diff options
Diffstat (limited to '36839-8.txt')
| -rw-r--r-- | 36839-8.txt | 18506 |
1 files changed, 18506 insertions, 0 deletions
diff --git a/36839-8.txt b/36839-8.txt new file mode 100644 index 0000000..fbebfef --- /dev/null +++ b/36839-8.txt @@ -0,0 +1,18506 @@ +The Project Gutenberg eBook, Beknopte Geschiedenis van Friesland, by Wopke +Eekhoff + + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + + + + +Title: Beknopte Geschiedenis van Friesland + in Hoofdtrekken + + +Author: Wopke Eekhoff + + + +Release Date: July 24, 2011 [eBook #36839] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ISO-8859-1 + + +***START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK BEKNOPTE GESCHIEDENIS VAN +FRIESLAND*** + + +E-text prepared by Harry Lamé, André Engels, and the Online Distributed +Proofreading Team (http://www.pgdp.net) + + + +Note: Project Gutenberg also has an HTML version of this + file which includes the original map. + See 36839-h.htm or 36839-h.zip: + (http://www.gutenberg.org/files/36839/36839-h/36839-h.htm) + or + (http://www.gutenberg.org/files/36839/36839-h.zip) + + + +------------------------------------------------------------------+ + | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: | + | | + | In deze e-tekst wordt de volgende notatie gebruikt: | + | schuingedrukte tekst in het origineel wordt weergegeven tussen | + | _ en _, als in _tekst_; | + | gespatiëerde tekst wordt weergegeven tusen ~ en ~, als in | + | ~tekst~; | + | normaal gedrukte woorden in lange stukken schuingedrukte tekst | + | worden weergegeven tussen = en =, als in =tekst=; | + | woorden die in de brontekst in klein kapitaal gezet zijn, | + | worden hier weergegeven in hoofdletters; | + | tekens voorafgegaan door ^ zijn in het originele werk super- | + | script. | + | | + | Voetnoten zijn verplaatst naar direct onder de alinea waarin ze | + | vermeld zijn. | + | | + | Uitgebreidere opmerkingen zijn te vinden aan het einde van deze | + | tekst. | + | | + +------------------------------------------------------------------+ + + + + + +BEKNOPTE GESCHIEDENIS VAN FRIESLAND IN HOOFDTREKKEN. + + + + + _"Van waar mag het toch zijn, vraagt de Geschiedvorscher, dat de + =Nederlanders= zich zoo vaak op de =Batavieren= beroepen, als op + hunne Voorvaders, uit wier bloed zij zeggen gesproten te zijn, + daar zulks historisch betwistbaar is? Wel waren zij de vroegste + en =meest beroemde bewoners= van een voornaam gedeelte des lands, + maar onze eigenlijke =voorvaderen= waren zij niet.--De Batavieren + verdwenen uit de Geschiedenis.--Zoodanig was het niet met de + =Friezen=. Boven vele andere Europesche volken hebben zij dit + vooruit, dat zij niet zijn ondergegaan bij die geweldige + omkeering der volken. Immer behielden zij den reeds lang + ingenomen grond, toen bijna alle landen van Europa van bewoners + verwisselden. Hier woonde de stam, welke zich staande hield, te + midden dier groote Europesche beroering, en hare plaatsen aan + geene andere inruilde. Zij echter breidde zich verder uit, van + het Vlie tot aan de Schelde; en altijd hier stand houdende, is + uit haar het nageslacht voortgesproten, dat immer deze landen + bewoonde. Meer dan Batavieren en Kaninefaten noemen wij, + Nederlanders, daarom =de Friezen= eigenlijk =onze vaderen=; dat + heldhaftige geslacht, hetwelk voor de teregt vereerde Batavieren + niet onderdeed; over wier naam wel is waar geen zoo poëtische + gloed ligt, als over de Batavieren, maar meer historische + waarheid; die daar staan te midden der volksberoeringen en + overstroomingen, als de krachtige eik in het woud, die de stormen + tart en door den stroom der wateren niet ontworteld wordt. Hen + ontmoeten wij reeds =vóór= onze Christelijke tijdrekening, en hun + nakroost, zich telkens verder over ons Vaderland uitbreidende, + heeft zich later weder binnen enger grenzen voortgeplant, tot op + onze dagen. En waarlijk, indien een Friso hun Stamvader is + geweest, dan hebben de dichterlijke tafereelen meer historische + waarheid geboekt, dien als onzen stamvader vermeldende, dan een' + Bato, wiens nakroost verdween."_ + + Prof. H. J. ROYAARDS. + + + + +BEKNOPTE GESCHIEDENIS VAN FRIESLAND IN HOOFDTREKKEN; + +_bevattende een Overzigt van de lotgevallen der Friezen en van de +voornaamste gebeurtenissen, gedurende bijna tweeduizend jaren in dit +land voorgevallen._ + +UIT VELE VROEGERE EN LATERE BRONNEN BEWERKT, + +DOOR + +W. EEKHOFF + +_Archivarius der stad Leeuwarden, Voorzitter van de Tweede Afdeeling der +werkende Leden van het Friesch Genootschap van Geschied-, Oudheid- en +Taalkunde, Lid van de Maatschappij van Nederlandsche Letterkunde te +Leiden en van het Provinciaal Utrechtsch Genootschap van Kunsten en +Wetenschappen._ + +Met eene Schetskaart van den waarschijnlijken toestand van het land der +Friezen en hunne naburen, omstreeks den aanvang onzer tijdrekening. + +_Historische zin, of eerbied voor de gedenkteekenen, de geschiedenis en +de groote mannen des vaderlands, is het sieraad van een volk, dat in der +vaderen glorie zijne eer en in de liefde voor zijn land zijn roem +stelt._ + +TE LEEUWARDEN, BIJ + +W. EEKHOFF. + +1851. + + +De Schrijver en Uitgever van dit werk stelt zijn regt van kopij, tegen +nadruk, verkorting, verkleining, vertaling of verandering van vorm, +onder bescherming der Wet, van den 25 Jan. 1817, aan wier eischen hij +heeft voldaan. + + + + +VOORREDE. + + +_Bij dezen neem ik de vrijheid mijne landgenooten aan te bieden eene +=Beknopte Geschiedenis van Friesland, in Hoofdtrekken=. Verscheidene +redenen hebben mij bewogen, dit onderwerp te behandelen en deze +bewerking in het licht te geven. De belangrijkheid van die geschiedenis +op zich zelve en in verband met die des vaderlands,--het gemis van een +bevattelijk geschreven handboek over dit onderwerp,--de wensch van velen +om zulk een werk, ingerigt naar de behoeften van dezen tijd, te +bezitten,--de zucht om nuttig te zijn, en bovenal mijne aangeborene +neiging voor de beoefening van die geschiedenis en liefde voor alle +kennis en kunst, welke tot =Friesland= in betrekking staan,--ziet daar +de drangredenen, welke eindelijk mijn schroom en wantrouwen van eigene +krachten hebben overwonnen. Immers sedert die neiging op mijn tiende +levensjaar bij mij werd opgewekt, en ik niet lang daarna het plan vormde +eene korte Geschiedenis van =Friesland= te bewerken, heb ik gedurende +dertig jaren over dit onderwerp zoo vele geschriften gelezen en +aanteekeningen gemaakt, zoo vele stukken verzameld en onderzoekingen +gedaan, dat de begeerte, om eenmaal de vrucht daarvan te leveren, meer +opgewekt dan onderdrukt werd door al de menigvuldige bezwaren en moeiten +hieraan verbonden. In weerwil ik dit onderwerp bij herhaling op +verschillende wijzen bewerkt en geene inspanning geschroomd heb, bleef +ik nogtans met de uitgave aarzelen, en de hoop voeden, dat een onzer +geleerden of leden van het Friesch Genootschap die taak zou volbrengen. +Telken jare echter werd ik daarin teleurgesteld._ + +_Intusschen vernam ik, dat velen aan de bewerking van eene volledige en +naauwkeurige Friesche Geschiedenis bezwaren en beletselen verbonden +achtten, gewigtig genoeg, om ijverige beoefenaars van dit onderwerp af +te schrikken het in zijn geheel te behandelen. Behalve dat men eerst de +uitgave van nog meerdere bronnen en bouwstoffen verlangde, vorderde eene +kritische behandeling van de uitgegevene kronijken groote moeite. En +waar deze met WINSEMIUS in 1622 eindigen, zag men eene groote menigte +Resolutieboeken van de Staten en Gedeputeerde Staten van =Friesland=, +benevens eene massa onuitgegevene stukken in de Rijks-, Provinciale en +Plaatselijke Archiven voor zich; om niet te spreken van de menigte +bouwstoffen, in een aantal gedrukte werken der laatste tweehonderd jaren +verspreid. Inderdaad, er wordt meer dan een menschenleeftijd toe +vereischt, om daaruit al de bijzonderheden op te zamelen en tot één +geheel te brengen, dat aan het ideaal van eene geschiedenis onzer +provincie zou kunnen beantwoorden._ + +_Het gewigt dier bezwaren en beletselen erkennende, zou dit alles +meer in staat zijn, onze liefde voor de geschiedenis uit te dooven dan +op te wekken. Het volbrengen van die taak en het bereiken van die nog +denkbeeldige volmaaktheid blijve dus een volgend geslacht aanbevolen. +Dat ik het, in weerwil van dat alles, toch gewaagd heb, het onderwerp te +behandelen, moge echter niet tot mijne beschuldiging strekken. Want, +daar al de nog te volbrengen nasporingen welligt meest bijzonderheden of +specialiteiten betreffen, zoo heb ik, naar het licht, dat ons tijdvak +beschijnt en naar de mate mijner krachten, mij zoeken te bepalen tot +de =Hoofdtrekken= onzer geschiedenis, of tot die voornaamste +gebeurtenissen, welke van het meeste belang en den grootsten invloed +zijn geweest op de lotgevallen en de ontwikkeling van het volk. +Aangezien ik mijne behandeling tevens tot één boekdeel wenschte te +beperken, zoo waren deze hoofdpunten, waaromtrent wij meerdere zekerheid +bezitten, voorshands ook voldoende tot het geven van een algemeen +overzigt van deze geschiedenis; terwijl ook eene korte en eenvoudige +voorstelling, bij wijze van tafereelen, het meest geschikt scheen, om de +belangstelling voor dit onderwerp op te wekken._ + +_Hartelijk wensch ik, dat anderen later die opgewekte belangstelling +door volkomener en uitvoeriger bewerking mogen bevredigen, en dat deze +arbeid bij voorraad moge voorzien in eene behoefte, welke mij dikwijls +werd te kennen gegeven door personen uit verschillende standen, die +gaarne met hunne volksgeschiedenis meer bekend wilden zijn. Niet minder +natuurlijk is de wensch, dat dit werk moge bijdragen, om ook in andere +provinciën van ons vaderland (vroeger deelen van het Friesche rijk) het +belang en de waarde te doen erkennen van de geschiedenis der Friezen, +als de stamvaders der Nederlanders, met betrekking tot de geschiedenis +van =Nederland=. Bekend is het toch, dat de meeste vaderlandsche +geschiedenissen, welke wij bezitten, zich als bij uitsluiting bepalen +tot de historie van de aanzienlijkste provincie =Holland=. Die naam komt +evenwel voor het eerst omstreeks het jaar 1000 voor. Het gansche +vroegere tijdperk, en dus meer dan de helft der tijdruimte, bevat alzoo +de geschiedenis van =Friesland=, aangezien de Batavieren reeds vroeg en +spoorloos verdwenen. Het is dus grootelijks te verwonderen, dat de +historieschrijvers van ons vaderland niet enkel de latere, maar ook de +vroegere Friesche geschiedenis zoo lang verwaarloosd en soms zoo +verminkt voorgesteld hebben, dewijl deze toch de hoofdbron of het +~grondstuk~ is, waarop de geschiedenis van =Holland= of wel van geheel +=Nederland= moet rusten. Reeds is dit erkend in de geschriften van de +Utrechtsche geleerden wijlen Jhr. Mr. VAN ASCH VAN WIJCK en den Hoogl. +ROYAARDS, wiens bestrijding van een verkeerd volksbegrip ik gemeend heb +tegenover den titel te moeten mededeelen._ + +_Vermits ik al de boven vermelde bezwaren en beletselen bij de bewerking +heb ondervonden, heb ik mij met veel moeite beijverd, ze voor mijn doel +te overwinnen, door in het bijzonder de hoofdzaken meer te doen uitkomen +dan punten van ondergeschikt of betwist belang. Het is daarbij mijn +hoogste streven geweest, om de beste bronnen te raadplegen, om de +waarheid zonder partijdigheid na te sporen, en, bovenal, om eene +~heldere~ en ~duidelijke voorstelling~ te geven van datgene, wat ons +duurzaam belang kan inboezemen. Den tekst heb ik, op de wijze van mijne +=Geschiedkundige Beschrijving van Leeuwarden=, zoo bevattelijk mogelijk +geschreven, opdat ook dit werk als een nuttig en aangenaam +Geschiedkundig Huisboek algemeene belangstelling mogt verdienen. Omtrent +de belangrijkste zaken en betwiste of twijfelachtige punten heb ik voor +beoefenaars van de geschiedenis en onderzoekende lezers in de +=Aanteekeningen= meerdere bijzonderheden en bronnen medegedeeld; terwijl +ik door de bijvoeging van historische tafels of overzigten en registers +de bruikbaarheid van het geheel heb trachten te bevorderen. Daar de +geschiedenis het beste onderwijs is voor alle standen der maatschappij, +en zij ons de bijzondere pligten jegens ons vaderland doet kennen, zoo +hoop ik eerlang ook eene verkorte uitgave, ten behoeve der scholen, in +het licht te geven._ + +_Bij de beoordeeling van dit werk gelieve men op te merken, dat ik +minder nieuwe zaken medegedeeld, dan wel de verspreide berigten en +vruchten der onderzoekingen van anderen tot een geheel gebragt heb. De +waarheid of stellige zekerheid der feiten moge één en onveranderlijk +zijn, de wijze van voorstelling, inkleeding en toepassing kan echter +aanleiding geven tot zeer uiteenloopende meeningen en begrippen; vooral +in een werk, bij welks behandeling, op een ongebaand pad, de meeste +waarschijnlijkheid en persoonlijke beschouwingen het gebrek aan berigten +soms moesten vervangen. Mogt ik echter in mijne, ter goeder trouw +medegedeelde, opvattingen en inzigten gedwaald hebben, dan verzoek ik +van bevoegde personen eene bescheidene beoordeeling en heusche +teregtwijzing te ontvangen. In een ander opzigt hoop ik, dat wij Friezen +te veel eerbied voor onze geschiedenis, voor ons zelve en voor onze +christelijke verpligtingen jegens elkander zullen hebben, dan dat +verschil van meening over sommige historische punten ons zou verlagen +tot een hatelijk twistgeschrijf en openbare beleedigingen, waarin nijd +en wraakzucht soms eene afschuwelijke rol spelen._ + +_Overtuigd van mijne goede bedoelingen, doch evenzeer van mijne +feilbaarheid, heb ik de naauwkeurigheid der bewerking zoo veel mogelijk +trachten te verzekeren, door haar vóór de uitgave te laten lezen aan +mijne veelgeachte vrienden de Heeren Mr. A. VAN HALMAEL JR. (wiens dood +wij nu reeds betreuren), J. VAN LEEUWEN, Dr. J. G. OTTEMA, Jhr. Mr. H. +B. VAN SMINIA en anderen, die ik hier openlijk mijnen dank toebreng voor +de medegedeelde opmerkingen en teregtwijzingen. Mogt ik door de uitgave +nog te veel gewaagd hebben, dan beken ik gaarne, daartoe vooral den moed +te hebben bekomen door de volgende verklaring van laatstgenoemden +deskundige: "Ik moet u betuigen, dat ik het werk met bijzonder veel +genoegen gelezen heb, er bijna geheel mijne goedkeuring aan hecht en het +op hoogen prijs stel. Alleen betreur ik het, dat het niet uitvoeriger en +uitgebreider is behandeld. Doch dit lag voor het tegenwoordige niet in +uw plan, en moeten wij dus voorshands tevreden zijn met hetgeen ons zoo +goed gegeven is; in de hoop, dat gij later uwe krachten nog eens zult +aanwenden, om ons eene grootere en volledige Geschiedenis van +=Friesland= te leveren."_ + +_En hiermede beveel ik dezen arbeid op nieuw der belangstelling mijner +landgenooten aan._ + + Mei 1851. + + W. EEKHOFF. + + + + +EERSTE NAAMLIJST VAN INTEEKENAREN. + + + ZIJNE MAJESTEIT DEN KONING. g. p. + + ZIJNE KONINKLIJKE HOOGHEID DEN PRINS VAN ORANJE. g. p. + + ZIJNE KONINKLIJKE HOOGHEID PRINS FREDERIK DER NEDERLANDEN. g. p. + + J. Ackersdijck, Hoogleeraar te Utrecht. + E. Adema, Secretaris van Rauwerderhem te Rauwerd. + C. Albarda, Kantonregter te Leeuwarden. + Mr. Herman Albarda, Advocaat te Leeuwarden. + Hor. Albarda, Jurid. Student te Groningen. + Mr. W. Albarda, Subst. Griffier by de Arrondissements Regtbank te + Leeuwarden. g. p. + K. S. Alberda, Landbouwer te Menaldum. + Jhr. W. Alberda van Ekenstein, te Groningen. + A. Alma, Notaris te Bergum. + J. S. Alma, Assessor van Franekeradeel te Schalsum. + J. C. & W. Altorffer, Boekh. te Middelburg. 2 ex. + M. C. Amoraal, te Leeuwarden. + L. Anders, Kantoorbediende te Leeuwarden. + Mr. J. H. Beucker Andreæ, Advocaat te Leeuwarden. + A. S. Andringa, Ondermeester te Koudum. + M. D. Anema, Lid van den Raad van Franekeradeel te Ried. + P. S. Anema, Lid van den Raad van Franekeradeel te Dongjum. + T. W. Anema, Landbouwer te Kimswerd. + Het Provinciaal Archief van Friesland. + E. Roos Baron van Asbeck, Grietman van Hemelumer Oldephaert en + Noordwolde te Koudum. g. p. + H. van Assen, Goud- en Zilversmid te Leeuwarden. + J. van Assen, te Leeuwarden. + R. Attama, Secretaris der stad Stavoren. + E. J. Attema, Notaris te Dragten. + + J. van Baalen & Zn., Boekh. te Rotterdam. + B. T. Bakker, Lid van den Raad van Baarderadeel te Oosterlittens. + C. Bakker, Bzn. Boekhandelaar te Nieuwe Diep. + Jan F. Bakker, Stedelijk Ontvanger te Sneek. + S. J. Bakker, Assessor der Grietenij Rauwerderhem te Deersum. + W. L. Bakker, Assessor van Franekeradeel te Tjum. + L. S. Bakkes, Bakker te Tjummarum. + J. Banga, Burgemeester en Med. Doct. te Franeker. + J. Barends, Arrondissements Betaalmeester te Heerenveen. + Mr. P. de Beaufort, Lid der Gedep. Staten van Utrecht, aldaar. + S. van Sloterdijck Beekkerk, Directeur der Registratie en + Domeinen in Friesland te Leeuwarden. + Dr. E. M. Beima, Conservator aan 's Rijks Museum van Natuurlijke + Historie te Leiden. + H. J. C. Bekenkamp, Predikant te Knijpe. + A. M. van Belkum, Directeur van het Stads-Werkhuis te Leeuwarden. + J. C. van Belkum, Broodbakker te Leeuwarden. + P. Berg, Bakker te Ee. + Mr. C. Bergsma, Grietman van Idaarderadeel te Idaard. + E. H. Bergsma, 1e Luit. Ingenieur te Amsterdam. + H. van Berkum, Predikant te Stiens. + J. P. van Berkum, Predikant te Wolsum. + W. Beijerinck, Boekhandelaar te Amsterdam. + Jhr. Mr. C. L. van Beijma, Kantonregter te Dronrijp. + Jhr. E. D. van Beijma, Grietman van Baarderadeel te Weidum. + Jhr. Mr. C. L. van Beijma thoe Kingma, Secretaris van Haskerland + en Advocaat te Joure. + Jhr. U. H. Heerma van Beijma thoe Kingma, Grietman van + Franekeradeel te Zweins. + W. Bisschop, Litt. Hum. Cand. te Leiden. + A. Bleeker, Boekh. te Sneek. + J. Bloemsma, Boekhandelaar te Leeuwarden. + J. G. van Blom, Lid der Staten van Friesland en Notaris te + Dragten. + J. G. van Blom, voor het 5e Schooldistrict in Friesland. + G. H. van Boelens, Rijks-Ontvanger te Augustinusga. + Mr. J. H. van Boelens, Burgemeester der stad Leeuwarden. + J. T. de Boer, Assessor van Idaarderadeel te Roordahuizum. + J. Y. de Boer, Landbouwer te Hempens. + K. J. Boersma, te Kubaard. + Erven F. Bohn, Boekhandelaars te Haarlem. + A. M. Bokma de Boer, te Leeuwarden. + Mej. C. Bokma de Boer, te Leeuw. + W. Cool van Bokma, Boekh. te Sneek. 3 ex. + J. M. Bokma, te St. Jacobi-Parochie. + J. Fopma Bonnema Hzn. Landbouwer te Tjummarum. + R. J. Boorsma, Assessor van Baarderadeel te Weidum. + Mr. J. C. G. Boot, Rector van het Gymnasium te Leeuwarden. + Harmen H. Bosma, Koopman te Oosterend. + IJ. Bosma, Kweekeling te Bergum. + J. Brandsma, Notaris te Schiermonnikoog. + Mr. P. Brantsma, Officier van Justitie bij de Regtbank te + Heerenveen. + Jhr. G. P. C. van Breugel, Lid van den Raad en Ontvanger der + Directe Belastingen te Haarlem. g. p. + R. Baron van Breugel, Lid van den Raad van State te 's Hage. + J. H. Brinkman, Boekhandelaar te Amsterdam. + B. Brons Bzn., Onderwijzer te Haskerdijken. + G. Brouwer, Boekhandelaar te Deventer. 2 ex. + G. L. Brouwer, Secretaris van Oost-Stellingwerf te Oldeberkoop. + Dr. S. Brouwer, Oud-Hoogleeraar te Leeuwarden. + A. L. Brugsma, Doctorandus in de Letteren te Leeuwarden. + K. Bruining, Onderwijzer te Schalsum. + D. D. Büchler, te Amsterdam. + P. H. Buisma, Onderwijzer te Langweer. + B. Hopperus Buma, Jur. Student te Groningen. + J. Buma, Onderwijzer te Kollum. + Mevr. Wed. W. B. Buma, te Weidum. + Mr. W. W. Buma, Raadsheer in het Provinciaal Geregtshof van + Friesland te Leeuwarden. + F. H. Burghgraef, Secretaris der stad Franeker. + Wed. P. Burggraaff, Jr., Boekh. te Leeuwarden. + Th. J. van der Bij, Onderwijzer te Oenkerk. + E. J. A. Graaf van Bijlandt, Commissaris des Konings in de + provincie Zuid-Holl. te 's Hage. g. p. + + J. Camminga, Ondermeester te Franeker. + J. Campen, Boekh. te Sneek. 4 ex. + G. ten Cate Fzn. Koopman te Leeuwarden. + S. ten Cate, Burgemeester der stad Sneek. + Mr. E. Manger Cats, Advocaat te Leeuwarden. + Mevr. S. Cats, Wed. Bieruma Oosting te Leeuwarden, g. p. + P. O. van der Chijs, Hoogleeraar en Directeur van het Munt- en + Penning-Kabinet te Leiden. + R. M. Cloppenburgh, te Hardegarijp. + H. Coster & Zn., Boekhandelaar te Alkmaar. + P. J. Costerus, Rector van het Gymnasium te Sneek. + K. J. Crap, Molenaar te St. Jacobi-Parochie. + S. Crommelin, Rustend Leeraar te Leeuwarden. + D. J. Couvée, Boekh. te Leiden. + F. J. Cuperus, Kuiper te Dronrijp. + + H. J. Dauzon, Rijks-Ontvanger in de Wijk, bij Meppel. + Mr. A. Deketh, Advocaat-Generaal bij den Hoogen Raad der + Nederlanden te 's Hage. + G. H. M. Delprat, te Rotterdam. + Mr. W. M. J. van Dielen, voor het Leesg. Disce Legendo te + Utrecht. + Mr. J. Dirks, Lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal te + Leeuwarden. + J. Dirks, te Balk. + J. J. Doesburg, Boekhandelaar te Groningen, 3 ex. + De stad Dockum. + Erven Doorman, Boekhandelaar te 's Hage. 3 ex. + Mr. L. Dorhout, Plaatsverv. Kantonregter en Lid van den Raad der + stad Leeuwarden. g. p. + M. R. Douma, Landbouwer te Ee. + J. F. van Druten, Boekh. te Sneek. + van Druten en Bleeker, Boekh. te Sneek. 11 ex. + K. P. Duursma, Onderwijzer te Langezwaag. + F. Dijkstra, Onderwijzer der jeugd en der zeelieden te Nes op + Ameland. + F. A. Dijkstra, Landbouwer te Haskerdijken. + F. J. Dijkstra, Landbouwer te Ooster-Nijkerk. g. p. + T. R. Dijkstra, te Leeuwarden. + Waling Dijkstra, te Spannum. + + O. J. Eekma, Boekhandelaar te Leeuwarden. 5 ex. + Dr. A. H. A. Ekker, Praeceptor aan het Gymn. te Utrecht. + J. Elgersma, Onderwijzer te Kimswerd. + S. F. Elgersma, te Lollum. + Jhr. Mr. W. E. Engelen, Secretaris van Leeuwarderadeel en + Advocaat te Leeuwarden. + W. A. Evertsz, Ridder van de Mil. Willemsorde, 4e kl., + Secretaris van Utingeradeel en Notaris te Oldeboorn. g. p. + Jhr. Mr. C. van Eijsinga, Lid der Staten van Friesland te + Leeuwarden. + Jhr. Mr. F. J. J. van Eijsinga, Lid van de Eerste Kamer der + Staten-Generaal en der Arrond. Regtbank te Leeuwarden. + Jhr. I. F. van Eijsinga te Leeuwarden. 2 ex. + K. G. Eijsinga, Koopman te Leeuwarden. + + J. M. Baart de la Faille, Medicinæ Doctor te Leeuwarden. + A. R. Falck, te Utrecht. g. p. + Corn. J. Feddes, Koopman te Leeuwarden. + P. H. Feenstra, Medic. Doct. te Kuikhorne. + P. M. Feenstra, Boekh. te Bolsward. 4 ex. + T. S. Feenstra, Boekhandelaar te Sneek. 4 ex. + D. Feikema, Wethouder der stad Franeker. + Mr. H. O. Feith, Archivarius der provincie Groningen. + H. Feringa Jzn. Oud-Griffier van het Vredegeregt te Augustinusga. + Dirk A. Ferwerda, Koopman te Stiens. + E. Ippius Fockens, Boekhandelaar te Franeker. 3 ex. + E. Schrader Fockens, Predikant te Jutrijp en Hommerts. + H. Frijlink, Boekhandelaar te Amsterdam. + + I. Garcin, te Amsterdam. + P. A. van Gelder, Koopman te Dokkum. + Het Friesch Genootschap voor Geschied-, Oudheid- en Taalkunde te + Leeuwarden. g. p. + P. Gerbranda, Schoolonderwijzer te Lollum. + C. Gerdenier, Burgemeester der stad Medemblik. 2 ex. + Het Provinciaal Geregtshof van Friesland. + J. Gerritsen, Landbouwer in het Meer bij Heerenveen. + L. Gescher, Medicinæ Doctor te Leeuwarden. + M. van Geuns, Doopsgezind Leeraar te Leeuwarden. + Jhr. R. Gevaerts van Geervliet, Lid der Ridderschap van + Friesland, Ontvanger van 's Rijks Belastingen te Bergum. + H. P. A. van Gorcum, Boekh. te Assen. + O. Goslings, Cand. Notaris te Dokkum. + Het Provinciaal Gouvernement van Friesland. g. p. + Mr. M. Schaaff Gratama, Raadsheer in het Provinciaal Geregtshof + van Groningen. + J. H. Gunning, Predikant te Leeuwarden. + + E. de Haan, Onderwijzer te Wirdum. + W. van Haarst, op Schoonoord bij Oirschot. + H. Haga, Doopsgezind Leeraar te Oldeboorn. + H. Haisma, Lid der Provinciale Staten van Friesland en Landbouwer + te Bergum. + F. A. van Hall, Minister van Staat te Amsterdam. + H. C. van Hall, Hoogleeraar te Groningen. + T. van Halteren, Boekhandelaar te Wildervank. + J. W. Hannema, Landbouwer te Hantum. + Mr. D. J. A. Baron van Harinxma Thoe Slooten, Raadsheer in het + Provinc. Geregtshof van Friesland te Leeuwarden. + M. P. D. Baron van Harinxma Thoe Slooten te Beetsterzwaag. + Mr. P. A. V. Baron van Harinxma Thoe Slooten, Kantonregter te + Holwerd. + H. J. van Hasinga, Adjunct Onderwijzer te Oosterzee. + D. J. Haspels, Boekh. te Nijmegen. + Sjoerd Jans Heeg, te Oosterend. + A. T. R. Sixma Baron van Heemstra, Grietman van Kollumerland te + Veenklooster. g. p. + C. S. Sixma Baron van Heemstra, te Zwolle. + D. A. Sixma Baron van Heemstra, Jur. Student te Groningen. + Mr. F. J. J. Baron van Heemstra, Grietman van Rauwerderhem te + Irnsum. g. p. + A. van der Heide, Onderwijzer te Leeuwarden. + Douwe van der Heide, Landbouwer te Ezumazijl. + H. A. van Helden, Boekhandelaar te Amsterdam. 2 ex. + Mr. E. van Heloma, te Zwolle. + Mr. M. van Heloma, Lid der Provinciale Staten van Friesland te + Heerenveen. + H. Hemkes Hzn., Onderwijzer te Voorburg. + P. H. Hendriks, te Groningen. + S. Gille Heringa, Directeur van het Postkantoor te Tilburg. + H. Klugkist Hesse, Lid der Staten van Friesland te Kollum. g. p. + F. Hessel, Boekh. te Heerenveen. + J. G. Heuveldop, Lid der Gedeputeerde Staten van Friesland te + Leeuwarden. + P. H. van den Heuvell, Boekh. te Leiden. + van Heiningen & Post Uiterweer, Boekhandelaars te Utrecht. + J. Hilarius, Boekhandelaar te Leeuwarden. 5 ex. + C. C. van der Hoek, Boekhandelaar te Leiden. + W. van der Hof, Schipper te Bakhuizen. + F. Holtkamp, Boekhandelaar te Sneek. 4 ex. + Jhr. Hooft van Woudenberg van Geerestein te Amsterdam. g. p. + J. W. van Hopbergen, 1e Luit. Adjudant, voor het Leesgez. van + Officieren van het 2e & 4e Bat. 3e Reg. Infant. te Leeuwarden. + W. Ter Horst, Fabrijkant te Leeuwarden. + J. van Hout, te Wognum. + J. O. van Houten, Boekhandelaar te Assen. + J. Ernst van Houtrijve, te Leeuwarden. + H. Höveker, Boekhandelaar te Amsterdam. + S. Hoijtema Pzn. Assessor van Utingeradeel te Akkrum. + Mr. U. H. Wielinga Huber, Raadsheer in het Provinc. Geregtshof + van Friesland te Kornjum. 2 ex. + Mr. H. U. Huguenin, te Sneek, voor het 8e Schooldistrict in + Friesland. + J. T. H. Huguenin, Predikant te Zuidwolde. + A. A. Hulshoff, Doopsgezind Leeraar te Leeuwarden. + K. van Hulst, Boekh. te Kampen. + P. P. Hylarides, Landbouwer te Witmarsum. + + J. W. Idsardi, Landbouwer te Ee. + P. D. Idsinga, Landbouwer te Hantum. + Mr. G. W. H. Baron van Imhoff, Burgemeester der stad Groningen. + + H. D. Jager, Grietenij-Ontvanger van Oost-Stellingwerf te + Oldeberkoop. + K. Jansma, Onderwijzer te Rottevalle. + Dr. L. J. F. Janssen, Conservator bij het Museum van Oudheden te + Leiden. + J. H. Jappé, Ingenieur-Verificateur van het Kadaster te + Groningen. + A. de Jong, te Leeuwarden. + A. de Jong Wzn., Koopman te Leeuwarden. + S. D. de Jong, Lid van den Grietenijraad van Idaarderadeel te + Warrega. + T. Joustra, Fabrijkant te Sneek. + + Mej. J. C. Kapteijn, Hoofd-Onderwijzeres der Stedelijke + Meisjesschool te Leeuwarden. + P. N. van Kampen, Boekhandelaar te Amsterdam. + Abe J. Kat, Aannemer van publieke werken te Hindeloopen. + Jhr. Mr. O. R. van Andringa de Kempenaer te Leeuwarden. g. p. + Jhr. T. A. M. A. van Andringa de Kempenaer, Lid van de 1e Kamer + der Staten-Generaal en Grietman van het Bildt te St. + Anna-Parochie. + Jhr. W. van Andringa de Kempenaer, Grietman van Lemsterland te + Lemmer. + J. J. Kiestra, Geneesheer te Ee. g. p. + S. Kiestra, Onderwijzer te Sexbierum. + J. Kingma, Lid der Staten van Friesland en Olieslager te Makkum. + M. Kingma Hzn., Lid der Gedep. Staten van Friesland te Makkum. + E. S. van Kleffens, Kweekeling te Ee. + A. M. Klijnsma, Lid van den Grietenijraad van Lemsterland te + Lemmer. + S. T. Klijnsma, Luitenant-Kolonel Ingenieur te Arnhem. + B. Knierim, Logementhouder te Leeuwarden. + Mr. H. J. Koenen, Wethouder der stad Amsterdam. g. p. + Mr. H. van der Kooi, Griffier bij de Arrondissements-Regtbank te + Leeuwarden. + J. Koopmans, Koopman te Gorredijk. + K. Koopmans, Lid van den Raad van Lemsterland te Lemmer. + M. H. Koopmans, Veenbaas te Echten. + U. Koopmans, Grutter te Holwerd. + P. A. Koppius, Litt. Hum. Doct. en Predikant te Rottevalle. + N. D. Kroese, Onderwijzer te Hindeloopen. + A. P. H. Kuipers, Apotheker te Leeuwarden. g. p. + D. Kuipers, te Buitenpost. + H. Kuipers, te Amsterdam. g. p. + + Mr. A. van der Laan, Griffier der Prov. Staten van Friesland te + Leeuwarden. + H. M. Labberté, te Tilburg. + H. J. Ladenius, te Leeuwarden. + Dr. C. Leemans, Directeur van 's Rijks Museum van Oudheden te + Leiden. + Bibliotheek der stad Leeuwarden. + Leesgezelschap te Slooten. + J. van Leeuwen, Griffier van het Prov. Geregtshof en Archivarius + der Provincie Friesland te Leeuwarden. g. p. + J. van Leeuwen Jr., Secretaris van Lemsterland te Lemmer. + W. Lemke, V. D. M. voor het Leesgez. te Warrega. + Mr. W. van Nauta Lemke, Advocaat te Leeuwarden. + Mr. J. van Lennep, Rijks-Advocaat te Amsterdam. + A. N. Lentz, Koopman te Franek. + R. A. Lentz, Schilder te Franeker. + D. H. van der Leij, te Dronrijp. + B. Lolcama, Lid van den Raad der stad Franeker. + R. Lonneman, Medic. en Artis Obst. Doct. te Franeker. + J. B. van Loghem Jr. Boekh. te Haarlem. + H. van Loo, Verwer te Leeuw. + J. van Loon Jzn. Fabrijkant te Huins. + Erven Loosjes, Boekh. te Haarlem. + Dr. E. J. Diest Lorgion, Predikant te Groningen. + Jhr. F. I. Lycklama à Nijeholt Lid der Ridderschap van Friesland + te Midlaren. + Jhr. Mr. G. W. F. Lycklama à Nijeholt, Grietman van + Oost-Stellingwerf te Oldeberkoop. + Jhr. J. A. Lycklama à Nijeholt, Lid der Provinc. Staten van + Friesland te Beetsterzwaag. + Jhr. W. H. Lycklama à Nijeholt, Grietman van Utingeradeel te + Oldeboorn. + R. Baron van Lijnden te Beetsterzwaag. + + W. H. Maas, Predikant te Idsegahuizen. + E. van der Maaten, Stedelijk Ontvanger te Elburg. + Maatsch. tot Nut van 't Algemeen: Depart. Roordahuizum. + Mr. G. E. Le Maire, Regter in de Arr. Regtbank te Heerenveen. + H. Mantingh, Ontvanger te Oostermeer. + Mr. C. van Marle, Inspecteur-Generaal van het Middel van Waarborg + te Utrecht. + J. E. Martens, Stucadoor te Leeuwarden. + J. G. Arentsma Martin, Assessor van Ferwerderadeel, te Hallum. + J. E. Mebius, Boekhandelaar te Kollum. 3 ex. + T. E. Mebius, Boekhandelaar te St. Jacobi-Parochie. 6 ex. + van der Meer en Verbruggen, Boekhandelaars te Rotterdam. + H. van der Meer, Kweekeling te Roordahuizum. + G. Mees Azn. Regter in de Arrondissements-Regtbank te Rotterdam. + g. p. + A. Meeter Pzn. Onderwijzer te Arum. + J. Meeth Czn. Bode by de Staten van Friesland te Leeuwarden. + H. Meetsma, te 's Hage. g. p. + Mr. M. Meinesz, te Slooten. + A. H. R. Metelerkamp, Rijks-Ontvanger te Rottevalle. + T. G. van der Meulen, Boekh. te Bergum. 5 ex. + V. Meursinge, Boekhandelaar te Leeuwarden. 2 ex. + L. L. F. Mispelblom Beijer, Directeur van het Postkantoor te + Heerenveen. + G. J. Molengraaff, te Nijmegen. + S. Mollema, te Amsterdam. + J. Mulder, Wethouder der stad Franeker. + P. B. Mulder, Linnenbleeker te Leeuwarden. + E. Mulders, Onderwijzer te Rottevalle. + Mr. G. N. Mulier, Lid van den Raad der stad Leeuwarden. + P. Mulier, te Bolsward. + Gebr. Muller, Boekhandelaars te 's Bosch. 2 ex. + Mr. G. A. Munster Jordens, voor het Leesgez. te Deventer. + W. Muurling, Hoogleeraar te Groningen. g. p. + + T. Hoog van Nes, Geëmploijeerde aan het Postkantoor te Rotterd. + P. H. Noordendorp, Boekhandelaar te 's Hage. 2 ex. + S. Noteboom, Boekhandelaar te Franeker. + D. T. Notten, voor de Bibl. der Maats. tot Nut van 't Algem. te + Echten. + A. Nugteren, Particulier te Rotterdam. + C. Star Numan, Hoogleeraar in de Regtsgeleerdh. te Groningen. + Is. An. Nijhoff, Boekhandelaar te Arnhem. 2 ex. + + O. B. Oeberius, Notaris te St. Anna-Parochie. + Het Onderwijzers Gezelschap te Grouw. + U. Oosterbaan, Cand. Notaris in de Schrans, bij Leeuwarden. + J. H. Oosterdijk, Emeritus Predikant van Lunteren, op + Gelders-spijker bij Arnhem. + P. van Os, Instituteur te Sneek. + J. G. Ottema, Præceptor aan het Gymn. te Leeuwarden. g. p. + + Mr. J. Pan, Raadsheer in het Provinciaal Geregtshof van Drenthe + te Assen. + Jhr. Mr. J. E. van Panhuijs, Commissaris des Konings in de + provincie Friesland te Leeuwarden. g. p. + H. Pasma Fzn., Landbouwer te Haskerdijken. + J. W. Petræus, Bankhouder te Harlingen. + Mr. I. H. Philipse, Hoogleeraar in de Regtsgeleerdheid te + Groningen. + G. Piekema, Ondermeester te Pingjum. + M. van der Plaats, Boekhandelaar te Harlingen. 8 ex. + F. Plantenga, te 's Hage. + F. W. van der Ploeg, Landbouwer te Ee. + J. Ploegsma, Onderwijzer te Rauwerd. + B. Poppes, Assessor van Lemsterland te Lemmer. + J. Poppes, Assessor van Gaasterland te Balk. + J. Post, Med. Doct. te Arnhem. + C. van der Post, Jr., Boekhandelaar te Utrecht. 5 ex. + Het Postkantoor te Harderwijk. 2 ex. + Het Postkantoor te Meppel. + F. Poutsma, te Slooten. + P. J. Prinsen, Directeur van 's Rijks Kweekschool voor + Onderwijzers te Haarlem. + M. Pruim, Instituteur te Dokkum. + U. Proost, Boekhandelaar te Leeuwarden. 2 ex. + + Mr. A. Quæstius, Plaatsverv. Kantonregter te Dronrijp. + + H. Raadsma, Timmerman te Ee. + K. Radersma, Onderwijzer te Wierum, voor het + Onderwijzers-Gezelschap West Dongeradeel. + Jhr. Mr. A. G. A. Ridder van Rappard, Staatsraad, Directeur van + 't Kabinet des Konings, te 's Hage. + Jhr. F. A. Ridder van Rappard, Secretaris-Generaal van het + Ministerie van Oorlog, te 's Hage. + R. A. Rauwerda, Landbouwer te Roodkerk. + J. H. Reddingius, Predikant te Morra en Lioessens. + Mr. R. A. B. Reddingius, Kantonregter te Sneek. + R. Reitsma, Onderwijzer te Scharnegoutum. + Mej. M. P. Reneman, te Leeuwarden. + L. H. W. Baron van Aylva Rengers, Luit.-Kolonel by het 7e + Regiment Infanterie te Utrecht. + L. R. v. Welderen Baron Rengers, Jur. Student te Groningen. + R. H. S. G. Juckema van Burmania Baron Rengers te Leeuwarden. + g. p. + S. van Welderen Baron Rengers, Grietman van Wymbritseradeel en + Lid der Provinciale Staten te Ysbrechtum. + W. F. L. Baron Rengers te Utrecht. + W. J. van Welderen Baron Rengers te Leeuwarden. + Dr. H. Riedel, Conrector te Groningen. + P. Risselada, Apotheker te Leeuwarden. + W. de Rivecourt, Gepensioneerd Kapitein te Zutphen. + A. J. Rodenhuis, Lid der Staten van Friesland en Wethouder der + stad Harlingen. g. p. + IJ. Rodenhuis Pzn. Zeehandelaar te Harlingen. g. p. + H. R. Roelfsema, Boekhandelaar te Groningen. + G. Roker, voor het Leesgezelschap te Tjallebert. + Th. Romein, Stads Architect te Leeuwarden. + D. T. Roorda te Wijtgaard. + H. L. Roorda, Boer te Kimswerd. g. p. + S. O. Roosjen te Hindeloopen. + H. J. Royaards, Hoogleeraar te Utrecht. + T. J. Rudolphi, Lid van den Raad en Landbouwer te Jutrijp. + Joh. W. Ruitinga, Apotheker te Harlingen. + J. de Ruijter, Boekhandelaar te Amsterdam. + E. P. Rijpma, Landbouwer te Ooster-Nijkerk. + + Mr. L. R. Salverda, Secretaris van Opsterland te Beetsterzwaag. + R. Bloembergen Santée, 1e Deurwaarder bij de + Arrondissements-Regtbank te Leeuwarden. + A. Schaafsma, Aannemer te Harlingen. + A. Schaafsma, Boekhandelaar te Dokkum. 14 ex. + Schalekamp, van de Grampel & Bakker, Boekhandelaars te Amsterdam. + H. Scheltema, Ontvanger der Belastingen te Harderwijk. 2 ex. + Mr. H. W. de Blocq van Scheltinga, te Oranjewoud, g. p. + H. C. Schetsberg, Boekhandelaar te Leeuwarden. 2 ex. + L. Schierbeek, Boekhandelaar te Leeuwarden. 2 ex. + R. J. Schierbeek, Boekhandelaar te Groningen. 6 ex. + P. Wierdsma Schik te Leeuwarden. + A. L. Scholtens, Boekhandelaar te Groningen. + J. Kuiper van Schouwenburg, Lid van den Raad der stad Harlingen. + g. p. + B. Schuring, Boekh. te Weesp. + S. S. Schuurmans, Lid van den Grietenijraad van Rauwerderhem te + Rauwerd. + G. F. Baron thoe Schwartzenberg en Hohenlansberg, Grietman van + Menaldumadeel te Beetgum. + G. W. C. D. Baron thoe Schwartzenberg en Hohenlansberg, Grietman + van Haskerland te Joure. + U. Baron thoe Schwartzenberg en Hohenlansberg, Surnumerair bij de + Directe Belastingen te Leeuwarden. g. p. + W. H. T. Camstra Baron thoe Schwartzenberg en Hohenlansberg, Lid + der Prov. Staten van Friesland te Hichtum. + W. J. J. D. Baron thoe Schwartzenberg en Hohenlansberg, Grietman + van Doniawerstal te Langweer. + H. M. Scrinerius, Geneesheer te Witmarsum. + W. J. A. Seijffardt, Boekh. te Amsterdam. + Jhr. Mr. J. Hora Siccama van de Harkstede te Groningen. + S. G. Siedzesz, Burgemeester der stad Stavoren. + S. Sinnema, Contrôleur der Directe Belastingen te Dokkum. + J. E. Simon, Medicinæ Doctor te Leeuwarden. + L. van Sisseren, te Leeuwarden. + H. D. van Sloterdijck, te Leeuwarden. + Jhr. Mr. H. B. van Sminia, Grietman van Tietjerksteradeel te + Bergum. 1 ord. en 1 g. p. + Mevr. C. van Sminia, geb. Coehoorn van Scheltinga, te Oudkerk. + Jhr. H. van Sminia, Jur. Student te Groningen. + J. Molanus Smith, Onderwijzer te Hiaure. + De stad Sneek. g. p. + Jhr. Mr. H. M. Speelman Wobma, President van het Provinciaal + Geregtshof van Friesland te Leeuwarden. + Jhr. S. Speelman, te Leeuwarden. + J. A. Spree, te Leeuwarden. + M. van Staveren, Theol. Doct. en Predikant te Leeuwarden. + C. van der Sterr, te Helder. + Mr. B. S. Stienstra, Procureur te Sneek. + Wed. Mr. J. Stinstra, geb. Banga, te Franeker. + Simon Stinstra, Lid van den Raad van Harlingen. + W. P. van Stockum, Boekhandelaar te 's Hage. 3 ex. + Mr. G. N. de Stoppelaar, Advocaat te Middelburg. + G. Acker Stratingh, Math. Phil. Nat. et Med. Doct. te Groningen. + H. Stroband, te Franeker. g. p. + G. T. N. Suringar, Boekhandelaar te Leeuwarden. + T. Sybenga, Landbouwer te Nijkerk. + S. Sybrandi, Boekh. te Haarlem. + S. K. Sybrandi, Rustend Leeraar bij de Doopsgezinden te Haarlem. + + H. R. Tacoma, Landbouwer te Pingjum. + S. Talsma, Onderwijzer te Roordahuizum. + W. Talsma, te Oenkerk. + T. Telenga, Boekhandelaar te Franeker. 20 ex. + Mr. A. Telting, Kantonregter te Franeker. + J. G. van Terveen en Zn., Boekhandelaars te Utrecht. + Mr. S. van Teijens, Grietman van Opsterland en Lid der Staten + van Friesland te Beetsterzwaag. + J. F. Thieme, Boekh. te Nijmegen. + J. Tichelaar Jzn. te Amsterdam, g. p. + H. Tiddens, Jur. Student te Groningen. + C. J. Tjessinga, Assessor van Barradeel te Minnertsga. g. p. + J. Lunsingh Tonckens, Med. Doctor te Beetsterzwaag. + Mr. G. M. Baron du Tour van Bellinchave, Raadsheer in het Prov. + Geregtshof van Friesland te Leeuwarden. + S. S. Tromp, Rustend Predikant te Britsum. + W. Tromp, Notaris te Bergum. + S. Tulp, Koopman te Leeuwarden. g. p. + Erven J. J. Tijl, Boekhandelaars te Zwolle. 2 ex. + + R. J. Uilkema, Landbouwer te Scharnegoutum. g. p. + + L. Valk, Rustend Predikant te Leeuwarden, voor het Leesgez. + D. A. van Valkenburg, Hoofd-Commies, belast met het Toesigt der + Bibliotheek van het Depart. van Oorlog te 's Hage. + P. Valter, Particulier te Deventer. g. p. + Dr. D. J. Veegens, Rector aan het Gymnasium te Amsterdam, g. p. + H. G. van der Veen, te Driezum. + Jan H. Veenbaas, Kastelein te Knijpe. + J. Veenland, Stud. Litt. Hum. te Rottevalle. g. p. + Jhr. Mr. P. B. J. Vegilin van Claerbergen, Lid der Gedeputeerde + Staten van Friesland te Joure. 1 ord. en 1 g. p. + H. W. van de Velde, Lid van den Grietenijraad van Utingeradeel te + Terhorne. + S. K. Thoden van Velzen, Predikant te Leeuwarden. + Gebr. Vermande, Boekh. te Hoorn + N. Burhoven Viëtor, Oud-Artill. Officier, Maire, Schout, Lid der + Prov. Staten van Friesland; Assessor van Menaldumadeel, Gepens. + Ontvanger der Directe Belastingen, op den huize Oorbijt te + Dronrijp. + D. Vas Visser, te Amsterdam, g. p. + J. Visser, Onderwijzer te Sneek. + J. H. Visser, Bakker te Witmarsum. + J. A. Visser, Jr., te Heeg. + P. A. Visser, Onderw. te Pingjum + S. W. Visser, Lid van den Raad van Lemsterland, te Lemmer. + + J. P. van Visvliet, Archivarius der prov. Zeeland, te Middelburg. + G. W. Vreede, Hoogleeraar te Utrecht. + Dr. A. de Vries, Rustend Predikant te Haarlem. + F. Draisma de Vries, Lid van den Raad van Franekeradeel te + Achlum. + M. de Vries, Hoogl. te Groningen. + O. de Vries, Commissionair te Leeuwarden. + + K. de Waard, Boekhandelaar te Groningen. + Mr. J. G. van Wageningen, Raadsheer in het Prov. Geregtshof van + Friesland te Leeuwarden. + Mr. J. H. J. van Wageningen, Secretaris van Baarderadeel te + Weidum. + M. S. de Wal, Secretaris der stad Leeuwarden. + O. P. Waller, Lid van den Raad der stad Leeuwarden. + W. C. Wansleven, Boekhandelaar te Zutphen. + Mr. C. C. C. Warmolts, Procureur en Wethouder der stad + Leeuwarden. + R. A. Wartena, Assessor van Rauwerderhem, te Rauwerd. + B. A. Wassenaar, Landbouwer te St. Jacobi-Parochie. + A. Wassenbergh, Predikant te St. Anna-Parochie. + I. Wentholt, Arrondissements Betaalmeester te Alkmaar. + Mr. P. ten Behm Wentholt, Regter te Heerenveen. + Mr. T. M. Wentholt, Griffier van het Kantongeregt te Harlingen. + J. P. van der Werf, Onderwijzer te Peins. + H. S. Westerbaan, Bakker te Arum. + S. H. Wiarda, Lid van den Raad van Baarderadeel te Bozum. + P. van Wicheren Hz., Boekhandelaar te Groningen. 6 ex. + Mr. C. Wichers Wierdsma, Grietman van Hennaarderadeel te Wommels. + J. H. Wierenga, Onderwijzer te Burum. + Mr. A. G. van Velsen Wiersma, Secretaris der stad Harlingen. + Harmen K. Wiersma, Landbouwer te Hichtum. + H. Wilhelmij, Landeigenaar te Bergum. + F. Wilkens, Boekhandelaar te Groningen. + N. van Willes, 1e Luit.-Adjudant bij het 3e Regiment Infanterie te + Arnhem, voor de Officiers-Bibliotheek. g. p. + T. R. Winia, Lid van den Raad van Baarderadeel te Huins. + T. S. van de Wint, Houthandelaar te Franeker. + Jhr. Mr. J. M. van Haersma de With, Grietman van Oost-Dongeradeel + te Metslawier. g. p. + H. G. Wittebol, te Leeuwarden. + F. J. Witteveen, Medic. Doctor en Lid van den Raad van + Lemsterland te Lemmer. + J. N. Witteveen, Lid van den Raad van Oost-Dongeradeel te + Metslawier. + J. A. van Woestenberg, Boekhandelaar te Utrecht. + I. Wouters, Lid der Staten van Friesland te Sneek. + C. Wouda, Stucadoor en Meubelfabrijkant te Leeuwarden. + H. C. Wouda, Wethouder der stad Sneek. + Mr. C. Wijbenga, Secretaris van Franekeradeel te Franeker. + J. Wijma Jzn. te Leeuwarden. + M. Wijt & Zn. Boekhandelaars te Rotterdam. + + Dr. N. Ypeij, Lid van den Raad der stad Leeuwarden. + S. Ypeij, Jur. Student te Groningen. + J. H. van IJssel, V. D. M. te Hempens, voor het Leesgezelschap. + Jan S. IJzenbeek, Koopman te Harlingen. + + A. K. Zandstra, Landbouwer te Langweer. + D. H. Zandstra, Landbouwer te Langweer. + Dirk Zeper, Wethouder der stad Leeuwarden. + H. Zeper, te Leeuwarden. + J. Zeven, Onderwijzer te Tjummarum. + J. G. de Waldkirch Ziepprecht, te Leiden. + J. Zuidema, Onderw. te Oostrum. + J. J. Zuidhoff, Onderwijzer te Ee. + F. F. van der Zwaag op het Huis ter Noord onder Oudwoude. g. p. + W. C. van der Zwaag, Predikant te Dronrijp. + P. H. van der Zijl, Landbouwer te Goënga. g. p. + Mr. P. Adama Zijlstra, Burgemeester der stad Harlingen. g. p. + + + + +TWEEDE NAAMLIJST VAN INTEEKENAREN. + + + HARE MAJESTEIT DE KONINGIN-MOEDER. g. p. + + J. H. Akkeringa, Doopsgezind Predikant te Workum. + S. Algera, Onderwijzer te Spannum. + T. Alma, Notaris te Menaldum. + E. J. Alta, Secretaris van Barradeel te Sexbierum. + Mr. J. P. Amersfoordt, Advokaat te Amsterdam. + A. Andreæ, Notaris en Lid der Staten van Friesland, te + Beetsterzwaag. + Mr. A. J. Andreæ, Oud-Directeur der Registratie en Domeinen te + Leeuwarden. + Mr. J. H. Beucker Andreæ, te Leeuwarden, voor de + Onderwijzers-gezelschappen in het 7e School-district van + Friesland. + J. A. Anema, te Arum. + D. Apon, Koopman te Amsterdam. + P. van Asperen, Koopman te Warrega. + Mr. C. J. van Assen, Hoogleeraar te Leiden. + P. S. Attema, te Leeuwarden. + + J. van der Baan, Onderwijzer te Zaamslag. + M. A. J. Bakhuijzen, te 's Gravenhage. + J. Barends, Arrondissements-Betaalmeester te Heerenveen. + J. B. H. Bax, te Rotterdam, g. p. + C. H. Beekhuis, Notaris te Buitenpost. + Helm. Beekhuis, Predikant te Austerhaule. + H. Beekkerk, Ontvanger der Registratie te Oldeberkoop. + J. H. Behrns, te Franeker. + E. A. Bekius, te Lieve Vrouwe-Parochie. + J. M. Benteijn, Ridder der Militaire W. O. 4e kl., Ontvanger der + Registratie enz. te Leeuwarden. + Mr. P. J. Teding van Berkhout, te Amsterdam. + Bibliotheek der H.H. Officieren van het Instructie-Bataillon te + Kampen. + Bibliotheek der stad Leeuwarden. + Bibliotheek der stad Arnhem. + Bibliotheek der Officieren van het 5e Regiment Infanterie te + Vlissingen. + J. F. Blaauw, Predikant te Rotterdam. + J. J. de Blécourt, Notaris te Wildervank. + G. P. Bleeksma, Timmerman te Roordahuizum. + Mr. J. T. Bodel Nijenhuis, te Leiden. + Mr. F. A. van Boelens, Kantonregter te Beetsterzwaag. + J. B. de Boer, Predikant te Marrum. + M. L. de Boer, Predikant te Berlikum. + B. K. Bokma, Gemeente-Ontvanger van Idaarderadeel, te Grouw. + A. Bolman, Wijnhandelaar te Warrega. + C. J. Bolten, Ingenieur der 1e klasse van den Waterstaat te + Leeuwarden. + D. W. Bosch Dzn. te Amsterdam. + E. F. van den Bosch Pz. Rijks Veearts te St. Anna-Parochie. + J. Bosscha, Hoogleeraar te Amsterdam. + Mr. P. Bosscha, Hoogleeraar te Deventer. + H. T. Bosma, Landbouwer te Smalle-Ee onder Boornbergum. + Sake J. Bosma, Mr. Timmerman te Follega. + L. G. Bouricius, Arrond.-Directeur van 's Rijks Directe + Belastingen, R. N. L. te Utrecht. + D. D. Breuning, Lid der Staten van Friesland en Geneesh. te + Wolvega. + Jhr. J. A. van Brienen van Ramerus, Kapitein, 1e aanw. Ingenieur + te Nijmegen. + H. Brouwer, Predikant te Oudkerk. + S. Brouwer, Geneesheer te Bergum. + E. P. Brunger, Notaris en Lid der Staten van Friesland, te Lieve + Vrouwe-Parochie. + G. Brunia, Ondermeester te Sexbierum. + J. J. Buwalda, Med. Doctor te Franeker. + + Jhr. V. V. van Cammingha, Burgemeester van Leeuwarderadeel te + Huizum. + H. G. Cannegieter, Med. Doctor te Hallum. + de Crane d'Heijsselaer, Borgemeester, op 't Hof de Buerstede te + Aertselaer, bij Antwerpen. + + D. A. Deinema, Gepensioneerd Kapitein van 't O. Ind. Leger, te + Arnhem. + H. W. van Doesburg, Surnumerair bij 's Rijks Belastingen te + Amsterdam. + L. J. Dooper, Landbouwer te Hommerts. + Mr. H. I. Baron van Doorn van Westcapelle, Opper-Hofmaarschalk + van het Huis des Konings enz. te 's Hage. + P. H. Douma, te Hardegarijp. + J. Douwes, Predikant te Leens. + J. ab Utrecht Dresselhuis, Predikant te Wolfaartsdijk. + O. J. Dijkstra, Olieslager te Leeuwarden. + + J. Ebbos, te Amsterdam. + P. Epkema, Doctor in de Letteren, te Amsterdam. + L. van Essen, Onderwijzer te Wijnjeterp, voor het Leesgezelschap: + Behoudt het goede. + + J. L. Faber, Ondermeester te Bolsward. + Jhr. A. L. C. Fabricius van Heukelom, Lid der Ridderschap van + N.-Holland, te Amsterdam. + D. P. Farret, Rustend Predikant te Harlingen. + Bauke Feenstra, Opperwachtmeester by 't Regiment Rijdende + Artillerie, te Amersfoort. + A. Feickens, te Leeuwarden. + W. Feikema, Heelmeester te Oosterwolde. + A. Feima, Onderwijzer te Leeuwarden. + J. A. Feith, Kapitein-Ingenieur te Utrecht. + S. W. Fennema, te Bergum. + Mr. A. Ferf, Advocaat bij het Provinciaal Geregtshof van + Friesland, Ambtenaar bij het O. M., Kanton Bergum en Secretaris + der Grietenij Tietjerksteradeel te Bergum. + P. Fiers, Onderwijzer te Winsum. + J. Folkertsma, Predikant te Koudum. + D. Fontein Azn. Steenfabrijkant te Franeker. + Dirk Fontein Fz. Zeehandelaar te Harlingen. + Mr. J. A. Fontein, Kantonregter te Oudeberkoop. + Reiner Fontein, te Franeker. + G. R. Fopma, te Mantgum. + I. Fredriks, te Wolvega. + + Willem F. Galema, Notariële klerk en Zaakwaarnemer te Marrum. + g. p. + J. H. van der Goot, Ontvanger te Oosterend. + S. H. van der Goot, Doopsgezind Predikant te Berlikum. + B. P. Gorter, Wethouder van de gemeente Haskerland te Joure. + J. J. Gouma, te Wolvega. + A. Gratama, Kassier te Leeuwarden. + K. van Someren Gréve, Mr. Steen- en Beeldhouwer te Sneek. + P. A. Guldenarm, te Franeker. + P. C. G. Guijot, te 's Hage. + + W. Haamstra, Onderwijzer te Oosterwierum. + H. B. van der Haer, Lid der Gedep. Staten van Friesland, te + Leeuwarden. + K. J. R. v. Harderwijk, te Noordwijk-binnen. + E. R. Harkema, te Leeuwarden. + Cornelis Harmens, Zeehandelaar te Harlingen. + N. T. Haverschmidt, Lid van den Gemeente-raad en Apotheker te + Leeuwarden. + K. Sipkes Heep, Candidaat-Notaris te Holwerd. + D. Hekker Jr., Onderwijzer te Amsterdam. + G. A. van Hemert, Onderwijzer te Harlingen. + J. C. Hemsing, Med. Doctor te Blija. + Mr. W. J. Hemsing, Notaris en Secretaris van Gaasterland te Balk. + J. A. Hibma, Lid van den Raad van Barradeel te Sexbierum. + J. R. Hiddinga, Assessor van Barradeel te Wijnaldum. + A. M. Hiemstra, Lid van den Raad van Barradeel, te Klooster + Lidlum. + L. G. Hilbida, Assessor, waarnemend Grietman van Barradeel, te + Tjummarum. + J. Hingst, te Amsterdam. + J. Hingst, Predikant te Sijbrandaburen. + G. T. Hoekstra, te Deinum. + S. W. Hoekstra, Candidaat-Notaris te Wommels. + Abr. des Amorie van der Hoeven, Theol. Doct. en Professor, + Commandeur der Orde van den Nederlandschen Leeuw, Lid en vaste + Secretaris der 2e kl. van het Koninkl. Nederl. Instituut, te + Amsterdam. + W. J. Hofdijk, te Beverwijk. + T. Hofkamp, voor de Bibliotheek voor Onderwijzers van het 1e en + 2e Distrikt der prov. Groningen. + P. J. de Hoop, te Nieuwland. + J. E. F. Huguenin, te Franeker. + Huydecoper van Nichtevegt, Jur. Cand. te Utrecht. + + K. G. Jensma, Landb. te Hallum. + T. Jentink, Pred. te Nieuwland. + Simon B. de Jong, te Leeuwarden. + + K. J. Kalma, Lid der Prov. Staten van Friesland te Boxum. + O. van Kammen, Koopman te Leeuwarden. + H. F. Kamphuijzen, Onderwijzer bij de Kath. Armenschool te + Utrecht. + Otto Keer, Assuradeur te Amsterdam. + Mr. J. M. de Kempenaer, Advokaat te Arnhem. + Jhr. Mr. J. de Bosch Kemper, Advokaat-Gener. bij 't Geregtshof te + Amsterdam. + C. J. Kingma, Koopman te Leer. g. p. + I. Klein, Onderwijzer te Nijmegen. + C. C. Knoll, te Amsterdam. + A. T. Knoop, 1e Luit. bij het 1e Regiment Vesting-Artillerie te + Grave. + C. Koopmans, Ontvanger van Opsterland, te Beetsterzwaag. + H. M. Koopmans, te Lemmer. + S. A. Koopmans, Ondermeester te Oldeboorn. + T. A. Koopmans, te Beetsterzwaag. + S. R. Kuipers, Kastelein te Akkrum. + + M. Th. Laurman, Predikant te Winsum. + P. Leendertz, Wzn. voor het Leesgezelschap te Woudsend. + Leesgezelschap te Bergum en Oostermeer. + Leesgezelschap te Arum. + Leesgezelschap: Miscens Utile Dulci, te Leijden. + Leesgezelschap: ter Beschaving, te Sneek. + Leesgezelschap te Folsgare. + Leesgezelschap (Het Geschied- en Letterkundig) te Zwolle. + A. van der Leeuw, te Delft. + T. Leistra, te Bergum. + Mr. D. J. van Lennep, voor de Bibliotheek van het Athenæum + Illustre te Amsterdam. + A. Rutgers van der Loeff, Predikant te Leiden. + W. Lomars, Bakker te Tjum. + J. D. Lont, Landbouwer te Hallum. + S. Lycklama à Nijeholt, Wethouder der stad Bolsward. + + D. G. Mackay, Predikant te Stavoren. + W. Mebius, Predikant te St. Jacobi-Parochie. + Mr. G. A. de Meester, Lid der Staten van Gelderland, Advokaat en + Secretaris te Harderwijk. + Wed. I. Meesters-Tromp, te Steenwijk. + H. Meinesz, Ontvanger der Directe Belastingen te Amsterdam. + O. Meinsma, Rijks-Ontvanger te Meppel. + D. M. Mellema, Lid der Prov. Staten van Friesland en Landbouwer + te Oostrum. + F. H. Mertens, Stads-Bibliothekaris te Antwerpen. + H. Mestdagh, Boekhandelaar te Vlissingen. + Mr. L. Metman, Advokaat te 's Gravenhage. + J. C. Metzlar, Secretaris van West-stellingwerf te Wolvega. + A. H. v. d. Meulen, Koopman te Franeker. + Dr. P. A. van Meurs, Docent aan 't Gymnasium te Deventer. + J. F. Meijer, Ontvanger van 's Rijks belastingen te Witmarsum. + A. J. Mispelblom Beijer, Directeur der Posterijen te Leeuwarden. + H. Mohrman, voor het Leesgezelschap: Oefening volmaakt, te + Amsterdam. + Mr. J. Haitsma Mulier, Burgemeester der stad Bolsward. + Mr. T. Mulier, Burgemeester van Wonseradeel te Witmarsum. + + Mr. C. F. F. Rinia van Nauta, Kantonregter van Bergum, te + Giekerk. + Mr. G. R. Nauta, President bij de Arrond.-Regtbank te Heerenveen. + Laurens Nauta, Kweekeling te Groningen. + A. R. Nicolai, Geneesheer te St. Anna-Parochie. + Johs. Nolledes, Olieslager te Leeuwarden. + G. Noordhof, Onderwijzer te Oosterwolde. + C. H. Nijdam, te Haskerdijken. + + H. H. Okken, Min. Cand. en Hulpprediker te Bakkeveen. + U. P. Okken, Theol. Doct. en Predikant te Solwerd c. a. + J. S. Olivier, Secondant te Groningen. + A. van Otterloo, Instituteur te Amsterdam. + M. D. van Otterloo, Instituteur te Valburg. + + S. van der Paauw, Stads-Architect te Leiden. + J. A. Palsma, voor het Leesgezelschap te Vrouwenbuurt. + P. K. Pel, Genees- en Heelkundige te Dragten. + de Petit, Kolonel van den Generalen Staf, te Arnhem. + R. Piekema, Commissaris van Policie der stad Leeuwarden. + Mr. G. L. Jansma van der Ploeg, Advokaat te Amsterdam. + T. van der Ploeg, Brandspuit- en Brandkast-fabrikant te Grouw. + G. Pol, V. D. M. te Baard, voor een Leesgezelschap. + Mr. J. Pols, Referendaris te 's Hage. + J. Posthuma, Med. Doctor te Dronrijp. + B. Prakken, Koopman en Wethouder der Gemeente Oost Stellingwerf + te Oosterwolde. + A. Winkler Prins, Doopsgezind Predikant te Veendam en Wildervank. + + Mr. F. S. Reiding, Lid der Staten van Friesland en Secretaris van + Smallingerland. + A. C. Reneman, Wed. Persijn van Nauta, te Leeuwarden. + Mr. B. W. van Welderen Baron Rengers, te Leeuwarden. + Mr. S. J. van Rhijn, Griffier bij de Arrond. Regtbank te 's Hage. + J. K. van Riesen, Koopman te Grouw. + P. R. Römer, Geneesheer te Warrega. + E. S. Romkes, Assessor van Wijmbritseradeel te Scharnegoutum. + + J. A. Schaaff, Notaris te Stiens. + J. Schaafsma, te Harlingen. + P. Scheltema, Archivarius der Hoofdstad en van de Provincie + Noord-Holland. + Mr. G. Schot, Notaris te Franeker. + J. M. Schrant, Professor in de Wijsbegeerte en Letteren te + Leiden. + J. C. Schultz Jacobi, Evang. Luth. Predikant te Rotterdam. + Mr. J. G. Schumacher, te Rotterdam. + J. Schuijten Hzn., te Dordrecht. + N. Sickler, Candidaat-Notaris te Leeuwarden. + G. D. Simon, Directeur der Belastingen in Friesland te + Leeuwarden. + J. D. Simon, Stedelijk Ontvanger te Leeuwarden. + M. C. Simon, Med. Doctor te Amsterdam. + N. J. Singels, Kostschoolhouder te Leeuwarden. + E. J. Sjoukes, te Lutkewierum. + J. W. Sluiter, Conrector aan het Gymnasium Erasmianum te + Rotterdam. + Jhr. Mr. C. J. Speelman, te Bolsward. + S. Spree, Ontvanger der Dir. Belastingen te Leeuwarden. + Dr. Th. Spree, te Veenwouden. + K. Stapensea, Geëmploijeerde ter Secretarie van Menaldumadeel te + Menaldum. + Jhr. N. J. Steengracht van Duivenvoorde, Hoogheemraad van + Rijnland te 's Hage. + A. W. Storm van 's Gravesande, te Enschedé. + Jhr. van der Straten van den Hill, Lid der Ridderschap van + Zeeland, op het huis te Hoorn, onder Rijswijk. + C. W. Stronck, Theol. Doctor en Predikant te Dordrecht. + Mr. Æ. M. de Swart, Procureur te Leeuwarden. + W. Swart, Med. Dr. te Leeuwarden. + A. H. Swerms, Beëedigd Klerk te Franeker. + J. H. Swildens, Instituteur te Amsterdam. + M. Sijbouts, Koopman te Leeuwarden. + + H. Taconis, te Grouw. + J. Z. Tadema, Theol. Student te Amsterdam. + A. Tak, te Middelburg. + Mr. E. H. Tenckinck, Secretaris van Hennaarderadeel te Wommels. + Mr. Rein Terpstra, te Cleve. + H. N. van Teutem, Litt. en Theol. Doct. Predikant te Rotterdam. + H. A. Timmerman, Landbouwer te Munnekeburen. + P. J. Tolsma, Lid van den Raad van Barradeel te Almenum. + A. H. Tromp, te Woudsend. + A. M. Tromp, te Balk. + Mr. S. W. Tromp, Procureur en Wethouder der stad Leeuwarden. + D. Trompetter, Catechiseermeester te Harlingen. + E. van Tuinen, Apotheker te Leeuwarden. + + B. B. van der Veen, Predikant te Eernewoude. + Mr. C. J. van der Veen, Lid der Gedeputeerde Staten van + Friesland, te Leeuwarden. + Mr. Jan van der Veen, Advokaat en Lid der Staten van Friesland, + te Leeuwarden. g. p. + Jhr. P. E. A. Vegilin van Claerbergen, oud Lid der Gedeputeerde + Staten van Friesland, te Blesse. + S. L. Vellinga, Deurwaarder te Bergum. + A. W. Vermeij, Predikant te Exmorra en Allingawier. + Dr. L. G. Visscher, Hoogleeraar te Utrecht. + W. W. Visser, Koopman te Gaastmeer. + Mr. C. L. Vitringa, Burgemeester en Notaris te Nunspeet. + J. J. van Vollenhoven, Predikant te Utrecht. + H. W. A. Voorhoeve, te Rotterdam, voor een Leesgezelschap. + + Mr. R. IJ. Warmolts, Advokaat te Leeuwarden. + Is. Warnsinck, Architect, Secretaris der 4e kl. van het Kon. Ned. + Instituut te Amsterdam. + J. H. Warren, Rector van het Gymnasium te Dokkum. + B. K. Wassenaar, Landbouwer te St. Jacobi-Parochie. + Mej. L. P. Wentholt, te Franeker. + J. A. van Weperen, te Oosterwolde. + H. van der Werf, Koopman te Bolsward. + A. H. Wessels, Pred. bij de Christ. Afgescheidene Gemeente te + Rhijnsburg. g. p. + Dr. R. Westerhoff, Lid van de Tweede Kamer der Staten Generaal, + te Warffum. + C. S. Westra, Leerlooijer te Achlum. + Jan Westra, Opperwachtmeester bij het Regiment Rijdende + Artillerie te Amersfoort. + J. W. Weijerman, Hoofd-onderwijzer te Haarlem. + P. Wiarda, te Leeuwarden. + J. Wildeboer, Onderwijzer te Lekkum. + D. H. Wildschut, Theol. Doctor en Predikant te Amsterdam. + Mr. S. de Wind, Vice-President van het Prov. Geregtshof in + Zeeland, te Middelburg. + R. S. van de Wint, Ondermeester in de Stads-Burgerschool te + Harlingen. + Mr. J. M. de With, Plaatsverv. Kantonregter te Buitenpost. + J. B. Wolters, Boekhandelaar te Groningen. + + H. Zaadstra, voor het Leesgezelschap te Oosterlittens. + Mr. Jac. Zeper, Koopman te Leeuwarden. + C. Zijlstra, Secondant te Barneveld. + +[Illustratie: Schetskaart van den WAARSCHIJNLIJKEN TOESTAND van het LAND +DER FRIEZEN EN HUNNE NABUREN, _omstreeks den aanvang onzer +tijdrekening_. + +_Volgens het ontwerp van Dr J. G. Ottema. Uitgegeven door W. Eekhoff, +1851. Steendr der Wed. C. Brantsma._] + + + + +VERDEELING EN ORDE VAN BEHANDELING. + + +EERSTE TIJDVAK. _Het Oude Friesland._ Van de vroegste tijden of de komst +der Romeinen in _Friesland_ tot op het einde van den strijd der Friezen +en Franken onder _Keizer_ KAREL _den groote_. Van 11 jaren vóór CHRISTUS +tot omstreeks den jare 800 van onze tijdrekening. + +TWEEDE TIJDVAK. _Het Vrije Friesland._ Van KAREL _den groote_ of de +invoering van de Christelijke godsdienst tot op het einde der +partijschappen tusschen de Schieringers en Vetkoopers en het verlies der +onafhankelijkheid onder _Hertog_ ALBERT _van Saksen_. Van omstreeks het +jaar 800 tot 1498. + +DERDE TIJDVAK. _Friesland bestuurd namens vreemde Vorsten._ Van de +aanneming van _Hertog_ ALBERT _van Saksen_ tot Erfpotestaat van +_Friesland_ tot de Hervorming in Kerk en Staat of de afwerping van het +Spaansche juk. Van 1498 tot 1580. + +VIERDE TIJDVAK. _Friesland onder de Staten en de Stadhouders uit het +Huis van Nassau._ Van de invoering der Hervorming tot de ontbinding der +Nederlandsche republiek of de Staats-omwenteling. Van 1580 tot 1795. + +VIJFDE TIJDVAK. _Friesland tijdens de Fransche overheersching._ Van de +Staats-omwenteling en de opheffing van het Stadhouderschap tot de +herstelling van _Nederland_ en het vertrek der Franschen. Van 1795 tot +1813. + +ZESDE TIJDVAK. _Het Nieuwe Friesland, onder de Koninklijke Regering._ +Van 1813 tot 1850. + + +[Illustratie: BEKNOPTE GESCHIEDENIS VAN FRIESLAND, IN HOOFDTREKKEN; +DOOR W. EEKHOFF.] + + + + +BEKNOPTE GESCHIEDENIS VAN FRIESLAND, IN HOOFDTREKKEN. + +_Inleiding._ + + +Ons allen is zóó groot een lust tot kennis en wetenschap aangeboren, dat +niemand kan twijfelen of de menschelijk natuur wordt, zonder uitzigt op +eenig voordeel, van zelf daar heen getrokken. Algemeen is in het +bijzonder bij alle volken de neiging, om te willen weten ~wat~ de +oorsprong is van hun vaderland, ~welke~ merkwaardige gebeurtenissen +daarin zijn voorgevallen, en ~hoe~ het in den loop der eeuwen tot zijnen +tegenwoordigen toestand is gekomen. + +Deze loffelijke neiging en die vaderlandsliefde worden zeer versterkt, +als de geschiedenis van dat volk eene eervolle afkomst kan aanwijzen; +als zij voorstelt uit welke geringe beginselen vaak groote gevolgen zijn +voortgekomen; maar vooral, wanneer zij aantoont, welke nooden en gevaren +de voorvaderen al hebben doorgestaan, om dit erf te behouden en te +verbeteren, en als zij uit den strijd tegen de vijanden des vaderlands +edele bedrijven en heldendaden kan vermelden, waarin het nageslacht +zijne eer en zijnen roem stelt. + +Dat alles is echter nog niet genoeg: want hoogere waarde voor verstand +en hart heeft de geschiedenis, als wij daarin nasporen, welke de opkomst +en ontwikkeling was van het volk en zijne belangen;--als zij ons +aanwijst, door welke oorzaken, krachten en vermogens de vrijheid, de +welvaart en andere maatschappelijke voorregten der ingezetenen zijn +verkregen en vermeerderd, en onder welke omstandigheden zij in kennis en +verlichting zijn toegenomen; maar bovenal, hoe zij door de Goddelijke +Voorzienigheid zijn geleid, beschermd en gezegend, om gevormd te worden +tot een beschaafden burgerstaat, waarvan de leden eene verhevener +bestemming hebben dan het gedierte des velds. + +Weinige volken van _Europa_ kunnen op hoogere oudheid, eervoller afkomst +en roemrijker geschiedenis bogen dan _de Friezen_. Zeldzaam en +merkwaardig toch is het voorbeeld van een volk, dat gedurende achttien +eeuwen zijn naam onveranderd bleef dragen, zijn eigen land bleef +behouden, en dat zijne vrijheid, volksbestaan, taal, karakter en zeden +zoo lang mogt bewaard zien. Vele naburige volken zijn gedurende dien +tijd ontstaan en verdwenen of van naam veranderd--_de Friezen_ handhaven +hun bestaan, van vóór onze jaartelling af, onafgebroken. Dikwijls +zijn zij door vreemde legers aangevallen; veelmalen werd hunne +onafhankelijkheid belaagd en scheen hun ondergang nabij, en +immer bestookt door den oceaan, welke hen aan bijna alle zijden +omringt,--moesten zij zich bestendig verdedigen tegen deze magtige +vijanden, op wie zij, na vele verliezen, fier de overwinning mogten +behalen. Op lage en moerassige landen en dorre heiden gevestigd, mogt +het bovendien hunner noeste vlijt gelukken, dit land door dijk- en +waterwerken te herscheppen in dát vruchtbaar en bloeijend oord, met +talrijke steden, dorpen en gehuchten als bezaaid, hetwelk thans een der +sieraden is van _Nederland_. + +Hoe pligtmatig is het dus niet voor ons, die, nog den ouden volksnaam +dragende, de vruchten van dien strijd, inspanning en zorg genieten, en +de voorregten en genoegens eener geregelde burgermaatschappij hier thans +mogen smaken, om belang te stellen in de geschiedenis van dit land en +dat volk. Daardoor toch zullen wij het voorgeslacht vereeren, waaraan +wij zoo groote verpligting hebben, en kunnen opmerken hoeveel dank wij +Gode verschuldigd zijn voor de hulp en bescherming, waarmede hij ons +voorgeslacht boven vele andere volken begunstigde. Die belangstelling +zal der Friezen nationaliteit en vaderlandsliefde, waardoor zij zich +steeds blijven onderscheiden, waardig zijn. Zelfs zullen deze nieuw +voedsel ontvangen door de vermelding van den roem huns lands en de eer +huns volks. Nimmer echter moge dit in ijdelen volkstrots ontaarden, die +tot beleediging of minachting van naburen strekt. Neen, de beoefening +van die geschiedenis worde veeleer een middel tot beschaving, tot eene +billijke opprijsstelling van de waarde der dingen, tot regtschapenheid +en grootmoedigheid. Door haar verstandig te lezen en door acht te geven +zoowel op de oorzaken en omstandigheden als op de gevolgen der daden en +gebeurtenissen, zal deze bode der verloopene eeuwen de leermeesteres +worden van onzen leeftijd, en licht verspreiden over onzen toestand. Zij +zal vooral de eeuwige waarheid luide verkondigen, dat de hoogste +Wijsheid in edele daden zelve hare belooning, gelijk in slechte daden de +onvermijdelijke straf der boosheid zelve gelegd heeft. Zij zal ons met +bemoedigende gevoelens vervullen voor de hoop der toekomst, daar zij +aanwijst hoe met elk geslacht de toestand, de zeden en de beschaving des +volks zijn verbeterd. Want waarheid bevat het kort en eenvoudig gezegde +des dichters: + + _In 't verleden ligt het heden, + In het =nu= wat worden zal._ + +Op die wijze beoefend, zal de geschiedenis voor ons een tafereel zijn +van Gods leiding met het voorgeslacht; dan zal zij geen bloot +geheugenwerk, maar een waardig voorwerp van nasporing zijn, omdat zij +leert uit hetgeen geschied is, en omdat zij den oorsprong verklaart van +den maatschappelijken toestand, waarin wij ons thans bevinden. + +Hoe gaarne zouden wij eene uitvoerig bewerkte Geschiedenis van +_Friesland_ bezitten, waarin dat alles in bijzonderheden ontwikkeld +ware! Tot bewerking daarvan schijnt echter de tijd nog niet gekomen te +zijn, en moeten er vooraf nog vele bijzondere bronnen opgespoord en +uitgegeven worden. Wij willen echter eene schrede doen op dit +uitgestrekte veld, door de ~hoofdtrekken~ dier geschiedenis of de +voornaamste gebeurtenissen kort en eenvoudig te verhalen. Daardoor moge +voorloopig worden voorzien in eene behoefte, welke velen onzer +landgenooten gaarne bevredigd zagen; velen, ook in andere provinciën des +vaderlands, welke vroeger deelen waren van het uitgestrekte Friesche +rijk, en wier geschiedenis dus zamenvloeit met die, welke wij in de +hoofdzaak tot de tegenwoordige provincie of het eigenlijk _Friesland_ +moesten bepalen. Hartelijk wenschen wij, dat onze bewerking, die, wegens +gebrek aan bescheiden, niet in alles volledig kan zijn, eene heldere +voorstelling moge geven van de hoofdgebeurtenissen, die den schakel der +geschiedenis vormen. + + + + +EERSTE TIJDVAK. + +HET OUDE FRIESLAND. + +VAN DE VROEGSTE TIJDEN TOT KEIZER KAREL DEN GROOTE. + +_Van het jaar 11 voor- tot omstreeks 800 na Christus._ + + Ende ist zaecke dat u belieft hier meer af te weeten, zoe bidde + ik u, dat ghy neerstelicken wilt overleesen die oude historien + van Vrieslant, inden welcken ghy alle dinck breeder ende claerder + vertelt zult vinden. + + CORNELIS VAN GREBBER, van _Egmond_. + (1198)[1] + + [1] Vermeld in de Aantt. op HOFDIJK'S _Jonker van Brederode_, Amst. + 1849, bl. 208. + + +1. _De Afkomst der Friezen._ + +De afkomst of oorsprong der Friezen schuilt zóó diep in den nacht der +eeuwen en gaat het historische tijdperk, of de met zekerheid bekende +geschiedenis van ons vaderland, zóó lang vooraf, dat niemand daaromtrent +bepaalde berigten kan mededeelen. Het ontbreekt echter niet aan +gissingen, vermoedens en volksverhalen deswege. Dat zij uit het noorden, +uit _Scandinavië_ of _Zweden_ en _Noorwegen_ afstammen, wordt evenzeer +beweerd, als dat zij uit _Azië_ of het oosten afkomstig en dóór +_Germanië_ getrokken zouden zijn, vóór zij zich hier op deze kustlanden +vestigden. Anderen houden hen voor een stam der Kimbren; doch volgens de +jongste onderzoekingen der geleerden, zouden zij afstammen van de Celten +of Kelten, wier voorgangers (door hen Vóór-Kelten of Vóór-Germanen +genoemd) in een gedeelte van _Friesland_, het hooggelegene _Drenthe_, de +stichters waren van de reusachtige ~Hunebedden~ of opeengestapelde +steenbrokken, welke gedurende zoo vele eeuwen voorwerpen van bewondering +zijn geweest[2]. Ook in _Gaasterland_ is in 1849 een dergelijk Hunebed, +steengraf of kelder beneden den hoogen boschgrond ontdekt, bestaande uit +eene massa zware steenbrokken, waar tusschen vuursteenen wiggen, +urnscherven, houtskool enz. werden gevonden; een gedenkstuk der oudheid +uit den vóór-historischen tijd, toen de bewoners dezer landen het +gebruik van de metalen nog niet kenden[3]. + + [2] Uitvoerig handelt daarover Dr. G. ACKER STRATINGH in zijne _Aloude + Staat en Geschiedenis des Vaderl._ Gron. 1849, II 44, 88, 108. Zie + verder over de afkomst der Friezen de Voorrede van het 1e dl. van het + _Vriesch Charterboek_; YPEIJ, _Geschiedenis van de Ned. Taal_, Gron. + 1812, I 126, 150, II 106; FOEKE SJOERDS, _Beschrijving van Friesl._, + Leeuw. 1765, I 277; _Oudheden en Gestichten_, I 1, 38, II 337; Dr. L. + J. F. JANSSEN, _Drenthsche Oudheden_, 17, 167. + + [3] Na een naauwkeurig onderzoek heeft de geleerde oudheidkenner Dr. + L. J. F. JANSSEN daarvan een uitvoerig verslag aan het Friesch + Genootschap medegedeeld, hetwelk geplaatst is in _de Vrije Fries_, + 1850, V 338. + +Meer geloof verwierf echter het volksverhaal, dat FRISO, eens Konings +zoon uit _Indië_, na den dood van ALEXANDER _den groote_ uit zijn +vaderland verdreven, zich met zijne broeders SAXO en BRUNO en vele +anderen te scheep begeven hebbende, 313 jaren vóór onze tijdrekening met +eene vloot in _Friesland_ zou aangeland zijn. Hij wordt gehouden voor +den stichter van _Stavoren_, voor den bevolker van dit land en alzoo +voor den stamvader der Friezen, die van hem hun naam ontleenden, gelijk +de Saksers en Brunswijkers den hunnen van zijne broeders zouden +ontvangen hebben. + +Het valt zeer moeijelijk te beslissen, in hoe ver dit aloude +volksverhaal waarheid bevat. Toen het omstreeks veertien eeuwen later in +de landskronyken werd opgenomen, werd het blijkbaar in den vorm en naar +de denkwijze van dien tijd voorgesteld, versierd en uitgebreid, en +daaraan eene gansche rij van Vorsten verbonden, die Prins FRISO in het +bestuur van _Friesland_ zouden opgevolgd zijn[4]. Bestendig is dit +verhaal het voorwerp geweest van geschil tusschen vele geleerden, die +het bestreden en verdedigd hebben. De dichter WILLEM VAN HAREN heeft het +zelfs tot onderwerp gekozen van een voortreffelijk heldendicht[5]. + + [4] Zie het _Tijdrekenkundig Overzigt van de Friesche Vorsten, + Opperhoofden, Koningen, Stadhouders_ enz., en de daar vóór geplaatste + inleiding, achter de _Aanteekeningen_ als Tweede _Bijlage_ + medegedeeld, ter bekoming van een algemeen overzigt van de opvolging, + duur van regering en voornaamste feiten dezer personen. + + [5] _Gevallen van Friso, Koning der Gangariden en Prasiaten_, Amst. + 1741, 8^o. De tweede omgewerkte druk verscheen in 1758 in 4^o. De + mindere waarde van dezen laatsten druk heeft Dr. J. H. HALBERTSMA + uitvoerig aangetoond in zijne _Fragmenten over het geslacht der van + Harens_, bl. 100, 137. + +Er bestaan nog meerdere verhalen en meeningen omtrent den oorsprong der +Friezen, doch allen zijn even twijfelachtig, als de verklaringen van den +naams-oorsprong[6]. Waarom zouden wij niet liever bekennen, dat de +hooge oudheid ons verhindert deswege eenige zekerheid te bekomen, en dat +er ~weinige~ trekken bekend zijn uit de eerste kindschheid der +levensgeschiedenis onzer natie? Meer zeker is het echter, dat zij een +der talrijke volksstammen waren van het uitgestrekte _Duitschland_ of +_Germanië_. Doch volkomen zeker is het, dat zij hier reeds gevestigd +waren, deze lage landen zich reeds tot eene bewoonbare plek gemaakt- en +zich over eene groote landstreek uitgebreid hadden, toen de Romeinen, 11 +jaren vóór onze tijdrekening, voor het eerst in deze landen kwamen. De +geschiedschrijvers van dat volk, wier werken wij bezitten als de eerste +bronnen der geschiedenis van _Nederland_, maken melding van hen. Hoe +lang zij toen reeds hier gewoond hadden, is onzeker, en, wegens gebrek +aan kennis van de tijdrekenkunde en schrijfkunst bij dit volk, ook +nimmer na te sporen. + + [6] Zie de opsomming daarvan in VAN LEEUWEN'S Aantt. op _It aade + Friesche terp_, Leeuw. 1834, 291; VAN RIJN'S Aantt. en Nabericht op de + _Oudheden en Gestichten van Vriesland_, Leiden 1723, I 88, II 357; + YPEIJ, _Gesch. v. d. Ned. taal_, I 150; de Voorrede van het _Stamboek + van den Frieschen Adel_, Leeuw. 1846, bl. II; ACKER STRATINGH, II 108 + en bij vele anderen. + + +2. _De omvang en toestand van het Oude Friesland._ + +Het gansche noordelijk gedeelte van _Nederland_, hetwelk thans de +provinciën _Friesland_, _Groningen_ en _Drenthe_, benevens een deel van +_Overijssel_, _Noord-Holland_ en de Zuiderzee uitmaakt, was, bij den +aanvang van onze tijdrekening, ~het land der Friezen~. De rivier de Eems +aan de oostzijde, en de Reker of Kinhem (bij _Alkmaar_), aan de +zuidwestzijde, waren de grenzen van dit land[7]. Daar tusschen bevond +zich het groote meer Flevo, met verscheidene grootere en kleinere +rivieren, welke uit de hoogere oostelijke en zuidelijke streken door dit +lagere land stroomden, om zich uit te storten in de Noordzee. Het waren +de IJssel, de Vecht en het Flie, de Middelzee of het Boorndiep, de +Lauwers, de Hunse, de Aa, de Fivel en andere stroomen, die alle, meest +in noordelijke rigting, den bodem kliefden, vele beken en meren in zich +opnamen, en zich een weg gebaand hadden door de duinen. De rij dezer +door de natuur tegen de woede des oceaans opgeworpene zeeweringen was +daardoor verbroken. De Noordzee had daardoor meer gelegenheid bekomen op +deze landen in te breken. Haar geweld sloeg nu eerlang het voorland en +daarna een groot deel der duinen zelve weg, waardoor de zeegaten +vermeerderd en verbreed werden en de eilanden ontstonden. Zoo had dit +land eeuwen lang te strijden met het geweld van stormen en vloeden, die +hier groote stukken gronds wegrukten, daar den bodem deden aanwinnen, +elders zandruggen en heuvels opwierpen, en de lagere landen met slib +overdekten, waardoor de kleigronden zijn ontstaan. + + [7] Zie over den loop dier rivieren de hierbij gevoegde _Schets_ en + _Aanteekening 1_. Die thans weinig meer bekende en verdwenen rivier de + ~Richara~, de ~Reker~ of ~Kinhem~, waarvan _Kennemerland_ zijn naam + draagt, welke voor den noordelijksten Rijnmond wordt gehouden, die + zich langs _Alkmaar_ bij _Petten_ in de Noordzee stortte, was destijds + van veel belang, en verdient hier vooral opgemerkt te worden, dewijl + zij als latere grensscheiding in de geschiedenis dikwijls voorkomt. + SCHOTANUS, _Beschrijv. end Chronijck_, opdr. en 301, Fran. 1655, noemt + haar: "de stroom Alckmaere of Almere, welcke Frieslandt ende Hollandt + dies tijdts scheydde." Zie daarover vooral HUYDECOPER op MELIS STOKE, + I 515; VAN DEN BERGH, _de Nederl. Wateren_, in NIJHOFF'S _Bijdragen_, + VII 208; ACKER STRATINGH, I 197 en OTTEMA, in _de Vrije Fries_, IV + 110; W. J. HOFDIJK noemt in zijn _Kennemerland_, 1850, 33: "het + _Reeker-wed_, of wadde, (een doorwaadbare, ondiepe waterboezem) die + zich van beneden _Koedijk_ tot aan de _Syper_ golf uitstrekte: alzoo + eene natuurlijke grens vormende tusschen _West-Friesland_ en 't + noordelijkst einde van _Kennemerland_." Zie ook het Jaarboekje: + _Holland_, 1851, bl. 175. + +De zamenstelling van de tegenwoordige oppervlakte van _Friesland_ levert +bij onderzoek nog vele kenmerken op van hare oorspronkelijke vorming. Op +een zandbodem rustende, bevat zij vele overblijfselen uit den +eeuwenlangen geweldigen strijd van aarde, water en wind, welke na tijden +van beroering in rust gekomen schijnen te zijn. Die bezinkingen en +laagsgewijze opeenstapelingen getuigen van een woesten water-arbeid en +door elkander werking van zand, veen, klei en gemengde stoffen, +waarnevens zoo vele sporen zijn van groote watergangen, kolken en meren. +Plaatselijke omstandigheden deden hier poelen en lagere streken, elders +hooge gronden met kleiruggen ontstaan, waarnaar de stroomen hunne +rigting verkregen. Zelfs is het waarschijnlijk, dat het water in +_Friesland_ binnen de duinen eertijds boven de eb der Noordzee stond, +doch van lieverlede is gedaald na het doorbreken van de duinen en het +ontstaan van de eilanden, waardoor de gelegenheid tot afvoer van het uit +het zuiden aanstroomende water gunstiger werd. Door die meerdere geulen +en uitstroomingen kwam de stand van het binnen- met het buiten-water +meer in evenwigt; een grooter gedeelte van den Frieschen grond kwam +boven en werd bewoonbaar. Beurtelings gaf en nam zoo de Noordzee, +waarmede dit kustland steeds in bestendigen strijd was. Door het dalen +van den waterspiegel op Frieslands bodem verkregen de eertijds breede +stroomen een grens en wallen, en kwamen de slijkruggen te stade, èn als +waterkeeringen tegen de voortdurende overstroomingen, èn als +woonplaatsen, welke door het ophoogen tot terpen eerlang de +bewoonbaarheid vermeerderden van een land, dat eeuwen later voor het +eerst door geregelde, hoewel nog zwakke, zeeweringen werd omgeven[8]. + + [8] Met genoegen heb ik bij deze globale voorstelling gebruik gemaakt + van denkbeelden over den oorspronkelijken toestand der omstreken van + _Sneek_, door den Heer J. F. BAKKER, Stedelijk Ontvanger te _Sneek_, + onlangs medegedeeld aan de Tweede Afdeeling van het Friesch + Genootschap. + + +3. _De Oude Friezen._ + +Omstreeks het begin onzer jaartelling werd dit land bewoond door _de +Friezen_, welke destijds reeds in twee stammen verdeeld waren, waarvan +de _Groote Friezen_ ten oosten en de _Kleine Friezen_ ten westen van den +Fliestroom woonden. De eerste hadden de Cauchen ten oosten, de laatste +de Frisiabonen, Caninefaten, Batavieren, Marsaten en andere stammen ten +zuiden, tot naburen[9]. De gezinnen, familiën en horden, welke dezen +Germaanschen volksstam uitmaakten, hadden welligt reeds lang een +zwervend herdersleven geleid, vóór zij zich vestigden op deze +kustlanden, waar de natuur toen anders nog weinig aanlokkelijks had. Zoo +ver het oog reikte, bestond toch de bodem meest uit waterige landen of +schorren, welke, allerwege doorsneden met killen, meren en poelen, +dagelijks bij elk getij onderliepen. Nog vertoonde het land eene woeste +natuur, eene onvruchtbare oppervlakte. Lang bleven de noordelijke, in +de nabijheid der zee gelegene, landen zoo laag en moerassig, dat de +Friezen met hun vee ze enkel des zomers konden bewonen. Zij waren alzoo +verpligt in het najaar de hooger gelegene, min vruchtbare, doch +veiliger zandstreken en wouden van _Gaasterland_, _Opsterland_, de +_Stellingwerven_ en _Drenthe_ op te zoeken, ten einde daar te +overwinteren. + + [9] Omtrent de oorden, door die volksstammen bewoond, zie men de + vermelde _Schetskaart_. + +Doch ten gevolge der veelvuldige overstroomingen van de zee werden de +noordelijke landen van tijd tot tijd met een vetten kleibodem overdekt +en verhoogd. Die meerdere vruchtbaarheid van den grond boven die der +zandstreken lokte hen uit, zich daar meer te vestigen. Aan groote +gevaren stelden zij zich echter daarbij bloot, dewijl zij immer met de +hooge vloeden der zee hadden te kampen. Daarom wierpen zij op hooge +plaatsen, meest in de nabijheid van de kust der Noordzee en der +Middelzee, met gemeenschappelijke krachten die talrijke heuvels of +terpen op, welke nog in _Friesland_, _Groningen_ en elders onze +bewondering verdienen. Op deze wijkplaatsen of vliedbergen, welke van +tijd tot tijd verhoogd werden en waarin ze ook de aarden lijkbussen +hunner afgestorvenen begroeven[10], sloegen zij hunne woningen op. Nog +waren dit slechts hutten van takken, rijswerk en leem zamengesteld. +Hunne kleeding bestond nog in eene beestenvacht, welke zij om hunne +forsch gebouwde leden heensloegen. Als in een natuurstaat leefden zij +hoogst eenvoudig. Eerst waren het vischvangst en jagt, vervolgens +veefokkerij en landbouw, welke in hunne weinige behoeften voorzagen, en +hun de noodzakelijkste huishoudelijke voorwerpen verschaften. Onder den +invloed van goede zeden, werden zij bestuurd door de oudsten der +gezinnen en des volks, die tevens voorgangers of priesters waren bij de +vereering van de heidensche Goden, aan welke zij op geheiligde plaatsen +en in bosschen godsdienstige eer bewezen en de offers hunner +dankbaarheid toebragten. + + [10] Zie _Oude Friesche Wetten_ in de Aantt. van P. WIERDSMA, 95, en + verder bl. 277, 278 en 295 van het 1e dl. mijner _Geschiedkundige + Beschrijving van Leeuwarden_, waar meerdere bijzonderheden en bronnen + zijn vermeld, welke ik hier zeker niet behoef te herhalen. + +Zeker was het een krachtig en moedig volk, dat zich, in weerwil van zoo +vele moeiten en gevaren, zulk een oord tot eene geschikte woonplaats +wist te bereiden. Doch niet zelden ziet men een volk, begaafd met +oorspronkelijke deugden, door aanhoudende inspanning zijner vermogens, +van de ongenade der natuur wenschelijker vruchten trekken dan van hare +liefelijkste weldaden. Reeds hadden zij in dit afgezonderd oord lang +gewoond, en waren ze talrijk en magtig geworden, toen eene belangrijke +gebeurtenis eene groote verandering in hunnen toestand te weeg bragt. +Zij kwamen voor het eerst in aanraking met een vreemd en beschaafd volk. + + +4. _Der Friezen verbond met- en opstand tegen de Romeinen. (11 jaren +voor- en 28 na Christus.)_ + +Het was den Romeinen niet genoeg, reeds vele volken van het oosten +overwonnen- en ook _Gallië_ (_Frankrijk_), _België_, de Batavieren en +andere Germaansche stammen aan zich onderworpen te hebben. Met +onbegrensde zucht tot uitbreiding van hun gebied, wilden zij, na den +Rijnstroom als eene versterkingslinie met legerplaatsen bezet te hebben, +ook de rustige volken van het noordelijk _Germanië_ ten onder brengen. +Het was hun veldheer DRUSUS, die (11 jaren voor den aanvang onzer +tijdrekening) met dat oogmerk den Rijn afzakte, en, met zijne schepen +langs het land der Friezen trekkende, dit volk voor het eerst leerde +kennen. Hij onderwierp het in zoo verre aan het Romeinsche gezag, dat +hij een verbond van vriendschap met hen sloot, waarbij zij beloofden, +jaarlijks een zeker getal ossenhuiden aan de Romeinen op te brengen. + +Getrouw voldeden de Friezen aan deze belofte, en bleven daardoor in +goede verstandhouding met de Romeinen, die, om de zee te vermijden, +verscheidene kanalen in dit land groeven ter verbinding van de rivieren, +waarover hunne vlooten daarna vele malen door _Friesland_ stevenden. +Maar, toen in het jaar 28 van onze jaartelling een wreede landvoogd, +OLENNIUS, met de invordering van die schatting belast was, eischte hij +eene grootere soort van ossenhuiden, dan zij konden leveren. Tegen zulk +eene baatzuchtige handelwijze verzette het volk zich eerst niet. Doch, +toen hij voortging hen te kwellen, en zich zelfs van hunne bezittingen, +vrouwen en kinderen meester maakte,--toen stonden de Friezen tegen de +Romeinen op en begonnen zij den regtvaardigsten strijd. Met al de woede +van een getergd volk vielen zij op hunne onderdrukkers aan, versloegen +de Romeinsche krijgsknechten, en belegerden hun bevelhebber, die in de +sterkte _Flevum_, gevlugt was. Te vergeefs werd dit kasteel door de +moedige, doch in de krijgskunst nog onbedrevene Friezen aangevallen. +Weldra kwam nu een ander Romeinsch krijgshoofd, APRONIUS, met eene +talrijke magt ruiters en keurbenden tot ontzet opdagen. Doch het volk +trok ook deze nieuwe vijanden te gemoet, met zulk een gelukkig gevolg, +dat zij op verschillende punten deels teruggedreven, deels verslagen +werden; terwijl op éénen dag bij een gewijd bosch, _Baduhenna_ geheeten, +900 en op eene andere plaats 400 Romeinen door de handen der getergde +Friezen den dood vonden. + +Deze nederlaag kostte zoo vele Romeinen, en daaronder vele dappere +oversten, het leven, dat de tijding daarvan Keizer TIBERIUS ontzette, +hoewel hij de schade ontveinsde, omdat hij het niet durfde wagen de +schande zijner wapenen te wreken. De Romeinsche Geschiedschrijver, die +deze gebeurtenis verhaalt, voegt er bij: _Sinds dien tijd werd de +Friesche naam vermaard onder de Germanen._ (Zie _Aant. 2_.) + +Sedert hebben de Romeinen de Friezen ongemoeid gelaten; ook later deden +zij geene poging, om zich over deze nederlaag te wreken. Wèl kwam +twintig jaren daarna hun veldheer CORBULO hier op nieuw, om eene +bezetting in _Friesland_ te leggen, doch spoedig ontving hij van Keizer +CLAUDIUS bevel, om over den Rijn, als de grens des rijks, terug te +trekken. + +Roemrijk was alzoo deze overwinning van een klein en afgelegen volk op +de wereld-dwingende Romeinen, die gewoon waren altijd te zegepralen en +nooit eene nederlaag te lijden, en die der Friezen naburen, de Cauchen +en Batavieren, nog zoo lang al de zwaarte der Romeinsche overheersching +deden gevoelen. Het was destijds een even zeldzaam als merkwaardig blijk +van heldenmoed en vrijheidsmin, hetwelk den Friezen een eervollen rang +bezorgde in de geschiedenis der volken. Indien alle voorvallen uit de +vroegste geschiedenis van een volk, gelijk uit de kindsche jaren van een +groot man, belangrijk zijn, als middelen ter hunner ontwikkeling en +volgende grootheid, dan is dit hier vooral het geval. Vandaar het +schoone gezegde van onzen Frieschen dichter WILLEM VAN HAREN: + + _O Dapperheid! o Deugd! Tot nog toe zag de zon + Geen volk, welks heerschappij zóó zegerijk begon.-- + Ziedaar, hoe dat een volk, nog niet verwijfd van zeden, + Het onregtvaardig doel zeeghaftig kan weêrstaan + Van die de handen durft aan zijne Vrijheid slaan!_[11] + + [11] Even als de volgende dichtregelen, uit het vermelde heldendicht + _Friso_. + + +5. _De Gevolgen van der Friezen verkeer met de Romeinen._ + +Voorzeker is het altijd eene groote ramp voor een volk, zijne +onafhankelijkheid te verliezen, en veroverd of verdrukt te worden door +eene andere en vreemde natie. Evenwel kunnen zulke rampen in de uitkomst +dikwijls in zegeningen verkeeren, als ze in de hand van God middelen +zijn tot ontwikkeling en vordering in beschaving. In bestendigen vrede +rustig op zich zelf staande, blijft een volk veelal lang in den zelfden +toestand, zonder ongemeene inspanning van krachten, welke alleen +vooruitgang kan bevorderen. Doch verkeer en strijd met andere volken, +die reeds lang hooger stonden in kennis en beschaving, was dikwijls eene +leerschool tot verbetering van den maatschappelijken toestand. Daarom is +het zoo belangrijk de ~gevolgen~ na te gaan van elke groote gebeurtenis +en ook van deze. + +Zoolang de Friezen als in den natuurstaat verkeerden, waren hunne +behoeften gering en hunne kleeding, woningen en levenswijze zeer +eenvoudig. De Romeinen, die eene grootsche stad bewoonden, en ook in het +oosten de weelde van onderscheidene volken mogten leeren kennen, hadden +veel meerdere behoeften, welke zij ook hier zoo veel mogelijk wilden +bevredigd zien. Zij werden dus de leermeesters der Friezen in het +verbeteren van hunne woningen, huishoudelijke zaken, kleeding, spijzen +enz. Deze voorzagen de Romeinen van levensmiddelen, en ruilden daartegen +van hen allerlei voorwerpen in, ook tegen gemunt geld, zoodat er handel +ontstond, mede met naburige volksstammen. Want ook het aanleggen van +wegen en het verbeteren van de gemeenschap te water leerden zij van de +Romeinen, wier talrijke vlooten, herhaalde malen door hun land +trekkende, hun een denkbeeld gaven van scheepsbouw en scheepvaart. Vele +zaken leerden zij kennen, waarvan zij vroeger geen begrip hadden, vooral +ook het ijzer en andere metalen, die spoedig tot de noodzakelijkste +behoeften behoorden. + +Nadat hun vee een voorwerp van handel was geworden, vond de veefokkerij +groote aanmoediging. Doch van uitstekende waarde was de dienst, welke de +Romeinen hun bewezen, in het verbeteren en uitbreiden van den akkerbouw, +en door hun werktuigen en gereedschappen te verschaffen, om hier koren +te bouwen, dat tot dusverre voor de legers veelal uit _Brittannië_ werd +gehaald. Dit was van gewigtigen invloed. Doch niet slechts als +levensmiddelen en voorwerpen van handel gaven de veldvruchten +voordeelen. De bearbeiding van den grond gaf aan meerdere handen werk. +Die grond verkreeg grootere waarde. De eigendom werd gevestigd. De +bezitter werd meer gebonden aan de hoeve, die hij bebouwde, dan vroeger, +toen hij dáár henen trok, waar hij de beste weiden voor zijn vee vond. +De gehechtheid aan dien grond en aan het vaderland werd versterkt, +zoodat de opofferingen ligter vielen, om dat land eerlang tegen de +herhaalde overstroomingen der zee door dijken te beveiligen, waarmede de +Romeinen elders reeds een aanvang maakten. In één woord: de eerste +aanleiding tot nijverheid en handel, tot welvaart en maatschappelijke +vereeniging, tot onderling leven en verkeer, en tot eenige meerdere +kennis en beschaving, werd verkregen of bevorderd ten gevolge van het +verkeer met de Romeinen. (_Aanteekening 3._) + +De ramp, welke de Friezen door het verlies van hunne onafhankelijkheid +scheen te treffen, werd hun alzoo tot zegen, en tot eene oorzaak van +verbetering en uitbreiding van hunne middelen van bestaan en tot +ontwikkeling van hun verstand en bekwaamheden. Zoo leert de +geschiedenis dikwijls de waarheid van de woorden des dichters: + + _Des Hemels God, schoon Hij der menschen dwaasheên duldt, + Laat door het Kwaad somtijds het Goede zijn vervuld, + En, spottend met den weg van zwakke stervelingen, + Doet uit hun dwaasheid zelf wel nut en heil ontspringen._ + + +6. _Der Friezen Afgezanten te Rome. (59)_ + +Een opmerkelijk voorval strekt ons ten bewijze, dat de Friezen, ondanks +het voorgevallene, goede Bondgenooten van de Romeinen waren gebleven. + +Eenige bouwlanden, aan de boorden van den Rijn gelegen, en aan de +Romeinsche soldaten ten gebruike afgestaan, waren een tijdlang onbebouwd +gebleven en daarom door de Friezen ingenomen en gebruikt geworden. De +bevelhebber van _Neder-Germanië_ beval hun echter deze oorden te +verlaten. Hieruit ontstond een geschil van zóó veel belang, dat de +Friezen het wel der moeite waardig achtten, twee hunner opperhoofden, +door de Romeinen VERRITUS en MALORIX genoemd, ten jare 59, tot hen te +zenden, ten einde hunne belangen aan Keizer NERO voor te dragen. Zij +reisden naar _Rome_; doch vóór zij gehoor bij den Keizer konden bekomen, +bragt men hen in den schouwburg van POMPEJUS. De eenvoudige Friezen +begrepen weinig of niets van de voor hen vreemde schouwspelen. Onder de +menigte toeschouwers bemerkten zij evenwel eenige personen in uitheemsch +gewaad, die op de hooge zetels van de Romeinsche Raadsheeren waren +gezeten. Op hunne vraag, wie dat waren, ontvingen zij tot antwoord, dat +het gezanten waren van volken, die bekend stonden, in dapperheid, trouw +en vriendschap jegens de Romeinen uit te munten, en aan wie dáárom deze +eer werd bewezen. »Geen volk onder de zon overtreft de Friezen in +dapperheid en trouw," antwoordden VERRITUS en MALORIX, en, hunne +plaatsen verlatende, zetten zij zich ongenoodigd naast de vermelde +gezanten neder. Zij gaven daardoor een blijk van fierheid en volkstrots, +zoowel als van zelfstandigheid en eergierigheid; eigenschappen, welke te +allen tijde kenmerken van der Friezen aard en karakter zijn gebleven. De +wellevende Romeinen merkten daarin opregtheid en loffelijken naijver op; +zelfs de wreede Keizer NERO duidde hun deze handelwijze niet ten kwade: +want, ofschoon hij hun verlangen, om de in bezit genomene gronden te +behouden, niet kon toestaan, schonk hij hun beide het Romeinsche +burgerregt, als een uitnemend eerbewijs[12]. + + [12] TACITUS, _Jaarboeken_, 13, 310. Dat hunne namen in het Friesch + GERRIT en MURK waren, zoo als YPEIJ, I 161, wil, is waarschijnlijker + dan de meening van WINSEMIUS, 24, dat ze van het geslacht HERMANA en + CAMMINGHA zouden geweest zijn. Familienamen en Wapens schijnen hier + toch eerst omstreeks den tijd der kruistogten in de 11e eeuw te zijn + aangenomen. + + +7. _Uitbreiding van Friesland. (240-455)_ + +Het verkeer met de Romeinen had niet enkel der Friezen behoeften +vermeerderd, maar ook hunne zucht opgewekt, om hun land te vergrooten. +Het vorige verhaal geeft reeds een blijk hoe grooten prijs zij op +landbezit stelden ten behoeve van hunnen akkerbouw, en hoeveel moeite +zij zich gaven, om hun gebied uit te breiden. Eene groote verandering in +den toestand veler volken van _Europa_ gaf eerlang aanleiding, om die +zucht voedsel te geven en te bevredigen. Want de Romeinen, nadat zij +eenmaal ten top van grootheid en magt waren gestegen, verzwakten onder +hunne laatste slechte en heerschzuchtige Keizers, en vielen in den haat +der volken, welke zij lang verdrukt hadden. Deze waren intusschen +magtiger geworden, en ondersteunden ook elkander, om _Rome_ tegenstand +te bieden. Zoo verleenden de Friezen omstreeks den jare 70 hulp aan +hunne zuidelijke naburen de Batavieren, hoewel deze niet zoo gelukkig +slaagden, als zij vroeger, in de afschudding van het Romeinsche juk. +Meer andere stammen trachtten zich allengs van _Rome_ los te scheuren; +bovendien vielen ook vele uit het oosten aanrukkende volken op het +Romeinsche rijk aan. Eerlang had dit eene algemeene volksverhuizing ten +gevolge. + +Opmerkelijk was vooral in het midden van de derde eeuw het verbond van +een aantal volken, tusschen den ~Rijn~, de ~Noordzee~, de ~Elbe~ en de +~Main~ woonachtig. Onder den naam van _Franken_ of Vrijen was hun doel +het herwinnen van hunne onafhankelijkheid, door het verdrijven van de +Romeinen uit deze streken; alsmede om zich-zelven te vestigen in hun +gebied, vooral in het meer vruchtbare _Gallië_. Dit doel gelukte hun na +langen strijd, en de naam van het tegenwoordige _Frankrijk_, dat zij +veroverden, draagt daarvan nog getuigenis. + +Eerst namen de Friezen deel in dit verbond; doch zij waren te gehecht +aan hun eigen land, om dit te verlaten, en zich aan de kansen van een +twijfelachtigen strijd te wagen. Liever maakten zij van deze algemeene +beweging gebruik tot het uitbreiden van hunne eigene grenzen, waartoe +hun zoo gunstige gelegenheid werd aangeboden. »Het vuur der vrijheidsmin +ontvlamde de Friezen niet minder dan de Franken. Door deze hun +aangeboren zucht voor vrijheid boden zij telkens, wanneer zij door +andere volken werden aangevallen, met weergâloozen moed, een +onverzettelijken tegenstand, en gebeurde het niet zelden, dat zij, hunne +vijanden overmannende, dezelve aan zich cijnsbaar maakten, in de meening +van door de aanvallen op hen gedaan, daartoe volkomen regt te hebben. +Werkelijk hebben zij in dit tijdperk veroveringen van dien aard op hunne +naburen gemaakt, waardoor hunne heerschappij zich allengs tot eene +groote uitgestrektheid heeft uitgezet"[13]. Zuidwaarts breidden zij zich +alzoo over den ~Rijn~ en de ~Maas~ tot aan het ~Zwin~ of het ~Sincfal~, +een zeeboezem in _West-Vlaanderen_, uit[14], en oostwaarts over de +~Eems~ tot den ~Wezer~ of zelfs verder, welke laatste streken door de +Cauchen en andere stammen waren verlaten[15]. Evenzoo deden de Saksers, +welke de landen ten oosten en zuiden daarvan in bezit namen, en soms in +verbond traden met de Friezen. Tusschen de jaren 240 en 455 bekwam het +Friesche rijk alzoo eene groote uitgestrektheid langs de kust der +~Noordzee~, bevattende alstoen een gedeelte van het tegenwoordige +_Vlaanderen_, _Zeeland_, _Holland_, _Utrecht_, _Gelderland_, +_Overijssel_, _Friesland_, _Groningen_, _Drenthe_, _Oost-Friesland_, +_Oldenburg_ enz., met de landen, later door de ~Zuiderzee~ ingenomen. +Ten gevolge van al die verhuizingen waren er dus in het midden der +vijfde eeuw in het noordwestelijk gedeelte van _Europa_ drie magtige +vrije volken gevestigd: de _Franken_, de _Friezen_ en de _Saksers_. +(_Aanteek. 4._) + + [13] YPEIJ, _Geschiedenis der Nederl. Taal_, I 150. + + [14] Het ~Zwin~, oudtijds het ~Sincfal~ en later het ~Hazegat~ + geheeten, komt in vele oude wetten en geschriften als de toenmalige + grens van _Friesland_ voor. Het is de eertijds breedere inham en haven + der stad _Sluis_ benoorden _Brugge_, welke _nog_ de grensscheiding + tusschen _Nederland_ en _België_, of tusschen het vaste land van + _Zeeland_ en _West-Vlaanderen_ uitmaakt. BLOMMAERT in zijne _Aloude + Geschiedenis der Belgen_, Gent 1849, 20, en VAN DEN BERGH in NIJHOFF'S + _Bijdragen_, VII 282, spreken uitvoerig over dezen grensstroom, die + zich tot _Damme_ uitstrekte, en in de 13e eeuw eene der voornaamste + havens niet slechts dezer landen, maar van gansch _Midden-Europa_ was. + Zie ook ACKER STRATINGH, I 114 en de kaart; DRESSELHUIS, _de Provincie + Zeeland_, 76 enz. + + [15] Sommige schrijvers zeggen zelfs stellig: "tot over de Elve en dus + tot op de grenzen van _Denemarken_." Zie JOH. A LEIDIS _Chronicon_, + lib. II cap. 15; VAN LOON, _Aloude Regeeringwijs van Holland_, I 106, + enz. + + +8. _Der Friezen togt naar Brittannië. (449)_ + +Tegen het midden der vijfde eeuw werden de Britten, de oorspronkelijke +bewoners van _Brittannië_ of het tegenwoordige _Engeland_, zeer ontrust +door de Pikten en Schotten, die het noordelijk deel des lands in bezit +genomen hadden. Tegen hunne overmagt niet bestand, hadden zij van hen +reeds aanzienlijke verliezen in goed en bloed geleden. Van de Romeinen, +die voorheen hen dikwerf tegen die volken beschermd hadden, maar nu van +het eiland reeds vertrokken waren, konden zij geen bijstand meer +verwachten. Zij zagen dus rond naar andere hulp, en meenden die het best +te kunnen vinden bij hunne oostelijke naburen op het vaste land: de +_Neder-Saksers_, die toen de Vlaamsche en een gedeelte der Fransche kust +bewoonden en aan de scheepvaart en het zeeleven gewoon waren; de +_Anglen_ en _Warners_, die zich aan de monden van den Rijn, Maas en Waal +gevestigd hadden en de _Friezen_, die het verdere kustland bezaten. +Volken, die zich meermalen ter bereiking van hunne bedoelingen +verbonden; terwijl de Friezen, als de magtigste dezer stammen, zich +daarna over een groot deel van het gebied der eersten uitbreidden. + +Als dappere en ondernemende volken bekend, namen zij, vol van strijdlust +en tuk op roem en buit, gaarne de gelegenheid waar, om een zwakken +nabuur, waarmede zij reeds lang in handelsbetrekking stonden, tegen +zijnen sterkeren vijand bijstand t bieden. Welhaast staken zij dan op +achttien schepen met hunne weerbare manschap over, onder bevel van twee +kloeke krijgshelden, HENGIST en HORS geheeten, en boden der Britten +Koning VORTIGERN hunne dienst aan. Spoedig zochten zij diens vijanden +op, en mogt het hen in een roemrijken veldslag gelukken, de Pikten en +Schotten te overwinnen, door ze deels te verslaan, deels te verdrijven. + +Doch dit inroepen van vreemde hulp (altijd zoo hoogst gevaarlijk) kwam +den Koning duur te staan. Want die benden der Friezen, Anglen, Warners +en Neder-Saksers, belooning eischende voor hunnen bijstand, werden door +de vruchtbaarheid des lands zoodanig bekoord, dat zij in het beste +gedeelte des rijks zich met der woon vestigden en eerst hunne vrouwen en +kinderen en daarna nog velen hunner landgenooten tot zich lieten +overkomen. Jaren lang duurde deze verhuizing van het vaste land naar het +eiland voort. Eindelijk ontstond er tusschen hen en de Britten een +hevigen strijd, waarin zij de zege mogten behalen. Nu werd de Koning +gevangen genomen, vele aanzienlijken verloren het leven, de overigen +namen de vlugt, en HENGIST, weldra bezitter van geheel _Kent_, werd tot +Koning verheven, onder wien deze stammen zich hier verder vestigden en +uitbreidden. De oude Britsche volksstam vestigde zich deels diep in de +gebergten van _Wallis_, deels in het tegenwoordige _Brétagne_ in +_Frankrijk_, waar hunne oorspronkelijke taal en zeden nog het langst +bewaard bleven. Want de Angelsaksische en Friesche taal, zeden en +gebruiken werden, met den veranderden volksnaam, in _Engeland_ +ingevoerd. Hoezeer ze in latere tijden veranderd en door vreemde woorden +en vormen verbasterd zijn, is derzelver overeenstemming met de taal, de +zeden en gebruiken der Friezen nog in onze dagen een bewijs van de +vroegere onderlinge vermenging dezer volken, ten gevolge van dezen togt +in het midden der vijfde eeuw. (Zie _Aanteekening 5_.) + + +9. _De strijd der Friezen tegen de Franken._ + +Sedert de verdrijving van de Romeinen en den ondergang van het +Westersche keizerrijk waren de in _Gallië_ gevestigde _Franken_ magtig +geworden. Eerlang bleek het, dat de veroveringszucht der Romeinen nu op +hen was overgegaan. Zij konden niet dulden, dat de Friezen en Saksers +zich over hunne vroegere landstreken hadden uitgebreid. Hunne +heerschzucht had nieuw voedsel bekomen sedert hun Koning KLOVIS de +Christelijke godsdienst had aangenomen (496): want de zucht, om deze +leer te verspreiden en onder de heidensche volken voort te planten, werd +nu voor hem en zijne opvolgers een voorwendsel bij hunne krijgstogten +ter uitbreiding van hun gebied. Zij werden daartoe aangespoord door eene +magtige Geestelijkheid, die hen ondersteunde, in de hoop dat zij het +Westersche keizerrijk in nieuwe kracht zouden herstellen, en de eenheid +en luister der Kerk bevorderen. Eerst dwongen zij de Friezen, zich tot +den Rijn terug te trekken; daarna wilden zij hen noodzaken de +Christelijke godsdienst aan te nemen, en eindelijk, wraak nemende wegens +de door hen geledene nederlagen, trachtten zij Friezen en Saksers beide +geheel te overwinnen en aan het Frankische gezag te onderwerpen. + +Die twee strijdbare volken sloegen nu met eene edele vrijheidszucht +somtijds de handen in-een, tot onderlinge hulp en tegenstand. Met +afwisselende kans werd die bloedige strijd gestreden. En met welk eene +dapperheid zij hunne vrijheid en godsdienst verdedigden en dikwijls +geduchte legers wederstonden--dit blijkt uit de langdurigheid van dien +krijg, daar beide volken eerst na verloop van ruim drie eeuwen voor de +overmagt bezweken. Vandaar, dat zij door hun gedrag in dien oorlog +grooten roem bij andere volken verwierven. + +»Die strijd gedurende zoo vele eeuwen gestreden tusschen Franken en +Friezen, tusschen Christendom en Heidendom, gevoerd door het zwaard der +vorsten en het woord der geestelijken, geëindigd door de zegepraal des +Christendoms en de kracht van KAREL _den groote_, maar niet tot oneer +der overwonnenen,--die strijd verdient wel onze belangstelling, om zijne +belangrijkheid en zijn invloed op de volgende geschiedenis des +vaderlands. Het is een schoon schouwspel, te zien hoe een edel en dapper +volk kampte en streed voor zijne zelfstandigheid en, hoe het, ook na die +worsteling, haar wist te bewaren en te handhaven."[16] + + [16] _De strijd der Friezen en Franken. Eene voorlezing door_ Jhr. Mr. + B. J. L. DE GEER, Utrecht 1850, bl. 6. + +De voornaamste bijzonderheden van dien strijd willen wij mededeelen bij +de vermelding van + + +10. _De pogingen der Franken ter invoering van de Christelijke +Godsdienst in Friesland. (630-800)_ + +In een geheel ander licht doet zich de strijd der Friezen tegen de +Franken voor, als wij dien meer uit een godsdienstig dan staatkundig +oogpunt beschouwen; als wij in de veroveringszucht der Franken een +middel zien, hetwelk Gods wijsheid bezigde, om de Friezen aan de +duisternis des heidendoms te onttrekken en hen in den zegen des +Christendoms te doen deelen. Schijnbaar zouden zij die leer des +evangelies, welke liefde en vrede verkondigt en de beschaving aller +volken bedoelt, spoediger hebben aangenomen, als zij hun niet was +opgedrongen door trotsche vijanden, die, met het zwaard in de vuist, hen +van hunne dierbaarste panden, van vrijheid en godsdienst te gelijk +wilden berooven. Groot waren deze beletselen bij de ruwheid en onkunde, +welke nog algemeen heerschten. Neen, het verwondert ons niet, dat het +toen reeds verbasterde Christendom zoo weinig ingang kon vinden bij een +fier en krachtig volk, nog bezield door het Germaansch beginsel van +liefde voor godsdienst en vrijheid, van haat tegen vreemde +overheersching, en dat het zoo lang het uiterste beproefde, om zijne +zelfstandigheid te bewaren. + +Rustig en vrij toch leefden de Friezen tusschen Schelde en Wezer in de +6e eeuw, door hunne vorsten naar eigene instellingen en gewoonten +bestuurd, door hunne dapperheid geacht en door toenemend handelsverkeer +verbonden met hunne naburen,--totdat de aanvallen der Franken hen +opriepen ter verdediging van den vaderlandschen grond. De minst bevolkte +en afgelegene zuidelijke streken konden dezer overmagt op den duur niet +weêrstaan. Na langen strijd werden zij ingenomen, en der Friezen gebied +tot den Rijn bepaald. Van toen af stelden de Franken pogingen in het +werk, om het Christendom bij de Friezen in te voeren. Het was hun Koning +DAGOBERT I, die ten jare 630 te _Wiltenburg_ of _Utrecht_ eene eerste +Christenkerk liet bouwen. Deze voormalige Romeinsche legerplaats, aan +Rijn en Vecht zoo gunstig voor den handel gelegen, werd nu het +middelpunt, zoowel van den strijd als van de verspreiding der nieuwe +leer. + +De Geestelijkheid, die ten doel had, om in het westen van _Europa_ door +de Franken een Christelijken Staat te stichten, zond nu weldra den +ijverigen prediker ELIGIUS herwaarts, om onder de heidensche Friezen het +evangelie te verkondigen. Hij werd daarin niet verhinderd door den +vreedzamen Koning der Friezen ADGILD I, die zelfs den bisschop WILFRIED, +op deze kusten gestrand, in bescherming nam tegen den Frankischen vorst +EBROIN, en hem toeliet hier te onderwijzen en te doopen. Aan hem bleek +het, dat vele Friezen minder afkeerig waren van het Christendom dan van +de Franken. + +Een geheel andere geest bezielde zijn zoon en opvolger RADBOUD I. Den +Franken vijandig, maakte hij van de zwakheid der opvolgers van DAGOBERT +gebruik, om de verlorene landstreken te herwinnen en _Utrecht_ weder te +bemagtigen. De daar gestichte St. Thomaskapel werd verwoest, en der +Friezen vrijheid, grondbezit en godsdienst in luister hersteld (680). + +Eerst na verloop van twaalf jaren kwam echter PEPYN _van Herstal_ met +een magtig Frankisch leger herwaarts, om dat verlies te herstellen. Dit +gelukte hem, daar hij de landen bezuiden den Rijn weder veroverde, en, +na hardnekkigen tegenstand, RADBOUD eene nederlaag toebragt bij +_Dorestad_, het latere _Wijk bij Duurstede_, toenmaals de stapelplaats +van den Frieschen handel (692). Hij dwong RADBOUD, zich te onderwerpen +en de vrije prediking van het evangelie te gedoogen. Daartoe +ondersteunde en beschermde hij den geloofsverkondiger WILLEBRORD, in +_Engeland_ geboren, doch van afkomst aan de Friezen verwant en met hunne +taal bekend[17]. Deze toch scheen zeer geschikt, hier de nieuwe leer +voort te planten. Daarom werd hij in 696 te _Rome_ tot Aartsbisschop der +Friezen gewijd. Eerst nadat de tegenstand van RADBOUD andermaal door +PEPYN was overwonnen (697), gelukte het WILLEBRORD, te _Utrecht_ op +nieuw eene kerk te bouwen, die later de zetel van dit Bisdom werd. +IJverige pogingen werden er nu aangewend, om door onderwijs en prediking +en door het stichten van bedehuizen op sommige plaatsen, van +_Vlaardingen_ af tot _Heilo_ toe, het Christelijk geloof uit te breiden. +Zij bleven echter meest tot den omtrek van _Utrecht_ bepaald, dewijl de +ontoegankelijkheid der afgelegene noordelijke streken van _Friesland_ de +algemeene verbreiding moeijelijker maakte. + + [17] De stam- en taalverwantschap der Engelschen en Friezen + begunstigde zeer de pogingen dier Evangelie-predikers uit _Engeland_, + waar het Christendom reeds vroeg ingang vond en de zucht algemeen was, + om het ook onder de Heidensche volken uit te breiden. Zie ook + _Aanteekening 5_. + + * * * * * + +Die algemeene invoering was ook vooreerst nog niet mogelijk, zoolang de +onverzettelijke RADBOUD het Christendom zoo vijandig bleef. Naauwelijks +was PEPYN in 714 gestorven, of hij vat de wapenen tegen der Franken +gezag weder op, verdrijft hunne zendelingen uit zijn gebied, en verwoest +de kerken, of geeft ze der voorouderlijke godsdienst terug (716). Hij +trekt voort tot _Utrecht_ en verjaagt daar WILLEBRORD en zijne +geestelijken, die de vlugt nemen naar _Trier_. Ook _Dorestad_ valt in +zijne handen, en, daardoor weder meester van den Rijn, waagt hij het +zelfs met zijn leger langs dien stroom naar _Keulen_ op te varen, waar +PLECTRUDE, PEPYN'S weduwe, zich bevond. Daar behaalt hij op het +Frankische leger onder KAREL MARTEL eene volkomene overwinning, verwoest +de omliggende streken en keert met grooten buit beladen naar zijn rijk +terug. + +»Is het wonder (zegt een geacht geschiedschrijver), dat bij dergelijke +tooneelen, waarin de opkomende geslachten telkens eene oefenschool +vonden voor onversaagdheid, en vervuld werden met het gevoel van eigene +krachten, de geest van heldenmoed en van onafhankelijkheid, den +_Frieschen_ landaard zoo bijzonder eigen, bevestigd en versterkt werd? +Is het wonder, dat de deugden, aan woeste volken eigen, bij de Friezen +lang gepaard bleven met de sporen der aloude ruwheid?"