries_, en is deze naam later dikwijls toegepast op ieder
+zijner landgenooten, die blijken geeft van fierheid, standvastigheid van
+karakter of van een krachtigen wil.
+
+ * * * * *
+
+De Nederlanders hadden weinig reden, om over deze verandering van
+landsheer tevreden te zijn. De trotsche geaardheid van FILIPS, die hier,
+gelijk in _Spanje_, als Koning wilde heerschen, dewijl hij deze landen
+als wingewesten der Spaansche kroon aanzag, en de dweepzucht, welke hem
+onstaatkundig deed handelen, toen hij geenerlei verandering in de oude
+en verbasterde kerkleer en wijze van godsdienst-oefening wilde gedoogen,
+namen de ingezetenen tegen zijn bestuur in. Zij baarden eerlang onrust,
+daarna verzet en eindelijk openbaren strijd tegen zijn gezag, dat hij
+met geweldige oorlogsmiddelen en door moorden en bannen wilde handhaven.
+Te vergeefs. Die schending van het regt des volks en van zijn pligt als
+vorst, deze heerschzucht en wreedheid konden de Nederlanders niet
+dulden. Lang verdrukt en getergd sloegen zij de handen ineen,
+weêrstonden geweld met geweld, en vormden een kleinen, doch naauw
+vereenigden staat. Zóó gaven de ondeugden en verkeerde handelingen van
+den Koning en zijne dienaren aanleiding, om hem gehoorzaamheid te
+weigeren en af te zweren. Zóó werd dit alles de oorzaak van de
+herstelling der vrijheid en onafhankelijkheid van _Nederland_ in
+godsdienst en burgerstaat. De voornaamste bijzonderheden van deze
+roemrijke overwinning willen wij nu schetsen, daar de Friezen in dezen
+strijd deelnamen op eene wijze, hunner aloude zucht voor vrijheid en
+onafhankelijkheid waardig.
+
+
+30. _Beginselen der Kerkhervorming; Geloofsvervolgingen; de
+Doopsgezinden. (1520-1560.)_
+
+De geschiedenis der ~volken~ staat dáárin gelijk met de geschiedenis van
+ieder ~persoon~, dat allen bestemd zijn, om uit den staat van onkunde en
+onbeschaafdheid op te klimmen tot kennis, bekwaamheid en volmaking.
+Naarmate de mensch ouder wordt, moet hij vaster gelooven, en meer
+naderen tot God, dien hij allengs beter moet leeren kennen en vereeren.
+Hij, de groote opvoeder van het menschdom, wiens wijze Voorzienigheid de
+lotgevallen van volken zoowel als van personen bestuurt, verschaft
+bovendien in elk tijdvak de middelen, om de maatschappij te doen
+opklimmen tot die verhevene bestemming, waarvoor de mensch is geschapen.
+Doch de dwaasheid van sommige magten, die hare bijzondere oogmerken meer
+voorstonden dan de algemeene belangen, poogde dikwijls die heilige
+bedoelingen te verijdelen. Waar toeneming in kennis en verlichting haar
+belang kon schaden, daar verduisterden zij het licht, en hielden de
+onderworpene volken in onkunde en domheid. Dit kon evenwel niet duurzaam
+zijn. Vele volken deden hun regt gelden, en vandaar een strijd, tusschen
+de voorstanders van duisternis en van licht, van behoud en van
+vooruitgang, waarvan vooral de kerkelijke geschiedenis bloedige
+tooneelen oplevert.
+
+De Christelijke Godsdienst, eens in het oosten in zuiverheid verkondigd,
+was bestemd om alle volken der aarde door haar licht te bestralen; om
+door geloof en liefde alom vrede en deugd te verspreiden; om den mensch
+te verheffen en het leven te heiligen door de hoop op eene betere
+toekomst, welke hare stralen schiet tusschen de nevelen van het heden.
+Spoedig echter werd die goddelijke leer door menschelijke dwalingen
+verbasterd. Aan de bereiking van staatkundige bedoelingen werd zij
+dienstbaar gemaakt. De heerschzucht vond in haar een middel om zich te
+verheffen. En om haar bij heidensche volken te beter ingang te doen
+vinden, werd hare eeredienst met prachtige versierselen en plegtigheden
+overladen. In deze schitterende uiterlijke vormen, in feestdagen, in de
+voorspraak der heiligen en in het brengen van offers aan de kerk en aan
+de geestelijken, meende het onkundige volk nu het wezen der godsdienst
+te zien.
+
+Die Geestelijkheid was alom in getal, aanzien en vermogen verbazend
+toegenomen. Doch wat deed zij ter opleiding en verlichting van het volk?
+In plaats van door de kracht der godsdienst de maatschappelijke gebreken
+te bestrijden, verstand en hart te vormen en het lijden des tijds te
+verzachten door de kracht van het geloof aan een toekomstig leven, had
+zij tegen de waarheid die beide verwonderlijke wapenen ontdekt:
+onwetendheid en dwaling. Zij verbood der wetenschap en het vernuft
+verder te gaan dan het getijboek, als om den geest op te sluiten binnen
+de kloostermuren van de leer der Kerk. Zij kantte zich aan tegen alles,
+wat den voortgang der menschelijke beschaving, de ontwikkeling van het
+verstand kon bevorderen. Het menschelijk geweten kwam tegen haar in
+opstand, en vroeg: wat wilt gij?
+
+Er was een boek, dat van het begin tot het einde van zijne hoogere
+afkomst getuigt; een boek, dat den geheelen schat van menschelijke
+kennis bevat, verhelderd en geheiligd door de geheele goddelijke
+wijsheid; een boek, door den eerbied der volken het Boek genoemd: de
+Bijbel! Dat boek hadden de Pausen verboden. Zoodanig was het door de
+leer der Kerk verdrongen, dat de Friezen reeds zeven eeuwen Christenen
+waren geweest, vóór dat welligt een hunner de Heilige Schrift had
+gezien, veelmin gelezen. Immers, men achtte dit verbod noodzakelijk,
+omdat zij een wapen kon worden tegen de Kerk, die voorgaf op haar
+gegrond te zijn. En in plaats van dat boek gaf hunne willekeur, welke
+zelfs het licht der rede trachtte uit te blusschen, aan de volken--de
+Inquisitie.--Onbegrijpelijke dwaling! Ongelukkige volken!
+
+Na de uitvinding van de boekdrukkunst en de herleving van de beoefening
+der oude letterkunde en wetenschappen, kwam echter de Bijbel in veler
+handen. Nu gingen de oogen open. Men zag het in, hoe diep de kerk was
+vervallen, en hoe vele misbruiken er heerschten. MAARTEN LUTHER had, in
+1517, in _Duitschland_ den moed, zich tegen den Paus en de gebreken der
+kerk te verzetten, om bijna al hare leerstukken te verwerpen, en om, op
+grond van een vrij onderzoek van de Heilige Schrift, terug te keeren tot
+een meer eenvoudig oorspronkelijk Christendom en minder zinnelijke
+eeredienst.
+
+De mare van zulk eene gewigtige hervorming in de godsdienst werd in alle
+streken van _Europa_ en ook hier met blijdschap vernomen en vond grooten
+bijval. Het staatkundig belang van Keizer KAREL bragt echter mede, dat
+hij den Paus tot vriend hield en beschermde. Dáárom weêrstond hij, ook
+met kracht van wapenen, in zijne landen de verspreiding van die nieuwe
+leer. Bestendig werden er nu sedert 1521 in _Friesland_ strenge
+plakkaten uitgevaardigd, waarbij de leeringen van LUTHER veroordeeld-,
+zijne boeken verboden- en zijne aanhangers met vervolging en straf
+bedreigd werden[117]. Doch men bedroog zich: want de vrije ingezetenen
+kenden den Keizer wel het regt toe, om hun land te laten besturen, maar
+niet, om over hun verstand en godsdienstige gevoelens te heerschen.
+Sedert 1522 kwam eene Nederduitsche vertaling van den Bijbel hier in
+veler handen. Met verbazing bemerkte men het verschil tusschen die leer
+en hare verkondiging door de Geestelijken. Te vergeefs zocht men daarin
+den grond van vele leerstellingen en plegtigheden der Kerk. Doch het
+gemoed vond daarin kracht en troost bij al de rampen van den oorlog, van
+ziekten, van overstroomingen en hongersnood, welke _Friesland_ omstreeks
+dien zelfden tijd had te verduren. In dezen tegenspoed had men behoefte
+aan godsdienst, aan meerder licht, dan de zinnelijke eeredienst der Kerk
+aanbood. Het leven verkreeg hooger waarde door het geloof, dat de harten
+doordrong, en hen God en den Heer leerde kennen en liefhebben in het
+uitzigt op eene betere wereld. En toen later de voorspoed blonk, vond
+men daarin moed en kracht, om hetgeen men als een schat van groote
+waarde op hoogen prijs had leeren stellen, te verdedigen en te behouden,
+tegen al de wreede vervolgingen der wereldlijke magt, die de Roomsche
+kerkleer met geweld trachtte te beschermen.
+
+ [117] _Charterb._ II 107, 415; WINS. 458; SCHOT. 621 env.
+
+ * * * * *
+
+Als de eerste priesters, die de kerk verlieten, of wel door de
+verkondiging van de zuivere leer des evangelies pogingen deden, om de
+kerk te hervormen, worden met eere genoemd GELLIUS FABER DE BOUMA van
+_Jelsum_ en MENNO SIMONS van _Witmarsum_. Dan, de eerste moest in 1536
+en de andere later vlugten, daar de strengheid der vervolging zeer was
+toegenomen, nadat in het vorige jaar ook hier eene oproerige beweging
+der Munstersche Wederdoopers tot openbaren strijd en vervolging
+aanleiding gaf. Allen, die blijken gaven van de Roomsche kerk af te
+vallen of ongenegen te zijn, werden vervolgens beschuldigd of verdacht,
+met die Wederdoopers overeen te stemmen; het allermeest de
+Doopsgezinden, die hun christelijk geloof in eenvoudigheid en stille
+afzondering wenschten te belijden. Sedert 1531 werd een aantal hunner
+vervolgd, onthoofd of verdronken, en spaarde de regering geene middelen
+om het gezag der Kerk te handhaven en de afvalligen te straffen.
+
+Doch ook hier werd het bloed dier martelaren weder het zaad eener kerk,
+welke in aantal van leden toenam, hoe meer zij door de vervolgingen
+verdrukt werden. De schijnbare smaad, hun aangedaan, stortte eene
+heilige geestdrift voor het goede en eerbied voor hunne gelatene
+vroomheid in de harten van anderen, wier onverbasterd gevoel zich tegen
+zulke onmenschelijke handelingen verzette. Doch dit alles was nog
+slechts een begin. Want nog dringender werden de bedreigingen der
+plakkaten des Keizers, toen hij het waagde, in 1550 de Inquisitie of het
+geloofs-onderzoek in _Nederland_ openlijk in te voeren. Van toen af, en
+vooral na 1557, wanneer WILLEM LINDANUS als Kettermeester herwaarts werd
+gezonden, stonden allen, die van de Roomsche kerkleer afweken, en zelfs
+zij, die verdacht waren van de nieuwe leer te begunstigen, aan wreede
+vervolgingen bloot. En zeker zou het getal martelaren hier destijds zeer
+talrijk zijn geweest, als de Stadhouder, het Hof en de Besturen al de
+bevelen des Keizers uitgevoerd en niet gematigd hadden. De Staten des
+lands verzetten zich zelfs tegen LINDANUS, en beschermden der
+ingezetenen vrijheid tegen zulk eene onduldbare heerschappij over hun
+geloof. De algemeene geest der landzaten toonde toch te duidelijk, dat
+de stroom niet meer viel te stuiten. Zij bleven dus hopen, dat de
+Regering haar eigen belang zou inzien, om door toegevendheid en
+gematigdheid billijk te zijn jegens een volk, dat men door dwang en
+bedreiging veel meer verbitterde dan terugbragt. (Zie _Aanteek. 19_.)
+
+ * * * * *
+
+Het zij mij vergund, aan het einde van dit overzigt meer bijzonder stil
+te staan bij de kerkgemeenschap der _Doopsgezinden_, welke zich te
+midden dier beroeringen in deze landen vertoonde en uitbreidde. Zij
+verdient hier eene afzonderlijke vermelding, eensdeels, omdat zij
+eene plant was, vooral van den Frieschen bodem; anderdeels, omdat zij
+zich hier zóó spoedig en aanzienlijk uitbreidde, dat bij de Hervorming
+van 1580 een vierde gedeelte der bevolking van _Friesland_ dezer
+gezindte toegedaan was[118], en, in 't algemeen, omdat zij, door de
+geheel eigenaardige rigting en de gewigtige waarheden, welke zij
+vertegenwoordigt en handhaaft, nog eene merkwaardige plaats onder de
+afdeelingen der Christenheid bekleedt.
+
+ [118] Wij zouden geneigd zijn dit bijna ongeloofelijk berigt te
+ wantrouwen, indien het niet was medegedeeld door een tijdgenoot, den
+ geachten geschiedschrijver EVERHARD VAN REYD, die, toen hij in 1602
+ stierf, Raad en Geheimschrijver was van den eersten Frieschen
+ Stadhouder, Graaf WILLEM LODEWIJK VAN NASSAU. Zie zijne _Historie der
+ Nederlantscher Oorlogen_, Leeuwarden 1650, 70.
+
+Reeds hebben wij MENNO SIMONS genoemd. Hij was echter niet de stichter
+dezer gezindte, gelijk velen ten onregte gemeend hebben, daartoe verleid
+door den naam van _Mennoniten_ of _Mennisten_, welken eene partij onder
+hen gaarne droeg en andersdenkenden hun over 't algemeen gaven. Zij
+bestonden reeds lang vóór MENNO, ja hadden in _Friesland_ reeds hunne
+martelaren vóór dat hij het punt van den doop begon te onderzoeken. Hun
+oorsprong is met geene zekerheid aan te wijzen; maar, in gevoelens met
+de Waldenzen verwant, vinden wij door geheel de middeleeuwen sporen van
+het aanwezen eener gemeenschap, die, welgeordend en over een groot deel
+van _Europa_, verspreid, als stillen in den lande het apostolisch
+Christendom in beoefening zocht te brengen. Zorgvuldig onttrok zij zich
+aan de opmerkzaamheid der wereld en der vervolgzieke geestelijkheid;
+totdat zij, door de groote beweging der geesten in den hervormingstijd
+opgewekt, bemoedigd werd, om openlijk mede te werken tot de vernieuwing
+des Christendoms. Zij verliet de veilige onbekendheid. In een groot
+gedeelte van _Europa_ zag men eene menigte gelijkgezinde menschen
+optreden, zonder dat men wist van waar zij hunne gevoelens hadden
+verkregen. Door geestelijke en wereldlijke magten vervolgd, trokken
+velen hunner uit _Frankrijk_, _Zwitserland_ en _Duitschland_ naar het
+noorden, ook naar _Friesland_, waar de regering minder streng was in de
+uitvoering van de plakkaten. Daar vonden zij vele gelijkgezinde
+Christenen, wier gemoed behoefte had aan eene betere godsdienst dan de
+verbasterde kerk aanbood, en die bevrediging vonden in het lezen en
+beleven van de Heilige Schrift. Tot dezen ging MENNO over; onder dezen
+werkte hij.
+
+Te _Witmarsum_ in 1496 geboren en tot den geestelijken stand opgeleid,
+werd hij in 1524 Kapelaan in het niet ver van _Harlingen_ gelegene
+_Pingjum_. Na verloop van twee jaren kwam hij, door eene twijfeling
+aangaande het misoffer, voor het eerst tot onderzoek van den Bijbel, en
+daardoor allengs tot meer evangelische inzigten. Niet voor 1531 vestigde
+de dood van SICKE SNIJDER, als de eerste der Doopsgezinde martelaren te
+_Leeuwarden_ onthoofd, zijne aandacht op den doop, en spoedig leerde hij
+den kinderdoop als eene instelling, niet des evangelies, maar des
+pausdoms kennen. Nadat hij intusschen in zijne geboorteplaats tot
+Pastoor was verkozen, begon hij zijne gevoelens over den aard en de
+eischen des Christendoms te verkondigen, en verkreeg hij grooten roem en
+toeloop onder het volk als evangelisch prediker.
+
+Nu eerst kwam hij in aanraking met de Doopsgezinden, die in zijne
+omstreken hunne gevoelens begonnen te verspreiden en te doopen. Hunne
+weldadige pogingen vonden bijval, doch werden spoedig afgebroken door
+eene geweldige beweging. Een onrustige geest, welke doorgaans met iedere
+hervorming gepaard gaat, had onder hunne geloofsgenooten eene partij van
+Wederdoopers gevormd, welke het koningrijk Gods met geweld zocht op te
+rigten. In _Munster_ belegerd, zond zij ook naar _Friesland_ hare
+zendelingen, die de eenvoudigen hier opruiden. MENNO stelde zich met
+alle kracht daar tegen, hield zelfs tot tweemalen met de hoofden der
+Munstersche partij eene zamenkomst, doch al zijne vermaningen baatten
+niet. De opgeruide menigte greep naar het zwaard. Op Paaschmaandag van
+1535 waren er te _Tjum_ ongeveer 300 vergaderd, die 200 krijgsknechten
+met verlies deden wijken. Door dit aanvankelijk voordeel bemoedigd,
+veroverden zij het _Oldeklooster_ bij _Bolsward_, lieten de monniken
+onverhinderd gaan en versterkten zich daar als in eene vesting. Hier
+werden ze door de krijgsmagt van den Stadhouder SCHENCK _van Toutenburg_
+belegerd. Moedig streden zij, doch, eindelijk voor de overmagt bezweken,
+boetten de meesten, en daaronder een eigen broeder van MENNO, hunne
+dwaasheid met het leven. Velen sneuvelden met het zwaard in de vuist,
+sommigen werden te _Leeuwarden_ onthoofd, anderen in het Hempenzermeer
+verdronken; doch ook velen ontkwamen, of werden om hunne eenvoudigheid
+losgelaten.
+
+Deze oproerige beweging der Munsterschen was, even als later de
+beeldenstorm, allen welgezinden zeer leed en de zaak der hervorming tot
+groote schade. Bij MENNO echter bragt zij eene groote verandering te
+weeg. Dat vergoten bloed viel hem heet op het harte, vervulde hem met
+diepe droefheid en deed hem tot zich zelven inkeeren. Hij toch predikte
+wel de evangelische leer, doch _deed_ niet alles wat hij predikte en
+geloofde. Tegen zijne overtuiging was hij nog altijd priester. Zijn
+geweten kon die strijdigheid niet langer dulden, daar hij behoefte had,
+zijn geloof uit zijne werken te toonen. Na een moeijelijken strijd van
+negen maanden, verkreeg hij eindelijk op zijne gebeden de noodige kracht
+tot verzaking en lijden. In 1536 verliet hij het pausdom en zijne
+pastorie met al de daaraan verbondene voordeelen, en voegde zich, in het
+uitzigt op armoede en verdrukking, bij de overige, rustig geblevene,
+doch toen strenger vervolgde Doopsgezinden. Van nu af aan predikte hij
+alléén het evangelie, van alle menschelijke instellingen ontdaan, tot
+ware boete op den smallen weg, dien hij zelf vrijwillig gekozen had.
+Bijna een jaar lang vertoefde hij in eene kleine woning in de nabijheid
+van _Witmarsum_, waar hij zijne vrienden stichtte en vermaande[119].
+Toen kwamen er zes of acht afgevaardigden der Doopsgezinden bij hem met
+het verzoek, om algemeen Leeraar of Opziener onder hen te willen zijn.
+Na lang aarzelen, aanvaardde hij deze bediening, en werkte hij nu in
+grooteren kring, te gelijk met zijn vriend DIRK PHILIPS, van
+_Leeuwarden_, en later ook met LEENERT BOUWENS, met gunstig gevolg aan
+de uitbreiding van het evangelisch geloof. Zóó bekwam de gemeenschap der
+Doopsgezinden, vooral door MENNO'S geleerdheid voorgelicht en verdedigd,
+door zijn ijver uitgebreid, maar bovenal door zijne gemoedelijke
+vroomheid bevestigd, een geregeld bestaan.
+
+ [119] _Menne Siemmens oud preechuis_ noemt SCHOTANUS dit huis op zijne
+ kaart van _Wonseradeel_. Bekend is het, dat dit bedehuis der daar nog
+ bestaande gemeente in 1828 hersteld- en met een schoon afbeeldsel van
+ MENNO, door VAN DER KOOI geschilderd, versierd is; terwijl
+ gelijktijdig eene fraai gegraveerde afbeelding van dit Menno
+ Simons-Kerkje is uitgegeven.
+
+De toenemende strengheid der plakkaten, welke velen zijner volgelingen
+den dood kostte, noodzaakten hem eerlang zijn vaderland te verlaten.
+_Emden_, »de herberg van Gods verdrukte gemeente" genoemd, nam hem op,
+doch weldra van daar verdreven, trok hij naar _Keulen_ en na verloop van
+twee jaren naar _Lubek_, en bleef, ondanks vele moeiten en gevaren, dáár
+en op andere plaatsen in _Nederland_ en het noordelijk _Duitschland_,
+met heiligen ijver een eenvoudig apostolisch Christendom prediken. Op
+eene plaats _Woesteveld_, tusschen _Hamburg_ en _Lubek_, mogt hij in de
+laatste jaren zijns levens eene veilige woonplaats bekomen, en door het
+drukken van zijne eigene godsdienstige geschriften een bestaan-, en als
+Oudste en Leeraar der gemeente gelegenheid vinden, om nuttig te zijn
+voor de belangen des evangelies. Dankbaar mogt hij zich verheugen, in
+verschillende landen meer dan 50 gemeenten gesticht- en velen voor het
+rijk zijns Heeren gewonnen te hebben. In _Friesland_ waren zijne
+medearbeiders intusschen in zijnen geest ijverig werkzaam, en mogt
+alleen LEENERT BOUWENS sedert 1551 op 74 plaatsen een getal van 6500
+personen, die aan hun christelijk geloof een zuiver leven wenschten te
+verbinden, den doop toedienen. Ook na MENNO'S overlijden (1561) nam deze
+gezindte, in weerwil der vervolgingen, hier en elders sterk toe, en
+zetten mede vele uit _Braband_ en _Vlaanderen_ gevlugte Doopsgezinden
+zich in dit gewest neder.
+
+ * * * * *
+
+Al de Protestanten hadden tijdens de hervorming dit met elkander gemeen,
+dat zij door onderzoek van de Heilige Schrift tot geloofsovertuiging
+kwamen, ijverden tegen de leer en de misbruiken der Kerk en nieuwe
+gemeenten stichtten. De grondslagen dier gemeenten werden gewijzigd door
+de omstandigheden en naar ieders ~opvatting~ van het evangelie. Vandaar
+zooveel verschil bij zooveel overeenkomst van geest en bedoeling. Zoo
+streed LUTHER vooral tegen de _werkheiligheid_ der Roomsche kerk, en
+kwam hij door tegenstelling: _tot de regtvaardigmaking uit het geloof,
+zonder de werken_, welke hij als kenmerkende leer aan zijne gezindte
+naliet. Zoo bestreden ZWINGLI en CALVIJN _het verheffen van het schepsel
+boven den Schepper_, en werd alzoo een der grondtrekken van de Hervormde
+kerk gerigt tot vernedering van het eerste, tot 's menschen
+ellendigheid, om den laatsten te verhoogen. In beide kerkgenootschappen
+stond alzoo de _leer_ op den voorgrond. Geheel anders was dit evenwel
+bij de Doopsgezinden. Waren de Hervormers geleerden, die _in_ de Kerk
+bleven, om haar in zich zelve te louteren, zij moesten daartoe strijd
+voeren tegen leerstellingen, in eene vroegere ontwikkeling des
+Christendoms ontstaan en op kerkvergaderingen vastgesteld;--de
+Doopsgezinden echter _verlieten_ die Kerk, voerden geen strijd tegen
+haar en bepaalden hun onderzoek enkel en in alle eenvoudigheid tot den
+Bijbel. Verkreeg de leer der Hervormers een wetenschappelijken vorm en
+hadden zij met gezag bekleede geloofsbelijdenissen noodig;--de
+Doopsgezinden hadden genoeg aan het evangelie, waarin zij het
+oorspronkelijk Christendom vonden met zijne verheffende leer, heiligen
+wandel en slechts twee instellingen: doop en avondmaal. In de poging om
+dat Christendom te herstellen, gingen zij dus eene schrede verder dan de
+Hervormers, die de bestaande Kerk zochten te verbeteren, te hervormen;
+die wel veel daarvan verwierpen, maar ook veel behielden; die ook den
+doop der Roomsche kerk behielden met de kerkgebouwen en de daaraan
+verbondene bezittingen en inkomsten. Doch de Doopsgezinden behielden
+dien doop niet, en daardoor verviel mede hunne betrekking tot de oude
+Kerk, welke zij verlieten met opoffering van alle aanspraken op
+gebouwen en goederen. Bepaalden de geleerde Hervormers zich bijzonder
+tot de _leer_,--de Doopsgezinden stelden zich het _leven_ ten hoofddoel.
+Den christelijken doop waardig te ondergaan en getrouw te beleven werd
+het middelpunt van hun gemoedelijk streven: aan de eene zijde, om de
+wereldsche begeerlijkheden te verzaken en aan de andere zijde, om een
+geestelijk leven, een vromen wandel te leiden.
+
+Hieruit ontstonden als van zelf die kenmerkende bijzonderheden, waardoor
+zij zich lang van de overige protestanten hebben onderscheiden: hunne
+_afgescheidenheid van de wereld_ en verzaking van hare genietingen,
+opdat zij door haar niet besmet en in hun christelijken wandel gestoord
+zouden worden;--hun weigeren om het _Overheidsambt_ te bekleeden en
+_Wapenen_ te dragen tot het voeren van oorlog, als in strijd met het
+geestelijk leven, waartoe zij zich onder dulden en lijden verbonden
+hadden;--hun weigeren van den _Eed_, dien zij voor den Christen
+ongeoorloofd beschouwden bij hunne groote waarheidsliefde en
+trouw;--hunne afkeerigheid van alle wereldsche praal en weelde bij hunne
+zucht naar eenvoudigheid in kleeding, levenswijze en zelfs in hunne
+bedehuizen, Vermaningen geheeten, en godsdienst-oefeningen. Zij hadden
+dus geene behoefte aan bezoldigde leeraars, dewijl ze minder prijs
+stelden op wetenschap en welsprekendheid dan op verlichte bijbelkennis
+en vroomheid des gemoeds, zoodat zij in hun midden altijd genoeg
+broeders hadden, die hen door een eenvoudig woord uit liefde konden en
+wilden stichten[120]. De gemeente zuiver en heilig te bewaren en naar
+het evangelie op te bouwen tot godzaligheid was hun hoogste streven, en
+hun geloof uit de werken te toonen hun eerste pligt.--Zóó waren en
+bleven de Doopsgezinden, zoolang zij zich buiten de wereld hielden.
+Hierna zullen wij gelegenheid vinden hunne latere lotgevallen en
+veranderingen, door het verkeer met en in de wereld, te vermelden[121].
+
+ [120] Nog bestaat er in Friesland zulk eene gemeente der _Oude
+ Friezen_ te _Balk_ in _Gaasterland_, waarin nagenoeg al het
+ bovenvermelde nog naauwkeurig wordt in acht genomen, en wier leden
+ (waaronder geene armen zijn) in de algemeene achting deelen, wegens
+ hun opregt en ongeveinsd geloof, deelnemende liefde en reine zeden.
+ Eene beschrijving van deze gemeente komt voor achter BLAUPOT TEN CATE,
+ _Geschiedenis der Doopsgezinden in Friesland_, Leeuwarden 1839, 370,
+ naar welk belangrijk werk wij, ook ten aanzien van dit gansche
+ onderwerp, verder verwijzen. Ook op _Ameland_ bestaat nog eene
+ dergelijke gemeente.
+
+ [121] Zie dit alles breeder voorgesteld in het uitmuntend geschrift:
+ _Onderzoek naar het kenmerkend beginsel der Doopsgezinden_, door D. S.
+ GORTER, Sneek 1850, 12 env. hetwelk ik hoofdzakelijk gevolgd ben met
+ nadere toelichting van den Schrijver, dien ik daarvoor bij deze mijnen
+ dank toebreng.
+
+
+31. _De Hervorming een tijdlang ingevoerd, maar weder onderdrukt.
+(1566.)_
+
+Veertig jarenlang hadden de Friezen bewijzen gegeven, dat zij eene
+verandering of hervorming van de oude en in zoo vele opzigten
+verbasterde kerkleer verlangden. Zij deden dit op grond der Heilige
+Schrift, die geene missen, boetedoeningen, biechten of aflaten, maar
+geloof, liefde en hoop, blijkbaar in een heilig leven, vorderde. Noch de
+Paus, noch de Keizer, noch de Koning wilde echter van eenige verandering
+in leer of godsdienst-oefening iets weten. Integendeel, sedert FILIPS
+_van Spanje_ Heer dezer gewesten was geworden, wilde zijne blinde
+dweepzucht, dat allen, die hun christelijk geloof niet meer naar de
+voorschriften der Roomsche kerk beleden, nog strenger dan vroeger
+vervolgd, gepijnigd en op den brandstapel gebragt zouden worden. Alles
+werd gedaan om het geestelijk en wereldlijk gezag der Kerk staande te
+houden.
+
+Daartoe diende ook in 1559 de oprigting van vier Aarts-Bisdommen en 13
+nieuwe Bisdommen in _Nederland_. De stad _Leeuwarden_ werd daarbij tot
+het hoofd eens Bisdoms en eener provincie verheven, waarop later de
+aanwijzing van het regtsgebied, het gezag en de inkomsten des Bisschops
+volgde. Maar tegen de invoering van deze opgedrongene weldaad des
+Konings verzetten de Staten en zelfs ook de Geestelijkheid van
+_Friesland_ zich zóó krachtig, dat de benoemde Bisschop niet overkwam,
+maar hem een ander Bisdom aangewezen werd.
+
+Die tegenstand had dus gebaat, en gaf moed tot meerder verzet tegen de
+eischen van _Spanje_. De meerderheid der ingezetenen toch, waaronder de
+adel en de aanzienlijksten des lands, gaven blijken, de zaak der
+hervorming toegedaan te zijn. Zoodra het gerucht der algemeene
+Beeldenstorm (den 14 Augustus 1566 in _West-Vlaanderen_ begonnen) zich
+door _Nederland_ verspreidde, beraamde de Regering van _Leeuwarden_
+middelen, om, zonder woest geweld, doch met bedaarde zorg, hier het
+zelfde doel--de afschaffing van de Roomsche en de invoering van de
+Hervormde eeredienst--te bereiken. Bij afwezigheid van den Stadhouder
+werd de beveiliging der Stads poorten aan de burgers opgedragen, en den
+6 September 1566 in eene groote vergadering van de Regering en de
+Bevelhebbers der schutterij, op voorstel van den wakkeren Burgemeester
+TJERK WALLES, besloten, om nu openlijk en met daden te toonen, wat men
+reeds zoo lang heimelijk gewenscht had. Eendragtig werd goedgevonden,
+het voorbeeld van vele Nederlandsche steden te volgen;--niet, om de
+kerken met baldadige woestheid te schenden, en beelden en sieraden aan
+de woede van het volk prijs te geven; maar door bedaarde standvastigheid
+en voorzigtig overleg het voorgestelde doel te bereiken: om de oude
+eeredienst af te schaffen en daarvoor dadelijk de Hervormde »preke" in
+de plaats te stellen. Nog dien zelfden avond ontvingen de Geestelijkheid
+en de Gilden bevel, om hunne eigendommen en sieraden onmiddelijk uit de
+drie parochie-kerken weg te nemen. Gedurende den nacht hield vervolgens
+een aantal burgers en werklieden zich bezig, om de kerken van de
+beelden, schilderijen en altaren te ontledigen, en deze gebouwen in te
+rigten naar de behoeften van de eeredienst der Hervormden. Reeds den
+volgenden dag, waarop verboden werd eenig godshuis of klooster te
+schenden, werden de predikanten door de Stads regering en de schutters
+in de kerk van _Oldehove_ gebragt, en werd daar de eerste leerrede naar
+de wijze der Hervormden gehouden, gelijk vervolgens dagelijks ook in de
+andere kerken geschiedde. De uitoefening van de Roomsche eeredienst werd
+verboden. Vele priesters traden uit eigene beweging tot de Hervorming
+toe[122].
+
+ [122] Zie dit alles uitvoeriger verhaald op bl. 218 der _Geschiedk.
+ Beschrijving van Leeuwarden_ I en bij de daar aangehaalde schrijvers.
+
+Met loffelijken ijver en stoutmoedigheid had de regering alzoo de groote
+zaak der reformatie doorgezet. Met bedaardheid en kalme bezinning werd
+hier door de overheid het zelfde doel bereikt, hetwelk elders met
+zooveel woestheid en godsdiensthaat op eene onwaardige wijze werd
+verkregen. Het is waar, in tijden van opgewonden geestdrift is het volk
+niet altijd binnen de palen der redelijkheid te houden, vooral na zoo
+lang geleden en zich ingehouden te hebben. Slechts korten tijd genoot
+men echter de vrucht van deze moedige poging. Want spoedig kwamen er
+bevelen van den Stadhouder en de Landvoogdes, om de oude kerkdienst te
+herstellen en de Hervormde predikanten te doen vertrekken. Mannelijk
+weigerde de eendragtige Regering en burgerij te gehoorzamen, en ~twintig
+weken~ lang hielden zij vol, om, in weerwil van scherpe bedreigingen,
+hun geloof naar hunne overtuiging te belijden. Ook _Sneek_ en _Franeker_
+volgden dit goede voorbeeld.
+
+Doch de tijd was nog niet rijp voor eene volkomene overwinning. Nog
+hooger moest de nood stijgen, maar ook nog krachtiger tegenstand
+ontwikkelen, ten einde eene grootere zegepraal en meer algemeene en
+duurzame bereiking van het goede doel te bevorderen. Op een bijzonder
+bevel des Konings kwam de Stadhouder AREMBERG in Januarij 1567 met eene
+aanzienlijke krijgsmagt te _Leeuwarden_, en eischte het verdrijven van
+de leeraren en de herstelling van de kerken. De Regering, tegen de
+overmagt van het geweld niet bestand, deed wel ernstige pogingen, om
+zijne toestemming te verwerven tot het voortdurend bestaan van de
+Hervormde godsdienst-oefeningen, doch te vergeefs: zij moest bukken en
+gehoorzamen. Uit vrees voor de volvoering van de bedreigde straffen,
+ontweken vele edelen en burgers nu een vaderland, dat zoo schandelijk
+verdrukt werd. Een zeventigtal vroegere priesters volgde hen, meest naar
+het herbergzame _Oost-Friesland_, waar de hervorming reeds vroeg was
+gevestigd, en waar men, onder bescherming der regering, lang veilig was
+voor de vervolgingen. De kerken werden ten behoeve der Roomsche
+eeredienst op den ouden voet hersteld. Hoe gematigd AREMBERG zijn last
+ook uitvoerde, zonder dat er bloedstorting plaats had, verwekte deze
+onderwerping groote smart en wrok jegens den Koning, tegen wien men zich
+eerst nu begon te verzetten en den tachtigjarigen strijd een aanvang
+deed nemen.
+
+
+32. _Aandeel van den Frieschen Adel in het Verbond der Nederlandsche
+Edelen. (1565.)_
+
+De bovenvermelde mislukte poging, ter bekoming van godsdienst-vrijheid
+naar de behoeften des volks, was voorafgegaan door eene belangrijke
+gebeurtenis, welke vervolgens van grooten invloed was;--eene
+gebeurtenis, zóó merkwaardig, dat zij in de rij onzer vaderlandsche
+herinneringen en roemdagen eene eervolle plaats bekleedt.
+
+De talrijke en meestal zeer vermogende Nederlandsche Adel trok zich de
+belangen der ingezetenen aan. Hij zag het, hoe alom de geest des volks
+zich tegen de willekeurige handelingen des Konings omtrent den
+veranderden vorm van godsdienst-oefening aankantte, zoodat algemeene
+tegenstand, zoo geen opstand, eerlang onvermijdelijk scheen. De Edelen
+voedden dus de hoop, dat de poging van een aanzienlijk ligchaam des
+lands den Koning tot zachtere maatregelen zou bewegen, opdat daardoor de
+rust hersteld wierde. Want nog was men toen vreemd van het denkbeeld, om
+_Spanje_ tegenstand te bieden, den Koning af te zweren en dit land tot
+een onafhankelijken Staat te verheffen. Eerst later werd men daartoe
+gedrongen. Toen wilde men nog het bestaande gezag handhaven en
+beschermen, met getrouwheid aan den Koning en zijne gezagvoerders.
+Twintig Edelen, te _Brussel_ bijeengekomen, ontwierpen in 1565 een
+Verbond, aan hetwelk spoedig nog 400 edelen uit alle Nederlandsche
+provinciën toetraden, met het doel, om 's lands vrijheid te verdedigen
+en de inquisitie te keer te gaan. Tot dat einde boden zij den 5 April
+1566 der Landvoogdes, op eene plegtige wijze, een smeekschrift aan,
+waarbij zij haar eerbiedig en ernstig verzochten, den Koning tot
+verzachting van de plakkaten tegen de godsdienst en tot opheffing van de
+geloofs-vervolging te bewegen, dewijl deze blijkbaar dienden, om onrust
+en oproer te verwekken en ellende over het land te brengen. Wel
+beloofde de Landvoogdes aan dit verzoek te zullen voldoen en moderatie
+of matiging van de uitvoering der plakkaten te zullen verzoeken; doch de
+wijze, waarop dit geschiedde, en de voortduring van de vervolgingen,
+welke aan die zoogenaamde _moderatie_ den bijnaam van _moorderatie_ gaf,
+overtuigden de edelen, hoe halsstarrig de Koning weigerde aan de
+billijke wenschen zijner onderzaten te voldoen. Zelfs werd hunne
+ernstige en welgemeende poging om 's Konings eigen belang te bevorderen
+in dier voege opgevat, als ware het eene beleedigende aanmatiging; ja
+bij het aanbieden van hun verzoek werden zij door den Raadsheer VAN
+BARLAYMONT, een der voornaamste raadsmannen der Landvoogdes, schimpender
+wijze eene troep bedelaars of _geuzen_ genoemd, welken schimpnaam zij
+echter tot een eernaam en onderscheidingsleus aannamen. Vandaar, dat, na
+de mislukking van hunne edele vaderlandsche poging, welke zij miskend
+zagen, de meeste dezer adellijke personen eerlang openlijk de hoofden
+werden van den strijd voor vrijheid en regt, tegen den Koning en zijn
+misbruikt gezag (1568).
+
+ * * * * *
+
+Lang hadden de Friezen gezwegen en het slaafsche juk der overheersching
+gedragen. Welkom was hun dus de gelegenheid, om blijken te geven van
+hunne zucht, om het belang des vaderlands krachtig te bevorderen. Toen
+drie afgevaardigden dier Edelen te _Leeuwarden_ kwamen, om den Frieschen
+Adel tot deelneming op te wekken, vonden zij, onder bescherming der
+Staten, hier zóó veel bijval, dat 108 Edelen, waaronder vele leden der
+regeringen van de steden en grietenijen, het Verbond teekenden en zich
+bereid verklaarden, de willekeur des Konings te helpen tegenstaan. Een
+getal, hetwelk, in vergelijking der 420 leden van het verbond uit al de
+17 Nederlandsche provinciën te zamen, zeker zeer aanzienlijk was, en
+blijk gaf, welk eene vrijheidszucht en moed de Friezen bezielde.
+Vruchteloos waren echter hunne eerste pogingen ter bekoming van
+verzachtende maatregelen. Evenzeer mislukte de poging, om vrijheid van
+godsdienst te bekomen: want nadat de hervorming te _Leeuwarden_ weder
+onderdrukt was, drong de Stadhouder AREMBERG bij de Staten aan, dat zij
+het Verbond der edelen zouden ontbinden, en dat deze zelfs den Koning om
+vergiffenis moesten smeken, dewijl zij anders het ergste hadden te
+vreezen. Doch de Staten waren evenzeer als de edelen voor geene
+bedreigingen meer vervaard. Dit blijkt uit het fiere en krachtige
+antwoord, hetwelk zij den Stadhouder deden toekomen in deze, voor die
+dagen, hoogst opmerkelijke woorden: »_dat zij, voor zich en de
+bondgenooten, alles goedkeurden, wat gedaan of gezegd was, en dat zij,
+noch uit gunstbejag, noch uit vrees, van hunne regten afstand zouden
+doen, maar liever een opmerkelijk voorbeeld van standvastigheid in het
+handhaven van 's lands vrijheden wilden geven, al moesten zij het ook
+met den dood bekoopen._"
+
+Zulk eene taal van de vertegenwoordigers des volks tegen den uitvoerder
+der bevelen eens dwingelands getuigde van een verheven moed en
+heldengeest, welke de aanzienlijksten des lands en velen dier verbondene
+edelen doordrong. Want al moest ook een aantal hunner met vele
+geestelijken en burgers in 1567, na het terugkeeren van AREMBERG en de
+komst van den wreeden Hertog van ALVA, vlugten, om de vervolgingen te
+ontgaan,--met den volgenden jare 1568 zien wij hen den strijd aanvangen
+tegen het misbruikte oppergezag en roemrijke daden verrigten. Toen
+toonden zij weder der Friezen oude moed en trouw, en hunne
+voorvaderlijke zucht voor vrijheid en onafhankelijkheid. Toen dachten
+zij vol moed en hoop:
+
+ _Geen bloed kan glorierijker vloeijen,
+ Dan 't geen het Vaderland bevrijd._
+
+En hiervoor hadden ze alles over, in de heilige overtuiging:
+
+ _Want, waar de Vrijheid is verloren,
+ Is 't Vaderland een ijdle naam_[123].
+
+ [123] ONNO ZWIER VAN HAREN, _de Geuzen_. Zie daarover _Aant. 20_.
+
+ * * * * *
+
+Al de personen te noemen, die deelnamen in dezen strijd, die goed en
+bloed waagden, om de vrijheid des vaderlands te herstellen, is hier niet
+mogelijk. Maar wij mogen de namen niet verzwijgen van hén, die door
+ijver en bekwaamheid de goede zaak het meest bevorderden, of die in de
+gelegenheid waren door grootsche bedrijven uit te munten. WYBRAND VAN
+AYLVA, Olderman van _Sneek_, en HESSEL VAN AYSMA, Raadsheer in het Hof,
+wisten, in vereeniging met JULIUS en SYDS VAN BOTNIA en GEMMA en UPCO
+VAN BURMANIA, door raad en daad met onwrikbare trouw de verdrukking
+tegen te staan. Aan JAN BONGA, JELLE EELSMA en WYBE VAN GROVESTINS
+gelukte het, zoowel te land als ter zee, den vijand afbreuk te doen.
+HOMME VAN HETTINGA verkocht zijne eigene bezittingen, om krijgsvolk aan
+te nemen, waarmede hij de Spaanschen bestreed, waarna hij _den Briel_
+hielp innemen, en van zijne vrijheidsliefde even groote bewijzen gaf als
+zijn broeder, TIETE, die, toen hij uit _Friesland_ moest wijken, in 1575
+met 200 zijner landgenooten bij _Wormer_ in _Noord-Holland_ ruim 1300
+Spanjaarden en Duitschers bestreed en overwon. Even als zij, trachtten
+HARING en HARTMAN VAN HARINXMA, aan het hoofd van vele ingezetenen van
+_Wymbritseradeel_, in 1572 de Friesche steden voor Prins WILLEM _van
+Oranje_ te verzekeren. Reeds hadden zij _Slooten_ ingenomen, toen zij in
+gevecht geraakten met de talrijker oude benden van ROBLES, waarbij
+HARTMAN de regterarm aan stukken werd geschoten, hoewel hij moeds genoeg
+had, om, zonder eenig blijk van pijn te geven, het vaandel met de
+linkerhand aan te vatten en de zijnen kloekmoedig tot den strijd te
+blijven aanvoeren[124]. Vier broeders uit het geslacht VAN EYSINGA
+muntten door liefde voor vrijheid en godsdienst uit, en getroostten zich
+daarvoor groote opofferingen en ballingschap. SJOERD VAN BEYMA en
+HARTMAN GALAMA stelden zich door kloeke bedrijven aan eene vervolging
+bloot, welke hen, op de Zuiderzee met hulp van verraad gevangen genomen,
+te _Brussel_ op een schavot het leven deed verliezen. HARING VAN GLINS,
+WILCO VAN HOLDINGA, DOUWE VAN HOTTINGA en zoo vele anderen trotseerden
+moedig velerlei gevaren en worden als bevorderaars der vrijheid met eere
+genoemd.
+
+ [124] Dit verhaalt zelfs de Spaanschgezinde Raadsheer CAROLUS, _de
+ rebus Casparis â Robles in Frisia gestis_, Leov. 1731, 56. "Hoe zou
+ iets van dien aard (zegt VAN KAMPEN, _Vaderl. Karakterkunde_, I 345)
+ de wereld doorklinken, wanneer het door een' _Spartaan_ was verrigt!
+ Doch zulke daden hadden bij ons plaats, zonder, gelijk te _Sparta_,
+ door de opoffering van alle menschelijk gevoel, beschaving en
+ handelverkeering met andere volken te worden gekocht."
+
+Doch niemand dezer overtrof in grootmoedigheid en bekwaamheid hun aller
+hoofd en sieraad, den edelen ~DUCO MARTENA~, die, zonder vrees voor
+gevaar, de regten des volks bleef handhaven; die, als staatsman en held,
+in raadzaal en strijd, zoowel te land als ter zee, te midden der
+hevigste vervolging, met raad en daad zijn vaderland diende, en al zijne
+bezittingen, ja zelfs die van twee zijner broederen, door hem geërfd,
+voor de zaak der vrijheid opofferde. Als lid van Gedeputeerde Staten
+handhaafde hij het uitsluitend regt der inboorlingen tot de regering,
+stuitte de geweldige maatregelen van ALVA, en poogde door voorspraak de
+gevangene bondgenooten te doen loslaten. Hoe hoog de nood ook klom, hij
+bezweek niet, maar werd voor _Friesland_, wat Prins WILLEM _van Oranje_
+voor het fel bestredene _Holland_ en andere provinciën was: de kracht,
+de steun, de hulp van den onder ALVA zoo diep gezonken staat. Die Prins
+werd zijn vriend en beschermer, welke hem, toen hij eindelijk
+_Friesland_ moest verlaten, als Admiraal het opperbevel over eene vloot
+op de Zuiderzee toevertrouwde. Blakende van liefde voor het land en de
+goede zaak, evenaarden zijn beleid en dapperheid de trouw en
+voorzigtigheid, waarmede hij ook later, in zijn vaderland teruggekeerd,
+den jeugdigen staat hielp opbouwen, zoodat aan zijne daden en deugden de
+verlossing des vaderlands voor een groot deel werd toegeschreven.
+(_Aant. 20._)
+
+Nooit mogen wij Friezen onze verpligting aan den edelen MARTENA en zijne
+medeverbondene edelen vergeten! Met eere mogen de namen van deze helden
+der vrijheid steeds genoemd worden: want onbegrijpelijk veel hebben zij
+doorgestaan, verrigt en opgeofferd, toen de willekeur der Spaansche
+overheersching zich de wreedste vervolging van personen en huisgezinnen,
+de verbeurt-verklaring van goederen en allerlei kwellingen veroorloofde:
+omdat, zij de vrijheid verlangden, om den zelfden God en Heer op eene
+andere wijze te vereeren dan de Koning van _Spanje_ wilde toestaan. Doch
+gelukkig, dat, na het doorstaan van al die rampen, eindelijk de
+overwinning volgde, welke ook de Friezen weder deed deelen in het
+voorregt van het bezit der vrijheid en onafhankelijkheid, welke men op
+hoogeren prijs had leeren schatten, naarmate de verkrijging moeite en
+opofferingen had gekost. Vooraf echter moest er nog veel geleden en
+gestreden worden.
+
+
+33. _Herstelling van de Friesche Zeeweringen onder Caspar de Robles.
+(1574.)_
+
+Te midden der verschrikkingen van den oorlog trof _Friesland_ bovendien
+eene ramp, welke groote nood en schade veroorzaakte. Zij had evenwel
+heilzame gevolgen voor de toekomst, en het is dáárom, dat wij ons
+verpligt achten, hierbij in het bijzonder stil te staan.
+
+Een hevige storm en daarop gevolgde watervloed, zoo ontzettend als ooit
+eenige deze landen trof, teisterde, op den 1 November 1570, alle aan de
+Noordzee gelegene landstreken. Met geweld op de Friesche dijken
+inbrekende, rees het water 10 à 12 voeten hoog op de landen, zoodat
+bijna het gansche gewest eene woeste zee gelijk scheen. Duizenden
+menschen verloren het leven: alléén in _Oost-_ en _West-Dongeradeel_
+kwamen er 2600 personen om. Een schat van vee, granen en andere
+levensmiddelen werd met een aantal gebouwen eene prooi van den vloed,
+die de zeedijken zoodanig had vernield, dat zij op sommige plaatsen
+geheel weggeslagen waren. Het land stond dus open voor de zee, die dan
+ook in de eerstvolgende jaren bij de minste verheffing van wind en vloed
+op nieuw de velden overstroomde. Dit alles, gevoegd bij verarming,
+duurte, hongersnood en oorlog, voerde de ellende der ingezetenen ten
+top, en schenen de krachten te falen, om die verliezen te boven te
+komen, en inzonderheid, om de zeedijken te herstellen, ten einde dit
+land duurzaam voor dergelijke rampen te beveiligen[125].
+
+ [125] Zie het officieele verhaal in het _Charterb._ III 847, 865;
+ WINSEMIUS, 550; OUTHOFS, _Watervloeden_, Embden 1720, 508, 535; VAN
+ LEEUWEN, _Watervloed_, Inl. XXXV.
+
+Geen gedeelte had meer geleden dan de Vijfdeelendijk, van _Dijkshoek_
+langs _Harlingen_ naar _Makkum_, en wel mede om deze reden, dat het
+onderhoud daarvan sedert lang het meest verwaarloosd was geworden, ten
+gevolge van langdurige en hevige geschillen, voornamelijk tusschen de
+ingezetenen, die buiten en binnen den Slagtedijk woonden over het
+aandeel, dat ieder hunner in het onderhoud zou hoeden. De eersten, de
+aan zee gelegene Grietenijën, verlangden daartoe meerdere hulp van de
+laatsten, ja zelfs ondersteuning ook van andere deelen van _Friesland_,
+voor welke de zeedijken van even groot belang waren. Reeds in 1533
+hadden de Stadhouder en het Hof in dit geschil eene beslissing gegeven,
+door bij Arbitrament te bepalen, door wie en op welke wijze de zeedijken
+zouden worden onderhouden[126]. In weerwil daarvan bleek het echter, dat
+de Binnendijksters niet waren te bewegen, om den Buitendijksters de
+meerder verlangde hulp te verleenen, en zoo bleef eene algemeene
+herstelling onuitgevoerd en het land steeds in groot gevaar verkeeren.
+
+ [126] Zie deze stukken in het _Charterboek_, II 627, 628 env.
+
+De herstelling of wel bijna geheele vernieuwing van dezen dijk was
+echter nu een dringend vereischte. De Buitendijksters, die de kosten
+daarvan op 300,000 Gld. begroot hadden, klaagden hunnen nood aan den
+Koning. Namens dezen bepaalde de Landvoogd ALVA in Augustus 1571, dat,
+tot vinding van die som, 40,000 Gld. zou worden omgeslagen over die
+deelen van dit gewest, welke weinig of geene dijken hadden te
+onderhouden, en dat de overige kosten door de Buiten- en Binnendijksters
+gelijkelijk zouden worden gedragen. Daar de laatste hierover vooraf niet
+waren gehoord, namen zij in deze beslissing geen genoegen, terwijl ook
+_Oostergoo_ zich tegen dien omslag verzette. ALVA vond dus goed, den 27
+October en 8 November 1571 deze uitspraak te schorsen, en, na een nader
+onderzoek, de beslissing op te dragen aan den Stadhouder, _Graaf van
+Megen_, met eenige Raden van _Overijssel_. Dan deze, reeds kort daarna,
+den 7 Januarij 1572, overlijdende, werd den 15 Maart dit onderzoek en
+die beslissing opgedragen aan CASPAR DE ROBLES, _Heer van Billy_, aan
+het hoofd eener commissie van Raadsheeren en Dijkgraven uit andere
+provinciën.
+
+ROBLES was destijds Kolonel van een regiment Waalsche knechten te
+_Groningen_. Portugees van geboorte, aan het Hof van KAREL V opgevoed,
+vereerd met het vertrouwen der Landvoogdes, die hem zelfs naar _Madrid_
+zond, om verzachting van de plakkaten te bewerken, was hij in 1569 te
+_Groningen_ gekomen, en had hij zoowel blijken gegeven van gestrengheid
+en ijver voor de zaak des konings, als van menschlievendheid ter redding
+en verzorging van allen, die door den Allerheiligenvloed ongelukkig
+waren geworden. Zoo men wil, bragt hij zelfs te _Brussel_ te weeg, dat
+de soldij zijner krijgsknechten van daar werd overgemaakt, en dat
+_Friesland_ en _Groningen_ een jaar lang van schatting ontheven werden,
+omdat hunne krachten naauwelijks toereikende waren om de geledene schade
+aan hunne zeeweringen te herstellen. Veler achting viel hem daardoor ten
+deel, bij al de strenge maatregelen, welke hij op bevel van ALVA moest
+nemen, om het Spaansche gezag te schragen. Kort na zijne overkomst in
+_Friesland_ (in April 1572) zag hij zich als Luitenant des nieuwen
+Stadhouders GILLIS VAN BARLAYMONT, _Heer van Hierges_, benoemd, en in
+het laatst des volgenden jaars (1573) in diens plaats tot Stadhouder en
+Kapitein-Generaal aangesteld. Hierdoor kwam hij nog beter in de
+gelegenheid, om zich van zijnen belangrijken last te kwijten[127].
+
+ [127] Zie al de stukken in het _Charterb._ III, 869, 876, 884, 891,
+ 894, 902 env.; CAROLUS, 235; KOK, _Vaderl. Woordenb._ 24e dl. 309.
+
+Nadat hij zich naar _Harlingen_ begeven en zich overtuigd had van den
+deerlijken toestand der meest weggeslagen dijken, was zijn besluit
+genomen, om krachtdadige middelen tot herstel aan te wenden, om allen
+tegenstand moedig het hoofd te bieden, en de onwilligen zelfs met geweld
+tot de uitvoering te dwingen. Na lang oponthoud, mede ten gevolge zijner
+geweldige maatregelen om 's konings gezag te handhaven tegen de pogingen
+der edelen, om _Friesland_ onder het gezag van Prins WILLEM te brengen,
+was de zaak zoo veel vooruitgegaan, dat in December 1572 de Binnen- en
+Buitendijksters beide al hunne geschillen en processen opdroegen aan
+ROBLES en eene andere commissie van Raadsheeren, belovende zich aan de
+uitspraak van deze arbiters te zullen onderwerpen. Hierop werd de
+goedkeuring van ALVA ontvangen en die uitspraak den 7 Augustus 1573
+gegeven. Daarbij werd, met afwijking van het arbitrament van 1533,
+vastgesteld, dat de zeedijk van _het Bildt_ tot _Makkum_ voor de helft,
+tot omstreeks _Harlingen_, door de Binnendijksters, en voor de
+wederhelft door de Buitendijksters zou worden gemaakt en onderhouden.
+Deze uitspraak werd in naam des Konings den 4 September door ALVA
+goedgekeurd, en daarna afgekondigd, om spoedig ten uitvoer gelegd te
+worden[128]. In het volgende voorjaar trok men met ijver aan het werk,
+nadat ROBLES en zijne Raden den 25 Maart 1574 bij eene uitvoerige
+ordonnantie had bepaald hoedanig het werk ingerigt, verdeeld en bestuurd
+zou worden. De dijk van vijf uren gaans lengte moest eene hoogte bekomen
+van 12 voet, met een beloop van 5 roede aan de zeezijde en 3 roede aan
+de landzijde, en eene kruin van 6 voet breedte. Het geheele werk werd
+verdeeld in elf perceelen. Aan ieder perceel werkte 300 man, welke
+onder het opzigt stonden van een kapitein, een schrijver of opzigter en
+12 rotmeesters. De werkuren waren gesteld van 's morgens 5 tot 's avonds
+6 uur; de drie schofturen daar tusschen werden door het uitsteken van
+een vaandel uit den toren van _Harlingen_ aangewezen. Een half uur
+bezuiden die stad werd een geheel nieuwe inlegger gemaakt, welke nog de
+_Kornels-dijk_ genoemd wordt. Ter bevordering van orde en gezag onder
+zoo groote menigte werklieden, waren daarbij strenge bepalingen gemaakt.
+Zelfs wil men, dat er eene galg op den dijk geplaatst was. ROBLES zelf
+hield naauwlettend toezigt en allen in bedwang door de vrees voor zijn
+ongenoegen en de bedreigde straffen.
+
+ [128] _Charterb._ III 909, 919, 931, 940, 946, 948, 958, 966, 979.
+
+Schoon het werk voorspoedig voortging, kon het echter dat jaar niet
+worden voltooid. Na het nemen van de noodige voorzorgen tegen den
+winter, werd het in het volgende voorjaar hervat en in den zomer van
+1575 geheel volbragt, waarna er nog een aantal hoofden, kisten en
+kribben van paalwerk werden aangebragt tot bescherming van den dijk en
+het breken van den golfslag. In den volgenden jare werd ter gedachtenis
+dezer zoo wél volbragte onderneming en ter eere van den wakkeren
+Stadhouder, als grenspaal tusschen de beide perken van onderhoud, op den
+dijk nabij _Harlingen_ een gedenkteeken opgerigt, waarvan de vier
+opschriften den tijd der stichting en de namen der stichters
+vermeldden[129].
+
+ [129] Zie deze opschriften en eene afbeelding van dezen _Terminus_ of
+ zoogenaamden _Steenenman_ bij WINSEMIUS, 588 en op de Friesche kaarten
+ van SCHENK en HALMA; FOEKE SJOERDS, _Beschrijv._ I 112, _Tegenw.
+ Staat_, III 594, IV 309; KOK, _Vad. Woordenb._ 24e dl. 314. Dit
+ gedenkteeken, in de vorige eeuw verloren geraakt, is in 1776 op kosten
+ van den Dijkgraaf, KAREL GEORG Grave VAN WASSENAER TWICKEL, in vorigen
+ vorm hersteld. Later zijn de beide oude koppen teruggevonden, en door
+ Jhr. I. ÆBINGA VAN HUMALDA bewaard op een gemetseld voetstuk in den
+ tuin van _Burmaniahuis_ te _Leeuwarden_. De steen met het latijnsche
+ hoofdopschrift der westzijde is in Mei 1851 teruggevonden, onder in
+ een muur gemetseld, bij gelegenheid der vergrooting van de buitenhaven
+ van _Harlingen_.
+
+Daar gelijktijdig ook de noordelijke zeeweringen dezer provincie werden
+hersteld, zoodat er in 1574 enkel aan die van _West-Dongeradeel_ van 12
+tot 1500 man werkten; daar er ook omtrent de zuidelijke zeedijken
+schikkingen tot verbeterd onderhoud werden gemaakt, en vermits de naam
+van het _Caspar-Robles-diep_ nog aanwijst, dat dit kanaal, tusschen het
+Bergumermeer en de Lauwers, ter bevordering eener betere gemeenschap met
+_Groningen_, door hem mede is tot stand gebragt,--zoo zien wij in dit
+alles met genoegen de blijken van hetgeen de standvastigheid en
+welberaden moed van ROBLES binnen zoo weinige jaren in _Friesland_ tot
+duurzaam heil des lands mogt tot stand brengen. In het zelfde jaar, dat
+het gedenkteeken werd opgerigt, verkeerde echter de kans, werd hij door
+zijn krijgsvolk gevangen genomen, te _Leeuwarden_ op het Blokhuis een
+tijdlang in bewaring gehouden, waarna hij in 1585 voor _Antwerpen_
+omkwam. Zijn naam en gedachtenis zijn echter bij elken Fries in gezegend
+aandenken gebleven, en gaarne zeggen wij den dichter na[130]:
+
+ [130] VAN HALMAEL, _Lied_. Zie bladz. 57 hier vóór.
+
+ _Daar staan zij, de reuzen, aan 't bogtige strand,
+ En houden de zee in den toom en aan band,
+ Bespotten, trotseren haar woede.
+ Slechts weinigen houden, bij dag en bij nacht,
+ Bij hen, bij die redders, die dwingers, de wacht;
+ Wij slapen gerust op hun hoede._
+
+ _Die reuzen van dijken, wie heeft ze gesticht?
+ Wie heeft ze in geledren en reijen gerigt,
+ Zoo als zij ons =Friesland= omgeven;
+ Een vijand, een dienaar des wreedsten tirans;
+ Maar eere zij hem, en de naam dezes mans
+ Blijv' hier, in ons harte, steeds leven._
+
+
+34. _Strijd en Zegepraal der Vrijheid en der Hervorming. (1568-1580.)_
+
+Onder afwisseling van voor- en tegenspoed, hadden de Friezen nog een
+hevigen strijd door te staan, vóór ze van hun verzet tegen _Spanje_
+eenige gewenschte vrucht zagen. In plaats van de verlangde verzachting
+van de maatregelen tegen de verandering in de godsdienst, zond de Koning
+den Hertog van ALVA in 1567 naar _Nederland_, om het volk met geweld tot
+het oude kerkgezag terug te brengen. Daartoe strekte ook de benoeming
+van CUNERUS PETRI tot Bisschop van _Leeuwarden_, die den 1 Februarij
+1570 zijne plegtige intrede deed, de kerk van _Oldehove_ tot
+Bisschoppelijke kerk wijdde, en hier en door de gansche provincie het
+pausdom en kerkelijk gezag in vollen luister verhief. Deze dwangmiddelen
+waren de Friezen zeer tegen de borst, en toen in dat zelfde jaar 1570 de
+hier vóór gemelde verschrikkelijke watervloed alom nood en dood
+verspreidde, de welvaart kwijnde, de vrees voor 's konings wraak toenam
+en de toekomst niets dan ellende spelde, beheerschte in _Friesland_ eene
+diepe verslagenheid aller gemoederen.
+
+Want nadat in 1568 de strijd was begonnen en de Stadhouder AREMBERG in
+den eersten slag tegen LODEWIJK _van Nassau_, bij _Heiligerlee_ in
+_Groningerland_, was gesneuveld, werd deze laatste daarna door ALVA bij
+_Jemmingen_, nabij de Eems, geheel verslagen. Een aantal der
+voornaamste Friezen verkeerde in ballingschap. Veler bezittingen werden
+verbeurd verklaard. Van niemand had men hulp te wachten. Er scheen dus
+weinig hoop te zijn op het welslagen van den strijd. Doch onze vaderen
+verflaauwden niet, en vertrouwden op de hulp van God, dien zij in stilte
+vereerden en om redding smeekten. Zijn zegen toch kon niet rusten op de
+wreede dwangmiddelen der Spaanschen, die de heiligste regten des volks
+en de voorschriften van godsdienst en menschlijkheid schonden, ja met
+voeten traden. Eindelijk kwam er dan ook van de zijde der zee eenige
+uitkomst opdagen. Reeds lang hadden JAN BONGA, Grietman van
+_West-Dongeradeel_ en anderen met een aantal schepen invallen op de
+Friesche kust gedaan, om enkele plaatsen op de Spanjaarden te veroveren,
+toen het gerucht der inneming van _den Briel_ (1 April 1572) aller hoop
+versterkte, dat de dag der verlossing spoedig zou aanbreken. Nadat
+onderscheidene steden van _Holland_ Prins WILLEM _van Oranje_ waren
+toegevallen, deed deze ook pogingen, om de voornaamste Friesche steden
+te winnen, en op zijne zijde te brengen. DUCO MARTENA en andere edelen
+spanden daartoe kloekmoedig hunne krachten in, en werkelijk gelukte het
+hun, _Slooten_, _Sneek_, _Bolsward_, _Franeker_ en _Dokkum_ te
+bemagtigen. De Prins haastte zich daarom, Graaf JOOST _van Schouwenburg_
+als zijn Stadhouder herwaarts te zenden; doch deze keus was niet
+gelukkig, en weldra bleek het, dat al deze pogingen nog ontijdig-, en
+als de vreugde over dezen voorspoed van korten duur waren. Want sedert
+AREMBERG'S dood was het Stadhouderschap over dit gewest opgedragen aan
+KAREL VAN BRIMEU, _Graaf van Megen_[131], en daarna aan GILLIS VAN
+BARLAYMONT, _Heer van Hierges_, die te gelijk ook over de andere
+noordelijke provinciën waren gesteld. Gedurende hunne afwezigheid werd
+het gezag hier waargenomen door SEGHER, _Heer van Groesbeeck_ en CASPAR
+DE ROBLES, als hunne plaatsvervangers, te gelijk met het te _Leeuwarden_
+gevestigde _Hof van Friesland_, dat sterk Spaanschgezind was. Nog vóór
+laatstgenoemde werkelijk Stadhouder werd, gelukte het hem, al de reeds
+ingenomene plaatsen te herwinnen en andere te versterken, zoodat de
+bondgenooten op nieuw eene teleurstelling moesten ondervinden in de
+herstelling van het Spaansche gezag.
+
+ [131] Over dezen zijn onlangs bijzondere berigten medegedeeld in zijne
+ betrekking als Stadhouder van _Gelderland_, in NIJHOFF'S _Bijdragen_,
+ VII 262. Zie over ROBLES het Tijdr. Overzigt der Vorsten hier achter,
+ en in het bijzonder VAN METEREN, _Hist. der Ned._ Amst. 1647, 112^o;
+ REINICO FRESINGA, van _Franeker_, _Memoriën_, in DUMBAR, _Analecta_,
+ Dav. 1722, III 10; _Charterb._ V 1062; _Register op de
+ Staats-resolutiën_, 186.
+
+Eerlang echter neigde dat gezag ten ondergang: want met den jare 1576
+verkeerde de kans, ten gevolge van een zamenloop van verscheidene
+omstandigheden. Toen het misnoegen der ingezetenen ten top was gestegen,
+en de _Prins van Oranje_ zelfs de zaken des lands als wanhopig
+voorstelde, stierf ALVA'S opvolger, Don LOUIS DE REQUESENS, sloegen de
+Spaansche soldaten aan het muiten, werd de Stadhouder ROBLES door zijn
+eigen krijgsvolk te _Groningen_ gevangen genomen, en verbonden
+verscheidene provinciën zich tot een verdrag, om gezamenlijk de
+staatkundige en godsdienstige vrijheid te verdedigen, de Spaansche
+benden te verdrijven en de vervolgingen te doen ophouden.
+
+Dit verdrag, de Bevrediging of _Pacificatie van Gent_ genaamd, had
+groote gevolgen. De eendragtige wil der landzaten versterkte de magt en
+den moed, om _Spanje_ te weêrstaan. Al de vroeger gevlugte ballingen
+kwamen terug. De uitoefening van de Hervormde godsdienst werd niet meer
+gestraft of gehinderd. De Raad van State, te _'s Gravenhage_ gevestigd,
+zette de goede zaak door, en zond GEORG VAN LALAING, later _Graaf van
+Rennenberg_ genaamd, als Stadhouder naar _Friesland_. De Bisschop van
+_Leeuwarden_ werd door hem gevangen genomen en verwijderd. Na de _Unie
+van Brussel_ (1577) werd in 1578 door den Landvoogd, Aartshertog
+MATTHIAS, de zoogenaamde Godsdienst- of _Religions-vrede_ afgekondigd,
+waarbij vrijheid van godsdienst voor Hervormden en Roomschen beide werd
+toegestaan, zoodat de eersten hier op vele plaatsen kerken bekwamen en
+openlijke godsdienst-oefeningen hielden.
+
+Doch dit alles was niet genoeg; men wilde meer. Men had zoo lang en zoo
+veel van de heerschzucht der Spanjaarden en Geestelijken geleden, dat
+men, toen het meerendeel der ingezetenen blijken gaf der hervorming
+toegedaan te zijn, verlangde van de Spaanschen en Roomschen geheel
+ontslagen te worden. Onmogelijk was dit, zoo lang de blokhuizen of
+kasteelen der steden _Leeuwarden_, _Harlingen_ en _Stavoren_ nog met
+Spaansche benden bezet bleven, dewijl, bij het minste blijk van opstand,
+het geschut dezer sterkten die steden groote schade kon aanbrengen. Deze
+~moesten~ dus veroverd worden, en hiertoe kreeg men meer moed na het
+sluiten der _Unie van Utrecht_ (1579), waarbij ook _Friesland_ zich met
+de overige zes noordelijke provinciën had verbonden, om _Spanje_ te
+wederstaan, de godsdienstvrijheid te beschermen en onderling een
+vereenigden Staat uit te maken.
+
+De burgerij van _Leeuwarden_, aangevoerd door den wakkeren
+tachtigjarigen Burgemeester ADJE LAMMERTS, durfde het bestaan, op bevel
+van Gedeputeerde Staten, het Blokhuis harer stad aan te tasten en
+kloekmoedig te veroveren, waarna, door het slechten van de wallen en
+het dempen van de grachten aan de stadzijde, deze sterkte ontmanteld
+werd. Deze heugelijke gebeurtenis, welke voorviel op den 1 Februarij
+1580, bragt den Friezen verlossing aan uit de wreede tirannij van
+_Spanje_ en van het pausdom, en was dus zeer rijk in gewigtige gevolgen.
+Dadelijk haalde men te _Leeuwarden_ de monniken en verdere geestelijke
+personen uit de kloosters, en geleidde hen, onder vreugde-bedrijf, met
+trompetten en trommelen de stad uit. De kasteelen van _Harlingen_ en
+_Stavoren_ gingen insgelijks over. Men was nu de Spanjaarden meester, en
+had weldra aan den _Prins van Oranje_ de gunstige beschikking te danken,
+om 100,000 Gld. uit 's Konings domeinen te heffen, vooral tot
+versterking van de steden _Leeuwarden_, _Harlingen_, _Sneek_ en
+_Slooten_, ten einde tegen de aanvallen des vijands bestand te zijn.
+Bloedige tooneelen, welke omwentelingen doorgaans vergezellen, had men
+echter niet te betreuren, daar alles vrij bezadigd toeging. De vreugde
+was grooter dan de wraaklust[132].
+
+ [132] Zie de breedere voorstelling van laatstvermelde groote
+ gebeurtenissen, welke hier eigenlijk te beknopt zijn medegedeeld, in
+ de _Geschiedkundige Beschrijving van Leeuwarden_, I 227 env. en de
+ daarbij vermelde bronnen en schrijvers.
+
+Reeds den 31 Maart 1580 namen de Staten van _Friesland_, een besluit,
+waarbij de Roomsche eeredienst afgeschaft en verboden werd, en waarbij
+bepaald werd, dat de renten van de Geestelijke goederen der kerken
+voortaan moesten aangewend worden ten behoeve der Hervormde eeredienst,
+tot onderhoud van predikanten, onderwijzers, armen en weldadige
+instellingen. Vele priesters en kloosterlingen gingen uit eigene
+beweging tot de Hervormde kerk over. De gebouwen der vijftig in
+_Friesland_ bestaande kloosters werden meest alle verkocht en gesloopt.
+Een nieuw leven bezielde de vrije burgers van den nieuwen Staat, die nu,
+van den band der dwingelandij ontslagen, God naar hun licht en
+overtuiging mogten vereeren, vol van dankbaarheid voor zoo zegenrijke
+verlossing.
+
+Wel had men nog vele jaren te strijden tegen de Spaansche benden, daar
+het naburige _Groningen_ nog gedurende veertien jaren den Koning
+onderworpen bleef,--moedig sloeg men echter de handen in-een tot opbouw
+van een vrijen burgerstaat, die alleen het welzijn der ingezetenen
+bedoelde. Vroeger dan eenige der andere provinciën, genoot _Friesland_
+dus dit voorregt; terwijl het zijne groote verpligting erkende aan den
+edelen Prins WILLEM _van Oranje_, door ook hem tot Stadhouder aan te
+stellen, en ook hem blijken van vereering te geven, toen hij in het
+volgende jaar 1581 zelf naar _Friesland_ overkwam tot regeling van vele
+zaken des bestuurs. Daardoor vond men zich mede gesterkt, tot het nemen
+van het gewigtige besluit, om den Koning van _Spanje_ vervallen te
+verklaren van zijn regt op deze landen. Deze afzwering van den Koning
+had in Julij 1581 op eene plegtige wijze plaats, en werd het gezag en
+het bestuur des lands toevertrouwd aan de _Staten_ van iedere provincie
+en van hare afgevaardigden: de _Algemeene Staten van Nederland_, als de
+wettige overheden der vrije landzaten.
+
+ * * * * *
+
+Na veel lijden en strijden werd aldus de onafhankelijkheid des lands
+hersteld, hoewel deze niet erkend werd door den Koning, die tot 1648, en
+alzoo nog bijna 70 jaren lang, moeite deed, om dit land te herwinnen.
+Deze omwenteling in den Staat en die hervorming van de Kerk, met zoo
+veel moeite verkregen, vestigde hier een vrijen protestantschen Staat,
+wier instellingen van gunstigen invloed waren op de belangen der
+ingezetenen, zoodat zij daardoor eene groote schrede voorwaarts deden op
+den weg der volmaking, zoowel ten aanzien van hunne burgerlijke
+betrekkingen als van hunne zedelijke, verstandelijke en godsdienstige
+beschaving. Dáárom dankten de vaderen God voor zijne hulp en
+bescherming; dáárom is deze verandering, als een keerpunt in de
+geschiedenis van ons vaderland, van zoo uitstekend gewigt, en dáárom
+vereeren wij deze belangrijke gebeurtenis als eene der voornaamste
+middelen tot verheffing van ons geslacht, ter vorming van goede burgers
+en vrome Christenen. Maar, als dankbare nakomelingen, vereeren wij
+tevens der vaderen moed en edele vrijheidszucht, en stemmen wij tot hun
+lof gaarne in met het antwoord van onzen dichter WILLEM VAN HAREN[133]
+op de vraag:
+
+ [133] _Tweede Lierzang_, Harderwijk 1742, 14.
+
+ _--Waarom zijn dan toch eertijds onze Vadren,
+ Met eerlijk bloed alleen gewapend in hunne adren,
+ En zonder krijgsvolk, zonder geld,
+ Niet afgemaakt door 't Spaansch geweld?_
+
+ _Omdat hun edle ziel, langs 't pad der Eer gedreven,
+ De Godsvrucht en de Trouw meer schatte dan het leven,
+ En, door hun deugd, des Hoogsten hand
+ Deed gunstig zijn voor 't Vaderland._
+
+ _Tot hen, tot dat geslacht, het oog dan opgeheven!
+ Eene andere eeuw aanschouwd, ten voorbeelde opgegeven!
+ De aloude Dapperheid en Deugd
+ Geprent in 't hart van onze jeugd!_
+
+
+
+
+VIERDE TIJDVAK.
+
+FRIESLAND ONDER HET BESTUUR DER STATEN EN DER STADHOUDERS UIT HET HUIS
+VAN NASSAU.
+
+VAN DE HERVORMING IN KERK EN STAAT, OF DE VESTIGING VAN DE REPUBLIEK DER
+VEREENIGDE NEDERLANDEN, TOT AAN DE STAATS-OMWENTELING EN DE KOMST DER
+FRANSCHEN.
+
+_Van het jaar 1580 tot 1795._
+
+
+35. _De vestiging van den nieuwen Staat. (1580-1648.)_
+
+De omwenteling van 1580 is een hoogst belangrijk keerpunt in de
+geschiedenis van _Friesland_. De staatkundige en godsdienstige toestand
+der ingezetenen onderging daardoor toch eene verbazende verandering,
+welke van uitgestrekte gevolgen was voor de toekomst. Ligt kunnen we ons
+voorstellen, hoe groot de blijdschap was onzer vaderen over die
+verlossing van de knellende dwinglandij der Spanjaarden, en hoe zeer
+deze gepaard ging met dankbaarheid aan God voor zijne wonderbare redding
+en hulp ter bekoming der vrijheid van godsdienst en geweten, welke men
+op te hooger prijs stelde, naarmate men ze lang gezocht en ontbeerd had.
+
+Doch die vreugde werd spoedig getemperd: want verbazend groot waren de
+bezwaren, welke zich spoedig opdeden, om het verkregene te behouden en
+te verdedigen tegen een vijand, van wiens wraaklust en bloeddorst
+_Haarlem_, _Naarden_, _Zutphen_ en andere steden reeds vroeger zulke
+moorddadige tooneelen hadden opgeleverd. Immers, ALEXANDER FARNESE,
+_Hertog van Parma_, een veldheer, die ALVA in krijgskunde evenaarde en
+in staatkundig beleid en buigzaamheid verre overtrof, was met nieuwe en
+talrijke Spaansche benden in _Nederland_ aangekomen. FRANÇOIS VERDUGO,
+_Heer van Schengen_, die zijn aanzien enkel aan dapperheid had te
+danken, was als Stadhouder des Konings met tien vaandels knechten
+gezonden naar _Groningen_, ter vervanging van den afvalligen RENNENBERG,
+die de schande zijner trouwloosheid niet lang overleefde. Uit die
+krachtig versterkte stad werd het oostelijk gedeelte van _Friesland_
+bestendig bestookt; terwijl het zuidelijk gedeelte van dit gewest bloot
+stond aan de uitvallen der bezetting van _Steenwijk_, sedert deze stad
+weder in handen der vijanden was gevallen. Zulk een uitval deden de
+Spanjaarden reeds in November 1580. Met eene verbazende snelheid trokken
+zij langs de zeekust, namen de schans van _de Lemmer_ in, overrompelden
+_Slooten_ (waarbij de edele DUCO MARTENA in hunne handen viel),
+herwonnen het kasteel van _Stavoren_, overmeesterden de schans bij
+_Makkum_ en roofden, onder schrikkelijken moedwil, tot aan de poorten
+van _Harlingen_. Algemeen was de verslagenheid in den lande en groot het
+gebrek aan krijgsvolk, aan geld en leeftogt, tot voortzetting van een
+strijd, die men bijna wanhoopte te zullen kunnen volhouden. Met veel
+moeite gelukte het de Friesche benden in den volgenden jare, die
+verloren plaatsen te herwinnen[134].
+
+ [134] WINSEMIUS, 679, 684. Volgens den staat van het krijgsvolk in
+ 1579 had men in _Friesland_ voor 3000 voetknechten, 200 ruiters, 200
+ pionniers enz. de som van ruim 43,000 Gld. in de _maand_ noodig.
+ _Charterb._ IV, 115. Zulk eene krijgsmagt hadden de Friezen te
+ wederstaan en te verdrijven ter bekoming der vrijheid!
+
+Intusschen had de edele Prins WILLEM _van Oranje_, op ernstig aanhouden
+der Staten van _Friesland_, besloten, ook deze provincie als Gouverneur
+en Stadhouder in zijne bescherming te nemen. Uithoofde der afgelegenheid
+en veelvuldige andere zorgen, benoemde hij BERNARD VAN MERODE, _Heer van
+Rummen_, hier tot zijn Luitenant of Plaatsbekleeder, doch kwam in April
+1581 zelf met zijne gemalin, CHARLOTTE VAN BOURBON, in _Friesland_, om
+orde te stellen op vele zaken der regering. Te _Harlingen_ aan wal
+gekomen, werd hij, algemeen als Vader des vaderlands vereerd, te
+_Leeuwarden_ op eene luisterrijke wijze ingehaald. Op een buitengewonen
+landsdag handelde hij met de Staten over vele zaken, en schreef, bij
+eene uitvoerige Ordonnantie, die wijze van regering, justitie, politie
+en beleid van het krijgswezen voor, welke hem op dat oogenblik de beste
+voorkwam[135]. Te kort echter was zijn verblijf, dan dat zijn invloed
+duurzaam heilzame gevolgen mogt hebben: want hoog waren toen reeds de
+verschillen gerezen tusschen de leden der regering over de mate en de
+grenzen van het gezag.
+
+ [135] WINSEMIUS, 689, 697; _Charterboek_ IV, 241.
+
+Bij de _Staten_ des lands of de Volmagten der grietenijën en steden toch
+berustte nu de oppermagt of de souvereiniteit. Deze hadden acht personen
+(twee uit ieder Goo en uit de Steden) benoemd tot hunne _Gedeputeerden_,
+aan wie met den Gouverneur of Stadhouder de uitvoerende magt en het
+dagelijksch bestuur van zaken was toevertrouwd: »bezonderlinge om
+voortaen te procederen tot grondelycke Evangelische Reformatie, soo wel
+in den saeken van den waren Religie, als de vervallene Politye over het
+gantsche Lant"[136]. Doch deze magt was, te gelijk met het beleid van de
+justitie, vroeger uitgeoefend door het _Hof van Friesland_, dat nu nog,
+bij voortduring, hetzelfde gezag wilde uitoefenen, ook ten aanzien van
+het burgerlijk bestuur. Deze Provinciale Raden, welke zoo lang even
+Spaanschgezind als de Gedeputeerden Staatsgezind waren geweest, werden
+in hunne vorderingen ondersteund, door de afgevaardigden der _Steden_,
+die nu, bij de verandering van regeringsvorm, even als de drie
+Gooën, bij het stemmen op de landsdagen een afzonderlijk kwartier
+wilden uitmaken. Zij eischten zelfs meer: want, daar eertijds de
+vertegenwoordiging had bestaan uit de Prelaten of de Roomsche
+Geestelijkheid en de Edelen en Eigenerfden, zoowel van het platteland
+als uit de steden, zoo verlangden zij nu, na het vervallen van het
+eerste staatslid (de Geestelijkheid), dat de steden evenveel
+afgevaardigden ten landsdage zouden zenden als het platteland. Het Hof
+ondersteunde die eischen, werkte met de steden de Gedeputeerden tegen,
+die door de Staten beschermd werden, en zoo was er bestendige twist en
+verdeeldheid onder al de leden der landsregering, met eene hevigheid,
+welke het algemeen belang met groote schade bedreigde[137]. Zoo
+verspilde men tijd en krachten, welke men zoo hoog noodig had tot
+regeling van de algemeene belangen en het bestrijden van een vijand, die
+nog bestendig een gewest bedreigde, waarbij hij, voor het behoud van
+geheel het noordelijk _Nederland_, zoo veel belang had. Vele staatsleden
+ijverden voor hunne meening uit zucht voor het algemeene welzijn, welke
+zich in de zelfde mate ontwikkelde, als zij zich boven de verdrukking
+had weten te verheffen; bij anderen was gehechtheid aan het oude in
+strijd met de nieuwe vormen en eischen van het oogenblik; doch er waren
+ook, die, uit eer- en heerschzucht, minder het algemeen dan hun eigen
+belang voorstonden; ja zelfs, die, wanhopende op den goeden uitslag, nog
+met _Spanje_ heulden. Zoo wilden ook de in welvaart en magt toegenomene
+steden gebruik maken van de gelegenheid ter bekoming van meer gezag in
+den Staat, en liet _Leeuwarden_ zich vooral krachtig gelden en veel
+voorstaan op de eer, dat het, als de grootste en sterkste stad des
+lands, de eerste geweest was, die de reformatie in kerk en staat had ten
+uitvoer gelegd. De onderlinge verbittering steeg zelfs zóó hoog, dat de
+Gedeputeerden _Leeuwarden_ verlieten en in 1584 en 1585 hunne
+vergaderingen en de landsdagen te _Franeker_ hielden[138].
+
+ [136] _Charterboek_, IV 235; STELLINGWERFF, _Politycq Discours_, 32.
+
+ [137] Zie het uitvoerig verhaal deswege in VAN REYD, _Nederl.
+ Oorlogen_, 61, en WINSEMIUS, 689, 714 env., benevens de verdere
+ ontwikkeling hiervan in de eerste _Aanteekening_ achter het 2e deel
+ mijner _Geschiedkundige Beschrijving van Leeuwarden_, 407 en de daar
+ aangehaalde schrijvers.
+
+ [138] Ook om deze reden werd in die jaren de Lands Akademie te
+ _Franeker_, en niet te _Leeuwarden_, opgerigt.
+
+Zoodanig was de toestand van _Friesland_ ten aanzien der regering, toen
+de vijand in 1583 op nieuw een inval in _Westergoo_ deed, roovende en
+brandende door _Oostergoo_ trok en zelfs de omstreken verontrustte van
+_Leeuwarden_, dat nog bezig was, zijne vestingwerken te versterken en
+uit te breiden. Gruwelijke mishandelingen en moorden kenmerkten zijne
+schreden. In allerijl werden de onverhoeds overvallene en verslagene
+ingezetenen opgeroepen, om die benden tegen te staan en ten lande uit te
+drijven[139].
+
+ [139] WINSEMIUS, 713; SCHOTANUS, 915.
+
+In deze »benaude gestaltenisse" des lands trachtte men vooral de grenzen
+zoo veel mogelijk te beveiligen, door het versterken van de oude en het
+opwerpen van nieuwe ~Schansen~ op een aantal plaatsen. Van tijd tot tijd
+werd dit getal vermeerderd, zoodat _Friesland_, buiten de versterkte
+steden, eerlang met eene zoom van kleine vestingen was omgeven. Aan de
+oostzijde werden daartoe _Oostmahorn_, _Munnekezijl_ en _Kollum_
+versterkt en _de Friesche palen_, _Zwartedijk_ en _Bredenberg_
+aangelegd. Tot verdediging van de zuidelijke grenzen werden de schansen
+_Bekhof_, _Slijkenburg_ en _de Blesse_ opgeworpen en die van _de
+Lemmer_, te _Hindeloopen_ en te _Sotterum_ bij _Makkum_ sterker gemaakt.
+Ook binnen in het land, te _Oldeboorn_, _Joure_, _Rottum_, _Terband_ en
+_Oudeschoot_, werden schansen gelegd, om den vijand den doortogt te
+verhinderen of die plaatsen te beschermen[140].
+
+ [140] WINSEMIUS, 705, 765, 833, 836; VAN REYD, 64, 152, 206. Bovendien
+ werd er in vele dorpskerken eene bezetting van 30 à 40 soldaten uit
+ het veldleger gelegd tot bescherming van het platteland. In andere
+ kerken hielden de ingezetenen dag- en nachtwachten.
+
+ * * * * *
+
+Bij dit alles was het duidelijk gebleken, dat het _Friesland_ aan een
+geschikt en krachtvol ~hoofd~ ontbrak, hetwelk zoowel de twistende
+regeringsleden als den nog onverslagen vijand wist te bedwingen, en dat
+tevens schrander genoeg was, om partij te trekken van den gelukkigen
+toestand, waarin de Friezen zich, in de hoofdzaak, bevonden. De
+Stadhouder MERODE toch was daartoe te oud en te zwak, en had te weinig
+invloed, om zich te doen gelden. Er werd een jonger en moediger man
+vereischt, om in het krijgswezen op alle punten te voorzien, en om de
+fiere en onbuigzame gemoederen te leiden van die staatsleden, welke,
+prat op de herkrijging van de zoo lang ontbeerde vrijheid, nu geen
+stroobreed wilden afstaan van hun regt of van hunne bijzondere meening
+omtrent de bevordering van het algemeen belang. Intusschen had men zoo
+weinig vertrouwen op eigene krachten en scheen de toestand des lands zoo
+hopeloos, om zonder vreemde hulp _Spanje_ het hoofd te bieden, dat de
+Nederlanders eerst de hulp van _Frankrijk_ inriepen en den _Hertog van
+Anjou en Alençon_ als beschermer der Nederlandsche vrijheid aannamen, en
+daarna bij herhaling en dringend zich der Koningin van _Engeland_
+aanboden[141].
+
+ [141] WINSEMIUS, 743 env.; V. REYD, 54; _Charterb._ IV 301, 530.
+
+Gelukkig dus voor _Friesland_, dat MERODE zijn ontslag verzocht en
+bekwam; doch nog gelukkiger, dat de _Prins van Oranje_, op verzoek der
+Friesche steden, in diens plaats stelde zijns broeders zoon, den
+vier-en-twintigjarigen Graaf WILLEM LODEWIJK _van Nassau_, die in Maart
+1584 de regering aanvaardde. Reeds drie jaren te voren, toen VERDUGO,
+met 10 vendelen Walen herwaarts gekomen, zijn eersten aanval, bij
+_Kollum_, op _Friesland_ deed, had zijn doorluchtige oom hem, pas van de
+Akademie van _Heidelberg_ teruggekeerd, met 600 man den Friezen te hulp
+gezonden. Naast den Engelschen Overste JOHN NORRITS, die den 18 Julij
+1581 bij _Munnekezijl_ een aanzienlijk voordeel op de Spaansche benden,
+sterk 6000 man, mogt behalen, werd hij, hoe jong ook nog, een krachtig
+tegenstander van VERDUGO. Dezen bestreed hij bij _Noordhorn_, aan het
+hoofd der ruiterij, met zulk eene uitstekende onverschrokkenheid, dat in
+hem zijn roemruchte oom LODEWIJK scheen te herleven, daar hij, hoe ook
+beschoten, met het grootste gevaar, bij herhaling zich door de
+vijandelijke slagorde heen sloeg. Ook _Koevorden_ hielp hij op hem
+winnen, hoewel hij daar al dadelijk door een zesponds kogel aan het
+linkerbeen dermate gewond werd, dat hij aan de gevolgen van dat schot al
+zijn leven kreupel ging. Elf jaren later werd hij voor die zelfde
+vesting nogmaals gekwetst. Onvertsaagd waagde hij zich op de
+gevaarlijkste togten, doch bleef verder ongedeerd[142].
+
+ [142] VAN REYD, 30, 61; WINSEMIUS, 703; _Charterboek_, IV 425;
+ BOSSCHA, _Heldendaden_, I 262, 267.
+
+Hij, die zich der Friezen zaak zoo ijverig had aangetrokken, verdiende
+en verwierf zich ook hun vertrouwen, hetwelk hij zich bij voortduring
+waardig maakte. Nadat Prins WILLEM _van Oranje_ door een noodlottigen
+dood den _Nederlanden_ ontvallen was, werd hij nog in het zelfde jaar
+1584 door de Staten tot »absoluit Stadholder ende Gouuerneur ouer deezen
+Landschappe" verkozen. Hij aanvaardde die hoogst moeijelijke taak, in
+weerwil der menigvuldige bezwaren en gevaren, waarin het land verkeerde,
+doch die hij als Nassauer het hoofd wilde bieden, naar het voorbeeld van
+zijnen doorluchtigen voorganger. Want terwijl de vijand van buiten het
+land bedreigde, was van binnen de verdeeldheid onder de regeringsleden
+tot eene ontzettende hoogte geklommen. Met bedaarde zorg en voorzigtige
+maatregelen zocht hij den onderlingen vrede te bevorderen, en leverde in
+den volgenden jare bij de Staten eene Memorie in, bevattende zijne
+voorslagen van hetgeen tot bescherming en verdediging tegen den gemeenen
+vijand moest gedaan worden. Door een wijs en gematigd bestuur in de
+zaken der regering, ook met betrekking tot de twistende staatsleden, en
+door beleid en dapperheid jegens de vijanden, verwierf hij aller
+achting, zoodat hij eerlang algemeen als Vader vereerd werd[143].
+
+ [143] WINSEMIUS, 752, 757; VAN REYD, 64; _Charterb._ IV 512. Bekend is
+ het, dat de Friezen hem veelal _uws heit_ noemden.
+
+De zorg voor de bevestiging van de verkregene vrijheid ging bij de
+Staten tevens gepaard met de zucht, om de ingevoerde Hervormde leer te
+beschermen en uit te breiden, en om te zorgen, dat alle steden en dorpen
+van goede Predikanten en Onderwijzers werden voorzien. Hiertoe waren
+vooral de inkomsten der plaatselijke geestelijke goederen aangewezen.
+Doch gebrek aan leeraren en de overtuiging van het belang der
+beoefening van de wetenschappen voor de verstandelijke ontwikkeling der
+ingezetenen bewogen de Staten, op voorstel der Friesche Geestelijkheid,
+de bezittingen der vervallene kloosters mede te bezigen tot oprigting
+van een Seminarium of Akademie, inzonderheid tot opleiding van
+Predikanten. De stad _Franeker_ werd daartoe bij voorkeur bestemd, en de
+voor negen jaren te _Leiden_ gestichte Hoogeschool tot voorbeeld
+genomen. Reeds den 29 Julij 1585 werd deze Akademie plegtig ingewijd, en
+alzoo de grond gelegd van dien beroemden zetel der geleerdheid, welke
+later voor wetenschappen en beschaving in dit gewest, ja voor geheel
+_Nederland_ en een deel van _Europa_, van weldadigen invloed is
+geweest[144].
+
+ [144] WINSEMIUS, 710, 747, 752, 758; SCHOTANUS, _Beschrijv._ 140.
+
+ * * * * *
+
+Inmiddels waren de bezettingen der steden en schansen, benevens het
+krijgswezen door de ijverige zorgen van Graaf WILLEM LODEWIJK op een
+beteren voet gebragt, en waande men zich verzekerd tegen den magtigen
+vijand, die _Groningen_ en _Steenwijk_ nog immer bezet hield. Doch die
+vijand bespiedde zorgvuldig elke gelegenheid, om _Friesland_ afbreuk te
+doen of te overvallen. Hij deed dit vooral in Januarij 1586, toen de
+Stadhouder zich tot regeling van zaken naar _'s Gravenhage_ begeven had
+en een strenge vorst een inval scheen te begunstigen. Een deel der
+bezetting van _Steenwijk_, sterk 3000 man en 700 ruiters, trok, onder
+aanvoering der Oversten VAN DEN BERG en TAXIS, onverhoeds door
+_Gaasterland_ naar _Hindeloopen_ en _Workum_; van daar voorbij
+_Bolsward_ door _Witmarsum_ en _Tjum_ naar _Spannum_ en _Winsum_, overal
+door moorden en branden de sporen zijner wraakzuchtige woede
+achterlatende. Zoo verre waren zij reeds gevorderd, toen de Friesche
+krijgsoverste STEYN MALTISSEN hen met ruim 1400 man tegentrok en te
+_Boxum_ met hen slaags geraakte. Vóór dat hij zich in slagorde kon
+stellen, werd hij door de Spanjaarden overvallen. Van beide zijden werd
+woedend gestreden; doch de onzen, voor de overmagt bukkende, werden
+deels verslagen, deels naar _Leeuwarden_ verdreven of gevangen genomen.
+Schrik en vrees ontzette algemeen de gemoederen, alsof de vijand zich nu
+weder in het hart des lands zou nestelen. Doch deze verkeerden spoedig
+in blijdschap en dankbaarheid »voor Godes sonderlinghe versieninge en
+genade," dewijl men 's lands behoudenis dááraan had te danken, dat het,
+op het zelfde uur, dat de slag gewonnen werd, begon te dooijen en te
+regenen, waardoor de Spaansche benden, met een haast, alsof zij
+vlugtten, naar _Steenwijk_ terugtrokken[145].
+
+ [145] WINSEMIUS 772; VAN VERVOU, _Gedenckw. Geschiedenissen_, 32; VAN
+ REYD, 68; VAN DEN SANDE, 16; VAN LEEUWEN, _Kronyk_, 199.
+
+Sedert deze ramp waren de Staten meer dan ooit geneigd, om, door het
+werven van meerder krijgsvolk, de bedoelingen des Stadhouders, ter
+verdrijving van den vijand, te ondersteunen. Zijn moed rees met het
+gevaar: want op het zelfde tijdstip, dat men, wegens de mislukte zending
+van den Engelschen landvoogd LEICESTER, meer den toorn dan de hulp van
+Koningin ELISABETH had te wachten, en terwijl de Spaansche armade, of de
+zoogenaamde onoverwinnelijke vloot, _Nederland_ met den ondergang
+bedreigde, vormde Graaf WILLEM LODEWIJK, in overleg met Prins MAURITS,
+het plan, om den oorlog niet langer verdedigender-wijze (_defensif_),
+maar voortaan aanvallender-wijze (_offensif_) te voeren, dewijl hij
+achtte, dat daarmede de helft zou gewonnen zijn[146].
+
+ [146] VAN REYD, 135; VAN DEN SANDE, 18.
+
+De moedige poging, om _Groningen_ aan den vijand te ontrukken, in 1587
+bij herhaling ondernomen, was daarvan een eerste gevolg. Zij mislukte,
+doch al de schermutselingen met den vijand, al het nemen en hernemen van
+de talrijke verschansingen op de noordoostelijke grenzen des lands,
+waren voor den jeugdigen held eene leerschool en strekten tot
+verzwakking van den vijand. Bij dat alles was hij met zijne 2 à 3000
+Friezen, zonder andere hulp, in een gedurigen en dikwijls moeitevollen
+strijd met VERDUGO'S benden, sterk 4 à 5000 man. Eerst in 1591 woog het
+belang der Unie, om de Spaanschen uit deze streken te verdrijven, zwaar
+genoeg, dat de Generale Staten en Prins MAURITS hem daartoe krachtige
+hulp boden. De vermeestering van de omliggende sterkten _Delfzijl_,
+_Enumatil_, _Lettelberd_ enz. was het eerste werk. In 1592 werd, na veel
+tegenspoed en een merkwaardig beleg van vijf weken, het sterke
+_Steenwijk_ gewonnen. Dit versterkte den moed tot verdere veroveringen,
+welke _Holland_ echter afried en wilde tegenhouden, waarop de
+voortvarende MAURITS ronduit antwoordde: dat, zoo _Holland_ deszelfs
+troepen terugtrok, hij, al ware het alléén met de Friezen en de
+ruiterij, het behaalde voordeel wilde vervolgen. Zijn voornemen
+zegevierde, en met ongemeene inspanning werd het door VERDUGO zeer
+versterkte _Koevorden_ aangevallen en na een hevig beleg gewonnen.
+Hierbij werd echter Graaf WILLEM LODEWIJK andermaal door een kogel
+getroffen. Na zijne herstelling veroverde hij in den volgenden jare
+_Wedde_, _Winschoten_, _Midwolde_ enz., schoon VERDUGO van deze
+afwezigheid gebruik maakte, om een strooptogt in het oostelijk gedeelte
+van _Friesland_ te doen, waarbij verscheidene dorpen verbrand en
+geplunderd werden[147].
+
+ [147] WINSEMIUS, 805, 810, 814; VAN REYD, 176-198; VAN LEEUWEN,
+ _Kronyk_, 202; BOSSCHA, _Heldendaden_, I 303, 309.
+
+Nadat men zich verder van de overige omliggende schansen verzekerd had,
+werd in Mei 1594 het beleg voor _Groningen_ geslagen, en, in weerwil van
+den krachtigen tegenstand der bezetting, met zoo veel moed, overleg en
+ijver doorgezet, dat deze stad zich den 23 Julij overgaf en Prins
+MAURITS en Graaf WILLEM LODEWIJK den volgenden dag hun plegtigen intogt
+in de stad hielden[148]. Hierdoor werd _Groningen_ en met haar de
+_Ommelanden_ als lid der Unie aangenomen en Graaf WILLEM LODEWIJK
+daarover tot Stadhouder aangesteld. Ofschoon de aftrekkende benden van
+VERDUGO voor het laatst nog hunne woede koelden, door in de
+_Zevenwouden_ te plunderen en te branden, was het winnen van deze stad
+met de omgelegene sterkten en het verdrijven van de Spaanschen uit deze
+noordelijke streken voor de veiligheid en het behoud van _Friesland_
+eene zaak van het hoogste belang. Algemeen was dus hier, even als in het
+gansche vaderland, de blijdschap over deze merkwaardige belegering en
+roemrijke overwinning op de Spanjaarden[149].
+
+ [148] Bij dit beleg, hetwelk beroemd is geworden in de geschiedenis,
+ berustte het opperbevel eigenlijk bij onzen Stadhouder; "nochtans uyt
+ beleeftheydt ende om meerder eendracht wille gunde hij Prins MAURITS
+ die eere mede, gelyck er steets eene sonderlinghe liefde ende
+ eenicheydt tusschen dese twee gheweest is," zegt VAN REYD, 234.
+
+ [149] Zie WINSEMIUS, 816-822; _Charterboek_, IV 883; VAN REYD,
+ 231-241, 253; V. D. SANDE, 22; BOSSCHA, _Heldendaden_, I 319;
+ WAGENAAR, VIII 368; WICHERS, _Tractaat van de Reductie der Stadt
+ Groningen_, 1794, II 277. Een naauwkeurig verhaal van het geheel is
+ vervat in de _Geschiedkundige Aanteekeningen omtrent het Beleg van
+ Groningen_, uitgegeven bij gelegenheid van den gecostumeerden optogt,
+ gehouden bij de inwijding van het Akademie-gebouw te _Groningen_ in
+ Sept. 1850; een werkje, hetwelk duurzaam historische waarde zal
+ bezitten.
+
+ * * * * *
+
+Ook op de verdere veldtogten van MAURITS stond onze Stadhouder hem
+waardig ter zijde. Bij de belegering van _Rijnberk_ was het »WILLEM
+LODEWIJK met zijne Friezen, die eene halve maan voor de Rijnpoort
+stormenderhand innamen," waardoor deze sleutel van den Rijn zich moest
+overgeven. Toen MAURITS vervolgens in drie maanden tijds negen
+versterkte steden en vijf kasteelen veroverde, in weerwil zijn vijand
+Aartshertog ALBERT 60,000 man tot zijne dienst had,--waren het weder
+»WILLEM LODEWIJK met zijne Friezen, die zich altijd op den voorgrond
+vertoonden." En ofschoon hij MAURITS in den slag bij _Nieuwpoort_ niet
+vergezelde, waren het dáár de door hem gevormde Friesche soldaten, welke
+zich eervol onderscheidden. Zeventien vaandelen of bijna 3000 Friezen
+waren onder den Overste-Luitenant TACO VAN HETTINGA derwaarts getrokken,
+en mogten, in de voorhoede, Prins MAURITS eene zegepraal helpen behalen,
+welke een der roemvolste bedrijven is in onze geschiedenis. Nadat 150
+Friesche piekeniers de Spanjaarden van de duinen hadden afgedrongen, gaf
+hun voorbarige, maar in dezen oogenblik weldadige kreet van: victorie!
+een schok tot eene algemeene voorwaartsche beweging van het
+Nederlandsche leger, welke van gunstig gevolg was. Dit schonk den
+Friezen tevens de gelegenheid, om den opperbevelhebber van het Spaansche
+leger, Don FRANCISCO DE MENDOZA, _Admirant van Arragon_, gevangen te
+nemen, waardoor een der grootste voordeelen van den slag werd
+behaald[150].
+
+ [150] Hoogst vermoedelijk viel dit te beurt aan het vaandel van EDZART
+ VAN GROVESTINS, die voorkomt in het _Stamboek_, I 133, II 83 en in het
+ _Leven en Bedrijf van Wilhelm en Maurits van Nassau_, Amst. 1651, 196;
+ terwijl hij bedoeld zal zijn met de woorden: _Hy krigge de Amerant mey
+ finzen_, in GYSBERT'S vers: _Egge, Wynering in Goadsfrjuen_, bl. 69.
+ De reden, waarom aan dit feit en dezen aanzienlijken gevangene, later
+ voor 23,000 Gld. gerantsoeneerd, immer zoo hooge waarde is gehecht,
+ verklaart de dichter H. A. MEIJER in eene Aant. op zijn _Heemskerk_,
+ 208 aldus: "Het gevangennemen van den Admirant van Arragon, Francisco
+ de Mendoça en andere aanzienlijke Spanjaarden, op het slagveld van
+ Nieuwpoort, had eene uitwisseling van krijgsgevangenen ten gevolge,
+ waardoor vele Nederlanders van de Spaansche galeijen en uit de
+ Spaansche kerkers werden ontslagen, en in hun vaderland terugkeerden."
+ Zie ook BOSSCHA, _Heldendaden_, I 334, 336, 355, 391. Onder de
+ Friesche oversten en kapiteins, die ten deele in deze en de volgende
+ strijden het leven lieten, worden met eere vermeld: DOUWE en FREDERIK
+ VAN GROVESTINS, JULIUS VAN EIJSINGA, QUIRYN DE BLAU, HANS VAN
+ OOSTHEIM, HANS DE VRIES, MICHIEL HAGHE, WILLEM WILLEMSZ. enz.
+
+Met wijs beleid wist Graaf WILLEM LODEWIJK vervolgens deze gewesten te
+besturen, en de eindelooze en vaak hevige twisten, zoo tusschen de stad
+_Groningen_ en de _Ommelanden_, als tusschen de Friesche staatsleden zoo
+veel mogelijk te bevredigen. Van de laatste mogt hij aangename blijken
+van dankbaarheid en vereering ontvangen. In weerwil der bezwaren,
+waaronder de provincie gebukt ging, vereerden zij hem in 1598 eene som
+van 36,000 Gld., en toen hij in 1607 eene reis naar _Duitschland_ wilde
+doen, deden zij hun verlof daartoe met een geschenk van 5000 Gld.
+vergezeld gaan. Bij het sluiten van het twaalfjarig bestand, in 1609,
+aan het hoofd der gemagtigden geplaatst, bleek vooral zijn »diepsinnich
+verstand" in de vereffening der strijdige belangen, en bepaalden de
+Friesche Staten, »tot erkentenis, belooning en vergoeding voor de groote
+diensten, door het Huis van Nassau aan dezen Staat bewezen," dat zijn
+politiek traktement verdubbeld- en zijn militair traktement tot 36,000
+Gld. 's jaars verhoogd zou worden[151]. Hij beminde de letteren,
+moedigde het beoefenen van de wetenschappen aan, zorgde dat ieder
+tevreden kon zijn over de regering, en was, ook door gematigdheid in de
+toenmalige twisten over geloofszaken, voor allen een voorbeeld ter
+navolging: want ofschoon de zelfde partij als Prins MAURITS toegedaan,
+had hij toch den moed, diens sterke maatregelen af te keuren, hem tot
+zachtheid en gematigdheid te raden en hem te waarschuwen voor de
+schromelijke gevolgen, welke de gansche wereld hem alléén zou wijten.
+Zijne verdiensten als staatsman werden geëvenaard door die als
+krijgsman, en men vindt zelfs tot zijn lof verhaald, dat hij de nieuwe
+krijgskunde het eerst in gebruik heeft gebragt, welke MAURITS vervolgens
+op zijn voorbeeld tot grootere volmaaktheid verhief[152]. Groot was dus
+de rouw in gansch _Friesland_ en de omgelegen gewesten, toen die edele
+Stadhouder in 1620 hun in 60jarigen ouderdom ontviel, nadat hij deze
+provincie 36 jaren lang met zoo veel wijsheid had bestuurd. Door het
+bezorgen van eene prachtige uitvaart of lijkstatie en het stichten van
+eene kostbare marmeren Graftombe in het koor der Groote Kerk te
+_Leeuwarden_, trachtten de Friesche Staten de nagedachtenis te huldigen
+van den voortreffelijken vorst, aan wien men zich ten hoogste verpligt
+gevoelde[153].
+
+ [151] VAN REYD, 329; _Regist. Staats-res._ 511; _Chart._ V 134, 159.
+
+ [152] WAGENAAR, V. H. X 408; BOSSCHA, _Heldend._ I 274 env.
+
+ [153] VAN DEN SANDE, 20, 87; WINS. 902; SCHOT. 861, 891; _Tegenw.
+ Staat_, IV 39, 74; FOEKE SJOERDS, _Beschrijv._ II 137, 184; SCHELTEMA,
+ _Staatk. Ned._ II 482; V. KAMPEN, _Gesch._ I 489; _Karakterk._ I 491;
+ _Levens v. ber. Ned._ II 1; VAN HEUSDE, _Diatr. in Guil. Lud. vit.
+ etc._; BAUDARTIUS, _Nass. Oorl._ 459; _Schuit- en Jagtpraatjes_, II
+ 35, 37, 87; AITZEMA, _Saken van Staet en Oorlogh_, 4^o. I 3, 16;
+ KLUIT, _Hist. der Holl. Staatreg._ III 499; _Geschiedk. Beschrijv. van
+ Leeuwarden_, II 2, 49, 95, 296, 427.
+
+ * * * * *
+
+Zijn jongere broeder, Graaf ERNST CASIMIR _van Nassau_, volgde hem op.
+Deze, op reizen door _Duitschland_, _Frankrijk_ en _Zwitserland_ in
+letteren en kunsten geoefend, had reeds 25 jaren lang onder hem en
+MAURITS dezen staat gediend, en mogt, vooral door zijn beleid en moed
+vóór den slag bij _Nieuwpoort_, grooten lof behalen. Hij was nu tot
+Veldmaarschalk van der Staten leger en Luit.-Gouverneur van _Gelderland_
+en _Utrecht_ opgeklommen, hoewel het geluk hem doorgaans minder
+begunstigde dan zijn moed het verdiende. Den 3 Augustus 1620 werd hij
+door de Staten van _Friesland_ tot Stadhouder en Kapitein-Generaal
+aangesteld, hoewel _Groningen_ en _Drenthe_ Prins MAURITS kozen en eerst
+na den dood van dezen, in 1625, hem deze waardigheid opdroegen. In alles
+betoonde hij zich een broeder waardig, die hem deze landen in vrede en
+voorspoed had achtergelaten, en hij spaarde geene zorg om hunne belangen
+te bevorderen. In het staatkundige genoot hij groot vertrouwen, zoodat
+de Algemeene Staten hem meermalen aanzienlijke gezantschappen en
+zendingen opdroegen. In den krijg stond hij MAURITS en FREDERIK HENDRIK
+verder als steun en raadsman ter zijde, en werden hem belangrijke togten
+ter verdrijving van den vijand toevertrouwd. Even als zoo vele leden van
+zijn geslacht, stierf ook hij op het bed van eer, in de dienst van het
+vaderland ter verkrijging der onafhankelijkheid. Bij het bezigtigen van
+_Roermonds_ loopgraven, voor welke vesting hij in 1632 het beleg had
+geslagen, ontving hij een schot; en sneuvelde »_Frieslands_ uitmuntende
+Stadhouder, de dappere en minzame ERNST CASIMIR, uitstekend geacht om
+zijne dapperheid en gedrag, tot groote droeffenisse van alle goede
+Patriotten ende mercklycke verachteringhe van de gemeene sake; hetwelcke
+een beclaeghelycke doodt voor de Geunieerde Landen ende den Prince was,
+also hy de oudste ende meest ervarendste overste was, die alle syne
+dinghen met een groot beleydt ende couragie, tot welstandt van de
+landen uytgevoert hadde"[154].
+
+ [154] DE LA PISE, 893; V. D. SANDE, 87, 163; WINS. 884, 902, 909;
+ _Charterb._ V 259. Zie verder over hem ook de meeste der hier vóór
+ aangehaalde schrijvers. VONDEL vereerde hem met eene _Lijckklacht,
+ Poëzij_, 456; G. CORVINUS hield in 1637 te _Herborn_ op hem eene
+ Lijkrede.
+
+Ook hij mogt van de Staten van _Friesland_ vele bewijzen van vertrouwen
+en vereering ontvangen, waarvan in 1627 een geschenk van 1500 en in 1630
+van 50,000 Gld. getuigden; terwijl hem kort voor zijn dood de
+erfopvolging van zijn zoon toegezegd was en zijner weduwe een pensioen
+van 4,000 Gld. werd toegelegd. Bij uitstek talrijk en prachtig was de
+lijkstoet, welke zijn stoffelijk deel ten grave geleide[155].
+
+ [155] Zie _Regist. op de Staats-resol._ 512. Het eenig bekende, rijk
+ uitgevoerde ex. der Afbeelding van deze Vorstelijke Begrafenis is
+ thans in het bezit van mijnen geachten vriend Jhr. Mr. H. B. VAN
+ SMINIA te _Bergum_.
+
+ * * * * *
+
+Ver van het tooneel des oorlogs verwijderd en bestendig het genot van
+den voorspoed smakende, verkeerde deze provincie in een bloeijenden
+toestand, toen de jeugdige HENDRIK CASIMIR I in December 1632 zijn
+voortreffelijken vader in de regering opvolgde. Rustig was zijne
+regering niet, wegens het duurzaam blaken der verschillen tusschen de
+staatsleden, welke zelfs aanleiding gaven tot oproerige bewegingen onder
+het volk. Om deze te bedwingen, zonden de Algemeene Staten bij herhaling
+gezanten en krijgsvolk herwaarts; doch de voorzigtige Stadhouder wist
+zijn invloed met veel beleid aan te wenden, om het inrukken van die
+troepen binnen _Leeuwarden_, als strijdig met de regten en de hoogheid
+van dit gewest, te beletten, en niet minder, om de verstoorde rust te
+herstellen en de twistende partijen vooreerst te bevredigen. Groote
+diensten heeft hij daarin dit gewest bewezen. Doch ook als krijgsman had
+hij zich der belangen van het vaderland gewijd, en vond Prins FREDERIK
+HENDRIK in hem een dapperen steun, aan wien hij belangrijke togten
+toevertrouwde. In 1637 en volgende jaren behaalde hij, aan het hoofd van
+het zoogenaamde vliegende leger, op de frontieren van Rijn, Maas en Waal
+vele voordeelen op de Spanjaarden, waarbij hij zich »met sonderlinge
+sorghvuldicheyt en vigilantie kweet," en om zijne goede zorg en orde,
+evenzeer als om zijne bescherming van de weerlooze ingezetenen tegen den
+vijand geprezen werd. Doch ook hij bragt zijn leven dat vaderland ten
+offer, als de negende der Nassausche helden, die in dezen krijg voor de
+goede zaak het leven lieten. Op den togt in _Vlaanderen_, niet ver van
+_Hulst_ eene schans aanvallende, waarbij de zijnen, uit »een
+sonderlinghe ghenegentheydt, die sij hem toedroegen, als Leeuwen
+vochten," werd hij in den rug geschoten, waaraan hij den 2 Julij 1640
+stierf, »tot hertelijcke droefheydt van 't gantsche Leger, van den
+Prince, die grote hope op hem hadde, en oock van de vyandt, by wien hy
+in aensien ende grote estime waer." Zelfs zou een vijandelijk
+hoofd-officier dien dag hebben gezegd: »de braveste Cavalier van
+_Nederlandt_ is gebleven." Uitbundig is de lof, welken tijdgenooten
+dezen jeugdigen held, die slechts 29 jaren mogt bereiken, toezwaaijen.
+De Friezen, die zijne godsdienstige braafheid en voortreffelijke
+eigenschappen hoogelijk vereerden, betreurden algemeen zijnen dood, en
+vergezelden vol rouw zijne plegtige uitvaart, waartoe de Staten eene som
+van niet minder dan 12,000 Gld. bestemden[156].
+
+ [156] _Chart._ V 341, 355; V. D. SANDE, 173, 199, 212, 215 en vooral
+ 217. Zie mede de vroeger vermelde schrijvers en VAN LEEUWEN'S Aantt.
+ op _it aade Friesche Terp_, 453 env.
+
+ * * * * *
+
+'t Was inderdaad een groot voorregt van _Friesland_, dat het zijn belang
+aldus had verbonden aan een Vorstelijk Huis, hetwelk bij opvolging
+waardige leden telde, in staat, om, bij het immer voortduren van den
+oorlog, te voldoen aan de eischen der Staten, die aan het hoofd der
+uitvoerende magt een man wilden bezitten, in wien zich de hoedanigheden
+vereenigden van »eenen aensienlycken, gequalificeerden ende vertrouden
+Persone, van cloeckheyt, dapperheyt ende goede ervarentheyt in materie
+van State ende Crychshandel"[157]. Die zeldzaam bestendig vereenigde
+gaven waren het deel der leden van dezen tak uit het beroemde stamhuis
+van _Nassau_, die ook hun belang aan dat van _Friesland_ hadden
+verbonden, en zich bij die verbindtenis even gelukkig gevoelden als de
+Friezen, die immer met dankbaar vaderlandsch gevoel hebben erkend, dat
+al hunne de Stadhouders uit dit doorluchtig geslacht, als staatsmannen
+en helden het vaderland tot nut en roem, en als menschen en christenen,
+door vereeniging van bekwaamheid met braafheid, den landzaat ten
+voorbeelde en der menschheid tot eere gestrekt hebben. Dit zegt veel,
+doch de geschiedenis zou dit in meerdere bijzonderheden kunnen
+vermelden, dan ons vergund is hier mede te deelen. Wie toch overtuigd is
+van den invloed, welke de zin, de zeden en geestrigting van regenten op
+een volk uitoefenen, die schat het voorregt hoog en acht dien invloed
+weldadig voor de zedelijke ontwikkeling van alle standen, wanneer die
+regenten om hunne bekwaamheden evenzeer geacht, als om hun karakter en
+gezindheden alom geëerd en bemind worden. En al mogen deze niet altijd,
+gelijk wapenfeiten, schitteren,--zij verspreiden een weldadigen gloed
+van liefde en verknochtheid, welke die geslachten overleeft in eene
+eervolle en zegenende nagedachtenis. Zóó herdenken wij, Friezen, de
+Stadhouders uit het Huis van _Nassau_, de stamvaders van het thans
+regerende Koninklijk geslacht. Op allen passen wij den wensch toe, dien
+de dichter DA COSTA omtrent WILLEM LODEWIJK uitte:
+
+ [157] _Charterboek_, V 259.
+
+ _Gedenk den vroomen held, die heel zijn zielzucht prentte,
+ O Neêrland! in de dienst, tot uw behoud verricht!
+ Gij, Friesland, 't allereerst, met Groningen, met Drenthe,
+ Zijn wakkre vaderzorg zoo duur, zoo teêr verpligt.
+ Gedenkt hem, Nassaus huis, gy, zyn doorluchte neven,
+ Van ouds gedragen op der Christnen heilgebed!
+ Gy, uit zyn Frieschen stam op Neêrlands troon verheven,
+ o Koning, op wiens keus meer dan Europa let!_[158]
+
+ [158] _Zangen uit verscheidenen leeftijd_, 1847, 110. Vele berigten
+ omtrent deze Stadhouders heb ik medegedeeld in de _Geschiedkundige
+ Beschrijving van Leeuwarden_, II 2, 3, 95, 296-319, 427 env. Ruime
+ stof is er voorhanden, om hunne levens uitvoerig te behandelen.
+
+Ook nu, in 1640, na het smartelijk verlies van Graaf HENDRIK CASIMIR,
+kon dat Huis die breuke heelen. In zijn broeder, Graaf WILLEM FREDERIK
+_van Nassau_, die, van gelijken aard en inborst, eene gelijke opleiding
+had genoten, vond het een Stadhouder, die dadelijk de afgebrokene taak
+kon opvatten. Wel vielen _Groningen_ en _Drenthe_ hem af, door zich
+Prins FREDERIK HENDRIK te kiezen, doch de Friesche Staten aarzelden
+niet, hem den 23 Julij 1640 eenparig tot hun Stadhouder en
+Kapitein-Generaal aan te stellen, welke betrekkingen hem eerst tien
+jaren later mede door de twee genoemde naburige provinciën werden
+opgedragen[159]. En dat ook hij door zijn beminnelijk karakter,
+krijgsdeugden en staatkundige bekwaamheden zich de hoogachting en
+erkentenis der Staten wist te verwerven, bleek mede daaruit dat zij hem
+in 1650 en op nieuw in 1661 een geschenk van 50,000 Gld. vereerden, en
+in 1651 hunne ingenomenheid met zijn huwelijk met Prinses ALBERTINE
+AGNES _van Oranje_, de dochter van FREDERIK HENDRIK, aan den dag legden,
+door haar, tot Kind of Dochter van Staat aangenomen, den Stadhouder tot
+Gemalin over te dragen en een geschenk van eene tonne gouds aan te
+bieden[160].
+
+ [159] _Charterboek_, V 458; WAGENAAR, _Vad. Hist._ XII 131.
+
+ [160] _Register op de Staats-resol._ 343, 513, 587. Vandaar (dat wij
+ dit hier voorloopig vermelden), dat de Friesche regenten zoo vele
+ bewijzen gaven van hunne ingenomenheid met het Stadhouderschap, zoowel
+ op de vermaarde Groote Vergadering van 1651, als in 1654 bij het
+ stemmen over de acte van uitsluiting in de Staten-Generaal. Tegen de
+ heerschzuchtige bedoelingen van _Holland_ en andere gewesten, die het
+ Stadhouderschap geheel schenen te willen vernietigen, protesteerden de
+ Friesche Afgevaardigden ten sterkste, als eene schending van de Unie,
+ als een maatregel tegen het belang des lands, en vooral als eene
+ beleedigende ondankbaarheid jegens het _Huis van Oranje_, hetwelk zoo
+ veel goeds verrigt had voor het vaderland. Zie AITZEMA, f^o. III 542,
+ 815, 826; KOK, _Vaderl. Woordenboek_, 16e dl. 603 en het _Register_ b.
+ v. 587.
+
+ * * * * *
+
+Intusschen was, met Gods hulpe, de tachtigjarige oorlog geëindigd door
+den Vrede, te _Munster_ in 1648 gesloten; een vrede, waarbij eindelijk
+door _Spanje_ de onafhankelijkheid der Nederlandsche gewesten erkend- en
+een perk gesteld werd aan de bloedige oorlogen en verbazende geldelijke
+opofferingen, welke _Nederland_ uit zich zelf niet had kunnen
+bestrijden, als de Almagtige het niet gesteund- en als het zelf geen
+gebruik gemaakt had van zijne gunstige ligging voor koophandel en
+zeevaart, door zich in _Oost-_ en _West-Indië_ buitengewone bronnen van
+nijverheid en voorspoed te openen. Die vrede en vrijheid, welke zoo
+groote opofferingen vergold en het bezit dier bronnen van welvaart
+bekrachtigde, had eene onbedenkelijke waarde voor het volksbestaan der
+Nederlanders. In _Friesland_, dat bij dit verbond was vertegenwoordigd
+door FRANS VAN DONIA, wonende op _Hinnema-state_ te _Jelsum_, was de
+vreugde over deze bevestiging van den Staat groot en algemeen. Daarom
+wilden ook 's lands Staten, dat zij op eene plegtige en luisterrijke
+wijze werd afgekondigd. Tot dat einde werd er tegen de Stads-Waag te
+_Leeuwarden_ een rijk versierde Triumfboog opgerigt, vóór welke op den
+26 Mei 1648 de afkondiging plaats had[161]. Bovendien werd er een
+Monument van deze gebeurtenis tegen den gevel van het Landshuis
+opgerigt[162].
+
+ [161] Eene beschrijving van de, in het Stedelijk Archief nog bewaarde,
+ afbeelding dezer plegtigheid heb ik gegeven in den tekst der _Twaalf
+ Gezigten op en in Leeuwarden_, 1850, bl. 15.
+
+ [162] Zie _Tegenw. Staat_, II 70 en _Geschiedk. Beschrijv._ II 16.
+
+Bij den terugblik op het behandelde gedeelte van dit tijdvak, moeten wij
+erkennen, uit de laatste tijden weinige bijzonderheden van het
+volksleven der Friezen te hebben medegedeeld. Dit is zeer natuurlijk.
+_Friesland_ genoot sedert de overgave van _Groningen_ in 1594 het
+voorregt, om, van het tooneel des oorlogs verwijderd, zich rustig aan
+zijne eigene en in de onveilige oorlogstijden veel verwaarloosde
+belangen te kunnen toewijden. Met wakkerheid legde het volk zich op de
+verbetering van landbouw en veeteelt, op de uitbreiding van handel,
+fabrijken en handwerken toe. De steden rezen in bloei en vermogen,
+werden verfraaid en vergroot en met aanzienlijke gebouwen en nuttige
+inrigtingen verrijkt[163]. Op het land verspreidde de ontwikkeling der
+bronnen van volksbestaan eene welvaart, welke de vergrooting der buurten
+van vele dorpen ten gevolge had; terwijl edelen en eigenerfden daarbij
+op hunne bezittingen zoo vele staten en landhuizen, ja soms kostbare
+kasteelen bouwden of herbouwden, dat het groote getal van derzelver
+namen op de kaarten der grietenijen nog onze verwondering verdient[164].
+Met den Staat werd tevens de burgerlijke toestand der ingezetenen
+gevestigd, en eene maatschappelijke inrigting geregeld, welke zeer lang
+onveranderd bleef bestaan.
+
+ [163] Ten aanzien van _Leeuwarden_ zie men daarvan veelvuldige
+ bewijzen in de _Geschiedkundige Beschrijving_, II 4-77.
+
+ [164] Van honderden dier gebouwen heb ik in mijn _Frisia Illustrata_,
+ of Teekeningen van Friesche kerken, gestichten, staten, dorpsgezigten
+ enz. uit de vorige eeuw, afbeeldingen verzameld.
+
+Die voorspoed, welke zich in alle standen verspreidde, had echter ook
+zijne schaduwzijde: want, zegt een geschiedschrijver dier dagen,
+»neffens dese verbeteringhe van het Landt, nam oock die hovaerdye ende
+pracht in Klederen, Huysraet, Bancquetten en alle kostelheyt ergerlijcke
+overhant, 't welck al te langhe waere in 't kleyne te verhalen"[165].
+Uitsluitende zorg voor enkel stoffelijke belangen, welke alléén geld en
+voordeel najaagde, stond de ontwikkeling van den geest steeds in den
+weg; en terwijl de geleerden, vooral op 's lands Hoogeschool te
+_Franeker_, met groote schreden vorderden op den weg der wetenschappen,
+hield de zedelijke, godsdienstige en letterkundige vooruitgang des volks
+geen gelijken tred met den stoffelijken voorspoed. Bovendien, sedert de
+Dordsche Synode in 1618 eenmaal had bepaald, wat de Hervormde Kerk voor
+christelijke waarheid te houden had, scheen men bevrediging te vinden in
+koude leerstellingen, die den warmen gloed van de godsdienst der liefde
+verdrongen hadden. Bij al den voorspoed betoonde men ook weinig
+behoefte aan godsdienst, terwijl men zijne staatkundige regten met des
+te meer ijver deed gelden. Vandaar, dat er nog eene andere oorzaak was,
+die nadeelig werkte op de zedelijke zoowel als de burgerlijke belangen.
+
+ [165] VAN REYD, 351; DE KONING, _Voorvad. Levenswijze_, 200.
+
+Vermits het regt tot stemming van bestuurders en staatsleden alléén
+gegrond was op het bezit van vaste goederen, was de zucht om meer
+bezittingen te verwerven, ten einde meer magt en invloed op het
+staatsbestuur te bekomen, evenzeer toegenomen als de zucht naar hoogheid
+en eere, en om zelf tot ambten en waardigheden te geraken.
+
+ _Thans (dachten ze in hun hart), thans komt het er op aan,
+ Om naar 't voordeeligst Ambt te streven en te staan:
+ En die naar kennis, kunst en wetenschap wil streven,
+ Doolt verre van den weg om met vermaak te leven.
+ Die Rijk is, is ook wijs, ook dapper, en in staat,
+ Om Friesland nut te zijn, én door beleid én raad.
+ Die magtig is in geld, in goedren overvloedig,
+ Is eerlijk, schrander, braaf, verheven en grootmoedig!_
+
+ _Dus achtte men welhaast de vaderlandsche zaak._
+
+ _Maar in een Vrij Gewest is ware Vreê te erkennen,
+ Wanneer men in de jeugd de kindren doe gewennen
+ Aan 't denkbeeld, dat de mensch niet voor zich zelve alleen
+ Geboren is, maar ook ten nutte van 't Gemeen;
+ Ja, dat zulks de eerste lust en de eerste pligt moet wezen,
+ Door geene Staatzucht, door geen Geldlust te belezen.
+ Daar derft de Raad des lands geen krachten, geenen moed,
+ Tot wering van het kwaad, tot staving van het goed.
+ De zon van het Gezag doet hare vruchtbre stralen
+ Dáár van den hoogen trans, van haren hemel dalen_[166].
+
+ [166] WILLEM VAN HAREN, _Lof der Vrede_, 's Hage 1742, 53, 59, 61.
+
+Voorzeker was het niet vreemd, dat zulk eene rigting, welke alle lessen
+der godsdienst tot vrede en zachtmoedigheid versmaadde, aanleiding gaf
+tot oneindige kuiperijen en partijschappen, welke de rust van den Staat
+bestendig in gevaar stelden en de uitvoering van gewigtige verbeteringen
+beletten. Een tijdgenoot (de Raadsheer VAN DEN SANDE, 208) getuigt
+deswege: »van die twist, oneenicheydt ende factien is de eenighste
+oorsake geweest, de overgroote ende ongheregelde ampt ende
+regieringhsucht, waerdoor voorgaende goede wetten, Lands-ordinantien
+ende resolutien zijn ontbonden, veracht ende met voeten ghetreeden,
+waerom goede Patriotten vreesden, dat uyt dusdanige ongebondenheyt
+eyndelijck eene nieuwe combustie, oock wel eene totale ruyne hares
+Vaderlandts ontstaen mochte." Ja, SCHOTANUS noemt »de vervloeckte
+staet-sucht een oude plage," gelijk UBBO EMMIUS »een grasseerende pest
+van dit Landt"; terwijl het tafereel, dat de eerste van den zedelijken
+toestand des volks, in het midden der 17e eeuw, ophangt[167], ons met
+bedroeving vervult, en weder een bewijs levert, dat de voorspoed (die
+proefsteen onzer zedelijke waarde), schoon een zegen des Allerhoogsten,
+door misbruik veelal meer verderfelijk is voor de waarachtige belangen
+eens volks, dan tegenspoed en lijden, welke veelal verkeerdelijk voor
+rampen, kastijdingen en plagen Gods worden gehouden.
+
+ [167] Aan het slot der Voorrede van zijne _Beschrijv. end Chronijck_
+ van 1655. Zie ook HALBERTSMA, _Letterk. Naoogst_, I 147, 150;
+ STARTER'S en FONTEYNE'S _Politycke Kuiper_, 1621, 1647; BAARDT,
+ _Deugden Spoor_, 1645, GYSBERT en meerdere geschriften van dien tijd.
+
+Evenmin als van de vroegere partijschappen der Schieringers en
+Vetkoopers, zullen wij nu een uitvoerig verhaal geven van deze
+Staatstwisten, welke vaak met gelijke hevigheid, doch onder andere
+omstandigheden en in eenigzins meer beschaafde vormen gevoerd werden
+als die vroegere. Omtrent al de twisten van KAREL ROORDA tegen Graaf
+WILLEM LODEWIJK, de verschillen over de opbrengst van _Frieslands_
+aandeel (_quota_) in de algemeene lasten en het inwilligen van de
+impositiën en generale middelen, allen reeds in 1593 aangevangen, later
+voortgezet en tot 1640 met hevigheid gevoerd, zoodat de Algemeene Staten
+bij herhaling afgezanten en krijgsvolk naar _Friesland_ moesten afzenden
+tot herstel van de rust en het innen van de schattingen,--omtrent dit
+alles kunnen wij hier in geene bijzonderheden treden[168]. Van meer
+duurzaam belang hebben wij het geacht, hierop te laten volgen een
+overzigt van den Regeringsvorm of het Staatsbestuur van _Friesland_ in
+dit tijdperk, dewijl deze met die gebeurtenissen in naauw verband stond
+en sommige onzer tegenwoordige instellingen daarvan nog uitvloeisels
+zijn. Tevens kan dit strekken tot verklaring van vele punten, welke bij
+de behandeling van de Geschiedenis vermeld worden.
+
+ [168] Wij hebben daarvan in _Aanteek. 21_ de bronnen medegedeeld voor
+ ieder, die in de nasporing van al deze onlusten bijzonder belang mogt
+ stellen.
+
+
+36. _De Regeringsvorm van Friesland, tijdens de Republiek._
+
+
+_De Staten._
+
+De Souvereiniteit of de Oppermagt des lands werd sedert 1580 in
+_Friesland_ uitgeoefend door de _Staten_, als gevolmagtigden, bij vrije
+keuze, van de bezitters van zoodanige vaste goederen, waaraan van ouds
+het stemregt was verknocht[169].
+
+ [169] Zie over dit onderwerp de belangrijke _Verhandeling over het
+ Stemrecht_, door P. WIERDSMA, Leeuw. 1792, en de Dissert. _de Jure
+ Suffragandi_, van E. DE WENDT VAN SYTZAMA, Utr. 1841.
+
+In Januarij van elk jaar werden door deze laatste in iedere Grietenij
+twee personen, waarvan de eene een Edelman en de andere een Eigenerfde
+of bezitter van eene stemhebbende plaats of zathe moest zijn, gestemd en
+als Volmagten ten Landsdage afgevaardigd; terwijl de Regeringen der
+Steden, uit Magistraat en Vroedschap bestaande, uit ieder dezer leden
+een Gecommitteerde benoemden.
+
+Het getal leden, dat den grooten Landsdag uitmaakte, bestond alzoo uit
+82, waarvan ieder kwartier in eene afzonderlijke Kamer zitting nam,
+hebbende _Oostergoo_ 22, _Westergoo_ 18, _Zevenwouden_ 20 en de _Steden_
+22 leden. Die zittingen werden gehouden in het _Landshuis_, naast de
+Canselarij, te _Leeuwarden_. De gewone of groote _Landsdag_, die
+niet langer dan zes weken mogt duren, werd altijd geopend op den
+eersten Donderdag in Februarij, welke dag den naam droeg van den
+_Propositiedag_: want, nadat dan alle Volmagten der vier kwartieren in
+de Kamer van _Oostergoo_ bijeengekomen waren, begaf de Stadhouder (zoo
+hij zich in _Leeuwarden_ bevond) zich aan het hoofd van Gedeputeerde
+Staten, met groote plegtigheid, van het Collegie naar het Landshuis, in
+de vergadering. Deze werd dan door den Secretaris van Gedeputeerden
+geopend met eene aanspraak, bevattende een overzigt van de
+omstandigheden des tijds en van de voornaamste punten, welke aan de
+beraadslaging der Staten zouden worden onderworpen, waarna hij de balans
+van de provinciale kas overleidde. Vervolgens deed een der Leeuwarder
+Predikanten (die daartoe beurtelings verkozen werden en hiervoor een
+geschenk ontvingen van 50 Gld., gelijk genoemde Secretaris van 500 Gld.)
+met opene deuren een gebed, tot afsmeeking van Gods zegen over de
+verrigtingen van den Landsdag, welke laatste plegtigheid altijd door
+eene talrijke menigte werd bijgewoond.
+
+Er was nog een _vijfde_ Kamer aan deze vergadering verbonden,
+het _Mindergetal_ genaamd, bestaande uit 8 personen, twee uit
+ieder kwartier, met den Stadhouder als Voorzitter. Ten einde de
+beraadslagingen van het groot getal Staten te vereenvoudigen, werden
+alle zaken, welke de Landsdag moest behandelen, vooraf in deze Kamer
+gebragt en onderzocht. Daarna gingen de twee leden van ieder kwartier,
+met het advies van het Mindergetal, naar hunne vergaderde Kamer, wier
+beslissing zij terugbragten in het Mindergetal, dat den uitslag der
+stemming, bij kwartieren, en daarnaar de Resolutiën der Staten opmaakte.
+Bij staking had de Stadhouder het voorregt der beslissing. Aan deze
+gewigtige vaste commissie was een Secretaris van Staat toegevoegd, tot
+welk hoogst belangrijk ambt steeds de bekwaamste personen werden
+gekozen.
+
+Aan deze Staten was, als de hoogste Overheid van den lande, de
+besturende en wetgevende magt toevertrouwd, en werden de belangen der
+provincie op zich zelve en in betrekking tot de Generaliteit, of het
+verbond met de overige provinciën, door hen behartigd en al de regten
+der oppermagt uitgeoefend, behoudens de fondamenteele beginselen van
+regering (zoo als men het noemde), welke ook zij verpligt waren te
+eerbiedigen. Op ingekomen zaken van gewigt of die geen uitstel leden,
+werd er somtijds een Buitengewone Landsdag uitgeschreven, waarop echter
+geene andere zaken mogten behandeld worden dan die waren opgegeven door
+
+
+_De Gedeputeerde Staten._
+
+Aan dit aanzienlijk Collegie, uit en door de Staten voor drie jaren
+benoemd, was de uitvoering van de Staatsbesluiten, het dagelijksch
+bestuur van de provincie, de zorg voor 's lands veiligheid, het toezigt
+over den waterstaat en veelvuldige bijzondere bemoeijingen betrekkelijk
+de policie, het krijgswezen, de geldmiddelen, de godsdienst, het
+onderwijs enz. opgedragen. Het bestond uit 9 leden, waarvan ieder der
+Gooën 2 en de Steden 3 verkozen, benevens een Secretaris.--Een Advokaat
+en Fiscaal, belast met de verdediging der provinciale belangen, was
+daaraan toegevoegd. Wekelijks hield het zijne vergaderingen op het
+Statenhuis of _Collegie_, thans het Gouvernements-gebouw, te
+_Leeuwarden_[170].
+
+ [170] Uitvoeriger berigten nopens deze Staats-collegiën vindt men in
+ FOEKE SJOERDS, _Beschrijv_. II 88; VAN BURMANIA, _de Jure Comitiorum_,
+ Fran. 1751, en _Tegenw. Staat_, IV 1. De Dissert. van Mr. S. W. H. A.
+ VAN BEIJMA THOE KINGMA, _Hist. Ord. Fris._ Leiden 1835, behoort tot
+ een vroeger tijdperk, van 1515-1581.
+
+
+_De Stadhouder._
+
+Het doorluchtig hoofd van den Staat, dat de luister der Oppermagt van de
+Staten bestendig vertoonde en waarnam, was de _Stadhouder_. Dit ambt en
+dezen naam, eigenlijk Stedehouder (Lieutenant) of Plaatsbekleeder van
+een afwezigen Vorst of Heer, had men gewijzigd overgenomen van de
+Spaansche Regering. Want hoewel de volksregering een uitvloeisel was der
+verkregene vrijheid, deed de veelheid der hoofden en zinnen en nog meer
+het belang van het krijgswezen de behoefte gevoelen aan een luisterrijk
+hoofd, dat, door den Souverein bekleed met magt en met de zorg voor de
+algemeene belangen belast, als het ware in het midden stond tusschen
+dien Souverein en het Volk. Van velen nam men dus ~raad~ in, omdat één
+mensch niet ligt alles ziet, doch de ~uitvoering~ werd overgelaten aan
+één persoon: want in eenheid is kracht. Zelf achtten de Staten het
+noodzakelijk, »dat eene veelhoofdige regering getemperd werd door een
+schijn of schaduw van Monarchie"[171].
+
+ [171] Zij betoogden dit in 1651 in een stuk bij AITZEMA, f^o. III 542.
+
+De Stadhouder deelde deze magt met Gedeputeerde Staten, aan wier
+hoofd hij als Voorzitter was geplaatst; terwijl hem tevens het
+oppergebied over het krijgsvolk en het beleid van den oorlog te land
+en te water was opgedragen, in de waardigheid van _Kapitein- en
+Admiraal-Generaal_, welke aan het Stadhouderschap was verbonden. Met
+betrekking tot de Generaliteit had hij zitting in den Raad van State
+te _'s Gravenhage_. Voorts kon hij zitting nemen in het Hof van Justitie
+en in de Rekenkamer. Hem was de jaarlijksche aanstelling van de
+Magistraats-personen in de steden en de beslissing van hunne geschillen
+opgedragen, terwijl het kwartier der steden hem mede de begeving van de
+omgaande Provinciale ambten had toevertrouwd[172]. Bovendien waren er,
+in verschillende tijden, meerdere regten en waardigheden aan dit hoog
+aanzienlijk ambt verbonden. In de hoofdzaak kwam het ambt des
+Stadhouders hierop neder: in het beschermen van de provincie tegen
+binnen-en buitenlandsch geweld; in het toezigt op het krijgswezen en in
+de zorg voor een goed en vaardig bestuur van de provinciale zaken met
+Gedeputeerde Staten.
+
+ [172] Hiervan zijn de zoogenaamde _Landsdag-penningen_ afkomstig, die,
+ aan de eene zijde het borstbeeld des Stadhouders en aan de andere
+ zijde het wapen des Stadhouders, omgeven van die der elf steden,
+ vertoonende, namens den Vorst aan hare Volmagten ten landsdage werden
+ uitgereikt. VAN LOON, _Historiepenn._ IV 169, heeft die bestemming
+ alzoo verkeerd opgegeven.
+
+_Friesland_ had het geluk, dat deze betrekking sedert 1584 op eene
+waardige wijze werd vervuld door acht elkander opvolgende Vorsten uit
+het Huis van Nassau, aan wier geslacht het gansche vaderland, sedert den
+vrijheids-oorlog, zoo veel verpligting had, en waaruit de tegenwoordige
+Koninklijke familie in eene regte lijn afstamt. De deugden en
+bekwaamheden van hen en hunne gemalinnen, die soms, bij minderjarigheid
+des opvolgers, de teugels van het bewind opvatten, leven nog voort in
+eene eervolle nagedachtenis. Hun zetel, het _Stadhouderlijk Hof_, thans
+het _Koninklijk Paleis_, te _Leeuwarden_, dat nog hunne afbeeldsels
+(gelijk de Groote Kerk hun stoffelijk overschot) bewaart, moge, even als
+de door hen aangelegde Prinsentuin aldaar, die herinnering duurzaam
+levendig houden[173].
+
+ [173] Zie de geschiedenis van dit en de andere Vorstelijke Gebouwen te
+ _Leeuwarden_ in de _Geschiedk. Beschrijv._ II 295 env. en eene
+ Volglijst dezer Stadhouders in de tweede Tijdrekenk. Lijst hier
+ achter. Ik herhaal hier den wensch, dat de Levens dezer Vorsten
+ eenmaal naauwkeurig mogen worden opgemaakt, vooral uit die groote
+ verzameling stukken, uitmakende het Archief dier Stadhouders, welke ik
+ in 1837 heb opgespoord in het Rijks-Archief en Huis-Archief des
+ Konings, volgens mijn berigt in _de Vrije Fries_, II 18.
+
+
+_Het Hof Provinciaal._
+
+De Hertogen van _Saksen_ hadden in 1499 een _Provincialen Raad_ te
+_Franeker_ en in 1504 een _Geregtshof_ te _Leeuwarden_ ingesteld en de
+Saksische Ordonnantie uitgevaardigd, waarbij de Keizerlijke regten met
+behoud van sommige lands gewoonten in _Friesland_ ingevoerd-, en
+bepalingen ter handhaving van het burgerlijk en regterlijk bestuur
+vastgesteld werden. In 1571 had dit Hof een grootsch gebouw, de
+_Canselarij_, tot zetel betrokken; doch bij de omwenteling van 1580 werd
+aan dat Hof alle bewind in de zaken der burgerlijke regering of het
+bestuur des lands onttrokken. Sedert dien tijd was alleen het beleid der
+civile en criminele Justitie, of de hoogste regtsmagt en uitspraak in
+burgerlijke geschillen en omtrent strafbare daden, aan dit Hof
+opgedragen. De eerste, ook wanneer men zich van de Nedergeregten bij
+appèl beriep op de uitspraak van het Hof, waarvan geen beroep op eenig
+hooger geregtshof kon geschieden. In 1602 werd door de Staten van
+_Friesland_ de _Lands Ordonnantie_ uitgevaardigd, welke, herzien en
+aangevuld in 1723, nevens het Romeinsche regt, als Hoofdwetboek het
+rigtsnoer bleef van eene Regtbank, die, door krachtbetoon en strikte
+regtvaardigheid, den meesten eerbied en het hoogste ontzag mogt
+verwerven. Groot was dit voorregt, dat _Friesland_ genoot boven andere
+provinciën, wier regtsmagt lang en vaak zeer willekeurig door Jonkers,
+Heeren, Drosten enz. op grond van oude kostumen en landregten werd
+uitgeoefend.
+
+Dit Hof van Justitie dan bestond uit 12 Raadsheeren, welke de Stadhouder
+uit eene nominatie van ieder der vier kwartieren koos, benevens een
+Procureur-Generaal en Griffier, ieder met een Substituut of hulp;
+alsmede een Rollarius, een Ontvanger der Canselarij-geregtigheden, een
+Sportelmaander, zes Deurwaarders, acht Boden enz. Dagelijks hield het
+Hof twee zittingen in de Canselarij, waar boven het eene Bibliotheek
+bezat, waarin de beste werken over de regtsgeleerdheid en aanverwante
+vakken waren opgenomen. Het Blokhuis werd als huis van arrest voor nog
+niet veroordeelde gevangenen--het Landschaps Tucht- of Werkhuis, na 1661
+als strafgevangenis gebezigd. Het Hof ontleende zijn aanzien voor een
+groot deel van de voortreffelijke geleerden uit den aanzienlijksten
+stand, welke gedurende drie eeuwen daarin als Raadsheeren zitting
+hadden[174].
+
+ [174] Jhr. E. M. VAN BURMANIA gaf in 1742 eene _Naamrol_ van deze
+ Raden van het Hof met korte levensschetsen in 't licht. Een vervolg
+ daarop, bevattende de namen der Rentmeesters van de Domeinen,
+ Procureurs-Generaals, Griffiers, Substituten en eerste Deurwaarders,
+ verscheen in 1748. De Saksische Ordonnantie komt voor in het
+ _Charterb._ II 35 en de Lands Ordonn. ald. IV 1138, V I, 99. Zie over
+ de Canselarij en genoemde gevangenissen de _Geschiedk. Beschrijv._ I
+ 112, 260; II 319, 333 env. Voorts FOEKE SJOERDS, _Beschrijv._ II 291;
+ _Tegenw. Staat_, IV 139. De Dissertatie van Mr. J. M. VAN BEIJMA,
+ Leiden 1835, bevat de geschiedenis van het Hof van zijn oorsprong tot
+ het einde der 16e eeuw.
+
+
+_De Rekenkamer_
+
+bestond uit vier Rekenmeesters, uit ieder kwartier een, die gelijktijdig
+met Gedeputeerden op het Collegie vergaderden. Aan hen was het toezigt
+over 's lands penningen, het nagaan van de rekeningen der ontvangers, de
+zorg voor de zaken der (in 1765 opgehevene) Munt enz. opgedragen. Dit
+collegie had een Secretaris, een Pensionaris, benevens eene Kamer van
+Financiën met een Commies-Generaal enz. In het bijzonder had zij het
+toezigt op
+
+
+_de Lands Kantoren._
+
+Deze en de Provinciale Ontvangers waren vier in getal, naar de wijze van
+invordering der belastingen; als:
+
+Het _Kantoor der Floreenen_, of van de opbrengst der Floreenrente uit de
+vaste goederen (de Landtax), benevens het middel der vijf speciën: het
+hoofd- en schoorsteengeld, de bezaaide landen, het horengeld en paarden.
+
+Het _Kantoor der Consumptiën_ ontving de gewone middelen of de
+belastingen op zout, wijn, bier, koffij, thee, zoete waren, laken, klein
+zegel, havenregten enz.
+
+Het _Kantoor der Losse Renten_ had de ontvang en uitbetaling der
+geldleeningen en renten, en der opbrengst van de belastingen op het
+gemaal, beestiaal, turf, brandhout, brandewijn, waagregt, passagie-geld,
+de equivalenten der ambtenaren, de collaterale successie, de registratie
+op den verkoop der vaste goederen enz.
+
+Het _Kantoor der Lijfrenten_ was belast met het beheer over, onder dezen
+naam, door den lande opgenomen gelden, en ontving de reële en personeele
+heffingen op de huren der vastigheden en aangeteekende kapitalen.
+
+Vroeger was er nog een _Kantoor der Domeinen_, of van de opbrengst van
+_het Bildt_ en der kloostergoederen, veenen en landen, der provincie
+toebehoorende enz. Na het verkoopen van deze vastigheden is dit kantoor
+in 1766 opgeheven en vereenigd met dat der consumptiën[175].
+
+ [175] Een uitvoerig overzigt van al de menigvuldige en zware
+ belastingen, welke in de vorige eeuw in _Friesland_ geheven werden,
+ vindt men in den _Tegenw. Staat_, IV 337. Zie daarover ook het
+ belangrijke boekje van Mr. D. _Over de belastingen der Republiek_,
+ Amst. 1837, bl. 127, 167.
+
+
+_De Generaliteit._
+
+Uithoofde van _Frieslands_ betrekking tot de _Unie_ of het verbond met
+de overige zes gewesten, die te zamen den Staat der _Zeven Vereenigde
+Nederlandsche Provinciën_ uitmaakten, waren er nog verscheidene
+aanzienlijke betrekkingen, welke daaruit voortvloeiden.
+
+In de _Staten-Generaal_ of de Algemeene Staten der Nederlanden,--die
+aanzienlijke vergadering van gevolmagtigde afgevaardigden uit iedere
+Provincie, tot waarneming en handhaving van het gemeen belang der
+bondgenooten, te _'s Gravenhage_ gezeteld,--werd _Friesland_
+vertegenwoordigd door vier Afgevaardigden, een uit ieder kwartier en
+somtijds nog een buitengewonen Raad uit dat der Steden. Gewone zaken
+werden in deze vergadering bij meerderheid van stemmen behandeld; doch
+tot buitengewone zaken, als: oorlogs-verklaring, werving, geldleening,
+verbonden met andere mogendheden enz. werd eenparigheid van stemmen en
+uitdrukkelijke toestemming der Staten van iedere provincie vereischt.
+Die gevolmagtigden hadden echter geen vrije stem, of magt om naar hun
+inzigt te handelen, maar moesten zich, vooral in gewigtige zaken,
+gedragen naar de resolutie, welke de Souvereine Staten hunner
+provinciën deswege hadden genomen, en telkens met dezen ruggespraak
+houden, wanneer er iets voorkwam, waartoe zij niet of niet genoeg gelast
+waren. Zeker was dit zeer voorzigtig gehandeld, doch in belangrijke en
+spoed vereischende zaken, veroorzaakte deze omslagtige wijze van
+beraadslaging zoodanige vertraging, dat daaruit dikwijls groote nadeelen
+en onaangenaamheden ontstonden.
+
+Het aandeel van ieder der provinciën in het dragen van de
+Generaliteits-lasten was verdeeld in dezer voege. Van de 100 Gulden
+betaalde:
+
+ _Gelderland_ 5 Gld. 12 Stuiv. 13 Penn.
+ _Holland_ 58 » 6 » 4-1/4 »
+ _Zeeland_ 9 » 3 » 8 »
+ _Utrecht_ 5 » 16 » 7-1/2 »
+ _Friesland_ 11 » 13 » 2-3/4 »
+ _Overijssel_ 3 » 11 » 5 »
+ _Groningen en Ommelanden_ 5 » 16 » 7-1/2 »
+ -----------------------------------
+ 100 » : » : »
+
+_Drenthe_ betaalde 1 boven de 100 Gld. Dat _Friesland_, in vergelijking
+van andere landprovinciën, bij deze zoogenaamde _Quota_ verbazend hoog
+was aangeslagen, valt gereedelijk in het oog, en heeft dan ook
+aanleiding gegeven, dat deze, buitendien voor eigene behoeften reeds zoo
+zwaar belaste, provincie zich daar tegen bijna twee eeuwen lang, doch
+vruchteloos, verzet- en eene billijker verdeeling van de algemeene
+lasten betoogd en verzocht heeft[176].
+
+ [176] Zie deswege Prof. N. YPEY, _Verhandeling over de Quotae_, Harl.
+ 1784, en vooral de krachtige _Deductie_ der Friesche Staten van 1786,
+ in groot en breed 4^o gedrukt, waarin tevens de ware toestand van 's
+ lands financiën is bloot gelegd. Prof. YPEY berekende, dat de Quota
+ van _Friesland_, in verhouding tot de overige provinciën, moest zijn:
+ 9 Gld. 12 St. 2 Penn. Eerst in de laatste jaren der republiek,
+ omstreeks 1792, vond dit gehoor, en werd de Quota dezer provincie op
+ ruim 9 Gld. gesteld.
+
+In den _Raad van State_ of de duurzame vergadering, welke voor de
+uitvoering en handhaving van de besluiten, wetten en bevelen der
+Algemeene Staten zorg droeg, doch later meer bepaald met de zorg voor
+het krijgswezen en de geldmiddelen der republiek was belast, had
+_Friesland_ twee van de twaalf leden, en mede twee afgevaardigden in de
+_Generaliteits-Rekenkamer_, welke met eene Kamer van Financiën en
+Muntkamer aan dezen Raad verbonden was.
+
+Het bestuur van de Lands Zeezaken of de Marine was opgedragen aan de
+_Admiraliteit der Vereenigde Nederlanden_, in 1586 opgerigt en in 1597
+voor vast geregeld. Zij bestond uit vijf Collegiën, waarvan _Friesland_
+er een bezat; terwijl deze provincie een afgevaardigde uit _Oostergoo_
+zond in het Collegie op de Maas te _Rotterdam_, een uit _Westergoo_ naar
+dat van het Noorder-kwartier te _Enkhuizen_ en een uit de _Zevenwouden_
+naar dat te _Amsterdam_ gevestigd. Bovendien werd dit gewest in de
+_Oost-_ zoowel als in de _West-Indische Compagnie_ door een lid
+vertegenwoordigd.
+
+Keeren wij nu weder terug tot de enkel Provinciale Regerings-collegiën.
+
+
+_Het Collegie ter Admiraliteit_
+
+van _Friesland_, waartoe _Groningen_ mede behoorde, was in 1596
+gevestigd te _Dokkum_, doch in 1645 verplaatst naar het gunstiger
+gelegene _Harlingen_. Het bestond uit tien leden, waarvan vier uit
+_Friesland_ en zes uit de overige provinciën, met den Stadhouder aan het
+hoofd, en ondersteund door een Raad en Advocaat-Fiscaal, een
+Secretaris, Ontvanger-Generaal, Equipagemeester, Vendumeester en
+verscheidene andere ambtenaren. De belangen van het Zeewezen van deze
+provincie, in verband met die des lands, werden verzorgd door dit
+aanzienlijk Collegie, hetwelk te _Harlingen_, behalve een Vergaderhuis,
+ruime Magazijnen en eene Scheepstimmerwerf bezat. De twee eersten werden
+in 1771 door een fellen brand in asch gelegd, waarbij ook de Secretarie
+met al hare archiven, benevens een groote voorraad scheepsbehoeften
+verloren ging. De laatste, de werf, ontving in 1781 en 1782 eene
+aanzienlijke vergrooting, zoodat daarop sedert verscheidene
+oorlogs-fregatten en andere groote schepen, van 24 tot 74 stukken
+gebouwd werden[177].
+
+ [177] Zie _Charterboek_, V 330, 477, 485, 493, 521, 558, en _Tegenw.
+ Staat_, III 13, waar eene uitvoerige beschrijving van dit Collegie
+ voorkomt.
+
+
+_De Monster-Commissarissen_
+
+waren vier in getal, uit elk kwartier een, en belast met de monstering
+der compagniën van den Staat, het toezigt op deszelfs vestingen en
+versterkte plaatsen, zoo in als buiten _Nederland_, het onderzoek van de
+krijgsbehoeften enz.[178]
+
+ [178] Zie omtrent deze en verdere opgenoemde betrekkingen de
+ Staatsbesluiten in het belangrijk Alph. _Register der Resolutiën van
+ de Staaten van Friesl._ 1570-1780, van J. A. DE CHALMOT, Kampen 1784.
+
+
+_Curatoren van 's Lands Hoogeschool te Franeker._
+
+Aan vier, uit ieder der kwartieren gekozene, aanzienlijke personen, was
+de zorg voor het hooger onderwijs en het bestuur van de Akademie
+opgedragen, overeenkomstig de Resolutiën, door de Staten deswege
+genomen. Sedert 1653 stond de Stadhouder als eerelid aan het hoofd van
+dit collegie, dat door een Secretaris werd ondersteund. Door het
+verordenen van gepaste maatregelen, goede inrigtingen en eene
+voorzigtige keuze van personen tot Hoogleeraren, hebben deze Curatoren
+gedurende ruim twee eeuwen veel bijgedragen tot den bloei en roem der
+Akademie te _Franeker_, »de kweekschool van groote mannen voor
+_Nederland_"[179].
+
+ [179] In VRIEMOET, _Athenæ Frisiacæ_, Leov. 1758, komt eene Lijst voor
+ van deze Curatoren, voorafgaande die der Hoogleeraren, met
+ levensschetsen van ieder. Over deze Hoogeschool zal in het vervolg
+ nader worden gesproken.
+
+
+_Het Jagtgeregt._
+
+Sedert 1591 was een aanzienlijk edelman als _Houtvester en Pluimgraaf_
+door de Staten bekleed met de regtsmagt over alle zaken, welke de Jagt,
+de Visscherij, het wildschieten, het rapen van eijeren enz. betroffen,
+voor zooverre daarbij lands plakkaten werden overtreden. In 1748 werd
+echter de Prins Stadhouder aangesteld tot _Opper-Houtvester_, met magt
+tot aanstelling van een _Luitenant-Houtvester_ en vier _Meester-Knapen_,
+die, met een Secretaris en 's Lands Fiscaal, een Geregt uitmaakten,
+waaraan sedert de hoogste regtsmagt ten aanzien van dit onderwerp was
+opgedragen, volgens het Reglement van den jare 1750.
+
+
+_Het Krijgsgeregt_
+
+dezer provincie bestond uit een _Geregts-Scholtus_ met twee
+_Assessoren_, een Secretaris, een Advocaat, een Kapitein-Gewaldige met
+zijn Luitenant en een Gerigts-Weibel of bode en trawanten. Alle
+misdrijven van het krijgsvolk, zoowel civiel als crimineel, werden door
+deze regtbank behandeld en ook aan lijf en leven gestraft; de laatste
+evenwel met overroeping van de bevelhebbers der troepen in deze
+provincie en met voorkennis des Stadhouders, die, bij doodstraffen, ook
+het regt van pardon had. De regtdagen of het kamergeregt werden gehouden
+te _Leeuwarden_ in de Lands Provoost of Gewaldige, achter de Galileër
+Kerk. Op voorstel van den Prins Stadhouder werd echter, bij
+Staats-resolutie van 24 Februarij 1775 dit »Provintiaal Krygsgerechte
+der Friessche en Nassauwsche Regimenten" opgeheven, en vervangen door
+een Krijgsraad met een Auditeur-Militair, op den voet der andere
+provinciën. De beroemde geleerde, PETRUS WIERDSMA, was de eerste, aan
+wien laatstgenoemd ambt, gedurende twintig jaren door hem bekleed, werd
+opgedragen[180].
+
+ [180] Omtrent de laatste onderwerpen zie men FOEKE SJOERDS,
+ _Beschrijv._ II 342 en de Staats-resolutiën; DE WAL, _Oratio de claris
+ Frisiæ Jureconsultis_, Leov. 1825, 415.
+
+
+_De Nedergeregten._
+
+Ieder der dertig _Grietenijen_ van _Friesland_ werd bestuurd door een
+_Grietman_ met twee, drie of meer _Bijzitters_ en een Secretaris.
+Gedeputeerde Staten (en sedert 1748 de Stadhouder) verkozen den Grietman
+en deze koos de Bijzitters, beide uit een drietal personen. Voor den
+eersten werd eene nominatie gemaakt door de meerderheid der dorpen,
+welke de meeste stemmen hadden van de stemgeregtigde ingezetenen, die
+voor de laatsten eene nominatie zamenstelden, en verder op gelijke wijze
+ontvangers, predikanten en onderwijzers stemden. Aan de politieke magt,
+welke dit Grietenij-bestuur uitoefende, ten aanzien van het belang en de
+veiligheid der ingezetenen, de uitvoering van de Staatsbesluiten, de
+zorg voor dijken, wegen, armen enz., was echter toenmaals een juridieke
+magt, eene mindere of lagere Regtbank, een _Nedergeregt_ verbonden, in
+vele opzigten overeenkomende met de latere Vrede- of Kantongeregten. Als
+zoodanig was het, behalve met de bestendige zorg omtrent de
+nalatenschappen, de minderjarigen, boedelscheidingen, verkoopingen enz.,
+in het bijzonder belast met de regeling van burgerlijke regtszaken en de
+vervolging van policie-misdrijven. Men kon zich echter van deze
+uitspraken beroepen op het Hof Provinciaal, hetwelk ten aanzien van
+strafbare daden of het crimineele alleen de hulp ter opsporing en
+inlichting genoot van de Nedergeregten, die slechts geringe
+policie-straffen, als geldboeten, aan de kaak stellen, korte gevangenis
+enz. konden opleggen. Tot dit einde werd er in elke grietenij wekelijks
+een regtdag gehouden op de regt- of weerkamer in de hoofdplaats. Een
+gewigtige steun en hulp tot dat alles vond het gezag toenmaals in de
+_Dorpregters_, over één groot of twee kleine dorpen, waartoe meestal de
+geschiktste ingezetenen, met name de onderwijzers werden gekozen, en aan
+wie vele kleine zorgen ter bevordering van het beheer, vrede, veiligheid
+en regt waren opgedragen. Tot deze geregten behoorden verder een
+Fiscaal, Executeur, Adsistenten enz.[181]
+
+ [181] Zie over de Grietenij-besturen de hier vóór aangehaalde werken,
+ benevens C. L. Â BEIJMA, _Tractatus de Grietmannis_, Fran. 1780; H. B.
+ VAN SMINIA, _Nieuwe Naamlijst van Grietmannen_, Leeuw. 1837; _de
+ Grietmannen in Friesland_, aldaar 1848.
+
+Minder eenparig of gelijkmatig was de regeringsvorm der elf Friesche
+_Steden_, welke in 1615, 1637, 1657 en 1786 nieuwe Reglementen van
+Raadsbestelling ontvingen, waarbij er soms eenige veranderingen in de
+namen of vormen kwamen; terwijl de verkiezing (door electeurs, uit de
+burgerij of de breede gemeente en de regeringsleden gekozen en bij
+herhaling uitgeloot) zeer zamengesteld was, om de onpartijdigheid van de
+keuze te verzekeren. Zoo bestond te _Leeuwarden_ de regering uit een
+(jaarlijks ten deele aftredende) _Magistraat_ van 12 en een _Vroedschap_
+van 40 leden, welke laatste in 1637 de Gezworene Gemeente had vervangen.
+De Vroedschappen werden voor hun leven gekozen en daaruit de nominatie
+van Magistraats-leden opgemaakt. De Magistraat of het regerend ligchaam,
+dat de Vroedschap in belangrijke zaken tot Raad had, was zamengesteld
+uit: 4 Burgemeesters, 6 Schepenen en 2 Bouwmeesters of Raadslieden, met
+een Secretaris, 4 Pensionarissen, 4 Rentmeesters en 20 Bevelhebberen of
+de Hopman en Vaandrik der Schutterij uit ieder der 10 espels, waarin de
+stad verdeeld was, en die in sommige gevallen stem hadden in
+regeringszaken. In andere steden bestond de Magistraat enkel uit 6 of 8
+Burgemeesters of met bijvoeging van 2 of 4 Raadslieden, en was het getal
+Vroedschappen geëvenredigd naar hare grootte. Bij de jaarlijksche
+aftreding van de Magistraatsleden werd er eene nominatie gemaakt,
+waaruit de Stadhouder eene keuze deed, evenwel volgens vrijwillige
+opdragt, eerst van 9 en daarna van alle 11 steden[182]. Behalve het
+burgerlijk bestuur van de steden was aan deze Magistraten of
+Burgemeesters ook de uitoefening van de regtsmagt der Nedergeregten
+opgedragen, op nagenoeg gelijke wijze als dit ten platten lande
+geschiedde, met geringe wijzigingen naar plaatselijke omstandigheden.
+
+ [182] Dat hiervan misbruik werd gemaakt en dat vooral Prins WILLEM V
+ zijne vrienden als _Premier_ aan het hoofd der Magistraten stelde,
+ heeft in het laatste tijdperk der republiek veel stof tot misnoegen
+ gegeven. Zie daarover in 't bijzonder (ALLART) _de Vrijheid_, 4e dr.
+ Amst. 1783, bl. 241, env. Ook dáárom trokken sommige steden in 1782
+ deze vrijwillige opdragt in, en vernieuwden zij vervolgens zelve hare
+ Magistraat. Vele Raadsbestellingen der steden zijn opgenomen in de
+ drie laatste deelen van den _Tegenw. Staat_; in het 4e dl. daarvan is
+ eene uitvoerige beschrijving van de geheele Regering. Zie ook FOEKE
+ SJOERDS, _Beschrijv._ II 378.
+
+
+_De Dijksgeregten._
+
+In eene provincie, welke lager ligt dan de gewone vloeden der zee,
+die haar voor het grootste gedeelte en aan alle zijden omringt en
+bestookt, was voorzeker geene zorg van meer belang dan die voor de
+zeedijken en sluizen. Veiligheid van personen en rustig bezit van
+goederen was toch geheel afhankelijk van de deugdzaamheid der middelen
+tot landverdediging. Met groote moeite en opofferingen hadden de vaderen
+die bolwerken rondom de kust opgeworpen; doch het kostbaar onderhoud
+ging steeds met groote bezwaren vergezeld, en tallooze watervloeden, die
+verschrikkelijke verwoestingen en belangrijke verliezen ten gevolge
+hadden, deden de Friezen eeuwen lang gevoelen, dat er krachtiger
+middelen van tegenstand vereischt werden, om meester te blijven van dit
+fel bestreden erf. Moeijelijk waren deze tot stand te brengen, zoolang
+ieder dorp der naast aan zee gelegene grietenijen, van ouds met het
+onderhoud belast, een zeker perk of deel van den algemeenen dijk had te
+herstellen, uit welke verpligting dikwijls hevige twisten en langdurige
+verschillen voortvloeiden. Eerst nadat de Kersvloed van 1717 hier op
+nieuw groote schade en verliezen had te weeg gebragt, kwam daarin
+verbetering. Want de Staten gelastten niet alleen de beschadigde werken
+te herstellen, maar ook alle dijken te verzwaren en te verhoogen, op
+een geregelden en vasten voet, en bovendien, dat in iedere
+zeedijks-contributie het onderhoud gemeen-gemaakt en aan de onmiddelijke
+zorg der dijksbesturen overgelaten zou worden. In weerwil van sterken
+tegenstand, werd bij Staats-resolutiën van 1718 en 1719 bepaald, dat in
+meestal de dijkspligtige grietenijen of dorpen en steden, waar zulks
+niet reeds het geval was, de vastigheden voortaan werden bezwaard met
+een omslag, in verhouding van de hoeveelheid der roeden dijkwerk, die
+zij vroeger in hun afzonderlijk perk hadden onderhouden. Dat deze
+krachtige maatregel van gelukkig gevolg was, bleek ook daaruit, dat
+_Friesland_ tot den jare 1775 van overstroomingen bevrijd bleef.
+
+Bij die gelegenheid werden er ook nadere bepalingen, onder den
+naam van Dijks-instructiën, gemaakt ten behoeve van sommige
+contributiën. De voornaamste dezer waren: 1. _Kollumerland_
+en _Nieuw Kruisland_, met _Gerkesklooster_ en _Visvliet_; 2.
+_Oost-Dongeradeel_ en der daaraan gelegen polders; 3. _West-Dongeradeel_
+en die der _Ternaarder-_ en _Holwerder-polders_; 4. _Ferwerderadeel_;
+5. _het Oud en Nieuw Bildt_ en die der latere bedijkingen; 6 en 7. _de
+Vijfdeelen_, van _Dijkshoek_ tot _Makkum_, waartoe de grietenijen
+_Franekeradeel_, _Menaldumadeel_, _Hennaarderadeel_, _Baarderadeel_
+en _Barradeel_ met de steden _Harlingen_ en _Franeker_, benevens zeven
+noordelijke dorpen van _Wonseradeel_, behoorden. Deze contributie was
+in twee deelen gescheiden: in binnen-en buitendijks, waarvan de
+scheiding was de zoogenaamde Steenenman bij _Harlingen_; 8.
+_Wonseradeels-Zuiderzeedijken_; 9. _Hemelumer-Oldephaert c. an._; 10.
+_Wijmbritseradeel_ met _Sneek_ en _Ylst_, eene uitgestrektheid dijks in
+de laatstvorige grietenij uitmakende; 11. _Workum_; 12. _het
+Workumer-Nieuwland_; 13. _Hindeloopen_; 14. in de _Zevenwouden_, de
+_Zeven Grietenijen_ (als: _Doniawarstal_, _Haskerland_, _Lemsterland_,
+_Schoterland_, _Gaasterland_, _Ængwirden_ en _Schoterland_, benevens
+_Opsterland_) met de stad _Slooten_; 15. _de Lindedijken_ enz.
+
+De Dijksbesturen of geregten, hoewel niet overal gelijk, bestonden
+veelal uit een Dijkgraaf (op _het Bildt_ Heemraad genaamd), uit twee of
+meer Dijks-Gedeputeerden en een Secretaris en Ontvanger, benevens
+Volmagten of Gecommitteerden uit de grietenijen of dorpen en steden, die
+het bestuur kozen, het oppertoezigt hadden en verantwoording van
+ontvangsten en uitgaven ontvingen, volgens naauwgezette bepalingen,
+welke omtrent dit belangrijk onderwerp door de Staten waren
+voorgeschreven[183].
+
+ [183] Met opgave van al de bijzonderheden is dit onderwerp uitvoerig
+ behandeld in het vierde deel van den _Teg. Staat_, bl. 273. Zie ook
+ FOEKE SJOERDS, I 265, II 452; _Regist. der Staats-res._ op _Dijken_,
+ enz.
+
+
+_Het Kerkbestuur._
+
+Sedert de Hervormde leer in _Friesland_, tot godsdienst van Staat was
+aangenomen, werden de belangen der Kerk, onder toezigt van den Staat, in
+elke plaats waargenomen door de _Kerkeraden_, bestaande uit Predikant,
+Ouderlingen en Diakenen, en door _Kerkvoogden_, die met het bestuur van
+de Kerke- en Pastorie goederen belast waren. De gemeenten, welke, in het
+laatst der 18e eeuw, 192 in getal waren, bediend door 208 leeraars,
+waren verdeeld in 6 _Klassen_, genoemd naar de plaatsen, waar de
+Klassikale vergaderingen werden gehouden, als: _Leeuwarden_, _Dokkum_,
+_Franeker_, _Sneek_, _Bolsward_ en _Zevenwouden_ of _Heerenveen_. In die
+vergaderingen hadden zitting al de predikanten, ieder met een ouderling,
+doch uit de steden twee. Aan haar was de handhaving van de Kerkelijke
+Wetten van _Friesland_ opgedragen[184]. Ieder klasse vaardigde jaarlijks
+twee predikanten en twee ouderlingen af ter zamenstelling van de
+_Provinciale Synode_, die in elke Pinksterweek plegtig en in het
+openbaar vergaderde, bij rondgang in de genoemde plaatsen, gelijk ook te
+_Harlingen_. In deze aanzienlijke kerk vergaderingen werden de belangen
+der Friesche Kerk behandeld onder toezigt van twee leden van
+Gedeputeerde Staten, die haar als Commissarissen-Politiek bijwoonden, om
+het evenwigt des gezags tusschen Staat en Kerk te bewaren. Daarin hadden
+mede zitting Correspondenten van de andere Provinciale Synoden, naar
+ieder van welke ook een lid uit deze provincie werd afgevaardigd. De
+uitvoering van de Synodale besluiten was opgedragen aan een collegie van
+12 Deputaten, hetwelk meermalen in het jaar vergaderde.
+
+ [184] Het _Compendium der Kerkelijke Wetten_ is eerst uitgegeven door
+ D^o. G. NAUTA, Amst. 1757, en in 1771 verbeterd en vermeerderd
+ herdrukt te Leeuwarden. In 1806 is daarop gevolgd een _Wetboek en
+ Kerken-orde voor Vriesland_, door de Synode van 1804 vastgesteld.
+
+In de eerste tijden werden de traktementen der predikanten alleen uit de
+pastorie-goederen genoten en zoo vele dorpen bijeengevoegd of
+gecombineerd, als noodig was, om hun een genoegzaam onderhoud te
+verzekeren. Die opbrengst werd echter reeds in 1584 tot eene som van 300
+Gld. aangevuld, als suppletie uit 's lands kas of uit de opbrengst van
+de kloostergoederen. Van lieverlede werd die som verhoogd, totdat zij in
+1699 tot 450 Gld. gebragt werd. De lage prijzen der landhuren, ten
+gevolge der veepest, gaven aanleiding tot het Staatsbesluit van 1744,
+dat de ingezetenen al hunne pastoriegoederen aan den lande konden
+overdragen, om genoemde som in haar geheel te kunnen ontvangen.
+Vervolgens werd bij Staats-resolutie van 1761 bepaald, al de
+pastoriegoederen der suppletie-trekkende plaatsen te verkoopen, waar
+tegen de Staat zich verbond, ieder der predikanten jaarlijks 500 Gld. en
+de Emeriti 300 Gld. uit te keeren[185].
+
+ [185] Zie die Res. en Lijst dier Vastigheden in de daarvan uitgegevene
+ _Billetten van Verkoping_, Leeuw. 1762 en 1763, 4^o. 2 dln.
+
+De benoeming van de Predikanten in de steden geschiedde door den
+Magistraat uit een drietal, door den Kerkeraad opgemaakt[186]. Ten
+platten lande hadden de Hervormde Stemgeregtigde eigenaars der vaste
+goederen het regt tot het beroepen van predikanten en het beheer van de
+kerke- en pastorie-goederen, als van ouds her, behouden[187].
+
+ [186] Omstreeks het midden der vorige eeuw zijn er door de Predikanten
+ LAURMAN, COLUMBA en DREAS, GREYDANUS, REINALDA, GREVENSTEIN en
+ ENGELSMA, _Naamlijsten van de Hervormde Predikanten_, welke sedert de
+ reformatie in de zes klassen van _Friesland_ het evangelie hebben
+ verkondigd, uitgegeven, meest voorzien met aanteekeningen, waarvan
+ sommige van veel historisch belang zijn.
+
+ [187] Zie over den aard en de geschiedenis van dit regt de beide
+ werkjes van den Heer Mr. W. W. BUMA, _het regt der Hervormde
+ Floreenpligtigen op de verkiezing van Predikanten en op het Beheer van
+ Kerkegoederen_, Leeuw. 1849, en _de Onbevoegdheid der Alg. Herv.
+ Synode tot het regelen van het Beheer der Plaatselijke Kerkegoederen_,
+ Leeuw. 1851, gelijk ook de werkjes van den Eerw. Heer J. H. REDDINGIUS
+ GZ. over dit onderwerp. Vele, overigens weinig bekende bijzonderheden
+ zijn daarin opgenomen.
+
+ * * * * *
+
+Bij de zorg, welke de Overheid steeds aan den dag legde voor het
+kerkelijke en voor de belangen der Akademie, zoowel ter vorming van
+waardige predikanten als ter bevordering van de studie der hoogere
+wetenschappen in het algemeen, vooral ten behoeve van de meest
+vermogende standen, steekt zeer af de toenmalige verwaarloozing van het
+lager onderwijs. Wel waren er in nagenoeg alle Steden Latijnsche Scholen
+gevestigd, welke gelegenheid aanboden tot opleiding van jongelieden, ook
+uit den burgerstand; wel poogden de Staten in 1774 te _Leeuwarden_ eene
+Fransche Kostschool op te rigten,--doch het onderwijs op de bijzondere
+scholen was zeer gebrekkig, en het lot der onderwijzers, bijzonder op
+het land, zeer beklagenswaardig. Een der meest verdienstelijke
+onderwijzers uit de vorige eeuw, FOEKE SJOERDS te _Ooster-Nijkerk_,
+die zich door onderscheidene historische werken beroemd maakte, heeft
+in een zijner geschriften van den toestand van het schoolwezen, dat
+»uit hoofde van de weinige bekwame Schoolmeesters en hun armoedigen
+staat aan eene algemene veragting was bloot gestelt," een tafereel
+opgehangen, hetwelk ons met bedroeving vervult[188]. In weerwil de
+Staten in 1580 reeds bepaalden, dat de geestelijke goederen ook tot
+onderhoud van scholen en onderwijzers zouden worden aangewend, was de
+bezoldiging zoo gering, dat er nog in 1768 weinige dorpen waren, waarin
+de onderwijzers, boven woning, tuin en een gering schoolgeld, meer dan
+100 of 150 Gld. inkomen genoten. Men leidde zich dus niet toe op de
+verkrijging van bekwaamheden voor eene betrekking, welke geen genoegzaam
+onderhoud verschafte, hoe nuttig zij ook ware voor het belang en de
+beschaving der maatschappij.--Het voorregt dat onze eeuw door de
+invoering van verbeterd onderwijs boven de vorige geniet, leeren wij
+alzoo door deze vergelijking hoogelijk waarderen.
+
+ [188] Zie zijne _Algemene Beschrijvinge van Friesland_, II 542.
+
+ * * * * *
+
+Zoodanig was in de hoofdzaak de regeringswijze van _Friesland_, tusschen
+de jaren 1580 en 1795. Het geheel was eene staatsinrigting, waarmede de
+Friezen zelve altijd zijn ingenomen geweest, al bestonden er bestendig
+ook klagten over gebreken en misbruiken, welke men gaarne veranderd zag,
+en waarvan vele reeds in 1627, 1672 en 1748 gewijzigd zijn. Ook toen
+verwarde men de onvolkomenheden en dwalingen der personen, die de
+regering uitmaken, weleens met den vorm van Staatsbestuur. Groot was en
+bleef steeds de invloed van den adel en de aanzienlijke geslachten en
+werd de volksregering of democratie getemperd door de aristocratie en
+omgekeerd. Dat hieruit bestendig strijd werd geboren, was zeer
+natuurlijk, hoewel het zeker is, dat de invloed dier aanzienlijke
+personen, die wegens hunne bezittingen de meeste belastingen betaalden
+en het grootste belang bij eene goede regering hadden, dit gewest meer
+voordeelig dan schadelijk is geweest. De oppermagt, of het vermogen om
+te regeren, òf door zich zelven òf door anderen, bleef in _Friesland_
+toch, als van eeuwen her, berusten bij het _volk_, voor zoo verre het
+vaste goederen bezat, en daardoor deel kon hebben in de keuze van de
+Overheden. De Staten, door hen, althans op het land, regtstreeks
+gekozen, waren de vertegenwoordigers en uitvoerders dier Souvereine
+magt[189]. Vandaar, dat een bekwaam schrijver uit het laatst der vorige
+eeuw omtrent de Friesche staatsgesteldheid kon zeggen: »Te vergeefs
+veranderden de volken rondom hen hunne taal, hunne Zeden, hunne Wetten
+en Regeeringsvorm; de Friezen integendeel vertoonen nog hun oude
+karakter; zy behouden nog de meesten hunner wetten; zy spreeken nog
+hunne oude taal. Bij hen heeft alles de eeuwen verduurd, en men zou
+zeggen, dat zij in hunne Veenen(?) eene veilige schuilplaats of een
+hulpmiddel tegen Veroveraars en Onderdrukkers gevonden hebben. De
+Friezen hebben hunne oude Rechten bewaard, als een dierbaar onderpand,
+om te toonen, dat zy nooit geheel verloren zyn geweest."[190]
+
+ [189] Nog heden ten dage zijn de bijeenroepingen van de
+ Floreenpligtigen in de dorpskerken, welke wij in de dagbladen lezen,
+ een overblijfsel van de magt en het regt der ingezetenen op de
+ regeling van hunne gemeentelijke belangen. Zie _Aanteekening 22_.
+
+ [190] _Grondwettige Herstelling van het Nederl. Staatswezen_, Amst.
+ 1784, I 81. Het derde deel, waarin de Staatsvorm van _Friesland_ in
+ het bijzonder zou behandeld worden, is echter niet verschenen.
+
+
+37. _Strijd tegen Buitenlandsche Gevaren bij Binnenlandsche Welvaart,
+tusschen den Munsterschen en den Utrechtschen vrede. 1648-1713._
+
+De vrede van _Munster_ had in den staatkundigen toestand van _Nederland_
+eene groote verandering te weeg gebragt. Nog grooter werd deze, toen
+kort daarna de jeugdige Stadhouder Prins WILLEM II overleed (1650). Daar
+_Groningen_ en _Drenthe_ nu den Frieschen Stadhouder, Graaf WILLEM
+FREDERIK, mede tot den hunnen aannamen, zoo stonden deze drie
+noordelijke gewesten vervolgens tegen al de overige stadhouderlooze
+provinciën over, en gaven de uiteenloopende belangen en inzigten
+dikwijls aanleiding tot hevige botsingen. _Friesland_ en zijn Stadhouder
+hadden nu alle kracht en beleid noodig, om zich te doen gelden tegen het
+overmagtige en overmoedige _Holland_, dat, sterk door zijne ligging,
+welvaart en rijke hulpbronnen, nu het de landprovinciën minder noodig
+had als bolwerken tegen _Spanje_, zijn belang en staatkunde voortaan
+alléén wilde doen zegevieren, en zijn wil als eene wet trachtte te doen
+gelden. Dát _Holland_ ijverde vooral vóór de Souvereiniteit der
+provinciën, vóór de vermindering van de land- en de vermeerdering van de
+zeemagt, doch tegen het Stadhouderschap. Ten aanzien van dit laatste
+vond het steeds een krachtigen bestrijder in _Friesland_.
+
+Dit bleek reeds op de Groote Vergadering, welke in Januarij 1651 te _'s
+Hage_ was bijeengeroepen tot regeling van de drie gewigtige punten: het
+bondgenootschap, de godsdienst en het krijgswezen (_unie_, _religie_ en
+_militie_). Ruim 300 afgevaardigden uit de verschillende gewesten kwamen
+daar bijeen. _Friesland_ zond er zestien van zijne bekwaamste
+staatkundigen met den Lands Secretaris, en had de eer, als voorzittende
+provincie, de vergadering door Dr. PIBO VAN DOMA, Ontvanger en Dijkgraaf
+van Kollumerland, met eene rede te doen openen, waarna de beroemde
+Raadpensionaris JACOB CATS de voorstellen mededeelde en _Hollands_
+gezindheden ontvouwde[191]. Wel zegevierde de staatkunde dier provincie,
+al ontweek zij ook het punt van het Stadhouderschap; doch toen zij in
+1654 in haren afkeer tegen de onvoorzigtige handelingen van Prins WILLEM
+II zoo ver ging, dat zij, bij eene _acte van seclusie_, diens eenigen
+zoon van de hoop op eenig bewind wilde uitsluiten, toen verzetten de
+Staten van _Friesland_ zich krachtig daartegen. In hevige bewoordingen
+betoonden zij zich verontwaardigd »over de ongehoorde ondanckbaerheyt
+tegens het loffelyck huys van Orangien, waer van de voorouderen soo
+treflich van den Staet deser vereenigde Nederlanden hebben gemeriteert,
+met haer goet ende bloet beschermt, ende soo notable victorien
+bevochten, waer door wy van die gedreigde ende bynae onvermydelycke
+slavernie syn gepræserveert, ende met Godes zegen tot soo een glorieuse
+Staet gebracht, als daer in wy ons tegenwoordichlyck bevinden"[192].
+
+ [191] AITZEMA, _Saken van Staet en Oorlogh_, 4^o. VII 205 env.
+ WAGENAAR, _Vaderl. Historie_, XII 153.
+
+ [192] _Charterboek_, V 575 en vele krachtige vertoogen bovendien in
+ AITZEMA, VIII 102 env., vooral tegen DE WITT, VAN BEVERNINGH en
+ NIEUPOORT gerigt. KOK, _Vad. Woordenb._ XVI 603.
+
+De afgevaardigden van _Holland_, stelden alle moeite in het werk, om
+_Friesland_ dit protest te doen intrekken; zij leverden eene ernstige
+wederlegging daarvan in, waartegen de ijverige Friesche afgevaardigden,
+HAUTBOIS en VAN WYCKEL, niets schuldig bleven, zoodat men hoe langer hoe
+meer op elkander verbitterd geraakte. Krachtig deden de Friezen het
+regt van het Vorstelijk huis gelden tegen het onregtvaardig gedrag van
+_Holland_, dat steeds de andere provinciën trachtte te overvleugelen.
+Zij drongen er mede op aan, dat hun Stadhouder tot Veldmaarschalk
+benoemd wierde, toen deze waardigheid door den dood van den Heer VAN
+BREDERODE was opengevallen (1655). Te vergeefs: want die Stadhouder was
+door het aanvoeren van het leger des Prinsen tegen _Amsterdam_ ook bij
+_Holland_ in ongenade gevallen.--Zóó ijverden de verbroederde gewesten
+tegen elkander en verzwakten de goede verstandhouding, welke duurzaam
+van zoo hoog belang was, dewijl het vaderland gelijktijdig van buiten
+bestookt werd door een vijand, die niet enkel Hollands hartader, handel
+en scheepvaart, maar ook de eer en de onafhankelijkheid des geheelen
+lands bedreigde.
+
+
+_De Engelsche oorlogen._
+
+Hevige burgertwisten in _Engeland_ hadden in 1649 ten gevolge, dat
+Koning KAREL I, de schoonvader van Prins WILLEM II, onthoofd- en dit
+rijk tot een gemeenebest verklaard werd onder het Protectorschap van
+OLIVIER CROMWELL. Deze betoonde zich al spoedig vijandig tegen
+_Nederland_, dat den verdreven koningszoon KAREL II had opgenomen, en
+welks bloeijende scheepvaart en handel den nijd hadden opgewekt der
+Engelschen, die, eene aanzienlijke zeemagt bezittende, het meesterschap
+over de zee voor zich alléén begeerden. Hoe gevaarlijk het ook was, zich
+met die zeemagt te meten--voor ons land was een oorlog onvermijdelijk;
+vooral, nadat CROMWELL onzen handel een gevoeligen slag had toegebragt
+door de _acte van navigatie_ (Oct. 1651), waarbij aan vreemden werd
+verboden, hunne waren binnen _Engeland_ te voeren, ten zij met Engelsche
+schepen. Vanhier, dat de Generale Staten, die in dit jaar onze zwakke
+vloot van 40 schepen reeds met 36 versterkt hadden, in het volgende jaar
+bevolen, dat de zeesteden nog 50 en de admiraliteiten nog 100 schepen
+zouden uitrusten. Van de eerste, of de directieschepen, zou _Holland_
+38, _Zeeland_ 9 en _Friesland_ met _Groningen_ 3 leveren; van de
+laatste, of de landsschepen, moesten de admiraliteiten van de _Maas_,
+van _Zeeland_ en het _Noorder-kwartier_ (_Noord-Holland_) ieder 16-1/2,
+_Friesland_ met _Groningen_ 17-1/2 en _Amsterdam_ de overige 33 schepen
+bekostigen[193].
+
+ [193] DE JONGE, _Geschiedenis van het Ned. Zeewezen_, II _a_ 30 env.;
+ WAGENAAR, _Vaderl. Historie_, XII 232 env.
+
+Bij eene nieuwe regeling van het Nederlandsche Zeewezen had _Friesland_,
+in vereeniging met _Groningen_, in 1596 een eigen _Collegie ter
+Admiraliteit_ verkregen, hetwelk te _Dokkum_ was gevestigd. Dan de
+minder gunstige ligging van deze stad tot aanbouw, toerusting en het
+uitbrengen van oorlogsschepen gaven reeds in 1603 aanleiding tot een
+voorstel, om dezen zetel van het Collegie te verplaatsen. Ook later,
+toen het verviel en vrij werkeloos bleef, drong men daarop aan, totdat
+eindelijk in 1642 (toen het niet meer dan 4 schepen bezat, waarvan het
+grootste slechts 16 stukken voerde), het besluit genomen en in 1645
+volbragt werd, om het Collegie ter Admiraliteit te verplaatsen naar
+_Harlingen_, welke stad verpligt werd, den zetel en de gevangen- en
+pakhuizen van het Collegie te bekostigen[194]. Van de gunstige ligging,
+ruime havens en veel beschikbaren grond tot werven in deze zeestad,
+welke gedurende de laatste halve eeuw zoo zeer in bloei was toegenomen,
+verwachtte men voor de belangen van het provinciale zeewezen gunstige
+gevolgen. Voor de uitbreiding en bescherming van de scheepvaart en
+handel van _Harlingen_ zelf scheen deze verplaatsing van zulk
+aanzienlijk ligchaam mede van groot belang te zijn. En toch bleef het
+Stedelijk Bestuur nalatig in het voldoen aan gezegde verpligting,
+waartoe het nog in 1653 moest aangespoord worden[195]. Het Collegie was
+alzoo dáár nog niet volkomen gevestigd, toen de eerste Engelsche oorlog
+uitbrak, en het zich op eens verpligt zag tot zulk een belangrijken
+aanbouw en uitrusting van oorlogsschepen. Hierop geheel niet voorbereid
+of ingerigt, voldeed het tragelijk aan deze, door den dreigenden nood
+gevorderde verpligting, waarom de Friesche Staten, die in 1652 consent
+gaven tot het aanwenden van 2 tonnen gouds en in het volgende jaar van 2
+millioen gulden ten behoeve van het zeewezen, hun ongenoegen te kennen
+gaven over de nalatigheid en de verkeerde handelingen van het Collegie.
+De Friesche Admiraliteit kon dan ook in 1653 tot de 154 schepen, waaruit
+onze zeemagt toen bestond, niet meer dan 10 bodems van 137 stukken,
+bemand met 500 matrozen, toebrengen[196]. Bij herhaling deden de Staten
+hun misnoegen blijken over het slecht bestuur van het Collegie, dat in
+1656 tot verantwoording werd geroepen wegens de gelden, voorgeschoten
+tot het bouwen van 60 schepen van oorlog. Sedert dien tijd schijnen de
+zaken gunstiger te zijn gegaan, en werd het alleen in 1659 212,000 Gld.
+toegestaan tot aanbouw en uitrusting van schepen, opdat _Friesland_ het
+zijne mogt toebrengen tot de middelen ter verdediging des vaderlands.
+
+ [194] _Charterboek_, IV 896, V 330, 477, 485, 486; _Reg. op de
+ Staats-resol._ 10, 205, 313; _Tegenw. Staat_, III 13.
+
+ [195] _Charterboek_ V 521, 558. Dit is te vreemder, omdat de Regering
+ van _Harlingen_ reeds in 1644 bij acte had aangenomen, "omme de Heeren
+ Raden ter Admiraliteyt op Stadts costen te voorsien met een bequame
+ huysinge tot het Collegie ende Vergaderinge, sampt gevangen- en
+ packhuysen."
+
+ [196] _Reg. Staats-resol._ 13; DE JONGE, _Zeewezen_, I 280, 281; II
+ _a_ 346, II _b_ 31, en verder de Resolutiën van Gedeputeerden.
+
+Bij dezen, in den aanvang zoo gebrekkigen, toestand der schepen,
+die tevens te min geschut en te weinig bekwaam volk hadden, moest
+het beleid en de moed der vroeger gevormde zeelieden veel vergoeden.
+Was het een geluk voor den staat, dat de later zoo beroemde MICHIEL
+ADRIAANSZ. DE RUYTER zich in 1652 eindelijk liet bewegen, in 's
+lands dienst te treden en, als Vice-kommandeur op eene vloot van 30
+schepen, 60 koopvaardijschepen te geleiden en te beschermen tegen de
+Engelschen,--op dien eersten togt blonk, als het eerste dappere bedrijf,
+de heldhaftigheid van een Friesch Kapitein uit. Deze was DOUWE AUKES,
+bevelvoerende op een der twee grootste Oost-Indievaarders, die nu ten
+oorlog waren toegerust, de _Struisvogel_ of _Vogelstruis_ geheeten,
+gewapend met 40 stukken en 200 man, terwijl het schip van DE RUYTER
+zelven slechts 28 stukken en 134 koppen voerde. Op den middag van den 26
+Aug. 1652 was het gevecht tegen den Vice-admiraal GEORGE AYSCUE, die 40
+schepen onder zich had, bij _Plymouth_ pas begonnen, toen bovengenoemd
+schip vooruit snelde en zich alleen te digt onder de Engelschen begaf,
+die dadelijk met drie of vier groote schepen den Struisvogel meenden te
+vernielen, door hem van alle zijden fel aan te tasten. De matrozen,
+ziende dat geen der Hollandsche schepen opkwam om hen te ontzetten,
+wilden niet vechten, maar het schip overgeven, waartoe ze hun Kapitein
+poogden te dwingen. Doch met het gevaar steeg den moed van dezen, die
+het uiterste wilde wagen. Met een sabel in de eene en een lont in de
+andere hand, »trad hij onder de Maets, dreygende hun alle, in geval sij
+nu niet vromelijck vochten, in de Lucht te doen springen, luidkeels
+roepende: Schept moed, mijn kinders, schept moed. Ik zal u den weg
+wijzen, en als wij de vijanden niet langer konnen wederstaan, dan zal ik
+u alle van de gevangenisse bevrijden, door middel van de lont, dien ik
+in de hand hebbe." Die taal maakte een gewenschten indruk en herstelde
+den verflaauwden moed der zijnen: ieder vloog naar zijne plaats en post.
+»En den valjanten DOUWE, die een Stuck op den Overloop hadde staen,
+waermede hy Seyn dede van los te branden, vierde met 24 Stucken in den
+Engelsman, die hy vry dicht had laten komen, soodat die met Volck en al
+wat daer op was dadelijck is gesoncken. Stracks kreeg hy het tweede
+Engels Schip op zij, een Bengel met 50 Stukken; DOUWE trefte die als de
+eerste met syn tweede Laeg Geschuts, soodat die oock stracks te gronde
+ging: op dese twee Schepen waren by de 900 Zielen, waer af niet eenen
+(dat men weet) levendig gebergt is. Den derden Engelsman, onder zyn
+scheut komende, kreegh ook soo veel, dat hy krengde;" waarna onze
+dappere Kapitein, na een verlies van 30 man, den weg open vond, om uit
+den drang te geraken en zich bij 's lands vloot te voegen[197]. In den
+avond namen de Engelschen, die 1300 dooden hadden, de vlugt, en DE
+RUYTER, verwonderd over den uitslag van dezen strijd tegen zoo groote
+overmagt, betuigde: »Als de almagtige God kloekmoedigheid wil geven, dan
+verkrijgt men de overwinning"[198].
+
+ [197] Van dezen DOUWE AUKES zijn geene andere bedrijven of
+ levensbijzonderheden bekend. Vermoedelijk verliet hij na den eerste
+ Engelschen oorlog de zee en werd koopman te _Amsterdam_, waar hij bij
+ den tweeden Engelschen oorlog, in 1665, in aanmerking kwam, om, wegens
+ zijn vroeger bedrijf, de gemagtigden tot 's lands vloot als Zeeraad te
+ dienen. Zie BRANDT, _de Ruiter_, 398. De _Holl. Mercurius_, 1666, 169
+ noemt hem, die verder niet bij BRANDT voorkomt, "een van de beste
+ Zee-helden van onsen tijt, so in goet beleyt, courage, als
+ ervarentheyt," en meent zelfs, dat hij in 1666 bestemd was tot
+ Luit.-Admiraal, in plaats van TJERK HIDDES.
+
+ [198] Ik ben het verhaal gevolgd in den _Hollantsche Mercurius_ van
+ 1652, III 82, nagenoeg overeenkomende met BRANDT, _Leven van de
+ Ruiter_, Amst. 1701, 27 en DE JONGE, _Zeewezen_, II _a_ 53.
+
+Nadat JOHAN DE WITT in 1653 Raadpensionaris van _Holland_ was geworden,
+deed hij moeite dezen oorlog te doen eindigen, hetgeen eerst in 1654
+gelukte. Bij voortduring werd er echter eene uitbreiding onzer zeemagt
+vereischt, om het gezag van den Staat als zeemogendheid te vestigen.
+Hierin slaagde men boven verwachting, en mogten onze voortreffelijke
+zeevoogden DE RUYTER, CORN. TROMP, DE WITH, VAN WASSENAAR en anderen
+grooten roem behalen bij de bescherming van onzen handel in de Oostzee
+en de verdediging van _Denemarken_ tegen _Zweden_ (1655, 1659), door het
+straffen van de zeeroovers in de Middellandsche zee (1656, 1661), door
+het beteugelen van de Kaapvaart der Franschen (1656), in den oorlog met
+_Portugal_ (1657), en bij de bescherming van onzen handel, scheepvaart
+en buitenlandsche bezittingen. KAREL II, die in _Holland_ zoo vele
+blijken van gastvrijheid en hulde had ontvangen, was echter naauwelijks
+op den Engelschen troon hersteld, of deze trouwlooze Vorst deed
+_Nederland_, welks bloeijende handel ook zijn nijd en wrevel had
+opgewekt, den oorlog aan (1665), nadat de vijandelijkheden reeds vroeger
+op eene verraderlijke wijze waren begonnen door het wegnemen van eenige
+onzer schepen en bezittingen. De verontwaardiging over zulk eene
+handelwijze spande de veerkracht onzer landgenooten, om alles aan te
+wenden, wat tot wederstand en vernedering van zulk een vijand kon
+strekken. De Staten van _Friesland_ waren thans meer dan ooit gezind,
+het hunne tot versterking der vloot bij te dragen. »Nu ontwikkelde ook
+de Vriesche Admiraliteit eene tot dusverre ongekende magt. Met geenen
+minderen ijver dan hare gezusters bezield, wist zij thans niet alleen
+het getal harer schepen aanmerkelijk te vermeerderen, maar dezelve ook
+zoodanig te doen uitrusten, dat zij onder de schoonste, best gewapende
+en uitmuntendst bemande van 's Lands vloot gerekend werden[199];
+waardoor de Vriesche zeelieden in de gelegenheid gesteld werden, om
+onder bijzondere opperhoofden deel te nemen aan de groote zeeslagen van
+dit tijdperk, hunnen van oudsher verkregen roem mannelijk te handhaven
+en zelfs te vermeerderen. Met den aanvang van dezen oorlog verdubbelde
+die Admiraliteit hare werkzaamheden, en nam het getal van hare groote
+schepen zoo aanmerkelijk toe, dat zij in staat was, een aanzienlijk en
+voortreffelijk smaldeel te leveren, hetwelk met die der overige
+collegien niet slechts kon vergeleken worden, maar die van sommige
+overtrof. Nu meenden de Staten van _Vriesland_, daartoe aangespoord door
+hetgeen omtrent de verheffing van zoo vele hoofdbevelhebbers in
+_Holland_ en _Zeeland_ gebeurd was, het noodig en nuttig te wezen, en
+geregtigd te zijn, om over hunne scheepsmagt ook eenen Luitenant- en
+Vice-Admiraal en eenen Schout-bij-nacht aan te stellen; tot welke
+waardigheden zij, in Lentemaand 1665, verhieven de Kapiteinen AUKE
+STELLINGWERF, RUDOLF COENDERS en HENDRIK BRUYNSVELT"[200].
+
+ [199] "Dit getuigt, onder anderen, de Raadpensionaris J. DE WITT, in
+ een' zijner brieven aan de Algemeene Staten."
+
+ [200] DE JONGE, _Zeewezen_, II _b_ 32, 105. Waar het mogelijk is, wil
+ ik over dit onderwerp het liefst de eigene woorden van dezen bevoegden
+ beoordeelaar mededeelen, die zeker het meeste gezag verdient.
+
+Deze, aan het hoofd geplaatst van het 5e eskader, dat uit 14 Friesche en
+Groninger oorlogsschepen bestond, vereenigden zich met 's lands vloot,
+welke door de zorg der Admiraliteiten en van DE WITT tot eene ongemeene
+sterkte was opgevoerd, vermits zij een getal uitmaakte van 103 schepen
+van oorlog, 7 jagten, 11 branders en 12 galjoten, gewapend met 4869
+stukken geschuts en voorzien met ruim 21,000 matrozen en soldaten. Deze
+magtige vloot, welke men bestand achtte, om zich met de Engelsche
+zeemagt te meten, stak den 23 Mei 1665 onder het opperbevel van den
+Luitenant-Admiraal JACOB VAN WASSENAAR OBDAM in zee. Doch tegen alle
+verwachting was de uitslag hoogst ongunstig. Ofschoon vele vlootvoogden
+wonderen van dapperheid bedreven, liet de, voor deze taak niet volkomen
+berekende, opperbevelhebber de gunstigste gelegenheid om op de
+Engelschen voordeel te behalen, voorbijgaan, zoodat, toen hij zelf met
+zijn schip in de lucht vloog,--de wakkere Admiraal KORTENAER gevallen en
+ook onze Admiraal STELLINGWERFF gesneuveld en diens schip, de
+Zevenwouden, door de Engelschen genomen was, de gansche vloot met
+groot verlies aftrok en veel verminderd en zwaar beschadigd in de
+vaderlandsche havens terugkeerde. Vele kapiteins werden wegens
+pligtverzuim strengelijk gestraft, doch ook andere, die zich dapper
+hadden gedragen, geprezen en bevorderd. Onder deze laatste was TJERK
+HIDDES DE VRIES van _Sexbierum_, die, als Kapitein van het schip: de
+Steden, zich op dezen togt door ongemeene manhaftigheid en schrander
+doorzigt onderscheiden hebbende[201], dadelijk in STELLINGWERFF'S plaats
+tot _Luitenant-Admiraal van Friesland_ werd aangesteld. Met weergalooze
+kracht-inspanning werd de ontredderde vloot hersteld, en reeds in
+Augustus des zelfden jaars weder naar zee gezonden, en nu wel onder het
+opperbevel van den algemeen geachten Luit.-Admiraal DE RUYTER, die, pas
+uit _Amerika_ in het vaderland teruggekeerd, onzen DE VRIES het bevel
+over een der vier smaldeelen van de vloot toevertrouwde. Hoe krachtig en
+moedig de onzen nu ook waren, zij vonden dit jaar geene gelegenheid, om
+met de Engelschen slaags te geraken. Men bleef zich dus versterken, in
+de hoop van in den volgenden jare den vijand op eene geduchte wijze te
+vernederen. Hiertoe werden krachtige toebereidselen gemaakt, en stonden
+de Friesche Staten dit jaar eene som van ruim 900,000 Gld. der
+Admiraliteit ten behoeve der zeemagt toe, en schroomde men niet, daartoe
+buitengewone heffingen en geldleeningen te doen[202].
+
+ [201] Zie een belangrijken brief van hem bij AITZEMA, XI _b_ 919;
+ WAGENAAR, XIII 147 env.; DE JONGE, II _b_ 180, 247, 281 env.
+
+ [202] Resol. van Gedeputeerden; _Reg. Staats-res_. 13, 206; _Chartb._
+ V 747, 749, 750; VITRINGA, _Memoriale Annotatien_, I 412 env.
+
+Werkelijk stak DE RUYTER den 5 Junij 1666 met eene verbazende vloot in
+zee, waarvan het tweede smaldeel, groot 28 schepen, geplaatst werd onder
+het bevel van TJERK HIDDES, die nu het schip _Groot Frisia_ voerde.
+Hevig was de hierop gevolgde vierdaagsche zeestrijd, waarin
+laatstgenoemde zeeheld, nadat EVERTSEN gesneuveld was, veelvuldige
+blijken gaf van ongemeene dapperheid, door bij herhaling moedig op den
+vijand in te breken, zoodat zelfs vreemden hem den lof gaven, dat hij
+»een der beste en kloekmoedigste Opperhoofden was, dien een groot deel
+der overwinning toekwam"[203]. Mede onderscheidde zich zijn
+Schout-bij-nacht HENDRIK BRUNSVELDT, van wien gemeld wordt, dat hij
+»sich wonder mannelyk queet: want van twee Vyandts Scheepen ter
+wederzyde aan boord geklampt zijnde, sulcx dat hij in het midden was
+leggende, soo heeft hy, in plaats van sich (gelyk de Engelsche Admiraal
+GEORGE ASCUE ghedaen heeft) op te geven en om quartier te roepen, syn
+Volk tot dapperheydt aangemoedight, en gheordineert, dat se ter
+weder-zyden souden overspringen en Enteren, gelyk ook aanstonts soo
+gheseght soo gedaen wierdt, nemende de valjante BRUNSVELDT, eer hy
+eenige assistentie konde bekomen, beyde zyn Bespringers wegh, en maakte
+hun beyde tot syn ghevangens." Niet genoeg bezet en daarna bevrijd,
+werden deze schepen van 40 en 58 stukken echter door Kapitein PAAUW ten
+tweeden male vermeesterd[204].
+
+ [203] _Memorien van den Grave de Guiche_, bl. 262 en 277 van het orig.
+ en 270 en 286 van de vert. Deze Fransche edelman, die zich met andere
+ aanzienlijke personen op de vloot bevond, schreef den naam van TJERK
+ HIDDES naar zijne Fransche uitspraak KIERKIDES, welke spelling ook de
+ schrandere vertaler behouden heeft.
+
+ [204] Ik vond dit verhaal (bij DE JONGE, II _b_ 282 en in het
+ officiëel verslag in den _Holl. Mercurius_, 90 slechts kort vermeld)
+ in een oorspronkelijk _Zee-Journael_ van dien togt, zoo als die
+ destijds, bij gemis van Couranten, te _Amsterdam_ en elders werden
+ gedrukt en onder den naam van _Nieuwe Tijdingen_ verspreid.--In 1663
+ hadden Gedeputeerde Staten hier een vasten _Post_ opgerigt, tweemalen
+ ter week van _Leeuwarden_ op _Zwolle_ en verdere plaatsen. Het _Huis
+ Benthem_ was hier het eerste Postkantoor en JETSE STIENSMA de eerste
+ Postmeester. _Charterboek_, V 693, 707.
+
+Groot was de vreugde in het vaderland over de schitterende overwinning,
+welke op dezen togt werd behaald. Men wilde echter het behaalde voordeel
+vervolgen en den vijand door vernedering tot vrede dwingen. Met den
+meesten ijver werd de vloot van de bekomene schade hersteld, zoodat
+reeds in Julij weder eene zeemagt het vaderland verliet, welke uit niet
+minder dan 118 zeilen, voorzien met ruim 22,000 man, bestond. Op den 4
+Augustus 1666 ving de strijd weder aan, doch onder min gunstige
+omstandigheden voor de onzen. Het Zeeuwsch en Friesch smaldeel, onder de
+Luit.-Admiralen JAN EVERTSEN en TJERK HIDDES DE VRIES, had de voorhoede,
+viel het Engelsch eskader der witte vlag kloekmoedig aan en leed daarbij
+geweldig, doch verdedigde zich gedurende eenige uren mannelijk. Weldra
+echter werden beide Admiralen, gelijk ook de Vice-Admiraal COENDERS, in
+het heetste van het gevecht, doodelijk gewond. »Hierdoor van hunne
+voornaamste Hoofden verstoken, verliezen de anderzins dappere Zeeuwen en
+Vriezen hunne gewone kloekmoedigheid." Terwijl nu de voorhoede wijkt,
+verflaauwt de moed der overige schepelingen van dit eskader, en valt de
+vijand met des te meer geweld op den middeltogt van DE RUYTER aan, die,
+eindelijk, strijdende wijkt en vervolgens den terugtogt aanneemt, zoodat
+hij met geringe verliezen de vloot in het verslagene vaderland
+terugbragt. In het volgende jaar 1667 wischte hij echter door zijn
+stouten togt naar _Chattam_ de smet dezer nederlaag uit, en werden de
+Engelschen gedwongen tot vrede, die nog in dat jaar te _Breda_ werd
+gesloten[205].
+
+ [205] DE JONGE, II _b_ 336, 344 env.; WAGENAAR, XIII 210; _Holl.
+ Mercurius_, 115; AITZEMA, XII 97; BRANDT, 515.
+
+Voor _Friesland_ vooral was het sneuvelen van den voortreffelijken TJERK
+HIDDES DE VRIES een groot en onherstelbaar verlies. De Zeeuwsche
+Admiraliteit getuigde van hem[206], »dat hij begaafd was met vele
+uitmuntende hoedanigheden, om zijne betrekking van Luitenant-Admiraal
+waardiglijk te bekleeden, en dat hij in de uitvoering daarvan
+menigvuldige bewijzen gegeven heeft, niet alleen van soldaat- en
+zeemanschap, maar ook van goede orde en conduite, mitsgaders van
+prompte expeditie." DE RUYTER schatte hem zóó hoog, dat hij niemand
+waardiger achtte hem in het opperbevel op te volgen dan DE VRIES, van
+wiens kunde en trouw hij volkomen overtuigd was. Algemeen werd hij »als
+een der kundigste en dapperste Zeehelden van dit tijdperk" geroemd. Ook
+'s lands Staten gaven blijken van hunne erkentenis bij zijnen dood, door
+het bezorgen van eene plegtige uitvaart bij zijne begrafenis te
+_Harlingen_, en door den zoon, na zijn sneuvelen geboren en tevens
+moederloos geworden, in hunne bescherming te nemen[207].
+
+ [206] DE JONGE, II _b_ 353; III _a_ 417. Zijne beste levensbeschrijv.
+ is die in de _Levens van Nederl. Mannen en Vrouwen_, Amst. en Harl.
+ 1776, III 1; KOK, XXX, 36; BRANDT, _de Ruiter_, 401, 407, 419, 423,
+ 424 env. Zie verder _Aanteekening 23_.
+
+ [207] Deze zoon, TJERK DE VRIES, ook in 's lands zeedienst opgeleid,
+ stierf reeds in 1689 als Kapitein van en op 's lands oorlogsschip: de
+ Brack op een terugtogt van _Engeland_.
+
+Tot opvolger van DE VRIES werd niet de vroeger zoo loffelijk
+vermelde DOUWE AUKES gekozen, maar een edelman, HANS WILLEM _Baron_
+VAN AYLVA, die toen Kolonel was bij het krijgsvolk te land; een man,
+die wel in 1667 den togt naar _Chattam_ mede maakte, doch een land- en
+geen zee-officier was, waarom hij in 1672, toen hij tevens tot
+Luitenant-Generaal der landmagt was bevorderd, zich niet bij de vloot
+voegde, maar, beter op zijne plaats, tot bescherming van _Friesland_ aan
+land bleef[208].
+
+ [208] Zie over AYLVA als Luit.-Admiraal: BRANDT, 558, 573, 585, 589,
+ 590, 594, 598, 599, 644, 646; DE JONGE, II _b_ 421; III _a_ 51, 124.
+
+Tot dien laatstgenoemden zeetogt leverde _Friesland_ slechts een fregat
+en een advisjacht, en in 1673 voegden zich slechts drie Friesche
+oorlogsschepen, benevens een brander en twee kleine vaartuigen, bij 's
+lands vloot. Ook werd er in AYLVA'S plaats geen nieuwe Luit.-Admiraal
+aangesteld. De groote inspanning, om zich tegen den vijand te land te
+verdedigen, geldgebrek, verschillen met _Groningen_ en tusschen de
+Staatsleden, en bewegingen onder het volk, gevoegd bij toenemende
+onverschilligheid omtrent _Frieslands_ belang bij eene zoo talrijke
+vloot--ziedaar zoo vele redenen, »waardoor de Vriesche zeemagt, welke in
+den voorgaanden oorlog zulk eene luisterrijke plaats in de vloot bekleed
+had, van hare kortstondige grootheid verviel"[209].
+
+ [209] Zie deze redenen breeder ontwikkeld bij DE JONGE, III _a_ 204.
+
+In weerwil de bloei der Friesche Admiraliteit zoo zeer was gedaald,
+bleven de Friesche zeelieden op de vloot, met de Zeeuwen onder BANCKERS
+vereenigd, bij herhaling blijken van dapperheid betoonen, door den
+vijand de meest mogelijke afbreuk toe te brengen. Ook waren er bij die
+vroegere togten mannen gevormd, die eerst later in de gelegenheid kwamen
+zich door roemrijke daden te onderscheiden. Onder deze verdient eene
+eerste plaats de uitmuntende Kapitein JACOB BINCKES of BENCKES, van
+_Koudum_, die, nadat hij de Algerijnsche zeeroovers had helpen
+tuchtigen, tweemalen als kommandeur met een smaldeel naar de
+_West-Indien_ gezonden werd, waar hij vele kloeke daden bedreef, in 1673
+met EVERTSEN in _Virginië_ grooten buit op de Engelschen behaalde,
+_New-York_ of wel geheel _Nieuw-Nederland_ op de Britten veroverde, en
+eindelijk »het eiland _Tabago_ tot het schouwtooneel maakte eener
+dapperheid, die eerst de Franschen met schande deed wijken en daarna op
+den hem toevertrouwden post een roemrijken dood stierf"[210].
+
+ [210] Mijn bestek gedoogt niet, aangaande dezen man meerdere
+ bijzonderheden mede te deelen. Omtrent weinige personen is DE JONGE
+ zóó uitvoerig, als over dezen dapperen zeeman, van wien hij vele, tot
+ dusverre onbekende, bijzonderheden heeft medegedeeld. Zie III _a_ Inl.
+ XII, 30, 345-366, 415, III _b_ 49, 275-363.
+
+ * * * * *
+
+Terwijl het vaderland aldus van ~buiten~ bedreigd werd door een
+geduchten vijand, die het tot eene tijdelijke overspanning van krachten
+dwong, welke het op den duur niet kon volhouden, was het van ~binnen~
+verre van rustig en voorspoedig gebleven. De republikeinsche geest der
+ingezetenen, die scherp acht gaf op de handelingen der regering, meende
+destijds niet zoo spoedig gebreken of misbruiken in het Staatsbestuur te
+ontwaren, of men school bijeen, gaf blijken van ernstig misnoegen, en
+deed de pogingen tot verbetering dikwijls vergezeld gaan van onrustige
+bewegingen, oploopen en soms wel van gewelddadigheden. Hierdoor werden
+de beste bedoelingen vaak bezoedeld of verijdeld, en de driften opgewekt
+der lagere volksklassen, van wier ruwe en ongebonden zeden in dit
+tijdvak wij vele voorbeelden zouden kunnen bijbrengen, welke geenszins
+tot eere strekken van dien goeden ouden tijd, dien wij waarlijk niet
+behoeven terug te wenschen[211].
+
+ [211] Tot kenschetsing van de zeden en den trap van beschaving dier
+ dagen, welke wij hier niet in bijzonderheden kunnen vermelden, meenen
+ wij een enkel bewijs te moeten aanvoeren. In het zelfde jaar 1661, dat
+ de Staten ten gevolge der toenemende publieke onveiligheid,
+ veroorzaakt door veelvuldige luije bedelaars, vagabonden en
+ landloopers, gedrongen waren een Lands Tucht- en Werkhuis op te
+ rigten, werden er plakkaten uitgevaardigd zoowel tegen "dát schadelyck
+ geboefte," als tegen het drukken van schandelijke en ergerlijke
+ boeken, alsmede tegen het onbehoorlijk zuipen en slempen op de
+ lijkmaaltijden. Zie die stukken in het _Charterb._ V 651, 653, 661,
+ 662. Den hoofdinhoud van het laatste willen wij hier mededeelen met de
+ woorden van HORATIUS VITRINGA in zijne MS. _Memoriale Annotatien_, I
+ 262:
+
+ "De Staten van _Frieslant_, insiende het schandelyck en godtloos
+ misbruick van 't suypen en slempen, dat daeghelycks en dickmaels by de
+ begraffenissen der dooden gepleecht wierde van alderhande soorten van
+ menschen, en hetwelcke soo groff gingh, dat menich droncken bout in
+ het sterffhuis konde vertoeven tot 9 à 10 uyren in den avont, en haer
+ alsdan als beesten laten nae huis leyden, nemende menichmael kannen en
+ glasen onder de mantel en hoyck mede om in het drincken niet vergeten
+ te worden; in voegen, dat een gemeen Burger tot een begraffenisse van
+ nooden hadde ten minste een aem wyns en sommige vrij wat
+ meer,--hebben, daerinne willende voorsien, den 13 Julij 1661 (op een
+ gravamen van 't Classis van _Leuwaerden_, in desen jare op het Synode
+ alhier vergadert, voorgedragen) by openbare placcaten laten verbieden,
+ dat niemand voortaen, soo groot als klein, edel ofte onedel, directe
+ off indirecte, voor off nae de begraffenisse, sal vermogen wyn, bier
+ off stercken dranck te doen schencken by poene van 50 Ggld., 't
+ appliceren 1/3 part voor den aenbrenger, 1/3 part voor den Officier en
+ 1/3 part voor de armen: waer mede het drincken oock een eynde heeft
+ genomen." Dit laatste wordt door de herhaling van dit plakkaat in 1683
+ tegengesproken. Zie _Charterb._ V 1213.
+
+Zoo werden de steden _Leeuwarden_ en _Franeker_ in 1657 grootelijks
+verontrust door burgergeschillen en klagten over de regeringsleden, die
+hevige verbittering hadden opgewekt, wegens het schenden van de
+reglementen en de vrijheden der ingezetenen, tegen wier belang eenige
+weinige staat- en baatzuchtige personen zich van het gezag hadden
+meester gemaakt. Met veel moeite en door het verleenen van nieuwe
+Reglementen van Raadsbestelling werden die onlusten door den Stadhouder
+en de Staten bevredigd[212]. Een ander misbruik dier dagen was het
+verkoopen van de lands ambten en betrekkingen, zoo burgerlijke als
+militaire, welke de regenten en bijzonder de Gedeputeerde Staten, die ze
+beurtelings begaven, in weerwil van vroegere verbodsbepalingen, niet
+altijd aan de waardigste personen, maar veelal aan hen, die de hoogste
+som daarvoor aanboden, opdroegen. Het misnoegen hierover, in 1662 op
+nieuw ontstaan, gaf zelfs aanleiding, dat het Hof twee regenten daarover
+proces aandeed, waarom de Staten, na lange onderhandelingen, daartegen
+strenge verbodsbepalingen uitvaardigden, en eene boete van 100 gouden
+Rijders op de overtreding daarvan vaststelden[213].
+
+ [212] VITRINGA, _Mem. Annotatien_, I 93; _Charterb._ V 592, 595, 604,
+ 606, 608, 609; _Tegenw. Staat_, II 169, 468.
+
+ [213] VITRINGA, I 271; _Charterb._ V 666, 667, 679, en AITZEMA, X 524,
+ die onschatbare bron voor onze vaderlandsche geschiedenis!
+
+Bij al deze bewegingen was het herhaaldelijk gebleken, welk eene
+vredelievende gezindheid en wijze gematigdheid den Stadhouder, Prins
+WILLEM FREDERIK _van Nassau_, bezielde. Groot was dus het verlies, toen
+deze brave Vorst den Friezen in 1664 door den dood ontviel. Een droevig
+ongeluk was daarvan de oorzaak, en wel het losbranden van zijn eigen
+pistool, dat eerst weigerde af te gaan en daarna, toen hij naar de
+oorzaak daarvan wilde zien, hem met een kogel, onder de kin in en nevens
+het oog uit, dermate trof, dat hij, na het schrijven van brieven aan de
+Staten en den Prins van Oranje en het maken van schikkingen omtrent zijn
+huis, zeven dagen later op eene den Christen waardige wijze stierf. De
+Staten, die hem in 1659 de erfopvolging zijns zoons hadden verzekerd,
+overtuigd van zijne »loffelycke, meriten, treffelycke daden en
+singuliere groote diensten in de krygs-expeditien, selfs met gevaer van
+Lyf en Leven, voor het Vaderlandt gedaen," huldigden zijne nagedachtenis
+mede door eene prachtige uitvaart bij zijne begrafenis op den 15
+December, waartoe zij de onkosten met eene som van 16,000 Gld
+bestreden[214]. Bovendien benoemden zij dadelijk zijnen minderjarigen
+zoon tot hunnen Stadhouder en Kapitein-Generaal, om deze waardigheden
+op zijn 20e jaar te aanvaarden, hoewel hij nu reeds in het genot
+gesteld werd van het traktement. Zijne opvoeding droegen zij zijner
+moeder en voogdes, de voortreffelijke Prinses ALBERTINE AGNES, op, en
+deze kweet zich daarvan op eene zoo loffelijke wijze, dat de jonge Vorst
+eerlang blijken gaf, de hem bij voorraad opgedragene betrekkingen en
+zijne aanzienlijke afkomst allezins waardig te zijn[215].
+
+ [214] Bij het terugkeeren van deze begrafenis had Prins JOAN MAURITS
+ _van Nassau_ het ongeluk, bij het overrijden van de Weeshuisbrug in
+ _Franeker_, in het water en onder zijn paard te vallen. Gelukkig
+ gered, moest hij daar eenige weken vertoeven tot zijne herstelling.
+ Eene afbeelding van dit voorval is daarna in steen gehouwen en
+ geplaatst in den muur van het Weeshuis, nevens deze brug, die daarvan
+ den naam van de Mauritsbrug ontving. AITZEMA, 823.
+
+ [215] VITRINGA, _Memorien_, I 388; _Charterboek_, V 616, 738, en
+ vooral uitvoerige berigten in AITZEMA, XI _a_ 75-131; SYLVIUS,
+ _Vervolg_, II 43; N. ARNOLDUS, _Vorstelijke
+ Rouw-Lyck-ende-Lof-Reeden_, Leeuw. 1664, 19; WAGENAAR, XIII 97; _Reg.
+ Staats-res._ 513.
+
+ * * * * *
+
+Deze ramp werd nu verder gevolgd door eene rij van tegenspoeden, die het
+vaderland in het uiterste gevaar bragten, die den landzaat groote schade
+berokkenden, en die de regering en het volk tot eene krachtige
+inspanning en aanwending van alle vermogens opwekten. Een geweldige
+storm en springvloed veroorzaakten in December 1665 talrijke dijkbreuken
+en eenen watervloed, zoo als _Friesland_ sedert 1570 niet had
+ondervonden[216]. Eene schrikkelijke pestziekte woedde, vooral in de
+steden, en rukte duizenden weg (1665, 1666)[217]. De oorlog met
+_Engeland_ (waarvan wij reeds hier vóór gewaagden) dreigde heviger dan
+ooit, en noopte tot verbazende uitrustingen, wervingen en geldheffingen,
+onder bestendige wisseling van nederlagen en zegepralen. Doch niet enkel
+ter zee, ook te land werd _Nederland_ gelijktijdig aangevallen en wel
+aan zijne minst versterkte oostzijde. De oorlogszuchtige CHRISTOF
+BERNHARD VAN GALEN, Bisschop van _Munster_, achtte zich door onzen Staat
+beleedigd, viel de oostelijke grensplaatsen aan en veroverde de
+_Dijlerschans_, waaruit hij echter door onzen Stadhouder WILLEM FREDERIK
+werd verdreven (Mei 1664). Uit wrok hierover bemagtigde hij een gedeelte
+van _Gelderland_ en _Overijssel_, en, na het winnen der schans van
+_Rooveen_, stond hij weldra met 8,000 man aan de onbeschermde grenzen
+van _Friesland_ (1665). Groot en algemeen was daarover hier de
+ontsteltenis en vrees, zoodat vele bewoners van het land met hunne
+goederen van waarde naar de steden vlugtten. Gelukkig kwam de
+Veldmaarschalk JOAN MAURITS _van Nassau_ weldra over zee herwaarts,
+stelde zich aan het hoofd der krijgsmagt, en wederstond den vijand, die
+door _Drenthe_ in _Groningerland_ was getrokken, met zóó gunstig gevolg,
+dat hij eerlang over de grenzen terugtrok, waarna in April 1666 de vrede
+met den Bisschop werd gesloten[218].
+
+ [216] VITRINGA, _Memorien_, I 432; AITZEMA, XI _b_ 1039.
+
+ [217] Ook onzen dichter GYSBERT JACOBSZ. met vrouw en zoon. Zie
+ HALBERTSMA, _Hulde_, II 299.
+
+ [218] VITRINGA, I 430; BOSSCHA, II 18; AITZEMA, XI _b_ 1034 env.
+ Volgens den eersten bedroegen de Provinciale lasten van Oorlog voor
+ _Friesland_ in 1666 [f]263,000 per maand of [f]2,178,000 in het jaar.
+
+
+_De Oorlogen met Frankrijk._
+
+Doch die vrede was kwalijk gemeend geweest, en, had hij eerst geheuld
+met _Engeland_ tot vernedering van onzen Staat, wier grootheid en
+aanzien den nijd van alle naburen scheen opgewekt te hebben,--geene drie
+jaren verliepen er, of die zelfde Bisschop vond daartoe een bondgenoot
+in den hooghartigen en oorlogszuchtigen LODEWIJK XIV, Koning van
+_Frankrijk_, die het evenzeer te doen was om de _Spaansche Nederlanden_
+(_België_), welke hij in 1667 aan het hoofd van een leger van 47,000 man
+binnentrok. Wel scheen het drievoudig verbond tusschen _Nederland_,
+_Engeland_ en _Zweden_, gelijk ook de vrede van _Aken_ (1668) aan den
+voortgang der Fransche wapenen een perk te stellen, en vleide men zich
+in ons land, dat de rust nu spoedig hersteld zou worden en dat men de
+zoo lang reeds verwaarloosde landmagt niet behoefde te versterken,--men
+bedroog zich zeer. Hoe gelukkig de staatkunde van DE WITT ook vele
+gevaren wist af te wenden, het grootste gevaar had hij niet voorzien,
+gelijk ook niemand vooraf wilde of konde gelooven, dat de Franschen »oyt
+couragie souden hebben, om tegens soo machtige Bontgenoten in 't velt te
+durven komen." De uitslag was echter geheel anders.
+
+De gekwetste eigenliefde en de roemzucht des jeugdigen Konings, die zoo
+vele grieven jegens _Nederland_ meende te hebben; de krijgshaftigheid
+zijns volks; het aanzienlijk leger en de schatten, waarover hij te
+beschikken had, en de oorlogszucht zijner bekwame veldoversten--en daar
+tegenover onze zwakke landmagt en vervallene vestingen bij de afgunst
+der vijandiggezinde naburen--dit alles begunstigde zijn toeleg, om
+_Nederland_, het kostte wat het wilde, te veroveren. Daartoe wist
+LODEWIJK eerst het drievoudig verbond te ontbinden, _Engeland_ en
+_Zweden_ aan Frankrijks belang te onderwerpen, en zich van de hulp te
+verzekeren van den Keurvorst van _Keulen_, van de Bisschoppen van
+_Munster_ en _Osnabrug_ en van den Hertog van _Brunswijk-Lunenburg_.
+Deze vereenigde magten hadden den ondergang besloten van _Nederland_,
+dat alzoo van alle uitzigt op hulp van buiten was verstoken. Hoe kon de
+uitslag van dien strijd twijfelachtig zijn? Hoe was het den Nederlanders
+mogelijk, ook bij de moedigste kracht-inspanning, zoo vele vijanden met
+hoop op gunstigen uitslag te wederstaan? Hoe gering die hoop ook ware en
+hoe zeker de ondergang des lands ook scheen--onze vaderen vertsaagden
+niet, wapenden zich moedig en vertrouwden den uitslag aan God, dien zij
+in dezen hoogen nood vurig om hulp en verlossing smeekten.
+
+ * * * * *
+
+Nadat _Frankrijk_ en _Engeland_ op den 7 April 1672 aan _Nederland_ den
+oorlog hadden verklaard, trok LODEWIJK XIV in persoon aan het hoofd van
+een leger van ongeveer 140,000 man met ongemeene snelheid herwaarts, met
+oogmerk om _Holland_ in eens binnen te dringen en de republiek in den
+hartader te treffen. Boven alle uitdrukking prachtig en ontzagverwekkend
+was dat leger, door veldoversten als CONDÉ, TURENNE en DE CHAMILLY
+aangevoerd. Wel hadden de Staten-Generaal, na hevige twisten, eindelijk
+den twee-en-twintigjarigen Prins WILLEM III het opperbevel over het
+krijgsvolk opgedragen en de zoo lang uitgestelde wervingen bevolen; doch
+vóór hij met een veldleger van 17,000 man naar de oostelijke grenzen kon
+trekken, stroomden de Munstersche en Keulsche troepen _Overijssel_
+binnen, waren de steden en vestingen aan den Rijn veroverd en stond
+LODEWIJK op onze grenzen om den Rijn over te trekken. Bij dezen
+overtogt, waartoe men op den 12 Junij eene doorwaadbare plaats had
+gekozen bij het Tolhuis, niet ver van _Lobith_ en de Kleefsche grenzen,
+had echter een merkwaardig voorval plaats, dat ik hier wil verhalen, ook
+omdat het de eer van der Friezen naam verhoogde te midden van de
+smadelijke vernedering des vaderlands.
+
+Nadat de bevelhebber van ons verdedigings-leger in de _Betuwe_, DE
+MONTBAS, zijne stellingen aan den Rijn op eene verdachte wijze had
+verlaten, werd de Veldmaarschalk WIRTZ door den _Prins van Oranje_ naar
+den post bij het Tolhuis gezonden. Hij had onder zijn bevel de vier
+regimenten ruiterij van KINGMA, HAERSOLTE, LA LECQ en JOSEPH, en
+ontmoette hier het regiment voetvolk van AYLVA. DE MONTBAS had dit
+laatste doen aftrekken naar _Nijmegen_. De bevelhebber dezer vesting,
+overtuigd van het belang van den post bij het Tolhuis, zond deze Friezen
+echter terug, en, nadat ze op nieuw naar _Nijmegen_ waren gezonden,
+wederom naar het Tolhuis, waar zij afgemat[219] aankwamen op het
+oogenblik, dat de overtogt der Franschen was begonnen. De ruiterij van
+WIRTZ trachtte dit te verhinderen, door hevig op de Franschen te vuren.
+Vruchteloos deed hij op den door het water trekkenden vijand een aanval,
+doch door het vijandelijk kanonvuur bestookt, trok hij terug en nam met
+al zijne kavalerie de vlugt. Het regiment van AYLVA, dat WIRTZ krachtig
+had ondersteund, was nu aan zich zelf overgelaten, en zag het nuttelooze
+van verderen tegenstand in, nu de talrijke vijand eenmaal den oever had
+bereikt. Zij willen echter niet vlugten, maar besluiten de wapenen neder
+te leggen, zich aan den vijand over te geven en van hem lijfsbehoud te
+vragen. CONDÉ staat hun dit verlangen onvoorwaardelijk toe. Daar staan
+zij nu geschaard met hun afgelegd geweer aan hunne voeten, in het volle
+vertrouwen, dat zij, na zich vruchteloos van hunnen pligt te hebben
+gekweten, niets van den vijand hebben te vreezen. Doch, wat zien zij?
+Daar vliegt de Hertog DE LONGUEVILLE, wien nog geene gelegenheid tot
+eenig wapenfeit was gegeven, gevolgd door een stoet van Edelen, ijlings
+aan op hen, die daar rustig staan. Zij zien den dollen hoop op zich
+toerijden en denken aan verraad. Zelfs zien zij een hunner officieren
+(waarschijnlijk afgezonden om te vernemen, of men zich aan 't woord des
+Generaals houden mag) door DE LONGUEVILLE met eene pistool treffen, en
+nu is hun besluit genomen, hun leven zoo duur mogelijk te verkoopen.
+Immers, het is op voorwaarde van lijfsbehoud, dat zij de wapenen
+nederlegden? Nu zij bedreigd worden, hebben zij het regt die weder op te
+vatten.
+
+ [219] De _Hollandse Mercurius_, 72, zegt zelfs, dat het "schoone
+ Regiment van ALUA van 't geduerig marcheren was afgemartelt, eerst uyt
+ de Spaensse Nederlanden na 't Leger, van daer na Nimwegen, van
+ Nimwegen na de Rijnkant, van de Rijnkant weer na Nimwegen, en weder
+ van daer na de Rijnkant."
+
+In de uiterste verwarring schieten zij op den toesnellenden brooddronken
+hoop in, en ontstaat er een moorddadig gevecht. Maar voor de laatsten,
+die bij den tot dusver gunstig geslaagden togt altijd lachten, is nu de
+ure des geweens gekomen. Hoe vermoeid en verontwaardigd de Friezen ook
+waren, zij treffen zeker. DE LONGUEVILLE, de aanvoerder, de volle neef
+van CONDÉ, stort terneder. Aan zijne zijde valt GUITRI, Grootmeester der
+koninklijke garderobe; de Graven DU PLESSIS, DE THEOBON, de Heeren
+BOURY, D'AUBUSSON, DE LA FORCE, DE LA SALLE--allen vinden hier hunnen
+dood. Vele Prinsen, Hertogen, Graven en aanzienlijke Edelen ontvangen
+wonden, waarvan bijna niemand hunner later geheel herstelde.
+
+CONDÉ, het hoofd der gansche armée, dat vreeselijk schieten hoorende,
+vliegt toe en gebiedt stilte; maar te vergeefs tracht hij dit bloedbad
+te stuiten. Een onzer officieren, OSSENBROEK of HASEBROEK, trekt de
+pistool, mikt op CONDÉ, die wel het schot ontwijkt, maar te gelijker
+tijd zijn arm, verbrijzeld, aan zijne zijde voelt nederzinken. De wond,
+die hij voelt, het verlies van zijn neef en het onverwachte van dezen
+aanval maken hem woedend; en, in plaats van nu nog een einde te maken
+aan dit gevecht, gebiedt hij thans de aansnellende troepen met alle magt
+op de onzen los te rukken. Nu wordt de strijd hernieuwd. »De Fransche
+Cavallerye barsten met een groote verwoetheyt los, en vallen met sulken
+furie als desperate menschen op dese Vriesen aan, die vigoureuse
+Resistentie bieden." Doch wat baatte dezen hun heldenmoed, tegen zulk
+eene aanzienlijke overmagt? Zij bezwijken weldra, terwijl de meesten hun
+leven duur verkoopen. LODEWIJK ziet het verschrikkelijke lot der zijnen,
+en, stampvoetende van spijt en ongeduld, verwenscht hij het oogenblik,
+waarin hij eene onderneming begon, die hem, pas op den vijandelijken
+bodem getreden, nu reeds meer edellieden en aanvoerders kostte dan
+menige veldslag.
+
+Van het schoone regiment VAN AYLVA bleef ten laatste, na langdurige
+worsteling, niet meer dan een klein hoopje over. De namen van eenige
+hunner aanvoerders zijn ons opgeteekend. Het waren de twee Kapiteins
+ANDRIES VAN VELSEN en DUCO VAN HEMMEMA; vijf Luitenants: DOUWE VAN
+EPPEMA, HAJO TWINGBERGEN, BARENT HEKMAN, BAVIUS ROMMEDA en JOH. BECHIUS;
+drie Vaandrigs: FREDERIK VAN OCKINGA, TARQUINIUS BEINTEMA en JAN DUDEN,
+met nog 4 Sergeanten en 105 Soldaten. Zij werden allen naar _Emmerik_
+gevoerd, waar zij zich langer dan twee maanden met water en brood
+moesten behelpen. De gesneuvelde helden rusten hier op een thans
+vergeten akker. Indien zulke mannen door den verraderlijken DE MONTBAS
+niet tot viermalen heen en weder gedreven en niet afgemat en te laat
+aangekomen waren, om den overtogt te verhinderen--gewis zij zouden als
+LEONIDAS met zijne dapperen dezen toegang tot hun vaderland ligt met zoo
+veel eer verdedigd hebben als die Spartanen. Zij zouden misschien den
+Franschen Koning teruggeworpen hebben. Dan zeker prijkte aan den Rijn
+eene eernaald op hun graf; nu rusten ze ongekend en vergeten.
+
+Maar deze dappere Friezen verdienen niet vergeten te worden: want deze
+gebeurtenis, als heldenfeit reeds belangrijk op zich zelve, had
+buitendien twee gevolgen, welke, op dát oogenblik, voor het vaderland
+van groot gewigt waren. Hun moedig gedrag maakte een diepen indruk op
+de overmoedige Fransche grooten, die den togt ter verovering van
+_Nederland_ als een speeltogtje beschouwden, en werkelijk, zoolang het
+leger in aantogt was, weinig tegenstand ontmoetten en geringe verliezen
+leden; doch die hier, bij den eersten tred op onzen bodem, al dadelijk
+met de eersten van den adel in rouw werden gedompeld. Het tweede
+voordeel, hierdoor te weeg gebragt, bestond dáárin, dat CONDÉ hier de
+eenige wond ontving, welke hij in al zijne veldtogten heeft bekomen,
+waardoor hij langer dan twee maanden te _Emmerik_ aan zijne legerstede
+geboeid en buiten gevecht bleef, waardoor zijn plan mislukte, om met
+20,000 ruiters, ieder met een soldaat achter zich op het paard,
+regelregt op _Amsterdam_ aan te rukken, en deze stad, van waar alle
+verdedigings-middelen toen naar elders waren verzonden, te overrompelen,
+om in eens zeker te zijn van den val der gansche republiek[220]. Dat
+zulk een plan verijdeld werd door dit schot, en dat de Voorzienigheid
+door dezen tegenspoed des vijands een eerste blijk gaf van hulp en
+bescherming,--ook dit gaf den vaderen moed in hun benarden toestand en
+kracht om dien vijand te wederstaan, bij groot gewin van tijd, om zich
+in staat van tegenweer te stellen. Dáárom blijve dit weinig bekende feit
+in geheugenis. Dáárom blijven wij deze vaderlandsche helden vereeren!
+(Zie verder _Aanteekening 24_.)
+
+ [220] VALKENIER, 458, zegt duidelijk: "Door dese quetsure van CONDÉ
+ bleef de groote Resolutie, om op _Amsterdam_ te gaan, geheel achter,
+ en wierden de concepten geheel verandert." Ook Kapitein W. J. KNOOP,
+ in zijn belangrijk stuk: _de Verdediging van Nederland_, in _de Gids_,
+ 1851, 317, houdt het voor "zeer waarschijnlijk, dat, wanneer dadelijk
+ na den overtogt van den Rijn het Fransche leger op Holland was
+ aangevallen, dat gewest zou zijn veroverd en daarmede het vaderland
+ verloren."
+
+Bij het voortrukken van de Franschen had Prins WILLEM III _Overijssel_
+verlaten en zich naar _Holland_ begeven, ten einde de oostelijke grenzen
+dier provincie te bezetten en te verdedigen tegen den vijand. Hij had te
+gelijk den Luitenant-Generaal HANS WILLEM _Baron_ VAN AYLVA met zijne
+overige benden naar _Friesland_ gezonden, ten einde zich geheel te
+wijden aan de bescherming van dit gewest. Doch naauwelijks was deze te
+_Leeuwarden_ aangekomen, of hem volgde het berigt, dat alle
+Overijsselsche steden zich schandelijk hadden overgegeven, en dat de
+Munstersche en Keulsche benden zich door _Drenthe_ naar _Koevorden_ en
+_Groningen_ hadden gewend en op de grenzen stonden van _Friesland_.
+Algemeene verslagenheid maakte zich van aller gemoederen meester; de
+steden waren onbevestigd en van alles onvoorzien, de troepen moedeloos;
+het geheele land was vol verwarring en vrees. Men noemde de regering
+radeloos, het volk redeloos, het land reddeloos.--In plaats van
+vertrouwen op- was er hevige verbittering tegen het landsbestuur, dat,
+door het verwaarloozen van de landmagt en van de verdedigings-werken,
+den vijand zoo zeer ruim baan had gegeven; terwijl het voetstoots
+overgaan van zoo vele steden en sterkten het vermoeden van gepleegd
+verraad opwekte. Vele ingezetenen van het platte land vlugtten naar de
+steden, waar alles in verwarring verkeerde: want elk was verlegen en
+verwachtte ieder oogenblik den vijand.
+
+In dezen hoogen nood verzochten Gedeputeerde Staten de Raden van den
+Hove, om hen met raad en daad bij te staan, waarop beide aanzienlijke
+collegiën in den nacht van den 13e en 14e Junij 1672 in stilte
+bijeenkwamen, om over den gevaarlijken toestand der provincie te
+raadplegen. Hier gold het de keus tusschen deze twee uitersten: of men
+zich gemeenschappelijk en met alle krachten tegen den vijand zou
+verdedigen, dan of men door eene provinciale capitulatie, op gunstige
+voorwaarden, zich uit deze onheilen zoude redden. Die keus was voor
+Friezen niet lang twijfelachtig. Met ter zijde stelling van alle
+bezwaren, nam men »een animeuse en cordate resolutie, om tot behout van
+Religie en Vryheyt, voor haardsteden en altaren met gesamentlijke hand
+het uyterste te wagen, en goet en bloet tot den laatsten effort te
+spendeeren"[221]. Men zond dadelijk afgevaardigden uit, om in _Holland_
+en _Groningen_ hulp te erlangen, welke echter door niemand werd
+verleend. Men was dus geheel aan eigene krachten overgelaten. De
+onmiddellijk bijeengeroepen Staten, die reeds vroeger vast- en bededagen
+uitgeschreven en eene geldleening van eenige tonnen gouds geopend
+hadden, benoemden nu eene commissie, die met het nemen van maatregelen
+tot verdediging dezer provincie werd belast. Zij kon echter over geene
+grootere magt beschikken, dan over 22 compagniën voetvolk en 15 à 16
+compagniën ruiterij, waarmede het gansche gewest op alle punten bezet en
+de aanvallen des vijands afgewend moesten worden. Hoe geringe magt bij
+zoo moeijelijke taak! Spoedig riep men dus de vroeger uitgeschrevene
+ligting van 3,000 man burgers in de wapenen. De Bevelhebbers van
+_Leeuwarden_, die in den nacht dadelijk met den Magistraat, Vroedschap
+en Predikanten maatregelen hadden beraamd, boden zich aan, om met de
+geheele burgerij uit te trekken; doch bij voorraad werd dit getal
+bepaald op 250 man, die in 3 compagniën, benevens eene compagnie
+vrijwilligers, reeds den volgenden dag »met ongemeene couragie en
+vreugde uyt marcheerden naar _Heerenveen_." Zulk een voorbeeld der
+Hoofdstad verdreef alle verslagenheid: want door »dit manmoedig Exempel
+der Stede _Leeuwarden_ raakten alle andere Steden in _Vriesland_ te
+gelijk met de Huysluyden ten platten lande, om mede in de wapenen te
+komen, dapper gaande. Geheele Grietenyen boden sich gewillig aan." Allen
+voegden zich bij het krijgsvolk van AYLVA, ten einde »een Legertjen te
+formeeren, om daar mede den Vyand te verwachten, en te betoonen, dat sy
+noch van 't rechte bloet der oude en beroemde Vriesen waren, die in
+stantvastigheyt alle Natiën overtroffen"[222]. Dit leger werd door AYLVA
+met veel voorzigtigheid gebruikt en op de grenzen bestendig in beweging
+gehouden, zoodat zelfs geen officier kennis droeg van de sterkte dezer
+magt, welke den vijand groot ontzag inboezemde.
+
+ [221] VALKENIER, 597; _Charterboek_, V 812 en verv.
+
+ [222] Zie VALKENIER, _'t Verwerd Europa_, Amst. 1675, 597 en vooral
+ het uitvoerig verhaal bij SYLVIUS, _Vervolg op_ AITZEMA, I 561.
+
+In allerijl werden nu ook de Buiten-fortificatiën der provincie, of de
+schansen _Munnekezijl_, _Friesche palen_, _Zwartedijk_, _Bredenberg_,
+_Bekhof_ of _Bekaf_, bij de _Schoterbrug_ enz. hersteld en met
+krijgsbehoeften en manschap voorzien. Aan de drie hoofdwegen werden er
+nieuwe verschansingen opgeworpen, als bij de _Blessebrug_, aan de
+Wetering tegenover de _Oudeschouw_, te _Gorredijk_ en twee aan den
+Zwarteweg op een uur afstands van _Leeuwarden_, welke laatste de namen
+ontvingen van _Albertine Agnes_ en _Hendrik Casimir_[223]. Een dergelijk
+retranchement werd ook aangelegd te _Heerenveen_, waar de Generaal
+AYLVA, die met genoemde commissie alles bestuurde, een hoofdkwartier
+vestigde. Een ander hoofdkwartier legde hij te _Bergum_, van waar hij
+zijne voorposten uitzette aan den hoofdweg op de Suameerder heide, waar
+deze zich verschansingen opwierpen. Met veel grond had men toch van de
+talrijke belegeraars van _Groningen_ een uitval in deze provincie te
+wachten, daar de Bisschop besloten had, eerst _Groningen_ te bemagtigen
+en intusschen _Friesland_ met 3 à 4,000 man bestendig in alarm te
+houden. Werkelijk had zulk een uitval reeds den 26 Julij plaats. Na in
+het Wester-kwartier van _Groningen_ hunne plunder- en roofzucht betoond
+te hebben, trokken 13 standaarden bisschoppelijke ruiters over
+_Duurswoude_ naar _Dragten_, aan welks zuidzijde zich eene brandwacht
+bevond, die, op het zien van de groote magt des vijands, naar de
+voorposten op de heide terugtrok. Deze, alzoo van het naderend gevaar
+verwittigd, gorden zich aan, trekken den vijand kloekmoedig tegen,
+waarna de vooruitrukkende ruiters, nabij _Nijega_, spoedig met de
+Bisschoppelijken slaags geraken. Deze, veinzende terug te trekken,
+lokken de Friezen in eene hinderlaag, waar een aantal soldaten in het
+koren verborgen ligt. Doch nu ondersteunt het Friesche voetvolk de
+ruiterij met zooveel dapperheid, dat zij, na een hevig gevecht, de
+benden des Bisschops met een verlies van 150 man terugdrijven, waarbij
+zij slechts 25 man verloren[224].
+
+ [223] Van eenige dezer schansen komen afbeeldingen voor bij SYLVIUS, I
+ 298 en in _d' Ontroerde Leeuw_, 70.
+
+ [224] Alleen _d' Ontroerde Leeuw_, 41 en _Holl. Mercurius_ van 1672,
+ 112 maken melding van dit feit, later door SYLVIUS in zijn _Vervolg
+ op_ AITZEMA en in _it aade Friesche Terp_ medegedeeld. Zie ook van D.
+ H. VAN DER MEER in den _Friesche Volks Almanak_, 1841, 44 meer
+ uitvoerige berigten deswege.
+
+De gunstige uitslag van deze eerste aanraking met den vijand versterkte
+den moed der ingezetenen en van het gansche verdedigings-leger in geene
+geringe mate. Bovendien waren de Friezen onbekrompen genoeg, om, hoezeer
+zij aan zich zelve waren overgelaten, in den hoogsten nood het fel
+benarde _Groningen_ nog bijstand te bieden met 230 soldaten, 20,000 pond
+buskruid en 2,000 Gld. geld, alsmede met een konvooi ruiterij, waarmede
+de Generaal AYLVA zelf die stad den 14 Augustus bezocht[225]. Men
+vreesde toen echter, dat de vijand ook aan de zuidzijde, van uit
+_Steenwijk_, een aanval op _Friesland_ zou wagen. En inderdaad had deze
+plaats. Nadat de Munsterschen eenige ruiterij naar _Heerenveen_ hadden
+gezonden tot verkenning, en deze door de onzen waren gevangen genomen,
+vielen zij in den nacht van den 18 en 19 Augustus op de schans van dit
+hoofdkwartier met groote hevigheid aan. Moedig teruggeslagen, herhalen
+zij nog twee malen den storm, doch worden door onze dappere verdedigers
+op nieuw wederstaan, zoodat zij met schade den terugtogt moesten
+aannemen[226].
+
+ [225] Dit vermeldt ELDERCAMPIUS in zijn _Journael_ van 't beleg, Gron.
+ 1672, en de _Holl. Mercurius_, 127, 129.
+
+ [226] VALKENIER, 807, die in dezen meer te vertrouwen is dan _it aade
+ Friesche Terp_, 245, dat dezen aanval tusschen den 8 en 9 September
+ stelt.
+
+Na den vijand alzoo tweewerf tegenstand geboden en teruggeslagen te
+hebben, had men zelfs den moed, hem in het veroverde _Overijssel_ aan te
+vallen en verliezen toe te brengen. Ofschoon eene poging van AYLVA, om
+met 1200 man _de Kuinder_ te veroveren, door het spoedig naderen van
+ontzet uit _Kampen_ en _Zwolle_ mislukte, liet men zich daardoor niet
+afschrikken. Ook om ontzag in te boezemen, wilde men een stouten aanslag
+wagen. Hiertoe werd in de maand Augustus het kleine, doch met zes
+bolwerken versterkte _Blokzyl_ gekozen. Na geheime onderhandelingen met
+ingezetenen dier plaats, die reeds den Bevelhebber geweigerd hadden,
+zich door een eed aan den Bisschop van _Munster_ te verbinden, waarom
+hij grootere bezetting had ingenomen, werden den 23 Augustus 450 van de
+moedigste Friesche soldaten en schutters, onder geleide van DIRK VAN
+BAERDT, Grietman van _West-Stellingwerf_ en Lid van Gedeputeerden, en
+onder het bevel van den Kapitein ALBERT CHRISTOFFEL VAN HANIA, over de
+Zuiderzee derwaarts gevoerd. Te _Blankenham_, op een uur afstands van
+_Blokzijl_, treden zij aan land, en weldra trekt de Munstersche
+bevelhebber hen met 300 man en twee veldstukken te gemoet. De Friezen
+vallen hem aan, en, na een hevig gevecht, gelukt het hun, hem met zoo
+veel overhaasting terug te slaan naar de schans, dat hij naauwelijks den
+tijd heeft de poort te sluiten voor zijne vervolgers, die mede pogen
+binnen te dringen. De gewapende burgers weigeren niet alleen den
+bevelhebber, om met hem de aanvallers te weêrstaan, maar ze dwingen hem
+zelfs de sterkte over te geven. Zij besluiten alles tot hunne bevrijding
+te wagen, jagen de Munsterschen van de wallen en kappen de Kuinderpoort
+open, terwijl intusschen de moedige Friezen de schans hevig aanvallen en
+door gracht en poort binnendringen. De vijand vlugt ter Zuiderpoort uit,
+maar laat, fel vervolgd en beschoten, nog menige doode achter, en
+daaronder ook den Kommandant, die, toen hij zich met de vlugt dacht te
+redden, door een Fries wordt doorschoten.
+
+»Alsoo is de Fortresse _Blokzijl_ door de wonderlijke bestieringe des
+Almogenden Gods, en de overgroote couragie der Vriesche Officieren ende
+Soldaten, als mede door de voorsichtige hulpe en bystand van de
+Burgeren, op den 23. Augusti, anno 1672. gewonnen, en in haar oude
+Vryheyt gestelt. _Vollenhoven_ is ook daar op van de Vyanden verlaten."
+De vroeger tweemalen te vergeefs aangevallene sterke _Kuinder-schans_
+werd daardoor mede gedrongen, zich aan de Friezen over te geven.
+
+Wij hebben dit merkwaardige wapenfeit in het bijzonder vermeld, omdat,
+nog vóór de verlossing van _Groningen_, »het kleine _Blokzijl_ zich de
+eer verwierf, van _het eerst van alle Nederlandsche steden_, het juk der
+vreemde overheersching, door eigene dapperheid en de hulp der Friezen,
+te hebben afgeworpen"[227]. De moed, om den vijand met goed gevolg te
+wederstaan en deze provincie verder te beveiligen, werd hierdoor zeer
+verlevendigd, en nog meer door de bevrijding van _Groningen_. Zelfs wil
+men, dat dit feit en de magt, welke AYLVA verder ontwikkelde, mede
+hebben bijgedragen, om den vijand het beleg van _Groningen_ (28 Aug.) te
+doen opbreken.
+
+ [227] Zie het uitvoerig verhaal bij SYLVIUS, I 427; VALKENIER, _'t
+ Verwerd Europa_, 803; _d' Ontroerde Leeuw_, 46; SIEGENBEEK,
+ _Geschiedenis der Burgerwapening_, 130; BOSSCHA, _Heldend._ II 126.
+ Ter belooning van "dese heroïque actie der Burgeren" werden, nog in
+ dat zelfde jaar, aan _Blokzyl_ stedelijke regten toegekend, volgens
+ octrooi van Prins WILLEM III.
+
+ * * * * *
+
+Toen deze voordeelen werden behaald, had er echter in _Friesland_ eene
+algemeene volkswapening plaats gehad, en was er eene belangrijke
+gebeurtenis voorgevallen, welke groote gevolgen had. Wij willen den loop
+dier omstandigheden, uit veelvuldige stukken van dien tijd, zoo kort
+mogelijk verhalen.
+
+ * * * * *
+
+Reeds hebben wij te kennen gegeven, dat de oorzaak van 's lands ongeval
+door vele burgers werd geweten aan de Regenten. De handelingen van velen
+hunner hadden het misnoegen der gemeente zoodanig opgewekt, dat zij het
+vertrouwen verloren hadden, en bedreigd werden met de blijken eener
+verbittering, welke reeds den 21 Junij het onstuimig gemeen van en
+omtrent _Sneek_ het huis van den Grietman van _Wymbritseradeel_ te
+_Ysbrechtum_ deed plunderen. Niet genoeg, dat overmagtige vijanden dit
+gewest van buiten met ondergang bedreigden--nog grootere ramp scheen den
+lande te gelijker tijd van binnen beschoren te zijn, door het misnoegen
+des volks tegen het gezag en door de verdeeldheid van de Staatsleden
+onderling, welke eerlang tot eene ontzettende hoogte stegen.
+
+Naauwelijks was op den 6 Julij te _Leeuwarden_ het berigt ontvangen, dat
+ook de sterke, ja bijna onwinbaar geachte, vesting _Koevorden_ zich
+zonder tegenstand aan den Bisschop had overgegeven, of de ontsteltenis
+en wrevel der burgers bedreigde de algemeene rust. Men school bijeen en
+maakte elkander het hoofd warm door het opsommen van allerlei grieven en
+bezwaren zoowel tegen de stads- als landsregering. Op aansporing van
+eenige predikanten en van den Hervormden Kerkeraad kwamen ruim 60
+burgers op den Stads Schutters-Doelen bijeen, die een Voorzitter en
+Schrijver benoemden en eenige punten ten papiere bragten, welke zij
+oordeelden, dat tot herstel van de vervallene zaken noodwendig in acht
+genomen moesten worden. Zij vaardigden daarmede eenigen hunner af naar
+Prinses ALBERTINE, de Staten en den Magistraat, en verwierven eenig
+gehoor, zoodat het besluit werd genomen, om in den uitersten nood de
+gansche provincie onder water te zetten. Ook de Prinses diende bij de
+Staten eene memorie in, bevattende voorslagen tot beveiliging van het
+bedreigde vaderland[228]. Intusschen groeide het getal misnoegden, dat
+op den Doelen vergaderde, tot 2 à 300 personen aan, die zeven punten aan
+de Stedelijke Regering voorstelden tot afwering van het klimmende
+gevaar. Deze stelde de gemeente gerust door zoo veel mogelijk in te
+willigen, met bepaling, dat ook de andere Steden daarover moesten
+verstaan worden, weshalve afgevaardigden daarvan op den 11 Julij te
+_Leeuwarden_ werden bijeengeroepen. Elf punten stelden deze vast, welke
+door Gecommitteerden aan de Staten werden overgebragt. Gelijktijdig
+vergaderden ook de Predikanten der Klassis van _Leeuwarden_, die op den
+12 Julij alle Predikanten van _Friesland_ in de hoofdstad ontboden, om
+zich de zaken des lands aan te trekken, en om, in overeenstemming met de
+stedelijke besturen, voorstellen tot verbetering en redding te doen. Een
+getal van niet minder dan 150 leeraren verscheen er, en begaf zich in
+statigen optogt naar het Landshuis, waar zij, bij monde van den
+moedigen, later zoo beroemden, BALTHASAR BEKKER, destijds Predikant te
+_Franeker_, aan de Staten te kennen gaven, »hoe groot de misbruiken
+waren, in Kerk en Staat ingeslopen; dat het verval van den Staat
+voornamelijk was veroorzaakt door het goddeloos ambtverkoopen, waardoor
+de gemeente bijna werd uitgeput en de rijkdommen gebragt onder eenige
+weinige personen, die aan het roer der regering zaten, zoodat er
+Grietmannen waren, die drie of vier van de aanzienlijkste ambten
+bedienden; dat men alzoo de betrekkingen niet gaf aan de bekwaamsten,
+maar aan hen, die daarvoor het meeste geld boden, ja zelfs aan kinderen,
+die den lande geen dienst konden doen; dat kunsten en wetenschappen niet
+werden gevoed, maar uitgebluscht, en dat men alzoo aan middelen van
+reformatie diende te denken tot afwering van den nakenden ondergang van
+den Staat, en bijzonder tot aanstelling van een generaal hoofd" enz.
+Verder leverden zij eene uitvoerige Deductie in, over wier inhoud zij
+ook des anderen daags, van 's morgens tot 's avonds, met de Staten
+beraadslaagden[229].
+
+ [228] Dit stuk is medegedeeld in de _Leeuw. Cour._ van 1836, No. 36.
+
+ [229] VITRINGA, _Mem. Annotatien_, I 639. Ik heb den inhoud dezer
+ aanspraak hier vooral medegedeeld, omdat al de verdere klagten en
+ bezwaren, welke tot de latere gebeurtenissen aanleiding gaven, in de
+ hoofdzaak hierop nederkwamen.
+
+Het behaagde den Staten aan den laatst geuiten wensch, ook door de
+Vergadering op den Doelen voorgesteld, dadelijk te voldoen, en op den 13
+Julij Zijne Vorstelijke Doorluchtigheid Prins HENDRIK CASIMIR _van
+Nassau_ te ontheffen van het afwachten zijns ouderdoms van twintig
+jaren, en »te stellen in de dadelycke functie ende poscessie van het
+Stadthouderschap ende Capiteinschap Generaal dezer Provincie" enz.[230]
+De jeugdige Vorst, die naauwelijks den ouderdom van 15 en een half jaar
+bereikt had, doch reeds den 8 Junij te vergeefs aan de Staten verzocht
+had, om in zijn rang als Kolonel tegen de Franschen te velde te mogen
+trekken, werd daarop dadelijk van het Hof gehaald, legde den eed af en
+werd nog dien zelfden dag in het Collegie van Gedeputeerde Staten en in
+het Hof Provinciaal ingeleid, en met gelukwenschen begroet, in de hoop,
+dat men van deze bevordering »alles goeds voor den dienst ende welstandt
+van den Lande onder Godes genadigen zeegen mogt verwachten."
+
+ [230] _Charterb._ V 831. Deze Resolutie is echter maar door 45 van de
+ 82 leden der Staten onderteekend. Zóó vele personen schijnen er
+ afwezig geweest te zijn?
+
+Deze gebeurtenis gaf algemeen genoegen, en had vooreerst dit gelukkig
+gevolg, dat de overige nog onverhoorde klagten der ingezetenen zoo lang
+tot zwijgen gebragt werden, dat de middelen tot landverdediging met
+gepaste zorg konden worden aangewend. Want reeds op den volgenden dag
+werd, op aandrang der Steden, het ligten van den derden man bevolen en
+dadelijk uitgevoerd. Op eens werden er alzoo nog 3000 man in de wapenen
+geroepen, om voor eene maand tot versterking van het leger of van de
+schansen te strekken en daarna afgelost te worden. Den 22 Julij trokken
+vier compagniën burgers van _Leeuwarden_ uit; twee compagniën (mede
+ieder van ruim 100 man) volgden later; den 20 Augustus werden allen door
+op nieuw uitgelote burgers vervangen, die zich naar de _Oudeschouw_ en
+tusschen _Garijp_ en _Tietjerk_ begaven. Eerst thans werden ook de
+wallen der hoofdstad, die reeds in den vorigen jare in staat van beleg
+was gesteld, en tot wier versterking de Staten reeds in Mei 24,000 Gld.
+hadden toegezegd, met kracht van arbeid verhoogd en verbeterd[231]. Nu
+was er ontzag voor de regering en ijver in de uitvoering; de
+verslagenheid en vrees, welke de krachten weder hadden verlamd, maakten
+plaats voor moed en inspanning, en in het overige der maanden Julij en
+Augustus betoonde het volk zich rustig van binnen en krachtig naar
+buiten. De jeugdige Stadhouder, in staatszaken door zijne verstandige
+moeder gesteund en in krijgszaken onderwezen en voorgelicht door een man
+als AYLVA, mogt een zeer gunstigen invloed uitoefenen; en met welk een
+gelukkig gevolg de door vreemde benden overal omringde Friezen den
+vijand nu wederstand boden, ja zelfs aanvielen en verdreven--daarvan
+hebben wij hier vóór reeds uitstekende bewijzen medegedeeld. AYLVA
+bevond zich met het hoofdleger meest te _Heerenveen_, en zag zijne magt
+door de genomene maatregelen zoodanig versterkt, dat deze, tegen het
+einde van Augustus, op omstreeks 8,000 man aan troepen, behalve nog
+5,000 gewapende landlieden werd geschat. Hij, die met den bijnaam van
+»de ontzaggelijke Generaal" was vereerd, nam alle mogelijke maatregelen,
+om _Friesland_ voor een inval des vijands te vrijwaren: sluizen
+werden opengezet, polders en bedijkte landen geïnundeerd, en
+veldverschansingen opgeworpen, die de zoogenaamde _Friesche linie_
+uitmaakten. Deze linie begon van de _Kuinder_ aan de Zuiderzee, volgde
+de Linde tot de _Blessebrug_, ging van daar noordwaarts naar de Tjonger
+en de verschanste _Schoterbrug_, wendde zich vervolgens over
+_Heerenveen_ en _Terbandsterschans_ naar _Gorredijk_, en van daar over
+de schansen _Bredenberg_, _Zwartedijk_ en _Friesche palen_ naar de
+grenzen. Echter is »_Friesland_ in 1672 minder behouden gebleven door
+zijne onderwaterzettingen en linie van verschansingen, welke nooit
+ernstig is aangevallen, als wel door de bekwaamheid van AYLVA en door de
+geestkracht der bevolking, die, vaardig de wapenen opvattende, spoedig
+eene magt uitmaakte, welke den vijand ontzag inboezemde en van elken
+aanval op _Friesland_ deed afzien"[232]. Hoe algemeen de nood en hoe
+dreigend het gevaar in den beginne ook ware--_Friesland_ bleef, God lof!
+vrij en ongedeerd, en met _Zeeland_ de eenige provincie des vaderlands,
+waar de overmagtige vijanden, die den ondergang van _Nederland_ besloten
+hadden, geene veroveringen behaalden.
+
+ [231] VITRINGA, 643; _Charterb._ V 834, 1074, 1075; _Geschiedk.
+ Beschrijving_, II 135; VALKENIER, 653 vermeldt, dat _Leeuwarden_
+ alléén 1000 weerbare burgers leverde. (Zie _Aanteek. 25_.)
+
+ [232] Dus oordeelt Kapitein W. J. KNOOP in _de Verdediging van
+ Nederland in 1672_, in _de Gids_, 1851, 330.
+
+ * * * * *
+
+Doch naar gelang het gevaar van buiten verminderde, vermeerderde de
+onrust van binnen. Daar moest nog een hevige strijd gestreden worden,
+vóór de vijanden van de regten en vrijheden des volks van het misbruikte
+gezag ontzet en door meer vrijzinnige mannen vervangen waren. Gelijk de
+smetstoffen in den dampkring zich allengs ophoopen, totdat ze eindelijk
+in een vervaarlijk onweder losbarsten, zich zelve verwoesten en een
+gezuiverden luchtstroom aanvoeren,--zoo leert ook de geschiedenis der
+volken, dat de meeste staatkundige en kerkelijke instellingen, in den
+loop der tijden zoodanig ontaarden, dat er soms eene geruchtmakende
+omwenteling noodig is, om het verbroken evenwigt te herstellen, en om
+verbeteringen in te voeren, welke vroeger, uit gehechtheid aan het oude,
+niet konden tot stand komen. Zóó was het geweest voor de reformatie--die
+hevige ontbranding en algeheele omkeering van zaken!--zóó was het
+gebleven in de naauwelijks gevestigde republiek. Toen er ten jare 1626
+verontrustende volksbewegingen waren ontstaan, en een aantal ingezetenen
+»Doleancen over de Abusen, in den Staet van Regieringhe in-gesloopen,"
+inleverde, waren de Staten verpligt geweest, ter bevrediging van de
+misnoegde burgers »reformatie, resolutie ende approbatie" van al die 35
+punten toe te staan. Doch aan de uitvoering daarvan werd kwalijk de hand
+gehouden. Vanhier zoo vele latere klagten, vooral tegen het verkoopen
+van de ambten, dat wel in 1662 verboden werd, maar toch bleef
+voortduren. Vanhier, dat de Staten bij het opkomen van het onweder in
+1672, zoo het schijnt uit eigene beweging, den 2 Maart eene commissie
+benoemden, »om met elkanderen te concerteeren over de beste middelen en
+expedienten tot een generaele reforme ende verbeeteringe, so in 't stuk
+van Militie, of Politie ende Finantien dienende"[233]. Die commissie
+bleef echter werkeloos, en schenen de regenten er belang bij te hebben,
+in de bestaande orde of wanorde geene veranderingen te brengen. De
+Staten hadden daardoor evenwel eene schuldbekentenis gedaan en de
+noodzakelijkheid van eene reformatie erkend. Dit bleef bij het volk niet
+onopgemerkt. Het kon echter geene krachtdadige middelen tot herstel
+verwachten van die zelfde regenten, die bij zoo velen het vertrouwen
+hadden verloren. Van lieverlede werd dus de strijd voorbereid tusschen
+de aanhangers van het behoud en van vooruitgang, die, toen de wenschen
+des volks onverhoord bleven, weldra met geweld zou losbarsten.
+
+ [233] _Charterboek_, V 299, 301, 313, 316, 666, 815.
+
+_Groningen_ was bevrijd en de kracht des vijands geknakt;--_Blokzyl_ was
+gewonnen door onze legermagt, wier sterkte nu ontzag baarde. De nood
+scheen dus geweken, de overwinning nabij te zijn. Zoo brak de maand
+September 1672 aan, en keerden de uitgetrokkene burgers terug. Weêr
+vingen de vergaderingen op den Doelen te _Leeuwarden_ aan. Deze
+»Doelisten" verzochten den Magistraat, om op nieuw de afgevaardigden uit
+alle Steden van _Friesland_ bijeen te roepen. Dit geschiedde, en op den
+9 September werden de vergaderingen van deze op het Raadhuis weder
+geopend. Zij ontwierpen 53 punten van reformatie, voor het meerendeel de
+zelfde doleanciën van 1626, doch nu meer uitgewerkt en toegepast op de
+tegenwoordige behoeften[234]. De hoofdzaken waren gebleven: dat niemand
+meer dan één ambt zou mogen bedienen; dat geene Grietmannen of
+ambtenaren leden der Staten mogten zijn, en dat niemand voortaan eenig
+ambt zou mogen verkoopen of voor geld overdragen.
+
+ [234] De beroemde ULRIK HUBER gaf in een naamloos geschrift, getit.
+ _Spiegel van Doleancie en Reformatie_, eene beoordeeling van deze
+ punten, met eene, in die dagen van opgewondenheid zoo nuttige
+ waarschuwing, "dat soo heerlijcken werck niet werde bezoedelt met de
+ vlecke van onrecht en onvoorsichtigheydt." Het ambtverkoopen noemt hij
+ daarin: "de schandvlecke ende de kancker van de Vriesche Regeringe."
+
+Deze Remonstrantie der Friesche Steden werd door 37 harer
+Gecommitteerden, die zich den 12 September in plegtigen optogt naar het
+Landshuis begaven, den Staten aangeboden. Bij monde van HIERONIMUS DE
+BLAU, Burgemeester van _Leeuwarden_, verzochten zij de goedkeuring en
+aanneming van deze punten, »die tot groot nut en eenigste behoud van
+het land strekten: opdat alzoo eenmaal, de misbruiken geweerd zijnde, de
+staat des lands in ouden luister en glans hersteld-, het regtmatig
+misnoegen der gemeente weggenomen- en hare gemoederen gerustgesteld
+mogten worden."
+
+Die moedige poging, waarbij tevens de zaak des volks door de Regenten
+der Steden was overgenomen en voorgestaan, verwekte ontzag. De Staten,
+die zich niet in toereikend getal aanwezig bevonden, om daarover te
+beraadslagen, namen hierop dit krachtig besluit: dat niemand der
+aanwezige leden _Leeuwarden_ zou mogen verlaten, en dat de overige leden
+op den 16 September ter vergadering moesten verschijnen, bij verbeurte
+van 500 gouden Friesche rijders (ongev. 1750 Gld). Nu werden de poorten
+gesloten en door de burgerwacht beveiligd: eensdeels, om het vertrekken
+van personen te keer te gaan, en anderdeels, om te verhoeden, dat de
+Staten meerdere krijgsmagt in de stad bragten, ten einde de reformatie
+in de geboorte te stuiten. Daarvoor bestond vrees. Groot was de spanning
+der gemoederen.
+
+De Staten vergaderden werkelijk op den bepaalden tijd, en hielden zich
+met het onderzoek van het voorgestelde bezig. Tevens kwamen de
+afgevaardigden der Steden weder bijeen, en begaven zich naar den
+Landsdag, om op de aanneming van hare punten aan te dringen. Ook het
+volk kon mede den uitslag kwalijk afwachten, maar verzamelde zich op den
+20 en 21 in grooten getale voor het Landshuis, met dreigend verzoek tot
+afdoening. Het werd echter gerustgesteld door genoemde afgevaardigden en
+eenige burgers, die inzage verzocht hadden van den stand der zaken.
+Doch, toen er op den 27 September nog geen besluit gevallen was, werd de
+opgewondene gemeente zóó ongeduldig, dat zij, de vergaderplaats
+bezettende, dreigde niet van daar te zullen gaan, vóór de resolutie
+genomen was; weshalve de Magistraat twee compagniën burgers derwaarts
+zond, om gevreesde onheilen te voorkomen. Op den laten avond werd echter
+het volk tevreden gesteld door het berigt, dat de Staten alle punten
+hadden aangenomen[235].
+
+ [235] Zie _Charterboek_ V 835, 837, benevens de toenmaals afzonderlijk
+ gedrukte stukken, welke zich bevinden in het HS. van VITRINGA, wiens
+ verhaal ik ben gevolgd, met aanvulling uit SYLVIUS, I 567 env.
+
+Aldus was er aan de volksstem gehoor gegeven, en bleef het gemeen zich
+nu en vervolgens onthouden van uitspattingen en gewelddadigheden, die
+zoo dikwijls met de invoering van groote veranderingen gepaard gaan.
+Doch niet minder gewigtig waren de gevolgen der uitvoering van dit
+Staatsbesluit. Tegen den 14 October werd er een nieuwe Landsdag
+uitgeschreven, waartoe nu vooraf vrije personen, die geene ambten of
+betrekkingen hadden, moesten worden gestemd. Dit geschiedde, en op den
+bepaalden dag werden de nieuwe Staten, op het Landshuis vergaderd,
+door den Stadhouder en Gedeputeerde Staten plegtig en wettig
+»geintroduceerd", als 's lands hoogste en souvereine magt. Dan, al
+dadelijk rees er verschil, _wie_ de geloofsbrieven der nieuwe leden
+moest onderzoeken. De oude Gedeputeerden verlangden dit te doen, in
+weerwil den 29 Maart te voren bepaald- en als eene fundamenteele wet
+aangenomen was, dat het visiteren der procuratiën van de Volmagten zou
+geschieden door 12 Staten en 4 Gedeputeerden, tot op de helft afgeloot,
+waar tegen het kwartier der Steden zich toen en nu weder verzette.
+
+Ons bestek gedoogt niet, deze in vele opzigten belangrijke verschillen
+hier in het breede te vermelden. Het zij genoeg, hier mede te deelen,
+dat de nieuwe Staten nu zelve elkanders geloofsbrieven onderzochten,
+dat zij nieuwe leden kozen tot Gedeputeerden, en dat zij zich vestigden
+als 's lands hoogste magt, in weerwil het kwartier der Steden zich aan
+de vergadering onthield.
+
+Die tweespalt werkte niet weinig de partij in de hand van die oude
+regeringsleden, welke noode van het gezag afstand hadden gedaan, en nu
+zich hevig beklaagden, dat zij binnen 's tijds wederregtelijk uit de
+regering gezet waren, zoodat zij hunne opvolgers niet als de wettige
+magt wilden erkennen. Integendeel, voor een vol jaar tot Volmagt
+gekozen, wilden zij het gezag zoo lang blijven uitoefenen. Daartoe
+schreven acht hunner, meest Grietmannen, die zich »de olde en wettelycke
+Regeringe deser Provintie" noemden, een Landsdag van al de vroegere
+Staten te _Sneek_ uit, gaven eene uitvoerige Deductie van hun regt,
+alsmede hunne punten van reformatie in het licht, en bevolen
+Gedeputeerde Staten zich naar _Sneek_ te begeven, nadat de regering van
+_Leeuwarden_ geweigerd had, hen in deze stad, als Staten, te ontvangen.
+
+Ziedaar dan op nieuw een vuur van verdeeldheid aan het branden, dat,
+terwijl de vijand de grenzen des lands nog steeds bedreigde, hoogst
+gevaarlijk was voor de veiligheid en het gezag van den Staat. Immers,
+indien de jeugdige Stadhouder en zijne moeder de partij der nieuwe
+Staten te _Leeuwarden_ hadden gekozen, was er een overwigt geweest; maar
+beide, het meest belang hebbende bij het kwartier der Steden, dat zich
+nog altijd aan de vergadering bleef onttrekken, schroomden, uit
+verregaande voorzigtigheid, zich partij te stellen, en riepen de hulp in
+van het Hof, om de twistende Staatsleden te bevredigen. Dit was echter
+niet mogelijk, dewijl de nieuwe Staten den Landsdag te _Sneek_ niet
+erkenden, zich mede bij Deductie daar tegen verdedigden, en geene
+pogingen onbeproefd lieten, om de Steden te bewegen ter vergadering te
+verschijnen, en den Stadhouder, om zitting te nemen aan het hoofd der
+Gedeputeerden, welk collegie echter nog niet ter helft voltallig was.
+Alle pogingen om deze geschillen bij te leggen, bleken ijdel te zijn:
+want ieder stond op zijn vermeend regt, zonder daarvan iets ten behoeve
+van den vrede te willen opofferen. De reeds zegevierende partij van
+vooruitgang en verbetering, of de nieuwe Staten, had, behalve de
+volksgunst, enkel tot steun de Regering van _Leeuwarden_, terwijl de
+partij van het behoud, of de oude Staten te _Sneek_, gesteund werd door
+den Stadhouder en zijne moeder met het Hof en het leger, benevens de
+overige Steden. De kans stond dus hagchelijk, of de reformatie in het
+belang des volks duurzaam zou zegepralen. Gelukkig, dat het volk zich
+rustig hield, terwijl het in sterke spanning den uitslag verbeidde.
+Eindelijk sloeg de twist tusschen de beide staatsmagten tot
+feitelijkheden over, waarbij de tusschenkomst van het Hof noodzakelijk
+was. In zulk een toestand van verwarring eindigde het merkwaardige jaar
+1672.
+
+ * * * * *
+
+Reeds voor eenigen tijd hadden de Staten-Generaal der Vereenigde
+_Nederlanden_ hunne tusschenkomst aangeboden tot herstel van de rust. De
+oude Staten hadden die verzocht en aangenomen; doch de nieuwe bedankten
+daarvoor, dewijl zij achtten, dat er geene andere wettige vergadering
+dan de hunne kon bestaan; terwijl zij, even als Gedeputeerde Staten, van
+al het voorgevallene een uitvoerig verslag naar _'s Gravenhage_
+opzonden, waarbij zij tevens de oude Staten als verstoorders van de
+gemeene rust aanklaagden[236]. Daarom wilden zij veeleer de bemiddeling
+van het Hof inroepen; doch daar dit hiertoe moeijelijk te bewegen was,
+en twee Landsdagen te gelijk niet konden blijven bestaan, zoo vonden de
+Staten-Generaal goed, in het begin des jaars 1673 drie hunner leden
+herwaarts te zenden. Het waren de Heeren R. VAN MOLENSCHOT, Pensionaris
+van _Dordrecht_, wegens _Holland_, M. VAN CROMMON, wegens _Zeeland_, en
+JOHS. EECK, wegens _Groningen_, die in last hadden, »om de ontstane
+onlusten tusschen de Regenten in deze provincie in der minne bij te
+leggen" niet alleen, maar ook, »om de Staten serieuselyck te versoeken
+ende aen te maenen tot betalinge van de quota voor de militie, de
+legerlasten ende subsidien, aen de geallieerden van den Staet belooft,
+waarin Frieslandt, door de groote Verdeeltheden onder de Regenten,
+defectueus was gebleven"; terwijl zij vast besloten waren, niet te
+vertrekken vóór de geschillen nedergelegd waren.
+
+ [236] Zie deze en verder hiertoe betrekkelijke stukken in het
+ _Charterboek_, V 888, 892, 931 env.
+
+Werkelijk hebben deze Heeren, in vereeniging met den Stadhouder en
+daarna met eenige leden van het Hof, geene moeite onbeproefd gelaten, om
+dit doel te bereiken, waartoe zij onderscheidene voorstellen,
+reglementen en 105 punten van reformatie voordroegen. Doch hieruit rezen
+nieuwe tegenkantingen en onlusten, welke met veel moeite werden
+bedwongen. Nadat den 17 Februarij een nieuwe landsdag te _Leeuwarden_
+was beschreven, waarbij die voorstellen met allen ernst werden
+aangedrongen, had men goede hope op een gunstig besluit van dezen. Doch
+alles te vergeefs: »alsoo dat de Heeren Gecommitteerden van Haer Hoog
+Mog., na met beleefde woorden soo wel als harde dreigementen sterck te
+hebben aengehouden, eyndelyck den 2 Maart vruchteloos en onverrichter
+saecken hebben moeten vertrecken, tot droefheyt van de welmeenende
+Ingesetenen des Landts"[237].
+
+ [237] VITRINGA, _Memoriale Annotatien_, I 706.
+
+Zoo scheen dan de breuke onheelbaar te zijn, en _Friesland_ op nieuw
+eene prooi der partijwoede te zullen worden. Doch neen! zij was in
+waarheid der genezing nabij: want alleen de vreemde inmenging der
+Staten-Generaal, door de onderliggende partij van _Sneek_ slechts
+begeerd, doch door die van _Leeuwarden_ steeds afgekeerd en vermeden,
+had de toenadering verhinderd. Die fiere Friezen wilden de herstelling
+van het gezag niet aan de hulp van vreemden dank weten. Met het vertrek
+der afgevaardigden veranderde de gansche zaak, terwijl de Landsdag te
+_Sneek_ bereids in zich zelven was te niet gegaan. Reeds den 7 Maart
+werd bij Staats-resolutie de beslissing van de verschilpunten aan den
+Stadhouder en negen Staatsleden opgedragen. Binnen acht dagen dienden
+deze een Reglement en 97 »Poincten Reformatoir" in, bevattende
+uitvoerige bepalingen ter wering van misbruiken en tot omschrijving van
+de grenzen des gezags in het bestuur dezer provincie. Daarbij werd
+tevens de uitschrijving van eene algemeene Amnestie voorgesteld, »op dat
+de memorie ende geheugenisse van alle die gepasseerde onlusten,
+dissentien ende murmuratien tusschen de Regenten te eenemael mogen
+worden weggenomen ende uytgewischt."
+
+Het was dit Reglement, hetwelk op den 19 Maart 1673 bij Staats-resolutie
+werd aangenomen, goedgekeurd en uitgevaardigd, waarbij voor den vervolge
+een beteren voet van regering werd vastgesteld, en waarmede deze
+onzalige staatstwisten een einde namen, tot groote vreugde van al de
+welmeenende ingezetenen des lands[238].
+
+ [238] Zie deze stukken in het _Charterb._ V 957, 959 env. Ook zijn ze
+ afzonderlijk gedrukt, en mede opgenomen in het _Recueil van
+ Reglementen_ enz. gedrukt te _'s Gravenhage_ in 1678, toen er over de
+ nakoming van deze punten nieuwe geschillen ontstonden.
+
+ * * * * *
+
+Deze bijlegging van de geschillen, die zegepraal der partij van den
+vooruitgang was niet enkel ter bevordering van de staatkundige regten
+des volks en ter afschaffing van vele misbruiken-, maar ook om eene
+andere reden eene zaak van groot belang. Hoe gelukkig men in den vorigen
+jare ook tegen de buitenlandsche magten had gestreden; met welk gunstig
+gevolg de dappere WILLEM III de Franschen op de Hollandsche grenzen
+wederstand had geboden, terwijl de RUYTER ter zee de Engelschen met roem
+bestreed--de toestand des lands was en bleef nog hoogst gevaarlijk.
+Gegrond was hier de vrees, dat de Bisschop van _Munster_ met versche
+benden herwaarts zou optrekken, om het verlorene _Koevorden_ te
+herwinnen, en deze noordelijke streken op nieuw met kracht aan te
+vallen. Ja, zelfs werd er eerlang een gerucht verspreid, dat TURENNE met
+eene groote magt naar _Friesland_ zou oprukken. Daarom trachtten de
+Staten het gansche gewest tijdig in weerbaren staat te stellen. Reeds
+den 25 Januarij 1673 werd bevolen, dat alle manschappen van 18 tot 60
+jaren zich moesten voorzien van geweer en dagelijks wapenoefeningen
+houden, en dat elk huisgezin één man moest leveren, om op het eerste
+bevel uit te trekken. Den 18 Maart werd het bevel herhaald, dat alle
+weerbare ingezetenen zich gereed moesten houden, om in geval van nood
+dadelijk op te komen. Den 21 April kwam de Veldmaarschalk Prins JOAN
+MAURITS _van Nassau_ herwaarts, gevolgd van eenige regimenten ruiterij
+en voetvolk, die tot versterking van _Heerenveen_ en _Joure_ gebruikt
+werden. Hier vernam hij, dat de Bisschop werkelijk in aantogt was, om
+een aanslag op _Koevorden_ te wagen, waarop hij zich dadelijk naar
+_Groningen_ begaf, om orde te stellen op het voorzien van genoemde
+vesting en de beveiliging van die provincie. Vervolgens gelastte hij
+hier de zeesluizen te openen, tot het inunderen van de lage streken;
+terwijl er een dam gelegd werd in de Linde, en de wegen op de grenzen
+onbruikbaar gemaakt werden. Hij riep de landlieden op, om aan het
+versterken van de schansen te arbeiden. Den 11 Julij bepaalden de
+Staten, dat het uittrekken van den derden man binnen 14 dagen zou plaats
+hebben, waarna het getal daarvan den 28 Julij op 3,000 man werd
+vastgesteld, welke iedere 14 dagen door anderen zouden afgelost worden.
+Dit uittrekken werd toen echter vertraagd door verschillen over het
+onderhouden van die manschappen, hetwelk de Staten ten laste der steden
+en grietenijen hadden gebragt[239].
+
+ [239] Zie _Charterb._ V 946, 973, 977, 983, 985, 988.
+
+Men had echter goed gezien, dat het gevaar toen op het hoogst was,
+en dat men een hevigen aanval van de Bisschoppelijke troepen had
+te wachten. Tusschen deze en de onzen hadden er wel gedurig
+schermutselingen plaatsgehad, waarbij met afwisselend geluk was
+gestreden; ook had Prins MAURITS den 2 Julij vier regimenten voetvolk en
+een regiment dragonders der Munsterschen in hun kwartier te _Staphorst_
+aangetast, waarna AYLVA te vergeefs een aanval op _Zwartsluis_
+waagde:--doch dit alles bragt geene beslissing te weeg, maar diende
+enkel, om onze grenzen te beveiligen en den vijand af te matten, of te
+ontmoedigen, om aan den voorgenomen aanval te denken[240].
+
+ [240] SYLVIUS, _Historien_, I 635, 636.
+
+De Bisschop, na in de omliggende provinciën zoo veel tegenspoed en
+schade geleden te hebben, wilde echter de verovering van _Friesland_
+beproeven, en in deze uiterste kracht-inspanning tevens de beslissing
+van den ganschen veldtogt wagen. Uit de Geldersche en Overijsselsche
+steden brengt hij van de beste Fransche, Keulsche en Munstersche troepen
+te _Steenwijk_ eene magt bijeen, welke op 6 à 7,000 man (door anderen op
+8,000 voetknechten en 100 ruiters) begroot werd. Op den 15 Augustus rukt
+hij daarmede langs verschillende wegen op _Friesland_ aan. Op het eerste
+berigt daarvan, trekken de onzen, onder gedurige schermutselingen met
+den vijand, van _Wolvega_ terug tot _Heerenveen_, welk hoofdkwartier
+Prins MAURITS, Prins HENDRIK CASIMIR en AYLVA tot het uiterste wilden
+verdedigen, waartoe ook dadelijk de derde man opgeroepen werd en de
+burgers van _Leeuwarden_, _Sneek_, _Franeker_ enz. reeds den volgenden
+nacht naar _Heerenveen_ vertrokken. Na de schansen van de _Blessebrug_
+en _Bekaf_ genomen te hebben, trok de vijand de _Stellingwerven_ in tot
+_Oudeschoot_. Verschillende gevechten vielen er voor, waarin hij
+herhaaldelijk werd geslagen. Zijne pogingen, om _Heerenveen_ te
+overweldigen, mislukten, en nu zocht hij zijn moedwil te koelen door de
+ingezetenen op contributie te stellen, door de dorpen te berooven, te
+plunderen en te branden, door het vee uit de weiden met zich te voeren
+en de vruchten des velds, welke stonden ingezameld te worden, te rooven
+of te verwoesten. Vooral _Wolvega_, _Oudeberkoop_ en _Makkinga_ hebben
+daarbij veel geleden. Ondanks het bekomen van versterking uit
+_Steenwijk_, vond hij in de dapperheid der Friesche benden, in de groote
+magt, welke hem tegengesteld werd door het spoedig toesnellen van de
+gewapende burgers, en in het door een hevigen noordwestewind opgestuwde
+water zoo veel tegenstand, dat zijn aanval geheel mislukte, en dat de
+bisschoppelijke troepen na verloop van vijf à zes dagen met groot
+verlies naar _Zwolle_, _Zutphen_ en _Arnhem_ terugtrokken. Eerst nadat
+de Friezen nog eenmaal krachtige hulp hadden geboden, om het door den
+Bisschop zoo lang en fel benarde _Koevorden_ te ontzetten, hetgeen in
+het begin van October, meest ten gevolge van een sterken oostewind,
+gelukte, werd het den uitgetrokken burgers vergund, de door hen bezette
+posten te verlaten en naar hunne woningen terug te keeren[241]. (Zie
+_Aanteekening 25_.)
+
+ [241] Uitvoerige bijzonderheden omtrent al het voorgevallene vindt men
+ in de belangrijke werken van dien tijd: _Holl. Mercurius_, 152, en
+ _d'Ontwaekte Leeuw_, Amst. 1673, I 36, 47, 60, 74, 122, 130; II 15,
+ 46, 47 env.; SYLVIUS, I 653; zie ook VAN LEEUWEN, _Kronyk_, 254.
+
+ * * * * *
+
+Groot en algemeen was de vreugde over deze bevrijding van _Friesland_,
+hetwelk, terwijl het grootste gedeelte der Nederlandsche provinciën zoo
+lang door de vijandelijke benden was overheerd, geplaagd en uitgezogen
+geworden, volkomen vrij was gebleven. Der Friezen oude moed en trouw
+had, met Gods bijstand, dit gewest in het bijzonder weder beveiligd. De
+vast- en bededagen, welke men zoo dikwijls had gehouden, werden nu
+vervangen door dankdagen, ook wegens de verlossing van het gansche
+vaderland van de overmagtige vijanden, die door hooger magt waren
+gestuit in hunne geweldige pogingen, om het te overmeesteren en onder
+hunne heerschappij te brengen.
+
+»Zoo werd het wijd beroemde en heldhaftige _Friesland_, van alle eeuwen
+vermaard als de moeder en te gelijk het kind van de Vrijheid; van de
+Romeinen gevreesd, door de Britten gehoorzaamd en door de Franken
+geëerd, als de voedster van ontembare helden, op nieuw met handen en
+tanden verdedigd. Zoo werd den Munsterschen Bisschop afgeleerd, de
+grenzen in te breken van een land, dat, door natuurlijke kracht en
+schrandere kunst versterkt, voor buitenlandsch geweld ongenaakbaar
+bleek te zijn, zoo lang het beschermd werd door fiere nazaten, niet
+ontaard van de heldendeugd der roemrijke voorvaderen"[242].
+
+ [242] ROMYN DE HOOGHE, _Spiegel van Staat_, Amsterdam 1706, I, 7e
+ tafereel, 1, 7.
+
+ * * * * *
+
+Na zoo krachtvolle inspanning had het vaderland behoefte aan rust en
+vrede. Er werden daartoe met _Munster_, _Keulen_, _Engeland_, ja zelfs
+eerlang ook met _Frankrijk_, en wel bij herhaling, verdragen gesloten,
+doch de trouweloosheid van den oorlogszuchtigen LODEWIJK XIV hield ons
+land nog langer dan twintig jaren in de wapenen, daar eerst met den
+vrede van _Rijswijk_ (1697) de rust duurzaam scheen te zullen zijn. Hoe
+gelukkig, dat _Nederland_ gedurende al die jaren in den, eerst lang
+vernederden, doch daarna roemrijk verhevenen, Prins WILLEM III een
+staatsman en held bezat, die den Franschen monarch, na hem dit land
+eerst hevig betwist te hebben, bij voortduring het hoofd kon bieden, en
+die nieuwe lauweren voor den vaderlandschen krijgsroem mogt behalen.
+
+Ook _Friesland_, dat, ver van het tooneel des oorlogs verwijderd, zich
+sedert 1673 weder rustig aan zijne eigene belangen kon wijden en de
+welvaart zijner ingezetenen bestendig zag toenemen,--ook dit gewest
+bezat gelijktijdig staatsmannen en helden, die den _Prins van Oranje_
+krachtdadig ondersteunden in het beveiligen van het vaderland en het
+bevorderen van zijne waardigheid en eer tegenover magtige naburen. DE
+RUYTER vond bij zijne laatste zeetogten in de dapperheid der, onder
+BANCKERS vereenigde, Zeeuwen en Friezen, die de Franschen en Engelschen
+»met hunne gewone kloekmoedigheid aantastten"; een krachtigen
+steun[243]. De dappere JACOB BINCKES, geroemd als »een voorsichtig
+soldaat, een manhaftig Capiteyn, een getrouw Commandeur en een
+goedertieren Christen, wiens voorige Heldendaden bewijs gaven van
+grooter verwachtingen," mogt intusschen de eer der Nederlandsche vlag in
+de _West-Indien_ roemrijk handhaven, en in 1677 nog eene overwinning op
+de Franschen behalen, na »een der hardnekkigste gevechten, waarvan de
+Geschiedenis van het Nederlandsche Zeewezen gewag maakt"[244]. De
+belangrijke Friesche staatsstukken van dien tijd getuigen van de
+uitstekende bekwaamheden van Staatsmannen, als WILLEM VAN HAREN, ALLART
+PIETER VAN JONGESTAL, HANS VAN WYCKEL, PIBO VAN DOMA, MATTHIJS, ASSUERUS
+en GYSBERT VAN VIERSSEN, ISAAC DE SCHEPPER en anderen[245], waarvan de
+eerste alleen in twaalf gezantschappen naar vreemde mogendheden en als
+vredehandelaar het hoog gezag des lands deed gelden en de belangen van
+oorlog en vrede regelde. Nog grooter roem behaalden HANS WILLEM _Baron_
+VAN AYLVA (hier vóór reeds zoo dikwijls vermeld), MENNO _Baron_ VAN
+COEHOORN en de Stadhouder HENDRIK CASIMIR II in den strijd voor het
+vaderland.
+
+ [243] Zie de voorbeelden daarvan bij DE JONGE, _Zeewezen_, III _a_
+ 130, 150, 269, 292.
+
+ [244] Behalve het vroeger aangehaalde uit DE JONGE, op bl. 259, blijkt
+ dit uit veelvuldige plaatsen in het 3e dl. 1e en 2e st. van zijn
+ voortreffelijk werk, waaruit ik tot mijn leedwezen geene meerdere
+ bijzonderheden kan mededeelen. Ook SYLVIUS, I, 14e bk. 341, 348, 15e
+ bk. 93 enz. gewaagt met veel lof van de heldendaden van BINCKES.
+
+ [245] Zie over dezen SCHELTEMA, _Staatkundig Nederland_, het
+ _Wapenboek_, het _Stamboek_, het _Charterboek_ enz.
+
+AYLVA, die van de bescherming zijner provincie zoo veel eer mogt
+verwerven, wist in den slag van _Senef_ (1674) »door uitstekende
+dapperheid zijn reeds verkregen »roem loffelijk te handhaven," en dien
+bij de belegering van _Keizersweerd_ en _Bonn_ en inzonderheid vóór en
+in den slag van _Fleurus_ (1690) te vergrooten. Als een der
+voortreffelijkste legerhoofden geacht, zag hij zich in het laatst zijns
+levens het opperbevel over de Staatsche troepen in _Braband_
+opgedragen[246]. COEHOORN, die zich in 1673 bij de belegering van
+_Maastricht_ als Kapitein voor het eerst door dapperheid onderscheidde,
+en vóór _Grave_[247] en in den slag van _Senef_ aan zijn heldenmoed de
+bevordering tot Kolonel had te danken, muntte vervolgens evenzeer als
+legerhoofd en als uitstekend vestingbouwkundige uit, daar hij in de
+versterkingskunst voor ons land een nieuw tijdvak deed aanbreken, en
+alzoo een waardig tegenstander werd van den beroemden Franschen
+Ingenieur VAUBAN. In den slag van _Fleurus_, waar hij »boven andere
+Nederlanders uitmuntte"; bij de roemrijke verdediging en daarna
+herneming van de sterke vesting _Namen_ (1692, 1695); door de
+versterking van _Groningen_, _Koevorden_, _Nijmegen_ en _Bergen op
+Zoom_; door de verovering van _Luik_ (1702), van _Bonn_ (1703) en andere
+schitterende wapenfeiten verdiende hij, tot de hoogste waardigheden
+opgeklommen en de groote Stededwinger en Friesche Jupiter genaamd, een
+eervollen rang onder de groote mannen des vaderlands[248].
+
+ [246] SYLVIUS, _Vervolg op_ AITZEMA, dat aan hem werd opgedragen, I
+ 287, 562 env. III, 1691, 51; BOSSCHA, _Heldendaden_, II 166, 232, 240,
+ _Bijlage_ 9 env.; _Friesche Volks Almanak_, 1841, 62.
+
+ [247] Uit dit beleg is de bijzonderheid bewaard, dat de Friesche
+ Luitenant LAURENTIUS DE BLAU, bij een aanval doodelijk getroffen, door
+ zijne achttienjarige jongevrouw, ANTJE TJEBBES TJEBBINGA, met veel
+ onverschrokkenheid uit de loopgraven werd gedragen, in de legerplaats
+ gebragt en naar _Leeuwarden_ vervoerd, om hem bij zijne vaderen te
+ doen rusten. Zie FERWERDA, _Wapenboek_, I in _de Blau_. Ook BOSSCHA,
+ II 193 vermeldt dit en Mr. VAN HALMAEL bezong dit blijk van
+ huwelijkstrouw in den _Alm. v. 't schoone en goede_, 1837.
+
+ [248] BOSSCHA, II 144, 172, 188, 192, 240, 258, 261, 315, 319 env.;
+ _Friesche Volks Almanak_, 1840, 104; N. YPEIJ, _Gedenkschrift van
+ Coehoorn_, Fran. 1781; CHALMOT, _Biogr. Woordenb._ VII 129; KOK,
+ _Vaderl. Woordenb._ X 366; _Levensbes. van Nederl. Mannen_, VII 169;
+ MERKES, _Memorie over Coehoorn_, 's Hage 1825; VAN KAMPEN, _Geschied._
+ II 138; _Karakterkunde_, II 415; VAN LOON, _Historiepenn._ IV 342; VAN
+ LEEUWEN in het _Friesch Jierboeckje_, 1829, 1.
+
+Prins HENDRIK CASIMIR II, bij den dood zijns vaders slechts zeven jaren
+oud, ontving eene verstandige opvoeding van zijne voortreffelijke
+moeder, Prinses ALBERTINE AGNES, die, ook nadat hij in 1672, ruim 15
+jaren oud, tot werkelijk Stadhouder was verheven, hem tot 1679 als
+voogdes ter zijde stond[249], gelijk hij in AYLVA een uitstekend
+leermeester en voorganger vond in den krijg. Reeds op zeventienjarigen
+ouderdom woonde hij den slag van _Senef_ bij, en was, »ook in het
+dreigendst levensgevaar, onafscheidelijk aan de zijde van den jeugdigen
+Opperbevelhebber WILLEM III, waardoor hij zich waardig toonde de spruit
+te zijn, in wie de edelaardigheid der telgen van ORANJE op den Frieschen
+stam was overgeplant." Als Stadhouder, mede over _Groningen_ en
+_Drenthe_, was hij zeer geacht, en gedroeg hij zich steeds edelmoedig
+jegens Prins WILLEM III, toen deze in 1677, al te heerschzuchtig over de
+afdanking van Friesch krijgsvolk beschikkende, daardoor, en mede bij de
+door hem voorgestelde werving van 16,000 man in 1684, een krachtigen
+tegenstand uitlokte van _Frieslands_ Staten, die onverzettelijk bleven
+in de uitoefening van hun regt, om zelve patenten of marschorders aan de
+troepen af te geven. Die Staten gaven den jeugdigen Vorst menig blijk
+van hunne genegenheid en vertrouwen. Zij verzochten hem zelfs eene
+gemalin te kiezen, en toen hij die gevonden had in de schrandere Prinses
+AMALIA _van Anhalt-Dessau_, werd haar niet enkel een geschenk van
+100,000 Gld. aangeboden, maar ook het vorstelijk paar bij den
+luisterrijken intogt te _Leeuwarden_, op den 19 Augustus 1684, een
+onthaal bereid, zoo als hier nog geen Vorst was ten deel gevallen, en
+waarbij men al de blijken van den rijkdom en de weelde dier bloeijende
+dagen ten toon spreidde[250]. In 1690 aangesteld tot tweeden
+Veldmaarschalk, gaf hij nieuwe blijken van ongemeene dapperheid in de
+veldslagen van _Fleurus_, waarbij zijne lijfgarde twee vaandelen
+veroverde op de bloem des Franschen legers, van _Steenkerke_ en
+_Neerwinden_. Nadat zijne gezondheid reeds bij den eersten veldtogt was
+geknakt, overleed hij den 15 Maart 1696 te _Leeuwarden_, algemeen om
+zijne deugden en verdiensten diep betreurd. Zijne edele moeder, Prinses
+ALBERTINE AGNES, overleefde hem slechts twee maanden, daar zij den 14
+Mei 1696 op het door haar gestichte lusthuis _Oranjewoud_ overleed[251].
+
+ [249] Toen de Prinses in 1679 naar _Duitschland_ vertrok en haar zoon
+ het bewind aanvaardde, nam zij van de Staten afscheid bij eene
+ Missive, waarin zij treffende blijken gaf van hare "groote liefde,
+ affectie ende danckbare erkentenis jegens dese gezegende Provincie;"
+ waarop de Staten eene resolutie namen, welke evenzeer van hunne
+ erkentenis en toegenegenheid getuigde en vergezeld ging van een
+ geschenk van 5,000 Gld. met toezegging van een jaarlijksch
+ lijfpensioen tot gelijk bedrag. Zie deze Missive en Resolutie bij
+ SYLVIUS, II 42. De regering van _Leeuwarden_ ontving bovendien een
+ brief, waarin de Vorstin hare goede gezindheden nog sterker uitdrukte.
+ Zie _Geschiedk. Beschrijv._ II 298. Later keerde zij echter in
+ _Friesland_ terug, en woonde meest op het _Oranjewoud_.
+
+ [250] Behalve in stukken van het Stedelijk Archief, vindt men eene
+ uitvoerige beschrijving van deze "Princelyke Inhalinge" bij SYLVIUS,
+ II, 1684, 125.
+
+ [251] Zie over deze Vorst en Vorstin: _Charterb._ V 914, 1103, 1216,
+ 1242; SYLVIUS, I 552, 653, _b_ 97, 178; _Regist. Staats res._ 46, 513,
+ 587; KOK, _Vaderl. Woordenb._ II 507, XVI 606, XX 547; FOEKE SJOERDS,
+ _Beschrijv._ II 188; _Tegenw. Staat_, II 147; VAN KAMPEN, _Karakterk._
+ II 337, 405, 414; BOSSCHA, _Heldendaden_, II 103, 168, 239, 240, 258;
+ STEENBERGEN, _Lijkrede op Prinses Albertine Agnes_; VAN LEEUWEN,
+ _Kronyk_, 456; VAN HALMAEL in den _Friesche Volks-Almanak_, 1844, 182.