[18] En zulks te +meer, omdat de Friezen, te gelijk met de Franken, in de Noormannen en +Denen nog woester en gevaarlijker vijanden hadden te bestrijden, +waartegen zij eeuwen lang een woedenden krijg voerden. + + [18] J. BOSSCHA, _Neêrl. Heldendaden te land_, Leeuw. 1834, I 22. + +Reeds in het volgende jaar (717) kwam KAREL herwaarts, om over de +geledene nederlaag eene geduchte wraak te nemen. In een hevigen strijd, +aan den Rijn bij _Utrecht_, gelukt het hem op zijne beurt de overwinning +te behalen op RADBOUD, die op nieuw genoodzaakt wordt het Frankische +gezag te erkennen en de verkondiging van het evangelie toe te staan. Hij +zelf zou toen beloofd hebben het Christendom aan te nemen. Doch toen de +Bisschop WULFRAM hem daartoe te _Medemblik_, zijn zetel, den doop +plegtig zou toedienen, en hij op zijne vraag, waar zijne Heidensche +voorouders zich bevonden, tot antwoord ontving, dat deze, als +ongeloovigen, verdoemd waren, trok hij zijn voet uit de doopvont terug, +verklarende, liever met zijn voorgeslacht in Wodans zalig Walhalla dan +met den geringen hoop Christenen in den hemel te willen zijn. Kort +daarna stierf hij, in 719, hoog bejaard. Met groote standvastigheid en +ijver had hij den strijd volgehouden tegen Franken en geestelijken. +Geene nederlagen hadden hem ontmoedigd, maar hij was getrouw gebleven +aan het doel zijns levens: de verdediging van der Friezen godsdienst en +onafhankelijkheid. + +Zijn opvolger ADGILD II was even vredelievend als de eerste vorst van +dien naam. Terwijl WILLEBRORD de Utrechtsche kerk in luister herstelde +en zijne zendelingen overal uitzond, om de leer des kruises te +verkondigen, liet hij de vrije prediking toe. Hij kon echter niet +verhinderen, dat in het noorden of het hart van _Friesland_, waar het +heidendom nog zijne meeste aanhangers telde, eene nieuwe poging werd +gedaan tot verdrijving van de Franken en hunne zendelingen. Daarom kwam +KAREL MARTEL in 726 en op nieuw in 736 met een leger in dit vroeger +minder bezochte gedeelte van het Friesche rijk; in het laatstgenoemde +jaar zelfs met eene vloot, welke de Middelzee inviel, aan wier boorden +hij een bloedigen slag leverde, waarin ook der Friezen veldheer POPPO +sneuvelde, terwijl Koning ADGILD van hartzeer daarover stierf. Door het +vernietigen van tempels, godenbeelden en gewijde bosschen zocht men nu +in _Oostergoo_ en _Westergoo_ het heidendom te verdelgen, en door +prediking de nieuwe leer te planten. Doch te vergeefs: want zulke +geweldige middelen waren meer geschikt om den wrok tegen de Franken in +de harten des volks te voeden, dan het te winnen voor eene leer, +waarvoor het nog onvatbaar was, en van wier hooge waarde en heiligheid +het weinig blijken zag in de handelingen zijner vijanden. Dáárom werden +de heiligdommen weldra hersteld en de Christenen verdreven. Zij werden +daarin ondersteund door den laatsten hunner Koningen RADBOUD II, een +even groot voorvechter van het heidendom en tegenstander van de Franken +als zijn voorzaat van dien naam. Of deze RADBOUD een Fries was, dan wel +een Deensch vorst, die het land met geweld veroverd had, ook om de +Franken het voortdringen te beletten, is nog hoogst onzeker. De +toestand, waarin het volk nu weder verkeerde, bewoog den edelen Bisschop +BONIFACIUS, die reeds zoo lang in _Friesland_ en _Duitschland_ het +evangelie had verkondigd, in 755 op nieuw naar het noordelijk gedeelte +van het Friesche rijk te trekken. Krachtig door zijn vromen zin en +geholpen door vijftig togtgenooten, onderwijst en predikt hij alom, rigt +verwoeste kerken weder op en verzamelt en ondersteunt de verstrooide +Christenen. Bij _Dokkum_ gekomen, staat hij op nieuw gereed te prediken, +toen hij onverhoeds door eene bende heidensche Friezen wordt aangevallen +en met de zijnen vermoord. Met christelijke lijdzaamheid offerde hij +zich op aan de zaak, waaraan hij zijn leven had gewijd. Doch ook zijn +bloed zou het zaad worden, waaruit de bloei der kerk ontsproot. + + * * * * * + +Het Friesche rijk was destijds verdeeld in drie hoofdstammen. De +~eigenlijke Friezen~, de kern van den ouden volksstam, woonden in het +midden, tusschen de rivieren de ~Reker~ of ~Kinhem~ en de ~Eems~. Alle +landstreken bezuiden de ~Reker~ (den vroeger vermelden Rijnmond bij +_Petten_, benoorden _Alkmaar_), welke de Friezen van tijd tot tijd +veroverd hadden, stonden het meest aan de aanvallen der Franken ten +doel, en werden het eerst van het Friezen-verbond afgerukt, welligt +reeds ten gevolge der veroveringen van PEPYN ~van Herstal~ in 692 en +697, of van KAREL MARTEL in 715. + +De meest afgelegene en later aangewonnen landstreken, beoosten de rivier +de ~Eems~ (_Oost-Friesland_, _Oldenburg_ enz.), weêrstonden het langst +de magt der Franken, doordien zij zich met hunne naburen de Saksers tot +tegenstand verbonden hadden, en in de ondernemingen en lotgevallen van +dezen deelden. + +De ~oorspronkelijke Friezen~, tusschen de ~Reker~ en de ~Eems~ (een +gedeelte van _Noord-Holland_, _Friesland_, _Groningen_, _Drenthe_ enz. +bewonende), waarover RADBOUD II regeerde, stonden dus op zich zelve +tegenover de Franken. Bij de vorderingen, welke de verkondiging van het +Christendom van lieverlede gemaakt had, vooral tijdens de prediking van +den vromen Bisschop BONIFACIUS, zagen velen hunner in, dat alle +tegenstand op den duur vruchteloos zou zijn. Doch hun Koning bleef zich +met kracht tegen de evangelieleer verzetten. De moord van BONIFACIUS, +zoo men wil op aanstoken van RADBOUD geschied, bragt echter weldra eene +groote verandering te weeg: want vele aanzienlijke, reeds bekeerde, +Friezen vereenigden zich nu met de Franken, om dien moord te wreken. En +toen RADBOUD, om staande te blijven in zijn gezag, de hulp inriep van +WITIKIND, het opperhoofd der Saksers, wier woeste benden de Christenen +hier gruwelijk vervolgden,--toen werden de Friezen zóó afkeerig van +hunnen Koning, dat zij de ~bescherming~ inriepen van den Koning der +Franken, op wiens komst RADBOUD naar _Denemarken_ vlugtte en de Saksers +naar hun land terugtrokken (775). + +Die Koning der Franken was KAREL, eerlang _de groote_ bijgenaamd, wegens +zijne voortreffelijke eigenschappen, grootsche ontwerpen en stoute +daden, doch vooral wegens zijn voortreffelijk rijksbestuur en zorg voor +de uitbreiding van het Christendom. Na den dood van zijn vader PEPYN _de +korte_ (768) en van zijn broeder KARLOMAN (771) was hij meester geworden +van geheel _Frankrijk_, dat hij vervolgens met het rijk der Longobarden, +een gedeelte van _Spanje_, _Beijeren_ enz. vergrootte. Gaarne verleende +hij zijne ~bescherming~ aan een volk, dat zijne achting had verworven +wegens de dapperheid, waarmede het de aanvallen zijner voorgangers zoo +láng had wederstaan, en dat nu eindelijk vrijwillig bereid was, aan een +hunner hoofdvoorwaarden, de aanneming van de Christelijke godsdienst, te +voldoen. Vanhier, dat hij, bij verdrag als ~Beschermheer~ van dit volk +aangenomen, tot hetzelve in eene geheel andere betrekking kwam en het +geheel anders behandelde dan volken, welke hij ~overwon~ of +~veroverde~, gelijk het geval was met de Oost-Friezen en Saksers, die +hij eerst in 804, na herhaalde en geweldige aanvallen, welke steeds den +hevigsten tegenstand ondervonden, aan zijn gezag onderwierp[19]. (Zie +ook bl. 47.) + + [19] De algemeene bronnen van dit tijdvak zijn natuurlijk de Kronyken + van SCHARLENSIS, 1597, WINSEMIUS, 1622 en SCHOTANUS, 1658, alsmede + FOEKE SJOERDS, _Friesche Jaarboeken_, 1768, I; _Tegenw. Staat van + Friesland_, 1785, I; WAGENAAR, _Vad. Historie_, 1749, I; CERISIER, + _Gesch. der Ned._, 1781, I, 24, 29, 82-136; GAILLARD, _Geschied. van_ + KAREL _den grooten_, 1785, I 225, II 32 enz.; WESTENDORP, _Jaarboek_, + Gron. 1829, 1-97; VAN LEEUWEN'S _Kronyk der vrije Friezen_, 1834, + 1-59, benevens de belangrijke Aanteekeningen daarop, enz. Omtrent de + bijzondere bronnen van dit laatste gedeelte, zie men _Aanteekening 6_. + +De vrucht van dezen langen en bloedigen strijd was alzoo de invoering +van het Christendom, het licht der wereld, de bron van ware verlichting +en beschaving, hetwelk overal, waar het is doorgedrongen, door de kennis +van het Hoogste Wezen en van den Heiland der wereld, eene weldadige +verandering in de denkwijze, gezindheden en zeden der volken heeft te +weeg gebragt. Was die kennis in den beginne nog gebrekkig; was de +eeredienst reeds verbasterd en bleven er lang verkeerde voorstellingen +heerschen,--toch vereeren wij deze belangrijke gebeurtenis, welke zoo +uitgestrekte gevolgen had, als de grondslag, waarop in volgende eeuwen +werd voortgebouwd tot verspreiding van kennis en licht, en tot heiliging +van ons geslacht door geloof, hoop en liefde. + + + + +TWEEDE TIJDVAK. + +HET VRIJE FRIESLAND. + +VAN KEIZER KAREL DEN GROOTE TOT HERTOG ALBERT VAN SAKSEN. + +_Van omstreeks het jaar 800 tot 1498._ + + +11. _De Friezen tijdens Karel den groote._ + +Na het eindigen van den strijd met de Franken en de vervanging van het +Heidendom door het Christendom, was er een nieuw tijdperk van volksleven +en ontwikkeling voor de Friezen aangebroken. Vrede en verzoening +tusschen beide volken was daarvan het eerste gevolg. De langdurigheid +van dien strijd levert reeds een bewijs op, dat de Friezen destijds +talrijk, strijdbaar en vermogend waren. Er zijn vele blijken over, dat +er toen onder de ingezetenen welvaart bestond, ten gevolge van landbouw, +veeteelt en visscherij, wier voortbrengselen door handel en scheepvaart +onder de naburen verspreid werden. _Utrecht_, _Duurstede_, _Tiel_, +_Stavoren_, _Dokkum_ en andere plaatsen, aan den uitloop van +onderscheidene rivieren op deze noordwestkust van _Europa_ gunstig +gelegen, worden als handelsplaatsen vermeld, Reeds vroeg waren de +Friezen als stoute zeevaarders vermaard. Ook langs den Rijn dreven zij +handel met _Keulen_, en hadden zich mede te _Ments_ gevestigd, Zelfs +waren er handwerken of fabrijken, die hier bloeiden, zoo als de +lakenweverijen, welke eene zware wollen stof of duffel vervaardigden, +nog _Fries_ genoemd, waarvan gekleurde en fraai bewerkte mantels werden +gemaakt, die groote vermaardheid hadden en naar onderscheidene landen +verzonden werden. Door Keizer KAREL werden op hooge feesten zulke +~Friesche Mantels~ als kostbare geschenken uitgedeeld. (_Aanteekening +7._) + + * * * * * + +Van de drie hoofdstammen des Frieschen volks mogten alzoo de eigenlijke +Friezen, wonende tusschen de ~Reker~ en de ~Eems~, het voorregt smaken, +hunne vrijheid en onafhankelijkheid behouden te hebben, en, onder eigene +wetten en opperhoofden, hunne eigendommen gerust te bezitten. Dit +voorregt, waardoor zij zich _Vrije Friezen_ noemden, genoten zij boven +hunne vroegere stamgenooten en naburen bij uitnemendheid. Want deze +laatste waren door KAREL overwonnen, en stonden, naar het regt des +oorlogs dier dagen, onder de vrije beschikking des Keizers, die +onderscheidene gedeelten van dit eigendom opdroeg of wegschonk aan zijne +Leenmannen, welke van de diep onderworpene inwoners cijns, schot, lot en +heeren-diensten naar goedvinden vorderden. Zij behandelden deze als +lijfeigenen en slaven, aan den grond verbonden. De invoering van de +instellingen der ~Leenregering~ volgde toch overal, waar de Franken zich +vestigden. Zwaar heeft dat ~Leenstelsel~ gedurende vele eeuwen op de +meeste volken van _Europa_ gedrukt, en de ontwikkeling van welvaart en +kennis verhinderd. Dit lot hebben deze Friezen niet ondergaan; zij zijn +in het bezit hunner eigendommen, vrijheden en voorregten gebleven; en +deze hadden voor hen hoogere waarde, omdat hunne naburen daarvan +verstoken waren. Zij _eerbiedigden_ den Keizer van het Duitsche Rijk wel +als Beschermheer, doch zij _gehoorzaamden_ hem niet als gebieder, die +het regt had over hun land, personen en eigendommen te beschikken; +terwijl zij voor die bescherming jaarlijks gaarne eene geringe schatting +aan het Rijk opbragten. Die Vrijheid hebben zij te allen tijde als hun +oorspronkelijk volksregt, waarop zij bijzonder gezet waren, gehandhaafd. +Met regt kon dus HELMERS hen noemen: + + _De Friezen, waardig 't bloed, waaruit zij zijn gesproten, + Aan wie de vrijheid met de melk is ingegoten._ + + * * * * * + +KAREL _de groote_ verdeelde het Friesche rijk nu in een aantal +landschappen, waarover hij Graven en Schouten aanstelde; de andere +bestuurders, opperhoofden en regters werden door het volk gekozen. In +het tegenwoordige _Friesland_ ontstonden alzoo de Gouen of Graafschappen +_Oostergoo_, _Westergoo_, _Stavoren_ en een deel van _Islegoo_. Ook hier +voerde hij de rijkswetten of capitularia in, doch met behoud van de +Friesche wetten, volksregten en gewoonten, welke hij in schrift liet +brengen en naar de behoeften des volks en in verband met de rijkswetten +wijzigde. Ten aanzien der vrijheid, (in tegenoverstelling der +hofhoorigheid of leenroerigheid der andere volken) waren de voornaamste +bepalingen dier wetten: dat de vrije Fries persoonlijk vrij en aan geen +heer onderworpen was, zoodat hij kon gaan, werwaarts hij verkoos; dat +hij ter verdediging van zijn land wel tot de volkswapening verpligt was, +doch niet kon gedwongen worden, om buiten de grenzen zijns lands ten +strijde te trekken; dat hij zijne bezittingen en ouderlijk erf vrij en +onbelast bezat, en geene schatting behoefde te betalen, waarin hij zelf +niet had toegestemd; dat hij onder de oude voorvaderlijke wetten en +gebruiken leefde, waarvan de uitvoering was opgedragen aan overheden, +regters en ambtlieden, door de vrije keus des volks benoemd enz. De +volks-overleveringen voegen hier bij, dat de Keizer hun bij deze nog +meerdere voorregten schonk, uithoofde de Friesche krijgsbenden hem +vrijwillig bijstand verleenden op zijne krijgstogten in _Spanje_ (778), +tegen de Wilten aan de Oostzee (789), tegen de Avaren aan den Donau +(791), en vooral op den togt ter verovering van _Rome_ (809), tot +herstel van Paus LEO in zijn gezag, bij welke gelegenheid de Friezen hun +vaandel op Romes hoogsten burg zouden geplant hebben. (_Aanteek. 8._) + +Bij zoovele blijken van achting en onderscheiding jegens de Friezen +voegde Keizer KAREL ter goeder ure de invoering, vestiging en +bescherming van de Christelijke Godsdienst, als eene weldaad van hooge +waarde. Onderscheidene predikers en zendelingen kwamen in _Friesland_ +het evangelie verkondigen. Al de inrigtingen van het heidendom werden +zoo veel mogelijk verwijderd of vervangen, en op den grond der +heidensche tempels en offerplaatsen christen-kerken en scholen gebouwd. +De kerk van _Utrecht_ werd bij hare bezittingen bevestigd, en in gezag, +rijkdom en aanzien uitgebreid. Geen vreemdeling, maar THEODARD, een +Fries, werd daar als Bisschop aan het hoofd der Friesche geestelijkheid +gesteld; gelijk aan WIJHO, LUDGER en HILDEGRIM, uit Frieschen stam, ter +belooning van hunne ijverige evangelie-prediking, door KAREL bisdommen +in _Saksen_ werden opgedragen. + + +12. _Invloed der Franken en der vestiging van het Christendom._ + +Groot waren gewis de gevolgen van de algemeene aanneming der +evangelieleer. De redelijke geest der landzaten, zoo lang gedrukt door +de duisternis des heidendoms, werd door een nieuw en weldadig licht +beschenen, waardoor het leven eene hoogere beteekenis verkreeg. Niet +slechts kennis en bekwaamheid, maar vooral ~menschelijkheid~ werd door +het Christendom bevorderd, al bleven de uiterlijke vormen van den +krachtigen mensch nog lang de blijken der vroegere woestheid en ruwheid +dragen. Wel was dat Christendom toen reeds verbasterd en werd de +eeredienst naar heidensche gewoonten geschoeid,--toch was het de eerste +schrede ter bevordering van kennis, verlichting en beschaving, welke +vooral later op de denkbeelden en zeden een weldadigen invloed +verkregen. + +Bovendien werkte het Christendom gunstig op de vestiging en verbetering +van den burgerlijken toestand des volks. Want waar, op geschikt gelegene +plaatsen, kerken en leerscholen gebouwd werden, daar verzamelden de +inwoners zich meer tot buurten en dorpen, waaruit eerlang de steden +ontstonden. Gezellige verkeering, onderling dienstbetoon, bijstand in +gevaar, zorg voor armen en ongelukkigen, hulp ter voorziening in +elkanders behoeften, handwerken en handel,--dat alles droeg bij ter +vorming van eene geregelde burgermaatschappij. Hun verkeer met +Frankische geestelijken, ambtenaren en krijgslieden, afkomstig uit een +land, waarin de meerdere beschaving van het zuidelijk _Europa_ reeds was +doorgedrongen, moest op hunne kennis, zeden, levenswijze en +huishoudelijke behoeften van grooten invloed zijn. Deze leerden den +Friezen verschillende bedrijven en handwerken kennen; hunne huizen, +dijken en gereedschappen verbeteren, en sluizen en bruggen aanleggen; +alles tot meerdere beveiliging en onderlinge gemeenschap. De +verpligtingen, welke hieruit voortvloeiden jegens het algemeen, haalden +den maatschappelijken band naauwer toe, en werden er in de wetten zelfs +bepalingen deswege opgenomen. De verlichte en edele KAREL _de groote_ +toch begreep zijne roeping, en, afkeerig om de door hem overwonnene +volken met despotischen trots te onderdrukken, waren al zijne pogingen +dáár henen gerigt, om door wijze maatregelen de stoffelijke, +verstandelijke en godsdienstige belangen dier volken te bevorderen. +Groot en edel was deze bedoeling in eene eeuw, waarin de onkunde nog zóó +algemeen was, dat het voornaamste hulpmiddel tot beschaving, de lees- en +schrijfkunst, bij de meeste volken nog onbekend en alleen in het bezit +van weinige geestelijken was. Maar ook in deze behoefte voorzag eerlang +het Christendom, hetwelk de zorg voor de opvoeding der jeugd aan de +beoefening van kunsten en wetenschappen paarde. Met regt vereerden +daarom ook de Friezen KAREL steeds als een weldoener, als een zegenrijk +middel in Gods hand tot verbetering van hunnen toestand. Nog eeuwen lang +na zijnen dood, die in 814 voorviel, erkenden zij, van hem de +bevestiging van hunne vrijheid, de bescherming van hunne onafhankelijke +instellingen en wetten ontvangen te hebben[20]. Daarom bleef hij in hun +volksgezang en herinneringen leven. Zeker hadden zij de van hem +ontvangene gunstbewijzen van weinige veroveringszuchtige vorsten kunnen +verwachten: want gewigtig was het voorregt, »dat _Friesland_ onder der +Franken heerschappij zijne zelfstandigheid behield, zijne nationaliteit +bewaarde, en dat het einde van dien langen strijd wel eene nieuwe +inrigting aan _Friesland_ gaf en de zegepraal aan het Christendom +verzekerde, maar met behoud der vrijheid, der eigenaardigheid des +volks." + + [20] Zie dit in _Aanteekening 9_ nog in een stuk van 1430 vermeld. + +»En die bleef ook later behouden en vertoonde zich steeds krachtig en +scherp tegenover alles, wat van Frankischen oorsprong of Frankischen zin +was. Vandaar dien strijd tegen de graven van _Holland_, zoo hardnekkig +gevoerd; die afgunstige bewaring hunner regten tegenover den Bisschop +van _Utrecht_. Maar ook vandaar dien afkeer tegen de Friezen bij de +Frankisch gezinde Hollandsche Kronykschrijvers, die eenen MELIS STOKE b. +v. in zijn klooster te _Egmond_ bezielde; vandaar die eigenaardige +ontwikkeling des Frieschen regts, des Frieschen volks in de volgende +tijden, tegenover de overige gedeelten onzes vaderlands." + +»Wij zien het, niet waren het de Franken, die _Friesland_ overwonnen, +maar het Christendom baande er den weg aan KAREL _den groote_, en aan +hem onderworpen, werden de Friezen zelfstandig en vrij opgenomen in het +westersch Christelijk keizerrijk, waarvan hij het hoofd was. Zoo kon het +Friesche volkslied van KAREL zingen, dat hij geliefd en goed was, en +trouw en waarheid stichtte en der Koningen wet en aller lieden keur en +landregt en aller landen regten zette. Zoo eindigde die strijd, maar +niet tot oneer der overwonnenen"[21]. + + [21] Prof. DE GEER, _de strijd der Friezen en Franken_, Utrecht 1850, + 43. Deze laatste denkbeelden en schoone voorstelling van den jongsten + schrijver over dit onderwerp heb ik zeer gaarne hier overgenomen, mede + als bewijs, hoe gunstig ook zij, die geene Friezen zijn, thans na rijp + onderzoek over den oorsprong der veel betwiste Friesche vrijheid + denken. + + * * * * * + +Nog een blik op de gevolgen van deze hoogst belangrijke gebeurtenis, het +keerpunt in het volksbestaan der Friezen. Zij hadden daardoor twee +gewigtige betrekkingen aangeknoopt, welke, vereenigd, ongeveer acht +eeuwen onder bijna gelijke vormen zouden stand houden: zij waren +Christenen en, in zekeren zin, deelgenooten van het Duitsche Rijk +geworden. Door de eerste werden zij leden van een groot en schoon +verbond, dat reeds zoo vele volken van wijd uiteenloopenden aanleg en +belangen omvatte, doch die allen door gevoelens van algemeene +welwillendheid en onderlinge toegenegenheid het bestaan van een band van +broederschap erkenden, en door gelijke beginselen van zedelijkheid en +volkenregt zich verbonden gevoelden. De onderlinge gemeenschap dier +volken werd hierdoor bevorderd. Men had regt op elkander; men leerde en +onderrigtte elkander; men nam de vruchten der kennis en ondervinding, +ook in handel, bedrijven en kunsten, van elkander over; en de wijsten of +meest geoefende leeraren konden meer algemeen de schatten van kennis, +godsdienstleer en zedelijkheid verkondigen, als vruchten van den +weldadigen boom door Christus ten behoeve der menschen geplant. Zelfs de +geestelijke oppermagt, welke zich in de middeleeuwen over het westelijk +_Europa_ uitbreidde, bragt meer goeds dan kwaads te weeg, en was vaak +een tegenwigt van heilzame strekking tegen de al te vaak misbruikte magt +der wereldlijke regering. + +Ook de betrekking tot het Duitsche Rijk was voor het staatkundig bestaan +der Friezen eene zaak van groot belang. Dat zij daartoe niet als +overwonnenen en dienstpligtigen behoorden, was een voorregt, waarin geen +ander volk met hen deelde, en waarom zij den naam van _Vrije Friezen_ +bij uitnemendheid droegen. Maar hunne wetten werden naar de bepalingen +van het algemeene regt des rijks gewijzigd. De gelijkheid in de vormen +van regtspleging en bestuur werd een band te meer met volken, van wie +zij te lang waren afgescheiden geweest, behoudens de eigenaardigheid van +hun stam en krachten. Door verkeer, omgang en betrekkingen met deze +moest ook hier toeneming in beschaving worden bevorderd. Belangrijk was +die betrekking inzonderheid voor de Friezen, omdat zij hen een waarborg +was voor hunne vrijheid; een voormuur tegen de aanranding van +geweldenaren, wier overmagt zij zeker niet waren ontkomen, zonder deze +bescherming des rijks. Maar bovenal, omdat zij hen vrijwaarde van den +last des Leenstelsels, dat onder heerschzuchtige heeren en magtige +veroveraars met looden zwaarte op de diep vernederde volken van _Europa_ +drukte. Ja, deze betrekking bleek later daadwerkelijk eene beschutting +te zijn tegen de hebzucht van anderen en tegen de partijzucht van den +adel, bij het twisten over de onderlinge belangen. + +Beide betrekkingen waren in de hand des Allerhoogsten middelen ter +verheffing van het volk, uit de duisternis tot het licht--door strijd en +lijden tot volmaking. Bij al de beroeringen en woelingen onder de volken +van het westelijk _Europa_, waarin de Friezen noodwendig moesten deelen +en waaruit zij zich onmogelijk konden houden, viel hun in de gevolgen +het beste deel te beurt. En mogt de strijd tegen vreemde vijanden hun +moed en vaderlandsliefde sterken--het verbond en het verkeer met die +vreemden bragt hen in aanraking, in gemeenschap, in stoffelijke en +geestelijke verbroedering met de bewoners van andere oorden, die weder +van hunne gemeenschap voordeel trokken. + +Zoo wil het God, wiens wijze leiding wij, ook te midden der +heerschzuchtige woelingen zijner menschen-kinderen, ter bevordering van +zijne heilige bedoelingen kunnen herkennen. + + +13. _De invallen der Denen en Noormannen. (Van omstreeks 520-1010.)_ + +Dat de Friezen hun onafhankelijk volksbestaan bleven behouden, verdient +inderdaad onze verwondering in nog hoogere mate, als wij bedenken, dat +zij in de zelfde eeuwen, waarin zij aan de zuid- of landzijde door de +legers der magtige Franken werden aangevallen, en nog lang daarna, ook +aan de noord- of zeezijde te kampen hadden met niet minder geduchte +vijanden, die op den duur nog moeijelijker waren te weêrstaan. In die +onveilige tijden, toen de verschillende volksstammen van het +noordwestelijk _Europa_ zeldzaam eene vaste woonplaats hadden, zich +gemakkelijk van de eene naar andere en betere landstreken verplaatsten, +en nog geen volkenregt kenden of eerbiedigden, was de zucht om elkander +te berooven en buit te maken veelal het hoofdbeginsel van den oorlog. + +Geen volk was als zoodanig meer gevreesd dan de _Noormannen_, dan die +woeste benden van Deensche, Zweedsche en Noorweegsche zeeschuimers, wier +schepen bij menigte den oceaan vervulden en onveilig maakten. Als stoute +zeeroovers van vervaarlijke kracht en onverbiddelijke wreedheid, waren +zij steeds de schrik der bewoners van de kusten der Noordzee en het +Kanaal. Want niet alleen _Friesland_, maar ook _Frankrijk_ en _Engeland_ +verontrustten zij door hunne strooptogten. Onverhoeds landden zij, en +overvielen de ongewapende landbewoners, welke zij uit huis en erf +verdreven, om zich intusschen van derzelver goederen en vee meester te +maken en dit met hunne schepen weg te voeren. Die aanvallen waren soms +zóó stout, dat zij gansche streken overweldigden, het land aan hun gezag +onderwierpen, en er door overmagt een tijdlang eene dwinglandij +uitoefenden, welke voor den landzaat onduldbaar was. Vooral heeft de +Deensche Koning HERIOLD met zijne broeders RORUK en HEMMING het +zuidelijk deel van _Friesland_ jaren lang in bezit gehouden, waarbij ze +hun zetel veelal in de aanzienlijke handelplaats _Dorestad_ gevestigd +hadden. Zelfs wordt de laatste Friesche Koning RADBOUD II gehouden voor +een Deensch vorst, die zich van dit land met geweld had meester +gemaakt. + +De oude geschiedverhalen gewagen daarom telkens van hunne invallen en +strooptogten, die omstreeks den jare 520 begonnen en eerst in de elfde +eeuw opgehouden moeten zijn. Met het woeste en nog weinig bebouwde land +hunner geboorte niet tevreden, zochten deze schrikbarende geweldenaars +vooral die kustplaatsen op, waar handel en nijverheid reeds welvaart +hadden verspreid, en waar zij dus de beste gelegenheid vonden, om buit +te behalen. Waar ze kwamen, voerden ze plundering, moord en brand in hun +gevolg, of legden de overrompelde bewoners zware schattingen op. +Vandaar, dat het noemen van hun naam alom reeds siddering verwekte. + +Niet zelden echter ondervonden zij van de dapperheid der Friezen een +tegenstand, welke hen met groot verlies naar hunne schepen deed +terugkeeren. Immer moesten deze op hunne aanvallen bedacht en daar tegen +gewapend zijn. Vreeselijke gevechten zijn er tegen hen gevoerd, waarbij +de Friezen en hunne legerhoofden of Potestaten met eere streden, en hen +afschrikten deze oorden vooreerst weder te bezoeken. Ja, »de Friezen +zijn in de historie gekenmerkt als de moedigste bestrijders van de +mannen uit het noorden"[22]. Uit zucht naar wraak trokken ook zij zelfs +meermalen te scheep naar de Oostzee, om den Noorman de geledene +verliezen in zijn eigen land betaald te zetten. + + [22] Zie VAN LEEUWEN'S schets dezer togten voor de _Herinnering aan + het geslacht Sirtema van Grovestins_, in _de Vrije Fries_, V 232, en + vooral de noot op bl. 237, omtrent den tijd van het eindigen dezer + invallen. + +Er bestond echter, buiten de plunderzucht der Noormannen, nog eene +reden, waarom zij _Friesland_ aan de Franken zoo lang en zoo hevig +betwistten. Zij hadden het Christendom een gloeijenden haat gezworen. En +indien de Franken voorgaven, de Friezen tegen hun geweld te willen +beschermen, waren zij de eersten nog te meer vijandig, omdat deze de +laatsten te gelijk aan het Heidendom zochten te onttrekken. Dat +Heidendom toch vuurde hen aan tot den strijd en deed hen den heldendood +met verrukking te gemoet zien, omdat deze hen zou overvoeren in een +hemel, waar zij zich, bij al de genietingen van den wellust, dronken +zouden drinken aan lekker bier uit de bloedige bekkeneelen hunner +vijanden. Vreeselijk was daarom hunne verbittering tegen de +Christen-Franken, die ze vervolgens ook in hun eigen land bestookten, en +wier magt zelfs niet kon verhinderen, dat de Noormannen zich op hunne +kust vestigden (_Normandië_). + +Somtijds werden zij evenwel met kracht wederstaan en geslagen. Toen in +885 gansche drommen van dezen schrik der wateren _Engeland_, +_Frankrijk_, _Vlaanderen_ en de _Nederlanden_ overstroomden, en aan de +oevers van Theems en Seine, Schelde, Rijn en Maas de bloedige sporen +hunner verwoestingen achterlieten, tastte eene vloot dezer zeeroovers +ook de Oude of Neder-Saksers aan. Deze, toen aan de Vlaamsche kust +gevestigd, konden bijstand bekomen van de Friezen, met wier hulp het hun +gelukte, in één jaar tweemaal de overwinning op hen te behalen. Doch, +hoe dikwijls ook verslagen, telkens groeide hun getal aan. Ongeloofelijk +schijnt het bijna, dat er in 889 eene vloot met 100,000 Noormannen voor +de Maas verscheen, waarvan het grootste gedeelte aan land kwam en de +toegesnelde verdedigers dezer gewesten versloeg; maar ook, dat Keizer +ARNOLD, in het volgende jaar 890, (zoo men meent ter plaatse, waar nu +_Leuven_ ligt) met een groot leger hen tegentrekkende, hun eene +allerbloedigste en beslissende nederlaag toebragt, »waarbij het vooral +de Friezen waren, die zich het meest onderscheidden." + +Met de Franken als bondgenooten vereenigd, weêrstonden alzoo de Friezen +de Noordsche heirmagten, waartegen beide volken steun vonden in +elkander, en waarbij _Friesland_ aan _Frankrijk_ ten voormuur +verstrekte. Ook hierdoor laat zich verklaren, welk belang de Franken +hadden bij het bezit van _Friesland_, en evenzeer welk belang onze +vaderen hadden bij de bescherming der Franken; wáárom zij KAREL _den +groote_ als Beschermheer aannamen, en om welke reden deze hen meer als +bondgenooten dan als overwonnenen behandelde. De vereenigde magt van +Franken en Friezen beschermde, na 775, de gansche noordwestkust van +_Europa_, van de Elve tot de Pyreneën, tegen het geweld der Noormannen. +Meer algemeene en krachtdadige tegenstand verzwakte eerlang echter de +krachten van dezen; en toen eindelijk, in de elfde eeuw, de weldadige +stralen des Christendoms ook doordrongen tot die Noordsche rijken, er de +ruwheid van zeden verzachtten en er volkenregt deden eerbiedigen,--toen +verminderden van lieverlede die togten, welke eindelijk geheel +ophielden. + +De Friesche geschiedboeken verhalen evenwel, dat nog in 1306 een hoop +Noormannen de Lauwerszee inviel en hier verwoestingen aanrigtte; doch +ook, dat zij door de Friezen dapper aangevallen- en, met achterlating +van 900 dooden en grooten buit, naar hunne schepen gedreven werden, +terwijl deze het verlies van 400 man, en daaronder hun wakkeren +aanvoerder, den Potestaat REINDER CAMMINGHA, te betreuren hadden[23]. + + [23] De hoofdbron van de geschiedenis dezer invallen is thans het + belangrijke werk van Dr. J. H. VAN BOLHUIS, _de Noormannen in + Nederland_, Utrecht 1834, 2 st. Zie mede omtrent het vermelde, behalve + onze Kronyken op vele plaatsen, MOLHUIJSEN, in NIJHOFF'S _Bijdragen_, + VII 182; BOSSCHA, _Neêrlands Heldendaden_, I 22; FOEKE SJOERDS, + _Jaarboeken_, III 224 enz. + +Wij besluiten het algemeen overzigt van deze togten der Noormannen met +de volgende lofspraak op de dapperheid der Friezen in dien strijd, van +den dichter Mr. J. VAN LENNEP[24]: + + [24] _De Roem van twintig eeuwen_, 1831. + + _Nooren, Finnen, fiere Deenen, + Die hun overmacht vereenen, + Landen op de Friesche kust. + Meer nog dan de woeste dieren, + Dan de wolven, raven, gieren, + Die hun krijgsstandaarden cieren, + Zijn ze op roof en buit belust._ + + * * * * * + + _Maar geen vloot, geen krijgsgevaren, + Maar geen plonderzieke scharen, + Zullen immer sidd'ring baren + In der Friezen fier gemoed. + De ijz'ren knods blinkt in hun handen: + Wie hen driftig aan durft randen, + Heeft zijn stoutheid ras geboet._ + + * * * * * + + _Alle volkren op deze aard + Zien wij eens hun naam verliezen; + Maar de grootsche naam van Friezen + Blijft in eeuwigheid vermaard._ + + +14. _Het Verbond der Zeven Vrije Friesche Zeelanden._ + +De opvolgers van KAREL _den groote_ en van zijn zoon LODEWIJK _den +vrome_, die van 814 tot 840 regeerde, waren meestal zwakke Vorsten, die +zich weinig met het bestuur van hunne eigene en veel minder met dat van +deze afgelegene landen bemoeiden. Gedurige rijksverdeelingen en +beroeringen van allerlei aard verzwakten bovendien hun gezag. Zelfs +bleven de Graven of gezanten, welke in de eerste tijden jaarlijks of om +de drie jaren in _Friesland_ kwamen, om in buitengewone zaken regt te +spreken en de schatting te innen, eerlang geheel weg. Van deze +nalatigheid maakten alzoo de vrijheidminnende bewoners dezer landen +gretig gebruik, om zich nader aan elkander te verbinden en eene +onafhankelijke volksregering te vestigen, vooral tot onderling +hulpbetoon: aan de eene zijde tegen de invallen van de Noormannen en aan +de andere zijde tegen de magtig gewordene Graven en Leenmannen. + +Deze toch maakten van die zelfde omstandigheden gebruik ter vergrooting +van hunne magt en tot verdrukking van het volk. Dit was bijzonder het +geval in dat eerst veroverde westelijk gedeelte van het Friesche rijk, +tusschen het ~Sincfal~ en de ~Reker~, dat eerlang door de _Graven van +Holland en Zeeland_, de _Bisschoppen van Utrecht_ en andere Heeren als +eene eigene en erfelijke bezitting werd beschouwd. Het tweede gedeelte +of het eigenlijk _Friesland_, tusschen de ~Reker~ en de ~Eems~, genoot +eene gewenschte onafhankelijkheid, doch had veel te lijden van de woeste +strooptogten der Denen. Het derde gedeelte, _Oost-Friesland_, tusschen +de ~Eems~ en den ~Wezer~, dat ten gevolge van zijne gemeenschap met de +Saksers later veroverd was, had reeds van KAREL'S zoon, LODEWIJK _den +vrome_, het regt op het vaderlijk erfgoed, bij de verovering hun +onthouden, terug bekomen. Het stond nu bloot aan de overheersching der +Saksische Vorsten en andere Heeren en Bisschoppen, en verlangde zeer in +het genot te deelen van gelijke regten en vrijheden, als de Friezen +bewesten de Eems bezaten. Met deze oude stamgenooten sloot het dus een +verbond tot onderlinge bescherming. Ook andere oostelijke stammen, onder +gelijke omstandigheden verkeerende, en wonende tusschen den ~Wezer~ en +de ~Elbe~, en van daar tot den ~Eider~ (de Noord- of Strand-Friezen), +sloten zich een tijdlang daarbij aan, doch werden later daarvan +afgetrokken. + +Hierdoor ontstond de staat der _Zeven Vrije Friesche Zeelanden_ of aan +zee gelegene landstreken, welke door zoo vele stroomen of rivieren van +elkander waren afgescheiden. Het _eerste Zeeland_ lag tusschen de +~Reker~ en het ~Flie~ en was het latere _West-Friesland_ of een groot +deel van _Noord-Holland_. + +Het _tweede Zeeland_, tusschen het ~Flie~ en de ~Middelzee~ of het +~Boorndiep~, bevatte _Westergoo_, _Stavoren_, _Gaasterland_ en +_Doniawerstal_, of ongeveer de westelijke helft van het tegenwoordig +_Friesland_. + +Het _derde Zeeland_, tusschen de ~Middelzee~ en de ~Lauwers~, maakte een +groot deel der oostelijke helft dezer provincie, of het landschap +_Oostergoo_ met _Opsterland_, _Utingeradeel_, _Haskerland_ en +_Ængwirden_ uit. + +De zuidoostelijke streken van dit gewest, als _Schoterland_, +_Lemsterland_ en de _Stellingwerven_, vormden met het noordelijk +gedeelte van _Overijssel_ en geheel _Drenthe_, die te zamen vermoedelijk +het Graafschap _Islegoo_ uitmaakten, het _vierde Zeeland_. + +De landstreken, waaruit de tegenwoordige provincie _Groningen_ is +zamengesteld, als: het _Gooregt_, _Hunsego_, _Fivelgo_, het _Oldampt_, +_Westerwolde_ en het _Wester-kwartier_, benevens _Reiderland_, tusschen +de ~Lauwers~ en de ~Eems~, maakten het _vijfde Zeeland_ uit. + +Het _zesde_ en _zevende Zeeland_ bevatte de landstreken, waaruit +_Oost-Friesland_ enz. bestaat, en strekte zich van de ~Eems~ tot den +~Wezer~ uit, terwijl de ~Jade~ de grens tusschen deze beide deelen was. + +Het doel dezer vereeniging van stamgenooten was eigenlijk een +verdedigings-verbond. Ofschoon ieder dezer landschappen onafhankelijk op +zich zelf stond en zijne eigene overheden, regters en wetten had, hield +dit verbond allen als vrije Friezen aan elkander gestrengeld. Jaarlijks +hielden de afgevaardigden uit ieder Zeeland een algemeenen Landsdag, om, +in het belang van het geheele vrije land, de bestaande geschillen te +beslechten, den vrede en eendragt te bevorderen, de wederspannigen tot +gehoorzaamheid te brengen, zich tegen de aanvallen van vreemde Vorsten +of de aanmatigingen van Leenheeren met eendragtigen moed te verbinden, +en om nuttige wetten en verordeningen, te maken of de bestaande te +verbeteren. De plaats, waar men tot dit einde bijeenkwam, noemde men den +_Opstalsboom_, een beplante heuvel in de nabijheid der stad _Aurik_ in +_Oost-Friesland_, welke nog in wezen is. Daar vergaderden op den eersten +Dingsdag na het Pinksterfeest ieder jaar de geestelijken, edelen en +vrijgeboren mannen, welke ieder der Zeelanden ter behartiging der +algemeene belangen had afgezonden. In het midden zaten de voor elk jaar +benoemde regters, die de voorstellen deden; daar om heen waren de +plaatsen der afgevaardigden, terwijl het volk zich daar rondom schaarde. +Indien een voorstel beviel, strekte een luid gekletter der wapenen tot +een teeken van aanneming; doch een luid gemor verhief zich, zoodra het +niet welgevallig was of nader moest worden besproken. Alles geschiedde +overeenkomstig de zeden der oude Germanen, die hier het langst bewaard +bleven[25]. + + [25] Naar aanleiding van WIARDA'S werkje over de _Landdagen der + Friezen bij Upstalboom_, gaf de Heer Mr. A. TELTING daarvan in de + _Leeuw. Cour._ 1831, N^o. 79 eene Herinnering, welke voor een groot + gedeelte is overgenomen in VAN LEEUWEN'S Aantt. op _it aade Friesche + terp_, bl. 399. Zie ook SCHOTANUS, 170 en _tabl._ 16. + +In elkander vonden deze Friesche landstreken alzoo een steun tot vorming +van een vasten grondslag voor hun maatschappelijk welzijn, namelijk, het +vermogen om te bestaan zonder hulp van buiten. Na het bezorgen hunner +eigene veiligheid, rekenden zij het onnoodig van zwakke bondgenooten af +te hangen. Alleen door het schild des Keizers achtten zij zich genoeg +beschermd tegen aanrandingen van vreemden, en weinig deerde het hen, dat +deze zelfde hoofden des rijks misbruik maakten van die bescherming, door +sommige deelen van hun land nu aan dezen dan aan genen, als ware het +leengoed, weg te schenken. Immer bleef die zucht, om onafhankelijk te +willen bestaan, zonder hulp van buiten, een kenmerk van der Friezen +aard. + +In die duistere en nog weinig beschaafde middeleeuwen, toen de lagere +standen des volks in meest alle overheerde landen van _Europa_ met +lijdzaamheid de onderdrukking en willekeur van het geweld der magtigen +moesten verduren, was dit verbond eene even merkwaardige uitzondering +als deze vrije toestand der ingezetenen eene groote zeldzaamheid. Eeuwen +lang, zelfs tot in de 15e eeuw[26], heeft dat verbond bestaan, en eene +vrijheid en volkstrouw beschermd, waarvan bij weinige andere volken het +voorbeeld is. Dit feit is tevens een bewijs voor de geldigheid van den +oorsprong van der Friezen volksvoorregten, door velen meermalen +betwijfeld. Deze zijn echter door den Roomsch-Koning Graaf WILLEM II in +1248 en door Keizer RUDOLF in 1276 erkend, bevestigd en vermeerderd, +zoodat zij een wettig gezag bezaten[27]. Zuivere vrijheidsmin en hechte +volkstrouw hielden onze Friesche vaderen verbonden. Met zelfgevoel en +liefde waren zij aan hunne wetten en staatsinstellingen gehecht. +»Dáárdoor wisten zij zich staande te houden te midden der groote +Europesche beroeringen, en ruilden zij hunne plaatsen voor geene andere +in. Ja, te midden dier volksbewegingen en overstroomingen stonden zij +daar, als de krachtige eik in het woud, die de stormen tart en door den +stroom der wateren niet ontworteld wordt"[28]. + + [26] Het verbond van 1430, in het _Vriesch Charterboek_, I 494, + schijnt een der laatste sporen dezer vereeniging te zijn. Zie _Aant. + 9_. + + [27] Zie _Vriesch Charterb._ I 94; FOEKE SJOERDS, _Jaarb._ III 120. + + [28] Zie ROYAARDS, _Geschiedenis der invoering en vestiging van het + Christend._ 41, uitvoeriger in het motto tegenover den titel + aangehaald. + +De volksstammen, welke tot dit verbond behoorden, hadden in den beginne +eene volkomene volksregering. Doch in latere eeuwen, toen sommige edelen +zich boven anderen in aanzien en magt begonnen te verheffen; toen het +eene Zeeland zich regten en vrijheden boven het andere aanmatigde; toen +de eerbied voor de wetten verminderde en de vrijheidszucht ontaarde in +bandeloosheid:--toen werd het eigenbelang boven het algemeen belang +voorgetrokken en deze schoone band vaneen gereten. In 1323 werd bij de +Willekeuren van den Opstalsboom het verbond bekrachtigd, het regt der +Overheden hernieuwd, de boosheid met straffen bedreigd en den landvrede +bevestigd. Van latere vergaderingen is echter geen spoor. In 1361 werden +er pogingen gedaan tot vernieuwing van het verbond, waarbij de +vergaderingen van den _Opstalsboom_ werden verlegd naar het in magt +sterk toenemende _Groningen_. Doch te vergeefs. Het had zijne +verbindende kracht voor allen verloren. Binnenlandsche oorlogen en +persoonlijke veeten, zucht naar gezag en heerschappij verteerden de +krachten des volks. Geestelijke en wereldlijke Heeren maakten daarvan +gebruik ter uitbreiding van hun gebied. Zóó ging het eene Zeeland voor +en het andere na verloren, en werd de eenmaal zoo uitgestrekte Friesche +vrijstaat gesloopt. Het eerste Zeeland, _West-Friesland_, bezweek, na +zich langer dan drie eeuwen moedig verdedigd te hebben, voor de overmagt +der Graven van _Holland_. _Oost-Friesland_ werd een buit van trotsche +Hoofdlingen en Graven, die elkander lang de oppermagt betwistten, en aan +de Bisschoppen van _Bremen_ en _Munster_ nog sommige gedeelten van dat +land moesten afstaan. In _Overijssel_ (het _Over-sticht_) en _Drenthe_ +vestigde de magtig gewordene Utrechtsche Bisschop zijn wereldlijk gezag, +gelijk hij reeds lang deed in de stad _Groningen_ en het _Gooregt_, +welke hij door Stedevoogden liet besturen[29]. Alléén het tegenwoordige +_Friesland_, de kern van den ouden volksstam, bleef ongedeerd en vrij, +dewijl het zich steeds moedig tegen de aanvallen van vreemde Heeren mogt +verdedigen. Dankbaar bleef het dit voorregt erkennen, zoo als ook blijkt +uit een oud-friesch geschrift, vermoedelijk uit het begin der 15e eeuw, +waarin omtrent dit gedeelte gezegd wordt: »Deze twee Zeelanden, als het +tweede en derde (_Oostergoo_ en _Westergoo_), zijn tot nog toe vrij en +anders geen Heer onderworpen, behalve den Keizer des Roomschen Rijks. +Maar ontzettende schade en menigvuldige aanvechtingen hebben deze landen +geleden, om hunne vrijheid te beschermen, welke hen geschonken is van +den grooten Koning KAREL, waartoe zij vele zware strijden hebben +geslagen tegen de Graven van _Holland_, om hunne landen te beschermen. +Ook _Stellingwerf_ en _Schoterland_ zijn nog vrij, doch hebben zware +aanvechtingen en oorlogen gehad met de Bisschoppen van _Utrecht_, die +het overig gedeelte van dit vierde Zeeland (_Kuinder_, _Giethoorn_, +_Vollenhove_, _Steenwijk_ en _Drenthe_) hebben bedwongen"[30]. + + [29] YPEIJ en FEITH, _Oudheden van het Gooregt en Groningen_, 1836, I, + 37 env.; DIEST LORGION, _Geschiedkundige Beschrijving van Groningen_, + 1849, 18 env.; DRIESSEN, _Monum. Gron._ 857. + + [30] Zie het Klein Traktaat van de zeven Zeelanden in SCHOTANUS, + _Kronyk_, _tablinum_, 19, en, met de vertaling, in FOEKE SJOERDS, + _Beschrijving_, I 55. Vergelijk verder _Aanteekening 9_. + +Lang zou dit gedeelte die zeldzame en eervolle onafhankelijkheid hebben +behouden, indien zijne burgers zich des waardig hadden gedragen. Maar +ook zij leverden het bewijs, hoe bezwaarlijk de vrijheid, zelfs onder +bescherming van goede wetten, wordt gehandhaafd, wanneer menschelijke +zwakheden en ondeugden een overwigt in den staat bekomen. Eer- en +heerschzucht begonnen den boventoon te voeren; de oude goede trouw werd +vervangen door bandelooze partijzucht en familie-veeten. Een opperhoofd +of Potestaat uit hun eigen midden had geen gezag meer; zoodat eindelijk +de Keizer het bestuur van dit land opdroeg aan een vreemden vorst, aan +Hertog ALBERT _van Saksen_, die hen tot eendragt en rust, tot orde en +regt dwong, en hun den verloren vrede hergaf, doch ten koste van een +groot deel der onafhankelijkheid. + + +15. _Veranderingen in den toestand des bodems van Friesland._ + +_Watervloeden, de Zuiderzee, de Middelzee enz._ + +Een niet minder gevaarlijken vijand dan de Noormannen hadden de Friezen +op hunne kust bestendig te bestrijden in de ~Noordzee~. Wel had de +natuur hun laag gelegen land tegen haar geweld zoeken te beschermen door +het met een zoom duinen te omgeven; wel had zucht tot zelfbeveiliging +hen op hooge plaatsen menigvuldige terpen doen opwerpen, om tot woon- en +schuilplaats voor personen en vee te strekken bij het opkomen der +vloeden, die dagelijks de riviermonden binnenstroomden; zelfs waren ze, +zoo men wil in de 7e eeuw, reeds begonnen, langs den oever zeedijken en +waterkeeringen aan te leggen:--in gewone gevallen bood dit alles +genoegzame bescherming aan, om hun het rustig bezit en genot van het +land te verzekeren. Maar ongenoegzaam, ja zelfs onbeduidend waren die +zwakke beveiligingsmiddelen, zoo dikwijls hevige stormen de hoog +gestegen vloeden met woedend geweld voortzweepten, en deze, met +verachting van allen wederstand, het land overstroomden, vele de +gewrochten van menschelijke vlijt en arbeid verwoestten en nood en dood +alom verspreidden. Ontzettende ellende en verbazende schade hebben de +bewoners dezer landen gedurende vele eeuwen van deze geduchte en zoo +dikwijls herhaalde watervloeden te lijden gehad. + + Want, ach! als hij loeide, die woedende orkaan, + En randde de kusten des Vaderlands aan, + Wat waarde had dan nog het leven? + Dan dekte het zeezout het zuchtende land, + Verwijderde staag het bedwingende strand, + Deed honderden, duizenden sneven. + + En huizen, en hoven, en menschen, en vee + Verzwolg ze, die woeste, verslindende zee, + En naakt en berooid moest hij vlugten + De landman;--'t verlies van zijn have getroost, + Behield hij zijn vrouw maar, zijne ouders, zijn kroost, + Wier dood er zoo velen deed zuchten. + + En groende zijn weide als de lente verscheen? + Ontlook dan zijn koren, zijn welvaart? Ach neen! + Die zee, ach die zee wou niet wijken! + En schoon ook de landwind verdroogde die plas, + De zee liet haar zout, en de grond bleef moeras, + Geen scheutje, geen aar kon er prijken[31]. + + [31] Mr. A. VAN HALMAEL JR., _Lied, Kaspar Robles door den Frieschen + Landman toegezongen_, geplaatst in de Aantt. op de _Hulde aan H. J. + Groen_, door Mr. ROBIDÉ VAN DER AA, Leeuw. 1825, 18. + +Bij al die verliezen aan menschen, vee en bezittingen; bij al de schade, +welke de algemeene welvaart telkens leed, onderging bovendien het land +zelf ten gevolge dier veelvuldige overstroomingen een zeer groot +verlies, doordien de zee eene groote uitgestrektheid gronds verzwolg. +Elders werd daarentegen weêr land aangewonnen. Land werd in zee--zee +werd in land herschapen.--Deze merkwaardige vervorming van een gedeelte +des vaderlandschen bodems had op den toestand van het geheel en op de +ligging van de bijzondere deelen en plaatsen een grooten invloed. Ten +aanzien van het tegenwoordige _Friesland_ willen wij de voornaamste +bijzonderheden daarvan mededeelen. + +De laaggelegene noordwesthoek van _Nederland_ stond natuurlijk het meest +bloot aan de woede van den oceaan. Bovendien vloeiden hier verscheidene +grootere en kleinere rivieren en stroomen zeewaarts, ter ontlasting +van het boezemwater des lands. De ~IJssel~, door het Marsdiep +uitstroomende, was van meer belang geworden sedert hij met een deel der +wateren van den Rijn werd belast. Het ~Flie~, dat door de Vecht, het +Zwarte water, de Kuinder of Tjonger en de Linde gevoed werd, was breeder +en dieper geworden, sinds het bezwaard was met den afvoer der wateren +uit het zuidelijk _Friesland_, waar langs het vroeger een deel zijner +krachten had afgezet naar de ~Middelzee~ of het ~Boorndiep~. De +aanvankelijke verlanding van dezen zeeboezem aan de zuidzijde gaf toch +een geheel anderen loop aan vele stroomen, en was van evenveel belang +als de nieuwe mond of uitstrooming, welke de Middelzee, reeds vóór de +7e eeuw, tusschen _Terschelling_ en _Ameland_ had bekomen, waardoor zij +de Boorn en vele wateren van _Oostergoo_ en _Westergoo_ gemakkelijker +afvoerde. Verder was het de ~Lauwers~, welke, vereenigd met de Ee, de +Hunse en de Aa, zich tusschen _Ameland_ en _Schiermonnikoog_ met een +breeden mond in de Noordzee stortte. De eertijds geheel met duinen +bezette kust was door deze riviermonden verbroken. De Noordzee had +daardoor gelegenheid bekomen, om bij hevige stormen met meer geweld op +deze landen in te breken, waarbij vele duinen weggeslagen en de zeegaten +verbreed en verdiept werden. Terwijl aldus de toegang der zee ruimer en +de afvoer van IJssel en Flie hooger en krachtiger was geworden, zoo +bragten deze en andere omstandigheden te zamen genomen te weeg, dat de +lage landen langs die zeegaten en stroomen van lieverlede afgeschuurd, +verbroken en verzwolgen werden; dat de duinenrij slechts eene smalle +strook lands kon beschermen, welke als zoovele eilanden bewaard bleven, +en dat de gansche uitgestrektheid lands tusschen _Friesland_ en +_Noord-Holland_ weggeslagen en met het oude meer Flevo vereenigd werd, +waardoor de ~Zuiderzee~ is ontstaan[32]. + + [32] Vergelijk hierbij en bij het volgende Dr. OTTEMA'S _Kaart van de + Zuiderzee_, bij zijne Redevoering over haar ontstaan, in _de Vrije + Fries_, IV 183, in _Aanteekening 10_ nader vermeld. + +Dit alles geschiedde trapsgewijze door geduchte overstroomingen, wier +geheugenis in de geschiedboeken is bewaard. Na lange voorbereiding werd +het eerst in 1170 bij den vreeselijken Allerheiligen-vloed, die overal +schrikbarende verwoestingen aanrigtte, het land tusschen _Medemblik_ en +_Flieland_ weggescheurd, alsmede het meer Flevo aan de oostzijde +vergroot. Na latere overstroomingen van het begin der volgende eeuw, +bekwam die kom bezuiden _Flieland_, omstreeks 1237, nog grootere +uitbreiding. Met geweld bruischte de zee nu vervolgens door de verwijde +zeegaten op de lage landen in, zoodat, ten gevolge der watervloeden, +welke _Friesland_ drie jaren achtereen teisterden, in 1250 al de overige +landen bewesten de Friesche kust, van _Harlingen_ tot voorbij +_Hindeloopen_, weggerukt en in eene onafzienbare watervlakte herschapen +werden. Omstreeks dien zelfden tijd werd er bezuiden _de Lemmer_ nog +grooter veld weggeslagen en daardoor de oppervlakte van het meer Flevo +verdubbeld. + +Nadat in 1277 beoosten _Groningen_ eene groote uitgestrektheid aan den +mond der Eems was weggerukt en in den Dollard herschapen, was de +watervloed van 1287 hier zóó geducht, dat elders het gerucht werd +verspreid, dat geheel _Friesland_ verzwolgen was. Het getal der daarbij +omgekomene personen in dit gewest werd op 30,000 begroot. Hierbij had de +~Westerzee~ weder eene uitbreiding verkregen door het wegslaan van de +landstreek tusschen _Harlingen_ en _Terschelling_; terwijl de overige +landen bezuiden dit eiland en _Ameland_, een groot gedeelte der +tegenwoordige Wadden, eerlang voor de woede der golven bezweken. Na +herhaalde watervloeden werd eindelijk in de volgende eeuw ook de +landstreek tusschen _Medemblik_, _Enkhuizen_ en _Stavoren_ verzwolgen, +waardoor de Westerzee met het vergroote meer Flevo vereenigd werd en de +~Zuiderzee~ nagenoeg hare tegenwoordige grootte en grenzen verkreeg[33]. +(Zie _Aanteekening 10_.) + + [33] Vermits de meeste toenmaals weggerukte gronden nog in zandplaten + en ondiepten bestaan, en aangezien de Noordzee sedert dien tijd door + het uitkolken van onze stranden en het afslaan van de eilanden voor + onze tegenwoordige zeeweringen hoe langer hoe gevaarlijker is + geworden, zijn er, die meenen, dat thans de tijd gekomen is, om + het vroeger verlorene te herwinnen, met al de middelen, welke de + kunst en het vermogen der 19e eeuw aanbieden. Wenschelijk wordt het + voorgesteld, dat de Noordzee tot hare oorspronkelijke grens (de + duinenrij op de eilanden) teruggedrongen en dat de Zuider- en + Lauwerszee met de daar tusschen gelegene Wadden bedijkt en tot land + gemaakt worden. + + * * * * * + +Na zoo vele aanzienlijke verliezen in grond, in bewoners, in vee en +eigendommen te hebben geleden, zou menigeen welligt dit gevaarvolle land +verlaten en een veiliger oord opgezocht hebben. Niet alzoo onze vaderen, +wier moed door al die gevaren opgewekt werd, om te strijden ter +bedwinging van het woeste element. Met ijver trok men aan het werk, om +langs de gespaarde kust zeedijken op te werpen, ten einde dit land te +beschermen tegen meerdere verliezen. + + Natuur! van wie de stervelingen + Een eigen Vaderland ontfingen, + Wat heeft ons met uw haat belaân, + Dat wij alleen van alle volken + Voor 't brijzelend geweld der diepe waterkolken + Aan alle kant ten doelwit staan? + + Doch dat we ons niet van haar beklagen! + In weervergelding dezer plagen + Schonk ze ons een onverschrokken moed, + Om stout ten golven uit te stijgen, + Die al wat ze ons onthield vrijmachtig deed verkrijgen, + Ten prijz' van eigen zweet en bloed[34]. + + [34] BILDERDIJK, _de ware Liefde tot het Vaderland_. + +Reeds vroeger had men zulke breede zeeweringen langs de westkust van +_Oostergoo_ en den oostoever van _Westergoo_ opgeworpen ter breideling +van den breeden zeeboezem de ~Middelzee~ of het ~Boorndiep~. Ook had men +Binnendijken of waterkeeringen in het land aangelegd, tot bescherming +van sommige gedeelten, om de verspreiding van het vloedwater tegen te +gaan. Aangenaam was echter bij al die verliezen het verschijnsel, dat, +gelijktijdig met de wegscheuring van de westelijke landen, de +~Middelzee~ van tijd tot tijd smaller en ondieper werd, en in de 13e en +14e eeuw geheel in hoog en vruchtbaar land werd herschapen. In de +vroegste tijden had deze zeeboezem waarschijnlijk eene breedte van de +_Oudeschouw_ voorbij _Sneek_ en _Ylst_ tot _Bolsward_, en was de Hem- en +Groendijk daarvan de waterkeering aan de zuidzijde. Een gedeelte van den +tegenwoordigen Slagtedijk, van _Bolsward_, over _Bozum_, _Weidum_ en +_Berlikum_ naar _Dijkshoek_, omzoomde haar aan de noord- en westzijde; +terwijl de dijken, waarop thans meest straatwegen zijn aangelegd, van de +_Oudeschouw_ over _Leeuwarden_ en verder voorbij _Stiens_ tot onder +_Hallum_, haar ter oostzijde bedwongen. + +Toen nu, ten gevolge der verwijding van den ~Fliestroom~, de toevoer +van water uit het zuiden naar de ~Middelzee~ verminderde, bewaarde deze +stilstaande kom gereedelijk de slibstoffen, welke noordweste stormen +elders wegrukten en herwaarts heenvoerden. Ten einde die ter zuidzijde +aangeslibde gronden te bewaren en voor den landbouw met meerdere +veiligheid te gebruiken, werd er een dijk gelegd, van _Rauwerd_ in +zuidwestelijke rigting langs _Scharnegoutum_, _Tirns_ en _Folsgare_ tot +nabij _Bolsward_. Doch het daardoor overgebleven meer verlandde ten +gevolge van voortdurende aanslibbingen zoo spoedig, dat op dien grond +reeds in 1277 de kerk van het dorp _Nieuwland_ gesticht werd. De +uitbreiding van de Zuiderzee en het wegslaan van de gronden der Wadden +bevorderde vervolgens de landwinning zoo snel, dat de Middelzee in de +13e en 14e eeuw van lieverlede inkromp en in vruchtbaar kleiland +herschapen werd, waarvan wij reeds in 1398 een gedeelte van _het Bildt_ +vinden vermeld. Vanhier, dat deze groote uitgestrektheid _Nieuwland_, +welke in 1505 door de bedijking van _het Bildt_ werd afgesloten, eene +belangrijke vergoeding geacht werd voor al de verlorene gronden bewesten +de Friesche kust. + +Ten gevolge van dat alles had het land eene gansch andere gedaante +verkregen. _Leeuwarden_, _Sneek_, _Ylst_ en _Bolsward_, welke als +Zeeplaatsen in het opkomen waren, werden van toen af Landsteden en +daardoor geheel andere belangen toegedaan. _Harlingen_, _Workum_ en +_Hindeloopen_ daarentegen begonnen als zeeplaatsen te bloeijen; +_Stavoren_ echter, die oude en aanzienlijke stad, welke aan eene +gunstige ligging ter wederzijden van den Fliestroom hare scheepvaart +en handel, welvaart en uitbreiding had te danken, zoodat zij +onder de steden van het Hanseverbond als de derde in rang werd +opgenomen,--_Stavoren_ had, ten gevolge van al die zeeveroveringen en +de verbreeding van het Flie, een groot verlies te lijden. Wel bleef de +ligging van het overgebleven gedeelte op dien landhoek aan de Zuiderzee +zeer gunstig; wel verkreeg zij van de Hollandsche Graven, die van 1292 +tot 1414 daar hun gezag trachtten staande te houden, groote voorregten, +en zag zij hare handelsprivilegiën op de Oostzee nog in 1363 en 1368 +door verbonden met de Koningen van _Denemarken_ en _Zweden_ bevestigd en +uitgebreid: toch neigde zij eerlang ten val. De overlevering wil, dat +hare welvaart verminderde ten gevolge van verregaande weelde en +euvelmoed, waarvoor de verzanding van hare haven zelfs eene straf geacht +werd. Nadat de zee eerst een gedeelte der stad met de in 1132 gestichte +kerk en het oude St. Odulphus-klooster had weggeslagen, was een +noodlottige brand, die ongeveer 500 huizen zou verteerd hebben, in 1420 +de oorzaak van meerdere afneming en verval, welke later aanmerkelijk +zijn toegenomen[35]. + + [35] Zie _Charterboek_ I 72, 124, 227, 232 enz. WESTERMAN, + _Beschrijving van Stavoren_, van 1613, achter zijne _Zeepostille_. + Onder vele bijzonderheden omtrent de vroegere uitgebreidheid en handel + der stad vermeldt deze, dat de zeevaarders van _Stavoren_ de eerste + geweest zijn, die de Noordsche landen en de Zond bezochten, waarom de + Koning van _Denemarken_ hun het voorregt verleende van bij het + doorvaren van de Zond vóór alle andere schippers vertold te worden; + ter bewaring van welk privilegie zij vervolgens jaarlijks met het + eerste schip den Koning een Leidsch laken vereerden. + + * * * * * + +Ofschoon later nog een aantal watervloeden _Friesland_ overstroomden en +vele schade veroorzaakten, mogt het den Friezen toch gelukken, sedert +dien tijd hun land te behouden en tegen meerdere verliezen te +beschermen. Zeker kostte het verbazende moeite, volharding en +opoffering, om dit land, dat lager ligt dan den dagelijkschen vloed der +zee, met zulk eene uitgestrektheid zware zeedijken te omringen, om zoo +vele kostbare zeesluizen aan te leggen, om zoo vele binnendijken en +waterkeeringen met sluizen tot stand te brengen, en om zoo vele lage +landen met kunstmiddelen vruchtgevend te maken en te houden. Gewis, +indien moed en standvastige fierheid tot het overwinnen van moeiten en +gevaren geene kenmerken van het karakter der Friezen waren +geweest;--indien het vaderland, waaraan zij zoo zeer gehecht waren, hen +niet dierbaarder was geworden, naar gelang de pogingen om het te +behouden zorg en inspanning kostten,--zij zouden geene zoo grootsche +overwinning behaald hebben in den strijd tegen een vijand, als de +woedende Noordzee. + +Vrij moge men dan elders in trotsche gewrochten der bouwkunst +of in reusachtige Hunebedden de krachten van het voorgeslacht +bewonderen--hier, in dit gedeelte van het oude _Friesland_, zijn de +talrijke terpen en zware zeeweringen eervolle blijken van volhardenden +moed en liefde tot het vaderland. En gaarne zeggen wij dus een onzer +volksdichters na: + + _Sa faek troch stoarm yn djippe sé beditsen, + Oeralde ljeawe Friesce groun! + Waerd noait dy taie bôan foarbritsen, + Dy Friesen oen hjar lôan forboen._ + + _Trochloftich folk fen disse alde namme! + Weas jimmer op dy alders great. + Bljou iwich fen dy grise hege stamme + Ien grien, ien kreftich doerjend leat_[36]. + + [36] Dr. E. HALBERTSMA in _de Lapekoer fen Gabe Scroar_, 1834, 226. + + +16. _Der Friezen aandeel in de Kruistogten naar het Heilige land. +1096-1270._ + +In het laatst der elfde eeuw werden de Christenen van het westen en ook +de Friezen opgeroepen tot deelneming in een strijd, welke geheel +_Europa_ in beweging bragt. _Palestina_ of het _Heilige land_, waar de +stichter van het Christendom geleefd en geleden had, waaraan +godsdienstige eerbied zoo vele heilige herinneringen verbond, bevond +zich in de magt der Saracenen of Turken. De kwellingen, welke deze de +Christenen aandeden, wekten in _Europa_ den godsdienstijver van vorsten +en volken op tot het doen van een kruistogt, om _Palestina_ weder in de +magt der Christenen te brengen. + +De eerste kruistogt werd ten jare 1096 ondernomen. Uit verschillende +landen werd een verbazend groot leger bijeengebragt. Met vele bezwaren +en rampen had het op den langen togt naar het oosten te strijden. Het +gelukte echter deze kruisvaarders de steden _Nicéa_, _Antiochië_, +_Cesaréa_ en _Jeruzalem_ te veroveren, en het koningrijk _Jeruzalem_ te +stichten, waarvan GODFRIED VAN BOUILLON, Hertog van _Neder-Lotharingen_, +tot Koning werd uitgeroepen, welken titel hij echter niet aannam, maar +zich vergenoegde met dien van Beschermer van het Heilige graf. + +'t Is zeer natuurlijk, dat eene zoo krijgshaftige natie als de Friezen +ijverig deel nam in dezen togt en aandeel had in deze overwinningen. Ook +na KAREL _den groote_ hadden zij buitenlandsche Vorsten vrijwillig +bijstand geboden, en bekend is het, dat de BURMANIA'S, CAMMINGHA'S, +ROORDA'S en anderen in de 11e eeuw met roem overladen terugkeerden uit +het leger van Keizer HENDRIK III, dien zij op zijne oorlogstogten in +_Boheme_, _Hongarije_ en elders gevolgd waren[37]. In bijna al de +kruisvaarten betoonden de Friezen zich roemruchtige kampvechters voor +het Christelijk geloof, die andere volken in koenheid overtroffen, maar +die onafhankelijk, onder eigene bevelhebbers staande, geen ander gezag +eerbiedigden dan dat van den Paus. Oude geschiedverhalen noemen zelfs de +namen der aanzienlijke edelen, onder welke zij in den eersten kruistogt +uittrokken, als de leden der geslachten: LIAUCKAMA, BOTNIA, HERMANA, +GALAMA, FORTEMAN en anderen. Bijzonder onderscheidden zich door +dapperheid EELKO LIAUCKAMA en FEIKO BOTNIA, waarom zij tot bevelhebbers +over 3000 man ruiters benoemd werden. Na in onderscheidene gevechten +zware wonden bekomen te hebben, werden zij, na de verovering van +_Jeruzalem_, ter belooning van hunnen moed, door den Koning tot Ridders +geslagen. Bij de belegering van _Nicéa_ sneuvelde de laatste +afstammeling der FORTEMANS met SICKO LIAUCKAMA en EPO HARTMAN op het bed +van eer (1097). + + [37] Dit vermeldt BOSSCHA, _Neêrlands Heldendaden_, I 34. + +Onderscheidene andere edelen, als HOMME HOMMINGA, GOFFE ROORDA, SICKO +CAMMINGHA en TJALLING OCKINGA voerden eerlang nieuwe benden Friezen aan. +In vele gevechten met de Saracenen behaalden zij grooten lof van +dapperheid, waarom BOUDEWIJN, de tweede Koning van _Jeruzalem_, en +andere hoofden des legers hen bijzondere achting toedroegen. Naar het +vaderland terug verlangende, ontsloeg de Koning hen noode uit zijne +dienst. Hij zelf geleidde hen met 100 ruiters naar _Jaffa_, vanwaar zij +zich inscheepten, en eerlang, na vele gevaren te hebben doorgestaan, in +_Friesland_ terugkwamen, waar zij met blijdschap in plegtigen optogt +werden ontvangen (1106). + + * * * * * + +Aan bijna al de verdere kruistogten, vooral aan die van de jaren 1119, +1147 en 1189, namen vervolgens vele Friezen deel, en hielden zij den +eens verworven roem van beleid en dapperheid staande. Doch op geenen +togt behaalden zij grooter lof en eer, dan op een der laatste, in 1217 +ondernomen. De Priester OLIVIER van _Keulen_ was naar _Friesland_ +gezonden, om daar het kruis te prediken. Het gelukte hem, de menigte met +zulk eene geestdrift voor dezen togt te bezielen, dat, volgens zijn +eigen berigt, 50,000 Friezen de wapenen opnamen en zich te _Dokkum_ en +elders op meer dan 80 schepen ter zee begaven. Onderweg vereenigde deze +vloot zich met die van Graaf WILLEM I van _Holland_. Na zich lang in +_Portugal_ te hebben opgehouden, overwinterden zij in de haven der +Italiaansche stad _Corneto_, waar zij van Paus HONORIUS III vele +gunstbewijzen ontvingen. + +In het volgende voorjaar zetten zij de reis voort naar de sterke +Egyptische stad _Damiate_, aan een der monden van den Nijl en de +Middellandsche zee gelegen. Reeds dadelijk bij de landing bewonderde het +leger den moed van een Friesch boogschutter. Toen de Saracenen zich naar +het strand begaven, om de landing te beletten, schoot deze onversaagde +krijgsman de eene pijl na de andere op hen af, zoodat velen getroffen +ter aarde zonken. Vlugtende ontwijken nu de anderen den vijand, en het +was door deze koenheid, dat de Christenen hunne legerplaatsen +ongehinderd konden opslaan. + +Vóór dat men de rivier kon opzeilen, om bij _Damiate_ te komen, moest er +een sterke toren, op een eiland, veroverd worden, terwijl er eene +ketting over de rivier was gespannen. De ongeduldige Friezen zwommen +echter den Nijl over, en raakten slaags met de Saracenen. Men riep hen +van daar terug, en nu hielpen zij met mannenmoed den sterken toren +belegeren. Dappere tegenweer deed herhaalde aanvallen mislukken. Daarom +bouwden de Friezen en Duitschers een vreemd krijgswerktuig, om hiermede +den toren te bestormen. Op twee hunner schepen, koggen genaamd, legden +zij zware balken, zetten vier masten daarop, en bouwden daar boven een +toren, van planken en vlechtwerk, met huiden gedekt, om tegen de pijlen +en het grieksch vuur der belegerden beschut te zijn. Een lange ladder en +valbrug waren er aan verbonden, om den toren te kunnen beklimmen. Onder +de gebeden der Christenen en den hevigsten tegenstand der Turken, werd +met dit gevaarte de sterkte aangevallen. Van weerszijden werd woedend +gestreden. Een jong ridder uit _Luik_ beklom het eerst den toren. Hem +volgde een zeer jonge Fries, HAIJO, van _Wolvega_, die, met een +dorschvlegel gewapend, allen versloeg, die hem tegenstonden, en ook het +vaandel van den Sultan veroverde. Weldra werd nu, als blijk van de +overwinning, onder het gejuich der Christenen, den standaard des kruises +op den toren geplant. Later gelukte het de Friezen en Duitschers met +bewonderenswaardige dapperheid de schipbrug over den Nijl te vernielen +en de vrije vaart op deze rivier te openen. Geene mindere hulp boden zij +bij de belegering van _Damiate_, dat in het laatst van 1219 overging. De +Patriarch van _Jeruzalem_ en OLIVIER gaven de Friezen bij hunnen aftogt +loffelijke getuigschriften mede van hunne betoonde stoutmoedigheid en +braaf gedrag. Men wil, dat de inwoners van _Dokkum_, in welke zeeplaats +vele schepen werden uitgerust, groot aandeel hadden aan dezen togt, en +dat het koggeschip, dat lang tot windwijzer van hun toren diende, +alsmede de drie sterren en eene kwartier maan, welke zij later in het +stadswapen voerden, afkomstig zijn »ter gedachtenisse van de +overwinningen, in de heilige oorlogen op de Saracenen behaald." + +De diensten door de Friezen op dien kruistogt bewezen, werden zelfs door +het opperhoofd der kerk, Paus HONORIUS III, dankbaar erkend, bij +gelegenheid dat hij in 1226 op nieuw hunne hulp inriep bij eenen +afzonderlijken brief, waarin hij zich in dezer voege uitlaat: »Voorwaer, +also ghy Vriesen voormaels met den Cruyce geteyckent, ons te scheepe in +den Over-lande getrouwelyck gedient hebt, in alsulcker voegen, dat u +loff ende eere van geslachte tot geslachte sal verbreydet worden, hebben +wy noodich ende raetsaem gevonden, u specialycken, als vermaerde +Camp-Vechters Christi, tot zynen dienste te roepen ende te verschryven; +vast vertrouwende, dat terwylen ghy in stoutmoedicheyt ende cracht +andere natien te boven gaet, dat ghy met manlycke couragie 't Heylige +oorloge sult aanveerden, opdat wy, strydende voor 't aertsche Jerusalem, +het eeuwige sullen bekomen."[38] + + [38] Zie _Vriesch Charterboek_, I 93; VAN MIERIS, _Charterb._ 1 200; + WINSEMIUS, 161. + + * * * * * + +Uit dezen zelfden kruistogt is het verhaal van een kloekmoedig bedrijf +bewaard. Het gebeurde eens, dat de beide legers der Christenen en +Saracenen tegenover elkander lagen, en zich ten strijde toerustten. Daar +treedt een ongemeen groot Prins der Mooren voor het Saraceensche leger +uit, en daagt, vol verwaanden trots, een der dapperste ridders der +Christenen uit, om met hem een kampstrijd te wagen. Een moedig Friesch +edelman uit het geslacht van ROORDA, van _Genum_, kon niet dulden, dat +zulk eene uitdaging onbeantwoord bleef. Met verlof van zijn hoofdman en +in vertrouwen op de hulp van den God der Christenen, treedt hij den +gespierden moor, in het aanzien van beide legers, onversaagd tegen. +Deze ziet met overmoed en verachting op hem neder, en denkt met éénen +slag hem den schedel te klooven. Doch hij bedriegt zich. Ridderlijk valt +ROORDA hem aan, en, al zijne krachten inspannende, brengt hij, +dapperlijk vechtende, zijnen vijand verscheidene wonden toe, ja +overweldigt, hem ten laatste zoo volkomen, dat de van spijt en woede +brullende uitdager, doodelijk getroffen ter aarde valt. Gejuich vervult +het leger der Christenen. Des Prinsen afgehouwen hoofd brengt hij als +prijs der overwinning op de punt van zijn zwaard in het leger der +kruisvaarders, waarin hij met uitbundigen lof en eere wordt ontvangen. +Om deze kloeke daad werd hij tot Ridder geslagen, en hem toegestaan, een +moriaanshoofd in zijn wapen te voeren, gelijk zijne nakomelingen nog +eeuwen lang na hem hebben gedaan. + + * * * * * + +Terwijl dit alles in het oosten voorviel, mogten ook verscheidene oorden +van _Europa_ van der Friezen krijgsroem gewagen. Bij den grooten +kruistogt van 1147 in _Portugal_ geland, was het mede door hunne hulp, +dat de magtige stad _Lissabon_, na een lang en hevig beleg, aan de magt +der Saracenen ontrukt werd. Zelfs vindt men gemeld, dat bij die +gelegenheid 200 man Friezen, onder aanvoering van een vromen held, +POPTATUS, 30,000 Heidenen verslagen hebben, welk getal echter overdreven +zal zijn[39]. Bij een lateren togt (van 1217) hielpen zij, met 25 +schepen, de Portugesche stad _Santa Maria_ op de Saracenen veroveren. In +1147 deelden zij, met de Westfalingers en Saksers verbonden, in een togt +tegen de Wenden, of de Heidensche Slavoniërs aan de Oostzee. Ook daar +gedroegen zij zich zoo dapper, dat als een (bijna ongeloofelijk) bewijs +daarvan vermeld wordt, dat 100 Friezen, die zich te _Suse_ gevestigd +hadden, aangemoedigd en voorgegaan door een edelen en onverschrokken +priester, GERLACUS, zich tegen een heir van 3,000 Wenden verzetten en +dit na een langdurig en hevig gevecht op de vlugt sloegen[40]. + + [39] Mr. SIMON VAN DER AA heeft dezen togt naar _Lissabon_ in + dichtmaat voorgesteld in den _Friesche Volks-Almanak_ voor 1845, 140. + + [40] Zie bij SCHOTANUS, _Kronyk_, 92, het uitvoerig verhaal daarvan. + +Gelijktijdig dienden er onderscheidene Friesche edelen in de legers der +voornaamste vorsten van _Europa_. Twee MARTENA'S stonden bij Keizer +FREDERIK BARBAROSSA (_Roodbaard_) om hunne kloekmoedigheid in hooge +gunst. De een sneuvelde in _Italië_; de andere was 's Keizers lotgenoot +in den dood op zijnen togt naar _Palestina_ (1199). In den noodlottigen +kruistogt van LODEWIJK IX, tegen _Tunis_, waren het de Friezen, die +althans nog eenig voordeel behaalden. Keizer RUDOLF bewees de Friesche +edelen bijzondere achting; vooral onderscheidde zich WATSE JOULSMA +als een manhaftig krijgsman. Een andere Fries, die door zijne +krijgsbedrijven zich buitenlands beroemd heeft gemaakt, was JUW DEKAMA, +die Koning EDUARD I, bij de verovering van _Schotland_ belangrijke +diensten bewees (1298). Een afstammeling van het zelfde geslacht vond, +met een der BEYMA'S, den dood in _Italië_, waar zij te _Pisa_ begraven +werden op last van Keizer HENDRIK VII, wien zij met hunne landgenooten +AYLVA, HETTINGA en anderen hunnen dapperen arm geleend hadden (1312). +Meerdere voorbeelden van Friesche krijgshelden uit dat tijdvak zouden +wij kunnen opnoemen; doch genoeg om den heldenaard der Friezen regt te +doen wedervaren[41]. + + [41] Dus spreekt de Hoogleeraar BOSSCHA, _Heldendaden_, I 34, 35, die + deze en andere krijgsbedrijven der Friezen met hoogen lof vermeldt. + + * * * * * + +Maar vooral behaalden de Friezen grooten roem wegens hun ~beleid~, bij +de belegering van de stad _Aken_, in 1248. De Hollandsche Graaf WILLEM +II, door den invloed van den Paus tot Keizer van _Duitschland_ verkozen, +moest dáár tot Roomsch-Koning gekroond worden; doch de vroeger verkoren +Koning KOENRAAD hield de stad bezet voor zijnen vader, den in den ban +gedanen Keizer FREDERIK II, en weigerde haar over te geven. Juist hadden +verscheidene volken zich reisvaardig gemaakt, om een nieuwen kruistogt +naar _Palestina_ te doen. De Paus ontsloeg hen echter van deze gelofte, +indien zij zich naar _Aken_ wilden begeven, om deze stad voor Koning +WILLEM in te nemen. Niet minder dan 200,000(?) krijgers trokken nu +derwaarts. Te vergeefs benaauwden deze, bijna een halfjaar lang, de +kloek verdedigde stad, die nog altijd langs eene vlakte aan de +noordzijde gelegenheid had, nieuwen toevoer te bekomen. + +Tegen den herfst kwam echter, op verzoek des Konings, eene nieuwe bende +Friezen, aangevoerd door een moedig edelman, TJAARD DOTINGA, in het +leger aan. Deze begonnen met het bezetten van de vlakte benoorden de +stad. Drie malen trachtten de nu geheel ingeslotene stedelingen hen van +daar te verdrijven; doch de onverzettelijke Friezen weken geen voetbreed +terug, maar verschansten zich op het veld, en namen ook eene andere +sterkte in, die niemand te voren had durven aantasten. Doch dit was niet +genoeg: want hoe fel de honger en ellende in de stad ook drongen, zij +was tot geene overgave te bewegen. Daarom namen de Friezen list te baat, +door de stad te bestoken met het zelfde element, waartegen zij in hun +land met dijken en dammen hadden te strijden. Zij legden namelijk ten +oosten der stad een zwaren en hoogen dijk over het lage land en dóór de +beek, die het water afvoerde, hetwelk uit de talrijke bronnen der +omgelegene bergen ontsprong. De door de herfstregens opgezwollen beken +konden zich nu niet ontlasten, en zetten een groot deel der in een dal +gelegene stad onder water. Nu klom de nood zóó hoog, dat de stad zich +eindelijk overgaf, en Koning WILLEM zijne luisterrijke intrede in _Aken_ +deed, waar hij 1 Nov. 1248 werd gekroond. + +Gaarne had hij hun heldenarm zich verder ten nutte gemaakt, maar +onverzettelijk verklaarden zij de opgenomene taak voor afgedaan. Zij +keerden echter niet huiswaarts, dan na het ontvangen van vele +betuigingen van dankbaarheid voor die hulp, en van een duurzaam +getuigenis hunner betoonde dapperheid en bewezene diensten. Want de +eerste verordening, welke Koning WILLEM, na zijne krooning, als +aanstaand opperhoofd van het Duitsche rijk uitvaardigde, bestond in een +Giftbrief, waarbij hij al de regten, vrijheden en privilegiën, welke de +Friezen bezaten, als door Keizer KAREL _den groote_ hun gegund, +bevestigde, goedkeurde en vernieuwde, »om te strekken tot een eeuwig +monument, opdat de geheele natie der Friezen en hare nakomelingen mogten +weten, in wat voege hare voorvaderen de Roomsche kerk en het keizerrijk +geholpen en hunne sterkte en deugden getoond hadden in de belegering van +_Aken_"[42]. Dit gunstbewijs werd door de vrijheidminnende Friezen +steeds op hoogen prijs geschat, als een adelbrief voor het gansche volk +en de grootste weldaad, waarmede de Koning hun ijver kon vergelden. +Grooten roem verwierf hun gedrag bovendien bij naburige volken, in een +ridderlijken tijd, toen moed, beleid en stoutmoedigheid in den strijd +inzonderheid als hoofddeugden werden vereerd. + + [42] Zie dezen Giftbrief in het _Charterboek_, I 94; WINSEMIUS, 168; + SCHOTANUS, _Kronyk_, 130, _tabl._ 10; FOEKE SJOERDS, _Jaarboeken_, III + 27; DIRKS, _de Friezen voor Aken_, in _de Vrije Fries_, V 53. + +Twintig jaren later gaven de Friezen nogmaals gehoor aan de laatste +oproeping tot een kruistogt naar het Heilige land. Dit toch was toen op +nieuw door de Saracenen ingenomen, en de hoog gestegen nood der +Christenen aldaar bewoog den Franschen Koning LODEWIJK IX en den +Engelschen Prins EDUARD, nog eene poging te doen om het te herwinnen, +waartoe ook de Paus in de _Nederlanden_ het kruis deed prediken. In alle +deelen van _Friesland_ betoonden vele personen zich tot hulp bereid, en +weldra had men vijftig kogschepen bijeengebragt, waarop zij zich in 1269 +inscheepten. Na eenigen tijd in _Vlaanderen_ vertoefd te hebben, +vertrokken zij naar _Marseille_, waar het kruisleger zich zou +verzamelen. De Koning was echter reeds vertrokken naar de Afrikaansche +kust, om _Tunis_ te belegeren; zij volgden hem derwaarts en hielpen met +veel onverschrokkenheid den Graaf van _Vlaanderen_ eene overwinning op +de Saracenen behalen. Vervolgens stevenden zij wel naar _Ptolemaïs_ en +_Tyrus_, doch vonden geene gelegenheid tot den strijd. Integendeel, zij +vonden het Christen-leger verdeeld; stormen hadden hunne schepen +ontredderd; ziekten dunden hunne rijen; zoodat zij in 1270, in veel +verminderd getal, den terugtogt naar het vaderland aannamen, en, na zoo +vele vergeefsche pogingen gedaan te hebben, het Heilige land in het +bezit der Saracenen moesten laten. (Zie _Aanteekening 11_.) + +Die herhaalde togten en verbazende opofferingen hadden gewis een +gunstiger uitslag verdiend. Doch in belangrijke zaken is ook het willen +grootsch, het streven edel, en het bezwijken geene schande. + + +17. _Veranderingen in den toestand des volks en de vestiging van +Gemeenten en Steden, gedurende en na de Kruistogten._ + +De Kruistogten naar _Palestina_ zijn op zich zelve een merkwaardig +verschijnsel in de geschiedenis. Maar hoogst belangrijk werden zij door +hunne ~gevolgen~, dewijl deze geweldige beroering eene omkeering in den +toestand der meeste staten van dit werelddeel te weeg bragt. Ook op den +toestand der Friezen oefenden zij in verschillende betrekkingen en in +verband met gelijktijdige gebeurtenissen een invloed uit, welken wij in +eenige hoofdtrekken willen schetsen. + +Bij den immer voortdurenden krijg tegen de Noormannen waren, in de drie +eerste eeuwen na de invoering van het Christendom, de omstandigheden +niet zeer gunstig geweest, om den toestand des volks zóódanig te +verbeteren en om dien vooruitgang te bevorderen, welken men van zoo +heilrijk eene gebeurtenis had mogen verwachten. De geest van KAREL _den +groote_, die zoo vaderlijk voor zijne landzaten had gezorgd, was uit +het staatsbestuur geweken, en zijne laffe opvolgers waren geenszins +gezind, als hij, om pogingen aan te wenden tot verbetering van de +maatschappelijke betrekkingen des volks. Veeleer werd dit onderdrukt en +der ellende prijs gegeven door magtige grooten, die veelal de Keizers +de wet stelden en allerlei gunsten van hen konden bekomen. Der +geestelijkheid scheen het genoeg te zijn, dat de volken Christenen waren +geworden in naam en de eeredienst en plegtigheden der kerk bijwoonden, +doch zij deden geene of geringe pogingen, om door onderwijs en leer het +verstand te verlichten en de ruwheid van zeden te verzachten. Onkunde en +bijgeloof heerschten alom en hielden de meeste volken in een staat van +bekrompenheid en domheid, welke de hoofden der kerk hadden moeten +verdrijven, zoo zij hunne Christelijke roeping eenigzins hadden +begrepen. Doch zucht naar geld en gezag beheerschte toen vooral zoowel +de geestelijkheid als den opkomenden adelstand, en het scheen alsof men +de lagere standen met opzet in vernedering hield; terwijl het deze aan +vermogen en gelegenheid ontbrak, om zich van die banden te ontslaan, en +de steun te worden van den staat. + +De kruistogten gaven echter een schok, welke tot alle standen en +betrekkingen doordrong, waardoor ze, in het bijzonder voor ons +vaderland, van onberekenbare gevolgen zijn geweest. Even als van elke +groote gebeurtenis, waren die gevolgen zoowel na- als voordeelig. Doch +de nadeelen waren tijdelijk, golden meest bijzondere belangen en zijn +alzoo geleden en vergeten. Maar de voordeelen, voor zooverre ze de +algemeene belangen betroffen, zijn gebleven, en hebben hun invloed ook +tot volgende geslachten uitgestrekt. + +Immers, die togten naar zoovele vreemde landen, en dat verkeer met +allerlei volken waren voor velen onzer landgenooten eene leerschool, +welke den kring der denkbeelden en behoeften uitbreidde. Het bezoeken +van groote steden, het zien van schoone gebouwen en kunstwerken, en de +kennis van zeevaart, wapenhandel, levenswijze, handwerken en +gereedschappen van andere volken,--dit alles schonk aan de terugkeerende +kruisvaarders bekwaamheden en hulpmiddelen tot vooruitgang, wier goede +aanwending weldra allerwege welvaart verspreidde. De havens werden +vervuld met schepen, die na volbragten kruistogt naar _Engeland_, de +Oostzee en elders werden gerigt. Vele voortbrengselen van het Oosten +werden naar deze Westersche streken overgebragt en door den handel +allerwege verspreid. Slaven, die deelnamen aan deze togten, bekwamen +daardoor hunne vrijheid. Vele vrije lieden werden nu gebezigd tot het +verrigten van diensten, welke voormaals tot den allerlaagsten staat +behoord hadden. Deze diensten vereischten nu een billijk loon, en, in +geval van verschil, uitspraak van goede wetten. Dus kreeg het +werkzaamste deel des volks schooner kans, om zich te beveiligen tegen de +armoede, en om door handel en landbouw of oefening van bedrijven en +kunsten tot het bezit van vaste goederen en welvaart te geraken. Heeft +dit alles niet veel uitgewerkt, om de burgerlijke vrijheid in ons land +te bevorderen?[43] Voorzeker, want algemeen waren de behoeften des volks +vermeerderd, doch te gelijk had het ook krachten en gelegenheden +bekomen, om daarin te voorzien. Zoo vele nieuwe kundigheden openden +nieuwe uitzigten en ondernemingen. Leven en werkzaamheid baarden +voorspoed, en vandaar, dat, naar aanleiding van dit alles, de +middelstand in vermogen en geestkracht dermate toenam, dat hierdoor de +stand der ~Burgers~ ontstond, en dat de door hen bewoonde dorpen tot +~Steden~ werden verheven. + + [43] STIJL, _Opkomst en bloei der Nederlanden_, 1778, 28. + + * * * * * + +In _Friesland_ was die overgang echter niet zoo groot als in andere +landstreken: want nevens de geestelijkheid en den in aanzien stijgenden +Adel, of de groote grondbezitters, had de algemeene volksvrijheid hier +een stand van vrije mannen gevestigd, die als huurders het land +bebouwden of handel dreven en handwerken uitoefenden, en wier +dienstbaren zelfs geene slaven of lijfeigenen waren, zoo als elders[44]. +Hier kende men geen Leenstelsel en ook geene Graven of Heeren, die +elders, door het schenken van vrijheden en voorregten of privilegiën, de +aan hen onderworpene of lijfeigene ingezetenen vrij verklaarden en +daardoor de verheffing van de Steden bevorderden. De voordeelen van deze +verheffing en de zucht naar onafhankelijkheid wekten bij de Friezen den +geest van navolging op. Hier schijnen de bewoners van de aanzienlijkste +dorpen of handelplaatsen, waarin de koop- en handwerkslieden zich al +vroeg tot Gilden verbonden, zich onderling vereenigd te hebben ter +bekoming van het regt, om zich zelve, door een eigen Bestuur, te doen +regeren. Zij matigden zich het regt aan, om, met uitsluiting van de +overige omliggende dorpen, handel te drijven, markten te houden, maten +en gewigten vast te stellen en handwerken en bedrijven uit te oefenen, +waaraan zij plaatselijke voorregten verbonden. Omstreeks het midden der +13e eeuw en dus in den zelfden tijd, dat _Oostergoo_ en _Westergoo_, +tot dusverre verdeeld in landstreken, waarschijnlijk Marken, Ferden +en Hemrikken geheeten[45], eene nieuwe gemeente-regeling en verdeeling +in Grietenijen bekwam, onttrokken zich alzoo die voornaamste +handelplaatsen, vooral de hoofddorpen der Hemrikken, aan het Bestuur en +de Regtsmagt van de Landgemeente of der Grietenij, ten einde zich zelve +naar eigene, en voor hare bijzondere behoeften meer geschikte, +wettelijke bepalingen te besturen; waarbij ze veelal een der +vermogendste edelen, die daar stinzen gebouwd hadden, ter hunner +bescherming aan het hoofd der regering stelden[46]. + + [44] Dat er ook slaven en lijfeigenen in _Friesland_ zouden geweest + zijn, wordt op grond van enkele plaatsen der oude Friesche wetten door + sommigen beweerd, doch door anderen tegengesproken, op grond der + algemeene volksvrijheid en gelijkheid van alle ingezetenen voor de + wet; alsmede, omdat de slavernij haren grond had in het regt van + verovering. Aangezien nu de Friezen, althans na KAREL _den groote_, + van het zwerven en veroveren hadden afgezien, en zich door eene + bijzondere gehechtheid aan hun land kenmerkten, is hier kwalijk aan + slavernij te denken, ten zij gevangen genomen Noormannen daarin + vielen. Zoo denkt ook HALBERTSMA in zijne _Letterkundige Naoogst_, + 1840, I 135, 138. + + [45] Zie _Oude Friesche Wetten_ en de Aantt. van P. WIERDSMA, bl. 23, + 42, 70, 294, 304. + + [46] Ten aanzien van dit, altijd zeer twijfelachtig, onderwerp, en + aangaande den aard en oorsprong van het Stederegt, neem ik de vrijheid + te verwijzen naar de uitvoerige berigten, medegedeeld in mijne + _Geschiedkundige Beschrijving van Leeuwarden_, I 8, 33, 274, 298 enz. + en de daarbij aangehaalde schrijvers. + +Bij gebrek aan stellige narigten zullen wij ons, uit velerlei +omstandigheden, zeker met de meeste waarschijnlijkheid mogen +voorstellen, dat er op zulk eene wijze in de 12e en 13e eeuw in +_Friesland_, tusschen het Flie en de Lauwers, _elf_ Steden zijn +ontstaan. Reeds vroeger (bl. 63) hebben wij gesproken over de oudste +dier steden, over _Stavoren_, en evenzeer gewaagd van hare gunstige +ligging aan den Fliestroom, waardoor hare scheepvaart en handel zich +reeds vroeg ontwikkelden, als van de oorzaken, waardoor zij in verval is +geraakt. _Dokkum_, aan de tegenovergestelde zijde van dit gewest op eene +zeer hooge terp aan de Ee en de Donger, in de nabijheid der Lauwerszee +voor scheepvaart en handel niet minder voordeelig gelegen en reeds vroeg +door den marteldood van BONIFACIUS algemeen bekend, wordt naar den +ouderdom voor de tweede in rang dezer steden gehouden. Aan de westzijde +der Ee, waar zij met andere stroomen in de Middelzee viel, was +_Leeuwarden_ aan een landhoek op twee breede terpen of werden ontstaan; +eene ligging, aan dien breeden zeeboezem, welke visscherij, scheepvaart +en handels-verkeer zeer begunstigde, en de spoedige uitbreiding dezer +zeeplaats bevorderde. Zoolang zij een dorp was, droeg ze den naam van +_Nijehove_, in tegenstelling van het daarbij gelegene en om zijne +leerschool beroemde dorp _Oldehove_, waarmede zij aan de westzijde, +gelijk met het dorp _Hoek_ aan de oostzijde in 1435 tot ééne grootere +stad verbonden en uitgebreid werd, nadat zij, door het opslijken of +verlanden van de Middelzee van eene Zee- in eene Landstad was +herschapen. Dit zelfde was het geval met _Bolsward_, _Sneek_ en _Ylst_, +oorspronkelijk aan de zuidzijde van dien zeeboezem gelegen, doch wier +zeehandel en scheepvaart zich nu, na het gelijktijdig ontstaan van de +Zuiderzee, verplaatsten naar _Harlingen_, _Workum_ en _Hindeloopen_, die +zich eerlang uitbreidden en in bloei toenamen, ook ten gevolge van het +verval van _Stavoren_. De opkomst en uitbreiding van _Franeker_, waar +reeds vroeg de Grafelijke regtstoel en der Vijf deelen regtspleging werd +gehouden, werd vooral bevorderd, doordien een aantal vermogende edelen +van _Westergoo_ zich daar vestigde, en te midden der woningen van de +nijvere burgers sterke huizen liet bouwen. Gelijktijdig vervielen de +zeeplaatsen _Ezonstad_ aan de Lauwerszee, _Uitgong_ aan den mond der +Middelzee, waaruit het latere aanzienlijke dorp _Berlikum_ ontsproot, en +_Grind_, thans eene zandplaat N. W. van _Harlingen_. Het is echter zeer +twijfelachtig of deze plaatsen, gelijk ook het, in eene lage veenachtige +streek, afgelegene _Wartena_, eertijds stedelijke regten hebben bezeten: +want dat wallen en poorten toen nog geene kenmerken waren van eene stad, +hebben al de elf Friesche steden bewezen, dewijl de meeste daarvan eerst +in de 14e en 15e eeuw, bij het toenemen van de binnenlandsche oorlogen, +zijn versterkt geworden; terwijl _Ylst_, _Workum_ en _Hindeloopen_ zelfs +geene wallen en poorten hebben bekomen en onbevestigd zijn gebleven. + +In het algemeen beschouwd, is het ontstaan van de Steden in ons +vaderland een blijk, hoe een wakker gedeelte der toenmalige bevolking +zich den kinderlijken leeftijd ontwassen achtte, en als knaap naar +meerdere ontwikkeling en zelfstandigheid streefde; ofschoon het later +mede eene der oorzaken werd van die bloedige partijschappen en +burgeroorlogen, welke in ons vaderland zoo lang vooruitgang en +beschaving hebben tegengehouden. + + * * * * * + +Groot waren alzoo de veranderingen, welke _Friesland_, vooral +gedurende de 13e eeuw, onderging, ten gevolge van een zamenloop van +omstandigheden, die echter niet alle regtstreeksche gevolgen waren der +kruistogten. De toestand des volks was in vele opzigten verbeterd; de +bronnen van bestaan waren vermeerderd; kennis en bekwaamheden werden +ontwikkeld, zoodat er voor de algemeene beschaving des volks werkelijk +eene betere toekomst scheen aan te breken. Naar wijze wetten en +verordeningen, welke nog voorhanden zijn[47], werden, bij jaarlijksche +beurtwisseling, de Steden bestuurd door een Olderman, Burgemeesters en +Schepenen, gelijk de Grietenijen door een Grietman en zijne Bijzitters +of Regters. Aan allen was mede de uitoefening van het regt, zoowel in +burgerlijke als in strafzaken, opgedragen, welke vroeger door den Graaf, +den Schout of Schelte, den Asega of Aesga en den Frana met de door het +volk verkozene regters geschiedde[48]. Toen werden de regtdagen of +weerstallen en warven onder den open hemel, veelal op kerkhoven, later +in of aan de kerken, gehouden, waarvan de _Wonser-_, _Midlumer-_ en +_Donia-weerstallen_ of regtplaatsen nog bij name bekend zijn, even als +de _Warkeamers_ nog aan sommige kerken worden gevonden[49]. De straffen +voor de misdaden bestonden destijds in vee of in geld, als boete aan den +beleedigde en breuk aan den regter en het volk, wegens de overtreding +van de wet. Ieder Goo had bovendien een Landraad en Gooregters, die de +algemeene belangen behandelden en hoofdmisdaden beregtten. In +_Oostergoo_ hielden deze, althans in de 15e eeuw, de landsdagen op de +stins _Barrahuis_ onder _Wirdum_, in _Westergoo_ te _Hartwerd_ en later +te _Franeker_, en in de _Zevenwouden_ (eerst in het begin der 15e eeuw +tot een geheel verbonden) te Rottum[50]. + + [47] _Oude Friesche Wetten_, afgedrukt in SCHOTANUS, _Beschrijvinge + van Frieslandt_, 1664, 23, en later verbeterd, vertaald en met + belangrijke aanteekeningen uitgegeven door P. WIERDSMA, Kampen en + Leeuwarden, 1782; RICHTHOFEN, _Friesische Rechtsquellen_, enz. + + [48] Zie over die wijze van regtspleging, behalve de _O. F. W._, ook + het voortreffelijke werk van HALSEMA, bl. 56, 76, 91 en vervolgens, in + _Aanteekening 9_ breeder vermeld. + + [49] Aanteekeningen op de _Oude Friesche Wetten_, 40, 106, 179, 197. + + [50] Zie WORP VAN THABOR, _Kronyk_, IV 2. + +Later hielden de voornaamste edelen en geestelijken, met de hoofden der +steden en grietenijen Gaarleggers of bijeenkomsten op verschillende +plaatsen, om, onafhankelijk van den Landraad, de algemeene of bijzondere +belangen te regelen. Tevens vinden wij in de geschiedenis dikwijls +Potestaten vermeld, als hoofdbestuurders, opperbevelhebbers of +aanvoerders, in de plaats van de vroegere Hertogen of Goograven. Welligt +werden zij enkel in tijden van nood of gevaar gekozen en aan het hoofd +van den Landraad geplaatst, om de hoogste magt voor een bepaalden tijd +uit te oefenen. Omtrent deze personen heerscht er echter veel duisters +in onze geschiedenis[51]. Het gansche Staatsbestuur droeg blijken, hoe +zeer men de aanleiding tot misbruik van magt vreesde, en de regten des +volks trachtte te bewaren tegen de aanmatigingen zoowel van vreemden +als van sommige edelen[52]. »De Friesche natie leverde te dezen aanzien +een treffend contrast op, met den staat van andere natiën vergeleken. In +alle andere landen berustte toen de oppermagt óf in handen van eenen +volstrekten Meester, óf zij was tusschen den Vorst en een klein getal +wreede en hoogmoedige Edellieden verdeeld. Deze laatsten, welverre van +de vrijheid der volken te beschermen, waren als zoo vele dwingelanden, +die haar uitdelgden. De inwoners van _Friesland_, niet tevreden dat +zij door eene afhankelijkheid, welke inderdaad slechts in naam bestond, +aan het Duitsche rijk verbonden waren, en óf door zich zelven óf door +hunne vertegenwoordigers invloed op de volksvergaderingen hadden, +namen dikwijls het bestier der zaken op zich, en stelden zich +staatsligchaamswijze aan het hoofd der openbare verrigtingen. Schoon de +algemeene landsdag-vergaderingen voornamelijk uit de afgezondenen der +onderscheidene regtsgebieden en plaatsen waren zamengesteld, hadden +echter alle inwoners het regt haar bij te wonen. Ook ziet men, tot in de +16e eeuw toe, openbare acten uitgegeven in den naam niet alleen van de +Overheden, maar ook van de Gemeente en het gansche ligchaam des +Volks"[53]. + + [51] Aanteekening op de _Oude Friesche Wetten_, 118. + + [52] Zie over het vermelde VAN LOON, _Aloude Regeringswijs van + Holland_, IV 175; FOEKE SJOERDS, _Beschrijv._ I 423; _Tegenw. Staat_, + I 128; VAN HALMAEL, in het _Friesch Jierboeckjen foar 1834_, VII. + + [53] _Grondwettige Herstelling van Nederlands Staatswezen_, Amsterdam + 1784, I 80, met aanhaling van het _Charterboek_, I 124, 131, en VAN + IDSINGA, _Staats-recht der Nederlanden_, 363. + +Gelijktijdig was er nog eene andere magt in den Staat en eene niet +minder gevreesde regtbank, die der _Geestelijkheid_, wier invloed +destijds van veel belang was, als naauw met het wereldlijk gezag +verbonden. Wij achten het nuttig, ook daarvan een algemeen overzigt te +geven. + + +18. _De Friesche Geestelijkheid, Kerken en Kloosters in de +middeleeuwen._ + +In der Friezen aard en karakter is het dikwijls opgemerkt, dat zij tegen +vreemde personen en nieuwe zaken vaak zeer ingenomen zijn, zoolang zij +die niet kennen, doch dat zij later, als derzelver waarde de proef des +onderzoeks heeft doorgestaan, daarvan even ijverige voorstanders worden, +als zij vroeger tegenstanders waren. Het gezond verstand en de +billijkheid (waardoor de Friezen zich steeds hebben onderscheiden) +behalen dan de overwinning op een aangeboren afkeer van vreemden, op de +gehechtheid aan het oude en op de vrees voor schade bij eene +verandering, welke de voorzigtigheid nog niet als eene verbetering heeft +leeren kennen. + +Omtrent geene zaak is dit krachtiger gebleken, dan ten aanzien van het +Christendom. Eeuwen lang streden de Friezen daar tegen, ook om +staatkundige redenen, en bleven zij afkeerig van de aanneming der +Christelijke leer, zoolang zij haar niet kenden. Maar toen zij haar +eenmaal hadden aangenomen en van hare waarde overtuigd waren, werden zij +daarvan eerlang even groote voorstanders als weleer tegenstanders. +Spoedig echter ging deze overgang niet, en zijn er, om boven vermelde +redenen (zie bl. 75), uit de drie eerste eeuwen na de aanneming van die +leer geringe sporen van dien ijver bekend. Maar de geschiedenis getuigt +en de blijken zijn er nog van over, dat er weinige landen van gelijke +uitgestrektheid in _Europa_ bestaan, waarin de vrome zin der ingezetenen +uit eigene middelen zoo vele Kerken en Kloosters heeft gesticht en +rijkelijk begiftigd, als in deze provincie. Ja, het is geene +overdrijving als wij zeggen, dat er in _Friesland_ nagenoeg zoo vele +Steden gesticht werden als er maanden-, zoo vele Kloosters als er weken- +en zoo vele Dorpen als er dagen in het jaar zijn. Indien dan +vreemdelingen in dit noordelijk geweest te vergeefs zoeken naar zulke +grootsche en prachtige gewrochten der bouwkunst, als in andere landen +door vereenigde krachten werden tot stand gebragt, dan kan nog het +_aanzienlijk getal_ torenspitsen onzer steden en dorpen getuigen, dat de +vroomheid der vaderen hier zeer vele bewijzen heeft achtergelaten van +hunnen ijver voor Christendom en Kerk. + +Vermits KAREL _de groote_ bepaald had, dat de ingezetenen van ieder +kerspel voor eene kerk en woning van den Pastoor moesten zorgen, zoo +werden er in dit gedeelte van _Friesland_ bij de invoering van de +Christelijke leer hier en daar reeds kerken gesticht. Het waren toen +echter nog slechts van hout opgetrokkene bedehuizen met riet gedekt. +Doch in de 11e, 12e en 13e eeuw, toen het bouwen met steen werd +ingevoerd, vermeerderde dit getal in groote mate[54]. Daarvoor waren +verscheidene redenen en aanleidingen. Toen toch werd de maatschappelijke +toestand der gemeenten meer en meer geregeld, bij de toeneming van +welvaart en vermogen. De zucht om verdienstelijke werken te doen, +waarvoor de Kerk vergeving van zonden had toegezegd, was voor sommigen +eene aansporing om zich naar het Heilige land te begeven, en voor +anderen een prikkel, om door hunne middelen den opbouw van Kerken en +Kloosters te bevorderen. Hier waren het nu vroomheid en godsdienstijver; +daar eerzucht en hoogmoed, om iets grooters en schooners te bouwen dan +anderen reeds hadden gedaan, en elders zucht naar onafhankelijkheid, +gepaard met nijd en onderlinge wedijvering van de edelen, die elkander +den voorrang in het offeren op de altaren betwistten, welke het getal +kerken en parochiën deden vermeerderen[55]. + + [54] Ook HALSEMA getuigt bl. 466 en 469, dat de menigvuldige kerken in + _Friesland_ door de landzaten of karspellieden, waaronder eenige + weinige edelen, en niet door milddadigheid van koningen en vorsten + zijn gesticht en met de noodige goederen begiftigd, waarop hun regt + gegrond is tot bestelling van die kerken of het benoemen van leeraren + en het beheer van die goederen. Zie mede WIERSMA'S Aanteekeningen op + de _Oude Friesche Wetten_, 257, en SCHARLENSIS, 33^o. + + [55] De Heer EYCK TOT ZUYLICHEM te _Utrecht_ heeft in _de Vrije + Fries_, V 163, eene Beschouwing van den Bouwtrant van eenige oude + Kerken in _Friesland_ gegeven, waarin hij de gewone, nog onveranderde + bouworde onzer dorpskerken zeer merkwaardig noemt, als behoorende tot + den Romaanschen of Oud-Gothischen bouwtrant, met ronde koorsluiting, + van niet later dan de 11e of 12e eeuw. Opmerkelijk is het, dat de + gewone bouworde onzer Kerktorens, met gewoon huisdak tusschen twee + brandgevels, hier even algemeen is als in _Denemarken_, en slechts + zeldzaam in zuidelijker provinciën wordt gevonden. Vele dier torens + hebben den vorm en de zwaarte onzer oude Friesche Stinzen, en schijnen + mede gebouwd te zijn met het doel, om door de ingezetenen gebruikt te + worden als plaats van toevlugt en bescherming, in tijden van nood en + gevaar. + +Nagenoeg de zelfde oorzaken en drijfveren werkten gelijktijdig mede, om +de stichting en opbouw te bevorderen van een aantal _Kloosters_; van die +gestichten in en nabij steden en dorpen, waarin een aantal mannen of +vrouwen zich begaven, om zich van de woelige wereld af te zonderen en +zich geheel over te geven aan godsdienstige bespiegelingen, gebeden en +werken van liefdadigheid. Naarmate de onrust der tijden vermeerderde, +ten gevolge der binnenlandsche oorlogen en partijschappen, namen deze +kloosters in aantal en vermogen toe, dewijl weerlooze vrouwen en rustige +ingezetenen daarin veiligheid en bescherming vonden, en tevens +gelegenheid, om zich op wetenschappen en kunsten toe te leggen. Het _St. +Bonifaas-klooster_ te _Dokkum_ en dat van _St. Odulphus_ te _Stavoren_ +worden hier voor de oudste gehouden. In _Oostergoo_ waren verder de +voornaamste: de Abtdijen van _Mariëngaard_ en _Klaarkamp_ onder +_Hallum_ en _Rinsumageest_, in 1163 en 1165 gesticht; benevens het +_Smallen-eester-_, _Gerkes-_ en _Foswerder-klooster_; terwijl er alleen +in en bij de stad _Leeuwarden_ vier zulke gestichten verrezen, waaronder +het _Dominikaner-Klooster der Predikheeren_ (1245) (waarvan de nog +bestaande Groote kerk de kapel was) tot de aanzienlijkste van dit gewest +gerekend werd. In _Westergoo_ bekwamen de Abtdijen van _Lidlum_ bij +_Tjummarum_ (1182), _Oldeklooster_ bij _Hartwerd_ (1191), _Ludingakerk_ +onder _Achlum_ (1157), benevens de kloosters _Thabor_ onder _Tirns_ +(1406) en _Groendijk_ bij _Sneek_, _Monnikebaaijum_ onder _Winsum_ +(1188) en meer andere groot aanzien en vermogen; terwijl van de +kloosters der _Zevenwouden_ de _Aalsumer-_, _Nesser-_, _Hasker-_ en +_Schoter-konventen_ het meest vermaard waren[56]. + + [56] Waarschijnlijk zal ik onder de Bijlagen eene Lijst van al de + Kloosters opnemen. Het aantal verschillende gebouwen, waaruit die + gestichten veelal bestonden, is opgenoemd door den Heer VAN LEEUWEN in + de Aantt. op _it aade Friesche terp_, bl. 440. + + * * * * * + +Gedurende de drie à vier eeuwen, dat de meeste dezer kloosters in +_Friesland_ bestonden, zijn ze van groot nut, gezag en invloed geweest. +Want, vermits kloosters als _Lidlum_ in 1293, zoo men wil, 600 en +_Mariëngaard_ 400 inwoners telden, welke doorgaans zeer bekwame Abten of +Priors, die soms op buitenlandsche reizen geoefend waren, aan het hoofd +hadden, en meest allen door erfenissen en giften aanzienlijke goederen +bezaten, zoo waren deze gestichten eene veel vermogende magt in den +Staat geworden. Heilzaam werkte die magt, ook buiten het geestelijke, +ten behoeve van verschillende maatschappelijke belangen van dien tijd, +waaraan zij tevens haar eigen voordeel zocht te verbinden: want de +staatkundige en geestelijke betrekkingen, regten en verpligtingen der +ingezetenen waren destijds zeer naauw vereenigd en stonden minder op +zich zelve als later. Zoo verleenden de kloosters, wegens hunne +aanzienlijke grondeigendommen, dikwijls krachtige hulp tot het aanleggen +van zeedijken, het graven van vaarten, het verbeteren van wegen, het +leggen van sluizen enz.;--zaken, tot wier daarstelling de afzonderlijke +krachten der ingezetenen vaak te zwak of te verdeeld waren. Vele dorpen +ondersteunden zij tot het bouwen van parochie-kerken; en, terwijl zij +hier de verbetering van landerijen, daar de landwinning en elders de +afgraving van de hooge veenen bevorderden, zien wij hen voor het +algemeen belang vele openbare werken tot stand brengen. Behalve op de +wetenschappen en kunsten, welke bijna alleen in deze vreedzame +oefenplaatsen bescherming vonden, hadden de kloosterlingen ook veel +invloed op de ontwikkeling van de nijverheid, door verbetering van de +bouwkunst, van vele handwerken, van den landbouw en van het boter-en +kaasmaken, welke, als bronnen van bestaan voor het volk, later zoo +belangrijk werden. + +Zulk een magtig geestelijk ligchaam in den Staat werd eerlang ook van +veel staatkundig belang in de regering des lands. De kloosters werden +daarin vertegenwoordigd door bekwame Prelaten, die de belangen van de +geestelijkheid en het volk op de landsdagen en gaarleggers deden gelden +tegen de aanmatigingen van den adel. Zij voerden de pen, stelden de +besluiten en verdragen, en werden dikwijls als afgezanten naar vreemde +vorsten gezonden. Sommige kloosters voerden zelfs hevigen strijd tegen +aanzienlijke geweldenaars, of namen deel in den binnenlandschen krijg +door het ondersteunen van hunne partij of vrienden. + +Wanneer wij de bevolking van ieder dier vijftig Friesche kloosters +door-een op zestig personen schatten, en bedenken, dat de +parochie-kerken der elf steden en 360 dorpen een of meer Hoofdpriesters +en vele ook een Vicaris hadden (om van de Prebende-priesters, die +bijzondere altaren bedienden, te zwijgen), dan kunnen wij ons een gering +denkbeeld vormen van de talrijkheid der toenmalige Friesche +geestelijkheid. Wanneer wij bovendien opmerken, dat die kerken en +kloosters in het bezit waren van een groot deel der vaste goederen in +dit gewest of dat zij renten daarvan trokken[57]; alsmede, dat de meeste +dier geestelijke personen zich door meerdere kennis en bekwaamheid +onderscheidden, dan is het zeer natuurlijk, dat zij in een tijdvak, +waarin het volk meerendeels nog onwetend en onmondig was, groot gezag en +invloed konden en moesten uitoefenen. De gansche strekking van het +Roomsch Katholijk godsdienst-stelsel droeg mede veel bij, om het volk +aan de oppermagt der kerkelijke heerschappij onderworpen te houden. Lang +werkte die magt gunstig, doch onmogelijk kon zij duurzaam zijn: want zij +moest van zelf ontbonden worden, toen eerlang het volk, zijne +kindschheid ontwassen, naar meerder licht streefde, en toen misbruiken +het ligchaam der geestelijkheid zelve bevlekt hadden. In weerwil van al +de onvolkomenheden der geestelijken en de ongeregeldheden, welke aan het +kloosterleven eigen mogen geweest zijn, verdienen echter de geestelijke +instellingen dier dagen onzen eerbied en duurzame belangstelling. +Onbillijk is het immers, de toenmalige wereld naar onzen maatstaf en +naar aanleiding van misbruiken, die zelfs de beste inrigtingen +aankleven, te beoordeelen. Wie toch zou het evangelie willen verwerpen, +om de vervolgingen, waartoe het aanleiding gaf? En wie ziet niet in de +geschiedenis zoowel als in het dagelijksch leven, dat bekrompenheid, +onkunde en gebrek aan godsdienst bij een groot deel der bevolking, 't +welk enkel voor de zinnen leeft, de oorzaken zijn van dwaling, zonde en +misbruik, ook van de heiligste zaken. Immer bestonden er evenwel vele +stille vromen, die God en den Heer van ganscher harte liefhadden en +dienden; die reinheid van gemoed en veredeling van den onsterfelijken +geest hooger waardeerden, dan alle uitwendige praalvertooning. Deze +vonden, onder de bestendige stormen van den krijg, in de kloosters een +toevlugt en bescherming; zij waren een scherp tegenbeeld van de +zinnelijk-dierlijke denkwijze der wereldlingen; zij toonden hen, die +slechts naar roof en rijkdom, naar magt en aanzien jaagden, dat er nog +iets beters te vinden was dan het vergankelijke. Door zulk een +verhevener zin werkten zij weldadig op de wereld, die echter eerlang, +uit partijzucht, de deugden en verdiensten der geestelijken vergat, om +enkel de ondeugden van sommigen hunner, uitzonderingen op den algemeenen +regel, voor de vergetelheid te bewaren. Hoe gebrekkig de kerkleer en hoe +weinig verheffend de plegtigheden dier dagen ook waren, toch hielden zij +de weldadige vlam der godsdienst levendig, en weerhielden zij het volk, +om geheel tot woestheid en onwetendheid te vervallen. »Ja, hadden de +middeleeuwen naast de hutten der landbewoners en de kasteelen van den +meestal krijgvoerenden adel geene kloosters, als zoo vele wijkplaatsen +en oefenperken voor denkende wezens, gekend, dan zou de maatschappij in +_Europa_ slechts uit last- en roofdieren hebben bestaan"[58]. + + [57] De _Beneficiaal-boeken van Friesl._ (Leeuw. 