+
+Behalve zeven dochters, liet de Prins slechts een zoon na, JAN WILLEM
+FRISO, die naauwelijks den ouderdom van acht jaren had bereikt. Al de
+waardigheden des vaders werden hem dadelijk door de Friesche Staten
+toegezegd, terwijl het bewind intusschen door zijne moeder en voogdes
+werd waargenomen. Van deze bekwame en schrandere vrouw ontving hij eene
+voortreffelijke opvoeding, welke zijn gunstigen aanleg dermate
+ontwikkelde, dat hij reeds op zijn 13e jaar de Hoogeschool te _Franeker_
+kon bezoeken. In het volgende jaar verwisselde hij deze met die van
+_Utrecht_, en wel op verzoek van Prins WILLEM III, die, zelf geene
+kinderen hebbende, den naam van _Oranje_ en de voortduring van zijn Huis
+in de _Nederlanden_ op dezen jongeling vestigen wilde, en hem daarom ook
+genoegzaam als zoon aannam en tot zijn vollen erfgenaam verklaarde. De
+spoedig hierop gevolgde dood van dezen tweeden vader (1702) was alzoo
+voor de verdere opleiding van den jongen Vorst een even groot nadeel,
+als de erfenis van titel en bezittingen hem voordeel scheen te beloven.
+De naijver van _Holland_ en de overige, nu op nieuw Stadhouderlooze,
+provinciën jegens _Friesland_ en zijne Stadhouders, reeds vroeger zoo
+dikwijls gebleken, was nu weder de oorzaak, dat men niet alleen aan de
+begeerte des Konings, om den jongen Prins in zijne waardigheden te doen
+opvolgen, geenszins voldeed, maar ook onverschillig toezag, dat
+_Pruissen_ zich van een gedeelte der erfenis van _Oranje_ meester
+maakte, hoezeer ook de Algemeene Staten, als uitvoerders van Koning
+WILLEM'S uitersten wil, daarvoor hadden behooren te zorgen. Te vergeefs
+ijverden de Friesche Staten dus voor zijne benoeming tot Generaal
+(1703), waarbij zij bestendig van de andere provinciën tegenwerking
+ondervonden[252]. Doch hij wilde dien rang niet als gunst ontvangen,
+maar door dappere daden verdienen.
+
+ [252] Zie die geschillen vermeld bij KOK, XVI 607; _Reg.
+ Staats-resol._ 517.--"Holland was voor Frieschen invloed bevreesd",
+ zegt GROEN VAN PRINSTERER, _Handboek der Vaderl. Geschiedenis_, 589.
+
+Daartoe scheen de gelegenheid zich aan te bieden, toen hij in 1703,
+eerst 16 jaren oud, als vrijwilliger met zijn leidsman VAN HEEMSTRA den
+eersten veldtogt bijwoonde. Immers, de zelfde oorlogszuchtige en
+trouwelooze Koning LODEWIJK XIV, die ons vaderland nu reeds langer dan
+30 jaren bijna onafgebroken met magtige legers had bestreden, had nu,
+ten gevolge van een staatkundig verschil over de Spaansche erfopvolging,
+den oorlogsfakkel in de _Spaansche Nederlanden_ (_België_) geworpen,
+waar zijn verbazend leger, op 300,000 man begroot, hevige tegenstanders
+ontmoette in Prins EUGENIUS _van Savoije_, die de troepen des Duitschen
+Keizers, en in den Hertog VAN MARLBOROUGH, die de verbondene Engelsche
+en Nederlandsche benden aanvoerde. Wegens het belang der zaak, waaraan
+men »de vrijheid van gantsch Europa" gelegen achtte, waren de Staten der
+Vereenigde gewesten, en wel bijzonder _Friesland_, eenstemmig gezind,
+tegenover den Franschen despoot eene geduchte magt te ontwikkelen. Zij
+hielden woord, en bragten gedurende dezen bloedigen oorlog van 1702 tot
+1712 een leger te velde, dat jaarlijks tusschen de 110 tot 130,000 man
+bedroeg[253]. Ook _Friesland_ getroostte zich tot dat einde verbazende
+opofferingen van geld en manschap, en zag de dapperheid zijner
+krijgsoversten en soldaten met eere erkend. Reeds omtrent de vier eerste
+jaren van dien krijg vermeldt een schrijver van dien tijd zulks in de
+volgende woorden: »Nu heeft die heerlyke Provintie de Lof, dat haare
+_Vriesen_ zo te voet als te paard, wel een groot gewicht in des Lands
+overwinningen inbrengen; en dat zy, streng en hardnekkig vechtende, de
+uitgepikte magt van 's Konings huis by _Ramillies_ gebrooken en
+vertreeden hebben, en in de Beleegeringen standvastig en schrander zyn,
+zo dat de vyandlycke Steeden, zelfs de alderuitgeleezenste sterke
+Vestingen, voor 't vuur van _Koehoorn_, de _Vriesschen Archimedes_,
+plooyen; voortgaande met zegevierende schreeden na _Europa'as_ Vryheid,
+door het vernederen van dien ontrouwen en hovaardigen _Franschen_
+Dwingeland"[254].
+
+ [253] BOSSCHA, II 301, 541 env. Bovendien had Staat gelijktijdig over
+ de 50 zware linieschepen in dienst. De schuld der republiek werd door
+ dezen oorlog vermeerderd met 350 millioen! GROEN, 588.
+
+ [254] ROMYN DE HOOGHE, _Spiegel van Staat_, Amst. 1706, I, 7e
+ tafereel, 28.
+
+'t Mogt den jeugdigen Prins FRISO, hoezeer brandend verlangende naar den
+strijd, niet gebeuren, in de eerste jaren, dat hij den Successie-oorlog
+aan de zijde van OUWERKERK bijwoonde, bijzondere blijken te geven van
+zijn krijgsmansaard en heldengeest. Niettemin waren die togten voor hem
+eene belangrijke leerschool; en miskenning was hem een prikkel, om zich
+zelven met waardigheid te verheffen. Eerst in 1708 werd hij in de
+gelegenheid gesteld, zich door dapperheid te onderscheiden en aller
+oogen op zich te vestigen. Doch toen ook was hij niet enkel bevorderd
+tot Generaal van het voetvolk, maar ook tot de waardigheden zijns
+vaders. Nadat hij, den ouderdom van 20 jaren bereikt hebbende, den 18
+November 1707 met groote plegtigheid te _Leeuwarden_ was ingehaald,
+werd hij den 22 dier maand tot Stadhouder en Kapitein-Generaal van
+_Friesland_ gehuldigd; terwijl zijne moeder als Voogdes den dank der
+Staten en eene gift en een jaargeld van 5,000 Gld. ontving. De luister
+van zijn Huis, in 1704 door den aankoop van de heerlijkheid _Ameland_
+(voor [f]175,000), en in 1708 door het Stadhouderschap van _Groningen_
+en _Drenthe_ verhoogd, werd in het volgende jaar bekroond door een
+gelukkig huwelijk met de schoone en brave Prinses MARIA LOUISA _van
+Hessen-Kassel_, waarover groote vreugde werd bedreven[255].
+
+ [255] Zie _Reg. Staats-resol._ 343, 517; LAMIGUE, _Leven van J. W.
+ Friso_, II 9, 30, 109, 117; KOK, XVI 682; _Tegenw. Staat_, II 376. Ook
+ deze Prinses ontving van de Friesche Staten eene tonne gouds als
+ huwelijks-gift, en de Prins een geschenk van 16,000 Gld.
+
+Inmiddels had de Prins in den slag bij _Oudenaarden_ (Mei 1708) zich de
+baan des roems ontsloten en getoond, wat het vaderland van hem
+verwachten kon. Met heldenmoed rukte hij aan het hoofd zijner bataljons
+op de bloem des Franschen legers aan en noodzaakte die te wijken: eerst
+viel hij het »door een meesterlijken togt en zwenking in de flank, en
+daarna door een stouten marsch in den rug", zoodat hij veel toebragt tot
+deze roemrijke overwinning. »De beslissende dapperheid, door
+_Frieslands_ jeugdigen Stadhouder hier betoond, zweefde op de tong van
+elken Vaderlandlievenden _Nederlander_"[256]. In het beleg van
+_Rijssel_, in 117 dagen met verbazende opofferingen gewonnen, was hij de
+tweede in het opperbevel, doch de eerste bij elk gevecht en iederen
+aanval. Ook _St. Amand_, _Doornik_ en _Gent_ hielp hij veroveren.
+Telkens bleek het, dat voor zijne onversaagdheid geen gevaar te groot en
+voor zijn moed geen tegenstand te sterk was. In den hoogst belangrijken
+slag bij _Malplaquet_ (1709), eerst geplaatst aan het hoofd van negen
+bataljons, die de vijandelijke verschansingen moesten beklimmen, rukt
+hij met zeldzame dapperheid tegen een vreeselijk kanon- en geweervuur
+in. »Voort, voort!" klinkt in een hevig kruisvuur zijne stem, en, als
+sleepte hij zijne troepen aan koorden met zich mede, spoeden zij naar
+hun doel. Het eerst de grachtboord der verschansing bereikende, zwaait
+de jonge held met den hoed in de hoogte, en stuiven al zijne benden in
+de gracht, bestijgen en veroveren met leeuwenmoed de borstwering, en
+verdrijven den vijand met de bajonet. Duizenden ziet hij om zich henen
+vallen en zelfs bijna al zijne officieren; met het klimmende gevaar
+voelt hij echter zijn heldenmoed rijzen, en blijft hij de zijnen
+aanvoeren, al zijn reeds twee paarden onder hem doodgeschoten. Een
+vaandrig grijpt hij het vaandel uit de hand, stuift daarmede alléén op
+de vijandelijke werken in, en, roepende: »volgt mij, mijne vrienden!
+hier is uw post!" plant hij het op de borstwering, die op nieuw wordt
+veroverd. Juist deze »voorbeeldelooze stoutmoedigheid," die
+persoonlijke, alle gevaar trotserende, moed van _Oranje_, welke aan
+roekeloosheid grensden, hadden de overwinning mede mogelijk gemaakt,
+ofschoon zij in hem misduid werden, daar hij altijd moest bedenken, dat
+hij de eenige Vorst was uit de huizen van _Nassau_ en _Oranje_, waarop
+de hoop des vaderlands was gevestigd. De Voorzienigheid spaarde hem
+echter als door een wonder.
+
+ [256] VAN KAMPEN, _Karaktk._ II b 530: BOSSCHA, _Neerl. Held._ II 420.
+
+Den 26 Februarij 1709 in het huwelijk getreden, weerhield zijn echt hem
+geen oogenblik in het volbrengen van zijne pligten als krijgsman. Reeds
+in Mei snelde hij naar het leger, en verliet het niet, voor hij nog in
+het laatst van October met Prins EUGENIUS _Bergen in Henegouwen_ had
+ingenomen. In 1710 was hij weder tijdig in het veld, en mogt hij _Douai_
+en _St. Venant_, na hevige belegeringen, helpen veroveren. Ook in 1711
+ging hij weder naar het leger, doch nu voor de laatste maal. In Julij
+naar _'s Gravenhage_ geroepen tot vereffening van de geschillen met den
+Koning van _Pruissen_ over de erfenis van Koning WILLEM, werd hij door
+een droevig ongeluk aan het vaderland ontrukt. De held, wien de
+kogelregen en het moorddadigste vuur bij _Malplaquet_ hadden
+gespaard--vond den dood in de golven, door het omslaan van de veerschouw
+op het Hollandsche diep bij den _Moerdijk_. Het geheele land betreurde
+dit verlies als eene zware ramp, en huldigde zijne deugden en
+verdiensten door uitbundige lofspraken. »Men had hem nooit genoeg geacht
+bij zijn leven, en kon hem niet genoeg beschreijen bij zijn dood. Bij de
+sierlijke gestalte eens jeugdigen ridders van ongemeene geestbeschaving
+voegde hij eene minzaamheid, bescheidenheid, kloekzinnigheid en
+goedaardigheid, ook te midden des oorlogs, en, bij den moed van een
+ACHILLES, liefde tot den vrede, welke den oorlog slechts als een
+noodzakelijk kwaad beschouwde;--eigenschappen, die aan JAN WILLEM FRISO
+de bewondering van alle tijden en de liefde van al zijne landgenooten
+hebben waardig gemaakt! Het leger, dat zulk een dierbaar hoofd moest
+missen, was niet te troosten: grijze krijgslieden smolten in tranen.
+Geen wonder dat zij treurden: want zij hadden hem leeren kennen in
+veldslagen en bij belegeringen, en hij had zich nu reeds die liefde en
+dat vertrouwen verworven, waardoor zijne voorouders steeds de ziel van
+de Nederlandsche legermagt waren geweest. Dat leger miste van nu af den
+invloed van die tooverkracht, waarmede de naam van _Oranje_ het altijd
+wist te bezielen"[257].
+
+ [257] LAMIGUE, _Leven_, II 237, 266; VAN EFFEN, _de Misanthrope_, II
+ 21; VAN KAMPEN, _Karakterk._ II 534; BOSSCHA, _Heldendaden_, II
+ 403-519; _Levensbeschrijv. van Nederlandsche Mannen_, VI 154, 284,
+ VIII 260; FERWERDA, _Wapenboek_, II. Acht dagen na 's Prinsen dood
+ (den 14 Julij voorgevallen) werd zijn lijk gevonden, te _Dordrecht_
+ gebalsemd en naar _Leeuwarden_ vervoerd, waar het eerst den 25
+ Februarij 1712 werd bijgezet in den Stadhouderlijken Grafkelder met
+ eene prachtige lijkstatie, voor wier kosten de Staten 16,000 Gld.
+ toestonden.
+
+Maar, welke was de smart der jeugdige gemalin van den Prins, met wie hij
+nog zoo kort verbonden was! Zij was de droefheid zelve, doch tevens een
+toonbeeld van de geestkracht, welke de Christelijke godsdienst onder
+lijden schenkt, als zij niet enkel het verstand, maar heel het gemoed
+vervult. Betaamt het vooral Vorsten, zich door grootmoedige daden en
+edele gezindheden boven de gewone menschen te verheffen--zij betoonde
+zich een echtgenoot waardig, over wien het gansche vaderland met haar
+treurde; zij heiligde dien rouw door haar geloof, en ontving daardoor
+kracht om hare pligten te vervullen, ook als Moeder. Den 1 September
+1711, en alzoo zes weken na den dood zijns vaders, werd WILLEM CAREL
+HENDRIK FRISO te _Leeuwarden_ geboren. De Staten van _Friesland_ die zoo
+veel innige deelneming betoond hadden in den rouw der Prinses, »met
+aanbieding van alle hulp en bijstand, met raad en daad," deelden nu
+evenzeer in den zegen, welke haar ten deel viel. Zij namen het
+Gevaderschap over den jongen Prins op zich, verklaarden het
+Erfstadhouderschap, gelijk ook de twee regimenten zijns vaders, op hem
+vervallen, en gaven meerdere blijken van toegenegenheid en teekenen van
+vreugde. Deze vonden weerklank in het gansche vaderland, dat nu weder
+eene mannelijke spruit bezat uit de huizen van _Oranje_ en _Nassau_,
+waaraan het nu reeds bijna anderhalve eeuw door banden van wederkeerige
+liefde en belang was verknocht geweest.
+
+ * * * * *
+
+Gelukkig spoedde de oorlog, nu weder zoo lang en zoo hevig gevoerd, bij
+'s Prinsen dood ten einde. De trotsche LODEWIJK XIV, die jaar op jaar
+zoo vele verliezen geleden had, en in en buiten zijn land door vijanden
+bedreigd werd, haakte naar den vrede, die, na lange onderhandelingen,
+den 11 April 1713 te _Utrecht_ werd gesloten. Die vrede, welke het
+vaderland eindelijk verademing en rust scheen te beloven, verwekte
+algemeene vreugde, die men ook in _Friesland_ aan den dag legde door het
+afsteken van een prachtig vuurwerk op de marktplaats te _Leeuwarden_.
+Uit deze provincie was daartoe als gevolmagtigde afgevaardigd de
+voortreffelijke staatsman SICCO VAN GOSLINGA, die tevens in den
+Successie-oorlog, van 1706 tot 1711, als Gedeputeerde te velde, door
+zijne uitstekende bekwaamheden het vaderland met raad en daad van dienst
+was geweest[258]. In dien oorlog hadden meerdere aanzienlijke Friezen
+uitgeblonken, waarvan met lof genoemd worden de Generaal-Majoors
+FREDERIK VEGILIN VAN CLAERBERGEN, JOACHIM VAN AMMAMA en FREDERIK VAN
+GROVESTINS. De laatste verwierf nog in 1712 grooten roem, door »met
+ongehoorde stoutheid" in _Frankrijk_ een inval te doen, welke LODEWIJK,
+dien hij tot nakoming van zijne verbindtenissen wilde dwingen, op zijnen
+troon deed sidderen. Met een vliegend legertje van 1800 dragonders en
+huzaren, mede onder bevel van den Brigadier VAN GLINSTRA, trok hij door
+_Champagne_ en de Bisdommen _Metz_, _Toul_ en _Verdun_, legde in 48
+dagen 800 Ned. mijlen in vijands land af, deed gansch _Lotharingen_
+beven, en boezemde ontzag in voor de Nederlandsche wapenen, die geen
+ander doel hadden, dan om door oorlog regt en vrede te verwerven[259].
+
+ [258] Belangrijke berigten over hem zijn medegedeeld door den Heer J.
+ VAN LEEUWEN in _de vrije Fries_, 1844, III 277. Ook BOSSCHA, II 469
+ env. en anderen vermelden hem, wiens graftombe nog de kerk van het
+ dorp _Dongjum_ versiert, met hoogen lof.
+
+ [259] Zie over de genoemde personen: VAN LEEUWEN, in _de vrije Fries_,
+ V 245; BOSSCHA, II 325, 370, 458, 473, 536, 543; WAGENAAR, _Vaderl.
+ Historie_, XVII 426, 466; VAN HAREN, _de Geuzen_, 10e Zang en Aant.;
+ _Frisia Nobilis_, 114, 331, 335; _Stamboek_, I 144, II 84; VAN SMINIA,
+ _Grietmannen_, 53.
+
+Die vrede werd verworven, doch ten koste van stroomen bloeds en
+millioenen schats. Gelukkig, dat de duurzame voorspoed des lands, door
+scheepvaart, handel en landbouw bevorderd, die offers kon brengen; dat
+een bestendige vrede daarmede niet te duur was gekocht in vergelijking
+van den smaad en de verliezen, welke op de zegepraal van en onderwerping
+aan den Franschen despoot zouden gevolgd zijn; en bovenal, dat de
+geestkracht en waardigheid der natie te midden dier dreigende gevaren
+zich zoo grootsch ontwikkelde en zich zoo fier daar boven verhief, dat
+zij niet enkel haren overmagtigen tegenstander, maar gansch _Europa_
+helden kon toonen, die den krijgsroem van _Nederland_ met nieuwen
+luister deden schitteren.--Dat _Friesland_ in de rij der Nederlandsche
+gewesten in staat was, zijn aandeel daartoe bij te brengen op eene
+wijze, zijnen alouden roem waardig--dit vermeldden wij voor de eer onzer
+provincie met genoegen, gelijk het volbrengen van elken pligt jegens het
+vaderland de streelendste gewaarwordingen verschaft.
+
+De belangrijkheid der geschiedenis van dit gedeelte van ons tijdvak en
+de rijkdom der, vroeger nog niet bewerkte, bronnen mogen mij
+verontschuldigen, dat ik dit uitvoeriger dan vorige gedeelten heb
+behandeld, hoezeer daarbij nog te veel achterwege is gelaten, dan dat
+het op volledigheid aanspraak zou kunnen maken.
+
+
+38. _Aanwas en Verbeteringen in den Toestand van Frieslands bodem.
+Waterstaat, Openbare Werken, Nijverheid enz. 1580-1795._
+
+De waarde der dingen rijst of daalt voorzeker naargelang van het
+oogpunt, waaruit wij ze beschouwen of met andere vergelijken. De
+inwoners van een land zijn zelve niet altijd de beste beoordeelaars van
+zijne waarde, vooral met betrekking tot andere landstreken of tot een
+vroegeren toestand. De blik, welke bekwame vreemdelingen daarin werpen,
+bekoort ons soms door nieuwheid en belangrijkheid van inzigten, welke de
+waarde van dit land in onze eigene schatting verhoogen en die de banden
+versterken, met welke wij ons aan onzen bodem en ons volk gehecht
+gevoelen.
+
+Zoo trok voor eenige jaren een bejaard Duitsch geleerde door ons
+vaderland, nog vol van jeugdigen lust en kracht, om het edele, groote en
+schoone, waar hij het vond, te erkennen en te bewonderen, die daarvan
+een gunstig getuigenis gaf[260]. Aan bergachtige natuurtooneelen gewoon,
+trof hem hier, »in deze klassieke vlakte, die afwisseling en
+tegenstelling van land en water, van oude en nieuwere steden, de
+middelpunten van het verkeer des nijveren volks, van fraaije land- en
+waterwegen, van weelderige weiden, heerlijke velden en tuinen, prachtige
+wouden en liefelijke boschjes, waaronder zich de woeste zandgronden
+schier verliezen, en vooral die grootsche duinen en daarachter in de
+verte de graauwe zee, die ontzettende!"
+
+ [260] Ik bedoel den Göttinger Hoogleeraar F. LÜCKE, die met Prof.
+ ULLMANN in 1847 _Nederland_ bezocht en zijne opmerkingen later
+ mededeelde. In _de Tijdspiegel_ en vóór de vertaling van LÜCKE'S
+ _Vredeleus_, Leeuw. 1850, zijn daarvan overzettingen gegeven.
+
+»Ook dit land", dacht hij, »heeft God geschapen en tot eene goede
+woonplaats zijner menschen-kinderen ingerigt, als zij Zijne heilige
+bedoelingen in de natuur regt verstaan en volgen. Juist dit, dat in dit
+land overal de regelende, bouwende, scheppende, worstelende menschelijke
+geest zich vertoont; dat men bij elke schrede de zedelijke degelijkheid,
+nijverheid, koenheid en netheid van het volk kan opmerken, daar het met
+edelen trots het land op de wrokkende zee verovert en er zich tegen
+verdedigt; woeste en vruchtbare gronden evenzeer weet te bebouwen, en
+water met land, vlakte met heuvels met kunstenaarshand, vaak op
+verrassende wijze, tot de liefelijkste landschappen, als tot lusthoven,
+verbindt,--juist dit had voor hem eene groote aantrekkelijkheid. De
+natuur zonder kunst en menschenwerk heeft haar schoon; maar volle
+bevrediging vindt de geest toch eerst dán, wanneer Natuur en
+Geschiedenis elkander doordringen. Ja, 't is een soort van godsdienstig
+genot, een land te zien, van de zedelijke kracht des volks zoo geheel
+doortrokken en bezield als dit, waarin het gebod des Scheppers, dat de
+mensch zich de geheele natuur moet onderwerpen, met zoo veel ernst en
+gelukkig gevolg volbragt wordt."
+
+Elk beschaafd volk heeft zijn historischen grondslag, waarvan het zich
+nooit kan losrukken. Hem kwam het voor, dat ons volk meer dan andere de
+bezielende herinnering van zijne groote gebeurtenissen bewaard-en zijn
+historischen grond, even als zijn land tegen de zee, bewaakt en
+verdedigd heeft. »Bewaart dien edelen historischen zin!" roept hij onzen
+landgenooten ten slotte toe, en wie gevoelt niet, dat in de kennis der
+geschiedenis, ook van den oorsprong en de verbetering van den
+vaderlandschen bodem, eene kracht ligt, om onze vaderlandsliefde te
+bevestigen en den moed te verhoogen, ten einde bij voortduring aan
+deszelfs volmaking met ijver mede te werken.
+
+Is zijne beschouwing op ons vaderland in het algemeen van
+toepassing,--zij is dit in het bijzonder op _Friesland_, waar de natuur
+zoo weinig, de hand des nijveren volks zoo veel ter bescherming en
+verbetering van den bodem heeft verrigt, ook zonder den steun van
+buitenlandsche hulpbronnen, waaraan _Holland_ vooral zijn aanzien en
+grootheid verschuldigd is. Daarom rekenen wij op de belangstelling onzer
+lezers inzonderheid, bij de beschouwing van de ~voornaamste~ oorzaken en
+middelen, waardoor in dit tijdvak de aanwas en de verbetering van den
+Frieschen bodem is bevorderd.
+
+
+_Aanwas. Bedijkingen._
+
+Verlies van grond had _Friesland_ niet meer te betreuren sedert de
+groote veranderingen, welke in de 13e en 14e eeuw de Zuiderzee deden
+ontstaan. (Zie bl. 56-64 hier vóór.) Integendeel, er was op verscheidene
+plaatsen langs de kust gelegenheid tot landwinning, welke zelfs meer
+algemeen zou geweest zijn, indien onze zeedijken, bij grootere breedte
+en vlakte, de bescherming hadden kunnen ontberen van de paalwerken,
+welker regtstandige afwering van de golven nu ten gevolge had, dat de
+aanslag van grond op vele plaatsen verhinderd en het strand uitgekolkt
+werd.
+
+De zelfde oorzaken, welke de verlanding van de Middelzee bevorderd
+hadden, bleven, ook nadat _het Bildt_ van 1505-1508 door een zwaren
+zeedijk was afgesloten, voortgaan, den hoek tusschen _Dijkshoek_
+en _Wierum_, welke bij weste- en zuidweste-winden in de luwte ligt,
+te vullen. Telkens, wanneer die aanslibbing eene belangrijke
+uitgestrektheid had verkregen, werd zij bedijkt. De eerste inpoldering
+daarvan geschiedde in 1580 en 1590 door het bedijken van den _Holwerder
+Wester- en Oosterpolder_ en den _Ternaarder-polder_, gezamenlijk ook
+_Nieuw-Dongeradeel_ genaamd. Hierop volgde in 1600 het bedijken van het
+_Nieuwe Bildt_, niet minder dan 1756 morgen bedragende met bovendien 260
+pondematen _Nieuw Munneke-Bildt_ onder _Ferwerderadeel_. De daarbij
+aangelegde _Nieuwe Bildtzijl_ werd echter reeds in 1655 gedamd, ten
+gevolge der voortdurende aanslijking, welke het mogelijk maakte, om in
+1715 de _Westelijke Bildt-pollen_, groot 444 morgen, en in 1754 de
+_Oostelijke Bildt-pollen_, groot 126 morgen, benevens het gansche
+_Noorderleeg_, door den tegenwoordigen zeedijk binnen te brengen. Sedert
+deze laatste bedijking bleef de gelegenheid tot landwinning benoorden
+_het Bildt_ en _Ferwerderadeel_ zóó gunstig, dat er tot heden, van _St.
+Jacobi-Parochie_ tot voorbij _Blija_, weder eenige honderden bunders
+vruchtbaar land op de kust zijn aangeslibd, welke de namen dragen van de
+_Bildt-pollen-Aanwas_, het _Noorderleegs-Buitenveld_, de _Keegen_ en de
+_Bokke- en Boere-pollen_[261].
+
+ [261] Zie meer uitvoerige berigten deswege in de _Nasporingen
+ betrekkelijk de Middelzee_, 83, 97; _Charterboek_, III 1045; V 487,
+ 489, 541, 1201; VI 163.
+
+Ook op den noordoosthoek dezer provincie werd in 1592 eene groote
+uitgestrektheid lands aangewonnen, doordien de _Anjumer-_ en
+_Lioessenser-polder_ bedijkt en vereenigd werd met het vroegere eilandje
+_de Band_. Doch _Oost-Dongeradeel_, ten opzigte der aanslijking zoo
+gunstig gelegen, verkreeg later een aanwas van nog grooter belang en
+meer gewigtig gevolg voor gansch _Oostergoo_. Bezuiden deze grietenij
+stroomde het Dokkumerdiep als een breede tak van de Lauwerszee tot aan
+de stad _Dokkum_, waar het zeewater eerst gekeerd werd door eene sluis,
+in 1583 aldaar van _Oudzijl_, bewesten die stad, overgebragt. Tusschen
+de dijken van dezen tak verzamelden de slibstoffen zich van lieverlede
+dermate, dat het vernaauwde diep den zeehandel van _Dokkum_ niet enkel
+belemmerde, maar bij hooge vloeden met sterker geweld op de dijken
+aandrong. In 1665 en vooral in 1717 bragt dit groote schade te weeg.
+Daarom nam men toen op nieuw in overweging het reeds in 1584 door de
+naastgelegene grietenijen geopperde denkbeeld (_Chb._ IV 456, V 445),
+om het gansche diep op de grenzen der provincie af te sluiten, door
+bij _Engwierum_ in den wijden mond tusschen _Kollumerland_ en
+_Oost-Dongeradeel_ een dijk met eene zeesluis te leggen. Het voorstel
+daartoe vond bij de Staten dien bijval, dat eerlang tot de uitvoering
+werd besloten. Dit werk, onder het bestuur van den bekwamen WILLEM LORÉ
+in 1725 op eene grootsche schaal ondernomen, werd in 1729 voltooid en
+had, terwijl de kosten bijna 3 tonnen gouds bedroegen, zeer belangrijke
+gevolgen. Want door dezen nieuwen _Statendijk_ van een half uur gaans
+lengte werden de naastgelegene grietenijen ontheven van het onderhoud
+van 6,000 roeden zeedijks ter wederzijden langs het diep tot _Dokkum_;
+de nieuwe zeesluis verving alsnu de Dokkumer, Driezumer, Oudwouder- en
+Kollumerzijlen, die vroeger in genoemd diep uitstroomden; de aangeslibde
+en binnengebragte gronden, die 661 bunders bedroegen, werden nu in
+vruchtbare bouwlanden herschapen, en het kolossale sluisgebouw met drie
+kokers (een meesterstuk van waterbouwkunde) was eene hoofdwaterlossing
+van _Oostergoo-_ en, na het uitgraven van het diep, ook voor de
+scheepvaart van _Dokkum_, eene zaak van groot gewigt geworden; terwijl
+een weg langs den breeden dijk (een model van waterkeering) en brug over
+de sluis eene verbinding daarstelden tusschen twee, vroeger ver van
+elkander gescheidene, grietenijen[262]. Buiten de sluis, sedert de
+_Dokkumer Nieuwe Zijlen_ genaamd, bleef de aanslibbing nog voortduren,
+en werd in 1752 aan de noordzijde het _Engwierumer-Nieuwland_ met een
+zeedijk omsloten. Evenzoo bleef de landwinning voortduren aan de
+zuidzijde van de buitenkil ter vergrooting van _Kollumerland_, hetwelk
+reeds in 1529 door bedijking was verrijkt geworden met de uitgestrekte
+waardgronden van _Nieuw-Kruisland_, ten oosten waarvan in 1689 reeds
+weder een aanwas met een kadijk was omgeven, welke zich tot de
+Buiten-Lauwers of de grenzen van _Groningen_ uitstrekte.
+
+ [262] De gansche geschiedenis van dit groote werk heb ik, bij
+ gelegenheid der droogmaking van de sluis in 1834, uit de
+ _Staats-resolutiën_ opgemaakt en met Prof. DE CRANE uitgegeven in het
+ werkje: WILLEM LORÉ _en zijne Dijken en Sluizen_, Fran. 1835, bl. 39.
+
+Aan de westkust dezer provincie was minder gelegenheid tot landwinning,
+dewijl deze al te zeer bloot stond aan den geweldigen en nimmer
+rustenden golfslag der Zuiderzee. Behalve eene uitgestrektheid lands
+nevens _Dijkshoek_[263], kunnen wij daar enkel gewagen van het
+_Workumer-Nieuwland_, vroeger een inham tusschen de steden _Workum_ en
+_Hindeloopen_. Reeds had Koning FILIPS II in 1557 WILLEM JANSZ.,
+Burgemeester van _Enkhuizen_, toegestaan, om dezen »Inbochte van den
+Strande, het Worckumer-Hop genaempt, omtrent den sluyse, genoempt
+Kolderzijl, groot 300 mergen," te bedijken, toen de Staten van
+_Friesland_ in 1605 en bij herhaling in 1610 daartoe octrooi verleenden
+aan _Workum_, dat de vergunning aan WILLEM JANSZ. bij overdragt had
+bekomen. Werkelijk scheen deze stad in 1621 eindelijk tot de bedijking
+te zullen overgaan; doch, daar de kosten van uitvoering hare krachten
+welligt te boven gingen, verbond zij zich met zes aanzienlijke Friesche
+edelen, die daartoe met haar eene overeenkomst sloten. Kort daarna werd
+het werk ondernomen en de nieuwe zeedijk in 1624 voltooid, waarbij de
+buitenhaven van _Workum_, het Zool genoemd, eene aanmerkelijke
+verlenging bekwam. Bij de aanzienlijke kosten, die hiertoe vereischt
+werden, had men toen en later met groote tegenspoeden te kampen, dewijl
+deze polder, van 1200 pondematen oppervlakte, sedert, ten gevolge van
+doorbraken in den dijk, drie malen is overstroomd geweest. Bij de
+dijkbreuk van 1776 werden er zelfs twee tonnen gouds gevorderd, om de
+geledene schade aan de zeewering, waarin op twee plaatsen gaten waren
+geslagen, te herstellen[264].
+
+ [263] Ten gevolge van aanslibbing werd de _Lunde-_ (of _Lidlumer_)
+ _zijl_ bij _Koehool_, N. W. van _Tjumarum_, verstopt, en onder
+ overeenkomst tusschen Gedeputeerden en de Regering van _Harlingen_,
+ van 1584, naar deze stad overgebragt (_Charterb._ IV 504). Hierdoor
+ ontstond het Lands-zijltje aan de Zoutsloot, thans nog een niet
+ onbelangrijk middel tot uitstrooming in die stad.
+
+ [264] Zie de hiertoe betrekkelijke stukken in het _Charterb._ V 112,
+ 172, 262, 263, 264, 268, 435, 585, 1204; _Reg. Staats-res._ 538, 859;
+ SCHOTANUS, _Beschrijv._ 266; FOEKE SJOERDS, _Beschrijv._ I 258; _Teg.
+ Staat_, III 396; VAN LEEUWEN, _Watervloed_, Inl. 52. Het octrooi van
+ 1557 en daarop gevolgde stukken vindt men in het Prov. Archief, _Lands
+ Dijkagieboek_, kopij 131-150. Het gezegde van WINSEMIUS, aan het slot
+ zijner _Chronique_, dat Keizer KAREL reeds vroeger octrooi zou hebben
+ gegeven, schijnt ongegrond.
+
+Aan de zuidkust werd in 1633 een inham, nabij _Mirns_, bedijkt, welke
+den naam van de _Wielpolder_ verkreeg (_Chb._ V 1205). Verder oostwaarts
+werden daar ter beveiliging des lands buitengewone maatregelen genomen.
+Ten gevolge van den slechten toestand der dijken van _de Kuinder_ en den
+watervloed van 1701, die in de zuidelijke grietenijen groote schade
+veroorzaakte, trachtte men in 1702 deze meer te beveiligen door het
+leggen van een geheel nieuwen zeedijk. Wegens de onvolkomenheid der
+aansluiting met den zeedijk van _Overijssel_, werd deze dijk niet langs
+de kust, maar op eenigen afstand daarvan binnenwaarts gelegd, en wel van
+de zoogenaamde _Boedsteden_ tot _Slijkenburg_, en alzoo langs de plaats,
+waar eertijds de _Schoterzijl_ lag, welke reeds jaren te voren meer
+benedenwaarts naar _Slijkenburg_ aan de Linde was verlegd geworden. Bij
+deze gelegenheid werd er door de provincie in den nieuwen dijk en de
+Tjonger eene sluis gelegd, welke thans nog den naam draagt van de
+_Schoterzijl_, gelijk de nieuwe zeewering dien van de _Statendijk_. Door
+dit belangrijk werk zagen de lage zuidelijke kwartieren hunne veiligheid
+zeer bevorderd; terwijl _Friesland_ daardoor onafhankelijk werd van
+Overijssels waterkeeringen. De landen ten zuiden van den nieuwen dijk en
+ten westen van de Worst-sloot of de grensscheiding werden nu enkel door
+een kadijk afgesloten[265].
+
+ [265] _Charterb._ VI 250-423; _Reg. Staats-res._ 187, 390, 733; FOEKE
+ SJOERDS, _Beschrijv._ I 265; _Teg. Staat_, III 542, IV 328.
+
+Nieuwe stormen en watervloeden in 1702 en 1703, die vooral de dijken van
+_Zevenwouden_ hevig teisterden, vorderden krachtige voorziening en deden
+de Staten zelfs bedacht zijn, om alle provinciale zeedijken te doen
+verhoogen en te verzwaren. Groote beletselen deden zich daartegen op.
+Eerst nadat in 1715 en 1717 dit gewest op nieuw door dijkbreuken en
+overstroomingen veel te lijden had, werden er krachtiger maatregelen tot
+verzwaring van het paal- en aardewerk en tot een beter onderhoud van de
+zeeweringen genomen. (Zie daarover bl. 238 hier vóór.)
+
+Eerlang echter bedreigde eene nieuwe ramp het vaderland met een gevaar,
+waarbij alle menschelijke kracht en schranderheid schenen te kort te
+schieten, doch waartegen 's lands Staten maatregelen van voorzorg in het
+werk stelden, welke even gewigtig als hoogst kostbaar waren. Een kleine
+worm, van een teêr en slijmachtig zamenstel, doch met een harden kop
+gewapend, doorboorde in 1731 en volgende jaren de zeepalen, welke den
+voet onzer dijken beschermen, dermate, dat men daarvan de grootste
+gevaren duchtte. De gansche westkust van _Friesland_, van _Dijkshoek_
+tot _Stavoren_, werd daardoor deerlijk geteisterd. Een harde wind in
+Julij 1732 sleepte bij duizenden doorknaagde palen weg; ook de deuren
+van sommige sluizen werden er door verteerd. De algemeene bekommering
+was zóó groot, dat er zelfs een Bededag werd gehouden, om de verlossing
+van dit kwaad van den Hemel af te smeeken.
+
+Aangezien alle herstelling van het paalwerk vruchteloos scheen, dewijl
+ook het nieuwe hout spoedig werd aangetast, trachtte men den dijksvoet
+te beschermen door zware keisteenen, welke uit _Noorwegen_ aangevoerd-
+en voor de paalwerken geworpen werden. Het landsbestuur kon echter den
+uitslag niet afwachten van dit nieuwe beveiligingsmiddel, dat eerst
+hevig bestreden-, doch later van groote dienst bevonden werd. Men achtte
+het noodzakelijk, om intusschen mede door het opwerpen van
+_Slaperdijken_ binnen de zeedijken de provincie op de gevaarlijkste
+punten door afsluiting te beveiligen. Op drie plaatsen werden zulke
+binnenleggers opgeworpen. Onder het beleid van gemelden Mathematicus
+LORÉ werd in 1732 de eerste dijk gelegd: van den binnendijk van het
+_Workumer-Nieuwland_ tot aan den heuvel, waarop _Koudum_ is gelegen,
+en van daar over _Galama-dammen_ tot aan den hoogen grond van
+_Hemelumer-Nijeburen_. Wegens den stijgenden nood riep men tot dit werk
+de hulp in van het Friesche krijgsvolk. Gesterkt door deze troepen,
+welke met het overige werkvolk een leger van ruim 2,000 man uitmaakten,
+werden in weinig meer dan drie maanden tijds eene binnenlandsche
+waterkeering, sedert de _Koudumer-Slaperdijk_ genoemd, van 180 voeten
+breedte en 1500 roeden lengte, midden door lage landen en diepe vaarten
+opgeworpen, en bovendien drie sluiswerken daarin tot stand gebragt,
+waarvan de kosten met die der aangekochte, deels vergravene, landen op
+ruim 125,000 Gld. te staan kwamen. Ten behoeve der waterlossing is
+later (1775) in het noordelijk gedeelte van dezen dijk, aan het
+_Workumer-Nieuwland_, nog eene sluis gebouwd.
+
+In het volgende jaar, 1733, werd de tweede Slaperdijk gelegd langs het
+dorp _Surig_, bezuiden _Harlingen_, met het doel, om het gevaar, waarin
+de vooruitspringende landhoek, het _Suriger-oord_, verkeerde, en de
+gevolgen, welke eene doorbraak van deszelfs dijken kon te weeg brengen,
+voor het overig gedeelte der provincie schadeloos te maken. Ook deze
+dijk van eene onverbreekbare sterkte, daar hij bij 300 roede lengte, 278
+voet breedte en 13 voet hoogte heeft, zoodat de kosten van aanleg 70,000
+Gld. bedroegen, werd naar het plan en onder opzigt van LORÉ aangelegd,
+die daarin weder een voorbeeld gaf van de volkomenste wijze van
+landverdediging tegen de zee; een voorbeeld, naar hetwelk wij zouden
+wenschen, dat eenmaal al onze overige zeedijken mogten kunnen worden
+hervormd[266].
+
+ [266] Meer uitvoerig heb ik de geschiedenis van het tot stand brengen
+ der beide laatstgemelde werken beschreven in het reeds genoemde
+ werkje: WILLEM LORÉ _en zijne Dijken en Sluizen_, bl. 59 env. waar
+ achter ook de gronden voor den laatst geuiten wensch zijn medegedeeld.
+
+Een niet minder gevaarlijk punt was destijds de _Lemsterhoek_, bewesten
+_de Lemmer_, dewijl men van eene doorbraak daarvan de schadelijkste
+gevolgen voor de _Zevenwouden_ had te duchten. Daarom werd er in het
+volgende jaar, 1734, daar achter mede een Slaperdijk, hoewel tot eene
+mindere breedte en hoogte, opgeworpen, en door deze afsnijding de
+veiligheid der zuidelijke streken niet weinig bevorderd[267]. Het plan,
+in dat jaar ontworpen, om meer binnenwaarts een algemeenen slaperdijk te
+leggen, dóór de lagere streken, van _Hemelumer-Nijeburen_ tot aan het
+hoogere gedeelte van _Schoterland_, is echter wegens het afnemen van de
+verschrikkelijke wormplaag niet ten uitvoer gebragt.
+
+ [267] _Tegenw. Staat_, IV 328. Daar ik vele bijzonderheden van al de
+ vermelde en andere speciale werken hier achterwege moet laten, zoo
+ houde men mij deze kortheid ten goede, uithoofde van het plan en
+ bestek van dit werk. Voor dit tijdvak heb ik slechts de hoofdpunten
+ willen aanwijzen van eene Geschiedkundige Beschrijving van
+ _Friesland_, welke ik gaarne uitvoerig en volledig zou willen
+ behandelen, als het mij niet aan tijd en krachten faalde. Hartelijk
+ wensch ik dus, dat een ander dit belangrijke onderwerp eens
+ opzettelijk mogt bewerken.
+
+Na dit overzigt van de voornaamste middelen tot landwinning en
+verdediging tegen de wateren, welke _Friesland_ immer ~van buiten~
+bedreigen, willen wij nu het oog slaan op de veroveringen, welke de
+nijvere landzaat ~van binnen~ op dit woeste element trachtte te behalen.
+
+
+_Bedijkingen van Meren._
+
+Waarschijnlijk wekte het voorbeeld van _Noord-Holland_, waarin men in
+den aanvang der 17e eeuw zoo vele groote meren bedijkte en droogmaakte,
+ook in _Friesland_ den lust tot dergelijke ondernemingen op. In 1613
+gaven de Staten daartoe het eerste octrooi aan _Stavoren_ ten aanzien
+van den grooten plas, beoosten die stad gelegen, en wiens ondiepte hare
+scheepvaart niet weinig belemmerde. Dan, naauwelijks was daartoe octrooi
+verleend, of er deden zich bezwaren en geschillen op, welke _Stavoren_
+trachtte te ontgaan, door de verkregene vergunning aan vier Raadsheeren
+en eenige andere personen over te dragen (1620). Deze beloofden het
+meer in twee gedeelten te zullen bedijken en droogmaken, met daar
+tusschen een kanaal naar _Stavoren_ en vaarten naar _Warns_ en
+_Molkwerum_. Met groote moeite werd dit werk volbragt, en het
+_Stavorsche Noorder-_ en _Zuidermeer_, ieder ongeveer 200 morgen groot,
+in vruchtgevend land herschapen. Niet minder moeite was er aan
+verbonden, om dit land droog te houden, hetgeen in het eerste meer met
+één en in het laatste met twee molens naauwelijks kon geschieden. Toen
+nu de molens van het Zuidermeer vernieuwd moesten worden, en Dr.
+BERNARDUS SCHOTANUS à STERRINGA, die in 1690 deze grietenij in kaart
+bragt, eene nieuwe soort van watermolen had uitgevonden, waarmede hij
+zoo veel water als met tien andere meende te kunnen uitmalen, behaagde
+het den eigenaren, hun regt aan hem over te dragen, en de Staten, om hem
+gunstige toezegging van ondersteuning te doen, ten einde het Zuidermeer
+droog te houden (1697). Nadat SCHOTANUS zich daartoe verbonden had met
+ERNST MOCKEMA VAN HARINXMA THOE SLOOTEN, Grietman van _Baarderadeel_,
+werd dit doel wel bereikt, echter niet zonder latere (tot heden
+voortdurende) subsidie der Staten, die ook hulp verleenden, toen beide
+meren bij den stormvloed van 1776 overstroomd werden[268].
+
+ [268] WINSEMIUS, _Chronique_, aan het slot; _Tegenw. Staat_, III 292;
+ _Charterb._ V 634, 1204; _Reg. Staats-res._ 367, 473, 543, 546, 764;
+ VAN LEEUWEN, _Watervloed_, Inl. 53.
+
+In 1633 bepaalden de Staten, dat het den bedijkers van meren zou
+vrijstaan, om tot het maken van dijken en ringslooten de omgelegene
+landen, tegen vergoeding, te gebruiken en bruggen en vaarten te
+verleggen. Dit strekte tot geene geringe aanmoediging en niet minder tot
+wering van geschillen. In 1633 werd alzoo het _Cherne-_ of _Sensmeer_
+met het daaraan verbondene _Atsebuurstermeer_, bewesten _Westhem_,
+bedijkt. Ook de droogmaking van het groote _Warregastermeer_ en van het
+kleine _Jornahuistermeer_, nabij _Warrega_, werd in dit jaar
+aangevangen. Meerdere octrooijen tot bedijking, waaraan veelal vijftig
+jaren vrijstelling van lands lasten was verbonden, werden er verleend,
+hoewel niet van alle is gebruik gemaakt. De laatste en voornaamste
+betroffen het _Wanswerdermeer_, groot 100 pondematen, in 1753; het
+_Hempenzermeer_ in 1779; het _Sillaardermeer_ onder _Kornwerd_ in 1778,
+om niet te spreken van kleinere meren, onder _Hallum_, _Ferwoude_,
+tusschen _Gaast_ en _Piaam_, bij _Surig_ enz.[269].
+
+ [269] _Charterb._ V 356, 634, 1204; _Reg. Staats-res._ 321, 539, 540,
+ 548, 553, 556, 632, 717.
+
+
+_Polders._
+
+Meer algemeen en voor de uitbreiding en ontwikkeling van den
+provincialen landbouw van nog grooter belang was het aanleggen van
+_Polders_. Landen, die ten gevolge van hunne lage ligging weinig vrucht
+gaven, of die bij de minste rijzing van het boezemwater spoedig blank
+stonden, werden, door ze met polderdijken te omsluiten, te bemesten en
+met een watermolen droog te houden, veel verbeterd en tot duurzaam
+gebruik geschikt gemaakt; terwijl andere, enkel door eene zomerkade
+omgeven, alleen 's winters aan de overstrooming van het buitenwater
+bleven bloot gesteld. Onmogelijk kunnen wij hier in bijzonderheden
+treden waar en wanneer die bepolderingen in verschillende oorden hebben
+plaats gehad. Nogtans mogen wij, als de voornaamste, niet onvermeld
+laten: de _Tjaard van Aylva's-polder_ bij _Burgwerd_, in 1680
+door de zorg van dezen Grietman van _Wonseradeel_, gelijk de
+_Greonterper-polder_, in 1714 onder zijn zoon en opvolger tot stand
+gebragt. De lust daartoe wakkerde aan na het uitvinden eener verbeterde
+zamenstelling van watermolen (1643, 1660, 1690), en nadat de aandacht
+der Staten op het hooge belang der zaak was gevestigd (1718). Veel
+hadden de toen nog weinig ontwikkelde grietenijen _Haskerland_ en
+_Doniawarstal_ aan die bepolderingen te danken; vooral, omdat zij op
+eene groote schaal met onbekrompene zorg werden verordend door de
+uitstekende staatsmannen Jhr. PHILIP FREDERIK en Jhr. JOHAN VEGILIN VAN
+CLAERBERGEN, waarvan de eerste van 1707 tot 1738 Grietman van
+_Haskerland_ en de laatste van 1722 tot 1772 Grietman van _Doniawarstal_
+was. Behalve twee hoofdwegen, legde de eerste in 1716 beoosten _Joure_
+een polder aan, welke nagenoeg een derde van de oppervlakte dier
+grietenij omvatte; terwijl de laatste in 1731 den _Vegilins-polder_
+onder _Langweer_ en in 1735 den _Boornzwaagster-polder_, te zamen groot
+720 pondematen, mogt tot stand brengen, en bevorderde, dat in 1741 de
+_Tryegaster-polder_, bevattende 1000 pondematen onder de drie dorpen
+_Ouwsterhaule_, _Ouwster-Nijega_ en _Oldouwer_, werd aangelegd. Doordien
+bij dit laatste werk aan den Nieuwe Rijn eene kortere rigting werd
+gegeven, en de meeste polderdijken met boomen beplant werden, was de
+herschepping van dit oord van zóó veel belang en bleken de voordeelen
+dezer ondernemingen zoo groot te zijn, dat ook andere voorname eigenaars
+werden aangespoord, dit loffelijk voorbeeld te volgen, waardoor daar en
+elders meerdere polders werden aangelegd, welke de aangewende moeite en
+kosten, door eene verhoogde vruchtbaarheid, weldra rijkelijk vergoedden.
+Dit alles te zamen genomen en gevoegd bij vele verbeteringen van
+bijzondere en openbare werken, had een gunstigen invloed op de
+ontwikkeling van landbouw, veeteelt en welvaart. En mogt JANCKO DOUWAMA
+in 1514 van _Friesland_ getuigen, dat het in den winter »quaet was to
+_Lewerden_ to comen, met dat het landt al vnder het water lach,"--ook
+ten aanzien van den waterstaat was er eene belangrijke schrede
+voorwaarts gedaan, om latere verbeteringen voor te bereiden[270].
+
+ [270] Zie J. DOUWAMA'S _Geschriften_, 201, en omtrent het verder
+ vermelde _Reg. Staats-res._ 3, 539, 546, 632; _Tegenw. Staat_, III
+ 490, 492, 494, 501, 505, IV 491; V. SMINIA, _Grietmannen_, 350, 358;
+ SCHELTEMA, _Staatk. Nederl._ II 388, _Wapenboek_ en _Stamboek_ in
+ _Vegilin_.
+
+
+_Groote Veenkanalen, Ontginningen enz._
+
+Verbetering en vooruitgang, ja, bestonden er; doch ten aanzien van het
+bedijken van meren en het bepolderen van landen was dit meer bijzonder
+het geval in de lager gelegene westelijke helft dezer provincie. Het
+veelal hooger liggende oostelijk gedeelte had daarin echter in een ander
+opzigt aandeel. De meeste grietenijen van _Zevenwouden_, grootendeels
+bestaande uit zandgronden en hooge en lage veenen, hadden behoefte aan
+afgraving en ontginning; en de wakkere geest onzer vaderen heeft zich
+daar, na het overwinnen van groote bezwaren, werkzaam getoond op eene
+wijze, waarover wij met regt verwonderd staan, als wij de schoone
+plaatsen _Heerenveen_, _Dragten_, _Beetsterzwaag_, _Gorredijk_,
+_Oudeberkoop_, _Balk_ enz. met hare lommerrijke omstreken als de
+vruchten eener verstandige volks-nijverheid beschouwen. 't Zou een
+belangrijk tafereel opleveren, de trapswijze ontwikkeling van die
+plaatsen en oorden in bijzonderheden na te sporen. Hier kan ik slechts
+de hoofdtrekken daarvan vermelden, in verband met den aanleg van zoo
+vele vaarten, welke ik echter met de nieuwe wegen aan het einde van dit
+hoofdstuk wilde behandelen.
+
+Naarmate de vroeger (bl. 150) vermelde afgraving van de hooge veenen in
+_Schoterland_ toenam, werd de eerst van nabij _Akkrum_ naar
+_Heerenveen_ en vervolgens verder oostwaarts gegravene Compagnonsvaart
+verlengd en wegens den rijzenden grond met vier schutsluizen voorzien.
+Aan de boorden daarvan nam _Heerenveen_ in omvang en bloei toe, en
+breidde _Nieuw-Brongerga_ of de _Beneden-_ en _Boven-Knijpe_ zich uit.
+Welige weiden hadden de plaats vervangen van het dorre hoogveen, dat nu
+den turfhandel en scheepvaart ruim vertier verschafte. In 1732 ontvingen
+deze Compagnons der _Dekama-_, _Cuick-en-Foits-veenen_ op nieuw octrooi
+van de Staten, »om hun Veenvaart, dwars door de ruwe en sterile veenen,
+ook anderen toebehoorende, verder te mogen graven," zoodat zij
+vervolgens tot nevens _Hornsterzwaag_ werd opgelegd. Gelijke
+herschepping tot bouwland en bosschen ondergingen ook de omstreken van
+_Brongerga_ en _Oudeschoot_, sedert Prinses ALBERTINE AGNES op dien
+zandgrond, kort na 1664, het vorstelijk lustslot _Oranjewoud_ liet
+bouwen en den omtrek beplanten, hetwelk ook anderen tot ontginningen
+aanmoedigde, waardoor dit oord eerlang een bekoorlijk aanzien
+verkreeg[271].
+
+ [271] Zie _Tegenw. Staat_, III 518, 528; _Reg. Staats-res._ 552.
+
+Eene dergelijke groote verandering, ten gevolge van het graven van eene
+Veenvaart ten behoeve van het afsteken van het hoogveen, onderging ook
+het oostelijk gedeelte der grietenijen _Smallingerland_ en _Opsterland_;
+en de eerst onbeduidende dorpjes _Noorder-_en-_Zuider-Dragten_ hadden
+daaraan hunne opkomst en uitbreiding tot een aanzienlijk vlek te danken.
+De hoofdaanleiding daartoe was, dat zij in 1641 eene overeenkomst sloten
+met zekeren PASSCHIER HENDRIK BOLLEMAN van _'s Gravenhage_, die, in
+gemeenschap met eenige anderen, aannam, eene hoofdvaart of grifte van
+ongeveer 30 voet breedte, benevens eene dwarsvaart te graven en met
+bruggen en sluizen te voorzien, met oogmerk, om bij de veenen te kunnen
+komen, die te vergraven en den turf langs die vaarten af te voeren. Dit
+doel werd niet enkel bereikt en de vaart en dwarsvaart met vele wijken
+in de eerstvolgende jaren tot op de grenzen dier grietenijen volbragt,
+maar vruchtbare bouw- en weilanden namen weldra de plaats in der veenen,
+wier afgraving en vervoer leven en werkzaamheid, handel en voorspoed
+verspreidden, zoodat in die zelfde jaren de weinige huizen van _Dragten_
+tot eene groote en welgeregelde buurt aangroeiden, waarbij spoedig
+molens en fabrijken, kerken, scholen en andere gebouwen gesticht werden.
+Deze uitbreiding en welvaart had men alzoo alléén te danken aan het
+graven van de vaart, die, naarmate de verveening zich uitbreidde, ten
+gevolge van eene nadere overeenkomst van 1649, drie uren verderop werd
+gegraven langs _Ureterp_ en de _Friesche palen_ naar _Bakkeveen_ (1664).
+Van daar is zij later (1756) voortgezet tot voorbij het dorp _Haule_,
+waar eene dwarsvaart aanleiding heeft gegeven tot het ontstaan van de
+uitgestrekte veenkolonie _Haulerwijk_[272].
+
+ [272] Naauwkeurige bijzonderheden omtrent het eerste bevat het fraaije
+ werkje van mijn vriend J. G. VAN BLOM, _de opkomst van het vlek
+ Dragten_, Leeuw. 1840. Zie over _Bakkeveen_ D. H. VAN DER MEER in den
+ _Friesche Volks-Almanak_, 1839, 29 env.
+
+In het westelijk gedeelte dier zelfde grietenij _Opsterland_ waren JUW
+DEKAMA en anderen reeds vóór 1580 begonnen onder _Korte-_ en
+_Langezwaag_ te verveenen, waartoe de Jonkerssloot en de Nieuwesloot
+werden gegraven, toen in 1645 de Heeren CRACK, OENEMA, FOCKENS en
+TEIJENS eene belangrijke overeenkomst slooten tot het graven van vaarten
+en het ontginnen van de veenen in dat oord. Een gevolg hiervan was, dat
+er van genoemde slooten een beter afvoerkanaal gegraven werd
+noordwestwaarts over de Wijde-Wispel en het Nieuwe diep tot in de
+Boorn. Als het begin eener groote onderneming was dit kanaal van veel
+gewigt. Spoedig werd het ook zuidoostwaarts voortgezet naar het
+Gorreveen. Hierbij ontstond er op de plaats, waar die nieuwe vaart den
+rijdweg sneed, langs beide eene kruisbuurt, _Gorredijk_, welke ten
+gevolge van verveening, ontginning en handel zoo sterk werd aangebouwd,
+dat zij, na in 1672 versterkt te zijn, in 1685 eene eigene kerk bekwam
+en een welbebouwd en aanzienlijk vlek is geworden. Reeds lag het in het
+plan van genoemde heeren, deze vaart ook verder oostwaarts op te leggen,
+zelfs tot naar _Bakkeveen_. Toen nu in 1704 AUGUSTINUS LYCKLAMA À
+NIJEHOLT, sedert 1693 Grietman van _Opsterland_, de voornaamste eigenaar
+was der veenvaarten van _Gorredijk_, _Terwispel_, _Kortezwaag_ en
+_Lippenhuizen_, verzocht en verkreeg hij met zijne compagnons van de
+Staten verlof, om de vaart van _Lippenhuizen_ verder oostwaarts dwars
+door de hooge veenen te mogen graven en opleggen. Dit geschiedde, en na
+verloop van ruim 50 jaren was de breede vaart reeds voorbij _Hemrik_ en
+_Wijnjeterp_ gevorderd, het veen vergraven en als turf vervoerd, en de
+ondergrond deels tot vruchtbaar land gemaakt. Zijn zoon DANIEL DE BLOCQ
+LYCKLAMA À NIJEHOLT, van 1731 tot 1773 Grietman van _Oost-Stellingwerf_
+en vervolgens tot 1781 van _Opsterland_, wilde deze onderneming
+vervolgen, en gaf daartoe in 1778 den Staten te kennen, hoe gunstig de
+aangevangen arbeid tot dusverre geslaagd was; dat de behoefte der
+fabrijken vorderde, dat er meerdere veenen werden aangestoken, en dat de
+uitgestrekte veenvelden van _Appelscha_ en _Fochteloo_ hem daartoe het
+meest geschikt voorkwamen; weshalve hij octrooi verzocht, om de vaart te
+verlengen en nu in zuidoostelijke rigting te graven over _Donkerbroek_,
+_Oosterwolde_ en _Appelscha_ tot aan de grenzen van _Drenthe_, tot welke
+hoogst nuttige onderneming hij, als voornaamste eigenaar, reeds
+toestemming van de overige eigenaars en ingezetenen had verkregen. De
+Staten, vreezende, dat deze provincie daardoor met het invloeijende
+water uit _Drenthe_ zou bezwaard worden, wezen dit verzoek eerst af;
+doch de zaak was van zoo groot gewigt en zoo uitgestrekt gevolg, dat zij
+later een naauwkeurig onderzoek van het terrein bevolen, en eerst
+daarna, den 2 Mei 1781, hunne toestemming verleenden, onder voorwaarden,
+dat de vaart niet verder dan tot op 20 koningsroeden afstands van de
+grensscheiding mogt worden gegraven, en dat er »een val of schuttelbank"
+(duiker) in de Kuinder of Tjonger gelegd zou worden, waar de vaart dit
+riviertje zoude snijden, volgens eene overeenkomst, met de grietenijen
+_Schoterland_ en _West-Stellingwerf_ deswege te sluiten[273].
+
+ [273] Opgemaakt uit de Staats-resolutiën, benevens oorspronkelijke
+ stukken uit het Provinciaal Archief. Zie ook _Tegenw. Staat_, III 568;
+ VAN SMINIA, _Grietmannen_, 387, 388.
+
+Werkelijk ving hij met de zijnen kort na het ontvangen van het octrooi
+den arbeid aan, en werd de vaart met een scherpen hoek zuidoostwaarts
+voortgezet over _Donkerbroek_ tot nabij de Tjonger, waaraan een kapitaal
+van ongeveer 80,000 Gld. werd te koste gelegd. Dan nu deed er zich
+omtrent de voortzetting een belangrijk bezwaar op. Kort vóór het
+ontvangen van het octrooi had hij deswege eene overeenkomst aangegaan
+met de provincie _Drenthe_, welke had op zich genomen, de vaart te
+vervolgen van de Tjonger tot aan de grenzen of in de Wittewijk. Sedert
+de groote Smildervaart in 1612 onder _Diever_ was aangevangen, had het
+landschap daarvan in 1767 den eigendom bekomen; doch om de menigvuldige
+bezwaren van _Overijssel_ ten aanzien der uitvaart van _Meppel_ naar
+_Zwartsluis_ te ontgaan, trachtte _Drenthe_ nu langs deze vaart een
+afvoer door _Friesland_ te bekomen. Dit mislukte ten gevolge der
+bepaling van het octrooi, dat de vaart niet _door_ de grenslinie
+gegraven mogt worden. Na lang uitstellen, begon _Drenthe_ omstreeks 1790
+wel eene geul of vaart te graven van de Tjonger naar _Appelscha_, doch
+ten gevolge der omwenteling bleef dit werk steken. Hoe ijverig ook de
+erven LYCKLAMA bij de verschillende opvolgende besturen op de uitvoering
+aandrongen, eerst in 1810 vernietigde Koning LODEWIJK hunne overeenkomst
+met _Drenthe_, hen vrij latende, de onderneming op eigen kosten voort te
+zetten. Niet voor 1813 konden de Compagnons daaraan gevolg geven. In
+1816 en 1817 werd nu de vaart met rijdweg daarnevens voortgezet tot
+onder _Oosterwolde_, en was zij in 1819 tot nevens _Appelscha_ genaderd,
+waarna zij tot op 20 roeden van de grens is voltooid en later met
+zijtakken uitgebreid. Tot bestrijding der kosten van deze kapitale vaart
+met daartoe behoorende werken, waartoe wegens het bestendig rijzen van
+den grond, acht verlaten, benevens een duiker in de Tjonger en
+onderscheidene groote bruggen behooren, is van 1816 tot 1841 eene som
+van 120,000 Gld. genegotieerd, terwijl men intusschen in 1827 begonnen
+is met het verkoopen van het hoogveen[274]. Sedert zijn er door het
+afsteken van het veen en het vervoer daarvan met duizenden turfschepen,
+door ontginning van de ondergronden en door het bouwen van huizen en
+schepen, tonnen schats in omloop gebragt, de welvaart der ingezetenen
+bevorderd, de dorpen _Donkerbroek_, _Oosterwolde_ en _Appelscha_
+uitgebreid en in bloei toegenomen, en de herschepping en ontwikkeling
+voorbereid van een oord, dat eeuwen lang, als »een leedig capitaal en
+dood corpus," veelal woest had gelegen, vóór dat de nijvere menschelijke
+hand het ten dienste van duizenden de schatting afdwong tot
+vermeerdering van de welvaart en het nationaal vermogen. Lof en eere
+komt daarvoor aan de wakkere ondernemers toe, doch vooral aan den
+eersten ontwerper, wiens naam men te regt in gedachtenis heeft willen
+houden door het in 1848 nieuw gebouwde Compagnonshuis te _Appelscha_ te
+noemen: _Augustinus-state_.
+
+ [274] Toen was er nog geene spade gestoken in het veen, en thans
+ werken er des zomers veelal meer dan _duizend_ personen in, en varen
+ er jaarlijks ongeveer 8 à 9,000 turfschepen door _Oldeboorn_ en
+ _Gorredijk_ derwaarts. Van _Gorredijk_ tot _Appelscha_ of het 8e
+ verlaat is het verschil van den waterstand bijna _elf_ Ned. ellen. Zóó
+ veel hooger ligt de zuidoosthoek dezer provincie dan het binnenland.
+
+Veel wordt er thans in ons land gesproken over kanalisatie. Doch weinig
+bekend is het, hoe krachtig _Friesland_ te dezen aanzien vele andere
+provinciën is vóórgegaan, dewijl alléén de laatst vermelde drie groote
+veenvaarten te zamen eene lengte van ruim _twintig_ uren gaans uitmaken,
+welke, ten gevolge der ondernemingszucht van partikulieren, door
+menschenhanden zijn uitgegraven en met zoo talrijke sluizen, bruggen,
+wegen en andere werken voorzien. Eene vergelijking der kaarten van den
+_Nieuwe Atlas van Friesland_ met die van SCHOTANUS, van 1664 en 1718,
+levert overtuigende bewijzen op, hoe véél er in dit opzigt alleen in de
+laatste 150 jaren in deze provincie is verrigt, en hoe zeer zij daardoor
+in waarde, in geldelijk en voortbrengend vermogen, in bewoonbaarheid en
+geschiktheid tot voortdurende ontwikkeling is toegenomen.
+
+Doch ten aanzien van dit onderwerp is dit nog niet alles. De grietenij
+_West-Stellingwerf_ onderging mede groote verandering. Nadat de Staten
+vergunning hadden verleend tot het graven van drie vaarten: uit de
+Tjonger naar _Wolvega_ (1645) en uit de Linde naar _Finkega_ en naar
+_Noordwolde_ (1642), werd ook de groote uitgestrektheid heide en
+hoogveen, tegen de zuid-zuidoostelijke grenzen, aangestoken, afgegraven,
+met breede dwarsvaarten en wijken. doorsneden en ten behoeve van den
+landbouw ontgonnen. Nog in 1782, toen TJEERD en MARCUS VAN HELOMA
+eigenaren van deze veen-compagnie waren, ontvingen zij op nieuw octrooi,
+om uit de Compagnons-Vierdepartendwarsvaart, dóór de grens, tot in het
+Vleddersche veen te mogen opwijken.--Ook het zuidelijk gedeelte der
+grietenij _Achtkarspelen_, waar de monniken van _Gerkesklooster_ reeds
+vroeg turf groeven, welken zij langs de Oude Veenstervaart en door
+_Munnekezijl_ uitvoerden, werden de ondergronden in den omtrek van
+_Surhuisterveen_ omstreeks 1600 door een aantal Doopsgezinden meer
+ontgonnen en bebouwd, en werd er in 1648 eene vaart gegraven van daar
+naar het Kolonelsdiep, waaraan een dwarsvaart en ontelbare wijken werden
+verbonden. Evenzoo ontstond het dorp _Rottevalle_ ten gevolge van
+verveeningen, welke ook in de daarbij gelegene Folgera-veenen bestendig
+werden voortgezet (1742). Met regt kon alzoo Jhr. VEGILIN in 1766
+zeggen: »dat door dit alles werd te weege gebragt, dat de geheele
+oostersche zoom van onze Provintie, die voor 150 jaar of daar omtrent
+nog t' eenemaal onvrugtbaar en met hooge Veenen bezet was, een cierlyke,
+vrugtbare, en wel bevolkte Landsdouw is geworden"[275].
+
+ [275] Jr. J. VEGILIN VAN CLAERBERGEN, _Vertoog over de Veengraveryen_,
+ Leeuw. 1766, 24, 29, 179; _Reg. Staats-res._ 320, 539, 540;
+ _Charterb._ V 503; _Teg. Staat_, III 593 env.; BLAUPOT TEN CATE,
+ _Geschiedenis der Doopsgezinden in Friesland_, 165.
+
+
+_Vergraving van de lage Veenen._
+
+Verleenden de Staten gaarne aanmoediging tot _af_graving van de _hooge_
+veenen, omdat beide, het voortbrengsel en de ondergrond, strekten om het
+nationaal vermogen te vermeerderen,--met meer zorg sloegen zij steeds de
+_ver_graving van de _lage_ veenen of klynlanden gade, omdat het
+voortbrengsel alléén en voor ééns voordeel gaf, doch een groot deel
+lands in een waterplas verkeerde en aan den landbouw en de bewoning
+onttrok. Reeds in 1600 en 1610 rezen er klagten over de nadeelen, welke
+dit landverderven voor de naastlegers en 's lands kas te weeg bragt.
+Evenwel enkel om de schade wegens verlies van grondbelasting te
+verhoeden, werd toen deswege vastgesteld, dat niemand zulk eene
+veengraverij mogt beginnen, vóór dat hij in het zelfde dorp een ander
+stuk lands had aangewezen, waarop de floreen tot hoeding van de lands
+schattingen en andere lasten, op de te vergraven landen liggende, wierd
+overgebragt. Later moest er eene som van 100 Rijksdaalders en daarna van
+500 Gld. voor elken floreen op obligatie in 's lands kas gestort worden,
+tot verzekering van de floreenschatting der provincie. Na 1718 liet men
+alleen op deze en soortgelijke voorwaarden de verdere vergraving toe,
+welke, na onder _Oostermeer_ en _Boornbergum_ en in _Haskerland_ te zijn
+begonnen, inzonderheid na 1680 in _Tietjerksteradeel_, _Ængwirden_,
+_West-Stellingwerf_, _Opsterland_ en elders sterk was toegenomen[276].
+
+ [276] _Charterb._ V 171, VI 256; _Reg. Staats-res._ 382, 429, 448,
+ 459, 530, 531, 535, 818, 823; _Teg. Staat_, III 525, IV 573.
+
+Tot dusverre waren de nadeelen dezer verveening voor de provincie niet
+zoo groot, dewijl men den turf gemeenlijk uit lange petten groef, waar
+tusschen men eene smalle strook gronds liet liggen, zoodat deze veenen
+na lang verloop van tijd weder digt groeiden en tot beweidbaar land
+gemaakt werden. Maar in den jare 1751 kwam een aantal veenbazen en
+werklieden uit _Giethoorn_ herwaarts, die eene andere wijze van
+verveenen invoerden, welke aan enkele personen wel grootere voordeelen
+aanbragt, doch armoede naliet, dewijl daarbij het gansche stuk lands
+werd vergraven. Vooral in de omstreken van _St. Jansga_ en _Oudehaske_,
+gelijk ook bezuiden _Oostermeer_ (de Leijen), in _West-Stellingwerf_ en
+elders zijn daardoor verbazende kommen waters ontstaan. De verzending
+van de daaruit gegravene baggelaar en sponturf naar _Holland_, en elders
+bragt evenwel aanzienlijke winsten op, welke vele eigenaars destijds in
+koophandel en scheepvaart besteedden en daarvan alzoo nieuwe voordeelen
+trokken. Te vergeefs wezen deskundigen op de gevolgen van dit
+landverdervend kwaad. Ook de Staten namen in overweging, om het gevaar,
+dat hieruit, bij toeneming, voor deze provincie was te duchten, te keer
+te gaan. Doch zij deinsden terug voor de bezwaren, en bij hun besluit
+van 2 Maart 1767 werd alles weder op den ouden voet gelaten[277].
+
+ [277] Om de Staten bij hunne beraadslagingen over dit onderwerp voor
+ te lichten, schreef Jhr. VEGILIN het genoemde belangrijke werkje over
+ de _Veengraverijen_, waarin hij de vermelde nadeelen en de middelen
+ daar tegen uitvoerig aanwijst. Zijne denkbeelden vonden echter
+ verscheidene bestrijders in GERLSMA, ONEÏDES en anderen, die daar
+ tegen geschriften in het licht gaven. Zie ook _Reg. Staats-res._ 818.
+
+
+_Nieuwe Vaarten en Wegen._
+
+Het plan der Magistraten van _Harlingen_ en _Leeuwarden_, om langs de
+vaart tusschen beide steden een bepuind trekpad aan te leggen, in 1640
+ontworpen en in 1646 volbragt, was niet enkel ter bevordering van eene
+geregelde gemeenschap en ten behoeve van handel en scheepvaart van veel
+belang, maar de goede uitslag daarvan wekte allerwege een geest van
+navolging op, welke voor de gansche provincie gunstige gevolgen had. In
+het volgende jaar 1647 wist _Dokkum_ alléén een dergelijken trek weg
+langs de Ee naar de hoofdstad tot stand te brengen, en het betoonde een
+ongemeenen moed en ijver, door maatregelen aan te wenden tot het doen
+graven van een geheel nieuw kanaal met rijdweg, van daar langs _Kollum_
+tot _Stroobos_. Vermits de uitvoering van deze groote onderneming afhing
+van het besluit der provincie _Groningen_ nopens het vervolgen van deze
+vaart, van _Stroobos_ tot de stad _Groningen_, vorderde de zaak niet
+spoedig. Onder begunstiging des Stadhouders werd zij echter van 1654 tot
+1656 volbragt en voortgezet, waardoor de gemeenschap met het naburige
+_Groningen_ veel verbeterd- en het verkeer met _Dokkum_, mede als plaats
+van doortogt, zeer bevorderd werd.
+
+Ook de steden _Bolsward_ (1652) en _Sneek_ (1662) sloten zich bij
+den trekweg van _Leeuwarden_ op _Harlingen_ aan. Van _Bolsward_
+werd de trekweg verlengd tot _Workum_; ja zelfs zijn er octrooijen
+verleend tot het graven van eene vaart met trekweg van _Sneek_ en
+_Workum_ naar _Stavoren_, welke beide laatste plannen echter niet tot
+stand zijn gekomen. Aanzienlijke dorpen, als _Hallum_, _Rinsumageest_,
+_Kollum_ (1648) en daarna ook _Weidum_ (1688) trachtten zich tevens in
+het genot te stellen van zulk een verbeterd middel van vervoer en
+gemeenschap, door het aanleggen van zijtakken van hunne buurten
+naar de hoofdtrekvaarten. Voegt men hierbij, dat er te gelijk octrooijen
+werden verleend tot het leggen van eenen weg van _Dokkum_ naar
+_Damwoude_ (1649), en van eene vaart met weg van _Damwoude_ naar _Dokkum_
+(1664), van eene vaart naar _Twijzel_ (1680) en naar _Driezum_ (1688),
+en van wegen door _Schoterland_ (1661), naar _Grouw_ (1671), van
+_Koudum_ over _Galama-dammen_ naar _Hemelum_ (1688) en vele andere
+meer[278],--dan zien wij in de laatste helft der 17e eeuw dit onderwerp
+met buitengewonen ijver behartigd, zoodat eene veel verbeterde
+gemeenschap met de hoofdstad en tusschen vele steden, dorpen en oorden
+daarvan het gevolg was.
+
+ [278] Zie breedere berigten deswege in de _Geschiedkundige
+ Beschrijving van Leeuwarden_, II 67, 423 en de daar aangehaalde
+ stukken; alsmede op de genoemde jaren onder de Octrooien in het
+ _Register op de Staats-resolutiën_ en vele daarvan in het
+ _Charterboek_.
+
+Was de oostelijke hoofdweg der provincie door het aanleggen van den
+Zwarteweg, reeds in 1531, veel verbeterd--de zuidelijke, van
+_Leeuwarden_ naar _Steenwijk_, had daaraan evenzeer behoefte. Tot
+_Roordahuizum_ den ouden zeedijk volgende, was hij in 1546 eerst langs
+_Friens_, later door _Rauwerd_ gelegd, om over _Irnsum_ en de _Oude
+Schouw_ naar _Akkrum_ te leiden. Nog grooter omweg moest men maken van
+daar tot nabij _Oldeboorn_ en dan naar _Terbandsterschans_, langs een
+kronkelenden weg, wiens vorm weinig van dien eener zaag verschilde. 't
+Was dus bij voorraad eene wezenlijke verbetering, toen Jhr. PHILIP
+FREDERIK VEGILIN VAN CLAERBERGEN naast het grootste en slechtste
+gedeelte dezer beruchte _Haskerdijken_ een nieuwen en nagenoeg regten
+weg liet leggen. Hij deed dit in het zelfde jaar 1716, dat hij den hier
+vóór vermelden grooten polder in _Haskerland_ aanleidde, en bekroonde
+dit werk tot heil zijner grietenij in 1723, door van genoemden weg over
+het Deel (_de Nieuwe Schouw_) een geheel nieuwen weg te leggen naar het
+aanzienlijke vlek _Joure_, dat hem en zijn nageslacht zoo veel is
+verpligt.
+
+Deze weg was van te meer belang, omdat een ander verdienstelijk
+Grietman, REGNERUS VAN ANDRINGA, van _Lemsterland_, welingerigte
+veerschepen had doen aanleggen van _de Lemmer_ op _Amsterdam_, _Zwolle_
+en _Kampen_ (1703), alsmede een postwagen van _de Lemmer_ op _Groningen_
+en daarna ook op _Leeuwarden_ (1740), waardoor hij mede het belang van
+eerstgenoemde zeeplaats, zoo veel aan hem verschuldigd, gelijk ook van
+_Joure_, als plaats van doortogt, bevorderde[279]. Behalve de vroeger
+genoemde, vinden wij overigens in de 18e eeuw niet verder gewag
+gemaakt, dan van het aanleggen van een rijdweg over de Ried door de
+_Trynwouden_ (van _Ryperkerk_ naar _Oudkerk_) in 1725, en van _Sondel_
+naar _Takozyl_ in het zelfde jaar; alsmede van de Helomavaart onder
+_Oudetryne_ in 1748[280].
+
+ [279] _Charterb._ VI 394; _Reg. Staats-res._ 547, 550, 842; VAN
+ SMINIA, _Grietmannen_, 358, 373; TE WATER, _Verbond der Edelen_, II
+ 157.
+
+ [280] _Reg. op de Staats-res._ 550, 553.
+
+
+_Landbouw, Handel, Scheepvaart en Nijverheid._
+
+Al deze onderwerpen staan zeker in zeer naauw verband met de
+verbeteringen, welke den stoffelijken toestand van _Friesland_ in dit
+tijdvak mogt te beurt vallen, en waarvan wij de voornaamste hebben
+opgenoemd. De ontwikkeling van de trapsgewijze vorderingen dezer vakken,
+onder den invloed van verschillende omstandigheden, zou een belangrijk
+tafereel opleveren, doch meer bronnen en ruimte vorderen, dan waarover
+wij kunnen beschikken. Men vergunne ons dus hier enkel aan te stippen,
+dat de Staten,--die in 1634 reeds een octrooi gaven op »de inventie om
+Bosch, Heide en andere sterile Landen te verbeteren," en die overigens
+wel gezind waren, om de bedijking van lage en buitendijksche landen, en
+het ontginnen van heidevelden aan te moedigen--het belang van den
+landbouw trachtten te bevorderen, door sedert 1634 bij herhaling op
+zware straf te verbieden, dat de mest, asch, vuil en aarde buiten deze
+provincie gevoerd wierden. Tot behoud en uitbreiding van de houtkultuur
+strekte tevens hunne bepaling, dat niemand twee eikenboomen zou mogen
+vellen, of hij moest er drie voor in de plaats planten (1673)[281].
+
+ [281] _Chartb._ V 651, 973.
+
+In de eerste helft der 18e eeuw hadden landbouw en veeteelt in dit
+gewest met zware rampen te worstelen. De gevolgen der overstroomingen in
+1701 en 1702, en daarna weder in 1717, hielden de lage streken jaren
+lang in kwijnenden toestand, bij hooge schattingen en lage prijzen van
+het vee. De veepest, welke eerst in 1713 woedde en in 1744 en 45 weder
+met zulk een geweld uitbrak, dat er alleen van November tot Julij
+123,000 runderen stierven, bragt groote schade aan en had gewigtige
+gevolgen. Sedert men omstreeks 1720 meer algemeen invoerde, de
+graslanden te greppelen, te bemesten en het gras vroeger te
+maaijen[282], was de hooioogst aanzienlijker geworden, en gaf ook de
+uitvoer daarvan naar andere provinciën groote voordeelen; hoewel de
+Staten, door dien uitvoer somtijds te verbieden, pogingen deden, om het
+verbruik van het hooi in dit gewest zelf, door het aanfokken van meer
+vee, te bevorderen, ten einde daarvan voor eigene welvaart nog grooter
+en duurzamer voordeelen te verwerven.
+
+ [282] Men maaide eertijds niet vóór St. Jan (24 Junij), als het zaad
+ begon te vallen, wanneer men met een stok tegen het gras sloeg. De
+ reden, waarom het vroegere maaijen zoo veel verkieslijker is, is
+ aangewezen in den _Almanak voor Landbouwers_, 1852, 14. Het meer
+ verdeelen van de zeer groote stukken veldland door slooten, had bij
+ het greppelen mede gunstige gevolgen. Het toenemen van de turfgraverij
+ heeft ook het verbranden van den met ried vermengden mest, waarvan men
+ dompen maakte, doen ophouden; terwijl de uitbreiding van den graanbouw
+ mede de waarde van den mest deed stijgen.
+
+Doch tegenspoeden hebben dikwijls heilzame uitwerkselen voor de
+toekomst, wanneer de nood het oordeel scherpt, de krachten spant en
+middelen zoekt aan te wenden, welke de voorspoed onopgemerkt had
+gelaten. Na het verlies van zoo vele runderen gaf de toenemende
+schaapsteelt, bij de hooge prijzen van de wol, daarvoor eenige
+vergoeding, en werden vele oude weilanden gebroken en tot bouwland
+aangelegd, waarbij men ook het klaverzaaijen tot nieuwland invoerde. De
+sedert 1750 meer algemeen gewordene aardappelteelt en de toegenomen
+cichorei- en vlasbouw begunstigden mede de pogingen der landbouwers tot
+verbetering en vooruitgang, zoodat onze boerenstand zich door
+bekwaamheid, ijver en welstand voordeelig bij die van andere provinciën
+onderscheidde. De bepoldering nam allerwege toe, gelijk ook het getal
+bouwhoeven, dewijl men vroeger te veel land bij ééne boereplaats
+gebruikte. Blijken van meerderen voorspoed openbaarden zich vooral na
+1765, zoodat, toen in 1769 en volgende jaren de veepest op nieuw woedde,
+die schade het algemeen belang minder krenkte.
+
+Doch de landbouw had tevens veel te danken aan de uitbreiding van den
+Handel en de Scheepvaart, die van 1760 tot 1780 en ook nog later
+ongemeen bloeiden en groote winsten aanbragten. Nog in 1789 werd het
+getal Friesche schepen, dat vooral tot de buitenlandsche vrachtvaart
+gebezigd werd, op 2,000 begroot, gelijk alléén in 1780 meer dan 40
+nieuwe schepen de verschillende havens dezer provincie verlieten.
+_Frieslands_ gunstige ligging en rijkdom van voortbrengselen, die
+bij gereeden aftrek van lieverlede in prijs stegen, wekten de
+ondernemingszucht op. Bepaalden handel en buitenvaart eerst zich meest
+op de Oostzee, _Hamburg_, _Bremen_, _Noorwegen_ en de Fransche en
+Spaansche kusten, men beproefde ook regtstreekschen handel op
+_Engeland_; en van welke gunstige gevolgen dit voor het belang dezer
+provincie is geworden, vooral ten aanzien van onze boter, kaas, paling,
+vee enz., is algemeen bekend. Te voren had men deze en andere voorwerpen
+steeds te _Amsterdam_ ter markt gebragt, om van daar verder verzonden te
+worden. De binnenlandsche vaart op de overige provinciën, tot uit- en
+invoer van verschillende voortbrengselen en benoodigdheden, ondersteunde
+dien handel, welke tevens van gunstigen invloed was op onderscheidene
+fabrijken en trafijken, die er in den loop der 18e eeuw zoo vele werden
+opgerigt[283], waarvan de steen- en pannebakkerijen, de zoutkeeten en
+kalkbranderijen een ruim deel in de winsten hadden. Het fabrikaat der
+Friesche bonten, dat in 1748 in _Harlingen_ nog een duizendtal wevers
+werk verschafte en overal, ook naar de _West-Indiën_, verzonden werd,
+bezweek echter, even als de eertijds zoo bloeijende saaijet-fabrijken,
+waarvan _Franeker_ alleen er 21 telde, voor de buitenlandsche
+mededinging. Doch ook handel en scheepvaart vervielen na het einde van
+dit tijdvak, ten gevolge van den Engelschen oorlog en andere rampen.
+Nogtans kon een bevoegd beoordeelaar zijne beschouwingen omtrent den
+gelukkigen toestand van _Friesland_ in 1795 besluiten in de overtuiging:
+»dat ons land een gezegend land is; dat wy een vruchtbaaren grond
+hebben, eene groote verscheidenheid van Voortbrengzelen, en een by
+uitstek bloeienden Landbouw; een gezond Klimaat, en sterkte van lichaam
+en geest by de inwoonders. Voorts een goeden Koophandel, eene
+aanzienelyke Vragtvaart, en een tamelyk getal goede Fabrieken.--Het
+gevolg van dit alles vereenigd, moet zyn _Blyde Welvaart en
+Volks-geluk_"[284].
+
+ [283] Van de daartoe verleende octrooijen noemen wij hier enkel, nieuw
+ geinventeerde Molens, om hout-, pot- en weedasch te malen: 1700; eene
+ Azijn fabrijk, 1720; eene Suiker-rafinaderij te _Harlingen_, 1724;
+ eene Stijfselmakerij te _Franeker_, 1731; een Snuif- en Verwmolen te
+ _Leeuwarden_, 1760; een Papiermolen te _Makkum_, 1767; eene
+ Glasblazerij aldaar, 1768; eene Meekrapstoof te _Leeuwarden_, 1751,
+ enz.
+
+ [284] De latere Groninger Hoogleeraar S. GRATAMA in zijne _Gelukkige
+ Toestand van Friesland_, 25, in _Aanteek. 22_ vermeld met meerdere
+ schrijvers over dit onderwerp; als: YPEIJ, _Verhandeling over den
+ uitvoer van Hooi_; _Teg. Staat_, IV 570, 596 env.; VEGILIN, _over de
+ Veengraverijen_, 25, 57 enz. Zie mede over het aangevoerde het
+ onschatbare _Charterb._ IV 620, 726, V 106, 471, 658, 755; _Reg.
+ Staats-res._ 337, 363, 495, 517, 528 enz. Gaarne zouden wij zien, dat
+ ook dit belangrijk onderwerp eens uitvoeriger wierde behandeld.
+
+
+39. _De Kerkelijke Belangen van Friesland._
+
+
+_De Hervormde Kerk._
+
+Lang hadden de Hervormden in _Friesland_ de verdrukking van het
+Spaansche gezag verdragen en te vergeefs vrijheid van godsdienst, naast
+of nevens de bestaande Katholijke Kerk, begeerd, toen eindelijk de
+Pacificatie van _Gent_ (1576), de Religions-vrede (1578) en de Unie van
+_Utrecht_ (1579) de vervolgingen om het geloof deden staken, en de
+wensch, dat zij hunne godsdienst-oefeningen onverhinderd mogten houden,
+vervuld werd. Roomschen en Onroomschen bezaten nu alzoo gelijke
+vrijheid. Mogten de eersten zich hierdoor verzwakt gevoelen,--de
+laatsten, die spoedig bleken verreweg de groote meerderheid der
+ingezetenen uit te maken, hadden eene kracht ontvangen, welke alras zich
+liet gelden. Zij hadden zoo schrikkelijk veel van de Spaansche tirannij
+geleden, en de verbastering van de Roomsche Kerk had reeds zoo lang
+ergernis gegeven, dat zij deze niet naast of nevens zich konden dulden.
+Men moet zich verplaatsen in die dagen van opgewondenheid en
+verbittering, toen men het woord verdraagzaamheid naauwelijks kende, om
+te beseffen, dat het doel van den strijd geen ander kon zijn, dan de
+zegepraal van de sterkste en de ondergang van de zwakkere partij. En hoe
+zeer begunstigden de omstandigheden des tijds niet de overwinning van de
+zaak der Hervormden!
+
+Immers, nadat de moed der burgers van _Leeuwarden_ het Blokhuis dier
+stad veroverd had, en ook de kasteelen van _Harlingen_ en _Stavoren_
+gewonnen waren, verwekte de verraderlijke afval van den Stadhouder
+RENNENBERG te _Groningen_ (3 Maart 1580) hier zóó algemeene
+verontwaardiging, dat de Roomsche eeredienst nog in die zelfde maand
+door de Friesche Staten werd afgeschaft. De kloosters werden nu
+ontbonden en de gebouwen verkocht of aan de uitroeijing van het algemeen
+prijs gegeven, en werd de Hervormde leer ingevoerd en gevestigd door de
+bepaling, dat alle gemeenten van bekwame predikanten en onderwijzers
+zouden worden voorzien. Bovendien werd in de ordonnantie van den
+Stadhouder Prins WILLEM I van den volgenden jare vastgesteld, dat er in
+_Friesland_ geene andere godsdienst dan de Hervormde zou mogen worden
+uitgeoefend[285].
+
+ [285] WINSEMIUS, 595-710; SCHOTANUS, 790-884; _Charterb._ IV 119, 144,
+ 148, 150, 218, 221, 225, 235, 241, 280, 296 enz.; FOEKE SJOERDS,
+ _Beschrijv._ II 727 env.; LORGION, _Geschied. der Kerkhervorming in
+ Friesl._ 110 env. en _de Ned. Herv. Kerk in Friesl._ 1 env.
+
+Deze vestiging van de Kerk door het Staatsgezag, dat haar als eene
+voedsterling beschermde en als voogd bestuurde, was vooral in den
+beginne voor haar eene zaak van groot gewigt; eensdeels, omdat haar
+toestand nog zoo onzeker was, zoolang _Groningen_ in de magt was der
+Spanjaarden, die zóó herhaaldelijk invallen in _Friesland_ deden, dat de
+zaak der vrijheid nog veertien jaren lang in het grootste gevaar
+verkeerde; anderdeels, uit hoofde van het gebrek aan bekwame
+predikanten, wier getal lang ontoereikende was, om al de gemeenten van
+een leeraar te voorzien. Ook dààrom stichtte de Staat eene Lands
+Akademie te _Franeker_ (1585), welke van lieverlede in dien nood voorzag
+en der Kerk vervolgens gewigtige diensten bewees. Deze was dus tot den
+Staat in eene omgekeerde verhouding gekomen, als waarin vroeger de
+Roomsche Kerk stond. Rijk, onafhankelijk en gewapend met kerkelijk
+gezag, had die hare geestelijke belangen steeds zelve geregeld, buiten
+de wereldlijke overheid, in wier bestuur zij zelfs een belangrijk
+aandeel had door hare afgevaardigden op de landsdagen. Wel deden de
+Hervormde predikanten spoedig pogingen, om zich aan die voogdijschap van
+het Staatsgezag te onttrekken; doch, in weerwil der botsingen, welke
+hieruit nu en dan ontstonden, bleven de Staten hun regt en pligt
+handhaven, om, nevens de bescherming, welke zij der Kerk verleenden,
+daarop te gelijk toezigt te houden en daarover gezag uit te oefenen.
+Zelfs bepaalden de Staten, dat geen Synodaal besluit van eenige kracht
+zou zijn, vóór dat het door de Staatsmagt goedgekeurd ware. En deze
+steun kwam der Kerk meermalen ter bevordering van hare belangen te
+stade: zoowel bij de vele en vaak bittere twisten, welke de predikanten
+onderling en tegen de Synode voerden, als niet het minst tegenover
+andere Kerkgenootschappen, dewijl er in het bijzonder in deze provincie
+een zoo groot getal Doopsgezinden bestond, en het aantal Roomschgezinden
+en Lutherschen van lieverlede aanmerkelijk toenam. Lang werden de
+godsdienst-oefeningen van dezen door strenge plakkaten verboden, hoewel
+ze niet altijd streng werden uitgevoerd, zoodat de Hervormde Synoden
+veel malen gelegenheid vonden, zich over de miskenning van haar
+uitsluitend voorregt, de slapheid der besturen en de »ongelimiteerde
+licentie der dissenters" te beklagen. Ook ten aanzien der zeden en de
+wering van misbruiken en ongeregeldheden riep de Kerk dikwijls de hulp
+van het Staatsgezag in[286].
+
+ [286] LORGION, _de Herv. Kerk_, 3 env. Zie over de Synode bl. 240 hier
+ vóór.
+
+ * * * * *
+
+Maar welke was de geest, de rigting, de kenmerkende leer dezer Kerk? In
+de eerste eeuw of het omwentelingstijdvak waren deze zeer verschillende,
+doch zij ondergingen groote verandering, meest ten gevolge van vreemden
+invloed, en van het streven naar eenheid van geloofsbegrip, dewijl de
+heerschzucht der sterkere partij steeds over de zwakkere trachtte te
+zegevieren. De oorsprong der geloofsverandering lag in de verbastering
+van de Roomsche Kerk. Om deze te bestrijden en te verbeteren bezat men
+geen ander wapen en middel dan het heilige Evangelie, dat tevens al de
+behoeften vervulde dergenen, die in reine godsvereering vrijheid van
+geloof aan zuiveren wandel wilden paren. Vandaar, dat in de allereerste
+geloofsbelijdenis der Nederlandsche Hervormde Kerk, van omstreeks 1550,
+drie beginselen op den voorgrond stonden, welke toen voor kenmerkenden
+regel en rigtsnoer waren aangenomen; namelijk: 1^o. het _Evangelische
+beginsel_, of de aanneming van de Heilige Schrift als Gods Woord,
+waarvan Christus de hoofdinhoud uitmaakt, met verwerping van alle
+menschelijk gezag, hetwelk in de Roomsche Kerk heerschende was; 2^o. het
+beginsel van _vrij onderzoek en vrije belijdenis van de Evangelische
+waarheid_, mede tegenover Rome's kerkleer, welke slaafsche
+gehoorzaamheid en vervolgzieke onverdraagzaamheid van andersdenkenden
+predikte, en 3^o. het beginsel van _voortdurende Hervorming_, van
+toeneming in kennis en ontwikkeling van het Christendom, als de
+grondslag, waarop de Kerk, heilig in leer en leven, moest worden
+voortgebouwd en voltooid, tot vorming van vrome burgers van den Staat en
+van waardige leden der gemeente Gods in het leven der toekomst[287].
+
+ [287] Men zie dit nader uiteengezet in het belangrijke werkje van
+ Prof. MUURLING, _over de echt Christelijke Beginselen der
+ oorspronkelijke Nederlandsche Hervormde Kerk_, Gron. 1849. Mijne
+ voorstelling, ook van het vervolg, is op het gezag van dezen
+ voortreffelijken geleerde gegrond.
+
+Hoe gelukkig zou ons vaderland geweest zijn, wanneer het aan deze
+oorspronkelijke beginselen en eigene opvatting van het evangelie, als
+eene kracht Gods tot zaligheid, ware getrouw gebleven! Hoe weldadig zou
+de algemeene aanneming en beleving van zulk eene eenvoudig schoone leer
+duurzaam gewerkt hebben op het algemeene welzijn! Hoe vele twisten,
+rampen en ellenden waren daardoor niet vermeden geworden! Doch de
+zelfstandigheid der Nederlanders, in andere opzigten zoo krachtig aan
+den dag gelegd, bezweek in dezen voor buitenlandschen invloed. Vreemde
+geleerden, die zich de ~geloofsleer~ tot hoofddoel des Christendoms
+stelden, vormden ingewikkelde stelsels en vervormden de evangelie-leer
+tot eene leerstellige godgeleerdheid. Deze vond allerwege aanhangers,
+waaruit spoedig partijen ontstonden, die, hevig onder elkander
+twistende, de nog niet eens gevestigde Kerk jammerlijk verwarden en
+verscheurden terwijl de staatkunde der Spaansche regering dat vuur van
+verdeeldheid voedsel gaf en aanblies. Ofschoon LUTHER'S denkbeelden en
+gevoelens reeds vroegtijdig in _Friesland_ bekend waren, en de
+Augsburgsche belijdenis van 1530, zoo als die door MELANCHTON veranderd
+was, ook hier bijval vond, was het verkeer van vele Friezen in
+_Oost-Friesland_, waar men voornamelijk de gevoelens van ZWINGLI had
+aangenomen, de oorzaak, dat de hervorming hier eerst eene Zwingliaansche
+rigting aannam, alsof het noodzakelijk ware, de partij van een dier
+Hervormers te kiezen. Laatstgenoemde rigting werd echter spoedig
+verdrongen door het Kalvinisme, dat in 1567 in _Brabant_ boven alle
+andere rigtingen ingang vond en zich streng wist te handhaven[288].
+Nadat het ook door Prins WILLEM I en daarna door Graaf WILLEM LODEWIJK
+was aangenomen, bragt MENSO ALTING, een der weinige Oost-Friesche
+predikanten, die de gevoelens van KALVIJN waren toegedaan, met de hulp
+van Dr. OTTO SWALUE veel toe, om die rigting bij de Friesche
+predikanten te doen aannemen, waartoe de invoering van den
+Heidelbergschen Catechismus tevens een gereed hulpmiddel aanbood.
+
+ [288] Zie dit breeder bij YPEIJ en DERMOUT, _Geschied. der Ned. Herv.
+ Kerk_, Breda 1822, II 50-66, 177, 181 en Aant. bl. 105 env.
+
+Uit de kerkordening der Dordsche Synode van 1578 en uit de merkwaardige
+twistreden, in 1596 te _Leeuwarden_ door den Hervormden predikant
+RUARDUS ACRONIUS en den Doopsgezinden leeraar PETER VAN CEULEN in 156
+zittingen gehouden, blijkt echter, dat er in de toenmalige leerstukken
+der Hervormden nog sporen der vroeger genoemde Nederlandsche beginselen
+waren overgebleven. Doch ook deze moesten verdrongen worden. Daartoe
+werd vooral de eerste Hoogeschool des lands dienstbaar gemaakt: want van
+de _achttien_ hoogleeraren in de godgeleerdheid, welke aan de Leidsche
+Akademie van 1576 tot 1618 beroepen werden, waren _veertien_
+vreemdelingen, die de leer van KALVIJN omtrent de Drieëenheid,
+Vóórverordinering, Gods vrijmagtige genade, Voldoening, Erfzonde en
+andere verborgenheden of met het evangelie strijdige leerstukken met
+ijver voorstonden en »de dorre stelselzucht en spitsvindige haarkloverij
+hare hoogte deden bereiken." In twee der vier overige Hoogleeraren, in
+ARMINIUS en EPISCOPIUS, vonden zij bestrijders: deze waren de laatste
+verdedigers van de oorspronkelijke Nederlandsche beginselen, welke men
+trachtte te verdringen. Tot welk een hevigen strijd dit aanleiding gaf;
+met welk eene bitterheid Remonstranten en Contra-Remonstranten elkander
+jaren lang bestreden, en hoe de Dordsche Synode van 1618 en 19, door het
+Staatsgezag ondersteund, daaraan een einde maakte, door de eersten als
+gedaagden te veroordeelen en het vaderland uit te drijven, om de
+zegepraal van de laatste partij te bevorderen--wien is dit bedroevende
+blad onzer geschiedenis onbekend? En wie heeft het niet betreurd, dat de
+hoogste en heiligste belangen des volks, vrijheid van godsdienst en
+geweten, waarvoor men zoo lang tegen _Rome_ en _Spanje_ had gestreden,
+nu werden aangerand door eene Synode, welke, met een gezag als van
+vroegere Conciliën en Pausen, besliste en bepaalde, welke leerbegrippen
+voortaan bij uitsluiting in _Nederland_ geduld zouden worden. Zóó trad
+men te gelijk het zevende artikel van de Nederlandsche geloofsbelijdenis
+met voeten. De godgeleerdheid leidde der godsvrucht onverbreekbare
+banden aan, wrong de menschelijke rede een breidel in den mond en
+verloochende het beginsel der liefde, dat de hoofdinhoud des evangelies
+is. Doch reeds de Heer zelf zeide: »Te vergeefs eeren zij mij, leerende
+leeringen, dat geboden van menschen zijn."
+
+Van de Friezen, die anders voor »eene koene, zelfstandige en voor zich
+zelve denkende natie" werden gehouden, had men mogen verwachten, dat zij
+dit juk van kerkelijke heerschappij zich even fier van de schouders
+geweerd zouden hebben ten aanzien der _leer_, als zij zich krachtig
+verzetten tegen de _kerkenorde_, bij post-acta door de Synode
+vastgesteld. Hoewel de steden deze aannamen, werd ze door de Staten der
+landkwartieren strengelijk verboden en de oude wijze van kerkbestuur en
+beroeping van predikanten gehandhaafd[289].
+
+ [289] Zie de stukken betrekkelijk de Synode in het _Charterb._ V 219,
+ 229, 230, 249, 253, 254, 258, 269, 270; _Reg. Staats-res._ 378, 785;
+ WINSEMIUS, 900; FOEKE SJOERDS, _Beschrijv._ II 738; LORGION, _de Herv.
+ Kerk_, 63 env.; YPEIJ en DERMOUT, I 414, II 241, Aant. bl. 165, en
+ vooral BRANDT, _Hist. der Reformatie_, II 552, IV 17-22, 285, 288,
+ 766. De Friesche Staten beschouwden die kerkenorde als voor deze
+ provincie "niet prakticabel, en tegen 's lands resolutien strijdig in
+ vele punten."
+
+Doch er was een man in _Friesland_ en wel predikant te _Leeuwarden_,
+JOHANNES BOGERMAN, een Oostfries van geboorte, die zich reeds sedert
+jaren had onderscheiden door geleerdheid en ijver voor de leerstellingen
+van KALVIJN, en die nu vooral zijn invloed deed gelden. Met nog twee
+predikanten en drie ouderlingen, benevens twee door de Staten verkozene
+commissarissen namens _Friesland_ ter Synode afgevaardigd, werd hij
+spoedig tot Voorzitter gekozen. Hoe bekwaam hij ook ware, zijn gedrag in
+die betrekking, zijne onverdraagzaamheid en hevigheid, zijne
+heerschzucht en bitterheid, vooral bij de wegzending van de miskende
+Remonstranten, zijn algemeen, ook door de leden der Synode, afgekeurd.
+Wel had _Friesland_, ook door zucht naar vaste beginselen gedreven, de
+Synode gewenscht en bevorderd; doch men was hier te weinig met de
+Remonstranten in aanraking geweest en had tot dusverre mildere
+beginselen jegens andersdenkenden betoond, dan dat men zulk eene harde
+behandeling kon goedkeuren. Vermits men oordeelde, dat BOGERMAN zijn
+last en gezag blijkbaar was te buiten gegaan, waren de Staten en de
+Synode hier geweldig tegen hem ingenomen en zóó verontwaardigd over zijn
+gedrag, dat men hem in staat van beschuldiging gesteld- en zelfs
+gebannen wilde hebben[290].
+
+ [290] Zie de bijzonderheden daaromtrent bij BRANDT, II 3, 12, 243,
+ 430, III 141, IV 17 env. ook erkend door YPEIJ en DERMOUT, II 213,
+ 219, 230, Aant. bl. 165; LORGION, _de Herv. Kerk_, 65; VAN KAMPEN,
+ _Vad. Geschied._ I 476; _Karakterkunde_, II 19.
+
+Niettemin werden de leerstellingen of canones der Dordsche Synode in
+_Friesland_ algemeen ingevoerd, en een formulier van aanneming door de
+predikanten onderteekend. Slechts twee predikanten van _Dokkum_, HAIO
+LAMBERTI en PETRUS HERMANNI, leverden daartegen enkel bezwaren in, en
+werden dáárom afgezet. Doch de onbillijke behandeling hen aangedaan, bij
+het gunstig getuigenis van den Magistraat en Kerkeraad van _Dokkum_
+omtrent hunne leer en wandel, bezorgde hen verscheidene aanhangers, die
+zich van de Gereformeerde Kerk afscheidden en in die stad eene
+Remonstrantsche Gemeente vestigden. Hoe zeer ook gesmaad, verstoord,
+verdreven en vervolgd, en bij een scherp plakkaat verboden, mogten die
+Remonstranten zich daar lang staande houden, en ook den edelen balling
+DIRK RAFELS KAMPHUYZEN eene schuilplaats aanbieden na zoo lange
+vervolging, welke hem hier, niet dan op voorspraak, een kort verblijf
+gunde, daar hij weldra, na het voltooijen van zijne schoone
+_Stichtelijke Rijmen_ en _Uitbreiding van de Psalmen_, overleed
+(1626)[291].
+
+ [291] _Charterb._ V 282, 320; LORGION, _de Herv. Kerk_, 67-77, 83,
+ 314, 330. Over KAMPHUIJZEN'S verblijf en graf te _Dokkum_ zie men de
+ berigten van Prof. DE CRANE, in zijne _Letter- en Geschiedkundige
+ Verzameling_, Leeuw. 1841, 37.
+
+»Dat de Hervormde Kerk, zoo pas in het leven getreden, het beginsel,
+waaraan zij haar ontstaan te danken had, dadelijk weêr zou verlaten, en
+zelve de gruwelen zou navolgen, die zij in Rome's dwangmiddelen
+verfoeide;--dat zij voor het Evangelische het Dogmatische beginsel
+verwisselen, en voor het vrije onderzoek en de vrije belijdenis der
+waarheid gehoorzaamheid aan de leer der Kerke opleggen zou, en dat zij
+het beginsel van voortdurende hervorming zou laten varen voor het
+gevoelen, dat de Hervormde Kerk in leerstellingen en eeredienst
+volmaakt, en dus de alleen ware Kerk was, buiten welke geene zaligheid
+was te vinden,"--wie had dit kunnen verwachten van eene Nederlandsche
+Kerk, in haren oorsprong op zulke echt Christelijke beginselen gebouwd?
+»Het moge vreemd schijnen; het is toch niet anders, zoo als uit de
+geschiedenis blijkt.
+
+»Het gevolg daarvan was, dat leerstellingen de plaats van het Evangelie
+innamen; dat het Dogmatismus (de stelselzucht) in de Kerk en in de
+Godgeleerdheid weêr begon te heerschen; dat het Scholasticisme der
+Middeneeuwen weêr in het leven geroepen werd en zich van de scholen der
+Godgeleerden meester maakte, en dat jagt op ketterij, helaas! ook in de
+Hervormde Kerk begon gedreven te worden. Zoo openbaarden zich de
+overblijfsels van den alouden Roomschen zuurdeesem in hunne volle
+gisting en kracht! Van de Kerkleer af te wijken, was gevaarlijker en
+werd strenger gestraft, dan afwijking van het Evangelie van CHRISTUS.
+Deze Kerkleer naauwkeurig te ontwikkelen, haar-fijn uit te pluizen,
+scherpzinnig tegen andersdenkenden te verdedigen en met bewijzen,
+voetstoots en vaak op den klank der woorden af, uit den Bijbel ontleend,
+te staven, ziedaar, wat de Godgeleerdheid en hare studie uitmaakte. Men
+streed en kampte voor begrippen, alsof de zaligheid er in gelegen ware.
+Vooral het leerstuk der Voorverordinering, niet zonder reden het _dogma
+tremendum_ genoemd, het _leerstuk waarvoor men beeft_, heeft eene
+troebele en onuitputtelijke bron geopend van twist en tweedragt, van
+onrust en wanhoop; want het zette de vrijheid en dus ook de
+verantwoordelijkheid des menschen ter zijde, en berustte op eene
+onwaarachtige, zelfs vreeselijke voorstelling van God, en tastte alzoo
+de deugd, de zedelijkheid en het waarachtig Christelijk leven in het
+hart aan"[292].
+
+ [292] Woorden van Prof. MUURLING, t. a. pl. 27, 45, 49, 51, met
+ verwijzing naar de verhandd. van Prof. KIST, _over de beginselen en
+ het onvoltooide der Kerkhervorming_ en Prof. HOFSTEDE DE GROOT, _over
+ den gang der Godgeleerdh. in Nederl._ beide in het _Ned. Archief_, I
+ en II.
+
+Ziedaar eene schildering van den veranderden toestand der Kerk ten
+gevolge der Dordsche Synode, die een bedroevenden ~teruggang~ in het
+kerkelijk en geestelijk leven veroorzaakte, dewijl zij bij den een een
+blind formulier-geloof en bij den ander de zaden van dweepzucht en
+verbittering jegens andersdenkenden aankweekte. Eenheid van
+geloofsbegrip mogt wenschelijk zijn, als men elkanders opvattingen van
+het Evangelie in de zelfde Kerk niet broederlijk kon verdragen--wreede
+uitsluiting en verbanning uit den lande bij verschil van gevoelen over
+het inzigt van de waarheid was onchristelijk; terwijl men, ook bij het
+bezit van die eenheid, voortging met twisten en haarkloven, en zich
+verre van vrede- en liefdegezind betoonde. Hoe vele honderden
+twistschriften uit de beide vorige eeuwen bewijzen dit niet! En in hoe
+weinige stichtelijke boeken van dien tijd, die door het volk zoo véél
+werden gelezen, is gezond verstand en goeden smaak, zelfs in de titels
+en opschriften, te vinden[293]! Waarlijk, wij kunnen ons niet genoeg
+over dien teruggang in de godsdienst verbazen, als wij daarbij den
+gelijktijdigen grooten vooruitgang van wetenschappen en kunsten, in het
+bloeijendste tijdperk der Nederlandsche letterkunde, vergelijken. Doch
+'t was toen een even vreemd verschijnsel als hetgeen wij thans, in het
+midden der 19e eeuw, moeten beleven, dat deze zelfde leerstellige
+denkbeelden, welke men meende dat reeds lang voor het licht van
+godsdienstige en letterkundige beschaving geweken waren, op nieuw bij
+velen bijval vinden en verkondigd en verspreid worden. Doch de
+geschiedenis heeft reeds geoordeeld, en aangetoond, hoe, onder de
+leiding Gods, de dwaasheden der menschen en alle pogingen tot
+terugwerking moeten dienen, om het rijk van waarheid, verlichting en
+deugd eens des te grootere zege te doen behalen tot Zijne eer.
+
+ [293] Eene groote menigte werken van Friesche Godgeleerden uit dit
+ tijdvak heb ik verzameld. Indien de zaken niet te heilig waren, zou
+ eene bloemlezing uit derzelver inhoud een belagchelijk tafereel kunnen
+ opleveren. Slechts één titel voeg ik hierbij als proeve: _Samsons
+ Leeuwen-aes vervult met Honing. Ofte dan vernederden Jesus; Arm
+ wordende, om de sijne door sijn Armoede Rijck te maecken_ enz. In
+ XLIII _leer en troost-rijcke Prædicatiën_. door THEOD. COUPERUM, Præd.
+ te _Warga._ Leeuw. bij Hero Nauta, 1671.
+
+Die nieuwe rigting der Kerk was te meer bedroevend, omdat zij der
+godsdienst hare kracht en invloed benam op de zeden en op de zedelijke
+vorming en verstandelijke beschaving des volks. Het denkbeeld, dat God
+een Vader is, die al zijne kinderen in Christus door liefde tot
+gehoorzaamheid aan Zijn wil, en door reinheid van gemoed en wandel tot
+Zich wil trekken, ging toch verloren in de voorstelling van een
+trotschen Monarch, die zijne afgevallene onderdanen naar loutere
+willekeur verstoot of bevoorregt; eene leer, die den mensch evenzeer
+van God en zijn pligt moet verwijderen, als de eerste hem bestendig
+tot toenadering en vereeniging met den Vader noopt. Want onze
+gelijkvormigheid aan God en verhevenheid boven de gansche dierlijke
+schepping, een der sterkste beweeggronden, om uit Christelijke
+beginselen goddelijk te handelen met de gaven door den Heer ons
+verleend, werd miskend en als een dwaalleer ten toon gesteld en
+verbannen.
+
+Is het dus vreemd, dat wij in zoo vele godgeleerde schriften van dien
+tijd de ijsselijkste schilderingen aantreffen van het zedebederf, ja van
+den zedeloozen toestand der natie?[294] Dat buitengewone rampen immer
+werden gehouden voor straffen des hemels, wegens de boosheden des volks?
+Dat ook anderen vele klagten aanhieven over de maatschappelijke gebreken
+en heerschende ondeugden? Leveren de plakkaatboeken van 's lands
+regering niet de bewijzen, hoe treurig het toenmaals gesteld was met de
+openbare veiligheid, en van de verregaande kwaadwilligheid, boosheid en
+ruwheid van zeden, welke men te vergeefs door ordonnantiën en
+verbodsbepalingen trachtte te bedwingen of te doen afnemen?[295]. En de
+meeste dezer plakkaten werden uitgevaardigd op klagten van de Synode of
+van de predikanten, die wel konden klagen en aanwijzen, doch die zóó
+weinig deden voor de godsdienstige opleiding en vorming van hunne
+gemeente-leden, dat zij op de dorpen slechts eenmaal op den dag des
+Heeren predikten en geheel geene catechisatiën hielden, zoodat het
+kerkelijk godsdienstig onderwijs van de jeugd, waarin de kracht, het
+heil en de hoop der gemeenten is gelegen, jammerlijk verwaarloosd
+werd[296]. Vandaar ook die vijandschap, haat en vervolging, waarmede
+velen den beroemden BALTHASAR BEKKER bejegenden, toen deze, als
+predikant te _Oosterlittens_, omstreeks 1662 begon, des Zondags ook 's
+namiddags te prediken en cathechisatiën te houden, waartoe hij weldra
+onderscheidene leerboekjes trachtte uit te geven. De smaad en
+veelvuldige onaangenaamheden dezen verlichten en edelen man daarover en
+over zijne wijsgeerige denkbeelden in _Friesland_ aangedaan, waren
+evenzeer een bewijs van den bekrompenen en onverdraagzamen geest zijner
+tijdgenooten, als het besluit der Staten van 1682, om het »inkruipen van
+schadelijke nieuwigheden, libertinisterij en ketterij" te weren en de
+verdeeldheden onder de godgeleerden te bedwingen door het verbod, om in
+eenerlei opzigt af te wijken van de formulieren van eenigheid en den
+Heidelbergschen Catechismus[297]. Zóó betoonde men zich steeds afkeerig
+van eenige verandering, uitbreiding of verheldering van de
+geloofsbegrippen, welke zich immer in den zelfden beperkten kring
+moesten blijven bewegen. Doch BEKKER, hoe zéér den vrede beminnende,
+bleef voor de waarheid, naar zijne opvatting, ijveren. In 1679 te
+_Amsterdam_ beroepen, mogt hij van zijne wakkere poging, om het
+volksgeloof omtrent de kometen, als voorboden van rampen en oordeelen,
+te bestrijden (1683), evenveel eer en eene roemrijke overwinning op de
+heerschende dwaalbegrippen behalen, als toen hij in 1691 door zijn
+beroemd boek, _de Betoverde Weereld_ (in bijna alle talen van _Europa_
+overgebragt), het gezag van den vorst der duisternis aanviel, het
+mensch-onteerend bijgeloof aan duivelarij en tooverij in den hartader
+aantastte, en veler oogen voor het licht der waarheid opende, in weerwil
+der hevige vervolgingen en beroeringen door een aantal predikanten tegen
+hem verwekt. Nooit echter zal het nageslacht ophouden, hem, tegenover
+zijne eeuw, als een held te vereeren en wegens zijne deugden en
+verdiensten als een weldoener te zegenen[298].
+
+ [294] Zie bewijzen daarvan in _Aanteekening 26_, en bl. 260 hier vóór.
+
+ [295] Zie bewijzen daarvan in _Aanteekening 26_, en bl. 260 hier vóór.
+
+ [296] Zie mede _Aanteek. 26_.
+
+ [297] _Charterboek_, V 972, 1203.
+
+ [298] Veelvuldig zijn de geschriften van en over den zoo hoog door mij
+ vereerden BEKKER. Ik wil daarvan enkel vermelden die van Do. DIEST
+ LORGION, _B. Bekker in Franeker_ en _in Amsterdam_, Gron. 1848 en 51,
+ 3 dln. waarin bijna al de overige zijn opgenoemd.
+
+ * * * * *
+
+Dan het was »de mode van dien tijt, dat de een den ander om het minste
+verschil in gedachten, al was 't van saacken, die self de Godgeleertheyt
+niet en raackten, voor een ketter afmaalde, en om de rolle ten vollen
+uyt te spelen, aanklaagde aan _Classen_, _Synoden_, en _Politijke_
+vergaderingen, daarse meenden, dat haare autoriteyt iets soude konnen
+gelden"[299]. Vandaar, dat de geestelijkheid bestendig veel beweging
+maakte door haren onverdraagzamen ijver tegen de bij oogluiking gedulde
+vergaderingen van de Doopsgezinden, Lutherschen en Roomschen, ja zelfs
+tegen de vestiging eener Waalsche Gemeente te _Leeuwarden_ (1657), en
+daarna niet minder tegen de dweepende sekte der Labadisten, die zich in
+1675, na den dood van JEAN DE LABADIE, met den leeraar YVON aan het
+hoofd, op _Thetinga-state_ te _Wieuwerd_ vestigde en hare gemeenschap
+dáár ongeveer vijftig jaren lang wist staande te houden. Op hare
+vroegere omzwervingen zoowel als hier sloten verschillende aanzienlijke
+en geleerde personen, waaronder de beroemde ANNA MARIA VAN SCHURMAN, de
+Jonkvrouwen VAN SOMMELSDIJK, de verloskundige HENDRIK VAN DEVENTER enz.
+zich bij deze sekte aan, ten einde, afgescheiden van de bedorvene
+wereld, te voldoen aan hunne behoefte, om bij de leer een christelijk
+leven te voegen[300]. Hare denkbeelden hadden zelfs invloed op vele
+hervormden, waaronder vooral WILHELMUS à BRAKEL, die, in zijne zoo veel
+gelezene _Redelijke Godsdienst_, aandrong op meer gemoedelijke
+godsvrucht; ofschoon dat opgewekt godsdienstig leven, verkeerd gerigt,
+bij velen leidde tot dweeperij, welke hier steeds een vruchtbaren akker
+vond.
+
+ [299] Dus oordeelde de beroemde CAMPEGIUS VITRINGA in de voorrede van
+ zijn boek _over den Tempel van Ezechiel_, Fran. 1687.
+
+ [300] Zie over deze sekte het belangrijke werk van mijn vriend Do. H.
+ VAN BERKUM, _de Labadie en de Labadisten_, Sneek 1851, 2 dln.
+
+Nog meer werd de Kerk verontrust, toen de resultaten van de ijverig
+beoefende wetenschap van lieverlede in het leven traden en sommige
+leerstukken aan het wankelen schenen te brengen. De stellingen der
+wijsbegeerte van DES CARTES en de nieuwe denkbeelden van den geleerden
+COCCEJUS, eerst hoogleeraar te _Franeker_ en daarna te _Leiden_, vonden
+bijval en werden aan Frieslands Hoogeschool door mannen als JOANNES VAN
+DER WAEYEN, CAMPEGIUS VITRINGA en HERM. ALEX. ROËLL beschermd en
+verdedigd. Dewijl deze hunne leer niet wilden onderwerpen aan het
+oordeel of de veroordeeling der kerkelijken, die zich daartegen hevig
+verzetten, waren bittere twisten daarvan het gevolg. De meer verlichte
+denkbeelden van DAVID FLUD VAN GIFFEN, predikant te _Nieuw-Brongerga_,
+vonden nogtans bij het Stadhouderlijk gezin op het _Oranjewoud_
+bescherming; terwijl Gedeputeerde Staten dikwijls hun gezag gebruikten,
+om de vervolgingen te staken en der Synode het zwijgen op te leggen. De
+aanhangers van VOETIUS en andere voorvechters van de oude waarheid
+hielden echter vol, het regt der kerk te doen gelden, zoodat eerlang
+eene scheuring in twee partijen, _Coccejanen_ en _Voetianen_ genoemd,
+onvermijdelijk was. Ondanks dien tegenstand was er vooruitgang, en
+bragten die twisten veel toe, om de bestredene godgeleerde stellingen
+naauwkeuriger te onderzoeken, en de grondslagen te leggen tot meer
+evangelische kennis en verlichte denkbeelden. Doch lang zou het duren,
+eer men zich aan het eens opgelegde juk zou kunnen ontworstelen.
+
+ * * * * *
+
+Ja, nog langer dan honderd jaren zou het duren, eer de stralen van een
+beter licht konden doorbreken. Zóó vast en sterk waren eens de kluisters
+van den vrijen geest gesmeed, dat wij in bijna de gansche 18e eeuw de
+Hervormde Kerk in den zelfden gebonden toestand zien verkeeren van
+slaafsche onderwerping aan de Dordsche leer en gehechtheid aan de
+formulieren van eenigheid, wier gezag in 1729, na hevige oneenigheden,
+nog meer verbindend werd gemaakt. Zulke oneenigheden en onbeduidende
+twisten over allerlei nietigheden maakten in de hoofdzaak de
+geschiedenis uit der Kerk in deze eeuw; met deze uitzondering: dat zij
+zich ook vergreep aan de geloofsbegrippen van eene andere, door de
+Staatsmagt toegelatene, kerkgemeenschap. Sedert de Doopsgezinden in 1672
+vrijheid van godsdienstoefening hadden bekomen, werden zij als stille
+burgers ongemoeid gelaten. Doch in 1722 werd hunne vrijheid van
+geloofsbegrippen door de Hervormde Synode, uit vrees dat zij
+Sociniaansche stellingen zouden voorstaan, aangerand, door hunne 150
+leeraars te dwingen tot onderteekening van eene verklaring omtrent de
+Drieëenheid, een leerstuk, niet door den Heer verkondigd, maar door
+Godgeleerden ontworpen. Gelukkig, dat hunne verdediging door
+Gedeputeerde Staten aangenomen- en de inquisitie der Synode toen
+tegengegaan werd. Zulk eene poging, om heerschappij te voeren over het
+geloof van anderen, werd in 1738 herhaald, en had de afzetting van twee
+Doopsgezinde leeraren van _de Knijpe_ en _Heerenveen_ ten gevolge. Nog
+meer gerucht maakte kort daarop de klagt der kerkelijken, dat in de
+leerredenen van JOANNES STINSTRA, Doopsgezind leeraar te _Harlingen_,
+over de natuur en gesteldheid van Christus Koningrijk, Sociniaansche
+gevoelens zouden verkondigd zijn. Alle Hervormde classen in _Friesland_
+en alle theologische faculteiten in _Nederland_ werden door Gedeputeerde
+Staten uitgenoodigd dit boek te beoordeelen. Natuurlijk was aller
+oordeel in den geest der beschuldiging. Slechts één man had den moed
+zich tegen de meening van die allen te verzetten, en aan te toonen, dat
+die beschuldiging ongegrond was. Het was de groote HERMAN VENEMA,
+hoogleeraar in de godgeleerdheid te _Franeker_, die, op het voetspoor
+der verlichte VITRINGA'S, vader en zoon, eene verbeterde predikwijze had
+voorgesteld; die vrije en heldere begrippen omtrent de godsdienst
+verkondigde, en die gedurende de vier-en-zestig jaren, dat hij een
+sieraad was van Frieslands Hoogeschool, bovendien door zijne
+geleerdheid, christelijke braafheid en verdraagzaamheid zóó hoog geacht
+was, dat zelfs zijne tegenstanders hem niet durfden aanranden. Hoe
+gematigd en verstandig dat advies van VENEMA ook ware, hij alléén was
+niet tegen de bevooroordeelde en twistzieke geestelijkheid
+bestand:--STINSTRA werd van het leeraarambt ontzet en eerst 15 jaren
+later hersteld. Doch de smet door dit gedrag op de Hervormde Kerk
+geworpen, ook door vele tijdgenooten veroordeeld, werd alleen opgewogen
+door de moedige en edele poging van VENEMA, die, door den tijd tevens
+geregtvaardigd, gelukkig tegen dreigende vervolgingen bescherming en
+steun vond in den voortreffelijken Prins WILLEM IV en diens verlichten
+vriend EPO SJUCK VAN BURMANIA. Deze edelman, lang lid van Gedeputeerde
+Staten, had later zelfs den moed VENEMA openlijk te prijzen, doch
+tevens te voorspellen, dat zijne verlichte gevoelens weinig ingang
+zouden vinden bij zijne tijdgenooten: »want," zeide hij, »de tijd is
+'er niet na geschikt, om de Menschen de oude wijfs grollen uit het
+hoofd te praaten. Gij hoopt doch vrucht'loos, dat de Rede eens zal
+verwinnen."[301]
+
+ [301] Zie BLAUPOT TEN CATE, _Doopsgez. in Friesland_, 208, 351;
+ LORGION, _de Herv. Kerk_, 240; YPEIJ en DERMOUT, III 455. Het stuk van
+ BURMANIA aan VENEMA, een Latijnsch en Nederd. vers, getiteld: _Gelofte
+ aan Vulcaan_, is ook in andere opzigten belangrijk, als blijk, hoe er
+ reeds in 1764 een beter licht aanbrak bij sommigen, die zich aan de
+ verouderde boeijen trachtten te ontwringen en daarom den bijnaam van
+ _Toleranten_ hadden ontvangen. Zoo zegt hij in 't begin:
+
+ Zo vloek ik 't laffe werk, de kwaad' aantekeningen
+ Van 't gros der Leeraars, die zich binnen de enge kringen
+ Van een Systema, daar hun Weetenschap op rust,
+ Beperken, wars van moeite en noeste letterlust.
+ Zoo vloek ik hen, die by hun Meesters woorden zweeren.--
+ Gij waart het, schrand're man, die 't eerst U onderwond
+ Om van het oude pad, dog met beschroomde schreeden,
+ In weerwil van den hoop, in veelen, af te treeden, enz.
+
+Niettegenstaande de heerschappij en de verdeeldheden der godgeleerden
+nog lang bleven voortduren en de gehechtheid aan de kerkelijke
+leerstellingen onveranderlijk scheen te zijn, zou de tijd toch eenmaal
+aanbreken, dat die leerbegrippen verdrongen zouden worden en vervangen
+door christelijke denkbeelden en evangelische gezindheden. Het
+heerschzuchtig gedrag van den Leeuwarder predikant BLOM jegens den
+Magistraat dier stad in 1763 en de hooggaande twisten daaruit, gelijk
+twee jaren later uit het houden van eene leerrede over de Christelijke
+Liefde door G. T. DE COCK verwekt, welke door het staatsgezag werden
+geëindigd, terwijl gelijktijdig VOLTAIRE'S verhandeling over de
+Verdraagzaamheid, te _Leeuwarden_ vertaald en gedrukt, werd
+verboden,--ziedaar de laatste sporen van den geest van heerschzucht en
+tegenwerking, die de Kerk zoo lang hadden beroerd. Ook daaruit bleek
+het, dat er een nieuw licht aan het dagen was, hetwelk vele
+gemeente-leden welgevallig tegenblonk. De geest der lessen van den, zoo
+ongemeen lang gespaarden, VENEMA, die, boven vooroordeelen verheven,
+meer heldere begrippen verspreidde en zijne leerlingen bovenal tot
+liefde, vrede en verdraagzaamheid aanspoorde, begon van lieverlede de
+Kerk te vervullen en voor de toekomst betere vruchten te beloven.
+
+Terwijl de zucht naar vooruitgang dus merkbaar was, had zij bij velen
+een nadeelig gevolg. Men was afkeerig geworden van eene leer, in vormen
+en wetten gekluisterd, die den geest met een last van grondstellingen
+had bezwaard; en terwijl men dus de kerkelijke leerbegrippen verzaakte,
+verwierpen velen met-een de grondslagen der heilige leer van Christus.
+Vandaar, dat »in het eind der vorige eeuw onder de beschaafde klassen
+der maatschappij de verachting van de godsdienst heerschend was
+geworden. De geest, geheel met de belangen des tijds vervuld, vroeg niet
+meer naar het eeuwige. Slechts bij weinigen, wien het vergankelijke niet
+kon voldoen, bleef de zucht naar iets hoogers bestaan"[302]. Ondanks de
+regtzinnigheid al hare krachten inspande, om het oude te behouden; in
+weerwil eene dweepzieke menigte zich tegen elke verandering aankantte,
+waren er van zulk eene geestrigting ook in _Friesland_ vele sporen,
+nadat de langdurige vrede en welvaart een buitengewonen voorspoed
+gekweekt en een geest van overmoed, vrijheid en onafhankelijkheid
+ontwikkeld hadden, welke sedert 1780 in staatkundige beroeringen aan den
+dag gelegd werden. Ook de predikanten trokken partij, namen deel aan den
+wapenhandel en ondersteunden vooral de partij, welke tegen den
+Stadhouder was gezind, waarom verscheidene hunner in 1787, bij het
+herstel van het Stadhouderlijk gezag, werden afgezet. Eene groote
+verandering, in den loop der tijden voorbereid, was echter noodzakelijk
+geworden.
+
+ [302] OPZOOMER, _het Wezen der Deugd_, 1, 20.
+
+En deze volgde weldra op de staats-omwenteling van 1795. Bij de
+bestaande begrippen van vrijheid, gelijkheid en broederschap was het
+natuurlijk, dat de staatsmagt nu »een iegelijk onbelemmerde Vrijheid van
+geweten, en de ongestoorde uitoefening van zijne Godsdienst plegtig
+verzekerde"[303]. De Hervormde Kerk verloor daarbij het voorregt, dat
+zij meer dan twee eeuwen had bezeten, om de heerschende Kerk of de Kerk
+van den Staat te zijn, en daarmede viel ook de laatste steun der
+scholastieke godgeleerdheid en der kerkelijke regtzinnigheid.
+Inzonderheid werd dat voorregt geheel opgeheven bij de scheiding van
+Kerk en Staat, welke in 1796 hierop volgde. Eerst bij de Staatsregeling
+van 1 Mei 1798 werden daaromtrent bepalingen voorgeschreven; terwijl bij
+besluit van de Synodale vergadering te _Heerenveen_, in 1804 gehouden,
+een nieuw Wetboek en Kerkenorde voor _Friesland_ werd ingevoerd.
+Ofschoon men de leerstellingen der Dordsche Synode daarbij als grondslag
+van de leer der Kerk, althans in naam, bleef behouden, was daarin,
+gelijk sedert in de gansche rigting der Kerk, een gezegende vooruitgang
+tot betere denkbeelden en gezindheden te erkennen, en was men vrij
+algemeen tot meer heldere inzigten, tot meer liefderijke gevoelens, tot
+meer christelijk leven gekomen. Een blijk daarvan was mede de invoering
+van de Evangelische Gezangen in 1805, welke, even als de in 1773
+ingevoerde verbeterde Psalmberijming, zoo veel bijdroegen, om de
+stichting bij de godsdienst-oefeningen te verhoogen en godsdienstige
+gevoelens aan te kweeken.
+
+ [303] Publicatie der Provisioneele Representanten van het volk van
+ _Friesland_, van 21 Febr. 1795, _Verzaameling van Placaaten_, I 24.
+
+Intusschen waren er elders Genootschappen opgerigt, die belijders van
+verschillende gezindten tot één christelijk doel vereenigden, en welke
+ook hier een weldadigen invloed uitoefenden. Er waren in de Kerk mannen
+opgestaan, als: HINLOPEN, KIST, CLARISSE, STUART, VAN DER ROEST, EGELING
+en anderen elders, gelijk LIEFSTING, BRINK, BROUWER, NIEUWOLD, BRUINING
+enz. in _Friesland_, die door prediking en schriften een evangelischen
+geest onder het volk bragten; terwijl in de scholen der Godgeleerdheid
+VAN VOORST, TINGA, GREVE en REGENBOGEN te _Franeker_, gelijk elders VAN
+HAMELSVELD, MUNTINGHE, VAN DER PALM, AN. YPEIJ, HERINGA, SURINGAR en
+BORGER, waarvan de vier laatste Friezen waren, door hun onderwijs en
+schriften alle geloofs- en zedeleer tot het evangelie terugbragten, de
+leerstellingen aan Gods woord leerden toetsen, nuttelooze twisten
+vermeden, eene gezonde uitlegkunde deden veldwinnen en uit wijsbegeerte
+en geschiedenis licht aanbragten voor het Christendom. In dit gewest
+heeft vooral de _Christelijke Godgeleerdheid_ van den Franeker
+Hoogleeraar J. H. REGENBOGEN (1810) veler oogen geopend voor het licht
+der waarheid, in verband met het gezag der rede. Zóó werd de Hervormde
+Kerk, terwijl het vaderland gelouterd werd door staatkundige
+verdrukking, op nieuw tot een Evangelisch-Hervormde Kerk hervormd; en,
+nadat in 1816 de band der formulieren van eenigheid voorzigtig was
+losgemaakt, mogt men in 1817 ook in _Friesland_ het Derde Eeuwfeest der
+Kerkhervorming bij alle Protestantsche Gemeenten onderling en met eene
+broederlijke liefde en eensgezindheid vieren, welke de kroon zette op de
+overwinning, welke de tijdgeest, of liever Gods vaderlijke besturing, op
+de bekrompenheid van het voorgeslacht had behaald, in terugkeering tot
+de genoemde drie oorspronkelijke beginselen van de Nederlandsche
+Hervormde Kerk. Zóó mogten rede, gezond verstand en godsdienstzin
+zegevieren op het kerkelijk leerbegrip.
+
+Hoe verblijdend dit verschijnsel, hoe weldadig het licht zij, dat thans
+bijna algemeen ten aanzien der christelijke waarheid en geloofsleer is
+ontstoken--voor allen is er eene hooge roeping aan verbonden, om,
+voorgelicht door de verhevenste zedeleer, thans als kinderen des lichts
+te wandelen, en om door toeneming in gemoedelijke godsvrucht en
+christelijke deugd en door beleving van het geloof te toonen, dat de
+beschaving, ontwikkeling en veredeling van het menschelijk geslacht de
+vrucht en het doel is der gezegende godsdienst van Christus.
+
+
+_De Doopsgezinden._
+
+Vóór de omwenteling van 1580 hadden de Hervormden en Doopsgezinden
+gemeenschappelijk geijverd tegen de onderdrukking van _Spanje_ en vóór
+vrijheid van geloof en geweten. Na die omwenteling en de zegepraal der
+hervorming hadden beide gezindten zeker gelijke aanspraak op het genot
+van deze vrijheid en de bescherming van het Staatsgezag; te meer, daar
+de Doopsgezinden toen ongeveer een vierde gedeelte der bevolking van
+_Friesland_ uitmaakten, en, zonder aanspraak te maken op de kerken en
+derzelver bezittingen, toelieten, dat de Hervormden daarvan bezit
+namen. En evenwel, hoe gunstig Prins WILLEM _van Oranje_ ook jegens
+de Doopsgezinden in het algemeen gezind was, werd bij zijne
+provisioneele Ordonnantie op het stuk van justitie, politie, kerk en
+krijgshandeling, in 1581 te _Harlingen_ uitgevaardigd, bepaald, dat
+geene andere dan de Gereformeerde religie in deze provincie zou mogen
+worden uitgeoefend[304].
+
+ [304] _Charterboek_, IV 241; WINSEMIUS, 700; BLAUPOT TEN CATE,
+ _Geschiedenis der Doopsgezinden in Friesland_, 124. Zie ook hier voor
+ bl. 167-174, 199.
+
+Het moge waar zijn, dat eenheid van belijdenis of de erkenning van
+slechts ééne Kerk als de Kerk van Staat in die dagen noodzakelijk kan
+geweest zijn,--wij moeten het tevens met lof en eere vermelden, dat de
+Friesche Hervormde Kerk, in de eerste achttien jaren harer vestiging,
+van dit haar uitsluitend regt een verstandig gebruik en geen misbruik
+heeft gemaakt; vermoedelijk, omdat zij toen nog meer doordrongen was van
+de oorspronkelijke beginselen, waarop de Nederlandsche Hervormde Kerk
+was gebouwd, en welke wij vroeger (bl. 342) hebben vermeld. In weerwil
+der genoemde, later tot wet gewordene, bepaling, is er geen spoor, dat
+de Doopsgezinden in dit gewest, die afgescheiden van de wereld wenschten
+te leven, gedurende die jaren door het Staats- of Kerkgezag zijn
+gehinderd geworden in de vrije uitoefening van hunne, in stilte
+gehoudene, godsdienst-oefeningen, welke bij oogluiking werden geduld.
+Staat en Kerk hebben hier toen het voorbeeld gegeven van eene edele
+verdraagzaamheid, welke men later meende, dat geene eigenschap van dien
+tijd of van eene heerschende Kerk kon zijn. Ja, Staat en Kerk gaven nog
+een merkwaardig blijk van naijver, gelijkstelling en onpartijdigheid,
+door in 1596 toe te staan, dat er in de Galileërkerk te _Leeuwarden_ een
+twistgesprek over de verschilpunten der leer tusschen den Hervormden
+predikant RUARDUS ACRONIUS en den Doopsgezinden leeraar PETER VAN
+CEULEN werd gehouden, waartoe van den 16 Augustus tot den 17 November
+niet minder dan 156 zittingen gebezigd werden, zonder tot eenig ander
+doel te leiden dan tot de openbaarmaking van beider denkbeelden en
+begrippen[305]. Bij die gelegenheid werd door PETER VAN CEULEN dankbaar
+erkend, »dat de loffelijke Overheid hen tot nog toe vrijheid van religie
+in alle goedigheid en beleefdheid vergund had, gelijk zij gaarne der
+Overheid wilden gehoorzamen in hetgeen zij verstonden niet strijdig te
+zijn tegen Gods heilig woord, hopende dat God haar in dat zelfde
+voornemen zou laten."
+
+ [305] Het merkwaardig _Protocol, dat is, de gantsche handelinge des
+ ghesprecx_, waarbij steeds leden van Gedeputeerde Staten en der
+ regering van _Leeuwarden_ tegenwoordig waren, in den volgenden jare
+ gedrukt, in 4^o. ruim 500 bl. in twee kolommen groot, berust in de
+ Stedelijke Bibliotheek van _Leeuwarden_. Zie een uitvoerig verslag
+ daarvan bij BLAUPOT TEN CATE, bl. 131-137.
+
+Dan, wij hebben het vroeger reeds opgemerkt, dat de afwijking van de
+oorspronkelijke beginselen der Hervormde Kerk de oorzaak geweest is van
+hare latere verbastering en van vele rampen. Zij was mede de oorzaak,
+dat die goede geest van broederlijke verdraagzaamheid, welke haar tot
+dusverre had gekenmerkt, werd verdrongen door een geest van heerschzucht
+en bittere vervolgzucht. Sedert 1598 werden er bij de Synode en de
+Besturen pogingen gedaan, om de Doopsgezinden het vergaderen te beletten
+en het prediken te verbieden. GELDORP en BOGERMAN, predikanten te
+_Sneek_, gesterkt door de Overheid dier stad, verstoorden in 1600
+werkelijk hunne bijeenkomsten, en gaven in den volgenden jare eene
+vertaling in het licht van BEZA'S boekje _over het Ketterstraffen_,
+waarbij zij verklaarden, dat men slechts ééne godsdienst in den Staat
+moest dulden, en dat het verschoonen van ketters vredehouden met den
+Satan was. Zulke onchristelijke, ja onmenschelijke denkbeelden, welke
+men vroeger onder de Spaansche inquisitie met zoo veel regt onduldbaar
+had geoordeeld, werden aldus met de streng Kalvinistische gevoelens uit
+den vreemde ingehaald en geënt op den jeugdigen, reeds zoo welig
+bloeijenden, boom der Nederlandsche vrijheid. En welke vruchten zulks
+droeg, dit bleek, helaas! eerlang op de Synode van _Dordrecht_, waar die
+zelfde BOGERMAN, als Voorzitter, die zelfde beginselen in het groot in
+toepassing bragt ten aanzien der Remonstranten. (Zie bl. 344 hier vóór.)
+
+Gelukkig, dat BOGERMAN, die in 1608, als predikant te _Leeuwarden_, zoo
+zeer geijverd had tegen de Doopsgezinden, die beginselen ook niet op hen
+toepaste; en nog gelukkiger, dat juist de strijd tegen de Remonstranten
+de oorzaak werd, dat de Doopsgezinden sedert 1611 eenige verademing
+genoten en geene verstoring of vervolging hadden te lijden. De
+verdeeldheid in de Hervormde Kerk zelve had de aandacht afgeleid van
+hen, die bovendien zich hoe langer hoe meer in de toegenegenheid van
+regenten en medeburgers vestigden door hun ingetogen leven en de
+bevordering van handel en fabrijken, waardoor zij in welvaart en
+vermogen toenamen, en als goede burgers van den Staat lasten en
+schattingen gewillig droegen. Zij maakten van die rust en goede
+gezindheid gebruik, door op vele plaatsen nieuwe en grootere vermaningen
+of kerken te bouwen. Wel ondervonden zij daarbij nu en dan tegenstand
+van de plaatselijke besturen, doch niet vóór 1644 en bijzonder na 1651
+wekte dit den naijver op van de Hervormde predikanten. Zij klaagden
+daarover op de Synode, en deze beklaagde zich bij de Staten over de
+»ongelimiteerde Mennonitische groote licentie," welke zij ingebonden
+wilde hebben. De Staten, die in 1659 toegestaan hadden, dat de
+Doopsgezinden met de verklaring van ja en neen, in plaats van een eed,
+zouden kunnen volstaan, bevolen daarop wel de Gedeputeerden in 1661, om
+de plakkaten omtrent de Wederdoopers (waarmede men nog altijd de rustige
+Doopsgezinden wilde verwarren) te vernieuwen; doch er is geen blijk, dat
+deze aan dit bevel hebben voldaan[306]. Hoe zeer ook gezind om de
+regtzinnige leer der Kerk te handhaven, dachten zij gunstiger over
+zoovele vreedzame burgers, die men bij voortduring wel oogluikend moest
+dulden, ook omdat men ze niet verdrijven kon zonder groote schade voor
+het algemeen belang; te meer, dewijl zij zulk een aanzienlijk gedeelte
+der bevolking dezer provincie uitmaakten, daar hun aantal in 1666 op
+ongeveer 20,000 zielen geschat werd, welke op 72 plaatsen gemeentelijke
+vereenigingen hadden.
+
+ [306] _Charterboek_, V 577, 621, 654 en de Resolutiën der Staten, der
+ Gedeputeerde Staten en der Regering van _Leeuwarden_.
+
+Integendeel, Gedeputeerde Staten ontzagen zulk een aanzienlijk ligchaam,
+welks goede zeden, vlijt en eerlijkheid in den handel hunne achting had
+verworven, en welks verzamelden rijkdom spoedig bleek den Staat van
+groot nut te kunnen zijn. Immers, toen bij het uitbreken van den tweeden
+Engelschen oorlog, in 1665, de provincie tot uitrusting van
+oorlogsschepen en andere lasten groote sommen noodig had, en eene
+geldleening van 5 tonnen gouds te vergeefs beproefd werd, zochten zij de
+Doopsgezinden aan, die leening in twee termijnen tegen 5 ten honderd te
+voldoen, met aanbod, dat zij voor hun zelven bevrijd zouden blijven van
+het dragen van wapenen. Bereidwillig voldeden zij destijds aan dit
+verlangen, en op nieuw in 1672, toen de nood des vaderlands nog hooger
+was gestegen. Op verzoek der Staten schoten zij der provincie toen nog
+400,000 Gld. tegen eene rente van 4 ten honderd voor, buiten de
+aanzienlijke bijdragen, welke zij persoonlijk tot de verdediging des
+lands veil hadden.
+
+Zulke groote opofferingen bleven van de zijde der Staten niet
+onvergolden. Deze besloten den 28 Februarij 1672, den Doopsgezinden
+voortaan _vrijheid van religie_ toe te staan, terwijl zij voor hunne
+personen van de algemeene volkswapening vrijgesteld bleven. Dit
+voorregt, van uitstekend belang, werd dankbaar door hen ontvangen, en
+was voor den vervolge van grooten invloed op hun rustig bestaan en
+verdere ontwikkeling. Ook later, in 1677, gaven zij nogmaals gehoor aan
+het verzoek der Staten tot het sluiten eener leening van 132,943 Gld.,
+zoodat zij alsnu in twaalf jaren tijds de provincie met een kapitaal van
+1,032,943 Gld. bijstand hadden geboden[307].
+
+ [307] Zie _Charterboek_, V 747, 749, 814, 1122; _Register op
+ Staats-resolutiën_, 179; TEN CATE, 176.
+
+ * * * * *
+
+Mogten de Doopsgezinden zóó door den Staat beschermd worden, de
+Hervormde Kerk had tegen hen eene blijvende grieve, eensdeels, wegens
+hunne afwijking van de gevoelens, welke zij als de eenige ware meende te
+moeten handhaven, en anderdeels, wegens hunne veelvuldige onderlinge
+verdeeldheden. Daarin vond zij eene beschuldiging en een grond tevens,
+om de noodzakelijkheid van hare eigene eenheid des geloofs te
+verdedigen. Schoon de Doopsgezinden geene kenmerkende leerstellingen
+hadden aangenomen, maar, zich enkel aan de Heilige Schrift vasthoudende,
+aan ieder hunner leden vrijheid van denkwijze lieten, en zich bijzonder
+door hun ijver voor het christelijk _leven_ onderscheidden, bleef de
+eenheid van leer beter onder hen bewaard. De Hervormden, met wien zij in
+de eerste tijden, ook blijkens de eerste Geloofsbelijdenis van omstreeks
+1550, meer overeenstemden, weken van lieverlede meer af; en door het
+aannemen der gevoelens van KALVIJN en van de leerstellingen der Dordsche
+Synode werd het verschil en de breuk tusschen beide kerkgenootschappen
+nog grooter. Legden de Hervormden er zich op toe, om bij de beschouwing
+van den weg der zaligheid alles alléén aan God toe te schrijven, terwijl
+de mensch in zijne geheele bedorvenheid daartoe niets _kon_ bijbrengen,
+en bij de genoegzaamheid der plaatsvervangende gehoorzaamheid van
+Christus ook niet behoefde;--de Doopsgezinden moesten afkeerig zijn van
+zulk eene voorstelling, in welke zij geene drangredenen tot eenen
+christelijken wandel konden vinden en die eigene werkzaamheid en
+spanning van zedelijke krachten onnoodig maakte. Vandaar, dat bij de
+eersten de beginselen van een lijdelijk Christendom en bij de laatsten
+van eene werkdadige Godsdienst meer werden ontwikkeld, tot een
+onderscheidend kenmerk van elke gezindte.
+
+Maar juist der Doopsgezinden ijver voor het christelijk leven bragt hen
+op den weg van onderlinge verdeeldheid en scheuring. Dat de Gemeente in
+haren wandel heilig en onberispelijk moest zijn; dat de ban of
+uitsluiting onontbeerlijk was, om alle vlekken en rimpels uit haar te
+verwijderen, en dat men de gebannenen ook in het dagelijksch verkeer
+moest mijden,--daarin kwamen allen overeen. Doch hoe ver men den ban en
+de mijding moest uitstrekken, daarover ontstonden verdeeldheden. Hunne
+Oudsten, LEENERT BOUWENS en DIRK PHILIPS, met heiligen ernst bezield,
+ijverden voor strengheid; de zachte geest van MENNO SIMONS vermaande
+gedurig tot gematigdheid, totdat hij, eindelijk overreed en zelf met den
+ban bedreigd, uit vrees voor scheuring zich bij hen voegde. Toen nu de
+strenge partij door het gezag van MENNO de overhand had bekomen,
+scheidden de gematigden zich omstreeks 1555 af en vormden afzonderlijke
+gemeenten. In _Oost-Friesland_, werden deze eerst _Schedemakers_ en in
+deze provincie _Franekers_ geheeten, doch later algemeen _Waterlanders_
+genoemd, welken naam zij ook eerst alleen in _Holland_ hadden gedragen,
+toen de anderen met dien van _Mennoniten_ werden onderscheiden. De
+Waterlanders leefden verder rustig en muntten uit door zuiverheid van
+zeden en onderlinge liefde. Onder de strenge banners ontstonden evenwel
+spoedig nieuwe oneenigheden: eerst naar aanleiding van vreemde zeden,
+door vlugtelingen, vooral uit _Vlaanderen_, aangebragt, welke in 1568
+eene scheuring veroorzaakten, ten gevolge eener mislukte poging tot
+hereeniging in de vermaning te _Harlingen_. Daar de partij der Friezen,
+welligt uit zucht tot vrede, daarbij eene dubbelzinnige rol speelde, gaf
+dit aanleiding, dat de meeste gemeenten in dit gewest de tegenpartij in
+het gelijk stelden, en zich met haar vereenigden. Later ontstonden er
+nog vele kleine scheuringen, doch bleven er in _Friesland_ vooral drie
+hoofdpartijen bestaan: de _Waterlanders_, de _Friezen_ en de
+_Vlamingen_.
+
+Allengs echter bedaarde de opgewonden ijver. Verbittering maakte plaats
+voor vriendschap, en op den tijd van scheuring volgde in den loop der
+17e eeuw een tijd van vereeniging, welke de meeste gescheidene gemeenten
+eerlang weder tot één bragt. De vroegere strengheid, bij welke de zorg
+voor zuivere zeden dikwijls de broederlijke liefde uitdreef, week voor
+een milderen geest. Door handel en bedrijf kwamen de Doopsgezinden
+allengs meer in maatschappelijk verkeer met andere burgers en in
+aanraking met de wereld. Een meer wetenschappelijk onderzoek van de
+Heilige Schrift deed hen aan bijzaken mindere waarde hechten. Zoo kwam
+er meerdere toenadering onderling en met andersdenkenden. Talrijke
+vergaderingen van hunne Oudsten getuigden van hunne zucht naar
+vereeniging. Belijdenissen werden in die vergaderingen opgemaakt, welke
+tot grondslag van vereeniging strekten en hunne gevoelens te gelijk aan
+anderen meer bekend maakten. Hoe zeer moest die goede geest niet
+toenemen, sedert zij in 1672 van de Staatsmagt de erkenning van hun
+bestaan en de lang begeerde vrijheid tot uitoefening van hunne
+godsdienst hadden verkregen?
+
+Eene eerste en weldadige vrucht daarvan was de oprigting van de
+_Friesche Doopsgezinde Societeit_ in 1695. Deze bestond in eene
+verbindtenis van meest alle Doopsgezinde gemeenten, met het doel, om
+»liefde, vrede en eenigheid onder elkander te bewaren, en om te zorgen,
+dat de noodlijdende gemeenten, benevens de Broeders, die daarin de
+predikdienst waarnamen, door onderlinge bijdragen naar vermogen mogten
+worden ondersteund." Deze vereeniging was van zeer gunstig gevolg voor
+den welstand van de gemeenten en van de gansche broederschap, en
+bevorderde een geest van onderlinge goedwilligheid en verbroedering,
+welke eerlang in den loop der 18e eeuw ten gevolge had, dat in die
+plaatsen, waar Friesche, Vlaamsche, Waterlandsche of andere gemeenten
+bestonden, vereenigingen tot stand kwamen, welke eindelijk, alle partij-
+en sektengeest verbannende, één krachtig en zelfstandig kerkgenootschap
+in het leven riep, dat getrouw was gebleven aan het eenige fondament,
+dat gelegd kan worden, al waren zijne leden ook van lieverlede uit hunne
+afzondering _in_ de wereld overgegaan.
+
+Vóór dit echter geschiedde, hadden zij nog eenige moeijelijke
+aanvallen door te staan. Als wij ons herinneren, welk een geest van
+onverdraagzamen ijver de Hervormde predikanten onderling bezielde jegens
+hunne eigene broederen, als: BEKKER, VAN GIFFEN en de Franeker
+Hoogleeraren, toen deze den moed hadden eenige meerdere vrijzinnigheid
+aan den dag te leggen, dan verwondert het ons geenszins, dat zij weinig
+genoegen namen in der Staten goedgunstigheid jegens de Doopsgezinden,
+waardoor alle vroegere klagten der Synode in eens gesmoord waren.
+Daarenboven was het duidelijk, dat er tusschen hen en de verketterde
+Remonstranten, Collegianten, Labadisten en Hernhutters eene
+vriendschappelijke aanraking bestond: sekten toch, die men verdacht
+hield van besmet te zijn met Sociniaansche gevoelens, welke de Kerk met
+den meesten afschuw verfoeide, waarom Socinianen, Kwakers en Dompelaars
+sedert 1662 bij plakkaat aan strenge vervolging waren blootgesteld;
+terwijl bij de vernieuwing van dit plakkaat in 1687 openlijk gezegd
+werd, dat die dwaalgeesten zich met de Doopsgezinden vermengden. Dien
+ten gevolge werd in 1687 een hunner leeraren op eene aanklagt gebannen
+en 1719 op nieuw. De bezorgdheid der Synode was zóó groot, dat zij in
+1722 zelfs Gedeputeerde Staten wist over te halen, dat van alle
+Doopsgezinde leeraren de onderteekening zou geëischt worden van een
+formulier tot erkentenis van het leerstuk der Drieëenheid, op straf van
+ontzetting en eene boete van 100 gouden Friesche rijders, als zij het
+leeraarambt bleven waarnemen. Stootend was het dezen voorzeker, dat een
+ander kerkgenootschap de vrijheid nam, hen voor te schrijven, wat zij
+hadden te gelooven omtrent een godgeleerd begrip, waarvoor zij onder de
+hen voorgelegde bewoordingen geen grond vonden in het evangelie. Allen
+(op slechts één na) weigerden de onderteekening, en zoo bleven dan nu
+hunne vergaderplaatsen gesloten. Zij leverden echter hunne bezwaren daar
+tegen bij de Staten in, die verstandig genoeg waren de gegrondheid
+daarvan te erkennen en de resolutie op te schorten, waardoor dit
+dreigende onheil werd afgewend.[308]
+
+ [308] _Charterb._ V 670, VI 130; TEN CATE, 148, 312, 313. De gevoelens
+ van de Poolsche Godgeleerden LELIUS en FAUSTUS SOCINUS, in 1638
+ verbannen, welke het meest van de leer der Kerk afweken, waren
+ bijzonder hunne ontkenning van het leerstuk der Drieëenheid en der
+ Erfzonde en twijfelingen omtrent de godgelijkheid des Heeren.
+
+De beschuldiging van Sociniaansche gevoelens toegedaan te zijn, trof in
+1738 drie leeraren van _Heerenveen_ en _de Knype_, waarvan twee van
+hunne bediening ontzet werden. De Doopsgezinde Societeit beklaagde zich
+hierover wel bij de Staten, doch zonder gevolg, dewijl men onvoorzigtig
+genoeg was geweest die handeling _inquisitie_ te noemen. Doch de
+geleerde JOANNES STINSTRA, leeraar te _Harlingen_, die in deze zaak den
+meesten ijver had betoond tot verdediging van het aangerande regt der
+Doopsgezinden tot vrijheid van geloof, viel kort daarop onder gelijke
+beschuldiging, dewijl men voorgaf, dat zijne uitgegevene predikatiën
+_over de natuur en gesteldheid van Christus Koningrijk_ met
+Sociniaansche denkbeelden besmet waren. Op de klagt der Synode aan
+Gedeputeerde Staten vonden deze goed, dat alle synodale klassen van
+_Friesland_ en alle theologische faculteiten in _Nederland_ het boek van
+STINSTRA zouden onderzoeken en hunne bevinding mededeelen. Deze was
+natuurlijk overeenkomstig de beschuldiging: want wie zou zich tegen het
+oordeel der Synode durven verzetten? Slechts één man had dien moed, die
+onpartijdigheid van onderzoek, die verachting van menschenvrees, waar
+het de belangen van waarheid en regt gold. De hoogleeraar VENEMA, reeds
+vroeger loffelijk door ons vermeld (bl. 355), die in verstand,
+geleerdheid en liefde boven zijne eeuw verre verheven was, verklaarde,
+niet één stellig bewijs van socinianerij in het boek te kunnen
+aanwijzen. In weerwil van dit gunstig oordeel, dat de verbolgenheid van
+velen tegen VENEMA opwekte, werd STINSTRA afgezet, en, ondanks de
+dringende verzoeken zijner gemeente en der Friesche Societeit, gedurende
+vijftien jaren (1742-1757) van zijnen kansel geweerd; hoewel hij
+intusschen, op verzoek van verlichte edelen en staatsleden, tijdens den
+landsdag, dikwijls te _Leeuwarden_ kwam prediken, bij welke gelegenheid
+de voornaamste Friesche grooten in de eenvoudige vermaning onder zijn
+gehoor verschenen. Wel ergerde dit de Hervormde predikanten, doch deze
+bescherming van de aanzienlijksten des lands schrikte hen af, verder
+iets tegen de Doopsgezinden te ondernemen[309]. Wij vermelden dit minder
+ter eere van STINSTRA, als wel om te bewijzen, dat er in het midden der
+18e eeuw bij vele aanzienlijke Friezen niet alleen godsdienstzin
+bestond, maar ook eene zucht naar meer vrijzinnige en evangelische
+begrippen, en tot verbreking van de banden, met welke de Kerk, nog
+altijd gesteund door het Staatsgezag, de leer immer binnen de zelfde
+enge grenzen wilde beperkt hebben. Het gezond verstand van hen, die men
+den bijnaam van _Toleranten_ had gegeven, begon zich te verzetten tegen
+de Dordsche leerstukken; en hoe krachtiger de predikanten deze wilden
+handhaven, hoe sterker de tegenstand werd der voorstanders van den
+vooruitgang jegens de aanhangers van het behoud.
+
+ [309] Dit verhalen YPEIJ en DERMOUT, III 531 op grond van het
+ _Historisch Verhaal omtrent Ds. de Cock_, 58, waar zelfs gezegd wordt,
+ dat hij "het puik der Friesche Baronnen (alle Heeren van Bon-Sens)
+ onder zijn gehoor had." Zie ook LORGION, _de Herv. Kerk_, 241 en TEN
+ CATE, 214 en 351, waar ruim 40 geschriften opgenoemd worden, welke
+ betrekkelijk deze, destijds zoowel elders als in _Friesland_, veel
+ geruchtmakende zaak zijn uitgegeven.
+
+De Doopsgezinden, die sedert de oprigting van hunne Kweekschool te
+_Amsterdam_ in 1735 meer wetenschappelijk gevormde leeraars ontvingen,
+die eene betere predikwijze en meer beschaafden spreek- en schrijftrant
+invoerden, en ook door andere geschriften, alsmede door vertalingen der
+werken van RICHARDSON, TILLOTSON, BLAIR enz. zich jegens de
+vaderlandsche letterkunde verdienstelijk maakten, waren steeds vrienden
+van gematigden vooruitgang en bondgenooten van hen, die wilden, dat ook
+de Hervormde Kerk zou deelen in de stralen der blijkbaar toenemende
+verlichting. En terwijl zij van lieverlede afstand deden van hunne
+begrippen omtrent het overheidsambt en het wapendragen, gaven zij aan-
+en ontvingen zij van de Hervormden menigvuldige blijken van
+verdraagzaamheid, toenadering en verbroedering. Hadden de twee
+Doopsgezinde instellingen: _Teijler's Godgeleerd en Tweede Genootschap_
+(1779) en de _Maatschappij: tot nut van 't Algemeen_ (1785), de
+bevordering van de waarheid der christelijke godsdienst, de uitbreiding
+van de wetenschap en de verstandelijke ontwikkeling van het volk ten
+doel--met gemeenschappelijke krachten en verwijdering van alle
+geloofsverschil hebben zoowel Hervormden als Doopsgezinden geijverd om
+dat doel te bereiken, en daardoor de eer en bloei van beide instellingen
+bevorderd tot duurzaam heil des vaderlands[310]. Ook de Friesche
+Doopsgezinden hebben tot dat alles het hunne toegebragt, en zullen de
+geschriften van STINSTRA, NIEUWENHUIS, DE VRIES, OOSTERBAAN, STIJL,
+KOOPMANS, HANEKUIK, HOEKSTRA, BROUWER, WIELING en anderen bestendig
+getuigen van hun ijver, zoowel voor Christendom en Kerk, als voor
+wetenschap en volksgeluk. De verzachting van begrippen en toenadering
+van de Protestanten onderling mogt den lang bestaanden scheidsmuur doen
+vallen, die toenadering moest echter ten gevolge hebben eene verminderde
+getal-sterkte hunner Kerkgemeenschap.
+
+ [310] Zie dit meer bijzonder aangewezen in de verhandeling van Prof.
+ SIEGENBEEK, _over hetgeen het Kerkgenootschap der Doopsgezinden, in de
+ laatste 50 jaren, tot verspreiding van redelijke Godsdienstkennis,
+ handhaving van het zuivere Christendom en verbetering der Predikwijze,
+ in de Protestantsche Kerk van Nederland heeft toegebragt_, geplaatst
+ in het 6e dl. van KIST en ROYAARDS, _Archief_, Leiden 1835, 203.
+
+Het werd mede eene aanleiding, dat vele Doopsgezinden, op verren afstand
+van eene gemeente wonende, geene zwarigheid maakten tot de Hervormde
+Kerk over te gaan.[311] Zeker hadden de staatkundige omstandigheden en
+de offers, welke de omwenteling van 1795 eischte, daarop een merkbaren
+invloed: want verlies van fondsen en daardoor van de gelegenheid om
+wetenschappelijk gevormde leeraars te kunnen bekomen, hebben vele kleine
+gemeenten op het land doen vervloeijen. Ten gevolge van dat alles daalde
+het getal gemeenten toen tot 42 en dat der zielen tot ruim 12,000,
+hoewel het laatste getal in 1851 weder tot ruim 15,000 was toegenomen.
+Die omwenteling schonk evenwel ook hun volkomene gelijkstelling met
+andere gezindten en onbeperkte vrijheid van godsdienstige begrippen.
+Sedert dien tijd hebben geene schokken hun kerkelijk bestaan verontrust,
+maar als rustige burgers van den staat, vasthoudende aan de grondslagen
+hunner evangelische belijdenis, zijn zij toegenomen in innerlijke kracht
+en in uitwendig aanzien, deelende in de zelfde voorregten, welke de met
+haar verbroederde Hervormden in de negentiende eeuw mogen genieten, bij
+gelijkheid van streven naar meerdere ontwikkeling en volmaking van
+christelijke beginselen, tot vorming van waardige burgers voor den Staat
+en bovenal voor het Koningrijk Gods in het leven der toekomst.
+
+ [311] Over de oorzaken van het verminderde getal leden heeft D^o.
+ BLAUPOT TEN CATE een afzonderlijk werkje geschreven, getiteld:
+ _Gedachten over de Getals-vermindering bij de Doopsgezinden_, Amst.
+ 1844, naar aanleiding van opmerkingen deswege in het belangrijke werk
+ van D^o. J. H. HALBERTSMA, _de Doopsgezinden en hunne herkomst_, Dev.
+ 1843. Volgens eene lijst daarin, zijn er in _Friesland_ wel 27
+ gemeenten te niet gegaan.
+
+
+_De Lutherschen_[312].
+
+ [312] Het volgende is hoofdzakelijk getrokken uit de berigten van de
+ Eerw. Heeren SCHULTZ JACOBI en SCHUTTE, in _Aant._ 19 breeder vermeld.
+ Zie ook bl. 164 hier vóór, en meerdere bijzonderheden in mijne
+ _Geschiedkundige Beschrijving van Leeuwarden_, II 118.
+
+Sedert LUTHER in 1517 openlijk den kamp waagde tegen _Rome_ en de
+misbruiken der Kerk, vonden zijn moed en gevoelens in ons vaderland
+spoedig weerklank. Bijzonder was dit het geval in _Friesland_, volgens
+de berigten van zijn tijdgenoot PETER VAN THABOR op het jaar 1524[313].
+»Door zijne schriften (meldt deze) en door zijne beschuldigingen tegen
+den Paus en de regenten der Kerk, alsmede tegen de Kloosters en velerlei
+menschelijke inzettingen en misbruiken, had hij het gansche Christenrijk
+beroerd, en waren er te _Amsterdam_ vooral groote ongeregeldheden
+voorgevallen. Hoewel er in _Friesland_ daarover toen nog niet zulke
+twisten bestonden, waren er nogtans vele priesters en geleerde lieden,
+die LUTHER bijvielen, en zelfs twee priesters van het klooster _Aanjum_
+naar hem toegeloopen." Reeds vroeger, onder de Saksische regering,
+hadden verscheidene Friezen de Saksische Hoogeschool te _Wittenberg_
+bezocht, en van 1522 tot 1559 nam dit getal aanmerkelijk toe, volgens
+eene daarvan bestaande breede lijst[314]. Vermits LUTHER eerst in 1546
+overleed, zoo is het duidelijk, dat zijne leerlingen in _Friesland_
+denkbeelden en gevoelens terugbragten, welke den voortgang en de
+uitbreiding van de zaak der hervorming gunstig waren. Vandaar dan ook,
+dat in al de eerste plakkaten, sedert 1521 namens den Keizer tegen de
+ketters en verzakers van het geloof der Kerk hier afgekondigd, LUTHER en
+zijne dolingen wel het meest worden veroordeeld en de verspreiding van
+zijne schriften en gevoelens verboden[315].
+
+ [313] _Kronijk_, in het _Archief_ van VISSER en AMERSFOORDT, II 427.
+
+ [314] Bij SCHULTZ JACOBI, 173, 184. Hij heeft deze lijst opgemaakt uit
+ het Album der Wittenbergsche Hoogeschool, dat echter slechts tot 1560
+ is gedrukt.
+
+ [315] Zie deze plakkaten in het _Charterboek_, II 107, 194, 415, 514,
+ 563, 594, 626, 633 env.
+
+En evenwel, hoe groot die invloed van LUTHER in _Friesland_ ook geweest
+is, om eene verandering van geloof, gemoed en leven te weeg te brengen,
+is er volstrekt geen blijk, dat er in de 16e eeuw hier eene, naar hem
+genoemde, sekte of gemeentelijke vereeniging, welke bepaaldelijk de
+Augsburgsche belijdenis volgde, is gevestigd geweest. Later toch waren
+de plakkaten meer gerigt tegen MENNO SIMONS en de hervormings-gezinden
+in het algemeen. De sterke toeneming van de Doopsgezinden en de
+aanneming van de bijzondere begrippen van ZWINGLI en daarna van KALVIJN
+bij de Hervormden schijnen de oorzaken geweest te zijn, dat de
+Lutherschen zich hier niet tot eene afzonderlijke gezindte gevestigd
+hebben. Sommigen hunner begaven zich naar _Oost-Friesland_, anderen
+vereenigden zich bij hunne uitsluiting in 1581 met de Hervormden, zoodat
+het getal dergenen, die de leerstellingen van LUTHER bleven aankleven,
+gering zal geweest zijn.
+
+In de volgende eeuw vermeerderde dat getal van lieverlede.
+Onderscheidene personen uit den vreemde zetten zich hier neder, of
+kwamen in het gevolg der Friesche Stadhouders of met Duitsche benden
+herwaarts over. Ook aan de Akademie te _Franeker_ bevonden zich veelal
+verscheidene Luthersche studenten. Toen in 1650 het getal dezer laatste,
+uit _Duitschland_, _Zweden_, _Denemarken_ enz. 31 bedroeg, deden zij
+eene eerste poging, om in _Friesland_ eene Luthersche Kerk op te
+rigten. Eerst deden zij een aanzoek daartoe aan den Akademischen
+Senaat, en, toen zij bij dezen geen gehoor vonden, aan Gedeputeerde
+Staten. Dan, de Hoogleeraren bragten daartegen zoo vele bezwaren in; zij
+vreesden van eene toegeeflijkheid in dezen zóó ernstige gevolgen voor de
+Kerk en de rust der Hoogeschool, dat de Staten meenden, genoemd verzoek
+van de hand te moeten wijzen[316]. Evenmin slaagde zeker zwervend
+predikant, JOHANNES DURÆUS, in 1656, om de Gedeputeerden in gunstiger
+stemming te brengen jegens zijne geloofsgenooten.
+
+ [316] Uit de Akademische akten medegedeeld door D^o. LORGION, _de
+ Hervormde Kerk_, 118.
+
+Intusschen hielden de Lutherschen toenmaals reeds in stilte
+vergaderingen zoowel te _Leeuwarden_ als te _Harlingen_, welke
+oogluikend werden toegelaten. De ijverzucht der Hervormde predikanten
+werd daardoor echter opgewekt, en de Synode van 1663 beval een onderzoek
+deswege, waarna zij in 1668 hare klagten daarover bij Gedeputeerde
+Staten inbragt. Zij werd daartoe inzonderheid bewogen, omdat de
+Lutherschen, na in dat jaar van de Staten te vergeefs verlof gevraagd te
+hebben, om te _Leeuwarden_ eene kerk te bouwen, een predikant uit
+_Amsterdam_ hadden ontvangen, die zoowel hier als te _Harlingen_ al te
+openbaar predikte. Gedeputeerden, gelijk ook de Magistraat, waren eerst
+wel genegen tot toegevendheid; doch toen de Lutherschen in het houden
+van hunne bijeenkomsten in eene vaste vergaderplaats hoe langer hoe
+vrijer werden, drongen de klagten en beschuldigingen van den Hervormden
+Kerkeraad zóó sterk, dat de Overheid zich in 1671 verpligt zag het bevel
+te geven, dat de predikant binnen drie dagen moest vertrekken en dat de
+vergaderingen belet of verstrooid zouden worden.
+
+Ofschoon de regering rekkelijk genoeg was, de uitvoering van dit besluit
+nog langer dan drie maanden uit te stellen, was men verpligt te
+gehoorzamen en zich te onderwerpen. Doch reeds in het volgende jaar 1672
+kwam er een ander predikant over, en toen in dit jaar de Staten aan de
+Doopsgezinden vrijheid van godsdienst-oefening toestonden, werd de hoop
+der Lutherschen verlevendigd, dat dit voorregt weldra ook hun mogt ten
+deel vallen. Zij bleven in stilte vergaderen in een achteraf staand huis
+in de Nieuwe Oosterstraat. Dit was echter zeer bouwvallig, en toen nu
+een rijk lid der gemeente, Jhr. ANDREAS MÖLLER, aanbood, om op die
+plaats voor zijne kosten een nieuw kerkgebouw te doen optrekken, waagde
+men het in Junij 1680 met den opbouw daarvan te beginnen. Doch met deze
+stoute daad was men te ver gegaan: want spoedig volgde het bevel van den
+Magistraat, om den arbeid te staken en het gebouwde af te breken,
+hetgeen, in weerwil van herhaalde en dringende verzoeken, geschiedde.
+
+Die tegenstand noopte de verdrukte gemeente om het uiterste te wagen en
+van de Staten vrijheid van godsdienst-oefening te verzoeken. Door
+medewerking van mannen van invloed werd deze den 22 Julij 1681 gelukkig
+verleend, evenwel op voorwaarde van te zullen vergaderen in een gewoon
+huis en in stilheid, zonder gebruik te maken van eene klok[317].
+Onmiddelijk hierna ving men aan met den opbouw van de kerk, waartoe de
+gemeente, die toen ongeveer 3 à 400 zielen telde, gaarne de overige
+kosten droeg. In 1692 werd daar naast eene kosterswoning en in 1697 eene
+pastorie in de nabijheid aangekocht. Dat kerkgebouw is in 1773
+vernieuwd en vergroot, vooral ten gevolge van den ijver en invloed des
+welsprekenden leeraars AUGUSTUS STERK, onder wien de gemeente tot 6 à
+700 zielen was aangegroeid. In 1843 is daarnevens eene nieuwe pastorie
+gebouwd.
+
+ [317] Zie dit besluit in het _Charterb._ V 1194 en bij SCHUTTE, 189;
+ alsmede _Reg. Staats-res._ 447; YPEIJ en DERMOUT, I Aant. bl. 153.
+
+ * * * * *
+
+Weinige zijn de bijzonderheden, welke omtrent de overige Luthersche
+gemeenten in _Friesland_ bekend zijn. De gemeente te _Harlingen_, te
+gelijker tijd met die van _Leeuwarden_ ontstaan, had in den beginne
+gemeenschappelijk met dezen den zelfden predikant. In 1669, toen zij een
+eigen huis tot eene kerk aankocht, was het getal harer leden reeds
+ongeveer 150. Even als in andere handelsteden nam dit getal van
+lieverlede in de 18e eeuw toe. Doch de geweldige twisten, welke ook dit
+kerkgenootschap en onderscheidene gemeenten daarvan beroerd hebben,
+gaven aanleiding tot scheuring, waardoor er te _Harlingen_ twee
+gemeenten ontstonden, waarvan de eerste den naam van de _Evangelisch
+Luthersche_ bleef dragen, terwijl de tweede, die zich, in navolging van
+de splitsing der Amsterdamsche gemeente, afscheidde, den naam van
+_Herstelde_ daar vóór voegde.
+
+Ook te _Balk_ is eene kleine gemeente geweest, gelijk mede op _Ameland_,
+welke tot 1817 als filiaal- of bijgemeente twee of driemalen 's jaars
+bezocht werd door den predikant van _Leeuwarden_, die dan in de
+Hervormde kerk te _Ballum_ doop en avondmaal bediende. Evenzoo werd
+_Workum_ een filiaal-gemeente van _Harlingen_. Te _Sneek_, _Franeker_,
+_Dokkum_, _Makkum_, _Dragten_, _Joure_, _het Bildt_ en elders bevonden
+zich later nog een grooter of kleiner getal Lutherschen. De geest
+van broederlijke eensgezindheid tusschen de Protestantsche
+kerkgenootschappen in deze provincie heeft thans gelukkig eene
+onderlinge toenadering bevorderd, welke de aanleiding tot vroegere
+afzondering grootendeels heeft doen verdwijnen. Het getal Evangelisch
+Lutherschen in _Friesland_ is thans, in 1851, echter niet grooter dan
+700, en dat der Herstelde van 126.
+
+
+_De Roomsch Katholijken._
+
+De aanneming van de zaak der hervorming in _Friesland_ was bij de
+omwenteling van 1580 zóó algemeen, dat er slechts weinige ingezetenen
+waren, die uit gehechtheid of overtuiging de oude Katholijke eeredienst
+bleven toegedaan, terwijl andere, uit vrees voor vervolging, deze
+provincie verlieten en later daarin terugkeerden. Tot den jare 1593
+verkeerde die voormalige Kerk hier alzoo »in eenen geheel verlatenen
+toestand; naauwelijks bevond zich hier een Priester, en die er waren,
+hielden zich uit vrees schuil." Dit verklaart althans Pater WILLEBRORDUS
+VAN DER HEIJDEN, die een verhaal heeft geschreven van de pogingen, welke
+de zendelingen der _Jezuiten_ van 1593 tot 1638 in _Friesland_ hebben
+aangewend, om de Roomsche eeredienst, welke bij de staatsomwenteling was
+te niet gegaan, zoo veel mogelijk weder op te beuren en te herstellen,
+waartoe hij zelf gedurende elf jaren ijverig medewerkte[318]. Wij noemen
+dit eene opmerkelijke verklaring, omdat zij van die zijde dit bekende
+feit bevestigt, en het bewijs levert, dat de latere Katholijken in dit
+gewest niet de Katholijken waren van vóór 1580, maar of vreemden of
+latere afvalligen van de eens aangenomene hervorming.
+
+ [318] _Verhaal van de verrigtingen der Jezuieten in Friesland_ is de
+ titel van dit geschrift, dat, uit het latijn vertaald, in 1842 door de
+ Heeren AMERSFOORDT en EVERTSZ is uitgegeven, met vele belangrijke
+ aanmerkingen over dit onderwerp verrijkt.
+
+De sedert 1593 bestendig in grooter getal overgekomene zendelingen der
+Jezuiten lieten geene pogingen onbeproefd, om sommige edelen, eenvoudige
+landlieden en zwakke burgers òf op nieuw in het oude geloof der Kerk te
+bevestigen, òf voor hunne zaak te winnen. Vermits niet alle Hervormde
+gemeenten in den eersten tijd met geschikte predikanten konden voorzien
+worden, en de overdrijving van de Kalvinistische stellingen velen onder
+de Hervormden tegenstond, slaagden zij aanvankelijk zeer gunstig. Reeds
+in 1606 vestigde zich te _Leeuwarden_ een wereldlijk priester, LAMBERTUS
+ENGELBERTS LAMBRINGA, die in 1609 door SASBOUT VOSMAER, zich noemende
+opvolger van den Utrechtschen Aartsbisschop, tot Deken en Aartsdiaken
+van _Leeuwarden_ werd aangesteld. De meeste zorg, veel vernuft en groote
+welsprekendheid wendden zij aan, om het Katholijk geloof voort te
+planten. Een hunner, CARBONELLI, had wel 600 zielen voor hunne zaak
+gewonnen. In 1636, toen VAN DER HEIJDEN wel acht priesters tot
+medehelpers had, aan wie verschillende grietenijen tot werkkring waren
+aangewezen, had hij alleen 523 personen gedoopt en 600 paren in den echt
+verbonden; terwijl in het volgende jaar 480 personen te _Leeuwarden_ van
+hem absolutie ontvingen. Ja, zij rekenden er op, dat elk jaar hun
+ongeveer 800 zielen aanbragt.
+
+Met ongemeenen moed weêrstonden of ontweken zij dikwijls het gevaar, dat
+hen bestendig bedreigde en herhaalde malen trof, van verstrooid,
+verjaagd, gevangen genomen en geboet te worden. Want zoowel de Algemeene
+als de Provinciale Staten hadden in en na den jare 1580 strenge
+plakkaten doen uitgaan tegen de priesters en de pauselijke ceremoniën,
+bijeenkomsten enz. Na 1593 werden die verbodsbepalingen, welke nagenoeg
+elk jaar op nieuw werden uitgevaardigd, dreigender, de bevelen aan de
+plaatselijke besturen scherper en de boeten op de overtreding hooger
+gesteld. Zelfs had hij, aan wiens huis zulk eene verbodene
+godsdienst-oefening plaats had, 100 Friesche gouden Rijders verbeurd.
+Nadat, volgens besluit der Hollandsche zending der Jezuiten,
+_Leeuwarden_ aan WILLEM WARIGHEM, _Zwolle_, _Groningen_ en _Sneek_ aan
+ARNOLD CATHUIS en _Harlingen_ aan GERARDUS CARBONELLI waren ten deel
+gevallen, breidden zij vooral over deze steden en omstreken hunne zorgen
+uit. Toen er in 1616 een gerucht ging, dat uit het huis van een »papist"
+te _Harlingen_ tot onder de Hervormde kerk mijnen waren gegraven, om
+deze laatste met buskruid te vernielen, lieten Gedeputeerde Staten, op
+aanklagt der classis van _Franeker_, dat huis onverwachts door 35
+soldaten overvallen en plunderen, waarbij in eene kast een aantal
+brieven en andere stukken van den priester WARIGHEM werd gevonden. De
+Staten achtten deze stukken belangrijk genoeg, om ze door den druk
+gemeen te maken, hetgeen in het latijn en in het nederduitsch
+geschiedde, opdat men zou kunnen zien »met wat practijken ende hoe
+groote neersticheyt de Jesuyten hare _negotiatie_ (so sij 't noemen)
+dryven, en hoe sy de Paeusselijcke Religie met de Jesuijtsche
+heerschappye tot onderganck van de gereformeerde Kercke ende Republijcke
+soecken voort te planten"[319].
+
+ [319] _Iesvitica per Vnitas Belgij Prov. Negociatio_ is de latijnsche,
+ en _Der Jesuyten Negotiatie ofte Coop-handel inde Vereenichde Nederl._
+ de Nederduitsche titel van dit hoogst zeldzame, in de Stedelijke
+ Bibliotheek van _Leeuwarden_ bewaarde geschrift, dat den Heeren
+ AMERSFOORDT en EVERTSZ zelfs onbekend bleef, en waarvan zij bl. 49 en
+ 250 melding maken naar eene schets, welke SCHELTEMA daarvan gaf in
+ KIST en ROYAARDS, _Archief_, III 399.
+
+In weerwil der hier na toegenomene vervolging en ondanks het
+staatsbesluit van 1638, waarbij aan alle priesters bevolen werd, binnen
+zes dagen uit deze provincie te vertrekken, bleven zij voortgaan, »om
+met groote cloeckheyt alle perijckelen te weerstaen en nae vermoghen
+zielen te winnen met Godts gratie." En inderdaad, als wij lezen hoe
+dikwijls zij zich daarbij aan levensgevaar bloot stelden; welk een moed
+zij voor hunne zaak aan den dag legden, en hoe onvermoeid zij werkzaam
+waren, om hun doel te bereiken en aanhangers te verwerven,--en als wij
+daarmede vergelijken de beschuldigingen tegen de Hervormde predikanten
+destijds ingebragt, zoodat de klassis van _Franeker_ het in 1662 noodig
+vond hen te bevelen, »tot verhoedinge van luijheijd en traagheijd in den
+H. dienst tot tweemaal te prediken en catechisatiën te houden, en dat
+het prediken niet in bloten sleur, en door alweder en weder dat selfde
+ten voorschijn te brengen en alsoo alleen om de uur te krijgen, werde
+verrigt"[320]--dan is het duidelijk, dat de onverpoosde ijver der
+Jezuiten en de laauwheid der Hervormden de oorzaken waren, dat de
+Katholijken van lieverlede in getal en krachten toenamen. Hoezeer het de
+Synode ook ergerde en hoe dikwijls zij ook klaagde over de »paepsche
+stoutigheden, het plegen van pausselyke ceremonien en het houden van
+conventiculen," waartegen de Staten tot aan 1686 bestendig de plakkaten
+vernieuwden,--zij moest toezien, dat de Katholijken hoe langer hoe
+onbeschroomder hunne godsdienst-oefeningen hielden en in de meeste
+steden en in en buiten vele dorpen in bekende bedehuizen bijeenkwamen.
+Die openbaarheid hinderde 1680 den Hervormden Kerkeraad van _Leeuwarden_
+zoodanig, dat op zijn verzoek, »om de paepsche afgoderij te weeren", de
+Magistraat al de altaar-sieraden uit het huis van Dr. VAN CAMPEN liet
+wegnemen en het zilverwerk in de Munt versmelten; terwijl de eigenaar
+van dat huis eene boete van 300 Gld. opgelegd werd, omdat hij bleef
+voortgaan met het houden van zamenkomsten. Groote wrok verwekten in deze
+stad de berigten van de vervolgingen, welke de Fransche Hervormden, ten
+gevolge der herroeping van het edikt van _Nantes_, hadden te verduren:
+zoodat op den 26 Julij 1687 de vergaderplaatsen der Roomschen door het
+gemeen werden aangevallen, verstoord en geplunderd, waarbij altaren,
+schilderijen, beelden en versiersels op de straat geworpen en openlijk
+verbrand werden[321].
+
+ [320] LORGION, Bijlagen tot _de Ned. Herv. Kerk_, 340.
+
+ [321] Zie SYLVIUS, _Vervolg op_ AITZEMA, 1687, III 95.
+
+Sedert 1693 vinden wij echter van geene vervolgingen of verhinderingen
+meer gewag gemaakt. Alleen de Jezuiten bleven strengelijk geweerd, en
+werden de plakkaten tegen deze nog in 1708 vernieuwd[322]. Het groot
+getal vreemdelingen, dat zich hier van tijd tot tijd nederzette en de
+Katholijke leer beleed, gevoegd bij de toenemende verdraagzaamheid van
+het Landsbestuur schijnen de oorzaken geweest te zijn, dat men de
+godsdienstige bijeenkomsten van deze rustige burgers voortaan bij
+oogluiking toeliet. Ten aanzien van het stemregt en het vervullen van
+openbare bedieningen bleven zij echter buitengesloten. »Zij werden,"
+gelijk de geleerde HUBER zegt, »meest door de wetten ingetoomt, omdat
+sy, vóór desen Meesters geweest zijnde en ziende hare partije de
+machtigste in _Europa_, ook door een zeer nauwe verbintenisse gehecht
+aen den _Paus_ en daer op stout, voor gevaarlijk aen den Staet worden
+gehouden"[323].
+
+ [322] Zie al de Staatsbesluiten vermeld op het _Register_, bl. 352,
+ 605, 614, en vele daarvan op de daarin vermelde datums gedrukt in het
+ _Charterboek_; alsmede meerdere bijzonderheden in mijne
+ _Geschiedkundige Beschrijving van Leeuwarden_, II 171, 197.
+
+ [323] _Heedendaegse Rechts-geleertheyt_, _Leeuw._ 1699, I 25.
+
+Eerst nadat de edele Paus CLEMENS XIV (GANGANELLI) de orde der Jezuiten
+had afgeschaft, betoonden de Friesche Staten zich rekkelijker jegens de
+Katholijken. Bij plakkaat van den 16 Maart 1776 stelden zij vast, dat
+het der R. K. gemeenten in deze provincie vergund zou zijn, onder
+goedkeuring van het plaatselijk bestuur, alléén wereldlijke Priesters en
+Kapelanen aan te stellen, die beloven moesten, geene stellingen te
+zullen leeren, welke het regt van- en de gehoorzaamheid aan de oppermagt
+der hooge Overheid konden krenken; alsmede, dat zij geregtigd zouden
+zijn, op naam en ten behoeve van kerken, geestelijken en armen, vaste
+goederen te bezitten, te erven en aan te nemen. Bovendien werd bepaald,
+dat de armbezorgers van al de toenmalige bezittingen van iedere gemeente
+naauwkeurige lijsten zouden opmaken en bij de plaatselijke besturen
+inleveren, om het verduisteren van die goederen te voorkomen[324].
+
+ [324] Zie _Verzameling van Placaten_, IV 367, 372.
+
+Sedert dien tijd kreeg dit kerkgenootschap een meer gevestigd bestaan en
+nam het getal van deszelfs statiën toe, zoodat dit eerlang tot ruim
+dertig steeg, waaronder eene Janseniste gemeente of de Bisschoppelijke
+Cleregie te _Leeuwarden_, welke echter in 1805 is te niet gegaan wegens
+verminderd getal leden. Eerst bij de omwenteling van 1795 verkregen de
+Katholijken volkomene gelijkheid van regten met andere gezindten, dewijl
+de provisioneele Representanten van het volk van _Friesland_, bij
+besluit van 22 Februarij 1795, verklaarden, de onbelemmerde vrijheid van
+geweten en de ongestoorde uitoefening van ieders godsdienst te zullen
+handhaven[325]; een besluit, dat den 5 Augustus 1796 door de Nationale
+Vergadering werd bekrachtigd. Toen later, ten gevolge der scheiding van
+Kerk en Staat, bij de Staatsregeling van 1 Mei 1798, omtrent den
+eigendom van de kerkgebouwen en pastoriehuizen der voormaals heerschende
+Kerk schikkingen tusschen de verschillende kerkgenootschappen waren
+voorgeschreven, bleek het in deze provincie, en bijzonder in de
+talrijkste gemeente _Leeuwarden_, welk een geest van onderlinge
+welwillendheid en hulpbetoon de onderscheidene gezindten bezielde, en
+hoe deze, met eerbiediging van ieders regten, belangrijke bezwaren kon
+opheffen[326]. Mogt die geest, ook in andere tijden en omstandigheden,
+duurzaam blijven bestaan, en mogten de uiteenloopende kerkgenootschappen
+allen wedijveren in liefde tot God en de naasten! Dan zeker zal het rijk
+van deugd, beschaving en volksgeluk hier meer en meer bloeijen en
+waardige burgers kweeken voor dit en het toekomstige vaderland.
+
+ [325] Aldaar, I 24.
+
+ [326] Sedert dien tijd is het getal Roomsch Katholijken in deze
+ provincie dermate toegenomen, dat het Aartspriesterschap van
+ _Friesland_ thans, 1851, uit ruim 21,000 zielen bestaat, uitmakende 31
+ statiën en 32 gemeenten, met een Deken en Aartspriester, te _Sneek_
+ wonende, aan het hoofd.
+
+
+_De Joden._
+
+'t Is inderdaad een zonderling contrast in de geschiedenis, dat in het
+zelfde jaar 1619, waarin de Remonstranten, die in ondergeschikte punten
+van geloof van de heerschende Kerk verschilden, uit den lande gebannen
+werden,--de allengs van elders overgekomen Joden of Israëliten, wier
+geloof lijnregt tegen dat der heerschende Kerk over stond, van de Staten
+van _Holland_ vrijheid van godsdienst-oefening verkregen. Zóó verdragen
+twistende bloedverwanten beter vreemden dan elkander.
+
+Lang hadden er in ons vaderland Joden verkeerd, toen een aantal uit
+_Portugal_ overgekomene Israëliten zich omstreeks 1595 te _Amsterdam_
+vestigde[327]. De Hoogduitsche Joden hebben echter eerst in 1636 daar
+eene gemeente opgerigt. Van uit die destijds zoo zeer bloeijende
+handelstad verspreidden deze zich eerlang in andere provinciën, en
+zetten in 1645 eenige gezinnen zich te _Leeuwarden_ neder. Zij werden
+door de Overheid stilzwijgend geduld, en later, 1670, met eene plek
+gronds tot eene begraafplaats begunstigd. Bij de toeneming van hun
+getal, gingen sommigen ook naar andere steden dezer provincie, waar de
+gelegenheid tot het drijven van kleinhandel hun het gunstigst voorkwam.
+Alleen de vreemde Joden, die hier kwamen bedelen en bedriegelijken
+handel dreven, wekten het misnoegen op van de Regering, zoodat ze
+bestendig verdreven en in 1770 zelfs bij lands plakkaat geweerd- en met
+vagabonden gelijk gesteld werden. In 1772 schreven de Staten ook het
+formulier voor, waarnaar »de Gerechten en Predikanten(?) verplicht
+waren, de Jooden in den Huwelyken Staat te bevestigen"[328]. Nadat hun
+getal, dat in 1754 te _Leeuwarden_ 140 zielen bedroeg, in 1798 tot 433
+zielen was toegenomen, lieten zij daar in 1805 eene nieuwe en groote
+Synagoge bouwen. Vervolgens nam ook deze gezindte in dit gewest zoodanig
+toe, dat de _Nederlandsche Israëliten_ in _Friesland_ thans een
+_Synagogaal Ressort_ uitmaken, met eene Hoofdsynagoge te _Leeuwarden_,
+door een Opper-Rabbijn bediend, benevens vijf Ring-synagogen, als: te
+_Gorredijk_, _Harlingen_, _Bolsward_, _Lemmer_ en _Sneek_, met twee
+bijkerken te _Noordwolde_ en _Hindeloopen_; terwijl hun getal op den 1
+Januarij 1851 ruim 2,000 zielen bedroeg.
+
+ [327] WAGENAAR, _Amsterdam_, II 220. Sedert is dit onderwerp
+ herhaaldelijk en uitvoerig behandeld in VAN WIJN, _Huiszittend
+ Leeven_, Amst. 1801; VAN HAMELSVELD, _Geschiedenis der Joden_, ald.
+ 1807, en vooral in de onder laatsten titel door het Utrechtsch
+ Genootschap bekroonde verhandeling van den Heer H. J. KOENEN, 1843,
+ wezenlijk een sieraad onzer letterkunde.
+
+ [328] Zie _Reg. Staats-res._ 370, 598, 344, waar het plakkaat en
+ formulier voorkomen; alsmede meerdere berigten in de _Geschiedkundige
+ Beschrijving van Leeuwarden_, II 198.
+
+
+40. _Frieslands Roem in Kunsten en Wetenschappen._
+
+Weinige onderwerpen zijn er, welke zoo belangrijk en tevens zoo
+bekoorlijk zijn, als de Geschiedenis van de Letterkunde. Hoe gaarne zou
+ik dus, indien het mij niet aan tijd en krachten faalde, onder
+bovenstaanden titel, een uitvoerig tafereel willen ophangen van der
+Friezen aandeel in de pogingen der Nederlanders, om de vruchten van
+hunnen geest en ijver dienstbaar te maken tot uitbreiding van het rijk
+van waarheid, kennis en deugd en tot aankweeking van goeden smaak en
+kunstzin? Eigenschappen, welke, als kenmerken en vereischen van het
+streven naar meerdere volmaking, het wezen en het doel eener
+burgermaatschappij moeten uitmaken. De mensch, half dier, half engel,
+heeft toch hoogere behoeften en eene edeler bestemming dan brood en
+vleesch kunnen bevredigen of vervullen. Gelukkig zij dus, die bij het
+leven des ligchaams ook het leven van den geest trachten te voeden: want
+de wetenschappen en kunsten zijn, naast de godsdienst, evenzeer sieraden
+als onmisbare hulpmiddelen ter opvoeding en beschaving van een volk in
+deze aardsche oefenschool voor eene betere wereld. Zonder vorming voor
+die wereld is er hier toch geene vatbaarheid voor geluk, geene kracht om
+te lijden en te strijden, geen moed om te sterven.
+
+Dat tafereel van de geschiedenis der letterkunde in _Friesland_ zou
+zeker tevens de blijken leveren, dat deze provincie, naar gelang harer
+bevolking en krachten, zich wel met andere provinciën des vaderlands
+heeft kunnen meten in den edelen wedstrijd ter bevordering van het ware,
+goede en schoone; zelfs met _Holland_, welks roem in kunsten en
+wetenschappen ook door den Baron COLLOT D'ESCURY zoo eervol is
+gehandhaafd. Of heeft niet een van Hollands eigene geschiedschrijvers,
+de voortreffelijke VAN KAMPEN, mede erkend: »Het is inderdaad
+hoogstmerkwaardig, dat _Friesland_, een zoo middelmatig Gewest van het
+kleine _Nederland_, in allerlei takken van menschelijke kennis, zoo vele
+uitstekende mannen heeft opgeleverd; zoodat men moet bekennen, dat dit
+Gewest zoo rijk geweest is in beroemde mannen, in zijnen schoot
+voortgebragt of gekoesterd, als bezwaarlijk eenig Land van gelijke
+uitgebreidheid in _Europa_"[329].
+
+ [329] Zie zijne _Beknopte Geschiedenis der Letteren en Wetenschappen
+ in de Nederlanden_, Delft 1826, III 254, 258.
+
+Hoe aangenaam en belangrijk het behandelen van dit onderwerp ook zij,
+het volbrengen daarvan moet ik echter aan een ander beoefenaar van
+wetenschap en kunst in deze provincie overlaten. Naar het bestek en plan
+van dit werk kan ik hier van dit onderwerp in hoofdtrekken slechts
+datgene aanstippen, wat ik wensch, dat een ander, met gelijken lust,
+doch meer bekwaamheid, uitvoeriger en vollediger in het licht moge
+stellen, in verband met de ontwikkeling van beschaving en volksgeluk.
+
+In de eerste plaats verdient dan onze aandacht:
+
+
+_Frieslands Hoogeschool te Franeker._
+
+In weerwil de Spaansche benden nog op de grenzen stonden des lands, dat
+zij herhaaldelijk door hunne invallen verontrustten;--ondanks gebrek aan
+krijgsvolk en middelen, die de verworvene onafhankelijkheid moesten
+verzekeren;--niettegenstaande hevige twisten tusschen de leden der
+regering over de mate en de grenzen des gezags--waren de Staten van
+_Friesland_ zeer spoedig bedacht, om, als eene eerste vrucht van de
+zegepraal der hervorming, hier eene kweekschool der wetenschappen te
+stichten; vooral, om de kerk van geschikte predikanten te voorzien. Zij
+meenden tevens aan de goederen der voormalige kloosters, aan den lande
+vervallen, geene betere bestemming te kunnen geven, dan om ze dienstbaar
+te maken tot het vrome doel, om de jeugd door onderwijs te vormen voor
+de dienst van Kerk en Staat, die behoefte hadden aan eene leerschool,
+tot dusverre steeds buitenlands gezocht. En op den zelfden landsdag van
+1584, waarop zij den eed tot afzwering van Koning FILIPS herhaalden en
+Graaf WILLEM LODEWIJK _van Nassau_ tot hunnen Stadhouder verkozen,
+besloten zij tot oprigting van een »Seminarium ofte Collegium tot
+welstand der Kercke Gods en het Polytische Regiment"[330].
+
+ [330] WINSEMIUS 747, 752, 758; SCHOTANUS, _Beschrijv._ 139; VRIEMOET,
+ _Athenæ Frisiacæ_, IV.
+
+Het voormalige Kruisebroeders-klooster te _Franeker_ werd daartoe
+aangewezen, en de voor acht jaren te _Leiden_ gestichte Akademie tot
+voorbeeld gekozen. In verschillende vakken werden geleerde mannen tot
+Hoogleeraren benoemd; ja zelfs twee, TIARA en DRUSIUS, van _Leiden_
+herwaarts beroepen, waarna de plegtige inwijding den 29 Julij 1585
+plaats had. Door de hoogleeraren geheel en de studenten ten deele van
+alle belastingen vrij te stellen; door het oprigten van een Akademische
+Bibliotheek; door het aannemen van een groot getal Alumni, die op lands
+kosten studeerden, waarvan het getal in 1598 tot 124 bepaald werd; door
+het instellen van eene Oeconomie en daarna van eene Beurs of algemeene
+tafel, ook voor minvermogende en vreemde studenten, en door wijze wetten
+en verordeningen trachtte het landsbestuur alles te bevorderen, wat tot
+bloei en uitbreiding van de Akademie kon strekken. De gewenschte vrucht
+daarvan bleef ook niet achter. Nadat in 1604 vier Curatoren namens de
+Staten meer bepaald met de zorg voor de belangen der Hoogeschool belast
+waren, nam het aantal studenten ongemeen toe, en werd ook het getal
+hoogleeraren vermeerderd; terwijl de roem van hunne geleerdheid en
+onderwijs mede vele buitenlanders aanspoorde, het kleine, doch voor de
+beoefening van de wetenschappen zoo geschikte _Franeker_ te bezoeken. De
+akademische inrigtingen werden vervolgens in 1632 met een Hortus
+Botanicus en in 1752 met Laboratorium Chemicum vermeerderd[331].
+Vandaar, dat, in weerwil het getal Alumni lands voedsterlingen in 1664
+tot op 41 verminderd was, het bij de plegtige viering van het eerste
+eeuwfeest der Akademie in 1685 bleek, dat het getal der gedurende de
+eerste honderd jaren ingeschreven studenten niet minder dan 10,643 had
+bedragen[332].
+
+ [331] Zie de Staatsstukken betrekkelijk deze Hoogeschool in het
+ _Charterb._ IV 657, 820, 943, 1075; V 108, 246, 297, 317, 328, 518,
+ 522, 546, 551, 628, 730, 758, 999; _Reg. Staats-res._ 5, 35, 110, 473,
+ 557, 647, 774; benevens de MS. Res. van Gedeputeerden.
+
+ [332] Volgens het nog aanwezige Album. De Feestrede van Prof. N.
+ BLANCARDUS, bij die gelegenheid gehouden, komt met vertaling voor in
+ SYLVIUS, _Vervolg op_ AITZEMA, II 23e bk. 91.
+
+Maar welke Hoogleeraren waren het ook, die door hun onderwijs en
+schriften de inboorlingen tot bekwame mannen vormden en zoo vele
+vreemdelingen, ook uit ver verwijderde landen, tot zich trokken? In de
+~Godgeleerdheid~ waren het LYDIUS, VAN DER LINDEN en LUBBERTUS, en op
+hun voetspoor twee SCHOTANUSSEN, CLOPPENBURG en ARNOLDUS, die den roem
+der Hoogeschool vestigden, gelijk WITSIUS, VAN MARCK, twee VITRINGA'S,
+twee VAN DER WAEYENS, ROËLL, CONRADI, VENEMA en VAN VOORST, die hem
+handhaafden en uitbreidden. In de ~Regtsgeleerdheid~ werd te _Franeker_
+eene school gevormd, welke uitstekende leerlingen kweekte onder de
+hoogleeraren VAN BEIJMA, twee SCHOTANUSSEN, VAN DEN SANDE, FABER en
+BOURICIUS, die later nog overtroffen werden door WISSENBACH, twee
+HUBERS, NOODT, SCHULTING, WESTENBERG en HEINECCIUS, die Europeschen roem
+verwierven, alsmede door twee VOORDA'S, WIELING, TROTZ, CANNEGIETER enz.
+De ~Genees-~, ~Wis-~ en ~Natuurkundige Wetenschappen~ vonden ijverige
+beoefenaars in AULETIUS, CLINGBIJL, METIUS, M. WINSEMIUS, VAN DER LINDEN
+en HOLWARDA, doch vooral in twee MATTHÆUSSEN, twee FULLENIUSSEN, MUYS,
+LORÉ, OUWENS, twee YPEIJS, twee BRUGMANSEN, CAMPER, VAN SWINDEN enz.
+Inzonderheid bloeide hier de beoefening van de ~Oude Talen~, ~Letteren~
+en ~Geschiedenis~ onder mannen als: TIARA, DRUSIUS en AMAMA, die de
+grondslagen legden, waarop RHALA, PASOR, P. WINSEMIUS, MOLL en TERENTIUS
+voortbouwden, om onder BOS, SCHULTENS, WESSELING en VRIEMOET zich uit te
+breiden en door HEMSTERHUIS, BURMAN, D'ARNAUD, VALCKENAER en SCHRADER
+eene schitterende hoogte te bereiken, waarvan onder VAN LENNEP, VAN
+KOOTEN en WASSENBERGH nog de stralen blonken[333].
+
+ [333] Levensbeschrijvingen van de meest al de genoemde Hoogleeraren
+ bevat het werk van VRIEMOET, hier vóór op bl. 234 aangehaald.
+
+Inderdaad, eene rij van geëerbiedigde namen, meest Friezen van geboorte,
+door de wijsheid van Frieslands staatsleden aan deze Hoogeschool
+verbonden, om het licht van geleerdheid en wetenschap te verspreiden;
+mannen, die voor Kerk, Staat en andere hoogescholen uitmuntende
+leerlingen vormden, en die hun roem aan de eer van _Franeker_ hebben
+verbonden. 't Was dáárom, dat de geschiedschrijver van Neêrlands
+letterkunde deze stad bij herhaling hulde bragt, als eene bron van
+kennis voor ons vaderland, daar hij »_Franeker_ eens de eerste en
+voornaamste Hoogeschool van _Nederland_ en de kweekhof van groote
+mannen voor _Leyden_" noemde[334].
+
+ [334] VAN KAMPEN, t. a. p. II 248, 259, 261, 311, 313, 364, 520, 609.
+ Op al deze plaatsen staaft die schrijver het hooge aanzien der
+ Franeker Akademie met bewijzen; terwijl het laatste gezegde
+ bevestiging vindt in een getal van _dertig_ Hoogleeraren, van
+ _Franeker_ naar _Leiden_ beroepen. Hij voegt er bij: "De _Friesche_
+ Hoogeschool telde in dit tijdperk, 1713-80, vijf der meestberoemde
+ Letterkundigen van _Europa_ onder hare Hoogleeraren, SCHULTENS,
+ HEMSTERHUYS, VALCKENAER, WESSELING en BURMAN, en was dus een waar
+ _Athenæum_ (niet in den zin van minderheid beneden eene _Akademie_)."
+
+»Zoo heeft God dese Academie steeds seer gesegent, met vermaerde Mannen,
+die tot alle tyden hier geweest zijn, en die, naest vele vryheden ende
+groote privilegien, de gunst, vriendschap en de beleeftheyt genoten van
+de Regenten en Principaelen des Landts, welke dese Academie beminden en
+voorstonden als de croon en cieraedt der Provincie"[335]. De eenmaal
+ingestelde heilzame verordeningen moesten echter bij herhaling
+vernieuwd, uitgebreid en aangedrongen worden, wegens veelvuldige
+ingeslopen misbruiken; terwijl zoovele, uit verschillende natiën
+herwaarts gevloeide, studenten te dikwijls aanleiding gaven tot klagten
+over drinkgelagen en baldadigheden, waartegen soms strenge maatregelen
+werden genomen. Van den aanvang af werd toch als het doel der studiën
+voorgesteld, om zoowel uit te munten »in geleertheyt als seden ende
+eerbaerheyt, opdat de jeugd, die opgequeeckt wordt tot Predick ende
+Richtstoelen, den roem van eenen goeden wandel en een reyn gemoet met
+haer brengen"[336].
+
+ [335] Prof. SCHOTANUS, _Beschrijv._ 140.
+
+ [336] Aldaar, 145, 177.
+
+Bij den tijdelijk ongunstigen toestand der provinciale financiën konden
+de Staten, die tot dusverre de belangen der Akademie zoo onbekrompen
+hadden bevorderd, goedvinden, in 1774 eenige »poincten van menage" in te
+voeren. Deze hadden noodlottige gevolgen, zoodat, ook wegens het
+verminderen van het getal vreemde studenten, haar bloei blijkbaar
+gedaald was, toen in 1785 het tweede eeuwfeest der Hoogeschool
+schijnbaar met luister werd gevierd.
+
+Doch toen ook kwijnden de studiën mede onder het geklank der opgevatte
+wapenen bij den opgewekten vrijheidszin onder de staatkundige
+verdeeldheden en beroerten, waarvan _Franeker_ vooral de zetel was, en
+ten gevolge waarvan in 1787 vier hoogleeraren en een aantal studenten
+deze stad verlieten. Te vergeefs trachtte men voor en na 1795 de hieruit
+voortgevloeide nadeelen te herstellen. Hoewel het getal studenten
+vervolgens weder tot 80 klom, sleepte de Hoogeschool, in vergelijking
+van haar vroeger aanzien, in het tijdvak der overheersching een kwijnend
+bestaan voort; totdat het Keizer NAPOLÉON behaagde, haar in 1812 op te
+heffen, en dezen eens zoo roemrijken zetel van geleerdheid en
+wetenschap, die het vaderland zoo lang tot sieraad had verstrekt, te
+vernietigen[337].
+
+ [337] Behalve de bronnen, hier vóór vermeld, bevat de _Teg. Staat_, II
+ 512, het uitvoerigste overzigt van de geschiedenis der Hoogeschool,
+ welke echter tot dusverre nog zeer onvolkomen bekend is. Ook dáárom
+ wensch ik zeer, dat er uit de groote menigte stukken, welke er
+ betrekkelijk deze Akademie nog te _Franeker_ en in mijne eigene
+ verzameling aanwezig zijn, eenmaal eene volledige geschiedenis worde
+ opgemaakt, welke zeker voor onze letterkunde eene belangrijke bijdrage
+ zou zijn.
+
+
+_Godgeleerden._
+
+Ook behalve de vroeger genoemde hoogleeraren te _Franeker_ heeft
+_Friesland_ een groot getal ~Godgeleerden~ voortgebragt of gekweekt, die
+òf als Hoogleeraren op de andere vaderlandsche leerscholen, òf als
+Predikanten, door geleerdheid en uitgegevene geschriften hebben
+bijgedragen, om het licht van godsdienst-kennis te verspreiden en de
+leer der Kerk te handhaven. GELLIUS SNECANUS, SIBRANDUS WOMMELIUS,
+FESTUS HOMMIUS en GELLIUS DE BOUMA waren in de eerste tijden even
+werkzaam om de Kerk te vestigen, als later FRANCISCUS ELGERSMA, DOMICUS
+GOLTZIUS, ARNOLDUS LANDREBEN, THEODORUS SCHELTINGA, HENRICUS SICCAMA en
+HERO SIBERSMA, om haar op te bouwen en te stichten. De schriften van
+THEODORUS en WILHELMUS À BRAKEL waren vooral lang algemeen geacht; zelfs
+werd de _Redelijke Godsdienst_ des laatsten van 1700 tot 1767 17 malen
+herdrukt. DAVID FLUD VAN GIFFEN en BALTHAZAR BEKKER poogden echter meer
+heldere begrippen omtrent de godsdienst te verspreiden en vooroordeelen
+te bestrijden, welke pogingen eerst later vruchten droegen. JOH.
+WESSELIUS, THEODORUS VAN THUYNEN, NICOLAAS SCHIERE, IBERTUS FENNEMA,
+MARTINUS SWARTTE en JOHANNES PLANTINUS waren in de 18e eeuw door leer en
+schriften zeer in achting. AGGÆUS HAITSMA, GAVIUS NAUTA, JOANNES
+STINSTRA, BENJAMIN FRIESWIJK, JOHANNES HABBEMA en HERO OOSTERBAAN
+muntten te gelijk door geleerdheid uit. Toen eindelijk de voortgang der
+verlichting vrijmoedigheid schonk, om vrijzinnige evangelische
+denkbeelden voor te dragen en een beter licht voor de Kerk te ontsteken,
+waren het de Friesche predikanten FOKKO LIEFSTING, JACOBUS ENGELSMA
+MEBIUS, PETRUS en JAN BROUWER, PETRUS en GERBRAND BRUINING en JOHANNES
+HENRICUS NIEUWOLD, die, even als vervolgens de hoogleeraren JODOCUS
+HERINGA EZ., EELKE TINGA, ANNÆUS YPEIJ, LUCAS SURINGAR en ELIAS ANNES
+BORGER, ijverig hebben medegewerkt, om in ons vaderland de kluisters der
+verouderde kerkleer te verbreken en het evangelische Christendom in eere
+te herstellen.
+
+
+_Regtsgeleerden._
+
+Aanzienlijk is het getal Friezen, dat gedurende dit tijdvak in de
+~Regtsgeleerdheid~ grooten naam mogt verwerven[338]. Hebben wij die,
+welke aan de Franeker Akademie uitblonken, genoemd, ook andere
+Hoogescholen des vaderlands hebben zij tot eer verstrekt, als: te
+_Leiden_ JUCKE VAN BEIJMA, BERNARDUS SCHOTANUS, GERLACH SCHELTINGA,
+BAVIUS VOORDA en JAN VALCKENAER; te _Utrecht_, behalve de zelfde
+SCHOTANUS en VALCKENAER, CYPRIANUS REGNERUS VAN OOSTERGA en JACOBUS en
+JOHANNES HENRICUS VOORDA; terwijl mede op buitenlandsche Hoogescholen
+mannen als MEINARDUS VAN AITZEMA te _Rochelle_, FRANCISCUS MEINARDUS te
+_Poitiers_ en DOMINICUS VAN ARUM te _Jena_ de leerstoelen van het regt
+met roem hebben bekleed.
+
+ [338] Zie deze alle genoemd in Prof G. DE WAL'S _Oratio de claris
+ Frisiæ Jureconsultis_, in 1818 te _Franeker_ gehouden en in 1825,
+ vermeerderd met de levens dier personen, te _Leeuwarden_ uitgegeven.
+
+Hoe vele namen van uitstekende regtsgeleerden bevat ook niet de Naamrol
+der Raden van het Hof van _Friesland_, welker roem van bekwaamheid en
+strenge regtvaardigheid den luister van deze geëerbiedigde regtbank
+verhoogde; personen, meest uit de eerste standen, die voortdurend
+bewezen, hoe zeer de beoefening van dégelijke studiën bij den adel en de
+aanzienlijken van _Friesland_ in achting stond[339]. Nog talrijker is de
+Naamrol der Advokaten voor dit Hof, waarvan vele in deze en andere
+betrekkingen sieraden geworden zijn van hun vaderland. Ook de Naamlijst
+van de Grietmannen bevat eene menigte personen, die als regtsgeleerden
+en staatsmannen hebben uitgeblonken[340]. Velen hunner mogten toch als
+leden van de Staten of van de Gedeputeerde en Generale Staten, of in
+andere lands betrekkingen mede nuttig zijn en aanzien verwerven.
+Moeijelijk valt het uit zoo groot getal personen namen te noemen van
+hen, die zich het meest onderscheidden. Evenwel zullen de geschiedboeken
+des vaderlands altijd met eere vermelden de verrigtingen van mannen als:
+ROMBERTUS ULENBURG, ECO YSBRANDI, KEIMPE en FRANS VAN DONIA, de
+Ambassadeur WILLEM VAN HAREN, ALLARD PIETER VAN JONGESTAL, SICCO VAN
+GOSLINGA, ULBE AYLVA VAN BURMANIA, TJAARD en HESSEL DOUWE ERNST VAN
+AYLVA; gelijk mede van WILLEM en ONNO ZWIER VAN HAREN, WYBRAND VAN
+ITSMA, NICOLAAS ARNOLDI, EPO SJUCK VAN BURMANIA, PHILIP FREDERIK en
+JOHAN VEGILIN VAN CLAERBERGEN, GEORG FREDERIK Baron THOE SCHWARTZENBERG
+enz.; terwijl de geslachten SAECKMA, GROVESTINS, VAN SMINIA, VAN AYLVA,
+VAN EIJSINGA, LYCKLAMA, VAN WYCKEL, BOURICIUS, BEUCKER, RENGERS, VAN
+SCHELTINGA, HUBER, VAN VIERSSEN, AITZEMA, ANDRINGA, DE BLAU enz.
+onderscheidene leden telden, die bij opvolging als regtsgeleerden en
+staatsmannen hebben uitgemunt[341].
+
+ [339] Zie over het Hof bl. 227 en de noot op bl. 228 hier vóór.
+
+ [340] Zie VAN SMINIA, _Nieuwe Naamlijst van Grietmannen_, en bl. 235
+ hier vóór.
+
+ [341] Van vele dezer personen heeft onze landgenoot Mr. JAC. SCHELTEMA
+ levensschetsen gegeven in zijn belangrijk werk: _Staatkundig
+ Nederland_, Amsterdam 1805, 2 deelen. Zie ook VAN SMINIA,
+ _Grietmannen_, het _Wapenboek_, het _Stamboek_ enz.
+
+Buitendien waren er nog vele personen, die de vruchten hunner
+wetenschappelijke beoefening van de Regtsgeleerdheid door de uitgave van
+werken hebben bekend gemaakt. Van deze mogen wij de namen niet
+verzwijgen van SIBRANDUS SICCAMA, JACOBUS BOURICIUS, TJALLING VAN
+EIJSINGA, THOMAS HERBAJUS, HERO À SCHINGEN, JOHAN VAN DEN SANDE,
+ANTONIUS KANN, DOMINICUS HAMERSTER, GAJUS NAUTA, SIMON BINCKES, SACO
+HARMEN VAN IDSINGA, PETRUS WIERDSMA, PETRUS BRANDSMA, ENNIUS HARMEN
+BERGSMA en anderen. Doch reeds meer dan genoeg, om slechts aan te
+wijzen, dat _Friesland_ ook in dit tijdvak rijk is geweest aan mannen,
+die als regtsgeleerden en staatkundigen het belang en de eer des
+vaderlands op eene waardige wijze hebben bevorderd.
+
+
+_Genees-, Heel- en Verloskundigen._
+
+Ook in deze vakken kunnen wij mannen van naam vermelden. HENRICUS VAN
+BRA, S. EUGALENUS, ISBRAND HIERONYMUS FRANK, SIBOLDUS en JOHANNES
+HEMSTERHUIS, G. FOLLIN en HENDRIK VAN DEVENTER mogten in de 17e eeuw
+door hunne uitgegevene geschriften de kennis en den vooruitgang van die
+vakken evenzeer bevorderen, als in de 18e eeuw ROELOF ROUKEMA, BERNARDUS
+IDEMA, MURK VAN PHELSUM, TIBERIUS LAMBERGEN, SIMON STINSTRA, JAN DE REUS
+en FOLKERT SNIP; gelijk vervolgens WYNOLDUS MUNNIKS, GEORGIUS en GADSO
+COOPMANS, JOHANNES DE VRIES, JOHANNES MULDER, ADOLPHUS YPEIJ, SEBALD
+JUSTINUS BRUGMANS en anderen. Grooter was echter het getal
+
+
+_Wis- en Natuurkundigen._
+
+Reeds voor lang toch is opgemerkt, dat in der Friezen aard en karakter
+zich steeds een bijzonderen aanleg en neiging heeft geopenbaard voor de
+beoefening van de Mathematische wetenschappen in het algemeen en voor
+die der Sterre-, Meet- en Werktuigkunde in het bijzonder[342]. Hebben
+wij vroeger reeds de namen van onderscheidene beoefenaars dier vakken in
+de 16e eeuw genoemd (bl. 158), ook de 17e eeuw gaf daarvan bewijzen in
+JOHAN SEMS, JAN HENDRIK JARICHS VAN DER LEIJ, SIBRAND HANSEN KARDINAAL,
+LIEUWE WILLEMS GRAAF, THEODORUS HOEN, HIPPOLYTUS BEYEM VAN AERSSEN,
+RIEMER SIJBES, CHRISTOFFEL MIDDAGTEN, BERNARDUS SCHOTANUS À STERINGA en
+anderen, die meest allen door geschriften bewijzen gaven van hunne
+bekwaamheden. Nog rijker was de 18e eeuw in het voortbrengen van
+dergelijke vernuften, die veelal uit den eenvoudigen burgerstand of uit
+landbouwers voortkwamen, en grootendeels zonder onderwijs van anderen
+door eigen aanleg en inspanning zich vormden en soms eene verbazende
+hoogte mogten bereiken. Zoo waren te _Leeuwarden_ JOHANN HERMANN KNOOP,
+HAIJKE HAANSTRA, WIJTSE FOPPES DONGJUMA, LUITJEN F. WIERSMA en TJEERD
+RINGNEERIJ ijverig werkzaam, om door onderwijs en schriften den bloei te
+bevorderen van vakken, waarin ook RIENK JELGERHUIS, LUCAS OLING;
+MATTHEUS SIDERIUS en JAN WILLEM KARSTEN bewijzen gaven van groote
+bekwaamheden. Te _Harlingen_ onderscheidden MATTHIJS ADOLF VAN ISDINGA
+en ABE JANS HINGST zich evenzeer in de zeevaartkunde, als de
+uurwerkmaker TJEERD RADSMA in de werktuigkunde.
+
+ [342] Zie dit vooral betoogd in Professor C. EKAMA'S _Oratio de Frisia
+ ingeniorum Mathematicorum inprimis fertili_, te _Franeker_ in 1809
+ gehouden.
+
+Doch vooral te _Franeker_ en omstreken bloeiden deze vakken. Waren DAVID
+en CHRISTOFFEL MEESE als kruidkundigen hoog geacht--JAN PIETERS VAN DER
+BILDT en zijn kleinzoon BAUKE EISMA VAN DER BILDT mogten roem behalen
+door hunne teleskopen en andere optische werktuigen. Nevens verscheidene
+stille beoefenaren van wis- en sterrekunde onderscheidden zich daar
+verder WOUTER MARTENS VAN DER WERF, HENDRIK ANJEMA en PIBO STEENSTRA;
+terwijl de scheikundige BOUDEWIJN TIEBOEL en de beroemde wijsgeer FRANS
+HEMSTERHUIS ook uit deze stad voortkwamen. In den omtrek van _Franeker_
+waren het de broeders RIENTS en KLAAS PIERS SALVERDA te _Salwerd_, KLAAS
+GERRITS WIERINGA te _Achlum_ en OBBE SIKKES BANGMA te _Arum_, doch
+vooral JELTE EISINGA met zijne beide zonen, EISE en STEPHANUS, te
+_Dronrijp_, die ongemeene vorderingen maakten in de wis-, sterre- en
+werktuigkunde. EISE EISINGA mogt het door eigene oefening zelfs zóó
+verre brengen, dat hij van 1773 tot 1780 te _Franeker_ dát
+voortreffelijk Planetarium of beweegbaar hemelstelsel vervaardigde,
+hetwelk, na door Prof. VAN SWINDEN te zijn beschreven, een voorwerp
+geworden is der bewondering van duizenden, die het kwamen beschouwen,
+gelijk het nog een sieraad is dier stad[343].
+
+ [343] Uitvoeriger berigten over EISINGA en de uit dit tijdvak vermelde
+ personen zie men in het _Leven van Eisinga en Geschiedenis van zijn
+ Planetarium_, geplaatst voor den derden druk van VAN SWINDEN'S
+ _Beschrijving van het Planetarium_, voor eenige maanden door mij
+ uitgegeven.
+
+Wij zouden meerdere namen kunnen noemen, als: van NIKOLAAS EPKEMA,
+HENRICUS ÆNEAE, de gebroeders ROELOFS en anderen; doch het aangevoerde
+zal wel genoeg zijn, om te bewijzen, dat _Friesland_ steeds vruchtbaar
+is geweest in het voortbrengen ook van mathematische vernuften.
+
+Der Friezen aanleg voor de beoefening van dégelijke studiën, waartoe,
+behalve gezond oordeel, geschiktheid tot afgetrokken nadenken met
+de zucht om naauwkeurig te toetsen en te overwegen en niet minder
+volharding vereischt worden, gaf mede aanleiding, dat velen
+hunner voedsel voor den geest zochten in het nasporen van de
+geschiedenis.--Vandaar het groot getal der door deze provincie gekweekte
+
+
+_Geschiedschrijvers._
+
+Terwijl REINICO FRESINGA en FREDERIK VAN VERVOU van _Franeker_, EVERHARD
+VAN REYD te _Leeuwarden_ en vooral LIEUWE VAN AITZEMA van _Dokkum_ de
+belangrijke voorvallen van hunnen leeftijd voor het nageslacht te boek
+stelden, waren ANDREAS CORNELIUS, MARTINUS HAMCONIUS, BERNARDUS
+FURMERIUS, PIERIUS WINSEMIUS en daarna CHRISTIANUS SCHOTANUS en SIMON
+ABBES GABBEMA ijverig werkzaam, om de oudste geschiedenissen der Friezen
+op te delven uit de verspreide bronnen, welke het voorgeslacht hen had
+achtergelaten. Ook in de volgende eeuw ontbrak het niet aan vlijtige
+beoefenaars van de historie, waarvan de groote werken getuigen van
+JAQUES GEORGE DE CHAUFEPIÉ, FRANÇOIS HALMA, SIGEBERTUS HAVERKAMP, SACO
+HARMEN VAN IDSINGA en FOEKE SJOERDS, die echter zijne Beschrijving en
+Geschiedenis van _Friesland_ naauwelijks ter helft mogt voltooijen. En
+terwijl SIMON STIJL eene schitterende proeve gaf eener wijsgeerige
+beschouwing van de vaderlandsche geschiedenis, mogten EDUARD MARIUS en
+ULBO VAN BURMANIA, WYBRAND VAN ITSMA, ABRAHAM FERWERDA en anderen
+gewigtige bronnen en bijdragen in het licht geven; doch mogt het vooral
+den edelen GEORG FREDERIK Baron THOE SCHWARTZENBERG gebeuren, met hulp
+van Dr. NICOLAAS THOLEN en JOHAN FREDERIK MAURITS HERBELL, door de gunst
+van 's lands Staten, _Friesland_ een _Groot Plakkaat- en Charterboek_ te
+bezorgen, van uitstekende waarde en duurzaam belang.
+
+
+_Letterkundigen._
+
+Door de beoefening van de oude talen, bijzonder der Grieken en Romeinen,
+met oogmerk, om de voortreffelijke werken hunner klassieke schrijvers en
+dichters uit te leggen, op te helderen en tot veredeling van den smaak
+en verhooging van den kunstzin te kennen, heeft ons vaderland in de
+beide vorige eeuwen grooten roem verworven. Talrijke vreemdelingen
+kwamen soms herwaarts, alléén om de uitstekende mannen te hooren, welke
+in dit vak onze hoogescholen luister bijzetten. In hoe verre _Franeker_
+daartoe heeft bijgedragen, hebben wij reeds vermeld. Bovendien waren er
+hier nog andere letterkundigen, die òf in de scholen òf door
+uitgegevene geschriften het hunne hebben bijgebragt, om dezen grondslag
+der toenmalige geleerdheid te vestigen en dien roem te schragen. Dit
+deden JOH. FUNGERUS, E. E. L. MELLEMA, EDO NEUHUSIUS en zijne zonen
+REINIER en HENDRIK, alsmede TOBIAS, WERNERUS en HENRICUS GUTBERLETH,
+JOH. HILARIDES en anderen in de 17e eeuw; terwijl de 18e eeuw, waarin
+de scholen van VALCKENAER en SCHRADER bloeiden, mannen kweekte, als:
+SIGEBERTUS HAVERKAMP, THOMAS WOPKENS, OLPHERDUS BELIDA, PETRUS en
+GERHARDUS HORREUS, JOH. BALCK, JOH. PIERSON, GIJSBERT KOEN, H. VAN DER
+SLOOT en ERNST WILLEM HIGT; gelijk later RICHEUS VAN OMMEREN, JOH. ADAM
+NODELL, THEODORUS VAN KOOTEN, ADRIANUS HERINGA, FRANS HEMSTERHUIS en
+JOANNES VERWEIJ; alsmede JOH. RUARDI, JACOBUS TERPSTRA, JOH. DANIEL VAN
+LENNEP, HERMAN BOSSCHA, HENR. WAARDENBURG, EVERWINUS WASSENBERGH, H.
+FRIESEMAN, VALENTINUS SLOTHOUWER, ECCO EPKEMA en anderen, die tot op
+onzen leeftijd de kweekscholen van geleerdheid versierden en de vruchten
+van kennis en smaak aan velen hebben medegedeeld.
+
+Onderscheidene dezer en vroeger genoemde personen beoefenden tevens de
+Latijnsche poëzij, waarvan zij vele proeven hebben nagelaten, even als
+HERO en FREDERIK VAN INTHIEMA, JOANNES BOURICIUS, ERNESTUS BADERS,
+PAULUS VAN GHEMMENICH, CHRISTIAAN BRINK, VOP. HOR. ACKER en
+onderscheidene Friesche edelen, die er steeds een roem in stelden, smaak
+voor de oude letteren aan de beoefening van de wetenschappen te paren.
+
+
+_Dichters._
+
+'t Zou echter geenszins vreemd zijn, wanneer de vermelde karaktertrek
+der Friezen en hunne meer bepaalde neiging voor de studie van dégelijke
+wetenschappen aanleiding hadden gegeven tot mindere geschiktheid voor
+de beoefening van de Dichtkunst, welke, zwevende in het rijk der
+idealen, meer het denkbeeldige en bespiegelende dan de wezenlijkheid tot
+voorwerp heeft. Het is zoo; wanneer wij het groot getal verzenmakers,
+als: WIJBRAND MICHIELS, PETRUS BAARDT, T. SONNEMA, HENDRIK RINTJES,
+VITUS RINGERS, HERO GALAMA, FOPPE FOPPESZOON JUNIOR, GABBEMA enz. uit de
+17e eeuw, gelijk FRANÇOIS HALMA, ROELOF ROUKEMA, WIJBRANDUS DE GEEST,
+MAGDALENA POLLIUS, JETSKE REINOU VAN DER MALEN, EELKE MEINDERTS, CLARA
+FEIJOENA VAN SIJTZAMA, JOAN SANDE, JAN AUKES BAKKER, SYMEN en JAN
+ALTHUYSEN enz. uit de 18e eeuw, wier verzen om de onderwerpen of hunne
+zedelijke of godsdienstige strekking den bijval verwierven van hunne
+tijdgenooten, niet gelijk willen stellen met hen, wier verheffing, smaak
+en gevoel hun aanspraak geeft op den naam van Dichter, in den hoogeren
+zin van dat woord,--dan bepaalt dit getal zich tot weinige personen.
+Doch die weinige kunnen dan ook tegen eene groote menigte opwegen. Of
+zouden wij dien eernaam niet mogen toekennen aan ~JAN JANSZOON STARTER~,
+die in 1614 op twintigjarigen leeftijd te _Leeuwarden_ kwam en deze stad
+in 1620 weder verliet, doch gedurende die zes voorspoedige jaren van het
+bestand hier, èn door de oprigting van eene Rederijkerskamer: Och, mogt
+het rijzen! welke 80 aanzienlijke personen tot leden telde, èn door het
+opvoeren van treur- en blijspelen, èn door zijne onuitputtelijke en
+geestige dichtader, hier een lust en liefde voor de nieuwe Nederduitsche
+poëzij opwekte, welke verwonderlijk was[344]. Hij liet aan zijne
+talrijke vereerders de _Friesche Lusthof_, vol aardige minneliederen en
+trouwdichten, na, welke dien bijval vond, dat dezelve in dertien jaren 6
+of 7 malen gedrukt werd. Hoe groot de invloed ook was, dien STARTER
+tijdelijk uitoefende, deze was echter niet van duur of van dat gunstig
+gevolg, hetwelk men zich daarvan voor de toekomst had mogen beloven.
+
+ [344] Voor eenige jaren heb ik over _Starter en zijne Gedichten, in
+ betrekking tot den toestand der Letterkunde in Friesland in het eerste
+ gedeelte der 17e eeuw_ eene uitvoerige verhandeling zamengesteld, die
+ ik welligt eerlang eens zal uitgeven, ook omdat er zoo weinig van en
+ omtrent dezen dichter en dit tijdvak bekend is.
+
+Bovendien was hij de eerste, die verzen in de Landfriesche taal uitgaf.
+Eerlang vond hij daarin een navolger in ~GYSBERT JACOBSZ.~,
+schooldienaar te _Bolsward_, die, na eerst in het Nederduitsch zwakke
+proeven, nog in den trant van SPIEGHEL, te hebben gegeven, zich in het
+Friesch tot eene hoogte verhief, welke hem tot een voorwerp der
+bewondering zijner nakomelingen heeft gemaakt. In hem toch zien wij
+scheppend vernuft en kieschen smaak vereenigd met eene groote mate van
+gezond verstand, dat zijne dichterlijke verrukking leidde en ten teugel
+diende. In elk zijner meesterstukken schittert zijn talent en verlicht
+oordeel, als hij met bevallige losheid tafereelen uit het Friesche
+volksleven schildert, en, altoos wisselende naar den eisch des
+onderwerps, tusschen allerlei onderwerpen heerlijke lessen van
+levenswijsheid strooit; terwijl hij in alles een meesterschap over de
+taal betoont, zoo als nog niemand hare kracht en schoonheid had aan den
+dag gebragt. Dáárom vereeren de Friezen hunnen GYSBERT, als hun dichter
+bij uitnemendheid[345].
+
+ [345] Over GYSBERT sprekende, mag men zeker HALBERTSMA'S
+ voortreffelijke _Hulde_ niet verzwijgen en evenmin het leedgevoel
+ onderdrukken, dat deze dan nu, na 25 jaren wachtens, onvoltooid zal
+ blijven. Zijn _Letterkundige Naoogst_ heeft ons daarvoor echter eenige
+ vergoeding geschonken.
+
+Meer algemeen was de roem, welken de broeders ~WILLEM~ en ~ONNO ZWIER
+VAN HAREN~, niet enkel in hooge staatsbetrekkingen, maar inzonderheid
+als Dichters mogten verwerven. Terwijl in het midden der 18e eeuw de
+dichtkunst in ons vaderland ontaard was in de kunst om nette, rollende
+verzen te maken, zonder oorspronkelijkheid, dichterlijke vlugt of
+gevoel, toonden zij het vaderland door hunne mingepolijste poëzij, dat
+die vereischten der ware kunst nog niet geheel verloren waren. WILLEM
+mogt door zijn grootsch heldendicht: _Gevallen van Friso_ en zijne
+stoute _Lierzangen_ even grooten roem behalen als ONNO later door zijne
+_Geuzen_, _Treurspelen_, _Lierzangen_ enz. In vaderlandsch gevoel, in
+stoute beelden en vergelijkingen, in treffende grepen, in dichterlijke
+uitdrukking, in rijkdom van vinding en belangrijkheid van zaken dongen
+beide om den prijs. Die meesterstukken van waarachtige poëzij
+doordringen toch, waar men ze opsla, ieders hart met warm gevoel voor
+vaderland, vrijheid, menschenwaarde, godsvrucht en deugd. Vandaar, dat
+zij, die de hooge roeping des dichters vervulden, de dankbare
+bewondering van het nageslacht en de lofspraak van een BILDERDIJK
+verdienden:
+
+ _Van Harens, Broedrental dat zelden weêrga vond,
+ O Waarom zweeft uw naam geen wareldgordels rond!_[346]
+
+ [346] Ook omtrent de VAN HAREN'S heeft Dr. J. H. HALBERTMA zich door
+ de uitgave zijne _Fragmenten_ verdienstelijk gemaakt; even als de
+ Heeren DE VRIES en KEMPER door hunne verhandelingen, voor de nieuwe
+ uitgave der Werken van de VAN HAREN'S geplaatst. Reeds in 1747 schatte
+ D^o. HOFSTEDE de verdiensten dezer broeders zoo hoog, dat hij in eene
+ leerrede op de verheffing van Prins WILLEM IV, 104, verklaarde, dat
+ zij "een Standbeeld, naar de wyze der _Ouden_, in deezen Burgerstaat
+ verdiend hebben." _De Geuzen_ volgden echter eerst 22 jaren later. Zie
+ ook _Aanteekening 20_.
+
+In dit zelfde tijdvak mogten mede ERNST WILLEM HIGT, BOELARDUS
+AUGUSTINUS VAN BOELENS, CYNTHIA LENIGE en SIMON STIJL door
+voortreffelijke dichtvruchten eer en onderscheiding verwerven.
+
+
+_Schilders, Teekenaars en Graveurs._
+
+Dat smaak en gevoel voor beeldende Kunst, ook om boven vermelde
+reden, in _Friesland_ minder algemeen geheerscht zouden hebben, en
+dat dit afgelegene gewest (in vergelijking van het rijke en voor de
+gemeenschap met andere landen zoo gunstig gelegene _Holland_) weinige
+kunstbeoefenaren zou hebben voortgebragt,--ook dit zou zeer natuurlijk
+geweest zijn. En toch noemt de geschiedenis onzer vaderlandsche
+Schilder-, Teeken-en Graveerkunst een aantal Friezen, die het hunne
+hebben toegebragt om den Nederlandschen kunstroem te vestigen.
+
+Als ~Schilders~ hebben toch PIETER DE VALK, JACOB BAKKER, FRANS CARRÉ,
+JELLE REINIERS, JAKOB POTMA, WIJBRAND DE GEEST, SIMON en DIRK DE VRIES,
+GERARD EDEMA, MATTHIJS HAARINGS en WIGERUS VITRINGA zich in de 17e eeuw
+verdienstelijk gemaakt. En zouden wij daarbij ook niet mogen noemen
+MEINDERT HOBBEMA, wiens meesterstukken thans bijna tegen goud worden
+opgewogen?[347] Ook in de volgende eeuw waren TAKO HAJO JELGERSMA,
+BERNARDUS en MATTHIJS ACCAMA, HERMANUS BUSCH, RIENK JELGERHUIS en GERARD
+WIGMANA, even als J. DE WILDE, TACO SCHELTEMA, HERMANUS WOUTER BEEKKERK,
+DIRK PLOEGSMA, ALLERT VAN DER POORT, NICOLAAS BAUR, WILLEM BARTEL VAN
+DER KOOI enz. in verschillende vakken zeer geacht.
+
+ [347] Ook REMBRANDT had eenige betrekking op _Friesland_, doordien hij
+ hier (en niet te _Ransdorp_ of _Rarup_ in _Noord-Holland_) eene vrouw
+ zocht en vond in SASKIA, de dochter van den Leeuwarder Raadsheer Dr.
+ ROMBERTUS ULENBURG, met wie hij den 22 Junij 1634 te _St. Anna
+ Parochie_ in den echt werd verbonden, zoo als ik onlangs ontdekt en
+ met bewijzen heb kunnen staven.
+
+Als ~Teekenaars~ mogten MARGARETHA DE HEER, J. STELLINGWERF, PIETER
+IDSERDS PORTIER, PETRUS CAMPER, JOH. JELGERHUIS RZ. en anderen zich mede
+onderscheiden.
+
+Hoewel het niet bekend is, dat er in _Friesland_ ooit eene
+Plaatdrukkerij heeft bestaan, hebben toch als ~Graveurs~ uitgemunt:
+BOETHIUS of BOTE en SCHELTE VAN BOLSWERD, PETRUS FEDDES VAN HARLINGEN,
+JAN JAAPIX, J. VAN MUNNICKHUIZEN, JAN DE VOS, JACOBUS en ANNA FOLKEMA,
+PIETER TANJÉ, MICHIEL ELGERSMA en KLEIS LANTING, waarvan sommigen
+uitstekende kunstwerken hebben voortgebragt[348].
+
+ [348] Bijna al de genoemde kunstenaars komen met korte levensschetsen
+ voor in het bekende werk van IMMERZEEL, _de Levens en Werken der Holl.
+ en Vlaamsche Kunstschilders_ enz. Amst. 1842, 3 dln. Van
+ onderscheidene der laatste heb ik kunstwerken verzameld.
+
+Ziedaar enkel de namen genoemd van de voornaamste personen, welke, in
+verschillende vakken van kennis en kunst, uit _Friesland_ zijn
+voortgekomen en die hebben bijgedragen, om in ons vaderland vooruitgang
+in wetenschap, smaak en beschaving te bevorderen[349]. Gewis, dit gewest
+heeft naar vermogen zijne offers aan het rijk van het goede en schoone
+toegebragt, en roemvol is de rij van verdienstelijke personen, die onze
+vaderlandsliefde zich herinnert, en aan welke wij de hulde onzer
+vereering toebrengen als dankbare nakomelingen, die tevens een prikkel
+tot navolging vinden in de overtuiging:
+
+ _Der Vadren glorie strekt het Nageslacht tot eer._
+
+ [349] Het zou mij zeker niet moeijelijk gevallen zijn, om van al de
+ vermelde personen hierbij korte levensschetsen te voegen uit mijne
+ sedert 1826 verzamelde Aanteekeningen betrekkelijk beroemde Friezen.
+ Doch dan ware dit onderwerp voor deze _Beknopte Geschiedenis_ veel te
+ uitvoerig behandeld geworden, in verhouding tot het overig gedeelte.
+ En toch is het een zoo hoogst belangrijk onderwerp, dat ik hartelijk
+ wensch, dat het voornemen, door Jhr. Mr. H. B. VAN SMINIA en mij
+ opgevat, om een _Beroemd Friesland_ te bewerken en over eenige jaren
+ uit te geven, door ons zal mogen worden volbragt.
+
+
+41. _Vrede en Voorspoed verheffen--Zorgeloosheid en Partijschappen
+ontbinden den Staat._
+
+_Van den Utrechtschen vrede tot de Staatsomwenteling._
+
+_1713-1795_[350].
+
+ [350] Dit derde gedeelte der staatkundige geschiedenis van dit tijdvak
+ strekt ten vervolge van het tweede gedeelte, dat op bl. 308 eindigt.
+
+Niets is meer algemeen onder de menschen, dan dat zij, dagelijks door
+hoop en vrees geslingerd, aan vrede en voorspoed het denkbeeld van
+geluk--en aan nood en tegenspoed, dat van ongeluk verbinden. En echter
+leert de geschiedenis, ook van ons vaderland, dat--terwijl nood en
+tegenspoed de levenskrachten der natie opwekken en moed en inspanning
+ten algemeenen nutte ontwikkelen--ons geslacht veelal zwak genoeg was,
+om vrede en voorspoed meer te doen strekken tot gemak en genot, die
+verslapping nalaten, dan tot herstelling, verbetering en vooruitgang in
+velerlei betrekkingen van den staat en der maatschappij. Zóó misleiden
+de volken zich zelve, door van de beste der gaven geen verstandig
+gebruik te maken! Dán hoopen de smetstoffen in den staatkundigen
+dampkring zich op, totdat er eene geruchtmakende uitbarsting komt, welke
+allen uit den slaap opwekt en naar hulp en redding doet uitzien. Bij het
+licht des geloofs, dat God de natiën bestemd heeft, om steeds te
+vorderen in volmaking en beschaving, zien wij echter te midden van dit
+alles: dat alle pogingen om het ware en goede te bevorderen duurzaam tot
+heil strekken; dat de raadslagen der boozen verijdeld worden, en dat de
+dwalingen en verkeerdheden der menschen, onder Zijne liefdevolle
+leiding, middelen worden tot hunne leering en verheffing voor de
+toekomst.
+
+De loop der gebeurtenissen in ons vaderland gedurende de 18e eeuw heeft
+dit alles bewezen.--In de oorzaken, middelen en gevolgen daarvan had
+_Friesland_ rijkelijk zijn aandeel. Wij willen den afgebroken draad
+hervatten, en ook het voorgevallene in het laatste gedeelte van dit
+tijdvak in hoofdtrekken mededeelen.
+
+Had ons land ná den Munsterschen vrede van 1648 langer dan eene halve
+eeuw moeten oorlogvoeren met andere mogendheden,--op den vrede, in 1713
+te _Utrecht_ gesloten, volgde inderdaad eene veeljarige rust. Zelfs
+deden de Algemeene Staten al het mogelijke om den vrede te bewaren en
+den oorlog te schuwen, hetgeen ook na de aanzienlijke vermindering van
+de landmagt en de verwaarloozing van het zeewezen wel noodzakelijk was,
+ofschoon zij de eer en waardigheid des lands daarbij dikwijls in de
+waagschaal stelden. Onder het genot van die rust, bij welke de vroegere
+wakkerheid vervangen werd door zucht naar gemak en weelde, bleven
+koophandel en nijverheid bloeijen, ook in weerwil der rampen, welke nu
+en dan aanzienlijke offers eischten. Immers, nog was de veepest, in 1712
+begonnen, aan het woeden, toen _Friesland_ eerst in 1715, doch vooral
+bij den Kersvloed van 1717, verschrikkelijk werd geteisterd door
+dijkbreuken en overstroomingen, die groote schade te weeg bragten.
+Naauwelijks waren de hierop gevolgde herstellingen en verbeteringen van
+onze zeeweringen voltooid, en pas had eene heerschende ziekte en
+ongemeene sterfte in 1728 opgehouden, toen eene nieuwe volksramp, de
+paalworm, in 1730 en volgende jaren het land met een groot gevaar
+bedreigde en aanzienlijke sommen eischte tot beveiliging onzer havens en
+kusten; terwijl weinige jaren later, in 1744 en vervolgens, de veepest
+nog grootere verliezen veroorzaakte[351].
+
+ [351] Zie over deze hier slechts aangestipte punten ook bl. 238, 316,
+ 336 hier vóór.
+
+Intusschen had Prins WILLEM CAREL HENDRIK FRISO, door eene
+voortreffelijke moeder opgevoed, door de beste leermeesters gevormd en
+van nature met de edelste vermogens van verstand en hart begaafd, in
+1731 den twintigjarigen ouderdom bereikt en het Erfstadhouderschap over
+_Friesland_ aanvaard. Bij die gelegenheid had Prinses MARIA LOUISA het
+bewind nedergelegd, en nevens den dank der Staten voor de uitnemende
+diensten, welke hare wijsheid den Staat en deze Provincie had bewezen,
+eene gift van 5,000 Gld. en een lijfpensioen tot een gelijk bedrag, uit
+achting voor haar persoon en verdiensten, ontvangen. Reeds in 1718 was
+de Prins door _Groningen_ en in 1722 door _Drenthe_ en _Gelderland_ tot
+Stadhouder benoemd, welke waardigheden hij in 1729 had aanvaard, in
+weerwil der tegenkantingen van _Holland_ en andere provinciën, die deze
+uitbreiding van 's Prinsen magt met leede oogen aanzagen. In spijt
+der tegenbedenkingen van _Holland_ steeg het aanzien van den Prins nog
+meer door zijne echtverbindtenis met ANNA, Kroonprinses van
+_Groot-Brittanje_, oudste dochter van Koning GEORGE II, welke den 25
+Maart 1734 werd voltrokken. Luisterrijk was het onthaal, dat het
+vorstelijk paar, te _Harlingen_ aangekomen, den 11 Mei op zijn togt naar
+en in _Leeuwarden_ mogt ondervinden, waarbij de regering en de
+ingezetenen hunne hooge ingenomenheid met dit huwelijk aan den dag
+legden; terwijl 's lands Staten der Prinses eene tonne gouds tot eene
+huwelijksgift aanboden[352]. In de liefde zijner Friezen vond de Prins
+dan ook bestendig de meeste voldoening, bij al de geestkracht, welke
+hij bezat, om zich boven de bestendige vernedering, uitsluiting en
+tegenwerking der Staten van _Holland_ en andere gewesten fier te
+verheffen.
+
+ [352] Onder den titel van: _het Juichend Friesland_ is er destijds een
+ verhaal van deze blijde inkomst en beschrijving van de plegtigheden,
+ eerepoorten, illuminatien en vuurwerk in folio uitgegeven. Zie ook
+ _Reg. op de Staats-resol._ 343, 519.
+
+ * * * * *
+
+Hoe duurzaam het genot van vrede en voorspoed ook schenen te zijn, ten
+jare 1740 ontbrandde op eens de Oostenrijksche successie-oorlog, waaraan
+de meeste staten van _Europa_ deel namen. KAREL VI, Keizer van
+_Oostenrijk_, stierf, en liet den troon na aan zijne jeugdige dochter
+MARIA THERESIA, Koningin van _Hongarije_ en _Bohemen_. Zes mogendheden,
+_Beijeren_, _Pruissen_, _Polen_, _Spanje_, _Sardinië_ en _Frankrijk_
+zochten deze troonsopvolging te verhinderen, en zonden schielijk
+ontzaggelijke legers in _Duitschland_. In ons vaderland weifelden de
+staatkundige partijen in de keus, of men, uit kracht der pragmatieke
+Sanctie of het Weener verdrag van 1732, der Koningin hulp zou bieden,
+dan of men zich onzijdig en buiten den oorlog zou houden. De Algemeene
+Staten, alleen bedacht op zelfverdediging, versterkten hunne landmagt in
+1741 wel, eerst met 21,000 en daarna met nog 20,000 man; doch in plaats
+van hulpbenden aan MARIA THERESIA te zenden, besloten zij, haar een
+onderstand van 8 tonnen gouds aan te bieden. Toen er echter in het
+volgende jaar eene nieuwe aanvraag en wel om troepen kwam, waren de
+gevoelens zeer verdeeld. Sommigen, die den vrede tot elken prijs wilden
+bewaren, of die _Frankrijk_ vreesden, besloten tot onzijdigheid; maar
+anderen meenden, dat de goede trouw den Staat verpligtte, aan de
+traktaten gevolg te geven en hulptroepen te zenden. De wakkere WILLEM
+VAN HAREN koos met jeugdig vuur de zijde der laatsten, en nadat hij, als
+afgevaardigde van _Friesland_, in de vergadering der Algemeene Staten
+zijne welsprekendheid had uitgeput, om de vertegenwoordigers der
+provinciën tot zijne beginselen over te halen, nam hij zijn dichterlijk
+talent te baat, om ook het volk zelf met die beginselen van
+regtvaardigheid en goede trouw te bezielen. Hij gaf de _Leonidas_ en
+drie _Lierzangen_ in het licht, en--behaalde met deze gloeijende verzen
+eene staatkundige zegepraal op de harten des volks, die der dichtkunst
+wel bij de Grieken, maar nog nooit in ons land was te beurt gevallen.
+Men wil, dat er binnen drie dagen honderdduizend afdrukken van deze
+gedichten verkocht zijn. Het regende lofverzen op VAN HAREN. De
+opgewonden geest des volks werkte op dien der Staten, die daarom in 1743
+besloten, de Koningin met 20,000 man hulptroepen bij te slaan, welk
+getal in den volgenden jare werd verdubbeld. »Eere zij onzen Vaderen,
+die door eerlijkheid vergoed hebben, wat hun aan veerkracht ontbrak.
+Eere vooral den Staatsman en Dichter, die, in zijnen _Leonidas_, door
+het voorbeeld van den held van _Sparta_, de natie uit hare slaapziekte
+pogende op te wekken, hun, die niet schroomden het trouwblijven aan
+verbonden eene _koppigheid_ te noemen, met verontwaardiging toevoerde,
+hoe zij thans zelven door eed- en bond-breuk zich tot de diepte
+verlaagden der _Barbaren_, die hunnen val beoogden"[353].
+
+ [353] Deze Gedichten, te _'s Hage_ bij BEAUREGARD in 4^o. uitgegeven,
+ zijn daarna, vermeerderd met eene overzetting uit POLYBIUS in proza,
+ benevens eene menigte lofverzen op VAN HAREN, in 8^o. gedrukt te
+ _Harderwijk_. Ze zijn ook opgenomen in VAN HAREN'S _Werken_ bij
+ WESTERMAN. Zie mede HALBERTSMA, _Fragmenten over de van Harens_, 120
+ en SCHELTEMA, _Mengelwerk_, I 132; BOSSCHA, _Heldendaden_, II 555.
+
+Hoewel de Nederlanders in de vijf hierop gevolgde veldtogten van
+LODEWIJK XV in de _Oostenrijksche Nederlanden_ weinig eere mogten
+behalen, hebben toch onder de Friesche krijgsbevelhebbers zich
+onderscheiden: de Luitenant-Generaal JOHAN SICCO Baron THOE
+SCHWARTZENBERG, de Brigadier GEMME ONUPHRIUS VAN BURMANIA, de
+Luitenant-Kolonel LAAS ULBE VAN BURMANIA, benevens nog vier andere leden
+van dit geslacht; alsmede de Majoor DANIEL DE BLOCQ VAN BOURICIUS,
+Kommandant van het Regiment _Oranje-Friesland_; doch bovenal de dappere
+Luitenant-Generaal HOBBE ESAÏAS VAN AYLVA, Gouverneur van _Maastricht_,
+die van zijne uitstekende verdediging van deze sterke, doch hevig
+aangevallene vesting in 1748 zoo veel eere mogt behalen, dat zijn
+aanvaller, de Maarschalk van _Saksen_, als blijk van achting voor zijn
+moed en bekwaamheid, hem, nadat de vesting bij vredesverdrag was
+overgegaan, toestond, bij zijn eervollen uittogt vier kanonnen en twee
+mortieren uit de vesting mede te voeren. Nadat _Frankrijk_ verpligt
+werd, _Maastricht_ weder aan ons af te staan, werd dit geschut, op
+voorstel des Stadhouders, hem door den Raad van State vereerd, na
+voorzien te zijn van het opschrift: DONUM VIRTUTIS AYLVÆ, of _Eeregift
+voor Aylva's dapperheid_[354].
+
+ [354] In 1758 heeft de Generaal AYLVA deze zes stukken geschuts
+ gelegateerd aan de Staten van _Friesland_, op wier last ze, na zijn
+ overlijden in 1772, geplaatst werden vóór de Hoofdwacht te
+ _Leeuwarden_, volgens _Reg. Staats-res._ 41, 61; _Teg. Staat_, II 109;
+ TE WATER, _Verbond der Edelen_, II 167; KOK, _Vaderlandsch Woordenb._
+ II 403; BOSSCHA, _Heldend._ II 657; WAGENAAR, _Vad. Hist._ XX 180,
+ 190; VAN LEEUWEN, in _de Vrije Fries_, V 367, 382.
+
+ * * * * *
+
+Vóór echter deze oorlog door den vrede van _Aken_ (1748) geëindigd werd,
+hadden er in ons vaderland zelf merkwaardige gebeurtenissen plaats.
+Reeds lang hadden de bekwaamste staatslieden, zelfs Hollands
+voortreffelijke Raadpensionaris SIMON VAN SLINGELANDT, erkend: »dat het
+missen van eenen Stadhouder de gebreken in de Constitutie thans meer
+bespeuren, en nadeeliger uitwerkselen deed hebben, dan voordezen"[355].
+Doch de heerschzucht der bewindslieden, de trots der aristokratische
+aanmatiging en de willekeur der stedelijke regenten, door wie op vele
+plaatsen eene familie-regering was ingevoerd, hadden zich van het gezag
+meester gemaakt ter onderdrukking van het volk. En zoolang Hollands
+Staten halsstarrig weigerden, ook »uit vrees voor Frieschen invloed," de
+noodzakelijkheid van het Stadhouderschap te erkennen, bleven alle
+pogingen der vrienden van den Prins van _Oranje_, om zijn gezag uit te
+breiden, vruchteloos. Sedert het uitbreken van den oorlog werd het gemis
+van een éénhoofdig bestuur, het gebrek van een middelpunt van gezag,
+waardoor de kracht des bewinds verslapt was, meer gevoeld, en stegen de
+klagten over veelvuldige misbruiken in den staat, bijzonder over de
+knevelarijen der pachters van de gemeene lands middelen, met den dag.
+Had het tooneel des oorlogs zich tot dusverre tot _België_ bepaald en
+was _Vlaanderen_ reeds voor twee jaren door LODEWIJK XV veroverd--daar
+verbreidt zich op ééns het gerucht door het vaderland, dat de Franschen
+ook in _Staats-Vlaanderen_ zijn gevallen, zoodat _Zeeland_ in het
+grootste gevaar verkeert. Van waar nu hulp, van waar redding in dien
+nood? Even als in 1672, stak het volk de handen uit naar den nu, even
+als toen, door de staatsleden zoo lang verdrukten en miskenden _Prins
+van Oranje_. Op den 25 April 1747, op den zelfden dag, dat de Prins uit
+_Leeuwarden_ een brief afzond, waarbij hij den Staten van _Zeeland_
+zijne hulp en dienst aanbood, ging weder uit het kleine _Vere_ het eerst
+de kreet op, die, ijlings verspreid, dadelijk weerklank vond in geheel
+_Zeeland_, _Holland_ en de overige gewesten, zoodat binnen weinig tijds
+de volksstem Prins WILLEM CAREL HENDRIK FRISO, als WILLEM _den vierde_,
+als door een wonder, tot Erfstadhouder en Kapitein-Generaal en Admiraal
+over al de Vereenigde Nederlandsche gewesten verhief, en met zoo vele
+eerambten en waardigheden overlaadde, als nog geen zijner voorgangers
+had bezeten.
+
+ [355] SLINGELANDT, _Staatk. Geschriften_, I 212, 223; VAN KAMPEN,
+ _Verkorte Geschiedenis der Nederl._ II 232.
+
+De beminnelijke Vorst, die kon betuigen: »de hoogste eerzucht, die het
+hart eens stervelings kan streelen, is, zich als het voorwerp der liefde
+en hoogachting van een vrij volk te mogen beschouwen," aanvaardde met
+ware grootheid van ziel de hem aangebodene waardigheden, waarop zijn
+naam, afkomst en hoedanigheden hem regt gaven. Ja, hoe benard de
+toestand des lands ook ware, hij verheugde zich in de gelegenheid
+gesteld te worden, om met Gods hulp al zijne krachten aan te wenden ter
+bevordering van het welzijn des volks. Den 9 Mei vertrok de Prins van
+_Leeuwarden_ over _Harlingen_ met een jagt naar _Amsterdam_. Eene
+opgetogene menigte verbeidde hem, »den Verlosser van _Nederland_," daar,
+zoowel als bij zijn luisterrijken intogt in _'s Gravenhage_, als op
+aller handen gelijk in aller harten gedragen. De blijdschap des volks
+kende geene palen, en had het moed bekomen in het dreigende gevaar en
+hoop voor de toekomst. »Nooit moge de nakomelingschap die dagen van
+geestdrift vergeten!"[356]
+
+ [356] Deze woorden van den Prins, gerigt tot ONNO ZWIER VAN HAREN, die
+ veel tot 's Prinsen verheffing toebragt, hebben dezen later aanleiding
+ gegeven tot het ontwerpen van zijn uitstekend heldendicht: _de
+ Geuzen_, hier vóór en in _Aant. 20_ nader vermeld: "opdat die
+ onbegrijpelijke liefde en vertrouwen tusschen Vorst en Volk met
+ behoorlijke kleuren mogt worden beschreven." Zie het begin der
+ _Ophelderingen van de Geuzen_, en verder WAGENAAR, _Vad. Hist._ XX 78
+ env.; HAVERKAMP, _Leven van Prins Willem_ IV, 18, 45 env.
+
+Door die geestdrift en eenswillendheid bezield, mogt de natie zware
+offers brengen, om, tot afwering van den vijand, het leger te versterken
+en het land van binnen door gewapende magt te beschermen, waartoe overal
+eene _liberale gift_ met blijdschap werd opgebragt[357]. Dan, nu ook
+begon het volk, dat zich tegenover de regenten versterkt gevoelde door
+het gezag van den Prins, overal zijne regten te doen gelden, en
+verbetering te eischen van de veelvuldige, zoo ware als vermeende,
+misbruiken en ongeregeldheden in het staatsbestuur. Tot herstelling
+daarvan scheen nu eene gunstige gelegenheid te zijn geboren. Geweldige
+opschuddingen en hevige beroerten, die het gemeen gelegenheid gaven om
+uit te spatten, hadden bijna overal plaats. In Mei 1748 begonnen deze in
+_Groningen_ en daarna in _Friesland_. Die onlusten openbaarden zich het
+eerst door het gewelddadig vernielen van de opzigtershuisjes der
+pachters van het gemaal bij al de korenmolens in deze provincie. De
+gemeene landsmiddelen werden destijds bij wijze van verpachting geheven;
+doch de knevelarijen dier pachters, waaraan de ingezetenen bloot
+stonden, de zwaarte der belastingen op de noodwendigste levensbehoeften,
+de hinderlijke last van de havenpachten en het passagie-geld en daarbij
+de zware schuldenlast der provincie bij te vele zwaar-bezoldigde
+ambtenaren--ziedaar eenige der voornaamste grieven, waarvan velen onder
+Frieslands ingezetenen herstelling en verbetering wenschten.
+
+ [357] De eerste der vier termijnen van deze vrijwillige gift bragt in
+ Februarij 1748 alleen in de stad _Leeuwarden_ aan goud- en zilverwerk
+ en geld ruim 42,600 Gld. op, en bedroeg over geheel _Friesland_
+ 345,827 Gld. buiten het zilver, volgens eene MS. Aanteekening in mijne
+ verzameling.
+
+Om dit doel, zoo mogelijk, te bereiken, verschenen den 1 Junij 1748
+negen-en-vijftig der voornaamste burgers van _Harlingen_, als
+Gecommitteerden uit de ingezetenen dier stad, te _Leeuwarden_, die van
+Gedeputeerde Staten de opheffing van deze bezwaren verzochten. Tevens
+verlangden zij, dat het Erfstadhouderschap zoowel in de vrouwelijke als
+mannelijke lijn erfelijk verklaard mogt worden. De Staten, die de
+verpachting van de belastingen dadelijk hadden opgeheven, stonden dit
+laatste verzoek gereedelijk toe, en noodigden zelfs alle ingezetenen
+uit, om hunne bezwaren tegen den 5 Junij in te brengen. Tot dit einde
+werden er in alle steden en dorpen Gecommitteerden benoemd en naar
+_Leeuwarden_ afgevaardigd, om bezwaren in te leveren. De Magistraat dier
+stad had tot ontvangst van zoo vele personen, wier getal ruim 200
+beliep, de Groote of Jakobijner-kerk ingerigt, waar dit staatkundig
+Congres, onder sterke spanning des volks, werd gehouden. Veertien punten
+van redres onderling opgemaakt, werden aan de vergaderde Staten
+ingezonden en nog dien zelfden dag aangenomen en goedgekeurd.
+
+Op deze wijze werd de onrustige gemeente, die zich somtijds zeer
+dreigend en oproerig gedroeg, bevredigd. De Gecommitteerden achtten
+hunne taak echter nog niet afgedaan; maar, om de uitvoering van de
+toegezegde verbeteringen te bevorderen, benoemden zij twee personen uit
+iedere stad en elke grietenij, waarvan 24 vereenigd bleven, om
+voortaan op den Stads-Schutters-Doelen hunne werkzaamheden in het
+belang des volks voort te zetten, en met de Staten verder te
+onderhandelen. Na onderscheidene voorstellen, droegen zij den 5 Julij 73
+Punten-reformatoir voor, welke hoofdzakelijk met de vroegere bezwaren
+van 1627 en 1672 overeenkwamen, waarbij zij den 25 dier maand nog 47
+Punten voegden, welke, als de wenschen des volks, alle door de Staten
+werden aangenomen en uitgevaardigd. De Prins, verhinderd om door eene
+spoedige overkomst aan aller verlangen te voldoen, zond intusschen eenig
+krijgsvolk tot herstel van de rust in _Friesland_, benevens eene
+Commissie, om de zaken des lands te onderzoeken, en te handelen met de
+Gecommitteerden des volks en de Staten, die den Prins volkomene magt
+hadden verleend, »om de Constitutie des lands op vaste gronden te
+stellen, de ingeslopen abuizen in de regering, financiën als anderzins
+te redresseren, de provincie in rust en bloei te brengen enz." Welk een
+gebruik de brave Vorst van deze, nooit te voren dus afgestane, Oppermagt
+maakte, bleek eerlang, toen de Stadhouder den 18 December 1748 tot aller
+vreugde te _Leeuwarden_ kwam, en zijne voorstellen tot verbetering aan
+de plegtig vergaderde Staten mededeelde. Den 23 December werd alzoo zijn
+»Reglement, om te dienen tot eene fundamenteele en onverbreekelyke WET,
+waar naa alle Saaken, zoo van Politie als Justitie, daar in vervat,
+voortaan zullen werden beleid en behandelt," uitmakende 61 artikelen,
+uitgevaardigd. Hiermede, gelijk door het uitschrijven van eene algemeene
+Amnestie en van een nieuw stelsel van belastingen (dat echter spoedig
+onuitvoerbaar werd bevonden), werden alzoo de rust hersteld, vele
+aanleidingen tot misnoegen weggenomen en onderscheidene takken van
+beheer en gezag op een beteren voet geregeld[358].
+
+ [358] De bijzonderheden der gebeurtenissen van dit jaar zijn
+ bijeengebragt in het werkje: _het Verward Frieslandt_ (door J.
+ DOTINGH), Leeuw. 1749. Zie mede WAGENAAR, XX 196; _Nederl.
+ Jaerboeken_, II 524.
+
+Nooit bleek voorzeker aan _Friesland_ het gewigt en nut van het
+Stadhouderschap duidelijker, dan in dit merkwaardige jaar 1748. De Prins
+betreurde het echter met alle welgezinden, dat het opgewondene gemeen de
+goede zaak door oproerige bedreigingen, plunderingen en verwoestingen
+(te _Wier_, _St. Anna-Parochie_, _Hallum_ en elders) bezoedelde. Zeker
+bragten de persoonlijke hoedanigheden en gedragingen van den Prins, die
+de grootheid van zijn Huis enkel zocht in de grootheid van den Staat,
+veel toe, om hem dien invloed en die magt te bezorgen en aller harten
+aan zich verbonden te houden. Veel is er vervolgens door hem verrigt, om
+orde, regt, geldmiddelen en krijgstucht te herstellen en om koophandel
+en zeevaart te doen bloeijen. Wat mogt men nu verder niet voor het
+welzijn des lands verwachten van een Vorst, met zooveel magt bekleed,
+met zoo vele gaven versierd, en als een toonbeeld van christelijke
+deugden vereerd? Terwijl men zich over zulk eene gelukkige toekomst
+verheugde, behaagde het God, 's Prinsen levensdraad onverwachts af te
+snijden. Hij stierf reeds den 22 October 1751, diep betreurd door het
+gansche vaderland, dat zijne bewonderenswaardige grootmoedigheid had
+leeren kennen, en dat zijn ijver voor het belang des lands en liefde
+voor zijn volk met wederliefde en trouw had vergolden. Hoe kort de
+regering van Prins WILLEM _den vierde_ ook ware, zij was lang en eervol
+genoeg, om hem eene roemrijke plaats te bezorgen onder de edele Vorsten
+des vaderlands[359].
+
+ [359] Vele zijn de geschriften over dezen voortreffelijken Stadhouder,
+ die meest lofredenen zijn, en waarvan ik onderscheidene heb
+ bijeengebragt in de Bibliotheek zijner geboortestad, die zich met regt
+ op hem mag beroemen. Behalve naar WAGENAAR en de _Jaerboeken_ verwijs
+ ik enkel naar HAVERKAMP, _'s Lands verijdelde hoope_, Amst. 1753; O.
+ Z. VAN HAREN, _Lijkreeden_, Leeuw. 1766; HOFSTEDE, _Bloemen op het
+ graf_, Rott. 1752; _Levensb. van ber. Mannen_, VI 284; SCHELTEMA,
+ _Staatk. Ned._ II 487; V. KAMPEN, II 251, _Karakterk._ II 565.
+
+Inzonderheid was _Friesland_ wegens het voorgevallene in 1748 aan dien
+Stadhouder verpligt, vooral in vergelijking met andere provinciën, waar,
+even als in de zaken der Generaliteit, zoo vele misbruiken en
+verkeerdheden nog onverbeterd waren gebleven. Prinses ANNA, die na zijn
+dood, als Gouvernante van den minderjarigen Prins WILLEM V, het bewind
+had aanvaard, vermogt te weinig en bezat ook niet genoeg vertrouwen na
+het uitbreken van den oorlog tusschen _Engeland_ en _Frankrijk_, om veel
+goeds tot stand te kunnen brengen. Omdat de Staten de vermeerdering van
+de krijgsmagt niet wilden toestaan, wist zij tegen te gaan, dat onze
+zwakke zeemagt versterkt werd. En toch was dit laatste zoo noodzakelijk,
+dewijl de handel en scheepvaart, waarin ook _Friesland_ toen een
+belangrijk aandeel had, groote schade leden van de Engelschen, die
+zoo vele onzer koopvaardijschepen prijsverklaarden of hinder
+toebragten[360]. De dood van Prinses ANNA, op den 12 Januarij 1759,
+maakte een einde aan dien staat van spanning, en bevorderde dadelijk de
+versterking van onze zeemagt, tot beveiliging onzer vlooten tegen de
+roofzucht van de Engelsche zoowel als Fransche kapers.
+
+ [360] Het moedig gedrag van den Frieschen Zeekapitein JAN BINKES in
+ die dagen is vermeld achter _Aanteekening 23_.
+
+Terwijl _Holland_ en de vijf andere provinciën nu gedurende de
+minderjarigheid van Prins WILLEM V hoofdzakelijk bestuurd werden door
+zijn voogd en ook lateren leidsman LODEWIJK ERNST, Hertog van
+_Brunswijk-Wolfenbuttel_, Veldmaarschalk van den staat, hadden de Staten
+van _Friesland_ zoo veel eerbied voor 's Prinsen grootmoeder, Prinses
+MARIA LOUISA, dat zij haar, hoewel reeds 70 jaren oud, als Gouvernante
+op nieuw het bewind toevertrouwden. Met die waardigheid en kracht, welke
+de edele Prinses, sterk door haar christelijk geloof, immer had betoond
+onder zoo vele smartelijke verliezen, welke haar troffen, volbragt zij
+gedurende zes jaren deze taak. Zij deed dit zóódanig tot genoegen der
+Staten, dat deze bij haren algemeen betreurden dood, op den 9 April
+1765, konden betuigen: »dat zij een allergezegendst middel in Gods hand
+was geweest, om de welvaart dezer provincie met den uitersten ijver te
+bevorderen op eene zoo vreedzame en vriendelijke wijze, dat zij de
+liefde en hoogachting van Regenten en ingezetenen van allerlei staat
+voor lange jaren verkregen en tot den einde toe volkomen behouden
+had"[361].
+
+ [361] Dit betuigden de Staten in den brief van rouwbeklag aan haren
+ kleinzoon. Zie STUART, _vervolg op_ WAGENAAR, II 249; DE CHALMOT,
+ _Leven der Prinses_, Leeuw. 1765; J. VAN DEN BOSCH, _de Heeren
+ Stadhouderen van Vriesland_, Leeuw. 1770, 35, 86; _Levensbeschrijving
+ van Nederl. Mannen enz._ VI 154; VAN KAMPEN, _Karakterkunde_, II 562
+ enz.
+
+ * * * * *
+
+Een gelukkig tijdperk van rust en ongemeene welvaart was er voor het
+vaderland aangebroken, toen Prins WILLEM V in 1766 in alle provinciën
+als Erfstadhouder werd gehuldigd. Die voorspoed, welke ook _Friesland_
+bestraalde, werd in de eerstvolgende veertien jaren alleen door de
+veepest van 1769 en den watervloed van 1776 afgebroken. Wel trachtten de
+staatsleden de deerlijk vervallen geldmiddelen dezer provincie te
+verbeteren, doch er kwam veel minder goeds gedurende dit bloeijende en
+rustige tijdvak tot stand dan men had mogen verwachten. De vroegere
+wakkerheid was in vele opzigten door laauwheid en zorgeloosheid
+vervangen; terwijl zoo vele kleine twisten blijken gaven van de
+kregelheid, eerzucht en twistgierigheid, welke vele republikeinen dier
+dagen bezielden. Lang bleef ook de goede, doch dikwijls zwakke Prins in
+de volksgunst deelen, en ontving hij daarvan streelende bewijzen, toen
+hij _Friesland_ in 1773 en 1777 bij herhaling bezocht, omgeven van den
+glans der weelde, welke de voorspoed der ingezetenen overal ten toon
+spreidde.
+
+Doch hoe zeer veranderde die stemming des volks en de toestand des lands
+met den jare 1780!
+
+De vrijheids-oorlog der Noord-Amerikaansche volkplantingen tegen
+_Engeland_ verwekte allereerst eene ongemeene belangstelling en
+geestdrift. Bijzonder was dit het geval bij de vrijheidlievende Friezen,
+wier Staten zoo veel lof verwierven, doordien zij in 1782 de eerste van
+al de provinciën waren, die vóór de vrijverklaring van _Amerika_
+stemden[362].
+
+ [362] Zie LOOSJES, _Gedenkzuil der Vrij-verklaaring_, 31, 58, 64, 131,
+ 133, waar tevens voorkomt het Request van de Burger-Societeit te
+ _Leeuwarden_: _Door Vrijheid en IJver_ aan Gedeputeerden, met
+ aanbieding van een Zilveren Eerepenning, welke zij op dit besluit had
+ laten vervaardigen. De studenten te _Franeker_ huldigden hetzelve door
+ het afsteken van een vuurwerk. Ook hierdoor werd de vrijheidsgeest
+ overal aangewakkerd.
+
+Vermits de Hollandsche kooplieden de Amerikanen, in weerwil van
+Engelands verbod, bleven ondersteunen, moest dit natuurlijk een oorlog
+van ons land met _Engeland_ ten gevolge hebben. Bij de zwakheid van onze
+zeemagt bragt die vredebreuk onzen handel aanzienlijke schade toe. Groot
+verschil van staatkundige inzigten en daarbij een toenemend misnoegen
+over het gedrag van den Prins en meer nog over de handelingen van zijnen
+raadsman, den Hertog van BRUNSWIJK-WOLFENBUTTEL, dien men, nadat hij in
+den haat des volks was gevallen, verwijderd wilde hebben,--dit alles
+verwekte meer en meer verwijdering, verbittering, scheuring en
+partijschap.
+
+Het volk, dat de staatsleden beschuldigde van afgeweken te zijn van het
+Regerings-reglement van 1748, en zich beklaagde over de aanmatigingen
+der rijken, de voorregten der aristocratie en de misbruiken der
+familie-regering, verlangde meerdere regten uit te oefenen, en eischte
+grondwettige herstelling van het, in zoovele opzigten verbasterde,
+staatsbestuur. Het woord _vrijheid_, hetwelk in de zaak der Amerikanen
+zulk eene heilige beteekenis had, kwam hier in de mode, en werd,
+vermengd met de zonderlingste denkbeelden van Fransche wijsgeeren over
+godsdienst en volkenregt, getroeteld en in politieke klubs of
+fraterniteiten aangekweekt, tot ondermijning van het gezag der regenten.
+Zelfs benamen de Friesche Steden den Prins in 1782 het aan zijn vader en
+hem afgestane regt van Raadsbestelling en het begeven van de in haar
+kwartier rondgaande ambten. Noch het vertrek van den Hertog van
+BRUNSWIJK-WOLFENBUTTEL, noch de vrede met _Engeland_ (1784), noch een
+verdedigend verbond met _Frankrijk_ (1785), konden de opgewondene
+gemoederen tot rust brengen. Integendeel, nadat eene bedreiging
+van oorlog met Keizer JOZEF II het volk algemeen de wapenen in handen
+had gegeven, versterkten de alom opgerigte Vrij-korpsen of
+Exercitie-genootschappen de krijgshaftige houding der natie, waarvan een
+deel weldra met die zelfde wapenen hare overheden bedreigde en zich
+tegen het gezag verzette. De brave Prins, te zwak om in tijden van
+beweging het roer van staat met vaste hand te sturen, sloot zich nu bij
+de aristocratie aan, in plaats van eene poging te doen, om de verlorene
+vriendschap der patriotten te herwinnen, door hunne voornaamste wenschen
+in te willigen.
+
+In dien onrustigen stand van zaken waagden de Staten van _Friesland_
+het, den publieken geest, welke zich dagelijks krachtiger openbaarde en
+op de verbetering van talrijke misbruiken aandrong, te trotseren, door
+op den 25 September 1786 twee merkwaardige plakkaten uit te vaardigen.
+Bij het eerste werd het op strenge straf verboden, beleedigende
+geschriften uit te geven, of requesten en adressen over zaken der
+regering te teekenen. Bij het tweede werden de nu gevaarlijk geachte
+Exercitie-genootschappen opgeheven en verboden, en de burgers bevolen
+hunne wapenen af te leggen[363]. Dan, de stroom vloeide reeds te lang en
+te sterk, om, door zulke middelen gestuit, niet buiten zijne oevers te
+treden. De tegenstand des volks werd meer algemeen, de breuke tusschen
+de Prins-gezinden en Patriotten grooter, de verbittering sterker. De
+stad _Franeker_ werd in Mei 1787 het middelpunt, waar de gewapende
+misnoegden en tegenstanders van het Stadhouderlijk gezag zich
+vereenigden; waar een Defensiewezen zich tegen gevreesde aanvallen
+versterkte, door de stad met schansen en elf batterijen te omgeven en
+krijgsvoorraad bijeen te brengen, en waar in Augustus tien leden der
+Staten zich van die van _Leeuwarden_ afscheidden en, even als in 1672 te
+_Sneek_, eene tegenregering vormden, die, met versmading van de wettige
+meerderheid, hare bevelen, als de eenige en hoogste magt des lands,
+overal wilde doen eerbiedigen.
+
+ [363] Zie de _Verzameling van Placaten_, 339, 343; _Apologie van_ C.
+ L. VAN BEIJMA, 172, 230, en vele andere stukken van dien tijd.
+
+Zulk een verwarde toestand des lands, welke voor de rust, de veiligheid
+en welvaart der ingezetenen hoogst verderfelijk was, kon niet duurzaam
+zijn bij al de blijken, welke het volk gaf van nog niet rijp te zijn
+voor het genot van eene vrijheid, waarvan alléén de klank veler hoofden
+had bedwelmd; terwijl de band van ontzag, eerbied en liefde tusschen
+overheid, vorst en volk was verbroken. Welk persoon, wat stout bedrijf
+of welke merkwaardige gebeurtenis zou den veegen Staat redden? Helaas!
+den benarden Stadhouder, dien men in _Holland_ zoo veel leed had
+aangedaan, dat hij naar _Nijmegen_ was geweken, scheen geen ander middel
+tot zelfbehoud over te schieten, dan de hulp in te roepen van zijnen
+schoonbroeder, den Koning van _Pruissen_, die in September 1787 een
+leger van 20,000 man naar _Holland_ zond, om den Prins in zijn gezag te
+herstellen. Achtten velen deze inroeping van vreemde hulp eene grievende
+beleediging,--zij had voor het oogenblik dit gunstig gevolg, dat alom,
+na hevige uitspattingen, de volksberoeringen ophielden, en dat de Staten
+van _Holland_, met intrekking van al hunne besluiten, tegen den Prins
+genomen, den Stadhouder verzochten weder in _'s Gravenhage_ te komen.
+Zegepralende op zijne vijanden, die het vaderland ontvloden, hernam hij
+zijne waardigheden, en werd alom de bestaande regeringsvorm met kracht
+gehandhaafd.
+
+Maar welk gebruik maakten de Staten van _Friesland_ van deze overwinning
+van het gezag? Verdienden zij door edele grootmoedigheid en
+vergevensgezindheid den eerbied, waarop zij op nieuw aanspraak maakten?
+Neen, strenge vervolgingen bragten hen in verdenking, dat niet het
+welzijn des volks, maar het zegevieren hunner partij en zucht om het
+beleedigde gezag te wreken het roersel hunner daden was. Nadat allen,
+die zich verdedigers der grondwettige regten en vrijheden des volks
+noemden, met de talrijke te _Franeker_ zamengevloeide gewapende burgers
+die stad hadden verlaten, werd zij op den 24 September door de Staten
+bezet, en daarna gestraft met het uitligten van de deuren der poorten,
+welke in de kerk werden vastgelegd. Honderden Friesche patriotten
+vlugtten, waarvan de meesten te _St. Omer_ in _Frankrijk_ eene
+schuilplaats vonden. Vele leden van het defensiewezen en andere
+deelgenooten van den opstand tegen den bestaanden regeringsvorm werden
+gevat en door het Hof gevonnisd met gevangenzetting, geldboeten,
+verbeurdverklaring van goederen en andere straffen. Eene algemeene
+ontwapening des volks werd bevolen; de Fraterniteiten en andere
+dergelijke staatkundige bijeenkomsten werden streng verboden. Wel lieten
+de Staten den 16 October eene Amnestie afkondigen; doch deze bevatte,
+na eene opsomming van al het misdrevene zóó vele uitzonderingen, dat de
+meeste deelgenooten daar buitengesloten bleven, en zich liever den last
+der ballingschap buiten hun vaderland getroostten. Hard viel deze straf
+vooral vele rustige en brave burgers, die, met de beste bedoelingen,
+door den tijdgeest onwillekeurig waren medegevoerd geworden. Nog harder
+viel die vervolging, toen de Staten, ook nadat er reeds eenige jaren
+verloopen waren, doof bleven voor alle verzoeken tot matiging, zoodat
+zelfs nog in 1792 de zedige en verdienstelijke EISE EISINGA, die zich,
+na jaren omzwervens, te _Visvliet_ nedergezet had en daar gevat was, na
+een proces van een vol jaar, voor vijf jaren uit deze provincie gebannen
+werd, enkel omdat hij in 1787 lid was geweest van het defensiewezen te
+_Franeker_.
+
+Te onverklaarbaarder was dit streng volhouden der Staten, omdat zij,
+bekend met de wenschen des volks, waardoor de onlusten waren ontstaan,
+sedert 1787 bijna niets deden ter verbetering van het door zoovelen
+aangevallene staatsbestuur en tot wegneming van de algemeen erkende
+misbruiken;--doch vooral, omdat de staats-omwenteling van 1789 in
+_Frankrijk_ hun tot ontzetting deed zien, welk eene magt het volk
+tegenover den troon, den adel en de geestelijkheid kon ontwikkelen;
+welke de eischen waren van den onwederstaanbaren geest des tijds, en
+welke gevolgen het onverstandig vasthouden aan verouderde vormen en
+begrippen na zich ~moest~ slepen. Bekend was het bovendien, hoe
+zeer de Nederlandsche vlugtelingen blaakten van wraakzucht, om hunne
+overheden het inroepen der Pruissische hulp betaald te zetten; hoe
+zij zich met de Franschen verbroederden, en, door briefwisseling met
+hunne vrienden, in ons land de hoop levendig hielden op eene door hen
+voorbereide verlossing, ter bekoming van eene gelijke vrijheid en
+volkssouvereiniteit, als de Fransche republiek reeds had verworven. In
+weerwil de onmenschelijke tooneelen van het schrikbewind, na den val van
+Koning LODEWIJK XVI, alle mogendheden deden sidderen voor de woede van
+een bandeloos volk--bleven de Staten van _Friesland_ zorgeloos en gerust
+op het oude pad voortgaan. Ja, nog den 28 Januarij 1795, toen het water
+reeds tot aan de lippen was gestegen, ontveinsden zij het klimmende
+gevaar, daar zij, bij openlijk plakkaat, zich durfden »vleien, dat de
+Unie zal blyven bewaard, in het vertrouwen op het vooruitzigt van den
+gelukkigen en wenschelyken voortgang der aangevangene Vreedes
+Negotiatien; uit welken hoofde 'er zig gegronde hoope opdoet tot het
+zien eindigen van deezen bloedigen Oorlog."[364]
+
+ [364] _Verzameling van Placaaten_, 436, 437.
+
+Zóó blind, zóó onverzettelijk bleven 's lands Regenten, die echter reeds
+den volgenden dag al onthutst waren over »de verandering der gedaante
+van zaaken door de rampen des Oorlogs," waarom ze den predikanten
+bevolen te bidden, »dat God den bloedigen Oorlog mogt doen eindigen."
+Doch die oorlog was toen eerst aangevangen en zou nog twintig jaren
+lang, geweldiger dan ooit te voren, woeden, ten einde, onder Gods wijze
+en liefdevolle leiding, het middel te worden, om de natiën, die in vrede
+en voorspoed doof waren geweest voor de stem van godsdienst en rede, en
+blind voor hun duurzaam belang, door lijden en strijd te louteren, en,
+eerst na verloop van vele jaren van rampspoed, te verheffen tot eene
+betere maatschappelijke orde en meerdere vatbaarheid voor volksgeluk.
+
+
+
+
+VIJFDE TIJDVAK.
+
+FRIESLAND TIJDENS DE VOLKSREGERING EN DE FRANSCHE OVERHEERSCHING.
+
+VAN DE STAATS-OMWENTELING EN DE OPHEFFING VAN HET STADHOUDERSCHAP TOT DE
+HERSTELLING VAN NEDERLAND EN HET VERTREK DER FRANSCHEN.
+
+_Van het jaar 1795 tot 1813._
+
+
+42. _De Staats-omwenteling en hare gevolgen._
+
+Te laat namen de Staten van _Friesland_, den 7 Februarij 1795, het
+besluit tot opheffing van de vervolgingen en verbodsbepalingen, waarmede
+men sedert 1787 vele opgewondene ingezetenen in toom had gehouden. Na in
+_België_ lang tegenstand te hebben ondervonden, zegevierden de wapenen
+der Franschen, die nu door den vorst zich reeds in December 1794 den weg
+gebaand zagen over de rivieren, die ons vaderland meermalen tot eene
+natuurlijke beschutting verstrekten. De vroeger gevlugte patriotten, die
+in _Frankrijk_ de bloedige tooneelen van de revolutie-koorts hadden
+bijgewoond, snelden hen vooruit, en nog vóór de Franschen onzen Staat,
+op den 1 Februarij 1795, den oorlog verklaarden, ontvlugtte Prins WILLEM
+V met zijn gezin en vele zijner aanhangers het vaderland, dat ruim twee
+eeuwen veilig was geweest onder de hoede van ORANJE. De in 1787 alleen
+door de kracht der wapenen herstelde republiek was haren val nabij, en
+bezweek voor den revolutiegeest des volks, dat geheel andere beginselen
+dan vroeger huldigde en zich sterk waande door buitenlandschen invloed.
+
+Ook in _Friesland_ vestigde zich een _Committé Revolutionair_, hetwelk,
+na de omwenteling geheel voorbereiden den vrijheidsboom te _Leeuwarden_
+geplant te hebben, den 10 Februarij 1795 de Regenten der steden en
+grietenijen ontsloeg en andere personen aanstelde, onder luidruchtige
+vreugdebedrijven van het volk. Evenzoo verklaarde het den 19 Februarij
+met eene plegtige aanspraak de Staten van _Friesland_, gelijk den
+Erfstadhouder, vervallen van hunne waardigheden, met belofte van
+veiligheid voor hunne personen en verbod om te vlugten. Hierna werden er
+60 Provisioneele Representanten van het volk van _Friesland_ in hunne
+plaats aangesteld, en voorzien van eene instructie, welke de beginselen
+bevatte, waarnaar de nieuwe republiek voorloopig zou worden bestuurd.
+Het Committé legde toen tevens zijne taak neder, en »wenschte het volk
+plegtig geluk met de volbragte onvermijdelijke revolutie, en met de tot
+dusverre gelukkig herstelde vrijheid; onder betuiging, dat de
+bedaardheid, goede orde en rust, bij zulk eene verbazende omkeering van
+zaken overal bewaard, der Friesche natie voor het oog der geheele wereld
+tot onsterfelijken roem verstrekten."
+
+In de volgende dagen vaardigden de Provisioneele Representanten bij
+verschillende plakkaten hunne staatkundige geloofsbelijdenis uit, om
+ieder te doen zien, dat zij geen ander oogmerk hadden, dan om, ook door
+het afschaffen van de erfelijke aristocratie en familie-regering, de
+miskende regten des volks te handhaven, en veiligheid van personen en
+bezittingen, vrijheid van godsdienst en drukpers en gelijkheid van allen
+voor de wet te verzekeren, onder vermaning, van de verkregene
+voorregten door geene rustverstoring te bezoedelen.[365]
+
+ [365] Zie dit alles in de _Verzaamel. van Placaaten_, I 1-29, in de
+ _Dagverhalen_ en veelvuldige geschriften van dien tijd.
+
+En inderdaad, het verdient opmerking, dat zulk eene omwenteling en
+vernietiging van het eeuwenheugende gezag hier, door het volk zelf, zoo
+rustig en zonder schending van personen of bezittingen werd tot stand
+gebragt. Want eerst den 4 Maart deed de Fransche Generaal GASPARD
+THIERRY met een aantal huzaren zijne plegtige intrede in _Leeuwarden_,
+onder de uitbundigste vreugdebetooningen van het uit alle oorden te
+zamengevloeide volk, dat in den roes zijner blijdschap, hand aan hand
+met den luchthartigen Franschman dansende om den vrijheidsboom, zich
+zelf vergat, en zich niet bewust scheen te zijn, dat het eene inhaling
+was als van het Grieksche paard in _Troje_. Doch de Franschen hadden
+beloofd, als vrienden en bondgenooten te zullen overkomen, en als
+verlossers van de overheersching en beschermers van de nieuwe republiek,
+die ze zeker weldra weder zouden verlaten, werden ze dus ontvangen en
+bij de burgers ingekwartierd. Hoe spoedig bleek echter het tegendeel,
+nadat 150,000 hunner, meest uitgehongerde en halfnaakte, krijgslieden
+over het gansche land waren verspreid, waarvan _Friesland_ zijn aandeel
+rijkelijk bekwam!
+
+Immers, bij het Haagsche verdrag van den 26 April 1795 eischten de
+Franschen reeds, behalve den afstand van een aanzienlijk grondgebied,
+100 millioen gulden voor het bezorgen van de zoogenaamde vrijheid, onder
+verpligting van onzen Staat, om 25,000 man Franschen in dienst te houden
+en te bezoldigen. Doch de partij der patriotten had de overwinning
+behaald en zich gewroken op den Prins en de staatsleden, die hen in
+1787 hadden doen vlugten, maar--ten koste der onafhankelijkheid des
+lands. Het volk, gestreeld door de klanken van Vrijheid, Gelijkheid en
+Broederschap, spiegelde zich nu, bij de zegepraal der beginselen van de
+regten van den mensch en burger, de schoonste toekomst van eene veel
+verbeterde staatsinrigting voor; hoewel het, bij de schaarschheid en
+duurte van levensmiddelen en het stilstaan van sommige bronnen van
+bestaan, al dadelijk verpligt werd, om in herhaalde geldleeningen,
+heffingen en drukkende lasten aan de vermeende vrijheid zware offers te
+brengen[366].
+
+ [366] In 1796 beval het Provinciaal Bestuur zelfs, "ten einde de
+ Friesche trouw ongeschonden bewaard blijve" (!), dat het zesde
+ gedeelte der bezittingen van alle publieke corpora, of de stedelijke,
+ geestelijke, dorps-, kerke-, arme-, wees en gasthuis-goederen,
+ openlijk verkocht en het bedrag daarvan den lande tegen 3-1/2 proc.
+ rente opgeschoten moest worden. In het volgende jaar noopte de hooge
+ nood des lands het bestuur op nieuw, nog een vijfde gedeelte van het
+ overschot te eischen. Men gisse, welk eene massa vastigheden er dien
+ ten gevolge tegen lage prijzen verkocht en in handen gekomen is van
+ bijzondere personen, waarvan velen ze later voor meer dan het dubbele
+ van dien prijs verkocht hebben. Zie die besluiten in de _Verzameling
+ van Placaaten_, II 21, 73, 199.
+
+Intusschen geschiedde er in Mei eene algemeene oproeping van het volk
+van _Friesland_ tot stemming van 68 Representanten, die nu het roer der
+regering aanvaardden en aan negen hunner het waarnemen der zaken van het
+vroegere Collegie of de uitvoerende magt toevertrouwden. Nog scheen dit
+bestuur uit gematigde patriotten te bestaan, hoewel het de meeste leden
+van het Hof ontzette en door andere personen van zijnen geest deed
+vervangen (15 Julij), en toeliet, dat de Stadhouderlijke Tombes in de
+Groote Kerk te _Leeuwarden_ schandelijk vernield en de Grafkelders
+geschonden werden (1 Aug.). Evenwel bleef deze partij, bij het plan tot
+bijeenroeping van eene Nationale Conventie, met kracht van redenen de
+souvereiniteit en de onafhankelijkheid der provinciën vasthouden en
+verdedigen, omdat zij haar _zelfbestaan_ niet konde, niet wilde
+vernietigen, en omdat zij zich van eene vereeniging met de andere
+gewesten voor _Friesland_ groot gevaar en vele nadeelen voorstelde. Doch
+_Holland_, met een grooten schuldenlast bezwaard, trachtte de
+ineensmelting van de provinciën en de provinciale schulden door te
+drijven, en om dit doel te bereiken, spaarde het geene middelen, »geen
+vleijen en kuipen, geen dringen en dreigen." Het werd daarin ondersteund
+door een aantal hevige Friesche patriotten, die zich van de een- en
+ondeelbaarheid van den Staat veel heils voorspelden, en als heethoofdige
+ijveraars meer doortastende veranderingen begeerden. Zóó vormden zich
+onder de patriotten zelve partijen, die elkander uit verschil van inzigt
+wantrouwden en vervolgden met een haat en tweedragt, nog sterker dan
+vóór de omwenteling. In Januarij 1796 vestigden zich eenigen dier
+ijveraars zelfs tot een Committé van herstel, hoewel ze spoedig door de
+Representanten, die hen eene oproerige bende van baatzuchtige
+fortuinzoekers en intriganten noemden, werden gevangen gezet. Evenwel
+wist hunne partij te bewerken, dat Frieslands volksvertegenwoordigers
+met geweld uiteengejaagd en sommigen zelfs in hechtenis genomen werden.
+Met hulp der gewapende magt herstelde het gezag zich echter weder, doch
+kort daarna werd het andermaal verdreven door de doldriftige partij, die
+alzoo, door Fransche en Hollandsche hulp gesteund, zegevierde[367]. Wel
+kwam er intusschen den 1 Maart eene Nationale Vergadering te _'s
+Gravenhage_ bijeen, waarop _Friesland_ echter eerst, evenmin als
+_Zeeland_, afgevaardigden zond; doch de uiteenloopende meeningen der
+vier partijen hiervan verstonden elkander zóó weinig, dat zij enkel
+voorbereidde, hetgeen, na hevige onlusten en geweldige maatregelen, op
+de tweede Nationale Vergadering doorgedreven en met goedkeuring der
+meerderheid van het stemgeregtigde volk bij de Staatsregeling van 1 Mei
+1798 uitgevaardigd werd: dat de één-en-ondeelbare Bataafsche Republiek
+zou bestaan uit acht Departementen, met een Vertegenwoordigend Ligchaam,
+waarvan de eerste kamer uit 60 en de tweede uit 30 leden zou bestaan,
+benevens een Uitvoerend Bewind van 5 leden.
+
+ [367] 't Was deze partij, die in 1796 het bevel gaf tot wegneming van
+ alle, "de gelijkheid onteerende," titels, livreijen,
+ onderscheidingsteekens en wapens op gebouwen, grafzerken enz., als
+ hinderlijk aan de onvervreemdbare regten van den mensch en den burger.
+ _Verzameling van Placaaten_, II 17, 56,71.
+
+Ofschoon _Friesland_ bij die Staatsregeling voor het eerst na zoovele
+eeuwen zijn Naam verloor, daar het met _Groningen_ werd vereenigd onder
+den naam van het _Departement van de Eems_;--ofschoon het nu eindelijk
+aan Hollands heerschzucht en overwigt zijne souvereiniteit en
+zelfbestaan en alzoo een groot gedeelte zijner magt en invloed ten offer
+moest brengen, en zich bovendien met een ~veel grooter schuldenlast~ dan
+zijne eigene zag bezwaard;--ofschoon het Provinciaal Bestuur van
+_Friesland_, alléén uit aanmerking van »den bejammerenswaardigen
+toestand der republiek," gevolg gaf aan het bevel der Constitueerende
+Vergadering, die zich den 22 Januarij 1798 te _'s Gravenhage_ met geweld
+van de oppermagt had meester gemaakt, om, »met ontbinding van alle
+Provinciale Besturen, een Intermediair Administratief Bestuur,
+afhankelijk van en verantwoordelijk aan genoemde Vergadering," uit te
+maken:--toch werd die merkwaardige en in zoo vele opzigten vernederende
+gebeurtenis, een onvermijdelijk gevolg van den gang der omwenteling,
+hier met een luisterrijk Volksfeest gevierd. Ja, de democratische of
+revolutionaire partij had, na het overheerschen of verbannen van alle
+gematigde patriotten, door Hollandschen en Franschen invloed, in
+_Friesland_ veler gemoederen opgewonden tot een geestdrift, welke in al
+de zinnebeeldige voorstellingen en bedrijven van dat Volksfeest de
+belagchelijkste tooneelen opleverde. Op den 19 Mei 1798 werd het onder
+grooten toevloed van aanschouwers te _Leeuwarden_ gevierd. De
+_Een-en-Ondeelbaarheid_, verbeeld door eene maagd, met de acte van
+Staatsregeling in de hand, werd, zittende op een triumfwagen, tusschen
+een talrijken trein van regeringsleden, zinnebeeldig versierde personen
+en de gewapende magt, door de stad gevoerd, en geleid op een troon in
+den Tempel der Vrijheid, welke op de Langepijp was opgerigt. Nadat de
+personen, verbeeldende de Regten van den mensch, de Gelijkheid en de
+Broederschap, als ook de vier nationale Deugden en de vier Standen van
+den mensch, zich nevens haar geplaatst hadden, werd het zevenhoofdig
+Monster van het Federalisme (de zeven vroeger, op zich zelve souvereine,
+Vereenigde Provinciën) op een houtstapel gelegd en onder gejuich
+verbrand, waarna de President voor het Altaar der vrijheid eene
+aanspraak deed, en het feest met dansen om den Vrijheidsboom en andere
+luidruchtige vermaken werd besloten[368].
+
+ [368] De merkwaardige teekening, welke de verdienstelijke
+ kunstliefhebber PETRUS GROENIA (nog in 1831 bekend als Kolonel van
+ eene Afdeeling Friesche Schutterij) toen van deze plegtigheid
+ vervaardigde, is, met het Programma van den optogt, thans in mijn
+ bezit.
+
+Doch de partij, wier beginselen en bedoelingen nu hadden gezegepraald,
+regeerde niet lang. Nadat zij reeds in Februarij des vorigen jaars
+verontrust was door een dwaas oproer van Oranjegezinde ingezetenen uit
+den omtrek van _Kollum_[369], had op den 12 Junij 1798 te _'s
+Gravenhage_ eene soort van tegen-omwenteling plaats, waarbij het
+Uitvoerend Bewind en het Wetgevend Ligchaam met magt van wapenen werden
+uiteengedreven. Eerst nadat het volk zich, ingevolge de aangenomene
+Staatsregeling, eene nieuwe vertegenwoordiging had gekozen van meer
+gematigde personen, die eene algemeene vergiffenis van staatkundige
+misdrijven uitvaardigden, scheen er een einde te zullen komen aan al de
+revolutionaire woelingen en de omwenteling voltooid te zijn. Die
+Staatsregeling toch, welke vele verouderde vormen en misbruiken
+afschafte en de sedert jaren verkondigde theoriën omtrent het
+maatschappelijk verdrag en het regt en den invloed des volks op het
+staatsbestuur in werking bragt, was bij voorraad eene belangrijke
+schrede tot vooruitgang, tot verspreiding van mildere beginselen en tot
+bevrediging der eischen van het nieuwe geslacht, dat de vroegere banden
+was ontwassen. Na zoo hevige schokken en bittere vervolgingen van de
+partijen onderling, kwam er nu meerdere orde en rust onder de
+ingezetenen, en leerde men zich met bedaardheid onderwerpen aan de
+drukkende gevolgen eener omwenteling, welke een geheel anderen loop en
+rigting had genomen, dan zelfs de bewerkers zich hadden voorgesteld.
+
+ [369] Die volksbeweging, onder den naam van het _Kollumer oproer_
+ bekend, begon bij gelegenheid der opschrijving tot de gewapende dienst
+ te _Kollum_, en breidde zich weldra tot de omliggende dorpen en
+ grietenijen uit. "Onder den oproerkreet van Oranje boven!" trokken
+ eenige honderden gewapende landlieden zelfs op _Dokkum_ aan, vanwaar
+ ze verjaagd en verder door de van _Leeuwarden_ afgezondene troepen
+ bedwongen werden. Een getal van 174 personen, die daaraan deel hadden
+ genomen of van Oranjegezindheid verdacht waren, werden op het Blokhuis
+ te _Leeuwarden_ gevangen gezet en een daarvan onthoofd. Velen werden
+ spoedig losgelaten, anderen met geldboeten gestraft. Zie uitvoerige
+ berigten deswege in de destijds uitgegevene _Beschrijving van de
+ oproerige Beweegingen in Friesland_.
+
+
+43. _De val der Republiek en vernietiging van ons Volksbestaan._
+
+Nog waren er geene drie jaren verloopen, of er bestond reeds behoefte
+aan eene nieuwe Grondwet, welke verbeterde Staatsregeling in 1801 door
+het volk werd aangenomen. Deze kenmerkte zich door meerdere toenadering
+tot het oude, doordien de omvang der vroegere provinciën hersteld werd
+en ook _Friesland_ zijn Naam herkreeg, met een Departementaal Bestuur
+van elf leden; terwijl het Algemeen Bestuur was zamengesteld uit een
+Staatsbewind van 12 en een Wetgevend Ligchaam van 35 leden. Hierop
+volgde weldra eene nieuwe regeling van de Gemeentebesturen, aan wier
+leden het Huishoudelijk beheer, gelijk de Policie en Justitie aan
+Drosten en Geregten, alsmede aan Dorpregters was opgedragen. Daartoe
+werd _Friesland_ verdeeld in 14 Drost-ambten. Bij de benoeming van vele
+nieuwe personen tot regeringsleden was het een aangenaam verschijnsel,
+eene meerdere toenadering en verzoening tusschen de vroegere partijen te
+bespeuren; terwijl de gematigdheid van het Staatsbewind bereid was, de
+vroegere scheuringen zoo veel mogelijk te heelen tot eendragtige
+zamenwerking aan het algemeen belang.
+
+Want groot waren bij voortduring de bezwaren, welke op den Staat
+drukten, ook buiten den geldnood, waarin men door dikwijls herhaalde
+heffingen op de bezittingen en inkomsten, door leeningen en buitengewone
+belastingen trachtte te voorzien, totdat deze in 1805 door een stelsel
+van algemeene belastingen op allerlei voorwerpen werden vervangen. De
+bezorgdheid van het Staatsbewind was in 1803 zelfs zóó groot, dat het
+klaagde »over de gezonken welvaart, het steeds dieper verval van onze
+nationale zeden en de toenemende onverschilligheid omtrent God en
+Godsdienstige zaken, zoodat er redenen bestonden, om nieuwe en
+onherstelbare rampen te vreezen"[370].
+
+ [370] Zie over al het vermelde de _Verzameling van Placaaten_, VI 168,
+ 179, 209, 224, 311, 345.
+
+Intusschen was de invloed van _Frankrijk_ en onze afhankelijkheid van
+NAPOLÉON, die zich in 1804 tot Keizer had verheven, grooter geworden.
+Eene gewijzigde Staatsregeling voor het Bataafsche Gemeenebest
+was daarvan in 1805 het gevolg. De edele staatsman RUTGER JAN
+SCHIMMELPENNINCK werd als Raadpensionaris met een Wetgevend Ligchaam
+geplaatst aan het hoofd van het bewind, dat de belangen der
+Departementen en Gemeenten door nieuwe verordeningen (ook op het
+onderwijs) zocht te bevorderen. _Friesland_ werd nu ten aanzien van de
+Justitie en Politie verdeeld in 15 Drost-ambten, welker bestuur uit een
+Drost, Mederegters en Schepenen bestond. Dat bewind, hetwelk den
+zorgvollen toestand des lands zoo veel mogelijk trachtte te lenigen, was
+echter alleen de overgang tot eene Monarchale regering. NAPOLÉON'S wil
+schiep het Koningrijk _Holland_, en plaatste zijnen broeder LODEWIJK op
+den troon (5 Junij 1806). Op nieuw onderging de constitutie eene
+wijziging, en werden den Koning vier Ministers met eén Wetgevend
+Ligchaam van 38 leden toegevoegd, voor zooverre er voor dezen nog
+een schijn van gezag was overgebleven na het vallen van de eenmaal
+zoo grootsche republiek. Ten gevolge daarvan werd _Friesland_ in
+den volgenden jare (vermeerderd met de eilanden _Vlieland_ en
+_Terschelling_) gesteld onder het bestuur van een Land-Drost met zijne
+zes Assessoren, benevens drie Kwartier-Drosten; terwijl de Steden van
+den eersten rang, boven de 5,000 zielen, onder het bestuur kwamen van
+een Burgemeester, vier Wethouders en eene Vroedschap, benevens eene
+Schepensbank als nedergeregt. Ten platten lande werd een Baljuw aan het
+hoofd van het bestuur van ieder der 30 Districten gesteld[371].
+
+ [371] Zie de _Verzameling van Placaaten_, VIII 1, 23, IX 483, X 193,
+ 482 env.