1850) bevatten eene + lijst der Inkomsten en Bezittingen van meest alle ~Parochiën~, zoo als + die in 1543, op bevel der regering, aangegeven zijn. Het gezamenlijk + bedrag van de goederen der ~Kloosters~ zal wel niet minder geweest + zijn. Bekend is het, dat Graaf WILLEM III reeds in 1328 allen + Kloosteren en Geestelijken in _Holland_, _Zeeland_ en _Friesland_ + verbood, meerdere vaste goederen aan te koopen, _Charterb._ I 183. Wij + betwijfelen het echter, dat zij in _Friesland_ ooit, en veelminder + destijds reeds, tweederden der landerijen zouden hebben bezeten, zoo + als CERISIER, _Tafereel der Nederl. Geschiedenis_, Utrecht 1781, I 411 + en _Tegenwoordige Staat_, I 477 melden. + + [58] Zoo oordeelt MACAULAY, in zijne voortreffelijke _Geschiedenis van + Engeland_, 's Hage 1850, I 9. + + * * * * * + +Reeds bij de invoering van het Christendom was _Friesland_ tusschen het +Flie en de Lauwers onder het geestelijk gebied van den Bisschop van +_Utrecht_ gesteld, met uitzondering van de grietenij _Achtkarspelen_, +welke, met _Groningen_ en verdere oostelijke landstreken, onder den +Bisschop van _Munster_ kwam[59]. Het land was in de 13e eeuw verdeeld +in Dekenschappen, aan wier hoofd Dekens of Landdekens stonden, welke +aangesteld werden door den Bisschop en die Proosten der Utrechtsche +kerk, welke Aarts Diakens in _Friesland_ waren. De Dekens met hunne +Bijzitters hadden het bestuur en de regtspraak over de geestelijken en +leeken der parochiën, volgens het Friesche Kerkelijk regt, het Zeendregt +of _Syndriucht_ geheeten[60]. Alle drie of vier jaren kwam er een +Koor-Bisschop, als afgezant van den Bisschop, herwaarts, om Zeend of +Synode te houden en de hoogste geestelijke magt uit te oefenen. Later +waren er ook in ieder Goo Geestelijke Commissarissen, die het opzigt +hadden over het gedrag en de regtsoefening der Dekens, de levenswijze +der geestelijken enz. Van de Kloosters werden sommige, die den rang van +Abtdijen hadden, door Abten en andere door Priors bestuurd. Zij stonden +geheel op zich zelve, en waren alleen den Paus onderworpen[61]. + + [59] Deze opmerkelijke uitzondering schrijft SCHOTANUS, _Beschrijv. + end Chronyck_, 301, daaraan toe, dat de evangelie-prediker LUDGER van + _Wierum_, later Bisschop van _Munster_, het Christelijk geloof in + _Achtkarspelen_ had gebragt, waardoor dit gedeelte bewesten de Lauwers + onder het geestelijk gebied van dat stift is gekomen. + + [60] Behalve bij SCHOTANUS, t. a. p. 286, is dit Zeendregt, met + vertaling en belangrijke verklarende Aantt. van WIERDSMA, afgedrukt in + het 2e st. der _Oude Friesche Wetten_, 201, 207. + + [61] Over de Friesche kerken en kloosters kan men uitvoeriger berigten + vinden in: SCHOTANUS, _Beschrijvinge end Chron._ 298; _Oudheden en + Gestichten_, I 24 en verv.; FOEKE SJOERDS, _Beschrijving_, I 64, 635; + _Tegenwoordige Staat_, I 32, 251, 434; VAN HALMAEL, in het _Friesch + Jierboeckjen foar 1834_, XV, en de _Lijst der Kloosters_ achter het + _Stamboek van den Frieschen Adel_; VAN LEEUWEN, Aantt. op _it aade + Friesche terp_, 395, 405, 440. Zeer wenschelijk is het, dat de + geschiedenis van de Friesche Kloosters eenmaal opzettelijk onderzocht + en behandeld mag worden. + +Hoe veel gezag de geestelijke oppermagt in de middeleeuwen ook over de +volken van _Europa_ uitoefende, de geschiedenis heeft ook deze +opmerkelijke bijzonderheid bewaard, dat de Friezen de zelfde vrijheid, +welke zij in het staatkundige bezaten, ook ten aanzien van het +geestelijke vasthielden en zich niet lieten ontwringen. »Zij toonden, +wanneer zij het begrepen, van geen kerkbewind, hoe hoog ook, wetten te +willen ontvangen, zich storende noch aan Bisschop noch aan Paus. In den +boezem des volks bleef het regt en de magt berusten, om hunne eigene +pastoren aan te stellen, kerkelijke bedieningen te begeven en de +kerkegoederen te beheeren, waardoor zij ook zorgden, dat geene vreemden +hier tot waardigheden verheven werden. Verpligte tienden aan de +geestelijkheid hebben zij zich evenmin laten opleggen, als zij leenen +wilden erkennen. Geene pauselijke besluiten waren van eenige kracht bij +hunne geestelijkheid, indien ze niet door de burgerlijke regering +gewettigd waren. Hieruit moet ook verklaard worden, dat de +godsdienstleer der kerk hier veel zuiverder, dan wel in andere landen +voorgedragen en beleden werd. Zóó was het gesteld in de kerk van geheel +_Friesland_"[62]. + + [62] YPEIJ en DERMOUT, _Geschied. der Ned. Herv. Kerk_, Breda 1819, I + 410, Aantt. 185; YPEIJ, _Geschied. der Syst. Godgeleerdh._, Haarlem + 1793, I 180; BUMA, _Het regt der Friesche Floreenpligtigen_, + Leeuwarden 1849, 13, 30; doch vooral uitvoerige berigten deswege in + het belangrijke werk van V. IDSINGA, _Staats-recht der Nederl._ Leeuw. + 1758, I 379, en de in die werken aangehaalde schrijvers, bijzonder + HALSEMA, 475, en niet minder WIERDSMA in de _O. F. W._ 257. + + +19. _De Partijschappen tusschen de Schieringers en Vetkoopers. (Van +omstreeks 1300-1498.)_ + + Ik moet der Friezen aard vooraf u kennen leeren: + De zonen van dit land, kuisch, werkzaam, stout, en rond, + Verkleefd aan d' eigen haard en d' ouderlijken grond, + Eenvoudig, nooit door zucht naar nieuwigheên bewogen, + Betrachten, als het wit van al hun doen en pogen, + De vrijheid voor zich-zelve en 't oord door hen bewoond. + God, en de Keizer door het Hoofd der Kerk gekroond, + Ziedaar alleen 't gezag, de Heeren die ze erkennen, + En nimmer zal een Fries aan andren zich gewennen; + Hij lijdt geen schijn van dwang, aan lichaam noch aan ziel; + Geen keten waar' zoo licht, die hem verdraaglijk viel. + Geen vreemde inzonderheid beproeve 't hem te dwingen, + Die walgt van al het vreemde en alle vreemdelingen, + Er geen ten burger wil, hun omgang schuwt en vliedt, + En op zijn wettig erf hen noô vertoeven ziet.-- + Zoo denkt een echte Fries, zoo denkt hij al zijn leven; + Dien inborst kunt ge niet hervormen of weêrstreven[63]. + + [63] VAN HALMAEL, _Ats Bonninga, Treurspel_, Leeuw. 1830, 2. Ten + aanzien mijner behandeling in het algemeen, doch van dit onderwerp in + het bijzonder, meen ik niet onopgemerkt te moeten laten, dat, daar ik + de Friesche Geschiedenis in Hoofdtrekken tracht voor te stellen, ik + zeker velen lezers en nog minder der wetenschap dienst zou doen, + wanneer ik hierin alle of zelfs de voornaamste feiten en + gebeurtenissen opnam, welke onze kronyken in bijzonderheden vermelden. + Bij mijne meer algemeene beschouwingen mag men die kronyken, ter + kennismaking met de bijzondere voorvallen, blijven lezen, waartoe ik, + behalve SCHARLENSIS, WINSEMIUS en SCHOTANUS, voor algemeen gebruik + bijzonder aanbeveel: _It aade Friesche Terp of Kronyk der + Geschiedenissen van de Vrije Friesen; met Bijvoegsels en + Aanteekeningen van_ J. VAN LEEUWEN, Leeuwarden 1834, 480 bladz., thans + voor slechts [f]1,30 algemeen te bekomen. + +Hoe gelukkig zoude een volk met zulke eigenschappen geweest zijn, +wanneer het al zijne maatschappelijke voorregten, bij het genot van +vrijheid, orde en welvaart, ~in vrede~ en ~eensgezindheid~ had mogen +smaken! Doch het nog onbeschaafde en veelal ruwe volk was hiervoor nog +evenmin vatbaar als de veelal krijgszuchtige adel, bij wien de volkstrek +van eerzucht en ligtgeraaktheid zich het meest vertoonde. In die zelfde +gunstige omstandigheden lagen ook de zaden van onrust en strijd. Want de +vrijheid is een onwaardeerbaar voorregt, als zij goed aangewend wordt, +en als ieder burger van zijn ~persoonlijk~ belang iets wil afstaan, om +het ~algemeen~ belang te bevorderen. De welvaart is een zegen, zoolang +zij niet misbruikt wordt: want goed geeft moed, en vermogen magt, +hoezeer die dikwijls in overmoed en trots ontaarden. In volksregeringen +zijn er bovendien altijd aanzienlijken, die zich de meeste magt +aanmatigen, welke ligt tot heerschzucht overslaat; terwijl geen krachtig +volk ooit misbruik van magt kon dulden, en de minderen altijd de +vermogenden benijdden en hen gaarne zouden vernederen. In vroegere +tijden, toen de oude eenvoudigheid nog zoo weinig behoeften kende, was +het onderscheid in vermogen niet zoo groot en het verschil in standen +minder merkbaar. Maar hoe zeer was alles veranderd! De kruistogten +hadden eene strijdhaftigheid opgewekt en, vooral bij den adel, een +hooghartigen ridderlijken geest nagelaten, welke bij een strijdbaar +volk, dat gaarne gelegenheid zocht om zijn moed te koelen, gevaarlijk +waren voor de inwendige rust. Hoe heilig en verheven de Christelijke +godsdienst ook ware, waarvoor men zoo vele honderden kerken en kloosters +stichtte, te zwak bleef haar zedelijke invloed op verstand en gemoed, +vooral ter beteugeling van één hartstogt, welke immer en overal zulke +schrikkelijke verwoestingen aanrigtte, en die toen vooral, als ware hij +eene deugd, gevierd en geëerd werd. Het was de onchristelijke +~wraakzucht~, de onverzoenlijke haat, de erfelijke veeten, welke voedsel +vonden in den woesten, onbetemden volksaard en ras beleedigde eerzucht, +die, onder al de vermelde omstandigheden, tusschen heerschzuchtige +edelen en het volk, en vooral tusschen de adellijke geslachten +onderling, eene verbittering deden ontstaan, welke in het laatst der +12e eeuw uitbrak in de grootste aller rampen, in den--_Burgeroorlog_. + + Een onverjaarde twist, wiens oorsprong is verloren, + Maar wiens gedachtnis schor den landzaat klinkt in de ooren, + Scheurde in twee deelen eens den Adel, meldt de faam, + En schonk aan ieder deel zijn hatelijken naam; + Vetkoopers doopte hij, die Oostergo verheerden, + En Schieringers, die meest in Westergo regeerden. + Die namen zwemen niet voor de almacht van den tijd, + Maar zijn de leuzen nog, alom, in elken strijd, + Die straks een tweeden baart ter teling van een ander. + Zoo drijven op ons strand de golven ook elkander, + En elke, daar ze een spoor heurs aanzijns achterlaat, + Versterkt aldus de macht van die te volgen staat. + Verblinden![64] + + [64] VAN HALMAEL, _Ats Bonninga_, 4. Zie verder SCHARLENSIS, 33; + WINSEMIUS, 183; SCHOTANUS, 164; SJOERDS, _Jaarboeken_, III 129 enz. + +Ja, _Vetkoopers_ en _Schieringers_ waren de namen en leuzen der +partijen, die, even als gelijktijdig de _Heeckerens_ en _Bronckhorsten_ +in _Gelderland_ en de _Hoekschen_ en _Kabeljaauwschen_ in _Holland_, +hier de rust der burgers en den vrede des lands verstoorden door een +nutteloozen strijd--niet tegen een buitenlandschen vijand, maar tegen +zich zelve,--niet om eene eerlijke zaak, maar om gelijk te hebben, om +zich te wreken over vermeende beleedigingen en nederlagen, en om, met +vernedering van de eene, de zegepraal der andere partij te bevechten. +Die namen schijnen aan te duiden, dat de strijd tot oorsprong had: +verzet van het gemeene volk of de armen (nog wel het ~graauw~ genoemd, +welk woord met ~schier~ verwant is en aan de grijze kleur der kleeding +schijnt ontleend te zijn) tegen de rijken, die het ~vette~ der aarde +genoten. 't Was echter niet ééne enkele oorzaak, die de onrust baarde: +onderscheidene oorzaken en aanleidingen vloeiden zamen. Vele +brandstoffen ontvlamden na het ophouden van de kruistogten. De daardoor +opgewekte riddergeest en zucht om uit te blinken had tóen een doel +gehad--het Heilige land. Doch bij gemis daarvan, werden de +strijdkrachten van den adel nu onderling tegen elkander gerigt en +verspild. Hevige twisten ontstonden er, nu over den voorrang in het +offeren op de altaren der parochie-kerken, dan over de aanmatiging van +gezag en heerschappij, welke de adel en de aanzienlijken zich +veroorloofden ook over de minderen, waarvan velen zich intusschen tot +een krachtvollen middelstand hadden verheven. De burgerijen der +toenemende steden verzetten zich tegen die magt, en matigden zich regten +aan ten nadeele van het platteland, welks bewoners dáárom de steden vaak +zoo vijandig waren, dat zij alles deden om haar te vernederen en te +benadeelen. Het geweld was de grondslag van het regt geworden. Doch +welke ook de oorzaak ware, spoedig ging deze verloren of werd zij +gewijzigd in den algemeenen burgerkrijg, waarin zich veel persoonlijke +vijandschap en familie-twisten mengden, in welke iedereen partij moest +kiezen. + + * * * * * + +Er was toen geen besturend opperhoofd of Vorst in _Friesland_, aan wiens +bevelen alle ingezeten moesten gehoorzamen. Ieder hunner had, volgens de +wetten, gelijke regten. Maar juist daarom kon geene vrije Fries dulden, +dat een ander zich boven hem in vermogen en aanzien verhief. Vanhier, +dat de adel, die overal sterke kasteelen of stinzen stichtte en zich van +het gezag meester trachtte te maken, in den haat viel der burgers en +onderling strijd voerde. Zoo vestigen zich als Hoofdlingen in de +voornaamste steden de geslachten: CAMMINGHA, UNIA en AUCKAMA te +_Leeuwarden_, JONGAMA te _Bolsward_, SJAERDAMA te _Franeker_, HEEMSTRA +en RIEMERSMA te _Dokkum_, GERBRANDA en GRATINGA te _Harlingen_, HARINXMA +te _Sneek_ en _Slooten_ enz. Twistgierige edelen, die onder het volk hun +aanhang hadden, belegerden elkander nu op hunne sloten of verwoestten +elkanders bezittingen. Dan verzetten de burgers zich tegen het gezag van +den adel, of de landbewoners zich tegen de aanmatigingen der steden, die +op hare beurt de edelen bestookten of de dorpelingen uitplunderden. Met +aangeworven hoopen bestreed men elkander, en kon men al zijn doel niet +bereiken, dan vertrok men naar een ander, den omtrek in puin of in +vlammen achterlatende. Men behoefde slechts kerken en kloosters +rijkelijk te begiftigen, om kwijtschelding voor bedreven, ja +aanmoediging en een eervollen naam te verwerven bij geestelijken en +kloosterlingen, die vaak zelve oorlog tegen elkander voerden. Dikwijls +trok die geestelijkheid partij; en, in plaats van door de kracht des +evangelies, dat zachtmoedigheid, vergevingsgezindheid en liefde predikt, +vrede te stichten, blies zij het vuur der tweedragt aan. Overal en tot +alle standen drong de verdeeldheid door. Verschrikkelijk was, tusschen +de jaren 1300 en 1500, soms de onrust, de haat, de vervolging en de +onveiligheid van leven en bezittingen. Het regt, dat weinigen meer +eerbiedigden, was van kracht beroofd, om al deze misdrijven te straffen: +want geweld, willekeur en het regt van den sterkste gold overal. Roof, +moord en brandstichting heerschten op vele plaatsen. Persoonlijke +vrijheid, rust en welvaart, die groote voorregten van een burger, waren +geweken. En wanneer bij dat alles soms ook de pest in deze oorden +woedde, of watervloeden nood en dood verspreidden en hongersnood ten +gevolge hadden--dan stegen jammer en ellende ten top, en werden die +plagen gehouden voor straffen des hemels, wegens de boosheid van het +ongelukkige volk. (Zie _Aanteek. 12_.) + + * * * * * + +Intusschen waren er somtijds ook tijdperken van rust en verademing voor +_Friesland_, even als er steden en grietenijen waren, die zich buiten +den twist hielden en lang vrede genoten. Na hevige schokken, sloegen +vaak de verbitterde vijanden, vermoeid van krijg, ook de bloedige handen +ineen, om voor een tijdlang de vervolgingen te staken. Vooral geschiedde +dit, wanneer een gevaar hen van buiten bedreigde, en de volksvrijheid +door veroveraars belaagd werd[65]. En hoe dikwijls was dit niet het +geval! Ook daarvan willen wij een tafereel ophangen, vermits het altijd +een belangwekkend schouwspel oplevert, een mensch met den tegenspoed en +een volk om de vrijheid te zien kampen. + + [65] "Waer omme den Friesen schaedelicker was vrede, dan aenvechtinge + van vreemde heeren: want zij in tyde des vredes meer bloedt storten + onder malcanderen, dan als sy eendrachtelick die wtlandtsche vianden + teghen stonden," zegt WORP VAN THABOR, _Kronyk_, IV 5. + + +20. _Der Friezen verdediging van hunne Vrijheid tegen de aanvallen van +de Bisschoppen van Utrecht en de Graven van Holland._ + +In het weleer door de Friezen ingenomene, doch later door de Franken +weder veroverde westelijk gedeelte van het oude Friesche rijk (bezuiden +de Kinhem of Reker in _Noord-Holland_) hadden de Duitsche keizers een +groot deel lands als leengoed opgedragen of geschonken aan den Bisschop +van _Utrecht_ en de Graven van _Holland_ en _Zeeland_. De eersten, die +het geestelijk gezag over het bijna geheel _Friesland_ uitoefenden, +trachtten ook hunne wereldlijke of staatkundige magt uit te breiden, en +slaagden er in, om, met keizerlijke giftbrieven en geweld, van +lieverlede een gedeelte van het vierde en vijfde der Friesche Zeelanden +(de stad _Groningen_ met _Drenthe_ en het noorden van _Overijssel_) van +het vrijheidsverbond af te trekken en onder hun wereldlijk gebied te +brengen. Dit geschiedde echter niet zonder hevigen strijd. Zelfs leed de +Bisschop OTTO II in 1226 daarbij eene zóó geduchte nederlaag, dat hij de +krijgszuchtige poging, om zijn gebied te vergrooten, zelf met den dood +moest boeten. Zijne opvolgers trachtten hun gebied ook in de +_Stellingwerven_ te vestigen, doch hadden zeer veel moeite zich daar +staande te houden. Te vergeefs liet Bisschop GUY _van Henegouwen_ er +daarom in 1309 eene sterkte bouwen--eer deze voltooid was, wierpen de +Friezen haar af, vervolgden hunne onderdrukkers tot _Vollenhove_, dat +zij plunderden, en waar zij zelfs het Bisschoppelijke slot belegerden. +Zij beschoten het van een houten stormgevaarte met steenen en pijlen +zoodanig, dat de overgaaf nabij was, toen de Bisschop, met hulp van den +Hollandschen Graaf en vele zijner edelen, over de Zuiderzee eene groote +heirmagt overzond, die het slot ontzette en de Friezen met groot verlies +deed wijken. Het voornemen, om hen in hun eigen land te vervolgen en te +straffen, werd echter niet volbragt, maar verhinderd door hevige stormen +en regens, zoodat het leger terug trok, en den Bisschop niets anders +overbleef dan de Stellingwervers in den ban te doen, en eerlang een +verdrag met hen te sluiten (1313)[66].--Ook later deden de Bisschoppen +herhaalde vergeefsche pogingen, om deze streken tot onderwerping te +brengen. Doch geen hunner vatte de zaak zoo ernstig ter hand als +FREDERIK VAN BLANKENHEIM, in 1413. Met eene aanzienlijke krijgsmagt trok +hij naar de Stellingwerven, verbrandde _Peperga_, _Blesdijk_ en andere +dorpen en huizen, zonder zijn oogmerk te bereiken. In het zelfde jaar +zond hij zijn Maarschalk ADOLF VAN SWIETEN met volk naar _Lemsterland_, +waar deze door rooven en branden het gezag des Bisschops zocht te +vestigen, doch spoedig eene geduchte wraak moest ondervinden, daar de +bijeengetrokken Friezen hem aantastten en hem met bijna al zijn volk +doodsloegen. Vanhier, dat de Bisschop zich haastte met hen een +vredeverdrag te sluiten, en deze Woudlieden verder ongemoeid liet[67]. + + [66] Zie WAGENAAR, _Vaderlandsche Historie_, III 194; SJOERDS, + _Jaarboeken_, III 236; VAN KAMPEN, _Geschiedenis der Nederlanden_, I + 126; _Charterboek_ I 138, 151. + + [67] _Charterboek_, 379; SCHOTANUS, _Beschrijv. end Chron._ 175; WORP + VAN THABOR, _Kron._ IV 10, 21; _Tegenwoordige Staat_, I 590. + +De _Hollandsche Graven_ hadden van de slappe regering van Keizer KAREL +_den kale_ en zijne opvolgers gebruik gemaakt, om hun gezag uit te +breiden, en om de voor hun persoon ontvangene groote Leenen +stilzwijgend op hunne zonen en opvolgers te doen overgaan. Deze +erfelijke overgang van de groote Leenen was eene zaak van veel gewigt. +Nu magtige heerschers geworden zijnde, was hun gebied hen spoedig te +klein; weldra zagen zij rond naar middelen om dat uit te breiden. Geene +poging daartoe scheen gunstiger te zullen slagen dan een aanval op de +ten noorden van hun Graafschap wonende West-Friezen; en eerlang was het +besluit genomen, hen aan te vallen en te veroveren, opdat hun land van +het Friesche verbond afgetrokken- en het Graafschap toegevoegd mogt +worden. + +Dit ging echter niet zoo gemakkelijk als zij zich voorgesteld hadden: +want verbazend was de dapperheid van dezen kleinen volksstam in dat lage +en toen nog zoo waterrijke _Noord-Holland_ tegenover de in den krijg +geharde Hollandsche benden. Al mogten ze vreezen, eens voor de overmagt +te zullen moeten bezwijken,--toch wilden ze hunne vrijheid beschermen of +duur verkoopen, vóór zij een Heer aannamen en zich bukten onder het juk +der leenregering. Hun vrije toestand, nog een overblijfsel van het +Germaansch beginsel, dat bij hen was bewaard gebleven, was een doorn in +het oog dier Graven; en nadat hunne veroveringszucht den eersten aanval +gewaagd had, zonder gunstigen uitslag, verklaarden zij als oproerigen en +wederspannigen + + _Die Friezen, tuk op krijg en achter hun moerassen + Geen leenplicht kennend en weerbarstig aan den dwang._[68] + + [68] Mr. J. VAN LENNEP, _Verontschuldiging_, 1850, 22. Zie ook + EIKELENBERG, _West Friesland_, 24, 44, aangeh. in HOFDIJK, _Jonker van + Brederode_, 1849, Aanteekening 198. + +In een land, allerwege met meren en stroomen doorsneden, waren zij niet +te genaken dan in zeer drooge zomers, of wanneer een strenge winter de +wateren en wegen tot een vasten vloer had gemaakt. Boden zij gelegenheid +tot een hoofdtreffen, dan was hun aanval hevig en onweêrstaanbaar. Dit +ondervond reeds in 1004 Graaf ARNOUD in den bloedigen slag bij het dorp +_Winkel_, waar hij met de bloem van den Hollandschen adel het leven +liet. Bij een lateren aanval, in 1169, werd Graaf FLORIS III met eene +menigte zijner edelen geheel-en-al door hen verslagen. Vruchteloos +werden Hollands krachten gedurig aan hunne bestrijding verspild. Graaf +WILLEM II meende eindelijk in het opwerpen van versterkte sloten het +middel tot hunne onderwerping te hebben gevonden; doch ook dit werd door +den hardnekkigen tegenstand der Friezen bijna onuitvoerlijk: want niet +dan met de uiterste inspanning konden deze kasteelen tot stand +gebragt-en tegen hunne woedende aanvallen verdedigd worden. En toen die +zelfde Graaf WILLEM II, op het punt om _Keizer van Duitschland_ te +worden, hen in persoon wilde bestrijden en daartoe den winter koos, om +overal te kunnen doordringen, moest ook hij, bij _Hoogwoud_ door het ijs +zakkende en door zijne vijanden overvallen, zijne vermetelheid met den +dood boeten (1256). + +Zoo duurde de strijd immer voort. De Hollanders waren door buitenlandsch +wapenbedrijf meer geoefend in den krijg; de Friezen hadden alleen hunne +eigene dapperheid en listen daar tegenover te stellen. Huurbenden +begonnen het leger der Hollanders te vermeerderen; de gedurige inbreuken +van de zee en verwijding der stroomen verminderden gelijktijdig het erf +en het vermogen der West-Friezen met de gelegenheid, om hulp van hunne +oostelijke stamgenooten te bekomen. In weerwil dezer toegenomene +bezwaren, ondervond Graaf FLORIS V, brandende van verlangen, om den dood +zijns vaders te wreken, hoe moeijelijk het was, dit fiere volk van zijne +vrijheid te berooven. Eerst na vier veldtogten en het bouwen van vier +sterke kasteelen, en nadat een ontzettende watervloed het land +geteisterd- en het volk weerloos gemaakt had, zoodat het niet moeijelijk +viel met platboomde vaartuigen dorp voor dorp te bemagtigen, knakte hij +der Friezen krachten (1288). Na zijn dood hadden zij nog eenmaal kracht +genoeg den dwang te weêrstaan en drie der vier sloten te vernielen; doch +dit was hunne laatste worsteling. Want Graaf JAN _van Avennes_ bragt met +vreemde hulp een aanzienlijk heir bijeen, waarmede hij hen te land en +ter zee aanviel en overmeesterde (1297). Hem gelukte het eindelijk door +geweld een einde te maken aan hunne betrekking tot de overige Friesche +Zeelanden, en _West-Friesland_, tusschen de Kinhem en het Flie, aan de +Hollandsche Grafelijkheid toe te voegen. Ruim drie eeuwen lang (van 993 +tot 1297) duurde alzoo een strijd, die de overwonnenen tot grooter roem +verstrekte dan de overwinnaars[69]. + + [69] Uithoofde dit onderwerp in onze vaderlandsche geschiedenissen + veelal verkeerd, of naar de opvatting van de Hollanders, wordt + voorgesteld, heb ik deze en de volgende togten dier Graven eenigzins + uitvoeriger bewerkt. Zie hierover breeder bij WAGENAAR, _Vaderlandsche + Historie_, II 115, 129, 235, 240, 260, 401; III 43, 102 enz.; + _Tegenwoordige Staat_, I 429; SJOERDS, _Jaarboeken_, II 169 env.; + BOSSCHA, _Heldendaden_, I 23 enz. + + * * * * * + +Doch ook tot het bezit van _Friesland_ tusschen het Flie en de Lauwers +strekte de begeerte der Hollandsche Graven zich uit, en dit lag nu aan +de beurt, om met geweld van wapenen veroverd te worden, als het zich +niet vrijwillig mogt onderwerpen. Deze Graven wendden voor, regt of +aanspraak te hebben ook op dit land, op grond van Giftbrieven der +Duitsche Keizers[70]. Doch die hoofden des rijks hadden vergeten of +schenen onbekend te zijn met der Friezen volksregten en hunne +oorspronkelijke betrekking tot het rijk, ten gevolge waarvan hun land +geen leengoed- en dus voor geene verschenking of opdragt vatbaar was. En +evenwel schonken zij _Oostergoo_, _Westergoo_ of _Stavoren_ nu aan de +Bisschoppen van _Utrecht_, dan aan de Graven van _Holland_ of aan die +van _Gelder_ en later weder aan den Markgraaf van _Brunswijk_ en +anderen, hetzij als eene belooning voor genoten diensten, hetzij tot +kwijting van schuld of wel om andere redenen[71]. De Friezen lieten hun +regt daartegen somtijds wel gelden, doch bekreunden zich meesttijds +daarover weinig of niet, en erkenden evenmin de geldigheid dier +giftbrieven als zij gezind waren eenigen vreemden Landsheer, die zich +aan hen wilde opdringen, te ontvangen; te meer, omdat zeldzaam iemand +van die begunstigde personen zijne aanspraken deed of kon doen gelden, +zoodat zij daarvan geringe of geene gevolgen ondervonden. + + [70] Ofschoon Graaf ARNOUD in de geslachtlijst der Graven van _Gent_, + bij VAN LOON, _Aloude Hollandsche Histori_, 1734, II 236, reeds Heer + over geheel _Friesland_ genoemd wordt, en ook Giftbrieven in de levens + der eerste Graven, bij SCHRIVERIUS, hiervan gewagen, zoo heeft reeds + UBBO EMMIUS, _Hist. Fris._ lib. V, te kennen gegeven: "datter van de + Hollandsche scribenten bygelapt is, dat Vriesland oock van de + Bataviers af tot de Riviere den Lauwers in de selve gifte van Karel + mede begreepen, ende aen den selven Diederick geschoncken is geweest: + dewijl sulcks noch uyt oude Historiën of brieven van donatie kan waer + ghemaeckt worden; maer ter contrarie dit landt door de bepalinge van + Kinhem klaer en uytdruckelijck genoech daer uyt wordt geslooten." Zie + SCHRIVERIUS, _Levens der Graven_, 's Hage 1667, 34. + + [71] Zie die zoogenaamde Giftbrieven op vele plaatsen in de + Hollandsche en Friesche Charterboeken. SCHOTANUS heeft in zijne + _Beschrijv. end Chron._ 71, vele verzameld onder een hoofdstuk: _Vande + verschenckingen deses Landts_. Zie ook HALSEMA, _Verh._ 306, en Mr. J. + DIRKS, _Bijdragen tot de Penningkunde van Friesland_, in de _Vrije + Fries_, III 28, 37 enz. + + Ons Friesland was een maagd, die, schoon wat stug van aard, + In veler Vorsten hart een gloed van lusten baart; + De lust wekt list, en, om de maagd tot vrouw te maken, + Ontzag zich geen van hen haar d' ouderen te ontschaken[72]. + + [72] VAN HALMAEL, _de Schieringers en de Vetkoopers_, 142. + +Nog vóór het eindigen van den strijd tegen de West-Friezen verlangde +Graaf FLORIS V ook _Friesland_ te bemagtigen. In 1288 schijnt hij +daartoe eene vergeefsche poging gedaan te hebben; doch in 1292 gelukte +het hem, om, met eene vloot over de Zuiderzee gekomen, zijn gezag alléén +te vestigen in de koopstad _Stavoren_, welke zich daartoe zonder +tegenstand gemakkelijk liet overhalen, omdat zij voor haren handel +daarbij meer kon winnen dan verliezen. Want op den zelfden dag, den 1 +April 1292, dat zij den Graaf huldigde, verkreeg zij van hem voorregten +en vrijheden, die voor haar van belang waren. Het is niet bekend, dat de +Graaf verder pogingen deed, om ook het overig gedeelte van _Friesland_ +te bemagtigen[73]. + + [73] Zie _Charterb._ I 124, 126, 131 env.; SCHOTANUS, _tabl._ 13; + WINSEMIUS, 179; WAGENAAR, III 46; SJOERDS, III 142, 149, 181. + +Ofschoon _Stavoren_ in 1299 Graaf JAN II op gelijke wijze huldigde en de +bevestiging harer privilegiën van hem verkreeg, schijnt zij die +Hollandsche regering spoedig moede geweest- en haar afgevallen te zijn. +Immers, naauwelijks was Graaf WILLEM III, die eerlang den bijnaam van de +goede verwierf, in 1305 aan de regering gekomen, of hij ondernam met +1500 man een togt naar _Friesland_, en landde in _Gaasterland_, met +oogmerk om _Stavoren_ van de landzijde te bemagtigen. Doch de Friezen +boden, onder hunnen Potestaat HESSEL MARTENA, hem zoo dapperen +tegenstand, dat hij met de zijnen zich spoedig weder aan boord begaf en +aftrok. Uithoofde er zich bij zijne benden West-Friezen bevonden, die +vroeger door hunne stamgenooten tegen de overheersching der Hollandsche +Graven geholpen waren, zoo namen de Friezen dezen aanval zeer euvel op. +Daarom deden velen hunner een togt naar _Noord-Holland_, en bragten de +ingezetenen van _Enkhuizen_ en omstreken met rooven en branden groote +schade toe. Uit wraak zonden deze omgekochte brandstichters in +_Friesland_, die eenige stinzen der edelen, welke bij dien togt +tegenwoordig waren geweest, in koolen leidden. Uit weêrwraak stak men +van hier nogmaals naar _Enkhuizen_ over, verbrandde wel vijf-en-twintig +huizen dier stad en keerde met buit beladen terug, welk verlies de +Enkhuizers weêr betaald zetten, door in 1310 het St. Odulphus-klooster +te _Stavoren_ bij nacht uit te plunderen en in brand te steken[74].--Met +zulk een barbaarschen haat en wraak vervolgden christen-landgenooten +elkander in die dagen! En tot welk doel? + + [74] WINSEMIUS, 187; SCHOTANUS, 165; WAGENAAR, III 225; _Tegenwoordige + Staat_, I 443, 446. In 1318 hadden er op nieuw zulke strooptogten + plaats. + + * * * * * + +Graaf WILLEM had de overtuiging bekomen, dat het aanwenden van geweld +het regte middel niet was om de Friezen te winnen. Hij nam dus zachtere +middelen, eene behendige staatkunde te baat, om zijn doel te bereiken. +In 1310 sloeg hij eene verzoening met _Stavoren_ voor, welke werd +aangenomen; terwijl de roem zijner zachtmoedigheid en regtvaardigheid +zelfs _Westergoo_ bewoog, hem, bij een verdrag, nabij _Alkmaar_ +gesloten, tot Heer aan te nemen; welligt, omdat het in de hooggerezen +binnenlandsche twisten te vaak zijne zwakheid gevoelde tegenover het +magtiger _Oostergoo_, dat zich tegen de aanneming van den Graaf +bestendig bleef verzetten. Deze zag intusschen zijn gezag bevestigd door +den Roomsch Koning LODEWIJK, die zelfs _Oostergoo_ en _Westergoo_ beide +beval hem als Heer te erkennen (1314). In weerwil hij der Friezen +verschillen met _Harderwijk_ en _Kampen_ zeer in hun belang regelde, en +door vriendelijkheid en billijkheid ieder zocht te believen, verzetten +die van _Stavoren_ in 1328 zich weder tegen zijn gezag, door het +verjagen van zijne Schouten en het afbreken van hunne huizen. Hiertegen +wapende de Graaf zich wel met eene vloot en leger, nam de Friesche +schepen op de Zuiderzee en liet strooptogten doen in _Gaasterland_, doch +ondervond tevens eene hevige wraak daarover van de Friezen, die zijne +schepen moedig aanvielen en de vrijheid namen in _West-Friesland_ +wederkeerig te plunderen. + +Hoewel aan dit geschil, door bemiddeling der Geestelijkheid, een einde +werd gemaakt door een zoen, welke te _Haarlem_ door den Graaf met +_Stavoren_ en _Westergoo_ werd gemaakt, schijnt hij in _Friesland_ +weinig gezag te hebben uitgeoefend. Nooit is hij althans door +_Oostergoo_ erkend geworden, en welligt ook nooit in persoon in +_Friesland_ geweest om regten uit te oefenen. Een jaar na zijn +overlijden, dat in 1337 voorviel, erkende _Stavoren_ zijn zoon en +opvolger Graaf WILLEM IV wel als Heer, en bevestigde deze de voorregten +dier stad, welke hij twee jaren later vermeerderde; doch _Westergoo_ +volgde dit voorbeeld evenmin als _Oostergoo_[75]. + + [75] Zie over het medegedeelde omtrent Graaf WILLEM _den goede_, + _Charterb._ 149-199; SCHOTANUS, 168; WINSEMIUS, 190 env.; WAGENAAR, + III 224; SJOERDS, _Jaarboeken_, III 228; _Teg. Staat_, I 454. + + * * * * * + +Deze versmading van zijn vermeend gezag en eenige gewelddadigheden te +_Stavoren_ voorgevallen, waarbij de zoon van een grafelijk ambtenaar +het leven verloor, en welligt ook andere redenen, bewogen den trotschen +en onbesuisden Graaf WILLEM IV ten jare 1345 krachtige maatregelen aan +te wenden, om gansch _Friesland_ aan zich te onderwerpen. Hij bragt eene +groote vloot bijeen, waarop hij een leger overvoerde, dat (zeker +overdreven) op 85,000 man werd geschat. Hiermede stak hij over de +Zuiderzee en landde in de nabijheid van _Stavoren_. Een krachtige +nationale tegenstand werd hem geboden: want hoe min talrijk de nu als +één man vereenigde en slecht gewapende Friezen ook waren, hun moed was +een muur. Hunne liefde voor de vrijheid telde de overmagt niet der +vijanden, maar klom met het gevaar, daar ze geene geweldige aanranding +van hun land konden dulden. De grievende vernedering, welke de Graaf +kort te voren het door hem belegerde en zich vrijwillig overgevende +_Utrecht_ had aangedaan, spelde hen, wat zij van zijn wraaklust hadden +te vreezen, als zij te kort schoten en hij mogt zegepralen. Zij trokken +hem vurig te gemoet, en, zoo ooit, was het toen, dat het volgende +_Strijdlied_ in hunnen mond voegde: + + Wierne de alde Friesen fry, + Friesce soannen binne wy. + De alde moed is net forroen: + O, wy stjerre foar ues groun! + + Stoarm in wetter haww' wy hôan + Oer ues ljeawe Friesce lôan; + 't Folk, dat foar nin weagen swicht, + Fait it oarlochsswird eak licht. + + Jane wy den eak nin keap + Foar ien wylde stropers heap! + Frydom, koft troch eigen moed, + Is ues meer as goed in bloed. + + 't Gleaune scerpe krigersswird + Loeke wy foar hoes in hird, + In wy binne eang of bang, + As foar frjemde keunings twang. + + Broes' nou 't alde Friesce bloed! + Kom wer, frye Friesce moed! + Frydom, frydom is ues noft + As de foegels yn de loft. + + De alde Friesen wierne fry, + Foar de frydom fjochte wy; + In ien echte frye Fries + Het fen frjemde twang ien grys[76]. + + [76] Dr. E. HALBERTSMA in _de Lapekoer fen Gabe Scroar_, 1834, 259. + +De vloot, door ruw herfstweder verstrooid, landde niet gelijktijdig, +zoodat de Graaf geene gelegenheid had, zijn leger in behoorlijke orde te +scharen. Dit werd ook vóórgekomen door de Friezen, die zoo dapper op de +Hollandsche benden aanvielen, dat zij eerst een gedeelte, door JAN _van +Henegouwen_ aangevoerd, versloegen, en daarna het andere gedeelte, met +den Graaf aan het hoofd, zóó lang en zóó onversaagd, van den opgang der +zon tot den laten avond, bestreden, dat het leger geheel verslagen en +verstrooid werd, en dat de Graaf zelf in het heetst van het gevecht +sneuvelde met zeer vele edelen uit de voornaamste geslachten van +_Holland_, _Zeeland_ en _Henegouwen_, wier getal op 240, gelijk het +gansche getal gesneuvelden van den vijand op 18,000(?) man begroot werd. + +»Holland en Zeeland smolt in rouw op de tyding deezer nederlaage," zegt +een Hollandsch geschiedschrijver[77]. Wie billijkt niet die smart? en +niet minder die »der jonge Graavin over de dood haars Egtgenoots?" Maar +wie ontroert het niet, daarbij van eene vrouw te moeten lezen: »dat zij +daarover zoo gebeten was op de Friezen, dat zij niet alleen hunne +goederen in _Holland_ allen verbeurd verklaarde, maar dat zij ook het +klooster _Mariënhof_ op het eiland _Marken_, door de Hallumer Abtdij +_Mariëngaarde_ met Friesche Monniken bevolkt, aan hare wraakzucht +opofferde, door eene bende krijgsvolk derwaarts te zenden, die, buiten +oorlog en in koelen bloede, 't gebouw in brand stak en de ongelukkige +monniken in de Zuiderzee smeet"[78]. + + [77] WAGENAAR, III 261. Zie verder SCHOTANUS, 180; WINSEMIUS, 202; + FOEKE SJOERDS, III 384; _Tegenwoordige Staat_, I 492. + + [78] WAGENAAR, III 261. Indien WILLEM'S weduwe, JOHANNA, dit wreed + bedrijf niet heeft gepleegd, maar wel zijne zuster en opvolgster, + MARGAREET, gemalin van _Keizer_ LODEWIJK _van Beijeren_ (zoo als + SCHOTANUS en WINSEMIUS willen), dan is het nog schandelijker, dewijl + het dan na verloop van eenigen tijd en met koud overleg, en niet uit + droefheid of in drift geschiedde. + +Men is gewoon laag te vallen op de ruwheid der Friezen in hunne +oorlogen; maar van zulk een gruwel heeft de Friesche geschiedenis geen +voorbeeld. Rampzalig de eeuw en het land, waarin zelfs eene Vorstin zich +zóó kon verlagen, en zich straffeloos vergrijpen aan het leven en de +bezittingen van weerloozen! Wie onzer zou die tijden terugwenschen? + +Maar nog geen wraak genoeg. Graaf WILLEM V trachtte den dood zijns +voorgangers te wreken door de Friezen--niet met eerlijke wapenen in +openbaren strijd, maar te straffen, door het uitgeven van last- of +kaperbrieven aan bijzondere personen, om op hen te panden, of hen te +lande en te water, aan lijf en goed, allerwege te beschadigen en te +berooven (1347). Van zulk een laag middel hadden de Friezen voor hunnen +handel en bezittingen de grootste nadeelen te vreezen. Gaarne sloten zij +dus in den volgenden jare een vredeverdrag of bestand voor twintig +jaren, niet enkel met den Graaf, maar ook met de Ridderschap, Steden en +Ingezetenen van _Holland_, _Zeeland_ en _West-Friesland_;--een verdrag, +waarbij de voorwaarden geheel in het belang van _Oostergoo_ en +_Westergoo_ gesteld waren, en waarbij de Graaf zelfs beloofde, dat zijne +onderzaten de grenzen van _Friesland_ niet zouden overschrijden, dan in +geval van nood en om koophandel te drijven, waartoe zij zich echter +enkel tot de drie marktplaatsen _Harich_, _Kornwerd_ en _Holwerd_ +moesten bepalen[79]. Later gaf de Graaf ook den Friezen volle vrijheid, +om in _Noord-Holland_ handel te drijven en de markt te _Haarlem_ te +bezoeken[80]. + + [79] Dit belangrijk stuk, enkel vermeld in het _Charterboek_, I 208, + is eerst in 1817 uitgegeven door Jhr. J. C. DE JONGE, achter zijne + _Verhandeling over de Hoeksche en Kabeljaauwsche twisten_. Jhr. W. VAN + SWINDEREN gaf de hoofdinhoud daarvan met toelichtingen in 't + Mengelwerk der _Leeuwarder Courant_ van 1832, N^o. 61. De eerste + deelde de Heer VAN LEEUWEN ook mede in zijne Aanteekeningen op _it + aade Friesche terp_, 418. + + [80] _Charterboek_; I 208; _Tegenwoordige Staat_, I 501. + + * * * * * + +Zoo scheen dan eindelijk het tijdperk te zullen aanbreken van rust en +vrede tusschen de ingezetenen van zoo nà bij elkander gelegene landen, +die beide zoo veel belang hadden bij eene goede verstandhouding en bij +het rustig genot van de wederzijdsche regten en bezittingen. Ofschoon +_Stavoren_ kort daarna afviel (1352) en den Graaf als Heer aannam, uit +baatzucht welligt, ten einde van hem voor haren handel vrijdom van +tollen en gelijke voorregten te bekomen, als waarmede de Hollandsche +koopsteden begunstigd waren;--ofschoon Keizer KAREL IV _Oostergoo_ en +_Westergoo_ beval, den Graaf insgelijks als Heer te erkennen +(1362)[81],--werd het bestand telkens verlengd, en bleven de Friezen +eene halve eeuw lang van deze zijde ongestoord, hoewel zij gelijktijdig +onderling in partijschappen hevig verdeeld waren[82]. Herhaaldelijk gaf +echter de opvolgende Graaf van _Holland_, Hertog ALBRECHT _van +Beijeren_, blijken, dat hij zijne aanspraken op het bezit van +_Friesland_ geenszins liet varen. Doch hij waagde het niet, deze met +eene krijgsmagt te doen gelden, dewijl hij in zijn eigen land moeite +genoeg had, zich staande te houden bij de hooggestegen beroerten der +Hoekschen en Kabeljaauwschen en bij huiselijke twisten, ten gevolge +waarvan zijn oudste zoon, Graaf WILLEM _van Oostervant_, naar +_Frankrijk_ gevlugt was. Dáár werd deze echter aan 's Konings tafel +smadelijk verweten, dat hem die plaats der eere niet toekwam, vermits +het wapen van zijn geslacht was geschonden of verloren door de nederlaag +van zijn oudoom Graaf WILLEM IV, die in 's vijands land verslagen en nog +onbegraven was, zonder dat iemand van zijn geslacht dien dood had +gewroken[83]. + + [81] _Charterboek_, 208, 209, 210, 226, 227. + + [82] _Charterboek_, 233-255. + + [83] Tien dagen na den slag tusschen _Stavoren_ en _Warns_ in 1345 was + 's Graven lijk gevonden geworden door MARTEN, kommandeur der St. + Jansheeren te _Haarlem_, die het liet begraven in het Klooster + _Bloemkamp_ bij _Bolsward_, van waar het later door ALBRECHT naar + _Valenciennes_ is overgebragt. Onbegraven beteekent hier: in geen + vorstelijk graf bijgezet. + + * * * * * + +Als een kloek ridder was hem die smaad onduldbaar. Die smet wilde hij +afwisschen. De eerste stap daartoe was, zich met zijn vader te verzoenen +en dezen te bewegen, om _Friesland_, het kostte wat het wilde, te +veroveren. Dit gelukte hem, en naauwelijks was het voornemen van Hertog +ALBRECHT, om de Friezen te bestrijden, bekend geworden, of er openbaarde +zich eene zóó algemeene geestdrift tot deelneming, dat het scheen alsof +er een kruistogt gepredikt ware. Vele aanzienlijke graven en ridders +kwamen ook uit andere landen over, om deel te nemen aan een strijd, +welke gelegenheid tot schitterende wapenfeiten scheen aan te bieden. +Meer dan een jaar lang werden er in allerlei oorden, in en buiten des +Graven gebied, manschappen aangenomen en schepen, door verbod om buiten +'s land te varen, geprest tot den togt naar _Friesland_. Eene verbazende +magt werd er alzoo ontwikkeld, waarvan het toenmaals eerst opkomende +zeewezen van ons land nog geen voorbeeld had gegeven, en welke zelfs ook +later geene weêrgade vond. Want (hoe onwaarschijnlijk ook) op 180,000 +man werd het leger begroot, dat uit Hollanders, Zeeuwen, Vlamingen en +Henegouwers, ja zelfs uit Fransche, Engelsche en Duitsche hulpbenden +bestond, welke werden overgevoerd op eene vloot, wier sterkte men op +3000 groote schepen en 400 kleinere vaartuigen schatte.--En zulk eene +vloot en leger achtte men noodig, om een land, zóó klein van omvang, +doch zóó geducht door den heldenmoed en de vrijheidsliefde zijner +bewoners, te veroveren! Een vervaarlijk onweder trok alzoo te zamen, dat +_Friesland_ met eene onvermijdelijke overweldiging bedreigde. + +Hoe zouden de Friezen tegen zulk eene overmagt bestand zijn geweest? +Terwijl de vijand, door geene onderhandelingen te bewegen, om van zijn +voornemen af te zien, alle hulp van naburen bekomen- en hen alle wegen +tot verkrijging van ondersteuning afgesneden had, konden zij uit hun +eigen land niet meer dan 30,000 weerbare mannen bijeenbrengen. Om met +deze, ongeoefend en slecht gewapend als ze waren, zulk een leger te +wederstaan, scheen gevaarlijk, zoo niet roekeloos. Daarom gaf de door +hen op een landsdag verkozen Potestaat JUW JUWINGA of JONGAMA van +_Bolsward_, die als krijgsman op buitenlandsche togten vele proeven van +dapperheid gegeven- en rijke ervaring verworven had, hun den +verstandigen raad, om den vijand geen slag te leveren in het open veld, +maar zich in de steden en dorpen te verschansen, ten einde het leger af +te matten, en door gebrek aan leeftogt tot terugkeer te noodzaken. Doch +met onstuimige strijdzucht verachtten zij dien raad, omdat het ontwijken +van een slag den schijn zou geven alsof zij lafhartig een vijand +ontweken, dien zij, even als hunne vaderen vijftig jaren vroeger, nog +durfden staan. Afkeerig van allen dwang en met fierheid elke poging tot +hunne overheersching verfoeijende, trokken zij, onder de kreet: »Wij +sterven liever als vrije Friezen dan ons aan een vreemden heer te +onderwerpen!" den vijand tegen, ten einde »vrij en friesch, met lijf en +goed, de vrijheid te beschermen, en alle vreemde landsheeren +eendragtelijk tegen te staan." + +Hertog ALBRECHT _van Beijeren_, die in het opperbevel door drie zijner +zonen ondersteund werd, had zijne legermagt te _Enkhuizen_ verzameld, +stak de Zuiderzee over en landde aan den zeedijk tusschen _de Lemmer_ en +_de Kuinder_. Nadat de Friezen vruchteloos getracht hadden de landing te +verhinderen, werd er, op den 29 Augustus 1396, op een daaraan gelegen +groot veld, het _Oostzingerland_ of _Oosterzee-ingerland_ geheeten, bij +_Schoterzijl_, slag geleverd. Verschrikkelijk was de woede van dit +gevecht. Met heldenmoed voor hunne vrijheid strijdende, verrigtten de +Friezen wonderen van dapperheid. Eenige uren lang bleef de zege +twijfelachtig; maar, toen zij eindelijk door nieuwe benden aan alle +zijden ingesloten waren, sloegen zij verwoed en verward op den vijand +in, en moesten voor het welgewapende en overmagtige leger bukken. Een +groot getal Friezen was gesneuveld en daaronder ook hun edele Potestaat, +die, schoon men zijn raad niet wilde opvolgen, zich toch aan het hoofd +des legers had gesteld, om allen door zijn voorbeeld aan te sporen[84]. + + [84] In alle tijden is het voorzeker een blijk van ongemeene + regtschapenheid, wanneer regenten, overstemd en verpligt zijnde een + besluit der meerderheid uit te voeren, van welks nadeelige strekking + zij zich voor hun persoon overtuigd houden, die uitvoering op eene + waardige wijze volbrengen, zelfs met gevaar van het leven of het + uitzigt op een wissen dood. + +Nog had het volk kracht genoeg, drie dagen later een tweede gevecht te +wagen, hetwelk echter, even als latere herhaalde schermutselingen, niet +gelukkiger uitviel, hoewel ook daarbij vele vijanden omkwamen. De +Hollandsche benden trokken nu het land in, om de vrucht hunner +zegepraal te genieten, door overal te plunderen en te branden. Vijf +weken lang duurde dit woeden. Onstuimig herfstweder en gebrek aan +leeftogt en betaling noodzaakten ALBRECHT het overschot van zijn leger +nog vóór den winter terug te voeren naar _Enkhuizen_, waar het ontbonden +werd. In _Stavoren_, waar hij een sterk kasteel zou hebben laten bouwen, +en op andere plaatsen had hij eenige bezetting achtergelaten, doch deze +werd weldra door de Friezen verdreven; en toen de Hertog, in Februarij +1397, om die benden te hulp te komen, drie Hollandsche Edelen aan het +hoofd van eene legermagt herwaarts zond, en deze te _Hindeloopen_ +meenden te landen, werden ze door de Friezen zoo krachtig ontvangen, dat +zij met groot verlies naar hunne schepen en naar _Holland_ terugkeerden. +Zoo waren al de voordeelen der behaalde overwinning verloren gegaan. +Doch de overwinnaar was laag genoeg, om nu zijn wrok te koelen, door het +uitgeven van een aantal magt- of pandbrieven aan vele personen, om zijne +vijanden, de Friezen, te water en te land te beoorlogen, te beschadigen +en afbreuk te doen. Zelfs stelde hij zijne twee Admiralen aan het hoofd +dezer kaperschepen[85]. + + [85] Zie deze Brieven in het _Vriesch Charterboek_, I 260-269. + + * * * * * + +De verpletterende ramp, welke _Friesland_ bedreigd en als ten ondergang +bestemd had, was alzoo gelukkig te boven gekomen, en had de vrijheid uit +den strijd het hoofd weder opgebeurd. 't Was echter, alsof het Hertog +ALBRECHT krenkte, dat hij van zijne overwinning zoo slecht gebruik had +gemaakt, en dat de vijand, dien hij wel overmeesterd, doch niet +bedwongen had, zijne ontzettende opofferingen door de verdrijving van +zijne benden met vernedering en bespotting vergold. Nogmaals wilde hij +dat weerbarstige _Friesland_ veroveren, bedwingen en aan zijn gebied +onderwerpen. Met nieuwen ijver hervatte hij de oorlogs-toebereidselen. +In Mei 1398 beval hij al zijne leenmannen en ridders, zelfs die +uitlandig waren, om hem, tegen het laatst der maand Junij, met een +bepaald getal gewapende mannen ter hulp te komen tot den nieuwen togt +naar _Friesland_. Evenzoo de steden van _Holland_, en _Zeeland_, waarvan +enkel _Dordrecht_ moest leveren: 600 gewapende mannen, 20 timmerlieden, +10 smeden, 10 metselaars en 25 schutters, benevens een aantal horden. +Deze laatste waren bestemd om den overtogt langs moerassen en slechte +wegen gemakkelijk te maken[86]; terwijl de getallen dier handwerkslieden +blijken geven, dat de Hertog zijn gezag hier nu wilde vestigen door het +bouwen van kasteelen, gelijk vroeger in _Noord-Holland_ was geschied, +waartoe hij eene groote hoeveelheid »calck, yser ende hout dede copen +totter timmeragie in ons reysen, die wy, off God wil(!), doen sullen op +onse vyanden die Oistvriesen." Bovendien moesten de elf voornaamste +Hollandsche steden 444 schepen (behalve de groote) leveren, en verzocht +hij de stad _Zierikzee_, om hem 25 groote geproviandeerde schepen te +leenen en daarmede de hulpbenden, welke hij in _Engeland_ had +aangeworven, te halen en naar _Vlissingen_ te brengen. Van elders leende +hij nog 300 schepen, ontbood hulp uit _Zeeland_, _Utrecht_, _Zalland_, +het land van _Altena_ enz.; terwijl de Heer van _Hensberg_ hem met 200 +bemande galeijen en 4000 Gld., gelijk _Haarlem_ met 4 schepen en 5000 +oude Schilden, bijstand deed. Zelfs verzocht hij ondersteuning van den +Koning van _Frankrijk_ en andere vreemde Vorsten, en besloten de +Zeeuwen hem 8000 man te leveren, behalve de manschappen, welke reeds van +hunne Steden waren gevorderd. Eindelijk waren de menigvuldige +toebereidselen tot den Frieschen oorlog gereed, en het groote leger met +de talrijke vloot te _Enkhuizen_ verzameld, alsof het de verovering van +het Heilige land zou gelden[87]. + + [86] Dit is waarschijnlijker dan IDSINGA'S meening van planken, tot + bedekking van de kuilen, welke men den Hertog gezegd had, dat de + Friezen gegraven hadden ter plaatse, waar hij zou landen. + + [87] Omtrent de krijgstoerustingen van dezen tweeden togt zijn er veel + meer bescheiden in de Hollandsche, Friesche en andere Charterboeken + bewaard dan omtrent den eersten. Blijkens deze werd er bijzondere zorg + gedragen voor bouwmaterialen, doch nog meer voor den leeftogt. + Omstreeks half Junij werden de personen benoemd, die de volgende + ambten op de vloot zouden bekleeden, als: 2 Admiralen, 2 Bos- en + Graafmeesters, 3 Timmermeesters, 2 Tentmeesters, 2 Tarwe- en + Bierkoopers, 2 Ossekoopers, 2 Wijnkoopers, 2 "Malvezie, craemcruyt + ende cokenkruyt besorgers," 2 Schape-, 2 Visch- en 2 Boter- en + Kaaskoopers, 4 Meester Ridderen, 5 Meester Knapen, mede belast "te + coopen schottelen, azyn, eyer, mostert, turff, ende zout." Voorts + "Pentiers, Bottelgiers, Cocks en Warderobben, die sullen besorgen XII + knechten meer dan sy nu hebben, die tortyssen dragen sullen voir mynen + Heere, ende die vierpannen voor myns Heren tenten te vieren, te + waecken ende die tenten helpen op te breken."--"Item, sal men hebben + vier groote schepen van Amsterdam, ende in elck schip vyff ovens; by + elcken schepe een schip met meel, ende in den grooten schepen sal men + leggen die barninge mede te backen. Binnen Medenblick sal men een deel + ovens stellen, om daer brood voor 't gemeen volck te backen, drie + bruyn ende 't vierde witt." Doch wij zouden te uitvoerig worden, als + wy meerdere bijzonderheden tot kenschetsing van dezen togt + mededeelden. Van wapentuigen of vuurwapenen vindt men hierbij echter + nog geen spoor vermeld. + +Op een der eerste dagen van Julij 1398 stak deze krijgsmagt, onder bevel +van Graaf WILLEM _van Oostervant_, over de Zuiderzee, en landde tusschen +_de Lemmer_ en _Takozijl_. Zij vond vooreerst geen tegenstand, gelijk +vroeger: want de Friezen waren nu geheel anders gezind dan toen. Sedert +dien tijd hadden de partijschappen het hoofd zóó verwoed opgestoken, dat +het in den vorigen jare 1397 bij _Dronrijp_ tot een veldslag was +gekomen, waarin de Vetkoopers de nederlaag hadden geleden. Uit zucht +naar wraak en om zich te herstellen, helden deze nu naar de zijde van +_Holland_ over en boden geen tegenstand, ook op hoop van door den Graaf +in aanzienlijke betrekkingen gesteld te zullen worden. De Schieringers +vreesden de gevolgen van dezen aanval minder; terwijl de ondervinding +ook had geleerd, dat het vruchteloos was, zoo vele vreemde benden in het +open veld te bestrijden. Naar den vroegeren raad van den Potestaat +JUWINGA, hield men zich nu meer in de steden op en trachtte deze te +versterken[88]. Het leger trok alzoo onverhinderd door _Gaasterland_, +doch vond niet ver van _Hindeloopen_ vele Friezen verzameld, die eene +poging wilden doen om _Stavoren_ te beschermen. Zij werden echter na een +hevig gevecht verdreven, en nu trok men naar _Stavoren_, waarin zich +eene groote menigte volks had verzameld. Langer dan drie weken werd deze +stad vruchteloos belegerd, en zij gaf zich niet over, vóór de +aanzienlijkste edelen van _Oostergoo_ en _Westergoo_ met WILLEM _van +Oostervant_ in het leger een verdrag hadden gesloten, waarbij ze zijnen +vader wel tot Heer aannamen, en hem toestonden sloten en burgten in het +land te bouwen en overheden aan te stellen; doch waarbij ze tevens +uitdrukkelijk bedongen, dat de Friezen hunne goederen vrij zouden +blijven bezitten, dat zij tot geene heervaart buiten 's lands zouden +verpligt zijn, dat hun veiligheid van personen en goederen verzekerd +werd, dat ze hun eigen Friesch regt zouden behouden enz.[89] + + [88] Zie dit omtrent _Leeuwarden_ in de _Geschiedk. Beschrijv._ I 55, + 372. + + [89] Zie dit Verdrag in het _Charterb._ 281; SJOERDS, _Jaarb._ IV 127. + +Eerlang werd nu Hertog ALBRECHT _van Beijeren_ door geheel _Friesland_ +als Heer gehuldigd, bij uitvoerige zoen-en huldebrieven. Op verscheidene +plaatsen liet hij kasteelen bouwen tot bedwang van het land; naar +Hollandsche wijze stelde hij hier Schouten, Baljuwen en Schepenen aan, +begiftigde vele aanzienlijke edelen met goederen, en deed hij ook +daardoor werkelijk pogingen, om hier het Leenstelsel in te voeren. +Hierin en in meerdere bepalingen van zijnen zoenbrief week hij af van +het eerste verdrag van aanneming, en ziet daar al dadelijk den grond +gelegd van een tegenstand en verzet van het volk, welke zich reeds in +het begin des volgenden jaars openbaarden[90]. Die schending van het +verdrag was den vrijheidminnenden Friezen even onduldbaar als al de +blijken van overheersching; en inderdaad werden eerlang alle kasteelen +door het volk gesloopt, de ambtenaren verjaagd en de bezettingen, +behalve uit _Stavoren_, verdreven. Te vergeefs zond de Hertog nieuwe +benden uit de Hollandsche steden naar _Stavoren_, dat door de Friezen +krachtig, doch zonder vrucht, werd aangevallen. Te vergeefs trachtte hij +bij een naderen zoenbrief door gunstiger bepalingen, omtrent het vrij en +onbezwaard bezit der eigendommen, de schattingen en regten, de bezwaren +der Friezen weg te nemen. Reeds was het gansche land tegen het +Hollandsche gezag ingenomen en gewapend. Voor de derdemaal schreef hij +in Julij 1400 eene algemeene heirvaart tegen de Friezen uit, en werden +al zijne ridderen en leenmannen, steden en dorpen in _Holland_ en +_Zeeland_, ja zelfs in _Utrecht_, aangeschreven, hem ten spoedigste met +550 galeijen en een bepaald getal manschappen te hulp te komen. +_Dordrecht_ was daarbij weder gesteld op 600 gewapende mannen en 40 +arbeiders, »of Smeden, Tymmerluden, Maetselairs ende andere luden met +breecbilen, hantbomen, ghetouwen ende ander gherieschap, om te woesten +ende te vellen alle Sloten, Stenhuzen ende Vestenissen, dye onze +meynedighe luden van Oistvrieslant jeghens ons houden." De overige +steden en plaatsen moesten hulp leveren naar evenredigheid[91]. + + [90] Dit blijkt uit de stukken _Charterb._ 289, 290, 298. + + [91] Zie al die oproepingen in het _Charterb._ 309-314. + +Ook deze togt liep weder vruchteloos af, daar het leger, onder +aanvoering van Graaf WILLEM _van Oostervant_ te _Stavoren_ geland, wel +de zeekust langs trok, met de Friezen schermutselingen hield en _Dokkum_ +innam; doch te magteloos was, het Hollandsche gezag hier te herstellen, +waarom het eerlang terugtrok, nadat al de pogingen, om 's Graven gezag +ook in _Groningen_ te vestigen, mede verijdeld waren. + +In weerwil van zoo herhaalde teleurstellingen en aanzienlijke +opofferingen, was de oude Hertog den strijd nog niet moede. In Junij des +volgenden jaars 1401 schreef hij in _Holland_ en _Zeeland_ eene dubbele +en driedubbele heirvaart uit, om hem te hulp te komen met gewapende +mannen en sterke gravers met schup en spade en piek of boog, ten einde +daarmede een togt te doen naar _Stavoren_, om de twee kasteelen te +voltooijen, welke hij begonnen was, daar tot versterking van deze stad +te doen bouwen[92]. Doch dit was ook zijne laatste poging ter bedwinging +van een land, dat getoond had, zich niet te willen onderwerpen. De +uitputting zijner geldmiddelen en de mindere gewilligheid der +Hollandsche edelen en steden, om zijner veroveringszucht langer ten +dienste te staan, deden hem zelfs naar vrede verlangen. Den 1 October +1401 werd die te _Bolsward_ voor zes jaren gesloten, bij een verdrag, +waarbij de Friezen tusschen den Wezer en _de Lemmer_ voor zich gunstige +bepalingen van vrijheid en rust bedongen, en den Hertog alleen het +gebied over _Stavoren_ lieten behouden[93]. + + [92] Zie deze stukken in het _Charterb._ 321-325, ook 298. Het + kasteel, in 1398 gesticht, schijnt dus toen verwoest te zijn geweest. + + [93] Zie dit Verdrag in het _Charterb._ 327 en SJOERDS, _Jaarb._ IV + 225. + + * * * * * + +De gevolgen van deze herhaalde togten en ongemeene kracht-inspanning +waren voor Hertog ALBRECHT zeer bedroevend: want die verbazende +krijgstoerustingen en de daarop gevolgde Arkelsche oorlog hadden hem zoo +zeer verarmd en met schulden bezwaard, dat, bij zijn dood in 1404, zijn +boedel door zijne weduwe met den voet werd gestooten. De Friezen +herstelden zich vervolgens van hunne nederlaag, door het verjagen van de +vijandelijke bezetting, maar het verlies van den Overwinnaar was +onherstelbaar, dewijl hij overal, waar hem het gebieden voegde, verpligt +was te gehoorzamen[94]. Zijne veroveringszucht gedijdde hem alzoo +evenzeer tot schade en schande, als den Friezen tot eere, dewijl zij +daardoor gelegenheid hadden, nieuwe blijken te geven van heldenmoed ter +handhaving van vrijheid en regt, bij de bestrijding van overmagtige +legers, die hun volksbestaan met den ondergang bedreigden. (Zie +_Aanteekening 13_.) + + [94] STIJL, _Opkomst en bloei der Nederlanden_, 2e dr. 59. + + * * * * * + +Al de latere Graven van _Holland_ in de 15e eeuw hebben echter +bestendig hunne vermeende aanspraak op _Friesland_ doen gelden, door +bijna jaarlijks het geslotene vrede-verdrag te vernieuwen. Niet minder +deden zij dit door het aanwenden van rustelooze pogingen, bij wijze van +onderhandeling, om zich door de Friezen als Heer of Graaf erkend te +zien, hoewel deze, wanneer de drang hun te sterk voorkwam, zich telkens +tijdig genoeg verzekerden van nieuwe keizerlijke bullen, waarbij hun +regt, om zich zelve te regeren en buiten het rijk, dat hun bescherming +verleende, geenen heer onderdanig te zijn, werd bevestigd[95]. Geen dier +Graven deed echter zijne aanspraken meer met geweld of magt van wapenen +gelden. Dit was hun afgeleerd. Het lot hunner voorzaten bleef hen +deswege eene heilzame waarschuwing. Onnatuurlijk was echter die klove +tusschen zoo nabij elkander gelegen gewesten. Zeker zou eene gewenschte +toenadering eerder hebben plaats gehad, indien de Hollanders niet immer +getoond hadden, den meester te willen spelen over de Friezen, die echter +niet gezind waren het hoofd zoo spoedig in den schoot te leggen, maar +die stonden, waar zij meenden te moeten staan, zonder lafheid of vrees +voor een heerschzuchtigen nabuur, wiens aanvallen zij zoo dikwijls +gedrongen waren, op eene bloedige wijze betaald te zetten. Veel moest er +nog gebeuren, geheel andere tijden en omstandigheden moesten er komen, +vóór die verwijdering kon ophouden, om vervangen te worden door eene +toenadering, vereeniging en zamenwerking, welke beider belangen en het +heil des geheelen vaderlands in één staatkundigen band zou omvatten en +bevorderen. Terwijl wij het dus bij deze togten betreuren, dat zoo vele +Vorsten uit veroveringszucht zoo veel bloed hunner nijvere ingezetenen +hebben verspild, heeft de geschiedenis der Friezen ons weder een +luisterrijk voorbeeld gegeven, hoe zelfs geringe volken, door liefde tot +de vrijheid bezield en aangedreven, met onverschrokken moed magtige +overheerschers kunnen wederstaan, en hoe zij met de gebrekkigste +hulpmiddelen uitkomsten te weeg brengen, welke de bewondering van +tijdgenoot en nageslacht verdienen. + + [95] Zie WORP VAN THABOR, IV 38, 97; _Charterb._ 399, 593. + + _Zóó is de Fries. Wanneer gevaren + Der Vrijheid zweven, om zijn kust, + Dan weet zijn moed van geen bedaren, + Noch zijne Leeuw van logge rust. + Wee hem! die dezen Leeuw verschrikken + Of wil betemmen of verblikken, + Hij schuimbekt, raast en kent geen reên!_[96] + + [96] O. Z. VAN HAREN, _de Geuzen_, 15e zang. + + +21. _Oorzaken van het verlies der onafhankelijkheid._ + +Het is inderdaad een opmerkelijk en raadselachtig verschijnsel in onze +geschiedenis, dat hetzelfde volk, hetwelk zijne vrijheid zoo krachtig +wist te verdedigen tegen vreemden, onderling zoo zwak was, dat het +misbruik maakte van die vrijheid, door zich daden te veroorloven, welke +zoodanig streden tegen de maatschappelijke orde, dat deze haren +ondergang noodwendig moesten veroorzaken. Zoodra toch hadden de Friezen +geene aanvallen van buiten meer te duchten, of zij waren op nieuw hevig +onder elkander in krijg. Eensgezind jegens vreemden, was _Friesland_ +sterk; verdeeld en verzwakt door partijwoede, bereidde het zelf zijnen +val. In algemeene trekken hebben wij hier vóór (bl. 93) over het +ontstaan en den aard der partijschap tusschen de Schieringers en +Vetkoopers gesproken; thans willen wij haar laatste tijdperk en de +vrucht, die ze droeg, kortelijk vermelden. + +Na het sluiten van den vrede met Hertog ALBRECHT _van Beijeren_, staken +de oude verdeeldheden met geweld het hoofd weder op, en de bloedige +tooneelen van den burgerkrijg, tusschen de aanzienlijkste adellijke +geslachten, kloosters en steden, vertoonden zich op nieuw. Dit was +zoowel in _Friesland_, als in _Groningen_ en _Oost-Friesland_ het geval, +en deze gedienstige naburen hadden heimelijke redenen, om hier het vuur +der tweespalt bestendig aan te blazen. Gesteund door de Keizers, die +hunne volksvoorregten in de 15e eeuw tweemalen bevestigden, waren de +Friezen op hunne vrijheid zoo fier, dat deze in overmoed en +bandeloosheid ontaardde. Handhaving van orde en rust, en gehoorzaamheid +aan de wetten des lands zijn toch de eerste pligten van den burger, +zullen de algemeene vrijheid en welvaart worden bevorderd en blijven +bestaan; doch waar deze worden geschonden, waar ieder zijne persoonlijke +vrijheid en willekeur met geweld wil doen gelden, en waar alle middelen +geoorloofd geacht worden, om zijne partij te doen zegepralen,--daar moet +de staat te gronde gaan. Zoo ging het vervolgens in den loop der +onrustige 15e eeuw in _Friesland_. + +Gedurende al deze onlusten werd de band tusschen de Zeven Vrije Friesche +Zeelanden ontbonden. Wel trachtten eenige leden daarvan in 1430 nog de +oude betrekking te vernieuwen, door de belofte van elkander en de +onderlinge voorregten te zullen beschermen; maar als zij deze +bescherming verleenden, maakten sommigen daarvan dikwijls zulk een +misbruik, dat het eene Zeeland over het andere begon te heerschen, en +dat die hulp alzoo duur te staan kwam. Dit deed althans de stad +_Groningen_, die in magt en gezag vooral was toegenomen, sedert de +Opstalboomsche vergaderingen in 1361 derwaarts verlegd waren. Terwijl de +Schieringers, die meest in _Westergoo_ woonden, soms hulp in _Holland_ +zochten, riepen de Vetkoopers van _Oostergoo_ daarentegen de +ondersteuning van _Groningen_ in. Gereedelijk voldeed dit aan dat +verlangen, zoo het slechts in magt of geld daarvoor vergoeding ontving. +Ja, deze stad wist het met allerlei middelen zóó verre te brengen, dat +zij, gebruik makende van de beroeringen, met een aantal edelen en +geestelijken van _Friesland_ een verbond van bescherming aanging, +waarbij haar een groot deel der oppermagt zou worden opgedragen. Dan de +Keizer, wiens toestemming daartoe zij eerst listig had verkregen, zond +eerst in 1485 en daarna weder in 1494 gezanten in _Friesland_ tot +herstel van de rust. Zijn afgezant OTTO VAN LANGEN, Domheer van _Ments_, +verklaarde dat verbond voor nietig, en verbood den Groningers, namens +den Keizer, zich hier eenig regt of gezag aan te matigen[97]. +Vruchteloos wendde hij alle moeite aan om de verdeeldheden bij te +leggen, en den zoo lang verloren vrede te herstellen. Op een landsdag te +_Sneek_ gehouden en meest door de Schieringers bijgewoond, wist hij te +bewerken, dat JUW DEKAMA, van _Baard_, een wijs en vredelievend man, tot +Potestaat werd verkozen. Doch de Vetkoopers weigerden dezen te erkennen, +zoodat het vuur der verdeeldheid, hetwelk hij getracht had te blusschen, +nog meer ontvlamde. Al deze maatregelen, om den adel tot rust en +eendragt te bewegen, werden verijdeld door de verbittering dier +onbuigzame gemoederen. Met felle woede en vreemde hulp vochten de +partijen om de zegepraal.--Terwijl dus de Friezen blijken gaven, dat zij +zich zelve niet meer konden besturen, maar dat zij hunne krachten +verspilden in onderlingen strijd, zonder op wet, regt of orde acht te +geven,--toen behaagde het Keizer MAXIMILIAAN hieraan een einde te maken, +door _Friesland_ op te dragen, of wel voor ruim 250,000 Goudgld. te +verpanden, aan den moedigen ALBERT, _Hertog van Saksen_, dien hij, +onder den titel van _Erfpotestaat_, het bestuur over dit gewest +toevertrouwde[98]. + + [97] _Charterboek_, 754, 758, 760. + + [98] Zie al de schrijvers aang. op bl. 136 der _Geschiedk. Beschrijv._ + I. + +Op deze wijze ging de aloude Friesche vrijheid voor een groot gedeelte +verloren, en was het volk genoodzaakt een vreemden bestuurder als Heer +te erkennen. Die vrijheid, eens als blijk van onafhankelijkheid en +zelfstandigheid zoo hoog geschat, was eene klank, was een denkbeeldig, +ja zelfs schadelijk voorregt geworden, nadat ze was verbasterd in eene +vrijheid om elkander schaamteloos te plunderen en te vermoorden. Het +gezag der wetten zweeg toch voor het geweld. Bij velen gold toen de +regel der losbandigheid: + + _Mijn rechten zijn mijn wil, mijn wetboek is mijn zwaard. + Zoo denkt een vrije Fries, zijn eigen Heer en Koning, + Zoo wars van vleijerij als van ontzagbetooning_[99]. + + [99] VAN HALMAEL, _Ats Bonninga_. + +Die misbruikte vrijheid was een kanker, welke aan den Staat knaagde, +eene doodelijke wonde gelijk, die tot behoud van het gansche ligchaam +noodwendig moest worden uitgesneden. Door haar te verliezen, zijn nog +grootere rampen, dan reeds zijn geleden, vóórgekomen. Want wij hebben ze +niet kunnen vermelden al de bijzondere ellenden en gruwelen van roof, +moord en brandstichting, welke gedurende zoo vele jaren in het nagenoeg +regeringlooze _Friesland_ de inwoners nood en dood en schade +berokkenden. Wij hebben gezwegen van de ingewikkelde familie-geschillen, +waaruit de _Donia-oorlog_ en de _twist om Bolsward_ ontstonden[100]. Wij +hebben niet kunnen verhalen hoe dikwijls de in bloei en magt toenemende +steden _Leeuwarden_, _Bolsward_, _Sneek_, _Franeker_, _Slooten_ en +andere in hare rustelooze twisten met de woeligste edelen JELKAMA, +CAMSTRA, JUCKEMA, GROUSTINS, JONGAMA, HARINXMA, SJAERDAMA en anderen +belegerd, verbrand en geplunderd werden; hoe zij op hare beurt de +stinzen en dorpen verwoestten van die edelen, welke elkander gedurig +beoorloogden; of welk een rol de Raad van _Groningen_ onder dat alles +gespeeld heeft. + + [100] In de Narede van hier vóór genoemde treurspel en in de _Friesche + Volks-Almanakken_ van 1841 en 1845 komen omtrent beide deze + onderwerpen belangrijke berigten voor, indien men deswege nader + wenscht ingelicht te worden. + +Voorzeker waren er nog altijd vele welgezinden, die de rust poogden te +herstellen, en het sluiten van die talrijke verbonden van vrede +bevorderden, welke er in deze eeuw zoo dikwijls tusschen de edelen, +grietenijen, steden en gooën werden gesloten, als zoo vele getuigen van +de goede voornemens en de behoefte aan eendragt en rust. Doch hoe +spoedig werden ze weer verbroken door het geweld, dat sterker was dan de +kracht der bezegelde zoenbrieven[101]. Het krijgvoeren was heviger +geworden, sedert hier omstreeks 1460 het buskruid en het gebruik van +kanonnen en geweren (destijds bussen en roeren genoemd) waren ingevoerd +geworden. Vreemde woeste soldaten, die de zwakkere partij soms tot hulp +liet overkomen, brandden en roofden op het onveilige land, waar niemand +het zijne meer rustig bezat. Openbare werken, vaarten en wegen, ja zelfs +de zeedijken werden ten gevolge der verdeeldheden veelal verwaarloosd, +zoodat alleen in deze 15e eeuw dertien overstroomingen de algemeene +ellende verzwaarden. + + [101] Eene menigte dezer overeenkomsten tot onderlinge bescherming + bevat het _Charterboek_ en het Stedelijk Archief van _Leeuwarden_. + +De zucht om de onrustige wereld te ontvlieden bewoog vele vromen zich te +begeven in de Kloosters, wier getal te gelijk met hunne bezittingen +toenamen; terwijl anderen vergeving voor gepleegde misdaden zochten te +bekomen, door het schenken van giften aan de geestelijkheid of tot den +opbouw van forsche Kerkgebouwen, van welke er in deze eeuw, vooral in de +steden, verscheidene vernieuwd en vergroot werden. Hoe zouden kennis en +wetenschap hebben kunnen toenemen bij een immer krijgvoerend volk, dat +integendeel door ruwheid en woestheid van zeden moest ontaarden. En de +heilige godsdienst der Christenen, bestemd om door geloof, liefde en +hoop het leven te veredelen en den geest voor eene betere toekomst te +vormen, droeg alzoo geene harer waardige vruchten voor het +maatschappelijk welzijn. + +Zulk een toestand van een land kon niet duurzaam zijn. Alwat kwaad is +verwoest zich zelf. Alleen godsvrucht, zedelijkheid en pligtsbetrachting +kunnen heilrijke en duurzame vruchten dragen tot volksgeluk. Het land +had rust noodig, waarin het zich zou kunnen herstellen en zijne krachten +ontwikkelen tot vooruitgang, tot voortdurenden wasdom en beschaving. +Daartoe werd eene gansche verandering van den maatschappelijken toestand +vereischt. Het verlies der onafhankelijkheid en het bestuur van een +vreemden Vorst werd hiertoe het middel in de hand van Hem, die zelfs de +dwalingen zijner kinderen dienstbaar maakt aan de bereiking van zijne +vaderlijke bedoelingen tot hun heil. + + _Zóó dekt de Almagtige zijn wegen; + Zóó is met wijsheid kracht vereend, + En 't allergrootste nut gelegen + In 't geen de mensch verwarring meent. + Maar onverwacht zal 't licht verschijnen, + Dat alle nevlen doet verdwijnen + En wijst der Godheid ware reên. + Leer, stervling! leer altijd te hopen, + Totdat de tijd uwe oogen open' + En toon', wáárom gij hebt geleên_[102]. + + [102] O. Z. VAN HAREN, in den aanhef van _de Geuzen_. Zie ook + _Aanteekening 14_. + + + + +DERDE TIJDVAK. + +FRIESLAND BESTUURD NAMENS VREEMDE VORSTEN. + +VAN DE AANNEMING VAN HERTOG ALBERT VAN SAKSEN, TOT ERFPOTESTAAT VAN +FRIESLAND, TOT DE HERVORMING IN KERK EN STAAT. + +_Van het jaar 1498 tot 1580._ + + +22. _Friesland onder het bestuur der Hertogen van Saksen. (1498-1515.)_ + +ALBERT of ALBRECHT, _Hertog van Saksen-Meissen_, een der grootste +veldheeren van zijn tijd, zonder wien een tijdlang geen krijg in +_Duitschland_, _Hongarije_, _Italië_ en _Nederland_ werd gevoerd; de +man, die de regterhand des Keizers genoemd werd en wegens zijne +onversaagde krijgsbedrijven alom was ontzien, had gedurende de +minderjarigheid van FILIPS II, door het bedwingen van de oproerige +Vlamingen en door het dempen van den opstand van het Kaas- en Broodsvolk +in _Holland_, dezen Graaf groote diensten bewezen. Het bleek alras, dat +ALBERT niet gezind was met ledige handen te vertrekken, dewijl ook een +hevige brand, welke de stad _Dresden_ in 1491 voor een groot gedeelte +verteerde, zijne middelen had uitgeput. 300,000 Rijnsche guldens was de +schuldvordering, welke hij, wegens achterstallige soldij aan zijne +krijgsknechten, inbragt. Des Graven vader, Keizer MAXIMILIAAN, dien het +immer aan geld, doch zelden aan beraad ontbrak, wist geen beter middel +om zich uit deze verlegenheid te redden, dan door den Hertog, tegen +teruggave van de Hollandsche sloten, voor deze som verpand, met het +Erfstadhouderschap over _Friesland_ te beleenen, indien hij slechts kans +zag, van dat gewest meester te worden. Reeds had hij dit zes jaren lang +beproefd, door onderhandelingen en het heimelijk ondersteunen van de +zwakkere partij der Schieringers, toen deze eindelijk, in 1498, openlijk +zijne hulp inriepen tegen de Vetkoopers, die de Groningers tot steun +hadden. Zóó hoog waren toen de partijschappen gestegen, dat men tot zulk +een wanhopig middel overging, en (even als driehonderd jaren later) om +zijne partij te doen zegepralen, liever vrijheid en vaderland prijs gaf +aan vreemden, dan zich onderling te verstaan en vrede, eendragt en rust +na te jagen! + +ALBERT zond nu spoedig zijn krijgsbevelhebber, Graaf WILLEBRORD VAN +SCHAUMBURG, als stedehouder, met een leger van 2 à 3000 man naar +_Friesland_. Weinig moeite kostte het dezen, de steden en grietenijen +van _Westergoo_ te bemagtigen, en zijn Vorst dáár te doen erkennen. Doch +het meer Vetkoopersgezinde _Oostergoo_ en vooral het afgelegene +_Zevenwouden_ moesten met kracht van wapenen daartoe gedrongen worden. +Zelfs werd _Leeuwarden_ tweemalen door hem belegerd, vóór het zich +overgaf en het gezag des Hertogs erkende. Tot versterking van deze +aanzienlijkste der toenmalige steden liet hij daar een groot kasteel, +blokhuis of legerplaats bouwen, ter vestiging en bescherming van het +opgedrongen gezag. + +In Junij van het volgende jaar, 1499, kwam ALBERT zelf met zijn zoon +HENDRIK in _Friesland_, om het bestuur des lands te regelen. Hiertoe +stelde hij een Provincialen Raad van elf edelen in, met zijn kanselier +SIGMUNDT PHLUG aan het hoofd. Aan dezen Raad, te _Franeker_ op +_Sjaerdama-huis_ gezeteld, was zoowel het bestuur van het land als de +uitoefening van het regt opgedragen. Nadat hij in de kerk van _Oldehove_ +te _Leeuwarden_ met veel luister tot Landsheer was gehuldigd, vertrok +hij naar _Groningen_, dewijl hij ook dat gewest, hem mede door den +Keizer geschonken, had te bemagtigen. + +Hij had hier zijn zoon HENDRIK ter uitoefening van het bewind +achtergelaten; doch deze was jong, onbedreven en heerschzuchtig. Hij +handelde voor 't minst zeer onvoorzigtig en verkeerd, toen hij de +Friezen met strengheid wilde besturen, en de uitschrijving van +belastingen met scherpe bedreigingen deed gepaard gaan. Hierdoor bedierf +hij de zaak zijns vaders in eens zóódanig, dat hij zich gehaat maakte +bij vele Friezen, die ook toen weder hun volksaard toonden, door +afkeerigheid van dwang en harde middelen, waardoor zij immer veel minder +werden gewonnen als door redelijke overtuiging en zachte behandeling. +Reeds in den volgenden jare, 1500, kwamen zij in verzet, weigerden de +gevorderde belasting te voldoen, schoolden bijeen en bragten weldra eene +groote magt onder de wapenen, waarmede zij den Hertog in _Franeker_ (van +half Mei tot half Julij) belegerden, met oogmerk, om zich spoedig van +dezen nieuwen Heer te ontslaan. Hoewel het getal dier misnoegden wel op +16,000 begroot werd, was er zoo weinig orde en bestuur onder, dat zij +het zwakke stadje niet eens konden bemagtigen, en zich eerlang +verstrooiden, toen ALBERT zelf met eene legermagt van 5 à 6000 man tot +ontzet kwam opdagen. Na over deze schending van zijn gezag wreede +strafoefening gehouden te hebben, vertrok hij weder naar het beleg van +_Groningen_, doch overleed kort daarna te _Emden_ (12 Sept. 1500). + +Vervolgens werd _Friesland_ gedurende drie jaren op naam van Hertog +HENDRIK en zijnen broeder GEORG _van Saksen_ door den Stadhouder HUGO +_van Leijsenach_ bestuurd. Niet voor Mei van den jare 1504 kwam Hertog +GEORG zelf in _Friesland_ en alléén aan de regering. Eerst toen werd het +landsbestuur met kracht aangevat, en werden er nuttige maatregelen tot +stand gebragt. Als een verstandig man doorzag hij terstond de behoeften +des lands, en met een krachtigen wil beraamde hij dadelijk de middelen, +om daarin te voorzien, ten einde, door het invoeren van verbeteringen, +orde en regel in het bestuur te brengen en het wezenlijk belang der +ingezetenen te bevorderen. Zoo vaardigde hij in 1504 de bekende +_Ordonnantie van Saksen_ uit, welke uitvoerige bepalingen ter +uitoefening van het regterlijk en burgerlijk bestuur, zoowel door het +Hof als in de grietenijen en dorpen en in de steden, bevatte. De +uitvoering daarvan werd opgedragen aan een opperste Geregtshof, waarvoor +te _Leeuwarden_ naast het Blokhuis eene Kanselarij werd gebouwd. Ook +werd er eene Munt opgerigt in deze zelfde stad, welke dáárdoor het +aanzien van Hoofdstad van _Friesland_ bekwam. Vervolgens voerde hij +strenge bepalingen in tot herstel van de zoo deerlijk verwaarloosde +zeedijken. De belangrijke aanslijking van _het Bildt_, welke zijn vader +reeds in bezit had genomen, liet hij verpachten om bedijkt te worden. +Bijna toegegroeide of onbevaarbare kanalen, als de Ee tusschen +_Leeuwarden_ en _Dokkum_ en andere, welke mede gedurende de onlusten zoo +lang waren verwaarloosd, werden uitgediept. Tusschen _Leeuwarden_ en +_Franeker_, _Sneek_ en _Bolsward_, werden onder zijn bestuur breede +vaarten deels gegraven, deels verbeterd, waardoor zoowel de gemeenschap +te water tusschen de voornaamste steden als de afstrooming zeer werden +bevorderd. Hij drong aan op het eenparig gebruik van maten en gewigten, +en, terwijl de Friezen stellig weigerden aan zijne begeerte te voldoen +ter invoering van het Leenstelsel, regelde hij de belasting op de +vastigheden door de invoering van de Floreenrente, welke nog eeuwen lang +daarna de grondslag der heffingen bleef en zulks ten deele nog is[103]. + + [103] Bij gebrek van een ordelijken maatstaf was de grondbelasting tot + dusverre zeer onevenredig geheven. Daarom liet de Hertog over geheel + _Friesland_ Cohieren aanleggen, bevattende lijsten van al de + vastigheden, met bijvoeging van de jaarlijksche huursom (destijds + rente genaamd) in Goudguldens of Floreenen van 28 stuivers. Op ieder + dezer Floreenen werd toen eene "Jaartax" of schatting van 3 stuivers + gelegd, welke later, naar de behoeften des lands, verhoogd werd, en in + de vorige eeuw reeds de hoogte van 2 dukatons ([f]6,30) bereikte. Naar + dezen maatstaf werden bovendien vele omslagen ten behoeve van het + onderhoud van zeedijken en andere openbare werken geheven. Zie + _Charterb._ II 13; SCHOTANUS, _Kronyk_, 497; FOEKE SJOERDS, + _Beschrijving_, I 881; _Tegenw. Staat_, IV 338; GRATAMA, _Gelukkige + toestand van Friesland_, Harl. 1795, 32. + +Door de invoering van al deze en meerdere verbeteringen mogt Hertog +GEORG met regt een weldoener van _Friesland_ genoemd worden. Bovendien +trof het hoogst gelukkig, dat de uitvoering daarvan werd voorbereid +door-en voor een groot deel opgedragen was aan een Stadhouder, als +HENDRIK, _Graaf van Stolberg_, die reeds in 1501 herwaarts kwam en van +1505 tot 1508 's Hertogen plaatsbekleeder was. Een man, wiens naam wij +met liefde en hoogachting noemen; van wien wel geene roemruchte +heldendaden bekend zijn, maar die de lofspraak zijner tijdgenooten +verdiende, dat hij alles deed wat de rust des lands, de welvaart der +ingezetenen en de eer van zijnen Vorst kon bevorderen. Als »een goed, +regtvaardig en onpartijdig regent en als een braaf Christen, die God +boven alle menschen ontzag en zijnen pligt en het land lief had," werd +hij door de Friezen bemind en vereerd. En toen hij, die reeds in 1509 te +_Keulen_ overleed, in de Groote Kerk te _Leeuwarden_ met groote +plegtigheid begraven werd, was de algemeene droefheid over zijnen dood +eene waardige hulde aan zijne deugden en verdiensten. + +Hoe vele redenen hadden de Friezen dus niet, om het verlies van hunne +onafhankelijkheid en het bestuur van een vreemden vorst te zegenen! Zij +waren billijk genoeg, dit dan ook werkelijk te doen. Zij haalden adem na +zoo langdurige vermoeijenissen van den krijg. Zij dankten God, zegt een +tijdgenoot, onder zulk eene rustige regering te mogen leven, daar zij +vergaten wat er vroeger al droevigs gebeurd was[104]. Want toen eerst +werden er in _Friesland_ rust en maatschappelijke orde, regt en +veiligheid, zoo groote voorregten eens burgers! verkregen. Landbouw en +handel konden zich ongestoord ontwikkelen; godsdienst en zedelijkheid +werden aangekweekt, en de welvaart der ingezetenen nam toe onder +begunstiging van vrede en van een regtvaardig en zorgvol landsbestuur, +dat zijne plannen tot verbetering met klem en kracht doorzette. Hoe +jammer, dat die gelukkige toestand slechts weinige jaren duurde, en dat +de menschelijke driften, uit verschil van meeningen en belangen ontstaan +en door heillooze partijschappen gevoed, weldra op nieuw al de ellenden +van den oorlog deden gevoelen. + + [104] MARTENA, _Landboek_, _Chart._ II 67; DOUWAMA, _Geschriften_, + 135. + +EVERWIJN, _Graaf van Benthem_, in 1509 de opvolgende Stadhouder, was +niet zoo rustig en verstandig als zijn voorganger, en mogt de +genegenheid der Friezen niet verwerven. Integendeel, door het +uitschrijven van drukkende schattingen, ook ten behoeve van den +vruchteloozen oorlog ter bemagtiging van _Groningen_, en door andere +maatregelen verbitterde hij het volk. Het griefde hen evenzeer, dat hij +twee voorname edelen, GERBRAND MOCKEMA en JEMME HERJUWSMA, van +heimelijke verstandhouding met den Graaf van _Oost-Friesland_ +beschuldigd en overtuigd, in 1512 te _Leeuwarden_ liet onthoofden. Het +zwaard, dat door hunne halzen ging, wondde ook de harten des volks en +sneed de genegenheid af, welke men den Saksischen Vorst tot dusver had +toegedragen. Men haakte naar verandering, en meende daartoe hulp te +zullen bekomen van den Hertog van _Gelder_, die ze gereedelijk beloofde, +en zelfs voorgaf de Friezen behulpzaam te willen zijn in het +terugbekomen hunner onafhankelijkheid. In dien drang van omstandigheden +vond Hertog GEORG _van Saksen_ het geraden, zich veilig terug te +trekken, en zijn regt op het bewind over _Friesland_ in 1515 voor +100,000 Goudgld. over te dragen aan KAREL _van Oostenrijk, Graaf van +Holland_[105]. + + [105] Zie over ALBERT en zijne zonen meer bijzondere berigten in VON + LANGENN, _Herzog Albrecht der Beherzte_, Leipzig 1838, 232 env. en + BÖTTIGER, _Geschichte des Kurstaates und Königreiches Sachsen_, + Hamburg 1830, I 468-480. Verder _Aanteekening 15_. + + +23. _De Gelderschen in Friesland. (1514-1523.)_ + +Te vergeefs hadden de Hertogen van _Saksen_ lang getracht, ook het +naburige _Groningen_ en de Ommelanden te bemagtigen. Graaf EDZARD _van +Oost-Friesland_ ondersteunde daartoe de Groningers, omdat hij vreesde, +dat de Saksers daarna ook de onderwerping van zijn land mogten eischen. +Tevens begeerde hij zelf het gebied over _Groningen_ te bekomen, en, +toen zijne krachten te kort schoten, zocht hij daartoe hulp bij den +listigen KAREL _van Egmond, Hertog van Gelder_. Doch tegen dezen +heerschzuchtigen en geslepen Vorst was hij niet opgewassen. Zij kwamen +heimelijk overeen, het wankelende Saksische gezag omver te stooten, door +Geldersche benden in _Groningen_ en _Friesland_ te zenden, waarover +EDZARD het bevel zou voeren in naam van KAREL, die, des verkiezende, +zijn gezag weder als leenman aan den Koning van _Frankrijk_ zou kunnen +opdragen. Doch, zoodra KAREL _van Egmond_ een gedeelte der voor zijne +hulp bedongene som had ontvangen, gebruikte hij juist dit, om zoowel den +Saks als EDZARD van het gezag te ontzetten en zich zelven in beider +plaats te vestigen. Met list gelukte het hem, den trouwelooze, de +Groningers in verlegenheid te brengen, en zich door hen als Opperheer te +doen huldigen. Weinig stoorde hij zich aan EDZARD, die over deze +misleiding in woede was ontstoken, en evenmin aan den Saks, die daarover +wraak nam door het bedrijven van velerlei wreedheden. Nu rigtte hij al +zijne krachten naar _Friesland_, om ook dáár het zelfde doel te +bereiken, waartoe hij aanleiding vond in het verzoek van eenige +aanzienlijke Friezen, om hen te hulp te komen ter verdrijving van de +Saksers. + +Ten jare 1514 trok dan een groot getal Geldersche soldaten herwaarts. +Met weinig moeite namen zij de steden en grietenijen van het zuidelijk +gedeelte van _Friesland_ voor den Hertog van _Gelder_ in. Dit viel hun +te gemakkelijker, dewijl zij overal voorgaven de herstelling van der +Friezen vrijheid en ontheffing van de hooggestegene schattingen der +Saksers aan te brengen. En toen eerlang het gerucht werd verspreid, dat +de Saks _Friesland_ verraden- en aan den Hollandschen Graaf, den +erfvijand, zoowel van de Friezen als van den Hertog, verkocht had, toen +bleven er in het noordelijk gedeelte van dit gewest slechts drie steden +en acht grietenijen over, die zich vóór KAREL _van Oostenrijk_ en niet +vóór den Gelderschen Hertog verklaarden. _Sneek_ werd toen de zetel van +het Geldersche gezag, dat daar zijn luister ten toon spreidde, en van +daar talrijke benden uitzond ter bemagtiging van de overige deelen des +lands. + +Op nieuw begon toen het vuur van partijschap en burgeroorlog te branden. +De Bourgondische partij, die den Saks had vervangen, stond nu tegen de +Geldersche over. Van beide zijden werden gruwelen bedreven, om elkander +te vernietigen en om meester te worden. Verslagenheid en onveiligheid +heerschten alom, daar de partijen elkander met woede bestreden, vele +dorpen uitplunderden, kerken en kloosters verbrandden en de ingezetenen +beroofden. Behalve de Geldersche en de Bourgondische knechten, deed dit +bovendien inzonderheid eene talrijke bende, de _Zwarte hoop_ geheeten, +op 5000 man begroot, die de Saks onbetaald had achtergelaten, en die +dáárom zich zelve vergoeding zocht te bezorgen. Ook in andere provinciën +bedreef zij schrikkelijken moedwil. Talrijke dorpen werden plat gebrand +en de landzaten met onmenschelijke wreedheid behandeld. Zelfs waagden de +Gelderschen het in 1516 de stad _Leeuwarden_ met eene groote magt aan te +vallen en haar acht weken lang belegerd te houden. Zij braken echter +eerlang op, toen Prins KAREL een aanzienlijk leger van 4000 knechten en +300 ruiters uit _Holland_ herwaarts zond, dat te _Harlingen_ landde en +_Leeuwarden_, den zetel van zijn gezag, ontzette. Deze Bourgondische +benden deden nu herhaalde uitvallen, en bestreden bestendig de +Gelderschen, die hulp uit _Groningen_ en zelfs uit _Frankrijk_ hadden +ontvangen. Jaren lang bleef _Friesland_ alzoo een twistappel tusschen +twee magtige vorsten, van wier woeste benden de lijdelijke ingezetenen +alles kwaads hadden te verduren, zonder dat zij iets konden doen, om +zich van dezen last te ontslaan. Eerst met den jare 1522 verkeerde de +kans. De Hertog van _Gelder_, hoe moedig ook, en gewoon zich met +geringe middelen tegen den magtigsten te meten en voor geene gevaren +terug te deinzen, liet toen eindelijk zijne aanspraken op dit gewest +varen, dewijl hij inzag, zich op den duur niet te kunnen staande houden +tegen den magtigen Graaf van _Holland_, die intusschen ook _Koning van +Spanje_ en _Keizer van Duitschland_ was geworden, en die als KAREL _de +vijfde_ spoedig door wapenfeiten schitterde en door aanzien en vermogen +algemeen ontzien en geëerd was. + + +24. _Krijgsbedrijven van Groote Pier. (1515-1520.)_ + +Bij al het plunderen en brandschatten van het platte land was ook de +kerk en de buurt van het dorp _Kimswerd_ bij _Harlingen_ in 1515 door de +uit _Holland_ overgekomene Bourgondische benden in asch gelegd. Daar +woonde destijds een bemiddeld man, die zijn verlies en geleden hoon op +eene geduchte wijze wilde wreken. Wegens zijne lange gestalte, sterkte +en forsch voorkomen was hij onder den naam van LANGE of GROOTE PIER +bekend, hoewel hij waarschijnlijk een edelman was uit het geslacht VAN +HEEMSTRA[106]. Hij wordt beschreven als een rijzig zwart man, met groote +oogen, breede schouders en langen baard, gruwelijk van aanzien, +bijzonder als hij toornig was. Met velen uit den omtrek, die, even als +hij, hunne have hadden verloren en van wraakzucht gloeiden, spande hij +zaâm, en bragt weldra een legertje van omstreeks 600 man bijeen, dat +eerlang, wegens koene bedrijven, den naam van de _Arumer Zwarte_ _hoop_ +verkreeg. Met zulk een wakker man als PIER en zijn niet minder kloeken +neef GROOTE WIERD (JELCKAMA) aan het hoofd, maakten zij er hun eerste +werk van, de Saksische benden na te zetten en uit _Friesland_ te +verdrijven. Vervolgens bestreden zij vol moed de door den Graaf van +_Holland_ herwaarts gezondene knechten, en verder allen, die zij +meenden, dat de rust en de vrijheid des lands belaagden. Het was hun +eenigste begeerte en ernstig streven, om alle vreemde vorsten en magten +te doen wijken en de vroegere onafhankelijkheid des lands op nieuw te +vestigen. + + [106] Dit vermoeden van SCHOTANUS, op de kaart van _Wonseradeel_, is + bevestigd door de berigten in het _Stamboek van den Frieschen Adel_, + II, Nalez. 12. + +Gereedelijk vereenigden zij zich dus met de magt van den Hertog van +_Gelder_, wiens vriendelijke woorden en beloften, dat hij de Friesche +vrijheid in eere herstellen zou, zij zoo gaarne geloofden, omdat zij +niets vuriger wenschten. Doch die Hertog van _Gelder_ vereenigde zich +ook gaarne met hen, zoowel tot versterking van zijne krachten, als omdat +hij deze onverschrokken Friezen zou hebben te vreezen, indien slechts +het vermoeden bij hen oprees, dat hij heimelijk niets vuriger wenschte, +dan om ook Heer van _Friesland_ te worden, gelijk hij reeds van +_Groningen_ was. Dáár had sluwheid zijner heerschzucht de hand geboden, +om een mededinger als Graaf EDZARD den voet te ligten. Hier kon PIER hem +even gevaarlijk worden en zijne plannen verijdelen; en daarom scherpte +hij zijn vernuft om nu ook dezen uit den weg te zetten, ten einde hem +onschadelijk te maken, doch tevens aan zich verbonden te houden tot +bereiking van zijne bedoelingen. En inderdaad, dit gelukte den geslepen +Gelderschman boven verwachting. + +Drie middelen had hij daartoe in zijne magt. Het eerste was: den haat, +welken de Friezen, even als hij, de Hollanders toedroegen, zoowel van +ouds als wegens de verwoestingen, welke de uit _Holland_ overgezonden +benden nu allerwege hadden aangerigt. Het tweede was: hunne vrees, dat +zij, wier vaderen zoo vele eeuwen tegen de Hollandsche Graven met +leeuwenmoed hadden gestreden, nu eindelijk door hen overheerscht zouden +worden, dewijl de gehate Saks op eene, in hun oog, verraderlijke wijze +_Friesland_, ~voor geld!~ had verkocht aan Prins KAREL _van Oostenrijk_, +Gelders erfvijand en nu zijn mededinger om een land, dat hij hem +betwisten zou, zoolang zijne vuist het zwaard kon voeren. Het derde +middel was: eene vrij aanzienlijke vloot, welke hij op de Zuiderzee had +toegerust en bemand, met oogmerk, om dát _Holland_ te tuchtigen en +afbreuk te doen, waar hij kon. Jaren lang had hij dit reeds gedaan, +zoowel te land als te water, met eene woede, die alom vrees en verbazing +wekte. Sedert 1492 hadden KAREL'S grootvader en vader hem het regt op +_Gelder_ en _Zutphen_ betwist, hoewel hij zich daarin door kracht van +wapenen wist staande te houden. Immer vonden zij in hem een +onverschrokken en listig vijand te bestrijden, die zelfs Fransche +hulpbenden in dienst had, en die _Holland_ voor der Gelderschen invallen +bestendig »in de uiterste bekommering" hield. Sinds hij in 1504 te +_Harderwijk_ eene vloot uitrustte, had hij het vooral op de rijkgeladene +koopvaardijschepen der Hollanders gemunt[107]. Mogt zijn eerste +scheepstogt, in laatstgenoemd jaar, voor _Monnikendam_, mislukken, hij +stelde zich later daarvoor ruimschoots schadeloos door herhaalde +strooptogten en plunderingen. Zoowel op de Zuiderzee als op den Rijn, +zoowel in _Overijssel_ als in _Utrecht_ streefde de onvermoeide krijger +naar buit of gezag, en waagde het zelfs in 1507 en op nieuw in 1512 +_Amsterdam_ aan te vallen, de voorstad in brand te steken en 22 +koopvaardijschepen in vlammen te doen opgaan[108]. Dat zulk een man, die +lang de gave bezat, zich bij het volk bemind te maken; die te +_Groningen_ zich als Opperheer en in _Utrecht_ als Beschermheer erkend +zag; die zijne Staten uitbreidde en het magtige _Holland_ ~vijftig~ +jaren lang trotseerde en groote schade berokkende,--dat zulk een man +_Friesland_ in dien toestand niet dadelijk bemagtigd heeft, en het zelfs +nimmer geheel heeft kunnen magtig worden, is altijd hoogst bevreemdend. + + [107] Zie WAGENAAR, _Vaderlandsche Historie_, IV 306, 322, 324, die + ook vermeldt, dat FILIPS in 1504, tot bescherming van de Zuiderzee + tegen de Gelderschen, te _Hoorn_, _Enkhuizen_ en _Edam_ eenige + oorlogschepen uitrustte, en het bevel daarvan opdroeg aan een, bij + onze schrijvers onbekend gebleven, zeeman PIETER VAN LEEUWARDEN. Gewis + een vreemd verschijnsel, dat de Hollandsche Graaf destijds een Fries + tot vlootvoogd op zijne schepen aanstelde. + + [108] WAGENAAR, _Vaderlandsche Historie_, IV 375; DEZ. _Amsterdam_, I + 210-214; VAN KAMPEN, _Geschied. der Nederlanden_, I 215-238; BOSSCHA, + _Heldendaden_, I 120; NIJHOFF, _Bijdragen_, VIII 66. Ik heb dit alles + inzonderheid gemeld, om te doen zien, dat al de hierna vermelde + bedrijven van PIER tegen _Holland_ niets anders waren dan eene + voortzetting van hetgeen KAREL _van Gelder_ reeds langer dan tien + jaren had gedaan, zoodat niet de Friezen, maar de Gelderschen oorlog + voerden tegen de Hollanders, waarin de Friezen slechts als hulpbenden + deelnamen. + +In zijnen toestand en voor zijn belang was het destijds weder eene +gelukkige greep, dat hij PIER wist over te halen, om zich met zijne +manschap te begeven op de Geldersche vloot, en om, onder den grootschen +titel van _Admiraal der Zuiderzee_, het opperbevel daarvan te +aanvaarden. Op die wijze schikte hij deze vrijheidlievende landzaten +niet enkel van de hand, ten einde hier des te beter zijne bedoelingen na +te jagen; maar zij konden hem met-een dienen, om het Bourgondische huis, +dat hij een erfhaat had gezworen, te vernederen, om _Holland_ te +beschadigen en om de hulp van krijgsbehoeften en levensmiddelen, welke +van daar naar _Harlingen_ werd gezonden, tot ondersteuning van KAREL'S +benden in _Friesland_, te onderscheppen en tot eigen voordeel aan te +wenden. Deze laatste oogmerken waren genoeg, om PIER en de zijnen te +bewegen, den voorslag aan te nemen en zich te scheep te begeven. Niets +meer te verliezen hebbende, kenden zij ook geene eervoller taak dan het +vernederen van de vijanden huns vaderlands, welks vrijheid toch in eere +hersteld zou worden door den Hertog van _Gelder_, die dit zoo dikwijls +beloofd had, en wiens vleijende woorden en toezeggingen zij niet durfden +wantrouwen. + +En inderdaad PIER kweet zich zoo stout van zijn last; hij zette de taak +der Gelderschen zoo krachtig voort, en roofde met zoo vele +onversaagdheid alles, wat niet tot zijne partij behoorde, dat hij in +1517 zijne vloot door al de genomene schepen tot 150 kielen, bemand met +1200 man, zag aangegroeid, en als de geesel der Zuiderzee gevreesd werd. +Wij zouden te uitvoerig worden, indien wij al de bekende bijzonderheden +van zijne togten en scheepsstrijden hier wilden mededeelen. Zijne daden +bewezen maar al te zeer, tot welk eene hoogte wraakzucht en volkshaat +kunnen stijgen, en hoe vele onmenschelijkheden krijgers zich durven +veroorloven onder de leus van voor het vaderland te strijden. + +Met zulk eene magt waagde hij het stoute plannen te volbrengen. Te +vergeefs wapende _Holland_ zich tegen der Gelderschen euvelmoed door in +de West-Friesche zeesteden bestendig schepen tegen hen uit te rusten. +Het eerste elftal, dat PIER niet ver van _Hoorn_ ontmoette, nam hij +prijs. Eene tweede vloot, van 28 zeilen onder HIERONIMUS SNEES, met +betaling voor het krijgsvolk in _Friesland_ in zee gestoken, werd met 18 +schepen door hem aangevallen, na een bloedig gevecht bemagtigd en met +400 gevangenen in triumf te _Workum_ opgebragt. Uit _Enkhuizen_ werd +eene vloot baarsen en 34 rijnschepen afgezonden, om hem te bestrijden, +doch ook deze werden genomen en deels vernield. Verstoord over de +trouweloosheid van sommige kooplieden van _Medemblik_, verzamelt hij +zijne magt bij _de Kuinder_, valt die stad aan, plundert en verbrandt +haar ten deele, en keert met buit beladen terug. Ook _Hindeloopen_, dat +door een hopman TENGNAGEL met 300 Bourgondische soldaten was bezet, viel +hij heftig aan, drong er binnen, en, zonder de inwoners leed te doen, +bemagtigde hij den vijand, waarvan er 170 in den strijd bleven en de +overigen vlugtten of gevangen genomen werden. In 1519 geraakte hij niet +ver van _Hoorn_ met overmagtige vijanden slaags. Reeds ziet hij een +zijner schepen nemen; den bevelhebber verdrinken. Nu kent zijne woede en +strijdlust geene palen. Krachtig spoort hij de zijnen aan. Een hevige +aanval gelukt, en elf schepen zijn in zijne magt. Vijfhonderd Hollanders +laat hij over boord werpen; zeilt naar _Hoorn_, dat ingenomen en +geplunderd wordt; trekt _Enkhuizen_ na het nemen van een schip voorbij; +begeeft zich weder naar _Medemblik_, waar hij een viertal huizen in +brand laat steken, en keert daarop naar _Friesland_ terug. Men wil, dat +hij ook andere Hollandsche plaatsen, als _Alkmaar_, _Beverwijk_ enz., +zou bemagtigd hebben, en dat mede de eilanden _Texel_, _Flieland_ en +_Wieringen_ veel van zijn volk te lijden hadden. Alwat tusschen +_Holland_ en _Friesland_ voer, hulken, karveelen en boeijers, ja ook +Hamburger en andere koopvaardijschepen, nam hij prijs of stelde ze op +rantsoen. Zelfs overwon hij »een carueell van oerloeghe wuyt Schotlandt, +dat een Meester ende een Blockhuys op ter zee was." De buit (dien hij +onder zijn volk verdeelde) was groot, maar het ontzag, dat hij baarde, +was nog grooter[109]. + + [109] Dus spreekt MARTENA, _Landboek_, _Charterb._ II 92, 100. + +Dat hij de manschap der overwonnene schepen over boord wierp en liet +verdrinken, is hem zeer euvel geduid. Doch zijne vijanden, die zijn +vriend OFFINGAHUIS mishandelden, die zijn neef GROOTE WIERD te +_Leeuwarden_ op een schavot eerlang deden onthoofden, en die een zijner +beste kapteins voor zijne oogen in zee wierpen, gaven hem daarvan het +voorbeeld, en vreeselijk verbitterd volgde hij dat na. Het was ook het +krijgsregt dier ruwe, immer naar wraak hijgende dagen, waarvan de +geschiedenis van Neêrlands Zeewezen, ook nog veel later, menigvuldige +voorbeelden heeft[110]. Doch eerlijk was zulk een dood, in vergelijking +van de schand- en moordtooneelen, welke de Hollandsche benden te +gelijker tijd in _Friesland_, in koelen bloede, aanrigtten, zoo als +onder anderen te _Irnsum_, waar der bezetting van _Douma-huis_ +lijfsgenade beloofd was, doch die na de overgave op de wreedste wijze, +tot 27 personen toe, door beulshanden werd vermoord[111]. + + [110] DE JONGE, _Geschied. v. h. Ned. Zeewezen_, I 156, 189, 328, 351. + + [111] Zie het roerend verhaal dier wreedheden, zoodat zelfs den beul + "dat arbeit verdroet," bij PETER VAN THABOR, _Archief_, II 201; + SCHOTANUS, _Kron._ 587; JACOBY, _Kort en Beknopt Chron._ Leeuw. 1755, + 121. + +Nadat PIER in 1517 de Gelderschen tot verdediging van het belegerde +_Sneek_ ondersteund- en in het laatst van 1519 den Hertog van _Gelder_ +op een togt naar _Emmerik_ vergezeld had, zien wij hem op eens dat +woelig krijgstooneel verlaten en zich als stil burger te _Sneek_ +nederzetten, waar hij reeds in het volgende jaar, 1520, overleed. Hij +had geen ander doel gehad dan door de vernedering van zijne vijanden de +vrijheid zijns vaderlands te herstellen. Maar toen hij eindelijk de +listige handelwijze van Hertog KAREL bemerkte en diens bedoeling, om +zelf Heer van _Friesland_ te worden, doorgrondde,--toen trok hij in +teleurgestelde verwachting zich terug, om den uitslag van den strijd der +partijen af te wachten. Ruwe moed en wreede dapperheid moge men hem te +laste leggen, zonder op de wijze van oorlogvoeren in die dagen, ook bij +zijne vijanden, acht te geven; de haat der door hem zoo fel bestredene +Hollanders moge invloed gehad hebben op hunne geschiedschrijvers, die +hem als een onmenschelijk geweldenaar en verachtelijk zeeschuimer +voorstellen,--gansch anders is het oordeel over hem van land- en +tijdgenooten, die met zijn persoon, gedrag en omstandigheden bijzonder +bekend waren. De kloosterbroeder PETER VAN THABOR[112] noemt hem een +man: »forsch van bouw en vervaarlijk van kracht en daardoor dapper en +fel op zijne vijanden, maar rond en eerlijk van inborst en redelijk van +hart als een Christen: want hij had eene goede meening, om vrij en +friesch te wezen en het land in goeden staat te brengen en te houden. +Hij toch was liever bij zijn ploeg gebleven, dan dat hij geoorloogd had. +Maar dat men hem zijn land niet met vrede had laten bebouwen, en zijn +huis, dorp en kerk verbrand had, dát wilde hij wreken zoo veel hij kon +en mogt." Zijne edelmoedigheid betoonde hij ook dáárin, dat, toen zijn +volk op de Zuiderzee een schip prijs genomen had, waarin zich de vrouwen +en dochters bevonden van zijne vijanden, de vrienden der Saksers, HESSEL +MARTENA en JUW BOTNIA, benevens eenige burgers van _Franeker_, hij de +stem der wraak smoorde en hen enkel gevankelijk naar _Sneek_ liet +voeren. Hoe hard hij de Hollanders ook viel, omdat zij zijn land +bevochten, nogtans kon hij niet dulden, dat hun in _Friesland_ door +de Gelderschen leed werd gedaan gedurende het bestand. Zoo kloekmoedig +hij jegens den vijand was geweest, zoo rondborstig verweet hij +de Gelderschen, dat zij de Friezen misleidden, en dat zij niet +volbragten, wat ze beloofd hadden. Dáárom vreesden zij hem, die, als +een onverbasterde zoon der vrijheid, de kenmerken van den echten +Fries vertoonde, in zucht naar onafhankelijkheid, dapperheid en +vaderlandsliefde. Daarom verdient zijn naam eene eervolle nagedachtenis, +en zeggen wij gaarne den dichter VAN HALMAEL na: + + [112] _Archief_, II 259, waar meerdere bijzonderheden, die hem + kenschetsen, worden gevonden. + + _Die 't Vaderland in nood beschermt, + Voor recht en vrijheid strijdt, + Zich over weeûw en wees ontfermt, + Geweld noch onrecht lijdt; + Dien, zij hij boer, of edelman, + Of burger, of soldaat, + Dien prijs, wat prijzen mag en kan + Als steunsel van den Staat. + Dien reik m' alom, in ieder oord, + Dat knielt voor God-alleen, + Den laauwer, die den held behoort, + En d' eikenkrans metéén!