+
+De welwillendheid, waarmede de goedhartige Koning LODEWIJK de belangen
+van ons vernederd vaderland tegenover de aanmatigingen van zijnen
+heerschzuchtigen broeder voorstond, verzachtte aanmerkelijk het
+misnoegen des volks over dit opgedrongen gezag. Door de ijverige zorgen
+van den Land-Drost REGNERUS LIVIUS VAN ANDRINGA DE KEMPENAER en zijne
+Assessoren mogt _Friesland_ gedurende de vier jaren van het koningschap
+vele voorregten smaken. In vergelijking toch van _Holland_, dat door het
+stilstaan van den handel kwijnde en van andere provinciën, die door
+watervloeden en oorlogsrampen geteisterd werden, had ons gewest aan de
+toenemende ontwikkeling van den landbouw en de veeteelt zelfs eene mate
+van voorspoed en bloei te danken, welke eenigzins opwoog tegen de immer
+stijgende schulden, lasten en bezwaren. Doch NAPOLÉON'S zucht om te
+veroveren en te heerschen, bij voortdurende teleurstelling in zijn
+wensch om _Engeland_ meester te worden, maakte hem vermetel, bitter en
+onregtvaardig, vooral jegens zijnen broeder en ons vaderland. De Keizer
+dwong hem, afstand te doen van den troon (1 Julij 1810), en weldra
+volgden nu de besluiten, dat _Holland_ met het Keizerrijk werd
+vereenigd, dat het Fransche stelsel van regering, wetgeving, belastingen
+en conscriptie op ons land werd toegepast, en dat de renten der schuld
+slechts voor een derde zouden worden voldaan. Het grondgebied werd
+daarbij verdeeld in zeven Departementen, ieder bestuurd door een Prefekt
+en Onder-Prefekten met een Raad van Prefekture. Alléén _Friesland_ bleef
+daarvan zijn alouden Naam behouden, en ontving eene verdeeling in drie
+Arrondissementen met drie Regtbanken, in 19 Kantons met zoovele
+Vrederegters en in 93 Gemeenten met Maires aan het hoofd[372].
+
+ [372] _Verzameling van Placaaten_, XIV 97, 111, 137.
+
+Loodzwaar drukte van toen af de ijzeren hand des dwingelands op het
+kwijnende vaderland, tot de diepste onderwerping aan zijne willekeur
+gedoemd. Nogtans had _Friesland_ het voorregt, in den Prefekt JAN
+GIJSBERT VERSTOLK een bestuurder te vinden, wiens wijsheid en
+gematigdheid vele bezwaren der Fransche regering verzachtte, en die
+daarvoor belooning vond in de algemeene hoogachting, in stede van den
+haat en den vloek, welke elders op de hardvochtige en wreede handlangers
+des tirans rustten. Wel kwamen er onder dit en het vorige bestuur vele
+verbeteringen tot stand, welke wij duurzaam als heilzame vruchten der
+verovering zullen vereeren; doch zij konden destijds niet opwegen tegen
+de smartelijke verliezen, verbazende opofferingen van goed en bloed en
+grievende vernederingen, die de natie moest dulden en ondergaan. Het
+volksbestaan uitgewischt en ons land tot een wingewest van _Frankrijk_
+verlaagd--vele bronnen van volksbestaan vernietigd, door den handel aan
+kluisters te leggen en de havens te sluiten--het volk zonder gezag of
+invloed op het staatsbestuur--door den dwang van politie en censuur
+verstoken van de vrijheid van spreken en schrijven--door knellende
+belastingen, heffingen en inkwartieringen uitgezogen--de jongelingen
+zonder uitzondering als op de slagtbank voor de krijgsdienst geprest tot
+een bloedigen oorlog, waarin gansch _Europa_ deelde,--de inkomsten van
+duizenden ingezetenen en gestichten tot op een derde verminderd--'s
+lands taal en zeden verguisd en het hooger onderwijs, ook door de
+vernietiging van Frieslands beroemde Hoogeschool, ingekrompen,--ja,
+bezit en eigendom zelfs afhankelijk gesteld van de willekeur der
+Fransche gezagvoerders:--ziedaar eenige der vele bijna ondragelijke
+bezwaren en kwellingen, waaronder de landzaat gebukt ging.
+
+Zóó ver moest het komen, om de Nederlanders de droeve gevolgen hunner
+vroegere partijschappen te doen betreuren; om hen, terwijl al het
+dierbaarste hen naar buiten ontviel, tot zich zelve te doen inkeeren; om
+hen in godsdienst en zedelijkheid de bron te doen zoeken van inwendigen
+vrede, van kracht en moed onder vernedering en lijden, en om hen, bij de
+stijgende magt en dwang des overmoedigen geweldenaars, te vervullen met
+haat jegens hunne onderdrukkers en met hoop, neen, met het zekerste
+vertrouwen op de toekomst. Immers, zulk eene algemeene verfoeide
+dwinglandij, zulk een misbruik van gezag ~kon~ niet duurzaam zijn. Gods
+Wijsheid en Liefde had onze vaderen tot zóó verre beproefd en gelouterd,
+toen Zijne Almagt den man des bloeds, na eene uiterste krachtinspanning,
+in de velden van _Rusland_ een perk stelde en vernederde, en voor de
+lang verdrukte tolken den gewenschten dageraad van den dag der
+verlossing, des vredes en der onafhankelijkheid deed gloren. Nooit mogen
+de Nederlanders deze staats-omwenteling en hare oorzaken en gevolgen
+vergeten![373]
+
+ [373] Hoe belangrijk ook, duldt mijn bestek niet, hier stil te staan
+ bij den invloed dezer omwenteling op de hoogere belangen des volks. Ik
+ verwijs deswege liever naar de voortreffelijke verhandeling van den
+ Hoogleeraar KEMPER, _over den Invloed der Staatkundige Gebeurtenissen
+ en der Godsdienstige en Wijsgeerige begrippen, sedert ruim 25 jaren,
+ op de ware verlichting in het godsdienstige en zedelijke bij de volken
+ van Europa_, door Teijlers stichting bekroond en in 1820 ook
+ afzonderlijk uitgeven.
+
+
+
+
+ZESDE TIJDVAK.
+
+HET NIEUWE FRIESLAND, ONDER DE KONINKLIJKE REGERING.
+
+VAN DE HERSTELLING VAN NEDERLAND TOT OP DE NIEUWE REGELING VAN HET
+GEMEENTEWEZEN.
+
+_Van den jare 1813 tot 1851._
+
+
+44. _Bevrijding en Vestiging van den Nederlandschen Staat. 1813-1816._
+
+De heerschzucht van NAPOLÉON had te veel gewaagd, toen hij, na een groot
+deel van _Europa_ veroverd te hebben, ook het magtige _Rusland_ aanviel.
+Zoodra liep de krijgskans hem niet tegen, of de lang door hem verdrukte
+volken sloegen de handen met _Rusland_ in-een, om hem te vernederen en
+zich zelve tot vorigen rang te herstellen. Terwijl de tijding van zijne
+nederlagen de Fransche ambtenaren in _Nederland_ met schrik en schroom
+vervulde, zoodat zij op zelfbehoud bedacht waren, werd te _'s
+Gravenhage_ door GIJSBERT KAREL VAN HOGENDORP, (den kleinzoon van ONNO
+ZWIER VAN HAREN) en zijne vaderlandlievende vrienden het plan gevormd,
+eene omwenteling te bewerken en den _Prins van Oranje_, die zich in
+_Engeland_ bevond, het gezag aan te bieden.
+
+Inmiddels zond de Russische overste Baron ROSEN een aantal kozakken naar
+_Friesland_, die den 16 November 1813 te _Leeuwarden_ aankwamen. Nu
+werd de vlugt der Franschen algemeen. Ook de Prefekt VERSTOLK verliet
+deze provincie, waarna de Raad van Prefekture aan HECTOR VAN SMINIA de
+waarneming van dat ambt opdroeg en zelf het gezag bleef bekleeden, in
+afwachting van het welslagen der vrijheidlievende oogmerken in _Holland_
+(25 Nov.). Na eene pijnlijke onzekerheid van eenige dagen, schonken
+eindelijk de gelukkige uitslag dier pogingen, de spoedige overkomst van
+den Prins van _Oranje_ en de proclamatiën, eerst in zijn naam en daarna
+door hem uitgevaardigd, de zekerheid, dat de Franschen bijna geheel
+verdreven waren, dat het hatelijk juk der dwingelandij was afgeschud en
+dat de verbrokene banden tusschen _Nederland_ en het Huis van _Oranje_
+op nieuw geknoopt waren, om de vrijheid en onafhankelijkheid des
+vaderlands te herstellen. Onbeschrijfelijk groot was hier, gelijk alom,
+de blijdschap over deze heugelijke gebeurtenis, welke op den 10 December
+te _Leeuwarden_ en elders, bij 's Prinsen uitroeping tot Souverein
+Vorst, met groote vreugdebedrijven- en twee dagen later in alle kerken
+dezer provincie godsdienstig en dankbaar werd gevierd.
+
+Kort te voren waren namens den Prins en het Algemeen Bestuur der
+_Vereenigde Nederlanden_ ENNIUS HARMEN BERGSMA, lid van het Keizerlijk
+Geregtshof te _'s Gravenhage_, en HECTOR VAN SMINIA, waarnemend Prefekt,
+benoemd tot _Commissarissen-Generaal_ ter organisatie van het
+Departement _Friesland_, tot bereiking van welk doel zij in ieder der
+drie Arrondissementen een Commissaris aanstelden. De Maires werden
+afgeschaft en voorloopig in de steden door Burgemeesteren en
+Vroedschappen en op het land door Schouten vervangen.[374] Algemeen was
+de geestdrift, om mede te werken tot herstel van het herrezene
+vaderland. Aanzienlijke giften in geld, goud en zilver werden daartoe
+geofferd. Eene menigte personen nam dienst en trok uit, om de Franschen,
+die zich nog in _Delfzijl_, _Koevorden_, _Gorinchem_, _Naarden_ en
+elders genesteld hadden, te verdrijven.
+
+ [374] De Administratie van het Departement _Friesland_ was in 1813
+ zamengesteld uit: een Prefekt met 4 Raden van Prefekture en een
+ Secretaris Generaal; 3 Onder-Prefekten in de Arrondissementen, die
+ ieder 11 Raden hadden, terwijl de Algemeene Raad van het Departement
+ uit 16 personen bestond. In elk Arrondissement waren nog
+ Kantons-vergaderingen, met een President aan het hoofd. De 11 Steden
+ en 82 Gemeenten, waarin het Departement was verdeeld, werden door een
+ Maire, een of meer Adjunct-Maires en, naar gelang harer grootte, door
+ 30, 20 of 10 Municipale Raden bestuurd.
+
+Nadat in Maart 1814 een getal van 52 der aanzienlijkste ingezetenen of
+Notabelen van _Friesland_ naar _Amsterdam_ waren genoodigd tot
+beoordeeling van het Ontwerp van _Grondwet_, werd deze aangenomen, en
+den 30 Maart WILLEM FREDERIK, _Prins van Oranje_, als _Souverein Vorst
+der Vereenigde Nederlanden_ plegtig gehuldigd. Het voorloopig bestuur
+der Commissarissen-Generaal werd den 6 April opgeheven door de benoeming
+van Jhr. IDSERT ÆBINGA VAN HUMALDA tot _Gouverneur van Friesland_. Het
+besluit van den 9 Maart 1815 herstelde de aloude verdeeling van dit
+gewest in 30 of nu met de eilanden in 32 Grietenijen, onder het bestuur
+van een Grietman, Assessoren en Leden van den Raad. Het bestuur der
+Steden werd zamengesteld uit eenen Raad met vier of drie Burgemeesteren
+aan het hoofd.
+
+Vele bepalingen van die staatsregeling voor 9 provinciën, welke nu weder
+bestuurd werden door Staten, die voor de wetgeving 55 leden der
+Staten-Generaal en voor het dagelijksch bestuur een Collegie van
+Gedeputeerden benoemden, ontvingen echter spoedig eene wijziging, ten
+gevolge onzer vereeniging met _België_ en de nieuwe Grondwet van 1815,
+bij de vestiging van het _Koningrijk der Nederlanden_, met WILLEM _den
+eerste_ als Koning aan het hoofd.
+
+Die uitbreiding van grondgebied, deze verheffing van onzen Staat tot een
+Koningrijk, bij de herleving van handel, scheepvaart en nijverheid en de
+herstelling van vele vroeger gesloopte betrekkingen en inrigtingen,
+schenen voor de welvaart en het geluk van _Nederland_ eene schoone
+toekomst te doen aanbreken. Ook in _Friesland_ werd de vroegere
+hoogeschool te _Franeker_ in een Rijks-Athenæum hersteld; werden de
+betrekkingen tusschen het volk en zijne vroegere bestuurders vernieuwd,
+en ontsprongen er uit landbouw, veeteelt en handel bronnen van
+volksvlijt en voorspoed, welke een nieuw leven verspreidden; terwijl de
+ijver van het Algemeen en Provinciaal Bestuur, en niet minder van de
+Plaatselijke Besturen, om herstellingen en verbeteringen aan te brengen,
+op de ontwikkeling van alle standen en de bevordering van lang
+verwaarloosde belangen van gunstigen invloed was.
+
+
+45. _De jongste lotgevallen van Friesland. 1816-1851._
+
+De blijde vooruitzigten, welke de vestiging van een onafhankelijk
+volksbestaan geopend hadden, werden echter eerlang door tegenspoeden
+getemperd. Nadat van 1816 tot 1824 bestendige afwisseling van
+buitengemeen natte en drooge zomers schaarschheid en duurte en daarna
+sterke daling van de prijzen der voortbrengselen van den landbouw ten
+gevolge hadden, trof _Friesland_ den 5 Februarij 1825 met andere
+gewesten eene geduchte ramp. Hevige en aanhoudende stormen deden op
+verscheidene plaatsen dijkbreuken ontstaan, en binnen weinige uren was
+tweederde gedeelte dezer bloeijende provincie overstroomd, en schenen
+menschen, vee en bezittingen aan de woede der golven prijsgegeven te
+zijn. De som der algemeene schade en verliezen, daardoor te weeg
+gebragt, werd op niet minder dan 3 millioen Gulden geschat. Heerlijk
+blonk echter toen ook, naast menig edelmoedig bedrijf tot redding en
+hulpbetoon, de algemeene en bijzondere weldadigheid onzer landgenooten
+uit, daar eene som van ruim 360,000 Gld. werd bijeengebragt, om de
+schade, door behoeftige personen geleden, welke op ruim 680,000 Gld.
+werd begroot, voor een deel te vergoeden[375]. In gelijke mate mogt
+_Friesland_ de bewijzen der milddadigheid onzer landgenooten ontvangen,
+toen in den volgenden jare, 1826, dit gewest door eene heerschende
+ziekte en buitengewone sterfte werd geteisterd, ten gevolge waarvan ruim
+20,000 nooddruftigen ondersteuning behoefden uit het fonds van
+onderstand, hetwelk, uit eene som van bijna 110,000 Gld. en eene menigte
+kleeding- en liggingsstukken bestaande, tot leniging van dien nood was
+bijeengebragt[376].
+
+ [375] Zie over dit onderwerp het belangrijke werk van den Heer J. VAN
+ LEEUWEN, _Geschiedkundig Tafereel van den Watervloed en de
+ Overstroomingen in Friesland, in 1825_, en bijzonder Bijlage F,
+ benevens het _Rapport der Commissie voor de Noodlijdenden_.
+
+ [376] Volgens het _Algemeen Verslag en Verantwoording van de
+ Provinciale Commissie van Onderstand_.
+
+Intusschen was de hoogbejaarde Jhr. ÆBINGA VAN HUMALDA, de edele vriend
+en voorstander van kunsten en wetenschappen, in November 1826 als
+Gouverneur dezer provincie vervangen door Jhr. JAN ADRIAAN VAN ZUIJLEN
+VAN NIJEVELT, die eerlang aller hoogachting mogt verwerven door zijne
+deugden en verdiensten ten aanzien der bevordering van Frieslands
+belangen, bijzonder van den Waterstaat van dit gewest. De hoop, dat
+rustige dagen van welvaart nu de geleden rampen zouden vervangen, werd
+spoedig verijdeld door de gevolgen der Belgische omwenteling, welke van
+1830 tot 1834 zware offers eischten. De algemeene geestdrift voor
+Koning en Vaderland bragt die opofferingen nogtans gaarne en getrouw, en
+mogten ook de duizenden, als soldaten en schutters uitgetrokkene
+Friesche jongelieden en mannen vele blijken geven van krijgshaftigheid,
+van onbezweken trouw en moed, waardoor onder het leger de Friesche naam
+met eere werd gehandhaafd.
+
+Bijna bestendige welvaart begunstigde vervolgens de uitvoering van
+belangrijke provinciale en plaatselijke werken van algemeen nut. Sedert
+1827 werden de hoofdwegen met vele zijtakken naar de voornaamste steden
+en dorpen bestraat of bepuind, waardoor de gemeenschap te land, vooral
+in den winter, evenzeer werd bevorderd als die te water door het
+uitdiepen en verbeteren van vele kanalen voor de scheepvaart en de
+afstrooming[377]. De kadastrale meting van deze provincie, in 1812 en op
+nieuw in 1825 aangevangen, had sedert 1834 eene meer regelmatige
+verdeeling van de Grondbelasting ten gevolge[378]. Het _Friesch
+Genootschap voor Geschied-, Oudheid- en Taalkunde_, in 1828 opgerigt,
+verzamelde de krachten van alle beoefenaars en voorstanders dezer
+belangrijke onderwerpen tot meerdere toelichting en openbaarmaking van
+de bronnen onzer historische kennis; terwijl landbouw en veeteelt,
+handel, fabrijkwezen en nijverheid met rustigen gang voorwaarts
+streefden.
+
+ [377] Zie de meeste dezer werken opgenoemd in mijne _Geschiedkundige
+ Beschrijving van Leeuwarden_, II 278 env. Het laatste gedeelte van dat
+ werk bevat zeer vele bijzonderheden omtrent de merkwaardige
+ verbeteringen en aanbouwingen, welke Frieslands Hoofdstad vooral in
+ dit tijdvak onderging.
+
+ [378] Zie A. VAN TONDEREN, _Beschouwing van de Kadastrale Uitkomsten
+ in Vriesland_, Leeuw. 1842, voorr. VI en bl. 17. De vermindering der
+ hoofdsom van _Friesland_ was slechts [f]277,000, schoon deze
+ [f]400,000 had moeten zijn, welk bedrag deze provincie sedert 1806 elk
+ jaar te veel had betaald, zonder daarvoor ooit vergoeding te hebben
+ ontvangen.
+
+In 1840, merkwaardig door de herziening van de Grondwet en de
+troonsopvolging van Koning WILLEM II, overleed de algemeen betreurde
+Gouverneur VAN ZUIJLEN VAN NIJEVELT. Van zijn opvolger MAURITS PICO
+DIDERIK _Baron_ VAN SYTZAMA, die zoo lang als volksvertegenwoordiger
+achting had verworven, verwachtte men nu veel goeds voor de belangen van
+dit gewest. En inderdaad heeft hij die, naar zijne inzigten, met den
+meesten ijver voorgestaan, onder afwisseling van voor- en tegenspoed:
+want de opheffing van het Rijks-Athenæum te _Franeker_ (1843), het
+ontstaan van de longziekte onder het rundvee (1842 en 1845) en de
+gevolgen van den bij herhaling mislukten aardappeloogst, welke met
+duurte en schaarschheid van levensmiddelen en naar aanleiding daarvan,
+met verontrustende volksbewegingen gepaard gingen (1847), waren even
+smartelijke verschijnselen des tijds, als de Tentoonstelling der
+voorwerpen van Friesche Nijverheid en Kunst, in 1844 te _Leeuwarden_
+gehouden, en de toeneming van den uitvoer der voortbrengselen van den
+Frieschen landbouw en veeteelt, door de geopende stoomvaart op
+_Engeland_ (1846), verblijdende waren.
+
+Het jaar 1848 opende eene nieuwe rij van belangrijke gebeurtenissen. Dat
+_Nederland_, te midden der toenmaals, ten gevolge der Fransche
+omwenteling, zoo fel bewogen volken, rustig bleef, had het vooral te
+danken aan het kloek besluit van Koning WILLEM II tot onbekrompene
+herziening van onze grondwettige instellingen. In dat zelfde jaar kwam
+deze tot stand, om de ontwikkeling van een nieuw staatkundig volksleven
+voor te bereiden. Doch de Koning, die _Friesland_, na het overlijden van
+den Baron VAN SYTZAMA, Jhr. Mr JAN ERNST VAN PANHUIJS tot Gouverneur had
+geschonken (3 Nov. 1848), beleefde dit niet. Reeds den 17 Maart 1849
+werd hij aan het vaderland ontrukt, en den 12 Mei opgevolgd door zijn
+zoon Koning WILLEM III. 't Was onder dezen, dat de bepalingen der
+Grondwet in het leven traden, ten aanzien der regtstreeksche
+verkiezingen van leden voor de Generale en Provinciale Staten (1849 en
+50) en van de Gemeentebesturen (1851), en dat andere wettelijke
+bepalingen en andere personen invloed verkregen op het bestuur. Bij de
+invoering van de Gemeentewet, op den 5 Julij 1851, werd tevens de aloude
+benaming van Grietenijen voor de plattelands-besturen in _Friesland_
+vervangen door die van Gemeenten, onder het bestuur van een
+Burgemeester, Wethouders en leden van den Raad. (Zie _Aanteek. 27_.)
+
+ * * * * *
+
+Met die belangrijke gebeurtenis sluit ik deze _Beknopte Geschiedenis van
+Friesland, in Hoofdtrekken_, met dankzegging aan God, die mij krachten
+schonk, deze taak naar vermogen te volbrengen. Het terugzigt op dit
+tijdvak, zoowel als op de vroegere, is voorzeker verblijdende, omdat
+wij, als de uitkomst van zoo velerlei wisselingen en lotgevallen, met
+dankbaarheid mogen opmerken, hoe alles, onder de aanbiddelijke leiding
+der Voorzienigheid, mogt medewerken, om de staatkundige, godsdienstige,
+verstandelijke en burgerlijke voorregten des volks van lieverlede te
+vermeerderen, ten einde zijne opvoeding en vorming, naar gelang zijner
+vatbaarheid, meer en meer te voltooijen. Bij het bezit van zoo vele
+voorregten en het genot van algemeene welvaart, die iederen burger thans
+vergunnen, de genoegens des levens hier ongestoord te genieten en aan de
+bevordering van het bijzondere en algemeene welzijn mede te werken, rust
+er op het volk voorzeker eene dure verpligting, om zich die onschatbare
+weldaden waardig te betoonen: om vrede en voorspoed niet enkel tot
+genot, weelde en gemak, maar met wakkerheid en inspanning duurzaam tot
+vermeerdering van godsdienstige en zedelijke kracht, tot uitbreiding
+van zijne verstandelijke vermogens en de heiliging van hart en wandel
+aan te wenden. Gezond verstand en goede trouw bij wakkerheid en vlijt
+blijve de Friezen kenmerken. Een volk, dat naar het ~uitwendige~ zoo
+vele voorregten bezit, als waarin wij Friezen ons mogen verheugen, past
+het vooral, om, met het oog op de leer der geschiedenis en met
+verstandige zorg voor de toekomst, zich door ~inwendige~ kracht te
+sterken, tegen naderend gevaar en leed niet alleen, maar ook tot
+bestrijding van vele maatschappelijke gebreken en tot verheffing en
+veredeling van ons geslacht. Indien onze gezigtskring zich evenwel enkel
+tot de stoffelijke voorregten van dit leven beperkt, en spijs en drank
+ons, even als de dieren, alleen voldoening kunnen schenken, dan hebben
+wij hier reeds genoeg, zoo niet te veel, ontvangen. Maar, neen! eene
+zucht naar toeneming in kennis, in zedelijkheid en godsdienstzin bezielt
+allen, die overtuigd zijn van hunne roeping, om zich hier te vormen voor
+déze en dáárdoor voor te bereiden tot eene bétere wereld in het leven
+der toekomst. Tot die vorming en voorbereiding schenkt God ons
+gelegenheid en kracht door de verkondiging en beleving van zijn Woord;
+en voorzeker zal het volksgeluk dáár het meest en het duurzaamst
+gevestigd zijn, waar Geloof, Liefde en Hoop, niet enkel als Leer, maar
+als Leven de bezielende beginselen der daden en gezindheden van het
+onderling verkeer der ingezetenen zijn. Door deze kracht gesterkt, zal
+de nog gebrekkige maatschappij meer rijpen voor hare bestemming, en
+zullen alle van lieverlede toegenomene staatkundige en burgerlijke
+voorregten, welke wij dankbaar erkennen en verstandig genieten zullen,
+onder den zegen en het welbehagen van den grooten Opvoeder van het
+menschelijk geslacht, middelen worden, om ons geluk voor tijd en
+toekomst te verhoogen.
+
+
+
+
+~AANTEEKENINGEN~, OPHELDERINGEN EN BIJVOEGSELS TOT DEZE BEKNOPTE
+GESCHIEDENIS VAN FRIESLAND.
+
+
+ Komt! oefnen wy de vlerk der weetzucht laag by de aard,
+ Gods hulp zal met ons zijn, zy is 't die ons bewaart.
+ Zijn Wijsheid houdt zich aan den stervling niet verborgen.
+ Zy roept ons: Kom tot my, by avond en by morgen;
+ Zy toont zich wijd en zijd, en biedt de hand ons aan,
+ En noodigt ons, in ernst heur gangen na te gaan.
+ Ja, slaan wy ze ijvrig gâ! en leere ons de ondervinding
+ Ons eigen pad erkennen. Weg, sluier der verblinding!
+ Het weten maakt ons wijs.
+ Het menschelijk Verstand
+ Ziet wel in 't rond, maar 't heeft tot grijpen slechts één hand.
+ Vervul het met iets goeds; het zal niets ijdels zoeken.
+ Maar laat geen ledigheid u 't zorgloos hart verkloeken.
+ Ons weten schildert ons wat goed en kwaad is, voor,
+ En dringt ook in ons hart, ter vruchtbre kennis, door.
+ Het is de Onwetendheid die trotsch maakt en vermetel:
+ Want hoogmoed dringt zich steeds by zelfwaan op den zetel.
+ Aanspraaklijk zijn wy aan ons-zelf; maar ook aan God,
+ Voor al wat invloed heeft op dit en 't eeuwig lot.
+
+ BILDERDIJK _naar_ SPIEGHEL.
+
+
+
+
+~AANTEEKENINGEN~.
+
+
+_Aanteekening 1_, op _bladzijde 10_.
+
+_De Oude Toestand van Friesland._
+
+Vermits de voorstelling van den ~ouden toestand~ van _Friesland_, in den
+tekst, hoe kort ook, afwijkt van die, welke in vroegere geschriften over
+dit onderwerp, ook door mij zelven, is voorgedragen, zoo is het
+noodzakelijk hier aan te wijzen, dat ik daarin meestal gevolgd ben de
+denkbeelden van Dr. _J. G. Ottema_, in zijne uitmuntende verhandeling,
+getiteld: Over den loop der Rivieren door het land der Friezen en
+Batavieren, in het Romeinsche tijdperk, geplaatst in het tijdschrift van
+ons Friesch Genootschap: de Vrije Fries, IV 105; waarbij is gevoegd eene
+Kaart (met latijnsche benamingen), welke alles zeer aanschouwelijk
+maakt. Deze nieuwe voorstelling is met zóó grondige bewijzen gestaafd,
+dat zij wel verdiende meer algemeen bekend te zijn, en vergeleken te
+worden met de vermelde voorstelling van Dr. _G. Acker Stratingh_, in
+zijn Aloude Staat en Geschiedenis van Nederland. Ook om de eerste reden
+heb ik, met goedvinden en onder opzigt van mijn vriend _Ottema_, eene
+dergelijke Schetskaart (met nederduitsche benamingen) bij dit werk
+gevoegd, ter verklaring van de anders al te beknopte beschrijving.
+
+Aangezien ik mij voorgenomen had, in den tekst zoo kort en eenvoudig
+mogelijk te zijn, zoo heb ik het noodzakelijk geacht, hierbij eenige
+Aanteekeningen te voegen: vooral, om rekenschap te geven van het
+gestelde; om de nieuwere bronnen aan te wijzen, en om eere te geven aan
+hen, die deze denkbeelden het eerst openbaar gemaakt en elders
+uitvoeriger medegedeeld hebben. Ook voor hen, die de kort behandelde
+onderwerpen nader willen onderzoeken, kan het nuttig zijn, hier telkens
+de ~bijzondere~ bronnen aangewezen te zien. Het is echter mijn plan
+niet, om in deze Aanteekeningen uitbreidingen te geven van het verhaalde
+of kritische aanmerkingen en toevoegselen daarop, gelijk de Heer _J. van
+Leeuwen_ heeft gedaan achter den nieuwen druk van it aade Friesche Terp,
+welk belangrijk werkje ik bij deze zeer aanbeveel aan allen, die
+uitvoeriger narigten omtrent vele punten wenschen te vernemen. Juist
+omdat dáár zoovele schrijvers zijn aangehaald en ik gaarne zou zien, dat
+die ~speciale~ Kronyk nevens mijne ~globale~ voorstelling van de
+geschiedenis, in ~hoofdtrekken~, gebruikt wierde, om te zamen een
+voegzaam geheel uit te maken, heb ik dikwijls mijne aanhalingen van
+algemeene bronnen weggelaten, dewijl men die daar kan vinden, alsmede in
+mijne Geschiedkundige Beschrijving van Leeuwarden, in 1846 en 47 in 2
+dln. uitgegeven.
+
+
+_Aant. 2_, op _bladz. 16_.
+
+_Oudste Bronnen._
+
+Het is de Romeinsche Geschiedschrijver _Tacitus_, die aangaande der
+Romeinen verkeer in _Friesland_ en hunne nederlaag ons de vermelde
+berigten medegedeeld heeft. Zie _Tacitus_, vert. van Hooft, 4e Jaarb.
+182. Aangaande den naam en de ligging van het bosch Baduhenna of
+Badu-herne (vermoedelijk in Gaasterland) zijn vele gissingen.
+_Winsemius_, Chronique, 22 verklaart dien naam niet onaardig als een
+Friesche Wapenkreet: _Ba, du hinne!_ welke als een echo door het bosch
+klonk! Even zonderling is de vermelding van dit feit in de hoogst
+zeldzame: Sommiere Memoriale ende Loffelycke Beschryvinghe van de
+wydtvermaerde Keyserlycke vrye provintie van Vrieslandt, mitsgaders de
+daden, het leven ende handelinge der vroomdadighe vrye Vriesen. In rijm
+ghestelt door Jacob Liefs Amstelredammer, 1636:
+
+ Noyt is u moedich volck trouplichtich niet besweecken:
+ Noyt is u Crijghers hert verflaut te ruch gheweecken,
+ Maer hebt de tieranny Ollenus wederstaen:
+ Doen ghy t' Romeynsche volck so machtich gingt verslaen,
+ Apronius slaet, hun volck ten roove van de Vogh'len
+ En het Romeynsche rot begroet met Is're Cogh'len.(!)
+
+Mr. _A. van Halmael Jr._ heeft deze gebeurtenis meer dichterlijk
+voorgesteld in zijn treurspel: Adel en Ida, of de bevrijding van
+Friesland, Leeuwarden 1831. In het voorberigt hiervan komen eenige
+ophelderingen daaromtrent voor, en mede in zijn Beknopt Overzigt van de
+Friesche Geschiedenis, waarvan het eerste gedeelte voorkomt achter _van
+Leeuwen's_ uitgave van it aade Friesche Terp, bl. 289, 298, 300, en
+vertaald in het Friesch Jierboeckjen, foar 1831 en vervolgens.
+
+
+_Aant. 3_, op _bladz. 18_.
+
+_Oude Handels-geschiedenis._
+
+Ofschoon de Geschiedschrijvers veelal de groote gebeurtenissen of feiten
+vermelden, is het echter zeer belangrijk, uit veelvuldige bijzonderheden
+na te gaan, hoedanig de innerlijke maatschappelijke toestand was van een
+volk in verschillende tijden. Omtrent dit duistere tijdperk is zulks
+vooral gedaan door den Heer Mr. _J. Dirks_, in zijne bekroonde
+verhandeling: Geschiedkundig Onderzoek van den Koophandel der Friezen,
+van de vroegste tijden tot aan den dood van Karel den Grooten, Utrecht
+1846. Bij de lezing van dit hoogst belangrijke geschrift staat men
+verbaasd over den rijkdom van bijzonderheden, welke de Schrijver met
+uitstekende vlijt uit de bronnen heeft opgespoord. Dit laatste is in
+zulk een werk van veel belang: vooral, omdat er, bijzonder bij de
+Hollandsche geschiedschrijvers, die over Friesland en de Friezen hebben
+geschreven, zoo vele onnaauwkeurige voorstellingen, verkeerde
+denkbeelden en ongegronde beweringen bestaan, welke het doen betreuren,
+dat zij, die over de geschiedenis van Nederland schrijven, zoo weinig
+kennis dragen van die der provinciën, inzonderheid van Friesland.
+
+
+_Aant. 4_, op _bladz. 23_.
+
+_De Oude Grenzen van Friesland._
+
+Een niet minder belangrijk geschiedkundig onderzoek, naar de uitbreiding
+en grenzen van _Friesland_ in verschillende tijdperken, heeft in de
+laatste jaren licht verspreid over dit onderwerp. Ik bedoel de te
+_Groningen_ in 1834 bekroonde verhandeling van den Heer Mr. _J. van
+Doorninck_, later Archivarius van _Overijssel_, Commentatio de Frisiae
+Terminis, waarvan de Heer _I. A. Nijhoff_ een uitvoerig verslag heeft
+gegeven in zijne Bijdragen voor vaderl. geschiedenis en oudheidkunde, I
+Aank. 57. Lezenswaardig zijn ook de mededeelingen van _Karl Türk_ in
+zijn werkje: Altfrisland und Dänemark, Parchim 1835.
+
+
+_Aant. 5_, op _bladz. 25_.
+
+_De verovering van Brittannië_
+
+door de Friezen en andere volken en de gevolgen daarvan zijn zeer
+uitvoerig behandeld door den Hoogleeraar _A. Ypey_ in zijne Geschiedenis
+der Ned. Taal, I^e dl. 1812, 174 en II^e dl. 1832, 152; een werk, ook in
+andere opzigten voor de Friesche geschiedenis en letterkunde van zeer
+veel belang. De overeenkomst van het Friesch met het Engelsch is met
+proeven aangewezen in het eerste deel van den Tegenw. Staat van Friesl.
+Harl. 1785, bl. 156. Bekend is het gezegde:
+
+ _Boetter, Brea in griene Tsies
+ Is goed Ingelsch in eak goed Friesch._
+
+Als eene latere proeve dier taalverwantschap, ook tusschen het
+tegenwoordige Friesch en Engelsch, deelen wij mede Dr. _Bowring's_
+vertaling der opdragt van _Posthumus'_ Keapman fen Venetien in Julius
+Cesar fen _Shakspeare_, voorkomende in zijne schets der Friesche
+Letterkunde, geplaatst in de Westminster Review, 1829, N^o. 23 en
+vertaald in de Leeuw. Cour. 1830, N^o. 66:
+
+ _Lyk az Gods sinne swiet uus wrâd oerschijnt;_
+ Like as God's sun sweetly our world o'ershines;
+
+ _Her warmtme in ljeacht in groed in libben schinkt;_
+ Her warmth and light and growth and life sends;
+
+ _Lijk az de mijlde rein elke eker fijnt:_
+ Like as the mild rain each acre finds:
+
+ _So dogt eak dat, wat ijn uus, minsken, tinkt._
+ So does eke that, what in us, men, thinks.
+
+ _Dij sprankel fen Gods fjoer, ijn uus lein, jouwt_
+ That sparkle of God's fire, in us laid, gives
+
+ _Oeral eak ljeacht in FREUGDE oon Adams team._
+ O'erall eke light and JOIJ on Adam's train.
+
+ _Wer dij wenn't, hulken, oaf paleisen, bouwt,_
+ Where they dwelt, hulk (cottage) or palaces build,
+
+ _In fen wat folk hij iz, ho hij him neam._
+ And of what folk he is, how he him (self) names.
+
+Bij deze vergelijking (voegt _Bowring_ er achter) zal men hebben
+opgemerkt, dat er van de twee-en-vijftig woorden een-en-vijftig in het
+Engelsch bewaard en slechts weinig veranderd zijn geworden; terwijl
+alleen het woord _freugde_ voor een van Normanschen oorsprong heeft
+moeten wijken.--Doch ook in zijne schoone Brieven over Friesland (1829)
+en Iets over de Friesche Letterkunde spreekt _Bowring_ bij herhaling van
+der Friezen verwantschap en overeenkomst met den Angel-Saxischen stam,
+als van eene natie, "wier voorvaderen onze voorvaderen waren, wier taal
+en zeden eene zeer sterke overeenkomst hebben met de onze." Die
+overeenkomst in taal en volkskarakter haalden hem allereerst tot een
+onderzoek over. Bij iederen tred vond hij nieuwe punten van gelijkheid,
+zoodat hij zich had kunnen verbeelden te verkeeren onder Angel-Saxen van
+een meer gevorderden trap van verstandelijke beschaving. "Spreekwijzen,
+(zegt hij) als verouderd Engelsch, klonken telkens in onze ooren, en wij
+konden niet nalaten eene verwonderlijke overeenkomst tusschen hen en
+onze voorouders te ontdekken. Hunne taal, zeer veel overeenkomende met
+die, welke in Engeland gesproken werd, vele honderden van jaren voor dat
+_Shakespeare_ schreef; hun ligchaamsgestalte, hun schrandere en
+wijsgeerige geest, hunne ontwijfelbare betrekking met het beste deel van
+den Engelschen volksstam--dit alles boezemde mij belang in." Zie ook
+_Wagenaar_, Vad. Hist. I 289; _Cerisier_, Gesch. der Ned. I 80;
+_Molhuysen_ in _Nijhoff's_ Bijdragen, VI 244, VII 180, 184, en de door
+_van Leeuwen_ opgenoemde schrijvers in zijne Aantt. op de Kronyk, bl.
+332.
+
+
+_Aant. 6_, op _bladz. 34_.
+
+_Der Friezen strijd tegen de Franken._
+
+Omtrent dit onderwerp, alsmede de invoering en vestiging van de
+Christelijke godsdienst in deze landen zijn insgelijks in den jongsten
+tijd onderscheidene uitmuntende geschriften in het licht verschenen en
+door mij geraadpleegd. De bij het Kon. Ned. Instituut bekroonde
+verhandelingen van Prof. _H. J. Royaards_ en Do. _E. J. Diest Lorgion_
+bevatten vele merkwaardige berigten, welke uit de overgeblevene bronnen
+geput zijn, even als de vroeger aangehaalde voorlezing van Jhr. Mr. _B.
+J. L. de Geer_, de strijd der Friezen en Franken, waarvan ik dikwijls
+gebruik gemaakt heb. Zie ook de fraaije voorlezing van Do. _A. Winkler
+Prins_, over _Radbout I_, geplaatst in de Vrije Fries, V 97, en _van
+Loon_, Aloude Regeeringwijs van Holland, Leiden 1744, I 110 en verv. II
+5 en verv. Daar ook deze schrijver op eerstgenoemde plaats verklaart,
+dat Holland "tot in de elfde eeuwe toe, altyd VRIESLAND is genaamd
+geworden," is het een aangenaam verschijnsel van onzen tijd, dat in de
+geleerde en grondig bewerkte verhandelingen van _Royaards_ en _van Asch
+van Wijck_ bij herhaling gewezen wordt op het hoog belang der
+geschiedenis van Friesland ~voor~ of ~als~ de geschiedenis van Nederland
+in de tien eerste eeuwen onzer tijdrekening; een belang, dat zoovele
+Hollandsche Geschiedschrijvers schijnen te miskennen, als ze van de
+_Friezen_ naauwelijks gewagen en van de hooggevierde _Batavieren_, de
+vermeende stamvaders der Nederlanders, al te ligtvaardig overspringen op
+de Franken en de Hollandsche Graven. Dáárom heb ik eene wederlegging van
+dit verkeerde denkbeeld, uit het werk van Prof. _Royaards_, tegenover
+den titel geplaatst, opdat ook deze mijne Geschiedenis niet beschouwd
+zou worden als slechts ééne provincie betreffende en daarin met die van
+andere gewesten gelijkstaande.
+
+
+_Aant. 7_, op _bladz. 36_.
+
+_Handelsverkeer._
+
+Uitvoerige bijzonderheden omtrent het onderwerp der vorige Aant. en
+vooral omtrent den toenmaligen toestand des volks en des handels en het
+vervaardigen van die Mantels vindt men in _Dirks_, Koophandel der
+Friezen, doch vooral in de Geschiedkundige Beschouwing van het oude
+Handelsverkeer der stad Utrecht, van den voortreffelijken Burgemeester
+dier stad, Jhr. Mr. _H. M. A. J. van Asch van Wijck_, wiens ijver en
+belangstelling mijne nasporingen in het Utrechtsche Archief in 1837 zoo
+aangenaam en nuttig maakten.
+
+
+_Aant. 8_, op _bladz. 38_.
+
+_Aard der Friesche Vrijheid._
+
+De aanhef der Oude Friesche Wetten (met vele onschatbare aanteekeningen
+door _P. Wierdsma_ in 1782 uitgegeven), blz. 1, 13, 109, 119 enz.
+vermeldt die hulp ter verovering van Rome, en Mr. _Dirks_ heeft die
+togten tegen de Wilten en Avaren historisch toegelicht in de Vrije
+Fries, V 29. De voorstelling van den aard der Friesche vrijheid, door
+mij gevolgd, waarbij onderscheid is gemaakt tusschen de verschillende
+deelen van het Friesche rijk en tusschen _Karel_ als ~beschermheer~ van
+de Friezen en als ~veroveraar~ van de West- en Oost-Friezen, is
+duidelijk uiteengezet en met bewijzen gestaafd in de schoone
+Verhandeling over de Benaming van Vrije Friezen, door den Heer _L. H. W.
+van Aylva Baron Rengers_, in de Vrije Fries, V 193; een hoogst
+belangrijk stuk, dat wij alle beoefenaars van de geschiedenis zeer
+aanbevelen.
+
+Ten aanzien van der Friezen vrijheid ook omtrent geestelijke zaken, het
+stichten van Kerken enz. heeft de Heer Mr. _W. W. Buma_ grondige
+bewijzen bijeengebragt in: het Regt der Friesche Herv. Floreenpligtigen
+op het verkiezen van Predikanten enz. toegelicht en verdedigd, Leeuw.
+1849, bl. 14, 33. Bij al deze beschouwingen omtrent den oorsprong en den
+aard der Friesche Vrijheid verlieze men niet uit het oog, dat de
+toestand van onderscheidene omliggende landen en de daaruit
+voortgevloeide instellingen naauw zamenhangen met de toenmalige regten
+van het bijna algemeen ingevoerde Leenstelsel (eene uitvinding der
+dwingelandij), van erfelijk geworden Graven of Leenmannen, van
+lijfeigenschap en van heerlijke regten, wier _niet-bestaan_ in
+_Friesland_ reeds een negatief voorregt opleverde. De staatkundige en
+personeele vrijheid, welke alle volken van nature bezitten, werd hen
+door verovering ontnomen,--den Friezen werd zij ~gelaten~. Daarom noemt
+_Halsema_, bl. 44 als de hoofdkenmerken dezer vrijheid: "een vrije
+persoonlijke staat en daaraan verknocht vrij bezit of bestuur van
+goederen, in tegenoverstelling der Lijfeigenschap, benevens aandeel en
+gezag in de regering des lands." _Bosscha_, Neerl. Heldend. I 20 zegt:
+"Hunne burgerlijke vrijheid echter verloren zij niet; want zij behielden
+het zwaard, het teeken der eer." Het denkbeeld van vrijheid kan dus
+bezwaarlijk alleen en op zich zelf beschouwd worden, maar is
+betrekkelijk, en dikwijls alleen geldig bij wijze van vergelijking met
+eene vroegere overheersching of met de overheersching, waaronder naburen
+zuchten. De oorsprong van der Friezen regt en van hunnen exeptioneelen
+toestand komt vooral hierop neder: dat zij, bij de aanneming van _Karel
+den groote_ (die hen, volgens de Oude Fr. Wetten, bl. 13, "in zijne
+~bescherming~ nam, opdat zij den Noordman mogten ontkomen") "zich aan
+geene territoriaal verovering, waarbij zij en al hun have het eigendom
+der Franken zouden geworden zijn, onderworpen hebben." Op dit door de
+groote gevolgen zoo belangrijke punt wordt door den Heer _Rengers_
+bijzonder gedrukt. Het is ook vermeld bij _van Doorninck_ en _Nijhoff_,
+Bijdragen, I 66, boven aangehaald. De hoofdbepalingen der vrijheid zijn
+medegedeeld door _Foeke Sjoerds_, Alg. Beschrijv. I 391, volgens
+_Emmius_, 71 en de Oudheden en Gestichten, I 22. Met regt konden de
+Friesche Staten alzoo in eene Deductie van 1674 betuigen: "want is 'er
+ooit een natie onder de sonne geweest, die jalours van hare vryheid
+geweest is, so is het de Vriessche natie geweest, die Aborigenes genaemt
+worden, als die haer eygen name en woonplaets nimmermeer hebben
+verandert." Charterboek, V 1037.
+
+
+_Aant. 9_, op _bladz. 52, 55_.
+
+_Het verbond der zeven Zeelanden._
+
+Een hoogst belangrijk overzigt van den staat, den regeringsvorm, de
+wetten en betrekkingen van Friesland, tijdens het verbond der Zeelanden,
+bevat (om niet te gewagen van den schat van kennis, welke daarover is
+ten toon gespreid in de Voorreden der twee eerste deelen van het Vriesch
+Charterboek) de Verhandeling van Mr. _D. F. J. van Halsema_, als
+inleiding van het door hem daarbij uitgegevene Hunsingoër Landregt van
+1252, voorkomende in het 2e deel der Verhandelingen van het Groninger
+Genootschap: pro excolendo jure patrio, Gron. 1778;--een voortreffelijk
+werk, dat ik reeds voor jaren herhaaldelijk bestudeerd heb, doch waaruit
+ik voor mijn tegenwoordig doel weinig kon overnemen, dewijl ik mij tot
+de hoofdtrekken der Friesche geschiedenis bepalen- en, om uitvoerigheid
+te vermijden, tot mijn leedwezen vele bijzonderheden achterwege laten
+moest. Ik verzoek, dat men dit bij de beoordeeling wel in het oog houde,
+opdat men mij dáárom niet van oppervlakkigheid of onvolledigheid
+beschuldige. Over de juiste grenzen van ieder dezer Zeelanden, wier
+omvang door mij slechts in hoofdpunten is opgegeven, is steeds veel
+verschil geweest. Dit zal er ook altijd blijven bestaan, omdat deze in
+onderscheidene tijdperken uiteenliepen, en omdat wij uit die tijden
+zelve deswege geene naauwkeurige opgaven bezitten. Men zie daarover de
+Vrije Fries, IV 20 en 254; Tegenw. Staat van Friesland, I 46,
+enz.--_Westendorp_, Jaarboek van en voor de prov. Groningen, 1829, I 133
+en 211 brengt de Zeelanden eerst tot 13e eeuw; even vreemd laat hij
+_Friesland_ na 912 nog tot het Sincfal uitstrekken, zonder al het
+vroeger voorgevallene in aanmerking te nemen. Nog in 1430 werd het
+Verbond der gemeene Friezen, van het Flie tot over de Jade en de stad
+Bremen, vernieuwd (Charterb. I 494). Daarin bepalen zij nog: onderling
+te "willen mit der hulpe Gades Almechtig fry, Freesch, de eene mit den
+anderen bystandich wesen, und beschermen unse Over-Olderen vaders recht,
+van Coninck _Carolo_ beschreven recht, und by der gemeenen Freesen
+Lantrecht und frydommen tho ewigen tyden to blyven; und mit lyff und
+guet alle Duytsche Heeren buiten den Lande tho holden" enz. Hierin is de
+gansche bedoeling van het verbond der Zeelanden te zamengevat.
+
+
+_Aant. 10_, op _bladz. 59 en 60_.
+
+_Veranderde Toestand des lands, de Zuiderzee enz._
+
+Als latere bronnen der geschiedenis van de veranderingen des bodems en
+der watervloeden verwijzen wij hier naar de Inleiding van _van
+Leeuwen's_ Tafereel van den Watervloed, Leeuw. 1826; _F. Arends_, Nat.
+Geschiedenis van de Kusten der Noordzee, met Aanteekeningen van Dr. _R.
+Westerhoff_, Gron. 1835, 2 dln., waarvan een derde deel de Geschiedenis
+der Watervloeden bevat; Mr. _J. Scheltema_, drie verhandelingen over de
+Geschiedenis der Zuiderzee, over de Veranderingen der kusten en
+Aanwijzing van bijdragen daartoe, in zijn Geschied- en Letterkundig
+Mengelwerk, Utr. 1836, VI^e dl. 2e st. bl. 55, 103, 137; Dr. _Acker
+Stratingh_, Aloude Staat, waarvan het eerste deel de Bodem en de Wateren
+bevat; maar vooral naar de Redevoering over het ontstaan der Zuiderzee,
+van Dr. _J. G. Ottema_, met kaart, in de Vrije Fries, IV 183, een
+vervolg op zijne, in Aant. 1 vermelde, Verhandeling over den Loop der
+Rivieren enz. Daarin zijn vele verspreide berigten met zoo veel kennis
+en schranderheid tot een geheel gebragt, dat ik dit voortreffelijk stuk
+zeer aanbeveel, ter bekoming van naauwkeuriger denkbeelden dan ik
+daarvan heb kunnen geven, wegens de bekrompenheid van mijn plan, hetwelk
+mij dikwijls hinderlijk is geweest in de juiste en volledige
+voorstelling. Wie evenwel aan mijne te korte aanwijzingen niet genoeg
+heeft, kan in de opgenoemde bijzondere behandelingen van dit onderwerp
+ruime stof voor zijn weetlust vinden. Omtrent de Geschiedenis van de
+Middelzee verwijs ik naar de Nasporingen, in 1834 met mijne vrienden
+_Brouwer_ en _van Peijma_ door mij uitgegeven.
+
+
+_Aant. 11_, op _bladz. 74_.
+
+_De Friezen in de Kruistogten._
+
+Al de berigten der Kronykschrijvers omtrent der Friezen aandeel in de
+Kruistogten zijn het eerst bijeengebragt door den Oost-Frieschen
+geschiedschrijver _T. D. Wiarda_ (1786). De Heer _J. van Leeuwen_ gaf
+daarvan eene vertaling achter zijne vermelde uitgave van it aade
+Friesche Terp, bl. 365. Doch naderhand (1842) heeft Mr. _J. Dirks_ deze
+berigten kritisch onderzocht, en vergeleken met latere, ook
+buitenlandsche bronnen, en daarvan in de Vrije Fries, II 135 en 221,
+onder den titel van: Noord-Nederland en de Kruistogten, een verhaal of
+Schetsen gegeven, inzonderheid _volgens de berigten van ooggetuigen en
+tijdgenooten_. Deze voortreffelijke verhandeling, welke van vlijt en
+bekwaamheid evenzeer getuigenis geeft, ben ik in mijne korte
+voorstelling hoofdzakelijk gevolgd. Evenzoo zijn belangrijk stuk: de
+Friezen voor Aken, in het 5e dl. van het zelfde tijdschrift, bl. 53. Het
+verhaal van Roorda met den Moor vond ik in de verzameling Genealogiën,
+onder den naam van het Handschrift Doys beschreven op bl. V der Voorrede
+van het Stamboek van den Frieschen Adel, der Heeren _Hettema_ en _van
+Halmael_.
+
+
+_Aant. 12_, op _bladz. 98_.
+
+_De Schieringers en Vetkoopers._
+
+Over den aard en oorsprong dezer Partijschappen is veel geschreven,
+zonder dat echter iemand in staat was, daarvan zekere en naauwkeurige
+berigten te kunnen mededeelen. Ik heb de vrijheid genomen daarover mijne
+denkbeelden mede te deelen en daarvan een overzigt te geven in algemeene
+trekken, dewijl toch de bijzonderheden, voor mijn doel te uitvoerig, in
+onze kronyken kunnen nageslagen worden. In 1829 is er eene vrij dorre
+kronykmatige Geschiedenis van de onlusten tusschen de Schieringers en
+Vetkoopers door _A. v. H._ uitgegeven. Dit werk wordt dikwijls
+verkeerdelijk toegeschreven aan Mr. A. _van Halmael Jr._, die grondiger
+en meer wijsgeerige beschouwingen over dit zelfde onderwerp heeft
+medegedeeld in de belangrijke Narede van zijn voortreffelijk treurspel:
+Ats Bonninga, Leeuw. 1828, en in zijne rom.-dram. tafereelen: de
+Schieringers en de Vetkoopers, Leeuw. 1841, waarin op bl. 25 eene
+duidelijke ontwikkeling van den oorsprong dezer partijschappen voorkomt.
+Belangrijk is ook de verhandeling van den Heer _P. Burggraaff_ over den
+oorsprong en de namen dier partijen, voorkomende in het Tijdschrift voor
+Onderwijzers, Gron. 1833, I 34.--Echter stelt _Jancko Douwama_ in zijne
+Geschriften (van 1830-49 uitgegeven door het Friesch Genootschap), bl.
+20, dat de naam ~Schieringers~ _sprekers_ beteekent tegen de _rijken_,
+door hen ~Vetkoopers~ genoemd; terwijl hij beweert, dat de oorsprong der
+partijschap gelegen was in de poging der armen, om, in navolging van de
+partijen in _Holland_, de rijken te bewegen, om hun goed met hen te
+deelen, zóó, "dat de arme vast met de rijcke in de kiste begosten to
+tasten." Deze meening van een edelman, die ongaarne tegen den adel zou
+getuigen, lijdt echter bedenking. Met veel meer waarschijnlijkheid mag
+men uit al de omstandigheden opmaken, dat het de vrijheidszucht van het
+in welvaart toenemende volk tegen de heerschzuchtige aanmatigingen van
+den adel en de heerschappen, ook in de steden, was, welke de beroerten
+ontstaan en, onder allerlei vormen en bijkomende omstandigheden,
+voortduren deed. Misschien had een naijver tusschen _Oostergoo_ en
+_Westergoo_ daarin ook een aandeel, en werd het vuur bestendig
+aangeblazen door de onlusten in _Groningen_, door de heerschzuchtige
+Oost-Friesche edelen en de Hollandsche Graven, die allen nu deze dan
+gene partij met hunne hulp ondersteunden. Zie slechts _Worp van Thabor_,
+Kronyk, IV 4, 19, 31, 33 enz. enz.
+
+In het begin moge het veeleer een strijd van de demokraten of liberalen
+dier dagen geweest zijn tegen de aristokraten (welke wij ook later onder
+andere vormen hebben zien herhalen), dan het uitvloeisel van een
+communismus, waartegen het gezond verstand der Friezen zeker
+zou opgekomen zijn,--later werd het enkel een strijd tusschen
+heerschzuchtige edelen en hunnen aanhang, en tegen het gezag der
+Groningers en de vreemde hulpbenden van elders. De Donia-oorlog en de
+twist om Bolsward hielden de partijen bestendig tegen elkander in het
+harnas, en bragten de gemeene zaak eindelijk ten val, doch tevens
+redding aan voor het algemeen belang der ingezetenen. Het denkbeeld
+van _J. Douwama_ verdient dus weinig gezag, aangezien het geen krijg
+was, waarin het de armen te doen was, om buit te maken en zich
+met het veroverde te verrijken. Ook ná dat de oorzaak des geschils
+verdwenen was, duurden toch de vijandschappen voort, en werden ze
+erfelijke veeten, hatelijk, laag en onverzoenbaar. _Huber_, Hed.
+Rechtsgeleertheyt, II 3, noemde het een krijg, "bijna van alle tegen
+alle, huis tegen huis, geslacht tegen geslacht, met onderling geweld,
+rooven en bloedvergieten." Als bijkomende omstandigheid kan het echter
+zijn invloed hebben uitgeoefend, vooral in die dagen van ruwheid en
+domheid der lagere standen.--"Die Vetkooper-Partei war die der
+Aristokratie," zegt Dr. _von Langenn_, Hertog Albrecht der Beherzte,
+238, zeer eenvoudig, en bevestigt mijne boven medegedeelde meening.
+
+
+_Aant. 13_, op _bladz. 121_.
+
+_De Aanvallen der Hollandsche Graven._
+
+Uit het verschil van staatkundigen toestand en van beider betrekking tot
+het keizerrijk tusschen de vrije Friezen benoorden en de door de Franken
+veroverde Friezen of Hollanders bezuiden de Reker of de Kinhem (op
+bladz. 10, 37, 50, 78 en 99 hier vóór uiteengezet), laat het zich
+gereedelijk verklaren, dat de Graven van _Holland_, met dit Graafschap,
+als rijksleen, door de Keizers verleid, geen regt hadden op
+West-Friesland, het eerste der Zeven vrije Friesche Zeelanden, die geene
+leenen kenden en ook aan het Duitsche rijk niet dienstpligtig of
+hofhoorig waren, maar den Keizer alleen eerbiedigden als beschermheer
+tegen de omringende leenmannen, veelal kleine dwingelanden. Doch dit
+onderscheid en de aard van dezen verschillenden toestand, ten gevolge
+waarvan de Hollandsche Graven evenmin regt hadden op het tegenwoordige
+_Friesland_, is door weinige Hollandsche geschiedschrijvers in het oog
+gehouden. Terwijl _Melis Stoke_ met volkomene waarheid kon zeggen:
+
+ _Zyt des seecker en ghewis,
+ Dat het Graefschap van Hollant is
+ Een stuck van Frieslant ghenomen,_
+
+spreken zij van de Friezen, althans West-Friezen, steeds, als ware
+Friesland van Holland afgenomen, en als waren deze opstandelingen, die
+beteugeld, wederspannigen, die getuchtigd en bedwongen moesten worden.
+In dat geval hadden zij mede reeds vroeger onder de heerschappij dier
+Graven moeten geweest zijn, en moest er een feit bestaan, dat zij zich
+aan die heerschappij hadden onttrokken. Doch het tegendeel is waar. Het
+privilegie van den Roomsch-Koning Graaf _Willem II_, van 1248, en die
+der latere Keizers hebben althans de oude volksvoorregten der Friezen
+bevestigd, en tevens vroegere regten van anderen op hun land (zoo die al
+bestonden) vernietigd; ja zelfs hebben zij de Hollandsche Graven
+verboden de Friezen te "molesteren." Zie Charterb. I 94, 399, 593-596;
+_Stellingwerf_, Politycq Discours nopende den Staet van Frieslandt,
+Fran. 1617, 19. De vraag: _Of de Graven van Holland, regtens, ooit
+Heeren van Friesland waren_, is dus ook ontkennend beantwoord door Mr.
+_A. van Halmael Jr._ in een stuk in 't Mengelwerk der Leeuw. Courant van
+25 Junij 1833; alsmede in de Voorrede van zijn treurspel: Radboud de
+tweede, Leeuw. 1839, welke stukken met de hem zoo eigene grondigheid
+zijn behandeld.
+
+Doch onnaauwkeurige voorstellingen van Friesche zaken bij de Hollandsche
+geschiedschrijvers zijn zeer algemeen. Zoo vond ik, bij het lezen van
+een aantal boeken ten behoeve der behandeling van dit werk, mij ook
+bitter teleurgesteld, dat ik in de beroemde Geschiedenis van het Nederl.
+Zeewezen, van Jhr. Mr. _J. C. de Jonge_, niets vond van de voor dat
+tijdvak zoo hoogst belangrijke Zeetogten der Hollandsche Graven naar
+Friesland; geen woord van de togten van Graaf _Floris V_ in 1286 en 1292
+over de pas ontstane en voor de uitbreiding van het zeewezen zoo
+belangrijke Zuiderzee, bepaaldelijk om _Stavoren_ te winnen; geen woord
+over den belangrijken zeetogt van _Willem IV_ in 1345 derwaarts, en geen
+verhaal, maar slechts eene aanhaling van de verbazende toerustingen van
+_Albrecht van Beijeren_, in 1396 env. waaromtrent er in de Hollandsche
+en Friesche Charterboeken zoo vele belangrijke stukken en bij de
+geschiedschrijvers zoo talrijke berigten voorkomen. Voor zoover die mij,
+als ongeletterde, bekend zijn, heb ik ze opgenoemd in de Geschiedk.
+Beschrijv. van Leeuwarden, I 55 en 303, en verwijs ik derwaarts, om niet
+in noodelooze herhalingen te vallen. Later vond ik daarvan eene
+uitvoerige beschrijving in de Vaderl. Chronyk, Leijd. en Amst. 1784,
+296-911 of het einde, waarvan ik echter geen gebruik meer heb kunnen
+maken. Ik blijf die togten steeds beschouwen als een zeer merkwaardig
+punt in de geschiedenis van _Holland_ zoowel als van _Friesland_,
+hetwelk grootelijks verdiende nader te worden opgehelderd. Ook daarom
+heb ik deze herhaalde togten, door velen dikwijls met elkander verward,
+bij eene nadere omwerking meer uitgebreid, en zelfs breeder dan het
+overig gedeelte van dit werk voorgesteld.
+
+
+_Aant. 14_, op _bladz. 128_.
+
+_De toestand van Friesland in de 15e eeuw_
+
+moge hier donker gekleurd voorkomen,--ieder, die de bijzonderheden
+daarvan bij onze historieschrijvers wil nagaan, zal mij moeten
+bijvallen, dat die toestand destijds deerniswaardig was. Ik heb dien ook
+kortelijk vermeld in de Geschiedk. Beschrijv. I 76, 105 en dáár bij
+meerdere aangehaalde schrijvers ook gewezen op het belangrijk tafereel,
+door _Kempo van Martena_ daarvan opgehangen (Charterb. II 3). _Peter_ en
+_Worp van Thabor's_ Kronyken; de Geschriften van _Jancko Douwama_;
+_Westendorp_, Jaarboek van Gron. II; _van Halmael's_ Schieringers en
+Vetkoopers en Ats Bonninga; tallooze plaatsen in het Charterboek en vele
+andere werken, welke ik zou kunnen aanhalen, mogen het bevestigen.
+
+
+_Aant. 15_, op _bladz. 135_.
+
+_De Saksische Regering_,
+
+hoe kort die ook duurde, heeft zeker een zeer gunstigen invloed gehad op
+den staatkundigen, stoffelijken en burgerlijken toestand van
+_Friesland_. _Het voordeel, hetwelk de Friezen trokken uit de
+overheersching van Albrecht van Saxen_, is door den Heer _J. D.
+Ankringa_ opzettelijk aangewezen in eene voorlezing, geplaatst in de
+Vrije Fries, IV 379. Hij noemt daarin als de voornaamste voordeelen:
+1^o. de verdrijving van kwaadwillige vijanden, bijzonder van de
+hatelijke Groningers; 2^o. de orde en regelmaat van bestuur en het
+daaruit voor ieder voortspruitend ongestoorde genot van zijne
+bezittingen, vooral door de invoering van den Provincialen Raad en
+Geregtshof, waardoor de behandeling van zaken en de regtspleging op een
+goeden voet gebragt werden; 3^o. eene betere beveiliging van de zee,
+door het verbeteren van de sluizen en zeeweringen te bevelen, waardoor
+de overstroomingen later zijn verminderd, en 4^o. vermeerdering van
+vruchtbare landerijen, door het bedijken van _het Bildt_.--Het breidelen
+en vernietigen van de partijschappen der Schieringers en Vetkoopers,
+waardoor er rust en eenheid onder de Friezen ontstond, en het vereenigen
+der drie, vroeger op zich zelven staande en elkander vaak vijandige,
+Gooën, als _Oostergoo_, _Westergoo_ en _Zevenwouden_ tot één geheel,
+door één belang verbonden, voeg ik daarbij, als voordeelen van niet
+minder gewigt. In de Geschiedk. Beschrijv. I 105-136 heb ik de mij
+bekende schrijvers over dit tijdvak opgenoemd. Thans ben ik bijna geheel
+_Martena's_ Landboek gevolgd.--Uit al het vorenstaande blijkt, dat de
+regten en vrijheden des volks in vele opzigten door den Saks werden
+geëerbiedigd, en dat het eigenlijk te veel gezegd is, wanneer men het
+Saksische _bestuur_ eene overheersching noemt, en de vrijheid der
+Friezen als verloren beschouwt. Dit denkbeeld is mede reeds bestreden
+door _Stellingwerf_ in het aangeh. zeldzame Polityck Discours, bl. 24.
+De verdere ontwikkeling hiervan zou te dezer plaatse tot te groote
+uitvoerigheid leiden, doch verdiende weleens nader in het licht te
+worden gesteld. Wanneer het volk werkelijk was overwonnen geweest, had
+de Saks ook de magt gehad om het Leenstelsel hier in te voeren. Doch in
+den Keizerlijken giftbrief was zijn gezag als Erf-Potestaat of
+Gubernator beperkt, en bleven de Friezen, onder de bescherming des
+rijks, in het bezit van hunne vroegere voorregten, welke daarin erkend
+werden. Zie Charterb. I 786 env.
+
+
+_Aant. 16_, op _bladz. 146_.
+
+_Groote Pier._
+
+Veel is over dezen merkwaardigen man geschreven, zonder dat er nog van
+hem eene volledige levensbeschrijving is bewerkt. Ik hoop daartoe nieuwe
+bijdragen en oogpunten te hebben geleverd, na vroeger in het Mengelwerk
+der Leeuw. Cour. van 1834, N^o. 20, hierover iets te hebben gegeven.
+Voor hem, die dit onderwerp nader zou willen behandelen, verwijs ik
+(buiten de in de noten aangehaalde) naar de volgende schrijvers:
+_Scharlensis_, 113; _Winsemius_, 421; _Schotanus_, 567, 607 env.; _Sybe
+Jarichs_, Corte Chronyck in de Analecta van Brouërius van Nidek, 461;
+_Eggerik Beninga_, Hist. van Oostfriesl. in Matthæus, Analecta, IV 550;
+_Foeke Sjoerds_, Beschrijv. I 818; Levensb. van verm. Mannen, I 45;
+_Kok_, Vad. Woordb. XIV 16; _Halma_, Toneel der V. Ned. 382; Neêrl.
+Heldendaden ter Zee, I 92; _Napjus_, Sneek, 40; _Gabbema_, Leeuw. 336,
+342; _van Leeuwen_, Kronyk, 152, 435; _Greidanus_, Naaml. der Franek.
+Pred. 64; benevens eene verh. in de Prov. Friesche Cour. 1851, N^o. 6
+env. het uitvoerigste en beste stuk over dit onderwerp.
+
+De krijgsbedrijven van _Groote Pier_ heb ik met opzet eenigzins
+uitvoeriger behandeld, omdat het algemeen gevoelen over dezen persoon
+zoo onbestemd of liever zoo ongunstig is, vooral bij Hollandsche
+schrijvers. De door mij zoo hoog geachte Jhr. Mr. _de Bosch Kemper_
+noemt hem in zijn voortreffelijk werk: Geschiedk. Onderzoek naar de
+Armoede in ons vaderland, Haarlem 1851, bl. 69, nog: "de Geldersche
+Zeeroover _Groote Pier_." Even verkeerd is de voorstelling van den Heer
+_D. R. Erdbrink_ te Enkhuizen, in het Leeskabinet voor Mei 1852, ook als
+hij meent, dat _Pier_ de Saksische Zwarte Hoop, groot 3 à 4000 man, in
+1517 op zijne vloot van _de Lemmer_ naar _Noord-Holland_ zou hebben
+overgevoerd.
+
+
+_Aant. 17_, op _bladz. 155_.
+
+_Worp van Thabor's Kronyk_
+
+bestond tot dusverre alleen in Handschrift, en wel in verscheidene ex.
+op verschillende plaatsen. Dr. _J. G. Ottema_ heeft van alle bekende ex.
+een uitvoerig verslag gegeven in de Vrije Fries, III 105, waarna het
+Friesch Genootschap de drie eerste, in het latijn geschrevene, boeken in
+1847 heeft uitgegeven, onder den titel van Worperi Tyaerda ex
+Renismageest, Chronicorum Frisiae libri tres. Het vierde boek, in het
+nederduitsch van dien tijd geschreven, is in 1850 en 1851 gevolgd onder
+den titel van: Kronijken van Friesland, bevattende de geschiedenis van
+de vijftiende eeuw. De door mij gegevene uittreksels zijn genomen uit
+het 1e boek, volgens eene vertaling van den Hoogleeraar _P. J. Veth_,
+die in den elfden jaarg. van de Gids, bl. 552, een aanprijzend verslag
+van deze belangrijke Kronyk heeft gegeven. Van den schrijver is weinig
+meer bekend, dan dat hij zich naar zijne geboorteplaats _Rinsumageest
+Worp van der Geest_ noemt, en eerst Monnik, daarna Supprior, vervolgens
+Procurator en in 1523 Prior was van het bekende klooster _Thabor_, onder
+_Tirns_ nabij _Sneek_, waarin hij in 1538 is overleden. Men verwarre
+zijn werk echter niet met de Kronyk of Historie van Vriesland, door
+_Peter Jacobsz. van Thabor_ of _Petrus Thaborita_, door _Visser_ en
+_Amersfoordt_ uitgegeven in het Archief voor Vaderlandsche, en
+inzonderheid Vriesche Geschiedenis, Oudheid-en Taalkunde, Leeuw.
+1824-28, 3 st., welk niet minder belangrijk werk ik ook veelmalen heb
+geraadpleegd.
+
+Eene dergelijke, doch uitvoeriger, algemeene beschrijving van
+_Friesland_, van omstreeks eene halve eeuw later, bevat het eerste boek
+van _Ubbo Emmius_, Rerum Frisicarum Historia, waarvan de eerste druk is
+van Franeker, 1596. Eene andere, kortere algemeene beschrijving van
+_Friesland_ is in 1616 gegeven door Do. _J. Bogerman_, destijds
+Predikant te _Leeuwarden_, in de opdragt van zijn werkje: Praxis verae
+poenitentiae, door Dr. _J. G. Ottema_ vertaald medegedeeld in de Vrije
+Fries, II 215. Al deze beschrijvingen zijn, even als zoo vele verzen van
+_Starter_ van dien tijd, hooggestemde lofredenen op dit land, hetwelk
+_Bogerman_, wegens overvloed van ligchamelijke en geestelijke
+zegeningen, (toen reeds) _een dal van vettigheid_ noemde.
+
+
+_Aant. 17 (moest zijn 18)_, op _bladz. 159_.
+
+_De beroemde Friezen_,
+
+uit omstreeks het midden der 16e eeuw, in den tekst vermeld, waarbij ik
+nog vele andere had kunnen voegen, komen bijna allen, met min of meer
+uitvoerige levensschetsen, voor in het werkje van _Suffridus Petrus_, de
+Scriptoribvs Frisiæ, geschreven en voor het eerst uitgegeven te Keulen
+in 1593. Voorzeker baart het groot getal personen, in de tien laatste
+decaden van dit werkje vermeld, verwondering, in vergelijking met het
+getal beoefenaren der wetenschappen, welke andere provinciën des
+vaderlands, zelfs _Holland_, tot 1593 hadden opgeleverd.
+
+
+_Aant. 19_, op _bladz. 166_.
+
+_De Geschiedenis der Kerkhervorming in Friesland_
+
+is in 1842, voortreffelijk bewerkt, uitgegeven door _E. J. Diest
+Lorgion_, waar meer uitvoerige berigten, dan ik hier en vervolgens kon
+mededeelen, worden gevonden. Vele oorzaken en aanleidingen van de
+reformatie in dit gewest zijn mede uit allerlei bronnen nagespoord en
+grondig behandeld in het uitmuntende werk: Geschiedenis der
+Doopsgezinden in Friesland, door _S. Blaupot ten Cate_, Leeuw. 1839,
+alsmede in het belangrijk werk: De Doopsgezinden en hunne herkomst, van
+_J. H. Halbertsma_, Dev. 1843. Nog andere wetenswaardige berigten
+omtrent dit tijdvak en de latere geschiedenis van de Lutherschen in
+_Friesland_ en te _Leeuwarden_ komen voor in de Bijdragen tot de
+geschiedenis der Evang.-Luthersche Kerk in de Nederl. verzam. door _J.
+C. Schultz Jacobi_ en _F. J. Domela Nieuwenhuis_, Utr. 1844, 5e stuk,
+bl. 166. Wie dus omtrent de voorvallen van dit merkwaardige tijdperk
+nader wenscht ingelicht te worden, zal daartoe in genoemde werken ruime
+gelegenheid vinden.
+
+
+_Aant. 20_, op _bladz. 118_.
+
+_De Verbondene Edelen._
+
+De hoofdbron der geschiedenis van dit onderwerp is en blijft nog steeds
+het belangrijke werk van den Hoogl. _J. W. te Water_, Historie van het
+Verbond en de Smeekschriften der Ned. Edelen, Middelb. 1776-96, 4 st.
+waarvan de Geschiedenis der Watergeuzen, van Do. _A. P. van Groningen_
+een waardige tegenhanger is. Ik acht mij echter verpligt, hier bijzonder
+te vermelden, dat het eerste werk voor geene provincie van meer gewigt
+en belang is dan voor _Friesland_. Eensdeels, omdat het getal Edelen,
+welke daarin met kortere of langere levensschetsen vermeld zijn, uit
+deze provincie daarin vier maal grooter is dan van de overige 16
+provinciën, en alzoo blijk levert zoowel van de talrijkheid als de
+vrijheidszucht van den toenmaligen Frieschen Adel;--anderdeels, omdat de
+berigten aangaande de geslachten en verrigtingen dezer bondgenooten
+daarin het meest uitvoerig zijn behandeld, ten gevolge der talrijke
+mededeelingen, welke de schrijver mogt ontvangen van de Heeren _Ulbe_ en
+_Eduard Marius van Burmania_, welke van zoo veel belang waren, dat hij
+dáárom zijn werk aan laatstgenoemden Oudheidkundige uit dankbaarheid
+opdroeg, terwijl die hulp in de opdragt eervol wordt vermeld.
+
+Na ruim twintig jaren tijdsverloop herinner ik mij thans nog met veel
+genoegen, dat mijn edele begunstiger en vriend wijlen Jhr. _I. Æbinga
+van Humalda_ mij in 1828 met dit werk bekend maakte, en dat ik toen, na
+herhaalde lezing, van die 108 Friesche Verbondene Edelen biographische
+Tabellen vervaardigd- en met vele bijzonderheden uit andere schrijvers
+en geslachtlijsten aangevuld heb. Uit vrees van nog niet in staat te
+zijn iets goeds te kunnen leveren, kon ik toen niet bewilligen in het
+aanbod van Do. _J. H. Halbertsma_, om deze tabellen voor mij uit te
+geven.
+
+Doch _Friesland_ heeft nog eene andere betrekking op dit onderwerp,
+welke ik hier mede gaarne herinner, omdat het een der sieraden onzer
+Nederlandsche letterkunde geldt. Nog vóór _te Water_ dit onderwerp
+historisch toelichtte, heeft Jhr. _Onno Zwier van Haren_, in zijne
+afzondering te _Wolvega_, de verdiensten dier Edelen en bijzonder der
+Watergeuzen, door de dichtkunst verheerlijkt. In een ruwen vorm
+verschenen in 1769 voor het eerst zijne verzen: Aan het Vaderland, later
+en vooral in 1776 veel vermeerderd en verbeterd herdrukt onder den titel
+van: de Geuzen. Na zoo herhaalde lezing van dit heerlijk dichtstuk, door
+zulke belangrijke aanteekeningen toegelicht, zou ik zeer wenschen, dat
+het, vooral in _Friesland_, meer algemeen bekend ware. Wetenschap en
+kunst zijn daarin vereenigd en met zoo vele streelende vaderlandsche
+herinneringen vereenzelvigd, dat het verstand en hart, gevoel en smaak
+te zamen goed doet. Ik heb daarover, in verband met het leven des
+vereerden dichters, meer uitvoerig gehandeld in den Friesche
+Volks-Almanak voor 1837, 50.
+
+
+_Aant. 21_, op _bladz. 222_.
+
+_De Friesche Staatstwisten_,
+
+welke, na de vroeger in den tekst reeds vermelde geschillen, bijzonder
+tusschen de Landen en Steden, over het bekomen van den vierden stem in
+den staat, vooral sedert 1593, gevoerd zijn, vindt men vrij uitvoerig
+medegedeeld in de volgende werken: _Winsemius_, Chronique, 820, 828,
+847-871, 891, 898;--_van Reijd_, Ned. Oorlogen, 200, 410, 418;--_van den
+Sande_, Ned. Hist. ten vervolge op _van Reijd_, 29, 57, 69, 98, 121,
+162, 173, 178, 186, 197, 205;--Charterboek, V 164, 274, 278, 333, 341,
+358, 367;--Register op de Staats-resolutiën, 411, 478, 511, 695;--_van
+Aitzema_, Saken van Staet en Oorlogh, 4^o. II 116, 211, 626, 633, 643,
+800; III 160, 265, 344, 348, 522; 63, 81; 10, 292, 520, 528;--_Kok_,
+Vad. Woordenb. XVI 594; benevens vele stukken in het Provinciaal en
+Stedelijk Archief van _Leeuwarden_.
+
+Al deze en meerdere schrijvers over dit onderwerp zijn door mij gelezen,
+met oogmerk, om die gebeurtenissen te behandelen. Doch, daar ze voor
+eene beknopte behandeling niet vatbaar waren, en eene uitvoerige
+voorstelling van oorzaken, verband en gevolgen mijn bestek ver te buiten
+zou gaan, zoo heb ik daarvan _moeten_ afzien, en deze gebeurtenissen
+enkel met een woord vermeld op de Tijdrekenk. Lijst. Bij eene
+uitvoeriger behandeling van de Friesche Geschiedenis zullen ze alle in
+het licht gesteld moeten worden.
+
+ * * * * *
+
+In al die onlusten zien wij mede telkens den strijd herhalen tusschen de
+vrienden van behoud en vooruitgang, en tusschen de democraten en de
+aristocraten dier dagen; een strijd, welke in elke eeuw op eene andere
+wijze vernieuwd wordt, zoolang het volk het besef zijner regten en
+krachten behoudt en, niet door vrede of weelde ontzenuwd, inslaapt of
+doof wordt voor zijn belang. In weerwil van al de goede eigenschappen
+van den vervolgens door mij geschetsten Regeringsvorm van _Friesland_,
+en ondanks eene algemeene verkiesbaarheid en alzoo een democratisch
+beginsel de grondslag daarvan scheen uit te maken, heeft de welwikkende
+en geleerde _Ulrik Huber_ aangewezen, dat de Aristocratie zich in
+_Friesland_ van de teugels van het bewind had verzekerd. (Zie _Huber_,
+Hedend. Rechtsgeleerth. Leeuw. 1699, II 11, 53 env., en _Vreede_,
+Geschied- en Letterk. Herinneringen, Gor. 1836, II 65.) En was dit
+wonder? "In een land, waarin van ondenkelijke tijden af de
+oorspronkelijke oppermagt werd bezeten door de Edelen en Eigenerfden,
+dat is, de bezitters van onroerende goederen, die het regt van stemmen
+in gemeene zaken hadden," kon het niet anders, of de adel en de
+aanzienlijken moesten in het bezit geraken van de oppermagt, van ambten
+en bedieningen. De aard van het Stemregt leidde daartoe. Dat daarvan
+dikwijls misbruik is gemaakt, is zeer natuurlijk bij al het
+aanlokkelijke van magtsuitoefening en vaak kwalijk geplaatste eerzucht
+bij onverstandigen. Maar met dat al is het mijne innige overtuiging, op
+geschiedenis en overlevering gegrond, dat die Aristocratie, of de
+regering van den adel en de aanzienlijken, voor _Friesland_ in de vorige
+eeuwen van oneindig meer voordeel dan nadeel is geweest. Zij, die door
+aanzienlijk grondbezit het meeste belang hadden bij het welzijn van den
+staat, en daardoor ook het meeste aanspraak hadden op het bestuur
+daarvan; zij stonden door stand, opvoeding, onderwijs en bekwaamheden in
+verstandelijke en zedelijke kracht ook meestal veel hooger dan het volk
+of wel de burgerstand dier dagen, welke toen minder ontwikkeld was dan
+tegenwoordig. En zeker zullen de laatste, die thans meerdere
+staats-burgerlijke regten hebben verkregen, onbillijk handelen, als zij
+hunne verpligting aan 's lands vroegere overheden en de adellijke en
+aanzienlijke familiën niet dankbaar erkennen. Het is dus onkunde of
+kwade trouw, wanneer men thans laag valt op of smadelijk spreekt van een
+uitvloeisel der vroegere staatsgesteldheid, welke, ja soms is misbruikt
+geworden, doch die in 't algemeen heilzaam voor het belang des volks is
+geweest.
+
+
+_Aant. 22_, op _bladz. 246_.
+
+_De Regeringsvorm van Friesland, tijdens de republiek_
+
+is door mij voorgesteld, zoo als zij omstreeks den jare 1770 bestond, om
+niet telkens de kleine wijzigingen te vermelden, welke daarin sedert
+1580 hadden plaats gehad. De voornaamste schrijvers over dit onderwerp
+heb ik in de noten bij ieder onderdeel medegedeeld, doch acht het van
+belang, hier nog eenige andere te vermelden, welke deswege nader kunnen
+geraadpleegd worden. In zijn ganschen omvang is dit onderwerp behandeld
+in _U. Huber_, Heedendaegse Rechts-geleertheyt, soo elders, als in
+Frieslandt gebruikelijk, 2e dr. Leeuw. 1699, I 418, II 10 env. alsmede
+in de weinig bekende Dissertatie van _E. H. Bergsma_, de antiqua et
+hodierna Frisiorum Regiminis forma, Fran. 1779. Nog minder bekend is de
+eenvoudige en heldere voorstelling, welke de voortreffelijke _P.
+Wierdsma_ daarvan heeft gegeven in de beschrijving van deze provincie,
+welke hij bezorgde ten behoeve der Nieuwe Aardrijksbeschrijving, door
+_W. E. de Perponcher_, Utr. 1784, welke in het eerste deel bl. 303 is
+opgenomen. (De reden daarvan heb ik vermeld in de Nasporingen omtrent de
+Middelzee, bl. 52.) Ook in _Knoop_, Teg. Staat of Hist. Beschrijv. van
+Friesl. Leeuw. 1763, bl. 328, en in _Busching_, Nieuwe Geographie,
+verbeterd door _W. A. Bachiene_, Amst. 1775, IV 1191 komen uitvoerige
+beschrijvingen daarvan voor, die ieder op zich zelve belangrijke
+bijzonderheden bevatten. Zeer zonderling en hooggestemd is de
+beschrijving van _Frieslands_ staatsbestuur van Mr. _Romijn de Hooghe_,
+in zijn Spiegel van Staat, Amst. 1706. Het Groot Placaat- en Charterboek
+van Vriesland, door de zorg van den Baron _G. F. thoe Schwartzenberg_,
+op last der Staten, in 1768 begonnen en in 1795 in het 6e deel met den
+jare 1705 geëindigd, bevat een onwaardeerbare schat van historische en
+staatsstukken over alle deelen van dit gewest. Eene Verzameling van
+Placaten, Reglementen en andere Stukken, door de Staten van Vriesland
+geëmaneerd, is in 1748 begonnen, telt tot 1795 6 deelen in 4^o. en is
+van toen af tot in 1810 voortgezet in 14 deelen. Ook deze bron heb ik
+veel gebruikt.
+
+In de laatste helft der vorige eeuw begon men zich mede meer toe te
+leggen op de ~Staatshuishoudkunde~ en ~Statistiek~ dezer provincie. In
+de genoemde werken van _Knoop_, _Foeke_ _Sjoerds_, de Tegenw. Staat enz.
+zijn daarover bereids belangrijke bijdragen gegeven. Ook _Nicolaas
+Ypey_, Hoogleeraar in de Wiskunst en Vestingbouw te _Franeker_, die in
+Waterstaatszaken dikwijls door Gedeputeerde Staten geraadpleegd werd,
+gaf van zijne bedrevenheid in die vakken blijken in zijne Verhandelingen
+over den uitvoer van het Hooi (in 1781 bekroond en met die van _Eelke
+Alta_ en _Sjoerd Meinerts_ te _Harlingen_ uitgegeven) en over de Quotae,
+Harl. 1784. Zeer belangrijk is mede het werkje van den lateren
+Hoogleeraar _Seerp Gratama_, de gelukkige Toestand van Friesland
+betoogd, Harl. 1795. Uit deze thans weinig meer voorkomende geschriften
+wil ik de volgende bijzonderheden, tot kenschetsing van dit tijdvak,
+mededeelen.
+
+De Bevolking van _Friesland_ is geheel onbekend vóór den jare 1715, en
+werd in 1744 en op nieuw in 1748 opgemaakt. De opgave van 1744 was
+135,133 personen, verdeeld in 36,947 huisgezinnen, onder welke men 4,600
+insolvente en 3,535 gealimenteerde telde. Latere zekere opgaven tot 1795
+gaan niet boven de 140,000 zielen.--In 1779 was het getal der
+aangegevene koeijen 73,589, der rieren 23,519 en der paarden 23,359. De
+uitvoer daarvan bestond in 1778 in: 7,732 koeijen, 245 ossen, 29 bullen,
+1048 kalvers, 2001 paarden, 205 enters (eenjarigen) en 400 veulens,
+namelijk, voor zoover daarvan passagiegeld was betaald. De waarde van
+elke verkochte koe stelde _Ypey_ in gewone tijden op [f]40--, een
+vierendeel boter op [f]16--, een schippond kaas op [f]6--, eene
+leverweide hooi op [f]12--, een pondemate nieuw gras op [f]4--, de mest
+van eene koe in 't jaar op [f]3.50. In de voorspoedige jaren van 1765
+tot 1779 klom de prijs der boter tot [f]21--, der kaas tot [f]12--, van
+eene koe tot [f]60--. Bovendien noemt hij de verzending van Tonnevleesch
+naar buiten aanzienlijk. In 1762 werden er op de Lands Wagen aangegeven
+83,200 vierdevaten boter. Hij begroot daarentegen de som, welke aan
+schattingen en renten, voor kleeding, levensmiddelen, dranken en
+allerlei soort van waren ~uit~ _Friesland_ naar buiten ging, op
+[f]3,800,000, buiten het bedrag van het hout, uit de Oostzee en elders
+aangevoerd.--Belangrijk zijn mede zijne berigten over de toenmalige
+Vrachtvaart, waarover wij ook op bl. 337 bijzonderheden hebben
+medegedeeld, en waarbij wij nu nog wenschen te voegen, dat in de
+merkwaardige Propositie van Prins _Willem IV_, tot verbetering van den
+Koophandel der republiek, van 1751, dit opmerkelijk gezegde voorkomt,
+dat toen reeds "geene Provincie van ons land meer reederijen had van
+Smakken, Koffen en Galjoots, en waar meer dergelijke vaartuigen te huis
+behoorden dan in _Friesland_, zonder nog eenige handel van belang te
+hebben."
+
+
+_Aant. 23_, op _bladz. 257_.
+
+_De Friesche Zeehelden_,
+
+welke, sedert den eersten Engelschen oorlog, bij _Brandt_, _Aitzema_,
+Holl. Mercurius en _de Jonge_ in het bijzonder vermeld worden, zijn, in
+vergelijking van vele Hollandsche en Zeeuwsche zeelieden, door hunne
+tijdgenooten zoo weinig opgemerkt, dat er van niemand hunner volkomene
+levensberigten tot ons zijn gekomen. Van weinigen weten wij iets meer
+dan hun naam en een of ander kloek bedrijf, zonder van hunne geboorte-
+of woonplaats en verder lot kennis te dragen; terwijl de onzekerheid
+vergroot wordt, doordien verscheidene dezer zeelieden den zelfden
+geslachtsnaam en een anderen voornaam dragen.
+
+Van _Tjerk Hiddes de Vries_ weten wij wel het meest, doch zijn genoemde
+levensbeschrijver was nog onbekend met vele bijzonderheden, door den
+Heer _de Jonge_ omtrent hem en zijn geslacht, waaruit vijf zeelieden
+naam hebben gemaakt, medegedeeld (Zeewezen, II _b_ 216, IV _a_ 458, _b_
+581). Reeds in 1658 voerde hij het bevel over eene der gewapende fluiten
+of transportschepen, welke de vloot van _Wassenaer_ naar de Sont
+vergezelden, en onderscheidde hij zich toen door het nemen van drie
+Zweedsche vaartuigen. In _Schotanus_, Beschrijv. v. Friesl. 261 komt hij
+voor onder de Vroedschappen van _Harlingen_ in 1664, met bijvoeging van
+Groot-Schipper, zoodat hij toen welligt niet meer in 's lands dienst
+was, welke hij in 't volgende jaar, bij 't uitbreken van den tweeden
+Eng. oorlog, weder zocht. Ik heb meerdere bijzonderheden omtrent hem
+verzameld, welke ik gaarne wil mededeelen aan iemand, die het leven van
+dezen voortreffelijken Admiraal op nieuw en naauwgezet wil nasporen en
+beschrijven. Hier wil ik nog enkel vermelden, dat zijn broeder _Barent_
+of _Beern Hiddes de Vries_ met en onder hem bestendig als Kapitein heeft
+gediend; dat zijns broeders zoon, _Hidde de Vries_, opklom tot Schout
+bij nacht en zich in 1694 het bevel zag toevertrouwd over een eskader
+van 14 schepen, toen hij in een hevig gevecht met Jan Bart doodelijk
+gewond werd. De vijfde zeeman uit dit geslacht was _Tjerk Hiddes de
+Vries_, in 1708 Luitenant bij de Admiraliteit van _Amsterdam_. Of ook
+_Ysbrant de Vries_, in 1658 Kapitein op de vloot, tot deze familie
+behoorde, is onbekend. _Brandt_, 142, 144, 223.
+
+Doch, hoe weinig er bekend is van _Auke Stellingwerf_, dien, verheven
+tot Luitenant-Admiraal, hooggestemde lofverzen van de Hollandsche
+dichters _Jeremias de Decker_ en _Heiman Dullaert_ ten deel vielen, dit
+heeft mijn vriend de Heer Mr. _J. H. Beucker Andreæ_ ondervonden bij
+zijne vergeefsche poging, om een levensberigt van dezen zeeheld zamen
+te stellen. Er komen verscheidene personen van dien geslachtsnaam voor.
+Het Register op de Staats-resol. 767 vermeldt in 1649 een _Andries
+Stellingwerf_, door de Admiraliteit aangesteld tot Equipagemeester der
+kustschepen. In het zelfde jaar 1653, dat wij in de Holl. Mercurius, 80,
+een Kapitein _Frederik Stellingwerff_ op het schip Zevenwouden
+(gezonken) vinden, werd die _Andries Pieters Stellingwerff_ door
+Gedeputeerde Staten weder der Admiraliteit tot eenig emplooi
+gerecommandeerd; en werkelijk vinden wij dezen in 1656 bij _Brandt_,
+100, reeds als Kapitein van 't Prinsen wapen. In 1659 schreven
+Gedeputeerde Staten aan de Gecommitteerden ter Generaliteit, dat het
+schip van den Kapitein ... _Stellingwerf_, ter repartitie van de
+Harlinger Admiraliteit staande, onder de ontbodene schepen mogt worden
+begrepen. En in dat zelfde jaar zien wij bij _Brandt_, 186, 204,
+Kapitein _Auke Stellingwerff_ vermeld, op den togt tegen _Zweden_ onder
+_Verburg_, die hem naar den hoek van Schagen zond, om eene
+koopvaardijvloot te verwachten, welke hij den 3 Maart 1660 naar het
+vaderland geleidde. Na zijn sneuvelen werd zijn schip, de Zevenwouden,
+door de Engelschen genomen, doch in het volgende jaar hernomen.
+_Brandt_, Leven van de Ruiter, 382, 480. In 1676 was een _Jacob
+Stellingwerf_ 1e Luit. op het schip Oostergoo.
+
+Behalve de genoemde _Hendrik Dirks Brunsveldt_, die in 1659 Kapitein en
+later Schout bij nacht was (_Brandt_, 160, 190, 212; _de Jonge_, II _a_
+250, 259; Stamboek, II 59), vermeldt _Brandt_, 155, op 1658 ook nog een
+Kapitein _Adriaan Bruinsveld_, die in dat jaar sneuvelde.--Zoo vinden
+wij in 1652 een Kapitein _Sipke Fockes_ en in 1665-1673 _Anske Fockes_.
+_Brandt_, 444. De zelfde noemt bl. 183, 193, 196 ook den Kolonel _Ernst
+van Aylva_ en den Kapitein _Hemmema_, die in 1659 den togt naar _Zweden_
+mede maakten, doch denkelijk bij het krijgsvolk behoorden. De laatste
+bleef voor _Nijborg_. Bij dezen togt waren 8 compagniën Friezen en 2
+eskadrons Friesche ruiterij. _Bosscha_, II 13.--Van den Kapitein
+_Schelte Wiglema_ meldt _Brandt_, 41, dat hij in 1653 met al zijn volk
+in de lucht vloog. Zoo men wil, stak hij, tusschen twee Eng. schepen
+beklemd en geen uitkomst ziende, door overmaat van moed, zelf de lont in
+'t kruid.--Nog vonden wij als Kapiteins van het Friesche Collegie
+genoemd: _Reinier Sickema_ of _Sekema_, _Andries Douwes_, _Andriaan Hens
+Kleintje_, _Jan Jans Vijselaar_, _Jacob Binckes_, _Pieter Feijkes
+Eijkema_, _Wijtze Beijma_, _Yde Hijlkes Kolaart_, wiens schip Westergoo
+in 1672 verbrandde; _Hendrik Jans Camp_, van wien _de Jonge_, II _a_ 78,
+een dapper bedrijf vermeldt, enz.--Verder maakte zich verdienstelijk
+_Joris Andringa_, die, eerst schrijver op het schip van den Kapt. de
+Wildt, sedert 1665 het ambt van Secretaris van _de Ruyter_ bediende en
+het dagregister hield, zoodat wij aan zijne zorg vermoedelijk de
+naauwkeurige berigten omtrent diens luisterrijkste verrigtingen
+verschuldigd zijn. _Brandt_ 396, 513, 549, 862, 912; _de Jonge_, III a
+315, b 124, 220. In 1675 werd hij Kapitein op het schip Stad en Lande,
+en onderscheidde zich door moed en bekwaamheid. Door bloedverwantschap
+en vriendschap was hij aan _de Ruyter_, die hem in een brief Neef
+_Andringa_ noemt, zeer verbonden.--Bij den togt naar _Chattam_ waren
+_Simon Poppinga_ en _Meindert Jentjes_, kommandeurs van branders, die
+voor hun lofwaardig gedrag vereeringen ontvingen. _Brandt_, 583; _de
+Jonge_, II _b_ 445, en omtrent andere Friezen III _a_ 124, 130, 145,
+269, 292, 380.
+
+Ook vervolgens onderscheidden zich nog andere Friesche zeevaarders,
+van welke wij enkel noemen: _Douwe Harkes_, die in 1665 nabij _Tanger_
+met veel dapperheid een Engelsch fregat aantastte en veroverde, en
+dien het in 1673 gelukte, drie Barbados-en Virginievaarders te
+_Amsterdam_ op te brengen (_de Jonge_, II _b_ 243, III _a_ 381).--Van
+_Jacob Binckes_ hebben wij in den tekst gesproken, doch zouden zijn
+leven gaarne nader afzonderlijk bewerkt zien, vooral, dewijl _de Jonge_
+op zoo menigvuldige plaatsen van het 3e dl. daarvan belangrijke berigten
+heeft medegedeeld.--In 1676 waren verscheidene Friesche schepen (ook
+_Barend Hiddes de Vries_ als Kapitein en _Jacob Stellingwerf_ als 1e
+Luit.) bij de vloot, welke de Staten onder _Tromp_ en _Evertsen
+Denemarken_ te hulp zonden. Deze togt, waarbij zich ook Friesche
+vrijwilligers bevonden, is uitvoerig beschreven in het zeldzame en
+zonderlinge vers van _Foppe Foppeszoon Junior_: "Aenmerkelike Voyagie na
+de Oost-zee enz. By maniere van dagverhaal, in riim, beschreven" enz.,
+met vele lofverzen van dergelijke rijmelaars in 1677 bij _Hero Galama_
+te _Harlingen_ gedrukt.--Omtrent _Christoffel Middagten_, mede van
+_Sexbierum_ geboortig, die tot Kapitein en Schout bij nacht opklom en
+zich door geschriften over den scheepsbouw, de scheepvaart en verbeterde
+Zeekaarten loffelijk onderscheidde, heeft _de Jonge_ IV _a_ 485 goede
+berigten medegedeeld.--In 1678 vinden wij vermeld een stoute Friesche
+schipper _Barend Fokke_, die toen de reis van _Nederland_ naar _Batavia_
+in den, destijds ongehoorden, tijd van 3 maanden en 4 dagen deed, tot
+geene geringe verwondering van den Gouverneur-Generaal van _Goens_, dien
+hij door het bezorgen van een pakket brieven daarvan overtuigde. Over
+_Ceilon_ vertrok hij weder naar het vaderland, zóó spoedig, dat
+het bijgeloovige volk hem verdacht hield van met den booze in
+verstandhouding te staan. Opmerkelijk is het, dat, zeker om eene andere
+reden, ter eere van dezen kloeken zeeman op het eiland: het Kuipertje,
+nabij _Onrust_, voor de reede van _Batavia_, een standbeeld is opgerigt,
+hetwelk hem, in steen gehouwen, in zijne Friesche kleedij voorstelde. In
+1808 is het door den Engelschen Admiraal _Dourie_ vernield, doch later
+zijn de stukken daarvan nog gezien door _M. D. Teenstra_, die dit
+verhaalt achter een vers ter zijner eere in den Frieschen Volks-Almanak,
+1846, 171.
+
+Dat de Generaal _Aylva_ na 1672 niet weder als Luit.-Admiraal op de
+vloot is geweest, scheen mede een gevolg te zijn van de bepaling der in
+1673 door de Staten aangenomene Poincten reformatoir, art. 36: "Dat het
+Admiraelschap van Frieslandt wordt verklaert vacant ende impetrabil te
+syn, als werdende verstaen niet compatibel te zyn met eenige hooge
+militaire charge te Lande." Charterb. V 963. Evenwel vermeldt _de Jonge_
+IV _a_ 309, dat in 1692 na _Aylva's_ dood door Koning _Willem_ (_?_) in
+zijne plaats werd benoemd _Frederik Willem_ Graaf _van Bronckhorst
+Stirum_, Vice-Adm. der Maze, hoewel hij niet in zee ging, omdat
+_Friesland_ te weinig schepen leverde.
+
+De onderstand van het Friesche Collegie verminderde toch van lieverlede
+zoodanig, dat het lang werkeloos bleef, en in 1689 slechts 3 schepen:
+van Kapt. _Hidde de Vries_, Europa, Kapt. _Jentema_, de Windhond en
+Kapt. _D._ (misschien _B._ of _Barend_) _de Vries_, de Brak, te zamen
+470 koppen voerende, bij de vloot voegde. Later en nog in 1744 had het
+maar twee schepen meer. Zie _Sylvius_, 1689, 203; _de Jonge_, III _b_
+390; IV _a_ 44, 48, 72, 174, 274.
+
+ * * * * *
+
+Uit den tijd van het diepste verval onzer lands zeemagt, toen echter de
+Friezen zoo talrijke koopvaardijschepen en vrachtvaarders in zee hadden;
+toen, na het uitbreken van den oorlog tusschen _Engeland_ en
+_Frankrijk_, in 1756, zóó vele onzer koopvaarders prijs genomen werden,
+dat de Nederl. Jaerboeken van 1758, bl. 923 drie lijsten bevatten van
+156 enkel Hollandsche schepen, door de Engelsche kapers geroofd en
+opgebragt,--vinden wij nog een loffelijk bedrijf vermeld van _Jan
+Binckes_, Kapitein van 's lands oorlogsschip: Maarssen, die den
+roemrijken naam van zijn voorzaat _Jacob Binckes_ in eere hield. Tot
+bescherming van eene koopvaardijvloot naar _Cadix_ gestevend, wilde hij
+den 27 December 1758 de baai dier stad inzeilen, toen het de Engelsche
+kapers gelukte, twee der hem aanvertrouwde schepen, gevoerd door de
+schippers _Pieter Paauw_ en _Wigle Tjerks Zwart_, van het convooi af te
+snijden, met oogmerk om die te _Gibraltar_ op te brengen. Zoodra
+ontvangt _Binckes_ geen berigt van deze daad, of hij wendt zijn schip,
+zet de roovers alléén na, herneemt zijne schepen uit hunne klaauwen en
+komt daarmede den volgenden dag in de baai van _Cadix_ bij de overigen
+terug.--Men zie daarover Ned. Jaerboeken, 1758, 562, 1759, 123;
+Onmiddelijk Vervolg op _Wagenaar_, XXII 420.
+
+
+_Aant. 24_, op _bladz. 270_.
+
+_De Friezen aan den Rijn, in 1672._
+
+Het gedrag van het regiment van _Aylva_ bij den overtogt van _Lodewijk
+XIV_ over den Rijn, op den 12 Junij 1672, is in het schoone werk van
+_Bosscha_, Neêrl. Heldendaden, II 57, wel uitvoerig en naar verdienste
+voorgesteld, volgens _Valckenier_, 't Verwerd Europa, XV 455 en andere
+bronnen, doch kort daarna heeft D^o. _O. G. Heldring_ deze gebeurtenis
+nader onderzocht en toegelicht uit Fransche schrijvers, die in dezen wel
+het meeste gezag verdienen. Dat zeer belangrijke stuk is, onder den
+titel van: de Overtogt van Lodewijk XIV. over den Rijn, geplaatst in
+het 1e dl. van Nijhoff's Bijdragen, 1837, bl. 93. Reeds vroeger heb ik
+daarvan een uittreksel gegeven in den Friesche Volks-Almanak voor 1840,
+96. Beide verhalen zijn op verscheidene punten aangevuld door de
+berigten in het voortreffelijke werk der Heeren _van Sijpestein_ en _de
+Bordes_, de verdediging van Nederland in 1672 en 1673, 's Hage 1850, 1e
+st. 68 env. In Bijlage I, bl. 95 worden daar bovendien de overige
+hoofd-officieren en kapiteins van dit regiment, uit 8 kompagniën
+bestaande, met name opgenoemd. Dat al de in den tekst genoemde personen
+daartoe behoorden, is mij mede gebleken uit de Resolutiën van Gedep.
+Staten, waarin ik van bijna allen de aanstellingen heb gevonden. De
+namen verschillen echter eenigzins, als: b. v. _Douwe van Ipema_, _Haje
+Twernbergen_ en _Twenbergen_, _Bernhardt Hekman_, _Bavius Romeda_. In
+laatst vermelde Bijlage komen tevens de namen voor van eene menigte
+Friesche Officieren, die in het leger van den staat dienden.--Zeker
+behoef ik geene verschooning te vragen, dat ik wegens de belangrijkheid
+van dit feit hieromtrent uitvoeriger ben geweest dan omtrent andere
+bijzondere punten, alsmede dat ik al het in 1672 en 1673 voorgevallene
+breeder heb behandeld dan het overige.
+
+
+_Aant. 25_, op _bladz. 281, 294_.
+
+_De Burgerwapening in 1672 en 1673_,
+
+ook ten aanzien van _Friesland_ in het vermelde werk van Prof.
+_Siegenbeek_, 122, 144 eervol vermeld, was destijds van veel belang, en
+mogt met den gelukkigsten uitslag worden bekroond. Er zijn omtrent het
+uittrekken der burgers van onderscheidene steden en grietenijën
+bijzonderheden bewaard, welke ik echter hier niet kan mededeelen.
+Aangaande de uittogten van 1672 heeft Mr. _A. Telting_ vele medegedeeld
+in zijne twee bijdragen: Oer B. Bekker, de Fulleniussen, in it Bloedjier
+1672, geplaatst in het Friesch Jierboeckjen foar 1835, en Brief van
+Goslik Colonna, Hopman over eene Compagnie Franeker burgers, aan den
+Magistraat van _Franeker_, voorkomende in de Vrije Fries, I 70. Nog
+meerdere bijzonderheden omtrent de snelle oproeping van den derden man
+in 1673 heb ik gevonden in een hoogst zeldzaam werkje van dien zelfden
+_Colonna_, getiteld: Journaal ofte Dagh-register van de uyttocht der
+Burgerlycke Manschap, van de Provintie van Vrieslandt, uytgetogen in den
+Jaare 1673. Bevattende al 't geene is voor-gevallen van den dagh onses
+uyt-tocht, als zynde den 16. Augusti 1673. tot den dagh van onse
+weder-komst, zynde den 5. October des selven jaars. Beschreven door
+Goslingh Colonna. Te Bolsward by Hans Hanssen Gyselaer, Drucker en
+Boekv. 1673, 4^o.
+
+De schrijver was toen "Excersiti-meester, Serjant en Sijpel-schrijver
+van de Burgerij der stadt Franequer," onder den kapt. _Johannis Ennema_,
+die met 65 koppen in twee ligters over _Sneek_ en _Terhorne_ te
+_Heerenveen_ aankwamen, te gelijk met de burgers van _Leeuwarden_ en
+_Sneek_, na het vernemen van ontmoedigende berigten en het ontmoeten
+van verscheidene "schepen met gevluchte goederen." Nadat zij naar
+_Joure_ gezonden waren, werd het berigt van het naderen van den vijand
+spoedig vervangen door dit, dat "de Bisschopsche volkeren wederom waren
+vertrocken." Den 27 en 29 Aug. hielden de drie regimenten _Oostergoo_,
+_Westergoo_ en de Steden, bestaande uit 27 compagniën, te _Joure_ eene
+"magnevyckelycke inspectie" voor Prins _Maurits_, Graaf _Hendrik_, den
+Generaal _Aylva_ en de Gedeputeerden. Den 4 Sept. vertrokken 12
+compagnien over _Heerenveen_ (langs 79 vonders of houten!) naar het
+retranchement _Gorredijk_, dat hij 1760 treden in omvang bevond. Daar
+zoo min als op de vorige plaats viel er iets voor, dat inspanning
+vorderde of vermelding verdient.
+
+Over den uittogt van 1673 is bijzonder uitvoerig de Holl. Mercurius,
+153, die zelfs de resolutie van Gedeputeerden tot dadelijke uittrekking
+bevat, welke niet in het Charterboek voorkomt.
+
+Met een woord herinner ik hier, dat de datums der feiten in de stukken
+van dien tijd dikwijls 10 dagen verschillen, dewijl de eene schrijver de
+dagteekening van den ouden en de ander die van den nieuwen stijl volgde.
+Eerst 1 Jan. 1701 is de laatste in _Friesland_ aangenomen. Volledige
+verklaringen omtrent dat belangrijk punt bevat de Hist. Verhandeling
+over den Nieuwen Stijl, van wijlen mijn vriend den Hoogl. Mr. _J. W. de
+Crane_, geplaatst in Visser en Amersfoordt, Archief, 1827, 2e dl.
+Bovendien heeft laatstgenoemde geleerde in zijne Letter- en
+Geschiedkundige Verzameling van eenige Biographische Bijdragen en
+Berigten, Leeuw. 1841, 63, eene beschrijving gegeven van de Memoriale
+Annotatien van _Horatius Vitringa_, welk Handschrift, thans bij het
+Friesch Genootschap bewaard en meermalen door mij aangehaald, mij groote
+diensten heeft bewezen, ook omdat de voornaamste gedrukte Staatsstukken
+van dien tijd daarin mede zijn opgenomen.
+
+
+_Aant. 26_, op _bladz. 350, 351_.
+
+_De toestand der Kerk en des Volks._
+
+A. Al moge het oordeel van Godgeleerden, als boetpredikers, over den
+zedelijken toestand hunner tijdgenooten eenzijdig en overdreven geacht
+worden, toch is het een feit, dat in 1648 D^o. _Adr. Hasius_, pred. te
+Leeuwarden, geliefde te zeggen in een werkje, getiteld: Den Geestelycken
+Alarm, tot schrick der Godtloosen en troost der Vroomen enz. (ruim 800
+bladz. groot): "Sooder oyt een tijdt gheweest is, in dewelcke allerhande
+sonden en grouwelen d'overhandt genomen hebben, 't is nu sulck een
+tijdt. Krom en verdraeyt is het gheslachte der menschen, dat wy nu
+beleven, ja soo verkeert, dat den meesten hoop in het boose gheleghen
+zijn. De godtloosheydt is by vele soo hoogh geklommen, dat se de toppen
+van de ware Godtsaligheydt 't eenemael, ghelijck als overdeckt heeft."
+En dat gaat zoo voort, nog wel in eene Opdragt aan den Stadhouder en de
+Gedeputeerden. Met even donkere kleuren schetste D^o. _H. Witzius_ in
+1669 den toestand der kerk in zijn: Twist des Heeren met zijn Wyngaert.
+En deze was een man van gezag, waarom hij zes jaren later te _Franeker_
+tot Hoogleeraar werd beroepen.
+
+B. Ofschoon een strafwetboek geen bewijs levert van de heerschende
+ondeugden eener natie, zoo leveren toch de van tijd tot tijd
+uitgevaardigde plakkaten veeleer blijken van voorzieningen tegen
+heerschende gebreken en misdrijven.
+
+Van zoodanige plakkaten der Staten van Friesland vermelden wij ten
+bewijze slechts deze weinige, waarvan sommige herhaaldelijk werden
+uitgevaardigd: 1619, verhooging der strafbepaling op overspel; 1622,
+tegen het mesvechten en doodslaan, het ontheiligen van den sabbath enz.;
+1629, tegen luije bedelaars, landloopers, vagabonden, deugnieten enz.,
+die 't land zóó onveilig maakten, dat men, toen boevejagten met geweer
+ontoereikend waren, in 1654 tot oprigting van een Tucht- en Werkhuis
+voor hen moest besluiten; 1652, tegen het haarplukken en doodslaan;
+1654, tegen brandstichters; 1661, tegen 't onbehoorlijk zuipen en
+slempen op de lijkmaaltijden (zie bladz. 260 hier vóór); 1667, tegen 't
+ijdel zweren en vloeken; 1671, tegen de ongeregeldheden en kwade
+gedragingen van knechten en dienstmaagden; 1686, tegen duellen en
+krakeelen enz.; terwijl de klagten over ergerlijke, kettersche en
+zedelooze boeken zóó dikwijls herhaald werden, dat niemand sedert 1667
+langer een boek mogt uitgeven, tenzij het door de regering of de klassis
+onderzocht en goedgekeurd ware. Zóó groot was de vrijheid in de
+republiek, ten gevolge van het misbruik! Zie dit alles breeder in het
+Charterboek, V 254, 269, 323, 467, 539, 567, 568, 635, 653, 661, 757,
+774, 775, 805, 1257.
+
+C. Ten aanzien van het gedrag en de handelwijze der Hervormde
+Predikanten zie men de berigten van D^o. _Diest Lorgion_, de Hervormde
+Kerk, 123 en 340, waar de punten van beschuldiging en verbetering der
+_Franeker_ klassis van 1662 voorkomen, waaruit ik op bl. 382 reeds
+eenige zinsneden heb medegedeeld.
+
+
+_Aant. 27_, op _bladz. 447_.
+
+_Besluit._
+
+Hoe ruime stof zou er aanwezig zijn, indien ik hier in bijzonderheden
+wilde vermelden, hoedanig de Gelukkige Toestand van Friesland, sinds die
+in 1795 door _Gratama_ werd geschetst (zie bl. 338 hier vóór), thans is
+toegenomen en verbeterd! Met de bevolking, welke in 1744 slechts 135,000
+en in 1796 161,000 zielen bedroeg en thans (1852) tot ruim 251,000 is
+gestegen, zijn toch de middelen van bestaan en de bronnen van
+volkswelvaart toegenomen; hebben wij onschatbare voorregten ten aanzien
+van godsdienstige denkbeelden en van onderwijs en opvoeding ontvangen;
+mogten wij onze staatkundige en burgerlijke betrekkingen verbeterd zien,
+en werd de overtuiging gevestigd, dat wij, bij aanwending van
+verstandelijke kennis en ijver, in den toestand onzer gronden en
+bezittingen, in de voorwerpen van nijverheid en handel een aantal
+voorwerpen bezitten, die voor duurzame ontwikkeling en toenemende
+uitbreiding vatbaar zijn. Doch nadat ik de mij in dit werk gestelde
+perken reeds verre ben overschreden, moet ik de vermelding daarvan
+overlaten aan de behandeling van eene Statistieke en Plaatselijke
+Beschrijving van Friesland. Of ik die, bij wijze van uitbreiding mijner
+uitverkochte Aardrijkskundige Beschrijving van Friesland, van 1840,
+eerlang zal kunnen, zal mogen bewerken;--of ik daartoe, bij mijn
+bestendigen lust en liefde voor dit onderwerp, waarvoor ik zooveel heb
+verzameld, onder al de menigvuldige zorgen voor beroep, ambt en
+letterkundige betrekkingen, tijd en krachten zal bezitten;--dit mag ik
+hopen, doch voorshands niet als een bepaald voornemen doen gelden. Na
+aan deze, God dank! eindelijk voltooide Geschiedenis zoo lange jaren en
+zoo ingespannen gewerkt te hebben, zullen de vermelde bewerking van een
+Beroemd Friesland, en meer nog de groote moeite aan het toezigt op de
+naauwkeurige uitvoering van den Nieuwe Atlas van Friesland (met zoo veel
+regt een belangrijk voorwerp van naauwlettende zorg!) mij vooreerst te
+veel bezig houden, om aan het volbrengen van eene taak te denken, welke
+met dien Atlas een schoon geheel zou kunnen vormen, de eer en roem onzer
+heerlijke provincie waardig!
+
+Om deze te bevorderen, en om bij voortduring nuttig te mogen zijn voor
+mijne landgenooten, wier toegenegenheid ik dankbaar erkenne, daartoe
+schenke de Algoede mij verder lust, kracht en zegen! Veel, zeer veel
+blijft er na al het bewerkte nog te verrigten over, om Frieslands
+geschiedenis en letterkunde zoodanig te behandelen, en uit tot dusverre
+ontoegankelijke of weinig bekende bronnen voor het algemeen toe te
+lichten, als de waardigheid vordert van eene provincie en van een volk,
+wier belangrijkheid ook vreemden meer en meer erkennen, en waaromtrent
+een beroemd Fransch schrijver mogt getuigen:
+
+ Achttien eeuwen hebben den Rijn van loop zien veranderen en de
+ oevers van den Oceaan doen verzwelgen:--het Friesche Volk is
+ staande gebleven, als een historisch gedenkteeken, waardig om
+ zoowel den Franken als Angelsaksers en Scandinaviers gelijke
+ belangstelling in te boezemen.
+
+ MALTE-BRUN.
+
+
+
+
+_Eerste Bijlage._
+
+~TIJDREKENKUNDIGE LIJST~ VAN DE VOORNAAMSTE GEBEURTENISSEN DER ~FRIESCHE
+GESCHIEDENIS~.
+
+
+
+
+EERSTE TIJDVAK.
+
+~OUD FRIESLAND.~
+
+_Van de vroegste tijden tot Karel den groote._
+
+Van het Jaar 11 vóór Chr. tot omstreeks 800 na Christus.
+
+
+11 jaar vóór onze tijdrekening.
+
+Komst van Drusus in Friesland. De Friezen treden in verbond met de
+Romeinen.
+
+28 jaar van onze tijdrekening.
+
+Opstand der Friezen tegen Olennius, Landvoogd der Romeinen, wier benden
+bij het woud Baduhenna geslagen en uit Friesland verdreven worden.
+
+48. Corbulo, in het land der Friezen eene sterkte gesticht hebbende,
+door Keizer Claudius teruggeroepen.
+
+59. Verritus en Malorix, afgezanten der Friezen, trekken naar Rome, om
+Keizer Nero over de hun betwiste gronden aan den Rijn te spreken.
+
+69. De Friezen staan de Batavieren bij in den opstand van dezen tegen de
+Romeinen.
+
+240-455. Trapsgewijze uitbreiding van het land der Friezen, zuidwaarts
+tot over de Schelde, oostwaarts tot over den Wezer.
+
+250 omstr. De Friezen nemen deel in het Frankische Verbond, doch
+verlaten het spoedig.
+
+449. Vele Friezen, steken met de Anglen, Saksers enz. over naar
+Brittannië en vestigen zich in dat land.
+
+463. Begin van der Franken aanvallen op het Friesche rijk.
+
+520 en verv. Invallen der Denen en Noormannen in Friesland.
+
+630. De Franken vestigen zich te Wiltenburg (Utrecht), waar Dagobert I
+eene kerk sticht, welke in
+
+680 door Koning Radboud I verwoest wordt.
+
+641. Komst van den Evangelie-verkondiger Eligius in Friesland,
+
+677 van Wilfrid, die in
+
+686 gevolgd wordt door Egbert en in
+
+690 door Wigbert en Willebrord.
+
+692. Koning Radboud bij Dorestad door Pepijn van Herstal overwonnen.
+
+696. Stichting van eene nieuwe kerk en het Bisdom Utrecht, door
+Willebrord.
+
+716. Overwinning van Radboud op Karel Martel bij Keulen.
+
+717, 726 en 736. Karel Martel valt bij herhaling in Friesland tot
+uitbreiding van het Frankische gezag en ter invoering van het Evangelie.
+
+755. Bonifacius op zijne togten ter verkondiging van het Christelijk
+geloof te Dokkum met de zijnen vermoord.
+
+775. Karel de groote wordt door de Friezen als Beschermheer aangenomen.
+
+Invoering van het Christendom.
+
+800. Karel de groote, Koning der Franken, als Keizer van het Westen
+gekroond.
+
+
+
+
+TWEEDE TIJDVAK.
+
+~HET VRIJE FRIESLAND.~
+
+_Van Karel den groote tot Albert van Saksen._
+
+Van omstreeks 800-1498.
+
+
+804. Verbond van Karel den groote met de door hem onderworpene Saksers
+en Friezen beoosten de Eems, te Salza.
+
+806 en later. Herhaalde Watervloeden.
+
+808 en vervolgens. Vernieuwde invallen van de Denen en Noormannen op de
+Friesche kusten.
+
+809. Togt der Friezen naar Rome ter hulpe van Keizer Karel.
+
+814. Keizer Karel sterft en wordt opgevolgd door zijn zoon Lodewijk den
+vrome, die tot 840 regeert.
+
+1004. De Hollandsche Graven zoeken hun gebied uit te breiden door
+West-Friesland (Noord-Holland) te veroveren, waarbij Graaf Arnoud
+sneuvelt.
+
+1096. Begin van de Kruistogten naar het Heilige land, waaraan vervolgens
+vele Friezen deelnemen.
+
+1169. Nederlaag van Graaf Floris III, bij een nieuwen inval in
+West-Friesland.
+
+1170. Begin der wegscheuring van de landen bewesten de tegenwoordige
+Friesche Kust, waardoor in de volgende eeuw de Zuiderzee ontstaat.
+
+Omstreeks 1200. Opkomst van de Friesche Steden, als Steden.
+
+1218. Heldendaden der Friezen bij de verovering van de Egyptische stad
+Damiate.
+
+1248. De Friezen helpen Graaf Willem II, Roomsch Koning, de stad Aken
+winnen, en ontvangen van hem de bevestiging van hunne vrijheden en
+voorregten.
+
+1255. Graaf Willem II sneuvelt op een togt ter verovering van de West
+Friezen.
+
+1260. Omstreeks dezen tijd is de verdeeling Van Oostergoo en Westergoo
+in Grietenijen ingevoerd, en de Middelzee van lieverlede opgeslijkt,
+tijdens de vergrooting van de Zuiderzee.
+
+1282. Graaf Floris V brengt de West-Friezen onder het gezag der
+Hollandsche Graven, en weet in
+
+1292 zich ook te vestigen in Stavoren, welke stad hij met vele
+voorregten begunstigt.
+
+Omstreeks 1300. Begin der partijschappen tusschen de Schieringers en
+Vetkoopers, welke ongeveer twee eeuwen hebben gewoed.
+
+1310. Graaf Willem III door Westergoo, in naam, als Heer erkend.
+
+1345. Graaf Willem IV valt Friesland met eene aanzienlijke vloot en
+leger bij Stavoren aan, doch wordt met vele edelen verslagen.
+
+1396 en 1398. Groote togten van Hertog Albrecht van Beijeren tegen de
+Friezen. Slag bij Schoterzijl en Takozijl. Korte vestiging van het
+Hollandsche gezag in Friesland.
+
+1400 en 1401. Nieuwe heirvaarten van Albrecht ter verovering van
+Friesland, zonder zijn oogmerk te bereiken.
+
+1417. De Roomsch Koning Sigismund bevestigt de vrijheden en voorregten
+der Friezen; evenzoo in
+
+1457 Keizer Frederik III.
+
+1435. Leeuwarden vergroot door de vereeniging van de stad met de
+naburige dorpen Oldehove en Hoek.
+
+1470. Vergeefsche pogingen van Graaf Karel den stoute, om Heer van
+Friesland te worden.
+
+1487. Bier-oproer te Leeuwarden, hetwelk door de Schieringers wordt
+aangevallen en ingenomen.
+
+1491. Verbond van Oostergoo en Westergoo met de stad Groningen.
+
+1493. 's Keizers gezant, Otto van Langen, komt in Friesland ter
+bemiddeling van de partijen.
+
+1495. De Schieringers nemen vreemde benden uit Holland en elders ter
+hulp aan.
+
+1498. De Keizer draagt aan Hertog Albert van Saksen, als Erf-Potestaat,
+het bestuur over Friesland op.
+
+
+
+
+DERDE TIJDVAK.
+
+FRIESLAND BESTUURD NAMENS VREEMDE VORSTEN.
+
+_Van Albert van Saksen tot de Hervorming._
+
+1498-1580.
+
+_A. De Saksische Regering._
+
+
+1498. Hertog Alberts Stedehouder, Willebrord van Schaumburg, trekt met
+2,000 man in Westergoo, neemt Leeuwarden in, en verovert Oostergoo en
+Zevenwouden.
+
+1499. Albert komt met zijn zoon Hendrik in Friesland, wordt gehuldigd en
+stelt een Provincialen Raad in.
+
+1500. Hertog Hendrik verbittert de Friezen, die hem in Franeker
+belegeren, doch aftrekken, zoodra Albert tot ontzet nadert.
+
+1504. Hertog Georg van Saksen komt in Friesland, plaatst te Leeuwarden
+een Geregtshof en voert vele verbeteringen in, zoodat de rust en
+welvaart hersteld worden.
+
+1505-8. Het Bildt verpacht en bedijkt.
+
+1509. Graaf Hendrik van Stolberg, de edele Stadhouder, overleden.
+
+1512. Jemme Herjuwsma en Gerbrand Mokkema te Leeuwarden onthoofd, wegens
+verstandhouding met den Graaf van Oost-Friesland.
+
+1514. De Geldersche benden van Karel van Egmond bezetten een groot deel
+van Friesland, belovende herstel der vrijheid.
+
+
+_B. De Bourgondische Regering._
+
+1515. Hertog Georg draagt Friesland over aan Karel van Oostenrijk, Graaf
+van Holland enz.--Bestendige strijd van dezen tegen de Gelderschen om
+het gebied.
+
+1516. Leeuwarden door de Gelderschen belegerd en door Bourgondische
+benden ontzet.
+
+1517. Groote Pier maakt de Zuiderzee onveilig, om de Hollanders, die
+zijne woonplaats verbrand hadden, afbreuk te doen.
+
+1522. De Gelderschen verlaten Sneek, 1523 Dokkum, Bolsward enz., zoodat
+in 1524 geheel Friesland Keizer Karel V als Heer aanneemt.
+
+Begin van een langdurig tijdperk van vrede, welvaart en vooruitgang.
+
+1531. Begin der geloofsvervolgingen. Martelaren.
+
+1535. Ongeveer 300 der Munstersche Wederdoopers nemen Oldeklooster in,
+doch worden belegerd, gevangen genomen en meerendeels omgebragt.
+
+1536. Gellius Faber de Bouma en Menno Simons verlaten het pausdom en
+ondersteunen de zaak der hervorming.
+
+1550. Invoering van de Inquisitie.
+
+1551. De omstreken van Heerenveen ontgonnen en vaarten derwaarts
+gegraven.
+
+
+_C. De Spaansche Regering._
+
+1555. Karel V draagt de regering over aan zijn zoon Filips II.
+
+1560. Invoering van nieuwe Aarts-Bisdommen en Bisdommen in Nederland.
+
+1565. 108 Friezen nemen deel aan het verbond der Nederlandsche Edelen
+tegen Spanje.
+
+1566. De Hervormde leer te Leeuwarden en elders ingevoerd, doch weder
+onderdrukt.
+
+1567. Herstelling van de Roomsche eeredienst. Komst van den Hertog van
+Alva. Vlugt van vele Edelen en Geestelijken.
+
+1568. Begin van den tachtigjarigen oorlog tegen Spanje. De Stadhouder
+Aremberg sneuvelt bij Heiligerlee.
+
+1570. Komst van Cunerus Petri, als Bisschop van Leeuwarden. Groote
+schade en nood door den Allerheiligenvloed.
+
+1572. De pogingen der Bondgenooten, om eenige steden op de Spanjaarden
+te veroveren, door Robles verijdeld.
+
+1574. Verbetering van de Zeeweringen onder Caspar de Robles.
+
+1576. De Pacificatie van Gent.
+
+1578. Afkondiging van den Religions-vrede.
+
+1579. De Unie van Utrecht gesloten.
+
+1580. De Blokhuizen van Leeuwarden, Harlingen en Stavoren veroverd; de
+Hervorming van Staat en Kerk doorgezet.
+
+
+
+
+VIERDE TIJDVAK.
+
+FRIESLAND ONDER DE STATEN EN STADHOUDERS.
+
+_Van de Hervorming tot de Staats-omwenteling._
+
+1580-1795.
+
+
+1580. De Roomsche eeredienst verboden en de Kloosters afgeschaft.
+Invoering van de Hervormde leer.
+
+De Spaansche benden stroopen langs de zuidkust van Friesland.
+
+1580 en 90. Nieuw-Dongeradeel of de Holwerder- en Ternaarder-Polders
+bedijkt.
+
+1581. Afzwering van Koning Filips II van Spanje.
+
+Prins Willem I komt in Friesland, om orde op de regering te stellen.
+
+Twisten tusschen de Staatsleden, de Gedeputeerden en het Hof.
+
+1582. De Hertog van Anjou tot Landvoogd aangenomen.
+
+1583. Inval der Spanjaarden. Proces tusschen de Landen en Steden.
+
+1584. Graaf Willem Lodewijk eerst tot Luit.-Gouverneur, daarna tot
+Stadhouder aangenomen. Verdeeldheid onder de Regeringsleden.
+
+1585. 's Lands Akademie te Franeker opgerigt.
+
+Voortdurende gevaarlijke toestand des lands.
+
+1586. Inval der Spaanschen. Slag bij Boxum.
+
+Handelingen met den Engelschen Landvoogd Leicester.
+
+1588. Vergaan der Onoverwinnelijke Vloot.
+
+1591. Pogingen om den vijand uit Groningen en de andere vestingen te
+verdrijven.
+
+1592. Steenwijk, Koevorden enz. gewonnen.
+
+1593. Verdugo's laatste strooptogt in Friesland.
+
+Verschillen tusschen Carel Roorda en Graaf Willem Lodewijk.
+
+1594. Groningen belegerd, gewonnen en met de Ommelanden tot de Unie
+gebragt.
+
+Aftogt der Spaansche benden uit deze noordelijke streken.
+
+1596. Het Collegie ter Admiraliteit te Dokkum opgerigt.
+
+Verschillen over de inwilliging van de belastingen.
+
+1598. Bewegingen ten gevolge der handelingen van den Ontvanger-Generaal
+Taco van Dijxtra.
+
+1600. In den slag van Nieuwpoort nemen de Friezen den Admirant van
+Arragon gevangen.
+
+Hevige staatstwisten over de zware schattingen. Scheuring tusschen de
+Regeringsleden. Gezanten der Algemeene Staten herwaarts gezonden.
+
+1600. Het Nieuwe Bildt bedijkt.
+
+1601. Amnestie tot herstel van 's lands rust.
+
+1602. De Lands-ordonnantie uitgevaardigd.
+
+1609. Twaalfjarig Bestand met Spanje.
+
+1609-15. Hevige verschillen tusschen de Stedelijke Regering en de
+ingezetenen van Leeuwarden.
+
+Toenemende welvaart tijdens het Bestand.
+
+1613. Begin der bedijking van het Stavorensche Noorder- en Zuidermeer.
+
+1619. Uitbreiding en versterking van Leeuwarden.
+
+De leer, doch niet de Kerken-orde der Dordsche Synode in Friesland
+aangenomen.
+
+1620. Graaf Willem Lodewijk sterft en wordt opgevolgd door Graaf Ernst
+Casimir van Nassau.
+
+1622. Inval der Spanjaarden in de Zevenwouden.
+
+Verschillen over de Raadsbestelling der Steden.
+
+1624. Het Workumer-Nieuwland bedijkt.
+
+1626. Hevige bewegingen tegen de invoering van gelijke belastingen als
+in Holland.
+
+Reformatie van de misbruiken in de regering.
+
+1631-37. Voortdurende onlusten over de verpachting van 's lands
+middelen, de wijze van verdeeling, de inning der quota enz.
+
+Volksberoeringen.
+
+Gezanten der Algemeene Staten met krijgsvolk herwaarts gezonden.
+
+Groote verdeeldheid onder de Regering en het volk.
+
+1632. Dood van Graaf Ernst Casimir, die door Graaf Hendrik Casimir I
+wordt opgevolgd.
+
+1633. Het Warregaster en andere Meren bedijkt en drooggemaakt.
+
+1640. Graaf Hendrik Casimir I sneuvelt en wordt door zijn broeder, Graaf
+Willem Frederik van Nassau, als Stadhouder opgevolgd.
+
+1641. De Dragster-Compagnons-Veenvaart begonnen.
+
+1645. Het Friesche Collegie ter Admiraliteit van Dokkum naar Harlingen
+overgebragt.
+
+1647. De eerste Trekweg, tusschen Leeuwarden en Harlingen, aangelegd en
+door vele andere gevolgd.
+
+1648. De Vrede met Spanje te Munster gesloten.
+
+ * * * * *
+
+1651 env. Verschillen van de Friesche Staten met die van Holland.
+
+1653. Eerste Engelsche Oorlog.
+
+1657. Onlusten te Leeuwarden, Franeker en elders jegens de
+Regeringsleden.
+
+1662. Klagten en bewegingen over het verkoopen van de lands Ambten enz.
+
+1663. De Post van Leeuwarden op Zwolle ingevoerd.
+
+1664. Eerste aanvallen van den Bisschop van Munster.
+
+Dood van den Stadhouder Prins Willem Frederik.
+
+1665. Tweede Engelsche Oorlog. Frieslands Luitenant-Admiraal Auke
+Stellingwerf sneuvelt.
+
+Schade door storm en watervloed.
+
+1666. Hevige zeegevechten. Lt.-Adm. Tjerk Hiddes de Vries gesneuveld.
+
+1672. Friesland, door de vereenigde Fransche, Munstersche en Keulsche
+magten bedreigd, wapent en versterkt zich onder Aylva.
+
+Hevig gevecht tusschen het regiment van dien Generaal en de Franschen
+bij den overtogt van dezen over den Rijn.
+
+Prins Hendrik Casimir II tot Stadhouder verkozen.
+
+De Munstersche benden bij herhaling afgeslagen en Blokzijl met hulp der
+Friezen veroverd.
+
+Krachtige pogingen van het volk tot verbetering van de misbruiken in de
+Regering.
+
+Nieuwe Staten gekozen, terwijl eenige oude leden een Landsdag te Sneek
+houden.
+
+Hooggaande verdeeldheid tusschen de Regeringsleden.
+
+1673. Pogingen der Staten Generaal tot bemiddeling. Invoering van het
+Reglement-reformatoir. Nieuwe volkswapening en versterking. Vruchtelooze
+aanval van de bisschoppelijke troepen, die geslagen en verdreven worden.
+
+1675. De Labadisten vestigen zich te Wienwerd.
+
+1677. Heldendood van den Kommandeur Jacob Binckes op Tabago.
+
+1678. Verschillen met Prins Willem III over het afdanken van krijgsvolk,
+gelijk in 1684 over de werving.
+
+1683. Fransche Hervormde vlugtelingen in bescherming genomen.
+
+1684. Huwelijk van Prins Hendrik Casimir met Prinses Amalia van
+Anhalt-Dessau.
+
+1689. Dapperheid van dezen Prins, van Aylva en van Coehoorn in den
+veldslagen van Fleurus enz.
+
+1696. Prins Hendrik Casimir II en zijne moeder Prinses Albertina Agnes
+overlijden.
+
+1700. Aanvang van den Spaanschen Successie-oorlog.
+
+1701 en 3. Stormen, dijkbreuken en watervloeden.
+
+1702. De Statendijk en Schoterzijl aangelegd.
+
+1704. Voortzetting van het groote Veenkanaal van Lippenhuizen naar
+Appelscha, van 1781 tot 1819 voltooid.
+
+1707. Prins Jan Willem Friso wordt Stadhouder; betoont in
+
+1708 env. grooten heldenmoed in den Successie-oorlog; huwt in
+
+1709 aan Prinses Maria Louisa van Hessen-Kassel, en komt in
+
+1711, bij het overvaren van het Strijensche sas, ongelukkig om het
+leven.
+
+Prins Willem Carel Hendrik Friso geboren.
+
+1712. Inval van den Generaal Grovestins in Frankrijk.
+
+1713. De Vrede met Frankrijk te Utrecht gesloten.
+
+ * * * * *
+
+1729. De Dokkumer Nieuwe Zijlen aangelegd.
+
+1730-34. Verwoestingen van den Paalworm. Slaperdijken aangelegd.
+
+1731. Prins Willem Carel Hendrik Friso Stadhouder, en in
+
+1734 gehuwd aan Prinses Anna van Engeland.
+
+1740. Aanvang van den Oostenrijkschen Successie-oorlog.
+
+1747. De Prins, als Willem IV, verheven tot Algemeen Stadhouder, verlaat
+Friesland.
+
+1748. Hevige volksberoeringen. Verbeteringen in het Staatsbestuur.
+
+1751. Dood van den Prins.
+
+1759. Prinses Anna, Gouvernante, sterft, waarna Prinses Maria Louisa
+Gouvernante wordt in Friesland, tot
+
+1765, toen zij overleed.
+
+1766. Prins Willem V aanvaardt het Stadhouderschap.
+
+1775 en 76. Dijkbreuken en overstroomingen.
+
+1780. Begin der staatkundige onlusten.
+
+1787. Eenige leden der Friesche Staten scheiden zich van de overige af
+en vestigen zich te Franeker, dat versterkt en door de gewapende
+Patriotten bezet wordt.
+
+De Pruissische troepen herstellen het stadhouderlijk gezag.
+
+Vervolging en vlugt van de Patriotten.
+
+
+
+
+VIJFDE TIJDVAK.
+
+DE VOLKS- EN FRANSCHE REGERING.
+
+_Van de Omwenteling tot de herstelling van Nederland._
+
+1795-1813.
+
+
+1795. Prins Willem V vlugt. De Staats-omwenteling.
+
+De Franschen bezetten ons land. Volksregering.
+
+1798. Staatsregeling. Opheffing van de Souvereiniteit der provinciën.
+
+Het Feest der Een- en Ondeelbaarheid te Leeuwarden gevierd.
+
+1801. Nieuwe Staatsregeling.
+
+1805. Gewijzigde Staatsregeling met R. J. Schimmelpenninck als
+Raad-pensionaris aan het hoofd van 't Bataafsch Gemeenebest.
+
+1806. Lodewijk Napoléon, Koning van Holland.
+
+1810. Nederland bij Frankrijk ingelijfd.
+
+
+
+
+ZESDE TIJDVAK.
+
+DE KONINKLIJKE REGERING.
+
+_Van de herstelling van Nederland tot de invoering van de Gemeentewet._
+
+1813-1851.
+
+
+1813. Bevrijding van Nederland. Vertrek der Franschen.
+
+Prins Willem Frederik komt terug en wordt
+
+1814 Souverein Vorst der Nederlanden. Eerste Grondwet.
+
+Jhr. Idsert Æbinga van Humalda Gouverneur van Friesland.
+
+1815. De Staten en Grietenij-besturen hersteld.
+
+Nieuwe Grondwet voor het Koningrijk der Nederlanden (met België
+vereenigd), onder Koning Willem I.
+
+Oprigting van het Athenæum te Franeker.
+
+1825. Dijkbreuken en overstroomingen.
+
+1826. Heerschende ziekte en groote sterfte.
+
+Jan Adriaan Baron van Zuijlen van Nijevelt Gouverneur.
+
+1827. Begin van het aanleggen van Straatwegen.
+
+1830. Afscheiding van België. Algemeene volkswapening.
+
+1830-50. Verbeteringen in Frieslands Waterstaat.
+
+1840. Gewijzigde Grondwet. Willem II Koning.
+
+Maurits Pico Diderik Baron van Sytzama Gouverneur.
+
+1843. Opheffing van het Rijks Athenæum te Franeker.
+
+1844. Tentoonstelling van voorwerpen van Friesche Nijverheid.
+
+1847. Duurte en volksbewegingen ten gevolge der aardappelziekte.
+
+1848. Nieuwe Grondwet. Jhr. Jan Ernst van Panhuijs Gouverneur.
+
+1849, 12 Mei. Willem III tot Koning gehuldigd.
+
+1851, 5 Julij. Invoering van de Gemeentewet.
+
+1852, 19 April. Koning Willem III bezoekt Friesland.
+
+
+
+
+_Tweede Bijlage._
+
+~TIJDREKENKUNDIG OVERZIGT~ VAN DE ~FRIESCHE VORSTEN~, OPPERHOOFDEN,
+KONINGEN, STADHOUDERS ENZ.
+
+_van de vroegste tijden tot 1851._
+
+
+Alle volksgeschiedenissen, zonder eenige uitzondering, hebben hare
+_mythen_, verdichtselen, sagen en overleveringen, waarmede zij
+aanvangen. Zeldzaam zijn ze geheel verdicht; meestal is de waarheid
+opgesierd en voorgesteld in een vorm, welke dadelijk verraadt, dat deze
+verhalen eerst in schrift gesteld zijn in latere eeuwen (de 12e en 13e),
+wier kenmerken en behoeften op vroegere gebeurtenissen overgebragt of
+toegepast zijn. Zaken en voorstelling zijn daarin dus zeer moeijelijk te
+onderscheiden. Langzamerhand vloeijen ook die verhalen met de ware
+oorkonden zamen, zonder dat iemand in staat is met juistheid aan te
+wijzen, waar het tijdpunt is, dat volkomene zekerheid geeft. Hoe meer
+echter de gebeurtenissen, ook in de oude Friesche Landskronyken
+verhaald, overeenstemmen met de godsdienstoefeningen, zeden, karakter en
+gewoonten des volks en de omstandigheden der tijden--hoe meer waarde en
+gezag wij er aan kunnen hechten, vooral, wanneer geschiedschrijvers van
+andere landen deze berigten bevestigen. Sommigen hebben die verhalen als
+waarheid aangenomen; anderen hebben ze verworpen: beide zyn te ver
+gegaan. Waarheid en verdichting ondereengemengd en in het kleed der
+oudheid gehuld, kunnen door geene magtspreuken vaneen gescheiden worden;
+en zal het immer aan het verstandig oordeel en de mate der ontwikkeling
+van ieder lezer blijven overgelaten, wat hij voor waarheid, voor
+opgesierde waarheid of enkel verdichting, aanvulling of voorstelling
+meent te moeten houden. Tegen Emmius, die al te veel heeft verworpen, is
+vooral in den laatsten tijd de waarde der Friesche Kronyk van
+Scharlensis verdedigd door Mr. J. van Lennep, in Nijhoff's Bijdragen; II
+221. Belangrijk is te dezen aanzien ook de inleiding der verhandeling
+van Mr. F. Binkes, over eene Volkplanting der Friezen in Zwitserland, in
+de Vrije Fries, I 1, waar de ~ligtgeloovigen~ zoowel als de
+~ongeloovigen~ nadeelig voor de beoefening der geschiedenis worden
+genoemd.[379]
+
+ [379] Men vergelijke hiermede ook mijne denkbeelden over dit
+ onderwerp, medegedeeld in de Geschiedkundige Beschrijving van
+ Leeuwarden, I 18-23.
+
+Zoodra de Friezen hier gevestigd waren, zich uitbreidden en vooral
+sedert zij met de Romeinen in betrekking kwamen, hadden zij behoefte aan
+Opperhoofden, die met de oudsten en de priesters de weinige algemeene
+belangen regelden. Maar hoe hunne namen en welke hunne titels waren in
+die eerste tijden--wie zal dit met zekerheid kunnen zeggen? Op grond van
+oude volksverhalen, die van een roemrijken stamvader _Friso_, uit
+het Oosten afkomstig, gewagen, geven de kronyken echter eene
+aaneengeschakelde lijst van al de Vorsten, die van hem af het gebied
+over Friesland hebben gevoerd. Zoolang het ons onmogelijk is, waarheid
+en verdichting te scheiden, hebben wij eerbied voor deze volksverhalen,
+en als zoodanig geven wij hier een kort overzigt van al de personen,
+welke de overlevering als vroegere _Bestuurders van Friesland_ opgeeft.
+Daar echter de schrijfkunst en de jaartelling of onze wijze van
+tijdrekening eerst na de invoering van het Christendom in deze landen
+(omstreeks het jaar 800) hier in gebruik gekomen en later meer algemeen
+geworden zijn, zoo kan men alleen aan dezen maatstaf eenigzins de waarde
+toetsten van de opgaven onzer kronyken ten aanzien van den tijd en de
+bijzonderheden der vroegste gebeurtenissen.
+
+
+
+
+EERSTE TIJDVAK.
+
+_Van Prins Friso tot Keizer Karel den groote._
+
+Van het jaar 313 vóór- tot omstr. 800 na Christus.
+
+I. ZEVEN PRINSEN.
+
+
+FRISO. (313 j. v. C.)
+
+Ten tijde van Alexander den groote zou deze Indische Prins, uit zijn
+vaderland verdreven, zich met vele anderen op eene vloot begeven hebben,
+waarmede zij, na vele omzwervingen, landden in Friesland, waar hij aan
+het Flie eene stad stichtte, naar den God Stavo Stavoren geheeten. Hij
+wordt gehouden voor den Stamvader der Friezen, voor den eersten bevolker
+van dit land, hetwelk bij 68 jaren lang regeerde. Zijn zoon
+
+
+ADEL (245 j. v. C.)
+
+volgde hem op, en zou gedurende zijne 94jarige regering de Noormannen
+bestreden, wijze verordeningen gemaakt, den Adel ingesteld en de groote
+gastmalen ingevoerd hebben.
+
+
+UBBO, (151 j. v. C.)
+
+zijn zoon en opvolger, zou Keulen, gelijk de zonen van dezen Batenburg
+en Vroonen gesticht hebben. Na 80 jaren geregeerd te hebben, volgde zijn
+zoon
+
+
+ASINGA ASKON (71 j. v. C.)
+
+hem op. Deze zou Stavoren vergroot en bemuurd, en onderscheidene
+oorlogen met naburige volken gevoerd hebben, gedurende zijne 82jarige
+regering. Op hem volgde
+
+
+DIOKARUS SEGON, (11 j. n. C.)
+
+zijn neef en veldheer, onder wien de Friezen in het jaar 28 tegen de
+Romeinen opstonden. Zijn zoon
+
+
+DIBBALDUS SEGON, (46 j. n. C.)
+
+was zijn opvolger, om zijne krijgshaftige daden, zoowel te land als ter
+zee, beroemd.
+
+
+TABBO, (85)
+
+zijn veldheer, zou dapper met de Romeinen tegen de Britten gestreden en
+ook de Denen bevochten hebben.
+
+
+II. ZEVEN HERTOGEN.
+
+
+ASKON, (130)
+
+zou, onder een anderen titel, de opvolger van zijn vader geworden zijn,
+en tevens de stichter van verscheidene dorpen. Minder vredelievend dan
+hij was zijn zoon en opvolger
+
+
+ADELBOLD, (173)
+
+die de Romeinen met hulpbenden ondersteunde en tegen verschillende
+naburige volken oorloogde. Zijn broeder
+
+
+TITUS BOJOCALUS (187)
+
+wordt zeer geroemd als een geleerd en dapper vorst, bij den Romeinschen
+Keizer en den Hertog van Braband, welken hij hulp bood, zeer geacht.
+
+
+UBBO, (240)
+
+zijns broeders zoon, was zijn opvolger, en zou gedurende zijne vreedzame
+regering vele gebouwen, sterkten en steden, ook Dokkum, gesticht hebben.
+
+
+HARON UBBO (299)
+
+zou zich met de Denen verbonden en Diderik, den Koning van
+West-Friesland, bestreden hebben. In zijn lusthuis bij het Roode Klif,
+dat toen dikwijls vlammen braakte, zou hij, 97 jaren oud, in 335
+gestorven zijn.
+
+
+ODILBALD (335)
+
+was zijn zoon en opvolger, die door zijne dapperheid het rijk zou
+uitgebreid hebben, even als zijn zoon
+
+
+ODOLF HARON, (360)
+
+de laatste der Hertogen, onder wien een groot getal Friezen zich, ten
+gevolge van overbevolking, aan den Eider zou hebben nedergezet.
+
+
+III. NEGEN KONINGEN.
+
+
+RICHOLD UFFO. (392)
+
+Wegens de uitbreiding van Friesland nam deze den titel van Koning aan.
+Tegen de Denen en Franken zou hij dapper gestreden en te Stavoren en
+elders lusthuizen gebouwd hebben.
+
+
+ODILBALD, (435)
+
+zijn zoon en opvolger, wordt geroemd als een goedertieren vorst, beleefd
+jegens zijn volk en gevreesd door zijne vijanden. Hij trouwde eene
+dochter des Konings van Denemarken. Zijn zoon
+
+
+RICHOLD II (470)
+
+verdreef de Franken uit Westfalen en de Denen uit de Eems, en was bij
+het volk zeer bemind.
+
+
+BEROALD (533)
+
+volgde hem op, breidde de grenzen des lands uit en sneuvelde in een
+gevecht tegen de Franken. Zijn zoon
+
+
+ADGILD I (590)
+
+was een vredelievend vorst, die de prediking van het Evangelie toeliet
+en de belangen des volks, ook door het opwerpen van terpen en zeedijken,
+zeer bevorderde.
+
+
+RADBOUD I, (672)
+
+zijn zoon en opvolger, wederstond even krachtig de invoering van de
+christelijke godsdienst en de legers der Franken, als zijn vader
+daaromtrent toegevend en vredelievend was geweest. Hij verwoestte de te
+Utrecht reeds gestichte St. Thomaskerk, doch werd 12 jaren later door
+Pepijn bij Dorestad geslagen. Na den dood van dezen versloeg hij het
+Frankische leger bij Keulen, waarover Karel Martel zich wreekte, door
+herhaaldelijk met eene vloot in Friesland te vallen.
+
+
+ADGILD II (723)
+
+was weder het tegengestelde van zijn vader. Hij regeerde in rust en
+vrede, en liet de prediking van het Evangelie toe, ja zou zelf de
+christelijke leer hebben aangenomen. Zijn zoon
+
+
+GONDEBALD (737)
+
+volgde zijn voorbeeld, zoodat het Christendom hier meer ingang vond.
+Doch zijn broeder,
+
+
+RADBOUD II, (749)
+
+in het heidensche Denemarken opgevoed, herstelde hier de voorvaderlijke
+eeredienst, liet Bonifacius ombrengen en mishandelde met wreedheid de
+Christenen, waartoe hij de hulp inriep van de Saksers. Het hierdoor
+verbitterde volk klaagde zijn nood aan Karel den groote, die den
+Frankischen troon had beklommen. Op de komst van dezen, vlugtte
+Radboud, namen de Friesche Koningen een einde en de Friezen het
+Christendom aan, waarbij zij zich stelden onder de bescherming van den
+Frankischen Koning, die eerlang mede Keizer van Duitschland werd.
+
+
+
+
+TWEEDE TIJDVAK.
+
+_Van Karel den groote tot Albert van Saksen._
+
+Van omstreeks het Jaar 800 tot 1498.
+
+~KAREL~ DE ~GROOTE~,
+
+_Koning der Franken, Keizer van Duitschland, Beschermheer der Friezen._
+
+IV. ZEVENTIEN LANDSHEEREN OF POTESTATEN.
+
+
+MAGNUS FORTEMAN, (809)
+
+der Friezen veldoverste op den togt naar Rome, wordt voor den eersten
+Potestaat gehouden. Onder de vrijheden, door Keizer Karel den Friezen
+gelaten, was ook deze, dat zij uit hunne eigene inboorlingen een Overste
+zouden kiezen, om het land zoowel in oorlog als in vrede te besturen.
+Welligt werden deze Potestaten enkel in hoogen nood en voor een jaar of
+een bepaalden tijd verkoren, en was hun een raad van achttien ervarene
+mannen toegevoegd. In een strijd tegen de Saracenen is hij gesneuveld,
+te Rome begraven en daarna heilig verklaard.
+
+
+FOCKO of TACO LUDIGMAN (819)
+
+heeft het land trouw beschermd tegen de invallen der Deensche
+zeeroovers, gelijk ook zijn opvolger
+
+
+ADELBRIK ADÉLEN, (830)
+
+van Sexbierum, die een hertog van Zweden in een slag bij Kollum zou
+overwonnen hebben.
+
+
+HESSEL HERMANA, (869)
+
+van Minnertsga, wordt als een onversaagd krijgsman geroemd, die in den
+strijd tegen de Noormannen zijn leven liet.
+
+
+IGO GALEMA (overl. 886)
+
+trachtte de kusten en havens tegen die vijandelijke aanvallen te
+versterken.
+
+
+GOSSE LUDIGMAN (989)
+
+woonde te Stavoren, hetwelk destijds door handel en scheepvaart in
+aanzien toenam.
+
+
+SACO REINALDA (overl. 1167)
+
+wordt geroemd als een braaf en vredelievend man, onder wiens bestuur
+vele Friezen op nieuw naar het Heilige land trokken.
+
+
+SICKO SJAARDAMA (1237)
+
+wordt door sommigen voor den achtsten Potestaat gehouden, die omstreeks
+1254 de aanbiedingen van Graaf Willem II, als hij hem de heerschappij
+over Friesland mogt willen bezorgen, fier zou hebben afgeslagen.
+
+
+REINDER CAMMINGHA (overl. 1306)
+
+gaf vele blijken van dapperheid, ook in den strijd tegen de Noormannen,
+waarbij hij sneuvelde.
+
+
+HESSEL MARTENA (overl. 1313)
+
+schroomde den strijd evenmin, vooral tegen de aanvallen van de
+Hollandsche Graven, hoewel hij anders geacht was om zijne
+vredelievendheid.
+
+
+JUW JUWINGA, (1396)
+
+van Bolsward, was door buitenlandsche togten als krijgsman beroemd, toen
+hij, bij den grooten zeetogt van Albrecht van Beijeren tegen Friesland,
+tot der Friezen Potestaat en Veldoverste werd verkozen. Dapper
+strijdende, sneuvelde hij in den veldslag bij Schoterzijl.
+
+
+SICKE DEKAMA, GALE HANIA en ODO BOTNIA, (1399)
+
+de eersten de hoofden der Schieringers, gelijk de laatste der
+Vetkoopers, waren sedert hunne verzoening den vrede toegedaan, en
+moeijelijk te bewegen, om der Friezen aanvoerders te zijn ter
+verdrijving van de Hollanders. Onder
+
+
+SJOERD WIARDA, van Goutum, en HARING HARINXMA, van Heeg, (1404)
+
+de eerste voor Oostergoo en de laatste voor Westergoo benoemd, gelukte
+het den Friezen, zich van het Hollandsche gezag te ontslaan en de
+Friesche vrijheid te herstellen. Doch nu ook begonnen de partijschappen
+tusschen de Schieringers en Vetkoopers op nieuw te blaken. Tot het
+benoemen van een nieuwen Potestaat was men niet te bewegen. Op raad van
+den gezant des Keizers, Otto van Langen, werd eindelijk
+
+
+JUW DEKAMA, van Baard, (1494)
+
+verkozen en hem een raad van 24 personen toegevoegd. Doch te vergeefs
+poogde hij in die onlusten vrede te stichten, daar ook de Vetkoopers
+hem, den Schieringer, niet wilden erkennen. Daarom droeg de Keizer in
+1498 het bestuur over Friesland op aan een vreemden Vorst, aan Albert,
+Hertog van Saksen.
+
+
+
+
+DERDE TIJDVAK.
+
+_Van Albert van Saksen tot de Hervorming._
+
+_1498-1580._
+
+V. ERFHEEREN VAN FRIESLAND EN HUNNE STADHOUDERS.
+
+
+_A. De Saksische Regering._
+
+
+~ALBERT~, _Hertog van Saksen-Meissen_, (1498)
+
+geboren in 1443, was gedurende de voogdijschap van Keizer Maximiliaan
+over zijn zoon Filips II, Graaf van Holland, tot Stadhouder van dat
+gewest aangesteld. Hij had daar door krachtige middelen de tweespalt der
+Hoekschen en Kabeljaauwschen en van het Kaas- en Broodsvolk weten te
+dempen, toen hem, ter vergoeding der gemaakte kosten, door den Keizer
+het bestuur over Friesland werd opgedragen. Nadat hij het met benden had
+doen bezetten, kwam hij met zijn zoon in 1499 over, stelde orde op de
+zaken en een Provincialen Raad te Franeker in, ontzette zijn zoon, in
+1500 in die stad belegerd, en overleed kort daarna te Emden.
+
+
+~HENDRIK~, _Hertog van Saksen_, (1499)
+
+met zijn vader herwaarts gekomen, werd, ten gevolge zijner strenge
+maatregelen, in Franeker door de Friezen belegerd, vertrok kort daarna
+in bedevaart naar Spanje, hoewel hij later de eerste der Duitsche
+Vorsten was, die de leer van Luther omhelsde. Hij was geb. in 1473 en
+stierf in 1541. Van 1500 tot 1504 werd Friesland bestuurd op naam van
+hem en zijn broeder
+
+
+~GEORG~, _Hertog van Saksen_, (1504)
+
+die, geb. in 1471, in 1504 zelf overkwam, te Leeuwarden een Geregtshof,
+Munt enz. instelde, vele goede verordeningen invoerde, doch later door
+zware schattingen en knevelarijen misnoegen verwekte, zoodat hij, door
+den oorlog met Groningen en door den Graaf van Oost-Friesland en den
+Hertog van Gelder in het naauw gebragt, Friesland in 1515 aan Karel van
+Oostenrijk overdroeg.
+
+
+_Stadhouders._
+
+
+WILLEBRORD VAN SCHAUMBURG. (1498)
+
+Als krijgsoverste vooruit gezonden, gelukte het hem Friesland
+grootendeels te bezetten, en, na Leeuwarden twee malen belegerd te
+hebben, daar een kasteel te bouwen.
+
+
+HUGO, _Burggraaf_ VAN LEIJSENACH, (1500)
+
+een Saksisch edelman, wist hier zijns Vorsten gezag te vestigen, doch
+gaf door zijne strenge maatregelen weinig genoegen.
+
+
+WILLEM TRUCHSES (1504)
+
+schijnt korten tijd Stadhouder geweest te zijn tijdens de vestiging van
+het Geregtshof te Leeuwarden.
+
+
+HENDRIK, _Graaf van Stolberg en Heer van Wernigerrode_, (1506)
+
+kwam welligt reeds in 1499 met de Hertogen in Friesland, zoodat hij veel
+kennis van het land en den aard en de behoeften der inwoners had
+opgedaan, toen hem, na het vertrek van Georg, het bewind werd
+opgedragen. Als een verstandig man en braaf christen maakte hij die
+kennis dienstbaar aan de bevordering van het heil des lands en van de
+belangen der ingezetenen, die zijn ijver met liefde en dankbaarheid
+beloonden, dewijl hij ramp in zegen deed verkeeren. Algemeen betreurd,
+stierf hij te Keulen, 1509, doch werd, volgens zijne begeerte, te
+Leeuwarden in de Jakobijner-kerk met luister begraven. De nagedachtenis
+van dezen edelen landvoogd blijve hier duurzaam in zegening!
+
+
+EVERWIJN, _Graaf van Benthem_, (1509)
+
+bedierf de zaak der Saksers hier door drukkende schattingen en geweldige
+middelen, om zich staande te houden tegen de Vorsten, die de Friezen
+hulp verleenden tot ondermijning van zijn gezag.
+
+
+_B. De Bourgondische Regering._
+
+
+~KAREL VAN OOSTENRIJK~, _Hertog van Bourgondië, Graaf van Holland, Heer
+van Friesland_. (1515)
+
+In 1500 geb. te Gent, aanvaarde hij in 1515 de regering van Holland en,
+door overdragt, van Friesland, werd in 1517 Koning van Spanje, in 1519
+Keizer van Duitschland en in 1543 Heer van alle Nederlandsche Gewesten.
+Rijk in schatten, magt en bekwaamheden, was zijn leven een luisterrijk
+tafereel van roemwaardige bedrijven, welke echter door strenge
+geloofsvervolgingen werden ontsierd. Na de regering in 1555 aan zijn
+zoon Filips te hebben overgedragen, stierf hij in 1558 in een klooster
+in Spanje. Gedurende zijn bestuur waren Margaretha van Oostenrijk, van
+1506-1530, Maria van Oostenrijk, Koningin van Hongarije, van 1530-1555,
+en later Margaretha van Parma, van 1559-1567, Gouvernantes of Algemeene
+Landvoogdessen, terwijl Friesland bestuurd werd door de volgende
+
+
+_Stadhouders._
+
+
+FLORIS VAN EGMOND, _Heer van IJsselstein_. (1515)
+
+Toen hij hier kwam, om de hulde der ingezetenen te ontvangen, waren
+slechts 3 steden en 8 grietenijen zijnen Heer getrouw gebleven. Al het
+overige bevond zich in de magt der Gelderschen, tegen wie hij hevigen
+krijg voerde, zonder veel te vorderen. Na twee jaren volgde
+
+
+WILLEM, _Vrijheer van Roggendorf_, (1517)
+
+een Oostenrijksch edelman, hem op. Hij was weinig geschikt om de
+belangen van zijn Vorst in zulke tijden te bevorderen. Aldus bleven de
+partijen een hevigen strijd voeren, totdat
+
+
+GEORGE SCHENCK, _Vrijheer van Toutenburg enz._ (1521)
+
+bij zijne komst krachtiger maatregelen nam, de Gelderschen verdreef en
+Friesland in 1524 geheel onder Keizer Karel en in rust bragt, waardoor
+de algemeene welvaart eerlang zeer toenam. De achting, welke hij
+daardoor verwierf, werd echter verminderd door zijne strenge vervolging
+van de Onroomschen.
+
+
+MAXIMILIAAN VAN EGMOND, _Graaf van Buren enz._ (1540)
+
+de zoon van bovenvermelden Floris, de vriend van Keizer Karel, mogt het
+land in vrede en voorspoed gelukkig besturen.
+
+
+JOHAN VAN LIGNE, _Graaf van Aremberg_. (1548)
+
+Onder dezen ging de regering over aan Koning Filips, wiens strenge
+plakkaten hij met wijze voorzigtigheid lang wist te matigen, zoodat
+zijne deugden en bekwaamheden de achting der Friezen verwierven. Later
+werd hij echter gedrongen de doorbrekende hervorming met kracht tegen te
+werken, en het Nassausche leger bij Heiligerlee in Groningerland slag te
+leveren, waarbij hij met 1800 der zijnen sneuvelde. Bij afwezigheid van
+hem, gelijk ook van zijn opvolger, was
+
+
+SEGHER, _Heer van Groesbeek_,
+
+hier, als Luitenant-Stadhouder, met het bestuur der zaken belast.
+
+
+_C. De Spaansche Regering._
+
+
+~FILIPS~, _Koning van Spanje, Vorst der Nederlanden enz._
+
+In 1526 geb. ontving hij in 1555 de regering over deze landen uit handen
+van zijnen vader. Hoe hij ze liet besturen, hoe hij de hervorming
+tegenstond en door de wreedste vervolgingen de Nederlanders onderdrukte,
+is hier vóór en elders uitvoerig vermeld. In 1581 afgezworen, overleed
+hij in 1598 onder de smartelijkste gevolgen van zijn schandelijk leven.
+
+
+_Stadhouders._
+
+
+KAREL VAN BRIMEU, _Graaf van Megen_, (1568)
+
+was reeds sinds 1559 Stadhouder van Gelderland, toen hij in dit jaar ook
+als zoodanig over Friesland, Groningen, Overijssel en Lingen aangesteld
+werd. Vandaar, dat hij zich weinig met dit gewest bemoeide, ofschoon de
+harde maatregelen van Alva, de invoering van het Bisdom Leeuwarden, de
+watervloeden van 1570 env. hier grooten nood en veel onrust en beweging
+veroorzaakten. Hij overleed in 1572, en werd als Stadhouder over al de
+genoemde provinciën vervangen door
+
+
+GILLIS VAN BARLAYMONT, _Heer van Hierges_, (1572)
+
+onder wien de Geuzen zelfs Bolsward, Slooten, Dokkum, Sneek en Franeker
+innamen. Deze had echter toenmaals als Onder-Stadhouder een man als
+
+
+CASPAR DE ROBLES, _Heer van Billy_, (1572)
+
+die eerst als Kolonel der Spaansche benden en daarna (1573) als
+Stadhouder wel met kracht de belangen, des Konings voorstond, doch
+tevens na genoemde watervloeden blijken gaf van menschlievendheid en
+zorg tot herstel van de zeedijken, waartoe hij de onwilligen met
+geweldige middelen dwong, en dus later voor de ingevoerde verbeteringen
+grooten dank mogt behalen. Dit blijkt ook uit den Steenenman bij
+Harlingen, een gedenkteeken ter zijner eere gesticht. Ook heeft hij het
+Kolonelsdiep tusschen het Bergumermeer en Stroobos laten graven. In 1576
+is hij door zijn eigen krijgsvolk te Groningen gevangen genomen, en
+sneuvelde in 1585 bij het springen van de brug in het beleg van
+Antwerpen.
+
+ * * * * *
+
+Nadat Friesland en Groningen zich bij de Staatsgezinden gevoegd hadden,
+zond Prins Willem I als Stadhouder herwaarts:
+
+
+GEORG VAN LALAING, _Graaf van Rennenberg_; (1577)
+
+doch in 1580 bragt hij Groningen verraderlijk weder aan de Spaansche
+zijde.
+
+
+FRANÇOIS VERDUGO, _Heer van Schengen_, (1580)
+
+was de laatste Spaansche Stadhouder, die vooral Groningen bezet hield,
+dikwijls in Friesland viel en de pogingen der Friezen en Staatschen, om
+die stad te winnen, nog tot hare overgave in 1594 wist te verijdelen.
+
+
+
+
+VIERDE TIJDVAK.
+
+_Van de Hervorming tot de Staats-omwenteling._
+
+1580-1795.
+
+VI. DE SOUVEREINE STATEN VAN FRIESLAND EN HUNNE STADHOUDERS.
+
+
+~WILLEM~ I, _Prins van Oranje_, (1580)
+
+de grondlegger van den Nederlandschen Staat, noemde zich Gouverneur
+van Braband, Holland, Zeeland, West-Friesland en Utrecht, Luitenant
+en Stadhouder-Generaal van Prins Matthias en Gouverneur en
+Kapitein-Generaal over de Nederlanden, toen hij, na de afwerping van het
+Spaansche juk, ook door de Staten van Friesland tot Stadhouder en
+Gouverneur van dit gewest werd benoemd. Hij was geb. den 14 April 1533,
+en werd te Delft verraderlijk doorschoten den 10 Julij 1584. Hij had
+
+
+BERNARD VAN MERODE, _Heer van Rummen_, (1580)
+
+tot zijn Luitenant (plaatsvervanger) en Kapitein-Generaal in Friesland
+aangesteld. Deze edele en dappere voorstander van de vrijheid deed vele
+moeite, om in dien tijd van onrust en tweedragt de zaken des lands te
+regelen; doch ook wegens hoogen ouderdom was hij daartoe te zwak en
+verzocht drie jaren later zijn ontslag, waarna hij in 1591 overleed.
+
+
+WILLEM LODEWIJK, _Graaf van Nassau_, (1584)
+
+de oudste zoon van Prins Willem's broeder, Jan de Oude, geb. den 13
+Maart 1560, was in 1581 met krijgsvolk Friesland te hulp gekomen en in
+Dec. 1583 naauwelijks tot Luitenant in Merode's plaats verkozen, toen
+hij, ten gevolge van Prins Willem's dood, den 16 October 1584 door de
+Staten tot Stadhouder en Gouverneur van Friesland werd verkozen. Als
+Staatsman wist hij met voorzigtige wijsheid de belangen des lands te
+bevorderen en de twistende regeringsleden te bevredigen; als held heeft
+hij door het wederstaan van de Spanjaarden en het belegeren en winnen
+van Groningen, Koevorden, Steenwijk en omliggende sterkten veel
+toegebragt, om de rust en veiligheid der ingezetenen te verzekeren. In
+1587 huwde hij Prinses Anna, de dochter van zijn oom Prins Willem, die
+echter reeds in het volgende jaar stierf. Deze voortreffelijke
+Stadhouder, mede om zijne godsdienstige braafheid algemeen geacht en
+bemind, stierf den 31 Mei 1620, en werd plegtig begraven in 't Koor der
+Groote Kerk te Leeuwarden, waar de Staten eene marmeren Graftombe ter
+zijner eere lieten oprigten. Hij werd opgevolgd door zijnen jongeren
+broeder
+
+
+ERNST CASIMIR, _Graaf van Nassau_, (1620)
+
+geboren den 24 Dec. 1573 en in 1607 gehuwd met Sophia Hedwig Hertogin
+van Brunswijk, was Luit. Gouverneur van Gelderland, Zutphen en Utrecht
+en Veldmaarschalk van der Staten leger, toen hij den 3 Augustus 1620 tot
+Stadhouder van Friesland werd aangesteld. In staatszaken werden hem
+belangrijke zendingen opgedragen; in krijgsverrigtingen, veldslagen en
+belegeringen was hij beroemd wegens heldenmoed en beleid. In het beleg
+van Roermond liet hij het leven op den 2 Junij 1632. Hij had tot
+opvolger zijn oudsten zoon
+
+
+HENDRIK CASIMIR I, _Graaf van Nassau_, (1632)
+
+die, geboren in 1611, slechts 21 jaren bereikt had, toen hij den 14 Dec.
+1632 tot Stadhouder en Kapitein-Generaal van Friesland, gelijk daarna
+ook van Groningen en Drenthe aangesteld werd. Hoe jong ook nog, toonde
+hij in de binnenlandsche geschillen veel standvastigheid en beleid,
+doch, vooral op verschillende krijgstogten onder Frederik Hendrik, een
+heldenmoed, waardoor hij evenveel eer verwierf als hij door zijne
+vroomheid en deugden ieders hoogachting verdiende. Ten gevolge eener
+wonde, bekomen in de bestorming van eene schans nabij Hulst in
+Vlaanderen, stierf hij, algemeen betreurd, ongehuwd, den 13 Junij 1640.
+Zijn jongere broeder
+
+
+WILLEM FREDERIK, _Graaf_ en daarna _Vorst_ of _Prins van Nassau_, (1640)
+
+den 7 Augustus 1613 geboren, werd zijn opvolger, bij voorraad alleen als
+Stadhouder van Friesland, waartoe hij den 23 Julij 1640 werd verkozen;
+terwijl Groningen en Drenthe Prins Frederik Hendrik en daarna Prins
+Willem II aanstelden en eerst in 1650 hem als zoodanig verkozen. Hij
+vergezelde zijn broeder op vele veldtogten, en gaf daarbij blijken van
+ongemeenen moed en groote bekwaamheden in het krijgswezen. Vooral bij de
+belegering van Sas van Gent in 1644 gedroeg hij zich als een held.
+Willem II vertrouwde hem in 1647 den hagchelijken aanslag op Amsterdam
+toe. In 1652 trad hij in het huwelijk met Albertina Agnes, de dochter
+van Frederik Hendrik, die later, gedurende de minderjarigheid van haren
+zoon, met veel roem als Voogdes 's lands zaken behartigde. Door zijn
+braaf karakter en gematigd gedrag verwierf hij de genegenheid der Staten
+en des volks, waarvan hij vele bewijzen mogt ontvangen. In het laatste
+jaar zijns levens trok hij den Bisschop van Munster tegen en veroverde
+op hem de Dijlerschans. Hij stierf den 31 October 1664, nadat hij eenige
+dagen te voren zich zelven had gekwetst met een zadelpistool, hetwelk,
+eerst weigerende, bij het uittrekken van den stamper onverwacht
+losbrandde. Hij liet, nevens eene dochter, een zoon en opvolger na in
+
+
+HENDRIK CASIMIR II, _Prins van Nassau_, (1679)
+
+geboren den 18 Januarij 1657, in 1672 tot Stadhouder en
+Kapitein-Generaal en in 1675 tot Erfstadhouder, mede door Groningen en
+Drenthe, verkoren, aanvaardde hij in 1679 het bewind. De opvoeding van
+zijne voortreffelijke moeder, het onderwijs aan 's lands Akademie te
+Franeker (1671) en de opleiding en het voorbeeld van den Generaal van
+Aylva vormden hem als staatsman en krijgsheld. Nog slechts 17 jaren oud
+was hij in den slag van Senef (1674) onafscheidelijk aan de zijde van
+Prins Willem III, hoewel een val met zijn paard daar zijne gezondheid
+voor het leven knakte. In 1689 tot tweeden Veldmaarschalk benoemd,
+handhaafde hij in de veldslagen van Fleurus, Steenkerke en Neerwinden
+den roem van den Nassauschen naam. Deze edelmoedige en voortreffelijke
+Vorst stierf in 1696, algemeen betreurd. In 1683 was hij in den echt
+verbonden met Prinses Amalia van Anhalt-Dessau, welke hij zeven dochters
+naliet, behalve een zoon en opvolger
+
+
+JAN WILLEM FRISO, _Prins van Oranje en Nassau_. (1707)
+
+Kort was het leven, doch roemvol de loopbaan van dezen jeugdigen held,
+die het vaderland zooveel beloofde. Den 14 Augustus 1687 geboren en dus
+bij het overlijden zijns doorluchtigen vaders slechts acht jaren oud,
+vond hij een tweeden vader in Prins Willem III, die hem tevens tot
+erfgenaam van het Prinsdom Oranje en van zijne nalatenschap verklaarde.
+Het bewind werd intusschen door zijne moeder als Voogdes waargenomen,
+tot dat hij in 1707 het Stadhouderschap over Friesland en in 1708 over
+Groningen en Drenthe aanvaardde. Reeds had hij toen als vrijwilliger
+eenige togten in den Successie-oorlog mede gemaakt, doch geene
+gelegenheid gevonden om uit te munten. Nu tot Generaal verheven, toonde
+hij bij de belegering van onderscheidene sterke vestingen, doch vooral
+in de veldslagen bij Oudenaarden en Malplaquet, een beleid, eene
+onverschrokkenheid, een heldenmoed, welke het gansche vaderland
+verbaasden, en met vreugde deden zien, hoe roemrijk in den jeugdigen
+Frieschen telg der Nassausche Vorsten de dapperheid van den uitgestorven
+Oranjestam herleefde. Rouw, diepe rouw vervulde dus geheel Nederland en
+het leger der bondgenooten, toen deze held van zooveel verwachting--niet
+aan de spits zijner dapperen, maar op den 14 Julij 1711 bij het
+overvaren van het Hollandsche diep, in de golven den dood vond. Op dat
+oogenblik was er geene mannelijke spruit uit de huizen van Oranje en
+Nassau in Nederland meer over. Doch twee jaren te voren (26 Febr. 1709)
+was Prins Friso in het huwelijk getreden met de edele Prinses Maria
+Louisa van Hessen-Kassel, die, zes weken na het verliezen van haren diep
+betreurden gemaal, gelukkig van een zoon beviel, waarin de Vorstelijke
+stam tot heden bewaard bleef.
+
+
+WILLEM CAREL HENDRIK FRISO, _Prins van Oranje en Nassau_, (1731)
+
+werd op den 1 September 1711 te Leeuwarden geboren, en zag door zijne
+brave moeder en voortreffelijke leermeesters aan zijne opvoeding de
+meeste zorg besteed. Nadat die moeder het stadhouderlijk gezag gedurende
+twintig jaren als Voogdes had gevoerd, aanvaardde hij den 12 September
+1731 het Erf-stadhouderschap en trouwde den 25 Maart 1734 met Anna,
+Kroonprinses van Groot-Brittanje. Na in 1718 tot Stadhouder van
+Groningen en in 1722 van Drenthe en Gelderland verkozen te zijn, zag hij
+zich in 1747 door de volksstem eensklaps tot Erfstadhouder van al de
+overige provinciën uitgeroepen en als _Willem de vierde_ met
+waardigheden overladen. Onder het wigt van zooveel staatszorg, bij
+zooveel ijver om 's lands belang in alle opzigten te bevorderen, bezweek
+de edele Prins reeds den 22 October 1751. Den 4 Februarij 1752 werd zijn
+gebalsemd lijk te Delft bijgezet.
+
+
+WILLEM _de vijfde, Prins van Oranje en Nassau_, (1766)
+
+geboren te 's Gravenhage den 8 Maart 1748, aanvaardde het
+Stadhouderschap over al de gewesten den 8 Maart 1766 en werd den 4
+October 1767 in den echt verbonden met Frederika Sophia Wilhelmina,
+Prinses van Pruissen. Na, ten gevolge der hooggestegen staatsgeschillen,
+in 1787 door de Pruissische legermagt in zijn gezag hersteld te zijn,
+was hij, bij het aanrukken van de Franschen, den 20 Januarij 1795
+genoodzaakt, het vaderland te verlaten en de wijk te nemen naar
+Engeland. Hij overleed te Brunswijk in 1806.
+
+
+
+
+ZESDE TIJDVAK.
+
+_De Koninklijke Regering._
+
+1813-1851.
+
+
+WILLEM I, of WILLEM FREDERIK,
+
+_Prins van Oranje en Nassau enz._
+
+werd den 24 Augustus 1772 te 's Gravenhage geboren en huwde den 1
+October 1791 te Berlijn Frederika Louisa Wilhelmina, Prinses van
+Pruissen. Na zich in de krijgsdienst eervol te hebben onderscheiden, zag
+ook hij zich verpligt in 1795 te vlugten, en gedurende 18 jaren de smart
+der ballingschap te verduren. Des te verblijdender was in het laatst van
+1813 zijne terugroeping in het vaderland, dat, de Fransche
+overheersching moede, uitzag naar herstel en dat hem weldra als
+Souverein Vorst huldigde (30 Maart 1814). Door de vereeniging van ons
+land met België tot Koning der Nederlanden verheven en den 18 Maart 1815
+gehuldigd, was het Huis van Oranje in hem tot een vroeger nooit gekenden
+luister gestegen. Onbepaald vertrouwen en liefde ondersteunden gedurende
+vele jaren de pogingen, welke hij tot herstel en verheffing des
+vaderlands aanwendde. Schitterende blijken ontving hij daarvan van
+Noord-Nederland bij den opstand der Belgen in 1830. Te vergeefs trachtte
+hij die breuk te herstellen. Zware opofferingen had de natie daarvoor
+veil. Na op den 8 October 1840 afstand van de regering te hebben gedaan,
+overleed Koning Willem Frederik, Graaf van Nassau, den 12 December 1843
+te Berlijn, en werd den 2 Januarij 1844 plegtig te Delft bijgezet.
+
+
+WILLEM II, of WILLEM FREDERIK GEORGE LODEWIJK,
+
+_Prins van Oranje en Nassau enz._
+
+was geboren te 's Gravenhage den 6 December 1793, deelde de ballingschap
+met zijne ouders, doch vond eerlang in Engelsche dienst gelegenheid zich
+als krijgsman te onderscheiden. Daarvan gaf hij mede, na de herstelling
+des vaderlands, eervolle blijken in den slag van Waterloo, 1815, gelijk
+in 1831 in den tiendaagschen veldtogt. Den 21 Februarij 1816 gehuwd aan
+Anna Polowna, Grootvorstin van Rusland, werd hij den 28 November 1840
+plegtig als Koning gehuldigd. Nadat hij den 13 Maart 1848 het
+merkwaardig besluit nam tot herziening van de Grondwet, overleed hij
+reeds den 17 Maart 1849 te Tilburg. De plegtige begrafenis te Delft had
+op den 4 April plaats.
+
+
+WILLEM III, of WILLEM ALEXANDER PAUL FREDERIK LODEWIJK, _Prins van
+Oranje en Nassau enz._
+
+geboren te Brussel den 19 Februarij 1817 en den 19 Junij 1839 gehuwd met
+Sophia Frederika Mathilda, Prinses van Wurtemberg, volgde hem op, en
+werd op den 12 Mei 1849 te Amsterdam gehuldigd. Op den 19 April 1852
+deed hij zijne plegtige intrede in Friesland. Zijn oudste zoon, Prins
+Willem Nicolaas Alexander Frederik Karel Hendrik, geboren den 4
+September 1840, bezocht dit gewest in Julij 1851.
+
+
+_Gouverneurs._
+
+
+Jhr. I. ÆBINGA VAN HUMALDA,
+
+geboren te Leeuwarden den 12 September 1754, in 1780 Raad in den Hove en
+in 1791 Grietman van Hennaarderadeel, deelde van 1795 tot 1806 met het
+Huis van Oranje de ballingschap. Sedert 1811 Maire van de gemeente
+Wommels, werd hij den 6 April 1814 door den Souvereinen Vorst benoemd
+tot Gouverneur van Friesland. Ten jare 1826 eervol ontslagen en tot
+Staatsraad in buitengewone dienst benoemd, mogt hij tot den 19 Februarij
+1834 de vruchten van een welbesteed leven smaken. Op het kerkhof te
+Dronrijp werd hij begraven.
+
+
+JAN ADRIAAN _Baron_ VAN ZUIJLEN VAN NIJEVELT,
+
+geboren den 25 Augustus 1776 te Rotterdam, was Griffier der Staten van
+Holland, toen hij bij Kon. besluit van 3 November 1826 benoemd werd tot
+Gouverneur dezer provincie, welke waardigheid hij eervol bekleedde tot
+aan zijn dood op den 29 Maart 1840.
+
+
+MAURITS PICO DIDERIK _Baron_ VAN SYTZAMA,
+
+geboren den 2 Junij 1789, was Grietman van Idaarderadeel, Lid van de
+Staten en daarna van de Tweede Kamer der Staten Generaal en Staatsraad,
+toen hij den 12 October 1840 zijne benoeming ontving tot Gouverneur.
+Slechts bijna acht jaren behartigde hij in die betrekking de belangen
+dezer provincie, daar hij reeds den 15 Julij 1848 overleed en te Friens
+werd begraven.
+
+
+Jhr. Mr. JAN ERNST VAN PANHUIJS,
+
+geboren te Groningen den 12 Julij 1808, was van 1838 tot 1848 Lid van de
+Arrondissements Regtbank te Winschoten en sedert 1840 Lid van de Tweede
+Kamer der Staten Generaal, toen hij bij Kon. besluit van den 3 November
+1848 benoemd werd tot Gouverneur van dit gewest, dat thans zijn ijver en
+zorg voor deszelfs belang op hoogen prijs stelt.
+
+
+
+
+INHOUD EN VERDEELING.
+
+
+ Inleiding bl. 1.
+ Verdeeling en orde van behandeling 5.
+
+
+EERSTE TIJDVAK.
+
+~Het Oude Friesland.~
+
+_Van de vroegste tijden tot Keizer Karel den groote._
+
+Van het jaar 11 voor- tot omstreeks 800 na Chr.
+
+ 1. De Afkomst der Friezen, bl. 6.
+ 2. De omvang en toestand van het Oude Friesland 9.
+ 3. De Oude Friezen 12.
+ 4. Der Friezen verbond met- en opstand tegen de
+ Romeinen, 11 j. voor en 28 j. na Chr. 14.
+ 5. De Gevolgen van der Friezen verkeer met de Romeinen 17.
+ 6. Der Friezen Afgezanten te Rome, 59 19.
+ 7. Uitbreiding van Friesland, 240-455 20.
+ 8. Der Friezen togt naar Brittanië, 449 23.
+ 9. De strijd der Friezen tegen de Franken 25.
+ 10. De pogingen der Franken ter invoering van de
+ Christel. Godsdienst, 630-800 26.
+
+
+TWEEDE TIJDVAK.
+
+~Het Vrije Friesland.~
+
+_Van Keizer Karel den groote tot Hertog Albert van Saksen._
+
+Van omstreeks 800 tot 1498.
+
+ 11. De Friezen tijdens Karel den groote bl. 35.
+ 12. Invloed der Franken en der vestiging van het
+ Christendom 38.
+ 13. De invallen der Denen en Noormannen, 520-1010 43.
+ 14. Het Verbond der Zeven Vrije Friesche Zeelanden 49.
+ 15. Veranderingen in den toestand des bodems.
+ Watervloeden, de Zuiderzee, de Middelzee enz. 56.
+ 16. Der Friezen aandeel in de Kruistogten naar het
+ Heilige land, 1096-1270 65.
+ 17. Veranderingen in den toestand des volks, en de
+ vestiging van Gemeenten en Steden gedurende en na
+ de Kruistogten 75.
+ 18. De Friesche Geestelijkheid, Kerken en Kloosters in
+ de middeleeuwen 84.
+ 19. De Partijschappen tusschen de Schieringers en
+ Vetkoopers, 1300-1498 93.
+ 20. Aanvallen der Bisschoppen van Utrecht en der
+ Graven van Holland op der Friezen vrijheid 99.
+ 21. Oorzaken van het verlies der onafhankelijkheid 123.
+
+
+DERDE TIJDVAK.
+
+~Friesland bestuurd namens vreemde Vorsten.~
+
+_Van Albert van Saksen tot de Hervorming._
+
+1498-1580.
+
+ 22. Friesland onder het bestuur der Hertogen van
+ Saksen, 1498-1515 bl. 129.
+ 23. De Gelderschen in Friesland, 1514-1523 135.
+ 24. Krijgsbedrijven van Groote Pier, 1515-1520, 138.
+ 25. Frieslands voorspoed onder de regering der
+ Stadhouders van Keizer Karel V 147.
+ 26. Schets van den toestand van Friesland omstreeks
+ 1530 151.
+ 27. Schets van de zeden der Friezen omstreeks 1530 152.
+ 28. Merkwaardige Personen, uit het midden der 16e eeuw 155.
+ 29. De Regering van Koning Filips van Spanje, 1555-1580 160.
+ 30. Beginselen der Kerkhervorming; Geloofsvervolgingen;
+ de Doopsgezinden. 1520-1560 162.
+ 31. De Hervorming een tijdlang ingevoerd, maar weder
+ onderdrukt, 1566 174.
+ 32. Aandeel van den Frieschen Adel in het Verbond der
+ Nederlandsche Edelen, 1565 179.
+ 33. Herstelling van de Friesche Zeeweringen onder
+ Caspar de Robles, 1574 184.
+ 34. Strijd en Zegepraal der Vrijheid en der Hervorming,
+ 1568-1580 190.
+
+
+VIERDE TIJDVAK.
+
+~Friesland onder het bestuur der Staten en der Stadhouders uit het Huis
+van Nassau.~
+
+_Van de Hervorming tot de Staats-omwenteling._
+
+1580-1795.
+
+ 35. De vestiging van den nieuwen Staat, 1580-1648, bl. 197.
+ 36. De Regeringsvorm van Friesland, tijdens de
+ Republiek 222.
+ 37. Strijd tegen buitenlandsche gevaren bij
+ binnenlandsche welvaart, tusschen den Munsterschen
+ en Utrechtschen vrede, 1648-1713 245.
+ De Engelsche Oorlogen 247.
+ De Oorlogen met Frankrijk 264.
+ 38. Aanwas en Verbeteringen in den toestand van
+ Frieslands bodem. Waterstaat, Openbare werken,
+ Nijverheid enz. 309.
+ _a._ Aanwas. Bedijkingen 311.
+ _b._ Bedijkingen van Meren 319.
+ _c._ Polders 321.
+ _d._ Groote Veenkanalen, Ontginningen enz. 323.
+ _e._ Vergraving van de lage Veenen 330.
+ _f._ Nieuwe Vaarten en Wegen 332.
+ _g._ Landbouw, Handel, Scheepvaart en
+ Nijverheid 335.
+ 39. De Kerkelijke Belangen van Friesland 339.
+ _a._ De Hervormde Kerk 339.
+ _b._ De Doopsgezinden 360.
+ _c._ De Lutherschen 374.
+ _d._ De Roomsch Katholijk. 379.
+ _e._ De Joden 385.
+ 40. Frieslands Roem in Kunsten en Wetenschappen 387.
+ _a._ De Hoogeschool te Franeker 388.
+ _b._ Godgeleerden 393.
+ _c._ Regtsgeleerden 395.
+ _d._ Genees-, Heel- en Verloskundigen 397.
+ _e._ Wis- en Natuurkundig. 397.
+ _f._ Geschiedschrijvers 399.
+ _g._ Letterkundigen 400.
+ _h._ Dichters 401.
+ _i._ Schilders, Teekenaars en Graveurs 405.
+ 41. Vrede en Voorspoed verheffen--Zorgeloosheid en
+ Partijschappen ontbinden den Staat. Van den
+ Utrechtschen Vrede tot de Staats-omwenteling,
+ 1713-1795 407.
+
+
+VIJFDE TIJDVAK.
+
+~Friesland tijdens de volksregering en de Fransche overheersching.~
+
+_Van de Omwenteling tot de herstelling van Nederland._
+
+1795-1813.
+
+ 42. De Staats-omwenteling en hare gevolgen,
+ 1795-1798 bl. 427.
+ 43. De val der Republiek en vernietiging van ons
+ volksbestaan, 1799-1813 435.
+
+
+ZESDE TIJDVAK.
+
+~Het Nieuwe Friesland, onder de Koninklijke Regering.~
+
+_Van de herstelling van Nederland tot op de nieuwe regeling van het
+Gemeentewezen._
+
+1813-1851.
+
+ 44. Bevrijding en Vestiging van den Nederlandschen
+ Staat, 1813-1816 bl. 440.
+ 45. De jongste lotgevallen van Friesland, 1816-1851 443.
+ Besluit 447.
+
+
+
+
+AANTEEKENINGEN, OPHELDERINGEN EN BIJVOEGSELS.
+
+
+ 1. De Oude Toestand van Friesland bl. 451.
+ 2. Oudste Bronnen 452.
+ 3. Oude Handels-geschieden. 452.
+ 4. De Oude Grenzen van Friesland 453.
+ 5. De verovering van Brittannië 453.
+ 6. Der Friezen strijd tegen de Franken 454.
+ 7. Handels-verkeer 455.
+ 8. Aard der Friesche Vrijheid 455.
+ 9. Het Verbond der Zeeland. 457.
+ 10. Veranderde toestand des lands, Zuiderzee 457.
+ 11. De Friezen in de Kruistogten 458.
+ 12. De Schieringers en de Vetkoopers 458.
+ 13. De Aanvallen der Hollandsche Graven 460.
+ 14. De toestand van Friesland in de 15e eeuw 461.
+ 15. De Saksische Regering 462.
+ 16. Groote Pier 462.
+ 17. Worp van Thabor's Kronyk 463.
+ 18. Beroemde Friezen uit de 16e eeuw, 464.
+ 19. De Geschiedenis der Kerkhervorming 464.
+ 20. De Verbondene Edelen 465.
+ 21. De Friesche Staatstwisten 466.
+ 22. De Regeringsvorm 467.
+ 23. De Friesche Zeehelden 469.
+ 24. De Friezen aan den Rijn in 1672 472.
+ 25. De Burgerwapening in 1672 en 1673 473.
+ 26. De toestand der Kerk en des Volks 474.
+ 27. Besluit 475.
+
+
+
+
+BIJLAGEN.
+
+
+ I. Tijdrekenkundig Overzigt van de voornaamste
+ Gebeurtenissen der Friesche Geschiedenis 477.
+ II. Tijdrekenkundig Overzigt van de Friesche Vorsten,
+ Opperhoofden, Koningen, Stadhouders enz. van de
+ vroegste tijden tot 1851 486.
+ Inhoud en Verdeeling 501.
+ Alphabetisch Register 504.
+
+
+
+
+ALPHABETISCH REGISTER VAN DE VOORNAAMSTE GEBEURTENISSEN, ZAKEN EN
+PERSONEN.
+
+
+ A.
+ Aanwas van gronden, 311.
+ Achtkarspelen, 91, 330.
+ Adel (De Friesche), 65, 77, 97, 126, 155, 178, 465, 466.
+ Adgild I (Koning), 28, 489.
+ Adgild II (Koning), 30, 489.
+ Admiraliteit (De Friesche), 232, 248, 472.
+ Afkomst der Friezen, 6.
+ Aken door de Friezen gewonnen, 72.
+ Albertine Agnes (Prinses), 217, 263, 278, 299, 497.
+ Albert van Saksen (Hertog), 125, 129, 462, 492.
+ Albrecht van Beijeren (Togten van) naar Friesland, 111-121, 461.
+ Anna (Prinses), 409, 418, 494.
+ Appelschaster vaart en veenen, 326-29.
+ Aremberg (Graaf van), 177, 180, 190, 494.
+ Athenæum te Franeker, 443, 446.
+ Aylva (Hans Willem Baron van) Generaal, 258-297, 471, 472.
+ Aylva (Hobbe van), Generaal, 412.
+
+ B.
+ Baduhenna (het woud), 15, 452.
+ Bedijkingen. Zie Dijken.
+ Beeldenstorm (De), 175.
+ Bekker (Balthazar), 279, 351.
+ Beroemde Mannen, 157, 388, 464, 469.
+ Bevolking van Friesland, 468, 475.
+ Bildt (Het), 62, 132, 312.
+ Binckes (Jacob), zeeheld, 259, 296, 471.
+ Binckes (Jan), Kapitein, 472.
+ Bisdom (Het) Leeuwarden opgerigt, 175, 190.
+ Bisschoppen van Utrecht, 41, 49, 91, 99.
+ Blokzijl door de Friezen veroverd, 275.
+ Bolsward, 62, 80, 148, 191.
+ Bonifacius, Geloofsverkondiger, 31.
+ Bouma (Gellius Faber de), 165.
+ Bourgondische (De) Regering, 135-150, 493.
+ Boxumer-slag (De), 206.
+ Brittannië met hulp der Friezen veroverd, 23, 453.
+ Brunsveldt, (Hendrik), Kapitein, 253, 256, 470.
+
+ C.
+ Charterboek (Het Vriesch), 400, 467.
+ Christendom (Invoering van het), 26-42, 75, 84.
+ Coehoorn (Menno Baron van), 296, 297.
+ Compagnons-vaarten, 150, 324 env.
+
+ D.
+ Damiate door de Friezen veroverd, 67.
+ Dekama (Juw), Potestaat, 125, 491.
+ Denen en Noormannen, 43.
+ Dichters (Beroemde Friesche), 401.
+ Dokkum, 32, 35, 68, 79, 120, 148, 232, 248, 346.
+ Dokkumerdiep en Nieuwe Zijlen, 312.
+ Doopsgezinden (De), 167-174, 354, 360-373.
+ Dorestad, 29, 35.
+ Douwe Aukes, zeeheld, 250.
+ Dragten uitgebreid, 324.
+ Dijken, 18, 56, 61, 132, 184-189, 238, 311, 319.
+ Dijksgeregten, 238.
+
+ E.
+ Edelen (De Friesche Verbondene), 178, 465.
+ Eise Eisinga, 399, 425.
+ Engelsche Oorlogen, 247, 263, 266, 469.
+ Ernst Casimir (Graaf) van Nassau, 211, 496.
+
+ F.
+ Fabrijken en handwerken, 35, 338.
+ Feest (Het) der Een- en Ondeelbaarheid, 433.
+ Filips (Koning) van Spanje, 160, 174, 195, 494.
+ Flie (Het), 10, 58, 62.
+ Floreenschatting (Oorsprong der), 133.
+ Franeker, 80, 82, 131, 147, 177, 201, 338, 388, 398, 423, 473.
+ Franken (De), 21-41, 454.
+ Frankrijk (Oorlogen met), 264-308, 472, 473.
+ Franschen (Komst en bestuur der), 429-40.
+ Friso (De), heldendicht van van Haren, 8.
+ Friso (Prins), Stamvader, 8, 487.
+ Friso (Prins Jan Willem), 300-305, 497.
+
+ G.
+ Geestelijkheid (De Friesche), 84-93, 163, 194, 340.
+ Gelder (Hertog Karel van), 135.
+ Gemeentebesturen in Friesland, 81, 235, 435, 436, 441, 442, 447.
+ Genees-, Heel- en Verloskundigen (Beroemde Friesche), 397.
+ Generaliteit (Frieslands betrekking tot de), 230.
+ Genootschap (Het Friesch), 445.
+ Georg van Saksen (Hertog), 132, 492.
+ Geschiedschrijvers (Beroemde Friesche), 399.
+ Geuzen (De), 179, 414, 465.
+ Godgeleerden (Beroemde Friesche), 393.
+ Gorredijk aangelegd en versterkt, 273, 282, 326, 474.
+ Graven van Holland (Aanvallen der), 40, 49, 54, 99-122, 460.
+ Grenzen van Friesland, 9, 22, 50, 453.
+ Groningen, 50, 54, 99, 124, 127, 130, 135, 195, 208, 210, 274, 277.
+ Groote Pier, 138-146, 462.
+ Grovestins (Togt van Frederik), 307.
+ Gijsbert Jacobsz, 403.
+
+ H.
+ Handel, 17, 35, 76, 149, 151, 335, 452, 455.
+ Harens (De van), Staatsmannen en Dichters, 296, 396, 403, 410, 414,
+ 465.
+ Harlingen, 62, 80, 147, 187, 193, 194, 232, 248, 338.
+ Heerenveen, 150, 273, 275, 281, 294, 324, 474.
+ Hendrik Casimir I (Graaf), 213, 496.
+ Hendrik Casimir II (Prins), 280-299, 497.
+ Hendrik van Saksen (Hertog), 130, 492.
+ Hendrik van Stolberg (Graaf), 183, 493.
+ Herstelling van Nederland, 440.
+ Hervormde (De) Kerk, 175, 194, 219, 339-360, 361.
+ Hervorming (Doorbreken van de), 165, 176, 194, 339.
+ Hindeloopen, 62, 80, 115, 118, 143.
+ Hof van Friesland (Het), 132, 156, 192, 200, 227.
+ Hoogeschool te Franeker (De), 201, 205, 219, 233, 340, 353, 388, 438.
+ Humalda (Jhr. I. Æbinga van), Gouverneur, 442, 500.
+ Hunebedden, 7, 64.
+
+ J.
+ Joden (De), 385.
+ Juw Juwinga, Potestaat, 113, 491.
+
+ K.
+ Kadaster ingevoerd, 443.
+ Karel de groote, 33-41, 85, 456, 490.
+ Karel (Graaf) van Oostenrijk, 135-151, 160, 493.
+ Karel (Hertog) van Gelder, 135-145.
+ Keizers (De Duitsche), 33, 36, 42, 49, 54, 73, 83, 99, 104, 122, 124,
+ 125.
+ Kerkbestuur van Friesland, 240.
+ Kerkelijke belangen van Friesland, 339-386, 474.
+ Kerken (Stichting van), 84-93, 127.
+ Kerkhervorming (De), 162, 194.
+ Kinhem (De) of Reker, rivier, 9, 10, 32, 49.
+ Kloosters (Stichting van), 84-93, 194, 340.
+ Kollumer Oproer, 433.
+ Kollumerland aangewonnen, 314.
+ Kruistogten (De), 65, 75, 458.
+
+ L.
+ Labadisten (De) in Friesland, 352.
+ Lage Veenen vergraven, 330.
+ Landbouw, 13, 18, 34, 77, 88, 149, 151, 218, 335.
+ Langen (Otto van), Keizerlijk gezant, 125.
+ Leenstelsel, 36, 101, 119, 133.
+ Leeuwarden, 62, 79, 126, 130, 132, 137, 147, 175, 179, 190, 193, 194,
+ 199, 201, 271, 278, 234, 416, 429, 433, 441.
+ Lemmer (De), 334.
+ Letterkundigen (Beroemde Friesche), 400.
+ Lodewijk Napoleon, Koning van Holland, 436.
+ Lutherschen (De Evang.), 374.
+
+ M.
+ Mantels (Friesche), 36.
+ Maria Louisa (Prinses), 303, 306, 419.
+ Martena (Duco), 182, 191, 198.
+ Meren bedijkt, 319.
+ Merode (Bernard van), 199, 202, 495.
+ Middelzee (De), 10, 50, 58, 61.
+ Munster (Oorlog met den Bisschop van), 263-295.
+ Munstersche Vrede (De), 217, 245.
+
+ N.
+ Napoléon (Keizer), 436-39.
+ Nedergeregten, 235, 435.
+ Nieuwpoort (De Friezen in den slag van), 209.
+ Noormannen (Invallen der), 45.
+
+ O.
+ Omwenteling van 1795, 427.
+ Onderwijs. Zie Scholen.
+ Ontginningen, 150, 323, 335.
+ Oost-Friezen, 34, 51, 54, 135, 177.
+ Opstalsboom (De), 51.
+ Oranjewoud (Het), 424.
+
+ P.
+ Paalworm (De), 317, 408.
+ Panhuijs (Jhr. J. E. van), Gouverneur, 446, 500.
+ Pier (Groote), 138-146, 462.
+ Pieter van Leeuwarden, 140.
+ Polders aangelegd, 321, 337.
+ Potestaten, 82, 490.
+ Predikanten (Friesche), 204, 241, 279, 341.
+
+ Q.
+ Quota (Frieslands) in de Generaliteits lasten, 222, 231, 289.
+
+ R.
+ Radboud I (Koning), 28, 489.
+ Radboud II (Koning), 31, 489.
+ Regeringsvorm (Frieslands), 81, 222-244, 467.
+ Regtsgeleerden en Staatsmannen (Beroemde Friesche), 157, 296, 395.
+ Reker (De) of Kinhem, rivier, 9, 10, 32, 49.
+ Remonstranten in Friesland, 344, 346, 363.
+ Rennenberg (De Graaf van), 193, 198, 339, 495.
+ Robles (Caspar de), Stadhouder, 186-189, 192, 495.
+ Romeinen (De) in Friesland, 14.
+ Roomsch Katholijken (De), 379.
+ Roorda van Genum, 69.
+
+ S.
+ Saksers (De Oude), 22, 34, 46.
+ Saksische (De) Vorsten en Regering, 125-135, 462, 492.
+ Schansen opgeworpen, 201, 273, 282.
+ Scheepvaart der Friezen, 18, 23, 35, 45, 67, 76, 79, 110, 149, 335,
+ 468.
+ Schieringers en Vetkoopers (De partijschappen der), 93-99, 123-128,
+ 458.
+ Schilders, Teekenaars en Graveurs (Beroemde Friesche), 405.
+ Scholen, 38, 40, 156, 159, 204, 242, 351, 436, 475.
+ Schoterzijl, 114, 316.
+ Simons (Menno), 165, 167.
+ Sincfal (Het) of Zwin, 22.
+ Slaperdijken aangelegd, 317.
+ Slooten, 194, 198.
+ Sneek, 62, 80, 125, 136, 148, 177, 194, 287.
+ Staatstwisten, 204, 221, 260, 283-290, 415, 466.
+ Stadhouders (de Nassausche), 202, 215, 217, 225, 246.
+ Starter (Jan Janszoon), 402.
+ Staten (De Friesche), 180, 195, 199, 200, 222, 285, 424, 442.
+ Stavoren, 35, 37, 60, 63, 79, 105, 120, 193.
+ Steden (Ontstaan der), 77, 99.
+ Steden (Regeringsvorm der), 236, 261, 436, 441.
+ Stellingwerf (Auke), Lt.-Admiraal, 253, 254, 469.
+ Stellingwerven (De), 55.
+ Straatwegen aangelegd, 445.
+ Stijl (Oude en Nieuwe), 474.
+ Successie-Oorlog (Oostenrijksche), 410.
+ ---- (Spaansche), 301.
+ Synode (Invloed der Dordsche), 346, 354.
+ Sytzama (M. P. D. Baron van), Gouverneur, 446, 500.
+
+ T.
+ Taal (Friesche), 25, 403, 453.
+ Tentoonstelling van voorwerpen van Friesche Nijverheid, 446.
+ Terpen (De), 13, 64.
+ Thabor (Peter en Worp van), Kronykschrijvers, 145, 156, 159, 465.
+ Toestand (Oude) van Friesland, 9, 56, 451, 457.
+ Trekwegen aangelegd, 332.
+ Turfgraverijen, 150, 323-332, 336.
+
+ U.
+ Utrecht, 27, 35, 38.
+ Utrechtsche Vrede (De), 307.
+
+ V.
+ Vaarten en Kanalen, 17, 132, 150, 323, 332.
+ Veepesten, 336, 337, 408.
+ Vegilin (Philip Frederik en Johan), 322, 334.
+ Venema (Herman), Godgeleerde, 355, 357, 370.
+ Verstolk (J. G.), Prefekt, 438, 441.
+ Verveeningen, 88, 150, 152, 323, 330.
+ Voortbrengselen van Friesland, 17, 149, 151, 337, 468.
+ Vries (Tjerk Hiddes de), Luit. Admiraal, 254-258, 469.
+ Vrijheid (De Friesche), 36, 37, 42, 122, 126, 154, 180, 195, 422, 429,
+ 455.
+ Vijfdeelen (Der) zeedijken, 184.
+
+ W.
+ Wartena, 80.
+ Watervloeden, 11, 56, 165, 184, 263, 315, 443.
+ Wederdoopers (Munstersche), 165, 169.
+ Weerstallen of regtsplaatsen, 82.
+ Wegen (Nieuwe) aangelegd, 332-335, 445.
+ West-Friesland, 50, 54, 101, 103.
+ Wetten (Oude Friesche), 37, 53, 81, 91, 455.
+ Wierd (Groote), 139, 144.
+ Willebrord, Geloofsverkondiger, 28.
+ Willem I (Koning), 441, 443, 499.
+ Willem I (Prins) van Oranje, 183, 191, 194, 195, 199, 204, 495.
+ Willem II (Graaf), Roomsch Koning, 53, 72, 102, 460.
+ Willem II (Koning), 446, 499.
+ Willem III (Koning), 447, 500.
+ Willem IV (Graaf) valt Friesland aan, 108, 112.
+ Willem V (Prins), 419-27, 498.
+ Willem Frederik (Graaf), 216, 245-262, 497.
+ Willem Karel Hendrik Friso (Prins), 306, 409, 414-18, 498.
+ Willem Lodewijk (Graaf) van Nassau, 203-211, 343, 496.
+ Willem van Oostervants (Graaf) togten naar Friesland, 111 env.
+ Wis- en Natuurkundigen (Beroemde Friesche), 397.
+ Workum, 62, 80, 142.
+ Workumer-Nieuwland bedijkt, 314.
+ Wijk bij Duurstede, 29, 35.
+
+ IJ.
+ IJlst, 62, 80.
+
+ Z.
+ Zeden der Friezen, 13, 18, 39, 152, 260, 350, 475.
+ Zeedijken. Zie Dijken.
+ Zeehelden (Friesche), 250-259, 295, 469.
+ Zeelanden (Het verbond der Zeven), 49, 124, 457.
+ Zeemagt (Frieslands), 248-259, 472.
+ Ziekte (Heerschende) van 1826, 444.
+ Zuiderzee (De), 59, 105, 142, 457.
+ Zuijlen (J. A. Baron van) van Nijevelt, Gouverneur, 444, 500.
+ Zwarte Hoop (De), 137.
+ Zwin (Het) of Sincfal, 22.
+
+
+
+
+~VERBETERINGEN.~
+
+
+ Bl. 113, reg. 3 v. b. _staat_: schepen 400 _lees_: schepen en 400
+ " 159, " 5 " " (_Aanteekening_ 17.) " (_Aant._ 18.)
+ " 181, " 1 v. o. " _Aant._ 30. " (_Aant._ 20.)
+ " 232. Noot. Den 21 Mei 1790 is de _Quota_ van _Friesland_
+ gesteld op 9 Gld. 7 st. volgens ZILLESEN, _Wijsgeerig
+ onderzoek, wegens Neerlands opkomst, bloei
+ en welvaard enz._ Amst. 1796, bl. 304.
+ " 269, reg. 3 v. o. _staat_: gebeurtenie, _lees_: gebeurtenis,
+ " 304, " 8 " " In April " Den 26 Februarij
+ " 350, " 2 v. b. " goedsdienst " godsdienst
+ " 356, " 5 v. o. " was " wars
+ " 360, " 1 v. b. " onderlingen " onderling en
+ " 409, " 10 v. o. " _Engeland_, " _Groot-Brittanje_,
+
+
+
+
+GEDRUKT BIJ L. SCHIERBEEK, TE LEEUWARDEN.
+
+
+
+
+[Illustratie: _Libera Sacra Deo Geminoque Superba Leone_
+
+_Frisia Roma Tuum Fregit Iberque Iugum._]
+
+
+
+
+ +------------------------------------------------------------------+
+ | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER |
+ | |
+ | Zie ook de Opmerkingen aan het begin van deze tekst. |
+ | |
+ | De originele spelling is aangehouden; slechts enkele overduide- |
+ | lijke zetfouten zijn stilzwijgend gecorrigeerd. Belangrijker |
+ | veranderingen worden hieronder beschreven. Inconsistenties in |
+ | spelling zijn niet veranderd. |
+ | Uitzonderingen: |
+ | Twijfelachtige namen zijn geverifiëerd en eventueel |
+ | gecorrigeerd: Francois in François, Vervov in Vervou; Jaques is|
+ | de correcte spelling; de namen Andriaan en Kersvloed zijn niet |
+ | veranderd. (onleesbaar) K. Thoden van Velzen: waarschijnlijk |
+ | Sijo Kornelius Thoden van Velzen. Albrecht der Beherschte |
+ | veranderd in Albrecht der Beherzte. Georg van Lalain veranderd |
+ | in Georg van Lalaing. Sincval veranderd in Sincfal zoals meest |
+ | voorkomend in de tekst en op de kaart. |
+ | |
+ | Inconsistenties in lay-out en het gebruik van leestekens in het |
+ | originele werk zijn behouden, behalve zoals hieronder aangegeven.|
+ | Het gebruik van aanhalingstekens, (kleine) kapitalen, |
+ | schuingedrukte woorden e.d. is verschillend in de hoofdtekst, de |
+ | voetnoten en de aanhangsels, zoals in het originele werk. |
+ | Uitzondering: |
+ | Letters met accenten in namen zijn in het originele werk in |
+ | onderkast gedrukt, in deze tekst in klein kapitaal (LYCKLAMA À |
+ | NIJEHOLT in plaats van LYCKLAMA à NIJEHOLT). |
+ | Rangtelwoorden worden in het originele boek in de hoofdtekst |
+ | weergegeven met een superscript e (als in 2^e). Om de |
+ | leesbaarheid te verbeteren worden deze rangtelwoorden hier als |
+ | 2e weergegeven. Andere superscripts zijn wel behouden. |
+ | |
+ | De errata zijn al in de tekst gecorrigeerd, behalve voetnoot 176 |
+ | bij bladzijde 232. Het was niet duidelijk of dit een aanvulling |
+ | bij de bestaande voetnoot was of een correctie op de tekst van de|
+ | voetnoot (het laatste is het meest waarschijnlijk). |
+ | |
+ | In het originele werk komen de symbolen voor voetnoten in de |
+ | tekst niet altijd overeen met die bij de voetnoot zelf. In |
+ | dergelijke gevallen is de volgorde van de eigenlijke voetnoten |
+ | als bepalend genomen. |
+ | |
+ | In het originele werk worden koppeltekens ook gebruikt om te |
+ | verwijzen naar losse woorden, zoals in "verraden- en verkocht |
+ | had". Dergelijke koppeltekens zijn overgenomen uit het origineel.|
+ | |
+ | Pagina 96, "Saken van Staet en Oorlogh:" waarschijnlijk zijn de |
+ | aanduidingen voor de delen IV en V weggevallen. |
+ | |
+ | Voetnoot 56: de hierin aangekondigde lijst van kloosters is |
+ | blijkbaar toch niet in het boek terechtgekomen. |
+ | |
+ | Pagina 350 heeft in het originele werk twee voetnoottekens in de |
+ | tekst en maar één voetnoot. De voetnoot kan betekking hebben op |
+ | beide markeringen, en is daarom twee maal als voetnoot opgenomen |
+ | (voetnoten 294 en 295). |
+ | |
+ | Pagina 369 heeft een voetnoot, maar geen voetnootmarkering in de |
+ | tekst. Deze voetnootmarkering is aan het einde van de betreffende|
+ | alinea geplaatst (voetnoot 308). |
+ | |
+ | Pagina 481, 80-jarige oorlog: beginjaar veranderd van 1518 in |
+ | 1568. |
+ | |
+ | Index: enkele trefwoorden op juiste alfabetische volgorde gezet. |
+ | Verwijzing naar niet bestaande pagina 509 verwijderd. |
+ | |
+ +------------------------------------------------------------------+
+
+
+
+***END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK BEKNOPTE GESCHIEDENIS VAN
+FRIESLAND***
+
+
+******* This file should be named 36839-8.txt or 36839-8.zip *******
+
+
+This and all associated files of various formats will be found in:
+http://www.gutenberg.org/dirs/3/6/8/3/36839
+
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+http://www.gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at http://www.gutenberg.org/fundraising/pglaf.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at http://www.gutenberg.org/about/contact
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit http://www.gutenberg.org/fundraising/donate
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including checks, online payments and credit card donations.
+To donate, please visit:
+http://www.gutenberg.org/fundraising/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ http://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
+
diff --git a/36839-8.zip b/36839-8.zip
new file mode 100644
index 0000000..6f84158
--- /dev/null
+++ b/36839-8.zip
Binary files differ
diff --git a/36839-h.zip b/36839-h.zip
new file mode 100644
index 0000000..3e23409
--- /dev/null
+++ b/36839-h.zip
Binary files differ
diff --git a/36839-h/36839-h.htm b/36839-h/36839-h.htm
new file mode 100644
index 0000000..c77ba24
--- /dev/null
+++ b/36839-h/36839-h.htm
@@ -0,0 +1,23486 @@
+<!DOCTYPE html PUBLIC "-//W3C//DTD XHTML 1.0 Strict//EN"
+ "http://www.w3.org/TR/xhtml1/DTD/xhtml1-strict.dtd">
+<html xmlns="http://www.w3.org/1999/xhtml">
+<head>
+<meta http-equiv="Content-Type" content="text/html; charset=ISO-8859-1" />
+<title>The Project Gutenberg eBook of Beknopte Geschiedenis van Friesland, by Wopke Eekhoff</title>
+ <style type="text/css">
+
+ .bb {border-bottom: solid 1px;}
+ .bbd {border-bottom: double;}
+ .bbox {border: solid 2px; background: #D3D3D3; margin-left: 5%; margin-right: 5%; padding: 1em;}
+ .blockquot {margin-left: 5%; margin-right: 5%;}
+ body {margin-left: 10%; margin-right: 10%;}
+ .bt {border-top: solid 1px;}
+ .btd {border-top: double;}
+ .center {text-align: center;}
+ .chapdescrip {text-align: center; font-weight: 800;}
+ .chapsubtitle {text-align: center; font-weight: 300;}
+ .chaptitle {font-size: 1.25em; text-align: center; letter-spacing: .1em;}
+ .figcenter {margin: auto; text-align: center; margin-top: 1.5em; margin-bottom: 1.5em;}
+ .fnanchor {vertical-align: 25%; font-size: .7em; text-decoration: none;}
+ .footnote {margin-left: 10%; margin-right: 5%;font-size: 0.85em;}
+ .footnote .label {position: absolute; right: 84%; text-align: right; font-size: .8em;}
+ .fsize125 {font-size: 1.25em;}
+ .fsize150 {font-size: 1.5em;}
+ .fsize200 {font-size: 2em;}
+ .fsize80 {font-size: .8em;}
+ .gesp {letter-spacing: .2em;}
+ h1,h2,h3,h4,h5 {text-align: center; clear: both;}
+ h2 {margin-top: 1.5em; margin-bottom: 1.5em;}
+ hr {width: 33%; margin-top: 1em; margin-bottom: 1em; margin-left: auto; margin-right: auto; clear: both;}
+ hr.c05 {width: 5%;}
+ hr.c05poem {width: 5%; margin-top: 1em; margin-bottom: 1em;}
+ hr.c25 {width: 25%;}
+ hr.footn {width: 10%; color: gray; text-align: left; margin-left: 0; margin-right: auto;}
+ .ind05 {margin-left: 5%;}
+ .just {text-align: justify;}
+ .left {text-align: left;}
+ .leftlink {position: absolute; left: 2%; font-size: .8em; text-align: left;}
+ .leftsig {margin-left: 10%; text-align: justify;}
+ li.letter {margin-left: 10%; font-weight: 800; font-size: 1.25em;}
+ .line2em {line-height: 2em;}
+ p {margin-top: .75em; text-align: justify; margin-bottom: .75em;}
+ p.blankline {margin-top: 2em;}
+ .padl2 {padding-left: 2em;}
+ .padr2 {padding-right: 2em;}
+ .pagenum {position: absolute; left: 92%; font-size: smaller; text-align: right; color: gray;}
+ .poem {margin-left:10%; margin-right:10%; text-align: left;}
+ .poem .stanza {margin: 1em 0em 1em 0em;}
+ .poem span.i0 {display: block; margin-left: 0em; padding-left: 3em; text-indent: -3em;}
+ .poem span.i2 {display: block; margin-left: 1em; padding-left: 3em; text-indent: -3em;}
+ .poem span.i4 {display: block; margin-left: 2em; padding-left: 3em; text-indent: -3em;}
+ .poem span.i26 {display: block; margin-left: 13em; padding-left: 3em; text-indent: -3em;}
+ .poem span.i6 {display: block; margin-left: 3em; padding-left: 3em; text-indent: -3em;}
+ .right {text-align: right;}
+ .rightsig {margin-left: 70%; text-align: justify;}
+ .smcap {font-variant: small-caps;}
+ sub {font-size: .7em; vertical-align: -10%;}
+ sup {font-size: .7em; vertical-align: 25%;}
+ table {margin-left: auto; margin-right: auto; border-collapse: collapse;}
+ td.blank {line-height: .75em;}
+ td.bot {vertical-align: bottom;}
+ td.top {vertical-align: top;}
+ .u {text-decoration: underline;}
+ ul.namelist {list-style: none; text-indent: -2em; font-size: .8em; margin-left: 10%;}
+ ul.register {list-style: none; text-indent: -2em; width: 90%;}
+
+ hr.full { width: 100%;
+ margin-top: 3em;
+ margin-bottom: 0em;
+ margin-left: auto;
+ margin-right: auto;
+ height: 4px;
+ border-width: 4px 0 0 0; /* remove all borders except the top one */
+ border-style: solid;
+ border-color: #000000;
+ clear: both; }
+ pre {font-size: 85%;}
+ </style>
+</head>
+<body>
+<h1>The Project Gutenberg eBook, Beknopte Geschiedenis van Friesland, by Wopke
+Eekhoff</h1>
+<pre>
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at <a href = "http://www.gutenberg.org">www.gutenberg.org</a></pre>
+<p>Title: Beknopte Geschiedenis van Friesland</p>
+<p> in Hoofdtrekken</p>
+<p>Author: Wopke Eekhoff</p>
+<p>Release Date: July 24, 2011 [eBook #36839]</p>
+<p>Language: Dutch</p>
+<p>Character set encoding: ISO-8859-1</p>
+<p>***START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK BEKNOPTE GESCHIEDENIS VAN FRIESLAND***</p>
+<p>&nbsp;</p>
+<h3>E-text prepared by Harry Lamé, André Engels,<br />
+ and the Online Distributed Proofreading Team<br />
+ (http://www.pgdp.net)</h3>
+<p>&nbsp;</p>
+<hr class="full" />
+<p>&nbsp;</p>
+<p>&nbsp;</p>
+<p>&nbsp;</p>
+
+<div class="bbox">
+<p class="center">Zie onderaan deze tekst voor uitgebreide <a href="#Tnotes">opmerkingen van de bewerker</a>.</p>
+</div>
+
+<h1>BEKNOPTE<br />
+<span class="fsize125 gesp"><b>GESCHIEDENIS</b></span><br />
+<span class="fsize80">VAN</span><br />
+<span class="fsize125"><b>FRIESLAND</b></span><br />
+<span class="fsize80">IN HOOFDTREKKEN.</span></h1>
+
+<hr class="c25" />
+
+<div class="blockquot"><p><i>&#8222;Van waar mag het toch zijn, vraagt de Geschiedvorscher, dat
+de</i> Nederlanders <i>zich zoo vaak op de</i> Batavieren <i>beroepen, als op
+hunne Voorvaders, uit wier bloed zij zeggen gesproten te zijn, daar
+zulks historisch betwistbaar is? Wel waren zij de vroegste en</i> meest
+beroemde bewoners <i>van een voornaam gedeelte des lands, maar
+onze eigenlijke</i> voorvaderen <i>waren zij niet.&mdash;De Batavieren verdwenen
+uit de Geschiedenis.&mdash;Zoodanig was het niet met de</i> Friezen.
+<i>Boven vele andere Europesche volken hebben zij dit vooruit, dat zij
+niet zijn ondergegaan bij die geweldige omkeering der volken. Immer
+behielden zij den reeds lang ingenomen grond, toen bijna alle landen
+van Europa van bewoners verwisselden. Hier woonde de stam, welke
+zich staande hield, te midden dier groote Europesche beroering, en
+hare plaatsen aan geene andere inruilde. Zij echter breidde zich
+verder uit, van het Vlie tot aan de Schelde; en altijd hier stand
+houdende, is uit haar het nageslacht voortgesproten, dat immer deze
+landen bewoonde. Meer dan Batavieren en Kaninefaten noemen wij,
+Nederlanders, daarom</i> de Friezen <i>eigenlijk</i> onze vaderen; <i>dat heldhaftige
+geslacht, hetwelk voor de teregt vereerde Batavieren niet onderdeed;
+over wier naam wel is waar geen zoo po&euml;tische gloed ligt,
+als over de Batavieren, maar meer historische waarheid; die daar
+staan te midden der volksberoeringen en overstroomingen, als de
+krachtige eik in het woud, die de stormen tart en door den stroom
+der wateren niet ontworteld wordt. Hen ontmoeten wij reeds</i> v&oacute;&oacute;r
+<i>onze Christelijke tijdrekening, en hun nakroost, zich telkens verder
+over ons Vaderland uitbreidende, heeft zich later weder binnen enger
+grenzen voortgeplant, tot op onze dagen. En waarlijk, indien een
+Friso hun Stamvader is geweest, dan hebben de dichterlijke tafereelen
+meer historische waarheid geboekt, dien als onzen stamvader vermeldende,
+dan een&#8217; Bato, wiens nakroost verdween.&#8221;</i></p>
+
+<p class="rightsig">Prof. <span class="smcap">H. J. Royaards</span>.</p>
+</div>
+
+<hr class="c25" />
+
+<div style="margin-left: 10%; margin-right: 10%;">
+
+<p class="center line2em"><span class="fsize150">BEKNOPTE</span><br />
+<span class="fsize200 gesp"><b>GESCHIEDENIS</b></span><br />
+VAN<br />
+<span class="fsize200"><b>FRIESLAND</b></span><br />
+<span class="fsize125">IN HOOFDTREKKEN;</span></p>
+
+<p class="center"><i><b>bevattende een Overzigt van de lotgevallen der Friezen<br />
+en van de voornaamste gebeurtenissen, gedurende<br />
+bijna tweeduizend jaren in dit land voorgevallen.</b></i></p>
+
+<p class="figcenter"><img src="images/lijn1.png" alt="Versiering" width="100" height="8" /></p>
+
+<p class="center">UIT VELE VROEGERE EN LATERE BRONNEN BEWERKT,<br />DOOR</p>
+
+<p class="center fsize150 line2em">W. EEKHOFF</p>
+
+<p class="center"><i>Archivarius der stad Leeuwarden, Voorzitter van de Tweede
+Afdeeling der werkende Leden van het Friesch Genootschap van
+Geschied-, Oudheid- en Taalkunde, Lid van de Maatschappij van
+Nederlandsche Letterkunde te Leiden en van het Provinciaal
+Utrechtsch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen.</i></p>
+
+<hr class="c05" />
+
+<p class="center">Met eene Schetskaart van den waarschijnlijken toestand van het
+land der Friezen en hunne naburen, omstreeks den aanvang onzer
+tijdrekening.</p>
+
+<p style="margin-left: 50%; margin-top: 2em;" class="bt bb just fsize80"><i>Historische zin, of eerbied voor de gedenkteekenen,
+de geschiedenis en de groote mannen des vaderlands,
+is het sieraad van een volk, dat in der vaderen glorie
+zijne eer en in de liefde voor zijn land zijn roem stelt.</i></p>
+
+<p class="figcenter"><img src="images/lijn2.png" alt="Versiering" width="100" height="6" /></p>
+
+<p class="center"><span class="smcap">te LEEUWARDEN, bij</span><br />
+<span class="gesp">W. EEKHOFF</span>.<br />
+1851.</p>
+
+</div>
+
+<div class="blockquot"><p class="fsize80 bt bb">De Schrijver en Uitgever van dit werk stelt zijn regt van kopij, tegen
+nadruk, verkorting, verkleining, vertaling of verandering van vorm, onder
+bescherming der Wet, van den 25 Jan. 1817, aan wier eischen hij heeft
+voldaan.</p></div>
+
+<p class='pagenum'><a name="Page_v" id="Page_v">[v]</a></p>
+<h2>VOORREDE.</h2>
+
+
+<p><i>Bij dezen neem ik de vrijheid mijne landgenooten aan te bieden
+eene</i> Beknopte Geschiedenis van Friesland, in Hoofdtrekken.
+<i>Verscheidene redenen hebben mij bewogen, dit onderwerp te behandelen
+en deze bewerking in het licht te geven. De belangrijkheid
+van die geschiedenis op zich zelve en in verband met die
+des vaderlands,&mdash;het gemis van een bevattelijk geschreven handboek
+over dit onderwerp,&mdash;de wensch van velen om zulk een
+werk, ingerigt naar de behoeften van dezen tijd, te bezitten,&mdash;de
+zucht om nuttig te zijn, en bovenal mijne aangeborene neiging
+voor de beoefening van die geschiedenis en liefde voor alle kennis
+en kunst, welke tot</i> Friesland <i>in betrekking staan,&mdash;ziet daar de
+drangredenen, welke eindelijk mijn schroom en wantrouwen van
+eigene krachten hebben overwonnen. Immers sedert die neiging
+op mijn tiende levensjaar bij mij werd opgewekt, en ik niet lang
+daarna het plan vormde eene korte Geschiedenis van</i> Friesland
+<i>te bewerken, heb ik gedurende dertig jaren over dit onderwerp zoo
+vele geschriften gelezen en aanteekeningen gemaakt, zoo vele stukken
+verzameld en onderzoekingen gedaan, dat de begeerte, om eenmaal
+de vrucht daarvan te leveren, meer opgewekt dan onderdrukt werd
+door al de menigvuldige bezwaren en moeiten hieraan verbonden.
+In weerwil ik dit onderwerp bij herhaling op verschillende wijzen
+bewerkt en geene inspanning geschroomd heb, bleef ik nogtans met
+de uitgave aarzelen, en de hoop voeden, dat een onzer geleerden
+of leden van het Friesch Genootschap die taak zou volbrengen.
+Telken jare echter werd ik daarin teleurgesteld.</i></p>
+
+<p><i>Intusschen vernam ik, dat velen aan de bewerking van eene
+volledige en naauwkeurige Friesche Geschiedenis bezwaren en beletselen
+verbonden achtten, gewigtig genoeg, om ijverige beoefenaars van
+dit onderwerp af te schrikken het in zijn geheel te behandelen.
+Behalve dat men eerst de uitgave van nog meerdere bronnen en bouwstoffen
+verlangde, vorderde eene kritische behandeling van de uitgegevene
+kronijken groote moeite. En waar deze met <span class="smcap">winsemius</span>
+in 1622 eindigen, zag men eene groote menigte Resolutieboeken
+van de Staten en Gedeputeerde Staten van</i> Friesland,
+<i>benevens</i><span class='pagenum'><a name="Page_vi" id="Page_vi">[vi]</a></span>
+<i>eene massa onuitgegevene stukken in de Rijks-, Provinciale en
+Plaatselijke Archiven voor zich; om niet te spreken van de menigte
+bouwstoffen, in een aantal gedrukte werken der laatste tweehonderd
+jaren verspreid. Inderdaad, er wordt meer dan een menschenleeftijd
+toe vereischt, om daaruit al de bijzonderheden op te zamelen
+en tot &eacute;&eacute;n geheel te brengen, dat aan het ideaal van eene
+geschiedenis onzer provincie zou kunnen beantwoorden.</i></p>
+
+<p><i>Het gewigt dier bezwaren en beletselen erkennende, zou dit
+alles meer in staat zijn, onze liefde voor de geschiedenis uit te
+dooven dan op te wekken. Het volbrengen van die taak en het
+bereiken van die nog denkbeeldige volmaaktheid blijve dus een
+volgend geslacht aanbevolen. Dat ik het, in weerwil van dat
+alles, toch gewaagd heb, het onderwerp te behandelen, moge echter
+niet tot mijne beschuldiging strekken. Want, daar al de nog te
+volbrengen nasporingen welligt meest bijzonderheden of specialiteiten
+betreffen, zoo heb ik, naar het licht, dat ons tijdvak beschijnt en
+naar de mate mijner krachten, mij zoeken te bepalen tot de</i>
+Hoofdtrekken <i>onzer geschiedenis, of tot die voornaamste gebeurtenissen,
+welke van het meeste belang en den grootsten invloed zijn
+geweest op de lotgevallen en de ontwikkeling van het volk. Aangezien
+ik mijne behandeling tevens tot &eacute;&eacute;n boekdeel wenschte te beperken,
+zoo waren deze hoofdpunten, waaromtrent wij meerdere zekerheid
+bezitten, voorshands ook voldoende tot het geven van een
+algemeen overzigt van deze geschiedenis; terwijl ook eene korte en
+eenvoudige voorstelling, bij wijze van tafereelen, het meest geschikt
+scheen, om de belangstelling voor dit onderwerp op te wekken.</i></p>
+
+<p><i>Hartelijk wensch ik, dat anderen later die opgewekte belangstelling
+door volkomener en uitvoeriger bewerking mogen bevredigen,
+en dat deze arbeid bij voorraad moge voorzien in eene
+behoefte, welke mij dikwijls werd te kennen gegeven door personen
+uit verschillende standen, die gaarne met hunne volksgeschiedenis
+meer bekend wilden zijn. Niet minder natuurlijk is de wensch,
+dat dit werk moge bijdragen, om ook in andere provinci&euml;n van
+ons vaderland (vroeger deelen van het Friesche rijk) het belang
+en de waarde te doen erkennen van de geschiedenis der Friezen,
+als de stamvaders der Nederlanders, met betrekking tot de geschiedenis
+van</i> Nederland. <i>Bekend is het toch, dat de meeste vaderlandsche
+geschiedenissen, welke wij bezitten, zich als bij uitsluiting</i><span class='pagenum'><a name="Page_vii" id="Page_vii">[vii]</a></span>
+<i>bepalen tot de historie van de aanzienlijkste provincie</i> Holland.
+<i>Die naam komt evenwel voor het eerst omstreeks het jaar 1000
+voor. Het gansche vroegere tijdperk, en dus meer dan de helft
+der tijdruimte, bevat alzoo de geschiedenis van</i> Friesland, <i>aangezien
+de Batavieren reeds vroeg en spoorloos verdwenen. Het
+is dus grootelijks te verwonderen, dat de historieschrijvers van ons
+vaderland niet enkel de latere, maar ook de vroegere Friesche
+geschiedenis zoo lang verwaarloosd en soms zoo verminkt voorgesteld
+hebben, dewijl deze toch de hoofdbron of het <span class="gesp">grondstuk</span>
+is, waarop de geschiedenis van</i> Holland <i>of wel van geheel</i> Nederland
+<i>moet rusten. Reeds is dit erkend in de geschriften van de
+Utrechtsche geleerden wijlen Jhr. Mr. <span class="smcap">van asch van wijck</span> en
+den Hoogl. <span class="smcap">royaards</span>, wiens bestrijding van een verkeerd volksbegrip
+ik gemeend heb tegenover den titel te moeten mededeelen.</i></p>
+
+<p><i>Vermits ik al de boven vermelde bezwaren en beletselen bij de
+bewerking heb ondervonden, heb ik mij met veel moeite beijverd,
+ze voor mijn doel te overwinnen, door in het bijzonder de hoofdzaken
+meer te doen uitkomen dan punten van ondergeschikt of
+betwist belang. Het is daarbij mijn hoogste streven geweest, om de
+beste bronnen te raadplegen, om de waarheid zonder partijdigheid
+na te sporen, en, bovenal, om eene <span class="gesp">heldere</span> en <span class="gesp">duidel&#307;ke
+voorstelling</span> te geven van datgene, wat ons duurzaam belang
+kan inboezemen. Den tekst heb ik, op de wijze van mijne</i>
+Geschiedkundige Beschrijving van Leeuwarden, <i>zoo bevattelijk
+mogelijk geschreven, opdat ook dit werk als een nuttig en aangenaam
+Geschiedkundig Huisboek algemeene belangstelling mogt
+verdienen. Omtrent de belangrijkste zaken en betwiste of twijfelachtige
+punten heb ik voor beoefenaars van de geschiedenis en
+onderzoekende lezers in de</i> Aanteekeningen <i>meerdere bijzonderheden
+en bronnen medegedeeld; terwijl ik door de bijvoeging van
+historische tafels of overzigten en registers de bruikbaarheid van
+het geheel heb trachten te bevorderen. Daar de geschiedenis het
+beste onderwijs is voor alle standen der maatschappij, en zij ons
+de bijzondere pligten jegens ons vaderland doet kennen, zoo hoop
+ik eerlang ook eene verkorte uitgave, ten behoeve der scholen, in
+het licht te geven.</i></p>
+
+<p><i>Bij de beoordeeling van dit werk gelieve men op te merken,
+dat ik minder nieuwe zaken medegedeeld, dan wel de verspreide</i><span class='pagenum'><a name="Page_viii" id="Page_viii">[viii]</a></span>
+<i>berigten en vruchten der onderzoekingen van anderen tot een geheel
+gebragt heb. De waarheid of stellige zekerheid der feiten
+moge &eacute;&eacute;n en onveranderlijk zijn, de wijze van voorstelling, inkleeding
+en toepassing kan echter aanleiding geven tot zeer uiteenloopende
+meeningen en begrippen; vooral in een werk, bij
+welks behandeling, op een ongebaand pad, de meeste waarschijnlijkheid
+en persoonlijke beschouwingen het gebrek aan berigten soms
+moesten vervangen. Mogt ik echter in mijne, ter goeder trouw
+medegedeelde, opvattingen en inzigten gedwaald hebben, dan verzoek
+ik van bevoegde personen eene bescheidene beoordeeling en
+heusche teregtwijzing te ontvangen. In een ander opzigt hoop ik,
+dat wij Friezen te veel eerbied voor onze geschiedenis, voor ons
+zelve en voor onze christelijke verpligtingen jegens elkander zullen
+hebben, dan dat verschil van meening over sommige historische
+punten ons zou verlagen tot een hatelijk twistgeschrijf en openbare
+beleedigingen, waarin nijd en wraakzucht soms eene afschuwelijke
+rol spelen.</i></p>
+
+<p><i>Overtuigd van mijne goede bedoelingen, doch evenzeer van mijne
+feilbaarheid, heb ik de naauwkeurigheid der bewerking zoo veel
+mogelijk trachten te verzekeren, door haar v&oacute;&oacute;r de uitgave te laten
+lezen aan mijne veelgeachte vrienden de Heeren Mr. <span class="smcap">a. van halmael
+Jr.</span> (wiens dood wij nu reeds betreuren), <span class="smcap">j. van leeuwen</span>, Dr.
+<span class="smcap">j. g. ottema</span>, Jhr. Mr. <span class="smcap">h. b. van sminia</span> en anderen, die ik hier
+openlijk mijnen dank toebreng voor de medegedeelde opmerkingen en
+teregtwijzingen. Mogt ik door de uitgave nog te veel gewaagd hebben,
+dan beken ik gaarne, daartoe vooral den moed te hebben bekomen
+door de volgende verklaring van laatstgenoemden deskundige:
+&#8222;Ik moet u betuigen, dat ik het werk met bijzonder veel genoegen
+gelezen heb, er bijna geheel mijne goedkeuring aan hecht en het op
+hoogen prijs stel. Alleen betreur ik het, dat het niet uitvoeriger en
+uitgebreider is behandeld. Doch dit lag voor het tegenwoordige niet
+in uw plan, en moeten wij dus voorshands tevreden zijn met hetgeen
+ons zoo goed gegeven is; in de hoop, dat gij later uwe krachten nog
+eens zult aanwenden, om ons eene grootere en volledige Geschiedenis
+van</i> Friesland <i>te leveren.&#8221;</i></p>
+
+<p><i>En hiermede beveel ik dezen arbeid op nieuw der belangstelling
+mijner landgenooten aan.</i></p>
+
+<p><span class="leftsig">Mei 1851.</span><span class="rightsig">W. EEKHOFF.</span></p>
+
+<hr class="c25" />
+
+<p class='pagenum'><a name="Page_ix" id="Page_ix">[ix]</a></p>
+
+<p class="center line2em"><span class="fsize150 gesp">EERSTE NAAMLIJST</span><br />
+VAN<br />
+<span class="fsize200">INTEEKENAREN.</span></p>
+
+<p class="figcenter"><img src="images/lijn3.png" alt="Versiering" width="100" height="12" /></p>
+
+<p class="center">ZIJNE MAJESTEIT DEN KONING. g. p.</p>
+
+<p class="center">ZIJNE KONINKLIJKE HOOGHEID DEN PRINS VAN
+ORANJE. g. p.</p>
+
+<p class="center">ZIJNE KONINKLIJKE HOOGHEID PRINS FREDERIK
+DER NEDERLANDEN. g. p.</p>
+
+<hr class="c05" />
+
+<ul class="namelist">
+<li>J. Ackersdijck, Hoogleeraar te Utrecht.</li>
+<li>E. Adema, Secretaris van Rauwerderhem te Rauwerd.</li>
+<li>C. Albarda, Kantonregter te Leeuwarden.</li>
+<li>Mr. Herman Albarda, Advocaat te Leeuwarden.</li>
+<li>Hor. Albarda, Jurid. Student te Groningen.</li>
+<li>Mr. W. Albarda, Subst. Griffier by de Arrondissements Regtbank te Leeuwarden. g.&nbsp;p.</li>
+<li>K. S. Alberda, Landbouwer te Menaldum.</li>
+<li>Jhr. W. Alberda van Ekenstein, te Groningen.</li>
+<li>A. Alma, Notaris te Bergum.</li>
+<li>J. S. Alma, Assessor van Franekeradeel te Schalsum.</li>
+<li>J. C. &amp; W. Altorffer, Boekh. te Middelburg. 2 ex.</li>
+<li>M. C. Amoraal, te Leeuwarden.</li>
+<li>L. Anders, Kantoorbediende te Leeuwarden.</li>
+<li>Mr. J. H. Beucker Andre&aelig;, Advocaat te Leeuwarden.</li>
+<li>A. S. Andringa, Ondermeester te Koudum.</li>
+<li>M. D. Anema, Lid van den Raad van Franekeradeel te Ried.</li>
+<li>P. S. Anema, Lid van den Raad van Franekeradeel te Dongjum.</li>
+<li>T. W. Anema, Landbouwer te Kimswerd.</li>
+<li>Het Provinciaal Archief van Friesland.</li>
+<li>E. Roos Baron van Asbeck, Grietman van Hemelumer Oldephaert en Noordwolde te Koudum. g.&nbsp;p.</li>
+<li>H. van Assen, Goud- en Zilversmid te Leeuwarden.</li>
+<li>J. van Assen, te Leeuwarden.</li>
+<li>R. Attama, Secretaris der stad Stavoren.</li>
+<li>E. J. Attema, Notaris te Dragten.</li>
+<li>&nbsp;</li>
+<li>J. van Baalen &amp; Zn., Boekh. te Rotterdam.</li>
+<li>B. T. Bakker, Lid van den Raad van Baarderadeel te Oosterlittens.</li>
+<li>C. Bakker, Bzn. Boekhandelaar te Nieuwe Diep.</li>
+<li><span class='pagenum' style="font-size: 1em;"><a name="Page_x" id="Page_x">[x]</a></span>Jan
+F. Bakker, Stedelijk Ontvanger te Sneek.</li>
+<li>S. J. Bakker, Assessor der Grietenij Rauwerderhem te Deersum.</li>
+<li>W. L. Bakker, Assessor van Franekeradeel te Tjum.</li>
+<li>L. S. Bakkes, Bakker te Tjummarum.</li>
+<li>J. Banga, Burgemeester en Med. Doct. te Franeker.</li>
+<li>J. Barends, Arrondissements Betaalmeester te Heerenveen.</li>
+<li>Mr. P. de Beaufort, Lid der Gedep. Staten van Utrecht, aldaar.</li>
+<li>S. van Sloterdijck Beekkerk, Directeur der Registratie en Domeinen in Friesland te Leeuwarden.</li>
+<li>Dr. E. M. Beima, Conservator aan &#8217;s Rijks Museum van Natuurlijke Historie te Leiden.</li>
+<li>H. J. C. Bekenkamp, Predikant te Knijpe.</li>
+<li>A. M. van Belkum, Directeur van het Stads-Werkhuis te Leeuwarden.</li>
+<li>J. C. van Belkum, Broodbakker te Leeuwarden.</li>
+<li>P. Berg, Bakker te Ee.</li>
+<li>Mr. C. Bergsma, Grietman van Idaarderadeel te Idaard.</li>
+<li>E. H. Bergsma, 1<sup>e</sup> Luit. Ingenieur te Amsterdam.</li>
+<li>H. van Berkum, Predikant te Stiens.</li>
+<li>J. P. van Berkum, Predikant te Wolsum.</li>
+<li>W. Beijerinck, Boekhandelaar te Amsterdam.</li>
+<li>Jhr. Mr. C. L. van Beijma, Kantonregter te Dronrijp.</li>
+<li>Jhr. E. D. van Beijma, Grietman van Baarderadeel te Weidum.</li>
+<li>Jhr. Mr. C. L. van Beijma thoe Kingma, Secretaris van Haskerland en Advocaat te Joure.</li>
+<li>Jhr. U. H. Heerma van Beijma thoe Kingma, Grietman van Franekeradeel te Zweins.</li>
+<li>W. Bisschop, Litt. Hum. Cand. te Leiden.</li>
+<li>A. Bleeker, Boekh. te Sneek.</li>
+<li>J. Bloemsma, Boekhandelaar te Leeuwarden.</li>
+<li>J. G. van Blom, Lid der Staten van Friesland en Notaris te Dragten.</li>
+<li>J. G. van Blom, voor het 5<sup>e</sup> Schooldistrict in Friesland.</li>
+<li>G. H. van Boelens, Rijks-Ontvanger te Augustinusga.</li>
+<li>Mr. J. H. van Boelens, Burgemeester der stad Leeuwarden.</li>
+<li>J. T. de Boer, Assessor van Idaarderadeel te Roordahuizum.</li>
+<li>J. Y. de Boer, Landbouwer te Hempens.</li>
+<li>K. J. Boersma, te Kubaard.</li>
+<li>Erven F. Bohn, Boekhandelaars te Haarlem.</li>
+<li>A. M. Bokma de Boer, te Leeuwarden.</li>
+<li>Mej. C. Bokma de Boer, te Leeuw.</li>
+<li>W. Cool van Bokma, Boekh. te Sneek. 3 ex.</li>
+<li>J. M. Bokma, te St. Jacobi-Parochie.</li>
+<li>J. Fopma Bonnema Hzn. Landbouwer te Tjummarum.</li>
+<li>R. J. Boorsma, Assessor van Baarderadeel te Weidum.</li>
+<li>Mr. J. C. G. Boot, Rector van het Gymnasium te Leeuwarden.</li>
+<li>Harmen H. Bosma, Koopman te Oosterend.</li>
+<li>IJ. Bosma, Kweekeling te Bergum.</li>
+<li>J. Brandsma, Notaris te Schiermonnikoog.</li>
+<li>Mr. P. Brantsma, Officier van Justitie bij de Regtbank te Heerenveen.</li>
+<li>Jhr. G. P. C. van Breugel, Lid van den Raad en Ontvanger der Directe Belastingen te Haarlem. g.&nbsp;p.</li>
+<li>R. Baron van Breugel, Lid van den Raad van State te &#8217;s Hage.</li>
+<li><span class='pagenum' style="font-size: 1em;"><a name="Page_xi" id="Page_xi">[xi]</a></span>J. H.
+Brinkman, Boekhandelaar te Amsterdam.</li>
+<li>B. Brons Bzn., Onderwijzer te Haskerdijken.</li>
+<li>G. Brouwer, Boekhandelaar te Deventer. 2 ex.</li>
+<li>G. L. Brouwer, Secretaris van Oost-Stellingwerf te Oldeberkoop.</li>
+<li>Dr. S. Brouwer, Oud-Hoogleeraar te Leeuwarden.</li>
+<li>A. L. Brugsma, Doctorandus in de Letteren te Leeuwarden.</li>
+<li>K. Bruining, Onderwijzer te Schalsum.</li>
+<li>D. D. B&uuml;chler, te Amsterdam.</li>
+<li>P. H. Buisma, Onderwijzer te Langweer.</li>
+<li>B. Hopperus Buma, Jur. Student te Groningen.</li>
+<li>J. Buma, Onderwijzer te Kollum.</li>
+<li>Mevr. Wed. W. B. Buma, te Weidum.</li>
+<li>Mr. W. W. Buma, Raadsheer in het Provinciaal Geregtshof van Friesland te Leeuwarden.</li>
+<li>F. H. Burghgraef, Secretaris der stad Franeker.</li>
+<li>Wed. P. Burggraaff, Jr., Boekh. te Leeuwarden.</li>
+<li>Th. J. van der Bij, Onderwijzer te Oenkerk.</li>
+<li>E. J. A. Graaf van Bijlandt, Commissaris des Konings in de provincie Zuid-Holl. te &#8217;s Hage. g.&nbsp;p.</li>
+<li>&nbsp;</li>
+<li>J. Camminga, Ondermeester te Franeker.</li>
+<li>J. Campen, Boekh. te Sneek. 4 ex.</li>
+<li>G. ten Cate Fzn. Koopman te Leeuwarden.</li>
+<li>S. ten Cate, Burgemeester der stad Sneek.</li>
+<li>Mr. E. Manger Cats, Advocaat te Leeuwarden.</li>
+<li>Mevr. S. Cats, Wed. Bieruma Oosting te Leeuwarden, g.&nbsp;p.</li>
+<li>P. O. van der Chijs, Hoogleeraar en Directeur van het Munt- en Penning-Kabinet te Leiden.</li>
+<li>R. M. Cloppenburgh, te Hardegarijp.</li>
+<li>H. Coster &amp; Zn., Boekhandelaar te Alkmaar.</li>
+<li>P. J. Costerus, Rector van het Gymnasium te Sneek.</li>
+<li>K. J. Crap, Molenaar te St. Jacobi-Parochie.</li>
+<li>S. Crommelin, Rustend Leeraar te Leeuwarden.</li>
+<li>D. J. Couv&eacute;e, Boekh. te Leiden.</li>
+<li>F. J. Cuperus, Kuiper te Dronrijp.</li>
+<li>&nbsp;</li>
+<li>H. J. Dauzon, Rijks-Ontvanger in de Wijk, bij Meppel.</li>
+<li>Mr. A. Deketh, Advocaat-Generaal bij den Hoogen Raad der Nederlanden te &#8217;s Hage.</li>
+<li>G. H. M. Delprat, te Rotterdam.</li>
+<li>Mr. W. M. J. van Dielen, voor het Leesg. Disce Legendo te Utrecht.</li>
+<li>Mr. J. Dirks, Lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal te Leeuwarden.</li>
+<li>J. Dirks, te Balk.</li>
+<li>J. J. Doesburg, Boekhandelaar te Groningen, 3 ex.</li>
+<li>De stad Dockum.</li>
+<li>Erven Doorman, Boekhandelaar te &#8217;s Hage. 3 ex.</li>
+<li>Mr. L. Dorhout, Plaatsverv. Kantonregter en Lid van den Raad der stad Leeuwarden. g.&nbsp;p.</li>
+<li>M. R. Douma, Landbouwer te Ee.</li>
+<li>J. F. van Druten, Boekh. te Sneek.</li>
+<li>van Druten en Bleeker, Boekh. te Sneek. 11 ex.</li>
+<li>K. P. Duursma, Onderwijzer te Langezwaag.</li>
+<li>F. Dijkstra, Onderwijzer der jeugd en der zeelieden te Nes op Ameland.</li>
+<li>F. A. Dijkstra, Landbouwer te Haskerdijken.</li>
+<li>F. J. Dijkstra, Landbouwer te Ooster-Nijkerk. g.&nbsp;p.</li>
+<li><span class='pagenum' style="font-size: 1em;"><a name="Page_xii" id="Page_xii">[xii]</a></span>T. R. Dijkstra, te Leeuwarden.</li>
+<li>Waling Dijkstra, te Spannum.</li>
+<li>&nbsp;</li>
+<li>O. J. Eekma, Boekhandelaar te Leeuwarden. 5 ex.</li>
+<li>Dr. A. H. A. Ekker, Praeceptor aan het Gymn. te Utrecht.</li>
+<li>J. Elgersma, Onderwijzer te Kimswerd.</li>
+<li>S. F. Elgersma, te Lollum.</li>
+<li>Jhr. Mr. W. E. Engelen, Secretaris van Leeuwarderadeel en Advocaat te Leeuwarden.</li>
+<li>W. A. Evertsz, Ridder van de Mil. Willemsorde, 4<sup>e</sup> kl., Secretaris van Utingeradeel en
+Notaris te Oldeboorn. g.&nbsp;p.</li>
+<li>Jhr. Mr. C. van Eijsinga, Lid der Staten van Friesland te Leeuwarden.</li>
+<li>Jhr. Mr. F. J. J. van Eijsinga, Lid van de Eerste Kamer der Staten-Generaal en der Arrond. Regtbank te Leeuwarden.</li>
+<li>Jhr. I. F. van Eijsinga te Leeuwarden. 2 ex.</li>
+<li>K. G. Eijsinga, Koopman te Leeuwarden.</li>
+<li>&nbsp;</li>
+<li>J. M. Baart de la Faille, Medicin&aelig; Doctor te Leeuwarden.</li>
+<li>A. R. Falck, te Utrecht. g.&nbsp;p.</li>
+<li>Corn. J. Feddes, Koopman te Leeuwarden.</li>
+<li>P. H. Feenstra, Medic. Doct. te Kuikhorne.</li>
+<li>P. M. Feenstra, Boekh. te Bolsward. 4 ex.</li>
+<li>T. S. Feenstra, Boekhandelaar te Sneek. 4 ex.</li>
+<li>D. Feikema, Wethouder der stad Franeker.</li>
+<li>Mr. H. O. Feith, Archivarius der provincie Groningen.</li>
+<li>H. Feringa Jzn. Oud-Griffier van het Vredegeregt te Augustinusga.</li>
+<li>Dirk A. Ferwerda, Koopman te Stiens.</li>
+<li>E. Ippius Fockens, Boekhandelaar te Franeker. 3 ex.</li>
+<li>E. Schrader Fockens, Predikant te Jutrijp en Hommerts.</li>
+<li>H. Frijlink, Boekhandelaar te Amsterdam.</li>
+<li>&nbsp;</li>
+<li>I. Garcin, te Amsterdam.</li>
+<li>P. A. van Gelder, Koopman te Dokkum.</li>
+<li>Het Friesch Genootschap voor Geschied-, Oudheid- en Taalkunde te Leeuwarden. g.&nbsp;p.</li>
+<li>P. Gerbranda, Schoolonderwijzer te Lollum.</li>
+<li>C. Gerdenier, Burgemeester der stad Medemblik. 2 ex.</li>
+<li>Het Provinciaal Geregtshof van Friesland.</li>
+<li>J. Gerritsen, Landbouwer in het Meer bij Heerenveen.</li>
+<li>L. Gescher, Medicin&aelig; Doctor te Leeuwarden.</li>
+<li>M. van Geuns, Doopsgezind Leeraar te Leeuwarden.</li>
+<li>Jhr. R. Gevaerts van Geervliet, Lid der Ridderschap van Friesland, Ontvanger van &#8217;s Rijks Belastingen te Bergum.</li>
+<li>H. P. A. van Gorcum, Boekh. te Assen.</li>
+<li>O. Goslings, Cand. Notaris te Dokkum.</li>
+<li>Het Provinciaal Gouvernement van Friesland. g.&nbsp;p.</li>
+<li>Mr. M. Schaaff Gratama, Raadsheer in het Provinciaal Geregtshof van Groningen.</li>
+<li>J. H. Gunning, Predikant te Leeuwarden.</li>
+<li>&nbsp;</li>
+<li>E. de Haan, Onderwijzer te Wirdum.</li>
+<li>W. van Haarst, op Schoonoord bij Oirschot.</li>
+<li>H. Haga, Doopsgezind Leeraar te Oldeboorn.</li>
+<li>H. Haisma, Lid der Provinciale Staten van Friesland en Landbouwer te Bergum.</li>
+<li><span class='pagenum' style="font-size: 1em;"><a name="Page_xiii" id="Page_xiii">[xiii]</a></span>F. A.
+van Hall, Minister van Staat te Amsterdam.</li>
+<li>H. C. van Hall, Hoogleeraar te Groningen.</li>
+<li>T. van Halteren, Boekhandelaar te Wildervank.</li>
+<li>J. W. Hannema, Landbouwer te Hantum.</li>
+<li>Mr. D. J. A. Baron van Harinxma Thoe Slooten, Raadsheer in het Provinc. Geregtshof van Friesland te Leeuwarden.</li>
+<li>M. P. D. Baron van Harinxma Thoe Slooten te Beetsterzwaag.</li>
+<li>Mr. P. A. V. Baron van Harinxma Thoe Slooten, Kantonregter te Holwerd.</li>
+<li>H. J. van Hasinga, Adjunct Onderwijzer te Oosterzee.</li>
+<li>D. J. Haspels, Boekh. te Nijmegen.</li>
+<li>Sjoerd Jans Heeg, te Oosterend.</li>
+<li>A. T. R. Sixma Baron van Heemstra, Grietman van Kollumerland te Veenklooster. g.&nbsp;p.</li>
+<li>C. S. Sixma Baron van Heemstra, te Zwolle.</li>
+<li>D. A. Sixma Baron van Heemstra, Jur. Student te Groningen.</li>
+<li>Mr. F. J. J. Baron van Heemstra, Grietman van Rauwerderhem te Irnsum. g.&nbsp;p.</li>
+<li>A. van der Heide, Onderwijzer te Leeuwarden.</li>
+<li>Douwe van der Heide, Landbouwer te Ezumazijl.</li>
+<li>H. A. van Helden, Boekhandelaar te Amsterdam. 2 ex.</li>
+<li>Mr. E. van Heloma, te Zwolle.</li>
+<li>Mr. M. van Heloma, Lid der Provinciale Staten van Friesland te Heerenveen.</li>
+<li>H. Hemkes Hzn., Onderwijzer te Voorburg.</li>
+<li>P. H. Hendriks, te Groningen.</li>
+<li>S. Gille Heringa, Directeur van het Postkantoor te Tilburg.</li>
+<li>H. Klugkist Hesse, Lid der Staten van Friesland te Kollum. g.&nbsp;p.</li>
+<li>F. Hessel, Boekh. te Heerenveen.</li>
+<li>J. G. Heuveldop, Lid der Gedeputeerde Staten van Friesland te Leeuwarden.</li>
+<li>P. H. van den Heuvell, Boekh. te Leiden.</li>
+<li>van Heiningen &amp; Post Uiterweer, Boekhandelaars te Utrecht.</li>
+<li>J. Hilarius, Boekhandelaar te Leeuwarden. 5 ex.</li>
+<li>C. C. van der Hoek, Boekhandelaar te Leiden.</li>
+<li>W. van der Hof, Schipper te Bakhuizen.</li>
+<li>F. Holtkamp, Boekhandelaar te Sneek. 4 ex.</li>
+<li>Jhr. Hooft van Woudenberg van Geerestein te Amsterdam. g.&nbsp;p.</li>
+<li>J. W. van Hopbergen, 1<sup>e</sup> Luit. Adjudant, voor het Leesgez. van Officieren van het
+2<sup>e</sup> &amp; 4<sup>e</sup> Bat. 3<sup>e</sup> Reg. Infant. te Leeuwarden.</li>
+<li>W. Ter Horst, Fabrijkant te Leeuwarden.</li>
+<li>J. van Hout, te Wognum.</li>
+<li>J. O. van Houten, Boekhandelaar te Assen.</li>
+<li>J. Ernst van Houtrijve, te Leeuwarden.</li>
+<li>H. H&ouml;veker, Boekhandelaar te Amsterdam.</li>
+<li>S. Hoijtema Pzn. Assessor van Utingeradeel te Akkrum.</li>
+<li>Mr. U. H. Wielinga Huber, Raadsheer in het Provinc. Geregtshof van Friesland te Kornjum. 2 ex.</li>
+<li>Mr. H. U. Huguenin, te Sneek, voor het 8<sup>e</sup> Schooldistrict in Friesland.</li>
+<li>J. T. H. Huguenin, Predikant te Zuidwolde.</li>
+<li>A. A. Hulshoff, Doopsgezind Leeraar te Leeuwarden.</li>
+<li>K. van Hulst, Boekh. te Kampen.</li>
+<li>P. P. Hylarides, Landbouwer te Witmarsum.</li>
+<li>&nbsp;</li>
+<li><span class='pagenum' style="font-size: 1em;"><a name="Page_xiv" id="Page_xiv">[xiv]</a></span>J. W. Idsardi, Landbouwer te Ee.</li>
+<li>P. D. Idsinga, Landbouwer te Hantum.</li>
+<li>Mr. G. W. H. Baron van Imhoff, Burgemeester der stad Groningen.</li>
+<li>&nbsp;</li>
+<li>H. D. Jager, Grietenij-Ontvanger van Oost-Stellingwerf te Oldeberkoop.</li>
+<li>K. Jansma, Onderwijzer te Rottevalle.</li>
+<li>Dr. L. J. F. Janssen, Conservator bij het Museum van Oudheden te Leiden.</li>
+<li>J. H. Japp&eacute;, Ingenieur-Verificateur van het Kadaster te Groningen.</li>
+<li>A. de Jong, te Leeuwarden.</li>
+<li>A. de Jong Wzn., Koopman te Leeuwarden.</li>
+<li>S. D. de Jong, Lid van den Grietenijraad van Idaarderadeel te Warrega.</li>
+<li>T. Joustra, Fabrijkant te Sneek.</li>
+<li>&nbsp;</li>
+<li>Mej. J. C. Kapteijn, Hoofd-Onderwijzeres der Stedelijke Meisjesschool te Leeuwarden.</li>
+<li>P. N. van Kampen, Boekhandelaar te Amsterdam.</li>
+<li>Abe J. Kat, Aannemer van publieke werken te Hindeloopen.</li>
+<li>Jhr. Mr. O. R. van Andringa de Kempenaer te Leeuwarden. g.&nbsp;p.</li>
+<li>Jhr. T. A. M. A. van Andringa de Kempenaer, Lid van de 1<sup>e</sup>
+Kamer der Staten-Generaal en Grietman van het Bildt te St. Anna-Parochie.</li>
+<li>Jhr. W. van Andringa de Kempenaer, Grietman van Lemsterland te Lemmer.</li>
+<li>J. J. Kiestra, Geneesheer te Ee. g.&nbsp;p.</li>
+<li>S. Kiestra, Onderwijzer te Sexbierum.</li>
+<li>J. Kingma, Lid der Staten van Friesland en Olieslager te Makkum.</li>
+<li>M. Kingma Hzn., Lid der Gedep. Staten van Friesland te Makkum.</li>
+<li>E. S. van Kleffens, Kweekeling te Ee.</li>
+<li>A. M. Klijnsma, Lid van den Grietenijraad van Lemsterland te Lemmer.</li>
+<li>S. T. Klijnsma, Luitenant-Kolonel Ingenieur te Arnhem.</li>
+<li>B. Knierim, Logementhouder te Leeuwarden.</li>
+<li>Mr. H. J. Koenen, Wethouder der stad Amsterdam. g.&nbsp;p.</li>
+<li>Mr. H. van der Kooi, Griffier bij de Arrondissements-Regtbank te Leeuwarden.</li>
+<li>J. Koopmans, Koopman te Gorredijk.</li>
+<li>K. Koopmans, Lid van den Raad van Lemsterland te Lemmer.</li>
+<li>M. H. Koopmans, Veenbaas te Echten.</li>
+<li>U. Koopmans, Grutter te Holwerd.</li>
+<li>P. A. Koppius, Litt. Hum. Doct. en Predikant te Rottevalle.</li>
+<li>N. D. Kroese, Onderwijzer te Hindeloopen.</li>
+<li>A. P. H. Kuipers, Apotheker te Leeuwarden. g.&nbsp;p.</li>
+<li>D. Kuipers, te Buitenpost.</li>
+<li>H. Kuipers, te Amsterdam. g.&nbsp;p.</li>
+<li>&nbsp;</li>
+<li>Mr. A. van der Laan, Griffier der Prov. Staten van Friesland te Leeuwarden.</li>
+<li>H. M. Labbert&eacute;, te Tilburg.</li>
+<li>H. J. Ladenius, te Leeuwarden.</li>
+<li>Dr. C. Leemans, Directeur van &#8217;s Rijks Museum van Oudheden te Leiden.</li>
+<li>Bibliotheek der stad Leeuwarden.</li>
+<li>Leesgezelschap te Slooten.</li>
+<li>J. van Leeuwen, Griffier van het Prov. Geregtshof en Archivarius der Provincie Friesland te Leeuwarden. g.&nbsp;p.</li>
+<li><span class='pagenum' style="font-size: 1em;"><a name="Page_xv" id="Page_xv">[xv]</a></span>J.
+van Leeuwen Jr., Secretaris van Lemsterland te Lemmer.</li>
+<li>W. Lemke, V. D. M. voor het Leesgez. te Warrega.</li>
+<li>Mr. W. van Nauta Lemke, Advocaat te Leeuwarden.</li>
+<li>Mr. J. van Lennep, Rijks-Advocaat te Amsterdam.</li>
+<li>A. N. Lentz, Koopman te Franek.</li>
+<li>R. A. Lentz, Schilder te Franeker.</li>
+<li>D. H. van der Leij, te Dronrijp.</li>
+<li>B. Lolcama, Lid van den Raad der stad Franeker.</li>
+<li>R. Lonneman, Medic. en Artis Obst. Doct. te Franeker.</li>
+<li>J. B. van Loghem Jr. Boekh. te Haarlem.</li>
+<li>H. van Loo, Verwer te Leeuw.</li>
+<li>J. van Loon Jzn. Fabrijkant te Huins.</li>
+<li>Erven Loosjes, Boekh. te Haarlem.</li>
+<li>Dr. E. J. Diest Lorgion, Predikant te Groningen.</li>
+<li>Jhr. F. I. Lycklama &agrave; Nijeholt Lid der Ridderschap van Friesland te Midlaren.</li>
+<li>Jhr. Mr. G. W. F. Lycklama &agrave; Nijeholt, Grietman van Oost-Stellingwerf te Oldeberkoop.</li>
+<li>Jhr. J. A. Lycklama &agrave; Nijeholt, Lid der Provinc. Staten van Friesland te Beetsterzwaag.</li>
+<li>Jhr. W. H. Lycklama &agrave; Nijeholt, Grietman van Utingeradeel te Oldeboorn.</li>
+<li>R. Baron van Lijnden te Beetsterzwaag.</li>
+<li>&nbsp;</li>
+<li>W. H. Maas, Predikant te Idsegahuizen.</li>
+<li>E. van der Maaten, Stedelijk Ontvanger te Elburg.</li>
+<li>Maatsch. tot Nut van &#8217;t Algemeen: Depart. Roordahuizum.</li>
+<li>Mr. G. E. Le Maire, Regter in de Arr. Regtbank te Heerenveen.</li>
+<li>H. Mantingh, Ontvanger te Oostermeer.</li>
+<li>Mr. C. van Marle, Inspecteur-Generaal van het Middel van Waarborg te Utrecht.</li>
+<li>J. E. Martens, Stucadoor te Leeuwarden.</li>
+<li>J. G. Arentsma Martin, Assessor van Ferwerderadeel, te Hallum.</li>
+<li>J. E. Mebius, Boekhandelaar te Kollum. 3 ex.</li>
+<li>T. E. Mebius, Boekhandelaar te St. Jacobi-Parochie. 6 ex.</li>
+<li>van der Meer en Verbruggen, Boekhandelaars te Rotterdam.</li>
+<li>H. van der Meer, Kweekeling te Roordahuizum.</li>
+<li>G. Mees Azn. Regter in de Arrondissements-Regtbank te Rotterdam. g.&nbsp;p.</li>
+<li>A. Meeter Pzn. Onderwijzer te Arum.</li>
+<li>J. Meeth Czn. Bode by de Staten van Friesland te Leeuwarden.</li>
+<li>H. Meetsma, te &#8217;s Hage. g.&nbsp;p.</li>
+<li>Mr. M. Meinesz, te Slooten.</li>
+<li>A. H. R. Metelerkamp, Rijks-Ontvanger te Rottevalle.</li>
+<li>T. G. van der Meulen, Boekh. te Bergum. 5 ex.</li>
+<li>V. Meursinge, Boekhandelaar te Leeuwarden. 2 ex.</li>
+<li>L. L. F. Mispelblom Beijer, Directeur van het Postkantoor te Heerenveen.</li>
+<li>G. J. Molengraaff, te Nijmegen.</li>
+<li>S. Mollema, te Amsterdam.</li>
+<li>J. Mulder, Wethouder der stad Franeker.</li>
+<li>P. B. Mulder, Linnenbleeker te Leeuwarden.</li>
+<li>E. Mulders, Onderwijzer te Rottevalle.</li>
+<li>Mr. G. N. Mulier, Lid van den Raad der stad Leeuwarden.</li>
+<li>P. Mulier, te Bolsward.</li>
+<li>Gebr. Muller, Boekhandelaars te &#8217;s Bosch. 2 ex.</li>
+<li>Mr. G. A. Munster Jordens, voor het Leesgez. te Deventer.</li>
+<li><span class='pagenum' style="font-size: 1em;"><a name="Page_xvi" id="Page_xvi">[xvi]</a></span>W.
+Muurling, Hoogleeraar te Groningen. g.&nbsp;p.</li>
+<li>&nbsp;</li>
+<li>T. Hoog van Nes, Ge&euml;mploijeerde aan het Postkantoor te Rotterd.</li>
+<li>P. H. Noordendorp, Boekhandelaar te &#8217;s Hage. 2 ex.</li>
+<li>S. Noteboom, Boekhandelaar te Franeker.</li>
+<li>D. T. Notten, voor de Bibl. der Maats. tot Nut van &#8217;t Algem. te Echten.</li>
+<li>A. Nugteren, Particulier te Rotterdam.</li>
+<li>C. Star Numan, Hoogleeraar in de Regtsgeleerdh. te Groningen.</li>
+<li>Is. An. Nijhoff, Boekhandelaar te Arnhem. 2 ex.</li>
+<li>&nbsp;</li>
+<li>O. B. Oeberius, Notaris te St. Anna-Parochie.</li>
+<li>Het Onderwijzers Gezelschap te Grouw.</li>
+<li>U. Oosterbaan, Cand. Notaris in de Schrans, bij Leeuwarden.</li>
+<li>J. H. Oosterdijk, Emeritus Predikant van Lunteren, op Gelders-spijker bij Arnhem.</li>
+<li>P. van Os, Instituteur te Sneek.</li>
+<li>J. G. Ottema, Pr&aelig;ceptor aan het Gymn. te Leeuwarden. g.&nbsp;p.</li>
+<li>&nbsp;</li>
+<li>Mr. J. Pan, Raadsheer in het Provinciaal Geregtshof van Drenthe te Assen.</li>
+<li>Jhr. Mr. J. E. van Panhuijs, Commissaris des Konings in de provincie Friesland te Leeuwarden. g.&nbsp;p.</li>
+<li>H. Pasma Fzn., Landbouwer te Haskerdijken.</li>
+<li>J. W. Petr&aelig;us, Bankhouder te Harlingen.</li>
+<li>Mr. I. H. Philipse, Hoogleeraar in de Regtsgeleerdheid te Groningen.</li>
+<li>G. Piekema, Ondermeester te Pingjum.</li>
+<li>M. van der Plaats, Boekhandelaar te Harlingen. 8 ex.</li>
+<li>F. Plantenga, te &#8217;s Hage.</li>
+<li>F. W. van der Ploeg, Landbouwer te Ee.</li>
+<li>J. Ploegsma, Onderwijzer te Rauwerd.</li>
+<li>B. Poppes, Assessor van Lemsterland te Lemmer.</li>
+<li>J. Poppes, Assessor van Gaasterland te Balk.</li>
+<li>J. Post, Med. Doct. te Arnhem.</li>
+<li>C. van der Post, Jr., Boekhandelaar te Utrecht. 5 ex.</li>
+<li>Het Postkantoor te Harderwijk. 2 ex.</li>
+<li>Het Postkantoor te Meppel.</li>
+<li>F. Poutsma, te Slooten.</li>
+<li>P. J. Prinsen, Directeur van &#8217;s Rijks Kweekschool voor Onderwijzers te Haarlem.</li>
+<li>M. Pruim, Instituteur te Dokkum.</li>
+<li>U. Proost, Boekhandelaar te Leeuwarden. 2 ex.</li>
+<li>&nbsp;</li>
+<li>Mr. A. Qu&aelig;stius, Plaatsverv. Kantonregter te Dronrijp.</li>
+<li>&nbsp;</li>
+<li>H. Raadsma, Timmerman te Ee.</li>
+<li>K. Radersma, Onderwijzer te Wierum, voor het Onderwijzers-Gezelschap West Dongeradeel.</li>
+<li>Jhr. Mr. A. G. A. Ridder van Rappard, Staatsraad, Directeur van &#8217;t Kabinet des Konings, te &#8217;s Hage.</li>
+<li>Jhr. F. A. Ridder van Rappard, Secretaris-Generaal van het Ministerie van Oorlog, te &#8217;s Hage.</li>
+<li>R. A. Rauwerda, Landbouwer te Roodkerk.</li>
+<li>J. H. Reddingius, Predikant te Morra en Lioessens.</li>
+<li>Mr. R. A. B. Reddingius, Kantonregter te Sneek.</li>
+<li>R. Reitsma, Onderwijzer te Scharnegoutum.</li>
+<li><span class='pagenum' style="font-size: 1em;"><a name="Page_xvii" id="Page_xvii">[xvii]</a></span>Mej.
+M. P. Reneman, te Leeuwarden.</li>
+<li>L. H. W. Baron van Aylva Rengers, Luit.-Kolonel by het 7<sup>e</sup> Regiment Infanterie te Utrecht.</li>
+<li>L. R. v. Welderen Baron Rengers, Jur. Student te Groningen.</li>
+<li>R. H. S. G. Juckema van Burmania Baron Rengers te Leeuwarden. g.&nbsp;p.</li>
+<li>S. van Welderen Baron Rengers, Grietman van Wymbritseradeel en Lid der Provinciale Staten te Ysbrechtum.</li>
+<li>W. F. L. Baron Rengers te Utrecht.</li>
+<li>W. J. van Welderen Baron Rengers te Leeuwarden.</li>
+<li>Dr. H. Riedel, Conrector te Groningen.</li>
+<li>P. Risselada, Apotheker te Leeuwarden.</li>
+<li>W. de Rivecourt, Gepensioneerd Kapitein te Zutphen.</li>
+<li>A. J. Rodenhuis, Lid der Staten van Friesland en Wethouder der stad Harlingen. g.&nbsp;p.</li>
+<li>IJ. Rodenhuis Pzn. Zeehandelaar te Harlingen. g.&nbsp;p.</li>
+<li>H. R. Roelfsema, Boekhandelaar te Groningen.</li>
+<li>G. Roker, voor het Leesgezelschap te Tjallebert.</li>
+<li>Th. Romein, Stads Architect te Leeuwarden.</li>
+<li>D. T. Roorda te Wijtgaard.</li>
+<li>H. L. Roorda, Boer te Kimswerd. g.&nbsp;p.</li>
+<li>S. O. Roosjen te Hindeloopen.</li>
+<li>H. J. Royaards, Hoogleeraar te Utrecht.</li>
+<li>T. J. Rudolphi, Lid van den Raad en Landbouwer te Jutrijp.</li>
+<li>Joh. W. Ruitinga, Apotheker te Harlingen.</li>
+<li>J. de Ruijter, Boekhandelaar te Amsterdam.</li>
+<li>E. P. Rijpma, Landbouwer te Ooster-Nijkerk.</li>
+<li>&nbsp;</li>
+<li>Mr. L. R. Salverda, Secretaris van Opsterland te Beetsterzwaag.</li>
+<li>R. Bloembergen Sant&eacute;e, 1<sup>e</sup> Deurwaarder bij de Arrondissements-Regtbank te Leeuwarden.</li>
+<li>A. Schaafsma, Aannemer te Harlingen.</li>
+<li>A. Schaafsma, Boekhandelaar te Dokkum. 14 ex.</li>
+<li>Schalekamp, van de Grampel &amp; Bakker, Boekhandelaars te Amsterdam.</li>
+<li>H. Scheltema, Ontvanger der Belastingen te Harderwijk. 2 ex.</li>
+<li>Mr. H. W. de Blocq van Scheltinga, te Oranjewoud, g.&nbsp;p.</li>
+<li>H. C. Schetsberg, Boekhandelaar te Leeuwarden. 2 ex.</li>
+<li>L. Schierbeek, Boekhandelaar te Leeuwarden. 2 ex.</li>
+<li>R. J. Schierbeek, Boekhandelaar te Groningen. 6 ex.</li>
+<li>P. Wierdsma Schik te Leeuwarden.</li>
+<li>A. L. Scholtens, Boekhandelaar te Groningen.</li>
+<li>J. Kuiper van Schouwenburg, Lid van den Raad der stad Harlingen. g.&nbsp;p.</li>
+<li>B. Schuring, Boekh. te Weesp.</li>
+<li>S. S. Schuurmans, Lid van den Grietenijraad van Rauwerderhem te Rauwerd.</li>
+<li>G. F. Baron thoe Schwartzenberg en Hohenlansberg, Grietman van Menaldumadeel te Beetgum.</li>
+<li>G. W. C. D. Baron thoe Schwartzenberg en Hohenlansberg, Grietman van Haskerland te Joure.</li>
+<li>U. Baron thoe Schwartzenberg en Hohenlansberg, Surnumerair bij de Directe Belastingen te Leeuwarden. g.&nbsp;p.</li>
+<li>W. H. T. Camstra Baron thoe Schwartzenberg en Hohenlansberg, Lid der Prov. Staten van Friesland te Hichtum.</li>
+<li>W. J. J. D. Baron thoe Schwartzenberg en Hohenlansberg, Grietman van Doniawerstal te Langweer.</li>
+<li><span class='pagenum' style="font-size: 1em;"><a name="Page_xviii" id="Page_xviii">[xviii]</a></span>H. M.
+Scrinerius, Geneesheer te Witmarsum.</li>
+<li>W. J. A. Seijffardt, Boekh. te Amsterdam.</li>
+<li>Jhr. Mr. J. Hora Siccama van de Harkstede te Groningen.</li>
+<li>S. G. Siedzesz, Burgemeester der stad Stavoren.</li>
+<li>S. Sinnema, Contr&ocirc;leur der Directe Belastingen te Dokkum.</li>
+<li>J. E. Simon, Medicin&aelig; Doctor te Leeuwarden.</li>
+<li>L. van Sisseren, te Leeuwarden.</li>
+<li>H. D. van Sloterdijck, te Leeuwarden.</li>
+<li>Jhr. Mr. H. B. van Sminia, Grietman van Tietjerksteradeel te Bergum. 1 ord. en 1 g.&nbsp;p.</li>
+<li>Mevr. C. van Sminia, geb. Coehoorn van Scheltinga, te Oudkerk.</li>
+<li>Jhr. H. van Sminia, Jur. Student te Groningen.</li>
+<li>J. Molanus Smith, Onderwijzer te Hiaure.</li>
+<li>De stad Sneek. g.&nbsp;p.</li>
+<li>Jhr. Mr. H. M. Speelman Wobma, President van het Provinciaal Geregtshof van Friesland te Leeuwarden.</li>
+<li>Jhr. S. Speelman, te Leeuwarden.</li>
+<li>J. A. Spree, te Leeuwarden.</li>
+<li>M. van Staveren, Theol. Doct. en Predikant te Leeuwarden.</li>
+<li>C. van der Sterr, te Helder.</li>
+<li>Mr. B. S. Stienstra, Procureur te Sneek.</li>
+<li>Wed. Mr. J. Stinstra, geb. Banga, te Franeker.</li>
+<li>Simon Stinstra, Lid van den Raad van Harlingen.</li>
+<li>W. P. van Stockum, Boekhandelaar te &#8217;s Hage. 3 ex.</li>
+<li>Mr. G. N. de Stoppelaar, Advocaat te Middelburg.</li>
+<li>G. Acker Stratingh, Math. Phil. Nat. et Med. Doct. te Groningen.</li>
+<li>H. Stroband, te Franeker. g.&nbsp;p.</li>
+<li>G. T. N. Suringar, Boekhandelaar te Leeuwarden.</li>
+<li>T. Sybenga, Landbouwer te Nijkerk.</li>
+<li>S. Sybrandi, Boekh. te Haarlem.</li>
+<li>S. K. Sybrandi, Rustend Leeraar bij de Doopsgezinden te Haarlem.</li>
+<li>&nbsp;</li>
+<li>H. R. Tacoma, Landbouwer te Pingjum.</li>
+<li>S. Talsma, Onderwijzer te Roordahuizum.</li>
+<li>W. Talsma, te Oenkerk.</li>
+<li>T. Telenga, Boekhandelaar te Franeker. 20 ex.</li>
+<li>Mr. A. Telting, Kantonregter te Franeker.</li>
+<li>J. G. van Terveen en Zn., Boekhandelaars te Utrecht.</li>
+<li>Mr. S. van Teijens, Grietman van Opsterland en Lid der Staten van Friesland te Beetsterzwaag.</li>
+<li>J. F. Thieme, Boekh. te Nijmegen.</li>
+<li>J. Tichelaar Jzn. te Amsterdam, g.&nbsp;p.</li>
+<li>H. Tiddens, Jur. Student te Groningen.</li>
+<li>C. J. Tjessinga, Assessor van Barradeel te Minnertsga. g.&nbsp;p.</li>
+<li>J. Lunsingh Tonckens, Med. Doctor te Beetsterzwaag.</li>
+<li>Mr. G. M. Baron du Tour van Bellinchave, Raadsheer in het Prov. Geregtshof van Friesland te Leeuwarden.</li>
+<li>S. S. Tromp, Rustend Predikant te Britsum.</li>
+<li>W. Tromp, Notaris te Bergum.</li>
+<li>S. Tulp, Koopman te Leeuwarden. g.&nbsp;p.</li>
+<li>Erven J. J. Tijl, Boekhandelaars te Zwolle. 2 ex.</li>
+<li>&nbsp;</li>
+<li>R. J. Uilkema, Landbouwer te Scharnegoutum. g.&nbsp;p.</li>
+<li>&nbsp;</li>
+<li><span class='pagenum' style="font-size: 1em;"><a name="Page_xix" id="Page_xix">[xix]</a></span>L. Valk,
+Rustend Predikant te Leeuwarden, voor het Leesgez.</li>
+<li>D. A. van Valkenburg, Hoofd-Commies, belast met het Toesigt der Bibliotheek van het Depart. van Oorlog te &#8217;s Hage.</li>
+<li>P. Valter, Particulier te Deventer. g.&nbsp;p.</li>
+<li>Dr. D. J. Veegens, Rector aan het Gymnasium te Amsterdam, g.&nbsp;p.</li>
+<li>H. G. van der Veen, te Driezum.</li>
+<li>Jan H. Veenbaas, Kastelein te Knijpe.</li>
+<li>J. Veenland, Stud. Litt. Hum. te Rottevalle. g.&nbsp;p.</li>
+<li>Jhr. Mr. P. B. J. Vegilin van Claerbergen, Lid der Gedeputeerde Staten van Friesland te Joure. 1 ord. en 1 g.&nbsp;p.</li>
+<li>H. W. van de Velde, Lid van den Grietenijraad van Utingeradeel te Terhorne.</li>
+<li>S. K. Thoden van Velzen, Predikant te Leeuwarden.</li>
+<li>Gebr. Vermande, Boekh. te Hoorn</li>
+<li>N. Burhoven Vi&euml;tor, Oud-Artill. Officier, Maire, Schout, Lid der Prov. Staten van Friesland;
+Assessor van Menaldumadeel, Gepens. Ontvanger der Directe Belastingen, op den huize Oorbijt te Dronrijp.</li>
+<li>D. Vas Visser, te Amsterdam, g.&nbsp;p.</li>
+<li>J. Visser, Onderwijzer te Sneek.</li>
+<li>J. H. Visser, Bakker te Witmarsum.</li>
+<li>J. A. Visser, Jr., te Heeg.</li>
+<li>P. A. Visser, Onderw. te Pingjum</li>
+<li>S. W. Visser, Lid van den Raad van Lemsterland, te Lemmer.</li>
+<li>&nbsp;</li>
+<li>J. P. van Visvliet, Archivarius der prov. Zeeland, te Middelburg.</li>
+<li>G. W. Vreede, Hoogleeraar te Utrecht.</li>
+<li>Dr. A. de Vries, Rustend Predikant te Haarlem.</li>
+<li>F. Draisma de Vries, Lid van den Raad van Franekeradeel te Achlum.</li>
+<li>M. de Vries, Hoogl. te Groningen.</li>
+<li>O. de Vries, Commissionair te Leeuwarden.</li>
+<li>&nbsp;</li>
+<li>K. de Waard, Boekhandelaar te Groningen.</li>
+<li>Mr. J. G. van Wageningen, Raadsheer in het Prov. Geregtshof van Friesland te Leeuwarden.</li>
+<li>Mr. J. H. J. van Wageningen, Secretaris van Baarderadeel te Weidum.</li>
+<li>M. S. de Wal, Secretaris der stad Leeuwarden.</li>
+<li>O. P. Waller, Lid van den Raad der stad Leeuwarden.</li>
+<li>W. C. Wansleven, Boekhandelaar te Zutphen.</li>
+<li>Mr. C. C. C. Warmolts, Procureur en Wethouder der stad Leeuwarden.</li>
+<li>R. A. Wartena, Assessor van Rauwerderhem, te Rauwerd.</li>
+<li>B. A. Wassenaar, Landbouwer te St. Jacobi-Parochie.</li>
+<li>A. Wassenbergh, Predikant te St. Anna-Parochie.</li>
+<li>I. Wentholt, Arrondissements Betaalmeester te Alkmaar.</li>
+<li>Mr. P. ten Behm Wentholt, Regter te Heerenveen.</li>
+<li>Mr. T. M. Wentholt, Griffier van het Kantongeregt te Harlingen.</li>
+<li>J. P. van der Werf, Onderwijzer te Peins.</li>
+<li>H. S. Westerbaan, Bakker te Arum.</li>
+<li>S. H. Wiarda, Lid van den Raad van Baarderadeel te Bozum.</li>
+<li>P. van Wicheren Hz., Boekhandelaar te Groningen. 6 ex.</li>
+<li>Mr. C. Wichers Wierdsma, Grietman van Hennaarderadeel te Wommels.</li>
+<li>J. H. Wierenga, Onderwijzer te Burum.</li>
+<li><span class='pagenum' style="font-size: 1em;"><a name="Page_xx" id="Page_xx">[xx]</a></span>Mr.
+A. G. van Velsen Wiersma, Secretaris der stad Harlingen.</li>
+<li>Harmen K. Wiersma, Landbouwer te Hichtum.</li>
+<li>H. Wilhelmij, Landeigenaar te Bergum.</li>
+<li>F. Wilkens, Boekhandelaar te Groningen.</li>
+<li>N. van Willes, 1<sup>e</sup> Luit.-Adjudant bij het 3<sup>e</sup>
+Regiment Infanterie te Arnhem, voor de Officiers-Bibliotheek. g.&nbsp;p.</li>
+<li>T. R. Winia, Lid van den Raad van Baarderadeel te Huins.</li>
+<li>T. S. van de Wint, Houthandelaar te Franeker.</li>
+<li>Jhr. Mr. J. M. van Haersma de With, Grietman van Oost-Dongeradeel te Metslawier. g.&nbsp;p.</li>
+<li>H. G. Wittebol, te Leeuwarden.</li>
+<li>F. J. Witteveen, Medic. Doctor en Lid van den Raad van Lemsterland te Lemmer.</li>
+<li>J. N. Witteveen, Lid van den Raad van Oost-Dongeradeel te Metslawier.</li>
+<li>J. A. van Woestenberg, Boekhandelaar te Utrecht.</li>
+<li>I. Wouters, Lid der Staten van Friesland te Sneek.</li>
+<li>C. Wouda, Stucadoor en Meubelfabrijkant te Leeuwarden.</li>
+<li>H. C. Wouda, Wethouder der stad Sneek.</li>
+<li>Mr. C. Wijbenga, Secretaris van Franekeradeel te Franeker.</li>
+<li>J. Wijma Jzn. te Leeuwarden.</li>
+<li>M. Wijt &amp; Zn. Boekhandelaars te Rotterdam.</li>
+<li>&nbsp;</li>
+<li>Dr. N. Ypeij, Lid van den Raad der stad Leeuwarden.</li>
+<li>S. Ypeij, Jur. Student te Groningen.</li>
+<li>J. H. van IJssel, V. D. M. te Hempens, voor het Leesgezelschap.</li>
+<li>Jan S. IJzenbeek, Koopman te Harlingen.</li>
+<li>&nbsp;</li>
+<li>A. K. Zandstra, Landbouwer te Langweer.</li>
+<li>D. H. Zandstra, Landbouwer te Langweer.</li>
+<li>Dirk Zeper, Wethouder der stad Leeuwarden.</li>
+<li>H. Zeper, te Leeuwarden.</li>
+<li>J. Zeven, Onderwijzer te Tjummarum.</li>
+<li>J. G. de Waldkirch Ziepprecht, te Leiden.</li>
+<li>J. Zuidema, Onderw. te Oostrum.</li>
+<li>J. J. Zuidhoff, Onderwijzer te Ee.</li>
+<li>F. F. van der Zwaag op het Huis ter Noord onder Oudwoude. g.&nbsp;p.</li>
+<li>W. C. van der Zwaag, Predikant te Dronrijp.</li>
+<li>P. H. van der Zijl, Landbouwer te Go&euml;nga. g.&nbsp;p.</li>
+<li>Mr. P. Adama Zijlstra, Burgemeester der stad Harlingen. g.&nbsp;p.</li>
+
+</ul>
+
+<p class="figcenter"><img src="images/lijn4.png" alt="Versiering" width="100" height="16" /></p>
+
+<p class='pagenum'><a name="Page_xxi" id="Page_xxi">[xxi]</a></p>
+
+<p class="center line2em"><span class="fsize150 gesp">TWEEDE NAAMLIJST</span><br />
+VAN<br />
+<span class="fsize200">INTEEKENAREN.</span></p>
+
+<p class="figcenter"><img src="images/lijn3.png" alt="Versiering" width="100" height="12" /></p>
+
+<p class="center">HARE MAJESTEIT DE KONINGIN-MOEDER. g. p.</p>
+<hr class="c05" />
+
+<ul class="namelist">
+<li>J. H. Akkeringa, Doopsgezind Predikant te Workum.</li>
+<li>S. Algera, Onderwijzer te Spannum.</li>
+<li>T. Alma, Notaris te Menaldum.</li>
+<li>E. J. Alta, Secretaris van Barradeel te Sexbierum.</li>
+<li>Mr. J. P. Amersfoordt, Advokaat te Amsterdam.</li>
+<li>A. Andre&aelig;, Notaris en Lid der Staten van Friesland, te Beetsterzwaag.</li>
+<li>Mr. A. J. Andre&aelig;, Oud-Directeur der Registratie en Domeinen te Leeuwarden.</li>
+<li>Mr. J. H. Beucker Andre&aelig;, te Leeuwarden, voor de Onderwijzers-gezelschappen in het
+7<sup>e</sup> School-district van Friesland.</li>
+<li>J. A. Anema, te Arum.</li>
+<li>D. Apon, Koopman te Amsterdam.</li>
+<li>P. van Asperen, Koopman te Warrega.</li>
+<li>Mr. C. J. van Assen, Hoogleeraar te Leiden.</li>
+<li>P. S. Attema, te Leeuwarden.</li>
+<li>&nbsp;</li>
+<li>J. van der Baan, Onderwijzer te Zaamslag.</li>
+<li>M. A. J. Bakhuijzen, te &#8217;s Gravenhage.</li>
+<li>J. Barends, Arrondissements-Betaalmeester te Heerenveen.</li>
+<li>J. B. H. Bax, te Rotterdam, g. p.</li>
+<li>C. H. Beekhuis, Notaris te Buitenpost.</li>
+<li>Helm. Beekhuis, Predikant te Austerhaule.</li>
+<li>H. Beekkerk, Ontvanger der Registratie te Oldeberkoop.</li>
+<li>J. H. Behrns, te Franeker.</li>
+<li>E. A. Bekius, te Lieve Vrouwe-Parochie.</li>
+<li>J. M. Benteijn, Ridder der Militaire W. O. 4<sup>e</sup> kl., Ontvanger der Registratie enz. te Leeuwarden.</li>
+<li>Mr. P. J. Teding van Berkhout, te Amsterdam.</li>
+<li>Bibliotheek der H.H. Officieren van het Instructie-Bataillon te Kampen.</li>
+<li>Bibliotheek der stad Leeuwarden.</li>
+<li>Bibliotheek der stad Arnhem.</li>
+<li>Bibliotheek der Officieren van het 5<sup>e</sup> Regiment Infanterie te Vlissingen.</li>
+<li>J. F. Blaauw, Predikant te Rotterdam.</li>
+<li>J. J. de Bl&eacute;court, Notaris te Wildervank.</li>
+<li>G. P. Bleeksma, Timmerman te Roordahuizum.</li>
+<li><span class='pagenum' style="font-size: 1em;"><a name="Page_xxii" id="Page_xxii">[xxii]</a></span>Mr.
+J. T. Bodel Nijenhuis, te Leiden.</li>
+<li>Mr. F. A. van Boelens, Kantonregter te Beetsterzwaag.</li>
+<li>J. B. de Boer, Predikant te Marrum.</li>
+<li>M. L. de Boer, Predikant te Berlikum.</li>
+<li>B. K. Bokma, Gemeente-Ontvanger van Idaarderadeel, te Grouw.</li>
+<li>A. Bolman, Wijnhandelaar te Warrega.</li>
+<li>C. J. Bolten, Ingenieur der 1<sup>e</sup> klasse van den Waterstaat te Leeuwarden.</li>
+<li>D. W. Bosch Dzn. te Amsterdam.</li>
+<li>E. F. van den Bosch Pz. Rijks Veearts te St. Anna-Parochie.</li>
+<li>J. Bosscha, Hoogleeraar te Amsterdam.</li>
+<li>Mr. P. Bosscha, Hoogleeraar te Deventer.</li>
+<li>H. T. Bosma, Landbouwer te Smalle-Ee onder Boornbergum.</li>
+<li>Sake J. Bosma, Mr. Timmerman te Follega.</li>
+<li>L. G. Bouricius, Arrond.-Directeur van &#8217;s Rijks Directe Belastingen, R. N. L. te Utrecht.</li>
+<li>D. D. Breuning, Lid der Staten van Friesland en Geneesh. te Wolvega.</li>
+<li>Jhr. J. A. van Brienen van Ramerus, Kapitein, 1<sup>e</sup> aanw. Ingenieur te Nijmegen.</li>
+<li>H. Brouwer, Predikant te Oudkerk.</li>
+<li>S. Brouwer, Geneesheer te Bergum.</li>
+<li>E. P. Brunger, Notaris en Lid der Staten van Friesland, te Lieve Vrouwe-Parochie.</li>
+<li>G. Brunia, Ondermeester te Sexbierum.</li>
+<li>J. J. Buwalda, Med. Doctor te Franeker.</li>
+<li>&nbsp;</li>
+<li>Jhr. V. V. van Cammingha, Burgemeester van Leeuwarderadeel te Huizum.</li>
+<li>H. G. Cannegieter, Med. Doctor te Hallum.</li>
+<li>de Crane d&#8217;Heijsselaer, Borgemeester, op &#8217;t Hof de Buerstede te Aertselaer, bij Antwerpen.</li>
+<li>&nbsp;</li>
+<li>D. A. Deinema, Gepensioneerd Kapitein van &#8217;t O. Ind. Leger, te Arnhem.</li>
+<li>H. W. van Doesburg, Surnumerair bij &#8217;s Rijks Belastingen te Amsterdam.</li>
+<li>L. J. Dooper, Landbouwer te Hommerts.</li>
+<li>Mr. H. I. Baron van Doorn van Westcapelle, Opper-Hofmaarschalk van het Huis des Konings enz. te &#8217;s Hage.</li>
+<li>P. H. Douma, te Hardegarijp.</li>
+<li>J. Douwes, Predikant te Leens.</li>
+<li>J. ab Utrecht Dresselhuis, Predikant te Wolfaartsdijk.</li>
+<li>O. J. Dijkstra, Olieslager te Leeuwarden.</li>
+<li>&nbsp;</li>
+<li>J. Ebbos, te Amsterdam.</li>
+<li>P. Epkema, Doctor in de Letteren, te Amsterdam.</li>
+<li>L. van Essen, Onderwijzer te Wijnjeterp, voor het Leesgezelschap: Behoudt het goede.</li>
+<li>&nbsp;</li>
+<li>J. L. Faber, Ondermeester te Bolsward.</li>
+<li>Jhr. A. L. C. Fabricius van Heukelom, Lid der Ridderschap van N.-Holland, te Amsterdam.</li>
+<li>D. P. Farret, Rustend Predikant te Harlingen.</li>
+<li>Bauke Feenstra, Opperwachtmeester by &#8217;t Regiment Rijdende Artillerie, te Amersfoort.</li>
+<li>A. Feickens, te Leeuwarden.</li>
+<li>W. Feikema, Heelmeester te Oosterwolde.</li>
+<li><span class='pagenum' style="font-size: 1em;"><a name="Page_xxiii" id="Page_xxiii">[xxiii]</a></span>A.
+Feima, Onderwijzer te Leeuwarden.</li>
+<li>J. A. Feith, Kapitein-Ingenieur te Utrecht.</li>
+<li>S. W. Fennema, te Bergum.</li>
+<li>Mr. A. Ferf, Advocaat bij het Provinciaal Geregtshof van Friesland, Ambtenaar bij het
+O. M., Kanton Bergum en Secretaris der Grietenij Tietjerksteradeel te Bergum.</li>
+<li>P. Fiers, Onderwijzer te Winsum.</li>
+<li>J. Folkertsma, Predikant te Koudum.</li>
+<li>D. Fontein Azn. Steenfabrijkant te Franeker.</li>
+<li>Dirk Fontein Fz. Zeehandelaar te Harlingen.</li>
+<li>Mr. J. A. Fontein, Kantonregter te Oudeberkoop.</li>
+<li>Reiner Fontein, te Franeker.</li>
+<li>G. R. Fopma, te Mantgum.</li>
+<li>I. Fredriks, te Wolvega.</li>
+<li>&nbsp;</li>
+<li>Willem F. Galema, Notari&euml;le klerk en Zaakwaarnemer te Marrum. g. p.</li>
+<li>J. H. van der Goot, Ontvanger te Oosterend.</li>
+<li>S. H. van der Goot, Doopsgezind Predikant te Berlikum.</li>
+<li>B. P. Gorter, Wethouder van de gemeente Haskerland te Joure.</li>
+<li>J. J. Gouma, te Wolvega.</li>
+<li>A. Gratama, Kassier te Leeuwarden.</li>
+<li>K. van Someren Gr&eacute;ve, Mr. Steen- en Beeldhouwer te Sneek.</li>
+<li>P. A. Guldenarm, te Franeker.</li>
+<li>P. C. G. Guijot, te &#8217;s Hage.</li>
+<li>&nbsp;</li>
+<li>W. Haamstra, Onderwijzer te Oosterwierum.</li>
+<li>H. B. van der Haer, Lid der Gedep. Staten van Friesland, te Leeuwarden.</li>
+<li>K. J. R. v. Harderwijk, te Noordwijk-binnen.</li>
+<li>E. R. Harkema, te Leeuwarden.</li>
+<li>Cornelis Harmens, Zeehandelaar te Harlingen.</li>
+<li>N. T. Haverschmidt, Lid van den Gemeente-raad en Apotheker te Leeuwarden.</li>
+<li>K. Sipkes Heep, Candidaat-Notaris te Holwerd.</li>
+<li>D. Hekker Jr., Onderwijzer te Amsterdam.</li>
+<li>G. A. van Hemert, Onderwijzer te Harlingen.</li>
+<li>J. C. Hemsing, Med. Doctor te Blija.</li>
+<li>Mr. W. J. Hemsing, Notaris en Secretaris van Gaasterland te Balk.</li>
+<li>J. A. Hibma, Lid van den Raad van Barradeel te Sexbierum.</li>
+<li>J. R. Hiddinga, Assessor van Barradeel te Wijnaldum.</li>
+<li>A. M. Hiemstra, Lid van den Raad van Barradeel, te Klooster Lidlum.</li>
+<li>L. G. Hilbida, Assessor, waarnemend Grietman van Barradeel, te Tjummarum.</li>
+<li>J. Hingst, te Amsterdam.</li>
+<li>J. Hingst, Predikant te Sijbrandaburen.</li>
+<li>G. T. Hoekstra, te Deinum.</li>
+<li>S. W. Hoekstra, Candidaat-Notaris te Wommels.</li>
+<li>Abr. des Amorie van der Hoeven, Theol. Doct. en Professor, Commandeur der Orde van den
+Nederlandschen Leeuw, Lid en vaste Secretaris der 2<sup>e</sup> kl. van het Koninkl. Nederl. Instituut, te Amsterdam.</li>
+<li>W. J. Hofdijk, te Beverwijk.</li>
+<li>T. Hofkamp, voor de Bibliotheek voor Onderwijzers van het 1<sup>e</sup>
+en 2<sup>e</sup> Distrikt der prov. Groningen.</li>
+<li>P. J. de Hoop, te Nieuwland.</li>
+<li>J. E. F. Huguenin, te Franeker.</li>
+<li>Huydecoper van Nichtevegt, Jur. Cand. te Utrecht.</li>
+<li>&nbsp;</li>
+<li><span class='pagenum' style="font-size: 1em;"><a name="Page_xxiv" id="Page_xxiv">[xxiv]</a></span>K. G. Jensma, Landb. te Hallum.</li>
+<li>T. Jentink, Pred. te Nieuwland.</li>
+<li>Simon B. de Jong, te Leeuwarden.</li>
+<li>&nbsp;</li>
+<li>K. J. Kalma, Lid der Prov. Staten van Friesland te Boxum.</li>
+<li>O. van Kammen, Koopman te Leeuwarden.</li>
+<li>H. F. Kamphuijzen, Onderwijzer bij de Kath. Armenschool te Utrecht.</li>
+<li>Otto Keer, Assuradeur te Amsterdam.</li>
+<li>Mr. J. M. de Kempenaer, Advokaat te Arnhem.</li>
+<li>Jhr. Mr. J. de Bosch Kemper, Advokaat-Gener. bij &#8217;t Geregtshof te Amsterdam.</li>
+<li>C. J. Kingma, Koopman te Leer. g. p.</li>
+<li>I. Klein, Onderwijzer te Nijmegen.</li>
+<li>C. C. Knoll, te Amsterdam.</li>
+<li>A. T. Knoop, 1<sup>e</sup> Luit. bij het 1<sup>e</sup> Regiment Vesting-Artillerie te Grave.</li>
+<li>C. Koopmans, Ontvanger van Opsterland, te Beetsterzwaag.</li>
+<li>H. M. Koopmans, te Lemmer.</li>
+<li>S. A. Koopmans, Ondermeester te Oldeboorn.</li>
+<li>T. A. Koopmans, te Beetsterzwaag.</li>
+<li>S. R. Kuipers, Kastelein te Akkrum.</li>
+<li>&nbsp;</li>
+<li>M. Th. Laurman, Predikant te Winsum.</li>
+<li>P. Leendertz, Wzn. voor het Leesgezelschap te Woudsend.</li>
+<li>Leesgezelschap te Bergum en Oostermeer.</li>
+<li>Leesgezelschap te Arum.</li>
+<li>Leesgezelschap: Miscens Utile Dulci, te Leijden.</li>
+<li>Leesgezelschap: ter Beschaving, te Sneek.</li>
+<li>Leesgezelschap te Folsgare.</li>
+<li>Leesgezelschap (Het Geschied- en Letterkundig) te Zwolle.</li>
+<li>A. van der Leeuw, te Delft.</li>
+<li>T. Leistra, te Bergum.</li>
+<li>Mr. D. J. van Lennep, voor de Bibliotheek van het Athen&aelig;um Illustre te Amsterdam.</li>
+<li>A. Rutgers van der Loeff, Predikant te Leiden.</li>
+<li>W. Lomars, Bakker te Tjum.</li>
+<li>J. D. Lont, Landbouwer te Hallum.</li>
+<li>S. Lycklama &agrave; Nijeholt, Wethouder der stad Bolsward.</li>
+<li>&nbsp;</li>
+<li>D. G. Mackay, Predikant te Stavoren.</li>
+<li>W. Mebius, Predikant te St. Jacobi-Parochie.</li>
+<li>Mr. G. A. de Meester, Lid der Staten van Gelderland, Advokaat en Secretaris te Harderwijk.</li>
+<li>Wed. I. Meesters-Tromp, te Steenwijk.</li>
+<li>H. Meinesz, Ontvanger der Directe Belastingen te Amsterdam.</li>
+<li>O. Meinsma, Rijks-Ontvanger te Meppel.</li>
+<li>D. M. Mellema, Lid der Prov. Staten van Friesland en Landbouwer te Oostrum.</li>
+<li>F. H. Mertens, Stads-Bibliothekaris te Antwerpen.</li>
+<li>H. Mestdagh, Boekhandelaar te Vlissingen.</li>
+<li>Mr. L. Metman, Advokaat te &#8217;s Gravenhage.</li>
+<li>J. C. Metzlar, Secretaris van West-stellingwerf te Wolvega.</li>
+<li>A. H. v. d. Meulen, Koopman te Franeker.</li>
+<li>Dr. P. A. van Meurs, Docent aan &#8217;t Gymnasium te Deventer.</li>
+<li>J. F. Meijer, Ontvanger van &#8217;s Rijks belastingen te Witmarsum.</li>
+<li>A. J. Mispelblom Beijer, Directeur der Posterijen te Leeuwarden.</li>
+<li><span class='pagenum' style="font-size: 1em;"><a name="Page_xxv" id="Page_xxv">[xxv]</a></span>H. Mohrman,
+voor het Leesgezelschap: Oefening volmaakt, te Amsterdam.</li>
+<li>Mr. J. Haitsma Mulier, Burgemeester der stad Bolsward.</li>
+<li>Mr. T. Mulier, Burgemeester van Wonseradeel te Witmarsum.</li>
+<li>&nbsp;</li>
+<li>Mr. C. F. F. Rinia van Nauta, Kantonregter van Bergum, te Giekerk.</li>
+<li>Mr. G. R. Nauta, President bij de Arrond.-Regtbank te Heerenveen.</li>
+<li>Laurens Nauta, Kweekeling te Groningen.</li>
+<li>A. R. Nicolai, Geneesheer te St. Anna-Parochie.</li>
+<li>Johs. Nolledes, Olieslager te Leeuwarden.</li>
+<li>G. Noordhof, Onderwijzer te Oosterwolde.</li>
+<li>C. H. Nijdam, te Haskerdijken.</li>
+<li>&nbsp;</li>
+<li>H. H. Okken, Min. Cand. en Hulpprediker te Bakkeveen.</li>
+<li>U. P. Okken, Theol. Doct. en Predikant te Solwerd c. a.</li>
+<li>J. S. Olivier, Secondant te Groningen.</li>
+<li>A. van Otterloo, Instituteur te Amsterdam.</li>
+<li>M. D. van Otterloo, Instituteur te Valburg.</li>
+<li>&nbsp;</li>
+<li>S. van der Paauw, Stads-Architect te Leiden.</li>
+<li>J. A. Palsma, voor het Leesgezelschap te Vrouwenbuurt.</li>
+<li>P. K. Pel, Genees- en Heelkundige te Dragten.</li>
+<li>de Petit, Kolonel van den Generalen Staf, te Arnhem.</li>
+<li>R. Piekema, Commissaris van Policie der stad Leeuwarden.</li>
+<li>Mr. G. L. Jansma van der Ploeg, Advokaat te Amsterdam.</li>
+<li>T. van der Ploeg, Brandspuit- en Brandkast-fabrikant te Grouw.</li>
+<li>G. Pol, V. D. M. te Baard, voor een Leesgezelschap.</li>
+<li>Mr. J. Pols, Referendaris te &#8217;s Hage.</li>
+<li>J. Posthuma, Med. Doctor te Dronrijp.</li>
+<li>B. Prakken, Koopman en Wethouder der Gemeente Oost Stellingwerf te Oosterwolde.</li>
+<li>A. Winkler Prins, Doopsgezind Predikant te Veendam en Wildervank.</li>
+<li>&nbsp;</li>
+<li>Mr. F. S. Reiding, Lid der Staten van Friesland en Secretaris van Smallingerland.</li>
+<li>A. C. Reneman, Wed. Persijn van Nauta, te Leeuwarden.</li>
+<li>Mr. B. W. van Welderen Baron Rengers, te Leeuwarden.</li>
+<li>Mr. S. J. van Rhijn, Griffier bij de Arrond. Regtbank te &#8217;s Hage.</li>
+<li>J. K. van Riesen, Koopman te Grouw.</li>
+<li>P. R. R&ouml;mer, Geneesheer te Warrega.</li>
+<li>E. S. Romkes, Assessor van Wijmbritseradeel te Scharnegoutum.</li>
+<li>&nbsp;</li>
+<li>J. A. Schaaff, Notaris te Stiens.</li>
+<li>J. Schaafsma, te Harlingen.</li>
+<li>P. Scheltema, Archivarius der Hoofdstad en van de Provincie Noord-Holland.</li>
+<li>Mr. G. Schot, Notaris te Franeker.</li>
+<li>J. M. Schrant, Professor in de Wijsbegeerte en Letteren te Leiden.</li>
+<li>J. C. Schultz Jacobi, Evang. Luth. Predikant te Rotterdam.</li>
+<li>Mr. J. G. Schumacher, te Rotterdam.</li>
+<li>J. Schuijten Hzn., te Dordrecht.</li>
+<li>N. Sickler, Candidaat-Notaris te Leeuwarden.</li>
+<li><span class='pagenum' style="font-size: 1em;"><a name="Page_xxvi" id="Page_xxvi">[xxvi]</a></span>G.
+D. Simon, Directeur der Belastingen in Friesland te Leeuwarden.</li>
+<li>J. D. Simon, Stedelijk Ontvanger te Leeuwarden.</li>
+<li>M. C. Simon, Med. Doctor te Amsterdam.</li>
+<li>N. J. Singels, Kostschoolhouder te Leeuwarden.</li>
+<li>E. J. Sjoukes, te Lutkewierum.</li>
+<li>J. W. Sluiter, Conrector aan het Gymnasium Erasmianum te Rotterdam.</li>
+<li>Jhr. Mr. C. J. Speelman, te Bolsward.</li>
+<li>S. Spree, Ontvanger der Dir. Belastingen te Leeuwarden.</li>
+<li>Dr. Th. Spree, te Veenwouden.</li>
+<li>K. Stapensea, Ge&euml;mploijeerde ter Secretarie van Menaldumadeel te Menaldum.</li>
+<li>Jhr. N. J. Steengracht van Duivenvoorde, Hoogheemraad van Rijnland te &#8217;s Hage.</li>
+<li>A. W. Storm van &#8217;s Gravesande, te Ensched&eacute;.</li>
+<li>Jhr. van der Straten van den Hill, Lid der Ridderschap van Zeeland, op het huis te Hoorn, onder Rijswijk.</li>
+<li>C. W. Stronck, Theol. Doctor en Predikant te Dordrecht.</li>
+<li>Mr. &AElig;. M. de Swart, Procureur te Leeuwarden.</li>
+<li>W. Swart, Med. Dr. te Leeuwarden.</li>
+<li>A. H. Swerms, Be&euml;edigd Klerk te Franeker.</li>
+<li>J. H. Swildens, Instituteur te Amsterdam.</li>
+<li>M. Sijbouts, Koopman te Leeuwarden.</li>
+<li>&nbsp;</li>
+<li>H. Taconis, te Grouw.</li>
+<li>J. Z. Tadema, Theol. Student te Amsterdam.</li>
+<li>A. Tak, te Middelburg.</li>
+<li>Mr. E. H. Tenckinck, Secretaris van Hennaarderadeel te Wommels.</li>
+<li>Mr. Rein Terpstra, te Cleve.</li>
+<li>H. N. van Teutem, Litt. en Theol. Doct. Predikant te Rotterdam.</li>
+<li>H. A. Timmerman, Landbouwer te Munnekeburen.</li>
+<li>P. J. Tolsma, Lid van den Raad van Barradeel te Almenum.</li>
+<li>A. H. Tromp, te Woudsend.</li>
+<li>A. M. Tromp, te Balk.</li>
+<li>Mr. S. W. Tromp, Procureur en Wethouder der stad Leeuwarden.</li>
+<li>D. Trompetter, Catechiseermeester te Harlingen.</li>
+<li>E. van Tuinen, Apotheker te Leeuwarden.</li>
+<li>&nbsp;</li>
+<li>B. B. van der Veen, Predikant te Eernewoude.</li>
+<li>Mr. C. J. van der Veen, Lid der Gedeputeerde Staten van Friesland, te Leeuwarden.</li>
+<li>Mr. Jan van der Veen, Advokaat en Lid der Staten van Friesland, te Leeuwarden. g. p.</li>
+<li>Jhr. P. E. A. Vegilin van Claerbergen, oud Lid der Gedeputeerde Staten van Friesland, te Blesse.</li>
+<li>S. L. Vellinga, Deurwaarder te Bergum.</li>
+<li>A. W. Vermeij, Predikant te Exmorra en Allingawier.</li>
+<li>Dr. L. G. Visscher, Hoogleeraar te Utrecht.</li>
+<li>W. W. Visser, Koopman te Gaastmeer.</li>
+<li>Mr. C. L. Vitringa, Burgemeester en Notaris te Nunspeet.</li>
+<li>J. J. van Vollenhoven, Predikant te Utrecht.</li>
+<li>H. W. A. Voorhoeve, te Rotterdam, voor een Leesgezelschap.</li>
+<li>&nbsp;</li>
+<li><span class='pagenum' style="font-size: 1em;"><a name="Page_xxvii" id="Page_xxvii">[xxvii]</a></span>Mr.
+R. IJ. Warmolts, Advokaat te Leeuwarden.</li>
+<li>Is. Warnsinck, Architect, Secretaris der 4e kl. van het Kon. Ned. Instituut te Amsterdam.</li>
+<li>J. H. Warren, Rector van het Gymnasium te Dokkum.</li>
+<li>B. K. Wassenaar, Landbouwer te St. Jacobi-Parochie.</li>
+<li>Mej. L. P. Wentholt, te Franeker.</li>
+<li>J. A. van Weperen, te Oosterwolde.</li>
+<li>H. van der Werf, Koopman te Bolsward.</li>
+<li>A. H. Wessels, Pred. bij de Christ. Afgescheidene Gemeente te Rhijnsburg. g. p.</li>
+<li>Dr. R. Westerhoff, Lid van de Tweede Kamer der Staten Generaal, te Warffum.</li>
+<li>C. S. Westra, Leerlooijer te Achlum.</li>
+<li>Jan Westra, Opperwachtmeester bij het Regiment Rijdende Artillerie te Amersfoort.</li>
+<li>J. W. Weijerman, Hoofd-onderwijzer te Haarlem.</li>
+<li>P. Wiarda, te Leeuwarden.</li>
+<li>J. Wildeboer, Onderwijzer te Lekkum.</li>
+<li>D. H. Wildschut, Theol. Doctor en Predikant te Amsterdam.</li>
+<li>Mr. S. de Wind, Vice-President van het Prov. Geregtshof in Zeeland, te Middelburg.</li>
+<li>R. S. van de Wint, Ondermeester in de Stads-Burgerschool te Harlingen.</li>
+<li>Mr. J. M. de With, Plaatsverv. Kantonregter te Buitenpost.</li>
+<li>J. B. Wolters, Boekhandelaar te Groningen.</li>
+<li>&nbsp;</li>
+<li>H. Zaadstra, voor het Leesgezelschap te Oosterlittens.</li>
+<li>Mr. Jac. Zeper, Koopman te Leeuwarden.</li>
+<li>C. Zijlstra, Secondant te Barneveld.</li>
+</ul>
+
+<p class="figcenter" style="margin-bottom: 2em;"><img src="images/lijn4.png" alt="Versiering" width="100" height="16" /></p>
+
+<div class="figcenter" style="width: 650px;"><a name="Schetskaart" id="Schetskaart"></a>
+<p class="leftlink"><a href="images/large024.png">Grote<br />kaart<br />(142 kB).</a></p>
+<img src="images/illo024.png" alt="Schetsmap Friesland rond het jaar 0" width="600" height="573" />
+<p class="fsize80 center" style="width: 650px;"><span class="padr2"><i>Volgens het ontwerp van
+D<sup class="u">r</sup> J. G. Ottema.</i></span>
+<i>Uitgegeven door W. Eekhoff, 1851.</i>
+<span class="padl2"><i>Steend<sup class="u">r</sup> der Wed. C. Brantsma.</i></span></p>
+</div>
+
+<hr class="c25" />
+<p class="pagenum"><a name="Page_xxviii" id="Page_xxviii">[xxviii]</a></p>
+<h2>VERDEELING EN ORDE VAN BEHANDELING.</h2>
+
+<p class="figcenter"><img src="images/lijn3.png" alt="Versiering" width="100" height="12" /></p>
+
+<p><span class="smcap"><a href="#Tijdvak1">Eerste Tijdvak.</a></span> <i>Het Oude Friesland.</i> Van de vroegste
+tijden of de komst der Romeinen in <i>Friesland</i> tot op
+het einde van den strijd der Friezen en Franken onder
+<i>Keizer</i> <span class="smcap">karel</span> <i>den groote</i>. Van 11 jaren v&oacute;&oacute;r <span class="smcap">christus</span>
+tot omstreeks den jare 800 van onze tijdrekening.</p>
+
+<p><span class="smcap"><a href="#Tijdvak2">Tweede Tijdvak.</a></span> <i>Het Vrije Friesland.</i> Van <i><span class="smcap">karel</span>
+den groote</i> of de invoering van de Christelijke godsdienst
+tot op het einde der partijschappen tusschen de
+Schieringers en Vetkoopers en het verlies der onafhankelijkheid
+onder <i>Hertog</i> <span class="smcap">albert</span> <i>van Saksen</i>. Van omstreeks
+het jaar 800 tot 1498.</p>
+
+<p><span class="smcap"><a href="#Tijdvak3">Derde Tijdvak.</a></span> <i>Friesland bestuurd namens vreemde
+Vorsten.</i> Van de aanneming van <i>Hertog</i> <span class="smcap">albert</span> <i>van
+Saksen</i> tot Erfpotestaat van <i>Friesland</i> tot de Hervorming
+in Kerk en Staat of de afwerping van het Spaansche
+juk. Van 1498 tot 1580.</p>
+
+<p><span class="smcap"><a href="#Tijdvak4">Vierde Tijdvak.</a></span> <i>Friesland onder de Staten en de
+Stadhouders uit het Huis van Nassau.</i> Van de invoering
+der Hervorming tot de ontbinding der Nederlandsche
+republiek of de Staats-omwenteling. Van 1580
+tot 1795.</p>
+
+<p><span class="smcap"><a href="#Tijdvak5">Vijfde Tijdvak.</a></span> <i>Friesland tijdens de Fransche overheersching.</i>
+Van de Staats-omwenteling en de opheffing
+van het Stadhouderschap tot de herstelling van <i>Nederland</i>
+en het vertrek der Franschen. Van 1795 tot 1813.</p>
+
+<p><span class="smcap"><a href="#Tijdvak6">Zesde Tijdvak.</a></span> <i>Het Nieuwe Friesland, onder de
+Koninklijke Regering.</i> Van 1813 tot 1850.</p>
+
+<p class="figcenter"><img src="images/illo030.png" alt="Titelpagina" width="300" height="516" /></p>
+
+<hr class="c25" />
+<p class='pagenum'><a name="Page_1" id="Page_1">[1]</a></p>
+
+<p class="center line2em"><span class="fsize150">BEKNOPTE</span><br />
+<span class="fsize200 gesp">GESCHIEDENIS</span><br />
+VAN<br /><span class="fsize200">FRIESLAND,</span><br />IN HOOFDTREKKEN.</p>
+
+<p class="figcenter"><img src="images/lijn5.png" alt="Versiering" width="100" height="10" /></p>
+
+<h2><i>Inleiding.</i></h2>
+
+
+<p>Ons allen is z&oacute;&oacute; groot een lust tot kennis en wetenschap
+aangeboren, dat niemand kan twijfelen of de
+menschelijk natuur wordt, zonder uitzigt op eenig voordeel,
+van zelf daar heen getrokken. Algemeen is in het
+bijzonder bij alle volken de neiging, om te willen weten
+<span class="gesp">wat</span> de oorsprong is van hun vaderland, <span class="gesp">welke</span> merkwaardige
+gebeurtenissen daarin zijn voorgevallen, en <span class="gesp">hoe</span>
+het in den loop der eeuwen tot zijnen tegenwoordigen
+toestand is gekomen.</p>
+
+<p>Deze loffelijke neiging en die vaderlandsliefde worden
+zeer versterkt, als de geschiedenis van dat volk eene
+eervolle afkomst kan aanwijzen; als zij voorstelt uit
+welke geringe beginselen vaak groote gevolgen zijn voortgekomen;
+maar vooral, wanneer zij aantoont, welke
+nooden en gevaren de voorvaderen al hebben doorgestaan,<span class='pagenum'><a name="Page_2" id="Page_2">[2]</a></span>
+om dit erf te behouden en te verbeteren, en als zij uit
+den strijd tegen de vijanden des vaderlands edele bedrijven
+en heldendaden kan vermelden, waarin het nageslacht
+zijne eer en zijnen roem stelt.</p>
+
+<p>Dat alles is echter nog niet genoeg: want hoogere
+waarde voor verstand en hart heeft de geschiedenis, als
+wij daarin nasporen, welke de opkomst en ontwikkeling
+was van het volk en zijne belangen;&mdash;als zij ons
+aanwijst, door welke oorzaken, krachten en vermogens
+de vrijheid, de welvaart en andere maatschappelijke
+voorregten der ingezetenen zijn verkregen en vermeerderd,
+en onder welke omstandigheden zij in kennis en
+verlichting zijn toegenomen; maar bovenal, hoe zij door
+de Goddelijke Voorzienigheid zijn geleid, beschermd en
+gezegend, om gevormd te worden tot een beschaafden
+burgerstaat, waarvan de leden eene verhevener bestemming
+hebben dan het gedierte des velds.</p>
+
+<p>Weinige volken van <i>Europa</i> kunnen op hoogere oudheid,
+eervoller afkomst en roemrijker geschiedenis bogen
+dan <i>de Friezen</i>. Zeldzaam en merkwaardig toch is
+het voorbeeld van een volk, dat gedurende achttien eeuwen
+zijn naam onveranderd bleef dragen, zijn eigen
+land bleef behouden, en dat zijne vrijheid, volksbestaan,
+taal, karakter en zeden zoo lang mogt bewaard zien.
+Vele naburige volken zijn gedurende dien tijd ontstaan
+en verdwenen of van naam veranderd&mdash;<i>de Friezen</i>
+handhaven hun bestaan, van v&oacute;&oacute;r onze jaartelling af,
+onafgebroken. Dikwijls zijn zij door vreemde legers
+aangevallen; veelmalen werd hunne onafhankelijkheid
+belaagd en scheen hun ondergang nabij, en immer bestookt
+door den oceaan, welke hen aan bijna alle zijden
+omringt,&mdash;moesten zij zich bestendig verdedigen tegen
+deze magtige vijanden, op wie zij, na vele verliezen, fier
+de overwinning mogten behalen. Op lage en moerassige<span class='pagenum'><a name="Page_3" id="Page_3">[3]</a></span>
+landen en dorre heiden gevestigd, mogt het bovendien
+hunner noeste vlijt gelukken, dit land door dijk- en
+waterwerken te herscheppen in d&aacute;t vruchtbaar en bloeijend
+oord, met talrijke steden, dorpen en gehuchten als
+bezaaid, hetwelk thans een der sieraden is van <i>Nederland</i>.</p>
+
+<p>Hoe pligtmatig is het dus niet voor ons, die, nog
+den ouden volksnaam dragende, de vruchten van dien
+strijd, inspanning en zorg genieten, en de voorregten en
+genoegens eener geregelde burgermaatschappij hier thans
+mogen smaken, om belang te stellen in de geschiedenis
+van dit land en dat volk. Daardoor toch zullen wij
+het voorgeslacht vereeren, waaraan wij zoo groote verpligting
+hebben, en kunnen opmerken hoeveel dank wij
+Gode verschuldigd zijn voor de hulp en bescherming,
+waarmede hij ons voorgeslacht boven vele andere volken
+begunstigde. Die belangstelling zal der Friezen nationaliteit
+en vaderlandsliefde, waardoor zij zich steeds blijven
+onderscheiden, waardig zijn. Zelfs zullen deze nieuw
+voedsel ontvangen door de vermelding van den roem
+huns lands en de eer huns volks. Nimmer echter moge
+dit in ijdelen volkstrots ontaarden, die tot beleediging of
+minachting van naburen strekt. Neen, de beoefening
+van die geschiedenis worde veeleer een middel tot beschaving,
+tot eene billijke opprijsstelling van de waarde
+der dingen, tot regtschapenheid en grootmoedigheid.
+Door haar verstandig te lezen en door acht te geven
+zoowel op de oorzaken en omstandigheden als op de
+gevolgen der daden en gebeurtenissen, zal deze bode
+der verloopene eeuwen de leermeesteres worden van onzen
+leeftijd, en licht verspreiden over onzen toestand. Zij
+zal vooral de eeuwige waarheid luide verkondigen, dat
+de hoogste Wijsheid in edele daden zelve hare belooning,
+gelijk in slechte daden de onvermijdelijke straf
+der boosheid zelve gelegd heeft. Zij zal ons met bemoedigende<span class='pagenum'><a name="Page_4" id="Page_4">[4]</a></span>
+gevoelens vervullen voor de hoop der toekomst,
+daar zij aanwijst hoe met elk geslacht de toestand,
+de zeden en de beschaving des volks zijn verbeterd.
+Want waarheid bevat het kort en eenvoudig gezegde
+des dichters:</p>
+
+<div class="poem"><div class="stanza">
+<span class="i0"><i>In &#8217;t verleden ligt het heden,</i><br /></span>
+<span class="i0"><i>In het</i> nu <i>wat worden zal.</i><br /></span>
+</div></div>
+
+<p>Op die wijze beoefend, zal de geschiedenis voor ons
+een tafereel zijn van Gods leiding met het voorgeslacht;
+dan zal zij geen bloot geheugenwerk, maar een waardig
+voorwerp van nasporing zijn, omdat zij leert uit hetgeen
+geschied is, en omdat zij den oorsprong verklaart van den
+maatschappelijken toestand, waarin wij ons thans bevinden.</p>
+
+<p>Hoe gaarne zouden wij eene uitvoerig bewerkte Geschiedenis
+van <i>Friesland</i> bezitten, waarin dat alles in
+bijzonderheden ontwikkeld ware! Tot bewerking daarvan
+schijnt echter de tijd nog niet gekomen te zijn,
+en moeten er vooraf nog vele bijzondere bronnen
+opgespoord en uitgegeven worden. Wij willen echter
+eene schrede doen op dit uitgestrekte veld, door de
+<span class="gesp">hoofdtrekken</span> dier geschiedenis of de voornaamste
+gebeurtenissen kort en eenvoudig te verhalen. Daardoor
+moge voorloopig worden voorzien in eene behoefte, welke
+velen onzer landgenooten gaarne bevredigd zagen; velen,
+ook in andere provinci&euml;n des vaderlands, welke vroeger
+deelen waren van het uitgestrekte Friesche rijk, en wier
+geschiedenis dus zamenvloeit met die, welke wij in de
+hoofdzaak tot de tegenwoordige provincie of het eigenlijk
+<i>Friesland</i> moesten bepalen. Hartelijk wenschen wij,
+dat onze bewerking, die, wegens gebrek aan bescheiden,
+niet in alles volledig kan zijn, eene heldere voorstelling
+moge geven van de hoofdgebeurtenissen, die den schakel
+der geschiedenis vormen.</p>
+
+<p class='pagenum'><a name="Page_6" id="Page_6">[6]</a></p>
+<h2><a name="Tijdvak1" id="Tijdvak1"></a>EERSTE TIJDVAK.</h2>
+
+<p class="chaptitle">HET OUDE FRIESLAND.</p>
+
+<p class="chapsubtitle">VAN DE VROEGSTE TIJDEN TOT KEIZER KAREL
+DEN GROOTE.</p>
+
+<p class="chapdescrip"><i>Van het jaar 11 voor- tot omstreeks 800 na Christus.</i></p>
+
+<div style="margin-left: 50%; margin-top: 2em;" class="bt bb just fsize80"><p>Ende ist zaecke dat u belieft hier meer af
+te weeten, zoe bidde ik u, dat ghy neerstelicken
+wilt overleesen die oude historien van Vrieslant,
+inden welcken ghy alle dinck breeder
+ende claerder vertelt zult vinden.</p>
+
+<p><span class="smcap">Cornelis van Grebber</span>, van <i>Egmond</i>.<br />
+(1198)<a name="FNanchor_1" id="FNanchor_1"></a><a href="#Footnote_1" class="fnanchor">[1]</a><br />
+</p></div>
+
+<p class="figcenter"><img src="images/lijn5.png" alt="Versiering" width="100" height="10" /></p>
+
+<h3>1. <i>De Afkomst der Friezen.</i></h3>
+
+<p>De afkomst of oorsprong der Friezen schuilt z&oacute;&oacute; diep
+in den nacht der eeuwen en gaat het historische tijdperk,
+of de met zekerheid bekende geschiedenis van ons
+vaderland, z&oacute;&oacute; lang vooraf, dat niemand daaromtrent
+bepaalde berigten kan mededeelen. Het ontbreekt echter
+niet aan gissingen, vermoedens en volksverhalen deswege.
+Dat zij uit het noorden, uit <i>Scandinavi&euml;</i> of
+<i>Zweden</i> en <i>Noorwegen</i> afstammen, wordt evenzeer beweerd,
+als dat zij uit <i>Azi&euml;</i> of het oosten afkomstig en<span class='pagenum'><a name="Page_7" id="Page_7">[7]</a></span>
+d&oacute;&oacute;r <i>Germani&euml;</i> getrokken zouden zijn, v&oacute;&oacute;r zij zich hier
+op deze kustlanden vestigden. Anderen houden hen
+voor een stam der Kimbren; doch volgens de jongste
+onderzoekingen der geleerden, zouden zij afstammen van
+de Celten of Kelten, wier voorgangers (door hen V&oacute;&oacute;r-Kelten
+of V&oacute;&oacute;r-Germanen genoemd) in een gedeelte van
+<i>Friesland</i>, het hooggelegene <i>Drenthe</i>, de stichters
+waren van de reusachtige <span class="gesp">Hunebedden</span> of opeengestapelde
+steenbrokken, welke gedurende zoo vele eeuwen
+voorwerpen van bewondering zijn geweest<a name="FNanchor_2" id="FNanchor_2"></a><a
+href="#Footnote_2" class="fnanchor">[2]</a>. Ook in
+<i>Gaasterland</i> is in 1849 een dergelijk Hunebed, steengraf
+of kelder beneden den hoogen boschgrond ontdekt,
+bestaande uit eene massa zware steenbrokken, waar tusschen
+vuursteenen wiggen, urnscherven, houtskool enz.
+werden gevonden; een gedenkstuk der oudheid uit den
+v&oacute;&oacute;r-historischen tijd, toen de bewoners dezer landen het
+gebruik van de metalen nog niet kenden<a name="FNanchor_3" id="FNanchor_3"></a><a href="#Footnote_3" class="fnanchor">[3]</a>.</p>
+
+<p>Meer geloof verwierf echter het volksverhaal, dat
+<span class="smcap">friso</span>, eens Konings zoon uit <i>Indi&euml;</i>, na den dood van
+<span class="smcap">alexander</span> <i>den groote</i> uit zijn vaderland verdreven, zich
+met zijne broeders <span class="smcap">saxo</span> en <span class="smcap">bruno</span> en vele anderen te
+scheep begeven hebbende, 313 jaren v&oacute;&oacute;r onze tijdrekening
+met eene vloot in <i>Friesland</i> zou aangeland zijn.<span class='pagenum'><a name="Page_8" id="Page_8">[8]</a></span>
+Hij wordt gehouden voor den stichter van <i>Stavoren</i>,
+voor den bevolker van dit land en alzoo voor den stamvader
+der Friezen, die van hem hun naam ontleenden,
+gelijk de Saksers en Brunswijkers den hunnen van zijne
+broeders zouden ontvangen hebben.</p>
+
+<p>Het valt zeer moeijelijk te beslissen, in hoe ver dit
+aloude volksverhaal waarheid bevat. Toen het omstreeks
+veertien eeuwen later in de landskronyken werd opgenomen,
+werd het blijkbaar in den vorm en naar de denkwijze
+van dien tijd voorgesteld, versierd en uitgebreid,
+en daaraan eene gansche rij van Vorsten verbonden, die
+Prins <span class="smcap">friso</span> in het bestuur van <i>Friesland</i> zouden opgevolgd
+zijn<a name="FNanchor_4" id="FNanchor_4"></a><a href="#Footnote_4" class="fnanchor">[4]</a>. Bestendig is dit verhaal het voorwerp
+geweest van geschil tusschen vele geleerden, die het
+bestreden en verdedigd hebben. De dichter <span class="smcap">willem van
+haren</span> heeft het zelfs tot onderwerp gekozen van een
+voortreffelijk heldendicht<a name="FNanchor_5" id="FNanchor_5"></a><a href="#Footnote_5" class="fnanchor">[5]</a>.</p>
+
+<p>Er bestaan nog meerdere verhalen en meeningen omtrent
+den oorsprong der Friezen, doch allen zijn even
+twijfelachtig, als de verklaringen van den naams-oorsprong<a name="FNanchor_6"
+id="FNanchor_6"></a><a href="#Footnote_6" class="fnanchor">[6]</a>.
+Waarom zouden wij niet liever bekennen,<span class='pagenum'><a name="Page_9" id="Page_9">[9]</a></span>
+dat de hooge oudheid ons verhindert deswege eenige
+zekerheid te bekomen, en dat er <span class="gesp">weinige</span> trekken
+bekend zijn uit de eerste kindschheid der levensgeschiedenis
+onzer natie? Meer zeker is het echter, dat zij
+een der talrijke volksstammen waren van het uitgestrekte
+<i>Duitschland</i> of <i>Germani&euml;</i>. Doch volkomen zeker is
+het, dat zij hier reeds gevestigd waren, deze lage landen
+zich reeds tot eene bewoonbare plek gemaakt- en
+zich over eene groote landstreek uitgebreid hadden, toen
+de Romeinen, 11 jaren v&oacute;&oacute;r onze tijdrekening, voor het
+eerst in deze landen kwamen. De geschiedschrijvers van
+dat volk, wier werken wij bezitten als de eerste bronnen
+der geschiedenis van <i>Nederland</i>, maken melding van
+hen. Hoe lang zij toen reeds hier gewoond hadden, is
+onzeker, en, wegens gebrek aan kennis van de tijdrekenkunde
+en schrijfkunst bij dit volk, ook nimmer na
+te sporen.</p>
+
+<hr class="footn" />
+
+<div class="footnote">
+
+<p><a name="Footnote_1" id="Footnote_1"></a><a href="#FNanchor_1"><span
+class="label">[1]</span></a> Vermeld in de Aantt. op <span class="smcap">hofdijk&#8217;s</span> <i>Jonker van Brederode</i>,
+Amst. 1849, bl. 208.</p>
+
+<p><a name="Footnote_2" id="Footnote_2"></a><a href="#FNanchor_2"><span
+class="label">[2]</span></a> Uitvoerig handelt daarover Dr. <span class="smcap">g. acker stratingh</span> in
+zijne <i>Aloude Staat en Geschiedenis des Vaderl.</i> Gron. 1849, II 44,
+88, 108. Zie verder over de afkomst der Friezen de Voorrede
+van het 1e dl. van het <i>Vriesch Charterboek</i>; <span class="smcap">ypeij</span>, <i>Geschiedenis van
+de Ned. Taal</i>, Gron. 1812, I 126, 150, II 106; <span class="smcap">foeke sjoerds</span>, <i>Beschrijving
+van Friesl.</i>, Leeuw. 1765, I 277; <i>Oudheden en Gestichten</i>, I 1,
+38, II 337; Dr. <span class="smcap">l. j. f. janssen</span>, <i>Drenthsche Oudheden</i>, 17, 167.</p>
+
+<p><a name="Footnote_3" id="Footnote_3"></a><a href="#FNanchor_3"><span
+class="label">[3]</span></a> Na een naauwkeurig onderzoek heeft de geleerde oudheidkenner
+Dr. <span class="smcap">l. j. f. janssen</span> daarvan een uitvoerig verslag aan het
+Friesch Genootschap medegedeeld, hetwelk geplaatst is in <i>de Vrije
+Fries</i>, 1850, V 338.</p>
+
+<p><a name="Footnote_4" id="Footnote_4"></a><a href="#FNanchor_4"><span
+class="label">[4]</span></a> Zie het <i><a href="#Overzicht">Tijdrekenkundig Overzigt</a> van de Friesche Vorsten,
+Opperhoofden, Koningen, Stadhouders</i> enz., en de daar v&oacute;&oacute;r geplaatste
+inleiding, achter de <i>Aanteekeningen</i> als Tweede <i>Bijlage</i>
+medegedeeld, ter bekoming van een algemeen overzigt van de opvolging,
+duur van regering en voornaamste feiten dezer personen.</p>
+
+<p><a name="Footnote_5" id="Footnote_5"></a><a href="#FNanchor_5"><span
+class="label">[5]</span></a> <i>Gevallen van Friso, Koning der Gangariden en Prasiaten</i>,
+Amst. 1741, 8<sup>o</sup>. De tweede omgewerkte druk verscheen in 1758
+in 4<sup>o</sup>. De mindere waarde van dezen laatsten druk heeft Dr. <span class="smcap">j. h.
+halbertsma</span> uitvoerig aangetoond in zijne <i>Fragmenten over het geslacht
+der van Harens</i>, bl. 100, 137.</p>
+
+<p><a name="Footnote_6" id="Footnote_6"></a><a href="#FNanchor_6"><span
+class="label">[6]</span></a> Zie de opsomming daarvan in <span class="smcap">van leeuwen&#8217;s</span> Aantt. op
+<i>It aade Friesche terp</i>, Leeuw. 1834, 291; <span class="smcap">van rijn&#8217;s</span> Aantt. en
+Nabericht op de <i>Oudheden en Gestichten van Vriesland</i>, Leiden 1723,
+I 88, II 357; <span class="smcap">ypeij</span>, <i>Gesch. v. d. Ned. taal</i>, I 150; de Voorrede
+van het <i>Stamboek van den Frieschen Adel</i>, Leeuw. 1846, bl. II;
+<span class="smcap">acker stratingh</span>, II 108 en bij vele anderen.</p>
+
+</div>
+
+<hr class="footn" />
+
+<h3>2. <i>De omvang en toestand van het Oude
+Friesland.</i></h3>
+
+<p>Het gansche noordelijk gedeelte van <i>Nederland</i>, hetwelk
+thans de provinci&euml;n <i>Friesland</i>, <i>Groningen</i> en
+<i>Drenthe</i>, benevens een deel van <i>Overijssel</i>, <i>Noord-Holland</i>
+en de Zuiderzee uitmaakt, was, bij den aanvang
+van onze tijdrekening, <span class="gesp">het land der Friezen</span>.
+De rivier de Eems aan de oostzijde, en de Reker
+of Kinhem (bij <i>Alkmaar</i>), aan de zuidwestzijde,
+waren de grenzen van dit land<a name="FNanchor_7" id="FNanchor_7"></a><a
+href="#Footnote_7" class="fnanchor">[7]</a>. Daar tusschen bevond<span class='pagenum'><a name="Page_10" id="Page_10">[10]</a></span>
+zich het groote meer Flevo, met verscheidene
+grootere en kleinere rivieren, welke uit de hoogere oostelijke
+en zuidelijke streken door dit lagere land stroomden,
+om zich uit te storten in de Noordzee. Het waren
+de IJssel, de Vecht en het Flie, de Middelzee of het
+Boorndiep, de Lauwers, de Hunse, de Aa, de Fivel en
+andere stroomen, die alle, meest in noordelijke rigting,
+den bodem kliefden, vele beken en meren in zich opnamen,
+en zich een weg gebaand hadden door de duinen.
+De rij dezer door de natuur tegen de woede des oceaans
+opgeworpene zeeweringen was daardoor verbroken. De
+Noordzee had daardoor meer gelegenheid bekomen op
+deze landen in te breken. Haar geweld sloeg nu eerlang
+het voorland en daarna een groot deel der duinen zelve
+weg, waardoor de zeegaten vermeerderd en verbreed
+werden en de eilanden ontstonden. Zoo had dit land
+eeuwen lang te strijden met het geweld van stormen
+<span class='pagenum'><a name="Page_11" id="Page_11">[11]</a></span>en vloeden, die hier groote stukken gronds wegrukten,
+daar den bodem deden aanwinnen, elders zandruggen
+en heuvels opwierpen, en de lagere landen met slib
+overdekten, waardoor de kleigronden zijn ontstaan.</p>
+
+<p>De zamenstelling van de tegenwoordige oppervlakte
+van <i>Friesland</i> levert bij onderzoek nog vele kenmerken
+op van hare oorspronkelijke vorming. Op een zandbodem
+rustende, bevat zij vele overblijfselen uit den eeuwenlangen
+geweldigen strijd van aarde, water en wind,
+welke na tijden van beroering in rust gekomen schijnen
+te zijn. Die bezinkingen en laagsgewijze opeenstapelingen
+getuigen van een woesten water-arbeid en door elkander
+werking van zand, veen, klei en gemengde stoffen,
+waarnevens zoo vele sporen zijn van groote watergangen,
+kolken en meren. Plaatselijke omstandigheden deden
+hier poelen en lagere streken, elders hooge gronden met
+kleiruggen ontstaan, waarnaar de stroomen hunne rigting
+verkregen. Zelfs is het waarschijnlijk, dat het water in
+<i>Friesland</i> binnen de duinen eertijds boven de eb der
+Noordzee stond, doch van lieverlede is gedaald na het
+doorbreken van de duinen en het ontstaan van de eilanden,
+waardoor de gelegenheid tot afvoer van het uit
+het zuiden aanstroomende water gunstiger werd. Door
+die meerdere geulen en uitstroomingen kwam de stand
+van het binnen- met het buiten-water meer in evenwigt;
+een grooter gedeelte van den Frieschen grond kwam boven
+en werd bewoonbaar. Beurtelings gaf en nam zoo de
+Noordzee, waarmede dit kustland steeds in bestendigen
+strijd was. Door het dalen van den waterspiegel op Frieslands
+bodem verkregen de eertijds breede stroomen een
+grens en wallen, en kwamen de slijkruggen te stade, &egrave;n
+als waterkeeringen tegen de voortdurende overstroomingen,
+&egrave;n als woonplaatsen, welke door het ophoogen tot terpen
+eerlang de bewoonbaarheid vermeerderden van een land,<span class='pagenum'><a name="Page_12" id="Page_12">[12]</a></span>
+dat eeuwen later voor het eerst door geregelde, hoewel
+nog zwakke, zeeweringen werd omgeven<a name="FNanchor_8" id="FNanchor_8"></a><a href="#Footnote_8" class="fnanchor">[8]</a>.</p>
+
+<hr class="footn" />
+
+<div class="footnote">
+
+<p><a name="Footnote_7" id="Footnote_7"></a><a href="#FNanchor_7"><span
+class="label">[7]</span></a> Zie over den loop dier rivieren de hierbij gevoegde <i><a href="#Schetskaart">Schets</a></i>
+en <i><a href="#Aant1">Aanteekening 1</a></i>. Die thans weinig meer bekende en verdwenen
+rivier de <span class="gesp">Richara</span>, de <span class="gesp">Reker</span> of <span class="gesp">Kinhem</span>, waarvan
+<i>Kennemerland</i> zijn naam draagt, welke voor den noordelijksten Rijnmond
+wordt gehouden, die zich langs <i>Alkmaar</i> bij <i>Petten</i> in de Noordzee
+stortte, was destijds van veel belang, en verdient hier vooral
+opgemerkt te worden, dewijl zij als latere grensscheiding in de
+geschiedenis dikwijls voorkomt. <span class="smcap">Schotanus</span>, <i>Beschrijv. end Chronijck</i>,
+opdr. en 301, Fran. 1655, noemt haar: &#8222;de stroom Alckmaere
+of Almere, welcke Frieslandt ende Hollandt dies tijdts scheydde.&#8221;
+Zie daarover vooral <span class="smcap">huydecoper</span> op <span class="smcap">melis stoke</span>, I 515; <span class="smcap">van den
+bergh</span>, <i>de Nederl. Wateren</i>, in <span class="smcap">nijhoff&#8217;s</span> <i>Bijdragen</i>, VII 208;
+<span class="smcap">acker stratingh</span>, I 197 en <span class="smcap">ottema</span>, in <i>de Vrije Fries</i>, IV 110;
+<span class="smcap">w. j. hofdijk</span> noemt in zijn <i>Kennemerland</i>, 1850, 33: &#8222;het <i>Reeker-wed</i>,
+of wadde, (een doorwaadbare, ondiepe waterboezem)
+die zich van beneden <i>Koedijk</i> tot aan de <i>Syper</i> golf uitstrekte:
+alzoo eene natuurlijke grens vormende tusschen <i>West-Friesland</i> en
+&#8217;t noordelijkst einde van <i>Kennemerland</i>.&#8221; Zie ook het Jaarboekje:
+<i>Holland</i>, 1851, bl. 175.</p>
+
+<p><a name="Footnote_8" id="Footnote_8"></a><a href="#FNanchor_8"><span
+class="label">[8]</span></a> Met genoegen heb ik bij deze globale voorstelling gebruik
+gemaakt van denkbeelden over den oorspronkelijken toestand der
+omstreken van <i>Sneek</i>, door den Heer <span class="smcap">j. f. bakker</span>, Stedelijk
+Ontvanger te <i>Sneek</i>, onlangs medegedeeld aan de Tweede Afdeeling
+van het Friesch Genootschap.</p>
+
+</div>
+
+<hr class="footn" />
+
+<h3>3. <i>De Oude Friezen.</i></h3>
+
+<p>Omstreeks het begin onzer jaartelling werd dit land
+bewoond door <i>de Friezen</i>, welke destijds reeds in twee
+stammen verdeeld waren, waarvan de <i>Groote Friezen</i>
+ten oosten en de <i>Kleine Friezen</i> ten westen van den
+Fliestroom woonden. De eerste hadden de Cauchen ten
+oosten, de laatste de Frisiabonen, Caninefaten, Batavieren,
+Marsaten en andere stammen ten zuiden, tot naburen<a name="FNanchor_9"
+id="FNanchor_9"></a><a href="#Footnote_9" class="fnanchor">[9]</a>.
+De gezinnen, famili&euml;n en horden, welke dezen Germaanschen
+volksstam uitmaakten, hadden welligt reeds
+lang een zwervend herdersleven geleid, v&oacute;&oacute;r zij zich
+vestigden op deze kustlanden, waar de natuur toen anders
+nog weinig aanlokkelijks had. Zoo ver het oog
+reikte, bestond toch de bodem meest uit waterige landen
+of schorren, welke, allerwege doorsneden met killen,
+meren en poelen, dagelijks bij elk getij onderliepen.
+Nog vertoonde het land eene woeste natuur, eene onvruchtbare
+oppervlakte. Lang bleven de noordelijke, in
+de nabijheid der zee gelegene, landen zoo laag en moerassig,
+dat de Friezen met hun vee ze enkel des zomers
+konden bewonen. Zij waren alzoo verpligt in het najaar
+de hooger gelegene, min vruchtbare, doch veiliger zandstreken
+en wouden van <i>Gaasterland</i>, <i>Opsterland</i>, de<span class='pagenum'><a name="Page_13" id="Page_13">[13]</a></span>
+<i>Stellingwerven</i> en <i>Drenthe</i> op te zoeken, ten einde
+daar te overwinteren.</p>
+
+<p>Doch ten gevolge der veelvuldige overstroomingen van
+de zee werden de noordelijke landen van tijd tot tijd
+met een vetten kleibodem overdekt en verhoogd. Die
+meerdere vruchtbaarheid van den grond boven die der
+zandstreken lokte hen uit, zich daar meer te vestigen.
+Aan groote gevaren stelden zij zich echter daarbij bloot,
+dewijl zij immer met de hooge vloeden der zee hadden
+te kampen. Daarom wierpen zij op hooge plaatsen,
+meest in de nabijheid van de kust der Noordzee en der
+Middelzee, met gemeenschappelijke krachten die talrijke
+heuvels of terpen op, welke nog in <i>Friesland</i>, <i>Groningen</i>
+en elders onze bewondering verdienen. Op deze
+wijkplaatsen of vliedbergen, welke van tijd tot tijd verhoogd
+werden en waarin ze ook de aarden lijkbussen
+hunner afgestorvenen begroeven<a name="FNanchor_10"
+id="FNanchor_10"></a><a href="#Footnote_10" class="fnanchor">[10]</a>, sloegen zij hunne
+woningen op. Nog waren dit slechts hutten van takken,
+rijswerk en leem zamengesteld. Hunne kleeding
+bestond nog in eene beestenvacht, welke zij om hunne
+forsch gebouwde leden heensloegen. Als in een natuurstaat
+leefden zij hoogst eenvoudig. Eerst waren het
+vischvangst en jagt, vervolgens veefokkerij en landbouw,
+welke in hunne weinige behoeften voorzagen, en hun de
+noodzakelijkste huishoudelijke voorwerpen verschaften.
+Onder den invloed van goede zeden, werden zij bestuurd
+door de oudsten der gezinnen en des volks, die tevens
+voorgangers of priesters waren bij de vereering van de<span class='pagenum'><a name="Page_14" id="Page_14">[14]</a></span>
+heidensche Goden, aan welke zij op geheiligde plaatsen
+en in bosschen godsdienstige eer bewezen en de offers
+hunner dankbaarheid toebragten.</p>
+
+<p>Zeker was het een krachtig en moedig volk, dat zich,
+in weerwil van zoo vele moeiten en gevaren, zulk een
+oord tot eene geschikte woonplaats wist te bereiden.
+Doch niet zelden ziet men een volk, begaafd met oorspronkelijke
+deugden, door aanhoudende inspanning zijner
+vermogens, van de ongenade der natuur wenschelijker
+vruchten trekken dan van hare liefelijkste weldaden.
+Reeds hadden zij in dit afgezonderd oord lang gewoond,
+en waren ze talrijk en magtig geworden, toen eene belangrijke
+gebeurtenis eene groote verandering in hunnen
+toestand te weeg bragt. Zij kwamen voor het eerst in
+aanraking met een vreemd en beschaafd volk.</p>
+
+<hr class="footn" />
+
+<div class="footnote">
+
+<p><a name="Footnote_9" id="Footnote_9"></a><a
+href="#FNanchor_9"><span class="label">[9]</span></a> Omtrent de oorden, door die volksstammen bewoond, zie
+men de vermelde <i><a href="#Schetskaart">Schetskaart</a></i>.</p>
+
+<p><a name="Footnote_10" id="Footnote_10"></a><a
+href="#FNanchor_10"><span class="label">[10]</span></a> Zie
+<i>Oude Friesche Wetten</i> in de Aantt. van <span class="smcap">p. wierdsma</span>,
+95, en verder bl. 277, 278 en 295 van het 1e dl. mijner
+<i>Geschiedkundige Beschrijving van Leeuwarden</i>, waar meerdere bijzonderheden
+en bronnen zijn vermeld, welke ik hier zeker niet
+behoef te herhalen.</p>
+
+</div>
+
+<hr class="footn" />
+
+<h3>4. <i>Der Friezen verbond met- en opstand tegen de
+Romeinen. (11 jaren voor- en 28 na Christus.)</i></h3>
+
+<p>Het was den Romeinen niet genoeg, reeds vele volken
+van het oosten overwonnen- en ook <i>Galli&euml;</i> (<i>Frankrijk</i>),
+<i>Belgi&euml;</i>, de Batavieren en andere Germaansche stammen
+aan zich onderworpen te hebben. Met onbegrensde
+zucht tot uitbreiding van hun gebied, wilden zij, na den
+Rijnstroom als eene versterkingslinie met legerplaatsen
+bezet te hebben, ook de rustige volken van het noordelijk
+<i>Germani&euml;</i> ten onder brengen. Het was hun veldheer
+<span class="smcap">drusus</span>, die (11 jaren voor den aanvang onzer tijdrekening)
+met dat oogmerk den Rijn afzakte, en, met zijne
+schepen langs het land der Friezen trekkende, dit volk
+voor het eerst leerde kennen. Hij onderwierp het in zoo
+verre aan het Romeinsche gezag, dat hij een verbond van
+vriendschap met hen sloot, waarbij zij beloofden, jaarlijks
+een zeker getal ossenhuiden aan de Romeinen op te brengen.</p>
+
+<p><span class='pagenum'><a name="Page_15" id="Page_15">[15]</a></span>Getrouw voldeden de Friezen aan deze belofte, en
+bleven daardoor in goede verstandhouding met de Romeinen,
+die, om de zee te vermijden, verscheidene kanalen
+in dit land groeven ter verbinding van de rivieren,
+waarover hunne vlooten daarna vele malen door <i>Friesland</i>
+stevenden. Maar, toen in het jaar 28 van onze
+jaartelling een wreede landvoogd, <span class="smcap">olennius</span>, met de invordering
+van die schatting belast was, eischte hij eene
+grootere soort van ossenhuiden, dan zij konden leveren.
+Tegen zulk eene baatzuchtige handelwijze verzette het
+volk zich eerst niet. Doch, toen hij voortging hen te
+kwellen, en zich zelfs van hunne bezittingen, vrouwen
+en kinderen meester maakte,&mdash;toen stonden de Friezen
+tegen de Romeinen op en begonnen zij den regtvaardigsten
+strijd. Met al de woede van een getergd volk
+vielen zij op hunne onderdrukkers aan, versloegen de
+Romeinsche krijgsknechten, en belegerden hun bevelhebber,
+die in de sterkte <i>Flevum</i>, gevlugt was. Te
+vergeefs werd dit kasteel door de moedige, doch in de
+krijgskunst nog onbedrevene Friezen aangevallen. Weldra
+kwam nu een ander Romeinsch krijgshoofd, <span class="smcap">apronius</span>,
+met eene talrijke magt ruiters en keurbenden tot ontzet
+opdagen. Doch het volk trok ook deze nieuwe vijanden
+te gemoet, met zulk een gelukkig gevolg, dat zij op
+verschillende punten deels teruggedreven, deels verslagen
+werden; terwijl op &eacute;&eacute;nen dag bij een gewijd bosch,
+<i>Baduhenna</i> geheeten, 900 en op eene andere plaats
+400 Romeinen door de handen der getergde Friezen den
+dood vonden.</p>
+
+<p>Deze nederlaag kostte zoo vele Romeinen, en daaronder
+vele dappere oversten, het leven, dat de tijding daarvan
+Keizer <span class="smcap">tiberius</span> ontzette, hoewel hij de schade ontveinsde,
+omdat hij het niet durfde wagen de schande
+zijner wapenen te wreken. De Romeinsche Geschiedschrijver,<span class='pagenum'><a name="Page_16" id="Page_16">[16]</a></span>
+die deze gebeurtenis verhaalt, voegt er bij:
+<i>Sinds dien tijd werd de Friesche naam vermaard onder
+de Germanen.</i> (Zie <i><a href="#Aant2">Aant. 2</a></i>.)</p>
+
+<p>Sedert hebben de Romeinen de Friezen ongemoeid gelaten;
+ook later deden zij geene poging, om zich over
+deze nederlaag te wreken. W&egrave;l kwam twintig jaren
+daarna hun veldheer <span class="smcap">corbulo</span> hier op nieuw, om eene
+bezetting in <i>Friesland</i> te leggen, doch spoedig ontving
+hij van Keizer <span class="smcap">claudius</span> bevel, om over den Rijn, als
+de grens des rijks, terug te trekken.</p>
+
+<p>Roemrijk was alzoo deze overwinning van een klein
+en afgelegen volk op de wereld-dwingende Romeinen,
+die gewoon waren altijd te zegepralen en nooit eene
+nederlaag te lijden, en die der Friezen naburen, de
+Cauchen en Batavieren, nog zoo lang al de zwaarte der
+Romeinsche overheersching deden gevoelen. Het was
+destijds een even zeldzaam als merkwaardig blijk van
+heldenmoed en vrijheidsmin, hetwelk den Friezen een eervollen
+rang bezorgde in de geschiedenis der volken. Indien
+alle voorvallen uit de vroegste geschiedenis van een volk,
+gelijk uit de kindsche jaren van een groot man, belangrijk
+zijn, als middelen ter hunner ontwikkeling en volgende
+grootheid, dan is dit hier vooral het geval. Vandaar
+het schoone gezegde van onzen Frieschen dichter
+<span class="smcap">willem van haren</span>:</p>
+
+<div class="poem"><div class="stanza">
+<span class="i0"><i>O Dapperheid! o Deugd! Tot nog toe zag de zon</i><br /></span>
+<span class="i0"><i>Geen volk, welks heerschappij z&oacute;&oacute; zegerijk begon.&mdash;</i><br /></span>
+<span class="i2"><i>Ziedaar, hoe dat een volk, nog niet verwijfd van zeden,</i><br /></span>
+<span class="i0"><i>Het onregtvaardig doel zeeghaftig kan we&ecirc;rstaan</i><br /></span>
+<span class="i0"><i>Van die de handen durft aan zijne Vrijheid slaan!</i><a name="FNanchor_11"
+id="FNanchor_11"></a><a href="#Footnote_11" class="fnanchor">[11]</a></span>
+</div></div>
+
+<hr class="footn" />
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_11" id="Footnote_11"></a><a
+href="#FNanchor_11"><span class="label">[11]</span></a> Even als de <a href="#Friso">volgende
+dichtregelen</a>, uit het vermelde heldendicht
+<i>Friso</i>.</p></div>
+
+<hr class="footn" />
+
+<p class='pagenum'><a name="Page_17" id="Page_17">[17]</a></p>
+
+<h3>5. <i>De Gevolgen van der Friezen verkeer
+met de Romeinen.</i></h3>
+
+<p>Voorzeker is het altijd eene groote ramp voor een
+volk, zijne onafhankelijkheid te verliezen, en veroverd
+of verdrukt te worden door eene andere en vreemde natie.
+Evenwel kunnen zulke rampen in de uitkomst dikwijls
+in zegeningen verkeeren, als ze in de hand van God
+middelen zijn tot ontwikkeling en vordering in beschaving.
+In bestendigen vrede rustig op zich zelf staande, blijft
+een volk veelal lang in den zelfden toestand, zonder ongemeene
+inspanning van krachten, welke alleen vooruitgang
+kan bevorderen. Doch verkeer en strijd met
+andere volken, die reeds lang hooger stonden in kennis
+en beschaving, was dikwijls eene leerschool tot verbetering
+van den maatschappelijken toestand. Daarom is het zoo
+belangrijk de <span class="gesp">gevolgen</span> na te gaan van elke groote
+gebeurtenis en ook van deze.</p>
+
+<p>Zoolang de Friezen als in den natuurstaat verkeerden,
+waren hunne behoeften gering en hunne kleeding, woningen
+en levenswijze zeer eenvoudig. De Romeinen,
+die eene grootsche stad bewoonden, en ook in het oosten
+de weelde van onderscheidene volken mogten leeren kennen,
+hadden veel meerdere behoeften, welke zij ook
+hier zoo veel mogelijk wilden bevredigd zien. Zij werden
+dus de leermeesters der Friezen in het verbeteren van
+hunne woningen, huishoudelijke zaken, kleeding, spijzen
+enz. Deze voorzagen de Romeinen van levensmiddelen,
+en ruilden daartegen van hen allerlei voorwerpen
+in, ook tegen gemunt geld, zoodat er handel
+ontstond, mede met naburige volksstammen. Want ook
+het aanleggen van wegen en het verbeteren van de
+gemeenschap te water leerden zij van de Romeinen,
+wier talrijke vlooten, herhaalde malen door hun land<span class='pagenum'><a name="Page_18" id="Page_18">[18]</a></span>
+trekkende, hun een denkbeeld gaven van scheepsbouw
+en scheepvaart. Vele zaken leerden zij kennen, waarvan
+zij vroeger geen begrip hadden, vooral ook het ijzer en
+andere metalen, die spoedig tot de noodzakelijkste behoeften
+behoorden.</p>
+
+<p>Nadat hun vee een voorwerp van handel was geworden,
+vond de veefokkerij groote aanmoediging. Doch van
+uitstekende waarde was de dienst, welke de Romeinen
+hun bewezen, in het verbeteren en uitbreiden van den
+akkerbouw, en door hun werktuigen en gereedschappen
+te verschaffen, om hier koren te bouwen, dat tot dusverre
+voor de legers veelal uit <i>Brittanni&euml;</i> werd gehaald.
+Dit was van gewigtigen invloed. Doch niet slechts als
+levensmiddelen en voorwerpen van handel gaven de veldvruchten
+voordeelen. De bearbeiding van den grond gaf
+aan meerdere handen werk. Die grond verkreeg grootere
+waarde. De eigendom werd gevestigd. De bezitter werd
+meer gebonden aan de hoeve, die hij bebouwde, dan
+vroeger, toen hij d&aacute;&aacute;r henen trok, waar hij de beste
+weiden voor zijn vee vond. De gehechtheid aan dien
+grond en aan het vaderland werd versterkt, zoodat de
+opofferingen ligter vielen, om dat land eerlang tegen de
+herhaalde overstroomingen der zee door dijken te beveiligen,
+waarmede de Romeinen elders reeds een aanvang
+maakten. In &eacute;&eacute;n woord: de eerste aanleiding tot nijverheid
+en handel, tot welvaart en maatschappelijke
+vereeniging, tot onderling leven en verkeer, en tot
+eenige meerdere kennis en beschaving, werd verkregen
+of bevorderd ten gevolge van het verkeer met de Romeinen.
+(<i><a href="#Aant3">Aanteekening 3</a>.</i>)</p>
+
+<p>De ramp, welke de Friezen door het verlies van hunne
+onafhankelijkheid scheen te treffen, werd hun alzoo tot
+zegen, en tot eene oorzaak van verbetering en uitbreiding
+van hunne middelen van bestaan en tot ontwikkeling<span class='pagenum'><a name="Page_19" id="Page_19">[19]</a></span>
+van hun verstand en bekwaamheden. Zoo leert de geschiedenis
+dikwijls de waarheid van de woorden des
+dichters:</p>
+
+<div class="poem"><div class="stanza">
+<span class="i0"><a name="Friso" id="Friso"></a><i>Des Hemels God, schoon Hij der menschen dwaashe&ecirc;n duldt,</i><br /></span>
+<span class="i0"><i>Laat door het Kwaad somtijds het Goede zijn vervuld,</i><br /></span>
+<span class="i0"><i>En, spottend met den weg van zwakke stervelingen,</i><br /></span>
+<span class="i0"><i>Doet uit hun dwaasheid zelf wel nut en heil ontspringen.</i><br /></span>
+</div></div>
+
+
+<h3>6. <i>Der Friezen Afgezanten te Rome. (59)</i></h3>
+
+<p>Een opmerkelijk voorval strekt ons ten bewijze, dat
+de Friezen, ondanks het voorgevallene, goede Bondgenooten
+van de Romeinen waren gebleven.</p>
+
+<p>Eenige bouwlanden, aan de boorden van den Rijn
+gelegen, en aan de Romeinsche soldaten ten gebruike
+afgestaan, waren een tijdlang onbebouwd gebleven en
+daarom door de Friezen ingenomen en gebruikt geworden.
+De bevelhebber van <i>Neder-Germani&euml;</i> beval hun echter
+deze oorden te verlaten. Hieruit ontstond een geschil
+van z&oacute;&oacute; veel belang, dat de Friezen het wel der moeite
+waardig achtten, twee hunner opperhoofden, door de
+Romeinen <span class="smcap">verritus</span> en <span class="smcap">malorix</span> genoemd, ten jare 59,
+tot hen te zenden, ten einde hunne belangen aan Keizer
+<span class="smcap">nero</span> voor te dragen. Zij reisden naar <i>Rome</i>; doch v&oacute;&oacute;r
+zij gehoor bij den Keizer konden bekomen, bragt men
+hen in den schouwburg van <span class="smcap">pompejus</span>. De eenvoudige
+Friezen begrepen weinig of niets van de voor hen
+vreemde schouwspelen. Onder de menigte toeschouwers
+bemerkten zij evenwel eenige personen in uitheemsch
+gewaad, die op de hooge zetels van de Romeinsche
+Raadsheeren waren gezeten. Op hunne vraag, wie dat
+waren, ontvingen zij tot antwoord, dat het gezanten
+waren van volken, die bekend stonden, in dapperheid,<span class='pagenum'><a name="Page_20" id="Page_20">[20]</a></span>
+trouw en vriendschap jegens de Romeinen uit te munten,
+en aan wie d&aacute;&aacute;rom deze eer werd bewezen. &raquo;Geen volk
+onder de zon overtreft de Friezen in dapperheid en trouw,&#8221;
+antwoordden <span class="smcap">verritus</span> en <span class="smcap">malorix</span>, en, hunne plaatsen
+verlatende, zetten zij zich ongenoodigd naast de vermelde
+gezanten neder. Zij gaven daardoor een blijk van fierheid
+en volkstrots, zoowel als van zelfstandigheid en eergierigheid;
+eigenschappen, welke te allen tijde kenmerken
+van der Friezen aard en karakter zijn gebleven.
+De wellevende Romeinen merkten daarin opregtheid en
+loffelijken naijver op; zelfs de wreede Keizer <span class="smcap">nero</span> duidde
+hun deze handelwijze niet ten kwade: want, ofschoon
+hij hun verlangen, om de in bezit genomene gronden te
+behouden, niet kon toestaan, schonk hij hun beide het
+Romeinsche burgerregt, als een uitnemend eerbewijs<a name="FNanchor_12"
+id="FNanchor_12"></a><a href="#Footnote_12" class="fnanchor">[12]</a>.</p>
+
+<hr class="footn" />
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_12" id="Footnote_12"></a><a
+href="#FNanchor_12"><span class="label">[12]</span></a> <span class="smcap">Tacitus</span>,
+<i>Jaarboeken</i>, 13, 310. Dat hunne namen in het
+Friesch <span class="smcap">gerrit</span> en <span class="smcap">murk</span> waren,
+zoo als <span class="smcap">ypeij</span>, I 161, wil, is waarschijnlijker
+dan de meening van <span class="smcap">winsemius</span>, 24, dat ze van het geslacht
+<span class="smcap">hermana</span> en <span class="smcap">cammingha</span> zouden geweest zijn. Familienamen en
+Wapens schijnen hier toch eerst omstreeks den tijd der kruistogten
+in de 11e eeuw te zijn aangenomen.</p></div>
+
+<hr class="footn" />
+
+<h3>7. <i>Uitbreiding van Friesland. (240-455)</i></h3>
+
+<p>Het verkeer met de Romeinen had niet enkel der
+Friezen behoeften vermeerderd, maar ook hunne zucht
+opgewekt, om hun land te vergrooten. Het vorige verhaal
+geeft reeds een blijk hoe grooten prijs zij op
+landbezit stelden ten behoeve van hunnen akkerbouw,
+en hoeveel moeite zij zich gaven, om hun gebied uit
+te breiden. Eene groote verandering in den toestand
+veler volken van <i>Europa</i> gaf eerlang aanleiding, om
+die zucht voedsel te geven en te bevredigen. Want
+de Romeinen, nadat zij eenmaal ten top van grootheid<span class='pagenum'><a name="Page_21" id="Page_21">[21]</a></span>
+en magt waren gestegen, verzwakten onder hunne
+laatste slechte en heerschzuchtige Keizers, en vielen
+in den haat der volken, welke zij lang verdrukt hadden.
+Deze waren intusschen magtiger geworden, en
+ondersteunden ook elkander, om <i>Rome</i> tegenstand te
+bieden. Zoo verleenden de Friezen omstreeks den jare
+70 hulp aan hunne zuidelijke naburen de Batavieren,
+hoewel deze niet zoo gelukkig slaagden, als zij vroeger,
+in de afschudding van het Romeinsche juk. Meer andere
+stammen trachtten zich allengs van <i>Rome</i> los te scheuren;
+bovendien vielen ook vele uit het oosten aanrukkende
+volken op het Romeinsche rijk aan. Eerlang had dit eene
+algemeene volksverhuizing ten gevolge.</p>
+
+<p>Opmerkelijk was vooral in het midden van de derde
+eeuw het verbond van een aantal volken, tusschen den
+<span class="gesp">R&#307;n</span>, de <span class="gesp">Noordzee</span>,
+de <span class="gesp">Elbe</span> en de <span class="gesp">Main</span> woonachtig.
+Onder den naam van <i>Franken</i> of Vrijen was
+hun doel het herwinnen van hunne onafhankelijkheid,
+door het verdrijven van de Romeinen uit deze streken;
+alsmede om zich-zelven te vestigen in hun gebied, vooral
+in het meer vruchtbare <i>Galli&euml;</i>. Dit doel gelukte hun
+na langen strijd, en de naam van het tegenwoordige
+<i>Frankrijk</i>, dat zij veroverden, draagt daarvan nog
+getuigenis.</p>
+
+<p>Eerst namen de Friezen deel in dit verbond; doch zij
+waren te gehecht aan hun eigen land, om dit te verlaten,
+en zich aan de kansen van een twijfelachtigen strijd
+te wagen. Liever maakten zij van deze algemeene beweging
+gebruik tot het uitbreiden van hunne eigene
+grenzen, waartoe hun zoo gunstige gelegenheid werd
+aangeboden. &raquo;Het vuur der vrijheidsmin ontvlamde de
+Friezen niet minder dan de Franken. Door deze hun
+aangeboren zucht voor vrijheid boden zij telkens, wanneer
+zij door andere volken werden aangevallen, met<span class='pagenum'><a name="Page_22" id="Page_22">[22]</a></span>
+weerg&acirc;loozen moed, een onverzettelijken tegenstand, en
+gebeurde het niet zelden, dat zij, hunne vijanden overmannende,
+dezelve aan zich cijnsbaar maakten, in de
+meening van door de aanvallen op hen gedaan, daartoe
+volkomen regt te hebben. Werkelijk hebben zij in dit
+tijdperk veroveringen van dien aard op hunne naburen
+gemaakt, waardoor hunne heerschappij zich allengs tot
+eene groote uitgestrektheid heeft uitgezet&#8221;<a name="FNanchor_13"
+id="FNanchor_13"></a><a href="#Footnote_13" class="fnanchor">[13]</a>. Zuidwaarts
+breidden zij zich alzoo over den <span class="gesp">R&#307;n</span> en de <span class="gesp">Maas</span>
+tot aan het <span class="gesp">Zwin</span> of het <span class="gesp">Sincfal</span>, een zeeboezem
+in <i>West-Vlaanderen</i>, uit<a name="FNanchor_14" id="FNanchor_14"></a><a
+href="#Footnote_14" class="fnanchor">[14]</a>, en oostwaarts over de
+<span class="gesp">Eems</span> tot den <span class="gesp">Wezer</span> of zelfs verder, welke laatste
+streken door de Cauchen en andere stammen waren
+verlaten<a name="FNanchor_15" id="FNanchor_15"></a><a href="#Footnote_15"
+class="fnanchor">[15]</a>. Evenzoo deden de Saksers, welke de landen
+ten oosten en zuiden daarvan in bezit namen, en soms
+in verbond traden met de Friezen. Tusschen de jaren
+240 en 455 bekwam het Friesche rijk alzoo eene groote
+uitgestrektheid langs de kust der <span class="gesp">Noordzee</span>,
+bevattende<span class='pagenum'><a name="Page_23" id="Page_23">[23]</a></span>
+alstoen een gedeelte van het tegenwoordige <i>Vlaanderen</i>,
+<i>Zeeland</i>, <i>Holland</i>, <i>Utrecht</i>, <i>Gelderland</i>, <i>Overijssel</i>,
+<i>Friesland</i>, <i>Groningen</i>, <i>Drenthe</i>, <i>Oost-Friesland</i>, <i>Oldenburg</i>
+enz., met de landen, later door de <span class="gesp">Zuiderzee</span>
+ingenomen. Ten gevolge van al die verhuizingen waren er
+dus in het midden der vijfde eeuw in het noordwestelijk
+gedeelte van <i>Europa</i> drie magtige vrije volken gevestigd:
+de <i>Franken</i>, de <i>Friezen</i> en de <i>Saksers</i>. (<i><a href="#Aant4">Aanteek. 4</a>.</i>)</p>
+
+<hr class="footn" />
+
+<div class="footnote">
+
+<p><a name="Footnote_13" id="Footnote_13"></a><a
+href="#FNanchor_13"><span class="label">[13]</span></a> <span class="smcap">Ypeij</span>,
+<i>Geschiedenis der Nederl. Taal</i>, I 150.</p>
+
+<p><a name="Footnote_14" id="Footnote_14"></a><a
+href="#FNanchor_14"><span class="label">[14]</span></a> Het <span class="gesp">Zwin</span>,
+oudtijds het <span class="gesp">Sincfal</span> en later het <span class="gesp">Hazegat</span>
+geheeten, komt in vele oude wetten en geschriften als de
+toenmalige grens van <i>Friesland</i> voor. Het is de eertijds breedere
+inham en haven der stad <i>Sluis</i> benoorden <i>Brugge</i>, welke <i>nog</i> de
+grensscheiding tusschen <i>Nederland</i> en <i>Belgi&euml;</i>, of tusschen het vaste
+land van <i>Zeeland</i> en <i>West-Vlaanderen</i> uitmaakt. <span class="smcap">Blommaert</span> in zijne
+<i>Aloude Geschiedenis der Belgen</i>, Gent 1849, 20, en <span class="smcap">van den bergh</span>
+in <span class="smcap">nijhoff&#8217;s</span> <i>Bijdragen</i>, VII 282, spreken uitvoerig over dezen grensstroom,
+die zich tot <i>Damme</i> uitstrekte, en in de 13e eeuw eene
+der voornaamste havens niet slechts dezer landen, maar van gansch
+<i>Midden-Europa</i> was. Zie ook <span class="smcap">acker stratingh</span>, I 114 en de <a href="#Schetskaart">kaart</a>;
+<span class="smcap">dresselhuis</span>, <i>de Provincie Zeeland</i>, 76 enz.</p>
+
+<p><a name="Footnote_15" id="Footnote_15"></a><a
+href="#FNanchor_15"><span class="label">[15]</span></a> Sommige schrijvers zeggen zelfs stellig: &#8222;tot over de Elve
+en dus tot op de grenzen van <i>Denemarken</i>.&#8221; Zie <span class="smcap">joh. a leidis</span>
+<i>Chronicon</i>, lib. II cap. 15; <span class="smcap">van loon</span>, <i>Aloude Regeeringwijs van
+Holland</i>, I 106, enz.</p>
+
+</div>
+
+<hr class="footn" />
+
+<h3>8. <i>Der Friezen togt naar Brittanni&euml;. (449)</i></h3>
+
+<p>Tegen het midden der vijfde eeuw werden de Britten,
+de oorspronkelijke bewoners van <i>Brittanni&euml;</i> of het tegenwoordige
+<i>Engeland</i>, zeer ontrust door de Pikten en
+Schotten, die het noordelijk deel des lands in bezit genomen
+hadden. Tegen hunne overmagt niet bestand,
+hadden zij van hen reeds aanzienlijke verliezen in goed
+en bloed geleden. Van de Romeinen, die voorheen hen
+dikwerf tegen die volken beschermd hadden, maar nu
+van het eiland reeds vertrokken waren, konden zij geen
+bijstand meer verwachten. Zij zagen dus rond naar andere
+hulp, en meenden die het best te kunnen vinden
+bij hunne oostelijke naburen op het vaste land: de
+<i>Neder-Saksers</i>, die toen de Vlaamsche en een gedeelte
+der Fransche kust bewoonden en aan de scheepvaart en
+het zeeleven gewoon waren; de <i>Anglen</i> en <i>Warners</i>,
+die zich aan de monden van den Rijn, Maas en Waal gevestigd
+hadden en de <i>Friezen</i>, die het verdere kustland
+bezaten. Volken, die zich meermalen ter bereiking van
+hunne bedoelingen verbonden; terwijl de Friezen, als
+de magtigste dezer stammen, zich daarna over een groot
+deel van het gebied der eersten uitbreidden.</p>
+
+<p>Als dappere en ondernemende volken bekend, namen
+zij, vol van strijdlust en tuk op roem en buit, gaarne<span class='pagenum'><a name="Page_24" id="Page_24">[24]</a></span>
+de gelegenheid waar, om een zwakken nabuur, waarmede
+zij reeds lang in handelsbetrekking stonden, tegen
+zijnen sterkeren vijand bijstand t bieden. Welhaast
+staken zij dan op achttien schepen met hunne weerbare
+manschap over, onder bevel van twee kloeke krijgshelden,
+<span class="smcap">hengist</span> en <span class="smcap">hors</span> geheeten, en boden der Britten
+Koning <span class="smcap">vortigern</span> hunne dienst aan. Spoedig zochten zij
+diens vijanden op, en mogt het hen in een roemrijken
+veldslag gelukken, de Pikten en Schotten te overwinnen,
+door ze deels te verslaan, deels te verdrijven.</p>
+
+<p>Doch dit inroepen van vreemde hulp (altijd zoo hoogst
+gevaarlijk) kwam den Koning duur te staan. Want
+die benden der Friezen, Anglen, Warners en Neder-Saksers,
+belooning eischende voor hunnen bijstand, werden
+door de vruchtbaarheid des lands zoodanig bekoord,
+dat zij in het beste gedeelte des rijks zich met der woon
+vestigden en eerst hunne vrouwen en kinderen en daarna
+nog velen hunner landgenooten tot zich lieten overkomen.
+Jaren lang duurde deze verhuizing van het vaste land
+naar het eiland voort. Eindelijk ontstond er tusschen
+hen en de Britten een hevigen strijd, waarin zij de zege
+mogten behalen. Nu werd de Koning gevangen genomen,
+vele aanzienlijken verloren het leven, de overigen
+namen de vlugt, en <span class="smcap">hengist</span>, weldra bezitter van geheel
+<i>Kent</i>, werd tot Koning verheven, onder wien deze
+stammen zich hier verder vestigden en uitbreidden. De
+oude Britsche volksstam vestigde zich deels diep in de
+gebergten van <i>Wallis</i>, deels in het tegenwoordige <i>Br&eacute;tagne</i>
+in <i>Frankrijk</i>, waar hunne oorspronkelijke taal en
+zeden nog het langst bewaard bleven. Want de Angelsaksische
+en Friesche taal, zeden en gebruiken werden,
+met den veranderden volksnaam, in <i>Engeland</i> ingevoerd.
+Hoezeer ze in latere tijden veranderd en door vreemde
+woorden en vormen verbasterd zijn, is derzelver overeenstemming<span class='pagenum'><a name="Page_25" id="Page_25">[25]</a></span>
+met de taal, de zeden en gebruiken der Friezen
+nog in onze dagen een bewijs van de vroegere onderlinge
+vermenging dezer volken, ten gevolge van dezen togt in
+het midden der vijfde eeuw. (Zie <i><a href="#Aant5">Aanteekening 5</a></i>.)</p>
+
+
+<h3>9. <i>De strijd der Friezen tegen de Franken.</i></h3>
+
+<p>Sedert de verdrijving van de Romeinen en den ondergang
+van het Westersche keizerrijk waren de in <i>Galli&euml;</i>
+gevestigde <i>Franken</i> magtig geworden. Eerlang bleek
+het, dat de veroveringszucht der Romeinen nu op hen
+was overgegaan. Zij konden niet dulden, dat de Friezen
+en Saksers zich over hunne vroegere landstreken hadden
+uitgebreid. Hunne heerschzucht had nieuw voedsel bekomen
+sedert hun Koning <span class="smcap">klovis</span> de Christelijke godsdienst
+had aangenomen (496): want de zucht, om deze leer te
+verspreiden en onder de heidensche volken voort te
+planten, werd nu voor hem en zijne opvolgers een
+voorwendsel bij hunne krijgstogten ter uitbreiding van
+hun gebied. Zij werden daartoe aangespoord door eene
+magtige Geestelijkheid, die hen ondersteunde, in de hoop
+dat zij het Westersche keizerrijk in nieuwe kracht zouden
+herstellen, en de eenheid en luister der Kerk bevorderen.
+Eerst dwongen zij de Friezen, zich tot den Rijn terug
+te trekken; daarna wilden zij hen noodzaken de Christelijke
+godsdienst aan te nemen, en eindelijk, wraak
+nemende wegens de door hen geledene nederlagen,
+trachtten zij Friezen en Saksers beide geheel te overwinnen
+en aan het Frankische gezag te onderwerpen.</p>
+
+<p>Die twee strijdbare volken sloegen nu met eene edele
+vrijheidszucht somtijds de handen in-een, tot onderlinge
+hulp en tegenstand. Met afwisselende kans werd die
+bloedige strijd gestreden. En met welk eene dapperheid
+zij hunne vrijheid en godsdienst verdedigden en dikwijls<span class='pagenum'><a name="Page_26" id="Page_26">[26]</a></span>
+geduchte legers wederstonden&mdash;dit blijkt uit de langdurigheid
+van dien krijg, daar beide volken eerst na
+verloop van ruim drie eeuwen voor de overmagt bezweken.
+Vandaar, dat zij door hun gedrag in dien oorlog
+grooten roem bij andere volken verwierven.</p>
+
+<p>&raquo;Die strijd gedurende zoo vele eeuwen gestreden tusschen
+Franken en Friezen, tusschen Christendom en
+Heidendom, gevoerd door het zwaard der vorsten en het
+woord der geestelijken, ge&euml;indigd door de zegepraal des
+Christendoms en de kracht van <span class="smcap">karel</span> <i>den groote</i>,
+maar niet tot oneer der overwonnenen,&mdash;die strijd
+verdient wel onze belangstelling, om zijne belangrijkheid
+en zijn invloed op de volgende geschiedenis des vaderlands.
+Het is een schoon schouwspel, te zien hoe een
+edel en dapper volk kampte en streed voor zijne zelfstandigheid
+en, hoe het, ook na die worsteling, haar
+wist te bewaren en te handhaven.&#8221;<a name="FNanchor_16"
+id="FNanchor_16"></a><a href="#Footnote_16" class="fnanchor">[16]</a></p>
+
+<hr class="footn" />
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_16" id="Footnote_16"></a><a
+href="#FNanchor_16"><span class="label">[16]</span></a> <i>De strijd der Friezen en Franken. Eene voorlezing door</i> Jhr.
+Mr. <span class="smcap">b. j. l. de geer</span>, Utrecht 1850, bl. 6.</p></div>
+
+<hr class="footn" />
+
+<p>De voornaamste bijzonderheden van dien strijd willen
+wij mededeelen bij de vermelding van</p>
+
+
+<h3>10. <i>De pogingen der Franken ter invoering van de
+Christelijke Godsdienst in Friesland. (630-800)</i></h3>
+
+<p>In een geheel ander licht doet zich de strijd der
+Friezen tegen de Franken voor, als wij dien meer uit
+een godsdienstig dan staatkundig oogpunt beschouwen;
+als wij in de veroveringszucht der Franken een middel
+zien, hetwelk Gods wijsheid bezigde, om de Friezen aan
+de duisternis des heidendoms te onttrekken en hen in
+den zegen des Christendoms te doen deelen. Schijnbaar
+zouden zij die leer des evangelies, welke liefde en vrede<span class='pagenum'><a name="Page_27" id="Page_27">[27]</a></span>
+verkondigt en de beschaving aller volken bedoelt, spoediger
+hebben aangenomen, als zij hun niet was opgedrongen
+door trotsche vijanden, die, met het zwaard in
+de vuist, hen van hunne dierbaarste panden, van vrijheid
+en godsdienst te gelijk wilden berooven. Groot waren
+deze beletselen bij de ruwheid en onkunde, welke nog
+algemeen heerschten. Neen, het verwondert ons niet,
+dat het toen reeds verbasterde Christendom zoo weinig
+ingang kon vinden bij een fier en krachtig volk, nog
+bezield door het Germaansch beginsel van liefde voor
+godsdienst en vrijheid, van haat tegen vreemde overheersching,
+en dat het zoo lang het uiterste beproefde,
+om zijne zelfstandigheid te bewaren.</p>
+
+<p>Rustig en vrij toch leefden de Friezen tusschen Schelde
+en Wezer in de 6<sup>e</sup> eeuw, door hunne vorsten naar eigene
+instellingen en gewoonten bestuurd, door hunne dapperheid
+geacht en door toenemend handelsverkeer verbonden
+met hunne naburen,&mdash;totdat de aanvallen der Franken
+hen opriepen ter verdediging van den vaderlandschen
+grond. De minst bevolkte en afgelegene zuidelijke streken
+konden dezer overmagt op den duur niet we&ecirc;rstaan.
+Na langen strijd werden zij ingenomen, en der Friezen
+gebied tot den Rijn bepaald. Van toen af stelden de
+Franken pogingen in het werk, om het Christendom bij
+de Friezen in te voeren. Het was hun Koning <span class="smcap">dagobert</span> I,
+die ten jare 630 te <i>Wiltenburg</i> of <i>Utrecht</i> eene eerste
+Christenkerk liet bouwen. Deze voormalige Romeinsche
+legerplaats, aan Rijn en Vecht zoo gunstig voor den
+handel gelegen, werd nu het middelpunt, zoowel van den
+strijd als van de verspreiding der nieuwe leer.</p>
+
+<p>De Geestelijkheid, die ten doel had, om in het westen
+van <i>Europa</i> door de Franken een Christelijken Staat te
+stichten, zond nu weldra den ijverigen prediker <span class="smcap">eligius</span>
+herwaarts, om onder de heidensche Friezen het evangelie<span class='pagenum'><a name="Page_28" id="Page_28">[28]</a></span>
+te verkondigen. Hij werd daarin niet verhinderd door
+den vreedzamen Koning der Friezen <span class="smcap">adgild</span> I, die zelfs
+den bisschop <span class="smcap">wilfried</span>, op deze kusten gestrand, in bescherming
+nam tegen den Frankischen vorst <span class="smcap">ebroin</span>, en
+hem toeliet hier te onderwijzen en te doopen. Aan hem
+bleek het, dat vele Friezen minder afkeerig waren van
+het Christendom dan van de Franken.</p>
+
+<p>Een geheel andere geest bezielde zijn zoon en opvolger
+<span class="smcap">radboud</span> I. Den Franken vijandig, maakte hij van de
+zwakheid der opvolgers van <span class="smcap">dagobert</span> gebruik, om de
+verlorene landstreken te herwinnen en <i>Utrecht</i> weder te
+bemagtigen. De daar gestichte St. Thomaskapel werd
+verwoest, en der Friezen vrijheid, grondbezit en godsdienst
+in luister hersteld (680).</p>
+
+<p>Eerst na verloop van twaalf jaren kwam echter <span class="smcap">pepyn</span>
+<i>van Herstal</i> met een magtig Frankisch leger herwaarts,
+om dat verlies te herstellen. Dit gelukte hem, daar
+hij de landen bezuiden den Rijn weder veroverde, en,
+na hardnekkigen tegenstand, <span class="smcap">radboud</span> eene nederlaag
+toebragt bij <i>Dorestad</i>, het latere <i>Wijk bij Duurstede</i>,
+toenmaals de stapelplaats van den Frieschen handel (692).
+Hij dwong <span class="smcap">radboud</span>, zich te onderwerpen en de vrije
+prediking van het evangelie te gedoogen. Daartoe ondersteunde
+en beschermde hij den geloofsverkondiger <span class="smcap">willebrord</span>,
+in <i>Engeland</i> geboren, doch van afkomst aan
+de Friezen verwant en met hunne taal bekend<a name="FNanchor_17"
+id="FNanchor_17"></a><a href="#Footnote_17" class="fnanchor">[17]</a>. Deze
+toch scheen zeer geschikt, hier de nieuwe leer voort te
+planten. Daarom werd hij in 696 te <i>Rome</i> tot Aartsbisschop
+der Friezen gewijd. Eerst nadat de tegenstand<span class='pagenum'><a name="Page_29" id="Page_29">[29]</a></span>
+van <span class="smcap">radboud</span> andermaal door <span class="smcap">pepyn</span> was overwonnen (697),
+gelukte het <span class="smcap">willebrord</span>, te <i>Utrecht</i> op nieuw eene kerk
+te bouwen, die later de zetel van dit Bisdom werd.
+IJverige pogingen werden er nu aangewend, om door
+onderwijs en prediking en door het stichten van bedehuizen
+op sommige plaatsen, van <i>Vlaardingen</i> af tot
+<i>Heilo</i> toe, het Christelijk geloof uit te breiden. Zij
+bleven echter meest tot den omtrek van <i>Utrecht</i> bepaald,
+dewijl de ontoegankelijkheid der afgelegene noordelijke
+streken van <i>Friesland</i> de algemeene verbreiding moeijelijker
+maakte.</p>
+
+<hr class="c05" />
+
+<p>Die algemeene invoering was ook vooreerst nog niet
+mogelijk, zoolang de onverzettelijke <span class="smcap">radboud</span> het Christendom
+zoo vijandig bleef. Naauwelijks was <span class="smcap">pepyn</span> in 714
+gestorven, of hij vat de wapenen tegen der Franken
+gezag weder op, verdrijft hunne zendelingen uit zijn
+gebied, en verwoest de kerken, of geeft ze der voorouderlijke
+godsdienst terug (716). Hij trekt voort tot
+<i>Utrecht</i> en verjaagt daar <span class="smcap">willebrord</span> en zijne geestelijken,
+die de vlugt nemen naar <i>Trier</i>. Ook <i>Dorestad</i>
+valt in zijne handen, en, daardoor weder meester van den
+Rijn, waagt hij het zelfs met zijn leger langs dien stroom
+naar <i>Keulen</i> op te varen, waar <span class="smcap">plectrude</span>, <span class="smcap">pepyn&#8217;s</span>
+weduwe, zich bevond. Daar behaalt hij op het Frankische
+leger onder <span class="smcap">karel martel</span> eene volkomene overwinning,
+verwoest de omliggende streken en keert met grooten
+buit beladen naar zijn rijk terug.</p>
+
+<p>&raquo;Is het wonder (zegt een geacht geschiedschrijver),
+dat bij dergelijke tooneelen, waarin de opkomende geslachten
+telkens eene oefenschool vonden voor onversaagdheid,
+en vervuld werden met het gevoel van eigene
+krachten, de geest van heldenmoed en van onafhankelijkheid,
+den <i>Frieschen</i> landaard zoo bijzonder eigen,<span class='pagenum'><a name="Page_30" id="Page_30">[30]</a></span>
+bevestigd en versterkt werd? Is het wonder, dat de
+deugden, aan woeste volken eigen, bij de Friezen lang
+gepaard bleven met de sporen der aloude ruwheid?&#8221;<a name="FNanchor_18"
+id="FNanchor_18"></a><a href="#Footnote_18" class="fnanchor">[18]</a>
+En zulks te meer, omdat de Friezen, te gelijk met de
+Franken, in de Noormannen en Denen nog woester en
+gevaarlijker vijanden hadden te bestrijden, waartegen
+zij eeuwen lang een woedenden krijg voerden.</p>
+
+<p>Reeds in het volgende jaar (717) kwam <span class="smcap">karel</span> herwaarts,
+om over de geledene nederlaag eene geduchte
+wraak te nemen. In een hevigen strijd, aan den Rijn
+bij <i>Utrecht</i>, gelukt het hem op zijne beurt de overwinning
+te behalen op <span class="smcap">radboud</span>, die op nieuw genoodzaakt
+wordt het Frankische gezag te erkennen en de
+verkondiging van het evangelie toe te staan. Hij zelf
+zou toen beloofd hebben het Christendom aan te nemen.
+Doch toen de Bisschop <span class="smcap">wulfram</span> hem daartoe te <i>Medemblik</i>,
+zijn zetel, den doop plegtig zou toedienen, en hij
+op zijne vraag, waar zijne Heidensche voorouders zich
+bevonden, tot antwoord ontving, dat deze, als ongeloovigen,
+verdoemd waren, trok hij zijn voet uit de doopvont
+terug, verklarende, liever met zijn voorgeslacht in
+Wodans zalig Walhalla dan met den geringen hoop Christenen
+in den hemel te willen zijn. Kort daarna stierf
+hij, in 719, hoog bejaard. Met groote standvastigheid
+en ijver had hij den strijd volgehouden tegen Franken
+en geestelijken. Geene nederlagen hadden hem ontmoedigd,
+maar hij was getrouw gebleven aan het doel zijns
+levens: de verdediging van der Friezen godsdienst en
+onafhankelijkheid.</p>
+
+<p>Zijn opvolger <span class="smcap">adgild</span> II was even vredelievend als de
+eerste vorst van dien naam. Terwijl <span class="smcap">willebrord</span> de
+Utrechtsche kerk in luister herstelde en zijne zendelingen<span class='pagenum'><a name="Page_31" id="Page_31">[31]</a></span>
+overal uitzond, om de leer des kruises te verkondigen,
+liet hij de vrije prediking toe. Hij kon echter niet verhinderen,
+dat in het noorden of het hart van <i>Friesland</i>,
+waar het heidendom nog zijne meeste aanhangers telde,
+eene nieuwe poging werd gedaan tot verdrijving van de
+Franken en hunne zendelingen. Daarom kwam <span class="smcap">karel
+martel</span> in 726 en op nieuw in 736 met een leger in
+dit vroeger minder bezochte gedeelte van het Friesche
+rijk; in het laatstgenoemde jaar zelfs met eene vloot, welke
+de Middelzee inviel, aan wier boorden hij een bloedigen
+slag leverde, waarin ook der Friezen veldheer <span class="smcap">poppo</span>
+sneuvelde, terwijl Koning <span class="smcap">adgild</span> van hartzeer daarover
+stierf. Door het vernietigen van tempels, godenbeelden en
+gewijde bosschen zocht men nu in <i>Oostergoo</i> en <i>Westergoo</i>
+het heidendom te verdelgen, en door prediking
+de nieuwe leer te planten. Doch te vergeefs: want zulke
+geweldige middelen waren meer geschikt om den wrok
+tegen de Franken in de harten des volks te voeden, dan
+het te winnen voor eene leer, waarvoor het nog onvatbaar
+was, en van wier hooge waarde en heiligheid het
+weinig blijken zag in de handelingen zijner vijanden.
+D&aacute;&aacute;rom werden de heiligdommen weldra hersteld en de
+Christenen verdreven. Zij werden daarin ondersteund
+door den laatsten hunner Koningen <span class="smcap">radboud</span> II, een even
+groot voorvechter van het heidendom en tegenstander
+van de Franken als zijn voorzaat van dien naam. Of
+deze <span class="smcap">radboud</span> een Fries was, dan wel een Deensch vorst,
+die het land met geweld veroverd had, ook om de
+Franken het voortdringen te beletten, is nog hoogst onzeker.
+De toestand, waarin het volk nu weder verkeerde,
+bewoog den edelen Bisschop <span class="smcap">bonifacius</span>, die reeds zoo
+lang in <i>Friesland</i> en <i>Duitschland</i> het evangelie had
+verkondigd, in 755 op nieuw naar het noordelijk gedeelte
+van het Friesche rijk te trekken. Krachtig door<span class='pagenum'><a name="Page_32" id="Page_32">[32]</a></span>
+zijn vromen zin en geholpen door vijftig togtgenooten,
+onderwijst en predikt hij alom, rigt verwoeste kerken
+weder op en verzamelt en ondersteunt de verstrooide
+Christenen. Bij <i>Dokkum</i> gekomen, staat hij op nieuw
+gereed te prediken, toen hij onverhoeds door eene bende
+heidensche Friezen wordt aangevallen en met de zijnen
+vermoord. Met christelijke lijdzaamheid offerde hij zich
+op aan de zaak, waaraan hij zijn leven had gewijd.
+Doch ook zijn bloed zou het zaad worden, waaruit de
+bloei der kerk ontsproot.</p>
+
+<hr class="c05" />
+
+<p>Het Friesche rijk was destijds verdeeld in drie hoofdstammen.
+De <span class="gesp">eigenl&#307;ke Friezen</span>, de kern van
+den ouden volksstam, woonden in het midden, tusschen
+de rivieren de <span class="gesp">Reker</span> of <span class="gesp">Kinhem</span> en de <span class="gesp">Eems</span>. Alle
+landstreken bezuiden de <span class="gesp">Reker</span> (den vroeger vermelden
+Rijnmond bij <i>Petten</i>, benoorden <i>Alkmaar</i>), welke de
+Friezen van tijd tot tijd veroverd hadden, stonden het
+meest aan de aanvallen der Franken ten doel, en werden
+het eerst van het Friezen-verbond afgerukt, welligt reeds
+ten gevolge der veroveringen van <span class="smcap">pepyn</span> <span class="gesp">van Herstal</span>
+in 692 en 697, of van <span class="smcap">karel martel</span> in 715.</p>
+
+<p>De meest afgelegene en later aangewonnen landstreken,
+beoosten de rivier de <span class="gesp">Eems</span> (<i>Oost-Friesland</i>, <i>Oldenburg</i>
+enz.), we&ecirc;rstonden het langst de magt der Franken,
+doordien zij zich met hunne naburen de Saksers
+tot tegenstand verbonden hadden, en in de ondernemingen
+en lotgevallen van dezen deelden.</p>
+
+<p>De <span class="gesp">oorspronkel&#307;ke Friezen</span>, tusschen de
+<span class="gesp">Reker</span> en de <span class="gesp">Eems</span> (een gedeelte van <i>Noord-Holland</i>,
+<i>Friesland</i>, <i>Groningen</i>, <i>Drenthe</i> enz. bewonende),
+waarover <span class="smcap">radboud</span> II regeerde, stonden dus op zich
+zelve tegenover de Franken. Bij de vorderingen, welke
+de verkondiging van het Christendom van lieverlede<span class='pagenum'><a name="Page_33" id="Page_33">[33]</a></span>
+gemaakt had, vooral tijdens de prediking van den vromen
+Bisschop <span class="smcap">bonifacius</span>, zagen velen hunner in, dat alle
+tegenstand op den duur vruchteloos zou zijn. Doch hun
+Koning bleef zich met kracht tegen de evangelieleer
+verzetten. De moord van <span class="smcap">bonifacius</span>, zoo men wil op
+aanstoken van <span class="smcap">radboud</span> geschied, bragt echter weldra
+eene groote verandering te weeg: want vele aanzienlijke,
+reeds bekeerde, Friezen vereenigden zich nu met de
+Franken, om dien moord te wreken. En toen <span class="smcap">radboud</span>,
+om staande te blijven in zijn gezag, de hulp inriep van
+<span class="smcap">witikind</span>, het opperhoofd der Saksers, wier woeste benden
+de Christenen hier gruwelijk vervolgden,&mdash;toen
+werden de Friezen z&oacute;&oacute; afkeerig van hunnen Koning,
+dat zij de <span class="gesp">bescherming</span> inriepen van den Koning
+der Franken, op wiens komst <span class="smcap">radboud</span> naar <i>Denemarken</i>
+vlugtte en de Saksers naar hun land terugtrokken (775).</p>
+
+<p>Die Koning der Franken was <span class="smcap">karel</span>, eerlang <i>de groote</i>
+bijgenaamd, wegens zijne voortreffelijke eigenschappen,
+grootsche ontwerpen en stoute daden, doch vooral wegens
+zijn voortreffelijk rijksbestuur en zorg voor de uitbreiding
+van het Christendom. Na den dood van zijn vader
+<span class="smcap">pepyn</span> <i>de korte</i> (768) en van zijn broeder <span class="smcap">karloman</span>
+(771) was hij meester geworden van geheel <i>Frankrijk</i>,
+dat hij vervolgens met het rijk der Longobarden, een
+gedeelte van <i>Spanje</i>, <i>Beijeren</i> enz. vergrootte. Gaarne
+verleende hij zijne <span class="gesp">bescherming</span> aan een volk, dat
+zijne achting had verworven wegens de dapperheid,
+waarmede het de aanvallen zijner voorgangers zoo l&aacute;ng
+had wederstaan, en dat nu eindelijk vrijwillig bereid was,
+aan een hunner hoofdvoorwaarden, de aanneming van de
+Christelijke godsdienst, te voldoen. Vanhier, dat hij, bij
+verdrag als <span class="gesp">Beschermheer</span> van dit volk aangenomen,
+tot hetzelve in eene geheel andere betrekking kwam
+en het geheel anders behandelde dan volken, welke hij<span class='pagenum'><a name="Page_34" id="Page_34">[34]</a></span>
+<span class="gesp">overwon</span> of <span class="gesp">veroverde</span>, gelijk het geval was met
+de Oost-Friezen en Saksers, die hij eerst in 804, na
+herhaalde en geweldige aanvallen, welke steeds den hevigsten
+tegenstand ondervonden, aan zijn gezag onderwierp<a name="FNanchor_19"
+id="FNanchor_19"></a><a href="#Footnote_19" class="fnanchor">[19]</a>.
+(Zie ook <a href="#Page_47">bl. 47</a>.)</p>
+
+<p>De vrucht van dezen langen en bloedigen strijd was
+alzoo de invoering van het Christendom, het licht der
+wereld, de bron van ware verlichting en beschaving,
+hetwelk overal, waar het is doorgedrongen, door de
+kennis van het Hoogste Wezen en van den Heiland der
+wereld, eene weldadige verandering in de denkwijze, gezindheden
+en zeden der volken heeft te weeg gebragt.
+Was die kennis in den beginne nog gebrekkig; was de
+eeredienst reeds verbasterd en bleven er lang verkeerde
+voorstellingen heerschen,&mdash;toch vereeren wij deze belangrijke
+gebeurtenis, welke zoo uitgestrekte gevolgen
+had, als de grondslag, waarop in volgende eeuwen werd
+voortgebouwd tot verspreiding van kennis en licht, en
+tot heiliging van ons geslacht door geloof, hoop en liefde.</p>
+
+<hr class="footn" />
+
+<div class="footnote">
+
+<p><a name="Footnote_17" id="Footnote_17"></a><a
+href="#FNanchor_17"><span class="label">[17]</span></a> De stam- en taalverwantschap der Engelschen en Friezen
+begunstigde zeer de pogingen dier Evangelie-predikers uit <i>Engeland</i>,
+waar het Christendom reeds vroeg ingang vond en de zucht algemeen
+was, om het ook onder de Heidensche volken uit te breiden.
+Zie ook <i><a href="#Aant5">Aanteekening 5</a></i>.</p>
+
+<p><a name="Footnote_18" id="Footnote_18"></a><a
+href="#FNanchor_18"><span class="label">[18]</span></a> <span class="smcap">J. bosscha</span>,
+<i>Ne&ecirc;rl. Heldendaden te land</i>, Leeuw. 1834, I 22.</p>
+
+<p><a name="Footnote_19" id="Footnote_19"></a><a href="#FNanchor_19"><span
+class="label">[19]</span></a> De algemeene bronnen van dit tijdvak zijn natuurlijk de
+Kronyken van <span class="smcap">scharlensis</span>, 1597,
+<span class="smcap">winsemius</span>, 1622 en <span class="smcap">schotanus</span>,
+1658, alsmede <span class="smcap">foeke sjoerds</span>, <i>Friesche Jaarboeken</i>, 1768, I;
+<i>Tegenw. Staat van Friesland</i>, 1785, I; <span class="smcap">wagenaar</span>, <i>Vad. Historie</i>,
+1749, I; <span class="smcap">cerisier</span>, <i>Gesch. der Ned.</i>, 1781, I, 24, 29, 82-136;
+<span class="smcap">gaillard</span>, <i>Geschied. van</i> <span class="smcap">karel</span> <i>den grooten</i>, 1785, I 225, II 32
+enz.; <span class="smcap">westendorp</span>, <i>Jaarboek</i>, Gron. 1829, 1-97; <span class="smcap">van leeuwen&#8217;s</span>
+<i>Kronyk der vrije Friezen</i>, 1834, 1-59, benevens de belangrijke
+Aanteekeningen daarop, enz. Omtrent de bijzondere bronnen van
+dit laatste gedeelte, zie men <i><a href="#Aant6">Aanteekening 6</a></i>.</p>
+
+</div>
+
+<hr class="footn" />
+
+<p class='pagenum'><a name="Page_35" id="Page_35">[35]</a></p>
+<h2><a name="Tijdvak2" id="Tijdvak2"></a>TWEEDE TIJDVAK.</h2>
+
+<p class="chaptitle">HET VRIJE FRIESLAND.</p>
+
+<p class="chapsubtitle">VAN KEIZER KAREL DEN GROOTE TOT HERTOG ALBERT
+VAN SAKSEN.</p>
+
+<p class="chapdescrip"><i>Van omstreeks het jaar 800 tot 1498.</i></p>
+
+
+<h3>11. <i>De Friezen tijdens Karel den groote.</i></h3>
+
+<p>Na het eindigen van den strijd met de Franken en de
+vervanging van het Heidendom door het Christendom,
+was er een nieuw tijdperk van volksleven en ontwikkeling
+voor de Friezen aangebroken. Vrede en verzoening
+tusschen beide volken was daarvan het eerste gevolg.
+De langdurigheid van dien strijd levert reeds een bewijs
+op, dat de Friezen destijds talrijk, strijdbaar en vermogend
+waren. Er zijn vele blijken over, dat er toen
+onder de ingezetenen welvaart bestond, ten gevolge van
+landbouw, veeteelt en visscherij, wier voortbrengselen
+door handel en scheepvaart onder de naburen verspreid
+werden. <i>Utrecht</i>, <i>Duurstede</i>, <i>Tiel</i>, <i>Stavoren</i>, <i>Dokkum</i>
+en andere plaatsen, aan den uitloop van onderscheidene
+rivieren op deze noordwestkust van <i>Europa</i>
+gunstig gelegen, worden als handelsplaatsen vermeld,
+Reeds vroeg waren de Friezen als stoute zeevaarders
+vermaard. Ook langs den Rijn dreven zij handel met
+<i>Keulen</i>, en hadden zich mede te <i>Ments</i> gevestigd,
+Zelfs waren er handwerken of fabrijken, die hier bloeiden,<span class='pagenum'><a name="Page_36" id="Page_36">[36]</a></span>
+zoo als de lakenweverijen, welke eene zware wollen
+stof of duffel vervaardigden, nog <i>Fries</i> genoemd, waarvan
+gekleurde en fraai bewerkte mantels werden gemaakt,
+die groote vermaardheid hadden en naar onderscheidene
+landen verzonden werden. Door Keizer <span class="smcap">karel</span> werden
+op hooge feesten zulke <span class="gesp">Friesche Mantels</span> als kostbare
+geschenken uitgedeeld. (<i><a href="#Aant7">Aanteekening 7</a>.</i>)</p>
+
+<hr class="c05" />
+
+<p>Van de drie hoofdstammen des Frieschen volks mogten
+alzoo de eigenlijke Friezen, wonende tusschen de <span class="gesp">Reker</span>
+en de <span class="gesp">Eems</span>, het voorregt smaken, hunne vrijheid
+en onafhankelijkheid behouden te hebben, en, onder
+eigene wetten en opperhoofden, hunne eigendommen
+gerust te bezitten. Dit voorregt, waardoor zij zich
+<i>Vrije Friezen</i> noemden, genoten zij boven hunne vroegere
+stamgenooten en naburen bij uitnemendheid. Want
+deze laatste waren door <span class="smcap">karel</span> overwonnen, en stonden,
+naar het regt des oorlogs dier dagen, onder de vrije
+beschikking des Keizers, die onderscheidene gedeelten
+van dit eigendom opdroeg of wegschonk aan zijne Leenmannen,
+welke van de diep onderworpene inwoners
+cijns, schot, lot en heeren-diensten naar goedvinden
+vorderden. Zij behandelden deze als lijfeigenen en slaven,
+aan den grond verbonden. De invoering van de
+instellingen der <span class="gesp">Leenregering</span> volgde toch overal,
+waar de Franken zich vestigden. Zwaar heeft dat <span class="gesp">Leenstelsel</span>
+gedurende vele eeuwen op de meeste volken
+van <i>Europa</i> gedrukt, en de ontwikkeling van welvaart
+en kennis verhinderd. Dit lot hebben deze Friezen niet
+ondergaan; zij zijn in het bezit hunner eigendommen,
+vrijheden en voorregten gebleven; en deze hadden voor
+hen hoogere waarde, omdat hunne naburen daarvan
+verstoken waren. Zij <i>eerbiedigden</i> den Keizer van het
+Duitsche Rijk wel als Beschermheer, doch zij <i>gehoorzaamden</i><span class='pagenum'><a name="Page_37" id="Page_37">[37]</a></span>
+hem niet als gebieder, die het regt had
+over hun land, personen en eigendommen te beschikken;
+terwijl zij voor die bescherming jaarlijks gaarne
+eene geringe schatting aan het Rijk opbragten. Die
+Vrijheid hebben zij te allen tijde als hun oorspronkelijk
+volksregt, waarop zij bijzonder gezet waren, gehandhaafd.
+Met regt kon dus <span class="smcap">helmers</span> hen noemen:</p>
+
+<div class="poem"><div class="stanza">
+<span class="i0"><i>De Friezen, waardig &#8217;t bloed, waaruit zij zijn gesproten,</i><br /></span>
+<span class="i0"><i>Aan wie de vrijheid met de melk is ingegoten.</i><br /></span>
+</div></div>
+
+<hr class="c05" />
+
+<p><span class="smcap">Karel</span> <i>de groote</i> verdeelde het Friesche rijk nu in
+een aantal landschappen, waarover hij Graven en Schouten
+aanstelde; de andere bestuurders, opperhoofden en regters
+werden door het volk gekozen. In het tegenwoordige
+<i>Friesland</i> ontstonden alzoo de Gouen of Graafschappen
+<i>Oostergoo</i>, <i>Westergoo</i>, <i>Stavoren</i> en een deel van <i>Islegoo</i>.
+Ook hier voerde hij de rijkswetten of capitularia in,
+doch met behoud van de Friesche wetten, volksregten
+en gewoonten, welke hij in schrift liet brengen en naar
+de behoeften des volks en in verband met de rijkswetten
+wijzigde. Ten aanzien der vrijheid, (in tegenoverstelling
+der hofhoorigheid of leenroerigheid der andere volken)
+waren de voornaamste bepalingen dier wetten: dat de
+vrije Fries persoonlijk vrij en aan geen heer onderworpen
+was, zoodat hij kon gaan, werwaarts hij verkoos; dat
+hij ter verdediging van zijn land wel tot de volkswapening
+verpligt was, doch niet kon gedwongen worden,
+om buiten de grenzen zijns lands ten strijde te trekken;
+dat hij zijne bezittingen en ouderlijk erf vrij en onbelast
+bezat, en geene schatting behoefde te betalen, waarin
+hij zelf niet had toegestemd; dat hij onder de oude
+voorvaderlijke wetten en gebruiken leefde, waarvan de
+uitvoering was opgedragen aan overheden, regters en
+ambtlieden, door de vrije keus des volks benoemd enz.<span class='pagenum'><a name="Page_38" id="Page_38">[38]</a></span>
+De volks-overleveringen voegen hier bij, dat de Keizer
+hun bij deze nog meerdere voorregten schonk, uithoofde
+de Friesche krijgsbenden hem vrijwillig bijstand verleenden
+op zijne krijgstogten in <i>Spanje</i> (778), tegen de
+Wilten aan de Oostzee (789), tegen de Avaren aan
+den Donau (791), en vooral op den togt ter verovering
+van <i>Rome</i> (809), tot herstel van Paus <span class="smcap">leo</span> in zijn gezag,
+bij welke gelegenheid de Friezen hun vaandel op Romes
+hoogsten burg zouden geplant hebben. (<i><a href="#Aant8">Aanteek. 8</a>.</i>)</p>
+
+<p>Bij zoovele blijken van achting en onderscheiding jegens
+de Friezen voegde Keizer <span class="smcap">karel</span> ter goeder ure de
+invoering, vestiging en bescherming van de Christelijke
+Godsdienst, als eene weldaad van hooge waarde. Onderscheidene
+predikers en zendelingen kwamen in <i>Friesland</i>
+het evangelie verkondigen. Al de inrigtingen van het
+heidendom werden zoo veel mogelijk verwijderd of
+vervangen, en op den grond der heidensche tempels en
+offerplaatsen christen-kerken en scholen gebouwd. De
+kerk van <i>Utrecht</i> werd bij hare bezittingen bevestigd,
+en in gezag, rijkdom en aanzien uitgebreid. Geen vreemdeling,
+maar <span class="smcap">theodard</span>, een Fries, werd daar als Bisschop
+aan het hoofd der Friesche geestelijkheid gesteld; gelijk
+aan <span class="smcap">wijho</span>, <span class="smcap">ludger</span> en <span class="smcap">hildegrim</span>, uit Frieschen stam, ter
+belooning van hunne ijverige evangelie-prediking, door
+<span class="smcap">karel</span> bisdommen in <i>Saksen</i> werden opgedragen.</p>
+
+
+<h3>12. <i>Invloed der Franken en der vestiging
+van het Christendom.</i></h3>
+
+<p>Groot waren gewis de gevolgen van de algemeene
+aanneming der evangelieleer. De redelijke geest der
+landzaten, zoo lang gedrukt door de duisternis des heidendoms,
+werd door een nieuw en weldadig licht beschenen,
+waardoor het leven eene hoogere beteekenis<span class='pagenum'><a name="Page_39" id="Page_39">[39]</a></span>
+verkreeg. Niet slechts kennis en bekwaamheid, maar
+vooral <span class="gesp">menschel&#307;kheid</span> werd door het Christendom
+bevorderd, al bleven de uiterlijke vormen van den krachtigen
+mensch nog lang de blijken der vroegere woestheid
+en ruwheid dragen. Wel was dat Christendom toen reeds
+verbasterd en werd de eeredienst naar heidensche gewoonten
+geschoeid,&mdash;toch was het de eerste schrede ter bevordering
+van kennis, verlichting en beschaving, welke
+vooral later op de denkbeelden en zeden een weldadigen
+invloed verkregen.</p>
+
+<p>Bovendien werkte het Christendom gunstig op de vestiging
+en verbetering van den burgerlijken toestand des
+volks. Want waar, op geschikt gelegene plaatsen, kerken
+en leerscholen gebouwd werden, daar verzamelden
+de inwoners zich meer tot buurten en dorpen, waaruit
+eerlang de steden ontstonden. Gezellige verkeering,
+onderling dienstbetoon, bijstand in gevaar, zorg voor
+armen en ongelukkigen, hulp ter voorziening in elkanders
+behoeften, handwerken en handel,&mdash;dat alles droeg bij
+ter vorming van eene geregelde burgermaatschappij. Hun
+verkeer met Frankische geestelijken, ambtenaren en
+krijgslieden, afkomstig uit een land, waarin de meerdere
+beschaving van het zuidelijk <i>Europa</i> reeds was doorgedrongen,
+moest op hunne kennis, zeden, levenswijze en
+huishoudelijke behoeften van grooten invloed zijn. Deze
+leerden den Friezen verschillende bedrijven en handwerken
+kennen; hunne huizen, dijken en gereedschappen verbeteren,
+en sluizen en bruggen aanleggen; alles tot
+meerdere beveiliging en onderlinge gemeenschap. De
+verpligtingen, welke hieruit voortvloeiden jegens het algemeen,
+haalden den maatschappelijken band naauwer
+toe, en werden er in de wetten zelfs bepalingen deswege
+opgenomen. De verlichte en edele <span class="smcap">karel</span> <i>de groote</i> toch
+begreep zijne roeping, en, afkeerig om de door hem<span class='pagenum'><a name="Page_40" id="Page_40">[40]</a></span>
+overwonnene volken met despotischen trots te onderdrukken,
+waren al zijne pogingen d&aacute;&aacute;r henen gerigt, om
+door wijze maatregelen de stoffelijke, verstandelijke en
+godsdienstige belangen dier volken te bevorderen. Groot
+en edel was deze bedoeling in eene eeuw, waarin de
+onkunde nog z&oacute;&oacute; algemeen was, dat het voornaamste
+hulpmiddel tot beschaving, de lees- en schrijfkunst, bij
+de meeste volken nog onbekend en alleen in het bezit
+van weinige geestelijken was. Maar ook in deze behoefte
+voorzag eerlang het Christendom, hetwelk de zorg voor de
+opvoeding der jeugd aan de beoefening van kunsten en
+wetenschappen paarde. Met regt vereerden daarom ook
+de Friezen <span class="smcap">karel</span> steeds als een weldoener, als een zegenrijk
+middel in Gods hand tot verbetering van hunnen
+toestand. Nog eeuwen lang na zijnen dood, die in 814
+voorviel, erkenden zij, van hem de bevestiging van hunne
+vrijheid, de bescherming van hunne onafhankelijke instellingen
+en wetten ontvangen te hebben<a name="FNanchor_20" id="FNanchor_20"></a><a href="#Footnote_20" class="fnanchor">[20]</a>. Daarom
+bleef hij in hun volksgezang en herinneringen leven.
+Zeker hadden zij de van hem ontvangene gunstbewijzen
+van weinige veroveringszuchtige vorsten kunnen verwachten:
+want gewigtig was het voorregt, &raquo;dat <i>Friesland</i>
+onder der Franken heerschappij zijne zelfstandigheid
+behield, zijne nationaliteit bewaarde, en dat het einde
+van dien langen strijd wel eene nieuwe inrigting aan
+<i>Friesland</i> gaf en de zegepraal aan het Christendom
+verzekerde, maar met behoud der vrijheid, der eigenaardigheid
+des volks.&#8221;</p>
+
+<p>&raquo;En die bleef ook later behouden en vertoonde zich
+steeds krachtig en scherp tegenover alles, wat van Frankischen
+oorsprong of Frankischen zin was. Vandaar dien
+strijd tegen de graven van <i>Holland</i>, zoo hardnekkig<span class='pagenum'><a name="Page_41" id="Page_41">[41]</a></span>
+gevoerd; die afgunstige bewaring hunner regten tegenover
+den Bisschop van <i>Utrecht</i>. Maar ook vandaar dien
+afkeer tegen de Friezen bij de Frankisch gezinde Hollandsche
+Kronykschrijvers, die eenen <span class="smcap">melis stoke</span> b. v.
+in zijn klooster te <i>Egmond</i> bezielde; vandaar die eigenaardige
+ontwikkeling des Frieschen regts, des Frieschen
+volks in de volgende tijden, tegenover de overige gedeelten
+onzes vaderlands.&#8221;</p>
+
+<p>&raquo;Wij zien het, niet waren het de Franken, die <i>Friesland</i>
+overwonnen, maar het Christendom baande er den
+weg aan <span class="smcap">karel</span> <i>den groote</i>, en aan hem onderworpen,
+werden de Friezen zelfstandig en vrij opgenomen in het
+westersch Christelijk keizerrijk, waarvan hij het hoofd
+was. Zoo kon het Friesche volkslied van <span class="smcap">karel</span> zingen,
+dat hij geliefd en goed was, en trouw en waarheid
+stichtte en der Koningen wet en aller lieden keur en
+landregt en aller landen regten zette. Zoo eindigde die
+strijd, maar niet tot oneer der overwonnenen&#8221;<a name="FNanchor_21"
+id="FNanchor_21"></a><a href="#Footnote_21" class="fnanchor">[21]</a>.</p>
+
+<hr class="c05" />
+
+<p>Nog een blik op de gevolgen van deze hoogst belangrijke
+gebeurtenis, het keerpunt in het volksbestaan der
+Friezen. Zij hadden daardoor twee gewigtige betrekkingen
+aangeknoopt, welke, vereenigd, ongeveer acht
+eeuwen onder bijna gelijke vormen zouden stand houden:
+zij waren Christenen en, in zekeren zin, deelgenooten
+van het Duitsche Rijk geworden. Door de eerste werden
+zij leden van een groot en schoon verbond, dat
+reeds zoo vele volken van wijd uiteenloopenden aanleg<span class='pagenum'><a name="Page_42" id="Page_42">[42]</a></span>
+en belangen omvatte, doch die allen door gevoelens van
+algemeene welwillendheid en onderlinge toegenegenheid
+het bestaan van een band van broederschap erkenden, en
+door gelijke beginselen van zedelijkheid en volkenregt
+zich verbonden gevoelden. De onderlinge gemeenschap
+dier volken werd hierdoor bevorderd. Men had regt op
+elkander; men leerde en onderrigtte elkander; men nam
+de vruchten der kennis en ondervinding, ook in handel,
+bedrijven en kunsten, van elkander over; en de wijsten
+of meest geoefende leeraren konden meer algemeen de
+schatten van kennis, godsdienstleer en zedelijkheid verkondigen,
+als vruchten van den weldadigen boom door
+Christus ten behoeve der menschen geplant. Zelfs de
+geestelijke oppermagt, welke zich in de middeleeuwen
+over het westelijk <i>Europa</i> uitbreidde, bragt meer goeds
+dan kwaads te weeg, en was vaak een tegenwigt van
+heilzame strekking tegen de al te vaak misbruikte magt
+der wereldlijke regering.</p>
+
+<p>Ook de betrekking tot het Duitsche Rijk was voor het
+staatkundig bestaan der Friezen eene zaak van groot
+belang. Dat zij daartoe niet als overwonnenen en dienstpligtigen
+behoorden, was een voorregt, waarin geen
+ander volk met hen deelde, en waarom zij den naam
+van <i>Vrije Friezen</i> bij uitnemendheid droegen. Maar
+hunne wetten werden naar de bepalingen van het algemeene
+regt des rijks gewijzigd. De gelijkheid in de
+vormen van regtspleging en bestuur werd een band te
+meer met volken, van wie zij te lang waren afgescheiden
+geweest, behoudens de eigenaardigheid van hun stam en
+krachten. Door verkeer, omgang en betrekkingen met
+deze moest ook hier toeneming in beschaving worden
+bevorderd. Belangrijk was die betrekking inzonderheid
+voor de Friezen, omdat zij hen een waarborg was voor
+hunne vrijheid; een voormuur tegen de aanranding van<span class='pagenum'><a name="Page_43" id="Page_43">[43]</a></span>
+geweldenaren, wier overmagt zij zeker niet waren ontkomen,
+zonder deze bescherming des rijks. Maar bovenal,
+omdat zij hen vrijwaarde van den last des Leenstelsels, dat
+onder heerschzuchtige heeren en magtige veroveraars met
+looden zwaarte op de diep vernederde volken van <i>Europa</i>
+drukte. Ja, deze betrekking bleek later daadwerkelijk
+eene beschutting te zijn tegen de hebzucht van anderen
+en tegen de partijzucht van den adel, bij het twisten over
+de onderlinge belangen.</p>
+
+<p>Beide betrekkingen waren in de hand des Allerhoogsten
+middelen ter verheffing van het volk, uit de duisternis
+tot het licht&mdash;door strijd en lijden tot volmaking. Bij
+al de beroeringen en woelingen onder de volken van het
+westelijk <i>Europa</i>, waarin de Friezen noodwendig moesten
+deelen en waaruit zij zich onmogelijk konden houden,
+viel hun in de gevolgen het beste deel te beurt. En
+mogt de strijd tegen vreemde vijanden hun moed en
+vaderlandsliefde sterken&mdash;het verbond en het verkeer
+met die vreemden bragt hen in aanraking, in gemeenschap,
+in stoffelijke en geestelijke verbroedering met de
+bewoners van andere oorden, die weder van hunne gemeenschap
+voordeel trokken.</p>
+
+<p>Zoo wil het God, wiens wijze leiding wij, ook te
+midden der heerschzuchtige woelingen zijner menschen-kinderen,
+ter bevordering van zijne heilige bedoelingen
+kunnen herkennen.</p>
+
+<hr class="footn" />
+
+<div class="footnote">
+
+<p><a name="Footnote_20" id="Footnote_20"></a><a href="#FNanchor_20"><span
+class="label">[20]</span></a> Zie dit in <i><a href="#Aant9">Aanteekening 9</a></i> nog in een stuk van 1430 vermeld.</p>
+
+<p><a name="Footnote_21" id="Footnote_21"></a><a href="#FNanchor_21"><span
+class="label">[21]</span></a> Prof. <span class="smcap">de geer</span>, <i>de strijd der Friezen en Franken</i>, Utrecht 1850,
+43. Deze laatste denkbeelden en schoone voorstelling van den
+jongsten schrijver over dit onderwerp heb ik zeer gaarne hier
+overgenomen, mede als bewijs, hoe gunstig ook zij, die geene
+Friezen zijn, thans na rijp onderzoek over den oorsprong der veel
+betwiste Friesche vrijheid denken.</p>
+
+</div>
+
+<hr class="footn" />
+
+<h3>13. <i>De invallen der Denen en Noormannen.<br />
+(Van omstreeks 520-1010.)</i></h3>
+
+<p>Dat de Friezen hun onafhankelijk volksbestaan bleven
+behouden, verdient inderdaad onze verwondering in nog
+hoogere mate, als wij bedenken, dat zij in de zelfde
+eeuwen, waarin zij aan de zuid- of landzijde door de<span class='pagenum'><a name="Page_44" id="Page_44">[44]</a></span>
+legers der magtige Franken werden aangevallen, en nog
+lang daarna, ook aan de noord- of zeezijde te kampen
+hadden met niet minder geduchte vijanden, die op den
+duur nog moeijelijker waren te we&ecirc;rstaan. In die onveilige
+tijden, toen de verschillende volksstammen van het noordwestelijk
+<i>Europa</i> zeldzaam eene vaste woonplaats hadden,
+zich gemakkelijk van de eene naar andere en betere
+landstreken verplaatsten, en nog geen volkenregt kenden
+of eerbiedigden, was de zucht om elkander te berooven en
+buit te maken veelal het hoofdbeginsel van den oorlog.</p>
+
+<p>Geen volk was als zoodanig meer gevreesd dan de
+<i>Noormannen</i>, dan die woeste benden van Deensche,
+Zweedsche en Noorweegsche zeeschuimers, wier schepen
+bij menigte den oceaan vervulden en onveilig maakten.
+Als stoute zeeroovers van vervaarlijke kracht en onverbiddelijke
+wreedheid, waren zij steeds de schrik der
+bewoners van de kusten der Noordzee en het Kanaal.
+Want niet alleen <i>Friesland</i>, maar ook <i>Frankrijk</i> en
+<i>Engeland</i> verontrustten zij door hunne strooptogten.
+Onverhoeds landden zij, en overvielen de ongewapende
+landbewoners, welke zij uit huis en erf verdreven, om
+zich intusschen van derzelver goederen en vee meester te
+maken en dit met hunne schepen weg te voeren. Die
+aanvallen waren soms z&oacute;&oacute; stout, dat zij gansche streken
+overweldigden, het land aan hun gezag onderwierpen,
+en er door overmagt een tijdlang eene dwinglandij
+uitoefenden, welke voor den landzaat onduldbaar was.
+Vooral heeft de Deensche Koning <span class="smcap">heriold</span> met zijne broeders
+<span class="smcap">roruk</span> en <span class="smcap">hemming</span> het zuidelijk deel van <i>Friesland</i>
+jaren lang in bezit gehouden, waarbij ze hun zetel veelal
+in de aanzienlijke handelplaats <i>Dorestad</i> gevestigd hadden.
+Zelfs wordt de laatste Friesche Koning <span class="smcap">radboud</span> II gehouden
+voor een Deensch vorst, die zich van dit land
+met geweld had meester gemaakt.</p>
+
+<p><span class='pagenum'><a name="Page_45" id="Page_45">[45]</a></span>De oude geschiedverhalen gewagen daarom telkens van
+hunne invallen en strooptogten, die omstreeks den jare
+520 begonnen en eerst in de elfde eeuw opgehouden
+moeten zijn. Met het woeste en nog weinig bebouwde
+land hunner geboorte niet tevreden, zochten deze schrikbarende
+geweldenaars vooral die kustplaatsen op, waar
+handel en nijverheid reeds welvaart hadden verspreid,
+en waar zij dus de beste gelegenheid vonden, om buit
+te behalen. Waar ze kwamen, voerden ze plundering,
+moord en brand in hun gevolg, of legden de overrompelde
+bewoners zware schattingen op. Vandaar, dat
+het noemen van hun naam alom reeds siddering verwekte.</p>
+
+<p>Niet zelden echter ondervonden zij van de dapperheid
+der Friezen een tegenstand, welke hen met groot verlies
+naar hunne schepen deed terugkeeren. Immer moesten
+deze op hunne aanvallen bedacht en daar tegen gewapend
+zijn. Vreeselijke gevechten zijn er tegen hen gevoerd,
+waarbij de Friezen en hunne legerhoofden of Potestaten
+met eere streden, en hen afschrikten deze oorden vooreerst
+weder te bezoeken. Ja, &raquo;de Friezen zijn in de
+historie gekenmerkt als de moedigste bestrijders van de
+mannen uit het noorden&#8221;<a name="FNanchor_22" id="FNanchor_22"></a><a
+href="#Footnote_22" class="fnanchor">[22]</a>. Uit zucht naar wraak
+trokken ook zij zelfs meermalen te scheep naar de
+Oostzee, om den Noorman de geledene verliezen in zijn
+eigen land betaald te zetten.</p>
+
+<p>Er bestond echter, buiten de plunderzucht der Noormannen,
+nog eene reden, waarom zij <i>Friesland</i> aan de
+Franken zoo lang en zoo hevig betwistten. Zij hadden
+het Christendom een gloeijenden haat gezworen. En indien<span class='pagenum'><a name="Page_46" id="Page_46">[46]</a></span>
+de Franken voorgaven, de Friezen tegen hun geweld
+te willen beschermen, waren zij de eersten nog te meer
+vijandig, omdat deze de laatsten te gelijk aan het Heidendom
+zochten te onttrekken. Dat Heidendom toch
+vuurde hen aan tot den strijd en deed hen den heldendood
+met verrukking te gemoet zien, omdat deze hen
+zou overvoeren in een hemel, waar zij zich, bij al de
+genietingen van den wellust, dronken zouden drinken aan
+lekker bier uit de bloedige bekkeneelen hunner vijanden.
+Vreeselijk was daarom hunne verbittering tegen de Christen-Franken,
+die ze vervolgens ook in hun eigen land bestookten,
+en wier magt zelfs niet kon verhinderen, dat de
+Noormannen zich op hunne kust vestigden (<i>Normandi&euml;</i>).</p>
+
+<p>Somtijds werden zij evenwel met kracht wederstaan
+en geslagen. Toen in 885 gansche drommen van dezen
+schrik der wateren <i>Engeland</i>, <i>Frankrijk</i>, <i>Vlaanderen</i>
+en de <i>Nederlanden</i> overstroomden, en aan de oevers van
+Theems en Seine, Schelde, Rijn en Maas de bloedige sporen
+hunner verwoestingen achterlieten, tastte eene vloot
+dezer zeeroovers ook de Oude of Neder-Saksers aan.
+Deze, toen aan de Vlaamsche kust gevestigd, konden
+bijstand bekomen van de Friezen, met wier hulp het
+hun gelukte, in &eacute;&eacute;n jaar tweemaal de overwinning op hen
+te behalen. Doch, hoe dikwijls ook verslagen, telkens
+groeide hun getal aan. Ongeloofelijk schijnt het bijna,
+dat er in 889 eene vloot met 100,000 Noormannen voor
+de Maas verscheen, waarvan het grootste gedeelte aan
+land kwam en de toegesnelde verdedigers dezer gewesten
+versloeg; maar ook, dat Keizer <span class="smcap">arnold</span>, in het volgende
+jaar 890, (zoo men meent ter plaatse, waar nu <i>Leuven</i>
+ligt) met een groot leger hen tegentrekkende, hun
+eene allerbloedigste en beslissende nederlaag toebragt,
+&raquo;waarbij het vooral de Friezen waren, die zich het
+meest onderscheidden.&#8221;</p>
+
+<p><span class='pagenum'><a name="Page_47" id="Page_47">[47]</a></span>Met de Franken als bondgenooten vereenigd, we&ecirc;rstonden
+alzoo de Friezen de Noordsche heirmagten,
+waartegen beide volken steun vonden in elkander, en
+waarbij <i>Friesland</i> aan <i>Frankrijk</i> ten voormuur verstrekte.
+Ook hierdoor laat zich verklaren, welk belang
+de Franken hadden bij het bezit van <i>Friesland</i>, en
+evenzeer welk belang onze vaderen hadden bij de bescherming
+der Franken; w&aacute;&aacute;rom zij <span class="smcap">karel</span> <i>den groote</i>
+als Beschermheer aannamen, en om welke reden deze
+hen meer als bondgenooten dan als overwonnenen behandelde.
+De vereenigde magt van Franken en Friezen
+beschermde, na 775, de gansche noordwestkust van
+<i>Europa</i>, van de Elve tot de Pyrene&euml;n, tegen het geweld
+der Noormannen. Meer algemeene en krachtdadige tegenstand
+verzwakte eerlang echter de krachten van dezen;
+en toen eindelijk, in de elfde eeuw, de weldadige stralen
+des Christendoms ook doordrongen tot die Noordsche
+rijken, er de ruwheid van zeden verzachtten en er volkenregt
+deden eerbiedigen,&mdash;toen verminderden van
+lieverlede die togten, welke eindelijk geheel ophielden.</p>
+
+<p>De Friesche geschiedboeken verhalen evenwel, dat nog
+in 1306 een hoop Noormannen de Lauwerszee inviel en
+hier verwoestingen aanrigtte; doch ook, dat zij door de
+Friezen dapper aangevallen- en, met achterlating van
+900 dooden en grooten buit, naar hunne schepen gedreven
+werden, terwijl deze het verlies van 400 man,
+en daaronder hun wakkeren aanvoerder, den Potestaat
+<span class="smcap">reinder cammingha</span>, te betreuren hadden<a
+name="FNanchor_23" id="FNanchor_23"></a><a href="#Footnote_23" class="fnanchor">[23]</a>.</p>
+
+<p><span class='pagenum'><a name="Page_48" id="Page_48">[48]</a></span>Wij besluiten het algemeen overzigt van deze togten
+der Noormannen met de volgende lofspraak op de dapperheid
+der Friezen in dien strijd, van den dichter
+Mr. <span class="smcap">j. van lennep</span><a name="FNanchor_24"
+id="FNanchor_24"></a><a href="#Footnote_24" class="fnanchor">[24]</a>:</p>
+
+<div class="poem"><div class="stanza">
+<span class="i0"><i>Nooren, Finnen, fiere Deenen,</i><br /></span>
+<span class="i0"><i>Die hun overmacht vereenen,</i><br /></span>
+<span class="i2"><i>Landen op de Friesche kust.</i><br /></span>
+<span class="i0"><i>Meer nog dan de woeste dieren,</i><br /></span>
+<span class="i0"><i>Dan de wolven, raven, gieren,</i><br /></span>
+<span class="i0"><i>Die hun krijgsstandaarden cieren,</i><br /></span>
+<span class="i2"><i>Zijn ze op roof en buit belust.</i><br /></span>
+</div><div class="stanza">
+<hr class="c05poem" style="margin-left: 5em; margin-right: 80%;" />
+</div><div class="stanza">
+<span class="i0"><i>Maar geen vloot, geen krijgsgevaren,</i><br /></span>
+<span class="i0"><i>Maar geen plonderzieke scharen,</i><br /></span>
+<span class="i0"><i>Zullen immer sidd&#8217;ring baren</i><br /></span>
+<span class="i2"><i>In der Friezen fier gemoed.</i><br /></span>
+<span class="i0"><i>De ijz&#8217;ren knods blinkt in hun handen:</i><br /></span>
+<span class="i0"><i>Wie hen driftig aan durft randen,</i><br /></span>
+<span class="i2"><i>Heeft zijn stoutheid ras geboet.</i><br /></span>
+</div><div class="stanza">
+<hr class="c05poem" style="margin-left: 5em; margin-right: 80%;" />
+</div><div class="stanza">
+<span class="i2"><i>Alle volkren op deze aard</i><br /></span>
+<span class="i0"><i>Zien wij eens hun naam verliezen;</i><br /></span>
+<span class="i0"><i>Maar de grootsche naam van Friezen</i><br /></span>
+<span class="i2"><i>Blijft in eeuwigheid vermaard.</i><br /></span>
+</div></div>
+
+<hr class="footn" />
+
+<div class="footnote">
+
+<p><a name="Footnote_22" id="Footnote_22"></a><a href="#FNanchor_22"><span
+class="label">[22]</span></a> Zie <span class="smcap">van leeuwen&#8217;s</span> schets dezer togten voor de <i>Herinnering
+aan het geslacht Sirtema van Grovestins</i>, in <i>de Vrije Fries</i>, V 232,
+en vooral de noot op bl. 237, omtrent den tijd van het eindigen
+dezer invallen.</p>
+
+<p><a name="Footnote_23" id="Footnote_23"></a><a href="#FNanchor_23"><span
+class="label">[23]</span></a> De hoofdbron van de geschiedenis dezer invallen is thans
+het belangrijke werk van Dr. <span class="smcap">j. h. van bolhuis</span>, <i>de Noormannen
+in Nederland</i>, Utrecht 1834, 2 st. Zie mede omtrent het vermelde,
+behalve onze Kronyken op vele plaatsen, <span class="smcap">molhuijsen</span>, in
+<span class="smcap">nijhoff&#8217;s</span> <i>Bijdragen</i>, VII 182; <span class="smcap">bosscha</span>,
+<i>Ne&ecirc;rlands Heldendaden</i>, I 22; <span class="smcap">foeke sjoerds</span>, <i>Jaarboeken</i>, III 224 enz.</p>
+
+<p><a name="Footnote_24" id="Footnote_24"></a><a href="#FNanchor_24"><span
+class="label">[24]</span></a> <i>De Roem van twintig eeuwen</i>, 1831.</p>
+
+</div>
+
+<hr class="footn" />
+
+<p class='pagenum'><a name="Page_49" id="Page_49">[49]</a></p>
+<h3>14. <i>Het Verbond der Zeven Vrije Friesche
+Zeelanden.</i></h3>
+
+<p>De opvolgers van <span class="smcap">karel</span> <i>den groote</i> en van zijn zoon
+<span class="smcap">lodewijk</span> <i>den vrome</i>, die van 814 tot 840 regeerde,
+waren meestal zwakke Vorsten, die zich weinig met het
+bestuur van hunne eigene en veel minder met dat van
+deze afgelegene landen bemoeiden. Gedurige rijksverdeelingen
+en beroeringen van allerlei aard verzwakten
+bovendien hun gezag. Zelfs bleven de Graven of gezanten,
+welke in de eerste tijden jaarlijks of om de drie
+jaren in <i>Friesland</i> kwamen, om in buitengewone zaken
+regt te spreken en de schatting te innen, eerlang geheel
+weg. Van deze nalatigheid maakten alzoo de vrijheidminnende
+bewoners dezer landen gretig gebruik, om
+zich nader aan elkander te verbinden en eene onafhankelijke
+volksregering te vestigen, vooral tot onderling
+hulpbetoon: aan de eene zijde tegen de invallen van de
+Noormannen en aan de andere zijde tegen de magtig
+gewordene Graven en Leenmannen.</p>
+
+<p>Deze toch maakten van die zelfde omstandigheden gebruik
+ter vergrooting van hunne magt en tot verdrukking
+van het volk. Dit was bijzonder het geval in dat eerst
+veroverde westelijk gedeelte van het Friesche rijk, tusschen
+het <span class="gesp">Sincfal</span> en de <span class="gesp">Reker</span>, dat eerlang door de
+<i>Graven van Holland en Zeeland</i>, de <i>Bisschoppen van
+Utrecht</i> en andere Heeren als eene eigene en erfelijke
+bezitting werd beschouwd. Het tweede gedeelte of het
+eigenlijk <i>Friesland</i>, tusschen de <span class="gesp">Reker</span> en de <span class="gesp">Eems</span>,
+genoot eene gewenschte onafhankelijkheid, doch had
+veel te lijden van de woeste strooptogten der Denen.
+Het derde gedeelte, <i>Oost-Friesland</i>, tusschen de <span class="gesp">Eems</span>
+en den <span class="gesp">Wezer</span>, dat ten gevolge van zijne gemeenschap
+met de Saksers later veroverd was, had reeds van <span class="smcap">karel&#8217;s</span >
+<span class='pagenum'><a name="Page_50" id="Page_50">[50]</a></span>
+zoon, <span class="smcap">lodewijk</span> <i>den vrome</i>, het regt op het vaderlijk
+erfgoed, bij de verovering hun onthouden, terug bekomen.
+Het stond nu bloot aan de overheersching der Saksische
+Vorsten en andere Heeren en Bisschoppen, en verlangde
+zeer in het genot te deelen van gelijke regten en vrijheden,
+als de Friezen bewesten de Eems bezaten. Met
+deze oude stamgenooten sloot het dus een verbond tot
+onderlinge bescherming. Ook andere oostelijke stammen,
+onder gelijke omstandigheden verkeerende, en wonende
+tusschen den <span class="gesp">Wezer</span> en de <span class="gesp">Elbe</span>, en van daar tot
+den <span class="gesp">Eider</span> (de Noord- of Strand-Friezen), sloten zich
+een tijdlang daarbij aan, doch werden later daarvan
+afgetrokken.</p>
+
+<p>Hierdoor ontstond de staat der <i>Zeven Vrije Friesche
+Zeelanden</i> of aan zee gelegene landstreken, welke door
+zoo vele stroomen of rivieren van elkander waren afgescheiden.
+Het <i>eerste Zeeland</i> lag tusschen de <span class="gesp">Reker</span>
+en het <span class="gesp">Flie</span> en was het latere <i>West-Friesland</i> of
+een groot deel van <i>Noord-Holland</i>.</p>
+
+<p>Het <i>tweede Zeeland</i>, tusschen het <span class="gesp">Flie</span> en de <span class="gesp">Middelzee</span>
+of het <span class="gesp">Boorndiep</span>, bevatte <i>Westergoo</i>,
+<i>Stavoren</i>, <i>Gaasterland</i> en <i>Doniawerstal</i>, of ongeveer
+de westelijke helft van het tegenwoordig <i>Friesland</i>.</p>
+
+<p>Het <i>derde Zeeland</i>, tusschen de <span class="gesp">Middelzee</span> en
+de <span class="gesp">Lauwers</span>, maakte een groot deel der oostelijke
+helft dezer provincie, of het landschap <i>Oostergoo</i> met <i>Opsterland</i>,
+<i>Utingeradeel</i>, <i>Haskerland</i> en <i>&AElig;ngwirden</i> uit.</p>
+
+<p>De zuidoostelijke streken van dit gewest, als <i>Schoterland</i>,
+<i>Lemsterland</i> en de <i>Stellingwerven</i>, vormden met
+het noordelijk gedeelte van <i>Overijssel</i> en geheel <i>Drenthe</i>,
+die te zamen vermoedelijk het Graafschap <i>Islegoo</i> uitmaakten,
+het <i>vierde Zeeland</i>.</p>
+
+<p>De landstreken, waaruit de tegenwoordige provincie <i>Groningen</i>
+is zamengesteld, als: het <i>Gooregt</i>, <i>Hunsego</i>,<span class='pagenum'><a name="Page_51" id="Page_51">[51]</a></span>
+<i>Fivelgo</i>, het <i>Oldampt</i>, <i>Westerwolde</i> en het <i>Wester-kwartier</i>,
+benevens <i>Reiderland</i>, tusschen de <span class="gesp">Lauwers</span>
+en de <span class="gesp">Eems</span>, maakten het <i>vijfde Zeeland</i> uit.</p>
+
+<p>Het <i>zesde</i> en <i>zevende Zeeland</i> bevatte de landstreken,
+waaruit <i>Oost-Friesland</i> enz. bestaat, en strekte zich van
+de <span class="gesp">Eems</span> tot den <span class="gesp">Wezer</span> uit, terwijl de <span class="gesp">Jade</span> de
+grens tusschen deze beide deelen was.</p>
+
+<p>Het doel dezer vereeniging van stamgenooten was eigenlijk
+een verdedigings-verbond. Ofschoon ieder dezer
+landschappen onafhankelijk op zich zelf stond en zijne
+eigene overheden, regters en wetten had, hield dit verbond
+allen als vrije Friezen aan elkander gestrengeld.
+Jaarlijks hielden de afgevaardigden uit ieder Zeeland een
+algemeenen Landsdag, om, in het belang van het geheele
+vrije land, de bestaande geschillen te beslechten, den
+vrede en eendragt te bevorderen, de wederspannigen
+tot gehoorzaamheid te brengen, zich tegen de aanvallen
+van vreemde Vorsten of de aanmatigingen van
+Leenheeren met eendragtigen moed te verbinden, en om
+nuttige wetten en verordeningen, te maken of de bestaande
+te verbeteren. De plaats, waar men tot dit
+einde bijeenkwam, noemde men den <i>Opstalsboom</i>, een
+beplante heuvel in de nabijheid der stad <i>Aurik</i> in <i>Oost-Friesland</i>,
+welke nog in wezen is. Daar vergaderden
+op den eersten Dingsdag na het Pinksterfeest ieder jaar
+de geestelijken, edelen en vrijgeboren mannen, welke
+ieder der Zeelanden ter behartiging der algemeene belangen
+had afgezonden. In het midden zaten de voor
+elk jaar benoemde regters, die de voorstellen deden;
+daar om heen waren de plaatsen der afgevaardigden,
+terwijl het volk zich daar rondom schaarde. Indien een
+voorstel beviel, strekte een luid gekletter der wapenen
+tot een teeken van aanneming; doch een luid gemor
+verhief zich, zoodra het niet welgevallig was of nader<span class='pagenum'><a name="Page_52" id="Page_52">[52]</a></span>
+moest worden besproken. Alles geschiedde overeenkomstig
+de zeden der oude Germanen, die hier het langst
+bewaard bleven<a name="FNanchor_25" id="FNanchor_25"></a><a href="#Footnote_25" class="fnanchor">[25]</a>.</p>
+
+<p>In elkander vonden deze Friesche landstreken alzoo
+een steun tot vorming van een vasten grondslag voor
+hun maatschappelijk welzijn, namelijk, het vermogen
+om te bestaan zonder hulp van buiten. Na het bezorgen
+hunner eigene veiligheid, rekenden zij het onnoodig
+van zwakke bondgenooten af te hangen. Alleen door
+het schild des Keizers achtten zij zich genoeg beschermd
+tegen aanrandingen van vreemden, en weinig deerde het
+hen, dat deze zelfde hoofden des rijks misbruik maakten
+van die bescherming, door sommige deelen van hun land
+nu aan dezen dan aan genen, als ware het leengoed,
+weg te schenken. Immer bleef die zucht, om onafhankelijk
+te willen bestaan, zonder hulp van buiten, een
+kenmerk van der Friezen aard.</p>
+
+<p>In die duistere en nog weinig beschaafde middeleeuwen,
+toen de lagere standen des volks in meest alle overheerde
+landen van <i>Europa</i> met lijdzaamheid de onderdrukking
+en willekeur van het geweld der magtigen moesten verduren,
+was dit verbond eene even merkwaardige uitzondering
+als deze vrije toestand der ingezetenen eene
+groote zeldzaamheid. Eeuwen lang, zelfs tot in de 15<sup>e</sup>
+eeuw<a name="FNanchor_26" id="FNanchor_26"></a><a href="#Footnote_26"
+class="fnanchor">[26]</a>, heeft dat verbond bestaan, en eene vrijheid
+en volkstrouw beschermd, waarvan bij weinige andere volken
+het voorbeeld is. Dit feit is tevens een bewijs voor de<span class='pagenum'><a name="Page_53" id="Page_53">[53]</a></span>
+geldigheid van den oorsprong van der Friezen volksvoorregten,
+door velen meermalen betwijfeld. Deze zijn
+echter door den Roomsch-Koning Graaf <span class="smcap">willem</span> II in
+1248 en door Keizer <span class="smcap">rudolf</span> in 1276 erkend, bevestigd
+en vermeerderd, zoodat zij een wettig gezag bezaten<a name="FNanchor_27"
+id="FNanchor_27"></a><a href="#Footnote_27" class="fnanchor">[27]</a>.
+Zuivere vrijheidsmin en hechte volkstrouw hielden onze
+Friesche vaderen verbonden. Met zelfgevoel en liefde
+waren zij aan hunne wetten en staatsinstellingen gehecht.
+&raquo;D&aacute;&aacute;rdoor wisten zij zich staande te houden te midden
+der groote Europesche beroeringen, en ruilden zij hunne
+plaatsen voor geene andere in. Ja, te midden dier volksbewegingen
+en overstroomingen stonden zij daar, als de
+krachtige eik in het woud, die de stormen tart en door
+den stroom der wateren niet ontworteld wordt&#8221;<a name="FNanchor_28"
+id="FNanchor_28"></a><a href="#Footnote_28" class="fnanchor">[28]</a>.</p>
+
+<p>De volksstammen, welke tot dit verbond behoorden,
+hadden in den beginne eene volkomene volksregering.
+Doch in latere eeuwen, toen sommige edelen zich boven
+anderen in aanzien en magt begonnen te verheffen; toen
+het eene Zeeland zich regten en vrijheden boven het
+andere aanmatigde; toen de eerbied voor de wetten verminderde
+en de vrijheidszucht ontaarde in bandeloosheid:&mdash;toen
+werd het eigenbelang boven het algemeen belang
+voorgetrokken en deze schoone band vaneen gereten. In
+1323 werd bij de Willekeuren van den Opstalsboom het
+verbond bekrachtigd, het regt der Overheden hernieuwd,
+de boosheid met straffen bedreigd en den landvrede bevestigd.
+Van latere vergaderingen is echter geen spoor.
+In 1361 werden er pogingen gedaan tot vernieuwing van
+het verbond, waarbij de vergaderingen van den <i>Opstalsboom</i>
+werden verlegd naar het in magt sterk toenemende<span class='pagenum'><a name="Page_54" id="Page_54">[54]</a></span>
+<i>Groningen</i>. Doch te vergeefs. Het had zijne verbindende
+kracht voor allen verloren. Binnenlandsche oorlogen en
+persoonlijke veeten, zucht naar gezag en heerschappij
+verteerden de krachten des volks. Geestelijke en wereldlijke
+Heeren maakten daarvan gebruik ter uitbreiding
+van hun gebied. Z&oacute;&oacute; ging het eene Zeeland voor en
+het andere na verloren, en werd de eenmaal zoo uitgestrekte
+Friesche vrijstaat gesloopt. Het eerste Zeeland,
+<i>West-Friesland</i>, bezweek, na zich langer dan drie eeuwen
+moedig verdedigd te hebben, voor de overmagt der
+Graven van <i>Holland</i>. <i>Oost-Friesland</i> werd een buit van
+trotsche Hoofdlingen en Graven, die elkander lang de
+oppermagt betwistten, en aan de Bisschoppen van <i>Bremen</i>
+en <i>Munster</i> nog sommige gedeelten van dat land moesten
+afstaan. In <i>Overijssel</i> (het <i>Over-sticht</i>) en <i>Drenthe</i>
+vestigde de magtig gewordene Utrechtsche Bisschop zijn
+wereldlijk gezag, gelijk hij reeds lang deed in de stad
+<i>Groningen</i> en het <i>Gooregt</i>, welke hij door Stedevoogden
+liet besturen<a name="FNanchor_29" id="FNanchor_29"></a><a href="#Footnote_29"
+class="fnanchor">[29]</a>. All&eacute;&eacute;n het tegenwoordige <i>Friesland</i>, de
+kern van den ouden volksstam, bleef ongedeerd en vrij,
+dewijl het zich steeds moedig tegen de aanvallen van vreemde
+Heeren mogt verdedigen. Dankbaar bleef het dit
+voorregt erkennen, zoo als ook blijkt uit een oud-friesch
+geschrift, vermoedelijk uit het begin der 15<sup>e</sup> eeuw, waarin
+omtrent dit gedeelte gezegd wordt: &raquo;Deze twee Zeelanden,
+als het tweede en derde (<i>Oostergoo</i> en <i>Westergoo</i>),
+zijn tot nog toe vrij en anders geen Heer onderworpen,
+behalve den Keizer des Roomschen Rijks. Maar ontzettende
+schade en menigvuldige aanvechtingen hebben deze
+landen geleden, om hunne vrijheid te beschermen, welke<span class='pagenum'><a name="Page_55" id="Page_55">[55]</a></span>
+hen geschonken is van den grooten Koning <span class="smcap">karel</span>, waartoe
+zij vele zware strijden hebben geslagen tegen de Graven
+van <i>Holland</i>, om hunne landen te beschermen. Ook
+<i>Stellingwerf</i> en <i>Schoterland</i> zijn nog vrij, doch hebben
+zware aanvechtingen en oorlogen gehad met de Bisschoppen
+van <i>Utrecht</i>, die het overig gedeelte van dit vierde
+Zeeland (<i>Kuinder</i>, <i>Giethoorn</i>, <i>Vollenhove</i>, <i>Steenwijk</i>
+en <i>Drenthe</i>) hebben bedwongen&#8221;<a name="FNanchor_30"
+id="FNanchor_30"></a><a href="#Footnote_30" class="fnanchor">[30]</a>.</p>
+
+<p>Lang zou dit gedeelte die zeldzame en eervolle onafhankelijkheid
+hebben behouden, indien zijne burgers zich
+des waardig hadden gedragen. Maar ook zij leverden
+het bewijs, hoe bezwaarlijk de vrijheid, zelfs onder bescherming
+van goede wetten, wordt gehandhaafd, wanneer
+menschelijke zwakheden en ondeugden een overwigt
+in den staat bekomen. Eer- en heerschzucht begonnen
+den boventoon te voeren; de oude goede trouw werd
+vervangen door bandelooze partijzucht en familie-veeten.
+Een opperhoofd of Potestaat uit hun eigen midden had
+geen gezag meer; zoodat eindelijk de Keizer het bestuur
+van dit land opdroeg aan een vreemden vorst, aan Hertog
+<span class="smcap">albert</span> <i>van Saksen</i>, die hen tot eendragt en rust, tot
+orde en regt dwong, en hun den verloren vrede hergaf,
+doch ten koste van een groot deel der onafhankelijkheid.</p>
+
+<hr class="footn" />
+
+<div class="footnote">
+
+<p><a name="Footnote_25" id="Footnote_25"></a><a href="#FNanchor_25"><span
+class="label">[25]</span></a> Naar aanleiding van <span class="smcap">wiarda&#8217;s</span> werkje over de <i>Landdagen
+der Friezen bij Upstalboom</i>, gaf de Heer Mr. <span class="smcap">a. telting</span> daarvan
+in de <i>Leeuw. Cour.</i> 1831, N<sup>o</sup>. 79 eene Herinnering, welke voor
+een groot gedeelte is overgenomen in <span class="smcap">van leeuwen&#8217;s</span> Aantt. op <i>it
+aade Friesche terp</i>, bl. 399. Zie ook <span class="smcap">schotanus</span>, 170 en <i>tabl.</i> 16.</p>
+
+<p><a name="Footnote_26" id="Footnote_26"></a><a href="#FNanchor_26"><span
+class="label">[26]</span></a> Het verbond van 1430, in het <i>Vriesch Charterboek</i>, I 494,
+schijnt een der laatste sporen dezer vereeniging te zijn. Zie <i><a href="#Aant9">Aant. 9</a></i>.</p>
+
+<p><a name="Footnote_27" id="Footnote_27"></a><a href="#FNanchor_27"><span
+class="label">[27]</span></a> Zie <i>Vriesch Charterb.</i> I 94; <span class="smcap">foeke sjoerds</span>, <i>Jaarb.</i> III 120.</p>
+
+<p><a name="Footnote_28" id="Footnote_28"></a><a href="#FNanchor_28"><span
+class="label">[28]</span></a> Zie <span class="smcap">royaards</span>, <i>Geschiedenis der invoering en vestiging van het
+Christend.</i> 41, uitvoeriger in het motto tegenover den titel aangehaald.</p>
+
+<p><a name="Footnote_29" id="Footnote_29"></a><a href="#FNanchor_29"><span
+class="label">[29]</span></a> <span class="smcap">Ypeij</span> en
+<span class="smcap">feith</span>, <i>Oudheden van het Gooregt en Groningen</i>,
+1836, I, 37 env.; <span class="smcap">diest lorgion</span>, <i>Geschiedkundige Beschrijving van
+Groningen</i>, 1849, 18 env.; <span class="smcap">driessen</span>, <i>Monum. Gron.</i> 857.</p>
+
+<p><a name="Footnote_30" id="Footnote_30"></a><a href="#FNanchor_30"><span
+class="label">[30]</span></a> Zie het Klein Traktaat van de zeven Zeelanden in <span class="smcap">schotanus</span>,
+<i>Kronyk</i>, <i>tablinum</i>, 19, en, met de vertaling, in <span class="smcap">foeke sjoerds</span>,
+<i>Beschrijving</i>, I 55. Vergelijk verder <i><a href="#Aant9">Aanteekening 9</a></i>.</p>
+
+</div>
+
+<hr class="footn" />
+
+<p class='pagenum'><a name="Page_56" id="Page_56">[56]</a></p>
+<h3>15. <i>Veranderingen in den toestand des bodems
+van Friesland.<br />
+Watervloeden, de Zuiderzee, de Middelzee enz.</i></h3>
+
+<p>Een niet minder gevaarlijken vijand dan de Noormannen
+hadden de Friezen op hunne kust bestendig te bestrijden
+in de <span class="gesp">Noordzee</span>. Wel had de natuur hun laag gelegen
+land tegen haar geweld zoeken te beschermen door
+het met een zoom duinen te omgeven; wel had zucht
+tot zelfbeveiliging hen op hooge plaatsen menigvuldige
+terpen doen opwerpen, om tot woon- en schuilplaats
+voor personen en vee te strekken bij het opkomen der
+vloeden, die dagelijks de riviermonden binnenstroomden;
+zelfs waren ze, zoo men wil in de 7<sup>e</sup> eeuw, reeds begonnen,
+langs den oever zeedijken en waterkeeringen aan te leggen:&mdash;in
+gewone gevallen bood dit alles genoegzame
+bescherming aan, om hun het rustig bezit en genot van
+het land te verzekeren. Maar ongenoegzaam, ja zelfs onbeduidend
+waren die zwakke beveiligingsmiddelen, zoo
+dikwijls hevige stormen de hoog gestegen vloeden met
+woedend geweld voortzweepten, en deze, met verachting
+van allen wederstand, het land overstroomden, vele de
+gewrochten van menschelijke vlijt en arbeid verwoestten
+en nood en dood alom verspreidden. Ontzettende ellende
+en verbazende schade hebben de bewoners dezer landen
+gedurende vele eeuwen van deze geduchte en zoo dikwijls
+herhaalde watervloeden te lijden gehad.</p>
+
+<div class="poem"><div class="stanza">
+<span class="i0">Want, ach! als hij loeide, die woedende orkaan,<br /></span>
+<span class="i0">En randde de kusten des Vaderlands aan,<br /></span>
+<span class="i2">Wat waarde had dan nog het leven?<br /></span>
+<span class="i0">Dan dekte het zeezout het zuchtende land,<br /></span>
+<span class="i0">Verwijderde staag het bedwingende strand,<br /></span>
+<span class="i2">Deed honderden, duizenden sneven.<br /></span>
+</div><div class="stanza">
+<span class="i0"><span class='pagenum'><a name="Page_57" id="Page_57">[57]</a></span>En huizen, en hoven, en menschen, en vee<br /></span>
+<span class="i0">Verzwolg ze, die woeste, verslindende zee,<br /></span>
+<span class="i2">En naakt en berooid moest hij vlugten<br /></span>
+<span class="i0">De landman;&mdash;&#8217;t verlies van zijn have getroost,<br /></span>
+<span class="i0">Behield hij zijn vrouw maar, zijne ouders, zijn kroost,<br /></span>
+<span class="i2">Wier dood er zoo velen deed zuchten.<br /></span>
+</div><div class="stanza">
+<span class="i0">En groende zijn weide als de lente verscheen?<br /></span>
+<span class="i0">Ontlook dan zijn koren, zijn welvaart? Ach neen!<br /></span>
+<span class="i2">Die zee, ach die zee wou niet wijken!<br /></span>
+<span class="i0">En schoon ook de landwind verdroogde die plas,<br /></span>
+<span class="i0">De zee liet haar zout, en de grond bleef moeras,<br /></span>
+<span class="i2">Geen scheutje, geen aar kon er prijken<a name="FNanchor_31"
+id="FNanchor_31"></a><a href="#Footnote_31" class="fnanchor">[31]</a>.<br /></span>
+</div></div>
+
+<p>Bij al die verliezen aan menschen, vee en bezittingen;
+bij al de schade, welke de algemeene welvaart telkens
+leed, onderging bovendien het land zelf ten gevolge dier
+veelvuldige overstroomingen een zeer groot verlies, doordien
+de zee eene groote uitgestrektheid gronds verzwolg.
+Elders werd daarentegen we&ecirc;r land aangewonnen. Land
+werd in zee&mdash;zee werd in land herschapen.&mdash;Deze
+merkwaardige vervorming van een gedeelte des vaderlandschen
+bodems had op den toestand van het geheel
+en op de ligging van de bijzondere deelen en plaatsen
+een grooten invloed. Ten aanzien van het tegenwoordige
+<i>Friesland</i> willen wij de voornaamste bijzonderheden
+daarvan mededeelen.</p>
+
+<p>De laaggelegene noordwesthoek van <i>Nederland</i> stond
+natuurlijk het meest bloot aan de woede van den oceaan.
+Bovendien vloeiden hier verscheidene grootere en kleinere
+rivieren en stroomen zeewaarts, ter ontlasting van het<span class='pagenum'><a name="Page_58" id="Page_58">[58]</a></span>
+boezemwater des lands. De <span class="gesp">IJssel</span>, door het Marsdiep
+uitstroomende, was van meer belang geworden sedert
+hij met een deel der wateren van den Rijn werd belast.
+Het <span class="gesp">Flie</span>, dat door de Vecht, het Zwarte water, de
+Kuinder of Tjonger en de Linde gevoed werd, was breeder
+en dieper geworden, sinds het bezwaard was met
+den afvoer der wateren uit het zuidelijk <i>Friesland</i>,
+waar langs het vroeger een deel zijner krachten had
+afgezet naar de <span class="gesp">Middelzee</span> of het <span class="gesp">Boorndiep</span>.
+De aanvankelijke verlanding van dezen zeeboezem aan de
+zuidzijde gaf toch een geheel anderen loop aan vele
+stroomen, en was van evenveel belang als de nieuwe
+mond of uitstrooming, welke de Middelzee, reeds v&oacute;&oacute;r
+de 7<sup>e</sup> eeuw, tusschen <i>Terschelling</i> en <i>Ameland</i> had bekomen,
+waardoor zij de Boorn en vele wateren van
+<i>Oostergoo</i> en <i>Westergoo</i> gemakkelijker afvoerde. Verder
+was het de <span class="gesp">Lauwers</span>, welke, vereenigd met de
+Ee, de Hunse en de Aa, zich tusschen <i>Ameland</i> en
+<i>Schiermonnikoog</i> met een breeden mond in de Noordzee
+stortte. De eertijds geheel met duinen bezette kust
+was door deze riviermonden verbroken. De Noordzee had
+daardoor gelegenheid bekomen, om bij hevige stormen
+met meer geweld op deze landen in te breken, waarbij
+vele duinen weggeslagen en de zeegaten verbreed en
+verdiept werden. Terwijl aldus de toegang der zee
+ruimer en de afvoer van IJssel en Flie hooger en krachtiger
+was geworden, zoo bragten deze en andere omstandigheden
+te zamen genomen te weeg, dat de lage
+landen langs die zeegaten en stroomen van lieverlede
+afgeschuurd, verbroken en verzwolgen werden; dat de
+duinenrij slechts eene smalle strook lands kon beschermen,
+welke als zoovele eilanden bewaard bleven, en
+dat de gansche uitgestrektheid lands tusschen <i>Friesland</i>
+en <i>Noord-Holland</i> weggeslagen en met het oude meer<span class='pagenum'><a name="Page_59" id="Page_59">[59]</a></span>
+Flevo vereenigd werd, waardoor de <span class="gesp">Zuiderzee</span> is
+ontstaan<a name="FNanchor_32" id="FNanchor_32"></a><a href="#Footnote_32" class="fnanchor">[32]</a>.</p>
+
+<p>Dit alles geschiedde trapsgewijze door geduchte overstroomingen,
+wier geheugenis in de geschiedboeken is
+bewaard. Na lange voorbereiding werd het eerst in 1170
+bij den vreeselijken Allerheiligen-vloed, die overal schrikbarende
+verwoestingen aanrigtte, het land tusschen <i>Medemblik</i>
+en <i>Flieland</i> weggescheurd, alsmede het meer
+Flevo aan de oostzijde vergroot. Na latere overstroomingen
+van het begin der volgende eeuw, bekwam die
+kom bezuiden <i>Flieland</i>, omstreeks 1237, nog grootere
+uitbreiding. Met geweld bruischte de zee nu vervolgens
+door de verwijde zeegaten op de lage landen in, zoodat,
+ten gevolge der watervloeden, welke <i>Friesland</i>
+drie jaren achtereen teisterden, in 1250 al de overige
+landen bewesten de Friesche kust, van <i>Harlingen</i> tot
+voorbij <i>Hindeloopen</i>, weggerukt en in eene onafzienbare
+watervlakte herschapen werden. Omstreeks dien zelfden
+tijd werd er bezuiden <i>de Lemmer</i> nog grooter veld
+weggeslagen en daardoor de oppervlakte van het meer
+Flevo verdubbeld.</p>
+
+<p>Nadat in 1277 beoosten <i>Groningen</i> eene groote uitgestrektheid
+aan den mond der Eems was weggerukt en
+in den Dollard herschapen, was de watervloed van
+1287 hier z&oacute;&oacute; geducht, dat elders het gerucht werd
+verspreid, dat geheel <i>Friesland</i> verzwolgen was. Het
+getal der daarbij omgekomene personen in dit gewest
+werd op 30,000 begroot. Hierbij had de <span class="gesp">Westerzee</span>
+weder eene uitbreiding verkregen door het wegslaan
+van de landstreek tusschen <i>Harlingen</i> en <i>Terschelling</i>;<span class='pagenum'><a name="Page_60" id="Page_60">[60]</a></span>
+terwijl de overige landen bezuiden dit eiland en <i>Ameland</i>,
+een groot gedeelte der tegenwoordige Wadden,
+eerlang voor de woede der golven bezweken. Na herhaalde
+watervloeden werd eindelijk in de volgende eeuw
+ook de landstreek tusschen <i>Medemblik</i>, <i>Enkhuizen</i> en
+<i>Stavoren</i> verzwolgen, waardoor de Westerzee met het
+vergroote meer Flevo vereenigd werd en de <span class="gesp">Zuiderzee</span>
+nagenoeg hare tegenwoordige grootte en grenzen
+verkreeg<a name="FNanchor_33" id="FNanchor_33"></a><a href="#Footnote_33"
+class="fnanchor">[33]</a>. (Zie <i><a href="#Aant10">Aanteekening 10</a></i>.)</p>
+
+<hr class="c05" />
+
+<p>Na zoo vele aanzienlijke verliezen in grond, in bewoners,
+in vee en eigendommen te hebben geleden, zou
+menigeen welligt dit gevaarvolle land verlaten en een
+veiliger oord opgezocht hebben. Niet alzoo onze vaderen,
+wier moed door al die gevaren opgewekt werd, om te
+strijden ter bedwinging van het woeste element. Met
+ijver trok men aan het werk, om langs de gespaarde
+kust zeedijken op te werpen, ten einde dit land te beschermen
+tegen meerdere verliezen.</p>
+
+<div class="poem"><div class="stanza">
+<span class="i0">Natuur! van wie de stervelingen<br /></span>
+<span class="i0">Een eigen Vaderland ontfingen,<br /></span>
+<span class="i2">Wat heeft ons met uw haat bela&acirc;n,<br /></span>
+<span class="i0">Dat wij alleen van alle volken<br /></span>
+<span class="i0"><span class='pagenum'><a name="Page_61" id="Page_61">[61]</a></span>Voor
+&#8217;t brijzelend geweld der diepe waterkolken<br /></span>
+<span class="i6">Aan alle kant ten doelwit staan?<br /></span>
+</div><div class="stanza">
+<span class="i4">Doch dat we ons niet van haar beklagen!<br /></span>
+<span class="i4">In weervergelding dezer plagen<br /></span>
+<span class="i6">Schonk ze ons een onverschrokken moed,<br /></span>
+<span class="i4">Om stout ten golven uit te stijgen,<br /></span>
+<span class="i0">Die al wat ze ons onthield vrijmachtig deed verkrijgen,<br /></span>
+<span class="i6">Ten prijz&#8217; van eigen zweet en bloed<a name="FNanchor_34"
+id="FNanchor_34"></a><a href="#Footnote_34" class="fnanchor">[34]</a>.<br /></span>
+</div></div>
+
+<p>Reeds vroeger had men zulke breede zeeweringen langs
+de westkust van <i>Oostergoo</i> en den oostoever van <i>Westergoo</i>
+opgeworpen ter breideling van den breeden zeeboezem
+de <span class="gesp">Middelzee</span> of het <span class="gesp">Boorndiep</span>. Ook
+had men Binnendijken of waterkeeringen in het land
+aangelegd, tot bescherming van sommige gedeelten, om
+de verspreiding van het vloedwater tegen te gaan. Aangenaam
+was echter bij al die verliezen het verschijnsel,
+dat, gelijktijdig met de wegscheuring van de westelijke
+landen, de <span class="gesp">Middelzee</span> van tijd tot tijd smaller en
+ondieper werd, en in de 13<sup>e</sup> en 14<sup>e</sup> eeuw geheel in hoog
+en vruchtbaar land werd herschapen. In de vroegste
+tijden had deze zeeboezem waarschijnlijk eene breedte
+van de <i>Oudeschouw</i> voorbij <i>Sneek</i> en <i>Ylst</i> tot <i>Bolsward</i>,
+en was de Hem- en Groendijk daarvan de waterkeering
+aan de zuidzijde. Een gedeelte van den
+tegenwoordigen Slagtedijk, van <i>Bolsward</i>, over <i>Bozum</i>,
+<i>Weidum</i> en <i>Berlikum</i> naar <i>Dijkshoek</i>, omzoomde haar
+aan de noord- en westzijde; terwijl de dijken, waarop
+thans meest straatwegen zijn aangelegd, van de <i>Oudeschouw</i>
+over <i>Leeuwarden</i> en verder voorbij <i>Stiens</i> tot
+onder <i>Hallum</i>, haar ter oostzijde bedwongen.</p>
+
+<p>Toen nu, ten gevolge der verwijding van den <span class="gesp">Fliestroom</span>,<span
+class='pagenum'><a name="Page_62" id="Page_62">[62]</a></span>
+de toevoer van water uit het zuiden naar de
+<span class="gesp">Middelzee</span> verminderde, bewaarde deze stilstaande
+kom gereedelijk de slibstoffen, welke noordweste stormen
+elders wegrukten en herwaarts heenvoerden. Ten einde
+die ter zuidzijde aangeslibde gronden te bewaren en
+voor den landbouw met meerdere veiligheid te gebruiken,
+werd er een dijk gelegd, van <i>Rauwerd</i> in zuidwestelijke
+rigting langs <i>Scharnegoutum</i>, <i>Tirns</i> en
+<i>Folsgare</i> tot nabij <i>Bolsward</i>. Doch het daardoor overgebleven
+meer verlandde ten gevolge van voortdurende
+aanslibbingen zoo spoedig, dat op dien grond reeds in
+1277 de kerk van het dorp <i>Nieuwland</i> gesticht werd.
+De uitbreiding van de Zuiderzee en het wegslaan van de
+gronden der Wadden bevorderde vervolgens de landwinning
+zoo snel, dat de Middelzee in de 13<sup>e</sup> en 14<sup>e</sup> eeuw van
+lieverlede inkromp en in vruchtbaar kleiland herschapen
+werd, waarvan wij reeds in 1398 een gedeelte van <i>het
+Bildt</i> vinden vermeld. Vanhier, dat deze groote uitgestrektheid
+<i>Nieuwland</i>, welke in 1505 door de bedijking
+van <i>het Bildt</i> werd afgesloten, eene belangrijke vergoeding
+geacht werd voor al de verlorene gronden bewesten
+de Friesche kust.</p>
+
+<p>Ten gevolge van dat alles had het land eene gansch
+andere gedaante verkregen. <i>Leeuwarden</i>, <i>Sneek</i>, <i>Ylst</i>
+en <i>Bolsward</i>, welke als Zeeplaatsen in het opkomen
+waren, werden van toen af Landsteden en daardoor
+geheel andere belangen toegedaan. <i>Harlingen</i>, <i>Workum</i>
+en <i>Hindeloopen</i> daarentegen begonnen als zeeplaatsen
+te bloeijen; <i>Stavoren</i> echter, die oude en aanzienlijke
+stad, welke aan eene gunstige ligging ter wederzijden
+van den Fliestroom hare scheepvaart en handel, welvaart
+en uitbreiding had te danken, zoodat zij onder de steden
+van het Hanseverbond als de derde in rang werd opgenomen,&mdash;<i>Stavoren</i>
+had, ten gevolge van al die zeeveroveringen<span class='pagenum'><a name="Page_63" id="Page_63">[63]</a></span>
+en de verbreeding van het Flie, een groot
+verlies te lijden. Wel bleef de ligging van het overgebleven
+gedeelte op dien landhoek aan de Zuiderzee zeer
+gunstig; wel verkreeg zij van de Hollandsche Graven,
+die van 1292 tot 1414 daar hun gezag trachtten staande
+te houden, groote voorregten, en zag zij hare handelsprivilegi&euml;n
+op de Oostzee nog in 1363 en 1368 door
+verbonden met de Koningen van <i>Denemarken</i> en <i>Zweden</i>
+bevestigd en uitgebreid: toch neigde zij eerlang ten val.
+De overlevering wil, dat hare welvaart verminderde ten
+gevolge van verregaande weelde en euvelmoed, waarvoor
+de verzanding van hare haven zelfs eene straf geacht
+werd. Nadat de zee eerst een gedeelte der stad met de
+in 1132 gestichte kerk en het oude St. Odulphus-klooster
+had weggeslagen, was een noodlottige brand, die ongeveer
+500 huizen zou verteerd hebben, in 1420 de oorzaak
+van meerdere afneming en verval, welke later
+aanmerkelijk zijn toegenomen<a name="FNanchor_35" id="FNanchor_35"></a><a href="#Footnote_35" class="fnanchor">[35]</a>.</p>
+
+<hr class="c05" />
+
+<p>Ofschoon later nog een aantal watervloeden <i>Friesland</i>
+overstroomden en vele schade veroorzaakten, mogt het
+den Friezen toch gelukken, sedert dien tijd hun land te
+behouden en tegen meerdere verliezen te beschermen.
+Zeker kostte het verbazende moeite, volharding en opoffering,
+om dit land, dat lager ligt dan den dagelijkschen<span class='pagenum'><a name="Page_64" id="Page_64">[64]</a></span>
+vloed der zee, met zulk eene uitgestrektheid zware zeedijken
+te omringen, om zoo vele kostbare zeesluizen
+aan te leggen, om zoo vele binnendijken en waterkeeringen
+met sluizen tot stand te brengen, en om zoo vele
+lage landen met kunstmiddelen vruchtgevend te maken en
+te houden. Gewis, indien moed en standvastige fierheid
+tot het overwinnen van moeiten en gevaren geene kenmerken
+van het karakter der Friezen waren geweest;&mdash;indien
+het vaderland, waaraan zij zoo zeer gehecht waren,
+hen niet dierbaarder was geworden, naar gelang de pogingen
+om het te behouden zorg en inspanning kostten,&mdash;zij
+zouden geene zoo grootsche overwinning behaald hebben
+in den strijd tegen een vijand, als de woedende
+Noordzee.</p>
+
+<p>Vrij moge men dan elders in trotsche gewrochten der
+bouwkunst of in reusachtige Hunebedden de krachten
+van het voorgeslacht bewonderen&mdash;hier, in dit gedeelte
+van het oude <i>Friesland</i>, zijn de talrijke terpen en zware
+zeeweringen eervolle blijken van volhardenden moed en
+liefde tot het vaderland. En gaarne zeggen wij dus een
+onzer volksdichters na:</p>
+
+<div class="poem"><div class="stanza">
+<span class="i0"><i>Sa faek troch stoarm yn djippe s&eacute; beditsen,</i><br /></span>
+<span class="i2"><i>Oeralde ljeawe Friesce groun!</i><br /></span>
+<span class="i0"><i>Waerd noait dy taie b&ocirc;an foarbritsen,</i><br /></span>
+<span class="i2"><i>Dy Friesen oen hjar l&ocirc;an forboen.</i><br /></span>
+</div><div class="stanza">
+<span class="i0"><i>Trochloftich folk fen disse alde namme!</i><br /></span>
+<span class="i2"><i>Weas jimmer op dy alders great.</i><br /></span>
+<span class="i0"><i>Bljou iwich fen dy grise hege stamme</i><br /></span>
+<span class="i2"><i>Ien grien, ien kreftich doerjend leat</i><a name="FNanchor_36"
+id="FNanchor_36"></a><a href="#Footnote_36" class="fnanchor">[36]</a>.<br /></span>
+</div></div>
+
+<hr class="footn" />
+
+<div class="footnote">
+
+<p><a name="Footnote_31" id="Footnote_31"></a><a href="#FNanchor_31"><span
+class="label">[31]</span></a> Mr. <span class="smcap">a. van halmael jr.</span>, <i>Lied, Kaspar Robles door den
+Frieschen Landman toegezongen</i>, geplaatst in de Aantt. op de <i>Hulde
+aan H. J. Groen</i>, door Mr. <span class="smcap">robid&eacute; van der aa</span>, Leeuw. 1825, 18.</p>
+
+<p><a name="Footnote_32" id="Footnote_32"></a><a href="#FNanchor_32"><span
+class="label">[32]</span></a> Vergelijk hierbij en bij het volgende Dr. <span class="smcap">ottema&#8217;s</span> <i>Kaart
+van de Zuiderzee</i>, bij zijne Redevoering over haar ontstaan, in <i>de
+Vrije Fries</i>, IV 183, in <i><a href="#Aant10">Aanteekening 10</a></i> nader vermeld.</p>
+
+<p><a name="Footnote_33" id="Footnote_33"></a><a href="#FNanchor_33"><span
+class="label">[33]</span></a> Vermits de meeste toenmaals weggerukte gronden nog in
+zandplaten en ondiepten bestaan, en aangezien de Noordzee sedert
+dien tijd door het uitkolken van onze stranden en het afslaan van
+de eilanden voor onze tegenwoordige zeeweringen hoe langer hoe
+gevaarlijker is geworden, zijn er, die meenen, dat thans de tijd
+gekomen is, om het vroeger verlorene te herwinnen, met al de
+middelen, welke de kunst en het vermogen der 19e eeuw aanbieden.
+Wenschelijk wordt het voorgesteld, dat de Noordzee tot hare
+oorspronkelijke grens (de duinenrij op de eilanden) teruggedrongen
+en dat de Zuider- en Lauwerszee met de daar tusschen gelegene
+Wadden bedijkt en tot land gemaakt worden.</p>
+
+<p><a name="Footnote_34" id="Footnote_34"></a><a href="#FNanchor_34"><span
+class="label">[34]</span></a> <span class="smcap">Bilderdijk</span>, <i>de ware Liefde tot het Vaderland</i>.</p>
+
+<p><a name="Footnote_35" id="Footnote_35"></a><a href="#FNanchor_35"><span
+class="label">[35]</span></a> Zie <i>Charterboek</i> I 72, 124, 227, 232 enz. <span class="smcap">Westerman</span>,
+<i>Beschrijving van Stavoren</i>, van 1613, achter zijne <i>Zeepostille</i>. Onder
+vele bijzonderheden omtrent de vroegere uitgebreidheid en handel
+der stad vermeldt deze, dat de zeevaarders van <i>Stavoren</i> de eerste
+geweest zijn, die de Noordsche landen en de Zond bezochten,
+waarom de Koning van <i>Denemarken</i> hun het voorregt verleende
+van bij het doorvaren van de Zond v&oacute;&oacute;r alle andere schippers
+vertold te worden; ter bewaring van welk privilegie zij vervolgens
+jaarlijks met het eerste schip den Koning een Leidsch laken vereerden.</p>
+
+<p><a name="Footnote_36" id="Footnote_36"></a><a href="#FNanchor_36"><span
+class="label">[36]</span></a> Dr. <span class="smcap">e. halbertsma</span> in
+<i>de Lapekoer fen Gabe Scroar</i>, 1834, 226.</p>
+
+</div>
+
+<hr class="footn" />
+
+<p class='pagenum'><a name="Page_65" id="Page_65">[65]</a></p>
+<h3>16. <i>Der Friezen aandeel in de Kruistogten
+naar het Heilige land. 1096-1270.</i></h3>
+
+<p>In het laatst der elfde eeuw werden de Christenen
+van het westen en ook de Friezen opgeroepen tot deelneming
+in een strijd, welke geheel <i>Europa</i> in beweging
+bragt. <i>Palestina</i> of het <i>Heilige land</i>, waar de
+stichter van het Christendom geleefd en geleden had,
+waaraan godsdienstige eerbied zoo vele heilige herinneringen
+verbond, bevond zich in de magt der Saracenen
+of Turken. De kwellingen, welke deze de Christenen
+aandeden, wekten in <i>Europa</i> den godsdienstijver
+van vorsten en volken op tot het doen van een kruistogt,
+om <i>Palestina</i> weder in de magt der Christenen te
+brengen.</p>
+
+<p>De eerste kruistogt werd ten jare 1096 ondernomen.
+Uit verschillende landen werd een verbazend groot leger
+bijeengebragt. Met vele bezwaren en rampen had het
+op den langen togt naar het oosten te strijden. Het
+gelukte echter deze kruisvaarders de steden <i>Nic&eacute;a</i>,
+<i>Antiochi&euml;</i>, <i>Cesar&eacute;a</i> en <i>Jeruzalem</i> te veroveren, en het
+koningrijk <i>Jeruzalem</i> te stichten, waarvan <span class="smcap">godfried van
+bouillon</span>, Hertog van <i>Neder-Lotharingen</i>, tot Koning
+werd uitgeroepen, welken titel hij echter niet aannam,
+maar zich vergenoegde met dien van Beschermer van
+het Heilige graf.</p>
+
+<p>&#8217;t Is zeer natuurlijk, dat eene zoo krijgshaftige natie
+als de Friezen ijverig deel nam in dezen togt en aandeel
+had in deze overwinningen. Ook na <span class="smcap">karel</span> <i>den groote</i>
+hadden zij buitenlandsche Vorsten vrijwillig bijstand geboden,
+en bekend is het, dat de <span class="smcap">burmania&#8217;s</span>, <span class="smcap">cammingha&#8217;s</span>,
+<span class="smcap">roorda&#8217;s</span> en anderen in de 11<sup>e</sup> eeuw met roem overladen
+terugkeerden uit het leger van Keizer <span class="smcap">hendrik</span> III, dien
+zij op zijne oorlogstogten in <i>Boheme</i>, <i>Hongarije</i> en<span class='pagenum'><a name="Page_66" id="Page_66">[66]</a></span>
+elders gevolgd waren<a name="FNanchor_37" id="FNanchor_37"></a><a
+href="#Footnote_37" class="fnanchor">[37]</a>. In bijna al de kruisvaarten
+betoonden de Friezen zich roemruchtige kampvechters
+voor het Christelijk geloof, die andere volken in koenheid
+overtroffen, maar die onafhankelijk, onder eigene
+bevelhebbers staande, geen ander gezag eerbiedigden
+dan dat van den Paus. Oude geschiedverhalen noemen
+zelfs de namen der aanzienlijke edelen, onder welke zij in
+den eersten kruistogt uittrokken, als de leden der geslachten:
+<span class="smcap">liauckama</span>, <span class="smcap">botnia</span>,
+<span class="smcap">hermana</span>, <span class="smcap">galama</span>, <span class="smcap">forteman</span>
+en anderen. Bijzonder onderscheidden zich door
+dapperheid <span class="smcap">eelko liauckama</span> en <span class="smcap">feiko botnia</span>, waarom zij
+tot bevelhebbers over 3000 man ruiters benoemd werden.
+Na in onderscheidene gevechten zware wonden bekomen
+te hebben, werden zij, na de verovering van <i>Jeruzalem</i>,
+ter belooning van hunnen moed, door den Koning tot
+Ridders geslagen. Bij de belegering van <i>Nic&eacute;a</i> sneuvelde
+de laatste afstammeling der <span class="smcap">fortemans</span> met <span class="smcap">sicko liauckama</span>
+en <span class="smcap">epo hartman</span> op het bed van eer (1097).</p>
+
+<p>Onderscheidene andere edelen, als <span class="smcap">homme homminga</span>,
+<span class="smcap">goffe roorda</span>, <span class="smcap">sicko cammingha</span> en <span class="smcap">tjalling ockinga</span>
+voerden eerlang nieuwe benden Friezen aan. In vele
+gevechten met de Saracenen behaalden zij grooten lof
+van dapperheid, waarom <span class="smcap">boudewijn</span>, de tweede Koning
+van <i>Jeruzalem</i>, en andere hoofden des legers hen bijzondere
+achting toedroegen. Naar het vaderland terug
+verlangende, ontsloeg de Koning hen noode uit zijne
+dienst. Hij zelf geleidde hen met 100 ruiters naar <i>Jaffa</i>,
+vanwaar zij zich inscheepten, en eerlang, na vele gevaren
+te hebben doorgestaan, in <i>Friesland</i> terugkwamen,
+waar zij met blijdschap in plegtigen optogt werden ontvangen
+(1106).</p>
+
+<hr class="c05" />
+
+<p><span class='pagenum'><a name="Page_67" id="Page_67">[67]</a></span>Aan bijna al de verdere kruistogten, vooral aan die
+van de jaren 1119, 1147 en 1189, namen vervolgens
+vele Friezen deel, en hielden zij den eens verworven
+roem van beleid en dapperheid staande. Doch op geenen
+togt behaalden zij grooter lof en eer, dan op een der
+laatste, in 1217 ondernomen. De Priester <span class="smcap">olivier</span> van
+<i>Keulen</i> was naar <i>Friesland</i> gezonden, om daar het kruis
+te prediken. Het gelukte hem, de menigte met zulk
+eene geestdrift voor dezen togt te bezielen, dat, volgens
+zijn eigen berigt, 50,000 Friezen de wapenen opnamen
+en zich te <i>Dokkum</i> en elders op meer dan 80 schepen
+ter zee begaven. Onderweg vereenigde deze vloot zich
+met die van Graaf <span class="smcap">willem</span> I van <i>Holland</i>. Na zich lang
+in <i>Portugal</i> te hebben opgehouden, overwinterden zij
+in de haven der Italiaansche stad <i>Corneto</i>, waar zij van
+Paus <span class="smcap">honorius</span> III vele gunstbewijzen ontvingen.</p>
+
+<p>In het volgende voorjaar zetten zij de reis voort naar
+de sterke Egyptische stad <i>Damiate</i>, aan een der monden
+van den Nijl en de Middellandsche zee gelegen. Reeds
+dadelijk bij de landing bewonderde het leger den moed
+van een Friesch boogschutter. Toen de Saracenen zich
+naar het strand begaven, om de landing te beletten,
+schoot deze onversaagde krijgsman de eene pijl na de
+andere op hen af, zoodat velen getroffen ter aarde zonken.
+Vlugtende ontwijken nu de anderen den vijand,
+en het was door deze koenheid, dat de Christenen hunne
+legerplaatsen ongehinderd konden opslaan.</p>
+
+<p>V&oacute;&oacute;r dat men de rivier kon opzeilen, om bij <i>Damiate</i>
+te komen, moest er een sterke toren, op een eiland,
+veroverd worden, terwijl er eene ketting over de rivier
+was gespannen. De ongeduldige Friezen zwommen echter
+den Nijl over, en raakten slaags met de Saracenen. Men
+riep hen van daar terug, en nu hielpen zij met mannenmoed
+den sterken toren belegeren. Dappere tegenweer<span class='pagenum'><a name="Page_68" id="Page_68">[68]</a></span>
+deed herhaalde aanvallen mislukken. Daarom bouwden
+de Friezen en Duitschers een vreemd krijgswerktuig, om
+hiermede den toren te bestormen. Op twee hunner
+schepen, koggen genaamd, legden zij zware balken,
+zetten vier masten daarop, en bouwden daar boven een
+toren, van planken en vlechtwerk, met huiden gedekt,
+om tegen de pijlen en het grieksch vuur der belegerden
+beschut te zijn. Een lange ladder en valbrug waren er
+aan verbonden, om den toren te kunnen beklimmen.
+Onder de gebeden der Christenen en den hevigsten tegenstand
+der Turken, werd met dit gevaarte de sterkte
+aangevallen. Van weerszijden werd woedend gestreden.
+Een jong ridder uit <i>Luik</i> beklom het eerst den toren.
+Hem volgde een zeer jonge Fries, <span class="smcap">haijo</span>, van <i>Wolvega</i>,
+die, met een dorschvlegel gewapend, allen versloeg, die
+hem tegenstonden, en ook het vaandel van den Sultan
+veroverde. Weldra werd nu, als blijk van de overwinning,
+onder het gejuich der Christenen, den standaard
+des kruises op den toren geplant. Later gelukte het
+de Friezen en Duitschers met bewonderenswaardige dapperheid
+de schipbrug over den Nijl te vernielen en de
+vrije vaart op deze rivier te openen. Geene mindere hulp
+boden zij bij de belegering van <i>Damiate</i>, dat in het
+laatst van 1219 overging. De Patriarch van <i>Jeruzalem</i>
+en <span class="smcap">olivier</span> gaven de Friezen bij hunnen aftogt loffelijke
+getuigschriften mede van hunne betoonde stoutmoedigheid
+en braaf gedrag. Men wil, dat de inwoners van <i>Dokkum</i>,
+in welke zeeplaats vele schepen werden uitgerust, groot
+aandeel hadden aan dezen togt, en dat het koggeschip,
+dat lang tot windwijzer van hun toren diende, alsmede
+de drie sterren en eene kwartier maan, welke zij later
+in het stadswapen voerden, afkomstig zijn &raquo;ter gedachtenisse
+van de overwinningen, in de heilige oorlogen op
+de Saracenen behaald.&#8221;</p>
+
+<p><span class='pagenum'><a name="Page_69" id="Page_69">[69]</a></span>De diensten door de Friezen op dien kruistogt bewezen,
+werden zelfs door het opperhoofd der kerk, Paus
+<span class="smcap">honorius</span> III, dankbaar erkend, bij gelegenheid dat hij
+in 1226 op nieuw hunne hulp inriep bij eenen afzonderlijken
+brief, waarin hij zich in dezer voege uitlaat:
+&raquo;Voorwaer, also ghy Vriesen voormaels met den Cruyce
+geteyckent, ons te scheepe in den Over-lande getrouwelyck
+gedient hebt, in alsulcker voegen, dat u loff
+ende eere van geslachte tot geslachte sal verbreydet
+worden, hebben wy noodich ende raetsaem gevonden,
+u specialycken, als vermaerde Camp-Vechters Christi,
+tot zynen dienste te roepen ende te verschryven; vast
+vertrouwende, dat terwylen ghy in stoutmoedicheyt ende
+cracht andere natien te boven gaet, dat ghy met manlycke
+couragie &#8217;t Heylige oorloge sult aanveerden, opdat
+wy, strydende voor &#8217;t aertsche Jerusalem, het eeuwige
+sullen bekomen.&#8221;<a name="FNanchor_38" id="FNanchor_38"></a><a href="#Footnote_38" class="fnanchor">[38]</a></p>
+
+<hr class="c05" />
+
+<p>Uit dezen zelfden kruistogt is het verhaal van een
+kloekmoedig bedrijf bewaard. Het gebeurde eens, dat
+de beide legers der Christenen en Saracenen tegenover
+elkander lagen, en zich ten strijde toerustten. Daar
+treedt een ongemeen groot Prins der Mooren voor het
+Saraceensche leger uit, en daagt, vol verwaanden trots,
+een der dapperste ridders der Christenen uit, om met hem
+een kampstrijd te wagen. Een moedig Friesch edelman
+uit het geslacht van <span class="smcap">roorda</span>, van <i>Genum</i>, kon niet
+dulden, dat zulk eene uitdaging onbeantwoord bleef. Met
+verlof van zijn hoofdman en in vertrouwen op de hulp
+van den God der Christenen, treedt hij den gespierden
+moor, in het aanzien van beide legers, onversaagd tegen.<span class='pagenum'><a name="Page_70" id="Page_70">[70]</a></span>
+Deze ziet met overmoed en verachting op hem neder, en
+denkt met &eacute;&eacute;nen slag hem den schedel te klooven. Doch
+hij bedriegt zich. Ridderlijk valt <span class="smcap">roorda</span> hem aan, en, al
+zijne krachten inspannende, brengt hij, dapperlijk vechtende,
+zijnen vijand verscheidene wonden toe, ja overweldigt,
+hem ten laatste zoo volkomen, dat de van spijt
+en woede brullende uitdager, doodelijk getroffen ter aarde
+valt. Gejuich vervult het leger der Christenen. Des
+Prinsen afgehouwen hoofd brengt hij als prijs der overwinning
+op de punt van zijn zwaard in het leger der
+kruisvaarders, waarin hij met uitbundigen lof en eere
+wordt ontvangen. Om deze kloeke daad werd hij tot
+Ridder geslagen, en hem toegestaan, een moriaanshoofd
+in zijn wapen te voeren, gelijk zijne nakomelingen nog
+eeuwen lang na hem hebben gedaan.</p>
+
+<hr class="c05" />
+
+<p>Terwijl dit alles in het oosten voorviel, mogten ook
+verscheidene oorden van <i>Europa</i> van der Friezen krijgsroem
+gewagen. Bij den grooten kruistogt van 1147 in
+<i>Portugal</i> geland, was het mede door hunne hulp, dat
+de magtige stad <i>Lissabon</i>, na een lang en hevig beleg,
+aan de magt der Saracenen ontrukt werd. Zelfs vindt
+men gemeld, dat bij die gelegenheid 200 man Friezen,
+onder aanvoering van een vromen held, <span class="smcap">poptatus</span>, 30,000
+Heidenen verslagen hebben, welk getal echter overdreven
+zal zijn<a name="FNanchor_39" id="FNanchor_39"></a><a href="#Footnote_39"
+class="fnanchor">[39]</a>. Bij een lateren togt (van 1217) hielpen zij,
+met 25 schepen, de Portugesche stad <i>Santa Maria</i> op
+de Saracenen veroveren. In 1147 deelden zij, met de
+Westfalingers en Saksers verbonden, in een togt tegen
+de Wenden, of de Heidensche Slavoni&euml;rs aan de Oostzee.
+Ook daar gedroegen zij zich zoo dapper, dat als een<span class='pagenum'><a name="Page_71" id="Page_71">[71]</a></span>
+(bijna ongeloofelijk) bewijs daarvan vermeld wordt, dat
+100 Friezen, die zich te <i>Suse</i> gevestigd hadden, aangemoedigd
+en voorgegaan door een edelen en onverschrokken
+priester, <span class="smcap">gerlacus</span>, zich tegen een heir van 3,000 Wenden
+verzetten en dit na een langdurig en hevig gevecht op
+de vlugt sloegen<a name="FNanchor_40" id="FNanchor_40"></a><a href="#Footnote_40" class="fnanchor">[40]</a>.</p>
+
+<p>Gelijktijdig dienden er onderscheidene Friesche edelen
+in de legers der voornaamste vorsten van <i>Europa</i>. Twee
+<span class="smcap">martena&#8217;s</span> stonden bij Keizer <span class="smcap">frederik barbarossa</span> (<i>Roodbaard</i>)
+om hunne kloekmoedigheid in hooge gunst.
+De een sneuvelde in <i>Itali&euml;</i>; de andere was &#8217;s Keizers
+lotgenoot in den dood op zijnen togt naar <i>Palestina</i>
+(1199). In den noodlottigen kruistogt van <span class="smcap">lodewijk</span> IX,
+tegen <i>Tunis</i>, waren het de Friezen, die althans nog
+eenig voordeel behaalden. Keizer <span class="smcap">rudolf</span> bewees de
+Friesche edelen bijzondere achting; vooral onderscheidde
+zich <span class="smcap">watse joulsma</span> als een manhaftig krijgsman. Een
+andere Fries, die door zijne krijgsbedrijven zich buitenlands
+beroemd heeft gemaakt, was <span class="smcap">juw dekama</span>, die
+Koning <span class="smcap">eduard</span> I, bij de verovering van <i>Schotland</i> belangrijke
+diensten bewees (1298). Een afstammeling van
+het zelfde geslacht vond, met een der <span class="smcap">beyma&#8217;s</span>, den dood
+in <i>Itali&euml;</i>, waar zij te <i>Pisa</i> begraven werden op last van
+Keizer <span class="smcap">hendrik</span> VII, wien zij met hunne landgenooten
+<span class="smcap">aylva</span>, <span class="smcap">hettinga</span> en anderen hunnen dapperen arm geleend
+hadden (1312). Meerdere voorbeelden van Friesche
+krijgshelden uit dat tijdvak zouden wij kunnen opnoemen;
+doch genoeg om den heldenaard der Friezen regt te doen
+wedervaren<a name="FNanchor_41" id="FNanchor_41"></a><a href="#Footnote_41" class="fnanchor">[41]</a>.</p>
+
+<hr class="c05" />
+
+<p><span class='pagenum'><a name="Page_72" id="Page_72">[72]</a></span>Maar vooral behaalden de Friezen grooten roem wegens
+hun <span class="gesp">beleid</span>, bij de belegering van de stad <i>Aken</i>,
+in 1248. De Hollandsche Graaf <span class="smcap">willem</span> II, door den
+invloed van den Paus tot Keizer van <i>Duitschland</i> verkozen,
+moest d&aacute;&aacute;r tot Roomsch-Koning gekroond worden;
+doch de vroeger verkoren Koning <span class="smcap">koenraad</span> hield
+de stad bezet voor zijnen vader, den in den ban gedanen
+Keizer <span class="smcap">frederik</span> II, en weigerde haar over te geven.
+Juist hadden verscheidene volken zich reisvaardig gemaakt,
+om een nieuwen kruistogt naar <i>Palestina</i> te doen. De
+Paus ontsloeg hen echter van deze gelofte, indien zij
+zich naar <i>Aken</i> wilden begeven, om deze stad voor
+Koning <span class="smcap">willem</span> in te nemen. Niet minder dan 200,000(?)
+krijgers trokken nu derwaarts. Te vergeefs benaauwden
+deze, bijna een halfjaar lang, de kloek verdedigde stad,
+die nog altijd langs eene vlakte aan de noordzijde gelegenheid
+had, nieuwen toevoer te bekomen.</p>
+
+<p>Tegen den herfst kwam echter, op verzoek des Konings,
+eene nieuwe bende Friezen, aangevoerd door een moedig
+edelman, <span class="smcap">tjaard dotinga</span>, in het leger aan. Deze begonnen
+met het bezetten van de vlakte benoorden de
+stad. Drie malen trachtten de nu geheel ingeslotene
+stedelingen hen van daar te verdrijven; doch de onverzettelijke
+Friezen weken geen voetbreed terug, maar
+verschansten zich op het veld, en namen ook eene andere
+sterkte in, die niemand te voren had durven aantasten.
+Doch dit was niet genoeg: want hoe fel de honger en
+ellende in de stad ook drongen, zij was tot geene overgave
+te bewegen. Daarom namen de Friezen list te baat,
+door de stad te bestoken met het zelfde element, waartegen
+zij in hun land met dijken en dammen hadden te
+strijden. Zij legden namelijk ten oosten der stad een
+zwaren en hoogen dijk over het lage land en d&oacute;&oacute;r de
+beek, die het water afvoerde, hetwelk uit de talrijke<span class='pagenum'><a name="Page_73" id="Page_73">[73]</a></span>
+bronnen der omgelegene bergen ontsprong. De door de
+herfstregens opgezwollen beken konden zich nu niet ontlasten,
+en zetten een groot deel der in een dal gelegene stad
+onder water. Nu klom de nood z&oacute;&oacute; hoog, dat de stad
+zich eindelijk overgaf, en Koning <span class="smcap">willem</span> zijne luisterrijke
+intrede in <i>Aken</i> deed, waar hij 1 Nov. 1248 werd gekroond.</p>
+
+<p>Gaarne had hij hun heldenarm zich verder ten nutte
+gemaakt, maar onverzettelijk verklaarden zij de opgenomene
+taak voor afgedaan. Zij keerden echter niet
+huiswaarts, dan na het ontvangen van vele betuigingen
+van dankbaarheid voor die hulp, en van een duurzaam
+getuigenis hunner betoonde dapperheid en bewezene
+diensten. Want de eerste verordening, welke Koning
+<span class="smcap">willem</span>, na zijne krooning, als aanstaand opperhoofd van
+het Duitsche rijk uitvaardigde, bestond in een Giftbrief,
+waarbij hij al de regten, vrijheden en privilegi&euml;n, welke
+de Friezen bezaten, als door Keizer <span class="smcap">karel</span> <i>den groote</i>
+hun gegund, bevestigde, goedkeurde en vernieuwde, &raquo;om
+te strekken tot een eeuwig monument, opdat de geheele
+natie der Friezen en hare nakomelingen mogten weten,
+in wat voege hare voorvaderen de Roomsche kerk en
+het keizerrijk geholpen en hunne sterkte en deugden
+getoond hadden in de belegering van <i>Aken</i>&#8221;<a name="FNanchor_42"
+id="FNanchor_42"></a><a href="#Footnote_42" class="fnanchor">[42]</a>. Dit
+gunstbewijs werd door de vrijheidminnende Friezen steeds
+op hoogen prijs geschat, als een adelbrief voor het gansche
+volk en de grootste weldaad, waarmede de Koning hun
+ijver kon vergelden. Grooten roem verwierf hun gedrag
+bovendien bij naburige volken, in een ridderlijken tijd,
+toen moed, beleid en stoutmoedigheid in den strijd inzonderheid
+als hoofddeugden werden vereerd.</p>
+
+<p><span class='pagenum'><a name="Page_74" id="Page_74">[74]</a></span>Twintig jaren later gaven de Friezen nogmaals gehoor
+aan de laatste oproeping tot een kruistogt naar het Heilige
+land. Dit toch was toen op nieuw door de Saracenen
+ingenomen, en de hoog gestegen nood der Christenen
+aldaar bewoog den Franschen Koning <span class="smcap">lodewijk</span> IX en den
+Engelschen Prins <span class="smcap">eduard</span>, nog eene poging te doen om
+het te herwinnen, waartoe ook de Paus in de <i>Nederlanden</i>
+het kruis deed prediken. In alle deelen van <i>Friesland</i>
+betoonden vele personen zich tot hulp bereid, en weldra
+had men vijftig kogschepen bijeengebragt, waarop zij zich
+in 1269 inscheepten. Na eenigen tijd in <i>Vlaanderen</i>
+vertoefd te hebben, vertrokken zij naar <i>Marseille</i>, waar
+het kruisleger zich zou verzamelen. De Koning was
+echter reeds vertrokken naar de Afrikaansche kust,
+om <i>Tunis</i> te belegeren; zij volgden hem derwaarts en
+hielpen met veel onverschrokkenheid den Graaf van
+<i>Vlaanderen</i> eene overwinning op de Saracenen behalen.
+Vervolgens stevenden zij wel naar <i>Ptolema&iuml;s</i> en <i>Tyrus</i>,
+doch vonden geene gelegenheid tot den strijd. Integendeel,
+zij vonden het Christen-leger verdeeld; stormen
+hadden hunne schepen ontredderd; ziekten dunden hunne
+rijen; zoodat zij in 1270, in veel verminderd getal, den
+terugtogt naar het vaderland aannamen, en, na zoo
+vele vergeefsche pogingen gedaan te hebben, het Heilige
+land in het bezit der Saracenen moesten laten. (Zie
+<i><a href="#Aant11">Aanteekening 11</a></i>.)</p>
+
+<p>Die herhaalde togten en verbazende opofferingen hadden
+gewis een gunstiger uitslag verdiend. Doch in belangrijke
+zaken is ook het willen grootsch, het streven
+edel, en het bezwijken geene schande.</p>
+
+<hr class="footn" />
+
+<div class="footnote">
+
+<p><a name="Footnote_37" id="Footnote_37"></a><a href="#FNanchor_37"><span
+class="label">[37]</span></a> Dit vermeldt <span class="smcap">bosscha</span>, <i>Ne&ecirc;rlands Heldendaden</i>, I 34.</p>
+
+<p><a name="Footnote_38" id="Footnote_38"></a><a href="#FNanchor_38"><span
+class="label">[38]</span></a> Zie <i>Vriesch Charterboek</i>, I 93; <span class="smcap">van mieris</span>, <i>Charterb.</i> 1 200;
+<span class="smcap">winsemius</span>, 161.</p>
+
+<p><a name="Footnote_39" id="Footnote_39"></a><a href="#FNanchor_39"><span
+class="label">[39]</span></a> Mr. <span class="smcap">simon van der aa</span> heeft dezen togt naar <i>Lissabon</i> in
+dichtmaat voorgesteld in den <i>Friesche Volks-Almanak</i> voor 1845, 140.</p>
+
+<p><a name="Footnote_40" id="Footnote_40"></a><a href="#FNanchor_40"><span
+class="label">[40]</span></a> Zie bij <span class="smcap">schotanus</span>, <i>Kronyk</i>, 92, het uitvoerig verhaal daarvan.</p>
+
+<p><a name="Footnote_41" id="Footnote_41"></a><a href="#FNanchor_41"><span
+class="label">[41]</span></a> Dus spreekt de Hoogleeraar <span class="smcap">bosscha</span>, <i>Heldendaden</i>, I 34,
+35, die deze en andere krijgsbedrijven der Friezen met hoogen
+lof vermeldt.</p>
+
+<p><a name="Footnote_42" id="Footnote_42"></a><a href="#FNanchor_42"><span
+class="label">[42]</span></a> Zie dezen Giftbrief in het <i>Charterboek</i>, I 94; <span class="smcap">winsemius</span>,
+168; <span class="smcap">schotanus</span>, <i>Kronyk</i>, 130, <i>tabl.</i> 10;
+<span class="smcap">foeke sjoerds</span>, <i>Jaarboeken</i>,
+III 27; <span class="smcap">dirks</span>, <i>de Friezen voor Aken</i>, in <i>de Vrije Fries</i>, V 53.</p>
+
+</div>
+
+<hr class="footn" />
+
+<p class='pagenum'><a name="Page_75" id="Page_75">[75]</a></p>
+
+<h3>17. <i>Veranderingen in den toestand des volks
+en de vestiging van Gemeenten en Steden,
+gedurende en na de Kruistogten.</i></h3>
+
+<p>De Kruistogten naar <i>Palestina</i> zijn op zich zelve een
+merkwaardig verschijnsel in de geschiedenis. Maar hoogst
+belangrijk werden zij door hunne <span class="gesp">gevolgen</span>, dewijl
+deze geweldige beroering eene omkeering in den toestand
+der meeste staten van dit werelddeel te weeg bragt.
+Ook op den toestand der Friezen oefenden zij in verschillende
+betrekkingen en in verband met gelijktijdige
+gebeurtenissen een invloed uit, welken wij in eenige
+hoofdtrekken willen schetsen.</p>
+
+<p>Bij den immer voortdurenden krijg tegen de Noormannen
+waren, in de drie eerste eeuwen na de invoering
+van het Christendom, de omstandigheden niet zeer gunstig
+geweest, om den toestand des volks z&oacute;&oacute;danig te
+verbeteren en om dien vooruitgang te bevorderen, welken
+men van zoo heilrijk eene gebeurtenis had mogen verwachten.
+De geest van <span class="smcap">karel</span> <i>den groote</i>, die zoo vaderlijk
+voor zijne landzaten had gezorgd, was uit het
+staatsbestuur geweken, en zijne laffe opvolgers waren
+geenszins gezind, als hij, om pogingen aan te wenden tot
+verbetering van de maatschappelijke betrekkingen des
+volks. Veeleer werd dit onderdrukt en der ellende prijs
+gegeven door magtige grooten, die veelal de Keizers
+de wet stelden en allerlei gunsten van hen konden bekomen.
+Der geestelijkheid scheen het genoeg te zijn,
+dat de volken Christenen waren geworden in naam en
+de eeredienst en plegtigheden der kerk bijwoonden, doch
+zij deden geene of geringe pogingen, om door onderwijs
+en leer het verstand te verlichten en de ruwheid van
+zeden te verzachten. Onkunde en bijgeloof heerschten
+alom en hielden de meeste volken in een staat van<span class='pagenum'><a name="Page_76" id="Page_76">[76]</a></span>
+bekrompenheid en domheid, welke de hoofden der kerk
+hadden moeten verdrijven, zoo zij hunne Christelijke
+roeping eenigzins hadden begrepen. Doch zucht naar
+geld en gezag beheerschte toen vooral zoowel de geestelijkheid
+als den opkomenden adelstand, en het scheen
+alsof men de lagere standen met opzet in vernedering
+hield; terwijl het deze aan vermogen en gelegenheid ontbrak,
+om zich van die banden te ontslaan, en de steun
+te worden van den staat.</p>
+
+<p>De kruistogten gaven echter een schok, welke tot alle
+standen en betrekkingen doordrong, waardoor ze, in het
+bijzonder voor ons vaderland, van onberekenbare gevolgen
+zijn geweest. Even als van elke groote gebeurtenis,
+waren die gevolgen zoowel na- als voordeelig. Doch de
+nadeelen waren tijdelijk, golden meest bijzondere belangen
+en zijn alzoo geleden en vergeten. Maar de voordeelen,
+voor zooverre ze de algemeene belangen betroffen,
+zijn gebleven, en hebben hun invloed ook tot volgende
+geslachten uitgestrekt.</p>
+
+<p>Immers, die togten naar zoovele vreemde landen, en
+dat verkeer met allerlei volken waren voor velen onzer
+landgenooten eene leerschool, welke den kring der denkbeelden
+en behoeften uitbreidde. Het bezoeken van groote
+steden, het zien van schoone gebouwen en kunstwerken,
+en de kennis van zeevaart, wapenhandel, levenswijze,
+handwerken en gereedschappen van andere volken,&mdash;dit
+alles schonk aan de terugkeerende kruisvaarders bekwaamheden
+en hulpmiddelen tot vooruitgang, wier goede
+aanwending weldra allerwege welvaart verspreidde. De
+havens werden vervuld met schepen, die na volbragten
+kruistogt naar <i>Engeland</i>, de Oostzee en elders werden
+gerigt. Vele voortbrengselen van het Oosten werden naar
+deze Westersche streken overgebragt en door den handel
+allerwege verspreid. Slaven, die deelnamen aan deze<span class='pagenum'><a name="Page_77" id="Page_77">[77]</a></span>
+togten, bekwamen daardoor hunne vrijheid. Vele vrije
+lieden werden nu gebezigd tot het verrigten van diensten,
+welke voormaals tot den allerlaagsten staat behoord
+hadden. Deze diensten vereischten nu een billijk loon,
+en, in geval van verschil, uitspraak van goede wetten.
+Dus kreeg het werkzaamste deel des volks schooner kans,
+om zich te beveiligen tegen de armoede, en om door
+handel en landbouw of oefening van bedrijven en kunsten
+tot het bezit van vaste goederen en welvaart te geraken.
+Heeft dit alles niet veel uitgewerkt, om de burgerlijke
+vrijheid in ons land te bevorderen?<a name="FNanchor_43"
+id="FNanchor_43"></a><a href="#Footnote_43" class="fnanchor">[43]</a> Voorzeker, want
+algemeen waren de behoeften des volks vermeerderd,
+doch te gelijk had het ook krachten en gelegenheden
+bekomen, om daarin te voorzien. Zoo vele nieuwe kundigheden
+openden nieuwe uitzigten en ondernemingen.
+Leven en werkzaamheid baarden voorspoed, en vandaar,
+dat, naar aanleiding van dit alles, de middelstand in vermogen
+en geestkracht dermate toenam, dat hierdoor de
+stand der <span class="gesp">Burgers</span> ontstond, en dat de door hen bewoonde
+dorpen tot <span class="gesp">Steden</span> werden verheven.</p>
+
+<hr class="c05" />
+
+<p>In <i>Friesland</i> was die overgang echter niet zoo groot
+als in andere landstreken: want nevens de geestelijkheid
+en den in aanzien stijgenden Adel, of de groote grondbezitters,
+had de algemeene volksvrijheid hier een stand
+van vrije mannen gevestigd, die als huurders het land
+bebouwden of handel dreven en handwerken uitoefenden,
+en wier dienstbaren zelfs geene slaven of lijfeigenen
+waren, zoo als elders<a name="FNanchor_44" id="FNanchor_44"></a><a
+href="#Footnote_44" class="fnanchor">[44]</a>. Hier kende men geen
+Leenstelsel<span class='pagenum'><a name="Page_78" id="Page_78">[78]</a></span>
+en ook geene Graven of Heeren, die elders, door
+het schenken van vrijheden en voorregten of privilegi&euml;n,
+de aan hen onderworpene of lijfeigene ingezetenen vrij verklaarden
+en daardoor de verheffing van de Steden bevorderden.
+De voordeelen van deze verheffing en de
+zucht naar onafhankelijkheid wekten bij de Friezen den
+geest van navolging op. Hier schijnen de bewoners van
+de aanzienlijkste dorpen of handelplaatsen, waarin de
+koop- en handwerkslieden zich al vroeg tot Gilden verbonden,
+zich onderling vereenigd te hebben ter bekoming
+van het regt, om zich zelve, door een eigen Bestuur,
+te doen regeren. Zij matigden zich het regt aan, om,
+met uitsluiting van de overige omliggende dorpen, handel
+te drijven, markten te houden, maten en gewigten
+vast te stellen en handwerken en bedrijven uit te oefenen,
+waaraan zij plaatselijke voorregten verbonden. Omstreeks
+het midden der 13<sup>e</sup> eeuw en dus in den zelfden tijd,
+dat <i>Oostergoo</i> en <i>Westergoo</i>, tot dusverre verdeeld in
+landstreken, waarschijnlijk Marken, Ferden en Hemrikken
+geheeten<a name="FNanchor_45" id="FNanchor_45"></a><a href="#Footnote_45"
+class="fnanchor">[45]</a>, eene nieuwe gemeente-regeling en verdeeling
+in Grietenijen bekwam, onttrokken zich alzoo die voornaamste
+handelplaatsen, vooral de hoofddorpen der Hemrikken,
+aan het Bestuur en de Regtsmagt van de Landgemeente
+of der Grietenij, ten einde zich zelve naar eigene,<span class='pagenum'><a name="Page_79" id="Page_79">[79]</a></span>
+en voor hare bijzondere behoeften meer geschikte, wettelijke
+bepalingen te besturen; waarbij ze veelal een
+der vermogendste edelen, die daar stinzen gebouwd
+hadden, ter hunner bescherming aan het hoofd der
+regering stelden<a name="FNanchor_46" id="FNanchor_46"></a><a href="#Footnote_46" class="fnanchor">[46]</a>.</p>
+
+<p>Bij gebrek aan stellige narigten zullen wij ons, uit
+velerlei omstandigheden, zeker met de meeste waarschijnlijkheid
+mogen voorstellen, dat er op zulk eene wijze in
+de 12<sup>e</sup> en 13<sup>e</sup> eeuw in <i>Friesland</i>, tusschen het Flie en
+de Lauwers, <i>elf</i> Steden zijn ontstaan. Reeds vroeger
+(<a href="#Page_63">bl. 63</a>) hebben wij gesproken over de oudste dier steden,
+over <i>Stavoren</i>, en evenzeer gewaagd van hare gunstige
+ligging aan den Fliestroom, waardoor hare scheepvaart
+en handel zich reeds vroeg ontwikkelden, als van de
+oorzaken, waardoor zij in verval is geraakt. <i>Dokkum</i>,
+aan de tegenovergestelde zijde van dit gewest op eene
+zeer hooge terp aan de Ee en de Donger, in de nabijheid
+der Lauwerszee voor scheepvaart en handel niet minder
+voordeelig gelegen en reeds vroeg door den marteldood
+van <span class="smcap">bonifacius</span> algemeen bekend, wordt naar den ouderdom
+voor de tweede in rang dezer steden gehouden.
+Aan de westzijde der Ee, waar zij met andere stroomen
+in de Middelzee viel, was <i>Leeuwarden</i> aan een landhoek
+op twee breede terpen of werden ontstaan; eene ligging,
+aan dien breeden zeeboezem, welke visscherij, scheepvaart
+en handels-verkeer zeer begunstigde, en de spoedige
+uitbreiding dezer zeeplaats bevorderde. Zoolang zij
+een dorp was, droeg ze den naam van <i>Nijehove</i>, in<span class='pagenum'><a name="Page_80" id="Page_80">[80]</a></span>
+tegenstelling van het daarbij gelegene en om zijne leerschool
+beroemde dorp <i>Oldehove</i>, waarmede zij aan de
+westzijde, gelijk met het dorp <i>Hoek</i> aan de oostzijde in
+1435 tot &eacute;&eacute;ne grootere stad verbonden en uitgebreid
+werd, nadat zij, door het opslijken of verlanden van de
+Middelzee van eene Zee- in eene Landstad was herschapen.
+Dit zelfde was het geval met <i>Bolsward</i>, <i>Sneek</i> en <i>Ylst</i>,
+oorspronkelijk aan de zuidzijde van dien zeeboezem gelegen,
+doch wier zeehandel en scheepvaart zich nu, na
+het gelijktijdig ontstaan van de Zuiderzee, verplaatsten
+naar <i>Harlingen</i>, <i>Workum</i> en <i>Hindeloopen</i>, die zich
+eerlang uitbreidden en in bloei toenamen, ook ten gevolge
+van het verval van <i>Stavoren</i>. De opkomst en uitbreiding
+van <i>Franeker</i>, waar reeds vroeg de Grafelijke regtstoel
+en der Vijf deelen regtspleging werd gehouden, werd
+vooral bevorderd, doordien een aantal vermogende edelen
+van <i>Westergoo</i> zich daar vestigde, en te midden
+der woningen van de nijvere burgers sterke huizen liet
+bouwen. Gelijktijdig vervielen de zeeplaatsen <i>Ezonstad</i>
+aan de Lauwerszee, <i>Uitgong</i> aan den mond der Middelzee,
+waaruit het latere aanzienlijke dorp <i>Berlikum</i>
+ontsproot, en <i>Grind</i>, thans eene zandplaat N. W. van
+<i>Harlingen</i>. Het is echter zeer twijfelachtig of deze plaatsen,
+gelijk ook het, in eene lage veenachtige streek,
+afgelegene <i>Wartena</i>, eertijds stedelijke regten hebben
+bezeten: want dat wallen en poorten toen nog geene
+kenmerken waren van eene stad, hebben al de elf Friesche
+steden bewezen, dewijl de meeste daarvan eerst in de
+14<sup>e</sup> en 15<sup>e</sup> eeuw, bij het toenemen van de binnenlandsche
+oorlogen, zijn versterkt geworden; terwijl <i>Ylst</i>, <i>Workum</i>
+en <i>Hindeloopen</i> zelfs geene wallen en poorten hebben
+bekomen en onbevestigd zijn gebleven.</p>
+
+<p>In het algemeen beschouwd, is het ontstaan van de
+Steden in ons vaderland een blijk, hoe een wakker gedeelte<span class='pagenum'><a name="Page_81" id="Page_81">[81]</a></span>
+der toenmalige bevolking zich den kinderlijken
+leeftijd ontwassen achtte, en als knaap naar meerdere
+ontwikkeling en zelfstandigheid streefde; ofschoon het
+later mede eene der oorzaken werd van die bloedige
+partijschappen en burgeroorlogen, welke in ons vaderland
+zoo lang vooruitgang en beschaving hebben tegengehouden.</p>
+
+<hr class="c05" />
+
+<p>Groot waren alzoo de veranderingen, welke <i>Friesland</i>,
+vooral gedurende de 13<sup>e</sup> eeuw, onderging, ten gevolge
+van een zamenloop van omstandigheden, die echter niet
+alle regtstreeksche gevolgen waren der kruistogten. De
+toestand des volks was in vele opzigten verbeterd; de
+bronnen van bestaan waren vermeerderd; kennis en
+bekwaamheden werden ontwikkeld, zoodat er voor de
+algemeene beschaving des volks werkelijk eene betere
+toekomst scheen aan te breken. Naar wijze wetten en
+verordeningen, welke nog voorhanden zijn<a name="FNanchor_47"
+id="FNanchor_47"></a><a href="#Footnote_47" class="fnanchor">[47]</a>, werden,
+bij jaarlijksche beurtwisseling, de Steden bestuurd door
+een Olderman, Burgemeesters en Schepenen, gelijk de
+Grietenijen door een Grietman en zijne Bijzitters of
+Regters. Aan allen was mede de uitoefening van het
+regt, zoowel in burgerlijke als in strafzaken, opgedragen,
+welke vroeger door den Graaf, den Schout of Schelte,
+den Asega of Aesga en den Frana met de door het volk
+verkozene regters geschiedde<a name="FNanchor_48" id="FNanchor_48"></a><a
+href="#Footnote_48" class="fnanchor">[48]</a>. Toen werden de regtdagen
+of weerstallen en warven onder den open hemel,<span class='pagenum'><a name="Page_82" id="Page_82">[82]</a></span>
+veelal op kerkhoven, later in of aan de kerken, gehouden,
+waarvan de <i>Wonser-</i>, <i>Midlumer-</i> en <i>Donia-weerstallen</i>
+of regtplaatsen nog bij name bekend zijn, even
+als de <i>Warkeamers</i> nog aan sommige kerken worden
+gevonden<a name="FNanchor_49" id="FNanchor_49"></a><a href="#Footnote_49"
+class="fnanchor">[49]</a>. De straffen voor de misdaden bestonden
+destijds in vee of in geld, als boete aan den beleedigde
+en breuk aan den regter en het volk, wegens de overtreding
+van de wet. Ieder Goo had bovendien een Landraad
+en Gooregters, die de algemeene belangen behandelden
+en hoofdmisdaden beregtten. In <i>Oostergoo</i> hielden deze,
+althans in de 15<sup>e</sup> eeuw, de landsdagen op de stins
+<i>Barrahuis</i> onder <i>Wirdum</i>, in <i>Westergoo</i> te <i>Hartwerd</i>
+en later te <i>Franeker</i>, en in de <i>Zevenwouden</i> (eerst in
+het begin der 15<sup>e</sup> eeuw tot een geheel verbonden) te
+Rottum<a name="FNanchor_50" id="FNanchor_50"></a><a href="#Footnote_50" class="fnanchor">[50]</a>.</p>
+
+<p>Later hielden de voornaamste edelen en geestelijken,
+met de hoofden der steden en grietenijen Gaarleggers
+of bijeenkomsten op verschillende plaatsen, om, onafhankelijk
+van den Landraad, de algemeene of bijzondere
+belangen te regelen. Tevens vinden wij in de geschiedenis
+dikwijls Potestaten vermeld, als hoofdbestuurders,
+opperbevelhebbers of aanvoerders, in de plaats van de
+vroegere Hertogen of Goograven. Welligt werden zij enkel
+in tijden van nood of gevaar gekozen en aan het hoofd
+van den Landraad geplaatst, om de hoogste magt voor een
+bepaalden tijd uit te oefenen. Omtrent deze personen
+heerscht er echter veel duisters in onze geschiedenis<a name="FNanchor_51"
+id="FNanchor_51"></a><a href="#Footnote_51" class="fnanchor">[51]</a>.
+Het gansche Staatsbestuur droeg blijken, hoe zeer men de
+aanleiding tot misbruik van magt vreesde, en de regten des
+volks trachtte te bewaren tegen de aanmatigingen zoowel van<span class='pagenum'><a name="Page_83" id="Page_83">[83]</a></span>
+vreemden als van sommige edelen<a name="FNanchor_52" id="FNanchor_52"></a><a
+href="#Footnote_52" class="fnanchor">[52]</a>. &raquo;De Friesche natie
+leverde te dezen aanzien een treffend contrast op, met
+den staat van andere nati&euml;n vergeleken. In alle andere
+landen berustte toen de oppermagt &oacute;f in handen van eenen
+volstrekten Meester, &oacute;f zij was tusschen den Vorst en
+een klein getal wreede en hoogmoedige Edellieden verdeeld.
+Deze laatsten, welverre van de vrijheid der volken
+te beschermen, waren als zoo vele dwingelanden, die
+haar uitdelgden. De inwoners van <i>Friesland</i>, niet tevreden
+dat zij door eene afhankelijkheid, welke inderdaad
+slechts in naam bestond, aan het Duitsche rijk verbonden
+waren, en &oacute;f door zich zelven &oacute;f door hunne vertegenwoordigers
+invloed op de volksvergaderingen hadden,
+namen dikwijls het bestier der zaken op zich, en stelden
+zich staatsligchaamswijze aan het hoofd der openbare
+verrigtingen. Schoon de algemeene landsdag-vergaderingen
+voornamelijk uit de afgezondenen der onderscheidene
+regtsgebieden en plaatsen waren zamengesteld, hadden
+echter alle inwoners het regt haar bij te wonen. Ook
+ziet men, tot in de 16<sup>e</sup> eeuw toe, openbare acten uitgegeven
+in den naam niet alleen van de Overheden, maar ook
+van de Gemeente en het gansche ligchaam des Volks&#8221;<a name="FNanchor_53"
+id="FNanchor_53"></a><a href="#Footnote_53" class="fnanchor">[53]</a>.</p>
+
+<p>Gelijktijdig was er nog eene andere magt in den Staat
+en eene niet minder gevreesde regtbank, die der <i>Geestelijkheid</i>,
+wier invloed destijds van veel belang was,
+als naauw met het wereldlijk gezag verbonden. Wij
+achten het nuttig, ook daarvan een algemeen overzigt
+te geven.</p>
+
+<hr class="footn" />
+
+<div class="footnote">
+
+<p><a name="Footnote_43" id="Footnote_43"></a><a href="#FNanchor_43"><span class="label">[43]</span></a>
+<span class="smcap">Stijl</span>, <i>Opkomst en bloei der Nederlanden</i>, 1778, 28.</p>
+
+<p><a name="Footnote_44" id="Footnote_44"></a><a href="#FNanchor_44"><span class="label">[44]</span></a> Dat er ook slaven en lijfeigenen in <i>Friesland</i> zouden geweest
+zijn, wordt op grond van enkele plaatsen der oude Friesche wetten
+door sommigen beweerd, doch door anderen tegengesproken, op grond der algemeene volksvrijheid en gelijkheid van alle ingezetenen
+voor de wet; alsmede, omdat de slavernij haren grond had in het
+regt van verovering. Aangezien nu de Friezen, althans na <span class="smcap">karel</span>
+<i>den groote</i>, van het zwerven en veroveren hadden afgezien, en
+zich door eene bijzondere gehechtheid aan hun land kenmerkten,
+is hier kwalijk aan slavernij te denken, ten zij gevangen genomen
+Noormannen daarin vielen. Zoo denkt ook <span class="smcap">halbertsma</span> in zijne
+<i>Letterkundige Naoogst</i>, 1840, I 135, 138.</p>
+
+<p><a name="Footnote_45" id="Footnote_45"></a><a href="#FNanchor_45"><span class="label">[45]</span></a>
+Zie <i>Oude Friesche Wetten</i> en de Aantt. van <span class="smcap">p. wierdsma</span>,
+bl. 23, 42, 70, 294, 304.</p>
+
+<p><a name="Footnote_46" id="Footnote_46"></a><a href="#FNanchor_46"><span class="label">[46]</span></a>
+Ten aanzien van dit, altijd zeer twijfelachtig, onderwerp,
+en aangaande den aard en oorsprong van het Stederegt, neem ik
+de vrijheid te verwijzen naar de uitvoerige berigten, medegedeeld
+in mijne <i>Geschiedkundige Beschrijving van Leeuwarden</i>, I 8, 33,
+274, 298 enz. en de daarbij aangehaalde schrijvers.</p>
+
+<p><a name="Footnote_47" id="Footnote_47"></a><a href="#FNanchor_47"><span class="label">[47]</span></a>
+<i>Oude Friesche Wetten</i>, afgedrukt in <span class="smcap">schotanus</span>, <i>Beschrijvinge
+van Frieslandt</i>, 1664, 23, en later verbeterd, vertaald en met belangrijke
+aanteekeningen uitgegeven door <span class="smcap">p. wierdsma</span>, Kampen en
+Leeuwarden, 1782; <span class="smcap">richthofen</span>, <i>Friesische Rechtsquellen</i>, enz.</p>
+
+<p><a name="Footnote_48" id="Footnote_48"></a><a href="#FNanchor_48"><span class="label">[48]</span></a>
+Zie over die wijze van regtspleging, behalve de <i>O. F. W.</i>,
+ook het voortreffelijke werk van <span class="smcap">halsema</span>, bl. 56, 76, 91 en vervolgens,
+in <i><a href="#Aant9">Aanteekening 9</a></i> breeder vermeld.</p>
+
+<p><a name="Footnote_49" id="Footnote_49"></a><a href="#FNanchor_49"><span class="label">[49]</span></a>
+Aanteekeningen op de <i>Oude Friesche Wetten</i>, 40, 106, 179, 197.</p>
+
+<p><a name="Footnote_50" id="Footnote_50"></a><a href="#FNanchor_50"><span class="label">[50]</span></a>
+Zie <span class="smcap">worp van thabor</span>, <i>Kronyk</i>, IV 2.</p>
+
+<p><a name="Footnote_51" id="Footnote_51"></a><a href="#FNanchor_51"><span class="label">[51]</span></a>
+Aanteekening op de <i>Oude Friesche Wetten</i>, 118.</p>
+
+<p><a name="Footnote_52" id="Footnote_52"></a><a href="#FNanchor_52"><span class="label">[52]</span></a>
+Zie over het vermelde <span class="smcap">van loon</span>, <i>Aloude Regeringswijs van
+Holland</i>, IV 175; <span class="smcap">foeke sjoerds</span>, <i>Beschrijv.</i> I 423; <i>Tegenw. Staat</i>,
+I 128; <span class="smcap">van halmael</span>, in het <i>Friesch Jierboeckjen foar 1834</i>, VII.</p>
+
+<p><a name="Footnote_53" id="Footnote_53"></a><a href="#FNanchor_53"><span class="label">[53]</span></a>
+<i>Grondwettige Herstelling van Nederlands Staatswezen</i>, Amsterdam
+1784, I 80, met aanhaling van het <i>Charterboek</i>, I 124, 131,
+en <span class="smcap">van idsinga</span>, <i>Staats-recht der Nederlanden</i>, 363.</p>
+
+</div>
+
+<hr class="footn" />
+
+<p class='pagenum'><a name="Page_84" id="Page_84">[84]</a></p>
+
+<h3>18. <i>De Friesche Geestelijkheid, Kerken en
+Kloosters in de middeleeuwen.</i></h3>
+
+<p>In der Friezen aard en karakter is het dikwijls opgemerkt,
+dat zij tegen vreemde personen en nieuwe zaken
+vaak zeer ingenomen zijn, zoolang zij die niet kennen,
+doch dat zij later, als derzelver waarde de proef des
+onderzoeks heeft doorgestaan, daarvan even ijverige voorstanders
+worden, als zij vroeger tegenstanders waren.
+Het gezond verstand en de billijkheid (waardoor de Friezen
+zich steeds hebben onderscheiden) behalen dan de
+overwinning op een aangeboren afkeer van vreemden, op
+de gehechtheid aan het oude en op de vrees voor schade
+bij eene verandering, welke de voorzigtigheid nog niet
+als eene verbetering heeft leeren kennen.</p>
+
+<p>Omtrent geene zaak is dit krachtiger gebleken, dan
+ten aanzien van het Christendom. Eeuwen lang streden
+de Friezen daar tegen, ook om staatkundige redenen,
+en bleven zij afkeerig van de aanneming der Christelijke
+leer, zoolang zij haar niet kenden. Maar toen zij haar
+eenmaal hadden aangenomen en van hare waarde overtuigd
+waren, werden zij daarvan eerlang even groote
+voorstanders als weleer tegenstanders. Spoedig echter
+ging deze overgang niet, en zijn er, om boven vermelde
+redenen (zie <a href="#Page_75">bl. 75</a>), uit de drie eerste eeuwen na de
+aanneming van die leer geringe sporen van dien ijver
+bekend. Maar de geschiedenis getuigt en de blijken zijn
+er nog van over, dat er weinige landen van gelijke uitgestrektheid
+in <i>Europa</i> bestaan, waarin de vrome zin
+der ingezetenen uit eigene middelen zoo vele Kerken en
+Kloosters heeft gesticht en rijkelijk begiftigd, als in deze
+provincie. Ja, het is geene overdrijving als wij zeggen,
+dat er in <i>Friesland</i> nagenoeg zoo vele Steden gesticht
+werden als er maanden-, zoo vele Kloosters als er weken- en<span class='pagenum'><a name="Page_85" id="Page_85">[85]</a></span>
+zoo vele Dorpen als er dagen in het jaar zijn. Indien
+dan vreemdelingen in dit noordelijk geweest te vergeefs
+zoeken naar zulke grootsche en prachtige gewrochten der
+bouwkunst, als in andere landen door vereenigde krachten
+werden tot stand gebragt, dan kan nog het <i>aanzienlijk
+getal</i> torenspitsen onzer steden en dorpen getuigen, dat
+de vroomheid der vaderen hier zeer vele bewijzen heeft
+achtergelaten van hunnen ijver voor Christendom en Kerk.</p>
+
+<p>Vermits <span class="smcap">karel</span> <i>de groote</i> bepaald had, dat de ingezetenen
+van ieder kerspel voor eene kerk en woning van
+den Pastoor moesten zorgen, zoo werden er in dit gedeelte
+van <i>Friesland</i> bij de invoering van de Christelijke
+leer hier en daar reeds kerken gesticht. Het waren toen
+echter nog slechts van hout opgetrokkene bedehuizen met
+riet gedekt. Doch in de 11<sup>e</sup>, 12<sup>e</sup> en 13<sup>e</sup> eeuw, toen het
+bouwen met steen werd ingevoerd, vermeerderde dit
+getal in groote mate<a name="FNanchor_54" id="FNanchor_54"></a><a
+href="#Footnote_54" class="fnanchor">[54]</a>. Daarvoor waren verscheidene
+redenen en aanleidingen. Toen toch werd de maatschappelijke
+toestand der gemeenten meer en meer geregeld,
+bij de toeneming van welvaart en vermogen. De zucht
+om verdienstelijke werken te doen, waarvoor de Kerk
+vergeving van zonden had toegezegd, was voor sommigen
+eene aansporing om zich naar het Heilige land te begeven,
+en voor anderen een prikkel, om door hunne middelen
+den opbouw van Kerken en Kloosters te bevorderen.
+Hier waren het nu vroomheid en godsdienstijver; daar
+eerzucht en hoogmoed, om iets grooters en schooners<span class='pagenum'><a name="Page_86" id="Page_86">[86]</a></span>
+te bouwen dan anderen reeds hadden gedaan, en elders
+zucht naar onafhankelijkheid, gepaard met nijd en
+onderlinge wedijvering van de edelen, die elkander den
+voorrang in het offeren op de altaren betwistten, welke
+het getal kerken en parochi&euml;n deden vermeerderen<a name="FNanchor_55"
+id="FNanchor_55"></a><a href="#Footnote_55" class="fnanchor">[55]</a>.</p>
+
+<p>Nagenoeg de zelfde oorzaken en drijfveren werkten
+gelijktijdig mede, om de stichting en opbouw te bevorderen
+van een aantal <i>Kloosters</i>; van die gestichten in
+en nabij steden en dorpen, waarin een aantal mannen of
+vrouwen zich begaven, om zich van de woelige wereld
+af te zonderen en zich geheel over te geven aan godsdienstige
+bespiegelingen, gebeden en werken van liefdadigheid.
+Naarmate de onrust der tijden vermeerderde,
+ten gevolge der binnenlandsche oorlogen en partijschappen,
+namen deze kloosters in aantal en vermogen toe,
+dewijl weerlooze vrouwen en rustige ingezetenen daarin
+veiligheid en bescherming vonden, en tevens gelegenheid,
+om zich op wetenschappen en kunsten toe te leggen.
+Het <i>St. Bonifaas-klooster</i> te <i>Dokkum</i> en dat van
+<i>St. Odulphus</i> te <i>Stavoren</i> worden hier voor de oudste
+gehouden. In <i>Oostergoo</i> waren verder de voornaamste:<span class='pagenum'><a name="Page_87" id="Page_87">[87]</a></span>
+de Abtdijen van <i>Mari&euml;ngaard</i> en <i>Klaarkamp</i> onder
+<i>Hallum</i> en <i>Rinsumageest</i>, in 1163 en 1165 gesticht; benevens
+het <i>Smallen-eester-</i>, <i>Gerkes-</i> en <i>Foswerder-klooster</i>;
+terwijl er alleen in en bij de stad <i>Leeuwarden</i> vier
+zulke gestichten verrezen, waaronder het <i>Dominikaner-Klooster
+der Predikheeren</i> (1245) (waarvan de nog bestaande
+Groote kerk de kapel was) tot de aanzienlijkste
+van dit gewest gerekend werd. In <i>Westergoo</i> bekwamen
+de Abtdijen van <i>Lidlum</i> bij <i>Tjummarum</i> (1182), <i>Oldeklooster</i>
+bij <i>Hartwerd</i> (1191), <i>Ludingakerk</i> onder <i>Achlum</i>
+(1157), benevens de kloosters <i>Thabor</i> onder <i>Tirns</i>
+(1406) en <i>Groendijk</i> bij <i>Sneek</i>, <i>Monnikebaaijum</i> onder
+<i>Winsum</i> (1188) en meer andere groot aanzien en vermogen;
+terwijl van de kloosters der <i>Zevenwouden</i> de
+<i>Aalsumer-</i>, <i>Nesser-</i>, <i>Hasker-</i> en <i>Schoter-konventen</i> het
+meest vermaard waren<a name="FNanchor_56" id="FNanchor_56"></a><a href="#Footnote_56" class="fnanchor">[56]</a>.</p>
+
+<hr class="c05" />
+
+<p>Gedurende de drie &agrave; vier eeuwen, dat de meeste dezer
+kloosters in <i>Friesland</i> bestonden, zijn ze van groot nut,
+gezag en invloed geweest. Want, vermits kloosters als
+<i>Lidlum</i> in 1293, zoo men wil, 600 en <i>Mari&euml;ngaard</i>
+400 inwoners telden, welke doorgaans zeer bekwame
+Abten of Priors, die soms op buitenlandsche reizen geoefend
+waren, aan het hoofd hadden, en meest allen
+door erfenissen en giften aanzienlijke goederen bezaten,
+zoo waren deze gestichten eene veel vermogende magt
+in den Staat geworden. Heilzaam werkte die magt,
+ook buiten het geestelijke, ten behoeve van verschillende
+maatschappelijke belangen van dien tijd, waaraan zij<span class='pagenum'><a name="Page_88" id="Page_88">[88]</a></span>
+tevens haar eigen voordeel zocht te verbinden: want de
+staatkundige en geestelijke betrekkingen, regten en verpligtingen
+der ingezetenen waren destijds zeer naauw
+vereenigd en stonden minder op zich zelve als later.
+Zoo verleenden de kloosters, wegens hunne aanzienlijke
+grondeigendommen, dikwijls krachtige hulp tot het aanleggen
+van zeedijken, het graven van vaarten, het
+verbeteren van wegen, het leggen van sluizen enz.;&mdash;zaken,
+tot wier daarstelling de afzonderlijke krachten der
+ingezetenen vaak te zwak of te verdeeld waren. Vele
+dorpen ondersteunden zij tot het bouwen van parochie-kerken;
+en, terwijl zij hier de verbetering van landerijen,
+daar de landwinning en elders de afgraving van de hooge
+veenen bevorderden, zien wij hen voor het algemeen
+belang vele openbare werken tot stand brengen. Behalve op
+de wetenschappen en kunsten, welke bijna alleen in deze
+vreedzame oefenplaatsen bescherming vonden, hadden de
+kloosterlingen ook veel invloed op de ontwikkeling van
+de nijverheid, door verbetering van de bouwkunst, van
+vele handwerken, van den landbouw en van het boter-
+en kaasmaken, welke, als bronnen van bestaan voor het
+volk, later zoo belangrijk werden.</p>
+
+<p>Zulk een magtig geestelijk ligchaam in den Staat werd
+eerlang ook van veel staatkundig belang in de regering
+des lands. De kloosters werden daarin vertegenwoordigd
+door bekwame Prelaten, die de belangen van de geestelijkheid
+en het volk op de landsdagen en gaarleggers deden
+gelden tegen de aanmatigingen van den adel. Zij voerden
+de pen, stelden de besluiten en verdragen, en werden
+dikwijls als afgezanten naar vreemde vorsten gezonden.
+Sommige kloosters voerden zelfs hevigen strijd tegen
+aanzienlijke geweldenaars, of namen deel in den binnenlandschen
+krijg door het ondersteunen van hunne partij
+of vrienden.</p>
+
+<p><span class='pagenum'><a name="Page_89" id="Page_89">[89]</a></span>Wanneer wij de bevolking van ieder dier vijftig Friesche
+kloosters door-een op zestig personen schatten, en bedenken,
+dat de parochie-kerken der elf steden en 360 dorpen
+een of meer Hoofdpriesters en vele ook een Vicaris
+hadden (om van de Prebende-priesters, die bijzondere
+altaren bedienden, te zwijgen), dan kunnen wij ons een
+gering denkbeeld vormen van de talrijkheid der toenmalige
+Friesche geestelijkheid. Wanneer wij bovendien opmerken,
+dat die kerken en kloosters in het bezit waren van
+een groot deel der vaste goederen in dit gewest of dat
+zij renten daarvan trokken<a name="FNanchor_57" id="FNanchor_57"></a><a
+href="#Footnote_57" class="fnanchor">[57]</a>; alsmede, dat de meeste
+dier geestelijke personen zich door meerdere kennis en
+bekwaamheid onderscheidden, dan is het zeer natuurlijk,
+dat zij in een tijdvak, waarin het volk meerendeels
+nog onwetend en onmondig was, groot gezag en
+invloed konden en moesten uitoefenen. De gansche strekking
+van het Roomsch Katholijk godsdienst-stelsel droeg
+mede veel bij, om het volk aan de oppermagt der
+kerkelijke heerschappij onderworpen te houden. Lang
+werkte die magt gunstig, doch onmogelijk kon zij duurzaam
+zijn: want zij moest van zelf ontbonden worden,
+toen eerlang het volk, zijne kindschheid ontwassen, naar
+meerder licht streefde, en toen misbruiken het ligchaam<span class='pagenum'><a name="Page_90" id="Page_90">[90]</a></span>
+der geestelijkheid zelve bevlekt hadden. In weerwil van
+al de onvolkomenheden der geestelijken en de ongeregeldheden,
+welke aan het kloosterleven eigen mogen geweest
+zijn, verdienen echter de geestelijke instellingen dier
+dagen onzen eerbied en duurzame belangstelling. Onbillijk
+is het immers, de toenmalige wereld naar onzen maatstaf
+en naar aanleiding van misbruiken, die zelfs de beste
+inrigtingen aankleven, te beoordeelen. Wie toch zou
+het evangelie willen verwerpen, om de vervolgingen,
+waartoe het aanleiding gaf? En wie ziet niet in de geschiedenis
+zoowel als in het dagelijksch leven, dat bekrompenheid,
+onkunde en gebrek aan godsdienst bij een
+groot deel der bevolking, &#8217;t welk enkel voor de zinnen
+leeft, de oorzaken zijn van dwaling, zonde en misbruik,
+ook van de heiligste zaken. Immer bestonden er evenwel
+vele stille vromen, die God en den Heer van
+ganscher harte liefhadden en dienden; die reinheid van
+gemoed en veredeling van den onsterfelijken geest
+hooger waardeerden, dan alle uitwendige praalvertooning.
+Deze vonden, onder de bestendige stormen van den krijg,
+in de kloosters een toevlugt en bescherming; zij waren
+een scherp tegenbeeld van de zinnelijk-dierlijke denkwijze
+der wereldlingen; zij toonden hen, die slechts naar roof
+en rijkdom, naar magt en aanzien jaagden, dat er nog
+iets beters te vinden was dan het vergankelijke. Door
+zulk een verhevener zin werkten zij weldadig op de
+wereld, die echter eerlang, uit partijzucht, de deugden
+en verdiensten der geestelijken vergat, om enkel de ondeugden
+van sommigen hunner, uitzonderingen op den
+algemeenen regel, voor de vergetelheid te bewaren.
+Hoe gebrekkig de kerkleer en hoe weinig verheffend de
+plegtigheden dier dagen ook waren, toch hielden zij de
+weldadige vlam der godsdienst levendig, en weerhielden
+zij het volk, om geheel tot woestheid en onwetendheid te<span class='pagenum'><a name="Page_91" id="Page_91">[91]</a></span>
+vervallen. &raquo;Ja, hadden de middeleeuwen naast de hutten
+der landbewoners en de kasteelen van den meestal krijgvoerenden
+adel geene kloosters, als zoo vele wijkplaatsen
+en oefenperken voor denkende wezens, gekend, dan zou
+de maatschappij in <i>Europa</i> slechts uit last- en roofdieren
+hebben bestaan&#8221;<a name="FNanchor_58" id="FNanchor_58"></a><a href="#Footnote_58" class="fnanchor">[58]</a>.</p>
+
+<hr class="c05" />
+
+<p>Reeds bij de invoering van het Christendom was <i>Friesland</i>
+tusschen het Flie en de Lauwers onder het geestelijk
+gebied van den Bisschop van <i>Utrecht</i> gesteld, met uitzondering
+van de grietenij <i>Achtkarspelen</i>, welke, met
+<i>Groningen</i> en verdere oostelijke landstreken, onder
+den Bisschop van <i>Munster</i> kwam<a name="FNanchor_59" id="FNanchor_59"></a><a
+href="#Footnote_59" class="fnanchor">[59]</a>. Het land was in
+de 13<sup>e</sup> eeuw verdeeld in Dekenschappen, aan wier hoofd
+Dekens of Landdekens stonden, welke aangesteld werden
+door den Bisschop en die Proosten der Utrechtsche kerk,
+welke Aarts Diakens in <i>Friesland</i> waren. De Dekens
+met hunne Bijzitters hadden het bestuur en de regtspraak
+over de geestelijken en leeken der parochi&euml;n, volgens
+het Friesche Kerkelijk regt, het Zeendregt of <i>Syndriucht</i>
+geheeten<a name="FNanchor_60" id="FNanchor_60"></a><a href="#Footnote_60"
+class="fnanchor">[60]</a>. Alle drie of vier jaren kwam er een Koor-Bisschop,
+als afgezant van den Bisschop, herwaarts, om
+Zeend of Synode te houden en de hoogste geestelijke
+magt uit te oefenen. Later waren er ook in ieder Goo<span class='pagenum'><a name="Page_92" id="Page_92">[92]</a></span>
+Geestelijke Commissarissen, die het opzigt hadden over
+het gedrag en de regtsoefening der Dekens, de levenswijze
+der geestelijken enz. Van de Kloosters werden sommige,
+die den rang van Abtdijen hadden, door Abten en andere
+door Priors bestuurd. Zij stonden geheel op zich zelve,
+en waren alleen den Paus onderworpen<a name="FNanchor_61"
+id="FNanchor_61"></a><a href="#Footnote_61" class="fnanchor">[61]</a>.</p>
+
+<p>Hoe veel gezag de geestelijke oppermagt in de middeleeuwen
+ook over de volken van <i>Europa</i> uitoefende, de
+geschiedenis heeft ook deze opmerkelijke bijzonderheid
+bewaard, dat de Friezen de zelfde vrijheid, welke zij in
+het staatkundige bezaten, ook ten aanzien van het geestelijke
+vasthielden en zich niet lieten ontwringen. &raquo;Zij
+toonden, wanneer zij het begrepen, van geen kerkbewind,
+hoe hoog ook, wetten te willen ontvangen, zich
+storende noch aan Bisschop noch aan Paus. In den
+boezem des volks bleef het regt en de magt berusten,
+om hunne eigene pastoren aan te stellen, kerkelijke
+bedieningen te begeven en de kerkegoederen te beheeren,
+waardoor zij ook zorgden, dat geene vreemden
+hier tot waardigheden verheven werden. Verpligte tienden
+aan de geestelijkheid hebben zij zich evenmin
+laten opleggen, als zij leenen wilden erkennen. Geene
+pauselijke besluiten waren van eenige kracht bij hunne
+geestelijkheid, indien ze niet door de burgerlijke regering
+gewettigd waren. Hieruit moet ook verklaard<span class='pagenum'><a name="Page_93" id="Page_93">[93]</a></span>
+worden, dat de godsdienstleer der kerk hier veel zuiverder,
+dan wel in andere landen voorgedragen en beleden
+werd. Z&oacute;&oacute; was het gesteld in de kerk van geheel
+<i>Friesland</i>&#8221;<a name="FNanchor_62" id="FNanchor_62"></a><a href="#Footnote_62" class="fnanchor">[62]</a>.</p>
+
+<hr class="footn" />
+
+<div class="footnote">
+
+<p><a name="Footnote_54" id="Footnote_54"></a><a href="#FNanchor_54"><span class="label">[54]</span></a>
+Ook <span class="smcap">halsema</span>
+getuigt bl. 466 en 469, dat de menigvuldige
+kerken in <i>Friesland</i> door de landzaten of karspellieden, waaronder
+eenige weinige edelen, en niet door milddadigheid van koningen en
+vorsten zijn gesticht en met de noodige goederen begiftigd, waarop
+hun regt gegrond is tot bestelling van die kerken of het benoemen
+van leeraren en het beheer van die goederen. Zie mede <span class="smcap">wiersma&#8217;s</span>
+Aanteekeningen op de <i>Oude Friesche Wetten</i>, 257, en <span class="smcap">scharlensis</span>,
+33<sup>o</sup>.</p>
+
+<p><a name="Footnote_55" id="Footnote_55"></a><a href="#FNanchor_55"><span
+class="label">[55]</span></a> De Heer <span class="smcap">eyck tot zuylichem</span> te <i>Utrecht</i> heeft in <i>de Vrije
+Fries</i>, V 163, eene Beschouwing van den Bouwtrant van eenige
+oude Kerken in <i>Friesland</i> gegeven, waarin hij de gewone, nog
+onveranderde bouworde onzer dorpskerken zeer merkwaardig noemt,
+als behoorende tot den Romaanschen of Oud-Gothischen bouwtrant,
+met ronde koorsluiting, van niet later dan de 11<sup>e</sup> of 12<sup>e</sup> eeuw.
+Opmerkelijk is het, dat de gewone bouworde onzer Kerktorens,
+met gewoon huisdak tusschen twee brandgevels, hier even algemeen
+is als in <i>Denemarken</i>, en slechts zeldzaam in zuidelijker provinci&euml;n
+wordt gevonden. Vele dier torens hebben den vorm en de zwaarte
+onzer oude Friesche Stinzen, en schijnen mede gebouwd te zijn
+met het doel, om door de ingezetenen gebruikt te worden als plaats
+van toevlugt en bescherming, in tijden van nood en gevaar.</p>
+
+<p><a name="Footnote_56" id="Footnote_56"></a><a href="#FNanchor_56"><span class="label">[56]</span></a>
+Waarschijnlijk zal ik onder de Bijlagen eene Lijst van al
+de Kloosters opnemen. Het aantal verschillende gebouwen, waaruit
+die gestichten veelal bestonden, is opgenoemd door den Heer
+<span class="smcap">van leeuwen</span> in de Aantt. op <i>it aade Friesche terp</i>, bl. 440.</p>
+
+<p><a name="Footnote_57" id="Footnote_57"></a><a href="#FNanchor_57"><span class="label">[57]</span></a>
+De <i>Beneficiaal-boeken van Friesl.</i> (Leeuw. 1850) bevatten eene
+lijst der Inkomsten en Bezittingen van meest alle <span class="gesp">Parochi&euml;n</span>,
+zoo als die in 1543, op bevel der regering, aangegeven zijn. Het
+gezamenlijk bedrag van de goederen der <span class="gesp">Kloosters</span> zal wel
+niet minder geweest zijn. Bekend is het, dat Graaf <span class="smcap">willem</span> III
+reeds in 1328 allen Kloosteren en Geestelijken in <i>Holland</i>, <i>Zeeland</i>
+en <i>Friesland</i> verbood, meerdere vaste goederen aan te koopen,
+<i>Charterb.</i> I 183. Wij betwijfelen het echter, dat zij in <i>Friesland</i>
+ooit, en veelminder destijds reeds, tweederden der landerijen zouden
+hebben bezeten, zoo als <span class="smcap">cerisier</span>, <i>Tafereel der Nederl. Geschiedenis</i>,
+Utrecht 1781, I 411 en <i>Tegenwoordige Staat</i>, I 477 melden.</p>
+
+<p><a name="Footnote_58" id="Footnote_58"></a><a href="#FNanchor_58"><span class="label">[58]</span></a>
+Zoo oordeelt <span class="smcap">macaulay</span>, in zijne voortreffelijke <i>Geschiedenis
+van Engeland</i>, &#8217;s Hage 1850, I 9.</p>
+
+<p><a name="Footnote_59" id="Footnote_59"></a><a href="#FNanchor_59"><span class="label">[59]</span></a>
+Deze opmerkelijke uitzondering schrijft <span class="smcap">schotanus</span>, <i>Beschrijv.
+end Chronyck</i>, 301, daaraan toe, dat de evangelie-prediker <span class="smcap">ludger</span>
+van <i>Wierum</i>, later Bisschop van <i>Munster</i>, het Christelijk geloof in
+<i>Achtkarspelen</i> had gebragt, waardoor dit gedeelte bewesten de Lauwers
+onder het geestelijk gebied van dat stift is gekomen.</p>
+
+<p><a name="Footnote_60" id="Footnote_60"></a><a href="#FNanchor_60"><span class="label">[60]</span></a>
+Behalve bij <span class="smcap">schotanus</span>, t. a. p. 286, is dit Zeendregt, met
+vertaling en belangrijke verklarende Aantt. van <span class="smcap">wierdsma</span>, afgedrukt
+in het 2<sup>e</sup> st. der <i>Oude Friesche Wetten</i>, 201, 207.</p>
+
+<p><a name="Footnote_61" id="Footnote_61"></a><a href="#FNanchor_61"><span class="label">[61]</span></a>
+Over de Friesche kerken en kloosters kan men uitvoeriger
+berigten vinden in: <span class="smcap">schotanus</span>, <i>Beschrijvinge end Chron.</i> 298; <i>Oudheden
+en Gestichten</i>, I 24 en verv.; <span class="smcap">foeke sjoerds</span>, <i>Beschrijving</i>,
+I 64, 635; <i>Tegenwoordige Staat</i>, I 32, 251, 434; <span class="smcap">van halmael</span>,
+in het <i>Friesch Jierboeckjen foar 1834</i>, XV, en de <i>Lijst der Kloosters</i>
+achter het <i>Stamboek van den Frieschen Adel</i>; <span class="smcap">van leeuwen</span>, Aantt.
+op <i>it aade Friesche terp</i>, 395, 405, 440. Zeer wenschelijk is het,
+dat de geschiedenis van de Friesche Kloosters eenmaal opzettelijk
+onderzocht en behandeld mag worden.</p>
+
+<p><a name="Footnote_62" id="Footnote_62"></a><a href="#FNanchor_62"><span class="label">[62]</span></a>
+<span class="smcap">ypeij</span> en <span class="smcap">dermout</span>, <i>Geschied. der Ned. Herv. Kerk</i>, Breda
+1819, I 410, Aantt. 185; <span class="smcap">ypeij</span>, <i>Geschied. der Syst. Godgeleerdh.</i>,
+Haarlem 1793, I 180; <span class="smcap">buma</span>, <i>Het regt der Friesche Floreenpligtigen</i>,
+Leeuwarden 1849, 13, 30; doch vooral uitvoerige berigten deswege
+in het belangrijke werk van <span class="smcap">v. idsinga</span>, <i>Staats-recht der Nederl.</i> Leeuw.
+1758, I 379, en de in die werken aangehaalde schrijvers, bijzonder
+<span class="smcap">halsema</span>, 475, en niet minder <span class="smcap">wierdsma</span> in de <i>O. F. W.</i> 257.</p>
+
+</div>
+
+<hr class="footn" />
+
+<h3>19. <i>De Partijschappen tusschen de Schieringers
+en Vetkoopers. (Van omstreeks 1300-1498.)</i></h3>
+
+<div class="poem"><div class="stanza">
+<span class="i0">Ik moet der Friezen aard vooraf u kennen leeren:<br /></span>
+<span class="i0">De zonen van dit land, kuisch, werkzaam, stout, en rond,<br /></span>
+<span class="i0">Verkleefd aan d&#8217; eigen haard en d&#8217; ouderlijken grond,<br /></span>
+<span class="i0">Eenvoudig, nooit door zucht naar nieuwighe&ecirc;n bewogen,<br /></span>
+<span class="i0">Betrachten, als het wit van al hun doen en pogen,<br /></span>
+<span class="i0">De vrijheid voor zich-zelve en &#8217;t oord door hen bewoond.<br /></span>
+<span class="i0">God, en de Keizer door het Hoofd der Kerk gekroond,<br /></span>
+<span class="i0">Ziedaar alleen &#8217;t gezag, de Heeren die ze erkennen,<br /></span>
+<span class="i0">En nimmer zal een Fries aan andren zich gewennen;<br /></span>
+<span class="i0">Hij lijdt geen schijn van dwang, aan lichaam noch aan ziel;<br /></span>
+<span class="i0">Geen keten waar&#8217; zoo licht, die hem verdraaglijk viel.<br /></span>
+<span class="i0">Geen vreemde inzonderheid beproeve &#8217;t hem te dwingen,<br /></span>
+<span class="i0">Die walgt van al het vreemde en alle vreemdelingen,<br /></span>
+<span class="i0">Er geen ten burger wil, hun omgang schuwt en vliedt,<br /></span>
+<span class="i0">En op zijn wettig erf hen no&ocirc; vertoeven ziet.&mdash;<br /></span>
+<span class="i0">Zoo denkt een echte Fries, zoo denkt hij al zijn leven;<br /></span>
+<span class="i0">Dien inborst kunt ge niet hervormen of we&ecirc;rstreven<a
+name="FNanchor_63" id="FNanchor_63"></a><a href="#Footnote_63" class="fnanchor">[63]</a>.<br /></span>
+</div></div>
+
+<p><span class='pagenum'><a name="Page_94" id="Page_94">[94]</a></span>Hoe gelukkig zoude een volk met zulke eigenschappen
+geweest zijn, wanneer het al zijne maatschappelijke voorregten,
+bij het genot van vrijheid, orde en welvaart,
+<span class="gesp">in vrede</span> en <span class="gesp">eensgezindheid</span> had mogen smaken!
+Doch het nog onbeschaafde en veelal ruwe volk was hiervoor
+nog evenmin vatbaar als de veelal krijgszuchtige adel, bij
+wien de volkstrek van eerzucht en ligtgeraaktheid zich
+het meest vertoonde. In die zelfde gunstige omstandigheden
+lagen ook de zaden van onrust en strijd. Want de vrijheid
+is een onwaardeerbaar voorregt, als zij goed aangewend
+wordt, en als ieder burger van zijn <span class="gesp">persoonl&#307;k</span>
+belang iets wil afstaan, om het <span class="gesp">algemeen</span> belang te
+bevorderen. De welvaart is een zegen, zoolang zij niet
+misbruikt wordt: want goed geeft moed, en vermogen
+magt, hoezeer die dikwijls in overmoed en trots ontaarden.
+In volksregeringen zijn er bovendien altijd aanzienlijken,
+die zich de meeste magt aanmatigen, welke ligt tot
+heerschzucht overslaat; terwijl geen krachtig volk ooit
+misbruik van magt kon dulden, en de minderen altijd
+de vermogenden benijdden en hen gaarne zouden vernederen.
+In vroegere tijden, toen de oude eenvoudigheid nog
+zoo weinig behoeften kende, was het onderscheid in vermogen
+niet zoo groot en het verschil in standen minder merkbaar.
+Maar hoe zeer was alles veranderd! De kruistogten<span class='pagenum'><a name="Page_95" id="Page_95">[95]</a></span>
+hadden eene strijdhaftigheid opgewekt en, vooral bij den
+adel, een hooghartigen ridderlijken geest nagelaten, welke
+bij een strijdbaar volk, dat gaarne gelegenheid zocht om
+zijn moed te koelen, gevaarlijk waren voor de inwendige
+rust. Hoe heilig en verheven de Christelijke godsdienst
+ook ware, waarvoor men zoo vele honderden kerken en
+kloosters stichtte, te zwak bleef haar zedelijke invloed op
+verstand en gemoed, vooral ter beteugeling van &eacute;&eacute;n
+hartstogt, welke immer en overal zulke schrikkelijke
+verwoestingen aanrigtte, en die toen vooral, als ware hij
+eene deugd, gevierd en ge&euml;erd werd. Het was de onchristelijke
+<span class="gesp">wraakzucht</span>, de onverzoenlijke haat, de
+erfelijke veeten, welke voedsel vonden in den woesten,
+onbetemden volksaard en ras beleedigde eerzucht, die,
+onder al de vermelde omstandigheden, tusschen heerschzuchtige
+edelen en het volk, en vooral tusschen de
+adellijke geslachten onderling, eene verbittering deden
+ontstaan, welke in het laatst der 12<sup>e</sup> eeuw uitbrak in
+de grootste aller rampen, in den&mdash;<i>Burgeroorlog</i>.</p>
+
+<div class="poem"><div class="stanza">
+<span class="i0">Een onverjaarde twist, wiens oorsprong is verloren,<br /></span>
+<span class="i0">Maar wiens gedachtnis schor den landzaat klinkt in de ooren,<br /></span>
+<span class="i0">Scheurde in twee deelen eens den Adel, meldt de faam,<br /></span>
+<span class="i0">En schonk aan ieder deel zijn hatelijken naam;<br /></span>
+<span class="i0">Vetkoopers doopte hij, die Oostergo verheerden,<br /></span>
+<span class="i0">En Schieringers, die meest in Westergo regeerden.<br /></span>
+<span class="i0">Die namen zwemen niet voor de almacht van den tijd,<br /></span>
+<span class="i0">Maar zijn de leuzen nog, alom, in elken strijd,<br /></span>
+<span class="i0">Die straks een tweeden baart ter teling van een ander.<br /></span>
+<span class="i0">Zoo drijven op ons strand de golven ook elkander,<br /></span>
+<span class="i0">En elke, daar ze een spoor heurs aanzijns achterlaat,<br /></span>
+<span class="i0">Versterkt aldus de macht van die te volgen staat.<br /></span>
+<span class="i0">Verblinden!<a name="FNanchor_64" id="FNanchor_64"></a><a
+href="#Footnote_64" class="fnanchor">[64]</a></span>
+</div></div>
+
+<p><span class='pagenum'><a name="Page_96" id="Page_96">[96]</a></span>Ja, <i>Vetkoopers</i> en <i>Schieringers</i> waren de namen en
+leuzen der partijen, die, even als gelijktijdig de <i>Heeckerens</i>
+en <i>Bronckhorsten</i> in <i>Gelderland</i> en de <i>Hoekschen</i>
+en <i>Kabeljaauwschen</i> in <i>Holland</i>, hier de rust der burgers
+en den vrede des lands verstoorden door een nutteloozen
+strijd&mdash;niet tegen een buitenlandschen vijand,
+maar tegen zich zelve,&mdash;niet om eene eerlijke zaak,
+maar om gelijk te hebben, om zich te wreken over
+vermeende beleedigingen en nederlagen, en om, met
+vernedering van de eene, de zegepraal der andere partij
+te bevechten. Die namen schijnen aan te duiden, dat
+de strijd tot oorsprong had: verzet van het gemeene volk
+of de armen (nog wel het <span class="gesp">graauw</span> genoemd, welk
+woord met <span class="gesp">schier</span> verwant is en aan de grijze kleur der
+kleeding schijnt ontleend te zijn) tegen de rijken, die het
+<span class="gesp">vette</span> der aarde genoten. &#8217;t Was echter niet &eacute;&eacute;ne
+enkele oorzaak, die de onrust baarde: onderscheidene
+oorzaken en aanleidingen vloeiden zamen. Vele brandstoffen
+ontvlamden na het ophouden van de kruistogten.
+De daardoor opgewekte riddergeest en zucht om uit te
+blinken had t&oacute;en een doel gehad&mdash;het Heilige land.
+Doch bij gemis daarvan, werden de strijdkrachten van
+den adel nu onderling tegen elkander gerigt en verspild.
+Hevige twisten ontstonden er, nu over den voorrang in
+het offeren op de altaren der parochie-kerken, dan over
+de aanmatiging van gezag en heerschappij, welke de
+adel en de aanzienlijken zich veroorloofden ook over de
+minderen, waarvan velen zich intusschen tot een krachtvollen
+middelstand hadden verheven. De burgerijen der
+toenemende steden verzetten zich tegen die magt, en
+matigden zich regten aan ten nadeele van het platteland,
+welks bewoners d&aacute;&aacute;rom de steden vaak zoo vijandig
+waren, dat zij alles deden om haar te vernederen en te
+benadeelen. Het geweld was de grondslag van het regt<span class='pagenum'><a name="Page_97" id="Page_97">[97]</a></span>
+geworden. Doch welke ook de oorzaak ware, spoedig
+ging deze verloren of werd zij gewijzigd in den algemeenen
+burgerkrijg, waarin zich veel persoonlijke
+vijandschap en familie-twisten mengden, in welke iedereen
+partij moest kiezen.</p>
+
+<hr class="c05" />
+
+<p>Er was toen geen besturend opperhoofd of Vorst in
+<i>Friesland</i>, aan wiens bevelen alle ingezeten moesten
+gehoorzamen. Ieder hunner had, volgens de wetten,
+gelijke regten. Maar juist daarom kon geene vrije Fries
+dulden, dat een ander zich boven hem in vermogen en
+aanzien verhief. Vanhier, dat de adel, die overal sterke kasteelen
+of stinzen stichtte en zich van het gezag meester
+trachtte te maken, in den haat viel der burgers en onderling
+strijd voerde. Zoo vestigen zich als Hoofdlingen
+in de voornaamste steden de geslachten: <span class="smcap">cammingha</span>, <span class="smcap">unia</span>
+en <span class="smcap">auckama</span> te <i>Leeuwarden</i>, <span class="smcap">jongama</span> te <i>Bolsward</i>,
+<span class="smcap">sjaerdama</span> te <i>Franeker</i>, <span class="smcap">heemstra</span>
+en <span class="smcap">riemersma</span> te <i>Dokkum</i>,
+<span class="smcap">gerbranda</span> en <span class="smcap">gratinga</span> te <i>Harlingen</i>, <span class="smcap">harinxma</span>
+te <i>Sneek</i> en <i>Slooten</i> enz. Twistgierige edelen, die onder
+het volk hun aanhang hadden, belegerden elkander nu
+op hunne sloten of verwoestten elkanders bezittingen.
+Dan verzetten de burgers zich tegen het gezag van den
+adel, of de landbewoners zich tegen de aanmatigingen
+der steden, die op hare beurt de edelen bestookten of
+de dorpelingen uitplunderden. Met aangeworven hoopen
+bestreed men elkander, en kon men al zijn doel niet
+bereiken, dan vertrok men naar een ander, den omtrek
+in puin of in vlammen achterlatende. Men behoefde
+slechts kerken en kloosters rijkelijk te begiftigen, om
+kwijtschelding voor bedreven, ja aanmoediging en een
+eervollen naam te verwerven bij geestelijken en kloosterlingen,
+die vaak zelve oorlog tegen elkander voerden.
+Dikwijls trok die geestelijkheid partij; en, in plaats van<span class='pagenum'><a name="Page_98" id="Page_98">[98]</a></span>
+door de kracht des evangelies, dat zachtmoedigheid,
+vergevingsgezindheid en liefde predikt, vrede te stichten,
+blies zij het vuur der tweedragt aan. Overal en tot alle
+standen drong de verdeeldheid door. Verschrikkelijk was,
+tusschen de jaren 1300 en 1500, soms de onrust, de
+haat, de vervolging en de onveiligheid van leven en bezittingen.
+Het regt, dat weinigen meer eerbiedigden, was
+van kracht beroofd, om al deze misdrijven te straffen:
+want geweld, willekeur en het regt van den sterkste
+gold overal. Roof, moord en brandstichting heerschten
+op vele plaatsen. Persoonlijke vrijheid, rust en welvaart,
+die groote voorregten van een burger, waren
+geweken. En wanneer bij dat alles soms ook de
+pest in deze oorden woedde, of watervloeden nood
+en dood verspreidden en hongersnood ten gevolge hadden&mdash;dan
+stegen jammer en ellende ten top, en werden
+die plagen gehouden voor straffen des hemels, wegens
+de boosheid van het ongelukkige volk. (Zie <i><a href="#Aant12">Aanteek. 12</a></i>.)</p>
+
+<p class="blankline">Intusschen waren er somtijds ook tijdperken van rust
+en verademing voor <i>Friesland</i>, even als er steden en
+grietenijen waren, die zich buiten den twist hielden en
+lang vrede genoten. Na hevige schokken, sloegen vaak
+de verbitterde vijanden, vermoeid van krijg, ook de
+bloedige handen ineen, om voor een tijdlang de vervolgingen
+te staken. Vooral geschiedde dit, wanneer een
+gevaar hen van buiten bedreigde, en de volksvrijheid
+door veroveraars belaagd werd<a name="FNanchor_65" id="FNanchor_65"></a><a href="#Footnote_65" class="fnanchor">[65]</a>. En hoe dikwijls<span class='pagenum'><a name="Page_99" id="Page_99">[99]</a></span>
+was dit niet het geval! Ook daarvan willen wij een
+tafereel ophangen, vermits het altijd een belangwekkend
+schouwspel oplevert, een mensch met den tegenspoed en
+een volk om de vrijheid te zien kampen.</p>
+
+<hr class="footn" />
+
+<div class="footnote">
+
+<p><a name="Footnote_63" id="Footnote_63"></a><a href="#FNanchor_63"><span
+class="label">[63]</span></a> <span class="smcap">Van halmael</span>, <i>Ats Bonninga, Treurspel</i>, Leeuw. 1830, 2.
+Ten aanzien mijner behandeling in het algemeen, doch van dit onderwerp
+in het bijzonder, meen ik niet onopgemerkt te moeten
+laten, dat, daar ik de Friesche Geschiedenis in Hoofdtrekken tracht
+voor te stellen, ik zeker velen lezers en nog minder der wetenschap
+dienst zou doen, wanneer ik hierin alle of zelfs de voornaamste feiten
+en gebeurtenissen opnam, welke onze kronyken in bijzonderheden
+vermelden. Bij mijne meer algemeene beschouwingen mag men die
+kronyken, ter kennismaking met de bijzondere voorvallen, blijven
+lezen, waartoe ik, behalve <span class="smcap">scharlensis</span>,
+<span class="smcap">winsemius</span> en <span class="smcap">schotanus</span>,
+voor algemeen gebruik bijzonder aanbeveel: <i>It aade Friesche Terp
+of Kronyk der Geschiedenissen van de Vrije Friesen; met Bijvoegsels
+en Aanteekeningen van</i> <span class="smcap">j. van leeuwen</span>, Leeuwarden 1834, 480
+bladz., thans voor slechts &#402;1,30 algemeen te bekomen.</p>
+
+<p><a name="Footnote_64" id="Footnote_64"></a><a href="#FNanchor_64"><span
+class="label">[64]</span></a> <span class="smcap">Van halmael</span>, <i>Ats Bonninga</i>,
+4. Zie verder <span class="smcap">scharlensis</span>,
+33; <span class="smcap">winsemius</span>, 183; <span class="smcap">schotanus</span>, 164;
+<span class="smcap">sjoerds</span>, <i>Jaarboeken</i>,
+III 129 enz.</p>
+
+<p><a name="Footnote_65" id="Footnote_65"></a><a href="#FNanchor_65"><span class="label">[65]</span></a>
+&#8222;Waer omme den Friesen schaedelicker was vrede, dan
+aenvechtinge van vreemde heeren: want zij in tyde des vredes
+meer bloedt storten onder malcanderen, dan als sy eendrachtelick
+die wtlandtsche vianden teghen stonden,&#8221; zegt <span class="smcap">worp van thabor</span>,
+<i>Kronyk</i>, IV 5.</p>
+
+</div>
+
+<hr class="footn" />
+
+<h3>20. <i>Der Friezen verdediging van hunne Vrijheid
+tegen de aanvallen van de Bisschoppen van
+Utrecht en de Graven van Holland.</i></h3>
+
+<p>In het weleer door de Friezen ingenomene, doch later
+door de Franken weder veroverde westelijk gedeelte van
+het oude Friesche rijk (bezuiden de Kinhem of Reker
+in <i>Noord-Holland</i>) hadden de Duitsche keizers een groot
+deel lands als leengoed opgedragen of geschonken aan
+den Bisschop van <i>Utrecht</i> en de Graven van <i>Holland</i>
+en <i>Zeeland</i>. De eersten, die het geestelijk gezag over
+het bijna geheel <i>Friesland</i> uitoefenden, trachtten ook
+hunne wereldlijke of staatkundige magt uit te breiden,
+en slaagden er in, om, met keizerlijke giftbrieven en
+geweld, van lieverlede een gedeelte van het vierde en
+vijfde der Friesche Zeelanden (de stad <i>Groningen</i> met
+<i>Drenthe</i> en het noorden van <i>Overijssel</i>) van het vrijheidsverbond
+af te trekken en onder hun wereldlijk gebied
+te brengen. Dit geschiedde echter niet zonder hevigen
+strijd. Zelfs leed de Bisschop <span class="smcap">otto</span> II in 1226 daarbij
+eene z&oacute;&oacute; geduchte nederlaag, dat hij de krijgszuchtige
+poging, om zijn gebied te vergrooten, zelf met den dood
+moest boeten. Zijne opvolgers trachtten hun gebied ook
+in de <i>Stellingwerven</i> te vestigen, doch hadden zeer veel
+moeite zich daar staande te houden. Te vergeefs liet
+Bisschop <span class="smcap">guy</span> <i>van Henegouwen</i> er daarom in 1309 eene
+sterkte bouwen&mdash;eer deze voltooid was, wierpen de Friezen
+haar af, vervolgden hunne onderdrukkers tot <i>Vollenhove</i>,
+dat zij plunderden, en waar zij zelfs het Bisschoppelijke<span class='pagenum'><a name="Page_100" id="Page_100">[100]</a></span>
+slot belegerden. Zij beschoten het van een houten
+stormgevaarte met steenen en pijlen zoodanig, dat de
+overgaaf nabij was, toen de Bisschop, met hulp van den
+Hollandschen Graaf en vele zijner edelen, over de Zuiderzee
+eene groote heirmagt overzond, die het slot ontzette en
+de Friezen met groot verlies deed wijken. Het voornemen,
+om hen in hun eigen land te vervolgen en te straffen,
+werd echter niet volbragt, maar verhinderd door hevige
+stormen en regens, zoodat het leger terug trok, en den
+Bisschop niets anders overbleef dan de Stellingwervers in
+den ban te doen, en eerlang een verdrag met hen te
+sluiten (1313)<a name="FNanchor_66" id="FNanchor_66"></a><a
+href="#Footnote_66" class="fnanchor">[66]</a>.&mdash;Ook later deden de Bisschoppen
+herhaalde vergeefsche pogingen, om deze streken tot
+onderwerping te brengen. Doch geen hunner vatte de
+zaak zoo ernstig ter hand als <span class="smcap">frederik van blankenheim</span>,
+in 1413. Met eene aanzienlijke krijgsmagt trok hij naar
+de Stellingwerven, verbrandde <i>Peperga</i>, <i>Blesdijk</i> en
+andere dorpen en huizen, zonder zijn oogmerk te bereiken.
+In het zelfde jaar zond hij zijn Maarschalk <span class="smcap">adolf van
+swieten</span> met volk naar <i>Lemsterland</i>, waar deze door rooven
+en branden het gezag des Bisschops zocht te vestigen,
+doch spoedig eene geduchte wraak moest ondervinden,
+daar de bijeengetrokken Friezen hem aantastten en hem
+met bijna al zijn volk doodsloegen. Vanhier, dat de
+Bisschop zich haastte met hen een vredeverdrag te sluiten,
+en deze Woudlieden verder ongemoeid liet<a name="FNanchor_67"
+id="FNanchor_67"></a><a href="#Footnote_67" class="fnanchor">[67]</a>.</p>
+
+<p>De <i>Hollandsche Graven</i> hadden van de slappe regering
+van Keizer <span class="smcap">karel</span> <i>den kale</i> en zijne opvolgers gebruik
+gemaakt, om hun gezag uit te breiden, en om<span class='pagenum'><a name="Page_101" id="Page_101">[101]</a></span>
+de voor hun persoon ontvangene groote Leenen stilzwijgend
+op hunne zonen en opvolgers te doen overgaan.
+Deze erfelijke overgang van de groote Leenen was eene
+zaak van veel gewigt. Nu magtige heerschers geworden
+zijnde, was hun gebied hen spoedig te klein; weldra
+zagen zij rond naar middelen om dat uit te breiden.
+Geene poging daartoe scheen gunstiger te zullen slagen
+dan een aanval op de ten noorden van hun Graafschap
+wonende West-Friezen; en eerlang was het besluit genomen,
+hen aan te vallen en te veroveren, opdat hun land
+van het Friesche verbond afgetrokken- en het Graafschap
+toegevoegd mogt worden.</p>
+
+<p>Dit ging echter niet zoo gemakkelijk als zij zich voorgesteld
+hadden: want verbazend was de dapperheid van
+dezen kleinen volksstam in dat lage en toen nog zoo
+waterrijke <i>Noord-Holland</i> tegenover de in den krijg
+geharde Hollandsche benden. Al mogten ze vreezen,
+eens voor de overmagt te zullen moeten bezwijken,&mdash;toch
+wilden ze hunne vrijheid beschermen of duur verkoopen,
+v&oacute;&oacute;r zij een Heer aannamen en zich bukten
+onder het juk der leenregering. Hun vrije toestand,
+nog een overblijfsel van het Germaansch beginsel, dat
+bij hen was bewaard gebleven, was een doorn in het
+oog dier Graven; en nadat hunne veroveringszucht den
+eersten aanval gewaagd had, zonder gunstigen uitslag,
+verklaarden zij als oproerigen en wederspannigen</p>
+
+<div class="poem"><div class="stanza">
+<span class="i0"><i>Die Friezen, tuk op krijg en achter hun moerassen</i><br /></span>
+<span class="i0"><i>Geen leenplicht kennend en weerbarstig aan den dwang.</i><a
+name="FNanchor_68" id="FNanchor_68"></a><a href="#Footnote_68" class="fnanchor">[68]</a><br /></span>
+</div></div>
+
+<p>In een land, allerwege met meren en stroomen doorsneden,
+waren zij niet te genaken dan in zeer drooge<span class='pagenum'><a name="Page_102" id="Page_102">[102]</a></span>
+zomers, of wanneer een strenge winter de wateren en
+wegen tot een vasten vloer had gemaakt. Boden zij gelegenheid
+tot een hoofdtreffen, dan was hun aanval hevig
+en onwe&ecirc;rstaanbaar. Dit ondervond reeds in 1004 Graaf
+<span class="smcap">arnoud</span> in den bloedigen slag bij het dorp <i>Winkel</i>, waar
+hij met de bloem van den Hollandschen adel het leven
+liet. Bij een lateren aanval, in 1169, werd Graaf <span class="smcap">floris</span>
+III met eene menigte zijner edelen geheel-en-al door
+hen verslagen. Vruchteloos werden Hollands krachten
+gedurig aan hunne bestrijding verspild. Graaf <span class="smcap">willem</span> II
+meende eindelijk in het opwerpen van versterkte sloten
+het middel tot hunne onderwerping te hebben gevonden;
+doch ook dit werd door den hardnekkigen tegenstand
+der Friezen bijna onuitvoerlijk: want niet dan met de
+uiterste inspanning konden deze kasteelen tot stand gebragt-
+en tegen hunne woedende aanvallen verdedigd
+worden. En toen die zelfde Graaf <span class="smcap">willem</span> II, op het
+punt om <i>Keizer van Duitschland</i> te worden, hen in
+persoon wilde bestrijden en daartoe den winter koos,
+om overal te kunnen doordringen, moest ook hij, bij
+<i>Hoogwoud</i> door het ijs zakkende en door zijne vijanden
+overvallen, zijne vermetelheid met den dood boeten (1256).</p>
+
+<p>Zoo duurde de strijd immer voort. De Hollanders
+waren door buitenlandsch wapenbedrijf meer geoefend in
+den krijg; de Friezen hadden alleen hunne eigene dapperheid
+en listen daar tegenover te stellen. Huurbenden
+begonnen het leger der Hollanders te vermeerderen; de
+gedurige inbreuken van de zee en verwijding der stroomen
+verminderden gelijktijdig het erf en het vermogen der West-Friezen
+met de gelegenheid, om hulp van hunne oostelijke
+stamgenooten te bekomen. In weerwil dezer toegenomene
+bezwaren, ondervond Graaf <span class="smcap">floris</span> V, brandende van verlangen,
+om den dood zijns vaders te wreken, hoe moeijelijk
+het was, dit fiere volk van zijne vrijheid te berooven.<span class='pagenum'><a name="Page_103" id="Page_103">[103]</a></span>
+Eerst na vier veldtogten en het bouwen van vier
+sterke kasteelen, en nadat een ontzettende watervloed
+het land geteisterd- en het volk weerloos gemaakt had,
+zoodat het niet moeijelijk viel met platboomde vaartuigen
+dorp voor dorp te bemagtigen, knakte hij der Friezen
+krachten (1288). Na zijn dood hadden zij nog eenmaal
+kracht genoeg den dwang te we&ecirc;rstaan en drie der vier
+sloten te vernielen; doch dit was hunne laatste worsteling.
+Want Graaf <span class="smcap">jan</span> <i>van Avennes</i> bragt met vreemde
+hulp een aanzienlijk heir bijeen, waarmede hij hen te
+land en ter zee aanviel en overmeesterde (1297). Hem
+gelukte het eindelijk door geweld een einde te maken
+aan hunne betrekking tot de overige Friesche Zeelanden,
+en <i>West-Friesland</i>, tusschen de Kinhem en het Flie, aan
+de Hollandsche Grafelijkheid toe te voegen. Ruim drie
+eeuwen lang (van 993 tot 1297) duurde alzoo een strijd,
+die de overwonnenen tot grooter roem verstrekte dan de
+overwinnaars<a name="FNanchor_69" id="FNanchor_69"></a><a href="#Footnote_69" class="fnanchor">[69]</a>.</p>
+
+<hr class="c05" />
+
+<p>Doch ook tot het bezit van <i>Friesland</i> tusschen het
+Flie en de Lauwers strekte de begeerte der Hollandsche
+Graven zich uit, en dit lag nu aan de beurt, om met
+geweld van wapenen veroverd te worden, als het zich
+niet vrijwillig mogt onderwerpen. Deze Graven wendden
+voor, regt of aanspraak te hebben ook op dit land, op<span class='pagenum'><a name="Page_104" id="Page_104">[104]</a></span>
+grond van Giftbrieven der Duitsche Keizers<a name="FNanchor_70"
+id="FNanchor_70"></a><a href="#Footnote_70" class="fnanchor">[70]</a>. Doch
+die hoofden des rijks hadden vergeten of schenen onbekend
+te zijn met der Friezen volksregten en hunne
+oorspronkelijke betrekking tot het rijk, ten gevolge
+waarvan hun land geen leengoed- en dus voor geene
+verschenking of opdragt vatbaar was. En evenwel schonken
+zij <i>Oostergoo</i>, <i>Westergoo</i> of <i>Stavoren</i> nu aan de
+Bisschoppen van <i>Utrecht</i>, dan aan de Graven van <i>Holland</i>
+of aan die van <i>Gelder</i> en later weder aan den
+Markgraaf van <i>Brunswijk</i> en anderen, hetzij als eene
+belooning voor genoten diensten, hetzij tot kwijting van
+schuld of wel om andere redenen<a name="FNanchor_71" id="FNanchor_71"></a><a
+href="#Footnote_71" class="fnanchor">[71]</a>. De Friezen lieten
+hun regt daartegen somtijds wel gelden, doch bekreunden
+zich meesttijds daarover weinig of niet, en erkenden
+evenmin de geldigheid dier giftbrieven als zij gezind waren
+eenigen vreemden Landsheer, die zich aan hen wilde<span class='pagenum'><a name="Page_105" id="Page_105">[105]</a></span>
+opdringen, te ontvangen; te meer, omdat zeldzaam
+iemand van die begunstigde personen zijne aanspraken
+deed of kon doen gelden, zoodat zij daarvan geringe of
+geene gevolgen ondervonden.</p>
+
+<div class="poem"><div class="stanza">
+<span class="i0">Ons Friesland was een maagd, die, schoon wat stug van aard,<br /></span>
+<span class="i0">In veler Vorsten hart een gloed van lusten baart;<br /></span>
+<span class="i0">De lust wekt list, en, om de maagd tot vrouw te maken,<br /></span>
+<span class="i0">Ontzag zich geen van hen haar d&#8217; ouderen te ontschaken<a
+name="FNanchor_72" id="FNanchor_72"></a><a href="#Footnote_72" class="fnanchor">[72]</a>.<br /></span>
+</div></div>
+
+<p>Nog v&oacute;&oacute;r het eindigen van den strijd tegen de West-Friezen
+verlangde Graaf <span class="smcap">floris</span> V ook <i>Friesland</i> te bemagtigen.
+In 1288 schijnt hij daartoe eene vergeefsche
+poging gedaan te hebben; doch in 1292 gelukte het hem,
+om, met eene vloot over de Zuiderzee gekomen, zijn
+gezag all&eacute;&eacute;n te vestigen in de koopstad <i>Stavoren</i>, welke
+zich daartoe zonder tegenstand gemakkelijk liet overhalen,
+omdat zij voor haren handel daarbij meer kon winnen
+dan verliezen. Want op den zelfden dag, den 1 April
+1292, dat zij den Graaf huldigde, verkreeg zij van hem
+voorregten en vrijheden, die voor haar van belang waren.
+Het is niet bekend, dat de Graaf verder pogingen deed,
+om ook het overig gedeelte van <i>Friesland</i> te bemagtigen<a name="FNanchor_73" id="FNanchor_73"></a><a href="#Footnote_73" class="fnanchor">[73]</a>.</p>
+
+<p>Ofschoon <i>Stavoren</i> in 1299 Graaf <span class="smcap">jan</span> II op gelijke
+wijze huldigde en de bevestiging harer privilegi&euml;n van
+hem verkreeg, schijnt zij die Hollandsche regering spoedig
+moede geweest- en haar afgevallen te zijn. Immers, naauwelijks
+was Graaf <span class="smcap">willem</span> III, die eerlang den bijnaam
+van de goede verwierf, in 1305 aan de regering gekomen,
+of hij ondernam met 1500 man een togt naar <i>Friesland</i>,
+en landde in <i>Gaasterland</i>, met oogmerk om <i>Stavoren</i>
+van de landzijde te bemagtigen. Doch de Friezen boden,
+onder hunnen Potestaat <span class="smcap">hessel martena</span>, hem zoo dapperen<span class='pagenum'><a name="Page_106" id="Page_106">[106]</a></span>
+tegenstand, dat hij met de zijnen zich spoedig
+weder aan boord begaf en aftrok. Uithoofde er zich bij
+zijne benden West-Friezen bevonden, die vroeger door
+hunne stamgenooten tegen de overheersching der Hollandsche
+Graven geholpen waren, zoo namen de Friezen
+dezen aanval zeer euvel op. Daarom deden velen hunner
+een togt naar <i>Noord-Holland</i>, en bragten de ingezetenen
+van <i>Enkhuizen</i> en omstreken met rooven en branden
+groote schade toe. Uit wraak zonden deze omgekochte
+brandstichters in <i>Friesland</i>, die eenige stinzen der edelen,
+welke bij dien togt tegenwoordig waren geweest, in
+koolen leidden. Uit we&ecirc;rwraak stak men van hier nogmaals
+naar <i>Enkhuizen</i> over, verbrandde wel vijf-en-twintig
+huizen dier stad en keerde met buit beladen terug,
+welk verlies de Enkhuizers we&ecirc;r betaald zetten, door in
+1310 het St. Odulphus-klooster te <i>Stavoren</i> bij nacht uit
+te plunderen en in brand te steken<a name="FNanchor_74" id="FNanchor_74"></a><a href="#Footnote_74" class="fnanchor">[74]</a>.&mdash;Met zulk een
+barbaarschen haat en wraak vervolgden christen-landgenooten
+elkander in die dagen! En tot welk doel?</p>
+
+<p class="blankline">Graaf <span class="smcap">willem</span> had de overtuiging bekomen, dat het
+aanwenden van geweld het regte middel niet was om de
+Friezen te winnen. Hij nam dus zachtere middelen, eene
+behendige staatkunde te baat, om zijn doel te bereiken.
+In 1310 sloeg hij eene verzoening met <i>Stavoren</i> voor,
+welke werd aangenomen; terwijl de roem zijner zachtmoedigheid
+en regtvaardigheid zelfs <i>Westergoo</i> bewoog,
+hem, bij een verdrag, nabij <i>Alkmaar</i> gesloten, tot Heer
+aan te nemen; welligt, omdat het in de hooggerezen
+binnenlandsche twisten te vaak zijne zwakheid gevoelde<span class='pagenum'><a name="Page_107" id="Page_107">[107]</a></span>
+tegenover het magtiger <i>Oostergoo</i>, dat zich tegen de
+aanneming van den Graaf bestendig bleef verzetten. Deze
+zag intusschen zijn gezag bevestigd door den Roomsch
+Koning <span class="smcap">lodewijk</span>, die zelfs <i>Oostergoo</i> en <i>Westergoo</i>
+beide beval hem als Heer te erkennen (1314). In weerwil
+hij der Friezen verschillen met <i>Harderwijk</i> en <i>Kampen</i>
+zeer in hun belang regelde, en door vriendelijkheid en billijkheid
+ieder zocht te believen, verzetten die van <i>Stavoren</i>
+in 1328 zich weder tegen zijn gezag, door het verjagen
+van zijne Schouten en het afbreken van hunne huizen.
+Hiertegen wapende de Graaf zich wel met eene vloot en
+leger, nam de Friesche schepen op de Zuiderzee en liet
+strooptogten doen in <i>Gaasterland</i>, doch ondervond tevens
+eene hevige wraak daarover van de Friezen, die zijne
+schepen moedig aanvielen en de vrijheid namen in <i>West-Friesland</i>
+wederkeerig te plunderen.</p>
+
+<p>Hoewel aan dit geschil, door bemiddeling der Geestelijkheid,
+een einde werd gemaakt door een zoen, welke
+te <i>Haarlem</i> door den Graaf met <i>Stavoren</i> en <i>Westergoo</i>
+werd gemaakt, schijnt hij in <i>Friesland</i> weinig gezag te
+hebben uitgeoefend. Nooit is hij althans door <i>Oostergoo</i>
+erkend geworden, en welligt ook nooit in persoon in <i>Friesland</i>
+geweest om regten uit te oefenen. Een jaar na zijn
+overlijden, dat in 1337 voorviel, erkende <i>Stavoren</i> zijn
+zoon en opvolger Graaf <span class="smcap">willem</span> IV wel als Heer, en
+bevestigde deze de voorregten dier stad, welke hij twee
+jaren later vermeerderde; doch <i>Westergoo</i> volgde dit
+voorbeeld evenmin als <i>Oostergoo</i><a name="FNanchor_75" id="FNanchor_75"></a><a
+href="#Footnote_75" class="fnanchor">[75]</a>.</p>
+
+<p class="blankline">Deze versmading van zijn vermeend gezag en eenige
+gewelddadigheden te <i>Stavoren</i> voorgevallen, waarbij de<span class='pagenum'><a name="Page_108" id="Page_108">[108]</a></span>
+zoon van een grafelijk ambtenaar het leven verloor, en
+welligt ook andere redenen, bewogen den trotschen en
+onbesuisden Graaf <span class="smcap">willem</span> IV ten jare 1345 krachtige
+maatregelen aan te wenden, om gansch <i>Friesland</i> aan
+zich te onderwerpen. Hij bragt eene groote vloot bijeen,
+waarop hij een leger overvoerde, dat (zeker overdreven)
+op 85,000 man werd geschat. Hiermede stak hij over de
+Zuiderzee en landde in de nabijheid van <i>Stavoren</i>. Een
+krachtige nationale tegenstand werd hem geboden: want
+hoe min talrijk de nu als &eacute;&eacute;n man vereenigde en slecht
+gewapende Friezen ook waren, hun moed was een muur.
+Hunne liefde voor de vrijheid telde de overmagt niet der
+vijanden, maar klom met het gevaar, daar ze geene geweldige
+aanranding van hun land konden dulden. De grievende
+vernedering, welke de Graaf kort te voren het door
+hem belegerde en zich vrijwillig overgevende <i>Utrecht</i> had
+aangedaan, spelde hen, wat zij van zijn wraaklust hadden
+te vreezen, als zij te kort schoten en hij mogt zegepralen.
+Zij trokken hem vurig te gemoet, en, zoo ooit, was het
+toen, dat het volgende <i>Strijdlied</i> in hunnen mond voegde:</p>
+
+<div class="poem"><div class="stanza">
+<span class="i0">Wierne de alde Friesen fry,<br /></span>
+<span class="i0">Friesce soannen binne wy.<br /></span>
+<span class="i0">De alde moed is net forroen:<br /></span>
+<span class="i0">O, wy stjerre foar ues groun!<br /></span>
+</div><div class="stanza">
+<span class="i0">Stoarm in wetter haww&#8217; wy h&ocirc;an<br /></span>
+<span class="i0">Oer ues ljeawe Friesce l&ocirc;an;<br /></span>
+<span class="i0">&#8217;t Folk, dat foar nin weagen swicht,<br /></span>
+<span class="i0">Fait it oarlochsswird eak licht.<br /></span>
+</div><div class="stanza">
+<span class="i0">Jane wy den eak nin keap<br /></span>
+<span class="i0">Foar ien wylde stropers heap!<br /></span>
+<span class="i0">Frydom, koft troch eigen moed,<br /></span>
+<span class="i0">Is ues meer as goed in bloed.<br /></span>
+</div><div class="stanza">
+<span class="i0">&#8217;t Gleaune scerpe krigersswird<br /></span>
+<span class="i0">Loeke wy foar hoes in hird,<br /></span>
+<span class="i0">In wy binne eang of bang,<br /></span>
+<span class="i0">As foar frjemde keunings twang.<br /></span>
+</div><div class="stanza">
+<span class="i0">Broes&#8217; nou &#8217;t alde Friesce bloed!<br /></span>
+<span class="i0">Kom wer, frye Friesce moed!<br /></span>
+<span class="i0">Frydom, frydom is ues noft<br /></span>
+<span class="i0">As de foegels yn de loft.<br /></span>
+</div><div class="stanza">
+<span class="i0">De alde Friesen wierne fry,<br /></span>
+<span class="i0">Foar de frydom fjochte wy;<br /></span>
+<span class="i0">In ien echte frye Fries<br /></span>
+<span class="i0">Het fen frjemde twang ien grys<a name="FNanchor_76" id="FNanchor_76"></a><a
+href="#Footnote_76" class="fnanchor">[76]</a>.<br /></span>
+</div></div>
+
+<p><span class='pagenum'><a name="Page_109" id="Page_109">[109]</a></span>De vloot, door ruw herfstweder verstrooid, landde niet
+gelijktijdig, zoodat de Graaf geene gelegenheid had, zijn
+leger in behoorlijke orde te scharen. Dit werd ook v&oacute;&oacute;rgekomen
+door de Friezen, die zoo dapper op de Hollandsche
+benden aanvielen, dat zij eerst een gedeelte, door <span class="smcap">jan</span>
+<i>van Henegouwen</i> aangevoerd, versloegen, en daarna het
+andere gedeelte, met den Graaf aan het hoofd, z&oacute;&oacute; lang
+en z&oacute;&oacute; onversaagd, van den opgang der zon tot den
+laten avond, bestreden, dat het leger geheel verslagen
+en verstrooid werd, en dat de Graaf zelf in het heetst
+van het gevecht sneuvelde met zeer vele edelen uit de voornaamste
+geslachten van <i>Holland</i>, <i>Zeeland</i> en <i>Henegouwen</i>,
+wier getal op 240, gelijk het gansche getal gesneuvelden
+van den vijand op 18,000(?) man begroot werd.</p>
+
+<p>&raquo;Holland en Zeeland smolt in rouw op de tyding deezer
+nederlaage,&#8221; zegt een Hollandsch geschiedschrijver<a name="FNanchor_77"
+id="FNanchor_77"></a><a href="#Footnote_77" class="fnanchor">[77]</a>.
+Wie billijkt niet die smart? en niet minder die &raquo;der jonge
+Graavin over de dood haars Egtgenoots?&#8221; Maar wie
+ontroert het niet, daarbij van eene vrouw te moeten
+lezen: &raquo;dat zij daarover zoo gebeten was op de Friezen,
+dat zij niet alleen hunne goederen in <i>Holland</i> allen
+verbeurd verklaarde, maar dat zij ook het klooster <i>Mari&euml;nhof</i>
+op het eiland <i>Marken</i>, door de Hallumer Abtdij
+<i>Mari&euml;ngaarde</i> met Friesche Monniken bevolkt, aan hare
+wraakzucht opofferde, door eene bende krijgsvolk derwaarts
+te zenden, die, buiten oorlog en in koelen bloede,
+&#8217;t gebouw in brand stak en de ongelukkige monniken in
+de Zuiderzee smeet&#8221;<a name="FNanchor_78" id="FNanchor_78"></a><a href="#Footnote_78" class="fnanchor">[78]</a>.</p>
+
+<p><span class='pagenum'><a name="Page_110" id="Page_110">[110]</a></span>Men is gewoon laag te vallen op de ruwheid der Friezen
+in hunne oorlogen; maar van zulk een gruwel heeft de
+Friesche geschiedenis geen voorbeeld. Rampzalig de eeuw
+en het land, waarin zelfs eene Vorstin zich z&oacute;&oacute; kon
+verlagen, en zich straffeloos vergrijpen aan het leven en
+de bezittingen van weerloozen! Wie onzer zou die tijden
+terugwenschen?</p>
+
+<p>Maar nog geen wraak genoeg. Graaf <span class="smcap">willem</span> V trachtte
+den dood zijns voorgangers te wreken door de Friezen&mdash;niet
+met eerlijke wapenen in openbaren strijd, maar
+te straffen, door het uitgeven van last- of kaperbrieven
+aan bijzondere personen, om op hen te panden, of hen
+te lande en te water, aan lijf en goed, allerwege te beschadigen
+en te berooven (1347). Van zulk een laag
+middel hadden de Friezen voor hunnen handel en bezittingen
+de grootste nadeelen te vreezen. Gaarne sloten
+zij dus in den volgenden jare een vredeverdrag of bestand
+voor twintig jaren, niet enkel met den Graaf, maar ook
+met de Ridderschap, Steden en Ingezetenen van <i>Holland</i>,
+<i>Zeeland</i> en <i>West-Friesland</i>;&mdash;een verdrag, waarbij
+de voorwaarden geheel in het belang van <i>Oostergoo</i> en
+<i>Westergoo</i> gesteld waren, en waarbij de Graaf zelfs
+beloofde, dat zijne onderzaten de grenzen van <i>Friesland</i>
+niet zouden overschrijden, dan in geval van nood en
+om koophandel te drijven, waartoe zij zich echter enkel
+tot de drie marktplaatsen <i>Harich</i>, <i>Kornwerd</i> en <i>Holwerd</i>
+moesten bepalen<a name="FNanchor_79" id="FNanchor_79"></a><a href="#Footnote_79"
+class="fnanchor">[79]</a>. Later gaf de Graaf ook den Friezen<span class='pagenum'><a name="Page_111" id="Page_111">[111]</a></span>
+volle vrijheid, om in <i>Noord-Holland</i> handel te drijven
+en de markt te <i>Haarlem</i> te bezoeken<a name="FNanchor_80" id="FNanchor_80"></a><a
+href="#Footnote_80" class="fnanchor">[80]</a>.</p>
+
+<p class="blankline">Zoo scheen dan eindelijk het tijdperk te zullen aanbreken
+van rust en vrede tusschen de ingezetenen van
+zoo n&agrave; bij elkander gelegene landen, die beide zoo veel
+belang hadden bij eene goede verstandhouding en bij het
+rustig genot van de wederzijdsche regten en bezittingen.
+Ofschoon <i>Stavoren</i> kort daarna afviel (1352) en den
+Graaf als Heer aannam, uit baatzucht welligt, ten einde
+van hem voor haren handel vrijdom van tollen en gelijke
+voorregten te bekomen, als waarmede de Hollandsche
+koopsteden begunstigd waren;&mdash;ofschoon Keizer <span class="smcap">karel</span>
+IV <i>Oostergoo</i> en <i>Westergoo</i> beval, den Graaf insgelijks
+als Heer te erkennen (1362)<a name="FNanchor_81" id="FNanchor_81"></a><a
+href="#Footnote_81" class="fnanchor">[81]</a>,&mdash;werd het bestand
+telkens verlengd, en bleven de Friezen eene halve eeuw
+lang van deze zijde ongestoord, hoewel zij gelijktijdig
+onderling in partijschappen hevig verdeeld waren<a name="FNanchor_82"
+id="FNanchor_82"></a><a href="#Footnote_82" class="fnanchor">[82]</a>.
+Herhaaldelijk gaf echter de opvolgende Graaf van <i>Holland</i>,
+Hertog <span class="smcap">albrecht</span> <i>van Beijeren</i>, blijken, dat hij
+zijne aanspraken op het bezit van <i>Friesland</i> geenszins
+liet varen. Doch hij waagde het niet, deze met eene
+krijgsmagt te doen gelden, dewijl hij in zijn eigen land
+moeite genoeg had, zich staande te houden bij de hooggestegen
+beroerten der Hoekschen en Kabeljaauwschen
+en bij huiselijke twisten, ten gevolge waarvan zijn
+oudste zoon, Graaf <span class="smcap">willem</span> <i>van Oostervant</i>, naar
+<i>Frankrijk</i> gevlugt was. D&aacute;&aacute;r werd deze echter
+aan<span class='pagenum'><a name="Page_112" id="Page_112">[112]</a></span>
+&#8217;s Konings tafel smadelijk verweten, dat hem die plaats
+der eere niet toekwam, vermits het wapen van zijn geslacht
+was geschonden of verloren door de nederlaag van zijn
+oudoom Graaf <span class="smcap">willem</span> IV, die in &#8217;s vijands land verslagen
+en nog onbegraven was, zonder dat iemand van zijn
+geslacht dien dood had gewroken<a name="FNanchor_83" id="FNanchor_83"></a><a href="#Footnote_83" class="fnanchor">[83]</a>.</p>
+
+<p class="blankline">Als een kloek ridder was hem die smaad onduldbaar.
+Die smet wilde hij afwisschen. De eerste stap daartoe
+was, zich met zijn vader te verzoenen en dezen te bewegen,
+om <i>Friesland</i>, het kostte wat het wilde, te
+veroveren. Dit gelukte hem, en naauwelijks was het
+voornemen van Hertog <span class="smcap">albrecht</span>, om de Friezen te bestrijden,
+bekend geworden, of er openbaarde zich eene
+z&oacute;&oacute; algemeene geestdrift tot deelneming, dat het scheen
+alsof er een kruistogt gepredikt ware. Vele aanzienlijke
+graven en ridders kwamen ook uit andere landen over,
+om deel te nemen aan een strijd, welke gelegenheid tot
+schitterende wapenfeiten scheen aan te bieden. Meer dan
+een jaar lang werden er in allerlei oorden, in en buiten
+des Graven gebied, manschappen aangenomen en schepen,
+door verbod om buiten &#8217;s land te varen, geprest tot den
+togt naar <i>Friesland</i>. Eene verbazende magt werd er
+alzoo ontwikkeld, waarvan het toenmaals eerst opkomende
+zeewezen van ons land nog geen voorbeeld had gegeven,
+en welke zelfs ook later geene we&ecirc;rgade vond. Want (hoe
+onwaarschijnlijk ook) op 180,000 man werd het leger begroot,
+dat uit Hollanders, Zeeuwen, Vlamingen en Henegouwers,<span class='pagenum'><a name="Page_113" id="Page_113">[113]</a></span>
+ja zelfs uit Fransche, Engelsche en Duitsche
+hulpbenden bestond, welke werden overgevoerd op eene
+vloot, wier sterkte men op 3000 groote schepen en 400
+kleinere vaartuigen schatte.&mdash;En zulk eene vloot en leger
+achtte men noodig, om een land, z&oacute;&oacute; klein van omvang,
+doch z&oacute;&oacute; geducht door den heldenmoed en de vrijheidsliefde
+zijner bewoners, te veroveren! Een vervaarlijk
+onweder trok alzoo te zamen, dat <i>Friesland</i> met eene
+onvermijdelijke overweldiging bedreigde.</p>
+
+<p>Hoe zouden de Friezen tegen zulk eene overmagt bestand
+zijn geweest? Terwijl de vijand, door geene onderhandelingen
+te bewegen, om van zijn voornemen af
+te zien, alle hulp van naburen bekomen- en hen alle
+wegen tot verkrijging van ondersteuning afgesneden had,
+konden zij uit hun eigen land niet meer dan 30,000
+weerbare mannen bijeenbrengen. Om met deze, ongeoefend
+en slecht gewapend als ze waren, zulk een leger
+te wederstaan, scheen gevaarlijk, zoo niet roekeloos.
+Daarom gaf de door hen op een landsdag verkozen Potestaat
+<span class="smcap">juw juwinga</span> of <span class="smcap">jongama</span> van <i>Bolsward</i>, die als
+krijgsman op buitenlandsche togten vele proeven van
+dapperheid gegeven- en rijke ervaring verworven had,
+hun den verstandigen raad, om den vijand geen slag te
+leveren in het open veld, maar zich in de steden en dorpen
+te verschansen, ten einde het leger af te matten, en
+door gebrek aan leeftogt tot terugkeer te noodzaken.