_ + + _Held Pier, de groote Pier genoemd,-- + Niet, slechts om lichaamskracht,-- + Op wiens geboorte ons Kimswert roemt, + Zij zóó door ons herdacht. + Hij leed van Saksens dwinglandij, + En Hollands overmoed, + En vocht zich koen van beiden vrij, + Ten prijs van goed en bloed. + Hij zag zijn heerlijk Vaderland + Gefolterd, overheerd, + En 't slagzwaard blonk in 's landmans hand. + Hier blijf' zijn naam vereerd!_[113]. + + [113] _Friesche Volks-Almanak_, 1837, 98. Verder _Aanteekening 16_. + + +25. _Frieslands voorspoed onder de regering der Stadhouders van Keizer +Karel den vijfde. (1515-1555.)_ + +_Keizer_ KAREL V is een der belangrijkste personen in de geschiedenis. +In een gewigtig tijdvak, waarin de meeste volken van _Europa_, na +langdurige verdrukking van wereldlijk en geestelijk gezag, naar meerdere +vrijheid en verlichting streefden, en waarin de gevolgen der ontdekking +van _Amerika_ en van de uitvinding der Boekdrukkunst gunstig begonnen te +werken op handel, welvaart en kennis, was hij als Keizer van +_Duitschland_, Koning van _Spanje_, _Napels_, _Sicilië_, _Mexico_ en +_Peru_, Hertog van _Bourgondië_, Graaf van _Holland_ enz. een magtig +gebieder over vele volken. Als een man van groote bekwaamheden, zoowel +in de staatkunde als in de krijgskunst, wist hij deze landen, door zijne +stadhouders of plaatsbekleeders, met wijsheid te doen besturen en met +kracht tegen zijne vijanden te verdedigen. Het gelukte hem het eerst, in +1543, alle Nederlandsche gewesten (te voren door afzonderlijke Heeren +bezeten) onder één Hoofd te brengen, waardoor er meer eenheid in het +bestuur des lands kwam. Bij zijne afwezigheid werden de Nederlanders +eerst door zijne moei MARGARETHA _van Oostenrijk_, als Gouvernante, en +sedert 1530 door zijne zuster MARIA _van Hongarije_ als Landvoogdes +bestuurd. + + * * * * * + +Toen KAREL in 1515 _Heer van Friesland_ was geworden, zond hij Graaf +FLORIS _van Egmond_ als zijn Stadhouder herwaarts, om bezit van dit land +te nemen. Doch de Gelderschen hadden zich intusschen van zulk een groot +gedeelte meester gemaakt, dat alleen de steden _Leeuwarden_, _Harlingen_ +en _Franeker_, benevens slechts acht der noordelijkste grietenijen de +zijde van KAREL kozen en hem huldigden. Er kwam alzoo eene groote +krijgsmagt uit _Holland_ over, zoowel om zijn gezag in deze streken te +beschermen als om het in andere uit te breiden, en de Gelderschen te +bestrijden en te verdrijven. Dit ging evenwel zeer moeijelijk: want de +Gelderschen hadden zich zóó vast genesteld, en wisten de ingezetenen +door allerlei schoone beloften zóódanig tegen het gezag van den +Hollandschen Graaf in te nemen, dat _Friesland_ gedurende de +eerstvolgende jaren op nieuw al de ellenden van een binnenlandschen +oorlog, van plundering, brand en moord had te verduren. Watervloeden en +hongersnood verzwaarden nog de rampen, die de Friezen moesten lijden, +omdat twee magtige Vorsten streden om het regt, wie hunner hen zou +besturen. Dat regt moest hunne heerschzucht echter koopen voor het goed +en bloed van duizenden stille burgers, die er weinig belang bij hadden, +wie dit kleine hoekje lands bestuurde, zoo het slechts een gematigd +bestuur ware. Gelukkig, dat de uitslag ten gunste van den verstandigsten +Vorst was. + +Want eerst nadat de opvolgende Stadhouder WILLEM _van Roggendorf_ (1517) +in 1521 vervangen was door GEORG SCHENCK, Vrijheer van _Toutenburg_, +werden er krachtiger middelen ondernomen ter verdrijving van de +Gelderschen. De stad _Sneek_, welke zoo lang hun zetel was geweest, werd +in 1522 door hen verlaten; _Dokkum_ en _Bolsward_ gingen in het volgende +jaar over, en in 1524 kwam geheel _Friesland_ onder het gezag van Keizer +KAREL, die nu bij traktaat zich verbond, der Friezen land, vrijheden en +regten te beschermen, en als Erfheer hen te doen besturen, tegen het +genot van geene hoogere belastingen, dan die vroeger onder de Saksische +regering waren toegestaan[114]. + + [114] Zie _Charterb._ II 143, 436-478; WINSEMIUS 463; SCHOT. 613. + +Met den jare 1524 werd dus de vrede in _Friesland_ hersteld en het +bestuur des lands op een eenparigen voet geregeld. Terwijl andere +provinciën van ons vaderland, als _Groningen_, _Utrecht_, _Overijssel_ +en _Gelderland_, nog bijna twintig jaren lang de twistappels der +strijdende partijen bleven, hadden de Friezen het geluk, toen reeds het +genot te bekomen van de grootste der maatschappelijke voorregten: van +vrede en veiligheid en van orde in bestuur en regtspleging, die welvaart +en vooruitgang ten gevolge hadden. De gunst van den nieuwen landsheer +was der getrouw geblevene steden _Leeuwarden_, _Harlingen_ en _Franeker_ +al spoedig gebleken, door het ontvangen van belangrijke giften en +voorregten, die haren bloei konden bevorderen, en waardoor zij mede in +staat gesteld werden hare vestingwerken te versterken. Ook andere steden +werden vervolgens met zulke privilegiën begiftigd. Klemmende bepalingen +werden er gemaakt tot beter onderhoud van zeedijken, sluizen en vaarten. +Nieuwe wegen werden er aangelegd en bestaande verbeterd, vooral om den +toegang naar de Hoofdstad gemakkelijker te maken. Eene nieuwe Munt en +Leerschool werden dáár opgerigt. Nuttige verordeningen ten aanzien van +zeevaart en handel bevorderden den uitvoer van boter, kaas, granen, +vleesch, visch en andere voortbrengselen des lands naar _Bremen_, de +Oostzee en elders, zoodat er leven en verkeer, voorspoed en weelde +ontstond, welke in alle rangen en standen van gunstigen invloed waren. +Zoowel op het land als in de steden werd er een aantal aanzienlijke +gebouwen, gestichten, kerken en torens gebouwd of vernieuwd, welke +blijken droegen van moed, kracht en overvloed, waardoor men ook opgewekt +werd kunsten en wetenschappen te beoefenen. Rustig en gelukkig waren dus +de jaren, waarin de genoemde Stadhouder SCHENCK dit gewest vervolgens +bestuurde. Ook zijne opvolgers, MAXIMILIAAN _van egmond_, Graaf van +_Buren_ (1540) en JOHAN _van ligne_, Graaf van _Aremberg_ (1548), wisten +zoowel de belangen van hunnen Heer als die der ingezetenen met ijver te +bevorderen. Want in dit tijdperk van vrede en voorspoed, waarin de +Nederlandsche gewesten, eindelijk onder één Heer vereenigd, één, +elkander niet meer vijandig, geheel vormden, werden velerlei burgerlijke +betrekkingen geregeld, de bronnen van bestaan ontwikkeld, kennis en +beschaving gekweekt en onderling verkeer en vriendschappelijke +toenadering bevorderd. De moed tot groote ondernemingen werd opgewekt. +Zoo werden ook vele dorre hooge veengronden in het zuidoosten van +_Friesland_ in dezen tijd in vruchtgevende akkers herschapen, door ze af +te graven, den turf te vervoeren, groote vaarten aan te leggen en de +afgegravene landen te ontginnen. Deze verveeningen, reeds vroeger +begonnen, doch daar eerst toen op eene groote schaal voortgezet door den +Raadsheer PIETER VAN DEKAMA en andere Heeren, hebben den oorsprong +gegeven aan het vlek _Heerenveen_, de vruchtbaarheid van dat oord +bevorderd, en daar leven en werkzaamheid bij groote voordeelen +aangebragt.--Aldus werden de krachten en de geest der ingezetenen +ontwikkeld en bereid, om in een volgend tijdperk vatbaar te zijn voor +het genot van nog grootere voorregten, als burgers en als christenen. + + * * * * * + +Het midden der 16e eeuw biedt alzoo een geschikt tijdpunt aan, om een +overzigt te geven van den toenmaligen toestand des lands en de zeden der +inwoners. Wij zullen daarbij niet het oordeel van latere schrijvers, +maar de eenvoudige beschrijving van een tijdgenoot volgen. Daar die +schrijver, WORP VAN THABOR, in 1538 overleed, zal deze schets welligt op +omstreeks 1530 moeten worden toegepast. Des te meer zullen wij ons +moeten verwonderen over de sporen van rijkdom en levensgenot, welke hij +vermeldt. Deze toch zijn zoo vele blijken hoe spoedig een klein, doch +nijver volk zich weet te herstellen van de rampen, welke de +verwoestingen des oorlogs zoo vele jaren lang hadden te weeg gebragt. +Opmerkelijk is het tevens, dat de Friezen, ondanks den invloed van de +Saksische en Bourgondische Vorsten, hunne zelfstandigheid en +nationaliteit bleven handhaven. Hun volksleven en eigendommelijkheid +verhief zich steeds krachtig boven allen vreemden invloed, hoezeer de +uiterlijke vormen van lieverlede verzacht en de zeden iets meer +beschaafd werden. Hunne zedelijke eenheid en kracht wisten ook den +volksaard en de voorvaderlijke instellingen zóó vast te bewaren en te +beschermen tegen alle staatkundige overheersching, dat de pogingen der +Stadhouders, om hunne vrijheden in te krimpen en de magt des Keizers te +vergrooten, bij hen immer schipbreuk leden. + + +26. _Schets van den Toestand van Friesland, omstreeks den jare 1530._ + +»_Friesland_ (schrijft WORP VAN THABOR) is een vlak land, zonder bergen, +maar rijk in groot en klein vee. In dat gedeelte, hetwelk aan den +noordelijken oceaan grenst, bestaat de grond uit zware klei, vruchtbaar +in granen, overvloedig in gras, overdekt met weidevelden en voor de +veeteelt uitnemend geschikt. Vanhier, dat die streken ontzaggelijke +groote en vette ossen opleveren, die door inheemsche en vreemde +kooplieden naar elders worden uitgevoerd. Bovendien levert dit gedeelte +van _Friesland_ overvloed van melk, boter en honig op, waarvan het vele +streken van _Nederland_ voorziet. Het zuidelijk gedeelte des lands heeft +een meer zandigen grond, en is meer geschikt voor graanbouw dan voor +veeteelt. Ook heeft het meer overvloed van hout. Op vele andere +plaatsen is de grond moerassig. Aldaar worden kluiten aarde (veen) +uitgestoken, die, in de zon gedroogd, het gebrek aan hout, tot +haardbrand, rijkelijk vergoeden; anderen evenwel voeden het vuur met +gedroogden koemest. Overigens telt _Friesland_ slechts weinige steden, +maar daarentegen des te talrijker dorpen en buurtschappen, die, bijna +door het gansche land, zoodanig aan elkander gerijd zijn, dat men de +eene van de andere naauwelijks onderscheiden kan. In sommige deelen +vindt men uitgestrekte en nuttige meren, die overvloed van visch +opleveren. Bovendien telt dit land, door Gods voorzienige zorg, zoo +velerlei land- en watergevogelte, welks eijeren en vleesch een even +voortreffelijk voedsel opleveren, dat zelfs aan rijke lekkerbekken niets +ontbreekt, om hunnen smaak te streelen. Want, om van eenden, ganzen en +andere soorten van vogels niet te spreken, die in _Friesland_ ontelbaar +zijn, doch die men ook elders vindt, is er hier eene zóó groote +hoeveelheid zwanen, dat niet slechts edelen en vermogenden, tot wier +spijs zij meer bijzonder behooren, maar zelfs de geringere klassen en de +boeren, daarvan tot verzadiging toe kunnen eten. _Friesland_ brengt +derhalve alles wat tot levensonderhoud noodig is in den ruimsten +overvloed voort; wijn en olie alleen uitgezonderd." + + +27. _Schets van de Zeden der Friezen, omstreeks den jare 1530._ + +»Terwijl ik den lof der Friezen te vermelden en hunne zeden te schetsen +wensch (dus vervolgt WORP VAN THABOR), verdient te worden opgemerkt, dat +de Friezen, hoewel zij tot de Germanen gerekend worden, thans door +voorkomen, taal en zeden ten sterkste van de overige Duitsche volken +verschillen. Dat verschil bestond reeds bij onze vaderen, zoodat een +Fries, ver van zijn vaderland verwijderd, alleen daaraan gemakkelijk kon +gekend worden. De oorzaak hiervan meen ik daaruit te moeten verklaren, +dat de Friezen eertijds weinig omgang met hunne naburen hadden. Doch +thans zijn zij, ten gevolge van het veelvuldig onderling verkeer, naar +het uitwendige, meer aan de Duitschers gelijk geworden; ofschoon de +vrouwen, nog tot op den huidigen dag, in kleeding, en vooral in kapsels, +aanmerkelijk van de vrouwen der naburige volken verschillen. + +De Friesche landlieden overtreffen echter die van alle andere +Germaansche gewesten door de beschaafdheid en ingetogenheid van hunne +gesprekken en manieren; door de pracht hunner huizen, de netheid en +fraaiheid van hun huisraad, de kostbaarheid en sierlijkheid hunner +kleeding en hun overvloed van zilver en goud. Vandaar, dat de vrouwen op +feestdagen zoodanig van goud en zilver schitteren, dat het moeijelijk +zou zijn, elders in de christenwereld daarvan een dergelijk voorbeeld te +vinden. Zelden ziet men alsdan eene boerenvrouw, die niet met een zuiver +zilveren of vergulden gordel van groot gewigt is versierd. Hierbij +voegen de rijken, naar voorvaderlijk gebruik, armbanden, en als +borstsieraad gouden en zilveren haken en platen, van niet geringe +waarde. En dit alles betreft nog slechts de vrouwen uit het volk. De +adellijke vrouwen zijn met nog zoovele andere gouden en zilveren +kleinodiën van allerlei aard opgepronkt, dat zij er meer mede beladen +dan versierd schijnen, hetgeen voor de Duitschers, die soms _Friesland_ +bezoeken, een ongewoon en vermakelijk schouwspel oplevert. + +Ofschoon men gewoon is, aan de Friezen eene woeste en onmeêdoogende +geaardheid toe te kennen, openbaren zij die echter, zoo men juist wil +spreken, alleen ten opzigte van hunne vijanden, en geenszins van allen +zonder onderscheid. Door buitengewone mildheid, wellevendheid en +gastvrijheid overtreffen zij veeleer andere volken. Vreemdelingen, +onbekenden en behoeftigen worden vaak vriendelijk ontvangen en rijkelijk +onthaald. Ook vieren zij talrijke, ja bijna dagelijksche gastmalen, +waarbij zij echter, naar de wijze der Germanen, gewoon zijn, zich meer +dan betamelijk is aan de dronkenschap over te geven. Zij bezitten eene +soort van horens, van wilde dieren afkomstig en van ontzettenden omvang, +met goud of zilver beslagen, van welke zij zich bij hunne maaltijden +bedienen. Als zij aan tafel een ander den beker toebrengen, zijn zij +gewoon elkander de regterhand te drukken, waarbij de vrouwen gewoonlijk +nog een kus voegen. Dit wordt in geen geval onvoegzaam geoordeeld. + +Tot lof des Frieschen volks is veel door de uitstekendste mannen +geschreven, waarvan ons het een en ander in handen is gekomen. Ik zal +mij vergenoegen hier aan te halen wat BARTHOLOMEUS _de Engelschman_ en +na hem AENEAS SYLVIUS (die, later (1458) tot Paus verheven, den naam van +PIUS II heeft aangenomen) in hunne schriften getuigd hebben. »Het +Friesche volk, zeggen zij, is krijgshaftig, in den wapenhandel geoefend, +van forschen en krachtigen ligchaamsbouw, van een kalm en onvertsaagd +gemoed. Het is een vrij volk, dat zijne eigenaardige zeden heeft, en, +ongeneigd om aan vreemden te gehoorzamen, ook over anderen niet begeert +te heerschen. Uit liefde tot de vrijheid aarzelt het niet, zich aan +levensgevaar bloot te stellen, en het verkiest den dood boven het juk +der slavernij. Daarom erkennen zij ook geen krijgsrang of waardigheden, +en dulden niet, dat iemand hunner, om den wille des oorlogs, zich boven +zijne medeburgers verheffe. Echter gehoorzamen zij aan regters, die zij +jaarlijks uit hun midden verkiezen, en die het gemeenebest naar +billijkheid besturen. Op kuischheid stellen zij hoogen prijs, en het +gebrek aan eerbaarheid wordt in de vrouwen gestrengelijk gestraft. »Zij +hebben in hun gewest een aantal magtige en vorstelijke kloosters +gesticht, waarin eene ontelbare menigte personen van beide seksen zich, +in reinheid van zeden en onderwerping aan de ordelijke kloostertucht, +aan de dienst van God hebben toegewijd." (Zie _Aanteekening 17_.) + +Deze beschrijvingen van het land en de zeden der Friezen in den +toenmaligen tijd zijn voorzeker zeer gunstig. Zij dragen blijken van +hooge ingenomenheid, welke zich laat verklaren uit der Friezen sterke +liefde en gehechtheid aan hun land, hetwelk door de vaderen met veel +zorg en strijd tegen de zee en de vijanden verdedigd was, en dat boven +vele andere landen groote voorregten mogt genieten. Vandaar ook die +geestkracht, moed en fierheid van karakter, waarvan zoo vele Friezen +blijken gaven, en waarvan ons bij het verhaal van de latere +gebeurtenissen zoo vele treffende voorbeelden zullen voorkomen: want +naarmate die kenmerken van den volksaard toegepast werden op edele +voorwerpen, gaven zij aanleiding tot het verrigten van schitterende +daden, waar het de behartiging van de algemeene belangen gold. + + +28. _Merkwaardige Personen, uit het midden der 16e eeuw._ + +Waar het de behartiging van de algemeene belangen des vaderlands gold, +daar zien wij in deze eeuw vooral den talrijken, krachtigen en +vermogenden Frieschen Adel werkzaam; ofschoon ook de middelstand tijdens +den langdurigen vrede in aanzien en vermogen toenam, zoodat daaruit +reeds eenige personen voortkwamen, die zich door bekwaamheden +onderscheidden en tot waardigheden verheven werden[115]. Een aantal der +op het land verspreid wonende edelen, die vroeger met elkander oorlog +voerden, besteedde nu den tijd van rust en vrede, om zich op de +wetenschappen toe te leggen en zich in staatszaken te oefenen, ten einde +in de raadsvergaderingen aan de lands belangen te kunnen medewerken. +Sedert de oprigting van het _Hof van Friesland_ vielen vele edelen +bijzonder op de beoefening van de regtsgeleerdheid, ten einde zich te +bekwamen, om de eervolle betrekking van Raadsheer in dat Hof te +bekleeden. Bij gebrek aan leerscholen in ons eigen land, deden zij ter +verkrijging van kundigheden veelal groote reizen door _Duitschland_, +_Frankrijk_ en zelfs _Italië_, waar zij de hoogescholen bezochten en +veel kennis en ondervinding opdeden, zoodat sommigen na hunne terugkomst +sieraden van hun vaderland werden en als staatsmannen of regtsgeleerden +in hoog aanzien kwamen of tot belangrijke waardigheden geroepen werden. +_Wittemberg_ en _Pavia_, doch vooral _Keulen_, _Leuven_ en _Rostok_, +worden inzonderheid genoemd als plaatsen, werwaarts de jonge lieden uit +_Friesland_ zich ter studie begaven[116]. Opmerkelijk is het althans, +dat er, omstreeks het midden der 16e eeuw, toen de geleerdheid in ons +vaderland nog op een lagen trap stond, uit _Friesland_ zoo vele +uitstekende personen zijn voortgekomen, die door bekwaamheid en +eer-ambten zich binnen- en buitenlands beroemd hebben gemaakt. De +voornaamste der door ons bedoelde personen willen wij hier kortelijk +vermelden. + + [115] Eene lijst der Friesche Edelen, ten jare 1505, onder de + Saksische regering opgemaakt, komt voor bij WINSEMIUS, 402 en _Oudh. + en Gest._ II 502. Het was een vrije Adel, dat is, van geen Graaf of + Leenheer afhankelijk; doch ook dáárom bezat deze adel hier geene + heerlijke regten boven de overige ingezetenen, zoo als elders. + + [116] Zie JANCKO DOUWAMA'S _Geschriften_, 508 en Inleid. 45. Hij raadt + zijne vrouw, hunne zonen liever naar _Parijs_ of _Orleans_ ter studie + te zenden, omdat het "aldaer niet also costumelijck is to drincken, + alst in dese Nederlanden wal is!" + +Als ~Regtsgeleerden~ en ~Staatsmannen~ hebben bijzonder uitgeblonken: +VIGLIUS VAN AYTTA VAN ZWICHEM (geb. 1507 nabij _Wirdum_), die, wegens +uitstekende bekwaamheden, door Keizer KAREL en zijn zoon FILIPS tot +hooge waardigheden verheven, vooral als Voorzitter van den geheimen Raad +te _Brussel_, in een belangrijk tijdperk zijn vaderland groote diensten +bewees, even als zijn vriend JOACHIM HOPPERS (geb. 1522 te _Sneek_), die +mogt opklimmen tot Geheimraad en Groot-Zegelbewaarder van den Koning van +_Spanje_, te _Madrid_. AGGE ALBADA, van _Goënga_, was eerst Raadsheer in +het Friesche Hof en daarna in het Keizerlijk Kamergerigt te _Spiers_ en +bekleedde buitenlands ook andere aanzienlijke waardigheden. In dat +zelfde Kamergerigt te _Spiers_ had ook zitting CIPRIANUS STAPERT, van +_Wommels_, die door den Keurvorst van _Ments_ tot Hoogleeraar aldaar +werd aangesteld. Evenzoo werden BOËTIUS EPO (BOTE YPES, van +_Roordahuizum_) te _Douai_, WYBRANDUS VAN AYTTA te _Dôle_, JULIUS VAN +BEYMA (geb. 1539 te _Dokkum_) te _Wittemberg_, REGNERUS SIXTINUS (geb. +1543 te _Leeuwarden_) te _Marburg_, JOANNES VAN DOCKUM te _Keulen_ en +SUFFRIDUS PETRUS (geb. 1527 te _Leeuwarden_) te _Erfurt_, _Leuven_ en +_Keulen_, tot Hoogleeraren in de regten verheven. Verscheidene +buitenlandsche Akademiën droegen alzoo blijken van de geleerdheid der +Friezen. Bovendien waren in _Friesland_ KEMPO VAN MARTENA, HECTOR VAN +HOXWIER, UPCO VAN BURMANIA, SICKE en PIETER VAN DEKAMA, SYDS TJAERDA, +HAIJO HERMANNUS, WILCO VAN HOLDINGA en anderen om hunne geleerdheid en +bekwaamheid destijds in hoog aanzien. + +Als beoefenaren van de ~Letterkunde~ der Grieken en Romeinen waren toen +en later, behalve genoemde SUFFRIDUS PETRUS, zeer geacht: GEORG RATALLER +(geb. 1528 te _Leeuwarden_), die Raadsheer werd te _Artois_, _Mechelen_ +en _Utrecht_, Gezant naar _Denemarken_ enz.; STEPHANUS SYLVIUS, Pastoor +te _Leeuwarden_, te _Heidelberg_ tot Doctor in de Godgeleerdheid +bevorderd, en WILLEM CANTER (geb. 1542 te _Leeuwarden_), die, even als +VITUS WINSEMIUS en de vier geleerde broeders POPMA van _Ylst_, +onderscheidene letterkundige en regtsgeleerde werken hebben uitgegeven. + +In de ~Wis-~, ~Natuur-~ en ~Geneeskundige Wetenschappen~ vinden wij +destijds mede reeds mannen van naam vermeld, als: GEMMA FRISIUS (1508 +geb. te _Dokkum_) en zijn zoon CORNELIUS GEMMA, beide Hoogleeraren te +_Leuven_, waar zij een aantal wiskundige geschriften in het licht gaven. +Als Wis- en Bouwkundige en Schilder behaalde JAN VREDEMAN DE VRIES (geb. +1527 te _Leeuwarden_) in _Antwerpen_ en elders grooten roem. JOANNES +ACRONIUS (van _Akkrum_) was Hoogleeraar in de Genees- en Wiskunde te +_Bazel_, in welke stad, op de grenzen van _Zwitserland_, ook LAURENTIUS +DE FRIES in 1531 een geneeskundig werk in het licht gaf. ANDREAS MIRICA +(geb. te _Lemmer_) doorreisde bijna geheel _Europa_ en was daarna te +_Leeuwarden_ als Geneeskundige beroemd; SIXTUS HEMMEMA, Doctor in de +Wis- en Geneeskunde te _Leuven_, bestreed de Astrologen dier dagen; +terwijl PETRUS TIARA (in 1514 geb. te _Workum_), wegens zijne +geleerdheid zoowel in de oude letteren als in de Wis-, Natuur- en +Geneeskunde vermaard, na vele reizen Hoogleeraar werd te _Leuven_, +_Douai_, _Leiden_ en _Franeker_. + +Ook de ~Geschiedenis~ van _Friesland_ vond in het eerste gedeelte dezer +eeuw ijverige beoefenaars in JANCKO DOUWAMA van _Oldeboorn_, in KEMPO +VAN MARTENA, in de kloosterbroeders PETER en WORP VAN THABOR, en later +in CORNELIUS KEMPIUS (van _Dokkum_) en genoemden SUFFRIDUS PETRUS, in +wier geschriften vele merkwaardige bijzonderheden uit sommige tijdvakken +onzer geschiedenis voor het nageslacht zijn bewaard gebleven. +(_Aanteekening 18._) + +Als wij in aanmerking nemen, hoe weinige hulpmiddelen er destijds nog +maar bestonden ter bekoming van kennis en geleerdheid, dewijl het getal +gedrukte boeken toen nog zoo gering was, en er, zoo ver bekend is, vóór +1570 in _Friesland_ geene boekdrukkerij heeft bestaan;--en als wij +bedenken, hoe gebrekkig toenmaals de wegen en de middelen van vervoer +waren, zoodat het uiterst moeijelijk moet gevallen zijn, soms ook wegens +het woeden van den oorlog, naar buitenlandsche hoogescholen te reizen, +om kennis en wetenschap te vergâren:--dan mogen wij ons met regt +verwonderen over het groot getal geleerden, welke _Friesland_ omstreeks +het midden der 16e eeuw heeft opgeleverd. Dat velen hunner in naburige +landen wetenschappelijke betrekkingen aannamen, was zeer natuurlijk, +dewijl er vóór 1576 in _Noord-Nederland_ nog geene hoogescholen of +algemeene leerstoelen van wetenschap bestonden. Zelfs deed de regering +des lands lang moeite, om hier de beoefening van de wetenschappen te +onderdrukken, omdat zij ze als schadelijk beschouwde, bijzonder voor de +godsdienstige ontwikkeling des volks, welke men lang en met vele moeite +te keer ging, dewijl zij geenerlei verandering in de godsdienst wilde +gedoogen. In weerwil van velerlei bezwaren wisten echter de krachtige +volksgeest en het gezond verstand der Friezen zich zelve een weg te +banen, ter vermeerdering van kennis, ter ontwikkeling van het verstand +en tot beschaving van den geest, welke eerlang, hoewel na hevigen +strijd, rijke vruchten zouden dragen voor godsdienst en zedelijkheid, de +zuilen van iederen burgerstaat. + + +29. _De Regering van Koning Filips van Spanje. (1555-1580.)_ + +Het was een merkwaardig schouwspel, hetwelk de stad _Brussel_ den 25 +October 1555 opleverde. _Keizer_ KAREL V, die bijna veertig jaren lang +_Duitschland_, _Spanje_, _Nederland_ en zijne overige Staten met roem +had bestuurd, haakte naar rust, welke hij door afzondering in een +Spaansch klooster meende te zullen vinden. In eene plegtige vergadering +van vorsten, grooten, geestelijken en afgevaardigden van al de +Nederlandsche provinciën, deed hij afstand van de regering dezer landen +ten behoeve van zijn zoon FILIPS. Hij deed dit met eene roerende +aanspraak, waarin hij terugzag op hetgeen hij gedaan, had, terwijl hij +hoopte, dat de jeugdiger krachten van zijn opvolger alles zouden +vermogen, wat hem de duurzame liefde der ingezetenen zou kunnen doen +verwerven. Hierna beloofde FILIPS onder eede, dat hij de regten der +landzaten zoude handhaven, en ontving van de afgevaardigden den eed van +trouw en hulde. + +Bij het doen van dezen eed viel er eene bijzonderheid voor, welke weder +een blijk gaf van de fierheid en volkstrots der Friezen. Volgens eene +gewoonte der vorsten van het Oostenrijksche huis, vorderde de hoftoon, +dat de eed ~geknield~ werd afgelegd. Alle gezanten der zestien +Nederlandsche provinciën volgden dit gebruik en knielden neder. Doch de +acht afgevaardigden van _Friesland_ zagen hierin een vernederend +huldebetoon, hetwelk hun eerbied voor het heilige alleen Gode toekende. +Zij weigeren te knielen, en, terwijl zij te midden der nedergebogene +schare alleen ~staan~ blijven, verontschuldigen zij zich bij monde van +een hunner, GEMME VAN BURMANIA, door te zeggen: + + _Wij Friezen knielen alléén voor God._ + +Van dit rustige en fiere antwoord bekwam deze edelman sedert den bijnaam +van _de Stand-Fries_, en is deze naam later dikwijls toegepast op ieder +zijner landgenooten, die blijken geeft van fierheid, standvastigheid van +karakter of van een krachtigen wil. + + * * * * * + +De Nederlanders hadden weinig reden, om over deze verandering van +landsheer tevreden te zijn. De trotsche geaardheid van FILIPS, die hier, +gelijk in _Spanje_, als Koning wilde heerschen, dewijl hij deze landen +als wingewesten der Spaansche kroon aanzag, en de dweepzucht, welke hem +onstaatkundig deed handelen, toen hij geenerlei verandering in de oude +en verbasterde kerkleer en wijze van godsdienst-oefening wilde gedoogen, +namen de ingezetenen tegen zijn bestuur in. Zij baarden eerlang onrust, +daarna verzet en eindelijk openbaren strijd tegen zijn gezag, dat hij +met geweldige oorlogsmiddelen en door moorden en bannen wilde handhaven. +Te vergeefs. Die schending van het regt des volks en van zijn pligt als +vorst, deze heerschzucht en wreedheid konden de Nederlanders niet +dulden. Lang verdrukt en getergd sloegen zij de handen ineen, +weêrstonden geweld met geweld, en vormden een kleinen, doch naauw +vereenigden staat. Zóó gaven de ondeugden en verkeerde handelingen van +den Koning en zijne dienaren aanleiding, om hem gehoorzaamheid te +weigeren en af te zweren. Zóó werd dit alles de oorzaak van de +herstelling der vrijheid en onafhankelijkheid van _Nederland_ in +godsdienst en burgerstaat. De voornaamste bijzonderheden van deze +roemrijke overwinning willen wij nu schetsen, daar de Friezen in dezen +strijd deelnamen op eene wijze, hunner aloude zucht voor vrijheid en +onafhankelijkheid waardig. + + +30. _Beginselen der Kerkhervorming; Geloofsvervolgingen; de +Doopsgezinden. (1520-1560.)_ + +De geschiedenis der ~volken~ staat dáárin gelijk met de geschiedenis van +ieder ~persoon~, dat allen bestemd zijn, om uit den staat van onkunde en +onbeschaafdheid op te klimmen tot kennis, bekwaamheid en volmaking. +Naarmate de mensch ouder wordt, moet hij vaster gelooven, en meer +naderen tot God, dien hij allengs beter moet leeren kennen en vereeren. +Hij, de groote opvoeder van het menschdom, wiens wijze Voorzienigheid de +lotgevallen van volken zoowel als van personen bestuurt, verschaft +bovendien in elk tijdvak de middelen, om de maatschappij te doen +opklimmen tot die verhevene bestemming, waarvoor de mensch is geschapen. +Doch de dwaasheid van sommige magten, die hare bijzondere oogmerken meer +voorstonden dan de algemeene belangen, poogde dikwijls die heilige +bedoelingen te verijdelen. Waar toeneming in kennis en verlichting haar +belang kon schaden, daar verduisterden zij het licht, en hielden de +onderworpene volken in onkunde en domheid. Dit kon evenwel niet duurzaam +zijn. Vele volken deden hun regt gelden, en vandaar een strijd, tusschen +de voorstanders van duisternis en van licht, van behoud en van +vooruitgang, waarvan vooral de kerkelijke geschiedenis bloedige +tooneelen oplevert. + +De Christelijke Godsdienst, eens in het oosten in zuiverheid verkondigd, +was bestemd om alle volken der aarde door haar licht te bestralen; om +door geloof en liefde alom vrede en deugd te verspreiden; om den mensch +te verheffen en het leven te heiligen door de hoop op eene betere +toekomst, welke hare stralen schiet tusschen de nevelen van het heden. +Spoedig echter werd die goddelijke leer door menschelijke dwalingen +verbasterd. Aan de bereiking van staatkundige bedoelingen werd zij +dienstbaar gemaakt. De heerschzucht vond in haar een middel om zich te +verheffen. En om haar bij heidensche volken te beter ingang te doen +vinden, werd hare eeredienst met prachtige versierselen en plegtigheden +overladen. In deze schitterende uiterlijke vormen, in feestdagen, in de +voorspraak der heiligen en in het brengen van offers aan de kerk en aan +de geestelijken, meende het onkundige volk nu het wezen der godsdienst +te zien. + +Die Geestelijkheid was alom in getal, aanzien en vermogen verbazend +toegenomen. Doch wat deed zij ter opleiding en verlichting van het volk? +In plaats van door de kracht der godsdienst de maatschappelijke gebreken +te bestrijden, verstand en hart te vormen en het lijden des tijds te +verzachten door de kracht van het geloof aan een toekomstig leven, had +zij tegen de waarheid die beide verwonderlijke wapenen ontdekt: +onwetendheid en dwaling. Zij verbood der wetenschap en het vernuft +verder te gaan dan het getijboek, als om den geest op te sluiten binnen +de kloostermuren van de leer der Kerk. Zij kantte zich aan tegen alles, +wat den voortgang der menschelijke beschaving, de ontwikkeling van het +verstand kon bevorderen. Het menschelijk geweten kwam tegen haar in +opstand, en vroeg: wat wilt gij? + +Er was een boek, dat van het begin tot het einde van zijne hoogere +afkomst getuigt; een boek, dat den geheelen schat van menschelijke +kennis bevat, verhelderd en geheiligd door de geheele goddelijke +wijsheid; een boek, door den eerbied der volken het Boek genoemd: de +Bijbel! Dat boek hadden de Pausen verboden. Zoodanig was het door de +leer der Kerk verdrongen, dat de Friezen reeds zeven eeuwen Christenen +waren geweest, vóór dat welligt een hunner de Heilige Schrift had +gezien, veelmin gelezen. Immers, men achtte dit verbod noodzakelijk, +omdat zij een wapen kon worden tegen de Kerk, die voorgaf op haar +gegrond te zijn. En in plaats van dat boek gaf hunne willekeur, welke +zelfs het licht der rede trachtte uit te blusschen, aan de volken--de +Inquisitie.--Onbegrijpelijke dwaling! Ongelukkige volken! + +Na de uitvinding van de boekdrukkunst en de herleving van de beoefening +der oude letterkunde en wetenschappen, kwam echter de Bijbel in veler +handen. Nu gingen de oogen open. Men zag het in, hoe diep de kerk was +vervallen, en hoe vele misbruiken er heerschten. MAARTEN LUTHER had, in +1517, in _Duitschland_ den moed, zich tegen den Paus en de gebreken der +kerk te verzetten, om bijna al hare leerstukken te verwerpen, en om, op +grond van een vrij onderzoek van de Heilige Schrift, terug te keeren tot +een meer eenvoudig oorspronkelijk Christendom en minder zinnelijke +eeredienst. + +De mare van zulk eene gewigtige hervorming in de godsdienst werd in alle +streken van _Europa_ en ook hier met blijdschap vernomen en vond grooten +bijval. Het staatkundig belang van Keizer KAREL bragt echter mede, dat +hij den Paus tot vriend hield en beschermde. Dáárom weêrstond hij, ook +met kracht van wapenen, in zijne landen de verspreiding van die nieuwe +leer. Bestendig werden er nu sedert 1521 in _Friesland_ strenge +plakkaten uitgevaardigd, waarbij de leeringen van LUTHER veroordeeld-, +zijne boeken verboden- en zijne aanhangers met vervolging en straf +bedreigd werden[117]. Doch men bedroog zich: want de vrije ingezetenen +kenden den Keizer wel het regt toe, om hun land te laten besturen, maar +niet, om over hun verstand en godsdienstige gevoelens te heerschen. +Sedert 1522 kwam eene Nederduitsche vertaling van den Bijbel hier in +veler handen. Met verbazing bemerkte men het verschil tusschen die leer +en hare verkondiging door de Geestelijken. Te vergeefs zocht men daarin +den grond van vele leerstellingen en plegtigheden der Kerk. Doch het +gemoed vond daarin kracht en troost bij al de rampen van den oorlog, van +ziekten, van overstroomingen en hongersnood, welke _Friesland_ omstreeks +dien zelfden tijd had te verduren. In dezen tegenspoed had men behoefte +aan godsdienst, aan meerder licht, dan de zinnelijke eeredienst der Kerk +aanbood. Het leven verkreeg hooger waarde door het geloof, dat de harten +doordrong, en hen God en den Heer leerde kennen en liefhebben in het +uitzigt op eene betere wereld. En toen later de voorspoed blonk, vond +men daarin moed en kracht, om hetgeen men als een schat van groote +waarde op hoogen prijs had leeren stellen, te verdedigen en te behouden, +tegen al de wreede vervolgingen der wereldlijke magt, die de Roomsche +kerkleer met geweld trachtte te beschermen. + + [117] _Charterb._ II 107, 415; WINS. 458; SCHOT. 621 env. + + * * * * * + +Als de eerste priesters, die de kerk verlieten, of wel door de +verkondiging van de zuivere leer des evangelies pogingen deden, om de +kerk te hervormen, worden met eere genoemd GELLIUS FABER DE BOUMA van +_Jelsum_ en MENNO SIMONS van _Witmarsum_. Dan, de eerste moest in 1536 +en de andere later vlugten, daar de strengheid der vervolging zeer was +toegenomen, nadat in het vorige jaar ook hier eene oproerige beweging +der Munstersche Wederdoopers tot openbaren strijd en vervolging +aanleiding gaf. Allen, die blijken gaven van de Roomsche kerk af te +vallen of ongenegen te zijn, werden vervolgens beschuldigd of verdacht, +met die Wederdoopers overeen te stemmen; het allermeest de +Doopsgezinden, die hun christelijk geloof in eenvoudigheid en stille +afzondering wenschten te belijden. Sedert 1531 werd een aantal hunner +vervolgd, onthoofd of verdronken, en spaarde de regering geene middelen +om het gezag der Kerk te handhaven en de afvalligen te straffen. + +Doch ook hier werd het bloed dier martelaren weder het zaad eener kerk, +welke in aantal van leden toenam, hoe meer zij door de vervolgingen +verdrukt werden. De schijnbare smaad, hun aangedaan, stortte eene +heilige geestdrift voor het goede en eerbied voor hunne gelatene +vroomheid in de harten van anderen, wier onverbasterd gevoel zich tegen +zulke onmenschelijke handelingen verzette. Doch dit alles was nog +slechts een begin. Want nog dringender werden de bedreigingen der +plakkaten des Keizers, toen hij het waagde, in 1550 de Inquisitie of het +geloofs-onderzoek in _Nederland_ openlijk in te voeren. Van toen af, en +vooral na 1557, wanneer WILLEM LINDANUS als Kettermeester herwaarts werd +gezonden, stonden allen, die van de Roomsche kerkleer afweken, en zelfs +zij, die verdacht waren van de nieuwe leer te begunstigen, aan wreede +vervolgingen bloot. En zeker zou het getal martelaren hier destijds zeer +talrijk zijn geweest, als de Stadhouder, het Hof en de Besturen al de +bevelen des Keizers uitgevoerd en niet gematigd hadden. De Staten des +lands verzetten zich zelfs tegen LINDANUS, en beschermden der +ingezetenen vrijheid tegen zulk eene onduldbare heerschappij over hun +geloof. De algemeene geest der landzaten toonde toch te duidelijk, dat +de stroom niet meer viel te stuiten. Zij bleven dus hopen, dat de +Regering haar eigen belang zou inzien, om door toegevendheid en +gematigdheid billijk te zijn jegens een volk, dat men door dwang en +bedreiging veel meer verbitterde dan terugbragt. (Zie _Aanteek. 19_.) + + * * * * * + +Het zij mij vergund, aan het einde van dit overzigt meer bijzonder stil +te staan bij de kerkgemeenschap der _Doopsgezinden_, welke zich te +midden dier beroeringen in deze landen vertoonde en uitbreidde. Zij +verdient hier eene afzonderlijke vermelding, eensdeels, omdat zij +eene plant was, vooral van den Frieschen bodem; anderdeels, omdat zij +zich hier zóó spoedig en aanzienlijk uitbreidde, dat bij de Hervorming +van 1580 een vierde gedeelte der bevolking van _Friesland_ dezer +gezindte toegedaan was[118], en, in 't algemeen, omdat zij, door de +geheel eigenaardige rigting en de gewigtige waarheden, welke zij +vertegenwoordigt en handhaaft, nog eene merkwaardige plaats onder de +afdeelingen der Christenheid bekleedt. + + [118] Wij zouden geneigd zijn dit bijna ongeloofelijk berigt te + wantrouwen, indien het niet was medegedeeld door een tijdgenoot, den + geachten geschiedschrijver EVERHARD VAN REYD, die, toen hij in 1602 + stierf, Raad en Geheimschrijver was van den eersten Frieschen + Stadhouder, Graaf WILLEM LODEWIJK VAN NASSAU. Zie zijne _Historie der + Nederlantscher Oorlogen_, Leeuwarden 1650, 70. + +Reeds hebben wij MENNO SIMONS genoemd. Hij was echter niet de stichter +dezer gezindte, gelijk velen ten onregte gemeend hebben, daartoe verleid +door den naam van _Mennoniten_ of _Mennisten_, welken eene partij onder +hen gaarne droeg en andersdenkenden hun over 't algemeen gaven. Zij +bestonden reeds lang vóór MENNO, ja hadden in _Friesland_ reeds hunne +martelaren vóór dat hij het punt van den doop begon te onderzoeken. Hun +oorsprong is met geene zekerheid aan te wijzen; maar, in gevoelens met +de Waldenzen verwant, vinden wij door geheel de middeleeuwen sporen van +het aanwezen eener gemeenschap, die, welgeordend en over een groot deel +van _Europa_, verspreid, als stillen in den lande het apostolisch +Christendom in beoefening zocht te brengen. Zorgvuldig onttrok zij zich +aan de opmerkzaamheid der wereld en der vervolgzieke geestelijkheid; +totdat zij, door de groote beweging der geesten in den hervormingstijd +opgewekt, bemoedigd werd, om openlijk mede te werken tot de vernieuwing +des Christendoms. Zij verliet de veilige onbekendheid. In een groot +gedeelte van _Europa_ zag men eene menigte gelijkgezinde menschen +optreden, zonder dat men wist van waar zij hunne gevoelens hadden +verkregen. Door geestelijke en wereldlijke magten vervolgd, trokken +velen hunner uit _Frankrijk_, _Zwitserland_ en _Duitschland_ naar het +noorden, ook naar _Friesland_, waar de regering minder streng was in de +uitvoering van de plakkaten. Daar vonden zij vele gelijkgezinde +Christenen, wier gemoed behoefte had aan eene betere godsdienst dan de +verbasterde kerk aanbood, en die bevrediging vonden in het lezen en +beleven van de Heilige Schrift. Tot dezen ging MENNO over; onder dezen +werkte hij. + +Te _Witmarsum_ in 1496 geboren en tot den geestelijken stand opgeleid, +werd hij in 1524 Kapelaan in het niet ver van _Harlingen_ gelegene +_Pingjum_. Na verloop van twee jaren kwam hij, door eene twijfeling +aangaande het misoffer, voor het eerst tot onderzoek van den Bijbel, en +daardoor allengs tot meer evangelische inzigten. Niet voor 1531 vestigde +de dood van SICKE SNIJDER, als de eerste der Doopsgezinde martelaren te +_Leeuwarden_ onthoofd, zijne aandacht op den doop, en spoedig leerde hij +den kinderdoop als eene instelling, niet des evangelies, maar des +pausdoms kennen. Nadat hij intusschen in zijne geboorteplaats tot +Pastoor was verkozen, begon hij zijne gevoelens over den aard en de +eischen des Christendoms te verkondigen, en verkreeg hij grooten roem en +toeloop onder het volk als evangelisch prediker. + +Nu eerst kwam hij in aanraking met de Doopsgezinden, die in zijne +omstreken hunne gevoelens begonnen te verspreiden en te doopen. Hunne +weldadige pogingen vonden bijval, doch werden spoedig afgebroken door +eene geweldige beweging. Een onrustige geest, welke doorgaans met iedere +hervorming gepaard gaat, had onder hunne geloofsgenooten eene partij van +Wederdoopers gevormd, welke het koningrijk Gods met geweld zocht op te +rigten. In _Munster_ belegerd, zond zij ook naar _Friesland_ hare +zendelingen, die de eenvoudigen hier opruiden. MENNO stelde zich met +alle kracht daar tegen, hield zelfs tot tweemalen met de hoofden der +Munstersche partij eene zamenkomst, doch al zijne vermaningen baatten +niet. De opgeruide menigte greep naar het zwaard. Op Paaschmaandag van +1535 waren er te _Tjum_ ongeveer 300 vergaderd, die 200 krijgsknechten +met verlies deden wijken. Door dit aanvankelijk voordeel bemoedigd, +veroverden zij het _Oldeklooster_ bij _Bolsward_, lieten de monniken +onverhinderd gaan en versterkten zich daar als in eene vesting. Hier +werden ze door de krijgsmagt van den Stadhouder SCHENCK _van Toutenburg_ +belegerd. Moedig streden zij, doch, eindelijk voor de overmagt bezweken, +boetten de meesten, en daaronder een eigen broeder van MENNO, hunne +dwaasheid met het leven. Velen sneuvelden met het zwaard in de vuist, +sommigen werden te _Leeuwarden_ onthoofd, anderen in het Hempenzermeer +verdronken; doch ook velen ontkwamen, of werden om hunne eenvoudigheid +losgelaten. + +Deze oproerige beweging der Munsterschen was, even als later de +beeldenstorm, allen welgezinden zeer leed en de zaak der hervorming tot +groote schade. Bij MENNO echter bragt zij eene groote verandering te +weeg. Dat vergoten bloed viel hem heet op het harte, vervulde hem met +diepe droefheid en deed hem tot zich zelven inkeeren. Hij toch predikte +wel de evangelische leer, doch _deed_ niet alles wat hij predikte en +geloofde. Tegen zijne overtuiging was hij nog altijd priester. Zijn +geweten kon die strijdigheid niet langer dulden, daar hij behoefte had, +zijn geloof uit zijne werken te toonen. Na een moeijelijken strijd van +negen maanden, verkreeg hij eindelijk op zijne gebeden de noodige kracht +tot verzaking en lijden. In 1536 verliet hij het pausdom en zijne +pastorie met al de daaraan verbondene voordeelen, en voegde zich, in het +uitzigt op armoede en verdrukking, bij de overige, rustig geblevene, +doch toen strenger vervolgde Doopsgezinden. Van nu af aan predikte hij +alléén het evangelie, van alle menschelijke instellingen ontdaan, tot +ware boete op den smallen weg, dien hij zelf vrijwillig gekozen had. +Bijna een jaar lang vertoefde hij in eene kleine woning in de nabijheid +van _Witmarsum_, waar hij zijne vrienden stichtte en vermaande[119]. +Toen kwamen er zes of acht afgevaardigden der Doopsgezinden bij hem met +het verzoek, om algemeen Leeraar of Opziener onder hen te willen zijn. +Na lang aarzelen, aanvaardde hij deze bediening, en werkte hij nu in +grooteren kring, te gelijk met zijn vriend DIRK PHILIPS, van +_Leeuwarden_, en later ook met LEENERT BOUWENS, met gunstig gevolg aan +de uitbreiding van het evangelisch geloof. Zóó bekwam de gemeenschap der +Doopsgezinden, vooral door MENNO'S geleerdheid voorgelicht en verdedigd, +door zijn ijver uitgebreid, maar bovenal door zijne gemoedelijke +vroomheid bevestigd, een geregeld bestaan. + + [119] _Menne Siemmens oud preechuis_ noemt SCHOTANUS dit huis op zijne + kaart van _Wonseradeel_. Bekend is het, dat dit bedehuis der daar nog + bestaande gemeente in 1828 hersteld- en met een schoon afbeeldsel van + MENNO, door VAN DER KOOI geschilderd, versierd is; terwijl + gelijktijdig eene fraai gegraveerde afbeelding van dit Menno + Simons-Kerkje is uitgegeven. + +De toenemende strengheid der plakkaten, welke velen zijner volgelingen +den dood kostte, noodzaakten hem eerlang zijn vaderland te verlaten. +_Emden_, »de herberg van Gods verdrukte gemeente" genoemd, nam hem op, +doch weldra van daar verdreven, trok hij naar _Keulen_ en na verloop van +twee jaren naar _Lubek_, en bleef, ondanks vele moeiten en gevaren, dáár +en op andere plaatsen in _Nederland_ en het noordelijk _Duitschland_, +met heiligen ijver een eenvoudig apostolisch Christendom prediken. Op +eene plaats _Woesteveld_, tusschen _Hamburg_ en _Lubek_, mogt hij in de +laatste jaren zijns levens eene veilige woonplaats bekomen, en door het +drukken van zijne eigene godsdienstige geschriften een bestaan-, en als +Oudste en Leeraar der gemeente gelegenheid vinden, om nuttig te zijn +voor de belangen des evangelies. Dankbaar mogt hij zich verheugen, in +verschillende landen meer dan 50 gemeenten gesticht- en velen voor het +rijk zijns Heeren gewonnen te hebben. In _Friesland_ waren zijne +medearbeiders intusschen in zijnen geest ijverig werkzaam, en mogt +alleen LEENERT BOUWENS sedert 1551 op 74 plaatsen een getal van 6500 +personen, die aan hun christelijk geloof een zuiver leven wenschten te +verbinden, den doop toedienen. Ook na MENNO'S overlijden (1561) nam deze +gezindte, in weerwil der vervolgingen, hier en elders sterk toe, en +zetten mede vele uit _Braband_ en _Vlaanderen_ gevlugte Doopsgezinden +zich in dit gewest neder. + + * * * * * + +Al de Protestanten hadden tijdens de hervorming dit met elkander gemeen, +dat zij door onderzoek van de Heilige Schrift tot geloofsovertuiging +kwamen, ijverden tegen de leer en de misbruiken der Kerk en nieuwe +gemeenten stichtten. De grondslagen dier gemeenten werden gewijzigd door +de omstandigheden en naar ieders ~opvatting~ van het evangelie. Vandaar +zooveel verschil bij zooveel overeenkomst van geest en bedoeling. Zoo +streed LUTHER vooral tegen de _werkheiligheid_ der Roomsche kerk, en +kwam hij door tegenstelling: _tot de regtvaardigmaking uit het geloof, +zonder de werken_, welke hij als kenmerkende leer aan zijne gezindte +naliet. Zoo bestreden ZWINGLI en CALVIJN _het verheffen van het schepsel +boven den Schepper_, en werd alzoo een der grondtrekken van de Hervormde +kerk gerigt tot vernedering van het eerste, tot 's menschen +ellendigheid, om den laatsten te verhoogen. In beide kerkgenootschappen +stond alzoo de _leer_ op den voorgrond. Geheel anders was dit evenwel +bij de Doopsgezinden. Waren de Hervormers geleerden, die _in_ de Kerk +bleven, om haar in zich zelve te louteren, zij moesten daartoe strijd +voeren tegen leerstellingen, in eene vroegere ontwikkeling des +Christendoms ontstaan en op kerkvergaderingen vastgesteld;--de +Doopsgezinden echter _verlieten_ die Kerk, voerden geen strijd tegen +haar en bepaalden hun onderzoek enkel en in alle eenvoudigheid tot den +Bijbel. Verkreeg de leer der Hervormers een wetenschappelijken vorm en +hadden zij met gezag bekleede geloofsbelijdenissen noodig;--de +Doopsgezinden hadden genoeg aan het evangelie, waarin zij het +oorspronkelijk Christendom vonden met zijne verheffende leer, heiligen +wandel en slechts twee instellingen: doop en avondmaal. In de poging om +dat Christendom te herstellen, gingen zij dus eene schrede verder dan de +Hervormers, die de bestaande Kerk zochten te verbeteren, te hervormen; +die wel veel daarvan verwierpen, maar ook veel behielden; die ook den +doop der Roomsche kerk behielden met de kerkgebouwen en de daaraan +verbondene bezittingen en inkomsten. Doch de Doopsgezinden behielden +dien doop niet, en daardoor verviel mede hunne betrekking tot de oude +Kerk, welke zij verlieten met opoffering van alle aanspraken op +gebouwen en goederen. Bepaalden de geleerde Hervormers zich bijzonder +tot de _leer_,--de Doopsgezinden stelden zich het _leven_ ten hoofddoel. +Den christelijken doop waardig te ondergaan en getrouw te beleven werd +het middelpunt van hun gemoedelijk streven: aan de eene zijde, om de +wereldsche begeerlijkheden te verzaken en aan de andere zijde, om een +geestelijk leven, een vromen wandel te leiden. + +Hieruit ontstonden als van zelf die kenmerkende bijzonderheden, waardoor +zij zich lang van de overige protestanten hebben onderscheiden: hunne +_afgescheidenheid van de wereld_ en verzaking van hare genietingen, +opdat zij door haar niet besmet en in hun christelijken wandel gestoord +zouden worden;--hun weigeren om het _Overheidsambt_ te bekleeden en +_Wapenen_ te dragen tot het voeren van oorlog, als in strijd met het +geestelijk leven, waartoe zij zich onder dulden en lijden verbonden +hadden;--hun weigeren van den _Eed_, dien zij voor den Christen +ongeoorloofd beschouwden bij hunne groote waarheidsliefde en +trouw;--hunne afkeerigheid van alle wereldsche praal en weelde bij hunne +zucht naar eenvoudigheid in kleeding, levenswijze en zelfs in hunne +bedehuizen, Vermaningen geheeten, en godsdienst-oefeningen. Zij hadden +dus geene behoefte aan bezoldigde leeraars, dewijl ze minder prijs +stelden op wetenschap en welsprekendheid dan op verlichte bijbelkennis +en vroomheid des gemoeds, zoodat zij in hun midden altijd genoeg +broeders hadden, die hen door een eenvoudig woord uit liefde konden en +wilden stichten[120]. De gemeente zuiver en heilig te bewaren en naar +het evangelie op te bouwen tot godzaligheid was hun hoogste streven, en +hun geloof uit de werken te toonen hun eerste pligt.--Zóó waren en +bleven de Doopsgezinden, zoolang zij zich buiten de wereld hielden. +Hierna zullen wij gelegenheid vinden hunne latere lotgevallen en +veranderingen, door het verkeer met en in de wereld, te vermelden[121]. + + [120] Nog bestaat er in Friesland zulk eene gemeente der _Oude + Friezen_ te _Balk_ in _Gaasterland_, waarin nagenoeg al het + bovenvermelde nog naauwkeurig wordt in acht genomen, en wier leden + (waaronder geene armen zijn) in de algemeene achting deelen, wegens + hun opregt en ongeveinsd geloof, deelnemende liefde en reine zeden. + Eene beschrijving van deze gemeente komt voor achter BLAUPOT TEN CATE, + _Geschiedenis der Doopsgezinden in Friesland_, Leeuwarden 1839, 370, + naar welk belangrijk werk wij, ook ten aanzien van dit gansche + onderwerp, verder verwijzen. Ook op _Ameland_ bestaat nog eene + dergelijke gemeente. + + [121] Zie dit alles breeder voorgesteld in het uitmuntend geschrift: + _Onderzoek naar het kenmerkend beginsel der Doopsgezinden_, door D. S. + GORTER, Sneek 1850, 12 env. hetwelk ik hoofdzakelijk gevolgd ben met + nadere toelichting van den Schrijver, dien ik daarvoor bij deze mijnen + dank toebreng. + + +31. _De Hervorming een tijdlang ingevoerd, maar weder onderdrukt. +(1566.)_ + +Veertig jarenlang hadden de Friezen bewijzen gegeven, dat zij eene +verandering of hervorming van de oude en in zoo vele opzigten +verbasterde kerkleer verlangden. Zij deden dit op grond der Heilige +Schrift, die geene missen, boetedoeningen, biechten of aflaten, maar +geloof, liefde en hoop, blijkbaar in een heilig leven, vorderde. Noch de +Paus, noch de Keizer, noch de Koning wilde echter van eenige verandering +in leer of godsdienst-oefening iets weten. Integendeel, sedert FILIPS +_van Spanje_ Heer dezer gewesten was geworden, wilde zijne blinde +dweepzucht, dat allen, die hun christelijk geloof niet meer naar de +voorschriften der Roomsche kerk beleden, nog strenger dan vroeger +vervolgd, gepijnigd en op den brandstapel gebragt zouden worden. Alles +werd gedaan om het geestelijk en wereldlijk gezag der Kerk staande te +houden. + +Daartoe diende ook in 1559 de oprigting van vier Aarts-Bisdommen en 13 +nieuwe Bisdommen in _Nederland_. De stad _Leeuwarden_ werd daarbij tot +het hoofd eens Bisdoms en eener provincie verheven, waarop later de +aanwijzing van het regtsgebied, het gezag en de inkomsten des Bisschops +volgde. Maar tegen de invoering van deze opgedrongene weldaad des +Konings verzetten de Staten en zelfs ook de Geestelijkheid van +_Friesland_ zich zóó krachtig, dat de benoemde Bisschop niet overkwam, +maar hem een ander Bisdom aangewezen werd. + +Die tegenstand had dus gebaat, en gaf moed tot meerder verzet tegen de +eischen van _Spanje_. De meerderheid der ingezetenen toch, waaronder de +adel en de aanzienlijksten des lands, gaven blijken, de zaak der +hervorming toegedaan te zijn. Zoodra het gerucht der algemeene +Beeldenstorm (den 14 Augustus 1566 in _West-Vlaanderen_ begonnen) zich +door _Nederland_ verspreidde, beraamde de Regering van _Leeuwarden_ +middelen, om, zonder woest geweld, doch met bedaarde zorg, hier het +zelfde doel--de afschaffing van de Roomsche en de invoering van de +Hervormde eeredienst--te bereiken. Bij afwezigheid van den Stadhouder +werd de beveiliging der Stads poorten aan de burgers opgedragen, en den +6 September 1566 in eene groote vergadering van de Regering en de +Bevelhebbers der schutterij, op voorstel van den wakkeren Burgemeester +TJERK WALLES, besloten, om nu openlijk en met daden te toonen, wat men +reeds zoo lang heimelijk gewenscht had. Eendragtig werd goedgevonden, +het voorbeeld van vele Nederlandsche steden te volgen;--niet, om de +kerken met baldadige woestheid te schenden, en beelden en sieraden aan +de woede van het volk prijs te geven; maar door bedaarde standvastigheid +en voorzigtig overleg het voorgestelde doel te bereiken: om de oude +eeredienst af te schaffen en daarvoor dadelijk de Hervormde »preke" in +de plaats te stellen. Nog dien zelfden avond ontvingen de Geestelijkheid +en de Gilden bevel, om hunne eigendommen en sieraden onmiddelijk uit de +drie parochie-kerken weg te nemen. Gedurende den nacht hield vervolgens +een aantal burgers en werklieden zich bezig, om de kerken van de +beelden, schilderijen en altaren te ontledigen, en deze gebouwen in te +rigten naar de behoeften van de eeredienst der Hervormden. Reeds den +volgenden dag, waarop verboden werd eenig godshuis of klooster te +schenden, werden de predikanten door de Stads regering en de schutters +in de kerk van _Oldehove_ gebragt, en werd daar de eerste leerrede naar +de wijze der Hervormden gehouden, gelijk vervolgens dagelijks ook in de +andere kerken geschiedde. De uitoefening van de Roomsche eeredienst werd +verboden. Vele priesters traden uit eigene beweging tot de Hervorming +toe[122]. + + [122] Zie dit alles uitvoeriger verhaald op bl. 218 der _Geschiedk. + Beschrijving van Leeuwarden_ I en bij de daar aangehaalde schrijvers. + +Met loffelijken ijver en stoutmoedigheid had de regering alzoo de groote +zaak der reformatie doorgezet. Met bedaardheid en kalme bezinning werd +hier door de overheid het zelfde doel bereikt, hetwelk elders met +zooveel woestheid en godsdiensthaat op eene onwaardige wijze werd +verkregen. Het is waar, in tijden van opgewonden geestdrift is het volk +niet altijd binnen de palen der redelijkheid te houden, vooral na zoo +lang geleden en zich ingehouden te hebben. Slechts korten tijd genoot +men echter de vrucht van deze moedige poging. Want spoedig kwamen er +bevelen van den Stadhouder en de Landvoogdes, om de oude kerkdienst te +herstellen en de Hervormde predikanten te doen vertrekken. Mannelijk +weigerde de eendragtige Regering en burgerij te gehoorzamen, en ~twintig +weken~ lang hielden zij vol, om, in weerwil van scherpe bedreigingen, +hun geloof naar hunne overtuiging te belijden. Ook _Sneek_ en _Franeker_ +volgden dit goede voorbeeld. + +Doch de tijd was nog niet rijp voor eene volkomene overwinning. Nog +hooger moest de nood stijgen, maar ook nog krachtiger tegenstand +ontwikkelen, ten einde eene grootere zegepraal en meer algemeene en +duurzame bereiking van het goede doel te bevorderen. Op een bijzonder +bevel des Konings kwam de Stadhouder AREMBERG in Januarij 1567 met eene +aanzienlijke krijgsmagt te _Leeuwarden_, en eischte het verdrijven van +de leeraren en de herstelling van de kerken. De Regering, tegen de +overmagt van het geweld niet bestand, deed wel ernstige pogingen, om +zijne toestemming te verwerven tot het voortdurend bestaan van de +Hervormde godsdienst-oefeningen, doch te vergeefs: zij moest bukken en +gehoorzamen. Uit vrees voor de volvoering van de bedreigde straffen, +ontweken vele edelen en burgers nu een vaderland, dat zoo schandelijk +verdrukt werd. Een zeventigtal vroegere priesters volgde hen, meest naar +het herbergzame _Oost-Friesland_, waar de hervorming reeds vroeg was +gevestigd, en waar men, onder bescherming der regering, lang veilig was +voor de vervolgingen. De kerken werden ten behoeve der Roomsche +eeredienst op den ouden voet hersteld. Hoe gematigd AREMBERG zijn last +ook uitvoerde, zonder dat er bloedstorting plaats had, verwekte deze +onderwerping groote smart en wrok jegens den Koning, tegen wien men zich +eerst nu begon te verzetten en den tachtigjarigen strijd een aanvang +deed nemen. + + +32. _Aandeel van den Frieschen Adel in het Verbond der Nederlandsche +Edelen. (1565.)_ + +De bovenvermelde mislukte poging, ter bekoming van godsdienst-vrijheid +naar de behoeften des volks, was voorafgegaan door eene belangrijke +gebeurtenis, welke vervolgens van grooten invloed was;--eene +gebeurtenis, zóó merkwaardig, dat zij in de rij onzer vaderlandsche +herinneringen en roemdagen eene eervolle plaats bekleedt. + +De talrijke en meestal zeer vermogende Nederlandsche Adel trok zich de +belangen der ingezetenen aan. Hij zag het, hoe alom de geest des volks +zich tegen de willekeurige handelingen des Konings omtrent den +veranderden vorm van godsdienst-oefening aankantte, zoodat algemeene +tegenstand, zoo geen opstand, eerlang onvermijdelijk scheen. De Edelen +voedden dus de hoop, dat de poging van een aanzienlijk ligchaam des +lands den Koning tot zachtere maatregelen zou bewegen, opdat daardoor de +rust hersteld wierde. Want nog was men toen vreemd van het denkbeeld, om +_Spanje_ tegenstand te bieden, den Koning af te zweren en dit land tot +een onafhankelijken Staat te verheffen. Eerst later werd men daartoe +gedrongen. Toen wilde men nog het bestaande gezag handhaven en +beschermen, met getrouwheid aan den Koning en zijne gezagvoerders. +Twintig Edelen, te _Brussel_ bijeengekomen, ontwierpen in 1565 een +Verbond, aan hetwelk spoedig nog 400 edelen uit alle Nederlandsche +provinciën toetraden, met het doel, om 's lands vrijheid te verdedigen +en de inquisitie te keer te gaan. Tot dat einde boden zij den 5 April +1566 der Landvoogdes, op eene plegtige wijze, een smeekschrift aan, +waarbij zij haar eerbiedig en ernstig verzochten, den Koning tot +verzachting van de plakkaten tegen de godsdienst en tot opheffing van de +geloofs-vervolging te bewegen, dewijl deze blijkbaar dienden, om onrust +en oproer te verwekken en ellende over het land te brengen. Wel +beloofde de Landvoogdes aan dit verzoek te zullen voldoen en moderatie +of matiging van de uitvoering der plakkaten te zullen verzoeken; doch de +wijze, waarop dit geschiedde, en de voortduring van de vervolgingen, +welke aan die zoogenaamde _moderatie_ den bijnaam van _moorderatie_ gaf, +overtuigden de edelen, hoe halsstarrig de Koning weigerde aan de +billijke wenschen zijner onderzaten te voldoen. Zelfs werd hunne +ernstige en welgemeende poging om 's Konings eigen belang te bevorderen +in dier voege opgevat, als ware het eene beleedigende aanmatiging; ja +bij het aanbieden van hun verzoek werden zij door den Raadsheer VAN +BARLAYMONT, een der voornaamste raadsmannen der Landvoogdes, schimpender +wijze eene troep bedelaars of _geuzen_ genoemd, welken schimpnaam zij +echter tot een eernaam en onderscheidingsleus aannamen. Vandaar, dat, na +de mislukking van hunne edele vaderlandsche poging, welke zij miskend +zagen, de meeste dezer adellijke personen eerlang openlijk de hoofden +werden van den strijd voor vrijheid en regt, tegen den Koning en zijn +misbruikt gezag (1568). + + * * * * * + +Lang hadden de Friezen gezwegen en het slaafsche juk der overheersching +gedragen. Welkom was hun dus de gelegenheid, om blijken te geven van +hunne zucht, om het belang des vaderlands krachtig te bevorderen. Toen +drie afgevaardigden dier Edelen te _Leeuwarden_ kwamen, om den Frieschen +Adel tot deelneming op te wekken, vonden zij, onder bescherming der +Staten, hier zóó veel bijval, dat 108 Edelen, waaronder vele leden der +regeringen van de steden en grietenijen, het Verbond teekenden en zich +bereid verklaarden, de willekeur des Konings te helpen tegenstaan. Een +getal, hetwelk, in vergelijking der 420 leden van het verbond uit al de +17 Nederlandsche provinciën te zamen, zeker zeer aanzienlijk was, en +blijk gaf, welk eene vrijheidszucht en moed de Friezen bezielde. +Vruchteloos waren echter hunne eerste pogingen ter bekoming van +verzachtende maatregelen. Evenzeer mislukte de poging, om vrijheid van +godsdienst te bekomen: want nadat de hervorming te _Leeuwarden_ weder +onderdrukt was, drong de Stadhouder AREMBERG bij de Staten aan, dat zij +het Verbond der edelen zouden ontbinden, en dat deze zelfs den Koning om +vergiffenis moesten smeken, dewijl zij anders het ergste hadden te +vreezen. Doch de Staten waren evenzeer als de edelen voor geene +bedreigingen meer vervaard. Dit blijkt uit het fiere en krachtige +antwoord, hetwelk zij den Stadhouder deden toekomen in deze, voor die +dagen, hoogst opmerkelijke woorden: »_dat zij, voor zich en de +bondgenooten, alles goedkeurden, wat gedaan of gezegd was, en dat zij, +noch uit gunstbejag, noch uit vrees, van hunne regten afstand zouden +doen, maar liever een opmerkelijk voorbeeld van standvastigheid in het +handhaven van 's lands vrijheden wilden geven, al moesten zij het ook +met den dood bekoopen._" + +Zulk eene taal van de vertegenwoordigers des volks tegen den uitvoerder +der bevelen eens dwingelands getuigde van een verheven moed en +heldengeest, welke de aanzienlijksten des lands en velen dier verbondene +edelen doordrong. Want al moest ook een aantal hunner met vele +geestelijken en burgers in 1567, na het terugkeeren van AREMBERG en de +komst van den wreeden Hertog van ALVA, vlugten, om de vervolgingen te +ontgaan,--met den volgenden jare 1568 zien wij hen den strijd aanvangen +tegen het misbruikte oppergezag en roemrijke daden verrigten. Toen +toonden zij weder der Friezen oude moed en trouw, en hunne +voorvaderlijke zucht voor vrijheid en onafhankelijkheid. Toen dachten +zij vol moed en hoop: + + _Geen bloed kan glorierijker vloeijen, + Dan 't geen het Vaderland bevrijd._ + +En hiervoor hadden ze alles over, in de heilige overtuiging: + + _Want, waar de Vrijheid is verloren, + Is 't Vaderland een ijdle naam_[123]. + + [123] ONNO ZWIER VAN HAREN, _de Geuzen_. Zie daarover _Aant. 20_. + + * * * * * + +Al de personen te noemen, die deelnamen in dezen strijd, die goed en +bloed waagden, om de vrijheid des vaderlands te herstellen, is hier niet +mogelijk. Maar wij mogen de namen niet verzwijgen van hén, die door +ijver en bekwaamheid de goede zaak het meest bevorderden, of die in de +gelegenheid waren door grootsche bedrijven uit te munten. WYBRAND VAN +AYLVA, Olderman van _Sneek_, en HESSEL VAN AYSMA, Raadsheer in het Hof, +wisten, in vereeniging met JULIUS en SYDS VAN BOTNIA en GEMMA en UPCO +VAN BURMANIA, door raad en daad met onwrikbare trouw de verdrukking +tegen te staan. Aan JAN BONGA, JELLE EELSMA en WYBE VAN GROVESTINS +gelukte het, zoowel te land als ter zee, den vijand afbreuk te doen. +HOMME VAN HETTINGA verkocht zijne eigene bezittingen, om krijgsvolk aan +te nemen, waarmede hij de Spaanschen bestreed, waarna hij _den Briel_ +hielp innemen, en van zijne vrijheidsliefde even groote bewijzen gaf als +zijn broeder, TIETE, die, toen hij uit _Friesland_ moest wijken, in 1575 +met 200 zijner landgenooten bij _Wormer_ in _Noord-Holland_ ruim 1300 +Spanjaarden en Duitschers bestreed en overwon. Even als zij, trachtten +HARING en HARTMAN VAN HARINXMA, aan het hoofd van vele ingezetenen van +_Wymbritseradeel_, in 1572 de Friesche steden voor Prins WILLEM _van +Oranje_ te verzekeren. Reeds hadden zij _Slooten_ ingenomen, toen zij in +gevecht geraakten met de talrijker oude benden van ROBLES, waarbij +HARTMAN de regterarm aan stukken werd geschoten, hoewel hij moeds genoeg +had, om, zonder eenig blijk van pijn te geven, het vaandel met de +linkerhand aan te vatten en de zijnen kloekmoedig tot den strijd te +blijven aanvoeren[124]. Vier broeders uit het geslacht VAN EYSINGA +muntten door liefde voor vrijheid en godsdienst uit, en getroostten zich +daarvoor groote opofferingen en ballingschap. SJOERD VAN BEYMA en +HARTMAN GALAMA stelden zich door kloeke bedrijven aan eene vervolging +bloot, welke hen, op de Zuiderzee met hulp van verraad gevangen genomen, +te _Brussel_ op een schavot het leven deed verliezen. HARING VAN GLINS, +WILCO VAN HOLDINGA, DOUWE VAN HOTTINGA en zoo vele anderen trotseerden +moedig velerlei gevaren en worden als bevorderaars der vrijheid met eere +genoemd. + + [124] Dit verhaalt zelfs de Spaanschgezinde Raadsheer CAROLUS, _de + rebus Casparis â Robles in Frisia gestis_, Leov. 1731, 56. "Hoe zou + iets van dien aard (zegt VAN KAMPEN, _Vaderl. Karakterkunde_, I 345) + de wereld doorklinken, wanneer het door een' _Spartaan_ was verrigt! + Doch zulke daden hadden bij ons plaats, zonder, gelijk te _Sparta_, + door de opoffering van alle menschelijk gevoel, beschaving en + handelverkeering met andere volken te worden gekocht." + +Doch niemand dezer overtrof in grootmoedigheid en bekwaamheid hun aller +hoofd en sieraad, den edelen ~DUCO MARTENA~, die, zonder vrees voor +gevaar, de regten des volks bleef handhaven; die, als staatsman en held, +in raadzaal en strijd, zoowel te land als ter zee, te midden der +hevigste vervolging, met raad en daad zijn vaderland diende, en al zijne +bezittingen, ja zelfs die van twee zijner broederen, door hem geërfd, +voor de zaak der vrijheid opofferde. Als lid van Gedeputeerde Staten +handhaafde hij het uitsluitend regt der inboorlingen tot de regering, +stuitte de geweldige maatregelen van ALVA, en poogde door voorspraak de +gevangene bondgenooten te doen loslaten. Hoe hoog de nood ook klom, hij +bezweek niet, maar werd voor _Friesland_, wat Prins WILLEM _van Oranje_ +voor het fel bestredene _Holland_ en andere provinciën was: de kracht, +de steun, de hulp van den onder ALVA zoo diep gezonken staat. Die Prins +werd zijn vriend en beschermer, welke hem, toen hij eindelijk +_Friesland_ moest verlaten, als Admiraal het opperbevel over eene vloot +op de Zuiderzee toevertrouwde. Blakende van liefde voor het land en de +goede zaak, evenaarden zijn beleid en dapperheid de trouw en +voorzigtigheid, waarmede hij ook later, in zijn vaderland teruggekeerd, +den jeugdigen staat hielp opbouwen, zoodat aan zijne daden en deugden de +verlossing des vaderlands voor een groot deel werd toegeschreven. +(_Aant. 20._) + +Nooit mogen wij Friezen onze verpligting aan den edelen MARTENA en zijne +medeverbondene edelen vergeten! Met eere mogen de namen van deze helden +der vrijheid steeds genoemd worden: want onbegrijpelijk veel hebben zij +doorgestaan, verrigt en opgeofferd, toen de willekeur der Spaansche +overheersching zich de wreedste vervolging van personen en huisgezinnen, +de verbeurt-verklaring van goederen en allerlei kwellingen veroorloofde: +omdat, zij de vrijheid verlangden, om den zelfden God en Heer op eene +andere wijze te vereeren dan de Koning van _Spanje_ wilde toestaan. Doch +gelukkig, dat, na het doorstaan van al die rampen, eindelijk de +overwinning volgde, welke ook de Friezen weder deed deelen in het +voorregt van het bezit der vrijheid en onafhankelijkheid, welke men op +hoogeren prijs had leeren schatten, naarmate de verkrijging moeite en +opofferingen had gekost. Vooraf echter moest er nog veel geleden en +gestreden worden. + + +33. _Herstelling van de Friesche Zeeweringen onder Caspar de Robles. +(1574.)_ + +Te midden der verschrikkingen van den oorlog trof _Friesland_ bovendien +eene ramp, welke groote nood en schade veroorzaakte. Zij had evenwel +heilzame gevolgen voor de toekomst, en het is dáárom, dat wij ons +verpligt achten, hierbij in het bijzonder stil te staan. + +Een hevige storm en daarop gevolgde watervloed, zoo ontzettend als ooit +eenige deze landen trof, teisterde, op den 1 November 1570, alle aan de +Noordzee gelegene landstreken. Met geweld op de Friesche dijken +inbrekende, rees het water 10 à 12 voeten hoog op de landen, zoodat +bijna het gansche gewest eene woeste zee gelijk scheen. Duizenden +menschen verloren het leven: alléén in _Oost-_ en _West-Dongeradeel_ +kwamen er 2600 personen om. Een schat van vee, granen en andere +levensmiddelen werd met een aantal gebouwen eene prooi van den vloed, +die de zeedijken zoodanig had vernield, dat zij op sommige plaatsen +geheel weggeslagen waren. Het land stond dus open voor de zee, die dan +ook in de eerstvolgende jaren bij de minste verheffing van wind en vloed +op nieuw de velden overstroomde. Dit alles, gevoegd bij verarming, +duurte, hongersnood en oorlog, voerde de ellende der ingezetenen ten +top, en schenen de krachten te falen, om die verliezen te boven te +komen, en inzonderheid, om de zeedijken te herstellen, ten einde dit +land duurzaam voor dergelijke rampen te beveiligen[125]. + + [125] Zie het officieele verhaal in het _Charterb._ III 847, 865; + WINSEMIUS, 550; OUTHOFS, _Watervloeden_, Embden 1720, 508, 535; VAN + LEEUWEN, _Watervloed_, Inl. XXXV. + +Geen gedeelte had meer geleden dan de Vijfdeelendijk, van _Dijkshoek_ +langs _Harlingen_ naar _Makkum_, en wel mede om deze reden, dat het +onderhoud daarvan sedert lang het meest verwaarloosd was geworden, ten +gevolge van langdurige en hevige geschillen, voornamelijk tusschen de +ingezetenen, die buiten en binnen den Slagtedijk woonden over het +aandeel, dat ieder hunner in het onderhoud zou hoeden. De eersten, de +aan zee gelegene Grietenijën, verlangden daartoe meerdere hulp van de +laatsten, ja zelfs ondersteuning ook van andere deelen van _Friesland_, +voor welke de zeedijken van even groot belang waren. Reeds in 1533 +hadden de Stadhouder en het Hof in dit geschil eene beslissing gegeven, +door bij Arbitrament te bepalen, door wie en op welke wijze de zeedijken +zouden worden onderhouden[126]. In weerwil daarvan bleek het echter, dat +de Binnendijksters niet waren te bewegen, om den Buitendijksters de +meerder verlangde hulp te verleenen, en zoo bleef eene algemeene +herstelling onuitgevoerd en het land steeds in groot gevaar verkeeren. + + [126] Zie deze stukken in het _Charterboek_, II 627, 628 env. + +De herstelling of wel bijna geheele vernieuwing van dezen dijk was +echter nu een dringend vereischte. De Buitendijksters, die de kosten +daarvan op 300,000 Gld. begroot hadden, klaagden hunnen nood aan den +Koning. Namens dezen bepaalde de Landvoogd ALVA in Augustus 1571, dat, +tot vinding van die som, 40,000 Gld. zou worden omgeslagen over die +deelen van dit gewest, welke weinig of geene dijken hadden te +onderhouden, en dat de overige kosten door de Buiten- en Binnendijksters +gelijkelijk zouden worden gedragen. Daar de laatste hierover vooraf niet +waren gehoord, namen zij in deze beslissing geen genoegen, terwijl ook +_Oostergoo_ zich tegen dien omslag verzette. ALVA vond dus goed, den 27 +October en 8 November 1571 deze uitspraak te schorsen, en, na een nader +onderzoek, de beslissing op te dragen aan den Stadhouder, _Graaf van +Megen_, met eenige Raden van _Overijssel_. Dan deze, reeds kort daarna, +den 7 Januarij 1572, overlijdende, werd den 15 Maart dit onderzoek en +die beslissing opgedragen aan CASPAR DE ROBLES, _Heer van Billy_, aan +het hoofd eener commissie van Raadsheeren en Dijkgraven uit andere +provinciën. + +ROBLES was destijds Kolonel van een regiment Waalsche knechten te +_Groningen_. Portugees van geboorte, aan het Hof van KAREL V opgevoed, +vereerd met het vertrouwen der Landvoogdes, die hem zelfs naar _Madrid_ +zond, om verzachting van de plakkaten te bewerken, was hij in 1569 te +_Groningen_ gekomen, en had hij zoowel blijken gegeven van gestrengheid +en ijver voor de zaak des konings, als van menschlievendheid ter redding +en verzorging van allen, die door den Allerheiligenvloed ongelukkig +waren geworden. Zoo men wil, bragt hij zelfs te _Brussel_ te weeg, dat +de soldij zijner krijgsknechten van daar werd overgemaakt, en dat +_Friesland_ en _Groningen_ een jaar lang van schatting ontheven werden, +omdat hunne krachten naauwelijks toereikende waren om de geledene schade +aan hunne zeeweringen te herstellen. Veler achting viel hem daardoor ten +deel, bij al de strenge maatregelen, welke hij op bevel van ALVA moest +nemen, om het Spaansche gezag te schragen. Kort na zijne overkomst in +_Friesland_ (in April 1572) zag hij zich als Luitenant des nieuwen +Stadhouders GILLIS VAN BARLAYMONT, _Heer van Hierges_, benoemd, en in +het laatst des volgenden jaars (1573) in diens plaats tot Stadhouder en +Kapitein-Generaal aangesteld. Hierdoor kwam hij nog beter in de +gelegenheid, om zich van zijnen belangrijken last te kwijten[127]. + + [127] Zie al de stukken in het _Charterb._ III, 869, 876, 884, 891, + 894, 902 env.; CAROLUS, 235; KOK, _Vaderl. Woordenb._ 24e dl. 309. + +Nadat hij zich naar _Harlingen_ begeven en zich overtuigd had van den +deerlijken toestand der meest weggeslagen dijken, was zijn besluit +genomen, om krachtdadige middelen tot herstel aan te wenden, om allen +tegenstand moedig het hoofd te bieden, en de onwilligen zelfs met geweld +tot de uitvoering te dwingen. Na lang oponthoud, mede ten gevolge zijner +geweldige maatregelen om 's konings gezag te handhaven tegen de pogingen +der edelen, om _Friesland_ onder het gezag van Prins WILLEM te brengen, +was de zaak zoo veel vooruitgegaan, dat in December 1572 de Binnen- en +Buitendijksters beide al hunne geschillen en processen opdroegen aan +ROBLES en eene andere commissie van Raadsheeren, belovende zich aan de +uitspraak van deze arbiters te zullen onderwerpen. Hierop werd de +goedkeuring van ALVA ontvangen en die uitspraak den 7 Augustus 1573 +gegeven. Daarbij werd, met afwijking van het arbitrament van 1533, +vastgesteld, dat de zeedijk van _het Bildt_ tot _Makkum_ voor de helft, +tot omstreeks _Harlingen_, door de Binnendijksters, en voor de +wederhelft door de Buitendijksters zou worden gemaakt en onderhouden. +Deze uitspraak werd in naam des Konings den 4 September door ALVA +goedgekeurd, en daarna afgekondigd, om spoedig ten uitvoer gelegd te +worden[128]. In het volgende voorjaar trok men met ijver aan het werk, +nadat ROBLES en zijne Raden den 25 Maart 1574 bij eene uitvoerige +ordonnantie had bepaald hoedanig het werk ingerigt, verdeeld en bestuurd +zou worden. De dijk van vijf uren gaans lengte moest eene hoogte bekomen +van 12 voet, met een beloop van 5 roede aan de zeezijde en 3 roede aan +de landzijde, en eene kruin van 6 voet breedte. Het geheele werk werd +verdeeld in elf perceelen. Aan ieder perceel werkte 300 man, welke +onder het opzigt stonden van een kapitein, een schrijver of opzigter en +12 rotmeesters. De werkuren waren gesteld van 's morgens 5 tot 's avonds +6 uur; de drie schofturen daar tusschen werden door het uitsteken van +een vaandel uit den toren van _Harlingen_ aangewezen. Een half uur +bezuiden die stad werd een geheel nieuwe inlegger gemaakt, welke nog de +_Kornels-dijk_ genoemd wordt. Ter bevordering van orde en gezag onder +zoo groote menigte werklieden, waren daarbij strenge bepalingen gemaakt. +Zelfs wil men, dat er eene galg op den dijk geplaatst was. ROBLES zelf +hield naauwlettend toezigt en allen in bedwang door de vrees voor zijn +ongenoegen en de bedreigde straffen. + + [128] _Charterb._ III 909, 919, 931, 940, 946, 948, 958, 966, 979. + +Schoon het werk voorspoedig voortging, kon het echter dat jaar niet +worden voltooid. Na het nemen van de noodige voorzorgen tegen den +winter, werd het in het volgende voorjaar hervat en in den zomer van +1575 geheel volbragt, waarna er nog een aantal hoofden, kisten en +kribben van paalwerk werden aangebragt tot bescherming van den dijk en +het breken van den golfslag. In den volgenden jare werd ter gedachtenis +dezer zoo wél volbragte onderneming en ter eere van den wakkeren +Stadhouder, als grenspaal tusschen de beide perken van onderhoud, op den +dijk nabij _Harlingen_ een gedenkteeken opgerigt, waarvan de vier +opschriften den tijd der stichting en de namen der stichters +vermeldden[129]. + + [129] Zie deze opschriften en eene afbeelding van dezen _Terminus_ of + zoogenaamden _Steenenman_ bij WINSEMIUS, 588 en op de Friesche kaarten + van SCHENK en HALMA; FOEKE SJOERDS, _Beschrijv._ I 112, _Tegenw. + Staat_, III 594, IV 309; KOK, _Vad. Woordenb._ 24e dl. 314. Dit + gedenkteeken, in de vorige eeuw verloren geraakt, is in 1776 op kosten + van den Dijkgraaf, KAREL GEORG Grave VAN WASSENAER TWICKEL, in vorigen + vorm hersteld. Later zijn de beide oude koppen teruggevonden, en door + Jhr. I. ÆBINGA VAN HUMALDA bewaard op een gemetseld voetstuk in den + tuin van _Burmaniahuis_ te _Leeuwarden_. De steen met het latijnsche + hoofdopschrift der westzijde is in Mei 1851 teruggevonden, onder in + een muur gemetseld, bij gelegenheid der vergrooting van de buitenhaven + van _Harlingen_. + +Daar gelijktijdig ook de noordelijke zeeweringen dezer provincie werden +hersteld, zoodat er in 1574 enkel aan die van _West-Dongeradeel_ van 12 +tot 1500 man werkten; daar er ook omtrent de zuidelijke zeedijken +schikkingen tot verbeterd onderhoud werden gemaakt, en vermits de naam +van het _Caspar-Robles-diep_ nog aanwijst, dat dit kanaal, tusschen het +Bergumermeer en de Lauwers, ter bevordering eener betere gemeenschap met +_Groningen_, door hem mede is tot stand gebragt,--zoo zien wij in dit +alles met genoegen de blijken van hetgeen de standvastigheid en +welberaden moed van ROBLES binnen zoo weinige jaren in _Friesland_ tot +duurzaam heil des lands mogt tot stand brengen. In het zelfde jaar, dat +het gedenkteeken werd opgerigt, verkeerde echter de kans, werd hij door +zijn krijgsvolk gevangen genomen, te _Leeuwarden_ op het Blokhuis een +tijdlang in bewaring gehouden, waarna hij in 1585 voor _Antwerpen_ +omkwam. Zijn naam en gedachtenis zijn echter bij elken Fries in gezegend +aandenken gebleven, en gaarne zeggen wij den dichter na[130]: + + [130] VAN HALMAEL, _Lied_. Zie bladz. 57 hier vóór. + + _Daar staan zij, de reuzen, aan 't bogtige strand, + En houden de zee in den toom en aan band, + Bespotten, trotseren haar woede. + Slechts weinigen houden, bij dag en bij nacht, + Bij hen, bij die redders, die dwingers, de wacht; + Wij slapen gerust op hun hoede._ + + _Die reuzen van dijken, wie heeft ze gesticht? + Wie heeft ze in geledren en reijen gerigt, + Zoo als zij ons =Friesland= omgeven; + Een vijand, een dienaar des wreedsten tirans; + Maar eere zij hem, en de naam dezes mans + Blijv' hier, in ons harte, steeds leven._ + + +34. _Strijd en Zegepraal der Vrijheid en der Hervorming. (1568-1580.)_ + +Onder afwisseling van voor- en tegenspoed, hadden de Friezen nog een +hevigen strijd door te staan, vóór ze van hun verzet tegen _Spanje_ +eenige gewenschte vrucht zagen. In plaats van de verlangde verzachting +van de maatregelen tegen de verandering in de godsdienst, zond de Koning +den Hertog van ALVA in 1567 naar _Nederland_, om het volk met geweld tot +het oude kerkgezag terug te brengen. Daartoe strekte ook de benoeming +van CUNERUS PETRI tot Bisschop van _Leeuwarden_, die den 1 Februarij +1570 zijne plegtige intrede deed, de kerk van _Oldehove_ tot +Bisschoppelijke kerk wijdde, en hier en door de gansche provincie het +pausdom en kerkelijk gezag in vollen luister verhief. Deze dwangmiddelen +waren de Friezen zeer tegen de borst, en toen in dat zelfde jaar 1570 de +hier vóór gemelde verschrikkelijke watervloed alom nood en dood +verspreidde, de welvaart kwijnde, de vrees voor 's konings wraak toenam +en de toekomst niets dan ellende spelde, beheerschte in _Friesland_ eene +diepe verslagenheid aller gemoederen. + +Want nadat in 1568 de strijd was begonnen en de Stadhouder AREMBERG in +den eersten slag tegen LODEWIJK _van Nassau_, bij _Heiligerlee_ in +_Groningerland_, was gesneuveld, werd deze laatste daarna door ALVA bij +_Jemmingen_, nabij de Eems, geheel verslagen. Een aantal der +voornaamste Friezen verkeerde in ballingschap. Veler bezittingen werden +verbeurd verklaard. Van niemand had men hulp te wachten. Er scheen dus +weinig hoop te zijn op het welslagen van den strijd. Doch onze vaderen +verflaauwden niet, en vertrouwden op de hulp van God, dien zij in stilte +vereerden en om redding smeekten. Zijn zegen toch kon niet rusten op de +wreede dwangmiddelen der Spaanschen, die de heiligste regten des volks +en de voorschriften van godsdienst en menschlijkheid schonden, ja met +voeten traden. Eindelijk kwam er dan ook van de zijde der zee eenige +uitkomst opdagen. Reeds lang hadden JAN BONGA, Grietman van +_West-Dongeradeel_ en anderen met een aantal schepen invallen op de +Friesche kust gedaan, om enkele plaatsen op de Spanjaarden te veroveren, +toen het gerucht der inneming van _den Briel_ (1 April 1572) aller hoop +versterkte, dat de dag der verlossing spoedig zou aanbreken. Nadat +onderscheidene steden van _Holland_ Prins WILLEM _van Oranje_ waren +toegevallen, deed deze ook pogingen, om de voornaamste Friesche steden +te winnen, en op zijne zijde te brengen. DUCO MARTENA en andere edelen +spanden daartoe kloekmoedig hunne krachten in, en werkelijk gelukte het +hun, _Slooten_, _Sneek_, _Bolsward_, _Franeker_ en _Dokkum_ te +bemagtigen. De Prins haastte zich daarom, Graaf JOOST _van Schouwenburg_ +als zijn Stadhouder herwaarts te zenden; doch deze keus was niet +gelukkig, en weldra bleek het, dat al deze pogingen nog ontijdig-, en +als de vreugde over dezen voorspoed van korten duur waren. Want sedert +AREMBERG'S dood was het Stadhouderschap over dit gewest opgedragen aan +KAREL VAN BRIMEU, _Graaf van Megen_[131], en daarna aan GILLIS VAN +BARLAYMONT, _Heer van Hierges_, die te gelijk ook over de andere +noordelijke provinciën waren gesteld. Gedurende hunne afwezigheid werd +het gezag hier waargenomen door SEGHER, _Heer van Groesbeeck_ en CASPAR +DE ROBLES, als hunne plaatsvervangers, te gelijk met het te _Leeuwarden_ +gevestigde _Hof van Friesland_, dat sterk Spaanschgezind was. Nog vóór +laatstgenoemde werkelijk Stadhouder werd, gelukte het hem, al de reeds +ingenomene plaatsen te herwinnen en andere te versterken, zoodat de +bondgenooten op nieuw eene teleurstelling moesten ondervinden in de +herstelling van het Spaansche gezag. + + [131] Over dezen zijn onlangs bijzondere berigten medegedeeld in zijne + betrekking als Stadhouder van _Gelderland_, in NIJHOFF'S _Bijdragen_, + VII 262. Zie over ROBLES het Tijdr. Overzigt der Vorsten hier achter, + en in het bijzonder VAN METEREN, _Hist. der Ned._ Amst. 1647, 112^o; + REINICO FRESINGA, van _Franeker_, _Memoriën_, in DUMBAR, _Analecta_, + Dav. 1722, III 10; _Charterb._ V 1062; _Register op de + Staats-resolutiën_, 186. + +Eerlang echter neigde dat gezag ten ondergang: want met den jare 1576 +verkeerde de kans, ten gevolge van een zamenloop van verscheidene +omstandigheden. Toen het misnoegen der ingezetenen ten top was gestegen, +en de _Prins van Oranje_ zelfs de zaken des lands als wanhopig +voorstelde, stierf ALVA'S opvolger, Don LOUIS DE REQUESENS, sloegen de +Spaansche soldaten aan het muiten, werd de Stadhouder ROBLES door zijn +eigen krijgsvolk te _Groningen_ gevangen genomen, en verbonden +verscheidene provinciën zich tot een verdrag, om gezamenlijk de +staatkundige en godsdienstige vrijheid te verdedigen, de Spaansche +benden te verdrijven en de vervolgingen te doen ophouden. + +Dit verdrag, de Bevrediging of _Pacificatie van Gent_ genaamd, had +groote gevolgen. De eendragtige wil der landzaten versterkte de magt en +den moed, om _Spanje_ te weêrstaan. Al de vroeger gevlugte ballingen +kwamen terug. De uitoefening van de Hervormde godsdienst werd niet meer +gestraft of gehinderd. De Raad van State, te _'s Gravenhage_ gevestigd, +zette de goede zaak door, en zond GEORG VAN LALAING, later _Graaf van +Rennenberg_ genaamd, als Stadhouder naar _Friesland_. De Bisschop van +_Leeuwarden_ werd door hem gevangen genomen en verwijderd. Na de _Unie +van Brussel_ (1577) werd in 1578 door den Landvoogd, Aartshertog +MATTHIAS, de zoogenaamde Godsdienst- of _Religions-vrede_ afgekondigd, +waarbij vrijheid van godsdienst voor Hervormden en Roomschen beide werd +toegestaan, zoodat de eersten hier op vele plaatsen kerken bekwamen en +openlijke godsdienst-oefeningen hielden. + +Doch dit alles was niet genoeg; men wilde meer. Men had zoo lang en zoo +veel van de heerschzucht der Spanjaarden en Geestelijken geleden, dat +men, toen het meerendeel der ingezetenen blijken gaf der hervorming +toegedaan te zijn, verlangde van de Spaanschen en Roomschen geheel +ontslagen te worden. Onmogelijk was dit, zoo lang de blokhuizen of +kasteelen der steden _Leeuwarden_, _Harlingen_ en _Stavoren_ nog met +Spaansche benden bezet bleven, dewijl, bij het minste blijk van opstand, +het geschut dezer sterkten die steden groote schade kon aanbrengen. Deze +~moesten~ dus veroverd worden, en hiertoe kreeg men meer moed na het +sluiten der _Unie van Utrecht_ (1579), waarbij ook _Friesland_ zich met +de overige zes noordelijke provinciën had verbonden, om _Spanje_ te +wederstaan, de godsdienstvrijheid te beschermen en onderling een +vereenigden Staat uit te maken. + +De burgerij van _Leeuwarden_, aangevoerd door den wakkeren +tachtigjarigen Burgemeester ADJE LAMMERTS, durfde het bestaan, op bevel +van Gedeputeerde Staten, het Blokhuis harer stad aan te tasten en +kloekmoedig te veroveren, waarna, door het slechten van de wallen en +het dempen van de grachten aan de stadzijde, deze sterkte ontmanteld +werd. Deze heugelijke gebeurtenis, welke voorviel op den 1 Februarij +1580, bragt den Friezen verlossing aan uit de wreede tirannij van +_Spanje_ en van het pausdom, en was dus zeer rijk in gewigtige gevolgen. +Dadelijk haalde men te _Leeuwarden_ de monniken en verdere geestelijke +personen uit de kloosters, en geleidde hen, onder vreugde-bedrijf, met +trompetten en trommelen de stad uit. De kasteelen van _Harlingen_ en +_Stavoren_ gingen insgelijks over. Men was nu de Spanjaarden meester, en +had weldra aan den _Prins van Oranje_ de gunstige beschikking te danken, +om 100,000 Gld. uit 's Konings domeinen te heffen, vooral tot +versterking van de steden _Leeuwarden_, _Harlingen_, _Sneek_ en +_Slooten_, ten einde tegen de aanvallen des vijands bestand te zijn. +Bloedige tooneelen, welke omwentelingen doorgaans vergezellen, had men +echter niet te betreuren, daar alles vrij bezadigd toeging. De vreugde +was grooter dan de wraaklust[132]. + + [132] Zie de breedere voorstelling van laatstvermelde groote + gebeurtenissen, welke hier eigenlijk te beknopt zijn medegedeeld, in + de _Geschiedkundige Beschrijving van Leeuwarden_, I 227 env. en de + daarbij vermelde bronnen en schrijvers. + +Reeds den 31 Maart 1580 namen de Staten van _Friesland_, een besluit, +waarbij de Roomsche eeredienst afgeschaft en verboden werd, en waarbij +bepaald werd, dat de renten van de Geestelijke goederen der kerken +voortaan moesten aangewend worden ten behoeve der Hervormde eeredienst, +tot onderhoud van predikanten, onderwijzers, armen en weldadige +instellingen. Vele priesters en kloosterlingen gingen uit eigene +beweging tot de Hervormde kerk over. De gebouwen der vijftig in +_Friesland_ bestaande kloosters werden meest alle verkocht en gesloopt. +Een nieuw leven bezielde de vrije burgers van den nieuwen Staat, die nu, +van den band der dwingelandij ontslagen, God naar hun licht en +overtuiging mogten vereeren, vol van dankbaarheid voor zoo zegenrijke +verlossing. + +Wel had men nog vele jaren te strijden tegen de Spaansche benden, daar +het naburige _Groningen_ nog gedurende veertien jaren den Koning +onderworpen bleef,--moedig sloeg men echter de handen in-een tot opbouw +van een vrijen burgerstaat, die alleen het welzijn der ingezetenen +bedoelde. Vroeger dan eenige der andere provinciën, genoot _Friesland_ +dus dit voorregt; terwijl het zijne groote verpligting erkende aan den +edelen Prins WILLEM _van Oranje_, door ook hem tot Stadhouder aan te +stellen, en ook hem blijken van vereering te geven, toen hij in het +volgende jaar 1581 zelf naar _Friesland_ overkwam tot regeling van vele +zaken des bestuurs. Daardoor vond men zich mede gesterkt, tot het nemen +van het gewigtige besluit, om den Koning van _Spanje_ vervallen te +verklaren van zijn regt op deze landen. Deze afzwering van den Koning +had in Julij 1581 op eene plegtige wijze plaats, en werd het gezag en +het bestuur des lands toevertrouwd aan de _Staten_ van iedere provincie +en van hare afgevaardigden: de _Algemeene Staten van Nederland_, als de +wettige overheden der vrije landzaten. + + * * * * * + +Na veel lijden en strijden werd aldus de onafhankelijkheid des lands +hersteld, hoewel deze niet erkend werd door den Koning, die tot 1648, en +alzoo nog bijna 70 jaren lang, moeite deed, om dit land te herwinnen. +Deze omwenteling in den Staat en die hervorming van de Kerk, met zoo +veel moeite verkregen, vestigde hier een vrijen protestantschen Staat, +wier instellingen van gunstigen invloed waren op de belangen der +ingezetenen, zoodat zij daardoor eene groote schrede voorwaarts deden op +den weg der volmaking, zoowel ten aanzien van hunne burgerlijke +betrekkingen als van hunne zedelijke, verstandelijke en godsdienstige +beschaving. Dáárom dankten de vaderen God voor zijne hulp en +bescherming; dáárom is deze verandering, als een keerpunt in de +geschiedenis van ons vaderland, van zoo uitstekend gewigt, en dáárom +vereeren wij deze belangrijke gebeurtenis als eene der voornaamste +middelen tot verheffing van ons geslacht, ter vorming van goede burgers +en vrome Christenen. Maar, als dankbare nakomelingen, vereeren wij +tevens der vaderen moed en edele vrijheidszucht, en stemmen wij tot hun +lof gaarne in met het antwoord van onzen dichter WILLEM VAN HAREN[133] +op de vraag: + + [133] _Tweede Lierzang_, Harderwijk 1742, 14. + + _--Waarom zijn dan toch eertijds onze Vadren, + Met eerlijk bloed alleen gewapend in hunne adren, + En zonder krijgsvolk, zonder geld, + Niet afgemaakt door 't Spaansch geweld?_ + + _Omdat hun edle ziel, langs 't pad der Eer gedreven, + De Godsvrucht en de Trouw meer schatte dan het leven, + En, door hun deugd, des Hoogsten hand + Deed gunstig zijn voor 't Vaderland._ + + _Tot hen, tot dat geslacht, het oog dan opgeheven! + Eene andere eeuw aanschouwd, ten voorbeelde opgegeven! + De aloude Dapperheid en Deugd + Geprent in 't hart van onze jeugd!_ + + + + +VIERDE TIJDVAK. + +FRIESLAND ONDER HET BESTUUR DER STATEN EN DER STADHOUDERS UIT HET HUIS +VAN NASSAU. + +VAN DE HERVORMING IN KERK EN STAAT, OF DE VESTIGING VAN DE REPUBLIEK DER +VEREENIGDE NEDERLANDEN, TOT AAN DE STAATS-OMWENTELING EN DE KOMST DER +FRANSCHEN. + +_Van het jaar 1580 tot 1795._ + + +35. _De vestiging van den nieuwen Staat. (1580-1648.)_ + +De omwenteling van 1580 is een hoogst belangrijk keerpunt in de +geschiedenis van _Friesland_. De staatkundige en godsdienstige toestand +der ingezetenen onderging daardoor toch eene verbazende verandering, +welke van uitgestrekte gevolgen was voor de toekomst. Ligt kunnen we ons +voorstellen, hoe groot de blijdschap was onzer vaderen over die +verlossing van de knellende dwinglandij der Spanjaarden, en hoe zeer +deze gepaard ging met dankbaarheid aan God voor zijne wonderbare redding +en hulp ter bekoming der vrijheid van godsdienst en geweten, welke men +op te hooger prijs stelde, naarmate men ze lang gezocht en ontbeerd had. + +Doch die vreugde werd spoedig getemperd: want verbazend groot waren de +bezwaren, welke zich spoedig opdeden, om het verkregene te behouden en +te verdedigen tegen een vijand, van wiens wraaklust en bloeddorst +_Haarlem_, _Naarden_, _Zutphen_ en andere steden reeds vroeger zulke +moorddadige tooneelen hadden opgeleverd. Immers, ALEXANDER FARNESE, +_Hertog van Parma_, een veldheer, die ALVA in krijgskunde evenaarde en +in staatkundig beleid en buigzaamheid verre overtrof, was met nieuwe en +talrijke Spaansche benden in _Nederland_ aangekomen. FRANÇOIS VERDUGO, +_Heer van Schengen_, die zijn aanzien enkel aan dapperheid had te +danken, was als Stadhouder des Konings met tien vaandels knechten +gezonden naar _Groningen_, ter vervanging van den afvalligen RENNENBERG, +die de schande zijner trouwloosheid niet lang overleefde. Uit die +krachtig versterkte stad werd het oostelijk gedeelte van _Friesland_ +bestendig bestookt; terwijl het zuidelijk gedeelte van dit gewest bloot +stond aan de uitvallen der bezetting van _Steenwijk_, sedert deze stad +weder in handen der vijanden was gevallen. Zulk een uitval deden de +Spanjaarden reeds in November 1580. Met eene verbazende snelheid trokken +zij langs de zeekust, namen de schans van _de Lemmer_ in, overrompelden +_Slooten_ (waarbij de edele DUCO MARTENA in hunne handen viel), +herwonnen het kasteel van _Stavoren_, overmeesterden de schans bij +_Makkum_ en roofden, onder schrikkelijken moedwil, tot aan de poorten +van _Harlingen_. Algemeen was de verslagenheid in den lande en groot het +gebrek aan krijgsvolk, aan geld en leeftogt, tot voortzetting van een +strijd, die men bijna wanhoopte te zullen kunnen volhouden. Met veel +moeite gelukte het de Friesche benden in den volgenden jare, die +verloren plaatsen te herwinnen[134]. + + [134] WINSEMIUS, 679, 684. Volgens den staat van het krijgsvolk in + 1579 had men in _Friesland_ voor 3000 voetknechten, 200 ruiters, 200 + pionniers enz. de som van ruim 43,000 Gld. in de _maand_ noodig. + _Charterb._ IV, 115. Zulk eene krijgsmagt hadden de Friezen te + wederstaan en te verdrijven ter bekoming der vrijheid! + +Intusschen had de edele Prins WILLEM _van Oranje_, op ernstig aanhouden +der Staten van _Friesland_, besloten, ook deze provincie als Gouverneur +en Stadhouder in zijne bescherming te nemen. Uithoofde der afgelegenheid +en veelvuldige andere zorgen, benoemde hij BERNARD VAN MERODE, _Heer van +Rummen_, hier tot zijn Luitenant of Plaatsbekleeder, doch kwam in April +1581 zelf met zijne gemalin, CHARLOTTE VAN BOURBON, in _Friesland_, om +orde te stellen op vele zaken der regering. Te _Harlingen_ aan wal +gekomen, werd hij, algemeen als Vader des vaderlands vereerd, te +_Leeuwarden_ op eene luisterrijke wijze ingehaald. Op een buitengewonen +landsdag handelde hij met de Staten over vele zaken, en schreef, bij +eene uitvoerige Ordonnantie, die wijze van regering, justitie, politie +en beleid van het krijgswezen voor, welke hem op dat oogenblik de beste +voorkwam[135]. Te kort echter was zijn verblijf, dan dat zijn invloed +duurzaam heilzame gevolgen mogt hebben: want hoog waren toen reeds de +verschillen gerezen tusschen de leden der regering over de mate en de +grenzen van het gezag. + + [135] WINSEMIUS, 689, 697; _Charterboek_ IV, 241. + +Bij de _Staten_ des lands of de Volmagten der grietenijën en steden toch +berustte nu de oppermagt of de souvereiniteit. Deze hadden acht personen +(twee uit ieder Goo en uit de Steden) benoemd tot hunne _Gedeputeerden_, +aan wie met den Gouverneur of Stadhouder de uitvoerende magt en het +dagelijksch bestuur van zaken was toevertrouwd: »bezonderlinge om +voortaen te procederen tot grondelycke Evangelische Reformatie, soo wel +in den saeken van den waren Religie, als de vervallene Politye over het +gantsche Lant"[136]. Doch deze magt was, te gelijk met het beleid van de +justitie, vroeger uitgeoefend door het _Hof van Friesland_, dat nu nog, +bij voortduring, hetzelfde gezag wilde uitoefenen, ook ten aanzien van +het burgerlijk bestuur. Deze Provinciale Raden, welke zoo lang even +Spaanschgezind als de Gedeputeerden Staatsgezind waren geweest, werden +in hunne vorderingen ondersteund, door de afgevaardigden der _Steden_, +die nu, bij de verandering van regeringsvorm, even als de drie +Gooën, bij het stemmen op de landsdagen een afzonderlijk kwartier +wilden uitmaken. Zij eischten zelfs meer: want, daar eertijds de +vertegenwoordiging had bestaan uit de Prelaten of de Roomsche +Geestelijkheid en de Edelen en Eigenerfden, zoowel van het platteland +als uit de steden, zoo verlangden zij nu, na het vervallen van het +eerste staatslid (de Geestelijkheid), dat de steden evenveel +afgevaardigden ten landsdage zouden zenden als het platteland. Het Hof +ondersteunde die eischen, werkte met de steden de Gedeputeerden tegen, +die door de Staten beschermd werden, en zoo was er bestendige twist en +verdeeldheid onder al de leden der landsregering, met eene hevigheid, +welke het algemeen belang met groote schade bedreigde[137]. Zoo +verspilde men tijd en krachten, welke men zoo hoog noodig had tot +regeling van de algemeene belangen en het bestrijden van een vijand, die +nog bestendig een gewest bedreigde, waarbij hij, voor het behoud van +geheel het noordelijk _Nederland_, zoo veel belang had. Vele staatsleden +ijverden voor hunne meening uit zucht voor het algemeene welzijn, welke +zich in de zelfde mate ontwikkelde, als zij zich boven de verdrukking +had weten te verheffen; bij anderen was gehechtheid aan het oude in +strijd met de nieuwe vormen en eischen van het oogenblik; doch er waren +ook, die, uit eer- en heerschzucht, minder het algemeen dan hun eigen +belang voorstonden; ja zelfs, die, wanhopende op den goeden uitslag, nog +met _Spanje_ heulden. Zoo wilden ook de in welvaart en magt toegenomene +steden gebruik maken van de gelegenheid ter bekoming van meer gezag in +den Staat, en liet _Leeuwarden_ zich vooral krachtig gelden en veel +voorstaan op de eer, dat het, als de grootste en sterkste stad des +lands, de eerste geweest was, die de reformatie in kerk en staat had ten +uitvoer gelegd. De onderlinge verbittering steeg zelfs zóó hoog, dat de +Gedeputeerden _Leeuwarden_ verlieten en in 1584 en 1585 hunne +vergaderingen en de landsdagen te _Franeker_ hielden[138]. + + [136] _Charterboek_, IV 235; STELLINGWERFF, _Politycq Discours_, 32. + + [137] Zie het uitvoerig verhaal deswege in VAN REYD, _Nederl. + Oorlogen_, 61, en WINSEMIUS, 689, 714 env., benevens de verdere + ontwikkeling hiervan in de eerste _Aanteekening_ achter het 2e deel + mijner _Geschiedkundige Beschrijving van Leeuwarden_, 407 en de daar + aangehaalde schrijvers. + + [138] Ook om deze reden werd in die jaren de Lands Akademie te + _Franeker_, en niet te _Leeuwarden_, opgerigt. + +Zoodanig was de toestand van _Friesland_ ten aanzien der regering, toen +de vijand in 1583 op nieuw een inval in _Westergoo_ deed, roovende en +brandende door _Oostergoo_ trok en zelfs de omstreken verontrustte van +_Leeuwarden_, dat nog bezig was, zijne vestingwerken te versterken en +uit te breiden. Gruwelijke mishandelingen en moorden kenmerkten zijne +schreden. In allerijl werden de onverhoeds overvallene en verslagene +ingezetenen opgeroepen, om die benden tegen te staan en ten lande uit te +drijven[139]. + + [139] WINSEMIUS, 713; SCHOTANUS, 915. + +In deze »benaude gestaltenisse" des lands trachtte men vooral de grenzen +zoo veel mogelijk te beveiligen, door het versterken van de oude en het +opwerpen van nieuwe ~Schansen~ op een aantal plaatsen. Van tijd tot tijd +werd dit getal vermeerderd, zoodat _Friesland_, buiten de versterkte +steden, eerlang met eene zoom van kleine vestingen was omgeven. Aan de +oostzijde werden daartoe _Oostmahorn_, _Munnekezijl_ en _Kollum_ +versterkt en _de Friesche palen_, _Zwartedijk_ en _Bredenberg_ +aangelegd. Tot verdediging van de zuidelijke grenzen werden de schansen +_Bekhof_, _Slijkenburg_ en _de Blesse_ opgeworpen en die van _de +Lemmer_, te _Hindeloopen_ en te _Sotterum_ bij _Makkum_ sterker gemaakt. +Ook binnen in het land, te _Oldeboorn_, _Joure_, _Rottum_, _Terband_ en +_Oudeschoot_, werden schansen gelegd, om den vijand den doortogt te +verhinderen of die plaatsen te beschermen[140]. + + [140] WINSEMIUS, 705, 765, 833, 836; VAN REYD, 64, 152, 206. Bovendien + werd er in vele dorpskerken eene bezetting van 30 à 40 soldaten uit + het veldleger gelegd tot bescherming van het platteland. In andere + kerken hielden de ingezetenen dag- en nachtwachten. + + * * * * * + +Bij dit alles was het duidelijk gebleken, dat het _Friesland_ aan een +geschikt en krachtvol ~hoofd~ ontbrak, hetwelk zoowel de twistende +regeringsleden als den nog onverslagen vijand wist te bedwingen, en dat +tevens schrander genoeg was, om partij te trekken van den gelukkigen +toestand, waarin de Friezen zich, in de hoofdzaak, bevonden. De +Stadhouder MERODE toch was daartoe te oud en te zwak, en had te weinig +invloed, om zich te doen gelden. Er werd een jonger en moediger man +vereischt, om in het krijgswezen op alle punten te voorzien, en om de +fiere en onbuigzame gemoederen te leiden van die staatsleden, welke, +prat op de herkrijging van de zoo lang ontbeerde vrijheid, nu geen +stroobreed wilden afstaan van hun regt of van hunne bijzondere meening +omtrent de bevordering van het algemeen belang. Intusschen had men zoo +weinig vertrouwen op eigene krachten en scheen de toestand des lands zoo +hopeloos, om zonder vreemde hulp _Spanje_ het hoofd te bieden, dat de +Nederlanders eerst de hulp van _Frankrijk_ inriepen en den _Hertog van +Anjou en Alençon_ als beschermer der Nederlandsche vrijheid aannamen, en +daarna bij herhaling en dringend zich der Koningin van _Engeland_ +aanboden[141]. + + [141] WINSEMIUS, 743 env.; V. REYD, 54; _Charterb._ IV 301, 530. + +Gelukkig dus voor _Friesland_, dat MERODE zijn ontslag verzocht en +bekwam; doch nog gelukkiger, dat de _Prins van Oranje_, op verzoek der +Friesche steden, in diens plaats stelde zijns broeders zoon, den +vier-en-twintigjarigen Graaf WILLEM LODEWIJK _van Nassau_, die in Maart +1584 de regering aanvaardde. Reeds drie jaren te voren, toen VERDUGO, +met 10 vendelen Walen herwaarts gekomen, zijn eersten aanval, bij +_Kollum_, op _Friesland_ deed, had zijn doorluchtige oom hem, pas van de +Akademie van _Heidelberg_ teruggekeerd, met 600 man den Friezen te hulp +gezonden. Naast den Engelschen Overste JOHN NORRITS, die den 18 Julij +1581 bij _Munnekezijl_ een aanzienlijk voordeel op de Spaansche benden, +sterk 6000 man, mogt behalen, werd hij, hoe jong ook nog, een krachtig +tegenstander van VERDUGO. Dezen bestreed hij bij _Noordhorn_, aan het +hoofd der ruiterij, met zulk eene uitstekende onverschrokkenheid, dat in +hem zijn roemruchte oom LODEWIJK scheen te herleven, daar hij, hoe ook +beschoten, met het grootste gevaar, bij herhaling zich door de +vijandelijke slagorde heen sloeg. Ook _Koevorden_ hielp hij op hem +winnen, hoewel hij daar al dadelijk door een zesponds kogel aan het +linkerbeen dermate gewond werd, dat hij aan de gevolgen van dat schot al +zijn leven kreupel ging. Elf jaren later werd hij voor die zelfde +vesting nogmaals gekwetst. Onvertsaagd waagde hij zich op de +gevaarlijkste togten, doch bleef verder ongedeerd[142]. + + [142] VAN REYD, 30, 61; WINSEMIUS, 703; _Charterboek_, IV 425; + BOSSCHA, _Heldendaden_, I 262, 267. + +Hij, die zich der Friezen zaak zoo ijverig had aangetrokken, verdiende +en verwierf zich ook hun vertrouwen, hetwelk hij zich bij voortduring +waardig maakte. Nadat Prins WILLEM _van Oranje_ door een noodlottigen +dood den _Nederlanden_ ontvallen was, werd hij nog in het zelfde jaar +1584 door de Staten tot »absoluit Stadholder ende Gouuerneur ouer deezen +Landschappe" verkozen. Hij aanvaardde die hoogst moeijelijke taak, in +weerwil der menigvuldige bezwaren en gevaren, waarin het land verkeerde, +doch die hij als Nassauer het hoofd wilde bieden, naar het voorbeeld van +zijnen doorluchtigen voorganger. Want terwijl de vijand van buiten het +land bedreigde, was van binnen de verdeeldheid onder de regeringsleden +tot eene ontzettende hoogte geklommen. Met bedaarde zorg en voorzigtige +maatregelen zocht hij den onderlingen vrede te bevorderen, en leverde in +den volgenden jare bij de Staten eene Memorie in, bevattende zijne +voorslagen van hetgeen tot bescherming en verdediging tegen den gemeenen +vijand moest gedaan worden. Door een wijs en gematigd bestuur in de +zaken der regering, ook met betrekking tot de twistende staatsleden, en +door beleid en dapperheid jegens de vijanden, verwierf hij aller +achting, zoodat hij eerlang algemeen als Vader vereerd werd[143]. + + [143] WINSEMIUS, 752, 757; VAN REYD, 64; _Charterb._ IV 512. Bekend is + het, dat de Friezen hem veelal _uws heit_ noemden. + +De zorg voor de bevestiging van de verkregene vrijheid ging bij de +Staten tevens gepaard met de zucht, om de ingevoerde Hervormde leer te +beschermen en uit te breiden, en om te zorgen, dat alle steden en dorpen +van goede Predikanten en Onderwijzers werden voorzien. Hiertoe waren +vooral de inkomsten der plaatselijke geestelijke goederen aangewezen. +Doch gebrek aan leeraren en de overtuiging van het belang der +beoefening van de wetenschappen voor de verstandelijke ontwikkeling der +ingezetenen bewogen de Staten, op voorstel der Friesche Geestelijkheid, +de bezittingen der vervallene kloosters mede te bezigen tot oprigting +van een Seminarium of Akademie, inzonderheid tot opleiding van +Predikanten. De stad _Franeker_ werd daartoe bij voorkeur bestemd, en de +voor negen jaren te _Leiden_ gestichte Hoogeschool tot voorbeeld +genomen. Reeds den 29 Julij 1585 werd deze Akademie plegtig ingewijd, en +alzoo de grond gelegd van dien beroemden zetel der geleerdheid, welke +later voor wetenschappen en beschaving in dit gewest, ja voor geheel +_Nederland_ en een deel van _Europa_, van weldadigen invloed is +geweest[144]. + + [144] WINSEMIUS, 710, 747, 752, 758; SCHOTANUS, _Beschrijv._ 140. + + * * * * * + +Inmiddels waren de bezettingen der steden en schansen, benevens het +krijgswezen door de ijverige zorgen van Graaf WILLEM LODEWIJK op een +beteren voet gebragt, en waande men zich verzekerd tegen den magtigen +vijand, die _Groningen_ en _Steenwijk_ nog immer bezet hield. Doch die +vijand bespiedde zorgvuldig elke gelegenheid, om _Friesland_ afbreuk te +doen of te overvallen. Hij deed dit vooral in Januarij 1586, toen de +Stadhouder zich tot regeling van zaken naar _'s Gravenhage_ begeven had +en een strenge vorst een inval scheen te begunstigen. Een deel der +bezetting van _Steenwijk_, sterk 3000 man en 700 ruiters, trok, onder +aanvoering der Oversten VAN DEN BERG en TAXIS, onverhoeds door +_Gaasterland_ naar _Hindeloopen_ en _Workum_; van daar voorbij +_Bolsward_ door _Witmarsum_ en _Tjum_ naar _Spannum_ en _Winsum_, overal +door moorden en branden de sporen zijner wraakzuchtige woede +achterlatende. Zoo verre waren zij reeds gevorderd, toen de Friesche +krijgsoverste STEYN MALTISSEN hen met ruim 1400 man tegentrok en te +_Boxum_ met hen slaags geraakte. Vóór dat hij zich in slagorde kon +stellen, werd hij door de Spanjaarden overvallen. Van beide zijden werd +woedend gestreden; doch de onzen, voor de overmagt bukkende, werden +deels verslagen, deels naar _Leeuwarden_ verdreven of gevangen genomen. +Schrik en vrees ontzette algemeen de gemoederen, alsof de vijand zich nu +weder in het hart des lands zou nestelen. Doch deze verkeerden spoedig +in blijdschap en dankbaarheid »voor Godes sonderlinghe versieninge en +genade," dewijl men 's lands behoudenis dááraan had te danken, dat het, +op het zelfde uur, dat de slag gewonnen werd, begon te dooijen en te +regenen, waardoor de Spaansche benden, met een haast, alsof zij +vlugtten, naar _Steenwijk_ terugtrokken[145]. + + [145] WINSEMIUS 772; VAN VERVOU, _Gedenckw. Geschiedenissen_, 32; VAN + REYD, 68; VAN DEN SANDE, 16; VAN LEEUWEN, _Kronyk_, 199. + +Sedert deze ramp waren de Staten meer dan ooit geneigd, om, door het +werven van meerder krijgsvolk, de bedoelingen des Stadhouders, ter +verdrijving van den vijand, te ondersteunen. Zijn moed rees met het +gevaar: want op het zelfde tijdstip, dat men, wegens de mislukte zending +van den Engelschen landvoogd LEICESTER, meer den toorn dan de hulp van +Koningin ELISABETH had te wachten, en terwijl de Spaansche armade, of de +zoogenaamde onoverwinnelijke vloot, _Nederland_ met den ondergang +bedreigde, vormde Graaf WILLEM LODEWIJK, in overleg met Prins MAURITS, +het plan, om den oorlog niet langer verdedigender-wijze (_defensif_), +maar voortaan aanvallender-wijze (_offensif_) te voeren, dewijl hij +achtte, dat daarmede de helft zou gewonnen zijn[146]. + + [146] VAN REYD, 135; VAN DEN SANDE, 18. + +De moedige poging, om _Groningen_ aan den vijand te ontrukken, in 1587 +bij herhaling ondernomen, was daarvan een eerste gevolg. Zij mislukte, +doch al de schermutselingen met den vijand, al het nemen en hernemen van +de talrijke verschansingen op de noordoostelijke grenzen des lands, +waren voor den jeugdigen held eene leerschool en strekten tot +verzwakking van den vijand. Bij dat alles was hij met zijne 2 à 3000 +Friezen, zonder andere hulp, in een gedurigen en dikwijls moeitevollen +strijd met VERDUGO'S benden, sterk 4 à 5000 man. Eerst in 1591 woog het +belang der Unie, om de Spaanschen uit deze streken te verdrijven, zwaar +genoeg, dat de Generale Staten en Prins MAURITS hem daartoe krachtige +hulp boden. De vermeestering van de omliggende sterkten _Delfzijl_, +_Enumatil_, _Lettelberd_ enz. was het eerste werk. In 1592 werd, na veel +tegenspoed en een merkwaardig beleg van vijf weken, het sterke +_Steenwijk_ gewonnen. Dit versterkte den moed tot verdere veroveringen, +welke _Holland_ echter afried en wilde tegenhouden, waarop de +voortvarende MAURITS ronduit antwoordde: dat, zoo _Holland_ deszelfs +troepen terugtrok, hij, al ware het alléén met de Friezen en de +ruiterij, het behaalde voordeel wilde vervolgen. Zijn voornemen +zegevierde, en met ongemeene inspanning werd het door VERDUGO zeer +versterkte _Koevorden_ aangevallen en na een hevig beleg gewonnen. +Hierbij werd echter Graaf WILLEM LODEWIJK andermaal door een kogel +getroffen. Na zijne herstelling veroverde hij in den volgenden jare +_Wedde_, _Winschoten_, _Midwolde_ enz., schoon VERDUGO van deze +afwezigheid gebruik maakte, om een strooptogt in het oostelijk gedeelte +van _Friesland_ te doen, waarbij verscheidene dorpen verbrand en +geplunderd werden[147]. + + [147] WINSEMIUS, 805, 810, 814; VAN REYD, 176-198; VAN LEEUWEN, + _Kronyk_, 202; BOSSCHA, _Heldendaden_, I 303, 309. + +Nadat men zich verder van de overige omliggende schansen verzekerd had, +werd in Mei 1594 het beleg voor _Groningen_ geslagen, en, in weerwil van +den krachtigen tegenstand der bezetting, met zoo veel moed, overleg en +ijver doorgezet, dat deze stad zich den 23 Julij overgaf en Prins +MAURITS en Graaf WILLEM LODEWIJK den volgenden dag hun plegtigen intogt +in de stad hielden[148]. Hierdoor werd _Groningen_ en met haar de +_Ommelanden_ als lid der Unie aangenomen en Graaf WILLEM LODEWIJK +daarover tot Stadhouder aangesteld. Ofschoon de aftrekkende benden van +VERDUGO voor het laatst nog hunne woede koelden, door in de +_Zevenwouden_ te plunderen en te branden, was het winnen van deze stad +met de omgelegene sterkten en het verdrijven van de Spaanschen uit deze +noordelijke streken voor de veiligheid en het behoud van _Friesland_ +eene zaak van het hoogste belang. Algemeen was dus hier, even als in het +gansche vaderland, de blijdschap over deze merkwaardige belegering en +roemrijke overwinning op de Spanjaarden[149]. + + [148] Bij dit beleg, hetwelk beroemd is geworden in de geschiedenis, + berustte het opperbevel eigenlijk bij onzen Stadhouder; "nochtans uyt + beleeftheydt ende om meerder eendracht wille gunde hij Prins MAURITS + die eere mede, gelyck er steets eene sonderlinghe liefde ende + eenicheydt tusschen dese twee gheweest is," zegt VAN REYD, 234. + + [149] Zie WINSEMIUS, 816-822; _Charterboek_, IV 883; VAN REYD, + 231-241, 253; V. D. SANDE, 22; BOSSCHA, _Heldendaden_, I 319; + WAGENAAR, VIII 368; WICHERS, _Tractaat van de Reductie der Stadt + Groningen_, 1794, II 277. Een naauwkeurig verhaal van het geheel is + vervat in de _Geschiedkundige Aanteekeningen omtrent het Beleg van + Groningen_, uitgegeven bij gelegenheid van den gecostumeerden optogt, + gehouden bij de inwijding van het Akademie-gebouw te _Groningen_ in + Sept. 1850; een werkje, hetwelk duurzaam historische waarde zal + bezitten. + + * * * * * + +Ook op de verdere veldtogten van MAURITS stond onze Stadhouder hem +waardig ter zijde. Bij de belegering van _Rijnberk_ was het »WILLEM +LODEWIJK met zijne Friezen, die eene halve maan voor de Rijnpoort +stormenderhand innamen," waardoor deze sleutel van den Rijn zich moest +overgeven. Toen MAURITS vervolgens in drie maanden tijds negen +versterkte steden en vijf kasteelen veroverde, in weerwil zijn vijand +Aartshertog ALBERT 60,000 man tot zijne dienst had,--waren het weder +»WILLEM LODEWIJK met zijne Friezen, die zich altijd op den voorgrond +vertoonden." En ofschoon hij MAURITS in den slag bij _Nieuwpoort_ niet +vergezelde, waren het dáár de door hem gevormde Friesche soldaten, welke +zich eervol onderscheidden. Zeventien vaandelen of bijna 3000 Friezen +waren onder den Overste-Luitenant TACO VAN HETTINGA derwaarts getrokken, +en mogten, in de voorhoede, Prins MAURITS eene zegepraal helpen behalen, +welke een der roemvolste bedrijven is in onze geschiedenis. Nadat 150 +Friesche piekeniers de Spanjaarden van de duinen hadden afgedrongen, gaf +hun voorbarige, maar in dezen oogenblik weldadige kreet van: victorie! +een schok tot eene algemeene voorwaartsche beweging van het +Nederlandsche leger, welke van gunstig gevolg was. Dit schonk den +Friezen tevens de gelegenheid, om den opperbevelhebber van het Spaansche +leger, Don FRANCISCO DE MENDOZA, _Admirant van Arragon_, gevangen te +nemen, waardoor een der grootste voordeelen van den slag werd +behaald[150]. + + [150] Hoogst vermoedelijk viel dit te beurt aan het vaandel van EDZART + VAN GROVESTINS, die voorkomt in het _Stamboek_, I 133, II 83 en in het + _Leven en Bedrijf van Wilhelm en Maurits van Nassau_, Amst. 1651, 196; + terwijl hij bedoeld zal zijn met de woorden: _Hy krigge de Amerant mey + finzen_, in GYSBERT'S vers: _Egge, Wynering in Goadsfrjuen_, bl. 69. + De reden, waarom aan dit feit en dezen aanzienlijken gevangene, later + voor 23,000 Gld. gerantsoeneerd, immer zoo hooge waarde is gehecht, + verklaart de dichter H. A. MEIJER in eene Aant. op zijn _Heemskerk_, + 208 aldus: "Het gevangennemen van den Admirant van Arragon, Francisco + de Mendoça en andere aanzienlijke Spanjaarden, op het slagveld van + Nieuwpoort, had eene uitwisseling van krijgsgevangenen ten gevolge, + waardoor vele Nederlanders van de Spaansche galeijen en uit de + Spaansche kerkers werden ontslagen, en in hun vaderland terugkeerden." + Zie ook BOSSCHA, _Heldendaden_, I 334, 336, 355, 391. Onder de + Friesche oversten en kapiteins, die ten deele in deze en de volgende + strijden het leven lieten, worden met eere vermeld: DOUWE en FREDERIK + VAN GROVESTINS, JULIUS VAN EIJSINGA, QUIRYN DE BLAU, HANS VAN + OOSTHEIM, HANS DE VRIES, MICHIEL HAGHE, WILLEM WILLEMSZ. enz. + +Met wijs beleid wist Graaf WILLEM LODEWIJK vervolgens deze gewesten te +besturen, en de eindelooze en vaak hevige twisten, zoo tusschen de stad +_Groningen_ en de _Ommelanden_, als tusschen de Friesche staatsleden zoo +veel mogelijk te bevredigen. Van de laatste mogt hij aangename blijken +van dankbaarheid en vereering ontvangen. In weerwil der bezwaren, +waaronder de provincie gebukt ging, vereerden zij hem in 1598 eene som +van 36,000 Gld., en toen hij in 1607 eene reis naar _Duitschland_ wilde +doen, deden zij hun verlof daartoe met een geschenk van 5000 Gld. +vergezeld gaan. Bij het sluiten van het twaalfjarig bestand, in 1609, +aan het hoofd der gemagtigden geplaatst, bleek vooral zijn »diepsinnich +verstand" in de vereffening der strijdige belangen, en bepaalden de +Friesche Staten, »tot erkentenis, belooning en vergoeding voor de groote +diensten, door het Huis van Nassau aan dezen Staat bewezen," dat zijn +politiek traktement verdubbeld- en zijn militair traktement tot 36,000 +Gld. 