+Doch met onstuimige strijdzucht verachtten zij dien raad,
+omdat het ontwijken van een slag den schijn zou geven
+alsof zij lafhartig een vijand ontweken, dien zij, even
+als hunne vaderen vijftig jaren vroeger, nog durfden
+staan. Afkeerig van allen dwang en met fierheid elke
+poging tot hunne overheersching verfoeijende, trokken
+zij, onder de kreet: &raquo;Wij sterven liever als vrije Friezen
+dan ons aan een vreemden heer te onderwerpen!&#8221; den<span class='pagenum'><a name="Page_114" id="Page_114">[114]</a></span>
+vijand tegen, ten einde &raquo;vrij en friesch, met lijf en goed,
+de vrijheid te beschermen, en alle vreemde landsheeren
+eendragtelijk tegen te staan.&#8221;</p>
+
+<p>Hertog <span class="smcap">albrecht</span> <i>van Beijeren</i>, die in het opperbevel
+door drie zijner zonen ondersteund werd, had zijne legermagt
+te <i>Enkhuizen</i> verzameld, stak de Zuiderzee
+over en landde aan den zeedijk tusschen <i>de Lemmer</i> en
+<i>de Kuinder</i>. Nadat de Friezen vruchteloos getracht
+hadden de landing te verhinderen, werd er, op den 29
+Augustus 1396, op een daaraan gelegen groot veld, het
+<i>Oostzingerland</i> of <i>Oosterzee-ingerland</i> geheeten, bij
+<i>Schoterzijl</i>, slag geleverd. Verschrikkelijk was de woede
+van dit gevecht. Met heldenmoed voor hunne vrijheid
+strijdende, verrigtten de Friezen wonderen van dapperheid.
+Eenige uren lang bleef de zege twijfelachtig; maar, toen
+zij eindelijk door nieuwe benden aan alle zijden ingesloten
+waren, sloegen zij verwoed en verward op den
+vijand in, en moesten voor het welgewapende en overmagtige
+leger bukken. Een groot getal Friezen was gesneuveld
+en daaronder ook hun edele Potestaat, die,
+schoon men zijn raad niet wilde opvolgen, zich toch aan
+het hoofd des legers had gesteld, om allen door zijn
+voorbeeld aan te sporen<a name="FNanchor_84" id="FNanchor_84"></a><a href="#Footnote_84" class="fnanchor">[84]</a>.</p>
+
+<p>Nog had het volk kracht genoeg, drie dagen later een
+tweede gevecht te wagen, hetwelk echter, even als latere
+herhaalde schermutselingen, niet gelukkiger uitviel, hoewel
+ook daarbij vele vijanden omkwamen. De Hollandsche
+benden trokken nu het land in, om de vrucht hunner<span class='pagenum'><a name="Page_115" id="Page_115">[115]</a></span>
+zegepraal te genieten, door overal te plunderen en te
+branden. Vijf weken lang duurde dit woeden. Onstuimig
+herfstweder en gebrek aan leeftogt en betaling noodzaakten
+<span class="smcap">albrecht</span> het overschot van zijn leger nog v&oacute;&oacute;r
+den winter terug te voeren naar <i>Enkhuizen</i>, waar het
+ontbonden werd. In <i>Stavoren</i>, waar hij een sterk kasteel
+zou hebben laten bouwen, en op andere plaatsen
+had hij eenige bezetting achtergelaten, doch deze werd
+weldra door de Friezen verdreven; en toen de Hertog, in
+Februarij 1397, om die benden te hulp te komen, drie
+Hollandsche Edelen aan het hoofd van eene legermagt
+herwaarts zond, en deze te <i>Hindeloopen</i> meenden te
+landen, werden ze door de Friezen zoo krachtig ontvangen,
+dat zij met groot verlies naar hunne schepen en
+naar <i>Holland</i> terugkeerden. Zoo waren al de voordeelen
+der behaalde overwinning verloren gegaan. Doch de
+overwinnaar was laag genoeg, om nu zijn wrok te koelen,
+door het uitgeven van een aantal magt- of pandbrieven
+aan vele personen, om zijne vijanden, de Friezen, te
+water en te land te beoorlogen, te beschadigen en afbreuk
+te doen. Zelfs stelde hij zijne twee Admiralen aan het
+hoofd dezer kaperschepen<a name="FNanchor_85" id="FNanchor_85"></a><a href="#Footnote_85" class="fnanchor">[85]</a>.</p>
+
+<hr class="c05" />
+
+<p>De verpletterende ramp, welke <i>Friesland</i> bedreigd en
+als ten ondergang bestemd had, was alzoo gelukkig te
+boven gekomen, en had de vrijheid uit den strijd het
+hoofd weder opgebeurd. &#8217;t Was echter, alsof het Hertog
+<span class="smcap">albrecht</span> krenkte, dat hij van zijne overwinning zoo
+slecht gebruik had gemaakt, en dat de vijand, dien hij
+wel overmeesterd, doch niet bedwongen had, zijne ontzettende
+opofferingen door de verdrijving van zijne benden
+met vernedering en bespotting vergold. Nogmaals<span class='pagenum'><a name="Page_116" id="Page_116">[116]</a></span>
+wilde hij dat weerbarstige <i>Friesland</i> veroveren, bedwingen
+en aan zijn gebied onderwerpen. Met nieuwen ijver
+hervatte hij de oorlogs-toebereidselen. In Mei 1398 beval
+hij al zijne leenmannen en ridders, zelfs die uitlandig
+waren, om hem, tegen het laatst der maand Junij, met
+een bepaald getal gewapende mannen ter hulp te komen
+tot den nieuwen togt naar <i>Friesland</i>. Evenzoo de steden
+van <i>Holland</i>, en <i>Zeeland</i>, waarvan enkel <i>Dordrecht</i>
+moest leveren: 600 gewapende mannen, 20 timmerlieden,
+10 smeden, 10 metselaars en 25 schutters, benevens een
+aantal horden. Deze laatste waren bestemd om den
+overtogt langs moerassen en slechte wegen gemakkelijk
+te maken<a name="FNanchor_86" id="FNanchor_86"></a><a href="#Footnote_86"
+class="fnanchor">[86]</a>; terwijl de getallen dier handwerkslieden
+blijken geven, dat de Hertog zijn gezag hier nu wilde
+vestigen door het bouwen van kasteelen, gelijk vroeger
+in <i>Noord-Holland</i> was geschied, waartoe hij eene groote
+hoeveelheid &raquo;calck, yser ende hout dede copen totter
+timmeragie in ons reysen, die wy, off God wil(!), doen
+sullen op onse vyanden die Oistvriesen.&#8221; Bovendien moesten
+de elf voornaamste Hollandsche steden 444 schepen
+(behalve de groote) leveren, en verzocht hij de stad
+<i>Zierikzee</i>, om hem 25 groote geproviandeerde schepen te
+leenen en daarmede de hulpbenden, welke hij in <i>Engeland</i>
+had aangeworven, te halen en naar <i>Vlissingen</i> te
+brengen. Van elders leende hij nog 300 schepen, ontbood
+hulp uit <i>Zeeland</i>, <i>Utrecht</i>, <i>Zalland</i>, het land
+van <i>Altena</i> enz.; terwijl de Heer van <i>Hensberg</i> hem
+met 200 bemande galeijen en 4000 Gld., gelijk <i>Haarlem</i>
+met 4 schepen en 5000 oude Schilden, bijstand deed.
+Zelfs verzocht hij ondersteuning van den Koning van
+<i>Frankrijk</i> en andere vreemde Vorsten, en besloten de<span class='pagenum'><a name="Page_117" id="Page_117">[117]</a></span>
+Zeeuwen hem 8000 man te leveren, behalve de manschappen,
+welke reeds van hunne Steden waren gevorderd.
+Eindelijk waren de menigvuldige toebereidselen
+tot den Frieschen oorlog gereed, en het groote leger met
+de talrijke vloot te <i>Enkhuizen</i> verzameld, alsof het de
+verovering van het Heilige land zou gelden<a name="FNanchor_87"
+id="FNanchor_87"></a><a href="#Footnote_87" class="fnanchor">[87]</a>.</p>
+
+<p>Op een der eerste dagen van Julij 1398 stak deze
+krijgsmagt, onder bevel van Graaf <span class="smcap">willem</span> <i>van Oostervant</i>,
+over de Zuiderzee, en landde tusschen <i>de Lemmer</i>
+en <i>Takozijl</i>. Zij vond vooreerst geen tegenstand, gelijk
+vroeger: want de Friezen waren nu geheel anders gezind<span class='pagenum'><a name="Page_118" id="Page_118">[118]</a></span>
+dan toen. Sedert dien tijd hadden de partijschappen het
+hoofd z&oacute;&oacute; verwoed opgestoken, dat het in den vorigen
+jare 1397 bij <i>Dronrijp</i> tot een veldslag was gekomen,
+waarin de Vetkoopers de nederlaag hadden geleden. Uit
+zucht naar wraak en om zich te herstellen, helden deze
+nu naar de zijde van <i>Holland</i> over en boden geen tegenstand,
+ook op hoop van door den Graaf in aanzienlijke
+betrekkingen gesteld te zullen worden. De Schieringers
+vreesden de gevolgen van dezen aanval minder;
+terwijl de ondervinding ook had geleerd, dat het vruchteloos
+was, zoo vele vreemde benden in het open veld
+te bestrijden. Naar den vroegeren raad van den Potestaat
+<span class="smcap">juwinga</span>, hield men zich nu meer in de steden op en
+trachtte deze te versterken<a name="FNanchor_88" id="FNanchor_88"></a><a
+href="#Footnote_88" class="fnanchor">[88]</a>. Het leger trok alzoo onverhinderd
+door <i>Gaasterland</i>, doch vond niet ver van
+<i>Hindeloopen</i> vele Friezen verzameld, die eene poging wilden
+doen om <i>Stavoren</i> te beschermen. Zij werden echter na een
+hevig gevecht verdreven, en nu trok men naar <i>Stavoren</i>,
+waarin zich eene groote menigte volks had verzameld. Langer
+dan drie weken werd deze stad vruchteloos belegerd, en
+zij gaf zich niet over, v&oacute;&oacute;r de aanzienlijkste edelen van
+<i>Oostergoo</i> en <i>Westergoo</i> met <span class="smcap">willem</span> <i>van Oostervant</i> in
+het leger een verdrag hadden gesloten, waarbij ze zijnen
+vader wel tot Heer aannamen, en hem toestonden sloten
+en burgten in het land te bouwen en overheden aan te
+stellen; doch waarbij ze tevens uitdrukkelijk bedongen,
+dat de Friezen hunne goederen vrij zouden blijven bezitten,
+dat zij tot geene heervaart buiten &#8217;s lands zouden
+verpligt zijn, dat hun veiligheid van personen en goederen
+verzekerd werd, dat ze hun eigen Friesch regt zouden
+behouden enz.<a name="FNanchor_89" id="FNanchor_89"></a><a href="#Footnote_89" class="fnanchor">[89]</a></p>
+
+<p><span class='pagenum'><a name="Page_119" id="Page_119">[119]</a></span>Eerlang
+werd nu Hertog <span class="smcap">albrecht</span> <i>van Beijeren</i> door
+geheel <i>Friesland</i> als Heer gehuldigd, bij uitvoerige zoen-
+en huldebrieven. Op verscheidene plaatsen liet hij kasteelen
+bouwen tot bedwang van het land; naar Hollandsche
+wijze stelde hij hier Schouten, Baljuwen en Schepenen
+aan, begiftigde vele aanzienlijke edelen met goederen, en
+deed hij ook daardoor werkelijk pogingen, om hier het
+Leenstelsel in te voeren. Hierin en in meerdere bepalingen
+van zijnen zoenbrief week hij af van het eerste verdrag
+van aanneming, en ziet daar al dadelijk den grond gelegd
+van een tegenstand en verzet van het volk, welke
+zich reeds in het begin des volgenden jaars openbaarden<a name="FNanchor_90"
+id="FNanchor_90"></a><a href="#Footnote_90" class="fnanchor">[90]</a>.
+Die schending van het verdrag was den vrijheidminnenden
+Friezen even onduldbaar als al de blijken
+van overheersching; en inderdaad werden eerlang alle
+kasteelen door het volk gesloopt, de ambtenaren verjaagd
+en de bezettingen, behalve uit <i>Stavoren</i>, verdreven. Te
+vergeefs zond de Hertog nieuwe benden uit de Hollandsche
+steden naar <i>Stavoren</i>, dat door de Friezen krachtig,
+doch zonder vrucht, werd aangevallen. Te vergeefs
+trachtte hij bij een naderen zoenbrief door gunstiger
+bepalingen, omtrent het vrij en onbezwaard bezit der
+eigendommen, de schattingen en regten, de bezwaren der
+Friezen weg te nemen. Reeds was het gansche land
+tegen het Hollandsche gezag ingenomen en gewapend.
+Voor de derdemaal schreef hij in Julij 1400 eene algemeene
+heirvaart tegen de Friezen uit, en werden al zijne
+ridderen en leenmannen, steden en dorpen in <i>Holland</i>
+en <i>Zeeland</i>, ja zelfs in <i>Utrecht</i>, aangeschreven, hem
+ten spoedigste met 550 galeijen en een bepaald getal
+manschappen te hulp te komen. <i>Dordrecht</i> was daarbij
+weder gesteld op 600 gewapende mannen en 40 arbeiders,<span class='pagenum'><a name="Page_120" id="Page_120">[120]</a></span>
+&raquo;of Smeden, Tymmerluden, Maetselairs ende andere
+luden met breecbilen, hantbomen, ghetouwen ende ander
+gherieschap, om te woesten ende te vellen alle Sloten,
+Stenhuzen ende Vestenissen, dye onze meynedighe luden
+van Oistvrieslant jeghens ons houden.&#8221; De overige steden
+en plaatsen moesten hulp leveren naar evenredigheid<a name="FNanchor_91"
+id="FNanchor_91"></a><a href="#Footnote_91" class="fnanchor">[91]</a>.</p>
+
+<p>Ook deze togt liep weder vruchteloos af, daar het
+leger, onder aanvoering van Graaf <span class="smcap">willem</span> <i>van Oostervant</i>
+te <i>Stavoren</i> geland, wel de zeekust langs trok, met de
+Friezen schermutselingen hield en <i>Dokkum</i> innam; doch
+te magteloos was, het Hollandsche gezag hier te herstellen,
+waarom het eerlang terugtrok, nadat al de pogingen,
+om &#8217;s Graven gezag ook in <i>Groningen</i> te vestigen,
+mede verijdeld waren.</p>
+
+<p>In weerwil van zoo herhaalde teleurstellingen en aanzienlijke
+opofferingen, was de oude Hertog den strijd
+nog niet moede. In Junij des volgenden jaars 1401
+schreef hij in <i>Holland</i> en <i>Zeeland</i> eene dubbele en
+driedubbele heirvaart uit, om hem te hulp te komen
+met gewapende mannen en sterke gravers met schup
+en spade en piek of boog, ten einde daarmede een togt
+te doen naar <i>Stavoren</i>, om de twee kasteelen te voltooijen,
+welke hij begonnen was, daar tot versterking van
+deze stad te doen bouwen<a name="FNanchor_92" id="FNanchor_92"></a><a
+href="#Footnote_92" class="fnanchor">[92]</a>. Doch dit was ook zijne
+laatste poging ter bedwinging van een land, dat getoond
+had, zich niet te willen onderwerpen. De uitputting zijner
+geldmiddelen en de mindere gewilligheid der Hollandsche
+edelen en steden, om zijner veroveringszucht langer ten
+dienste te staan, deden hem zelfs naar vrede verlangen.
+Den 1 October 1401 werd die te <i>Bolsward</i><span class='pagenum'><a name="Page_121" id="Page_121">[121]</a></span>
+voor zes jaren gesloten, bij een verdrag, waarbij de Friezen
+tusschen den Wezer en <i>de Lemmer</i> voor zich gunstige
+bepalingen van vrijheid en rust bedongen, en den Hertog
+alleen het gebied over <i>Stavoren</i> lieten behouden<a name="FNanchor_93"
+id="FNanchor_93"></a><a href="#Footnote_93" class="fnanchor">[93]</a>.</p>
+
+<p class="blankline">De gevolgen van deze herhaalde togten en ongemeene
+kracht-inspanning waren voor Hertog <span class="smcap">albrecht</span> zeer bedroevend:
+want die verbazende krijgstoerustingen en de
+daarop gevolgde Arkelsche oorlog hadden hem zoo zeer
+verarmd en met schulden bezwaard, dat, bij zijn dood
+in 1404, zijn boedel door zijne weduwe met den voet
+werd gestooten. De Friezen herstelden zich vervolgens
+van hunne nederlaag, door het verjagen van de vijandelijke
+bezetting, maar het verlies van den Overwinnaar
+was onherstelbaar, dewijl hij overal, waar hem het gebieden
+voegde, verpligt was te gehoorzamen<a name="FNanchor_94" id="FNanchor_94"></a><a
+href="#Footnote_94" class="fnanchor">[94]</a>. Zijne
+veroveringszucht gedijdde hem alzoo evenzeer tot schade en
+schande, als den Friezen tot eere, dewijl zij daardoor
+gelegenheid hadden, nieuwe blijken te geven van heldenmoed
+ter handhaving van vrijheid en regt, bij de bestrijding
+van overmagtige legers, die hun volksbestaan met
+den ondergang bedreigden. (Zie <i><a href="#Aant13">Aanteekening 13</a></i>.)</p>
+
+<hr class="c05" />
+
+<p>Al de latere Graven van <i>Holland</i> in de 15<sup>e</sup> eeuw
+hebben echter bestendig hunne vermeende aanspraak op
+<i>Friesland</i> doen gelden, door bijna jaarlijks het geslotene
+vrede-verdrag te vernieuwen. Niet minder deden zij dit
+door het aanwenden van rustelooze pogingen, bij wijze
+van onderhandeling, om zich door de Friezen als Heer
+of Graaf erkend te zien, hoewel deze, wanneer de drang
+hun te sterk voorkwam, zich telkens tijdig genoeg<span class='pagenum'><a name="Page_122" id="Page_122">[122]</a></span>
+verzekerden van nieuwe keizerlijke bullen, waarbij hun
+regt, om zich zelve te regeren en buiten het rijk, dat
+hun bescherming verleende, geenen heer onderdanig te
+zijn, werd bevestigd<a name="FNanchor_95" id="FNanchor_95"></a><a
+href="#Footnote_95" class="fnanchor">[95]</a>. Geen dier Graven deed echter
+zijne aanspraken meer met geweld of magt van wapenen
+gelden. Dit was hun afgeleerd. Het lot hunner
+voorzaten bleef hen deswege eene heilzame waarschuwing.
+Onnatuurlijk was echter die klove tusschen zoo nabij
+elkander gelegen gewesten. Zeker zou eene gewenschte
+toenadering eerder hebben plaats gehad, indien de Hollanders
+niet immer getoond hadden, den meester te willen
+spelen over de Friezen, die echter niet gezind waren het
+hoofd zoo spoedig in den schoot te leggen, maar die
+stonden, waar zij meenden te moeten staan, zonder lafheid
+of vrees voor een heerschzuchtigen nabuur, wiens
+aanvallen zij zoo dikwijls gedrongen waren, op eene
+bloedige wijze betaald te zetten. Veel moest er nog gebeuren,
+geheel andere tijden en omstandigheden moesten
+er komen, v&oacute;&oacute;r die verwijdering kon ophouden, om
+vervangen te worden door eene toenadering, vereeniging
+en zamenwerking, welke beider belangen en het heil des
+geheelen vaderlands in &eacute;&eacute;n staatkundigen band zou omvatten
+en bevorderen. Terwijl wij het dus bij deze togten
+betreuren, dat zoo vele Vorsten uit veroveringszucht
+zoo veel bloed hunner nijvere ingezetenen hebben verspild,
+heeft de geschiedenis der Friezen ons weder een
+luisterrijk voorbeeld gegeven, hoe zelfs geringe volken,
+door liefde tot de vrijheid bezield en aangedreven, met
+onverschrokken moed magtige overheerschers kunnen
+wederstaan, en hoe zij met de gebrekkigste hulpmiddelen
+uitkomsten te weeg brengen, welke de bewondering
+van tijdgenoot en nageslacht verdienen.</p>
+
+<div class="poem"><div class="stanza">
+<span class="i0"><span class='pagenum'><a name="Page_123" id="Page_123">[123]</a></span><i>Z&oacute;&oacute;
+is de Fries. Wanneer gevaren</i><br /></span>
+<span class="i2"><i>Der Vrijheid zweven, om zijn kust,</i><br /></span>
+<span class="i0"><i>Dan weet zijn moed van geen bedaren,</i><br /></span>
+<span class="i2"><i>Noch zijne Leeuw van logge rust.</i><br /></span>
+<span class="i0"><i>Wee hem! die dezen Leeuw verschrikken</i><br /></span>
+<span class="i0"><i>Of wil betemmen of verblikken,</i><br /></span>
+<span class="i2"><i>Hij schuimbekt, raast en kent geen re&ecirc;n!</i><a
+name="FNanchor_96" id="FNanchor_96"></a><a href="#Footnote_96" class="fnanchor">[96]</a><br /></span>
+</div></div>
+
+<hr class="footn" />
+
+<div class="footnote">
+
+<p><a name="Footnote_66" id="Footnote_66"></a><a href="#FNanchor_66"><span class="label">[66]</span></a>
+Zie <span class="smcap">wagenaar</span>, <i>Vaderlandsche Historie</i>, III 194; <span class="smcap">sjoerds</span>,
+<i>Jaarboeken</i>, III 236; <span class="smcap">van kampen</span>, <i>Geschiedenis der Nederlanden</i>,
+I 126; <i>Charterboek</i> I 138, 151.</p>
+
+<p><a name="Footnote_67" id="Footnote_67"></a><a href="#FNanchor_67"><span class="label">[67]</span></a>
+<i>Charterboek</i>, 379; <span class="smcap">schotanus</span>, <i>Beschrijv. end Chron.</i> 175;
+<span class="smcap">worp van thabor</span>, <i>Kron.</i> IV 10, 21; <i>Tegenwoordige Staat</i>, I 590.</p>
+
+<p><a name="Footnote_68" id="Footnote_68"></a><a href="#FNanchor_68"><span class="label">[68]</span></a>
+Mr. <span class="smcap">j. van lennep</span>, <i>Verontschuldiging</i>, 1850, 22. Zie ook
+<span class="smcap">eikelenberg</span>, <i>West Friesland</i>, 24, 44, aangeh. in <span class="smcap">hofdijk</span>, <i>Jonker
+van Brederode</i>, 1849, Aanteekening 198.</p>
+
+<p><a name="Footnote_69" id="Footnote_69"></a><a href="#FNanchor_69"><span class="label">[69]</span></a>
+Uithoofde dit onderwerp in onze vaderlandsche geschiedenissen
+veelal verkeerd, of naar de opvatting van de Hollanders, wordt
+voorgesteld, heb ik deze en de volgende togten dier Graven eenigzins
+uitvoeriger bewerkt. Zie hierover breeder bij <span class="smcap">wagenaar</span>,
+<i>Vaderlandsche Historie</i>, II 115, 129, 235, 240, 260, 401; III 43,
+102 enz.; <i>Tegenwoordige Staat</i>, I 429; <span class="smcap">sjoerds</span>, <i>Jaarboeken</i>, II 169
+env.; <span class="smcap">bosscha</span>, <i>Heldendaden</i>, I 23 enz.</p>
+
+<p><a name="Footnote_70" id="Footnote_70"></a><a href="#FNanchor_70"><span class="label">[70]</span></a>
+Ofschoon Graaf <span class="smcap">arnoud</span> in de geslachtlijst der Graven van
+<i>Gent</i>, bij <span class="smcap">van loon</span>, <i>Aloude Hollandsche Histori</i>, 1734, II 236,
+reeds Heer over geheel <i>Friesland</i> genoemd wordt, en ook Giftbrieven
+in de levens der eerste Graven, bij <span class="smcap">schriverius</span>, hiervan
+gewagen, zoo heeft reeds <span class="smcap">ubbo emmius</span>, <i>Hist. Fris.</i> lib. V, te
+kennen gegeven: &#8222;datter van de Hollandsche scribenten bygelapt
+is, dat Vriesland oock van de Bataviers af tot de Riviere den
+Lauwers in de selve gifte van Karel mede begreepen, ende aen
+den selven Diederick geschoncken is geweest: dewijl sulcks noch
+uyt oude Histori&euml;n of brieven van donatie kan waer ghemaeckt
+worden; maer ter contrarie dit landt door de bepalinge van Kinhem
+klaer en uytdruckelijck genoech daer uyt wordt geslooten.&#8221; Zie
+<span class="smcap">schriverius</span>, <i>Levens der Graven</i>, &#8217;s Hage 1667, 34.</p>
+
+<p><a name="Footnote_71" id="Footnote_71"></a><a href="#FNanchor_71"><span class="label">[71]</span></a>
+Zie die zoogenaamde Giftbrieven op vele plaatsen in de
+Hollandsche en Friesche Charterboeken. <span class="smcap">Schotanus</span> heeft in zijne
+<i>Beschrijv. end Chron.</i> 71, vele verzameld onder een hoofdstuk: <i>Vande
+verschenckingen deses Landts</i>. Zie ook <span class="smcap">halsema</span>, <i>Verh.</i> 306, en
+Mr. <span class="smcap">j. dirks</span>, <i>Bijdragen tot de Penningkunde van Friesland</i>, in de
+<i>Vrije Fries</i>, III 28, 37 enz.</p>
+
+<p><a name="Footnote_72" id="Footnote_72"></a><a href="#FNanchor_72"><span class="label">[72]</span></a>
+<span class="smcap">Van halmael</span>, <i>de Schieringers en de Vetkoopers</i>, 142.</p>
+
+<p><a name="Footnote_73" id="Footnote_73"></a><a href="#FNanchor_73"><span class="label">[73]</span></a>
+Zie <i>Charterb.</i> I 124, 126, 131 env.; <span class="smcap">schotanus</span>, <i>tabl.</i> 13;
+<span class="smcap">winsemius</span>, 179; <span class="smcap">wagenaar</span>, III 46;
+<span class="smcap">sjoerds</span>, III 142, 149, 181.</p>
+
+<p><a name="Footnote_74" id="Footnote_74"></a><a href="#FNanchor_74"><span class="label">[74]</span></a>
+<span class="smcap">Winsemius</span>, 187; <span class="smcap">schotanus</span>, 165; <span class="smcap">wagenaar</span>, III 225;
+<i>Tegenwoordige Staat</i>, I 443, 446. In 1318 hadden er op nieuw
+zulke strooptogten plaats.</p>
+
+<p><a name="Footnote_75" id="Footnote_75"></a><a href="#FNanchor_75"><span class="label">[75]</span></a>
+Zie over het medegedeelde omtrent Graaf <span class="smcap">willem</span> <i>den goede</i>,
+<i>Charterb.</i> 149-199; <span class="smcap">schotanus</span>, 168; <span class="smcap">winsemius</span>,
+190 env.; <span class="smcap">wagenaar</span>,
+III 224; <span class="smcap">sjoerds</span>, <i>Jaarboeken</i>, III 228; <i>Teg. Staat</i>, I 454.</p>
+
+<p><a name="Footnote_76" id="Footnote_76"></a><a href="#FNanchor_76"><span class="label">[76]</span></a>
+Dr. <span class="smcap">e. halbertsma</span> in <i>de Lapekoer fen Gabe Scroar</i>, 1834, 259.</p>
+
+<p><a name="Footnote_77" id="Footnote_77"></a><a href="#FNanchor_77"><span class="label">[77]</span></a>
+<span class="smcap">Wagenaar</span>, III 261. Zie verder <span class="smcap">schotanus</span>, 180; <span class="smcap">winsemius</span>,
+202; <span class="smcap">foeke sjoerds</span>, III 384; <i>Tegenwoordige Staat</i>, I 492.</p>
+
+<p><a name="Footnote_78" id="Footnote_78"></a><a href="#FNanchor_78"><span class="label">[78]</span></a>
+<span class="smcap">Wagenaar</span>, III 261. Indien <span class="smcap">willem&#8217;s</span>
+weduwe, <span class="smcap">johanna</span>,
+dit wreed bedrijf niet heeft gepleegd, maar wel zijne zuster en
+opvolgster, <span class="smcap">margareet</span>, gemalin van <i>Keizer</i> <span class="smcap">lodewijk</span> <i>van Beijeren</i>
+(zoo als <span class="smcap">schotanus</span> en <span class="smcap">winsemius</span> willen), dan is het nog schandelijker,
+dewijl het dan na verloop van eenigen tijd en met koud
+overleg, en niet uit droefheid of in drift geschiedde.</p>
+
+<p><a name="Footnote_79" id="Footnote_79"></a><a href="#FNanchor_79"><span class="label">[79]</span></a>
+Dit belangrijk stuk, enkel vermeld in het <i>Charterboek</i>, I 208,
+is eerst in 1817 uitgegeven door Jhr. <span class="smcap">j. c. de jonge</span>, achter zijne
+<i>Verhandeling over de Hoeksche en Kabeljaauwsche twisten</i>. Jhr. <span class="smcap">w. van
+swinderen</span> gaf de hoofdinhoud daarvan met toelichtingen in &#8217;t Mengelwerk
+der <i>Leeuwarder Courant</i> van 1832, N<sup>o</sup>. 61. De eerste deelde
+de Heer <span class="smcap">van leeuwen</span> ook mede in zijne Aanteekeningen op <i>it aade
+Friesche terp</i>, 418.</p>
+
+<p><a name="Footnote_80" id="Footnote_80"></a><a href="#FNanchor_80"><span class="label">[80]</span></a>
+<i>Charterboek</i>; I 208; <i>Tegenwoordige Staat</i>, I 501.</p>
+
+<p><a name="Footnote_81" id="Footnote_81"></a><a href="#FNanchor_81"><span class="label">[81]</span></a>
+<i>Charterboek</i>, 208, 209, 210, 226, 227.</p>
+
+<p><a name="Footnote_82" id="Footnote_82"></a><a href="#FNanchor_82"><span class="label">[82]</span></a>
+<i>Charterboek</i>, 233-255.</p>
+
+<p><a name="Footnote_83" id="Footnote_83"></a><a href="#FNanchor_83"><span class="label">[83]</span></a>
+Tien dagen na den slag tusschen <i>Stavoren</i> en <i>Warns</i> in 1345
+was &#8217;s Graven lijk gevonden geworden door <span class="smcap">marten</span>, kommandeur der
+St. Jansheeren te <i>Haarlem</i>, die het liet begraven in het Klooster <i>Bloemkamp</i>
+bij <i>Bolsward</i>, van waar het later door <span class="smcap">albrecht</span> naar <i>Valenciennes</i>
+is overgebragt. Onbegraven beteekent hier: in geen vorstelijk
+graf bijgezet.</p>
+
+<p><a name="Footnote_84" id="Footnote_84"></a><a href="#FNanchor_84"><span class="label">[84]</span></a>
+In alle tijden is het voorzeker een blijk van ongemeene
+regtschapenheid, wanneer regenten, overstemd en verpligt zijnde
+een besluit der meerderheid uit te voeren, van welks nadeelige
+strekking zij zich voor hun persoon overtuigd houden, die uitvoering
+op eene waardige wijze volbrengen, zelfs met gevaar van het
+leven of het uitzigt op een wissen dood.</p>
+
+<p><a name="Footnote_85" id="Footnote_85"></a><a href="#FNanchor_85"><span class="label">[85]</span></a>
+Zie deze Brieven in het <i>Vriesch Charterboek</i>, I 260-269.</p>
+
+<p><a name="Footnote_86" id="Footnote_86"></a><a href="#FNanchor_86"><span class="label">[86]</span></a>
+Dit is waarschijnlijker dan <span class="smcap">idsinga&#8217;s</span> meening van planken,
+tot bedekking van de kuilen, welke men den Hertog gezegd had,
+dat de Friezen gegraven hadden ter plaatse, waar hij zou landen.</p>
+
+<p><a name="Footnote_87" id="Footnote_87"></a><a href="#FNanchor_87"><span class="label">[87]</span></a>
+Omtrent de krijgstoerustingen van dezen tweeden togt zijn
+er veel meer bescheiden in de Hollandsche, Friesche en andere
+Charterboeken bewaard dan omtrent den eersten. Blijkens deze
+werd er bijzondere zorg gedragen voor bouwmaterialen, doch nog
+meer voor den leeftogt. Omstreeks half Junij werden de personen
+benoemd, die de volgende ambten op de vloot zouden bekleeden,
+als: 2 Admiralen, 2 Bos- en Graafmeesters, 3 Timmermeesters,
+2 Tentmeesters, 2 Tarwe- en Bierkoopers, 2 Ossekoopers,
+2 Wijnkoopers, 2 &#8222;Malvezie, craemcruyt ende cokenkruyt
+besorgers,&#8221; 2 Schape-, 2 Visch- en 2 Boter- en Kaaskoopers, 4
+Meester Ridderen, 5 Meester Knapen, mede belast &#8222;te coopen
+schottelen, azyn, eyer, mostert, turff, ende zout.&#8221; Voorts &#8222;Pentiers,
+Bottelgiers, Cocks en Warderobben, die sullen besorgen
+XII knechten meer dan sy nu hebben, die tortyssen dragen sullen
+voir mynen Heere, ende die vierpannen voor myns Heren tenten
+te vieren, te waecken ende die tenten helpen op te breken.&#8221;&mdash;&#8222;Item,
+sal men hebben vier groote schepen van Amsterdam, ende
+in elck schip vyff ovens; by elcken schepe een schip met meel,
+ende in den grooten schepen sal men leggen die barninge mede te
+backen. Binnen Medenblick sal men een deel ovens stellen, om
+daer brood voor &#8217;t gemeen volck te backen, drie bruyn ende &#8217;t vierde
+witt.&#8221; Doch wij zouden te uitvoerig worden, als wy meerdere
+bijzonderheden tot kenschetsing van dezen togt mededeelden. Van
+wapentuigen of vuurwapenen vindt men hierbij echter nog geen
+spoor vermeld.</p>
+
+<p><a name="Footnote_88" id="Footnote_88"></a><a href="#FNanchor_88"><span class="label">[88]</span></a>
+Zie dit omtrent <i>Leeuwarden</i> in de <i>Geschiedk. Beschrijv.</i> I 55, 372.</p>
+
+<p><a name="Footnote_89" id="Footnote_89"></a><a href="#FNanchor_89"><span class="label">[89]</span></a>
+Zie dit Verdrag in het <i>Charterb.</i> 281; <span class="smcap">sjoerds</span>, <i>Jaarb.</i> IV 127.</p>
+
+<p><a name="Footnote_90" id="Footnote_90"></a><a href="#FNanchor_90"><span class="label">[90]</span></a>
+Dit blijkt uit de stukken <i>Charterb.</i> 289, 290, 298.</p>
+
+<p><a name="Footnote_91" id="Footnote_91"></a><a href="#FNanchor_91"><span class="label">[91]</span></a>
+Zie al die oproepingen in het <i>Charterb.</i> 309-314.</p>
+
+<p><a name="Footnote_92" id="Footnote_92"></a><a href="#FNanchor_92"><span class="label">[92]</span></a>
+Zie deze stukken in het <i>Charterb.</i> 321-325, ook 298. Het
+kasteel, in 1398 gesticht, schijnt dus toen verwoest te zijn geweest.</p>
+
+<p><a name="Footnote_93" id="Footnote_93"></a><a href="#FNanchor_93"><span class="label">[93]</span></a>
+Zie dit Verdrag in het <i>Charterb.</i> 327 en <span class="smcap">sjoerds</span>, <i>Jaarb.</i> IV 225.</p>
+
+<p><a name="Footnote_94" id="Footnote_94"></a><a href="#FNanchor_94"><span class="label">[94]</span></a>
+<span class="smcap">Stijl</span>, <i>Opkomst en bloei der Nederlanden</i>, 2e dr. 59.</p>
+
+<p><a name="Footnote_95" id="Footnote_95"></a><a href="#FNanchor_95"><span class="label">[95]</span></a>
+Zie <span class="smcap">worp van thabor</span>, IV 38, 97; <i>Charterb.</i> 399, 593.</p>
+
+<p><a name="Footnote_96" id="Footnote_96"></a><a href="#FNanchor_96"><span class="label">[96]</span></a>
+<span class="smcap">O. z. van haren</span>, <i>de Geuzen</i>, 15e zang.</p>
+
+</div>
+
+<hr class="footn" />
+
+<h3>21. <i>Oorzaken van het verlies der
+onafhankelijkheid.</i></h3>
+
+<p>Het is inderdaad een opmerkelijk en raadselachtig
+verschijnsel in onze geschiedenis, dat hetzelfde volk,
+hetwelk zijne vrijheid zoo krachtig wist te verdedigen
+tegen vreemden, onderling zoo zwak was, dat het
+misbruik maakte van die vrijheid, door zich daden te
+veroorloven, welke zoodanig streden tegen de maatschappelijke
+orde, dat deze haren ondergang noodwendig moesten
+veroorzaken. Zoodra toch hadden de Friezen geene
+aanvallen van buiten meer te duchten, of zij waren
+op nieuw hevig onder elkander in krijg. Eensgezind
+jegens vreemden, was <i>Friesland</i> sterk; verdeeld en verzwakt
+door partijwoede, bereidde het zelf zijnen val.
+In algemeene trekken hebben wij hier v&oacute;&oacute;r (<a href="#Page_93">bl. 93</a>) over het
+ontstaan en den aard der partijschap tusschen de Schieringers
+en Vetkoopers gesproken; thans willen wij haar laatste
+tijdperk en de vrucht, die ze droeg, kortelijk vermelden.</p>
+
+<p>Na het sluiten van den vrede met Hertog <span class="smcap">albrecht</span>
+<i>van Beijeren</i>, staken de oude verdeeldheden met geweld
+het hoofd weder op, en de bloedige tooneelen van den
+burgerkrijg, tusschen de aanzienlijkste adellijke geslachten,<span class='pagenum'><a name="Page_124" id="Page_124">[124]</a></span>
+kloosters en steden, vertoonden zich op nieuw. Dit was
+zoowel in <i>Friesland</i>, als in <i>Groningen</i> en <i>Oost-Friesland</i>
+het geval, en deze gedienstige naburen hadden
+heimelijke redenen, om hier het vuur der tweespalt bestendig
+aan te blazen. Gesteund door de Keizers, die
+hunne volksvoorregten in de 15<sup>e</sup> eeuw tweemalen bevestigden,
+waren de Friezen op hunne vrijheid zoo fier, dat deze
+in overmoed en bandeloosheid ontaardde. Handhaving
+van orde en rust, en gehoorzaamheid aan de wetten des
+lands zijn toch de eerste pligten van den burger, zullen
+de algemeene vrijheid en welvaart worden bevorderd en
+blijven bestaan; doch waar deze worden geschonden,
+waar ieder zijne persoonlijke vrijheid en willekeur met
+geweld wil doen gelden, en waar alle middelen geoorloofd
+geacht worden, om zijne partij te doen zegepralen,&mdash;daar
+moet de staat te gronde gaan. Zoo ging het vervolgens
+in den loop der onrustige 15<sup>e</sup> eeuw in <i>Friesland</i>.</p>
+
+<p>Gedurende al deze onlusten werd de band tusschen
+de Zeven Vrije Friesche Zeelanden ontbonden. Wel trachtten
+eenige leden daarvan in 1430 nog de oude betrekking
+te vernieuwen, door de belofte van elkander en de onderlinge
+voorregten te zullen beschermen; maar als zij
+deze bescherming verleenden, maakten sommigen daarvan
+dikwijls zulk een misbruik, dat het eene Zeeland over
+het andere begon te heerschen, en dat die hulp alzoo
+duur te staan kwam. Dit deed althans de stad <i>Groningen</i>,
+die in magt en gezag vooral was toegenomen,
+sedert de Opstalboomsche vergaderingen in 1361 derwaarts
+verlegd waren. Terwijl de Schieringers, die meest in
+<i>Westergoo</i> woonden, soms hulp in <i>Holland</i> zochten,
+riepen de Vetkoopers van <i>Oostergoo</i> daarentegen de ondersteuning
+van <i>Groningen</i> in. Gereedelijk voldeed dit
+aan dat verlangen, zoo het slechts in magt of geld daarvoor
+vergoeding ontving. Ja, deze stad wist het met<span class='pagenum'><a name="Page_125" id="Page_125">[125]</a></span>
+allerlei middelen z&oacute;&oacute; verre te brengen, dat zij, gebruik
+makende van de beroeringen, met een aantal edelen en
+geestelijken van <i>Friesland</i> een verbond van bescherming
+aanging, waarbij haar een groot deel der oppermagt zou
+worden opgedragen. Dan de Keizer, wiens toestemming
+daartoe zij eerst listig had verkregen, zond eerst in 1485
+en daarna weder in 1494 gezanten in <i>Friesland</i> tot
+herstel van de rust. Zijn afgezant <span class="smcap">otto van langen</span>,
+Domheer van <i>Ments</i>, verklaarde dat verbond voor nietig,
+en verbood den Groningers, namens den Keizer, zich
+hier eenig regt of gezag aan te matigen<a name="FNanchor_97" id="FNanchor_97"></a><a
+href="#Footnote_97" class="fnanchor">[97]</a>. Vruchteloos
+wendde hij alle moeite aan om de verdeeldheden bij te
+leggen, en den zoo lang verloren vrede te herstellen.
+Op een landsdag te <i>Sneek</i> gehouden en meest door de
+Schieringers bijgewoond, wist hij te bewerken, dat <span class="smcap">juw
+dekama</span>, van <i>Baard</i>, een wijs en vredelievend man, tot
+Potestaat werd verkozen. Doch de Vetkoopers weigerden
+dezen te erkennen, zoodat het vuur der verdeeldheid,
+hetwelk hij getracht had te blusschen, nog meer ontvlamde.
+Al deze maatregelen, om den adel tot rust en
+eendragt te bewegen, werden verijdeld door de verbittering
+dier onbuigzame gemoederen. Met felle woede en
+vreemde hulp vochten de partijen om de zegepraal.&mdash;Terwijl
+dus de Friezen blijken gaven, dat zij zich zelve
+niet meer konden besturen, maar dat zij hunne krachten
+verspilden in onderlingen strijd, zonder op wet, regt of
+orde acht te geven,&mdash;toen behaagde het Keizer <span class="smcap">maximiliaan</span>
+hieraan een einde te maken, door <i>Friesland</i> op te
+dragen, of wel voor ruim 250,000 Goudgld. te verpanden,
+aan den moedigen <span class="smcap">albert</span>, <i>Hertog van Saksen</i>, dien hij,
+onder den titel van <i>Erfpotestaat</i>, het bestuur over dit
+gewest toevertrouwde<a name="FNanchor_98" id="FNanchor_98"></a><a href="#Footnote_98" class="fnanchor">[98]</a>.</p>
+
+<p><span class='pagenum'><a name="Page_126" id="Page_126">[126]</a></span>Op deze wijze ging de aloude Friesche vrijheid voor
+een groot gedeelte verloren, en was het volk genoodzaakt
+een vreemden bestuurder als Heer te erkennen. Die
+vrijheid, eens als blijk van onafhankelijkheid en zelfstandigheid
+zoo hoog geschat, was eene klank, was een
+denkbeeldig, ja zelfs schadelijk voorregt geworden, nadat
+ze was verbasterd in eene vrijheid om elkander schaamteloos
+te plunderen en te vermoorden. Het gezag der
+wetten zweeg toch voor het geweld. Bij velen gold
+toen de regel der losbandigheid:</p>
+
+<div class="poem"><div class="stanza">
+<span class="i0"><i>Mijn rechten zijn mijn wil, mijn wetboek is mijn zwaard.</i><br /></span>
+<span class="i0"><i>Zoo denkt een vrije Fries, zijn eigen Heer en Koning,</i><br /></span>
+<span class="i0"><i>Zoo wars van vleijerij als van ontzagbetooning</i><a
+name="FNanchor_99" id="FNanchor_99"></a><a href="#Footnote_99" class="fnanchor">[99]</a>.<br /></span>
+</div></div>
+
+<p>Die misbruikte vrijheid was een kanker, welke aan den
+Staat knaagde, eene doodelijke wonde gelijk, die tot behoud
+van het gansche ligchaam noodwendig moest worden
+uitgesneden. Door haar te verliezen, zijn nog grootere
+rampen, dan reeds zijn geleden, v&oacute;&oacute;rgekomen. Want
+wij hebben ze niet kunnen vermelden al de bijzondere
+ellenden en gruwelen van roof, moord en brandstichting,
+welke gedurende zoo vele jaren in het nagenoeg regeringlooze
+<i>Friesland</i> de inwoners nood en dood en schade
+berokkenden. Wij hebben gezwegen van de ingewikkelde
+familie-geschillen, waaruit de <i>Donia-oorlog</i> en de <i>twist
+om Bolsward</i> ontstonden<a name="FNanchor_100" id="FNanchor_100"></a><a
+href="#Footnote_100" class="fnanchor">[100]</a>. Wij hebben niet kunnen
+verhalen hoe dikwijls de in bloei en magt toenemende
+steden <i>Leeuwarden</i>, <i>Bolsward</i>, <i>Sneek</i>, <i>Franeker</i>, <i>Slooten</i>
+en andere in hare rustelooze twisten met de woeligste
+edelen <span class="smcap">jelkama</span>, <span class="smcap">camstra</span>,
+<span class="smcap">juckema</span>, <span class="smcap">groustins</span>,
+<span class="smcap">jongama</span>,<span class='pagenum'><a name="Page_127" id="Page_127">[127]</a></span>
+<span class="smcap">harinxma</span>, <span class="smcap">sjaerdama</span> en anderen belegerd, verbrand en
+geplunderd werden; hoe zij op hare beurt de stinzen en
+dorpen verwoestten van die edelen, welke elkander gedurig
+beoorloogden; of welk een rol de Raad van <i>Groningen</i>
+onder dat alles gespeeld heeft.</p>
+
+<p>Voorzeker waren er nog altijd vele welgezinden, die
+de rust poogden te herstellen, en het sluiten van die
+talrijke verbonden van vrede bevorderden, welke er in
+deze eeuw zoo dikwijls tusschen de edelen, grietenijen,
+steden en goo&euml;n werden gesloten, als zoo vele getuigen
+van de goede voornemens en de behoefte aan eendragt
+en rust. Doch hoe spoedig werden ze weer verbroken
+door het geweld, dat sterker was dan de kracht der
+bezegelde zoenbrieven<a name="FNanchor_101" id="FNanchor_101"></a><a
+href="#Footnote_101" class="fnanchor">[101]</a>. Het krijgvoeren was heviger
+geworden, sedert hier omstreeks 1460 het buskruid
+en het gebruik van kanonnen en geweren (destijds
+bussen en roeren genoemd) waren ingevoerd geworden.
+Vreemde woeste soldaten, die de zwakkere partij
+soms tot hulp liet overkomen, brandden en roofden
+op het onveilige land, waar niemand het zijne meer
+rustig bezat. Openbare werken, vaarten en wegen, ja
+zelfs de zeedijken werden ten gevolge der verdeeldheden
+veelal verwaarloosd, zoodat alleen in deze 15<sup>e</sup> eeuw dertien
+overstroomingen de algemeene ellende verzwaarden.</p>
+
+<p>De zucht om de onrustige wereld te ontvlieden bewoog
+vele vromen zich te begeven in de Kloosters, wier
+getal te gelijk met hunne bezittingen toenamen; terwijl
+anderen vergeving voor gepleegde misdaden zochten te
+bekomen, door het schenken van giften aan de geestelijkheid
+of tot den opbouw van forsche Kerkgebouwen, van welke
+er in deze eeuw, vooral in de steden, verscheidene vernieuwd<span class='pagenum'><a name="Page_128" id="Page_128">[128]</a></span>
+en vergroot werden. Hoe zouden kennis en
+wetenschap hebben kunnen toenemen bij een immer krijgvoerend
+volk, dat integendeel door ruwheid en woestheid
+van zeden moest ontaarden. En de heilige godsdienst der
+Christenen, bestemd om door geloof, liefde en hoop het
+leven te veredelen en den geest voor eene betere toekomst
+te vormen, droeg alzoo geene harer waardige vruchten
+voor het maatschappelijk welzijn.</p>
+
+<p>Zulk een toestand van een land kon niet duurzaam
+zijn. Alwat kwaad is verwoest zich zelf. Alleen godsvrucht,
+zedelijkheid en pligtsbetrachting kunnen heilrijke
+en duurzame vruchten dragen tot volksgeluk. Het land
+had rust noodig, waarin het zich zou kunnen herstellen
+en zijne krachten ontwikkelen tot vooruitgang, tot voortdurenden
+wasdom en beschaving. Daartoe werd eene
+gansche verandering van den maatschappelijken toestand
+vereischt. Het verlies der onafhankelijkheid en het bestuur
+van een vreemden Vorst werd hiertoe het middel
+in de hand van Hem, die zelfs de dwalingen zijner
+kinderen dienstbaar maakt aan de bereiking van zijne
+vaderlijke bedoelingen tot hun heil.</p>
+
+<div class="poem"><div class="stanza">
+<span class="i0"><i>Z&oacute;&oacute; dekt de Almagtige zijn wegen;</i><br /></span>
+<span class="i2"><i>Z&oacute;&oacute; is met wijsheid kracht vereend,</i><br /></span>
+<span class="i0"><i>En &#8217;t allergrootste nut gelegen</i><br /></span>
+<span class="i2"><i>In &#8217;t geen de mensch verwarring meent.</i><br /></span>
+<span class="i0"><i>Maar onverwacht zal &#8217;t licht verschijnen,</i><br /></span>
+<span class="i0"><i>Dat alle nevlen doet verdwijnen</i><br /></span>
+<span class="i2"><i>En wijst der Godheid ware re&ecirc;n.</i><br /></span>
+<span class="i0"><i>Leer, stervling! leer altijd te hopen,</i><br /></span>
+<span class="i0"><i>Totdat de tijd uwe oogen open&#8217;</i><br /></span>
+<span class="i2"><i>En toon&#8217;, w&aacute;&aacute;rom gij hebt gele&ecirc;n</i><a
+name="FNanchor_102" id="FNanchor_102"></a><a href="#Footnote_102" class="fnanchor">[102]</a>.<br /></span>
+</div></div>
+
+<hr class="footn" />
+
+<div class="footnote">
+
+<p><a name="Footnote_97" id="Footnote_97"></a><a href="#FNanchor_97"><span class="label">[97]</span></a>
+<i>Charterboek</i>, 754, 758, 760.</p>
+
+<p><a name="Footnote_98" id="Footnote_98"></a><a href="#FNanchor_98"><span class="label">[98]</span></a>
+Zie al de schrijvers aang. op bl. 136 der <i>Geschiedk. Beschrijv.</i> I.</p>
+
+<p><a name="Footnote_99" id="Footnote_99"></a><a href="#FNanchor_99"><span class="label">[99]</span></a>
+<span class="smcap">Van halmael</span>, <i>Ats Bonninga</i>.</p>
+
+<p><a name="Footnote_100" id="Footnote_100"></a><a href="#FNanchor_100"><span class="label">[100]</span></a>
+In de Narede van <a href="#Footnote_63">hier v&oacute;&oacute;r</a> genoemde treurspel en in de
+<i>Friesche Volks-Almanakken</i> van 1841 en 1845 komen omtrent beide
+deze onderwerpen belangrijke berigten voor, indien men deswege
+nader wenscht ingelicht te worden.</p>
+
+<p><a name="Footnote_101" id="Footnote_101"></a><a href="#FNanchor_101"><span class="label">[101]</span></a>
+Eene menigte dezer overeenkomsten tot onderlinge bescherming
+bevat het <i>Charterboek</i> en het Stedelijk Archief van <i>Leeuwarden</i>.</p>
+
+<p><a name="Footnote_102" id="Footnote_102"></a><a href="#FNanchor_102"><span class="label">[102]</span></a>
+<span class="smcap">O. z. van haren</span>, in den aanhef van <i>de Geuzen</i>. Zie ook
+<i><a href="#Aant14">Aanteekening 14</a></i>.</p>
+
+</div>
+
+<hr class="footn" />
+
+<p class='pagenum'><a name="Page_129" id="Page_129">[129]</a></p>
+<h2><a name="Tijdvak3" id="Tijdvak3"></a>DERDE TIJDVAK.</h2>
+
+<p class="chaptitle">FRIESLAND BESTUURD NAMENS
+VREEMDE VORSTEN.</p>
+
+<p class="chapsubtitle">VAN DE AANNEMING VAN HERTOG ALBERT VAN SAKSEN,
+TOT ERFPOTESTAAT VAN FRIESLAND, TOT DE
+HERVORMING IN KERK EN STAAT.</p>
+
+<p class="chapdescrip"><i>Van het jaar 1498 tot 1580.</i></p>
+
+<p class="figcenter"><img src="images/lijn3.png" alt="Versiering" width="100" height="12" /></p>
+
+<h3>22. <i>Friesland onder het bestuur der Hertogen
+van Saksen. (1498-1515.)</i></h3>
+
+<p><span class="smcap">Albert</span> of <span class="smcap">albrecht</span>, <i>Hertog van Saksen-Meissen</i>, een
+der grootste veldheeren van zijn tijd, zonder wien een
+tijdlang geen krijg in <i>Duitschland</i>, <i>Hongarije</i>, <i>Itali&euml;</i>
+en <i>Nederland</i> werd gevoerd; de man, die de regterhand
+des Keizers genoemd werd en wegens zijne onversaagde
+krijgsbedrijven alom was ontzien, had gedurende de
+minderjarigheid van <span class="smcap">filips</span> II, door het bedwingen van
+de oproerige Vlamingen en door het dempen van den
+opstand van het Kaas- en Broodsvolk in <i>Holland</i>, dezen
+Graaf groote diensten bewezen. Het bleek alras, dat
+<span class="smcap">albert</span> niet gezind was met ledige handen te vertrekken,
+dewijl ook een hevige brand, welke de stad <i>Dresden</i>
+in 1491 voor een groot gedeelte verteerde, zijne middelen
+had uitgeput. 300,000 Rijnsche guldens was de
+schuldvordering, welke hij, wegens achterstallige soldij
+aan zijne krijgsknechten, inbragt. Des Graven vader,<span class='pagenum'><a name="Page_130" id="Page_130">[130]</a></span>
+Keizer <span class="smcap">maximiliaan</span>, dien het immer aan geld, doch zelden
+aan beraad ontbrak, wist geen beter middel om zich
+uit deze verlegenheid te redden, dan door den Hertog,
+tegen teruggave van de Hollandsche sloten, voor deze som
+verpand, met het Erfstadhouderschap over <i>Friesland</i> te
+beleenen, indien hij slechts kans zag, van dat gewest
+meester te worden. Reeds had hij dit zes jaren
+lang beproefd, door onderhandelingen en het heimelijk
+ondersteunen van de zwakkere partij der Schieringers, toen
+deze eindelijk, in 1498, openlijk zijne hulp inriepen
+tegen de Vetkoopers, die de Groningers tot steun hadden.
+Z&oacute;&oacute; hoog waren toen de partijschappen gestegen,
+dat men tot zulk een wanhopig middel overging, en
+(even als driehonderd jaren later) om zijne partij te
+doen zegepralen, liever vrijheid en vaderland prijs gaf
+aan vreemden, dan zich onderling te verstaan en vrede,
+eendragt en rust na te jagen!</p>
+
+<p><span class="smcap">Albert</span> zond nu spoedig zijn krijgsbevelhebber, Graaf
+<span class="smcap">willebrord van schaumburg</span>, als stedehouder, met een
+leger van 2 &agrave; 3000 man naar <i>Friesland</i>. Weinig moeite
+kostte het dezen, de steden en grietenijen van <i>Westergoo</i>
+te bemagtigen, en zijn Vorst d&aacute;&aacute;r te doen erkennen.
+Doch het meer Vetkoopersgezinde <i>Oostergoo</i> en vooral
+het afgelegene <i>Zevenwouden</i> moesten met kracht van
+wapenen daartoe gedrongen worden. Zelfs werd <i>Leeuwarden</i>
+tweemalen door hem belegerd, v&oacute;&oacute;r het zich
+overgaf en het gezag des Hertogs erkende. Tot versterking
+van deze aanzienlijkste der toenmalige steden
+liet hij daar een groot kasteel, blokhuis of legerplaats
+bouwen, ter vestiging en bescherming van het opgedrongen
+gezag.</p>
+
+<p>In Junij van het volgende jaar, 1499, kwam <span class="smcap">albert</span>
+zelf met zijn zoon <span class="smcap">hendrik</span> in <i>Friesland</i>, om het bestuur
+des lands te regelen. Hiertoe stelde hij een Provincialen<span class='pagenum'><a name="Page_131" id="Page_131">[131]</a></span>
+Raad van elf edelen in, met zijn kanselier <span class="smcap">sigmundt
+phlug</span> aan het hoofd. Aan dezen Raad, te <i>Franeker</i>
+op <i>Sjaerdama-huis</i> gezeteld, was zoowel het bestuur
+van het land als de uitoefening van het regt opgedragen.
+Nadat hij in de kerk van <i>Oldehove</i> te <i>Leeuwarden</i> met
+veel luister tot Landsheer was gehuldigd, vertrok hij
+naar <i>Groningen</i>, dewijl hij ook dat gewest, hem mede
+door den Keizer geschonken, had te bemagtigen.</p>
+
+<p>Hij had hier zijn zoon <span class="smcap">hendrik</span> ter uitoefening van het
+bewind achtergelaten; doch deze was jong, onbedreven
+en heerschzuchtig. Hij handelde voor &#8217;t minst zeer
+onvoorzigtig en verkeerd, toen hij de Friezen met strengheid
+wilde besturen, en de uitschrijving van belastingen
+met scherpe bedreigingen deed gepaard gaan.
+Hierdoor bedierf hij de zaak zijns vaders in eens z&oacute;&oacute;danig,
+dat hij zich gehaat maakte bij vele Friezen, die
+ook toen weder hun volksaard toonden, door afkeerigheid
+van dwang en harde middelen, waardoor zij immer
+veel minder werden gewonnen als door redelijke overtuiging
+en zachte behandeling. Reeds in den volgenden
+jare, 1500, kwamen zij in verzet, weigerden de gevorderde
+belasting te voldoen, schoolden bijeen en bragten weldra
+eene groote magt onder de wapenen, waarmede zij den
+Hertog in <i>Franeker</i> (van half Mei tot half Julij) belegerden,
+met oogmerk, om zich spoedig van dezen nieuwen
+Heer te ontslaan. Hoewel het getal dier misnoegden
+wel op 16,000 begroot werd, was er zoo weinig orde
+en bestuur onder, dat zij het zwakke stadje niet eens
+konden bemagtigen, en zich eerlang verstrooiden, toen
+ALBERT zelf met eene legermagt van 5 &agrave; 6000 man tot
+ontzet kwam opdagen. Na over deze schending van zijn
+gezag wreede strafoefening gehouden te hebben, vertrok
+hij weder naar het beleg van <i>Groningen</i>, doch overleed
+kort daarna te <i>Emden</i> (12 Sept. 1500).</p>
+
+<p><span class='pagenum'><a name="Page_132" id="Page_132">[132]</a></span>Vervolgens werd <i>Friesland</i> gedurende drie jaren op
+naam van Hertog <span class="smcap">hendrik</span> en zijnen broeder <span class="smcap">georg</span>
+<i>van Saksen</i> door den Stadhouder <span class="smcap">hugo</span> <i>van Leijsenach</i>
+bestuurd. Niet voor Mei van den jare 1504 kwam
+Hertog <span class="smcap">georg</span> zelf in <i>Friesland</i> en all&eacute;&eacute;n aan de regering.
+Eerst toen werd het landsbestuur met kracht aangevat,
+en werden er nuttige maatregelen tot stand gebragt.
+Als een verstandig man doorzag hij terstond de behoeften
+des lands, en met een krachtigen wil beraamde hij dadelijk
+de middelen, om daarin te voorzien, ten einde,
+door het invoeren van verbeteringen, orde en regel in
+het bestuur te brengen en het wezenlijk belang der ingezetenen
+te bevorderen. Zoo vaardigde hij in 1504 de
+bekende <i>Ordonnantie van Saksen</i> uit, welke uitvoerige
+bepalingen ter uitoefening van het regterlijk en burgerlijk
+bestuur, zoowel door het Hof als in de grietenijen
+en dorpen en in de steden, bevatte. De uitvoering
+daarvan werd opgedragen aan een opperste Geregtshof,
+waarvoor te <i>Leeuwarden</i> naast het Blokhuis eene Kanselarij
+werd gebouwd. Ook werd er eene Munt opgerigt
+in deze zelfde stad, welke d&aacute;&aacute;rdoor het aanzien
+van Hoofdstad van <i>Friesland</i> bekwam. Vervolgens
+voerde hij strenge bepalingen in tot herstel van de
+zoo deerlijk verwaarloosde zeedijken. De belangrijke
+aanslijking van <i>het Bildt</i>, welke zijn vader reeds in
+bezit had genomen, liet hij verpachten om bedijkt te
+worden. Bijna toegegroeide of onbevaarbare kanalen,
+als de Ee tusschen <i>Leeuwarden</i> en <i>Dokkum</i> en andere,
+welke mede gedurende de onlusten zoo lang waren verwaarloosd,
+werden uitgediept. Tusschen <i>Leeuwarden</i> en
+<i>Franeker</i>, <i>Sneek</i> en <i>Bolsward</i>, werden onder zijn
+bestuur breede vaarten deels gegraven, deels verbeterd,
+waardoor zoowel de gemeenschap te water tusschen
+de voornaamste steden als de afstrooming zeer<span class='pagenum'><a name="Page_133" id="Page_133">[133]</a></span>
+werden bevorderd. Hij drong aan op het eenparig gebruik
+van maten en gewigten, en, terwijl de Friezen
+stellig weigerden aan zijne begeerte te voldoen ter invoering
+van het Leenstelsel, regelde hij de belasting op
+de vastigheden door de invoering van de Floreenrente,
+welke nog eeuwen lang daarna de grondslag der heffingen
+bleef en zulks ten deele nog is<a name="FNanchor_103"
+id="FNanchor_103"></a><a href="#Footnote_103" class="fnanchor">[103]</a>.</p>
+
+<p>Door de invoering van al deze en meerdere verbeteringen
+mogt Hertog <span class="smcap">georg</span> met regt een weldoener van
+<i>Friesland</i> genoemd worden. Bovendien trof het hoogst
+gelukkig, dat de uitvoering daarvan werd voorbereid door-
+en voor een groot deel opgedragen was aan een Stadhouder,
+als <span class="smcap">hendrik</span>, <i>Graaf van Stolberg</i>, die reeds in 1501
+herwaarts kwam en van 1505 tot 1508 &#8217;s Hertogen plaatsbekleeder
+was. Een man, wiens naam wij met liefde en
+hoogachting noemen; van wien wel geene roemruchte
+heldendaden bekend zijn, maar die de lofspraak zijner
+tijdgenooten verdiende, dat hij alles deed wat de rust
+des lands, de welvaart der ingezetenen en de eer van
+zijnen Vorst kon bevorderen. Als &raquo;een goed, regtvaardig
+en onpartijdig regent en als een braaf Christen, die
+God boven alle menschen ontzag en zijnen pligt en het<span class='pagenum'><a name="Page_134" id="Page_134">[134]</a></span>
+land lief had,&#8221; werd hij door de Friezen bemind en
+vereerd. En toen hij, die reeds in 1509 te <i>Keulen</i>
+overleed, in de Groote Kerk te <i>Leeuwarden</i> met groote
+plegtigheid begraven werd, was de algemeene droefheid
+over zijnen dood eene waardige hulde aan zijne deugden
+en verdiensten.</p>
+
+<p>Hoe vele redenen hadden de Friezen dus niet, om het
+verlies van hunne onafhankelijkheid en het bestuur van
+een vreemden vorst te zegenen! Zij waren billijk genoeg,
+dit dan ook werkelijk te doen. Zij haalden adem
+na zoo langdurige vermoeijenissen van den krijg. Zij
+dankten God, zegt een tijdgenoot, onder zulk eene rustige
+regering te mogen leven, daar zij vergaten wat er vroeger
+al droevigs gebeurd was<a name="FNanchor_104" id="FNanchor_104"></a><a
+href="#Footnote_104" class="fnanchor">[104]</a>. Want toen eerst werden er in
+<i>Friesland</i> rust en maatschappelijke orde, regt en veiligheid,
+zoo groote voorregten eens burgers! verkregen.
+Landbouw en handel konden zich ongestoord ontwikkelen;
+godsdienst en zedelijkheid werden aangekweekt, en
+de welvaart der ingezetenen nam toe onder begunstiging
+van vrede en van een regtvaardig en zorgvol landsbestuur,
+dat zijne plannen tot verbetering met klem en kracht
+doorzette. Hoe jammer, dat die gelukkige toestand
+slechts weinige jaren duurde, en dat de menschelijke
+driften, uit verschil van meeningen en belangen ontstaan
+en door heillooze partijschappen gevoed, weldra op nieuw
+al de ellenden van den oorlog deden gevoelen.</p>
+
+<p><span class="smcap">Everwijn</span>, <i>Graaf van Benthem</i>, in 1509 de opvolgende
+Stadhouder, was niet zoo rustig en verstandig als
+zijn voorganger, en mogt de genegenheid der Friezen
+niet verwerven. Integendeel, door het uitschrijven van
+drukkende schattingen, ook ten behoeve van den vruchteloozen
+oorlog ter bemagtiging van <i>Groningen</i>, en door<span class='pagenum'><a name="Page_135" id="Page_135">[135]</a></span>
+andere maatregelen verbitterde hij het volk. Het griefde
+hen evenzeer, dat hij twee voorname edelen, <span class="smcap">gerbrand
+mockema</span> en <span class="smcap">jemme herjuwsma</span>, van heimelijke verstandhouding
+met den Graaf van <i>Oost-Friesland</i> beschuldigd
+en overtuigd, in 1512 te <i>Leeuwarden</i> liet onthoofden.
+Het zwaard, dat door hunne halzen ging, wondde ook
+de harten des volks en sneed de genegenheid af, welke
+men den Saksischen Vorst tot dusver had toegedragen.
+Men haakte naar verandering, en meende daartoe hulp
+te zullen bekomen van den Hertog van <i>Gelder</i>, die ze
+gereedelijk beloofde, en zelfs voorgaf de Friezen behulpzaam
+te willen zijn in het terugbekomen hunner
+onafhankelijkheid. In dien drang van omstandigheden
+vond Hertog <span class="smcap">georg</span> <i>van Saksen</i> het geraden, zich veilig
+terug te trekken, en zijn regt op het bewind over
+<i>Friesland</i> in 1515 voor 100,000 Goudgld. over te dragen
+aan <span class="smcap">karel</span> <i>van Oostenrijk, Graaf van Holland</i><a name="FNanchor_105"
+id="FNanchor_105"></a><a href="#Footnote_105" class="fnanchor">[105]</a>.</p>
+
+<hr class="footn" />
+
+<div class="footnote">
+
+<p><a name="Footnote_103" id="Footnote_103"></a><a href="#FNanchor_103"><span class="label">[103]</span></a>
+Bij gebrek van een ordelijken maatstaf was de grondbelasting
+tot dusverre zeer onevenredig geheven. Daarom liet de Hertog over
+geheel <i>Friesland</i> Cohieren aanleggen, bevattende lijsten van al de
+vastigheden, met bijvoeging van de jaarlijksche huursom (destijds
+rente genaamd) in Goudguldens of Floreenen van 28 stuivers.
+Op ieder dezer Floreenen werd toen eene &#8222;Jaartax&#8221; of schatting
+van 3 stuivers gelegd, welke later, naar de behoeften des lands,
+verhoogd werd, en in de vorige eeuw reeds de hoogte van 2 dukatons
+(&#402;6,30) bereikte. Naar dezen maatstaf werden bovendien vele
+omslagen ten behoeve van het onderhoud van zeedijken en andere
+openbare werken geheven. Zie <i>Charterb.</i> II 13; <span class="smcap">schotanus</span>, <i>Kronyk</i>,
+497; <span class="smcap">foeke sjoerds</span>, <i>Beschrijving</i>, I 881; <i>Tegenw. Staat</i>, IV
+338; <span class="smcap">gratama</span>, <i>Gelukkige toestand van Friesland</i>, Harl. 1795, 32.</p>
+
+<p><a name="Footnote_104" id="Footnote_104"></a><a href="#FNanchor_104"><span class="label">[104]</span></a>
+<span class="smcap">Martena</span>, <i>Landboek</i>, <i>Chart.</i> II 67;
+<span class="smcap">douwama</span>, <i>Geschriften</i>, 135.</p>
+
+<p><a name="Footnote_105" id="Footnote_105"></a><a href="#FNanchor_105"><span class="label">[105]</span></a>
+Zie over <span class="smcap">albert</span> en zijne zonen meer bijzondere berigten
+in <span class="smcap">von langenn</span>, <i>Herzog Albrecht der Beherzte</i>, Leipzig 1838,
+232 env. en <span class="smcap">b&ouml;ttiger</span>, <i>Geschichte des Kurstaates und K&ouml;nigreiches
+Sachsen</i>, Hamburg 1830, I 468-480. Verder <i><a href="#Aant15">Aanteekening 15</a></i>.</p>
+
+</div>
+
+<hr class="footn" />
+
+<h3>23. <i>De Gelderschen in Friesland. (1514-1523.)</i></h3>
+
+<p>Te vergeefs hadden de Hertogen van <i>Saksen</i> lang
+getracht, ook het naburige <i>Groningen</i> en de Ommelanden
+te bemagtigen. Graaf <span class="smcap">edzard</span> <i>van Oost-Friesland</i> ondersteunde
+daartoe de Groningers, omdat hij vreesde,
+dat de Saksers daarna ook de onderwerping van zijn
+land mogten eischen. Tevens begeerde hij zelf het gebied
+over <i>Groningen</i> te bekomen, en, toen zijne krachten
+te kort schoten, zocht hij daartoe hulp bij den listigen
+<span class="smcap">karel</span> <i>van Egmond, Hertog van Gelder</i>. Doch tegen
+dezen heerschzuchtigen en geslepen Vorst was hij niet<span class='pagenum'><a name="Page_136" id="Page_136">[136]</a></span>
+opgewassen. Zij kwamen heimelijk overeen, het wankelende
+Saksische gezag omver te stooten, door Geldersche
+benden in <i>Groningen</i> en <i>Friesland</i> te zenden, waarover
+<span class="smcap">edzard</span> het bevel zou voeren in naam van <span class="smcap">karel</span>, die,
+des verkiezende, zijn gezag weder als leenman aan den
+Koning van <i>Frankrijk</i> zou kunnen opdragen. Doch,
+zoodra <span class="smcap">karel</span> <i>van Egmond</i> een gedeelte der voor zijne
+hulp bedongene som had ontvangen, gebruikte hij juist
+dit, om zoowel den Saks als <span class="smcap">edzard</span> van het gezag te
+ontzetten en zich zelven in beider plaats te vestigen.
+Met list gelukte het hem, den trouwelooze, de Groningers
+in verlegenheid te brengen, en zich door hen als
+Opperheer te doen huldigen. Weinig stoorde hij zich aan
+<span class="smcap">edzard</span>, die over deze misleiding in woede was ontstoken,
+en evenmin aan den Saks, die daarover wraak nam door
+het bedrijven van velerlei wreedheden. Nu rigtte hij al
+zijne krachten naar <i>Friesland</i>, om ook d&aacute;&aacute;r het zelfde
+doel te bereiken, waartoe hij aanleiding vond in het
+verzoek van eenige aanzienlijke Friezen, om hen te hulp
+te komen ter verdrijving van de Saksers.</p>
+
+<p>Ten jare 1514 trok dan een groot getal Geldersche
+soldaten herwaarts. Met weinig moeite namen zij de
+steden en grietenijen van het zuidelijk gedeelte van
+<i>Friesland</i> voor den Hertog van <i>Gelder</i> in. Dit viel
+hun te gemakkelijker, dewijl zij overal voorgaven de
+herstelling van der Friezen vrijheid en ontheffing van de
+hooggestegene schattingen der Saksers aan te brengen.
+En toen eerlang het gerucht werd verspreid, dat de Saks
+<i>Friesland</i> verraden- en aan den Hollandschen Graaf,
+den erfvijand, zoowel van de Friezen als van den Hertog,
+verkocht had, toen bleven er in het noordelijk gedeelte
+van dit gewest slechts drie steden en acht grietenijen
+over, die zich v&oacute;&oacute;r <span class="smcap">karel</span> <i>van Oostenrijk</i> en niet v&oacute;&oacute;r
+den Gelderschen Hertog verklaarden. <i>Sneek</i> werd toen<span class='pagenum'><a name="Page_137" id="Page_137">[137]</a></span>
+de zetel van het Geldersche gezag, dat daar zijn luister
+ten toon spreidde, en van daar talrijke benden uitzond
+ter bemagtiging van de overige deelen des lands.</p>
+
+<p>Op nieuw begon toen het vuur van partijschap en
+burgeroorlog te branden. De Bourgondische partij, die
+den Saks had vervangen, stond nu tegen de Geldersche
+over. Van beide zijden werden gruwelen bedreven, om
+elkander te vernietigen en om meester te worden. Verslagenheid
+en onveiligheid heerschten alom, daar de partijen
+elkander met woede bestreden, vele dorpen uitplunderden,
+kerken en kloosters verbrandden en de ingezetenen beroofden.
+Behalve de Geldersche en de Bourgondische
+knechten, deed dit bovendien inzonderheid eene talrijke
+bende, de <i>Zwarte hoop</i> geheeten, op 5000 man begroot,
+die de Saks onbetaald had achtergelaten, en die d&aacute;&aacute;rom
+zich zelve vergoeding zocht te bezorgen. Ook in
+andere provinci&euml;n bedreef zij schrikkelijken moedwil.
+Talrijke dorpen werden plat gebrand en de landzaten
+met onmenschelijke wreedheid behandeld. Zelfs waagden
+de Gelderschen het in 1516 de stad <i>Leeuwarden</i> met
+eene groote magt aan te vallen en haar acht weken lang
+belegerd te houden. Zij braken echter eerlang op,
+toen Prins <span class="smcap">karel</span> een aanzienlijk leger van 4000 knechten
+en 300 ruiters uit <i>Holland</i> herwaarts zond, dat te
+<i>Harlingen</i> landde en <i>Leeuwarden</i>, den zetel van zijn
+gezag, ontzette. Deze Bourgondische benden deden nu
+herhaalde uitvallen, en bestreden bestendig de Gelderschen,
+die hulp uit <i>Groningen</i> en zelfs uit <i>Frankrijk</i>
+hadden ontvangen. Jaren lang bleef <i>Friesland</i> alzoo
+een twistappel tusschen twee magtige vorsten, van wier
+woeste benden de lijdelijke ingezetenen alles kwaads
+hadden te verduren, zonder dat zij iets konden doen,
+om zich van dezen last te ontslaan. Eerst met den jare
+1522 verkeerde de kans. De Hertog van <i>Gelder</i>, hoe<span class='pagenum'><a name="Page_138" id="Page_138">[138]</a></span>
+moedig ook, en gewoon zich met geringe middelen tegen
+den magtigsten te meten en voor geene gevaren terug
+te deinzen, liet toen eindelijk zijne aanspraken op dit
+gewest varen, dewijl hij inzag, zich op den duur niet
+te kunnen staande houden tegen den magtigen Graaf van
+<i>Holland</i>, die intusschen ook <i>Koning van Spanje</i> en
+<i>Keizer van Duitschland</i> was geworden, en die als <span class="smcap">karel</span>
+<i>de vijfde</i> spoedig door wapenfeiten schitterde en door
+aanzien en vermogen algemeen ontzien en ge&euml;erd was.</p>
+
+
+<h3>24. <i>Krijgsbedrijven van Groote Pier.
+(1515-1520.)</i></h3>
+
+<p>Bij al het plunderen en brandschatten van het platte
+land was ook de kerk en de buurt van het dorp <i>Kimswerd</i>
+bij <i>Harlingen</i> in 1515 door de uit <i>Holland</i>
+overgekomene Bourgondische benden in asch gelegd.
+Daar woonde destijds een bemiddeld man, die zijn verlies
+en geleden hoon op eene geduchte wijze wilde wreken.
+Wegens zijne lange gestalte, sterkte en forsch voorkomen
+was hij onder den naam van <span class="smcap">lange</span> of <span class="smcap">groote pier</span> bekend,
+hoewel hij waarschijnlijk een edelman was uit het
+geslacht <span class="smcap">van heemstra</span><a name="FNanchor_106"
+id="FNanchor_106"></a><a href="#Footnote_106" class="fnanchor">[106]</a>. Hij wordt beschreven als een
+rijzig zwart man, met groote oogen, breede schouders
+en langen baard, gruwelijk van aanzien, bijzonder als
+hij toornig was. Met velen uit den omtrek, die, even
+als hij, hunne have hadden verloren en van wraakzucht
+gloeiden, spande hij za&acirc;m, en bragt weldra een legertje
+van omstreeks 600 man bijeen, dat eerlang, wegens
+koene bedrijven, den naam van de <i>Arumer Zwarte</i><span class='pagenum'><a name="Page_139" id="Page_139">[139]</a></span>
+<i>hoop</i> verkreeg. Met zulk een wakker man als <span class="smcap">pier</span> en zijn
+niet minder kloeken neef <span class="smcap">groote wierd</span> (<span class="smcap">jelckama</span>) aan het
+hoofd, maakten zij er hun eerste werk van, de Saksische
+benden na te zetten en uit <i>Friesland</i> te verdrijven. Vervolgens
+bestreden zij vol moed de door den Graaf van <i>Holland</i>
+herwaarts gezondene knechten, en verder allen, die zij
+meenden, dat de rust en de vrijheid des lands belaagden.
+Het was hun eenigste begeerte en ernstig streven, om
+alle vreemde vorsten en magten te doen wijken en de
+vroegere onafhankelijkheid des lands op nieuw te vestigen.</p>
+
+<p>Gereedelijk vereenigden zij zich dus met de magt van
+den Hertog van <i>Gelder</i>, wiens vriendelijke woorden en
+beloften, dat hij de Friesche vrijheid in eere herstellen
+zou, zij zoo gaarne geloofden, omdat zij niets vuriger
+wenschten. Doch die Hertog van <i>Gelder</i> vereenigde zich
+ook gaarne met hen, zoowel tot versterking van zijne
+krachten, als omdat hij deze onverschrokken Friezen
+zou hebben te vreezen, indien slechts het vermoeden bij
+hen oprees, dat hij heimelijk niets vuriger wenschte,
+dan om ook Heer van <i>Friesland</i> te worden, gelijk hij
+reeds van <i>Groningen</i> was. D&aacute;&aacute;r had sluwheid zijner
+heerschzucht de hand geboden, om een mededinger als
+Graaf <span class="smcap">edzard</span> den voet te ligten. Hier kon <span class="smcap">pier</span> hem
+even gevaarlijk worden en zijne plannen verijdelen; en
+daarom scherpte hij zijn vernuft om nu ook dezen uit
+den weg te zetten, ten einde hem onschadelijk te maken,
+doch tevens aan zich verbonden te houden tot bereiking
+van zijne bedoelingen. En inderdaad, dit gelukte den
+geslepen Gelderschman boven verwachting.</p>
+
+<p>Drie middelen had hij daartoe in zijne magt. Het
+eerste was: den haat, welken de Friezen, even als hij,
+de Hollanders toedroegen, zoowel van ouds als wegens
+de verwoestingen, welke de uit <i>Holland</i> overgezonden
+benden nu allerwege hadden aangerigt. Het tweede was:<span class='pagenum'><a name="Page_140" id="Page_140">[140]</a></span>
+hunne vrees, dat zij, wier vaderen zoo vele eeuwen
+tegen de Hollandsche Graven met leeuwenmoed hadden
+gestreden, nu eindelijk door hen overheerscht zouden
+worden, dewijl de gehate Saks op eene, in hun oog,
+verraderlijke wijze <i>Friesland</i>, <span class="gesp">voor geld!</span> had verkocht
+aan Prins <span class="smcap">karel</span> <i>van Oostenrijk</i>, Gelders erfvijand
+en nu zijn mededinger om een land, dat hij hem betwisten
+zou, zoolang zijne vuist het zwaard kon voeren.
+Het derde middel was: eene vrij aanzienlijke vloot,
+welke hij op de Zuiderzee had toegerust en bemand, met
+oogmerk, om d&aacute;t <i>Holland</i> te tuchtigen en afbreuk te
+doen, waar hij kon. Jaren lang had hij dit reeds gedaan,
+zoowel te land als te water, met eene woede,
+die alom vrees en verbazing wekte. Sedert 1492 hadden
+<span class="smcap">karel&#8217;s</span> grootvader en vader hem het regt op <i>Gelder</i>
+en <i>Zutphen</i> betwist, hoewel hij zich daarin door kracht
+van wapenen wist staande te houden. Immer vonden
+zij in hem een onverschrokken en listig vijand te bestrijden,
+die zelfs Fransche hulpbenden in dienst had,
+en die <i>Holland</i> voor der Gelderschen invallen bestendig
+&raquo;in de uiterste bekommering&#8221; hield. Sinds hij in 1504
+te <i>Harderwijk</i> eene vloot uitrustte, had hij het vooral
+op de rijkgeladene koopvaardijschepen der Hollanders
+gemunt<a name="FNanchor_107" id="FNanchor_107"></a><a href="#Footnote_107"
+class="fnanchor">[107]</a>. Mogt zijn eerste scheepstogt, in laatstgenoemd
+jaar, voor <i>Monnikendam</i>, mislukken, hij stelde
+zich later daarvoor ruimschoots schadeloos door herhaalde
+strooptogten en plunderingen. Zoowel op de Zuiderzee<span class='pagenum'><a name="Page_141" id="Page_141">[141]</a></span>
+als op den Rijn, zoowel in <i>Overijssel</i> als in <i>Utrecht</i>
+streefde de onvermoeide krijger naar buit of gezag, en
+waagde het zelfs in 1507 en op nieuw in 1512 <i>Amsterdam</i>
+aan te vallen, de voorstad in brand te steken en 22
+koopvaardijschepen in vlammen te doen opgaan<a name="FNanchor_108" id="FNanchor_108"></a><a
+href="#Footnote_108" class="fnanchor">[108]</a>. Dat
+zulk een man, die lang de gave bezat, zich bij het
+volk bemind te maken; die te <i>Groningen</i> zich als Opperheer
+en in <i>Utrecht</i> als Beschermheer erkend zag;
+die zijne Staten uitbreidde en het magtige <i>Holland</i> <span class="gesp">v&#307;ftig</span>
+jaren lang trotseerde en groote schade berokkende,&mdash;dat
+zulk een man <i>Friesland</i> in dien toestand niet dadelijk
+bemagtigd heeft, en het zelfs nimmer geheel heeft
+kunnen magtig worden, is altijd hoogst bevreemdend.</p>
+
+<p>In zijnen toestand en voor zijn belang was het destijds
+weder eene gelukkige greep, dat hij <span class="smcap">pier</span> wist over
+te halen, om zich met zijne manschap te begeven op
+de Geldersche vloot, en om, onder den grootschen titel
+van <i>Admiraal der Zuiderzee</i>, het opperbevel daarvan
+te aanvaarden. Op die wijze schikte hij deze vrijheidlievende
+landzaten niet enkel van de hand, ten einde
+hier des te beter zijne bedoelingen na te jagen; maar
+zij konden hem met-een dienen, om het Bourgondische
+huis, dat hij een erfhaat had gezworen, te vernederen,
+om <i>Holland</i> te beschadigen en om de hulp van krijgsbehoeften
+en levensmiddelen, welke van daar naar<span class='pagenum'><a name="Page_142" id="Page_142">[142]</a></span>
+<i>Harlingen</i> werd gezonden, tot ondersteuning van <span class="smcap">karel&#8217;s</span>
+benden in <i>Friesland</i>, te onderscheppen en tot eigen
+voordeel aan te wenden. Deze laatste oogmerken waren
+genoeg, om <span class="smcap">pier</span> en de zijnen te bewegen, den voorslag
+aan te nemen en zich te scheep te begeven. Niets meer
+te verliezen hebbende, kenden zij ook geene eervoller
+taak dan het vernederen van de vijanden huns vaderlands,
+welks vrijheid toch in eere hersteld zou worden door
+den Hertog van <i>Gelder</i>, die dit zoo dikwijls beloofd had,
+en wiens vleijende woorden en toezeggingen zij niet
+durfden wantrouwen.</p>
+
+<p>En inderdaad <span class="smcap">pier</span> kweet zich zoo stout van zijn last;
+hij zette de taak der Gelderschen zoo krachtig voort,
+en roofde met zoo vele onversaagdheid alles, wat niet tot
+zijne partij behoorde, dat hij in 1517 zijne vloot door
+al de genomene schepen tot 150 kielen, bemand met
+1200 man, zag aangegroeid, en als de geesel der Zuiderzee
+gevreesd werd. Wij zouden te uitvoerig worden,
+indien wij al de bekende bijzonderheden van zijne togten
+en scheepsstrijden hier wilden mededeelen. Zijne daden
+bewezen maar al te zeer, tot welk eene hoogte wraakzucht
+en volkshaat kunnen stijgen, en hoe vele onmenschelijkheden
+krijgers zich durven veroorloven onder de
+leus van voor het vaderland te strijden.</p>
+
+<p>Met zulk eene magt waagde hij het stoute plannen te
+volbrengen. Te vergeefs wapende <i>Holland</i> zich tegen
+der Gelderschen euvelmoed door in de West-Friesche
+zeesteden bestendig schepen tegen hen uit te rusten.
+Het eerste elftal, dat <span class="smcap">pier</span> niet ver van <i>Hoorn</i> ontmoette,
+nam hij prijs. Eene tweede vloot, van 28 zeilen onder
+<span class="smcap">hieronimus snees</span>, met betaling voor het krijgsvolk in
+<i>Friesland</i> in zee gestoken, werd met 18 schepen door
+hem aangevallen, na een bloedig gevecht bemagtigd en
+met 400 gevangenen in triumf te <i>Workum</i> opgebragt.<span class='pagenum'><a name="Page_143" id="Page_143">[143]</a></span>
+Uit <i>Enkhuizen</i> werd eene vloot baarsen en 34 rijnschepen
+afgezonden, om hem te bestrijden, doch ook
+deze werden genomen en deels vernield. Verstoord over
+de trouweloosheid van sommige kooplieden van <i>Medemblik</i>,
+verzamelt hij zijne magt bij <i>de Kuinder</i>, valt
+die stad aan, plundert en verbrandt haar ten deele, en
+keert met buit beladen terug. Ook <i>Hindeloopen</i>, dat
+door een hopman <span class="smcap">tengnagel</span> met 300 Bourgondische
+soldaten was bezet, viel hij heftig aan, drong er binnen,
+en, zonder de inwoners leed te doen, bemagtigde hij den
+vijand, waarvan er 170 in den strijd bleven en de
+overigen vlugtten of gevangen genomen werden. In 1519
+geraakte hij niet ver van <i>Hoorn</i> met overmagtige vijanden
+slaags. Reeds ziet hij een zijner schepen nemen; den
+bevelhebber verdrinken. Nu kent zijne woede en strijdlust
+geene palen. Krachtig spoort hij de zijnen aan. Een
+hevige aanval gelukt, en elf schepen zijn in zijne magt.
+Vijfhonderd Hollanders laat hij over boord werpen; zeilt
+naar <i>Hoorn</i>, dat ingenomen en geplunderd wordt; trekt
+<i>Enkhuizen</i> na het nemen van een schip voorbij; begeeft
+zich weder naar <i>Medemblik</i>, waar hij een viertal
+huizen in brand laat steken, en keert daarop naar
+<i>Friesland</i> terug. Men wil, dat hij ook andere Hollandsche
+plaatsen, als <i>Alkmaar</i>, <i>Beverwijk</i> enz., zou bemagtigd
+hebben, en dat mede de eilanden <i>Texel</i>, <i>Flieland</i> en
+<i>Wieringen</i> veel van zijn volk te lijden hadden. Alwat
+tusschen <i>Holland</i> en <i>Friesland</i> voer, hulken,
+karveelen en boeijers, ja ook Hamburger en andere koopvaardijschepen,
+nam hij prijs of stelde ze op rantsoen.
+Zelfs overwon hij &raquo;een carueell van oerloeghe wuyt Schotlandt,
+dat een Meester ende een Blockhuys op ter zee
+was.&#8221; De buit (dien hij onder zijn volk verdeelde) was
+groot, maar het ontzag, dat hij baarde, was nog grooter<a name="FNanchor_109"
+id="FNanchor_109"></a><a href="#Footnote_109" class="fnanchor">[109]</a>.</p>
+
+<p><span class='pagenum'><a name="Page_144" id="Page_144">[144]</a></span>Dat hij de manschap der overwonnene schepen over
+boord wierp en liet verdrinken, is hem zeer euvel geduid.
+Doch zijne vijanden, die zijn vriend <span class="smcap">offingahuis</span> mishandelden,
+die zijn neef <span class="smcap">groote wierd</span> te <i>Leeuwarden</i> op
+een schavot eerlang deden onthoofden, en die een zijner
+beste kapteins voor zijne oogen in zee wierpen, gaven
+hem daarvan het voorbeeld, en vreeselijk verbitterd volgde
+hij dat na. Het was ook het krijgsregt dier ruwe, immer
+naar wraak hijgende dagen, waarvan de geschiedenis
+van Ne&ecirc;rlands Zeewezen, ook nog veel later, menigvuldige
+voorbeelden heeft<a name="FNanchor_110" id="FNanchor_110"></a><a href="#Footnote_110"
+class="fnanchor">[110]</a>. Doch eerlijk was zulk een dood,
+in vergelijking van de schand- en moordtooneelen,
+welke de Hollandsche benden te gelijker tijd in <i>Friesland</i>,
+in koelen bloede, aanrigtten, zoo als onder anderen
+te <i>Irnsum</i>, waar der bezetting van <i>Douma-huis</i> lijfsgenade
+beloofd was, doch die na de overgave op de wreedste wijze,
+tot 27 personen toe, door beulshanden werd vermoord<a name="FNanchor_111"
+id="FNanchor_111"></a><a href="#Footnote_111" class="fnanchor">[111]</a>.</p>
+
+<p>Nadat <span class="smcap">pier</span> in 1517 de Gelderschen tot verdediging
+van het belegerde <i>Sneek</i> ondersteund- en in het laatst
+van 1519 den Hertog van <i>Gelder</i> op een togt naar <i>Emmerik</i>
+vergezeld had, zien wij hem op eens dat woelig
+krijgstooneel verlaten en zich als stil burger te <i>Sneek</i>
+nederzetten, waar hij reeds in het volgende jaar, 1520,
+overleed. Hij had geen ander doel gehad dan door de
+vernedering van zijne vijanden de vrijheid zijns vaderlands
+te herstellen. Maar toen hij eindelijk de listige handelwijze
+van Hertog <span class="smcap">karel</span> bemerkte en diens bedoeling,
+om zelf Heer van <i>Friesland</i> te worden, doorgrondde,&mdash;toen
+trok hij in teleurgestelde verwachting zich terug,
+om den uitslag van den strijd der partijen af te wachten.<span class='pagenum'><a name="Page_145" id="Page_145">[145]</a></span>
+Ruwe moed en wreede dapperheid moge men hem te
+laste leggen, zonder op de wijze van oorlogvoeren in
+die dagen, ook bij zijne vijanden, acht te geven; de
+haat der door hem zoo fel bestredene Hollanders moge
+invloed gehad hebben op hunne geschiedschrijvers, die
+hem als een onmenschelijk geweldenaar en verachtelijk
+zeeschuimer voorstellen,&mdash;gansch anders is het oordeel
+over hem van land- en tijdgenooten, die met zijn persoon,
+gedrag en omstandigheden bijzonder bekend waren. De
+kloosterbroeder <span class="smcap">peter van thabor</span><a name="FNanchor_112"
+id="FNanchor_112"></a><a href="#Footnote_112" class="fnanchor">[112]</a> noemt hem een man:
+&raquo;forsch van bouw en vervaarlijk van kracht en daardoor
+dapper en fel op zijne vijanden, maar rond en eerlijk
+van inborst en redelijk van hart als een Christen: want
+hij had eene goede meening, om vrij en friesch te wezen
+en het land in goeden staat te brengen en te houden.
+Hij toch was liever bij zijn ploeg gebleven, dan dat hij
+geoorloogd had. Maar dat men hem zijn land niet met
+vrede had laten bebouwen, en zijn huis, dorp en kerk
+verbrand had, d&aacute;t wilde hij wreken zoo veel hij kon en
+mogt.&#8221; Zijne edelmoedigheid betoonde hij ook d&aacute;&aacute;rin,
+dat, toen zijn volk op de Zuiderzee een schip prijs genomen
+had, waarin zich de vrouwen en dochters bevonden van
+zijne vijanden, de vrienden der Saksers, <span class="smcap">hessel martena</span>
+en <span class="smcap">juw botnia</span>, benevens eenige burgers van <i>Franeker</i>,
+hij de stem der wraak smoorde en hen enkel gevankelijk
+naar <i>Sneek</i> liet voeren. Hoe hard hij de Hollanders ook
+viel, omdat zij zijn land bevochten, nogtans kon hij niet
+dulden, dat hun in <i>Friesland</i> door de Gelderschen leed
+werd gedaan gedurende het bestand. Zoo kloekmoedig
+hij jegens den vijand was geweest, zoo rondborstig verweet
+hij de Gelderschen, dat zij de Friezen misleidden,
+en dat zij niet volbragten, wat ze beloofd hadden.<span class='pagenum'><a name="Page_146" id="Page_146">[146]</a></span>
+D&aacute;&aacute;rom vreesden zij hem, die, als een onverbasterde
+zoon der vrijheid, de kenmerken van den echten Fries
+vertoonde, in zucht naar onafhankelijkheid, dapperheid
+en vaderlandsliefde. Daarom verdient zijn naam eene
+eervolle nagedachtenis, en zeggen wij gaarne den dichter
+<span class="smcap">van halmael</span> na:</p>
+
+<div class="poem"><div class="stanza">
+<span class="i0"><i>Die &#8217;t Vaderland in nood beschermt,</i><br /></span>
+<span class="i2"><i>Voor recht en vrijheid strijdt,</i><br /></span>
+<span class="i0"><i>Zich over wee&ucirc;w en wees ontfermt,</i><br /></span>
+<span class="i2"><i>Geweld noch onrecht lijdt;</i><br /></span>
+<span class="i0"><i>Dien, zij hij boer, of edelman,</i><br /></span>
+<span class="i2"><i>Of burger, of soldaat,</i><br /></span>
+<span class="i0"><i>Dien prijs, wat prijzen mag en kan</i><br /></span>
+<span class="i2"><i>Als steunsel van den Staat.</i><br /></span>
+<span class="i0"><i>Dien reik m&#8217; alom, in ieder oord,</i><br /></span>
+<span class="i2"><i>Dat knielt voor God-alleen,</i><br /></span>
+<span class="i0"><i>Den laauwer, die den held behoort,</i><br /></span>
+<span class="i2"><i>En d&#8217; eikenkrans met&eacute;&eacute;n!</i><br /></span>
+</div><div class="stanza">
+<span class="i0"><i>Held Pier, de groote Pier genoemd,&mdash;</i><br /></span>
+<span class="i2"><i>Niet, slechts om lichaamskracht,&mdash;</i><br /></span>
+<span class="i0"><i>Op wiens geboorte ons Kimswert roemt,</i><br /></span>
+<span class="i2"><i>Zij z&oacute;&oacute; door ons herdacht.</i><br /></span>
+<span class="i0"><i>Hij leed van Saksens dwinglandij,</i><br /></span>
+<span class="i2"><i>En Hollands overmoed,</i><br /></span>
+<span class="i0"><i>En vocht zich koen van beiden vrij,</i><br /></span>
+<span class="i2"><i>Ten prijs van goed en bloed.</i><br /></span>
+<span class="i0"><i>Hij zag zijn heerlijk Vaderland</i><br /></span>
+<span class="i2"><i>Gefolterd, overheerd,</i><br /></span>
+<span class="i0"><i>En &#8217;t slagzwaard blonk in &#8217;s landmans hand.</i><br /></span>
+<span class="i2"><i>Hier blijf&#8217; zijn naam vereerd!</i><a name="FNanchor_113"
+id="FNanchor_113"></a><a href="#Footnote_113" class="fnanchor">[113]</a>.<br /></span>
+</div></div>
+
+<hr class="footn" />
+
+<div class="footnote">
+
+<p><a name="Footnote_106" id="Footnote_106"></a><a href="#FNanchor_106"><span class="label">[106]</span></a>
+Dit vermoeden van <span class="smcap">schotanus</span>, op de kaart van <i>Wonseradeel</i>,
+is bevestigd door de berigten in het <i>Stamboek van den Frieschen
+Adel</i>, II, Nalez. 12.</p>
+
+<p><a name="Footnote_107" id="Footnote_107"></a><a href="#FNanchor_107"><span class="label">[107]</span></a>
+Zie <span class="smcap">wagenaar</span>, <i>Vaderlandsche Historie</i>, IV 306, 322, 324,
+die ook vermeldt, dat <span class="smcap">filips</span> in 1504, tot bescherming van de
+Zuiderzee tegen de Gelderschen, te <i>Hoorn</i>, <i>Enkhuizen</i> en <i>Edam</i>
+eenige oorlogschepen uitrustte, en het bevel daarvan opdroeg aan
+een, bij onze schrijvers onbekend gebleven, zeeman <span class="smcap">pieter van
+leeuwarden</span>. Gewis een vreemd verschijnsel, dat de Hollandsche
+Graaf destijds een Fries tot vlootvoogd op zijne schepen aanstelde.</p>
+
+<p><a name="Footnote_108" id="Footnote_108"></a><a href="#FNanchor_108"><span class="label">[108]</span></a>
+<span class="smcap">Wagenaar</span>, <i>Vaderlandsche Historie</i>, IV 375; <span class="smcap">dez.</span> <i>Amsterdam</i>,
+I 210-214; <span class="smcap">van kampen</span>, <i>Geschied. der Nederlanden</i>, I 215-238;
+<span class="smcap">bosscha</span>, <i>Heldendaden</i>, I 120; <span class="smcap">nijhoff</span>, <i>Bijdragen</i>, VIII 66.
+Ik heb dit alles inzonderheid gemeld, om te doen zien, dat al de
+hierna vermelde bedrijven van <span class="smcap">pier</span> tegen <i>Holland</i> niets anders
+waren dan eene voortzetting van hetgeen <span class="smcap">karel</span> <i>van Gelder</i> reeds
+langer dan tien jaren had gedaan, zoodat niet de Friezen, maar
+de Gelderschen oorlog voerden tegen de Hollanders, waarin de
+Friezen slechts als hulpbenden deelnamen.</p>
+
+<p><a name="Footnote_109" id="Footnote_109"></a><a href="#FNanchor_109"><span class="label">[109]</span></a>
+Dus spreekt <span class="smcap">martena</span>, <i>Landboek</i>, <i>Charterb.</i> II 92, 100.</p>
+
+<p><a name="Footnote_110" id="Footnote_110"></a><a href="#FNanchor_110"><span class="label">[110]</span></a>
+<span class="smcap">de jonge</span>, <i>Geschied. v. h. Ned. Zeewezen</i>, I 156, 189, 328, 351.</p>
+
+<p><a name="Footnote_111" id="Footnote_111"></a><a href="#FNanchor_111"><span class="label">[111]</span></a>
+Zie het roerend verhaal dier wreedheden, zoodat zelfs den beul
+&#8222;dat arbeit verdroet,&#8221; bij <span class="smcap">peter van thabor</span>,
+<i>Archief</i>, II 201; <span class="smcap">schotanus</span>,
+<i>Kron.</i> 587; <span class="smcap">jacoby</span>, <i>Kort en Beknopt Chron.</i> Leeuw. 1755, 121.</p>
+
+<p><a name="Footnote_112" id="Footnote_112"></a><a href="#FNanchor_112"><span class="label">[112]</span></a>
+<i>Archief</i>, II 259, waar meerdere bijzonderheden, die hem
+kenschetsen, worden gevonden.</p>
+
+<p><a name="Footnote_113" id="Footnote_113"></a><a href="#FNanchor_113"><span class="label">[113]</span></a>
+<i>Friesche Volks-Almanak</i>, 1837, 98. Verder <i><a href="#Aant16">Aanteekening 16</a></i>.</p>
+
+</div>
+
+<hr class="footn" />
+
+<p class='pagenum'><a name="Page_147" id="Page_147">[147]</a></p>
+
+<h3>25. <i>Frieslands voorspoed onder de regering der
+Stadhouders van Keizer Karel den vijfde.
+(1515-1555.)</i></h3>
+
+<p><i>Keizer</i> <span class="smcap">karel</span> V is een der belangrijkste personen in
+de geschiedenis. In een gewigtig tijdvak, waarin de
+meeste volken van <i>Europa</i>, na langdurige verdrukking van
+wereldlijk en geestelijk gezag, naar meerdere vrijheid en
+verlichting streefden, en waarin de gevolgen der ontdekking
+van <i>Amerika</i> en van de uitvinding der Boekdrukkunst
+gunstig begonnen te werken op handel, welvaart en
+kennis, was hij als Keizer van <i>Duitschland</i>, Koning van
+<i>Spanje</i>, <i>Napels</i>, <i>Sicili&euml;</i>, <i>Mexico</i> en <i>Peru</i>, Hertog van
+<i>Bourgondi&euml;</i>, Graaf van <i>Holland</i> enz. een magtig gebieder
+over vele volken. Als een man van groote bekwaamheden,
+zoowel in de staatkunde als in de krijgskunst, wist hij
+deze landen, door zijne stadhouders of plaatsbekleeders,
+met wijsheid te doen besturen en met kracht tegen zijne
+vijanden te verdedigen. Het gelukte hem het eerst, in
+1543, alle Nederlandsche gewesten (te voren door afzonderlijke
+Heeren bezeten) onder &eacute;&eacute;n Hoofd te brengen,
+waardoor er meer eenheid in het bestuur des lands kwam.
+Bij zijne afwezigheid werden de Nederlanders eerst door
+zijne moei <span class="smcap">margaretha</span> <i>van Oostenrijk</i>, als Gouvernante,
+en sedert 1530 door zijne zuster <span class="smcap">maria</span> <i>van Hongarije</i>
+als Landvoogdes bestuurd.</p>
+
+<hr class="c05" />
+
+<p>Toen <span class="smcap">karel</span> in 1515 <i>Heer van Friesland</i> was geworden,
+zond hij Graaf <span class="smcap">floris</span> <i>van Egmond</i> als zijn Stadhouder
+herwaarts, om bezit van dit land te nemen.
+Doch de Gelderschen hadden zich intusschen van zulk
+een groot gedeelte meester gemaakt, dat alleen de steden
+<i>Leeuwarden</i>, <i>Harlingen</i> en <i>Franeker</i>, benevens slechts
+acht der noordelijkste grietenijen de zijde van <span class="smcap">karel</span>
+kozen<span class='pagenum'><a name="Page_148" id="Page_148">[148]</a></span>
+en hem huldigden. Er kwam alzoo eene groote krijgsmagt
+uit <i>Holland</i> over, zoowel om zijn gezag in deze streken
+te beschermen als om het in andere uit te breiden, en de
+Gelderschen te bestrijden en te verdrijven. Dit ging evenwel
+zeer moeijelijk: want de Gelderschen hadden zich
+z&oacute;&oacute; vast genesteld, en wisten de ingezetenen door allerlei
+schoone beloften z&oacute;&oacute;danig tegen het gezag van den Hollandschen
+Graaf in te nemen, dat <i>Friesland</i> gedurende
+de eerstvolgende jaren op nieuw al de ellenden van een
+binnenlandschen oorlog, van plundering, brand en moord
+had te verduren. Watervloeden en hongersnood verzwaarden
+nog de rampen, die de Friezen moesten lijden,
+omdat twee magtige Vorsten streden om het regt, wie
+hunner hen zou besturen. Dat regt moest hunne
+heerschzucht echter koopen voor het goed en bloed van
+duizenden stille burgers, die er weinig belang bij hadden,
+wie dit kleine hoekje lands bestuurde, zoo het slechts
+een gematigd bestuur ware. Gelukkig, dat de uitslag
+ten gunste van den verstandigsten Vorst was.</p>
+
+<p>Want eerst nadat de opvolgende Stadhouder <span class="smcap">willem</span>
+<i>van Roggendorf</i> (1517) in 1521 vervangen was door
+<span class="smcap">georg schenck</span>, Vrijheer van <i>Toutenburg</i>, werden er
+krachtiger middelen ondernomen ter verdrijving van de
+Gelderschen. De stad <i>Sneek</i>, welke zoo lang hun zetel
+was geweest, werd in 1522 door hen verlaten; <i>Dokkum</i>
+en <i>Bolsward</i> gingen in het volgende jaar over, en in 1524
+kwam geheel <i>Friesland</i> onder het gezag van Keizer
+<span class="smcap">karel</span>, die nu bij traktaat zich verbond, der Friezen
+land, vrijheden en regten te beschermen, en als Erfheer
+hen te doen besturen, tegen het genot van geene
+hoogere belastingen, dan die vroeger onder de Saksische
+regering waren toegestaan<a name="FNanchor_114" id="FNanchor_114"></a><a href="#Footnote_114" class="fnanchor">[114]</a>.</p>
+
+<p><span class='pagenum'><a name="Page_149" id="Page_149">[149]</a></span>Met den jare 1524 werd dus de vrede in <i>Friesland</i>
+hersteld en het bestuur des lands op een eenparigen
+voet geregeld. Terwijl andere provinci&euml;n van ons vaderland,
+als <i>Groningen</i>, <i>Utrecht</i>, <i>Overijssel</i> en <i>Gelderland</i>,
+nog bijna twintig jaren lang de twistappels der
+strijdende partijen bleven, hadden de Friezen het geluk,
+toen reeds het genot te bekomen van de grootste der
+maatschappelijke voorregten: van vrede en veiligheid en
+van orde in bestuur en regtspleging, die welvaart en
+vooruitgang ten gevolge hadden. De gunst van den
+nieuwen landsheer was der getrouw geblevene steden
+<i>Leeuwarden</i>, <i>Harlingen</i> en <i>Franeker</i> al spoedig gebleken,
+door het ontvangen van belangrijke giften en
+voorregten, die haren bloei konden bevorderen, en waardoor
+zij mede in staat gesteld werden hare vestingwerken te
+versterken. Ook andere steden werden vervolgens met
+zulke privilegi&euml;n begiftigd. Klemmende bepalingen werden
+er gemaakt tot beter onderhoud van zeedijken, sluizen
+en vaarten. Nieuwe wegen werden er aangelegd en bestaande
+verbeterd, vooral om den toegang naar de Hoofdstad
+gemakkelijker te maken. Eene nieuwe Munt en
+Leerschool werden d&aacute;&aacute;r opgerigt. Nuttige verordeningen
+ten aanzien van zeevaart en handel bevorderden den uitvoer
+van boter, kaas, granen, vleesch, visch en andere voortbrengselen
+des lands naar <i>Bremen</i>, de Oostzee en elders,
+zoodat er leven en verkeer, voorspoed en weelde ontstond,
+welke in alle rangen en standen van gunstigen invloed
+waren. Zoowel op het land als in de steden werd er
+een aantal aanzienlijke gebouwen, gestichten, kerken en
+torens gebouwd of vernieuwd, welke blijken droegen van
+moed, kracht en overvloed, waardoor men ook opgewekt
+werd kunsten en wetenschappen te beoefenen. Rustig
+en gelukkig waren dus de jaren, waarin de genoemde
+Stadhouder <span class="smcap">schenck</span> dit gewest vervolgens
+bestuurde.<span class='pagenum'><a name="Page_150" id="Page_150">[150]</a></span>
+Ook zijne opvolgers, <span class="smcap">maximiliaan</span> <i>van egmond</i>, Graaf van
+<i>Buren</i> (1540) en <span class="smcap">johan</span> <i>van ligne</i>, Graaf van <i>Aremberg</i>
+(1548), wisten zoowel de belangen van hunnen Heer als
+die der ingezetenen met ijver te bevorderen. Want in dit
+tijdperk van vrede en voorspoed, waarin de Nederlandsche
+gewesten, eindelijk onder &eacute;&eacute;n Heer vereenigd, &eacute;&eacute;n,
+elkander niet meer vijandig, geheel vormden, werden
+velerlei burgerlijke betrekkingen geregeld, de bronnen van
+bestaan ontwikkeld, kennis en beschaving gekweekt en
+onderling verkeer en vriendschappelijke toenadering bevorderd.
+De moed tot groote ondernemingen werd opgewekt.
+Zoo werden ook vele dorre hooge veengronden in het
+zuidoosten van <i>Friesland</i> in dezen tijd in vruchtgevende
+akkers herschapen, door ze af te graven, den turf te vervoeren,
+groote vaarten aan te leggen en de afgegravene landen
+te ontginnen. Deze verveeningen, reeds vroeger begonnen,
+doch daar eerst toen op eene groote schaal voortgezet door
+den Raadsheer <span class="smcap">pieter van dekama</span> en andere Heeren,
+hebben den oorsprong gegeven aan het vlek <i>Heerenveen</i>,
+de vruchtbaarheid van dat oord bevorderd, en daar leven
+en werkzaamheid bij groote voordeelen aangebragt.&mdash;Aldus
+werden de krachten en de geest der ingezetenen
+ontwikkeld en bereid, om in een volgend tijdperk vatbaar
+te zijn voor het genot van nog grootere voorregten, als
+burgers en als christenen.</p>
+
+<hr class="c05" />
+
+<p>Het midden der 16<sup>e</sup> eeuw biedt alzoo een geschikt
+tijdpunt aan, om een overzigt te geven van den toenmaligen
+toestand des lands en de zeden der inwoners.
+Wij zullen daarbij niet het oordeel van latere schrijvers,
+maar de eenvoudige beschrijving van een tijdgenoot volgen.
+Daar die schrijver, <span class="smcap">worp van thabor</span>, in 1538 overleed,
+zal deze schets welligt op omstreeks 1530 moeten worden
+toegepast. Des te meer zullen wij ons moeten verwonderen<span class='pagenum'><a name="Page_151" id="Page_151">[151]</a></span>
+over de sporen van rijkdom en levensgenot, welke
+hij vermeldt. Deze toch zijn zoo vele blijken hoe spoedig
+een klein, doch nijver volk zich weet te herstellen van
+de rampen, welke de verwoestingen des oorlogs zoo vele
+jaren lang hadden te weeg gebragt. Opmerkelijk is het
+tevens, dat de Friezen, ondanks den invloed van de Saksische
+en Bourgondische Vorsten, hunne zelfstandigheid en
+nationaliteit bleven handhaven. Hun volksleven en eigendommelijkheid
+verhief zich steeds krachtig boven allen
+vreemden invloed, hoezeer de uiterlijke vormen van lieverlede
+verzacht en de zeden iets meer beschaafd werden.
+Hunne zedelijke eenheid en kracht wisten ook den volksaard
+en de voorvaderlijke instellingen z&oacute;&oacute; vast te bewaren
+en te beschermen tegen alle staatkundige overheersching,
+dat de pogingen der Stadhouders, om hunne vrijheden
+in te krimpen en de magt des Keizers te vergrooten,
+bij hen immer schipbreuk leden.</p>
+
+<hr class="footn" />
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_114" id="Footnote_114"></a><a
+href="#FNanchor_114"><span class="label">[114]</span></a> Zie <i>Charterb.</i>
+II 143, 436-478; <span class="smcap">winsemius</span> 463; <span class="smcap">schot.</span> 613.</p></div>
+
+<hr class="footn" />
+
+<h3>26. <i>Schets van den Toestand van Friesland,
+omstreeks den jare 1530.</i></h3>
+
+<p>&raquo;<i>Friesland</i> (schrijft <span class="smcap">worp van thabor</span>) is een vlak
+land, zonder bergen, maar rijk in groot en klein vee.
+In dat gedeelte, hetwelk aan den noordelijken oceaan
+grenst, bestaat de grond uit zware klei, vruchtbaar in
+granen, overvloedig in gras, overdekt met weidevelden
+en voor de veeteelt uitnemend geschikt. Vanhier, dat
+die streken ontzaggelijke groote en vette ossen opleveren,
+die door inheemsche en vreemde kooplieden naar elders
+worden uitgevoerd. Bovendien levert dit gedeelte van
+<i>Friesland</i> overvloed van melk, boter en honig op, waarvan
+het vele streken van <i>Nederland</i> voorziet. Het zuidelijk
+gedeelte des lands heeft een meer zandigen grond, en
+is meer geschikt voor graanbouw dan voor veeteelt. Ook<span class='pagenum'><a name="Page_152" id="Page_152">[152]</a></span>
+heeft het meer overvloed van hout. Op vele andere
+plaatsen is de grond moerassig. Aldaar worden kluiten
+aarde (veen) uitgestoken, die, in de zon gedroogd, het
+gebrek aan hout, tot haardbrand, rijkelijk vergoeden;
+anderen evenwel voeden het vuur met gedroogden koemest.
+Overigens telt <i>Friesland</i> slechts weinige steden, maar
+daarentegen des te talrijker dorpen en buurtschappen,
+die, bijna door het gansche land, zoodanig aan elkander
+gerijd zijn, dat men de eene van de andere naauwelijks
+onderscheiden kan. In sommige deelen vindt men uitgestrekte
+en nuttige meren, die overvloed van visch opleveren.
+Bovendien telt dit land, door Gods voorzienige
+zorg, zoo velerlei land- en watergevogelte, welks eijeren
+en vleesch een even voortreffelijk voedsel opleveren, dat
+zelfs aan rijke lekkerbekken niets ontbreekt, om hunnen
+smaak te streelen. Want, om van eenden, ganzen en
+andere soorten van vogels niet te spreken, die in <i>Friesland</i>
+ontelbaar zijn, doch die men ook elders vindt, is er
+hier eene z&oacute;&oacute; groote hoeveelheid zwanen, dat niet slechts
+edelen en vermogenden, tot wier spijs zij meer bijzonder
+behooren, maar zelfs de geringere klassen en de boeren,
+daarvan tot verzadiging toe kunnen eten. <i>Friesland</i>
+brengt derhalve alles wat tot levensonderhoud noodig is
+in den ruimsten overvloed voort; wijn en olie alleen uitgezonderd.&#8221;</p>
+
+
+<h3>27. <i>Schets van de Zeden der Friezen,
+omstreeks den jare 1530.</i></h3>
+
+<p>&raquo;Terwijl ik den lof der Friezen te vermelden en hunne
+zeden te schetsen wensch (dus vervolgt <span class="smcap">worp van thabor</span>),
+verdient te worden opgemerkt, dat de Friezen, hoewel
+zij tot de Germanen gerekend worden, thans door voorkomen,
+taal en zeden ten sterkste van de overige Duitsche<span class='pagenum'><a name="Page_153" id="Page_153">[153]</a></span>
+volken verschillen. Dat verschil bestond reeds bij onze
+vaderen, zoodat een Fries, ver van zijn vaderland verwijderd,
+alleen daaraan gemakkelijk kon gekend worden.
+De oorzaak hiervan meen ik daaruit te moeten verklaren,
+dat de Friezen eertijds weinig omgang met hunne naburen
+hadden. Doch thans zijn zij, ten gevolge van het
+veelvuldig onderling verkeer, naar het uitwendige, meer
+aan de Duitschers gelijk geworden; ofschoon de vrouwen,
+nog tot op den huidigen dag, in kleeding, en vooral in
+kapsels, aanmerkelijk van de vrouwen der naburige volken
+verschillen.</p>
+
+<p>De Friesche landlieden overtreffen echter die van alle
+andere Germaansche gewesten door de beschaafdheid en
+ingetogenheid van hunne gesprekken en manieren; door
+de pracht hunner huizen, de netheid en fraaiheid van
+hun huisraad, de kostbaarheid en sierlijkheid hunner
+kleeding en hun overvloed van zilver en goud. Vandaar,
+dat de vrouwen op feestdagen zoodanig van goud en
+zilver schitteren, dat het moeijelijk zou zijn, elders in
+de christenwereld daarvan een dergelijk voorbeeld te
+vinden. Zelden ziet men alsdan eene boerenvrouw, die
+niet met een zuiver zilveren of vergulden gordel van
+groot gewigt is versierd. Hierbij voegen de rijken, naar
+voorvaderlijk gebruik, armbanden, en als borstsieraad
+gouden en zilveren haken en platen, van niet geringe
+waarde. En dit alles betreft nog slechts de vrouwen uit
+het volk. De adellijke vrouwen zijn met nog zoovele
+andere gouden en zilveren kleinodi&euml;n van allerlei aard
+opgepronkt, dat zij er meer mede beladen dan versierd
+schijnen, hetgeen voor de Duitschers, die soms <i>Friesland</i>
+bezoeken, een ongewoon en vermakelijk schouwspel
+oplevert.</p>
+
+<p>Ofschoon men gewoon is, aan de Friezen eene woeste
+en onme&ecirc;doogende geaardheid toe te kennen, openbaren<span class='pagenum'><a name="Page_154" id="Page_154">[154]</a></span>
+zij die echter, zoo men juist wil spreken, alleen ten
+opzigte van hunne vijanden, en geenszins van allen
+zonder onderscheid. Door buitengewone mildheid, wellevendheid
+en gastvrijheid overtreffen zij veeleer andere
+volken. Vreemdelingen, onbekenden en behoeftigen worden
+vaak vriendelijk ontvangen en rijkelijk onthaald.
+Ook vieren zij talrijke, ja bijna dagelijksche gastmalen,
+waarbij zij echter, naar de wijze der Germanen, gewoon
+zijn, zich meer dan betamelijk is aan de dronkenschap
+over te geven. Zij bezitten eene soort van horens, van
+wilde dieren afkomstig en van ontzettenden omvang, met
+goud of zilver beslagen, van welke zij zich bij hunne
+maaltijden bedienen. Als zij aan tafel een ander den
+beker toebrengen, zijn zij gewoon elkander de regterhand
+te drukken, waarbij de vrouwen gewoonlijk nog een kus
+voegen. Dit wordt in geen geval onvoegzaam geoordeeld.</p>
+
+<p>Tot lof des Frieschen volks is veel door de uitstekendste
+mannen geschreven, waarvan ons het een en ander in
+handen is gekomen. Ik zal mij vergenoegen hier aan te
+halen wat <span class="smcap">bartholomeus</span> <i>de Engelschman</i> en na hem
+<span class="smcap">aeneas sylvius</span> (die, later (1458) tot Paus verheven,
+den naam van <span class="smcap">pius</span> II heeft aangenomen) in hunne schriften
+getuigd hebben. &raquo;Het Friesche volk, zeggen zij, is
+krijgshaftig, in den wapenhandel geoefend, van forschen
+en krachtigen ligchaamsbouw, van een kalm en onvertsaagd
+gemoed. Het is een vrij volk, dat zijne eigenaardige
+zeden heeft, en, ongeneigd om aan vreemden te gehoorzamen,
+ook over anderen niet begeert te heerschen. Uit
+liefde tot de vrijheid aarzelt het niet, zich aan levensgevaar
+bloot te stellen, en het verkiest den dood boven
+het juk der slavernij. Daarom erkennen zij ook geen
+krijgsrang of waardigheden, en dulden niet, dat iemand
+hunner, om den wille des oorlogs, zich boven zijne
+medeburgers verheffe. Echter gehoorzamen zij aan regters,<span class='pagenum'><a name="Page_155" id="Page_155">[155]</a></span>
+die zij jaarlijks uit hun midden verkiezen, en die het
+gemeenebest naar billijkheid besturen. Op kuischheid
+stellen zij hoogen prijs, en het gebrek aan eerbaarheid
+wordt in de vrouwen gestrengelijk gestraft. &raquo;Zij hebben
+in hun gewest een aantal magtige en vorstelijke kloosters
+gesticht, waarin eene ontelbare menigte personen van
+beide seksen zich, in reinheid van zeden en onderwerping
+aan de ordelijke kloostertucht, aan de dienst van God
+hebben toegewijd.&#8221; (Zie <i><a href="#Aant17">Aanteekening 17</a></i>.)</p>
+
+<p>Deze beschrijvingen van het land en de zeden der
+Friezen in den toenmaligen tijd zijn voorzeker zeer gunstig.
+Zij dragen blijken van hooge ingenomenheid, welke
+zich laat verklaren uit der Friezen sterke liefde en gehechtheid
+aan hun land, hetwelk door de vaderen met
+veel zorg en strijd tegen de zee en de vijanden verdedigd
+was, en dat boven vele andere landen groote voorregten
+mogt genieten. Vandaar ook die geestkracht, moed en
+fierheid van karakter, waarvan zoo vele Friezen blijken
+gaven, en waarvan ons bij het verhaal van de latere
+gebeurtenissen zoo vele treffende voorbeelden zullen
+voorkomen: want naarmate die kenmerken van den volksaard
+toegepast werden op edele voorwerpen, gaven zij
+aanleiding tot het verrigten van schitterende daden, waar
+het de behartiging van de algemeene belangen gold.</p>
+
+
+<h3>28. <i>Merkwaardige Personen, uit het
+midden der 16<sup>e</sup> eeuw.</i></h3>
+
+<p>Waar het de behartiging van de algemeene belangen
+des vaderlands gold, daar zien wij in deze eeuw vooral
+den talrijken, krachtigen en vermogenden Frieschen Adel
+werkzaam; ofschoon ook de middelstand tijdens den
+langdurigen vrede in aanzien en vermogen toenam, zoodat
+daaruit reeds eenige personen voortkwamen, die zich<span class='pagenum'><a name="Page_156" id="Page_156">[156]</a></span>
+door bekwaamheden onderscheidden en tot waardigheden
+verheven werden<a name="FNanchor_115" id="FNanchor_115"></a><a
+href="#Footnote_115" class="fnanchor">[115]</a>. Een aantal der op het land verspreid
+wonende edelen, die vroeger met elkander oorlog voerden,
+besteedde nu den tijd van rust en vrede, om zich
+op de wetenschappen toe te leggen en zich in staatszaken
+te oefenen, ten einde in de raadsvergaderingen aan de
+lands belangen te kunnen medewerken. Sedert de oprigting
+van het <i>Hof van Friesland</i> vielen vele edelen bijzonder
+op de beoefening van de regtsgeleerdheid, ten einde
+zich te bekwamen, om de eervolle betrekking van Raadsheer
+in dat Hof te bekleeden. Bij gebrek aan leerscholen in
+ons eigen land, deden zij ter verkrijging van kundigheden
+veelal groote reizen door <i>Duitschland</i>, <i>Frankrijk</i> en
+zelfs <i>Itali&euml;</i>, waar zij de hoogescholen bezochten en veel
+kennis en ondervinding opdeden, zoodat sommigen na
+hunne terugkomst sieraden van hun vaderland werden en
+als staatsmannen of regtsgeleerden in hoog aanzien kwamen
+of tot belangrijke waardigheden geroepen werden.
+<i>Wittemberg</i> en <i>Pavia</i>, doch vooral <i>Keulen</i>, <i>Leuven</i> en
+<i>Rostok</i>, worden inzonderheid genoemd als plaatsen,
+werwaarts de jonge lieden uit <i>Friesland</i> zich ter studie
+begaven<a name="FNanchor_116" id="FNanchor_116"></a><a href="#Footnote_116"
+class="fnanchor">[116]</a>. Opmerkelijk is het althans, dat er, omstreeks
+het midden der 16<sup>e</sup> eeuw, toen de geleerdheid
+in ons vaderland nog op een lagen trap stond, uit<span class='pagenum'><a name="Page_157" id="Page_157">[157]</a></span>
+<i>Friesland</i> zoo vele uitstekende personen zijn voortgekomen,
+die door bekwaamheid en eer-ambten zich binnen- en
+buitenlands beroemd hebben gemaakt. De voornaamste
+der door ons bedoelde personen willen wij hier kortelijk
+vermelden.</p>
+
+<p>Als <span class="gesp">Regtsgeleerden</span> en <span class="gesp">Staatsmannen</span> hebben
+bijzonder uitgeblonken: <span class="smcap">viglius van aytta van zwichem</span>
+(geb. 1507 nabij <i>Wirdum</i>), die, wegens uitstekende
+bekwaamheden, door Keizer <span class="smcap">karel</span> en zijn zoon <span class="smcap">filips</span> tot
+hooge waardigheden verheven, vooral als Voorzitter van den
+geheimen Raad te <i>Brussel</i>, in een belangrijk tijdperk
+zijn vaderland groote diensten bewees, even als zijn
+vriend <span class="smcap">joachim hoppers</span> (geb. 1522 te <i>Sneek</i>), die mogt
+opklimmen tot Geheimraad en Groot-Zegelbewaarder van
+den Koning van <i>Spanje</i>, te <i>Madrid</i>. <span class="smcap">Agge albada</span>, van
+<i>Go&euml;nga</i>, was eerst Raadsheer in het Friesche Hof en
+daarna in het Keizerlijk Kamergerigt te <i>Spiers</i> en bekleedde
+buitenlands ook andere aanzienlijke waardigheden.
+In dat zelfde Kamergerigt te <i>Spiers</i> had ook zitting
+<span class="smcap">ciprianus stapert</span>, van <i>Wommels</i>, die door den Keurvorst
+van <i>Ments</i> tot Hoogleeraar aldaar werd aangesteld. Evenzoo
+werden <span class="smcap">bo&euml;tius epo</span> (<span class="smcap">bote ypes</span>, van <i>Roordahuizum</i>)
+te <i>Douai</i>, <span class="smcap">wybrandus van aytta</span> te <i>D&ocirc;le</i>, <span class="smcap">julius van
+beyma</span> (geb. 1539 te <i>Dokkum</i>) te <i>Wittemberg</i>, <span class="smcap">regnerus
+sixtinus</span> (geb. 1543 te <i>Leeuwarden</i>) te <i>Marburg</i>,
+<span class="smcap">joannes van dockum</span> te <i>Keulen</i> en <span class="smcap">suffridus petrus</span> (geb.
+1527 te <i>Leeuwarden</i>) te <i>Erfurt</i>, <i>Leuven</i> en <i>Keulen</i>,
+tot Hoogleeraren in de regten verheven. Verscheidene
+buitenlandsche Akademi&euml;n droegen alzoo blijken van de
+geleerdheid der Friezen. Bovendien waren in <i>Friesland</i>
+<span class="smcap">kempo van martena</span>, <span class="smcap">hector van hoxwier</span>, <span class="smcap">upco van
+burmania</span>, <span class="smcap">sicke</span> en <span class="smcap">pieter van dekama</span>, <span class="smcap">syds tjaerda</span>,
+<span class="smcap">haijo hermannus</span>, <span class="smcap">wilco van holdinga</span> en anderen om hunne
+geleerdheid en bekwaamheid destijds in hoog aanzien.</p>
+
+<p><span class='pagenum'><a name="Page_158" id="Page_158">[158]</a></span>Als
+beoefenaren van de <span class="gesp">Letterkunde</span> der Grieken
+en Romeinen waren toen en later, behalve genoemde
+<span class="smcap">suffridus petrus</span>, zeer geacht: <span class="smcap">georg rataller</span> (geb.
+1528 te <i>Leeuwarden</i>), die Raadsheer werd te <i>Artois</i>,
+<i>Mechelen</i> en <i>Utrecht</i>, Gezant naar <i>Denemarken</i> enz.;
+<span class="smcap">stephanus sylvius</span>, Pastoor te <i>Leeuwarden</i>, te <i>Heidelberg</i>
+tot Doctor in de Godgeleerdheid bevorderd, en <span class="smcap">willem
+canter</span> (geb. 1542 te <i>Leeuwarden</i>), die, even als <span class="smcap">vitus
+winsemius</span> en de vier geleerde broeders <span class="smcap">popma</span> van <i>Ylst</i>,
+onderscheidene letterkundige en regtsgeleerde werken
+hebben uitgegeven.</p>
+
+<p>In de <span class="gesp">Wis-</span>, <span class="gesp">Natuur-</span> en <span class="gesp">Geneeskundige
+Wetenschappen</span> vinden wij destijds mede reeds
+mannen van naam vermeld, als: <span class="smcap">gemma frisius</span> (1508
+geb. te <i>Dokkum</i>) en zijn zoon <span class="smcap">cornelius gemma</span>, beide
+Hoogleeraren te <i>Leuven</i>, waar zij een aantal wiskundige
+geschriften in het licht gaven. Als Wis- en Bouwkundige
+en Schilder behaalde <span class="smcap">jan vredeman de vries</span> (geb. 1527
+te <i>Leeuwarden</i>) in <i>Antwerpen</i> en elders grooten roem.
+<span class="smcap">Joannes acronius</span> (van <i>Akkrum</i>) was Hoogleeraar in de
+Genees- en Wiskunde te <i>Bazel</i>, in welke stad, op de
+grenzen van <i>Zwitserland</i>, ook <span class="smcap">laurentius de fries</span> in
+1531 een geneeskundig werk in het licht gaf. <span class="smcap">Andreas
+mirica</span> (geb. te <i>Lemmer</i>) doorreisde bijna geheel <i>Europa</i>
+en was daarna te <i>Leeuwarden</i> als Geneeskundige beroemd;
+<span class="smcap">sixtus hemmema</span>, Doctor in de Wis- en Geneeskunde
+te <i>Leuven</i>, bestreed de Astrologen dier dagen;
+terwijl <span class="smcap">petrus tiara</span> (in 1514 geb. te <i>Workum</i>), wegens
+zijne geleerdheid zoowel in de oude letteren als in de
+Wis-, Natuur- en Geneeskunde vermaard, na vele reizen
+Hoogleeraar werd te <i>Leuven</i>, <i>Douai</i>, <i>Leiden</i> en <i>Franeker</i>.</p>
+
+<p>Ook de <span class="gesp">Geschiedenis</span> van <i>Friesland</i> vond in het
+eerste gedeelte dezer eeuw ijverige beoefenaars in <span class="smcap">jancko
+douwama</span> van <i>Oldeboorn</i>, in <span class="smcap">kempo van
+martena</span>, in de<span class='pagenum'><a name="Page_159" id="Page_159">[159]</a></span>
+kloosterbroeders <span class="smcap">peter</span> en <span class="smcap">worp van thabor</span>, en later in
+<span class="smcap">cornelius kempius</span> (van <i>Dokkum</i>) en genoemden <span class="smcap">suffridus
+petrus</span>, in wier geschriften vele merkwaardige bijzonderheden
+uit sommige tijdvakken onzer geschiedenis voor het
+nageslacht zijn bewaard gebleven. (<i><a href="#Aant18">Aanteekening 18</a>.</i>)</p>
+
+<p>Als wij in aanmerking nemen, hoe weinige hulpmiddelen
+er destijds nog maar bestonden ter bekoming van kennis
+en geleerdheid, dewijl het getal gedrukte boeken toen nog
+zoo gering was, en er, zoo ver bekend is, v&oacute;&oacute;r 1570 in
+<i>Friesland</i> geene boekdrukkerij heeft bestaan;&mdash;en als wij
+bedenken, hoe gebrekkig toenmaals de wegen en de middelen
+van vervoer waren, zoodat het uiterst moeijelijk moet
+gevallen zijn, soms ook wegens het woeden van den oorlog,
+naar buitenlandsche hoogescholen te reizen, om kennis en
+wetenschap te verg&acirc;ren:&mdash;dan mogen wij ons met regt
+verwonderen over het groot getal geleerden, welke <i>Friesland</i>
+omstreeks het midden der 16<sup>e</sup> eeuw heeft opgeleverd.
+Dat velen hunner in naburige landen wetenschappelijke betrekkingen
+aannamen, was zeer natuurlijk, dewijl er v&oacute;&oacute;r
+1576 in <i>Noord-Nederland</i> nog geene hoogescholen of algemeene
+leerstoelen van wetenschap bestonden. Zelfs deed
+de regering des lands lang moeite, om hier de beoefening van
+de wetenschappen te onderdrukken, omdat zij ze als schadelijk
+beschouwde, bijzonder voor de godsdienstige ontwikkeling
+des volks, welke men lang en met vele moeite te keer
+ging, dewijl zij geenerlei verandering in de godsdienst
+wilde gedoogen. In weerwil van velerlei bezwaren wisten
+echter de krachtige volksgeest en het gezond verstand
+der Friezen zich zelve een weg te banen, ter vermeerdering
+van kennis, ter ontwikkeling van het verstand en
+tot beschaving van den geest, welke eerlang, hoewel na
+hevigen strijd, rijke vruchten zouden dragen voor godsdienst
+en zedelijkheid, de zuilen van iederen burgerstaat.</p>
+
+<hr class="footn" />
+
+<div class="footnote">
+
+<p><a name="Footnote_115" id="Footnote_115"></a><a href="#FNanchor_115"><span class="label">[115]</span></a>
+Eene lijst der Friesche Edelen, ten jare 1505, onder de
+Saksische regering opgemaakt, komt voor bij <span class="smcap">winsemius</span>, 402 en
+<i>Oudh. en Gest.</i> II 502. Het was een vrije Adel, dat is, van geen Graaf
+of Leenheer afhankelijk; doch ook d&aacute;&aacute;rom bezat deze adel hier
+geene heerlijke regten boven de overige ingezetenen, zoo als elders.</p>
+
+<p><a name="Footnote_116" id="Footnote_116"></a><a href="#FNanchor_116"><span class="label">[116]</span></a>
+Zie <span class="smcap">jancko douwama&#8217;s</span> <i>Geschriften</i>, 508 en Inleid. 45. Hij
+raadt zijne vrouw, hunne zonen liever naar <i>Parijs</i> of <i>Orleans</i> ter
+studie te zenden, omdat het &#8222;aldaer niet also costumelijck is to
+drincken, alst in dese Nederlanden wal is!&#8221;</p>
+
+</div>
+
+<hr class="footn" />
+
+<p class='pagenum'><a name="Page_160" id="Page_160">[160]</a></p>
+
+<h3>29. <i>De Regering van Koning Filips
+van Spanje. (1555-1580.)</i></h3>
+
+<p>Het was een merkwaardig schouwspel, hetwelk de stad
+<i>Brussel</i> den 25 October 1555 opleverde. <i>Keizer</i> <span class="smcap">karel</span> V,
+die bijna veertig jaren lang <i>Duitschland</i>, <i>Spanje</i>, <i>Nederland</i>
+en zijne overige Staten met roem had bestuurd,
+haakte naar rust, welke hij door afzondering in een
+Spaansch klooster meende te zullen vinden. In eene plegtige
+vergadering van vorsten, grooten, geestelijken en afgevaardigden
+van al de Nederlandsche provinci&euml;n, deed hij
+afstand van de regering dezer landen ten behoeve van
+zijn zoon <span class="smcap">filips</span>. Hij deed dit met eene roerende aanspraak,
+waarin hij terugzag op hetgeen hij gedaan,
+had, terwijl hij hoopte, dat de jeugdiger krachten van
+zijn opvolger alles zouden vermogen, wat hem de duurzame
+liefde der ingezetenen zou kunnen doen verwerven.
+Hierna beloofde <span class="smcap">filips</span> onder eede, dat hij de regten der
+landzaten zoude handhaven, en ontving van de afgevaardigden
+den eed van trouw en hulde.</p>
+
+<p>Bij het doen van dezen eed viel er eene bijzonderheid
+voor, welke weder een blijk gaf van de fierheid en
+volkstrots der Friezen. Volgens eene gewoonte der vorsten
+van het Oostenrijksche huis, vorderde de hoftoon,
+dat de eed <span class="gesp">geknield</span> werd afgelegd. Alle gezanten
+der zestien Nederlandsche provinci&euml;n volgden dit gebruik
+en knielden neder. Doch de acht afgevaardigden van
+<i>Friesland</i> zagen hierin een vernederend huldebetoon,
+hetwelk hun eerbied voor het heilige alleen Gode toekende.
+Zij weigeren te knielen, en, terwijl zij te midden
+der nedergebogene schare alleen <span class="gesp">staan</span> blijven, verontschuldigen
+zij zich bij monde van een hunner, <span class="smcap">gemme
+van burmania</span>, door te zeggen:</p>
+
+<div class="poem"><div class="stanza">
+<span class="i0"><i>Wij Friezen knielen all&eacute;&eacute;n voor God.</i><br /></span>
+</div></div>
+
+<p><span class='pagenum'><a name="Page_161" id="Page_161">[161]</a></span>Van dit rustige en fiere antwoord bekwam deze edelman
+sedert den bijnaam van <i>de Stand-Fries</i>, en is deze
+naam later dikwijls toegepast op ieder zijner landgenooten,
+die blijken geeft van fierheid, standvastigheid van karakter
+of van een krachtigen wil.</p>
+
+<p class="blankline">De Nederlanders hadden weinig reden, om over deze
+verandering van landsheer tevreden te zijn. De trotsche
+geaardheid van <span class="smcap">filips</span>, die hier, gelijk in <i>Spanje</i>, als
+Koning wilde heerschen, dewijl hij deze landen als wingewesten
+der Spaansche kroon aanzag, en de dweepzucht,
+welke hem onstaatkundig deed handelen, toen hij geenerlei
+verandering in de oude en verbasterde kerkleer
+en wijze van godsdienst-oefening wilde gedoogen, namen
+de ingezetenen tegen zijn bestuur in. Zij baarden eerlang
+onrust, daarna verzet en eindelijk openbaren strijd tegen
+zijn gezag, dat hij met geweldige oorlogsmiddelen en
+door moorden en bannen wilde handhaven. Te vergeefs.
+Die schending van het regt des volks en van zijn pligt als
+vorst, deze heerschzucht en wreedheid konden de Nederlanders
+niet dulden. Lang verdrukt en getergd sloegen zij de
+handen ineen, we&ecirc;rstonden geweld met geweld, en vormden
+een kleinen, doch naauw vereenigden staat. Z&oacute;&oacute;
+gaven de ondeugden en verkeerde handelingen van den
+Koning en zijne dienaren aanleiding, om hem gehoorzaamheid
+te weigeren en af te zweren. Z&oacute;&oacute; werd dit
+alles de oorzaak van de herstelling der vrijheid en onafhankelijkheid
+van <i>Nederland</i> in godsdienst en burgerstaat.
+De voornaamste bijzonderheden van deze roemrijke overwinning
+willen wij nu schetsen, daar de Friezen in
+dezen strijd deelnamen op eene wijze, hunner aloude
+zucht voor vrijheid en onafhankelijkheid waardig.</p>
+
+<p class='pagenum'><a name="Page_162" id="Page_162">[162]</a></p>
+
+<h3>30. <i>Beginselen der Kerkhervorming;
+Geloofsvervolgingen; de Doopsgezinden. (1520-1560.)</i></h3>
+
+<p>De geschiedenis der <span class="gesp">volken</span> staat d&aacute;&aacute;rin gelijk met
+de geschiedenis van ieder <span class="gesp">persoon</span>, dat allen bestemd
+zijn, om uit den staat van onkunde en onbeschaafdheid op
+te klimmen tot kennis, bekwaamheid en volmaking. Naarmate
+de mensch ouder wordt, moet hij vaster gelooven,
+en meer naderen tot God, dien hij allengs beter moet leeren
+kennen en vereeren. Hij, de groote opvoeder van het
+menschdom, wiens wijze Voorzienigheid de lotgevallen
+van volken zoowel als van personen bestuurt, verschaft
+bovendien in elk tijdvak de middelen, om de maatschappij
+te doen opklimmen tot die verhevene bestemming,
+waarvoor de mensch is geschapen. Doch de
+dwaasheid van sommige magten, die hare bijzondere
+oogmerken meer voorstonden dan de algemeene belangen,
+poogde dikwijls die heilige bedoelingen te verijdelen.
+Waar toeneming in kennis en verlichting haar belang kon
+schaden, daar verduisterden zij het licht, en hielden de
+onderworpene volken in onkunde en domheid. Dit kon
+evenwel niet duurzaam zijn. Vele volken deden hun
+regt gelden, en vandaar een strijd, tusschen de voorstanders
+van duisternis en van licht, van behoud en
+van vooruitgang, waarvan vooral de kerkelijke geschiedenis
+bloedige tooneelen oplevert.</p>
+
+<p>De Christelijke Godsdienst, eens in het oosten in zuiverheid
+verkondigd, was bestemd om alle volken der
+aarde door haar licht te bestralen; om door geloof en
+liefde alom vrede en deugd te verspreiden; om den mensch
+te verheffen en het leven te heiligen door de hoop op
+eene betere toekomst, welke hare stralen schiet tusschen
+de nevelen van het heden. Spoedig echter werd die<span class='pagenum'><a name="Page_163" id="Page_163">[163]</a></span>
+goddelijke leer door menschelijke dwalingen verbasterd.
+Aan de bereiking van staatkundige bedoelingen werd zij
+dienstbaar gemaakt. De heerschzucht vond in haar een
+middel om zich te verheffen. En om haar bij heidensche
+volken te beter ingang te doen vinden, werd hare eeredienst
+met prachtige versierselen en plegtigheden overladen.
+In deze schitterende uiterlijke vormen, in feestdagen,
+in de voorspraak der heiligen en in het brengen
+van offers aan de kerk en aan de geestelijken, meende
+het onkundige volk nu het wezen der godsdienst te zien.</p>
+
+<p>Die Geestelijkheid was alom in getal, aanzien en
+vermogen verbazend toegenomen. Doch wat deed zij
+ter opleiding en verlichting van het volk? In plaats
+van door de kracht der godsdienst de maatschappelijke
+gebreken te bestrijden, verstand en hart te vormen en
+het lijden des tijds te verzachten door de kracht van
+het geloof aan een toekomstig leven, had zij tegen de
+waarheid die beide verwonderlijke wapenen ontdekt: onwetendheid
+en dwaling. Zij verbood der wetenschap en
+het vernuft verder te gaan dan het getijboek, als om
+den geest op te sluiten binnen de kloostermuren van de
+leer der Kerk. Zij kantte zich aan tegen alles, wat den
+voortgang der menschelijke beschaving, de ontwikkeling
+van het verstand kon bevorderen. Het menschelijk geweten
+kwam tegen haar in opstand, en vroeg: wat
+wilt gij?</p>
+
+<p>Er was een boek, dat van het begin tot het einde
+van zijne hoogere afkomst getuigt; een boek, dat den
+geheelen schat van menschelijke kennis bevat, verhelderd
+en geheiligd door de geheele goddelijke wijsheid; een
+boek, door den eerbied der volken het Boek genoemd:
+de Bijbel! Dat boek hadden de Pausen verboden. Zoodanig
+was het door de leer der Kerk verdrongen, dat
+de Friezen reeds zeven eeuwen Christenen waren geweest,<span class='pagenum'><a name="Page_164" id="Page_164">[164]</a></span>
+v&oacute;&oacute;r dat welligt een hunner de Heilige Schrift had
+gezien, veelmin gelezen. Immers, men achtte dit verbod
+noodzakelijk, omdat zij een wapen kon worden tegen de
+Kerk, die voorgaf op haar gegrond te zijn. En in plaats
+van dat boek gaf hunne willekeur, welke zelfs het licht
+der rede trachtte uit te blusschen, aan de volken&mdash;de
+Inquisitie.&mdash;Onbegrijpelijke dwaling! Ongelukkige
+volken!</p>
+
+<p>Na de uitvinding van de boekdrukkunst en de herleving
+van de beoefening der oude letterkunde en wetenschappen,
+kwam echter de Bijbel in veler handen. Nu
+gingen de oogen open. Men zag het in, hoe diep de
+kerk was vervallen, en hoe vele misbruiken er heerschten.
+<span class="smcap">maarten luther</span> had, in 1517, in <i>Duitschland</i> den
+moed, zich tegen den Paus en de gebreken der kerk te
+verzetten, om bijna al hare leerstukken te verwerpen,
+en om, op grond van een vrij onderzoek van de Heilige
+Schrift, terug te keeren tot een meer eenvoudig oorspronkelijk
+Christendom en minder zinnelijke eeredienst.</p>
+
+<p>De mare van zulk eene gewigtige hervorming in de
+godsdienst werd in alle streken van <i>Europa</i> en ook hier
+met blijdschap vernomen en vond grooten bijval. Het
+staatkundig belang van Keizer <span class="smcap">karel</span> bragt echter mede,
+dat hij den Paus tot vriend hield en beschermde. D&aacute;&aacute;rom
+we&ecirc;rstond hij, ook met kracht van wapenen, in zijne
+landen de verspreiding van die nieuwe leer. Bestendig
+werden er nu sedert 1521 in <i>Friesland</i> strenge plakkaten
+uitgevaardigd, waarbij de leeringen van <span class="smcap">luther</span> veroordeeld-,
+zijne boeken verboden- en zijne aanhangers met
+vervolging en straf bedreigd werden<a name="FNanchor_117"
+id="FNanchor_117"></a><a href="#Footnote_117" class="fnanchor">[117]</a>. Doch men bedroog
+zich: want de vrije ingezetenen kenden den Keizer wel
+het regt toe, om hun land te laten besturen, maar<span class='pagenum'><a name="Page_165" id="Page_165">[165]</a></span>
+niet, om over hun verstand en godsdienstige gevoelens te
+heerschen. Sedert 1522 kwam eene Nederduitsche vertaling
+van den Bijbel hier in veler handen. Met verbazing
+bemerkte men het verschil tusschen die leer en hare
+verkondiging door de Geestelijken. Te vergeefs zocht
+men daarin den grond van vele leerstellingen en plegtigheden
+der Kerk. Doch het gemoed vond daarin kracht
+en troost bij al de rampen van den oorlog, van ziekten,
+van overstroomingen en hongersnood, welke <i>Friesland</i>
+omstreeks dien zelfden tijd had te verduren. In dezen
+tegenspoed had men behoefte aan godsdienst, aan meerder
+licht, dan de zinnelijke eeredienst der Kerk aanbood.
+Het leven verkreeg hooger waarde door het geloof, dat
+de harten doordrong, en hen God en den Heer leerde
+kennen en liefhebben in het uitzigt op eene betere wereld.
+En toen later de voorspoed blonk, vond men daarin
+moed en kracht, om hetgeen men als een schat van
+groote waarde op hoogen prijs had leeren stellen, te
+verdedigen en te behouden, tegen al de wreede vervolgingen
+der wereldlijke magt, die de Roomsche kerkleer
+met geweld trachtte te beschermen.</p>
+
+<hr class="c05" />
+
+<p>Als de eerste priesters, die de kerk verlieten, of wel
+door de verkondiging van de zuivere leer des evangelies
+pogingen deden, om de kerk te hervormen, worden
+met eere genoemd <span class="smcap">gellius faber de bouma</span> van <i>Jelsum</i>
+en <span class="smcap">menno simons</span> van <i>Witmarsum</i>. Dan, de eerste
+moest in 1536 en de andere later vlugten, daar de
+strengheid der vervolging zeer was toegenomen, nadat in
+het vorige jaar ook hier eene oproerige beweging der Munstersche
+Wederdoopers tot openbaren strijd en vervolging
+aanleiding gaf. Allen, die blijken gaven van de Roomsche
+kerk af te vallen of ongenegen te zijn, werden vervolgens
+beschuldigd of verdacht, met die Wederdoopers overeen<span class='pagenum'><a name="Page_166" id="Page_166">[166]</a></span>
+te stemmen; het allermeest de Doopsgezinden, die hun
+christelijk geloof in eenvoudigheid en stille afzondering
+wenschten te belijden. Sedert 1531 werd een aantal
+hunner vervolgd, onthoofd of verdronken, en spaarde
+de regering geene middelen om het gezag der Kerk te
+handhaven en de afvalligen te straffen.</p>
+
+<p>Doch ook hier werd het bloed dier martelaren weder
+het zaad eener kerk, welke in aantal van leden toenam,
+hoe meer zij door de vervolgingen verdrukt werden. De
+schijnbare smaad, hun aangedaan, stortte eene heilige
+geestdrift voor het goede en eerbied voor hunne gelatene
+vroomheid in de harten van anderen, wier onverbasterd
+gevoel zich tegen zulke onmenschelijke handelingen verzette.
+Doch dit alles was nog slechts een begin. Want
+nog dringender werden de bedreigingen der plakkaten
+des Keizers, toen hij het waagde, in 1550 de Inquisitie
+of het geloofs-onderzoek in <i>Nederland</i> openlijk in te
+voeren. Van toen af, en vooral na 1557, wanneer
+<span class="smcap">willem lindanus</span> als Kettermeester herwaarts werd gezonden,
+stonden allen, die van de Roomsche kerkleer
+afweken, en zelfs zij, die verdacht waren van de nieuwe
+leer te begunstigen, aan wreede vervolgingen bloot. En
+zeker zou het getal martelaren hier destijds zeer talrijk
+zijn geweest, als de Stadhouder, het Hof en de Besturen
+al de bevelen des Keizers uitgevoerd en niet gematigd
+hadden. De Staten des lands verzetten zich zelfs tegen
+<span class="smcap">lindanus</span>, en beschermden der ingezetenen vrijheid tegen
+zulk eene onduldbare heerschappij over hun geloof. De
+algemeene geest der landzaten toonde toch te duidelijk,
+dat de stroom niet meer viel te stuiten. Zij bleven dus
+hopen, dat de Regering haar eigen belang zou inzien,
+om door toegevendheid en gematigdheid billijk te zijn
+jegens een volk, dat men door dwang en bedreiging
+veel meer verbitterde dan terugbragt. (Zie <i><a href="#Aant19">Aanteek. 19</a></i>.)</p>
+
+<hr class="c05" />
+
+<p><span class='pagenum'><a name="Page_167" id="Page_167">[167]</a></span>Het zij mij vergund, aan het einde van dit overzigt
+meer bijzonder stil te staan bij de kerkgemeenschap der
+<i>Doopsgezinden</i>, welke zich te midden dier beroeringen
+in deze landen vertoonde en uitbreidde. Zij verdient
+hier eene afzonderlijke vermelding, eensdeels, omdat zij
+eene plant was, vooral van den Frieschen bodem; anderdeels,
+omdat zij zich hier z&oacute;&oacute; spoedig en aanzienlijk
+uitbreidde, dat bij de Hervorming van 1580 een vierde
+gedeelte der bevolking van <i>Friesland</i> dezer gezindte
+toegedaan was<a name="FNanchor_118" id="FNanchor_118"></a><a
+href="#Footnote_118" class="fnanchor">[118]</a>, en, in &#8217;t algemeen, omdat zij, door
+de geheel eigenaardige rigting en de gewigtige waarheden,
+welke zij vertegenwoordigt en handhaaft, nog eene merkwaardige
+plaats onder de afdeelingen der Christenheid
+bekleedt.</p>
+
+<p>Reeds hebben wij <span class="smcap">menno simons</span> genoemd. Hij was
+echter niet de stichter dezer gezindte, gelijk velen ten
+onregte gemeend hebben, daartoe verleid door den naam
+van <i>Mennoniten</i> of <i>Mennisten</i>, welken eene partij onder
+hen gaarne droeg en andersdenkenden hun over &#8217;t algemeen
+gaven. Zij bestonden reeds lang v&oacute;&oacute;r <span class="smcap">menno</span>, ja
+hadden in <i>Friesland</i> reeds hunne martelaren v&oacute;&oacute;r dat
+hij het punt van den doop begon te onderzoeken. Hun
+oorsprong is met geene zekerheid aan te wijzen; maar,
+in gevoelens met de Waldenzen verwant, vinden wij door
+geheel de middeleeuwen sporen van het aanwezen eener
+gemeenschap, die, welgeordend en over een groot deel
+van <i>Europa</i>, verspreid, als stillen in den lande het<span class='pagenum'><a name="Page_168" id="Page_168">[168]</a></span>
+apostolisch Christendom in beoefening zocht te brengen.
+Zorgvuldig onttrok zij zich aan de opmerkzaamheid der
+wereld en der vervolgzieke geestelijkheid; totdat zij,
+door de groote beweging der geesten in den hervormingstijd
+opgewekt, bemoedigd werd, om openlijk mede te
+werken tot de vernieuwing des Christendoms. Zij verliet
+de veilige onbekendheid. In een groot gedeelte van
+<i>Europa</i> zag men eene menigte gelijkgezinde menschen
+optreden, zonder dat men wist van waar zij hunne gevoelens
+hadden verkregen. Door geestelijke en wereldlijke
+magten vervolgd, trokken velen hunner uit <i>Frankrijk</i>,
+<i>Zwitserland</i> en <i>Duitschland</i> naar het noorden, ook
+naar <i>Friesland</i>, waar de regering minder streng was
+in de uitvoering van de plakkaten. Daar vonden zij vele
+gelijkgezinde Christenen, wier gemoed behoefte had aan
+eene betere godsdienst dan de verbasterde kerk aanbood,
+en die bevrediging vonden in het lezen en beleven van
+de Heilige Schrift. Tot dezen ging <span class="smcap">menno</span> over; onder
+dezen werkte hij.</p>
+
+<p>Te <i>Witmarsum</i> in 1496 geboren en tot den geestelijken
+stand opgeleid, werd hij in 1524 Kapelaan in het
+niet ver van <i>Harlingen</i> gelegene <i>Pingjum</i>. Na verloop
+van twee jaren kwam hij, door eene twijfeling aangaande
+het misoffer, voor het eerst tot onderzoek van den Bijbel,
+en daardoor allengs tot meer evangelische inzigten. Niet
+voor 1531 vestigde de dood van <span class="smcap">sicke snijder</span>, als de
+eerste der Doopsgezinde martelaren te <i>Leeuwarden</i> onthoofd,
+zijne aandacht op den doop, en spoedig leerde
+hij den kinderdoop als eene instelling, niet des evangelies,
+maar des pausdoms kennen. Nadat hij intusschen in zijne
+geboorteplaats tot Pastoor was verkozen, begon hij zijne
+gevoelens over den aard en de eischen des Christendoms
+te verkondigen, en verkreeg hij grooten roem en toeloop
+onder het volk als evangelisch prediker.</p>
+
+<p><span class='pagenum'><a name="Page_169" id="Page_169">[169]</a></span>Nu eerst kwam hij in aanraking met de Doopsgezinden,
+die in zijne omstreken hunne gevoelens begonnen te
+verspreiden en te doopen. Hunne weldadige pogingen
+vonden bijval, doch werden spoedig afgebroken door
+eene geweldige beweging. Een onrustige geest, welke
+doorgaans met iedere hervorming gepaard gaat, had onder
+hunne geloofsgenooten eene partij van Wederdoopers gevormd,
+welke het koningrijk Gods met geweld zocht op
+te rigten. In <i>Munster</i> belegerd, zond zij ook naar
+<i>Friesland</i> hare zendelingen, die de eenvoudigen hier
+opruiden. <span class="smcap">menno</span> stelde zich met alle kracht daar tegen,
+hield zelfs tot tweemalen met de hoofden der Munstersche
+partij eene zamenkomst, doch al zijne vermaningen
+baatten niet. De opgeruide menigte greep naar het zwaard.
+Op Paaschmaandag van 1535 waren er te <i>Tjum</i> ongeveer
+300 vergaderd, die 200 krijgsknechten met verlies deden
+wijken. Door dit aanvankelijk voordeel bemoedigd, veroverden
+zij het <i>Oldeklooster</i> bij <i>Bolsward</i>, lieten de
+monniken onverhinderd gaan en versterkten zich daar
+als in eene vesting. Hier werden ze door de krijgsmagt
+van den Stadhouder <span class="smcap">schenck</span> <i>van Toutenburg</i> belegerd.
+Moedig streden zij, doch, eindelijk voor de overmagt
+bezweken, boetten de meesten, en daaronder een eigen
+broeder van <span class="smcap">menno</span>, hunne dwaasheid met het leven.
+Velen sneuvelden met het zwaard in de vuist, sommigen
+werden te <i>Leeuwarden</i> onthoofd, anderen in het Hempenzermeer
+verdronken; doch ook velen ontkwamen, of
+werden om hunne eenvoudigheid losgelaten.</p>
+
+<p>Deze oproerige beweging der Munsterschen was, even
+als later de beeldenstorm, allen welgezinden zeer leed
+en de zaak der hervorming tot groote schade. Bij <span class="smcap">menno</span>
+echter bragt zij eene groote verandering te weeg. Dat
+vergoten bloed viel hem heet op het harte, vervulde hem
+met diepe droefheid en deed hem tot zich zelven inkeeren.<span class='pagenum'><a name="Page_170" id="Page_170">[170]</a></span>
+Hij toch predikte wel de evangelische leer, doch <i>deed</i>
+niet alles wat hij predikte en geloofde. Tegen zijne
+overtuiging was hij nog altijd priester. Zijn geweten
+kon die strijdigheid niet langer dulden, daar hij behoefte
+had, zijn geloof uit zijne werken te toonen. Na een
+moeijelijken strijd van negen maanden, verkreeg hij
+eindelijk op zijne gebeden de noodige kracht tot verzaking
+en lijden. In 1536 verliet hij het pausdom en zijne
+pastorie met al de daaraan verbondene voordeelen, en
+voegde zich, in het uitzigt op armoede en verdrukking,
+bij de overige, rustig geblevene, doch toen strenger
+vervolgde Doopsgezinden. Van nu af aan predikte hij
+all&eacute;&eacute;n het evangelie, van alle menschelijke instellingen
+ontdaan, tot ware boete op den smallen weg, dien hij
+zelf vrijwillig gekozen had. Bijna een jaar lang vertoefde
+hij in eene kleine woning in de nabijheid van <i>Witmarsum</i>,
+waar hij zijne vrienden stichtte en vermaande<a name="FNanchor_119"
+id="FNanchor_119"></a><a href="#Footnote_119" class="fnanchor">[119]</a>.
+Toen kwamen er zes of acht afgevaardigden der Doopsgezinden
+bij hem met het verzoek, om algemeen Leeraar
+of Opziener onder hen te willen zijn. Na lang aarzelen,
+aanvaardde hij deze bediening, en werkte hij nu in
+grooteren kring, te gelijk met zijn vriend <span class="smcap">dirk philips</span>,
+van <i>Leeuwarden</i>, en later ook met <span class="smcap">leenert bouwens</span>, met
+gunstig gevolg aan de uitbreiding van het evangelisch
+geloof. Z&oacute;&oacute; bekwam de gemeenschap der Doopsgezinden,
+vooral door <span class="smcap">menno&#8217;s</span> geleerdheid voorgelicht en verdedigd,
+door zijn ijver uitgebreid, maar bovenal door zijne gemoedelijke
+vroomheid bevestigd, een geregeld bestaan.</p>
+
+<p><span class='pagenum'><a name="Page_171" id="Page_171">[171]</a></span>De toenemende strengheid der plakkaten, welke velen
+zijner volgelingen den dood kostte, noodzaakten hem eerlang
+zijn vaderland te verlaten. <i>Emden</i>, &raquo;de herberg van
+Gods verdrukte gemeente&#8221; genoemd, nam hem op, doch weldra
+van daar verdreven, trok hij naar <i>Keulen</i> en na verloop
+van twee jaren naar <i>Lubek</i>, en bleef, ondanks vele moeiten
+en gevaren, d&aacute;&aacute;r en op andere plaatsen in <i>Nederland</i> en
+het noordelijk <i>Duitschland</i>, met heiligen ijver een eenvoudig
+apostolisch Christendom prediken. Op eene plaats
+<i>Woesteveld</i>, tusschen <i>Hamburg</i> en <i>Lubek</i>, mogt hij in de
+laatste jaren zijns levens eene veilige woonplaats bekomen,
+en door het drukken van zijne eigene godsdienstige geschriften
+een bestaan-, en als Oudste en Leeraar der
+gemeente gelegenheid vinden, om nuttig te zijn voor de
+belangen des evangelies. Dankbaar mogt hij zich verheugen,
+in verschillende landen meer dan 50 gemeenten
+gesticht- en velen voor het rijk zijns Heeren gewonnen
+te hebben. In <i>Friesland</i> waren zijne medearbeiders
+intusschen in zijnen geest ijverig werkzaam, en mogt
+alleen <span class="smcap">leenert bouwens</span> sedert 1551 op 74 plaatsen een
+getal van 6500 personen, die aan hun christelijk geloof
+een zuiver leven wenschten te verbinden, den doop
+toedienen. Ook na <span class="smcap">menno&#8217;s</span> overlijden (1561) nam deze
+gezindte, in weerwil der vervolgingen, hier en elders
+sterk toe, en zetten mede vele uit <i>Braband</i> en <i>Vlaanderen</i>
+gevlugte Doopsgezinden zich in dit gewest neder.</p>
+
+<p class="blankline">Al de Protestanten hadden tijdens de hervorming dit
+met elkander gemeen, dat zij door onderzoek van de
+Heilige Schrift tot geloofsovertuiging kwamen, ijverden
+tegen de leer en de misbruiken der Kerk en nieuwe
+gemeenten stichtten. De grondslagen dier gemeenten
+werden gewijzigd door de omstandigheden en naar ieders
+<span class="gesp">opvatting</span> van het evangelie. Vandaar zooveel
+verschil<span class='pagenum'><a name="Page_172" id="Page_172">[172]</a></span>
+bij zooveel overeenkomst van geest en bedoeling. Zoo
+streed <span class="smcap">luther</span> vooral tegen de <i>werkheiligheid</i> der Roomsche
+kerk, en kwam hij door tegenstelling: <i>tot de regtvaardigmaking
+uit het geloof, zonder de werken</i>, welke
+hij als kenmerkende leer aan zijne gezindte naliet. Zoo
+bestreden <span class="smcap">zwingli</span> en <span class="smcap">calvijn</span> <i>het verheffen van het
+schepsel boven den Schepper</i>, en werd alzoo een der
+grondtrekken van de Hervormde kerk gerigt tot vernedering
+van het eerste, tot &#8217;s menschen ellendigheid, om
+den laatsten te verhoogen. In beide kerkgenootschappen
+stond alzoo de <i>leer</i> op den voorgrond. Geheel anders
+was dit evenwel bij de Doopsgezinden. Waren de Hervormers
+geleerden, die <i>in</i> de Kerk bleven, om haar in zich
+zelve te louteren, zij moesten daartoe strijd voeren tegen
+leerstellingen, in eene vroegere ontwikkeling des Christendoms
+ontstaan en op kerkvergaderingen vastgesteld;&mdash;de
+Doopsgezinden echter <i>verlieten</i> die Kerk, voerden
+geen strijd tegen haar en bepaalden hun onderzoek enkel
+en in alle eenvoudigheid tot den Bijbel. Verkreeg de
+leer der Hervormers een wetenschappelijken vorm en
+hadden zij met gezag bekleede geloofsbelijdenissen noodig;&mdash;de
+Doopsgezinden hadden genoeg aan het evangelie,
+waarin zij het oorspronkelijk Christendom vonden met
+zijne verheffende leer, heiligen wandel en slechts twee
+instellingen: doop en avondmaal. In de poging om dat
+Christendom te herstellen, gingen zij dus eene schrede
+verder dan de Hervormers, die de bestaande Kerk zochten
+te verbeteren, te hervormen; die wel veel daarvan
+verwierpen, maar ook veel behielden; die ook den doop
+der Roomsche kerk behielden met de kerkgebouwen en
+de daaraan verbondene bezittingen en inkomsten. Doch
+de Doopsgezinden behielden dien doop niet, en daardoor
+verviel mede hunne betrekking tot de oude Kerk, welke
+zij verlieten met opoffering van alle aanspraken op<span class='pagenum'><a name="Page_173" id="Page_173">[173]</a></span>
+gebouwen en goederen. Bepaalden de geleerde Hervormers
+zich bijzonder tot de <i>leer</i>,&mdash;de Doopsgezinden
+stelden zich het <i>leven</i> ten hoofddoel. Den christelijken
+doop waardig te ondergaan en getrouw te beleven werd
+het middelpunt van hun gemoedelijk streven: aan de eene
+zijde, om de wereldsche begeerlijkheden te verzaken en
+aan de andere zijde, om een geestelijk leven, een vromen
+wandel te leiden.</p>
+
+<p>Hieruit ontstonden als van zelf die kenmerkende bijzonderheden,
+waardoor zij zich lang van de overige
+protestanten hebben onderscheiden: hunne <i>afgescheidenheid
+van de wereld</i> en verzaking van hare genietingen,
+opdat zij door haar niet besmet en in hun christelijken
+wandel gestoord zouden worden;&mdash;hun weigeren om
+het <i>Overheidsambt</i> te bekleeden en <i>Wapenen</i> te dragen
+tot het voeren van oorlog, als in strijd met het geestelijk
+leven, waartoe zij zich onder dulden en lijden verbonden
+hadden;&mdash;hun weigeren van den <i>Eed</i>, dien zij voor
+den Christen ongeoorloofd beschouwden bij hunne groote
+waarheidsliefde en trouw;&mdash;hunne afkeerigheid van alle
+wereldsche praal en weelde bij hunne zucht naar eenvoudigheid
+in kleeding, levenswijze en zelfs in hunne
+bedehuizen, Vermaningen geheeten, en godsdienst-oefeningen.
+Zij hadden dus geene behoefte aan bezoldigde
+leeraars, dewijl ze minder prijs stelden op wetenschap
+en welsprekendheid dan op verlichte bijbelkennis en
+vroomheid des gemoeds, zoodat zij in hun midden altijd
+genoeg broeders hadden, die hen door een eenvoudig woord
+uit liefde konden en wilden stichten<a name="FNanchor_120"
+id="FNanchor_120"></a><a href="#Footnote_120" class="fnanchor">[120]</a>.
+De gemeente<span class='pagenum'><a name="Page_174" id="Page_174">[174]</a></span>
+zuiver en heilig te bewaren en naar het evangelie op te
+bouwen tot godzaligheid was hun hoogste streven, en
+hun geloof uit de werken te toonen hun eerste pligt.&mdash;Z&oacute;&oacute;
+waren en bleven de Doopsgezinden, zoolang zij zich
+buiten de wereld hielden. Hierna zullen wij gelegenheid
+vinden hunne latere lotgevallen en veranderingen, door
+het verkeer met en in de wereld, te vermelden<a name="FNanchor_121"
+id="FNanchor_121"></a><a href="#Footnote_121" class="fnanchor">[121]</a>.</p>
+
+<hr class="footn" />
+
+<div class="footnote">
+
+<p><a name="Footnote_117" id="Footnote_117"></a><a href="#FNanchor_117"><span class="label">[117]</span></a>
+<i>Charterb.</i> II 107, 415; <span class="smcap">wins.</span> 458; <span class="smcap">schot.</span> 621 env.</p>
+
+<p><a name="Footnote_118" id="Footnote_118"></a><a href="#FNanchor_118"><span class="label">[118]</span></a>
+Wij zouden geneigd zijn dit bijna ongeloofelijk berigt te
+wantrouwen, indien het niet was medegedeeld door een tijdgenoot,
+den geachten geschiedschrijver <span class="smcap">everhard van reyd</span>, die, toen hij
+in 1602 stierf, Raad en Geheimschrijver was van den eersten
+Frieschen Stadhouder, Graaf <span class="smcap">willem lodewijk van nassau</span>.
+Zie zijne <i>Historie der Nederlantscher Oorlogen</i>, Leeuwarden 1650, 70.</p>
+
+<p><a name="Footnote_119" id="Footnote_119"></a><a href="#FNanchor_119"><span class="label">[119]</span></a>
+<i>Menne Siemmens oud preechuis</i> noemt <span class="smcap">schotanus</span> dit huis
+op zijne kaart van <i>Wonseradeel</i>. Bekend is het, dat dit bedehuis
+der daar nog bestaande gemeente in 1828 hersteld- en met een
+schoon afbeeldsel van <span class="smcap">menno</span>, door <span class="smcap">van der kooi</span> geschilderd,
+versierd is; terwijl gelijktijdig eene fraai gegraveerde afbeelding
+van dit Menno Simons-Kerkje is uitgegeven.</p>
+
+<p><a name="Footnote_120" id="Footnote_120"></a><a href="#FNanchor_120"><span class="label">[120]</span></a>
+Nog bestaat er in Friesland zulk eene gemeente der <i>Oude
+Friezen</i> te <i>Balk</i> in <i>Gaasterland</i>, waarin nagenoeg al het bovenvermelde
+nog naauwkeurig wordt in acht genomen, en wier leden
+(waaronder geene armen zijn) in de algemeene achting deelen,
+wegens hun opregt en ongeveinsd geloof, deelnemende liefde en
+reine zeden. Eene beschrijving van deze gemeente komt voor
+achter <span class="smcap">blaupot ten cate</span>, <i>Geschiedenis der Doopsgezinden in Friesland</i>,
+Leeuwarden 1839, 370, naar welk belangrijk werk wij, ook
+ten aanzien van dit gansche onderwerp, verder verwijzen. Ook op
+<i>Ameland</i> bestaat nog eene dergelijke gemeente.</p>
+
+<p><a name="Footnote_121" id="Footnote_121"></a><a href="#FNanchor_121"><span class="label">[121]</span></a>
+Zie dit alles breeder voorgesteld in het uitmuntend geschrift:
+<i>Onderzoek naar het kenmerkend beginsel der Doopsgezinden</i>, door
+<span class="smcap">d. s. gorter</span>, Sneek 1850, 12 env. hetwelk ik hoofdzakelijk gevolgd
+ben met nadere toelichting van den Schrijver, dien ik daarvoor
+bij deze mijnen dank toebreng.</p>
+
+</div>
+
+<hr class="footn" />
+
+<h3>31. <i>De Hervorming een tijdlang ingevoerd,
+maar weder onderdrukt. (1566.)</i></h3>
+
+<p>Veertig jarenlang hadden de Friezen bewijzen gegeven,
+dat zij eene verandering of hervorming van de oude en
+in zoo vele opzigten verbasterde kerkleer verlangden.
+Zij deden dit op grond der Heilige Schrift, die geene
+missen, boetedoeningen, biechten of aflaten, maar geloof,
+liefde en hoop, blijkbaar in een heilig leven, vorderde.
+Noch de Paus, noch de Keizer, noch de Koning
+wilde echter van eenige verandering in leer of godsdienst-oefening
+iets weten. Integendeel, sedert <span class="smcap">filips</span>
+<i>van Spanje</i> Heer dezer gewesten was geworden, wilde
+zijne blinde dweepzucht, dat allen, die hun christelijk
+geloof niet meer naar de voorschriften der Roomsche<span class='pagenum'><a name="Page_175" id="Page_175">[175]</a></span>
+kerk beleden, nog strenger dan vroeger vervolgd, gepijnigd
+en op den brandstapel gebragt zouden worden.
+Alles werd gedaan om het geestelijk en wereldlijk gezag
+der Kerk staande te houden.</p>
+
+<p>Daartoe diende ook in 1559 de oprigting van vier
+Aarts-Bisdommen en 13 nieuwe Bisdommen in <i>Nederland</i>.
+De stad <i>Leeuwarden</i> werd daarbij tot het hoofd eens
+Bisdoms en eener provincie verheven, waarop later de
+aanwijzing van het regtsgebied, het gezag en de inkomsten
+des Bisschops volgde. Maar tegen de invoering van
+deze opgedrongene weldaad des Konings verzetten de
+Staten en zelfs ook de Geestelijkheid van <i>Friesland</i> zich
+z&oacute;&oacute; krachtig, dat de benoemde Bisschop niet overkwam,
+maar hem een ander Bisdom aangewezen werd.</p>
+
+<p>Die tegenstand had dus gebaat, en gaf moed tot meerder
+verzet tegen de eischen van <i>Spanje</i>. De meerderheid
+der ingezetenen toch, waaronder de adel en de aanzienlijksten
+des lands, gaven blijken, de zaak der hervorming
+toegedaan te zijn. Zoodra het gerucht der
+algemeene Beeldenstorm (den 14 Augustus 1566 in
+<i>West-Vlaanderen</i> begonnen) zich door <i>Nederland</i> verspreidde,
+beraamde de Regering van <i>Leeuwarden</i> middelen,
+om, zonder woest geweld, doch met bedaarde zorg,
+hier het zelfde doel&mdash;de afschaffing van de Roomsche
+en de invoering van de Hervormde eeredienst&mdash;te bereiken.
+Bij afwezigheid van den Stadhouder werd de
+beveiliging der Stads poorten aan de burgers opgedragen,
+en den 6 September 1566 in eene groote vergadering
+van de Regering en de Bevelhebbers der schutterij, op
+voorstel van den wakkeren Burgemeester <span class="smcap">tjerk walles</span>,
+besloten, om nu openlijk en met daden te toonen, wat
+men reeds zoo lang heimelijk gewenscht had. Eendragtig
+werd goedgevonden, het voorbeeld van vele Nederlandsche
+steden te volgen;&mdash;niet, om de kerken met baldadige<span class='pagenum'><a name="Page_176" id="Page_176">[176]</a></span>
+woestheid te schenden, en beelden en sieraden aan de
+woede van het volk prijs te geven; maar door bedaarde
+standvastigheid en voorzigtig overleg het voorgestelde
+doel te bereiken: om de oude eeredienst af te schaffen
+en daarvoor dadelijk de Hervormde &raquo;preke&#8221; in de plaats
+te stellen. Nog dien zelfden avond ontvingen de Geestelijkheid
+en de Gilden bevel, om hunne eigendommen en
+sieraden onmiddelijk uit de drie parochie-kerken weg te
+nemen. Gedurende den nacht hield vervolgens een aantal
+burgers en werklieden zich bezig, om de kerken van de
+beelden, schilderijen en altaren te ontledigen, en deze
+gebouwen in te rigten naar de behoeften van de eeredienst
+der Hervormden. Reeds den volgenden dag, waarop
+verboden werd eenig godshuis of klooster te schenden,
+werden de predikanten door de Stads regering en de
+schutters in de kerk van <i>Oldehove</i> gebragt, en werd
+daar de eerste leerrede naar de wijze der Hervormden
+gehouden, gelijk vervolgens dagelijks ook in de andere
+kerken geschiedde. De uitoefening van de Roomsche
+eeredienst werd verboden. Vele priesters traden uit eigene
+beweging tot de Hervorming toe<a name="FNanchor_122" id="FNanchor_122"></a><a
+href="#Footnote_122" class="fnanchor">[122]</a>.</p>
+
+<p>Met loffelijken ijver en stoutmoedigheid had de regering
+alzoo de groote zaak der reformatie doorgezet.
+Met bedaardheid en kalme bezinning werd hier door de
+overheid het zelfde doel bereikt, hetwelk elders met zooveel
+woestheid en godsdiensthaat op eene onwaardige
+wijze werd verkregen. Het is waar, in tijden van opgewonden
+geestdrift is het volk niet altijd binnen de
+palen der redelijkheid te houden, vooral na zoo lang
+geleden en zich ingehouden te hebben. Slechts korten
+tijd genoot men echter de vrucht van deze moedige<span class='pagenum'><a name="Page_177" id="Page_177">[177]</a></span>
+poging. Want spoedig kwamen er bevelen van den
+Stadhouder en de Landvoogdes, om de oude kerkdienst
+te herstellen en de Hervormde predikanten te doen vertrekken.
+Mannelijk weigerde de eendragtige Regering
+en burgerij te gehoorzamen, en <span class="gesp">twintig weken</span>
+lang hielden zij vol, om, in weerwil van scherpe bedreigingen,
+hun geloof naar hunne overtuiging te belijden. Ook
+<i>Sneek</i> en <i>Franeker</i> volgden dit goede voorbeeld.</p>
+
+<p>Doch de tijd was nog niet rijp voor eene volkomene
+overwinning. Nog hooger moest de nood stijgen, maar
+ook nog krachtiger tegenstand ontwikkelen, ten einde
+eene grootere zegepraal en meer algemeene en duurzame
+bereiking van het goede doel te bevorderen. Op
+een bijzonder bevel des Konings kwam de Stadhouder
+<span class="smcap">aremberg</span> in Januarij 1567 met eene aanzienlijke krijgsmagt
+te <i>Leeuwarden</i>, en eischte het verdrijven van de
+leeraren en de herstelling van de kerken. De Regering,
+tegen de overmagt van het geweld niet bestand, deed
+wel ernstige pogingen, om zijne toestemming te verwerven
+tot het voortdurend bestaan van de Hervormde
+godsdienst-oefeningen, doch te vergeefs: zij moest bukken
+en gehoorzamen. Uit vrees voor de volvoering van de
+bedreigde straffen, ontweken vele edelen en burgers nu een
+vaderland, dat zoo schandelijk verdrukt werd. Een zeventigtal
+vroegere priesters volgde hen, meest naar het herbergzame
+<i>Oost-Friesland</i>, waar de hervorming reeds vroeg
+was gevestigd, en waar men, onder bescherming der
+regering, lang veilig was voor de vervolgingen. De kerken
+werden ten behoeve der Roomsche eeredienst op den ouden
+voet hersteld. Hoe gematigd <span class="smcap">aremberg</span> zijn last ook uitvoerde,
+zonder dat er bloedstorting plaats had, verwekte
+deze onderwerping groote smart en wrok jegens den
+Koning, tegen wien men zich eerst nu begon te verzetten
+en den tachtigjarigen strijd een aanvang deed nemen.</p>
+
+<hr class="footn" />
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_122" id="Footnote_122"></a><a href="#FNanchor_122"><span
+class="label">[122]</span></a> Zie dit alles uitvoeriger verhaald op bl. 218 der <i>Geschiedk.
+Beschrijving van Leeuwarden</i> I en bij de daar aangehaalde schrijvers.</p></div>
+
+<hr class="footn" />
+
+<p class='pagenum'><a name="Page_178" id="Page_178">[178]</a></p>
+
+<h3>32. <i>Aandeel van den Frieschen Adel in het
+Verbond der Nederlandsche Edelen. (1565.)</i></h3>
+
+<p>De bovenvermelde mislukte poging, ter bekoming van
+godsdienst-vrijheid naar de behoeften des volks, was voorafgegaan
+door eene belangrijke gebeurtenis, welke vervolgens
+van grooten invloed was;&mdash;eene gebeurtenis,
+z&oacute;&oacute; merkwaardig, dat zij in de rij onzer vaderlandsche
+herinneringen en roemdagen eene eervolle plaats bekleedt.</p>
+
+<p>De talrijke en meestal zeer vermogende Nederlandsche
+Adel trok zich de belangen der ingezetenen aan. Hij
+zag het, hoe alom de geest des volks zich tegen de
+willekeurige handelingen des Konings omtrent den veranderden
+vorm van godsdienst-oefening aankantte, zoodat
+algemeene tegenstand, zoo geen opstand, eerlang onvermijdelijk
+scheen. De Edelen voedden dus de hoop, dat de
+poging van een aanzienlijk ligchaam des lands den Koning
+tot zachtere maatregelen zou bewegen, opdat daardoor de
+rust hersteld wierde. Want nog was men toen vreemd van
+het denkbeeld, om <i>Spanje</i> tegenstand te bieden, den Koning
+af te zweren en dit land tot een onafhankelijken Staat te verheffen.
+Eerst later werd men daartoe gedrongen. Toen wilde
+men nog het bestaande gezag handhaven en beschermen,
+met getrouwheid aan den Koning en zijne gezagvoerders.
+Twintig Edelen, te <i>Brussel</i> bijeengekomen, ontwierpen
+in 1565 een Verbond, aan hetwelk spoedig nog 400 edelen
+uit alle Nederlandsche provinci&euml;n toetraden, met het
+doel, om &#8217;s lands vrijheid te verdedigen en de inquisitie
+te keer te gaan. Tot dat einde boden zij den 5 April 1566 der
+Landvoogdes, op eene plegtige wijze, een smeekschrift aan,
+waarbij zij haar eerbiedig en ernstig verzochten, den Koning
+tot verzachting van de plakkaten tegen de godsdienst en
+tot opheffing van de geloofs-vervolging te bewegen, dewijl
+deze blijkbaar dienden, om onrust en oproer te verwekken<span class='pagenum'><a name="Page_179" id="Page_179">[179]</a></span>
+en ellende over het land te brengen. Wel beloofde de
+Landvoogdes aan dit verzoek te zullen voldoen en moderatie
+of matiging van de uitvoering der plakkaten te
+zullen verzoeken; doch de wijze, waarop dit geschiedde,
+en de voortduring van de vervolgingen, welke aan die
+zoogenaamde <i>moderatie</i> den bijnaam van <i>moorderatie</i> gaf,
+overtuigden de edelen, hoe halsstarrig de Koning weigerde
+aan de billijke wenschen zijner onderzaten te
+voldoen. Zelfs werd hunne ernstige en welgemeende
+poging om &#8217;s Konings eigen belang te bevorderen in dier
+voege opgevat, als ware het eene beleedigende aanmatiging;
+ja bij het aanbieden van hun verzoek werden zij
+door den Raadsheer <span class="smcap">van barlaymont</span>, een der voornaamste
+raadsmannen der Landvoogdes, schimpender wijze eene
+troep bedelaars of <i>geuzen</i> genoemd, welken schimpnaam
+zij echter tot een eernaam en onderscheidingsleus aannamen.
+Vandaar, dat, na de mislukking van hunne edele
+vaderlandsche poging, welke zij miskend zagen, de meeste
+dezer adellijke personen eerlang openlijk de hoofden werden
+van den strijd voor vrijheid en regt, tegen den Koning
+en zijn misbruikt gezag (1568).</p>
+
+<hr class="c05" />
+
+<p>Lang hadden de Friezen gezwegen en het slaafsche juk
+der overheersching gedragen. Welkom was hun dus de
+gelegenheid, om blijken te geven van hunne zucht, om
+het belang des vaderlands krachtig te bevorderen. Toen
+drie afgevaardigden dier Edelen te <i>Leeuwarden</i> kwamen,
+om den Frieschen Adel tot deelneming op te wekken,
+vonden zij, onder bescherming der Staten, hier z&oacute;&oacute; veel
+bijval, dat 108 Edelen, waaronder vele leden der regeringen
+van de steden en grietenijen, het Verbond teekenden
+en zich bereid verklaarden, de willekeur des
+Konings te helpen tegenstaan. Een getal, hetwelk, in
+vergelijking der 420 leden van het verbond uit al de 17<span class='pagenum'><a name="Page_180" id="Page_180">[180]</a></span>
+Nederlandsche provinci&euml;n te zamen, zeker zeer aanzienlijk
+was, en blijk gaf, welk eene vrijheidszucht en moed de
+Friezen bezielde. Vruchteloos waren echter hunne eerste
+pogingen ter bekoming van verzachtende maatregelen.
+Evenzeer mislukte de poging, om vrijheid van godsdienst
+te bekomen: want nadat de hervorming te <i>Leeuwarden</i>
+weder onderdrukt was, drong de Stadhouder <span class="smcap">aremberg</span>
+bij de Staten aan, dat zij het Verbond der edelen zouden
+ontbinden, en dat deze zelfs den Koning om vergiffenis
+moesten smeken, dewijl zij anders het ergste hadden te
+vreezen. Doch de Staten waren evenzeer als de edelen
+voor geene bedreigingen meer vervaard. Dit blijkt uit
+het fiere en krachtige antwoord, hetwelk zij den Stadhouder
+deden toekomen in deze, voor die dagen, hoogst
+opmerkelijke woorden: &raquo;<i>dat zij, voor zich en de bondgenooten,
+alles goedkeurden, wat gedaan of gezegd
+was, en dat zij, noch uit gunstbejag, noch uit vrees,
+van hunne regten afstand zouden doen, maar liever
+een opmerkelijk voorbeeld van standvastigheid in het
+handhaven van &#8217;s lands vrijheden wilden geven, al
+moesten zij het ook met den dood bekoopen.</i>&#8221;</p>
+
+<p>Zulk eene taal van de vertegenwoordigers des volks tegen
+den uitvoerder der bevelen eens dwingelands getuigde van
+een verheven moed en heldengeest, welke de aanzienlijksten
+des lands en velen dier verbondene edelen doordrong.
+Want al moest ook een aantal hunner met vele
+geestelijken en burgers in 1567, na het terugkeeren van
+<span class="smcap">aremberg</span> en de komst van den wreeden Hertog van
+<span class="smcap">alva</span>, vlugten, om de vervolgingen te ontgaan,&mdash;met
+den volgenden jare 1568 zien wij hen den strijd aanvangen
+tegen het misbruikte oppergezag en roemrijke
+daden verrigten. Toen toonden zij weder der Friezen oude
+moed en trouw, en hunne voorvaderlijke zucht voor vrijheid
+en onafhankelijkheid. Toen dachten zij vol moed en hoop:</p>
+
+<div class="poem"><div class="stanza">
+<span class="i0"><span class='pagenum'><a name="Page_181" id="Page_181">[181]</a></span><i>Geen
+bloed kan glorierijker vloeijen,</i><br /></span>
+<span class="i0"><i>Dan &#8217;t geen het Vaderland bevrijd.</i><br /></span>
+</div></div>
+
+<p>En hiervoor hadden ze alles over, in de heilige overtuiging:</p>
+
+<div class="poem"><div class="stanza">
+<span class="i0"><i>Want, waar de Vrijheid is verloren,</i><br /></span>
+<span class="i0"><i>Is &#8217;t Vaderland een ijdle naam</i><a name="FNanchor_123"
+id="FNanchor_123"></a><a href="#Footnote_123" class="fnanchor">[123]</a>.<br /></span>
+</div></div>
+
+<hr class="c05" />
+
+<p>Al de personen te noemen, die deelnamen in dezen
+strijd, die goed en bloed waagden, om de vrijheid des
+vaderlands te herstellen, is hier niet mogelijk. Maar wij
+mogen de namen niet verzwijgen van h&eacute;n, die door ijver
+en bekwaamheid de goede zaak het meest bevorderden, of
+die in de gelegenheid waren door grootsche bedrijven uit
+te munten. <span class="smcap">wybrand van aylva</span>, Olderman van <i>Sneek</i>,
+en <span class="smcap">hessel van aysma</span>, Raadsheer in het Hof, wisten, in
+vereeniging met <span class="smcap">julius</span> en <span class="smcap">syds van botnia</span> en <span class="smcap">gemma</span> en
+<span class="smcap">upco van burmania</span>, door raad en daad met onwrikbare
+trouw de verdrukking tegen te staan. Aan <span class="smcap">jan bonga</span>,
+<span class="smcap">jelle eelsma</span> en <span class="smcap">wybe van grovestins</span> gelukte het, zoowel
+te land als ter zee, den vijand afbreuk te doen.
+<span class="smcap">homme van hettinga</span> verkocht zijne eigene bezittingen,
+om krijgsvolk aan te nemen, waarmede hij de Spaanschen
+bestreed, waarna hij <i>den Briel</i> hielp innemen, en van zijne
+vrijheidsliefde even groote bewijzen gaf als zijn broeder,
+<span class="smcap">tiete</span>, die, toen hij uit <i>Friesland</i> moest wijken, in
+1575 met 200 zijner landgenooten bij <i>Wormer</i> in <i>Noord-Holland</i>
+ruim 1300 Spanjaarden en Duitschers bestreed
+en overwon. Even als zij, trachtten <span class="smcap">haring</span> en
+<span class="smcap">hartman van harinxma</span>, aan het hoofd van vele ingezetenen
+van <i>Wymbritseradeel</i>, in 1572 de Friesche steden
+voor Prins <span class="smcap">willem</span> <i>van Oranje</i> te verzekeren. Reeds
+hadden zij <i>Slooten</i> ingenomen, toen zij in gevecht geraakten
+met de talrijker oude benden van <span class="smcap">robles</span>, waarbij<span
+class='pagenum'><a name="Page_182" id="Page_182">[182]</a></span>
+<span class="smcap">hartman</span> de regterarm aan stukken werd geschoten,
+hoewel hij moeds genoeg had, om, zonder eenig blijk van
+pijn te geven, het vaandel met de linkerhand aan te
+vatten en de zijnen kloekmoedig tot den strijd te blijven
+aanvoeren<a name="FNanchor_124" id="FNanchor_124"></a><a
+href="#Footnote_124" class="fnanchor">[124]</a>. Vier broeders uit het geslacht <span class="smcap">van eysinga</span>
+muntten door liefde voor vrijheid en godsdienst uit, en
+getroostten zich daarvoor groote opofferingen en ballingschap.
+<span class="smcap">sjoerd van beyma</span> en <span class="smcap">hartman galama</span> stelden
+zich door kloeke bedrijven aan eene vervolging bloot,
+welke hen, op de Zuiderzee met hulp van verraad
+gevangen genomen, te <i>Brussel</i> op een schavot het leven
+deed verliezen. <span class="smcap">haring van glins</span>, <span class="smcap">wilco van holdinga</span>,
+<span class="smcap">douwe van hottinga</span> en zoo vele anderen trotseerden
+moedig velerlei gevaren en worden als bevorderaars der
+vrijheid met eere genoemd.</p>
+
+<p>Doch niemand dezer overtrof in grootmoedigheid en
+bekwaamheid hun aller hoofd en sieraad, den edelen
+<span class="gesp"><span class="smcap">duco martena</span></span>, die, zonder vrees voor gevaar, de
+regten des volks bleef handhaven; die, als staatsman
+en held, in raadzaal en strijd, zoowel te land als
+ter zee, te midden der hevigste vervolging, met raad
+en daad zijn vaderland diende, en al zijne bezittingen,
+ja zelfs die van twee zijner broederen, door hem ge&euml;rfd,
+voor de zaak der vrijheid opofferde. Als lid van Gedeputeerde
+Staten handhaafde hij het uitsluitend regt
+der inboorlingen tot de regering, stuitte de geweldige<span class='pagenum'><a name="Page_183" id="Page_183">[183]</a></span>
+maatregelen van <span class="smcap">alva</span>, en poogde door voorspraak de gevangene
+bondgenooten te doen loslaten. Hoe hoog de nood
+ook klom, hij bezweek niet, maar werd voor <i>Friesland</i>,
+wat Prins <span class="smcap">willem</span> <i>van Oranje</i> voor het fel bestredene
+<i>Holland</i> en andere provinci&euml;n was: de kracht, de steun,
+de hulp van den onder <span class="smcap">alva</span> zoo diep gezonken staat.
+Die Prins werd zijn vriend en beschermer, welke hem,
+toen hij eindelijk <i>Friesland</i> moest verlaten, als Admiraal
+het opperbevel over eene vloot op de Zuiderzee toevertrouwde.
+Blakende van liefde voor het land en de goede
+zaak, evenaarden zijn beleid en dapperheid de trouw
+en voorzigtigheid, waarmede hij ook later, in zijn vaderland
+teruggekeerd, den jeugdigen staat hielp opbouwen,
+zoodat aan zijne daden en deugden de verlossing des
+vaderlands voor een groot deel werd toegeschreven.
+(<i><a href="#Aant20">Aant. 20</a>.</i>)</p>
+
+<p>Nooit mogen wij Friezen onze verpligting aan den
+edelen <span class="smcap">martena</span> en zijne medeverbondene edelen vergeten!
+Met eere mogen de namen van deze helden der vrijheid
+steeds genoemd worden: want onbegrijpelijk veel hebben
+zij doorgestaan, verrigt en opgeofferd, toen de willekeur
+der Spaansche overheersching zich de wreedste vervolging
+van personen en huisgezinnen, de verbeurt-verklaring van
+goederen en allerlei kwellingen veroorloofde: omdat, zij de
+vrijheid verlangden, om den zelfden God en Heer op eene
+andere wijze te vereeren dan de Koning van <i>Spanje</i> wilde
+toestaan. Doch gelukkig, dat, na het doorstaan van al die
+rampen, eindelijk de overwinning volgde, welke ook de
+Friezen weder deed deelen in het voorregt van het bezit
+der vrijheid en onafhankelijkheid, welke men op hoogeren
+prijs had leeren schatten, naarmate de verkrijging moeite
+en opofferingen had gekost. Vooraf echter moest er nog
+veel geleden en gestreden worden.</p>
+
+<hr class="footn" />
+
+<div class="footnote">
+
+<p><a name="Footnote_123" id="Footnote_123"></a><a href="#FNanchor_123"><span class="label">[123]</span></a>
+<span class="smcap">onno zwier van haren</span>, <i>de Geuzen</i>. Zie daarover <i><a href="#Aant20">Aant. 20</a></i>.</p>
+
+<p><a name="Footnote_124" id="Footnote_124"></a><a href="#FNanchor_124"><span class="label">[124]</span></a>
+Dit verhaalt zelfs de Spaanschgezinde Raadsheer <span class="smcap">carolus</span>,
+<i>de rebus Casparis &acirc; Robles in Frisia gestis</i>, Leov. 1731, 56. &#8222;Hoe
+zou iets van dien aard (zegt <span class="smcap">van kampen</span>, <i>Vaderl. Karakterkunde</i>,
+I 345) de wereld doorklinken, wanneer het door een&#8217; <i>Spartaan</i>
+was verrigt! Doch zulke daden hadden bij ons plaats, zonder,
+gelijk te <i>Sparta</i>, door de opoffering van alle menschelijk
+gevoel, beschaving en handelverkeering met andere volken te
+worden gekocht.&#8221;</p>
+
+</div>
+
+<hr class="footn" />
+
+<p class='pagenum'><a name="Page_184" id="Page_184">[184]</a></p>
+
+<h3>33. <i>Herstelling van de Friesche Zeeweringen
+onder Caspar de Robles. (1574.)</i></h3>
+
+<p>Te midden der verschrikkingen van den oorlog trof
+<i>Friesland</i> bovendien eene ramp, welke groote nood en
+schade veroorzaakte. Zij had evenwel heilzame gevolgen
+voor de toekomst, en het is d&aacute;&aacute;rom, dat wij ons verpligt
+achten, hierbij in het bijzonder stil te staan.</p>
+
+<p>Een hevige storm en daarop gevolgde watervloed, zoo
+ontzettend als ooit eenige deze landen trof, teisterde,
+op den 1 November 1570, alle aan de Noordzee gelegene
+landstreken. Met geweld op de Friesche dijken inbrekende,
+rees het water 10 &agrave; 12 voeten hoog op de landen,
+zoodat bijna het gansche gewest eene woeste zee gelijk
+scheen. Duizenden menschen verloren het leven: all&eacute;&eacute;n
+in <i>Oost-</i> en <i>West-Dongeradeel</i> kwamen er 2600 personen
+om. Een schat van vee, granen en andere levensmiddelen
+werd met een aantal gebouwen eene prooi van den vloed,
+die de zeedijken zoodanig had vernield, dat zij op sommige
+plaatsen geheel weggeslagen waren. Het land
+stond dus open voor de zee, die dan ook in de eerstvolgende
+jaren bij de minste verheffing van wind en vloed
+op nieuw de velden overstroomde. Dit alles, gevoegd
+bij verarming, duurte, hongersnood en oorlog, voerde
+de ellende der ingezetenen ten top, en schenen de
+krachten te falen, om die verliezen te boven te komen,
+en inzonderheid, om de zeedijken te herstellen, ten einde
+dit land duurzaam voor dergelijke rampen te beveiligen<a name="FNanchor_125"
+id="FNanchor_125"></a><a href="#Footnote_125" class="fnanchor">[125]</a>.</p>
+
+<p>Geen gedeelte had meer geleden dan de Vijfdeelendijk,
+van <i>Dijkshoek</i> langs <i>Harlingen</i> naar <i>Makkum</i>, en
+wel<span class='pagenum'><a name="Page_185" id="Page_185">[185]</a></span>
+mede om deze reden, dat het onderhoud daarvan sedert
+lang het meest verwaarloosd was geworden, ten gevolge
+van langdurige en hevige geschillen, voornamelijk tusschen
+de ingezetenen, die buiten en binnen den Slagtedijk
+woonden over het aandeel, dat ieder hunner in het
+onderhoud zou hoeden. De eersten, de aan zee gelegene
+Grietenij&euml;n, verlangden daartoe meerdere hulp van de
+laatsten, ja zelfs ondersteuning ook van andere deelen
+van <i>Friesland</i>, voor welke de zeedijken van even groot
+belang waren. Reeds in 1533 hadden de Stadhouder en
+het Hof in dit geschil eene beslissing gegeven, door bij
+Arbitrament te bepalen, door wie en op welke wijze de
+zeedijken zouden worden onderhouden<a name="FNanchor_126"
+id="FNanchor_126"></a><a href="#Footnote_126" class="fnanchor">[126]</a>. In weerwil
+daarvan bleek het echter, dat de Binnendijksters niet
+waren te bewegen, om den Buitendijksters de meerder
+verlangde hulp te verleenen, en zoo bleef eene algemeene
+herstelling onuitgevoerd en het land steeds in groot
+gevaar verkeeren.</p>
+
+<p>De herstelling of wel bijna geheele vernieuwing van dezen
+dijk was echter nu een dringend vereischte. De Buitendijksters,
+die de kosten daarvan op 300,000 Gld. begroot
+hadden, klaagden hunnen nood aan den Koning. Namens
+dezen bepaalde de Landvoogd <span class="smcap">alva</span> in Augustus 1571,
+dat, tot vinding van die som, 40,000 Gld. zou worden
+omgeslagen over die deelen van dit gewest, welke weinig
+of geene dijken hadden te onderhouden, en dat de
+overige kosten door de Buiten- en Binnendijksters gelijkelijk
+zouden worden gedragen. Daar de laatste hierover
+vooraf niet waren gehoord, namen zij in deze beslissing
+geen genoegen, terwijl ook <i>Oostergoo</i> zich tegen dien
+omslag verzette. <span class="smcap">alva</span> vond dus goed, den 27 October
+en 8 November 1571 deze uitspraak te schorsen, en, na<span class='pagenum'><a name="Page_186" id="Page_186">[186]</a></span>
+een nader onderzoek, de beslissing op te dragen aan den
+Stadhouder, <i>Graaf van Megen</i>, met eenige Raden van
+<i>Overijssel</i>. Dan deze, reeds kort daarna, den 7 Januarij
+1572, overlijdende, werd den 15 Maart dit onderzoek
+en die beslissing opgedragen aan <span class="smcap">caspar de robles</span>, <i>Heer
+van Billy</i>, aan het hoofd eener commissie van Raadsheeren
+en Dijkgraven uit andere provinci&euml;n.</p>
+
+<p><span class="smcap">Robles</span> was destijds Kolonel van een regiment Waalsche
+knechten te <i>Groningen</i>. Portugees van geboorte, aan
+het Hof van <span class="smcap">karel</span> V opgevoed, vereerd met het vertrouwen
+der Landvoogdes, die hem zelfs naar <i>Madrid</i> zond, om
+verzachting van de plakkaten te bewerken, was hij in 1569
+te <i>Groningen</i> gekomen, en had hij zoowel blijken gegeven
+van gestrengheid en ijver voor de zaak des konings,
+als van menschlievendheid ter redding en verzorging van
+allen, die door den Allerheiligenvloed ongelukkig waren
+geworden. Zoo men wil, bragt hij zelfs te <i>Brussel</i> te weeg,
+dat de soldij zijner krijgsknechten van daar werd overgemaakt,
+en dat <i>Friesland</i> en <i>Groningen</i> een jaar lang
+van schatting ontheven werden, omdat hunne krachten
+naauwelijks toereikende waren om de geledene schade
+aan hunne zeeweringen te herstellen. Veler achting viel
+hem daardoor ten deel, bij al de strenge maatregelen,
+welke hij op bevel van <span class="smcap">alva</span> moest nemen, om het Spaansche
+gezag te schragen. Kort na zijne overkomst in <i>Friesland</i>
+(in April 1572) zag hij zich als Luitenant des nieuwen
+Stadhouders <span class="smcap">gillis van barlaymont</span>, <i>Heer van Hierges</i>,
+benoemd, en in het laatst des volgenden jaars (1573) in
+diens plaats tot Stadhouder en Kapitein-Generaal aangesteld.
+Hierdoor kwam hij nog beter in de gelegenheid,
+om zich van zijnen belangrijken last te kwijten<a name="FNanchor_127"
+id="FNanchor_127"></a><a href="#Footnote_127" class="fnanchor">[127]</a>.</p>
+
+<p><span class='pagenum'><a name="Page_187" id="Page_187">[187]</a></span>Nadat hij zich naar <i>Harlingen</i> begeven en zich overtuigd
+had van den deerlijken toestand der meest weggeslagen
+dijken, was zijn besluit genomen, om krachtdadige
+middelen tot herstel aan te wenden, om allen
+tegenstand moedig het hoofd te bieden, en de onwilligen
+zelfs met geweld tot de uitvoering te dwingen. Na lang
+oponthoud, mede ten gevolge zijner geweldige maatregelen
+om &#8217;s konings gezag te handhaven tegen de
+pogingen der edelen, om <i>Friesland</i> onder het gezag van
+Prins <span class="smcap">willem</span> te brengen, was de zaak zoo veel vooruitgegaan,
+dat in December 1572 de Binnen- en Buitendijksters
+beide al hunne geschillen en processen opdroegen
+aan <span class="smcap">robles</span> en eene andere commissie van Raadsheeren,
+belovende zich aan de uitspraak van deze arbiters te
+zullen onderwerpen. Hierop werd de goedkeuring van
+<span class="smcap">alva</span> ontvangen en die uitspraak den 7 Augustus 1573
+gegeven. Daarbij werd, met afwijking van het arbitrament
+van 1533, vastgesteld, dat de zeedijk van <i>het
+Bildt</i> tot <i>Makkum</i> voor de helft, tot omstreeks <i>Harlingen</i>,
+door de Binnendijksters, en voor de wederhelft
+door de Buitendijksters zou worden gemaakt en onderhouden.
+Deze uitspraak werd in naam des Konings den
+4 September door <span class="smcap">alva</span> goedgekeurd, en daarna afgekondigd,
+om spoedig ten uitvoer gelegd te worden<a name="FNanchor_128"
+id="FNanchor_128"></a><a href="#Footnote_128" class="fnanchor">[128]</a>. In het
+volgende voorjaar trok men met ijver aan het werk, nadat
+<span class="smcap">robles</span> en zijne Raden den 25 Maart 1574 bij eene
+uitvoerige ordonnantie had bepaald hoedanig het werk
+ingerigt, verdeeld en bestuurd zou worden. De dijk
+van vijf uren gaans lengte moest eene hoogte bekomen
+van 12 voet, met een beloop van 5 roede aan de zeezijde
+en 3 roede aan de landzijde, en eene kruin van
+6 voet breedte. Het geheele werk werd verdeeld in<span class='pagenum'><a name="Page_188" id="Page_188">[188]</a></span>
+elf perceelen. Aan ieder perceel werkte 300 man, welke
+onder het opzigt stonden van een kapitein, een schrijver
+of opzigter en 12 rotmeesters. De werkuren waren gesteld
+van &#8217;s morgens 5 tot &#8217;s avonds 6 uur; de drie
+schofturen daar tusschen werden door het uitsteken van
+een vaandel uit den toren van <i>Harlingen</i> aangewezen.
+Een half uur bezuiden die stad werd een geheel nieuwe
+inlegger gemaakt, welke nog de <i>Kornels-dijk</i> genoemd
+wordt. Ter bevordering van orde en gezag onder zoo
+groote menigte werklieden, waren daarbij strenge bepalingen
+gemaakt. Zelfs wil men, dat er eene galg
+op den dijk geplaatst was. <span class="smcap">robles</span> zelf hield naauwlettend
+toezigt en allen in bedwang door de vrees voor
+zijn ongenoegen en de bedreigde straffen.</p>
+
+<p>Schoon het werk voorspoedig voortging, kon het echter
+dat jaar niet worden voltooid. Na het nemen van de
+noodige voorzorgen tegen den winter, werd het in het
+volgende voorjaar hervat en in den zomer van 1575 geheel
+volbragt, waarna er nog een aantal hoofden, kisten
+en kribben van paalwerk werden aangebragt tot bescherming
+van den dijk en het breken van den golfslag. In
+den volgenden jare werd ter gedachtenis dezer zoo w&eacute;l
+volbragte onderneming en ter eere van den wakkeren
+Stadhouder, als grenspaal tusschen de beide perken van
+onderhoud, op den dijk nabij <i>Harlingen</i> een gedenkteeken
+opgerigt, waarvan de vier opschriften den tijd der stichting
+en de namen der stichters vermeldden<a name="FNanchor_129"
+id="FNanchor_129"></a><a href="#Footnote_129" class="fnanchor">[129]</a>.</p>
+
+<p><span class='pagenum'><a name="Page_189" id="Page_189">[189]</a></span>Daar gelijktijdig ook de noordelijke zeeweringen dezer
+provincie werden hersteld, zoodat er in 1574 enkel aan
+die van <i>West-Dongeradeel</i> van 12 tot 1500 man werkten;
+daar er ook omtrent de zuidelijke zeedijken schikkingen
+tot verbeterd onderhoud werden gemaakt, en vermits de
+naam van het <i>Caspar-Robles-diep</i> nog aanwijst, dat dit
+kanaal, tusschen het Bergumermeer en de Lauwers, ter
+bevordering eener betere gemeenschap met <i>Groningen</i>,
+door hem mede is tot stand gebragt,&mdash;zoo zien wij in dit
+alles met genoegen de blijken van hetgeen de standvastigheid
+en welberaden moed van <span class="smcap">robles</span> binnen zoo
+weinige jaren in <i>Friesland</i> tot duurzaam heil des lands
+mogt tot stand brengen. In het zelfde jaar, dat het gedenkteeken
+werd opgerigt, verkeerde echter de kans,
+werd hij door zijn krijgsvolk gevangen genomen, te
+<i>Leeuwarden</i> op het Blokhuis een tijdlang in bewaring
+gehouden, waarna hij in 1585 voor <i>Antwerpen</i> omkwam.
+Zijn naam en gedachtenis zijn echter bij elken Fries in
+gezegend aandenken gebleven, en gaarne zeggen wij
+den dichter na<a name="FNanchor_130" id="FNanchor_130"></a><a href="#Footnote_130" class="fnanchor">[130]</a>:</p>
+
+<div class="poem"><div class="stanza">
+<span class="i0"><i>Daar staan zij, de reuzen, aan &#8217;t bogtige strand,</i><br /></span>
+<span class="i0"><i>En houden de zee in den toom en aan band,</i><br /></span>
+<span class="i2"><i>Bespotten, trotseren haar woede.</i><br /></span>
+<span class="i0"><i>Slechts weinigen houden, bij dag en bij nacht,</i><br /></span>
+<span class="i0"><i>Bij hen, bij die redders, die dwingers, de wacht;</i><br /></span>
+<span class="i2"><i>Wij slapen gerust op hun hoede.</i><br /></span>
+</div><div class="stanza">
+<span class="i0"><span class='pagenum'><a name="Page_190" id="Page_190">[190]</a></span><i>Die
+reuzen van dijken, wie heeft ze gesticht?</i><br /></span>
+<span class="i0"><i>Wie heeft ze in geledren en reijen gerigt,</i><br /></span>
+<span class="i2"><i>Zoo als zij ons</i> Friesland <i>omgeven;</i><br /></span>
+<span class="i0"><i>Een vijand, een dienaar des wreedsten tirans;</i><br /></span>
+<span class="i0"><i>Maar eere zij hem, en de naam dezes mans</i><br /></span>
+<span class="i2"><i>Blijv&#8217; hier, in ons harte, steeds leven.</i><br /></span>
+</div></div>
+
+<hr class="footn" />
+
+<div class="footnote">
+
+<p><a name="Footnote_125" id="Footnote_125"></a><a href="#FNanchor_125"><span class="label">[125]</span></a>
+Zie het officieele verhaal in het <i>Charterb.</i> III 847, 865;
+<span class="smcap">winsemius</span>, 550; <span class="smcap">outhofs</span>, <i>Watervloeden</i>, Embden 1720, 508,
+535; <span class="smcap">van leeuwen</span>, <i>Watervloed</i>, Inl. XXXV.</p>
+
+<p><a name="Footnote_126" id="Footnote_126"></a><a href="#FNanchor_126"><span class="label">[126]</span></a>
+Zie deze stukken in het <i>Charterboek</i>, II 627, 628 env.</p>
+
+<p><a name="Footnote_127" id="Footnote_127"></a><a href="#FNanchor_127"><span class="label">[127]</span></a>
+Zie al de stukken in het <i>Charterb.</i> III, 869, 876, 884, 891,
+894, 902 env.; <span class="smcap">carolus</span>, 235; <span class="smcap">kok</span>, <i>Vaderl. Woordenb.</i>
+24<sup>e</sup> dl. 309.</p>
+
+<p><a name="Footnote_128" id="Footnote_128"></a><a href="#FNanchor_128"><span class="label">[128]</span></a>
+<i>Charterb.</i> III 909, 919, 931, 940, 946, 948, 958, 966, 979.</p>
+
+<p><a name="Footnote_129" id="Footnote_129"></a><a href="#FNanchor_129"><span class="label">[129]</span></a>
+Zie deze opschriften en eene afbeelding van dezen <i>Terminus</i>
+of zoogenaamden <i>Steenenman</i> bij <span class="smcap">winsemius</span>, 588 en op de Friesche
+kaarten van <span class="smcap">schenk</span> en <span class="smcap">halma</span>;
+<span class="smcap">foeke sjoerds</span>, <i>Beschrijv.</i> I 112,
+<i>Tegenw. Staat</i>, III 594, IV 309; <span class="smcap">kok</span>, <i>Vad. Woordenb.</i> 24<sup>e</sup> dl. 314.
+Dit gedenkteeken, in de vorige eeuw verloren geraakt, is in 1776
+op kosten van den Dijkgraaf, <span class="smcap">karel georg</span> Grave <span class="smcap">van wassenaer
+twickel</span>, in vorigen vorm hersteld. Later zijn de beide oude
+koppen teruggevonden, en door Jhr. <span class="smcap">i. &aelig;binga van humalda</span>
+bewaard op een gemetseld voetstuk in den tuin van <i>Burmaniahuis</i> te
+<i>Leeuwarden</i>. De steen met het latijnsche hoofdopschrift der westzijde
+is in Mei 1851 teruggevonden, onder in een muur gemetseld, bij
+gelegenheid der vergrooting van de buitenhaven van <i>Harlingen</i>.</p>
+
+<p><a name="Footnote_130" id="Footnote_130"></a><a href="#FNanchor_130"><span class="label">[130]</span></a>
+<span class="smcap">van halmael</span>, <i>Lied</i>. Zie <a href="#Page_57">bladz. 57</a> hier v&oacute;&oacute;r.</p>
+
+</div>
+
+<hr class="footn" />
+
+<h3>34. <i>Strijd en Zegepraal der Vrijheid en
+der Hervorming. (1568-1580.)</i></h3>
+
+<p>Onder afwisseling van voor- en tegenspoed, hadden de
+Friezen nog een hevigen strijd door te staan, v&oacute;&oacute;r ze
+van hun verzet tegen <i>Spanje</i> eenige gewenschte vrucht
+zagen. In plaats van de verlangde verzachting van de
+maatregelen tegen de verandering in de godsdienst, zond
+de Koning den Hertog van <span class="smcap">alva</span> in 1567 naar <i>Nederland</i>,
+om het volk met geweld tot het oude kerkgezag terug
+te brengen. Daartoe strekte ook de benoeming van
+<span class="smcap">cunerus petri</span> tot Bisschop van <i>Leeuwarden</i>, die den
+1 Februarij 1570 zijne plegtige intrede deed, de kerk
+van <i>Oldehove</i> tot Bisschoppelijke kerk wijdde, en hier en
+door de gansche provincie het pausdom en kerkelijk
+gezag in vollen luister verhief. Deze dwangmiddelen
+waren de Friezen zeer tegen de borst, en toen in dat
+zelfde jaar 1570 de hier v&oacute;&oacute;r gemelde verschrikkelijke
+watervloed alom nood en dood verspreidde, de welvaart
+kwijnde, de vrees voor &#8217;s konings wraak toenam en de
+toekomst niets dan ellende spelde, beheerschte in <i>Friesland</i>
+eene diepe verslagenheid aller gemoederen.</p>
+
+<p>Want nadat in 1568 de strijd was begonnen en de
+Stadhouder <span class="smcap">aremberg</span> in den eersten slag tegen <span class="smcap">lodewijk</span>
+<i>van Nassau</i>, bij <i>Heiligerlee</i> in <i>Groningerland</i>, was
+gesneuveld, werd deze laatste daarna door <span class="smcap">alva</span> bij <i>Jemmingen</i>,
+nabij de Eems, geheel verslagen. Een aantal<span class='pagenum'><a name="Page_191" id="Page_191">[191]</a></span>
+der voornaamste Friezen verkeerde in ballingschap. Veler
+bezittingen werden verbeurd verklaard. Van niemand
+had men hulp te wachten. Er scheen dus weinig hoop
+te zijn op het welslagen van den strijd. Doch onze vaderen
+verflaauwden niet, en vertrouwden op de hulp
+van God, dien zij in stilte vereerden en om redding
+smeekten. Zijn zegen toch kon niet rusten op de wreede
+dwangmiddelen der Spaanschen, die de heiligste regten
+des volks en de voorschriften van godsdienst en menschlijkheid
+schonden, ja met voeten traden. Eindelijk
+kwam er dan ook van de zijde der zee eenige uitkomst
+opdagen. Reeds lang hadden <span class="smcap">jan bonga</span>, Grietman van
+<i>West-Dongeradeel</i> en anderen met een aantal schepen
+invallen op de Friesche kust gedaan, om enkele plaatsen
+op de Spanjaarden te veroveren, toen het gerucht der
+inneming van <i>den Briel</i> (1 April 1572) aller hoop versterkte,
+dat de dag der verlossing spoedig zou aanbreken.
+Nadat onderscheidene steden van <i>Holland</i> Prins <span class="smcap">willem</span>
+<i>van Oranje</i> waren toegevallen, deed deze ook pogingen,
+om de voornaamste Friesche steden te winnen, en op
+zijne zijde te brengen. <span class="smcap">duco martena</span> en andere edelen
+spanden daartoe kloekmoedig hunne krachten in, en
+werkelijk gelukte het hun, <i>Slooten</i>, <i>Sneek</i>, <i>Bolsward</i>,
+<i>Franeker</i> en <i>Dokkum</i> te bemagtigen. De Prins haastte
+zich daarom, Graaf <span class="smcap">joost</span> <i>van Schouwenburg</i> als zijn
+Stadhouder herwaarts te zenden; doch deze keus was
+niet gelukkig, en weldra bleek het, dat al deze pogingen
+nog ontijdig-, en als de vreugde over dezen voorspoed van
+korten duur waren. Want sedert <span class="smcap">aremberg&#8217;s</span> dood was
+het Stadhouderschap over dit gewest opgedragen aan
+<span class="smcap">karel van brimeu</span>, <i>Graaf van Megen</i><a
+name="FNanchor_131" id="FNanchor_131"></a><a href="#Footnote_131" class="fnanchor">[131]</a>, en daarna
+aan <span class="smcap">gillis van barlaymont</span>, <i>Heer van Hierges</i>,
+die<span class='pagenum'><a name="Page_192" id="Page_192">[192]</a></span>
+te gelijk ook over de andere noordelijke provinci&euml;n waren
+gesteld. Gedurende hunne afwezigheid werd het gezag
+hier waargenomen door <span class="smcap">segher</span>, <i>Heer van Groesbeeck</i>
+en <span class="smcap">caspar de robles</span>, als hunne plaatsvervangers, te gelijk
+met het te <i>Leeuwarden</i> gevestigde <i>Hof van Friesland</i>,
+dat sterk Spaanschgezind was. Nog v&oacute;&oacute;r laatstgenoemde
+werkelijk Stadhouder werd, gelukte het hem, al de reeds
+ingenomene plaatsen te herwinnen en andere te versterken,
+zoodat de bondgenooten op nieuw eene teleurstelling
+moesten ondervinden in de herstelling van het
+Spaansche gezag.</p>
+
+<p>Eerlang echter neigde dat gezag ten ondergang: want
+met den jare 1576 verkeerde de kans, ten gevolge van
+een zamenloop van verscheidene omstandigheden. Toen
+het misnoegen der ingezetenen ten top was gestegen, en
+de <i>Prins van Oranje</i> zelfs de zaken des lands als wanhopig
+voorstelde, stierf <span class="smcap">alva&#8217;s</span> opvolger, Don <span class="smcap">louis de
+requesens</span>, sloegen de Spaansche soldaten aan het muiten,
+werd de Stadhouder <span class="smcap">robles</span> door zijn eigen krijgsvolk te
+<i>Groningen</i> gevangen genomen, en verbonden verscheidene
+provinci&euml;n zich tot een verdrag, om gezamenlijk de staatkundige
+en godsdienstige vrijheid te verdedigen, de Spaansche
+benden te verdrijven en de vervolgingen te doen ophouden.</p>
+
+<p>Dit verdrag, de Bevrediging of <i>Pacificatie van Gent</i>
+genaamd, had groote gevolgen. De eendragtige wil der
+landzaten versterkte de magt en den moed, om <i>Spanje</i>
+te we&ecirc;rstaan. Al de vroeger gevlugte ballingen kwamen
+terug. De uitoefening van de Hervormde godsdienst<span class='pagenum'><a name="Page_193" id="Page_193">[193]</a></span>
+werd niet meer gestraft of gehinderd. De Raad van State,
+te <i>&#8217;s Gravenhage</i> gevestigd, zette de goede zaak door,
+en zond <span class="smcap">georg van lalaing</span>, later <i>Graaf van Rennenberg</i>
+genaamd, als Stadhouder naar <i>Friesland</i>. De Bisschop
+van <i>Leeuwarden</i> werd door hem gevangen genomen
+en verwijderd. Na de <i>Unie van Brussel</i> (1577) werd
+in 1578 door den Landvoogd, Aartshertog <span class="smcap">matthias</span>, de
+zoogenaamde Godsdienst- of <i>Religions-vrede</i> afgekondigd,
+waarbij vrijheid van godsdienst voor Hervormden en
+Roomschen beide werd toegestaan, zoodat de eersten hier
+op vele plaatsen kerken bekwamen en openlijke godsdienst-oefeningen
+hielden.</p>
+
+<p>Doch dit alles was niet genoeg; men wilde meer.
+Men had zoo lang en zoo veel van de heerschzucht der
+Spanjaarden en Geestelijken geleden, dat men, toen het
+meerendeel der ingezetenen blijken gaf der hervorming
+toegedaan te zijn, verlangde van de Spaanschen en
+Roomschen geheel ontslagen te worden. Onmogelijk was
+dit, zoo lang de blokhuizen of kasteelen der steden
+<i>Leeuwarden</i>, <i>Harlingen</i> en <i>Stavoren</i> nog met Spaansche
+benden bezet bleven, dewijl, bij het minste blijk van
+opstand, het geschut dezer sterkten die steden groote
+schade kon aanbrengen. Deze <span class="gesp">moesten</span> dus veroverd
+worden, en hiertoe kreeg men meer moed na het sluiten
+der <i>Unie van Utrecht</i> (1579), waarbij ook <i>Friesland</i>
+zich met de overige zes noordelijke provinci&euml;n had verbonden,
+om <i>Spanje</i> te wederstaan, de godsdienstvrijheid
+te beschermen en onderling een vereenigden Staat uit
+te maken.</p>
+
+<p>De burgerij van <i>Leeuwarden</i>, aangevoerd door den
+wakkeren tachtigjarigen Burgemeester <span class="smcap">adje lammerts</span>,
+durfde het bestaan, op bevel van Gedeputeerde Staten,
+het Blokhuis harer stad aan te tasten en kloekmoedig
+te veroveren, waarna, door het slechten van de wallen<span class='pagenum'><a name="Page_194" id="Page_194">[194]</a></span>
+en het dempen van de grachten aan de stadzijde, deze
+sterkte ontmanteld werd. Deze heugelijke gebeurtenis,
+welke voorviel op den 1 Februarij 1580, bragt den
+Friezen verlossing aan uit de wreede tirannij van <i>Spanje</i>
+en van het pausdom, en was dus zeer rijk in gewigtige
+gevolgen. Dadelijk haalde men te <i>Leeuwarden</i> de monniken
+en verdere geestelijke personen uit de kloosters, en
+geleidde hen, onder vreugde-bedrijf, met trompetten en
+trommelen de stad uit. De kasteelen van <i>Harlingen</i>
+en <i>Stavoren</i> gingen insgelijks over. Men was nu de
+Spanjaarden meester, en had weldra aan den <i>Prins van
+Oranje</i> de gunstige beschikking te danken, om 100,000
+Gld. uit &#8217;s Konings domeinen te heffen, vooral tot versterking
+van de steden <i>Leeuwarden</i>, <i>Harlingen</i>, <i>Sneek</i> en
+<i>Slooten</i>, ten einde tegen de aanvallen des vijands bestand
+te zijn. Bloedige tooneelen, welke omwentelingen doorgaans
+vergezellen, had men echter niet te betreuren,
+daar alles vrij bezadigd toeging. De vreugde was grooter
+dan de wraaklust<a name="FNanchor_132" id="FNanchor_132"></a><a href="#Footnote_132" class="fnanchor">[132]</a>.</p>
+
+<p>Reeds den 31 Maart 1580 namen de Staten van
+<i>Friesland</i>, een besluit, waarbij de Roomsche eeredienst
+afgeschaft en verboden werd, en waarbij bepaald werd,
+dat de renten van de Geestelijke goederen der kerken
+voortaan moesten aangewend worden ten behoeve der
+Hervormde eeredienst, tot onderhoud van predikanten,
+onderwijzers, armen en weldadige instellingen. Vele
+priesters en kloosterlingen gingen uit eigene beweging
+tot de Hervormde kerk over. De gebouwen der vijftig in
+<i>Friesland</i> bestaande kloosters werden meest alle verkocht<span class='pagenum'><a name="Page_195" id="Page_195">[195]</a></span>
+en gesloopt. Een nieuw leven bezielde de vrije burgers
+van den nieuwen Staat, die nu, van den band der
+dwingelandij ontslagen, God naar hun licht en overtuiging
+mogten vereeren, vol van dankbaarheid voor zoo
+zegenrijke verlossing.</p>
+
+<p>Wel had men nog vele jaren te strijden tegen de
+Spaansche benden, daar het naburige <i>Groningen</i> nog
+gedurende veertien jaren den Koning onderworpen bleef,&mdash;moedig
+sloeg men echter de handen in-een tot opbouw
+van een vrijen burgerstaat, die alleen het welzijn der
+ingezetenen bedoelde. Vroeger dan eenige der andere
+provinci&euml;n, genoot <i>Friesland</i> dus dit voorregt; terwijl
+het zijne groote verpligting erkende aan den edelen Prins
+<span class="smcap">willem</span> <i>van Oranje</i>, door ook hem tot Stadhouder aan
+te stellen, en ook hem blijken van vereering te geven,
+toen hij in het volgende jaar 1581 zelf naar <i>Friesland</i>
+overkwam tot regeling van vele zaken des bestuurs.
+Daardoor vond men zich mede gesterkt, tot het nemen
+van het gewigtige besluit, om den Koning van <i>Spanje</i>
+vervallen te verklaren van zijn regt op deze landen.
+Deze afzwering van den Koning had in Julij 1581 op
+eene plegtige wijze plaats, en werd het gezag en het
+bestuur des lands toevertrouwd aan de <i>Staten</i> van iedere
+provincie en van hare afgevaardigden: de <i>Algemeene
+Staten van Nederland</i>, als de wettige overheden der
+vrije landzaten.</p>
+
+<hr class="c05" />
+
+<p>Na veel lijden en strijden werd aldus de onafhankelijkheid
+des lands hersteld, hoewel deze niet erkend
+werd door den Koning, die tot 1648, en alzoo nog bijna
+70 jaren lang, moeite deed, om dit land te herwinnen.
+Deze omwenteling in den Staat en die hervorming van
+de Kerk, met zoo veel moeite verkregen, vestigde
+hier een vrijen protestantschen Staat, wier instellingen<span class='pagenum'><a name="Page_196" id="Page_196">[196]</a></span>
+van gunstigen invloed waren op de belangen der ingezetenen,
+zoodat zij daardoor eene groote schrede voorwaarts
+deden op den weg der volmaking, zoowel ten
+aanzien van hunne burgerlijke betrekkingen als van
+hunne zedelijke, verstandelijke en godsdienstige beschaving.
+D&aacute;&aacute;rom dankten de vaderen God voor zijne hulp en
+bescherming; d&aacute;&aacute;rom is deze verandering, als een keerpunt
+in de geschiedenis van ons vaderland, van zoo uitstekend
+gewigt, en d&aacute;&aacute;rom vereeren wij deze belangrijke gebeurtenis
+als eene der voornaamste middelen tot verheffing
+van ons geslacht, ter vorming van goede burgers en
+vrome Christenen. Maar, als dankbare nakomelingen,
+vereeren wij tevens der vaderen moed en edele vrijheidszucht,
+en stemmen wij tot hun lof gaarne in met het antwoord
+van onzen dichter <span class="smcap">willem van haren</span><a
+name="FNanchor_133" id="FNanchor_133"></a><a href="#Footnote_133" class="fnanchor">[133]</a> op de vraag:</p>
+
+<div class="poem"><div class="stanza">
+<span class="i0"><i>&mdash;Waarom zijn dan toch eertijds onze Vadren,</i><br /></span>
+<span class="i0"><i>Met eerlijk bloed alleen gewapend in hunne adren,</i><br /></span>
+<span class="i2"><i>En zonder krijgsvolk, zonder geld,</i><br /></span>
+<span class="i2"><i>Niet afgemaakt door &#8217;t Spaansch geweld?</i><br /></span>
+</div><div class="stanza">
+<span class="i0"><i>Omdat hun edle ziel, langs &#8217;t pad der Eer gedreven,</i><br /></span>
+<span class="i0"><i>De Godsvrucht en de Trouw meer schatte dan het leven,</i><br /></span>
+<span class="i2"><i>En, door hun deugd, des Hoogsten hand</i><br /></span>
+<span class="i2"><i>Deed gunstig zijn voor &#8217;t Vaderland.</i><br /></span>
+</div><div class="stanza">
+<span class="i0"><i>Tot hen, tot dat geslacht, het oog dan opgeheven!</i><br /></span>
+<span class="i0"><i>Eene andere eeuw aanschouwd, ten voorbeelde opgegeven!</i><br /></span>
+<span class="i2"><i>De aloude Dapperheid en Deugd</i><br /></span>
+<span class="i2"><i>Geprent in &#8217;t hart van onze jeugd!</i><br /></span>
+</div></div>
+
+<hr class="footn" />
+
+<div class="footnote">
+
+<p><a name="Footnote_131" id="Footnote_131"></a><a href="#FNanchor_131"><span class="label">[131]</span></a>
+Over dezen zijn onlangs bijzondere berigten medegedeeld in
+zijne betrekking als Stadhouder van <i>Gelderland</i>, in <span class="smcap">nijhoff&#8217;s</span> <i>Bijdragen</i>,
+VII 262. Zie over <span class="smcap">robles</span> het <a href="#Overzicht">Tijdr. Overzigt</a> der Vorsten
+hier achter, en in het bijzonder <span class="smcap">van meteren</span>, <i>Hist. der Ned.</i> Amst.
+1647, 112<sup>o</sup>; <span class="smcap">reinico fresinga</span>, van <i>Franeker</i>, <i>Memori&euml;n</i>, in
+<span class="smcap">dumbar</span>, <i>Analecta</i>, Dav. 1722, III 10; <i>Charterb.</i> V 1062; <i>Register
+op de Staats-resoluti&euml;n</i>, 186.</p>
+
+<p><a name="Footnote_132" id="Footnote_132"></a><a href="#FNanchor_132"><span class="label">[132]</span></a>
+Zie de breedere voorstelling van laatstvermelde groote
+gebeurtenissen, welke hier eigenlijk te beknopt zijn medegedeeld,
+in de <i>Geschiedkundige Beschrijving van Leeuwarden</i>, I 227 env. en
+de daarbij vermelde bronnen en schrijvers.</p>
+
+<p><a name="Footnote_133" id="Footnote_133"></a><a href="#FNanchor_133"><span class="label">[133]</span></a>
+<i>Tweede Lierzang</i>, Harderwijk 1742, 14.</p>
+
+</div>
+
+<hr class="footn" />
+
+<p class='pagenum'><a name="Page_197" id="Page_197">[197]</a></p>
+
+<h2><a name="Tijdvak4" id="Tijdvak4"></a>VIERDE TIJDVAK.</h2>
+
+<p class="chaptitle">FRIESLAND ONDER HET BESTUUR DER
+STATEN EN DER STADHOUDERS
+UIT HET HUIS VAN NASSAU.</p>
+
+<p class="chapsubtitle">VAN DE HERVORMING IN KERK EN STAAT, OF DE VESTIGING
+VAN DE REPUBLIEK DER VEREENIGDE NEDERLANDEN,
+TOT AAN DE STAATS-OMWENTELING
+EN DE KOMST DER FRANSCHEN.</p>
+
+<p class="chapdescrip"><i>Van het jaar 1580 tot 1795.</i></p>
+
+<p class="figcenter"><img src="images/lijn3.png" alt="Versiering" width="100" height="12" /></p>
+
+<h3>35. <i>De vestiging van den nieuwen Staat. (1580-1648.)</i></h3>
+
+<p>De omwenteling van 1580 is een hoogst belangrijk
+keerpunt in de geschiedenis van <i>Friesland</i>. De staatkundige
+en godsdienstige toestand der ingezetenen onderging
+daardoor toch eene verbazende verandering, welke van
+uitgestrekte gevolgen was voor de toekomst. Ligt kunnen
+we ons voorstellen, hoe groot de blijdschap was onzer
+vaderen over die verlossing van de knellende dwinglandij
+der Spanjaarden, en hoe zeer deze gepaard ging met
+dankbaarheid aan God voor zijne wonderbare redding en
+hulp ter bekoming der vrijheid van godsdienst en geweten,
+welke men op te hooger prijs stelde, naarmate
+men ze lang gezocht en ontbeerd had.</p>
+
+<p>Doch die vreugde werd spoedig getemperd: want
+verbazend groot waren de bezwaren, welke zich spoedig
+opdeden, om het verkregene te behouden en te verdedigen
+tegen een vijand, van wiens wraaklust en bloeddorst<span class='pagenum'><a name="Page_198" id="Page_198">[198]</a></span>
+<i>Haarlem</i>, <i>Naarden</i>, <i>Zutphen</i> en andere steden reeds
+vroeger zulke moorddadige tooneelen hadden opgeleverd.
+Immers, <span class="smcap">alexander farnese</span>, <i>Hertog van Parma</i>, een
+veldheer, die <span class="smcap">alva</span> in krijgskunde evenaarde en in staatkundig
+beleid en buigzaamheid verre overtrof, was met
+nieuwe en talrijke Spaansche benden in <i>Nederland</i> aangekomen.
+<span class="smcap">Fran&ccedil;ois verdugo</span>, <i>Heer van Schengen</i>, die
+zijn aanzien enkel aan dapperheid had te danken, was
+als Stadhouder des Konings met tien vaandels knechten
+gezonden naar <i>Groningen</i>, ter vervanging van den afvalligen
+<span class="smcap">rennenberg</span>, die de schande zijner trouwloosheid
+niet lang overleefde. Uit die krachtig versterkte stad
+werd het oostelijk gedeelte van <i>Friesland</i> bestendig
+bestookt; terwijl het zuidelijk gedeelte van dit gewest
+bloot stond aan de uitvallen der bezetting van <i>Steenwijk</i>,
+sedert deze stad weder in handen der vijanden was gevallen.
+Zulk een uitval deden de Spanjaarden reeds in
+November 1580. Met eene verbazende snelheid trokken
+zij langs de zeekust, namen de schans van <i>de Lemmer</i>
+in, overrompelden <i>Slooten</i> (waarbij de edele <span class="smcap">duco martena</span>
+in hunne handen viel), herwonnen het kasteel van <i>Stavoren</i>,
+overmeesterden de schans bij <i>Makkum</i> en roofden,
+onder schrikkelijken moedwil, tot aan de poorten van
+<i>Harlingen</i>. Algemeen was de verslagenheid in den
+lande en groot het gebrek aan krijgsvolk, aan geld en
+leeftogt, tot voortzetting van een strijd, die men bijna
+wanhoopte te zullen kunnen volhouden. Met veel moeite
+gelukte het de Friesche benden in den volgenden jare,
+die verloren plaatsen te herwinnen<a name="FNanchor_134" id="FNanchor_134"></a><a
+href="#Footnote_134" class="fnanchor">[134]</a>.</p>
+
+<p><span class='pagenum'><a name="Page_199" id="Page_199">[199]</a></span>Intusschen
+had de edele Prins <span class="smcap">willem</span> <i>van Oranje</i>,
+op ernstig aanhouden der Staten van <i>Friesland</i>, besloten,
+ook deze provincie als Gouverneur en Stadhouder
+in zijne bescherming te nemen. Uithoofde der afgelegenheid
+en veelvuldige andere zorgen, benoemde hij
+<span class="smcap">bernard van merode</span>, <i>Heer van Rummen</i>, hier tot zijn
+Luitenant of Plaatsbekleeder, doch kwam in April 1581
+zelf met zijne gemalin, <span class="smcap">charlotte van bourbon</span>, in <i>Friesland</i>,
+om orde te stellen op vele zaken der regering. Te
+<i>Harlingen</i> aan wal gekomen, werd hij, algemeen als
+Vader des vaderlands vereerd, te <i>Leeuwarden</i> op eene
+luisterrijke wijze ingehaald. Op een buitengewonen landsdag
+handelde hij met de Staten over vele zaken, en schreef,
+bij eene uitvoerige Ordonnantie, die wijze van regering,
+justitie, politie en beleid van het krijgswezen voor, welke
+hem op dat oogenblik de beste voorkwam<a name="FNanchor_135"
+id="FNanchor_135"></a><a href="#Footnote_135" class="fnanchor">[135]</a>. Te kort
+echter was zijn verblijf, dan dat zijn invloed duurzaam
+heilzame gevolgen mogt hebben: want hoog waren toen
+reeds de verschillen gerezen tusschen de leden der regering
+over de mate en de grenzen van het gezag.</p>
+
+<p>Bij de <i>Staten</i> des lands of de Volmagten der grietenij&euml;n
+en steden toch berustte nu de oppermagt of de souvereiniteit.
+Deze hadden acht personen (twee uit ieder Goo
+en uit de Steden) benoemd tot hunne <i>Gedeputeerden</i>,
+aan wie met den Gouverneur of Stadhouder de uitvoerende
+magt en het dagelijksch bestuur van zaken was toevertrouwd:
+&raquo;bezonderlinge om voortaen te procederen tot
+grondelycke Evangelische Reformatie, soo wel in den
+saeken van den waren Religie, als de vervallene Politye
+over het gantsche Lant&#8221;<a name="FNanchor_136"
+id="FNanchor_136"></a><a href="#Footnote_136" class="fnanchor">[136]</a>. Doch deze magt
+was, te gelijk met het beleid van de justitie, vroeger uitgeoefend<span
+class='pagenum'><a name="Page_200" id="Page_200">[200]</a></span>
+door het <i>Hof van Friesland</i>, dat nu nog, bij
+voortduring, hetzelfde gezag wilde uitoefenen, ook ten
+aanzien van het burgerlijk bestuur. Deze Provinciale
+Raden, welke zoo lang even Spaanschgezind als de Gedeputeerden
+Staatsgezind waren geweest, werden in hunne
+vorderingen ondersteund, door de afgevaardigden der
+<i>Steden</i>, die nu, bij de verandering van regeringsvorm,
+even als de drie Goo&euml;n, bij het stemmen op de landsdagen
+een afzonderlijk kwartier wilden uitmaken. Zij
+eischten zelfs meer: want, daar eertijds de vertegenwoordiging
+had bestaan uit de Prelaten of de Roomsche
+Geestelijkheid en de Edelen en Eigenerfden, zoowel van
+het platteland als uit de steden, zoo verlangden zij nu,
+na het vervallen van het eerste staatslid (de Geestelijkheid),
+dat de steden evenveel afgevaardigden ten landsdage
+zouden zenden als het platteland. Het Hof ondersteunde
+die eischen, werkte met de steden de Gedeputeerden
+tegen, die door de Staten beschermd werden, en zoo
+was er bestendige twist en verdeeldheid onder al de leden
+der landsregering, met eene hevigheid, welke het algemeen
+belang met groote schade bedreigde<a name="FNanchor_137"
+id="FNanchor_137"></a><a href="#Footnote_137" class="fnanchor">[137]</a>. Zoo
+verspilde men tijd en krachten, welke men zoo hoog
+noodig had tot regeling van de algemeene belangen en
+het bestrijden van een vijand, die nog bestendig een
+gewest bedreigde, waarbij hij, voor het behoud van
+geheel het noordelijk <i>Nederland</i>, zoo veel belang had.
+Vele staatsleden ijverden voor hunne meening uit zucht
+voor het algemeene welzijn, welke zich in de zelfde mate
+ontwikkelde, als zij zich boven de verdrukking had weten<span class='pagenum'><a name="Page_201" id="Page_201">[201]</a></span>
+te verheffen; bij anderen was gehechtheid aan het oude
+in strijd met de nieuwe vormen en eischen van het
+oogenblik; doch er waren ook, die, uit eer- en heerschzucht,
+minder het algemeen dan hun eigen belang voorstonden;
+ja zelfs, die, wanhopende op den goeden uitslag,
+nog met <i>Spanje</i> heulden. Zoo wilden ook de in welvaart
+en magt toegenomene steden gebruik maken van
+de gelegenheid ter bekoming van meer gezag in den Staat,
+en liet <i>Leeuwarden</i> zich vooral krachtig gelden en veel
+voorstaan op de eer, dat het, als de grootste en sterkste
+stad des lands, de eerste geweest was, die de reformatie
+in kerk en staat had ten uitvoer gelegd. De onderlinge
+verbittering steeg zelfs z&oacute;&oacute; hoog, dat de Gedeputeerden
+<i>Leeuwarden</i> verlieten en in 1584 en 1585 hunne vergaderingen
+en de landsdagen te <i>Franeker</i> hielden<a name="FNanchor_138"
+id="FNanchor_138"></a><a href="#Footnote_138" class="fnanchor">[138]</a>.</p>
+
+<p>Zoodanig was de toestand van <i>Friesland</i> ten aanzien
+der regering, toen de vijand in 1583 op nieuw een inval
+in <i>Westergoo</i> deed, roovende en brandende door <i>Oostergoo</i>
+trok en zelfs de omstreken verontrustte van <i>Leeuwarden</i>,
+dat nog bezig was, zijne vestingwerken te versterken
+en uit te breiden. Gruwelijke mishandelingen en moorden
+kenmerkten zijne schreden. In allerijl werden de onverhoeds
+overvallene en verslagene ingezetenen opgeroepen, om
+die benden tegen te staan en ten lande uit te drijven<a name="FNanchor_139"
+id="FNanchor_139"></a><a href="#Footnote_139" class="fnanchor">[139]</a>.</p>
+
+<p>In deze &raquo;benaude gestaltenisse&#8221; des lands trachtte men
+vooral de grenzen zoo veel mogelijk te beveiligen, door
+het versterken van de oude en het opwerpen van nieuwe
+<span class="gesp">Schansen</span> op een aantal plaatsen. Van tijd tot tijd
+werd dit getal vermeerderd, zoodat <i>Friesland</i>, buiten de
+versterkte steden, eerlang met eene zoom van kleine<span class='pagenum'><a name="Page_202" id="Page_202">[202]</a></span>
+vestingen was omgeven. Aan de oostzijde werden daartoe
+<i>Oostmahorn</i>, <i>Munnekezijl</i> en <i>Kollum</i> versterkt en
+<i>de Friesche palen</i>, <i>Zwartedijk</i> en <i>Bredenberg</i> aangelegd.
+Tot verdediging van de zuidelijke grenzen werden
+de schansen <i>Bekhof</i>, <i>Slijkenburg</i> en <i>de Blesse</i> opgeworpen
+en die van <i>de Lemmer</i>, te <i>Hindeloopen</i> en te
+<i>Sotterum</i> bij <i>Makkum</i> sterker gemaakt. Ook binnen in
+het land, te <i>Oldeboorn</i>, <i>Joure</i>, <i>Rottum</i>, <i>Terband</i> en
+<i>Oudeschoot</i>, werden schansen gelegd, om den vijand den
+doortogt te verhinderen of die plaatsen te beschermen<a name="FNanchor_140"
+id="FNanchor_140"></a><a href="#Footnote_140" class="fnanchor">[140]</a>.</p>
+
+<hr class="c05" />
+
+<p>Bij dit alles was het duidelijk gebleken, dat het
+<i>Friesland</i> aan een geschikt en krachtvol <span class="gesp">hoofd</span> ontbrak,
+hetwelk zoowel de twistende regeringsleden als den
+nog onverslagen vijand wist te bedwingen, en dat tevens
+schrander genoeg was, om partij te trekken van den
+gelukkigen toestand, waarin de Friezen zich, in de
+hoofdzaak, bevonden. De Stadhouder <span class="smcap">merode</span> toch was
+daartoe te oud en te zwak, en had te weinig invloed,
+om zich te doen gelden. Er werd een jonger en moediger
+man vereischt, om in het krijgswezen op alle punten te
+voorzien, en om de fiere en onbuigzame gemoederen te
+leiden van die staatsleden, welke, prat op de herkrijging
+van de zoo lang ontbeerde vrijheid, nu geen stroobreed
+wilden afstaan van hun regt of van hunne bijzondere meening
+omtrent de bevordering van het algemeen belang.
+Intusschen had men zoo weinig vertrouwen op eigene
+krachten en scheen de toestand des lands zoo hopeloos, om
+zonder vreemde hulp <i>Spanje</i> het hoofd te bieden, dat de
+Nederlanders eerst de hulp van <i>Frankrijk</i> inriepen en den<span class='pagenum'><a name="Page_203" id="Page_203">[203]</a></span>
+<i>Hertog van Anjou en Alen&ccedil;on</i> als beschermer der
+Nederlandsche vrijheid aannamen, en daarna bij herhaling
+en dringend zich der Koningin van <i>Engeland</i> aanboden<a
+name="FNanchor_141" id="FNanchor_141"></a><a href="#Footnote_141" class="fnanchor">[141]</a>.</p>
+
+<p>Gelukkig dus voor <i>Friesland</i>, dat <span class="smcap">merode</span> zijn ontslag
+verzocht en bekwam; doch nog gelukkiger, dat de <i>Prins
+van Oranje</i>, op verzoek der Friesche steden, in diens
+plaats stelde zijns broeders zoon, den vier-en-twintigjarigen
+Graaf <span class="smcap">willem lodewijk</span> <i>van Nassau</i>, die in Maart
+1584 de regering aanvaardde. Reeds drie jaren te voren,
+toen <span class="smcap">verdugo</span>, met 10 vendelen Walen herwaarts gekomen,
+zijn eersten aanval, bij <i>Kollum</i>, op <i>Friesland</i> deed,
+had zijn doorluchtige oom hem, pas van de Akademie
+van <i>Heidelberg</i> teruggekeerd, met 600 man den Friezen
+te hulp gezonden. Naast den Engelschen Overste <span class="smcap">john
+norrits</span>, die den 18 Julij 1581 bij <i>Munnekezijl</i> een
+aanzienlijk voordeel op de Spaansche benden, sterk 6000
+man, mogt behalen, werd hij, hoe jong ook nog, een
+krachtig tegenstander van <span class="smcap">verdugo</span>. Dezen bestreed hij bij
+<i>Noordhorn</i>, aan het hoofd der ruiterij, met zulk eene uitstekende
+onverschrokkenheid, dat in hem zijn roemruchte
+oom <span class="smcap">lodewijk</span> scheen te herleven, daar hij, hoe ook
+beschoten, met het grootste gevaar, bij herhaling zich
+door de vijandelijke slagorde heen sloeg. Ook <i>Koevorden</i>
+hielp hij op hem winnen, hoewel hij daar al dadelijk
+door een zesponds kogel aan het linkerbeen dermate
+gewond werd, dat hij aan de gevolgen van dat schot
+al zijn leven kreupel ging. Elf jaren later werd hij
+voor die zelfde vesting nogmaals gekwetst. Onvertsaagd
+waagde hij zich op de gevaarlijkste togten, doch bleef
+verder ongedeerd<a name="FNanchor_142" id="FNanchor_142"></a><a href="#Footnote_142" class="fnanchor">[142]</a>.</p>
+
+<p><span class='pagenum'><a name="Page_204" id="Page_204">[204]</a></span>Hij, die zich der Friezen zaak zoo ijverig had aangetrokken,
+verdiende en verwierf zich ook hun vertrouwen,
+hetwelk hij zich bij voortduring waardig maakte. Nadat
+Prins <span class="smcap">willem</span> <i>van Oranje</i> door een noodlottigen dood
+den <i>Nederlanden</i> ontvallen was, werd hij nog in het
+zelfde jaar 1584 door de Staten tot &raquo;absoluit Stadholder
+ende Gouuerneur ouer deezen Landschappe&#8221; verkozen.
+Hij aanvaardde die hoogst moeijelijke taak, in weerwil
+der menigvuldige bezwaren en gevaren, waarin het land
+verkeerde, doch die hij als Nassauer het hoofd wilde
+bieden, naar het voorbeeld van zijnen doorluchtigen
+voorganger. Want terwijl de vijand van buiten het land
+bedreigde, was van binnen de verdeeldheid onder de
+regeringsleden tot eene ontzettende hoogte geklommen.
+Met bedaarde zorg en voorzigtige maatregelen zocht hij
+den onderlingen vrede te bevorderen, en leverde in den
+volgenden jare bij de Staten eene Memorie in, bevattende
+zijne voorslagen van hetgeen tot bescherming en
+verdediging tegen den gemeenen vijand moest gedaan
+worden. Door een wijs en gematigd bestuur in de zaken
+der regering, ook met betrekking tot de twistende staatsleden,
+en door beleid en dapperheid jegens de vijanden,
+verwierf hij aller achting, zoodat hij eerlang algemeen
+als Vader vereerd werd<a name="FNanchor_143" id="FNanchor_143"></a><a href="#Footnote_143" class="fnanchor">[143]</a>.</p>
+
+<p>De zorg voor de bevestiging van de verkregene vrijheid
+ging bij de Staten tevens gepaard met de zucht, om de
+ingevoerde Hervormde leer te beschermen en uit te
+breiden, en om te zorgen, dat alle steden en dorpen
+van goede Predikanten en Onderwijzers werden voorzien.
+Hiertoe waren vooral de inkomsten der plaatselijke geestelijke
+goederen aangewezen. Doch gebrek aan leeraren<span class='pagenum'><a name="Page_205" id="Page_205">[205]</a></span>
+en de overtuiging van het belang der beoefening van de
+wetenschappen voor de verstandelijke ontwikkeling der
+ingezetenen bewogen de Staten, op voorstel der Friesche
+Geestelijkheid, de bezittingen der vervallene kloosters
+mede te bezigen tot oprigting van een Seminarium of
+Akademie, inzonderheid tot opleiding van Predikanten.
+De stad <i>Franeker</i> werd daartoe bij voorkeur bestemd,
+en de voor negen jaren te <i>Leiden</i> gestichte Hoogeschool
+tot voorbeeld genomen. Reeds den 29 Julij 1585 werd
+deze Akademie plegtig ingewijd, en alzoo de grond gelegd
+van dien beroemden zetel der geleerdheid, welke
+later voor wetenschappen en beschaving in dit gewest,
+ja voor geheel <i>Nederland</i> en een deel van <i>Europa</i>,
+van weldadigen invloed is geweest<a name="FNanchor_144"
+id="FNanchor_144"></a><a href="#Footnote_144" class="fnanchor">[144]</a>.</p>
+
+<hr class="c05" />
+
+<p>Inmiddels waren de bezettingen der steden en schansen,
+benevens het krijgswezen door de ijverige zorgen van
+Graaf <span class="smcap">willem lodewijk</span> op een beteren voet gebragt,
+en waande men zich verzekerd tegen den magtigen vijand,
+die <i>Groningen</i> en <i>Steenwijk</i> nog immer bezet hield.
+Doch die vijand bespiedde zorgvuldig elke gelegenheid,
+om <i>Friesland</i> afbreuk te doen of te overvallen. Hij
+deed dit vooral in Januarij 1586, toen de Stadhouder
+zich tot regeling van zaken naar <i>&#8217;s Gravenhage</i> begeven
+had en een strenge vorst een inval scheen te begunstigen.
+Een deel der bezetting van <i>Steenwijk</i>, sterk 3000 man en
+700 ruiters, trok, onder aanvoering der Oversten <span class="smcap">van den
+berg</span> en <span class="smcap">taxis</span>, onverhoeds door <i>Gaasterland</i> naar <i>Hindeloopen</i>
+en <i>Workum</i>; van daar voorbij <i>Bolsward</i> door
+<i>Witmarsum</i> en <i>Tjum</i> naar <i>Spannum</i> en <i>Winsum</i>, overal
+door moorden en branden de sporen zijner wraakzuchtige
+woede achterlatende. Zoo verre waren zij reeds gevorderd,<span class='pagenum'><a name="Page_206" id="Page_206">[206]</a></span>
+toen de Friesche krijgsoverste <span class="smcap">steyn maltissen</span> hen met
+ruim 1400 man tegentrok en te <i>Boxum</i> met hen slaags
+geraakte. V&oacute;&oacute;r dat hij zich in slagorde kon stellen, werd
+hij door de Spanjaarden overvallen. Van beide zijden
+werd woedend gestreden; doch de onzen, voor de overmagt
+bukkende, werden deels verslagen, deels naar
+<i>Leeuwarden</i> verdreven of gevangen genomen. Schrik en
+vrees ontzette algemeen de gemoederen, alsof de vijand
+zich nu weder in het hart des lands zou nestelen. Doch
+deze verkeerden spoedig in blijdschap en dankbaarheid
+&raquo;voor Godes sonderlinghe versieninge en genade,&#8221; dewijl
+men &#8217;s lands behoudenis d&aacute;&aacute;raan had te danken, dat het,
+op het zelfde uur, dat de slag gewonnen werd, begon
+te dooijen en te regenen, waardoor de Spaansche benden,
+met een haast, alsof zij vlugtten, naar <i>Steenwijk</i>
+terugtrokken<a name="FNanchor_145" id="FNanchor_145"></a><a href="#Footnote_145" class="fnanchor">[145]</a>.</p>
+
+<p>Sedert deze ramp waren de Staten meer dan ooit geneigd,
+om, door het werven van meerder krijgsvolk, de
+bedoelingen des Stadhouders, ter verdrijving van den
+vijand, te ondersteunen. Zijn moed rees met het gevaar:
+want op het zelfde tijdstip, dat men, wegens de mislukte
+zending van den Engelschen landvoogd <span class="smcap">leicester</span>, meer
+den toorn dan de hulp van Koningin <span class="smcap">elisabeth</span> had
+te wachten, en terwijl de Spaansche armade, of de
+zoogenaamde onoverwinnelijke vloot, <i>Nederland</i> met den
+ondergang bedreigde, vormde Graaf <span class="smcap">willem lodewijk</span>,
+in overleg met Prins <span class="smcap">maurits</span>, het plan, om den oorlog
+niet langer verdedigender-wijze (<i>defensif</i>), maar voortaan
+aanvallender-wijze (<i>offensif</i>) te voeren, dewijl hij
+achtte, dat daarmede de helft zou gewonnen zijn<a name="FNanchor_146"
+id="FNanchor_146"></a><a href="#Footnote_146" class="fnanchor">[146]</a>.</p>
+
+<p><span class='pagenum'><a name="Page_207" id="Page_207">[207]</a></span>De moedige poging, om <i>Groningen</i> aan den vijand te
+ontrukken, in 1587 bij herhaling ondernomen, was
+daarvan een eerste gevolg. Zij mislukte, doch al de
+schermutselingen met den vijand, al het nemen en hernemen
+van de talrijke verschansingen op de noordoostelijke
+grenzen des lands, waren voor den jeugdigen held
+eene leerschool en strekten tot verzwakking van den vijand.
+Bij dat alles was hij met zijne 2 &agrave; 3000 Friezen, zonder
+andere hulp, in een gedurigen en dikwijls moeitevollen
+strijd met <span class="smcap">verdugo&#8217;s</span> benden, sterk 4 &agrave; 5000 man.
+Eerst in 1591 woog het belang der Unie, om de Spaanschen
+uit deze streken te verdrijven, zwaar genoeg, dat de
+Generale Staten en Prins <span class="smcap">maurits</span> hem daartoe krachtige
+hulp boden. De vermeestering van de omliggende sterkten
+<i>Delfzijl</i>, <i>Enumatil</i>, <i>Lettelberd</i> enz. was het eerste werk.
+In 1592 werd, na veel tegenspoed en een merkwaardig
+beleg van vijf weken, het sterke <i>Steenwijk</i> gewonnen.
+Dit versterkte den moed tot verdere veroveringen, welke
+<i>Holland</i> echter afried en wilde tegenhouden, waarop de
+voortvarende <span class="smcap">maurits</span> ronduit antwoordde: dat, zoo <i>Holland</i>
+deszelfs troepen terugtrok, hij, al ware het all&eacute;&eacute;n
+met de Friezen en de ruiterij, het behaalde voordeel
+wilde vervolgen. Zijn voornemen zegevierde, en met
+ongemeene inspanning werd het door <span class="smcap">verdugo</span> zeer versterkte
+<i>Koevorden</i> aangevallen en na een hevig beleg
+gewonnen. Hierbij werd echter Graaf <span class="smcap">willem lodewijk</span>
+andermaal door een kogel getroffen. Na zijne herstelling
+veroverde hij in den volgenden jare <i>Wedde</i>, <i>Winschoten</i>,
+<i>Midwolde</i> enz., schoon <span class="smcap">verdugo</span> van deze afwezigheid
+gebruik maakte, om een strooptogt in het oostelijk
+gedeelte van <i>Friesland</i> te doen, waarbij verscheidene
+dorpen verbrand en geplunderd werden<a name="FNanchor_147"
+id="FNanchor_147"></a><a href="#Footnote_147" class="fnanchor">[147]</a>.</p>
+
+<p><span class='pagenum'><a name="Page_208" id="Page_208">[208]</a></span>Nadat men zich verder van de overige omliggende
+schansen verzekerd had, werd in Mei 1594 het beleg voor
+<i>Groningen</i> geslagen, en, in weerwil van den krachtigen
+tegenstand der bezetting, met zoo veel moed, overleg
+en ijver doorgezet, dat deze stad zich den 23 Julij
+overgaf en Prins <span class="smcap">maurits</span> en Graaf <span class="smcap">willem lodewijk</span> den
+volgenden dag hun plegtigen intogt in de stad hielden<a name="FNanchor_148"
+id="FNanchor_148"></a><a href="#Footnote_148" class="fnanchor">[148]</a>.
+Hierdoor werd <i>Groningen</i> en met haar de <i>Ommelanden</i>
+als lid der Unie aangenomen en Graaf <span class="smcap">willem
+lodewijk</span> daarover tot Stadhouder aangesteld. Ofschoon
+de aftrekkende benden van <span class="smcap">verdugo</span> voor het laatst nog
+hunne woede koelden, door in de <i>Zevenwouden</i> te plunderen
+en te branden, was het winnen van deze stad
+met de omgelegene sterkten en het verdrijven van de
+Spaanschen uit deze noordelijke streken voor de veiligheid
+en het behoud van <i>Friesland</i> eene zaak van het hoogste
+belang. Algemeen was dus hier, even als in het gansche
+vaderland, de blijdschap over deze merkwaardige belegering
+en roemrijke overwinning op de Spanjaarden<a name="FNanchor_149"
+id="FNanchor_149"></a><a href="#Footnote_149" class="fnanchor">[149]</a>.</p>
+
+<hr class="c05" />
+
+<p><span class='pagenum'><a name="Page_209" id="Page_209">[209]</a></span>Ook
+op de verdere veldtogten van <span class="smcap">maurits</span> stond onze
+Stadhouder hem waardig ter zijde. Bij de belegering
+van <i>Rijnberk</i> was het &raquo;<span class="smcap">willem lodewijk</span> met zijne Friezen,
+die eene halve maan voor de Rijnpoort stormenderhand
+innamen,&#8221; waardoor deze sleutel van den Rijn zich
+moest overgeven. Toen <span class="smcap">maurits</span> vervolgens in drie
+maanden tijds negen versterkte steden en vijf kasteelen
+veroverde, in weerwil zijn vijand Aartshertog <span class="smcap">albert</span>
+60,000 man tot zijne dienst had,&mdash;waren het weder
+&raquo;<span class="smcap">willem lodewijk</span> met zijne Friezen, die zich altijd op den
+voorgrond vertoonden.&#8221; En ofschoon hij <span class="smcap">maurits</span> in den
+slag bij <i>Nieuwpoort</i> niet vergezelde, waren het d&aacute;&aacute;r de
+door hem gevormde Friesche soldaten, welke zich eervol
+onderscheidden. Zeventien vaandelen of bijna 3000 Friezen
+waren onder den Overste-Luitenant <span class="smcap">taco van hettinga</span>
+derwaarts getrokken, en mogten, in de voorhoede, Prins
+<span class="smcap">maurits</span> eene zegepraal helpen behalen, welke een der
+roemvolste bedrijven is in onze geschiedenis. Nadat 150
+Friesche piekeniers de Spanjaarden van de duinen hadden
+afgedrongen, gaf hun voorbarige, maar in dezen oogenblik
+weldadige kreet van: victorie! een schok tot eene algemeene
+voorwaartsche beweging van het Nederlandsche
+leger, welke van gunstig gevolg was. Dit schonk den
+Friezen tevens de gelegenheid, om den opperbevelhebber
+van het Spaansche leger, Don <span class="smcap">francisco de mendoza</span>,
+<i>Admirant van Arragon</i>, gevangen te nemen, waardoor
+een der grootste voordeelen van den slag werd behaald<a name="FNanchor_150"
+id="FNanchor_150"></a><a href="#Footnote_150" class="fnanchor">[150]</a>.</p>
+
+<p><span class='pagenum'><a name="Page_210" id="Page_210">[210]</a></span>Met
+wijs beleid wist Graaf <span class="smcap">willem lodewijk</span> vervolgens
+deze gewesten te besturen, en de eindelooze en
+vaak hevige twisten, zoo tusschen de stad <i>Groningen</i>
+en de <i>Ommelanden</i>, als tusschen de Friesche staatsleden
+zoo veel mogelijk te bevredigen. Van de laatste mogt
+hij aangename blijken van dankbaarheid en vereering
+ontvangen. In weerwil der bezwaren, waaronder de
+provincie gebukt ging, vereerden zij hem in 1598 eene
+som van 36,000 Gld., en toen hij in 1607 eene reis naar
+<i>Duitschland</i> wilde doen, deden zij hun verlof daartoe
+met een geschenk van 5000 Gld. vergezeld gaan. Bij
+het sluiten van het twaalfjarig bestand, in 1609, aan
+het hoofd der gemagtigden geplaatst, bleek vooral zijn
+&raquo;diepsinnich verstand&#8221; in de vereffening der strijdige
+belangen, en bepaalden de Friesche Staten, &raquo;tot erkentenis,
+belooning en vergoeding voor de groote diensten,
+door het Huis van Nassau aan dezen Staat bewezen,&#8221;
+dat zijn politiek traktement verdubbeld- en zijn militair
+traktement tot 36,000 Gld. &#8217;s jaars verhoogd zou worden<a name="FNanchor_151"
+id="FNanchor_151"></a><a href="#Footnote_151" class="fnanchor">[151]</a>.
+Hij beminde de letteren, moedigde het beoefenen van
+de wetenschappen aan, zorgde dat ieder tevreden kon zijn<span class='pagenum'><a name="Page_211" id="Page_211">[211]</a></span>
+over de regering, en was, ook door gematigdheid in de
+toenmalige twisten over geloofszaken, voor allen een
+voorbeeld ter navolging: want ofschoon de zelfde partij als
+Prins <span class="smcap">maurits</span> toegedaan, had hij toch den moed, diens
+sterke maatregelen af te keuren, hem tot zachtheid en
+gematigdheid te raden en hem te waarschuwen voor de
+schromelijke gevolgen, welke de gansche wereld hem
+all&eacute;&eacute;n zou wijten. Zijne verdiensten als staatsman werden
+ge&euml;venaard door die als krijgsman, en men vindt
+zelfs tot zijn lof verhaald, dat hij de nieuwe krijgskunde het
+eerst in gebruik heeft gebragt, welke <span class="smcap">maurits</span> vervolgens
+op zijn voorbeeld tot grootere volmaaktheid verhief<a name="FNanchor_152"
+id="FNanchor_152"></a><a href="#Footnote_152" class="fnanchor">[152]</a>.
+Groot was dus de rouw in gansch <i>Friesland</i> en de
+omgelegen gewesten, toen die edele Stadhouder in 1620
+hun in 60jarigen ouderdom ontviel, nadat hij deze provincie
+36 jaren lang met zoo veel wijsheid had bestuurd.
+Door het bezorgen van eene prachtige uitvaart of lijkstatie
+en het stichten van eene kostbare marmeren Graftombe
+in het koor der Groote Kerk te <i>Leeuwarden</i>,
+trachtten de Friesche Staten de nagedachtenis te huldigen
+van den voortreffelijken vorst, aan wien men zich ten
+hoogste verpligt gevoelde<a name="FNanchor_153" id="FNanchor_153"></a><a
+href="#Footnote_153" class="fnanchor">[153]</a>.</p>
+
+<hr class="c05" />
+
+<p>Zijn jongere broeder, Graaf <span class="smcap">ernst casimir</span> <i>van Nassau</i>,
+volgde hem op. Deze, op reizen door <i>Duitschland</i>,<span class='pagenum'><a name="Page_212" id="Page_212">[212]</a></span>
+<i>Frankrijk</i> en <i>Zwitserland</i> in letteren en kunsten geoefend,
+had reeds 25 jaren lang onder hem en <span class="smcap">maurits</span>
+dezen staat gediend, en mogt, vooral door zijn beleid en
+moed v&oacute;&oacute;r den slag bij <i>Nieuwpoort</i>, grooten lof behalen.
+Hij was nu tot Veldmaarschalk van der Staten leger en
+Luit.-Gouverneur van <i>Gelderland</i> en <i>Utrecht</i> opgeklommen,
+hoewel het geluk hem doorgaans minder begunstigde
+dan zijn moed het verdiende. Den 3 Augustus 1620
+werd hij door de Staten van <i>Friesland</i> tot Stadhouder
+en Kapitein-Generaal aangesteld, hoewel <i>Groningen</i> en
+<i>Drenthe</i> Prins <span class="smcap">maurits</span> kozen en eerst na den dood
+van dezen, in 1625, hem deze waardigheid opdroegen.
+In alles betoonde hij zich een broeder waardig, die hem
+deze landen in vrede en voorspoed had achtergelaten,
+en hij spaarde geene zorg om hunne belangen te bevorderen.
+In het staatkundige genoot hij groot vertrouwen,
+zoodat de Algemeene Staten hem meermalen aanzienlijke
+gezantschappen en zendingen opdroegen. In den krijg
+stond hij <span class="smcap">maurits</span> en <span class="smcap">frederik hendrik</span> verder als steun
+en raadsman ter zijde, en werden hem belangrijke togten
+ter verdrijving van den vijand toevertrouwd. Even als
+zoo vele leden van zijn geslacht, stierf ook hij op het
+bed van eer, in de dienst van het vaderland ter verkrijging
+der onafhankelijkheid. Bij het bezigtigen van
+<i>Roermonds</i> loopgraven, voor welke vesting hij in 1632
+het beleg had geslagen, ontving hij een schot; en sneuvelde
+&raquo;<i>Frieslands</i> uitmuntende Stadhouder, de dappere
+en minzame <span class="smcap">ernst casimir</span>, uitstekend geacht om zijne
+dapperheid en gedrag, tot groote droeffenisse van alle
+goede Patriotten ende mercklycke verachteringhe van
+de gemeene sake; hetwelcke een beclaeghelycke doodt
+voor de Geunieerde Landen ende den Prince was,
+also hy de oudste ende meest ervarendste overste was,
+die alle syne dinghen met een groot beleydt ende couragie,<span class='pagenum'><a name="Page_213" id="Page_213">[213]</a></span>
+tot welstandt van de landen uytgevoert hadde&#8221;<a name="FNanchor_154"
+id="FNanchor_154"></a><a href="#Footnote_154" class="fnanchor">[154]</a>.</p>
+
+<p>Ook hij mogt van de Staten van <i>Friesland</i> vele bewijzen
+van vertrouwen en vereering ontvangen, waarvan
+in 1627 een geschenk van 1500 en in 1630 van 50,000
+Gld. getuigden; terwijl hem kort voor zijn dood de
+erfopvolging van zijn zoon toegezegd was en zijner weduwe
+een pensioen van 4,000 Gld. werd toegelegd. Bij
+uitstek talrijk en prachtig was de lijkstoet, welke zijn
+stoffelijk deel ten grave geleide<a name="FNanchor_155" id="FNanchor_155"></a><a
+href="#Footnote_155" class="fnanchor">[155]</a>.</p>
+
+<hr class="c05" />
+
+<p>Ver van het tooneel des oorlogs verwijderd en bestendig
+het genot van den voorspoed smakende, verkeerde
+deze provincie in een bloeijenden toestand, toen de jeugdige
+<span class="smcap">hendrik casimir</span> I in December 1632 zijn voortreffelijken
+vader in de regering opvolgde. Rustig was zijne
+regering niet, wegens het duurzaam blaken der verschillen
+tusschen de staatsleden, welke zelfs aanleiding gaven tot
+oproerige bewegingen onder het volk. Om deze te bedwingen,
+zonden de Algemeene Staten bij herhaling
+gezanten en krijgsvolk herwaarts; doch de voorzigtige
+Stadhouder wist zijn invloed met veel beleid aan te
+wenden, om het inrukken van die troepen binnen <i>Leeuwarden</i>,
+als strijdig met de regten en de hoogheid van
+dit gewest, te beletten, en niet minder, om de verstoorde
+rust te herstellen en de twistende partijen vooreerst te<span class='pagenum'><a name="Page_214" id="Page_214">[214]</a></span>
+bevredigen. Groote diensten heeft hij daarin dit gewest
+bewezen. Doch ook als krijgsman had hij zich der belangen
+van het vaderland gewijd, en vond Prins <span class="smcap">frederik
+hendrik</span> in hem een dapperen steun, aan wien hij belangrijke
+togten toevertrouwde. In 1637 en volgende
+jaren behaalde hij, aan het hoofd van het zoogenaamde
+vliegende leger, op de frontieren van Rijn, Maas en Waal
+vele voordeelen op de Spanjaarden, waarbij hij zich &raquo;met
+sonderlinge sorghvuldicheyt en vigilantie kweet,&#8221; en
+om zijne goede zorg en orde, evenzeer als om zijne
+bescherming van de weerlooze ingezetenen tegen den
+vijand geprezen werd. Doch ook hij bragt zijn leven dat
+vaderland ten offer, als de negende der Nassausche helden,
+die in dezen krijg voor de goede zaak het leven
+lieten. Op den togt in <i>Vlaanderen</i>, niet ver van <i>Hulst</i>
+eene schans aanvallende, waarbij de zijnen, uit &raquo;een
+sonderlinghe ghenegentheydt, die sij hem toedroegen, als
+Leeuwen vochten,&#8221; werd hij in den rug geschoten,
+waaraan hij den 2 Julij 1640 stierf, &raquo;tot hertelijcke
+droefheydt van &#8217;t gantsche Leger, van den Prince, die
+grote hope op hem hadde, en oock van de vyandt,
+by wien hy in aensien ende grote estime waer.&#8221; Zelfs
+zou een vijandelijk hoofd-officier dien dag hebben gezegd:
+&raquo;de braveste Cavalier van <i>Nederlandt</i> is gebleven.&#8221; Uitbundig
+is de lof, welken tijdgenooten dezen jeugdigen
+held, die slechts 29 jaren mogt bereiken, toezwaaijen.
+De Friezen, die zijne godsdienstige braafheid en voortreffelijke
+eigenschappen hoogelijk vereerden, betreurden
+algemeen zijnen dood, en vergezelden vol rouw zijne
+plegtige uitvaart, waartoe de Staten eene som van niet
+minder dan 12,000 Gld. bestemden<a name="FNanchor_156"
+id="FNanchor_156"></a><a href="#Footnote_156" class="fnanchor">[156]</a>.</p>
+
+<hr class="c05" />
+
+<p><span class='pagenum'><a name="Page_215" id="Page_215">[215]</a></span>&#8217;t Was inderdaad een groot voorregt van <i>Friesland</i>,
+dat het zijn belang aldus had verbonden aan een Vorstelijk
+Huis, hetwelk bij opvolging waardige leden telde,
+in staat, om, bij het immer voortduren van den oorlog,
+te voldoen aan de eischen der Staten, die aan het hoofd
+der uitvoerende magt een man wilden bezitten, in wien zich
+de hoedanigheden vereenigden van &raquo;eenen aensienlycken,
+gequalificeerden ende vertrouden Persone, van cloeckheyt,
+dapperheyt ende goede ervarentheyt in materie
+van State ende Crychshandel&#8221;<a name="FNanchor_157" id="FNanchor_157"></a><a
+href="#Footnote_157" class="fnanchor">[157]</a>. Die zeldzaam bestendig
+vereenigde gaven waren het deel der leden van dezen
+tak uit het beroemde stamhuis van <i>Nassau</i>, die ook hun
+belang aan dat van <i>Friesland</i> hadden verbonden, en zich
+bij die verbindtenis even gelukkig gevoelden als de Friezen,
+die immer met dankbaar vaderlandsch gevoel hebben
+erkend, dat al hunne de Stadhouders uit dit doorluchtig
+geslacht, als staatsmannen en helden het vaderland tot nut
+en roem, en als menschen en christenen, door vereeniging
+van bekwaamheid met braafheid, den landzaat ten
+voorbeelde en der menschheid tot eere gestrekt hebben.
+Dit zegt veel, doch de geschiedenis zou dit in meerdere
+bijzonderheden kunnen vermelden, dan ons vergund is
+hier mede te deelen. Wie toch overtuigd is van den
+invloed, welke de zin, de zeden en geestrigting van regenten
+op een volk uitoefenen, die schat het voorregt
+hoog en acht dien invloed weldadig voor de zedelijke
+ontwikkeling van alle standen, wanneer die regenten om
+hunne bekwaamheden evenzeer geacht, als om hun karakter
+en gezindheden alom ge&euml;erd en bemind worden. En al
+mogen deze niet altijd, gelijk wapenfeiten, schitteren,&mdash;zij
+verspreiden een weldadigen gloed van liefde en<span class='pagenum'><a name="Page_216" id="Page_216">[216]</a></span>
+verknochtheid, welke die geslachten overleeft in eene
+eervolle en zegenende nagedachtenis. Z&oacute;&oacute; herdenken wij,
+Friezen, de Stadhouders uit het Huis van <i>Nassau</i>, de
+stamvaders van het thans regerende Koninklijk geslacht.
+Op allen passen wij den wensch toe, dien de dichter
+<span class="smcap">da costa</span> omtrent <span class="smcap">willem lodewijk</span> uitte:</p>
+
+<div class="poem"><div class="stanza">
+<span class="i0"><i>Gedenk den vroomen held, die heel zijn zielzucht prentte,</i><br /></span>
+<span class="i2"><i>O Ne&ecirc;rland! in de dienst, tot uw behoud verricht!</i><br /></span>
+<span class="i0"><i>Gij, Friesland, &#8217;t allereerst, met Groningen, met Drenthe,</i><br /></span>
+<span class="i2"><i>Zijn wakkre vaderzorg zoo duur, zoo te&ecirc;r verpligt.</i><br /></span>
+<span class="i0"><i>Gedenkt hem, Nassaus huis, gy, zyn doorluchte neven,</i><br /></span>
+<span class="i2"><i>Van ouds gedragen op der Christnen heilgebed!</i><br /></span>
+<span class="i0"><i>Gy, uit zyn Frieschen stam op Ne&ecirc;rlands troon verheven,</i><br /></span>
+<span class="i2"><i>o Koning, op wiens keus meer dan Europa let!</i><a
+name="FNanchor_158" id="FNanchor_158"></a><a href="#Footnote_158" class="fnanchor">[158]</a><br /></span>
+</div></div>
+
+<p>Ook nu, in 1640, na het smartelijk verlies van Graaf
+<span class="smcap">hendrik casimir</span>, kon dat Huis die breuke heelen. In
+zijn broeder, Graaf <span class="smcap">willem frederik</span> <i>van Nassau</i>, die,
+van gelijken aard en inborst, eene gelijke opleiding had
+genoten, vond het een Stadhouder, die dadelijk de afgebrokene
+taak kon opvatten. Wel vielen <i>Groningen</i>
+en <i>Drenthe</i> hem af, door zich Prins <span class="smcap">frederik hendrik</span>
+te kiezen, doch de Friesche Staten aarzelden niet, hem
+den 23 Julij 1640 eenparig tot hun Stadhouder en Kapitein-Generaal
+aan te stellen, welke betrekkingen hem
+eerst tien jaren later mede door de twee genoemde
+naburige provinci&euml;n werden opgedragen<a name="FNanchor_159"
+id="FNanchor_159"></a><a href="#Footnote_159" class="fnanchor">[159]</a>.
+En dat ook<span class='pagenum'><a name="Page_217" id="Page_217">[217]</a></span>
+hij door zijn beminnelijk karakter, krijgsdeugden en
+staatkundige bekwaamheden zich de hoogachting en erkentenis
+der Staten wist te verwerven, bleek mede daaruit
+dat zij hem in 1650 en op nieuw in 1661 een geschenk
+van 50,000 Gld. vereerden, en in 1651 hunne ingenomenheid
+met zijn huwelijk met Prinses <span class="smcap">albertine agnes</span> <i>van
+Oranje</i>, de dochter van <span class="smcap">frederik hendrik</span>, aan den dag
+legden, door haar, tot Kind of Dochter van Staat aangenomen,
+den Stadhouder tot Gemalin over te dragen
+en een geschenk van eene tonne gouds aan te bieden<a name="FNanchor_160"
+id="FNanchor_160"></a><a href="#Footnote_160" class="fnanchor">[160]</a>.</p>
+
+<hr class="c05" />
+
+<p>Intusschen was, met Gods hulpe, de tachtigjarige
+oorlog ge&euml;indigd door den Vrede, te <i>Munster</i> in 1648
+gesloten; een vrede, waarbij eindelijk door <i>Spanje</i> de
+onafhankelijkheid der Nederlandsche gewesten erkend- en
+een perk gesteld werd aan de bloedige oorlogen en verbazende
+geldelijke opofferingen, welke <i>Nederland</i> uit
+zich zelf niet had kunnen bestrijden, als de Almagtige
+het niet gesteund- en als het zelf geen gebruik gemaakt
+had van zijne gunstige ligging voor koophandel en zeevaart,
+door zich in <i>Oost-</i> en <i>West-Indi&euml;</i> buitengewone<span class='pagenum'><a name="Page_218" id="Page_218">[218]</a></span>
+bronnen van nijverheid en voorspoed te openen. Die
+vrede en vrijheid, welke zoo groote opofferingen vergold
+en het bezit dier bronnen van welvaart bekrachtigde,
+had eene onbedenkelijke waarde voor het volksbestaan
+der Nederlanders. In <i>Friesland</i>, dat bij dit verbond
+was vertegenwoordigd door <span class="smcap">frans van donia</span>, wonende op
+<i>Hinnema-state</i> te <i>Jelsum</i>, was de vreugde over deze
+bevestiging van den Staat groot en algemeen. Daarom
+wilden ook &#8217;s lands Staten, dat zij op eene plegtige en
+luisterrijke wijze werd afgekondigd. Tot dat einde werd
+er tegen de Stads-Waag te <i>Leeuwarden</i> een rijk versierde
+Triumfboog opgerigt, v&oacute;&oacute;r welke op den 26 Mei 1648
+de afkondiging plaats had<a name="FNanchor_161" id="FNanchor_161"></a><a
+href="#Footnote_161" class="fnanchor">[161]</a>. Bovendien werd er een
+Monument van deze gebeurtenis tegen den gevel van het
+Landshuis opgerigt<a name="FNanchor_162" id="FNanchor_162"></a><a href="#Footnote_162" class="fnanchor">[162]</a>.</p>
+
+<p>Bij den terugblik op het behandelde gedeelte van dit
+tijdvak, moeten wij erkennen, uit de laatste tijden
+weinige bijzonderheden van het volksleven der Friezen
+te hebben medegedeeld. Dit is zeer natuurlijk. <i>Friesland</i>
+genoot sedert de overgave van <i>Groningen</i> in 1594 het
+voorregt, om, van het tooneel des oorlogs verwijderd,
+zich rustig aan zijne eigene en in de onveilige oorlogstijden
+veel verwaarloosde belangen te kunnen toewijden.
+Met wakkerheid legde het volk zich op de verbetering
+van landbouw en veeteelt, op de uitbreiding van handel,
+fabrijken en handwerken toe. De steden rezen in bloei
+en vermogen, werden verfraaid en vergroot en met aanzienlijke
+gebouwen en nuttige inrigtingen verrijkt<a name="FNanchor_163"
+id="FNanchor_163"></a><a href="#Footnote_163" class="fnanchor">[163]</a>.<span
+class='pagenum'><a name="Page_219" id="Page_219">[219]</a></span>
+Op het land verspreidde de ontwikkeling der bronnen van
+volksbestaan eene welvaart, welke de vergrooting der buurten
+van vele dorpen ten gevolge had; terwijl edelen en
+eigenerfden daarbij op hunne bezittingen zoo vele staten en
+landhuizen, ja soms kostbare kasteelen bouwden of herbouwden,
+dat het groote getal van derzelver namen op de
+kaarten der grietenijen nog onze verwondering verdient<a name="FNanchor_164"
+id="FNanchor_164"></a><a href="#Footnote_164" class="fnanchor">[164]</a>.
+Met den Staat werd tevens de burgerlijke toestand der
+ingezetenen gevestigd, en eene maatschappelijke inrigting
+geregeld, welke zeer lang onveranderd bleef bestaan.</p>
+
+<p>Die voorspoed, welke zich in alle standen verspreidde,
+had echter ook zijne schaduwzijde: want, zegt een geschiedschrijver
+dier dagen, &raquo;neffens dese verbeteringhe
+van het Landt, nam oock die hovaerdye ende pracht
+in Klederen, Huysraet, Bancquetten en alle kostelheyt
+ergerlijcke overhant, &#8217;t welck al te langhe waere in
+&#8217;t kleyne te verhalen&#8221;<a name="FNanchor_165" id="FNanchor_165"></a><a
+href="#Footnote_165" class="fnanchor">[165]</a>. Uitsluitende zorg voor enkel
+stoffelijke belangen, welke all&eacute;&eacute;n geld en voordeel najaagde,
+stond de ontwikkeling van den geest steeds in den
+weg; en terwijl de geleerden, vooral op &#8217;s lands Hoogeschool
+te <i>Franeker</i>, met groote schreden vorderden op den
+weg der wetenschappen, hield de zedelijke, godsdienstige
+en letterkundige vooruitgang des volks geen gelijken tred
+met den stoffelijken voorspoed. Bovendien, sedert de
+Dordsche Synode in 1618 eenmaal had bepaald, wat de
+Hervormde Kerk voor christelijke waarheid te houden had,
+scheen men bevrediging te vinden in koude leerstellingen,
+die den warmen gloed van de godsdienst der liefde verdrongen
+hadden. Bij al den voorspoed betoonde men ook weinig<span class='pagenum'><a name="Page_220" id="Page_220">[220]</a></span>
+behoefte aan godsdienst, terwijl men zijne staatkundige
+regten met des te meer ijver deed gelden. Vandaar,
+dat er nog eene andere oorzaak was, die nadeelig werkte
+op de zedelijke zoowel als de burgerlijke belangen.</p>
+
+<p>Vermits het regt tot stemming van bestuurders en staatsleden
+all&eacute;&eacute;n gegrond was op het bezit van vaste goederen,
+was de zucht om meer bezittingen te verwerven, ten
+einde meer magt en invloed op het staatsbestuur te bekomen,
+evenzeer toegenomen als de zucht naar hoogheid
+en eere, en om zelf tot ambten en waardigheden te geraken.</p>
+
+<div class="poem"><div class="stanza">
+<span class="i0"><i>Thans (dachten ze in hun hart), thans komt het er op aan,</i><br /></span>
+<span class="i0"><i>Om naar &#8217;t voordeeligst Ambt te streven en te staan:</i><br /></span>
+<span class="i0"><i>En die naar kennis, kunst en wetenschap wil streven,</i><br /></span>
+<span class="i0"><i>Doolt verre van den weg om met vermaak te leven.</i><br /></span>
+<span class="i0"><i>Die Rijk is, is ook wijs, ook dapper, en in staat,</i><br /></span>
+<span class="i0"><i>Om Friesland nut te zijn, &eacute;n door beleid &eacute;n raad.</i><br /></span>
+<span class="i0"><i>Die magtig is in geld, in goedren overvloedig,</i><br /></span>
+<span class="i0"><i>Is eerlijk, schrander, braaf, verheven en grootmoedig!</i><br /></span>
+</div><div class="stanza">
+<span class="i0"><i>Dus achtte men welhaast de vaderlandsche zaak.</i><br /></span>
+</div><div class="stanza">
+<span class="i0"><i>Maar in een Vrij Gewest is ware Vre&ecirc; te erkennen,</i><br /></span>
+<span class="i0"><i>Wanneer men in de jeugd de kindren doe gewennen</i><br /></span>
+<span class="i0"><i>Aan &#8217;t denkbeeld, dat de mensch niet voor zich zelve alleen</i><br /></span>
+<span class="i0"><i>Geboren is, maar ook ten nutte van &#8217;t Gemeen;</i><br /></span>
+<span class="i0"><i>Ja, dat zulks de eerste lust en de eerste pligt moet wezen,</i><br /></span>
+<span class="i0"><i>Door geene Staatzucht, door geen Geldlust te belezen.</i><br /></span>
+<span class="i0"><i>Daar derft de Raad des lands geen krachten, geenen moed,</i><br /></span>
+<span class="i0"><i>Tot wering van het kwaad, tot staving van het goed.</i><br /></span>
+<span class="i0"><i>De zon van het Gezag doet hare vruchtbre stralen</i><br /></span>
+<span class="i0"><i>D&aacute;&aacute;r van den hoogen trans, van haren hemel dalen</i><a
+name="FNanchor_166" id="FNanchor_166"></a><a href="#Footnote_166" class="fnanchor">[166]</a>.<br /></span>
+</div></div>
+
+<p><span class='pagenum'><a name="Page_221" id="Page_221">[221]</a></span>Voorzeker was het niet vreemd, dat zulk eene rigting,
+welke alle lessen der godsdienst tot vrede en zachtmoedigheid
+versmaadde, aanleiding gaf tot oneindige kuiperijen
+en partijschappen, welke de rust van den Staat bestendig
+in gevaar stelden en de uitvoering van gewigtige
+verbeteringen beletten. Een tijdgenoot (de Raadsheer <span class="smcap">van
+den sande</span>, 208) getuigt deswege: &raquo;van die twist, oneenicheydt
+ende factien is de eenighste oorsake geweest,
+de overgroote ende ongheregelde ampt ende regieringhsucht,
+waerdoor voorgaende goede wetten, Lands-ordinantien
+ende resolutien zijn ontbonden, veracht ende
+met voeten ghetreeden, waerom goede Patriotten vreesden,
+dat uyt dusdanige ongebondenheyt eyndelijck eene
+nieuwe combustie, oock wel eene totale ruyne hares
+Vaderlandts ontstaen mochte.&#8221; Ja, <span class="smcap">schotanus</span> noemt
+&raquo;de vervloeckte staet-sucht een oude plage,&#8221; gelijk
+<span class="smcap">ubbo emmius</span> &raquo;een grasseerende pest van dit Landt&#8221;;
+terwijl het tafereel, dat de eerste van den zedelijken
+toestand des volks, in het midden der 17<sup>e</sup> eeuw, ophangt<a
+name="FNanchor_167" id="FNanchor_167"></a><a href="#Footnote_167" class="fnanchor">[167]</a>,
+ons met bedroeving vervult, en weder een bewijs levert,
+dat de voorspoed (die proefsteen onzer zedelijke waarde),
+schoon een zegen des Allerhoogsten, door misbruik veelal
+meer verderfelijk is voor de waarachtige belangen eens
+volks, dan tegenspoed en lijden, welke veelal verkeerdelijk
+voor rampen, kastijdingen en plagen Gods worden gehouden.</p>
+
+<p>Evenmin als van de vroegere partijschappen der Schieringers
+en Vetkoopers, zullen wij nu een uitvoerig verhaal
+geven van deze Staatstwisten, welke vaak met gelijke
+hevigheid, doch onder andere omstandigheden en in<span class='pagenum'><a name="Page_222" id="Page_222">[222]</a></span>
+eenigzins meer beschaafde vormen gevoerd werden als die
+vroegere. Omtrent al de twisten van <span class="smcap">karel roorda</span> tegen
+Graaf <span class="smcap">willem lodewijk</span>, de verschillen over de opbrengst
+van <i>Frieslands</i> aandeel (<i>quota</i>) in de algemeene lasten
+en het inwilligen van de impositi&euml;n en generale middelen,
+allen reeds in 1593 aangevangen, later voortgezet en tot
+1640 met hevigheid gevoerd, zoodat de Algemeene Staten
+bij herhaling afgezanten en krijgsvolk naar <i>Friesland</i>
+moesten afzenden tot herstel van de rust en het innen van
+de schattingen,&mdash;omtrent dit alles kunnen wij hier in
+geene bijzonderheden treden<a name="FNanchor_168" id="FNanchor_168"></a><a
+href="#Footnote_168" class="fnanchor">[168]</a>. Van meer duurzaam
+belang hebben wij het geacht, hierop te laten volgen
+een overzigt van den Regeringsvorm of het Staatsbestuur
+van <i>Friesland</i> in dit tijdperk, dewijl deze met die gebeurtenissen
+in naauw verband stond en sommige onzer tegenwoordige
+instellingen daarvan nog uitvloeisels zijn. Tevens
+kan dit strekken tot verklaring van vele punten, welke
+bij de behandeling van de Geschiedenis vermeld worden.</p>
+
+<hr class="footn" />
+
+<div class="footnote">
+
+<p><a name="Footnote_134" id="Footnote_134"></a><a href="#FNanchor_134"><span class="label">[134]</span></a>
+<span class="smcap">winsemius</span>, 679, 684. Volgens den staat van het krijgsvolk
+in 1579 had men in <i>Friesland</i> voor 3000 voetknechten, 200 ruiters,
+200 pionniers enz. de som van ruim 43,000 Gld. in de <i>maand</i>
+noodig. <i>Charterb.</i> IV, 115. Zulk eene krijgsmagt hadden de Friezen
+te wederstaan en te verdrijven ter bekoming der vrijheid!</p>
+
+<p><a name="Footnote_135" id="Footnote_135"></a><a href="#FNanchor_135"><span class="label">[135]</span></a>
+<span class="smcap">Winsemius</span>, 689, 697; <i>Charterboek</i> IV, 241.</p>
+
+<p><a name="Footnote_136" id="Footnote_136"></a><a href="#FNanchor_136"><span class="label">[136]</span></a>
+<i>Charterboek</i>, IV 235; <span class="smcap">stellingwerff</span>, <i>Politycq Discours</i>, 32.</p>
+
+<p><a name="Footnote_137" id="Footnote_137"></a><a href="#FNanchor_137"><span class="label">[137]</span></a>
+Zie het uitvoerig verhaal deswege in <span class="smcap">van reyd</span>, <i>Nederl.
+Oorlogen</i>, 61, en <span class="smcap">winsemius</span>, 689, 714 env., benevens de verdere
+ontwikkeling hiervan in de eerste <i>Aanteekening</i> achter het 2<sup>e</sup> deel
+mijner <i>Geschiedkundige Beschrijving van Leeuwarden</i>, 407 en de daar
+aangehaalde schrijvers.</p>
+
+<p><a name="Footnote_138" id="Footnote_138"></a><a href="#FNanchor_138"><span class="label">[138]</span></a>
+Ook om deze reden werd in die jaren de Lands Akademie
+te <i>Franeker</i>, en niet te <i>Leeuwarden</i>, opgerigt.</p>
+
+<p><a name="Footnote_139" id="Footnote_139"></a><a href="#FNanchor_139"><span class="label">[139]</span></a>
+<span class="smcap">Winsemius</span>, 713; <span class="smcap">schotanus</span>, 915.</p>
+
+<p><a name="Footnote_140" id="Footnote_140"></a><a href="#FNanchor_140"><span class="label">[140]</span></a>
+<span class="smcap">Winsemius</span>, 705, 765, 833, 836; <span class="smcap">van reyd</span>, 64, 152, 206.
+Bovendien werd er in vele dorpskerken eene bezetting van 30 &agrave; 40
+soldaten uit het veldleger gelegd tot bescherming van het platteland.
+In andere kerken hielden de ingezetenen dag- en nachtwachten.</p>
+
+<p><a name="Footnote_141" id="Footnote_141"></a><a href="#FNanchor_141"><span class="label">[141]</span></a>
+<span class="smcap">Winsemius</span>, 743 env.; <span class="smcap">v. reyd</span>, 54; <i>Charterb.</i> IV 301, 530.</p>
+
+<p><a name="Footnote_142" id="Footnote_142"></a><a href="#FNanchor_142"><span class="label">[142]</span></a>
+<span class="smcap">Van reyd</span>, 30, 61; <span class="smcap">winsemius</span>, 703; <i>Charterboek</i>, IV
+425; <span class="smcap">bosscha</span>, <i>Heldendaden</i>, I 262, 267.</p>
+
+<p><a name="Footnote_143" id="Footnote_143"></a><a href="#FNanchor_143"><span class="label">[143]</span></a>
+<span class="smcap">Winsemius</span>, 752, 757; <span class="smcap">van reyd</span>, 64; <i>Charterb.</i> IV 512.
+Bekend is het, dat de Friezen hem veelal <i>uws heit</i> noemden.</p>
+
+<p><a name="Footnote_144" id="Footnote_144"></a><a href="#FNanchor_144"><span class="label">[144]</span></a>
+<span class="smcap">Winsemius</span>, 710, 747, 752, 758; <span class="smcap">schotanus</span>, <i>Beschrijv.</i> 140.</p>
+
+<p><a name="Footnote_145" id="Footnote_145"></a><a href="#FNanchor_145"><span class="label">[145]</span></a>
+<span class="smcap">Winsemius</span> 772; <span class="smcap">van vervou</span>, <i>Gedenckw. Geschiedenissen</i>, 32;
+<span class="smcap">van reyd</span>, 68; <span class="smcap">van den sande</span>, 16;
+<span class="smcap">van leeuwen</span>, <i>Kronyk</i>, 199.</p>
+
+<p><a name="Footnote_146" id="Footnote_146"></a><a href="#FNanchor_146"><span class="label">[146]</span></a>
+<span class="smcap">Van reyd</span>, 135; <span class="smcap">van den sande</span>, 18.</p>
+
+<p><a name="Footnote_147" id="Footnote_147"></a><a href="#FNanchor_147"><span class="label">[147]</span></a>
+<span class="smcap">Winsemius</span>, 805, 810, 814; <span class="smcap">van reyd</span>, 176-198; <span class="smcap">van
+leeuwen</span>, <i>Kronyk</i>, 202; <span class="smcap">bosscha</span>, <i>Heldendaden</i>, I 303, 309.</p>
+
+<p><a name="Footnote_148" id="Footnote_148"></a><a href="#FNanchor_148"><span class="label">[148]</span></a>
+Bij dit beleg, hetwelk beroemd is geworden in de geschiedenis,
+berustte het opperbevel eigenlijk bij onzen Stadhouder;
+&#8222;nochtans uyt beleeftheydt ende om meerder eendracht wille gunde
+hij Prins <span class="smcap">maurits</span> die eere mede, gelyck er steets eene sonderlinghe
+liefde ende eenicheydt tusschen dese twee gheweest is,&#8221; zegt
+<span class="smcap">van reyd</span>, 234.</p>
+
+<p><a name="Footnote_149" id="Footnote_149"></a><a href="#FNanchor_149"><span class="label">[149]</span></a>
+Zie <span class="smcap">winsemius</span>, 816-822; <i>Charterboek</i>, IV 883; <span class="smcap">van reyd</span>,
+231-241, 253; <span class="smcap">v. d. sande</span>, 22; <span class="smcap">bosscha</span>, <i>Heldendaden</i>, I 319;
+<span class="smcap">wagenaar</span>, VIII 368; <span class="smcap">wichers</span>, <i>Tractaat van de Reductie der Stadt
+Groningen</i>, 1794, II 277. Een naauwkeurig verhaal van het geheel
+is vervat in de <i>Geschiedkundige Aanteekeningen omtrent het Beleg van
+Groningen</i>, uitgegeven bij gelegenheid van den gecostumeerden optogt,
+gehouden bij de inwijding van het Akademie-gebouw te <i>Groningen</i>
+in Sept. 1850; een werkje, hetwelk duurzaam historische
+waarde zal bezitten.</p>
+
+<p><a name="Footnote_150" id="Footnote_150"></a><a href="#FNanchor_150"><span class="label">[150]</span></a>
+Hoogst vermoedelijk viel dit te beurt aan het vaandel van
+<span class="smcap">edzart van grovestins</span>, die voorkomt in het <i>Stamboek</i>, I 133,
+II 83 en in het <i>Leven en Bedrijf van Wilhelm en Maurits van
+Nassau</i>, Amst. 1651, 196; terwijl hij bedoeld zal zijn met de
+woorden: <i>Hy krigge de Amerant mey finzen</i>, in <span class="smcap">gysbert&#8217;s</span> vers: <i>Egge,
+Wynering in Goadsfrjuen</i>, bl. 69. De reden, waarom aan dit feit en
+dezen aanzienlijken gevangene, later voor 23,000 Gld. gerantsoeneerd,
+immer zoo hooge waarde is gehecht, verklaart de dichter <span class="smcap">h. a. meijer</span>
+in eene Aant. op zijn <i>Heemskerk</i>, 208 aldus: &#8222;Het gevangennemen
+van den Admirant van Arragon, Francisco de Mendo&ccedil;a en andere
+aanzienlijke Spanjaarden, op het slagveld van Nieuwpoort, had
+eene uitwisseling van krijgsgevangenen ten gevolge, waardoor
+vele Nederlanders van de Spaansche galeijen en uit de Spaansche
+kerkers werden ontslagen, en in hun vaderland terugkeerden.&#8221;
+Zie ook <span class="smcap">bosscha</span>, <i>Heldendaden</i>, I 334, 336, 355,
+391. Onder de Friesche oversten en kapiteins, die ten deele in
+deze en de volgende strijden het leven lieten, worden met eere
+vermeld: <span class="smcap">douwe</span> en <span class="smcap">frederik
+van grovestins</span>, <span class="smcap">julius van eijsinga</span>,
+<span class="smcap">quiryn de blau</span>, <span class="smcap">hans van oostheim</span>, <span class="smcap">hans de vries</span>,
+<span class="smcap">michiel haghe</span>, <span class="smcap">willem willemsz.</span> enz.</p>
+
+<p><a name="Footnote_151" id="Footnote_151"></a><a href="#FNanchor_151"><span class="label">[151]</span></a>
+<span class="smcap">van reyd</span>, 329; <i>Regist. Staats-res.</i> 511; <i>Chart.</i> V 134, 159.</p>
+
+<p><a name="Footnote_152" id="Footnote_152"></a><a href="#FNanchor_152"><span class="label">[152]</span></a>
+<span class="smcap">Wagenaar</span>, V. H. X 408; <span class="smcap">bosscha</span>, <i>Heldend.</i> I 274 env.</p>
+
+<p><a name="Footnote_153" id="Footnote_153"></a><a href="#FNanchor_153"><span class="label">[153]</span></a>
+<span class="smcap">Van den sande</span>, 20, 87; <span class="smcap">wins.</span> 902; <span class="smcap">schot.</span> 861, 891;
+<i>Tegenw. Staat</i>, IV 39, 74; <span class="smcap">foeke sjoerds</span>, <i>Beschrijv.</i> II 137,
+184; <span class="smcap">scheltema</span>, <i>Staatk. Ned.</i> II 482; <span class="smcap">v. kampen</span>, <i>Gesch.</i> I 489;
+<i>Karakterk.</i> I 491; <i>Levens v. ber. Ned.</i> II 1; <span class="smcap">van heusde</span>, <i>Diatr. in Guil.
+Lud. vit. etc.</i>; <span class="smcap">baudartius</span>, <i>Nass. Oorl.</i> 459; <i>Schuit- en Jagtpraatjes</i>,
+II 35, 37, 87; <span class="smcap">aitzema</span>, <i>Saken van Staet en Oorlogh</i>, 4<sup>o</sup>. I 3,
+16; <span class="smcap">kluit</span>, <i>Hist. der Holl. Staatreg.</i> III 499; <i>Geschiedk. Beschrijv.
+van Leeuwarden</i>, II 2, 49, 95, 296, 427.</p>
+
+<p><a name="Footnote_154" id="Footnote_154"></a><a href="#FNanchor_154"><span class="label">[154]</span></a>
+<span class="smcap">de la pise</span>, 893; <span class="smcap">v. d. sande</span>, 87, 163; <span class="smcap">wins.</span> 884, 902,
+909; <i>Charterb.</i> V 259. Zie verder over hem ook de meeste der
+hier v&oacute;&oacute;r aangehaalde schrijvers. <span class="smcap">vondel</span> vereerde hem met eene
+<i>Lijckklacht, Po&euml;zij</i>, 456; <span class="smcap">g. corvinus</span> hield in 1637 te <i>Herborn</i> op
+hem eene Lijkrede.</p>
+
+<p><a name="Footnote_155" id="Footnote_155"></a><a href="#FNanchor_155"><span class="label">[155]</span></a>
+Zie <i>Regist. op de Staats-resol.</i> 512. Het eenig bekende, rijk
+uitgevoerde ex. der Afbeelding van deze Vorstelijke Begrafenis is
+thans in het bezit van mijnen geachten vriend Jhr. Mr. <span class="smcap">h. b. van
+sminia</span> te <i>Bergum</i>.</p>
+
+<p><a name="Footnote_156" id="Footnote_156"></a><a href="#FNanchor_156"><span class="label">[156]</span></a>
+<i>Chart.</i> V 341, 355; <span class="smcap">v. d. sande</span>, 173, 199, 212, 215 en
+vooral 217. Zie mede de vroeger vermelde schrijvers en <span class="smcap">van
+leeuwen&#8217;s</span> Aantt. op <i>it aade Friesche Terp</i>, 453 env.</p>
+
+<p><a name="Footnote_157" id="Footnote_157"></a><a href="#FNanchor_157"><span class="label">[157]</span></a>
+<i>Charterboek</i>, V 259.</p>
+
+<p><a name="Footnote_158" id="Footnote_158"></a><a href="#FNanchor_158"><span class="label">[158]</span></a>
+<i>Zangen uit verscheidenen leeftijd</i>, 1847, 110. Vele berigten
+omtrent deze Stadhouders heb ik medegedeeld in de <i>Geschiedkundige
+Beschrijving van Leeuwarden</i>, II 2, 3, 95, 296-319, 427 env.