's jaars verhoogd zou worden[151]. Hij beminde de letteren, +moedigde het beoefenen van de wetenschappen aan, zorgde dat ieder +tevreden kon zijn over de regering, en was, ook door gematigdheid in de +toenmalige twisten over geloofszaken, voor allen een voorbeeld ter +navolging: want ofschoon de zelfde partij als Prins MAURITS toegedaan, +had hij toch den moed, diens sterke maatregelen af te keuren, hem tot +zachtheid en gematigdheid te raden en hem te waarschuwen voor de +schromelijke gevolgen, welke de gansche wereld hem alléén zou wijten. +Zijne verdiensten als staatsman werden geëvenaard door die als +krijgsman, en men vindt zelfs tot zijn lof verhaald, dat hij de nieuwe +krijgskunde het eerst in gebruik heeft gebragt, welke MAURITS vervolgens +op zijn voorbeeld tot grootere volmaaktheid verhief[152]. Groot was dus +de rouw in gansch _Friesland_ en de omgelegen gewesten, toen die edele +Stadhouder in 1620 hun in 60jarigen ouderdom ontviel, nadat hij deze +provincie 36 jaren lang met zoo veel wijsheid had bestuurd. Door het +bezorgen van eene prachtige uitvaart of lijkstatie en het stichten van +eene kostbare marmeren Graftombe in het koor der Groote Kerk te +_Leeuwarden_, trachtten de Friesche Staten de nagedachtenis te huldigen +van den voortreffelijken vorst, aan wien men zich ten hoogste verpligt +gevoelde[153]. + + [151] VAN REYD, 329; _Regist. Staats-res._ 511; _Chart._ V 134, 159. + + [152] WAGENAAR, V. H. X 408; BOSSCHA, _Heldend._ I 274 env. + + [153] VAN DEN SANDE, 20, 87; WINS. 902; SCHOT. 861, 891; _Tegenw. + Staat_, IV 39, 74; FOEKE SJOERDS, _Beschrijv._ II 137, 184; SCHELTEMA, + _Staatk. Ned._ II 482; V. KAMPEN, _Gesch._ I 489; _Karakterk._ I 491; + _Levens v. ber. Ned._ II 1; VAN HEUSDE, _Diatr. in Guil. Lud. vit. + etc._; BAUDARTIUS, _Nass. Oorl._ 459; _Schuit- en Jagtpraatjes_, II + 35, 37, 87; AITZEMA, _Saken van Staet en Oorlogh_, 4^o. I 3, 16; + KLUIT, _Hist. der Holl. Staatreg._ III 499; _Geschiedk. Beschrijv. van + Leeuwarden_, II 2, 49, 95, 296, 427. + + * * * * * + +Zijn jongere broeder, Graaf ERNST CASIMIR _van Nassau_, volgde hem op. +Deze, op reizen door _Duitschland_, _Frankrijk_ en _Zwitserland_ in +letteren en kunsten geoefend, had reeds 25 jaren lang onder hem en +MAURITS dezen staat gediend, en mogt, vooral door zijn beleid en moed +vóór den slag bij _Nieuwpoort_, grooten lof behalen. Hij was nu tot +Veldmaarschalk van der Staten leger en Luit.-Gouverneur van _Gelderland_ +en _Utrecht_ opgeklommen, hoewel het geluk hem doorgaans minder +begunstigde dan zijn moed het verdiende. Den 3 Augustus 1620 werd hij +door de Staten van _Friesland_ tot Stadhouder en Kapitein-Generaal +aangesteld, hoewel _Groningen_ en _Drenthe_ Prins MAURITS kozen en eerst +na den dood van dezen, in 1625, hem deze waardigheid opdroegen. In alles +betoonde hij zich een broeder waardig, die hem deze landen in vrede en +voorspoed had achtergelaten, en hij spaarde geene zorg om hunne belangen +te bevorderen. In het staatkundige genoot hij groot vertrouwen, zoodat +de Algemeene Staten hem meermalen aanzienlijke gezantschappen en +zendingen opdroegen. In den krijg stond hij MAURITS en FREDERIK HENDRIK +verder als steun en raadsman ter zijde, en werden hem belangrijke togten +ter verdrijving van den vijand toevertrouwd. Even als zoo vele leden van +zijn geslacht, stierf ook hij op het bed van eer, in de dienst van het +vaderland ter verkrijging der onafhankelijkheid. Bij het bezigtigen van +_Roermonds_ loopgraven, voor welke vesting hij in 1632 het beleg had +geslagen, ontving hij een schot; en sneuvelde »_Frieslands_ uitmuntende +Stadhouder, de dappere en minzame ERNST CASIMIR, uitstekend geacht om +zijne dapperheid en gedrag, tot groote droeffenisse van alle goede +Patriotten ende mercklycke verachteringhe van de gemeene sake; hetwelcke +een beclaeghelycke doodt voor de Geunieerde Landen ende den Prince was, +also hy de oudste ende meest ervarendste overste was, die alle syne +dinghen met een groot beleydt ende couragie, tot welstandt van de +landen uytgevoert hadde"[154]. + + [154] DE LA PISE, 893; V. D. SANDE, 87, 163; WINS. 884, 902, 909; + _Charterb._ V 259. Zie verder over hem ook de meeste der hier vóór + aangehaalde schrijvers. VONDEL vereerde hem met eene _Lijckklacht, + Poëzij_, 456; G. CORVINUS hield in 1637 te _Herborn_ op hem eene + Lijkrede. + +Ook hij mogt van de Staten van _Friesland_ vele bewijzen van vertrouwen +en vereering ontvangen, waarvan in 1627 een geschenk van 1500 en in 1630 +van 50,000 Gld. getuigden; terwijl hem kort voor zijn dood de +erfopvolging van zijn zoon toegezegd was en zijner weduwe een pensioen +van 4,000 Gld. werd toegelegd. Bij uitstek talrijk en prachtig was de +lijkstoet, welke zijn stoffelijk deel ten grave geleide[155]. + + [155] Zie _Regist. op de Staats-resol._ 512. Het eenig bekende, rijk + uitgevoerde ex. der Afbeelding van deze Vorstelijke Begrafenis is + thans in het bezit van mijnen geachten vriend Jhr. Mr. H. B. VAN + SMINIA te _Bergum_. + + * * * * * + +Ver van het tooneel des oorlogs verwijderd en bestendig het genot van +den voorspoed smakende, verkeerde deze provincie in een bloeijenden +toestand, toen de jeugdige HENDRIK CASIMIR I in December 1632 zijn +voortreffelijken vader in de regering opvolgde. Rustig was zijne +regering niet, wegens het duurzaam blaken der verschillen tusschen de +staatsleden, welke zelfs aanleiding gaven tot oproerige bewegingen onder +het volk. Om deze te bedwingen, zonden de Algemeene Staten bij herhaling +gezanten en krijgsvolk herwaarts; doch de voorzigtige Stadhouder wist +zijn invloed met veel beleid aan te wenden, om het inrukken van die +troepen binnen _Leeuwarden_, als strijdig met de regten en de hoogheid +van dit gewest, te beletten, en niet minder, om de verstoorde rust te +herstellen en de twistende partijen vooreerst te bevredigen. Groote +diensten heeft hij daarin dit gewest bewezen. Doch ook als krijgsman had +hij zich der belangen van het vaderland gewijd, en vond Prins FREDERIK +HENDRIK in hem een dapperen steun, aan wien hij belangrijke togten +toevertrouwde. In 1637 en volgende jaren behaalde hij, aan het hoofd van +het zoogenaamde vliegende leger, op de frontieren van Rijn, Maas en Waal +vele voordeelen op de Spanjaarden, waarbij hij zich »met sonderlinge +sorghvuldicheyt en vigilantie kweet," en om zijne goede zorg en orde, +evenzeer als om zijne bescherming van de weerlooze ingezetenen tegen den +vijand geprezen werd. Doch ook hij bragt zijn leven dat vaderland ten +offer, als de negende der Nassausche helden, die in dezen krijg voor de +goede zaak het leven lieten. Op den togt in _Vlaanderen_, niet ver van +_Hulst_ eene schans aanvallende, waarbij de zijnen, uit »een +sonderlinghe ghenegentheydt, die sij hem toedroegen, als Leeuwen +vochten," werd hij in den rug geschoten, waaraan hij den 2 Julij 1640 +stierf, »tot hertelijcke droefheydt van 't gantsche Leger, van den +Prince, die grote hope op hem hadde, en oock van de vyandt, by wien hy +in aensien ende grote estime waer." Zelfs zou een vijandelijk +hoofd-officier dien dag hebben gezegd: »de braveste Cavalier van +_Nederlandt_ is gebleven." Uitbundig is de lof, welken tijdgenooten +dezen jeugdigen held, die slechts 29 jaren mogt bereiken, toezwaaijen. +De Friezen, die zijne godsdienstige braafheid en voortreffelijke +eigenschappen hoogelijk vereerden, betreurden algemeen zijnen dood, en +vergezelden vol rouw zijne plegtige uitvaart, waartoe de Staten eene som +van niet minder dan 12,000 Gld. bestemden[156]. + + [156] _Chart._ V 341, 355; V. D. SANDE, 173, 199, 212, 215 en vooral + 217. Zie mede de vroeger vermelde schrijvers en VAN LEEUWEN'S Aantt. + op _it aade Friesche Terp_, 453 env. + + * * * * * + +'t Was inderdaad een groot voorregt van _Friesland_, dat het zijn belang +aldus had verbonden aan een Vorstelijk Huis, hetwelk bij opvolging +waardige leden telde, in staat, om, bij het immer voortduren van den +oorlog, te voldoen aan de eischen der Staten, die aan het hoofd der +uitvoerende magt een man wilden bezitten, in wien zich de hoedanigheden +vereenigden van »eenen aensienlycken, gequalificeerden ende vertrouden +Persone, van cloeckheyt, dapperheyt ende goede ervarentheyt in materie +van State ende Crychshandel"[157]. Die zeldzaam bestendig vereenigde +gaven waren het deel der leden van dezen tak uit het beroemde stamhuis +van _Nassau_, die ook hun belang aan dat van _Friesland_ hadden +verbonden, en zich bij die verbindtenis even gelukkig gevoelden als de +Friezen, die immer met dankbaar vaderlandsch gevoel hebben erkend, dat +al hunne de Stadhouders uit dit doorluchtig geslacht, als staatsmannen +en helden het vaderland tot nut en roem, en als menschen en christenen, +door vereeniging van bekwaamheid met braafheid, den landzaat ten +voorbeelde en der menschheid tot eere gestrekt hebben. Dit zegt veel, +doch de geschiedenis zou dit in meerdere bijzonderheden kunnen +vermelden, dan ons vergund is hier mede te deelen. Wie toch overtuigd is +van den invloed, welke de zin, de zeden en geestrigting van regenten op +een volk uitoefenen, die schat het voorregt hoog en acht dien invloed +weldadig voor de zedelijke ontwikkeling van alle standen, wanneer die +regenten om hunne bekwaamheden evenzeer geacht, als om hun karakter en +gezindheden alom geëerd en bemind worden. En al mogen deze niet altijd, +gelijk wapenfeiten, schitteren,--zij verspreiden een weldadigen gloed +van liefde en verknochtheid, welke die geslachten overleeft in eene +eervolle en zegenende nagedachtenis. Zóó herdenken wij, Friezen, de +Stadhouders uit het Huis van _Nassau_, de stamvaders van het thans +regerende Koninklijk geslacht. Op allen passen wij den wensch toe, dien +de dichter DA COSTA omtrent WILLEM LODEWIJK uitte: + + [157] _Charterboek_, V 259. + + _Gedenk den vroomen held, die heel zijn zielzucht prentte, + O Neêrland! in de dienst, tot uw behoud verricht! + Gij, Friesland, 't allereerst, met Groningen, met Drenthe, + Zijn wakkre vaderzorg zoo duur, zoo teêr verpligt. + Gedenkt hem, Nassaus huis, gy, zyn doorluchte neven, + Van ouds gedragen op der Christnen heilgebed! + Gy, uit zyn Frieschen stam op Neêrlands troon verheven, + o Koning, op wiens keus meer dan Europa let!_[158] + + [158] _Zangen uit verscheidenen leeftijd_, 1847, 110. Vele berigten + omtrent deze Stadhouders heb ik medegedeeld in de _Geschiedkundige + Beschrijving van Leeuwarden_, II 2, 3, 95, 296-319, 427 env. Ruime + stof is er voorhanden, om hunne levens uitvoerig te behandelen. + +Ook nu, in 1640, na het smartelijk verlies van Graaf HENDRIK CASIMIR, +kon dat Huis die breuke heelen. In zijn broeder, Graaf WILLEM FREDERIK +_van Nassau_, die, van gelijken aard en inborst, eene gelijke opleiding +had genoten, vond het een Stadhouder, die dadelijk de afgebrokene taak +kon opvatten. Wel vielen _Groningen_ en _Drenthe_ hem af, door zich +Prins FREDERIK HENDRIK te kiezen, doch de Friesche Staten aarzelden +niet, hem den 23 Julij 1640 eenparig tot hun Stadhouder en +Kapitein-Generaal aan te stellen, welke betrekkingen hem eerst tien +jaren later mede door de twee genoemde naburige provinciën werden +opgedragen[159]. En dat ook hij door zijn beminnelijk karakter, +krijgsdeugden en staatkundige bekwaamheden zich de hoogachting en +erkentenis der Staten wist te verwerven, bleek mede daaruit dat zij hem +in 1650 en op nieuw in 1661 een geschenk van 50,000 Gld. vereerden, en +in 1651 hunne ingenomenheid met zijn huwelijk met Prinses ALBERTINE +AGNES _van Oranje_, de dochter van FREDERIK HENDRIK, aan den dag legden, +door haar, tot Kind of Dochter van Staat aangenomen, den Stadhouder tot +Gemalin over te dragen en een geschenk van eene tonne gouds aan te +bieden[160]. + + [159] _Charterboek_, V 458; WAGENAAR, _Vad. Hist._ XII 131. + + [160] _Register op de Staats-resol._ 343, 513, 587. Vandaar (dat wij + dit hier voorloopig vermelden), dat de Friesche regenten zoo vele + bewijzen gaven van hunne ingenomenheid met het Stadhouderschap, zoowel + op de vermaarde Groote Vergadering van 1651, als in 1654 bij het + stemmen over de acte van uitsluiting in de Staten-Generaal. Tegen de + heerschzuchtige bedoelingen van _Holland_ en andere gewesten, die het + Stadhouderschap geheel schenen te willen vernietigen, protesteerden de + Friesche Afgevaardigden ten sterkste, als eene schending van de Unie, + als een maatregel tegen het belang des lands, en vooral als eene + beleedigende ondankbaarheid jegens het _Huis van Oranje_, hetwelk zoo + veel goeds verrigt had voor het vaderland. Zie AITZEMA, f^o. III 542, + 815, 826; KOK, _Vaderl. Woordenboek_, 16e dl. 603 en het _Register_ b. + v. 587. + + * * * * * + +Intusschen was, met Gods hulpe, de tachtigjarige oorlog geëindigd door +den Vrede, te _Munster_ in 1648 gesloten; een vrede, waarbij eindelijk +door _Spanje_ de onafhankelijkheid der Nederlandsche gewesten erkend- en +een perk gesteld werd aan de bloedige oorlogen en verbazende geldelijke +opofferingen, welke _Nederland_ uit zich zelf niet had kunnen +bestrijden, als de Almagtige het niet gesteund- en als het zelf geen +gebruik gemaakt had van zijne gunstige ligging voor koophandel en +zeevaart, door zich in _Oost-_ en _West-Indië_ buitengewone bronnen van +nijverheid en voorspoed te openen. Die vrede en vrijheid, welke zoo +groote opofferingen vergold en het bezit dier bronnen van welvaart +bekrachtigde, had eene onbedenkelijke waarde voor het volksbestaan der +Nederlanders. In _Friesland_, dat bij dit verbond was vertegenwoordigd +door FRANS VAN DONIA, wonende op _Hinnema-state_ te _Jelsum_, was de +vreugde over deze bevestiging van den Staat groot en algemeen. Daarom +wilden ook 's lands Staten, dat zij op eene plegtige en luisterrijke +wijze werd afgekondigd. Tot dat einde werd er tegen de Stads-Waag te +_Leeuwarden_ een rijk versierde Triumfboog opgerigt, vóór welke op den +26 Mei 1648 de afkondiging plaats had[161]. Bovendien werd er een +Monument van deze gebeurtenis tegen den gevel van het Landshuis +opgerigt[162]. + + [161] Eene beschrijving van de, in het Stedelijk Archief nog bewaarde, + afbeelding dezer plegtigheid heb ik gegeven in den tekst der _Twaalf + Gezigten op en in Leeuwarden_, 1850, bl. 15. + + [162] Zie _Tegenw. Staat_, II 70 en _Geschiedk. Beschrijv._ II 16. + +Bij den terugblik op het behandelde gedeelte van dit tijdvak, moeten wij +erkennen, uit de laatste tijden weinige bijzonderheden van het +volksleven der Friezen te hebben medegedeeld. Dit is zeer natuurlijk. +_Friesland_ genoot sedert de overgave van _Groningen_ in 1594 het +voorregt, om, van het tooneel des oorlogs verwijderd, zich rustig aan +zijne eigene en in de onveilige oorlogstijden veel verwaarloosde +belangen te kunnen toewijden. Met wakkerheid legde het volk zich op de +verbetering van landbouw en veeteelt, op de uitbreiding van handel, +fabrijken en handwerken toe. De steden rezen in bloei en vermogen, +werden verfraaid en vergroot en met aanzienlijke gebouwen en nuttige +inrigtingen verrijkt[163]. Op het land verspreidde de ontwikkeling der +bronnen van volksbestaan eene welvaart, welke de vergrooting der buurten +van vele dorpen ten gevolge had; terwijl edelen en eigenerfden daarbij +op hunne bezittingen zoo vele staten en landhuizen, ja soms kostbare +kasteelen bouwden of herbouwden, dat het groote getal van derzelver +namen op de kaarten der grietenijen nog onze verwondering verdient[164]. +Met den Staat werd tevens de burgerlijke toestand der ingezetenen +gevestigd, en eene maatschappelijke inrigting geregeld, welke zeer lang +onveranderd bleef bestaan. + + [163] Ten aanzien van _Leeuwarden_ zie men daarvan veelvuldige + bewijzen in de _Geschiedkundige Beschrijving_, II 4-77. + + [164] Van honderden dier gebouwen heb ik in mijn _Frisia Illustrata_, + of Teekeningen van Friesche kerken, gestichten, staten, dorpsgezigten + enz. uit de vorige eeuw, afbeeldingen verzameld. + +Die voorspoed, welke zich in alle standen verspreidde, had echter ook +zijne schaduwzijde: want, zegt een geschiedschrijver dier dagen, +»neffens dese verbeteringhe van het Landt, nam oock die hovaerdye ende +pracht in Klederen, Huysraet, Bancquetten en alle kostelheyt ergerlijcke +overhant, 't welck al te langhe waere in 't kleyne te verhalen"[165]. +Uitsluitende zorg voor enkel stoffelijke belangen, welke alléén geld en +voordeel najaagde, stond de ontwikkeling van den geest steeds in den +weg; en terwijl de geleerden, vooral op 's lands Hoogeschool te +_Franeker_, met groote schreden vorderden op den weg der wetenschappen, +hield de zedelijke, godsdienstige en letterkundige vooruitgang des volks +geen gelijken tred met den stoffelijken voorspoed. Bovendien, sedert de +Dordsche Synode in 1618 eenmaal had bepaald, wat de Hervormde Kerk voor +christelijke waarheid te houden had, scheen men bevrediging te vinden in +koude leerstellingen, die den warmen gloed van de godsdienst der liefde +verdrongen hadden. Bij al den voorspoed betoonde men ook weinig +behoefte aan godsdienst, terwijl men zijne staatkundige regten met des +te meer ijver deed gelden. Vandaar, dat er nog eene andere oorzaak was, +die nadeelig werkte op de zedelijke zoowel als de burgerlijke belangen. + + [165] VAN REYD, 351; DE KONING, _Voorvad. Levenswijze_, 200. + +Vermits het regt tot stemming van bestuurders en staatsleden alléén +gegrond was op het bezit van vaste goederen, was de zucht om meer +bezittingen te verwerven, ten einde meer magt en invloed op het +staatsbestuur te bekomen, evenzeer toegenomen als de zucht naar hoogheid +en eere, en om zelf tot ambten en waardigheden te geraken. + + _Thans (dachten ze in hun hart), thans komt het er op aan, + Om naar 't voordeeligst Ambt te streven en te staan: + En die naar kennis, kunst en wetenschap wil streven, + Doolt verre van den weg om met vermaak te leven. + Die Rijk is, is ook wijs, ook dapper, en in staat, + Om Friesland nut te zijn, én door beleid én raad. + Die magtig is in geld, in goedren overvloedig, + Is eerlijk, schrander, braaf, verheven en grootmoedig!_ + + _Dus achtte men welhaast de vaderlandsche zaak._ + + _Maar in een Vrij Gewest is ware Vreê te erkennen, + Wanneer men in de jeugd de kindren doe gewennen + Aan 't denkbeeld, dat de mensch niet voor zich zelve alleen + Geboren is, maar ook ten nutte van 't Gemeen; + Ja, dat zulks de eerste lust en de eerste pligt moet wezen, + Door geene Staatzucht, door geen Geldlust te belezen. + Daar derft de Raad des lands geen krachten, geenen moed, + Tot wering van het kwaad, tot staving van het goed. + De zon van het Gezag doet hare vruchtbre stralen + Dáár van den hoogen trans, van haren hemel dalen_[166]. + + [166] WILLEM VAN HAREN, _Lof der Vrede_, 's Hage 1742, 53, 59, 61. + +Voorzeker was het niet vreemd, dat zulk eene rigting, welke alle lessen +der godsdienst tot vrede en zachtmoedigheid versmaadde, aanleiding gaf +tot oneindige kuiperijen en partijschappen, welke de rust van den Staat +bestendig in gevaar stelden en de uitvoering van gewigtige verbeteringen +beletten. Een tijdgenoot (de Raadsheer VAN DEN SANDE, 208) getuigt +deswege: »van die twist, oneenicheydt ende factien is de eenighste +oorsake geweest, de overgroote ende ongheregelde ampt ende +regieringhsucht, waerdoor voorgaende goede wetten, Lands-ordinantien +ende resolutien zijn ontbonden, veracht ende met voeten ghetreeden, +waerom goede Patriotten vreesden, dat uyt dusdanige ongebondenheyt +eyndelijck eene nieuwe combustie, oock wel eene totale ruyne hares +Vaderlandts ontstaen mochte." Ja, SCHOTANUS noemt »de vervloeckte +staet-sucht een oude plage," gelijk UBBO EMMIUS »een grasseerende pest +van dit Landt"; terwijl het tafereel, dat de eerste van den zedelijken +toestand des volks, in het midden der 17e eeuw, ophangt[167], ons met +bedroeving vervult, en weder een bewijs levert, dat de voorspoed (die +proefsteen onzer zedelijke waarde), schoon een zegen des Allerhoogsten, +door misbruik veelal meer verderfelijk is voor de waarachtige belangen +eens volks, dan tegenspoed en lijden, welke veelal verkeerdelijk voor +rampen, kastijdingen en plagen Gods worden gehouden. + + [167] Aan het slot der Voorrede van zijne _Beschrijv. end Chronijck_ + van 1655. Zie ook HALBERTSMA, _Letterk. Naoogst_, I 147, 150; + STARTER'S en FONTEYNE'S _Politycke Kuiper_, 1621, 1647; BAARDT, + _Deugden Spoor_, 1645, GYSBERT en meerdere geschriften van dien tijd. + +Evenmin als van de vroegere partijschappen der Schieringers en +Vetkoopers, zullen wij nu een uitvoerig verhaal geven van deze +Staatstwisten, welke vaak met gelijke hevigheid, doch onder andere +omstandigheden en in eenigzins meer beschaafde vormen gevoerd werden +als die vroegere. Omtrent al de twisten van KAREL ROORDA tegen Graaf +WILLEM LODEWIJK, de verschillen over de opbrengst van _Frieslands_ +aandeel (_quota_) in de algemeene lasten en het inwilligen van de +impositiën en generale middelen, allen reeds in 1593 aangevangen, later +voortgezet en tot 1640 met hevigheid gevoerd, zoodat de Algemeene Staten +bij herhaling afgezanten en krijgsvolk naar _Friesland_ moesten afzenden +tot herstel van de rust en het innen van de schattingen,--omtrent dit +alles kunnen wij hier in geene bijzonderheden treden[168]. Van meer +duurzaam belang hebben wij het geacht, hierop te laten volgen een +overzigt van den Regeringsvorm of het Staatsbestuur van _Friesland_ in +dit tijdperk, dewijl deze met die gebeurtenissen in naauw verband stond +en sommige onzer tegenwoordige instellingen daarvan nog uitvloeisels +zijn. Tevens kan dit strekken tot verklaring van vele punten, welke bij +de behandeling van de Geschiedenis vermeld worden. + + [168] Wij hebben daarvan in _Aanteek. 21_ de bronnen medegedeeld voor + ieder, die in de nasporing van al deze onlusten bijzonder belang mogt + stellen. + + +36. _De Regeringsvorm van Friesland, tijdens de Republiek._ + + +_De Staten._ + +De Souvereiniteit of de Oppermagt des lands werd sedert 1580 in +_Friesland_ uitgeoefend door de _Staten_, als gevolmagtigden, bij vrije +keuze, van de bezitters van zoodanige vaste goederen, waaraan van ouds +het stemregt was verknocht[169]. + + [169] Zie over dit onderwerp de belangrijke _Verhandeling over het + Stemrecht_, door P. WIERDSMA, Leeuw. 1792, en de Dissert. _de Jure + Suffragandi_, van E. DE WENDT VAN SYTZAMA, Utr. 1841. + +In Januarij van elk jaar werden door deze laatste in iedere Grietenij +twee personen, waarvan de eene een Edelman en de andere een Eigenerfde +of bezitter van eene stemhebbende plaats of zathe moest zijn, gestemd en +als Volmagten ten Landsdage afgevaardigd; terwijl de Regeringen der +Steden, uit Magistraat en Vroedschap bestaande, uit ieder dezer leden +een Gecommitteerde benoemden. + +Het getal leden, dat den grooten Landsdag uitmaakte, bestond alzoo uit +82, waarvan ieder kwartier in eene afzonderlijke Kamer zitting nam, +hebbende _Oostergoo_ 22, _Westergoo_ 18, _Zevenwouden_ 20 en de _Steden_ +22 leden. Die zittingen werden gehouden in het _Landshuis_, naast de +Canselarij, te _Leeuwarden_. De gewone of groote _Landsdag_, die +niet langer dan zes weken mogt duren, werd altijd geopend op den +eersten Donderdag in Februarij, welke dag den naam droeg van den +_Propositiedag_: want, nadat dan alle Volmagten der vier kwartieren in +de Kamer van _Oostergoo_ bijeengekomen waren, begaf de Stadhouder (zoo +hij zich in _Leeuwarden_ bevond) zich aan het hoofd van Gedeputeerde +Staten, met groote plegtigheid, van het Collegie naar het Landshuis, in +de vergadering. Deze werd dan door den Secretaris van Gedeputeerden +geopend met eene aanspraak, bevattende een overzigt van de +omstandigheden des tijds en van de voornaamste punten, welke aan de +beraadslaging der Staten zouden worden onderworpen, waarna hij de balans +van de provinciale kas overleidde. Vervolgens deed een der Leeuwarder +Predikanten (die daartoe beurtelings verkozen werden en hiervoor een +geschenk ontvingen van 50 Gld., gelijk genoemde Secretaris van 500 Gld.) +met opene deuren een gebed, tot afsmeeking van Gods zegen over de +verrigtingen van den Landsdag, welke laatste plegtigheid altijd door +eene talrijke menigte werd bijgewoond. + +Er was nog een _vijfde_ Kamer aan deze vergadering verbonden, +het _Mindergetal_ genaamd, bestaande uit 8 personen, twee uit +ieder kwartier, met den Stadhouder als Voorzitter. Ten einde de +beraadslagingen van het groot getal Staten te vereenvoudigen, werden +alle zaken, welke de Landsdag moest behandelen, vooraf in deze Kamer +gebragt en onderzocht. Daarna gingen de twee leden van ieder kwartier, +met het advies van het Mindergetal, naar hunne vergaderde Kamer, wier +beslissing zij terugbragten in het Mindergetal, dat den uitslag der +stemming, bij kwartieren, en daarnaar de Resolutiën der Staten opmaakte. +Bij staking had de Stadhouder het voorregt der beslissing. Aan deze +gewigtige vaste commissie was een Secretaris van Staat toegevoegd, tot +welk hoogst belangrijk ambt steeds de bekwaamste personen werden +gekozen. + +Aan deze Staten was, als de hoogste Overheid van den lande, de +besturende en wetgevende magt toevertrouwd, en werden de belangen der +provincie op zich zelve en in betrekking tot de Generaliteit, of het +verbond met de overige provinciën, door hen behartigd en al de regten +der oppermagt uitgeoefend, behoudens de fondamenteele beginselen van +regering (zoo als men het noemde), welke ook zij verpligt waren te +eerbiedigen. Op ingekomen zaken van gewigt of die geen uitstel leden, +werd er somtijds een Buitengewone Landsdag uitgeschreven, waarop echter +geene andere zaken mogten behandeld worden dan die waren opgegeven door + + +_De Gedeputeerde Staten._ + +Aan dit aanzienlijk Collegie, uit en door de Staten voor drie jaren +benoemd, was de uitvoering van de Staatsbesluiten, het dagelijksch +bestuur van de provincie, de zorg voor 's lands veiligheid, het toezigt +over den waterstaat en veelvuldige bijzondere bemoeijingen betrekkelijk +de policie, het krijgswezen, de geldmiddelen, de godsdienst, het +onderwijs enz. opgedragen. Het bestond uit 9 leden, waarvan ieder der +Gooën 2 en de Steden 3 verkozen, benevens een Secretaris.--Een Advokaat +en Fiscaal, belast met de verdediging der provinciale belangen, was +daaraan toegevoegd. Wekelijks hield het zijne vergaderingen op het +Statenhuis of _Collegie_, thans het Gouvernements-gebouw, te +_Leeuwarden_[170]. + + [170] Uitvoeriger berigten nopens deze Staats-collegiën vindt men in + FOEKE SJOERDS, _Beschrijv_. II 88; VAN BURMANIA, _de Jure Comitiorum_, + Fran. 1751, en _Tegenw. Staat_, IV 1. De Dissert. van Mr. S. W. H. A. + VAN BEIJMA THOE KINGMA, _Hist. Ord. Fris._ Leiden 1835, behoort tot + een vroeger tijdperk, van 1515-1581. + + +_De Stadhouder._ + +Het doorluchtig hoofd van den Staat, dat de luister der Oppermagt van de +Staten bestendig vertoonde en waarnam, was de _Stadhouder_. Dit ambt en +dezen naam, eigenlijk Stedehouder (Lieutenant) of Plaatsbekleeder van +een afwezigen Vorst of Heer, had men gewijzigd overgenomen van de +Spaansche Regering. Want hoewel de volksregering een uitvloeisel was der +verkregene vrijheid, deed de veelheid der hoofden en zinnen en nog meer +het belang van het krijgswezen de behoefte gevoelen aan een luisterrijk +hoofd, dat, door den Souverein bekleed met magt en met de zorg voor de +algemeene belangen belast, als het ware in het midden stond tusschen +dien Souverein en het Volk. Van velen nam men dus ~raad~ in, omdat één +mensch niet ligt alles ziet, doch de ~uitvoering~ werd overgelaten aan +één persoon: want in eenheid is kracht. Zelf achtten de Staten het +noodzakelijk, »dat eene veelhoofdige regering getemperd werd door een +schijn of schaduw van Monarchie"[171]. + + [171] Zij betoogden dit in 1651 in een stuk bij AITZEMA, f^o. III 542. + +De Stadhouder deelde deze magt met Gedeputeerde Staten, aan wier +hoofd hij als Voorzitter was geplaatst; terwijl hem tevens het +oppergebied over het krijgsvolk en het beleid van den oorlog te land +en te water was opgedragen, in de waardigheid van _Kapitein- en +Admiraal-Generaal_, welke aan het Stadhouderschap was verbonden. Met +betrekking tot de Generaliteit had hij zitting in den Raad van State +te _'s Gravenhage_. Voorts kon hij zitting nemen in het Hof van Justitie +en in de Rekenkamer. Hem was de jaarlijksche aanstelling van de +Magistraats-personen in de steden en de beslissing van hunne geschillen +opgedragen, terwijl het kwartier der steden hem mede de begeving van de +omgaande Provinciale ambten had toevertrouwd[172]. Bovendien waren er, +in verschillende tijden, meerdere regten en waardigheden aan dit hoog +aanzienlijk ambt verbonden. In de hoofdzaak kwam het ambt des +Stadhouders hierop neder: in het beschermen van de provincie tegen +binnen-en buitenlandsch geweld; in het toezigt op het krijgswezen en in +de zorg voor een goed en vaardig bestuur van de provinciale zaken met +Gedeputeerde Staten. + + [172] Hiervan zijn de zoogenaamde _Landsdag-penningen_ afkomstig, die, + aan de eene zijde het borstbeeld des Stadhouders en aan de andere + zijde het wapen des Stadhouders, omgeven van die der elf steden, + vertoonende, namens den Vorst aan hare Volmagten ten landsdage werden + uitgereikt. VAN LOON, _Historiepenn._ IV 169, heeft die bestemming + alzoo verkeerd opgegeven. + +_Friesland_ had het geluk, dat deze betrekking sedert 1584 op eene +waardige wijze werd vervuld door acht elkander opvolgende Vorsten uit +het Huis van Nassau, aan wier geslacht het gansche vaderland, sedert den +vrijheids-oorlog, zoo veel verpligting had, en waaruit de tegenwoordige +Koninklijke familie in eene regte lijn afstamt. De deugden en +bekwaamheden van hen en hunne gemalinnen, die soms, bij minderjarigheid +des opvolgers, de teugels van het bewind opvatten, leven nog voort in +eene eervolle nagedachtenis. Hun zetel, het _Stadhouderlijk Hof_, thans +het _Koninklijk Paleis_, te _Leeuwarden_, dat nog hunne afbeeldsels +(gelijk de Groote Kerk hun stoffelijk overschot) bewaart, moge, even als +de door hen aangelegde Prinsentuin aldaar, die herinnering duurzaam +levendig houden[173]. + + [173] Zie de geschiedenis van dit en de andere Vorstelijke Gebouwen te + _Leeuwarden_ in de _Geschiedk. Beschrijv._ II 295 env. en eene + Volglijst dezer Stadhouders in de tweede Tijdrekenk. Lijst hier + achter. Ik herhaal hier den wensch, dat de Levens dezer Vorsten + eenmaal naauwkeurig mogen worden opgemaakt, vooral uit die groote + verzameling stukken, uitmakende het Archief dier Stadhouders, welke ik + in 1837 heb opgespoord in het Rijks-Archief en Huis-Archief des + Konings, volgens mijn berigt in _de Vrije Fries_, II 18. + + +_Het Hof Provinciaal._ + +De Hertogen van _Saksen_ hadden in 1499 een _Provincialen Raad_ te +_Franeker_ en in 1504 een _Geregtshof_ te _Leeuwarden_ ingesteld en de +Saksische Ordonnantie uitgevaardigd, waarbij de Keizerlijke regten met +behoud van sommige lands gewoonten in _Friesland_ ingevoerd-, en +bepalingen ter handhaving van het burgerlijk en regterlijk bestuur +vastgesteld werden. In 1571 had dit Hof een grootsch gebouw, de +_Canselarij_, tot zetel betrokken; doch bij de omwenteling van 1580 werd +aan dat Hof alle bewind in de zaken der burgerlijke regering of het +bestuur des lands onttrokken. Sedert dien tijd was alleen het beleid der +civile en criminele Justitie, of de hoogste regtsmagt en uitspraak in +burgerlijke geschillen en omtrent strafbare daden, aan dit Hof +opgedragen. De eerste, ook wanneer men zich van de Nedergeregten bij +appèl beriep op de uitspraak van het Hof, waarvan geen beroep op eenig +hooger geregtshof kon geschieden. In 1602 werd door de Staten van +_Friesland_ de _Lands Ordonnantie_ uitgevaardigd, welke, herzien en +aangevuld in 1723, nevens het Romeinsche regt, als Hoofdwetboek het +rigtsnoer bleef van eene Regtbank, die, door krachtbetoon en strikte +regtvaardigheid, den meesten eerbied en het hoogste ontzag mogt +verwerven. Groot was dit voorregt, dat _Friesland_ genoot boven andere +provinciën, wier regtsmagt lang en vaak zeer willekeurig door Jonkers, +Heeren, Drosten enz. op grond van oude kostumen en landregten werd +uitgeoefend. + +Dit Hof van Justitie dan bestond uit 12 Raadsheeren, welke de Stadhouder +uit eene nominatie van ieder der vier kwartieren koos, benevens een +Procureur-Generaal en Griffier, ieder met een Substituut of hulp; +alsmede een Rollarius, een Ontvanger der Canselarij-geregtigheden, een +Sportelmaander, zes Deurwaarders, acht Boden enz. Dagelijks hield het +Hof twee zittingen in de Canselarij, waar boven het eene Bibliotheek +bezat, waarin de beste werken over de regtsgeleerdheid en aanverwante +vakken waren opgenomen. Het Blokhuis werd als huis van arrest voor nog +niet veroordeelde gevangenen--het Landschaps Tucht- of Werkhuis, na 1661 +als strafgevangenis gebezigd. Het Hof ontleende zijn aanzien voor een +groot deel van de voortreffelijke geleerden uit den aanzienlijksten +stand, welke gedurende drie eeuwen daarin als Raadsheeren zitting +hadden[174]. + + [174] Jhr. E. M. VAN BURMANIA gaf in 1742 eene _Naamrol_ van deze + Raden van het Hof met korte levensschetsen in 't licht. Een vervolg + daarop, bevattende de namen der Rentmeesters van de Domeinen, + Procureurs-Generaals, Griffiers, Substituten en eerste Deurwaarders, + verscheen in 1748. De Saksische Ordonnantie komt voor in het + _Charterb._ II 35 en de Lands Ordonn. ald. IV 1138, V I, 99. Zie over + de Canselarij en genoemde gevangenissen de _Geschiedk. Beschrijv._ I + 112, 260; II 319, 333 env. Voorts FOEKE SJOERDS, _Beschrijv._ II 291; + _Tegenw. Staat_, IV 139. De Dissertatie van Mr. J. M. VAN BEIJMA, + Leiden 1835, bevat de geschiedenis van het Hof van zijn oorsprong tot + het einde der 16e eeuw. + + +_De Rekenkamer_ + +bestond uit vier Rekenmeesters, uit ieder kwartier een, die gelijktijdig +met Gedeputeerden op het Collegie vergaderden. Aan hen was het toezigt +over 's lands penningen, het nagaan van de rekeningen der ontvangers, de +zorg voor de zaken der (in 1765 opgehevene) Munt enz. opgedragen. Dit +collegie had een Secretaris, een Pensionaris, benevens eene Kamer van +Financiën met een Commies-Generaal enz. In het bijzonder had zij het +toezigt op + + +_de Lands Kantoren._ + +Deze en de Provinciale Ontvangers waren vier in getal, naar de wijze van +invordering der belastingen; als: + +Het _Kantoor der Floreenen_, of van de opbrengst der Floreenrente uit de +vaste goederen (de Landtax), benevens het middel der vijf speciën: het +hoofd- en schoorsteengeld, de bezaaide landen, het horengeld en paarden. + +Het _Kantoor der Consumptiën_ ontving de gewone middelen of de +belastingen op zout, wijn, bier, koffij, thee, zoete waren, laken, klein +zegel, havenregten enz. + +Het _Kantoor der Losse Renten_ had de ontvang en uitbetaling der +geldleeningen en renten, en der opbrengst van de belastingen op het +gemaal, beestiaal, turf, brandhout, brandewijn, waagregt, passagie-geld, +de equivalenten der ambtenaren, de collaterale successie, de registratie +op den verkoop der vaste goederen enz. + +Het _Kantoor der Lijfrenten_ was belast met het beheer over, onder dezen +naam, door den lande opgenomen gelden, en ontving de reële en personeele +heffingen op de huren der vastigheden en aangeteekende kapitalen. + +Vroeger was er nog een _Kantoor der Domeinen_, of van de opbrengst van +_het Bildt_ en der kloostergoederen, veenen en landen, der provincie +toebehoorende enz. Na het verkoopen van deze vastigheden is dit kantoor +in 1766 opgeheven en vereenigd met dat der consumptiën[175]. + + [175] Een uitvoerig overzigt van al de menigvuldige en zware + belastingen, welke in de vorige eeuw in _Friesland_ geheven werden, + vindt men in den _Tegenw. Staat_, IV 337. Zie daarover ook het + belangrijke boekje van Mr. D. _Over de belastingen der Republiek_, + Amst. 1837, bl. 127, 167. + + +_De Generaliteit._ + +Uithoofde van _Frieslands_ betrekking tot de _Unie_ of het verbond met +de overige zes gewesten, die te zamen den Staat der _Zeven Vereenigde +Nederlandsche Provinciën_ uitmaakten, waren er nog verscheidene +aanzienlijke betrekkingen, welke daaruit voortvloeiden. + +In de _Staten-Generaal_ of de Algemeene Staten der Nederlanden,--die +aanzienlijke vergadering van gevolmagtigde afgevaardigden uit iedere +Provincie, tot waarneming en handhaving van het gemeen belang der +bondgenooten, te _'s Gravenhage_ gezeteld,--werd _Friesland_ +vertegenwoordigd door vier Afgevaardigden, een uit ieder kwartier en +somtijds nog een buitengewonen Raad uit dat der Steden. Gewone zaken +werden in deze vergadering bij meerderheid van stemmen behandeld; doch +tot buitengewone zaken, als: oorlogs-verklaring, werving, geldleening, +verbonden met andere mogendheden enz. werd eenparigheid van stemmen en +uitdrukkelijke toestemming der Staten van iedere provincie vereischt. +Die gevolmagtigden hadden echter geen vrije stem, of magt om naar hun +inzigt te handelen, maar moesten zich, vooral in gewigtige zaken, +gedragen naar de resolutie, welke de Souvereine Staten hunner +provinciën deswege hadden genomen, en telkens met dezen ruggespraak +houden, wanneer er iets voorkwam, waartoe zij niet of niet genoeg gelast +waren. Zeker was dit zeer voorzigtig gehandeld, doch in belangrijke en +spoed vereischende zaken, veroorzaakte deze omslagtige wijze van +beraadslaging zoodanige vertraging, dat daaruit dikwijls groote nadeelen +en onaangenaamheden ontstonden. + +Het aandeel van ieder der provinciën in het dragen van de +Generaliteits-lasten was verdeeld in dezer voege. Van de 100 Gulden +betaalde: + + _Gelderland_ 5 Gld. 12 Stuiv. 13 Penn. + _Holland_ 58 » 6 » 4-1/4 » + _Zeeland_ 9 » 3 » 8 » + _Utrecht_ 5 » 16 » 7-1/2 » + _Friesland_ 11 » 13 » 2-3/4 » + _Overijssel_ 3 » 11 » 5 » + _Groningen en Ommelanden_ 5 » 16 » 7-1/2 » + ----------------------------------- + 100 » : » : » + +_Drenthe_ betaalde 1 boven de 100 Gld. Dat _Friesland_, in vergelijking +van andere landprovinciën, bij deze zoogenaamde _Quota_ verbazend hoog +was aangeslagen, valt gereedelijk in het oog, en heeft dan ook +aanleiding gegeven, dat deze, buitendien voor eigene behoeften reeds zoo +zwaar belaste, provincie zich daar tegen bijna twee eeuwen lang, doch +vruchteloos, verzet- en eene billijker verdeeling van de algemeene +lasten betoogd en verzocht heeft[176]. + + [176] Zie deswege Prof. N. YPEY, _Verhandeling over de Quotae_, Harl. + 1784, en vooral de krachtige _Deductie_ der Friesche Staten van 1786, + in groot en breed 4^o gedrukt, waarin tevens de ware toestand van 's + lands financiën is bloot gelegd. Prof. YPEY berekende, dat de Quota + van _Friesland_, in verhouding tot de overige provinciën, moest zijn: + 9 Gld. 12 St. 2 Penn. Eerst in de laatste jaren der republiek, + omstreeks 1792, vond dit gehoor, en werd de Quota dezer provincie op + ruim 9 Gld. gesteld. + +In den _Raad van State_ of de duurzame vergadering, welke voor de +uitvoering en handhaving van de besluiten, wetten en bevelen der +Algemeene Staten zorg droeg, doch later meer bepaald met de zorg voor +het krijgswezen en de geldmiddelen der republiek was belast, had +_Friesland_ twee van de twaalf leden, en mede twee afgevaardigden in de +_Generaliteits-Rekenkamer_, welke met eene Kamer van Financiën en +Muntkamer aan dezen Raad verbonden was. + +Het bestuur van de Lands Zeezaken of de Marine was opgedragen aan de +_Admiraliteit der Vereenigde Nederlanden_, in 1586 opgerigt en in 1597 +voor vast geregeld. Zij bestond uit vijf Collegiën, waarvan _Friesland_ +er een bezat; terwijl deze provincie een afgevaardigde uit _Oostergoo_ +zond in het Collegie op de Maas te _Rotterdam_, een uit _Westergoo_ naar +dat van het Noorder-kwartier te _Enkhuizen_ en een uit de _Zevenwouden_ +naar dat te _Amsterdam_ gevestigd. Bovendien werd dit gewest in de +_Oost-_ zoowel als in de _West-Indische Compagnie_ door een lid +vertegenwoordigd. + +Keeren wij nu weder terug tot de enkel Provinciale Regerings-collegiën. + + +_Het Collegie ter Admiraliteit_ + +van _Friesland_, waartoe _Groningen_ mede behoorde, was in 1596 +gevestigd te _Dokkum_, doch in 1645 verplaatst naar het gunstiger +gelegene _Harlingen_. Het bestond uit tien leden, waarvan vier uit +_Friesland_ en zes uit de overige provinciën, met den Stadhouder aan het +hoofd, en ondersteund door een Raad en Advocaat-Fiscaal, een +Secretaris, Ontvanger-Generaal, Equipagemeester, Vendumeester en +verscheidene andere ambtenaren. De belangen van het Zeewezen van deze +provincie, in verband met die des lands, werden verzorgd door dit +aanzienlijk Collegie, hetwelk te _Harlingen_, behalve een Vergaderhuis, +ruime Magazijnen en eene Scheepstimmerwerf bezat. De twee eersten werden +in 1771 door een fellen brand in asch gelegd, waarbij ook de Secretarie +met al hare archiven, benevens een groote voorraad scheepsbehoeften +verloren ging. De laatste, de werf, ontving in 1781 en 1782 eene +aanzienlijke vergrooting, zoodat daarop sedert verscheidene +oorlogs-fregatten en andere groote schepen, van 24 tot 74 stukken +gebouwd werden[177]. + + [177] Zie _Charterboek_, V 330, 477, 485, 493, 521, 558, en _Tegenw. + Staat_, III 13, waar eene uitvoerige beschrijving van dit Collegie + voorkomt. + + +_De Monster-Commissarissen_ + +waren vier in getal, uit elk kwartier een, en belast met de monstering +der compagniën van den Staat, het toezigt op deszelfs vestingen en +versterkte plaatsen, zoo in als buiten _Nederland_, het onderzoek van de +krijgsbehoeften enz.[178] + + [178] Zie omtrent deze en verdere opgenoemde betrekkingen de + Staatsbesluiten in het belangrijk Alph. _Register der Resolutiën van + de Staaten van Friesl._ 1570-1780, van J. A. DE CHALMOT, Kampen 1784. + + +_Curatoren van 's Lands Hoogeschool te Franeker._ + +Aan vier, uit ieder der kwartieren gekozene, aanzienlijke personen, was +de zorg voor het hooger onderwijs en het bestuur van de Akademie +opgedragen, overeenkomstig de Resolutiën, door de Staten deswege +genomen. Sedert 1653 stond de Stadhouder als eerelid aan het hoofd van +dit collegie, dat door een Secretaris werd ondersteund. Door het +verordenen van gepaste maatregelen, goede inrigtingen en eene +voorzigtige keuze van personen tot Hoogleeraren, hebben deze Curatoren +gedurende ruim twee eeuwen veel bijgedragen tot den bloei en roem der +Akademie te _Franeker_, »de kweekschool van groote mannen voor +_Nederland_"[179]. + + [179] In VRIEMOET, _Athenæ Frisiacæ_, Leov. 1758, komt eene Lijst voor + van deze Curatoren, voorafgaande die der Hoogleeraren, met + levensschetsen van ieder. Over deze Hoogeschool zal in het vervolg + nader worden gesproken. + + +_Het Jagtgeregt._ + +Sedert 1591 was een aanzienlijk edelman als _Houtvester en Pluimgraaf_ +door de Staten bekleed met de regtsmagt over alle zaken, welke de Jagt, +de Visscherij, het wildschieten, het rapen van eijeren enz. betroffen, +voor zooverre daarbij lands plakkaten werden overtreden. In 1748 werd +echter de Prins Stadhouder aangesteld tot _Opper-Houtvester_, met magt +tot aanstelling van een _Luitenant-Houtvester_ en vier _Meester-Knapen_, +die, met een Secretaris en 's Lands Fiscaal, een Geregt uitmaakten, +waaraan sedert de hoogste regtsmagt ten aanzien van dit onderwerp was +opgedragen, volgens het Reglement van den jare 1750. + + +_Het Krijgsgeregt_ + +dezer provincie bestond uit een _Geregts-Scholtus_ met twee +_Assessoren_, een Secretaris, een Advocaat, een Kapitein-Gewaldige met +zijn Luitenant en een Gerigts-Weibel of bode en trawanten. Alle +misdrijven van het krijgsvolk, zoowel civiel als crimineel, werden door +deze regtbank behandeld en ook aan lijf en leven gestraft; de laatste +evenwel met overroeping van de bevelhebbers der troepen in deze +provincie en met voorkennis des Stadhouders, die, bij doodstraffen, ook +het regt van pardon had. De regtdagen of het kamergeregt werden gehouden +te _Leeuwarden_ in de Lands Provoost of Gewaldige, achter de Galileër +Kerk. Op voorstel van den Prins Stadhouder werd echter, bij +Staats-resolutie van 24 Februarij 1775 dit »Provintiaal Krygsgerechte +der Friessche en Nassauwsche Regimenten" opgeheven, en vervangen door +een Krijgsraad met een Auditeur-Militair, op den voet der andere +provinciën. De beroemde geleerde, PETRUS WIERDSMA, was de eerste, aan +wien laatstgenoemd ambt, gedurende twintig jaren door hem bekleed, werd +opgedragen[180]. + + [180] Omtrent de laatste onderwerpen zie men FOEKE SJOERDS, + _Beschrijv._ II 342 en de Staats-resolutiën; DE WAL, _Oratio de claris + Frisiæ Jureconsultis_, Leov. 1825, 415. + + +_De Nedergeregten._ + +Ieder der dertig _Grietenijen_ van _Friesland_ werd bestuurd door een +_Grietman_ met twee, drie of meer _Bijzitters_ en een Secretaris. +Gedeputeerde Staten (en sedert 1748 de Stadhouder) verkozen den Grietman +en deze koos de Bijzitters, beide uit een drietal personen. Voor den +eersten werd eene nominatie gemaakt door de meerderheid der dorpen, +welke de meeste stemmen hadden van de stemgeregtigde ingezetenen, die +voor de laatsten eene nominatie zamenstelden, en verder op gelijke wijze +ontvangers, predikanten en onderwijzers stemden. Aan de politieke magt, +welke dit Grietenij-bestuur uitoefende, ten aanzien van het belang en de +veiligheid der ingezetenen, de uitvoering van de Staatsbesluiten, de +zorg voor dijken, wegen, armen enz., was echter toenmaals een juridieke +magt, eene mindere of lagere Regtbank, een _Nedergeregt_ verbonden, in +vele opzigten overeenkomende met de latere Vrede- of Kantongeregten. Als +zoodanig was het, behalve met de bestendige zorg omtrent de +nalatenschappen, de minderjarigen, boedelscheidingen, verkoopingen enz., +in het bijzonder belast met de regeling van burgerlijke regtszaken en de +vervolging van policie-misdrijven. Men kon zich echter van deze +uitspraken beroepen op het Hof Provinciaal, hetwelk ten aanzien van +strafbare daden of het crimineele alleen de hulp ter opsporing en +inlichting genoot van de Nedergeregten, die slechts geringe +policie-straffen, als geldboeten, aan de kaak stellen, korte gevangenis +enz. konden opleggen. Tot dit einde werd er in elke grietenij wekelijks +een regtdag gehouden op de regt- of weerkamer in de hoofdplaats. Een +gewigtige steun en hulp tot dat alles vond het gezag toenmaals in de +_Dorpregters_, over één groot of twee kleine dorpen, waartoe meestal de +geschiktste ingezetenen, met name de onderwijzers werden gekozen, en aan +wie vele kleine zorgen ter bevordering van het beheer, vrede, veiligheid +en regt waren opgedragen. Tot deze geregten behoorden verder een +Fiscaal, Executeur, Adsistenten enz.[181] + + [181] Zie over de Grietenij-besturen de hier vóór aangehaalde werken, + benevens C. L. Â BEIJMA, _Tractatus de Grietmannis_, Fran. 1780; H. B. + VAN SMINIA, _Nieuwe Naamlijst van Grietmannen_, Leeuw. 1837; _de + Grietmannen in Friesland_, aldaar 1848. + +Minder eenparig of gelijkmatig was de regeringsvorm der elf Friesche +_Steden_, welke in 1615, 1637, 1657 en 1786 nieuwe Reglementen van +Raadsbestelling ontvingen, waarbij er soms eenige veranderingen in de +namen of vormen kwamen; terwijl de verkiezing (door electeurs, uit de +burgerij of de breede gemeente en de regeringsleden gekozen en bij +herhaling uitgeloot) zeer zamengesteld was, om de onpartijdigheid van de +keuze te verzekeren. Zoo bestond te _Leeuwarden_ de regering uit een +(jaarlijks ten deele aftredende) _Magistraat_ van 12 en een _Vroedschap_ +van 40 leden, welke laatste in 1637 de Gezworene Gemeente had vervangen. +De Vroedschappen werden voor hun leven gekozen en daaruit de nominatie +van Magistraats-leden opgemaakt. De Magistraat of het regerend ligchaam, +dat de Vroedschap in belangrijke zaken tot Raad had, was zamengesteld +uit: 4 Burgemeesters, 6 Schepenen en 2 Bouwmeesters of Raadslieden, met +een Secretaris, 4 Pensionarissen, 4 Rentmeesters en 20 Bevelhebberen of +de Hopman en Vaandrik der Schutterij uit ieder der 10 espels, waarin de +stad verdeeld was, en die in sommige gevallen stem hadden in +regeringszaken. In andere steden bestond de Magistraat enkel uit 6 of 8 +Burgemeesters of met bijvoeging van 2 of 4 Raadslieden, en was het getal +Vroedschappen geëvenredigd naar hare grootte. Bij de jaarlijksche +aftreding van de Magistraatsleden werd er eene nominatie gemaakt, +waaruit de Stadhouder eene keuze deed, evenwel volgens vrijwillige +opdragt, eerst van 9 en daarna van alle 11 steden[182]. Behalve het +burgerlijk bestuur van de steden was aan deze Magistraten of +Burgemeesters ook de uitoefening van de regtsmagt der Nedergeregten +opgedragen, op nagenoeg gelijke wijze als dit ten platten lande +geschiedde, met geringe wijzigingen naar plaatselijke omstandigheden. + + [182] Dat hiervan misbruik werd gemaakt en dat vooral Prins WILLEM V + zijne vrienden als _Premier_ aan het hoofd der Magistraten stelde, + heeft in het laatste tijdperk der republiek veel stof tot misnoegen + gegeven. Zie daarover in 't bijzonder (ALLART) _de Vrijheid_, 4e dr. + Amst. 1783, bl. 241, env. Ook dáárom trokken sommige steden in 1782 + deze vrijwillige opdragt in, en vernieuwden zij vervolgens zelve hare + Magistraat. Vele Raadsbestellingen der steden zijn opgenomen in de + drie laatste deelen van den _Tegenw. Staat_; in het 4e dl. daarvan is + eene uitvoerige beschrijving van de geheele Regering. Zie ook FOEKE + SJOERDS, _Beschrijv._ II 378. + + +_De Dijksgeregten._ + +In eene provincie, welke lager ligt dan de gewone vloeden der zee, +die haar voor het grootste gedeelte en aan alle zijden omringt en +bestookt, was voorzeker geene zorg van meer belang dan die voor de +zeedijken en sluizen. Veiligheid van personen en rustig bezit van +goederen was toch geheel afhankelijk van de deugdzaamheid der middelen +tot landverdediging. Met groote moeite en opofferingen hadden de vaderen +die bolwerken rondom de kust opgeworpen; doch het kostbaar onderhoud +ging steeds met groote bezwaren vergezeld, en tallooze watervloeden, die +verschrikkelijke verwoestingen en belangrijke verliezen ten gevolge +hadden, deden de Friezen eeuwen lang gevoelen, dat er krachtiger +middelen van tegenstand vereischt werden, om meester te blijven van dit +fel bestreden erf. Moeijelijk waren deze tot stand te brengen, zoolang +ieder dorp der naast aan zee gelegene grietenijen, van ouds met het +onderhoud belast, een zeker perk of deel van den algemeenen dijk had te +herstellen, uit welke verpligting dikwijls hevige twisten en langdurige +verschillen voortvloeiden. Eerst nadat de Kersvloed van 1717 hier op +nieuw groote schade en verliezen had te weeg gebragt, kwam daarin +verbetering. Want de Staten gelastten niet alleen de beschadigde werken +te herstellen, maar ook alle dijken te verzwaren en te verhoogen, op +een geregelden en vasten voet, en bovendien, dat in iedere +zeedijks-contributie het onderhoud gemeen-gemaakt en aan de onmiddelijke +zorg der dijksbesturen overgelaten zou worden. In weerwil van sterken +tegenstand, werd bij Staats-resolutiën van 1718 en 1719 bepaald, dat in +meestal de dijkspligtige grietenijen of dorpen en steden, waar zulks +niet reeds het geval was, de vastigheden voortaan werden bezwaard met +een omslag, in verhouding van de hoeveelheid der roeden dijkwerk, die +zij vroeger in hun afzonderlijk perk hadden onderhouden. Dat deze +krachtige maatregel van gelukkig gevolg was, bleek ook daaruit, dat +_Friesland_ tot den jare 1775 van overstroomingen bevrijd bleef. + +Bij die gelegenheid werden er ook nadere bepalingen, onder den +naam van Dijks-instructiën, gemaakt ten behoeve van sommige +contributiën. De voornaamste dezer waren: 1. _Kollumerland_ +en _Nieuw Kruisland_, met _Gerkesklooster_ en _Visvliet_; 2. +_Oost-Dongeradeel_ en der daaraan gelegen polders; 3. _West-Dongeradeel_ +en die der _Ternaarder-_ en _Holwerder-polders_; 4. _Ferwerderadeel_; +5. _het Oud en Nieuw Bildt_ en die der latere bedijkingen; 6 en 7. _de +Vijfdeelen_, van _Dijkshoek_ tot _Makkum_, waartoe de grietenijen +_Franekeradeel_, _Menaldumadeel_, _Hennaarderadeel_, _Baarderadeel_ +en _Barradeel_ met de steden _Harlingen_ en _Franeker_, benevens zeven +noordelijke dorpen van _Wonseradeel_, behoorden. Deze contributie was +in twee deelen gescheiden: in binnen-en buitendijks, waarvan de +scheiding was de zoogenaamde Steenenman bij _Harlingen_; 8. +_Wonseradeels-Zuiderzeedijken_; 9. _Hemelumer-Oldephaert c. an._; 10. +_Wijmbritseradeel_ met _Sneek_ en _Ylst_, eene uitgestrektheid dijks in +de laatstvorige grietenij uitmakende; 11. _Workum_; 12. _het +Workumer-Nieuwland_; 13. _Hindeloopen_; 14. in de _Zevenwouden_, de +_Zeven Grietenijen_ (als: _Doniawarstal_, _Haskerland_, _Lemsterland_, +_Schoterland_, _Gaasterland_, _Ængwirden_ en _Schoterland_, benevens +_Opsterland_) met de stad _Slooten_; 15. _de Lindedijken_ enz. + +De Dijksbesturen of geregten, hoewel niet overal gelijk, bestonden +veelal uit een Dijkgraaf (op _het Bildt_ Heemraad genaamd), uit twee of +meer Dijks-Gedeputeerden en een Secretaris en Ontvanger, benevens +Volmagten of Gecommitteerden uit de grietenijen of dorpen en steden, die +het bestuur kozen, het oppertoezigt hadden en verantwoording van +ontvangsten en uitgaven ontvingen, volgens naauwgezette bepalingen, +welke omtrent dit belangrijk onderwerp door de Staten waren +voorgeschreven[183]. + + [183] Met opgave van al de bijzonderheden is dit onderwerp uitvoerig + behandeld in het vierde deel van den _Teg. Staat_, bl. 273. Zie ook + FOEKE SJOERDS, I 265, II 452; _Regist. der Staats-res._ op _Dijken_, + enz. + + +_Het Kerkbestuur._ + +Sedert de Hervormde leer in _Friesland_, tot godsdienst van Staat was +aangenomen, werden de belangen der Kerk, onder toezigt van den Staat, in +elke plaats waargenomen door de _Kerkeraden_, bestaande uit Predikant, +Ouderlingen en Diakenen, en door _Kerkvoogden_, die met het bestuur van +de Kerke- en Pastorie goederen belast waren. De gemeenten, welke, in het +laatst der 18e eeuw, 192 in getal waren, bediend door 208 leeraars, +waren verdeeld in 6 _Klassen_, genoemd naar de plaatsen, waar de +Klassikale vergaderingen werden gehouden, als: _Leeuwarden_, _Dokkum_, +_Franeker_, _Sneek_, _Bolsward_ en _Zevenwouden_ of _Heerenveen_. In die +vergaderingen hadden zitting al de predikanten, ieder met een ouderling, +doch uit de steden twee. Aan haar was de handhaving van de Kerkelijke +Wetten van _Friesland_ opgedragen[184]. Ieder klasse vaardigde jaarlijks +twee predikanten en twee ouderlingen af ter zamenstelling van de +_Provinciale Synode_, die in elke Pinksterweek plegtig en in het +openbaar vergaderde, bij rondgang in de genoemde plaatsen, gelijk ook te +_Harlingen_. In deze aanzienlijke kerk vergaderingen werden de belangen +der Friesche Kerk behandeld onder toezigt van twee leden van +Gedeputeerde Staten, die haar als Commissarissen-Politiek bijwoonden, om +het evenwigt des gezags tusschen Staat en Kerk te bewaren. Daarin hadden +mede zitting Correspondenten van de andere Provinciale Synoden, naar +ieder van welke ook een lid uit deze provincie werd afgevaardigd. De +uitvoering van de Synodale besluiten was opgedragen aan een collegie van +12 Deputaten, hetwelk meermalen in het jaar vergaderde. + + [184] Het _Compendium der Kerkelijke Wetten_ is eerst uitgegeven door + D^o. G. NAUTA, Amst. 1757, en in 1771 verbeterd en vermeerderd + herdrukt te Leeuwarden. In 1806 is daarop gevolgd een _Wetboek en + Kerken-orde voor Vriesland_, door de Synode van 1804 vastgesteld. + +In de eerste tijden werden de traktementen der predikanten alleen uit de +pastorie-goederen genoten en zoo vele dorpen bijeengevoegd of +gecombineerd, als noodig was, om hun een genoegzaam onderhoud te +verzekeren. Die opbrengst werd echter reeds in 1584 tot eene som van 300 +Gld. aangevuld, als suppletie uit 's lands kas of uit de opbrengst van +de kloostergoederen. Van lieverlede werd die som verhoogd, totdat zij in +1699 tot 450 Gld. gebragt werd. De lage prijzen der landhuren, ten +gevolge der veepest, gaven aanleiding tot het Staatsbesluit van 1744, +dat de ingezetenen al hunne pastoriegoederen aan den lande konden +overdragen, om genoemde som in haar geheel te kunnen ontvangen. +Vervolgens werd bij Staats-resolutie van 1761 bepaald, al de +pastoriegoederen der suppletie-trekkende plaatsen te verkoopen, waar +tegen de Staat zich verbond, ieder der predikanten jaarlijks 500 Gld. en +de Emeriti 300 Gld. uit te keeren[185]. + + [185] Zie die Res. en Lijst dier Vastigheden in de daarvan uitgegevene + _Billetten van Verkoping_, Leeuw. 1762 en 1763, 4^o. 2 dln. + +De benoeming van de Predikanten in de steden geschiedde door den +Magistraat uit een drietal, door den Kerkeraad opgemaakt[186]. Ten +platten lande hadden de Hervormde Stemgeregtigde eigenaars der vaste +goederen het regt tot het beroepen van predikanten en het beheer van de +kerke- en pastorie-goederen, als van ouds her, behouden[187]. + + [186] Omstreeks het midden der vorige eeuw zijn er door de Predikanten + LAURMAN, COLUMBA en DREAS, GREYDANUS, REINALDA, GREVENSTEIN en + ENGELSMA, _Naamlijsten van de Hervormde Predikanten_, welke sedert de + reformatie in de zes klassen van _Friesland_ het evangelie hebben + verkondigd, uitgegeven, meest voorzien met aanteekeningen, waarvan + sommige van veel historisch belang zijn. + + [187] Zie over den aard en de geschiedenis van dit regt de beide + werkjes van den Heer Mr. W. W. BUMA, _het regt der Hervormde + Floreenpligtigen op de verkiezing van Predikanten en op het Beheer van + Kerkegoederen_, Leeuw. 1849, en _de Onbevoegdheid der Alg. Herv. + Synode tot het regelen van het Beheer der Plaatselijke Kerkegoederen_, + Leeuw. 1851, gelijk ook de werkjes van den Eerw. Heer J. H. REDDINGIUS + GZ. over dit onderwerp. Vele, overigens weinig bekende bijzonderheden + zijn daarin opgenomen. + + * * * * * + +Bij de zorg, welke de Overheid steeds aan den dag legde voor het +kerkelijke en voor de belangen der Akademie, zoowel ter vorming van +waardige predikanten als ter bevordering van de studie der hoogere +wetenschappen in het algemeen, vooral ten behoeve van de meest +vermogende standen, steekt zeer af de toenmalige verwaarloozing van het +lager onderwijs. Wel waren er in nagenoeg alle Steden Latijnsche Scholen +gevestigd, welke gelegenheid aanboden tot opleiding van jongelieden, ook +uit den burgerstand; wel poogden de Staten in 1774 te _Leeuwarden_ eene +Fransche Kostschool op te rigten,--doch het onderwijs op de bijzondere +scholen was zeer gebrekkig, en het lot der onderwijzers, bijzonder op +het land, zeer beklagenswaardig. Een der meest verdienstelijke +onderwijzers uit de vorige eeuw, FOEKE SJOERDS te _Ooster-Nijkerk_, +die zich door onderscheidene historische werken beroemd maakte, heeft +in een zijner geschriften van den toestand van het schoolwezen, dat +»uit hoofde van de weinige bekwame Schoolmeesters en hun armoedigen +staat aan eene algemene veragting was bloot gestelt," een tafereel +opgehangen, hetwelk ons met bedroeving vervult[188]. In weerwil de +Staten in 1580 reeds bepaalden, dat de geestelijke goederen ook tot +onderhoud van scholen en onderwijzers zouden worden aangewend, was de +bezoldiging zoo gering, dat er nog in 1768 weinige dorpen waren, waarin +de onderwijzers, boven woning, tuin en een gering schoolgeld, meer dan +100 of 150 Gld. inkomen genoten. Men leidde zich dus niet toe op de +verkrijging van bekwaamheden voor eene betrekking, welke geen genoegzaam +onderhoud verschafte, hoe nuttig zij ook ware voor het belang en de +beschaving der maatschappij.--Het voorregt dat onze eeuw door de +invoering van verbeterd onderwijs boven de vorige geniet, leeren wij +alzoo door deze vergelijking hoogelijk waarderen. + + [188] Zie zijne _Algemene Beschrijvinge van Friesland_, II 542. + + * * * * * + +Zoodanig was in de hoofdzaak de regeringswijze van _Friesland_, tusschen +de jaren 1580 en 1795. Het geheel was eene staatsinrigting, waarmede de +Friezen zelve altijd zijn ingenomen geweest, al bestonden er bestendig +ook klagten over gebreken en misbruiken, welke men gaarne veranderd zag, +en waarvan vele reeds in 1627, 1672 en 1748 gewijzigd zijn. Ook toen +verwarde men de onvolkomenheden en dwalingen der personen, die de +regering uitmaken, weleens met den vorm van Staatsbestuur. Groot was en +bleef steeds de invloed van den adel en de aanzienlijke geslachten en +werd de volksregering of democratie getemperd door de aristocratie en +omgekeerd. Dat hieruit bestendig strijd werd geboren, was zeer +natuurlijk, hoewel het zeker is, dat de invloed dier aanzienlijke +personen, die wegens hunne bezittingen de meeste belastingen betaalden +en het grootste belang bij eene goede regering hadden, dit gewest meer +voordeelig dan schadelijk is geweest. De oppermagt, of het vermogen om +te regeren, òf door zich zelven òf door anderen, bleef in _Friesland_ +toch, als van eeuwen her, berusten bij het _volk_, voor zoo verre het +vaste goederen bezat, en daardoor deel kon hebben in de keuze van de +Overheden. De Staten, door hen, althans op het land, regtstreeks +gekozen, waren de vertegenwoordigers en uitvoerders dier Souvereine +magt[189]. Vandaar, dat een bekwaam schrijver uit het laatst der vorige +eeuw omtrent de Friesche staatsgesteldheid kon zeggen: »Te vergeefs +veranderden de volken rondom hen hunne taal, hunne Zeden, hunne Wetten +en Regeeringsvorm; de Friezen integendeel vertoonen nog hun oude +karakter; zy behouden nog de meesten hunner wetten; zy spreeken nog +hunne oude taal. Bij hen heeft alles de eeuwen verduurd, en men zou +zeggen, dat zij in hunne Veenen(?) eene veilige schuilplaats of een +hulpmiddel tegen Veroveraars en Onderdrukkers gevonden hebben. De +Friezen hebben hunne oude Rechten bewaard, als een dierbaar onderpand, +om te toonen, dat zy nooit geheel verloren zyn geweest."[190] + + [189] Nog heden ten dage zijn de bijeenroepingen van de + Floreenpligtigen in de dorpskerken, welke wij in de dagbladen lezen, + een overblijfsel van de magt en het regt der ingezetenen op de + regeling van hunne gemeentelijke belangen. Zie _Aanteekening 22_. + + [190] _Grondwettige Herstelling van het Nederl. Staatswezen_, Amst. + 1784, I 81. Het derde deel, waarin de Staatsvorm van _Friesland_ in + het bijzonder zou behandeld worden, is echter niet verschenen. + + +37. _Strijd tegen Buitenlandsche Gevaren bij Binnenlandsche Welvaart, +tusschen den Munsterschen en den Utrechtschen vrede. 1648-1713._ + +De vrede van _Munster_ had in den staatkundigen toestand van _Nederland_ +eene groote verandering te weeg gebragt. Nog grooter werd deze, toen +kort daarna de jeugdige Stadhouder Prins WILLEM II overleed (1650). Daar +_Groningen_ en _Drenthe_ nu den Frieschen Stadhouder, Graaf WILLEM +FREDERIK, mede tot den hunnen aannamen, zoo stonden deze drie +noordelijke gewesten vervolgens tegen al de overige stadhouderlooze +provinciën over, en gaven de uiteenloopende belangen en inzigten +dikwijls aanleiding tot hevige botsingen. _Friesland_ en zijn Stadhouder +hadden nu alle kracht en beleid noodig, om zich te doen gelden tegen het +overmagtige en overmoedige _Holland_, dat, sterk door zijne ligging, +welvaart en rijke hulpbronnen, nu het de landprovinciën minder noodig +had als bolwerken tegen _Spanje_, zijn belang en staatkunde voortaan +alléén wilde doen zegevieren, en zijn wil als eene wet trachtte te doen +gelden. Dát _Holland_ ijverde vooral vóór de Souvereiniteit der +provinciën, vóór de vermindering van de land- en de vermeerdering van de +zeemagt, doch tegen het Stadhouderschap. Ten aanzien van dit laatste +vond het steeds een krachtigen bestrijder in _Friesland_. + +Dit bleek reeds op de Groote Vergadering, welke in Januarij 1651 te _'s +Hage_ was bijeengeroepen tot regeling van de drie gewigtige punten: het +bondgenootschap, de godsdienst en het krijgswezen (_unie_, _religie_ en +_militie_). Ruim 300 afgevaardigden uit de verschillende gewesten kwamen +daar bijeen. _Friesland_ zond er zestien van zijne bekwaamste +staatkundigen met den Lands Secretaris, en had de eer, als voorzittende +provincie, de vergadering door Dr. PIBO VAN DOMA, Ontvanger en Dijkgraaf +van Kollumerland, met eene rede te doen openen, waarna de beroemde +Raadpensionaris JACOB CATS de voorstellen mededeelde en _Hollands_ +gezindheden ontvouwde[191]. Wel zegevierde de staatkunde dier provincie, +al ontweek zij ook het punt van het Stadhouderschap; doch toen zij in +1654 in haren afkeer tegen de onvoorzigtige handelingen van Prins WILLEM +II zoo ver ging, dat zij, bij eene _acte van seclusie_, diens eenigen +zoon van de hoop op eenig bewind wilde uitsluiten, toen verzetten de +Staten van _Friesland_ zich krachtig daartegen. In hevige bewoordingen +betoonden zij zich verontwaardigd »over de ongehoorde ondanckbaerheyt +tegens het loffelyck huys van Orangien, waer van de voorouderen soo +treflich van den Staet deser vereenigde Nederlanden hebben gemeriteert, +met haer goet ende bloet beschermt, ende soo notable victorien +bevochten, waer door wy van die gedreigde ende bynae onvermydelycke +slavernie syn gepræserveert, ende met Godes zegen tot soo een glorieuse +Staet gebracht, als daer in wy ons tegenwoordichlyck bevinden"[192]. + + [191] AITZEMA, _Saken van Staet en Oorlogh_, 4^o. VII 205 env. + WAGENAAR, _Vaderl. Historie_, XII 153. + + [192] _Charterboek_, V 575 en vele krachtige vertoogen bovendien in + AITZEMA, VIII 102 env., vooral tegen DE WITT, VAN BEVERNINGH en + NIEUPOORT gerigt. KOK, _Vad. Woordenb._ XVI 603. + +De afgevaardigden van _Holland_, stelden alle moeite in het werk, om +_Friesland_ dit protest te doen intrekken; zij leverden eene ernstige +wederlegging daarvan in, waartegen de ijverige Friesche afgevaardigden, +HAUTBOIS en VAN WYCKEL, niets schuldig bleven, zoodat men hoe langer hoe +meer op elkander verbitterd geraakte. Krachtig deden de Friezen het +regt van het Vorstelijk huis gelden tegen het onregtvaardig gedrag van +_Holland_, dat steeds de andere provinciën trachtte te overvleugelen. +Zij drongen er mede op aan, dat hun Stadhouder tot Veldmaarschalk +benoemd wierde, toen deze waardigheid door den dood van den Heer VAN +BREDERODE was opengevallen (1655). Te vergeefs: want die Stadhouder was +door het aanvoeren van het leger des Prinsen tegen _Amsterdam_ ook bij +_Holland_ in ongenade gevallen.--Zóó ijverden de verbroederde gewesten +tegen elkander en verzwakten de goede verstandhouding, welke duurzaam +van zoo hoog belang was, dewijl het vaderland gelijktijdig van buiten +bestookt werd door een vijand, die niet enkel Hollands hartader, handel +en scheepvaart, maar ook de eer en de onafhankelijkheid des geheelen +lands bedreigde. + + +_De Engelsche oorlogen._ + +Hevige burgertwisten in _Engeland_ hadden in 1649 ten gevolge, dat +Koning KAREL I, de schoonvader van Prins WILLEM II, onthoofd- en dit +rijk tot een gemeenebest verklaard werd onder het Protectorschap van +OLIVIER CROMWELL. Deze betoonde zich al spoedig vijandig tegen +_Nederland_, dat den verdreven koningszoon KAREL II had opgenomen, en +welks bloeijende scheepvaart en handel den nijd hadden opgewekt der +Engelschen, die, eene aanzienlijke zeemagt bezittende, het meesterschap +over de zee voor zich alléén begeerden. Hoe gevaarlijk het ook was, zich +met die zeemagt te meten--voor ons land was een oorlog onvermijdelijk; +vooral, nadat CROMWELL onzen handel een gevoeligen slag had toegebragt +door de _acte van navigatie_ (Oct. 1651), waarbij aan vreemden werd +verboden, hunne waren binnen _Engeland_ te voeren, ten zij met Engelsche +schepen. Vanhier, dat de Generale Staten, die in dit jaar onze zwakke +vloot van 40 schepen reeds met 36 versterkt hadden, in het volgende jaar +bevolen, dat de zeesteden nog 50 en de admiraliteiten nog 100 schepen +zouden uitrusten. Van de eerste, of de directieschepen, zou _Holland_ +38, _Zeeland_ 9 en _Friesland_ met _Groningen_ 3 leveren; van de +laatste, of de landsschepen, moesten de admiraliteiten van de _Maas_, +van _Zeeland_ en het _Noorder-kwartier_ (_Noord-Holland_) ieder 16-1/2, +_Friesland_ met _Groningen_ 17-1/2 en _Amsterdam_ de overige 33 schepen +bekostigen[193]. + + [193] DE JONGE, _Geschiedenis van het Ned. Zeewezen_, II _a_ 30 env.; + WAGENAAR, _Vaderl. Historie_, XII 232 env. + +Bij eene nieuwe regeling van het Nederlandsche Zeewezen had _Friesland_, +in vereeniging met _Groningen_, in 1596 een eigen _Collegie ter +Admiraliteit_ verkregen, hetwelk te _Dokkum_ was gevestigd. Dan de +minder gunstige ligging van deze stad tot aanbouw, toerusting en het +uitbrengen van oorlogsschepen gaven reeds in 1603 aanleiding tot een +voorstel, om dezen zetel van het Collegie te verplaatsen. Ook later, +toen het verviel en vrij werkeloos bleef, drong men daarop aan, totdat +eindelijk in 1642 (toen het niet meer dan 4 schepen bezat, waarvan het +grootste slechts 16 stukken voerde), het besluit genomen en in 1645 +volbragt werd, om het Collegie ter Admiraliteit te verplaatsen naar +_Harlingen_, welke stad verpligt werd, den zetel en de gevangen- en +pakhuizen van het Collegie te bekostigen[194]. Van de gunstige ligging, +ruime havens en veel beschikbaren grond tot werven in deze zeestad, +welke gedurende de laatste halve eeuw zoo zeer in bloei was toegenomen, +verwachtte men voor de belangen van het provinciale zeewezen gunstige +gevolgen. Voor de uitbreiding en bescherming van de scheepvaart en +handel van _Harlingen_ zelf scheen deze verplaatsing van zulk +aanzienlijk ligchaam mede van groot belang te zijn. En toch bleef het +Stedelijk Bestuur nalatig in het voldoen aan gezegde verpligting, +waartoe het nog in 1653 moest aangespoord worden[195]. Het Collegie was +alzoo dáár nog niet volkomen gevestigd, toen de eerste Engelsche oorlog +uitbrak, en het zich op eens verpligt zag tot zulk een belangrijken +aanbouw en uitrusting van oorlogsschepen. Hierop geheel niet voorbereid +of ingerigt, voldeed het tragelijk aan deze, door den dreigenden nood +gevorderde verpligting, waarom de Friesche Staten, die in 1652 consent +gaven tot het aanwenden van 2 tonnen gouds en in het volgende jaar van 2 +millioen gulden ten behoeve van het zeewezen, hun ongenoegen te kennen +gaven over de nalatigheid en de verkeerde handelingen van het Collegie. +De Friesche Admiraliteit kon dan ook in 1653 tot de 154 schepen, waaruit +onze zeemagt toen bestond, niet meer dan 10 bodems van 137 stukken, +bemand met 500 matrozen, toebrengen[196]. Bij herhaling deden de Staten +hun misnoegen blijken over het slecht bestuur van het Collegie, dat in +1656 tot verantwoording werd geroepen wegens de gelden, voorgeschoten +tot het bouwen van 60 schepen van oorlog. Sedert dien tijd schijnen de +zaken gunstiger te zijn gegaan, en werd het alleen in 1659 212,000 Gld. +toegestaan tot aanbouw en uitrusting van schepen, opdat _Friesland_ het +zijne mogt toebrengen tot de middelen ter verdediging des vaderlands. + + [194] _Charterboek_, IV 896, V 330, 477, 485, 486; _Reg. op de + Staats-resol._ 10, 205, 313; _Tegenw. Staat_, III 13. + + [195] _Charterboek_ V 521, 558. Dit is te vreemder, omdat de Regering + van _Harlingen_ reeds in 1644 bij acte had aangenomen, "omme de Heeren + Raden ter Admiraliteyt op Stadts costen te voorsien met een bequame + huysinge tot het Collegie ende Vergaderinge, sampt gevangen- en + packhuysen." + + [196] _Reg. Staats-resol._ 13; DE JONGE, _Zeewezen_, I 280, 281; II + _a_ 346, II _b_ 31, en verder de Resolutiën van Gedeputeerden. + +Bij dezen, in den aanvang zoo gebrekkigen, toestand der schepen, +die tevens te min geschut en te weinig bekwaam volk hadden, moest +het beleid en de moed der vroeger gevormde zeelieden veel vergoeden. +Was het een geluk voor den staat, dat de later zoo beroemde MICHIEL +ADRIAANSZ. DE RUYTER zich in 1652 eindelijk liet bewegen, in 's +lands dienst te treden en, als Vice-kommandeur op eene vloot van 30 +schepen, 60 koopvaardijschepen te geleiden en te beschermen tegen de +Engelschen,--op dien eersten togt blonk, als het eerste dappere bedrijf, +de heldhaftigheid van een Friesch Kapitein uit. Deze was DOUWE AUKES, +bevelvoerende op een der twee grootste Oost-Indievaarders, die nu ten +oorlog waren toegerust, de _Struisvogel_ of _Vogelstruis_ geheeten, +gewapend met 40 stukken en 200 man, terwijl het schip van DE RUYTER +zelven slechts 28 stukken en 134 koppen voerde. Op den middag van den 26 +Aug. 1652 was het gevecht tegen den Vice-admiraal GEORGE AYSCUE, die 40 +schepen onder zich had, bij _Plymouth_ pas begonnen, toen bovengenoemd +schip vooruit snelde en zich alleen te digt onder de Engelschen begaf, +die dadelijk met drie of vier groote schepen den Struisvogel meenden te +vernielen, door hem van alle zijden fel aan te tasten. De matrozen, +ziende dat geen der Hollandsche schepen opkwam om hen te ontzetten, +wilden niet vechten, maar het schip overgeven, waartoe ze hun Kapitein +poogden te dwingen. Doch met het gevaar steeg den moed van dezen, die +het uiterste wilde wagen. Met een sabel in de eene en een lont in de +andere hand, »trad hij onder de Maets, dreygende hun alle, in geval sij +nu niet vromelijck vochten, in de Lucht te doen springen, luidkeels +roepende: Schept moed, mijn kinders, schept moed. Ik zal u den weg +wijzen, en als wij de vijanden niet langer konnen wederstaan, dan zal ik +u alle van de gevangenisse bevrijden, door middel van de lont, dien ik +in de hand hebbe." Die taal maakte een gewenschten indruk en herstelde +den verflaauwden moed der zijnen: ieder vloog naar zijne plaats en post. +»En den valjanten DOUWE, die een Stuck op den Overloop hadde staen, +waermede hy Seyn dede van los te branden, vierde met 24 Stucken in den +Engelsman, die hy vry dicht had laten komen, soodat die met Volck en al +wat daer op was dadelijck is gesoncken. Stracks kreeg hy het tweede +Engels Schip op zij, een Bengel met 50 Stukken; DOUWE trefte die als de +eerste met syn tweede Laeg Geschuts, soodat die oock stracks te gronde +ging: op dese twee Schepen waren by de 900 Zielen, waer af niet eenen +(dat men weet) levendig gebergt is. Den derden Engelsman, onder zyn +scheut komende, kreegh ook soo veel, dat hy krengde;" waarna onze +dappere Kapitein, na een verlies van 30 man, den weg open vond, om uit +den drang te geraken en zich bij 's lands vloot te voegen[197]. In den +avond namen de Engelschen, die 1300 dooden hadden, de vlugt, en DE +RUYTER, verwonderd over den uitslag van dezen strijd tegen zoo groote +overmagt, betuigde: »Als de almagtige God kloekmoedigheid wil geven, dan +verkrijgt men de overwinning"[198]. + + [197] Van dezen DOUWE AUKES zijn geene andere bedrijven of + levensbijzonderheden bekend. Vermoedelijk verliet hij na den eerste + Engelschen oorlog de zee en werd koopman te _Amsterdam_, waar hij bij + den tweeden Engelschen oorlog, in 1665, in aanmerking kwam, om, wegens + zijn vroeger bedrijf, de gemagtigden tot 's lands vloot als Zeeraad te + dienen. Zie BRANDT, _de Ruiter_, 398. De _Holl. Mercurius_, 1666, 169 + noemt hem, die verder niet bij BRANDT voorkomt, "een van de beste + Zee-helden van onsen tijt, so in goet beleyt, courage, als + ervarentheyt," en meent zelfs, dat hij in 1666 bestemd was tot + Luit.-Admiraal, in plaats van TJERK HIDDES. + + [198] Ik ben het verhaal gevolgd in den _Hollantsche Mercurius_ van + 1652, III 82, nagenoeg overeenkomende met BRANDT, _Leven van de + Ruiter_, Amst. 1701, 27 en DE JONGE, _Zeewezen_, II _a_ 53. + +Nadat JOHAN DE WITT in 1653 Raadpensionaris van _Holland_ was geworden, +deed hij moeite dezen oorlog te doen eindigen, hetgeen eerst in 1654 +gelukte. Bij voortduring werd er echter eene uitbreiding onzer zeemagt +vereischt, om het gezag van den Staat als zeemogendheid te vestigen. +Hierin slaagde men boven verwachting, en mogten onze voortreffelijke +zeevoogden DE RUYTER, CORN. TROMP, DE WITH, VAN WASSENAAR en anderen +grooten roem behalen bij de bescherming van onzen handel in de Oostzee +en de verdediging van _Denemarken_ tegen _Zweden_ (1655, 1659), door het +straffen van de zeeroovers in de Middellandsche zee (1656, 1661), door +het beteugelen van de Kaapvaart der Franschen (1656), in den oorlog met +_Portugal_ (1657), en bij de bescherming van onzen handel, scheepvaart +en buitenlandsche bezittingen. KAREL II, die in _Holland_ zoo vele +blijken van gastvrijheid en hulde had ontvangen, was echter naauwelijks +op den Engelschen troon hersteld, of deze trouwlooze Vorst deed +_Nederland_, welks bloeijende handel ook zijn nijd en wrevel had +opgewekt, den oorlog aan (1665), nadat de vijandelijkheden reeds vroeger +op eene verraderlijke wijze waren begonnen door het wegnemen van eenige +onzer schepen en bezittingen. De verontwaardiging over zulk eene +handelwijze spande de veerkracht onzer landgenooten, om alles aan te +wenden, wat tot wederstand en vernedering van zulk een vijand kon +strekken. De Staten van _Friesland_ waren thans meer dan ooit gezind, +het hunne tot versterking der vloot bij te dragen. »Nu ontwikkelde ook +de Vriesche Admiraliteit eene tot dusverre ongekende magt. Met geenen +minderen ijver dan hare gezusters bezield, wist zij thans niet alleen +het getal harer schepen aanmerkelijk te vermeerderen, maar dezelve ook +zoodanig te doen uitrusten, dat zij onder de schoonste, best gewapende +en uitmuntendst bemande van 's Lands vloot gerekend werden[199]; +waardoor de Vriesche zeelieden in de gelegenheid gesteld werden, om +onder bijzondere opperhoofden deel te nemen aan de groote zeeslagen van +dit tijdperk, hunnen van oudsher verkregen roem mannelijk te handhaven +en zelfs te vermeerderen. Met den aanvang van dezen oorlog verdubbelde +die Admiraliteit hare werkzaamheden, en nam het getal van hare groote +schepen zoo aanmerkelijk toe, dat zij in staat was, een aanzienlijk en +voortreffelijk smaldeel te leveren, hetwelk met die der overige +collegien niet slechts kon vergeleken worden, maar die van sommige +overtrof. Nu meenden de Staten van _Vriesland_, daartoe aangespoord door +hetgeen omtrent de verheffing van zoo vele hoofdbevelhebbers in +_Holland_ en _Zeeland_ gebeurd was, het noodig en nuttig te wezen, en +geregtigd te zijn, om over hunne scheepsmagt ook eenen Luitenant- en +Vice-Admiraal en eenen Schout-bij-nacht aan te stellen; tot welke +waardigheden zij, in Lentemaand 1665, verhieven de Kapiteinen AUKE +STELLINGWERF, RUDOLF COENDERS en HENDRIK BRUYNSVELT"[200]. + + [199] "Dit getuigt, onder anderen, de Raadpensionaris J. DE WITT, in + een' zijner brieven aan de Algemeene Staten." + + [200] DE JONGE, _Zeewezen_, II _b_ 32, 105. Waar het mogelijk is, wil + ik over dit onderwerp het liefst de eigene woorden van dezen bevoegden + beoordeelaar mededeelen, die zeker het meeste gezag verdient. + +Deze, aan het hoofd geplaatst van het 5e eskader, dat uit 14 Friesche en +Groninger oorlogsschepen bestond, vereenigden zich met 's lands vloot, +welke door de zorg der Admiraliteiten en van DE WITT tot eene ongemeene +sterkte was opgevoerd, vermits zij een getal uitmaakte van 103 schepen +van oorlog, 7 jagten, 11 branders en 12 galjoten, gewapend met 4869 +stukken geschuts en voorzien met ruim 21,000 matrozen en soldaten. Deze +magtige vloot, welke men bestand achtte, om zich met de Engelsche +zeemagt te meten, stak den 23 Mei 1665 onder het opperbevel van den +Luitenant-Admiraal JACOB VAN WASSENAAR OBDAM in zee. Doch tegen alle +verwachting was de uitslag hoogst ongunstig. Ofschoon vele vlootvoogden +wonderen van dapperheid bedreven, liet de, voor deze taak niet volkomen +berekende, opperbevelhebber de gunstigste gelegenheid om op de +Engelschen voordeel te behalen, voorbijgaan, zoodat, toen hij zelf met +zijn schip in de lucht vloog,--de wakkere Admiraal KORTENAER gevallen en +ook onze Admiraal STELLINGWERFF gesneuveld en diens schip, de +Zevenwouden, door de Engelschen genomen was, de gansche vloot met +groot verlies aftrok en veel verminderd en zwaar beschadigd in de +vaderlandsche havens terugkeerde. Vele kapiteins werden wegens +pligtverzuim strengelijk gestraft, doch ook andere, die zich dapper +hadden gedragen, geprezen en bevorderd. Onder deze laatste was TJERK +HIDDES DE VRIES van _Sexbierum_, die, als Kapitein van het schip: de +Steden, zich op dezen togt door ongemeene manhaftigheid en schrander +doorzigt onderscheiden hebbende[201], dadelijk in STELLINGWERFF'S plaats +tot _Luitenant-Admiraal van Friesland_ werd aangesteld. Met weergalooze +kracht-inspanning werd de ontredderde vloot hersteld, en reeds in +Augustus des zelfden jaars weder naar zee gezonden, en nu wel onder het +opperbevel van den algemeen geachten Luit.-Admiraal DE RUYTER, die, pas +uit _Amerika_ in het vaderland teruggekeerd, onzen DE VRIES het bevel +over een der vier smaldeelen van de vloot toevertrouwde. Hoe krachtig en +moedig de onzen nu ook waren, zij vonden dit jaar geene gelegenheid, om +met de Engelschen slaags te geraken. Men bleef zich dus versterken, in +de hoop van in den volgenden jare den vijand op eene geduchte wijze te +vernederen. Hiertoe werden krachtige toebereidselen gemaakt, en stonden +de Friesche Staten dit jaar eene som van ruim 900,000 Gld. der +Admiraliteit ten behoeve der zeemagt toe, en schroomde men niet, daartoe +buitengewone heffingen en geldleeningen te doen[202]. + + [201] Zie een belangrijken brief van hem bij AITZEMA, XI _b_ 919; + WAGENAAR, XIII 147 env.; DE JONGE, II _b_ 180, 247, 281 env. + + [202] Resol. van Gedeputeerden; _Reg. Staats-res_. 13, 206; _Chartb._ + V 747, 749, 750; VITRINGA, _Memoriale Annotatien_, I 412 env. + +Werkelijk stak DE RUYTER den 5 Junij 1666 met eene verbazende vloot in +zee, waarvan het tweede smaldeel, groot 28 schepen, geplaatst werd onder +het bevel van TJERK HIDDES, die nu het schip _Groot Frisia_ voerde. +Hevig was de hierop gevolgde vierdaagsche zeestrijd, waarin +laatstgenoemde zeeheld, nadat EVERTSEN gesneuveld was, veelvuldige +blijken gaf van ongemeene dapperheid, door bij herhaling moedig op den +vijand in te breken, zoodat zelfs vreemden hem den lof gaven, dat hij +»een der beste en kloekmoedigste Opperhoofden was, dien een groot deel +der overwinning toekwam"[203]. Mede onderscheidde zich zijn +Schout-bij-nacht HENDRIK BRUNSVELDT, van wien gemeld wordt, dat hij +»sich wonder mannelyk queet: want van twee Vyandts Scheepen ter +wederzyde aan boord geklampt zijnde, sulcx dat hij in het midden was +leggende, soo heeft hy, in plaats van sich (gelyk de Engelsche Admiraal +GEORGE ASCUE ghedaen heeft) op te geven en om quartier te roepen, syn +Volk tot dapperheydt aangemoedight, en gheordineert, dat se ter +weder-zyden souden overspringen en Enteren, gelyk ook aanstonts soo +gheseght soo gedaen wierdt, nemende de valjante BRUNSVELDT, eer hy +eenige assistentie konde bekomen, beyde zyn Bespringers wegh, en maakte +hun beyde tot syn ghevangens." Niet genoeg bezet en daarna bevrijd, +werden deze schepen van 40 en 58 stukken echter door Kapitein PAAUW ten +tweeden male vermeesterd[204]. + + [203] _Memorien van den Grave de Guiche_, bl. 262 en 277 van het orig. + en 270 en 286 van de vert. Deze Fransche edelman, die zich met andere + aanzienlijke personen op de vloot bevond, schreef den naam van TJERK + HIDDES naar zijne Fransche uitspraak KIERKIDES, welke spelling ook de + schrandere vertaler behouden heeft. + + [204] Ik vond dit verhaal (bij DE JONGE, II _b_ 282 en in het + officiëel verslag in den _Holl. Mercurius_, 90 slechts kort vermeld) + in een oorspronkelijk _Zee-Journael_ van dien togt, zoo als die + destijds, bij gemis van Couranten, te _Amsterdam_ en elders werden + gedrukt en onder den naam van _Nieuwe Tijdingen_ verspreid.--In 1663 + hadden Gedeputeerde Staten hier een vasten _Post_ opgerigt, tweemalen + ter week van _Leeuwarden_ op _Zwolle_ en verdere plaatsen. Het _Huis + Benthem_ was hier het eerste Postkantoor en JETSE STIENSMA de eerste + Postmeester. _Charterboek_, V 693, 707. + +Groot was de vreugde in het vaderland over de schitterende overwinning, +welke op dezen togt werd behaald. Men wilde echter het behaalde voordeel +vervolgen en den vijand door vernedering tot vrede dwingen. Met den +meesten ijver werd de vloot van de bekomene schade hersteld, zoodat +reeds in Julij weder eene zeemagt het vaderland verliet, welke uit niet +minder dan 118 zeilen, voorzien met ruim 22,000 man, bestond. Op den 4 +Augustus 1666 ving de strijd weder aan, doch onder min gunstige +omstandigheden voor de onzen. Het Zeeuwsch en Friesch smaldeel, onder de +Luit.-Admiralen JAN EVERTSEN en TJERK HIDDES DE VRIES, had de voorhoede, +viel het Engelsch eskader der witte vlag kloekmoedig aan en leed daarbij +geweldig, doch verdedigde zich gedurende eenige uren mannelijk. Weldra +echter werden beide Admiralen, gelijk ook de Vice-Admiraal COENDERS, in +het heetste van het gevecht, doodelijk gewond. »Hierdoor van hunne +voornaamste Hoofden verstoken, verliezen de anderzins dappere Zeeuwen en +Vriezen hunne gewone kloekmoedigheid." Terwijl nu de voorhoede wijkt, +verflaauwt de moed der overige schepelingen van dit eskader, en valt de +vijand met des te meer geweld op den middeltogt van DE RUYTER aan, die, +eindelijk, strijdende wijkt en vervolgens den terugtogt aanneemt, zoodat +hij met geringe verliezen de vloot in het verslagene vaderland +terugbragt. In het volgende jaar 1667 wischte hij echter door zijn +stouten togt naar _Chattam_ de smet dezer nederlaag uit, en werden de +Engelschen gedwongen tot vrede, die nog in dat jaar te _Breda_ werd +gesloten[205]. + + [205] DE JONGE, II _b_ 336, 344 env.; WAGENAAR, XIII 210; _Holl. + Mercurius_, 115; AITZEMA, XII 97; BRANDT, 515. + +Voor _Friesland_ vooral was het sneuvelen van den voortreffelijken TJERK +HIDDES DE VRIES een groot en onherstelbaar verlies. De Zeeuwsche +Admiraliteit getuigde van hem[206], »dat hij begaafd was met vele +uitmuntende hoedanigheden, om zijne betrekking van Luitenant-Admiraal +waardiglijk te bekleeden, en dat hij in de uitvoering daarvan +menigvuldige bewijzen gegeven heeft, niet alleen van soldaat- en +zeemanschap, maar ook van goede orde en conduite, mitsgaders van +prompte expeditie." DE RUYTER schatte hem zóó hoog, dat hij niemand +waardiger achtte hem in het opperbevel op te volgen dan DE VRIES, van +wiens kunde en trouw hij volkomen overtuigd was. Algemeen werd hij »als +een der kundigste en dapperste Zeehelden van dit tijdperk" geroemd. Ook +'s lands Staten gaven blijken van hunne erkentenis bij zijnen dood, door +het bezorgen van eene plegtige uitvaart bij zijne begrafenis te +_Harlingen_, en door den zoon, na zijn sneuvelen geboren en tevens +moederloos geworden, in hunne bescherming te nemen[207]. + + [206] DE JONGE, II _b_ 353; III _a_ 417. Zijne beste levensbeschrijv. + is die in de _Levens van Nederl. Mannen en Vrouwen_, Amst. en Harl. + 1776, III 1; KOK, XXX, 36; BRANDT, _de Ruiter_, 401, 407, 419, 423, + 424 env. Zie verder _Aanteekening 23_. + + [207] Deze zoon, TJERK DE VRIES, ook in 's lands zeedienst opgeleid, + stierf reeds in 1689 als Kapitein van en op 's lands oorlogsschip: de + Brack op een terugtogt van _Engeland_. + +Tot opvolger van DE VRIES werd niet de vroeger zoo loffelijk +vermelde DOUWE AUKES gekozen, maar een edelman, HANS WILLEM _Baron_ +VAN AYLVA, die toen Kolonel was bij het krijgsvolk te land; een man, +die wel in 1667 den togt naar _Chattam_ mede maakte, doch een land- en +geen zee-officier was, waarom hij in 1672, toen hij tevens tot +Luitenant-Generaal der landmagt was bevorderd, zich niet bij de vloot +voegde, maar, beter op zijne plaats, tot bescherming van _Friesland_ aan +land bleef[208]. + + [208] Zie over AYLVA als Luit.-Admiraal: BRANDT, 558, 573, 585, 589, + 590, 594, 598, 599, 644, 646; DE JONGE, II _b_ 421; III _a_ 51, 124. + +Tot dien laatstgenoemden zeetogt leverde _Friesland_ slechts een fregat +en een advisjacht, en in 1673 voegden zich slechts drie Friesche +oorlogsschepen, benevens een brander en twee kleine vaartuigen, bij 's +lands vloot. Ook werd er in AYLVA'S plaats geen nieuwe Luit.-Admiraal +aangesteld. De groote inspanning, om zich tegen den vijand te land te +verdedigen, geldgebrek, verschillen met _Groningen_ en tusschen de +Staatsleden, en bewegingen onder het volk, gevoegd bij toenemende +onverschilligheid omtrent _Frieslands_ belang bij eene zoo talrijke +vloot--ziedaar zoo vele redenen, »waardoor de Vriesche zeemagt, welke in +den voorgaanden oorlog zulk eene luisterrijke plaats in de vloot bekleed +had, van hare kortstondige grootheid verviel"[209]. + + [209] Zie deze redenen breeder ontwikkeld bij DE JONGE, III _a_ 204. + +In weerwil de bloei der Friesche Admiraliteit zoo zeer was gedaald, +bleven de Friesche zeelieden op de vloot, met de Zeeuwen onder BANCKERS +vereenigd, bij herhaling blijken van dapperheid betoonen, door den +vijand de meest mogelijke afbreuk toe te brengen. Ook waren er bij die +vroegere togten mannen gevormd, die eerst later in de gelegenheid kwamen +zich door roemrijke daden te onderscheiden. Onder deze verdient eene +eerste plaats de uitmuntende Kapitein JACOB BINCKES of BENCKES, van +_Koudum_, die, nadat hij de Algerijnsche zeeroovers had helpen +tuchtigen, tweemalen als kommandeur met een smaldeel naar de +_West-Indien_ gezonden werd, waar hij vele kloeke daden bedreef, in 1673 +met EVERTSEN in _Virginië_ grooten buit op de Engelschen behaalde, +_New-York_ of wel geheel _Nieuw-Nederland_ op de Britten veroverde, en +eindelijk »het eiland _Tabago_ tot het schouwtooneel maakte eener +dapperheid, die eerst de Franschen met schande deed wijken en daarna op +den hem toevertrouwden post een roemrijken dood stierf"[210]. + + [210] Mijn bestek gedoogt niet, aangaande dezen man meerdere + bijzonderheden mede te deelen. Omtrent weinige personen is DE JONGE + zóó uitvoerig, als over dezen dapperen zeeman, van wien hij vele, tot + dusverre onbekende, bijzonderheden heeft medegedeeld. Zie III _a_ Inl. + XII, 30, 345-366, 415, III _b_ 49, 275-363. + + * * * * * + +Terwijl het vaderland aldus van ~buiten~ bedreigd werd door een +geduchten vijand, die het tot eene tijdelijke overspanning van krachten +dwong, welke het op den duur niet kon volhouden, was het van ~binnen~ +verre van rustig en voorspoedig gebleven. De republikeinsche geest der +ingezetenen, die scherp acht gaf op de handelingen der regering, meende +destijds niet zoo spoedig gebreken of misbruiken in het Staatsbestuur te +ontwaren, of men school bijeen, gaf blijken van ernstig misnoegen, en +deed de pogingen tot verbetering dikwijls vergezeld gaan van onrustige +bewegingen, oploopen en soms wel van gewelddadigheden. Hierdoor werden +de beste bedoelingen vaak bezoedeld of verijdeld, en de driften opgewekt +der lagere volksklassen, van wier ruwe en ongebonden zeden in dit +tijdvak wij vele voorbeelden zouden kunnen bijbrengen, welke geenszins +tot eere strekken van dien goeden ouden tijd, dien wij waarlijk niet +behoeven terug te wenschen[211]. + + [211] Tot kenschetsing van de zeden en den trap van beschaving dier + dagen, welke wij hier niet in bijzonderheden kunnen vermelden, meenen + wij een enkel bewijs te moeten aanvoeren. In het zelfde jaar 1661, dat + de Staten ten gevolge der toenemende publieke onveiligheid, + veroorzaakt door veelvuldige luije bedelaars, vagabonden en + landloopers, gedrongen waren een Lands Tucht- en Werkhuis op te + rigten, werden er plakkaten uitgevaardigd zoowel tegen "dát schadelyck + geboefte," als tegen het drukken van schandelijke en ergerlijke + boeken, alsmede tegen het onbehoorlijk zuipen en slempen op de + lijkmaaltijden. Zie die stukken in het _Charterb._ V 651, 653, 661, + 662. Den hoofdinhoud van het laatste willen wij hier mededeelen met de + woorden van HORATIUS VITRINGA in zijne MS. _Memoriale Annotatien_, I + 262: + + "De Staten van _Frieslant_, insiende het schandelyck en godtloos + misbruick van 't suypen en slempen, dat daeghelycks en dickmaels by de + begraffenissen der dooden gepleecht wierde van alderhande soorten van + menschen, en hetwelcke soo groff gingh, dat menich droncken bout in + het sterffhuis konde vertoeven tot 9 à 10 uyren in den avont, en haer + alsdan als beesten laten nae huis leyden, nemende menichmael kannen en + glasen onder de mantel en hoyck mede om in het drincken niet vergeten + te worden; in voegen, dat een gemeen Burger tot een begraffenisse van + nooden hadde ten minste een aem wyns en sommige vrij wat + meer,--hebben, daerinne willende voorsien, den 13 Julij 1661 (op een + gravamen van 't Classis van _Leuwaerden_, in desen jare op het Synode + alhier vergadert, voorgedragen) by openbare placcaten laten verbieden, + dat niemand voortaen, soo groot als klein, edel ofte onedel, directe + off indirecte, voor off nae de begraffenisse, sal vermogen wyn, bier + off stercken dranck te doen schencken by poene van 50 Ggld., 't + appliceren 1/3 part voor den aenbrenger, 1/3 part voor den Officier en + 1/3 part voor de armen: waer mede het drincken oock een eynde heeft + genomen." Dit laatste wordt door de herhaling van dit plakkaat in 1683 + tegengesproken. Zie _Charterb._ V 1213. + +Zoo werden de steden _Leeuwarden_ en _Franeker_ in 1657 grootelijks +verontrust door burgergeschillen en klagten over de regeringsleden, die +hevige verbittering hadden opgewekt, wegens het schenden van de +reglementen en de vrijheden der ingezetenen, tegen wier belang eenige +weinige staat- en baatzuchtige personen zich van het gezag hadden +meester gemaakt. Met veel moeite en door het verleenen van nieuwe +Reglementen van Raadsbestelling werden die onlusten door den Stadhouder +en de Staten bevredigd[212]. Een ander misbruik dier dagen was het +verkoopen van de lands ambten en betrekkingen, zoo burgerlijke als +militaire, welke de regenten en bijzonder de Gedeputeerde Staten, die ze +beurtelings begaven, in weerwil van vroegere verbodsbepalingen, niet +altijd aan de waardigste personen, maar veelal aan hen, die de hoogste +som daarvoor aanboden, opdroegen. Het misnoegen hierover, in 1662 op +nieuw ontstaan, gaf zelfs aanleiding, dat het Hof twee regenten daarover +proces aandeed, waarom de Staten, na lange onderhandelingen, daartegen +strenge verbodsbepalingen uitvaardigden, en eene boete van 100 gouden +Rijders op de overtreding daarvan vaststelden[213]. + + [212] VITRINGA, _Mem. Annotatien_, I 93; _Charterb._ V 592, 595, 604, + 606, 608, 609; _Tegenw. Staat_, II 169, 468. + + [213] VITRINGA, I 271; _Charterb._ V 666, 667, 679, en AITZEMA, X 524, + die onschatbare bron voor onze vaderlandsche geschiedenis! + +Bij al deze bewegingen was het herhaaldelijk gebleken, welk eene +vredelievende gezindheid en wijze gematigdheid den Stadhouder, Prins +WILLEM FREDERIK _van Nassau_, bezielde. Groot was dus het verlies, toen +deze brave Vorst den Friezen in 1664 door den dood ontviel. Een droevig +ongeluk was daarvan de oorzaak, en wel het losbranden van zijn eigen +pistool, dat eerst weigerde af te gaan en daarna, toen hij naar de +oorzaak daarvan wilde zien, hem met een kogel, onder de kin in en nevens +het oog uit, dermate trof, dat hij, na het schrijven van brieven aan de +Staten en den Prins van Oranje en het maken van schikkingen omtrent zijn +huis, zeven dagen later op eene den Christen waardige wijze stierf. De +Staten, die hem in 1659 de erfopvolging zijns zoons hadden verzekerd, +overtuigd van zijne »loffelycke, meriten, treffelycke daden en +singuliere groote diensten in de krygs-expeditien, selfs met gevaer van +Lyf en Leven, voor het Vaderlandt gedaen," huldigden zijne nagedachtenis +mede door eene prachtige uitvaart bij zijne begrafenis op den 15 +December, waartoe zij de onkosten met eene som van 16,000 Gld +bestreden[214]. Bovendien benoemden zij dadelijk zijnen minderjarigen +zoon tot hunnen Stadhouder en Kapitein-Generaal, om deze waardigheden +op zijn 20e jaar te aanvaarden, hoewel hij nu reeds in het genot +gesteld werd van het traktement. Zijne opvoeding droegen zij zijner +moeder en voogdes, de voortreffelijke Prinses ALBERTINE AGNES, op, en +deze kweet zich daarvan op eene zoo loffelijke wijze, dat de jonge Vorst +eerlang blijken gaf, de hem bij voorraad opgedragene betrekkingen en +zijne aanzienlijke afkomst allezins waardig te zijn[215]. + + [214] Bij het terugkeeren van deze begrafenis had Prins JOAN MAURITS + _van Nassau_ het ongeluk, bij het overrijden van de Weeshuisbrug in + _Franeker_, in het water en onder zijn paard te vallen. Gelukkig + gered, moest hij daar eenige weken vertoeven tot zijne herstelling. + Eene afbeelding van dit voorval is daarna in steen gehouwen en + geplaatst in den muur van het Weeshuis, nevens deze brug, die daarvan + den naam van de Mauritsbrug ontving. AITZEMA, 823. + + [215] VITRINGA, _Memorien_, I 388; _Charterboek_, V 616, 738, en + vooral uitvoerige berigten in AITZEMA, XI _a_ 75-131; SYLVIUS, + _Vervolg_, II 43; N. ARNOLDUS, _Vorstelijke + Rouw-Lyck-ende-Lof-Reeden_, Leeuw. 1664, 19; WAGENAAR, XIII 97; _Reg. + Staats-res._ 513. + + * * * * * + +Deze ramp werd nu verder gevolgd door eene rij van tegenspoeden, die het +vaderland in het uiterste gevaar bragten, die den landzaat groote schade +berokkenden, en die de regering en het volk tot eene krachtige +inspanning en aanwending van alle vermogens opwekten. Een geweldige +storm en springvloed veroorzaakten in December 1665 talrijke dijkbreuken +en eenen watervloed, zoo als _Friesland_ sedert 1570 niet had +ondervonden[216]. Eene schrikkelijke pestziekte woedde, vooral in de +steden, en rukte duizenden weg (1665, 1666)[217]. De oorlog met +_Engeland_ (waarvan wij reeds hier vóór gewaagden) dreigde heviger dan +ooit, en noopte tot verbazende uitrustingen, wervingen en geldheffingen, +onder bestendige wisseling van nederlagen en zegepralen. Doch niet enkel +ter zee, ook te land werd _Nederland_ gelijktijdig aangevallen en wel +aan zijne minst versterkte oostzijde. De oorlogszuchtige CHRISTOF +BERNHARD VAN GALEN, Bisschop van _Munster_, achtte zich door onzen Staat +beleedigd, viel de oostelijke grensplaatsen aan en veroverde de +_Dijlerschans_, waaruit hij echter door onzen Stadhouder WILLEM FREDERIK +werd verdreven (Mei 1664). Uit wrok hierover bemagtigde hij een gedeelte +van _Gelderland_ en _Overijssel_, en, na het winnen der schans van +_Rooveen_, stond hij weldra met 8,000 man aan de onbeschermde grenzen +van _Friesland_ (1665). Groot en algemeen was daarover hier de +ontsteltenis en vrees, zoodat vele bewoners van het land met hunne +goederen van waarde naar de steden vlugtten. Gelukkig kwam de +Veldmaarschalk JOAN MAURITS _van Nassau_ weldra over zee herwaarts, +stelde zich aan het hoofd der krijgsmagt, en wederstond den vijand, die +door _Drenthe_ in _Groningerland_ was getrokken, met zóó gunstig gevolg, +dat hij eerlang over de grenzen terugtrok, waarna in April 1666 de vrede +met den Bisschop werd gesloten[218]. + + [216] VITRINGA, _Memorien_, I 432; AITZEMA, XI _b_ 1039. + + [217] Ook onzen dichter GYSBERT JACOBSZ. met vrouw en zoon. Zie + HALBERTSMA, _Hulde_, II 299. + + [218] VITRINGA, I 430; BOSSCHA, II 18; AITZEMA, XI _b_ 1034 env. + Volgens den eersten bedroegen de Provinciale lasten van Oorlog voor + _Friesland_ in 1666 [f]263,000 per maand of [f]2,178,000 in het jaar. + + +_De Oorlogen met Frankrijk._ + +Doch die vrede was kwalijk gemeend geweest, en, had hij eerst geheuld +met _Engeland_ tot vernedering van onzen Staat, wier grootheid en +aanzien den nijd van alle naburen scheen opgewekt te hebben,--geene drie +jaren verliepen er, of die zelfde Bisschop vond daartoe een bondgenoot +in den hooghartigen en oorlogszuchtigen LODEWIJK XIV, Koning van +_Frankrijk_, die het evenzeer te doen was om de _Spaansche Nederlanden_ +(_België_), welke hij in 1667 aan het hoofd van een leger van 47,000 man +binnentrok. Wel scheen het drievoudig verbond tusschen _Nederland_, +_Engeland_ en _Zweden_, gelijk ook de vrede van _Aken_ (1668) aan den +voortgang der Fransche wapenen een perk te stellen, en vleide men zich +in ons land, dat de rust nu spoedig hersteld zou worden en dat men de +zoo lang reeds verwaarloosde landmagt niet behoefde te versterken,--men +bedroog zich zeer. Hoe gelukkig de staatkunde van DE WITT ook vele +gevaren wist af te wenden, het grootste gevaar had hij niet voorzien, +gelijk ook niemand vooraf wilde of konde gelooven, dat de Franschen »oyt +couragie souden hebben, om tegens soo machtige Bontgenoten in 't velt te +durven komen." De uitslag was echter geheel anders. + +De gekwetste eigenliefde en de roemzucht des jeugdigen Konings, die zoo +vele grieven jegens _Nederland_ meende te hebben; de krijgshaftigheid +zijns volks; het aanzienlijk leger en de schatten, waarover hij te +beschikken had, en de oorlogszucht zijner bekwame veldoversten--en daar +tegenover onze zwakke landmagt en vervallene vestingen bij de afgunst +der vijandiggezinde naburen--dit alles begunstigde zijn toeleg, om +_Nederland_, het kostte wat het wilde, te veroveren. Daartoe wist +LODEWIJK eerst het drievoudig verbond te ontbinden, _Engeland_ en +_Zweden_ aan Frankrijks belang te onderwerpen, en zich van de hulp te +verzekeren van den Keurvorst van _Keulen_, van de Bisschoppen van +_Munster_ en _Osnabrug_ en van den Hertog van _Brunswijk-Lunenburg_. +Deze vereenigde magten hadden den ondergang besloten van _Nederland_, +dat alzoo van alle uitzigt op hulp van buiten was verstoken. Hoe kon de +uitslag van dien strijd twijfelachtig zijn? Hoe was het den Nederlanders +mogelijk, ook bij de moedigste kracht-inspanning, zoo vele vijanden met +hoop op gunstigen uitslag te wederstaan? Hoe gering die hoop ook ware en +hoe zeker de ondergang des lands ook scheen--onze vaderen vertsaagden +niet, wapenden zich moedig en vertrouwden den uitslag aan God, dien zij +in dezen hoogen nood vurig om hulp en verlossing smeekten. + + * * * * * + +Nadat _Frankrijk_ en _Engeland_ op den 7 April 1672 aan _Nederland_ den +oorlog hadden verklaard, trok LODEWIJK XIV in persoon aan het hoofd van +een leger van ongeveer 140,000 man met ongemeene snelheid herwaarts, met +oogmerk om _Holland_ in eens binnen te dringen en de republiek in den +hartader te treffen. Boven alle uitdrukking prachtig en ontzagverwekkend +was dat leger, door veldoversten als CONDÉ, TURENNE en DE CHAMILLY +aangevoerd. Wel hadden de Staten-Generaal, na hevige twisten, eindelijk +den twee-en-twintigjarigen Prins WILLEM III het opperbevel over het +krijgsvolk opgedragen en de zoo lang uitgestelde wervingen bevolen; doch +vóór hij met een veldleger van 17,000 man naar de oostelijke grenzen kon +trekken, stroomden de Munstersche en Keulsche troepen _Overijssel_ +binnen, waren de steden en vestingen aan den Rijn veroverd en stond +LODEWIJK op onze grenzen om den Rijn over te trekken. Bij dezen +overtogt, waartoe men op den 12 Junij eene doorwaadbare plaats had +gekozen bij het Tolhuis, niet ver van _Lobith_ en de Kleefsche grenzen, +had echter een merkwaardig voorval plaats, dat ik hier wil verhalen, ook +omdat het de eer van der Friezen naam verhoogde te midden van de +smadelijke vernedering des vaderlands. + +Nadat de bevelhebber van ons verdedigings-leger in de _Betuwe_, DE +MONTBAS, zijne stellingen aan den Rijn op eene verdachte wijze had +verlaten, werd de Veldmaarschalk WIRTZ door den _Prins van Oranje_ naar +den post bij het Tolhuis gezonden. Hij had onder zijn bevel de vier +regimenten ruiterij van KINGMA, HAERSOLTE, LA LECQ en JOSEPH, en +ontmoette hier het regiment voetvolk van AYLVA. DE MONTBAS had dit +laatste doen aftrekken naar _Nijmegen_. De bevelhebber dezer vesting, +overtuigd van het belang van den post bij het Tolhuis, zond deze Friezen +echter terug, en, nadat ze op nieuw naar _Nijmegen_ waren gezonden, +wederom naar het Tolhuis, waar zij afgemat[219] aankwamen op het +oogenblik, dat de overtogt der Franschen was begonnen. De ruiterij van +WIRTZ trachtte dit te verhinderen, door hevig op de Franschen te vuren. +Vruchteloos deed hij op den door het water trekkenden vijand een aanval, +doch door het vijandelijk kanonvuur bestookt, trok hij terug en nam met +al zijne kavalerie de vlugt. Het regiment van AYLVA, dat WIRTZ krachtig +had ondersteund, was nu aan zich zelf overgelaten, en zag het nuttelooze +van verderen tegenstand in, nu de talrijke vijand eenmaal den oever had +bereikt. Zij willen echter niet vlugten, maar besluiten de wapenen neder +te leggen, zich aan den vijand over te geven en van hem lijfsbehoud te +vragen. CONDÉ staat hun dit verlangen onvoorwaardelijk toe. Daar staan +zij nu geschaard met hun afgelegd geweer aan hunne voeten, in het volle +vertrouwen, dat zij, na zich vruchteloos van hunnen pligt te hebben +gekweten, niets van den vijand hebben te vreezen. Doch, wat zien zij? +Daar vliegt de Hertog DE LONGUEVILLE, wien nog geene gelegenheid tot +eenig wapenfeit was gegeven, gevolgd door een stoet van Edelen, ijlings +aan op hen, die daar rustig staan. Zij zien den dollen hoop op zich +toerijden en denken aan verraad. Zelfs zien zij een hunner officieren +(waarschijnlijk afgezonden om te vernemen, of men zich aan 't woord des +Generaals houden mag) door DE LONGUEVILLE met eene pistool treffen, en +nu is hun besluit genomen, hun leven zoo duur mogelijk te verkoopen. +Immers, het is op voorwaarde van lijfsbehoud, dat zij de wapenen +nederlegden? Nu zij bedreigd worden, hebben zij het regt die weder op te +vatten. + + [219] De _Hollandse Mercurius_, 72, zegt zelfs, dat het "schoone + Regiment van ALUA van 't geduerig marcheren was afgemartelt, eerst uyt + de Spaensse Nederlanden na 't Leger, van daer na Nimwegen, van + Nimwegen na de Rijnkant, van de Rijnkant weer na Nimwegen, en weder + van daer na de Rijnkant." + +In de uiterste verwarring schieten zij op den toesnellenden brooddronken +hoop in, en ontstaat er een moorddadig gevecht. Maar voor de laatsten, +die bij den tot dusver gunstig geslaagden togt altijd lachten, is nu de +ure des geweens gekomen. Hoe vermoeid en verontwaardigd de Friezen ook +waren, zij treffen zeker. DE LONGUEVILLE, de aanvoerder, de volle neef +van CONDÉ, stort terneder. Aan zijne zijde valt GUITRI, Grootmeester der +koninklijke garderobe; de Graven DU PLESSIS, DE THEOBON, de Heeren +BOURY, D'AUBUSSON, DE LA FORCE, DE LA SALLE--allen vinden hier hunnen +dood. Vele Prinsen, Hertogen, Graven en aanzienlijke Edelen ontvangen +wonden, waarvan bijna niemand hunner later geheel herstelde. + +CONDÉ, het hoofd der gansche armée, dat vreeselijk schieten hoorende, +vliegt toe en gebiedt stilte; maar te vergeefs tracht hij dit bloedbad +te stuiten. Een onzer officieren, OSSENBROEK of HASEBROEK, trekt de +pistool, mikt op CONDÉ, die wel het schot ontwijkt, maar te gelijker +tijd zijn arm, verbrijzeld, aan zijne zijde voelt nederzinken. De wond, +die hij voelt, het verlies van zijn neef en het onverwachte van dezen +aanval maken hem woedend; en, in plaats van nu nog een einde te maken +aan dit gevecht, gebiedt hij thans de aansnellende troepen met alle magt +op de onzen los te rukken. Nu wordt de strijd hernieuwd. »De Fransche +Cavallerye barsten met een groote verwoetheyt los, en vallen met sulken +furie als desperate menschen op dese Vriesen aan, die vigoureuse +Resistentie bieden." Doch wat baatte dezen hun heldenmoed, tegen zulk +eene aanzienlijke overmagt? Zij bezwijken weldra, terwijl de meesten hun +leven duur verkoopen. LODEWIJK ziet het verschrikkelijke lot der zijnen, +en, stampvoetende van spijt en ongeduld, verwenscht hij het oogenblik, +waarin hij eene onderneming begon, die hem, pas op den vijandelijken +bodem getreden, nu reeds meer edellieden en aanvoerders kostte dan +menige veldslag. + +Van het schoone regiment VAN AYLVA bleef ten laatste, na langdurige +worsteling, niet meer dan een klein hoopje over. De namen van eenige +hunner aanvoerders zijn ons opgeteekend. Het waren de twee Kapiteins +ANDRIES VAN VELSEN en DUCO VAN HEMMEMA; vijf Luitenants: DOUWE VAN +EPPEMA, HAJO TWINGBERGEN, BARENT HEKMAN, BAVIUS ROMMEDA en JOH. BECHIUS; +drie Vaandrigs: FREDERIK VAN OCKINGA, TARQUINIUS BEINTEMA en JAN DUDEN, +met nog 4 Sergeanten en 105 Soldaten. Zij werden allen naar _Emmerik_ +gevoerd, waar zij zich langer dan twee maanden met water en brood +moesten behelpen. De gesneuvelde helden rusten hier op een thans +vergeten akker. Indien zulke mannen door den verraderlijken DE MONTBAS +niet tot viermalen heen en weder gedreven en niet afgemat en te laat +aangekomen waren, om den overtogt te verhinderen--gewis zij zouden als +LEONIDAS met zijne dapperen dezen toegang tot hun vaderland ligt met zoo +veel eer verdedigd hebben als die Spartanen. Zij zouden misschien den +Franschen Koning teruggeworpen hebben. Dan zeker prijkte aan den Rijn +eene eernaald op hun graf; nu rusten ze ongekend en vergeten. + +Maar deze dappere Friezen verdienen niet vergeten te worden: want deze +gebeurtenis, als heldenfeit reeds belangrijk op zich zelve, had +buitendien twee gevolgen, welke, op dát oogenblik, voor het vaderland +van groot gewigt waren. Hun moedig gedrag maakte een diepen indruk op +de overmoedige Fransche grooten, die den togt ter verovering van +_Nederland_ als een speeltogtje beschouwden, en werkelijk, zoolang het +leger in aantogt was, weinig tegenstand ontmoetten en geringe verliezen +leden; doch die hier, bij den eersten tred op onzen bodem, al dadelijk +met de eersten van den adel in rouw werden gedompeld. Het tweede +voordeel, hierdoor te weeg gebragt, bestond dáárin, dat CONDÉ hier de +eenige wond ontving, welke hij in al zijne veldtogten heeft bekomen, +waardoor hij langer dan twee maanden te _Emmerik_ aan zijne legerstede +geboeid en buiten gevecht bleef, waardoor zijn plan mislukte, om met +20,000 ruiters, ieder met een soldaat achter zich op het paard, +regelregt op _Amsterdam_ aan te rukken, en deze stad, van waar alle +verdedigings-middelen toen naar elders waren verzonden, te overrompelen, +om in eens zeker te zijn van den val der gansche republiek[220]. Dat +zulk een plan verijdeld werd door dit schot, en dat de Voorzienigheid +door dezen tegenspoed des vijands een eerste blijk gaf van hulp en +bescherming,--ook dit gaf den vaderen moed in hun benarden toestand en +kracht om dien vijand te wederstaan, bij groot gewin van tijd, om zich +in staat van tegenweer te stellen. Dáárom blijve dit weinig bekende feit +in geheugenis. Dáárom blijven wij deze vaderlandsche helden vereeren! +(Zie verder _Aanteekening 24_.) + + [220] VALKENIER, 458, zegt duidelijk: "Door dese quetsure van CONDÉ + bleef de groote Resolutie, om op _Amsterdam_ te gaan, geheel achter, + en wierden de concepten geheel verandert." Ook Kapitein W. J. KNOOP, + in zijn belangrijk stuk: _de Verdediging van Nederland_, in _de Gids_, + 1851, 317, houdt het voor "zeer waarschijnlijk, dat, wanneer dadelijk + na den overtogt van den Rijn het Fransche leger op Holland was + aangevallen, dat gewest zou zijn veroverd en daarmede het vaderland + verloren." + +Bij het voortrukken van de Franschen had Prins WILLEM III _Overijssel_ +verlaten en zich naar _Holland_ begeven, ten einde de oostelijke grenzen +dier provincie te bezetten en te verdedigen tegen den vijand. Hij had te +gelijk den Luitenant-Generaal HANS WILLEM _Baron_ VAN AYLVA met zijne +overige benden naar _Friesland_ gezonden, ten einde zich geheel te +wijden aan de bescherming van dit gewest. Doch naauwelijks was deze te +_Leeuwarden_ aangekomen, of hem volgde het berigt, dat alle +Overijsselsche steden zich schandelijk hadden overgegeven, en dat de +Munstersche en Keulsche benden zich door _Drenthe_ naar _Koevorden_ en +_Groningen_ hadden gewend en op de grenzen stonden van _Friesland_. +Algemeene verslagenheid maakte zich van aller gemoederen meester; de +steden waren onbevestigd en van alles onvoorzien, de troepen moedeloos; +het geheele land was vol verwarring en vrees. Men noemde de regering +radeloos, het volk redeloos, het land reddeloos.--In plaats van +vertrouwen op- was er hevige verbittering tegen het landsbestuur, dat, +door het verwaarloozen van de landmagt en van de verdedigings-werken, +den vijand zoo zeer ruim baan had gegeven; terwijl het voetstoots +overgaan van zoo vele steden en sterkten het vermoeden van gepleegd +verraad opwekte. Vele ingezetenen van het platte land vlugtten naar de +steden, waar alles in verwarring verkeerde: want elk was verlegen en +verwachtte ieder oogenblik den vijand. + +In dezen hoogen nood verzochten Gedeputeerde Staten de Raden van den +Hove, om hen met raad en daad bij te staan, waarop beide aanzienlijke +collegiën in den nacht van den 13e en 14e Junij 1672 in stilte +bijeenkwamen, om over den gevaarlijken toestand der provincie te +raadplegen. Hier gold het de keus tusschen deze twee uitersten: of men +zich gemeenschappelijk en met alle krachten tegen den vijand zou +verdedigen, dan of men door eene provinciale capitulatie, op gunstige +voorwaarden, zich uit deze onheilen zoude redden. Die keus was voor +Friezen niet lang twijfelachtig. Met ter zijde stelling van alle +bezwaren, nam men »een animeuse en cordate resolutie, om tot behout van +Religie en Vryheyt, voor haardsteden en altaren met gesamentlijke hand +het uyterste te wagen, en goet en bloet tot den laatsten effort te +spendeeren"[221]. Men zond dadelijk afgevaardigden uit, om in _Holland_ +en _Groningen_ hulp te erlangen, welke echter door niemand werd +verleend. Men was dus geheel aan eigene krachten overgelaten. De +onmiddellijk bijeengeroepen Staten, die reeds vroeger vast- en bededagen +uitgeschreven en eene geldleening van eenige tonnen gouds geopend +hadden, benoemden nu eene commissie, die met het nemen van maatregelen +tot verdediging dezer provincie werd belast. Zij kon echter over geene +grootere magt beschikken, dan over 22 compagniën voetvolk en 15 à 16 +compagniën ruiterij, waarmede het gansche gewest op alle punten bezet en +de aanvallen des vijands afgewend moesten worden. Hoe geringe magt bij +zoo moeijelijke taak! Spoedig riep men dus de vroeger uitgeschrevene +ligting van 3,000 man burgers in de wapenen. De Bevelhebbers van +_Leeuwarden_, die in den nacht dadelijk met den Magistraat, Vroedschap +en Predikanten maatregelen hadden beraamd, boden zich aan, om met de +geheele burgerij uit te trekken; doch bij voorraad werd dit getal +bepaald op 250 man, die in 3 compagniën, benevens eene compagnie +vrijwilligers, reeds den volgenden dag »met ongemeene couragie en +vreugde uyt marcheerden naar _Heerenveen_." Zulk een voorbeeld der +Hoofdstad verdreef alle verslagenheid: want door »dit manmoedig Exempel +der Stede _Leeuwarden_ raakten alle andere Steden in _Vriesland_ te +gelijk met de Huysluyden ten platten lande, om mede in de wapenen te +komen, dapper gaande. Geheele Grietenyen boden sich gewillig aan." Allen +voegden zich bij het krijgsvolk van AYLVA, ten einde »een Legertjen te +formeeren, om daar mede den Vyand te verwachten, en te betoonen, dat sy +noch van 't rechte bloet der oude en beroemde Vriesen waren, die in +stantvastigheyt alle Natiën overtroffen"[222]. Dit leger werd door AYLVA +met veel voorzigtigheid gebruikt en op de grenzen bestendig in beweging +gehouden, zoodat zelfs geen officier kennis droeg van de sterkte dezer +magt, welke den vijand groot ontzag inboezemde. + + [221] VALKENIER, 597; _Charterboek_, V 812 en verv. + + [222] Zie VALKENIER, _'t Verwerd Europa_, Amst. 1675, 597 en vooral + het uitvoerig verhaal bij SYLVIUS, _Vervolg op_ AITZEMA, I 561. + +In allerijl werden nu ook de Buiten-fortificatiën der provincie, of de +schansen _Munnekezijl_, _Friesche palen_, _Zwartedijk_, _Bredenberg_, +_Bekhof_ of _Bekaf_, bij de _Schoterbrug_ enz. hersteld en met +krijgsbehoeften en manschap voorzien. Aan de drie hoofdwegen werden er +nieuwe verschansingen opgeworpen, als bij de _Blessebrug_, aan de +Wetering tegenover de _Oudeschouw_, te _Gorredijk_ en twee aan den +Zwarteweg op een uur afstands van _Leeuwarden_, welke laatste de namen +ontvingen van _Albertine Agnes_ en _Hendrik Casimir_[223]. Een dergelijk +retranchement werd ook aangelegd te _Heerenveen_, waar de Generaal +AYLVA, die met genoemde commissie alles bestuurde, een hoofdkwartier +vestigde. Een ander hoofdkwartier legde hij te _Bergum_, van waar hij +zijne voorposten uitzette aan den hoofdweg op de Suameerder heide, waar +deze zich verschansingen opwierpen. Met veel grond had men toch van de +talrijke belegeraars van _Groningen_ een uitval in deze provincie te +wachten, daar de Bisschop besloten had, eerst _Groningen_ te bemagtigen +en intusschen _Friesland_ met 3 à 4,000 man bestendig in alarm te +houden. Werkelijk had zulk een uitval reeds den 26 Julij plaats. Na in +het Wester-kwartier van _Groningen_ hunne plunder- en roofzucht betoond +te hebben, trokken 13 standaarden bisschoppelijke ruiters over +_Duurswoude_ naar _Dragten_, aan welks zuidzijde zich eene brandwacht +bevond, die, op het zien van de groote magt des vijands, naar de +voorposten op de heide terugtrok. Deze, alzoo van het naderend gevaar +verwittigd, gorden zich aan, trekken den vijand kloekmoedig tegen, +waarna de vooruitrukkende ruiters, nabij _Nijega_, spoedig met de +Bisschoppelijken slaags geraken. Deze, veinzende terug te trekken, +lokken de Friezen in eene hinderlaag, waar een aantal soldaten in het +koren verborgen ligt. Doch nu ondersteunt het Friesche voetvolk de +ruiterij met zooveel dapperheid, dat zij, na een hevig gevecht, de +benden des Bisschops met een verlies van 150 man terugdrijven, waarbij +zij slechts 25 man verloren[224]. + + [223] Van eenige dezer schansen komen afbeeldingen voor bij SYLVIUS, I + 298 en in _d' Ontroerde Leeuw_, 70. + + [224] Alleen _d' Ontroerde Leeuw_, 41 en _Holl. Mercurius_ van 1672, + 112 maken melding van dit feit, later door SYLVIUS in zijn _Vervolg + op_ AITZEMA en in _it aade Friesche Terp_ medegedeeld. Zie ook van D. + H. VAN DER MEER in den _Friesche Volks Almanak_, 1841, 44 meer + uitvoerige berigten deswege. + +De gunstige uitslag van deze eerste aanraking met den vijand versterkte +den moed der ingezetenen en van het gansche verdedigings-leger in geene +geringe mate. Bovendien waren de Friezen onbekrompen genoeg, om, hoezeer +zij aan zich zelve waren overgelaten, in den hoogsten nood het fel +benarde _Groningen_ nog bijstand te bieden met 230 soldaten, 20,000 pond +buskruid en 2,000 Gld. geld, alsmede met een konvooi ruiterij, waarmede +de Generaal AYLVA zelf die stad den 14 Augustus bezocht[225]. Men +vreesde toen echter, dat de vijand ook aan de zuidzijde, van uit +_Steenwijk_, een aanval op _Friesland_ zou wagen. En inderdaad had deze +plaats. Nadat de Munsterschen eenige ruiterij naar _Heerenveen_ hadden +gezonden tot verkenning, en deze door de onzen waren gevangen genomen, +vielen zij in den nacht van den 18 en 19 Augustus op de schans van dit +hoofdkwartier met groote hevigheid aan. Moedig teruggeslagen, herhalen +zij nog twee malen den storm, doch worden door onze dappere verdedigers +op nieuw wederstaan, zoodat zij met schade den terugtogt moesten +aannemen[226]. + + [225] Dit vermeldt ELDERCAMPIUS in zijn _Journael_ van 't beleg, Gron. + 1672, en de _Holl. Mercurius_, 127, 129. + + [226] VALKENIER, 807, die in dezen meer te vertrouwen is dan _it aade + Friesche Terp_, 245, dat dezen aanval tusschen den 8 en 9 September + stelt. + +Na den vijand alzoo tweewerf tegenstand geboden en teruggeslagen te +hebben, had men zelfs den moed, hem in het veroverde _Overijssel_ aan te +vallen en verliezen toe te brengen. Ofschoon eene poging van AYLVA, om +met 1200 man _de Kuinder_ te veroveren, door het spoedig naderen van +ontzet uit _Kampen_ en _Zwolle_ mislukte, liet men zich daardoor niet +afschrikken. Ook om ontzag in te boezemen, wilde men een stouten aanslag +wagen. Hiertoe werd in de maand Augustus het kleine, doch met zes +bolwerken versterkte _Blokzyl_ gekozen. Na geheime onderhandelingen met +ingezetenen dier plaats, die reeds den Bevelhebber geweigerd hadden, +zich door een eed aan den Bisschop van _Munster_ te verbinden, waarom +hij grootere bezetting had ingenomen, werden den 23 Augustus 450 van de +moedigste Friesche soldaten en schutters, onder geleide van DIRK VAN +BAERDT, Grietman van _West-Stellingwerf_ en Lid van Gedeputeerden, en +onder het bevel van den Kapitein ALBERT CHRISTOFFEL VAN HANIA, over de +Zuiderzee derwaarts gevoerd. Te _Blankenham_, op een uur afstands van +_Blokzijl_, treden zij aan land, en weldra trekt de Munstersche +bevelhebber hen met 300 man en twee veldstukken te gemoet. De Friezen +vallen hem aan, en, na een hevig gevecht, gelukt het hun, hem met zoo +veel overhaasting terug te slaan naar de schans, dat hij naauwelijks den +tijd heeft de poort te sluiten voor zijne vervolgers, die mede pogen +binnen te dringen. De gewapende burgers weigeren niet alleen den +bevelhebber, om met hem de aanvallers te weêrstaan, maar ze dwingen hem +zelfs de sterkte over te geven. Zij besluiten alles tot hunne bevrijding +te wagen, jagen de Munsterschen van de wallen en kappen de Kuinderpoort +open, terwijl intusschen de moedige Friezen de schans hevig aanvallen en +door gracht en poort binnendringen. De vijand vlugt ter Zuiderpoort uit, +maar laat, fel vervolgd en beschoten, nog menige doode achter, en +daaronder ook den Kommandant, die, toen hij zich met de vlugt dacht te +redden, door een Fries wordt doorschoten. + +»Alsoo is de Fortresse _Blokzijl_ door de wonderlijke bestieringe des +Almogenden Gods, en de overgroote couragie der Vriesche Officieren ende +Soldaten, als mede door de voorsichtige hulpe en bystand van de +Burgeren, op den 23. Augusti, anno 1672. gewonnen, en in haar oude +Vryheyt gestelt. _Vollenhoven_ is ook daar op van de Vyanden verlaten." +De vroeger tweemalen te vergeefs aangevallene sterke _Kuinder-schans_ +werd daardoor mede gedrongen, zich aan de Friezen over te geven. + +Wij hebben dit merkwaardige wapenfeit in het bijzonder vermeld, omdat, +nog vóór de verlossing van _Groningen_, »het kleine _Blokzijl_ zich de +eer verwierf, van _het eerst van alle Nederlandsche steden_, het juk der +vreemde overheersching, door eigene dapperheid en de hulp der Friezen, +te hebben afgeworpen"[227]. De moed, om den vijand met goed gevolg te +wederstaan en deze provincie verder te beveiligen, werd hierdoor zeer +verlevendigd, en nog meer door de bevrijding van _Groningen_. Zelfs wil +men, dat dit feit en de magt, welke AYLVA verder ontwikkelde, mede +hebben bijgedragen, om den vijand het beleg van _Groningen_ (28 Aug.) te +doen opbreken. + + [227] Zie het uitvoerig verhaal bij SYLVIUS, I 427; VALKENIER, _'t + Verwerd Europa_, 803; _d' Ontroerde Leeuw_, 46; SIEGENBEEK, + _Geschiedenis der Burgerwapening_, 130; BOSSCHA, _Heldend._ II 126. + Ter belooning van "dese heroïque actie der Burgeren" werden, nog in + dat zelfde jaar, aan _Blokzyl_ stedelijke regten toegekend, volgens + octrooi van Prins WILLEM III. + + * * * * * + +Toen deze voordeelen werden behaald, had er echter in _Friesland_ eene +algemeene volkswapening plaats gehad, en was er eene belangrijke +gebeurtenis voorgevallen, welke groote gevolgen had. Wij willen den loop +dier omstandigheden, uit veelvuldige stukken van dien tijd, zoo kort +mogelijk verhalen. + + * * * * * + +Reeds hebben wij te kennen gegeven, dat de oorzaak van 's lands ongeval +door vele burgers werd geweten aan de Regenten. De handelingen van velen +hunner hadden het misnoegen der gemeente zoodanig opgewekt, dat zij het +vertrouwen verloren hadden, en bedreigd werden met de blijken eener +verbittering, welke reeds den 21 Junij het onstuimig gemeen van en +omtrent _Sneek_ het huis van den Grietman van _Wymbritseradeel_ te +_Ysbrechtum_ deed plunderen. Niet genoeg, dat overmagtige vijanden dit +gewest van buiten met ondergang bedreigden--nog grootere ramp scheen den +lande te gelijker tijd van binnen beschoren te zijn, door het misnoegen +des volks tegen het gezag en door de verdeeldheid van de Staatsleden +onderling, welke eerlang tot eene ontzettende hoogte stegen. + +Naauwelijks was op den 6 Julij te _Leeuwarden_ het berigt ontvangen, dat +ook de sterke, ja bijna onwinbaar geachte, vesting _Koevorden_ zich +zonder tegenstand aan den Bisschop had overgegeven, of de ontsteltenis +en wrevel der burgers bedreigde de algemeene rust. Men school bijeen en +maakte elkander het hoofd warm door het opsommen van allerlei grieven en +bezwaren zoowel tegen de stads- als landsregering. Op aansporing van +eenige predikanten en van den Hervormden Kerkeraad kwamen ruim 60 +burgers op den Stads Schutters-Doelen bijeen, die een Voorzitter en +Schrijver benoemden en eenige punten ten papiere bragten, welke zij +oordeelden, dat tot herstel van de vervallene zaken noodwendig in acht +genomen moesten worden. Zij vaardigden daarmede eenigen hunner af naar +Prinses ALBERTINE, de Staten en den Magistraat, en verwierven eenig +gehoor, zoodat het besluit werd genomen, om in den uitersten nood de +gansche provincie onder water te zetten. Ook de Prinses diende bij de +Staten eene memorie in, bevattende voorslagen tot beveiliging van het +bedreigde vaderland[228]. Intusschen groeide het getal misnoegden, dat +op den Doelen vergaderde, tot 2 à 300 personen aan, die zeven punten aan +de Stedelijke Regering voorstelden tot afwering van het klimmende +gevaar. Deze stelde de gemeente gerust door zoo veel mogelijk in te +willigen, met bepaling, dat ook de andere Steden daarover moesten +verstaan worden, weshalve afgevaardigden daarvan op den 11 Julij te +_Leeuwarden_ werden bijeengeroepen. Elf punten stelden deze vast, welke +door Gecommitteerden aan de Staten werden overgebragt. Gelijktijdig +vergaderden ook de Predikanten der Klassis van _Leeuwarden_, die op den +12 Julij alle Predikanten van _Friesland_ in de hoofdstad ontboden, om +zich de zaken des lands aan te trekken, en om, in overeenstemming met de +stedelijke besturen, voorstellen tot verbetering en redding te doen. Een +getal van niet minder dan 150 leeraren verscheen er, en begaf zich in +statigen optogt naar het Landshuis, waar zij, bij monde van den +moedigen, later zoo beroemden, BALTHASAR BEKKER, destijds Predikant te +_Franeker_, aan de Staten te kennen gaven, »hoe groot de misbruiken +waren, in Kerk en Staat ingeslopen; dat het verval van den Staat +voornamelijk was veroorzaakt door het goddeloos ambtverkoopen, waardoor +de gemeente bijna werd uitgeput en de rijkdommen gebragt onder eenige +weinige personen, die aan het roer der regering zaten, zoodat er +Grietmannen waren, die drie of vier van de aanzienlijkste ambten +bedienden; dat men alzoo de betrekkingen niet gaf aan de bekwaamsten, +maar aan hen, die daarvoor het meeste geld boden, ja zelfs aan kinderen, +die den lande geen dienst konden doen; dat kunsten en wetenschappen niet +werden gevoed, maar uitgebluscht, en dat men alzoo aan middelen van +reformatie diende te denken tot afwering van den nakenden ondergang van +den Staat, en bijzonder tot aanstelling van een generaal hoofd" enz. +Verder leverden zij eene uitvoerige Deductie in, over wier inhoud zij +ook des anderen daags, van 's morgens tot 's avonds, met de Staten +beraadslaagden[229]. + + [228] Dit stuk is medegedeeld in de _Leeuw. Cour._ van 1836, No. 36. + + [229] VITRINGA, _Mem. Annotatien_, I 639. Ik heb den inhoud dezer + aanspraak hier vooral medegedeeld, omdat al de verdere klagten en + bezwaren, welke tot de latere gebeurtenissen aanleiding gaven, in de + hoofdzaak hierop nederkwamen. + +Het behaagde den Staten aan den laatst geuiten wensch, ook door de +Vergadering op den Doelen voorgesteld, dadelijk te voldoen, en op den 13 +Julij Zijne Vorstelijke Doorluchtigheid Prins HENDRIK CASIMIR _van +Nassau_ te ontheffen van het afwachten zijns ouderdoms van twintig +jaren, en »te stellen in de dadelycke functie ende poscessie van het +Stadthouderschap ende Capiteinschap Generaal dezer Provincie" enz.[230] +De jeugdige Vorst, die naauwelijks den ouderdom van 15 en een half jaar +bereikt had, doch reeds den 8 Junij te vergeefs aan de Staten verzocht +had, om in zijn rang als Kolonel tegen de Franschen te velde te mogen +trekken, werd daarop dadelijk van het Hof gehaald, legde den eed af en +werd nog dien zelfden dag in het Collegie van Gedeputeerde Staten en in +het Hof Provinciaal ingeleid, en met gelukwenschen begroet, in de hoop, +dat men van deze bevordering »alles goeds voor den dienst ende welstandt +van den Lande onder Godes genadigen zeegen mogt verwachten." + + [230] _Charterb._ V 831. Deze Resolutie is echter maar door 45 van de + 82 leden der Staten onderteekend. Zóó vele personen schijnen er + afwezig geweest te zijn? + +Deze gebeurtenis gaf algemeen genoegen, en had vooreerst dit gelukkig +gevolg, dat de overige nog onverhoorde klagten der ingezetenen zoo lang +tot zwijgen gebragt werden, dat de middelen tot landverdediging met +gepaste zorg konden worden aangewend. Want reeds op den volgenden dag +werd, op aandrang der Steden, het ligten van den derden man bevolen en +dadelijk uitgevoerd. Op eens werden er alzoo nog 3000 man in de wapenen +geroepen, om voor eene maand tot versterking van het leger of van de +schansen te strekken en daarna afgelost te worden. Den 22 Julij trokken +vier compagniën burgers van _Leeuwarden_ uit; twee compagniën (mede +ieder van ruim 100 man) volgden later; den 20 Augustus werden allen door +op nieuw uitgelote burgers vervangen, die zich naar de _Oudeschouw_ en +tusschen _Garijp_ en _Tietjerk_ begaven. Eerst thans werden ook de +wallen der hoofdstad, die reeds in den vorigen jare in staat van beleg +was gesteld, en tot wier versterking de Staten reeds in Mei 24,000 Gld. +hadden toegezegd, met kracht van arbeid verhoogd en verbeterd[231]. Nu +was er ontzag voor de regering en ijver in de uitvoering; de +verslagenheid en vrees, welke de krachten weder hadden verlamd, maakten +plaats voor moed en inspanning, en in het overige der maanden Julij en +Augustus betoonde het volk zich rustig van binnen en krachtig naar +buiten. De jeugdige Stadhouder, in staatszaken door zijne verstandige +moeder gesteund en in krijgszaken onderwezen en voorgelicht door een man +als AYLVA, mogt een zeer gunstigen invloed uitoefenen; en met welk een +gelukkig gevolg de door vreemde benden overal omringde Friezen den +vijand nu wederstand boden, ja zelfs aanvielen en verdreven--daarvan +hebben wij hier vóór reeds uitstekende bewijzen medegedeeld. AYLVA +bevond zich met het hoofdleger meest te _Heerenveen_, en zag zijne magt +door de genomene maatregelen zoodanig versterkt, dat deze, tegen het +einde van Augustus, op omstreeks 8,000 man aan troepen, behalve nog +5,000 gewapende landlieden werd geschat. Hij, die met den bijnaam van +»de ontzaggelijke Generaal" was vereerd, nam alle mogelijke maatregelen, +om _Friesland_ voor een inval des vijands te vrijwaren: sluizen +werden opengezet, polders en bedijkte landen geïnundeerd, en +veldverschansingen opgeworpen, die de zoogenaamde _Friesche linie_ +uitmaakten. Deze linie begon van de _Kuinder_ aan de Zuiderzee, volgde +de Linde tot de _Blessebrug_, ging van daar noordwaarts naar de Tjonger +en de verschanste _Schoterbrug_, wendde zich vervolgens over +_Heerenveen_ en _Terbandsterschans_ naar _Gorredijk_, en van daar over +de schansen _Bredenberg_, _Zwartedijk_ en _Friesche palen_ naar de +grenzen. Echter is »_Friesland_ in 1672 minder behouden gebleven door +zijne onderwaterzettingen en linie van verschansingen, welke nooit +ernstig is aangevallen, als wel door de bekwaamheid van AYLVA en door de +geestkracht der bevolking, die, vaardig de wapenen opvattende, spoedig +eene magt uitmaakte, welke den vijand ontzag inboezemde en van elken +aanval op _Friesland_ deed afzien"[232]. Hoe algemeen de nood en hoe +dreigend het gevaar in den beginne ook ware--_Friesland_ bleef, God lof! +vrij en ongedeerd, en met _Zeeland_ de eenige provincie des vaderlands, +waar de overmagtige vijanden, die den ondergang van _Nederland_ besloten +hadden, geene veroveringen behaalden. + + [231] VITRINGA, 643; _Charterb._ V 834, 1074, 1075; _Geschiedk. + Beschrijving_, II 135; VALKENIER, 653 vermeldt, dat _Leeuwarden_ + alléén 1000 weerbare burgers leverde. (Zie _Aanteek. 25_.) + + [232] Dus oordeelt Kapitein W. J. KNOOP in _de Verdediging van + Nederland in 1672_, in _de Gids_, 1851, 330. + + * * * * * + +Doch naar gelang het gevaar van buiten verminderde, vermeerderde de +onrust van binnen. Daar moest nog een hevige strijd gestreden worden, +vóór de vijanden van de regten en vrijheden des volks van het misbruikte +gezag ontzet en door meer vrijzinnige mannen vervangen waren. Gelijk de +smetstoffen in den dampkring zich allengs ophoopen, totdat ze eindelijk +in een vervaarlijk onweder losbarsten, zich zelve verwoesten en een +gezuiverden luchtstroom aanvoeren,--zoo leert ook de geschiedenis der +volken, dat de meeste staatkundige en kerkelijke instellingen, in den +loop der tijden zoodanig ontaarden, dat er soms eene geruchtmakende +omwenteling noodig is, om het verbroken evenwigt te herstellen, en om +verbeteringen in te voeren, welke vroeger, uit gehechtheid aan het oude, +niet konden tot stand komen. Zóó was het geweest voor de reformatie--die +hevige ontbranding en algeheele omkeering van zaken!--zóó was het +gebleven in de naauwelijks gevestigde republiek. Toen er ten jare 1626 +verontrustende volksbewegingen waren ontstaan, en een aantal ingezetenen +»Doleancen over de Abusen, in den Staet van Regieringhe in-gesloopen," +inleverde, waren de Staten verpligt geweest, ter bevrediging van de +misnoegde burgers »reformatie, resolutie ende approbatie" van al die 35 +punten toe te staan. Doch aan de uitvoering daarvan werd kwalijk de hand +gehouden. Vanhier zoo vele latere klagten, vooral tegen het verkoopen +van de ambten, dat wel in 1662 verboden werd, maar toch bleef +voortduren. Vanhier, dat de Staten bij het opkomen van het onweder in +1672, zoo het schijnt uit eigene beweging, den 2 Maart eene commissie +benoemden, »om met elkanderen te concerteeren over de beste middelen en +expedienten tot een generaele reforme ende verbeeteringe, so in 't stuk +van Militie, of Politie ende Finantien dienende"[233]. Die commissie +bleef echter werkeloos, en schenen de regenten er belang bij te hebben, +in de bestaande orde of wanorde geene veranderingen te brengen. De +Staten hadden daardoor evenwel eene schuldbekentenis gedaan en de +noodzakelijkheid van eene reformatie erkend. Dit bleef bij het volk niet +onopgemerkt. Het kon echter geene krachtdadige middelen tot herstel +verwachten van die zelfde regenten, die bij zoo velen het vertrouwen +hadden verloren. Van lieverlede werd dus de strijd voorbereid tusschen +de aanhangers van het behoud en van vooruitgang, die, toen de wenschen +des volks onverhoord bleven, weldra met geweld zou losbarsten. + + [233] _Charterboek_, V 299, 301, 313, 316, 666, 815. + +_Groningen_ was bevrijd en de kracht des vijands geknakt;--_Blokzyl_ was +gewonnen door onze legermagt, wier sterkte nu ontzag baarde. De nood +scheen dus geweken, de overwinning nabij te zijn. Zoo brak de maand +September 1672 aan, en keerden de uitgetrokkene burgers terug. Weêr +vingen de vergaderingen op den Doelen te _Leeuwarden_ aan. Deze +»Doelisten" verzochten den Magistraat, om op nieuw de afgevaardigden uit +alle Steden van _Friesland_ bijeen te roepen. Dit geschiedde, en op den +9 September werden de vergaderingen van deze op het Raadhuis weder +geopend. Zij ontwierpen 53 punten van reformatie, voor het meerendeel de +zelfde doleanciën van 1626, doch nu meer uitgewerkt en toegepast op de +tegenwoordige behoeften[234]. De hoofdzaken waren gebleven: dat niemand +meer dan één ambt zou mogen bedienen; dat geene Grietmannen of +ambtenaren leden der Staten mogten zijn, en dat niemand voortaan eenig +ambt zou mogen verkoopen of voor geld overdragen. + + [234] De beroemde ULRIK HUBER gaf in een naamloos geschrift, getit. + _Spiegel van Doleancie en Reformatie_, eene beoordeeling van deze + punten, met eene, in die dagen van opgewondenheid zoo nuttige + waarschuwing, "dat soo heerlijcken werck niet werde bezoedelt met de + vlecke van onrecht en onvoorsichtigheydt." Het ambtverkoopen noemt hij + daarin: "de schandvlecke ende de kancker van de Vriesche Regeringe." + +Deze Remonstrantie der Friesche Steden werd door 37 harer +Gecommitteerden, die zich den 12 September in plegtigen optogt naar het +Landshuis begaven, den Staten aangeboden. Bij monde van HIERONIMUS DE +BLAU, Burgemeester van _Leeuwarden_, verzochten zij de goedkeuring en +aanneming van deze punten, »die tot groot nut en eenigste behoud van +het land strekten: opdat alzoo eenmaal, de misbruiken geweerd zijnde, de +staat des lands in ouden luister en glans hersteld-, het regtmatig +misnoegen der gemeente weggenomen- en hare gemoederen gerustgesteld +mogten worden." + +Die moedige poging, waarbij tevens de zaak des volks door de Regenten +der Steden was overgenomen en voorgestaan, verwekte ontzag. De Staten, +die zich niet in toereikend getal aanwezig bevonden, om daarover te +beraadslagen, namen hierop dit krachtig besluit: dat niemand der +aanwezige leden _Leeuwarden_ zou mogen verlaten, en dat de overige leden +op den 16 September ter vergadering moesten verschijnen, bij verbeurte +van 500 gouden Friesche rijders (ongev. 1750 Gld). Nu werden de poorten +gesloten en door de burgerwacht beveiligd: eensdeels, om het vertrekken +van personen te keer te gaan, en anderdeels, om te verhoeden, dat de +Staten meerdere krijgsmagt in de stad bragten, ten einde de reformatie +in de geboorte te stuiten. Daarvoor bestond vrees. Groot was de spanning +der gemoederen. + +De Staten vergaderden werkelijk op den bepaalden tijd, en hielden zich +met het onderzoek van het voorgestelde bezig. Tevens kwamen de +afgevaardigden der Steden weder bijeen, en begaven zich naar den +Landsdag, om op de aanneming van hare punten aan te dringen. Ook het +volk kon mede den uitslag kwalijk afwachten, maar verzamelde zich op den +20 en 21 in grooten getale voor het Landshuis, met dreigend verzoek tot +afdoening. Het werd echter gerustgesteld door genoemde afgevaardigden en +eenige burgers, die inzage verzocht hadden van den stand der zaken. +Doch, toen er op den 27 September nog geen besluit gevallen was, werd de +opgewondene gemeente zóó ongeduldig, dat zij, de vergaderplaats +bezettende, dreigde niet van daar te zullen gaan, vóór de resolutie +genomen was; weshalve de Magistraat twee compagniën burgers derwaarts +zond, om gevreesde onheilen te voorkomen. Op den laten avond werd echter +het volk tevreden gesteld door het berigt, dat de Staten alle punten +hadden aangenomen[235]. + + [235] Zie _Charterboek_ V 835, 837, benevens de toenmaals afzonderlijk + gedrukte stukken, welke zich bevinden in het HS. van VITRINGA, wiens + verhaal ik ben gevolgd, met aanvulling uit SYLVIUS, I 567 env. + +Aldus was er aan de volksstem gehoor gegeven, en bleef het gemeen zich +nu en vervolgens onthouden van uitspattingen en gewelddadigheden, die +zoo dikwijls met de invoering van groote veranderingen gepaard gaan. +Doch niet minder gewigtig waren de gevolgen der uitvoering van dit +Staatsbesluit. Tegen den 14 October werd er een nieuwe Landsdag +uitgeschreven, waartoe nu vooraf vrije personen, die geene ambten of +betrekkingen hadden, moesten worden gestemd. Dit geschiedde, en op den +bepaalden dag werden de nieuwe Staten, op het Landshuis vergaderd, +door den Stadhouder en Gedeputeerde Staten plegtig en wettig +»geintroduceerd", als 's lands hoogste en souvereine magt. Dan, al +dadelijk rees er verschil, _wie_ de geloofsbrieven der nieuwe leden +moest onderzoeken. De oude Gedeputeerden verlangden dit te doen, in +weerwil den 29 Maart te voren bepaald- en als eene fundamenteele wet +aangenomen was, dat het visiteren der procuratiën van de Volmagten zou +geschieden door 12 Staten en 4 Gedeputeerden, tot op de helft afgeloot, +waar tegen het kwartier der Steden zich toen en nu weder verzette. + +Ons bestek gedoogt niet, deze in vele opzigten belangrijke verschillen +hier in het breede te vermelden. Het zij genoeg, hier mede te deelen, +dat de nieuwe Staten nu zelve elkanders geloofsbrieven onderzochten, +dat zij nieuwe leden kozen tot Gedeputeerden, en dat zij zich vestigden +als 's lands hoogste magt, in weerwil het kwartier der Steden zich aan +de vergadering onthield. + +Die tweespalt werkte niet weinig de partij in de hand van die oude +regeringsleden, welke noode van het gezag afstand hadden gedaan, en nu +zich hevig beklaagden, dat zij binnen 's tijds wederregtelijk uit de +regering gezet waren, zoodat zij hunne opvolgers niet als de wettige +magt wilden erkennen. Integendeel, voor een vol jaar tot Volmagt +gekozen, wilden zij het gezag zoo lang blijven uitoefenen. Daartoe +schreven acht hunner, meest Grietmannen, die zich »de olde en wettelycke +Regeringe deser Provintie" noemden, een Landsdag van al de vroegere +Staten te _Sneek_ uit, gaven eene uitvoerige Deductie van hun regt, +alsmede hunne punten van reformatie in het licht, en bevolen +Gedeputeerde Staten zich naar _Sneek_ te begeven, nadat de regering van +_Leeuwarden_ geweigerd had, hen in deze stad, als Staten, te ontvangen. + +Ziedaar dan op nieuw een vuur van verdeeldheid aan het branden, dat, +terwijl de vijand de grenzen des lands nog steeds bedreigde, hoogst +gevaarlijk was voor de veiligheid en het gezag van den Staat. Immers, +indien de jeugdige Stadhouder en zijne moeder de partij der nieuwe +Staten te _Leeuwarden_ hadden gekozen, was er een overwigt geweest; maar +beide, het meest belang hebbende bij het kwartier der Steden, dat zich +nog altijd aan de vergadering bleef onttrekken, schroomden, uit +verregaande voorzigtigheid, zich partij te stellen, en riepen de hulp in +van het Hof, om de twistende Staatsleden te bevredigen. Dit was echter +niet mogelijk, dewijl de nieuwe Staten den Landsdag te _Sneek_ niet +erkenden, zich mede bij Deductie daar tegen verdedigden, en geene +pogingen onbeproefd lieten, om de Steden te bewegen ter vergadering te +verschijnen, en den Stadhouder, om zitting te nemen aan het hoofd der +Gedeputeerden, welk collegie echter nog niet ter helft voltallig was. +Alle pogingen om deze geschillen bij te leggen, bleken ijdel te zijn: +want ieder stond op zijn vermeend regt, zonder daarvan iets ten behoeve +van den vrede te willen opofferen. De reeds zegevierende partij van +vooruitgang en verbetering, of de nieuwe Staten, had, behalve de +volksgunst, enkel tot steun de Regering van _Leeuwarden_, terwijl de +partij van het behoud, of de oude Staten te _Sneek_, gesteund werd door +den Stadhouder en zijne moeder met het Hof en het leger, benevens de +overige Steden. De kans stond dus hagchelijk, of de reformatie in het +belang des volks duurzaam zou zegepralen. Gelukkig, dat het volk zich +rustig hield, terwijl het in sterke spanning den uitslag verbeidde. +Eindelijk sloeg de twist tusschen de beide staatsmagten tot +feitelijkheden over, waarbij de tusschenkomst van het Hof noodzakelijk +was. In zulk een toestand van verwarring eindigde het merkwaardige jaar +1672. + + * * * * * + +Reeds voor eenigen tijd hadden de Staten-Generaal der Vereenigde +_Nederlanden_ hunne tusschenkomst aangeboden tot herstel van de rust. De +oude Staten hadden die verzocht en aangenomen; doch de nieuwe bedankten +daarvoor, dewijl zij achtten, dat er geene andere wettige vergadering +dan de hunne kon bestaan; terwijl zij, even als Gedeputeerde Staten, van +al het voorgevallene een uitvoerig verslag naar _'s Gravenhage_ +opzonden, waarbij zij tevens de oude Staten als verstoorders van de +gemeene rust aanklaagden[236]. Daarom wilden zij veeleer de bemiddeling +van het Hof inroepen; doch daar dit hiertoe moeijelijk te bewegen was, +en twee Landsdagen te gelijk niet konden blijven bestaan, zoo vonden de +Staten-Generaal goed, in het begin des jaars 1673 drie hunner leden +herwaarts te zenden. Het waren de Heeren R. VAN MOLENSCHOT, Pensionaris +van _Dordrecht_, wegens _Holland_, M. VAN CROMMON, wegens _Zeeland_, en +JOHS. EECK, wegens _Groningen_, die in last hadden, »om de ontstane +onlusten tusschen de Regenten in deze provincie in der minne bij te +leggen" niet alleen, maar ook, »om de Staten serieuselyck te versoeken +ende aen te maenen tot betalinge van de quota voor de militie, de +legerlasten ende subsidien, aen de geallieerden van den Staet belooft, +waarin Frieslandt, door de groote Verdeeltheden onder de Regenten, +defectueus was gebleven"; terwijl zij vast besloten waren, niet te +vertrekken vóór de geschillen nedergelegd waren. + + [236] Zie deze en verder hiertoe betrekkelijke stukken in het + _Charterboek_, V 888, 892, 931 env. + +Werkelijk hebben deze Heeren, in vereeniging met den Stadhouder en +daarna met eenige leden van het Hof, geene moeite onbeproefd gelaten, om +dit doel te bereiken, waartoe zij onderscheidene voorstellen, +reglementen en 105 punten van reformatie voordroegen. Doch hieruit rezen +nieuwe tegenkantingen en onlusten, welke met veel moeite werden +bedwongen. Nadat den 17 Februarij een nieuwe landsdag te _Leeuwarden_ +was beschreven, waarbij die voorstellen met allen ernst werden +aangedrongen, had men goede hope op een gunstig besluit van dezen. Doch +alles te vergeefs: »alsoo dat de Heeren Gecommitteerden van Haer Hoog +Mog., na met beleefde woorden soo wel als harde dreigementen sterck te +hebben aengehouden, eyndelyck den 2 Maart vruchteloos en onverrichter +saecken hebben moeten vertrecken, tot droefheyt van de welmeenende +Ingesetenen des Landts"[237]. + + [237] VITRINGA, _Memoriale Annotatien_, I 706. + +Zoo scheen dan de breuke onheelbaar te zijn, en _Friesland_ op nieuw +eene prooi der partijwoede te zullen worden. Doch neen! zij was in +waarheid der genezing nabij: want alleen de vreemde inmenging der +Staten-Generaal, door de onderliggende partij van _Sneek_ slechts +begeerd, doch door die van _Leeuwarden_ steeds afgekeerd en vermeden, +had de toenadering verhinderd. Die fiere Friezen wilden de herstelling +van het gezag niet aan de hulp van vreemden dank weten. Met het vertrek +der afgevaardigden veranderde de gansche zaak, terwijl de Landsdag te +_Sneek_ bereids in zich zelven was te niet gegaan. Reeds den 7 Maart +werd bij Staats-resolutie de beslissing van de verschilpunten aan den +Stadhouder en negen Staatsleden opgedragen. Binnen acht dagen dienden +deze een Reglement en 97 »Poincten Reformatoir" in, bevattende +uitvoerige bepalingen ter wering van misbruiken en tot omschrijving van +de grenzen des gezags in het bestuur dezer provincie. Daarbij werd +tevens de uitschrijving van eene algemeene Amnestie voorgesteld, »op dat +de memorie ende geheugenisse van alle die gepasseerde onlusten, +dissentien ende murmuratien tusschen de Regenten te eenemael mogen +worden weggenomen ende uytgewischt." + +Het was dit Reglement, hetwelk op den 19 Maart 1673 bij Staats-resolutie +werd aangenomen, goedgekeurd en uitgevaardigd, waarbij voor den vervolge +een beteren voet van regering werd vastgesteld, en waarmede deze +onzalige staatstwisten een einde namen, tot groote vreugde van al de +welmeenende ingezetenen des lands[238]. + + [238] Zie deze stukken in het _Charterb._ V 957, 959 env. Ook zijn ze + afzonderlijk gedrukt, en mede opgenomen in het _Recueil van + Reglementen_ enz. gedrukt te _'s Gravenhage_ in 1678, toen er over de + nakoming van deze punten nieuwe geschillen ontstonden. + + * * * * * + +Deze bijlegging van de geschillen, die zegepraal der partij van den +vooruitgang was niet enkel ter bevordering van de staatkundige regten +des volks en ter afschaffing van vele misbruiken-, maar ook om eene +andere reden eene zaak van groot belang. Hoe gelukkig men in den vorigen +jare ook tegen de buitenlandsche magten had gestreden; met welk gunstig +gevolg de dappere WILLEM III de Franschen op de Hollandsche grenzen +wederstand had geboden, terwijl de RUYTER ter zee de Engelschen met roem +bestreed--de toestand des lands was en bleef nog hoogst gevaarlijk. +Gegrond was hier de vrees, dat de Bisschop van _Munster_ met versche +benden herwaarts zou optrekken, om het verlorene _Koevorden_ te +herwinnen, en deze noordelijke streken op nieuw met kracht aan te +vallen. Ja, zelfs werd er eerlang een gerucht verspreid, dat TURENNE met +eene groote magt naar _Friesland_ zou oprukken. Daarom trachtten de +Staten het gansche gewest tijdig in weerbaren staat te stellen. Reeds +den 25 Januarij 1673 werd bevolen, dat alle manschappen van 18 tot 60 +jaren zich moesten voorzien van geweer en dagelijks wapenoefeningen +houden, en dat elk huisgezin één man moest leveren, om op het eerste +bevel uit te trekken. Den 18 Maart werd het bevel herhaald, dat alle +weerbare ingezetenen zich gereed moesten houden, om in geval van nood +dadelijk op te komen. Den 21 April kwam de Veldmaarschalk Prins JOAN +MAURITS _van Nassau_ herwaarts, gevolgd van eenige regimenten ruiterij +en voetvolk, die tot versterking van _Heerenveen_ en _Joure_ gebruikt +werden. Hier vernam hij, dat de Bisschop werkelijk in aantogt was, om +een aanslag op _Koevorden_ te wagen, waarop hij zich dadelijk naar +_Groningen_ begaf, om orde te stellen op het voorzien van genoemde +vesting en de beveiliging van die provincie. Vervolgens gelastte hij +hier de zeesluizen te openen, tot het inunderen van de lage streken; +terwijl er een dam gelegd werd in de Linde, en de wegen op de grenzen +onbruikbaar gemaakt werden. Hij riep de landlieden op, om aan het +versterken van de schansen te arbeiden. Den 11 Julij bepaalden de +Staten, dat het uittrekken van den derden man binnen 14 dagen zou plaats +hebben, waarna het getal daarvan den 28 Julij op 3,000 man werd +vastgesteld, welke iedere 14 dagen door anderen zouden afgelost worden. +Dit uittrekken werd toen echter vertraagd door verschillen over het +onderhouden van die manschappen, hetwelk de Staten ten laste der steden +en grietenijen hadden gebragt[239]. + + [239] Zie _Charterb._ V 946, 973, 977, 983, 985, 988. + +Men had echter goed gezien, dat het gevaar toen op het hoogst was, +en dat men een hevigen aanval van de Bisschoppelijke troepen had +te wachten. Tusschen deze en de onzen hadden er wel gedurig +schermutselingen plaatsgehad, waarbij met afwisselend geluk was +gestreden; ook had Prins MAURITS den 2 Julij vier regimenten voetvolk en +een regiment dragonders der Munsterschen in hun kwartier te _Staphorst_ +aangetast, waarna AYLVA te vergeefs een aanval op _Zwartsluis_ +waagde:--doch dit alles bragt geene beslissing te weeg, maar diende +enkel, om onze grenzen te beveiligen en den vijand af te matten, of te +ontmoedigen, om aan den voorgenomen aanval te denken[240]. + + [240] SYLVIUS, _Historien_, I 635, 636. + +De Bisschop, na in de omliggende provinciën zoo veel tegenspoed en +schade geleden te hebben, wilde echter de verovering van _Friesland_ +beproeven, en in deze uiterste kracht-inspanning tevens de beslissing +van den ganschen veldtogt wagen. Uit de Geldersche en Overijsselsche +steden brengt hij van de beste Fransche, Keulsche en Munstersche troepen +te _Steenwijk_ eene magt bijeen, welke op 6 à 7,000 man (door anderen op +8,000 voetknechten en 100 ruiters) begroot werd. Op den 15 Augustus rukt +hij daarmede langs verschillende wegen op _Friesland_ aan. Op het eerste +berigt daarvan, trekken de onzen, onder gedurige schermutselingen met +den vijand, van _Wolvega_ terug tot _Heerenveen_, welk hoofdkwartier +Prins MAURITS, Prins HENDRIK CASIMIR en AYLVA tot het uiterste wilden +verdedigen, waartoe ook dadelijk de derde man opgeroepen werd en de +burgers van _Leeuwarden_, _Sneek_, _Franeker_ enz. reeds den volgenden +nacht naar _Heerenveen_ vertrokken. Na de schansen van de _Blessebrug_ +en _Bekaf_ genomen te hebben, trok de vijand de _Stellingwerven_ in tot +_Oudeschoot_. Verschillende gevechten vielen er voor, waarin hij +herhaaldelijk werd geslagen. Zijne pogingen, om _Heerenveen_ te +overweldigen, mislukten, en nu zocht hij zijn moedwil te koelen door de +ingezetenen op contributie te stellen, door de dorpen te berooven, te +plunderen en te branden, door het vee uit de weiden met zich te voeren +en de vruchten des velds, welke stonden ingezameld te worden, te rooven +of te verwoesten. Vooral _Wolvega_, _Oudeberkoop_ en _Makkinga_ hebben +daarbij veel geleden. Ondanks het bekomen van versterking uit +_Steenwijk_, vond hij in de dapperheid der Friesche benden, in de groote +magt, welke hem tegengesteld werd door het spoedig toesnellen van de +gewapende burgers, en in het door een hevigen noordwestewind opgestuwde +water zoo veel tegenstand, dat zijn aanval geheel mislukte, en dat de +bisschoppelijke troepen na verloop van vijf à zes dagen met groot +verlies naar _Zwolle_, _Zutphen_ en _Arnhem_ terugtrokken. Eerst nadat +de Friezen nog eenmaal krachtige hulp hadden geboden, om het door den +Bisschop zoo lang en fel benarde _Koevorden_ te ontzetten, hetgeen in +het begin van October, meest ten gevolge van een sterken oostewind, +gelukte, werd het den uitgetrokken burgers vergund, de door hen bezette +posten te verlaten en naar hunne woningen terug te keeren[241]. (Zie +_Aanteekening 25_.) + + [241] Uitvoerige bijzonderheden omtrent al het voorgevallene vindt men + in de belangrijke werken van dien tijd: _Holl. Mercurius_, 152, en + _d'Ontwaekte Leeuw_, Amst. 1673, I 36, 47, 60, 74, 122, 130; II 15, + 46, 47 env.; SYLVIUS, I 653; zie ook VAN LEEUWEN, _Kronyk_, 254. + + * * * * * + +Groot en algemeen was de vreugde over deze bevrijding van _Friesland_, +hetwelk, terwijl het grootste gedeelte der Nederlandsche provinciën zoo +lang door de vijandelijke benden was overheerd, geplaagd en uitgezogen +geworden, volkomen vrij was gebleven. Der Friezen oude moed en trouw +had, met Gods bijstand, dit gewest in het bijzonder weder beveiligd. De +vast- en bededagen, welke men zoo dikwijls had gehouden, werden nu +vervangen door dankdagen, ook wegens de verlossing van het gansche +vaderland van de overmagtige vijanden, die door hooger magt waren +gestuit in hunne geweldige pogingen, om het te overmeesteren en onder +hunne heerschappij te brengen. + +»Zoo werd het wijd beroemde en heldhaftige _Friesland_, van alle eeuwen +vermaard als de moeder en te gelijk het kind van de Vrijheid; van de +Romeinen gevreesd, door de Britten gehoorzaamd en door de Franken +geëerd, als de voedster van ontembare helden, op nieuw met handen en +tanden verdedigd. Zoo werd den Munsterschen Bisschop afgeleerd, de +grenzen in te breken van een land, dat, door natuurlijke kracht en +schrandere kunst versterkt, voor buitenlandsch geweld ongenaakbaar +bleek te zijn, zoo lang het beschermd werd door fiere nazaten, niet +ontaard van de heldendeugd der roemrijke voorvaderen"[242]. + + [242] ROMYN DE HOOGHE, _Spiegel van Staat_, Amsterdam 1706, I, 7e + tafereel, 1, 7. + + * * * * * + +Na zoo krachtvolle inspanning had het vaderland behoefte aan rust en +vrede. Er werden daartoe met _Munster_, _Keulen_, _Engeland_, ja zelfs +eerlang ook met _Frankrijk_, en wel bij herhaling, verdragen gesloten, +doch de trouweloosheid van den oorlogszuchtigen LODEWIJK XIV hield ons +land nog langer dan twintig jaren in de wapenen, daar eerst met den +vrede van _Rijswijk_ (1697) de rust duurzaam scheen te zullen zijn. Hoe +gelukkig, dat _Nederland_ gedurende al die jaren in den, eerst lang +vernederden, doch daarna roemrijk verhevenen, Prins WILLEM III een +staatsman en held bezat, die den Franschen monarch, na hem dit land +eerst hevig betwist te hebben, bij voortduring het hoofd kon bieden, en +die nieuwe lauweren voor den vaderlandschen krijgsroem mogt behalen. + +Ook _Friesland_, dat, ver van het tooneel des oorlogs verwijderd, zich +sedert 1673 weder rustig aan zijne eigene belangen kon wijden en de +welvaart zijner ingezetenen bestendig zag toenemen,--ook dit gewest +bezat gelijktijdig staatsmannen en helden, die den _Prins van Oranje_ +krachtdadig ondersteunden in het beveiligen van het vaderland en het +bevorderen van zijne waardigheid en eer tegenover magtige naburen. DE +RUYTER vond bij zijne laatste zeetogten in de dapperheid der, onder +BANCKERS vereenigde, Zeeuwen en Friezen, die de Franschen en Engelschen +»met hunne gewone kloekmoedigheid aantastten"; een krachtigen +steun[243]. De dappere JACOB BINCKES, geroemd als »een voorsichtig +soldaat, een manhaftig Capiteyn, een getrouw Commandeur en een +goedertieren Christen, wiens voorige Heldendaden bewijs gaven van +grooter verwachtingen," mogt intusschen de eer der Nederlandsche vlag in +de _West-Indien_ roemrijk handhaven, en in 1677 nog eene overwinning op +de Franschen behalen, na »een der hardnekkigste gevechten, waarvan de +Geschiedenis van het Nederlandsche Zeewezen gewag maakt"[244]. De +belangrijke Friesche staatsstukken van dien tijd getuigen van de +uitstekende bekwaamheden van Staatsmannen, als WILLEM VAN HAREN, ALLART +PIETER VAN JONGESTAL, HANS VAN WYCKEL, PIBO VAN DOMA, MATTHIJS, ASSUERUS +en GYSBERT VAN VIERSSEN, ISAAC DE SCHEPPER en anderen[245], waarvan de +eerste alleen in twaalf gezantschappen naar vreemde mogendheden en als +vredehandelaar het hoog gezag des lands deed gelden en de belangen van +oorlog en vrede regelde. Nog grooter roem behaalden HANS WILLEM _Baron_ +VAN AYLVA (hier vóór reeds zoo dikwijls vermeld), MENNO _Baron_ VAN +COEHOORN en de Stadhouder HENDRIK CASIMIR II in den strijd voor het +vaderland. + + [243] Zie de voorbeelden daarvan bij DE JONGE, _Zeewezen_, III _a_ + 130, 150, 269, 292. + + [244] Behalve het vroeger aangehaalde uit DE JONGE, op bl. 259, blijkt + dit uit veelvuldige plaatsen in het 3e dl. 1e en 2e st. van zijn + voortreffelijk werk, waaruit ik tot mijn leedwezen geene meerdere + bijzonderheden kan mededeelen. Ook SYLVIUS, I, 14e bk. 341, 348, 15e + bk. 93 enz. gewaagt met veel lof van de heldendaden van BINCKES. + + [245] Zie over dezen SCHELTEMA, _Staatkundig Nederland_, het + _Wapenboek_, het _Stamboek_, het _Charterboek_ enz. + +AYLVA, die van de bescherming zijner provincie zoo veel eer mogt +verwerven, wist in den slag van _Senef_ (1674) »door uitstekende +dapperheid zijn reeds verkregen »roem loffelijk te handhaven," en dien +bij de belegering van _Keizersweerd_ en _Bonn_ en inzonderheid vóór en +in den slag van _Fleurus_ (1690) te vergrooten. Als een der +voortreffelijkste legerhoofden geacht, zag hij zich in het laatst zijns +levens het opperbevel over de Staatsche troepen in _Braband_ +opgedragen[246]. COEHOORN, die zich in 1673 bij de belegering van +_Maastricht_ als Kapitein voor het eerst door dapperheid onderscheidde, +en vóór _Grave_[247] en in den slag van _Senef_ aan zijn heldenmoed de +bevordering tot Kolonel had te danken, muntte vervolgens evenzeer als +legerhoofd en als uitstekend vestingbouwkundige uit, daar hij in de +versterkingskunst voor ons land een nieuw tijdvak deed aanbreken, en +alzoo een waardig tegenstander werd van den beroemden Franschen +Ingenieur VAUBAN. In den slag van _Fleurus_, waar hij »boven andere +Nederlanders uitmuntte"; bij de roemrijke verdediging en daarna +herneming van de sterke vesting _Namen_ (1692, 1695); door de +versterking van _Groningen_, _Koevorden_, _Nijmegen_ en _Bergen op +Zoom_; door de verovering van _Luik_ (1702), van _Bonn_ (1703) en andere +schitterende wapenfeiten verdiende hij, tot de hoogste waardigheden +opgeklommen en de groote Stededwinger en Friesche Jupiter genaamd, een +eervollen rang onder de groote mannen des vaderlands[248]. + + [246] SYLVIUS, _Vervolg op_ AITZEMA, dat aan hem werd opgedragen, I + 287, 562 env. III, 1691, 51; BOSSCHA, _Heldendaden_, II 166, 232, 240, + _Bijlage_ 9 env.; _Friesche Volks Almanak_, 1841, 62. + + [247] Uit dit beleg is de bijzonderheid bewaard, dat de Friesche + Luitenant LAURENTIUS DE BLAU, bij een aanval doodelijk getroffen, door + zijne achttienjarige jongevrouw, ANTJE TJEBBES TJEBBINGA, met veel + onverschrokkenheid uit de loopgraven werd gedragen, in de legerplaats + gebragt en naar _Leeuwarden_ vervoerd, om hem bij zijne vaderen te + doen rusten. Zie FERWERDA, _Wapenboek_, I in _de Blau_. Ook BOSSCHA, + II 193 vermeldt dit en Mr. VAN HALMAEL bezong dit blijk van + huwelijkstrouw in den _Alm. v. 't schoone en goede_, 1837. + + [248] BOSSCHA, II 144, 172, 188, 192, 240, 258, 261, 315, 319 env.; + _Friesche Volks Almanak_, 1840, 104; N. YPEIJ, _Gedenkschrift van + Coehoorn_, Fran. 1781; CHALMOT, _Biogr. Woordenb._ VII 129; KOK, + _Vaderl. Woordenb._ X 366; _Levensbes. van Nederl. Mannen_, VII 169; + MERKES, _Memorie over Coehoorn_, 's Hage 1825; VAN KAMPEN, _Geschied._ + II 138; _Karakterkunde_, II 415; VAN LOON, _Historiepenn._ IV 342; VAN + LEEUWEN in het _Friesch Jierboeckje_, 1829, 1. + +Prins HENDRIK CASIMIR II, bij den dood zijns vaders slechts zeven jaren +oud, ontving eene verstandige opvoeding van zijne voortreffelijke +moeder, Prinses ALBERTINE AGNES, die, ook nadat hij in 1672, ruim 15 +jaren oud, tot werkelijk Stadhouder was verheven, hem tot 1679 als +voogdes ter zijde stond[249], gelijk hij in AYLVA een uitstekend +leermeester en voorganger vond in den krijg. Reeds op zeventienjarigen +ouderdom woonde hij den slag van _Senef_ bij, en was, »ook in het +dreigendst levensgevaar, onafscheidelijk aan de zijde van den jeugdigen +Opperbevelhebber WILLEM III, waardoor hij zich waardig toonde de spruit +te zijn, in wie de edelaardigheid der telgen van ORANJE op den Frieschen +stam was overgeplant." Als Stadhouder, mede over _Groningen_ en +_Drenthe_, was hij zeer geacht, en gedroeg hij zich steeds edelmoedig +jegens Prins WILLEM III, toen deze in 1677, al te heerschzuchtig over de +afdanking van Friesch krijgsvolk beschikkende, daardoor, en mede bij de +door hem voorgestelde werving van 16,000 man in 1684, een krachtigen +tegenstand uitlokte van _Frieslands_ Staten, die onverzettelijk bleven +in de uitoefening van hun regt, om zelve patenten of marschorders aan de +troepen af te geven. Die Staten gaven den jeugdigen Vorst menig blijk +van hunne genegenheid en vertrouwen. Zij verzochten hem zelfs eene +gemalin te kiezen, en toen hij die gevonden had in de schrandere Prinses +AMALIA _van Anhalt-Dessau_, werd haar niet enkel een geschenk van +100,000 Gld. aangeboden, maar ook het vorstelijk paar bij den +luisterrijken intogt te _Leeuwarden_, op den 19 Augustus 1684, een +onthaal bereid, zoo als hier nog geen Vorst was ten deel gevallen, en +waarbij men al de blijken van den rijkdom en de weelde dier bloeijende +dagen ten toon spreidde[250]. In 1690 aangesteld tot tweeden +Veldmaarschalk, gaf hij nieuwe blijken van ongemeene dapperheid in de +veldslagen van _Fleurus_, waarbij zijne lijfgarde twee vaandelen +veroverde op de bloem des Franschen legers, van _Steenkerke_ en +_Neerwinden_. Nadat zijne gezondheid reeds bij den eersten veldtogt was +geknakt, overleed hij den 15 Maart 1696 te _Leeuwarden_, algemeen om +zijne deugden en verdiensten diep betreurd. Zijne edele moeder, Prinses +ALBERTINE AGNES, overleefde hem slechts twee maanden, daar zij den 14 +Mei 1696 op het door haar gestichte lusthuis _Oranjewoud_ overleed[251]. + + [249] Toen de Prinses in 1679 naar _Duitschland_ vertrok en haar zoon + het bewind aanvaardde, nam zij van de Staten afscheid bij eene + Missive, waarin zij treffende blijken gaf van hare "groote liefde, + affectie ende danckbare erkentenis jegens dese gezegende Provincie;" + waarop de Staten eene resolutie namen, welke evenzeer van hunne + erkentenis en toegenegenheid getuigde en vergezeld ging van een + geschenk van 5,000 Gld. met toezegging van een jaarlijksch + lijfpensioen tot gelijk bedrag. Zie deze Missive en Resolutie bij + SYLVIUS, II 42. De regering van _Leeuwarden_ ontving bovendien een + brief, waarin de Vorstin hare goede gezindheden nog sterker uitdrukte. + Zie _Geschiedk. Beschrijv._ II 298. Later keerde zij echter in + _Friesland_ terug, en woonde meest op het _Oranjewoud_. + + [250] Behalve in stukken van het Stedelijk Archief, vindt men eene + uitvoerige beschrijving van deze "Princelyke Inhalinge" bij SYLVIUS, + II, 1684, 125. + + [251] Zie over deze Vorst en Vorstin: _Charterb._ V 914, 1103, 1216, + 1242; SYLVIUS, I 552, 653, _b_ 97, 178; _Regist. Staats res._ 46, 513, + 587; KOK, _Vaderl. Woordenb._ II 507, XVI 606, XX 547; FOEKE SJOERDS, + _Beschrijv._ II 188; _Tegenw. Staat_, II 147; VAN KAMPEN, _Karakterk._ + II 337, 405, 414; BOSSCHA, _Heldendaden_, II 103, 168, 239, 240, 258; + STEENBERGEN, _Lijkrede op Prinses Albertine Agnes_; VAN LEEUWEN, + _Kronyk_, 456; VAN HALMAEL in den _Friesche Volks-Almanak_, 1844, 182. + +Behalve zeven dochters, liet de Prins slechts een zoon na, JAN WILLEM +FRISO, die naauwelijks den ouderdom van acht jaren had bereikt. Al de +waardigheden des vaders werden hem dadelijk door de Friesche Staten +toegezegd, terwijl het bewind intusschen door zijne moeder en voogdes +werd waargenomen. Van deze bekwame en schrandere vrouw ontving hij eene +voortreffelijke opvoeding, welke zijn gunstigen aanleg dermate +ontwikkelde, dat hij reeds op zijn 13e jaar de Hoogeschool te _Franeker_ +kon bezoeken. In het volgende jaar verwisselde hij deze met die van +_Utrecht_, en wel op verzoek van Prins WILLEM III, die, zelf geene +kinderen hebbende, den naam van _Oranje_ en de voortduring van zijn Huis +in de _Nederlanden_ op dezen jongeling vestigen wilde, en hem daarom ook +genoegzaam als zoon aannam en tot zijn vollen erfgenaam verklaarde. De +spoedig hierop gevolgde dood van dezen tweeden vader (1702) was alzoo +voor de verdere opleiding van den jongen Vorst een even groot nadeel, +als de erfenis van titel en bezittingen hem voordeel scheen te beloven. +De naijver van _Holland_ en de overige, nu op nieuw Stadhouderlooze, +provinciën jegens _Friesland_ en zijne Stadhouders, reeds vroeger zoo +dikwijls gebleken, was nu weder de oorzaak, dat men niet alleen aan de +begeerte des Konings, om den jongen Prins in zijne waardigheden te doen +opvolgen, geenszins voldeed, maar ook onverschillig toezag, dat +_Pruissen_ zich van een gedeelte der erfenis van _Oranje_ meester +maakte, hoezeer ook de Algemeene Staten, als uitvoerders van Koning +WILLEM'S uitersten wil, daarvoor hadden behooren te zorgen. Te vergeefs +ijverden de Friesche Staten dus voor zijne benoeming tot Generaal +(1703), waarbij zij bestendig van de andere provinciën tegenwerking +ondervonden[252]. Doch hij wilde dien rang niet als gunst ontvangen, +maar door dappere daden verdienen. + + [252] Zie die geschillen vermeld bij KOK, XVI 607; _Reg. + Staats-resol._ 517.--"Holland was voor Frieschen invloed bevreesd", + zegt GROEN VAN PRINSTERER, _Handboek der Vaderl. Geschiedenis_, 589. + +Daartoe scheen de gelegenheid zich aan te bieden, toen hij in 1703, +eerst 16 jaren oud, als vrijwilliger met zijn leidsman VAN HEEMSTRA den +eersten veldtogt bijwoonde. Immers, de zelfde oorlogszuchtige en +trouwelooze Koning LODEWIJK XIV, die ons vaderland nu reeds langer dan +30 jaren bijna onafgebroken met magtige legers had bestreden, had nu, +ten gevolge van een staatkundig verschil over de Spaansche erfopvolging, +den oorlogsfakkel in de _Spaansche Nederlanden_ (_België_) geworpen, +waar zijn verbazend leger, op 300,000 man begroot, hevige tegenstanders +ontmoette in Prins EUGENIUS _van Savoije_, die de troepen des Duitschen +Keizers, en in den Hertog VAN MARLBOROUGH, die de verbondene Engelsche +en Nederlandsche benden aanvoerde. Wegens het belang der zaak, waaraan +men »de vrijheid van gantsch Europa" gelegen achtte, waren de Staten der +Vereenigde gewesten, en wel bijzonder _Friesland_, eenstemmig gezind, +tegenover den Franschen despoot eene geduchte magt te ontwikkelen. Zij +hielden woord, en bragten gedurende dezen bloedigen oorlog van 1702 tot +1712 een leger te velde, dat jaarlijks tusschen de 110 tot 130,000 man +bedroeg[253]. Ook _Friesland_ getroostte zich tot dat einde verbazende +opofferingen van geld en manschap, en zag de dapperheid zijner +krijgsoversten en soldaten met eere erkend. Reeds omtrent de vier eerste +jaren van dien krijg vermeldt een schrijver van dien tijd zulks in de +volgende woorden: »Nu heeft die heerlyke Provintie de Lof, dat haare +_Vriesen_ zo te voet als te paard, wel een groot gewicht in des Lands +overwinningen inbrengen; en dat zy, streng en hardnekkig vechtende, de +uitgepikte magt van 's Konings huis by _Ramillies_ gebrooken en +vertreeden hebben, en in de Beleegeringen standvastig en schrander zyn, +zo dat de vyandlycke Steeden, zelfs de alderuitgeleezenste sterke +Vestingen, voor 't vuur van _Koehoorn_, de _Vriesschen Archimedes_, +plooyen; voortgaande met zegevierende schreeden na _Europa'as_ Vryheid, +door het vernederen van dien ontrouwen en hovaardigen _Franschen_ +Dwingeland"[254]. + + [253] BOSSCHA, II 301, 541 env. Bovendien had Staat gelijktijdig over + de 50 zware linieschepen in dienst. De schuld der republiek werd door + dezen oorlog vermeerderd met 350 millioen! GROEN, 588. + + [254] ROMYN DE HOOGHE, _Spiegel van Staat_, Amst. 1706, I, 7e + tafereel, 28. + +'t Mogt den jeugdigen Prins FRISO, hoezeer brandend verlangende naar den +strijd, niet gebeuren, in de eerste jaren, dat hij den Successie-oorlog +aan de zijde van OUWERKERK bijwoonde, bijzondere blijken te geven van +zijn krijgsmansaard en heldengeest. Niettemin waren die togten voor hem +eene belangrijke leerschool; en miskenning was hem een prikkel, om zich +zelven met waardigheid te verheffen. Eerst in 1708 werd hij in de +gelegenheid gesteld, zich door dapperheid te onderscheiden en aller +oogen op zich te vestigen. Doch toen ook was hij niet enkel bevorderd +tot Generaal van het voetvolk, maar ook tot de waardigheden zijns +vaders. Nadat hij, den ouderdom van 20 jaren bereikt hebbende, den 18 +November 1707 met groote plegtigheid te _Leeuwarden_ was ingehaald, +werd hij den 22 dier maand tot Stadhouder en Kapitein-Generaal van +_Friesland_ gehuldigd; terwijl zijne moeder als Voogdes den dank der +Staten en eene gift en een jaargeld van 5,000 Gld. ontving. De luister +van zijn Huis, in 1704 door den aankoop van de heerlijkheid _Ameland_ +(voor [f]175,000), en in 1708 door het Stadhouderschap van _Groningen_ +en _Drenthe_ verhoogd, werd in het volgende jaar bekroond door een +gelukkig huwelijk met de schoone en brave Prinses MARIA LOUISA _van +Hessen-Kassel_, waarover groote vreugde werd bedreven[255]. + + [255] Zie _Reg. Staats-resol._ 343, 517; LAMIGUE, _Leven van J. W. + Friso_, II 9, 30, 109, 117; KOK, XVI 682; _Tegenw. Staat_, II 376. Ook + deze Prinses ontving van de Friesche Staten eene tonne gouds als + huwelijks-gift, en de Prins een geschenk van 16,000 Gld. + +Inmiddels had de Prins in den slag bij _Oudenaarden_ (Mei 1708) zich de +baan des roems ontsloten en getoond, wat het vaderland van hem +verwachten kon. Met heldenmoed rukte hij aan het hoofd zijner bataljons +op de bloem des Franschen legers aan en noodzaakte die te wijken: eerst +viel hij het »door een meesterlijken togt en zwenking in de flank, en +daarna door een stouten marsch in den rug", zoodat hij veel toebragt tot +deze roemrijke overwinning. »De beslissende dapperheid, door +_Frieslands_ jeugdigen Stadhouder hier betoond, zweefde op de tong van +elken Vaderlandlievenden _Nederlander_"[256]. In het beleg van +_Rijssel_, in 117 dagen met verbazende opofferingen gewonnen, was hij de +tweede in het opperbevel, doch de eerste bij elk gevecht en iederen +aanval. Ook _St. Amand_, _Doornik_ en _Gent_ hielp hij veroveren. +Telkens bleek het, dat voor zijne onversaagdheid geen gevaar te groot en +voor zijn moed geen tegenstand te sterk was. In den hoogst belangrijken +slag bij _Malplaquet_ (1709), eerst geplaatst aan het hoofd van negen +bataljons, die de vijandelijke verschansingen moesten beklimmen, rukt +hij met zeldzame dapperheid tegen een vreeselijk kanon- en geweervuur +in. »Voort, voort!" klinkt in een hevig kruisvuur zijne stem, en, als +sleepte hij zijne troepen aan koorden met zich mede, spoeden zij naar +hun doel. Het eerst de grachtboord der verschansing bereikende, zwaait +de jonge held met den hoed in de hoogte, en stuiven al zijne benden in +de gracht, bestijgen en veroveren met leeuwenmoed de borstwering, en +verdrijven den vijand met de bajonet. Duizenden ziet hij om zich henen +vallen en zelfs bijna al zijne officieren; met het klimmende gevaar +voelt hij echter zijn heldenmoed rijzen, en blijft hij de zijnen +aanvoeren, al zijn reeds twee paarden onder hem doodgeschoten. Een +vaandrig grijpt hij het vaandel uit de hand, stuift daarmede alléén op +de vijandelijke werken in, en, roepende: »volgt mij, mijne vrienden! +hier is uw post!" plant hij het op de borstwering, die op nieuw wordt +veroverd. Juist deze »voorbeeldelooze stoutmoedigheid," die +persoonlijke, alle gevaar trotserende, moed van _Oranje_, welke aan +roekeloosheid grensden, hadden de overwinning mede mogelijk gemaakt, +ofschoon zij in hem misduid werden, daar hij altijd moest bedenken, dat +hij de eenige Vorst was uit de huizen van _Nassau_ en _Oranje_, waarop +de hoop des vaderlands was gevestigd. De Voorzienigheid spaarde hem +echter als door een wonder. + + [256] VAN KAMPEN, _Karaktk._ II b 530: BOSSCHA, _Neerl. Held._ II 420. + +Den 26 Februarij 1709 in het huwelijk getreden, weerhield zijn echt hem +geen oogenblik in het volbrengen van zijne pligten als krijgsman. Reeds +in Mei snelde hij naar het leger, en verliet het niet, voor hij nog in +het laatst van October met Prins EUGENIUS _Bergen in Henegouwen_ had +ingenomen. In 1710 was hij weder tijdig in het veld, en mogt hij _Douai_ +en _St. Venant_, na hevige belegeringen, helpen veroveren. Ook in 1711 +ging hij weder naar het leger, doch nu voor de laatste maal. In Julij +naar _'s Gravenhage_ geroepen tot vereffening van de geschillen met den +Koning van _Pruissen_ over de erfenis van Koning WILLEM, werd hij door +een droevig ongeluk aan het vaderland ontrukt. De held, wien de +kogelregen en het moorddadigste vuur bij _Malplaquet_ hadden +gespaard--vond den dood in de golven, door het omslaan van de veerschouw +op het Hollandsche diep bij den _Moerdijk_. Het geheele land betreurde +dit verlies als eene zware ramp, en huldigde zijne deugden en +verdiensten door uitbundige lofspraken. »Men had hem nooit genoeg geacht +bij zijn leven, en kon hem niet genoeg beschreijen bij zijn dood. Bij de +sierlijke gestalte eens jeugdigen ridders van ongemeene geestbeschaving +voegde hij eene minzaamheid, bescheidenheid, kloekzinnigheid en +goedaardigheid, ook te midden des oorlogs, en, bij den moed van een +ACHILLES, liefde tot den vrede, welke den oorlog slechts als een +noodzakelijk kwaad beschouwde;--eigenschappen, die aan JAN WILLEM FRISO +de bewondering van alle tijden en de liefde van al zijne landgenooten +hebben waardig gemaakt! Het leger, dat zulk een dierbaar hoofd moest +missen, was niet te troosten: grijze krijgslieden smolten in tranen. +Geen wonder dat zij treurden: want zij hadden hem leeren kennen in +veldslagen en bij belegeringen, en hij had zich nu reeds die liefde en +dat vertrouwen verworven, waardoor zijne voorouders steeds de ziel van +de Nederlandsche legermagt waren geweest. Dat leger miste van nu af den +invloed van die tooverkracht, waarmede de naam van _Oranje_ het altijd +wist te bezielen"[257]. + + [257] LAMIGUE, _Leven_, II 237, 266; VAN EFFEN, _de Misanthrope_, II + 21; VAN KAMPEN, _Karakterk._ II 534; BOSSCHA, _Heldendaden_, II + 403-519; _Levensbeschrijv. van Nederlandsche Mannen_, VI 154, 284, + VIII 260; FERWERDA, _Wapenboek_, II. Acht dagen na 's Prinsen dood + (den 14 Julij voorgevallen) werd zijn lijk gevonden, te _Dordrecht_ + gebalsemd en naar _Leeuwarden_ vervoerd, waar het eerst den 25 + Februarij 1712 werd bijgezet in den Stadhouderlijken Grafkelder met + eene prachtige lijkstatie, voor wier kosten de Staten 16,000 Gld. + toestonden. + +Maar, welke was de smart der jeugdige gemalin van den Prins, met wie hij +nog zoo kort verbonden was! Zij was de droefheid zelve, doch tevens een +toonbeeld van de geestkracht, welke de Christelijke godsdienst onder +lijden schenkt, als zij niet enkel het verstand, maar heel het gemoed +vervult. Betaamt het vooral Vorsten, zich door grootmoedige daden en +edele gezindheden boven de gewone menschen te verheffen--zij betoonde +zich een echtgenoot waardig, over wien het gansche vaderland met haar +treurde; zij heiligde dien rouw door haar geloof, en ontving daardoor +kracht om hare pligten te vervullen, ook als Moeder. Den 1 September +1711, en alzoo zes weken na den dood zijns vaders, werd WILLEM CAREL +HENDRIK FRISO te _Leeuwarden_ geboren. De Staten van _Friesland_ die zoo +veel innige deelneming betoond hadden in den rouw der Prinses, »met +aanbieding van alle hulp en bijstand, met raad en daad," deelden nu +evenzeer in den zegen, welke haar ten deel viel. Zij namen het +Gevaderschap over den jongen Prins op zich, verklaarden het +Erfstadhouderschap, gelijk ook de twee regimenten zijns vaders, op hem +vervallen, en gaven meerdere blijken van toegenegenheid en teekenen van +vreugde. Deze vonden weerklank in het gansche vaderland, dat nu weder +eene mannelijke spruit bezat uit de huizen van _Oranje_ en _Nassau_, +waaraan het nu reeds bijna anderhalve eeuw door banden van wederkeerige +liefde en belang was verknocht geweest. + + * * * * * + +Gelukkig spoedde de oorlog, nu weder zoo lang en zoo hevig gevoerd, bij +'s Prinsen dood ten einde. De trotsche LODEWIJK XIV, die jaar op jaar +zoo vele verliezen geleden had, en in en buiten zijn land door vijanden +bedreigd werd, haakte naar den vrede, die, na lange onderhandelingen, +den 11 April 1713 te _Utrecht_ werd gesloten. Die vrede, welke het +vaderland eindelijk verademing en rust scheen te beloven, verwekte +algemeene vreugde, die men ook in _Friesland_ aan den dag legde door het +afsteken van een prachtig vuurwerk op de marktplaats te _Leeuwarden_. +Uit deze provincie was daartoe als gevolmagtigde afgevaardigd de +voortreffelijke staatsman SICCO VAN GOSLINGA, die tevens in den +Successie-oorlog, van 1706 tot 1711, als Gedeputeerde te velde, door +zijne uitstekende bekwaamheden het vaderland met raad en daad van dienst +was geweest[258]. In dien oorlog hadden meerdere aanzienlijke Friezen +uitgeblonken, waarvan met lof genoemd worden de Generaal-Majoors +FREDERIK VEGILIN VAN CLAERBERGEN, JOACHIM VAN AMMAMA en FREDERIK VAN +GROVESTINS. De laatste verwierf nog in 1712 grooten roem, door »met +ongehoorde stoutheid" in _Frankrijk_ een inval te doen, welke LODEWIJK, +dien hij tot nakoming van zijne verbindtenissen wilde dwingen, op zijnen +troon deed sidderen. Met een vliegend legertje van 1800 dragonders en +huzaren, mede onder bevel van den Brigadier VAN GLINSTRA, trok hij door +_Champagne_ en de Bisdommen _Metz_, _Toul_ en _Verdun_, legde in 48 +dagen 800 Ned. mijlen in vijands land af, deed gansch _Lotharingen_ +beven, en boezemde ontzag in voor de Nederlandsche wapenen, die geen +ander doel hadden, dan om door oorlog regt en vrede te verwerven[259]. + + [258] Belangrijke berigten over hem zijn medegedeeld door den Heer J. + VAN LEEUWEN in _de vrije Fries_, 1844, III 277. Ook BOSSCHA, II 469 + env. en anderen vermelden hem, wiens graftombe nog de kerk van het + dorp _Dongjum_ versiert, met hoogen lof. + + [259] Zie over de genoemde personen: VAN LEEUWEN, in _de vrije Fries_, + V 245; BOSSCHA, II 325, 370, 458, 473, 536, 543; WAGENAAR, _Vaderl. + Historie_, XVII 426, 466; VAN HAREN, _de Geuzen_, 10e Zang en Aant.; + _Frisia Nobilis_, 114, 331, 335; _Stamboek_, I 144, II 84; VAN SMINIA, + _Grietmannen_, 53. + +Die vrede werd verworven, doch ten koste van stroomen bloeds en +millioenen schats. Gelukkig, dat de duurzame voorspoed des lands, door +scheepvaart, handel en landbouw bevorderd, die offers kon brengen; dat +een bestendige vrede daarmede niet te duur was gekocht in vergelijking +van den smaad en de verliezen, welke op de zegepraal van en onderwerping +aan den Franschen despoot zouden gevolgd zijn; en bovenal, dat de +geestkracht en waardigheid der natie te midden dier dreigende gevaren +zich zoo grootsch ontwikkelde en zich zoo fier daar boven verhief, dat +zij niet enkel haren overmagtigen tegenstander, maar gansch _Europa_ +helden kon toonen, die den krijgsroem van _Nederland_ met nieuwen +luister deden schitteren.--Dat _Friesland_ in de rij der Nederlandsche +gewesten in staat was, zijn aandeel daartoe bij te brengen op eene +wijze, zijnen alouden roem waardig--dit vermeldden wij voor de eer onzer +provincie met genoegen, gelijk het volbrengen van elken pligt jegens het +vaderland de streelendste gewaarwordingen verschaft. + +De belangrijkheid der geschiedenis van dit gedeelte van ons tijdvak en +de rijkdom der, vroeger nog niet bewerkte, bronnen mogen mij +verontschuldigen, dat ik dit uitvoeriger dan vorige gedeelten heb +behandeld, hoezeer daarbij nog te veel achterwege is gelaten, dan dat +het op volledigheid aanspraak zou kunnen maken. + + +38. _Aanwas en Verbeteringen in den Toestand van Frieslands bodem. +Waterstaat, Openbare Werken, Nijverheid enz. 1580-1795._ + +De waarde der dingen rijst of daalt voorzeker naargelang van het +oogpunt, waaruit wij ze beschouwen of met andere vergelijken. De +inwoners van een land zijn zelve niet altijd de beste beoordeelaars van +zijne waarde, vooral met betrekking tot andere landstreken of tot een +vroegeren toestand. De blik, welke bekwame vreemdelingen daarin werpen, +bekoort ons soms door nieuwheid en belangrijkheid van inzigten, welke de +waarde van dit land in onze eigene schatting verhoogen en die de banden +versterken, met welke wij ons aan onzen bodem en ons volk gehecht +gevoelen. + +Zoo trok voor eenige jaren een bejaard Duitsch geleerde door ons +vaderland, nog vol van jeugdigen lust en kracht, om het edele, groote en +schoone, waar hij het vond, te erkennen en te bewonderen, die daarvan +een gunstig getuigenis gaf[260]. Aan bergachtige natuurtooneelen gewoon, +trof hem hier, »in deze klassieke vlakte, die afwisseling en +tegenstelling van land en water, van oude en nieuwere steden, de +middelpunten van het verkeer des nijveren volks, van fraaije land- en +waterwegen, van weelderige weiden, heerlijke velden en tuinen, prachtige +wouden en liefelijke boschjes, waaronder zich de woeste zandgronden +schier verliezen, en vooral die grootsche duinen en daarachter in de +verte de graauwe zee, die ontzettende!" + + [260] Ik bedoel den Göttinger Hoogleeraar F. LÜCKE, die met Prof. + ULLMANN in 1847 _Nederland_ bezocht en zijne opmerkingen later + mededeelde. In _de Tijdspiegel_ en vóór de vertaling van LÜCKE'S + _Vredeleus_, Leeuw. 1850, zijn daarvan overzettingen gegeven. + +»Ook dit land", dacht hij, »heeft God geschapen en tot eene goede +woonplaats zijner menschen-kinderen ingerigt, als zij Zijne heilige +bedoelingen in de natuur regt verstaan en volgen. Juist dit, dat in dit +land overal de regelende, bouwende, scheppende, worstelende menschelijke +geest zich vertoont; dat men bij elke schrede de zedelijke degelijkheid, +nijverheid, koenheid en netheid van het volk kan opmerken, daar het met +edelen trots het land op de wrokkende zee verovert en er zich tegen +verdedigt; woeste en vruchtbare gronden evenzeer weet te bebouwen, en +water met land, vlakte met heuvels met kunstenaarshand, vaak op +verrassende wijze, tot de liefelijkste landschappen, als tot lusthoven, +verbindt,--juist dit had voor hem eene groote aantrekkelijkheid. De +natuur zonder kunst en menschenwerk heeft haar schoon; maar volle +bevrediging vindt de geest toch eerst dán, wanneer Natuur en +Geschiedenis elkander doordringen. Ja, 't is een soort van godsdienstig +genot, een land te zien, van de zedelijke kracht des volks zoo geheel +doortrokken en bezield als dit, waarin het gebod des Scheppers, dat de +mensch zich de geheele natuur moet onderwerpen, met zoo veel ernst en +gelukkig gevolg volbragt wordt." + +Elk beschaafd volk heeft zijn historischen grondslag, waarvan het zich +nooit kan losrukken. Hem kwam het voor, dat ons volk meer dan andere de +bezielende herinnering van zijne groote gebeurtenissen bewaard-en zijn +historischen grond, even als zijn land tegen de zee, bewaakt en +verdedigd heeft. »Bewaart dien edelen historischen zin!" roept hij onzen +landgenooten ten slotte toe, en wie gevoelt niet, dat in de kennis der +geschiedenis, ook van den oorsprong en de verbetering van den +vaderlandschen bodem, eene kracht ligt, om onze vaderlandsliefde te +bevestigen en den moed te verhoogen, ten einde bij voortduring aan +deszelfs volmaking met ijver mede te werken. + +Is zijne beschouwing op ons vaderland in het algemeen van +toepassing,--zij is dit in het bijzonder op _Friesland_, waar de natuur +zoo weinig, de hand des nijveren volks zoo veel ter bescherming en +verbetering van den bodem heeft verrigt, ook zonder den steun van +buitenlandsche hulpbronnen, waaraan _Holland_ vooral zijn aanzien en +grootheid verschuldigd is. Daarom rekenen wij op de belangstelling onzer +lezers inzonderheid, bij de beschouwing van de ~voornaamste~ oorzaken en +middelen, waardoor in dit tijdvak de aanwas en de verbetering van den +Frieschen bodem is bevorderd. + + +_Aanwas. Bedijkingen._ + +Verlies van grond had _Friesland_ niet meer te betreuren sedert de +groote veranderingen, welke in de 13e en 14e eeuw de Zuiderzee deden +ontstaan. (Zie bl. 56-64 hier vóór.) Integendeel, er was op verscheidene +plaatsen langs de kust gelegenheid tot landwinning, welke zelfs meer +algemeen zou geweest zijn, indien onze zeedijken, bij grootere breedte +en vlakte, de bescherming hadden kunnen ontberen van de paalwerken, +welker regtstandige afwering van de golven nu ten gevolge had, dat de +aanslag van grond op vele plaatsen verhinderd en het strand uitgekolkt +werd. + +De zelfde oorzaken, welke de verlanding van de Middelzee bevorderd +hadden, bleven, ook nadat _het Bildt_ van 1505-1508 door een zwaren +zeedijk was afgesloten, voortgaan, den hoek tusschen _Dijkshoek_ +en _Wierum_, welke bij weste- en zuidweste-winden in de luwte ligt, +te vullen. Telkens, wanneer die aanslibbing eene belangrijke +uitgestrektheid had verkregen, werd zij bedijkt. De eerste inpoldering +daarvan geschiedde in 1580 en 1590 door het bedijken van den _Holwerder +Wester- en Oosterpolder_ en den _Ternaarder-polder_, gezamenlijk ook +_Nieuw-Dongeradeel_ genaamd. Hierop volgde in 1600 het bedijken van het +_Nieuwe Bildt_, niet minder dan 1756 morgen bedragende met bovendien 260 +pondematen _Nieuw Munneke-Bildt_ onder _Ferwerderadeel_. De daarbij +aangelegde _Nieuwe Bildtzijl_ werd echter reeds in 1655 gedamd, ten +gevolge der voortdurende aanslijking, welke het mogelijk maakte, om in +1715 de _Westelijke Bildt-pollen_, groot 444 morgen, en in 1754 de +_Oostelijke Bildt-pollen_, groot 126 morgen, benevens het gansche +_Noorderleeg_, door den tegenwoordigen zeedijk binnen te brengen. Sedert +deze laatste bedijking bleef de gelegenheid tot landwinning benoorden +_het Bildt_ en _Ferwerderadeel_ zóó gunstig, dat er tot heden, van _St. +Jacobi-Parochie_ tot voorbij _Blija_, weder eenige honderden bunders +vruchtbaar land op de kust zijn aangeslibd, welke de namen dragen van de +_Bildt-pollen-Aanwas_, het _Noorderleegs-Buitenveld_, de _Keegen_ en de +_Bokke- en Boere-pollen_[261]. + + [261] Zie meer uitvoerige berigten deswege in de _Nasporingen + betrekkelijk de Middelzee_, 83, 97; _Charterboek_, III 1045; V 487, + 489, 541, 1201; VI 163. + +Ook op den noordoosthoek dezer provincie werd in 1592 eene groote +uitgestrektheid lands aangewonnen, doordien de _Anjumer-_ en +_Lioessenser-polder_ bedijkt en vereenigd werd met het vroegere eilandje +_de Band_. Doch _Oost-Dongeradeel_, ten opzigte der aanslijking zoo +gunstig gelegen, verkreeg later een aanwas van nog grooter belang en +meer gewigtig gevolg voor gansch _Oostergoo_. Bezuiden deze grietenij +stroomde het Dokkumerdiep als een breede tak van de Lauwerszee tot aan +de stad _Dokkum_, waar het zeewater eerst gekeerd werd door eene sluis, +in 1583 aldaar van _Oudzijl_, bewesten die stad, overgebragt. Tusschen +de dijken van dezen tak verzamelden de slibstoffen zich van lieverlede +dermate, dat het vernaauwde diep den zeehandel van _Dokkum_ niet enkel +belemmerde, maar bij hooge vloeden met sterker geweld op de dijken +aandrong. In 1665 en vooral in 1717 bragt dit groote schade te weeg. +Daarom nam men toen op nieuw in overweging het reeds in 1584 door de +naastgelegene grietenijen geopperde denkbeeld (_Chb._ IV 456, V 445), +om het gansche diep op de grenzen der provincie af te sluiten, door +bij _Engwierum_ in den wijden mond tusschen _Kollumerland_ en +_Oost-Dongeradeel_ een dijk met eene zeesluis te leggen. Het voorstel +daartoe vond bij de Staten dien bijval, dat eerlang tot de uitvoering +werd besloten. Dit werk, onder het bestuur van den bekwamen WILLEM LORÉ +in 1725 op eene grootsche schaal ondernomen, werd in 1729 voltooid en +had, terwijl de kosten bijna 3 tonnen gouds bedroegen, zeer belangrijke +gevolgen. Want door dezen nieuwen _Statendijk_ van een half uur gaans +lengte werden de naastgelegene grietenijen ontheven van het onderhoud +van 6,000 roeden zeedijks ter wederzijden langs het diep tot _Dokkum_; +de nieuwe zeesluis verving alsnu de Dokkumer, Driezumer, Oudwouder- en +Kollumerzijlen, die vroeger in genoemd diep uitstroomden; de aangeslibde +en binnengebragte gronden, die 661 bunders bedroegen, werden nu in +vruchtbare bouwlanden herschapen, en het kolossale sluisgebouw met drie +kokers (een meesterstuk van waterbouwkunde) was eene hoofdwaterlossing +van _Oostergoo-_ en, na het uitgraven van het diep, ook voor de +scheepvaart van _Dokkum_, eene zaak van groot gewigt geworden; terwijl +een weg langs den breeden dijk (een model van waterkeering) en brug over +de sluis eene verbinding daarstelden tusschen twee, vroeger ver van +elkander gescheidene, grietenijen[262]. Buiten de sluis, sedert de +_Dokkumer Nieuwe Zijlen_ genaamd, bleef de aanslibbing nog voortduren, +en werd in 1752 aan de noordzijde het _Engwierumer-Nieuwland_ met een +zeedijk omsloten. Evenzoo bleef de landwinning voortduren aan de +zuidzijde van de buitenkil ter vergrooting van _Kollumerland_, hetwelk +reeds in 1529 door bedijking was verrijkt geworden met de uitgestrekte +waardgronden van _Nieuw-Kruisland_, ten oosten waarvan in 1689 reeds +weder een aanwas met een kadijk was omgeven, welke zich tot de +Buiten-Lauwers of de grenzen van _Groningen_ uitstrekte. + + [262] De gansche geschiedenis van dit groote werk heb ik, bij + gelegenheid der droogmaking van de sluis in 1834, uit de + _Staats-resolutiën_ opgemaakt en met Prof. DE CRANE uitgegeven in het + werkje: WILLEM LORÉ _en zijne Dijken en Sluizen_, Fran. 1835, bl. 39. + +Aan de westkust dezer provincie was minder gelegenheid tot landwinning, +dewijl deze al te zeer bloot stond aan den geweldigen en nimmer +rustenden golfslag der Zuiderzee. Behalve eene uitgestrektheid lands +nevens _Dijkshoek_[263], kunnen wij daar enkel gewagen van het +_Workumer-Nieuwland_, vroeger een inham tusschen de steden _Workum_ en +_Hindeloopen_. Reeds had Koning FILIPS II in 1557 WILLEM JANSZ., +Burgemeester van _Enkhuizen_, toegestaan, om dezen »Inbochte van den +Strande, het Worckumer-Hop genaempt, omtrent den sluyse, genoempt +Kolderzijl, groot 300 mergen," te bedijken, toen de Staten van +_Friesland_ in 1605 en bij herhaling in 1610 daartoe octrooi verleenden +aan _Workum_, dat de vergunning aan WILLEM JANSZ. bij overdragt had +bekomen. Werkelijk scheen deze stad in 1621 eindelijk tot de bedijking +te zullen overgaan; doch, daar de kosten van uitvoering hare krachten +welligt te boven gingen, verbond zij zich met zes aanzienlijke Friesche +edelen, die daartoe met haar eene overeenkomst sloten. Kort daarna werd +het werk ondernomen en de nieuwe zeedijk in 1624 voltooid, waarbij de +buitenhaven van _Workum_, het Zool genoemd, eene aanmerkelijke +verlenging bekwam. Bij de aanzienlijke kosten, die hiertoe vereischt +werden, had men toen en later met groote tegenspoeden te kampen, dewijl +deze polder, van 1200 pondematen oppervlakte, sedert, ten gevolge van +doorbraken in den dijk, drie malen is overstroomd geweest. Bij de +dijkbreuk van 1776 werden er zelfs twee tonnen gouds gevorderd, om de +geledene schade aan de zeewering, waarin op twee plaatsen gaten waren +geslagen, te herstellen[264]. + + [263] Ten gevolge van aanslibbing werd de _Lunde-_ (of _Lidlumer_) + _zijl_ bij _Koehool_, N. W. van _Tjumarum_, verstopt, en onder + overeenkomst tusschen Gedeputeerden en de Regering van _Harlingen_, + van 1584, naar deze stad overgebragt (_Charterb._ IV 504). Hierdoor + ontstond het Lands-zijltje aan de Zoutsloot, thans nog een niet + onbelangrijk middel tot uitstrooming in die stad. + + [264] Zie de hiertoe betrekkelijke stukken in het _Charterb._ V 112, + 172, 262, 263, 264, 268, 435, 585, 1204; _Reg. Staats-res._ 538, 859; + SCHOTANUS, _Beschrijv._ 266; FOEKE SJOERDS, _Beschrijv._ I 258; _Teg. + Staat_, III 396; VAN LEEUWEN, _Watervloed_, Inl. 52. Het octrooi van + 1557 en daarop gevolgde stukken vindt men in het Prov. Archief, _Lands + Dijkagieboek_, kopij 131-150. Het gezegde van WINSEMIUS, aan het slot + zijner _Chronique_, dat Keizer KAREL reeds vroeger octrooi zou hebben + gegeven, schijnt ongegrond. + +Aan de zuidkust werd in 1633 een inham, nabij _Mirns_, bedijkt, welke +den naam van de _Wielpolder_ verkreeg (_Chb._ V 1205). Verder oostwaarts +werden daar ter beveiliging des lands buitengewone maatregelen genomen. +Ten gevolge van den slechten toestand der dijken van _de Kuinder_ en den +watervloed van 1701, die in de zuidelijke grietenijen groote schade +veroorzaakte, trachtte men in 1702 deze meer te beveiligen door het +leggen van een geheel nieuwen zeedijk. Wegens de onvolkomenheid der +aansluiting met den zeedijk van _Overijssel_, werd deze dijk niet langs +de kust, maar op eenigen afstand daarvan binnenwaarts gelegd, en wel van +de zoogenaamde _Boedsteden_ tot _Slijkenburg_, en alzoo langs de plaats, +waar eertijds de _Schoterzijl_ lag, welke reeds jaren te voren meer +benedenwaarts naar _Slijkenburg_ aan de Linde was verlegd geworden. Bij +deze gelegenheid werd er door de provincie in den nieuwen dijk en de +Tjonger eene sluis gelegd, welke thans nog den naam draagt van de +_Schoterzijl_, gelijk de nieuwe zeewering dien van de _Statendijk_. Door +dit belangrijk werk zagen de lage zuidelijke kwartieren hunne veiligheid +zeer bevorderd; terwijl _Friesland_ daardoor onafhankelijk werd van +Overijssels waterkeeringen. De landen ten zuiden van den nieuwen dijk en +ten westen van de Worst-sloot of de grensscheiding werden nu enkel door +een kadijk afgesloten[265]. + + [265] _Charterb._ VI 250-423; _Reg. Staats-res._ 187, 390, 733; FOEKE + SJOERDS, _Beschrijv._ I 265; _Teg. Staat_, III 542, IV 328. + +Nieuwe stormen en watervloeden in 1702 en 1703, die vooral de dijken van +_Zevenwouden_ hevig teisterden, vorderden krachtige voorziening en deden +de Staten zelfs bedacht zijn, om alle provinciale zeedijken te doen +verhoogen en te verzwaren. Groote beletselen deden zich daartegen op. +Eerst nadat in 1715 en 1717 dit gewest op nieuw door dijkbreuken en +overstroomingen veel te lijden had, werden er krachtiger maatregelen tot +verzwaring van het paal- en aardewerk en tot een beter onderhoud van de +zeeweringen genomen. (Zie daarover bl. 238 hier vóór.) + +Eerlang echter bedreigde eene nieuwe ramp het vaderland met een gevaar, +waarbij alle menschelijke kracht en schranderheid schenen te kort te +schieten, doch waartegen 's lands Staten maatregelen van voorzorg in het +werk stelden, welke even gewigtig als hoogst kostbaar waren. Een kleine +worm, van een teêr en slijmachtig zamenstel, doch met een harden kop +gewapend, doorboorde in 1731 en volgende jaren de zeepalen, welke den +voet onzer dijken beschermen, dermate, dat men daarvan de grootste +gevaren duchtte. De gansche westkust van _Friesland_, van _Dijkshoek_ +tot _Stavoren_, werd daardoor deerlijk geteisterd. Een harde wind in +Julij 1732 sleepte bij duizenden doorknaagde palen weg; ook de deuren +van sommige sluizen werden er door verteerd. De algemeene bekommering +was zóó groot, dat er zelfs een Bededag werd gehouden, om de verlossing +van dit kwaad van den Hemel af te smeeken. + +Aangezien alle herstelling van het paalwerk vruchteloos scheen, dewijl +ook het nieuwe hout spoedig werd aangetast, trachtte men den dijksvoet +te beschermen door zware keisteenen, welke uit _Noorwegen_ aangevoerd- +en voor de paalwerken geworpen werden. Het landsbestuur kon echter den +uitslag niet afwachten van dit nieuwe beveiligingsmiddel, dat eerst +hevig bestreden-, doch later van groote dienst bevonden werd. Men achtte +het noodzakelijk, om intusschen mede door het opwerpen van +_Slaperdijken_ binnen de zeedijken de provincie op de gevaarlijkste +punten door afsluiting te beveiligen. Op drie plaatsen werden zulke +binnenleggers opgeworpen. Onder het beleid van gemelden Mathematicus +LORÉ werd in 1732 de eerste dijk gelegd: van den binnendijk van het +_Workumer-Nieuwland_ tot aan den heuvel, waarop _Koudum_ is gelegen, +en van daar over _Galama-dammen_ tot aan den hoogen grond van +_Hemelumer-Nijeburen_. Wegens den stijgenden nood riep men tot dit werk +de hulp in van het Friesche krijgsvolk. Gesterkt door deze troepen, +welke met het overige werkvolk een leger van ruim 2,000 man uitmaakten, +werden in weinig meer dan drie maanden tijds eene binnenlandsche +waterkeering, sedert de _Koudumer-Slaperdijk_ genoemd, van 180 voeten +breedte en 1500 roeden lengte, midden door lage landen en diepe vaarten +opgeworpen, en bovendien drie sluiswerken daarin tot stand gebragt, +waarvan de kosten met die der aangekochte, deels vergravene, landen op +ruim 125,000 Gld. te staan kwamen. Ten behoeve der waterlossing is +later (1775) in het noordelijk gedeelte van dezen dijk, aan het +_Workumer-Nieuwland_, nog eene sluis gebouwd. + +In het volgende jaar, 1733, werd de tweede Slaperdijk gelegd langs het +dorp _Surig_, bezuiden _Harlingen_, met het doel, om het gevaar, waarin +de vooruitspringende landhoek, het _Suriger-oord_, verkeerde, en de +gevolgen, welke eene doorbraak van deszelfs dijken kon te weeg brengen, +voor het overig gedeelte der provincie schadeloos te maken. Ook deze +dijk van eene onverbreekbare sterkte, daar hij bij 300 roede lengte, 278 +voet breedte en 13 voet hoogte heeft, zoodat de kosten van aanleg 70,000 +Gld. bedroegen, werd naar het plan en onder opzigt van LORÉ aangelegd, +die daarin weder een voorbeeld gaf van de volkomenste wijze van +landverdediging tegen de zee; een voorbeeld, naar hetwelk wij zouden +wenschen, dat eenmaal al onze overige zeedijken mogten kunnen worden +hervormd[266]. + + [266] Meer uitvoerig heb ik de geschiedenis van het tot stand brengen + der beide laatstgemelde werken beschreven in het reeds genoemde + werkje: WILLEM LORÉ _en zijne Dijken en Sluizen_, bl. 59 env. waar + achter ook de gronden voor den laatst geuiten wensch zijn medegedeeld. + +Een niet minder gevaarlijk punt was destijds de _Lemsterhoek_, bewesten +_de Lemmer_, dewijl men van eene doorbraak daarvan de schadelijkste +gevolgen voor de _Zevenwouden_ had te duchten. Daarom werd er in het +volgende jaar, 1734, daar achter mede een Slaperdijk, hoewel tot eene +mindere breedte en hoogte, opgeworpen, en door deze afsnijding de +veiligheid der zuidelijke streken niet weinig bevorderd[267]. Het plan, +in dat jaar ontworpen, om meer binnenwaarts een algemeenen slaperdijk te +leggen, dóór de lagere streken, van _Hemelumer-Nijeburen_ tot aan het +hoogere gedeelte van _Schoterland_, is echter wegens het afnemen van de +verschrikkelijke wormplaag niet ten uitvoer gebragt. + + [267] _Tegenw. Staat_, IV 328. Daar ik vele bijzonderheden van al de + vermelde en andere speciale werken hier achterwege moet laten, zoo + houde men mij deze kortheid ten goede, uithoofde van het plan en + bestek van dit werk. Voor dit tijdvak heb ik slechts de hoofdpunten + willen aanwijzen van eene Geschiedkundige Beschrijving van + _Friesland_, welke ik gaarne uitvoerig en volledig zou willen + behandelen, als het mij niet aan tijd en krachten faalde. Hartelijk + wensch ik dus, dat een ander dit belangrijke onderwerp eens + opzettelijk mogt bewerken. + +Na dit overzigt van de voornaamste middelen tot landwinning en +verdediging tegen de wateren, welke _Friesland_ immer ~van buiten~ +bedreigen, willen wij nu het oog slaan op de veroveringen, welke de +nijvere landzaat ~van binnen~ op dit woeste element trachtte te behalen. + + +_Bedijkingen van Meren._ + +Waarschijnlijk wekte het voorbeeld van _Noord-Holland_, waarin men in +den aanvang der 17e eeuw zoo vele groote meren bedijkte en droogmaakte, +ook in _Friesland_ den lust tot dergelijke ondernemingen op. In 1613 +gaven de Staten daartoe het eerste octrooi aan _Stavoren_ ten aanzien +van den grooten plas, beoosten die stad gelegen, en wiens ondiepte hare +scheepvaart niet weinig belemmerde. Dan, naauwelijks was daartoe octrooi +verleend, of er deden zich bezwaren en geschillen op, welke _Stavoren_ +trachtte te ontgaan, door de verkregene vergunning aan vier Raadsheeren +en eenige andere personen over te dragen (1620). Deze beloofden het +meer in twee gedeelten te zullen bedijken en droogmaken, met daar +tusschen een kanaal naar _Stavoren_ en vaarten naar _Warns_ en +_Molkwerum_. Met groote moeite werd dit werk volbragt, en het +_Stavorsche Noorder-_ en _Zuidermeer_, ieder ongeveer 200 morgen groot, +in vruchtgevend land herschapen. Niet minder moeite was er aan +verbonden, om dit land droog te houden, hetgeen in het eerste meer met +één en in het laatste met twee molens naauwelijks kon geschieden. Toen +nu de molens van het Zuidermeer vernieuwd moesten worden, en Dr. +BERNARDUS SCHOTANUS à STERRINGA, die in 1690 deze grietenij in kaart +bragt, eene nieuwe soort van watermolen had uitgevonden, waarmede hij +zoo veel water als met tien andere meende te kunnen uitmalen, behaagde +het den eigenaren, hun regt aan hem over te dragen, en de Staten, om hem +gunstige toezegging van ondersteuning te doen, ten einde het Zuidermeer +droog te houden (1697). Nadat SCHOTANUS zich daartoe verbonden had met +ERNST MOCKEMA VAN HARINXMA THOE SLOOTEN, Grietman van _Baarderadeel_, +werd dit doel wel bereikt, echter niet zonder latere (tot heden +voortdurende) subsidie der Staten, die ook hulp verleenden, toen beide +meren bij den stormvloed van 1776 overstroomd werden[268]. + + [268] WINSEMIUS, _Chronique_, aan het slot; _Tegenw. Staat_, III 292; + _Charterb._ V 634, 1204; _Reg. Staats-res._ 367, 473, 543, 546, 764; + VAN LEEUWEN, _Watervloed_, Inl. 53. + +In 1633 bepaalden de Staten, dat het den bedijkers van meren zou +vrijstaan, om tot het maken van dijken en ringslooten de omgelegene +landen, tegen vergoeding, te gebruiken en bruggen en vaarten te +verleggen. Dit strekte tot geene geringe aanmoediging en niet minder tot +wering van geschillen. In 1633 werd alzoo het _Cherne-_ of _Sensmeer_ +met het daaraan verbondene _Atsebuurstermeer_, bewesten _Westhem_, +bedijkt. Ook de droogmaking van het groote _Warregastermeer_ en van het +kleine _Jornahuistermeer_, nabij _Warrega_, werd in dit jaar +aangevangen. Meerdere octrooijen tot bedijking, waaraan veelal vijftig +jaren vrijstelling van lands lasten was verbonden, werden er verleend, +hoewel niet van alle is gebruik gemaakt. De laatste en voornaamste +betroffen het _Wanswerdermeer_, groot 100 pondematen, in 1753; het +_Hempenzermeer_ in 1779; het _Sillaardermeer_ onder _Kornwerd_ in 1778, +om niet te spreken van kleinere meren, onder _Hallum_, _Ferwoude_, +tusschen _Gaast_ en _Piaam_, bij _Surig_ enz.