+Ruime stof is er voorhanden, om hunne levens uitvoerig te behandelen.</p>
+
+<p><a name="Footnote_159" id="Footnote_159"></a><a href="#FNanchor_159"><span class="label">[159]</span></a>
+<i>Charterboek</i>, V 458; <span class="smcap">wagenaar</span>, <i>Vad. Hist.</i> XII 131.</p>
+
+<p><a name="Footnote_160" id="Footnote_160"></a><a href="#FNanchor_160"><span class="label">[160]</span></a>
+<i>Register op de Staats-resol.</i> 343, 513, 587. Vandaar (dat
+wij dit hier voorloopig vermelden), dat de Friesche regenten zoo
+vele bewijzen gaven van hunne ingenomenheid met het Stadhouderschap,
+zoowel op de vermaarde Groote Vergadering van 1651,
+als in 1654 bij het stemmen over de acte van uitsluiting in de
+Staten-Generaal. Tegen de heerschzuchtige bedoelingen van <i>Holland</i>
+en andere gewesten, die het Stadhouderschap geheel schenen te
+willen vernietigen, protesteerden de Friesche Afgevaardigden ten
+sterkste, als eene schending van de Unie, als een maatregel tegen
+het belang des lands, en vooral als eene beleedigende ondankbaarheid
+jegens het <i>Huis van Oranje</i>, hetwelk zoo veel goeds verrigt
+had voor het vaderland. Zie <span class="smcap">aitzema</span>, f<sup>o</sup>. III 542, 815, 826;
+<span class="smcap">kok</span>, <i>Vaderl. Woordenboek</i>, 16<sup>e</sup>
+dl. 603 en het <i>Register</i> b. v. 587.</p>
+
+<p><a name="Footnote_161" id="Footnote_161"></a><a href="#FNanchor_161"><span class="label">[161]</span></a>
+Eene beschrijving van de, in het Stedelijk Archief nog bewaarde,
+afbeelding dezer plegtigheid heb ik gegeven in den tekst
+der <i>Twaalf Gezigten op en in Leeuwarden</i>, 1850, bl. 15.</p>
+
+<p><a name="Footnote_162" id="Footnote_162"></a><a href="#FNanchor_162"><span class="label">[162]</span></a>
+Zie <i>Tegenw. Staat</i>, II 70 en <i>Geschiedk. Beschrijv.</i> II 16.</p>
+
+<p><a name="Footnote_163" id="Footnote_163"></a><a href="#FNanchor_163"><span class="label">[163]</span></a>
+Ten aanzien van <i>Leeuwarden</i> zie men daarvan veelvuldige
+bewijzen in de <i>Geschiedkundige Beschrijving</i>, II 4-77.</p>
+
+<p><a name="Footnote_164" id="Footnote_164"></a><a href="#FNanchor_164"><span class="label">[164]</span></a>
+Van honderden dier gebouwen heb ik in mijn <i>Frisia Illustrata</i>,
+of Teekeningen van Friesche kerken, gestichten, staten, dorpsgezigten
+enz. uit de vorige eeuw, afbeeldingen verzameld.</p>
+
+<p><a name="Footnote_165" id="Footnote_165"></a><a href="#FNanchor_165"><span class="label">[165]</span></a>
+<span class="smcap">Van reyd</span>, 351; <span class="smcap">de koning</span>, <i>Voorvad. Levenswijze</i>, 200.</p>
+
+<p><a name="Footnote_166" id="Footnote_166"></a><a href="#FNanchor_166"><span class="label">[166]</span></a>
+<span class="smcap">Willem van haren</span>, <i>Lof der Vrede</i>, &#8217;s Hage 1742, 53, 59, 61.</p>
+
+<p><a name="Footnote_167" id="Footnote_167"></a><a href="#FNanchor_167"><span class="label">[167]</span></a>
+Aan het slot der Voorrede van zijne <i>Beschrijv. end Chronijck</i>
+van 1655. Zie ook <span class="smcap">halbertsma</span>, <i>Letterk. Naoogst</i>, I 147, 150;
+<span class="smcap">starter&#8217;s</span> en <span class="smcap">fonteyne&#8217;s</span>
+<i>Politycke Kuiper</i>, 1621, 1647; <span class="smcap">baardt</span>,
+<i>Deugden Spoor</i>, 1645, <span class="smcap">gysbert</span> en meerdere geschriften van dien tijd.</p>
+
+<p><a name="Footnote_168" id="Footnote_168"></a><a href="#FNanchor_168"><span class="label">[168]</span></a>
+Wij hebben daarvan in <i><a href="#Aant21">Aanteek. 21</a></i> de bronnen medegedeeld
+voor ieder, die in de nasporing van al deze onlusten bijzonder
+belang mogt stellen.</p>
+
+</div>
+
+<hr class="footn" />
+
+<h3>36. <i>De Regeringsvorm van Friesland,
+tijdens de Republiek.</i></h3>
+
+<h4><i>De Staten.</i></h4>
+
+<p>De Souvereiniteit of de Oppermagt des lands werd
+sedert 1580 in <i>Friesland</i> uitgeoefend door de <i>Staten</i>,
+als gevolmagtigden, bij vrije keuze, van de bezitters van
+zoodanige vaste goederen, waaraan van ouds het stemregt
+was verknocht<a name="FNanchor_169" id="FNanchor_169"></a><a href="#Footnote_169" class="fnanchor">[169]</a>.</p>
+
+<p><span class='pagenum'><a name="Page_223" id="Page_223">[223]</a></span>In Januarij van elk jaar werden door deze laatste in
+iedere Grietenij twee personen, waarvan de eene een
+Edelman en de andere een Eigenerfde of bezitter van eene
+stemhebbende plaats of zathe moest zijn, gestemd en
+als Volmagten ten Landsdage afgevaardigd; terwijl de
+Regeringen der Steden, uit Magistraat en Vroedschap
+bestaande, uit ieder dezer leden een Gecommitteerde
+benoemden.</p>
+
+<p>Het getal leden, dat den grooten Landsdag uitmaakte,
+bestond alzoo uit 82, waarvan ieder kwartier in eene
+afzonderlijke Kamer zitting nam, hebbende <i>Oostergoo</i> 22,
+<i>Westergoo</i> 18, <i>Zevenwouden</i> 20 en de <i>Steden</i> 22 leden.
+Die zittingen werden gehouden in het <i>Landshuis</i>, naast
+de Canselarij, te <i>Leeuwarden</i>. De gewone of groote
+<i>Landsdag</i>, die niet langer dan zes weken mogt duren,
+werd altijd geopend op den eersten Donderdag in Februarij,
+welke dag den naam droeg van den <i>Propositiedag</i>:
+want, nadat dan alle Volmagten der vier kwartieren
+in de Kamer van <i>Oostergoo</i> bijeengekomen waren, begaf
+de Stadhouder (zoo hij zich in <i>Leeuwarden</i> bevond) zich
+aan het hoofd van Gedeputeerde Staten, met groote
+plegtigheid, van het Collegie naar het Landshuis, in de
+vergadering. Deze werd dan door den Secretaris van
+Gedeputeerden geopend met eene aanspraak, bevattende
+een overzigt van de omstandigheden des tijds en van de
+voornaamste punten, welke aan de beraadslaging der
+Staten zouden worden onderworpen, waarna hij de balans
+van de provinciale kas overleidde. Vervolgens deed een
+der Leeuwarder Predikanten (die daartoe beurtelings
+verkozen werden en hiervoor een geschenk ontvingen van
+50 Gld., gelijk genoemde Secretaris van 500 Gld.) met
+opene deuren een gebed, tot afsmeeking van Gods zegen
+over de verrigtingen van den Landsdag, welke laatste plegtigheid
+altijd door eene talrijke menigte werd bijgewoond.</p>
+
+<p><span class='pagenum'><a name="Page_224" id="Page_224">[224]</a></span>Er was nog een <i>vijfde</i> Kamer aan deze vergadering
+verbonden, het <i>Mindergetal</i> genaamd, bestaande uit 8
+personen, twee uit ieder kwartier, met den Stadhouder
+als Voorzitter. Ten einde de beraadslagingen van het
+groot getal Staten te vereenvoudigen, werden alle zaken,
+welke de Landsdag moest behandelen, vooraf in deze
+Kamer gebragt en onderzocht. Daarna gingen de twee
+leden van ieder kwartier, met het advies van het Mindergetal,
+naar hunne vergaderde Kamer, wier beslissing zij
+terugbragten in het Mindergetal, dat den uitslag der
+stemming, bij kwartieren, en daarnaar de Resoluti&euml;n der
+Staten opmaakte. Bij staking had de Stadhouder het voorregt
+der beslissing. Aan deze gewigtige vaste commissie was
+een Secretaris van Staat toegevoegd, tot welk hoogst belangrijk
+ambt steeds de bekwaamste personen werden gekozen.</p>
+
+<p>Aan deze Staten was, als de hoogste Overheid van
+den lande, de besturende en wetgevende magt toevertrouwd,
+en werden de belangen der provincie op zich
+zelve en in betrekking tot de Generaliteit, of het verbond
+met de overige provinci&euml;n, door hen behartigd en al de
+regten der oppermagt uitgeoefend, behoudens de fondamenteele
+beginselen van regering (zoo als men het noemde),
+welke ook zij verpligt waren te eerbiedigen. Op ingekomen
+zaken van gewigt of die geen uitstel leden, werd
+er somtijds een Buitengewone Landsdag uitgeschreven,
+waarop echter geene andere zaken mogten behandeld
+worden dan die waren opgegeven door</p>
+
+
+<h4><i>De Gedeputeerde Staten.</i></h4>
+
+<p>Aan dit aanzienlijk Collegie, uit en door de Staten
+voor drie jaren benoemd, was de uitvoering van de
+Staatsbesluiten, het dagelijksch bestuur van de provincie,
+de zorg voor &#8217;s lands veiligheid, het toezigt over den
+waterstaat en veelvuldige bijzondere bemoeijingen betrekkelijk<span class='pagenum'><a name="Page_225" id="Page_225">[225]</a></span>
+de policie, het krijgswezen, de geldmiddelen, de
+godsdienst, het onderwijs enz. opgedragen. Het bestond
+uit 9 leden, waarvan ieder der Goo&euml;n 2 en de Steden
+3 verkozen, benevens een Secretaris.&mdash;Een Advokaat en
+Fiscaal, belast met de verdediging der provinciale belangen,
+was daaraan toegevoegd. Wekelijks hield het
+zijne vergaderingen op het Statenhuis of <i>Collegie</i>, thans
+het Gouvernements-gebouw, te <i>Leeuwarden</i><a name="FNanchor_170"
+id="FNanchor_170"></a><a href="#Footnote_170" class="fnanchor">[170]</a>.</p>
+
+
+<h4><i>De Stadhouder.</i></h4>
+
+<p>Het doorluchtig hoofd van den Staat, dat de luister
+der Oppermagt van de Staten bestendig vertoonde en
+waarnam, was de <i>Stadhouder</i>. Dit ambt en dezen naam,
+eigenlijk Stedehouder (Lieutenant) of Plaatsbekleeder van
+een afwezigen Vorst of Heer, had men gewijzigd overgenomen
+van de Spaansche Regering. Want hoewel de
+volksregering een uitvloeisel was der verkregene vrijheid,
+deed de veelheid der hoofden en zinnen en nog meer
+het belang van het krijgswezen de behoefte gevoelen aan
+een luisterrijk hoofd, dat, door den Souverein bekleed
+met magt en met de zorg voor de algemeene belangen
+belast, als het ware in het midden stond tusschen dien
+Souverein en het Volk. Van velen nam men dus <span class="gesp">raad</span>
+in, omdat &eacute;&eacute;n mensch niet ligt alles ziet, doch de <span class="gesp">uitvoering</span>
+werd overgelaten aan &eacute;&eacute;n persoon: want in
+eenheid is kracht. Zelf achtten de Staten het noodzakelijk,
+&raquo;dat eene veelhoofdige regering getemperd werd door
+een schijn of schaduw van Monarchie&#8221;<a name="FNanchor_171"
+id="FNanchor_171"></a><a href="#Footnote_171" class="fnanchor">[171]</a>.</p>
+
+<p><span class='pagenum'><a name="Page_226" id="Page_226">[226]</a></span>De Stadhouder deelde deze magt met Gedeputeerde
+Staten, aan wier hoofd hij als Voorzitter was geplaatst;
+terwijl hem tevens het oppergebied over het krijgsvolk
+en het beleid van den oorlog te land en te water was
+opgedragen, in de waardigheid van <i>Kapitein- en Admiraal-Generaal</i>,
+welke aan het Stadhouderschap was verbonden.
+Met betrekking tot de Generaliteit had hij zitting
+in den Raad van State te <i>&#8217;s Gravenhage</i>. Voorts
+kon hij zitting nemen in het Hof van Justitie en in de
+Rekenkamer. Hem was de jaarlijksche aanstelling van
+de Magistraats-personen in de steden en de beslissing
+van hunne geschillen opgedragen, terwijl het kwartier der
+steden hem mede de begeving van de omgaande Provinciale
+ambten had toevertrouwd<a name="FNanchor_172" id="FNanchor_172"></a><a
+href="#Footnote_172" class="fnanchor">[172]</a>. Bovendien waren
+er, in verschillende tijden, meerdere regten en waardigheden
+aan dit hoog aanzienlijk ambt verbonden. In
+de hoofdzaak kwam het ambt des Stadhouders hierop
+neder: in het beschermen van de provincie tegen binnen-
+en buitenlandsch geweld; in het toezigt op het krijgswezen
+en in de zorg voor een goed en vaardig bestuur
+van de provinciale zaken met Gedeputeerde Staten.</p>
+
+<p><i>Friesland</i> had het geluk, dat deze betrekking sedert
+1584 op eene waardige wijze werd vervuld door acht
+elkander opvolgende Vorsten uit het Huis van Nassau,
+aan wier geslacht het gansche vaderland, sedert den
+vrijheids-oorlog, zoo veel verpligting had, en waaruit de
+tegenwoordige Koninklijke familie in eene regte lijn afstamt.
+De deugden en bekwaamheden van hen en hunne<span class='pagenum'><a name="Page_227" id="Page_227">[227]</a></span>
+gemalinnen, die soms, bij minderjarigheid des opvolgers,
+de teugels van het bewind opvatten, leven nog voort in
+eene eervolle nagedachtenis. Hun zetel, het <i>Stadhouderlijk
+Hof</i>, thans het <i>Koninklijk Paleis</i>, te <i>Leeuwarden</i>,
+dat nog hunne afbeeldsels (gelijk de Groote
+Kerk hun stoffelijk overschot) bewaart, moge, even als
+de door hen aangelegde Prinsentuin aldaar, die herinnering
+duurzaam levendig houden<a name="FNanchor_173" id="FNanchor_173"></a><a
+href="#Footnote_173" class="fnanchor">[173]</a>.</p>
+
+
+<h4><i>Het Hof Provinciaal.</i></h4>
+
+<p>De Hertogen van <i>Saksen</i> hadden in 1499 een <i>Provincialen
+Raad</i> te <i>Franeker</i> en in 1504 een <i>Geregtshof</i>
+te <i>Leeuwarden</i> ingesteld en de Saksische Ordonnantie
+uitgevaardigd, waarbij de Keizerlijke regten met behoud
+van sommige lands gewoonten in <i>Friesland</i> ingevoerd-,
+en bepalingen ter handhaving van het burgerlijk en regterlijk
+bestuur vastgesteld werden. In 1571 had dit Hof
+een grootsch gebouw, de <i>Canselarij</i>, tot zetel betrokken;
+doch bij de omwenteling van 1580 werd aan dat Hof
+alle bewind in de zaken der burgerlijke regering of het
+bestuur des lands onttrokken. Sedert dien tijd was alleen
+het beleid der civile en criminele Justitie, of de
+hoogste regtsmagt en uitspraak in burgerlijke geschillen
+en omtrent strafbare daden, aan dit Hof opgedragen.
+De eerste, ook wanneer men zich van de Nedergeregten
+bij app&egrave;l beriep op de uitspraak van het Hof, waarvan<span class='pagenum'><a name="Page_228" id="Page_228">[228]</a></span>
+geen beroep op eenig hooger geregtshof kon geschieden.
+In 1602 werd door de Staten van <i>Friesland</i> de <i>Lands
+Ordonnantie</i> uitgevaardigd, welke, herzien en aangevuld
+in 1723, nevens het Romeinsche regt, als Hoofdwetboek
+het rigtsnoer bleef van eene Regtbank, die, door krachtbetoon
+en strikte regtvaardigheid, den meesten eerbied en het
+hoogste ontzag mogt verwerven. Groot was dit voorregt,
+dat <i>Friesland</i> genoot boven andere provinci&euml;n, wier
+regtsmagt lang en vaak zeer willekeurig door Jonkers,
+Heeren, Drosten enz. op grond van oude kostumen en
+landregten werd uitgeoefend.</p>
+
+<p>Dit Hof van Justitie dan bestond uit 12 Raadsheeren,
+welke de Stadhouder uit eene nominatie van ieder der
+vier kwartieren koos, benevens een Procureur-Generaal
+en Griffier, ieder met een Substituut of hulp; alsmede
+een Rollarius, een Ontvanger der Canselarij-geregtigheden,
+een Sportelmaander, zes Deurwaarders, acht Boden enz.
+Dagelijks hield het Hof twee zittingen in de Canselarij,
+waar boven het eene Bibliotheek bezat, waarin de beste
+werken over de regtsgeleerdheid en aanverwante vakken
+waren opgenomen. Het Blokhuis werd als huis van arrest
+voor nog niet veroordeelde gevangenen&mdash;het Landschaps
+Tucht- of Werkhuis, na 1661 als strafgevangenis
+gebezigd. Het Hof ontleende zijn aanzien voor een groot
+deel van de voortreffelijke geleerden uit den aanzienlijksten
+stand, welke gedurende drie eeuwen daarin als Raadsheeren
+zitting hadden<a name="FNanchor_174" id="FNanchor_174"></a><a href="#Footnote_174" class="fnanchor">[174]</a>.</p>
+
+<p class='pagenum'><a name="Page_229" id="Page_229">[229]</a></p>
+<h4><i>De Rekenkamer</i></h4>
+
+<p>bestond uit vier Rekenmeesters, uit ieder kwartier een,
+die gelijktijdig met Gedeputeerden op het Collegie vergaderden.
+Aan hen was het toezigt over &#8217;s lands penningen,
+het nagaan van de rekeningen der ontvangers, de zorg
+voor de zaken der (in 1765 opgehevene) Munt enz. opgedragen.
+Dit collegie had een Secretaris, een Pensionaris,
+benevens eene Kamer van Financi&euml;n met een Commies-Generaal
+enz. In het bijzonder had zij het toezigt op</p>
+
+
+<h4><i>de Lands Kantoren.</i></h4>
+
+<p>Deze en de Provinciale Ontvangers waren vier in getal,
+naar de wijze van invordering der belastingen; als:</p>
+
+<p>Het <i>Kantoor der Floreenen</i>, of van de opbrengst der
+Floreenrente uit de vaste goederen (de Landtax), benevens
+het middel der vijf speci&euml;n: het hoofd- en schoorsteengeld,
+de bezaaide landen, het horengeld en paarden.</p>
+
+<p>Het <i>Kantoor der Consumpti&euml;n</i> ontving de gewone
+middelen of de belastingen op zout, wijn, bier, koffij,
+thee, zoete waren, laken, klein zegel, havenregten enz.</p>
+
+<p>Het <i>Kantoor der Losse Renten</i> had de ontvang en uitbetaling
+der geldleeningen en renten, en der opbrengst
+van de belastingen op het gemaal, beestiaal, turf, brandhout,
+brandewijn, waagregt, passagie-geld, de equivalenten
+der ambtenaren, de collaterale successie, de registratie
+op den verkoop der vaste goederen enz.</p>
+
+<p>Het <i>Kantoor der Lijfrenten</i> was belast met het beheer
+over, onder dezen naam, door den lande opgenomen gelden,
+en ontving de re&euml;le en personeele heffingen op de
+huren der vastigheden en aangeteekende kapitalen.</p>
+
+<p><span class='pagenum'><a name="Page_230" id="Page_230">[230]</a></span>Vroeger was er nog een <i>Kantoor der Domeinen</i>, of
+van de opbrengst van <i>het Bildt</i> en der kloostergoederen,
+veenen en landen, der provincie toebehoorende enz. Na
+het verkoopen van deze vastigheden is dit kantoor in
+1766 opgeheven en vereenigd met dat der consumpti&euml;n<a name="FNanchor_175"
+id="FNanchor_175"></a><a href="#Footnote_175" class="fnanchor">[175]</a>.</p>
+
+
+<h4><i>De Generaliteit.</i></h4>
+
+<p>Uithoofde van <i>Frieslands</i> betrekking tot de <i>Unie</i> of
+het verbond met de overige zes gewesten, die te zamen
+den Staat der <i>Zeven Vereenigde Nederlandsche Provinci&euml;n</i>
+uitmaakten, waren er nog verscheidene aanzienlijke
+betrekkingen, welke daaruit voortvloeiden.</p>
+
+<p>In de <i>Staten-Generaal</i> of de Algemeene Staten der
+Nederlanden,&mdash;die aanzienlijke vergadering van gevolmagtigde
+afgevaardigden uit iedere Provincie, tot waarneming
+en handhaving van het gemeen belang der bondgenooten,
+te <i>&#8217;s Gravenhage</i> gezeteld,&mdash;werd <i>Friesland</i>
+vertegenwoordigd door vier Afgevaardigden, een uit ieder
+kwartier en somtijds nog een buitengewonen Raad uit
+dat der Steden. Gewone zaken werden in deze vergadering
+bij meerderheid van stemmen behandeld; doch tot buitengewone
+zaken, als: oorlogs-verklaring, werving, geldleening,
+verbonden met andere mogendheden enz. werd
+eenparigheid van stemmen en uitdrukkelijke toestemming
+der Staten van iedere provincie vereischt. Die gevolmagtigden
+hadden echter geen vrije stem, of magt om
+naar hun inzigt te handelen, maar moesten zich, vooral
+in gewigtige zaken, gedragen naar de resolutie, welke<span class='pagenum'><a name="Page_231" id="Page_231">[231]</a></span>
+de Souvereine Staten hunner provinci&euml;n deswege hadden
+genomen, en telkens met dezen ruggespraak houden,
+wanneer er iets voorkwam, waartoe zij niet of niet genoeg
+gelast waren. Zeker was dit zeer voorzigtig gehandeld,
+doch in belangrijke en spoed vereischende zaken, veroorzaakte
+deze omslagtige wijze van beraadslaging zoodanige
+vertraging, dat daaruit dikwijls groote nadeelen en
+onaangenaamheden ontstonden.</p>
+
+<p>Het aandeel van ieder der provinci&euml;n in het dragen
+van de Generaliteits-lasten was verdeeld in dezer voege.
+Van de 100 Gulden betaalde:</p>
+
+<table summary="Tabel pag 231">
+
+<tr>
+<td class="left"><i>Gelderland</i></td>
+<td class="right">5</td>
+<td class="center">&nbsp;Gld.&nbsp;</td>
+<td class="right">12</td>
+<td class="center">&nbsp;Stuiv.&nbsp;</td>
+<td class="right">13</td>
+<td>&nbsp;</td>
+<td colspan="2" class="center">Penn.</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td class="left"><i>Holland</i></td>
+<td class="right">58</td>
+<td class="center">&raquo;</td>
+<td class="right">6</td>
+<td class="center">&raquo;</td>
+<td class="right">4</td>
+<td class="left"><sup>1</sup>&#8260;<sub>4</sub></td>
+<td class="center">&raquo;</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td class="left"><i>Zeeland</i></td>
+<td class="right">9</td>
+<td class="center">&raquo;</td>
+<td class="right">3</td>
+<td class="center">&raquo;</td>
+<td class="right">8</td>
+<td>&nbsp;</td>
+<td class="center">&raquo;</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td class="left"><i>Utrecht</i></td>
+<td class="right">5</td>
+<td class="center">&raquo;</td>
+<td class="right">16</td>
+<td class="center">&raquo;</td>
+<td class="right">7</td>
+<td class="left"><sup>1</sup>&#8260;<sub>2</sub></td>
+<td class="center">&raquo;</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td class="left"><i>Friesland</i></td>
+<td class="right">11</td>
+<td class="center">&raquo;</td>
+<td class="right">13</td>
+<td class="center">&raquo;</td>
+<td class="right">2</td>
+<td class="left"><sup>3</sup>&#8260;<sub>4</sub></td>
+<td class="center">&raquo;</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td class="left"><i>Overijssel</i></td>
+<td class="right">3</td>
+<td class="center">&raquo;</td>
+<td class="right">11</td>
+<td class="center">&raquo;</td>
+<td class="right">5</td>
+<td>&nbsp;</td>
+<td class="center">&raquo;</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td class="left"><i>Groningen en Ommelanden</i>&nbsp;</td>
+<td class="right bb">5</td>
+<td class="center bb">&raquo;</td>
+<td class="right bb">16</td>
+<td class="center bb">&raquo;</td>
+<td class="right bb">7</td>
+<td class="left bb"><sup>1</sup>&#8260;<sub>2</sub></td>
+<td class="center bb">&raquo;</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td>&nbsp;</td>
+<td class="right">100</td>
+<td class="center">&raquo;</td>
+<td class="center">:</td>
+<td class="center">&raquo;</td>
+<td colspan="2" class="center">:</td>
+<td class="center">&raquo;</td>
+</tr>
+
+</table>
+
+<p><i>Drenthe</i> betaalde 1 boven de 100 Gld. Dat <i>Friesland</i>,
+in vergelijking van andere landprovinci&euml;n, bij deze zoogenaamde
+<i>Quota</i> verbazend hoog was aangeslagen, valt
+gereedelijk in het oog, en heeft dan ook aanleiding gegeven,
+dat deze, buitendien voor eigene behoeften reeds zoo
+zwaar belaste, provincie zich daar tegen bijna twee eeuwen
+lang, doch vruchteloos, verzet- en eene billijker verdeeling
+van de algemeene lasten betoogd en verzocht heeft<a name="FNanchor_176" id="FNanchor_176"></a><a href="#Footnote_176" class="fnanchor">[176]</a>.</p>
+
+<p><span class='pagenum'><a name="Page_232" id="Page_232">[232]</a></span>In den <i>Raad van State</i> of de duurzame vergadering,
+welke voor de uitvoering en handhaving van de besluiten,
+wetten en bevelen der Algemeene Staten zorg droeg,
+doch later meer bepaald met de zorg voor het krijgswezen
+en de geldmiddelen der republiek was belast,
+had <i>Friesland</i> twee van de twaalf leden, en mede twee
+afgevaardigden in de <i>Generaliteits-Rekenkamer</i>, welke
+met eene Kamer van Financi&euml;n en Muntkamer aan dezen
+Raad verbonden was.</p>
+
+<p>Het bestuur van de Lands Zeezaken of de Marine was
+opgedragen aan de <i>Admiraliteit der Vereenigde Nederlanden</i>,
+in 1586 opgerigt en in 1597 voor vast geregeld.
+Zij bestond uit vijf Collegi&euml;n, waarvan <i>Friesland</i> er een
+bezat; terwijl deze provincie een afgevaardigde uit <i>Oostergoo</i>
+zond in het Collegie op de Maas te <i>Rotterdam</i>,
+een uit <i>Westergoo</i> naar dat van het Noorder-kwartier
+te <i>Enkhuizen</i> en een uit de <i>Zevenwouden</i> naar dat te
+<i>Amsterdam</i> gevestigd. Bovendien werd dit gewest in de
+<i>Oost-</i> zoowel als in de <i>West-Indische Compagnie</i> door
+een lid vertegenwoordigd.</p>
+
+<p>Keeren wij nu weder terug tot de enkel Provinciale
+Regerings-collegi&euml;n.</p>
+
+
+<h4><i>Het Collegie ter Admiraliteit</i></h4>
+
+<p>van <i>Friesland</i>, waartoe <i>Groningen</i> mede behoorde, was
+in 1596 gevestigd te <i>Dokkum</i>, doch in 1645 verplaatst
+naar het gunstiger gelegene <i>Harlingen</i>. Het bestond uit
+tien leden, waarvan vier uit <i>Friesland</i> en zes uit de
+overige provinci&euml;n, met den Stadhouder aan het hoofd,
+en ondersteund door een Raad en Advocaat-Fiscaal, een<span class='pagenum'><a name="Page_233" id="Page_233">[233]</a></span>
+Secretaris, Ontvanger-Generaal, Equipagemeester, Vendumeester
+en verscheidene andere ambtenaren. De belangen
+van het Zeewezen van deze provincie, in verband met
+die des lands, werden verzorgd door dit aanzienlijk Collegie,
+hetwelk te <i>Harlingen</i>, behalve een Vergaderhuis,
+ruime Magazijnen en eene Scheepstimmerwerf bezat. De
+twee eersten werden in 1771 door een fellen brand in
+asch gelegd, waarbij ook de Secretarie met al hare archiven,
+benevens een groote voorraad scheepsbehoeften
+verloren ging. De laatste, de werf, ontving in 1781 en
+1782 eene aanzienlijke vergrooting, zoodat daarop sedert
+verscheidene oorlogs-fregatten en andere groote schepen,
+van 24 tot 74 stukken gebouwd werden<a name="FNanchor_177"
+id="FNanchor_177"></a><a href="#Footnote_177" class="fnanchor">[177]</a>.</p>
+
+
+<h4><i>De Monster-Commissarissen</i></h4>
+
+<p>waren vier in getal, uit elk kwartier een, en belast met
+de monstering der compagni&euml;n van den Staat, het toezigt
+op deszelfs vestingen en versterkte plaatsen, zoo in
+als buiten <i>Nederland</i>, het onderzoek van de krijgsbehoeften
+enz.<a name="FNanchor_178" id="FNanchor_178"></a><a href="#Footnote_178" class="fnanchor">[178]</a></p>
+
+
+<h4><i>Curatoren van &#8217;s Lands Hoogeschool
+te Franeker.</i></h4>
+
+<p>Aan vier, uit ieder der kwartieren gekozene, aanzienlijke
+personen, was de zorg voor het hooger onderwijs
+en het bestuur van de Akademie opgedragen, overeenkomstig
+de Resoluti&euml;n, door de Staten deswege genomen.
+Sedert 1653 stond de Stadhouder als eerelid aan het hoofd<span class='pagenum'><a name="Page_234" id="Page_234">[234]</a></span>
+van dit collegie, dat door een Secretaris werd ondersteund.
+Door het verordenen van gepaste maatregelen, goede
+inrigtingen en eene voorzigtige keuze van personen tot
+Hoogleeraren, hebben deze Curatoren gedurende ruim
+twee eeuwen veel bijgedragen tot den bloei en roem der
+Akademie te <i>Franeker</i>, &raquo;de kweekschool van groote
+mannen voor <i>Nederland</i>&#8221;<a name="FNanchor_179" id="FNanchor_179"></a><a
+href="#Footnote_179" class="fnanchor">[179]</a>.</p>
+
+
+<h4><i>Het Jagtgeregt.</i></h4>
+
+<p>Sedert 1591 was een aanzienlijk edelman als <i>Houtvester
+en Pluimgraaf</i> door de Staten bekleed met de
+regtsmagt over alle zaken, welke de Jagt, de Visscherij,
+het wildschieten, het rapen van eijeren enz. betroffen,
+voor zooverre daarbij lands plakkaten werden overtreden.
+In 1748 werd echter de Prins Stadhouder aangesteld tot
+<i>Opper-Houtvester</i>, met magt tot aanstelling van een
+<i>Luitenant-Houtvester</i> en vier <i>Meester-Knapen</i>, die,
+met een Secretaris en &#8217;s Lands Fiscaal, een Geregt uitmaakten,
+waaraan sedert de hoogste regtsmagt ten aanzien
+van dit onderwerp was opgedragen, volgens het
+Reglement van den jare 1750.</p>
+
+
+<h4><i>Het Krijgsgeregt</i></h4>
+
+<p>dezer provincie bestond uit een <i>Geregts-Scholtus</i> met
+twee <i>Assessoren</i>, een Secretaris, een Advocaat, een Kapitein-Gewaldige
+met zijn Luitenant en een Gerigts-Weibel
+of bode en trawanten. Alle misdrijven van het krijgsvolk,
+zoowel civiel als crimineel, werden door deze regtbank
+behandeld en ook aan lijf en leven gestraft;<span class='pagenum'><a name="Page_235" id="Page_235">[235]</a></span>
+de laatste evenwel met overroeping van de bevelhebbers der
+troepen in deze provincie en met voorkennis des Stadhouders,
+die, bij doodstraffen, ook het regt van pardon
+had. De regtdagen of het kamergeregt werden gehouden
+te <i>Leeuwarden</i> in de Lands Provoost of Gewaldige, achter
+de Galile&euml;r Kerk. Op voorstel van den Prins Stadhouder
+werd echter, bij Staats-resolutie van 24 Februarij
+1775 dit &raquo;Provintiaal Krygsgerechte der Friessche en
+Nassauwsche Regimenten&#8221; opgeheven, en vervangen door
+een Krijgsraad met een Auditeur-Militair, op den voet der
+andere provinci&euml;n. De beroemde geleerde, <span class="smcap">petrus wierdsma</span>,
+was de eerste, aan wien laatstgenoemd ambt, gedurende
+twintig jaren door hem bekleed, werd opgedragen<a name="FNanchor_180"
+id="FNanchor_180"></a><a href="#Footnote_180" class="fnanchor">[180]</a>.</p>
+
+
+<h4><i>De Nedergeregten.</i></h4>
+
+<p>Ieder der dertig <i>Grietenijen</i> van <i>Friesland</i> werd bestuurd
+door een <i>Grietman</i> met twee, drie of meer <i>Bijzitters</i>
+en een Secretaris. Gedeputeerde Staten (en sedert 1748
+de Stadhouder) verkozen den Grietman en deze koos de
+Bijzitters, beide uit een drietal personen. Voor den eersten
+werd eene nominatie gemaakt door de meerderheid der
+dorpen, welke de meeste stemmen hadden van de stemgeregtigde
+ingezetenen, die voor de laatsten eene nominatie
+zamenstelden, en verder op gelijke wijze ontvangers,
+predikanten en onderwijzers stemden. Aan de politieke
+magt, welke dit Grietenij-bestuur uitoefende, ten aanzien
+van het belang en de veiligheid der ingezetenen, de
+uitvoering van de Staatsbesluiten, de zorg voor dijken,
+wegen, armen enz., was echter toenmaals een juridieke
+magt, eene mindere of lagere Regtbank, een <i>Nedergeregt</i><span class='pagenum'><a name="Page_236" id="Page_236">[236]</a></span>
+verbonden, in vele opzigten overeenkomende met de latere
+Vrede- of Kantongeregten. Als zoodanig was het, behalve
+met de bestendige zorg omtrent de nalatenschappen, de
+minderjarigen, boedelscheidingen, verkoopingen enz., in
+het bijzonder belast met de regeling van burgerlijke
+regtszaken en de vervolging van policie-misdrijven. Men
+kon zich echter van deze uitspraken beroepen op het
+Hof Provinciaal, hetwelk ten aanzien van strafbare daden
+of het crimineele alleen de hulp ter opsporing en inlichting
+genoot van de Nedergeregten, die slechts geringe
+policie-straffen, als geldboeten, aan de kaak stellen, korte
+gevangenis enz. konden opleggen. Tot dit einde werd
+er in elke grietenij wekelijks een regtdag gehouden op de
+regt- of weerkamer in de hoofdplaats. Een gewigtige
+steun en hulp tot dat alles vond het gezag toenmaals
+in de <i>Dorpregters</i>, over &eacute;&eacute;n groot of twee kleine dorpen,
+waartoe meestal de geschiktste ingezetenen, met name
+de onderwijzers werden gekozen, en aan wie vele kleine
+zorgen ter bevordering van het beheer, vrede, veiligheid
+en regt waren opgedragen. Tot deze geregten behoorden
+verder een Fiscaal, Executeur, Adsistenten enz.<a name="FNanchor_181"
+id="FNanchor_181"></a><a href="#Footnote_181" class="fnanchor">[181]</a></p>
+
+<p>Minder eenparig of gelijkmatig was de regeringsvorm
+der elf Friesche <i>Steden</i>, welke in 1615, 1637, 1657 en
+1786 nieuwe Reglementen van Raadsbestelling ontvingen,
+waarbij er soms eenige veranderingen in de namen of
+vormen kwamen; terwijl de verkiezing (door electeurs,
+uit de burgerij of de breede gemeente en de regeringsleden
+gekozen en bij herhaling uitgeloot) zeer zamengesteld
+was, om de onpartijdigheid van de keuze te<span class='pagenum'><a name="Page_237" id="Page_237">[237]</a></span>
+verzekeren. Zoo bestond te <i>Leeuwarden</i> de regering
+uit een (jaarlijks ten deele aftredende) <i>Magistraat</i> van 12
+en een <i>Vroedschap</i> van 40 leden, welke laatste in 1637 de
+Gezworene Gemeente had vervangen. De Vroedschappen
+werden voor hun leven gekozen en daaruit de nominatie
+van Magistraats-leden opgemaakt. De Magistraat of het
+regerend ligchaam, dat de Vroedschap in belangrijke
+zaken tot Raad had, was zamengesteld uit: 4 Burgemeesters,
+6 Schepenen en 2 Bouwmeesters of Raadslieden,
+met een Secretaris, 4 Pensionarissen, 4 Rentmeesters en
+20 Bevelhebberen of de Hopman en Vaandrik der Schutterij
+uit ieder der 10 espels, waarin de stad verdeeld
+was, en die in sommige gevallen stem hadden in regeringszaken.
+In andere steden bestond de Magistraat enkel
+uit 6 of 8 Burgemeesters of met bijvoeging van 2 of 4
+Raadslieden, en was het getal Vroedschappen ge&euml;venredigd
+naar hare grootte. Bij de jaarlijksche aftreding van
+de Magistraatsleden werd er eene nominatie gemaakt,
+waaruit de Stadhouder eene keuze deed, evenwel volgens
+vrijwillige opdragt, eerst van 9 en daarna van alle 11
+steden<a name="FNanchor_182" id="FNanchor_182"></a><a href="#Footnote_182"
+class="fnanchor">[182]</a>. Behalve het burgerlijk bestuur van de steden
+was aan deze Magistraten of Burgemeesters ook de uitoefening
+van de regtsmagt der Nedergeregten opgedragen,<span class='pagenum'><a name="Page_238" id="Page_238">[238]</a></span>
+op nagenoeg gelijke wijze als dit ten platten lande
+geschiedde, met geringe wijzigingen naar plaatselijke
+omstandigheden.</p>
+
+
+<h4><i>De Dijksgeregten.</i></h4>
+
+<p>In eene provincie, welke lager ligt dan de gewone
+vloeden der zee, die haar voor het grootste gedeelte en
+aan alle zijden omringt en bestookt, was voorzeker geene
+zorg van meer belang dan die voor de zeedijken en
+sluizen. Veiligheid van personen en rustig bezit van
+goederen was toch geheel afhankelijk van de deugdzaamheid
+der middelen tot landverdediging. Met groote moeite
+en opofferingen hadden de vaderen die bolwerken rondom
+de kust opgeworpen; doch het kostbaar onderhoud ging
+steeds met groote bezwaren vergezeld, en tallooze watervloeden,
+die verschrikkelijke verwoestingen en belangrijke
+verliezen ten gevolge hadden, deden de Friezen eeuwen
+lang gevoelen, dat er krachtiger middelen van tegenstand
+vereischt werden, om meester te blijven van dit fel bestreden
+erf. Moeijelijk waren deze tot stand te brengen,
+zoolang ieder dorp der naast aan zee gelegene grietenijen,
+van ouds met het onderhoud belast, een zeker perk of
+deel van den algemeenen dijk had te herstellen, uit
+welke verpligting dikwijls hevige twisten en langdurige
+verschillen voortvloeiden. Eerst nadat de Kersvloed van
+1717 hier op nieuw groote schade en verliezen had te
+weeg gebragt, kwam daarin verbetering. Want de Staten
+gelastten niet alleen de beschadigde werken te herstellen,
+maar ook alle dijken te verzwaren en te verhoogen, op
+een geregelden en vasten voet, en bovendien, dat in
+iedere zeedijks-contributie het onderhoud gemeen-gemaakt
+en aan de onmiddelijke zorg der dijksbesturen overgelaten
+zou worden. In weerwil van sterken tegenstand,
+werd bij Staats-resoluti&euml;n van 1718 en 1719 bepaald, dat<span class='pagenum'><a name="Page_239" id="Page_239">[239]</a></span>
+in meestal de dijkspligtige grietenijen of dorpen en steden,
+waar zulks niet reeds het geval was, de vastigheden
+voortaan werden bezwaard met een omslag, in verhouding
+van de hoeveelheid der roeden dijkwerk, die zij vroeger
+in hun afzonderlijk perk hadden onderhouden. Dat deze
+krachtige maatregel van gelukkig gevolg was, bleek ook
+daaruit, dat <i>Friesland</i> tot den jare 1775 van overstroomingen
+bevrijd bleef.</p>
+
+<p>Bij die gelegenheid werden er ook nadere bepalingen,
+onder den naam van Dijks-instructi&euml;n, gemaakt ten behoeve
+van sommige contributi&euml;n. De voornaamste dezer
+waren: 1. <i>Kollumerland</i> en <i>Nieuw Kruisland</i>, met
+<i>Gerkesklooster</i> en <i>Visvliet</i>; 2. <i>Oost-Dongeradeel</i> en der
+daaraan gelegen polders; 3. <i>West-Dongeradeel</i> en die
+der <i>Ternaarder-</i> en <i>Holwerder-polders</i>; 4. <i>Ferwerderadeel</i>;
+5. <i>het Oud en Nieuw Bildt</i> en die der latere
+bedijkingen; 6 en 7. <i>de Vijfdeelen</i>, van <i>Dijkshoek</i> tot
+<i>Makkum</i>, waartoe de grietenijen <i>Franekeradeel</i>, <i>Menaldumadeel</i>,
+<i>Hennaarderadeel</i>, <i>Baarderadeel</i> en <i>Barradeel</i>
+met de steden <i>Harlingen</i> en <i>Franeker</i>, benevens
+zeven noordelijke dorpen van <i>Wonseradeel</i>, behoorden.
+Deze contributie was in twee deelen gescheiden: in binnen-
+en buitendijks, waarvan de scheiding was de zoogenaamde
+Steenenman bij <i>Harlingen</i>; 8. <i>Wonseradeels-Zuiderzeedijken</i>;
+9. <i>Hemelumer-Oldephaert c. an.</i>; 10. <i>Wijmbritseradeel</i>
+met <i>Sneek</i> en <i>Ylst</i>, eene uitgestrektheid
+dijks in de laatstvorige grietenij uitmakende; 11. <i>Workum</i>;
+12. <i>het Workumer-Nieuwland</i>; 13. <i>Hindeloopen</i>;
+14. in de <i>Zevenwouden</i>, de <i>Zeven Grietenijen</i> (als:
+<i>Doniawarstal</i>, <i>Haskerland</i>, <i>Lemsterland</i>, <i>Schoterland</i>,
+<i>Gaasterland</i>, <i>&AElig;ngwirden</i> en <i>Schoterland</i>, benevens
+<i>Opsterland</i>) met de stad <i>Slooten</i>; 15. <i>de Lindedijken</i> enz.</p>
+
+<p>De Dijksbesturen of geregten, hoewel niet overal gelijk,
+bestonden veelal uit een Dijkgraaf (op <i>het Bildt</i><span class='pagenum'><a name="Page_240" id="Page_240">[240]</a></span>
+Heemraad genaamd), uit twee of meer Dijks-Gedeputeerden
+en een Secretaris en Ontvanger, benevens Volmagten
+of Gecommitteerden uit de grietenijen of dorpen en
+steden, die het bestuur kozen, het oppertoezigt hadden
+en verantwoording van ontvangsten en uitgaven ontvingen,
+volgens naauwgezette bepalingen, welke omtrent dit belangrijk
+onderwerp door de Staten waren voorgeschreven<a name="FNanchor_183"
+id="FNanchor_183"></a><a href="#Footnote_183" class="fnanchor">[183]</a>.</p>
+
+
+<h4><i>Het Kerkbestuur.</i></h4>
+
+<p>Sedert de Hervormde leer in <i>Friesland</i>, tot godsdienst
+van Staat was aangenomen, werden de belangen der
+Kerk, onder toezigt van den Staat, in elke plaats waargenomen
+door de <i>Kerkeraden</i>, bestaande uit Predikant,
+Ouderlingen en Diakenen, en door <i>Kerkvoogden</i>, die met
+het bestuur van de Kerke- en Pastorie goederen belast
+waren. De gemeenten, welke, in het laatst der 18<sup>e</sup> eeuw,
+192 in getal waren, bediend door 208 leeraars, waren
+verdeeld in 6 <i>Klassen</i>, genoemd naar de plaatsen, waar
+de Klassikale vergaderingen werden gehouden, als: <i>Leeuwarden</i>,
+<i>Dokkum</i>, <i>Franeker</i>, <i>Sneek</i>, <i>Bolsward</i> en <i>Zevenwouden</i>
+of <i>Heerenveen</i>. In die vergaderingen hadden
+zitting al de predikanten, ieder met een ouderling, doch
+uit de steden twee. Aan haar was de handhaving van de
+Kerkelijke Wetten van <i>Friesland</i> opgedragen<a name="FNanchor_184"
+id="FNanchor_184"></a><a href="#Footnote_184" class="fnanchor">[184]</a>. Ieder
+klasse vaardigde jaarlijks twee predikanten en twee ouderlingen
+af ter zamenstelling van de <i>Provinciale Synode</i>,<span class='pagenum'><a name="Page_241" id="Page_241">[241]</a></span>
+die in elke Pinksterweek plegtig en in het openbaar vergaderde,
+bij rondgang in de genoemde plaatsen, gelijk
+ook te <i>Harlingen</i>. In deze aanzienlijke kerk vergaderingen
+werden de belangen der Friesche Kerk behandeld
+onder toezigt van twee leden van Gedeputeerde Staten,
+die haar als Commissarissen-Politiek bijwoonden, om het
+evenwigt des gezags tusschen Staat en Kerk te bewaren.
+Daarin hadden mede zitting Correspondenten van de andere
+Provinciale Synoden, naar ieder van welke ook een lid
+uit deze provincie werd afgevaardigd. De uitvoering van
+de Synodale besluiten was opgedragen aan een collegie van
+12 Deputaten, hetwelk meermalen in het jaar vergaderde.</p>
+
+<p>In de eerste tijden werden de traktementen der predikanten
+alleen uit de pastorie-goederen genoten en zoo vele
+dorpen bijeengevoegd of gecombineerd, als noodig was,
+om hun een genoegzaam onderhoud te verzekeren. Die
+opbrengst werd echter reeds in 1584 tot eene som van
+300 Gld. aangevuld, als suppletie uit &#8217;s lands kas of uit
+de opbrengst van de kloostergoederen. Van lieverlede
+werd die som verhoogd, totdat zij in 1699 tot 450 Gld.
+gebragt werd. De lage prijzen der landhuren, ten gevolge
+der veepest, gaven aanleiding tot het Staatsbesluit van
+1744, dat de ingezetenen al hunne pastoriegoederen
+aan den lande konden overdragen, om genoemde som in
+haar geheel te kunnen ontvangen. Vervolgens werd bij
+Staats-resolutie van 1761 bepaald, al de pastoriegoederen
+der suppletie-trekkende plaatsen te verkoopen, waar tegen
+de Staat zich verbond, ieder der predikanten jaarlijks
+500 Gld. en de Emeriti 300 Gld. uit te keeren<a name="FNanchor_185"
+id="FNanchor_185"></a><a href="#Footnote_185" class="fnanchor">[185]</a>.</p>
+
+<p>De benoeming van de Predikanten in de steden geschiedde
+door den Magistraat uit een drietal, door den<span class='pagenum'><a name="Page_242" id="Page_242">[242]</a></span>
+Kerkeraad opgemaakt<a name="FNanchor_186" id="FNanchor_186"></a><a
+href="#Footnote_186" class="fnanchor">[186]</a>. Ten platten lande hadden de
+Hervormde Stemgeregtigde eigenaars der vaste goederen
+het regt tot het beroepen van predikanten en het beheer
+van de kerke- en pastorie-goederen, als van ouds her,
+behouden<a name="FNanchor_187" id="FNanchor_187"></a><a href="#Footnote_187" class="fnanchor">[187]</a>.</p>
+
+<p class="blankline">Bij de zorg, welke de Overheid steeds aan den dag
+legde voor het kerkelijke en voor de belangen der
+Akademie, zoowel ter vorming van waardige predikanten
+als ter bevordering van de studie der hoogere wetenschappen
+in het algemeen, vooral ten behoeve van de
+meest vermogende standen, steekt zeer af de toenmalige
+verwaarloozing van het lager onderwijs. Wel waren er
+in nagenoeg alle Steden Latijnsche Scholen gevestigd,
+welke gelegenheid aanboden tot opleiding van jongelieden,
+ook uit den burgerstand; wel poogden de Staten in
+1774 te <i>Leeuwarden</i> eene Fransche Kostschool op te
+rigten,&mdash;doch het onderwijs op de bijzondere scholen
+was zeer gebrekkig, en het lot der onderwijzers, bijzonder
+op het land, zeer beklagenswaardig. Een der meest<span class='pagenum'><a name="Page_243" id="Page_243">[243]</a></span>
+verdienstelijke onderwijzers uit de vorige eeuw, <span class="smcap">foeke
+sjoerds</span> te <i>Ooster-Nijkerk</i>, die zich door onderscheidene
+historische werken beroemd maakte, heeft in een zijner
+geschriften van den toestand van het schoolwezen, dat
+&raquo;uit hoofde van de weinige bekwame Schoolmeesters en
+hun armoedigen staat aan eene algemene veragting was
+bloot gestelt,&#8221; een tafereel opgehangen, hetwelk ons
+met bedroeving vervult<a name="FNanchor_188" id="FNanchor_188"></a><a
+href="#Footnote_188" class="fnanchor">[188]</a>. In weerwil de Staten in 1580
+reeds bepaalden, dat de geestelijke goederen ook tot
+onderhoud van scholen en onderwijzers zouden worden
+aangewend, was de bezoldiging zoo gering, dat er nog in
+1768 weinige dorpen waren, waarin de onderwijzers,
+boven woning, tuin en een gering schoolgeld, meer dan
+100 of 150 Gld. inkomen genoten. Men leidde zich dus
+niet toe op de verkrijging van bekwaamheden voor eene
+betrekking, welke geen genoegzaam onderhoud verschafte,
+hoe nuttig zij ook ware voor het belang en de beschaving
+der maatschappij.&mdash;Het voorregt dat onze eeuw door de
+invoering van verbeterd onderwijs boven de vorige geniet,
+leeren wij alzoo door deze vergelijking hoogelijk
+waarderen.</p>
+
+<hr class="c05" />
+
+<p>Zoodanig was in de hoofdzaak de regeringswijze van
+<i>Friesland</i>, tusschen de jaren 1580 en 1795. Het geheel
+was eene staatsinrigting, waarmede de Friezen zelve
+altijd zijn ingenomen geweest, al bestonden er bestendig
+ook klagten over gebreken en misbruiken, welke men
+gaarne veranderd zag, en waarvan vele reeds in 1627,
+1672 en 1748 gewijzigd zijn. Ook toen verwarde men
+de onvolkomenheden en dwalingen der personen, die de
+regering uitmaken, weleens met den vorm van Staatsbestuur.
+Groot was en bleef steeds de invloed van den adel<span class='pagenum'><a name="Page_244" id="Page_244">[244]</a></span>
+en de aanzienlijke geslachten en werd de volksregering of
+democratie getemperd door de aristocratie en omgekeerd.
+Dat hieruit bestendig strijd werd geboren, was zeer natuurlijk,
+hoewel het zeker is, dat de invloed dier aanzienlijke
+personen, die wegens hunne bezittingen de meeste
+belastingen betaalden en het grootste belang bij eene
+goede regering hadden, dit gewest meer voordeelig dan
+schadelijk is geweest. De oppermagt, of het vermogen
+om te regeren, &ograve;f door zich zelven &ograve;f door anderen,
+bleef in <i>Friesland</i> toch, als van eeuwen her, berusten
+bij het <i>volk</i>, voor zoo verre het vaste goederen bezat,
+en daardoor deel kon hebben in de keuze van de Overheden.
+De Staten, door hen, althans op het land,
+regtstreeks gekozen, waren de vertegenwoordigers en
+uitvoerders dier Souvereine magt<a name="FNanchor_189" id="FNanchor_189"></a><a
+href="#Footnote_189" class="fnanchor">[189]</a>. Vandaar, dat een
+bekwaam schrijver uit het laatst der vorige eeuw omtrent
+de Friesche staatsgesteldheid kon zeggen: &raquo;Te vergeefs
+veranderden de volken rondom hen hunne taal, hunne
+Zeden, hunne Wetten en Regeeringsvorm; de Friezen integendeel
+vertoonen nog hun oude karakter; zy behouden
+nog de meesten hunner wetten; zy spreeken nog hunne
+oude taal. Bij hen heeft alles de eeuwen verduurd, en
+men zou zeggen, dat zij in hunne Veenen(?) eene veilige
+schuilplaats of een hulpmiddel tegen Veroveraars en Onderdrukkers
+gevonden hebben. De Friezen hebben hunne
+oude Rechten bewaard, als een dierbaar onderpand, om
+te toonen, dat zy nooit geheel verloren zyn geweest.&#8221;<a name="FNanchor_190"
+id="FNanchor_190"></a><a href="#Footnote_190" class="fnanchor">[190]</a></p>
+
+<hr class="footn" />
+
+<div class="footnote">
+
+<p><a name="Footnote_169" id="Footnote_169"></a><a href="#FNanchor_169"><span class="label">[169]</span></a>
+Zie over dit onderwerp de belangrijke <i>Verhandeling over het
+Stemrecht</i>, door <span class="smcap">p. wierdsma</span>, Leeuw. 1792, en de Dissert. <i>de
+Jure Suffragandi</i>, van <span class="smcap">e. de wendt van sytzama</span>, Utr. 1841.</p>
+
+<p><a name="Footnote_170" id="Footnote_170"></a><a href="#FNanchor_170"><span class="label">[170]</span></a>
+Uitvoeriger berigten nopens deze Staats-collegi&euml;n vindt men
+in <span class="smcap">foeke sjoerds</span>, <i>Beschrijv</i>. II 88; <span class="smcap">van burmania</span>, <i>de Jure Comitiorum</i>,
+Fran. 1751, en <i>Tegenw. Staat</i>, IV 1. De Dissert. van
+Mr. <span class="smcap">s. w. h. a. van beijma thoe kingma</span>, <i>Hist. Ord. Fris.</i> Leiden
+1835, behoort tot een vroeger tijdperk, van 1515-1581.</p>
+
+<p><a name="Footnote_171" id="Footnote_171"></a><a href="#FNanchor_171"><span class="label">[171]</span></a>
+Zij betoogden dit in 1651 in een stuk bij <span class="smcap">aitzema</span>, f<sup>o</sup>. III 542.</p>
+
+<p><a name="Footnote_172" id="Footnote_172"></a><a href="#FNanchor_172"><span class="label">[172]</span></a>
+Hiervan zijn de zoogenaamde <i>Landsdag-penningen</i> afkomstig,
+die, aan de eene zijde het borstbeeld des Stadhouders en aan de
+andere zijde het wapen des Stadhouders, omgeven van die der elf
+steden, vertoonende, namens den Vorst aan hare Volmagten ten
+landsdage werden uitgereikt. <span class="smcap">Van loon</span>, <i>Historiepenn.</i> IV 169, heeft
+die bestemming alzoo verkeerd opgegeven.</p>
+
+<p><a name="Footnote_173" id="Footnote_173"></a><a href="#FNanchor_173"><span class="label">[173]</span></a>
+Zie de geschiedenis van dit en de andere Vorstelijke Gebouwen
+te <i>Leeuwarden</i> in de <i>Geschiedk. Beschrijv.</i> II 295 env. en
+eene Volglijst dezer Stadhouders in de tweede Tijdrekenk. Lijst
+hier achter. Ik herhaal hier den wensch, dat de Levens dezer Vorsten
+eenmaal naauwkeurig mogen worden opgemaakt, vooral uit die groote
+verzameling stukken, uitmakende het Archief dier Stadhouders,
+welke ik in 1837 heb opgespoord in het Rijks-Archief en Huis-Archief
+des Konings, volgens mijn berigt in <i>de Vrije Fries</i>, II 18.</p>
+
+<p><a name="Footnote_174" id="Footnote_174"></a><a href="#FNanchor_174"><span class="label">[174]</span></a>
+Jhr. <span class="smcap">e. m. van burmania</span> gaf in 1742 eene <i>Naamrol</i> van
+deze Raden van het Hof met korte levensschetsen in &#8217;t licht. Een
+vervolg daarop, bevattende de namen der Rentmeesters van de
+Domeinen, Procureurs-Generaals, Griffiers, Substituten en eerste
+Deurwaarders, verscheen in 1748. De Saksische Ordonnantie komt
+voor in het <i>Charterb.</i> II 35 en de Lands Ordonn. ald. IV 1138,
+V I, 99. Zie over de Canselarij en genoemde gevangenissen de
+<i>Geschiedk. Beschrijv.</i> I 112, 260; II 319, 333 env. Voorts <span class="smcap">foeke
+sjoerds</span>, <i>Beschrijv.</i> II 291; <i>Tegenw. Staat</i>, IV 139. De Dissertatie
+van Mr. <span class="smcap">j. m. van beijma</span>, Leiden 1835, bevat de geschiedenis
+van het Hof van zijn oorsprong tot het einde der 16<sup>e</sup> eeuw.</p>
+
+<p><a name="Footnote_175" id="Footnote_175"></a><a href="#FNanchor_175"><span class="label">[175]</span></a>
+Een uitvoerig overzigt van al de menigvuldige en zware
+belastingen, welke in de vorige eeuw in <i>Friesland</i> geheven werden,
+vindt men in den <i>Tegenw. Staat</i>, IV 337. Zie daarover ook het belangrijke
+boekje van Mr. <span class="smcap">d.</span> <i>Over de belastingen der Republiek</i>, Amst.
+1837, bl. 127, 167.</p>
+
+<p><a name="Footnote_176" id="Footnote_176"></a><a href="#FNanchor_176"><span class="label">[176]</span></a>
+<span class="leftlink"><a href="#Tnotes176">Zie&nbsp;opm.<br />bij&nbsp;deze<br />voetnoot.</a></span>
+Zie deswege Prof. <span class="smcap">n. ypey</span>, <i>Verhandeling over de Quotae</i>,
+Harl. 1784, en vooral de krachtige <i>Deductie</i> der Friesche Staten van
+1786, in groot en breed 4<sup>o</sup> gedrukt, waarin tevens de ware toestand
+van &#8217;s lands financi&euml;n is bloot gelegd. Prof. <span class="smcap">ypey</span> berekende,
+dat de Quota van <i>Friesland</i>, in verhouding tot de overige provinci&euml;n,
+moest zijn: 9 Gld. 12 St. 2 Penn. Eerst in de laatste jaren
+der republiek, omstreeks 1792, vond dit gehoor, en werd de Quota
+dezer provincie op ruim 9 Gld. gesteld.</p>
+
+<p><a name="Footnote_177" id="Footnote_177"></a><a href="#FNanchor_177"><span class="label">[177]</span></a> Zie
+<i>Charterboek</i>, V 330, 477, 485, 493, 521, 558, en
+<i>Tegenw. Staat</i>, III 13, waar eene uitvoerige beschrijving van dit
+Collegie voorkomt.</p>
+
+<p><a name="Footnote_178" id="Footnote_178"></a><a href="#FNanchor_178"><span class="label">[178]</span></a>
+Zie omtrent deze en verdere opgenoemde betrekkingen de
+Staatsbesluiten in het belangrijk Alph. <i>Register der Resoluti&euml;n van de
+Staaten van Friesl.</i> 1570-1780, van <span class="smcap">j. a. de chalmot</span>, Kampen 1784.</p>
+
+<p><a name="Footnote_179" id="Footnote_179"></a><a href="#FNanchor_179"><span class="label">[179]</span></a>
+In <span class="smcap">vriemoet</span>, <i>Athen&aelig; Frisiac&aelig;</i>, Leov. 1758, komt eene Lijst
+voor van deze Curatoren, voorafgaande die der Hoogleeraren, met
+levensschetsen van ieder. Over deze Hoogeschool zal in het <a href="#Page_388">vervolg</a>
+nader worden gesproken.</p>
+
+<p><a name="Footnote_180" id="Footnote_180"></a><a href="#FNanchor_180"><span class="label">[180]</span></a>
+Omtrent de laatste onderwerpen zie men <span class="smcap">foeke sjoerds</span>,
+<i>Beschrijv.</i> II 342 en de Staats-resoluti&euml;n; <span class="smcap">de wal</span>, <i>Oratio de claris
+Frisi&aelig; Jureconsultis</i>, Leov. 1825, 415.</p>
+
+<p><a name="Footnote_181" id="Footnote_181"></a><a href="#FNanchor_181"><span class="label">[181]</span></a>
+Zie over de Grietenij-besturen de hier v&oacute;&oacute;r aangehaalde
+werken, benevens <span class="smcap">c. l. &acirc; beijma</span>, <i>Tractatus de Grietmannis</i>, Fran.
+1780; <span class="smcap">h. b. van sminia</span>, <i>Nieuwe Naamlijst van Grietmannen</i>, Leeuw.
+1837; <i>de Grietmannen in Friesland</i>, aldaar 1848.</p>
+
+<p><a name="Footnote_182" id="Footnote_182"></a><a href="#FNanchor_182"><span class="label">[182]</span></a>
+Dat hiervan misbruik werd gemaakt en dat vooral Prins
+<span class="smcap">willem</span> V zijne vrienden als <i>Premier</i> aan het hoofd der Magistraten
+stelde, heeft in het laatste tijdperk der republiek veel stof
+tot misnoegen gegeven. Zie daarover in &#8217;t bijzonder (<span class="smcap">allart</span>) <i>de
+Vrijheid</i>, 4<sup>e</sup> dr. Amst. 1783, bl. 241, env. Ook d&aacute;&aacute;rom trokken
+sommige steden in 1782 deze vrijwillige opdragt in, en vernieuwden
+zij vervolgens zelve hare Magistraat. Vele Raadsbestellingen der
+steden zijn opgenomen in de drie laatste deelen van den <i>Tegenw.
+Staat</i>; in het 4<sup>e</sup> dl. daarvan is eene uitvoerige beschrijving van de
+geheele Regering. Zie ook <span class="smcap">foeke sjoerds</span>, <i>Beschrijv.</i> II 378.</p>
+
+<p><a name="Footnote_183" id="Footnote_183"></a><a href="#FNanchor_183"><span class="label">[183]</span></a>
+Met opgave van al de bijzonderheden is dit onderwerp
+uitvoerig behandeld in het vierde deel van den <i>Teg. Staat</i>, bl. 273.
+Zie ook <span class="smcap">foeke sjoerds</span>, I 265, II 452; <i>Regist. der Staats-res.</i> op
+<i>Dijken</i>, enz.</p>
+
+<p><a name="Footnote_184" id="Footnote_184"></a><a href="#FNanchor_184"><span class="label">[184]</span></a>
+Het <i>Compendium der Kerkelijke Wetten</i> is eerst uitgegeven door
+D<sup>o</sup>. <span class="smcap">g. nauta</span>, Amst. 1757, en in 1771 verbeterd en vermeerderd
+herdrukt te Leeuwarden. In 1806 is daarop gevolgd een <i>Wetboek en
+Kerken-orde voor Vriesland</i>, door de Synode van 1804 vastgesteld.</p>
+
+<p><a name="Footnote_185" id="Footnote_185"></a><a href="#FNanchor_185"><span class="label">[185]</span></a>
+Zie die Res. en Lijst dier Vastigheden in de daarvan uitgegevene
+<i>Billetten van Verkoping</i>, Leeuw. 1762 en 1763, 4<sup>o</sup>. 2 dln.</p>
+
+<p><a name="Footnote_186" id="Footnote_186"></a><a href="#FNanchor_186"><span class="label">[186]</span></a>
+Omstreeks het midden der vorige eeuw zijn er door de
+Predikanten <span class="smcap">laurman</span>, <span class="smcap">columba</span> en
+<span class="smcap">dreas</span>, <span class="smcap">greydanus</span>, <span class="smcap">reinalda</span>,
+<span class="smcap">grevenstein</span> en <span class="smcap">engelsma</span>, <i>Naamlijsten van de Hervormde Predikanten</i>,
+welke sedert de reformatie in de zes klassen van <i>Friesland</i> het
+evangelie hebben verkondigd, uitgegeven, meest voorzien met aanteekeningen,
+waarvan sommige van veel historisch belang zijn.</p>
+
+<p><a name="Footnote_187" id="Footnote_187"></a><a href="#FNanchor_187"><span class="label">[187]</span></a>
+Zie over den aard en de geschiedenis van dit regt de beide
+werkjes van den Heer Mr. <span class="smcap">w. w. buma</span>, <i>het regt der Hervormde
+Floreenpligtigen op de verkiezing van Predikanten en op het Beheer van
+Kerkegoederen</i>, Leeuw. 1849, en <i>de Onbevoegdheid der Alg. Herv.
+Synode tot het regelen van het Beheer der Plaatselijke Kerkegoederen</i>,
+Leeuw. 1851, gelijk ook de werkjes van den Eerw. Heer <span class="smcap">j. h.
+reddingius gz.</span> over dit onderwerp. Vele, overigens weinig bekende
+bijzonderheden zijn daarin opgenomen.</p>
+
+<p><a name="Footnote_188" id="Footnote_188"></a><a href="#FNanchor_188"><span class="label">[188]</span></a>
+Zie zijne <i>Algemene Beschrijvinge van Friesland</i>, II 542.</p>
+
+<p><a name="Footnote_189" id="Footnote_189"></a><a href="#FNanchor_189"><span class="label">[189]</span></a>
+Nog heden ten dage zijn de bijeenroepingen van de Floreenpligtigen
+in de dorpskerken, welke wij in de dagbladen lezen,
+een overblijfsel van de magt en het regt der ingezetenen op de
+regeling van hunne gemeentelijke belangen. Zie <i><a href="#Aant22">Aanteekening 22</a></i>.</p>
+
+<p><a name="Footnote_190" id="Footnote_190"></a><a href="#FNanchor_190"><span class="label">[190]</span></a>
+<i>Grondwettige Herstelling van het Nederl. Staatswezen</i>, Amst.
+1784, I 81. Het derde deel, waarin de Staatsvorm van <i>Friesland</i>
+in het bijzonder zou behandeld worden, is echter niet verschenen.</p>
+
+</div>
+
+<hr class="footn" />
+
+<p class='pagenum'><a name="Page_245" id="Page_245">[245]</a></p>
+
+<h3>37. <i>Strijd tegen Buitenlandsche Gevaren
+bij Binnenlandsche Welvaart,
+tusschen den Munsterschen en den Utrechtschen vrede.
+1648-1713.</i></h3>
+
+<p>De vrede van <i>Munster</i> had in den staatkundigen toestand
+van <i>Nederland</i> eene groote verandering te weeg
+gebragt. Nog grooter werd deze, toen kort daarna de
+jeugdige Stadhouder Prins <span class="smcap">willem</span> II overleed (1650).
+Daar <i>Groningen</i> en <i>Drenthe</i> nu den Frieschen Stadhouder,
+Graaf <span class="smcap">willem frederik</span>, mede tot den hunnen
+aannamen, zoo stonden deze drie noordelijke gewesten
+vervolgens tegen al de overige stadhouderlooze provinci&euml;n
+over, en gaven de uiteenloopende belangen en inzigten
+dikwijls aanleiding tot hevige botsingen. <i>Friesland</i> en
+zijn Stadhouder hadden nu alle kracht en beleid noodig,
+om zich te doen gelden tegen het overmagtige en overmoedige
+<i>Holland</i>, dat, sterk door zijne ligging, welvaart
+en rijke hulpbronnen, nu het de landprovinci&euml;n minder
+noodig had als bolwerken tegen <i>Spanje</i>, zijn belang en
+staatkunde voortaan all&eacute;&eacute;n wilde doen zegevieren, en
+zijn wil als eene wet trachtte te doen gelden. D&aacute;t <i>Holland</i>
+ijverde vooral v&oacute;&oacute;r de Souvereiniteit der provinci&euml;n,
+v&oacute;&oacute;r de vermindering van de land- en de vermeerdering
+van de zeemagt, doch tegen het Stadhouderschap. Ten
+aanzien van dit laatste vond het steeds een krachtigen
+bestrijder in <i>Friesland</i>.</p>
+
+<p>Dit bleek reeds op de Groote Vergadering, welke in
+Januarij 1651 te <i>&#8217;s Hage</i> was bijeengeroepen tot regeling
+van de drie gewigtige punten: het bondgenootschap,
+de godsdienst en het krijgswezen (<i>unie</i>, <i>religie</i> en <i>militie</i>).
+Ruim 300 afgevaardigden uit de verschillende
+gewesten kwamen daar bijeen. <i>Friesland</i> zond er zestien
+van zijne bekwaamste staatkundigen met den Lands Secretaris,<span class='pagenum'><a name="Page_246" id="Page_246">[246]</a></span>
+en had de eer, als voorzittende provincie, de
+vergadering door Dr. <span class="smcap">pibo van doma</span>, Ontvanger en Dijkgraaf
+van Kollumerland, met eene rede te doen openen,
+waarna de beroemde Raadpensionaris <span class="smcap">jacob cats</span> de voorstellen
+mededeelde en <i>Hollands</i> gezindheden ontvouwde<a name="FNanchor_191"
+id="FNanchor_191"></a><a href="#Footnote_191" class="fnanchor">[191]</a>.
+Wel zegevierde de staatkunde dier provincie, al ontweek
+zij ook het punt van het Stadhouderschap; doch toen
+zij in 1654 in haren afkeer tegen de onvoorzigtige
+handelingen van Prins <span class="smcap">willem</span> II zoo ver ging, dat zij,
+bij eene <i>acte van seclusie</i>, diens eenigen zoon van de
+hoop op eenig bewind wilde uitsluiten, toen verzetten
+de Staten van <i>Friesland</i> zich krachtig daartegen. In
+hevige bewoordingen betoonden zij zich verontwaardigd
+&raquo;over de ongehoorde ondanckbaerheyt tegens het loffelyck
+huys van Orangien, waer van de voorouderen soo treflich
+van den Staet deser vereenigde Nederlanden hebben
+gemeriteert, met haer goet ende bloet beschermt, ende
+soo notable victorien bevochten, waer door wy van
+die gedreigde ende bynae onvermydelycke slavernie
+syn gepr&aelig;serveert, ende met Godes zegen tot soo een
+glorieuse Staet gebracht, als daer in wy ons tegenwoordichlyck
+bevinden&#8221;<a name="FNanchor_192" id="FNanchor_192"></a><a href="#Footnote_192" class="fnanchor">[192]</a>.</p>
+
+<p>De afgevaardigden van <i>Holland</i>, stelden alle moeite in
+het werk, om <i>Friesland</i> dit protest te doen intrekken;
+zij leverden eene ernstige wederlegging daarvan in, waartegen
+de ijverige Friesche afgevaardigden, <span class="smcap">hautbois</span> en
+<span class="smcap">van wyckel</span>, niets schuldig bleven, zoodat men hoe langer
+hoe meer op elkander verbitterd geraakte. Krachtig<span class='pagenum'><a name="Page_247" id="Page_247">[247]</a></span>
+deden de Friezen het regt van het Vorstelijk huis gelden
+tegen het onregtvaardig gedrag van <i>Holland</i>, dat steeds
+de andere provinci&euml;n trachtte te overvleugelen. Zij drongen
+er mede op aan, dat hun Stadhouder tot Veldmaarschalk
+benoemd wierde, toen deze waardigheid door den
+dood van den Heer <span class="smcap">van brederode</span> was opengevallen (1655).
+Te vergeefs: want die Stadhouder was door het aanvoeren
+van het leger des Prinsen tegen <i>Amsterdam</i> ook
+bij <i>Holland</i> in ongenade gevallen.&mdash;Z&oacute;&oacute; ijverden de verbroederde
+gewesten tegen elkander en verzwakten de
+goede verstandhouding, welke duurzaam van zoo hoog
+belang was, dewijl het vaderland gelijktijdig van buiten
+bestookt werd door een vijand, die niet enkel Hollands
+hartader, handel en scheepvaart, maar ook de eer en de
+onafhankelijkheid des geheelen lands bedreigde.</p>
+
+
+<h4><i>De Engelsche oorlogen.</i></h4>
+
+<p>Hevige burgertwisten in <i>Engeland</i> hadden in 1649
+ten gevolge, dat Koning <span class="smcap">karel</span> I, de schoonvader van
+Prins <span class="smcap">willem</span> II, onthoofd- en dit rijk tot een gemeenebest
+verklaard werd onder het Protectorschap van <span class="smcap">olivier
+cromwell</span>. Deze betoonde zich al spoedig vijandig tegen
+<i>Nederland</i>, dat den verdreven koningszoon <span class="smcap">karel</span> II had
+opgenomen, en welks bloeijende scheepvaart en handel
+den nijd hadden opgewekt der Engelschen, die, eene
+aanzienlijke zeemagt bezittende, het meesterschap over
+de zee voor zich all&eacute;&eacute;n begeerden. Hoe gevaarlijk het
+ook was, zich met die zeemagt te meten&mdash;voor ons
+land was een oorlog onvermijdelijk; vooral, nadat <span class="smcap">cromwell</span>
+onzen handel een gevoeligen slag had toegebragt
+door de <i>acte van navigatie</i> (Oct. 1651), waarbij aan
+vreemden werd verboden, hunne waren binnen <i>Engeland</i>
+te voeren, ten zij met Engelsche schepen. Vanhier, dat<span class='pagenum'><a name="Page_248" id="Page_248">[248]</a></span>
+de Generale Staten, die in dit jaar onze zwakke vloot
+van 40 schepen reeds met 36 versterkt hadden, in het
+volgende jaar bevolen, dat de zeesteden nog 50 en de
+admiraliteiten nog 100 schepen zouden uitrusten. Van
+de eerste, of de directieschepen, zou <i>Holland</i> 38,
+<i>Zeeland</i> 9 en <i>Friesland</i> met <i>Groningen</i> 3 leveren;
+van de laatste, of de landsschepen, moesten de admiraliteiten
+van de <i>Maas</i>, van <i>Zeeland</i> en het <i>Noorder-kwartier</i>
+(<i>Noord-Holland</i>) ieder 16<sup>1</sup>&#8260;<sub>2</sub>, <i>Friesland</i> met
+<i>Groningen</i> 17<sup>1</sup>&#8260;<sub>2</sub> en <i>Amsterdam</i> de overige 33 schepen
+bekostigen<a name="FNanchor_193" id="FNanchor_193"></a><a href="#Footnote_193" class="fnanchor">[193]</a>.</p>
+
+<p>Bij eene nieuwe regeling van het Nederlandsche Zeewezen
+had <i>Friesland</i>, in vereeniging met <i>Groningen</i>,
+in 1596 een eigen <i>Collegie ter Admiraliteit</i> verkregen,
+hetwelk te <i>Dokkum</i> was gevestigd. Dan de minder
+gunstige ligging van deze stad tot aanbouw, toerusting
+en het uitbrengen van oorlogsschepen gaven reeds in
+1603 aanleiding tot een voorstel, om dezen zetel van het
+Collegie te verplaatsen. Ook later, toen het verviel en
+vrij werkeloos bleef, drong men daarop aan, totdat eindelijk
+in 1642 (toen het niet meer dan 4 schepen bezat,
+waarvan het grootste slechts 16 stukken voerde), het
+besluit genomen en in 1645 volbragt werd, om het
+Collegie ter Admiraliteit te verplaatsen naar <i>Harlingen</i>,
+welke stad verpligt werd, den zetel en de gevangen- en
+pakhuizen van het Collegie te bekostigen<a name="FNanchor_194" id="FNanchor_194"></a><a
+href="#Footnote_194" class="fnanchor">[194]</a>. Van de
+gunstige ligging, ruime havens en veel beschikbaren grond
+tot werven in deze zeestad, welke gedurende de laatste
+halve eeuw zoo zeer in bloei was toegenomen, verwachtte<span class='pagenum'><a name="Page_249" id="Page_249">[249]</a></span>
+men voor de belangen van het provinciale zeewezen
+gunstige gevolgen. Voor de uitbreiding en bescherming
+van de scheepvaart en handel van <i>Harlingen</i> zelf scheen
+deze verplaatsing van zulk aanzienlijk ligchaam mede
+van groot belang te zijn. En toch bleef het Stedelijk
+Bestuur nalatig in het voldoen aan gezegde verpligting,
+waartoe het nog in 1653 moest aangespoord worden<a name="FNanchor_195"
+id="FNanchor_195"></a><a href="#Footnote_195" class="fnanchor">[195]</a>.
+Het Collegie was alzoo d&aacute;&aacute;r nog niet volkomen gevestigd,
+toen de eerste Engelsche oorlog uitbrak, en het zich op
+eens verpligt zag tot zulk een belangrijken aanbouw en
+uitrusting van oorlogsschepen. Hierop geheel niet voorbereid
+of ingerigt, voldeed het tragelijk aan deze, door
+den dreigenden nood gevorderde verpligting, waarom
+de Friesche Staten, die in 1652 consent gaven tot het
+aanwenden van 2 tonnen gouds en in het volgende jaar
+van 2 millioen gulden ten behoeve van het zeewezen,
+hun ongenoegen te kennen gaven over de nalatigheid en
+de verkeerde handelingen van het Collegie. De Friesche
+Admiraliteit kon dan ook in 1653 tot de 154 schepen,
+waaruit onze zeemagt toen bestond, niet meer dan 10
+bodems van 137 stukken, bemand met 500 matrozen,
+toebrengen<a name="FNanchor_196" id="FNanchor_196"></a><a
+href="#Footnote_196" class="fnanchor">[196]</a>. Bij herhaling deden de Staten hun misnoegen
+blijken over het slecht bestuur van het Collegie,
+dat in 1656 tot verantwoording werd geroepen wegens
+de gelden, voorgeschoten tot het bouwen van 60 schepen
+van oorlog. Sedert dien tijd schijnen de zaken gunstiger
+te zijn gegaan, en werd het alleen in 1659 212,000<span class='pagenum'><a name="Page_250" id="Page_250">[250]</a></span>
+Gld. toegestaan tot aanbouw en uitrusting van schepen,
+opdat <i>Friesland</i> het zijne mogt toebrengen tot de middelen
+ter verdediging des vaderlands.</p>
+
+<p>Bij dezen, in den aanvang zoo gebrekkigen, toestand
+der schepen, die tevens te min geschut en te weinig
+bekwaam volk hadden, moest het beleid en de moed
+der vroeger gevormde zeelieden veel vergoeden. Was
+het een geluk voor den staat, dat de later zoo beroemde
+<span class="smcap">michiel adriaansz. de ruyter</span> zich in 1652 eindelijk liet
+bewegen, in &#8217;s lands dienst te treden en, als Vice-kommandeur
+op eene vloot van 30 schepen, 60 koopvaardijschepen
+te geleiden en te beschermen tegen de Engelschen,&mdash;op
+dien eersten togt blonk, als het eerste
+dappere bedrijf, de heldhaftigheid van een Friesch Kapitein
+uit. Deze was <span class="smcap">douwe aukes</span>, bevelvoerende op een
+der twee grootste Oost-Indievaarders, die nu ten oorlog
+waren toegerust, de <i>Struisvogel</i> of <i>Vogelstruis</i> geheeten,
+gewapend met 40 stukken en 200 man, terwijl het
+schip van <span class="smcap">de ruyter</span> zelven slechts 28 stukken en 134
+koppen voerde. Op den middag van den 26 Aug. 1652
+was het gevecht tegen den Vice-admiraal <span class="smcap">george ayscue</span>,
+die 40 schepen onder zich had, bij <i>Plymouth</i> pas begonnen,
+toen bovengenoemd schip vooruit snelde en zich
+alleen te digt onder de Engelschen begaf, die dadelijk
+met drie of vier groote schepen den Struisvogel meenden
+te vernielen, door hem van alle zijden fel aan te tasten.
+De matrozen, ziende dat geen der Hollandsche schepen
+opkwam om hen te ontzetten, wilden niet vechten, maar
+het schip overgeven, waartoe ze hun Kapitein poogden
+te dwingen. Doch met het gevaar steeg den moed van
+dezen, die het uiterste wilde wagen. Met een sabel in
+de eene en een lont in de andere hand, &raquo;trad hij onder
+de Maets, dreygende hun alle, in geval sij nu niet
+vromelijck vochten, in de Lucht te doen springen, luidkeels<span class='pagenum'><a name="Page_251" id="Page_251">[251]</a></span>
+roepende: Schept moed, mijn kinders, schept
+moed. Ik zal u den weg wijzen, en als wij de vijanden
+niet langer konnen wederstaan, dan zal ik u alle
+van de gevangenisse bevrijden, door middel van de
+lont, dien ik in de hand hebbe.&#8221; Die taal maakte een
+gewenschten indruk en herstelde den verflaauwden moed
+der zijnen: ieder vloog naar zijne plaats en post. &raquo;En
+den valjanten <span class="smcap">douwe</span>, die een Stuck op den Overloop
+hadde staen, waermede hy Seyn dede van los te branden,
+vierde met 24 Stucken in den Engelsman, die
+hy vry dicht had laten komen, soodat die met Volck
+en al wat daer op was dadelijck is gesoncken. Stracks
+kreeg hy het tweede Engels Schip op zij, een Bengel
+met 50 Stukken; <span class="smcap">douwe</span> trefte die als de eerste met
+syn tweede Laeg Geschuts, soodat die oock stracks
+te gronde ging: op dese twee Schepen waren by de
+900 Zielen, waer af niet eenen (dat men weet) levendig
+gebergt is. Den derden Engelsman, onder zyn
+scheut komende, kreegh ook soo veel, dat hy krengde;&#8221;
+waarna onze dappere Kapitein, na een verlies van 30
+man, den weg open vond, om uit den drang te geraken
+en zich bij &#8217;s lands vloot te voegen<a name="FNanchor_197"
+id="FNanchor_197"></a><a href="#Footnote_197" class="fnanchor">[197]</a>. In den avond
+namen de Engelschen, die 1300 dooden hadden, de
+vlugt, en <span class="smcap">de ruyter</span>, verwonderd over
+den uitslag van<span class='pagenum'><a name="Page_252" id="Page_252">[252]</a></span>
+dezen strijd tegen zoo groote overmagt, betuigde: &raquo;Als
+de almagtige God kloekmoedigheid wil geven, dan verkrijgt
+men de overwinning&#8221;<a name="FNanchor_198" id="FNanchor_198"></a><a href="#Footnote_198" class="fnanchor">[198]</a>.</p>
+
+<p>Nadat <span class="smcap">johan de witt</span> in 1653 Raadpensionaris van
+<i>Holland</i> was geworden, deed hij moeite dezen oorlog
+te doen eindigen, hetgeen eerst in 1654 gelukte. Bij
+voortduring werd er echter eene uitbreiding onzer zeemagt
+vereischt, om het gezag van den Staat als zeemogendheid
+te vestigen. Hierin slaagde men boven verwachting,
+en mogten onze voortreffelijke zeevoogden <span class="smcap">de
+ruyter</span>, <span class="smcap">corn. tromp</span>, <span class="smcap">de
+with</span>, <span class="smcap">van wassenaar</span> en anderen
+grooten roem behalen bij de bescherming van
+onzen handel in de Oostzee en de verdediging van <i>Denemarken</i>
+tegen <i>Zweden</i> (1655, 1659), door het straffen
+van de zeeroovers in de Middellandsche zee (1656, 1661),
+door het beteugelen van de Kaapvaart der Franschen (1656),
+in den oorlog met <i>Portugal</i> (1657), en bij de bescherming
+van onzen handel, scheepvaart en buitenlandsche bezittingen.
+<span class="smcap">karel</span> II, die in <i>Holland</i> zoo vele blijken van
+gastvrijheid en hulde had ontvangen, was echter naauwelijks
+op den Engelschen troon hersteld, of deze trouwlooze
+Vorst deed <i>Nederland</i>, welks bloeijende handel
+ook zijn nijd en wrevel had opgewekt, den oorlog aan
+(1665), nadat de vijandelijkheden reeds vroeger op eene
+verraderlijke wijze waren begonnen door het wegnemen
+van eenige onzer schepen en bezittingen. De verontwaardiging
+over zulk eene handelwijze spande de veerkracht
+onzer landgenooten, om alles aan te wenden,
+wat tot wederstand en vernedering van zulk een vijand
+kon strekken. De Staten van <i>Friesland</i> waren thans<span class='pagenum'><a name="Page_253" id="Page_253">[253]</a></span>
+meer dan ooit gezind, het hunne tot versterking der vloot
+bij te dragen. &raquo;Nu ontwikkelde ook de Vriesche Admiraliteit
+eene tot dusverre ongekende magt. Met geenen
+minderen ijver dan hare gezusters bezield, wist
+zij thans niet alleen het getal harer schepen aanmerkelijk
+te vermeerderen, maar dezelve ook zoodanig te
+doen uitrusten, dat zij onder de schoonste, best gewapende
+en uitmuntendst bemande van &#8217;s Lands vloot
+gerekend werden<a name="FNanchor_199" id="FNanchor_199"></a><a
+href="#Footnote_199" class="fnanchor">[199]</a>; waardoor de Vriesche zeelieden
+in de gelegenheid gesteld werden, om onder bijzondere
+opperhoofden deel te nemen aan de groote zeeslagen
+van dit tijdperk, hunnen van oudsher verkregen roem
+mannelijk te handhaven en zelfs te vermeerderen.
+Met den aanvang van dezen oorlog verdubbelde die
+Admiraliteit hare werkzaamheden, en nam het getal
+van hare groote schepen zoo aanmerkelijk toe, dat zij
+in staat was, een aanzienlijk en voortreffelijk smaldeel
+te leveren, hetwelk met die der overige collegien niet
+slechts kon vergeleken worden, maar die van sommige
+overtrof. Nu meenden de Staten van <i>Vriesland</i>, daartoe
+aangespoord door hetgeen omtrent de verheffing van
+zoo vele hoofdbevelhebbers in <i>Holland</i> en <i>Zeeland</i>
+gebeurd was, het noodig en nuttig te wezen, en geregtigd
+te zijn, om over hunne scheepsmagt ook eenen
+Luitenant- en Vice-Admiraal en eenen Schout-bij-nacht
+aan te stellen; tot welke waardigheden zij, in Lentemaand
+1665, verhieven de Kapiteinen <span class="smcap">auke stellingwerf</span>,
+<span class="smcap">rudolf coenders</span> en <span class="smcap">hendrik
+bruynsvelt</span>&#8221;<a name="FNanchor_200" id="FNanchor_200"></a><a href="#Footnote_200" class="fnanchor">[200]</a>.</p>
+
+<p><span class='pagenum'><a name="Page_254" id="Page_254">[254]</a></span>Deze,
+aan het hoofd geplaatst van het 5<sup>e</sup> eskader,
+dat uit 14 Friesche en Groninger oorlogsschepen bestond,
+vereenigden zich met &#8217;s lands vloot, welke door de zorg
+der Admiraliteiten en van <span class="smcap">de witt</span> tot eene ongemeene
+sterkte was opgevoerd, vermits zij een getal uitmaakte
+van 103 schepen van oorlog, 7 jagten, 11 branders en
+12 galjoten, gewapend met 4869 stukken geschuts en
+voorzien met ruim 21,000 matrozen en soldaten. Deze
+magtige vloot, welke men bestand achtte, om zich met
+de Engelsche zeemagt te meten, stak den 23 Mei 1665
+onder het opperbevel van den Luitenant-Admiraal <span class="smcap">jacob
+van wassenaar obdam</span> in zee. Doch tegen alle verwachting
+was de uitslag hoogst ongunstig. Ofschoon vele
+vlootvoogden wonderen van dapperheid bedreven, liet de,
+voor deze taak niet volkomen berekende, opperbevelhebber
+de gunstigste gelegenheid om op de Engelschen
+voordeel te behalen, voorbijgaan, zoodat, toen hij zelf
+met zijn schip in de lucht vloog,&mdash;de wakkere Admiraal
+<span class="smcap">kortenaer</span> gevallen en ook onze Admiraal <span class="smcap">stellingwerff</span>
+gesneuveld en diens schip, de Zevenwouden,
+door de Engelschen genomen was, de gansche vloot
+met groot verlies aftrok en veel verminderd en zwaar
+beschadigd in de vaderlandsche havens terugkeerde.
+Vele kapiteins werden wegens pligtverzuim strengelijk
+gestraft, doch ook andere, die zich dapper hadden gedragen,
+geprezen en bevorderd. Onder deze laatste was
+<span class="smcap">tjerk hiddes de vries</span> van <i>Sexbierum</i>, die, als Kapitein
+van het schip: de Steden, zich op dezen togt door ongemeene
+manhaftigheid en schrander doorzigt onderscheiden
+hebbende<a name="FNanchor_201" id="FNanchor_201"></a><a
+href="#Footnote_201" class="fnanchor">[201]</a>, dadelijk in <span class="smcap">stellingwerff&#8217;s</span> plaats tot
+<i>Luitenant-Admiraal van Friesland</i> werd aangesteld.<span class='pagenum'><a name="Page_255" id="Page_255">[255]</a></span>
+Met weergalooze kracht-inspanning werd de ontredderde
+vloot hersteld, en reeds in Augustus des zelfden jaars
+weder naar zee gezonden, en nu wel onder het opperbevel
+van den algemeen geachten Luit.-Admiraal <span class="smcap">de
+ruyter</span>, die, pas uit <i>Amerika</i> in het vaderland teruggekeerd,
+onzen <span class="smcap">de vries</span> het bevel over een der vier
+smaldeelen van de vloot toevertrouwde. Hoe krachtig
+en moedig de onzen nu ook waren, zij vonden dit jaar
+geene gelegenheid, om met de Engelschen slaags te geraken.
+Men bleef zich dus versterken, in de hoop van
+in den volgenden jare den vijand op eene geduchte wijze
+te vernederen. Hiertoe werden krachtige toebereidselen
+gemaakt, en stonden de Friesche Staten dit jaar eene
+som van ruim 900,000 Gld. der Admiraliteit ten behoeve
+der zeemagt toe, en schroomde men niet, daartoe buitengewone
+heffingen en geldleeningen te doen<a name="FNanchor_202"
+id="FNanchor_202"></a><a href="#Footnote_202" class="fnanchor">[202]</a>.</p>
+
+<p>Werkelijk stak <span class="smcap">de ruyter</span> den 5 Junij 1666 met eene
+verbazende vloot in zee, waarvan het tweede smaldeel,
+groot 28 schepen, geplaatst werd onder het bevel van <span class="smcap">tjerk
+hiddes</span>, die nu het schip <i>Groot Frisia</i> voerde. Hevig was
+de hierop gevolgde vierdaagsche zeestrijd, waarin laatstgenoemde
+zeeheld, nadat <span class="smcap">evertsen</span> gesneuveld was, veelvuldige
+blijken gaf van ongemeene dapperheid, door bij
+herhaling moedig op den vijand in te breken, zoodat
+zelfs vreemden hem den lof gaven, dat hij &raquo;een
+der beste en kloekmoedigste Opperhoofden was, dien
+een groot deel der overwinning toekwam&#8221;<a name="FNanchor_203"
+id="FNanchor_203"></a><a href="#Footnote_203" class="fnanchor">[203]</a>.
+Mede<span class='pagenum'><a name="Page_256" id="Page_256">[256]</a></span>
+onderscheidde zich zijn Schout-bij-nacht <span class="smcap">hendrik brunsveldt</span>,
+van wien gemeld wordt, dat hij &raquo;sich wonder
+mannelyk queet: want van twee Vyandts Scheepen ter
+wederzyde aan boord geklampt zijnde, sulcx dat hij
+in het midden was leggende, soo heeft hy, in plaats
+van sich (gelyk de Engelsche Admiraal <span class="smcap">george ascue</span>
+ghedaen heeft) op te geven en om quartier te roepen,
+syn Volk tot dapperheydt aangemoedight, en gheordineert,
+dat se ter weder-zyden souden overspringen en
+Enteren, gelyk ook aanstonts soo gheseght soo gedaen
+wierdt, nemende de valjante <span class="smcap">brunsveldt</span>, eer hy eenige
+assistentie konde bekomen, beyde zyn Bespringers wegh,
+en maakte hun beyde tot syn ghevangens.&#8221; Niet genoeg
+bezet en daarna bevrijd, werden deze schepen van
+40 en 58 stukken echter door Kapitein <span class="smcap">paauw</span> ten tweeden
+male vermeesterd<a name="FNanchor_204" id="FNanchor_204"></a><a href="#Footnote_204" class="fnanchor">[204]</a>.</p>
+
+<p>Groot was de vreugde in het vaderland over de schitterende
+overwinning, welke op dezen togt werd behaald.
+Men wilde echter het behaalde voordeel vervolgen en
+den vijand door vernedering tot vrede dwingen. Met
+den meesten ijver werd de vloot van de bekomene schade
+hersteld, zoodat reeds in Julij weder eene zeemagt het
+vaderland verliet, welke uit niet minder dan 118 zeilen,
+voorzien met ruim 22,000 man, bestond. Op den 4
+Augustus 1666 ving de strijd weder aan, doch onder min<span class='pagenum'><a name="Page_257" id="Page_257">[257]</a></span>
+gunstige omstandigheden voor de onzen. Het Zeeuwsch
+en Friesch smaldeel, onder de Luit.-Admiralen <span class="smcap">jan evertsen</span>
+en <span class="smcap">tjerk hiddes de vries</span>, had de voorhoede, viel
+het Engelsch eskader der witte vlag kloekmoedig aan en
+leed daarbij geweldig, doch verdedigde zich gedurende
+eenige uren mannelijk. Weldra echter werden beide
+Admiralen, gelijk ook de Vice-Admiraal <span class="smcap">coenders</span>, in het
+heetste van het gevecht, doodelijk gewond. &raquo;Hierdoor
+van hunne voornaamste Hoofden verstoken, verliezen de
+anderzins dappere Zeeuwen en Vriezen hunne gewone
+kloekmoedigheid.&#8221; Terwijl nu de voorhoede wijkt,
+verflaauwt de moed der overige schepelingen van dit
+eskader, en valt de vijand met des te meer geweld op
+den middeltogt van <span class="smcap">de ruyter</span> aan, die, eindelijk, strijdende
+wijkt en vervolgens den terugtogt aanneemt, zoodat
+hij met geringe verliezen de vloot in het verslagene
+vaderland terugbragt. In het volgende jaar 1667 wischte
+hij echter door zijn stouten togt naar <i>Chattam</i> de smet
+dezer nederlaag uit, en werden de Engelschen gedwongen
+tot vrede, die nog in dat jaar te <i>Breda</i> werd gesloten<a
+name="FNanchor_205" id="FNanchor_205"></a><a href="#Footnote_205" class="fnanchor">[205]</a>.</p>
+
+<p>Voor <i>Friesland</i> vooral was het sneuvelen van den
+voortreffelijken <span class="smcap">tjerk hiddes de vries</span> een groot en onherstelbaar
+verlies. De Zeeuwsche Admiraliteit getuigde
+van hem<a name="FNanchor_206" id="FNanchor_206"></a><a href="#Footnote_206"
+class="fnanchor">[206]</a>, &raquo;dat hij begaafd was met vele uitmuntende
+hoedanigheden, om zijne betrekking van Luitenant-Admiraal
+waardiglijk te bekleeden, en dat hij in de
+uitvoering daarvan menigvuldige bewijzen gegeven heeft,
+niet alleen van soldaat- en zeemanschap, maar ook
+van goede orde en conduite, mitsgaders van prompte<span class='pagenum'><a name="Page_258" id="Page_258">[258]</a></span>
+expeditie.&#8221; <span class="smcap">De ruyter</span> schatte hem z&oacute;&oacute; hoog, dat
+hij niemand waardiger achtte hem in het opperbevel op
+te volgen dan <span class="smcap">de vries</span>, van wiens kunde en trouw hij
+volkomen overtuigd was. Algemeen werd hij &raquo;als een
+der kundigste en dapperste Zeehelden van dit tijdperk&#8221;
+geroemd. Ook &#8217;s lands Staten gaven blijken van hunne
+erkentenis bij zijnen dood, door het bezorgen van eene
+plegtige uitvaart bij zijne begrafenis te <i>Harlingen</i>, en
+door den zoon, na zijn sneuvelen geboren en tevens
+moederloos geworden, in hunne bescherming te nemen<a name="FNanchor_207"
+id="FNanchor_207"></a><a href="#Footnote_207" class="fnanchor">[207]</a>.</p>
+
+<p>Tot opvolger van <span class="smcap">de vries</span> werd niet de vroeger zoo
+loffelijk vermelde <span class="smcap">douwe aukes</span> gekozen, maar een edelman,
+<span class="smcap">hans willem</span> <i>Baron</i> <span class="smcap">van aylva</span>, die toen Kolonel
+was bij het krijgsvolk te land; een man, die wel in 1667
+den togt naar <i>Chattam</i> mede maakte, doch een land- en
+geen zee-officier was, waarom hij in 1672, toen hij
+tevens tot Luitenant-Generaal der landmagt was bevorderd,
+zich niet bij de vloot voegde, maar, beter op zijne
+plaats, tot bescherming van <i>Friesland</i> aan land bleef<a name="FNanchor_208"
+id="FNanchor_208"></a><a href="#Footnote_208" class="fnanchor">[208]</a>.</p>
+
+<p>Tot dien laatstgenoemden zeetogt leverde <i>Friesland</i>
+slechts een fregat en een advisjacht, en in 1673 voegden
+zich slechts drie Friesche oorlogsschepen, benevens een
+brander en twee kleine vaartuigen, bij &#8217;s lands vloot.
+Ook werd er in <span class="smcap">aylva&#8217;s</span> plaats geen nieuwe Luit.-Admiraal
+aangesteld. De groote inspanning, om zich tegen
+den vijand te land te verdedigen, geldgebrek, verschillen
+met <i>Groningen</i> en tusschen de Staatsleden, en bewegingen
+onder het volk, gevoegd bij toenemende onverschilligheid<span class='pagenum'><a name="Page_259" id="Page_259">[259]</a></span>
+omtrent <i>Frieslands</i> belang bij eene zoo
+talrijke vloot&mdash;ziedaar zoo vele redenen, &raquo;waardoor de
+Vriesche zeemagt, welke in den voorgaanden oorlog
+zulk eene luisterrijke plaats in de vloot bekleed had,
+van hare kortstondige grootheid verviel&#8221;<a name="FNanchor_209"
+id="FNanchor_209"></a><a href="#Footnote_209" class="fnanchor">[209]</a>.</p>
+
+<p>In weerwil de bloei der Friesche Admiraliteit zoo zeer was
+gedaald, bleven de Friesche zeelieden op de vloot, met de
+Zeeuwen onder <span class="smcap">banckers</span> vereenigd, bij herhaling blijken van
+dapperheid betoonen, door den vijand de meest mogelijke
+afbreuk toe te brengen. Ook waren er bij die vroegere togten
+mannen gevormd, die eerst later in de gelegenheid kwamen
+zich door roemrijke daden te onderscheiden. Onder deze
+verdient eene eerste plaats de uitmuntende Kapitein <span class="smcap">jacob
+binckes</span> of <span class="smcap">benckes</span>, van <i>Koudum</i>, die, nadat hij de
+Algerijnsche zeeroovers had helpen tuchtigen, tweemalen
+als kommandeur met een smaldeel naar de <i>West-Indien</i>
+gezonden werd, waar hij vele kloeke daden bedreef, in 1673
+met <span class="smcap">evertsen</span> in <i>Virgini&euml;</i> grooten buit op de Engelschen
+behaalde, <i>New-York</i> of wel geheel <i>Nieuw-Nederland</i> op
+de Britten veroverde, en eindelijk &raquo;het eiland <i>Tabago</i> tot
+het schouwtooneel maakte eener dapperheid, die eerst de
+Franschen met schande deed wijken en daarna op den
+hem toevertrouwden post een roemrijken dood stierf&#8221;<a name="FNanchor_210"
+id="FNanchor_210"></a><a href="#Footnote_210" class="fnanchor">[210]</a>.</p>
+
+<hr class="c05" />
+
+<p>Terwijl het vaderland aldus van <span class="gesp">buiten</span> bedreigd
+werd door een geduchten vijand, die het tot eene tijdelijke
+overspanning van krachten dwong, welke het op
+den duur niet kon volhouden, was het van <span class="gesp">binnen</span><span
+class='pagenum'><a name="Page_260" id="Page_260">[260]</a></span>
+verre van rustig en voorspoedig gebleven. De republikeinsche
+geest der ingezetenen, die scherp acht gaf op
+de handelingen der regering, meende destijds niet zoo
+spoedig gebreken of misbruiken in het Staatsbestuur te
+ontwaren, of men school bijeen, gaf blijken van ernstig
+misnoegen, en deed de pogingen tot verbetering dikwijls
+vergezeld gaan van onrustige bewegingen, oploopen en
+soms wel van gewelddadigheden. Hierdoor werden de
+beste bedoelingen vaak bezoedeld of verijdeld, en de
+driften opgewekt der lagere volksklassen, van wier ruwe
+en ongebonden zeden in dit tijdvak wij vele voorbeelden
+zouden kunnen bijbrengen, welke geenszins tot eere
+strekken van dien goeden ouden tijd, dien wij waarlijk
+niet behoeven terug te wenschen<a name="FNanchor_211"
+id="FNanchor_211"></a><a href="#Footnote_211" class="fnanchor">[211]</a>.</p>
+
+<p><span class='pagenum'><a name="Page_261" id="Page_261">[261]</a></span>Zoo werden de steden <i>Leeuwarden</i> en <i>Franeker</i> in
+1657 grootelijks verontrust door burgergeschillen en
+klagten over de regeringsleden, die hevige verbittering
+hadden opgewekt, wegens het schenden van de reglementen
+en de vrijheden der ingezetenen, tegen wier
+belang eenige weinige staat- en baatzuchtige personen
+zich van het gezag hadden meester gemaakt. Met veel
+moeite en door het verleenen van nieuwe Reglementen
+van Raadsbestelling werden die onlusten door den Stadhouder
+en de Staten bevredigd<a name="FNanchor_212" id="FNanchor_212"></a><a
+href="#Footnote_212" class="fnanchor">[212]</a>. Een ander misbruik
+dier dagen was het verkoopen van de lands ambten en
+betrekkingen, zoo burgerlijke als militaire, welke de
+regenten en bijzonder de Gedeputeerde Staten, die ze beurtelings
+begaven, in weerwil van vroegere verbodsbepalingen,
+niet altijd aan de waardigste personen, maar veelal aan
+hen, die de hoogste som daarvoor aanboden, opdroegen.
+Het misnoegen hierover, in 1662 op nieuw ontstaan, gaf
+zelfs aanleiding, dat het Hof twee regenten daarover
+proces aandeed, waarom de Staten, na lange onderhandelingen,
+daartegen strenge verbodsbepalingen uitvaardigden,<span class='pagenum'><a name="Page_262" id="Page_262">[262]</a></span>
+en eene boete van 100 gouden Rijders op de
+overtreding daarvan vaststelden<a name="FNanchor_213" id="FNanchor_213"></a><a
+href="#Footnote_213" class="fnanchor">[213]</a>.</p>
+
+<p>Bij al deze bewegingen was het herhaaldelijk gebleken,
+welk eene vredelievende gezindheid en wijze gematigdheid
+den Stadhouder, Prins <span class="smcap">willem frederik</span> <i>van Nassau</i>,
+bezielde. Groot was dus het verlies, toen deze brave
+Vorst den Friezen in 1664 door den dood ontviel. Een
+droevig ongeluk was daarvan de oorzaak, en wel het
+losbranden van zijn eigen pistool, dat eerst weigerde af
+te gaan en daarna, toen hij naar de oorzaak daarvan
+wilde zien, hem met een kogel, onder de kin in en
+nevens het oog uit, dermate trof, dat hij, na het schrijven
+van brieven aan de Staten en den Prins van Oranje
+en het maken van schikkingen omtrent zijn huis, zeven
+dagen later op eene den Christen waardige wijze stierf.
+De Staten, die hem in 1659 de erfopvolging zijns
+zoons hadden verzekerd, overtuigd van zijne &raquo;loffelycke,
+meriten, treffelycke daden en singuliere groote diensten
+in de krygs-expeditien, selfs met gevaer van Lyf en Leven,
+voor het Vaderlandt gedaen,&#8221; huldigden zijne nagedachtenis
+mede door eene prachtige uitvaart bij zijne
+begrafenis op den 15 December, waartoe zij de onkosten
+met eene som van 16,000 Gld bestreden<a name="FNanchor_214"
+id="FNanchor_214"></a><a href="#Footnote_214" class="fnanchor">[214]</a>. Bovendien
+benoemden zij dadelijk zijnen minderjarigen zoon
+tot hunnen Stadhouder en Kapitein-Generaal, om deze<span class='pagenum'><a name="Page_263" id="Page_263">[263]</a></span>
+waardigheden op zijn 20<sup>e</sup> jaar te aanvaarden, hoewel hij
+nu reeds in het genot gesteld werd van het traktement.
+Zijne opvoeding droegen zij zijner moeder en voogdes,
+de voortreffelijke Prinses <span class="smcap">albertine agnes</span>, op, en deze
+kweet zich daarvan op eene zoo loffelijke wijze, dat de
+jonge Vorst eerlang blijken gaf, de hem bij voorraad
+opgedragene betrekkingen en zijne aanzienlijke afkomst
+allezins waardig te zijn<a name="FNanchor_215" id="FNanchor_215"></a><a href="#Footnote_215" class="fnanchor">[215]</a>.</p>
+
+<hr class="c05" />
+
+<p>Deze ramp werd nu verder gevolgd door eene rij van
+tegenspoeden, die het vaderland in het uiterste gevaar
+bragten, die den landzaat groote schade berokkenden,
+en die de regering en het volk tot eene krachtige inspanning
+en aanwending van alle vermogens opwekten.
+Een geweldige storm en springvloed veroorzaakten in December
+1665 talrijke dijkbreuken en eenen watervloed, zoo
+als <i>Friesland</i> sedert 1570 niet had ondervonden<a name="FNanchor_216"
+id="FNanchor_216"></a><a href="#Footnote_216" class="fnanchor">[216]</a>. Eene
+schrikkelijke pestziekte woedde, vooral in de steden, en
+rukte duizenden weg (1665, 1666)<a name="FNanchor_217" id="FNanchor_217"></a><a
+href="#Footnote_217" class="fnanchor">[217]</a>. De oorlog met
+<i>Engeland</i> (waarvan wij reeds hier v&oacute;&oacute;r gewaagden)
+dreigde heviger dan ooit, en noopte tot verbazende uitrustingen,
+wervingen en geldheffingen, onder bestendige
+wisseling van nederlagen en zegepralen. Doch niet enkel
+ter zee, ook te land werd <i>Nederland</i> gelijktijdig aangevallen
+en wel aan zijne minst versterkte oostzijde. De
+oorlogszuchtige <span class="smcap">christof bernhard van galen</span>, Bisschop
+van <i>Munster</i>, achtte zich door onzen Staat beleedigd,<span class='pagenum'><a name="Page_264" id="Page_264">[264]</a></span>
+viel de oostelijke grensplaatsen aan en veroverde de <i>Dijlerschans</i>,
+waaruit hij echter door onzen Stadhouder
+<span class="smcap">willem frederik</span> werd verdreven (Mei 1664). Uit wrok
+hierover bemagtigde hij een gedeelte van <i>Gelderland</i> en
+<i>Overijssel</i>, en, na het winnen der schans van <i>Rooveen</i>,
+stond hij weldra met 8,000 man aan de onbeschermde
+grenzen van <i>Friesland</i> (1665). Groot en algemeen was
+daarover hier de ontsteltenis en vrees, zoodat vele bewoners
+van het land met hunne goederen van waarde
+naar de steden vlugtten. Gelukkig kwam de Veldmaarschalk
+<span class="smcap">joan maurits</span> <i>van Nassau</i> weldra over zee herwaarts,
+stelde zich aan het hoofd der krijgsmagt, en
+wederstond den vijand, die door <i>Drenthe</i> in <i>Groningerland</i>
+was getrokken, met z&oacute;&oacute; gunstig gevolg, dat hij
+eerlang over de grenzen terugtrok, waarna in April 1666
+de vrede met den Bisschop werd gesloten<a name="FNanchor_218"
+id="FNanchor_218"></a><a href="#Footnote_218" class="fnanchor">[218]</a>.</p>
+
+
+<h4><i>De Oorlogen met Frankrijk.</i></h4>
+
+<p>Doch die vrede was kwalijk gemeend geweest, en,
+had hij eerst geheuld met <i>Engeland</i> tot vernedering
+van onzen Staat, wier grootheid en aanzien den nijd
+van alle naburen scheen opgewekt te hebben,&mdash;geene
+drie jaren verliepen er, of die zelfde Bisschop
+vond daartoe een bondgenoot in den hooghartigen en
+oorlogszuchtigen <span class="smcap">lodewijk</span> XIV, Koning van <i>Frankrijk</i>,
+die het evenzeer te doen was om de <i>Spaansche
+Nederlanden</i> (<i>Belgi&euml;</i>), welke hij in 1667 aan het
+hoofd van een leger van 47,000 man binnentrok. Wel
+scheen het drievoudig verbond tusschen <i>Nederland</i>, <i>Engeland</i>
+en <i>Zweden</i>, gelijk ook de vrede van <i>Aken</i> (1668)<span class='pagenum'><a name="Page_265" id="Page_265">[265]</a></span>
+aan den voortgang der Fransche wapenen een perk te
+stellen, en vleide men zich in ons land, dat de rust
+nu spoedig hersteld zou worden en dat men de zoo lang
+reeds verwaarloosde landmagt niet behoefde te versterken,&mdash;men
+bedroog zich zeer. Hoe gelukkig de staatkunde
+van <span class="smcap">de witt</span> ook vele gevaren wist af te wenden, het
+grootste gevaar had hij niet voorzien, gelijk ook niemand
+vooraf wilde of konde gelooven, dat de Franschen &raquo;oyt
+couragie souden hebben, om tegens soo machtige Bontgenoten
+in &#8217;t velt te durven komen.&#8221; De uitslag was
+echter geheel anders.</p>
+
+<p>De gekwetste eigenliefde en de roemzucht des jeugdigen
+Konings, die zoo vele grieven jegens <i>Nederland</i>
+meende te hebben; de krijgshaftigheid zijns volks; het
+aanzienlijk leger en de schatten, waarover hij te beschikken
+had, en de oorlogszucht zijner bekwame veldoversten&mdash;en
+daar tegenover onze zwakke landmagt en
+vervallene vestingen bij de afgunst der vijandiggezinde
+naburen&mdash;dit alles begunstigde zijn toeleg, om <i>Nederland</i>,
+het kostte wat het wilde, te veroveren. Daartoe
+wist <span class="smcap">lodewijk</span> eerst het drievoudig verbond te ontbinden,
+<i>Engeland</i> en <i>Zweden</i> aan Frankrijks belang te onderwerpen,
+en zich van de hulp te verzekeren van den
+Keurvorst van <i>Keulen</i>, van de Bisschoppen van <i>Munster</i>
+en <i>Osnabrug</i> en van den Hertog van <i>Brunswijk-Lunenburg</i>.
+Deze vereenigde magten hadden den ondergang
+besloten van <i>Nederland</i>, dat alzoo van alle uitzigt op
+hulp van buiten was verstoken. Hoe kon de uitslag van
+dien strijd twijfelachtig zijn? Hoe was het den Nederlanders
+mogelijk, ook bij de moedigste kracht-inspanning,
+zoo vele vijanden met hoop op gunstigen uitslag te wederstaan?
+Hoe gering die hoop ook ware en hoe zeker
+de ondergang des lands ook scheen&mdash;onze vaderen vertsaagden
+niet, wapenden zich moedig en vertrouwden<span class='pagenum'><a name="Page_266" id="Page_266">[266]</a></span>
+den uitslag aan God, dien zij in dezen hoogen nood
+vurig om hulp en verlossing smeekten.</p>
+
+<hr class="c05" />
+
+<p>Nadat <i>Frankrijk</i> en <i>Engeland</i> op den 7 April 1672
+aan <i>Nederland</i> den oorlog hadden verklaard, trok <span class="smcap">lodewijk</span>
+XIV in persoon aan het hoofd van een leger van
+ongeveer 140,000 man met ongemeene snelheid herwaarts,
+met oogmerk om <i>Holland</i> in eens binnen te
+dringen en de republiek in den hartader te treffen.
+Boven alle uitdrukking prachtig en ontzagverwekkend
+was dat leger, door veldoversten als <span class="smcap">cond&eacute;</span>, <span class="smcap">turenne</span> en
+<span class="smcap">de chamilly</span> aangevoerd. Wel hadden de Staten-Generaal,
+na hevige twisten, eindelijk den twee-en-twintigjarigen Prins
+<span class="smcap">willem</span> III het opperbevel over het krijgsvolk opgedragen
+en de zoo lang uitgestelde wervingen bevolen; doch
+v&oacute;&oacute;r hij met een veldleger van 17,000 man naar de
+oostelijke grenzen kon trekken, stroomden de Munstersche
+en Keulsche troepen <i>Overijssel</i> binnen, waren de
+steden en vestingen aan den Rijn veroverd en stond
+<span class="smcap">lodewijk</span> op onze grenzen om den Rijn over te trekken.
+Bij dezen overtogt, waartoe men op den 12 Junij
+eene doorwaadbare plaats had gekozen bij het Tolhuis,
+niet ver van <i>Lobith</i> en de Kleefsche grenzen, had echter
+een merkwaardig voorval plaats, dat ik hier wil verhalen,
+ook omdat het de eer van der Friezen naam verhoogde
+te midden van de smadelijke vernedering des vaderlands.</p>
+
+<p>Nadat de bevelhebber van ons verdedigings-leger in de
+<i>Betuwe</i>, <span class="smcap">de montbas</span>, zijne stellingen aan den Rijn op
+eene verdachte wijze had verlaten, werd de Veldmaarschalk
+<span class="smcap">wirtz</span> door den <i>Prins van Oranje</i> naar den
+post bij het Tolhuis gezonden. Hij had onder zijn bevel
+de vier regimenten ruiterij van <span class="smcap">kingma</span>, <span class="smcap">haersolte</span>, <span class="smcap">la
+lecq</span> en <span class="smcap">joseph</span>, en ontmoette hier het regiment voetvolk
+van <span class="smcap">aylva</span>. <span class="smcap">de montbas</span> had
+dit laatste doen aftrekken<span class='pagenum'><a name="Page_267" id="Page_267">[267]</a></span>
+naar <i>Nijmegen</i>. De bevelhebber dezer vesting,
+overtuigd van het belang van den post bij het Tolhuis,
+zond deze Friezen echter terug, en, nadat ze op nieuw
+naar <i>Nijmegen</i> waren gezonden, wederom naar het
+Tolhuis, waar zij afgemat<a name="FNanchor_219" id="FNanchor_219"></a><a
+href="#Footnote_219" class="fnanchor">[219]</a> aankwamen op het oogenblik,
+dat de overtogt der Franschen was begonnen.
+De ruiterij van <span class="smcap">wirtz</span> trachtte dit te verhinderen, door
+hevig op de Franschen te vuren. Vruchteloos deed hij
+op den door het water trekkenden vijand een aanval,
+doch door het vijandelijk kanonvuur bestookt, trok hij
+terug en nam met al zijne kavalerie de vlugt. Het regiment
+van <span class="smcap">aylva</span>, dat <span class="smcap">wirtz</span> krachtig had ondersteund,
+was nu aan zich zelf overgelaten, en zag het nuttelooze
+van verderen tegenstand in, nu de talrijke vijand eenmaal
+den oever had bereikt. Zij willen echter niet
+vlugten, maar besluiten de wapenen neder te leggen,
+zich aan den vijand over te geven en van hem lijfsbehoud
+te vragen. <span class="smcap">Cond&eacute;</span> staat hun dit verlangen onvoorwaardelijk
+toe. Daar staan zij nu geschaard met hun afgelegd
+geweer aan hunne voeten, in het volle vertrouwen, dat
+zij, na zich vruchteloos van hunnen pligt te hebben
+gekweten, niets van den vijand hebben te vreezen. Doch,
+wat zien zij? Daar vliegt de Hertog <span class="smcap">de longueville</span>,
+wien nog geene gelegenheid tot eenig wapenfeit was gegeven,
+gevolgd door een stoet van Edelen, ijlings aan
+op hen, die daar rustig staan. Zij zien den dollen hoop
+op zich toerijden en denken aan verraad. Zelfs zien zij
+een hunner officieren (waarschijnlijk afgezonden om te<span class='pagenum'><a name="Page_268" id="Page_268">[268]</a></span>
+vernemen, of men zich aan &#8217;t woord des Generaals houden
+mag) door <span class="smcap">de longueville</span> met eene pistool treffen, en
+nu is hun besluit genomen, hun leven zoo duur mogelijk
+te verkoopen. Immers, het is op voorwaarde van lijfsbehoud,
+dat zij de wapenen nederlegden? Nu zij bedreigd
+worden, hebben zij het regt die weder op te
+vatten.</p>
+
+<p>In de uiterste verwarring schieten zij op den toesnellenden
+brooddronken hoop in, en ontstaat er een moorddadig
+gevecht. Maar voor de laatsten, die bij den tot
+dusver gunstig geslaagden togt altijd lachten, is nu de ure
+des geweens gekomen. Hoe vermoeid en verontwaardigd
+de Friezen ook waren, zij treffen zeker. <span class="smcap">De longueville</span>,
+de aanvoerder, de volle neef van <span class="smcap">cond&eacute;</span>, stort terneder.
+Aan zijne zijde valt <span class="smcap">guitri</span>, Grootmeester der koninklijke
+garderobe; de Graven <span class="smcap">du plessis</span>, <span class="smcap">de theobon</span>, de Heeren
+<span class="smcap">boury</span>, <span class="smcap">d&#8217;aubusson</span>,
+<span class="smcap">de la force</span>, <span class="smcap">de la salle</span>&mdash;allen
+vinden hier hunnen dood. Vele Prinsen, Hertogen,
+Graven en aanzienlijke Edelen ontvangen wonden, waarvan
+bijna niemand hunner later geheel herstelde.</p>
+
+<p><span class="smcap">Cond&eacute;</span>, het hoofd der gansche arm&eacute;e, dat vreeselijk
+schieten hoorende, vliegt toe en gebiedt stilte; maar te
+vergeefs tracht hij dit bloedbad te stuiten. Een onzer
+officieren, <span class="smcap">ossenbroek</span> of <span class="smcap">hasebroek</span>, trekt de pistool,
+mikt op <span class="smcap">cond&eacute;</span>, die wel het schot ontwijkt, maar te gelijker
+tijd zijn arm, verbrijzeld, aan zijne zijde voelt
+nederzinken. De wond, die hij voelt, het verlies van
+zijn neef en het onverwachte van dezen aanval maken
+hem woedend; en, in plaats van nu nog een einde te
+maken aan dit gevecht, gebiedt hij thans de aansnellende
+troepen met alle magt op de onzen los te rukken. Nu
+wordt de strijd hernieuwd. &raquo;De Fransche Cavallerye
+barsten met een groote verwoetheyt los, en vallen met
+sulken furie als desperate menschen op dese Vriesen<span class='pagenum'><a name="Page_269" id="Page_269">[269]</a></span>
+aan, die vigoureuse Resistentie bieden.&#8221; Doch wat
+baatte dezen hun heldenmoed, tegen zulk eene aanzienlijke
+overmagt? Zij bezwijken weldra, terwijl de
+meesten hun leven duur verkoopen. <span class="smcap">Lodewijk</span> ziet het
+verschrikkelijke lot der zijnen, en, stampvoetende van
+spijt en ongeduld, verwenscht hij het oogenblik, waarin
+hij eene onderneming begon, die hem, pas op den vijandelijken
+bodem getreden, nu reeds meer edellieden en
+aanvoerders kostte dan menige veldslag.</p>
+
+<p>Van het schoone regiment <span class="smcap">van aylva</span> bleef ten laatste,
+na langdurige worsteling, niet meer dan een klein hoopje
+over. De namen van eenige hunner aanvoerders zijn ons
+opgeteekend. Het waren de twee Kapiteins <span class="smcap">andries van
+velsen</span> en <span class="smcap">duco van hemmema</span>; vijf Luitenants: <span class="smcap">douwe
+van eppema</span>, <span class="smcap">hajo twingbergen</span>, <span class="smcap">barent hekman</span>, <span class="smcap">bavius
+rommeda</span> en <span class="smcap">joh. bechius</span>; drie Vaandrigs: <span class="smcap">frederik van
+ockinga</span>, <span class="smcap">tarquinius beintema</span> en <span class="smcap">jan duden</span>, met nog
+4 Sergeanten en 105 Soldaten. Zij werden allen naar
+<i>Emmerik</i> gevoerd, waar zij zich langer dan twee maanden
+met water en brood moesten behelpen. De gesneuvelde
+helden rusten hier op een thans vergeten akker.
+Indien zulke mannen door den verraderlijken <span class="smcap">de montbas</span>
+niet tot viermalen heen en weder gedreven en niet afgemat
+en te laat aangekomen waren, om den overtogt
+te verhinderen&mdash;gewis zij zouden als <span class="smcap">leonidas</span> met zijne
+dapperen dezen toegang tot hun vaderland ligt met zoo
+veel eer verdedigd hebben als die Spartanen. Zij zouden
+misschien den Franschen Koning teruggeworpen hebben.
+Dan zeker prijkte aan den Rijn eene eernaald op hun
+graf; nu rusten ze ongekend en vergeten.</p>
+
+<p>Maar deze dappere Friezen verdienen niet vergeten te
+worden: want deze gebeurtenis, als heldenfeit reeds
+belangrijk op zich zelve, had buitendien twee gevolgen,
+welke, op d&aacute;t oogenblik, voor het vaderland van groot<span class='pagenum'><a name="Page_270" id="Page_270">[270]</a></span>
+gewigt waren. Hun moedig gedrag maakte een diepen
+indruk op de overmoedige Fransche grooten, die den
+togt ter verovering van <i>Nederland</i> als een speeltogtje
+beschouwden, en werkelijk, zoolang het leger in aantogt
+was, weinig tegenstand ontmoetten en geringe verliezen
+leden; doch die hier, bij den eersten tred op onzen
+bodem, al dadelijk met de eersten van den adel in rouw
+werden gedompeld. Het tweede voordeel, hierdoor te
+weeg gebragt, bestond d&aacute;&aacute;rin, dat <span class="smcap">cond&eacute;</span> hier de eenige
+wond ontving, welke hij in al zijne veldtogten heeft
+bekomen, waardoor hij langer dan twee maanden te
+<i>Emmerik</i> aan zijne legerstede geboeid en buiten gevecht
+bleef, waardoor zijn plan mislukte, om met 20,000
+ruiters, ieder met een soldaat achter zich op het paard,
+regelregt op <i>Amsterdam</i> aan te rukken, en deze stad,
+van waar alle verdedigings-middelen toen naar elders
+waren verzonden, te overrompelen, om in eens zeker te
+zijn van den val der gansche republiek<a name="FNanchor_220"
+id="FNanchor_220"></a><a href="#Footnote_220" class="fnanchor">[220]</a>. Dat zulk
+een plan verijdeld werd door dit schot, en dat de Voorzienigheid
+door dezen tegenspoed des vijands een eerste blijk
+gaf van hulp en bescherming,&mdash;ook dit gaf den vaderen
+moed in hun benarden toestand en kracht om dien vijand
+te wederstaan, bij groot gewin van tijd, om zich in staat
+van tegenweer te stellen. D&aacute;&aacute;rom blijve dit weinig bekende
+feit in geheugenis. D&aacute;&aacute;rom blijven wij deze vaderlandsche
+helden vereeren! (Zie verder <i><a href="#Aant24">Aanteekening 24</a></i>.)</p>
+
+<p><span class='pagenum'><a name="Page_271" id="Page_271">[271]</a></span>Bij
+het voortrukken van de Franschen had Prins <span class="smcap">willem</span>
+III <i>Overijssel</i> verlaten en zich naar <i>Holland</i> begeven,
+ten einde de oostelijke grenzen dier provincie te bezetten
+en te verdedigen tegen den vijand. Hij had te gelijk den
+Luitenant-Generaal <span class="smcap">hans willem</span> <i>Baron</i> <span class="smcap">van aylva</span> met zijne
+overige benden naar <i>Friesland</i> gezonden, ten einde zich
+geheel te wijden aan de bescherming van dit gewest.
+Doch naauwelijks was deze te <i>Leeuwarden</i> aangekomen,
+of hem volgde het berigt, dat alle Overijsselsche steden
+zich schandelijk hadden overgegeven, en dat de Munstersche
+en Keulsche benden zich door <i>Drenthe</i> naar
+<i>Koevorden</i> en <i>Groningen</i> hadden gewend en op de
+grenzen stonden van <i>Friesland</i>. Algemeene verslagenheid
+maakte zich van aller gemoederen meester; de steden
+waren onbevestigd en van alles onvoorzien, de troepen
+moedeloos; het geheele land was vol verwarring en vrees.
+Men noemde de regering radeloos, het volk redeloos,
+het land reddeloos.&mdash;In plaats van vertrouwen op- was
+er hevige verbittering tegen het landsbestuur, dat, door
+het verwaarloozen van de landmagt en van de verdedigings-werken,
+den vijand zoo zeer ruim baan had gegeven;
+terwijl het voetstoots overgaan van zoo vele steden
+en sterkten het vermoeden van gepleegd verraad opwekte.
+Vele ingezetenen van het platte land vlugtten naar de
+steden, waar alles in verwarring verkeerde: want elk was
+verlegen en verwachtte ieder oogenblik den vijand.</p>
+
+<p>In dezen hoogen nood verzochten Gedeputeerde Staten
+de Raden van den Hove, om hen met raad en daad bij
+te staan, waarop beide aanzienlijke collegi&euml;n in den nacht
+van den 13<sup>e</sup> en 14<sup>e</sup> Junij 1672 in stilte bijeenkwamen,
+om over den gevaarlijken toestand der provincie te raadplegen.
+Hier gold het de keus tusschen deze twee uitersten:
+of men zich gemeenschappelijk en met alle krachten tegen
+den vijand zou verdedigen, dan of men door eene<span class='pagenum'><a name="Page_272" id="Page_272">[272]</a></span>
+provinciale capitulatie, op gunstige voorwaarden, zich uit
+deze onheilen zoude redden. Die keus was voor Friezen niet
+lang twijfelachtig. Met ter zijde stelling van alle bezwaren,
+nam men &raquo;een animeuse en cordate resolutie, om
+tot behout van Religie en Vryheyt, voor haardsteden
+en altaren met gesamentlijke hand het uyterste te wagen,
+en goet en bloet tot den laatsten effort te spendeeren&#8221;<a name="FNanchor_221"
+id="FNanchor_221"></a><a href="#Footnote_221" class="fnanchor">[221]</a>.
+Men zond dadelijk afgevaardigden uit,
+om in <i>Holland</i> en <i>Groningen</i> hulp te erlangen, welke
+echter door niemand werd verleend. Men was dus geheel
+aan eigene krachten overgelaten. De onmiddellijk bijeengeroepen
+Staten, die reeds vroeger vast- en bededagen uitgeschreven
+en eene geldleening van eenige tonnen gouds geopend
+hadden, benoemden nu eene commissie, die met het
+nemen van maatregelen tot verdediging dezer provincie
+werd belast. Zij kon echter over geene grootere magt beschikken,
+dan over 22 compagni&euml;n voetvolk en 15 &agrave; 16
+compagni&euml;n ruiterij, waarmede het gansche gewest op
+alle punten bezet en de aanvallen des vijands afgewend
+moesten worden. Hoe geringe magt bij zoo moeijelijke
+taak! Spoedig riep men dus de vroeger uitgeschrevene
+ligting van 3,000 man burgers in de wapenen. De
+Bevelhebbers van <i>Leeuwarden</i>, die in den nacht dadelijk
+met den Magistraat, Vroedschap en Predikanten maatregelen
+hadden beraamd, boden zich aan, om met de geheele
+burgerij uit te trekken; doch bij voorraad werd dit getal bepaald
+op 250 man, die in 3 compagni&euml;n, benevens eene
+compagnie vrijwilligers, reeds den volgenden dag &raquo;met ongemeene
+couragie en vreugde uyt marcheerden naar <i>Heerenveen</i>.&#8221;
+Zulk een voorbeeld der Hoofdstad verdreef alle
+verslagenheid: want door &raquo;dit manmoedig Exempel der
+Stede <i>Leeuwarden</i> raakten alle andere Steden in <i>Vriesland</i><span
+class='pagenum'><a name="Page_273" id="Page_273">[273]</a></span>
+te gelijk met de Huysluyden ten platten lande, om mede
+in de wapenen te komen, dapper gaande. Geheele
+Grietenyen boden sich gewillig aan.&#8221; Allen voegden
+zich bij het krijgsvolk van <span class="smcap">aylva</span>, ten einde &raquo;een Legertjen
+te formeeren, om daar mede den Vyand te verwachten,
+en te betoonen, dat sy noch van &#8217;t rechte
+bloet der oude en beroemde Vriesen waren, die in
+stantvastigheyt alle Nati&euml;n overtroffen&#8221;<a name="FNanchor_222"
+id="FNanchor_222"></a><a href="#Footnote_222" class="fnanchor">[222]</a>. Dit leger werd
+door <span class="smcap">aylva</span> met veel voorzigtigheid gebruikt en op de
+grenzen bestendig in beweging gehouden, zoodat zelfs
+geen officier kennis droeg van de sterkte dezer magt,
+welke den vijand groot ontzag inboezemde.</p>
+
+<p>In allerijl werden nu ook de Buiten-fortificati&euml;n der
+provincie, of de schansen <i>Munnekezijl</i>, <i>Friesche palen</i>,
+<i>Zwartedijk</i>, <i>Bredenberg</i>, <i>Bekhof</i> of <i>Bekaf</i>, bij de
+<i>Schoterbrug</i> enz. hersteld en met krijgsbehoeften en
+manschap voorzien. Aan de drie hoofdwegen werden er
+nieuwe verschansingen opgeworpen, als bij de <i>Blessebrug</i>,
+aan de Wetering tegenover de <i>Oudeschouw</i>, te <i>Gorredijk</i>
+en twee aan den Zwarteweg op een uur afstands van
+<i>Leeuwarden</i>, welke laatste de namen ontvingen van
+<i>Albertine Agnes</i> en <i>Hendrik Casimir</i><a name="FNanchor_223"
+id="FNanchor_223"></a><a href="#Footnote_223" class="fnanchor">[223]</a>. Een dergelijk
+retranchement werd ook aangelegd te <i>Heerenveen</i>,
+waar de Generaal <span class="smcap">aylva</span>, die met genoemde commissie
+alles bestuurde, een hoofdkwartier vestigde. Een ander
+hoofdkwartier legde hij te <i>Bergum</i>, van waar hij zijne
+voorposten uitzette aan den hoofdweg op de Suameerder
+heide, waar deze zich verschansingen opwierpen. Met
+veel grond had men toch van de talrijke belegeraars<span class='pagenum'><a name="Page_274" id="Page_274">[274]</a></span>
+van <i>Groningen</i> een uitval in deze provincie te wachten,
+daar de Bisschop besloten had, eerst <i>Groningen</i> te bemagtigen
+en intusschen <i>Friesland</i> met 3 &agrave; 4,000 man
+bestendig in alarm te houden. Werkelijk had zulk
+een uitval reeds den 26 Julij plaats. Na in het Wester-kwartier
+van <i>Groningen</i> hunne plunder- en roofzucht
+betoond te hebben, trokken 13 standaarden bisschoppelijke
+ruiters over <i>Duurswoude</i> naar <i>Dragten</i>, aan welks
+zuidzijde zich eene brandwacht bevond, die, op het zien
+van de groote magt des vijands, naar de voorposten op
+de heide terugtrok. Deze, alzoo van het naderend gevaar
+verwittigd, gorden zich aan, trekken den vijand
+kloekmoedig tegen, waarna de vooruitrukkende ruiters,
+nabij <i>Nijega</i>, spoedig met de Bisschoppelijken slaags
+geraken. Deze, veinzende terug te trekken, lokken de
+Friezen in eene hinderlaag, waar een aantal soldaten in
+het koren verborgen ligt. Doch nu ondersteunt het
+Friesche voetvolk de ruiterij met zooveel dapperheid,
+dat zij, na een hevig gevecht, de benden des Bisschops
+met een verlies van 150 man terugdrijven, waarbij zij
+slechts 25 man verloren<a name="FNanchor_224" id="FNanchor_224"></a><a href="#Footnote_224" class="fnanchor">[224]</a>.</p>
+
+<p>De gunstige uitslag van deze eerste aanraking met
+den vijand versterkte den moed der ingezetenen en van
+het gansche verdedigings-leger in geene geringe mate.
+Bovendien waren de Friezen onbekrompen genoeg, om,
+hoezeer zij aan zich zelve waren overgelaten, in den
+hoogsten nood het fel benarde <i>Groningen</i> nog bijstand
+te bieden met 230 soldaten, 20,000 pond buskruid en
+2,000 Gld. geld, alsmede met een konvooi ruiterij,<span class='pagenum'><a name="Page_275" id="Page_275">[275]</a></span>
+waarmede de Generaal <span class="smcap">aylva</span> zelf die stad den 14 Augustus
+bezocht<a name="FNanchor_225" id="FNanchor_225"></a><a href="#Footnote_225"
+class="fnanchor">[225]</a>. Men vreesde toen echter, dat de
+vijand ook aan de zuidzijde, van uit <i>Steenwijk</i>, een
+aanval op <i>Friesland</i> zou wagen. En inderdaad had deze
+plaats. Nadat de Munsterschen eenige ruiterij naar <i>Heerenveen</i>
+hadden gezonden tot verkenning, en deze door
+de onzen waren gevangen genomen, vielen zij in den
+nacht van den 18 en 19 Augustus op de schans van
+dit hoofdkwartier met groote hevigheid aan. Moedig teruggeslagen,
+herhalen zij nog twee malen den storm, doch
+worden door onze dappere verdedigers op nieuw wederstaan,
+zoodat zij met schade den terugtogt moesten
+aannemen<a name="FNanchor_226" id="FNanchor_226"></a><a href="#Footnote_226" class="fnanchor">[226]</a>.</p>
+
+<p>Na den vijand alzoo tweewerf tegenstand geboden en
+teruggeslagen te hebben, had men zelfs den moed,
+hem in het veroverde <i>Overijssel</i> aan te vallen en verliezen
+toe te brengen. Ofschoon eene poging van <span class="smcap">aylva</span>,
+om met 1200 man <i>de Kuinder</i> te veroveren, door het
+spoedig naderen van ontzet uit <i>Kampen</i> en <i>Zwolle</i> mislukte,
+liet men zich daardoor niet afschrikken. Ook om
+ontzag in te boezemen, wilde men een stouten aanslag
+wagen. Hiertoe werd in de maand Augustus het kleine,
+doch met zes bolwerken versterkte <i>Blokzyl</i> gekozen.
+Na geheime onderhandelingen met ingezetenen dier plaats,
+die reeds den Bevelhebber geweigerd hadden, zich door
+een eed aan den Bisschop van <i>Munster</i> te verbinden,
+waarom hij grootere bezetting had ingenomen, werden
+den 23 Augustus 450 van de moedigste Friesche soldaten
+en schutters, onder geleide van <span class="smcap">dirk van baerdt</span>,
+Grietman<span class='pagenum'><a name="Page_276" id="Page_276">[276]</a></span>
+van <i>West-Stellingwerf</i> en Lid van Gedeputeerden, en
+onder het bevel van den Kapitein <span class="smcap">albert christoffel
+van hania</span>, over de Zuiderzee derwaarts gevoerd. Te
+<i>Blankenham</i>, op een uur afstands van <i>Blokzijl</i>, treden
+zij aan land, en weldra trekt de Munstersche bevelhebber
+hen met 300 man en twee veldstukken te gemoet. De
+Friezen vallen hem aan, en, na een hevig gevecht, gelukt
+het hun, hem met zoo veel overhaasting terug te slaan
+naar de schans, dat hij naauwelijks den tijd heeft de poort
+te sluiten voor zijne vervolgers, die mede pogen binnen
+te dringen. De gewapende burgers weigeren niet alleen
+den bevelhebber, om met hem de aanvallers te we&ecirc;rstaan,
+maar ze dwingen hem zelfs de sterkte over te
+geven. Zij besluiten alles tot hunne bevrijding te wagen,
+jagen de Munsterschen van de wallen en kappen de Kuinderpoort
+open, terwijl intusschen de moedige Friezen de
+schans hevig aanvallen en door gracht en poort binnendringen.
+De vijand vlugt ter Zuiderpoort uit, maar laat,
+fel vervolgd en beschoten, nog menige doode achter, en
+daaronder ook den Kommandant, die, toen hij zich met de
+vlugt dacht te redden, door een Fries wordt doorschoten.</p>
+
+<p>&raquo;Alsoo is de Fortresse <i>Blokzijl</i> door de wonderlijke
+bestieringe des Almogenden Gods, en de overgroote
+couragie der Vriesche Officieren ende Soldaten, als mede
+door de voorsichtige hulpe en bystand van de Burgeren,
+op den 23. Augusti, anno 1672. gewonnen, en in
+haar oude Vryheyt gestelt. <i>Vollenhoven</i> is ook daar op
+van de Vyanden verlaten.&#8221; De vroeger tweemalen te
+vergeefs aangevallene sterke <i>Kuinder-schans</i> werd daardoor
+mede gedrongen, zich aan de Friezen over te geven.</p>
+
+<p>Wij hebben dit merkwaardige wapenfeit in het bijzonder
+vermeld, omdat, nog v&oacute;&oacute;r de verlossing van <i>Groningen</i>,
+&raquo;het kleine <i>Blokzijl</i> zich de eer verwierf, van <i>het eerst
+van alle Nederlandsche steden</i>, het juk der vreemde<span class='pagenum'><a name="Page_277" id="Page_277">[277]</a></span>
+overheersching, door eigene dapperheid en de hulp der
+Friezen, te hebben afgeworpen&#8221;<a name="FNanchor_227" id="FNanchor_227"></a><a
+href="#Footnote_227" class="fnanchor">[227]</a>. De moed, om den
+vijand met goed gevolg te wederstaan en deze provincie
+verder te beveiligen, werd hierdoor zeer verlevendigd,
+en nog meer door de bevrijding van <i>Groningen</i>. Zelfs
+wil men, dat dit feit en de magt, welke <span class="smcap">aylva</span> verder
+ontwikkelde, mede hebben bijgedragen, om den vijand
+het beleg van <i>Groningen</i> (28 Aug.) te doen opbreken.</p>
+
+<p class="blankline">Toen deze voordeelen werden behaald, had er echter
+in <i>Friesland</i> eene algemeene volkswapening plaats gehad,
+en was er eene belangrijke gebeurtenis voorgevallen,
+welke groote gevolgen had. Wij willen den loop dier
+omstandigheden, uit veelvuldige stukken van dien tijd,
+zoo kort mogelijk verhalen.</p>
+
+<hr class="c05" />
+
+<p>Reeds hebben wij te kennen gegeven, dat de oorzaak
+van &#8217;s lands ongeval door vele burgers werd geweten
+aan de Regenten. De handelingen van velen hunner
+hadden het misnoegen der gemeente zoodanig opgewekt,
+dat zij het vertrouwen verloren hadden, en bedreigd
+werden met de blijken eener verbittering, welke reeds
+den 21 Junij het onstuimig gemeen van en omtrent
+<i>Sneek</i> het huis van den Grietman van <i>Wymbritseradeel</i>
+te <i>Ysbrechtum</i> deed plunderen. Niet genoeg, dat overmagtige
+vijanden dit gewest van buiten met ondergang
+bedreigden&mdash;nog grootere ramp scheen den lande te gelijker
+tijd van binnen beschoren te zijn, door het misnoegen<span class='pagenum'><a name="Page_278" id="Page_278">[278]</a></span>
+des volks tegen het gezag en door de verdeeldheid van
+de Staatsleden onderling, welke eerlang tot eene ontzettende
+hoogte stegen.</p>
+
+<p>Naauwelijks was op den 6 Julij te <i>Leeuwarden</i> het
+berigt ontvangen, dat ook de sterke, ja bijna onwinbaar
+geachte, vesting <i>Koevorden</i> zich zonder tegenstand aan
+den Bisschop had overgegeven, of de ontsteltenis en
+wrevel der burgers bedreigde de algemeene rust. Men
+school bijeen en maakte elkander het hoofd warm door
+het opsommen van allerlei grieven en bezwaren zoowel
+tegen de stads- als landsregering. Op aansporing van
+eenige predikanten en van den Hervormden Kerkeraad
+kwamen ruim 60 burgers op den Stads Schutters-Doelen
+bijeen, die een Voorzitter en Schrijver benoemden en
+eenige punten ten papiere bragten, welke zij oordeelden,
+dat tot herstel van de vervallene zaken noodwendig in
+acht genomen moesten worden. Zij vaardigden daarmede
+eenigen hunner af naar Prinses <span class="smcap">albertine</span>, de Staten en
+den Magistraat, en verwierven eenig gehoor, zoodat het
+besluit werd genomen, om in den uitersten nood de
+gansche provincie onder water te zetten. Ook de Prinses
+diende bij de Staten eene memorie in, bevattende voorslagen
+tot beveiliging van het bedreigde vaderland<a name="FNanchor_228"
+id="FNanchor_228"></a><a href="#Footnote_228" class="fnanchor">[228]</a>.
+Intusschen groeide het getal misnoegden, dat op den
+Doelen vergaderde, tot 2 &agrave; 300 personen aan, die zeven
+punten aan de Stedelijke Regering voorstelden tot afwering
+van het klimmende gevaar. Deze stelde de gemeente
+gerust door zoo veel mogelijk in te willigen, met
+bepaling, dat ook de andere Steden daarover moesten verstaan
+worden, weshalve afgevaardigden daarvan op den
+11 Julij te <i>Leeuwarden</i> werden bijeengeroepen. Elf
+punten stelden deze vast, welke door Gecommitteerden<span class='pagenum'><a name="Page_279" id="Page_279">[279]</a></span>
+aan de Staten werden overgebragt. Gelijktijdig vergaderden
+ook de Predikanten der Klassis van <i>Leeuwarden</i>,
+die op den 12 Julij alle Predikanten van <i>Friesland</i> in
+de hoofdstad ontboden, om zich de zaken des lands aan
+te trekken, en om, in overeenstemming met de stedelijke
+besturen, voorstellen tot verbetering en redding te doen.
+Een getal van niet minder dan 150 leeraren verscheen
+er, en begaf zich in statigen optogt naar het Landshuis,
+waar zij, bij monde van den moedigen, later zoo
+beroemden, <span class="smcap">balthasar bekker</span>, destijds Predikant te <i>Franeker</i>,
+aan de Staten te kennen gaven, &raquo;hoe groot de
+misbruiken waren, in Kerk en Staat ingeslopen; dat het
+verval van den Staat voornamelijk was veroorzaakt door
+het goddeloos ambtverkoopen, waardoor de gemeente
+bijna werd uitgeput en de rijkdommen gebragt onder
+eenige weinige personen, die aan het roer der regering
+zaten, zoodat er Grietmannen waren, die drie of vier van
+de aanzienlijkste ambten bedienden; dat men alzoo de
+betrekkingen niet gaf aan de bekwaamsten, maar aan
+hen, die daarvoor het meeste geld boden, ja zelfs aan
+kinderen, die den lande geen dienst konden doen; dat
+kunsten en wetenschappen niet werden gevoed, maar
+uitgebluscht, en dat men alzoo aan middelen van reformatie
+diende te denken tot afwering van den nakenden
+ondergang van den Staat, en bijzonder tot aanstelling
+van een generaal hoofd&#8221; enz. Verder leverden zij eene
+uitvoerige Deductie in, over wier inhoud zij ook des
+anderen daags, van &#8217;s morgens tot &#8217;s avonds, met de
+Staten beraadslaagden<a name="FNanchor_229" id="FNanchor_229"></a><a href="#Footnote_229" class="fnanchor">[229]</a>.</p>
+
+<p><span class='pagenum'><a name="Page_280" id="Page_280">[280]</a></span>Het behaagde den Staten aan den laatst geuiten wensch,
+ook door de Vergadering op den Doelen voorgesteld,
+dadelijk te voldoen, en op den 13 Julij Zijne Vorstelijke
+Doorluchtigheid Prins <span class="smcap">hendrik casimir</span> <i>van Nassau</i> te
+ontheffen van het afwachten zijns ouderdoms van twintig
+jaren, en &raquo;te stellen in de dadelycke functie ende poscessie
+van het Stadthouderschap ende Capiteinschap
+Generaal dezer Provincie&#8221; enz.<a name="FNanchor_230"
+id="FNanchor_230"></a><a href="#Footnote_230" class="fnanchor">[230]</a> De jeugdige Vorst,
+die naauwelijks den ouderdom van 15 en een half jaar
+bereikt had, doch reeds den 8 Junij te vergeefs aan de
+Staten verzocht had, om in zijn rang als Kolonel tegen
+de Franschen te velde te mogen trekken, werd daarop
+dadelijk van het Hof gehaald, legde den eed af en werd
+nog dien zelfden dag in het Collegie van Gedeputeerde
+Staten en in het Hof Provinciaal ingeleid, en met gelukwenschen
+begroet, in de hoop, dat men van deze
+bevordering &raquo;alles goeds voor den dienst ende welstandt
+van den Lande onder Godes genadigen zeegen mogt
+verwachten.&#8221;</p>
+
+<p>Deze gebeurtenis gaf algemeen genoegen, en had vooreerst
+dit gelukkig gevolg, dat de overige nog onverhoorde
+klagten der ingezetenen zoo lang tot zwijgen gebragt
+werden, dat de middelen tot landverdediging met gepaste
+zorg konden worden aangewend. Want reeds op den
+volgenden dag werd, op aandrang der Steden, het ligten
+van den derden man bevolen en dadelijk uitgevoerd.
+Op eens werden er alzoo nog 3000 man in de wapenen
+geroepen, om voor eene maand tot versterking van het
+leger of van de schansen te strekken en daarna afgelost
+te worden. Den 22 Julij trokken vier compagni&euml;n burgers<span class='pagenum'><a name="Page_281" id="Page_281">[281]</a></span>
+van <i>Leeuwarden</i> uit; twee compagni&euml;n (mede ieder van
+ruim 100 man) volgden later; den 20 Augustus werden
+allen door op nieuw uitgelote burgers vervangen, die
+zich naar de <i>Oudeschouw</i> en tusschen <i>Garijp</i> en <i>Tietjerk</i>
+begaven. Eerst thans werden ook de wallen der hoofdstad,
+die reeds in den vorigen jare in staat van beleg
+was gesteld, en tot wier versterking de Staten reeds in
+Mei 24,000 Gld. hadden toegezegd, met kracht van arbeid
+verhoogd en verbeterd<a name="FNanchor_231" id="FNanchor_231"></a><a
+href="#Footnote_231" class="fnanchor">[231]</a>. Nu was er ontzag voor de
+regering en ijver in de uitvoering; de verslagenheid en
+vrees, welke de krachten weder hadden verlamd, maakten
+plaats voor moed en inspanning, en in het overige
+der maanden Julij en Augustus betoonde het volk zich
+rustig van binnen en krachtig naar buiten. De jeugdige
+Stadhouder, in staatszaken door zijne verstandige moeder
+gesteund en in krijgszaken onderwezen en voorgelicht door
+een man als <span class="smcap">aylva</span>, mogt een zeer gunstigen invloed uitoefenen;
+en met welk een gelukkig gevolg de door vreemde
+benden overal omringde Friezen den vijand nu wederstand
+boden, ja zelfs aanvielen en verdreven&mdash;daarvan hebben
+wij hier v&oacute;&oacute;r reeds uitstekende bewijzen medegedeeld.
+<span class="smcap">Aylva</span> bevond zich met het hoofdleger meest te <i>Heerenveen</i>,
+en zag zijne magt door de genomene maatregelen
+zoodanig versterkt, dat deze, tegen het einde van Augustus,
+op omstreeks 8,000 man aan troepen, behalve nog 5,000 gewapende
+landlieden werd geschat. Hij, die met den bijnaam
+van &raquo;de ontzaggelijke Generaal&#8221; was vereerd, nam alle
+mogelijke maatregelen, om <i>Friesland</i> voor een inval des
+vijands te vrijwaren: sluizen werden opengezet, polders
+en bedijkte landen ge&iuml;nundeerd, en veldverschansingen<span class='pagenum'><a name="Page_282" id="Page_282">[282]</a></span>
+opgeworpen, die de zoogenaamde <i>Friesche linie</i> uitmaakten.
+Deze linie begon van de <i>Kuinder</i> aan de
+Zuiderzee, volgde de Linde tot de <i>Blessebrug</i>, ging van
+daar noordwaarts naar de Tjonger en de verschanste
+<i>Schoterbrug</i>, wendde zich vervolgens over <i>Heerenveen</i> en
+<i>Terbandsterschans</i> naar <i>Gorredijk</i>, en van daar over de
+schansen <i>Bredenberg</i>, <i>Zwartedijk</i> en <i>Friesche palen</i> naar
+de grenzen. Echter is &raquo;<i>Friesland</i> in 1672 minder behouden
+gebleven door zijne onderwaterzettingen en linie van
+verschansingen, welke nooit ernstig is aangevallen, als wel
+door de bekwaamheid van <span class="smcap">aylva</span> en door de geestkracht
+der bevolking, die, vaardig de wapenen opvattende,
+spoedig eene magt uitmaakte, welke den vijand ontzag
+inboezemde en van elken aanval op <i>Friesland</i> deed afzien&#8221;<a
+name="FNanchor_232" id="FNanchor_232"></a><a href="#Footnote_232" class="fnanchor">[232]</a>.
+Hoe algemeen de nood en hoe dreigend het
+gevaar in den beginne ook ware&mdash;<i>Friesland</i> bleef, God
+lof! vrij en ongedeerd, en met <i>Zeeland</i> de eenige provincie
+des vaderlands, waar de overmagtige vijanden,
+die den ondergang van <i>Nederland</i> besloten hadden, geene
+veroveringen behaalden.</p>
+
+<hr class="c05" />
+
+<p>Doch naar gelang het gevaar van buiten verminderde,
+vermeerderde de onrust van binnen. Daar moest nog een
+hevige strijd gestreden worden, v&oacute;&oacute;r de vijanden van de
+regten en vrijheden des volks van het misbruikte gezag ontzet
+en door meer vrijzinnige mannen vervangen waren.
+Gelijk de smetstoffen in den dampkring zich allengs ophoopen,
+totdat ze eindelijk in een vervaarlijk onweder losbarsten,
+zich zelve verwoesten en een gezuiverden luchtstroom
+aanvoeren,&mdash;zoo leert ook de geschiedenis der volken,
+dat de meeste staatkundige en kerkelijke instellingen,<span class='pagenum'><a name="Page_283" id="Page_283">[283]</a></span>
+in den loop der tijden zoodanig ontaarden, dat er soms
+eene geruchtmakende omwenteling noodig is, om het
+verbroken evenwigt te herstellen, en om verbeteringen
+in te voeren, welke vroeger, uit gehechtheid aan het
+oude, niet konden tot stand komen. Z&oacute;&oacute; was het geweest
+voor de reformatie&mdash;die hevige ontbranding en
+algeheele omkeering van zaken!&mdash;z&oacute;&oacute; was het gebleven
+in de naauwelijks gevestigde republiek. Toen er ten jare
+1626 verontrustende volksbewegingen waren ontstaan, en
+een aantal ingezetenen &raquo;Doleancen over de Abusen, in den
+Staet van Regieringhe in-gesloopen,&#8221; inleverde, waren
+de Staten verpligt geweest, ter bevrediging van de misnoegde
+burgers &raquo;reformatie, resolutie ende approbatie&#8221;
+van al die 35 punten toe te staan. Doch aan de uitvoering
+daarvan werd kwalijk de hand gehouden. Vanhier zoo
+vele latere klagten, vooral tegen het verkoopen van de
+ambten, dat wel in 1662 verboden werd, maar toch bleef
+voortduren. Vanhier, dat de Staten bij het opkomen
+van het onweder in 1672, zoo het schijnt uit eigene
+beweging, den 2 Maart eene commissie benoemden, &raquo;om
+met elkanderen te concerteeren over de beste middelen
+en expedienten tot een generaele reforme ende verbeeteringe,
+so in &#8217;t stuk van Militie, of Politie ende Finantien
+dienende&#8221;<a name="FNanchor_233" id="FNanchor_233"></a><a
+href="#Footnote_233" class="fnanchor">[233]</a>. Die commissie bleef echter werkeloos,
+en schenen de regenten er belang bij te hebben,
+in de bestaande orde of wanorde geene veranderingen te
+brengen. De Staten hadden daardoor evenwel eene
+schuldbekentenis gedaan en de noodzakelijkheid van eene
+reformatie erkend. Dit bleef bij het volk niet onopgemerkt.
+Het kon echter geene krachtdadige middelen
+tot herstel verwachten van die zelfde regenten, die bij
+zoo velen het vertrouwen hadden verloren. Van lieverlede<span class='pagenum'><a name="Page_284" id="Page_284">[284]</a></span>
+werd dus de strijd voorbereid tusschen de aanhangers
+van het behoud en van vooruitgang, die, toen de
+wenschen des volks onverhoord bleven, weldra met geweld
+zou losbarsten.</p>
+
+<p><i>Groningen</i> was bevrijd en de kracht des vijands geknakt;&mdash;<i>Blokzyl</i>
+was gewonnen door onze legermagt,
+wier sterkte nu ontzag baarde. De nood scheen dus
+geweken, de overwinning nabij te zijn. Zoo brak de
+maand September 1672 aan, en keerden de uitgetrokkene
+burgers terug. We&ecirc;r vingen de vergaderingen op den
+Doelen te <i>Leeuwarden</i> aan. Deze &raquo;Doelisten&#8221; verzochten
+den Magistraat, om op nieuw de afgevaardigden uit alle
+Steden van <i>Friesland</i> bijeen te roepen. Dit geschiedde,
+en op den 9 September werden de vergaderingen van
+deze op het Raadhuis weder geopend. Zij ontwierpen 53
+punten van reformatie, voor het meerendeel de zelfde doleanci&euml;n
+van 1626, doch nu meer uitgewerkt en toegepast
+op de tegenwoordige behoeften<a name="FNanchor_234" id="FNanchor_234"></a><a
+href="#Footnote_234" class="fnanchor">[234]</a>. De hoofdzaken waren
+gebleven: dat niemand meer dan &eacute;&eacute;n ambt zou mogen
+bedienen; dat geene Grietmannen of ambtenaren leden
+der Staten mogten zijn, en dat niemand voortaan eenig
+ambt zou mogen verkoopen of voor geld overdragen.</p>
+
+<p>Deze Remonstrantie der Friesche Steden werd door 37
+harer Gecommitteerden, die zich den 12 September in
+plegtigen optogt naar het Landshuis begaven, den Staten
+aangeboden. Bij monde van <span class="smcap">hieronimus de blau</span>, Burgemeester
+van <i>Leeuwarden</i>, verzochten zij de goedkeuring
+en aanneming van deze punten, &raquo;die tot groot nut<span class='pagenum'><a name="Page_285" id="Page_285">[285]</a></span>
+en eenigste behoud van het land strekten: opdat alzoo
+eenmaal, de misbruiken geweerd zijnde, de staat des
+lands in ouden luister en glans hersteld-, het regtmatig
+misnoegen der gemeente weggenomen- en hare
+gemoederen gerustgesteld mogten worden.&#8221;</p>
+
+<p>Die moedige poging, waarbij tevens de zaak des volks
+door de Regenten der Steden was overgenomen en voorgestaan,
+verwekte ontzag. De Staten, die zich niet in
+toereikend getal aanwezig bevonden, om daarover te
+beraadslagen, namen hierop dit krachtig besluit: dat
+niemand der aanwezige leden <i>Leeuwarden</i> zou mogen
+verlaten, en dat de overige leden op den 16 September
+ter vergadering moesten verschijnen, bij verbeurte van 500
+gouden Friesche rijders (ongev. 1750 Gld). Nu werden de
+poorten gesloten en door de burgerwacht beveiligd: eensdeels,
+om het vertrekken van personen te keer te gaan,
+en anderdeels, om te verhoeden, dat de Staten meerdere
+krijgsmagt in de stad bragten, ten einde de reformatie in
+de geboorte te stuiten. Daarvoor bestond vrees. Groot
+was de spanning der gemoederen.</p>
+
+<p>De Staten vergaderden werkelijk op den bepaalden tijd,
+en hielden zich met het onderzoek van het voorgestelde
+bezig. Tevens kwamen de afgevaardigden der Steden weder
+bijeen, en begaven zich naar den Landsdag, om
+op de aanneming van hare punten aan te dringen. Ook
+het volk kon mede den uitslag kwalijk afwachten, maar
+verzamelde zich op den 20 en 21 in grooten getale voor
+het Landshuis, met dreigend verzoek tot afdoening. Het
+werd echter gerustgesteld door genoemde afgevaardigden
+en eenige burgers, die inzage verzocht hadden van den
+stand der zaken. Doch, toen er op den 27 September
+nog geen besluit gevallen was, werd de opgewondene gemeente
+z&oacute;&oacute; ongeduldig, dat zij, de vergaderplaats bezettende,
+dreigde niet van daar te zullen gaan, v&oacute;&oacute;r de<span class='pagenum'><a name="Page_286" id="Page_286">[286]</a></span>
+resolutie genomen was; weshalve de Magistraat twee
+compagni&euml;n burgers derwaarts zond, om gevreesde onheilen
+te voorkomen. Op den laten avond werd echter
+het volk tevreden gesteld door het berigt, dat de Staten
+alle punten hadden aangenomen<a name="FNanchor_235"
+id="FNanchor_235"></a><a href="#Footnote_235" class="fnanchor">[235]</a>.</p>
+
+<p>Aldus was er aan de volksstem gehoor gegeven, en
+bleef het gemeen zich nu en vervolgens onthouden van
+uitspattingen en gewelddadigheden, die zoo dikwijls met
+de invoering van groote veranderingen gepaard gaan.
+Doch niet minder gewigtig waren de gevolgen der uitvoering
+van dit Staatsbesluit. Tegen den 14 October
+werd er een nieuwe Landsdag uitgeschreven, waartoe
+nu vooraf vrije personen, die geene ambten of betrekkingen
+hadden, moesten worden gestemd. Dit geschiedde,
+en op den bepaalden dag werden de nieuwe Staten, op
+het Landshuis vergaderd, door den Stadhouder en Gedeputeerde
+Staten plegtig en wettig &raquo;geintroduceerd&#8221;,
+als &#8217;s lands hoogste en souvereine magt. Dan, al dadelijk
+rees er verschil, <i>wie</i> de geloofsbrieven der nieuwe leden
+moest onderzoeken. De oude Gedeputeerden verlangden dit
+te doen, in weerwil den 29 Maart te voren bepaald- en als
+eene fundamenteele wet aangenomen was, dat het visiteren
+der procurati&euml;n van de Volmagten zou geschieden
+door 12 Staten en 4 Gedeputeerden, tot op de helft afgeloot,
+waar tegen het kwartier der Steden zich toen
+en nu weder verzette.</p>
+
+<p>Ons bestek gedoogt niet, deze in vele opzigten belangrijke
+verschillen hier in het breede te vermelden.
+Het zij genoeg, hier mede te deelen, dat de nieuwe<span class='pagenum'><a name="Page_287" id="Page_287">[287]</a></span>
+Staten nu zelve elkanders geloofsbrieven onderzochten, dat
+zij nieuwe leden kozen tot Gedeputeerden, en dat zij
+zich vestigden als &#8217;s lands hoogste magt, in weerwil het
+kwartier der Steden zich aan de vergadering onthield.</p>
+
+<p>Die tweespalt werkte niet weinig de partij in de hand
+van die oude regeringsleden, welke noode van het gezag
+afstand hadden gedaan, en nu zich hevig beklaagden,
+dat zij binnen &#8217;s tijds wederregtelijk uit de regering gezet
+waren, zoodat zij hunne opvolgers niet als de wettige
+magt wilden erkennen. Integendeel, voor een vol jaar tot
+Volmagt gekozen, wilden zij het gezag zoo lang blijven
+uitoefenen. Daartoe schreven acht hunner, meest Grietmannen,
+die zich &raquo;de olde en wettelycke Regeringe
+deser Provintie&#8221; noemden, een Landsdag van al de vroegere
+Staten te <i>Sneek</i> uit, gaven eene uitvoerige Deductie
+van hun regt, alsmede hunne punten van reformatie in
+het licht, en bevolen Gedeputeerde Staten zich naar
+<i>Sneek</i> te begeven, nadat de regering van <i>Leeuwarden</i>
+geweigerd had, hen in deze stad, als Staten, te ontvangen.</p>
+
+<p>Ziedaar dan op nieuw een vuur van verdeeldheid aan
+het branden, dat, terwijl de vijand de grenzen des lands
+nog steeds bedreigde, hoogst gevaarlijk was voor de
+veiligheid en het gezag van den Staat. Immers, indien
+de jeugdige Stadhouder en zijne moeder de partij der
+nieuwe Staten te <i>Leeuwarden</i> hadden gekozen, was er
+een overwigt geweest; maar beide, het meest belang
+hebbende bij het kwartier der Steden, dat zich nog altijd
+aan de vergadering bleef onttrekken, schroomden, uit
+verregaande voorzigtigheid, zich partij te stellen, en
+riepen de hulp in van het Hof, om de twistende Staatsleden
+te bevredigen. Dit was echter niet mogelijk, dewijl
+de nieuwe Staten den Landsdag te <i>Sneek</i> niet erkenden,
+zich mede bij Deductie daar tegen verdedigden,
+en geene pogingen onbeproefd lieten, om de Steden te<span class='pagenum'><a name="Page_288" id="Page_288">[288]</a></span>
+bewegen ter vergadering te verschijnen, en den Stadhouder,
+om zitting te nemen aan het hoofd der Gedeputeerden,
+welk collegie echter nog niet ter helft voltallig
+was. Alle pogingen om deze geschillen bij te leggen,
+bleken ijdel te zijn: want ieder stond op zijn vermeend
+regt, zonder daarvan iets ten behoeve van den vrede
+te willen opofferen. De reeds zegevierende partij van
+vooruitgang en verbetering, of de nieuwe Staten, had,
+behalve de volksgunst, enkel tot steun de Regering van
+<i>Leeuwarden</i>, terwijl de partij van het behoud, of de
+oude Staten te <i>Sneek</i>, gesteund werd door den Stadhouder
+en zijne moeder met het Hof en het leger, benevens
+de overige Steden. De kans stond dus hagchelijk,
+of de reformatie in het belang des volks duurzaam zou
+zegepralen. Gelukkig, dat het volk zich rustig hield,
+terwijl het in sterke spanning den uitslag verbeidde.
+Eindelijk sloeg de twist tusschen de beide staatsmagten
+tot feitelijkheden over, waarbij de tusschenkomst van het
+Hof noodzakelijk was. In zulk een toestand van verwarring
+eindigde het merkwaardige jaar 1672.</p>
+
+<hr class="c05" />
+
+<p>Reeds voor eenigen tijd hadden de Staten-Generaal
+der Vereenigde <i>Nederlanden</i> hunne tusschenkomst aangeboden
+tot herstel van de rust. De oude Staten hadden
+die verzocht en aangenomen; doch de nieuwe bedankten
+daarvoor, dewijl zij achtten, dat er geene andere wettige
+vergadering dan de hunne kon bestaan; terwijl zij,
+even als Gedeputeerde Staten, van al het voorgevallene
+een uitvoerig verslag naar <i>&#8217;s Gravenhage</i> opzonden,
+waarbij zij tevens de oude Staten als verstoorders van
+de gemeene rust aanklaagden<a name="FNanchor_236" id="FNanchor_236"></a><a
+href="#Footnote_236" class="fnanchor">[236]</a>. Daarom wilden
+zij<span class='pagenum'><a name="Page_289" id="Page_289">[289]</a></span>
+veeleer de bemiddeling van het Hof inroepen; doch daar
+dit hiertoe moeijelijk te bewegen was, en twee Landsdagen
+te gelijk niet konden blijven bestaan, zoo vonden
+de Staten-Generaal goed, in het begin des jaars 1673 drie
+hunner leden herwaarts te zenden. Het waren de Heeren
+<span class="smcap">r. van molenschot</span>, Pensionaris van <i>Dordrecht</i>, wegens
+<i>Holland</i>, <span class="smcap">m. van crommon</span>, wegens <i>Zeeland</i>, en <span class="smcap">johs. eeck</span>,
+wegens <i>Groningen</i>, die in last hadden, &raquo;om de ontstane
+onlusten tusschen de Regenten in deze provincie in der
+minne bij te leggen&#8221; niet alleen, maar ook, &raquo;om de
+Staten serieuselyck te versoeken ende aen te maenen
+tot betalinge van de quota voor de militie, de legerlasten
+ende subsidien, aen de geallieerden van den
+Staet belooft, waarin Frieslandt, door de groote Verdeeltheden
+onder de Regenten, defectueus was gebleven&#8221;;
+terwijl zij vast besloten waren, niet te vertrekken
+v&oacute;&oacute;r de geschillen nedergelegd waren.</p>
+
+<p>Werkelijk hebben deze Heeren, in vereeniging met den
+Stadhouder en daarna met eenige leden van het Hof,
+geene moeite onbeproefd gelaten, om dit doel te bereiken,
+waartoe zij onderscheidene voorstellen, reglementen
+en 105 punten van reformatie voordroegen. Doch hieruit
+rezen nieuwe tegenkantingen en onlusten, welke met
+veel moeite werden bedwongen. Nadat den 17 Februarij
+een nieuwe landsdag te <i>Leeuwarden</i> was beschreven,
+waarbij die voorstellen met allen ernst werden aangedrongen,
+had men goede hope op een gunstig besluit
+van dezen. Doch alles te vergeefs: &raquo;alsoo dat de Heeren
+Gecommitteerden van Haer Hoog Mog., na met beleefde
+woorden soo wel als harde dreigementen sterck te hebben
+aengehouden, eyndelyck den 2 Maart vruchteloos en
+onverrichter saecken hebben moeten vertrecken, tot droefheyt
+van de welmeenende Ingesetenen des Landts&#8221;<a name="FNanchor_237"
+id="FNanchor_237"></a><a href="#Footnote_237" class="fnanchor">[237]</a>.</p>
+
+<p><span class='pagenum'><a name="Page_290" id="Page_290">[290]</a></span>Zoo scheen dan de breuke onheelbaar te zijn, en
+<i>Friesland</i> op nieuw eene prooi der partijwoede te zullen
+worden. Doch neen! zij was in waarheid der genezing
+nabij: want alleen de vreemde inmenging der Staten-Generaal,
+door de onderliggende partij van <i>Sneek</i> slechts
+begeerd, doch door die van <i>Leeuwarden</i> steeds afgekeerd
+en vermeden, had de toenadering verhinderd. Die
+fiere Friezen wilden de herstelling van het gezag niet
+aan de hulp van vreemden dank weten. Met het vertrek
+der afgevaardigden veranderde de gansche zaak, terwijl
+de Landsdag te <i>Sneek</i> bereids in zich zelven was te niet
+gegaan. Reeds den 7 Maart werd bij Staats-resolutie de
+beslissing van de verschilpunten aan den Stadhouder en
+negen Staatsleden opgedragen. Binnen acht dagen dienden
+deze een Reglement en 97 &raquo;Poincten Reformatoir&#8221; in,
+bevattende uitvoerige bepalingen ter wering van misbruiken
+en tot omschrijving van de grenzen des gezags in
+het bestuur dezer provincie. Daarbij werd tevens de
+uitschrijving van eene algemeene Amnestie voorgesteld,
+&raquo;op dat de memorie ende geheugenisse van alle die gepasseerde
+onlusten, dissentien ende murmuratien tusschen
+de Regenten te eenemael mogen worden weggenomen
+ende uytgewischt.&#8221;</p>
+
+<p>Het was dit Reglement, hetwelk op den 19 Maart 1673
+bij Staats-resolutie werd aangenomen, goedgekeurd en uitgevaardigd,
+waarbij voor den vervolge een beteren voet
+van regering werd vastgesteld, en waarmede deze onzalige
+staatstwisten een einde namen, tot groote vreugde van
+al de welmeenende ingezetenen des lands<a name="FNanchor_238"
+id="FNanchor_238"></a><a href="#Footnote_238" class="fnanchor">[238]</a>.</p>
+
+<hr class="c05" />
+
+<p><span class='pagenum'><a name="Page_291" id="Page_291">[291]</a></span>Deze bijlegging van de geschillen, die zegepraal der
+partij van den vooruitgang was niet enkel ter bevordering
+van de staatkundige regten des volks en ter afschaffing van
+vele misbruiken-, maar ook om eene andere reden eene
+zaak van groot belang. Hoe gelukkig men in den vorigen
+jare ook tegen de buitenlandsche magten had gestreden;
+met welk gunstig gevolg de dappere <span class="smcap">willem</span> III
+de Franschen op de Hollandsche grenzen wederstand had
+geboden, terwijl de <span class="smcap">ruyter</span> ter zee de Engelschen met
+roem bestreed&mdash;de toestand des lands was en bleef nog
+hoogst gevaarlijk. Gegrond was hier de vrees, dat de
+Bisschop van <i>Munster</i> met versche benden herwaarts
+zou optrekken, om het verlorene <i>Koevorden</i> te herwinnen,
+en deze noordelijke streken op nieuw met kracht
+aan te vallen. Ja, zelfs werd er eerlang een gerucht
+verspreid, dat <span class="smcap">turenne</span> met eene groote magt naar
+<i>Friesland</i> zou oprukken. Daarom trachtten de Staten
+het gansche gewest tijdig in weerbaren staat te stellen.
+Reeds den 25 Januarij 1673 werd bevolen, dat alle
+manschappen van 18 tot 60 jaren zich moesten voorzien
+van geweer en dagelijks wapenoefeningen houden, en
+dat elk huisgezin &eacute;&eacute;n man moest leveren, om op het
+eerste bevel uit te trekken. Den 18 Maart werd het
+bevel herhaald, dat alle weerbare ingezetenen zich gereed
+moesten houden, om in geval van nood dadelijk
+op te komen. Den 21 April kwam de Veldmaarschalk
+Prins <span class="smcap">joan maurits</span> <i>van Nassau</i> herwaarts, gevolgd
+van eenige regimenten ruiterij en voetvolk, die
+tot versterking van <i>Heerenveen</i> en <i>Joure</i> gebruikt werden.
+Hier vernam hij, dat de Bisschop werkelijk in
+aantogt was, om een aanslag op <i>Koevorden</i> te wagen,
+waarop hij zich dadelijk naar <i>Groningen</i> begaf, om
+orde te stellen op het voorzien van genoemde vesting en
+de beveiliging van die provincie. Vervolgens gelastte<span class='pagenum'><a name="Page_292" id="Page_292">[292]</a></span>
+hij hier de zeesluizen te openen, tot het inunderen van
+de lage streken; terwijl er een dam gelegd werd in de
+Linde, en de wegen op de grenzen onbruikbaar gemaakt
+werden. Hij riep de landlieden op, om aan het
+versterken van de schansen te arbeiden. Den 11 Julij
+bepaalden de Staten, dat het uittrekken van den derden
+man binnen 14 dagen zou plaats hebben, waarna het
+getal daarvan den 28 Julij op 3,000 man werd vastgesteld,
+welke iedere 14 dagen door anderen zouden afgelost
+worden. Dit uittrekken werd toen echter vertraagd
+door verschillen over het onderhouden van die
+manschappen, hetwelk de Staten ten laste der steden en
+grietenijen hadden gebragt<a name="FNanchor_239"
+id="FNanchor_239"></a><a href="#Footnote_239" class="fnanchor">[239]</a>.</p>
+
+<p>Men had echter goed gezien, dat het gevaar toen op
+het hoogst was, en dat men een hevigen aanval van
+de Bisschoppelijke troepen had te wachten. Tusschen
+deze en de onzen hadden er wel gedurig schermutselingen
+plaatsgehad, waarbij met afwisselend geluk was gestreden;
+ook had Prins <span class="smcap">maurits</span> den 2 Julij vier regimenten voetvolk
+en een regiment dragonders der Munsterschen in hun
+kwartier te <i>Staphorst</i> aangetast, waarna <span class="smcap">aylva</span> te vergeefs
+een aanval op <i>Zwartsluis</i> waagde:&mdash;doch dit
+alles bragt geene beslissing te weeg, maar diende enkel,
+om onze grenzen te beveiligen en den vijand af te matten,
+of te ontmoedigen, om aan den voorgenomen aanval te
+denken<a name="FNanchor_240" id="FNanchor_240"></a><a href="#Footnote_240" class="fnanchor">[240]</a>.</p>
+
+<p>De Bisschop, na in de omliggende provinci&euml;n zoo veel
+tegenspoed en schade geleden te hebben, wilde echter
+de verovering van <i>Friesland</i> beproeven, en in deze
+uiterste kracht-inspanning tevens de beslissing van den
+ganschen veldtogt wagen. Uit de Geldersche en Overijsselsche<span class='pagenum'><a name="Page_293" id="Page_293">[293]</a></span>
+steden brengt hij van de beste Fransche, Keulsche
+en Munstersche troepen te <i>Steenwijk</i> eene magt bijeen,
+welke op 6 &agrave; 7,000 man (door anderen op 8,000 voetknechten
+en 100 ruiters) begroot werd. Op den 15
+Augustus rukt hij daarmede langs verschillende wegen
+op <i>Friesland</i> aan. Op het eerste berigt daarvan, trekken
+de onzen, onder gedurige schermutselingen met den
+vijand, van <i>Wolvega</i> terug tot <i>Heerenveen</i>, welk hoofdkwartier
+Prins <span class="smcap">maurits</span>, Prins <span class="smcap">hendrik casimir</span> en <span class="smcap">aylva</span>
+tot het uiterste wilden verdedigen, waartoe ook dadelijk
+de derde man opgeroepen werd en de burgers van
+<i>Leeuwarden</i>, <i>Sneek</i>, <i>Franeker</i> enz. reeds den volgenden
+nacht naar <i>Heerenveen</i> vertrokken. Na de schansen
+van de <i>Blessebrug</i> en <i>Bekaf</i> genomen te hebben,
+trok de vijand de <i>Stellingwerven</i> in tot <i>Oudeschoot</i>.
+Verschillende gevechten vielen er voor, waarin hij herhaaldelijk
+werd geslagen. Zijne pogingen, om <i>Heerenveen</i>
+te overweldigen, mislukten, en nu zocht hij zijn
+moedwil te koelen door de ingezetenen op contributie
+te stellen, door de dorpen te berooven, te plunderen
+en te branden, door het vee uit de weiden met zich te voeren
+en de vruchten des velds, welke stonden ingezameld
+te worden, te rooven of te verwoesten. Vooral <i>Wolvega</i>,
+<i>Oudeberkoop</i> en <i>Makkinga</i> hebben daarbij veel geleden.
+Ondanks het bekomen van versterking uit <i>Steenwijk</i>,
+vond hij in de dapperheid der Friesche benden, in de
+groote magt, welke hem tegengesteld werd door het
+spoedig toesnellen van de gewapende burgers, en in
+het door een hevigen noordwestewind opgestuwde water
+zoo veel tegenstand, dat zijn aanval geheel mislukte,
+en dat de bisschoppelijke troepen na verloop van
+vijf &agrave; zes dagen met groot verlies naar <i>Zwolle</i>, <i>Zutphen</i>
+en <i>Arnhem</i> terugtrokken. Eerst nadat de Friezen nog
+eenmaal krachtige hulp hadden geboden, om het door<span class='pagenum'><a name="Page_294" id="Page_294">[294]</a></span>
+den Bisschop zoo lang en fel benarde <i>Koevorden</i> te ontzetten,
+hetgeen in het begin van October, meest ten
+gevolge van een sterken oostewind, gelukte, werd het
+den uitgetrokken burgers vergund, de door hen bezette
+posten te verlaten en naar hunne woningen terug te
+keeren<a name="FNanchor_241" id="FNanchor_241"></a><a
+href="#Footnote_241" class="fnanchor">[241]</a>. (Zie <i><a href="#Aant25">Aanteekening 25</a></i>.)</p>
+
+<p class="blankline">Groot en algemeen was de vreugde over deze bevrijding
+van <i>Friesland</i>, hetwelk, terwijl het grootste gedeelte
+der Nederlandsche provinci&euml;n zoo lang door de
+vijandelijke benden was overheerd, geplaagd en uitgezogen
+geworden, volkomen vrij was gebleven. Der Friezen
+oude moed en trouw had, met Gods bijstand, dit gewest
+in het bijzonder weder beveiligd. De vast- en bededagen,
+welke men zoo dikwijls had gehouden, werden
+nu vervangen door dankdagen, ook wegens de verlossing
+van het gansche vaderland van de overmagtige vijanden,
+die door hooger magt waren gestuit in hunne geweldige
+pogingen, om het te overmeesteren en onder hunne
+heerschappij te brengen.</p>
+
+<p>&raquo;Zoo werd het wijd beroemde en heldhaftige <i>Friesland</i>,
+van alle eeuwen vermaard als de moeder en te
+gelijk het kind van de Vrijheid; van de Romeinen gevreesd,
+door de Britten gehoorzaamd en door de Franken
+ge&euml;erd, als de voedster van ontembare helden, op
+nieuw met handen en tanden verdedigd. Zoo werd den
+Munsterschen Bisschop afgeleerd, de grenzen in te breken
+van een land, dat, door natuurlijke kracht en
+schrandere kunst versterkt, voor buitenlandsch geweld<span class='pagenum'><a name="Page_295" id="Page_295">[295]</a></span>
+ongenaakbaar bleek te zijn, zoo lang het beschermd
+werd door fiere nazaten, niet ontaard van de heldendeugd
+der roemrijke voorvaderen&#8221;<a name="FNanchor_242"
+id="FNanchor_242"></a><a href="#Footnote_242" class="fnanchor">[242]</a>.</p>
+
+<hr class="c05" />
+
+<p>Na zoo krachtvolle inspanning had het vaderland
+behoefte aan rust en vrede. Er werden daartoe met
+<i>Munster</i>, <i>Keulen</i>, <i>Engeland</i>, ja zelfs eerlang ook met
+<i>Frankrijk</i>, en wel bij herhaling, verdragen gesloten,
+doch de trouweloosheid van den oorlogszuchtigen <span class="smcap">lodewijk</span>
+XIV hield ons land nog langer dan twintig jaren in de
+wapenen, daar eerst met den vrede van <i>Rijswijk</i> (1697)
+de rust duurzaam scheen te zullen zijn. Hoe gelukkig,
+dat <i>Nederland</i> gedurende al die jaren in den, eerst lang
+vernederden, doch daarna roemrijk verhevenen, Prins
+<span class="smcap">willem</span> III een staatsman en held bezat, die den Franschen
+monarch, na hem dit land eerst hevig betwist te
+hebben, bij voortduring het hoofd kon bieden, en die
+nieuwe lauweren voor den vaderlandschen krijgsroem
+mogt behalen.</p>
+
+<p>Ook <i>Friesland</i>, dat, ver van het tooneel des oorlogs
+verwijderd, zich sedert 1673 weder rustig aan zijne
+eigene belangen kon wijden en de welvaart zijner
+ingezetenen bestendig zag toenemen,&mdash;ook dit gewest
+bezat gelijktijdig staatsmannen en helden, die
+den <i>Prins van Oranje</i> krachtdadig ondersteunden in
+het beveiligen van het vaderland en het bevorderen van
+zijne waardigheid en eer tegenover magtige naburen.
+<span class="smcap">De ruyter</span> vond bij zijne laatste zeetogten in de dapperheid
+der, onder <span class="smcap">banckers</span> vereenigde, Zeeuwen en
+Friezen, die de Franschen en Engelschen &raquo;met hunne
+gewone kloekmoedigheid aantastten&#8221;; een krachtigen<span class='pagenum'><a name="Page_296" id="Page_296">[296]</a></span>
+steun<a name="FNanchor_243" id="FNanchor_243"></a><a href="#Footnote_243"
+class="fnanchor">[243]</a>. De dappere <span class="smcap">jacob binckes</span>, geroemd als &raquo;een
+voorsichtig soldaat, een manhaftig Capiteyn, een getrouw
+Commandeur en een goedertieren Christen, wiens
+voorige Heldendaden bewijs gaven van grooter verwachtingen,&#8221;
+mogt intusschen de eer der Nederlandsche vlag
+in de <i>West-Indien</i> roemrijk handhaven, en in 1677 nog
+eene overwinning op de Franschen behalen, na &raquo;een der
+hardnekkigste gevechten, waarvan de Geschiedenis van
+het Nederlandsche Zeewezen gewag maakt&#8221;<a name="FNanchor_244"
+id="FNanchor_244"></a><a href="#Footnote_244" class="fnanchor">[244]</a>. De
+belangrijke Friesche staatsstukken van dien tijd getuigen
+van de uitstekende bekwaamheden van Staatsmannen, als
+<span class="smcap">willem van haren</span>, <span class="smcap">allart pieter van jongestal</span>, <span class="smcap">hans
+van wyckel</span>, <span class="smcap">pibo van doma</span>, <span class="smcap">matthijs</span>, <span class="smcap">assuerus</span> en
+<span class="smcap">gysbert van vierssen</span>, <span class="smcap">isaac
+de schepper</span> en anderen<a name="FNanchor_245" id="FNanchor_245"></a><a href="#Footnote_245" class="fnanchor">[245]</a>,
+waarvan de eerste alleen in twaalf gezantschappen naar
+vreemde mogendheden en als vredehandelaar het hoog
+gezag des lands deed gelden en de belangen van oorlog
+en vrede regelde. Nog grooter roem behaalden <span class="smcap">hans
+willem</span> <i>Baron</i> <span class="smcap">van aylva</span> (hier v&oacute;&oacute;r reeds zoo dikwijls
+vermeld), <span class="smcap">menno</span> <i>Baron</i> <span class="smcap">van coehoorn</span> en de Stadhouder
+<span class="smcap">hendrik casimir</span> II in den strijd voor het vaderland.</p>
+
+<p><span class="smcap">Aylva</span>, die van de bescherming zijner provincie zoo
+veel eer mogt verwerven, wist in den slag van <i>Senef</i>
+(1674) &raquo;door uitstekende dapperheid zijn reeds verkregen<span class='pagenum'><a name="Page_297" id="Page_297">[297]</a></span>
+&raquo;roem loffelijk te handhaven,&#8221; en dien bij de belegering
+van <i>Keizersweerd</i> en <i>Bonn</i> en inzonderheid v&oacute;&oacute;r en in
+den slag van <i>Fleurus</i> (1690) te vergrooten. Als een
+der voortreffelijkste legerhoofden geacht, zag hij zich in
+het laatst zijns levens het opperbevel over de Staatsche
+troepen in <i>Braband</i> opgedragen<a name="FNanchor_246" id="FNanchor_246"></a><a
+href="#Footnote_246" class="fnanchor">[246]</a>. <span class="smcap">Coehoorn</span>, die zich
+in 1673 bij de belegering van <i>Maastricht</i> als Kapitein
+voor het eerst door dapperheid onderscheidde, en v&oacute;&oacute;r
+<i>Grave</i><a name="FNanchor_247" id="FNanchor_247"></a><a href="#Footnote_247"
+class="fnanchor">[247]</a> en in den slag van <i>Senef</i> aan zijn heldenmoed
+de bevordering tot Kolonel had te danken, muntte
+vervolgens evenzeer als legerhoofd en als uitstekend
+vestingbouwkundige uit, daar hij in de versterkingskunst
+voor ons land een nieuw tijdvak deed aanbreken, en
+alzoo een waardig tegenstander werd van den beroemden
+Franschen Ingenieur <span class="smcap">vauban</span>. In den slag van <i>Fleurus</i>,
+waar hij &raquo;boven andere Nederlanders uitmuntte&#8221;; bij
+de roemrijke verdediging en daarna herneming van de
+sterke vesting <i>Namen</i> (1692, 1695); door de versterking
+van <i>Groningen</i>, <i>Koevorden</i>, <i>Nijmegen</i> en <i>Bergen
+op Zoom</i>; door de verovering van <i>Luik</i> (1702), van
+<i>Bonn</i> (1703) en andere schitterende wapenfeiten verdiende
+hij, tot de hoogste waardigheden opgeklommen en de
+groote Stededwinger en Friesche Jupiter genaamd, een<span class='pagenum'><a name="Page_298" id="Page_298">[298]</a></span>
+eervollen rang onder de groote mannen des vaderlands<a name="FNanchor_248"
+id="FNanchor_248"></a><a href="#Footnote_248" class="fnanchor">[248]</a>.</p>
+
+<p>Prins <span class="smcap">hendrik casimir</span> II, bij den dood zijns vaders
+slechts zeven jaren oud, ontving eene verstandige opvoeding
+van zijne voortreffelijke moeder, Prinses <span class="smcap">albertine agnes</span>,
+die, ook nadat hij in 1672, ruim 15 jaren oud, tot
+werkelijk Stadhouder was verheven, hem tot 1679 als
+voogdes ter zijde stond<a name="FNanchor_249" id="FNanchor_249"></a><a
+href="#Footnote_249" class="fnanchor">[249]</a>, gelijk hij in <span class="smcap">aylva</span> een uitstekend
+leermeester en voorganger vond in den krijg.
+Reeds op zeventienjarigen ouderdom woonde hij den slag van
+<i>Senef</i> bij, en was, &raquo;ook in het dreigendst levensgevaar,
+onafscheidelijk aan de zijde van den jeugdigen Opperbevelhebber
+<span class="smcap">willem</span> III, waardoor hij zich waardig
+toonde de spruit te zijn, in wie de edelaardigheid der
+telgen van <span class="smcap">oranje</span> op den Frieschen stam was overgeplant.&#8221;
+Als Stadhouder, mede over <i>Groningen</i> en
+<i>Drenthe</i>, was hij zeer geacht, en gedroeg hij zich steeds<span class='pagenum'><a name="Page_299" id="Page_299">[299]</a></span>
+edelmoedig jegens Prins <span class="smcap">willem</span> III, toen deze in 1677,
+al te heerschzuchtig over de afdanking van Friesch krijgsvolk
+beschikkende, daardoor, en mede bij de door hem
+voorgestelde werving van 16,000 man in 1684, een
+krachtigen tegenstand uitlokte van <i>Frieslands</i> Staten,
+die onverzettelijk bleven in de uitoefening van hun regt,
+om zelve patenten of marschorders aan de troepen af te
+geven. Die Staten gaven den jeugdigen Vorst menig blijk
+van hunne genegenheid en vertrouwen. Zij verzochten
+hem zelfs eene gemalin te kiezen, en toen hij die gevonden
+had in de schrandere Prinses <span class="smcap">amalia</span> <i>van Anhalt-Dessau</i>,
+werd haar niet enkel een geschenk van 100,000
+Gld. aangeboden, maar ook het vorstelijk paar bij den
+luisterrijken intogt te <i>Leeuwarden</i>, op den 19 Augustus
+1684, een onthaal bereid, zoo als hier nog geen Vorst
+was ten deel gevallen, en waarbij men al de blijken van
+den rijkdom en de weelde dier bloeijende dagen ten toon
+spreidde<a name="FNanchor_250" id="FNanchor_250"></a><a
+href="#Footnote_250" class="fnanchor">[250]</a>. In 1690 aangesteld tot tweeden Veldmaarschalk,
+gaf hij nieuwe blijken van ongemeene dapperheid
+in de veldslagen van <i>Fleurus</i>, waarbij zijne lijfgarde
+twee vaandelen veroverde op de bloem des Franschen
+legers, van <i>Steenkerke</i> en <i>Neerwinden</i>. Nadat
+zijne gezondheid reeds bij den eersten veldtogt was geknakt,
+overleed hij den 15 Maart 1696 te <i>Leeuwarden</i>,
+algemeen om zijne deugden en verdiensten diep betreurd.
+Zijne edele moeder, Prinses <span class="smcap">albertine agnes</span>, overleefde
+hem slechts twee maanden, daar zij den 14 Mei 1696
+op het door haar gestichte lusthuis <i>Oranjewoud</i> overleed<a
+name="FNanchor_251" id="FNanchor_251"></a><a href="#Footnote_251" class="fnanchor">[251]</a>.</p>
+
+<p><span class='pagenum'><a name="Page_300" id="Page_300">[300]</a></span>Behalve zeven dochters, liet de Prins slechts een zoon
+na, <span class="smcap">jan willem friso</span>, die naauwelijks den ouderdom
+van acht jaren had bereikt. Al de waardigheden des
+vaders werden hem dadelijk door de Friesche Staten
+toegezegd, terwijl het bewind intusschen door zijne
+moeder en voogdes werd waargenomen. Van deze bekwame
+en schrandere vrouw ontving hij eene voortreffelijke
+opvoeding, welke zijn gunstigen aanleg dermate
+ontwikkelde, dat hij reeds op zijn 13<sup>e</sup> jaar de Hoogeschool
+te <i>Franeker</i> kon bezoeken. In het volgende jaar verwisselde
+hij deze met die van <i>Utrecht</i>, en wel op verzoek
+van Prins <span class="smcap">willem</span> III, die, zelf geene kinderen
+hebbende, den naam van <i>Oranje</i> en de voortduring van
+zijn Huis in de <i>Nederlanden</i> op dezen jongeling vestigen
+wilde, en hem daarom ook genoegzaam als zoon aannam
+en tot zijn vollen erfgenaam verklaarde. De spoedig
+hierop gevolgde dood van dezen tweeden vader (1702)
+was alzoo voor de verdere opleiding van den jongen
+Vorst een even groot nadeel, als de erfenis van titel en
+bezittingen hem voordeel scheen te beloven. De naijver
+van <i>Holland</i> en de overige, nu op nieuw Stadhouderlooze,
+provinci&euml;n jegens <i>Friesland</i> en zijne Stadhouders,
+reeds vroeger zoo dikwijls gebleken, was nu weder de
+oorzaak, dat men niet alleen aan de begeerte des Konings,
+om den jongen Prins in zijne waardigheden te doen opvolgen,
+geenszins voldeed, maar ook onverschillig toezag,
+dat <i>Pruissen</i> zich van een gedeelte der erfenis van
+<i>Oranje</i> meester maakte, hoezeer ook de Algemeene Staten,<span class='pagenum'><a name="Page_301" id="Page_301">[301]</a></span>
+als uitvoerders van Koning <span class="smcap">willem&#8217;s</span> uitersten wil, daarvoor
+hadden behooren te zorgen. Te vergeefs ijverden
+de Friesche Staten dus voor zijne benoeming tot Generaal
+(1703), waarbij zij bestendig van de andere provinci&euml;n
+tegenwerking ondervonden<a name="FNanchor_252" id="FNanchor_252"></a><a
+href="#Footnote_252" class="fnanchor">[252]</a>. Doch hij wilde dien rang
+niet als gunst ontvangen, maar door dappere daden
+verdienen.</p>
+
+<p>Daartoe scheen de gelegenheid zich aan te bieden,
+toen hij in 1703, eerst 16 jaren oud, als vrijwilliger met
+zijn leidsman <span class="smcap">van heemstra</span> den eersten veldtogt bijwoonde.
+Immers, de zelfde oorlogszuchtige en trouwelooze Koning
+<span class="smcap">lodewijk</span> XIV, die ons vaderland nu reeds langer dan
+30 jaren bijna onafgebroken met magtige legers had bestreden,
+had nu, ten gevolge van een staatkundig verschil
+over de Spaansche erfopvolging, den oorlogsfakkel
+in de <i>Spaansche Nederlanden</i> (<i>Belgi&euml;</i>) geworpen, waar
+zijn verbazend leger, op 300,000 man begroot, hevige
+tegenstanders ontmoette in Prins <span class="smcap">eugenius</span> <i>van Savoije</i>,
+die de troepen des Duitschen Keizers, en in den Hertog
+<span class="smcap">van marlborough</span>, die de verbondene Engelsche en Nederlandsche
+benden aanvoerde. Wegens het belang der
+zaak, waaraan men &raquo;de vrijheid van gantsch Europa&#8221;
+gelegen achtte, waren de Staten der Vereenigde gewesten,
+en wel bijzonder <i>Friesland</i>, eenstemmig gezind, tegenover
+den Franschen despoot eene geduchte magt te ontwikkelen.
+Zij hielden woord, en bragten gedurende dezen
+bloedigen oorlog van 1702 tot 1712 een leger te velde,
+dat jaarlijks tusschen de 110 tot 130,000 man bedroeg<a name="FNanchor_253"
+id="FNanchor_253"></a><a href="#Footnote_253" class="fnanchor">[253]</a>.<span
+class='pagenum'><a name="Page_302" id="Page_302">[302]</a></span>
+Ook <i>Friesland</i> getroostte zich tot dat einde verbazende
+opofferingen van geld en manschap, en zag de dapperheid
+zijner krijgsoversten en soldaten met eere erkend.
+Reeds omtrent de vier eerste jaren van dien krijg vermeldt
+een schrijver van dien tijd zulks in de volgende woorden:
+&raquo;Nu heeft die heerlyke Provintie de Lof, dat haare
+<i>Vriesen</i> zo te voet als te paard, wel een groot gewicht
+in des Lands overwinningen inbrengen; en dat zy,
+streng en hardnekkig vechtende, de uitgepikte magt
+van &#8217;s Konings huis by <i>Ramillies</i> gebrooken en vertreeden
+hebben, en in de Beleegeringen standvastig en
+schrander zyn, zo dat de vyandlycke Steeden, zelfs de
+alderuitgeleezenste sterke Vestingen, voor &#8217;t vuur van
+<i>Koehoorn</i>, de <i>Vriesschen Archimedes</i>, plooyen; voortgaande
+met zegevierende schreeden na <i>Europa&#8217;as</i> Vryheid,
+door het vernederen van dien ontrouwen en hovaardigen
+<i>Franschen</i> Dwingeland&#8221;<a name="FNanchor_254"
+id="FNanchor_254"></a><a href="#Footnote_254" class="fnanchor">[254]</a>.</p>
+
+<p>&#8217;t Mogt den jeugdigen Prins <span class="smcap">friso</span>, hoezeer brandend
+verlangende naar den strijd, niet gebeuren, in de eerste
+jaren, dat hij den Successie-oorlog aan de zijde van
+<span class="smcap">ouwerkerk</span> bijwoonde, bijzondere blijken te geven van
+zijn krijgsmansaard en heldengeest. Niettemin waren die
+togten voor hem eene belangrijke leerschool; en miskenning
+was hem een prikkel, om zich zelven met waardigheid
+te verheffen. Eerst in 1708 werd hij in de gelegenheid
+gesteld, zich door dapperheid te onderscheiden en aller
+oogen op zich te vestigen. Doch toen ook was hij niet
+enkel bevorderd tot Generaal van het voetvolk, maar
+ook tot de waardigheden zijns vaders. Nadat hij, den
+ouderdom van 20 jaren bereikt hebbende, den 18 November
+1707 met groote plegtigheid te <i>Leeuwarden</i> was<span class='pagenum'><a name="Page_303" id="Page_303">[303]</a></span>
+ingehaald, werd hij den 22 dier maand tot Stadhouder
+en Kapitein-Generaal van <i>Friesland</i> gehuldigd; terwijl
+zijne moeder als Voogdes den dank der Staten en eene gift
+en een jaargeld van 5,000 Gld. ontving. De luister van
+zijn Huis, in 1704 door den aankoop van de heerlijkheid
+<i>Ameland</i> (voor &#402;175,000), en in 1708 door het Stadhouderschap
+van <i>Groningen</i> en <i>Drenthe</i> verhoogd, werd
+in het volgende jaar bekroond door een gelukkig huwelijk
+met de schoone en brave Prinses <span class="smcap">maria louisa</span> <i>van Hessen-Kassel</i>,
+waarover groote vreugde werd bedreven<a name="FNanchor_255"
+id="FNanchor_255"></a><a href="#Footnote_255" class="fnanchor">[255]</a>.</p>
+
+<p>Inmiddels had de Prins in den slag bij <i>Oudenaarden</i>
+(Mei 1708) zich de baan des roems ontsloten en getoond,
+wat het vaderland van hem verwachten kon. Met heldenmoed
+rukte hij aan het hoofd zijner bataljons op de
+bloem des Franschen legers aan en noodzaakte die te
+wijken: eerst viel hij het &raquo;door een meesterlijken togt en
+zwenking in de flank, en daarna door een stouten marsch
+in den rug&#8221;, zoodat hij veel toebragt tot deze roemrijke
+overwinning. &raquo;De beslissende dapperheid, door <i>Frieslands</i>
+jeugdigen Stadhouder hier betoond, zweefde op
+de tong van elken Vaderlandlievenden <i>Nederlander</i>&#8221;<a
+name="FNanchor_256" id="FNanchor_256"></a><a href="#Footnote_256" class="fnanchor">[256]</a>.
+In het beleg van <i>Rijssel</i>, in 117 dagen met verbazende
+opofferingen gewonnen, was hij de tweede in het opperbevel,
+doch de eerste bij elk gevecht en iederen aanval.
+Ook <i>St. Amand</i>, <i>Doornik</i> en <i>Gent</i> hielp hij veroveren.
+Telkens bleek het, dat voor zijne onversaagdheid geen
+gevaar te groot en voor zijn moed geen tegenstand te
+sterk was. In den hoogst belangrijken slag bij <i>Malplaquet</i>
+(1709), eerst geplaatst aan het hoofd van negen bataljons,<span class='pagenum'><a name="Page_304" id="Page_304">[304]</a></span>
+die de vijandelijke verschansingen moesten beklimmen,
+rukt hij met zeldzame dapperheid tegen een vreeselijk
+kanon- en geweervuur in. &raquo;Voort, voort!&#8221; klinkt in een
+hevig kruisvuur zijne stem, en, als sleepte hij zijne
+troepen aan koorden met zich mede, spoeden zij naar
+hun doel. Het eerst de grachtboord der verschansing
+bereikende, zwaait de jonge held met den hoed in de
+hoogte, en stuiven al zijne benden in de gracht, bestijgen
+en veroveren met leeuwenmoed de borstwering,
+en verdrijven den vijand met de bajonet. Duizenden
+ziet hij om zich henen vallen en zelfs bijna al zijne officieren;
+met het klimmende gevaar voelt hij echter zijn
+heldenmoed rijzen, en blijft hij de zijnen aanvoeren, al
+zijn reeds twee paarden onder hem doodgeschoten. Een
+vaandrig grijpt hij het vaandel uit de hand, stuift daarmede
+all&eacute;&eacute;n op de vijandelijke werken in, en, roepende:
+&raquo;volgt mij, mijne vrienden! hier is uw post!&#8221; plant hij
+het op de borstwering, die op nieuw wordt veroverd.
+Juist deze &raquo;voorbeeldelooze stoutmoedigheid,&#8221; die persoonlijke,
+alle gevaar trotserende, moed van <i>Oranje</i>,
+welke aan roekeloosheid grensden, hadden de overwinning
+mede mogelijk gemaakt, ofschoon zij in hem misduid
+werden, daar hij altijd moest bedenken, dat hij de eenige
+Vorst was uit de huizen van <i>Nassau</i> en <i>Oranje</i>, waarop
+de hoop des vaderlands was gevestigd. De Voorzienigheid
+spaarde hem echter als door een wonder.</p>
+
+<p>Den 26 Februarij 1709 in het huwelijk getreden, weerhield
+zijn echt hem geen oogenblik in het volbrengen van
+zijne pligten als krijgsman. Reeds in Mei snelde hij
+naar het leger, en verliet het niet, voor hij nog in het
+laatst van October met Prins <span class="smcap">eugenius</span> <i>Bergen in Henegouwen</i>
+had ingenomen. In 1710 was hij weder tijdig
+in het veld, en mogt hij <i>Douai</i> en <i>St. Venant</i>, na
+hevige belegeringen, helpen veroveren. Ook in 1711 ging<span class='pagenum'><a name="Page_305" id="Page_305">[305]</a></span>
+hij weder naar het leger, doch nu voor de laatste maal.
+In Julij naar <i>&#8217;s Gravenhage</i> geroepen tot vereffening
+van de geschillen met den Koning van <i>Pruissen</i> over
+de erfenis van Koning <span class="smcap">willem</span>, werd hij door een droevig
+ongeluk aan het vaderland ontrukt. De held, wien de
+kogelregen en het moorddadigste vuur bij <i>Malplaquet</i>
+hadden gespaard&mdash;vond den dood in de golven, door
+het omslaan van de veerschouw op het Hollandsche diep
+bij den <i>Moerdijk</i>. Het geheele land betreurde dit verlies
+als eene zware ramp, en huldigde zijne deugden en
+verdiensten door uitbundige lofspraken. &raquo;Men had hem
+nooit genoeg geacht bij zijn leven, en kon hem niet
+genoeg beschreijen bij zijn dood. Bij de sierlijke gestalte
+eens jeugdigen ridders van ongemeene geestbeschaving
+voegde hij eene minzaamheid, bescheidenheid,
+kloekzinnigheid en goedaardigheid, ook te midden des
+oorlogs, en, bij den moed van een <span class="smcap">achilles</span>, liefde
+tot den vrede, welke den oorlog slechts als een noodzakelijk
+kwaad beschouwde;&mdash;eigenschappen, die aan
+<span class="smcap">jan willem friso</span> de bewondering van alle tijden en de
+liefde van al zijne landgenooten hebben waardig gemaakt!
+Het leger, dat zulk een dierbaar hoofd moest missen,
+was niet te troosten: grijze krijgslieden smolten in
+tranen. Geen wonder dat zij treurden: want zij hadden
+hem leeren kennen in veldslagen en bij belegeringen,
+en hij had zich nu reeds die liefde en dat vertrouwen
+verworven, waardoor zijne voorouders steeds de ziel
+van de Nederlandsche legermagt waren geweest. Dat
+leger miste van nu af den invloed van die tooverkracht,
+waarmede de naam van <i>Oranje</i> het altijd wist te
+bezielen&#8221;<a name="FNanchor_257" id="FNanchor_257"></a><a href="#Footnote_257" class="fnanchor">[257]</a>.</p>
+
+<p><span class='pagenum'><a name="Page_306" id="Page_306">[306]</a></span>Maar, welke was de smart der jeugdige gemalin van
+den Prins, met wie hij nog zoo kort verbonden was!
+Zij was de droefheid zelve, doch tevens een toonbeeld
+van de geestkracht, welke de Christelijke godsdienst onder
+lijden schenkt, als zij niet enkel het verstand, maar heel
+het gemoed vervult. Betaamt het vooral Vorsten, zich door
+grootmoedige daden en edele gezindheden boven de gewone
+menschen te verheffen&mdash;zij betoonde zich een
+echtgenoot waardig, over wien het gansche vaderland
+met haar treurde; zij heiligde dien rouw door haar geloof,
+en ontving daardoor kracht om hare pligten te
+vervullen, ook als Moeder. Den 1 September 1711, en
+alzoo zes weken na den dood zijns vaders, werd <span class="smcap">willem
+carel hendrik friso</span> te <i>Leeuwarden</i> geboren. De Staten
+van <i>Friesland</i> die zoo veel innige deelneming betoond
+hadden in den rouw der Prinses, &raquo;met aanbieding van
+alle hulp en bijstand, met raad en daad,&#8221; deelden nu
+evenzeer in den zegen, welke haar ten deel viel. Zij
+namen het Gevaderschap over den jongen Prins op zich,
+verklaarden het Erfstadhouderschap, gelijk ook de twee
+regimenten zijns vaders, op hem vervallen, en gaven
+meerdere blijken van toegenegenheid en teekenen van
+vreugde. Deze vonden weerklank in het gansche vaderland,
+dat nu weder eene mannelijke spruit bezat uit de
+huizen van <i>Oranje</i> en <i>Nassau</i>, waaraan het nu reeds
+bijna anderhalve eeuw door banden van wederkeerige
+liefde en belang was verknocht geweest.</p>
+
+<hr class="c05" />
+
+<p><span class='pagenum'><a name="Page_307" id="Page_307">[307]</a></span>Gelukkig spoedde de oorlog, nu weder zoo lang en
+zoo hevig gevoerd, bij &#8217;s Prinsen dood ten einde. De
+trotsche <span class="smcap">lodewijk</span> XIV, die jaar op jaar zoo vele verliezen
+geleden had, en in en buiten zijn land door vijanden
+bedreigd werd, haakte naar den vrede, die, na
+lange onderhandelingen, den 11 April 1713 te <i>Utrecht</i>
+werd gesloten. Die vrede, welke het vaderland eindelijk
+verademing en rust scheen te beloven, verwekte algemeene
+vreugde, die men ook in <i>Friesland</i> aan den dag
+legde door het afsteken van een prachtig vuurwerk op
+de marktplaats te <i>Leeuwarden</i>. Uit deze provincie was
+daartoe als gevolmagtigde afgevaardigd de voortreffelijke
+staatsman <span class="smcap">sicco van goslinga</span>, die tevens in den Successie-oorlog,
+van 1706 tot 1711, als Gedeputeerde te velde,
+door zijne uitstekende bekwaamheden het vaderland met
+raad en daad van dienst was geweest<a name="FNanchor_258"
+id="FNanchor_258"></a><a href="#Footnote_258" class="fnanchor">[258]</a>. In dien oorlog
+hadden meerdere aanzienlijke Friezen uitgeblonken,
+waarvan met lof genoemd worden de Generaal-Majoors
+<span class="smcap">frederik vegilin van claerbergen</span>, <span class="smcap">joachim van ammama</span>
+en <span class="smcap">frederik van grovestins</span>. De laatste verwierf nog in
+1712 grooten roem, door &raquo;met ongehoorde stoutheid&#8221;
+in <i>Frankrijk</i> een inval te doen, welke <span class="smcap">lodewijk</span>, dien
+hij tot nakoming van zijne verbindtenissen wilde dwingen,
+op zijnen troon deed sidderen. Met een vliegend legertje
+van 1800 dragonders en huzaren, mede onder bevel van den
+Brigadier <span class="smcap">van glinstra</span>, trok hij door <i>Champagne</i> en de
+Bisdommen <i>Metz</i>, <i>Toul</i> en <i>Verdun</i>, legde in 48 dagen
+800 Ned. mijlen in vijands land af, deed gansch <i>Lotharingen</i><span class='pagenum'><a name="Page_308" id="Page_308">[308]</a></span>
+beven, en boezemde ontzag in voor de Nederlandsche
+wapenen, die geen ander doel hadden, dan om door
+oorlog regt en vrede te verwerven<a name="FNanchor_259"
+id="FNanchor_259"></a><a href="#Footnote_259" class="fnanchor">[259]</a>.</p>
+
+<p>Die vrede werd verworven, doch ten koste van stroomen
+bloeds en millioenen schats. Gelukkig, dat de
+duurzame voorspoed des lands, door scheepvaart, handel
+en landbouw bevorderd, die offers kon brengen; dat
+een bestendige vrede daarmede niet te duur was gekocht
+in vergelijking van den smaad en de verliezen, welke
+op de zegepraal van en onderwerping aan den Franschen
+despoot zouden gevolgd zijn; en bovenal, dat de geestkracht
+en waardigheid der natie te midden dier dreigende
+gevaren zich zoo grootsch ontwikkelde en zich zoo fier
+daar boven verhief, dat zij niet enkel haren overmagtigen
+tegenstander, maar gansch <i>Europa</i> helden kon toonen,
+die den krijgsroem van <i>Nederland</i> met nieuwen
+luister deden schitteren.&mdash;Dat <i>Friesland</i> in de rij der
+Nederlandsche gewesten in staat was, zijn aandeel daartoe
+bij te brengen op eene wijze, zijnen alouden roem
+waardig&mdash;dit vermeldden wij voor de eer onzer provincie
+met genoegen, gelijk het volbrengen van elken pligt jegens
+het vaderland de streelendste gewaarwordingen verschaft.</p>
+
+<p>De belangrijkheid der geschiedenis van dit gedeelte
+van ons tijdvak en de rijkdom der, vroeger nog niet
+bewerkte, bronnen mogen mij verontschuldigen, dat ik
+dit uitvoeriger dan vorige gedeelten heb behandeld,
+hoezeer daarbij nog te veel achterwege is gelaten, dan
+dat het op volledigheid aanspraak zou kunnen maken.</p>
+
+<hr class="footn" />
+
+<div class="footnote">
+
+<p><a name="Footnote_191" id="Footnote_191"></a><a href="#FNanchor_191"><span class="label">[191]</span></a>
+<span class="smcap">Aitzema</span>, <i>Saken van Staet en Oorlogh</i>, 4<sup>o</sup>. VII 205 env.
+<span class="smcap">Wagenaar</span>, <i>Vaderl. Historie</i>, XII 153.</p>
+
+<p><a name="Footnote_192" id="Footnote_192"></a><a href="#FNanchor_192"><span class="label">[192]</span></a>
+<i>Charterboek</i>, V 575 en vele krachtige vertoogen bovendien in
+<span class="smcap">aitzema</span>, VIII 102 env., vooral tegen
+<span class="smcap">de witt</span>, <span class="smcap">van beverningh</span>
+en <span class="smcap">nieupoort</span> gerigt. <span class="smcap">Kok</span>, <i>Vad. Woordenb.</i> XVI 603.</p>
+
+<p><a name="Footnote_193" id="Footnote_193"></a><a href="#FNanchor_193"><span class="label">[193]</span></a>
+<span class="smcap">De jonge</span>, <i>Geschiedenis van het Ned. Zeewezen</i>, II <i>a</i> 30 env.;
+<span class="smcap">wagenaar</span>, <i>Vaderl. Historie</i>, XII 232 env.</p>
+
+<p><a name="Footnote_194" id="Footnote_194"></a><a href="#FNanchor_194"><span class="label">[194]</span></a>
+<i>Charterboek</i>, IV 896, V 330, 477, 485, 486; <i>Reg. op de
+Staats-resol.</i> 10, 205, 313; <i>Tegenw. Staat</i>, III 13.</p>
+
+<p><a name="Footnote_195" id="Footnote_195"></a><a href="#FNanchor_195"><span class="label">[195]</span></a>
+<i>Charterboek</i> V 521, 558. Dit is te vreemder, omdat de
+Regering van <i>Harlingen</i> reeds in 1644 bij acte had aangenomen,
+&#8222;omme de Heeren Raden ter Admiraliteyt op Stadts costen te
+voorsien met een bequame huysinge tot het Collegie ende Vergaderinge,
+sampt gevangen- en packhuysen.&#8221;</p>
+
+<p><a name="Footnote_196" id="Footnote_196"></a><a href="#FNanchor_196"><span class="label">[196]</span></a>
+<i>Reg. Staats-resol.</i> 13; <span class="smcap">de jonge</span>, <i>Zeewezen</i>, I 280, 281;
+II <i>a</i> 346, II <i>b</i> 31, en verder de Resoluti&euml;n van Gedeputeerden.</p>
+
+<p><a name="Footnote_197" id="Footnote_197"></a><a href="#FNanchor_197"><span class="label">[197]</span></a>
+Van dezen <span class="smcap">douwe aukes</span> zijn geene andere bedrijven of
+levensbijzonderheden bekend. Vermoedelijk verliet hij na den
+eerste Engelschen oorlog de zee en werd koopman te <i>Amsterdam</i>,
+waar hij bij den tweeden Engelschen oorlog, in 1665, in aanmerking
+kwam, om, wegens zijn vroeger bedrijf, de gemagtigden tot
+&#8217;s lands vloot als Zeeraad te dienen. Zie <span class="smcap">brandt</span>, <i>de Ruiter</i>, 398.
+De <i>Holl. Mercurius</i>, 1666, 169 noemt hem, die verder niet bij <span class="smcap">brandt</span>
+voorkomt, &#8222;een van de beste Zee-helden van onsen tijt, so in
+goet beleyt, courage, als ervarentheyt,&#8221; en meent zelfs, dat hij
+in 1666 bestemd was tot Luit.-Admiraal, in plaats van <span class="smcap">tjerk hiddes</span>.</p>
+
+<p><a name="Footnote_198" id="Footnote_198"></a><a href="#FNanchor_198"><span class="label">[198]</span></a>
+Ik ben het verhaal gevolgd in den <i>Hollantsche Mercurius</i>
+van 1652, III 82, nagenoeg overeenkomende met <span class="smcap">brandt</span>, <i>Leven
+van de Ruiter</i>, Amst. 1701, 27 en <span class="smcap">de jonge</span>, <i>Zeewezen</i>, II <i>a</i> 53.</p>
+
+<p><a name="Footnote_199" id="Footnote_199"></a><a href="#FNanchor_199"><span class="label">[199]</span></a>
+&#8222;Dit getuigt, onder anderen, de Raadpensionaris <span class="smcap">j. de
+witt</span>, in een&#8217; zijner brieven aan de Algemeene Staten.&#8221;</p>
+
+<p><a name="Footnote_200" id="Footnote_200"></a><a href="#FNanchor_200"><span class="label">[200]</span></a>
+<span class="smcap">De jonge</span>, <i>Zeewezen</i>, II <i>b</i> 32, 105. Waar het mogelijk
+is, wil ik over dit onderwerp het liefst de eigene woorden van
+dezen bevoegden beoordeelaar mededeelen, die zeker het meeste
+gezag verdient.</p>
+
+<p><a name="Footnote_201" id="Footnote_201"></a><a href="#FNanchor_201"><span class="label">[201]</span></a>
+Zie een belangrijken brief van hem bij <span class="smcap">aitzema</span>, XI <i>b</i> 919;
+<span class="smcap">wagenaar</span>, XIII 147 env.; <span class="smcap">de jonge</span>, II <i>b</i> 180, 247, 281 env.</p>
+
+<p><a name="Footnote_202" id="Footnote_202"></a><a href="#FNanchor_202"><span class="label">[202]</span></a>
+Resol. van Gedeputeerden; <i>Reg. Staats-res</i>. 13, 206; <i>Chartb.</i>
+V 747, 749, 750; <span class="smcap">vitringa</span>, <i>Memoriale Annotatien</i>, I 412 env.</p>
+
+<p><a name="Footnote_203" id="Footnote_203"></a><a href="#FNanchor_203"><span class="label">[203]</span></a>
+<i>Memorien van den Grave de Guiche</i>, bl. 262 en 277 van
+het orig. en 270 en 286 van de vert. Deze Fransche edelman,
+die zich met andere aanzienlijke personen op de vloot bevond,
+schreef den naam van <span class="smcap">tjerk hiddes</span> naar zijne Fransche uitspraak
+<span class="smcap">kierkides</span>, welke spelling ook de schrandere vertaler behouden heeft.</p>
+
+<p><a name="Footnote_204" id="Footnote_204"></a><a href="#FNanchor_204"><span class="label">[204]</span></a>
+Ik vond dit verhaal (bij <span class="smcap">de jonge</span>, II <i>b</i> 282 en in het
+offici&euml;el verslag in den <i>Holl. Mercurius</i>, 90 slechts kort vermeld) in
+een oorspronkelijk <i>Zee-Journael</i> van dien togt, zoo als die destijds,
+bij gemis van Couranten, te <i>Amsterdam</i> en elders werden gedrukt
+en onder den naam van <i>Nieuwe Tijdingen</i> verspreid.&mdash;In 1663 hadden
+Gedeputeerde Staten hier een vasten <i>Post</i> opgerigt, tweemalen
+ter week van <i>Leeuwarden</i> op <i>Zwolle</i> en verdere plaatsen. Het
+<i>Huis Benthem</i> was hier het eerste Postkantoor en <span class="smcap">jetse stiensma</span>
+de eerste Postmeester. <i>Charterboek</i>, V 693, 707.</p>
+
+<p><a name="Footnote_205" id="Footnote_205"></a><a href="#FNanchor_205"><span class="label">[205]</span></a>
+<span class="smcap">De jonge</span>, II <i>b</i> 336, 344 env.; <span class="smcap">wagenaar</span>, XIII 210; <i>Holl.
+Mercurius</i>, 115; <span class="smcap">aitzema</span>, XII 97; <span class="smcap">brandt</span>, 515.</p>
+
+<p><a name="Footnote_206" id="Footnote_206"></a><a href="#FNanchor_206"><span class="label">[206]</span></a>
+<span class="smcap">De jonge</span>, II <i>b</i> 353; III <i>a</i> 417. Zijne beste levensbeschrijv.
+is die in de <i>Levens van Nederl. Mannen en Vrouwen</i>, Amst. en Harl.
+1776, III 1; <span class="smcap">kok</span>, XXX, 36; <span class="smcap">brandt</span>, <i>de Ruiter</i>, 401, 407,
+419, 423, 424 env. Zie verder <i><a href="#Aant23">Aanteekening 23</a></i>.</p>
+
+<p><a name="Footnote_207" id="Footnote_207"></a><a href="#FNanchor_207"><span class="label">[207]</span></a>
+Deze zoon, <span class="smcap">tjerk de vries</span>, ook in &#8217;s lands zeedienst opgeleid,
+stierf reeds in 1689 als Kapitein van en op &#8217;s lands oorlogsschip:
+de Brack op een terugtogt van <i>Engeland</i>.</p>
+
+<p><a name="Footnote_208" id="Footnote_208"></a><a href="#FNanchor_208"><span class="label">[208]</span></a>
+Zie over <span class="smcap">aylva</span> als Luit.-Admiraal: <span class="smcap">brandt</span>, 558, 573,
+585, 589, 590, 594, 598, 599, 644, 646; <span class="smcap">de jonge</span>, II <i>b</i> 421;
+III <i>a</i> 51, 124.</p>
+
+<p><a name="Footnote_209" id="Footnote_209"></a><a href="#FNanchor_209"><span class="label">[209]</span></a>
+Zie deze redenen breeder ontwikkeld bij <span class="smcap">de jonge</span>, III <i>a</i> 204.</p>
+
+<p><a name="Footnote_210" id="Footnote_210"></a><a href="#FNanchor_210"><span class="label">[210]</span></a>
+Mijn bestek gedoogt niet, aangaande dezen man meerdere
+bijzonderheden mede te deelen. Omtrent weinige personen is <span class="smcap">de
+jonge</span> z&oacute;&oacute; uitvoerig, als over dezen dapperen zeeman, van wien
+hij vele, tot dusverre onbekende, bijzonderheden heeft medegedeeld.
+Zie III <i>a</i> Inl. XII, 30, 345-366, 415, III <i>b</i> 49, 275-363.</p>
+
+<p><a name="Footnote_211" id="Footnote_211"></a><a href="#FNanchor_211"><span class="label">[211]</span></a>
+Tot kenschetsing van de zeden en den trap van beschaving
+dier dagen, welke wij hier niet in bijzonderheden kunnen vermelden,
+meenen wij een enkel bewijs te moeten aanvoeren. In het
+zelfde jaar 1661, dat de Staten ten gevolge der toenemende publieke
+onveiligheid, veroorzaakt door veelvuldige luije bedelaars, vagabonden
+en landloopers, gedrongen waren een Lands Tucht- en
+Werkhuis op te rigten, werden er plakkaten uitgevaardigd zoowel
+tegen &#8222;d&aacute;t schadelyck geboefte,&#8221; als tegen het drukken van
+schandelijke en ergerlijke boeken, alsmede tegen het onbehoorlijk
+zuipen en slempen op de lijkmaaltijden. Zie die stukken in het
+<i>Charterb.</i> V 651, 653, 661, 662. Den hoofdinhoud van het
+laatste willen wij hier mededeelen met de woorden van <span class="smcap">horatius
+vitringa</span> in zijne MS. <i>Memoriale Annotatien</i>, I 262:</p>
+
+<p>&#8222;De Staten van <i>Frieslant</i>, insiende het schandelyck en godtloos
+misbruick van &#8217;t suypen en slempen, dat daeghelycks en dickmaels
+by de begraffenissen der dooden gepleecht wierde van alderhande
+soorten van menschen, en hetwelcke soo groff gingh, dat menich
+droncken bout in het sterffhuis konde vertoeven tot 9 &agrave; 10 uyren
+in den avont, en haer alsdan als beesten laten nae huis leyden,
+nemende menichmael kannen en glasen onder de mantel en hoyck
+mede om in het drincken niet vergeten te worden; in voegen, dat
+een gemeen Burger tot een begraffenisse van nooden hadde ten
+minste een aem wyns en sommige vrij wat meer,&mdash;hebben,
+daerinne willende voorsien, den 13 Julij 1661 (op een gravamen
+van &#8217;t Classis van <i>Leuwaerden</i>, in desen jare op het Synode alhier
+vergadert, voorgedragen) by openbare placcaten laten verbieden,
+dat niemand voortaen, soo groot als klein, edel ofte onedel, directe
+off indirecte, voor off nae de begraffenisse, sal vermogen
+wyn, bier off stercken dranck te doen schencken by poene van
+50 Ggld., &#8217;t appliceren <sup>1</sup>&#8260;<sub>3</sub>
+part voor den aenbrenger, <sup>1</sup>&#8260;<sub>3</sub> part voor
+den Officier en <sup>1</sup>&#8260;<sub>3</sub> part voor de armen: waer mede het drincken
+oock een eynde heeft genomen.&#8221; Dit laatste wordt door de herhaling
+van dit plakkaat in 1683 tegengesproken. Zie <i>Charterb.</i> V 1213.</p>
+
+<p><a name="Footnote_212" id="Footnote_212"></a><a href="#FNanchor_212"><span class="label">[212]</span></a>
+<span class="smcap">Vitringa</span>, <i>Mem. Annotatien</i>, I 93; <i>Charterb.</i> V 592, 595,
+604, 606, 608, 609; <i>Tegenw. Staat</i>, II 169, 468.</p>
+
+<p><a name="Footnote_213" id="Footnote_213"></a><a href="#FNanchor_213"><span class="label">[213]</span></a>
+<span class="smcap">Vitringa</span>, I 271; <i>Charterb.</i> V 666, 667, 679, en <span class="smcap">aitzema</span>,
+X 524, die onschatbare bron voor onze vaderlandsche geschiedenis!</p>
+
+<p><a name="Footnote_214" id="Footnote_214"></a><a href="#FNanchor_214"><span class="label">[214]</span></a>
+Bij het terugkeeren van deze begrafenis had Prins <span class="smcap">joan
+maurits</span> <i>van Nassau</i> het ongeluk, bij het overrijden van de Weeshuisbrug
+in <i>Franeker</i>, in het water en onder zijn paard te vallen.
+Gelukkig gered, moest hij daar eenige weken vertoeven tot zijne
+herstelling. Eene afbeelding van dit voorval is daarna in steen gehouwen
+en geplaatst in den muur van het Weeshuis, nevens deze brug,
+die daarvan den naam van de Mauritsbrug ontving. <span class="smcap">Aitzema</span>, 823.</p>
+
+<p><a name="Footnote_215" id="Footnote_215"></a><a href="#FNanchor_215"><span class="label">[215]</span></a>
+<span class="smcap">Vitringa</span>, <i>Memorien</i>, I 388; <i>Charterboek</i>, V 616, 738, en
+vooral uitvoerige berigten in <span class="smcap">aitzema</span>, XI <i>a</i> 75-131; <span class="smcap">sylvius</span>,
+<i>Vervolg</i>, II 43; <span class="smcap">n. arnoldus</span>, <i>Vorstelijke Rouw-Lyck-ende-Lof-Reeden</i>,
+Leeuw. 1664, 19; <span class="smcap">wagenaar</span>, XIII 97; <i>Reg. Staats-res.</i> 513.</p>
+
+<p><a name="Footnote_216" id="Footnote_216"></a><a href="#FNanchor_216"><span class="label">[216]</span></a>
+<span class="smcap">Vitringa</span>, <i>Memorien</i>, I 432; <span class="smcap">aitzema</span>, XI <i>b</i> 1039.</p>
+
+<p><a name="Footnote_217" id="Footnote_217"></a><a href="#FNanchor_217"><span class="label">[217]</span></a>
+Ook onzen dichter <span class="smcap">gysbert jacobsz.</span> met vrouw en zoon.
+Zie <span class="smcap">halbertsma</span>, <i>Hulde</i>, II 299.</p>
+
+<p><a name="Footnote_218" id="Footnote_218"></a><a href="#FNanchor_218"><span class="label">[218]</span></a>
+<span class="smcap">Vitringa</span>, I 430; <span class="smcap">bosscha</span>, II 18;
+<span class="smcap">aitzema</span>, XI <i>b</i> 1034 env.
+Volgens den eersten bedroegen de Provinciale lasten van Oorlog
+voor <i>Friesland</i> in 1666 &#402;263,000 per maand of &#402;2,178,000 in het jaar.</p>
+
+<p><a name="Footnote_219" id="Footnote_219"></a><a href="#FNanchor_219"><span class="label">[219]</span></a>
+De <i>Hollandse Mercurius</i>, 72, zegt zelfs, dat het &#8222;schoone
+Regiment van <span class="smcap">alua</span> van &#8217;t geduerig marcheren was afgemartelt,
+eerst uyt de Spaensse Nederlanden na &#8217;t Leger, van daer na
+Nimwegen, van Nimwegen na de Rijnkant, van de Rijnkant
+weer na Nimwegen, en weder van daer na de Rijnkant.&#8221;</p>
+
+<p><a name="Footnote_220" id="Footnote_220"></a><a href="#FNanchor_220"><span class="label">[220]</span></a>
+<span class="smcap">Valkenier</span>, 458, zegt duidelijk: &#8222;Door dese quetsure van
+<span class="smcap">cond&eacute;</span> bleef de groote Resolutie, om op <i>Amsterdam</i> te gaan, geheel
+achter, en wierden de concepten geheel verandert.&#8221; Ook Kapitein
+<span class="smcap">w. j. knoop</span>, in zijn belangrijk stuk: <i>de Verdediging van Nederland</i>,
+in <i>de Gids</i>, 1851, 317, houdt het voor &#8222;zeer waarschijnlijk, dat,
+wanneer dadelijk na den overtogt van den Rijn het Fransche leger
+op Holland was aangevallen, dat gewest zou zijn veroverd en
+daarmede het vaderland verloren.&#8221;</p>
+
+<p><a name="Footnote_221" id="Footnote_221"></a><a href="#FNanchor_221"><span class="label">[221]</span></a>
+<span class="smcap">Valkenier</span>, 597; <i>Charterboek</i>, V 812 en verv.</p>
+
+<p><a name="Footnote_222" id="Footnote_222"></a><a href="#FNanchor_222"><span class="label">[222]</span></a>
+Zie <span class="smcap">valkenier</span>, <i>&#8217;t Verwerd Europa</i>, Amst. 1675, 597 en
+vooral het uitvoerig verhaal bij <span class="smcap">sylvius</span>, <i>Vervolg op</i> <span class="smcap">aitzema</span>, I 561.</p>
+
+<p><a name="Footnote_223" id="Footnote_223"></a><a href="#FNanchor_223"><span class="label">[223]</span></a>
+Van eenige dezer schansen komen afbeeldingen voor bij
+<span class="smcap">sylvius</span>, I 298 en in <i>d&#8217; Ontroerde Leeuw</i>, 70.</p>
+
+<p><a name="Footnote_224" id="Footnote_224"></a><a href="#FNanchor_224"><span class="label">[224]</span></a>
+Alleen <i>d&#8217; Ontroerde Leeuw</i>, 41 en <i>Holl. Mercurius</i> van 1672,
+112 maken melding van dit feit, later door <span class="smcap">sylvius</span> in zijn <i>Vervolg
+op</i> <span class="smcap">aitzema</span> en in <i>it aade Friesche Terp</i> medegedeeld. Zie ook van
+<span class="smcap">d. h. van der meer</span> in den <i>Friesche Volks Almanak</i>, 1841, 44
+meer uitvoerige berigten deswege.</p>
+
+<p><a name="Footnote_225" id="Footnote_225"></a><a href="#FNanchor_225"><span class="label">[225]</span></a>
+Dit vermeldt <span class="smcap">eldercampius</span> in zijn <i>Journael</i> van &#8217;t beleg,
+Gron. 1672, en de <i>Holl. Mercurius</i>, 127, 129.</p>
+
+<p><a name="Footnote_226" id="Footnote_226"></a><a href="#FNanchor_226"><span class="label">[226]</span></a>
+<span class="smcap">Valkenier</span>, 807, die in dezen meer te vertrouwen is dan
+<i>it aade Friesche Terp</i>, 245, dat dezen aanval tusschen den 8 en 9
+September stelt.</p>
+
+<p><a name="Footnote_227" id="Footnote_227"></a><a href="#FNanchor_227"><span class="label">[227]</span></a>
+Zie het uitvoerig verhaal bij <span class="smcap">sylvius</span>, I 427; <span class="smcap">valkenier</span>,
+<i>&#8217;t Verwerd Europa</i>, 803; <i>d&#8217; Ontroerde Leeuw</i>, 46; <span class="smcap">siegenbeek</span>, <i>Geschiedenis
+der Burgerwapening</i>, 130; <span class="smcap">bosscha</span>, <i>Heldend.</i> II 126. Ter
+belooning van &#8222;dese hero&iuml;que actie der Burgeren&#8221; werden, nog
+in dat zelfde jaar, aan <i>Blokzyl</i> stedelijke regten toegekend, volgens
+octrooi van Prins <span class="smcap">willem</span> III.</p>
+
+<p><a name="Footnote_228" id="Footnote_228"></a><a href="#FNanchor_228"><span class="label">[228]</span></a>
+Dit stuk is medegedeeld in de <i>Leeuw. Cour.</i> van 1836, No. 36.</p>
+
+<p><a name="Footnote_229" id="Footnote_229"></a><a href="#FNanchor_229"><span class="label">[229]</span></a>
+<span class="smcap">Vitringa</span>, <i>Mem. Annotatien</i>, I 639. Ik heb den inhoud dezer
+aanspraak hier vooral medegedeeld, omdat al de verdere klagten
+en bezwaren, welke tot de latere gebeurtenissen aanleiding gaven,
+in de hoofdzaak hierop nederkwamen.</p>
+
+<p><a name="Footnote_230" id="Footnote_230"></a><a href="#FNanchor_230"><span class="label">[230]</span></a>
+<i>Charterb.</i> V 831. Deze Resolutie is echter maar door 45
+van de 82 leden der Staten onderteekend. Z&oacute;&oacute; vele personen
+schijnen er afwezig geweest te zijn?</p>
+
+<p><a name="Footnote_231" id="Footnote_231"></a><a href="#FNanchor_231"><span class="label">[231]</span></a>
+<span class="smcap">Vitringa</span>, 643; <i>Charterb.</i> V 834, 1074, 1075; <i>Geschiedk.
+Beschrijving</i>, II 135; <span class="smcap">valkenier</span>, 653 vermeldt, dat <i>Leeuwarden</i>
+all&eacute;&eacute;n 1000 weerbare burgers leverde. (Zie <i><a href="#Aant25">Aanteek. 25</a></i>.)</p>
+
+<p><a name="Footnote_232" id="Footnote_232"></a><a href="#FNanchor_232"><span class="label">[232]</span></a>
+Dus oordeelt Kapitein <span class="smcap">w. j. knoop</span> in <i>de Verdediging van
+Nederland in 1672</i>, in <i>de Gids</i>, 1851, 330.</p>
+
+<p><a name="Footnote_233" id="Footnote_233"></a><a href="#FNanchor_233"><span class="label">[233]</span></a>
+<i>Charterboek</i>, V 299, 301, 313, 316, 666, 815.</p>
+
+<p><a name="Footnote_234" id="Footnote_234"></a><a href="#FNanchor_234"><span class="label">[234]</span></a>
+De beroemde <span class="smcap">ulrik huber</span> gaf in een naamloos geschrift, getit.
+<i>Spiegel van Doleancie en Reformatie</i>, eene beoordeeling van deze punten,
+met eene, in die dagen van opgewondenheid zoo nuttige waarschuwing,
+&#8222;dat soo heerlijcken werck niet werde bezoedelt met de vlecke van
+onrecht en onvoorsichtigheydt.&#8221; Het ambtverkoopen noemt hij daarin:
+&#8222;de schandvlecke ende de kancker van de Vriesche Regeringe.&#8221;</p>
+
+<p><a name="Footnote_235" id="Footnote_235"></a><a href="#FNanchor_235"><span class="label">[235]</span></a>
+Zie <i>Charterboek</i> V 835, 837, benevens de toenmaals afzonderlijk
+gedrukte stukken, welke zich bevinden in het HS. van
+<span class="smcap">vitringa</span>, wiens verhaal ik ben gevolgd, met aanvulling uit <span class="smcap">sylvius</span>,
+I 567 env.</p>
+
+<p><a name="Footnote_236" id="Footnote_236"></a><a href="#FNanchor_236"><span class="label">[236]</span></a>
+Zie deze en verder hiertoe betrekkelijke stukken in het
+<i>Charterboek</i>, V 888, 892, 931 env.</p>
+
+<p><a name="Footnote_237" id="Footnote_237"></a><a href="#FNanchor_237"><span class="label">[237]</span></a>
+<span class="smcap">Vitringa</span>, <i>Memoriale Annotatien</i>, I 706.</p>
+
+<p><a name="Footnote_238" id="Footnote_238"></a><a href="#FNanchor_238"><span class="label">[238]</span></a>
+Zie deze stukken in het <i>Charterb.</i> V 957, 959 env. Ook
+zijn ze afzonderlijk gedrukt, en mede opgenomen in het <i>Recueil van
+Reglementen</i> enz. gedrukt te <i>&#8217;s Gravenhage</i> in 1678, toen er over
+de nakoming van deze punten nieuwe geschillen ontstonden.</p>
+
+<p><a name="Footnote_239" id="Footnote_239"></a><a href="#FNanchor_239"><span class="label">[239]</span></a>
+Zie <i>Charterb.</i> V 946, 973, 977, 983, 985, 988.</p>
+
+<p><a name="Footnote_240" id="Footnote_240"></a><a href="#FNanchor_240"><span class="label">[240]</span></a>
+<span class="smcap">Sylvius</span>, <i>Historien</i>, I 635, 636.</p>
+
+<p><a name="Footnote_241" id="Footnote_241"></a><a href="#FNanchor_241"><span class="label">[241]</span></a>
+Uitvoerige bijzonderheden omtrent al het voorgevallene
+vindt men in de belangrijke werken van dien tijd: <i>Holl. Mercurius</i>,
+152, en <i>d&#8217;Ontwaekte Leeuw</i>, Amst. 1673, I 36, 47, 60, 74,
+122, 130; II 15, 46, 47 env.; <span class="smcap">sylvius</span>, I 653; zie ook <span class="smcap">van
+leeuwen</span>, <i>Kronyk</i>, 254.</p>
+
+<p><a name="Footnote_242" id="Footnote_242"></a><a href="#FNanchor_242"><span class="label">[242]</span></a>
+<span class="smcap">Romyn de hooghe</span>, <i>Spiegel van Staat</i>, Amsterdam 1706,
+I, 7<sup>e</sup> tafereel, 1, 7.</p>
+
+<p><a name="Footnote_243" id="Footnote_243"></a><a href="#FNanchor_243"><span class="label">[243]</span></a>
+Zie de voorbeelden daarvan bij <span class="smcap">de jonge</span>, <i>Zeewezen</i>, III <i>a</i>
+130, 150, 269, 292.</p>
+
+<p><a name="Footnote_244" id="Footnote_244"></a><a href="#FNanchor_244"><span class="label">[244]</span></a>
+Behalve het vroeger aangehaalde uit <span class="smcap">de jonge</span>, op <a href="#Page_259">bl.
+259</a>, blijkt dit uit veelvuldige plaatsen in het 3<sup>e</sup> dl.
+1<sup>e</sup> en 2<sup>e</sup> st.
+van zijn voortreffelijk werk, waaruit ik tot mijn leedwezen geene
+meerdere bijzonderheden kan mededeelen. Ook <span class="smcap">sylvius</span>, I, 14<sup>e</sup> bk.
+341, 348, 15<sup>e</sup> bk. 93 enz. gewaagt met veel lof van de heldendaden
+van <span class="smcap">binckes</span>.</p>
+
+<p><a name="Footnote_245" id="Footnote_245"></a><a href="#FNanchor_245"><span class="label">[245]</span></a>
+Zie over dezen <span class="smcap">scheltema</span>, <i>Staatkundig Nederland</i>, het <i>Wapenboek</i>,
+het <i>Stamboek</i>, het <i>Charterboek</i> enz.</p>
+
+<p><a name="Footnote_246" id="Footnote_246"></a><a href="#FNanchor_246"><span class="label">[246]</span></a>
+<span class="smcap">Sylvius</span>, <i>Vervolg op</i> <span class="smcap">aitzema</span>, dat aan hem werd opgedragen,
+I 287, 562 env. III, 1691, 51; <span class="smcap">bosscha</span>, <i>Heldendaden</i>, II
+166, 232, 240, <i>Bijlage</i> 9 env.; <i>Friesche Volks Almanak</i>, 1841, 62.</p>
+
+<p><a name="Footnote_247" id="Footnote_247"></a><a href="#FNanchor_247"><span class="label">[247]</span></a>
+Uit dit beleg is de bijzonderheid bewaard, dat de Friesche
+Luitenant <span class="smcap">laurentius de blau</span>, bij een aanval doodelijk getroffen,
+door zijne achttienjarige jongevrouw, <span class="smcap">antje tjebbes tjebbinga</span>, met
+veel onverschrokkenheid uit de loopgraven werd gedragen, in de
+legerplaats gebragt en naar <i>Leeuwarden</i> vervoerd, om hem bij zijne
+vaderen te doen rusten. Zie <span class="smcap">ferwerda</span>, <i>Wapenboek</i>, I in <i>de Blau</i>.
+Ook <span class="smcap">bosscha</span>, II 193 vermeldt dit en Mr. <span class="smcap">van halmael</span> bezong
+dit blijk van huwelijkstrouw in den <i>Alm. v. &#8217;t schoone en goede</i>, 1837.</p>
+
+<p><a name="Footnote_248" id="Footnote_248"></a><a href="#FNanchor_248"><span class="label">[248]</span></a>
+<span class="smcap">Bosscha</span>, II 144, 172, 188, 192, 240, 258, 261, 315, 319
+env.; <i>Friesche Volks Almanak</i>, 1840, 104; <span class="smcap">n. ypeij</span>, <i>Gedenkschrift
+van Coehoorn</i>, Fran. 1781; <span class="smcap">chalmot</span>, <i>Biogr. Woordenb.</i> VII 129;
+<span class="smcap">kok</span>, <i>Vaderl. Woordenb.</i> X 366; <i>Levensbes. van Nederl. Mannen</i>,
+VII 169; <span class="smcap">merkes</span>, <i>Memorie over Coehoorn</i>, &#8217;s Hage 1825; <span class="smcap">van
+kampen</span>, <i>Geschied.</i> II 138; <i>Karakterkunde</i>, II 415; <span class="smcap">van loon</span>,
+<i>Historiepenn.</i> IV 342; <span class="smcap">van leeuwen</span> in het <i>Friesch Jierboeckje</i>, 1829, 1.</p>
+
+<p><a name="Footnote_249" id="Footnote_249"></a><a href="#FNanchor_249"><span class="label">[249]</span></a>
+Toen de Prinses in 1679 naar <i>Duitschland</i> vertrok en haar
+zoon het bewind aanvaardde, nam zij van de Staten afscheid bij
+eene Missive, waarin zij treffende blijken gaf van hare &#8222;groote
+liefde, affectie ende danckbare erkentenis jegens dese gezegende
+Provincie;&#8221; waarop de Staten eene resolutie namen, welke evenzeer
+van hunne erkentenis en toegenegenheid getuigde en vergezeld
+ging van een geschenk van 5,000 Gld. met toezegging van een jaarlijksch
+lijfpensioen tot gelijk bedrag. Zie deze Missive en Resolutie
+bij <span class="smcap">sylvius</span>, II 42. De regering van <i>Leeuwarden</i> ontving bovendien
+een brief, waarin de Vorstin hare goede gezindheden nog
+sterker uitdrukte. Zie <i>Geschiedk. Beschrijv.</i> II 298. Later keerde
+zij echter in <i>Friesland</i> terug, en woonde meest op het <i>Oranjewoud</i>.</p>
+
+<p><a name="Footnote_250" id="Footnote_250"></a><a href="#FNanchor_250"><span class="label">[250]</span></a>
+Behalve in stukken van het Stedelijk Archief, vindt men eene
+uitvoerige beschrijving van deze &#8222;Princelyke Inhalinge&#8221; bij <span class="smcap">sylvius</span>,
+II, 1684, 125.</p>
+
+<p><a name="Footnote_251" id="Footnote_251"></a><a href="#FNanchor_251"><span class="label">[251]</span></a>
+Zie over deze Vorst en Vorstin: <i>Charterb.</i> V 914, 1103,
+1216, 1242; <span class="smcap">sylvius</span>, I 552, 653, <i>b</i> 97, 178; <i>Regist. Staats res.</i>
+46, 513, 587; <span class="smcap">kok</span>, <i>Vaderl. Woordenb.</i> II 507, XVI 606, XX 547;
+<span class="smcap">foeke sjoerds</span>, <i>Beschrijv.</i> II 188; <i>Tegenw. Staat</i>, II 147; <span class="smcap">van
+kampen</span>, <i>Karakterk.</i> II 337, 405, 414; <span class="smcap">bosscha</span>, <i>Heldendaden</i>,
+II 103, 168, 239, 240, 258; <span class="smcap">steenbergen</span>, <i>Lijkrede op Prinses
+Albertine Agnes</i>; <span class="smcap">van leeuwen</span>, <i>Kronyk</i>, 456; <span class="smcap">van halmael</span> in
+den <i>Friesche Volks-Almanak</i>, 1844, 182.</p>
+
+<p><a name="Footnote_252" id="Footnote_252"></a><a href="#FNanchor_252"><span class="label">[252]</span></a>
+Zie die geschillen vermeld bij <span class="smcap">kok</span>, XVI 607; <i>Reg. Staats-resol.</i>
+517.&mdash;&#8222;Holland was voor Frieschen invloed bevreesd&#8221;, zegt
+<span class="smcap">groen van prinsterer</span>, <i>Handboek der Vaderl. Geschiedenis</i>, 589.</p>
+
+<p><a name="Footnote_253" id="Footnote_253"></a><a href="#FNanchor_253"><span class="label">[253]</span></a>
+<span class="smcap">Bosscha</span>, II 301, 541 env. Bovendien had Staat gelijktijdig
+over de 50 zware linieschepen in dienst. De schuld der republiek
+werd door dezen oorlog vermeerderd met 350 millioen! <span class="smcap">Groen</span>, 588.</p>
+
+<p><a name="Footnote_254" id="Footnote_254"></a><a href="#FNanchor_254"><span class="label">[254]</span></a>
+<span class="smcap">Romyn de hooghe</span>, <i>Spiegel van Staat</i>, Amst. 1706, I,
+7<sup>e</sup> tafereel, 28.</p>
+
+<p><a name="Footnote_255" id="Footnote_255"></a><a href="#FNanchor_255"><span class="label">[255]</span></a>
+Zie <i>Reg. Staats-resol.</i> 343, 517; <span class="smcap">lamigue</span>, <i>Leven van J. W.
+Friso</i>, II 9, 30, 109, 117; <span class="smcap">kok</span>, XVI 682; <i>Tegenw. Staat</i>, II
+376. Ook deze Prinses ontving van de Friesche Staten eene tonne
+gouds als huwelijks-gift, en de Prins een geschenk van 16,000 Gld.</p>
+
+<p><a name="Footnote_256" id="Footnote_256"></a><a href="#FNanchor_256"><span class="label">[256]</span></a>
+<span class="smcap">Van kampen</span>, <i>Karaktk.</i> II b 530: <span class="smcap">bosscha</span>, <i>Neerl. Held.</i> II 420.</p>
+
+<p><a name="Footnote_257" id="Footnote_257"></a><a href="#FNanchor_257"><span class="label">[257]</span></a>
+<span class="smcap">lamigue</span>, <i>Leven</i>, II 237, 266; <span class="smcap">van effen</span>, <i>de Misanthrope</i>,
+II 21; <span class="smcap">van kampen</span>, <i>Karakterk.</i> II 534; <span class="smcap">bosscha</span>, <i>Heldendaden</i>,
+II 403-519; <i>Levensbeschrijv. van Nederlandsche Mannen</i>, VI 154, 284,
+VIII 260; <span class="smcap">ferwerda</span>, <i>Wapenboek</i>, II. Acht dagen na &#8217;s Prinsen
+dood (den 14 Julij voorgevallen) werd zijn lijk gevonden, te
+<i>Dordrecht</i> gebalsemd en naar <i>Leeuwarden</i> vervoerd, waar het eerst
+den 25 Februarij 1712 werd bijgezet in den Stadhouderlijken
+Grafkelder met eene prachtige lijkstatie, voor wier kosten de
+Staten 16,000 Gld. toestonden.</p>
+
+<p><a name="Footnote_258" id="Footnote_258"></a><a href="#FNanchor_258"><span class="label">[258]</span></a>
+Belangrijke berigten over hem zijn medegedeeld door den
+Heer <span class="smcap">j. van leeuwen</span> in <i>de vrije Fries</i>, 1844, III 277. Ook
+<span class="smcap">bosscha</span>, II 469 env. en anderen vermelden hem, wiens graftombe
+nog de kerk van het dorp <i>Dongjum</i> versiert, met hoogen lof.</p>
+
+<p><a name="Footnote_259" id="Footnote_259"></a><a href="#FNanchor_259"><span class="label">[259]</span></a>
+Zie over de genoemde personen: <span class="smcap">van leeuwen</span>, in <i>de
+vrije Fries</i>, V 245; <span class="smcap">bosscha</span>, II 325, 370, 458, 473, 536,
+543; <span class="smcap">wagenaar</span>, <i>Vaderl. Historie</i>, XVII 426, 466; <span class="smcap">van haren</span>,
+<i>de Geuzen</i>, 10<sup>e</sup> Zang en Aant.; <i>Frisia Nobilis</i>, 114, 331, 335;
+<i>Stamboek</i>, I 144, II 84; <span class="smcap">van sminia</span>, <i>Grietmannen</i>, 53.</p>
+
+</div>
+
+<hr class="footn" />
+
+<p class='pagenum'><a name="Page_309" id="Page_309">[309]</a></p>
+<h3>38. <i>Aanwas en Verbeteringen in den
+Toestand van Frieslands bodem. Waterstaat, Openbare Werken, Nijverheid enz.
+1580-1795.</i></h3>
+
+<p>De waarde der dingen rijst of daalt voorzeker naargelang
+van het oogpunt, waaruit wij ze beschouwen of
+met andere vergelijken. De inwoners van een land zijn
+zelve niet altijd de beste beoordeelaars van zijne waarde,
+vooral met betrekking tot andere landstreken of tot een
+vroegeren toestand. De blik, welke bekwame vreemdelingen
+daarin werpen, bekoort ons soms door nieuwheid
+en belangrijkheid van inzigten, welke de waarde van dit
+land in onze eigene schatting verhoogen en die de banden
+versterken, met welke wij ons aan onzen bodem en
+ons volk gehecht gevoelen.</p>
+
+<p>Zoo trok voor eenige jaren een bejaard Duitsch geleerde
+door ons vaderland, nog vol van jeugdigen lust
+en kracht, om het edele, groote en schoone, waar hij
+het vond, te erkennen en te bewonderen, die daarvan
+een gunstig getuigenis gaf<a name="FNanchor_260" id="FNanchor_260"></a><a
+href="#Footnote_260" class="fnanchor">[260]</a>. Aan bergachtige natuurtooneelen
+gewoon, trof hem hier, &raquo;in deze klassieke
+vlakte, die afwisseling en tegenstelling van land en water,
+van oude en nieuwere steden, de middelpunten van het
+verkeer des nijveren volks, van fraaije land- en waterwegen,
+van weelderige weiden, heerlijke velden en tuinen,
+prachtige wouden en liefelijke boschjes, waaronder zich
+de woeste zandgronden schier verliezen, en vooral die
+grootsche duinen en daarachter in de verte de graauwe
+zee, die ontzettende!&#8221;</p>
+
+<p><span class='pagenum'><a name="Page_310" id="Page_310">[310]</a></span>&raquo;Ook
+dit land&#8221;, dacht hij, &raquo;heeft God geschapen en tot
+eene goede woonplaats zijner menschen-kinderen ingerigt,
+als zij Zijne heilige bedoelingen in de natuur regt verstaan
+en volgen. Juist dit, dat in dit land overal de
+regelende, bouwende, scheppende, worstelende menschelijke
+geest zich vertoont; dat men bij elke schrede de
+zedelijke degelijkheid, nijverheid, koenheid en netheid
+van het volk kan opmerken, daar het met edelen trots
+het land op de wrokkende zee verovert en er zich tegen
+verdedigt; woeste en vruchtbare gronden evenzeer weet te
+bebouwen, en water met land, vlakte met heuvels met
+kunstenaarshand, vaak op verrassende wijze, tot de liefelijkste
+landschappen, als tot lusthoven, verbindt,&mdash;juist
+dit had voor hem eene groote aantrekkelijkheid.
+De natuur zonder kunst en menschenwerk heeft haar
+schoon; maar volle bevrediging vindt de geest toch eerst
+d&aacute;n, wanneer Natuur en Geschiedenis elkander doordringen.
+Ja, &#8217;t is een soort van godsdienstig genot, een
+land te zien, van de zedelijke kracht des volks zoo
+geheel doortrokken en bezield als dit, waarin het gebod
+des Scheppers, dat de mensch zich de geheele natuur
+moet onderwerpen, met zoo veel ernst en gelukkig gevolg
+volbragt wordt.&#8221;</p>
+
+<p>Elk beschaafd volk heeft zijn historischen grondslag,
+waarvan het zich nooit kan losrukken. Hem kwam het
+voor, dat ons volk meer dan andere de bezielende
+herinnering van zijne groote gebeurtenissen bewaard-
+en zijn historischen grond, even als zijn land tegen de
+zee, bewaakt en verdedigd heeft. &raquo;Bewaart dien edelen
+historischen zin!&#8221; roept hij onzen landgenooten
+ten slotte toe, en wie gevoelt niet, dat in de kennis
+der geschiedenis, ook van den oorsprong en de verbetering
+van den vaderlandschen bodem, eene kracht ligt,
+om onze vaderlandsliefde te bevestigen en den moed te<span class='pagenum'><a name="Page_311" id="Page_311">[311]</a></span>
+verhoogen, ten einde bij voortduring aan deszelfs volmaking
+met ijver mede te werken.</p>
+
+<p>Is zijne beschouwing op ons vaderland in het algemeen
+van toepassing,&mdash;zij is dit in het bijzonder op
+<i>Friesland</i>, waar de natuur zoo weinig, de hand des
+nijveren volks zoo veel ter bescherming en verbetering
+van den bodem heeft verrigt, ook zonder den steun van
+buitenlandsche hulpbronnen, waaraan <i>Holland</i> vooral
+zijn aanzien en grootheid verschuldigd is. Daarom rekenen
+wij op de belangstelling onzer lezers inzonderheid, bij de
+beschouwing van de <span class="gesp">voornaamste</span> oorzaken en middelen,
+waardoor in dit tijdvak de aanwas en de verbetering
+van den Frieschen bodem is bevorderd.</p>
+
+
+<h4><i>Aanwas. Bedijkingen.</i></h4>
+
+<p>Verlies van grond had <i>Friesland</i> niet meer te betreuren
+sedert de groote veranderingen, welke in de 13<sup>e</sup> en
+14<sup>e</sup> eeuw de Zuiderzee deden ontstaan. (Zie <a href="#Page_56">bl. 56</a>-<a href="#Page_64">64</a>
+hier v&oacute;&oacute;r.) Integendeel, er was op verscheidene plaatsen
+langs de kust gelegenheid tot landwinning, welke zelfs meer
+algemeen zou geweest zijn, indien onze zeedijken, bij
+grootere breedte en vlakte, de bescherming hadden kunnen
+ontberen van de paalwerken, welker regtstandige
+afwering van de golven nu ten gevolge had, dat de
+aanslag van grond op vele plaatsen verhinderd en het
+strand uitgekolkt werd.</p>
+
+<p>De zelfde oorzaken, welke de verlanding van de Middelzee
+bevorderd hadden, bleven, ook nadat <i>het Bildt</i>
+van 1505-1508 door een zwaren zeedijk was afgesloten,
+voortgaan, den hoek tusschen <i>Dijkshoek</i> en <i>Wierum</i>,
+welke bij weste- en zuidweste-winden in de luwte ligt,
+te vullen. Telkens, wanneer die aanslibbing eene belangrijke
+uitgestrektheid had verkregen, werd zij bedijkt.
+De eerste inpoldering daarvan geschiedde in 1580 en 1590<span class='pagenum'><a name="Page_312" id="Page_312">[312]</a></span>
+door het bedijken van den <i>Holwerder Wester- en Oosterpolder</i>
+en den <i>Ternaarder-polder</i>, gezamenlijk ook
+<i>Nieuw-Dongeradeel</i> genaamd. Hierop volgde in 1600
+het bedijken van het <i>Nieuwe Bildt</i>, niet minder dan
+1756 morgen bedragende met bovendien 260 pondematen
+<i>Nieuw Munneke-Bildt</i> onder <i>Ferwerderadeel</i>. De daarbij
+aangelegde <i>Nieuwe Bildtzijl</i> werd echter reeds in 1655
+gedamd, ten gevolge der voortdurende aanslijking, welke
+het mogelijk maakte, om in 1715 de <i>Westelijke Bildt-pollen</i>,
+groot 444 morgen, en in 1754 de <i>Oostelijke
+Bildt-pollen</i>, groot 126 morgen, benevens het gansche
+<i>Noorderleeg</i>, door den tegenwoordigen zeedijk binnen te
+brengen. Sedert deze laatste bedijking bleef de gelegenheid
+tot landwinning benoorden <i>het Bildt</i> en <i>Ferwerderadeel</i>
+z&oacute;&oacute; gunstig, dat er tot heden, van <i>St. Jacobi-Parochie</i>
+tot voorbij <i>Blija</i>, weder eenige honderden bunders
+vruchtbaar land op de kust zijn aangeslibd, welke de
+namen dragen van de <i>Bildt-pollen-Aanwas</i>, het <i>Noorderleegs-Buitenveld</i>,
+de <i>Keegen</i> en de <i>Bokke- en Boere-pollen</i><a name="FNanchor_261"
+id="FNanchor_261"></a><a href="#Footnote_261" class="fnanchor">[261]</a>.</p>
+
+<p>Ook op den noordoosthoek dezer provincie werd in
+1592 eene groote uitgestrektheid lands aangewonnen,
+doordien de <i>Anjumer-</i> en <i>Lioessenser-polder</i> bedijkt en
+vereenigd werd met het vroegere eilandje <i>de Band</i>. Doch
+<i>Oost-Dongeradeel</i>, ten opzigte der aanslijking zoo gunstig
+gelegen, verkreeg later een aanwas van nog grooter belang
+en meer gewigtig gevolg voor gansch <i>Oostergoo</i>.
+Bezuiden deze grietenij stroomde het Dokkumerdiep als
+een breede tak van de Lauwerszee tot aan de stad <i>Dokkum</i>,
+waar het zeewater eerst gekeerd werd door eene<span class='pagenum'><a name="Page_313" id="Page_313">[313]</a></span>
+sluis, in 1583 aldaar van <i>Oudzijl</i>, bewesten die stad, overgebragt.
+Tusschen de dijken van dezen tak verzamelden
+de slibstoffen zich van lieverlede dermate, dat het vernaauwde
+diep den zeehandel van <i>Dokkum</i> niet enkel
+belemmerde, maar bij hooge vloeden met sterker geweld
+op de dijken aandrong. In 1665 en vooral in 1717 bragt
+dit groote schade te weeg. Daarom nam men toen op
+nieuw in overweging het reeds in 1584 door de naastgelegene
+grietenijen geopperde denkbeeld (<i>Chb.</i> IV 456, V 445),
+om het gansche diep op de grenzen der provincie af te
+sluiten, door bij <i>Engwierum</i> in den wijden mond tusschen
+<i>Kollumerland</i> en <i>Oost-Dongeradeel</i> een dijk met eene
+zeesluis te leggen. Het voorstel daartoe vond bij de Staten
+dien bijval, dat eerlang tot de uitvoering werd besloten.
+Dit werk, onder het bestuur van den bekwamen <span class="smcap">willem
+lor&eacute;</span> in 1725 op eene grootsche schaal ondernomen,
+werd in 1729 voltooid en had, terwijl de kosten bijna
+3 tonnen gouds bedroegen, zeer belangrijke gevolgen.
+Want door dezen nieuwen <i>Statendijk</i> van een half uur
+gaans lengte werden de naastgelegene grietenijen ontheven
+van het onderhoud van 6,000 roeden zeedijks ter
+wederzijden langs het diep tot <i>Dokkum</i>; de nieuwe
+zeesluis verving alsnu de Dokkumer, Driezumer, Oudwouder-
+en Kollumerzijlen, die vroeger in genoemd diep
+uitstroomden; de aangeslibde en binnengebragte gronden,
+die 661 bunders bedroegen, werden nu in vruchtbare
+bouwlanden herschapen, en het kolossale sluisgebouw met
+drie kokers (een meesterstuk van waterbouwkunde) was
+eene hoofdwaterlossing van <i>Oostergoo-</i> en, na het uitgraven
+van het diep, ook voor de scheepvaart van <i>Dokkum</i>,
+eene zaak van groot gewigt geworden; terwijl een
+weg langs den breeden dijk (een model van waterkeering)
+en brug over de sluis eene verbinding daarstelden
+tusschen twee, vroeger ver van elkander gescheidene,<span class='pagenum'><a name="Page_314" id="Page_314">[314]</a></span>
+grietenijen<a name="FNanchor_262" id="FNanchor_262"></a><a
+href="#Footnote_262" class="fnanchor">[262]</a>. Buiten de sluis, sedert de <i>Dokkumer
+Nieuwe Zijlen</i> genaamd, bleef de aanslibbing nog voortduren,
+en werd in 1752 aan de noordzijde het <i>Engwierumer-Nieuwland</i>
+met een zeedijk omsloten. Evenzoo
+bleef de landwinning voortduren aan de zuidzijde van
+de buitenkil ter vergrooting van <i>Kollumerland</i>, hetwelk
+reeds in 1529 door bedijking was verrijkt geworden met
+de uitgestrekte waardgronden van <i>Nieuw-Kruisland</i>,
+ten oosten waarvan in 1689 reeds weder een aanwas
+met een kadijk was omgeven, welke zich tot de Buiten-Lauwers
+of de grenzen van <i>Groningen</i> uitstrekte.</p>
+
+<p>Aan de westkust dezer provincie was minder gelegenheid
+tot landwinning, dewijl deze al te zeer bloot stond
+aan den geweldigen en nimmer rustenden golfslag der
+Zuiderzee. Behalve eene uitgestrektheid lands nevens
+<i>Dijkshoek</i><a name="FNanchor_263" id="FNanchor_263"></a><a
+href="#Footnote_263" class="fnanchor">[263]</a>, kunnen wij daar enkel gewagen van het
+<i>Workumer-Nieuwland</i>, vroeger een inham tusschen de
+steden <i>Workum</i> en <i>Hindeloopen</i>. Reeds had Koning
+<span class="smcap">filips</span> II in 1557 <span class="smcap">willem jansz.</span>, Burgemeester van <i>Enkhuizen</i>,
+toegestaan, om dezen &raquo;Inbochte van den Strande,
+het Worckumer-Hop genaempt, omtrent den sluyse, genoempt
+Kolderzijl, groot 300 mergen,&#8221; te bedijken, toen
+de Staten van <i>Friesland</i> in 1605 en bij herhaling in 1610
+daartoe octrooi verleenden aan <i>Workum</i>, dat de vergunning<span class='pagenum'><a name="Page_315" id="Page_315">[315]</a></span>
+aan <span class="smcap">willem jansz.</span> bij overdragt had bekomen. Werkelijk
+scheen deze stad in 1621 eindelijk tot de bedijking te zullen
+overgaan; doch, daar de kosten van uitvoering hare
+krachten welligt te boven gingen, verbond zij zich
+met zes aanzienlijke Friesche edelen, die daartoe met haar
+eene overeenkomst sloten. Kort daarna werd het werk
+ondernomen en de nieuwe zeedijk in 1624 voltooid,
+waarbij de buitenhaven van <i>Workum</i>, het Zool genoemd,
+eene aanmerkelijke verlenging bekwam. Bij de aanzienlijke
+kosten, die hiertoe vereischt werden, had men toen en
+later met groote tegenspoeden te kampen, dewijl deze
+polder, van 1200 pondematen oppervlakte, sedert, ten
+gevolge van doorbraken in den dijk, drie malen is overstroomd
+geweest. Bij de dijkbreuk van 1776 werden er
+zelfs twee tonnen gouds gevorderd, om de geledene
+schade aan de zeewering, waarin op twee plaatsen gaten
+waren geslagen, te herstellen<a name="FNanchor_264" id="FNanchor_264"></a><a
+href="#Footnote_264" class="fnanchor">[264]</a>.</p>
+
+<p>Aan de zuidkust werd in 1633 een inham, nabij <i>Mirns</i>,
+bedijkt, welke den naam van de <i>Wielpolder</i> verkreeg
+(<i>Chb.</i> V 1205). Verder oostwaarts werden daar ter beveiliging
+des lands buitengewone maatregelen genomen.
+Ten gevolge van den slechten toestand der dijken van
+<i>de Kuinder</i> en den watervloed van 1701, die in de zuidelijke
+grietenijen groote schade veroorzaakte, trachtte men
+in 1702 deze meer te beveiligen door het leggen van
+een geheel nieuwen zeedijk. Wegens de onvolkomenheid<span class='pagenum'><a name="Page_316" id="Page_316">[316]</a></span>
+der aansluiting met den zeedijk van <i>Overijssel</i>, werd
+deze dijk niet langs de kust, maar op eenigen afstand
+daarvan binnenwaarts gelegd, en wel van de zoogenaamde
+<i>Boedsteden</i> tot <i>Slijkenburg</i>, en alzoo langs
+de plaats, waar eertijds de <i>Schoterzijl</i> lag, welke reeds
+jaren te voren meer benedenwaarts naar <i>Slijkenburg</i> aan
+de Linde was verlegd geworden. Bij deze gelegenheid
+werd er door de provincie in den nieuwen dijk en de
+Tjonger eene sluis gelegd, welke thans nog den naam draagt
+van de <i>Schoterzijl</i>, gelijk de nieuwe zeewering dien van
+de <i>Statendijk</i>. Door dit belangrijk werk zagen de lage
+zuidelijke kwartieren hunne veiligheid zeer bevorderd;
+terwijl <i>Friesland</i> daardoor onafhankelijk werd van Overijssels
+waterkeeringen. De landen ten zuiden van den
+nieuwen dijk en ten westen van de Worst-sloot of de grensscheiding
+werden nu enkel door een kadijk afgesloten<a name="FNanchor_265"
+id="FNanchor_265"></a><a href="#Footnote_265" class="fnanchor">[265]</a>.</p>
+
+<p>Nieuwe stormen en watervloeden in 1702 en 1703, die
+vooral de dijken van <i>Zevenwouden</i> hevig teisterden,
+vorderden krachtige voorziening en deden de Staten zelfs
+bedacht zijn, om alle provinciale zeedijken te doen verhoogen
+en te verzwaren. Groote beletselen deden zich
+daartegen op. Eerst nadat in 1715 en 1717 dit gewest op
+nieuw door dijkbreuken en overstroomingen veel te lijden
+had, werden er krachtiger maatregelen tot verzwaring van
+het paal- en aardewerk en tot een beter onderhoud van de
+zeeweringen genomen. (Zie daarover <a href="#Page_238">bl. 238</a> hier v&oacute;&oacute;r.)</p>
+
+<p>Eerlang echter bedreigde eene nieuwe ramp het vaderland
+met een gevaar, waarbij alle menschelijke kracht
+en schranderheid schenen te kort te schieten, doch
+waartegen &#8217;s lands Staten maatregelen van voorzorg in
+het werk stelden, welke even gewigtig als hoogst kostbaar<span class='pagenum'><a name="Page_317" id="Page_317">[317]</a></span>
+waren. Een kleine worm, van een te&ecirc;r en slijmachtig
+zamenstel, doch met een harden kop gewapend,
+doorboorde in 1731 en volgende jaren de zeepalen, welke
+den voet onzer dijken beschermen, dermate, dat men
+daarvan de grootste gevaren duchtte. De gansche westkust
+van <i>Friesland</i>, van <i>Dijkshoek</i> tot <i>Stavoren</i>, werd
+daardoor deerlijk geteisterd. Een harde wind in Julij
+1732 sleepte bij duizenden doorknaagde palen weg; ook
+de deuren van sommige sluizen werden er door verteerd.
+De algemeene bekommering was z&oacute;&oacute; groot, dat er zelfs
+een Bededag werd gehouden, om de verlossing van dit
+kwaad van den Hemel af te smeeken.</p>
+
+<p>Aangezien alle herstelling van het paalwerk vruchteloos
+scheen, dewijl ook het nieuwe hout spoedig werd aangetast,
+trachtte men den dijksvoet te beschermen door zware
+keisteenen, welke uit <i>Noorwegen</i> aangevoerd- en voor de
+paalwerken geworpen werden. Het landsbestuur kon echter
+den uitslag niet afwachten van dit nieuwe beveiligingsmiddel,
+dat eerst hevig bestreden-, doch later van groote
+dienst bevonden werd. Men achtte het noodzakelijk, om intusschen
+mede door het opwerpen van <i>Slaperdijken</i> binnen
+de zeedijken de provincie op de gevaarlijkste punten door
+afsluiting te beveiligen. Op drie plaatsen werden zulke
+binnenleggers opgeworpen. Onder het beleid van gemelden
+Mathematicus <span class="smcap">lor&eacute;</span> werd in 1732 de eerste dijk
+gelegd: van den binnendijk van het <i>Workumer-Nieuwland</i>
+tot aan den heuvel, waarop <i>Koudum</i> is gelegen,
+en van daar over <i>Galama-dammen</i> tot aan den hoogen
+grond van <i>Hemelumer-Nijeburen</i>. Wegens den stijgenden
+nood riep men tot dit werk de hulp in van het
+Friesche krijgsvolk. Gesterkt door deze troepen, welke
+met het overige werkvolk een leger van ruim 2,000 man
+uitmaakten, werden in weinig meer dan drie maanden tijds
+eene binnenlandsche waterkeering, sedert de <i>Koudumer-Slaperdijk</i><span
+class='pagenum'><a name="Page_318" id="Page_318">[318]</a></span>
+genoemd, van 180 voeten breedte en 1500
+roeden lengte, midden door lage landen en diepe vaarten
+opgeworpen, en bovendien drie sluiswerken daarin tot
+stand gebragt, waarvan de kosten met die der aangekochte,
+deels vergravene, landen op ruim 125,000 Gld.
+te staan kwamen. Ten behoeve der waterlossing is later
+(1775) in het noordelijk gedeelte van dezen dijk, aan
+het <i>Workumer-Nieuwland</i>, nog eene sluis gebouwd.</p>
+
+<p>In het volgende jaar, 1733, werd de tweede Slaperdijk
+gelegd langs het dorp <i>Surig</i>, bezuiden <i>Harlingen</i>,
+met het doel, om het gevaar, waarin de vooruitspringende
+landhoek, het <i>Suriger-oord</i>, verkeerde, en de
+gevolgen, welke eene doorbraak van deszelfs dijken kon
+te weeg brengen, voor het overig gedeelte der provincie
+schadeloos te maken. Ook deze dijk van eene
+onverbreekbare sterkte, daar hij bij 300 roede lengte,
+278 voet breedte en 13 voet hoogte heeft, zoodat de
+kosten van aanleg 70,000 Gld. bedroegen, werd naar het
+plan en onder opzigt van <span class="smcap">lor&eacute;</span> aangelegd, die daarin weder
+een voorbeeld gaf van de volkomenste wijze van landverdediging
+tegen de zee; een voorbeeld, naar hetwelk
+wij zouden wenschen, dat eenmaal al onze overige zeedijken
+mogten kunnen worden hervormd<a name="FNanchor_266" id="FNanchor_266"></a><a
+href="#Footnote_266" class="fnanchor">[266]</a>.</p>
+
+<p>Een niet minder gevaarlijk punt was destijds de <i>Lemsterhoek</i>,
+bewesten <i>de Lemmer</i>, dewijl men van eene
+doorbraak daarvan de schadelijkste gevolgen voor de
+<i>Zevenwouden</i> had te duchten. Daarom werd er in het
+volgende jaar, 1734, daar achter mede een Slaperdijk,
+hoewel tot eene mindere breedte en hoogte, opgeworpen,<span class='pagenum'><a name="Page_319" id="Page_319">[319]</a></span>
+en door deze afsnijding de veiligheid der zuidelijke
+streken niet weinig bevorderd<a name="FNanchor_267" id="FNanchor_267"></a><a
+href="#Footnote_267" class="fnanchor">[267]</a>. Het plan, in dat jaar
+ontworpen, om meer binnenwaarts een algemeenen slaperdijk
+te leggen, d&oacute;&oacute;r de lagere streken, van <i>Hemelumer-Nijeburen</i>
+tot aan het hoogere gedeelte van <i>Schoterland</i>,
+is echter wegens het afnemen van de verschrikkelijke
+wormplaag niet ten uitvoer gebragt.</p>
+
+<p>Na dit overzigt van de voornaamste middelen tot landwinning
+en verdediging tegen de wateren, welke <i>Friesland</i>
+immer <span class="gesp">van buiten</span> bedreigen, willen wij nu het oog
+slaan op de veroveringen, welke de nijvere landzaat <span class="gesp">van
+binnen</span> op dit woeste element trachtte te behalen.</p>
+
+
+<h4><i>Bedijkingen van Meren.</i></h4>
+
+<p>Waarschijnlijk wekte het voorbeeld van <i>Noord-Holland</i>,
+waarin men in den aanvang der 17<sup>e</sup> eeuw zoo vele groote
+meren bedijkte en droogmaakte, ook in <i>Friesland</i> den
+lust tot dergelijke ondernemingen op. In 1613 gaven
+de Staten daartoe het eerste octrooi aan <i>Stavoren</i> ten
+aanzien van den grooten plas, beoosten die stad gelegen,
+en wiens ondiepte hare scheepvaart niet weinig belemmerde.
+Dan, naauwelijks was daartoe octrooi verleend, of er deden
+zich bezwaren en geschillen op, welke <i>Stavoren</i>
+trachtte te ontgaan, door de verkregene vergunning aan
+vier Raadsheeren en eenige andere personen over te<span class='pagenum'><a name="Page_320" id="Page_320">[320]</a></span>
+dragen (1620). Deze beloofden het meer in twee gedeelten
+te zullen bedijken en droogmaken, met daar tusschen een
+kanaal naar <i>Stavoren</i> en vaarten naar <i>Warns</i> en <i>Molkwerum</i>.
+Met groote moeite werd dit werk volbragt, en
+het <i>Stavorsche Noorder-</i> en <i>Zuidermeer</i>, ieder ongeveer
+200 morgen groot, in vruchtgevend land herschapen.
+Niet minder moeite was er aan verbonden, om dit land droog
+te houden, hetgeen in het eerste meer met &eacute;&eacute;n en in het
+laatste met twee molens naauwelijks kon geschieden.
+Toen nu de molens van het Zuidermeer vernieuwd moesten
+worden, en Dr. <span class="smcap">bernardus schotanus</span> &agrave; <span class="smcap">sterringa</span>,
+die in 1690 deze grietenij in kaart bragt, eene nieuwe
+soort van watermolen had uitgevonden, waarmede hij
+zoo veel water als met tien andere meende te kunnen
+uitmalen, behaagde het den eigenaren, hun regt aan hem
+over te dragen, en de Staten, om hem gunstige toezegging
+van ondersteuning te doen, ten einde het Zuidermeer
+droog te houden (1697). Nadat <span class="smcap">schotanus</span> zich daartoe
+verbonden had met <span class="smcap">ernst mockema van harinxma thoe
+slooten</span>, Grietman van <i>Baarderadeel</i>, werd dit doel wel
+bereikt, echter niet zonder latere (tot heden voortdurende)
+subsidie der Staten, die ook hulp verleenden, toen beide
+meren bij den stormvloed van 1776 overstroomd werden<a name="FNanchor_268"
+id="FNanchor_268"></a><a href="#Footnote_268" class="fnanchor">[268]</a>.</p>
+
+<p>In 1633 bepaalden de Staten, dat het den bedijkers
+van meren zou vrijstaan, om tot het maken van dijken en
+ringslooten de omgelegene landen, tegen vergoeding, te
+gebruiken en bruggen en vaarten te verleggen. Dit strekte
+tot geene geringe aanmoediging en niet minder tot wering
+van geschillen. In 1633 werd alzoo het <i>Cherne-</i> of
+<i>Sensmeer</i> met het daaraan verbondene <i>Atsebuurstermeer</i>,<span class='pagenum'><a name="Page_321" id="Page_321">[321]</a></span>
+bewesten <i>Westhem</i>, bedijkt. Ook de droogmaking van
+het groote <i>Warregastermeer</i> en van het kleine <i>Jornahuistermeer</i>,
+nabij <i>Warrega</i>, werd in dit jaar aangevangen.
+Meerdere octrooijen tot bedijking, waaraan veelal
+vijftig jaren vrijstelling van lands lasten was verbonden,
+werden er verleend, hoewel niet van alle is gebruik gemaakt.
+De laatste en voornaamste betroffen het <i>Wanswerdermeer</i>,
+groot 100 pondematen, in 1753; het <i>Hempenzermeer</i>
+in 1779; het <i>Sillaardermeer</i> onder <i>Kornwerd</i> in 1778,
+om niet te spreken van kleinere meren, onder <i>Hallum</i>,
+<i>Ferwoude</i>, tusschen <i>Gaast</i> en <i>Piaam</i>, bij <i>Surig</i> enz.<a
+name="FNanchor_269" id="FNanchor_269"></a><a href="#Footnote_269" class="fnanchor">[269]</a>.</p>
+
+
+<h4><i>Polders.</i></h4>
+
+<p>Meer algemeen en voor de uitbreiding en ontwikkeling
+van den provincialen landbouw van nog grooter belang
+was het aanleggen van <i>Polders</i>. Landen, die ten gevolge
+van hunne lage ligging weinig vrucht gaven, of die bij
+de minste rijzing van het boezemwater spoedig blank
+stonden, werden, door ze met polderdijken te omsluiten,
+te bemesten en met een watermolen droog te houden,
+veel verbeterd en tot duurzaam gebruik geschikt gemaakt;
+terwijl andere, enkel door eene zomerkade omgeven,
+alleen &#8217;s winters aan de overstrooming van het buitenwater
+bleven bloot gesteld. Onmogelijk kunnen wij hier in
+bijzonderheden treden waar en wanneer die bepolderingen
+in verschillende oorden hebben plaats gehad. Nogtans
+mogen wij, als de voornaamste, niet onvermeld laten:
+de <i>Tjaard van Aylva&#8217;s-polder</i> bij <i>Burgwerd</i>, in 1680
+door de zorg van dezen Grietman van <i>Wonseradeel</i>,
+gelijk de <i>Greonterper-polder</i>, in 1714 onder zijn zoon
+en opvolger tot stand gebragt. De lust daartoe wakkerde<span class='pagenum'><a name="Page_322" id="Page_322">[322]</a></span>
+aan na het uitvinden eener verbeterde zamenstelling van
+watermolen (1643, 1660, 1690), en nadat de aandacht
+der Staten op het hooge belang der zaak was gevestigd
+(1718). Veel hadden de toen nog weinig ontwikkelde
+grietenijen <i>Haskerland</i> en <i>Doniawarstal</i> aan die bepolderingen
+te danken; vooral, omdat zij op eene groote
+schaal met onbekrompene zorg werden verordend door
+de uitstekende staatsmannen Jhr. <span class="smcap">philip frederik</span> en
+Jhr. <span class="smcap">johan vegilin van claerbergen</span>, waarvan de eerste
+van 1707 tot 1738 Grietman van <i>Haskerland</i> en de
+laatste van 1722 tot 1772 Grietman van <i>Doniawarstal</i>
+was. Behalve twee hoofdwegen, legde de eerste in 1716
+beoosten <i>Joure</i> een polder aan, welke nagenoeg een derde
+van de oppervlakte dier grietenij omvatte; terwijl de laatste
+in 1731 den <i>Vegilins-polder</i> onder <i>Langweer</i> en in 1735 den
+<i>Boornzwaagster-polder</i>, te zamen groot 720 pondematen,
+mogt tot stand brengen, en bevorderde, dat in 1741 de
+<i>Tryegaster-polder</i>, bevattende 1000 pondematen onder de
+drie dorpen <i>Ouwsterhaule</i>, <i>Ouwster-Nijega</i> en <i>Oldouwer</i>,
+werd aangelegd. Doordien bij dit laatste werk aan den
+Nieuwe Rijn eene kortere rigting werd gegeven, en de
+meeste polderdijken met boomen beplant werden, was
+de herschepping van dit oord van z&oacute;&oacute; veel belang en
+bleken de voordeelen dezer ondernemingen zoo groot te zijn,
+dat ook andere voorname eigenaars werden aangespoord,
+dit loffelijk voorbeeld te volgen, waardoor daar en elders
+meerdere polders werden aangelegd, welke de aangewende
+moeite en kosten, door eene verhoogde vruchtbaarheid,
+weldra rijkelijk vergoedden. Dit alles te zamen
+genomen en gevoegd bij vele verbeteringen van bijzondere
+en openbare werken, had een gunstigen invloed op de
+ontwikkeling van landbouw, veeteelt en welvaart. En
+mogt <span class="smcap">jancko douwama</span> in 1514 van <i>Friesland</i> getuigen,
+dat het in den winter &raquo;quaet was to <i>Lewerden</i> to<span class='pagenum'><a name="Page_323" id="Page_323">[323]</a></span>
+comen, met dat het landt al vnder het water lach,&#8221;&mdash;ook
+ten aanzien van den waterstaat was er eene belangrijke
+schrede voorwaarts gedaan, om latere verbeteringen
+voor te bereiden<a name="FNanchor_270" id="FNanchor_270"></a><a href="#Footnote_270" class="fnanchor">[270]</a>.</p>
+
+
+<h4><i>Groote Veenkanalen, Ontginningen enz.</i></h4>
+
+<p>Verbetering en vooruitgang, ja, bestonden er; doch
+ten aanzien van het bedijken van meren en het bepolderen
+van landen was dit meer bijzonder het geval in de lager
+gelegene westelijke helft dezer provincie. Het veelal
+hooger liggende oostelijk gedeelte had daarin echter in
+een ander opzigt aandeel. De meeste grietenijen van
+<i>Zevenwouden</i>, grootendeels bestaande uit zandgronden
+en hooge en lage veenen, hadden behoefte aan afgraving
+en ontginning; en de wakkere geest onzer vaderen heeft
+zich daar, na het overwinnen van groote bezwaren,
+werkzaam getoond op eene wijze, waarover wij met regt
+verwonderd staan, als wij de schoone plaatsen <i>Heerenveen</i>,
+<i>Dragten</i>, <i>Beetsterzwaag</i>, <i>Gorredijk</i>, <i>Oudeberkoop</i>, <i>Balk</i>
+enz. met hare lommerrijke omstreken als de vruchten
+eener verstandige volks-nijverheid beschouwen. &#8217;t Zou
+een belangrijk tafereel opleveren, de trapswijze ontwikkeling
+van die plaatsen en oorden in bijzonderheden na
+te sporen. Hier kan ik slechts de hoofdtrekken daarvan
+vermelden, in verband met den aanleg van zoo vele
+vaarten, welke ik echter met de nieuwe wegen aan het
+einde van dit hoofdstuk wilde behandelen.</p>
+
+<p>Naarmate de vroeger (<a href="#Page_150">bl. 150</a>) vermelde afgraving van
+de hooge veenen in <i>Schoterland</i> toenam, werd de eerst<span class='pagenum'><a name="Page_324" id="Page_324">[324]</a></span>
+van nabij <i>Akkrum</i> naar <i>Heerenveen</i> en vervolgens verder
+oostwaarts gegravene Compagnonsvaart verlengd en wegens
+den rijzenden grond met vier schutsluizen voorzien. Aan
+de boorden daarvan nam <i>Heerenveen</i> in omvang en
+bloei toe, en breidde <i>Nieuw-Brongerga</i> of de <i>Beneden-</i>
+en <i>Boven-Knijpe</i> zich uit. Welige weiden hadden de
+plaats vervangen van het dorre hoogveen, dat nu den
+turfhandel en scheepvaart ruim vertier verschafte. In 1732
+ontvingen deze Compagnons der <i>Dekama-</i>, <i>Cuick-en-Foits-veenen</i>
+op nieuw octrooi van de Staten, &raquo;om hun Veenvaart,
+dwars door de ruwe en sterile veenen, ook
+anderen toebehoorende, verder te mogen graven,&#8221; zoodat
+zij vervolgens tot nevens <i>Hornsterzwaag</i> werd opgelegd.
+Gelijke herschepping tot bouwland en bosschen ondergingen
+ook de omstreken van <i>Brongerga</i> en <i>Oudeschoot</i>,
+sedert Prinses <span class="smcap">albertine agnes</span> op dien zandgrond, kort
+na 1664, het vorstelijk lustslot <i>Oranjewoud</i> liet bouwen
+en den omtrek beplanten, hetwelk ook anderen tot ontginningen
+aanmoedigde, waardoor dit oord eerlang een
+bekoorlijk aanzien verkreeg<a name="FNanchor_271"
+id="FNanchor_271"></a><a href="#Footnote_271" class="fnanchor">[271]</a>.</p>
+
+<p>Eene dergelijke groote verandering, ten gevolge van het
+graven van eene Veenvaart ten behoeve van het afsteken
+van het hoogveen, onderging ook het oostelijk gedeelte
+der grietenijen <i>Smallingerland</i> en <i>Opsterland</i>; en de
+eerst onbeduidende dorpjes <i>Noorder-</i>en-<i>Zuider-Dragten</i>
+hadden daaraan hunne opkomst en uitbreiding tot een
+aanzienlijk vlek te danken. De hoofdaanleiding daartoe
+was, dat zij in 1641 eene overeenkomst sloten met zekeren
+<span class="smcap">passchier hendrik bolleman</span> van <i>&#8217;s Gravenhage</i>,
+die, in gemeenschap met eenige anderen, aannam, eene
+hoofdvaart of grifte van ongeveer 30 voet breedte, benevens
+eene dwarsvaart te graven en met bruggen en<span class='pagenum'><a name="Page_325" id="Page_325">[325]</a></span>
+sluizen te voorzien, met oogmerk, om bij de veenen te
+kunnen komen, die te vergraven en den turf langs die
+vaarten af te voeren. Dit doel werd niet enkel bereikt
+en de vaart en dwarsvaart met vele wijken in de eerstvolgende
+jaren tot op de grenzen dier grietenijen volbragt,
+maar vruchtbare bouw- en weilanden namen weldra de
+plaats in der veenen, wier afgraving en vervoer leven en
+werkzaamheid, handel en voorspoed verspreidden, zoodat
+in die zelfde jaren de weinige huizen van <i>Dragten</i>
+tot eene groote en welgeregelde buurt aangroeiden,
+waarbij spoedig molens en fabrijken, kerken, scholen en
+andere gebouwen gesticht werden. Deze uitbreiding en
+welvaart had men alzoo all&eacute;&eacute;n te danken aan het graven
+van de vaart, die, naarmate de verveening zich uitbreidde,
+ten gevolge van eene nadere overeenkomst van
+1649, drie uren verderop werd gegraven langs <i>Ureterp</i>
+en de <i>Friesche palen</i> naar <i>Bakkeveen</i> (1664). Van daar
+is zij later (1756) voortgezet tot voorbij het dorp <i>Haule</i>,
+waar eene dwarsvaart aanleiding heeft gegeven tot het
+ontstaan van de uitgestrekte veenkolonie <i>Haulerwijk</i><a name="FNanchor_272"
+id="FNanchor_272"></a><a href="#Footnote_272" class="fnanchor">[272]</a>.</p>
+
+<p>In het westelijk gedeelte dier zelfde grietenij <i>Opsterland</i>
+waren <span class="smcap">juw dekama</span> en anderen reeds v&oacute;&oacute;r 1580 begonnen
+onder <i>Korte-</i> en <i>Langezwaag</i> te verveenen, waartoe de
+Jonkerssloot en de Nieuwesloot werden gegraven, toen in
+1645 de Heeren <span class="smcap">crack</span>, <span class="smcap">oenema</span>,
+<span class="smcap">fockens</span> en <span class="smcap">teijens</span> eene
+belangrijke overeenkomst slooten tot het graven van vaarten
+en het ontginnen van de veenen in dat oord. Een gevolg
+hiervan was, dat er van genoemde slooten een beter afvoerkanaal
+gegraven werd noordwestwaarts over de Wijde-Wispel<span class='pagenum'><a name="Page_326" id="Page_326">[326]</a></span>
+en het Nieuwe diep tot in de Boorn. Als het begin eener
+groote onderneming was dit kanaal van veel gewigt. Spoedig
+werd het ook zuidoostwaarts voortgezet naar het Gorreveen.
+Hierbij ontstond er op de plaats, waar die nieuwe vaart
+den rijdweg sneed, langs beide eene kruisbuurt, <i>Gorredijk</i>,
+welke ten gevolge van verveening, ontginning en handel
+zoo sterk werd aangebouwd, dat zij, na in 1672 versterkt
+te zijn, in 1685 eene eigene kerk bekwam en een welbebouwd
+en aanzienlijk vlek is geworden. Reeds lag
+het in het plan van genoemde heeren, deze vaart ook
+verder oostwaarts op te leggen, zelfs tot naar <i>Bakkeveen</i>.
+Toen nu in 1704 <span class="smcap">augustinus lycklama &agrave; nijeholt</span>, sedert
+1693 Grietman van <i>Opsterland</i>, de voornaamste
+eigenaar was der veenvaarten van <i>Gorredijk</i>, <i>Terwispel</i>,
+<i>Kortezwaag</i> en <i>Lippenhuizen</i>, verzocht en verkreeg hij
+met zijne compagnons van de Staten verlof, om de vaart
+van <i>Lippenhuizen</i> verder oostwaarts dwars door de hooge
+veenen te mogen graven en opleggen. Dit geschiedde,
+en na verloop van ruim 50 jaren was de breede vaart
+reeds voorbij <i>Hemrik</i> en <i>Wijnjeterp</i> gevorderd, het
+veen vergraven en als turf vervoerd, en de ondergrond deels
+tot vruchtbaar land gemaakt. Zijn zoon <span class="smcap">daniel de blocq
+lycklama &agrave; nijeholt</span>, van 1731 tot 1773 Grietman van
+<i>Oost-Stellingwerf</i> en vervolgens tot 1781 van <i>Opsterland</i>,
+wilde deze onderneming vervolgen, en gaf daartoe in
+1778 den Staten te kennen, hoe gunstig de aangevangen
+arbeid tot dusverre geslaagd was; dat de behoefte der
+fabrijken vorderde, dat er meerdere veenen werden aangestoken,
+en dat de uitgestrekte veenvelden van <i>Appelscha</i>
+en <i>Fochteloo</i> hem daartoe het meest geschikt voorkwamen;
+weshalve hij octrooi verzocht, om de vaart te verlengen
+en nu in zuidoostelijke rigting te graven over
+<i>Donkerbroek</i>, <i>Oosterwolde</i> en <i>Appelscha</i> tot aan de grenzen
+van <i>Drenthe</i>, tot welke hoogst nuttige onderneming<span class='pagenum'><a name="Page_327" id="Page_327">[327]</a></span>
+hij, als voornaamste eigenaar, reeds toestemming van de
+overige eigenaars en ingezetenen had verkregen. De Staten,
+vreezende, dat deze provincie daardoor met het invloeijende
+water uit <i>Drenthe</i> zou bezwaard worden, wezen dit verzoek
+eerst af; doch de zaak was van zoo groot gewigt
+en zoo uitgestrekt gevolg, dat zij later een naauwkeurig
+onderzoek van het terrein bevolen, en eerst daarna, den
+2 Mei 1781, hunne toestemming verleenden, onder voorwaarden,
+dat de vaart niet verder dan tot op 20 koningsroeden
+afstands van de grensscheiding mogt worden
+gegraven, en dat er &raquo;een val of schuttelbank&#8221; (duiker)
+in de Kuinder of Tjonger gelegd zou worden, waar de
+vaart dit riviertje zoude snijden, volgens eene overeenkomst,
+met de grietenijen <i>Schoterland</i> en <i>West-Stellingwerf</i>
+deswege te sluiten<a name="FNanchor_273" id="FNanchor_273"></a><a href="#Footnote_273" class="fnanchor">[273]</a>.</p>
+
+<p>Werkelijk ving hij met de zijnen kort na het ontvangen
+van het octrooi den arbeid aan, en werd de vaart met
+een scherpen hoek zuidoostwaarts voortgezet over <i>Donkerbroek</i>
+tot nabij de Tjonger, waaraan een kapitaal van
+ongeveer 80,000 Gld. werd te koste gelegd. Dan nu
+deed er zich omtrent de voortzetting een belangrijk bezwaar
+op. Kort v&oacute;&oacute;r het ontvangen van het octrooi had hij
+deswege eene overeenkomst aangegaan met de provincie
+<i>Drenthe</i>, welke had op zich genomen, de vaart te vervolgen
+van de Tjonger tot aan de grenzen of in de Wittewijk.
+Sedert de groote Smildervaart in 1612 onder
+<i>Diever</i> was aangevangen, had het landschap daarvan in
+1767 den eigendom bekomen; doch om de menigvuldige
+bezwaren van <i>Overijssel</i> ten aanzien der uitvaart van
+<i>Meppel</i> naar <i>Zwartsluis</i> te ontgaan, trachtte <i>Drenthe</i><span
+class='pagenum'><a name="Page_328" id="Page_328">[328]</a></span>
+nu langs deze vaart een afvoer door <i>Friesland</i> te bekomen.
+Dit mislukte ten gevolge der bepaling van het octrooi,
+dat de vaart niet <i>door</i> de grenslinie gegraven mogt worden.
+Na lang uitstellen, begon <i>Drenthe</i> omstreeks 1790 wel
+eene geul of vaart te graven van de Tjonger naar <i>Appelscha</i>,
+doch ten gevolge der omwenteling bleef dit
+werk steken. Hoe ijverig ook de erven <span class="smcap">lycklama</span> bij de
+verschillende opvolgende besturen op de uitvoering aandrongen,
+eerst in 1810 vernietigde Koning <span class="smcap">lodewijk</span> hunne
+overeenkomst met <i>Drenthe</i>, hen vrij latende, de onderneming
+op eigen kosten voort te zetten. Niet voor 1813
+konden de Compagnons daaraan gevolg geven. In 1816
+en 1817 werd nu de vaart met rijdweg daarnevens voortgezet
+tot onder <i>Oosterwolde</i>, en was zij in 1819 tot
+nevens <i>Appelscha</i> genaderd, waarna zij tot op 20 roeden
+van de grens is voltooid en later met zijtakken uitgebreid.
+Tot bestrijding der kosten van deze kapitale vaart met
+daartoe behoorende werken, waartoe wegens het bestendig
+rijzen van den grond, acht verlaten, benevens een
+duiker in de Tjonger en onderscheidene groote bruggen
+behooren, is van 1816 tot 1841 eene som van 120,000
+Gld. genegotieerd, terwijl men intusschen in 1827 begonnen
+is met het verkoopen van het hoogveen<a name="FNanchor_274"
+id="FNanchor_274"></a><a href="#Footnote_274" class="fnanchor">[274]</a>. Sedert zijn er
+door het afsteken van het veen en het vervoer daarvan
+met duizenden turfschepen, door ontginning van de ondergronden
+en door het bouwen van huizen en schepen, tonnen
+schats in omloop gebragt, de welvaart der ingezetenen
+bevorderd, de dorpen <i>Donkerbroek</i>, <i>Oosterwolde</i> en<span class='pagenum'><a name="Page_329" id="Page_329">[329]</a></span>
+<i>Appelscha</i> uitgebreid en in bloei toegenomen, en de herschepping
+en ontwikkeling voorbereid van een oord, dat
+eeuwen lang, als &raquo;een leedig capitaal en dood corpus,&#8221;
+veelal woest had gelegen, v&oacute;&oacute;r dat de nijvere menschelijke
+hand het ten dienste van duizenden de schatting afdwong
+tot vermeerdering van de welvaart en het nationaal vermogen.
+Lof en eere komt daarvoor aan de wakkere
+ondernemers toe, doch vooral aan den eersten ontwerper,
+wiens naam men te regt in gedachtenis heeft willen
+houden door het in 1848 nieuw gebouwde Compagnonshuis
+te <i>Appelscha</i> te noemen: <i>Augustinus-state</i>.</p>
+
+<p>Veel wordt er thans in ons land gesproken over kanalisatie.
+Doch weinig bekend is het, hoe krachtig <i>Friesland</i>
+te dezen aanzien vele andere provinci&euml;n is v&oacute;&oacute;rgegaan, dewijl
+all&eacute;&eacute;n de laatst vermelde drie groote veenvaarten te zamen
+eene lengte van ruim <i>twintig</i> uren gaans uitmaken, welke,
+ten gevolge der ondernemingszucht van partikulieren,
+door menschenhanden zijn uitgegraven en met zoo talrijke
+sluizen, bruggen, wegen en andere werken voorzien.
+Eene vergelijking der kaarten van den <i>Nieuwe Atlas
+van Friesland</i> met die van <span class="smcap">schotanus</span>, van 1664 en
+1718, levert overtuigende bewijzen op, hoe v&eacute;&eacute;l er in
+dit opzigt alleen in de laatste 150 jaren in deze provincie
+is verrigt, en hoe zeer zij daardoor in waarde, in geldelijk
+en voortbrengend vermogen, in bewoonbaarheid en
+geschiktheid tot voortdurende ontwikkeling is toegenomen.</p>
+
+<p>Doch ten aanzien van dit onderwerp is dit nog niet
+alles. De grietenij <i>West-Stellingwerf</i> onderging mede
+groote verandering. Nadat de Staten vergunning hadden
+verleend tot het graven van drie vaarten: uit de Tjonger
+naar <i>Wolvega</i> (1645) en uit de Linde naar <i>Finkega</i> en
+naar <i>Noordwolde</i> (1642), werd ook de groote uitgestrektheid
+heide en hoogveen, tegen de zuid-zuidoostelijke grenzen,
+aangestoken, afgegraven, met breede dwarsvaarten en wijken.<span class='pagenum'><a name="Page_330" id="Page_330">[330]</a></span>
+doorsneden en ten behoeve van den landbouw ontgonnen.
+Nog in 1782, toen <span class="smcap">tjeerd</span> en <span class="smcap">marcus van heloma</span> eigenaren
+van deze veen-compagnie waren, ontvingen zij op
+nieuw octrooi, om uit de Compagnons-Vierdepartendwarsvaart,
+d&oacute;&oacute;r de grens, tot in het Vleddersche veen
+te mogen opwijken.&mdash;Ook het zuidelijk gedeelte der
+grietenij <i>Achtkarspelen</i>, waar de monniken van <i>Gerkesklooster</i>
+reeds vroeg turf groeven, welken zij langs de Oude
+Veenstervaart en door <i>Munnekezijl</i> uitvoerden, werden de
+ondergronden in den omtrek van <i>Surhuisterveen</i> omstreeks
+1600 door een aantal Doopsgezinden meer ontgonnen en bebouwd,
+en werd er in 1648 eene vaart gegraven van daar
+naar het Kolonelsdiep, waaraan een dwarsvaart en ontelbare
+wijken werden verbonden. Evenzoo ontstond het dorp
+<i>Rottevalle</i> ten gevolge van verveeningen, welke ook in
+de daarbij gelegene Folgera-veenen bestendig werden
+voortgezet (1742). Met regt kon alzoo Jhr. <span class="smcap">vegilin</span> in 1766
+zeggen: &raquo;dat door dit alles werd te weege gebragt, dat
+de geheele oostersche zoom van onze Provintie, die
+voor 150 jaar of daar omtrent nog t&#8217; eenemaal onvrugtbaar
+en met hooge Veenen bezet was, een cierlyke,
+vrugtbare, en wel bevolkte Landsdouw is geworden&#8221;<a name="FNanchor_275"
+id="FNanchor_275"></a><a href="#Footnote_275" class="fnanchor">[275]</a>.</p>
+
+
+<h4><i>Vergraving van de lage Veenen.</i></h4>
+
+<p>Verleenden de Staten gaarne aanmoediging tot <i>af</i>graving
+van de <i>hooge</i> veenen, omdat beide, het voortbrengsel en de
+ondergrond, strekten om het nationaal vermogen te vermeerderen,&mdash;met
+meer zorg sloegen zij steeds de <i>ver</i>graving
+van de <i>lage</i> veenen of klynlanden gade, omdat
+het voortbrengsel all&eacute;&eacute;n en voor &eacute;&eacute;ns voordeel gaf,
+doch<span class='pagenum'><a name="Page_331" id="Page_331">[331]</a></span>
+een groot deel lands in een waterplas verkeerde en aan den
+landbouw en de bewoning onttrok. Reeds in 1600 en 1610
+rezen er klagten over de nadeelen, welke dit landverderven
+voor de naastlegers en &#8217;s lands kas te weeg bragt. Evenwel
+enkel om de schade wegens verlies van grondbelasting te verhoeden,
+werd toen deswege vastgesteld, dat niemand zulk
+eene veengraverij mogt beginnen, v&oacute;&oacute;r dat hij in het
+zelfde dorp een ander stuk lands had aangewezen, waarop
+de floreen tot hoeding van de lands schattingen en andere
+lasten, op de te vergraven landen liggende, wierd overgebragt.
+Later moest er eene som van 100 Rijksdaalders
+en daarna van 500 Gld. voor elken floreen op obligatie
+in &#8217;s lands kas gestort worden, tot verzekering van de
+floreenschatting der provincie. Na 1718 liet men alleen
+op deze en soortgelijke voorwaarden de verdere vergraving
+toe, welke, na onder <i>Oostermeer</i> en <i>Boornbergum</i>
+en in <i>Haskerland</i> te zijn begonnen, inzonderheid na
+1680 in <i>Tietjerksteradeel</i>, <i>&AElig;ngwirden</i>, <i>West-Stellingwerf</i>,
+<i>Opsterland</i> en elders sterk was toegenomen<a name="FNanchor_276"
+id="FNanchor_276"></a><a href="#Footnote_276" class="fnanchor">[276]</a>.</p>
+
+<p>Tot dusverre waren de nadeelen dezer verveening voor
+de provincie niet zoo groot, dewijl men den turf gemeenlijk
+uit lange petten groef, waar tusschen men eene smalle
+strook gronds liet liggen, zoodat deze veenen na lang
+verloop van tijd weder digt groeiden en tot beweidbaar
+land gemaakt werden. Maar in den jare 1751 kwam
+een aantal veenbazen en werklieden uit <i>Giethoorn</i> herwaarts,
+die eene andere wijze van verveenen invoerden,
+welke aan enkele personen wel grootere voordeelen aanbragt,
+doch armoede naliet, dewijl daarbij het gansche
+stuk lands werd vergraven. Vooral in de omstreken van
+<i>St. Jansga</i> en <i>Oudehaske</i>, gelijk ook bezuiden <i>Oostermeer</i><span
+class='pagenum'><a name="Page_332" id="Page_332">[332]</a></span>
+(de Leijen), in <i>West-Stellingwerf</i> en elders zijn daardoor
+verbazende kommen waters ontstaan. De verzending
+van de daaruit gegravene baggelaar en sponturf naar
+<i>Holland</i>, en elders bragt evenwel aanzienlijke winsten op,
+welke vele eigenaars destijds in koophandel en scheepvaart
+besteedden en daarvan alzoo nieuwe voordeelen trokken.
+Te vergeefs wezen deskundigen op de gevolgen van dit
+landverdervend kwaad. Ook de Staten namen in overweging,
+om het gevaar, dat hieruit, bij toeneming, voor
+deze provincie was te duchten, te keer te gaan. Doch
+zij deinsden terug voor de bezwaren, en bij hun besluit
+van 2 Maart 1767 werd alles weder op den ouden voet
+gelaten<a name="FNanchor_277" id="FNanchor_277"></a><a href="#Footnote_277" class="fnanchor">[277]</a>.</p>
+
+
+<h4><i>Nieuwe Vaarten en Wegen.</i></h4>
+
+<p>Het plan der Magistraten van <i>Harlingen</i> en <i>Leeuwarden</i>,
+om langs de vaart tusschen beide steden een
+bepuind trekpad aan te leggen, in 1640 ontworpen en
+in 1646 volbragt, was niet enkel ter bevordering van
+eene geregelde gemeenschap en ten behoeve van handel
+en scheepvaart van veel belang, maar de goede uitslag
+daarvan wekte allerwege een geest van navolging op,
+welke voor de gansche provincie gunstige gevolgen had.