[269]. + + [269] _Charterb._ V 356, 634, 1204; _Reg. Staats-res._ 321, 539, 540, + 548, 553, 556, 632, 717. + + +_Polders._ + +Meer algemeen en voor de uitbreiding en ontwikkeling van den +provincialen landbouw van nog grooter belang was het aanleggen van +_Polders_. Landen, die ten gevolge van hunne lage ligging weinig vrucht +gaven, of die bij de minste rijzing van het boezemwater spoedig blank +stonden, werden, door ze met polderdijken te omsluiten, te bemesten en +met een watermolen droog te houden, veel verbeterd en tot duurzaam +gebruik geschikt gemaakt; terwijl andere, enkel door eene zomerkade +omgeven, alleen 's winters aan de overstrooming van het buitenwater +bleven bloot gesteld. Onmogelijk kunnen wij hier in bijzonderheden +treden waar en wanneer die bepolderingen in verschillende oorden hebben +plaats gehad. Nogtans mogen wij, als de voornaamste, niet onvermeld +laten: de _Tjaard van Aylva's-polder_ bij _Burgwerd_, in 1680 +door de zorg van dezen Grietman van _Wonseradeel_, gelijk de +_Greonterper-polder_, in 1714 onder zijn zoon en opvolger tot stand +gebragt. De lust daartoe wakkerde aan na het uitvinden eener verbeterde +zamenstelling van watermolen (1643, 1660, 1690), en nadat de aandacht +der Staten op het hooge belang der zaak was gevestigd (1718). Veel +hadden de toen nog weinig ontwikkelde grietenijen _Haskerland_ en +_Doniawarstal_ aan die bepolderingen te danken; vooral, omdat zij op +eene groote schaal met onbekrompene zorg werden verordend door de +uitstekende staatsmannen Jhr. PHILIP FREDERIK en Jhr. JOHAN VEGILIN VAN +CLAERBERGEN, waarvan de eerste van 1707 tot 1738 Grietman van +_Haskerland_ en de laatste van 1722 tot 1772 Grietman van _Doniawarstal_ +was. Behalve twee hoofdwegen, legde de eerste in 1716 beoosten _Joure_ +een polder aan, welke nagenoeg een derde van de oppervlakte dier +grietenij omvatte; terwijl de laatste in 1731 den _Vegilins-polder_ +onder _Langweer_ en in 1735 den _Boornzwaagster-polder_, te zamen groot +720 pondematen, mogt tot stand brengen, en bevorderde, dat in 1741 de +_Tryegaster-polder_, bevattende 1000 pondematen onder de drie dorpen +_Ouwsterhaule_, _Ouwster-Nijega_ en _Oldouwer_, werd aangelegd. Doordien +bij dit laatste werk aan den Nieuwe Rijn eene kortere rigting werd +gegeven, en de meeste polderdijken met boomen beplant werden, was de +herschepping van dit oord van zóó veel belang en bleken de voordeelen +dezer ondernemingen zoo groot te zijn, dat ook andere voorname eigenaars +werden aangespoord, dit loffelijk voorbeeld te volgen, waardoor daar en +elders meerdere polders werden aangelegd, welke de aangewende moeite en +kosten, door eene verhoogde vruchtbaarheid, weldra rijkelijk vergoedden. +Dit alles te zamen genomen en gevoegd bij vele verbeteringen van +bijzondere en openbare werken, had een gunstigen invloed op de +ontwikkeling van landbouw, veeteelt en welvaart. En mogt JANCKO DOUWAMA +in 1514 van _Friesland_ getuigen, dat het in den winter »quaet was to +_Lewerden_ to comen, met dat het landt al vnder het water lach,"--ook +ten aanzien van den waterstaat was er eene belangrijke schrede +voorwaarts gedaan, om latere verbeteringen voor te bereiden[270]. + + [270] Zie J. DOUWAMA'S _Geschriften_, 201, en omtrent het verder + vermelde _Reg. Staats-res._ 3, 539, 546, 632; _Tegenw. Staat_, III + 490, 492, 494, 501, 505, IV 491; V. SMINIA, _Grietmannen_, 350, 358; + SCHELTEMA, _Staatk. Nederl._ II 388, _Wapenboek_ en _Stamboek_ in + _Vegilin_. + + +_Groote Veenkanalen, Ontginningen enz._ + +Verbetering en vooruitgang, ja, bestonden er; doch ten aanzien van het +bedijken van meren en het bepolderen van landen was dit meer bijzonder +het geval in de lager gelegene westelijke helft dezer provincie. Het +veelal hooger liggende oostelijk gedeelte had daarin echter in een ander +opzigt aandeel. De meeste grietenijen van _Zevenwouden_, grootendeels +bestaande uit zandgronden en hooge en lage veenen, hadden behoefte aan +afgraving en ontginning; en de wakkere geest onzer vaderen heeft zich +daar, na het overwinnen van groote bezwaren, werkzaam getoond op eene +wijze, waarover wij met regt verwonderd staan, als wij de schoone +plaatsen _Heerenveen_, _Dragten_, _Beetsterzwaag_, _Gorredijk_, +_Oudeberkoop_, _Balk_ enz. met hare lommerrijke omstreken als de +vruchten eener verstandige volks-nijverheid beschouwen. 't Zou een +belangrijk tafereel opleveren, de trapswijze ontwikkeling van die +plaatsen en oorden in bijzonderheden na te sporen. Hier kan ik slechts +de hoofdtrekken daarvan vermelden, in verband met den aanleg van zoo +vele vaarten, welke ik echter met de nieuwe wegen aan het einde van dit +hoofdstuk wilde behandelen. + +Naarmate de vroeger (bl. 150) vermelde afgraving van de hooge veenen in +_Schoterland_ toenam, werd de eerst van nabij _Akkrum_ naar +_Heerenveen_ en vervolgens verder oostwaarts gegravene Compagnonsvaart +verlengd en wegens den rijzenden grond met vier schutsluizen voorzien. +Aan de boorden daarvan nam _Heerenveen_ in omvang en bloei toe, en +breidde _Nieuw-Brongerga_ of de _Beneden-_ en _Boven-Knijpe_ zich uit. +Welige weiden hadden de plaats vervangen van het dorre hoogveen, dat nu +den turfhandel en scheepvaart ruim vertier verschafte. In 1732 ontvingen +deze Compagnons der _Dekama-_, _Cuick-en-Foits-veenen_ op nieuw octrooi +van de Staten, »om hun Veenvaart, dwars door de ruwe en sterile veenen, +ook anderen toebehoorende, verder te mogen graven," zoodat zij +vervolgens tot nevens _Hornsterzwaag_ werd opgelegd. Gelijke +herschepping tot bouwland en bosschen ondergingen ook de omstreken van +_Brongerga_ en _Oudeschoot_, sedert Prinses ALBERTINE AGNES op dien +zandgrond, kort na 1664, het vorstelijk lustslot _Oranjewoud_ liet +bouwen en den omtrek beplanten, hetwelk ook anderen tot ontginningen +aanmoedigde, waardoor dit oord eerlang een bekoorlijk aanzien +verkreeg[271]. + + [271] Zie _Tegenw. Staat_, III 518, 528; _Reg. Staats-res._ 552. + +Eene dergelijke groote verandering, ten gevolge van het graven van eene +Veenvaart ten behoeve van het afsteken van het hoogveen, onderging ook +het oostelijk gedeelte der grietenijen _Smallingerland_ en _Opsterland_; +en de eerst onbeduidende dorpjes _Noorder-_en-_Zuider-Dragten_ hadden +daaraan hunne opkomst en uitbreiding tot een aanzienlijk vlek te danken. +De hoofdaanleiding daartoe was, dat zij in 1641 eene overeenkomst sloten +met zekeren PASSCHIER HENDRIK BOLLEMAN van _'s Gravenhage_, die, in +gemeenschap met eenige anderen, aannam, eene hoofdvaart of grifte van +ongeveer 30 voet breedte, benevens eene dwarsvaart te graven en met +bruggen en sluizen te voorzien, met oogmerk, om bij de veenen te kunnen +komen, die te vergraven en den turf langs die vaarten af te voeren. Dit +doel werd niet enkel bereikt en de vaart en dwarsvaart met vele wijken +in de eerstvolgende jaren tot op de grenzen dier grietenijen volbragt, +maar vruchtbare bouw- en weilanden namen weldra de plaats in der veenen, +wier afgraving en vervoer leven en werkzaamheid, handel en voorspoed +verspreidden, zoodat in die zelfde jaren de weinige huizen van _Dragten_ +tot eene groote en welgeregelde buurt aangroeiden, waarbij spoedig +molens en fabrijken, kerken, scholen en andere gebouwen gesticht werden. +Deze uitbreiding en welvaart had men alzoo alléén te danken aan het +graven van de vaart, die, naarmate de verveening zich uitbreidde, ten +gevolge van eene nadere overeenkomst van 1649, drie uren verderop werd +gegraven langs _Ureterp_ en de _Friesche palen_ naar _Bakkeveen_ (1664). +Van daar is zij later (1756) voortgezet tot voorbij het dorp _Haule_, +waar eene dwarsvaart aanleiding heeft gegeven tot het ontstaan van de +uitgestrekte veenkolonie _Haulerwijk_[272]. + + [272] Naauwkeurige bijzonderheden omtrent het eerste bevat het fraaije + werkje van mijn vriend J. G. VAN BLOM, _de opkomst van het vlek + Dragten_, Leeuw. 1840. Zie over _Bakkeveen_ D. H. VAN DER MEER in den + _Friesche Volks-Almanak_, 1839, 29 env. + +In het westelijk gedeelte dier zelfde grietenij _Opsterland_ waren JUW +DEKAMA en anderen reeds vóór 1580 begonnen onder _Korte-_ en +_Langezwaag_ te verveenen, waartoe de Jonkerssloot en de Nieuwesloot +werden gegraven, toen in 1645 de Heeren CRACK, OENEMA, FOCKENS en +TEIJENS eene belangrijke overeenkomst slooten tot het graven van vaarten +en het ontginnen van de veenen in dat oord. Een gevolg hiervan was, dat +er van genoemde slooten een beter afvoerkanaal gegraven werd +noordwestwaarts over de Wijde-Wispel en het Nieuwe diep tot in de +Boorn. Als het begin eener groote onderneming was dit kanaal van veel +gewigt. Spoedig werd het ook zuidoostwaarts voortgezet naar het +Gorreveen. Hierbij ontstond er op de plaats, waar die nieuwe vaart den +rijdweg sneed, langs beide eene kruisbuurt, _Gorredijk_, welke ten +gevolge van verveening, ontginning en handel zoo sterk werd aangebouwd, +dat zij, na in 1672 versterkt te zijn, in 1685 eene eigene kerk bekwam +en een welbebouwd en aanzienlijk vlek is geworden. Reeds lag het in het +plan van genoemde heeren, deze vaart ook verder oostwaarts op te leggen, +zelfs tot naar _Bakkeveen_. Toen nu in 1704 AUGUSTINUS LYCKLAMA À +NIJEHOLT, sedert 1693 Grietman van _Opsterland_, de voornaamste eigenaar +was der veenvaarten van _Gorredijk_, _Terwispel_, _Kortezwaag_ en +_Lippenhuizen_, verzocht en verkreeg hij met zijne compagnons van de +Staten verlof, om de vaart van _Lippenhuizen_ verder oostwaarts dwars +door de hooge veenen te mogen graven en opleggen. Dit geschiedde, en na +verloop van ruim 50 jaren was de breede vaart reeds voorbij _Hemrik_ en +_Wijnjeterp_ gevorderd, het veen vergraven en als turf vervoerd, en de +ondergrond deels tot vruchtbaar land gemaakt. Zijn zoon DANIEL DE BLOCQ +LYCKLAMA À NIJEHOLT, van 1731 tot 1773 Grietman van _Oost-Stellingwerf_ +en vervolgens tot 1781 van _Opsterland_, wilde deze onderneming +vervolgen, en gaf daartoe in 1778 den Staten te kennen, hoe gunstig de +aangevangen arbeid tot dusverre geslaagd was; dat de behoefte der +fabrijken vorderde, dat er meerdere veenen werden aangestoken, en dat de +uitgestrekte veenvelden van _Appelscha_ en _Fochteloo_ hem daartoe het +meest geschikt voorkwamen; weshalve hij octrooi verzocht, om de vaart te +verlengen en nu in zuidoostelijke rigting te graven over _Donkerbroek_, +_Oosterwolde_ en _Appelscha_ tot aan de grenzen van _Drenthe_, tot welke +hoogst nuttige onderneming hij, als voornaamste eigenaar, reeds +toestemming van de overige eigenaars en ingezetenen had verkregen. De +Staten, vreezende, dat deze provincie daardoor met het invloeijende +water uit _Drenthe_ zou bezwaard worden, wezen dit verzoek eerst af; +doch de zaak was van zoo groot gewigt en zoo uitgestrekt gevolg, dat zij +later een naauwkeurig onderzoek van het terrein bevolen, en eerst +daarna, den 2 Mei 1781, hunne toestemming verleenden, onder voorwaarden, +dat de vaart niet verder dan tot op 20 koningsroeden afstands van de +grensscheiding mogt worden gegraven, en dat er »een val of schuttelbank" +(duiker) in de Kuinder of Tjonger gelegd zou worden, waar de vaart dit +riviertje zoude snijden, volgens eene overeenkomst, met de grietenijen +_Schoterland_ en _West-Stellingwerf_ deswege te sluiten[273]. + + [273] Opgemaakt uit de Staats-resolutiën, benevens oorspronkelijke + stukken uit het Provinciaal Archief. Zie ook _Tegenw. Staat_, III 568; + VAN SMINIA, _Grietmannen_, 387, 388. + +Werkelijk ving hij met de zijnen kort na het ontvangen van het octrooi +den arbeid aan, en werd de vaart met een scherpen hoek zuidoostwaarts +voortgezet over _Donkerbroek_ tot nabij de Tjonger, waaraan een kapitaal +van ongeveer 80,000 Gld. werd te koste gelegd. Dan nu deed er zich +omtrent de voortzetting een belangrijk bezwaar op. Kort vóór het +ontvangen van het octrooi had hij deswege eene overeenkomst aangegaan +met de provincie _Drenthe_, welke had op zich genomen, de vaart te +vervolgen van de Tjonger tot aan de grenzen of in de Wittewijk. Sedert +de groote Smildervaart in 1612 onder _Diever_ was aangevangen, had het +landschap daarvan in 1767 den eigendom bekomen; doch om de menigvuldige +bezwaren van _Overijssel_ ten aanzien der uitvaart van _Meppel_ naar +_Zwartsluis_ te ontgaan, trachtte _Drenthe_ nu langs deze vaart een +afvoer door _Friesland_ te bekomen. Dit mislukte ten gevolge der +bepaling van het octrooi, dat de vaart niet _door_ de grenslinie +gegraven mogt worden. Na lang uitstellen, begon _Drenthe_ omstreeks 1790 +wel eene geul of vaart te graven van de Tjonger naar _Appelscha_, doch +ten gevolge der omwenteling bleef dit werk steken. Hoe ijverig ook de +erven LYCKLAMA bij de verschillende opvolgende besturen op de uitvoering +aandrongen, eerst in 1810 vernietigde Koning LODEWIJK hunne overeenkomst +met _Drenthe_, hen vrij latende, de onderneming op eigen kosten voort te +zetten. Niet voor 1813 konden de Compagnons daaraan gevolg geven. In +1816 en 1817 werd nu de vaart met rijdweg daarnevens voortgezet tot +onder _Oosterwolde_, en was zij in 1819 tot nevens _Appelscha_ genaderd, +waarna zij tot op 20 roeden van de grens is voltooid en later met +zijtakken uitgebreid. Tot bestrijding der kosten van deze kapitale vaart +met daartoe behoorende werken, waartoe wegens het bestendig rijzen van +den grond, acht verlaten, benevens een duiker in de Tjonger en +onderscheidene groote bruggen behooren, is van 1816 tot 1841 eene som +van 120,000 Gld. genegotieerd, terwijl men intusschen in 1827 begonnen +is met het verkoopen van het hoogveen[274]. Sedert zijn er door het +afsteken van het veen en het vervoer daarvan met duizenden turfschepen, +door ontginning van de ondergronden en door het bouwen van huizen en +schepen, tonnen schats in omloop gebragt, de welvaart der ingezetenen +bevorderd, de dorpen _Donkerbroek_, _Oosterwolde_ en _Appelscha_ +uitgebreid en in bloei toegenomen, en de herschepping en ontwikkeling +voorbereid van een oord, dat eeuwen lang, als »een leedig capitaal en +dood corpus," veelal woest had gelegen, vóór dat de nijvere menschelijke +hand het ten dienste van duizenden de schatting afdwong tot +vermeerdering van de welvaart en het nationaal vermogen. Lof en eere +komt daarvoor aan de wakkere ondernemers toe, doch vooral aan den +eersten ontwerper, wiens naam men te regt in gedachtenis heeft willen +houden door het in 1848 nieuw gebouwde Compagnonshuis te _Appelscha_ te +noemen: _Augustinus-state_. + + [274] Toen was er nog geene spade gestoken in het veen, en thans + werken er des zomers veelal meer dan _duizend_ personen in, en varen + er jaarlijks ongeveer 8 à 9,000 turfschepen door _Oldeboorn_ en + _Gorredijk_ derwaarts. Van _Gorredijk_ tot _Appelscha_ of het 8e + verlaat is het verschil van den waterstand bijna _elf_ Ned. ellen. Zóó + veel hooger ligt de zuidoosthoek dezer provincie dan het binnenland. + +Veel wordt er thans in ons land gesproken over kanalisatie. Doch weinig +bekend is het, hoe krachtig _Friesland_ te dezen aanzien vele andere +provinciën is vóórgegaan, dewijl alléén de laatst vermelde drie groote +veenvaarten te zamen eene lengte van ruim _twintig_ uren gaans uitmaken, +welke, ten gevolge der ondernemingszucht van partikulieren, door +menschenhanden zijn uitgegraven en met zoo talrijke sluizen, bruggen, +wegen en andere werken voorzien. Eene vergelijking der kaarten van den +_Nieuwe Atlas van Friesland_ met die van SCHOTANUS, van 1664 en 1718, +levert overtuigende bewijzen op, hoe véél er in dit opzigt alleen in de +laatste 150 jaren in deze provincie is verrigt, en hoe zeer zij daardoor +in waarde, in geldelijk en voortbrengend vermogen, in bewoonbaarheid en +geschiktheid tot voortdurende ontwikkeling is toegenomen. + +Doch ten aanzien van dit onderwerp is dit nog niet alles. De grietenij +_West-Stellingwerf_ onderging mede groote verandering. Nadat de Staten +vergunning hadden verleend tot het graven van drie vaarten: uit de +Tjonger naar _Wolvega_ (1645) en uit de Linde naar _Finkega_ en naar +_Noordwolde_ (1642), werd ook de groote uitgestrektheid heide en +hoogveen, tegen de zuid-zuidoostelijke grenzen, aangestoken, afgegraven, +met breede dwarsvaarten en wijken. doorsneden en ten behoeve van den +landbouw ontgonnen. Nog in 1782, toen TJEERD en MARCUS VAN HELOMA +eigenaren van deze veen-compagnie waren, ontvingen zij op nieuw octrooi, +om uit de Compagnons-Vierdepartendwarsvaart, dóór de grens, tot in het +Vleddersche veen te mogen opwijken.--Ook het zuidelijk gedeelte der +grietenij _Achtkarspelen_, waar de monniken van _Gerkesklooster_ reeds +vroeg turf groeven, welken zij langs de Oude Veenstervaart en door +_Munnekezijl_ uitvoerden, werden de ondergronden in den omtrek van +_Surhuisterveen_ omstreeks 1600 door een aantal Doopsgezinden meer +ontgonnen en bebouwd, en werd er in 1648 eene vaart gegraven van daar +naar het Kolonelsdiep, waaraan een dwarsvaart en ontelbare wijken werden +verbonden. Evenzoo ontstond het dorp _Rottevalle_ ten gevolge van +verveeningen, welke ook in de daarbij gelegene Folgera-veenen bestendig +werden voortgezet (1742). Met regt kon alzoo Jhr. VEGILIN in 1766 +zeggen: »dat door dit alles werd te weege gebragt, dat de geheele +oostersche zoom van onze Provintie, die voor 150 jaar of daar omtrent +nog t' eenemaal onvrugtbaar en met hooge Veenen bezet was, een cierlyke, +vrugtbare, en wel bevolkte Landsdouw is geworden"[275]. + + [275] Jr. J. VEGILIN VAN CLAERBERGEN, _Vertoog over de Veengraveryen_, + Leeuw. 1766, 24, 29, 179; _Reg. Staats-res._ 320, 539, 540; + _Charterb._ V 503; _Teg. Staat_, III 593 env.; BLAUPOT TEN CATE, + _Geschiedenis der Doopsgezinden in Friesland_, 165. + + +_Vergraving van de lage Veenen._ + +Verleenden de Staten gaarne aanmoediging tot _af_graving van de _hooge_ +veenen, omdat beide, het voortbrengsel en de ondergrond, strekten om het +nationaal vermogen te vermeerderen,--met meer zorg sloegen zij steeds de +_ver_graving van de _lage_ veenen of klynlanden gade, omdat het +voortbrengsel alléén en voor ééns voordeel gaf, doch een groot deel +lands in een waterplas verkeerde en aan den landbouw en de bewoning +onttrok. Reeds in 1600 en 1610 rezen er klagten over de nadeelen, welke +dit landverderven voor de naastlegers en 's lands kas te weeg bragt. +Evenwel enkel om de schade wegens verlies van grondbelasting te +verhoeden, werd toen deswege vastgesteld, dat niemand zulk eene +veengraverij mogt beginnen, vóór dat hij in het zelfde dorp een ander +stuk lands had aangewezen, waarop de floreen tot hoeding van de lands +schattingen en andere lasten, op de te vergraven landen liggende, wierd +overgebragt. Later moest er eene som van 100 Rijksdaalders en daarna van +500 Gld. voor elken floreen op obligatie in 's lands kas gestort worden, +tot verzekering van de floreenschatting der provincie. Na 1718 liet men +alleen op deze en soortgelijke voorwaarden de verdere vergraving toe, +welke, na onder _Oostermeer_ en _Boornbergum_ en in _Haskerland_ te zijn +begonnen, inzonderheid na 1680 in _Tietjerksteradeel_, _Ængwirden_, +_West-Stellingwerf_, _Opsterland_ en elders sterk was toegenomen[276]. + + [276] _Charterb._ V 171, VI 256; _Reg. Staats-res._ 382, 429, 448, + 459, 530, 531, 535, 818, 823; _Teg. Staat_, III 525, IV 573. + +Tot dusverre waren de nadeelen dezer verveening voor de provincie niet +zoo groot, dewijl men den turf gemeenlijk uit lange petten groef, waar +tusschen men eene smalle strook gronds liet liggen, zoodat deze veenen +na lang verloop van tijd weder digt groeiden en tot beweidbaar land +gemaakt werden. Maar in den jare 1751 kwam een aantal veenbazen en +werklieden uit _Giethoorn_ herwaarts, die eene andere wijze van +verveenen invoerden, welke aan enkele personen wel grootere voordeelen +aanbragt, doch armoede naliet, dewijl daarbij het gansche stuk lands +werd vergraven. Vooral in de omstreken van _St. Jansga_ en _Oudehaske_, +gelijk ook bezuiden _Oostermeer_ (de Leijen), in _West-Stellingwerf_ en +elders zijn daardoor verbazende kommen waters ontstaan. De verzending +van de daaruit gegravene baggelaar en sponturf naar _Holland_, en elders +bragt evenwel aanzienlijke winsten op, welke vele eigenaars destijds in +koophandel en scheepvaart besteedden en daarvan alzoo nieuwe voordeelen +trokken. Te vergeefs wezen deskundigen op de gevolgen van dit +landverdervend kwaad. Ook de Staten namen in overweging, om het gevaar, +dat hieruit, bij toeneming, voor deze provincie was te duchten, te keer +te gaan. Doch zij deinsden terug voor de bezwaren, en bij hun besluit +van 2 Maart 1767 werd alles weder op den ouden voet gelaten[277]. + + [277] Om de Staten bij hunne beraadslagingen over dit onderwerp voor + te lichten, schreef Jhr. VEGILIN het genoemde belangrijke werkje over + de _Veengraverijen_, waarin hij de vermelde nadeelen en de middelen + daar tegen uitvoerig aanwijst. Zijne denkbeelden vonden echter + verscheidene bestrijders in GERLSMA, ONEÏDES en anderen, die daar + tegen geschriften in het licht gaven. Zie ook _Reg. Staats-res._ 818. + + +_Nieuwe Vaarten en Wegen._ + +Het plan der Magistraten van _Harlingen_ en _Leeuwarden_, om langs de +vaart tusschen beide steden een bepuind trekpad aan te leggen, in 1640 +ontworpen en in 1646 volbragt, was niet enkel ter bevordering van eene +geregelde gemeenschap en ten behoeve van handel en scheepvaart van veel +belang, maar de goede uitslag daarvan wekte allerwege een geest van +navolging op, welke voor de gansche provincie gunstige gevolgen had. In +het volgende jaar 1647 wist _Dokkum_ alléén een dergelijken trek weg +langs de Ee naar de hoofdstad tot stand te brengen, en het betoonde een +ongemeenen moed en ijver, door maatregelen aan te wenden tot het doen +graven van een geheel nieuw kanaal met rijdweg, van daar langs _Kollum_ +tot _Stroobos_. Vermits de uitvoering van deze groote onderneming afhing +van het besluit der provincie _Groningen_ nopens het vervolgen van deze +vaart, van _Stroobos_ tot de stad _Groningen_, vorderde de zaak niet +spoedig. Onder begunstiging des Stadhouders werd zij echter van 1654 tot +1656 volbragt en voortgezet, waardoor de gemeenschap met het naburige +_Groningen_ veel verbeterd- en het verkeer met _Dokkum_, mede als plaats +van doortogt, zeer bevorderd werd. + +Ook de steden _Bolsward_ (1652) en _Sneek_ (1662) sloten zich bij +den trekweg van _Leeuwarden_ op _Harlingen_ aan. Van _Bolsward_ +werd de trekweg verlengd tot _Workum_; ja zelfs zijn er octrooijen +verleend tot het graven van eene vaart met trekweg van _Sneek_ en +_Workum_ naar _Stavoren_, welke beide laatste plannen echter niet tot +stand zijn gekomen. Aanzienlijke dorpen, als _Hallum_, _Rinsumageest_, +_Kollum_ (1648) en daarna ook _Weidum_ (1688) trachtten zich tevens in +het genot te stellen van zulk een verbeterd middel van vervoer en +gemeenschap, door het aanleggen van zijtakken van hunne buurten +naar de hoofdtrekvaarten. Voegt men hierbij, dat er te gelijk octrooijen +werden verleend tot het leggen van eenen weg van _Dokkum_ naar +_Damwoude_ (1649), en van eene vaart met weg van _Damwoude_ naar _Dokkum_ +(1664), van eene vaart naar _Twijzel_ (1680) en naar _Driezum_ (1688), +en van wegen door _Schoterland_ (1661), naar _Grouw_ (1671), van +_Koudum_ over _Galama-dammen_ naar _Hemelum_ (1688) en vele andere +meer[278],--dan zien wij in de laatste helft der 17e eeuw dit onderwerp +met buitengewonen ijver behartigd, zoodat eene veel verbeterde +gemeenschap met de hoofdstad en tusschen vele steden, dorpen en oorden +daarvan het gevolg was. + + [278] Zie breedere berigten deswege in de _Geschiedkundige + Beschrijving van Leeuwarden_, II 67, 423 en de daar aangehaalde + stukken; alsmede op de genoemde jaren onder de Octrooien in het + _Register op de Staats-resolutiën_ en vele daarvan in het + _Charterboek_. + +Was de oostelijke hoofdweg der provincie door het aanleggen van den +Zwarteweg, reeds in 1531, veel verbeterd--de zuidelijke, van +_Leeuwarden_ naar _Steenwijk_, had daaraan evenzeer behoefte. Tot +_Roordahuizum_ den ouden zeedijk volgende, was hij in 1546 eerst langs +_Friens_, later door _Rauwerd_ gelegd, om over _Irnsum_ en de _Oude +Schouw_ naar _Akkrum_ te leiden. Nog grooter omweg moest men maken van +daar tot nabij _Oldeboorn_ en dan naar _Terbandsterschans_, langs een +kronkelenden weg, wiens vorm weinig van dien eener zaag verschilde. 't +Was dus bij voorraad eene wezenlijke verbetering, toen Jhr. PHILIP +FREDERIK VEGILIN VAN CLAERBERGEN naast het grootste en slechtste +gedeelte dezer beruchte _Haskerdijken_ een nieuwen en nagenoeg regten +weg liet leggen. Hij deed dit in het zelfde jaar 1716, dat hij den hier +vóór vermelden grooten polder in _Haskerland_ aanleidde, en bekroonde +dit werk tot heil zijner grietenij in 1723, door van genoemden weg over +het Deel (_de Nieuwe Schouw_) een geheel nieuwen weg te leggen naar het +aanzienlijke vlek _Joure_, dat hem en zijn nageslacht zoo veel is +verpligt. + +Deze weg was van te meer belang, omdat een ander verdienstelijk +Grietman, REGNERUS VAN ANDRINGA, van _Lemsterland_, welingerigte +veerschepen had doen aanleggen van _de Lemmer_ op _Amsterdam_, _Zwolle_ +en _Kampen_ (1703), alsmede een postwagen van _de Lemmer_ op _Groningen_ +en daarna ook op _Leeuwarden_ (1740), waardoor hij mede het belang van +eerstgenoemde zeeplaats, zoo veel aan hem verschuldigd, gelijk ook van +_Joure_, als plaats van doortogt, bevorderde[279]. Behalve de vroeger +genoemde, vinden wij overigens in de 18e eeuw niet verder gewag +gemaakt, dan van het aanleggen van een rijdweg over de Ried door de +_Trynwouden_ (van _Ryperkerk_ naar _Oudkerk_) in 1725, en van _Sondel_ +naar _Takozyl_ in het zelfde jaar; alsmede van de Helomavaart onder +_Oudetryne_ in 1748[280]. + + [279] _Charterb._ VI 394; _Reg. Staats-res._ 547, 550, 842; VAN + SMINIA, _Grietmannen_, 358, 373; TE WATER, _Verbond der Edelen_, II + 157. + + [280] _Reg. op de Staats-res._ 550, 553. + + +_Landbouw, Handel, Scheepvaart en Nijverheid._ + +Al deze onderwerpen staan zeker in zeer naauw verband met de +verbeteringen, welke den stoffelijken toestand van _Friesland_ in dit +tijdvak mogt te beurt vallen, en waarvan wij de voornaamste hebben +opgenoemd. De ontwikkeling van de trapsgewijze vorderingen dezer vakken, +onder den invloed van verschillende omstandigheden, zou een belangrijk +tafereel opleveren, doch meer bronnen en ruimte vorderen, dan waarover +wij kunnen beschikken. Men vergunne ons dus hier enkel aan te stippen, +dat de Staten,--die in 1634 reeds een octrooi gaven op »de inventie om +Bosch, Heide en andere sterile Landen te verbeteren," en die overigens +wel gezind waren, om de bedijking van lage en buitendijksche landen, en +het ontginnen van heidevelden aan te moedigen--het belang van den +landbouw trachtten te bevorderen, door sedert 1634 bij herhaling op +zware straf te verbieden, dat de mest, asch, vuil en aarde buiten deze +provincie gevoerd wierden. Tot behoud en uitbreiding van de houtkultuur +strekte tevens hunne bepaling, dat niemand twee eikenboomen zou mogen +vellen, of hij moest er drie voor in de plaats planten (1673)[281]. + + [281] _Chartb._ V 651, 973. + +In de eerste helft der 18e eeuw hadden landbouw en veeteelt in dit +gewest met zware rampen te worstelen. De gevolgen der overstroomingen in +1701 en 1702, en daarna weder in 1717, hielden de lage streken jaren +lang in kwijnenden toestand, bij hooge schattingen en lage prijzen van +het vee. De veepest, welke eerst in 1713 woedde en in 1744 en 45 weder +met zulk een geweld uitbrak, dat er alleen van November tot Julij +123,000 runderen stierven, bragt groote schade aan en had gewigtige +gevolgen. Sedert men omstreeks 1720 meer algemeen invoerde, de +graslanden te greppelen, te bemesten en het gras vroeger te +maaijen[282], was de hooioogst aanzienlijker geworden, en gaf ook de +uitvoer daarvan naar andere provinciën groote voordeelen; hoewel de +Staten, door dien uitvoer somtijds te verbieden, pogingen deden, om het +verbruik van het hooi in dit gewest zelf, door het aanfokken van meer +vee, te bevorderen, ten einde daarvan voor eigene welvaart nog grooter +en duurzamer voordeelen te verwerven. + + [282] Men maaide eertijds niet vóór St. Jan (24 Junij), als het zaad + begon te vallen, wanneer men met een stok tegen het gras sloeg. De + reden, waarom het vroegere maaijen zoo veel verkieslijker is, is + aangewezen in den _Almanak voor Landbouwers_, 1852, 14. Het meer + verdeelen van de zeer groote stukken veldland door slooten, had bij + het greppelen mede gunstige gevolgen. Het toenemen van de turfgraverij + heeft ook het verbranden van den met ried vermengden mest, waarvan men + dompen maakte, doen ophouden; terwijl de uitbreiding van den graanbouw + mede de waarde van den mest deed stijgen. + +Doch tegenspoeden hebben dikwijls heilzame uitwerkselen voor de +toekomst, wanneer de nood het oordeel scherpt, de krachten spant en +middelen zoekt aan te wenden, welke de voorspoed onopgemerkt had +gelaten. Na het verlies van zoo vele runderen gaf de toenemende +schaapsteelt, bij de hooge prijzen van de wol, daarvoor eenige +vergoeding, en werden vele oude weilanden gebroken en tot bouwland +aangelegd, waarbij men ook het klaverzaaijen tot nieuwland invoerde. De +sedert 1750 meer algemeen gewordene aardappelteelt en de toegenomen +cichorei- en vlasbouw begunstigden mede de pogingen der landbouwers tot +verbetering en vooruitgang, zoodat onze boerenstand zich door +bekwaamheid, ijver en welstand voordeelig bij die van andere provinciën +onderscheidde. De bepoldering nam allerwege toe, gelijk ook het getal +bouwhoeven, dewijl men vroeger te veel land bij ééne boereplaats +gebruikte. Blijken van meerderen voorspoed openbaarden zich vooral na +1765, zoodat, toen in 1769 en volgende jaren de veepest op nieuw woedde, +die schade het algemeen belang minder krenkte. + +Doch de landbouw had tevens veel te danken aan de uitbreiding van den +Handel en de Scheepvaart, die van 1760 tot 1780 en ook nog later +ongemeen bloeiden en groote winsten aanbragten. Nog in 1789 werd het +getal Friesche schepen, dat vooral tot de buitenlandsche vrachtvaart +gebezigd werd, op 2,000 begroot, gelijk alléén in 1780 meer dan 40 +nieuwe schepen de verschillende havens dezer provincie verlieten. +_Frieslands_ gunstige ligging en rijkdom van voortbrengselen, die +bij gereeden aftrek van lieverlede in prijs stegen, wekten de +ondernemingszucht op. Bepaalden handel en buitenvaart eerst zich meest +op de Oostzee, _Hamburg_, _Bremen_, _Noorwegen_ en de Fransche en +Spaansche kusten, men beproefde ook regtstreekschen handel op +_Engeland_; en van welke gunstige gevolgen dit voor het belang dezer +provincie is geworden, vooral ten aanzien van onze boter, kaas, paling, +vee enz., is algemeen bekend. Te voren had men deze en andere voorwerpen +steeds te _Amsterdam_ ter markt gebragt, om van daar verder verzonden te +worden. De binnenlandsche vaart op de overige provinciën, tot uit- en +invoer van verschillende voortbrengselen en benoodigdheden, ondersteunde +dien handel, welke tevens van gunstigen invloed was op onderscheidene +fabrijken en trafijken, die er in den loop der 18e eeuw zoo vele werden +opgerigt[283], waarvan de steen- en pannebakkerijen, de zoutkeeten en +kalkbranderijen een ruim deel in de winsten hadden. Het fabrikaat der +Friesche bonten, dat in 1748 in _Harlingen_ nog een duizendtal wevers +werk verschafte en overal, ook naar de _West-Indiën_, verzonden werd, +bezweek echter, even als de eertijds zoo bloeijende saaijet-fabrijken, +waarvan _Franeker_ alleen er 21 telde, voor de buitenlandsche +mededinging. Doch ook handel en scheepvaart vervielen na het einde van +dit tijdvak, ten gevolge van den Engelschen oorlog en andere rampen. +Nogtans kon een bevoegd beoordeelaar zijne beschouwingen omtrent den +gelukkigen toestand van _Friesland_ in 1795 besluiten in de overtuiging: +»dat ons land een gezegend land is; dat wy een vruchtbaaren grond +hebben, eene groote verscheidenheid van Voortbrengzelen, en een by +uitstek bloeienden Landbouw; een gezond Klimaat, en sterkte van lichaam +en geest by de inwoonders. Voorts een goeden Koophandel, eene +aanzienelyke Vragtvaart, en een tamelyk getal goede Fabrieken.--Het +gevolg van dit alles vereenigd, moet zyn _Blyde Welvaart en +Volks-geluk_"[284]. + + [283] Van de daartoe verleende octrooijen noemen wij hier enkel, nieuw + geinventeerde Molens, om hout-, pot- en weedasch te malen: 1700; eene + Azijn fabrijk, 1720; eene Suiker-rafinaderij te _Harlingen_, 1724; + eene Stijfselmakerij te _Franeker_, 1731; een Snuif- en Verwmolen te + _Leeuwarden_, 1760; een Papiermolen te _Makkum_, 1767; eene + Glasblazerij aldaar, 1768; eene Meekrapstoof te _Leeuwarden_, 1751, + enz. + + [284] De latere Groninger Hoogleeraar S. GRATAMA in zijne _Gelukkige + Toestand van Friesland_, 25, in _Aanteek. 22_ vermeld met meerdere + schrijvers over dit onderwerp; als: YPEIJ, _Verhandeling over den + uitvoer van Hooi_; _Teg. Staat_, IV 570, 596 env.; VEGILIN, _over de + Veengraverijen_, 25, 57 enz. Zie mede over het aangevoerde het + onschatbare _Charterb._ IV 620, 726, V 106, 471, 658, 755; _Reg. + Staats-res._ 337, 363, 495, 517, 528 enz. Gaarne zouden wij zien, dat + ook dit belangrijk onderwerp eens uitvoeriger wierde behandeld. + + +39. _De Kerkelijke Belangen van Friesland._ + + +_De Hervormde Kerk._ + +Lang hadden de Hervormden in _Friesland_ de verdrukking van het +Spaansche gezag verdragen en te vergeefs vrijheid van godsdienst, naast +of nevens de bestaande Katholijke Kerk, begeerd, toen eindelijk de +Pacificatie van _Gent_ (1576), de Religions-vrede (1578) en de Unie van +_Utrecht_ (1579) de vervolgingen om het geloof deden staken, en de +wensch, dat zij hunne godsdienst-oefeningen onverhinderd mogten houden, +vervuld werd. Roomschen en Onroomschen bezaten nu alzoo gelijke +vrijheid. Mogten de eersten zich hierdoor verzwakt gevoelen,--de +laatsten, die spoedig bleken verreweg de groote meerderheid der +ingezetenen uit te maken, hadden eene kracht ontvangen, welke alras zich +liet gelden. Zij hadden zoo schrikkelijk veel van de Spaansche tirannij +geleden, en de verbastering van de Roomsche Kerk had reeds zoo lang +ergernis gegeven, dat zij deze niet naast of nevens zich konden dulden. +Men moet zich verplaatsen in die dagen van opgewondenheid en +verbittering, toen men het woord verdraagzaamheid naauwelijks kende, om +te beseffen, dat het doel van den strijd geen ander kon zijn, dan de +zegepraal van de sterkste en de ondergang van de zwakkere partij. En hoe +zeer begunstigden de omstandigheden des tijds niet de overwinning van de +zaak der Hervormden! + +Immers, nadat de moed der burgers van _Leeuwarden_ het Blokhuis dier +stad veroverd had, en ook de kasteelen van _Harlingen_ en _Stavoren_ +gewonnen waren, verwekte de verraderlijke afval van den Stadhouder +RENNENBERG te _Groningen_ (3 Maart 1580) hier zóó algemeene +verontwaardiging, dat de Roomsche eeredienst nog in die zelfde maand +door de Friesche Staten werd afgeschaft. De kloosters werden nu +ontbonden en de gebouwen verkocht of aan de uitroeijing van het algemeen +prijs gegeven, en werd de Hervormde leer ingevoerd en gevestigd door de +bepaling, dat alle gemeenten van bekwame predikanten en onderwijzers +zouden worden voorzien. Bovendien werd in de ordonnantie van den +Stadhouder Prins WILLEM I van den volgenden jare vastgesteld, dat er in +_Friesland_ geene andere godsdienst dan de Hervormde zou mogen worden +uitgeoefend[285]. + + [285] WINSEMIUS, 595-710; SCHOTANUS, 790-884; _Charterb._ IV 119, 144, + 148, 150, 218, 221, 225, 235, 241, 280, 296 enz.; FOEKE SJOERDS, + _Beschrijv._ II 727 env.; LORGION, _Geschied. der Kerkhervorming in + Friesl._ 110 env. en _de Ned. Herv. Kerk in Friesl._ 1 env. + +Deze vestiging van de Kerk door het Staatsgezag, dat haar als eene +voedsterling beschermde en als voogd bestuurde, was vooral in den +beginne voor haar eene zaak van groot gewigt; eensdeels, omdat haar +toestand nog zoo onzeker was, zoolang _Groningen_ in de magt was der +Spanjaarden, die zóó herhaaldelijk invallen in _Friesland_ deden, dat de +zaak der vrijheid nog veertien jaren lang in het grootste gevaar +verkeerde; anderdeels, uit hoofde van het gebrek aan bekwame +predikanten, wier getal lang ontoereikende was, om al de gemeenten van +een leeraar te voorzien. Ook dààrom stichtte de Staat eene Lands +Akademie te _Franeker_ (1585), welke van lieverlede in dien nood voorzag +en der Kerk vervolgens gewigtige diensten bewees. Deze was dus tot den +Staat in eene omgekeerde verhouding gekomen, als waarin vroeger de +Roomsche Kerk stond. Rijk, onafhankelijk en gewapend met kerkelijk +gezag, had die hare geestelijke belangen steeds zelve geregeld, buiten +de wereldlijke overheid, in wier bestuur zij zelfs een belangrijk +aandeel had door hare afgevaardigden op de landsdagen. Wel deden de +Hervormde predikanten spoedig pogingen, om zich aan die voogdijschap van +het Staatsgezag te onttrekken; doch, in weerwil der botsingen, welke +hieruit nu en dan ontstonden, bleven de Staten hun regt en pligt +handhaven, om, nevens de bescherming, welke zij der Kerk verleenden, +daarop te gelijk toezigt te houden en daarover gezag uit te oefenen. +Zelfs bepaalden de Staten, dat geen Synodaal besluit van eenige kracht +zou zijn, vóór dat het door de Staatsmagt goedgekeurd ware. En deze +steun kwam der Kerk meermalen ter bevordering van hare belangen te +stade: zoowel bij de vele en vaak bittere twisten, welke de predikanten +onderling en tegen de Synode voerden, als niet het minst tegenover +andere Kerkgenootschappen, dewijl er in het bijzonder in deze provincie +een zoo groot getal Doopsgezinden bestond, en het aantal Roomschgezinden +en Lutherschen van lieverlede aanmerkelijk toenam. Lang werden de +godsdienst-oefeningen van dezen door strenge plakkaten verboden, hoewel +ze niet altijd streng werden uitgevoerd, zoodat de Hervormde Synoden +veel malen gelegenheid vonden, zich over de miskenning van haar +uitsluitend voorregt, de slapheid der besturen en de »ongelimiteerde +licentie der dissenters" te beklagen. Ook ten aanzien der zeden en de +wering van misbruiken en ongeregeldheden riep de Kerk dikwijls de hulp +van het Staatsgezag in[286]. + + [286] LORGION, _de Herv. Kerk_, 3 env. Zie over de Synode bl. 240 hier + vóór. + + * * * * * + +Maar welke was de geest, de rigting, de kenmerkende leer dezer Kerk? In +de eerste eeuw of het omwentelingstijdvak waren deze zeer verschillende, +doch zij ondergingen groote verandering, meest ten gevolge van vreemden +invloed, en van het streven naar eenheid van geloofsbegrip, dewijl de +heerschzucht der sterkere partij steeds over de zwakkere trachtte te +zegevieren. De oorsprong der geloofsverandering lag in de verbastering +van de Roomsche Kerk. Om deze te bestrijden en te verbeteren bezat men +geen ander wapen en middel dan het heilige Evangelie, dat tevens al de +behoeften vervulde dergenen, die in reine godsvereering vrijheid van +geloof aan zuiveren wandel wilden paren. Vandaar, dat in de allereerste +geloofsbelijdenis der Nederlandsche Hervormde Kerk, van omstreeks 1550, +drie beginselen op den voorgrond stonden, welke toen voor kenmerkenden +regel en rigtsnoer waren aangenomen; namelijk: 1^o. het _Evangelische +beginsel_, of de aanneming van de Heilige Schrift als Gods Woord, +waarvan Christus de hoofdinhoud uitmaakt, met verwerping van alle +menschelijk gezag, hetwelk in de Roomsche Kerk heerschende was; 2^o. het +beginsel van _vrij onderzoek en vrije belijdenis van de Evangelische +waarheid_, mede tegenover Rome's kerkleer, welke slaafsche +gehoorzaamheid en vervolgzieke onverdraagzaamheid van andersdenkenden +predikte, en 3^o. het beginsel van _voortdurende Hervorming_, van +toeneming in kennis en ontwikkeling van het Christendom, als de +grondslag, waarop de Kerk, heilig in leer en leven, moest worden +voortgebouwd en voltooid, tot vorming van vrome burgers van den Staat en +van waardige leden der gemeente Gods in het leven der toekomst[287]. + + [287] Men zie dit nader uiteengezet in het belangrijke werkje van + Prof. MUURLING, _over de echt Christelijke Beginselen der + oorspronkelijke Nederlandsche Hervormde Kerk_, Gron. 1849. Mijne + voorstelling, ook van het vervolg, is op het gezag van dezen + voortreffelijken geleerde gegrond. + +Hoe gelukkig zou ons vaderland geweest zijn, wanneer het aan deze +oorspronkelijke beginselen en eigene opvatting van het evangelie, als +eene kracht Gods tot zaligheid, ware getrouw gebleven! Hoe weldadig zou +de algemeene aanneming en beleving van zulk eene eenvoudig schoone leer +duurzaam gewerkt hebben op het algemeene welzijn! Hoe vele twisten, +rampen en ellenden waren daardoor niet vermeden geworden! Doch de +zelfstandigheid der Nederlanders, in andere opzigten zoo krachtig aan +den dag gelegd, bezweek in dezen voor buitenlandschen invloed. Vreemde +geleerden, die zich de ~geloofsleer~ tot hoofddoel des Christendoms +stelden, vormden ingewikkelde stelsels en vervormden de evangelie-leer +tot eene leerstellige godgeleerdheid. Deze vond allerwege aanhangers, +waaruit spoedig partijen ontstonden, die, hevig onder elkander +twistende, de nog niet eens gevestigde Kerk jammerlijk verwarden en +verscheurden terwijl de staatkunde der Spaansche regering dat vuur van +verdeeldheid voedsel gaf en aanblies. Ofschoon LUTHER'S denkbeelden en +gevoelens reeds vroegtijdig in _Friesland_ bekend waren, en de +Augsburgsche belijdenis van 1530, zoo als die door MELANCHTON veranderd +was, ook hier bijval vond, was het verkeer van vele Friezen in +_Oost-Friesland_, waar men voornamelijk de gevoelens van ZWINGLI had +aangenomen, de oorzaak, dat de hervorming hier eerst eene Zwingliaansche +rigting aannam, alsof het noodzakelijk ware, de partij van een dier +Hervormers te kiezen. Laatstgenoemde rigting werd echter spoedig +verdrongen door het Kalvinisme, dat in 1567 in _Brabant_ boven alle +andere rigtingen ingang vond en zich streng wist te handhaven[288]. +Nadat het ook door Prins WILLEM I en daarna door Graaf WILLEM LODEWIJK +was aangenomen, bragt MENSO ALTING, een der weinige Oost-Friesche +predikanten, die de gevoelens van KALVIJN waren toegedaan, met de hulp +van Dr. OTTO SWALUE veel toe, om die rigting bij de Friesche +predikanten te doen aannemen, waartoe de invoering van den +Heidelbergschen Catechismus tevens een gereed hulpmiddel aanbood. + + [288] Zie dit breeder bij YPEIJ en DERMOUT, _Geschied. der Ned. Herv. + Kerk_, Breda 1822, II 50-66, 177, 181 en Aant. bl. 105 env. + +Uit de kerkordening der Dordsche Synode van 1578 en uit de merkwaardige +twistreden, in 1596 te _Leeuwarden_ door den Hervormden predikant +RUARDUS ACRONIUS en den Doopsgezinden leeraar PETER VAN CEULEN in 156 +zittingen gehouden, blijkt echter, dat er in de toenmalige leerstukken +der Hervormden nog sporen der vroeger genoemde Nederlandsche beginselen +waren overgebleven. Doch ook deze moesten verdrongen worden. Daartoe +werd vooral de eerste Hoogeschool des lands dienstbaar gemaakt: want van +de _achttien_ hoogleeraren in de godgeleerdheid, welke aan de Leidsche +Akademie van 1576 tot 1618 beroepen werden, waren _veertien_ +vreemdelingen, die de leer van KALVIJN omtrent de Drieëenheid, +Vóórverordinering, Gods vrijmagtige genade, Voldoening, Erfzonde en +andere verborgenheden of met het evangelie strijdige leerstukken met +ijver voorstonden en »de dorre stelselzucht en spitsvindige haarkloverij +hare hoogte deden bereiken." In twee der vier overige Hoogleeraren, in +ARMINIUS en EPISCOPIUS, vonden zij bestrijders: deze waren de laatste +verdedigers van de oorspronkelijke Nederlandsche beginselen, welke men +trachtte te verdringen. Tot welk een hevigen strijd dit aanleiding gaf; +met welk eene bitterheid Remonstranten en Contra-Remonstranten elkander +jaren lang bestreden, en hoe de Dordsche Synode van 1618 en 19, door het +Staatsgezag ondersteund, daaraan een einde maakte, door de eersten als +gedaagden te veroordeelen en het vaderland uit te drijven, om de +zegepraal van de laatste partij te bevorderen--wien is dit bedroevende +blad onzer geschiedenis onbekend? En wie heeft het niet betreurd, dat de +hoogste en heiligste belangen des volks, vrijheid van godsdienst en +geweten, waarvoor men zoo lang tegen _Rome_ en _Spanje_ had gestreden, +nu werden aangerand door eene Synode, welke, met een gezag als van +vroegere Conciliën en Pausen, besliste en bepaalde, welke leerbegrippen +voortaan bij uitsluiting in _Nederland_ geduld zouden worden. Zóó trad +men te gelijk het zevende artikel van de Nederlandsche geloofsbelijdenis +met voeten. De godgeleerdheid leidde der godsvrucht onverbreekbare +banden aan, wrong de menschelijke rede een breidel in den mond en +verloochende het beginsel der liefde, dat de hoofdinhoud des evangelies +is. Doch reeds de Heer zelf zeide: »Te vergeefs eeren zij mij, leerende +leeringen, dat geboden van menschen zijn." + +Van de Friezen, die anders voor »eene koene, zelfstandige en voor zich +zelve denkende natie" werden gehouden, had men mogen verwachten, dat zij +dit juk van kerkelijke heerschappij zich even fier van de schouders +geweerd zouden hebben ten aanzien der _leer_, als zij zich krachtig +verzetten tegen de _kerkenorde_, bij post-acta door de Synode +vastgesteld. Hoewel de steden deze aannamen, werd ze door de Staten der +landkwartieren strengelijk verboden en de oude wijze van kerkbestuur en +beroeping van predikanten gehandhaafd[289]. + + [289] Zie de stukken betrekkelijk de Synode in het _Charterb._ V 219, + 229, 230, 249, 253, 254, 258, 269, 270; _Reg. Staats-res._ 378, 785; + WINSEMIUS, 900; FOEKE SJOERDS, _Beschrijv._ II 738; LORGION, _de Herv. + Kerk_, 63 env.; YPEIJ en DERMOUT, I 414, II 241, Aant. bl. 165, en + vooral BRANDT, _Hist. der Reformatie_, II 552, IV 17-22, 285, 288, + 766. De Friesche Staten beschouwden die kerkenorde als voor deze + provincie "niet prakticabel, en tegen 's lands resolutien strijdig in + vele punten." + +Doch er was een man in _Friesland_ en wel predikant te _Leeuwarden_, +JOHANNES BOGERMAN, een Oostfries van geboorte, die zich reeds sedert +jaren had onderscheiden door geleerdheid en ijver voor de leerstellingen +van KALVIJN, en die nu vooral zijn invloed deed gelden. Met nog twee +predikanten en drie ouderlingen, benevens twee door de Staten verkozene +commissarissen namens _Friesland_ ter Synode afgevaardigd, werd hij +spoedig tot Voorzitter gekozen. Hoe bekwaam hij ook ware, zijn gedrag in +die betrekking, zijne onverdraagzaamheid en hevigheid, zijne +heerschzucht en bitterheid, vooral bij de wegzending van de miskende +Remonstranten, zijn algemeen, ook door de leden der Synode, afgekeurd. +Wel had _Friesland_, ook door zucht naar vaste beginselen gedreven, de +Synode gewenscht en bevorderd; doch men was hier te weinig met de +Remonstranten in aanraking geweest en had tot dusverre mildere +beginselen jegens andersdenkenden betoond, dan dat men zulk eene harde +behandeling kon goedkeuren. Vermits men oordeelde, dat BOGERMAN zijn +last en gezag blijkbaar was te buiten gegaan, waren de Staten en de +Synode hier geweldig tegen hem ingenomen en zóó verontwaardigd over zijn +gedrag, dat men hem in staat van beschuldiging gesteld- en zelfs +gebannen wilde hebben[290]. + + [290] Zie de bijzonderheden daaromtrent bij BRANDT, II 3, 12, 243, + 430, III 141, IV 17 env. ook erkend door YPEIJ en DERMOUT, II 213, + 219, 230, Aant. bl. 165; LORGION, _de Herv. Kerk_, 65; VAN KAMPEN, + _Vad. Geschied._ I 476; _Karakterkunde_, II 19. + +Niettemin werden de leerstellingen of canones der Dordsche Synode in +_Friesland_ algemeen ingevoerd, en een formulier van aanneming door de +predikanten onderteekend. Slechts twee predikanten van _Dokkum_, HAIO +LAMBERTI en PETRUS HERMANNI, leverden daartegen enkel bezwaren in, en +werden dáárom afgezet. Doch de onbillijke behandeling hen aangedaan, bij +het gunstig getuigenis van den Magistraat en Kerkeraad van _Dokkum_ +omtrent hunne leer en wandel, bezorgde hen verscheidene aanhangers, die +zich van de Gereformeerde Kerk afscheidden en in die stad eene +Remonstrantsche Gemeente vestigden. Hoe zeer ook gesmaad, verstoord, +verdreven en vervolgd, en bij een scherp plakkaat verboden, mogten die +Remonstranten zich daar lang staande houden, en ook den edelen balling +DIRK RAFELS KAMPHUYZEN eene schuilplaats aanbieden na zoo lange +vervolging, welke hem hier, niet dan op voorspraak, een kort verblijf +gunde, daar hij weldra, na het voltooijen van zijne schoone +_Stichtelijke Rijmen_ en _Uitbreiding van de Psalmen_, overleed +(1626)[291]. + + [291] _Charterb._ V 282, 320; LORGION, _de Herv. Kerk_, 67-77, 83, + 314, 330. Over KAMPHUIJZEN'S verblijf en graf te _Dokkum_ zie men de + berigten van Prof. DE CRANE, in zijne _Letter- en Geschiedkundige + Verzameling_, Leeuw. 1841, 37. + +»Dat de Hervormde Kerk, zoo pas in het leven getreden, het beginsel, +waaraan zij haar ontstaan te danken had, dadelijk weêr zou verlaten, en +zelve de gruwelen zou navolgen, die zij in Rome's dwangmiddelen +verfoeide;--dat zij voor het Evangelische het Dogmatische beginsel +verwisselen, en voor het vrije onderzoek en de vrije belijdenis der +waarheid gehoorzaamheid aan de leer der Kerke opleggen zou, en dat zij +het beginsel van voortdurende hervorming zou laten varen voor het +gevoelen, dat de Hervormde Kerk in leerstellingen en eeredienst +volmaakt, en dus de alleen ware Kerk was, buiten welke geene zaligheid +was te vinden,"--wie had dit kunnen verwachten van eene Nederlandsche +Kerk, in haren oorsprong op zulke echt Christelijke beginselen gebouwd? +»Het moge vreemd schijnen; het is toch niet anders, zoo als uit de +geschiedenis blijkt. + +»Het gevolg daarvan was, dat leerstellingen de plaats van het Evangelie +innamen; dat het Dogmatismus (de stelselzucht) in de Kerk en in de +Godgeleerdheid weêr begon te heerschen; dat het Scholasticisme der +Middeneeuwen weêr in het leven geroepen werd en zich van de scholen der +Godgeleerden meester maakte, en dat jagt op ketterij, helaas! ook in de +Hervormde Kerk begon gedreven te worden. Zoo openbaarden zich de +overblijfsels van den alouden Roomschen zuurdeesem in hunne volle +gisting en kracht! Van de Kerkleer af te wijken, was gevaarlijker en +werd strenger gestraft, dan afwijking van het Evangelie van CHRISTUS. +Deze Kerkleer naauwkeurig te ontwikkelen, haar-fijn uit te pluizen, +scherpzinnig tegen andersdenkenden te verdedigen en met bewijzen, +voetstoots en vaak op den klank der woorden af, uit den Bijbel ontleend, +te staven, ziedaar, wat de Godgeleerdheid en hare studie uitmaakte. Men +streed en kampte voor begrippen, alsof de zaligheid er in gelegen ware. +Vooral het leerstuk der Voorverordinering, niet zonder reden het _dogma +tremendum_ genoemd, het _leerstuk waarvoor men beeft_, heeft eene +troebele en onuitputtelijke bron geopend van twist en tweedragt, van +onrust en wanhoop; want het zette de vrijheid en dus ook de +verantwoordelijkheid des menschen ter zijde, en berustte op eene +onwaarachtige, zelfs vreeselijke voorstelling van God, en tastte alzoo +de deugd, de zedelijkheid en het waarachtig Christelijk leven in het +hart aan"[292]. + + [292] Woorden van Prof. MUURLING, t. a. pl. 27, 45, 49, 51, met + verwijzing naar de verhandd. van Prof. KIST, _over de beginselen en + het onvoltooide der Kerkhervorming_ en Prof. HOFSTEDE DE GROOT, _over + den gang der Godgeleerdh. in Nederl._ beide in het _Ned. Archief_, I + en II. + +Ziedaar eene schildering van den veranderden toestand der Kerk ten +gevolge der Dordsche Synode, die een bedroevenden ~teruggang~ in het +kerkelijk en geestelijk leven veroorzaakte, dewijl zij bij den een een +blind formulier-geloof en bij den ander de zaden van dweepzucht en +verbittering jegens andersdenkenden aankweekte. Eenheid van +geloofsbegrip mogt wenschelijk zijn, als men elkanders opvattingen van +het Evangelie in de zelfde Kerk niet broederlijk kon verdragen--wreede +uitsluiting en verbanning uit den lande bij verschil van gevoelen over +het inzigt van de waarheid was onchristelijk; terwijl men, ook bij het +bezit van die eenheid, voortging met twisten en haarkloven, en zich +verre van vrede- en liefdegezind betoonde. Hoe vele honderden +twistschriften uit de beide vorige eeuwen bewijzen dit niet! En in hoe +weinige stichtelijke boeken van dien tijd, die door het volk zoo véél +werden gelezen, is gezond verstand en goeden smaak, zelfs in de titels +en opschriften, te vinden[293]! Waarlijk, wij kunnen ons niet genoeg +over dien teruggang in de godsdienst verbazen, als wij daarbij den +gelijktijdigen grooten vooruitgang van wetenschappen en kunsten, in het +bloeijendste tijdperk der Nederlandsche letterkunde, vergelijken. Doch +'t was toen een even vreemd verschijnsel als hetgeen wij thans, in het +midden der 19e eeuw, moeten beleven, dat deze zelfde leerstellige +denkbeelden, welke men meende dat reeds lang voor het licht van +godsdienstige en letterkundige beschaving geweken waren, op nieuw bij +velen bijval vinden en verkondigd en verspreid worden. Doch de +geschiedenis heeft reeds geoordeeld, en aangetoond, hoe, onder de +leiding Gods, de dwaasheden der menschen en alle pogingen tot +terugwerking moeten dienen, om het rijk van waarheid, verlichting en +deugd eens des te grootere zege te doen behalen tot Zijne eer. + + [293] Eene groote menigte werken van Friesche Godgeleerden uit dit + tijdvak heb ik verzameld. Indien de zaken niet te heilig waren, zou + eene bloemlezing uit derzelver inhoud een belagchelijk tafereel kunnen + opleveren. Slechts één titel voeg ik hierbij als proeve: _Samsons + Leeuwen-aes vervult met Honing. Ofte dan vernederden Jesus; Arm + wordende, om de sijne door sijn Armoede Rijck te maecken_ enz. In + XLIII _leer en troost-rijcke Prædicatiën_. door THEOD. COUPERUM, Præd. + te _Warga._ Leeuw. bij Hero Nauta, 1671. + +Die nieuwe rigting der Kerk was te meer bedroevend, omdat zij der +godsdienst hare kracht en invloed benam op de zeden en op de zedelijke +vorming en verstandelijke beschaving des volks. Het denkbeeld, dat God +een Vader is, die al zijne kinderen in Christus door liefde tot +gehoorzaamheid aan Zijn wil, en door reinheid van gemoed en wandel tot +Zich wil trekken, ging toch verloren in de voorstelling van een +trotschen Monarch, die zijne afgevallene onderdanen naar loutere +willekeur verstoot of bevoorregt; eene leer, die den mensch evenzeer +van God en zijn pligt moet verwijderen, als de eerste hem bestendig +tot toenadering en vereeniging met den Vader noopt. Want onze +gelijkvormigheid aan God en verhevenheid boven de gansche dierlijke +schepping, een der sterkste beweeggronden, om uit Christelijke +beginselen goddelijk te handelen met de gaven door den Heer ons +verleend, werd miskend en als een dwaalleer ten toon gesteld en +verbannen. + +Is het dus vreemd, dat wij in zoo vele godgeleerde schriften van dien +tijd de ijsselijkste schilderingen aantreffen van het zedebederf, ja van +den zedeloozen toestand der natie?[294] Dat buitengewone rampen immer +werden gehouden voor straffen des hemels, wegens de boosheden des volks? +Dat ook anderen vele klagten aanhieven over de maatschappelijke gebreken +en heerschende ondeugden? Leveren de plakkaatboeken van 's lands +regering niet de bewijzen, hoe treurig het toenmaals gesteld was met de +openbare veiligheid, en van de verregaande kwaadwilligheid, boosheid en +ruwheid van zeden, welke men te vergeefs door ordonnantiën en +verbodsbepalingen trachtte te bedwingen of te doen afnemen?[295]. En de +meeste dezer plakkaten werden uitgevaardigd op klagten van de Synode of +van de predikanten, die wel konden klagen en aanwijzen, doch die zóó +weinig deden voor de godsdienstige opleiding en vorming van hunne +gemeente-leden, dat zij op de dorpen slechts eenmaal op den dag des +Heeren predikten en geheel geene catechisatiën hielden, zoodat het +kerkelijk godsdienstig onderwijs van de jeugd, waarin de kracht, het +heil en de hoop der gemeenten is gelegen, jammerlijk verwaarloosd +werd[296]. Vandaar ook die vijandschap, haat en vervolging, waarmede +velen den beroemden BALTHASAR BEKKER bejegenden, toen deze, als +predikant te _Oosterlittens_, omstreeks 1662 begon, des Zondags ook 's +namiddags te prediken en cathechisatiën te houden, waartoe hij weldra +onderscheidene leerboekjes trachtte uit te geven. De smaad en +veelvuldige onaangenaamheden dezen verlichten en edelen man daarover en +over zijne wijsgeerige denkbeelden in _Friesland_ aangedaan, waren +evenzeer een bewijs van den bekrompenen en onverdraagzamen geest zijner +tijdgenooten, als het besluit der Staten van 1682, om het »inkruipen van +schadelijke nieuwigheden, libertinisterij en ketterij" te weren en de +verdeeldheden onder de godgeleerden te bedwingen door het verbod, om in +eenerlei opzigt af te wijken van de formulieren van eenigheid en den +Heidelbergschen Catechismus[297]. Zóó betoonde men zich steeds afkeerig +van eenige verandering, uitbreiding of verheldering van de +geloofsbegrippen, welke zich immer in den zelfden beperkten kring +moesten blijven bewegen. Doch BEKKER, hoe zéér den vrede beminnende, +bleef voor de waarheid, naar zijne opvatting, ijveren. In 1679 te +_Amsterdam_ beroepen, mogt hij van zijne wakkere poging, om het +volksgeloof omtrent de kometen, als voorboden van rampen en oordeelen, +te bestrijden (1683), evenveel eer en eene roemrijke overwinning op de +heerschende dwaalbegrippen behalen, als toen hij in 1691 door zijn +beroemd boek, _de Betoverde Weereld_ (in bijna alle talen van _Europa_ +overgebragt), het gezag van den vorst der duisternis aanviel, het +mensch-onteerend bijgeloof aan duivelarij en tooverij in den hartader +aantastte, en veler oogen voor het licht der waarheid opende, in weerwil +der hevige vervolgingen en beroeringen door een aantal predikanten tegen +hem verwekt. Nooit echter zal het nageslacht ophouden, hem, tegenover +zijne eeuw, als een held te vereeren en wegens zijne deugden en +verdiensten als een weldoener te zegenen[298]. + + [294] Zie bewijzen daarvan in _Aanteekening 26_, en bl. 260 hier vóór. + + [295] Zie bewijzen daarvan in _Aanteekening 26_, en bl. 260 hier vóór. + + [296] Zie mede _Aanteek. 26_. + + [297] _Charterboek_, V 972, 1203. + + [298] Veelvuldig zijn de geschriften van en over den zoo hoog door mij + vereerden BEKKER. Ik wil daarvan enkel vermelden die van Do. DIEST + LORGION, _B. Bekker in Franeker_ en _in Amsterdam_, Gron. 1848 en 51, + 3 dln. waarin bijna al de overige zijn opgenoemd. + + * * * * * + +Dan het was »de mode van dien tijt, dat de een den ander om het minste +verschil in gedachten, al was 't van saacken, die self de Godgeleertheyt +niet en raackten, voor een ketter afmaalde, en om de rolle ten vollen +uyt te spelen, aanklaagde aan _Classen_, _Synoden_, en _Politijke_ +vergaderingen, daarse meenden, dat haare autoriteyt iets soude konnen +gelden"[299]. Vandaar, dat de geestelijkheid bestendig veel beweging +maakte door haren onverdraagzamen ijver tegen de bij oogluiking gedulde +vergaderingen van de Doopsgezinden, Lutherschen en Roomschen, ja zelfs +tegen de vestiging eener Waalsche Gemeente te _Leeuwarden_ (1657), en +daarna niet minder tegen de dweepende sekte der Labadisten, die zich in +1675, na den dood van JEAN DE LABADIE, met den leeraar YVON aan het +hoofd, op _Thetinga-state_ te _Wieuwerd_ vestigde en hare gemeenschap +dáár ongeveer vijftig jaren lang wist staande te houden. Op hare +vroegere omzwervingen zoowel als hier sloten verschillende aanzienlijke +en geleerde personen, waaronder de beroemde ANNA MARIA VAN SCHURMAN, de +Jonkvrouwen VAN SOMMELSDIJK, de verloskundige HENDRIK VAN DEVENTER enz. +zich bij deze sekte aan, ten einde, afgescheiden van de bedorvene +wereld, te voldoen aan hunne behoefte, om bij de leer een christelijk +leven te voegen[300]. Hare denkbeelden hadden zelfs invloed op vele +hervormden, waaronder vooral WILHELMUS à BRAKEL, die, in zijne zoo veel +gelezene _Redelijke Godsdienst_, aandrong op meer gemoedelijke +godsvrucht; ofschoon dat opgewekt godsdienstig leven, verkeerd gerigt, +bij velen leidde tot dweeperij, welke hier steeds een vruchtbaren akker +vond. + + [299] Dus oordeelde de beroemde CAMPEGIUS VITRINGA in de voorrede van + zijn boek _over den Tempel van Ezechiel_, Fran. 1687. + + [300] Zie over deze sekte het belangrijke werk van mijn vriend Do. H. + VAN BERKUM, _de Labadie en de Labadisten_, Sneek 1851, 2 dln. + +Nog meer werd de Kerk verontrust, toen de resultaten van de ijverig +beoefende wetenschap van lieverlede in het leven traden en sommige +leerstukken aan het wankelen schenen te brengen. De stellingen der +wijsbegeerte van DES CARTES en de nieuwe denkbeelden van den geleerden +COCCEJUS, eerst hoogleeraar te _Franeker_ en daarna te _Leiden_, vonden +bijval en werden aan Frieslands Hoogeschool door mannen als JOANNES VAN +DER WAEYEN, CAMPEGIUS VITRINGA en HERM. ALEX. ROËLL beschermd en +verdedigd. Dewijl deze hunne leer niet wilden onderwerpen aan het +oordeel of de veroordeeling der kerkelijken, die zich daartegen hevig +verzetten, waren bittere twisten daarvan het gevolg. De meer verlichte +denkbeelden van DAVID FLUD VAN GIFFEN, predikant te _Nieuw-Brongerga_, +vonden nogtans bij het Stadhouderlijk gezin op het _Oranjewoud_ +bescherming; terwijl Gedeputeerde Staten dikwijls hun gezag gebruikten, +om de vervolgingen te staken en der Synode het zwijgen op te leggen. De +aanhangers van VOETIUS en andere voorvechters van de oude waarheid +hielden echter vol, het regt der kerk te doen gelden, zoodat eerlang +eene scheuring in twee partijen, _Coccejanen_ en _Voetianen_ genoemd, +onvermijdelijk was. Ondanks dien tegenstand was er vooruitgang, en +bragten die twisten veel toe, om de bestredene godgeleerde stellingen +naauwkeuriger te onderzoeken, en de grondslagen te leggen tot meer +evangelische kennis en verlichte denkbeelden. Doch lang zou het duren, +eer men zich aan het eens opgelegde juk zou kunnen ontworstelen. + + * * * * * + +Ja, nog langer dan honderd jaren zou het duren, eer de stralen van een +beter licht konden doorbreken. Zóó vast en sterk waren eens de kluisters +van den vrijen geest gesmeed, dat wij in bijna de gansche 18e eeuw de +Hervormde Kerk in den zelfden gebonden toestand zien verkeeren van +slaafsche onderwerping aan de Dordsche leer en gehechtheid aan de +formulieren van eenigheid, wier gezag in 1729, na hevige oneenigheden, +nog meer verbindend werd gemaakt. Zulke oneenigheden en onbeduidende +twisten over allerlei nietigheden maakten in de hoofdzaak de +geschiedenis uit der Kerk in deze eeuw; met deze uitzondering: dat zij +zich ook vergreep aan de geloofsbegrippen van eene andere, door de +Staatsmagt toegelatene, kerkgemeenschap. Sedert de Doopsgezinden in 1672 +vrijheid van godsdienstoefening hadden bekomen, werden zij als stille +burgers ongemoeid gelaten. Doch in 1722 werd hunne vrijheid van +geloofsbegrippen door de Hervormde Synode, uit vrees dat zij +Sociniaansche stellingen zouden voorstaan, aangerand, door hunne 150 +leeraars te dwingen tot onderteekening van eene verklaring omtrent de +Drieëenheid, een leerstuk, niet door den Heer verkondigd, maar door +Godgeleerden ontworpen. Gelukkig, dat hunne verdediging door +Gedeputeerde Staten aangenomen- en de inquisitie der Synode toen +tegengegaan werd. Zulk eene poging, om heerschappij te voeren over het +geloof van anderen, werd in 1738 herhaald, en had de afzetting van twee +Doopsgezinde leeraren van _de Knijpe_ en _Heerenveen_ ten gevolge. Nog +meer gerucht maakte kort daarop de klagt der kerkelijken, dat in de +leerredenen van JOANNES STINSTRA, Doopsgezind leeraar te _Harlingen_, +over de natuur en gesteldheid van Christus Koningrijk, Sociniaansche +gevoelens zouden verkondigd zijn. Alle Hervormde classen in _Friesland_ +en alle theologische faculteiten in _Nederland_ werden door Gedeputeerde +Staten uitgenoodigd dit boek te beoordeelen. Natuurlijk was aller +oordeel in den geest der beschuldiging. Slechts één man had den moed +zich tegen de meening van die allen te verzetten, en aan te toonen, dat +die beschuldiging ongegrond was. Het was de groote HERMAN VENEMA, +hoogleeraar in de godgeleerdheid te _Franeker_, die, op het voetspoor +der verlichte VITRINGA'S, vader en zoon, eene verbeterde predikwijze had +voorgesteld; die vrije en heldere begrippen omtrent de godsdienst +verkondigde, en die gedurende de vier-en-zestig jaren, dat hij een +sieraad was van Frieslands Hoogeschool, bovendien door zijne +geleerdheid, christelijke braafheid en verdraagzaamheid zóó hoog geacht +was, dat zelfs zijne tegenstanders hem niet durfden aanranden. Hoe +gematigd en verstandig dat advies van VENEMA ook ware, hij alléén was +niet tegen de bevooroordeelde en twistzieke geestelijkheid +bestand:--STINSTRA werd van het leeraarambt ontzet en eerst 15 jaren +later hersteld. Doch de smet door dit gedrag op de Hervormde Kerk +geworpen, ook door vele tijdgenooten veroordeeld, werd alleen opgewogen +door de moedige en edele poging van VENEMA, die, door den tijd tevens +geregtvaardigd, gelukkig tegen dreigende vervolgingen bescherming en +steun vond in den voortreffelijken Prins WILLEM IV en diens verlichten +vriend EPO SJUCK VAN BURMANIA. Deze edelman, lang lid van Gedeputeerde +Staten, had later zelfs den moed VENEMA openlijk te prijzen, doch +tevens te voorspellen, dat zijne verlichte gevoelens weinig ingang +zouden vinden bij zijne tijdgenooten: »want," zeide hij, »de tijd is +'er niet na geschikt, om de Menschen de oude wijfs grollen uit het +hoofd te praaten. Gij hoopt doch vrucht'loos, dat de Rede eens zal +verwinnen."[301] + + [301] Zie BLAUPOT TEN CATE, _Doopsgez. in Friesland_, 208, 351; + LORGION, _de Herv. Kerk_, 240; YPEIJ en DERMOUT, III 455. Het stuk van + BURMANIA aan VENEMA, een Latijnsch en Nederd. vers, getiteld: _Gelofte + aan Vulcaan_, is ook in andere opzigten belangrijk, als blijk, hoe er + reeds in 1764 een beter licht aanbrak bij sommigen, die zich aan de + verouderde boeijen trachtten te ontwringen en daarom den bijnaam van + _Toleranten_ hadden ontvangen. Zoo zegt hij in 't begin: + + Zo vloek ik 't laffe werk, de kwaad' aantekeningen + Van 't gros der Leeraars, die zich binnen de enge kringen + Van een Systema, daar hun Weetenschap op rust, + Beperken, wars van moeite en noeste letterlust. + Zoo vloek ik hen, die by hun Meesters woorden zweeren.-- + Gij waart het, schrand're man, die 't eerst U onderwond + Om van het oude pad, dog met beschroomde schreeden, + In weerwil van den hoop, in veelen, af te treeden, enz. + +Niettegenstaande de heerschappij en de verdeeldheden der godgeleerden +nog lang bleven voortduren en de gehechtheid aan de kerkelijke +leerstellingen onveranderlijk scheen te zijn, zou de tijd toch eenmaal +aanbreken, dat die leerbegrippen verdrongen zouden worden en vervangen +door christelijke denkbeelden en evangelische gezindheden. Het +heerschzuchtig gedrag van den Leeuwarder predikant BLOM jegens den +Magistraat dier stad in 1763 en de hooggaande twisten daaruit, gelijk +twee jaren later uit het houden van eene leerrede over de Christelijke +Liefde door G. T. DE COCK verwekt, welke door het staatsgezag werden +geëindigd, terwijl gelijktijdig VOLTAIRE'S verhandeling over de +Verdraagzaamheid, te _Leeuwarden_ vertaald en gedrukt, werd +verboden,--ziedaar de laatste sporen van den geest van heerschzucht en +tegenwerking, die de Kerk zoo lang hadden beroerd. Ook daaruit bleek +het, dat er een nieuw licht aan het dagen was, hetwelk vele +gemeente-leden welgevallig tegenblonk. De geest der lessen van den, zoo +ongemeen lang gespaarden, VENEMA, die, boven vooroordeelen verheven, +meer heldere begrippen verspreidde en zijne leerlingen bovenal tot +liefde, vrede en verdraagzaamheid aanspoorde, begon van lieverlede de +Kerk te vervullen en voor de toekomst betere vruchten te beloven. + +Terwijl de zucht naar vooruitgang dus merkbaar was, had zij bij velen +een nadeelig gevolg. Men was afkeerig geworden van eene leer, in vormen +en wetten gekluisterd, die den geest met een last van grondstellingen +had bezwaard; en terwijl men dus de kerkelijke leerbegrippen verzaakte, +verwierpen velen met-een de grondslagen der heilige leer van Christus. +Vandaar, dat »in het eind der vorige eeuw onder de beschaafde klassen +der maatschappij de verachting van de godsdienst heerschend was +geworden. De geest, geheel met de belangen des tijds vervuld, vroeg niet +meer naar het eeuwige. Slechts bij weinigen, wien het vergankelijke niet +kon voldoen, bleef de zucht naar iets hoogers bestaan"[302]. Ondanks de +regtzinnigheid al hare krachten inspande, om het oude te behouden; in +weerwil eene dweepzieke menigte zich tegen elke verandering aankantte, +waren er van zulk eene geestrigting ook in _Friesland_ vele sporen, +nadat de langdurige vrede en welvaart een buitengewonen voorspoed +gekweekt en een geest van overmoed, vrijheid en onafhankelijkheid +ontwikkeld hadden, welke sedert 1780 in staatkundige beroeringen aan den +dag gelegd werden. Ook de predikanten trokken partij, namen deel aan den +wapenhandel en ondersteunden vooral de partij, welke tegen den +Stadhouder was gezind, waarom verscheidene hunner in 1787, bij het +herstel van het Stadhouderlijk gezag, werden afgezet. Eene groote +verandering, in den loop der tijden voorbereid, was echter noodzakelijk +geworden. + + [302] OPZOOMER, _het Wezen der Deugd_, 1, 20. + +En deze volgde weldra op de staats-omwenteling van 1795. Bij de +bestaande begrippen van vrijheid, gelijkheid en broederschap was het +natuurlijk, dat de staatsmagt nu »een iegelijk onbelemmerde Vrijheid van +geweten, en de ongestoorde uitoefening van zijne Godsdienst plegtig +verzekerde"[303]. De Hervormde Kerk verloor daarbij het voorregt, dat +zij meer dan twee eeuwen had bezeten, om de heerschende Kerk of de Kerk +van den Staat te zijn, en daarmede viel ook de laatste steun der +scholastieke godgeleerdheid en der kerkelijke regtzinnigheid. +Inzonderheid werd dat voorregt geheel opgeheven bij de scheiding van +Kerk en Staat, welke in 1796 hierop volgde. Eerst bij de Staatsregeling +van 1 Mei 1798 werden daaromtrent bepalingen voorgeschreven; terwijl bij +besluit van de Synodale vergadering te _Heerenveen_, in 1804 gehouden, +een nieuw Wetboek en Kerkenorde voor _Friesland_ werd ingevoerd. +Ofschoon men de leerstellingen der Dordsche Synode daarbij als grondslag +van de leer der Kerk, althans in naam, bleef behouden, was daarin, +gelijk sedert in de gansche rigting der Kerk, een gezegende vooruitgang +tot betere denkbeelden en gezindheden te erkennen, en was men vrij +algemeen tot meer heldere inzigten, tot meer liefderijke gevoelens, tot +meer christelijk leven gekomen. Een blijk daarvan was mede de invoering +van de Evangelische Gezangen in 1805, welke, even als de in 1773 +ingevoerde verbeterde Psalmberijming, zoo veel bijdroegen, om de +stichting bij de godsdienst-oefeningen te verhoogen en godsdienstige +gevoelens aan te kweeken. + + [303] Publicatie der Provisioneele Representanten van het volk van + _Friesland_, van 21 Febr. 1795, _Verzaameling van Placaaten_, I 24. + +Intusschen waren er elders Genootschappen opgerigt, die belijders van +verschillende gezindten tot één christelijk doel vereenigden, en welke +ook hier een weldadigen invloed uitoefenden. Er waren in de Kerk mannen +opgestaan, als: HINLOPEN, KIST, CLARISSE, STUART, VAN DER ROEST, EGELING +en anderen elders, gelijk LIEFSTING, BRINK, BROUWER, NIEUWOLD, BRUINING +enz. in _Friesland_, die door prediking en schriften een evangelischen +geest onder het volk bragten; terwijl in de scholen der Godgeleerdheid +VAN VOORST, TINGA, GREVE en REGENBOGEN te _Franeker_, gelijk elders VAN +HAMELSVELD, MUNTINGHE, VAN DER PALM, AN. YPEIJ, HERINGA, SURINGAR en +BORGER, waarvan de vier laatste Friezen waren, door hun onderwijs en +schriften alle geloofs- en zedeleer tot het evangelie terugbragten, de +leerstellingen aan Gods woord leerden toetsen, nuttelooze twisten +vermeden, eene gezonde uitlegkunde deden veldwinnen en uit wijsbegeerte +en geschiedenis licht aanbragten voor het Christendom. In dit gewest +heeft vooral de _Christelijke Godgeleerdheid_ van den Franeker +Hoogleeraar J. H. REGENBOGEN (1810) veler oogen geopend voor het licht +der waarheid, in verband met het gezag der rede. Zóó werd de Hervormde +Kerk, terwijl het vaderland gelouterd werd door staatkundige +verdrukking, op nieuw tot een Evangelisch-Hervormde Kerk hervormd; en, +nadat in 1816 de band der formulieren van eenigheid voorzigtig was +losgemaakt, mogt men in 1817 ook in _Friesland_ het Derde Eeuwfeest der +Kerkhervorming bij alle Protestantsche Gemeenten onderling en met eene +broederlijke liefde en eensgezindheid vieren, welke de kroon zette op de +overwinning, welke de tijdgeest, of liever Gods vaderlijke besturing, op +de bekrompenheid van het voorgeslacht had behaald, in terugkeering tot +de genoemde drie oorspronkelijke beginselen van de Nederlandsche +Hervormde Kerk. Zóó mogten rede, gezond verstand en godsdienstzin +zegevieren op het kerkelijk leerbegrip. + +Hoe verblijdend dit verschijnsel, hoe weldadig het licht zij, dat thans +bijna algemeen ten aanzien der christelijke waarheid en geloofsleer is +ontstoken--voor allen is er eene hooge roeping aan verbonden, om, +voorgelicht door de verhevenste zedeleer, thans als kinderen des lichts +te wandelen, en om door toeneming in gemoedelijke godsvrucht en +christelijke deugd en door beleving van het geloof te toonen, dat de +beschaving, ontwikkeling en veredeling van het menschelijk geslacht de +vrucht en het doel is der gezegende godsdienst van Christus. + + +_De Doopsgezinden._ + +Vóór de omwenteling van 1580 hadden de Hervormden en Doopsgezinden +gemeenschappelijk geijverd tegen de onderdrukking van _Spanje_ en vóór +vrijheid van geloof en geweten. Na die omwenteling en de zegepraal der +hervorming hadden beide gezindten zeker gelijke aanspraak op het genot +van deze vrijheid en de bescherming van het Staatsgezag; te meer, daar +de Doopsgezinden toen ongeveer een vierde gedeelte der bevolking van +_Friesland_ uitmaakten, en, zonder aanspraak te maken op de kerken en +derzelver bezittingen, toelieten, dat de Hervormden daarvan bezit +namen. En evenwel, hoe gunstig Prins WILLEM _van Oranje_ ook jegens +de Doopsgezinden in het algemeen gezind was, werd bij zijne +provisioneele Ordonnantie op het stuk van justitie, politie, kerk en +krijgshandeling, in 1581 te _Harlingen_ uitgevaardigd, bepaald, dat +geene andere dan de Gereformeerde religie in deze provincie zou mogen +worden uitgeoefend[304]. + + [304] _Charterboek_, IV 241; WINSEMIUS, 700; BLAUPOT TEN CATE, + _Geschiedenis der Doopsgezinden in Friesland_, 124. Zie ook hier voor + bl. 167-174, 199. + +Het moge waar zijn, dat eenheid van belijdenis of de erkenning van +slechts ééne Kerk als de Kerk van Staat in die dagen noodzakelijk kan +geweest zijn,--wij moeten het tevens met lof en eere vermelden, dat de +Friesche Hervormde Kerk, in de eerste achttien jaren harer vestiging, +van dit haar uitsluitend regt een verstandig gebruik en geen misbruik +heeft gemaakt; vermoedelijk, omdat zij toen nog meer doordrongen was van +de oorspronkelijke beginselen, waarop de Nederlandsche Hervormde Kerk +was gebouwd, en welke wij vroeger (bl. 342) hebben vermeld. In weerwil +der genoemde, later tot wet gewordene, bepaling, is er geen spoor, dat +de Doopsgezinden in dit gewest, die afgescheiden van de wereld wenschten +te leven, gedurende die jaren door het Staats- of Kerkgezag zijn +gehinderd geworden in de vrije uitoefening van hunne, in stilte +gehoudene, godsdienst-oefeningen, welke bij oogluiking werden geduld. +Staat en Kerk hebben hier toen het voorbeeld gegeven van eene edele +verdraagzaamheid, welke men later meende, dat geene eigenschap van dien +tijd of van eene heerschende Kerk kon zijn. Ja, Staat en Kerk gaven nog +een merkwaardig blijk van naijver, gelijkstelling en onpartijdigheid, +door in 1596 toe te staan, dat er in de Galileërkerk te _Leeuwarden_ een +twistgesprek over de verschilpunten der leer tusschen den Hervormden +predikant RUARDUS ACRONIUS en den Doopsgezinden leeraar PETER VAN +CEULEN werd gehouden, waartoe van den 16 Augustus tot den 17 November +niet minder dan 156 zittingen gebezigd werden, zonder tot eenig ander +doel te leiden dan tot de openbaarmaking van beider denkbeelden en +begrippen[305]. Bij die gelegenheid werd door PETER VAN CEULEN dankbaar +erkend, »dat de loffelijke Overheid hen tot nog toe vrijheid van religie +in alle goedigheid en beleefdheid vergund had, gelijk zij gaarne der +Overheid wilden gehoorzamen in hetgeen zij verstonden niet strijdig te +zijn tegen Gods heilig woord, hopende dat God haar in dat zelfde +voornemen zou laten." + + [305] Het merkwaardig _Protocol, dat is, de gantsche handelinge des + ghesprecx_, waarbij steeds leden van Gedeputeerde Staten en der + regering van _Leeuwarden_ tegenwoordig waren, in den volgenden jare + gedrukt, in 4^o. ruim 500 bl. in twee kolommen groot, berust in de + Stedelijke Bibliotheek van _Leeuwarden_. Zie een uitvoerig verslag + daarvan bij BLAUPOT TEN CATE, bl. 131-137. + +Dan, wij hebben het vroeger reeds opgemerkt, dat de afwijking van de +oorspronkelijke beginselen der Hervormde Kerk de oorzaak geweest is van +hare latere verbastering en van vele rampen. Zij was mede de oorzaak, +dat die goede geest van broederlijke verdraagzaamheid, welke haar tot +dusverre had gekenmerkt, werd verdrongen door een geest van heerschzucht +en bittere vervolgzucht. Sedert 1598 werden er bij de Synode en de +Besturen pogingen gedaan, om de Doopsgezinden het vergaderen te beletten +en het prediken te verbieden. GELDORP en BOGERMAN, predikanten te +_Sneek_, gesterkt door de Overheid dier stad, verstoorden in 1600 +werkelijk hunne bijeenkomsten, en gaven in den volgenden jare eene +vertaling in het licht van BEZA'S boekje _over het Ketterstraffen_, +waarbij zij verklaarden, dat men slechts ééne godsdienst in den Staat +moest dulden, en dat het verschoonen van ketters vredehouden met den +Satan was. Zulke onchristelijke, ja onmenschelijke denkbeelden, welke +men vroeger onder de Spaansche inquisitie met zoo veel regt onduldbaar +had geoordeeld, werden aldus met de streng Kalvinistische gevoelens uit +den vreemde ingehaald en geënt op den jeugdigen, reeds zoo welig +bloeijenden, boom der Nederlandsche vrijheid. En welke vruchten zulks +droeg, dit bleek, helaas! eerlang op de Synode van _Dordrecht_, waar die +zelfde BOGERMAN, als Voorzitter, die zelfde beginselen in het groot in +toepassing bragt ten aanzien der Remonstranten. (Zie bl. 344 hier vóór.) + +Gelukkig, dat BOGERMAN, die in 1608, als predikant te _Leeuwarden_, zoo +zeer geijverd had tegen de Doopsgezinden, die beginselen ook niet op hen +toepaste; en nog gelukkiger, dat juist de strijd tegen de Remonstranten +de oorzaak werd, dat de Doopsgezinden sedert 1611 eenige verademing +genoten en geene verstoring of vervolging hadden te lijden. De +verdeeldheid in de Hervormde Kerk zelve had de aandacht afgeleid van +hen, die bovendien zich hoe langer hoe meer in de toegenegenheid van +regenten en medeburgers vestigden door hun ingetogen leven en de +bevordering van handel en fabrijken, waardoor zij in welvaart en +vermogen toenamen, en als goede burgers van den Staat lasten en +schattingen gewillig droegen. Zij maakten van die rust en goede +gezindheid gebruik, door op vele plaatsen nieuwe en grootere vermaningen +of kerken te bouwen. Wel ondervonden zij daarbij nu en dan tegenstand +van de plaatselijke besturen, doch niet vóór 1644 en bijzonder na 1651 +wekte dit den naijver op van de Hervormde predikanten. Zij klaagden +daarover op de Synode, en deze beklaagde zich bij de Staten over de +»ongelimiteerde Mennonitische groote licentie," welke zij ingebonden +wilde hebben. De Staten, die in 1659 toegestaan hadden, dat de +Doopsgezinden met de verklaring van ja en neen, in plaats van een eed, +zouden kunnen volstaan, bevolen daarop wel de Gedeputeerden in 1661, om +de plakkaten omtrent de Wederdoopers (waarmede men nog altijd de rustige +Doopsgezinden wilde verwarren) te vernieuwen; doch er is geen blijk, dat +deze aan dit bevel hebben voldaan[306]. Hoe zeer ook gezind om de +regtzinnige leer der Kerk te handhaven, dachten zij gunstiger over +zoovele vreedzame burgers, die men bij voortduring wel oogluikend moest +dulden, ook omdat men ze niet verdrijven kon zonder groote schade voor +het algemeen belang; te meer, dewijl zij zulk een aanzienlijk gedeelte +der bevolking dezer provincie uitmaakten, daar hun aantal in 1666 op +ongeveer 20,000 zielen geschat werd, welke op 72 plaatsen gemeentelijke +vereenigingen hadden. + + [306] _Charterboek_, V 577, 621, 654 en de Resolutiën der Staten, der + Gedeputeerde Staten en der Regering van _Leeuwarden_. + +Integendeel, Gedeputeerde Staten ontzagen zulk een aanzienlijk ligchaam, +welks goede zeden, vlijt en eerlijkheid in den handel hunne achting had +verworven, en welks verzamelden rijkdom spoedig bleek den Staat van +groot nut te kunnen zijn. Immers, toen bij het uitbreken van den tweeden +Engelschen oorlog, in 1665, de provincie tot uitrusting van +oorlogsschepen en andere lasten groote sommen noodig had, en eene +geldleening van 5 tonnen gouds te vergeefs beproefd werd, zochten zij de +Doopsgezinden aan, die leening in twee termijnen tegen 5 ten honderd te +voldoen, met aanbod, dat zij voor hun zelven bevrijd zouden blijven van +het dragen van wapenen. Bereidwillig voldeden zij destijds aan dit +verlangen, en op nieuw in 1672, toen de nood des vaderlands nog hooger +was gestegen. Op verzoek der Staten schoten zij der provincie toen nog +400,000 Gld. tegen eene rente van 4 ten honderd voor, buiten de +aanzienlijke bijdragen, welke zij persoonlijk tot de verdediging des +lands veil hadden. + +Zulke groote opofferingen bleven van de zijde der Staten niet +onvergolden. Deze besloten den 28 Februarij 1672, den Doopsgezinden +voortaan _vrijheid van religie_ toe te staan, terwijl zij voor hunne +personen van de algemeene volkswapening vrijgesteld bleven. Dit +voorregt, van uitstekend belang, werd dankbaar door hen ontvangen, en +was voor den vervolge van grooten invloed op hun rustig bestaan en +verdere ontwikkeling. Ook later, in 1677, gaven zij nogmaals gehoor aan +het verzoek der Staten tot het sluiten eener leening van 132,943 Gld., +zoodat zij alsnu in twaalf jaren tijds de provincie met een kapitaal van +1,032,943 Gld. bijstand hadden geboden[307]. + + [307] Zie _Charterboek_, V 747, 749, 814, 1122; _Register op + Staats-resolutiën_, 179; TEN CATE, 176. + + * * * * * + +Mogten de Doopsgezinden zóó door den Staat beschermd worden, de +Hervormde Kerk had tegen hen eene blijvende grieve, eensdeels, wegens +hunne afwijking van de gevoelens, welke zij als de eenige ware meende te +moeten handhaven, en anderdeels, wegens hunne veelvuldige onderlinge +verdeeldheden. Daarin vond zij eene beschuldiging en een grond tevens, +om de noodzakelijkheid van hare eigene eenheid des geloofs te +verdedigen. Schoon de Doopsgezinden geene kenmerkende leerstellingen +hadden aangenomen, maar, zich enkel aan de Heilige Schrift vasthoudende, +aan ieder hunner leden vrijheid van denkwijze lieten, en zich bijzonder +door hun ijver voor het christelijk _leven_ onderscheidden, bleef de +eenheid van leer beter onder hen bewaard. De Hervormden, met wien zij in +de eerste tijden, ook blijkens de eerste Geloofsbelijdenis van omstreeks +1550, meer overeenstemden, weken van lieverlede meer af; en door het +aannemen der gevoelens van KALVIJN en van de leerstellingen der Dordsche +Synode werd het verschil en de breuk tusschen beide kerkgenootschappen +nog grooter. Legden de Hervormden er zich op toe, om bij de beschouwing +van den weg der zaligheid alles alléén aan God toe te schrijven, terwijl +de mensch in zijne geheele bedorvenheid daartoe niets _kon_ bijbrengen, +en bij de genoegzaamheid der plaatsvervangende gehoorzaamheid van +Christus ook niet behoefde;--de Doopsgezinden moesten afkeerig zijn van +zulk eene voorstelling, in welke zij geene drangredenen tot eenen +christelijken wandel konden vinden en die eigene werkzaamheid en +spanning van zedelijke krachten onnoodig maakte. Vandaar, dat bij de +eersten de beginselen van een lijdelijk Christendom en bij de laatsten +van eene werkdadige Godsdienst meer werden ontwikkeld, tot een +onderscheidend kenmerk van elke gezindte. + +Maar juist der Doopsgezinden ijver voor het christelijk leven bragt hen +op den weg van onderlinge verdeeldheid en scheuring. Dat de Gemeente in +haren wandel heilig en onberispelijk moest zijn; dat de ban of +uitsluiting onontbeerlijk was, om alle vlekken en rimpels uit haar te +verwijderen, en dat men de gebannenen ook in het dagelijksch verkeer +moest mijden,--daarin kwamen allen overeen. Doch hoe ver men den ban en +de mijding moest uitstrekken, daarover ontstonden verdeeldheden. Hunne +Oudsten, LEENERT BOUWENS en DIRK PHILIPS, met heiligen ernst bezield, +ijverden voor strengheid; de zachte geest van MENNO SIMONS vermaande +gedurig tot gematigdheid, totdat hij, eindelijk overreed en zelf met den +ban bedreigd, uit vrees voor scheuring zich bij hen voegde. Toen nu de +strenge partij door het gezag van MENNO de overhand had bekomen, +scheidden de gematigden zich omstreeks 1555 af en vormden afzonderlijke +gemeenten. In _Oost-Friesland_, werden deze eerst _Schedemakers_ en in +deze provincie _Franekers_ geheeten, doch later algemeen _Waterlanders_ +genoemd, welken naam zij ook eerst alleen in _Holland_ hadden gedragen, +toen de anderen met dien van _Mennoniten_ werden onderscheiden. De +Waterlanders leefden verder rustig en muntten uit door zuiverheid van +zeden en onderlinge liefde. Onder de strenge banners ontstonden evenwel +spoedig nieuwe oneenigheden: eerst naar aanleiding van vreemde zeden, +door vlugtelingen, vooral uit _Vlaanderen_, aangebragt, welke in 1568 +eene scheuring veroorzaakten, ten gevolge eener mislukte poging tot +hereeniging in de vermaning te _Harlingen_. Daar de partij der Friezen, +welligt uit zucht tot vrede, daarbij eene dubbelzinnige rol speelde, gaf +dit aanleiding, dat de meeste gemeenten in dit gewest de tegenpartij in +het gelijk stelden, en zich met haar vereenigden. Later ontstonden er +nog vele kleine scheuringen, doch bleven er in _Friesland_ vooral drie +hoofdpartijen bestaan: de _Waterlanders_, de _Friezen_ en de +_Vlamingen_. + +Allengs echter bedaarde de opgewonden ijver. Verbittering maakte plaats +voor vriendschap, en op den tijd van scheuring volgde in den loop der +17e eeuw een tijd van vereeniging, welke de meeste gescheidene gemeenten +eerlang weder tot één bragt. De vroegere strengheid, bij welke de zorg +voor zuivere zeden dikwijls de broederlijke liefde uitdreef, week voor +een milderen geest. Door handel en bedrijf kwamen de Doopsgezinden +allengs meer in maatschappelijk verkeer met andere burgers en in +aanraking met de wereld. Een meer wetenschappelijk onderzoek van de +Heilige Schrift deed hen aan bijzaken mindere waarde hechten. Zoo kwam +er meerdere toenadering onderling en met andersdenkenden. Talrijke +vergaderingen van hunne Oudsten getuigden van hunne zucht naar +vereeniging. Belijdenissen werden in die vergaderingen opgemaakt, welke +tot grondslag van vereeniging strekten en hunne gevoelens te gelijk aan +anderen meer bekend maakten. Hoe zeer moest die goede geest niet +toenemen, sedert zij in 1672 van de Staatsmagt de erkenning van hun +bestaan en de lang begeerde vrijheid tot uitoefening van hunne +godsdienst hadden verkregen? + +Eene eerste en weldadige vrucht daarvan was de oprigting van de +_Friesche Doopsgezinde Societeit_ in 1695. Deze bestond in eene +verbindtenis van meest alle Doopsgezinde gemeenten, met het doel, om +»liefde, vrede en eenigheid onder elkander te bewaren, en om te zorgen, +dat de noodlijdende gemeenten, benevens de Broeders, die daarin de +predikdienst waarnamen, door onderlinge bijdragen naar vermogen mogten +worden ondersteund." Deze vereeniging was van zeer gunstig gevolg voor +den welstand van de gemeenten en van de gansche broederschap, en +bevorderde een geest van onderlinge goedwilligheid en verbroedering, +welke eerlang in den loop der 18e eeuw ten gevolge had, dat in die +plaatsen, waar Friesche, Vlaamsche, Waterlandsche of andere gemeenten +bestonden, vereenigingen tot stand kwamen, welke eindelijk, alle partij- +en sektengeest verbannende, één krachtig en zelfstandig kerkgenootschap +in het leven riep, dat getrouw was gebleven aan het eenige fondament, +dat gelegd kan worden, al waren zijne leden ook van lieverlede uit hunne +afzondering _in_ de wereld overgegaan. + +Vóór dit echter geschiedde, hadden zij nog eenige moeijelijke +aanvallen door te staan. Als wij ons herinneren, welk een geest van +onverdraagzamen ijver de Hervormde predikanten onderling bezielde jegens +hunne eigene broederen, als: BEKKER, VAN GIFFEN en de Franeker +Hoogleeraren, toen deze den moed hadden eenige meerdere vrijzinnigheid +aan den dag te leggen, dan verwondert het ons geenszins, dat zij weinig +genoegen namen in der Staten goedgunstigheid jegens de Doopsgezinden, +waardoor alle vroegere klagten der Synode in eens gesmoord waren. +Daarenboven was het duidelijk, dat er tusschen hen en de verketterde +Remonstranten, Collegianten, Labadisten en Hernhutters eene +vriendschappelijke aanraking bestond: sekten toch, die men verdacht +hield van besmet te zijn met Sociniaansche gevoelens, welke de Kerk met +den meesten afschuw verfoeide, waarom Socinianen, Kwakers en Dompelaars +sedert 1662 bij plakkaat aan strenge vervolging waren blootgesteld; +terwijl bij de vernieuwing van dit plakkaat in 1687 openlijk gezegd +werd, dat die dwaalgeesten zich met de Doopsgezinden vermengden. Dien +ten gevolge werd in 1687 een hunner leeraren op eene aanklagt gebannen +en 1719 op nieuw. De bezorgdheid der Synode was zóó groot, dat zij in +1722 zelfs Gedeputeerde Staten wist over te halen, dat van alle +Doopsgezinde leeraren de onderteekening zou geëischt worden van een +formulier tot erkentenis van het leerstuk der Drieëenheid, op straf van +ontzetting en eene boete van 100 gouden Friesche rijders, als zij het +leeraarambt bleven waarnemen. Stootend was het dezen voorzeker, dat een +ander kerkgenootschap de vrijheid nam, hen voor te schrijven, wat zij +hadden te gelooven omtrent een godgeleerd begrip, waarvoor zij onder de +hen voorgelegde bewoordingen geen grond vonden in het evangelie. Allen +(op slechts één na) weigerden de onderteekening, en zoo bleven dan nu +hunne vergaderplaatsen gesloten. Zij leverden echter hunne bezwaren daar +tegen bij de Staten in, die verstandig genoeg waren de gegrondheid +daarvan te erkennen en de resolutie op te schorten, waardoor dit +dreigende onheil werd afgewend.[308] + + [308] _Charterb._ V 670, VI 130; TEN CATE, 148, 312, 313. De gevoelens + van de Poolsche Godgeleerden LELIUS en FAUSTUS SOCINUS, in 1638 + verbannen, welke het meest van de leer der Kerk afweken, waren + bijzonder hunne ontkenning van het leerstuk der Drieëenheid en der + Erfzonde en twijfelingen omtrent de godgelijkheid des Heeren. + +De beschuldiging van Sociniaansche gevoelens toegedaan te zijn, trof in +1738 drie leeraren van _Heerenveen_ en _de Knype_, waarvan twee van +hunne bediening ontzet werden. De Doopsgezinde Societeit beklaagde zich +hierover wel bij de Staten, doch zonder gevolg, dewijl men onvoorzigtig +genoeg was geweest die handeling _inquisitie_ te noemen. Doch de +geleerde JOANNES STINSTRA, leeraar te _Harlingen_, die in deze zaak den +meesten ijver had betoond tot verdediging van het aangerande regt der +Doopsgezinden tot vrijheid van geloof, viel kort daarop onder gelijke +beschuldiging, dewijl men voorgaf, dat zijne uitgegevene predikatiën +_over de natuur en gesteldheid van Christus Koningrijk_ met +Sociniaansche denkbeelden besmet waren. Op de klagt der Synode aan +Gedeputeerde Staten vonden deze goed, dat alle synodale klassen van +_Friesland_ en alle theologische faculteiten in _Nederland_ het boek van +STINSTRA zouden onderzoeken en hunne bevinding mededeelen. Deze was +natuurlijk overeenkomstig de beschuldiging: want wie zou zich tegen het +oordeel der Synode durven verzetten? Slechts één man had dien moed, die +onpartijdigheid van onderzoek, die verachting van menschenvrees, waar +het de belangen van waarheid en regt gold. De hoogleeraar VENEMA, reeds +vroeger loffelijk door ons vermeld (bl. 355), die in verstand, +geleerdheid en liefde boven zijne eeuw verre verheven was, verklaarde, +niet één stellig bewijs van socinianerij in het boek te kunnen +aanwijzen. In weerwil van dit gunstig oordeel, dat de verbolgenheid van +velen tegen VENEMA opwekte, werd STINSTRA afgezet, en, ondanks de +dringende verzoeken zijner gemeente en der Friesche Societeit, gedurende +vijftien jaren (1742-1757) van zijnen kansel geweerd; hoewel hij +intusschen, op verzoek van verlichte edelen en staatsleden, tijdens den +landsdag, dikwijls te _Leeuwarden_ kwam prediken, bij welke gelegenheid +de voornaamste Friesche grooten in de eenvoudige vermaning onder zijn +gehoor verschenen. Wel ergerde dit de Hervormde predikanten, doch deze +bescherming van de aanzienlijksten des lands schrikte hen af, verder +iets tegen de Doopsgezinden te ondernemen[309]. Wij vermelden dit minder +ter eere van STINSTRA, als wel om te bewijzen, dat er in het midden der +18e eeuw bij vele aanzienlijke Friezen niet alleen godsdienstzin +bestond, maar ook eene zucht naar meer vrijzinnige en evangelische +begrippen, en tot verbreking van de banden, met welke de Kerk, nog +altijd gesteund door het Staatsgezag, de leer immer binnen de zelfde +enge grenzen wilde beperkt hebben. Het gezond verstand van hen, die men +den bijnaam van _Toleranten_ had gegeven, begon zich te verzetten tegen +de Dordsche leerstukken; en hoe krachtiger de predikanten deze wilden +handhaven, hoe sterker de tegenstand werd der voorstanders van den +vooruitgang jegens de aanhangers van het behoud. + + [309] Dit verhalen YPEIJ en DERMOUT, III 531 op grond van het + _Historisch Verhaal omtrent Ds. de Cock_, 58, waar zelfs gezegd wordt, + dat hij "het puik der Friesche Baronnen (alle Heeren van Bon-Sens) + onder zijn gehoor had." Zie ook LORGION, _de Herv. Kerk_, 241 en TEN + CATE, 214 en 351, waar ruim 40 geschriften opgenoemd worden, welke + betrekkelijk deze, destijds zoowel elders als in _Friesland_, veel + geruchtmakende zaak zijn uitgegeven. + +De Doopsgezinden, die sedert de oprigting van hunne Kweekschool te +_Amsterdam_ in 1735 meer wetenschappelijk gevormde leeraars ontvingen, +die eene betere predikwijze en meer beschaafden spreek- en schrijftrant +invoerden, en ook door andere geschriften, alsmede door vertalingen der +werken van RICHARDSON, TILLOTSON, BLAIR enz. zich jegens de +vaderlandsche letterkunde verdienstelijk maakten, waren steeds vrienden +van gematigden vooruitgang en bondgenooten van hen, die wilden, dat ook +de Hervormde Kerk zou deelen in de stralen der blijkbaar toenemende +verlichting. En terwijl zij van lieverlede afstand deden van hunne +begrippen omtrent het overheidsambt en het wapendragen, gaven zij aan- +en ontvingen zij van de Hervormden menigvuldige blijken van +verdraagzaamheid, toenadering en verbroedering. Hadden de twee +Doopsgezinde instellingen: _Teijler's Godgeleerd en Tweede Genootschap_ +(1779) en de _Maatschappij: tot nut van 't Algemeen_ (1785), de +bevordering van de waarheid der christelijke godsdienst, de uitbreiding +van de wetenschap en de verstandelijke ontwikkeling van het volk ten +doel--met gemeenschappelijke krachten en verwijdering van alle +geloofsverschil hebben zoowel Hervormden als Doopsgezinden geijverd om +dat doel te bereiken, en daardoor de eer en bloei van beide instellingen +bevorderd tot duurzaam heil des vaderlands[310]. Ook de Friesche +Doopsgezinden hebben tot dat alles het hunne toegebragt, en zullen de +geschriften van STINSTRA, NIEUWENHUIS, DE VRIES, OOSTERBAAN, STIJL, +KOOPMANS, HANEKUIK, HOEKSTRA, BROUWER, WIELING en anderen bestendig +getuigen van hun ijver, zoowel voor Christendom en Kerk, als voor +wetenschap en volksgeluk. De verzachting van begrippen en toenadering +van de Protestanten onderling mogt den lang bestaanden scheidsmuur doen +vallen, die toenadering moest echter ten gevolge hebben eene verminderde +getal-sterkte hunner Kerkgemeenschap. + + [310] Zie dit meer bijzonder aangewezen in de verhandeling van Prof. + SIEGENBEEK, _over hetgeen het Kerkgenootschap der Doopsgezinden, in de + laatste 50 jaren, tot verspreiding van redelijke Godsdienstkennis, + handhaving van het zuivere Christendom en verbetering der Predikwijze, + in de Protestantsche Kerk van Nederland heeft toegebragt_, geplaatst + in het 6e dl. van KIST en ROYAARDS, _Archief_, Leiden 1835, 203. + +Het werd mede eene aanleiding, dat vele Doopsgezinden, op verren afstand +van eene gemeente wonende, geene zwarigheid maakten tot de Hervormde +Kerk over te gaan.