+In het volgende jaar 1647 wist <i>Dokkum</i> all&eacute;&eacute;n een dergelijken
+trek weg langs de Ee naar de hoofdstad tot stand
+te brengen, en het betoonde een ongemeenen moed en
+ijver, door maatregelen aan te wenden tot het doen graven<span class='pagenum'><a name="Page_333" id="Page_333">[333]</a></span>
+van een geheel nieuw kanaal met rijdweg, van daar langs
+<i>Kollum</i> tot <i>Stroobos</i>. Vermits de uitvoering van deze
+groote onderneming afhing van het besluit der provincie
+<i>Groningen</i> nopens het vervolgen van deze vaart, van
+<i>Stroobos</i> tot de stad <i>Groningen</i>, vorderde de zaak niet
+spoedig. Onder begunstiging des Stadhouders werd zij
+echter van 1654 tot 1656 volbragt en voortgezet, waardoor
+de gemeenschap met het naburige <i>Groningen</i> veel
+verbeterd- en het verkeer met <i>Dokkum</i>, mede als plaats
+van doortogt, zeer bevorderd werd.</p>
+
+<p>Ook de steden <i>Bolsward</i> (1652) en <i>Sneek</i> (1662)
+sloten zich bij den trekweg van <i>Leeuwarden</i> op <i>Harlingen</i>
+aan. Van <i>Bolsward</i> werd de trekweg verlengd
+tot <i>Workum</i>; ja zelfs zijn er octrooijen verleend tot het
+graven van eene vaart met trekweg van <i>Sneek</i> en <i>Workum</i>
+naar <i>Stavoren</i>, welke beide laatste plannen echter niet
+tot stand zijn gekomen. Aanzienlijke dorpen, als <i>Hallum</i>,
+<i>Rinsumageest</i>, <i>Kollum</i> (1648) en daarna ook <i>Weidum</i>
+(1688) trachtten zich tevens in het genot te stellen van
+zulk een verbeterd middel van vervoer en gemeenschap,
+door het aanleggen van zijtakken van hunne buurten
+naar de hoofdtrekvaarten. Voegt men hierbij, dat er
+te gelijk octrooijen werden verleend tot het leggen van
+eenen weg van <i>Dokkum</i> naar <i>Damwoude</i> (1649), en
+van eene vaart met weg van <i>Damwoude</i> naar <i>Dokkum</i>
+(1664), van eene vaart naar <i>Twijzel</i> (1680) en naar
+<i>Driezum</i> (1688), en van wegen door <i>Schoterland</i> (1661),
+naar <i>Grouw</i> (1671), van <i>Koudum</i> over <i>Galama-dammen</i>
+naar <i>Hemelum</i> (1688) en vele andere meer<a name="FNanchor_278"
+id="FNanchor_278"></a><a href="#Footnote_278" class="fnanchor">[278]</a>,&mdash;dan zien
+wij in de laatste helft der 17<sup>e</sup> eeuw dit onderwerp
+met<span class='pagenum'><a name="Page_334" id="Page_334">[334]</a></span>
+buitengewonen ijver behartigd, zoodat eene veel verbeterde
+gemeenschap met de hoofdstad en tusschen vele
+steden, dorpen en oorden daarvan het gevolg was.</p>
+
+<p>Was de oostelijke hoofdweg der provincie door het
+aanleggen van den Zwarteweg, reeds in 1531, veel verbeterd&mdash;de
+zuidelijke, van <i>Leeuwarden</i> naar <i>Steenwijk</i>,
+had daaraan evenzeer behoefte. Tot <i>Roordahuizum</i> den
+ouden zeedijk volgende, was hij in 1546 eerst langs
+<i>Friens</i>, later door <i>Rauwerd</i> gelegd, om over <i>Irnsum</i>
+en de <i>Oude Schouw</i> naar <i>Akkrum</i> te leiden. Nog grooter
+omweg moest men maken van daar tot nabij <i>Oldeboorn</i>
+en dan naar <i>Terbandsterschans</i>, langs een kronkelenden
+weg, wiens vorm weinig van dien eener zaag verschilde.
+&#8217;t Was dus bij voorraad eene wezenlijke verbetering, toen
+Jhr. <span class="smcap">philip frederik vegilin van claerbergen</span> naast het
+grootste en slechtste gedeelte dezer beruchte <i>Haskerdijken</i>
+een nieuwen en nagenoeg regten weg liet leggen. Hij
+deed dit in het zelfde jaar 1716, dat hij den hier v&oacute;&oacute;r
+vermelden grooten polder in <i>Haskerland</i> aanleidde, en
+bekroonde dit werk tot heil zijner grietenij in 1723, door
+van genoemden weg over het Deel (<i>de Nieuwe Schouw</i>)
+een geheel nieuwen weg te leggen naar het aanzienlijke
+vlek <i>Joure</i>, dat hem en zijn nageslacht zoo veel is verpligt.</p>
+
+<p>Deze weg was van te meer belang, omdat een ander
+verdienstelijk Grietman, <span class="smcap">regnerus van andringa</span>, van <i>Lemsterland</i>,
+welingerigte veerschepen had doen aanleggen van
+<i>de Lemmer</i> op <i>Amsterdam</i>, <i>Zwolle</i> en <i>Kampen</i> (1703),
+alsmede een postwagen van <i>de Lemmer</i> op <i>Groningen</i>
+en daarna ook op <i>Leeuwarden</i> (1740), waardoor hij mede
+het belang van eerstgenoemde zeeplaats, zoo veel aan hem
+verschuldigd, gelijk ook van <i>Joure</i>, als plaats van doortogt,
+bevorderde<a name="FNanchor_279" id="FNanchor_279"></a><a href="#Footnote_279"
+class="fnanchor">[279]</a>. Behalve de vroeger genoemde, vinden<span class='pagenum'><a name="Page_335" id="Page_335">[335]</a></span>
+wij overigens in de 18<sup>e</sup> eeuw niet verder gewag gemaakt,
+dan van het aanleggen van een rijdweg over de Ried
+door de <i>Trynwouden</i> (van <i>Ryperkerk</i> naar <i>Oudkerk</i>)
+in 1725, en van <i>Sondel</i> naar <i>Takozyl</i> in het zelfde jaar;
+alsmede van de Helomavaart onder <i>Oudetryne</i> in 1748<a name="FNanchor_280"
+id="FNanchor_280"></a><a href="#Footnote_280" class="fnanchor">[280]</a>.</p>
+
+
+<h4><i>Landbouw, Handel, Scheepvaart en Nijverheid.</i></h4>
+
+<p>Al deze onderwerpen staan zeker in zeer naauw verband
+met de verbeteringen, welke den stoffelijken toestand
+van <i>Friesland</i> in dit tijdvak mogt te beurt vallen, en
+waarvan wij de voornaamste hebben opgenoemd. De
+ontwikkeling van de trapsgewijze vorderingen dezer vakken,
+onder den invloed van verschillende omstandigheden,
+zou een belangrijk tafereel opleveren, doch meer bronnen
+en ruimte vorderen, dan waarover wij kunnen beschikken.
+Men vergunne ons dus hier enkel aan te stippen, dat
+de Staten,&mdash;die in 1634 reeds een octrooi gaven op
+&raquo;de inventie om Bosch, Heide en andere sterile Landen
+te verbeteren,&#8221; en die overigens wel gezind waren,
+om de bedijking van lage en buitendijksche landen, en
+het ontginnen van heidevelden aan te moedigen&mdash;het belang
+van den landbouw trachtten te bevorderen, door
+sedert 1634 bij herhaling op zware straf te verbieden,
+dat de mest, asch, vuil en aarde buiten deze provincie
+gevoerd wierden. Tot behoud en uitbreiding van de
+houtkultuur strekte tevens hunne bepaling, dat niemand
+twee eikenboomen zou mogen vellen, of hij moest er
+drie voor in de plaats planten (1673)<a name="FNanchor_281"
+id="FNanchor_281"></a><a href="#Footnote_281" class="fnanchor">[281]</a>.</p>
+
+<p>In de eerste helft der 18<sup>e</sup> eeuw hadden landbouw en
+veeteelt in dit gewest met zware rampen te worstelen.
+De gevolgen der overstroomingen in 1701 en 1702, en
+daarna weder in 1717, hielden de lage streken jaren lang<span class='pagenum'><a name="Page_336" id="Page_336">[336]</a></span>
+in kwijnenden toestand, bij hooge schattingen en lage
+prijzen van het vee. De veepest, welke eerst in 1713
+woedde en in 1744 en 45 weder met zulk een geweld
+uitbrak, dat er alleen van November tot Julij 123,000
+runderen stierven, bragt groote schade aan en had gewigtige
+gevolgen. Sedert men omstreeks 1720 meer
+algemeen invoerde, de graslanden te greppelen, te bemesten
+en het gras vroeger te maaijen<a name="FNanchor_282" id="FNanchor_282"></a><a
+href="#Footnote_282" class="fnanchor">[282]</a>, was de hooioogst
+aanzienlijker geworden, en gaf ook de uitvoer daarvan
+naar andere provinci&euml;n groote voordeelen; hoewel de
+Staten, door dien uitvoer somtijds te verbieden, pogingen
+deden, om het verbruik van het hooi in dit gewest
+zelf, door het aanfokken van meer vee, te bevorderen,
+ten einde daarvan voor eigene welvaart nog grooter en
+duurzamer voordeelen te verwerven.</p>
+
+<p>Doch tegenspoeden hebben dikwijls heilzame uitwerkselen
+voor de toekomst, wanneer de nood het oordeel
+scherpt, de krachten spant en middelen zoekt aan te
+wenden, welke de voorspoed onopgemerkt had gelaten.
+Na het verlies van zoo vele runderen gaf de toenemende
+schaapsteelt, bij de hooge prijzen van de wol, daarvoor
+eenige vergoeding, en werden vele oude weilanden gebroken
+en tot bouwland aangelegd, waarbij men ook het
+klaverzaaijen tot nieuwland invoerde. De sedert 1750<span class='pagenum'><a name="Page_337" id="Page_337">[337]</a></span>
+meer algemeen gewordene aardappelteelt en de toegenomen
+cichorei- en vlasbouw begunstigden mede de pogingen
+der landbouwers tot verbetering en vooruitgang, zoodat
+onze boerenstand zich door bekwaamheid, ijver en welstand
+voordeelig bij die van andere provinci&euml;n onderscheidde.
+De bepoldering nam allerwege toe, gelijk ook
+het getal bouwhoeven, dewijl men vroeger te veel land
+bij &eacute;&eacute;ne boereplaats gebruikte. Blijken van meerderen
+voorspoed openbaarden zich vooral na 1765, zoodat, toen
+in 1769 en volgende jaren de veepest op nieuw woedde,
+die schade het algemeen belang minder krenkte.</p>
+
+<p>Doch de landbouw had tevens veel te danken aan de
+uitbreiding van den Handel en de Scheepvaart, die van
+1760 tot 1780 en ook nog later ongemeen bloeiden en
+groote winsten aanbragten. Nog in 1789 werd het getal
+Friesche schepen, dat vooral tot de buitenlandsche vrachtvaart
+gebezigd werd, op 2,000 begroot, gelijk all&eacute;&eacute;n in
+1780 meer dan 40 nieuwe schepen de verschillende havens
+dezer provincie verlieten. <i>Frieslands</i> gunstige ligging
+en rijkdom van voortbrengselen, die bij gereeden
+aftrek van lieverlede in prijs stegen, wekten de ondernemingszucht
+op. Bepaalden handel en buitenvaart eerst
+zich meest op de Oostzee, <i>Hamburg</i>, <i>Bremen</i>, <i>Noorwegen</i>
+en de Fransche en Spaansche kusten, men beproefde
+ook regtstreekschen handel op <i>Engeland</i>; en
+van welke gunstige gevolgen dit voor het belang dezer
+provincie is geworden, vooral ten aanzien van onze
+boter, kaas, paling, vee enz., is algemeen bekend. Te
+voren had men deze en andere voorwerpen steeds te
+<i>Amsterdam</i> ter markt gebragt, om van daar verder verzonden
+te worden. De binnenlandsche vaart op de overige
+provinci&euml;n, tot uit- en invoer van verschillende voortbrengselen
+en benoodigdheden, ondersteunde dien handel,
+welke tevens van gunstigen invloed was op onderscheidene<span class='pagenum'><a name="Page_338" id="Page_338">[338]</a></span>
+fabrijken en trafijken, die er in den loop der 18<sup>e</sup> eeuw
+zoo vele werden opgerigt<a name="FNanchor_283" id="FNanchor_283"></a><a
+href="#Footnote_283" class="fnanchor">[283]</a>, waarvan de steen- en
+pannebakkerijen, de zoutkeeten en kalkbranderijen een
+ruim deel in de winsten hadden. Het fabrikaat der Friesche
+bonten, dat in 1748 in <i>Harlingen</i> nog een duizendtal wevers
+werk verschafte en overal, ook naar de <i>West-Indi&euml;n</i>, verzonden
+werd, bezweek echter, even als de eertijds zoo bloeijende
+saaijet-fabrijken, waarvan <i>Franeker</i> alleen er 21 telde,
+voor de buitenlandsche mededinging. Doch ook handel
+en scheepvaart vervielen na het einde van dit tijdvak,
+ten gevolge van den Engelschen oorlog en andere rampen.
+Nogtans kon een bevoegd beoordeelaar zijne beschouwingen
+omtrent den gelukkigen toestand van <i>Friesland</i> in
+1795 besluiten in de overtuiging: &raquo;dat ons land een
+gezegend land is; dat wy een vruchtbaaren grond hebben,
+eene groote verscheidenheid van Voortbrengzelen, en
+een by uitstek bloeienden Landbouw; een gezond Klimaat,
+en sterkte van lichaam en geest by de inwoonders.
+Voorts een goeden Koophandel, eene aanzienelyke Vragtvaart,
+en een tamelyk getal goede Fabrieken.&mdash;Het
+gevolg van dit alles vereenigd, moet zyn <i>Blyde Welvaart
+en Volks-geluk</i>&#8221;<a name="FNanchor_284" id="FNanchor_284"></a><a
+href="#Footnote_284" class="fnanchor">[284]</a>.</p>
+
+<hr class="footn" />
+
+<div class="footnote">
+
+<p><a name="Footnote_260" id="Footnote_260"></a><a href="#FNanchor_260"><span class="label">[260]</span></a>
+Ik bedoel den G&ouml;ttinger Hoogleeraar <span class="smcap">f. l&uuml;cke</span>, die met
+Prof. <span class="smcap">ullmann</span> in 1847 <i>Nederland</i> bezocht en zijne opmerkingen
+later mededeelde. In <i>de Tijdspiegel</i> en v&oacute;&oacute;r de vertaling van <span class="smcap">l&uuml;cke&#8217;s</span>
+<i>Vredeleus</i>, Leeuw. 1850, zijn daarvan overzettingen gegeven.</p>
+
+<p><a name="Footnote_261" id="Footnote_261"></a><a href="#FNanchor_261"><span class="label">[261]</span></a>
+Zie meer uitvoerige berigten deswege in de <i>Nasporingen
+betrekkelijk de Middelzee</i>, 83, 97; <i>Charterboek</i>, III 1045; V 487,
+489, 541, 1201; VI 163.</p>
+
+<p><a name="Footnote_262" id="Footnote_262"></a><a href="#FNanchor_262"><span class="label">[262]</span></a>
+De gansche geschiedenis van dit groote werk heb ik, bij
+gelegenheid der droogmaking van de sluis in 1834, uit de <i>Staats-resoluti&euml;n</i>
+opgemaakt en met Prof. <span class="smcap">de crane</span> uitgegeven in het
+werkje: <span class="smcap">willem lor&eacute;</span> <i>en zijne Dijken en Sluizen</i>, Fran. 1835, bl. 39.</p>
+
+<p><a name="Footnote_263" id="Footnote_263"></a><a href="#FNanchor_263"><span class="label">[263]</span></a>
+Ten gevolge van aanslibbing werd de <i>Lunde-</i> (of <i>Lidlumer</i>)
+<i>zijl</i> bij <i>Koehool</i>, N. W. van <i>Tjumarum</i>, verstopt, en onder overeenkomst
+tusschen Gedeputeerden en de Regering van <i>Harlingen</i>,
+van 1584, naar deze stad overgebragt (<i>Charterb.</i> IV 504). Hierdoor
+ontstond het Lands-zijltje aan de Zoutsloot, thans nog een
+niet onbelangrijk middel tot uitstrooming in die stad.</p>
+
+<p><a name="Footnote_264" id="Footnote_264"></a><a href="#FNanchor_264"><span class="label">[264]</span></a>
+Zie de hiertoe betrekkelijke stukken in het <i>Charterb.</i> V 112,
+172, 262, 263, 264, 268, 435, 585, 1204; <i>Reg. Staats-res.</i>
+538, 859; <span class="smcap">schotanus</span>, <i>Beschrijv.</i> 266; <span class="smcap">foeke sjoerds</span>, <i>Beschrijv.</i>
+I 258; <i>Teg. Staat</i>, III 396; <span class="smcap">van leeuwen</span>, <i>Watervloed</i>, Inl. 52.
+Het octrooi van 1557 en daarop gevolgde stukken vindt men in
+het Prov. Archief, <i>Lands Dijkagieboek</i>, kopij 131-150. Het
+gezegde van <span class="smcap">winsemius</span>, aan het slot zijner <i>Chronique</i>, dat Keizer
+<span class="smcap">karel</span> reeds vroeger octrooi zou hebben gegeven, schijnt ongegrond.</p>
+
+<p><a name="Footnote_265" id="Footnote_265"></a><a href="#FNanchor_265"><span class="label">[265]</span></a>
+<i>Charterb.</i> VI 250-423; <i>Reg. Staats-res.</i> 187, 390, 733;
+<span class="smcap">foeke sjoerds</span>, <i>Beschrijv.</i> I 265; <i>Teg. Staat</i>, III 542, IV 328.</p>
+
+<p><a name="Footnote_266" id="Footnote_266"></a><a href="#FNanchor_266"><span class="label">[266]</span></a>
+Meer uitvoerig heb ik de geschiedenis van het tot stand
+brengen der beide laatstgemelde werken beschreven in het reeds
+genoemde werkje: <span class="smcap">willem lor&eacute;</span> <i>en zijne Dijken en Sluizen</i>,
+bl. 59 env. waar achter ook de gronden voor den laatst geuiten
+wensch zijn medegedeeld.</p>
+
+<p><a name="Footnote_267" id="Footnote_267"></a><a href="#FNanchor_267"><span class="label">[267]</span></a>
+<i>Tegenw. Staat</i>, IV 328. Daar ik vele bijzonderheden van al
+de vermelde en andere speciale werken hier achterwege moet laten,
+zoo houde men mij deze kortheid ten goede, uithoofde van het plan
+en bestek van dit werk. Voor dit tijdvak heb ik slechts de hoofdpunten
+willen aanwijzen van eene Geschiedkundige Beschrijving van
+<i>Friesland</i>, welke ik gaarne uitvoerig en volledig zou willen behandelen,
+als het mij niet aan tijd en krachten faalde. Hartelijk
+wensch ik dus, dat een ander dit belangrijke onderwerp eens opzettelijk
+mogt bewerken.</p>
+
+<p><a name="Footnote_268" id="Footnote_268"></a><a href="#FNanchor_268"><span class="label">[268]</span></a>
+<span class="smcap">Winsemius</span>, <i>Chronique</i>, aan het slot; <i>Tegenw. Staat</i>, III
+292; <i>Charterb.</i> V 634, 1204; <i>Reg. Staats-res.</i> 367, 473, 543,
+546, 764; <span class="smcap">van leeuwen</span>, <i>Watervloed</i>, Inl. 53.</p>
+
+<p><a name="Footnote_269" id="Footnote_269"></a><a href="#FNanchor_269"><span class="label">[269]</span></a>
+<i>Charterb.</i> V 356, 634, 1204; <i>Reg. Staats-res.</i> 321, 539,
+540, 548, 553, 556, 632, 717.</p>
+
+<p><a name="Footnote_270" id="Footnote_270"></a><a href="#FNanchor_270"><span class="label">[270]</span></a>
+Zie <span class="smcap">j. douwama&#8217;s</span> <i>Geschriften</i>, 201, en omtrent het verder
+vermelde <i>Reg. Staats-res.</i> 3, 539, 546, 632; <i>Tegenw. Staat</i>, III 490,
+492, 494, 501, 505, IV 491; <span class="smcap">v. sminia</span>, <i>Grietmannen</i>, 350, 358;
+<span class="smcap">scheltema</span>, <i>Staatk. Nederl.</i> II 388, <i>Wapenboek</i> en <i>Stamboek</i> in <i>Vegilin</i>.</p>
+
+<p><a name="Footnote_271" id="Footnote_271"></a><a href="#FNanchor_271"><span class="label">[271]</span></a>
+Zie <i>Tegenw. Staat</i>, III 518, 528; <i>Reg. Staats-res.</i> 552.</p>
+
+<p><a name="Footnote_272" id="Footnote_272"></a><a href="#FNanchor_272"><span class="label">[272]</span></a>
+Naauwkeurige bijzonderheden omtrent het eerste bevat het
+fraaije werkje van mijn vriend <span class="smcap">j. g. van blom</span>, <i>de opkomst van
+het vlek Dragten</i>, Leeuw. 1840. Zie over <i>Bakkeveen</i> <span class="smcap">d. h. van der
+meer</span> in den <i>Friesche Volks-Almanak</i>, 1839, 29 env.</p>
+
+<p><a name="Footnote_273" id="Footnote_273"></a><a href="#FNanchor_273"><span class="label">[273]</span></a>
+Opgemaakt uit de Staats-resoluti&euml;n, benevens oorspronkelijke
+stukken uit het Provinciaal Archief. Zie ook <i>Tegenw. Staat</i>, III
+568; <span class="smcap">van sminia</span>, <i>Grietmannen</i>, 387, 388.</p>
+
+<p><a name="Footnote_274" id="Footnote_274"></a><a href="#FNanchor_274"><span class="label">[274]</span></a>
+Toen was er nog geene spade gestoken in het veen, en
+thans werken er des zomers veelal meer dan <i>duizend</i> personen in,
+en varen er jaarlijks ongeveer 8 &agrave; 9,000 turfschepen door <i>Oldeboorn</i>
+en <i>Gorredijk</i> derwaarts. Van <i>Gorredijk</i> tot <i>Appelscha</i> of het 8<sup>e</sup> verlaat
+is het verschil van den waterstand bijna <i>elf</i> Ned. ellen. Z&oacute;&oacute;
+veel hooger ligt de zuidoosthoek dezer provincie dan het binnenland.</p>
+
+<p><a name="Footnote_275" id="Footnote_275"></a><a href="#FNanchor_275"><span class="label">[275]</span></a>
+Jr. <span class="smcap">j. vegilin van claerbergen</span>, <i>Vertoog over de Veengraveryen</i>,
+Leeuw. 1766, 24, 29, 179; <i>Reg. Staats-res.</i> 320, 539,
+540; <i>Charterb.</i> V 503; <i>Teg. Staat</i>, III 593 env.; <span class="smcap">blaupot ten
+cate</span>, <i>Geschiedenis der Doopsgezinden in Friesland</i>, 165.</p>
+
+<p><a name="Footnote_276" id="Footnote_276"></a><a href="#FNanchor_276"><span class="label">[276]</span></a>
+<i>Charterb.</i> V 171, VI 256; <i>Reg. Staats-res.</i> 382, 429, 448,
+459, 530, 531, 535, 818, 823; <i>Teg. Staat</i>, III 525, IV 573.</p>
+
+<p><a name="Footnote_277" id="Footnote_277"></a><a href="#FNanchor_277"><span class="label">[277]</span></a>
+Om de Staten bij hunne beraadslagingen over dit onderwerp
+voor te lichten, schreef Jhr. <span class="smcap">vegilin</span> het genoemde belangrijke
+werkje over de <i>Veengraverijen</i>, waarin hij de vermelde
+nadeelen en de middelen daar tegen uitvoerig aanwijst. Zijne denkbeelden
+vonden echter verscheidene bestrijders in <span class="smcap">gerlsma</span>, <span class="smcap">one&iuml;des</span>
+en anderen, die daar tegen geschriften in het licht gaven. Zie ook
+<i>Reg. Staats-res.</i> 818.</p>
+
+<p><a name="Footnote_278" id="Footnote_278"></a><a href="#FNanchor_278"><span class="label">[278]</span></a>
+Zie breedere berigten deswege in de <i>Geschiedkundige Beschrijving
+van Leeuwarden</i>, II 67, 423 en de daar aangehaalde stukken;
+alsmede op de genoemde jaren onder de Octrooien in het <i>Register
+op de Staats-resoluti&euml;n</i> en vele daarvan in het <i>Charterboek</i>.</p>
+
+<p><a name="Footnote_279" id="Footnote_279"></a><a href="#FNanchor_279"><span class="label">[279]</span></a>
+<i>Charterb.</i> VI 394; <i>Reg. Staats-res.</i> 547, 550, 842; <span class="smcap">van sminia</span>,
+<i>Grietmannen</i>, 358, 373; <span class="smcap">te water</span>, <i>Verbond der Edelen</i>, II 157.</p>
+
+<p><a name="Footnote_280" id="Footnote_280"></a><a href="#FNanchor_280"><span class="label">[280]</span></a>
+<i>Reg. op de Staats-res.</i> 550, 553.</p>
+
+<p><a name="Footnote_281" id="Footnote_281"></a><a href="#FNanchor_281"><span class="label">[281]</span></a>
+<i>Chartb.</i> V 651, 973.</p>
+
+<p><a name="Footnote_282" id="Footnote_282"></a><a href="#FNanchor_282"><span class="label">[282]</span></a>
+Men maaide eertijds niet v&oacute;&oacute;r St. Jan (24 Junij), als het
+zaad begon te vallen, wanneer men met een stok tegen het gras
+sloeg. De reden, waarom het vroegere maaijen zoo veel verkieslijker
+is, is aangewezen in den <i>Almanak voor Landbouwers</i>, 1852,
+14. Het meer verdeelen van de zeer groote stukken veldland door
+slooten, had bij het greppelen mede gunstige gevolgen. Het toenemen
+van de turfgraverij heeft ook het verbranden van den met
+ried vermengden mest, waarvan men dompen maakte, doen ophouden;
+terwijl de uitbreiding van den graanbouw mede de waarde
+van den mest deed stijgen.</p>
+
+<p><a name="Footnote_283" id="Footnote_283"></a><a href="#FNanchor_283"><span class="label">[283]</span></a>
+Van de daartoe verleende octrooijen noemen wij hier enkel,
+nieuw geinventeerde Molens, om hout-, pot- en weedasch te malen:
+1700; eene Azijn fabrijk, 1720; eene Suiker-rafinaderij te <i>Harlingen</i>,
+1724; eene Stijfselmakerij te <i>Franeker</i>, 1731; een Snuif- en
+Verwmolen te <i>Leeuwarden</i>, 1760; een Papiermolen te <i>Makkum</i>,
+1767; eene Glasblazerij aldaar, 1768; eene Meekrapstoof te
+<i>Leeuwarden</i>, 1751, enz.</p>
+
+<p><a name="Footnote_284" id="Footnote_284"></a><a href="#FNanchor_284"><span class="label">[284]</span></a>
+De latere Groninger Hoogleeraar <span class="smcap">s. gratama</span> in zijne <i>Gelukkige
+Toestand van Friesland</i>, 25, in <i><a href="#Aant22">Aanteek. 22</a></i> vermeld met
+meerdere schrijvers over dit onderwerp; als: <span class="smcap">ypeij</span>, <i>Verhandeling
+over den uitvoer van Hooi</i>; <i>Teg. Staat</i>, IV 570, 596 env.;
+<span class="smcap">vegilin</span>, <i>over de Veengraverijen</i>, 25, 57 enz. Zie mede over het
+aangevoerde het onschatbare <i>Charterb.</i> IV 620, 726, V 106, 471,
+658, 755; <i>Reg. Staats-res.</i> 337, 363, 495, 517, 528 enz. Gaarne
+zouden wij zien, dat ook dit belangrijk onderwerp eens uitvoeriger
+wierde behandeld.</p>
+
+</div>
+
+<hr class="footn" />
+
+<p class='pagenum'><a name="Page_339" id="Page_339">[339]</a></p>
+
+<h3>39. <i>De Kerkelijke Belangen van Friesland.</i></h3>
+
+
+<h4><i>De Hervormde Kerk.</i></h4>
+
+<p>Lang hadden de Hervormden in <i>Friesland</i> de verdrukking
+van het Spaansche gezag verdragen en te vergeefs
+vrijheid van godsdienst, naast of nevens de bestaande
+Katholijke Kerk, begeerd, toen eindelijk de Pacificatie
+van <i>Gent</i> (1576), de Religions-vrede (1578) en de Unie
+van <i>Utrecht</i> (1579) de vervolgingen om het geloof deden
+staken, en de wensch, dat zij hunne godsdienst-oefeningen
+onverhinderd mogten houden, vervuld werd. Roomschen
+en Onroomschen bezaten nu alzoo gelijke vrijheid.
+Mogten de eersten zich hierdoor verzwakt gevoelen,&mdash;de
+laatsten, die spoedig bleken verreweg de groote meerderheid
+der ingezetenen uit te maken, hadden eene
+kracht ontvangen, welke alras zich liet gelden. Zij
+hadden zoo schrikkelijk veel van de Spaansche tirannij
+geleden, en de verbastering van de Roomsche Kerk
+had reeds zoo lang ergernis gegeven, dat zij deze niet
+naast of nevens zich konden dulden. Men moet zich
+verplaatsen in die dagen van opgewondenheid en verbittering,
+toen men het woord verdraagzaamheid naauwelijks
+kende, om te beseffen, dat het doel van den strijd geen
+ander kon zijn, dan de zegepraal van de sterkste en
+de ondergang van de zwakkere partij. En hoe zeer begunstigden
+de omstandigheden des tijds niet de overwinning
+van de zaak der Hervormden!</p>
+
+<p>Immers, nadat de moed der burgers van <i>Leeuwarden</i>
+het Blokhuis dier stad veroverd had, en ook de kasteelen
+van <i>Harlingen</i> en <i>Stavoren</i> gewonnen waren, verwekte
+de verraderlijke afval van den Stadhouder <span class="smcap">rennenberg</span> te
+<i>Groningen</i> (3 Maart 1580) hier z&oacute;&oacute; algemeene verontwaardiging,
+dat de Roomsche eeredienst nog in die
+zelfde maand door de Friesche Staten werd afgeschaft.<span class='pagenum'><a name="Page_340" id="Page_340">[340]</a></span>
+De kloosters werden nu ontbonden en de gebouwen verkocht
+of aan de uitroeijing van het algemeen prijs gegeven,
+en werd de Hervormde leer ingevoerd en gevestigd door
+de bepaling, dat alle gemeenten van bekwame predikanten
+en onderwijzers zouden worden voorzien. Bovendien werd
+in de ordonnantie van den Stadhouder Prins <span class="smcap">willem</span> I
+van den volgenden jare vastgesteld, dat er in <i>Friesland</i>
+geene andere godsdienst dan de Hervormde zou mogen
+worden uitgeoefend<a name="FNanchor_285" id="FNanchor_285"></a><a href="#Footnote_285" class="fnanchor">[285]</a>.</p>
+
+<p>Deze vestiging van de Kerk door het Staatsgezag, dat
+haar als eene voedsterling beschermde en als voogd bestuurde,
+was vooral in den beginne voor haar eene zaak
+van groot gewigt; eensdeels, omdat haar toestand nog
+zoo onzeker was, zoolang <i>Groningen</i> in de magt was
+der Spanjaarden, die z&oacute;&oacute; herhaaldelijk invallen in <i>Friesland</i>
+deden, dat de zaak der vrijheid nog veertien jaren
+lang in het grootste gevaar verkeerde; anderdeels, uit
+hoofde van het gebrek aan bekwame predikanten, wier
+getal lang ontoereikende was, om al de gemeenten van
+een leeraar te voorzien. Ook d&agrave;&agrave;rom stichtte de Staat
+eene Lands Akademie te <i>Franeker</i> (1585), welke van
+lieverlede in dien nood voorzag en der Kerk vervolgens
+gewigtige diensten bewees. Deze was dus tot den Staat
+in eene omgekeerde verhouding gekomen, als waarin
+vroeger de Roomsche Kerk stond. Rijk, onafhankelijk en
+gewapend met kerkelijk gezag, had die hare geestelijke belangen
+steeds zelve geregeld, buiten de wereldlijke overheid,
+in wier bestuur zij zelfs een belangrijk aandeel had door
+hare afgevaardigden op de landsdagen. Wel deden de<span class='pagenum'><a name="Page_341" id="Page_341">[341]</a></span>
+Hervormde predikanten spoedig pogingen, om zich aan
+die voogdijschap van het Staatsgezag te onttrekken;
+doch, in weerwil der botsingen, welke hieruit nu en dan
+ontstonden, bleven de Staten hun regt en pligt handhaven,
+om, nevens de bescherming, welke zij der Kerk
+verleenden, daarop te gelijk toezigt te houden en daarover
+gezag uit te oefenen. Zelfs bepaalden de Staten,
+dat geen Synodaal besluit van eenige kracht zou zijn,
+v&oacute;&oacute;r dat het door de Staatsmagt goedgekeurd ware. En
+deze steun kwam der Kerk meermalen ter bevordering
+van hare belangen te stade: zoowel bij de vele en vaak
+bittere twisten, welke de predikanten onderling en tegen
+de Synode voerden, als niet het minst tegenover andere
+Kerkgenootschappen, dewijl er in het bijzonder in deze
+provincie een zoo groot getal Doopsgezinden bestond, en het
+aantal Roomschgezinden en Lutherschen van lieverlede
+aanmerkelijk toenam. Lang werden de godsdienst-oefeningen
+van dezen door strenge plakkaten verboden,
+hoewel ze niet altijd streng werden uitgevoerd, zoodat
+de Hervormde Synoden veel malen gelegenheid vonden,
+zich over de miskenning van haar uitsluitend voorregt,
+de slapheid der besturen en de &raquo;ongelimiteerde licentie
+der dissenters&#8221; te beklagen. Ook ten aanzien der zeden
+en de wering van misbruiken en ongeregeldheden riep
+de Kerk dikwijls de hulp van het Staatsgezag in<a name="FNanchor_286"
+id="FNanchor_286"></a><a href="#Footnote_286" class="fnanchor">[286]</a>.</p>
+
+<hr class="c05" />
+
+<p>Maar welke was de geest, de rigting, de kenmerkende
+leer dezer Kerk? In de eerste eeuw of het omwentelingstijdvak
+waren deze zeer verschillende, doch zij ondergingen
+groote verandering, meest ten gevolge van vreemden
+invloed, en van het streven naar eenheid van geloofsbegrip,
+dewijl de heerschzucht der sterkere partij steeds<span class='pagenum'><a name="Page_342" id="Page_342">[342]</a></span>
+over de zwakkere trachtte te zegevieren. De oorsprong
+der geloofsverandering lag in de verbastering van de
+Roomsche Kerk. Om deze te bestrijden en te verbeteren
+bezat men geen ander wapen en middel dan het heilige
+Evangelie, dat tevens al de behoeften vervulde dergenen,
+die in reine godsvereering vrijheid van geloof aan zuiveren
+wandel wilden paren. Vandaar, dat in de allereerste
+geloofsbelijdenis der Nederlandsche Hervormde Kerk, van
+omstreeks 1550, drie beginselen op den voorgrond stonden,
+welke toen voor kenmerkenden regel en rigtsnoer
+waren aangenomen; namelijk: 1<sup>o</sup>. het <i>Evangelische
+beginsel</i>, of de aanneming van de Heilige Schrift als
+Gods Woord, waarvan Christus de hoofdinhoud uitmaakt,
+met verwerping van alle menschelijk gezag, hetwelk in
+de Roomsche Kerk heerschende was; 2<sup>o</sup>. het beginsel van
+<i>vrij onderzoek en vrije belijdenis van de Evangelische
+waarheid</i>, mede tegenover Rome&#8217;s kerkleer, welke slaafsche
+gehoorzaamheid en vervolgzieke onverdraagzaamheid
+van andersdenkenden predikte, en 3<sup>o</sup>. het beginsel van
+<i>voortdurende Hervorming</i>, van toeneming in kennis en
+ontwikkeling van het Christendom, als de grondslag,
+waarop de Kerk, heilig in leer en leven, moest worden
+voortgebouwd en voltooid, tot vorming van vrome burgers
+van den Staat en van waardige leden der gemeente
+Gods in het leven der toekomst<a name="FNanchor_287"
+id="FNanchor_287"></a><a href="#Footnote_287" class="fnanchor">[287]</a>.</p>
+
+<p>Hoe gelukkig zou ons vaderland geweest zijn, wanneer
+het aan deze oorspronkelijke beginselen en eigene opvatting
+van het evangelie, als eene kracht Gods tot zaligheid,
+ware getrouw gebleven! Hoe weldadig zou de algemeene<span class='pagenum'><a name="Page_343" id="Page_343">[343]</a></span>
+aanneming en beleving van zulk eene eenvoudig schoone
+leer duurzaam gewerkt hebben op het algemeene welzijn!
+Hoe vele twisten, rampen en ellenden waren daardoor
+niet vermeden geworden! Doch de zelfstandigheid der
+Nederlanders, in andere opzigten zoo krachtig aan den
+dag gelegd, bezweek in dezen voor buitenlandschen invloed.
+Vreemde geleerden, die zich de <span class="gesp">geloofsleer</span>
+tot hoofddoel des Christendoms stelden, vormden ingewikkelde
+stelsels en vervormden de evangelie-leer tot eene
+leerstellige godgeleerdheid. Deze vond allerwege aanhangers,
+waaruit spoedig partijen ontstonden, die, hevig
+onder elkander twistende, de nog niet eens gevestigde
+Kerk jammerlijk verwarden en verscheurden terwijl de
+staatkunde der Spaansche regering dat vuur van verdeeldheid
+voedsel gaf en aanblies. Ofschoon <span class="smcap">luther&#8217;s</span>
+denkbeelden en gevoelens reeds vroegtijdig in <i>Friesland</i>
+bekend waren, en de Augsburgsche belijdenis van 1530,
+zoo als die door <span class="smcap">melanchton</span> veranderd was, ook hier
+bijval vond, was het verkeer van vele Friezen in <i>Oost-Friesland</i>,
+waar men voornamelijk de gevoelens van
+<span class="smcap">zwingli</span> had aangenomen, de oorzaak, dat de hervorming
+hier eerst eene Zwingliaansche rigting aannam,
+alsof het noodzakelijk ware, de partij van een dier Hervormers
+te kiezen. Laatstgenoemde rigting werd echter
+spoedig verdrongen door het Kalvinisme, dat in 1567 in
+<i>Brabant</i> boven alle andere rigtingen ingang vond en
+zich streng wist te handhaven<a name="FNanchor_288" id="FNanchor_288"></a><a
+href="#Footnote_288" class="fnanchor">[288]</a>. Nadat het ook door
+Prins <span class="smcap">willem</span> I en daarna door Graaf <span class="smcap">willem lodewijk</span>
+was aangenomen, bragt <span class="smcap">menso alting</span>, een der weinige
+Oost-Friesche predikanten, die de gevoelens van <span class="smcap">kalvijn</span>
+waren toegedaan, met de hulp van Dr. <span class="smcap">otto swalue</span><span
+class='pagenum'><a name="Page_344" id="Page_344">[344]</a></span>
+veel toe, om die rigting bij de Friesche predikanten te
+doen aannemen, waartoe de invoering van den Heidelbergschen
+Catechismus tevens een gereed hulpmiddel aanbood.</p>
+
+<p>Uit de kerkordening der Dordsche Synode van 1578
+en uit de merkwaardige twistreden, in 1596 te <i>Leeuwarden</i>
+door den Hervormden predikant <span class="smcap">ruardus acronius</span>
+en den Doopsgezinden leeraar <span class="smcap">peter van ceulen</span> in
+156 zittingen gehouden, blijkt echter, dat er in de toenmalige
+leerstukken der Hervormden nog sporen der vroeger
+genoemde Nederlandsche beginselen waren overgebleven.
+Doch ook deze moesten verdrongen worden. Daartoe
+werd vooral de eerste Hoogeschool des lands dienstbaar
+gemaakt: want van de <i>achttien</i> hoogleeraren in de godgeleerdheid,
+welke aan de Leidsche Akademie van 1576
+tot 1618 beroepen werden, waren <i>veertien</i> vreemdelingen,
+die de leer van <span class="smcap">kalvijn</span> omtrent de Drie&euml;enheid,
+V&oacute;&oacute;rverordinering, Gods vrijmagtige genade, Voldoening,
+Erfzonde en andere verborgenheden of met het evangelie
+strijdige leerstukken met ijver voorstonden en &raquo;de dorre
+stelselzucht en spitsvindige haarkloverij hare hoogte
+deden bereiken.&#8221; In twee der vier overige Hoogleeraren,
+in <span class="smcap">arminius</span> en <span class="smcap">episcopius</span>, vonden zij bestrijders: deze
+waren de laatste verdedigers van de oorspronkelijke Nederlandsche
+beginselen, welke men trachtte te verdringen.
+Tot welk een hevigen strijd dit aanleiding gaf; met welk
+eene bitterheid Remonstranten en Contra-Remonstranten
+elkander jaren lang bestreden, en hoe de Dordsche Synode
+van 1618 en 19, door het Staatsgezag ondersteund,
+daaraan een einde maakte, door de eersten als gedaagden
+te veroordeelen en het vaderland uit te drijven, om de
+zegepraal van de laatste partij te bevorderen&mdash;wien is
+dit bedroevende blad onzer geschiedenis onbekend? En
+wie heeft het niet betreurd, dat de hoogste en heiligste
+belangen des volks, vrijheid van godsdienst en geweten,<span class='pagenum'><a name="Page_345" id="Page_345">[345]</a></span>
+waarvoor men zoo lang tegen <i>Rome</i> en <i>Spanje</i> had gestreden,
+nu werden aangerand door eene Synode, welke,
+met een gezag als van vroegere Concili&euml;n en Pausen,
+besliste en bepaalde, welke leerbegrippen voortaan bij
+uitsluiting in <i>Nederland</i> geduld zouden worden. Z&oacute;&oacute;
+trad men te gelijk het zevende artikel van de Nederlandsche
+geloofsbelijdenis met voeten. De godgeleerdheid leidde
+der godsvrucht onverbreekbare banden aan, wrong de
+menschelijke rede een breidel in den mond en verloochende
+het beginsel der liefde, dat de hoofdinhoud des evangelies
+is. Doch reeds de Heer zelf zeide: &raquo;Te vergeefs eeren zij
+mij, leerende leeringen, dat geboden van menschen zijn.&#8221;</p>
+
+<p>Van de Friezen, die anders voor &raquo;eene koene, zelfstandige
+en voor zich zelve denkende natie&#8221; werden
+gehouden, had men mogen verwachten, dat zij dit juk
+van kerkelijke heerschappij zich even fier van de schouders
+geweerd zouden hebben ten aanzien der <i>leer</i>, als
+zij zich krachtig verzetten tegen de <i>kerkenorde</i>, bij
+post-acta door de Synode vastgesteld. Hoewel de steden
+deze aannamen, werd ze door de Staten der landkwartieren
+strengelijk verboden en de oude wijze van kerkbestuur
+en beroeping van predikanten gehandhaafd<a name="FNanchor_289"
+id="FNanchor_289"></a><a href="#Footnote_289" class="fnanchor">[289]</a>.</p>
+
+<p>Doch er was een man in <i>Friesland</i> en wel predikant
+te <i>Leeuwarden</i>, <span class="smcap">johannes bogerman</span>, een Oostfries van
+geboorte, die zich reeds sedert jaren had onderscheiden
+door geleerdheid en ijver voor de leerstellingen van<span class='pagenum'><a name="Page_346" id="Page_346">[346]</a></span>
+<span class="smcap">kalvijn</span>, en die nu vooral zijn invloed deed gelden. Met
+nog twee predikanten en drie ouderlingen, benevens twee
+door de Staten verkozene commissarissen namens <i>Friesland</i>
+ter Synode afgevaardigd, werd hij spoedig tot Voorzitter
+gekozen. Hoe bekwaam hij ook ware, zijn gedrag
+in die betrekking, zijne onverdraagzaamheid en hevigheid,
+zijne heerschzucht en bitterheid, vooral bij de wegzending
+van de miskende Remonstranten, zijn algemeen,
+ook door de leden der Synode, afgekeurd. Wel had
+<i>Friesland</i>, ook door zucht naar vaste beginselen gedreven,
+de Synode gewenscht en bevorderd; doch men was
+hier te weinig met de Remonstranten in aanraking geweest
+en had tot dusverre mildere beginselen jegens
+andersdenkenden betoond, dan dat men zulk eene harde
+behandeling kon goedkeuren. Vermits men oordeelde,
+dat <span class="smcap">bogerman</span> zijn last en gezag blijkbaar was te buiten
+gegaan, waren de Staten en de Synode hier geweldig tegen
+hem ingenomen en z&oacute;&oacute; verontwaardigd over zijn gedrag,
+dat men hem in staat van beschuldiging gesteld- en
+zelfs gebannen wilde hebben<a name="FNanchor_290" id="FNanchor_290"></a><a
+href="#Footnote_290" class="fnanchor">[290]</a>.</p>
+
+<p>Niettemin werden de leerstellingen of canones der
+Dordsche Synode in <i>Friesland</i> algemeen ingevoerd, en
+een formulier van aanneming door de predikanten onderteekend.
+Slechts twee predikanten van <i>Dokkum</i>, <span class="smcap">haio
+lamberti</span> en <span class="smcap">petrus hermanni</span>, leverden daartegen enkel
+bezwaren in, en werden d&aacute;&aacute;rom afgezet. Doch de onbillijke
+behandeling hen aangedaan, bij het gunstig getuigenis
+van den Magistraat en Kerkeraad van <i>Dokkum</i>
+omtrent hunne leer en wandel, bezorgde hen verscheidene
+aanhangers, die zich van de Gereformeerde Kerk<span class='pagenum'><a name="Page_347" id="Page_347">[347]</a></span>
+afscheidden en in die stad eene Remonstrantsche Gemeente
+vestigden. Hoe zeer ook gesmaad, verstoord, verdreven en
+vervolgd, en bij een scherp plakkaat verboden, mogten
+die Remonstranten zich daar lang staande houden, en ook
+den edelen balling <span class="smcap">dirk rafels kamphuyzen</span> eene schuilplaats
+aanbieden na zoo lange vervolging, welke hem hier,
+niet dan op voorspraak, een kort verblijf gunde, daar hij
+weldra, na het voltooijen van zijne schoone <i>Stichtelijke Rijmen</i>
+en <i>Uitbreiding van de Psalmen</i>, overleed (1626)<a name="FNanchor_291"
+id="FNanchor_291"></a><a href="#Footnote_291" class="fnanchor">[291]</a>.</p>
+
+<p>&raquo;Dat de Hervormde Kerk, zoo pas in het leven getreden,
+het beginsel, waaraan zij haar ontstaan te danken
+had, dadelijk we&ecirc;r zou verlaten, en zelve de gruwelen
+zou navolgen, die zij in Rome&#8217;s dwangmiddelen verfoeide;&mdash;dat
+zij voor het Evangelische het Dogmatische
+beginsel verwisselen, en voor het vrije onderzoek en
+de vrije belijdenis der waarheid gehoorzaamheid aan de
+leer der Kerke opleggen zou, en dat zij het beginsel van
+voortdurende hervorming zou laten varen voor het gevoelen,
+dat de Hervormde Kerk in leerstellingen en eeredienst
+volmaakt, en dus de alleen ware Kerk was, buiten
+welke geene zaligheid was te vinden,&#8221;&mdash;wie had dit
+kunnen verwachten van eene Nederlandsche Kerk, in haren
+oorsprong op zulke echt Christelijke beginselen gebouwd?
+&raquo;Het moge vreemd schijnen; het is toch niet anders,
+zoo als uit de geschiedenis blijkt.</p>
+
+<p>&raquo;Het gevolg daarvan was, dat leerstellingen de plaats
+van het Evangelie innamen; dat het Dogmatismus (de
+stelselzucht) in de Kerk en in de Godgeleerdheid we&ecirc;r
+begon te heerschen; dat het Scholasticisme der Middeneeuwen
+we&ecirc;r in het leven geroepen werd en zich<span class='pagenum'><a name="Page_348" id="Page_348">[348]</a></span>
+van de scholen der Godgeleerden meester maakte, en
+dat jagt op ketterij, helaas! ook in de Hervormde
+Kerk begon gedreven te worden. Zoo openbaarden
+zich de overblijfsels van den alouden Roomschen zuurdeesem
+in hunne volle gisting en kracht! Van de Kerkleer
+af te wijken, was gevaarlijker en werd strenger
+gestraft, dan afwijking van het Evangelie van <span class="smcap">christus</span>.
+Deze Kerkleer naauwkeurig te ontwikkelen, haar-fijn
+uit te pluizen, scherpzinnig tegen andersdenkenden te
+verdedigen en met bewijzen, voetstoots en vaak op den
+klank der woorden af, uit den Bijbel ontleend, te staven,
+ziedaar, wat de Godgeleerdheid en hare studie
+uitmaakte. Men streed en kampte voor begrippen,
+alsof de zaligheid er in gelegen ware. Vooral het leerstuk
+der Voorverordinering, niet zonder reden het <i>dogma
+tremendum</i> genoemd, het <i>leerstuk waarvoor men beeft</i>,
+heeft eene troebele en onuitputtelijke bron geopend van
+twist en tweedragt, van onrust en wanhoop; want het
+zette de vrijheid en dus ook de verantwoordelijkheid
+des menschen ter zijde, en berustte op eene onwaarachtige,
+zelfs vreeselijke voorstelling van God, en tastte
+alzoo de deugd, de zedelijkheid en het waarachtig
+Christelijk leven in het hart aan&#8221;<a name="FNanchor_292"
+id="FNanchor_292"></a><a href="#Footnote_292" class="fnanchor">[292]</a>.</p>
+
+<p>Ziedaar eene schildering van den veranderden toestand
+der Kerk ten gevolge der Dordsche Synode, die een
+bedroevenden <span class="gesp">teruggang</span> in het kerkelijk en geestelijk
+leven veroorzaakte, dewijl zij bij den een een blind formulier-geloof
+en bij den ander de zaden van dweepzucht
+en verbittering jegens andersdenkenden aankweekte.
+Eenheid van geloofsbegrip mogt wenschelijk zijn, als men<span class='pagenum'><a name="Page_349" id="Page_349">[349]</a></span>
+elkanders opvattingen van het Evangelie in de zelfde Kerk
+niet broederlijk kon verdragen&mdash;wreede uitsluiting en
+verbanning uit den lande bij verschil van gevoelen over
+het inzigt van de waarheid was onchristelijk; terwijl
+men, ook bij het bezit van die eenheid, voortging
+met twisten en haarkloven, en zich verre van vrede- en
+liefdegezind betoonde. Hoe vele honderden twistschriften
+uit de beide vorige eeuwen bewijzen dit niet! En in
+hoe weinige stichtelijke boeken van dien tijd, die door
+het volk zoo v&eacute;&eacute;l werden gelezen, is gezond verstand
+en goeden smaak, zelfs in de titels en opschriften, te
+vinden<a name="FNanchor_293" id="FNanchor_293"></a><a href="#Footnote_293"
+class="fnanchor">[293]</a>! Waarlijk, wij kunnen ons niet genoeg over
+dien teruggang in de godsdienst verbazen, als wij daarbij
+den gelijktijdigen grooten vooruitgang van wetenschappen
+en kunsten, in het bloeijendste tijdperk der Nederlandsche
+letterkunde, vergelijken. Doch &#8217;t was toen een even
+vreemd verschijnsel als hetgeen wij thans, in het midden
+der 19<sup>e</sup> eeuw, moeten beleven, dat deze zelfde leerstellige
+denkbeelden, welke men meende dat reeds lang voor
+het licht van godsdienstige en letterkundige beschaving
+geweken waren, op nieuw bij velen bijval vinden en
+verkondigd en verspreid worden. Doch de geschiedenis
+heeft reeds geoordeeld, en aangetoond, hoe, onder de
+leiding Gods, de dwaasheden der menschen en alle pogingen
+tot terugwerking moeten dienen, om het rijk van
+waarheid, verlichting en deugd eens des te grootere zege
+te doen behalen tot Zijne eer.</p>
+
+<p><span class='pagenum'><a name="Page_350" id="Page_350">[350]</a></span>Die nieuwe rigting der Kerk was te meer bedroevend,
+omdat zij der godsdienst hare kracht en invloed benam
+op de zeden en op de zedelijke vorming en verstandelijke
+beschaving des volks. Het denkbeeld, dat God een
+Vader is, die al zijne kinderen in Christus door liefde
+tot gehoorzaamheid aan Zijn wil, en door reinheid van
+gemoed en wandel tot Zich wil trekken, ging toch verloren
+in de voorstelling van een trotschen Monarch, die
+zijne afgevallene onderdanen naar loutere willekeur verstoot
+of bevoorregt; eene leer, die den mensch evenzeer
+van God en zijn pligt moet verwijderen, als de eerste
+hem bestendig tot toenadering en vereeniging met den
+Vader noopt. Want onze gelijkvormigheid aan God en
+verhevenheid boven de gansche dierlijke schepping, een
+der sterkste beweeggronden, om uit Christelijke beginselen
+goddelijk te handelen met de gaven door den Heer ons
+verleend, werd miskend en als een dwaalleer ten toon
+gesteld en verbannen.</p>
+
+<p>Is het dus vreemd, dat wij in zoo vele godgeleerde
+schriften van dien tijd de ijsselijkste schilderingen aantreffen
+van het zedebederf, ja van den zedeloozen toestand
+der natie?<a name="FNanchor_294" id="FNanchor_294"></a><a
+href="#Footnote_294" class="fnanchor">[294]</a> Dat buitengewone rampen immer werden
+gehouden voor straffen des hemels, wegens de boosheden
+des volks? Dat ook anderen vele klagten aanhieven
+over de maatschappelijke gebreken en heerschende
+ondeugden? Leveren de plakkaatboeken van &#8217;s lands
+regering niet de bewijzen, hoe treurig het toenmaals
+gesteld was met de openbare veiligheid, en van de verregaande
+kwaadwilligheid, boosheid en ruwheid van zeden,
+welke men te vergeefs door ordonnanti&euml;n en verbodsbepalingen
+trachtte te bedwingen of te doen afnemen?<a name="FNanchor_295"
+id="FNanchor_295"></a><a href="#Footnote_295" class="fnanchor">[295]</a>.
+En de meeste dezer plakkaten werden uitgevaardigd<span class='pagenum'><a name="Page_351" id="Page_351">[351]</a></span>
+op klagten van de Synode of van de predikanten, die
+wel konden klagen en aanwijzen, doch die z&oacute;&oacute; weinig
+deden voor de godsdienstige opleiding en vorming van
+hunne gemeente-leden, dat zij op de dorpen slechts eenmaal
+op den dag des Heeren predikten en geheel geene
+catechisati&euml;n hielden, zoodat het kerkelijk godsdienstig
+onderwijs van de jeugd, waarin de kracht, het heil en
+de hoop der gemeenten is gelegen, jammerlijk verwaarloosd
+werd<a name="FNanchor_296" id="FNanchor_296"></a><a
+href="#Footnote_296" class="fnanchor">[296]</a>. Vandaar ook die vijandschap, haat en
+vervolging, waarmede velen den beroemden <span class="smcap">balthasar
+bekker</span> bejegenden, toen deze, als predikant te <i>Oosterlittens</i>,
+omstreeks 1662 begon, des Zondags ook &#8217;s namiddags
+te prediken en cathechisati&euml;n te houden, waartoe
+hij weldra onderscheidene leerboekjes trachtte uit te geven.
+De smaad en veelvuldige onaangenaamheden dezen verlichten
+en edelen man daarover en over zijne wijsgeerige
+denkbeelden in <i>Friesland</i> aangedaan, waren evenzeer
+een bewijs van den bekrompenen en onverdraagzamen geest
+zijner tijdgenooten, als het besluit der Staten van 1682,
+om het &raquo;inkruipen van schadelijke nieuwigheden, libertinisterij
+en ketterij&#8221; te weren en de verdeeldheden
+onder de godgeleerden te bedwingen door het verbod,
+om in eenerlei opzigt af te wijken van de formulieren van
+eenigheid en den Heidelbergschen Catechismus<a name="FNanchor_297"
+id="FNanchor_297"></a><a href="#Footnote_297" class="fnanchor">[297]</a>. Z&oacute;&oacute;
+betoonde men zich steeds afkeerig van eenige verandering,
+uitbreiding of verheldering van de geloofsbegrippen, welke
+zich immer in den zelfden beperkten kring moesten blijven
+bewegen. Doch <span class="smcap">bekker</span>, hoe z&eacute;&eacute;r den vrede beminnende,
+bleef voor de waarheid, naar zijne opvatting, ijveren.
+In 1679 te <i>Amsterdam</i> beroepen, mogt hij van zijne wakkere
+poging, om het volksgeloof omtrent de kometen, als
+voorboden van rampen en oordeelen, te bestrijden (1683),<span class='pagenum'><a name="Page_352" id="Page_352">[352]</a></span>
+evenveel eer en eene roemrijke overwinning op de heerschende
+dwaalbegrippen behalen, als toen hij in 1691
+door zijn beroemd boek, <i>de Betoverde Weereld</i> (in
+bijna alle talen van <i>Europa</i> overgebragt), het gezag van den
+vorst der duisternis aanviel, het mensch-onteerend bijgeloof
+aan duivelarij en tooverij in den hartader aantastte,
+en veler oogen voor het licht der waarheid opende,
+in weerwil der hevige vervolgingen en beroeringen door
+een aantal predikanten tegen hem verwekt. Nooit echter
+zal het nageslacht ophouden, hem, tegenover zijne eeuw,
+als een held te vereeren en wegens zijne deugden en
+verdiensten als een weldoener te zegenen<a name="FNanchor_298"
+id="FNanchor_298"></a><a href="#Footnote_298" class="fnanchor">[298]</a>.</p>
+
+<hr class="c05" />
+
+<p>Dan het was &raquo;de mode van dien tijt, dat de een den
+ander om het minste verschil in gedachten, al was
+&#8217;t van saacken, die self de Godgeleertheyt niet en raackten,
+voor een ketter afmaalde, en om de rolle ten
+vollen uyt te spelen, aanklaagde aan <i>Classen</i>, <i>Synoden</i>,
+en <i>Politijke</i> vergaderingen, daarse meenden, dat haare
+autoriteyt iets soude konnen gelden&#8221;<a name="FNanchor_299"
+id="FNanchor_299"></a><a href="#Footnote_299" class="fnanchor">[299]</a>. Vandaar,
+dat de geestelijkheid bestendig veel beweging maakte
+door haren onverdraagzamen ijver tegen de bij oogluiking
+gedulde vergaderingen van de Doopsgezinden, Lutherschen
+en Roomschen, ja zelfs tegen de vestiging eener Waalsche
+Gemeente te <i>Leeuwarden</i> (1657), en daarna niet minder
+tegen de dweepende sekte der Labadisten, die zich in
+1675, na den dood van <span class="smcap">jean de labadie</span>, met den leeraar
+<span class="smcap">yvon</span> aan het hoofd, op <i>Thetinga-state</i> te
+<i>Wieuwerd</i><span class='pagenum'><a name="Page_353" id="Page_353">[353]</a></span>
+vestigde en hare gemeenschap d&aacute;&aacute;r ongeveer vijftig
+jaren lang wist staande te houden. Op hare vroegere
+omzwervingen zoowel als hier sloten verschillende aanzienlijke
+en geleerde personen, waaronder de beroemde
+<span class="smcap">anna maria van schurman</span>, de Jonkvrouwen <span class="smcap">van sommelsdijk</span>,
+de verloskundige <span class="smcap">hendrik van deventer</span> enz. zich bij
+deze sekte aan, ten einde, afgescheiden van de bedorvene
+wereld, te voldoen aan hunne behoefte, om bij de leer
+een christelijk leven te voegen<a name="FNanchor_300" id="FNanchor_300"></a><a
+href="#Footnote_300" class="fnanchor">[300]</a>. Hare denkbeelden
+hadden zelfs invloed op vele hervormden, waaronder vooral
+<span class="smcap">wilhelmus</span> &agrave; <span class="smcap">brakel</span>, die, in zijne zoo veel gelezene <i>Redelijke
+Godsdienst</i>, aandrong op meer gemoedelijke godsvrucht;
+ofschoon dat opgewekt godsdienstig leven, verkeerd gerigt,
+bij velen leidde tot dweeperij, welke hier steeds
+een vruchtbaren akker vond.</p>
+
+<p>Nog meer werd de Kerk verontrust, toen de resultaten
+van de ijverig beoefende wetenschap van lieverlede in
+het leven traden en sommige leerstukken aan het wankelen
+schenen te brengen. De stellingen der wijsbegeerte
+van <span class="smcap">des cartes</span> en de nieuwe denkbeelden van den geleerden
+<span class="smcap">coccejus</span>, eerst hoogleeraar te <i>Franeker</i> en daarna
+te <i>Leiden</i>, vonden bijval en werden aan Frieslands Hoogeschool
+door mannen als <span class="smcap">joannes van der waeyen</span>,
+<span class="smcap">campegius vitringa</span> en <span class="smcap">herm. alex. ro&euml;ll</span> beschermd en
+verdedigd. Dewijl deze hunne leer niet wilden onderwerpen
+aan het oordeel of de veroordeeling der kerkelijken,
+die zich daartegen hevig verzetten, waren bittere twisten
+daarvan het gevolg. De meer verlichte denkbeelden van
+<span class="smcap">david flud van giffen</span>, predikant te <i>Nieuw-Brongerga</i>,
+vonden nogtans bij het Stadhouderlijk gezin op het <i>Oranjewoud</i>
+bescherming; terwijl Gedeputeerde Staten dikwijls<span class='pagenum'><a name="Page_354" id="Page_354">[354]</a></span>
+hun gezag gebruikten, om de vervolgingen te staken en
+der Synode het zwijgen op te leggen. De aanhangers
+van <span class="smcap">voetius</span> en andere voorvechters van de oude waarheid
+hielden echter vol, het regt der kerk te doen gelden,
+zoodat eerlang eene scheuring in twee partijen, <i>Coccejanen</i>
+en <i>Voetianen</i> genoemd, onvermijdelijk was. Ondanks
+dien tegenstand was er vooruitgang, en bragten
+die twisten veel toe, om de bestredene godgeleerde
+stellingen naauwkeuriger te onderzoeken, en de grondslagen
+te leggen tot meer evangelische kennis en verlichte
+denkbeelden. Doch lang zou het duren, eer men zich
+aan het eens opgelegde juk zou kunnen ontworstelen.</p>
+
+<hr class="c05" />
+
+<p>Ja, nog langer dan honderd jaren zou het duren, eer
+de stralen van een beter licht konden doorbreken. Z&oacute;&oacute;
+vast en sterk waren eens de kluisters van den vrijen
+geest gesmeed, dat wij in bijna de gansche 18<sup>e</sup> eeuw de
+Hervormde Kerk in den zelfden gebonden toestand zien
+verkeeren van slaafsche onderwerping aan de Dordsche
+leer en gehechtheid aan de formulieren van eenigheid,
+wier gezag in 1729, na hevige oneenigheden, nog meer
+verbindend werd gemaakt. Zulke oneenigheden en onbeduidende
+twisten over allerlei nietigheden maakten in
+de hoofdzaak de geschiedenis uit der Kerk in deze eeuw;
+met deze uitzondering: dat zij zich ook vergreep aan de
+geloofsbegrippen van eene andere, door de Staatsmagt
+toegelatene, kerkgemeenschap. Sedert de Doopsgezinden
+in 1672 vrijheid van godsdienstoefening hadden bekomen,
+werden zij als stille burgers ongemoeid gelaten. Doch
+in 1722 werd hunne vrijheid van geloofsbegrippen door
+de Hervormde Synode, uit vrees dat zij Sociniaansche
+stellingen zouden voorstaan, aangerand, door hunne 150
+leeraars te dwingen tot onderteekening van eene verklaring
+omtrent de Drie&euml;enheid, een leerstuk, niet door den<span class='pagenum'><a name="Page_355" id="Page_355">[355]</a></span>
+Heer verkondigd, maar door Godgeleerden ontworpen.
+Gelukkig, dat hunne verdediging door Gedeputeerde Staten
+aangenomen- en de inquisitie der Synode toen tegengegaan
+werd. Zulk eene poging, om heerschappij te voeren over
+het geloof van anderen, werd in 1738 herhaald, en had
+de afzetting van twee Doopsgezinde leeraren van <i>de
+Knijpe</i> en <i>Heerenveen</i> ten gevolge. Nog meer gerucht
+maakte kort daarop de klagt der kerkelijken, dat in de
+leerredenen van <span class="smcap">joannes stinstra</span>, Doopsgezind leeraar
+te <i>Harlingen</i>, over de natuur en gesteldheid van Christus
+Koningrijk, Sociniaansche gevoelens zouden verkondigd zijn.
+Alle Hervormde classen in <i>Friesland</i> en alle theologische
+faculteiten in <i>Nederland</i> werden door Gedeputeerde
+Staten uitgenoodigd dit boek te beoordeelen. Natuurlijk
+was aller oordeel in den geest der beschuldiging. Slechts
+&eacute;&eacute;n man had den moed zich tegen de meening van die
+allen te verzetten, en aan te toonen, dat die beschuldiging
+ongegrond was. Het was de groote <span class="smcap">herman venema</span>,
+hoogleeraar in de godgeleerdheid te <i>Franeker</i>, die, op het
+voetspoor der verlichte <span class="smcap">vitringa&#8217;s</span>, vader en zoon, eene
+verbeterde predikwijze had voorgesteld; die vrije en heldere
+begrippen omtrent de godsdienst verkondigde, en
+die gedurende de vier-en-zestig jaren, dat hij een sieraad
+was van Frieslands Hoogeschool, bovendien door zijne
+geleerdheid, christelijke braafheid en verdraagzaamheid
+z&oacute;&oacute; hoog geacht was, dat zelfs zijne tegenstanders hem niet
+durfden aanranden. Hoe gematigd en verstandig dat
+advies van <span class="smcap">venema</span> ook ware, hij all&eacute;&eacute;n was niet tegen
+de bevooroordeelde en twistzieke geestelijkheid bestand:&mdash;<span class="smcap">stinstra</span>
+werd van het leeraarambt ontzet en eerst 15
+jaren later hersteld. Doch de smet door dit gedrag
+op de Hervormde Kerk geworpen, ook door vele tijdgenooten
+veroordeeld, werd alleen opgewogen door de
+moedige en edele poging van <span class="smcap">venema</span>, die,
+door den<span class='pagenum'><a name="Page_356" id="Page_356">[356]</a></span>
+tijd tevens geregtvaardigd, gelukkig tegen dreigende vervolgingen
+bescherming en steun vond in den voortreffelijken
+Prins <span class="smcap">willem</span> IV en diens verlichten vriend <span class="smcap">epo sjuck
+van burmania</span>. Deze edelman, lang lid van Gedeputeerde
+Staten, had later zelfs den moed <span class="smcap">venema</span> openlijk te prijzen,
+doch tevens te voorspellen, dat zijne verlichte gevoelens
+weinig ingang zouden vinden bij zijne tijdgenooten:
+&raquo;want,&#8221; zeide hij, &raquo;de tijd is &#8217;er niet na geschikt, om
+de Menschen de oude wijfs grollen uit het hoofd te
+praaten. Gij hoopt doch vrucht&#8217;loos, dat de Rede
+eens zal verwinnen.&#8221;<a name="FNanchor_301" id="FNanchor_301"></a><a href="#Footnote_301" class="fnanchor">[301]</a></p>
+
+<p>Niettegenstaande de heerschappij en de verdeeldheden
+der godgeleerden nog lang bleven voortduren en de gehechtheid
+aan de kerkelijke leerstellingen onveranderlijk
+scheen te zijn, zou de tijd toch eenmaal aanbreken,
+dat die leerbegrippen verdrongen zouden worden en vervangen
+door christelijke denkbeelden en evangelische
+gezindheden. Het heerschzuchtig gedrag van den Leeuwarder
+predikant <span class="smcap">blom</span> jegens den Magistraat dier stad in
+1763 en de hooggaande twisten daaruit, gelijk twee<span class='pagenum'><a name="Page_357" id="Page_357">[357]</a></span>
+jaren later uit het houden van eene leerrede over de
+Christelijke Liefde door <span class="smcap">g. t. de cock</span> verwekt, welke
+door het staatsgezag werden ge&euml;indigd, terwijl gelijktijdig
+<span class="smcap">voltaire&#8217;s</span> verhandeling over de Verdraagzaamheid, te
+<i>Leeuwarden</i> vertaald en gedrukt, werd verboden,&mdash;ziedaar
+de laatste sporen van den geest van heerschzucht
+en tegenwerking, die de Kerk zoo lang hadden
+beroerd. Ook daaruit bleek het, dat er een nieuw
+licht aan het dagen was, hetwelk vele gemeente-leden
+welgevallig tegenblonk. De geest der lessen van den,
+zoo ongemeen lang gespaarden, <span class="smcap">venema</span>, die, boven vooroordeelen
+verheven, meer heldere begrippen verspreidde
+en zijne leerlingen bovenal tot liefde, vrede en verdraagzaamheid
+aanspoorde, begon van lieverlede de Kerk
+te vervullen en voor de toekomst betere vruchten te beloven.</p>
+
+<p>Terwijl de zucht naar vooruitgang dus merkbaar was,
+had zij bij velen een nadeelig gevolg. Men was afkeerig
+geworden van eene leer, in vormen en wetten gekluisterd,
+die den geest met een last van grondstellingen had bezwaard;
+en terwijl men dus de kerkelijke leerbegrippen
+verzaakte, verwierpen velen met-een de grondslagen der
+heilige leer van Christus. Vandaar, dat &raquo;in het eind
+der vorige eeuw onder de beschaafde klassen der maatschappij
+de verachting van de godsdienst heerschend
+was geworden. De geest, geheel met de belangen des
+tijds vervuld, vroeg niet meer naar het eeuwige. Slechts
+bij weinigen, wien het vergankelijke niet kon voldoen,
+bleef de zucht naar iets hoogers bestaan&#8221;<a name="FNanchor_302"
+id="FNanchor_302"></a><a href="#Footnote_302" class="fnanchor">[302]</a>. Ondanks
+de regtzinnigheid al hare krachten inspande, om het oude
+te behouden; in weerwil eene dweepzieke menigte zich
+tegen elke verandering aankantte, waren er van zulk
+eene geestrigting ook in <i>Friesland</i> vele sporen, nadat<span class='pagenum'><a name="Page_358" id="Page_358">[358]</a></span>
+de langdurige vrede en welvaart een buitengewonen voorspoed
+gekweekt en een geest van overmoed, vrijheid en
+onafhankelijkheid ontwikkeld hadden, welke sedert 1780
+in staatkundige beroeringen aan den dag gelegd werden.
+Ook de predikanten trokken partij, namen deel aan den
+wapenhandel en ondersteunden vooral de partij, welke
+tegen den Stadhouder was gezind, waarom verscheidene
+hunner in 1787, bij het herstel van het Stadhouderlijk
+gezag, werden afgezet. Eene groote verandering, in den loop
+der tijden voorbereid, was echter noodzakelijk geworden.</p>
+
+<p>En deze volgde weldra op de staats-omwenteling van
+1795. Bij de bestaande begrippen van vrijheid, gelijkheid
+en broederschap was het natuurlijk, dat de staatsmagt nu
+&raquo;een iegelijk onbelemmerde Vrijheid van geweten, en de
+ongestoorde uitoefening van zijne Godsdienst plegtig verzekerde&#8221;<a
+name="FNanchor_303" id="FNanchor_303"></a><a href="#Footnote_303" class="fnanchor">[303]</a>.
+De Hervormde Kerk verloor daarbij het voorregt,
+dat zij meer dan twee eeuwen had bezeten, om de
+heerschende Kerk of de Kerk van den Staat te zijn, en
+daarmede viel ook de laatste steun der scholastieke godgeleerdheid
+en der kerkelijke regtzinnigheid. Inzonderheid
+werd dat voorregt geheel opgeheven bij de scheiding van
+Kerk en Staat, welke in 1796 hierop volgde. Eerst bij de
+Staatsregeling van 1 Mei 1798 werden daaromtrent bepalingen
+voorgeschreven; terwijl bij besluit van de Synodale
+vergadering te <i>Heerenveen</i>, in 1804 gehouden, een nieuw
+Wetboek en Kerkenorde voor <i>Friesland</i> werd ingevoerd.
+Ofschoon men de leerstellingen der Dordsche Synode
+daarbij als grondslag van de leer der Kerk, althans in
+naam, bleef behouden, was daarin, gelijk sedert in de
+gansche rigting der Kerk, een gezegende vooruitgang
+tot betere denkbeelden en gezindheden te erkennen, en<span class='pagenum'><a name="Page_359" id="Page_359">[359]</a></span>
+was men vrij algemeen tot meer heldere inzigten, tot
+meer liefderijke gevoelens, tot meer christelijk leven gekomen.
+Een blijk daarvan was mede de invoering van
+de Evangelische Gezangen in 1805, welke, even als de
+in 1773 ingevoerde verbeterde Psalmberijming, zoo veel
+bijdroegen, om de stichting bij de godsdienst-oefeningen
+te verhoogen en godsdienstige gevoelens aan te kweeken.</p>
+
+<p>Intusschen waren er elders Genootschappen opgerigt,
+die belijders van verschillende gezindten tot &eacute;&eacute;n christelijk
+doel vereenigden, en welke ook hier een weldadigen
+invloed uitoefenden. Er waren in de Kerk mannen
+opgestaan, als: <span class="smcap">hinlopen</span>, <span class="smcap">kist</span>,
+<span class="smcap">clarisse</span>, <span class="smcap">stuart</span>, <span class="smcap">van
+der roest</span>, <span class="smcap">egeling</span> en anderen elders, gelijk <span class="smcap">liefsting</span>,
+<span class="smcap">brink</span>, <span class="smcap">brouwer</span>,
+<span class="smcap">nieuwold</span>, <span class="smcap">bruining</span> enz. in <i>Friesland</i>,
+die door prediking en schriften een evangelischen geest
+onder het volk bragten; terwijl in de scholen der
+Godgeleerdheid <span class="smcap">van voorst</span>, <span class="smcap">tinga</span>,
+<span class="smcap">greve</span> en <span class="smcap">regenbogen</span>
+te <i>Franeker</i>, gelijk elders <span class="smcap">van hamelsveld</span>, <span class="smcap">muntinghe</span>,
+<span class="smcap">van der palm</span>, <span class="smcap">an. ypeij</span>,
+<span class="smcap">heringa</span>, <span class="smcap">suringar</span> en <span class="smcap">borger</span>,
+waarvan de vier laatste Friezen waren, door hun onderwijs
+en schriften alle geloofs- en zedeleer tot het
+evangelie terugbragten, de leerstellingen aan Gods woord
+leerden toetsen, nuttelooze twisten vermeden, eene gezonde
+uitlegkunde deden veldwinnen en uit wijsbegeerte
+en geschiedenis licht aanbragten voor het Christendom.
+In dit gewest heeft vooral de <i>Christelijke Godgeleerdheid</i>
+van den Franeker Hoogleeraar <span class="smcap">j. h. regenbogen</span> (1810)
+veler oogen geopend voor het licht der waarheid, in
+verband met het gezag der rede. Z&oacute;&oacute; werd de Hervormde
+Kerk, terwijl het vaderland gelouterd werd door staatkundige
+verdrukking, op nieuw tot een Evangelisch-Hervormde
+Kerk hervormd; en, nadat in 1816 de band der formulieren
+van eenigheid voorzigtig was losgemaakt, mogt men in
+1817 ook in <i>Friesland</i> het Derde Eeuwfeest der Kerkhervorming<span class='pagenum'><a name="Page_360" id="Page_360">[360]</a></span>
+bij alle Protestantsche Gemeenten onderling en met
+eene broederlijke liefde en eensgezindheid vieren, welke
+de kroon zette op de overwinning, welke de tijdgeest,
+of liever Gods vaderlijke besturing, op de bekrompenheid
+van het voorgeslacht had behaald, in terugkeering tot de
+genoemde drie oorspronkelijke beginselen van de Nederlandsche
+Hervormde Kerk. Z&oacute;&oacute; mogten rede, gezond
+verstand en godsdienstzin zegevieren op het kerkelijk
+leerbegrip.</p>
+
+<p>Hoe verblijdend dit verschijnsel, hoe weldadig het licht
+zij, dat thans bijna algemeen ten aanzien der christelijke
+waarheid en geloofsleer is ontstoken&mdash;voor allen is er
+eene hooge roeping aan verbonden, om, voorgelicht door
+de verhevenste zedeleer, thans als kinderen des lichts te
+wandelen, en om door toeneming in gemoedelijke godsvrucht
+en christelijke deugd en door beleving van het
+geloof te toonen, dat de beschaving, ontwikkeling en
+veredeling van het menschelijk geslacht de vrucht en het
+doel is der gezegende godsdienst van Christus.</p>
+
+
+<h4><i>De Doopsgezinden.</i></h4>
+
+<p>V&oacute;&oacute;r de omwenteling van 1580 hadden de Hervormden
+en Doopsgezinden gemeenschappelijk geijverd tegen de
+onderdrukking van <i>Spanje</i> en v&oacute;&oacute;r vrijheid van geloof
+en geweten. Na die omwenteling en de zegepraal der
+hervorming hadden beide gezindten zeker gelijke aanspraak
+op het genot van deze vrijheid en de bescherming
+van het Staatsgezag; te meer, daar de Doopsgezinden
+toen ongeveer een vierde gedeelte der bevolking
+van <i>Friesland</i> uitmaakten, en, zonder aanspraak te
+maken op de kerken en derzelver bezittingen, toelieten,
+dat de Hervormden daarvan bezit namen. En evenwel,
+hoe gunstig Prins <span class="smcap">willem</span> <i>van Oranje</i> ook jegens
+de Doopsgezinden in het algemeen gezind was, werd<span class='pagenum'><a name="Page_361" id="Page_361">[361]</a></span>
+bij zijne provisioneele Ordonnantie op het stuk van
+justitie, politie, kerk en krijgshandeling, in 1581 te
+<i>Harlingen</i> uitgevaardigd, bepaald, dat geene andere
+dan de Gereformeerde religie in deze provincie zou mogen
+worden uitgeoefend<a name="FNanchor_304" id="FNanchor_304"></a><a href="#Footnote_304" class="fnanchor">[304]</a>.</p>
+
+<p>Het moge waar zijn, dat eenheid van belijdenis of de
+erkenning van slechts &eacute;&eacute;ne Kerk als de Kerk van Staat
+in die dagen noodzakelijk kan geweest zijn,&mdash;wij moeten
+het tevens met lof en eere vermelden, dat de Friesche
+Hervormde Kerk, in de eerste achttien jaren harer vestiging,
+van dit haar uitsluitend regt een verstandig gebruik
+en geen misbruik heeft gemaakt; vermoedelijk, omdat
+zij toen nog meer doordrongen was van de oorspronkelijke
+beginselen, waarop de Nederlandsche Hervormde Kerk
+was gebouwd, en welke wij vroeger (<a href="#Page_342">bl. 342</a>) hebben
+vermeld. In weerwil der genoemde, later tot wet gewordene,
+bepaling, is er geen spoor, dat de Doopsgezinden
+in dit gewest, die afgescheiden van de wereld
+wenschten te leven, gedurende die jaren door het Staats- of
+Kerkgezag zijn gehinderd geworden in de vrije uitoefening
+van hunne, in stilte gehoudene, godsdienst-oefeningen,
+welke bij oogluiking werden geduld. Staat
+en Kerk hebben hier toen het voorbeeld gegeven van
+eene edele verdraagzaamheid, welke men later meende,
+dat geene eigenschap van dien tijd of van eene heerschende
+Kerk kon zijn. Ja, Staat en Kerk gaven nog een merkwaardig
+blijk van naijver, gelijkstelling en onpartijdigheid,
+door in 1596 toe te staan, dat er in de Galile&euml;rkerk te
+<i>Leeuwarden</i> een twistgesprek over de verschilpunten der
+leer tusschen den Hervormden predikant <span class="smcap">ruardus acronius</span>
+en den Doopsgezinden leeraar <span class="smcap">peter van ceulen</span><span
+class='pagenum'><a name="Page_362" id="Page_362">[362]</a></span>
+werd gehouden, waartoe van den 16 Augustus tot den
+17 November niet minder dan 156 zittingen gebezigd
+werden, zonder tot eenig ander doel te leiden dan tot
+de openbaarmaking van beider denkbeelden en begrippen<a name="FNanchor_305"
+id="FNanchor_305"></a><a href="#Footnote_305" class="fnanchor">[305]</a>.
+Bij die gelegenheid werd door <span class="smcap">peter van ceulen</span> dankbaar
+erkend, &raquo;dat de loffelijke Overheid hen tot nog toe
+vrijheid van religie in alle goedigheid en beleefdheid vergund
+had, gelijk zij gaarne der Overheid wilden gehoorzamen
+in hetgeen zij verstonden niet strijdig te zijn tegen
+Gods heilig woord, hopende dat God haar in dat zelfde
+voornemen zou laten.&#8221;</p>
+
+<p>Dan, wij hebben het vroeger reeds opgemerkt, dat de
+afwijking van de oorspronkelijke beginselen der Hervormde
+Kerk de oorzaak geweest is van hare latere verbastering
+en van vele rampen. Zij was mede de oorzaak, dat die
+goede geest van broederlijke verdraagzaamheid, welke haar
+tot dusverre had gekenmerkt, werd verdrongen door een
+geest van heerschzucht en bittere vervolgzucht. Sedert
+1598 werden er bij de Synode en de Besturen pogingen
+gedaan, om de Doopsgezinden het vergaderen te beletten
+en het prediken te verbieden. <span class="smcap">Geldorp</span> en <span class="smcap">bogerman</span>,
+predikanten te <i>Sneek</i>, gesterkt door de Overheid dier
+stad, verstoorden in 1600 werkelijk hunne bijeenkomsten,
+en gaven in den volgenden jare eene vertaling in het
+licht van <span class="smcap">beza&#8217;s</span> boekje <i>over het Ketterstraffen</i>, waarbij
+zij verklaarden, dat men slechts &eacute;&eacute;ne godsdienst in den
+Staat moest dulden, en dat het verschoonen van ketters
+vredehouden met den Satan was. Zulke onchristelijke,<span class='pagenum'><a name="Page_363" id="Page_363">[363]</a></span>
+ja onmenschelijke denkbeelden, welke men vroeger onder
+de Spaansche inquisitie met zoo veel regt onduldbaar had
+geoordeeld, werden aldus met de streng Kalvinistische
+gevoelens uit den vreemde ingehaald en ge&euml;nt op den
+jeugdigen, reeds zoo welig bloeijenden, boom der Nederlandsche
+vrijheid. En welke vruchten zulks droeg, dit
+bleek, helaas! eerlang op de Synode van <i>Dordrecht</i>,
+waar die zelfde <span class="smcap">bogerman</span>, als Voorzitter, die zelfde
+beginselen in het groot in toepassing bragt ten aanzien
+der Remonstranten. (Zie <a href="#Page_344">bl. 344</a> hier v&oacute;&oacute;r.)</p>
+
+<p>Gelukkig, dat <span class="smcap">bogerman</span>, die in 1608, als predikant te
+<i>Leeuwarden</i>, zoo zeer geijverd had tegen de Doopsgezinden,
+die beginselen ook niet op hen toepaste; en nog
+gelukkiger, dat juist de strijd tegen de Remonstranten
+de oorzaak werd, dat de Doopsgezinden sedert 1611
+eenige verademing genoten en geene verstoring of vervolging
+hadden te lijden. De verdeeldheid in de Hervormde
+Kerk zelve had de aandacht afgeleid van hen,
+die bovendien zich hoe langer hoe meer in de toegenegenheid
+van regenten en medeburgers vestigden door hun
+ingetogen leven en de bevordering van handel en fabrijken,
+waardoor zij in welvaart en vermogen toenamen, en als
+goede burgers van den Staat lasten en schattingen
+gewillig droegen. Zij maakten van die rust en goede
+gezindheid gebruik, door op vele plaatsen nieuwe en
+grootere vermaningen of kerken te bouwen. Wel ondervonden
+zij daarbij nu en dan tegenstand van de
+plaatselijke besturen, doch niet v&oacute;&oacute;r 1644 en bijzonder
+na 1651 wekte dit den naijver op van de Hervormde
+predikanten. Zij klaagden daarover op de Synode, en
+deze beklaagde zich bij de Staten over de &raquo;ongelimiteerde
+Mennonitische groote licentie,&#8221; welke zij ingebonden
+wilde hebben. De Staten, die in 1659 toegestaan hadden,
+dat de Doopsgezinden met de verklaring van ja en<span class='pagenum'><a name="Page_364" id="Page_364">[364]</a></span>
+neen, in plaats van een eed, zouden kunnen volstaan,
+bevolen daarop wel de Gedeputeerden in 1661, om de
+plakkaten omtrent de Wederdoopers (waarmede men nog
+altijd de rustige Doopsgezinden wilde verwarren) te vernieuwen;
+doch er is geen blijk, dat deze aan dit bevel
+hebben voldaan<a name="FNanchor_306" id="FNanchor_306"></a><a
+href="#Footnote_306" class="fnanchor">[306]</a>. Hoe zeer ook gezind om de regtzinnige
+leer der Kerk te handhaven, dachten zij gunstiger
+over zoovele vreedzame burgers, die men bij voortduring
+wel oogluikend moest dulden, ook omdat men ze niet
+verdrijven kon zonder groote schade voor het algemeen
+belang; te meer, dewijl zij zulk een aanzienlijk gedeelte
+der bevolking dezer provincie uitmaakten, daar hun aantal
+in 1666 op ongeveer 20,000 zielen geschat werd,
+welke op 72 plaatsen gemeentelijke vereenigingen hadden.</p>
+
+<p>Integendeel, Gedeputeerde Staten ontzagen zulk een
+aanzienlijk ligchaam, welks goede zeden, vlijt en eerlijkheid
+in den handel hunne achting had verworven,
+en welks verzamelden rijkdom spoedig bleek den Staat
+van groot nut te kunnen zijn. Immers, toen bij het
+uitbreken van den tweeden Engelschen oorlog, in 1665,
+de provincie tot uitrusting van oorlogsschepen en andere
+lasten groote sommen noodig had, en eene geldleening
+van 5 tonnen gouds te vergeefs beproefd werd, zochten
+zij de Doopsgezinden aan, die leening in twee termijnen
+tegen 5 ten honderd te voldoen, met aanbod, dat zij
+voor hun zelven bevrijd zouden blijven van het dragen
+van wapenen. Bereidwillig voldeden zij destijds aan dit
+verlangen, en op nieuw in 1672, toen de nood des
+vaderlands nog hooger was gestegen. Op verzoek der Staten
+schoten zij der provincie toen nog 400,000 Gld. tegen
+eene rente van 4 ten honderd voor, buiten de aanzienlijke<span class='pagenum'><a name="Page_365" id="Page_365">[365]</a></span>
+bijdragen, welke zij persoonlijk tot de verdediging
+des lands veil hadden.</p>
+
+<p>Zulke groote opofferingen bleven van de zijde der Staten
+niet onvergolden. Deze besloten den 28 Februarij 1672,
+den Doopsgezinden voortaan <i>vrijheid van religie</i> toe te
+staan, terwijl zij voor hunne personen van de algemeene
+volkswapening vrijgesteld bleven. Dit voorregt, van uitstekend
+belang, werd dankbaar door hen ontvangen, en
+was voor den vervolge van grooten invloed op hun rustig
+bestaan en verdere ontwikkeling. Ook later, in 1677,
+gaven zij nogmaals gehoor aan het verzoek der Staten
+tot het sluiten eener leening van 132,943 Gld., zoodat
+zij alsnu in twaalf jaren tijds de provincie met een kapitaal
+van 1,032,943 Gld. bijstand hadden geboden<a name="FNanchor_307"
+id="FNanchor_307"></a><a href="#Footnote_307" class="fnanchor">[307]</a>.</p>
+
+<hr class="c05" />
+
+<p>Mogten de Doopsgezinden z&oacute;&oacute; door den Staat beschermd
+worden, de Hervormde Kerk had tegen hen eene blijvende
+grieve, eensdeels, wegens hunne afwijking van de gevoelens,
+welke zij als de eenige ware meende te moeten handhaven,
+en anderdeels, wegens hunne veelvuldige onderlinge
+verdeeldheden. Daarin vond zij eene beschuldiging en
+een grond tevens, om de noodzakelijkheid van hare eigene
+eenheid des geloofs te verdedigen. Schoon de Doopsgezinden
+geene kenmerkende leerstellingen hadden aangenomen,
+maar, zich enkel aan de Heilige Schrift vasthoudende,
+aan ieder hunner leden vrijheid van denkwijze
+lieten, en zich bijzonder door hun ijver voor het christelijk
+<i>leven</i> onderscheidden, bleef de eenheid van leer beter
+onder hen bewaard. De Hervormden, met wien zij in de
+eerste tijden, ook blijkens de eerste Geloofsbelijdenis
+van omstreeks 1550, meer overeenstemden, weken van<span class='pagenum'><a name="Page_366" id="Page_366">[366]</a></span>
+lieverlede meer af; en door het aannemen der gevoelens
+van <span class="smcap">kalvijn</span> en van de leerstellingen der Dordsche Synode
+werd het verschil en de breuk tusschen beide kerkgenootschappen
+nog grooter. Legden de Hervormden er
+zich op toe, om bij de beschouwing van den weg der
+zaligheid alles all&eacute;&eacute;n aan God toe te schrijven, terwijl
+de mensch in zijne geheele bedorvenheid daartoe niets
+<i>kon</i> bijbrengen, en bij de genoegzaamheid der plaatsvervangende
+gehoorzaamheid van Christus ook niet behoefde;&mdash;de
+Doopsgezinden moesten afkeerig zijn van
+zulk eene voorstelling, in welke zij geene drangredenen
+tot eenen christelijken wandel konden vinden en die eigene
+werkzaamheid en spanning van zedelijke krachten onnoodig
+maakte. Vandaar, dat bij de eersten de beginselen van
+een lijdelijk Christendom en bij de laatsten van eene
+werkdadige Godsdienst meer werden ontwikkeld, tot een
+onderscheidend kenmerk van elke gezindte.</p>
+
+<p>Maar juist der Doopsgezinden ijver voor het christelijk
+leven bragt hen op den weg van onderlinge verdeeldheid
+en scheuring. Dat de Gemeente in haren wandel heilig
+en onberispelijk moest zijn; dat de ban of uitsluiting
+onontbeerlijk was, om alle vlekken en rimpels uit haar
+te verwijderen, en dat men de gebannenen ook in het
+dagelijksch verkeer moest mijden,&mdash;daarin kwamen allen
+overeen. Doch hoe ver men den ban en de mijding moest
+uitstrekken, daarover ontstonden verdeeldheden. Hunne
+Oudsten, <span class="smcap">leenert bouwens</span> en <span class="smcap">dirk philips</span>, met heiligen
+ernst bezield, ijverden voor strengheid; de zachte geest
+van <span class="smcap">menno simons</span> vermaande gedurig tot gematigdheid,
+totdat hij, eindelijk overreed en zelf met den ban bedreigd,
+uit vrees voor scheuring zich bij hen voegde.
+Toen nu de strenge partij door het gezag van <span class="smcap">menno</span> de
+overhand had bekomen, scheidden de gematigden zich
+omstreeks 1555 af en vormden afzonderlijke gemeenten.<span class='pagenum'><a name="Page_367" id="Page_367">[367]</a></span>
+In <i>Oost-Friesland</i>, werden deze eerst <i>Schedemakers</i> en
+in deze provincie <i>Franekers</i> geheeten, doch later algemeen
+<i>Waterlanders</i> genoemd, welken naam zij ook
+eerst alleen in <i>Holland</i> hadden gedragen, toen de anderen
+met dien van <i>Mennoniten</i> werden onderscheiden. De
+Waterlanders leefden verder rustig en muntten uit door
+zuiverheid van zeden en onderlinge liefde. Onder de
+strenge banners ontstonden evenwel spoedig nieuwe oneenigheden:
+eerst naar aanleiding van vreemde zeden, door
+vlugtelingen, vooral uit <i>Vlaanderen</i>, aangebragt, welke
+in 1568 eene scheuring veroorzaakten, ten gevolge eener
+mislukte poging tot hereeniging in de vermaning te <i>Harlingen</i>.
+Daar de partij der Friezen, welligt uit zucht
+tot vrede, daarbij eene dubbelzinnige rol speelde, gaf
+dit aanleiding, dat de meeste gemeenten in dit gewest de
+tegenpartij in het gelijk stelden, en zich met haar vereenigden.
+Later ontstonden er nog vele kleine scheuringen,
+doch bleven er in <i>Friesland</i> vooral drie hoofdpartijen
+bestaan: de <i>Waterlanders</i>, de <i>Friezen</i> en de <i>Vlamingen</i>.</p>
+
+<p>Allengs echter bedaarde de opgewonden ijver. Verbittering
+maakte plaats voor vriendschap, en op den tijd
+van scheuring volgde in den loop der 17<sup>e</sup> eeuw een tijd
+van vereeniging, welke de meeste gescheidene gemeenten
+eerlang weder tot &eacute;&eacute;n bragt. De vroegere strengheid,
+bij welke de zorg voor zuivere zeden dikwijls de broederlijke
+liefde uitdreef, week voor een milderen geest.
+Door handel en bedrijf kwamen de Doopsgezinden allengs
+meer in maatschappelijk verkeer met andere burgers en
+in aanraking met de wereld. Een meer wetenschappelijk
+onderzoek van de Heilige Schrift deed hen aan bijzaken
+mindere waarde hechten. Zoo kwam er meerdere toenadering
+onderling en met andersdenkenden. Talrijke
+vergaderingen van hunne Oudsten getuigden van hunne
+zucht naar vereeniging. Belijdenissen werden in die vergaderingen<span class='pagenum'><a name="Page_368" id="Page_368">[368]</a></span>
+opgemaakt, welke tot grondslag van vereeniging
+strekten en hunne gevoelens te gelijk aan anderen meer
+bekend maakten. Hoe zeer moest die goede geest niet
+toenemen, sedert zij in 1672 van de Staatsmagt de erkenning
+van hun bestaan en de lang begeerde vrijheid
+tot uitoefening van hunne godsdienst hadden verkregen?</p>
+
+<p>Eene eerste en weldadige vrucht daarvan was de oprigting
+van de <i>Friesche Doopsgezinde Societeit</i> in 1695.
+Deze bestond in eene verbindtenis van meest alle Doopsgezinde
+gemeenten, met het doel, om &raquo;liefde, vrede en
+eenigheid onder elkander te bewaren, en om te zorgen,
+dat de noodlijdende gemeenten, benevens de Broeders,
+die daarin de predikdienst waarnamen, door onderlinge
+bijdragen naar vermogen mogten worden ondersteund.&#8221;
+Deze vereeniging was van zeer gunstig gevolg voor den
+welstand van de gemeenten en van de gansche broederschap,
+en bevorderde een geest van onderlinge goedwilligheid
+en verbroedering, welke eerlang in den loop der
+18<sup>e</sup> eeuw ten gevolge had, dat in die plaatsen, waar Friesche,
+Vlaamsche, Waterlandsche of andere gemeenten bestonden,
+vereenigingen tot stand kwamen, welke eindelijk,
+alle partij- en sektengeest verbannende, &eacute;&eacute;n krachtig en
+zelfstandig kerkgenootschap in het leven riep, dat getrouw
+was gebleven aan het eenige fondament, dat gelegd kan
+worden, al waren zijne leden ook van lieverlede uit hunne
+afzondering <i>in</i> de wereld overgegaan.</p>
+
+<p>V&oacute;&oacute;r dit echter geschiedde, hadden zij nog eenige
+moeijelijke aanvallen door te staan. Als wij ons herinneren,
+welk een geest van onverdraagzamen ijver de Hervormde
+predikanten onderling bezielde jegens hunne eigene broederen,
+als: <span class="smcap">bekker</span>, <span class="smcap">van giffen</span> en de Franeker Hoogleeraren,
+toen deze den moed hadden eenige meerdere
+vrijzinnigheid aan den dag te leggen, dan verwondert
+het ons geenszins, dat zij weinig genoegen namen in der<span class='pagenum'><a name="Page_369" id="Page_369">[369]</a></span>
+Staten goedgunstigheid jegens de Doopsgezinden, waardoor
+alle vroegere klagten der Synode in eens gesmoord
+waren. Daarenboven was het duidelijk, dat er tusschen
+hen en de verketterde Remonstranten, Collegianten, Labadisten
+en Hernhutters eene vriendschappelijke aanraking
+bestond: sekten toch, die men verdacht hield van besmet
+te zijn met Sociniaansche gevoelens, welke de Kerk met
+den meesten afschuw verfoeide, waarom Socinianen,
+Kwakers en Dompelaars sedert 1662 bij plakkaat aan
+strenge vervolging waren blootgesteld; terwijl bij de
+vernieuwing van dit plakkaat in 1687 openlijk gezegd
+werd, dat die dwaalgeesten zich met de Doopsgezinden
+vermengden. Dien ten gevolge werd in 1687 een hunner
+leeraren op eene aanklagt gebannen en 1719 op nieuw.
+De bezorgdheid der Synode was z&oacute;&oacute; groot, dat zij in
+1722 zelfs Gedeputeerde Staten wist over te halen, dat
+van alle Doopsgezinde leeraren de onderteekening zou
+ge&euml;ischt worden van een formulier tot erkentenis van het
+leerstuk der Drie&euml;enheid, op straf van ontzetting en eene
+boete van 100 gouden Friesche rijders, als zij het leeraarambt
+bleven waarnemen. Stootend was het dezen
+voorzeker, dat een ander kerkgenootschap de vrijheid
+nam, hen voor te schrijven, wat zij hadden te gelooven
+omtrent een godgeleerd begrip, waarvoor zij onder de
+hen voorgelegde bewoordingen geen grond vonden in het
+evangelie. Allen (op slechts &eacute;&eacute;n na) weigerden de onderteekening,
+en zoo bleven dan nu hunne vergaderplaatsen
+gesloten. Zij leverden echter hunne bezwaren
+daar tegen bij de Staten in, die verstandig genoeg waren<span class='pagenum'><a name="Page_370" id="Page_370">[370]</a></span>
+de gegrondheid daarvan te erkennen en de resolutie op
+te schorten, waardoor dit dreigende onheil werd afgewend.<a name="FNanchor_308"
+id="FNanchor_308"></a><a href="#Footnote_308" class="fnanchor">[308]</a></p>
+
+<p>De beschuldiging van Sociniaansche gevoelens toegedaan
+te zijn, trof in 1738 drie leeraren van <i>Heerenveen</i> en <i>de
+Knype</i>, waarvan twee van hunne bediening ontzet werden.
+De Doopsgezinde Societeit beklaagde zich hierover wel
+bij de Staten, doch zonder gevolg, dewijl men onvoorzigtig
+genoeg was geweest die handeling <i>inquisitie</i> te
+noemen. Doch de geleerde <span class="smcap">joannes stinstra</span>, leeraar te
+<i>Harlingen</i>, die in deze zaak den meesten ijver had
+betoond tot verdediging van het aangerande regt der
+Doopsgezinden tot vrijheid van geloof, viel kort daarop
+onder gelijke beschuldiging, dewijl men voorgaf, dat
+zijne uitgegevene predikati&euml;n <i>over de natuur en gesteldheid
+van Christus Koningrijk</i> met Sociniaansche denkbeelden
+besmet waren. Op de klagt der Synode aan Gedeputeerde
+Staten vonden deze goed, dat alle synodale klassen van
+<i>Friesland</i> en alle theologische faculteiten in <i>Nederland</i>
+het boek van <span class="smcap">stinstra</span> zouden onderzoeken en hunne
+bevinding mededeelen. Deze was natuurlijk overeenkomstig
+de beschuldiging: want wie zou zich tegen het oordeel
+der Synode durven verzetten? Slechts &eacute;&eacute;n man had dien
+moed, die onpartijdigheid van onderzoek, die verachting
+van menschenvrees, waar het de belangen van waarheid
+en regt gold. De hoogleeraar <span class="smcap">venema</span>, reeds vroeger loffelijk
+door ons vermeld (<a href="#Page_355">bl. 355</a>), die in verstand, geleerdheid
+en liefde boven zijne eeuw verre verheven was, verklaarde,
+niet &eacute;&eacute;n stellig bewijs van socinianerij in het boek te
+kunnen aanwijzen. In weerwil van dit gunstig oordeel,
+dat de verbolgenheid van velen tegen <span class="smcap">venema</span> opwekte,
+werd <span class="smcap">stinstra</span> afgezet, en, ondanks de dringende verzoeken
+zijner gemeente en der Friesche Societeit, gedurende
+vijftien jaren (1742-1757) van zijnen kansel geweerd;
+hoewel hij intusschen, op verzoek van verlichte edelen en<span class='pagenum'><a name="Page_371" id="Page_371">[371]</a></span>
+staatsleden, tijdens den landsdag, dikwijls te <i>Leeuwarden</i>
+kwam prediken, bij welke gelegenheid de voornaamste
+Friesche grooten in de eenvoudige vermaning onder zijn
+gehoor verschenen. Wel ergerde dit de Hervormde predikanten,
+doch deze bescherming van de aanzienlijksten
+des lands schrikte hen af, verder iets tegen de Doopsgezinden
+te ondernemen<a name="FNanchor_309" id="FNanchor_309"></a><a
+href="#Footnote_309" class="fnanchor">[309]</a>. Wij vermelden dit minder
+ter eere van <span class="smcap">stinstra</span>, als wel om te bewijzen, dat er
+in het midden der 18<sup>e</sup> eeuw bij vele aanzienlijke Friezen
+niet alleen godsdienstzin bestond, maar ook eene zucht
+naar meer vrijzinnige en evangelische begrippen, en tot
+verbreking van de banden, met welke de Kerk, nog
+altijd gesteund door het Staatsgezag, de leer immer
+binnen de zelfde enge grenzen wilde beperkt hebben.
+Het gezond verstand van hen, die men den bijnaam van
+<i>Toleranten</i> had gegeven, begon zich te verzetten tegen
+de Dordsche leerstukken; en hoe krachtiger de predikanten
+deze wilden handhaven, hoe sterker de tegenstand
+werd der voorstanders van den vooruitgang jegens de
+aanhangers van het behoud.</p>
+
+<p>De Doopsgezinden, die sedert de oprigting van hunne
+Kweekschool te <i>Amsterdam</i> in 1735 meer wetenschappelijk
+gevormde leeraars ontvingen, die eene betere predikwijze
+en meer beschaafden spreek- en schrijftrant invoerden,
+en ook door andere geschriften, alsmede door vertalingen
+der werken van <span class="smcap">richardson</span>, <span class="smcap">tillotson</span>, <span class="smcap">blair</span> enz. zich
+jegens de vaderlandsche letterkunde verdienstelijk maakten,<span class='pagenum'><a name="Page_372" id="Page_372">[372]</a></span>
+waren steeds vrienden van gematigden vooruitgang en
+bondgenooten van hen, die wilden, dat ook de Hervormde
+Kerk zou deelen in de stralen der blijkbaar toenemende
+verlichting. En terwijl zij van lieverlede afstand deden
+van hunne begrippen omtrent het overheidsambt en het
+wapendragen, gaven zij aan- en ontvingen zij van de
+Hervormden menigvuldige blijken van verdraagzaamheid,
+toenadering en verbroedering. Hadden de twee Doopsgezinde
+instellingen: <i>Teijler&#8217;s Godgeleerd en Tweede
+Genootschap</i> (1779) en de <i>Maatschappij: tot nut van
+&#8217;t Algemeen</i> (1785), de bevordering van de waarheid der
+christelijke godsdienst, de uitbreiding van de wetenschap
+en de verstandelijke ontwikkeling van het volk ten doel&mdash;met
+gemeenschappelijke krachten en verwijdering van alle
+geloofsverschil hebben zoowel Hervormden als Doopsgezinden
+geijverd om dat doel te bereiken, en daardoor de
+eer en bloei van beide instellingen bevorderd tot duurzaam
+heil des vaderlands<a name="FNanchor_310" id="FNanchor_310"></a><a
+href="#Footnote_310" class="fnanchor">[310]</a>. Ook de Friesche Doopsgezinden
+hebben tot dat alles het hunne toegebragt, en
+zullen de geschriften van <span class="smcap">stinstra</span>, <span class="smcap">nieuwenhuis</span>, <span class="smcap">de
+vries</span>, <span class="smcap">oosterbaan</span>, <span class="smcap">stijl</span>,
+<span class="smcap">koopmans</span>, <span class="smcap">hanekuik</span>, <span class="smcap">hoekstra</span>,
+<span class="smcap">brouwer</span>, <span class="smcap">wieling</span> en anderen bestendig getuigen
+van hun ijver, zoowel voor Christendom en Kerk, als
+voor wetenschap en volksgeluk. De verzachting van
+begrippen en toenadering van de Protestanten onderling
+mogt den lang bestaanden scheidsmuur doen vallen,
+die toenadering moest echter ten gevolge hebben
+eene verminderde getal-sterkte hunner Kerkgemeenschap.</p>
+
+<p><span class='pagenum'><a name="Page_373" id="Page_373">[373]</a></span>Het werd mede eene aanleiding, dat vele Doopsgezinden,
+op verren afstand van eene gemeente wonende,
+geene zwarigheid maakten tot de Hervormde Kerk over
+te gaan.<a name="FNanchor_311" id="FNanchor_311"></a><a href="#Footnote_311"
+class="fnanchor">[311]</a> Zeker hadden de staatkundige omstandigheden
+en de offers, welke de omwenteling van 1795
+eischte, daarop een merkbaren invloed: want verlies
+van fondsen en daardoor van de gelegenheid om wetenschappelijk
+gevormde leeraars te kunnen bekomen, hebben
+vele kleine gemeenten op het land doen vervloeijen. Ten
+gevolge van dat alles daalde het getal gemeenten toen tot
+42 en dat der zielen tot ruim 12,000, hoewel het laatste
+getal in 1851 weder tot ruim 15,000 was toegenomen.
+Die omwenteling schonk evenwel ook hun volkomene
+gelijkstelling met andere gezindten en onbeperkte vrijheid
+van godsdienstige begrippen. Sedert dien tijd hebben
+geene schokken hun kerkelijk bestaan verontrust,
+maar als rustige burgers van den staat, vasthoudende aan
+de grondslagen hunner evangelische belijdenis, zijn zij
+toegenomen in innerlijke kracht en in uitwendig aanzien,
+deelende in de zelfde voorregten, welke de met haar
+verbroederde Hervormden in de negentiende eeuw mogen
+genieten, bij gelijkheid van streven naar meerdere ontwikkeling
+en volmaking van christelijke beginselen, tot
+vorming van waardige burgers voor den Staat en bovenal
+voor het Koningrijk Gods in het leven der toekomst.</p>
+
+<p class='pagenum'><a name="Page_374" id="Page_374">[374]</a></p>
+
+<h4><i>De Lutherschen</i><a name="FNanchor_312" id="FNanchor_312"></a><a href="#Footnote_312" class="fnanchor">[312]</a>.</h4>
+
+<p>Sedert <span class="smcap">luther</span> in 1517 openlijk den kamp waagde
+tegen <i>Rome</i> en de misbruiken der Kerk, vonden zijn moed
+en gevoelens in ons vaderland spoedig weerklank. Bijzonder
+was dit het geval in <i>Friesland</i>, volgens de berigten van
+zijn tijdgenoot <span class="smcap">peter van thabor</span> op het jaar 1524<a
+name="FNanchor_313" id="FNanchor_313"></a><a href="#Footnote_313" class="fnanchor">[313]</a>.
+&raquo;Door zijne schriften (meldt deze) en door zijne beschuldigingen
+tegen den Paus en de regenten der Kerk,
+alsmede tegen de Kloosters en velerlei menschelijke inzettingen
+en misbruiken, had hij het gansche Christenrijk
+beroerd, en waren er te <i>Amsterdam</i> vooral groote ongeregeldheden
+voorgevallen. Hoewel er in <i>Friesland</i>
+daarover toen nog niet zulke twisten bestonden, waren
+er nogtans vele priesters en geleerde lieden, die <span class="smcap">luther</span>
+bijvielen, en zelfs twee priesters van het klooster <i>Aanjum</i>
+naar hem toegeloopen.&#8221; Reeds vroeger, onder de Saksische
+regering, hadden verscheidene Friezen de Saksische
+Hoogeschool te <i>Wittenberg</i> bezocht, en van 1522 tot
+1559 nam dit getal aanmerkelijk toe, volgens eene daarvan
+bestaande breede lijst<a name="FNanchor_314" id="FNanchor_314"></a><a
+href="#Footnote_314" class="fnanchor">[314]</a>. Vermits <span class="smcap">luther</span> eerst in
+1546 overleed, zoo is het duidelijk, dat zijne leerlingen
+in <i>Friesland</i> denkbeelden en gevoelens terugbragten,
+welke den voortgang en de uitbreiding van de zaak der
+hervorming gunstig waren. Vandaar dan ook, dat in al
+de eerste plakkaten, sedert 1521 namens den Keizer tegen<span class='pagenum'><a name="Page_375" id="Page_375">[375]</a></span>
+de ketters en verzakers van het geloof der Kerk hier
+afgekondigd, <span class="smcap">luther</span> en zijne dolingen wel het meest
+worden veroordeeld en de verspreiding van zijne schriften
+en gevoelens verboden<a name="FNanchor_315" id="FNanchor_315"></a><a href="#Footnote_315" class="fnanchor">[315]</a>.</p>
+
+<p>En evenwel, hoe groot die invloed van <span class="smcap">luther</span> in
+<i>Friesland</i> ook geweest is, om eene verandering van geloof,
+gemoed en leven te weeg te brengen, is er volstrekt
+geen blijk, dat er in de 16<sup>e</sup> eeuw hier eene, naar hem
+genoemde, sekte of gemeentelijke vereeniging, welke bepaaldelijk
+de Augsburgsche belijdenis volgde, is gevestigd
+geweest. Later toch waren de plakkaten meer gerigt
+tegen <span class="smcap">menno simons</span> en de hervormings-gezinden in het
+algemeen. De sterke toeneming van de Doopsgezinden
+en de aanneming van de bijzondere begrippen van <span class="smcap">zwingli</span>
+en daarna van <span class="smcap">kalvijn</span> bij de Hervormden schijnen de
+oorzaken geweest te zijn, dat de Lutherschen zich hier
+niet tot eene afzonderlijke gezindte gevestigd hebben.
+Sommigen hunner begaven zich naar <i>Oost-Friesland</i>,
+anderen vereenigden zich bij hunne uitsluiting in 1581
+met de Hervormden, zoodat het getal dergenen, die de
+leerstellingen van <span class="smcap">luther</span> bleven aankleven, gering zal
+geweest zijn.</p>
+
+<p>In de volgende eeuw vermeerderde dat getal van lieverlede.
+Onderscheidene personen uit den vreemde zetten
+zich hier neder, of kwamen in het gevolg der Friesche
+Stadhouders of met Duitsche benden herwaarts over. Ook
+aan de Akademie te <i>Franeker</i> bevonden zich veelal
+verscheidene Luthersche studenten. Toen in 1650 het
+getal dezer laatste, uit <i>Duitschland</i>, <i>Zweden</i>, <i>Denemarken</i>
+enz. 31 bedroeg, deden zij eene eerste poging,
+om in <i>Friesland</i> eene Luthersche Kerk op te rigten.<span class='pagenum'><a name="Page_376" id="Page_376">[376]</a></span>
+Eerst deden zij een aanzoek daartoe aan den Akademischen
+Senaat, en, toen zij bij dezen geen gehoor vonden, aan
+Gedeputeerde Staten. Dan, de Hoogleeraren bragten
+daartegen zoo vele bezwaren in; zij vreesden van eene
+toegeeflijkheid in dezen z&oacute;&oacute; ernstige gevolgen voor de
+Kerk en de rust der Hoogeschool, dat de Staten meenden,
+genoemd verzoek van de hand te moeten wijzen<a name="FNanchor_316"
+id="FNanchor_316"></a><a href="#Footnote_316" class="fnanchor">[316]</a>.
+Evenmin slaagde zeker zwervend predikant, <span class="smcap">johannes
+dur&aelig;us</span>, in 1656, om de Gedeputeerden in gunstiger
+stemming te brengen jegens zijne geloofsgenooten.</p>
+
+<p>Intusschen hielden de Lutherschen toenmaals reeds in
+stilte vergaderingen zoowel te <i>Leeuwarden</i> als te <i>Harlingen</i>,
+welke oogluikend werden toegelaten. De ijverzucht
+der Hervormde predikanten werd daardoor echter
+opgewekt, en de Synode van 1663 beval een onderzoek
+deswege, waarna zij in 1668 hare klagten daarover bij
+Gedeputeerde Staten inbragt. Zij werd daartoe inzonderheid
+bewogen, omdat de Lutherschen, na in dat jaar
+van de Staten te vergeefs verlof gevraagd te hebben,
+om te <i>Leeuwarden</i> eene kerk te bouwen, een predikant
+uit <i>Amsterdam</i> hadden ontvangen, die zoowel hier als
+te <i>Harlingen</i> al te openbaar predikte. Gedeputeerden,
+gelijk ook de Magistraat, waren eerst wel genegen tot
+toegevendheid; doch toen de Lutherschen in het houden
+van hunne bijeenkomsten in eene vaste vergaderplaats
+hoe langer hoe vrijer werden, drongen de klagten en
+beschuldigingen van den Hervormden Kerkeraad z&oacute;&oacute;
+sterk, dat de Overheid zich in 1671 verpligt zag het
+bevel te geven, dat de predikant binnen drie dagen
+moest vertrekken en dat de vergaderingen belet of verstrooid
+zouden worden.</p>
+
+<p><span class='pagenum'><a name="Page_377" id="Page_377">[377]</a></span>Ofschoon de regering rekkelijk genoeg was, de uitvoering
+van dit besluit nog langer dan drie maanden uit te
+stellen, was men verpligt te gehoorzamen en zich te
+onderwerpen. Doch reeds in het volgende jaar 1672
+kwam er een ander predikant over, en toen in dit jaar
+de Staten aan de Doopsgezinden vrijheid van godsdienst-oefening
+toestonden, werd de hoop der Lutherschen verlevendigd,
+dat dit voorregt weldra ook hun mogt ten
+deel vallen. Zij bleven in stilte vergaderen in een achteraf
+staand huis in de Nieuwe Oosterstraat. Dit was
+echter zeer bouwvallig, en toen nu een rijk lid der gemeente,
+Jhr. <span class="smcap">andreas m&ouml;ller</span>, aanbood, om op die plaats
+voor zijne kosten een nieuw kerkgebouw te doen optrekken,
+waagde men het in Junij 1680 met den opbouw
+daarvan te beginnen. Doch met deze stoute daad was
+men te ver gegaan: want spoedig volgde het bevel van
+den Magistraat, om den arbeid te staken en het gebouwde
+af te breken, hetgeen, in weerwil van herhaalde en
+dringende verzoeken, geschiedde.</p>
+
+<p>Die tegenstand noopte de verdrukte gemeente om het
+uiterste te wagen en van de Staten vrijheid van godsdienst-oefening
+te verzoeken. Door medewerking van
+mannen van invloed werd deze den 22 Julij 1681 gelukkig
+verleend, evenwel op voorwaarde van te zullen
+vergaderen in een gewoon huis en in stilheid, zonder
+gebruik te maken van eene klok<a name="FNanchor_317" id="FNanchor_317"></a><a
+href="#Footnote_317" class="fnanchor">[317]</a>. Onmiddelijk hierna
+ving men aan met den opbouw van de kerk, waartoe
+de gemeente, die toen ongeveer 3 &agrave; 400 zielen telde,
+gaarne de overige kosten droeg. In 1692 werd daar
+naast eene kosterswoning en in 1697 eene pastorie in
+de nabijheid aangekocht. Dat kerkgebouw is in 1773<span class='pagenum'><a name="Page_378" id="Page_378">[378]</a></span>
+vernieuwd en vergroot, vooral ten gevolge van den ijver
+en invloed des welsprekenden leeraars <span class="smcap">augustus sterk</span>,
+onder wien de gemeente tot 6 &agrave; 700 zielen was aangegroeid.
+In 1843 is daarnevens eene nieuwe pastorie gebouwd.</p>
+
+<hr class="c05" />
+
+<p>Weinige zijn de bijzonderheden, welke omtrent de
+overige Luthersche gemeenten in <i>Friesland</i> bekend zijn.
+De gemeente te <i>Harlingen</i>, te gelijker tijd met die van
+<i>Leeuwarden</i> ontstaan, had in den beginne gemeenschappelijk
+met dezen den zelfden predikant. In 1669, toen
+zij een eigen huis tot eene kerk aankocht, was het getal
+harer leden reeds ongeveer 150. Even als in andere
+handelsteden nam dit getal van lieverlede in de 18<sup>e</sup> eeuw
+toe. Doch de geweldige twisten, welke ook dit kerkgenootschap
+en onderscheidene gemeenten daarvan beroerd
+hebben, gaven aanleiding tot scheuring, waardoor er te
+<i>Harlingen</i> twee gemeenten ontstonden, waarvan de
+eerste den naam van de <i>Evangelisch Luthersche</i> bleef
+dragen, terwijl de tweede, die zich, in navolging van
+de splitsing der Amsterdamsche gemeente, afscheidde,
+den naam van <i>Herstelde</i> daar v&oacute;&oacute;r voegde.</p>
+
+<p>Ook te <i>Balk</i> is eene kleine gemeente geweest, gelijk
+mede op <i>Ameland</i>, welke tot 1817 als filiaal- of bijgemeente
+twee of driemalen &#8217;s jaars bezocht werd door den
+predikant van <i>Leeuwarden</i>, die dan in de Hervormde
+kerk te <i>Ballum</i> doop en avondmaal bediende. Evenzoo
+werd <i>Workum</i> een filiaal-gemeente van <i>Harlingen</i>.
+Te <i>Sneek</i>, <i>Franeker</i>, <i>Dokkum</i>, <i>Makkum</i>, <i>Dragten</i>,
+<i>Joure</i>, <i>het Bildt</i> en elders bevonden zich later nog een
+grooter of kleiner getal Lutherschen. De geest van broederlijke
+eensgezindheid tusschen de Protestantsche kerkgenootschappen
+in deze provincie heeft thans gelukkig
+eene onderlinge toenadering bevorderd, welke de aanleiding
+tot vroegere afzondering grootendeels heeft doen<span class='pagenum'><a name="Page_379" id="Page_379">[379]</a></span>
+verdwijnen. Het getal Evangelisch Lutherschen in <i>Friesland</i>
+is thans, in 1851, echter niet grooter dan 700, en
+dat der Herstelde van 126.</p>
+
+
+<h4><i>De Roomsch Katholijken.</i></h4>
+
+<p>De aanneming van de zaak der hervorming in <i>Friesland</i>
+was bij de omwenteling van 1580 z&oacute;&oacute; algemeen, dat er
+slechts weinige ingezetenen waren, die uit gehechtheid
+of overtuiging de oude Katholijke eeredienst bleven toegedaan,
+terwijl andere, uit vrees voor vervolging, deze
+provincie verlieten en later daarin terugkeerden. Tot
+den jare 1593 verkeerde die voormalige Kerk hier alzoo
+&raquo;in eenen geheel verlatenen toestand; naauwelijks bevond
+zich hier een Priester, en die er waren, hielden zich
+uit vrees schuil.&#8221; Dit verklaart althans Pater <span class="smcap">willebrordus
+van der heijden</span>, die een verhaal heeft geschreven
+van de pogingen, welke de zendelingen der
+<i>Jezuiten</i> van 1593 tot 1638 in <i>Friesland</i> hebben aangewend,
+om de Roomsche eeredienst, welke bij de
+staatsomwenteling was te niet gegaan, zoo veel mogelijk
+weder op te beuren en te herstellen, waartoe hij zelf
+gedurende elf jaren ijverig medewerkte<a name="FNanchor_318"
+id="FNanchor_318"></a><a href="#Footnote_318" class="fnanchor">[318]</a>. Wij noemen
+dit eene opmerkelijke verklaring, omdat zij van die zijde
+dit bekende feit bevestigt, en het bewijs levert, dat de
+latere Katholijken in dit gewest niet de Katholijken waren
+van v&oacute;&oacute;r 1580, maar of vreemden of latere afvalligen
+van de eens aangenomene hervorming.</p>
+
+<p>De sedert 1593 bestendig in grooter getal overgekomene
+zendelingen der Jezuiten lieten geene pogingen
+onbeproefd, om sommige edelen, eenvoudige landlieden<span class='pagenum'><a name="Page_380" id="Page_380">[380]</a></span>
+en zwakke burgers &ograve;f op nieuw in het oude geloof der
+Kerk te bevestigen, &ograve;f voor hunne zaak te winnen. Vermits
+niet alle Hervormde gemeenten in den eersten tijd met
+geschikte predikanten konden voorzien worden, en de
+overdrijving van de Kalvinistische stellingen velen onder
+de Hervormden tegenstond, slaagden zij aanvankelijk
+zeer gunstig. Reeds in 1606 vestigde zich te <i>Leeuwarden</i>
+een wereldlijk priester, <span class="smcap">lambertus engelberts lambringa</span>,
+die in 1609 door <span class="smcap">sasbout vosmaer</span>, zich noemende opvolger
+van den Utrechtschen Aartsbisschop, tot Deken
+en Aartsdiaken van <i>Leeuwarden</i> werd aangesteld. De
+meeste zorg, veel vernuft en groote welsprekendheid
+wendden zij aan, om het Katholijk geloof voort te planten.
+Een hunner, <span class="smcap">carbonelli</span>, had wel 600 zielen voor hunne
+zaak gewonnen. In 1636, toen <span class="smcap">van der heijden</span> wel
+acht priesters tot medehelpers had, aan wie verschillende
+grietenijen tot werkkring waren aangewezen, had hij
+alleen 523 personen gedoopt en 600 paren in den echt
+verbonden; terwijl in het volgende jaar 480 personen te
+<i>Leeuwarden</i> van hem absolutie ontvingen. Ja, zij rekenden
+er op, dat elk jaar hun ongeveer 800 zielen aanbragt.</p>
+
+<p>Met ongemeenen moed we&ecirc;rstonden of ontweken zij
+dikwijls het gevaar, dat hen bestendig bedreigde en herhaalde
+malen trof, van verstrooid, verjaagd, gevangen
+genomen en geboet te worden. Want zoowel de Algemeene
+als de Provinciale Staten hadden in en na den
+jare 1580 strenge plakkaten doen uitgaan tegen de priesters
+en de pauselijke ceremoni&euml;n, bijeenkomsten enz.
+Na 1593 werden die verbodsbepalingen, welke nagenoeg
+elk jaar op nieuw werden uitgevaardigd, dreigender, de
+bevelen aan de plaatselijke besturen scherper en de boeten
+op de overtreding hooger gesteld. Zelfs had hij, aan
+wiens huis zulk eene verbodene godsdienst-oefening plaats
+had, 100 Friesche gouden Rijders verbeurd. Nadat,<span class='pagenum'><a name="Page_381" id="Page_381">[381]</a></span>
+volgens besluit der Hollandsche zending der Jezuiten,
+<i>Leeuwarden</i> aan <span class="smcap">willem warighem</span>, <i>Zwolle</i>, <i>Groningen</i>
+en <i>Sneek</i> aan <span class="smcap">arnold cathuis</span> en <i>Harlingen</i> aan <span class="smcap">gerardus
+carbonelli</span> waren ten deel gevallen, breidden zij vooral
+over deze steden en omstreken hunne zorgen uit. Toen
+er in 1616 een gerucht ging, dat uit het huis van een
+&raquo;papist&#8221; te <i>Harlingen</i> tot onder de Hervormde kerk
+mijnen waren gegraven, om deze laatste met buskruid
+te vernielen, lieten Gedeputeerde Staten, op aanklagt
+der classis van <i>Franeker</i>, dat huis onverwachts door 35
+soldaten overvallen en plunderen, waarbij in eene kast
+een aantal brieven en andere stukken van den priester
+<span class="smcap">warighem</span> werd gevonden. De Staten achtten deze
+stukken belangrijk genoeg, om ze door den druk gemeen
+te maken, hetgeen in het latijn en in het nederduitsch
+geschiedde, opdat men zou kunnen zien &raquo;met wat practijken
+ende hoe groote neersticheyt de Jesuyten hare
+<i>negotiatie</i> (so sij &#8217;t noemen) dryven, en hoe sy de
+Paeusselijcke Religie met de Jesuijtsche heerschappye
+tot onderganck van de gereformeerde Kercke ende Republijcke
+soecken voort te planten&#8221;<a name="FNanchor_319"
+id="FNanchor_319"></a><a href="#Footnote_319" class="fnanchor">[319]</a>.</p>
+
+<p>In weerwil der hier na toegenomene vervolging en
+ondanks het staatsbesluit van 1638, waarbij aan alle priesters
+bevolen werd, binnen zes dagen uit deze provincie te
+vertrekken, bleven zij voortgaan, &raquo;om met groote cloeckheyt
+alle perijckelen te weerstaen en nae vermoghen
+zielen te winnen met Godts gratie.&#8221; En inderdaad,<span class='pagenum'><a name="Page_382" id="Page_382">[382]</a></span>
+als wij lezen hoe dikwijls zij zich daarbij aan levensgevaar
+bloot stelden; welk een moed zij voor hunne zaak aan
+den dag legden, en hoe onvermoeid zij werkzaam waren,
+om hun doel te bereiken en aanhangers te verwerven,&mdash;en
+als wij daarmede vergelijken de beschuldigingen tegen
+de Hervormde predikanten destijds ingebragt, zoodat
+de klassis van <i>Franeker</i> het in 1662 noodig vond hen
+te bevelen, &raquo;tot verhoedinge van luijheijd en traagheijd in
+den H. dienst tot tweemaal te prediken en catechisati&euml;n te
+houden, en dat het prediken niet in bloten sleur, en door
+alweder en weder dat selfde ten voorschijn te brengen en
+alsoo alleen om de uur te krijgen, werde verrigt&#8221;<a
+name="FNanchor_320" id="FNanchor_320"></a><a href="#Footnote_320" class="fnanchor">[320]</a>&mdash;dan
+is het duidelijk, dat de onverpoosde ijver der Jezuiten
+en de laauwheid der Hervormden de oorzaken waren,
+dat de Katholijken van lieverlede in getal en krachten
+toenamen. Hoezeer het de Synode ook ergerde en hoe
+dikwijls zij ook klaagde over de &raquo;paepsche stoutigheden,
+het plegen van pausselyke ceremonien en het houden
+van conventiculen,&#8221; waartegen de Staten tot aan 1686
+bestendig de plakkaten vernieuwden,&mdash;zij moest toezien,
+dat de Katholijken hoe langer hoe onbeschroomder hunne
+godsdienst-oefeningen hielden en in de meeste steden en
+in en buiten vele dorpen in bekende bedehuizen bijeenkwamen.
+Die openbaarheid hinderde 1680 den Hervormden
+Kerkeraad van <i>Leeuwarden</i> zoodanig, dat op zijn
+verzoek, &raquo;om de paepsche afgoderij te weeren&#8221;, de Magistraat
+al de altaar-sieraden uit het huis van Dr. <span class="smcap">van
+campen</span> liet wegnemen en het zilverwerk in de Munt
+versmelten; terwijl de eigenaar van dat huis eene boete
+van 300 Gld. opgelegd werd, omdat hij bleef voortgaan
+met het houden van zamenkomsten. Groote wrok verwekten
+in deze stad de berigten van de vervolgingen,<span class='pagenum'><a name="Page_383" id="Page_383">[383]</a></span>
+welke de Fransche Hervormden, ten gevolge der herroeping
+van het edikt van <i>Nantes</i>, hadden te verduren:
+zoodat op den 26 Julij 1687 de vergaderplaatsen der
+Roomschen door het gemeen werden aangevallen, verstoord
+en geplunderd, waarbij altaren, schilderijen, beelden en
+versiersels op de straat geworpen en openlijk verbrand
+werden<a name="FNanchor_321" id="FNanchor_321"></a><a href="#Footnote_321" class="fnanchor">[321]</a>.</p>
+
+<p>Sedert 1693 vinden wij echter van geene vervolgingen
+of verhinderingen meer gewag gemaakt. Alleen de Jezuiten
+bleven strengelijk geweerd, en werden de plakkaten
+tegen deze nog in 1708 vernieuwd<a name="FNanchor_322" id="FNanchor_322"></a><a
+href="#Footnote_322" class="fnanchor">[322]</a>. Het groot getal
+vreemdelingen, dat zich hier van tijd tot tijd nederzette en
+de Katholijke leer beleed, gevoegd bij de toenemende verdraagzaamheid
+van het Landsbestuur schijnen de oorzaken
+geweest te zijn, dat men de godsdienstige bijeenkomsten
+van deze rustige burgers voortaan bij oogluiking toeliet.
+Ten aanzien van het stemregt en het vervullen van openbare
+bedieningen bleven zij echter buitengesloten. &raquo;Zij
+werden,&#8221; gelijk de geleerde <span class="smcap">huber</span> zegt, &raquo;meest door de
+wetten ingetoomt, omdat sy, v&oacute;&oacute;r desen Meesters geweest
+zijnde en ziende hare partije de machtigste in <i>Europa</i>,
+ook door een zeer nauwe verbintenisse gehecht aen
+den <i>Paus</i> en daer op stout, voor gevaarlijk aen den
+Staet worden gehouden&#8221;<a name="FNanchor_323"
+id="FNanchor_323"></a><a href="#Footnote_323" class="fnanchor">[323]</a>.</p>
+
+<p>Eerst nadat de edele Paus <span class="smcap">clemens</span> XIV (<span class="smcap">ganganelli</span>)
+de orde der Jezuiten had afgeschaft, betoonden de Friesche
+Staten zich rekkelijker jegens de Katholijken. Bij plakkaat
+van den 16 Maart 1776 stelden zij vast, dat het<span class='pagenum'><a name="Page_384" id="Page_384">[384]</a></span>
+der R. K. gemeenten in deze provincie vergund zou
+zijn, onder goedkeuring van het plaatselijk bestuur, all&eacute;&eacute;n
+wereldlijke Priesters en Kapelanen aan te stellen,
+die beloven moesten, geene stellingen te zullen leeren,
+welke het regt van- en de gehoorzaamheid aan de oppermagt
+der hooge Overheid konden krenken; alsmede, dat
+zij geregtigd zouden zijn, op naam en ten behoeve van
+kerken, geestelijken en armen, vaste goederen te bezitten,
+te erven en aan te nemen. Bovendien werd
+bepaald, dat de armbezorgers van al de toenmalige bezittingen
+van iedere gemeente naauwkeurige lijsten zouden
+opmaken en bij de plaatselijke besturen inleveren,
+om het verduisteren van die goederen te voorkomen<a name="FNanchor_324"
+id="FNanchor_324"></a><a href="#Footnote_324" class="fnanchor">[324]</a>.</p>
+
+<p>Sedert dien tijd kreeg dit kerkgenootschap een meer
+gevestigd bestaan en nam het getal van deszelfs stati&euml;n
+toe, zoodat dit eerlang tot ruim dertig steeg, waaronder
+eene Janseniste gemeente of de Bisschoppelijke Cleregie
+te <i>Leeuwarden</i>, welke echter in 1805 is te niet gegaan
+wegens verminderd getal leden. Eerst bij de omwenteling
+van 1795 verkregen de Katholijken volkomene gelijkheid
+van regten met andere gezindten, dewijl de provisioneele
+Representanten van het volk van <i>Friesland</i>, bij besluit
+van 22 Februarij 1795, verklaarden, de onbelemmerde
+vrijheid van geweten en de ongestoorde uitoefening van
+ieders godsdienst te zullen handhaven<a name="FNanchor_325"
+id="FNanchor_325"></a><a href="#Footnote_325" class="fnanchor">[325]</a>; een besluit, dat
+den 5 Augustus 1796 door de Nationale Vergadering
+werd bekrachtigd. Toen later, ten gevolge der scheiding
+van Kerk en Staat, bij de Staatsregeling van 1 Mei 1798,
+omtrent den eigendom van de kerkgebouwen en pastoriehuizen
+der voormaals heerschende Kerk schikkingen
+tusschen de verschillende kerkgenootschappen waren voorgeschreven,
+bleek het in deze provincie, en bijzonder<span class='pagenum'><a name="Page_385" id="Page_385">[385]</a></span>
+in de talrijkste gemeente <i>Leeuwarden</i>, welk een geest
+van onderlinge welwillendheid en hulpbetoon de onderscheidene
+gezindten bezielde, en hoe deze, met eerbiediging
+van ieders regten, belangrijke bezwaren kon opheffen<a name="FNanchor_326"
+id="FNanchor_326"></a><a href="#Footnote_326" class="fnanchor">[326]</a>.
+Mogt die geest, ook in andere tijden en
+omstandigheden, duurzaam blijven bestaan, en mogten
+de uiteenloopende kerkgenootschappen allen wedijveren
+in liefde tot God en de naasten! Dan zeker zal het rijk
+van deugd, beschaving en volksgeluk hier meer en meer
+bloeijen en waardige burgers kweeken voor dit en het
+toekomstige vaderland.</p>
+
+
+<h4><i>De Joden.</i></h4>
+
+<p>&#8217;t Is inderdaad een zonderling contrast in de geschiedenis,
+dat in het zelfde jaar 1619, waarin de Remonstranten,
+die in ondergeschikte punten van geloof van de heerschende
+Kerk verschilden, uit den lande gebannen werden,&mdash;de
+allengs van elders overgekomen Joden of
+Isra&euml;liten, wier geloof lijnregt tegen dat der heerschende
+Kerk over stond, van de Staten van <i>Holland</i> vrijheid
+van godsdienst-oefening verkregen. Z&oacute;&oacute; verdragen twistende
+bloedverwanten beter vreemden dan elkander.</p>
+
+<p>Lang hadden er in ons vaderland Joden verkeerd,
+toen een aantal uit <i>Portugal</i> overgekomene Isra&euml;liten
+zich omstreeks 1595 te <i>Amsterdam</i> vestigde<a name="FNanchor_327"
+id="FNanchor_327"></a><a href="#Footnote_327" class="fnanchor">[327]</a>.
+De<span class='pagenum'><a name="Page_386" id="Page_386">[386]</a></span>
+Hoogduitsche Joden hebben echter eerst in 1636 daar
+eene gemeente opgerigt. Van uit die destijds zoo zeer
+bloeijende handelstad verspreidden deze zich eerlang in
+andere provinci&euml;n, en zetten in 1645 eenige gezinnen zich
+te <i>Leeuwarden</i> neder. Zij werden door de Overheid
+stilzwijgend geduld, en later, 1670, met eene plek gronds
+tot eene begraafplaats begunstigd. Bij de toeneming van
+hun getal, gingen sommigen ook naar andere steden
+dezer provincie, waar de gelegenheid tot het drijven van
+kleinhandel hun het gunstigst voorkwam. Alleen de
+vreemde Joden, die hier kwamen bedelen en bedriegelijken
+handel dreven, wekten het misnoegen op van de Regering,
+zoodat ze bestendig verdreven en in 1770 zelfs bij lands
+plakkaat geweerd- en met vagabonden gelijk gesteld werden.
+In 1772 schreven de Staten ook het formulier voor,
+waarnaar &raquo;de Gerechten en Predikanten (?) verplicht waren,
+de Jooden in den Huwelyken Staat te bevestigen&#8221;<a name="FNanchor_328"
+id="FNanchor_328"></a><a href="#Footnote_328" class="fnanchor">[328]</a>.
+Nadat hun getal, dat in 1754 te <i>Leeuwarden</i> 140 zielen
+bedroeg, in 1798 tot 433 zielen was toegenomen, lieten
+zij daar in 1805 eene nieuwe en groote Synagoge bouwen.
+Vervolgens nam ook deze gezindte in dit gewest zoodanig
+toe, dat de <i>Nederlandsche Isra&euml;liten</i> in <i>Friesland</i> thans
+een <i>Synagogaal Ressort</i> uitmaken, met eene Hoofdsynagoge
+te <i>Leeuwarden</i>, door een Opper-Rabbijn bediend,
+benevens vijf Ring-synagogen, als: te <i>Gorredijk</i>, <i>Harlingen</i>,
+<i>Bolsward</i>, <i>Lemmer</i> en <i>Sneek</i>, met twee bijkerken
+te <i>Noordwolde</i> en <i>Hindeloopen</i>; terwijl hun
+getal op den 1 Januarij 1851 ruim 2,000 zielen bedroeg.</p>
+
+<hr class="footn" />
+
+<div class="footnote">
+
+<p><a name="Footnote_285" id="Footnote_285"></a><a href="#FNanchor_285"><span class="label">[285]</span></a>
+<span class="smcap">Winsemius</span>, 595-710; <span class="smcap">schotanus</span>, 790-884; <i>Charterb.</i> IV
+119, 144, 148, 150, 218, 221, 225, 235, 241, 280, 296 enz.;
+<span class="smcap">foeke sjoerds</span>, <i>Beschrijv.</i> II 727 env.;
+<span class="smcap">lorgion</span>, <i>Geschied. der Kerkhervorming
+in Friesl.</i> 110 env. en <i>de Ned. Herv. Kerk in Friesl.</i> 1 env.</p>
+
+<p><a name="Footnote_286" id="Footnote_286"></a><a href="#FNanchor_286"><span class="label">[286]</span></a>
+<span class="smcap">Lorgion</span>, <i>de Herv. Kerk</i>, 3 env. Zie over de Synode <a href="#Page_240">bl.
+240</a> hier v&oacute;&oacute;r.</p>
+
+<p><a name="Footnote_287" id="Footnote_287"></a><a href="#FNanchor_287"><span class="label">[287]</span></a>
+Men zie dit nader uiteengezet in het belangrijke werkje van
+Prof. <span class="smcap">muurling</span>, <i>over de echt Christelijke Beginselen der oorspronkelijke
+Nederlandsche Hervormde Kerk</i>, Gron. 1849. Mijne voorstelling,
+ook van het vervolg, is op het gezag van dezen
+voortreffelijken geleerde gegrond.</p>
+
+<p><a name="Footnote_288" id="Footnote_288"></a><a href="#FNanchor_288"><span class="label">[288]</span></a>
+Zie dit breeder bij <span class="smcap">ypeij</span> en <span class="smcap">dermout</span>, <i>Geschied. der Ned.
+Herv. Kerk</i>, Breda 1822, II 50-66, 177, 181 en Aant. bl. 105 env.</p>
+
+<p><a name="Footnote_289" id="Footnote_289"></a><a href="#FNanchor_289"><span class="label">[289]</span></a>
+Zie de stukken betrekkelijk de Synode in het <i>Charterb.</i> V
+219, 229, 230, 249, 253, 254, 258, 269, 270; <i>Reg. Staats-res.</i>
+378, 785; <span class="smcap">winsemius</span>, 900; <span class="smcap">foeke sjoerds</span>, <i>Beschrijv.</i> II 738;
+<span class="smcap">lorgion</span>, <i>de Herv. Kerk</i>, 63 env.;
+<span class="smcap">ypeij</span> en <span class="smcap">dermout</span>, I 414, II
+241, Aant. bl. 165, en vooral <span class="smcap">brandt</span>, <i>Hist. der Reformatie</i>, II 552,
+IV 17-22, 285, 288, 766. De Friesche Staten beschouwden
+die kerkenorde als voor deze provincie &#8222;niet prakticabel, en tegen
+&#8217;s lands resolutien strijdig in vele punten.&#8221;</p>
+
+<p><a name="Footnote_290" id="Footnote_290"></a><a href="#FNanchor_290"><span class="label">[290]</span></a>
+Zie de bijzonderheden daaromtrent bij <span class="smcap">brandt</span>, II 3, 12,
+243, 430, III 141, IV 17 env. ook erkend door <span class="smcap">ypeij</span> en <span class="smcap">dermout</span>,
+II 213, 219, 230, Aant. bl. 165; <span class="smcap">lorgion</span>, <i>de Herv. Kerk</i>, 65;
+<span class="smcap">van kampen</span>, <i>Vad. Geschied.</i> I 476; <i>Karakterkunde</i>, II 19.</p>
+
+<p><a name="Footnote_291" id="Footnote_291"></a><a href="#FNanchor_291"><span class="label">[291]</span></a>
+<i>Charterb.</i> V 282, 320; <span class="smcap">lorgion</span>, <i>de Herv. Kerk</i>, 67-77, 83,
+314, 330. Over <span class="smcap">kamphuijzen&#8217;s</span> verblijf en graf te <i>Dokkum</i> zie men de
+berigten van Prof. <span class="smcap">de crane</span>, in zijne <i>Letter- en Geschiedkundige
+Verzameling</i>, Leeuw. 1841, 37.</p>
+
+<p><a name="Footnote_292" id="Footnote_292"></a><a href="#FNanchor_292"><span class="label">[292]</span></a>
+Woorden van Prof. <span class="smcap">muurling</span>, t. a. pl. 27, 45, 49, 51,
+met verwijzing naar de verhandd. van Prof. <span class="smcap">kist</span>, <i>over de beginselen
+en het onvoltooide der Kerkhervorming</i> en Prof. <span class="smcap">hofstede de groot</span>, <i>over
+den gang der Godgeleerdh. in Nederl.</i> beide in het <i>Ned. Archief</i>, I en II.</p>
+
+<p><a name="Footnote_293" id="Footnote_293"></a><a href="#FNanchor_293"><span class="label">[293]</span></a>
+Eene groote menigte werken van Friesche Godgeleerden uit
+dit tijdvak heb ik verzameld. Indien de zaken niet te heilig waren,
+zou eene bloemlezing uit derzelver inhoud een belagchelijk tafereel
+kunnen opleveren. Slechts &eacute;&eacute;n titel voeg ik hierbij als proeve: <i>Samsons
+Leeuwen-aes vervult met Honing. Ofte dan vernederden Jesus; Arm
+wordende, om de sijne door sijn Armoede Rijck te maecken</i> enz. In
+XLIII <i>leer en troost-rijcke Pr&aelig;dicati&euml;n</i>. door <span class="smcap">theod. couperum</span>, Pr&aelig;d.
+te <i>Warga.</i> Leeuw. bij Hero Nauta, 1671.</p>
+
+<p><a name="Footnote_294" id="Footnote_294"></a><a href="#FNanchor_294"><span class="label">[294]</span></a>
+Zie bewijzen daarvan in <i><a href="#Aant26">Aanteekening 26</a></i>, en <a href="#Page_260">bl. 260</a> hier v&oacute;&oacute;r.</p>
+
+<p><a name="Footnote_295" id="Footnote_295"></a><a href="#FNanchor_295"><span class="label">[295]</span></a>
+Zie bewijzen daarvan in <i><a href="#Aant26">Aanteekening 26</a></i>, en <a href="#Page_260">bl. 260</a> hier v&oacute;&oacute;r.</p>
+
+<p><a name="Footnote_296" id="Footnote_296"></a><a href="#FNanchor_296"><span class="label">[296]</span></a>
+Zie mede <i><a href="#Aant26">Aanteek. 26</a></i>.</p>
+
+<p><a name="Footnote_297" id="Footnote_297"></a><a href="#FNanchor_297"><span class="label">[297]</span></a>
+<i>Charterboek</i>, V 972, 1203.</p>
+
+<p><a name="Footnote_298" id="Footnote_298"></a><a href="#FNanchor_298"><span class="label">[298]</span></a>
+Veelvuldig zijn de geschriften van en over den zoo hoog
+door mij vereerden <span class="smcap">bekker</span>. Ik wil daarvan enkel vermelden die
+van Do. <span class="smcap">diest lorgion</span>, <i>B. Bekker in Franeker</i> en <i>in Amsterdam</i>,
+Gron. 1848 en 51, 3 dln. waarin bijna al de overige zijn opgenoemd.</p>
+
+<p><a name="Footnote_299" id="Footnote_299"></a><a href="#FNanchor_299"><span class="label">[299]</span></a>
+Dus oordeelde de beroemde <span class="smcap">campegius vitringa</span> in de
+voorrede van zijn boek <i>over den Tempel van Ezechiel</i>, Fran. 1687.</p>
+
+<p><a name="Footnote_300" id="Footnote_300"></a><a href="#FNanchor_300"><span class="label">[300]</span></a>
+Zie over deze sekte het belangrijke werk van mijn vriend
+Do. <span class="smcap">h. van berkum</span>, <i>de Labadie en de Labadisten</i>, Sneek 1851, 2 dln.</p>
+
+<p><a name="Footnote_301" id="Footnote_301"></a><a href="#FNanchor_301"><span class="label">[301]</span></a>
+Zie <span class="smcap">blaupot ten cate</span>, <i>Doopsgez. in Friesland</i>, 208, 351;
+<span class="smcap">lorgion</span>, <i>de Herv. Kerk</i>, 240; <span class="smcap">ypeij</span> en <span class="smcap">dermout</span>, III 455. Het
+stuk van <span class="smcap">burmania</span> aan <span class="smcap">venema</span>, een Latijnsch en Nederd. vers,
+getiteld: <i>Gelofte aan Vulcaan</i>, is ook in andere opzigten belangrijk, als
+blijk, hoe er reeds in 1764 een beter licht aanbrak bij sommigen, die
+zich aan de verouderde boeijen trachtten te ontwringen en daarom
+den bijnaam van <i>Toleranten</i> hadden ontvangen. Zoo zegt hij in &#8217;t begin:<br />
+
+<span class="poem"><span class="stanza">
+<span class="i0">Zo vloek ik &#8217;t laffe werk, de kwaad&#8217; aantekeningen<br /></span>
+<span class="i0">Van &#8217;t gros der Leeraars, die zich binnen de enge kringen<br /></span>
+<span class="i0">Van een Systema, daar hun Weetenschap op rust,<br /></span>
+<span class="i0">Beperken, wars van moeite en noeste letterlust.<br /></span>
+<span class="i0">Zoo vloek ik hen, die by hun Meesters woorden zweeren.&mdash;<br /></span>
+<span class="i0">Gij waart het, schrand&#8217;re man, die &#8217;t eerst U onderwond<br /></span>
+<span class="i0">Om van het oude pad, dog met beschroomde schreeden,<br /></span>
+<span class="i0">In weerwil van den hoop, in veelen, af te treeden, enz.<br /></span>
+</span></span></p>
+
+<p><a name="Footnote_302" id="Footnote_302"></a><a href="#FNanchor_302"><span class="label">[302]</span></a>
+<span class="smcap">Opzoomer</span>, <i>het Wezen der Deugd</i>, 1, 20.</p>
+
+<p><a name="Footnote_303" id="Footnote_303"></a><a href="#FNanchor_303"><span class="label">[303]</span></a>
+Publicatie der Provisioneele Representanten van het volk van
+<i>Friesland</i>, van 21 Febr. 1795, <i>Verzaameling van Placaaten</i>, I 24.</p>
+
+<p><a name="Footnote_304" id="Footnote_304"></a><a href="#FNanchor_304"><span class="label">[304]</span></a>
+<i>Charterboek</i>, IV 241; <span class="smcap">winsemius</span>, 700; <span class="smcap">blaupot ten cate</span>,
+<i>Geschiedenis der Doopsgezinden in Friesland</i>, 124. Zie ook hier
+voor <a href="#Page_167">bl. 167</a>-<a href="#Page_174">174</a>, <a href="#Page_199">199</a>.</p>
+
+<p><a name="Footnote_305" id="Footnote_305"></a><a href="#FNanchor_305"><span class="label">[305]</span></a>
+Het merkwaardig <i>Protocol, dat is, de gantsche handelinge
+des ghesprecx</i>, waarbij steeds leden van Gedeputeerde Staten en
+der regering van <i>Leeuwarden</i> tegenwoordig waren, in den volgenden
+jare gedrukt, in 4<sup>o</sup>. ruim 500 bl. in twee kolommen groot,
+berust in de Stedelijke Bibliotheek van <i>Leeuwarden</i>. Zie een uitvoerig
+verslag daarvan bij <span class="smcap">blaupot ten cate</span>, bl. 131-137.</p>
+
+<p><a name="Footnote_306" id="Footnote_306"></a><a href="#FNanchor_306"><span class="label">[306]</span></a>
+<i>Charterboek</i>, V 577, 621, 654 en de Resoluti&euml;n der Staten,
+der Gedeputeerde Staten en der Regering van <i>Leeuwarden</i>.</p>
+
+<p><a name="Footnote_307" id="Footnote_307"></a><a href="#FNanchor_307"><span class="label">[307]</span></a>
+Zie <i>Charterboek</i>, V 747, 749, 814, 1122; <i>Register op
+Staats-resoluti&euml;n</i>, 179; <span class="smcap">ten cate</span>, 176.</p>
+
+<p><a name="Footnote_308" id="Footnote_308"></a><a href="#FNanchor_308"><span class="label">[308]</span></a>
+<i>Charterb.</i> V 670, VI 130; <span class="smcap">ten cate</span>, 148, 312, 313. De
+gevoelens van de Poolsche Godgeleerden <span class="smcap">lelius</span> en <span class="smcap">faustus socinus</span>,
+in 1638 verbannen, welke het meest van de leer der Kerk afweken,
+waren bijzonder hunne ontkenning van het leerstuk der Drie&euml;enheid
+en der Erfzonde en twijfelingen omtrent de godgelijkheid des Heeren.</p>
+
+<p><a name="Footnote_309" id="Footnote_309"></a><a href="#FNanchor_309"><span class="label">[309]</span></a>
+Dit verhalen <span class="smcap">ypeij</span> en <span class="smcap">dermout</span>, III 531 op grond van het
+<i>Historisch Verhaal omtrent Ds. de Cock</i>, 58, waar zelfs gezegd wordt,
+dat hij &#8222;het puik der Friesche Baronnen (alle Heeren van Bon-Sens)
+onder zijn gehoor had.&#8221; Zie ook <span class="smcap">lorgion</span>, <i>de Herv. Kerk</i>,
+241 en <span class="smcap">ten cate</span>, 214 en 351, waar ruim 40 geschriften opgenoemd
+worden, welke betrekkelijk deze, destijds zoowel elders als
+in <i>Friesland</i>, veel geruchtmakende zaak zijn uitgegeven.</p>
+
+<p><a name="Footnote_310" id="Footnote_310"></a><a href="#FNanchor_310"><span class="label">[310]</span></a>
+Zie dit meer bijzonder aangewezen in de verhandeling van Prof.
+<span class="smcap">siegenbeek</span>, <i>over hetgeen het Kerkgenootschap der Doopsgezinden, in
+de laatste 50 jaren, tot verspreiding van redelijke Godsdienstkennis,
+handhaving van het zuivere Christendom en verbetering der Predikwijze,
+in de Protestantsche Kerk van Nederland heeft toegebragt</i>, geplaatst
+in het 6<sup>e</sup> dl. van <span class="smcap">kist</span> en
+<span class="smcap">royaards</span>, <i>Archief</i>, Leiden 1835, 203.</p>
+
+<p><a name="Footnote_311" id="Footnote_311"></a><a href="#FNanchor_311"><span class="label">[311]</span></a>
+Over de oorzaken van het verminderde getal leden heeft
+D<sup>o</sup>. <span class="smcap">blaupot ten cate</span> een afzonderlijk werkje geschreven, getiteld:
+<i>Gedachten over de Getals-vermindering bij de Doopsgezinden</i>, Amst.
+1844, naar aanleiding van opmerkingen deswege in het belangrijke
+werk van D<sup>o</sup>. <span class="smcap">j. h. halbertsma</span>, <i>de Doopsgezinden en hunne herkomst</i>,
+Dev. 1843. Volgens eene lijst daarin, zijn er in <i>Friesland</i>
+wel 27 gemeenten te niet gegaan.</p>
+
+<p><a name="Footnote_312" id="Footnote_312"></a><a href="#FNanchor_312"><span class="label">[312]</span></a>
+Het volgende is hoofdzakelijk getrokken uit de berigten van
+de Eerw. Heeren <span class="smcap">schultz jacobi</span> en
+<span class="smcap">schutte</span>, in <i><a href="#Aant19">Aant. 19</a></i> breeder
+vermeld. Zie ook <a href="#Page_164">bl. 164</a> hier v&oacute;&oacute;r, en meerdere bijzonderheden
+in mijne <i>Geschiedkundige Beschrijving van Leeuwarden</i>, II 118.</p>
+
+<p><a name="Footnote_313" id="Footnote_313"></a><a href="#FNanchor_313"><span class="label">[313]</span></a>
+<i>Kronijk</i>, in het <i>Archief</i> van <span class="smcap">visser</span> en <span class="smcap">amersfoordt</span>, II 427.</p>
+
+<p><a name="Footnote_314" id="Footnote_314"></a><a href="#FNanchor_314"><span class="label">[314]</span></a>
+Bij <span class="smcap">schultz jacobi</span>, 173, 184. Hij heeft deze lijst opgemaakt
+uit het Album der Wittenbergsche Hoogeschool, dat echter slechts
+tot 1560 is gedrukt.</p>
+
+<p><a name="Footnote_315" id="Footnote_315"></a><a href="#FNanchor_315"><span class="label">[315]</span></a>
+Zie deze plakkaten in het <i>Charterboek</i>, II 107, 194, 415,
+514, 563, 594, 626, 633 env.</p>
+
+<p><a name="Footnote_316" id="Footnote_316"></a><a href="#FNanchor_316"><span class="label">[316]</span></a>
+Uit de Akademische akten medegedeeld door D<sup>o</sup>. <span class="smcap">lorgion</span>,
+<i>de Hervormde Kerk</i>, 118.</p>
+
+<p><a name="Footnote_317" id="Footnote_317"></a><a href="#FNanchor_317"><span class="label">[317]</span></a>
+Zie dit besluit in het <i>Charterb.</i> V 1194 en bij <span class="smcap">schutte</span>, 189;
+alsmede <i>Reg. Staats-res.</i> 447; <span class="smcap">ypeij</span> en <span class="smcap">dermout</span>, I Aant. bl. 153.</p>
+
+<p><a name="Footnote_318" id="Footnote_318"></a><a href="#FNanchor_318"><span class="label">[318]</span></a>
+<i>Verhaal van de verrigtingen der Jezuieten in Friesland</i> is de
+titel van dit geschrift, dat, uit het latijn vertaald, in 1842 door
+de Heeren <span class="smcap">amersfoordt</span> en <span class="smcap">evertsz</span> is uitgegeven, met vele belangrijke
+aanmerkingen over dit onderwerp verrijkt.</p>
+
+<p><a name="Footnote_319" id="Footnote_319"></a><a href="#FNanchor_319"><span class="label">[319]</span></a>
+<i>Iesvitica per Vnitas Belgij Prov. Negociatio</i> is de latijnsche,
+en <i>Der Jesuyten Negotiatie ofte Coop-handel inde Vereenichde Nederl.</i>
+de Nederduitsche titel van dit hoogst zeldzame, in de Stedelijke
+Bibliotheek van <i>Leeuwarden</i> bewaarde geschrift, dat den Heeren
+<span class="smcap">amersfoordt</span> en <span class="smcap">evertsz</span> zelfs onbekend bleef, en waarvan zij bl.
+49 en 250 melding maken naar eene schets, welke <span class="smcap">scheltema</span>
+daarvan gaf in <span class="smcap">kist</span> en <span class="smcap">royaards</span>, <i>Archief</i>, III 399.</p>
+
+<p><a name="Footnote_320" id="Footnote_320"></a><a href="#FNanchor_320"><span class="label">[320]</span></a>
+<span class="smcap">Lorgion</span>, Bijlagen tot <i>de Ned. Herv. Kerk</i>, 340.</p>
+
+<p><a name="Footnote_321" id="Footnote_321"></a><a href="#FNanchor_321"><span class="label">[321]</span></a>
+Zie <span class="smcap">sylvius</span>, <i>Vervolg op</i> <span class="smcap">aitzema</span>, 1687, III 95.</p>
+
+<p><a name="Footnote_322" id="Footnote_322"></a><a href="#FNanchor_322"><span class="label">[322]</span></a>
+Zie al de Staatsbesluiten vermeld op het <i>Register</i>, bl. 352,
+605, 614, en vele daarvan op de daarin vermelde datums gedrukt
+in het <i>Charterboek</i>; alsmede meerdere bijzonderheden in mijne
+<i>Geschiedkundige Beschrijving van Leeuwarden</i>, II 171, 197.</p>
+
+<p><a name="Footnote_323" id="Footnote_323"></a><a href="#FNanchor_323"><span class="label">[323]</span></a>
+<i>Heedendaegse Rechts-geleertheyt</i>, <i>Leeuw.</i> 1699, I 25.</p>
+
+<p><a name="Footnote_324" id="Footnote_324"></a><a href="#FNanchor_324"><span class="label">[324]</span></a>
+Zie <i>Verzameling van Placaten</i>, IV 367, 372.</p>
+
+<p><a name="Footnote_325" id="Footnote_325"></a><a href="#FNanchor_325"><span class="label">[325]</span></a>
+Aldaar, I 24.</p>
+
+<p><a name="Footnote_326" id="Footnote_326"></a><a href="#FNanchor_326"><span class="label">[326]</span></a>
+Sedert dien tijd is het getal Roomsch Katholijken in deze
+provincie dermate toegenomen, dat het Aartspriesterschap van
+<i>Friesland</i> thans, 1851, uit ruim 21,000 zielen bestaat, uitmakende 31
+stati&euml;n en 32 gemeenten, met een Deken en Aartspriester, te <i>Sneek</i>
+wonende, aan het hoofd.</p>
+
+<p><a name="Footnote_327" id="Footnote_327"></a><a href="#FNanchor_327"><span class="label">[327]</span></a>
+<span class="smcap">Wagenaar</span>, <i>Amsterdam</i>, II 220. Sedert is dit onderwerp
+herhaaldelijk en uitvoerig behandeld in <span class="smcap">van wijn</span>, <i>Huiszittend Leeven</i>,
+Amst. 1801; <span class="smcap">van hamelsveld</span>, <i>Geschiedenis der Joden</i>, ald.
+1807, en vooral in de onder laatsten titel door het Utrechtsch
+Genootschap bekroonde verhandeling van den Heer <span class="smcap">h. j. koenen</span>,
+1843, wezenlijk een sieraad onzer letterkunde.</p>
+
+<p><a name="Footnote_328" id="Footnote_328"></a><a href="#FNanchor_328"><span class="label">[328]</span></a>
+Zie <i>Reg. Staats-res.</i> 370, 598, 344, waar het plakkaat en
+formulier voorkomen; alsmede meerdere berigten in de <i>Geschiedkundige
+Beschrijving van Leeuwarden</i>, II 198.</p>
+
+</div>
+
+<hr class="footn" />
+
+<p class='pagenum'><a name="Page_387" id="Page_387">[387]</a></p>
+
+<h3>40. <i>Frieslands Roem
+in Kunsten en Wetenschappen.</i></h3>
+
+<p>Weinige onderwerpen zijn er, welke zoo belangrijk en
+tevens zoo bekoorlijk zijn, als de Geschiedenis van de
+Letterkunde. Hoe gaarne zou ik dus, indien het mij
+niet aan tijd en krachten faalde, onder bovenstaanden
+titel, een uitvoerig tafereel willen ophangen van der
+Friezen aandeel in de pogingen der Nederlanders, om de
+vruchten van hunnen geest en ijver dienstbaar te maken
+tot uitbreiding van het rijk van waarheid, kennis en
+deugd en tot aankweeking van goeden smaak en kunstzin?
+Eigenschappen, welke, als kenmerken en vereischen van
+het streven naar meerdere volmaking, het wezen en het
+doel eener burgermaatschappij moeten uitmaken. De
+mensch, half dier, half engel, heeft toch hoogere behoeften
+en eene edeler bestemming dan brood en vleesch
+kunnen bevredigen of vervullen. Gelukkig zij dus, die
+bij het leven des ligchaams ook het leven van den geest
+trachten te voeden: want de wetenschappen en kunsten
+zijn, naast de godsdienst, evenzeer sieraden als onmisbare
+hulpmiddelen ter opvoeding en beschaving van een volk
+in deze aardsche oefenschool voor eene betere wereld.
+Zonder vorming voor die wereld is er hier toch geene
+vatbaarheid voor geluk, geene kracht om te lijden en te
+strijden, geen moed om te sterven.</p>
+
+<p>Dat tafereel van de geschiedenis der letterkunde in
+<i>Friesland</i> zou zeker tevens de blijken leveren, dat deze
+provincie, naar gelang harer bevolking en krachten,
+zich wel met andere provinci&euml;n des vaderlands heeft
+kunnen meten in den edelen wedstrijd ter bevordering
+van het ware, goede en schoone; zelfs met <i>Holland</i>,
+welks roem in kunsten en wetenschappen ook door
+den Baron <span class="smcap">collot d&#8217;escury</span> zoo eervol is
+gehandhaafd.<span class='pagenum'><a name="Page_388" id="Page_388">[388]</a></span>
+Of heeft niet een van Hollands eigene geschiedschrijvers,
+de voortreffelijke <span class="smcap">van kampen</span>, mede erkend: &raquo;Het is inderdaad
+hoogstmerkwaardig, dat <i>Friesland</i>, een zoo middelmatig
+Gewest van het kleine <i>Nederland</i>, in allerlei
+takken van menschelijke kennis, zoo vele uitstekende
+mannen heeft opgeleverd; zoodat men moet bekennen,
+dat dit Gewest zoo rijk geweest is in beroemde mannen,
+in zijnen schoot voortgebragt of gekoesterd, als bezwaarlijk
+eenig Land van gelijke uitgebreidheid in <i>Europa</i>&#8221;<a
+name="FNanchor_329" id="FNanchor_329"></a><a href="#Footnote_329" class="fnanchor">[329]</a>.</p>
+
+<p>Hoe aangenaam en belangrijk het behandelen van dit
+onderwerp ook zij, het volbrengen daarvan moet ik
+echter aan een ander beoefenaar van wetenschap en kunst
+in deze provincie overlaten. Naar het bestek en plan
+van dit werk kan ik hier van dit onderwerp in hoofdtrekken
+slechts datgene aanstippen, wat ik wensch, dat
+een ander, met gelijken lust, doch meer bekwaamheid,
+uitvoeriger en vollediger in het licht moge stellen, in
+verband met de ontwikkeling van beschaving en volksgeluk.</p>
+
+<p>In de eerste plaats verdient dan onze aandacht:</p>
+
+
+<h4><i>Frieslands Hoogeschool te Franeker.</i></h4>
+
+<p>In weerwil de Spaansche benden nog op de grenzen
+stonden des lands, dat zij herhaaldelijk door hunne invallen
+verontrustten;&mdash;ondanks gebrek aan krijgsvolk en
+middelen, die de verworvene onafhankelijkheid moesten
+verzekeren;&mdash;niettegenstaande hevige twisten tusschen de
+leden der regering over de mate en de grenzen des gezags&mdash;waren
+de Staten van <i>Friesland</i> zeer spoedig
+bedacht, om, als eene eerste vrucht van de zegepraal
+der hervorming, hier eene kweekschool der wetenschappen
+te stichten; vooral, om de kerk van geschikte<span class='pagenum'><a name="Page_389" id="Page_389">[389]</a></span>
+predikanten te voorzien. Zij meenden tevens aan de
+goederen der voormalige kloosters, aan den lande vervallen,
+geene betere bestemming te kunnen geven, dan
+om ze dienstbaar te maken tot het vrome doel, om de
+jeugd door onderwijs te vormen voor de dienst van Kerk
+en Staat, die behoefte hadden aan eene leerschool, tot
+dusverre steeds buitenlands gezocht. En op den zelfden
+landsdag van 1584, waarop zij den eed tot afzwering
+van Koning <span class="smcap">filips</span> herhaalden en Graaf <span class="smcap">willem lodewijk</span>
+<i>van Nassau</i> tot hunnen Stadhouder verkozen, besloten
+zij tot oprigting van een &raquo;Seminarium ofte Collegium
+tot welstand der Kercke Gods en het Polytische Regiment&#8221;<a
+name="FNanchor_330" id="FNanchor_330"></a><a href="#Footnote_330" class="fnanchor">[330]</a>.</p>
+
+<p>Het voormalige Kruisebroeders-klooster te <i>Franeker</i>
+werd daartoe aangewezen, en de voor acht jaren te <i>Leiden</i>
+gestichte Akademie tot voorbeeld gekozen. In verschillende
+vakken werden geleerde mannen tot Hoogleeraren
+benoemd; ja zelfs twee, <span class="smcap">tiara</span> en <span class="smcap">drusius</span>, van <i>Leiden</i>
+herwaarts beroepen, waarna de plegtige inwijding den
+29 Julij 1585 plaats had. Door de hoogleeraren geheel
+en de studenten ten deele van alle belastingen vrij te
+stellen; door het oprigten van een Akademische Bibliotheek;
+door het aannemen van een groot getal Alumni,
+die op lands kosten studeerden, waarvan het getal in
+1598 tot 124 bepaald werd; door het instellen van eene
+Oeconomie en daarna van eene Beurs of algemeene tafel,
+ook voor minvermogende en vreemde studenten, en door
+wijze wetten en verordeningen trachtte het landsbestuur
+alles te bevorderen, wat tot bloei en uitbreiding van de
+Akademie kon strekken. De gewenschte vrucht daarvan
+bleef ook niet achter. Nadat in 1604 vier Curatoren<span class='pagenum'><a name="Page_390" id="Page_390">[390]</a></span>
+namens de Staten meer bepaald met de zorg voor de
+belangen der Hoogeschool belast waren, nam het aantal
+studenten ongemeen toe, en werd ook het getal hoogleeraren
+vermeerderd; terwijl de roem van hunne geleerdheid
+en onderwijs mede vele buitenlanders aanspoorde,
+het kleine, doch voor de beoefening van de wetenschappen
+zoo geschikte <i>Franeker</i> te bezoeken. De akademische
+inrigtingen werden vervolgens in 1632 met een Hortus
+Botanicus en in 1752 met Laboratorium Chemicum vermeerderd<a name="FNanchor_331"
+id="FNanchor_331"></a><a href="#Footnote_331" class="fnanchor">[331]</a>.
+Vandaar, dat, in weerwil het getal Alumni
+lands voedsterlingen in 1664 tot op 41 verminderd was,
+het bij de plegtige viering van het eerste eeuwfeest der
+Akademie in 1685 bleek, dat het getal der gedurende
+de eerste honderd jaren ingeschreven studenten niet minder
+dan 10,643 had bedragen<a name="FNanchor_332" id="FNanchor_332"></a><a
+href="#Footnote_332" class="fnanchor">[332]</a>.</p>
+
+<p>Maar welke Hoogleeraren waren het ook, die door hun
+onderwijs en schriften de inboorlingen tot bekwame mannen
+vormden en zoo vele vreemdelingen, ook uit ver
+verwijderde landen, tot zich trokken? In de <span class="gesp">Godgeleerdheid</span>
+waren het <span class="smcap">lydius</span>, <span class="smcap">van der linden</span> en
+<span class="smcap">lubbertus</span>, en op hun voetspoor twee
+<span class="smcap">schotanussen</span>, <span class="smcap">cloppenburg</span>
+en <span class="smcap">arnoldus</span>, die den roem der Hoogeschool
+vestigden, gelijk <span class="smcap">witsius</span>, <span class="smcap">van marck</span>,
+twee <span class="smcap">vitringa&#8217;s</span>,
+twee <span class="smcap">van der waeyens</span>, <span class="smcap">ro&euml;ll</span>,
+<span class="smcap">conradi</span>, <span class="smcap">venema</span> en <span class="smcap">van
+voorst</span>, die hem handhaafden en uitbreidden. In de
+<span class="gesp">Regtsgeleerdheid</span> werd te <i>Franeker</i> eene school
+gevormd, welke uitstekende leerlingen kweekte onder de<span class='pagenum'><a name="Page_391" id="Page_391">[391]</a></span>
+hoogleeraren <span class="smcap">van beijma</span>, twee <span class="smcap">schotanussen</span>, <span class="smcap">van den
+sande</span>, <span class="smcap">faber</span> en <span class="smcap">bouricius</span>, die later nog overtroffen
+werden door <span class="smcap">wissenbach</span>, twee
+<span class="smcap">hubers</span>, <span class="smcap">noodt</span>, <span class="smcap">schulting</span>,
+<span class="smcap">westenberg</span> en <span class="smcap">heineccius</span>, die Europeschen roem
+verwierven, alsmede door twee <span class="smcap">voorda&#8217;s</span>,
+<span class="smcap">wieling</span>, <span class="smcap">trotz</span>,
+<span class="smcap">cannegieter</span> enz. De <span class="gesp">Genees-</span>,
+<span class="gesp">Wis-</span> en <span class="gesp">Natuurkundige
+Wetenschappen</span> vonden ijverige beoefenaars
+in <span class="smcap">auletius</span>, <span class="smcap">clingbijl</span>,
+<span class="smcap">metius</span>, <span class="smcap">m. winsemius</span>, <span class="smcap">van
+der linden</span> en <span class="smcap">holwarda</span>, doch vooral in twee <span class="smcap">matth&aelig;ussen</span>,
+twee <span class="smcap">fulleniussen</span>, <span class="smcap">muys</span>,
+<span class="smcap">lor&eacute;</span>, <span class="smcap">ouwens</span>,
+twee <span class="smcap">ypeijs</span>, twee <span class="smcap">brugmansen</span>,
+<span class="smcap">camper</span>, <span class="smcap">van swinden</span> enz.
+Inzonderheid bloeide hier de beoefening van de <span class="gesp">Oude
+Talen</span>, <span class="gesp">Letteren</span> en <span class="gesp">Geschiedenis</span> onder mannen
+als: <span class="smcap">tiara</span>, <span class="smcap">drusius</span> en <span class="smcap">amama</span>, die de grondslagen
+legden, waarop <span class="smcap">rhala</span>, <span class="smcap">pasor</span>,
+<span class="smcap">p. winsemius</span>, <span class="smcap">moll</span> en
+<span class="smcap">terentius</span> voortbouwden, om onder <span class="smcap">bos</span>, <span class="smcap">schultens</span>,
+<span class="smcap">wesseling</span> en <span class="smcap">vriemoet</span>
+zich uit te breiden en door <span class="smcap">hemsterhuis</span>,
+<span class="smcap">burman</span>, <span class="smcap">d&#8217;arnaud</span>,
+<span class="smcap">valckenaer</span> en <span class="smcap">schrader</span>
+eene schitterende hoogte te bereiken, waarvan onder <span class="smcap">van
+lennep</span>, <span class="smcap">van kooten</span> en <span class="smcap">wassenbergh</span> nog de stralen
+blonken<a name="FNanchor_333" id="FNanchor_333"></a><a href="#Footnote_333" class="fnanchor">[333]</a>.</p>
+
+<p>Inderdaad, eene rij van ge&euml;erbiedigde namen, meest
+Friezen van geboorte, door de wijsheid van Frieslands
+staatsleden aan deze Hoogeschool verbonden, om het licht
+van geleerdheid en wetenschap te verspreiden; mannen,
+die voor Kerk, Staat en andere hoogescholen uitmuntende
+leerlingen vormden, en die hun roem aan de eer van <i>Franeker</i>
+hebben verbonden. &#8217;t Was d&aacute;&aacute;rom, dat de geschiedschrijver
+van Ne&ecirc;rlands letterkunde deze stad bij herhaling
+hulde bragt, als eene bron van kennis voor ons vaderland,
+daar hij &raquo;<i>Franeker</i> eens de eerste en voornaamste<span class='pagenum'><a name="Page_392" id="Page_392">[392]</a></span>
+Hoogeschool van <i>Nederland</i> en de kweekhof van groote
+mannen voor <i>Leyden</i>&#8221; noemde<a name="FNanchor_334"
+id="FNanchor_334"></a><a href="#Footnote_334" class="fnanchor">[334]</a>.</p>
+
+<p>&raquo;Zoo heeft God dese Academie steeds seer gesegent,
+met vermaerde Mannen, die tot alle tyden hier geweest
+zijn, en die, naest vele vryheden ende groote privilegien,
+de gunst, vriendschap en de beleeftheyt genoten van de
+Regenten en Principaelen des Landts, welke dese Academie
+beminden en voorstonden als de croon en cieraedt
+der Provincie&#8221;<a name="FNanchor_335" id="FNanchor_335"></a><a
+href="#Footnote_335" class="fnanchor">[335]</a>. De eenmaal ingestelde heilzame
+verordeningen moesten echter bij herhaling vernieuwd,
+uitgebreid en aangedrongen worden, wegens veelvuldige
+ingeslopen misbruiken; terwijl zoovele, uit verschillende
+nati&euml;n herwaarts gevloeide, studenten te dikwijls aanleiding
+gaven tot klagten over drinkgelagen en baldadigheden,
+waartegen soms strenge maatregelen werden genomen.
+Van den aanvang af werd toch als het doel der studi&euml;n
+voorgesteld, om zoowel uit te munten &raquo;in geleertheyt
+als seden ende eerbaerheyt, opdat de jeugd, die opgequeeckt
+wordt tot Predick ende Richtstoelen, den
+roem van eenen goeden wandel en een reyn gemoet met
+haer brengen&#8221;<a name="FNanchor_336" id="FNanchor_336"></a><a href="#Footnote_336" class="fnanchor">[336]</a>.</p>
+
+<p>Bij den tijdelijk ongunstigen toestand der provinciale
+financi&euml;n konden de Staten, die tot dusverre de belangen<span class='pagenum'><a name="Page_393" id="Page_393">[393]</a></span>
+der Akademie zoo onbekrompen hadden bevorderd, goedvinden,
+in 1774 eenige &raquo;poincten van menage&#8221; in te voeren.
+Deze hadden noodlottige gevolgen, zoodat, ook wegens
+het verminderen van het getal vreemde studenten, haar
+bloei blijkbaar gedaald was, toen in 1785 het tweede eeuwfeest
+der Hoogeschool schijnbaar met luister werd gevierd.</p>
+
+<p>Doch toen ook kwijnden de studi&euml;n mede onder het
+geklank der opgevatte wapenen bij den opgewekten
+vrijheidszin onder de staatkundige verdeeldheden en beroerten,
+waarvan <i>Franeker</i> vooral de zetel was, en ten
+gevolge waarvan in 1787 vier hoogleeraren en een aantal
+studenten deze stad verlieten. Te vergeefs trachtte men
+voor en na 1795 de hieruit voortgevloeide nadeelen
+te herstellen. Hoewel het getal studenten vervolgens
+weder tot 80 klom, sleepte de Hoogeschool, in vergelijking
+van haar vroeger aanzien, in het tijdvak der
+overheersching een kwijnend bestaan voort; totdat het
+Keizer <span class="smcap">napol&eacute;on</span> behaagde, haar in 1812 op te heffen,
+en dezen eens zoo roemrijken zetel van geleerdheid en
+wetenschap, die het vaderland zoo lang tot sieraad had
+verstrekt, te vernietigen<a name="FNanchor_337"
+id="FNanchor_337"></a><a href="#Footnote_337" class="fnanchor">[337]</a>.</p>
+
+
+<h4><i>Godgeleerden.</i></h4>
+
+<p>Ook behalve de vroeger genoemde hoogleeraren te
+<i>Franeker</i> heeft <i>Friesland</i> een groot getal <span class="gesp">Godgeleerden</span>
+voortgebragt of gekweekt, die &ograve;f als Hoogleeraren<span class='pagenum'><a name="Page_394" id="Page_394">[394]</a></span>
+op de andere vaderlandsche leerscholen, &ograve;f als Predikanten,
+door geleerdheid en uitgegevene geschriften hebben
+bijgedragen, om het licht van godsdienst-kennis te
+verspreiden en de leer der Kerk te handhaven. <span class="smcap">gellius
+snecanus</span>, <span class="smcap">sibrandus wommelius</span>, <span class="smcap">festus hommius</span> en <span class="smcap">gellius
+de bouma</span> waren in de eerste tijden even werkzaam
+om de Kerk te vestigen, als later <span class="smcap">franciscus elgersma</span>,
+<span class="smcap">domicus goltzius</span>, <span class="smcap">arnoldus landreben</span>,
+<span class="smcap">theodorus scheltinga</span>,
+<span class="smcap">henricus siccama</span> en <span class="smcap">hero sibersma</span>, om haar op
+te bouwen en te stichten. De schriften van <span class="smcap">theodorus</span>
+en <span class="smcap">wilhelmus &agrave; brakel</span> waren vooral lang algemeen geacht;
+zelfs werd de <i>Redelijke Godsdienst</i> des laatsten
+van 1700 tot 1767 17 malen herdrukt. <span class="smcap">david flud van
+giffen</span> en <span class="smcap">balthazar bekker</span> poogden echter meer heldere
+begrippen omtrent de godsdienst te verspreiden en vooroordeelen
+te bestrijden, welke pogingen eerst later vruchten
+droegen. <span class="smcap">Joh. wesselius</span>, <span class="smcap">theodorus van thuynen</span>,
+<span class="smcap">nicolaas schiere</span>, <span class="smcap">ibertus fennema</span>, <span class="smcap">martinus swartte</span>
+en <span class="smcap">johannes plantinus</span> waren in de 18<sup>e</sup> eeuw door leer
+en schriften zeer in achting. <span class="smcap">agg&aelig;us haitsma</span>, <span class="smcap">gavius
+nauta</span>, <span class="smcap">joannes stinstra</span>, <span class="smcap">benjamin frieswijk</span>, <span class="smcap">johannes
+habbema</span> en <span class="smcap">hero oosterbaan</span> muntten te gelijk door geleerdheid
+uit. Toen eindelijk de voortgang der verlichting
+vrijmoedigheid schonk, om vrijzinnige evangelische denkbeelden
+voor te dragen en een beter licht voor de Kerk
+te ontsteken, waren het de Friesche predikanten <span class="smcap">fokko
+liefsting</span>, <span class="smcap">jacobus engelsma mebius</span>, <span class="smcap">petrus</span> en <span class="smcap">jan
+brouwer</span>, <span class="smcap">petrus</span> en <span class="smcap">gerbrand bruining</span> en <span class="smcap">johannes henricus
+nieuwold</span>, die, even als vervolgens de hoogleeraren
+<span class="smcap">jodocus heringa ez.</span>, <span class="smcap">eelke tinga</span>,
+<span class="smcap">ann&aelig;us ypeij</span>, <span class="smcap">lucas
+suringar</span> en <span class="smcap">elias annes borger</span>, ijverig hebben medegewerkt,
+om in ons vaderland de kluisters der verouderde
+kerkleer te verbreken en het evangelische Christendom
+in eere te herstellen.</p>
+
+
+<h4><i>Regtsgeleerden.</i></h4>
+
+<p><span class='pagenum'><a name="Page_395" id="Page_395">[395]</a></span>Aanzienlijk is het getal Friezen, dat gedurende dit
+tijdvak in de <span class="gesp">Regtsgeleerdheid</span> grooten naam
+mogt verwerven<a name="FNanchor_338" id="FNanchor_338"></a><a
+href="#Footnote_338" class="fnanchor">[338]</a>. Hebben wij die, welke aan de Franeker
+Akademie uitblonken, genoemd, ook andere Hoogescholen
+des vaderlands hebben zij tot eer verstrekt, als: te
+<i>Leiden</i> <span class="smcap">jucke van beijma</span>, <span class="smcap">bernardus schotanus</span>, <span class="smcap">gerlach
+scheltinga</span>, <span class="smcap">bavius voorda</span> en <span class="smcap">jan valckenaer</span>; te
+<i>Utrecht</i>, behalve de zelfde <span class="smcap">schotanus</span> en <span class="smcap">valckenaer</span>,
+<span class="smcap">cyprianus regnerus van oosterga</span> en <span class="smcap">jacobus</span> en <span class="smcap">johannes
+henricus voorda</span>; terwijl mede op buitenlandsche Hoogescholen
+mannen als <span class="smcap">meinardus van aitzema</span> te <i>Rochelle</i>,
+<span class="smcap">franciscus meinardus</span> te <i>Poitiers</i> en <span class="smcap">dominicus van arum</span>
+te <i>Jena</i> de leerstoelen van het regt met roem hebben
+bekleed.</p>
+
+<p>Hoe vele namen van uitstekende regtsgeleerden bevat
+ook niet de Naamrol der Raden van het Hof
+van <i>Friesland</i>, welker roem van bekwaamheid en
+strenge regtvaardigheid den luister van deze ge&euml;erbiedigde
+regtbank verhoogde; personen, meest uit de eerste
+standen, die voortdurend bewezen, hoe zeer de beoefening
+van d&eacute;gelijke studi&euml;n bij den adel en de aanzienlijken
+van <i>Friesland</i> in achting stond<a name="FNanchor_339"
+id="FNanchor_339"></a><a href="#Footnote_339" class="fnanchor">[339]</a>. Nog talrijker
+is de Naamrol der Advokaten voor dit Hof,
+waarvan vele in deze en andere betrekkingen sieraden
+geworden zijn van hun vaderland. Ook de Naamlijst
+van de Grietmannen bevat eene menigte personen, die
+als regtsgeleerden en staatsmannen hebben uitgeblonken<a name="FNanchor_340"
+id="FNanchor_340"></a><a href="#Footnote_340" class="fnanchor">[340]</a>.<span
+class='pagenum'><a name="Page_396" id="Page_396">[396]</a></span>
+Velen hunner mogten toch als leden van de Staten of
+van de Gedeputeerde en Generale Staten, of in andere
+lands betrekkingen mede nuttig zijn en aanzien verwerven.
+Moeijelijk valt het uit zoo groot getal personen namen
+te noemen van hen, die zich het meest onderscheidden.
+Evenwel zullen de geschiedboeken des vaderlands altijd
+met eere vermelden de verrigtingen van mannen als:
+<span class="smcap">rombertus ulenburg</span>, <span class="smcap">eco
+ysbrandi</span>, <span class="smcap">keimpe</span> en <span class="smcap">frans van
+donia</span>, de Ambassadeur <span class="smcap">willem van haren</span>, <span class="smcap">allard pieter
+van jongestal</span>, <span class="smcap">sicco van goslinga</span>, <span class="smcap">ulbe aylva van burmania</span>,
+<span class="smcap">tjaard</span> en <span class="smcap">hessel douwe ernst van aylva</span>; gelijk
+mede van <span class="smcap">willem</span> en <span class="smcap">onno zwier van haren</span>, <span class="smcap">wybrand
+van itsma</span>, <span class="smcap">nicolaas arnoldi</span>, <span class="smcap">epo sjuck van burmania</span>,
+<span class="smcap">philip frederik</span> en <span class="smcap">johan vegilin van claerbergen</span>, <span class="smcap">georg
+frederik</span> Baron <span class="smcap">thoe schwartzenberg</span> enz.; terwijl de
+geslachten <span class="smcap">saeckma</span>, <span class="smcap">grovestins</span>,
+<span class="smcap">van sminia</span>, <span class="smcap">van aylva</span>,
+<span class="smcap">van eijsinga</span>, <span class="smcap">lycklama</span>,
+<span class="smcap">van wyckel</span>, <span class="smcap">bouricius</span>, <span class="smcap">beucker</span>,
+<span class="smcap">rengers</span>, <span class="smcap">van scheltinga</span>,
+<span class="smcap">huber</span>, <span class="smcap">van vierssen</span>, <span class="smcap">aitzema</span>,
+<span class="smcap">andringa</span>, <span class="smcap">de blau</span> enz. onderscheidene leden telden, die
+bij opvolging als regtsgeleerden en staatsmannen hebben
+uitgemunt<a name="FNanchor_341" id="FNanchor_341"></a><a href="#Footnote_341" class="fnanchor">[341]</a>.</p>
+
+<p>Buitendien waren er nog vele personen, die de vruchten
+hunner wetenschappelijke beoefening van de Regtsgeleerdheid
+door de uitgave van werken hebben bekend
+gemaakt. Van deze mogen wij de namen niet verzwijgen
+van <span class="smcap">sibrandus siccama</span>, <span class="smcap">jacobus bouricius</span>, <span class="smcap">tjalling
+van eijsinga</span>, <span class="smcap">thomas herbajus</span>, <span class="smcap">hero &agrave; schingen</span>,
+<span class="smcap">johan van den sande</span>, <span class="smcap">antonius kann</span>, <span class="smcap">dominicus hamerster</span>,
+<span class="smcap">gajus nauta</span>, <span class="smcap">simon
+binckes</span>, <span class="smcap">saco harmen van idsinga</span>,<span class='pagenum'><a name="Page_397" id="Page_397">[397]</a></span>
+<span class="smcap">petrus wierdsma</span>, <span class="smcap">petrus brandsma</span>, <span class="smcap">ennius harmen bergsma</span>
+en anderen. Doch reeds meer dan genoeg, om slechts
+aan te wijzen, dat <i>Friesland</i> ook in dit tijdvak rijk is
+geweest aan mannen, die als regtsgeleerden en staatkundigen
+het belang en de eer des vaderlands op eene
+waardige wijze hebben bevorderd.</p>
+
+
+<h4><i>Genees-, Heel- en Verloskundigen.</i></h4>
+
+<p>Ook in deze vakken kunnen wij mannen van naam
+vermelden. <span class="smcap">Henricus van bra</span>, <span class="smcap">s. eugalenus</span>, <span class="smcap">isbrand
+hieronymus frank</span>, <span class="smcap">siboldus</span> en <span class="smcap">johannes hemsterhuis</span>,
+<span class="smcap">g. follin</span> en <span class="smcap">hendrik van deventer</span> mogten in de 17<sup>e</sup>
+eeuw door hunne uitgegevene geschriften de kennis en den
+vooruitgang van die vakken evenzeer bevorderen, als in
+de 18<sup>e</sup> eeuw <span class="smcap">roelof
+roukema</span>, <span class="smcap">bernardus idema</span>, <span class="smcap">murk
+van phelsum</span>, <span class="smcap">tiberius lambergen</span>,
+<span class="smcap">simon stinstra</span>, <span class="smcap">jan
+de reus</span> en <span class="smcap">folkert snip</span>; gelijk vervolgens <span class="smcap">wynoldus
+munniks</span>, <span class="smcap">georgius</span> en <span class="smcap">gadso
+coopmans</span>, <span class="smcap">johannes de vries</span>,
+<span class="smcap">johannes mulder</span>, <span class="smcap">adolphus
+ypeij</span>, <span class="smcap">sebald justinus brugmans</span>
+en anderen. Grooter was echter het getal</p>
+
+
+<h4><i>Wis- en Natuurkundigen.</i></h4>
+
+<p>Reeds voor lang toch is opgemerkt, dat in der Friezen
+aard en karakter zich steeds een bijzonderen aanleg
+en neiging heeft geopenbaard voor de beoefening van de
+Mathematische wetenschappen in het algemeen en voor
+die der Sterre-, Meet- en Werktuigkunde in het bijzonder<a
+name="FNanchor_342" id="FNanchor_342"></a><a href="#Footnote_342" class="fnanchor">[342]</a>.
+Hebben wij vroeger reeds de namen van onderscheidene
+beoefenaars dier vakken in de 16<sup>e</sup> eeuw genoemd (<a href="#Page_158">bl. 158</a>),
+ook de 17<sup>e</sup> eeuw gaf daarvan bewijzen in
+<span class="smcap">johan sems</span>,<span class='pagenum'><a name="Page_398" id="Page_398">[398]</a></span>
+<span class="smcap">jan hendrik jarichs van der leij</span>, <span class="smcap">sibrand hansen kardinaal</span>,
+<span class="smcap">lieuwe willems graaf</span>, <span class="smcap">theodorus hoen</span>, <span class="smcap">hippolytus
+beyem van aerssen</span>, <span class="smcap">riemer sijbes</span>, <span class="smcap">christoffel
+middagten</span>, <span class="smcap">bernardus schotanus &agrave; steringa</span> en anderen,
+die meest allen door geschriften bewijzen gaven van hunne
+bekwaamheden. Nog rijker was de 18<sup>e</sup> eeuw in het
+voortbrengen van dergelijke vernuften, die veelal uit den
+eenvoudigen burgerstand of uit landbouwers voortkwamen,
+en grootendeels zonder onderwijs van anderen door eigen
+aanleg en inspanning zich vormden en soms eene verbazende
+hoogte mogten bereiken. Zoo waren te <i>Leeuwarden</i>
+<span class="smcap">johann hermann knoop</span>, <span class="smcap">haijke haanstra</span>, <span class="smcap">wijtse
+foppes dongjuma</span>, <span class="smcap">luitjen f. wiersma</span> en <span class="smcap">tjeerd ringneerij</span>
+ijverig werkzaam, om door onderwijs en schriften den
+bloei te bevorderen van vakken, waarin ook <span class="smcap">rienk jelgerhuis</span>,
+<span class="smcap">lucas oling</span>; <span class="smcap">mattheus siderius</span> en <span class="smcap">jan willem
+karsten</span> bewijzen gaven van groote bekwaamheden. Te
+<i>Harlingen</i> onderscheidden <span class="smcap">matthijs adolf van isdinga</span>
+en <span class="smcap">abe jans hingst</span> zich evenzeer in de zeevaartkunde,
+als de uurwerkmaker <span class="smcap">tjeerd radsma</span> in de werktuigkunde.</p>
+
+<p>Doch vooral te <i>Franeker</i> en omstreken bloeiden deze
+vakken. Waren <span class="smcap">david</span> en <span class="smcap">christoffel meese</span> als kruidkundigen
+hoog geacht&mdash;<span class="smcap">jan pieters van der bildt</span> en zijn
+kleinzoon <span class="smcap">bauke eisma van der bildt</span> mogten roem behalen
+door hunne teleskopen en andere optische werktuigen.
+Nevens verscheidene stille beoefenaren van wis- en sterrekunde
+onderscheidden zich daar verder <span class="smcap">wouter martens
+van der werf</span>, <span class="smcap">hendrik anjema</span> en <span class="smcap">pibo steenstra</span>; terwijl
+de scheikundige <span class="smcap">boudewijn tieboel</span> en de beroemde
+wijsgeer <span class="smcap">frans hemsterhuis</span> ook uit deze stad voortkwamen.
+In den omtrek van <i>Franeker</i> waren het de broeders
+<span class="smcap">rients</span> en <span class="smcap">klaas piers salverda</span> te <i>Salwerd</i>, <span class="smcap">klaas gerrits
+wieringa</span> te <i>Achlum</i> en <span class="smcap">obbe sikkes bangma</span> te
+<i>Arum</i>, doch vooral <span class="smcap">jelte eisinga</span> met zijne
+beide zonen,<span class='pagenum'><a name="Page_399" id="Page_399">[399]</a></span>
+<span class="smcap">eise</span> en <span class="smcap">stephanus</span>, te <i>Dronrijp</i>, die ongemeene vorderingen
+maakten in de wis-, sterre- en werktuigkunde.
+<span class="smcap">Eise eisinga</span> mogt het door eigene oefening zelfs z&oacute;&oacute; verre
+brengen, dat hij van 1773 tot 1780 te <i>Franeker</i> d&aacute;t
+voortreffelijk Planetarium of beweegbaar hemelstelsel vervaardigde,
+hetwelk, na door Prof. <span class="smcap">van swinden</span> te zijn
+beschreven, een voorwerp geworden is der bewondering
+van duizenden, die het kwamen beschouwen, gelijk het
+nog een sieraad is dier stad<a name="FNanchor_343"
+id="FNanchor_343"></a><a href="#Footnote_343" class="fnanchor">[343]</a>.</p>
+
+<p>Wij zouden meerdere namen kunnen noemen, als: van
+<span class="smcap">nikolaas epkema</span>, <span class="smcap">henricus
+&aelig;neae</span>, de gebroeders <span class="smcap">roelofs</span>
+en anderen; doch het aangevoerde zal wel genoeg zijn, om
+te bewijzen, dat <i>Friesland</i> steeds vruchtbaar is geweest
+in het voortbrengen ook van mathematische vernuften.</p>
+
+<p>Der Friezen aanleg voor de beoefening van d&eacute;gelijke
+studi&euml;n, waartoe, behalve gezond oordeel, geschiktheid
+tot afgetrokken nadenken met de zucht om naauwkeurig
+te toetsen en te overwegen en niet minder volharding
+vereischt worden, gaf mede aanleiding, dat velen hunner
+voedsel voor den geest zochten in het nasporen van de
+geschiedenis.&mdash;Vandaar het groot getal der door deze
+provincie gekweekte</p>
+
+
+<h4><i>Geschiedschrijvers.</i></h4>
+
+<p>Terwijl <span class="smcap">reinico fresinga</span> en <span class="smcap">frederik van vervou</span> van
+<i>Franeker</i>, <span class="smcap">everhard van reyd</span> te <i>Leeuwarden</i> en vooral
+<span class="smcap">lieuwe van aitzema</span> van <i>Dokkum</i> de belangrijke voorvallen
+van hunnen leeftijd voor het nageslacht te boek
+stelden, waren <span class="smcap">andreas cornelius</span>, <span class="smcap">martinus
+hamconius</span>,<span class='pagenum'><a name="Page_400" id="Page_400">[400]</a></span>
+<span class="smcap">bernardus furmerius</span>, <span class="smcap">pierius winsemius</span> en daarna <span class="smcap">christianus
+schotanus</span> en <span class="smcap">simon abbes gabbema</span> ijverig werkzaam,
+om de oudste geschiedenissen der Friezen op te
+delven uit de verspreide bronnen, welke het voorgeslacht
+hen had achtergelaten. Ook in de volgende eeuw ontbrak
+het niet aan vlijtige beoefenaars van de historie,
+waarvan de groote werken getuigen van <span class="smcap">jaques george
+de chaufepi&eacute;</span>, <span class="smcap">fran&ccedil;ois halma</span>, <span class="smcap">sigebertus haverkamp</span>,
+<span class="smcap">saco harmen van idsinga</span> en <span class="smcap">foeke sjoerds</span>, die echter
+zijne Beschrijving en Geschiedenis van <i>Friesland</i> naauwelijks
+ter helft mogt voltooijen. En terwijl <span class="smcap">simon stijl</span>
+eene schitterende proeve gaf eener wijsgeerige beschouwing
+van de vaderlandsche geschiedenis, mogten <span class="smcap">eduard marius</span>
+en <span class="smcap">ulbo van burmania</span>, <span class="smcap">wybrand van itsma</span>, <span class="smcap">abraham
+ferwerda</span> en anderen gewigtige bronnen en bijdragen in
+het licht geven; doch mogt het vooral den edelen <span class="smcap">georg
+frederik</span> Baron <span class="smcap">thoe schwartzenberg</span> gebeuren, met
+hulp van Dr. <span class="smcap">nicolaas tholen</span> en <span class="smcap">johan frederik maurits
+herbell</span>, door de gunst van &#8217;s lands Staten, <i>Friesland</i>
+een <i>Groot Plakkaat- en Charterboek</i> te bezorgen,
+van uitstekende waarde en duurzaam belang.</p>
+
+
+<h4><i>Letterkundigen.</i></h4>
+
+<p>Door de beoefening van de oude talen, bijzonder der
+Grieken en Romeinen, met oogmerk, om de voortreffelijke
+werken hunner klassieke schrijvers en dichters uit
+te leggen, op te helderen en tot veredeling van den
+smaak en verhooging van den kunstzin te kennen, heeft
+ons vaderland in de beide vorige eeuwen grooten roem
+verworven. Talrijke vreemdelingen kwamen soms herwaarts,
+all&eacute;&eacute;n om de uitstekende mannen te hooren,
+welke in dit vak onze hoogescholen luister bijzetten. In
+hoe verre <i>Franeker</i> daartoe heeft bijgedragen, hebben
+wij reeds vermeld. Bovendien waren er hier nog andere<span class='pagenum'><a name="Page_401" id="Page_401">[401]</a></span>
+letterkundigen, die &ograve;f in de scholen &ograve;f door uitgegevene
+geschriften het hunne hebben bijgebragt, om dezen
+grondslag der toenmalige geleerdheid te vestigen en dien
+roem te schragen. Dit deden <span class="smcap">joh. fungerus</span>, <span class="smcap">e. e. l. mellema</span>,
+<span class="smcap">edo neuhusius</span> en zijne zonen <span class="smcap">reinier</span> en <span class="smcap">hendrik</span>,
+alsmede <span class="smcap">tobias</span>, <span class="smcap">wernerus</span> en
+<span class="smcap">henricus gutberleth</span>, <span class="smcap">joh.
+hilarides</span> en anderen in de 17<sup>e</sup> eeuw; terwijl de 18<sup>e</sup>
+eeuw, waarin de scholen van <span class="smcap">valckenaer</span> en <span class="smcap">schrader</span>
+bloeiden, mannen kweekte, als: <span class="smcap">sigebertus haverkamp</span>,
+<span class="smcap">thomas wopkens</span>, <span class="smcap">olpherdus
+belida</span>, <span class="smcap">petrus</span> en <span class="smcap">gerhardus
+horreus</span>, <span class="smcap">joh. balck</span>, <span class="smcap">joh.
+pierson</span>, <span class="smcap">gijsbert koen</span>, <span class="smcap">h.
+van der sloot</span> en <span class="smcap">ernst willem higt</span>; gelijk later <span class="smcap">richeus
+van ommeren</span>, <span class="smcap">joh. adam nodell</span>, <span class="smcap">theodorus van kooten</span>,
+<span class="smcap">adrianus heringa</span>, <span class="smcap">frans hemsterhuis</span> en <span class="smcap">joannes verweij</span>;
+alsmede <span class="smcap">joh. ruardi</span>, <span class="smcap">jacobus terpstra</span>, <span class="smcap">joh. daniel
+van lennep</span>, <span class="smcap">herman bosscha</span>, <span class="smcap">henr. waardenburg</span>, <span class="smcap">everwinus
+wassenbergh</span>, <span class="smcap">h. frieseman</span>, <span class="smcap">valentinus slothouwer</span>,
+<span class="smcap">ecco epkema</span> en anderen, die tot op onzen leeftijd
+de kweekscholen van geleerdheid versierden en de vruchten
+van kennis en smaak aan velen hebben medegedeeld.</p>
+
+<p>Onderscheidene dezer en vroeger genoemde personen
+beoefenden tevens de Latijnsche po&euml;zij, waarvan zij vele
+proeven hebben nagelaten, even als <span class="smcap">hero</span> en <span class="smcap">frederik
+van inthiema</span>, <span class="smcap">joannes bouricius</span>, <span class="smcap">ernestus baders</span>, <span class="smcap">paulus
+van ghemmenich</span>, <span class="smcap">christiaan brink</span>, <span class="smcap">vop. hor. acker</span>
+en onderscheidene Friesche edelen, die er steeds een
+roem in stelden, smaak voor de oude letteren aan de
+beoefening van de wetenschappen te paren.</p>
+
+
+<h4><i>Dichters.</i></h4>
+
+<p>&#8217;t Zou echter geenszins vreemd zijn, wanneer de vermelde
+karaktertrek der Friezen en hunne meer bepaalde
+neiging voor de studie van d&eacute;gelijke wetenschappen aanleiding
+hadden gegeven tot mindere geschiktheid voor de<span class='pagenum'><a name="Page_402" id="Page_402">[402]</a></span>
+beoefening van de Dichtkunst, welke, zwevende in het
+rijk der idealen, meer het denkbeeldige en bespiegelende
+dan de wezenlijkheid tot voorwerp heeft. Het is zoo;
+wanneer wij het groot getal verzenmakers, als: <span class="smcap">wijbrand
+michiels</span>, <span class="smcap">petrus baardt</span>, <span class="smcap">t.
+sonnema</span>, <span class="smcap">hendrik rintjes</span>,
+<span class="smcap">vitus ringers</span>, <span class="smcap">hero galama</span>, <span class="smcap">foppe foppeszoon junior</span>,
+<span class="smcap">gabbema</span> enz. uit de 17<sup>e</sup>
+eeuw, gelijk <span class="smcap">fran&ccedil;ois halma</span>,
+<span class="smcap">roelof roukema</span>, <span class="smcap">wijbrandus de geest</span>, <span class="smcap">magdalena pollius</span>,
+<span class="smcap">jetske reinou van der malen</span>, <span class="smcap">eelke meinderts</span>, <span class="smcap">clara
+feijoena van sijtzama</span>, <span class="smcap">joan sande</span>, <span class="smcap">jan aukes bakker</span>,
+SYMEN en <span class="smcap">jan althuysen</span> enz. uit de 18<sup>e</sup> eeuw, wier verzen
+om de onderwerpen of hunne zedelijke of godsdienstige
+strekking den bijval verwierven van hunne tijdgenooten,
+niet gelijk willen stellen met hen, wier verheffing, smaak
+en gevoel hun aanspraak geeft op den naam van Dichter,
+in den hoogeren zin van dat woord,&mdash;dan bepaalt dit
+getal zich tot weinige personen. Doch die weinige kunnen
+dan ook tegen eene groote menigte opwegen. Of
+zouden wij dien eernaam niet mogen toekennen aan <span class="gesp"><span class="smcap">jan
+janszoon starter</span></span>, die in 1614 op twintigjarigen
+leeftijd te <i>Leeuwarden</i> kwam en deze stad in 1620 weder
+verliet, doch gedurende die zes voorspoedige jaren
+van het bestand hier, &egrave;n door de oprigting van eene
+Rederijkerskamer: Och, mogt het rijzen! welke 80 aanzienlijke
+personen tot leden telde, &egrave;n door het opvoeren
+van treur- en blijspelen, &egrave;n door zijne onuitputtelijke
+en geestige dichtader, hier een lust en liefde voor de
+nieuwe Nederduitsche po&euml;zij opwekte, welke verwonderlijk
+was<a name="FNanchor_344" id="FNanchor_344"></a><a href="#Footnote_344"
+class="fnanchor">[344]</a>. Hij liet aan zijne talrijke vereerders
+de<span class='pagenum'><a name="Page_403" id="Page_403">[403]</a></span>
+<i>Friesche Lusthof</i>, vol aardige minneliederen en trouwdichten,
+na, welke dien bijval vond, dat dezelve in
+dertien jaren 6 of 7 malen gedrukt werd. Hoe groot de
+invloed ook was, dien <span class="smcap">starter</span> tijdelijk uitoefende, deze
+was echter niet van duur of van dat gunstig gevolg, hetwelk
+men zich daarvan voor de toekomst had mogen beloven.</p>
+
+<p>Bovendien was hij de eerste, die verzen in de Landfriesche
+taal uitgaf. Eerlang vond hij daarin een navolger in
+<span class="gesp"><span class="smcap">gysbert jacobsz.</span></span>, schooldienaar te <i>Bolsward</i>, die,
+na eerst in het Nederduitsch zwakke proeven, nog in den
+trant van <span class="smcap">spieghel</span>, te hebben gegeven, zich in het Friesch
+tot eene hoogte verhief, welke hem tot een voorwerp der bewondering
+zijner nakomelingen heeft gemaakt. In hem toch
+zien wij scheppend vernuft en kieschen smaak vereenigd
+met eene groote mate van gezond verstand, dat zijne dichterlijke
+verrukking leidde en ten teugel diende. In elk
+zijner meesterstukken schittert zijn talent en verlicht oordeel,
+als hij met bevallige losheid tafereelen uit het Friesche
+volksleven schildert, en, altoos wisselende naar den eisch
+des onderwerps, tusschen allerlei onderwerpen heerlijke
+lessen van levenswijsheid strooit; terwijl hij in alles een
+meesterschap over de taal betoont, zoo als nog niemand
+hare kracht en schoonheid had aan den dag gebragt.
+D&aacute;&aacute;rom vereeren de Friezen hunnen <span class="smcap">gysbert</span>, als hun
+dichter bij uitnemendheid<a name="FNanchor_345" id="FNanchor_345"></a><a href="#Footnote_345" class="fnanchor">[345]</a>.</p>
+
+<p>Meer algemeen was de roem, welken de broeders
+<span class="gesp"><span class="smcap">willem</span></span> en
+<span class="gesp"><span class="smcap">onno zwier van haren</span></span>, niet enkel
+in hooge staatsbetrekkingen, maar inzonderheid als Dichters
+mogten verwerven. Terwijl in het midden der 18<sup>e</sup>
+eeuw<span class='pagenum'><a name="Page_404" id="Page_404">[404]</a></span>
+de dichtkunst in ons vaderland ontaard was in de kunst
+om nette, rollende verzen te maken, zonder oorspronkelijkheid,
+dichterlijke vlugt of gevoel, toonden zij het vaderland
+door hunne mingepolijste po&euml;zij, dat die vereischten
+der ware kunst nog niet geheel verloren waren. <span class="smcap">willem</span>
+mogt door zijn grootsch heldendicht: <i>Gevallen van
+Friso</i> en zijne stoute <i>Lierzangen</i> even grooten roem
+behalen als ONNO later door zijne <i>Geuzen</i>, <i>Treurspelen</i>,
+<i>Lierzangen</i> enz. In vaderlandsch gevoel, in stoute
+beelden en vergelijkingen, in treffende grepen, in dichterlijke
+uitdrukking, in rijkdom van vinding en belangrijkheid
+van zaken dongen beide om den prijs. Die
+meesterstukken van waarachtige po&euml;zij doordringen toch,
+waar men ze opsla, ieders hart met warm gevoel voor
+vaderland, vrijheid, menschenwaarde, godsvrucht en deugd.
+Vandaar, dat zij, die de hooge roeping des dichters
+vervulden, de dankbare bewondering van het nageslacht
+en de lofspraak van een <span class="smcap">bilderdijk</span> verdienden:</p>
+
+<div class="poem"><div class="stanza">
+<span class="i0"><i>Van Harens, Broedrental dat zelden we&ecirc;rga vond,</i><br /></span>
+<span class="i0"><i>O Waarom zweeft uw naam geen wareldgordels rond!</i><a
+name="FNanchor_346" id="FNanchor_346"></a><a href="#Footnote_346" class="fnanchor">[346]</a><br /></span>
+</div></div>
+
+<p>In dit zelfde tijdvak mogten mede <span class="smcap">ernst willem higt</span>,
+<span class="smcap">boelardus augustinus van boelens</span>, <span class="smcap">cynthia lenige</span> en
+<span class="smcap">simon stijl</span> door voortreffelijke dichtvruchten eer en
+onderscheiding verwerven.<span class='pagenum'><a name="Page_405" id="Page_405">[405]</a></span></p>
+
+
+<h4><i>Schilders, Teekenaars en Graveurs.</i></h4>
+
+<p>Dat smaak en gevoel voor beeldende Kunst, ook om
+boven vermelde reden, in <i>Friesland</i> minder algemeen
+geheerscht zouden hebben, en dat dit afgelegene gewest
+(in vergelijking van het rijke en voor de gemeenschap
+met andere landen zoo gunstig gelegene <i>Holland</i>)
+weinige kunstbeoefenaren zou hebben voortgebragt,&mdash;ook
+dit zou zeer natuurlijk geweest zijn. En toch noemt
+de geschiedenis onzer vaderlandsche Schilder-, Teeken-
+en Graveerkunst een aantal Friezen, die het hunne hebben
+toegebragt om den Nederlandschen kunstroem te vestigen.</p>
+
+<p>Als <span class="gesp">Schilders</span> hebben toch <span class="smcap">pieter de valk</span>, <span class="smcap">jacob
+bakker</span>, <span class="smcap">frans carr&eacute;</span>,
+<span class="smcap">jelle reiniers</span>, <span class="smcap">jakob potma</span>,
+<span class="smcap">wijbrand de geest</span>, <span class="smcap">simon</span>
+en <span class="smcap">dirk de vries</span>, <span class="smcap">gerard
+edema</span>, <span class="smcap">matthijs haarings</span> en <span class="smcap">wigerus vitringa</span> zich in
+de 17<sup>e</sup> eeuw verdienstelijk gemaakt. En zouden wij daarbij
+ook niet mogen noemen <span class="smcap">meindert hobbema</span>, wiens meesterstukken
+thans bijna tegen goud worden opgewogen?<a name="FNanchor_347"
+id="FNanchor_347"></a><a href="#Footnote_347" class="fnanchor">[347]</a>
+Ook in de volgende eeuw waren <span class="smcap">tako hajo jelgersma</span>,
+<span class="smcap">bernardus</span> en <span class="smcap">matthijs
+accama</span>, <span class="smcap">hermanus busch</span>, <span class="smcap">rienk
+jelgerhuis</span> en <span class="smcap">gerard wigmana</span>, even als <span class="smcap">j. de wilde</span>, <span class="smcap">taco
+scheltema</span>, <span class="smcap">hermanus wouter beekkerk</span>, <span class="smcap">dirk ploegsma</span>,
+<span class="smcap">allert van der poort</span>, <span class="smcap">nicolaas baur</span>, <span class="smcap">willem bartel
+van der kooi</span> enz. in verschillende vakken zeer geacht.</p>
+
+<p>Als <span class="gesp">Teekenaars</span> mogten <span class="smcap">margaretha de heer</span>, <span class="smcap">j.
+stellingwerf</span>, <span class="smcap">pieter idserds portier</span>, <span class="smcap">petrus camper</span>,
+<span class="smcap">joh. jelgerhuis rz.</span> en anderen zich mede onderscheiden.</p>
+
+<p><span class='pagenum'><a name="Page_406" id="Page_406">[406]</a></span>Hoewel het niet bekend is, dat er in <i>Friesland</i> ooit
+eene Plaatdrukkerij heeft bestaan, hebben toch als <span class="gesp">Graveurs</span>
+uitgemunt: <span class="smcap">boethius</span> of <span class="smcap">bote</span> en <span class="smcap">schelte van
+bolswerd</span>, <span class="smcap">petrus feddes van harlingen</span>, <span class="smcap">jan jaapix</span>,
+<span class="smcap">j. van munnickhuizen</span>, <span class="smcap">jan de vos</span>,
+<span class="smcap">jacobus</span> en <span class="smcap">anna
+folkema</span>, <span class="smcap">pieter tanj&eacute;</span>, <span class="smcap">michiel elgersma</span> en <span class="smcap">kleis
+lanting</span>, waarvan sommigen uitstekende kunstwerken hebben
+voortgebragt<a name="FNanchor_348" id="FNanchor_348"></a><a href="#Footnote_348" class="fnanchor">[348]</a>.</p>
+
+<p>Ziedaar enkel de namen genoemd van de voornaamste
+personen, welke, in verschillende vakken van kennis en
+kunst, uit <i>Friesland</i> zijn voortgekomen en die hebben
+bijgedragen, om in ons vaderland vooruitgang in wetenschap,
+smaak en beschaving te bevorderen<a name="FNanchor_349" id="FNanchor_349"></a><a
+href="#Footnote_349" class="fnanchor">[349]</a>. Gewis,
+dit gewest heeft naar vermogen zijne offers aan het rijk
+van het goede en schoone toegebragt, en roemvol is de
+rij van verdienstelijke personen, die onze vaderlandsliefde
+zich herinnert, en aan welke wij de hulde onzer
+vereering toebrengen als dankbare nakomelingen, die
+tevens een prikkel tot navolging vinden in de overtuiging:</p>
+
+<div class="poem"><div class="stanza">
+<span class="i0"><i>Der Vadren glorie strekt het Nageslacht tot eer.</i><br /></span>
+</div></div>
+
+<hr class="footn" />
+
+<div class="footnote">
+
+<p><a name="Footnote_329" id="Footnote_329"></a><a href="#FNanchor_329"><span class="label">[329]</span></a>
+Zie zijne <i>Beknopte Geschiedenis der Letteren en Wetenschappen
+in de Nederlanden</i>, Delft 1826, III 254, 258.</p>
+
+<p><a name="Footnote_330" id="Footnote_330"></a><a href="#FNanchor_330"><span class="label">[330]</span></a>
+<span class="smcap">Winsemius</span> 747, 752, 758; <span class="smcap">schotanus</span>, <i>Beschrijv.</i> 139;
+<span class="smcap">vriemoet</span>, <i>Athen&aelig; Frisiac&aelig;</i>, IV.</p>
+
+<p><a name="Footnote_331" id="Footnote_331"></a><a href="#FNanchor_331"><span class="label">[331]</span></a>
+Zie de Staatsstukken betrekkelijk deze Hoogeschool in het
+<i>Charterb.</i> IV 657, 820, 943, 1075; V 108, 246, 297, 317, 328,
+518, 522, 546, 551, 628, 730, 758, 999; <i>Reg. Staats-res.</i> 5, 35,
+110, 473, 557, 647, 774; benevens de MS. Res. van Gedeputeerden.</p>
+
+<p><a name="Footnote_332" id="Footnote_332"></a><a href="#FNanchor_332"><span class="label">[332]</span></a>
+Volgens het nog aanwezige Album. De Feestrede van
+Prof. <span class="smcap">n. blancardus</span>, bij die gelegenheid gehouden, komt met vertaling
+voor in <span class="smcap">sylvius</span>, <i>Vervolg op</i> <span class="smcap">aitzema</span>, II 23<sup>e</sup> bk. 91.</p>
+
+<p><a name="Footnote_333" id="Footnote_333"></a><a href="#FNanchor_333"><span class="label">[333]</span></a>
+Levensbeschrijvingen van de meest al de genoemde Hoogleeraren
+bevat het werk van <span class="smcap">vriemoet</span>, hier v&oacute;&oacute;r op <a href="#Page_234">bl. 234</a> aangehaald.</p>
+
+<p><a name="Footnote_334" id="Footnote_334"></a><a href="#FNanchor_334"><span class="label">[334]</span></a>
+<span class="smcap">Van kampen</span>, t. a. p. II 248, 259, 261, 311, 313,
+364, 520, 609. Op al deze plaatsen staaft die schrijver het hooge
+aanzien der Franeker Akademie met bewijzen; terwijl het laatste
+gezegde bevestiging vindt in een getal van <i>dertig</i> Hoogleeraren, van
+<i>Franeker</i> naar <i>Leiden</i> beroepen. Hij voegt er bij: &#8222;De <i>Friesche</i>
+Hoogeschool telde in dit tijdperk, 1713-80, vijf der meestberoemde
+Letterkundigen van <i>Europa</i> onder hare Hoogleeraren,
+<span class="smcap">schultens</span>, <span class="smcap">hemsterhuys</span>,
+<span class="smcap">valckenaer</span>, <span class="smcap">wesseling</span> en <span class="smcap">burman</span>,
+en was dus een waar <i>Athen&aelig;um</i> (niet in den zin van minderheid
+beneden eene <i>Akademie</i>).&#8221;</p>
+
+<p><a name="Footnote_335" id="Footnote_335"></a><a href="#FNanchor_335"><span class="label">[335]</span></a>
+Prof. <span class="smcap">schotanus</span>, <i>Beschrijv.</i> 140.</p>
+
+<p><a name="Footnote_336" id="Footnote_336"></a><a href="#FNanchor_336"><span class="label">[336]</span></a>
+Aldaar, 145, 177.</p>
+
+<p><a name="Footnote_337" id="Footnote_337"></a><a href="#FNanchor_337"><span class="label">[337]</span></a>
+Behalve de bronnen, hier v&oacute;&oacute;r vermeld, bevat de <i>Teg.
+Staat</i>, II 512, het uitvoerigste overzigt van de geschiedenis der
+Hoogeschool, welke echter tot dusverre nog zeer onvolkomen bekend
+is. Ook d&aacute;&aacute;rom wensch ik zeer, dat er uit de groote menigte
+stukken, welke er betrekkelijk deze Akademie nog te <i>Franeker</i> en
+in mijne eigene verzameling aanwezig zijn, eenmaal eene volledige
+geschiedenis worde opgemaakt, welke zeker voor onze letterkunde
+eene belangrijke bijdrage zou zijn.</p>
+
+<p><a name="Footnote_338" id="Footnote_338"></a><a href="#FNanchor_338"><span class="label">[338]</span></a>
+Zie deze alle genoemd in Prof <span class="smcap">g. de wal&#8217;s</span> <i>Oratio de claris
+Frisi&aelig; Jureconsultis</i>, in 1818 te <i>Franeker</i> gehouden en in 1825,
+vermeerderd met de levens dier personen, te <i>Leeuwarden</i> uitgegeven.</p>
+
+<p><a name="Footnote_339" id="Footnote_339"></a><a href="#FNanchor_339"><span class="label">[339]</span></a>
+Zie over het Hof <a href="#Page_227">bl. 227</a> en <a href="#Footnote_174">de noot</a> op <a href="#Page_228">bl.
+228</a> hier v&oacute;&oacute;r.</p>
+
+<p><a name="Footnote_340" id="Footnote_340"></a><a href="#FNanchor_340"><span class="label">[340]</span></a>
+Zie <span class="smcap">van sminia</span>, <i>Nieuwe Naamlijst van Grietmannen</i>, en <a href="#Page_235">bl.
+235</a> hier v&oacute;&oacute;r.</p>
+
+<p><a name="Footnote_341" id="Footnote_341"></a><a href="#FNanchor_341"><span class="label">[341]</span></a>
+Van vele dezer personen heeft onze landgenoot Mr. <span class="smcap">jac.
+scheltema</span> levensschetsen gegeven in zijn belangrijk werk: <i>Staatkundig
+Nederland</i>, Amsterdam 1805, 2 deelen. Zie ook <span class="smcap">van
+sminia</span>, <i>Grietmannen</i>, het <i>Wapenboek</i>, het <i>Stamboek</i> enz.</p>
+
+<p><a name="Footnote_342" id="Footnote_342"></a><a href="#FNanchor_342"><span class="label">[342]</span></a>
+Zie dit vooral betoogd in Professor <span class="smcap">c. ekama&#8217;s</span> <i>Oratio de
+Frisia ingeniorum Mathematicorum inprimis fertili</i>, te <i>Franeker</i> in
+1809 gehouden.</p>
+
+<p><a name="Footnote_343" id="Footnote_343"></a><a href="#FNanchor_343"><span class="label">[343]</span></a>
+Uitvoeriger berigten over <span class="smcap">eisinga</span> en de uit dit tijdvak
+vermelde personen zie men in het <i>Leven van Eisinga en Geschiedenis
+van zijn Planetarium</i>, geplaatst voor den derden druk van <span class="smcap">van
+swinden&#8217;s</span> <i>Beschrijving van het Planetarium</i>, voor eenige maanden
+door mij uitgegeven.</p>
+
+<p><a name="Footnote_344" id="Footnote_344"></a><a href="#FNanchor_344"><span class="label">[344]</span></a>
+Voor eenige jaren heb ik over <i>Starter en zijne Gedichten,
+in betrekking tot den toestand der Letterkunde in Friesland in het
+eerste gedeelte der 17<sup>e</sup> eeuw</i> eene uitvoerige verhandeling zamengesteld,
+die ik welligt eerlang eens zal uitgeven, ook omdat er zoo
+weinig van en omtrent dezen dichter en dit tijdvak bekend is.</p>
+
+<p><a name="Footnote_345" id="Footnote_345"></a><a href="#FNanchor_345"><span class="label">[345]</span></a>
+Over <span class="smcap">gysbert</span> sprekende, mag men zeker <span class="smcap">halbertsma&#8217;s</span>
+voortreffelijke <i>Hulde</i> niet verzwijgen en evenmin het leedgevoel
+onderdrukken, dat deze dan nu, na 25 jaren wachtens, onvoltooid
+zal blijven. Zijn <i>Letterkundige Naoogst</i> heeft ons daarvoor
+echter eenige vergoeding geschonken.</p>
+
+<p><a name="Footnote_346" id="Footnote_346"></a><a href="#FNanchor_346"><span class="label">[346]</span></a>
+Ook omtrent de <span class="smcap">van haren&#8217;s</span> heeft Dr. <span class="smcap">j. h. halbertma</span>
+zich door de uitgave zijne <i>Fragmenten</i> verdienstelijk gemaakt; even
+als de Heeren <span class="smcap">de vries</span> en <span class="smcap">kemper</span> door hunne verhandelingen,
+voor de nieuwe uitgave der Werken van de <span class="smcap">van haren&#8217;s</span> geplaatst.
+Reeds in 1747 schatte D<sup>o</sup>. <span class="smcap">hofstede</span> de verdiensten dezer broeders
+zoo hoog, dat hij in eene leerrede op de verheffing van Prins
+<span class="smcap">willem</span> IV, 104, verklaarde, dat zij &#8222;een Standbeeld, naar de
+wyze der <i>Ouden</i>, in deezen Burgerstaat verdiend hebben.&#8221; <i>De
+Geuzen</i> volgden echter eerst 22 jaren later. Zie ook <i><a href="#Aant20">Aanteekening 20</a></i>.</p>
+
+<p><a name="Footnote_347" id="Footnote_347"></a><a href="#FNanchor_347"><span class="label">[347]</span></a> Ook
+<span class="smcap">rembrandt</span> had eenige betrekking op <i>Friesland</i>, doordien
+hij hier (en niet te <i>Ransdorp</i> of <i>Rarup</i> in <i>Noord-Holland</i>) eene
+vrouw zocht en vond in <span class="smcap">saskia</span>, de dochter van den Leeuwarder
+Raadsheer Dr. <span class="smcap">rombertus ulenburg</span>, met wie hij den 22 Junij
+1634 te <i>St. Anna Parochie</i> in den echt werd verbonden, zoo als
+ik onlangs ontdekt en met bewijzen heb kunnen staven.</p>
+
+<p><a name="Footnote_348" id="Footnote_348"></a><a href="#FNanchor_348"><span class="label">[348]</span></a>
+Bijna al de genoemde kunstenaars komen met korte levensschetsen
+voor in het bekende werk van <span class="smcap">immerzeel</span>, <i>de Levens en
+Werken der Holl. en Vlaamsche Kunstschilders</i> enz. Amst. 1842, 3 dln.
+Van onderscheidene der laatste heb ik kunstwerken verzameld.</p>
+
+<p><a name="Footnote_349" id="Footnote_349"></a><a href="#FNanchor_349"><span class="label">[349]</span></a>
+Het zou mij zeker niet moeijelijk gevallen zijn, om van
+al de vermelde personen hierbij korte levensschetsen te voegen uit
+mijne sedert 1826 verzamelde Aanteekeningen betrekkelijk beroemde
+Friezen. Doch dan ware dit onderwerp voor deze <i>Beknopte Geschiedenis</i>
+veel te uitvoerig behandeld geworden, in verhouding tot
+het overig gedeelte. En toch is het een zoo hoogst belangrijk onderwerp,
+dat ik hartelijk wensch, dat het voornemen, door Jhr.
+Mr. <span class="smcap">h. b. van sminia</span> en mij opgevat, om een <i>Beroemd Friesland</i>
+te bewerken en over eenige jaren uit te geven, door ons zal mogen
+worden volbragt.</p>
+
+</div>
+
+<hr class="footn" />
+
+<p class='pagenum'><a name="Page_407" id="Page_407">[407]</a></p>
+
+<h2>41. <i>Vrede en Voorspoed verheffen&mdash;Zorgeloosheid
+en Partijschappen ontbinden den Staat.</i></h2>
+
+<p class="chaptitle"><i>Van den Utrechtschen vrede tot de Staatsomwenteling.</i></p>
+
+<p class="chapsubtitle"><i>1713-1795</i><a name="FNanchor_350" id="FNanchor_350"></a><a
+href="#Footnote_350" class="fnanchor">[350]</a>.</p>
+
+<p>Niets is meer algemeen onder de menschen, dan dat
+zij, dagelijks door hoop en vrees geslingerd, aan vrede
+en voorspoed het denkbeeld van geluk&mdash;en aan nood en
+tegenspoed, dat van ongeluk verbinden. En echter leert
+de geschiedenis, ook van ons vaderland, dat&mdash;terwijl nood
+en tegenspoed de levenskrachten der natie opwekken en
+moed en inspanning ten algemeenen nutte ontwikkelen&mdash;ons
+geslacht veelal zwak genoeg was, om vrede en voorspoed
+meer te doen strekken tot gemak en genot, die
+verslapping nalaten, dan tot herstelling, verbetering en
+vooruitgang in velerlei betrekkingen van den staat en
+der maatschappij. Z&oacute;&oacute; misleiden de volken zich zelve,
+door van de beste der gaven geen verstandig gebruik te
+maken! D&aacute;n hoopen de smetstoffen in den staatkundigen
+dampkring zich op, totdat er eene geruchtmakende uitbarsting
+komt, welke allen uit den slaap opwekt en naar
+hulp en redding doet uitzien. Bij het licht des geloofs,
+dat God de nati&euml;n bestemd heeft, om steeds te vorderen
+in volmaking en beschaving, zien wij echter te midden
+van dit alles: dat alle pogingen om het ware en goede
+te bevorderen duurzaam tot heil strekken; dat de raadslagen
+der boozen verijdeld worden, en dat de dwalingen
+en verkeerdheden der menschen, onder Zijne liefdevolle
+leiding, middelen worden tot hunne leering en verheffing
+voor de toekomst.</p>
+
+<p><span class='pagenum'><a name="Page_408" id="Page_408">[408]</a></span>De loop der gebeurtenissen in ons vaderland gedurende
+de 18<sup>e</sup> eeuw heeft dit alles bewezen.&mdash;In de oorzaken,
+middelen en gevolgen daarvan had <i>Friesland</i> rijkelijk
+zijn aandeel. Wij willen den afgebroken draad hervatten,
+en ook het voorgevallene in het laatste gedeelte van dit
+tijdvak in hoofdtrekken mededeelen.</p>
+
+<p>Had ons land n&aacute; den Munsterschen vrede van 1648
+langer dan eene halve eeuw moeten oorlogvoeren met
+andere mogendheden,&mdash;op den vrede, in 1713 te <i>Utrecht</i>
+gesloten, volgde inderdaad eene veeljarige rust. Zelfs
+deden de Algemeene Staten al het mogelijke om den vrede
+te bewaren en den oorlog te schuwen, hetgeen ook na de
+aanzienlijke vermindering van de landmagt en de verwaarloozing
+van het zeewezen wel noodzakelijk was,
+ofschoon zij de eer en waardigheid des lands daarbij dikwijls
+in de waagschaal stelden. Onder het genot van die
+rust, bij welke de vroegere wakkerheid vervangen werd
+door zucht naar gemak en weelde, bleven koophandel
+en nijverheid bloeijen, ook in weerwil der rampen, welke
+nu en dan aanzienlijke offers eischten. Immers, nog was
+de veepest, in 1712 begonnen, aan het woeden, toen
+<i>Friesland</i> eerst in 1715, doch vooral bij den Kersvloed
+van 1717, verschrikkelijk werd geteisterd door dijkbreuken
+en overstroomingen, die groote schade te weeg bragten.
+Naauwelijks waren de hierop gevolgde herstellingen en
+verbeteringen van onze zeeweringen voltooid, en pas had
+eene heerschende ziekte en ongemeene sterfte in 1728
+opgehouden, toen eene nieuwe volksramp, de paalworm,
+in 1730 en volgende jaren het land met een groot gevaar
+bedreigde en aanzienlijke sommen eischte tot beveiliging onzer
+havens en kusten; terwijl weinige jaren later, in 1744 en
+vervolgens, de veepest nog grootere verliezen veroorzaakte<a
+name="FNanchor_351" id="FNanchor_351"></a><a href="#Footnote_351" class="fnanchor">[351]</a>.</p>
+
+<p><span class='pagenum'><a name="Page_409" id="Page_409">[409]</a></span>Intusschen
+had Prins <span class="smcap">willem carel hendrik friso</span>,
+door eene voortreffelijke moeder opgevoed, door de beste
+leermeesters gevormd en van nature met de edelste vermogens
+van verstand en hart begaafd, in 1731 den
+twintigjarigen ouderdom bereikt en het Erfstadhouderschap
+over <i>Friesland</i> aanvaard. Bij die gelegenheid had Prinses
+<span class="smcap">maria louisa</span> het bewind nedergelegd, en nevens den
+dank der Staten voor de uitnemende diensten, welke hare
+wijsheid den Staat en deze Provincie had bewezen, eene
+gift van 5,000 Gld. en een lijfpensioen tot een gelijk
+bedrag, uit achting voor haar persoon en verdiensten,
+ontvangen. Reeds in 1718 was de Prins door <i>Groningen</i>
+en in 1722 door <i>Drenthe</i> en <i>Gelderland</i> tot Stadhouder
+benoemd, welke waardigheden hij in 1729 had aanvaard,
+in weerwil der tegenkantingen van <i>Holland</i> en andere
+provinci&euml;n, die deze uitbreiding van &#8217;s Prinsen magt met
+leede oogen aanzagen. In spijt der tegenbedenkingen
+van <i>Holland</i> steeg het aanzien van den Prins nog meer
+door zijne echtverbindtenis met <span class="smcap">anna</span>, Kroonprinses van
+<i>Groot-Brittanje</i>, oudste dochter van Koning <span class="smcap">george</span> II, welke
+den 25 Maart 1734 werd voltrokken. Luisterrijk was
+het onthaal, dat het vorstelijk paar, te <i>Harlingen</i> aangekomen,
+den 11 Mei op zijn togt naar en in <i>Leeuwarden</i>
+mogt ondervinden, waarbij de regering en de ingezetenen
+hunne hooge ingenomenheid met dit huwelijk aan den
+dag legden; terwijl &#8217;s lands Staten der Prinses eene tonne
+gouds tot eene huwelijksgift aanboden<a name="FNanchor_352"
+id="FNanchor_352"></a><a href="#Footnote_352" class="fnanchor">[352]</a>. In de liefde
+zijner Friezen vond de Prins dan ook bestendig de
+meeste voldoening, bij al de geestkracht, welke hij<span class='pagenum'><a name="Page_410" id="Page_410">[410]</a></span>
+bezat, om zich boven de bestendige vernedering, uitsluiting
+en tegenwerking der Staten van <i>Holland</i> en
+andere gewesten fier te verheffen.</p>
+
+<hr class="c05" />
+
+<p>Hoe duurzaam het genot van vrede en voorspoed ook
+schenen te zijn, ten jare 1740 ontbrandde op eens de
+Oostenrijksche successie-oorlog, waaraan de meeste staten
+van <i>Europa</i> deel namen. <span class="smcap">karel</span> VI, Keizer van <i>Oostenrijk</i>,
+stierf, en liet den troon na aan zijne jeugdige
+dochter <span class="smcap">maria theresia</span>, Koningin van <i>Hongarije</i> en
+<i>Bohemen</i>. Zes mogendheden, <i>Beijeren</i>, <i>Pruissen</i>, <i>Polen</i>,
+<i>Spanje</i>, <i>Sardini&euml;</i> en <i>Frankrijk</i> zochten deze troonsopvolging
+te verhinderen, en zonden schielijk ontzaggelijke
+legers in <i>Duitschland</i>. In ons vaderland weifelden
+de staatkundige partijen in de keus, of men, uit kracht
+der pragmatieke Sanctie of het Weener verdrag van
+1732, der Koningin hulp zou bieden, dan of men zich
+onzijdig en buiten den oorlog zou houden. De Algemeene
+Staten, alleen bedacht op zelfverdediging, versterkten
+hunne landmagt in 1741 wel, eerst met 21,000 en daarna
+met nog 20,000 man; doch in plaats van hulpbenden
+aan <span class="smcap">maria theresia</span> te zenden, besloten zij, haar een
+onderstand van 8 tonnen gouds aan te bieden. Toen er
+echter in het volgende jaar eene nieuwe aanvraag en wel
+om troepen kwam, waren de gevoelens zeer verdeeld.
+Sommigen, die den vrede tot elken prijs wilden bewaren,
+of die <i>Frankrijk</i> vreesden, besloten tot onzijdigheid;
+maar anderen meenden, dat de goede trouw den Staat
+verpligtte, aan de traktaten gevolg te geven en hulptroepen
+te zenden. De wakkere <span class="smcap">willem van haren</span> koos
+met jeugdig vuur de zijde der laatsten, en nadat hij,
+als afgevaardigde van <i>Friesland</i>, in de vergadering der
+Algemeene Staten zijne welsprekendheid had uitgeput,
+om de vertegenwoordigers der provinci&euml;n tot zijne beginselen<span class='pagenum'><a name="Page_411" id="Page_411">[411]</a></span>
+over te halen, nam hij zijn dichterlijk talent te baat,
+om ook het volk zelf met die beginselen van regtvaardigheid
+en goede trouw te bezielen. Hij gaf de <i>Leonidas</i>
+en drie <i>Lierzangen</i> in het licht, en&mdash;behaalde met deze
+gloeijende verzen eene staatkundige zegepraal op de harten
+des volks, die der dichtkunst wel bij de Grieken,
+maar nog nooit in ons land was te beurt gevallen. Men
+wil, dat er binnen drie dagen honderdduizend afdrukken
+van deze gedichten verkocht zijn. Het regende lofverzen
+op <span class="smcap">van haren</span>. De opgewonden geest des volks
+werkte op dien der Staten, die daarom in 1743 besloten,
+de Koningin met 20,000 man hulptroepen bij te slaan,
+welk getal in den volgenden jare werd verdubbeld.
+&raquo;Eere zij onzen Vaderen, die door eerlijkheid vergoed
+hebben, wat hun aan veerkracht ontbrak. Eere vooral
+den Staatsman en Dichter, die, in zijnen <i>Leonidas</i>,
+door het voorbeeld van den held van <i>Sparta</i>, de natie
+uit hare slaapziekte pogende op te wekken, hun, die
+niet schroomden het trouwblijven aan verbonden eene
+<i>koppigheid</i> te noemen, met verontwaardiging toevoerde,
+hoe zij thans zelven door eed- en bond-breuk zich tot
+de diepte verlaagden der <i>Barbaren</i>, die hunnen val
+beoogden&#8221;<a name="FNanchor_353" id="FNanchor_353"></a><a href="#Footnote_353" class="fnanchor">[353]</a>.</p>
+
+<p>Hoewel de Nederlanders in de vijf hierop gevolgde
+veldtogten van <span class="smcap">lodewijk</span> XV in de <i>Oostenrijksche Nederlanden</i>
+weinig eere mogten behalen, hebben toch
+onder de Friesche krijgsbevelhebbers zich onderscheiden:<span class='pagenum'><a name="Page_412" id="Page_412">[412]</a></span>
+de Luitenant-Generaal <span class="smcap">johan sicco</span> Baron <span class="smcap">thoe schwartzenberg</span>,
+de Brigadier <span class="smcap">gemme onuphrius van burmania</span>,
+de Luitenant-Kolonel <span class="smcap">laas ulbe van burmania</span>, benevens
+nog vier andere leden van dit geslacht; alsmede de Majoor
+<span class="smcap">daniel de blocq van bouricius</span>, Kommandant van
+het Regiment <i>Oranje-Friesland</i>; doch bovenal de dappere
+Luitenant-Generaal <span class="smcap">hobbe esa&iuml;as van aylva</span>, Gouverneur
+van <i>Maastricht</i>, die van zijne uitstekende verdediging
+van deze sterke, doch hevig aangevallene vesting
+in 1748 zoo veel eere mogt behalen, dat zijn aanvaller,
+de Maarschalk van <i>Saksen</i>, als blijk van achting voor
+zijn moed en bekwaamheid, hem, nadat de vesting bij
+vredesverdrag was overgegaan, toestond, bij zijn eervollen
+uittogt vier kanonnen en twee mortieren uit de vesting
+mede te voeren. Nadat <i>Frankrijk</i> verpligt werd, <i>Maastricht</i>
+weder aan ons af te staan, werd dit geschut,
+op voorstel des Stadhouders, hem door den Raad van
+State vereerd, na voorzien te zijn van het opschrift:
+<span class="smcap">donum virtutis aylv&aelig;</span>, of
+ <i>Eeregift voor Aylva&#8217;s dapperheid</i><a name="FNanchor_354"
+id="FNanchor_354"></a><a href="#Footnote_354" class="fnanchor">[354]</a>.</p>
+
+<hr class="c05" />
+
+<p>V&oacute;&oacute;r echter deze oorlog door den vrede van <i>Aken</i> (1748)
+ge&euml;indigd werd, hadden er in ons vaderland zelf merkwaardige
+gebeurtenissen plaats. Reeds lang hadden de
+bekwaamste staatslieden, zelfs Hollands voortreffelijke
+Raadpensionaris <span class="smcap">simon van slingelandt</span>, erkend: &raquo;dat
+het missen van eenen Stadhouder de gebreken in de<span class='pagenum'><a name="Page_413" id="Page_413">[413]</a></span>
+Constitutie thans meer bespeuren, en nadeeliger uitwerkselen
+deed hebben, dan voordezen&#8221;<a name="FNanchor_355"
+id="FNanchor_355"></a><a href="#Footnote_355" class="fnanchor">[355]</a>. Doch de
+heerschzucht der bewindslieden, de trots der aristokratische
+aanmatiging en de willekeur der stedelijke regenten,
+door wie op vele plaatsen eene familie-regering was ingevoerd,
+hadden zich van het gezag meester gemaakt
+ter onderdrukking van het volk. En zoolang Hollands
+Staten halsstarrig weigerden, ook &raquo;uit vrees voor Frieschen
+invloed,&#8221; de noodzakelijkheid van het Stadhouderschap
+te erkennen, bleven alle pogingen der vrienden van den
+Prins van <i>Oranje</i>, om zijn gezag uit te breiden, vruchteloos.
+Sedert het uitbreken van den oorlog werd het
+gemis van een &eacute;&eacute;nhoofdig bestuur, het gebrek van een
+middelpunt van gezag, waardoor de kracht des bewinds
+verslapt was, meer gevoeld, en stegen de klagten over
+veelvuldige misbruiken in den staat, bijzonder over de
+knevelarijen der pachters van de gemeene lands middelen,
+met den dag. Had het tooneel des oorlogs zich tot dusverre
+tot <i>Belgi&euml;</i> bepaald en was <i>Vlaanderen</i> reeds voor
+twee jaren door <span class="smcap">lodewijk</span> XV veroverd&mdash;daar verbreidt
+zich op &eacute;&eacute;ns het gerucht door het vaderland, dat de
+Franschen ook in <i>Staats-Vlaanderen</i> zijn gevallen, zoodat
+<i>Zeeland</i> in het grootste gevaar verkeert. Van waar nu
+hulp, van waar redding in dien nood? Even als in 1672,
+stak het volk de handen uit naar den nu, even als toen,
+door de staatsleden zoo lang verdrukten en miskenden
+<i>Prins van Oranje</i>. Op den 25 April 1747, op den
+zelfden dag, dat de Prins uit <i>Leeuwarden</i> een brief afzond,
+waarbij hij den Staten van <i>Zeeland</i> zijne hulp en
+dienst aanbood, ging weder uit het kleine <i>Vere</i> het eerst de
+kreet op, die, ijlings verspreid, dadelijk weerklank vond<span class='pagenum'><a name="Page_414" id="Page_414">[414]</a></span>
+in geheel <i>Zeeland</i>, <i>Holland</i> en de overige gewesten,
+zoodat binnen weinig tijds de volksstem Prins <span class="smcap">willem
+carel hendrik friso</span>, als <span class="smcap">willem</span> <i>den vierde</i>, als door een
+wonder, tot Erfstadhouder en Kapitein-Generaal en Admiraal
+over al de Vereenigde Nederlandsche gewesten
+verhief, en met zoo vele eerambten en waardigheden
+overlaadde, als nog geen zijner voorgangers had bezeten.</p>
+
+<p>De beminnelijke Vorst, die kon betuigen: &raquo;de hoogste
+eerzucht, die het hart eens stervelings kan streelen,
+is, zich als het voorwerp der liefde en hoogachting van
+een vrij volk te mogen beschouwen,&#8221; aanvaardde met
+ware grootheid van ziel de hem aangebodene waardigheden,
+waarop zijn naam, afkomst en hoedanigheden hem
+regt gaven. Ja, hoe benard de toestand des lands ook
+ware, hij verheugde zich in de gelegenheid gesteld te
+worden, om met Gods hulp al zijne krachten aan te
+wenden ter bevordering van het welzijn des volks. Den
+9 Mei vertrok de Prins van <i>Leeuwarden</i> over <i>Harlingen</i>
+met een jagt naar <i>Amsterdam</i>. Eene opgetogene menigte
+verbeidde hem, &raquo;den Verlosser van <i>Nederland</i>,&#8221; daar,
+zoowel als bij zijn luisterrijken intogt in <i>&#8217;s Gravenhage</i>,
+als op aller handen gelijk in aller harten gedragen. De
+blijdschap des volks kende geene palen, en had het moed
+bekomen in het dreigende gevaar en hoop voor de toekomst.
+&raquo;Nooit moge de nakomelingschap die dagen van
+geestdrift vergeten!&#8221;<a name="FNanchor_356" id="FNanchor_356"></a><a href="#Footnote_356" class="fnanchor">[356]</a></p>
+
+<p><span class='pagenum'><a name="Page_415" id="Page_415">[415]</a></span>Door die geestdrift en eenswillendheid bezield, mogt
+de natie zware offers brengen, om, tot afwering van den
+vijand, het leger te versterken en het land van binnen
+door gewapende magt te beschermen, waartoe overal
+eene <i>liberale gift</i> met blijdschap werd opgebragt<a name="FNanchor_357"
+id="FNanchor_357"></a><a href="#Footnote_357" class="fnanchor">[357]</a>.
+Dan, nu ook begon het volk, dat zich tegenover de
+regenten versterkt gevoelde door het gezag van den
+Prins, overal zijne regten te doen gelden, en verbetering
+te eischen van de veelvuldige, zoo ware als vermeende,
+misbruiken en ongeregeldheden in het staatsbestuur. Tot
+herstelling daarvan scheen nu eene gunstige gelegenheid
+te zijn geboren. Geweldige opschuddingen en hevige
+beroerten, die het gemeen gelegenheid gaven om uit te
+spatten, hadden bijna overal plaats. In Mei 1748 begonnen
+deze in <i>Groningen</i> en daarna in <i>Friesland</i>.
+Die onlusten openbaarden zich het eerst door het gewelddadig
+vernielen van de opzigtershuisjes der pachters
+van het gemaal bij al de korenmolens in deze provincie.
+De gemeene landsmiddelen werden destijds bij wijze van
+verpachting geheven; doch de knevelarijen dier pachters,
+waaraan de ingezetenen bloot stonden, de zwaarte
+der belastingen op de noodwendigste levensbehoeften, de
+hinderlijke last van de havenpachten en het passagie-geld
+en daarbij de zware schuldenlast der provincie bij te vele
+zwaar-bezoldigde ambtenaren&mdash;ziedaar eenige der voornaamste
+grieven, waarvan velen onder Frieslands ingezetenen
+herstelling en verbetering wenschten.</p>
+
+<p>Om dit doel, zoo mogelijk, te bereiken, verschenen
+den 1 Junij 1748 negen-en-vijftig der voornaamste<span class='pagenum'><a name="Page_416" id="Page_416">[416]</a></span>
+burgers van <i>Harlingen</i>, als Gecommitteerden uit de
+ingezetenen dier stad, te <i>Leeuwarden</i>, die van Gedeputeerde
+Staten de opheffing van deze bezwaren verzochten.
+Tevens verlangden zij, dat het Erfstadhouderschap
+zoowel in de vrouwelijke als mannelijke lijn erfelijk
+verklaard mogt worden. De Staten, die de verpachting
+van de belastingen dadelijk hadden opgeheven, stonden
+dit laatste verzoek gereedelijk toe, en noodigden zelfs
+alle ingezetenen uit, om hunne bezwaren tegen den 5
+Junij in te brengen. Tot dit einde werden er in alle
+steden en dorpen Gecommitteerden benoemd en naar
+<i>Leeuwarden</i> afgevaardigd, om bezwaren in te leveren.
+De Magistraat dier stad had tot ontvangst van zoo vele
+personen, wier getal ruim 200 beliep, de Groote of
+Jakobijner-kerk ingerigt, waar dit staatkundig Congres,
+onder sterke spanning des volks, werd gehouden. Veertien
+punten van redres onderling opgemaakt, werden
+aan de vergaderde Staten ingezonden en nog dien zelfden
+dag aangenomen en goedgekeurd.</p>
+
+<p>Op deze wijze werd de onrustige gemeente, die zich
+somtijds zeer dreigend en oproerig gedroeg, bevredigd.
+De Gecommitteerden achtten hunne taak echter nog niet
+afgedaan; maar, om de uitvoering van de toegezegde
+verbeteringen te bevorderen, benoemden zij twee personen
+uit iedere stad en elke grietenij, waarvan 24 vereenigd
+bleven, om voortaan op den Stads-Schutters-Doelen hunne
+werkzaamheden in het belang des volks voort te zetten,
+en met de Staten verder te onderhandelen. Na onderscheidene
+voorstellen, droegen zij den 5 Julij 73 Punten-reformatoir
+voor, welke hoofdzakelijk met de vroegere
+bezwaren van 1627 en 1672 overeenkwamen, waarbij
+zij den 25 dier maand nog 47 Punten voegden, welke,
+als de wenschen des volks, alle door de Staten werden
+aangenomen en uitgevaardigd. De Prins, verhinderd om<span class='pagenum'><a name="Page_417" id="Page_417">[417]</a></span>
+door eene spoedige overkomst aan aller verlangen te
+voldoen, zond intusschen eenig krijgsvolk tot herstel
+van de rust in <i>Friesland</i>, benevens eene Commissie, om
+de zaken des lands te onderzoeken, en te handelen met
+de Gecommitteerden des volks en de Staten, die den
+Prins volkomene magt hadden verleend, &raquo;om de Constitutie
+des lands op vaste gronden te stellen, de ingeslopen
+abuizen in de regering, financi&euml;n als anderzins te
+redresseren, de provincie in rust en bloei te brengen enz.&#8221;
+Welk een gebruik de brave Vorst van deze, nooit te voren
+dus afgestane, Oppermagt maakte, bleek eerlang, toen de
+Stadhouder den 18 December 1748 tot aller vreugde te
+<i>Leeuwarden</i> kwam, en zijne voorstellen tot verbetering
+aan de plegtig vergaderde Staten mededeelde. Den 23
+December werd alzoo zijn &raquo;Reglement, om te dienen tot
+eene fundamenteele en onverbreekelyke <span class="smcap">wet</span>, waar naa
+alle Saaken, zoo van Politie als Justitie, daar in vervat,
+voortaan zullen werden beleid en behandelt,&#8221; uitmakende
+61 artikelen, uitgevaardigd. Hiermede, gelijk door
+het uitschrijven van eene algemeene Amnestie en van een
+nieuw stelsel van belastingen (dat echter spoedig onuitvoerbaar
+werd bevonden), werden alzoo de rust hersteld, vele
+aanleidingen tot misnoegen weggenomen en onderscheidene
+takken van beheer en gezag op een beteren voet geregeld<a
+name="FNanchor_358" id="FNanchor_358"></a><a href="#Footnote_358" class="fnanchor">[358]</a>.</p>
+
+<p>Nooit bleek voorzeker aan <i>Friesland</i> het gewigt en
+nut van het Stadhouderschap duidelijker, dan in dit
+merkwaardige jaar 1748. De Prins betreurde het echter
+met alle welgezinden, dat het opgewondene gemeen de
+goede zaak door oproerige bedreigingen, plunderingen en
+verwoestingen (te <i>Wier</i>, <i>St. Anna-Parochie</i>, <i>Hallum</i>
+en<span class='pagenum'><a name="Page_418" id="Page_418">[418]</a></span>
+elders) bezoedelde. Zeker bragten de persoonlijke hoedanigheden
+en gedragingen van den Prins, die de grootheid
+van zijn Huis enkel zocht in de grootheid van den Staat,
+veel toe, om hem dien invloed en die magt te bezorgen
+en aller harten aan zich verbonden te houden. Veel is er
+vervolgens door hem verrigt, om orde, regt, geldmiddelen
+en krijgstucht te herstellen en om koophandel en zeevaart
+te doen bloeijen. Wat mogt men nu verder niet voor
+het welzijn des lands verwachten van een Vorst, met
+zooveel magt bekleed, met zoo vele gaven versierd, en als
+een toonbeeld van christelijke deugden vereerd? Terwijl
+men zich over zulk eene gelukkige toekomst verheugde,
+behaagde het God, &#8217;s Prinsen levensdraad onverwachts af
+te snijden. Hij stierf reeds den 22 October 1751, diep
+betreurd door het gansche vaderland, dat zijne bewonderenswaardige
+grootmoedigheid had leeren kennen, en
+dat zijn ijver voor het belang des lands en liefde voor zijn
+volk met wederliefde en trouw had vergolden. Hoe kort
+de regering van Prins <span class="smcap">willem</span> <i>den vierde</i> ook ware, zij
+was lang en eervol genoeg, om hem eene roemrijke plaats
+te bezorgen onder de edele Vorsten des vaderlands<a name="FNanchor_359"
+id="FNanchor_359"></a><a href="#Footnote_359" class="fnanchor">[359]</a>.</p>
+
+<p>Inzonderheid was <i>Friesland</i> wegens het voorgevallene
+in 1748 aan dien Stadhouder verpligt, vooral in vergelijking
+met andere provinci&euml;n, waar, even als in de zaken
+der Generaliteit, zoo vele misbruiken en verkeerdheden
+nog onverbeterd waren gebleven. Prinses <span class="smcap">anna</span>,
+die na<span class='pagenum'><a name="Page_419" id="Page_419">[419]</a></span>
+zijn dood, als Gouvernante van den minderjarigen Prins
+<span class="smcap">willem</span> V, het bewind had aanvaard, vermogt te weinig
+en bezat ook niet genoeg vertrouwen na het uitbreken
+van den oorlog tusschen <i>Engeland</i> en <i>Frankrijk</i>, om
+veel goeds tot stand te kunnen brengen. Omdat de Staten
+de vermeerdering van de krijgsmagt niet wilden toestaan,
+wist zij tegen te gaan, dat onze zwakke zeemagt versterkt
+werd. En toch was dit laatste zoo noodzakelijk, dewijl de
+handel en scheepvaart, waarin ook <i>Friesland</i> toen een
+belangrijk aandeel had, groote schade leden van de Engelschen,
+die zoo vele onzer koopvaardijschepen prijsverklaarden
+of hinder toebragten<a name="FNanchor_360" id="FNanchor_360"></a><a
+href="#Footnote_360" class="fnanchor">[360]</a>. De dood van Prinses
+<span class="smcap">anna</span>, op den 12 Januarij 1759, maakte een einde aan dien
+staat van spanning, en bevorderde dadelijk de versterking
+van onze zeemagt, tot beveiliging onzer vlooten
+tegen de roofzucht van de Engelsche zoowel als Fransche
+kapers.</p>
+
+<p>Terwijl <i>Holland</i> en de vijf andere provinci&euml;n nu gedurende
+de minderjarigheid van Prins <span class="smcap">willem</span> V hoofdzakelijk
+bestuurd werden door zijn voogd en ook lateren
+leidsman <span class="smcap">lodewijk ernst</span>, Hertog van <i>Brunswijk-Wolfenbuttel</i>,
+Veldmaarschalk van den staat, hadden de
+Staten van <i>Friesland</i> zoo veel eerbied voor &#8217;s Prinsen
+grootmoeder, Prinses <span class="smcap">maria louisa</span>, dat zij haar, hoewel
+reeds 70 jaren oud, als Gouvernante op nieuw het bewind
+toevertrouwden. Met die waardigheid en kracht, welke de
+edele Prinses, sterk door haar christelijk geloof, immer
+had betoond onder zoo vele smartelijke verliezen, welke
+haar troffen, volbragt zij gedurende zes jaren deze taak.
+Zij deed dit z&oacute;&oacute;danig tot genoegen der Staten, dat deze
+bij haren algemeen betreurden dood, op den 9 April 1765,<span class='pagenum'><a name="Page_420" id="Page_420">[420]</a></span>
+konden betuigen: &raquo;dat zij een allergezegendst middel in
+Gods hand was geweest, om de welvaart dezer provincie
+met den uitersten ijver te bevorderen op eene zoo vreedzame
+en vriendelijke wijze, dat zij de liefde en hoogachting
+van Regenten en ingezetenen van allerlei staat voor
+lange jaren verkregen en tot den einde toe volkomen
+behouden had&#8221;<a name="FNanchor_361" id="FNanchor_361"></a><a href="#Footnote_361" class="fnanchor">[361]</a>.</p>
+
+<hr class="c05" />
+
+<p>Een gelukkig tijdperk van rust en ongemeene welvaart
+was er voor het vaderland aangebroken, toen Prins <span class="smcap">willem</span>
+V in 1766 in alle provinci&euml;n als Erfstadhouder werd
+gehuldigd. Die voorspoed, welke ook <i>Friesland</i> bestraalde,
+werd in de eerstvolgende veertien jaren alleen door de veepest
+van 1769 en den watervloed van 1776 afgebroken. Wel
+trachtten de staatsleden de deerlijk vervallen geldmiddelen
+dezer provincie te verbeteren, doch er kwam veel minder
+goeds gedurende dit bloeijende en rustige tijdvak tot
+stand dan men had mogen verwachten. De vroegere
+wakkerheid was in vele opzigten door laauwheid en zorgeloosheid
+vervangen; terwijl zoo vele kleine twisten
+blijken gaven van de kregelheid, eerzucht en twistgierigheid,
+welke vele republikeinen dier dagen bezielden.
+Lang bleef ook de goede, doch dikwijls zwakke Prins
+in de volksgunst deelen, en ontving hij daarvan streelende
+bewijzen, toen hij <i>Friesland</i> in 1773 en 1777
+bij herhaling bezocht, omgeven van den glans der
+weelde, welke de voorspoed der ingezetenen overal ten
+toon spreidde.</p>
+
+<p><span class='pagenum'><a name="Page_421" id="Page_421">[421]</a></span>Doch hoe zeer veranderde die stemming des volks en
+de toestand des lands met den jare 1780!</p>
+
+<p>De vrijheids-oorlog der Noord-Amerikaansche volkplantingen
+tegen <i>Engeland</i> verwekte allereerst eene ongemeene
+belangstelling en geestdrift. Bijzonder was dit
+het geval bij de vrijheidlievende Friezen, wier Staten
+zoo veel lof verwierven, doordien zij in 1782 de eerste van
+al de provinci&euml;n waren, die v&oacute;&oacute;r de vrijverklaring van
+<i>Amerika</i> stemden<a name="FNanchor_362" id="FNanchor_362"></a><a href="#Footnote_362" class="fnanchor">[362]</a>.</p>
+
+<p>Vermits de Hollandsche kooplieden de Amerikanen,
+in weerwil van Engelands verbod, bleven ondersteunen,
+moest dit natuurlijk een oorlog van ons land met <i>Engeland</i>
+ten gevolge hebben. Bij de zwakheid van onze zeemagt
+bragt die vredebreuk onzen handel aanzienlijke schade toe.
+Groot verschil van staatkundige inzigten en daarbij een
+toenemend misnoegen over het gedrag van den Prins en
+meer nog over de handelingen van zijnen raadsman, den
+Hertog van <span class="smcap">brunswijk-wolfenbuttel</span>, dien men, nadat
+hij in den haat des volks was gevallen, verwijderd wilde
+hebben,&mdash;dit alles verwekte meer en meer verwijdering,
+verbittering, scheuring en partijschap.</p>
+
+<p>Het volk, dat de staatsleden beschuldigde van afgeweken
+te zijn van het Regerings-reglement van 1748,
+en zich beklaagde over de aanmatigingen der rijken, de
+voorregten der aristocratie en de misbruiken der familie-regering,
+verlangde meerdere regten uit te oefenen,
+en eischte grondwettige herstelling van het, in zoovele<span class='pagenum'><a name="Page_422" id="Page_422">[422]</a></span>
+opzigten verbasterde, staatsbestuur. Het woord <i>vrijheid</i>,
+hetwelk in de zaak der Amerikanen zulk eene heilige
+beteekenis had, kwam hier in de mode, en werd, vermengd
+met de zonderlingste denkbeelden van Fransche wijsgeeren
+over godsdienst en volkenregt, getroeteld en in politieke
+klubs of fraterniteiten aangekweekt, tot ondermijning van
+het gezag der regenten. Zelfs benamen de Friesche Steden
+den Prins in 1782 het aan zijn vader en hem afgestane regt
+van Raadsbestelling en het begeven van de in haar kwartier
+rondgaande ambten. Noch het vertrek van den Hertog
+van <span class="smcap">brunswijk-wolfenbuttel</span>, noch de vrede met <i>Engeland</i>
+(1784), noch een verdedigend verbond met <i>Frankrijk</i>
+(1785), konden de opgewondene gemoederen tot rust
+brengen. Integendeel, nadat eene bedreiging van oorlog
+met Keizer <span class="smcap">jozef</span> II het volk algemeen de wapenen in
+handen had gegeven, versterkten de alom opgerigte Vrij-korpsen
+of Exercitie-genootschappen de krijgshaftige houding
+der natie, waarvan een deel weldra met die zelfde
+wapenen hare overheden bedreigde en zich tegen het gezag
+verzette. De brave Prins, te zwak om in tijden van beweging
+het roer van staat met vaste hand te sturen, sloot zich
+nu bij de aristocratie aan, in plaats van eene poging te
+doen, om de verlorene vriendschap der patriotten te herwinnen,
+door hunne voornaamste wenschen in te willigen.</p>
+
+<p>In dien onrustigen stand van zaken waagden de Staten
+van <i>Friesland</i> het, den publieken geest, welke zich dagelijks
+krachtiger openbaarde en op de verbetering van
+talrijke misbruiken aandrong, te trotseren, door op den
+25 September 1786 twee merkwaardige plakkaten uit te
+vaardigen. Bij het eerste werd het op strenge straf verboden,
+beleedigende geschriften uit te geven, of requesten
+en adressen over zaken der regering te teekenen. Bij
+het tweede werden de nu gevaarlijk geachte Exercitie-genootschappen
+opgeheven en verboden, en de burgers<span class='pagenum'><a name="Page_423" id="Page_423">[423]</a></span>
+bevolen hunne wapenen af te leggen<a name="FNanchor_363"
+id="FNanchor_363"></a><a href="#Footnote_363" class="fnanchor">[363]</a>. Dan, de
+stroom vloeide reeds te lang en te sterk, om, door
+zulke middelen gestuit, niet buiten zijne oevers te
+treden. De tegenstand des volks werd meer algemeen,
+de breuke tusschen de Prins-gezinden en Patriotten grooter,
+de verbittering sterker. De stad <i>Franeker</i> werd in Mei
+1787 het middelpunt, waar de gewapende misnoegden
+en tegenstanders van het Stadhouderlijk gezag zich vereenigden;
+waar een Defensiewezen zich tegen gevreesde
+aanvallen versterkte, door de stad met schansen en elf
+batterijen te omgeven en krijgsvoorraad bijeen te brengen,
+en waar in Augustus tien leden der Staten zich van die
+van <i>Leeuwarden</i> afscheidden en, even als in 1672 te
+<i>Sneek</i>, eene tegenregering vormden, die, met versmading
+van de wettige meerderheid, hare bevelen, als de
+eenige en hoogste magt des lands, overal wilde doen
+eerbiedigen.</p>
+
+<p>Zulk een verwarde toestand des lands, welke voor de
+rust, de veiligheid en welvaart der ingezetenen hoogst
+verderfelijk was, kon niet duurzaam zijn bij al de blijken,
+welke het volk gaf van nog niet rijp te zijn voor het
+genot van eene vrijheid, waarvan all&eacute;&eacute;n de klank veler
+hoofden had bedwelmd; terwijl de band van ontzag, eerbied
+en liefde tusschen overheid, vorst en volk was verbroken.
+Welk persoon, wat stout bedrijf of welke merkwaardige gebeurtenis
+zou den veegen Staat redden? Helaas! den benarden
+Stadhouder, dien men in <i>Holland</i> zoo veel leed had
+aangedaan, dat hij naar <i>Nijmegen</i> was geweken, scheen
+geen ander middel tot zelfbehoud over te schieten, dan de
+hulp in te roepen van zijnen schoonbroeder, den Koning
+van <i>Pruissen</i>, die in September 1787 een leger van<span class='pagenum'><a name="Page_424" id="Page_424">[424]</a></span>
+20,000 man naar <i>Holland</i> zond, om den Prins in zijn gezag
+te herstellen. Achtten velen deze inroeping van vreemde
+hulp eene grievende beleediging,&mdash;zij had voor het
+oogenblik dit gunstig gevolg, dat alom, na hevige uitspattingen,
+de volksberoeringen ophielden, en dat de
+Staten van <i>Holland</i>, met intrekking van al hunne besluiten,
+tegen den Prins genomen, den Stadhouder verzochten
+weder in <i>&#8217;s Gravenhage</i> te komen. Zegepralende
+op zijne vijanden, die het vaderland ontvloden, hernam
+hij zijne waardigheden, en werd alom de bestaande regeringsvorm
+met kracht gehandhaafd.</p>
+
+<p>Maar welk gebruik maakten de Staten van <i>Friesland</i> van
+deze overwinning van het gezag? Verdienden zij door
+edele grootmoedigheid en vergevensgezindheid den eerbied,
+waarop zij op nieuw aanspraak maakten? Neen, strenge
+vervolgingen bragten hen in verdenking, dat niet het welzijn
+des volks, maar het zegevieren hunner partij en zucht
+om het beleedigde gezag te wreken het roersel hunner
+daden was. Nadat allen, die zich verdedigers der grondwettige
+regten en vrijheden des volks noemden, met de
+talrijke te <i>Franeker</i> zamengevloeide gewapende burgers
+die stad hadden verlaten, werd zij op den 24 September
+door de Staten bezet, en daarna gestraft met het uitligten
+van de deuren der poorten, welke in de kerk werden
+vastgelegd. Honderden Friesche patriotten vlugtten, waarvan
+de meesten te <i>St. Omer</i> in <i>Frankrijk</i> eene schuilplaats
+vonden. Vele leden van het defensiewezen en
+andere deelgenooten van den opstand tegen den bestaanden
+regeringsvorm werden gevat en door het Hof
+gevonnisd met gevangenzetting, geldboeten, verbeurdverklaring
+van goederen en andere straffen. Eene algemeene
+ontwapening des volks werd bevolen; de Fraterniteiten
+en andere dergelijke staatkundige bijeenkomsten
+werden streng verboden. Wel lieten de Staten<span class='pagenum'><a name="Page_425" id="Page_425">[425]</a></span>
+den 16 October eene Amnestie afkondigen; doch deze
+bevatte, na eene opsomming van al het misdrevene
+z&oacute;&oacute; vele uitzonderingen, dat de meeste deelgenooten
+daar buitengesloten bleven, en zich liever den last der
+ballingschap buiten hun vaderland getroostten. Hard
+viel deze straf vooral vele rustige en brave burgers, die,
+met de beste bedoelingen, door den tijdgeest onwillekeurig
+waren medegevoerd geworden. Nog harder viel
+die vervolging, toen de Staten, ook nadat er reeds
+eenige jaren verloopen waren, doof bleven voor alle
+verzoeken tot matiging, zoodat zelfs nog in 1792 de
+zedige en verdienstelijke <span class="smcap">eise eisinga</span>, die zich, na jaren
+omzwervens, te <i>Visvliet</i> nedergezet had en daar gevat
+was, na een proces van een vol jaar, voor vijf jaren uit
+deze provincie gebannen werd, enkel omdat hij in 1787
+lid was geweest van het defensiewezen te <i>Franeker</i>.</p>
+
+<p>Te onverklaarbaarder was dit streng volhouden der Staten,
+omdat zij, bekend met de wenschen des volks, waardoor
+de onlusten waren ontstaan, sedert 1787 bijna niets
+deden ter verbetering van het door zoovelen aangevallene
+staatsbestuur en tot wegneming van de algemeen erkende
+misbruiken;&mdash;doch vooral, omdat de staats-omwenteling
+van 1789 in <i>Frankrijk</i> hun tot ontzetting deed zien,
+welk eene magt het volk tegenover den troon, den adel
+en de geestelijkheid kon ontwikkelen; welke de eischen
+waren van den onwederstaanbaren geest des tijds, en
+welke gevolgen het onverstandig vasthouden aan verouderde
+vormen en begrippen na zich <span class="gesp">moest</span> slepen. Bekend
+was het bovendien, hoe zeer de Nederlandsche vlugtelingen
+blaakten van wraakzucht, om hunne overheden het
+inroepen der Pruissische hulp betaald te zetten; hoe zij zich
+met de Franschen verbroederden, en, door briefwisseling
+met hunne vrienden, in ons land de hoop levendig hielden
+op eene door hen voorbereide verlossing, ter bekoming<span class='pagenum'><a name="Page_426" id="Page_426">[426]</a></span>
+van eene gelijke vrijheid en volkssouvereiniteit, als de
+Fransche republiek reeds had verworven. In weerwil de
+onmenschelijke tooneelen van het schrikbewind, na den
+val van Koning <span class="smcap">lodewijk xvi</span>, alle mogendheden deden
+sidderen voor de woede van een bandeloos volk&mdash;bleven
+de Staten van <i>Friesland</i> zorgeloos en gerust op
+het oude pad voortgaan. Ja, nog den 28 Januarij 1795,
+toen het water reeds tot aan de lippen was gestegen,
+ontveinsden zij het klimmende gevaar, daar zij, bij openlijk
+plakkaat, zich durfden &raquo;vleien, dat de Unie zal
+blyven bewaard, in het vertrouwen op het vooruitzigt
+van den gelukkigen en wenschelyken voortgang der
+aangevangene Vreedes Negotiatien; uit welken hoofde
+&#8217;er zig gegronde hoope opdoet tot het zien eindigen
+van deezen bloedigen Oorlog.&#8221;<a name="FNanchor_364"
+id="FNanchor_364"></a><a href="#Footnote_364" class="fnanchor">[364]</a></p>
+
+<p>Z&oacute;&oacute; blind, z&oacute;&oacute; onverzettelijk bleven &#8217;s lands Regenten,
+die echter reeds den volgenden dag al onthutst waren
+over &raquo;de verandering der gedaante van zaaken door de
+rampen des Oorlogs,&#8221; waarom ze den predikanten bevolen
+te bidden, &raquo;dat God den bloedigen Oorlog mogt
+doen eindigen.&#8221; Doch die oorlog was toen eerst aangevangen
+en zou nog twintig jaren lang, geweldiger dan
+ooit te voren, woeden, ten einde, onder Gods wijze en liefdevolle
+leiding, het middel te worden, om de nati&euml;n,
+die in vrede en voorspoed doof waren geweest voor de
+stem van godsdienst en rede, en blind voor hun duurzaam
+belang, door lijden en strijd te louteren, en,
+eerst na verloop van vele jaren van rampspoed, te
+verheffen tot eene betere maatschappelijke orde en meerdere
+vatbaarheid voor volksgeluk.</p>
+
+<hr class="footn" />
+
+<div class="footnote">
+
+<p><a name="Footnote_350" id="Footnote_350"></a><a href="#FNanchor_350"><span class="label">[350]</span></a>
+Dit derde gedeelte der staatkundige geschiedenis van dit tijdvak
+strekt ten vervolge van het <a href="#Page_245">tweede gedeelte</a>, dat op <a href="#Page_308">bl. 308</a> eindigt.</p>
+
+<p><a name="Footnote_351" id="Footnote_351"></a><a href="#FNanchor_351"><span class="label">[351]</span></a>
+Zie over deze hier slechts aangestipte punten ook <a href="#Page_238">bl. 238</a>,
+<a href="#Page_316">316</a>, <a href="#Page_336">336</a> hier v&oacute;&oacute;r.</p>
+
+<p><a name="Footnote_352" id="Footnote_352"></a><a href="#FNanchor_352"><span class="label">[352]</span></a>
+Onder den titel van: <i>het Juichend Friesland</i> is er destijds
+een verhaal van deze blijde inkomst en beschrijving van de plegtigheden,
+eerepoorten, illuminatien en vuurwerk in folio uitgegeven.
+Zie ook <i>Reg. op de Staats-resol.</i> 343, 519.</p>
+
+<p><a name="Footnote_353" id="Footnote_353"></a><a href="#FNanchor_353"><span class="label">[353]</span></a>
+Deze Gedichten, te <i>&#8217;s Hage</i> bij <span class="smcap">beauregard</span> in 4<sup>o</sup>. uitgegeven,
+zijn daarna, vermeerderd met eene overzetting uit <span class="smcap">polybius</span> in
+proza, benevens eene menigte lofverzen op <span class="smcap">van haren</span>, in 8<sup>o</sup>. gedrukt
+te <i>Harderwijk</i>. Ze zijn ook opgenomen in <span class="smcap">van haren&#8217;s</span>
+<i>Werken</i> bij <span class="smcap">westerman</span>. Zie mede <span class="smcap">halbertsma</span>, <i>Fragmenten over
+de van Harens</i>, 120 en <span class="smcap">scheltema</span>, <i>Mengelwerk</i>, I 132; <span class="smcap">bosscha</span>,
+<i>Heldendaden</i>, II 555.</p>
+
+<p><a name="Footnote_354" id="Footnote_354"></a><a href="#FNanchor_354"><span class="label">[354]</span></a>
+In 1758 heeft de Generaal <span class="smcap">aylva</span> deze zes stukken geschuts
+gelegateerd aan de Staten van <i>Friesland</i>, op wier last ze, na zijn
+overlijden in 1772, geplaatst werden v&oacute;&oacute;r de Hoofdwacht te
+<i>Leeuwarden</i>, volgens <i>Reg. Staats-res.</i> 41, 61; <i>Teg. Staat</i>, II 109;
+<span class="smcap">te water</span>, <i>Verbond der Edelen</i>, II 167; <span class="smcap">kok</span>, <i>Vaderlandsch Woordenb.</i>
+II 403; <span class="smcap">bosscha</span>, <i>Heldend.</i> II 657; <span class="smcap">wagenaar</span>, <i>Vad. Hist.</i>
+XX 180, 190; <span class="smcap">van leeuwen</span>, in <i>de Vrije Fries</i>, V 367, 382.</p>
+
+<p><a name="Footnote_355" id="Footnote_355"></a><a href="#FNanchor_355"><span class="label">[355]</span></a>
+<span class="smcap">Slingelandt</span>, <i>Staatk. Geschriften</i>, I 212, 223; <span class="smcap">van kampen</span>,
+<i>Verkorte Geschiedenis der Nederl.</i> II 232.</p>
+
+<p><a name="Footnote_356" id="Footnote_356"></a><a href="#FNanchor_356"><span class="label">[356]</span></a>
+Deze woorden van den Prins, gerigt tot <span class="smcap">onno zwier van
+haren</span>, die veel tot &#8217;s Prinsen verheffing toebragt, hebben dezen
+later aanleiding gegeven tot het ontwerpen van zijn uitstekend heldendicht:
+<i>de Geuzen</i>, <a href="#Page_181">hier v&oacute;&oacute;r</a> en in <i><a href="#Aant20">Aant. 20</a></i> nader vermeld: &#8222;opdat
+die onbegrijpelijke liefde en vertrouwen tusschen Vorst en Volk
+met behoorlijke kleuren mogt worden beschreven.&#8221; Zie het begin
+der <i>Ophelderingen van de Geuzen</i>, en verder <span class="smcap">wagenaar</span>, <i>Vad. Hist.</i>
+XX 78 env.; <span class="smcap">haverkamp</span>, <i>Leven van Prins Willem</i> IV, 18, 45 env.</p>
+
+<p><a name="Footnote_357" id="Footnote_357"></a><a href="#FNanchor_357"><span class="label">[357]</span></a>
+De eerste der vier termijnen van deze vrijwillige gift bragt
+in Februarij 1748 alleen in de stad <i>Leeuwarden</i> aan goud- en zilverwerk
+en geld ruim 42,600 Gld. op, en bedroeg over geheel <i>Friesland</i>
+345,827 Gld. buiten het zilver, volgens eene MS. Aanteekening in
+mijne verzameling.</p>
+
+<p><a name="Footnote_358" id="Footnote_358"></a><a href="#FNanchor_358"><span class="label">[358]</span></a>
+De bijzonderheden der gebeurtenissen van dit jaar zijn bijeengebragt
+in het werkje: <i>het Verward Frieslandt</i> (door <span class="smcap">j. dotingh</span>), Leeuw.
+1749. Zie mede <span class="smcap">wagenaar</span>, XX 196; <i>Nederl. Jaerboeken</i>, II 524.</p>
+
+<p><a name="Footnote_359" id="Footnote_359"></a><a href="#FNanchor_359"><span class="label">[359]</span></a>
+Vele zijn de geschriften over dezen voortreffelijken Stadhouder,
+die meest lofredenen zijn, en waarvan ik onderscheidene heb bijeengebragt
+in de Bibliotheek zijner geboortestad, die zich met regt
+op hem mag beroemen. Behalve naar <span class="smcap">wagenaar</span> en de <i>Jaerboeken</i>
+verwijs ik enkel naar <span class="smcap">haverkamp</span>, <i>&#8217;s Lands verijdelde hoope</i>, Amst.
+1753; <span class="smcap">o. z. van haren</span>, <i>Lijkreeden</i>, Leeuw. 1766; <span class="smcap">hofstede</span>,
+<i>Bloemen op het graf</i>, Rott. 1752; <i>Levensb. van ber. Mannen</i>, VI 284;
+<span class="smcap">scheltema</span>, <i>Staatk. Ned.</i> II 487; <span class="smcap">v. kampen</span>, II 251, <i>Karakterk.</i> II 565.</p>
+
+<p><a name="Footnote_360" id="Footnote_360"></a><a href="#FNanchor_360"><span class="label">[360]</span></a>
+Het moedig gedrag van den Frieschen Zeekapitein <span class="smcap">jan
+binkes</span> in die dagen is vermeld achter <i><a href="#Aant23">Aanteekening 23</a></i>.</p>
+
+<p><a name="Footnote_361" id="Footnote_361"></a><a href="#FNanchor_361"><span class="label">[361]</span></a>
+Dit betuigden de Staten in den brief van rouwbeklag aan
+haren kleinzoon. Zie <span class="smcap">stuart</span>, <i>vervolg op</i> <span class="smcap">wagenaar</span>, II 249; <span class="smcap">de
+chalmot</span>, <i>Leven der Prinses</i>, Leeuw. 1765; <span class="smcap">j. van den bosch</span>,
+<i>de Heeren Stadhouderen van Vriesland</i>, Leeuw. 1770, 35, 86;
+<i>Levensbeschrijving van Nederl. Mannen enz.</i> VI 154; <span class="smcap">van kampen</span>,
+<i>Karakterkunde</i>, II 562 enz.</p>
+
+<p><a name="Footnote_362" id="Footnote_362"></a><a href="#FNanchor_362"><span class="label">[362]</span></a>
+Zie <span class="smcap">loosjes</span>, <i>Gedenkzuil der Vrij-verklaaring</i>, 31, 58, 64,
+131, 133, waar tevens voorkomt het Request van de Burger-Societeit
+te <i>Leeuwarden</i>: <i>Door Vrijheid en IJver</i> aan Gedeputeerden,
+met aanbieding van een Zilveren Eerepenning, welke zij op
+dit besluit had laten vervaardigen. De studenten te <i>Franeker</i> huldigden
+hetzelve door het afsteken van een vuurwerk. Ook hierdoor
+werd de vrijheidsgeest overal aangewakkerd.</p>
+
+<p><a name="Footnote_363" id="Footnote_363"></a><a href="#FNanchor_363"><span class="label">[363]</span></a>
+Zie de <i>Verzameling van Placaten</i>, 339, 343; <i>Apologie van</i>
+<span class="smcap">c. l. van beijma</span>, 172, 230, en vele andere stukken van dien tijd.</p>
+
+<p><a name="Footnote_364" id="Footnote_364"></a><a href="#FNanchor_364"><span class="label">[364]</span></a>
+<i>Verzameling van Placaaten</i>, 436, 437.</p>
+
+</div>
+
+<hr class="footn" />
+
+<p class='pagenum'><a name="Page_427" id="Page_427">[427]</a></p>
+
+<h2><a name="Tijdvak5" id="Tijdvak5"></a>VIJFDE TIJDVAK.</h2>
+
+<p class="chaptitle">FRIESLAND TIJDENS DE VOLKSREGERING EN
+DE FRANSCHE OVERHEERSCHING.</p>
+
+<p class="chapsubtitle">VAN DE STAATS-OMWENTELING EN DE OPHEFFING VAN
+HET STADHOUDERSCHAP TOT DE HERSTELLING
+VAN NEDERLAND EN HET VERTREK
+DER FRANSCHEN.</p>
+
+<p class="chapdescrip"><i>Van het jaar 1795 tot 1813.</i></p>
+
+<p class="figcenter"><img src="images/lijn3.png" alt="Versiering" width="100" height="12" /></p>
+
+<h3>42. <i>De Staats-omwenteling en hare gevolgen.</i></h3>
+
+<p>Te laat namen de Staten van <i>Friesland</i>, den 7 Februarij
+1795, het besluit tot opheffing van de vervolgingen en
+verbodsbepalingen, waarmede men sedert 1787 vele opgewondene
+ingezetenen in toom had gehouden. Na in
+<i>Belgi&euml;</i> lang tegenstand te hebben ondervonden, zegevierden
+de wapenen der Franschen, die nu door den
+vorst zich reeds in December 1794 den weg gebaand
+zagen over de rivieren, die ons vaderland meermalen
+tot eene natuurlijke beschutting verstrekten. De vroeger
+gevlugte patriotten, die in <i>Frankrijk</i> de bloedige tooneelen
+van de revolutie-koorts hadden bijgewoond, snelden
+hen vooruit, en nog v&oacute;&oacute;r de Franschen onzen Staat, op
+den 1 Februarij 1795, den oorlog verklaarden, ontvlugtte
+Prins <span class="smcap">willem</span> V met zijn gezin en vele zijner aanhangers
+het vaderland, dat ruim twee eeuwen veilig was geweest
+onder de hoede van <span class="smcap">oranje</span>. De in 1787 alleen
+door de<span class='pagenum'><a name="Page_428" id="Page_428">[428]</a></span>
+kracht der wapenen herstelde republiek was haren val
+nabij, en bezweek voor den revolutiegeest des volks,
+dat geheel andere beginselen dan vroeger huldigde en
+zich sterk waande door buitenlandschen invloed.</p>
+
+<p>Ook in <i>Friesland</i> vestigde zich een <i>Committ&eacute; Revolutionair</i>,
+hetwelk, na de omwenteling geheel voorbereiden
+den vrijheidsboom te <i>Leeuwarden</i> geplant te hebben,
+den 10 Februarij 1795 de Regenten der steden en grietenijen
+ontsloeg en andere personen aanstelde, onder
+luidruchtige vreugdebedrijven van het volk. Evenzoo
+verklaarde het den 19 Februarij met eene plegtige aanspraak
+de Staten van <i>Friesland</i>, gelijk den Erfstadhouder,
+vervallen van hunne waardigheden, met belofte van
+veiligheid voor hunne personen en verbod om te vlugten.
+Hierna werden er 60 Provisioneele Representanten van
+het volk van <i>Friesland</i> in hunne plaats aangesteld, en
+voorzien van eene instructie, welke de beginselen bevatte,
+waarnaar de nieuwe republiek voorloopig zou worden
+bestuurd. Het Committ&eacute; legde toen tevens zijne taak
+neder, en &raquo;wenschte het volk plegtig geluk met de
+volbragte onvermijdelijke revolutie, en met de tot dusverre
+gelukkig herstelde vrijheid; onder betuiging, dat
+de bedaardheid, goede orde en rust, bij zulk eene verbazende
+omkeering van zaken overal bewaard, der Friesche
+natie voor het oog der geheele wereld tot onsterfelijken
+roem verstrekten.&#8221;</p>
+
+<p>In de volgende dagen vaardigden de Provisioneele
+Representanten bij verschillende plakkaten hunne staatkundige
+geloofsbelijdenis uit, om ieder te doen zien,
+dat zij geen ander oogmerk hadden, dan om, ook door
+het afschaffen van de erfelijke aristocratie en familie-regering,
+de miskende regten des volks te handhaven, en veiligheid
+van personen en bezittingen, vrijheid van godsdienst en
+drukpers en gelijkheid van allen voor de wet te verzekeren,<span class='pagenum'><a name="Page_429" id="Page_429">[429]</a></span>
+onder vermaning, van de verkregene voorregten door
+geene rustverstoring te bezoedelen.<a name="FNanchor_365"
+id="FNanchor_365"></a><a href="#Footnote_365" class="fnanchor">[365]</a></p>
+
+<p>En inderdaad, het verdient opmerking, dat zulk eene
+omwenteling en vernietiging van het eeuwenheugende
+gezag hier, door het volk zelf, zoo rustig en zonder
+schending van personen of bezittingen werd tot stand
+gebragt. Want eerst den 4 Maart deed de Fransche
+Generaal <span class="smcap">gaspard thierry</span> met een aantal huzaren zijne
+plegtige intrede in <i>Leeuwarden</i>, onder de uitbundigste
+vreugdebetooningen van het uit alle oorden te zamengevloeide
+volk, dat in den roes zijner blijdschap, hand aan
+hand met den luchthartigen Franschman dansende om den
+vrijheidsboom, zich zelf vergat, en zich niet bewust
+scheen te zijn, dat het eene inhaling was als van het
+Grieksche paard in <i>Troje</i>. Doch de Franschen hadden
+beloofd, als vrienden en bondgenooten te zullen overkomen,
+en als verlossers van de overheersching en beschermers
+van de nieuwe republiek, die ze zeker weldra
+weder zouden verlaten, werden ze dus ontvangen en bij
+de burgers ingekwartierd. Hoe spoedig bleek echter het
+tegendeel, nadat 150,000 hunner, meest uitgehongerde
+en halfnaakte, krijgslieden over het gansche land waren
+verspreid, waarvan <i>Friesland</i> zijn aandeel rijkelijk bekwam!</p>
+
+<p>Immers, bij het Haagsche verdrag van den 26 April
+1795 eischten de Franschen reeds, behalve den afstand
+van een aanzienlijk grondgebied, 100 millioen gulden
+voor het bezorgen van de zoogenaamde vrijheid, onder
+verpligting van onzen Staat, om 25,000 man Franschen
+in dienst te houden en te bezoldigen. Doch de partij
+der patriotten had de overwinning behaald en zich gewroken<span class='pagenum'><a name="Page_430" id="Page_430">[430]</a></span>
+op den Prins en de staatsleden, die hen in 1787 hadden doen
+vlugten, maar&mdash;ten koste der onafhankelijkheid des
+lands. Het volk, gestreeld door de klanken van Vrijheid,
+Gelijkheid en Broederschap, spiegelde zich nu, bij de
+zegepraal der beginselen van de regten van den mensch
+en burger, de schoonste toekomst van eene veel verbeterde
+staatsinrigting voor; hoewel het, bij de schaarschheid en
+duurte van levensmiddelen en het stilstaan van sommige
+bronnen van bestaan, al dadelijk verpligt werd, om in
+herhaalde geldleeningen, heffingen en drukkende lasten
+aan de vermeende vrijheid zware offers te brengen<a name="FNanchor_366"
+id="FNanchor_366"></a><a href="#Footnote_366" class="fnanchor">[366]</a>.</p>
+
+<p>Intusschen geschiedde er in Mei eene algemeene oproeping
+van het volk van <i>Friesland</i> tot stemming van
+68 Representanten, die nu het roer der regering aanvaardden
+en aan negen hunner het waarnemen der zaken
+van het vroegere Collegie of de uitvoerende magt toevertrouwden.
+Nog scheen dit bestuur uit gematigde patriotten
+te bestaan, hoewel het de meeste leden van het
+Hof ontzette en door andere personen van zijnen geest
+deed vervangen (15 Julij), en toeliet, dat de Stadhouderlijke
+Tombes in de Groote Kerk te <i>Leeuwarden</i> schandelijk
+vernield en de Grafkelders geschonden werden (1 Aug.).<span class='pagenum'><a name="Page_431" id="Page_431">[431]</a></span>
+Evenwel bleef deze partij, bij het plan tot bijeenroeping
+van eene Nationale Conventie, met kracht van redenen de
+souvereiniteit en de onafhankelijkheid der provinci&euml;n vasthouden
+en verdedigen, omdat zij haar <i>zelfbestaan</i> niet
+konde, niet wilde vernietigen, en omdat zij zich van
+eene vereeniging met de andere gewesten voor <i>Friesland</i>
+groot gevaar en vele nadeelen voorstelde. Doch <i>Holland</i>,
+met een grooten schuldenlast bezwaard, trachtte de ineensmelting
+van de provinci&euml;n en de provinciale schulden
+door te drijven, en om dit doel te bereiken, spaarde
+het geene middelen, &raquo;geen vleijen en kuipen, geen
+dringen en dreigen.&#8221; Het werd daarin ondersteund door
+een aantal hevige Friesche patriotten, die zich van de
+een- en ondeelbaarheid van den Staat veel heils voorspelden,
+en als heethoofdige ijveraars meer doortastende veranderingen
+begeerden. Z&oacute;&oacute; vormden zich onder de patriotten
+zelve partijen, die elkander uit verschil van inzigt wantrouwden
+en vervolgden met een haat en tweedragt, nog
+sterker dan v&oacute;&oacute;r de omwenteling. In Januarij 1796 vestigden
+zich eenigen dier ijveraars zelfs tot een Committ&eacute; van
+herstel, hoewel ze spoedig door de Representanten, die hen
+eene oproerige bende van baatzuchtige fortuinzoekers en
+intriganten noemden, werden gevangen gezet. Evenwel
+wist hunne partij te bewerken, dat Frieslands volksvertegenwoordigers
+met geweld uiteengejaagd en sommigen
+zelfs in hechtenis genomen werden. Met hulp der gewapende
+magt herstelde het gezag zich echter weder, doch
+kort daarna werd het andermaal verdreven door de doldriftige
+partij, die alzoo, door Fransche en Hollandsche
+hulp gesteund, zegevierde<a name="FNanchor_367" id="FNanchor_367"></a><a
+href="#Footnote_367" class="fnanchor">[367]</a>. Wel kwam er
+intusschen<span class='pagenum'><a name="Page_432" id="Page_432">[432]</a></span>
+den 1 Maart eene Nationale Vergadering te <i>&#8217;s Gravenhage</i>
+bijeen, waarop <i>Friesland</i> echter eerst, evenmin als <i>Zeeland</i>,
+afgevaardigden zond; doch de uiteenloopende meeningen
+der vier partijen hiervan verstonden elkander z&oacute;&oacute;
+weinig, dat zij enkel voorbereidde, hetgeen, na hevige onlusten
+en geweldige maatregelen, op de tweede Nationale
+Vergadering doorgedreven en met goedkeuring der meerderheid
+van het stemgeregtigde volk bij de Staatsregeling
+van 1 Mei 1798 uitgevaardigd werd: dat de &eacute;&eacute;n-en-ondeelbare
+Bataafsche Republiek zou bestaan uit acht Departementen,
+met een Vertegenwoordigend Ligchaam,
+waarvan de eerste kamer uit 60 en de tweede uit 30
+leden zou bestaan, benevens een Uitvoerend Bewind van
+5 leden.</p>
+
+<p>Ofschoon <i>Friesland</i> bij die Staatsregeling voor het eerst
+na zoovele eeuwen zijn Naam verloor, daar het met
+<i>Groningen</i> werd vereenigd onder den naam van het <i>Departement
+van de Eems</i>;&mdash;ofschoon het nu eindelijk aan
+Hollands heerschzucht en overwigt zijne souvereiniteit en
+zelfbestaan en alzoo een groot gedeelte zijner magt en invloed
+ten offer moest brengen, en zich bovendien met een
+<span class="gesp">veel grooter schuldenlast</span> dan zijne eigene zag bezwaard;&mdash;ofschoon
+het Provinciaal Bestuur van <i>Friesland</i>,
+all&eacute;&eacute;n uit aanmerking van &raquo;den bejammerenswaardigen
+toestand der republiek,&#8221; gevolg gaf aan het bevel der
+Constitueerende Vergadering, die zich den 22 Januarij
+1798 te <i>&#8217;s Gravenhage</i> met geweld van de oppermagt had
+meester gemaakt, om, &raquo;met ontbinding van alle Provinciale
+Besturen, een Intermediair Administratief Bestuur,
+afhankelijk van en verantwoordelijk aan genoemde
+Vergadering,&#8221; uit te maken:&mdash;toch werd die merkwaardige
+en in zoo vele opzigten vernederende gebeurtenis,
+een onvermijdelijk gevolg van den gang der omwenteling,
+hier met een luisterrijk Volksfeest gevierd. Ja, de democratische<span class='pagenum'><a name="Page_433" id="Page_433">[433]</a></span>
+of revolutionaire partij had, na het overheerschen
+of verbannen van alle gematigde patriotten, door Hollandschen
+en Franschen invloed, in <i>Friesland</i> veler
+gemoederen opgewonden tot een geestdrift, welke in al
+de zinnebeeldige voorstellingen en bedrijven van dat Volksfeest
+de belagchelijkste tooneelen opleverde. Op den 19
+Mei 1798 werd het onder grooten toevloed van aanschouwers
+te <i>Leeuwarden</i> gevierd. De <i>Een-en-Ondeelbaarheid</i>,
+verbeeld door eene maagd, met de acte van Staatsregeling
+in de hand, werd, zittende op een triumfwagen,
+tusschen een talrijken trein van regeringsleden, zinnebeeldig
+versierde personen en de gewapende magt, door de stad
+gevoerd, en geleid op een troon in den Tempel der
+Vrijheid, welke op de Langepijp was opgerigt. Nadat
+de personen, verbeeldende de Regten van den mensch,
+de Gelijkheid en de Broederschap, als ook de vier nationale
+Deugden en de vier Standen van den mensch, zich nevens
+haar geplaatst hadden, werd het zevenhoofdig Monster
+van het Federalisme (de zeven vroeger, op zich zelve
+souvereine, Vereenigde Provinci&euml;n) op een houtstapel gelegd
+en onder gejuich verbrand, waarna de President voor
+het Altaar der vrijheid eene aanspraak deed, en het feest
+met dansen om den Vrijheidsboom en andere luidruchtige
+vermaken werd besloten<a name="FNanchor_368" id="FNanchor_368"></a><a href="#Footnote_368" class="fnanchor">[368]</a>.</p>
+
+<p>Doch de partij, wier beginselen en bedoelingen nu
+hadden gezegepraald, regeerde niet lang. Nadat zij reeds
+in Februarij des vorigen jaars verontrust was door een
+dwaas oproer van Oranjegezinde ingezetenen uit den
+omtrek van <i>Kollum</i><a name="FNanchor_369" id="FNanchor_369"></a><a
+href="#Footnote_369" class="fnanchor">[369]</a>, had op den 12
+Junij 1798 te<span class='pagenum'><a name="Page_434" id="Page_434">[434]</a></span>
+<i>&#8217;s Gravenhage</i> eene soort van tegen-omwenteling plaats,
+waarbij het Uitvoerend Bewind en het Wetgevend Ligchaam
+met magt van wapenen werden uiteengedreven. Eerst
+nadat het volk zich, ingevolge de aangenomene Staatsregeling,
+eene nieuwe vertegenwoordiging had gekozen van
+meer gematigde personen, die eene algemeene vergiffenis
+van staatkundige misdrijven uitvaardigden, scheen er een
+einde te zullen komen aan al de revolutionaire woelingen
+en de omwenteling voltooid te zijn. Die Staatsregeling
+toch, welke vele verouderde vormen en misbruiken afschafte
+en de sedert jaren verkondigde theori&euml;n omtrent
+het maatschappelijk verdrag en het regt en den invloed
+des volks op het staatsbestuur in werking bragt, was
+bij voorraad eene belangrijke schrede tot vooruitgang,
+tot verspreiding van mildere beginselen en tot bevrediging
+der eischen van het nieuwe geslacht, dat de vroegere
+banden was ontwassen. Na zoo hevige schokken en bittere
+vervolgingen van de partijen onderling, kwam er nu
+meerdere orde en rust onder de ingezetenen, en leerde
+men zich met bedaardheid onderwerpen aan de drukkende
+gevolgen eener omwenteling, welke een geheel anderen
+loop en rigting had genomen, dan zelfs de bewerkers
+zich hadden voorgesteld.</p>
+
+<hr class="footn" />
+
+<div class="footnote">
+
+<p><a name="Footnote_365" id="Footnote_365"></a><a href="#FNanchor_365"><span class="label">[365]</span></a>
+Zie dit alles in de <i>Verzaamel. van Placaaten</i>, I 1-29, in
+de <i>Dagverhalen</i> en veelvuldige geschriften van dien tijd.</p>
+
+<p><a name="Footnote_366" id="Footnote_366"></a><a href="#FNanchor_366"><span class="label">[366]</span></a>
+In 1796 beval het Provinciaal Bestuur zelfs, &#8222;ten einde de Friesche
+trouw ongeschonden bewaard blijve&#8221; (!), dat het zesde gedeelte
+der bezittingen van alle publieke corpora, of de stedelijke, geestelijke,
+dorps-, kerke-, arme-, wees en gasthuis-goederen, openlijk verkocht
+en het bedrag daarvan den lande tegen 3<sup>1</sup>&#8260;<sub>2</sub> proc. rente opgeschoten
+moest worden. In het volgende jaar noopte de hooge nood des
+lands het bestuur op nieuw, nog een vijfde gedeelte van het overschot
+te eischen. Men gisse, welk eene massa vastigheden er dien
+ten gevolge tegen lage prijzen verkocht en in handen gekomen is
+van bijzondere personen, waarvan velen ze later voor meer dan het
+dubbele van dien prijs verkocht hebben. Zie die besluiten in de
+<i>Verzameling van Placaaten</i>, II 21, 73, 199.</p>
+
+<p><a name="Footnote_367" id="Footnote_367"></a><a href="#FNanchor_367"><span class="label">[367]</span></a>
+&#8217;t Was deze partij, die in 1796 het bevel gaf tot wegneming
+van alle, &#8222;de gelijkheid onteerende,&#8221; titels, livreijen, onderscheidingsteekens
+en wapens op gebouwen, grafzerken enz., als hinderlijk
+aan de onvervreemdbare regten van den mensch en den burger.
+<i>Verzameling van Placaaten</i>, II 17, 56,71.</p>
+
+<p><a name="Footnote_368" id="Footnote_368"></a><a href="#FNanchor_368"><span class="label">[368]</span></a>
+De merkwaardige teekening, welke de verdienstelijke kunstliefhebber
+<span class="smcap">petrus groenia</span> (nog in 1831 bekend als Kolonel van
+eene Afdeeling Friesche Schutterij) toen van deze plegtigheid vervaardigde,
+is, met het Programma van den optogt, thans in mijn bezit.</p>
+
+<p><a name="Footnote_369" id="Footnote_369"></a><a href="#FNanchor_369"><span class="label">[369]</span></a>
+Die volksbeweging, onder den naam van het <i>Kollumer oproer</i>
+bekend, begon bij gelegenheid der opschrijving tot de gewapende
+dienst te <i>Kollum</i>, en breidde zich weldra tot de omliggende dorpen
+en grietenijen uit. &#8222;Onder den oproerkreet van Oranje boven!&#8221;
+trokken eenige honderden gewapende landlieden zelfs op <i>Dokkum</i>
+aan, vanwaar ze verjaagd en verder door de van <i>Leeuwarden</i>
+afgezondene troepen bedwongen werden. Een getal van 174
+personen, die daaraan deel hadden genomen of van Oranjegezindheid
+verdacht waren, werden op het Blokhuis te <i>Leeuwarden</i>
+gevangen gezet en een daarvan onthoofd. Velen werden spoedig
+losgelaten, anderen met geldboeten gestraft. Zie uitvoerige berigten
+deswege in de destijds uitgegevene <i>Beschrijving van de
+oproerige Beweegingen in Friesland</i>.</p>
+
+</div>
+
+<hr class="footn" />
+
+<p class='pagenum'><a name="Page_435" id="Page_435">[435]</a></p>
+
+<h3>43. <i>De val der Republiek en vernietiging
+van ons Volksbestaan.</i></h3>
+
+<p>Nog waren er geene drie jaren verloopen, of er bestond
+reeds behoefte aan eene nieuwe Grondwet, welke verbeterde
+Staatsregeling in 1801 door het volk werd aangenomen.
+Deze kenmerkte zich door meerdere toenadering tot het
+oude, doordien de omvang der vroegere provinci&euml;n hersteld
+werd en ook <i>Friesland</i> zijn Naam herkreeg, met
+een Departementaal Bestuur van elf leden; terwijl het
+Algemeen Bestuur was zamengesteld uit een Staatsbewind
+van 12 en een Wetgevend Ligchaam van 35 leden. Hierop
+volgde weldra eene nieuwe regeling van de Gemeentebesturen,
+aan wier leden het Huishoudelijk beheer, gelijk
+de Policie en Justitie aan Drosten en Geregten, alsmede aan
+Dorpregters was opgedragen. Daartoe werd <i>Friesland</i>
+verdeeld in 14 Drost-ambten. Bij de benoeming van vele
+nieuwe personen tot regeringsleden was het een aangenaam
+verschijnsel, eene meerdere toenadering en verzoening
+tusschen de vroegere partijen te bespeuren; terwijl
+de gematigdheid van het Staatsbewind bereid was, de
+vroegere scheuringen zoo veel mogelijk te heelen tot
+eendragtige zamenwerking aan het algemeen belang.</p>
+
+<p>Want groot waren bij voortduring de bezwaren, welke
+op den Staat drukten, ook buiten den geldnood, waarin
+men door dikwijls herhaalde heffingen op de bezittingen
+en inkomsten, door leeningen en buitengewone belastingen
+trachtte te voorzien, totdat deze in 1805 door een
+stelsel van algemeene belastingen op allerlei voorwerpen
+werden vervangen. De bezorgdheid van het Staatsbewind
+was in 1803 zelfs z&oacute;&oacute; groot, dat het klaagde &raquo;over de
+gezonken welvaart, het steeds dieper verval van onze
+nationale zeden en de toenemende onverschilligheid
+omtrent God en Godsdienstige zaken, zoodat er redenen<span class='pagenum'><a name="Page_436" id="Page_436">[436]</a></span>
+bestonden, om nieuwe en onherstelbare rampen te
+vreezen&#8221;<a name="FNanchor_370" id="FNanchor_370"></a><a href="#Footnote_370" class="fnanchor">[370]</a>.</p>
+
+<p>Intusschen was de invloed van <i>Frankrijk</i> en onze
+afhankelijkheid van <span class="smcap">napol&eacute;on</span>, die zich in 1804 tot Keizer
+had verheven, grooter geworden. Eene gewijzigde Staatsregeling
+voor het Bataafsche Gemeenebest was daarvan
+in 1805 het gevolg. De edele staatsman <span class="smcap">rutger jan
+schimmelpenninck</span> werd als Raadpensionaris met een Wetgevend
+Ligchaam geplaatst aan het hoofd van het bewind,
+dat de belangen der Departementen en Gemeenten door
+nieuwe verordeningen (ook op het onderwijs) zocht te
+bevorderen. <i>Friesland</i> werd nu ten aanzien van de
+Justitie en Politie verdeeld in 15 Drost-ambten, welker
+bestuur uit een Drost, Mederegters en Schepenen bestond.
+Dat bewind, hetwelk den zorgvollen toestand des lands zoo
+veel mogelijk trachtte te lenigen, was echter alleen de
+overgang tot eene Monarchale regering. <span class="smcap">Napol&eacute;on&#8217;s</span> wil
+schiep het Koningrijk <i>Holland</i>, en plaatste zijnen broeder
+<span class="smcap">lodewijk</span> op den troon (5 Junij 1806). Op nieuw onderging
+de constitutie eene wijziging, en werden den Koning vier Ministers
+met e&eacute;n Wetgevend Ligchaam van 38 leden toegevoegd,
+voor zooverre er voor dezen nog een schijn van gezag
+was overgebleven na het vallen van de eenmaal zoo
+grootsche republiek. Ten gevolge daarvan werd <i>Friesland</i>
+in den volgenden jare (vermeerderd met de eilanden
+<i>Vlieland</i> en <i>Terschelling</i>) gesteld onder het bestuur van
+een Land-Drost met zijne zes Assessoren, benevens drie
+Kwartier-Drosten; terwijl de Steden van den eersten rang,
+boven de 5,000 zielen, onder het bestuur kwamen van een
+Burgemeester, vier Wethouders en eene Vroedschap, benevens
+eene Schepensbank als nedergeregt. Ten platten<span class='pagenum'><a name="Page_437" id="Page_437">[437]</a></span>
+lande werd een Baljuw aan het hoofd van het bestuur
+van ieder der 30 Districten gesteld<a name="FNanchor_371"
+id="FNanchor_371"></a><a href="#Footnote_371" class="fnanchor">[371]</a>.</p>
+
+<p>De welwillendheid, waarmede de goedhartige Koning
+<span class="smcap">lodewijk</span> de belangen van ons vernederd vaderland tegenover
+de aanmatigingen van zijnen heerschzuchtigen broeder
+voorstond, verzachtte aanmerkelijk het misnoegen des
+volks over dit opgedrongen gezag. Door de ijverige zorgen
+van den Land-Drost <span class="smcap">regnerus livius van andringa de
+kempenaer</span> en zijne Assessoren mogt <i>Friesland</i> gedurende
+de vier jaren van het koningschap vele voorregten
+smaken. In vergelijking toch van <i>Holland</i>, dat door
+het stilstaan van den handel kwijnde en van andere
+provinci&euml;n, die door watervloeden en oorlogsrampen geteisterd
+werden, had ons gewest aan de toenemende
+ontwikkeling van den landbouw en de veeteelt zelfs eene
+mate van voorspoed en bloei te danken, welke eenigzins
+opwoog tegen de immer stijgende schulden, lasten en
+bezwaren. Doch <span class="smcap">napol&eacute;on&#8217;s</span> zucht om te veroveren en
+te heerschen, bij voortdurende teleurstelling in zijn wensch
+om <i>Engeland</i> meester te worden, maakte hem vermetel,
+bitter en onregtvaardig, vooral jegens zijnen broeder en ons
+vaderland. De Keizer dwong hem, afstand te doen van den
+troon (1 Julij 1810), en weldra volgden nu de besluiten,
+dat <i>Holland</i> met het Keizerrijk werd vereenigd,
+dat het Fransche stelsel van regering, wetgeving, belastingen
+en conscriptie op ons land werd toegepast, en
+dat de renten der schuld slechts voor een derde zouden
+worden voldaan. Het grondgebied werd daarbij verdeeld
+in zeven Departementen, ieder bestuurd door een Prefekt en
+Onder-Prefekten met een Raad van Prefekture. All&eacute;&eacute;n
+<i>Friesland</i> bleef daarvan zijn alouden Naam behouden,<span class='pagenum'><a name="Page_438" id="Page_438">[438]</a></span>
+en ontving eene verdeeling in drie Arrondissementen met
+drie Regtbanken, in 19 Kantons met zoovele Vrederegters
+en in 93 Gemeenten met Maires aan het hoofd<a name="FNanchor_372"
+id="FNanchor_372"></a><a href="#Footnote_372" class="fnanchor">[372]</a>.</p>
+
+<p>Loodzwaar drukte van toen af de ijzeren hand des
+dwingelands op het kwijnende vaderland, tot de diepste
+onderwerping aan zijne willekeur gedoemd. Nogtans had
+<i>Friesland</i> het voorregt, in den Prefekt <span class="smcap">jan gijsbert verstolk</span>
+een bestuurder te vinden, wiens wijsheid en gematigdheid
+vele bezwaren der Fransche regering verzachtte,
+en die daarvoor belooning vond in de algemeene hoogachting,
+in stede van den haat en den vloek, welke elders
+op de hardvochtige en wreede handlangers des tirans
+rustten. Wel kwamen er onder dit en het vorige bestuur
+vele verbeteringen tot stand, welke wij duurzaam als
+heilzame vruchten der verovering zullen vereeren; doch
+zij konden destijds niet opwegen tegen de smartelijke
+verliezen, verbazende opofferingen van goed en bloed en
+grievende vernederingen, die de natie moest dulden en
+ondergaan. Het volksbestaan uitgewischt en ons land
+tot een wingewest van <i>Frankrijk</i> verlaagd&mdash;vele bronnen
+van volksbestaan vernietigd, door den handel aan kluisters
+te leggen en de havens te sluiten&mdash;het volk zonder gezag
+of invloed op het staatsbestuur&mdash;door den dwang van
+politie en censuur verstoken van de vrijheid van spreken
+en schrijven&mdash;door knellende belastingen, heffingen en
+inkwartieringen uitgezogen&mdash;de jongelingen zonder uitzondering
+als op de slagtbank voor de krijgsdienst geprest
+tot een bloedigen oorlog, waarin gansch <i>Europa</i>
+deelde,&mdash;de inkomsten van duizenden ingezetenen en
+gestichten tot op een derde verminderd&mdash;&#8217;s lands taal
+en zeden verguisd en het hooger onderwijs, ook door
+de vernietiging van Frieslands beroemde Hoogeschool,<span class='pagenum'><a name="Page_439" id="Page_439">[439]</a></span>
+ingekrompen,&mdash;ja, bezit en eigendom zelfs afhankelijk
+gesteld van de willekeur der Fransche gezagvoerders:&mdash;ziedaar
+eenige der vele bijna ondragelijke bezwaren en
+kwellingen, waaronder de landzaat gebukt ging.</p>
+
+<p>Z&oacute;&oacute; ver moest het komen, om de Nederlanders de
+droeve gevolgen hunner vroegere partijschappen te doen
+betreuren; om hen, terwijl al het dierbaarste hen naar
+buiten ontviel, tot zich zelve te doen inkeeren; om hen
+in godsdienst en zedelijkheid de bron te doen zoeken van
+inwendigen vrede, van kracht en moed onder vernedering
+en lijden, en om hen, bij de stijgende magt en dwang
+des overmoedigen geweldenaars, te vervullen met haat
+jegens hunne onderdrukkers en met hoop, neen, met
+het zekerste vertrouwen op de toekomst. Immers, zulk
+eene algemeene verfoeide dwinglandij, zulk een misbruik
+van gezag <span class="gesp">kon</span> niet duurzaam zijn. Gods Wijsheid en
+Liefde had onze vaderen tot z&oacute;&oacute; verre beproefd en gelouterd,
+toen Zijne Almagt den man des bloeds, na eene
+uiterste krachtinspanning, in de velden van <i>Rusland</i>
+een perk stelde en vernederde, en voor de lang verdrukte
+tolken den gewenschten dageraad van den dag der verlossing,
+des vredes en der onafhankelijkheid deed gloren.
+Nooit mogen de Nederlanders deze staats-omwenteling en
+hare oorzaken en gevolgen vergeten!<a name="FNanchor_373"
+id="FNanchor_373"></a><a href="#Footnote_373" class="fnanchor">[373]</a></p>
+
+<hr class="footn" />
+
+<div class="footnote">
+
+<p><a name="Footnote_370" id="Footnote_370"></a><a href="#FNanchor_370"><span class="label">[370]</span></a>
+Zie over al het vermelde de <i>Verzameling van Placaaten</i>,
+VI 168, 179, 209, 224, 311, 345.</p>
+
+<p><a name="Footnote_371" id="Footnote_371"></a><a href="#FNanchor_371"><span class="label">[371]</span></a>
+Zie de <i>Verzameling van Placaaten</i>, VIII 1, 23, IX 483,
+X 193, 482 env.</p>
+
+<p><a name="Footnote_372" id="Footnote_372"></a><a href="#FNanchor_372"><span class="label">[372]</span></a>
+<i>Verzameling van Placaaten</i>, XIV 97, 111, 137.</p>
+
+<p><a name="Footnote_373" id="Footnote_373"></a><a href="#FNanchor_373"><span class="label">[373]</span></a>
+Hoe belangrijk ook, duldt mijn bestek niet, hier stil te
+staan bij den invloed dezer omwenteling op de hoogere belangen
+des volks. Ik verwijs deswege liever naar de voortreffelijke verhandeling
+van den Hoogleeraar <span class="smcap">kemper</span>, <i>over den Invloed der Staatkundige
+Gebeurtenissen en der Godsdienstige en Wijsgeerige begrippen,
+sedert ruim 25 jaren, op de ware verlichting in het godsdienstige en
+zedelijke bij de volken van Europa</i>, door Teijlers stichting bekroond
+en in 1820 ook afzonderlijk uitgeven.</p>
+
+</div>
+
+<hr class="footn" />
+
+<p class='pagenum'><a name="Page_440" id="Page_440">[440]</a></p>
+
+<h2><a name="Tijdvak6" id="Tijdvak6"></a>ZESDE TIJDVAK.</h2>
+
+<p class="chaptitle">HET NIEUWE FRIESLAND,
+ONDER DE KONINKLIJKE REGERING.</p>
+
+<p class="chapsubtitle">VAN DE HERSTELLING VAN NEDERLAND TOT OP DE
+NIEUWE REGELING VAN HET GEMEENTEWEZEN.</p>
+
+<p class="chapdescrip"><i>Van den jare 1813 tot 1851.</i></p>
+
+<p class="figcenter"><img src="images/lijn3.png" alt="Versiering" width="100" height="12" /></p>
+
+
+<h3>44. <i>Bevrijding en Vestiging van den
+Nederlandschen Staat. 1813-1816.</i></h3>
+
+<p>De heerschzucht van <span class="smcap">napol&eacute;on</span> had te veel gewaagd,
+toen hij, na een groot deel van <i>Europa</i> veroverd te
+hebben, ook het magtige <i>Rusland</i> aanviel. Zoodra liep
+de krijgskans hem niet tegen, of de lang door hem verdrukte
+volken sloegen de handen met <i>Rusland</i> in-een,
+om hem te vernederen en zich zelve tot vorigen rang te
+herstellen. Terwijl de tijding van zijne nederlagen de
+Fransche ambtenaren in <i>Nederland</i> met schrik en schroom
+vervulde, zoodat zij op zelfbehoud bedacht waren, werd
+te <i>&#8217;s Gravenhage</i> door <span class="smcap">gijsbert karel van hogendorp</span>,
+(den kleinzoon van <span class="smcap">onno zwier van haren</span>) en zijne vaderlandlievende
+vrienden het plan gevormd, eene omwenteling
+te bewerken en den <i>Prins van Oranje</i>, die
+zich in <i>Engeland</i> bevond, het gezag aan te bieden.</p>
+
+<p>Inmiddels zond de Russische overste Baron <span class="smcap">rosen</span> een
+aantal kozakken naar <i>Friesland</i>, die den 16 November<span class='pagenum'><a name="Page_441" id="Page_441">[441]</a></span>
+1813 te <i>Leeuwarden</i> aankwamen. Nu werd de vlugt
+der Franschen algemeen. Ook de Prefekt <span class="smcap">verstolk</span> verliet
+deze provincie, waarna de Raad van Prefekture
+aan <span class="smcap">hector van sminia</span> de waarneming van dat ambt
+opdroeg en zelf het gezag bleef bekleeden, in afwachting
+van het welslagen der vrijheidlievende oogmerken in
+<i>Holland</i> (25 Nov.). Na eene pijnlijke onzekerheid van
+eenige dagen, schonken eindelijk de gelukkige uitslag
+dier pogingen, de spoedige overkomst van den Prins van
+<i>Oranje</i> en de proclamati&euml;n, eerst in zijn naam en daarna
+door hem uitgevaardigd, de zekerheid, dat de Franschen
+bijna geheel verdreven waren, dat het hatelijk juk der
+dwingelandij was afgeschud en dat de verbrokene banden
+tusschen <i>Nederland</i> en het Huis van <i>Oranje</i> op nieuw
+geknoopt waren, om de vrijheid en onafhankelijkheid
+des vaderlands te herstellen. Onbeschrijfelijk groot was
+hier, gelijk alom, de blijdschap over deze heugelijke
+gebeurtenis, welke op den 10 December te <i>Leeuwarden</i>
+en elders, bij &#8217;s Prinsen uitroeping tot Souverein Vorst,
+met groote vreugdebedrijven- en twee dagen later in
+alle kerken dezer provincie godsdienstig en dankbaar
+werd gevierd.</p>
+
+<p>Kort te voren waren namens den Prins en het Algemeen
+Bestuur der <i>Vereenigde Nederlanden</i> <span class="smcap">ennius
+harmen bergsma</span>, lid van het Keizerlijk Geregtshof te
+<i>&#8217;s Gravenhage</i>, en <span class="smcap">hector van sminia</span>, waarnemend Prefekt,
+benoemd tot <i>Commissarissen-Generaal</i> ter organisatie
+van het Departement <i>Friesland</i>, tot bereiking van
+welk doel zij in ieder der drie Arrondissementen een
+Commissaris aanstelden. De Maires werden afgeschaft en
+voorloopig in de steden door Burgemeesteren en Vroedschappen
+en op het land door Schouten vervangen.<span class='pagenum'><a
+name="Page_442" id="Page_442">[442]</a></span><a name="FNanchor_374"
+id="FNanchor_374"></a><a href="#Footnote_374" class="fnanchor">[374]</a>
+Algemeen was de geestdrift, om mede te werken tot
+herstel van het herrezene vaderland. Aanzienlijke giften
+in geld, goud en zilver werden daartoe geofferd. Eene
+menigte personen nam dienst en trok uit, om de Franschen,
+die zich nog in <i>Delfzijl</i>, <i>Koevorden</i>, <i>Gorinchem</i>,
+<i>Naarden</i> en elders genesteld hadden, te verdrijven.</p>
+
+<p>Nadat in Maart 1814 een getal van 52 der aanzienlijkste
+ingezetenen of Notabelen van <i>Friesland</i> naar
+<i>Amsterdam</i> waren genoodigd tot beoordeeling van het
+Ontwerp van <i>Grondwet</i>, werd deze aangenomen, en den
+30 Maart <span class="smcap">willem frederik</span>, <i>Prins van Oranje</i>, als <i>Souverein
+Vorst der Vereenigde Nederlanden</i> plegtig gehuldigd.
+Het voorloopig bestuur der Commissarissen-Generaal
+werd den 6 April opgeheven door de benoeming
+van Jhr. <span class="smcap">idsert &aelig;binga van humalda</span> tot <i>Gouverneur
+van Friesland</i>. Het besluit van den 9 Maart 1815
+herstelde de aloude verdeeling van dit gewest in 30 of nu
+met de eilanden in 32 Grietenijen, onder het bestuur
+van een Grietman, Assessoren en Leden van den Raad.
+Het bestuur der Steden werd zamengesteld uit eenen
+Raad met vier of drie Burgemeesteren aan het hoofd.</p>
+
+<p>Vele bepalingen van die staatsregeling voor 9 provinci&euml;n,
+welke nu weder bestuurd werden door Staten, die voor
+de wetgeving 55 leden der Staten-Generaal en voor het dagelijksch
+bestuur een Collegie van Gedeputeerden benoemden,
+ontvingen echter spoedig eene wijziging, ten gevolge onzer
+vereeniging met <i>Belgi&euml;</i> en de nieuwe Grondwet van 1815,<span class='pagenum'><a name="Page_443" id="Page_443">[443]</a></span>
+bij de vestiging van het <i>Koningrijk der Nederlanden</i>,
+met <span class="smcap">willem</span> <i>den eerste</i> als Koning aan het hoofd.</p>
+
+<p>Die uitbreiding van grondgebied, deze verheffing van
+onzen Staat tot een Koningrijk, bij de herleving van
+handel, scheepvaart en nijverheid en de herstelling van
+vele vroeger gesloopte betrekkingen en inrigtingen, schenen
+voor de welvaart en het geluk van <i>Nederland</i> eene
+schoone toekomst te doen aanbreken. Ook in <i>Friesland</i>
+werd de vroegere hoogeschool te <i>Franeker</i> in een Rijks-Athen&aelig;um
+hersteld; werden de betrekkingen tusschen
+het volk en zijne vroegere bestuurders vernieuwd, en
+ontsprongen er uit landbouw, veeteelt en handel bronnen
+van volksvlijt en voorspoed, welke een nieuw leven
+verspreidden; terwijl de ijver van het Algemeen en Provinciaal
+Bestuur, en niet minder van de Plaatselijke Besturen,
+om herstellingen en verbeteringen aan te brengen, op
+de ontwikkeling van alle standen en de bevordering van
+lang verwaarloosde belangen van gunstigen invloed was.</p>
+
+<hr class="footn" />
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_374" id="Footnote_374"></a><a
+href="#FNanchor_374"><span class="label">[374]</span></a>
+De Administratie van het Departement <i>Friesland</i> was in 1813
+zamengesteld uit: een Prefekt met 4 Raden van Prefekture en een
+Secretaris Generaal; 3 Onder-Prefekten in de Arrondissementen, die
+ieder 11 Raden hadden, terwijl de Algemeene Raad van het Departement
+uit 16 personen bestond. In elk Arrondissement waren
+nog Kantons-vergaderingen, met een President aan het hoofd. De
+11 Steden en 82 Gemeenten, waarin het Departement was verdeeld,
+werden door een Maire, een of meer Adjunct-Maires en, naar gelang
+harer grootte, door 30, 20 of 10 Municipale Raden bestuurd.</p></div>
+
+<hr class="footn" />
+
+<h4>45. <i>De jongste lotgevallen van Friesland.
+1816-1851.</i></h4>
+
+<p>De blijde vooruitzigten, welke de vestiging van een
+onafhankelijk volksbestaan geopend hadden, werden echter
+eerlang door tegenspoeden getemperd. Nadat van 1816
+tot 1824 bestendige afwisseling van buitengemeen natte
+en drooge zomers schaarschheid en duurte en daarna sterke
+daling van de prijzen der voortbrengselen van den landbouw
+ten gevolge hadden, trof <i>Friesland</i> den 5 Februarij 1825
+met andere gewesten eene geduchte ramp. Hevige en
+aanhoudende stormen deden op verscheidene plaatsen
+dijkbreuken ontstaan, en binnen weinige uren was tweederde
+gedeelte dezer bloeijende provincie overstroomd,
+en schenen menschen, vee en bezittingen aan de woede<span class='pagenum'><a name="Page_444" id="Page_444">[444]</a></span>
+der golven prijsgegeven te zijn. De som der algemeene
+schade en verliezen, daardoor te weeg gebragt, werd op
+niet minder dan 3 millioen Gulden geschat. Heerlijk blonk
+echter toen ook, naast menig edelmoedig bedrijf tot redding
+en hulpbetoon, de algemeene en bijzondere weldadigheid
+onzer landgenooten uit, daar eene som van ruim
+360,000 Gld. werd bijeengebragt, om de schade, door
+behoeftige personen geleden, welke op ruim 680,000 Gld.
+werd begroot, voor een deel te vergoeden<a name="FNanchor_375"
+id="FNanchor_375"></a><a href="#Footnote_375" class="fnanchor">[375]</a>. In gelijke
+mate mogt <i>Friesland</i> de bewijzen der milddadigheid
+onzer landgenooten ontvangen, toen in den volgenden
+jare, 1826, dit gewest door eene heerschende ziekte en
+buitengewone sterfte werd geteisterd, ten gevolge waarvan
+ruim 20,000 nooddruftigen ondersteuning behoefden uit
+het fonds van onderstand, hetwelk, uit eene som van bijna
+110,000 Gld. en eene menigte kleeding- en liggingsstukken
+bestaande, tot leniging van dien nood was bijeengebragt<a
+name="FNanchor_376" id="FNanchor_376"></a><a href="#Footnote_376" class="fnanchor">[376]</a>.</p>
+
+<p>Intusschen was de hoogbejaarde Jhr. <span class="smcap">&aelig;binga van humalda</span>,
+de edele vriend en voorstander van kunsten en
+wetenschappen, in November 1826 als Gouverneur dezer
+provincie vervangen door Jhr. <span class="smcap">jan adriaan van zuijlen
+van nijevelt</span>, die eerlang aller hoogachting mogt verwerven
+door zijne deugden en verdiensten ten aanzien der bevordering
+van Frieslands belangen, bijzonder van den
+Waterstaat van dit gewest. De hoop, dat rustige dagen
+van welvaart nu de geleden rampen zouden vervangen,
+werd spoedig verijdeld door de gevolgen der Belgische
+omwenteling, welke van 1830 tot 1834 zware offers<span class='pagenum'><a name="Page_445" id="Page_445">[445]</a></span>
+eischten. De algemeene geestdrift voor Koning en Vaderland
+bragt die opofferingen nogtans gaarne en getrouw,
+en mogten ook de duizenden, als soldaten en schutters
+uitgetrokkene Friesche jongelieden en mannen vele blijken
+geven van krijgshaftigheid, van onbezweken trouw en
+moed, waardoor onder het leger de Friesche naam met
+eere werd gehandhaafd.</p>
+
+<p>Bijna bestendige welvaart begunstigde vervolgens de
+uitvoering van belangrijke provinciale en plaatselijke werken
+van algemeen nut. Sedert 1827 werden de hoofdwegen
+met vele zijtakken naar de voornaamste steden en dorpen
+bestraat of bepuind, waardoor de gemeenschap te land,
+vooral in den winter, evenzeer werd bevorderd als die te
+water door het uitdiepen en verbeteren van vele kanalen
+voor de scheepvaart en de afstrooming<a name="FNanchor_377"
+id="FNanchor_377"></a><a href="#Footnote_377" class="fnanchor">[377]</a>. De kadastrale
+meting van deze provincie, in 1812 en op nieuw in 1825 aangevangen,
+had sedert 1834 eene meer regelmatige verdeeling
+van de Grondbelasting ten gevolge<a name="FNanchor_378"
+id="FNanchor_378"></a><a href="#Footnote_378" class="fnanchor">[378]</a>. Het <i>Friesch
+Genootschap voor Geschied-, Oudheid- en Taalkunde</i>, in
+1828 opgerigt, verzamelde de krachten van alle beoefenaars
+en voorstanders dezer belangrijke onderwerpen tot meerdere
+toelichting en openbaarmaking van de bronnen onzer historische
+kennis; terwijl landbouw en veeteelt, handel, fabrijkwezen
+en nijverheid met rustigen gang voorwaarts streefden.</p>
+
+<p><span class='pagenum'><a name="Page_446" id="Page_446">[446]</a></span>In 1840, merkwaardig door de herziening van de
+Grondwet en de troonsopvolging van Koning <span class="smcap">willem</span> II,
+overleed de algemeen betreurde Gouverneur <span class="smcap">van zuijlen
+van nijevelt</span>. Van zijn opvolger <span class="smcap">maurits pico diderik</span>
+<i>Baron</i> <span class="smcap">van sytzama</span>, die zoo lang als volksvertegenwoordiger
+achting had verworven, verwachtte men nu veel
+goeds voor de belangen van dit gewest. En inderdaad
+heeft hij die, naar zijne inzigten, met den meesten ijver
+voorgestaan, onder afwisseling van voor- en tegenspoed:
+want de opheffing van het Rijks-Athen&aelig;um te <i>Franeker</i>
+(1843), het ontstaan van de longziekte onder het rundvee
+(1842 en 1845) en de gevolgen van den bij herhaling
+mislukten aardappeloogst, welke met duurte en
+schaarschheid van levensmiddelen en naar aanleiding daarvan,
+met verontrustende volksbewegingen gepaard gingen
+(1847), waren even smartelijke verschijnselen des tijds,
+als de Tentoonstelling der voorwerpen van Friesche Nijverheid
+en Kunst, in 1844 te <i>Leeuwarden</i> gehouden,
+en de toeneming van den uitvoer der voortbrengselen
+van den Frieschen landbouw en veeteelt, door de geopende
+stoomvaart op <i>Engeland</i> (1846), verblijdende waren.</p>
+
+<p>Het jaar 1848 opende eene nieuwe rij van belangrijke
+gebeurtenissen. Dat <i>Nederland</i>, te midden der toenmaals,
+ten gevolge der Fransche omwenteling, zoo fel
+bewogen volken, rustig bleef, had het vooral te danken aan
+het kloek besluit van Koning <span class="smcap">willem</span> II tot onbekrompene
+herziening van onze grondwettige instellingen. In dat
+zelfde jaar kwam deze tot stand, om de ontwikkeling
+van een nieuw staatkundig volksleven voor te bereiden.
+Doch de Koning, die <i>Friesland</i>, na het overlijden van
+den Baron <span class="smcap">van sytzama</span>, Jhr. Mr <span class="smcap">jan ernst van panhuijs</span>
+tot Gouverneur had geschonken (3 Nov. 1848), beleefde
+dit niet. Reeds den 17 Maart 1849 werd hij aan het
+vaderland ontrukt, en den 12 Mei opgevolgd door zijn zoon<span class='pagenum'><a name="Page_447" id="Page_447">[447]</a></span>
+Koning <span class="smcap">willem</span> III. &#8217;t Was onder dezen, dat de bepalingen
+der Grondwet in het leven traden, ten aanzien der regtstreeksche
+verkiezingen van leden voor de Generale en
+Provinciale Staten (1849 en 50) en van de Gemeentebesturen
+(1851), en dat andere wettelijke bepalingen en
+andere personen invloed verkregen op het bestuur. Bij
+de invoering van de Gemeentewet, op den 5 Julij 1851,
+werd tevens de aloude benaming van Grietenijen voor
+de plattelands-besturen in <i>Friesland</i> vervangen door die
+van Gemeenten, onder het bestuur van een Burgemeester,
+Wethouders en leden van den Raad. (Zie <i><a href="#Aant27">Aanteek. 27</a></i>.)</p>
+
+<hr class="c05" />
+
+<p>Met die belangrijke gebeurtenis sluit ik deze <i>Beknopte
+Geschiedenis van Friesland, in Hoofdtrekken</i>, met
+dankzegging aan God, die mij krachten schonk, deze
+taak naar vermogen te volbrengen. Het terugzigt op
+dit tijdvak, zoowel als op de vroegere, is voorzeker
+verblijdende, omdat wij, als de uitkomst van zoo velerlei
+wisselingen en lotgevallen, met dankbaarheid mogen opmerken,
+hoe alles, onder de aanbiddelijke leiding der
+Voorzienigheid, mogt medewerken, om de staatkundige,
+godsdienstige, verstandelijke en burgerlijke voorregten
+des volks van lieverlede te vermeerderen, ten einde zijne
+opvoeding en vorming, naar gelang zijner vatbaarheid,
+meer en meer te voltooijen. Bij het bezit van zoo vele
+voorregten en het genot van algemeene welvaart, die
+iederen burger thans vergunnen, de genoegens des levens
+hier ongestoord te genieten en aan de bevordering van
+het bijzondere en algemeene welzijn mede te werken,
+rust er op het volk voorzeker eene dure verpligting,
+om zich die onschatbare weldaden waardig te betoonen:
+om vrede en voorspoed niet enkel tot genot, weelde en
+gemak, maar met wakkerheid en inspanning duurzaam
+tot vermeerdering van godsdienstige en zedelijke kracht,<span class='pagenum'><a name="Page_448" id="Page_448">[448]</a></span>
+tot uitbreiding van zijne verstandelijke vermogens en de
+heiliging van hart en wandel aan te wenden. Gezond
+verstand en goede trouw bij wakkerheid en vlijt blijve
+de Friezen kenmerken. Een volk, dat naar het <span class="gesp">uitwendige</span>
+zoo vele voorregten bezit, als waarin wij Friezen ons
+mogen verheugen, past het vooral, om, met het oog op de
+leer der geschiedenis en met verstandige zorg voor de toekomst,
+zich door <span class="gesp">inwendige</span> kracht te sterken, tegen naderend
+gevaar en leed niet alleen, maar ook tot bestrijding
+van vele maatschappelijke gebreken en tot verheffing en veredeling
+van ons geslacht. Indien onze gezigtskring zich
+evenwel enkel tot de stoffelijke voorregten van dit leven
+beperkt, en spijs en drank ons, even als de dieren,
+alleen voldoening kunnen schenken, dan hebben wij hier
+reeds genoeg, zoo niet te veel, ontvangen. Maar, neen!
+eene zucht naar toeneming in kennis, in zedelijkheid en
+godsdienstzin bezielt allen, die overtuigd zijn van hunne
+roeping, om zich hier te vormen voor d&eacute;ze en d&aacute;&aacute;rdoor
+voor te bereiden tot eene b&eacute;tere wereld in het leven
+der toekomst. Tot die vorming en voorbereiding schenkt
+God ons gelegenheid en kracht door de verkondiging en
+beleving van zijn Woord; en voorzeker zal het volksgeluk
+d&aacute;&aacute;r het meest en het duurzaamst gevestigd zijn, waar
+Geloof, Liefde en Hoop, niet enkel als Leer, maar als
+Leven de bezielende beginselen der daden en gezindheden
+van het onderling verkeer der ingezetenen zijn.
+Door deze kracht gesterkt, zal de nog gebrekkige maatschappij
+meer rijpen voor hare bestemming, en zullen
+alle van lieverlede toegenomene staatkundige en burgerlijke
+voorregten, welke wij dankbaar erkennen en verstandig
+genieten zullen, onder den zegen en het welbehagen
+van den grooten Opvoeder van het menschelijk
+geslacht, middelen worden, om ons geluk voor tijd en
+toekomst te verhoogen.</p>
+
+<hr class="footn" />
+
+<div class="footnote">
+
+<p><a name="Footnote_375" id="Footnote_375"></a><a href="#FNanchor_375"><span class="label">[375]</span></a>
+Zie over dit onderwerp het belangrijke werk van den Heer
+<span class="smcap">j. van leeuwen</span>, <i>Geschiedkundig Tafereel van den Watervloed en de
+Overstroomingen in Friesland, in 1825</i>, en bijzonder Bijlage F, benevens
+het <i>Rapport der Commissie voor de Noodlijdenden</i>.</p>
+
+<p><a name="Footnote_376" id="Footnote_376"></a><a href="#FNanchor_376"><span class="label">[376]</span></a>
+Volgens het <i>Algemeen Verslag en Verantwoording van de Provinciale
+Commissie van Onderstand</i>.</p>
+
+<p><a name="Footnote_377" id="Footnote_377"></a><a href="#FNanchor_377"><span class="label">[377]</span></a>
+Zie de meeste dezer werken opgenoemd in mijne <i>Geschiedkundige
+Beschrijving van Leeuwarden</i>, II 278 env. Het laatste gedeelte
+van dat werk bevat zeer vele bijzonderheden omtrent de
+merkwaardige verbeteringen en aanbouwingen, welke Frieslands
+Hoofdstad vooral in dit tijdvak onderging.</p>
+
+<p><a name="Footnote_378" id="Footnote_378"></a><a href="#FNanchor_378"><span class="label">[378]</span></a>
+Zie <span class="smcap">a. van tonderen</span>, <i>Beschouwing van de Kadastrale Uitkomsten
+in Vriesland</i>, Leeuw. 1842, voorr. VI en bl. 17. De
+vermindering der hoofdsom van <i>Friesland</i> was slechts &#402;277,000,
+schoon deze &#402;400,000 had moeten zijn, welk bedrag deze provincie
+sedert 1806 elk jaar te veel had betaald, zonder daarvoor ooit
+vergoeding te hebben ontvangen.</p>
+
+</div>
+
+<hr class="footn" />
+
+
+<p class='pagenum'><a name="Page_449" id="Page_449">[449]</a></p>
+
+<h3 style="margin-top: 1.5em;"><span class="fsize125 gesp">AANTEEKENINGEN</span>,<br />
+OPHELDERINGEN EN BIJVOEGSELS<br />
+<span class="fsize80">TOT DEZE</span><br />
+BEKNOPTE GESCHIEDENIS<br />
+<span class="fsize80">VAN</span><br />
+FRIESLAND.</h3>
+
+<p class='pagenum'><a name="Page_450" id="Page_450">[450]</a></p>
+
+<div class="poem"><div class="stanza">
+<span class="i0">Komt! oefnen wy de vlerk der weetzucht laag by de aard,<br /></span>
+<span class="i0">Gods hulp zal met ons zijn, zy is &#8217;t die ons bewaart.<br /></span>
+<span class="i0">Zijn Wijsheid houdt zich aan den stervling niet verborgen.<br /></span>
+<span class="i0">Zy roept ons: Kom tot my, by avond en by morgen;<br /></span>
+<span class="i0">Zy toont zich wijd en zijd, en biedt de hand ons aan,<br /></span>
+<span class="i0">En noodigt ons, in ernst heur gangen na te gaan.<br /></span>
+<span class="i0">Ja, slaan wy ze ijvrig g&acirc;! en leere ons de ondervinding<br /></span>
+<span class="i0">Ons eigen pad erkennen. Weg, sluier der verblinding!<br /></span>
+<span class="i0">Het weten maakt ons wijs.<br /></span>
+<span class="i26">Het menschelijk Verstand<br /></span>
+<span class="i0">Ziet wel in &#8217;t rond, maar &#8217;t heeft tot grijpen slechts &eacute;&eacute;n hand.<br /></span>
+<span class="i0">Vervul het met iets goeds; het zal niets ijdels zoeken.<br /></span>
+<span class="i0">Maar laat geen ledigheid u &#8217;t zorgloos hart verkloeken.<br /></span>
+<span class="i0">Ons weten schildert ons wat goed en kwaad is, voor,<br /></span>
+<span class="i0">En dringt ook in ons hart, ter vruchtbre kennis, door.<br /></span>
+<span class="i0">Het is de Onwetendheid die trotsch maakt en vermetel:<br /></span>
+<span class="i0">Want hoogmoed dringt zich steeds by zelfwaan op den zetel.<br /></span>
+<span class="i0">Aanspraaklijk zijn wy aan ons-zelf; maar ook aan God,<br /></span>
+<span class="i0">Voor al wat invloed heeft op dit en &#8217;t eeuwig lot.<br /></span>
+</div></div>
+
+<p class="rightsig"><span class="smcap">bilderdijk</span> <i>naar</i> <span class="smcap">spieghel</span>.</p>
+
+<p class='pagenum'><a name="Page_451" id="Page_451">[451]</a></p>
+
+<h2><span class="gesp">AANTEEKENINGEN</span>.</h2>
+
+<p class="figcenter"><img src="images/lijn3.png" alt="Versiering" width="100" height="12" /></p>
+
+<p class="leftlink"><a href="#Page_10">Bladz.&nbsp;10</a></p>
+<h3><a name="Aant1" id="Aant1"></a><i>Aanteekening 1</i>, op <i>bladzijde 10</i>.</h3>
+
+<h4><i>De Oude Toestand van Friesland.</i></h4>
+
+
+<p>Vermits de voorstelling van den <span class="gesp">ouden toestand</span> van
+<i>Friesland</i>, in den tekst, hoe kort ook, afwijkt van die, welke in
+vroegere geschriften over dit onderwerp, ook door mij zelven, is
+voorgedragen, zoo is het noodzakelijk hier aan te wijzen, dat ik
+daarin meestal gevolgd ben de denkbeelden van Dr. <i>J. G. Ottema</i>,
+in zijne uitmuntende verhandeling, getiteld: Over den loop der
+Rivieren door het land der Friezen en Batavieren, in het Romeinsche
+tijdperk, geplaatst in het tijdschrift van ons Friesch
+Genootschap: de Vrije Fries, IV 105; waarbij is gevoegd eene
+Kaart (met latijnsche benamingen), welke alles zeer aanschouwelijk
+maakt. Deze nieuwe voorstelling is met z&oacute;&oacute; grondige bewijzen
+gestaafd, dat zij wel verdiende meer algemeen bekend te zijn, en
+vergeleken te worden met de vermelde voorstelling van Dr. <i>G. Acker
+Stratingh</i>, in zijn Aloude Staat en Geschiedenis van Nederland.
+Ook om de eerste reden heb ik, met goedvinden en onder opzigt
+van mijn vriend <i>Ottema</i>, eene dergelijke <a href="#Schetskaart">Schetskaart</a> (met nederduitsche
+benamingen) bij dit werk gevoegd, ter verklaring van de
+anders al te beknopte beschrijving.</p>
+
+<p>Aangezien ik mij voorgenomen had, in den tekst zoo kort en
+eenvoudig mogelijk te zijn, zoo heb ik het noodzakelijk geacht,
+hierbij eenige Aanteekeningen te voegen: vooral, om rekenschap
+te geven van het gestelde; om de nieuwere bronnen aan te wijzen,
+en om eere te geven aan hen, die deze denkbeelden het eerst
+openbaar gemaakt en elders uitvoeriger medegedeeld hebben. Ook
+voor hen, die de kort behandelde onderwerpen nader willen onderzoeken,
+kan het nuttig zijn, hier telkens de <span class="gesp">b&#307;zondere</span> bronnen
+aangewezen te zien. Het is echter mijn plan niet, om in deze
+Aanteekeningen uitbreidingen te geven van het verhaalde of kritische
+aanmerkingen en toevoegselen daarop, gelijk de Heer <i>J. van Leeuwen</i>
+heeft gedaan achter den nieuwen druk van it aade Friesche
+Terp, welk belangrijk werkje ik bij deze zeer aanbeveel aan allen,
+die uitvoeriger narigten omtrent vele punten wenschen te vernemen.
+Juist omdat d&aacute;&aacute;r zoovele schrijvers zijn aangehaald en ik gaarne zou
+zien, dat die <span class="gesp">speciale</span> Kronyk nevens mijne <span class="gesp">globale</span> voorstelling
+van de geschiedenis, in <span class="gesp">hoofdtrekken</span>, gebruikt wierde,
+om te zamen een voegzaam geheel uit te maken, heb ik dikwijls mijne<span
+class='pagenum'><a name="Page_452" id="Page_452">[452]</a></span>
+aanhalingen van algemeene bronnen weggelaten, dewijl men die
+daar kan vinden, alsmede in mijne Geschiedkundige Beschrijving
+van Leeuwarden, in 1846 en 47 in 2 dln. uitgegeven.</p>
+
+
+<p class="leftlink"><a href="#Page_16">Bladz.&nbsp;16</a></p>
+<h3><a name="Aant2" id="Aant2"></a><i>Aant. 2</i>, op <i>bladz. 16</i>.</h3>
+
+<h4><i>Oudste Bronnen.</i></h4>
+
+<p>Het is de Romeinsche Geschiedschrijver <i>Tacitus</i>, die aangaande
+der Romeinen verkeer in <i>Friesland</i> en hunne nederlaag ons de vermelde
+berigten medegedeeld heeft. Zie <i>Tacitus</i>, vert. van Hooft,
+4<sup>e</sup> Jaarb. 182. Aangaande den naam en de ligging van het bosch
+Baduhenna of Badu-herne (vermoedelijk in Gaasterland) zijn vele
+gissingen. <i>Winsemius</i>, Chronique, 22 verklaart dien naam niet
+onaardig als een Friesche Wapenkreet: <i>Ba, du hinne!</i> welke als een
+echo door het bosch klonk! Even zonderling is de vermelding van
+dit feit in de hoogst zeldzame: Sommiere Memoriale ende Loffelycke
+Beschryvinghe van de wydtvermaerde Keyserlycke vrye provintie
+van Vrieslandt, mitsgaders de daden, het leven ende handelinge
+der vroomdadighe vrye Vriesen. In rijm ghestelt door Jacob Liefs
+Amstelredammer, 1636:</p>
+
+<div class="poem"><div class="stanza">
+<span class="i0">Noyt is u moedich volck trouplichtich niet besweecken:<br /></span>
+<span class="i0">Noyt is u Crijghers hert verflaut te ruch gheweecken,<br /></span>
+<span class="i0">Maer hebt de tieranny Ollenus wederstaen:<br /></span>
+<span class="i0">Doen ghy t&#8217; Romeynsche volck so machtich gingt verslaen,<br /></span>
+<span class="i0">Apronius slaet, hun volck ten roove van de Vogh&#8217;len<br /></span>
+<span class="i0">En het Romeynsche rot begroet met Is&#8217;re Cogh&#8217;len.(!)<br /></span>
+</div></div>
+
+<p>Mr. <i>A. van Halmael Jr.</i> heeft deze gebeurtenis meer dichterlijk
+voorgesteld in zijn treurspel: Adel en Ida, of de bevrijding van
+Friesland, Leeuwarden 1831. In het voorberigt hiervan komen
+eenige ophelderingen daaromtrent voor, en mede in zijn Beknopt
+Overzigt van de Friesche Geschiedenis, waarvan het eerste gedeelte
+voorkomt achter <i>van Leeuwen&#8217;s</i> uitgave van it aade Friesche Terp,
+bl. 289, 298, 300, en vertaald in het Friesch Jierboeckjen, foar
+1831 en vervolgens.</p>
+
+
+<p class="leftlink"><a href="#Page_18">Bladz.&nbsp;18</a></p>
+<h3><a name="Aant3" id="Aant3"></a><i>Aant. 3</i>, op <i>bladz. 18</i>.</h3>
+
+<h4><i>Oude Handels-geschiedenis.</i></h4>
+
+<p>Ofschoon de Geschiedschrijvers veelal de groote gebeurtenissen
+of feiten vermelden, is het echter zeer belangrijk, uit veelvuldige
+bijzonderheden na te gaan, hoedanig de innerlijke maatschappelijke
+toestand was van een volk in verschillende tijden. Omtrent dit
+duistere tijdperk is zulks vooral gedaan door den Heer Mr. <i>J. Dirks</i>,
+in zijne bekroonde verhandeling: Geschiedkundig Onderzoek van
+den Koophandel der Friezen, van de vroegste tijden tot aan den
+dood van Karel den Grooten, Utrecht 1846. Bij de lezing van
+dit hoogst belangrijke geschrift staat men verbaasd over den rijkdom
+van bijzonderheden, welke de Schrijver met uitstekende vlijt uit de<span
+class='pagenum'><a name="Page_453" id="Page_453">[453]</a></span>
+bronnen heeft opgespoord. Dit laatste is in zulk een werk van veel
+belang: vooral, omdat er, bijzonder bij de Hollandsche geschiedschrijvers,
+die over Friesland en de Friezen hebben geschreven,
+zoo vele onnaauwkeurige voorstellingen, verkeerde denkbeelden en
+ongegronde beweringen bestaan, welke het doen betreuren, dat zij,
+die over de geschiedenis van Nederland schrijven, zoo weinig kennis
+dragen van die der provinci&euml;n, inzonderheid van Friesland.</p>
+
+
+<p class="leftlink"><a href="#Page_23">Bladz.&nbsp;23</a></p>
+<h3><a name="Aant4" id="Aant4"></a><i>Aant. 4</i>, op <i>bladz. 23</i>.</h3>
+
+<h4><i>De Oude Grenzen van Friesland.</i></h4>
+
+<p>Een niet minder belangrijk geschiedkundig onderzoek, naar de
+uitbreiding en grenzen van <i>Friesland</i> in verschillende tijdperken,
+heeft in de laatste jaren licht verspreid over dit onderwerp. Ik
+bedoel de te <i>Groningen</i> in 1834 bekroonde verhandeling van den
+Heer Mr. <i>J. van Doorninck</i>, later Archivarius van <i>Overijssel</i>, Commentatio
+de Frisiae Terminis, waarvan de Heer <i>I. A. Nijhoff</i> een
+uitvoerig verslag heeft gegeven in zijne Bijdragen voor vaderl. geschiedenis
+en oudheidkunde, I Aank. 57. Lezenswaardig zijn ook de
+mededeelingen van <i>Karl T&uuml;rk</i> in zijn werkje: Altfrisland und D&auml;nemark,
+Parchim 1835.</p>
+
+
+<p class="leftlink"><a href="#Page_25">Bladz.&nbsp;25</a></p>
+<h3><a name="Aant5" id="Aant5"></a><i>Aant. 5</i>, op <i>bladz. 25</i>.</h3>
+
+<h4><i>De verovering van Brittanni&euml;</i></h4>
+
+<p>door de Friezen en andere volken en de gevolgen daarvan zijn
+zeer uitvoerig behandeld door den Hoogleeraar <i>A. Ypey</i> in zijne
+Geschiedenis der Ned. Taal, I<sup>e</sup> dl. 1812, 174 en II<sup>e</sup> dl. 1832, 152;
+een werk, ook in andere opzigten voor de Friesche geschiedenis
+en letterkunde van zeer veel belang. De overeenkomst van
+het Friesch met het Engelsch is met proeven aangewezen in het
+eerste deel van den Tegenw. Staat van Friesl. Harl. 1785, bl.
+156. Bekend is het gezegde:</p>
+
+<div class="poem"><div class="stanza">
+<span class="i0"><i>Boetter, Brea in griene Tsies</i><br /></span>
+<span class="i0"><i>Is goed Ingelsch in eak goed Friesch.</i><br /></span>
+</div></div>
+
+<p>Als eene latere proeve dier taalverwantschap, ook tusschen het
+tegenwoordige Friesch en Engelsch, deelen wij mede Dr. <i>Bowring&#8217;s</i>
+vertaling der opdragt van <i>Posthumus&#8217;</i> Keapman fen Venetien in
+Julius Cesar fen <i>Shakspeare</i>, voorkomende in zijne schets der
+Friesche Letterkunde, geplaatst in de Westminster Review, 1829,
+N<sup>o</sup>. 23 en vertaald in de Leeuw. Cour. 1830, N<sup>o</sup>. 66:</p>
+
+<table class="ind05" summary="Table pag 453-1">
+
+<tr>
+<td class="left"><i>Lyk</i></td>
+<td class="left"><i>az</i></td>
+<td class="left"><i>Gods</i></td>
+<td class="left"><i>sinne</i>&nbsp;</td>
+<td class="left"><i>swiet</i></td>
+<td class="left"><i>uus</i>&nbsp;</td>
+<td class="left"><i>wr&acirc;d</i></td>
+<td class="left"><i>oerschijnt;</i></td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td class="left">Like&nbsp;</td>
+<td class="left">as&nbsp;</td>
+<td class="left">God&#8217;s&nbsp;</td>
+<td class="left">sun</td>
+<td class="left">sweetly&nbsp;</td>
+<td class="left">our</td>
+<td class="left">world&nbsp;</td>
+<td class="left">o&#8217;ershines;</td>
+</tr>
+
+</table>
+
+<table class="ind05" style="margin-top: 1em;" summary="Table pag 453-2">
+
+<tr>
+<td class="left"><i>Her</i>&nbsp;</td>
+<td class="left"><i>warmtme</i>&nbsp;</td>
+<td class="left"><i>in</i></td>
+<td class="left"><i>ljeacht</i>&nbsp;</td>
+<td class="left"><i>in</i></td>
+<td class="left"><i>groed</i></td>
+<td class="left"><i>in</i></td>
+<td class="left"><i>libben</i>&nbsp;</td>
+<td class="left"><i>schinkt;</i></td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td class="left">Her</td>
+<td class="left">warmth</td>
+<td class="left">and&nbsp;</td>
+<td class="left">light</td>
+<td class="left">and&nbsp;</td>
+<td class="left">growth&nbsp;</td>
+<td class="left">and&nbsp;</td>
+<td class="left">life</td>
+<td class="left">sends;</td>
+</tr>
+
+</table>
+
+<table class="ind05" style="margin-top: 1em;" summary="Table pag 453-3">
+
+<tr>
+<td class="left"><i>Lijk</i>&nbsp;</td>
+<td class="left"><i>az</i>&nbsp;</td>
+<td class="left"><i>de</i></td>
+<td class="left"><i>mijlde</i>&nbsp;</td>
+<td class="left"><i>rein</i>&nbsp;</td>
+<td class="left"><i>elke</i></td>
+<td class="left"><i>eker</i></td>
+<td class="left"><i>fijnt:</i></td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td class="left">Like</td>
+<td class="left">as</td>
+<td class="left">the&nbsp;</td>
+<td class="left">mild</td>
+<td class="left">rain</td>
+<td class="left">each&nbsp;</td>
+<td class="left">acre&nbsp;</td>
+<td class="left">finds:</td>
+</tr>
+
+</table>
+
+<table class="ind05" style="margin-top: 1em;" summary="Table pag 454-1">
+
+<tr>
+<td class="left"><span class='pagenum'><a name="Page_454" id="Page_454">[454]</a></span><i>So</i></td>
+<td class="left"><i>dogt</i>&nbsp;</td>
+<td class="left"><i>eak</i>&nbsp;</td>
+<td class="left"><i>dat,</i></td>
+<td class="left"><i>wat</i></td>
+<td class="left"><i>ijn</i>&nbsp;</td>
+<td class="left"><i>uus,</i>&nbsp;</td>
+<td class="left"><i>minsken,</i>&nbsp;</td>
+<td class="left"><i>tinkt.</i></td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td class="left">So&nbsp;</td>
+<td class="left">does</td>
+<td class="left">eke</td>
+<td class="left">that,&nbsp;</td>
+<td class="left">what&nbsp;</td>
+<td class="left">in</td>
+<td class="left">us,</td>
+<td class="left">men,</td>
+<td class="left">thinks.</td>
+</tr>
+
+</table>
+
+<table class="ind05" style="margin-top: 1em;" summary="Table pag 454-2">
+
+<tr>
+<td class="left"><i>Dij</i></td>
+<td class="left"><i>sprankel</i>&nbsp;</td>
+<td class="left"><i>fen</i>&nbsp;</td>
+<td class="left"><i>Gods</i></td>
+<td class="left"><i>fjoer,</i>&nbsp;</td>
+<td class="left"><i>ijn</i>&nbsp;</td>
+<td class="left"><i>uus</i>&nbsp;</td>
+<td class="left"><i>lein,</i>&nbsp;</td>
+<td class="left"><i>jouwt</i></td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td class="left">That&nbsp;</td>
+<td class="left">sparkle</td>
+<td class="left">of</td>
+<td class="left">God&#8217;s&nbsp;</td>
+<td class="left">fire,</td>
+<td class="left">in</td>
+<td class="left">us</td>
+<td class="left">laid,</td>
+<td class="left">gives</td>
+</tr>
+
+</table>
+
+<table class="ind05" style="margin-top: 1em;" summary="Table pag 454-3">
+
+<tr>
+<td class="left"><i>Oeral</i></td>
+<td class="left"><i>eak</i></td>
+<td class="left"><i>ljeacht</i>&nbsp;</td>
+<td class="left"><i>in</i></td>
+<td class="left"><i><span class="smcap">freugde</span></i>&nbsp;</td>
+<td class="left"><i>oon</i>&nbsp;</td>
+<td class="left"><i>Adams</i></td>
+<td class="left"><i>team.</i></td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td class="left">O&#8217;erall&nbsp;</td>
+<td class="left">eke&nbsp;</td>
+<td class="left">light</td>
+<td class="left">and&nbsp;</td>
+<td class="left"><span class="smcap">joij</span></td>
+<td class="left">on</td>
+<td class="left">Adam&#8217;s&nbsp;</td>
+<td class="left">train.</td>
+</tr>
+
+</table>
+
+<table class="ind05" style="margin-top: 1em;" summary="Table pag 454-4">
+
+<tr>
+<td class="left"><i>Wer</i></td>
+<td class="left"><i>dij</i></td>
+<td class="left"><i>wenn&#8217;t,</i>&nbsp;</td>
+<td class="left"><i>hulken,</i></td>
+<td class="left"><i>oaf</i>&nbsp;</td>
+<td class="left"><i>paleisen,</i>&nbsp;</td>
+<td class="left"><i>bouwt,</i></td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td class="left">Where&nbsp;</td>
+<td class="left">they&nbsp;</td>
+<td class="left">dwelt,</td>
+<td class="left">hulk&nbsp;(cottage)&nbsp;</td>
+<td class="left">or</td>
+<td class="left">palaces</td>
+<td class="left">build,</td>
+</tr>
+
+</table>
+
+<table class="ind05" style="margin-top: 1em;" summary="Table pag 454-5">
+
+<tr>
+<td class="left"><i>In</i></td>
+<td class="left"><i>fen</i>&nbsp;</td>
+<td class="left"><i>wat</i></td>
+<td class="left"><i>folk</i></td>
+<td class="left"><i>hij</i>&nbsp;</td>
+<td class="left"><i>iz,</i>&nbsp;</td>
+<td class="left"><i>ho</i></td>
+<td class="left"><i>hij</i>&nbsp;</td>
+<td class="left"><i>him</i></td>
+<td class="left"><i>neam.</i></td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td class="left">And&nbsp;</td>
+<td class="left">of</td>
+<td class="left">what&nbsp;</td>
+<td class="left">folk&nbsp;</td>
+<td class="left">he</td>
+<td class="left">is,</td>
+<td class="left">how&nbsp;</td>
+<td class="left">he</td>
+<td class="left">him&nbsp;(self)&nbsp;</td>
+<td class="left">names.</td>
+</tr>
+
+</table>
+
+<p>Bij deze vergelijking (voegt <i>Bowring</i> er achter) zal men hebben
+opgemerkt, dat er van de twee-en-vijftig woorden een-en-vijftig in
+het Engelsch bewaard en slechts weinig veranderd zijn geworden;
+terwijl alleen het woord <i>freugde</i> voor een van Normanschen oorsprong
+heeft moeten wijken.&mdash;Doch ook in zijne schoone Brieven
+over Friesland (1829) en Iets over de Friesche Letterkunde spreekt
+<i>Bowring</i> bij herhaling van der Friezen verwantschap en overeenkomst
+met den Angel-Saxischen stam, als van eene natie, &#8222;wier voorvaderen
+onze voorvaderen waren, wier taal en zeden eene zeer sterke
+overeenkomst hebben met de onze.&#8221; Die overeenkomst in taal
+en volkskarakter haalden hem allereerst tot een onderzoek over.
+Bij iederen tred vond hij nieuwe punten van gelijkheid, zoodat hij
+zich had kunnen verbeelden te verkeeren onder Angel-Saxen van
+een meer gevorderden trap van verstandelijke beschaving. &#8222;Spreekwijzen,
+(zegt hij) als verouderd Engelsch, klonken telkens in
+onze ooren, en wij konden niet nalaten eene verwonderlijke overeenkomst
+tusschen hen en onze voorouders te ontdekken. Hunne
+taal, zeer veel overeenkomende met die, welke in Engeland gesproken
+werd, vele honderden van jaren voor dat <i>Shakespeare</i>
+schreef; hun ligchaamsgestalte, hun schrandere en wijsgeerige
+geest, hunne ontwijfelbare betrekking met het beste deel van
+den Engelschen volksstam&mdash;dit alles boezemde mij belang in.&#8221;
+Zie ook <i>Wagenaar</i>, Vad. Hist. I 289; <i>Cerisier</i>, Gesch. der Ned.
+I 80; <i>Molhuysen</i> in <i>Nijhoff&#8217;s</i> Bijdragen, VI 244, VII 180, 184,
+en de door <i>van Leeuwen</i> opgenoemde schrijvers in zijne Aantt. op
+de Kronyk, bl. 332.</p>
+
+
+<p class="leftlink"><a href="#Page_34">Bladz.&nbsp;34</a></p>
+<h3><a name="Aant6" id="Aant6"></a><i>Aant. 6</i>, op <i>bladz. 34</i>.</h3>
+
+<h4><i>Der Friezen strijd tegen de Franken.</i></h4>
+
+<p>Omtrent dit onderwerp, alsmede de invoering en vestiging van
+de Christelijke godsdienst in deze landen zijn insgelijks in den
+jongsten tijd onderscheidene uitmuntende geschriften in het licht
+verschenen en door mij geraadpleegd. De bij het Kon. Ned. Instituut
+bekroonde verhandelingen van Prof. <i>H. J. Royaards</i> en Do.<span class='pagenum'><a name="Page_455" id="Page_455">[455]</a></span>
+<i>E. J. Diest Lorgion</i> bevatten vele merkwaardige berigten, welke
+uit de overgeblevene bronnen geput zijn, even als de vroeger
+aangehaalde voorlezing van Jhr. Mr. <i>B. J. L. de Geer</i>, de
+strijd der Friezen en Franken, waarvan ik dikwijls gebruik gemaakt
+heb. Zie ook de fraaije voorlezing van Do. <i>A. Winkler
+Prins</i>, over <i>Radbout I</i>, geplaatst in de Vrije Fries, V 97, en
+<i>van Loon</i>, Aloude Regeeringwijs van Holland, Leiden 1744,
+I 110 en verv. II 5 en verv. Daar ook deze schrijver op eerstgenoemde
+plaats verklaart, dat Holland &#8222;tot in de elfde eeuwe toe,
+altyd VRIESLAND is genaamd geworden,&#8221; is het een aangenaam
+verschijnsel van onzen tijd, dat in de geleerde en grondig
+bewerkte verhandelingen van <i>Royaards</i> en <i>van Asch van Wijck</i> bij
+herhaling gewezen wordt op het hoog belang der geschiedenis van
+Friesland <span class="gesp">voor</span> of <span class="gesp">als</span> de geschiedenis van Nederland in de
+tien eerste eeuwen onzer tijdrekening; een belang, dat zoovele
+Hollandsche Geschiedschrijvers schijnen te miskennen, als ze van
+de <i>Friezen</i> naauwelijks gewagen en van de hooggevierde <i>Batavieren</i>,
+de vermeende stamvaders der Nederlanders, al te ligtvaardig overspringen
+op de Franken en de Hollandsche Graven. D&aacute;&aacute;rom heb
+ik eene wederlegging van dit verkeerde denkbeeld, uit het werk
+van Prof. <i>Royaards</i>, tegenover den titel geplaatst, opdat ook
+deze mijne Geschiedenis niet beschouwd zou worden als slechts
+&eacute;&eacute;ne provincie betreffende en daarin met die van andere gewesten
+gelijkstaande.</p>
+
+
+<p class="leftlink"><a href="#Page_36">Bladz.&nbsp;36</a></p>
+<h3><a name="Aant7" id="Aant7"></a><i>Aant. 7</i>, op <i>bladz. 36</i>.</h3>
+
+<h4><i>Handelsverkeer.</i></h4>
+
+<p>Uitvoerige bijzonderheden omtrent het onderwerp der <a href="#Aant6">vorige Aant.</a>
+en vooral omtrent den toenmaligen toestand des volks en des handels
+en het vervaardigen van die Mantels vindt men in <i>Dirks</i>, Koophandel
+der Friezen, doch vooral in de Geschiedkundige Beschouwing van
+het oude Handelsverkeer der stad Utrecht, van den voortreffelijken
+Burgemeester dier stad, Jhr. Mr. <i>H. M. A. J. van Asch van
+Wijck</i>, wiens ijver en belangstelling mijne nasporingen in het
+Utrechtsche Archief in 1837 zoo aangenaam en nuttig maakten.</p>
+
+
+<p class="leftlink"><a href="#Page_38">Bladz.&nbsp;38</a></p>
+<h3><a name="Aant8" id="Aant8"></a><i>Aant. 8</i>, op <i>bladz. 38</i>.</h3>
+
+<h4><i>Aard der Friesche Vrijheid.</i></h4>
+
+<p>De aanhef der Oude Friesche Wetten (met vele onschatbare
+aanteekeningen door <i>P. Wierdsma</i> in 1782 uitgegeven), blz. 1, 13,
+109, 119 enz. vermeldt die hulp ter verovering van Rome, en Mr.
+<i>Dirks</i> heeft die togten tegen de Wilten en Avaren historisch toegelicht
+in de Vrije Fries, V 29. De voorstelling van den aard der
+Friesche vrijheid, door mij gevolgd, waarbij onderscheid is gemaakt
+tusschen de verschillende deelen van het Friesche rijk en<span class='pagenum'><a name="Page_456" id="Page_456">[456]</a></span>
+tusschen <i>Karel</i> als <span class="gesp">beschermheer</span> van de Friezen en als
+<span class="gesp">veroveraar</span> van de West- en Oost-Friezen, is duidelijk uiteengezet
+en met bewijzen gestaafd in de schoone Verhandeling over
+de Benaming van Vrije Friezen, door den Heer <i>L. H. W. van Aylva
+Baron Rengers</i>, in de Vrije Fries, V 193; een hoogst belangrijk
+stuk, dat wij alle beoefenaars van de geschiedenis zeer aanbevelen.</p>
+
+<p>Ten aanzien van der Friezen vrijheid ook omtrent geestelijke
+zaken, het stichten van Kerken enz. heeft de Heer Mr. <i>W. W. Buma</i>
+grondige bewijzen bijeengebragt in: het Regt der Friesche Herv.
+Floreenpligtigen op het verkiezen van Predikanten enz. toegelicht
+en verdedigd, Leeuw. 1849, bl. 14, 33. Bij al deze beschouwingen
+omtrent den oorsprong en den aard der Friesche Vrijheid
+verlieze men niet uit het oog, dat de toestand van onderscheidene
+omliggende landen en de daaruit voortgevloeide instellingen naauw
+zamenhangen met de toenmalige regten van het bijna algemeen
+ingevoerde Leenstelsel (eene uitvinding der dwingelandij), van erfelijk
+geworden Graven of Leenmannen, van lijfeigenschap en van heerlijke
+regten, wier <i>niet-bestaan</i> in <i>Friesland</i> reeds een negatief voorregt
+opleverde. De staatkundige en personeele vrijheid, welke alle
+volken van nature bezitten, werd hen door verovering ontnomen,&mdash;den
+Friezen werd zij <span class="gesp">gelaten</span>. Daarom noemt <i>Halsema</i>, bl. 44 als
+de hoofdkenmerken dezer vrijheid: &#8222;een vrije persoonlijke staat en
+daaraan verknocht vrij bezit of bestuur van goederen, in tegenoverstelling
+der Lijfeigenschap, benevens aandeel en gezag in de
+regering des lands.&#8221; <i>Bosscha</i>, Neerl. Heldend. I 20 zegt: &#8222;Hunne
+burgerlijke vrijheid echter verloren zij niet; want zij behielden
+het zwaard, het teeken der eer.&#8221; Het denkbeeld van vrijheid kan
+dus bezwaarlijk alleen en op zich zelf beschouwd worden, maar
+is betrekkelijk, en dikwijls alleen geldig bij wijze van vergelijking
+met eene vroegere overheersching of met de overheersching, waaronder
+naburen zuchten. De oorsprong van der Friezen regt en
+van hunnen exeptioneelen toestand komt vooral hierop neder: dat
+zij, bij de aanneming van <i>Karel den groote</i> (die hen, volgens de
+Oude Fr. Wetten, bl. 13, &#8222;in zijne <span class="gesp">bescherming</span> nam, opdat
+zij den Noordman mogten ontkomen&#8221;) &#8222;zich aan geene territoriaal
+verovering, waarbij zij en al hun have het eigendom
+der Franken zouden geworden zijn, onderworpen hebben.&#8221; Op
+dit door de groote gevolgen zoo belangrijke punt wordt door den
+Heer <i>Rengers</i> bijzonder gedrukt. Het is ook vermeld bij <i>van
+Doorninck</i> en <i>Nijhoff</i>, Bijdragen, I 66, boven aangehaald. De
+hoofdbepalingen der vrijheid zijn medegedeeld door <i>Foeke Sjoerds</i>,
+Alg. Beschrijv. I 391, volgens <i>Emmius</i>, 71 en de Oudheden en Gestichten,
+I 22. Met regt konden de Friesche Staten alzoo in
+eene Deductie van 1674 betuigen: &#8222;want is &#8217;er ooit een natie
+onder de sonne geweest, die jalours van hare vryheid geweest
+is, so is het de Vriessche natie geweest, die Aborigenes genaemt
+worden, als die haer eygen name en woonplaets nimmermeer
+hebben verandert.&#8221; Charterboek, V 1037.</p>
+
+<p class='pagenum'><a name="Page_457" id="Page_457">[457]</a></p>
+<p class="leftlink"><a href="#Page_52">Bladz.&nbsp;52</a><br />
+<a href="#Page_55">Bladz.&nbsp;55</a></p>
+<h3><a name="Aant9" id="Aant9"></a><i>Aant. 9</i>, op <i>bladz. 52, 55</i>.</h3>
+
+<h4><i>Het verbond der zeven Zeelanden.</i></h4>
+
+<p>Een hoogst belangrijk overzigt van den staat, den regeringsvorm,
+de wetten en betrekkingen van Friesland, tijdens het verbond der
+Zeelanden, bevat (om niet te gewagen van den schat van kennis,
+welke daarover is ten toon gespreid in de Voorreden der twee
+eerste deelen van het Vriesch Charterboek) de Verhandeling van
+Mr. <i>D. F. J. van Halsema</i>, als inleiding van het door hem daarbij
+uitgegevene Hunsingo&euml;r Landregt van 1252, voorkomende in het
+2<sup>e</sup> deel der Verhandelingen van het Groninger Genootschap: pro
+excolendo jure patrio, Gron. 1778;&mdash;een voortreffelijk werk,
+dat ik reeds voor jaren herhaaldelijk bestudeerd heb, doch waaruit
+ik voor mijn tegenwoordig doel weinig kon overnemen, dewijl ik
+mij tot de hoofdtrekken der Friesche geschiedenis bepalen- en, om
+uitvoerigheid te vermijden, tot mijn leedwezen vele bijzonderheden
+achterwege laten moest. Ik verzoek, dat men dit bij de beoordeeling
+wel in het oog houde, opdat men mij d&aacute;&aacute;rom niet van
+oppervlakkigheid of onvolledigheid beschuldige. Over de juiste
+grenzen van ieder dezer Zeelanden, wier omvang door mij slechts
+in hoofdpunten is opgegeven, is steeds veel verschil geweest. Dit
+zal er ook altijd blijven bestaan, omdat deze in onderscheidene
+tijdperken uiteenliepen, en omdat wij uit die tijden zelve deswege
+geene naauwkeurige opgaven bezitten. Men zie daarover de Vrije
+Fries, IV 20 en 254; Tegenw. Staat van Friesland, I 46, enz.&mdash;<i>Westendorp</i>,
+Jaarboek van en voor de prov. Groningen, 1829,
+I 133 en 211 brengt de Zeelanden eerst tot 13<sup>e</sup> eeuw; even
+vreemd laat hij <i>Friesland</i> na 912 nog tot het Sincfal uitstrekken,
+zonder al het vroeger voorgevallene in aanmerking te nemen. Nog
+in 1430 werd het Verbond der gemeene Friezen, van het Flie tot
+over de Jade en de stad Bremen, vernieuwd (Charterb. I 494).
+Daarin bepalen zij nog: onderling te &#8222;willen mit der hulpe Gades
+Almechtig fry, Freesch, de eene mit den anderen bystandich
+wesen, und beschermen unse Over-Olderen vaders recht, van
+Coninck <i>Carolo</i> beschreven recht, und by der gemeenen Freesen
+Lantrecht und frydommen tho ewigen tyden to blyven; und mit
+lyff und guet alle Duytsche Heeren buiten den Lande tho holden&#8221;
+enz. Hierin is de gansche bedoeling van het verbond der Zeelanden
+te zamengevat.</p>
+
+
+<p class="leftlink"><a href="#Page_59">Bladz.&nbsp;59</a><br />
+<a href="#Page_60">Bladz.&nbsp;60</a></p>
+<h3><a name="Aant10" id="Aant10"></a><i>Aant. 10</i>, op <i>bladz. 59 en 60</i>.</h3>
+
+<h4><i>Veranderde Toestand des lands, de Zuiderzee enz.</i></h4>
+
+<p>Als latere bronnen der geschiedenis van de veranderingen des
+bodems en der watervloeden verwijzen wij hier naar de Inleiding
+van <i>van Leeuwen&#8217;s</i> Tafereel van den Watervloed, Leeuw. 1826;
+<i>F. Arends</i>, Nat. Geschiedenis van de Kusten der Noordzee, met Aanteekeningen
+van Dr. <i>R. Westerhoff</i>, Gron. 1835, 2 dln., waarvan<span class='pagenum'><a name="Page_458" id="Page_458">[458]</a></span>
+een derde deel de Geschiedenis der Watervloeden bevat; Mr.
+<i>J. Scheltema</i>, drie verhandelingen over de Geschiedenis der Zuiderzee,
+over de Veranderingen der kusten en Aanwijzing van
+bijdragen daartoe, in zijn Geschied- en Letterkundig Mengelwerk,
+Utr. 1836, VI<sup>e</sup> dl. 2<sup>e</sup> st. bl. 55, 103, 137; Dr. <i>Acker Stratingh</i>,
+Aloude Staat, waarvan het eerste deel de Bodem en de Wateren
+bevat; maar vooral naar de Redevoering over het ontstaan der
+Zuiderzee, van Dr. <i>J. G. Ottema</i>, met kaart, in de Vrije Fries,
+IV 183, een vervolg op zijne, in <a href="#Aant1">Aant. 1</a> vermelde, Verhandeling
+over den Loop der Rivieren enz. Daarin zijn vele verspreide berigten
+met zoo veel kennis en schranderheid tot een geheel gebragt,
+dat ik dit voortreffelijk stuk zeer aanbeveel, ter bekoming van
+naauwkeuriger denkbeelden dan ik daarvan heb kunnen geven,
+wegens de bekrompenheid van mijn plan, hetwelk mij dikwijls
+hinderlijk is geweest in de juiste en volledige voorstelling. Wie
+evenwel aan mijne te korte aanwijzingen niet genoeg heeft, kan
+in de opgenoemde bijzondere behandelingen van dit onderwerp
+ruime stof voor zijn weetlust vinden. Omtrent de Geschiedenis
+van de Middelzee verwijs ik naar de Nasporingen, in 1834 met mijne
+vrienden <i>Brouwer</i> en <i>van Peijma</i> door mij uitgegeven.</p>
+
+
+<p class="leftlink"><a href="#Page_74">Bladz.&nbsp;74</a></p>
+<h3><a name="Aant11" id="Aant11"></a><i>Aant. 11</i>, op <i>bladz. 74</i>.</h3>
+
+<h4><i>De Friezen in de Kruistogten.</i></h4>
+
+<p>Al de berigten der Kronykschrijvers omtrent der Friezen aandeel
+in de Kruistogten zijn het eerst bijeengebragt door den Oost-Frieschen
+geschiedschrijver <i>T. D. Wiarda</i> (1786). De Heer <i>J.
+van Leeuwen</i> gaf daarvan eene vertaling achter zijne vermelde
+uitgave van it aade Friesche Terp, bl. 365. Doch naderhand
+(1842) heeft Mr. <i>J. Dirks</i> deze berigten kritisch onderzocht, en
+vergeleken met latere, ook buitenlandsche bronnen, en daarvan
+in de Vrije Fries, II 135 en 221, onder den titel van: Noord-Nederland
+en de Kruistogten, een verhaal of Schetsen gegeven,
+inzonderheid <i>volgens de berigten van ooggetuigen en tijdgenooten</i>. Deze
+voortreffelijke verhandeling, welke van vlijt en bekwaamheid evenzeer
+getuigenis geeft, ben ik in mijne korte voorstelling hoofdzakelijk
+gevolgd. Evenzoo zijn belangrijk stuk: de Friezen voor Aken,
+in het 5<sup>e</sup> dl. van het zelfde tijdschrift, bl. 53. Het verhaal van
+Roorda met den Moor vond ik in de verzameling Genealogi&euml;n,
+onder den naam van het Handschrift Doys beschreven op bl. V
+der Voorrede van het Stamboek van den Frieschen Adel, der
+Heeren <i>Hettema</i> en <i>van Halmael</i>.</p>
+
+
+<p class="leftlink"><a href="#Page_98">Bladz.&nbsp;98</a></p>
+<h3><a name="Aant12" id="Aant12"></a><i>Aant. 12</i>, op <i>bladz. 98</i>.</h3>
+
+<h4><i>De Schieringers en Vetkoopers.</i></h4>
+
+<p>Over den aard en oorsprong dezer Partijschappen is veel geschreven,
+zonder dat echter iemand in staat was, daarvan zekere<span class='pagenum'><a name="Page_459" id="Page_459">[459]</a></span>
+en naauwkeurige berigten te kunnen mededeelen. Ik heb de vrijheid
+genomen daarover mijne denkbeelden mede te deelen en daarvan
+een overzigt te geven in algemeene trekken, dewijl toch de bijzonderheden,
+voor mijn doel te uitvoerig, in onze kronyken kunnen
+nageslagen worden. In 1829 is er eene vrij dorre kronykmatige
+Geschiedenis van de onlusten tusschen de Schieringers en
+Vetkoopers door <i>A. v. H.</i> uitgegeven. Dit werk wordt dikwijls
+verkeerdelijk toegeschreven aan Mr. A. <i>van Halmael Jr.</i>, die grondiger
+en meer wijsgeerige beschouwingen over dit zelfde onderwerp
+heeft medegedeeld in de belangrijke Narede van zijn voortreffelijk
+treurspel: Ats Bonninga, Leeuw. 1828, en in zijne rom.-dram. tafereelen:
+de Schieringers en de Vetkoopers, Leeuw. 1841, waarin op
+bl. 25 eene duidelijke ontwikkeling van den oorsprong dezer partijschappen
+voorkomt. Belangrijk is ook de verhandeling van den
+Heer <i>P. Burggraaff</i> over den oorsprong en de namen dier partijen,
+voorkomende in het Tijdschrift voor Onderwijzers, Gron. 1833,
+I 34.&mdash;Echter stelt <i>Jancko Douwama</i> in zijne Geschriften (van
+1830-49 uitgegeven door het Friesch Genootschap), bl. 20, dat
+de naam <span class="gesp">Schieringers</span> <i>sprekers</i> beteekent tegen de <i>rijken</i>, door
+hen <span class="gesp">Vetkoopers</span> genoemd; terwijl hij beweert, dat de oorsprong
+der partijschap gelegen was in de poging der armen, om, in navolging
+van de partijen in <i>Holland</i>, de rijken te bewegen, om hun
+goed met hen te deelen, z&oacute;&oacute;, &#8222;dat de arme vast met de rijcke in
+de kiste begosten to tasten.&#8221; Deze meening van een edelman,
+die ongaarne tegen den adel zou getuigen, lijdt echter bedenking.
+Met veel meer waarschijnlijkheid mag men uit al de omstandigheden
+opmaken, dat het de vrijheidszucht van het in welvaart toenemende
+volk tegen de heerschzuchtige aanmatigingen van den adel en de
+heerschappen, ook in de steden, was, welke de beroerten ontstaan
+en, onder allerlei vormen en bijkomende omstandigheden, voortduren
+deed. Misschien had een naijver tusschen <i>Oostergoo</i> en <i>Westergoo</i>
+daarin ook een aandeel, en werd het vuur bestendig aangeblazen
+door de onlusten in <i>Groningen</i>, door de heerschzuchtige Oost-Friesche
+edelen en de Hollandsche Graven, die allen nu deze dan
+gene partij met hunne hulp ondersteunden. Zie slechts <i>Worp van
+Thabor</i>, Kronyk, IV 4, 19, 31, 33 enz. enz.</p>
+
+<p>In het begin moge het veeleer een strijd van de demokraten of
+liberalen dier dagen geweest zijn tegen de aristokraten (welke wij
+ook later onder andere vormen hebben zien herhalen), dan het
+uitvloeisel van een communismus, waartegen het gezond verstand
+der Friezen zeker zou opgekomen zijn,&mdash;later werd het enkel een
+strijd tusschen heerschzuchtige edelen en hunnen aanhang, en tegen
+het gezag der Groningers en de vreemde hulpbenden van elders.
+De Donia-oorlog en de twist om Bolsward hielden de partijen
+bestendig tegen elkander in het harnas, en bragten de gemeene
+zaak eindelijk ten val, doch tevens redding aan voor het algemeen
+belang der ingezetenen. Het denkbeeld van <i>J. Douwama</i> verdient
+dus weinig gezag, aangezien het geen krijg was, waarin het de<span class='pagenum'><a name="Page_460" id="Page_460">[460]</a></span>
+armen te doen was, om buit te maken en zich met het veroverde
+te verrijken. Ook n&aacute; dat de oorzaak des geschils verdwenen was,
+duurden toch de vijandschappen voort, en werden ze erfelijke veeten,
+hatelijk, laag en onverzoenbaar. <i>Huber</i>, Hed. Rechtsgeleertheyt,
+II 3, noemde het een krijg, &#8222;bijna van alle tegen alle, huis
+tegen huis, geslacht tegen geslacht, met onderling geweld, rooven
+en bloedvergieten.&#8221; Als bijkomende omstandigheid kan het echter
+zijn invloed hebben uitgeoefend, vooral in die dagen van ruwheid en
+domheid der lagere standen.&mdash;&#8222;Die Vetkooper-Partei war die der
+Aristokratie,&#8221; zegt Dr. <i>von Langenn</i>, Hertog Albrecht der Beherzte,
+238, zeer eenvoudig, en bevestigt mijne boven medegedeelde meening.</p>
+
+
+<p class="leftlink"><a href="#Page_121">Bladz.&nbsp;121</a></p>
+<h3><a name="Aant13" id="Aant13"></a><i>Aant. 13</i>, op <i>bladz. 121</i>.</h3>
+
+<h4><i>De Aanvallen der Hollandsche Graven.</i></h4>
+
+<p>Uit het verschil van staatkundigen toestand en van beider betrekking
+tot het keizerrijk tusschen de vrije Friezen benoorden en
+de door de Franken veroverde Friezen of Hollanders bezuiden de
+Reker of de Kinhem (op <a href="#Page_10">bladz. 10</a>, <a href="#Page_37">37</a>, <a href="#Page_50">50</a>,
+<a href="#Page_78">78</a> en <a href="#Page_99">99</a> hier v&oacute;&oacute;r
+uiteengezet), laat het zich gereedelijk verklaren, dat de Graven
+van <i>Holland</i>, met dit Graafschap, als rijksleen, door de Keizers
+verleid, geen regt hadden op West-Friesland, het eerste der Zeven
+vrije Friesche Zeelanden, die geene leenen kenden en ook aan het
+Duitsche rijk niet dienstpligtig of hofhoorig waren, maar den Keizer
+alleen eerbiedigden als beschermheer tegen de omringende leenmannen,
+veelal kleine dwingelanden. Doch dit onderscheid en de
+aard van dezen verschillenden toestand, ten gevolge waarvan de
+Hollandsche Graven evenmin regt hadden op het tegenwoordige
+<i>Friesland</i>, is door weinige Hollandsche geschiedschrijvers in het
+oog gehouden. Terwijl <i>Melis Stoke</i> met volkomene waarheid kon
+zeggen:</p>
+
+<div class="poem"><div class="stanza">
+<span class="i0"><i>Zyt des seecker en ghewis,</i><br /></span>
+<span class="i0"><i>Dat het Graefschap van Hollant is</i><br /></span>
+<span class="i0"><i>Een stuck van Frieslant ghenomen,</i><br /></span>
+</div></div>
+
+<p>spreken zij van de Friezen, althans West-Friezen, steeds, als ware
+Friesland van Holland afgenomen, en als waren deze opstandelingen,
+die beteugeld, wederspannigen, die getuchtigd en bedwongen
+moesten worden. In dat geval hadden zij mede reeds vroeger
+onder de heerschappij dier Graven moeten geweest zijn, en moest
+er een feit bestaan, dat zij zich aan die heerschappij hadden onttrokken.
+Doch het tegendeel is waar. Het privilegie van den
+Roomsch-Koning Graaf <i>Willem II</i>, van 1248, en die der latere Keizers
+hebben althans de oude volksvoorregten der Friezen bevestigd, en
+tevens vroegere regten van anderen op hun land (zoo die al bestonden)
+vernietigd; ja zelfs hebben zij de Hollandsche Graven verboden de
+Friezen te &#8222;molesteren.&#8221; Zie Charterb. I 94, 399, 593-596; <i>Stellingwerf</i>,
+Politycq Discours nopende den Staet van Frieslandt,
+Fran. 1617, 19. De vraag: <i>Of de Graven van Holland, regtens,</i><span
+class='pagenum'><a name="Page_461" id="Page_461">[461]</a></span>
+<i>ooit Heeren van Friesland waren</i>, is dus ook ontkennend beantwoord
+door Mr. <i>A. van Halmael Jr.</i> in een stuk in &#8217;t Mengelwerk der
+Leeuw. Courant van 25 Junij 1833; alsmede in de Voorrede van
+zijn treurspel: Radboud de tweede, Leeuw. 1839, welke stukken
+met de hem zoo eigene grondigheid zijn behandeld.</p>
+
+<p>Doch onnaauwkeurige voorstellingen van Friesche zaken bij de
+Hollandsche geschiedschrijvers zijn zeer algemeen. Zoo vond ik,
+bij het lezen van een aantal boeken ten behoeve der behandeling
+van dit werk, mij ook bitter teleurgesteld, dat ik in de beroemde
+Geschiedenis van het Nederl. Zeewezen, van Jhr. Mr. <i>J. C.
+de Jonge</i>, niets vond van de voor dat tijdvak zoo hoogst belangrijke
+Zeetogten der Hollandsche Graven naar Friesland; geen
+woord van de togten van Graaf <i>Floris V</i> in 1286 en 1292 over
+de pas ontstane en voor de uitbreiding van het zeewezen zoo belangrijke
+Zuiderzee, bepaaldelijk om <i>Stavoren</i> te winnen; geen
+woord over den belangrijken zeetogt van <i>Willem IV</i> in 1345 derwaarts,
+en geen verhaal, maar slechts eene aanhaling van de
+verbazende toerustingen van <i>Albrecht van Beijeren</i>, in 1396 env. waaromtrent
+er in de Hollandsche en Friesche Charterboeken zoo vele
+belangrijke stukken en bij de geschiedschrijvers zoo talrijke berigten
+voorkomen. Voor zoover die mij, als ongeletterde, bekend zijn,
+heb ik ze opgenoemd in de Geschiedk. Beschrijv. van Leeuwarden,
+I 55 en 303, en verwijs ik derwaarts, om niet in noodelooze herhalingen
+te vallen. Later vond ik daarvan eene uitvoerige beschrijving
+in de Vaderl. Chronyk, Leijd. en Amst. 1784, 296-911
+of het einde, waarvan ik echter geen gebruik meer heb kunnen maken.
+Ik blijf die togten steeds beschouwen als een zeer merkwaardig
+punt in de geschiedenis van <i>Holland</i> zoowel als van <i>Friesland</i>, hetwelk
+grootelijks verdiende nader te worden opgehelderd. Ook daarom
+heb ik deze herhaalde togten, door velen dikwijls met elkander
+verward, bij eene nadere omwerking meer uitgebreid, en zelfs
+breeder dan het overig gedeelte van dit werk voorgesteld.</p>
+
+
+<p class="leftlink"><a href="#Page_128">Bladz.&nbsp;128</a></p>
+<h3><a name="Aant14" id="Aant14"></a><i>Aant. 14</i>, op <i>bladz. 128</i>.</h3>
+
+<h4><i>De toestand van Friesland in de 15<sup>e</sup> eeuw</i></h4>
+
+<p>moge hier donker gekleurd voorkomen,&mdash;ieder, die de bijzonderheden
+daarvan bij onze historieschrijvers wil nagaan, zal mij moeten
+bijvallen, dat die toestand destijds deerniswaardig was. Ik heb
+dien ook kortelijk vermeld in de Geschiedk. Beschrijv. I 76, 105
+en d&aacute;&aacute;r bij meerdere aangehaalde schrijvers ook gewezen op het
+belangrijk tafereel, door <i>Kempo van Martena</i> daarvan opgehangen
+(Charterb. II 3). <i>Peter</i> en <i>Worp van Thabor&#8217;s</i> Kronyken; de Geschriften
+van <i>Jancko Douwama</i>; <i>Westendorp</i>, Jaarboek van Gron. II;
+<i>van Halmael&#8217;s</i> Schieringers en Vetkoopers en Ats Bonninga; tallooze
+plaatsen in het Charterboek en vele andere werken, welke ik zou
+kunnen aanhalen, mogen het bevestigen.</p>
+
+<p class='pagenum'><a name="Page_462" id="Page_462">[462]</a></p>
+
+<p class="leftlink"><a href="#Page_135">Bladz.&nbsp;135</a></p>
+<h3><a name="Aant15" id="Aant15"></a><i>Aant. 15</i>, op <i>bladz. 135</i>.</h3>
+
+<h4><i>De Saksische Regering,</i></h4>
+
+<p>hoe kort die ook duurde, heeft zeker een zeer gunstigen invloed
+gehad op den staatkundigen, stoffelijken en burgerlijken toestand
+van <i>Friesland</i>. <i>Het voordeel, hetwelk de Friezen trokken uit de overheersching
+van Albrecht van Saxen</i>, is door den Heer <i>J. D. Ankringa</i>
+opzettelijk aangewezen in eene voorlezing, geplaatst in de Vrije
+Fries, IV 379. Hij noemt daarin als de voornaamste voordeelen:
+1<sup>o</sup>. de verdrijving van kwaadwillige vijanden, bijzonder van de
+hatelijke Groningers; 2<sup>o</sup>. de orde en regelmaat van bestuur en het
+daaruit voor ieder voortspruitend ongestoorde genot van zijne
+bezittingen, vooral door de invoering van den Provincialen Raad
+en Geregtshof, waardoor de behandeling van zaken en de regtspleging
+op een goeden voet gebragt werden; 3<sup>o</sup>. eene betere
+beveiliging van de zee, door het verbeteren van de sluizen en
+zeeweringen te bevelen, waardoor de overstroomingen later zijn
+verminderd, en 4<sup>o</sup>. vermeerdering van vruchtbare landerijen, door
+het bedijken van <i>het Bildt</i>.&mdash;Het breidelen en vernietigen van de
+partijschappen der Schieringers en Vetkoopers, waardoor er rust
+en eenheid onder de Friezen ontstond, en het vereenigen der drie,
+vroeger op zich zelven staande en elkander vaak vijandige, Goo&euml;n,
+als <i>Oostergoo</i>, <i>Westergoo</i> en <i>Zevenwouden</i> tot &eacute;&eacute;n geheel, door &eacute;&eacute;n
+belang verbonden, voeg ik daarbij, als voordeelen van niet minder
+gewigt. In de Geschiedk. Beschrijv. I 105-136 heb ik de mij
+bekende schrijvers over dit tijdvak opgenoemd. Thans ben ik bijna
+geheel <i>Martena&#8217;s</i> Landboek gevolgd.&mdash;Uit al het vorenstaande
+blijkt, dat de regten en vrijheden des volks in vele opzigten door
+den Saks werden ge&euml;erbiedigd, en dat het eigenlijk te veel gezegd
+is, wanneer men het Saksische <i>bestuur</i> eene overheersching noemt,
+en de vrijheid der Friezen als verloren beschouwt. Dit denkbeeld
+is mede reeds bestreden door <i>Stellingwerf</i> in het aangeh. zeldzame
+Polityck Discours, bl. 24. De verdere ontwikkeling hiervan zou
+te dezer plaatse tot te groote uitvoerigheid leiden, doch verdiende
+weleens nader in het licht te worden gesteld. Wanneer het volk
+werkelijk was overwonnen geweest, had de Saks ook de magt gehad
+om het Leenstelsel hier in te voeren. Doch in den Keizerlijken giftbrief
+was zijn gezag als Erf-Potestaat of Gubernator beperkt, en bleven
+de Friezen, onder de bescherming des rijks, in het bezit van hunne
+vroegere voorregten, welke daarin erkend werden. Zie Charterb.
+I 786 env.</p>
+
+
+<p class="leftlink"><a href="#Page_146">Bladz.&nbsp;146</a></p>
+<h3><a name="Aant16" id="Aant16"></a><i>Aant. 16</i>, op <i>bladz. 146</i>.</h3>
+
+<h4><i>Groote Pier.</i></h4>
+
+<p>Veel is over dezen merkwaardigen man geschreven, zonder dat er
+nog van hem eene volledige levensbeschrijving is bewerkt. Ik hoop
+daartoe nieuwe bijdragen en oogpunten te hebben geleverd, na vroeger<span
+class='pagenum'><a name="Page_463" id="Page_463">[463]</a></span>
+in het Mengelwerk der Leeuw. Cour. van 1834, N<sup>o</sup>. 20, hierover
+iets te hebben gegeven. Voor hem, die dit onderwerp nader zou
+willen behandelen, verwijs ik (buiten de in de noten aangehaalde)
+naar de volgende schrijvers: <i>Scharlensis</i>, 113; <i>Winsemius</i>, 421;
+<i>Schotanus</i>, 567, 607 env.; <i>Sybe Jarichs</i>, Corte Chronyck in de
+Analecta van Brou&euml;rius van Nidek, 461; <i>Eggerik Beninga</i>, Hist.
+van Oostfriesl. in Matth&aelig;us, Analecta, IV 550; <i>Foeke Sjoerds</i>,
+Beschrijv. I 818; Levensb. van verm. Mannen, I 45; <i>Kok</i>, Vad.
+Woordb. XIV 16; <i>Halma</i>, Toneel der V. Ned. 382; Ne&ecirc;rl.
+Heldendaden ter Zee, I 92; <i>Napjus</i>, Sneek, 40; <i>Gabbema</i>, Leeuw.
+336, 342; <i>van Leeuwen</i>, Kronyk, 152, 435; <i>Greidanus</i>, Naaml. der
+Franek. Pred. 64; benevens eene verh. in de Prov. Friesche Cour.
+1851, N<sup>o</sup>. 6 env. het uitvoerigste en beste stuk over dit onderwerp.</p>
+
+<p>De krijgsbedrijven van <i>Groote Pier</i> heb ik met opzet eenigzins
+uitvoeriger behandeld, omdat het algemeen gevoelen over dezen
+persoon zoo onbestemd of liever zoo ongunstig is, vooral bij Hollandsche
+schrijvers. De door mij zoo hoog geachte Jhr. Mr. <i>de
+Bosch Kemper</i> noemt hem in zijn voortreffelijk werk: Geschiedk.
+Onderzoek naar de Armoede in ons vaderland, Haarlem 1851,
+bl. 69, nog: &#8222;de Geldersche Zeeroover <i>Groote Pier</i>.&#8221; Even verkeerd
+is de voorstelling van den Heer <i>D. R. Erdbrink</i> te Enkhuizen,
+in het Leeskabinet voor Mei 1852, ook als hij meent, dat <i>Pier</i> de
+Saksische Zwarte Hoop, groot 3 &agrave; 4000 man, in 1517 op zijne
+vloot van <i>de Lemmer</i> naar <i>Noord-Holland</i> zou hebben overgevoerd.</p>
+
+
+<p class="leftlink"><a href="#Page_155">Bladz.&nbsp;155</a></p>
+<h3><a name="Aant17" id="Aant17"></a><i>Aant. 17</i>, op <i>bladz. 155</i>.</h3>
+
+<h4><i>Worp van Thabor&#8217;s Kronyk</i></h4>
+
+<p>bestond tot dusverre alleen in Handschrift, en wel in verscheidene
+ex. op verschillende plaatsen. Dr. <i>J. G. Ottema</i> heeft van alle
+bekende ex. een uitvoerig verslag gegeven in de Vrije Fries, III
+105, waarna het Friesch Genootschap de drie eerste, in het latijn
+geschrevene, boeken in 1847 heeft uitgegeven, onder den titel van
+Worperi Tyaerda ex Renismageest, Chronicorum Frisiae libri tres.
+Het vierde boek, in het nederduitsch van dien tijd geschreven,
+is in 1850 en 1851 gevolgd onder den titel van: Kronijken van
+Friesland, bevattende de geschiedenis van de vijftiende eeuw. De
+door mij gegevene uittreksels zijn genomen uit het 1<sup>e</sup> boek, volgens
+eene vertaling van den Hoogleeraar <i>P. J. Veth</i>, die in den elfden
+jaarg. van de Gids, bl. 552, een aanprijzend verslag van deze
+belangrijke Kronyk heeft gegeven. Van den schrijver is weinig
+meer bekend, dan dat hij zich naar zijne geboorteplaats <i>Rinsumageest
+Worp van der Geest</i> noemt, en eerst Monnik, daarna Supprior,
+vervolgens Procurator en in 1523 Prior was van het bekende
+klooster <i>Thabor</i>, onder <i>Tirns</i> nabij <i>Sneek</i>, waarin hij in 1538 is
+overleden. Men verwarre zijn werk echter niet met de Kronyk
+of Historie van Vriesland, door <i>Peter Jacobsz. van Thabor</i> of <i>Petrus
+Thaborita</i>, door <i>Visser</i> en <i>Amersfoordt</i> uitgegeven in het
+Archief<span class='pagenum'><a name="Page_464" id="Page_464">[464]</a></span>
+voor Vaderlandsche, en inzonderheid Vriesche Geschiedenis, Oudheid-
+en Taalkunde, Leeuw. 1824-28, 3 st., welk niet minder belangrijk
+werk ik ook veelmalen heb geraadpleegd.</p>
+
+<p>Eene dergelijke, doch uitvoeriger, algemeene beschrijving van
+<i>Friesland</i>, van omstreeks eene halve eeuw later, bevat het eerste
+boek van <i>Ubbo Emmius</i>, Rerum Frisicarum Historia, waarvan de
+eerste druk is van Franeker, 1596. Eene andere, kortere algemeene
+beschrijving van <i>Friesland</i> is in 1616 gegeven door Do. <i>J.
+Bogerman</i>, destijds Predikant te <i>Leeuwarden</i>, in de opdragt van
+zijn werkje: Praxis verae poenitentiae, door Dr. <i>J. G. Ottema</i>
+vertaald medegedeeld in de Vrije Fries, II 215. Al deze beschrijvingen
+zijn, even als zoo vele verzen van <i>Starter</i> van dien tijd,
+hooggestemde lofredenen op dit land, hetwelk <i>Bogerman</i>, wegens
+overvloed van ligchamelijke en geestelijke zegeningen, (toen reeds)
+<i>een dal van vettigheid</i> noemde.</p>
+
+
+<p class="leftlink"><a href="#Page_159">Bladz.&nbsp;159</a></p>
+<h3><i><a name="Aant18" id="Aant18"></a>Aant. 17 (moest zijn 18)</i>, op <i>bladz. 159</i>.</h3>
+
+<h4><i>De beroemde Friezen</i>,</h4>
+
+<p>uit omstreeks het midden der 16<sup>e</sup> eeuw, in den tekst vermeld,
+waarbij ik nog vele andere had kunnen voegen, komen bijna allen,
+met min of meer uitvoerige levensschetsen, voor in het werkje van
+<i>Suffridus Petrus</i>, de Scriptoribvs Frisi&aelig;, geschreven en voor het
+eerst uitgegeven te Keulen in 1593. Voorzeker baart het groot
+getal personen, in de tien laatste decaden van dit werkje vermeld,
+verwondering, in vergelijking met het getal beoefenaren der wetenschappen,
+welke andere provinci&euml;n des vaderlands, zelfs <i>Holland</i>, tot
+1593 hadden opgeleverd.</p>
+
+
+<p class="leftlink"><a href="#Page_166">Bladz.&nbsp;166</a></p>
+<h3><a name="Aant19" id="Aant19"></a><i>Aant. 19</i>, op <i>bladz. 166</i>.</h3>
+
+<h4><i>De Geschiedenis der Kerkhervorming in Friesland</i></h4>
+
+<p>is in 1842, voortreffelijk bewerkt, uitgegeven door <i>E. J. Diest
+Lorgion</i>, waar meer uitvoerige berigten, dan ik hier en vervolgens
+kon mededeelen, worden gevonden. Vele oorzaken en
+aanleidingen van de reformatie in dit gewest zijn mede uit allerlei
+bronnen nagespoord en grondig behandeld in het uitmuntende werk:
+Geschiedenis der Doopsgezinden in Friesland, door <i>S. Blaupot
+ten Cate</i>, Leeuw. 1839, alsmede in het belangrijk werk: De
+Doopsgezinden en hunne herkomst, van <i>J. H. Halbertsma</i>, Dev.
+1843. Nog andere wetenswaardige berigten omtrent dit tijdvak
+en de latere geschiedenis van de Lutherschen in <i>Friesland</i> en te
+<i>Leeuwarden</i> komen voor in de Bijdragen tot de geschiedenis der
+Evang.-Luthersche Kerk in de Nederl. verzam. door <i>J. C. Schultz
+Jacobi</i> en <i>F. J. Domela Nieuwenhuis</i>, Utr. 1844, 5<sup>e</sup> stuk, bl. 166.
+Wie dus omtrent de voorvallen van dit merkwaardige tijdperk
+nader wenscht ingelicht te worden, zal daartoe in genoemde werken
+ruime gelegenheid vinden.</p>
+
+<p class='pagenum'><a name="Page_465" id="Page_465">[465]</a></p>
+
+<p class="leftlink"><a href="#Page_118">Bladz.&nbsp;118</a></p>
+<h3><i><a name="Aant20" id="Aant20"></a>Aant. 20</i>, op <i>bladz. 118</i>.</h3>
+
+<h4><i>De Verbondene Edelen.</i></h4>
+
+<p>De hoofdbron der geschiedenis van dit onderwerp is en blijft nog
+steeds het belangrijke werk van den Hoogl. <i>J. W. te Water</i>,
+Historie van het Verbond en de Smeekschriften der Ned. Edelen,
+Middelb. 1776-96, 4 st. waarvan de Geschiedenis der Watergeuzen,
+van Do. <i>A. P. van Groningen</i> een waardige tegenhanger
+is. Ik acht mij echter verpligt, hier bijzonder te vermelden,
+dat het eerste werk voor geene provincie van meer gewigt
+en belang is dan voor <i>Friesland</i>. Eensdeels, omdat het getal
+Edelen, welke daarin met kortere of langere levensschetsen vermeld
+zijn, uit deze provincie daarin vier maal grooter is dan van de
+overige 16 provinci&euml;n, en alzoo blijk levert zoowel van de talrijkheid
+als de vrijheidszucht van den toenmaligen Frieschen Adel;&mdash;anderdeels,
+omdat de berigten aangaande de geslachten en verrigtingen
+dezer bondgenooten daarin het meest uitvoerig zijn behandeld,
+ten gevolge der talrijke mededeelingen, welke de schrijver mogt
+ontvangen van de Heeren <i>Ulbe</i> en <i>Eduard Marius van Burmania</i>,
+welke van zoo veel belang waren, dat hij d&aacute;&aacute;rom zijn werk aan
+laatstgenoemden Oudheidkundige uit dankbaarheid opdroeg, terwijl
+die hulp in de opdragt eervol wordt vermeld.</p>
+
+<p>Na ruim twintig jaren tijdsverloop herinner ik mij thans nog
+met veel genoegen, dat mijn edele begunstiger en vriend wijlen
+Jhr. <i>I. &AElig;binga van Humalda</i> mij in 1828 met dit werk bekend
+maakte, en dat ik toen, na herhaalde lezing, van die 108 Friesche
+Verbondene Edelen biographische Tabellen vervaardigd- en met
+vele bijzonderheden uit andere schrijvers en geslachtlijsten aangevuld
+heb. Uit vrees van nog niet in staat te zijn iets goeds te
+kunnen leveren, kon ik toen niet bewilligen in het aanbod van
+Do. <i>J. H. Halbertsma</i>, om deze tabellen voor mij uit te geven.</p>
+
+<p>Doch <i>Friesland</i> heeft nog eene andere betrekking op dit onderwerp,
+welke ik hier mede gaarne herinner, omdat het een der
+sieraden onzer Nederlandsche letterkunde geldt. Nog v&oacute;&oacute;r <i>te Water</i>
+dit onderwerp historisch toelichtte, heeft Jhr. <i>Onno Zwier van
+Haren</i>, in zijne afzondering te <i>Wolvega</i>, de verdiensten dier Edelen
+en bijzonder der Watergeuzen, door de dichtkunst verheerlijkt. In
+een ruwen vorm verschenen in 1769 voor het eerst zijne verzen:
+Aan het Vaderland, later en vooral in 1776 veel vermeerderd en
+verbeterd herdrukt onder den titel van: de Geuzen. Na zoo herhaalde
+lezing van dit heerlijk dichtstuk, door zulke belangrijke aanteekeningen
+toegelicht, zou ik zeer wenschen, dat het, vooral in
+<i>Friesland</i>, meer algemeen bekend ware. Wetenschap en kunst zijn
+daarin vereenigd en met zoo vele streelende vaderlandsche herinneringen
+vereenzelvigd, dat het verstand en hart, gevoel en smaak
+te zamen goed doet. Ik heb daarover, in verband met het leven
+des vereerden dichters, meer uitvoerig gehandeld in den Friesche
+Volks-Almanak voor 1837, 50.</p>
+
+<p class='pagenum'><a name="Page_466" id="Page_466">[466]</a></p>
+
+<p class="leftlink"><a href="#Page_222">Bladz.&nbsp;222</a></p>
+<h3><i><a name="Aant21" id="Aant21"></a>Aant. 21</i>, op <i>bladz. 222</i>.</h3>
+
+<h4><i>De Friesche Staatstwisten</i>,</h4>
+
+<p>welke, na de vroeger in den tekst reeds vermelde geschillen,
+bijzonder tusschen de Landen en Steden, over het bekomen van
+den vierden stem in den staat, vooral sedert 1593, gevoerd zijn,
+vindt men vrij uitvoerig medegedeeld in de volgende werken:
+<i>Winsemius</i>, Chronique, 820, 828, 847-871, 891, 898;&mdash;<i>van
+Reijd</i>, Ned. Oorlogen, 200, 410, 418;&mdash;<i>van den Sande</i>, Ned.
+Hist. ten vervolge op <i>van Reijd</i>, 29, 57, 69, 98, 121, 162,
+173, 178, 186, 197, 205;&mdash;Charterboek, V 164, 274, 278,
+333, 341, 358, 367;&mdash;Register op de Staats-resoluti&euml;n, 411,
+478, 511, 695;&mdash;<i>van Aitzema</i>, Saken van Staet en Oorlogh,
+4<sup>o</sup>. II 116, 211, 626, 633, 643, 800; III 160, 265, 344, 348,
+522; 63, 81; 10, 292, 520, 528;&mdash;<i>Kok</i>, Vad. Woordenb.
+XVI 594; benevens vele stukken in het Provinciaal en Stedelijk
+Archief van <i>Leeuwarden</i>.</p>
+
+<p>Al deze en meerdere schrijvers over dit onderwerp zijn door
+mij gelezen, met oogmerk, om die gebeurtenissen te behandelen.
+Doch, daar ze voor eene beknopte behandeling niet vatbaar waren,
+en eene uitvoerige voorstelling van oorzaken, verband en gevolgen
+mijn bestek ver te buiten zou gaan, zoo heb ik daarvan <i>moeten</i>
+afzien, en deze gebeurtenissen enkel met een woord vermeld op de
+Tijdrekenk. Lijst. Bij eene uitvoeriger behandeling van de Friesche
+Geschiedenis zullen ze alle in het licht gesteld moeten worden.</p>
+
+<hr class="c05" />
+
+<p>In al die onlusten zien wij mede telkens den strijd herhalen
+tusschen de vrienden van behoud en vooruitgang, en tusschen de
+democraten en de aristocraten dier dagen; een strijd, welke in
+elke eeuw op eene andere wijze vernieuwd wordt, zoolang het
+volk het besef zijner regten en krachten behoudt en, niet door
+vrede of weelde ontzenuwd, inslaapt of doof wordt voor zijn belang.
+In weerwil van al de goede eigenschappen van den vervolgens
+door mij geschetsten Regeringsvorm van <i>Friesland</i>, en ondanks eene
+algemeene verkiesbaarheid en alzoo een democratisch beginsel de
+grondslag daarvan scheen uit te maken, heeft de welwikkende en
+geleerde <i>Ulrik Huber</i> aangewezen, dat de Aristocratie zich in
+<i>Friesland</i> van de teugels van het bewind had verzekerd. (Zie <i>Huber</i>,
+Hedend. Rechtsgeleerth. Leeuw. 1699, II 11, 53 env., en <i>Vreede</i>,
+Geschied- en Letterk. Herinneringen, Gor. 1836, II 65.) En was
+dit wonder? &#8222;In een land, waarin van ondenkelijke tijden af de
+oorspronkelijke oppermagt werd bezeten door de Edelen en Eigenerfden,
+dat is, de bezitters van onroerende goederen, die het regt
+van stemmen in gemeene zaken hadden,&#8221; kon het niet anders, of
+de adel en de aanzienlijken moesten in het bezit geraken van de
+oppermagt, van ambten en bedieningen. De aard van het Stemregt
+leidde daartoe. Dat daarvan dikwijls misbruik is gemaakt, is zeer
+natuurlijk bij al het aanlokkelijke van magtsuitoefening en vaak<span class='pagenum'><a name="Page_467" id="Page_467">[467]</a></span>
+kwalijk geplaatste eerzucht bij onverstandigen. Maar met dat al
+is het mijne innige overtuiging, op geschiedenis en overlevering
+gegrond, dat die Aristocratie, of de regering van den adel en de
+aanzienlijken, voor <i>Friesland</i> in de vorige eeuwen van oneindig meer
+voordeel dan nadeel is geweest. Zij, die door aanzienlijk grondbezit
+het meeste belang hadden bij het welzijn van den staat, en
+daardoor ook het meeste aanspraak hadden op het bestuur daarvan;
+zij stonden door stand, opvoeding, onderwijs en bekwaamheden
+in verstandelijke en zedelijke kracht ook meestal veel hooger dan
+het volk of wel de burgerstand dier dagen, welke toen minder
+ontwikkeld was dan tegenwoordig. En zeker zullen de laatste,
+die thans meerdere staats-burgerlijke regten hebben verkregen,
+onbillijk handelen, als zij hunne verpligting aan &#8217;s lands vroegere
+overheden en de adellijke en aanzienlijke famili&euml;n niet dankbaar
+erkennen. Het is dus onkunde of kwade trouw, wanneer men
+thans laag valt op of smadelijk spreekt van een uitvloeisel der
+vroegere staatsgesteldheid, welke, ja soms is misbruikt geworden,
+doch die in &#8217;t algemeen heilzaam voor het belang des volks is geweest.</p>
+
+
+<p class="leftlink"><a href="#Page_246">Bladz.&nbsp;246</a></p>
+<h3><i><a name="Aant22" id="Aant22"></a>Aant. 22</i>, op <i>bladz. 246</i>.</h3>
+
+<h4><i>De Regeringsvorm van Friesland, tijdens de republiek</i></h4>
+
+<p>is door mij voorgesteld, zoo als zij omstreeks den jare 1770
+bestond, om niet telkens de kleine wijzigingen te vermelden, welke
+daarin sedert 1580 hadden plaats gehad. De voornaamste schrijvers
+over dit onderwerp heb ik in de noten bij ieder onderdeel
+medegedeeld, doch acht het van belang, hier nog eenige andere te
+vermelden, welke deswege nader kunnen geraadpleegd worden.
+In zijn ganschen omvang is dit onderwerp behandeld in <i>U. Huber</i>,
+Heedendaegse Rechts-geleertheyt, soo elders, als in Frieslandt
+gebruikelijk, 2<sup>e</sup> dr. Leeuw. 1699, I 418, II 10 env. alsmede in de
+weinig bekende Dissertatie van <i>E. H. Bergsma</i>, de antiqua et
+hodierna Frisiorum Regiminis forma, Fran. 1779. Nog minder
+bekend is de eenvoudige en heldere voorstelling, welke de voortreffelijke
+<i>P. Wierdsma</i> daarvan heeft gegeven in de beschrijving
+van deze provincie, welke hij bezorgde ten behoeve der Nieuwe
+Aardrijksbeschrijving, door <i>W. E. de Perponcher</i>, Utr. 1784, welke
+in het eerste deel bl. 303 is opgenomen. (De reden daarvan heb
+ik vermeld in de Nasporingen omtrent de Middelzee, bl. 52.) Ook
+in <i>Knoop</i>, Teg. Staat of Hist. Beschrijv. van Friesl. Leeuw. 1763,
+bl. 328, en in <i>Busching</i>, Nieuwe Geographie, verbeterd door
+<i>W. A. Bachiene</i>, Amst. 1775, IV 1191 komen uitvoerige beschrijvingen
+daarvan voor, die ieder op zich zelve belangrijke bijzonderheden
+bevatten. Zeer zonderling en hooggestemd is de beschrijving
+van <i>Frieslands</i> staatsbestuur van Mr. <i>Romijn de Hooghe</i>, in zijn
+Spiegel van Staat, Amst. 1706. Het Groot Placaat- en Charterboek
+van Vriesland, door de zorg van den Baron <i>G. F. thoe Schwartzenberg</i>,
+op last der Staten, in 1768 begonnen en in 1795 in het 6<sup>e</sup>
+deel<span class='pagenum'><a name="Page_468" id="Page_468">[468]</a></span>
+met den jare 1705 ge&euml;indigd, bevat een onwaardeerbare schat van
+historische en staatsstukken over alle deelen van dit gewest. Eene
+Verzameling van Placaten, Reglementen en andere Stukken, door
+de Staten van Vriesland ge&euml;maneerd, is in 1748 begonnen, telt
+tot 1795 6 deelen in 4<sup>o</sup>. en is van toen af tot in 1810 voortgezet
+in 14 deelen. Ook deze bron heb ik veel gebruikt.</p>
+
+<p>In de laatste helft der vorige eeuw begon men zich mede meer
+toe te leggen op de <span class="gesp">Staatshuishoudkunde</span> en <span class="gesp">Statistiek</span>
+dezer provincie. In de genoemde werken van <i>Knoop</i>, <i>Foeke</i>
+<i>Sjoerds</i>, de Tegenw. Staat enz. zijn daarover bereids belangrijke bijdragen
+gegeven. Ook <i>Nicolaas Ypey</i>, Hoogleeraar in de Wiskunst
+en Vestingbouw te <i>Franeker</i>, die in Waterstaatszaken dikwijls door
+Gedeputeerde Staten geraadpleegd werd, gaf van zijne bedrevenheid
+in die vakken blijken in zijne Verhandelingen over den uitvoer van
+het Hooi (in 1781 bekroond en met die van <i>Eelke Alta</i> en <i>Sjoerd
+Meinerts</i> te <i>Harlingen</i> uitgegeven) en over de Quotae, Harl. 1784.
+Zeer belangrijk is mede het werkje van den lateren Hoogleeraar
+<i>Seerp Gratama</i>, de gelukkige Toestand van Friesland betoogd,
+Harl. 1795. Uit deze thans weinig meer voorkomende geschriften
+wil ik de volgende bijzonderheden, tot kenschetsing van dit tijdvak,
+mededeelen.</p>
+
+<p>De Bevolking van <i>Friesland</i> is geheel onbekend v&oacute;&oacute;r den jare
+1715, en werd in 1744 en op nieuw in 1748 opgemaakt. De opgave
+van 1744 was 135,133 personen, verdeeld in 36,947 huisgezinnen,
+onder welke men 4,600 insolvente en 3,535 gealimenteerde telde.
+Latere zekere opgaven tot 1795 gaan niet boven de 140,000
+zielen.&mdash;In 1779 was het getal der aangegevene koeijen 73,589,
+der rieren 23,519 en der paarden 23,359. De uitvoer daarvan
+bestond in 1778 in: 7,732 koeijen, 245 ossen, 29 bullen, 1048
+kalvers, 2001 paarden, 205 enters (eenjarigen) en 400 veulens,
+namelijk, voor zoover daarvan passagiegeld was betaald. De waarde
+van elke verkochte koe stelde <i>Ypey</i> in gewone tijden op &#402;40&mdash;,
+een vierendeel boter op &#402;16&mdash;, een schippond kaas op &#402;6&mdash;,
+eene leverweide hooi op &#402;12&mdash;, een pondemate nieuw gras op
+&#402;4&mdash;, de mest van eene koe in &#8217;t jaar op &#402;3.50. In de voorspoedige
+jaren van 1765 tot 1779 klom de prijs der boter tot
+&#402;21&mdash;, der kaas tot &#402;12&mdash;, van eene koe tot &#402;60&mdash;. Bovendien
+noemt hij de verzending van Tonnevleesch naar buiten aanzienlijk.
+In 1762 werden er op de Lands Wagen aangegeven
+83,200 vierdevaten boter. Hij begroot daarentegen de som, welke
+aan schattingen en renten, voor kleeding, levensmiddelen, dranken
+en allerlei soort van waren <span class="gesp">uit</span> <i>Friesland</i> naar buiten ging, op
+&#402;3,800,000, buiten het bedrag van het hout, uit de Oostzee en
+elders aangevoerd.&mdash;Belangrijk zijn mede zijne berigten over de
+toenmalige Vrachtvaart, waarover wij ook op <a href="#Page_337">bl. 337</a> bijzonderheden
+hebben medegedeeld, en waarbij wij nu nog wenschen te voegen,
+dat in de merkwaardige Propositie van Prins <i>Willem IV</i>, tot verbetering
+van den Koophandel der republiek, van 1751, dit opmerkelijk<span class='pagenum'><a name="Page_469" id="Page_469">[469]</a></span>
+gezegde voorkomt, dat toen reeds &#8222;geene Provincie van ons land
+meer reederijen had van Smakken, Koffen en Galjoots, en waar
+meer dergelijke vaartuigen te huis behoorden dan in <i>Friesland</i>,
+zonder nog eenige handel van belang te hebben.&#8221;</p>
+
+
+<p class="leftlink"><a href="#Page_257">Bladz.&nbsp;257</a></p>
+<h3><i><a name="Aant23" id="Aant23"></a>Aant. 23</i>, op <i>bladz. 257</i>.</h3>
+
+<h4><i>De Friesche Zeehelden</i>,</h4>
+
+<p>welke, sedert den eersten Engelschen oorlog, bij <i>Brandt</i>, <i>Aitzema</i>,
+Holl. Mercurius en <i>de Jonge</i> in het bijzonder vermeld worden,
+zijn, in vergelijking van vele Hollandsche en Zeeuwsche zeelieden,
+door hunne tijdgenooten zoo weinig opgemerkt, dat er van niemand
+hunner volkomene levensberigten tot ons zijn gekomen. Van weinigen
+weten wij iets meer dan hun naam en een of ander kloek
+bedrijf, zonder van hunne geboorte- of woonplaats en verder lot
+kennis te dragen; terwijl de onzekerheid vergroot wordt, doordien
+verscheidene dezer zeelieden den zelfden geslachtsnaam en een anderen
+voornaam dragen.</p>
+
+<p>Van <i>Tjerk Hiddes de Vries</i> weten wij wel het meest, doch zijn
+genoemde levensbeschrijver was nog onbekend met vele bijzonderheden,
+door den Heer <i>de Jonge</i> omtrent hem en zijn geslacht,
+waaruit vijf zeelieden naam hebben gemaakt, medegedeeld (Zeewezen,
+II <i>b</i> 216, IV <i>a</i> 458, <i>b</i> 581). Reeds in 1658 voerde hij
+het bevel over eene der gewapende fluiten of transportschepen,
+welke de vloot van <i>Wassenaer</i> naar de Sont vergezelden, en
+onderscheidde hij zich toen door het nemen van drie Zweedsche
+vaartuigen. In <i>Schotanus</i>, Beschrijv. v. Friesl. 261 komt hij voor
+onder de Vroedschappen van <i>Harlingen</i> in 1664, met bijvoeging
+van Groot-Schipper, zoodat hij toen welligt niet meer in &#8217;s lands
+dienst was, welke hij in &#8217;t volgende jaar, bij &#8217;t uitbreken van den
+tweeden Eng. oorlog, weder zocht. Ik heb meerdere bijzonderheden
+omtrent hem verzameld, welke ik gaarne wil mededeelen aan
+iemand, die het leven van dezen voortreffelijken Admiraal op nieuw
+en naauwgezet wil nasporen en beschrijven. Hier wil ik nog
+enkel vermelden, dat zijn broeder <i>Barent</i> of <i>Beern Hiddes de Vries</i>
+met en onder hem bestendig als Kapitein heeft gediend; dat zijns
+broeders zoon, <i>Hidde de Vries</i>, opklom tot Schout bij nacht en zich
+in 1694 het bevel zag toevertrouwd over een eskader van 14
+schepen, toen hij in een hevig gevecht met Jan Bart doodelijk
+gewond werd. De vijfde zeeman uit dit geslacht was <i>Tjerk Hiddes
+de Vries</i>, in 1708 Luitenant bij de Admiraliteit van <i>Amsterdam</i>.
+Of ook <i>Ysbrant de Vries</i>, in 1658 Kapitein op de vloot, tot deze
+familie behoorde, is onbekend. <i>Brandt</i>, 142, 144, 223.</p>
+
+<p>Doch, hoe weinig er bekend is van <i>Auke Stellingwerf</i>, dien,
+verheven tot Luitenant-Admiraal, hooggestemde lofverzen van de
+Hollandsche dichters <i>Jeremias de Decker</i> en <i>Heiman Dullaert</i> ten
+deel vielen, dit heeft mijn vriend de Heer Mr. <i>J. H. Beucker Andre&aelig;</i>
+ondervonden bij zijne vergeefsche poging, om een levensberigt van<span class='pagenum'><a name="Page_470" id="Page_470">[470]</a></span>
+dezen zeeheld zamen te stellen. Er komen verscheidene personen
+van dien geslachtsnaam voor. Het Register op de Staats-resol. 767
+vermeldt in 1649 een <i>Andries Stellingwerf</i>, door de Admiraliteit
+aangesteld tot Equipagemeester der kustschepen. In het zelfde
+jaar 1653, dat wij in de Holl. Mercurius, 80, een Kapitein
+<i>Frederik Stellingwerff</i> op het schip Zevenwouden (gezonken) vinden,
+werd die <i>Andries Pieters Stellingwerff</i> door Gedeputeerde Staten
+weder der Admiraliteit tot eenig emplooi gerecommandeerd; en
+werkelijk vinden wij dezen in 1656 bij <i>Brandt</i>, 100, reeds als
+Kapitein van &#8217;t Prinsen wapen. In 1659 schreven Gedeputeerde
+Staten aan de Gecommitteerden ter Generaliteit, dat het schip
+van den Kapitein ... <i>Stellingwerf</i>, ter repartitie van de Harlinger
+Admiraliteit staande, onder de ontbodene schepen mogt worden
+begrepen. En in dat zelfde jaar zien wij bij <i>Brandt</i>, 186, 204,
+Kapitein <i>Auke Stellingwerff</i> vermeld, op den togt tegen <i>Zweden</i>
+onder <i>Verburg</i>, die hem naar den hoek van Schagen zond, om
+eene koopvaardijvloot te verwachten, welke hij den 3 Maart 1660
+naar het vaderland geleidde. Na zijn sneuvelen werd zijn schip,
+de Zevenwouden, door de Engelschen genomen, doch in het volgende
+jaar hernomen. <i>Brandt</i>, Leven van de Ruiter, 382, 480.
+In 1676 was een <i>Jacob Stellingwerf</i> 1<sup>e</sup> Luit. op het schip Oostergoo.</p>
+
+<p>Behalve de genoemde <i>Hendrik Dirks Brunsveldt</i>, die in 1659
+Kapitein en later Schout bij nacht was (<i>Brandt</i>, 160, 190, 212;
+<i>de Jonge</i>, II <i>a</i> 250, 259; Stamboek, II 59), vermeldt <i>Brandt</i>,
+155, op 1658 ook nog een Kapitein <i>Adriaan Bruinsveld</i>, die in
+dat jaar sneuvelde.&mdash;Zoo vinden wij in 1652 een Kapitein <i>Sipke
+Fockes</i> en in 1665-1673 <i>Anske Fockes</i>. <i>Brandt</i>, 444. De zelfde
+noemt bl. 183, 193, 196 ook den Kolonel <i>Ernst van Aylva</i> en
+den Kapitein <i>Hemmema</i>, die in 1659 den togt naar <i>Zweden</i> mede
+maakten, doch denkelijk bij het krijgsvolk behoorden. De laatste
+bleef voor <i>Nijborg</i>. Bij dezen togt waren 8 compagni&euml;n Friezen
+en 2 eskadrons Friesche ruiterij. <i>Bosscha</i>, II 13.&mdash;Van den
+Kapitein <i>Schelte Wiglema</i> meldt <i>Brandt</i>, 41, dat hij in 1653 met
+al zijn volk in de lucht vloog. Zoo men wil, stak hij, tusschen
+twee Eng. schepen beklemd en geen uitkomst ziende, door overmaat
+van moed, zelf de lont in &#8217;t kruid.&mdash;Nog vonden wij als Kapiteins
+van het Friesche Collegie genoemd: <i>Reinier Sickema</i> of <i>Sekema</i>,
+<i>Andries Douwes</i>, <i>Andriaan Hens Kleintje</i>, <i>Jan Jans Vijselaar</i>, <i>Jacob
+Binckes</i>, <i>Pieter Feijkes Eijkema</i>, <i>Wijtze Beijma</i>, <i>Yde Hijlkes Kolaart</i>,
+wiens schip Westergoo in 1672 verbrandde; <i>Hendrik Jans Camp</i>,
+van wien <i>de Jonge</i>, II <i>a</i> 78, een dapper bedrijf vermeldt, enz.&mdash;Verder
+maakte zich verdienstelijk <i>Joris Andringa</i>, die, eerst schrijver
+op het schip van den Kapt. de Wildt, sedert 1665 het ambt van
+Secretaris van <i>de Ruyter</i> bediende en het dagregister hield, zoodat
+wij aan zijne zorg vermoedelijk de naauwkeurige berigten omtrent
+diens luisterrijkste verrigtingen verschuldigd zijn. <i>Brandt</i> 396,
+513, 549, 862, 912; <i>de Jonge</i>, III a 315, b 124, 220. In
+1675 werd hij Kapitein op het schip Stad en Lande, en onderscheidde<span class='pagenum'><a name="Page_471" id="Page_471">[471]</a></span>
+zich door moed en bekwaamheid. Door bloedverwantschap en
+vriendschap was hij aan <i>de Ruyter</i>, die hem in een brief Neef
+<i>Andringa</i> noemt, zeer verbonden.&mdash;Bij den togt naar <i>Chattam</i>
+waren <i>Simon Poppinga</i> en <i>Meindert Jentjes</i>, kommandeurs van branders,
+die voor hun lofwaardig gedrag vereeringen ontvingen.
+<i>Brandt</i>, 583; <i>de Jonge</i>, II <i>b</i> 445, en omtrent andere Friezen
+III <i>a</i> 124, 130, 145, 269, 292, 380.</p>
+
+<p>Ook vervolgens onderscheidden zich nog andere Friesche zeevaarders,
+van welke wij enkel noemen: <i>Douwe Harkes</i>, die in
+1665 nabij <i>Tanger</i> met veel dapperheid een Engelsch fregat aantastte
+en veroverde, en dien het in 1673 gelukte, drie Barbados-
+en Virginievaarders te <i>Amsterdam</i> op te brengen (<i>de Jonge</i>, II <i>b</i>
+243, III <i>a</i> 381).&mdash;Van <i>Jacob Binckes</i> hebben wij in den tekst
+gesproken, doch zouden zijn leven gaarne nader afzonderlijk bewerkt
+zien, vooral, dewijl <i>de Jonge</i> op zoo menigvuldige plaatsen van het
+3<sup>e</sup> dl. daarvan belangrijke berigten heeft medegedeeld.&mdash;In 1676
+waren verscheidene Friesche schepen (ook <i>Barend Hiddes de Vries</i>
+als Kapitein en <i>Jacob Stellingwerf</i> als 1<sup>e</sup> Luit.) bij de vloot, welke
+de Staten onder <i>Tromp</i> en <i>Evertsen Denemarken</i> te hulp zonden.
+Deze togt, waarbij zich ook Friesche vrijwilligers bevonden, is
+uitvoerig beschreven in het zeldzame en zonderlinge vers van <i>Foppe
+Foppeszoon Junior</i>: &#8222;Aenmerkelike Voyagie na de Oost-zee enz.
+By maniere van dagverhaal, in riim, beschreven&#8221; enz., met vele
+lofverzen van dergelijke rijmelaars in 1677 bij <i>Hero Galama</i> te
+<i>Harlingen</i> gedrukt.&mdash;Omtrent <i>Christoffel Middagten</i>, mede van
+<i>Sexbierum</i> geboortig, die tot Kapitein en Schout bij nacht opklom
+en zich door geschriften over den scheepsbouw, de scheepvaart
+en verbeterde Zeekaarten loffelijk onderscheidde, heeft <i>de Jonge</i>
+IV <i>a</i> 485 goede berigten medegedeeld.&mdash;In 1678 vinden wij vermeld
+een stoute Friesche schipper <i>Barend Fokke</i>, die toen de reis van
+<i>Nederland</i> naar <i>Batavia</i> in den, destijds ongehoorden, tijd van 3
+maanden en 4 dagen deed, tot geene geringe verwondering van
+den Gouverneur-Generaal van <i>Goens</i>, dien hij door het bezorgen
+van een pakket brieven daarvan overtuigde. Over <i>Ceilon</i> vertrok
+hij weder naar het vaderland, z&oacute;&oacute; spoedig, dat het bijgeloovige
+volk hem verdacht hield van met den booze in verstandhouding
+te staan. Opmerkelijk is het, dat, zeker om eene andere reden,
+ter eere van dezen kloeken zeeman op het eiland: het Kuipertje,
+nabij <i>Onrust</i>, voor de reede van <i>Batavia</i>, een standbeeld is opgerigt,
+hetwelk hem, in steen gehouwen, in zijne Friesche kleedij
+voorstelde. In 1808 is het door den Engelschen Admiraal <i>Dourie</i>
+vernield, doch later zijn de stukken daarvan nog gezien door <i>M.
+D. Teenstra</i>, die dit verhaalt achter een vers ter zijner eere in den
+Frieschen Volks-Almanak, 1846, 171.</p>
+
+<p>Dat de Generaal <i>Aylva</i> na 1672 niet weder als Luit.-Admiraal
+op de vloot is geweest, scheen mede een gevolg te zijn van de
+bepaling der in 1673 door de Staten aangenomene Poincten reformatoir,
+art. 36: &#8222;Dat het Admiraelschap van Frieslandt wordt<span class='pagenum'><a name="Page_472" id="Page_472">[472]</a></span>
+verklaert vacant ende impetrabil te syn, als werdende verstaen
+niet compatibel te zyn met eenige hooge militaire charge te Lande.&#8221;
+Charterb. V 963. Evenwel vermeldt <i>de Jonge</i> IV <i>a</i> 309, dat in
+1692 na <i>Aylva&#8217;s</i> dood door Koning <i>Willem</i> (<i>?</i>) in zijne plaats werd
+benoemd <i>Frederik Willem</i> Graaf <i>van Bronckhorst Stirum</i>, Vice-Adm.
+der Maze, hoewel hij niet in zee ging, omdat <i>Friesland</i> te weinig
+schepen leverde.</p>
+
+<p>De onderstand van het Friesche Collegie verminderde toch van
+lieverlede zoodanig, dat het lang werkeloos bleef, en in 1689 slechts
+3 schepen: van Kapt. <i>Hidde de Vries</i>, Europa, Kapt. <i>Jentema</i>, de
+Windhond en Kapt. <i>D.</i> (misschien <i>B.</i> of <i>Barend</i>) <i>de Vries</i>, de
+Brak, te zamen 470 koppen voerende, bij de vloot voegde. Later
+en nog in 1744 had het maar twee schepen meer. Zie <i>Sylvius</i>,
+1689, 203; <i>de Jonge</i>, III <i>b</i> 390; IV <i>a</i> 44, 48, 72, 174, 274.</p>
+
+<hr class="c05" />
+
+<p>Uit den tijd van het diepste verval onzer lands zeemagt, toen
+echter de Friezen zoo talrijke koopvaardijschepen en vrachtvaarders
+in zee hadden; toen, na het uitbreken van den oorlog tusschen
+<i>Engeland</i> en <i>Frankrijk</i>, in 1756, z&oacute;&oacute; vele onzer koopvaarders
+prijs genomen werden, dat de Nederl. Jaerboeken van 1758, bl. 923
+drie lijsten bevatten van 156 enkel Hollandsche schepen, door de
+Engelsche kapers geroofd en opgebragt,&mdash;vinden wij nog een
+loffelijk bedrijf vermeld van <i>Jan Binckes</i>, Kapitein van &#8217;s lands
+oorlogsschip: Maarssen, die den roemrijken naam van zijn voorzaat
+<i>Jacob Binckes</i> in eere hield. Tot bescherming van eene koopvaardijvloot
+naar <i>Cadix</i> gestevend, wilde hij den 27 December 1758 de
+baai dier stad inzeilen, toen het de Engelsche kapers gelukte,
+twee der hem aanvertrouwde schepen, gevoerd door de schippers
+<i>Pieter Paauw</i> en <i>Wigle Tjerks Zwart</i>, van het convooi af te snijden,
+met oogmerk om die te <i>Gibraltar</i> op te brengen. Zoodra ontvangt
+<i>Binckes</i> geen berigt van deze daad, of hij wendt zijn schip, zet de
+roovers all&eacute;&eacute;n na, herneemt zijne schepen uit hunne klaauwen en
+komt daarmede den volgenden dag in de baai van <i>Cadix</i> bij de
+overigen terug.&mdash;Men zie daarover Ned. Jaerboeken, 1758, 562,
+1759, 123; Onmiddelijk Vervolg op <i>Wagenaar</i>, XXII 420.</p>
+
+
+<p class="leftlink"><a href="#Page_270">Bladz.&nbsp;270</a></p>
+<h3><i><a name="Aant24" id="Aant24"></a>Aant. 24</i>, op <i>bladz. 270</i>.</h3>
+
+<h4><i>De Friezen aan den Rijn, in 1672.</i></h4>
+
+<p>Het gedrag van het regiment van <i>Aylva</i> bij den overtogt van
+<i>Lodewijk XIV</i> over den Rijn, op den 12 Junij 1672, is in het
+schoone werk van <i>Bosscha</i>, Ne&ecirc;rl. Heldendaden, II 57, wel uitvoerig
+en naar verdienste voorgesteld, volgens <i>Valckenier</i>, &#8217;t Verwerd
+Europa, XV 455 en andere bronnen, doch kort daarna
+heeft D<sup>o</sup>. <i>O. G. Heldring</i> deze gebeurtenis nader onderzocht en
+toegelicht uit Fransche schrijvers, die in dezen wel het meeste
+gezag verdienen. Dat zeer belangrijke stuk is, onder den titel van:
+de Overtogt van Lodewijk XIV. over den Rijn, geplaatst in het<span class='pagenum'><a name="Page_473" id="Page_473">[473]</a></span>
+1<sup>e</sup> dl. van Nijhoff&#8217;s Bijdragen, 1837, bl. 93. Reeds vroeger heb ik
+daarvan een uittreksel gegeven in den Friesche Volks-Almanak
+voor 1840, 96. Beide verhalen zijn op verscheidene punten aangevuld
+door de berigten in het voortreffelijke werk der Heeren
+<i>van Sijpestein</i> en <i>de Bordes</i>, de verdediging van Nederland in 1672
+en 1673, &#8217;s Hage 1850, 1<sup>e</sup> st. 68 env. In Bijlage I, bl. 95
+worden daar bovendien de overige hoofd-officieren en kapiteins van dit
+regiment, uit 8 kompagni&euml;n bestaande, met name opgenoemd. Dat
+al de in den tekst genoemde personen daartoe behoorden, is mij
+mede gebleken uit de Resoluti&euml;n van Gedep. Staten, waarin ik
+van bijna allen de aanstellingen heb gevonden. De namen verschillen
+echter eenigzins, als: b. v. <i>Douwe van Ipema</i>, <i>Haje Twernbergen</i>
+en <i>Twenbergen</i>, <i>Bernhardt Hekman</i>, <i>Bavius Romeda</i>. In laatst
+vermelde Bijlage komen tevens de namen voor van eene menigte
+Friesche Officieren, die in het leger van den staat dienden.&mdash;Zeker
+behoef ik geene verschooning te vragen, dat ik wegens de
+belangrijkheid van dit feit hieromtrent uitvoeriger ben geweest dan
+omtrent andere bijzondere punten, alsmede dat ik al het in 1672
+en 1673 voorgevallene breeder heb behandeld dan het overige.</p>
+
+
+<p class="leftlink"><a href="#Page_281">Bladz.&nbsp;281</a><br />
+<a href="#Page_294">Bladz.&nbsp;294</a></p>
+<h3><i><a name="Aant25" id="Aant25"></a>Aant. 25</i>, op <i>bladz. 281, 294</i>.</h3>
+
+<h4><i>De Burgerwapening in 1672 en 1673</i>,</h4>
+
+<p>ook ten aanzien van <i>Friesland</i> in het vermelde werk van Prof.
+<i>Siegenbeek</i>, 122, 144 eervol vermeld, was destijds van veel belang,
+en mogt met den gelukkigsten uitslag worden bekroond. Er zijn
+omtrent het uittrekken der burgers van onderscheidene steden en
+grietenij&euml;n bijzonderheden bewaard, welke ik echter hier niet kan
+mededeelen. Aangaande de uittogten van 1672 heeft Mr. <i>A. Telting</i>
+vele medegedeeld in zijne twee bijdragen: Oer B. Bekker, de
+Fulleniussen, in it Bloedjier 1672, geplaatst in het Friesch Jierboeckjen
+foar 1835, en Brief van Goslik Colonna, Hopman over
+eene Compagnie Franeker burgers, aan den Magistraat van <i>Franeker</i>,
+voorkomende in de Vrije Fries, I 70. Nog meerdere bijzonderheden
+omtrent de snelle oproeping van den derden man in 1673
+heb ik gevonden in een hoogst zeldzaam werkje van dien zelfden
+<i>Colonna</i>, getiteld: Journaal ofte Dagh-register van de uyttocht der
+Burgerlycke Manschap, van de Provintie van Vrieslandt, uytgetogen
+in den Jaare 1673. Bevattende al &#8217;t geene is voor-gevallen
+van den dagh onses uyt-tocht, als zynde den 16. Augusti 1673.
+tot den dagh van onse weder-komst, zynde den 5. October des
+selven jaars. Beschreven door Goslingh Colonna. Te Bolsward
+by Hans Hanssen Gyselaer, Drucker en Boekv. 1673, 4<sup>o</sup>.</p>
+
+<p>De schrijver was toen &#8222;Excersiti-meester, Serjant en Sijpel-schrijver
+van de Burgerij der stadt Franequer,&#8221; onder den kapt.
+<i>Johannis Ennema</i>, die met 65 koppen in twee ligters over <i>Sneek</i>
+en <i>Terhorne</i> te <i>Heerenveen</i> aankwamen, te gelijk met de burgers van
+<i>Leeuwarden</i> en <i>Sneek</i>, na het vernemen van ontmoedigende berigten<span
+class='pagenum'><a name="Page_474" id="Page_474">[474]</a></span>
+en het ontmoeten van verscheidene &#8222;schepen met gevluchte goederen.&#8221;
+Nadat zij naar <i>Joure</i> gezonden waren, werd het berigt van het
+naderen van den vijand spoedig vervangen door dit, dat &#8222;de Bisschopsche
+volkeren wederom waren vertrocken.&#8221; Den 27 en 29
+Aug. hielden de drie regimenten <i>Oostergoo</i>, <i>Westergoo</i> en de Steden,
+bestaande uit 27 compagni&euml;n, te <i>Joure</i> eene &#8222;magnevyckelycke inspectie&#8221;
+voor Prins <i>Maurits</i>, Graaf <i>Hendrik</i>, den Generaal <i>Aylva</i>
+en de Gedeputeerden. Den 4 Sept. vertrokken 12 compagnien
+over <i>Heerenveen</i> (langs 79 vonders of houten!) naar het retranchement
+<i>Gorredijk</i>, dat hij 1760 treden in omvang bevond. Daar
+zoo min als op de vorige plaats viel er iets voor, dat inspanning
+vorderde of vermelding verdient.</p>
+
+<p>Over den uittogt van 1673 is bijzonder uitvoerig de Holl.
+Mercurius, 153, die zelfs de resolutie van Gedeputeerden tot dadelijke
+uittrekking bevat, welke niet in het Charterboek voorkomt.</p>
+
+<p>Met een woord herinner ik hier, dat de datums der feiten in de
+stukken van dien tijd dikwijls 10 dagen verschillen, dewijl de eene
+schrijver de dagteekening van den ouden en de ander die van den
+nieuwen stijl volgde. Eerst 1 Jan. 1701 is de laatste in <i>Friesland</i>
+aangenomen. Volledige verklaringen omtrent dat belangrijk punt
+bevat de Hist. Verhandeling over den Nieuwen Stijl, van wijlen
+mijn vriend den Hoogl. Mr. <i>J. W. de Crane</i>, geplaatst in Visser
+en Amersfoordt, Archief, 1827, 2<sup>e</sup> dl. Bovendien heeft laatstgenoemde
+geleerde in zijne Letter- en Geschiedkundige Verzameling
+van eenige Biographische Bijdragen en Berigten, Leeuw. 1841,
+63, eene beschrijving gegeven van de Memoriale Annotatien van
+<i>Horatius Vitringa</i>, welk Handschrift, thans bij het Friesch Genootschap
+bewaard en meermalen door mij aangehaald, mij groote
+diensten heeft bewezen, ook omdat de voornaamste gedrukte Staatsstukken
+van dien tijd daarin mede zijn opgenomen.</p>
+
+
+<p class="leftlink"><a href="#Page_350">Bladz.&nbsp;350</a><br />
+<a href="#Page_351">Bladz.&nbsp;351</a></p>
+<h3><i><a name="Aant26" id="Aant26"></a>Aant. 26</i>, op <i>bladz. 350, 351</i>.</h3>
+
+<h4><i>De toestand der Kerk en des Volks.</i></h4>
+
+<p>A. Al moge het oordeel van Godgeleerden, als boetpredikers,
+over den zedelijken toestand hunner tijdgenooten eenzijdig en overdreven
+geacht worden, toch is het een feit, dat in 1648 D<sup>o</sup>. <i>Adr.
+Hasius</i>, pred. te Leeuwarden, geliefde te zeggen in een werkje,
+getiteld: Den Geestelycken Alarm, tot schrick der Godtloosen en
+troost der Vroomen enz. (ruim 800 bladz. groot): &#8222;Sooder oyt een
+tijdt gheweest is, in dewelcke allerhande sonden en grouwelen
+d&#8217;overhandt genomen hebben, &#8217;t is nu sulck een tijdt. Krom en
+verdraeyt is het gheslachte der menschen, dat wy nu beleven,
+ja soo verkeert, dat den meesten hoop in het boose gheleghen
+zijn. De godtloosheydt is by vele soo hoogh geklommen, dat
+se de toppen van de ware Godtsaligheydt &#8217;t eenemael, ghelijck
+als overdeckt heeft.&#8221; En dat gaat zoo voort, nog wel in eene
+Opdragt aan den Stadhouder en de Gedeputeerden. Met even donkere<span class='pagenum'><a name="Page_475" id="Page_475">[475]</a></span>
+kleuren schetste D<sup>o</sup>. <i>H. Witzius</i> in 1669 den toestand der
+kerk in zijn: Twist des Heeren met zijn Wyngaert. En deze
+was een man van gezag, waarom hij zes jaren later te <i>Franeker</i>
+tot Hoogleeraar werd beroepen.</p>
+
+<p>B. Ofschoon een strafwetboek geen bewijs levert van de heerschende
+ondeugden eener natie, zoo leveren toch de van tijd tot
+tijd uitgevaardigde plakkaten veeleer blijken van voorzieningen tegen
+heerschende gebreken en misdrijven.</p>
+
+<p>Van zoodanige plakkaten der Staten van Friesland vermelden wij ten
+bewijze slechts deze weinige, waarvan sommige herhaaldelijk werden
+uitgevaardigd: 1619, verhooging der strafbepaling op overspel;
+1622, tegen het mesvechten en doodslaan, het ontheiligen van den
+sabbath enz.; 1629, tegen luije bedelaars, landloopers, vagabonden,
+deugnieten enz., die &#8217;t land z&oacute;&oacute; onveilig maakten, dat men,
+toen boevejagten met geweer ontoereikend waren, in 1654 tot
+oprigting van een Tucht- en Werkhuis voor hen moest besluiten;
+1652, tegen het haarplukken en doodslaan; 1654, tegen brandstichters;
+1661, tegen &#8217;t onbehoorlijk zuipen en slempen op de
+lijkmaaltijden (zie <a href="#Page_260">bladz. 260</a> hier v&oacute;&oacute;r); 1667, tegen &#8217;t ijdel zweren
+en vloeken; 1671, tegen de ongeregeldheden en kwade gedragingen
+van knechten en dienstmaagden; 1686, tegen duellen
+en krakeelen enz.; terwijl de klagten over ergerlijke, kettersche en
+zedelooze boeken z&oacute;&oacute; dikwijls herhaald werden, dat niemand sedert
+1667 langer een boek mogt uitgeven, tenzij het door de regering
+of de klassis onderzocht en goedgekeurd ware. Z&oacute;&oacute; groot was de
+vrijheid in de republiek, ten gevolge van het misbruik! Zie dit
+alles breeder in het Charterboek, V 254, 269, 323, 467, 539,
+567, 568, 635, 653, 661, 757, 774, 775, 805, 1257.</p>
+
+<p>C. Ten aanzien van het gedrag en de handelwijze der Hervormde
+Predikanten zie men de berigten van D<sup>o</sup>. <i>Diest Lorgion</i>,
+de Hervormde Kerk, 123 en 340, waar de punten van beschuldiging
+en verbetering der <i>Franeker</i> klassis van 1662 voorkomen, waaruit
+ik op <a href="#Page_382">bl. 382</a> reeds eenige zinsneden heb medegedeeld.</p>
+
+
+<p class="leftlink"><a href="#Page_447">Bladz.&nbsp;447</a></p>
+<h3><a name="Aant27" id="Aant27"></a><i>Aant. 27</i>, op <i>bladz. 447</i>.</h3>
+
+<h4><i>Besluit.</i></h4>
+
+<p>Hoe ruime stof zou er aanwezig zijn, indien ik hier in bijzonderheden
+wilde vermelden, hoedanig de Gelukkige Toestand van
+Friesland, sinds die in 1795 door <i>Gratama</i> werd geschetst (zie
+<a href="#Page_338">bl. 338</a> hier v&oacute;&oacute;r), thans is toegenomen en verbeterd! Met de
+bevolking, welke in 1744 slechts 135,000 en in 1796 161,000
+zielen bedroeg en thans (1852) tot ruim 251,000 is gestegen, zijn
+toch de middelen van bestaan en de bronnen van volkswelvaart
+toegenomen; hebben wij onschatbare voorregten ten aanzien van
+godsdienstige denkbeelden en van onderwijs en opvoeding ontvangen;
+mogten wij onze staatkundige en burgerlijke betrekkingen verbeterd
+zien, en werd de overtuiging gevestigd, dat wij, bij aanwending<span class='pagenum'><a name="Page_476" id="Page_476">[476]</a></span>
+van verstandelijke kennis en ijver, in den toestand onzer gronden
+en bezittingen, in de voorwerpen van nijverheid en handel een
+aantal voorwerpen bezitten, die voor duurzame ontwikkeling en
+toenemende uitbreiding vatbaar zijn. Doch nadat ik de mij in dit
+werk gestelde perken reeds verre ben overschreden, moet ik de
+vermelding daarvan overlaten aan de behandeling van eene Statistieke
+en Plaatselijke Beschrijving van Friesland. Of ik die, bij wijze
+van uitbreiding mijner uitverkochte Aardrijkskundige Beschrijving
+van Friesland, van 1840, eerlang zal kunnen, zal mogen bewerken;&mdash;of
+ik daartoe, bij mijn bestendigen lust en liefde voor dit onderwerp,
+waarvoor ik zooveel heb verzameld, onder al de menigvuldige zorgen
+voor beroep, ambt en letterkundige betrekkingen, tijd en krachten
+zal bezitten;&mdash;dit mag ik hopen, doch voorshands niet als een
+bepaald voornemen doen gelden. Na aan deze, God dank! eindelijk
+voltooide Geschiedenis zoo lange jaren en zoo ingespannen
+gewerkt te hebben, zullen de vermelde bewerking van een Beroemd
+Friesland, en meer nog de groote moeite aan het toezigt op de
+naauwkeurige uitvoering van den Nieuwe Atlas van Friesland (met
+zoo veel regt een belangrijk voorwerp van naauwlettende zorg!)
+mij vooreerst te veel bezig houden, om aan het volbrengen van
+eene taak te denken, welke met dien Atlas een schoon geheel zou
+kunnen vormen, de eer en roem onzer heerlijke provincie waardig!</p>
+
+<p>Om deze te bevorderen, en om bij voortduring nuttig te mogen
+zijn voor mijne landgenooten, wier toegenegenheid ik dankbaar erkenne,
+daartoe schenke de Algoede mij verder lust, kracht en zegen!
+Veel, zeer veel blijft er na al het bewerkte nog te verrigten over,
+om Frieslands geschiedenis en letterkunde zoodanig te behandelen,
+en uit tot dusverre ontoegankelijke of weinig bekende bronnen voor
+het algemeen toe te lichten, als de waardigheid vordert van eene
+provincie en van een volk, wier belangrijkheid ook vreemden meer
+en meer erkennen, en waaromtrent een beroemd Fransch schrijver
+mogt getuigen:</p>
+
+<p>Achttien eeuwen hebben den Rijn van loop zien veranderen en
+de oevers van den Oceaan doen verzwelgen:&mdash;het Friesche
+Volk is staande gebleven, als een historisch gedenkteeken, waardig
+om zoowel den Franken als Angelsaksers en Scandinaviers gelijke
+belangstelling in te boezemen.</p>
+
+<p class="rightsig">MALTE-BRUN.</p>
+
+<p class="figcenter"><img src="images/lijn4.png" alt="Versiering" width="100" height="16" /></p>
+
+<p class='pagenum'><a name="Page_477" id="Page_477">[477]</a></p>
+
+<h2><i>Eerste Bijlage.</i></h2>
+
+<h3><span class="gesp">TIJDREKENKUNDIGE LIJST</span></h3>
+<p class="center">VAN DE<br />
+VOORNAAMSTE GEBEURTENISSEN<br />
+DER</p>
+<h3><span class="gesp">FRIESCHE GESCHIEDENIS</span>.</h3>
+
+<p class="figcenter"><img src="images/lijn3.png" alt="Versiering" width="100" height="12" /></p>
+<h2>EERSTE TIJDVAK.</h2>
+
+<p class="chaptitle"><span class="gesp">OUD FRIESLAND.</span></p>
+
+<p class="chapsubtitle"><i>Van de vroegste tijden tot Karel den groote.</i></p>
+
+<p class="chapdescrip">Van het Jaar 11 v&oacute;&oacute;r Chr. tot omstreeks 800
+na Christus.</p>
+
+
+<p>11 jaar v&oacute;&oacute;r onze tijdrekening.<br />
+Komst van Drusus in Friesland. De Friezen treden in verbond
+met de Romeinen.</p>
+
+<p>28 jaar van onze tijdrekening.<br />
+Opstand der Friezen tegen Olennius, Landvoogd der Romeinen,
+wier benden bij het woud Baduhenna geslagen en uit Friesland
+verdreven worden.</p>
+
+<p>48. Corbulo, in het land der Friezen eene sterkte gesticht
+hebbende, door Keizer Claudius teruggeroepen.</p>
+
+<p>59. Verritus en Malorix, afgezanten der Friezen, trekken naar
+Rome, om Keizer Nero over de hun betwiste gronden aan den
+Rijn te spreken.</p>
+
+<p>69. De Friezen staan de Batavieren bij in den opstand van dezen
+tegen de Romeinen.</p>
+
+<p>240-455. Trapsgewijze uitbreiding van het land der Friezen,
+zuidwaarts tot over de Schelde, oostwaarts tot over den Wezer.</p>
+
+<p>250 omstr. De Friezen nemen deel in het Frankische Verbond,
+doch verlaten het spoedig.</p>
+
+<p>449. Vele Friezen, steken met de Anglen, Saksers enz. over
+naar Brittanni&euml; en vestigen zich in dat land.</p>
+
+<p>463. Begin van der Franken aanvallen op het Friesche rijk.</p>
+
+<p>520 en verv. Invallen der Denen en Noormannen in Friesland.</p>
+
+<p><span class='pagenum'><a name="Page_478" id="Page_478">[478]</a></span>630. De Franken vestigen zich te Wiltenburg (Utrecht), waar
+Dagobert I eene kerk sticht, welke in</p>
+
+<p>680 door Koning Radboud I verwoest wordt.</p>
+
+<p>641. Komst van den Evangelie-verkondiger Eligius in Friesland,</p>
+
+<p>677 van Wilfrid, die in</p>
+
+<p>686 gevolgd wordt door Egbert en in</p>
+
+<p>690 door Wigbert en Willebrord.</p>
+
+<p>692. Koning Radboud bij Dorestad door Pepijn van Herstal overwonnen.</p>
+
+<p>696. Stichting van eene nieuwe kerk en het Bisdom Utrecht, door
+Willebrord.</p>
+
+<p>716. Overwinning van Radboud op Karel Martel bij Keulen.</p>
+
+<p>717, 726 en 736. Karel Martel valt bij herhaling in Friesland
+tot uitbreiding van het Frankische gezag en ter invoering van
+het Evangelie.</p>
+
+<p>755. Bonifacius op zijne togten ter verkondiging van het Christelijk
+geloof te Dokkum met de zijnen vermoord.</p>
+
+<p>775. Karel de groote wordt door de Friezen als Beschermheer
+aangenomen.<br />Invoering van het Christendom.</p>
+
+<p>800. Karel de groote, Koning der Franken, als Keizer van
+het Westen gekroond.</p>
+
+<p class="figcenter"><img src="images/lijn5.png" alt="Versiering" width="100" height="10" /></p>
+
+<h2>TWEEDE TIJDVAK.</h2>
+
+<p class="chaptitle"><span class="gesp">HET VRIJE FRIESLAND.</span></p>
+
+<p class="chapsubtitle"><i>Van Karel den groote tot Albert van Saksen.</i></p>
+
+<p class="chapdescrip">Van omstreeks 800-1498.</p>
+
+<p>804. Verbond van Karel den groote met de door hem onderworpene
+Saksers en Friezen beoosten de Eems, te Salza.</p>
+
+<p>806 en later. Herhaalde Watervloeden.</p>
+
+<p>808 en vervolgens. Vernieuwde invallen van de Denen en Noormannen
+op de Friesche kusten.</p>
+
+<p>809. Togt der Friezen naar Rome ter hulpe van Keizer Karel.</p>
+
+<p>814. Keizer Karel sterft en wordt opgevolgd door zijn zoon Lodewijk
+den vrome, die tot 840 regeert.</p>
+
+<p>1004. De Hollandsche Graven zoeken hun gebied uit te breiden
+door West-Friesland (Noord-Holland) te veroveren, waarbij
+Graaf Arnoud sneuvelt.</p>
+
+<p>1096. Begin van de Kruistogten naar het Heilige land, waaraan
+vervolgens vele Friezen deelnemen.</p>
+
+<p>1169. Nederlaag van Graaf Floris III, bij een nieuwen inval in
+West-Friesland.</p>
+
+<p><span class='pagenum'><a name="Page_479" id="Page_479">[479]</a></span>1170.
+Begin der wegscheuring van de landen bewesten de tegenwoordige
+Friesche Kust, waardoor in de volgende eeuw de
+Zuiderzee ontstaat.</p>
+
+<p>Omstreeks 1200. Opkomst van de Friesche Steden, als Steden.</p>
+
+<p>1218. Heldendaden der Friezen bij de verovering van de Egyptische
+stad Damiate.</p>
+
+<p>1248. De Friezen helpen Graaf Willem II, Roomsch Koning,
+de stad Aken winnen, en ontvangen van hem de bevestiging van
+hunne vrijheden en voorregten.</p>
+
+<p>1255. Graaf Willem II sneuvelt op een togt ter verovering van
+de West Friezen.</p>
+
+<p>1260. Omstreeks dezen tijd is de verdeeling Van Oostergoo en
+Westergoo in Grietenijen ingevoerd, en
+de Middelzee van lieverlede opgeslijkt, tijdens de vergrooting van
+de Zuiderzee.</p>
+
+<p>1282. Graaf Floris V brengt de West-Friezen onder het gezag
+der Hollandsche Graven, en weet in</p>
+
+<p>1292 zich ook te vestigen in Stavoren, welke stad hij met vele
+voorregten begunstigt.</p>
+
+<p>Omstreeks 1300. Begin der partijschappen tusschen de Schieringers
+en Vetkoopers, welke ongeveer twee eeuwen hebben
+gewoed.</p>
+
+<p>1310. Graaf Willem III door Westergoo, in naam, als Heer erkend.</p>
+
+<p>1345. Graaf Willem IV valt Friesland met eene aanzienlijke vloot en
+leger bij Stavoren aan, doch wordt met vele edelen verslagen.</p>
+
+<p>1396 en 1398. Groote togten van Hertog Albrecht van Beijeren
+tegen de Friezen. Slag bij Schoterzijl en Takozijl. Korte
+vestiging van het Hollandsche gezag in Friesland.</p>
+
+<p>1400 en 1401. Nieuwe heirvaarten van Albrecht ter verovering
+van Friesland, zonder zijn oogmerk te bereiken.</p>
+
+<p>1417. De Roomsch Koning Sigismund bevestigt de vrijheden en
+voorregten der Friezen; evenzoo in</p>
+
+<p>1457 Keizer Frederik III.</p>
+
+<p>1435. Leeuwarden vergroot door de vereeniging van de stad met
+de naburige dorpen Oldehove en Hoek.</p>
+
+<p>1470. Vergeefsche pogingen van Graaf Karel den stoute, om
+Heer van Friesland te worden.</p>
+
+<p>1487. Bier-oproer te Leeuwarden, hetwelk door de Schieringers
+wordt aangevallen en ingenomen.</p>
+
+<p>1491. Verbond van Oostergoo en Westergoo met de stad Groningen.</p>
+
+<p>1493. &#8217;s Keizers gezant, Otto van Langen, komt in Friesland ter
+bemiddeling van de partijen.</p>
+
+<p>1495. De Schieringers nemen vreemde benden uit Holland en
+elders ter hulp aan.</p>
+
+<p>1498. De Keizer draagt aan Hertog Albert van Saksen, als Erf-Potestaat,
+het bestuur over Friesland op.</p>
+
+<p class='pagenum'><a name="Page_480" id="Page_480">[480]</a></p>
+
+<p class="figcenter"><img src="images/lijn5.png" alt="Versiering" width="100" height="10" /></p>
+
+<h2>DERDE TIJDVAK.</h2>
+
+<p class="chaptitle">FRIESLAND BESTUURD NAMENS VREEMDE VORSTEN.</p>
+
+<p class="chapsubtitle"><i>Van Albert van Saksen tot de Hervorming.</i></p>
+
+<p class="chapdescrip">1498-1580.</p>
+
+<h4><i>A. De Saksische Regering.</i></h4>
+
+
+<p>1498. Hertog Alberts Stedehouder, Willebrord van Schaumburg,
+trekt met 2,000 man in Westergoo, neemt Leeuwarden in, en
+verovert Oostergoo en Zevenwouden.</p>
+
+<p>1499. Albert komt met zijn zoon Hendrik in Friesland, wordt
+gehuldigd en stelt een Provincialen Raad in.</p>
+
+<p>1500. Hertog Hendrik verbittert de Friezen, die hem in Franeker
+belegeren, doch aftrekken, zoodra Albert tot ontzet nadert.</p>
+
+<p>1504. Hertog Georg van Saksen komt in Friesland, plaatst te
+Leeuwarden een Geregtshof en voert vele verbeteringen in,
+zoodat de rust en welvaart hersteld worden.</p>
+
+<p>1505-8. Het Bildt verpacht en bedijkt.</p>
+
+<p>1509. Graaf Hendrik van Stolberg, de edele Stadhouder, overleden.</p>
+
+<p>1512. Jemme Herjuwsma en Gerbrand Mokkema te Leeuwarden
+onthoofd, wegens verstandhouding met den Graaf van Oost-Friesland.</p>
+
+<p>1514. De Geldersche benden van Karel van Egmond bezetten een
+groot deel van Friesland, belovende herstel der vrijheid.</p>
+
+
+<h4><i>B. De Bourgondische Regering.</i></h4>
+
+<p>1515. Hertog Georg draagt Friesland over aan Karel van Oostenrijk,
+Graaf van Holland enz.&mdash;Bestendige strijd van dezen
+tegen de Gelderschen om het gebied.</p>
+
+<p>1516. Leeuwarden door de Gelderschen belegerd en door Bourgondische
+benden ontzet.</p>
+
+<p>1517. Groote Pier maakt de Zuiderzee onveilig, om de Hollanders,
+die zijne woonplaats verbrand hadden, afbreuk te doen.</p>
+
+<p>1522. De Gelderschen verlaten Sneek, 1523 Dokkum, Bolsward
+enz., zoodat in 1524 geheel Friesland Keizer Karel V als Heer
+aanneemt.<br />
+Begin van een langdurig tijdperk van vrede, welvaart en
+vooruitgang.</p>
+
+<p>1531. Begin der geloofsvervolgingen. Martelaren.</p>
+
+<p>1535. Ongeveer 300 der Munstersche Wederdoopers nemen Oldeklooster
+in, doch worden belegerd, gevangen genomen en
+meerendeels omgebragt.</p>
+
+<p>1536. Gellius Faber de Bouma en Menno Simons verlaten het
+pausdom en ondersteunen de zaak der hervorming.</p>
+
+<p>1550. Invoering van de Inquisitie.</p>
+
+<p>1551. De omstreken van Heerenveen ontgonnen en vaarten derwaarts
+gegraven.</p>
+
+<p class='pagenum'><a name="Page_481" id="Page_481">[481]</a></p>
+
+<h4><i>C. De Spaansche Regering.</i></h4>
+
+<p>1555. Karel V draagt de regering over aan zijn zoon Filips II.</p>
+
+<p>1560. Invoering van nieuwe Aarts-Bisdommen en Bisdommen in
+Nederland.</p>
+
+<p>1565. 108 Friezen nemen deel aan het verbond der Nederlandsche
+Edelen tegen Spanje.</p>
+
+<p>1566. De Hervormde leer te Leeuwarden en elders ingevoerd,
+doch weder onderdrukt.</p>
+
+<p>1567. Herstelling van de Roomsche eeredienst. Komst van den
+Hertog van Alva. Vlugt van vele Edelen en Geestelijken.</p>
+
+<p>1568. Begin van den tachtigjarigen oorlog tegen Spanje. De
+Stadhouder Aremberg sneuvelt bij Heiligerlee.</p>
+
+<p>1570. Komst van Cunerus Petri, als Bisschop van Leeuwarden.
+Groote schade en nood door den Allerheiligenvloed.</p>
+
+<p>1572. De pogingen der Bondgenooten, om eenige steden op de
+Spanjaarden te veroveren, door Robles verijdeld.</p>
+
+<p>1574. Verbetering van de Zeeweringen onder Caspar de Robles.</p>
+
+<p>1576. De Pacificatie van Gent.</p>
+
+<p>1578. Afkondiging van den Religions-vrede.</p>
+
+<p>1579. De Unie van Utrecht gesloten.</p>
+
+<p>1580. De Blokhuizen van Leeuwarden, Harlingen en Stavoren
+veroverd; de Hervorming van Staat en Kerk doorgezet.</p>
+
+<p class="figcenter"><img src="images/lijn5.png" alt="Versiering" width="100" height="10" /></p>
+
+<h2>VIERDE TIJDVAK.</h2>
+
+<p class="chaptitle">FRIESLAND ONDER DE STATEN EN STADHOUDERS.</p>
+
+<p class="chapsubtitle"><i>Van de Hervorming tot de Staats-omwenteling.</i></p>
+
+<p class="chapdescrip">1580-1795.</p>
+
+<p>1580. De Roomsche eeredienst verboden en de Kloosters afgeschaft.
+Invoering van de Hervormde leer.<br />
+De Spaansche benden stroopen langs de zuidkust van Friesland.</p>
+
+<p>1580 en 90. Nieuw-Dongeradeel of de Holwerder- en Ternaarder-Polders
+bedijkt.</p>
+
+<p>1581. Afzwering van Koning Filips II van Spanje.<br />
+Prins Willem I komt in Friesland, om orde op de regering te
+stellen.<br />
+Twisten tusschen de Staatsleden, de Gedeputeerden en het Hof.</p>
+
+<p>1582. De Hertog van Anjou tot Landvoogd aangenomen.</p>
+
+<p>1583. Inval der Spanjaarden. Proces tusschen de Landen en Steden.</p>
+
+<p>1584. Graaf Willem Lodewijk eerst tot Luit.-Gouverneur, daarna
+tot Stadhouder aangenomen. Verdeeldheid onder de Regeringsleden.</p>
+
+<p>1585. &#8217;s Lands Akademie te Franeker opgerigt.<br />
+Voortdurende gevaarlijke toestand des lands.</p>
+
+<p><span class='pagenum'><a name="Page_482" id="Page_482">[482]</a></span>1586. Inval der Spaanschen. Slag bij Boxum.<br />
+Handelingen met den Engelschen Landvoogd Leicester.</p>
+
+<p>1588. Vergaan der Onoverwinnelijke Vloot.</p>
+
+<p>1591. Pogingen om den vijand uit Groningen en de andere vestingen
+te verdrijven.</p>
+
+<p>1592. Steenwijk, Koevorden enz. gewonnen.</p>
+
+<p>1593. Verdugo&#8217;s laatste strooptogt in Friesland.<br />
+Verschillen tusschen Carel Roorda en Graaf Willem Lodewijk.</p>
+
+<p>1594. Groningen belegerd, gewonnen en met de Ommelanden tot
+de Unie gebragt.<br />
+Aftogt der Spaansche benden uit deze noordelijke streken.</p>
+
+<p>1596. Het Collegie ter Admiraliteit te Dokkum opgerigt.<br />
+Verschillen over de inwilliging van de belastingen.</p>
+
+<p>1598. Bewegingen ten gevolge der handelingen van den Ontvanger-Generaal
+Taco van Dijxtra.</p>
+
+<p>1600. In den slag van Nieuwpoort nemen de Friezen den Admirant
+van Arragon gevangen.<br />
+Hevige staatstwisten over de zware schattingen. Scheuring tusschen
+de Regeringsleden. Gezanten der Algemeene Staten
+herwaarts gezonden.</p>
+
+<p>1600. Het Nieuwe Bildt bedijkt.</p>
+
+<p>1601. Amnestie tot herstel van &#8217;s lands rust.</p>
+
+<p>1602. De Lands-ordonnantie uitgevaardigd.</p>
+
+<p>1609. Twaalfjarig Bestand met Spanje.</p>
+
+<p>1609-15. Hevige verschillen tusschen de Stedelijke Regering en
+de ingezetenen van Leeuwarden.<br />
+Toenemende welvaart tijdens het Bestand.</p>
+
+<p>1613. Begin der bedijking van het Stavorensche Noorder- en
+Zuidermeer.</p>
+
+<p>1619. Uitbreiding en versterking van Leeuwarden.<br />
+De leer, doch niet de Kerken-orde der Dordsche Synode in Friesland
+aangenomen.</p>
+
+<p>1620. Graaf Willem Lodewijk sterft en wordt opgevolgd door
+Graaf Ernst Casimir van Nassau.</p>
+
+<p>1622. Inval der Spanjaarden in de Zevenwouden.<br />
+Verschillen over de Raadsbestelling der Steden.</p>
+
+<p>1624. Het Workumer-Nieuwland bedijkt.</p>
+
+<p>1626. Hevige bewegingen tegen de invoering van gelijke belastingen
+als in Holland.<br />
+Reformatie van de misbruiken in de regering.</p>
+
+<p>1631-37. Voortdurende onlusten over de verpachting van &#8217;s lands
+middelen, de wijze van verdeeling, de inning der quota enz.<br />
+Volksberoeringen.<br />
+Gezanten der Algemeene Staten met krijgsvolk herwaarts
+gezonden.<br />
+Groote verdeeldheid onder de Regering en het volk.</p>
+
+<p>1632. Dood van Graaf Ernst Casimir, die door Graaf Hendrik
+Casimir I wordt opgevolgd.</p>
+
+<p><span class='pagenum'><a name="Page_483" id="Page_483">[483]</a></span>1633.
+Het Warregaster en andere Meren bedijkt en drooggemaakt.</p>
+
+<p>1640. Graaf Hendrik Casimir I sneuvelt en wordt door zijn broeder,
+Graaf Willem Frederik van Nassau, als Stadhouder opgevolgd.</p>
+
+<p>1641. De Dragster-Compagnons-Veenvaart begonnen.</p>
+
+<p>1645. Het Friesche Collegie ter Admiraliteit van Dokkum naar
+Harlingen overgebragt.</p>
+
+<p>1647. De eerste Trekweg, tusschen Leeuwarden en Harlingen,
+aangelegd en door vele andere gevolgd.</p>
+
+<p>1648. De Vrede met Spanje te Munster gesloten.</p>
+
+<hr class="c05" />
+
+<p>1651 env. Verschillen van de Friesche Staten met die van Holland.</p>
+
+<p>1653. Eerste Engelsche Oorlog.</p>
+
+<p>1657. Onlusten te Leeuwarden, Franeker en elders jegens de
+Regeringsleden.</p>
+
+<p>1662. Klagten en bewegingen over het verkoopen van de lands
+Ambten enz.</p>
+
+<p>1663. De Post van Leeuwarden op Zwolle ingevoerd.</p>
+
+<p>1664. Eerste aanvallen van den Bisschop van Munster.<br />
+Dood van den Stadhouder Prins Willem Frederik.</p>
+
+<p>1665. Tweede Engelsche Oorlog. Frieslands Luitenant-Admiraal
+Auke Stellingwerf sneuvelt.<br />
+Schade door storm en watervloed.</p>
+
+<p>1666. Hevige zeegevechten. Lt.-Adm. Tjerk Hiddes de Vries gesneuveld.</p>
+
+<p>1672. Friesland, door de vereenigde Fransche, Munstersche en
+Keulsche magten bedreigd, wapent en versterkt zich onder Aylva.<br />
+Hevig gevecht tusschen het regiment van dien Generaal en de
+Franschen bij den overtogt van dezen over den Rijn.<br />
+Prins Hendrik Casimir II tot Stadhouder verkozen.<br />
+De Munstersche benden bij herhaling afgeslagen en Blokzijl met
+hulp der Friezen veroverd.<br />
+Krachtige pogingen van het volk tot verbetering van de misbruiken
+in de Regering.<br />
+Nieuwe Staten gekozen, terwijl eenige oude leden een Landsdag
+te Sneek houden.<br />
+Hooggaande verdeeldheid tusschen de Regeringsleden.</p>
+
+<p>1673. Pogingen der Staten Generaal tot bemiddeling. Invoering
+van het Reglement-reformatoir. Nieuwe volkswapening en versterking.
+Vruchtelooze aanval van de bisschoppelijke troepen, die
+geslagen en verdreven worden.</p>
+
+<p>1675. De Labadisten vestigen zich te Wienwerd.</p>
+
+<p>1677. Heldendood van den Kommandeur Jacob Binckes op Tabago.</p>
+
+<p>1678. Verschillen met Prins Willem III over het afdanken van
+krijgsvolk, gelijk in 1684 over de werving.</p>
+
+<p>1683. Fransche Hervormde vlugtelingen in bescherming genomen.</p>
+
+<p>1684. Huwelijk van Prins Hendrik Casimir met Prinses Amalia
+van Anhalt-Dessau.<span class='pagenum'><a name="Page_484" id="Page_484">[484]</a></span></p>
+
+<p>1689. Dapperheid van dezen Prins, van Aylva en van Coehoorn
+in den veldslagen van Fleurus enz.</p>
+
+<p>1696. Prins Hendrik Casimir II en zijne moeder Prinses Albertina
+Agnes overlijden.</p>
+
+<p>1700. Aanvang van den Spaanschen Successie-oorlog.</p>
+
+<p>1701 en 3. Stormen, dijkbreuken en watervloeden.</p>
+
+<p>1702. De Statendijk en Schoterzijl aangelegd.</p>
+
+<p>1704. Voortzetting van het groote Veenkanaal van Lippenhuizen
+naar Appelscha, van 1781 tot 1819 voltooid.</p>
+
+<p>1707. Prins Jan Willem Friso wordt Stadhouder; betoont in</p>
+
+<p>1708 env. grooten heldenmoed in den Successie-oorlog; huwt in</p>
+
+<p>1709 aan Prinses Maria Louisa van Hessen-Kassel, en komt in</p>
+
+<p>1711, bij het overvaren van het Strijensche sas, ongelukkig om
+het leven.<br />
+Prins Willem Carel Hendrik Friso geboren.</p>
+
+<p>1712. Inval van den Generaal Grovestins in Frankrijk.</p>
+
+<p>1713. De Vrede met Frankrijk te Utrecht gesloten.</p>
+
+<hr class="c05" />
+
+<p>1729. De Dokkumer Nieuwe Zijlen aangelegd.</p>
+
+<p>1730-34. Verwoestingen van den Paalworm. Slaperdijken aangelegd.</p>
+
+<p>1731. Prins Willem Carel Hendrik Friso Stadhouder, en in</p>
+
+<p>1734 gehuwd aan Prinses Anna van Engeland.</p>
+
+<p>1740. Aanvang van den Oostenrijkschen Successie-oorlog.</p>
+
+<p>1747. De Prins, als Willem IV, verheven tot Algemeen Stadhouder,
+verlaat Friesland.</p>
+
+<p>1748. Hevige volksberoeringen. Verbeteringen in het Staatsbestuur.</p>
+
+<p>1751. Dood van den Prins.</p>
+
+<p>1759. Prinses Anna, Gouvernante, sterft, waarna Prinses Maria
+Louisa Gouvernante wordt in Friesland, tot</p>
+
+<p>1765, toen zij overleed.</p>
+
+<p>1766. Prins Willem V aanvaardt het Stadhouderschap.</p>
+
+<p>1775 en 76. Dijkbreuken en overstroomingen.</p>
+
+<p>1780. Begin der staatkundige onlusten.</p>
+
+<p>1787. Eenige leden der Friesche Staten scheiden zich van de
+overige af en vestigen zich te Franeker, dat versterkt en door
+de gewapende Patriotten bezet wordt.<br />
+De Pruissische troepen herstellen het stadhouderlijk gezag.<br />
+Vervolging en vlugt van de Patriotten.</p>
+
+<p class="figcenter"><img src="images/lijn4.png" alt="Versiering" width="100" height="16" /></p>
+
+<p class='pagenum'><a name="Page_485" id="Page_485">[485]</a></p>
+
+<h2>VIJFDE TIJDVAK.</h2>
+
+<p class="chaptitle">DE VOLKS- EN FRANSCHE REGERING.</p>
+
+<p class="chapsubtitle"><i>Van de Omwenteling tot de herstelling van Nederland.</i></p>
+
+<p class="chapdescrip">1795-1813.</p>
+
+
+<p>1795. Prins Willem V vlugt. De Staats-omwenteling.<br />
+De Franschen bezetten ons land. Volksregering.</p>
+
+<p>1798. Staatsregeling. Opheffing van de Souvereiniteit der provinci&euml;n.<br />
+Het Feest der Een- en Ondeelbaarheid te Leeuwarden gevierd.</p>
+
+<p>1801. Nieuwe Staatsregeling.</p>
+
+<p>1805. Gewijzigde Staatsregeling met R. J. Schimmelpenninck als
+Raad-pensionaris aan het hoofd van &#8217;t Bataafsch Gemeenebest.</p>
+
+<p>1806. Lodewijk Napol&eacute;on, Koning van Holland.</p>
+
+<p>1810. Nederland bij Frankrijk ingelijfd.</p>
+
+
+
+<p class="figcenter"><img src="images/lijn5.png" alt="Versiering" width="100" height="10" /></p>
+
+<h2>ZESDE TIJDVAK.</h2>
+
+<p class="chaptitle">DE KONINKLIJKE REGERING.</p>
+
+<p class="chapsubtitle"><i>Van de herstelling van Nederland tot de invoering
+van de Gemeentewet.</i></p>
+
+<p class="chapdescrip">1813-1851.</p>
+
+
+<p>1813. Bevrijding van Nederland. Vertrek der Franschen.<br />
+Prins Willem Frederik komt terug en wordt</p>
+
+<p>1814 Souverein Vorst der Nederlanden. Eerste Grondwet.<br />
+Jhr. Idsert &AElig;binga van Humalda Gouverneur van Friesland.</p>
+
+<p>1815. De Staten en Grietenij-besturen hersteld.<br />
+Nieuwe Grondwet voor het Koningrijk der Nederlanden (met
+Belgi&euml; vereenigd), onder Koning Willem I.<br />
+Oprigting van het Athen&aelig;um te Franeker.</p>
+
+<p>1825. Dijkbreuken en overstroomingen.</p>
+
+<p>1826. Heerschende ziekte en groote sterfte.<br />
+Jan Adriaan Baron van Zuijlen van Nijevelt Gouverneur.</p>
+
+<p>1827. Begin van het aanleggen van Straatwegen.</p>
+
+<p>1830. Afscheiding van Belgi&euml;. Algemeene volkswapening.</p>
+
+<p>1830-50. Verbeteringen in Frieslands Waterstaat.</p>
+
+<p>1840. Gewijzigde Grondwet. Willem II Koning.<br />
+Maurits Pico Diderik Baron van Sytzama Gouverneur.</p>
+
+<p>1843. Opheffing van het Rijks Athen&aelig;um te Franeker.</p>
+
+<p>1844. Tentoonstelling van voorwerpen van Friesche Nijverheid.</p>
+
+<p>1847. Duurte en volksbewegingen ten gevolge der aardappelziekte.</p>
+
+<p>1848. Nieuwe Grondwet. Jhr. Jan Ernst van Panhuijs Gouverneur.</p>
+
+<p>1849, 12 Mei. Willem III tot Koning gehuldigd.</p>
+
+<p>1851, 5 Julij. Invoering van de Gemeentewet.</p>
+
+<p>1852, 19 April. Koning Willem III bezoekt Friesland.</p>
+
+
+<p class='pagenum'><a name="Page_486" id="Page_486">[486]</a></p>
+
+<h2><a name="Overzicht" id="Overzicht"></a><i>Tweede Bijlage.</i></h2>
+
+<h3><span class="gesp">TIJDREKENKUNDIG OVERZIGT</span></h3>
+<p class="center">VAN DE</p>
+<h3><span class="gesp">FRIESCHE VORSTEN</span>,</h3>
+<p class="center">OPPERHOOFDEN, KONINGEN, STADHOUDERS ENZ.</p>
+
+<h3><i>van de vroegste tijden tot 1851.</i></h3>
+
+
+<p>Alle volksgeschiedenissen, zonder eenige uitzondering, hebben
+hare <i>mythen</i>, verdichtselen, sagen en overleveringen, waarmede
+zij aanvangen. Zeldzaam zijn ze geheel verdicht; meestal is de
+waarheid opgesierd en voorgesteld in een vorm, welke dadelijk
+verraadt, dat deze verhalen eerst in schrift gesteld zijn in latere
+eeuwen (de 12<sup>e</sup> en 13<sup>e</sup>), wier kenmerken en behoeften op vroegere
+gebeurtenissen overgebragt of toegepast zijn. Zaken en voorstelling
+zijn daarin dus zeer moeijelijk te onderscheiden. Langzamerhand
+vloeijen ook die verhalen met de ware oorkonden zamen, zonder
+dat iemand in staat is met juistheid aan te wijzen, waar het
+tijdpunt is, dat volkomene zekerheid geeft. Hoe meer echter de
+gebeurtenissen, ook in de oude Friesche Landskronyken verhaald,
+overeenstemmen met de godsdienstoefeningen, zeden, karakter
+en gewoonten des volks en de omstandigheden der tijden&mdash;hoe
+meer waarde en gezag wij er aan kunnen hechten, vooral,
+wanneer geschiedschrijvers van andere landen deze berigten bevestigen.
+Sommigen hebben die verhalen als waarheid aangenomen;
+anderen hebben ze verworpen: beide zyn te ver gegaan. Waarheid
+en verdichting ondereengemengd en in het kleed der oudheid gehuld,
+kunnen door geene magtspreuken vaneen gescheiden worden; en
+zal het immer aan het verstandig oordeel en de mate der ontwikkeling
+van ieder lezer blijven overgelaten, wat hij voor waarheid,
+voor opgesierde waarheid of enkel verdichting, aanvulling of
+voorstelling meent te moeten houden. Tegen Emmius, die al te
+veel heeft verworpen, is vooral in den laatsten tijd de waarde der
+Friesche Kronyk van Scharlensis verdedigd door Mr. J. van Lennep,
+in Nijhoff&#8217;s Bijdragen; II 221. Belangrijk is te dezen aanzien ook
+de inleiding der verhandeling van Mr. F. Binkes, over eene Volkplanting
+der Friezen in Zwitserland, in de Vrije Fries, I 1, waar
+de <span class="gesp">ligtgeloovigen</span> zoowel als de <span class="gesp">ongeloovigen</span> nadeelig
+voor de beoefening der geschiedenis worden genoemd.<a name="FNanchor_379"
+id="FNanchor_379"></a><a href="#Footnote_379" class="fnanchor">[379]</a></p>
+
+<p><span class='pagenum'><a name="Page_487" id="Page_487">[487]</a></span>Zoodra de Friezen hier gevestigd waren, zich uitbreidden en
+vooral sedert zij met de Romeinen in betrekking kwamen, hadden
+zij behoefte aan Opperhoofden, die met de oudsten en de priesters
+de weinige algemeene belangen regelden. Maar hoe hunne namen
+en welke hunne titels waren in die eerste tijden&mdash;wie zal dit met
+zekerheid kunnen zeggen? Op grond van oude volksverhalen, die
+van een roemrijken stamvader <i>Friso</i>, uit het Oosten afkomstig,
+gewagen, geven de kronyken echter eene aaneengeschakelde lijst
+van al de Vorsten, die van hem af het gebied over Friesland
+hebben gevoerd. Zoolang het ons onmogelijk is, waarheid en
+verdichting te scheiden, hebben wij eerbied voor deze volksverhalen,
+en als zoodanig geven wij hier een kort overzigt van al de personen,
+welke de overlevering als vroegere <i>Bestuurders van Friesland</i>
+opgeeft. Daar echter de schrijfkunst en de jaartelling of onze
+wijze van tijdrekening eerst na de invoering van het Christendom
+in deze landen (omstreeks het jaar 800) hier in gebruik gekomen
+en later meer algemeen geworden zijn, zoo kan men alleen aan
+dezen maatstaf eenigzins de waarde toetsten van de opgaven onzer
+kronyken ten aanzien van den tijd en de bijzonderheden der vroegste
+gebeurtenissen.</p>
+
+<hr class="footn" />
+
+<div class="footnote"><p><a name="Footnote_379" id="Footnote_379"></a><a
+href="#FNanchor_379"><span class="label">[379]</span></a> Men vergelijke hiermede ook mijne denkbeelden over dit onderwerp,
+medegedeeld in de Geschiedkundige Beschrijving van Leeuwarden, I 18-23.</p></div>
+
+<hr class="footn" />
+
+<p class="figcenter"><img src="images/lijn5.png" alt="Versiering" width="100" height="10" /></p>
+
+<h2>EERSTE TIJDVAK.</h2>
+
+<p class="chaptitle"><i>Van Prins Friso tot Keizer Karel den groote.</i></p>
+
+<p class="chapsubtitle">Van het jaar 313 v&oacute;&oacute;r- tot omstr. 800 na Christus.</p>
+
+<h4>I. <span class="smcap">Zeven Prinsen.</span></h4>
+
+
+<p class="center">FRISO. (313 j. v. C.)</p>
+
+<p>Ten tijde van Alexander den groote zou deze Indische Prins, uit
+zijn vaderland verdreven, zich met vele anderen op eene vloot
+begeven hebben, waarmede zij, na vele omzwervingen, landden in
+Friesland, waar hij aan het Flie eene stad stichtte, naar den God
+Stavo Stavoren geheeten. Hij wordt gehouden voor den Stamvader
+der Friezen, voor den eersten bevolker van dit land, hetwelk bij
+68 jaren lang regeerde. Zijn zoon</p>
+
+
+<p class="center">ADEL (245 j. v. C.)</p>
+
+<p>volgde hem op, en zou gedurende zijne 94jarige regering de Noormannen
+bestreden, wijze verordeningen gemaakt, den Adel ingesteld
+en de groote gastmalen ingevoerd hebben.</p>
+
+
+<p class="center">UBBO, (151 j. v. C.)</p>
+
+<p>zijn zoon en opvolger, zou Keulen, gelijk de zonen van dezen
+Batenburg en Vroonen gesticht hebben. Na 80 jaren geregeerd
+te hebben, volgde zijn zoon</p>
+
+<p class="center"><span class='pagenum'><a name="Page_488" id="Page_488">[488]</a></span>ASINGA ASKON (71 j. v. C.)</p>
+
+<p>hem op. Deze zou Stavoren vergroot en bemuurd, en onderscheidene
+oorlogen met naburige volken gevoerd hebben, gedurende zijne
+82jarige regering. Op hem volgde</p>
+
+
+<p class="center">DIOKARUS SEGON, (11 j. n. C.)</p>
+
+<p>zijn neef en veldheer, onder wien de Friezen in het jaar 28 tegen
+de Romeinen opstonden. Zijn zoon</p>
+
+
+<p class="center">DIBBALDUS SEGON, (46 j. n. C.)</p>
+
+<p>was zijn opvolger, om zijne krijgshaftige daden, zoowel te land
+als ter zee, beroemd.</p>
+
+
+<p class="center">TABBO, (85)</p>
+
+<p>zijn veldheer, zou dapper met de Romeinen tegen de Britten gestreden
+en ook de Denen bevochten hebben.</p>
+
+
+<h4>II. <span class="smcap">Zeven Hertogen.</span></h4>
+
+
+<p class="center">ASKON, (130)</p>
+
+<p>zou, onder een anderen titel, de opvolger van zijn vader geworden
+zijn, en tevens de stichter van verscheidene dorpen. Minder vredelievend
+dan hij was zijn zoon en opvolger</p>
+
+
+<p class="center">ADELBOLD, (173)</p>
+
+<p>die de Romeinen met hulpbenden ondersteunde en tegen verschillende
+naburige volken oorloogde. Zijn broeder</p>
+
+
+<p class="center">TITUS BOJOCALUS (187)</p>
+
+<p>wordt zeer geroemd als een geleerd en dapper vorst, bij den
+Romeinschen Keizer en den Hertog van Braband, welken hij hulp
+bood, zeer geacht.</p>
+
+
+<p class="center">UBBO, (240)</p>
+
+<p>zijns broeders zoon, was zijn opvolger, en zou gedurende zijne
+vreedzame regering vele gebouwen, sterkten en steden, ook Dokkum,
+gesticht hebben.</p>
+
+
+<p class="center">HARON UBBO (299)</p>
+
+<p>zou zich met de Denen verbonden en Diderik, den Koning van
+West-Friesland, bestreden hebben. In zijn lusthuis bij het Roode
+Klif, dat toen dikwijls vlammen braakte, zou hij, 97 jaren oud,
+in 335 gestorven zijn.</p>
+
+
+<p class="center">ODILBALD (335)</p>
+
+<p>was zijn zoon en opvolger, die door zijne dapperheid het rijk zou
+uitgebreid hebben, even als zijn zoon</p>
+
+
+<p class="center">ODOLF HARON, (360)</p>
+
+<p>de laatste der Hertogen, onder wien een groot getal Friezen zich,
+ten gevolge van overbevolking, aan den Eider zou hebben nedergezet.</p>
+
+<p class='pagenum'><a name="Page_489" id="Page_489">[489]</a></p>
+<h4>III. <span class="smcap">Negen Koningen.</span></h4>
+
+
+<p class="center">RICHOLD UFFO. (392)</p>
+
+<p>Wegens de uitbreiding van Friesland nam deze den titel van
+Koning aan. Tegen de Denen en Franken zou hij dapper gestreden
+en te Stavoren en elders lusthuizen gebouwd hebben.</p>
+
+
+<p class="center">ODILBALD, (435)</p>
+
+<p>zijn zoon en opvolger, wordt geroemd als een goedertieren vorst,
+beleefd jegens zijn volk en gevreesd door zijne vijanden. Hij
+trouwde eene dochter des Konings van Denemarken. Zijn zoon</p>
+
+
+<p class="center">RICHOLD II (470)</p>
+
+<p>verdreef de Franken uit Westfalen en de Denen uit de Eems, en
+was bij het volk zeer bemind.</p>
+
+
+<p class="center">BEROALD (533)</p>
+
+<p>volgde hem op, breidde de grenzen des lands uit en sneuvelde in
+een gevecht tegen de Franken. Zijn zoon</p>
+
+
+<p class="center">ADGILD I (590)</p>
+
+<p>was een vredelievend vorst, die de prediking van het Evangelie
+toeliet en de belangen des volks, ook door het opwerpen van
+terpen en zeedijken, zeer bevorderde.</p>
+
+
+<p class="center">RADBOUD I, (672)</p>
+
+<p>zijn zoon en opvolger, wederstond even krachtig de invoering van
+de christelijke godsdienst en de legers der Franken, als zijn vader
+daaromtrent toegevend en vredelievend was geweest. Hij verwoestte
+de te Utrecht reeds gestichte St. Thomaskerk, doch werd 12 jaren
+later door Pepijn bij Dorestad geslagen. Na den dood van dezen
+versloeg hij het Frankische leger bij Keulen, waarover Karel Martel
+zich wreekte, door herhaaldelijk met eene vloot in Friesland te vallen.</p>
+
+
+<p class="center">ADGILD II (723)</p>
+
+<p>was weder het tegengestelde van zijn vader. Hij regeerde in rust
+en vrede, en liet de prediking van het Evangelie toe, ja zou zelf
+de christelijke leer hebben aangenomen. Zijn zoon</p>
+
+
+<p class="center">GONDEBALD (737)</p>
+
+<p>volgde zijn voorbeeld, zoodat het Christendom hier meer ingang
+vond. Doch zijn broeder,</p>
+
+
+<p class="center">RADBOUD II, (749)</p>
+
+<p>in het heidensche Denemarken opgevoed, herstelde hier de voorvaderlijke
+eeredienst, liet Bonifacius ombrengen en mishandelde
+met wreedheid de Christenen, waartoe hij de hulp inriep van de
+Saksers. Het hierdoor verbitterde volk klaagde zijn nood aan
+Karel den groote, die den Frankischen troon had beklommen.<span class='pagenum'><a name="Page_490" id="Page_490">[490]</a></span>
+Op de komst van dezen, vlugtte Radboud, namen de Friesche
+Koningen een einde en de Friezen het Christendom aan, waarbij zij
+zich stelden onder de bescherming van den Frankischen Koning,
+die eerlang mede Keizer van Duitschland werd.</p>
+
+
+<p class="figcenter"><img src="images/lijn5.png" alt="Versiering" width="100" height="10" /></p>
+<h2>TWEEDE TIJDVAK.</h2>
+
+<p class="chaptitle"><i>Van Karel den groote tot Albert van Saksen.</i></p>
+
+<p class="chapsubtitle">Van omstreeks het Jaar 800 tot 1498.</p>
+
+<p class="chapdescrip"><span class="gesp">KAREL</span> <span class="smcap">de</span> <span class="gesp">GROOTE</span>,<br />
+<i>Koning der Franken, Keizer van Duitschland,
+Beschermheer der Friezen.</i></p>
+
+<h4>IV. <span class="smcap">Zeventien Landsheeren of Potestaten.</span></h4>
+
+
+<p class="center">MAGNUS FORTEMAN, (809)</p>
+
+<p>der Friezen veldoverste op den togt naar Rome, wordt voor den
+eersten Potestaat gehouden. Onder de vrijheden, door Keizer
+Karel den Friezen gelaten, was ook deze, dat zij uit hunne
+eigene inboorlingen een Overste zouden kiezen, om het land zoowel
+in oorlog als in vrede te besturen. Welligt werden deze
+Potestaten enkel in hoogen nood en voor een jaar of een bepaalden
+tijd verkoren, en was hun een raad van achttien ervarene
+mannen toegevoegd. In een strijd tegen de Saracenen is hij gesneuveld,
+te Rome begraven en daarna heilig verklaard.</p>
+
+
+<p class="center">FOCKO of TACO LUDIGMAN (819)</p>
+
+<p>heeft het land trouw beschermd tegen de invallen der Deensche
+zeeroovers, gelijk ook zijn opvolger</p>
+
+
+<p class="center">ADELBRIK AD&Eacute;LEN, (830)</p>
+
+<p>van Sexbierum, die een hertog van Zweden in een slag bij Kollum
+zou overwonnen hebben.</p>
+
+
+<p class="center">HESSEL HERMANA, (869)</p>
+
+<p>van Minnertsga, wordt als een onversaagd krijgsman geroemd,
+die in den strijd tegen de Noormannen zijn leven liet.</p>
+
+
+<p class="center">IGO GALEMA (overl. 886)</p>
+
+<p>trachtte de kusten en havens tegen die vijandelijke aanvallen te
+versterken.</p>
+
+
+<p class="center">GOSSE LUDIGMAN (989)</p>
+
+<p>woonde te Stavoren, hetwelk destijds door handel en scheepvaart
+in aanzien toenam.</p>
+
+
+<p class="center">SACO REINALDA (overl. 1167)</p>
+
+<p>wordt geroemd als een braaf en vredelievend man, onder wiens
+bestuur vele Friezen op nieuw naar het Heilige land trokken.</p>
+
+
+<p class="center"><span class='pagenum'><a name="Page_491" id="Page_491">[491]</a></span>SICKO SJAARDAMA (1237)</p>
+
+<p class="center">wordt door sommigen voor den achtsten Potestaat gehouden, die
+omstreeks 1254 de aanbiedingen van Graaf Willem II, als hij
+hem de heerschappij over Friesland mogt willen bezorgen, fier
+zou hebben afgeslagen.</p>
+
+
+<p class="center">REINDER CAMMINGHA (overl. 1306)</p>
+
+<p>gaf vele blijken van dapperheid, ook in den strijd tegen de Noormannen,
+waarbij hij sneuvelde.</p>
+
+
+<p class="center">HESSEL MARTENA (overl. 1313)</p>
+
+<p>schroomde den strijd evenmin, vooral tegen de aanvallen van de
+Hollandsche Graven, hoewel hij anders geacht was om zijne vredelievendheid.</p>
+
+
+<p class="center">JUW JUWINGA, (1396)</p>
+
+<p>van Bolsward, was door buitenlandsche togten als krijgsman beroemd,
+toen hij, bij den grooten zeetogt van Albrecht van Beijeren
+tegen Friesland, tot der Friezen Potestaat en Veldoverste werd
+verkozen. Dapper strijdende, sneuvelde hij in den veldslag bij
+Schoterzijl.</p>
+
+
+<p class="center">SICKE DEKAMA,<br />
+GALE HANIA en<br />
+ODO BOTNIA, (1399)</p>
+
+<p>de eersten de hoofden der Schieringers, gelijk de laatste der
+Vetkoopers, waren sedert hunne verzoening den vrede toegedaan,
+en moeijelijk te bewegen, om der Friezen aanvoerders te zijn ter
+verdrijving van de Hollanders. Onder</p>
+
+
+<p class="center">SJOERD WIARDA, van Goutum, en<br />
+HARING HARINXMA, van Heeg, (1404)</p>
+
+<p>de eerste voor Oostergoo en de laatste voor Westergoo benoemd,
+gelukte het den Friezen, zich van het Hollandsche gezag te ontslaan
+en de Friesche vrijheid te herstellen. Doch nu ook begonnen de
+partijschappen tusschen de Schieringers en Vetkoopers op nieuw te
+blaken. Tot het benoemen van een nieuwen Potestaat was men
+niet te bewegen. Op raad van den gezant des Keizers, Otto
+van Langen, werd eindelijk</p>
+
+
+<p class="center">JUW DEKAMA, van Baard, (1494)</p>
+
+<p>verkozen en hem een raad van 24 personen toegevoegd. Doch te
+vergeefs poogde hij in die onlusten vrede te stichten, daar ook de
+Vetkoopers hem, den Schieringer, niet wilden erkennen. Daarom
+droeg de Keizer in 1498 het bestuur over Friesland op aan een
+vreemden Vorst, aan Albert, Hertog van Saksen.</p>
+
+<p class="figcenter"><img src="images/lijn5.png" alt="Versiering" width="100" height="10" /></p>
+<p class='pagenum'><a name="Page_492" id="Page_492">[492]</a></p>
+<h2>DERDE TIJDVAK.</h2>
+
+<p class="chaptitle"><i>Van Albert van Saksen tot de Hervorming.</i></p>
+
+<p class="chapsubtitle"><i>1498-1580.</i></p>
+
+<h4>V. <span class="smcap">Erfheeren van Friesland en hunne Stadhouders.</span></h4>
+
+<h4><i>A. De Saksische Regering.</i></h4>
+
+
+<p class="center"><span class="gesp">ALBERT</span>, <i>Hertog van Saksen-Meissen</i>, (1498)</p>
+
+<p>geboren in 1443, was gedurende de voogdijschap van Keizer
+Maximiliaan over zijn zoon Filips II, Graaf van Holland, tot
+Stadhouder van dat gewest aangesteld. Hij had daar door krachtige
+middelen de tweespalt der Hoekschen en Kabeljaauwschen en van
+het Kaas- en Broodsvolk weten te dempen, toen hem, ter vergoeding
+der gemaakte kosten, door den Keizer het bestuur over
+Friesland werd opgedragen. Nadat hij het met benden had doen
+bezetten, kwam hij met zijn zoon in 1499 over, stelde orde op
+de zaken en een Provincialen Raad te Franeker in, ontzette zijn
+zoon, in 1500 in die stad belegerd, en overleed kort daarna te Emden.</p>
+
+
+<p class="center"><span class="gesp">HENDRIK</span>, <i>Hertog van Saksen</i>, (1499)</p>
+
+<p>met zijn vader herwaarts gekomen, werd, ten gevolge zijner strenge
+maatregelen, in Franeker door de Friezen belegerd, vertrok kort
+daarna in bedevaart naar Spanje, hoewel hij later de eerste der
+Duitsche Vorsten was, die de leer van Luther omhelsde. Hij
+was geb. in 1473 en stierf in 1541. Van 1500 tot 1504 werd
+Friesland bestuurd op naam van hem en zijn broeder</p>
+
+
+<p class="center"><span class="gesp">GEORG</span>, <i>Hertog van Saksen</i>, (1504)</p>
+
+<p>die, geb. in 1471, in 1504 zelf overkwam, te Leeuwarden een
+Geregtshof, Munt enz. instelde, vele goede verordeningen invoerde,
+doch later door zware schattingen en knevelarijen misnoegen verwekte,
+zoodat hij, door den oorlog met Groningen en door den
+Graaf van Oost-Friesland en den Hertog van Gelder in het naauw
+gebragt, Friesland in 1515 aan Karel van Oostenrijk overdroeg.</p>
+
+
+<h5><i>Stadhouders.</i></h5>
+
+
+<p class="center">WILLEBRORD VAN SCHAUMBURG. (1498)</p>
+
+<p>Als krijgsoverste vooruit gezonden, gelukte het hem Friesland
+grootendeels te bezetten, en, na Leeuwarden twee malen belegerd
+te hebben, daar een kasteel te bouwen.</p>
+
+
+<p class="center">HUGO, <i>Burggraaf</i> VAN LEIJSENACH, (1500)</p>
+
+<p>een Saksisch edelman, wist hier zijns Vorsten gezag te vestigen,
+doch gaf door zijne strenge maatregelen weinig genoegen.</p>
+
+
+<p class="center">WILLEM TRUCHSES (1504)</p>
+
+<p>schijnt korten tijd Stadhouder geweest te zijn tijdens de vestiging
+van het Geregtshof te Leeuwarden.<span class='pagenum'><a name="Page_493" id="Page_493">[493]</a></span></p>
+
+
+<p class="center">HENDRIK, <i>Graaf van Stolberg en Heer
+van Wernigerrode</i>, (1506)</p>
+
+<p>kwam welligt reeds in 1499 met de Hertogen in Friesland, zoodat
+hij veel kennis van het land en den aard en de behoeften der
+inwoners had opgedaan, toen hem, na het vertrek van Georg,
+het bewind werd opgedragen. Als een verstandig man en braaf
+christen maakte hij die kennis dienstbaar aan de bevordering van
+het heil des lands en van de belangen der ingezetenen, die zijn
+ijver met liefde en dankbaarheid beloonden, dewijl hij ramp in
+zegen deed verkeeren. Algemeen betreurd, stierf hij te Keulen,
+1509, doch werd, volgens zijne begeerte, te Leeuwarden in de
+Jakobijner-kerk met luister begraven. De nagedachtenis van dezen
+edelen landvoogd blijve hier duurzaam in zegening!</p>
+
+
+<p class="center">EVERWIJN, <i>Graaf van Benthem</i>, (1509)</p>
+
+<p>bedierf de zaak der Saksers hier door drukkende schattingen en
+geweldige middelen, om zich staande te houden tegen de Vorsten,
+die de Friezen hulp verleenden tot ondermijning van zijn gezag.</p>
+
+
+<h4><i>B. De Bourgondische Regering.</i></h4>
+
+
+<p class="center"><span class="gesp">KAREL VAN OOSTENRIJK</span>, <i>Hertog
+van Bourgondi&euml;, Graaf van Holland, Heer van Friesland</i>. (1515)</p>
+
+<p>In 1500 geb. te Gent, aanvaarde hij in 1515 de regering van
+Holland en, door overdragt, van Friesland, werd in 1517 Koning
+van Spanje, in 1519 Keizer van Duitschland en in 1543 Heer
+van alle Nederlandsche Gewesten. Rijk in schatten, magt en
+bekwaamheden, was zijn leven een luisterrijk tafereel van roemwaardige
+bedrijven, welke echter door strenge geloofsvervolgingen
+werden ontsierd. Na de regering in 1555 aan zijn zoon Filips te
+hebben overgedragen, stierf hij in 1558 in een klooster in Spanje.
+Gedurende zijn bestuur waren Margaretha van Oostenrijk, van
+1506-1530, Maria van Oostenrijk, Koningin van Hongarije, van
+1530-1555, en later Margaretha van Parma, van 1559-1567,
+Gouvernantes of Algemeene Landvoogdessen, terwijl Friesland bestuurd
+werd door de volgende</p>
+
+
+<h5><i>Stadhouders.</i></h5>
+
+
+<p class="center">FLORIS VAN EGMOND, <i>Heer van IJsselstein</i>. (1515)</p>
+
+<p>Toen hij hier kwam, om de hulde der ingezetenen te ontvangen,
+waren slechts 3 steden en 8 grietenijen zijnen Heer getrouw gebleven.
+Al het overige bevond zich in de magt der Gelderschen, tegen
+wie hij hevigen krijg voerde, zonder veel te vorderen. Na twee
+jaren volgde</p>
+
+
+<p class="center">WILLEM, <i>Vrijheer van Roggendorf</i>, (1517)</p>
+
+<p>een Oostenrijksch edelman, hem op. Hij was weinig geschikt om
+de belangen van zijn Vorst in zulke tijden te bevorderen. Aldus
+bleven de partijen een hevigen strijd voeren, totdat</p>
+
+<p class='pagenum'><a name="Page_494" id="Page_494">[494]</a></p>
+
+<p class="center">GEORGE SCHENCK, <i>Vrijheer van Toutenburg enz.</i> (1521)</p>
+
+<p>bij zijne komst krachtiger maatregelen nam, de Gelderschen verdreef
+en Friesland in 1524 geheel onder Keizer Karel en in rust bragt,
+waardoor de algemeene welvaart eerlang zeer toenam. De achting,
+welke hij daardoor verwierf, werd echter verminderd door zijne
+strenge vervolging van de Onroomschen.</p>
+
+
+<p class="center">MAXIMILIAAN VAN EGMOND, <i>Graaf van Buren enz.</i> (1540)</p>
+
+<p>de zoon van bovenvermelden Floris, de vriend van Keizer Karel,
+mogt het land in vrede en voorspoed gelukkig besturen.</p>
+
+
+<p class="center">JOHAN VAN LIGNE, <i>Graaf van Aremberg</i>. (1548)</p>
+
+<p>Onder dezen ging de regering over aan Koning Filips, wiens
+strenge plakkaten hij met wijze voorzigtigheid lang wist te matigen,
+zoodat zijne deugden en bekwaamheden de achting der Friezen
+verwierven. Later werd hij echter gedrongen de doorbrekende
+hervorming met kracht tegen te werken, en het Nassausche leger
+bij Heiligerlee in Groningerland slag te leveren, waarbij hij met
+1800 der zijnen sneuvelde. Bij afwezigheid van hem, gelijk ook
+van zijn opvolger, was</p>
+
+
+<p class="center">SEGHER, <i>Heer van Groesbeek</i>,</p>
+
+<p>hier, als Luitenant-Stadhouder, met het bestuur der zaken belast.</p>
+
+
+<h4><i>C. De Spaansche Regering.</i></h4>
+
+
+<p class="center"><span class="gesp">FILIPS</span>, <i>Koning van Spanje, Vorst der Nederlanden enz.</i></p>
+
+<p>In 1526 geb. ontving hij in 1555 de regering over deze landen
+uit handen van zijnen vader. Hoe hij ze liet besturen, hoe hij
+de hervorming tegenstond en door de wreedste vervolgingen de
+Nederlanders onderdrukte, is hier v&oacute;&oacute;r en elders uitvoerig vermeld.
+In 1581 afgezworen, overleed hij in 1598 onder de
+smartelijkste gevolgen van zijn schandelijk leven.</p>
+
+
+<h5><i>Stadhouders.</i></h5>
+
+
+<p class="center">KAREL VAN BRIMEU, <i>Graaf van Megen</i>, (1568)</p>
+
+<p>was reeds sinds 1559 Stadhouder van Gelderland, toen hij in dit
+jaar ook als zoodanig over Friesland, Groningen, Overijssel en
+Lingen aangesteld werd. Vandaar, dat hij zich weinig met dit
+gewest bemoeide, ofschoon de harde maatregelen van Alva, de
+invoering van het Bisdom Leeuwarden, de watervloeden van 1570
+env. hier grooten nood en veel onrust en beweging veroorzaakten.
+Hij overleed in 1572, en werd als Stadhouder over al de genoemde
+provinci&euml;n vervangen door</p>
+
+
+<p class="center">GILLIS VAN BARLAYMONT, <i>Heer van Hierges</i>, (1572)</p>
+
+<p>onder wien de Geuzen zelfs Bolsward, Slooten, Dokkum, Sneek
+en Franeker innamen. Deze had echter toenmaals als Onder-Stadhouder
+een man als<span class='pagenum'><a name="Page_495" id="Page_495">[495]</a></span></p>
+
+
+<p class="center">CASPAR DE ROBLES, <i>Heer van Billy</i>, (1572)</p>
+
+<p>die eerst als Kolonel der Spaansche benden en daarna (1573) als
+Stadhouder wel met kracht de belangen, des Konings voorstond,
+doch tevens na genoemde watervloeden blijken gaf van menschlievendheid
+en zorg tot herstel van de zeedijken, waartoe hij de
+onwilligen met geweldige middelen dwong, en dus later voor de
+ingevoerde verbeteringen grooten dank mogt behalen. Dit blijkt
+ook uit den Steenenman bij Harlingen, een gedenkteeken ter zijner
+eere gesticht. Ook heeft hij het Kolonelsdiep tusschen het Bergumermeer
+en Stroobos laten graven. In 1576 is hij door zijn eigen
+krijgsvolk te Groningen gevangen genomen, en sneuvelde in 1585
+bij het springen van de brug in het beleg van Antwerpen.</p>
+
+<hr class="c05" />
+
+<p>Nadat Friesland en Groningen zich bij de Staatsgezinden gevoegd
+hadden, zond Prins Willem I als Stadhouder herwaarts:</p>
+
+
+<p class="center">GEORG VAN LALAING, <i>Graaf van Rennenberg</i>; (1577)</p>
+
+<p>doch in 1580 bragt hij Groningen verraderlijk weder aan de
+Spaansche zijde.</p>
+
+
+<p class="center">FRAN&Ccedil;OIS VERDUGO, <i>Heer van Schengen</i>, (1580)</p>
+
+<p>was de laatste Spaansche Stadhouder, die vooral Groningen bezet
+hield, dikwijls in Friesland viel en de pogingen der Friezen en
+Staatschen, om die stad te winnen, nog tot hare overgave in
+1594 wist te verijdelen.</p>
+
+
+
+<p class="figcenter"><img src="images/lijn5.png" alt="Versiering" width="100" height="10" /></p>
+<h2>VIERDE TIJDVAK.</h2>
+
+<p class="chaptitle"><i>Van de Hervorming tot de Staats-omwenteling.</i></p>
+
+<p class="chapsubtitle">1580-1795.</p>
+
+<h4>VI. <span class="smcap">De Souvereine Staten van Friesland
+en hunne Stadhouders.</span></h4>
+
+
+<p class="center"><span class="gesp">WILLEM</span> I, <i>Prins van Oranje</i>, (1580)</p>
+
+<p>de grondlegger van den Nederlandschen Staat, noemde zich Gouverneur
+van Braband, Holland, Zeeland, West-Friesland en Utrecht,
+Luitenant en Stadhouder-Generaal van Prins Matthias en Gouverneur
+en Kapitein-Generaal over de Nederlanden, toen hij, na de
+afwerping van het Spaansche juk, ook door de Staten van Friesland
+tot Stadhouder en Gouverneur van dit gewest werd benoemd.
+Hij was geb. den 14 April 1533, en werd te Delft verraderlijk
+doorschoten den 10 Julij 1584. Hij had</p>
+
+
+<p class="center">BERNARD VAN MERODE, <i>Heer van Rummen</i>, (1580)</p>
+
+<p>tot zijn Luitenant (plaatsvervanger) en Kapitein-Generaal in Friesland
+aangesteld. Deze edele en dappere voorstander van de vrijheid<span class='pagenum'><a name="Page_496" id="Page_496">[496]</a></span>
+deed vele moeite, om in dien tijd van onrust en tweedragt de
+zaken des lands te regelen; doch ook wegens hoogen ouderdom
+was hij daartoe te zwak en verzocht drie jaren later zijn ontslag,
+waarna hij in 1591 overleed.</p>
+
+
+<p class="center">WILLEM LODEWIJK, <i>Graaf van Nassau</i>, (1584)</p>
+
+<p>de oudste zoon van Prins Willem&#8217;s broeder, Jan de Oude, geb.
+den 13 Maart 1560, was in 1581 met krijgsvolk Friesland te
+hulp gekomen en in Dec. 1583 naauwelijks tot Luitenant in Merode&#8217;s
+plaats verkozen, toen hij, ten gevolge van Prins Willem&#8217;s
+dood, den 16 October 1584 door de Staten tot Stadhouder en
+Gouverneur van Friesland werd verkozen. Als Staatsman wist hij
+met voorzigtige wijsheid de belangen des lands te bevorderen en
+de twistende regeringsleden te bevredigen; als held heeft hij door
+het wederstaan van de Spanjaarden en het belegeren en winnen
+van Groningen, Koevorden, Steenwijk en omliggende sterkten veel
+toegebragt, om de rust en veiligheid der ingezetenen te verzekeren.
+In 1587 huwde hij Prinses Anna, de dochter van zijn oom Prins
+Willem, die echter reeds in het volgende jaar stierf. Deze voortreffelijke
+Stadhouder, mede om zijne godsdienstige braafheid algemeen
+geacht en bemind, stierf den 31 Mei 1620, en werd
+plegtig begraven in &#8217;t Koor der Groote Kerk te Leeuwarden,
+waar de Staten eene marmeren Graftombe ter zijner eere lieten oprigten.
+Hij werd opgevolgd door zijnen jongeren broeder</p>
+
+
+<p class="center">ERNST CASIMIR, <i>Graaf van Nassau</i>, (1620)</p>
+
+<p>geboren den 24 Dec. 1573 en in 1607 gehuwd met Sophia Hedwig
+Hertogin van Brunswijk, was Luit. Gouverneur van Gelderland,
+Zutphen en Utrecht en Veldmaarschalk van der Staten leger, toen
+hij den 3 Augustus 1620 tot Stadhouder van Friesland werd aangesteld.
+In staatszaken werden hem belangrijke zendingen opgedragen;
+in krijgsverrigtingen, veldslagen en belegeringen was hij
+beroemd wegens heldenmoed en beleid. In het beleg van Roermond
+liet hij het leven op den 2 Junij 1632. Hij had tot opvolger
+zijn oudsten zoon</p>
+
+
+<p class="center">HENDRIK CASIMIR I, <i>Graaf van Nassau</i>, (1632)</p>
+
+<p>die, geboren in 1611, slechts 21 jaren bereikt had, toen hij
+den 14 Dec. 1632 tot Stadhouder en Kapitein-Generaal van Friesland,
+gelijk daarna ook van Groningen en Drenthe aangesteld
+werd. Hoe jong ook nog, toonde hij in de binnenlandsche geschillen
+veel standvastigheid en beleid, doch, vooral op verschillende
+krijgstogten onder Frederik Hendrik, een heldenmoed, waardoor
+hij evenveel eer verwierf als hij door zijne vroomheid en deugden
+ieders hoogachting verdiende. Ten gevolge eener wonde, bekomen
+in de bestorming van eene schans nabij Hulst in Vlaanderen, stierf
+hij, algemeen betreurd, ongehuwd, den 13 Junij 1640. Zijn jongere
+broeder<span class='pagenum'><a name="Page_497" id="Page_497">[497]</a></span></p>
+
+
+<p class="center">WILLEM FREDERIK, <i>Graaf</i> en daarna <i>Vorst</i> of <i>Prins van Nassau</i>, (1640)</p>
+
+<p>den 7 Augustus 1613 geboren, werd zijn opvolger, bij voorraad
+alleen als Stadhouder van Friesland, waartoe hij den 23 Julij 1640
+werd verkozen; terwijl Groningen en Drenthe Prins Frederik
+Hendrik en daarna Prins Willem II aanstelden en eerst in 1650
+hem als zoodanig verkozen. Hij vergezelde zijn broeder op vele
+veldtogten, en gaf daarbij blijken van ongemeenen moed en groote
+bekwaamheden in het krijgswezen. Vooral bij de belegering van
+Sas van Gent in 1644 gedroeg hij zich als een held. Willem II
+vertrouwde hem in 1647 den hagchelijken aanslag op Amsterdam
+toe. In 1652 trad hij in het huwelijk met Albertina Agnes,
+de dochter van Frederik Hendrik, die later, gedurende de minderjarigheid
+van haren zoon, met veel roem als Voogdes &#8217;s lands zaken
+behartigde. Door zijn braaf karakter en gematigd gedrag verwierf
+hij de genegenheid der Staten en des volks, waarvan hij vele
+bewijzen mogt ontvangen. In het laatste jaar zijns levens trok hij
+den Bisschop van Munster tegen en veroverde op hem de Dijlerschans.
+Hij stierf den 31 October 1664, nadat hij eenige dagen te voren
+zich zelven had gekwetst met een zadelpistool, hetwelk, eerst
+weigerende, bij het uittrekken van den stamper onverwacht losbrandde.
+Hij liet, nevens eene dochter, een zoon en opvolger na in</p>
+
+
+<p class="center">HENDRIK CASIMIR II, <i>Prins van Nassau</i>, (1679)</p>
+
+<p>geboren den 18 Januarij 1657, in 1672 tot Stadhouder en Kapitein-Generaal
+en in 1675 tot Erfstadhouder, mede door Groningen en
+Drenthe, verkoren, aanvaardde hij in 1679 het bewind. De opvoeding
+van zijne voortreffelijke moeder, het onderwijs aan &#8217;s lands
+Akademie te Franeker (1671) en de opleiding en het voorbeeld
+van den Generaal van Aylva vormden hem als staatsman en krijgsheld.
+Nog slechts 17 jaren oud was hij in den slag van Senef
+(1674) onafscheidelijk aan de zijde van Prins Willem III, hoewel
+een val met zijn paard daar zijne gezondheid voor het leven knakte.
+In 1689 tot tweeden Veldmaarschalk benoemd, handhaafde hij in
+de veldslagen van Fleurus, Steenkerke en Neerwinden den roem
+van den Nassauschen naam. Deze edelmoedige en voortreffelijke
+Vorst stierf in 1696, algemeen betreurd. In 1683 was hij in den
+echt verbonden met Prinses Amalia van Anhalt-Dessau, welke hij
+zeven dochters naliet, behalve een zoon en opvolger</p>
+
+
+<p class="center">JAN WILLEM FRISO, <i>Prins van Oranje en Nassau</i>. (1707)</p>
+
+<p>Kort was het leven, doch roemvol de loopbaan van dezen
+jeugdigen held, die het vaderland zooveel beloofde. Den 14
+Augustus 1687 geboren en dus bij het overlijden zijns doorluchtigen
+vaders slechts acht jaren oud, vond hij een tweeden vader in Prins
+Willem III, die hem tevens tot erfgenaam van het Prinsdom
+Oranje en van zijne nalatenschap verklaarde. Het bewind werd
+intusschen door zijne moeder als Voogdes waargenomen, tot dat hij<span class='pagenum'><a name="Page_498" id="Page_498">[498]</a></span>
+in 1707 het Stadhouderschap over Friesland en in 1708 over
+Groningen en Drenthe aanvaardde. Reeds had hij toen als vrijwilliger
+eenige togten in den Successie-oorlog mede gemaakt, doch geene
+gelegenheid gevonden om uit te munten. Nu tot Generaal verheven,
+toonde hij bij de belegering van onderscheidene sterke vestingen,
+doch vooral in de veldslagen bij Oudenaarden en Malplaquet, een
+beleid, eene onverschrokkenheid, een heldenmoed, welke het gansche
+vaderland verbaasden, en met vreugde deden zien, hoe
+roemrijk in den jeugdigen Frieschen telg der Nassausche Vorsten
+de dapperheid van den uitgestorven Oranjestam herleefde. Rouw,
+diepe rouw vervulde dus geheel Nederland en het leger der bondgenooten,
+toen deze held van zooveel verwachting&mdash;niet aan de
+spits zijner dapperen, maar op den 14 Julij 1711 bij het overvaren
+van het Hollandsche diep, in de golven den dood vond. Op dat
+oogenblik was er geene mannelijke spruit uit de huizen van Oranje
+en Nassau in Nederland meer over. Doch twee jaren te voren
+(26 Febr. 1709) was Prins Friso in het huwelijk getreden met de
+edele Prinses Maria Louisa van Hessen-Kassel, die, zes weken
+na het verliezen van haren diep betreurden gemaal, gelukkig van
+een zoon beviel, waarin de Vorstelijke stam tot heden bewaard bleef.</p>
+
+
+<p class="center">WILLEM CAREL HENDRIK FRISO,<br />
+<i>Prins van Oranje en Nassau</i>, (1731)</p>
+
+<p>werd op den 1 September 1711 te Leeuwarden geboren, en zag
+door zijne brave moeder en voortreffelijke leermeesters aan zijne
+opvoeding de meeste zorg besteed. Nadat die moeder het stadhouderlijk
+gezag gedurende twintig jaren als Voogdes had gevoerd,
+aanvaardde hij den 12 September 1731 het Erf-stadhouderschap en
+trouwde den 25 Maart 1734 met Anna, Kroonprinses van Groot-Brittanje.
+Na in 1718 tot Stadhouder van Groningen en in 1722 van
+Drenthe en Gelderland verkozen te zijn, zag hij zich in 1747 door
+de volksstem eensklaps tot Erfstadhouder van al de overige provinci&euml;n
+uitgeroepen en als <i>Willem de vierde</i> met waardigheden overladen.
+Onder het wigt van zooveel staatszorg, bij zooveel ijver om &#8217;s lands
+belang in alle opzigten te bevorderen, bezweek de edele Prins reeds
+den 22 October 1751. Den 4 Februarij 1752 werd zijn gebalsemd
+lijk te Delft bijgezet.</p>
+
+
+<p class="center">WILLEM <i>de vijfde,<br />
+Prins van Oranje en Nassau</i>, (1766)</p>
+
+<p>geboren te &#8217;s Gravenhage den 8 Maart 1748, aanvaardde het Stadhouderschap
+over al de gewesten den 8 Maart 1766 en werd den 4
+October 1767 in den echt verbonden met Frederika Sophia Wilhelmina,
+Prinses van Pruissen. Na, ten gevolge der hooggestegen staatsgeschillen,
+in 1787 door de Pruissische legermagt in zijn gezag hersteld
+te zijn, was hij, bij het aanrukken van de Franschen, den 20
+Januarij 1795 genoodzaakt, het vaderland te verlaten en de wijk
+te nemen naar Engeland. Hij overleed te Brunswijk in 1806.</p>
+
+<p class='pagenum'><a name="Page_499" id="Page_499">[499]</a></p>
+
+
+
+<p class="figcenter"><img src="images/lijn5.png" alt="Versiering" width="100" height="10" /></p>
+<h2>ZESDE TIJDVAK.</h2>
+
+<p class="chaptitle"><i>De Koninklijke Regering.</i></p>
+
+<p class="chapsubtitle">1813-1851.</p>
+
+
+<p class="center">WILLEM I,<br />
+of WILLEM FREDERIK,<br />
+<i>Prins van Oranje en Nassau enz.</i></p>
+
+<p>werd den 24 Augustus 1772 te &#8217;s Gravenhage geboren en huwde
+den 1 October 1791 te Berlijn Frederika Louisa Wilhelmina,
+Prinses van Pruissen. Na zich in de krijgsdienst eervol te hebben
+onderscheiden, zag ook hij zich verpligt in 1795 te vlugten, en
+gedurende 18 jaren de smart der ballingschap te verduren. Des te
+verblijdender was in het laatst van 1813 zijne terugroeping in het
+vaderland, dat, de Fransche overheersching moede, uitzag naar
+herstel en dat hem weldra als Souverein Vorst huldigde (30 Maart
+1814). Door de vereeniging van ons land met Belgi&euml; tot Koning
+der Nederlanden verheven en den 18 Maart 1815 gehuldigd, was
+het Huis van Oranje in hem tot een vroeger nooit gekenden luister
+gestegen. Onbepaald vertrouwen en liefde ondersteunden gedurende
+vele jaren de pogingen, welke hij tot herstel en verheffing des
+vaderlands aanwendde. Schitterende blijken ontving hij daarvan
+van Noord-Nederland bij den opstand der Belgen in 1830. Te
+vergeefs trachtte hij die breuk te herstellen. Zware opofferingen
+had de natie daarvoor veil. Na op den 8 October 1840 afstand
+van de regering te hebben gedaan, overleed Koning Willem Frederik,
+Graaf van Nassau, den 12 December 1843 te Berlijn, en
+werd den 2 Januarij 1844 plegtig te Delft bijgezet.</p>
+
+
+<p class="center">WILLEM II,<br />
+of WILLEM FREDERIK GEORGE LODEWIJK,<br />
+<i>Prins van Oranje en Nassau enz.</i></p>
+
+<p>was geboren te &#8217;s Gravenhage den 6 December 1793, deelde de
+ballingschap met zijne ouders, doch vond eerlang in Engelsche
+dienst gelegenheid zich als krijgsman te onderscheiden. Daarvan
+gaf hij mede, na de herstelling des vaderlands, eervolle blijken in den
+slag van Waterloo, 1815, gelijk in 1831 in den tiendaagschen
+veldtogt. Den 21 Februarij 1816 gehuwd aan Anna Polowna,
+Grootvorstin van Rusland, werd hij den 28 November 1840 plegtig
+als Koning gehuldigd. Nadat hij den 13 Maart 1848 het
+merkwaardig besluit nam tot herziening van de Grondwet, overleed
+hij reeds den 17 Maart 1849 te Tilburg. De plegtige begrafenis
+te Delft had op den 4 April plaats.</p>
+
+
+<p class="center"><span class='pagenum'><a name="Page_500" id="Page_500">[500]</a></span>WILLEM III,<br />
+of WILLEM ALEXANDER PAUL FREDERIK
+LODEWIJK,<br /><i>Prins van Oranje en Nassau enz.</i></p>
+
+<p>geboren te Brussel den 19 Februarij 1817 en den 19 Junij 1839
+gehuwd met Sophia Frederika Mathilda, Prinses van Wurtemberg,
+volgde hem op, en werd op den 12 Mei 1849 te Amsterdam
+gehuldigd. Op den 19 April 1852 deed hij zijne plegtige intrede
+in Friesland. Zijn oudste zoon, Prins Willem Nicolaas Alexander
+Frederik Karel Hendrik, geboren den 4 September 1840, bezocht
+dit gewest in Julij 1851.</p>
+
+
+<h5><i>Gouverneurs.</i></h5>
+
+
+<p class="center">Jhr. <span class="smcap">i. &aelig;binga van humalda</span>,</p>
+
+<p>geboren te Leeuwarden den 12 September 1754, in 1780 Raad
+in den Hove en in 1791 Grietman van Hennaarderadeel, deelde van
+1795 tot 1806 met het Huis van Oranje de ballingschap. Sedert
+1811 Maire van de gemeente Wommels, werd hij den 6 April
+1814 door den Souvereinen Vorst benoemd tot Gouverneur van
+Friesland. Ten jare 1826 eervol ontslagen en tot Staatsraad in
+buitengewone dienst benoemd, mogt hij tot den 19 Februarij 1834
+de vruchten van een welbesteed leven smaken. Op het kerkhof
+te Dronrijp werd hij begraven.</p>
+
+
+<p class="center"><span class="smcap">jan adriaan</span> <i>Baron</i> <span class="smcap">van zuijlen van nijevelt</span>,</p>
+
+<p>geboren den 25 Augustus 1776 te Rotterdam, was Griffier der
+Staten van Holland, toen hij bij Kon. besluit van 3 November
+1826 benoemd werd tot Gouverneur dezer provincie, welke waardigheid
+hij eervol bekleedde tot aan zijn dood op den 29 Maart
+1840.</p>
+
+
+<p class="center"><span class="smcap">maurits pico diderik</span> <i>Baron</i> <span class="smcap">van sytzama</span>,</p>
+
+<p>geboren den 2 Junij 1789, was Grietman van Idaarderadeel, Lid
+van de Staten en daarna van de Tweede Kamer der Staten
+Generaal en Staatsraad, toen hij den 12 October 1840 zijne benoeming
+ontving tot Gouverneur. Slechts bijna acht jaren behartigde
+hij in die betrekking de belangen dezer provincie, daar hij
+reeds den 15 Julij 1848 overleed en te Friens werd begraven.</p>
+
+
+<p class="center">Jhr. Mr. <span class="smcap">jan ernst van panhuijs</span>,</p>
+
+<p>geboren te Groningen den 12 Julij 1808, was van 1838 tot 1848
+Lid van de Arrondissements Regtbank te Winschoten en sedert
+1840 Lid van de Tweede Kamer der Staten Generaal, toen hij
+bij Kon. besluit van den 3 November 1848 benoemd werd tot
+Gouverneur van dit gewest, dat thans zijn ijver en zorg voor
+deszelfs belang op hoogen prijs stelt.</p>
+
+<p class='pagenum'><a name="Page_501" id="Page_501">[501]</a></p>
+<h2>INHOUD EN VERDEELING.</h2>
+<p class="figcenter"><img src="images/lijn3.png" alt="Versiering" width="100" height="12" /></p>
+
+<table style="width: 90%;" summary="ToC tekst">
+
+<tr>
+<td colspan="3" class="left top">Inleiding</td>
+<td class="right bot">&nbsp;bl.&nbsp;<a href="#Page_1">1</a>.</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td colspan="3" class="left top">Verdeeling en orde van behandeling</td>
+<td class="right bot"><a href="#Page_xxviii">5</a>.</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td colspan="4" class="blank">&nbsp;</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td colspan="4" class="center"><b>EERSTE TIJDVAK.</b></td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td colspan="4" class="center"><span class="gesp">Het Oude Friesland.</span></td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td colspan="4" class="center"><i>Van de vroegste tijden tot Keizer Karel den groote.</i></td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td colspan="4" class="center">Van het jaar 11 voor- tot omstreeks 800 na Chr.</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td colspan="4" class="blank">&nbsp;</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td class="right top">1.&nbsp;</td>
+<td colspan="2" class="left top">De Afkomst der Friezen,</td>
+<td class="right bot">&nbsp;bl.&nbsp;<a href="#Page_6">6</a>.</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td class="right top">2.&nbsp;</td>
+<td colspan="2" class="left top">De omvang en toestand van het Oude Friesland</td>
+<td class="right bot"><a href="#Page_9">9</a>.</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td class="right top">3.&nbsp;</td>
+<td colspan="2" class="left top">De Oude Friezen</td>
+<td class="right bot"><a href="#Page_12">12</a>.</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td class="right top">4.&nbsp;</td>
+<td colspan="2" class="left top">Der Friezen verbond met- en opstand tegen de Romeinen, 11 j. voor en 28 j. na Chr.</td>
+<td class="right bot"><a href="#Page_14">14</a>.</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td class="right top">5.&nbsp;</td>
+<td colspan="2" class="left top">De Gevolgen van der Friezen verkeer met de Romeinen</td>
+<td class="right bot"><a href="#Page_17">17</a>.</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td class="right top">6.&nbsp;</td>
+<td colspan="2" class="left top">Der Friezen Afgezanten te Rome, 59</td>
+<td class="right bot"><a href="#Page_19">19</a>.</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td class="right top">7.&nbsp;</td>
+<td colspan="2" class="left top">Uitbreiding van Friesland, 240-455</td>
+<td class="right bot"><a href="#Page_20">20</a>.</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td class="right top">8.&nbsp;</td>
+<td colspan="2" class="left top">Der Friezen togt naar Brittani&euml;, 449</td>
+<td class="right bot"><a href="#Page_23">23</a>.</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td class="right top">9.&nbsp;</td>
+<td colspan="2" class="left top">De strijd der Friezen tegen de Franken</td>
+<td class="right bot"><a href="#Page_25">25</a>.</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td class="right top">10.&nbsp;</td>
+<td colspan="2" class="left top">De pogingen der Franken ter invoering van de Christel. Godsdienst, 630-800</td>
+<td class="right bot"><a href="#Page_26">26</a>.</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td colspan="4" class="blank">&nbsp;</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td colspan="4" class="center"><b>TWEEDE TIJDVAK.</b></td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td colspan="4" class="center"><span class="gesp">Het Vr&#307;e Friesland.</span></td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td colspan="4" class="center"><i>Van Keizer Karel den groote tot Hertog Albert van Saksen.</i></td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td colspan="4" class="center">Van omstreeks 800 tot 1498.</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td colspan="4" class="blank">&nbsp;</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td class="right top">11.&nbsp;</td>
+<td colspan="2" class="left top">De Friezen tijdens Karel den groote</td>
+<td class="right bot">&nbsp;bl.&nbsp;<a href="#Page_35">35</a>.</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td class="right top">12.&nbsp;</td>
+<td colspan="2" class="left top">Invloed der Franken en der vestiging van het Christendom</td>
+<td class="right bot"><a href="#Page_38">38</a>.</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td class="right top">13.&nbsp;</td>
+<td colspan="2" class="left top">De invallen der Denen en Noormannen, 520-1010</td>
+<td class="right bot"><a href="#Page_43">43</a>.</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td class="right top">14.&nbsp;</td>
+<td colspan="2" class="left top">Het Verbond der Zeven Vrije Friesche Zeelanden</td>
+<td class="right bot"><a href="#Page_49">49</a>.</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td class="right top">15.&nbsp;</td>
+<td colspan="2" class="left top">Veranderingen in den toestand des bodems. Watervloeden, de Zuiderzee, de Middelzee enz.</td>
+<td class="right bot"><a href="#Page_56">56</a>.</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td class="right top">16.&nbsp;</td>
+<td colspan="2" class="left top">Der Friezen aandeel in de Kruistogten naar het Heilige land, 1096-1270</td>
+<td class="right bot"><a href="#Page_65">65</a>.</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td class="right top">17.&nbsp;</td>
+<td colspan="2" class="left top">Veranderingen in den toestand des volks,
+en de vestiging van Gemeenten en Steden gedurende en na de Kruistogten</td>
+<td class="right bot"><a href="#Page_75">75</a>.</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td class="right top">18.&nbsp;</td>
+<td colspan="2" class="left top">De Friesche Geestelijkheid, Kerken en Kloosters in de middeleeuwen</td>
+<td class="right bot"><a href="#Page_84">84</a>.</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td class="right top">19.&nbsp;</td>
+<td colspan="2" class="left top">De Partijschappen tusschen de Schieringers en etkoopers, 1300-1498</td>
+<td class="right bot"><a href="#Page_93">93</a>.</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td class="right top">20.&nbsp;</td>
+<td colspan="2" class="left top">Aanvallen der Bisschoppen van Utrecht en der Graven van Holland op der Friezen vrijheid</td>
+<td class="right bot"><a href="#Page_99">99</a>.</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td class="right top">21.&nbsp;</td>
+<td colspan="2" class="left top">Oorzaken van het verlies der onafhankelijkheid</td>
+<td class="right bot"><a href="#Page_123">123</a>.</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td colspan="4" class="blank">&nbsp;</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td colspan="4" class="center"><b>DERDE TIJDVAK.</b></td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td colspan="4" class="center"><span class="gesp">Friesland bestuurd namens vreemde Vorsten.</span></td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td colspan="4" class="center"><i>Van Albert van Saksen tot de Hervorming.</i></td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td colspan="4" class="center">1498-1580.</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td colspan="4" class="blank">&nbsp;</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td class="right top">22.&nbsp;</td>
+<td colspan="2" class="left top">Friesland onder het bestuur der Hertogen van Saksen, 1498-1515</td>
+<td class="right bot">&nbsp;bl.&nbsp;<a href="#Page_129">129</a>.</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td class="right top">23.&nbsp;</td>
+<td colspan="2" class="left top">De Gelderschen in Friesland, 1514-1523</td>
+<td class="right bot"><a href="#Page_135">135</a>.</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td class="right top">24.&nbsp;</td>
+<td colspan="2" class="left top"><span class='pagenum'><a name="Page_502" id="Page_502">[502]</a></span>Krijgsbedrijven
+van Groote Pier, 1515-1520,</td>
+<td class="right bot"><a href="#Page_138">138</a>.</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td class="right top">25.&nbsp;</td>
+<td colspan="2" class="left top">Frieslands voorspoed onder de regering der Stadhouders van Keizer Karel V</td>
+<td class="right bot"><a href="#Page_147">147</a>.</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td class="right top">26.&nbsp;</td>
+<td colspan="2" class="left top">Schets van den toestand van Friesland omstreeks 1530</td>
+<td class="right bot"><a href="#Page_151">151</a>.</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td class="right top">27.&nbsp;</td>
+<td colspan="2" class="left top">Schets van de zeden der Friezen omstreeks 1530</td>
+<td class="right bot"><a href="#Page_152">152</a>.</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td class="right top">28.&nbsp;</td>
+<td colspan="2" class="left top">Merkwaardige Personen, uit het midden der 16<sup>e</sup> eeuw</td>
+<td class="right bot"><a href="#Page_155">155</a>.</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td class="right top">29.&nbsp;</td>
+<td colspan="2" class="left top">De Regering van Koning Filips van Spanje, 1555-1580</td>
+<td class="right bot"><a href="#Page_160">160</a>.</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td class="right top">30.&nbsp;</td>
+<td colspan="2" class="left top">Beginselen der Kerkhervorming; Geloofsvervolgingen; de Doopsgezinden. 1520-1560</td>
+<td class="right bot"><a href="#Page_162">162</a>.</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td class="right top">31.&nbsp;</td>
+<td colspan="2" class="left top">De Hervorming een tijdlang ingevoerd, maar weder onderdrukt, 1566</td>
+<td class="right bot"><a href="#Page_174">174</a>.</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td class="right top">32.&nbsp;</td>
+<td colspan="2" class="left top">Aandeel van den Frieschen Adel in het Verbond der Nederlandsche Edelen, 1565</td>
+<td class="right bot"><a href="#Page_179">179</a>.</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td class="right top">33.&nbsp;</td>
+<td colspan="2" class="left top">Herstelling van de Friesche Zeeweringen onder Caspar de Robles, 1574</td>
+<td class="right bot"><a href="#Page_184">184</a>.</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td class="right top">34.&nbsp;</td>
+<td colspan="2" class="left top">Strijd en Zegepraal der Vrijheid en der Hervorming, 1568-1580</td>
+<td class="right bot"><a href="#Page_190">190</a>.</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td colspan="4" class="blank">&nbsp;</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td colspan="4" class="center"><b>VIERDE TIJDVAK.</b></td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td colspan="4" class="center"><span class="gesp">Friesland onder het bestuur
+der Staten en der Stadhouders uit het Huis van Nassau.</span></td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td colspan="4" class="center"><i>Van de Hervorming tot de Staats-omwenteling.</i></td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td colspan="4" class="center">1580-1795.</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td colspan="4" class="blank">&nbsp;</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td class="right top">35.&nbsp;</td>
+<td colspan="2" class="left top">De vestiging van den nieuwen Staat, 1580-1648,</td>
+<td class="right bot">&nbsp;bl.&nbsp;<a href="#Page_197">197</a>.</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td class="right top">36.&nbsp;</td>
+<td colspan="2" class="left top">De Regeringsvorm van Friesland, tijdens de Republiek</td>
+<td class="right bot"><a href="#Page_222">222</a>.</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td class="right top">37.&nbsp;</td>
+<td colspan="2" class="left top">Strijd tegen buitenlandsche gevaren bij binnenlandsche
+welvaart, tusschen den Munsterschen en Utrechtschen vrede, 1648-1713</td>
+<td class="right bot"><a href="#Page_245">245</a>.</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td>&nbsp;</td>
+<td colspan="2" class="left top">De Engelsche Oorlogen</td>
+<td class="right bot"><a href="#Page_247">247</a>.</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td>&nbsp;</td>
+<td colspan="2" class="left top">De Oorlogen met Frankrijk</td>
+<td class="right bot"><a href="#Page_264">264</a>.</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td class="right top">38.&nbsp;</td>
+<td colspan="2" class="left top">Aanwas en Verbeteringen in den toestand van
+Frieslands bodem. Waterstaat, Openbare werken, Nijverheid enz.</td>
+<td class="right bot"><a href="#Page_309">309</a>.</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td>&nbsp;</td>
+<td class="left top"><i>a.</i></td>
+<td class="left top">Aanwas. Bedijkingen</td>
+<td class="right bot"><a href="#Page_311">311</a>.</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td>&nbsp;</td>
+<td class="left top"><i>b.</i></td>
+<td class="left top">Bedijkingen van Meren</td>
+<td class="right bot"><a href="#Page_319">319</a>.</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td>&nbsp;</td>
+<td class="left top"><i>c.</i></td>
+<td class="left top">Polders</td>
+<td class="right bot"><a href="#Page_321">321</a>.</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td>&nbsp;</td>
+<td class="left top"><i>d.</i></td>
+<td class="left top">Groote Veenkanalen, Ontginningen enz.</td>
+<td class="right bot"><a href="#Page_323">323</a>.</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td>&nbsp;</td>
+<td class="left top"><i>e.</i></td>
+<td class="left top">Vergraving van de lage Veenen</td>
+<td class="right bot"><a href="#Page_330">330</a>.</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td>&nbsp;</td>
+<td class="left top"><i>f.</i></td>
+<td class="left top">Nieuwe Vaarten en Wegen</td>
+<td class="right bot"><a href="#Page_332">332</a>.</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td>&nbsp;</td>
+<td class="left top"><i>g.</i></td>
+<td class="left top">Landbouw, Handel, Scheepvaart en Nijverheid</td>
+<td class="right bot"><a href="#Page_335">335</a>.</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td class="right top">39.&nbsp;</td>
+<td colspan="2" class="left top">De Kerkelijke Belangen van Friesland</td>
+<td class="right bot"><a href="#Page_339">339</a>.</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td>&nbsp;</td>
+<td class="left top"><i>a.</i></td>
+<td class="left top">De Hervormde Kerk</td>
+<td class="right bot"><a href="#Page_339">339</a>.</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td>&nbsp;</td>
+<td class="left top"><i>b.</i></td>
+<td class="left top">De Doopsgezinden</td>
+<td class="right bot"><a href="#Page_360">360</a>.</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td>&nbsp;</td>
+<td class="left top"><i>c.</i></td>
+<td class="left top">De Lutherschen</td>
+<td class="right bot"><a href="#Page_374">374</a>.</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td>&nbsp;</td>
+<td class="left top"><i>d.</i></td>
+<td class="left top">De Roomsch Katholijk.</td>
+<td class="right bot"><a href="#Page_379">379</a>.</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td>&nbsp;</td>
+<td class="left top"><i>e.</i></td>
+<td class="left top">De Joden</td>
+<td class="right bot"><a href="#Page_385">385</a>.</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td class="right top">40.&nbsp;</td>
+<td colspan="2" class="left top">Frieslands Roem in Kunsten en Wetenschappen</td>
+<td class="right bot"><a href="#Page_387">387</a>.</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td>&nbsp;</td>
+<td class="left top"><i>a.</i></td>
+<td class="left top">De Hoogeschool te Franeker</td>
+<td class="right bot"><a href="#Page_388">388</a>.</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td>&nbsp;</td>
+<td class="left top"><i>b.</i></td>
+<td class="left top">Godgeleerden</td>
+<td class="right bot"><a href="#Page_393">393</a>.</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td>&nbsp;</td>
+<td class="left top"><i>c.</i></td>
+<td class="left top">Regtsgeleerden</td>
+<td class="right bot"><a href="#Page_395">395</a>.</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td>&nbsp;</td>
+<td class="left top"><i>d.</i></td>
+<td class="left top">Genees-, Heel- en Verloskundigen</td>
+<td class="right bot"><a href="#Page_397">397</a>.</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td>&nbsp;</td>
+<td class="left top"><i>e.</i></td>
+<td class="left top">Wis- en Natuurkundig.</td>
+<td class="right bot"><a href="#Page_397">397</a>.</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td>&nbsp;</td>
+<td class="left top"><i>f.</i></td>
+<td class="left top">Geschiedschrijvers</td>
+<td class="right bot"><a href="#Page_399">399</a>.</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td>&nbsp;</td>
+<td class="left top"><i>g.</i></td>
+<td class="left top">Letterkundigen</td>
+<td class="right bot"><a href="#Page_400">400</a>.</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td>&nbsp;</td>
+<td class="left top"><i>h.</i></td>
+<td class="left top">Dichters</td>
+<td class="right bot"><a href="#Page_401">401</a>.</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td>&nbsp;</td>
+<td class="left top"><i>i.</i></td>
+<td class="left top">Schilders, Teekenaars en Graveurs</td>
+<td class="right bot"><a href="#Page_405">405</a>.</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td class="right top">41.&nbsp;</td>
+<td colspan="2" class="left top">Vrede en Voorspoed verheffen&mdash;Zorgeloosheid
+en Partijschappen ontbinden den Staat. Van den Utrechtschen Vrede tot de Staats-omwenteling, 1713-1795</td>
+<td class="right bot"><a href="#Page_407">407</a>.</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td colspan="4" class="blank">&nbsp;</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td colspan="4" class="center"><span class='pagenum'><a name="Page_503" id="Page_503">[503]</a></span><b>VIJFDE TIJDVAK.</b></td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td colspan="4" class="center"><span class="gesp">Friesland t&#307;dens de volksregering en de Fransche overheersching.</span></td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td colspan="4" class="center"><i>Van de Omwenteling tot de herstelling van Nederland.</i></td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td colspan="4" class="center">1795-1813.</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td colspan="4" class="blank">&nbsp;</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td class="right top">42.&nbsp;</td>
+<td colspan="2" class="left top">De Staats-omwenteling en hare gevolgen, 1795-1798</td>
+<td class="right bot">&nbsp;bl.&nbsp;<a href="#Page_427">427</a>.</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td class="right top">43.&nbsp;</td>
+<td colspan="2" class="left top">De val der Republiek en vernietiging van ons volksbestaan, 1799-1813</td>
+<td class="right bot"><a href="#Page_435">435</a>.</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td colspan="4" class="blank">&nbsp;</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td colspan="4" class="center"><b>ZESDE TIJDVAK.</b></td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td colspan="4" class="center"><span class="gesp">Het Nieuwe Friesland, onder de Koninklijke Regering.</span></td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td colspan="4" class="center"><i>Van de herstelling van Nederland tot op de nieuwe regeling van het Gemeentewezen.</i></td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td colspan="4" class="center">1813-1851.</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td colspan="4" class="blank">&nbsp;</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td class="right top">44.&nbsp;</td>
+<td colspan="2" class="left top">Bevrijding en Vestiging van den Nederlandschen Staat, 1813-1816</td>
+<td class="right bot">&nbsp;bl.&nbsp;<a href="#Page_440">440</a>.</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td class="right top">45.&nbsp;</td>
+<td colspan="2" class="left top">De jongste lotgevallen van Friesland, 1816-1851</td>
+<td class="right bot"><a href="#Page_443">443</a>.</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td>&nbsp;</td>
+<td colspan="2" class="left top">Besluit</td>
+<td class="right bot"><a href="#Page_447">447</a>.</td>
+</tr>
+
+</table>
+
+<h2>AANTEEKENINGEN,
+OPHELDERINGEN <span class="smcap">en</span> BIJVOEGSELS.</h2>
+
+<table style="width: 90%;" summary="ToC bijvoegsels">
+
+<tr>
+<td class="right top">1.&nbsp;</td>
+<td class="left top">De Oude Toestand van Friesland</td>
+<td class="right bot">&nbsp;bl.&nbsp;<a href="#Page_451">451</a>.</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td class="right top">2.&nbsp;</td>
+<td class="left top">Oudste Bronnen</td>
+<td class="right bot"><a href="#Page_452">452</a>.</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td class="right top">3.&nbsp;</td>
+<td class="left top">Oude Handels-geschieden.</td>
+<td class="right bot"><a href="#Page_452">452</a>.</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td class="right top">4.&nbsp;</td>
+<td class="left top">De Oude Grenzen van Friesland</td>
+<td class="right bot"><a href="#Page_453">453</a>.</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td class="right top">5.&nbsp;</td>
+<td class="left top">De verovering van Brittanni&euml;</td>
+<td class="right bot"><a href="#Page_453">453</a>.</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td class="right top">6.&nbsp;</td>
+<td class="left top">Der Friezen strijd tegen de Franken</td>
+<td class="right bot"><a href="#Page_454">454</a>.</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td class="right top">7.&nbsp;</td>
+<td class="left top">Handels-verkeer</td>
+<td class="right bot"><a href="#Page_455">455</a>.</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td class="right top">8.&nbsp;</td>
+<td class="left top">Aard der Friesche Vrijheid</td>
+<td class="right bot"><a href="#Page_455">455</a>.</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td class="right top">9.&nbsp;</td>
+<td class="left top">Het Verbond der Zeeland.</td>
+<td class="right bot"><a href="#Page_457">457</a>.</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td class="right top">10.&nbsp;</td>
+<td class="left top">Veranderde toestand des lands, Zuiderzee</td>
+<td class="right bot"><a href="#Page_457">457</a>.</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td class="right top">11.&nbsp;</td>
+<td class="left top">De Friezen in de Kruistogten</td>
+<td class="right bot"><a href="#Page_458">458</a>.</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td class="right top">12.&nbsp;</td>
+<td class="left top">De Schieringers en de Vetkoopers</td>
+<td class="right bot"><a href="#Page_458">458</a>.</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td class="right top">13.&nbsp;</td>
+<td class="left top">De Aanvallen der Hollandsche Graven</td>
+<td class="right bot"><a href="#Page_460">460</a>.</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td class="right top">14.&nbsp;</td>
+<td class="left top">De toestand van Friesland in de 15<sup>e</sup> eeuw</td>
+<td class="right bot"><a href="#Page_461">461</a>.</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td class="right top">15.&nbsp;</td>
+<td class="left top">De Saksische Regering</td>
+<td class="right bot"><a href="#Page_462">462</a>.</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td class="right top">16.&nbsp;</td>
+<td class="left top">Groote Pier</td>
+<td class="right bot"><a href="#Page_462">462</a>.</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td class="right top">17.&nbsp;</td>
+<td class="left top">Worp van Thabor&#8217;s Kronyk</td>
+<td class="right bot"><a href="#Page_463">463</a>.</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td class="right top">18.&nbsp;</td>
+<td class="left top">Beroemde Friezen uit de 16<sup>e</sup> eeuw,</td>
+<td class="right bot"><a href="#Page_464">464</a>.</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td class="right top">19.&nbsp;</td>
+<td class="left top">De Geschiedenis der Kerkhervorming</td>
+<td class="right bot"><a href="#Page_464">464</a>.</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td class="right top">20.&nbsp;</td>
+<td class="left top">De Verbondene Edelen</td>
+<td class="right bot"><a href="#Page_465">465</a>.</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td class="right top">21.&nbsp;</td>
+<td class="left top">De Friesche Staatstwisten</td>
+<td class="right bot"><a href="#Page_466">466</a>.</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td class="right top">22.&nbsp;</td>
+<td class="left top">De Regeringsvorm</td>
+<td class="right bot"><a href="#Page_467">467</a>.</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td class="right top">23.&nbsp;</td>
+<td class="left top">De Friesche Zeehelden</td>
+<td class="right bot"><a href="#Page_469">469</a>.</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td class="right top">24.&nbsp;</td>
+<td class="left top">De Friezen aan den Rijn in 1672</td>
+<td class="right bot"><a href="#Page_472">472</a>.</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td class="right top">25.&nbsp;</td>
+<td class="left top">De Burgerwapening in 1672 en 1673</td>
+<td class="right bot"><a href="#Page_473">473</a>.</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td class="right top">26.&nbsp;</td>
+<td class="left top">De toestand der Kerk en des Volks</td>
+<td class="right bot"><a href="#Page_474">474</a>.</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td class="right top">27.&nbsp;</td>
+<td class="left top">Besluit</td>
+<td class="right bot"><a href="#Page_475">475</a>.</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td colspan="3" class="blank">&nbsp;</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td colspan="3" class="center"><b>BIJLAGEN.</b></td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td colspan="3" class="blank">&nbsp;</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td class="right top">I.&nbsp;</td>
+<td class="left top">Tijdrekenkundig Overzigt van de voornaamste Gebeurtenissen der Friesche Geschiedenis</td>
+<td class="right bot"><a href="#Page_477">477</a>.</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td class="right top">II.&nbsp;</td>
+<td class="left top">Tijdrekenkundig Overzigt van de Friesche Vorsten, Opperhoofden, Koningen, Stadhouders enz. van de
+vroegste tijden tot 1851</td>
+<td class="right bot"><a href="#Page_486">486</a>.</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td>&nbsp;</td>
+<td class="left top">Inhoud en Verdeeling</td>
+<td class="right bot"><a href="#Page_501">501</a>.</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td>&nbsp;</td>
+<td class="left top">Alphabetisch Register</td>
+<td class="right bot"><a href="#Page_504">504</a>.</td>
+</tr>
+
+</table>
+
+<p class='pagenum'><a name="Page_504" id="Page_504">[504]</a></p>
+
+<h2>ALPHABETISCH REGISTER
+VAN DE
+VOORNAAMSTE GEBEURTENISSEN, ZAKEN
+<span class="smcap">en</span> PERSONEN.</h2>
+
+<ul class="register">
+
+<li>&nbsp;</li>
+<li class="letter">A.</li>
+<li>Aanwas van gronden, <a href="#Page_311">311</a>.</li>
+<li>Achtkarspelen, <a href="#Page_91">91</a>, <a href="#Page_330">330</a>.</li>
+<li>Adel (De Friesche), <a href="#Page_65">65</a>, <a href="#Page_77">77</a>, <a href="#Page_97">97</a>, <a href="#Page_126">126</a>, <a href="#Page_155">155</a>, <a href="#Page_178">178</a>, <a href="#Page_465">465</a>, <a href="#Page_466">466</a>.</li>
+<li>Adgild I (Koning), <a href="#Page_28">28</a>, <a href="#Page_489">489</a>.</li>
+<li>Adgild II (Koning), <a href="#Page_30">30</a>, <a href="#Page_489">489</a>.</li>
+<li>Admiraliteit (De Friesche), <a href="#Page_232">232</a>, <a href="#Page_248">248</a>, <a href="#Page_472">472</a>.</li>
+<li>Afkomst der Friezen, <a href="#Page_6">6</a>.</li>
+<li>Aken door de Friezen gewonnen, <a href="#Page_72">72</a>.</li>
+<li>Albertine Agnes (Prinses), <a href="#Page_217">217</a>, <a href="#Page_263">263</a>, <a href="#Page_278">278</a>, <a href="#Page_299">299</a>, <a href="#Page_497">497</a>.</li>
+<li>Albert van Saksen (Hertog), <a href="#Page_125">125</a>, <a href="#Page_129">129</a>, <a href="#Page_462">462</a>, <a href="#Page_492">492</a>.</li>
+<li>Albrecht van Beijeren (Togten van) naar Friesland, <a href="#Page_111">111</a>-<a href="#Page_121">121</a>, <a href="#Page_461">461</a>.</li>
+<li>Anna (Prinses), <a href="#Page_409">409</a>, <a href="#Page_418">418</a>, <a href="#Page_494">494</a>.</li>
+<li>Appelschaster vaart en veenen, <a href="#Page_326">326</a>-<a href="#Page_329">29</a>.</li>
+<li>Aremberg (Graaf van), <a href="#Page_177">177</a>, <a href="#Page_180">180</a>, <a href="#Page_190">190</a>, <a href="#Page_494">494</a>.</li>
+<li>Athen&aelig;eum te Franeker, <a href="#Page_443">443</a>, <a href="#Page_446">446</a>.</li>
+<li>Aylva (Hans Willem Baron van) Generaal, <a href="#Page_258">258</a>-<a href="#Page_297">297</a>, <a href="#Page_471">471</a>, <a href="#Page_472">472</a>.</li>
+<li>Aylva (Hobbe van), Generaal, <a href="#Page_412">412</a>.</li>
+<li class="letter">B.</li>
+<li>Baduhenna (het woud), <a href="#Page_15">15</a>, <a href="#Page_452">452</a>.</li>
+<li>Bedijkingen. Zie <a href="#Dijken">Dijken</a>.</li>
+<li>Beeldenstorm (De), <a href="#Page_175">175</a>.</li>
+<li>Bekker (Balthazar), <a href="#Page_279">279</a>, <a href="#Page_351">351</a>.</li>
+<li>Beroemde Mannen, <a href="#Page_157">157</a>, <a href="#Page_388">388</a>, <a href="#Page_464">464</a>, <a href="#Page_469">469</a>.</li>
+<li>Bevolking van Friesland, <a href="#Page_468">468</a>, <a href="#Page_475">475</a>.</li>
+<li>Bildt (Het), <a href="#Page_62">62</a>, <a href="#Page_132">132</a>, <a href="#Page_312">312</a>.</li>
+<li>Binckes (Jacob), zeeheld, <a href="#Page_259">259</a>, <a href="#Page_296">296</a>, <a href="#Page_471">471</a>.</li>
+<li>Binckes (Jan), Kapitein, <a href="#Page_472">472</a>.</li>
+<li>Bisdom (Het) Leeuwarden opgerigt, <a href="#Page_175">175</a>, <a href="#Page_190">190</a>.</li>
+<li>Bisschoppen van Utrecht, <a href="#Page_41">41</a>, <a href="#Page_49">49</a>, <a href="#Page_91">91</a>, <a href="#Page_99">99</a>.</li>
+<li>Blokzijl door de Friezen veroverd, <a href="#Page_275">275</a>.</li>
+<li>Bolsward, <a href="#Page_62">62</a>, <a href="#Page_80">80</a>, <a href="#Page_148">148</a>, <a href="#Page_191">191</a>.</li>
+<li>Bonifacius, Geloofsverkondiger, <a href="#Page_31">31</a>.</li>
+<li>Bouma (Gellius Faber de), <a href="#Page_165">165</a>.</li>
+<li>Bourgondische (De) Regering, <a href="#Page_135">135</a>-<a href="#Page_150">150</a>, <a href="#Page_493">493</a>.</li>
+<li>Boxumer-slag (De), <a href="#Page_206">206</a>.</li>
+<li>Brittanni&euml; met hulp der Friezen veroverd, <a href="#Page_23">23</a>, <a href="#Page_453">453</a>.</li>
+<li>Brunsveldt, (Hendrik), Kapitein, <a href="#Page_253">253</a>, <a href="#Page_256">256</a>, <a href="#Page_470">470</a>.</li>
+<li class="letter">C.</li>
+<li>Charterboek (Het Vriesch), <a href="#Page_400">400</a>, <a href="#Page_467">467</a>.</li>
+<li>Christendom (Invoering van het), <a href="#Page_26">26</a>-<a href="#Page_42">42</a>, <a href="#Page_75">75</a>, <a href="#Page_84">84</a>.</li>
+<li>Coehoorn (Menno Baron van), <a href="#Page_296">296</a>, <a href="#Page_297">297</a>.</li>
+<li>Compagnons-vaarten, <a href="#Page_150">150</a>, <a href="#Page_324">324</a> env.</li>
+<li class="letter">D.</li>
+<li>Damiate door de Friezen veroverd, <a href="#Page_67">67</a>.</li>
+<li><span class='pagenum'><a name="Page_505" id="Page_505">[505]</a></span>Dekama (Juw), Potestaat, <a href="#Page_125">125</a>, <a href="#Page_491">491</a>.</li>
+<li>Denen en Noormannen, <a href="#Page_43">43</a>.</li>
+<li>Dichters (Beroemde Friesche), <a href="#Page_401">401</a>.</li>
+<li>Dokkum, <a href="#Page_32">32</a>, <a href="#Page_35">35</a>, <a href="#Page_68">68</a>, <a href="#Page_79">79</a>, <a href="#Page_120">120</a>, <a href="#Page_148">148</a>, <a href="#Page_232">232</a>, <a href="#Page_248">248</a>, <a href="#Page_346">346</a>.</li>
+<li>Dokkumerdiep en Nieuwe Zijlen, <a href="#Page_312">312</a>.</li>
+<li>Doopsgezinden (De), <a href="#Page_167">167</a>-174, <a href="#Page_354">354</a>, <a href="#Page_360">360</a>-<a href="#Page_373">373</a>.</li>
+<li>Dorestad, <a href="#Page_29">29</a>, <a href="#Page_35">35</a>.</li>
+<li>Douwe Aukes, zeeheld, <a href="#Page_250">250</a>.</li>
+<li>Dragten uitgebreid, <a href="#Page_324">324</a>.</li>
+<li><a name="Dijken" id="Dijken"></a>Dijken, <a href="#Page_18">18</a>, <a href="#Page_56">56</a>, <a href="#Page_61">61</a>, <a href="#Page_132">132</a>, <a href="#Page_184">184</a>-<a href="#Page_189">189</a>, <a href="#Page_238">238</a>, <a href="#Page_311">311</a>, <a href="#Page_319">319</a>.</li>
+<li>Dijksgeregten, <a href="#Page_238">238</a>.</li>
+<li class="letter">E.</li>
+<li>Edelen (De Friesche Verbondene), <a href="#Page_178">178</a>, <a href="#Page_465">465</a>.</li>
+<li>Eise Eisinga, <a href="#Page_399">399</a>, <a href="#Page_425">425</a>.</li>
+<li>Engelsche Oorlogen, <a href="#Page_247">247</a>, <a href="#Page_263">263</a>, <a href="#Page_266">266</a>, <a href="#Page_469">469</a>.</li>
+<li>Ernst Casimir (Graaf) van Nassau, <a href="#Page_211">211</a>, <a href="#Page_496">496</a>.</li>
+<li class="letter">F.</li>
+<li>Fabrijken en handwerken, <a href="#Page_35">35</a>, <a href="#Page_338">338</a>.</li>
+<li>Feest (Het) der Een- en Ondeelbaarheid, <a href="#Page_433">433</a>.</li>
+<li>Filips (Koning) van Spanje, <a href="#Page_160">160</a>, <a href="#Page_174">174</a>, <a href="#Page_195">195</a>, <a href="#Page_494">494</a>.</li>
+<li>Flie (Het), <a href="#Page_10">10</a>, <a href="#Page_58">58</a>, <a href="#Page_62">62</a>.</li>
+<li>Floreenschatting (Oorsprong der), <a href="#Page_133">133</a>.</li>
+<li>Franeker, <a href="#Page_80">80</a>, <a href="#Page_82">82</a>, <a href="#Page_131">131</a>, <a href="#Page_147">147</a>, <a href="#Page_177">177</a>, <a href="#Page_201">201</a>, <a href="#Page_338">338</a>, <a href="#Page_388">388</a>, <a href="#Page_398">398</a>, <a href="#Page_423">423</a>, <a href="#Page_473">473</a>.</li>
+<li>Franken (De), <a href="#Page_21">21</a>-<a href="#Page_41">41</a>, <a href="#Page_454">454</a>.</li>
+<li>Frankrijk (Oorlogen met), <a href="#Page_264">264</a>-<a href="#Page_308">308</a>, <a href="#Page_472">472</a>, <a href="#Page_473">473</a>.</li>
+<li>Franschen (Komst en bestuur der), <a href="#Page_429">429</a>-<a href="#Page_440">40</a>.</li>
+<li>Friso (De), heldendicht van van Haren, <a href="#Page_8">8</a>.</li>
+<li>Friso (Prins), Stamvader, <a href="#Page_8">8</a>, <a href="#Page_487">487</a>.</li>
+<li>Friso (Prins Jan Willem), <a href="#Page_300">300</a>-<a href="#Page_305">305</a>, <a href="#Page_497">497</a>.</li>
+<li class="letter">G.</li>
+<li>Geestelijkheid (De Friesche), <a href="#Page_84">84</a>-<a href="#Page_93">93</a>, <a href="#Page_163">163</a>, <a href="#Page_194">194</a>, <a href="#Page_340">340</a>.</li>
+<li>Gelder (Hertog Karel van), <a href="#Page_135">135</a>.</li>
+<li>Gemeentebesturen in Friesland, <a href="#Page_81">81</a>, <a href="#Page_235">235</a>, <a href="#Page_435">435</a>, <a href="#Page_436">436</a>, <a href="#Page_441">441</a>, <a href="#Page_442">442</a>, <a href="#Page_447">447</a>.</li>
+<li>Genees-, Heel- en Verloskundigen (Beroemde Friesche), <a href="#Page_397">397</a>.</li>
+<li>Generaliteit (Frieslands betrekking tot de), <a href="#Page_230">230</a>.</li>
+<li>Genootschap (Het Friesch), <a href="#Page_445">445</a>.</li>
+<li>Georg van Saksen (Hertog), <a href="#Page_132">132</a>, <a href="#Page_492">492</a>.</li>
+<li>Geschiedschrijvers (Beroemde Friesche), <a href="#Page_399">399</a>.</li>
+<li>Geuzen (De), <a href="#Page_179">179</a>, <a href="#Page_414">414</a>, <a href="#Page_465">465</a>.</li>
+<li>Godgeleerden (Beroemde Friesche), <a href="#Page_393">393</a>.</li>
+<li>Gorredijk aangelegd en versterkt, <a href="#Page_273">273</a>, <a href="#Page_282">282</a>, <a href="#Page_326">326</a>, <a href="#Page_474">474</a>.</li>
+<li>Graven van Holland (Aanvallen der), <a href="#Page_40">40</a>, <a href="#Page_49">49</a>, <a href="#Page_54">54</a>, <a href="#Page_99">99</a>-<a href="#Page_122">122</a>, <a href="#Page_460">460</a>.</li>
+<li>Grenzen van Friesland, <a href="#Page_9">9</a>, <a href="#Page_22">22</a>, <a href="#Page_50">50</a>, <a href="#Page_453">453</a>.</li>
+<li>Groningen, <a href="#Page_50">50</a>, <a href="#Page_54">54</a>, <a href="#Page_99">99</a>, <a href="#Page_124">124</a>, <a href="#Page_127">127</a>, <a href="#Page_130">130</a>, <a href="#Page_135">135</a>, <a href="#Page_195">195</a>, <a href="#Page_208">208</a>, <a href="#Page_210">210</a>, <a href="#Page_274">274</a>, <a href="#Page_277">277</a>.</li>
+<li>Groote Pier, <a href="#Page_138">138</a>-<a href="#Page_146">146</a>, <a href="#Page_462">462</a>.</li>
+<li>Grovestins (Togt van Frederik), <a href="#Page_307">307</a>.</li>
+<li>Gijsbert Jacobsz, <a href="#Page_403">403</a>.</li>
+<li class="letter">H.</li>
+<li>Handel, <a href="#Page_17">17</a>, <a href="#Page_35">35</a>, <a href="#Page_76">76</a>, <a href="#Page_149">149</a>, <a href="#Page_151">151</a>, <a href="#Page_335">335</a>, <a href="#Page_452">452</a>, <a href="#Page_455">455</a>.</li>
+<li>Harens (De van), Staatsmannen en Dichters, <a href="#Page_296">296</a>, <a href="#Page_396">396</a>, <a href="#Page_403">403</a>, <a href="#Page_410">410</a>, <a href="#Page_414">414</a>, <a href="#Page_465">465</a>.</li>
+<li>Harlingen, <a href="#Page_62">62</a>, <a href="#Page_80">80</a>, <a href="#Page_147">147</a>, <a href="#Page_187">187</a>, <a href="#Page_193">193</a>, <a href="#Page_194">194</a>, <a href="#Page_232">232</a>, <a href="#Page_248">248</a>, <a href="#Page_338">338</a>.</li>
+<li>Heerenveen, <a href="#Page_150">150</a>, <a href="#Page_273">273</a>, <a href="#Page_275">275</a>, <a href="#Page_281">281</a>, <a href="#Page_294">294</a>, <a href="#Page_324">324</a>, <a href="#Page_474">474</a>.</li>
+<li>Hendrik Casimir I (Graaf), <a href="#Page_213">213</a>, <a href="#Page_496">496</a>.</li>
+<li>Hendrik Casimir II (Prins), <a href="#Page_280">280</a>-<a href="#Page_299">299</a>, <a href="#Page_497">497</a>.</li>
+<li>Hendrik van Saksen (Hertog), <a href="#Page_130">130</a>, <a href="#Page_492">492</a>.</li>
+<li><span class='pagenum'><a name="Page_506" id="Page_506">[506]</a></span>Hendrik van Stolberg (Graaf), <a href="#Page_183">183</a>, <a href="#Page_493">493</a>.</li>
+<li>Herstelling van Nederland, <a href="#Page_440">440</a>.</li>
+<li>Hervormde (De) Kerk, <a href="#Page_175">175</a>, <a href="#Page_194">194</a>, <a href="#Page_219">219</a>, <a href="#Page_339">339</a>-<a href="#Page_360">360</a>, <a href="#Page_361">361</a>.</li>
+<li>Hervorming (Doorbreken van de), <a href="#Page_165">165</a>, <a href="#Page_176">176</a>, <a href="#Page_194">194</a>, <a href="#Page_339">339</a>.</li>
+<li>Hindeloopen, <a href="#Page_62">62</a>, <a href="#Page_80">80</a>, <a href="#Page_115">115</a>, <a href="#Page_118">118</a>, <a href="#Page_143">143</a>.</li>
+<li>Hof van Friesland (Het), <a href="#Page_132">132</a>, <a href="#Page_156">156</a>, <a href="#Page_192">192</a>, <a href="#Page_200">200</a>, <a href="#Page_227">227</a>.</li>
+<li>Hoogeschool te Franeker (De), <a href="#Page_201">201</a>, <a href="#Page_205">205</a>, <a href="#Page_219">219</a>, <a href="#Page_233">233</a>, <a href="#Page_340">340</a>, <a href="#Page_353">353</a>, <a href="#Page_388">388</a>, <a href="#Page_438">438</a>.</li>
+<li>Humalda (Jhr. I. &AElig;binga van), Gouverneur, <a href="#Page_442">442</a>, <a href="#Page_500">500</a>.</li>
+<li>Hunebedden, <a href="#Page_7">7</a>, <a href="#Page_64">64</a>.</li>
+<li class="letter">J.</li>
+<li>Joden (De), <a href="#Page_385">385</a>.</li>
+<li>Juw Juwinga, Potestaat, <a href="#Page_113">113</a>, <a href="#Page_491">491</a>.</li>
+<li class="letter">K.</li>
+<li>Kadaster ingevoerd, <a href="#Page_443">443</a>.</li>
+<li>Karel de groote, <a href="#Page_33">33</a>-<a href="#Page_41">41</a>, <a href="#Page_85">85</a>, <a href="#Page_456">456</a>, <a href="#Page_490">490</a>.</li>
+<li>Karel (Graaf) van Oostenrijk, <a href="#Page_135">135</a>-<a href="#Page_151">151</a>, <a href="#Page_160">160</a>, <a href="#Page_493">493</a>.</li>
+<li>Karel (Hertog) van Gelder, <a href="#Page_135">135</a>-<a href="#Page_145">145</a>.</li>
+<li>Keizers (De Duitsche), <a href="#Page_33">33</a>, <a href="#Page_36">36</a>, <a href="#Page_42">42</a>, <a href="#Page_49">49</a>, <a href="#Page_54">54</a>, <a href="#Page_73">73</a>, <a href="#Page_83">83</a>, <a href="#Page_99">99</a>, <a href="#Page_104">104</a>, <a href="#Page_122">122</a>, <a href="#Page_124">124</a>, <a href="#Page_125">125</a>.</li>
+<li>Kerkbestuur van Friesland, <a href="#Page_240">240</a>.</li>
+<li>Kerkelijke belangen van Friesland, <a href="#Page_339">339</a>-<a href="#Page_386">386</a>, <a href="#Page_474">474</a>.</li>
+<li>Kerken (Stichting van), <a href="#Page_84">84</a>-<a href="#Page_93">93</a>, <a href="#Page_127">127</a>.</li>
+<li>Kerkhervorming (De), <a href="#Page_162">162</a>, <a href="#Page_194">194</a>.</li>
+<li>Kinhem (De) of Reker, rivier, <a href="#Page_9">9</a>, <a href="#Page_10">10</a>, <a href="#Page_32">32</a>, <a href="#Page_49">49</a>.</li>
+<li>Kloosters (Stichting van), <a href="#Page_84">84</a>-<a href="#Page_93">93</a>, <a href="#Page_194">194</a>, <a href="#Page_340">340</a>.</li>
+<li>Kollumer Oproer, <a href="#Page_433">433</a>.</li>
+<li>Kollumerland aangewonnen, <a href="#Page_314">314</a>.</li>
+<li>Kruistogten (De), <a href="#Page_65">65</a>, <a href="#Page_75">75</a>, <a href="#Page_458">458</a>.</li>
+<li class="letter">L.</li>
+<li>Labadisten (De) in Friesland, <a href="#Page_352">352</a>.</li>
+<li>Lage Veenen vergraven, <a href="#Page_330">330</a>.</li>
+<li>Landbouw, <a href="#Page_13">13</a>, <a href="#Page_18">18</a>, <a href="#Page_34">34</a>, <a href="#Page_77">77</a>, <a href="#Page_88">88</a>, <a href="#Page_149">149</a>, <a href="#Page_151">151</a>, <a href="#Page_218">218</a>, <a href="#Page_335">335</a>.</li>
+<li>Langen (Otto van), Keizerlijk gezant, <a href="#Page_125">125</a>.</li>
+<li>Leenstelsel, <a href="#Page_36">36</a>, <a href="#Page_101">101</a>, <a href="#Page_119">119</a>, <a href="#Page_133">133</a>.</li>
+<li>Leeuwarden, <a href="#Page_62">62</a>, <a href="#Page_79">79</a>, <a href="#Page_126">126</a>, <a href="#Page_130">130</a>, <a href="#Page_132">132</a>, <a href="#Page_137">137</a>, <a href="#Page_147">147</a>, <a href="#Page_175">175</a>, <a href="#Page_179">179</a>, <a href="#Page_190">190</a>, <a href="#Page_193">193</a>, <a href="#Page_194">194</a>, <a href="#Page_199">199</a>, <a href="#Page_201">201</a>, <a href="#Page_271">271</a>, <a href="#Page_278">278</a>, <a href="#Page_234">234</a>, <a href="#Page_416">416</a>, <a href="#Page_429">429</a>, <a href="#Page_433">433</a>, <a href="#Page_441">441</a>.</li>
+<li>Lemmer (De), <a href="#Page_334">334</a>.</li>
+<li>Letterkundigen (Beroemde Friesche), <a href="#Page_400">400</a>.</li>
+<li>Lodewijk Napoleon, Koning van Holland, <a href="#Page_436">436</a>.</li>
+<li>Lutherschen (De Evang.), <a href="#Page_374">374</a>.</li>
+<li class="letter">M.</li>
+<li>Mantels (Friesche), <a href="#Page_36">36</a>.</li>
+<li>Maria Louisa (Prinses), <a href="#Page_303">303</a>, <a href="#Page_306">306</a>, <a href="#Page_419">419</a>.</li>
+<li>Martena (Duco), <a href="#Page_182">182</a>, <a href="#Page_191">191</a>, <a href="#Page_198">198</a>.</li>
+<li>Meren bedijkt, <a href="#Page_319">319</a>.</li>
+<li>Merode (Bernard van), <a href="#Page_199">199</a>, <a href="#Page_202">202</a>, <a href="#Page_495">495</a>.</li>
+<li>Middelzee (De), <a href="#Page_10">10</a>, <a href="#Page_50">50</a>, <a href="#Page_58">58</a>, <a href="#Page_61">61</a>.</li>
+<li>Munster (Oorlog met den Bisschop van), <a href="#Page_263">263</a>-<a href="#Page_295">295</a>.</li>
+<li>Munstersche Vrede (De), <a href="#Page_217">217</a>, <a href="#Page_245">245</a>.</li>
+<li class="letter">N.</li>
+<li>Napol&eacute;on (Keizer), <a href="#Page_436">436</a>-<a href="#Page_439">39</a>.</li>
+<li>Nedergeregten, <a href="#Page_235">235</a>, <a href="#Page_435">435</a>.</li>
+<li>Nieuwpoort (De Friezen in den slag van), <a href="#Page_209">209</a>.</li>
+<li>Noormannen (Invallen der), <a href="#Page_45">45</a>.</li>
+<li class="letter">O.</li>
+<li>Omwenteling van 1795, <a href="#Page_427">427</a>.</li>
+<li>Onderwijs. Zie <a href="#Scholen">Scholen</a>.</li>
+<li>Ontginningen, <a href="#Page_150">150</a>, <a href="#Page_323">323</a>, <a href="#Page_335">335</a>.</li>
+<li>Oost-Friezen, <a href="#Page_34">34</a>, <a href="#Page_51">51</a>, <a href="#Page_54">54</a>, <a href="#Page_135">135</a>, <a href="#Page_177">177</a>.</li>
+<li>Opstalsboom (De), <a href="#Page_51">51</a>.</li>
+<li><span class='pagenum'><a name="Page_507" id="Page_507">[507]</a></span>Oranjewoud (Het), <a href="#Page_424">424</a>.</li>
+<li class="letter">P.</li>
+<li>Paalworm (De), <a href="#Page_317">317</a>, <a href="#Page_408">408</a>.</li>
+<li>Panhuijs (Jhr. J. E. van), Gouverneur, <a href="#Page_446">446</a>, <a href="#Page_500">500</a>.</li>
+<li>Pier (Groote), <a href="#Page_138">138</a>-<a href="#Page_146">146</a>, <a href="#Page_462">462</a>.</li>
+<li>Pieter van Leeuwarden, <a href="#Page_140">140</a>.</li>
+<li>Polders aangelegd, <a href="#Page_321">321</a>, <a href="#Page_337">337</a>.</li>
+<li>Potestaten, <a href="#Page_82">82</a>, <a href="#Page_490">490</a>.</li>
+<li>Predikanten (Friesche), <a href="#Page_204">204</a>, <a href="#Page_241">241</a>, <a href="#Page_279">279</a>, <a href="#Page_341">341</a>.</li>
+<li class="letter">Q.</li>
+<li>Quota (Frieslands) in de Generaliteits lasten, <a href="#Page_222">222</a>, <a href="#Page_231">231</a>, <a href="#Page_289">289</a>.</li>
+<li class="letter">R.</li>
+<li>Radboud I (Koning), <a href="#Page_28">28</a>, <a href="#Page_489">489</a>.</li>
+<li>Radboud II (Koning), <a href="#Page_31">31</a>, <a href="#Page_489">489</a>.</li>
+<li>Regeringsvorm (Frieslands), <a href="#Page_81">81</a>, <a href="#Page_222">222</a>-<a href="#Page_244">244</a>, <a href="#Page_467">467</a>.</li>
+<li>Regtsgeleerden en Staatsmannen (Beroemde Friesche), <a href="#Page_157">157</a>, <a href="#Page_296">296</a>, <a href="#Page_395">395</a>.</li>
+<li>Reker (De) of Kinhem, rivier, <a href="#Page_9">9</a>, <a href="#Page_10">10</a>, <a href="#Page_32">32</a>, <a href="#Page_49">49</a>.</li>
+<li>Remonstranten in Friesland, <a href="#Page_344">344</a>, <a href="#Page_346">346</a>, <a href="#Page_363">363</a>.</li>
+<li>Rennenberg (De Graaf van), <a href="#Page_193">193</a>, <a href="#Page_198">198</a>, <a href="#Page_339">339</a>, <a href="#Page_495">495</a>.</li>
+<li>Robles (Caspar de), Stadhouder, <a href="#Page_186">186</a>-<a href="#Page_189">189</a>, <a href="#Page_192">192</a>, <a href="#Page_495">495</a>.</li>
+<li>Romeinen (De) in Friesland, <a href="#Page_14">14</a>.</li>
+<li>Roomsch Katholijken (De), <a href="#Page_379">379</a>.</li>
+<li>Roorda van Genum, <a href="#Page_69">69</a>.</li>
+<li class="letter">S.</li>
+<li>Saksers (De Oude), <a href="#Page_22">22</a>, <a href="#Page_34">34</a>, <a href="#Page_46">46</a>.</li>
+<li>Saksische (De) Vorsten en Regering, <a href="#Page_125">125</a>-<a href="#Page_135">135</a>, <a href="#Page_462">462</a>, <a href="#Page_492">492</a>.</li>
+<li>Schansen opgeworpen, <a href="#Page_201">201</a>, <a href="#Page_273">273</a>, <a href="#Page_282">282</a>.</li>
+<li>Scheepvaart der Friezen, <a href="#Page_18">18</a>, <a href="#Page_23">23</a>, <a href="#Page_35">35</a>, <a href="#Page_45">45</a>, <a href="#Page_67">67</a>, <a href="#Page_76">76</a>, <a href="#Page_79">79</a>, <a href="#Page_110">110</a>, <a href="#Page_149">149</a>, <a href="#Page_335">335</a>, <a href="#Page_468">468</a>.</li>
+<li>Schieringers en Vetkoopers (De partijschappen der), <a href="#Page_93">93</a>-<a href="#Page_99">99</a>, <a href="#Page_123">123</a>-<a href="#Page_128">128</a>, <a href="#Page_458">458</a>.</li>
+<li>Schilders, Teekenaars en Graveurs (Beroemde Friesche), <a href="#Page_405">405</a>.</li>
+<li><a name="Scholen" id="Scholen"></a>Scholen, <a href="#Page_38">38</a>, <a href="#Page_40">40</a>, <a href="#Page_156">156</a>, <a href="#Page_159">159</a>, <a href="#Page_204">204</a>, <a href="#Page_242">242</a>, <a href="#Page_351">351</a>, <a href="#Page_436">436</a>, <a href="#Page_475">475</a>.</li>
+<li>Schoterzijl, <a href="#Page_114">114</a>, <a href="#Page_316">316</a>.</li>
+<li>Simons (Menno), <a href="#Page_165">165</a>, <a href="#Page_167">167</a>.</li>
+<li>Sincfal (Het) of Zwin, <a href="#Page_22">22</a>.</li>
+<li>Slaperdijken aangelegd, <a href="#Page_317">317</a>.</li>
+<li>Slooten, <a href="#Page_194">194</a>, <a href="#Page_198">198</a>.</li>
+<li>Sneek, <a href="#Page_62">62</a>, <a href="#Page_80">80</a>, <a href="#Page_125">125</a>, <a href="#Page_136">136</a>, <a href="#Page_148">148</a>, <a href="#Page_177">177</a>, <a href="#Page_194">194</a>, <a href="#Page_287">287</a>.</li>
+<li>Staatstwisten, <a href="#Page_204">204</a>, <a href="#Page_221">221</a>, <a href="#Page_260">260</a>, <a href="#Page_283">283</a>-<a href="#Page_290">290</a>, <a href="#Page_415">415</a>, <a href="#Page_466">466</a>.</li>
+<li>Stadhouders (de Nassausche), <a href="#Page_202">202</a>, <a href="#Page_215">215</a>, <a href="#Page_217">217</a>, <a href="#Page_225">225</a>, <a href="#Page_246">246</a>.</li>
+<li>Starter (Jan Janszoon), <a href="#Page_402">402</a>.</li>
+<li>Staten (De Friesche), <a href="#Page_180">180</a>, <a href="#Page_195">195</a>, <a href="#Page_199">199</a>, <a href="#Page_200">200</a>, <a href="#Page_222">222</a>, <a href="#Page_285">285</a>, <a href="#Page_424">424</a>, <a href="#Page_442">442</a>.</li>
+<li>Stavoren, <a href="#Page_35">35</a>, <a href="#Page_37">37</a>, <a href="#Page_60">60</a>, <a href="#Page_63">63</a>, <a href="#Page_79">79</a>, <a href="#Page_105">105</a>, <a href="#Page_120">120</a>, <a href="#Page_193">193</a>.</li>
+<li>Steden (Ontstaan der), <a href="#Page_77">77</a>, <a href="#Page_99">99</a>.</li>
+<li>Steden (Regeringsvorm der), <a href="#Page_236">236</a>, <a href="#Page_261">261</a>, <a href="#Page_436">436</a>, <a href="#Page_441">441</a>.</li>
+<li>Stellingwerf (Auke), Lt.-Admiraal, <a href="#Page_253">253</a>, <a href="#Page_254">254</a>, <a href="#Page_469">469</a>.</li>
+<li>Stellingwerven (De), <a href="#Page_55">55</a>.</li>
+<li>Straatwegen aangelegd, <a href="#Page_445">445</a>.</li>
+<li>Stijl (Oude en Nieuwe), <a href="#Page_474">474</a>.</li>
+<li>Successie-Oorlog (Oostenrijksche), <a href="#Page_410">410</a>.</li>
+<li>&mdash;&mdash; (Spaansche), <a href="#Page_301">301</a>.</li>
+<li>Synode (Invloed der Dordsche), <a href="#Page_346">346</a>, <a href="#Page_354">354</a>.</li>
+<li>Sytzama (M. P. D. Baron van), Gouverneur, <a href="#Page_446">446</a>, <a href="#Page_500">500</a>.</li>
+<li class="letter">T.</li>
+<li>Taal (Friesche), <a href="#Page_25">25</a>, <a href="#Page_403">403</a>, <a href="#Page_453">453</a>.</li>
+<li>Tentoonstelling van voorwerpen van Friesche Nijverheid, <a href="#Page_446">446</a>.</li>
+<li>Terpen (De), <a href="#Page_13">13</a>, <a href="#Page_64">64</a>.</li>
+<li>Thabor (Peter en Worp van), Kronykschrijvers, <a href="#Page_145">145</a>, <a href="#Page_156">156</a>, <a href="#Page_159">159</a>, <a href="#Page_465">465</a>.</li>
+<li>Toestand (Oude) van Friesland, <a href="#Page_9">9</a>, <a href="#Page_56">56</a>, <a href="#Page_451">451</a>, <a href="#Page_457">457</a>.</li>
+<li>Trekwegen aangelegd, <a href="#Page_332">332</a>.</li>
+<li>Turfgraverijen, <a href="#Page_150">150</a>, <a href="#Page_323">323</a>-<a href="#Page_332">332</a>, <a href="#Page_336">336</a>.</li>
+<li class="letter">U.</li>
+<li>Utrecht, <a href="#Page_27">27</a>, <a href="#Page_35">35</a>, <a href="#Page_38">38</a>.</li>
+<li><span class='pagenum'><a name="Page_508" id="Page_508">[508]</a></span>Utrechtsche Vrede (De), <a href="#Page_307">307</a>.</li>
+<li class="letter">V.</li>
+<li>Vaarten en Kanalen, <a href="#Page_17">17</a>, <a href="#Page_132">132</a>, <a href="#Page_150">150</a>, <a href="#Page_323">323</a>, <a href="#Page_332">332</a>.</li>
+<li>Veepesten, <a href="#Page_336">336</a>, <a href="#Page_337">337</a>, <a href="#Page_408">408</a>.</li>
+<li>Vegilin (Philip Frederik en Johan), <a href="#Page_322">322</a>, <a href="#Page_334">334</a>.</li>
+<li>Venema (Herman), Godgeleerde, <a href="#Page_355">355</a>, <a href="#Page_357">357</a>, <a href="#Page_370">370</a>.</li>
+<li>Verstolk (J. G.), Prefekt, <a href="#Page_438">438</a>, <a href="#Page_441">441</a>.</li>
+<li>Verveeningen, <a href="#Page_88">88</a>, <a href="#Page_150">150</a>, <a href="#Page_152">152</a>, <a href="#Page_323">323</a>, <a href="#Page_330">330</a>.</li>
+<li>Voortbrengselen van Friesland, <a href="#Page_17">17</a>, <a href="#Page_149">149</a>, <a href="#Page_151">151</a>, <a href="#Page_337">337</a>, <a href="#Page_468">468</a>.</li>
+<li>Vries (Tjerk Hiddes de), Luit. Admiraal, <a href="#Page_254">254</a>-<a href="#Page_258">258</a>, <a href="#Page_469">469</a>.</li>
+<li>Vrijheid (De Friesche), <a href="#Page_36">36</a>, <a href="#Page_37">37</a>, <a href="#Page_42">42</a>, <a href="#Page_122">122</a>, <a href="#Page_126">126</a>, <a href="#Page_154">154</a>, <a href="#Page_180">180</a>, <a href="#Page_195">195</a>, <a href="#Page_422">422</a>, <a href="#Page_429">429</a>, <a href="#Page_455">455</a>.</li>
+<li>Vijfdeelen (Der) zeedijken, <a href="#Page_184">184</a>.</li>
+<li class="letter">W.</li>
+<li>Wartena, <a href="#Page_80">80</a>.</li>
+<li>Watervloeden, <a href="#Page_11">11</a>, <a href="#Page_56">56</a>, <a href="#Page_165">165</a>, <a href="#Page_184">184</a>, <a href="#Page_263">263</a>, <a href="#Page_315">315</a>, <a href="#Page_443">443</a>.</li>
+<li>Wederdoopers (Munstersche), <a href="#Page_165">165</a>, <a href="#Page_169">169</a>.</li>
+<li>Weerstallen of regtsplaatsen, <a href="#Page_82">82</a>.</li>
+<li>Wegen (Nieuwe) aangelegd, <a href="#Page_332">332</a>-<a href="#Page_335">335</a>, <a href="#Page_445">445</a>.</li>
+<li>West-Friesland, <a href="#Page_50">50</a>, <a href="#Page_54">54</a>, <a href="#Page_101">101</a>, <a href="#Page_103">103</a>.</li>
+<li>Wetten (Oude Friesche), <a href="#Page_37">37</a>, <a href="#Page_53">53</a>, <a href="#Page_81">81</a>, <a href="#Page_91">91</a>, <a href="#Page_455">455</a>.</li>
+<li>Wierd (Groote), <a href="#Page_139">139</a>, <a href="#Page_144">144</a>.</li>
+<li>Willebrord, Geloofsverkondiger, <a href="#Page_28">28</a>.</li>
+<li>Willem I (Koning), <a href="#Page_441">441</a>, <a href="#Page_443">443</a>, <a href="#Page_499">499</a>.</li>
+<li>Willem I (Prins) van Oranje, <a href="#Page_183">183</a>, <a href="#Page_191">191</a>, <a href="#Page_194">194</a>, <a href="#Page_195">195</a>, <a href="#Page_199">199</a>, <a href="#Page_204">204</a>, <a href="#Page_495">495</a>.</li>
+<li>Willem II (Graaf), Roomsch Koning, <a href="#Page_53">53</a>, <a href="#Page_72">72</a>, <a href="#Page_102">102</a>, <a href="#Page_460">460</a>.</li>
+<li>Willem II (Koning), <a href="#Page_446">446</a>, <a href="#Page_499">499</a>.</li>
+<li>Willem III (Koning), <a href="#Page_447">447</a>, <a href="#Page_500">500</a>.</li>
+<li>Willem IV (Graaf) valt Friesland aan, <a href="#Page_108">108</a>, <a href="#Page_112">112</a>.</li>
+<li>Willem V (Prins), <a href="#Page_419">419</a>-<a href="#Page_427">27</a>, <a href="#Page_498">498</a>.</li>
+<li>Willem Frederik (Graaf), <a href="#Page_216">216</a>, <a href="#Page_245">245</a>-<a href="#Page_262">262</a>, <a href="#Page_497">497</a>.</li>
+<li>Willem Karel Hendrik Friso (Prins), <a href="#Page_306">306</a>, <a href="#Page_409">409</a>, <a href="#Page_414">414</a>-<a href="#Page_418">18</a>, <a href="#Page_498">498</a>.</li>
+<li>Willem Lodewijk (Graaf) van Nassau, <a href="#Page_203">203</a>-<a href="#Page_211">211</a>, <a href="#Page_343">343</a>, <a href="#Page_496">496</a>.</li>
+<li>Willem van Oostervants (Graaf) togten naar Friesland, <a href="#Page_111">111</a> env.</li>
+<li>Wis- en Natuurkundigen (Beroemde Friesche), <a href="#Page_397">397</a>.</li>
+<li>Workum, <a href="#Page_62">62</a>, <a href="#Page_80">80</a>, <a href="#Page_142">142</a>.</li>
+<li>Workumer-Nieuwland bedijkt, <a href="#Page_314">314</a>.</li>
+<li>Wijk bij Duurstede, <a href="#Page_29">29</a>, <a href="#Page_35">35</a>.</li>
+<li class="letter">IJ.</li>
+<li>IJlst, <a href="#Page_62">62</a>, <a href="#Page_80">80</a>.</li>
+<li class="letter">Z.</li>
+<li>Zeden der Friezen, <a href="#Page_13">13</a>, <a href="#Page_18">18</a>, <a href="#Page_39">39</a>, <a href="#Page_152">152</a>, <a href="#Page_260">260</a>, <a href="#Page_350">350</a>, <a href="#Page_475">475</a>.</li>
+<li>Zeedijken. Zie <a href="#Dijken">Dijken</a>.</li>
+<li>Zeehelden (Friesche), <a href="#Page_250">250</a>-<a href="#Page_259">259</a>, <a href="#Page_295">295</a>, <a href="#Page_469">469</a>.</li>
+<li>Zeelanden (Het verbond der Zeven), <a href="#Page_49">49</a>, <a href="#Page_124">124</a>, <a href="#Page_457">457</a>.</li>
+<li>Zeemagt (Frieslands), <a href="#Page_248">248</a>-<a href="#Page_259">259</a>, <a href="#Page_472">472</a>.</li>
+<li>Ziekte (Heerschende) van 1826, <a href="#Page_444">444</a>.</li>
+<li>Zuiderzee (De), <a href="#Page_59">59</a>, <a href="#Page_105">105</a>, <a href="#Page_142">142</a>, <a href="#Page_457">457</a>.</li>
+<li>Zuijlen (J. A. Baron van) van Nijevelt, Gouverneur, <a href="#Page_444">444</a>, <a href="#Page_500">500</a>.</li>
+<li>Zwarte Hoop (De), <a href="#Page_137">137</a>.</li>
+<li>Zwin (Het) of Sincfal, <a href="#Page_22">22</a>.</li>
+
+</ul>
+
+<p class="figcenter"><img src="images/lijn4.png" alt="Versiering" width="100" height="16" /></p>
+
+<h2><span class="gesp">VERBETERINGEN.</span></h2>
+
+<p class="figcenter"><img src="images/lijn5.png" alt="Versiering" width="100" height="10" /></p>
+
+<table summary="Errata">
+
+<tr>
+<td class="center"><a name="Errata" id="Errata"></a>Bl.&nbsp;</td>
+<td class="right">113,&nbsp;</td>
+<td class="center">reg.&nbsp;</td>
+<td class="right">3&nbsp;</td>
+<td class="center">v.&nbsp;b.&nbsp;</td>
+<td class="center"><i>staat</i>:&nbsp;</td>
+<td class="left">schepen&nbsp;400&nbsp;</td>
+<td class="center"><i>lees</i>:&nbsp;</td>
+<td class="left">schepen en 400</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td class="center">&#8222;</td>
+<td class="right">159,&nbsp;</td>
+<td class="center">&#8222;</td>
+<td class="right">5&nbsp;</td>
+<td class="center">&#8222;</td>
+<td class="center">&#8222;</td>
+<td class="left">(<i>Aanteekening</i>&nbsp;17.)&nbsp;</td>
+<td class="center">&#8222;</td>
+<td class="left">(<i>Aant.</i>&nbsp;18.)</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td class="center">&#8222;</td>
+<td class="right">181,&nbsp;</td>
+<td class="center">&#8222;</td>
+<td class="right">1&nbsp;</td>
+<td class="left">v.&nbsp;o.&nbsp;</td>
+<td class="center">&#8222;</td>
+<td class="left"><i>Aant.</i>&nbsp;30.&nbsp;</td>
+<td class="center">&#8222;</td>
+<td class="left">(<i>Aant.</i>&nbsp;20.)&nbsp;</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td class="center top">&#8222;</td>
+<td class="right top">232.&nbsp;</td>
+<td colspan="2" class="left top">Noot.&nbsp;</td>
+<td colspan="5" class="left">Den&nbsp;21&nbsp;Mei&nbsp;1790&nbsp;is&nbsp;de&nbsp;<i>Quota</i>&nbsp;van&nbsp;<i>Friesland</i>&nbsp;gesteld
+op<br />9&nbsp;Gld.&nbsp;7&nbsp;st.&nbsp;volgens&nbsp;<span class="smcap">zillesen</span>,&nbsp;<i>Wijsgeerig&nbsp;onderzoek,&nbsp;<br />
+wegens&nbsp;Neerlands&nbsp;opkomst,&nbsp;bloei&nbsp;en&nbsp;welvaard&nbsp;enz.</i><br />Amst.&nbsp;1796,&nbsp;bl.&nbsp;304.</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td class="center">&#8222;</td>
+<td class="right">269,&nbsp;</td>
+<td class="left">reg.&nbsp;</td>
+<td class="right">3&nbsp;</td>
+<td class="left">v.&nbsp;o.&nbsp;</td>
+<td class="left"><i>staat</i>:&nbsp;</td>
+<td class="left">gebeurtenie,&nbsp;</td>
+<td class="left"><i>lees</i>:&nbsp;</td>
+<td class="left">gebeurtenis,</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td class="center">&#8222;</td>
+<td class="right">304,&nbsp;</td>
+<td class="center">&#8222;</td>
+<td class="right">8&nbsp;</td>
+<td class="center">&#8222;</td>
+<td class="center">&#8222;</td>
+<td class="left">In&nbsp;April</td>
+<td class="center">&#8222;</td>
+<td class="left">Den&nbsp;26&nbsp;Februarij</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td class="center">&#8222;</td>
+<td class="right">350,&nbsp;</td>
+<td class="center">&#8222;</td>
+<td class="right">2&nbsp;</td>
+<td class="left">v.&nbsp;b.&nbsp;</td>
+<td class="center">&#8222;</td>
+<td class="left">goedsdienst&nbsp;</td>
+<td class="center">&#8222;</td>
+<td class="left">godsdienst</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td class="center">&#8222;</td>
+<td class="right">356,&nbsp;</td>
+<td class="center">&#8222;</td>
+<td class="right">5&nbsp;</td>
+<td class="left">v.&nbsp;o.&nbsp;</td>
+<td class="center">&#8222;</td>
+<td class="left">was&nbsp;</td>
+<td class="center">&#8222;</td>
+<td class="left">wars</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td class="center">&#8222;</td>
+<td class="right">360,&nbsp;</td>
+<td class="center">&#8222;</td>
+<td class="right">1&nbsp;</td>
+<td class="left">v.&nbsp;b.&nbsp;</td>
+<td class="center">&#8222;</td>
+<td class="left">onderlingen&nbsp;</td>
+<td class="center">&#8222;</td>
+<td class="left">onderling en</td>
+</tr>
+
+<tr>
+<td class="center">&#8222;</td>
+<td class="right">409,&nbsp;</td>
+<td class="center">&#8222;</td>
+<td class="right">10&nbsp;</td>
+<td class="left">v.&nbsp;o.&nbsp;</td>
+<td class="center">&#8222;</td>
+<td class="left"><i>Engeland</i>,&nbsp;</td>
+<td class="center">&#8222;</td>
+<td class="left"><i>Groot-Brittanje</i>,</td>
+</tr>
+
+</table>
+
+<p class="figcenter"><img src="images/lijn4.png" alt="Versiering" width="100" height="16" /></p>
+
+<p class="center gesp btd bbd" style="margin-left: 25%; margin-right: 25%;">GEDRUKT<br />
+<span class="smcap">bij</span> L. SCHIERBEEK, <span class="smcap">te<br />
+leeuwarden</span>.</p>
+
+<p class="figcenter"><img src="images/illo542.png" alt="Libera Sacra" width="350" height="408" /></p>
+
+<div class="bbox">
+
+<p class="center" style="margin-bottom: 1.5em;"><a name="Tnotes" id="Tnotes"></a><b>Opmerkingen van de bewerker:</b></p>
+
+<ul>
+ <li>De originele spelling is aangehouden; slechts enkele overduidelijke zetfouten zijn stilzwijgend gecorrigeerd. Belangrijke
+ veranderingen worden hieronder beschreven. Inconsistenties in spelling zijn niet veranderd.<br />
+ Uitzonderingen:
+ <ul>
+ <li>Twijfelachtige namen zijn geverifi&euml;erd en eventueel gecorrigeerd: <i>Francois</i> in <i>Fran&ccedil;ois</i>, <i>Vervov</i>
+ in <i>Vervou</i>. <i>Jaques</i> is de correcte spelling; de namen <i>Andriaan</i> en <i>Kersvloed</i> zijn niet veranderd.
+ Pagina 19: <i>(onleesbaar) K. Thoden van Velzen</i>: waarschijnlijk Sijo Kornelius Thoden van Velzen. Pagina 460: <i>Albrecht
+ der Beherschte</i> veranderd in <i>Albrecht der Behertzte</i>. Pagina 193: <i>Georg van Lalain</i> veranderd in <i>Georg van
+ Lalaing</i>. <i>Sincval</i> is veranderd in <i>Sincfal</i> zoals meest voorkomend in de tekst en op de kaart.</li>
+ </ul></li>
+ <li>Inconsistenties in lay-out en het gebruik van leestekens in het originele werk zijn behouden, behalve zoals hieronder aangegeven.
+ Het gebruik van aanhalingstekens, (kleine) kapitalen, schuingedrukte woorden e.d. is verschillend in de hoofdtekst, de voetnoten
+ en de aanhangsels, zoals in het originele werk.<br />
+ Uitzonderingen:
+ <ul>
+ <li>Namen in <span class="smcap">klein kapitaal</span> hebben een <span class="smcap">Beginhoofdletter</span> gekregen als ze
+ aan het begin van een zin staan.</li>
+ <li>Letters met accenten in namen zijn in het originele werk in onderkast gedrukt, in deze tekst in klein kapitaal (<span
+ class="smcap">lycklama &agrave; nijeholt</span> in plaats van <span class="smcap">lycklama</span> &agrave; <span
+ class="smcap">nijeholt</span>).</li>
+ </ul></li>
+ <li><a name="Tnotes176" id="Tnotes176"></a>De <a href="#Errata">errata</a> zijn al in de tekst gecorrigeerd, behalve voetnoot 176 bij
+ bladzijde 232. Het was niet duidelijk of dit een aanvulling bij de bestaande voetnoot was of een correctie op de tekst van de
+ voetnoot (het laatste is het meest waarschijnlijk).</li>
+ <li>Voetnoten zijn aan het eind van iedere paragraaf verzameld en voorzien van hyperlinks om heen en terug te kunnen springen.<br />
+ In het originele werk komen de symbolen voor voetnoten in de tekst niet altijd overeen met die bij de voetnoot zelf. In
+ dergelijke gevallen is de volgorde van de eigenlijke voetnoten als bepalend genomen.</li>
+ <li>In het originele werk worden koppeltekens ook gebruikt om te verwijzen naar losse woorden, zoals in <i>verraden- en verkocht
+ had</i>. Dergelijke koppeltekens zijn overgenomen uit het origineel.</li>
+ <li>Pagina 96, <i>Saken van Staet en Oorlogh</i>: waarschijnlijk zijn de aanduidingen voor de delen IV en V weggevallen.</li>
+ <li>Voetnoot 56: de hierin aangekondigde lijst van kloosters is blijkbaar toch niet in het boek terechtgekomen.</li>
+ <li>Voetnoot 168: <i>Aant. 22</i> veranderd in <i>Aant. 21</i>.</li>
+ <li>Pagina 350 heeft in het originele werk twee voetnoottekens in de tekst en maar &eacute;&eacute;n voetnoot. De voetnoot kan
+ betekking hebben op beide markeringen, en is daarom twee maal als voetnoot opgenomen (voetnoten 294 en 295).</li>
+ <li>Pagina 369 heeft een voetnoot, maar geen voetnootmarkering in de tekst. Deze voetnootmarkering is aan het einde van de betreffende
+ alinea geplaatst (voetnoot 308).</li>
+ <li>Pagina 481, 80-jarige oorlog: beginjaar veranderd van <i>1518</i> in <i>1568</i>.</li>
+ <li>Index: enkele trefwoorden op juiste alfabetische volgorde gezet. Verwijzing naar niet bestaande pagina 509 verwijderd.</li>
+ <li>Van de geciteerde werken zijn in ieder geval de volgende beschikbaar via Project Gutenberg:
+ <ul>
+ <li><i><a href="http://www.gutenberg.org/ebooks/33563">It aade Friesche terp</a></i></li>
+ <li><i><a href="http://www.gutenberg.org/ebooks/search.html/?default_prefix=author_id&amp;sort_order=downloads&amp;query=443">Macaulay,
+ History of England</a></i>: diverse delen (Engels en Duits).</li>
+ </ul></li>
+ <li>De <i><a href="#Schetskaart">Schetskaart</a></i> is sterk verkleind opgenomen; een grotere versie kan apart geopend worden (zie
+ hyperlink naast kaart).</li>
+</ul>
+
+</div>
+
+<p>&nbsp;</p>
+<p>&nbsp;</p>
+<hr class="full" />
+<p>***END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK BEKNOPTE GESCHIEDENIS VAN FRIESLAND***</p>
+<p>******* This file should be named 36839-h.txt or 36839-h.zip *******</p>
+<p>This and all associated files of various formats will be found in:<br />
+<a href="http://www.gutenberg.org/dirs/3/6/8/3/36839">http://www.gutenberg.org/3/6/8/3/36839</a></p>
+<p>Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.</p>
+
+<p>Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.</p>
+
+
+
+<pre>
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+<a href="http://www.gutenberg.org/license">http://www.gutenberg.org/license)</a>.
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS,' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at http://www.gutenberg.org/fundraising/pglaf.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at http://www.gutenberg.org/about/contact
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit http://www.gutenberg.org/fundraising/pglaf
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including checks, online payments and credit card donations.
+To donate, please visit: http://www.gutenberg.org/fundraising/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+Each eBook is in a subdirectory of the same number as the eBook's
+eBook number, often in several formats including plain vanilla ASCII,
+compressed (zipped), HTML and others.
+
+Corrected EDITIONS of our eBooks replace the old file and take over
+the old filename and etext number. The replaced older file is renamed.
+VERSIONS based on separate sources are treated as new eBooks receiving
+new filenames and etext numbers.
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+<a href="http://www.gutenberg.org">http://www.gutenberg.org</a>
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
+
+EBooks posted prior to November 2003, with eBook numbers BELOW #10000,
+are filed in directories based on their release date. If you want to
+download any of these eBooks directly, rather than using the regular
+search system you may utilize the following addresses and just
+download by the etext year.
+
+<a href="http://www.gutenberg.org/dirs/etext06/">http://www.gutenberg.org/dirs/etext06/</a>
+
+ (Or /etext 05, 04, 03, 02, 01, 00, 99,
+ 98, 97, 96, 95, 94, 93, 92, 92, 91 or 90)
+
+EBooks posted since November 2003, with etext numbers OVER #10000, are
+filed in a different way. The year of a release date is no longer part
+of the directory path. The path is based on the etext number (which is
+identical to the filename). The path to the file is made up of single
+digits corresponding to all but the last digit in the filename. For
+example an eBook of filename 10234 would be found at:
+
+http://www.gutenberg.org/dirs/1/0/2/3/10234
+
+or filename 24689 would be found at:
+http://www.gutenberg.org/dirs/2/4/6/8/24689
+
+An alternative method of locating eBooks:
+<a href="http://www.gutenberg.org/dirs/GUTINDEX.ALL">http://www.gutenberg.org/dirs/GUTINDEX.ALL</a>
+
+*** END: FULL LICENSE ***
+</pre>
+</body>
+</html>
diff --git a/36839-h/images/illo024.png b/36839-h/images/illo024.png
new file mode 100644
index 0000000..318b719
--- /dev/null
+++ b/36839-h/images/illo024.png
Binary files differ
diff --git a/36839-h/images/illo030.png b/36839-h/images/illo030.png
new file mode 100644
index 0000000..8448f17
--- /dev/null
+++ b/36839-h/images/illo030.png
Binary files differ
diff --git a/36839-h/images/illo542.png b/36839-h/images/illo542.png
new file mode 100644
index 0000000..8cb2027
--- /dev/null
+++ b/36839-h/images/illo542.png
Binary files differ
diff --git a/36839-h/images/large024.png b/36839-h/images/large024.png
new file mode 100644
index 0000000..f121888
--- /dev/null
+++ b/36839-h/images/large024.png
Binary files differ
diff --git a/36839-h/images/lijn1.png b/36839-h/images/lijn1.png
new file mode 100644
index 0000000..30a5e39
--- /dev/null
+++ b/36839-h/images/lijn1.png
Binary files differ
diff --git a/36839-h/images/lijn2.png b/36839-h/images/lijn2.png
new file mode 100644
index 0000000..5ae4af0
--- /dev/null
+++ b/36839-h/images/lijn2.png
Binary files differ
diff --git a/36839-h/images/lijn3.png b/36839-h/images/lijn3.png
new file mode 100644
index 0000000..6300341
--- /dev/null
+++ b/36839-h/images/lijn3.png
Binary files differ
diff --git a/36839-h/images/lijn4.png b/36839-h/images/lijn4.png
new file mode 100644
index 0000000..5fa7cc8
--- /dev/null
+++ b/36839-h/images/lijn4.png
Binary files differ
diff --git a/36839-h/images/lijn5.png b/36839-h/images/lijn5.png
new file mode 100644
index 0000000..613ee63
--- /dev/null
+++ b/36839-h/images/lijn5.png
Binary files differ
diff --git a/LICENSE.txt b/LICENSE.txt
new file mode 100644
index 0000000..6312041
--- /dev/null
+++ b/LICENSE.txt
@@ -0,0 +1,11 @@
+This eBook, including all associated images, markup, improvements,
+metadata, and any other content or labor, has been confirmed to be
+in the PUBLIC DOMAIN IN THE UNITED STATES.
+
+Procedures for determining public domain status are described in
+the "Copyright How-To" at https://www.gutenberg.org.
+
+No investigation has been made concerning possible copyrights in
+jurisdictions other than the United States. Anyone seeking to utilize
+this eBook outside of the United States should confirm copyright
+status under the laws that apply to them.
diff --git a/README.md b/README.md
new file mode 100644
index 0000000..828c488
--- /dev/null
+++ b/README.md
@@ -0,0 +1,2 @@
+Project Gutenberg (https://www.gutenberg.org) public repository for
+eBook #36839 (https://www.gutenberg.org/ebooks/36839)