[311] Zeker hadden de staatkundige omstandigheden en +de offers, welke de omwenteling van 1795 eischte, daarop een merkbaren +invloed: want verlies van fondsen en daardoor van de gelegenheid om +wetenschappelijk gevormde leeraars te kunnen bekomen, hebben vele kleine +gemeenten op het land doen vervloeijen. Ten gevolge van dat alles daalde +het getal gemeenten toen tot 42 en dat der zielen tot ruim 12,000, +hoewel het laatste getal in 1851 weder tot ruim 15,000 was toegenomen. +Die omwenteling schonk evenwel ook hun volkomene gelijkstelling met +andere gezindten en onbeperkte vrijheid van godsdienstige begrippen. +Sedert dien tijd hebben geene schokken hun kerkelijk bestaan verontrust, +maar als rustige burgers van den staat, vasthoudende aan de grondslagen +hunner evangelische belijdenis, zijn zij toegenomen in innerlijke kracht +en in uitwendig aanzien, deelende in de zelfde voorregten, welke de met +haar verbroederde Hervormden in de negentiende eeuw mogen genieten, bij +gelijkheid van streven naar meerdere ontwikkeling en volmaking van +christelijke beginselen, tot vorming van waardige burgers voor den Staat +en bovenal voor het Koningrijk Gods in het leven der toekomst. + + [311] Over de oorzaken van het verminderde getal leden heeft D^o. + BLAUPOT TEN CATE een afzonderlijk werkje geschreven, getiteld: + _Gedachten over de Getals-vermindering bij de Doopsgezinden_, Amst. + 1844, naar aanleiding van opmerkingen deswege in het belangrijke werk + van D^o. J. H. HALBERTSMA, _de Doopsgezinden en hunne herkomst_, Dev. + 1843. Volgens eene lijst daarin, zijn er in _Friesland_ wel 27 + gemeenten te niet gegaan. + + +_De Lutherschen_[312]. + + [312] Het volgende is hoofdzakelijk getrokken uit de berigten van de + Eerw. Heeren SCHULTZ JACOBI en SCHUTTE, in _Aant._ 19 breeder vermeld. + Zie ook bl. 164 hier vóór, en meerdere bijzonderheden in mijne + _Geschiedkundige Beschrijving van Leeuwarden_, II 118. + +Sedert LUTHER in 1517 openlijk den kamp waagde tegen _Rome_ en de +misbruiken der Kerk, vonden zijn moed en gevoelens in ons vaderland +spoedig weerklank. Bijzonder was dit het geval in _Friesland_, volgens +de berigten van zijn tijdgenoot PETER VAN THABOR op het jaar 1524[313]. +»Door zijne schriften (meldt deze) en door zijne beschuldigingen tegen +den Paus en de regenten der Kerk, alsmede tegen de Kloosters en velerlei +menschelijke inzettingen en misbruiken, had hij het gansche Christenrijk +beroerd, en waren er te _Amsterdam_ vooral groote ongeregeldheden +voorgevallen. Hoewel er in _Friesland_ daarover toen nog niet zulke +twisten bestonden, waren er nogtans vele priesters en geleerde lieden, +die LUTHER bijvielen, en zelfs twee priesters van het klooster _Aanjum_ +naar hem toegeloopen." Reeds vroeger, onder de Saksische regering, +hadden verscheidene Friezen de Saksische Hoogeschool te _Wittenberg_ +bezocht, en van 1522 tot 1559 nam dit getal aanmerkelijk toe, volgens +eene daarvan bestaande breede lijst[314]. Vermits LUTHER eerst in 1546 +overleed, zoo is het duidelijk, dat zijne leerlingen in _Friesland_ +denkbeelden en gevoelens terugbragten, welke den voortgang en de +uitbreiding van de zaak der hervorming gunstig waren. Vandaar dan ook, +dat in al de eerste plakkaten, sedert 1521 namens den Keizer tegen de +ketters en verzakers van het geloof der Kerk hier afgekondigd, LUTHER en +zijne dolingen wel het meest worden veroordeeld en de verspreiding van +zijne schriften en gevoelens verboden[315]. + + [313] _Kronijk_, in het _Archief_ van VISSER en AMERSFOORDT, II 427. + + [314] Bij SCHULTZ JACOBI, 173, 184. Hij heeft deze lijst opgemaakt uit + het Album der Wittenbergsche Hoogeschool, dat echter slechts tot 1560 + is gedrukt. + + [315] Zie deze plakkaten in het _Charterboek_, II 107, 194, 415, 514, + 563, 594, 626, 633 env. + +En evenwel, hoe groot die invloed van LUTHER in _Friesland_ ook geweest +is, om eene verandering van geloof, gemoed en leven te weeg te brengen, +is er volstrekt geen blijk, dat er in de 16e eeuw hier eene, naar hem +genoemde, sekte of gemeentelijke vereeniging, welke bepaaldelijk de +Augsburgsche belijdenis volgde, is gevestigd geweest. Later toch waren +de plakkaten meer gerigt tegen MENNO SIMONS en de hervormings-gezinden +in het algemeen. De sterke toeneming van de Doopsgezinden en de +aanneming van de bijzondere begrippen van ZWINGLI en daarna van KALVIJN +bij de Hervormden schijnen de oorzaken geweest te zijn, dat de +Lutherschen zich hier niet tot eene afzonderlijke gezindte gevestigd +hebben. Sommigen hunner begaven zich naar _Oost-Friesland_, anderen +vereenigden zich bij hunne uitsluiting in 1581 met de Hervormden, zoodat +het getal dergenen, die de leerstellingen van LUTHER bleven aankleven, +gering zal geweest zijn. + +In de volgende eeuw vermeerderde dat getal van lieverlede. +Onderscheidene personen uit den vreemde zetten zich hier neder, of +kwamen in het gevolg der Friesche Stadhouders of met Duitsche benden +herwaarts over. Ook aan de Akademie te _Franeker_ bevonden zich veelal +verscheidene Luthersche studenten. Toen in 1650 het getal dezer laatste, +uit _Duitschland_, _Zweden_, _Denemarken_ enz. 31 bedroeg, deden zij +eene eerste poging, om in _Friesland_ eene Luthersche Kerk op te +rigten. Eerst deden zij een aanzoek daartoe aan den Akademischen +Senaat, en, toen zij bij dezen geen gehoor vonden, aan Gedeputeerde +Staten. Dan, de Hoogleeraren bragten daartegen zoo vele bezwaren in; zij +vreesden van eene toegeeflijkheid in dezen zóó ernstige gevolgen voor de +Kerk en de rust der Hoogeschool, dat de Staten meenden, genoemd verzoek +van de hand te moeten wijzen[316]. Evenmin slaagde zeker zwervend +predikant, JOHANNES DURÆUS, in 1656, om de Gedeputeerden in gunstiger +stemming te brengen jegens zijne geloofsgenooten. + + [316] Uit de Akademische akten medegedeeld door D^o. LORGION, _de + Hervormde Kerk_, 118. + +Intusschen hielden de Lutherschen toenmaals reeds in stilte +vergaderingen zoowel te _Leeuwarden_ als te _Harlingen_, welke +oogluikend werden toegelaten. De ijverzucht der Hervormde predikanten +werd daardoor echter opgewekt, en de Synode van 1663 beval een onderzoek +deswege, waarna zij in 1668 hare klagten daarover bij Gedeputeerde +Staten inbragt. Zij werd daartoe inzonderheid bewogen, omdat de +Lutherschen, na in dat jaar van de Staten te vergeefs verlof gevraagd te +hebben, om te _Leeuwarden_ eene kerk te bouwen, een predikant uit +_Amsterdam_ hadden ontvangen, die zoowel hier als te _Harlingen_ al te +openbaar predikte. Gedeputeerden, gelijk ook de Magistraat, waren eerst +wel genegen tot toegevendheid; doch toen de Lutherschen in het houden +van hunne bijeenkomsten in eene vaste vergaderplaats hoe langer hoe +vrijer werden, drongen de klagten en beschuldigingen van den Hervormden +Kerkeraad zóó sterk, dat de Overheid zich in 1671 verpligt zag het bevel +te geven, dat de predikant binnen drie dagen moest vertrekken en dat de +vergaderingen belet of verstrooid zouden worden. + +Ofschoon de regering rekkelijk genoeg was, de uitvoering van dit besluit +nog langer dan drie maanden uit te stellen, was men verpligt te +gehoorzamen en zich te onderwerpen. Doch reeds in het volgende jaar 1672 +kwam er een ander predikant over, en toen in dit jaar de Staten aan de +Doopsgezinden vrijheid van godsdienst-oefening toestonden, werd de hoop +der Lutherschen verlevendigd, dat dit voorregt weldra ook hun mogt ten +deel vallen. Zij bleven in stilte vergaderen in een achteraf staand huis +in de Nieuwe Oosterstraat. Dit was echter zeer bouwvallig, en toen nu +een rijk lid der gemeente, Jhr. ANDREAS MÖLLER, aanbood, om op die +plaats voor zijne kosten een nieuw kerkgebouw te doen optrekken, waagde +men het in Junij 1680 met den opbouw daarvan te beginnen. Doch met deze +stoute daad was men te ver gegaan: want spoedig volgde het bevel van den +Magistraat, om den arbeid te staken en het gebouwde af te breken, +hetgeen, in weerwil van herhaalde en dringende verzoeken, geschiedde. + +Die tegenstand noopte de verdrukte gemeente om het uiterste te wagen en +van de Staten vrijheid van godsdienst-oefening te verzoeken. Door +medewerking van mannen van invloed werd deze den 22 Julij 1681 gelukkig +verleend, evenwel op voorwaarde van te zullen vergaderen in een gewoon +huis en in stilheid, zonder gebruik te maken van eene klok[317]. +Onmiddelijk hierna ving men aan met den opbouw van de kerk, waartoe de +gemeente, die toen ongeveer 3 à 400 zielen telde, gaarne de overige +kosten droeg. In 1692 werd daar naast eene kosterswoning en in 1697 eene +pastorie in de nabijheid aangekocht. Dat kerkgebouw is in 1773 +vernieuwd en vergroot, vooral ten gevolge van den ijver en invloed des +welsprekenden leeraars AUGUSTUS STERK, onder wien de gemeente tot 6 à +700 zielen was aangegroeid. In 1843 is daarnevens eene nieuwe pastorie +gebouwd. + + [317] Zie dit besluit in het _Charterb._ V 1194 en bij SCHUTTE, 189; + alsmede _Reg. Staats-res._ 447; YPEIJ en DERMOUT, I Aant. bl. 153. + + * * * * * + +Weinige zijn de bijzonderheden, welke omtrent de overige Luthersche +gemeenten in _Friesland_ bekend zijn. De gemeente te _Harlingen_, te +gelijker tijd met die van _Leeuwarden_ ontstaan, had in den beginne +gemeenschappelijk met dezen den zelfden predikant. In 1669, toen zij een +eigen huis tot eene kerk aankocht, was het getal harer leden reeds +ongeveer 150. Even als in andere handelsteden nam dit getal van +lieverlede in de 18e eeuw toe. Doch de geweldige twisten, welke ook dit +kerkgenootschap en onderscheidene gemeenten daarvan beroerd hebben, +gaven aanleiding tot scheuring, waardoor er te _Harlingen_ twee +gemeenten ontstonden, waarvan de eerste den naam van de _Evangelisch +Luthersche_ bleef dragen, terwijl de tweede, die zich, in navolging van +de splitsing der Amsterdamsche gemeente, afscheidde, den naam van +_Herstelde_ daar vóór voegde. + +Ook te _Balk_ is eene kleine gemeente geweest, gelijk mede op _Ameland_, +welke tot 1817 als filiaal- of bijgemeente twee of driemalen 's jaars +bezocht werd door den predikant van _Leeuwarden_, die dan in de +Hervormde kerk te _Ballum_ doop en avondmaal bediende. Evenzoo werd +_Workum_ een filiaal-gemeente van _Harlingen_. Te _Sneek_, _Franeker_, +_Dokkum_, _Makkum_, _Dragten_, _Joure_, _het Bildt_ en elders bevonden +zich later nog een grooter of kleiner getal Lutherschen. De geest +van broederlijke eensgezindheid tusschen de Protestantsche +kerkgenootschappen in deze provincie heeft thans gelukkig eene +onderlinge toenadering bevorderd, welke de aanleiding tot vroegere +afzondering grootendeels heeft doen verdwijnen. Het getal Evangelisch +Lutherschen in _Friesland_ is thans, in 1851, echter niet grooter dan +700, en dat der Herstelde van 126. + + +_De Roomsch Katholijken._ + +De aanneming van de zaak der hervorming in _Friesland_ was bij de +omwenteling van 1580 zóó algemeen, dat er slechts weinige ingezetenen +waren, die uit gehechtheid of overtuiging de oude Katholijke eeredienst +bleven toegedaan, terwijl andere, uit vrees voor vervolging, deze +provincie verlieten en later daarin terugkeerden. Tot den jare 1593 +verkeerde die voormalige Kerk hier alzoo »in eenen geheel verlatenen +toestand; naauwelijks bevond zich hier een Priester, en die er waren, +hielden zich uit vrees schuil." Dit verklaart althans Pater WILLEBRORDUS +VAN DER HEIJDEN, die een verhaal heeft geschreven van de pogingen, welke +de zendelingen der _Jezuiten_ van 1593 tot 1638 in _Friesland_ hebben +aangewend, om de Roomsche eeredienst, welke bij de staatsomwenteling was +te niet gegaan, zoo veel mogelijk weder op te beuren en te herstellen, +waartoe hij zelf gedurende elf jaren ijverig medewerkte[318]. Wij noemen +dit eene opmerkelijke verklaring, omdat zij van die zijde dit bekende +feit bevestigt, en het bewijs levert, dat de latere Katholijken in dit +gewest niet de Katholijken waren van vóór 1580, maar of vreemden of +latere afvalligen van de eens aangenomene hervorming. + + [318] _Verhaal van de verrigtingen der Jezuieten in Friesland_ is de + titel van dit geschrift, dat, uit het latijn vertaald, in 1842 door de + Heeren AMERSFOORDT en EVERTSZ is uitgegeven, met vele belangrijke + aanmerkingen over dit onderwerp verrijkt. + +De sedert 1593 bestendig in grooter getal overgekomene zendelingen der +Jezuiten lieten geene pogingen onbeproefd, om sommige edelen, eenvoudige +landlieden en zwakke burgers òf op nieuw in het oude geloof der Kerk te +bevestigen, òf voor hunne zaak te winnen. Vermits niet alle Hervormde +gemeenten in den eersten tijd met geschikte predikanten konden voorzien +worden, en de overdrijving van de Kalvinistische stellingen velen onder +de Hervormden tegenstond, slaagden zij aanvankelijk zeer gunstig. Reeds +in 1606 vestigde zich te _Leeuwarden_ een wereldlijk priester, LAMBERTUS +ENGELBERTS LAMBRINGA, die in 1609 door SASBOUT VOSMAER, zich noemende +opvolger van den Utrechtschen Aartsbisschop, tot Deken en Aartsdiaken +van _Leeuwarden_ werd aangesteld. De meeste zorg, veel vernuft en groote +welsprekendheid wendden zij aan, om het Katholijk geloof voort te +planten. Een hunner, CARBONELLI, had wel 600 zielen voor hunne zaak +gewonnen. In 1636, toen VAN DER HEIJDEN wel acht priesters tot +medehelpers had, aan wie verschillende grietenijen tot werkkring waren +aangewezen, had hij alleen 523 personen gedoopt en 600 paren in den echt +verbonden; terwijl in het volgende jaar 480 personen te _Leeuwarden_ van +hem absolutie ontvingen. Ja, zij rekenden er op, dat elk jaar hun +ongeveer 800 zielen aanbragt. + +Met ongemeenen moed weêrstonden of ontweken zij dikwijls het gevaar, dat +hen bestendig bedreigde en herhaalde malen trof, van verstrooid, +verjaagd, gevangen genomen en geboet te worden. Want zoowel de Algemeene +als de Provinciale Staten hadden in en na den jare 1580 strenge +plakkaten doen uitgaan tegen de priesters en de pauselijke ceremoniën, +bijeenkomsten enz. Na 1593 werden die verbodsbepalingen, welke nagenoeg +elk jaar op nieuw werden uitgevaardigd, dreigender, de bevelen aan de +plaatselijke besturen scherper en de boeten op de overtreding hooger +gesteld. Zelfs had hij, aan wiens huis zulk eene verbodene +godsdienst-oefening plaats had, 100 Friesche gouden Rijders verbeurd. +Nadat, volgens besluit der Hollandsche zending der Jezuiten, +_Leeuwarden_ aan WILLEM WARIGHEM, _Zwolle_, _Groningen_ en _Sneek_ aan +ARNOLD CATHUIS en _Harlingen_ aan GERARDUS CARBONELLI waren ten deel +gevallen, breidden zij vooral over deze steden en omstreken hunne zorgen +uit. Toen er in 1616 een gerucht ging, dat uit het huis van een »papist" +te _Harlingen_ tot onder de Hervormde kerk mijnen waren gegraven, om +deze laatste met buskruid te vernielen, lieten Gedeputeerde Staten, op +aanklagt der classis van _Franeker_, dat huis onverwachts door 35 +soldaten overvallen en plunderen, waarbij in eene kast een aantal +brieven en andere stukken van den priester WARIGHEM werd gevonden. De +Staten achtten deze stukken belangrijk genoeg, om ze door den druk +gemeen te maken, hetgeen in het latijn en in het nederduitsch +geschiedde, opdat men zou kunnen zien »met wat practijken ende hoe +groote neersticheyt de Jesuyten hare _negotiatie_ (so sij 't noemen) +dryven, en hoe sy de Paeusselijcke Religie met de Jesuijtsche +heerschappye tot onderganck van de gereformeerde Kercke ende Republijcke +soecken voort te planten"[319]. + + [319] _Iesvitica per Vnitas Belgij Prov. Negociatio_ is de latijnsche, + en _Der Jesuyten Negotiatie ofte Coop-handel inde Vereenichde Nederl._ + de Nederduitsche titel van dit hoogst zeldzame, in de Stedelijke + Bibliotheek van _Leeuwarden_ bewaarde geschrift, dat den Heeren + AMERSFOORDT en EVERTSZ zelfs onbekend bleef, en waarvan zij bl. 49 en + 250 melding maken naar eene schets, welke SCHELTEMA daarvan gaf in + KIST en ROYAARDS, _Archief_, III 399. + +In weerwil der hier na toegenomene vervolging en ondanks het +staatsbesluit van 1638, waarbij aan alle priesters bevolen werd, binnen +zes dagen uit deze provincie te vertrekken, bleven zij voortgaan, »om +met groote cloeckheyt alle perijckelen te weerstaen en nae vermoghen +zielen te winnen met Godts gratie." En inderdaad, als wij lezen hoe +dikwijls zij zich daarbij aan levensgevaar bloot stelden; welk een moed +zij voor hunne zaak aan den dag legden, en hoe onvermoeid zij werkzaam +waren, om hun doel te bereiken en aanhangers te verwerven,--en als wij +daarmede vergelijken de beschuldigingen tegen de Hervormde predikanten +destijds ingebragt, zoodat de klassis van _Franeker_ het in 1662 noodig +vond hen te bevelen, »tot verhoedinge van luijheijd en traagheijd in den +H. dienst tot tweemaal te prediken en catechisatiën te houden, en dat +het prediken niet in bloten sleur, en door alweder en weder dat selfde +ten voorschijn te brengen en alsoo alleen om de uur te krijgen, werde +verrigt"[320]--dan is het duidelijk, dat de onverpoosde ijver der +Jezuiten en de laauwheid der Hervormden de oorzaken waren, dat de +Katholijken van lieverlede in getal en krachten toenamen. Hoezeer het de +Synode ook ergerde en hoe dikwijls zij ook klaagde over de »paepsche +stoutigheden, het plegen van pausselyke ceremonien en het houden van +conventiculen," waartegen de Staten tot aan 1686 bestendig de plakkaten +vernieuwden,--zij moest toezien, dat de Katholijken hoe langer hoe +onbeschroomder hunne godsdienst-oefeningen hielden en in de meeste +steden en in en buiten vele dorpen in bekende bedehuizen bijeenkwamen. +Die openbaarheid hinderde 1680 den Hervormden Kerkeraad van _Leeuwarden_ +zoodanig, dat op zijn verzoek, »om de paepsche afgoderij te weeren", de +Magistraat al de altaar-sieraden uit het huis van Dr. VAN CAMPEN liet +wegnemen en het zilverwerk in de Munt versmelten; terwijl de eigenaar +van dat huis eene boete van 300 Gld. opgelegd werd, omdat hij bleef +voortgaan met het houden van zamenkomsten. Groote wrok verwekten in deze +stad de berigten van de vervolgingen, welke de Fransche Hervormden, ten +gevolge der herroeping van het edikt van _Nantes_, hadden te verduren: +zoodat op den 26 Julij 1687 de vergaderplaatsen der Roomschen door het +gemeen werden aangevallen, verstoord en geplunderd, waarbij altaren, +schilderijen, beelden en versiersels op de straat geworpen en openlijk +verbrand werden[321]. + + [320] LORGION, Bijlagen tot _de Ned. Herv. Kerk_, 340. + + [321] Zie SYLVIUS, _Vervolg op_ AITZEMA, 1687, III 95. + +Sedert 1693 vinden wij echter van geene vervolgingen of verhinderingen +meer gewag gemaakt. Alleen de Jezuiten bleven strengelijk geweerd, en +werden de plakkaten tegen deze nog in 1708 vernieuwd[322]. Het groot +getal vreemdelingen, dat zich hier van tijd tot tijd nederzette en de +Katholijke leer beleed, gevoegd bij de toenemende verdraagzaamheid van +het Landsbestuur schijnen de oorzaken geweest te zijn, dat men de +godsdienstige bijeenkomsten van deze rustige burgers voortaan bij +oogluiking toeliet. Ten aanzien van het stemregt en het vervullen van +openbare bedieningen bleven zij echter buitengesloten. »Zij werden," +gelijk de geleerde HUBER zegt, »meest door de wetten ingetoomt, omdat +sy, vóór desen Meesters geweest zijnde en ziende hare partije de +machtigste in _Europa_, ook door een zeer nauwe verbintenisse gehecht +aen den _Paus_ en daer op stout, voor gevaarlijk aen den Staet worden +gehouden"[323]. + + [322] Zie al de Staatsbesluiten vermeld op het _Register_, bl. 352, + 605, 614, en vele daarvan op de daarin vermelde datums gedrukt in het + _Charterboek_; alsmede meerdere bijzonderheden in mijne + _Geschiedkundige Beschrijving van Leeuwarden_, II 171, 197. + + [323] _Heedendaegse Rechts-geleertheyt_, _Leeuw._ 1699, I 25. + +Eerst nadat de edele Paus CLEMENS XIV (GANGANELLI) de orde der Jezuiten +had afgeschaft, betoonden de Friesche Staten zich rekkelijker jegens de +Katholijken. Bij plakkaat van den 16 Maart 1776 stelden zij vast, dat +het der R. K. gemeenten in deze provincie vergund zou zijn, onder +goedkeuring van het plaatselijk bestuur, alléén wereldlijke Priesters en +Kapelanen aan te stellen, die beloven moesten, geene stellingen te +zullen leeren, welke het regt van- en de gehoorzaamheid aan de oppermagt +der hooge Overheid konden krenken; alsmede, dat zij geregtigd zouden +zijn, op naam en ten behoeve van kerken, geestelijken en armen, vaste +goederen te bezitten, te erven en aan te nemen. Bovendien werd bepaald, +dat de armbezorgers van al de toenmalige bezittingen van iedere gemeente +naauwkeurige lijsten zouden opmaken en bij de plaatselijke besturen +inleveren, om het verduisteren van die goederen te voorkomen[324]. + + [324] Zie _Verzameling van Placaten_, IV 367, 372. + +Sedert dien tijd kreeg dit kerkgenootschap een meer gevestigd bestaan en +nam het getal van deszelfs statiën toe, zoodat dit eerlang tot ruim +dertig steeg, waaronder eene Janseniste gemeente of de Bisschoppelijke +Cleregie te _Leeuwarden_, welke echter in 1805 is te niet gegaan wegens +verminderd getal leden. Eerst bij de omwenteling van 1795 verkregen de +Katholijken volkomene gelijkheid van regten met andere gezindten, dewijl +de provisioneele Representanten van het volk van _Friesland_, bij +besluit van 22 Februarij 1795, verklaarden, de onbelemmerde vrijheid van +geweten en de ongestoorde uitoefening van ieders godsdienst te zullen +handhaven[325]; een besluit, dat den 5 Augustus 1796 door de Nationale +Vergadering werd bekrachtigd. Toen later, ten gevolge der scheiding van +Kerk en Staat, bij de Staatsregeling van 1 Mei 1798, omtrent den +eigendom van de kerkgebouwen en pastoriehuizen der voormaals heerschende +Kerk schikkingen tusschen de verschillende kerkgenootschappen waren +voorgeschreven, bleek het in deze provincie, en bijzonder in de +talrijkste gemeente _Leeuwarden_, welk een geest van onderlinge +welwillendheid en hulpbetoon de onderscheidene gezindten bezielde, en +hoe deze, met eerbiediging van ieders regten, belangrijke bezwaren kon +opheffen[326]. Mogt die geest, ook in andere tijden en omstandigheden, +duurzaam blijven bestaan, en mogten de uiteenloopende kerkgenootschappen +allen wedijveren in liefde tot God en de naasten! Dan zeker zal het rijk +van deugd, beschaving en volksgeluk hier meer en meer bloeijen en +waardige burgers kweeken voor dit en het toekomstige vaderland. + + [325] Aldaar, I 24. + + [326] Sedert dien tijd is het getal Roomsch Katholijken in deze + provincie dermate toegenomen, dat het Aartspriesterschap van + _Friesland_ thans, 1851, uit ruim 21,000 zielen bestaat, uitmakende 31 + statiën en 32 gemeenten, met een Deken en Aartspriester, te _Sneek_ + wonende, aan het hoofd. + + +_De Joden._ + +'t Is inderdaad een zonderling contrast in de geschiedenis, dat in het +zelfde jaar 1619, waarin de Remonstranten, die in ondergeschikte punten +van geloof van de heerschende Kerk verschilden, uit den lande gebannen +werden,--de allengs van elders overgekomen Joden of Israëliten, wier +geloof lijnregt tegen dat der heerschende Kerk over stond, van de Staten +van _Holland_ vrijheid van godsdienst-oefening verkregen. Zóó verdragen +twistende bloedverwanten beter vreemden dan elkander. + +Lang hadden er in ons vaderland Joden verkeerd, toen een aantal uit +_Portugal_ overgekomene Israëliten zich omstreeks 1595 te _Amsterdam_ +vestigde[327]. De Hoogduitsche Joden hebben echter eerst in 1636 daar +eene gemeente opgerigt. Van uit die destijds zoo zeer bloeijende +handelstad verspreidden deze zich eerlang in andere provinciën, en +zetten in 1645 eenige gezinnen zich te _Leeuwarden_ neder. Zij werden +door de Overheid stilzwijgend geduld, en later, 1670, met eene plek +gronds tot eene begraafplaats begunstigd. Bij de toeneming van hun +getal, gingen sommigen ook naar andere steden dezer provincie, waar de +gelegenheid tot het drijven van kleinhandel hun het gunstigst voorkwam. +Alleen de vreemde Joden, die hier kwamen bedelen en bedriegelijken +handel dreven, wekten het misnoegen op van de Regering, zoodat ze +bestendig verdreven en in 1770 zelfs bij lands plakkaat geweerd- en met +vagabonden gelijk gesteld werden. In 1772 schreven de Staten ook het +formulier voor, waarnaar »de Gerechten en Predikanten(?) verplicht +waren, de Jooden in den Huwelyken Staat te bevestigen"[328]. Nadat hun +getal, dat in 1754 te _Leeuwarden_ 140 zielen bedroeg, in 1798 tot 433 +zielen was toegenomen, lieten zij daar in 1805 eene nieuwe en groote +Synagoge bouwen. Vervolgens nam ook deze gezindte in dit gewest zoodanig +toe, dat de _Nederlandsche Israëliten_ in _Friesland_ thans een +_Synagogaal Ressort_ uitmaken, met eene Hoofdsynagoge te _Leeuwarden_, +door een Opper-Rabbijn bediend, benevens vijf Ring-synagogen, als: te +_Gorredijk_, _Harlingen_, _Bolsward_, _Lemmer_ en _Sneek_, met twee +bijkerken te _Noordwolde_ en _Hindeloopen_; terwijl hun getal op den 1 +Januarij 1851 ruim 2,000 zielen bedroeg. + + [327] WAGENAAR, _Amsterdam_, II 220. Sedert is dit onderwerp + herhaaldelijk en uitvoerig behandeld in VAN WIJN, _Huiszittend + Leeven_, Amst. 1801; VAN HAMELSVELD, _Geschiedenis der Joden_, ald. + 1807, en vooral in de onder laatsten titel door het Utrechtsch + Genootschap bekroonde verhandeling van den Heer H. J. KOENEN, 1843, + wezenlijk een sieraad onzer letterkunde. + + [328] Zie _Reg. Staats-res._ 370, 598, 344, waar het plakkaat en + formulier voorkomen; alsmede meerdere berigten in de _Geschiedkundige + Beschrijving van Leeuwarden_, II 198. + + +40. _Frieslands Roem in Kunsten en Wetenschappen._ + +Weinige onderwerpen zijn er, welke zoo belangrijk en tevens zoo +bekoorlijk zijn, als de Geschiedenis van de Letterkunde. Hoe gaarne zou +ik dus, indien het mij niet aan tijd en krachten faalde, onder +bovenstaanden titel, een uitvoerig tafereel willen ophangen van der +Friezen aandeel in de pogingen der Nederlanders, om de vruchten van +hunnen geest en ijver dienstbaar te maken tot uitbreiding van het rijk +van waarheid, kennis en deugd en tot aankweeking van goeden smaak en +kunstzin? Eigenschappen, welke, als kenmerken en vereischen van het +streven naar meerdere volmaking, het wezen en het doel eener +burgermaatschappij moeten uitmaken. De mensch, half dier, half engel, +heeft toch hoogere behoeften en eene edeler bestemming dan brood en +vleesch kunnen bevredigen of vervullen. Gelukkig zij dus, die bij het +leven des ligchaams ook het leven van den geest trachten te voeden: want +de wetenschappen en kunsten zijn, naast de godsdienst, evenzeer sieraden +als onmisbare hulpmiddelen ter opvoeding en beschaving van een volk in +deze aardsche oefenschool voor eene betere wereld. Zonder vorming voor +die wereld is er hier toch geene vatbaarheid voor geluk, geene kracht om +te lijden en te strijden, geen moed om te sterven. + +Dat tafereel van de geschiedenis der letterkunde in _Friesland_ zou +zeker tevens de blijken leveren, dat deze provincie, naar gelang harer +bevolking en krachten, zich wel met andere provinciën des vaderlands +heeft kunnen meten in den edelen wedstrijd ter bevordering van het ware, +goede en schoone; zelfs met _Holland_, welks roem in kunsten en +wetenschappen ook door den Baron COLLOT D'ESCURY zoo eervol is +gehandhaafd. Of heeft niet een van Hollands eigene geschiedschrijvers, +de voortreffelijke VAN KAMPEN, mede erkend: »Het is inderdaad +hoogstmerkwaardig, dat _Friesland_, een zoo middelmatig Gewest van het +kleine _Nederland_, in allerlei takken van menschelijke kennis, zoo vele +uitstekende mannen heeft opgeleverd; zoodat men moet bekennen, dat dit +Gewest zoo rijk geweest is in beroemde mannen, in zijnen schoot +voortgebragt of gekoesterd, als bezwaarlijk eenig Land van gelijke +uitgebreidheid in _Europa_"[329]. + + [329] Zie zijne _Beknopte Geschiedenis der Letteren en Wetenschappen + in de Nederlanden_, Delft 1826, III 254, 258. + +Hoe aangenaam en belangrijk het behandelen van dit onderwerp ook zij, +het volbrengen daarvan moet ik echter aan een ander beoefenaar van +wetenschap en kunst in deze provincie overlaten. Naar het bestek en plan +van dit werk kan ik hier van dit onderwerp in hoofdtrekken slechts +datgene aanstippen, wat ik wensch, dat een ander, met gelijken lust, +doch meer bekwaamheid, uitvoeriger en vollediger in het licht moge +stellen, in verband met de ontwikkeling van beschaving en volksgeluk. + +In de eerste plaats verdient dan onze aandacht: + + +_Frieslands Hoogeschool te Franeker._ + +In weerwil de Spaansche benden nog op de grenzen stonden des lands, dat +zij herhaaldelijk door hunne invallen verontrustten;--ondanks gebrek aan +krijgsvolk en middelen, die de verworvene onafhankelijkheid moesten +verzekeren;--niettegenstaande hevige twisten tusschen de leden der +regering over de mate en de grenzen des gezags--waren de Staten van +_Friesland_ zeer spoedig bedacht, om, als eene eerste vrucht van de +zegepraal der hervorming, hier eene kweekschool der wetenschappen te +stichten; vooral, om de kerk van geschikte predikanten te voorzien. Zij +meenden tevens aan de goederen der voormalige kloosters, aan den lande +vervallen, geene betere bestemming te kunnen geven, dan om ze dienstbaar +te maken tot het vrome doel, om de jeugd door onderwijs te vormen voor +de dienst van Kerk en Staat, die behoefte hadden aan eene leerschool, +tot dusverre steeds buitenlands gezocht. En op den zelfden landsdag van +1584, waarop zij den eed tot afzwering van Koning FILIPS herhaalden en +Graaf WILLEM LODEWIJK _van Nassau_ tot hunnen Stadhouder verkozen, +besloten zij tot oprigting van een »Seminarium ofte Collegium tot +welstand der Kercke Gods en het Polytische Regiment"[330]. + + [330] WINSEMIUS 747, 752, 758; SCHOTANUS, _Beschrijv._ 139; VRIEMOET, + _Athenæ Frisiacæ_, IV. + +Het voormalige Kruisebroeders-klooster te _Franeker_ werd daartoe +aangewezen, en de voor acht jaren te _Leiden_ gestichte Akademie tot +voorbeeld gekozen. In verschillende vakken werden geleerde mannen tot +Hoogleeraren benoemd; ja zelfs twee, TIARA en DRUSIUS, van _Leiden_ +herwaarts beroepen, waarna de plegtige inwijding den 29 Julij 1585 +plaats had. Door de hoogleeraren geheel en de studenten ten deele van +alle belastingen vrij te stellen; door het oprigten van een Akademische +Bibliotheek; door het aannemen van een groot getal Alumni, die op lands +kosten studeerden, waarvan het getal in 1598 tot 124 bepaald werd; door +het instellen van eene Oeconomie en daarna van eene Beurs of algemeene +tafel, ook voor minvermogende en vreemde studenten, en door wijze wetten +en verordeningen trachtte het landsbestuur alles te bevorderen, wat tot +bloei en uitbreiding van de Akademie kon strekken. De gewenschte vrucht +daarvan bleef ook niet achter. Nadat in 1604 vier Curatoren namens de +Staten meer bepaald met de zorg voor de belangen der Hoogeschool belast +waren, nam het aantal studenten ongemeen toe, en werd ook het getal +hoogleeraren vermeerderd; terwijl de roem van hunne geleerdheid en +onderwijs mede vele buitenlanders aanspoorde, het kleine, doch voor de +beoefening van de wetenschappen zoo geschikte _Franeker_ te bezoeken. De +akademische inrigtingen werden vervolgens in 1632 met een Hortus +Botanicus en in 1752 met Laboratorium Chemicum vermeerderd[331]. +Vandaar, dat, in weerwil het getal Alumni lands voedsterlingen in 1664 +tot op 41 verminderd was, het bij de plegtige viering van het eerste +eeuwfeest der Akademie in 1685 bleek, dat het getal der gedurende de +eerste honderd jaren ingeschreven studenten niet minder dan 10,643 had +bedragen[332]. + + [331] Zie de Staatsstukken betrekkelijk deze Hoogeschool in het + _Charterb._ IV 657, 820, 943, 1075; V 108, 246, 297, 317, 328, 518, + 522, 546, 551, 628, 730, 758, 999; _Reg. Staats-res._ 5, 35, 110, 473, + 557, 647, 774; benevens de MS. Res. van Gedeputeerden. + + [332] Volgens het nog aanwezige Album. De Feestrede van Prof. N. + BLANCARDUS, bij die gelegenheid gehouden, komt met vertaling voor in + SYLVIUS, _Vervolg op_ AITZEMA, II 23e bk. 91. + +Maar welke Hoogleeraren waren het ook, die door hun onderwijs en +schriften de inboorlingen tot bekwame mannen vormden en zoo vele +vreemdelingen, ook uit ver verwijderde landen, tot zich trokken? In de +~Godgeleerdheid~ waren het LYDIUS, VAN DER LINDEN en LUBBERTUS, en op +hun voetspoor twee SCHOTANUSSEN, CLOPPENBURG en ARNOLDUS, die den roem +der Hoogeschool vestigden, gelijk WITSIUS, VAN MARCK, twee VITRINGA'S, +twee VAN DER WAEYENS, ROËLL, CONRADI, VENEMA en VAN VOORST, die hem +handhaafden en uitbreidden. In de ~Regtsgeleerdheid~ werd te _Franeker_ +eene school gevormd, welke uitstekende leerlingen kweekte onder de +hoogleeraren VAN BEIJMA, twee SCHOTANUSSEN, VAN DEN SANDE, FABER en +BOURICIUS, die later nog overtroffen werden door WISSENBACH, twee +HUBERS, NOODT, SCHULTING, WESTENBERG en HEINECCIUS, die Europeschen roem +verwierven, alsmede door twee VOORDA'S, WIELING, TROTZ, CANNEGIETER enz. +De ~Genees-~, ~Wis-~ en ~Natuurkundige Wetenschappen~ vonden ijverige +beoefenaars in AULETIUS, CLINGBIJL, METIUS, M. WINSEMIUS, VAN DER LINDEN +en HOLWARDA, doch vooral in twee MATTHÆUSSEN, twee FULLENIUSSEN, MUYS, +LORÉ, OUWENS, twee YPEIJS, twee BRUGMANSEN, CAMPER, VAN SWINDEN enz. +Inzonderheid bloeide hier de beoefening van de ~Oude Talen~, ~Letteren~ +en ~Geschiedenis~ onder mannen als: TIARA, DRUSIUS en AMAMA, die de +grondslagen legden, waarop RHALA, PASOR, P. WINSEMIUS, MOLL en TERENTIUS +voortbouwden, om onder BOS, SCHULTENS, WESSELING en VRIEMOET zich uit te +breiden en door HEMSTERHUIS, BURMAN, D'ARNAUD, VALCKENAER en SCHRADER +eene schitterende hoogte te bereiken, waarvan onder VAN LENNEP, VAN +KOOTEN en WASSENBERGH nog de stralen blonken[333]. + + [333] Levensbeschrijvingen van de meest al de genoemde Hoogleeraren + bevat het werk van VRIEMOET, hier vóór op bl. 234 aangehaald. + +Inderdaad, eene rij van geëerbiedigde namen, meest Friezen van geboorte, +door de wijsheid van Frieslands staatsleden aan deze Hoogeschool +verbonden, om het licht van geleerdheid en wetenschap te verspreiden; +mannen, die voor Kerk, Staat en andere hoogescholen uitmuntende +leerlingen vormden, en die hun roem aan de eer van _Franeker_ hebben +verbonden. 't Was dáárom, dat de geschiedschrijver van Neêrlands +letterkunde deze stad bij herhaling hulde bragt, als eene bron van +kennis voor ons vaderland, daar hij »_Franeker_ eens de eerste en +voornaamste Hoogeschool van _Nederland_ en de kweekhof van groote +mannen voor _Leyden_" noemde[334]. + + [334] VAN KAMPEN, t. a. p. II 248, 259, 261, 311, 313, 364, 520, 609. + Op al deze plaatsen staaft die schrijver het hooge aanzien der + Franeker Akademie met bewijzen; terwijl het laatste gezegde + bevestiging vindt in een getal van _dertig_ Hoogleeraren, van + _Franeker_ naar _Leiden_ beroepen. Hij voegt er bij: "De _Friesche_ + Hoogeschool telde in dit tijdperk, 1713-80, vijf der meestberoemde + Letterkundigen van _Europa_ onder hare Hoogleeraren, SCHULTENS, + HEMSTERHUYS, VALCKENAER, WESSELING en BURMAN, en was dus een waar + _Athenæum_ (niet in den zin van minderheid beneden eene _Akademie_)." + +»Zoo heeft God dese Academie steeds seer gesegent, met vermaerde Mannen, +die tot alle tyden hier geweest zijn, en die, naest vele vryheden ende +groote privilegien, de gunst, vriendschap en de beleeftheyt genoten van +de Regenten en Principaelen des Landts, welke dese Academie beminden en +voorstonden als de croon en cieraedt der Provincie"[335]. De eenmaal +ingestelde heilzame verordeningen moesten echter bij herhaling +vernieuwd, uitgebreid en aangedrongen worden, wegens veelvuldige +ingeslopen misbruiken; terwijl zoovele, uit verschillende natiën +herwaarts gevloeide, studenten te dikwijls aanleiding gaven tot klagten +over drinkgelagen en baldadigheden, waartegen soms strenge maatregelen +werden genomen. Van den aanvang af werd toch als het doel der studiën +voorgesteld, om zoowel uit te munten »in geleertheyt als seden ende +eerbaerheyt, opdat de jeugd, die opgequeeckt wordt tot Predick ende +Richtstoelen, den roem van eenen goeden wandel en een reyn gemoet met +haer brengen"[336]. + + [335] Prof. SCHOTANUS, _Beschrijv._ 140. + + [336] Aldaar, 145, 177. + +Bij den tijdelijk ongunstigen toestand der provinciale financiën konden +de Staten, die tot dusverre de belangen der Akademie zoo onbekrompen +hadden bevorderd, goedvinden, in 1774 eenige »poincten van menage" in te +voeren. Deze hadden noodlottige gevolgen, zoodat, ook wegens het +verminderen van het getal vreemde studenten, haar bloei blijkbaar +gedaald was, toen in 1785 het tweede eeuwfeest der Hoogeschool +schijnbaar met luister werd gevierd. + +Doch toen ook kwijnden de studiën mede onder het geklank der opgevatte +wapenen bij den opgewekten vrijheidszin onder de staatkundige +verdeeldheden en beroerten, waarvan _Franeker_ vooral de zetel was, en +ten gevolge waarvan in 1787 vier hoogleeraren en een aantal studenten +deze stad verlieten. Te vergeefs trachtte men voor en na 1795 de hieruit +voortgevloeide nadeelen te herstellen. Hoewel het getal studenten +vervolgens weder tot 80 klom, sleepte de Hoogeschool, in vergelijking +van haar vroeger aanzien, in het tijdvak der overheersching een kwijnend +bestaan voort; totdat het Keizer NAPOLÉON behaagde, haar in 1812 op te +heffen, en dezen eens zoo roemrijken zetel van geleerdheid en +wetenschap, die het vaderland zoo lang tot sieraad had verstrekt, te +vernietigen[337]. + + [337] Behalve de bronnen, hier vóór vermeld, bevat de _Teg. Staat_, II + 512, het uitvoerigste overzigt van de geschiedenis der Hoogeschool, + welke echter tot dusverre nog zeer onvolkomen bekend is. Ook dáárom + wensch ik zeer, dat er uit de groote menigte stukken, welke er + betrekkelijk deze Akademie nog te _Franeker_ en in mijne eigene + verzameling aanwezig zijn, eenmaal eene volledige geschiedenis worde + opgemaakt, welke zeker voor onze letterkunde eene belangrijke bijdrage + zou zijn. + + +_Godgeleerden._ + +Ook behalve de vroeger genoemde hoogleeraren te _Franeker_ heeft +_Friesland_ een groot getal ~Godgeleerden~ voortgebragt of gekweekt, die +òf als Hoogleeraren op de andere vaderlandsche leerscholen, òf als +Predikanten, door geleerdheid en uitgegevene geschriften hebben +bijgedragen, om het licht van godsdienst-kennis te verspreiden en de +leer der Kerk te handhaven. GELLIUS SNECANUS, SIBRANDUS WOMMELIUS, +FESTUS HOMMIUS en GELLIUS DE BOUMA waren in de eerste tijden even +werkzaam om de Kerk te vestigen, als later FRANCISCUS ELGERSMA, DOMICUS +GOLTZIUS, ARNOLDUS LANDREBEN, THEODORUS SCHELTINGA, HENRICUS SICCAMA en +HERO SIBERSMA, om haar op te bouwen en te stichten. De schriften van +THEODORUS en WILHELMUS À BRAKEL waren vooral lang algemeen geacht; zelfs +werd de _Redelijke Godsdienst_ des laatsten van 1700 tot 1767 17 malen +herdrukt. DAVID FLUD VAN GIFFEN en BALTHAZAR BEKKER poogden echter meer +heldere begrippen omtrent de godsdienst te verspreiden en vooroordeelen +te bestrijden, welke pogingen eerst later vruchten droegen. JOH. +WESSELIUS, THEODORUS VAN THUYNEN, NICOLAAS SCHIERE, IBERTUS FENNEMA, +MARTINUS SWARTTE en JOHANNES PLANTINUS waren in de 18e eeuw door leer en +schriften zeer in achting. AGGÆUS HAITSMA, GAVIUS NAUTA, JOANNES +STINSTRA, BENJAMIN FRIESWIJK, JOHANNES HABBEMA en HERO OOSTERBAAN +muntten te gelijk door geleerdheid uit. Toen eindelijk de voortgang der +verlichting vrijmoedigheid schonk, om vrijzinnige evangelische +denkbeelden voor te dragen en een beter licht voor de Kerk te ontsteken, +waren het de Friesche predikanten FOKKO LIEFSTING, JACOBUS ENGELSMA +MEBIUS, PETRUS en JAN BROUWER, PETRUS en GERBRAND BRUINING en JOHANNES +HENRICUS NIEUWOLD, die, even als vervolgens de hoogleeraren JODOCUS +HERINGA EZ., EELKE TINGA, ANNÆUS YPEIJ, LUCAS SURINGAR en ELIAS ANNES +BORGER, ijverig hebben medegewerkt, om in ons vaderland de kluisters der +verouderde kerkleer te verbreken en het evangelische Christendom in eere +te herstellen. + + +_Regtsgeleerden._ + +Aanzienlijk is het getal Friezen, dat gedurende dit tijdvak in de +~Regtsgeleerdheid~ grooten naam mogt verwerven[338]. Hebben wij die, +welke aan de Franeker Akademie uitblonken, genoemd, ook andere +Hoogescholen des vaderlands hebben zij tot eer verstrekt, als: te +_Leiden_ JUCKE VAN BEIJMA, BERNARDUS SCHOTANUS, GERLACH SCHELTINGA, +BAVIUS VOORDA en JAN VALCKENAER; te _Utrecht_, behalve de zelfde +SCHOTANUS en VALCKENAER, CYPRIANUS REGNERUS VAN OOSTERGA en JACOBUS en +JOHANNES HENRICUS VOORDA; terwijl mede op buitenlandsche Hoogescholen +mannen als MEINARDUS VAN AITZEMA te _Rochelle_, FRANCISCUS MEINARDUS te +_Poitiers_ en DOMINICUS VAN ARUM te _Jena_ de leerstoelen van het regt +met roem hebben bekleed. + + [338] Zie deze alle genoemd in Prof G. DE WAL'S _Oratio de claris + Frisiæ Jureconsultis_, in 1818 te _Franeker_ gehouden en in 1825, + vermeerderd met de levens dier personen, te _Leeuwarden_ uitgegeven. + +Hoe vele namen van uitstekende regtsgeleerden bevat ook niet de Naamrol +der Raden van het Hof van _Friesland_, welker roem van bekwaamheid en +strenge regtvaardigheid den luister van deze geëerbiedigde regtbank +verhoogde; personen, meest uit de eerste standen, die voortdurend +bewezen, hoe zeer de beoefening van dégelijke studiën bij den adel en de +aanzienlijken van _Friesland_ in achting stond[339]. Nog talrijker is de +Naamrol der Advokaten voor dit Hof, waarvan vele in deze en andere +betrekkingen sieraden geworden zijn van hun vaderland. Ook de Naamlijst +van de Grietmannen bevat eene menigte personen, die als regtsgeleerden +en staatsmannen hebben uitgeblonken[340]. Velen hunner mogten toch als +leden van de Staten of van de Gedeputeerde en Generale Staten, of in +andere lands betrekkingen mede nuttig zijn en aanzien verwerven. +Moeijelijk valt het uit zoo groot getal personen namen te noemen van +hen, die zich het meest onderscheidden. Evenwel zullen de geschiedboeken +des vaderlands altijd met eere vermelden de verrigtingen van mannen als: +ROMBERTUS ULENBURG, ECO YSBRANDI, KEIMPE en FRANS VAN DONIA, de +Ambassadeur WILLEM VAN HAREN, ALLARD PIETER VAN JONGESTAL, SICCO VAN +GOSLINGA, ULBE AYLVA VAN BURMANIA, TJAARD en HESSEL DOUWE ERNST VAN +AYLVA; gelijk mede van WILLEM en ONNO ZWIER VAN HAREN, WYBRAND VAN +ITSMA, NICOLAAS ARNOLDI, EPO SJUCK VAN BURMANIA, PHILIP FREDERIK en +JOHAN VEGILIN VAN CLAERBERGEN, GEORG FREDERIK Baron THOE SCHWARTZENBERG +enz.; terwijl de geslachten SAECKMA, GROVESTINS, VAN SMINIA, VAN AYLVA, +VAN EIJSINGA, LYCKLAMA, VAN WYCKEL, BOURICIUS, BEUCKER, RENGERS, VAN +SCHELTINGA, HUBER, VAN VIERSSEN, AITZEMA, ANDRINGA, DE BLAU enz. +onderscheidene leden telden, die bij opvolging als regtsgeleerden en +staatsmannen hebben uitgemunt[341]. + + [339] Zie over het Hof bl. 227 en de noot op bl. 228 hier vóór. + + [340] Zie VAN SMINIA, _Nieuwe Naamlijst van Grietmannen_, en bl. 235 + hier vóór. + + [341] Van vele dezer personen heeft onze landgenoot Mr. JAC. SCHELTEMA + levensschetsen gegeven in zijn belangrijk werk: _Staatkundig + Nederland_, Amsterdam 1805, 2 deelen. Zie ook VAN SMINIA, + _Grietmannen_, het _Wapenboek_, het _Stamboek_ enz. + +Buitendien waren er nog vele personen, die de vruchten hunner +wetenschappelijke beoefening van de Regtsgeleerdheid door de uitgave van +werken hebben bekend gemaakt. Van deze mogen wij de namen niet +verzwijgen van SIBRANDUS SICCAMA, JACOBUS BOURICIUS, TJALLING VAN +EIJSINGA, THOMAS HERBAJUS, HERO À SCHINGEN, JOHAN VAN DEN SANDE, +ANTONIUS KANN, DOMINICUS HAMERSTER, GAJUS NAUTA, SIMON BINCKES, SACO +HARMEN VAN IDSINGA, PETRUS WIERDSMA, PETRUS BRANDSMA, ENNIUS HARMEN +BERGSMA en anderen. Doch reeds meer dan genoeg, om slechts aan te +wijzen, dat _Friesland_ ook in dit tijdvak rijk is geweest aan mannen, +die als regtsgeleerden en staatkundigen het belang en de eer des +vaderlands op eene waardige wijze hebben bevorderd. + + +_Genees-, Heel- en Verloskundigen._ + +Ook in deze vakken kunnen wij mannen van naam vermelden. HENRICUS VAN +BRA, S. EUGALENUS, ISBRAND HIERONYMUS FRANK, SIBOLDUS en JOHANNES +HEMSTERHUIS, G. FOLLIN en HENDRIK VAN DEVENTER mogten in de 17e eeuw +door hunne uitgegevene geschriften de kennis en den vooruitgang van die +vakken evenzeer bevorderen, als in de 18e eeuw ROELOF ROUKEMA, BERNARDUS +IDEMA, MURK VAN PHELSUM, TIBERIUS LAMBERGEN, SIMON STINSTRA, JAN DE REUS +en FOLKERT SNIP; gelijk vervolgens WYNOLDUS MUNNIKS, GEORGIUS en GADSO +COOPMANS, JOHANNES DE VRIES, JOHANNES MULDER, ADOLPHUS YPEIJ, SEBALD +JUSTINUS BRUGMANS en anderen. Grooter was echter het getal + + +_Wis- en Natuurkundigen._ + +Reeds voor lang toch is opgemerkt, dat in der Friezen aard en karakter +zich steeds een bijzonderen aanleg en neiging heeft geopenbaard voor de +beoefening van de Mathematische wetenschappen in het algemeen en voor +die der Sterre-, Meet- en Werktuigkunde in het bijzonder[342]. Hebben +wij vroeger reeds de namen van onderscheidene beoefenaars dier vakken in +de 16e eeuw genoemd (bl. 158), ook de 17e eeuw gaf daarvan bewijzen in +JOHAN SEMS, JAN HENDRIK JARICHS VAN DER LEIJ, SIBRAND HANSEN KARDINAAL, +LIEUWE WILLEMS GRAAF, THEODORUS HOEN, HIPPOLYTUS BEYEM VAN AERSSEN, +RIEMER SIJBES, CHRISTOFFEL MIDDAGTEN, BERNARDUS SCHOTANUS À STERINGA en +anderen, die meest allen door geschriften bewijzen gaven van hunne +bekwaamheden. Nog rijker was de 18e eeuw in het voortbrengen van +dergelijke vernuften, die veelal uit den eenvoudigen burgerstand of uit +landbouwers voortkwamen, en grootendeels zonder onderwijs van anderen +door eigen aanleg en inspanning zich vormden en soms eene verbazende +hoogte mogten bereiken. Zoo waren te _Leeuwarden_ JOHANN HERMANN KNOOP, +HAIJKE HAANSTRA, WIJTSE FOPPES DONGJUMA, LUITJEN F. WIERSMA en TJEERD +RINGNEERIJ ijverig werkzaam, om door onderwijs en schriften den bloei te +bevorderen van vakken, waarin ook RIENK JELGERHUIS, LUCAS OLING; +MATTHEUS SIDERIUS en JAN WILLEM KARSTEN bewijzen gaven van groote +bekwaamheden. Te _Harlingen_ onderscheidden MATTHIJS ADOLF VAN ISDINGA +en ABE JANS HINGST zich evenzeer in de zeevaartkunde, als de +uurwerkmaker TJEERD RADSMA in de werktuigkunde. + + [342] Zie dit vooral betoogd in Professor C. EKAMA'S _Oratio de Frisia + ingeniorum Mathematicorum inprimis fertili_, te _Franeker_ in 1809 + gehouden. + +Doch vooral te _Franeker_ en omstreken bloeiden deze vakken. Waren DAVID +en CHRISTOFFEL MEESE als kruidkundigen hoog geacht--JAN PIETERS VAN DER +BILDT en zijn kleinzoon BAUKE EISMA VAN DER BILDT mogten roem behalen +door hunne teleskopen en andere optische werktuigen. Nevens verscheidene +stille beoefenaren van wis- en sterrekunde onderscheidden zich daar +verder WOUTER MARTENS VAN DER WERF, HENDRIK ANJEMA en PIBO STEENSTRA; +terwijl de scheikundige BOUDEWIJN TIEBOEL en de beroemde wijsgeer FRANS +HEMSTERHUIS ook uit deze stad voortkwamen. In den omtrek van _Franeker_ +waren het de broeders RIENTS en KLAAS PIERS SALVERDA te _Salwerd_, KLAAS +GERRITS WIERINGA te _Achlum_ en OBBE SIKKES BANGMA te _Arum_, doch +vooral JELTE EISINGA met zijne beide zonen, EISE en STEPHANUS, te +_Dronrijp_, die ongemeene vorderingen maakten in de wis-, sterre- en +werktuigkunde. EISE EISINGA mogt het door eigene oefening zelfs zóó +verre brengen, dat hij van 1773 tot 1780 te _Franeker_ dát +voortreffelijk Planetarium of beweegbaar hemelstelsel vervaardigde, +hetwelk, na door Prof. VAN SWINDEN te zijn beschreven, een voorwerp +geworden is der bewondering van duizenden, die het kwamen beschouwen, +gelijk het nog een sieraad is dier stad[343]. + + [343] Uitvoeriger berigten over EISINGA en de uit dit tijdvak vermelde + personen zie men in het _Leven van Eisinga en Geschiedenis van zijn + Planetarium_, geplaatst voor den derden druk van VAN SWINDEN'S + _Beschrijving van het Planetarium_, voor eenige maanden door mij + uitgegeven. + +Wij zouden meerdere namen kunnen noemen, als: van NIKOLAAS EPKEMA, +HENRICUS ÆNEAE, de gebroeders ROELOFS en anderen; doch het aangevoerde +zal wel genoeg zijn, om te bewijzen, dat _Friesland_ steeds vruchtbaar +is geweest in het voortbrengen ook van mathematische vernuften. + +Der Friezen aanleg voor de beoefening van dégelijke studiën, waartoe, +behalve gezond oordeel, geschiktheid tot afgetrokken nadenken met +de zucht om naauwkeurig te toetsen en te overwegen en niet minder +volharding vereischt worden, gaf mede aanleiding, dat velen +hunner voedsel voor den geest zochten in het nasporen van de +geschiedenis.--Vandaar het groot getal der door deze provincie gekweekte + + +_Geschiedschrijvers._ + +Terwijl REINICO FRESINGA en FREDERIK VAN VERVOU van _Franeker_, EVERHARD +VAN REYD te _Leeuwarden_ en vooral LIEUWE VAN AITZEMA van _Dokkum_ de +belangrijke voorvallen van hunnen leeftijd voor het nageslacht te boek +stelden, waren ANDREAS CORNELIUS, MARTINUS HAMCONIUS, BERNARDUS +FURMERIUS, PIERIUS WINSEMIUS en daarna CHRISTIANUS SCHOTANUS en SIMON +ABBES GABBEMA ijverig werkzaam, om de oudste geschiedenissen der Friezen +op te delven uit de verspreide bronnen, welke het voorgeslacht hen had +achtergelaten. Ook in de volgende eeuw ontbrak het niet aan vlijtige +beoefenaars van de historie, waarvan de groote werken getuigen van +JAQUES GEORGE DE CHAUFEPIÉ, FRANÇOIS HALMA, SIGEBERTUS HAVERKAMP, SACO +HARMEN VAN IDSINGA en FOEKE SJOERDS, die echter zijne Beschrijving en +Geschiedenis van _Friesland_ naauwelijks ter helft mogt voltooijen. En +terwijl SIMON STIJL eene schitterende proeve gaf eener wijsgeerige +beschouwing van de vaderlandsche geschiedenis, mogten EDUARD MARIUS en +ULBO VAN BURMANIA, WYBRAND VAN ITSMA, ABRAHAM FERWERDA en anderen +gewigtige bronnen en bijdragen in het licht geven; doch mogt het vooral +den edelen GEORG FREDERIK Baron THOE SCHWARTZENBERG gebeuren, met hulp +van Dr. NICOLAAS THOLEN en JOHAN FREDERIK MAURITS HERBELL, door de gunst +van 's lands Staten, _Friesland_ een _Groot Plakkaat- en Charterboek_ te +bezorgen, van uitstekende waarde en duurzaam belang. + + +_Letterkundigen._ + +Door de beoefening van de oude talen, bijzonder der Grieken en Romeinen, +met oogmerk, om de voortreffelijke werken hunner klassieke schrijvers en +dichters uit te leggen, op te helderen en tot veredeling van den smaak +en verhooging van den kunstzin te kennen, heeft ons vaderland in de +beide vorige eeuwen grooten roem verworven. Talrijke vreemdelingen +kwamen soms herwaarts, alléén om de uitstekende mannen te hooren, welke +in dit vak onze hoogescholen luister bijzetten. In hoe verre _Franeker_ +daartoe heeft bijgedragen, hebben wij reeds vermeld. Bovendien waren er +hier nog andere letterkundigen, die òf in de scholen òf door +uitgegevene geschriften het hunne hebben bijgebragt, om dezen grondslag +der toenmalige geleerdheid te vestigen en dien roem te schragen. Dit +deden JOH. FUNGERUS, E. E. L. MELLEMA, EDO NEUHUSIUS en zijne zonen +REINIER en HENDRIK, alsmede TOBIAS, WERNERUS en HENRICUS GUTBERLETH, +JOH. HILARIDES en anderen in de 17e eeuw; terwijl de 18e eeuw, waarin +de scholen van VALCKENAER en SCHRADER bloeiden, mannen kweekte, als: +SIGEBERTUS HAVERKAMP, THOMAS WOPKENS, OLPHERDUS BELIDA, PETRUS en +GERHARDUS HORREUS, JOH. BALCK, JOH. PIERSON, GIJSBERT KOEN, H. VAN DER +SLOOT en ERNST WILLEM HIGT; gelijk later RICHEUS VAN OMMEREN, JOH. ADAM +NODELL, THEODORUS VAN KOOTEN, ADRIANUS HERINGA, FRANS HEMSTERHUIS en +JOANNES VERWEIJ; alsmede JOH. RUARDI, JACOBUS TERPSTRA, JOH. DANIEL VAN +LENNEP, HERMAN BOSSCHA, HENR. WAARDENBURG, EVERWINUS WASSENBERGH, H. +FRIESEMAN, VALENTINUS SLOTHOUWER, ECCO EPKEMA en anderen, die tot op +onzen leeftijd de kweekscholen van geleerdheid versierden en de vruchten +van kennis en smaak aan velen hebben medegedeeld. + +Onderscheidene dezer en vroeger genoemde personen beoefenden tevens de +Latijnsche poëzij, waarvan zij vele proeven hebben nagelaten, even als +HERO en FREDERIK VAN INTHIEMA, JOANNES BOURICIUS, ERNESTUS BADERS, +PAULUS VAN GHEMMENICH, CHRISTIAAN BRINK, VOP. HOR. ACKER en +onderscheidene Friesche edelen, die er steeds een roem in stelden, smaak +voor de oude letteren aan de beoefening van de wetenschappen te paren. + + +_Dichters._ + +'t Zou echter geenszins vreemd zijn, wanneer de vermelde karaktertrek +der Friezen en hunne meer bepaalde neiging voor de studie van dégelijke +wetenschappen aanleiding hadden gegeven tot mindere geschiktheid voor +de beoefening van de Dichtkunst, welke, zwevende in het rijk der +idealen, meer het denkbeeldige en bespiegelende dan de wezenlijkheid tot +voorwerp heeft. Het is zoo; wanneer wij het groot getal verzenmakers, +als: WIJBRAND MICHIELS, PETRUS BAARDT, T. SONNEMA, HENDRIK RINTJES, +VITUS RINGERS, HERO GALAMA, FOPPE FOPPESZOON JUNIOR, GABBEMA enz. uit de +17e eeuw, gelijk FRANÇOIS HALMA, ROELOF ROUKEMA, WIJBRANDUS DE GEEST, +MAGDALENA POLLIUS, JETSKE REINOU VAN DER MALEN, EELKE MEINDERTS, CLARA +FEIJOENA VAN SIJTZAMA, JOAN SANDE, JAN AUKES BAKKER, SYMEN en JAN +ALTHUYSEN enz. uit de 18e eeuw, wier verzen om de onderwerpen of hunne +zedelijke of godsdienstige strekking den bijval verwierven van hunne +tijdgenooten, niet gelijk willen stellen met hen, wier verheffing, smaak +en gevoel hun aanspraak geeft op den naam van Dichter, in den hoogeren +zin van dat woord,--dan bepaalt dit getal zich tot weinige personen. +Doch die weinige kunnen dan ook tegen eene groote menigte opwegen. Of +zouden wij dien eernaam niet mogen toekennen aan ~JAN JANSZOON STARTER~, +die in 1614 op twintigjarigen leeftijd te _Leeuwarden_ kwam en deze stad +in 1620 weder verliet, doch gedurende die zes voorspoedige jaren van het +bestand hier, èn door de oprigting van eene Rederijkerskamer: Och, mogt +het rijzen! welke 80 aanzienlijke personen tot leden telde, èn door het +opvoeren van treur- en blijspelen, èn door zijne onuitputtelijke en +geestige dichtader, hier een lust en liefde voor de nieuwe Nederduitsche +poëzij opwekte, welke verwonderlijk was[344]. Hij liet aan zijne +talrijke vereerders de _Friesche Lusthof_, vol aardige minneliederen en +trouwdichten, na, welke dien bijval vond, dat dezelve in dertien jaren 6 +of 7 malen gedrukt werd. Hoe groot de invloed ook was, dien STARTER +tijdelijk uitoefende, deze was echter niet van duur of van dat gunstig +gevolg, hetwelk men zich daarvan voor de toekomst had mogen beloven. + + [344] Voor eenige jaren heb ik over _Starter en zijne Gedichten, in + betrekking tot den toestand der Letterkunde in Friesland in het eerste + gedeelte der 17e eeuw_ eene uitvoerige verhandeling zamengesteld, die + ik welligt eerlang eens zal uitgeven, ook omdat er zoo weinig van en + omtrent dezen dichter en dit tijdvak bekend is. + +Bovendien was hij de eerste, die verzen in de Landfriesche taal uitgaf. +Eerlang vond hij daarin een navolger in ~GYSBERT JACOBSZ.~, +schooldienaar te _Bolsward_, die, na eerst in het Nederduitsch zwakke +proeven, nog in den trant van SPIEGHEL, te hebben gegeven, zich in het +Friesch tot eene hoogte verhief, welke hem tot een voorwerp der +bewondering zijner nakomelingen heeft gemaakt. In hem toch zien wij +scheppend vernuft en kieschen smaak vereenigd met eene groote mate van +gezond verstand, dat zijne dichterlijke verrukking leidde en ten teugel +diende. In elk zijner meesterstukken schittert zijn talent en verlicht +oordeel, als hij met bevallige losheid tafereelen uit het Friesche +volksleven schildert, en, altoos wisselende naar den eisch des +onderwerps, tusschen allerlei onderwerpen heerlijke lessen van +levenswijsheid strooit; terwijl hij in alles een meesterschap over de +taal betoont, zoo als nog niemand hare kracht en schoonheid had aan den +dag gebragt. Dáárom vereeren de Friezen hunnen GYSBERT, als hun dichter +bij uitnemendheid[345]. + + [345] Over GYSBERT sprekende, mag men zeker HALBERTSMA'S + voortreffelijke _Hulde_ niet verzwijgen en evenmin het leedgevoel + onderdrukken, dat deze dan nu, na 25 jaren wachtens, onvoltooid zal + blijven. Zijn _Letterkundige Naoogst_ heeft ons daarvoor echter eenige + vergoeding geschonken. + +Meer algemeen was de roem, welken de broeders ~WILLEM~ en ~ONNO ZWIER +VAN HAREN~, niet enkel in hooge staatsbetrekkingen, maar inzonderheid +als Dichters mogten verwerven. Terwijl in het midden der 18e eeuw de +dichtkunst in ons vaderland ontaard was in de kunst om nette, rollende +verzen te maken, zonder oorspronkelijkheid, dichterlijke vlugt of +gevoel, toonden zij het vaderland door hunne mingepolijste poëzij, dat +die vereischten der ware kunst nog niet geheel verloren waren. WILLEM +mogt door zijn grootsch heldendicht: _Gevallen van Friso_ en zijne +stoute _Lierzangen_ even grooten roem behalen als ONNO later door zijne +_Geuzen_, _Treurspelen_, _Lierzangen_ enz. In vaderlandsch gevoel, in +stoute beelden en vergelijkingen, in treffende grepen, in dichterlijke +uitdrukking, in rijkdom van vinding en belangrijkheid van zaken dongen +beide om den prijs. Die meesterstukken van waarachtige poëzij +doordringen toch, waar men ze opsla, ieders hart met warm gevoel voor +vaderland, vrijheid, menschenwaarde, godsvrucht en deugd. Vandaar, dat +zij, die de hooge roeping des dichters vervulden, de dankbare +bewondering van het nageslacht en de lofspraak van een BILDERDIJK +verdienden: + + _Van Harens, Broedrental dat zelden weêrga vond, + O Waarom zweeft uw naam geen wareldgordels rond!_[346] + + [346] Ook omtrent de VAN HAREN'S heeft Dr. J. H. HALBERTMA zich door + de uitgave zijne _Fragmenten_ verdienstelijk gemaakt; even als de + Heeren DE VRIES en KEMPER door hunne verhandelingen, voor de nieuwe + uitgave der Werken van de VAN HAREN'S geplaatst. Reeds in 1747 schatte + D^o. HOFSTEDE de verdiensten dezer broeders zoo hoog, dat hij in eene + leerrede op de verheffing van Prins WILLEM IV, 104, verklaarde, dat + zij "een Standbeeld, naar de wyze der _Ouden_, in deezen Burgerstaat + verdiend hebben." _De Geuzen_ volgden echter eerst 22 jaren later. Zie + ook _Aanteekening 20_. + +In dit zelfde tijdvak mogten mede ERNST WILLEM HIGT, BOELARDUS +AUGUSTINUS VAN BOELENS, CYNTHIA LENIGE en SIMON STIJL door +voortreffelijke dichtvruchten eer en onderscheiding verwerven. + + +_Schilders, Teekenaars en Graveurs._ + +Dat smaak en gevoel voor beeldende Kunst, ook om boven vermelde +reden, in _Friesland_ minder algemeen geheerscht zouden hebben, en +dat dit afgelegene gewest (in vergelijking van het rijke en voor de +gemeenschap met andere landen zoo gunstig gelegene _Holland_) weinige +kunstbeoefenaren zou hebben voortgebragt,--ook dit zou zeer natuurlijk +geweest zijn. En toch noemt de geschiedenis onzer vaderlandsche +Schilder-, Teeken-en Graveerkunst een aantal Friezen, die het hunne +hebben toegebragt om den Nederlandschen kunstroem te vestigen. + +Als ~Schilders~ hebben toch PIETER DE VALK, JACOB BAKKER, FRANS CARRÉ, +JELLE REINIERS, JAKOB POTMA, WIJBRAND DE GEEST, SIMON en DIRK DE VRIES, +GERARD EDEMA, MATTHIJS HAARINGS en WIGERUS VITRINGA zich in de 17e eeuw +verdienstelijk gemaakt. En zouden wij daarbij ook niet mogen noemen +MEINDERT HOBBEMA, wiens meesterstukken thans bijna tegen goud worden +opgewogen?[347] Ook in de volgende eeuw waren TAKO HAJO JELGERSMA, +BERNARDUS en MATTHIJS ACCAMA, HERMANUS BUSCH, RIENK JELGERHUIS en GERARD +WIGMANA, even als J. DE WILDE, TACO SCHELTEMA, HERMANUS WOUTER BEEKKERK, +DIRK PLOEGSMA, ALLERT VAN DER POORT, NICOLAAS BAUR, WILLEM BARTEL VAN +DER KOOI enz. in verschillende vakken zeer geacht. + + [347] Ook REMBRANDT had eenige betrekking op _Friesland_, doordien hij + hier (en niet te _Ransdorp_ of _Rarup_ in _Noord-Holland_) eene vrouw + zocht en vond in SASKIA, de dochter van den Leeuwarder Raadsheer Dr. + ROMBERTUS ULENBURG, met wie hij den 22 Junij 1634 te _St. Anna + Parochie_ in den echt werd verbonden, zoo als ik onlangs ontdekt en + met bewijzen heb kunnen staven. + +Als ~Teekenaars~ mogten MARGARETHA DE HEER, J. STELLINGWERF, PIETER +IDSERDS PORTIER, PETRUS CAMPER, JOH. JELGERHUIS RZ. en anderen zich mede +onderscheiden. + +Hoewel het niet bekend is, dat er in _Friesland_ ooit eene +Plaatdrukkerij heeft bestaan, hebben toch als ~Graveurs~ uitgemunt: +BOETHIUS of BOTE en SCHELTE VAN BOLSWERD, PETRUS FEDDES VAN HARLINGEN, +JAN JAAPIX, J. VAN MUNNICKHUIZEN, JAN DE VOS, JACOBUS en ANNA FOLKEMA, +PIETER TANJÉ, MICHIEL ELGERSMA en KLEIS LANTING, waarvan sommigen +uitstekende kunstwerken hebben voortgebragt[348]. + + [348] Bijna al de genoemde kunstenaars komen met korte levensschetsen + voor in het bekende werk van IMMERZEEL, _de Levens en Werken der Holl. + en Vlaamsche Kunstschilders_ enz. Amst. 1842, 3 dln. Van + onderscheidene der laatste heb ik kunstwerken verzameld. + +Ziedaar enkel de namen genoemd van de voornaamste personen, welke, in +verschillende vakken van kennis en kunst, uit _Friesland_ zijn +voortgekomen en die hebben bijgedragen, om in ons vaderland vooruitgang +in wetenschap, smaak en beschaving te bevorderen[349]. Gewis, dit gewest +heeft naar vermogen zijne offers aan het rijk van het goede en schoone +toegebragt, en roemvol is de rij van verdienstelijke personen, die onze +vaderlandsliefde zich herinnert, en aan welke wij de hulde onzer +vereering toebrengen als dankbare nakomelingen, die tevens een prikkel +tot navolging vinden in de overtuiging: + + _Der Vadren glorie strekt het Nageslacht tot eer._ + + [349] Het zou mij zeker niet moeijelijk gevallen zijn, om van al de + vermelde personen hierbij korte levensschetsen te voegen uit mijne + sedert 1826 verzamelde Aanteekeningen betrekkelijk beroemde Friezen. + Doch dan ware dit onderwerp voor deze _Beknopte Geschiedenis_ veel te + uitvoerig behandeld geworden, in verhouding tot het overig gedeelte. + En toch is het een zoo hoogst belangrijk onderwerp, dat ik hartelijk + wensch, dat het voornemen, door Jhr. Mr. H. B. VAN SMINIA en mij + opgevat, om een _Beroemd Friesland_ te bewerken en over eenige jaren + uit te geven, door ons zal mogen worden volbragt. + + +41. _Vrede en Voorspoed verheffen--Zorgeloosheid en Partijschappen +ontbinden den Staat._ + +_Van den Utrechtschen vrede tot de Staatsomwenteling._ + +_1713-1795_[350]. + + [350] Dit derde gedeelte der staatkundige geschiedenis van dit tijdvak + strekt ten vervolge van het tweede gedeelte, dat op bl. 308 eindigt. + +Niets is meer algemeen onder de menschen, dan dat zij, dagelijks door +hoop en vrees geslingerd, aan vrede en voorspoed het denkbeeld van +geluk--en aan nood en tegenspoed, dat van ongeluk verbinden. En echter +leert de geschiedenis, ook van ons vaderland, dat--terwijl nood en +tegenspoed de levenskrachten der natie opwekken en moed en inspanning +ten algemeenen nutte ontwikkelen--ons geslacht veelal zwak genoeg was, +om vrede en voorspoed meer te doen strekken tot gemak en genot, die +verslapping nalaten, dan tot herstelling, verbetering en vooruitgang in +velerlei betrekkingen van den staat en der maatschappij. Zóó misleiden +de volken zich zelve, door van de beste der gaven geen verstandig +gebruik te maken! Dán hoopen de smetstoffen in den staatkundigen +dampkring zich op, totdat er eene geruchtmakende uitbarsting komt, welke +allen uit den slaap opwekt en naar hulp en redding doet uitzien. Bij het +licht des geloofs, dat God de natiën bestemd heeft, om steeds te +vorderen in volmaking en beschaving, zien wij echter te midden van dit +alles: dat alle pogingen om het ware en goede te bevorderen duurzaam tot +heil strekken; dat de raadslagen der boozen verijdeld worden, en dat de +dwalingen en verkeerdheden der menschen, onder Zijne liefdevolle +leiding, middelen worden tot hunne leering en verheffing voor de +toekomst. + +De loop der gebeurtenissen in ons vaderland gedurende de 18e eeuw heeft +dit alles bewezen.--In de oorzaken, middelen en gevolgen daarvan had +_Friesland_ rijkelijk zijn aandeel. Wij willen den afgebroken draad +hervatten, en ook het voorgevallene in het laatste gedeelte van dit +tijdvak in hoofdtrekken mededeelen. + +Had ons land ná den Munsterschen vrede van 1648 langer dan eene halve +eeuw moeten oorlogvoeren met andere mogendheden,--op den vrede, in 1713 +te _Utrecht_ gesloten, volgde inderdaad eene veeljarige rust. Zelfs +deden de Algemeene Staten al het mogelijke om den vrede te bewaren en +den oorlog te schuwen, hetgeen ook na de aanzienlijke vermindering van +de landmagt en de verwaarloozing van het zeewezen wel noodzakelijk was, +ofschoon zij de eer en waardigheid des lands daarbij dikwijls in de +waagschaal stelden. Onder het genot van die rust, bij welke de vroegere +wakkerheid vervangen werd door zucht naar gemak en weelde, bleven +koophandel en nijverheid bloeijen, ook in weerwil der rampen, welke nu +en dan aanzienlijke offers eischten. Immers, nog was de veepest, in 1712 +begonnen, aan het woeden, toen _Friesland_ eerst in 1715, doch vooral +bij den Kersvloed van 1717, verschrikkelijk werd geteisterd door +dijkbreuken en overstroomingen, die groote schade te weeg bragten. +Naauwelijks waren de hierop gevolgde herstellingen en verbeteringen van +onze zeeweringen voltooid, en pas had eene heerschende ziekte en +ongemeene sterfte in 1728 opgehouden, toen eene nieuwe volksramp, de +paalworm, in 1730 en volgende jaren het land met een groot gevaar +bedreigde en aanzienlijke sommen eischte tot beveiliging onzer havens en +kusten; terwijl weinige jaren later, in 1744 en vervolgens, de veepest +nog grootere verliezen veroorzaakte[351]. + + [351] Zie over deze hier slechts aangestipte punten ook bl. 238, 316, + 336 hier vóór. + +Intusschen had Prins WILLEM CAREL HENDRIK FRISO, door eene +voortreffelijke moeder opgevoed, door de beste leermeesters gevormd en +van nature met de edelste vermogens van verstand en hart begaafd, in +1731 den twintigjarigen ouderdom bereikt en het Erfstadhouderschap over +_Friesland_ aanvaard. Bij die gelegenheid had Prinses MARIA LOUISA het +bewind nedergelegd, en nevens den dank der Staten voor de uitnemende +diensten, welke hare wijsheid den Staat en deze Provincie had bewezen, +eene gift van 5,000 Gld. en een lijfpensioen tot een gelijk bedrag, uit +achting voor haar persoon en verdiensten, ontvangen. Reeds in 1718 was +de Prins door _Groningen_ en in 1722 door _Drenthe_ en _Gelderland_ tot +Stadhouder benoemd, welke waardigheden hij in 1729 had aanvaard, in +weerwil der tegenkantingen van _Holland_ en andere provinciën, die deze +uitbreiding van 's Prinsen magt met leede oogen aanzagen. In spijt +der tegenbedenkingen van _Holland_ steeg het aanzien van den Prins nog +meer door zijne echtverbindtenis met ANNA, Kroonprinses van +_Groot-Brittanje_, oudste dochter van Koning GEORGE II, welke den 25 +Maart 1734 werd voltrokken. Luisterrijk was het onthaal, dat het +vorstelijk paar, te _Harlingen_ aangekomen, den 11 Mei op zijn togt naar +en in _Leeuwarden_ mogt ondervinden, waarbij de regering en de +ingezetenen hunne hooge ingenomenheid met dit huwelijk aan den dag +legden; terwijl 's lands Staten der Prinses eene tonne gouds tot eene +huwelijksgift aanboden[352]. In de liefde zijner Friezen vond de Prins +dan ook bestendig de meeste voldoening, bij al de geestkracht, welke +hij bezat, om zich boven de bestendige vernedering, uitsluiting en +tegenwerking der Staten van _Holland_ en andere gewesten fier te +verheffen. + + [352] Onder den titel van: _het Juichend Friesland_ is er destijds een + verhaal van deze blijde inkomst en beschrijving van de plegtigheden, + eerepoorten, illuminatien en vuurwerk in folio uitgegeven. Zie ook + _Reg. op de Staats-resol._ 343, 519. + + * * * * * + +Hoe duurzaam het genot van vrede en voorspoed ook schenen te zijn, ten +jare 1740 ontbrandde op eens de Oostenrijksche successie-oorlog, waaraan +de meeste staten van _Europa_ deel namen. KAREL VI, Keizer van +_Oostenrijk_, stierf, en liet den troon na aan zijne jeugdige dochter +MARIA THERESIA, Koningin van _Hongarije_ en _Bohemen_. Zes mogendheden, +_Beijeren_, _Pruissen_, _Polen_, _Spanje_, _Sardinië_ en _Frankrijk_ +zochten deze troonsopvolging te verhinderen, en zonden schielijk +ontzaggelijke legers in _Duitschland_. In ons vaderland weifelden de +staatkundige partijen in de keus, of men, uit kracht der pragmatieke +Sanctie of het Weener verdrag van 1732, der Koningin hulp zou bieden, +dan of men zich onzijdig en buiten den oorlog zou houden. De Algemeene +Staten, alleen bedacht op zelfverdediging, versterkten hunne landmagt in +1741 wel, eerst met 21,000 en daarna met nog 20,000 man; doch in plaats +van hulpbenden aan MARIA THERESIA te zenden, besloten zij, haar een +onderstand van 8 tonnen gouds aan te bieden. Toen er echter in het +volgende jaar eene nieuwe aanvraag en wel om troepen kwam, waren de +gevoelens zeer verdeeld. Sommigen, die den vrede tot elken prijs wilden +bewaren, of die _Frankrijk_ vreesden, besloten tot onzijdigheid; maar +anderen meenden, dat de goede trouw den Staat verpligtte, aan de +traktaten gevolg te geven en hulptroepen te zenden. De wakkere WILLEM +VAN HAREN koos met jeugdig vuur de zijde der laatsten, en nadat hij, als +afgevaardigde van _Friesland_, in de vergadering der Algemeene Staten +zijne welsprekendheid had uitgeput, om de vertegenwoordigers der +provinciën tot zijne beginselen over te halen, nam hij zijn dichterlijk +talent te baat, om ook het volk zelf met die beginselen van +regtvaardigheid en goede trouw te bezielen. Hij gaf de _Leonidas_ en +drie _Lierzangen_ in het licht, en--behaalde met deze gloeijende verzen +eene staatkundige zegepraal op de harten des volks, die der dichtkunst +wel bij de Grieken, maar nog nooit in ons land was te beurt gevallen. +Men wil, dat er binnen drie dagen honderdduizend afdrukken van deze +gedichten verkocht zijn. Het regende lofverzen op VAN HAREN. De +opgewonden geest des volks werkte op dien der Staten, die daarom in 1743 +besloten, de Koningin met 20,000 man hulptroepen bij te slaan, welk +getal in den volgenden jare werd verdubbeld. »Eere zij onzen Vaderen, +die door eerlijkheid vergoed hebben, wat hun aan veerkracht ontbrak. +Eere vooral den Staatsman en Dichter, die, in zijnen _Leonidas_, door +het voorbeeld van den held van _Sparta_, de natie uit hare slaapziekte +pogende op te wekken, hun, die niet schroomden het trouwblijven aan +verbonden eene _koppigheid_ te noemen, met verontwaardiging toevoerde, +hoe zij thans zelven door eed- en bond-breuk zich tot de diepte +verlaagden der _Barbaren_, die hunnen val beoogden"[353]. + + [353] Deze Gedichten, te _'s Hage_ bij BEAUREGARD in 4^o. uitgegeven, + zijn daarna, vermeerderd met eene overzetting uit POLYBIUS in proza, + benevens eene menigte lofverzen op VAN HAREN, in 8^o. gedrukt te + _Harderwijk_. Ze zijn ook opgenomen in VAN HAREN'S _Werken_ bij + WESTERMAN. Zie mede HALBERTSMA, _Fragmenten over de van Harens_, 120 + en SCHELTEMA, _Mengelwerk_, I 132; BOSSCHA, _Heldendaden_, II 555. + +Hoewel de Nederlanders in de vijf hierop gevolgde veldtogten van +LODEWIJK XV in de _Oostenrijksche Nederlanden_ weinig eere mogten +behalen, hebben toch onder de Friesche krijgsbevelhebbers zich +onderscheiden: de Luitenant-Generaal JOHAN SICCO Baron THOE +SCHWARTZENBERG, de Brigadier GEMME ONUPHRIUS VAN BURMANIA, de +Luitenant-Kolonel LAAS ULBE VAN BURMANIA, benevens nog vier andere leden +van dit geslacht; alsmede de Majoor DANIEL DE BLOCQ VAN BOURICIUS, +Kommandant van het Regiment _Oranje-Friesland_; doch bovenal de dappere +Luitenant-Generaal HOBBE ESAÏAS VAN AYLVA, Gouverneur van _Maastricht_, +die van zijne uitstekende verdediging van deze sterke, doch hevig +aangevallene vesting in 1748 zoo veel eere mogt behalen, dat zijn +aanvaller, de Maarschalk van _Saksen_, als blijk van achting voor zijn +moed en bekwaamheid, hem, nadat de vesting bij vredesverdrag was +overgegaan, toestond, bij zijn eervollen uittogt vier kanonnen en twee +mortieren uit de vesting mede te voeren. Nadat _Frankrijk_ verpligt +werd, _Maastricht_ weder aan ons af te staan, werd dit geschut, op +voorstel des Stadhouders, hem door den Raad van State vereerd, na +voorzien te zijn van het opschrift: DONUM VIRTUTIS AYLVÆ, of _Eeregift +voor Aylva's dapperheid_[354]. + + [354] In 1758 heeft de Generaal AYLVA deze zes stukken geschuts + gelegateerd aan de Staten van _Friesland_, op wier last ze, na zijn + overlijden in 1772, geplaatst werden vóór de Hoofdwacht te + _Leeuwarden_, volgens _Reg. Staats-res._ 41, 61; _Teg. Staat_, II 109; + TE WATER, _Verbond der Edelen_, II 167; KOK, _Vaderlandsch Woordenb._ + II 403; BOSSCHA, _Heldend._ II 657; WAGENAAR, _Vad. Hist._ XX 180, + 190; VAN LEEUWEN, in _de Vrije Fries_, V 367, 382. + + * * * * * + +Vóór echter deze oorlog door den vrede van _Aken_ (1748) geëindigd werd, +hadden er in ons vaderland zelf merkwaardige gebeurtenissen plaats. +Reeds lang hadden de bekwaamste staatslieden, zelfs Hollands +voortreffelijke Raadpensionaris SIMON VAN SLINGELANDT, erkend: »dat het +missen van eenen Stadhouder de gebreken in de Constitutie thans meer +bespeuren, en nadeeliger uitwerkselen deed hebben, dan voordezen"[355]. +Doch de heerschzucht der bewindslieden, de trots der aristokratische +aanmatiging en de willekeur der stedelijke regenten, door wie op vele +plaatsen eene familie-regering was ingevoerd, hadden zich van het gezag +meester gemaakt ter onderdrukking van het volk. En zoolang Hollands +Staten halsstarrig weigerden, ook »uit vrees voor Frieschen invloed," de +noodzakelijkheid van het Stadhouderschap te erkennen, bleven alle +pogingen der vrienden van den Prins van _Oranje_, om zijn gezag uit te +breiden, vruchteloos. Sedert het uitbreken van den oorlog werd het gemis +van een éénhoofdig bestuur, het gebrek van een middelpunt van gezag, +waardoor de kracht des bewinds verslapt was, meer gevoeld, en stegen de +klagten over veelvuldige misbruiken in den staat, bijzonder over de +knevelarijen der pachters van de gemeene lands middelen, met den dag. +Had het tooneel des oorlogs zich tot dusverre tot _België_ bepaald en +was _Vlaanderen_ reeds voor twee jaren door LODEWIJK XV veroverd--daar +verbreidt zich op ééns het gerucht door het vaderland, dat de Franschen +ook in _Staats-Vlaanderen_ zijn gevallen, zoodat _Zeeland_ in het +grootste gevaar verkeert. Van waar nu hulp, van waar redding in dien +nood? Even als in 1672, stak het volk de handen uit naar den nu, even +als toen, door de staatsleden zoo lang verdrukten en miskenden _Prins +van Oranje_. Op den 25 April 1747, op den zelfden dag, dat de Prins uit +_Leeuwarden_ een brief afzond, waarbij hij den Staten van _Zeeland_ +zijne hulp en dienst aanbood, ging weder uit het kleine _Vere_ het eerst +de kreet op, die, ijlings verspreid, dadelijk weerklank vond in geheel +_Zeeland_, _Holland_ en de overige gewesten, zoodat binnen weinig tijds +de volksstem Prins WILLEM CAREL HENDRIK FRISO, als WILLEM _den vierde_, +als door een wonder, tot Erfstadhouder en Kapitein-Generaal en Admiraal +over al de Vereenigde Nederlandsche gewesten verhief, en met zoo vele +eerambten en waardigheden overlaadde, als nog geen zijner voorgangers +had bezeten. + + [355] SLINGELANDT, _Staatk. Geschriften_, I 212, 223; VAN KAMPEN, + _Verkorte Geschiedenis der Nederl._ II 232. + +De beminnelijke Vorst, die kon betuigen: »de hoogste eerzucht, die het +hart eens stervelings kan streelen, is, zich als het voorwerp der liefde +en hoogachting van een vrij volk te mogen beschouwen," aanvaardde met +ware grootheid van ziel de hem aangebodene waardigheden, waarop zijn +naam, afkomst en hoedanigheden hem regt gaven. Ja, hoe benard de +toestand des lands ook ware, hij verheugde zich in de gelegenheid +gesteld te worden, om met Gods hulp al zijne krachten aan te wenden ter +bevordering van het welzijn des volks. Den 9 Mei vertrok de Prins van +_Leeuwarden_ over _Harlingen_ met een jagt naar _Amsterdam_. Eene +opgetogene menigte verbeidde hem, »den Verlosser van _Nederland_," daar, +zoowel als bij zijn luisterrijken intogt in _'s Gravenhage_, als op +aller handen gelijk in aller harten gedragen. De blijdschap des volks +kende geene palen, en had het moed bekomen in het dreigende gevaar en +hoop voor de toekomst. »Nooit moge de nakomelingschap die dagen van +geestdrift vergeten!"[356] + + [356] Deze woorden van den Prins, gerigt tot ONNO ZWIER VAN HAREN, die + veel tot 's Prinsen verheffing toebragt, hebben dezen later aanleiding + gegeven tot het ontwerpen van zijn uitstekend heldendicht: _de + Geuzen_, hier vóór en in _Aant. 20_ nader vermeld: "opdat die + onbegrijpelijke liefde en vertrouwen tusschen Vorst en Volk met + behoorlijke kleuren mogt worden beschreven." Zie het begin der + _Ophelderingen van de Geuzen_, en verder WAGENAAR, _Vad. Hist._ XX 78 + env.; HAVERKAMP, _Leven van Prins Willem_ IV, 18, 45 env. + +Door die geestdrift en eenswillendheid bezield, mogt de natie zware +offers brengen, om, tot afwering van den vijand, het leger te versterken +en het land van binnen door gewapende magt te beschermen, waartoe overal +eene _liberale gift_ met blijdschap werd opgebragt[357]. Dan, nu ook +begon het volk, dat zich tegenover de regenten versterkt gevoelde door +het gezag van den Prins, overal zijne regten te doen gelden, en +verbetering te eischen van de veelvuldige, zoo ware als vermeende, +misbruiken en ongeregeldheden in het staatsbestuur. Tot herstelling +daarvan scheen nu eene gunstige gelegenheid te zijn geboren. Geweldige +opschuddingen en hevige beroerten, die het gemeen gelegenheid gaven om +uit te spatten, hadden bijna overal plaats. In Mei 1748 begonnen deze in +_Groningen_ en daarna in _Friesland_. Die onlusten openbaarden zich het +eerst door het gewelddadig vernielen van de opzigtershuisjes der +pachters van het gemaal bij al de korenmolens in deze provincie. De +gemeene landsmiddelen werden destijds bij wijze van verpachting geheven; +doch de knevelarijen dier pachters, waaraan de ingezetenen bloot +stonden, de zwaarte der belastingen op de noodwendigste levensbehoeften, +de hinderlijke last van de havenpachten en het passagie-geld en daarbij +de zware schuldenlast der provincie bij te vele zwaar-bezoldigde +ambtenaren--ziedaar eenige der voornaamste grieven, waarvan velen onder +Frieslands ingezetenen herstelling en verbetering wenschten. + + [357] De eerste der vier termijnen van deze vrijwillige gift bragt in + Februarij 1748 alleen in de stad _Leeuwarden_ aan goud- en zilverwerk + en geld ruim 42,600 Gld. op, en bedroeg over geheel _Friesland_ + 345,827 Gld. buiten het zilver, volgens eene MS. Aanteekening in mijne + verzameling. + +Om dit doel, zoo mogelijk, te bereiken, verschenen den 1 Junij 1748 +negen-en-vijftig der voornaamste burgers van _Harlingen_, als +Gecommitteerden uit de ingezetenen dier stad, te _Leeuwarden_, die van +Gedeputeerde Staten de opheffing van deze bezwaren verzochten. Tevens +verlangden zij, dat het Erfstadhouderschap zoowel in de vrouwelijke als +mannelijke lijn erfelijk verklaard mogt worden. De Staten, die de +verpachting van de belastingen dadelijk hadden opgeheven, stonden dit +laatste verzoek gereedelijk toe, en noodigden zelfs alle ingezetenen +uit, om hunne bezwaren tegen den 5 Junij in te brengen. Tot dit einde +werden er in alle steden en dorpen Gecommitteerden benoemd en naar +_Leeuwarden_ afgevaardigd, om bezwaren in te leveren. De Magistraat dier +stad had tot ontvangst van zoo vele personen, wier getal ruim 200 +beliep, de Groote of Jakobijner-kerk ingerigt, waar dit staatkundig +Congres, onder sterke spanning des volks, werd gehouden. Veertien punten +van redres onderling opgemaakt, werden aan de vergaderde Staten +ingezonden en nog dien zelfden dag aangenomen en goedgekeurd. + +Op deze wijze werd de onrustige gemeente, die zich somtijds zeer +dreigend en oproerig gedroeg, bevredigd. De Gecommitteerden achtten +hunne taak echter nog niet afgedaan; maar, om de uitvoering van de +toegezegde verbeteringen te bevorderen, benoemden zij twee personen uit +iedere stad en elke grietenij, waarvan 24 vereenigd bleven, om +voortaan op den Stads-Schutters-Doelen hunne werkzaamheden in het +belang des volks voort te zetten, en met de Staten verder te +onderhandelen. Na onderscheidene voorstellen, droegen zij den 5 Julij 73 +Punten-reformatoir voor, welke hoofdzakelijk met de vroegere bezwaren +van 1627 en 1672 overeenkwamen, waarbij zij den 25 dier maand nog 47 +Punten voegden, welke, als de wenschen des volks, alle door de Staten +werden aangenomen en uitgevaardigd. De Prins, verhinderd om door eene +spoedige overkomst aan aller verlangen te voldoen, zond intusschen eenig +krijgsvolk tot herstel van de rust in _Friesland_, benevens eene +Commissie, om de zaken des lands te onderzoeken, en te handelen met de +Gecommitteerden des volks en de Staten, die den Prins volkomene magt +hadden verleend, »om de Constitutie des lands op vaste gronden te +stellen, de ingeslopen abuizen in de regering, financiën als anderzins +te redresseren, de provincie in rust en bloei te brengen enz." Welk een +gebruik de brave Vorst van deze, nooit te voren dus afgestane, Oppermagt +maakte, bleek eerlang, toen de Stadhouder den 18 December 1748 tot aller +vreugde te _Leeuwarden_ kwam, en zijne voorstellen tot verbetering aan +de plegtig vergaderde Staten mededeelde. Den 23 December werd alzoo zijn +»Reglement, om te dienen tot eene fundamenteele en onverbreekelyke WET, +waar naa alle Saaken, zoo van Politie als Justitie, daar in vervat, +voortaan zullen werden beleid en behandelt," uitmakende 61 artikelen, +uitgevaardigd. Hiermede, gelijk door het uitschrijven van eene algemeene +Amnestie en van een nieuw stelsel van belastingen (dat echter spoedig +onuitvoerbaar werd bevonden), werden alzoo de rust hersteld, vele +aanleidingen tot misnoegen weggenomen en onderscheidene takken van +beheer en gezag op een beteren voet geregeld[358]. + + [358] De bijzonderheden der gebeurtenissen van dit jaar zijn + bijeengebragt in het werkje: _het Verward Frieslandt_ (door J. + DOTINGH), Leeuw. 1749. Zie mede WAGENAAR, XX 196; _Nederl. + Jaerboeken_, II 524. + +Nooit bleek voorzeker aan _Friesland_ het gewigt en nut van het +Stadhouderschap duidelijker, dan in dit merkwaardige jaar 1748. De Prins +betreurde het echter met alle welgezinden, dat het opgewondene gemeen de +goede zaak door oproerige bedreigingen, plunderingen en verwoestingen +(te _Wier_, _St. Anna-Parochie_, _Hallum_ en elders) bezoedelde. Zeker +bragten de persoonlijke hoedanigheden en gedragingen van den Prins, die +de grootheid van zijn Huis enkel zocht in de grootheid van den Staat, +veel toe, om hem dien invloed en die magt te bezorgen en aller harten +aan zich verbonden te houden. Veel is er vervolgens door hem verrigt, om +orde, regt, geldmiddelen en krijgstucht te herstellen en om koophandel +en zeevaart te doen bloeijen. Wat mogt men nu verder niet voor het +welzijn des lands verwachten van een Vorst, met zooveel magt bekleed, +met zoo vele gaven versierd, en als een toonbeeld van christelijke +deugden vereerd? Terwijl men zich over zulk eene gelukkige toekomst +verheugde, behaagde het God, 's Prinsen levensdraad onverwachts af te +snijden. Hij stierf reeds den 22 October 1751, diep betreurd door het +gansche vaderland, dat zijne bewonderenswaardige grootmoedigheid had +leeren kennen, en dat zijn ijver voor het belang des lands en liefde +voor zijn volk met wederliefde en trouw had vergolden. Hoe kort de +regering van Prins WILLEM _den vierde_ ook ware, zij was lang en eervol +genoeg, om hem eene roemrijke plaats te bezorgen onder de edele Vorsten +des vaderlands[359]. + + [359] Vele zijn de geschriften over dezen voortreffelijken Stadhouder, + die meest lofredenen zijn, en waarvan ik onderscheidene heb + bijeengebragt in de Bibliotheek zijner geboortestad, die zich met regt + op hem mag beroemen. Behalve naar WAGENAAR en de _Jaerboeken_ verwijs + ik enkel naar HAVERKAMP, _'s Lands verijdelde hoope_, Amst. 1753; O. + Z. VAN HAREN, _Lijkreeden_, Leeuw. 1766; HOFSTEDE, _Bloemen op het + graf_, Rott. 1752; _Levensb. van ber. Mannen_, VI 284; SCHELTEMA, + _Staatk. Ned._ II 487; V. KAMPEN, II 251, _Karakterk._ II 565. + +Inzonderheid was _Friesland_ wegens het voorgevallene in 1748 aan dien +Stadhouder verpligt, vooral in vergelijking met andere provinciën, waar, +even als in de zaken der Generaliteit, zoo vele misbruiken en +verkeerdheden nog onverbeterd waren gebleven. Prinses ANNA, die na zijn +dood, als Gouvernante van den minderjarigen Prins WILLEM V, het bewind +had aanvaard, vermogt te weinig en bezat ook niet genoeg vertrouwen na +het uitbreken van den oorlog tusschen _Engeland_ en _Frankrijk_, om veel +goeds tot stand te kunnen brengen. Omdat de Staten de vermeerdering van +de krijgsmagt niet wilden toestaan, wist zij tegen te gaan, dat onze +zwakke zeemagt versterkt werd. En toch was dit laatste zoo noodzakelijk, +dewijl de handel en scheepvaart, waarin ook _Friesland_ toen een +belangrijk aandeel had, groote schade leden van de Engelschen, die +zoo vele onzer koopvaardijschepen prijsverklaarden of hinder +toebragten[360]. De dood van Prinses ANNA, op den 12 Januarij 1759, +maakte een einde aan dien staat van spanning, en bevorderde dadelijk de +versterking van onze zeemagt, tot beveiliging onzer vlooten tegen de +roofzucht van de Engelsche zoowel als Fransche kapers. + + [360] Het moedig gedrag van den Frieschen Zeekapitein JAN BINKES in + die dagen is vermeld achter _Aanteekening 23_. + +Terwijl _Holland_ en de vijf andere provinciën nu gedurende de +minderjarigheid van Prins WILLEM V hoofdzakelijk bestuurd werden door +zijn voogd en ook lateren leidsman LODEWIJK ERNST, Hertog van +_Brunswijk-Wolfenbuttel_, Veldmaarschalk van den staat, hadden de Staten +van _Friesland_ zoo veel eerbied voor 's Prinsen grootmoeder, Prinses +MARIA LOUISA, dat zij haar, hoewel reeds 70 jaren oud, als Gouvernante +op nieuw het bewind toevertrouwden. Met die waardigheid en kracht, welke +de edele Prinses, sterk door haar christelijk geloof, immer had betoond +onder zoo vele smartelijke verliezen, welke haar troffen, volbragt zij +gedurende zes jaren deze taak. Zij deed dit zóódanig tot genoegen der +Staten, dat deze bij haren algemeen betreurden dood, op den 9 April +1765, konden betuigen: »dat zij een allergezegendst middel in Gods hand +was geweest, om de welvaart dezer provincie met den uitersten ijver te +bevorderen op eene zoo vreedzame en vriendelijke wijze, dat zij de +liefde en hoogachting van Regenten en ingezetenen van allerlei staat +voor lange jaren verkregen en tot den einde toe volkomen behouden +had"[361]. + + [361] Dit betuigden de Staten in den brief van rouwbeklag aan haren + kleinzoon. Zie STUART, _vervolg op_ WAGENAAR, II 249; DE CHALMOT, + _Leven der Prinses_, Leeuw. 1765; J. VAN DEN BOSCH, _de Heeren + Stadhouderen van Vriesland_, Leeuw. 1770, 35, 86; _Levensbeschrijving + van Nederl. Mannen enz._ VI 154; VAN KAMPEN, _Karakterkunde_, II 562 + enz. + + * * * * * + +Een gelukkig tijdperk van rust en ongemeene welvaart was er voor het +vaderland aangebroken, toen Prins WILLEM V in 1766 in alle provinciën +als Erfstadhouder werd gehuldigd. Die voorspoed, welke ook _Friesland_ +bestraalde, werd in de eerstvolgende veertien jaren alleen door de +veepest van 1769 en den watervloed van 1776 afgebroken. Wel trachtten de +staatsleden de deerlijk vervallen geldmiddelen dezer provincie te +verbeteren, doch er kwam veel minder goeds gedurende dit bloeijende en +rustige tijdvak tot stand dan men had mogen verwachten. De vroegere +wakkerheid was in vele opzigten door laauwheid en zorgeloosheid +vervangen; terwijl zoo vele kleine twisten blijken gaven van de +kregelheid, eerzucht en twistgierigheid, welke vele republikeinen dier +dagen bezielden. Lang bleef ook de goede, doch dikwijls zwakke Prins in +de volksgunst deelen, en ontving hij daarvan streelende bewijzen, toen +hij _Friesland_ in 1773 en 1777 bij herhaling bezocht, omgeven van den +glans der weelde, welke de voorspoed der ingezetenen overal ten toon +spreidde. + +Doch hoe zeer veranderde die stemming des volks en de toestand des lands +met den jare 1780! + +De vrijheids-oorlog der Noord-Amerikaansche volkplantingen tegen +_Engeland_ verwekte allereerst eene ongemeene belangstelling en +geestdrift. Bijzonder was dit het geval bij de vrijheidlievende Friezen, +wier Staten zoo veel lof verwierven, doordien zij in 1782 de eerste van +al de provinciën waren, die vóór de vrijverklaring van _Amerika_ +stemden[362]. + + [362] Zie LOOSJES, _Gedenkzuil der Vrij-verklaaring_, 31, 58, 64, 131, + 133, waar tevens voorkomt het Request van de Burger-Societeit te + _Leeuwarden_: _Door Vrijheid en IJver_ aan Gedeputeerden, met + aanbieding van een Zilveren Eerepenning, welke zij op dit besluit had + laten vervaardigen. De studenten te _Franeker_ huldigden hetzelve door + het afsteken van een vuurwerk. Ook hierdoor werd de vrijheidsgeest + overal aangewakkerd. + +Vermits de Hollandsche kooplieden de Amerikanen, in weerwil van +Engelands verbod, bleven ondersteunen, moest dit natuurlijk een oorlog +van ons land met _Engeland_ ten gevolge hebben. Bij de zwakheid van onze +zeemagt bragt die vredebreuk onzen handel aanzienlijke schade toe. Groot +verschil van staatkundige inzigten en daarbij een toenemend misnoegen +over het gedrag van den Prins en meer nog over de handelingen van zijnen +raadsman, den Hertog van BRUNSWIJK-WOLFENBUTTEL, dien men, nadat hij in +den haat des volks was gevallen, verwijderd wilde hebben,--dit alles +verwekte meer en meer verwijdering, verbittering, scheuring en +partijschap. + +Het volk, dat de staatsleden beschuldigde van afgeweken te zijn van het +Regerings-reglement van 1748, en zich beklaagde over de aanmatigingen +der rijken, de voorregten der aristocratie en de misbruiken der +familie-regering, verlangde meerdere regten uit te oefenen, en eischte +grondwettige herstelling van het, in zoovele opzigten verbasterde, +staatsbestuur. Het woord _vrijheid_, hetwelk in de zaak der Amerikanen +zulk eene heilige beteekenis had, kwam hier in de mode, en werd, +vermengd met de zonderlingste denkbeelden van Fransche wijsgeeren over +godsdienst en volkenregt, getroeteld en in politieke klubs of +fraterniteiten aangekweekt, tot ondermijning van het gezag der regenten. +Zelfs benamen de Friesche Steden den Prins in 1782 het aan zijn vader en +hem afgestane regt van Raadsbestelling en het begeven van de in haar +kwartier rondgaande ambten. Noch het vertrek van den Hertog van +BRUNSWIJK-WOLFENBUTTEL, noch de vrede met _Engeland_ (1784), noch een +verdedigend verbond met _Frankrijk_ (1785), konden de opgewondene +gemoederen tot rust brengen. Integendeel, nadat eene bedreiging +van oorlog met Keizer JOZEF II het volk algemeen de wapenen in handen +had gegeven, versterkten de alom opgerigte Vrij-korpsen of +Exercitie-genootschappen de krijgshaftige houding der natie, waarvan een +deel weldra met die zelfde wapenen hare overheden bedreigde en zich +tegen het gezag verzette. De brave Prins, te zwak om in tijden van +beweging het roer van staat met vaste hand te sturen, sloot zich nu bij +de aristocratie aan, in plaats van eene poging te doen, om de verlorene +vriendschap der patriotten te herwinnen, door hunne voornaamste wenschen +in te willigen. + +In dien onrustigen stand van zaken waagden de Staten van _Friesland_ +het, den publieken geest, welke zich dagelijks krachtiger openbaarde en +op de verbetering van talrijke misbruiken aandrong, te trotseren, door +op den 25 September 1786 twee merkwaardige plakkaten uit te vaardigen. +Bij het eerste werd het op strenge straf verboden, beleedigende +geschriften uit te geven, of requesten en adressen over zaken der +regering te teekenen. Bij het tweede werden de nu gevaarlijk geachte +Exercitie-genootschappen opgeheven en verboden, en de burgers bevolen +hunne wapenen af te leggen[363]. Dan, de stroom vloeide reeds te lang en +te sterk, om, door zulke middelen gestuit, niet buiten zijne oevers te +treden. De tegenstand des volks werd meer algemeen, de breuke tusschen +de Prins-gezinden en Patriotten grooter, de verbittering sterker. De +stad _Franeker_ werd in Mei 1787 het middelpunt, waar de gewapende +misnoegden en tegenstanders van het Stadhouderlijk gezag zich +vereenigden; waar een Defensiewezen zich tegen gevreesde aanvallen +versterkte, door de stad met schansen en elf batterijen te omgeven en +krijgsvoorraad bijeen te brengen, en waar in Augustus tien leden der +Staten zich van die van _Leeuwarden_ afscheidden en, even als in 1672 te +_Sneek_, eene tegenregering vormden, die, met versmading van de wettige +meerderheid, hare bevelen, als de eenige en hoogste magt des lands, +overal wilde doen eerbiedigen. + + [363] Zie de _Verzameling van Placaten_, 339, 343; _Apologie van_ C. + L. VAN BEIJMA, 172, 230, en vele andere stukken van dien tijd. + +Zulk een verwarde toestand des lands, welke voor de rust, de veiligheid +en welvaart der ingezetenen hoogst verderfelijk was, kon niet duurzaam +zijn bij al de blijken, welke het volk gaf van nog niet rijp te zijn +voor het genot van eene vrijheid, waarvan alléén de klank veler hoofden +had bedwelmd; terwijl de band van ontzag, eerbied en liefde tusschen +overheid, vorst en volk was verbroken. Welk persoon, wat stout bedrijf +of welke merkwaardige gebeurtenis zou den veegen Staat redden? Helaas! +den benarden Stadhouder, dien men in _Holland_ zoo veel leed had +aangedaan, dat hij naar _Nijmegen_ was geweken, scheen geen ander middel +tot zelfbehoud over te schieten, dan de hulp in te roepen van zijnen +schoonbroeder, den Koning van _Pruissen_, die in September 1787 een +leger van 20,000 man naar _Holland_ zond, om den Prins in zijn gezag te +herstellen. Achtten velen deze inroeping van vreemde hulp eene grievende +beleediging,--zij had voor het oogenblik dit gunstig gevolg, dat alom, +na hevige uitspattingen, de volksberoeringen ophielden, en dat de Staten +van _Holland_, met intrekking van al hunne besluiten, tegen den Prins +genomen, den Stadhouder verzochten weder in _'s Gravenhage_ te komen. +Zegepralende op zijne vijanden, die het vaderland ontvloden, hernam hij +zijne waardigheden, en werd alom de bestaande regeringsvorm met kracht +gehandhaafd. + +Maar welk gebruik maakten de Staten van _Friesland_ van deze overwinning +van het gezag? Verdienden zij door edele grootmoedigheid en +vergevensgezindheid den eerbied, waarop zij op nieuw aanspraak maakten? +Neen, strenge vervolgingen bragten hen in verdenking, dat niet het +welzijn des volks, maar het zegevieren hunner partij en zucht om het +beleedigde gezag te wreken het roersel hunner daden was. Nadat allen, +die zich verdedigers der grondwettige regten en vrijheden des volks +noemden, met de talrijke te _Franeker_ zamengevloeide gewapende burgers +die stad hadden verlaten, werd zij op den 24 September door de Staten +bezet, en daarna gestraft met het uitligten van de deuren der poorten, +welke in de kerk werden vastgelegd. Honderden Friesche patriotten +vlugtten, waarvan de meesten te _St. Omer_ in _Frankrijk_ eene +schuilplaats vonden. Vele leden van het defensiewezen en andere +deelgenooten van den opstand tegen den bestaanden regeringsvorm werden +gevat en door het Hof gevonnisd met gevangenzetting, geldboeten, +verbeurdverklaring van goederen en andere straffen. Eene algemeene +ontwapening des volks werd bevolen; de Fraterniteiten en andere +dergelijke staatkundige bijeenkomsten werden streng verboden. Wel lieten +de Staten den 16 October eene Amnestie afkondigen; doch deze bevatte, +na eene opsomming van al het misdrevene zóó vele uitzonderingen, dat de +meeste deelgenooten daar buitengesloten bleven, en zich liever den last +der ballingschap buiten hun vaderland getroostten. Hard viel deze straf +vooral vele rustige en brave burgers, die, met de beste bedoelingen, +door den tijdgeest onwillekeurig waren medegevoerd geworden. Nog harder +viel die vervolging, toen de Staten, ook nadat er reeds eenige jaren +verloopen waren, doof bleven voor alle verzoeken tot matiging, zoodat +zelfs nog in 1792 de zedige en verdienstelijke EISE EISINGA, die zich, +na jaren omzwervens, te _Visvliet_ nedergezet had en daar gevat was, na +een proces van een vol jaar, voor vijf jaren uit deze provincie gebannen +werd, enkel omdat hij in 1787 lid was geweest van het defensiewezen te +_Franeker_. + +Te onverklaarbaarder was dit streng volhouden der Staten, omdat zij, +bekend met de wenschen des volks, waardoor de onlusten waren ontstaan, +sedert 1787 bijna niets deden ter verbetering van het door zoovelen +aangevallene staatsbestuur en tot wegneming van de algemeen erkende +misbruiken;--doch vooral, omdat de staats-omwenteling van 1789 in +_Frankrijk_ hun tot ontzetting deed zien, welk eene magt het volk +tegenover den troon, den adel en de geestelijkheid kon ontwikkelen; +welke de eischen waren van den onwederstaanbaren geest des tijds, en +welke gevolgen het onverstandig vasthouden aan verouderde vormen en +begrippen na zich ~moest~ slepen. Bekend was het bovendien, hoe +zeer de Nederlandsche vlugtelingen blaakten van wraakzucht, om hunne +overheden het inroepen der Pruissische hulp betaald te zetten; hoe +zij zich met de Franschen verbroederden, en, door briefwisseling met +hunne vrienden, in ons land de hoop levendig hielden op eene door hen +voorbereide verlossing, ter bekoming van eene gelijke vrijheid en +volkssouvereiniteit, als de Fransche republiek reeds had verworven. In +weerwil de onmenschelijke tooneelen van het schrikbewind, na den val van +Koning LODEWIJK XVI, alle mogendheden deden sidderen voor de woede van +een bandeloos volk--bleven de Staten van _Friesland_ zorgeloos en gerust +op het oude pad voortgaan. Ja, nog den 28 Januarij 1795, toen het water +reeds tot aan de lippen was gestegen, ontveinsden zij het klimmende +gevaar, daar zij, bij openlijk plakkaat, zich durfden »vleien, dat de +Unie zal blyven bewaard, in het vertrouwen op het vooruitzigt van den +gelukkigen en wenschelyken voortgang der aangevangene Vreedes +Negotiatien; uit welken hoofde 'er zig gegronde hoope opdoet tot het +zien eindigen van deezen bloedigen Oorlog."[364] + + [364] _Verzameling van Placaaten_, 436, 437. + +Zóó blind, zóó onverzettelijk bleven 's lands Regenten, die echter reeds +den volgenden dag al onthutst waren over »de verandering der gedaante +van zaaken door de rampen des Oorlogs," waarom ze den predikanten +bevolen te bidden, »dat God den bloedigen Oorlog mogt doen eindigen." +Doch die oorlog was toen eerst aangevangen en zou nog twintig jaren +lang, geweldiger dan ooit te voren, woeden, ten einde, onder Gods wijze +en liefdevolle leiding, het middel te worden, om de natiën, die in vrede +en voorspoed doof waren geweest voor de stem van godsdienst en rede, en +blind voor hun duurzaam belang, door lijden en strijd te louteren, en, +eerst na verloop van vele jaren van rampspoed, te verheffen tot eene +betere maatschappelijke orde en meerdere vatbaarheid voor volksgeluk. + + + + +VIJFDE TIJDVAK. + +FRIESLAND TIJDENS DE VOLKSREGERING EN DE FRANSCHE OVERHEERSCHING. + +VAN DE STAATS-OMWENTELING EN DE OPHEFFING VAN HET STADHOUDERSCHAP TOT DE +HERSTELLING VAN NEDERLAND EN HET VERTREK DER FRANSCHEN. + +_Van het jaar 1795 tot 1813._ + + +42. _De Staats-omwenteling en hare gevolgen._ + +Te laat namen de Staten van _Friesland_, den 7 Februarij 1795, het +besluit tot opheffing van de vervolgingen en verbodsbepalingen, waarmede +men sedert 1787 vele opgewondene ingezetenen in toom had gehouden. Na in +_België_ lang tegenstand te hebben ondervonden, zegevierden de wapenen +der Franschen, die nu door den vorst zich reeds in December 1794 den weg +gebaand zagen over de rivieren, die ons vaderland meermalen tot eene +natuurlijke beschutting verstrekten. De vroeger gevlugte patriotten, die +in _Frankrijk_ de bloedige tooneelen van de revolutie-koorts hadden +bijgewoond, snelden hen vooruit, en nog vóór de Franschen onzen Staat, +op den 1 Februarij 1795, den oorlog verklaarden, ontvlugtte Prins WILLEM +V met zijn gezin en vele zijner aanhangers het vaderland, dat ruim twee +eeuwen veilig was geweest onder de hoede van ORANJE. De in 1787 alleen +door de kracht der wapenen herstelde republiek was haren val nabij, en +bezweek voor den revolutiegeest des volks, dat geheel andere beginselen +dan vroeger huldigde en zich sterk waande door buitenlandschen invloed. + +Ook in _Friesland_ vestigde zich een _Committé Revolutionair_, hetwelk, +na de omwenteling geheel voorbereiden den vrijheidsboom te _Leeuwarden_ +geplant te hebben, den 10 Februarij 1795 de Regenten der steden en +grietenijen ontsloeg en andere personen aanstelde, onder luidruchtige +vreugdebedrijven van het volk. Evenzoo verklaarde het den 19 Februarij +met eene plegtige aanspraak de Staten van _Friesland_, gelijk den +Erfstadhouder, vervallen van hunne waardigheden, met belofte van +veiligheid voor hunne personen en verbod om te vlugten. Hierna werden er +60 Provisioneele Representanten van het volk van _Friesland_ in hunne +plaats aangesteld, en voorzien van eene instructie, welke de beginselen +bevatte, waarnaar de nieuwe republiek voorloopig zou worden bestuurd. +Het Committé legde toen tevens zijne taak neder, en »wenschte het volk +plegtig geluk met de volbragte onvermijdelijke revolutie, en met de tot +dusverre gelukkig herstelde vrijheid; onder betuiging, dat de +bedaardheid, goede orde en rust, bij zulk eene verbazende omkeering van +zaken overal bewaard, der Friesche natie voor het oog der geheele wereld +tot onsterfelijken roem verstrekten." + +In de volgende dagen vaardigden de Provisioneele Representanten bij +verschillende plakkaten hunne staatkundige geloofsbelijdenis uit, om +ieder te doen zien, dat zij geen ander oogmerk hadden, dan om, ook door +het afschaffen van de erfelijke aristocratie en familie-regering, de +miskende regten des volks te handhaven, en veiligheid van personen en +bezittingen, vrijheid van godsdienst en drukpers en gelijkheid van allen +voor de wet te verzekeren, onder vermaning, van de verkregene +voorregten door geene rustverstoring te bezoedelen.[365] + + [365] Zie dit alles in de _Verzaamel. van Placaaten_, I 1-29, in de + _Dagverhalen_ en veelvuldige geschriften van dien tijd. + +En inderdaad, het verdient opmerking, dat zulk eene omwenteling en +vernietiging van het eeuwenheugende gezag hier, door het volk zelf, zoo +rustig en zonder schending van personen of bezittingen werd tot stand +gebragt. Want eerst den 4 Maart deed de Fransche Generaal GASPARD +THIERRY met een aantal huzaren zijne plegtige intrede in _Leeuwarden_, +onder de uitbundigste vreugdebetooningen van het uit alle oorden te +zamengevloeide volk, dat in den roes zijner blijdschap, hand aan hand +met den luchthartigen Franschman dansende om den vrijheidsboom, zich +zelf vergat, en zich niet bewust scheen te zijn, dat het eene inhaling +was als van het Grieksche paard in _Troje_. Doch de Franschen hadden +beloofd, als vrienden en bondgenooten te zullen overkomen, en als +verlossers van de overheersching en beschermers van de nieuwe republiek, +die ze zeker weldra weder zouden verlaten, werden ze dus ontvangen en +bij de burgers ingekwartierd. Hoe spoedig bleek echter het tegendeel, +nadat 150,000 hunner, meest uitgehongerde en halfnaakte, krijgslieden +over het gansche land waren verspreid, waarvan _Friesland_ zijn aandeel +rijkelijk bekwam! + +Immers, bij het Haagsche verdrag van den 26 April 1795 eischten de +Franschen reeds, behalve den afstand van een aanzienlijk grondgebied, +100 millioen gulden voor het bezorgen van de zoogenaamde vrijheid, onder +verpligting van onzen Staat, om 25,000 man Franschen in dienst te houden +en te bezoldigen. Doch de partij der patriotten had de overwinning +behaald en zich gewroken op den Prins en de staatsleden, die hen in +1787 hadden doen vlugten, maar--ten koste der onafhankelijkheid des +lands. Het volk, gestreeld door de klanken van Vrijheid, Gelijkheid en +Broederschap, spiegelde zich nu, bij de zegepraal der beginselen van de +regten van den mensch en burger, de schoonste toekomst van eene veel +verbeterde staatsinrigting voor; hoewel het, bij de schaarschheid en +duurte van levensmiddelen en het stilstaan van sommige bronnen van +bestaan, al dadelijk verpligt werd, om in herhaalde geldleeningen, +heffingen en drukkende lasten aan de vermeende vrijheid zware offers te +brengen[366]. + + [366] In 1796 beval het Provinciaal Bestuur zelfs, "ten einde de + Friesche trouw ongeschonden bewaard blijve" (!), dat het zesde + gedeelte der bezittingen van alle publieke corpora, of de stedelijke, + geestelijke, dorps-, kerke-, arme-, wees en gasthuis-goederen, + openlijk verkocht en het bedrag daarvan den lande tegen 3-1/2 proc. + rente opgeschoten moest worden. In het volgende jaar noopte de hooge + nood des lands het bestuur op nieuw, nog een vijfde gedeelte van het + overschot te eischen. Men gisse, welk eene massa vastigheden er dien + ten gevolge tegen lage prijzen verkocht en in handen gekomen is van + bijzondere personen, waarvan velen ze later voor meer dan het dubbele + van dien prijs verkocht hebben. Zie die besluiten in de _Verzameling + van Placaaten_, II 21, 73, 199. + +Intusschen geschiedde er in Mei eene algemeene oproeping van het volk +van _Friesland_ tot stemming van 68 Representanten, die nu het roer der +regering aanvaardden en aan negen hunner het waarnemen der zaken van het +vroegere Collegie of de uitvoerende magt toevertrouwden. Nog scheen dit +bestuur uit gematigde patriotten te bestaan, hoewel het de meeste leden +van het Hof ontzette en door andere personen van zijnen geest deed +vervangen (15 Julij), en toeliet, dat de Stadhouderlijke Tombes in de +Groote Kerk te _Leeuwarden_ schandelijk vernield en de Grafkelders +geschonden werden (1 Aug.). Evenwel bleef deze partij, bij het plan tot +bijeenroeping van eene Nationale Conventie, met kracht van redenen de +souvereiniteit en de onafhankelijkheid der provinciën vasthouden en +verdedigen, omdat zij haar _zelfbestaan_ niet konde, niet wilde +vernietigen, en omdat zij zich van eene vereeniging met de andere +gewesten voor _Friesland_ groot gevaar en vele nadeelen voorstelde. Doch +_Holland_, met een grooten schuldenlast bezwaard, trachtte de +ineensmelting van de provinciën en de provinciale schulden door te +drijven, en om dit doel te bereiken, spaarde het geene middelen, »geen +vleijen en kuipen, geen dringen en dreigen." Het werd daarin ondersteund +door een aantal hevige Friesche patriotten, die zich van de een- en +ondeelbaarheid van den Staat veel heils voorspelden, en als heethoofdige +ijveraars meer doortastende veranderingen begeerden. Zóó vormden zich +onder de patriotten zelve partijen, die elkander uit verschil van inzigt +wantrouwden en vervolgden met een haat en tweedragt, nog sterker dan +vóór de omwenteling. In Januarij 1796 vestigden zich eenigen dier +ijveraars zelfs tot een Committé van herstel, hoewel ze spoedig door de +Representanten, die hen eene oproerige bende van baatzuchtige +fortuinzoekers en intriganten noemden, werden gevangen gezet. Evenwel +wist hunne partij te bewerken, dat Frieslands volksvertegenwoordigers +met geweld uiteengejaagd en sommigen zelfs in hechtenis genomen werden. +Met hulp der gewapende magt herstelde het gezag zich echter weder, doch +kort daarna werd het andermaal verdreven door de doldriftige partij, die +alzoo, door Fransche en Hollandsche hulp gesteund, zegevierde[367]. Wel +kwam er intusschen den 1 Maart eene Nationale Vergadering te _'s +Gravenhage_ bijeen, waarop _Friesland_ echter eerst, evenmin als +_Zeeland_, afgevaardigden zond; doch de uiteenloopende meeningen der +vier partijen hiervan verstonden elkander zóó weinig, dat zij enkel +voorbereidde, hetgeen, na hevige onlusten en geweldige maatregelen, op +de tweede Nationale Vergadering doorgedreven en met goedkeuring der +meerderheid van het stemgeregtigde volk bij de Staatsregeling van 1 Mei +1798 uitgevaardigd werd: dat de één-en-ondeelbare Bataafsche Republiek +zou bestaan uit acht Departementen, met een Vertegenwoordigend Ligchaam, +waarvan de eerste kamer uit 60 en de tweede uit 30 leden zou bestaan, +benevens een Uitvoerend Bewind van 5 leden. + + [367] 't Was deze partij, die in 1796 het bevel gaf tot wegneming van + alle, "de gelijkheid onteerende," titels, livreijen, + onderscheidingsteekens en wapens op gebouwen, grafzerken enz., als + hinderlijk aan de onvervreemdbare regten van den mensch en den burger. + _Verzameling van Placaaten_, II 17, 56,71. + +Ofschoon _Friesland_ bij die Staatsregeling voor het eerst na zoovele +eeuwen zijn Naam verloor, daar het met _Groningen_ werd vereenigd onder +den naam van het _Departement van de Eems_;--ofschoon het nu eindelijk +aan Hollands heerschzucht en overwigt zijne souvereiniteit en +zelfbestaan en alzoo een groot gedeelte zijner magt en invloed ten offer +moest brengen, en zich bovendien met een ~veel grooter schuldenlast~ dan +zijne eigene zag bezwaard;--ofschoon het Provinciaal Bestuur van +_Friesland_, alléén uit aanmerking van »den bejammerenswaardigen +toestand der republiek," gevolg gaf aan het bevel der Constitueerende +Vergadering, die zich den 22 Januarij 1798 te _'s Gravenhage_ met geweld +van de oppermagt had meester gemaakt, om, »met ontbinding van alle +Provinciale Besturen, een Intermediair Administratief Bestuur, +afhankelijk van en verantwoordelijk aan genoemde Vergadering," uit te +maken:--toch werd die merkwaardige en in zoo vele opzigten vernederende +gebeurtenis, een onvermijdelijk gevolg van den gang der omwenteling, +hier met een luisterrijk Volksfeest gevierd. Ja, de democratische of +revolutionaire partij had, na het overheerschen of verbannen van alle +gematigde patriotten, door Hollandschen en Franschen invloed, in +_Friesland_ veler gemoederen opgewonden tot een geestdrift, welke in al +de zinnebeeldige voorstellingen en bedrijven van dat Volksfeest de +belagchelijkste tooneelen opleverde. Op den 19 Mei 1798 werd het onder +grooten toevloed van aanschouwers te _Leeuwarden_ gevierd. De +_Een-en-Ondeelbaarheid_, verbeeld door eene maagd, met de acte van +Staatsregeling in de hand, werd, zittende op een triumfwagen, tusschen +een talrijken trein van regeringsleden, zinnebeeldig versierde personen +en de gewapende magt, door de stad gevoerd, en geleid op een troon in +den Tempel der Vrijheid, welke op de Langepijp was opgerigt. Nadat de +personen, verbeeldende de Regten van den mensch, de Gelijkheid en de +Broederschap, als ook de vier nationale Deugden en de vier Standen van +den mensch, zich nevens haar geplaatst hadden, werd het zevenhoofdig +Monster van het Federalisme (de zeven vroeger, op zich zelve souvereine, +Vereenigde Provinciën) op een houtstapel gelegd en onder gejuich +verbrand, waarna de President voor het Altaar der vrijheid eene +aanspraak deed, en het feest met dansen om den Vrijheidsboom en andere +luidruchtige vermaken werd besloten[368]. + + [368] De merkwaardige teekening, welke de verdienstelijke + kunstliefhebber PETRUS GROENIA (nog in 1831 bekend als Kolonel van + eene Afdeeling Friesche Schutterij) toen van deze plegtigheid + vervaardigde, is, met het Programma van den optogt, thans in mijn + bezit. + +Doch de partij, wier beginselen en bedoelingen nu hadden gezegepraald, +regeerde niet lang. Nadat zij reeds in Februarij des vorigen jaars +verontrust was door een dwaas oproer van Oranjegezinde ingezetenen uit +den omtrek van _Kollum_[369], had op den 12 Junij 1798 te _'s +Gravenhage_ eene soort van tegen-omwenteling plaats, waarbij het +Uitvoerend Bewind en het Wetgevend Ligchaam met magt van wapenen werden +uiteengedreven. Eerst nadat het volk zich, ingevolge de aangenomene +Staatsregeling, eene nieuwe vertegenwoordiging had gekozen van meer +gematigde personen, die eene algemeene vergiffenis van staatkundige +misdrijven uitvaardigden, scheen er een einde te zullen komen aan al de +revolutionaire woelingen en de omwenteling voltooid te zijn. Die +Staatsregeling toch, welke vele verouderde vormen en misbruiken +afschafte en de sedert jaren verkondigde theoriën omtrent het +maatschappelijk verdrag en het regt en den invloed des volks op het +staatsbestuur in werking bragt, was bij voorraad eene belangrijke +schrede tot vooruitgang, tot verspreiding van mildere beginselen en tot +bevrediging der eischen van het nieuwe geslacht, dat de vroegere banden +was ontwassen. Na zoo hevige schokken en bittere vervolgingen van de +partijen onderling, kwam er nu meerdere orde en rust onder de +ingezetenen, en leerde men zich met bedaardheid onderwerpen aan de +drukkende gevolgen eener omwenteling, welke een geheel anderen loop en +rigting had genomen, dan zelfs de bewerkers zich hadden voorgesteld. + + [369] Die volksbeweging, onder den naam van het _Kollumer oproer_ + bekend, begon bij gelegenheid der opschrijving tot de gewapende dienst + te _Kollum_, en breidde zich weldra tot de omliggende dorpen en + grietenijen uit. "Onder den oproerkreet van Oranje boven!" trokken + eenige honderden gewapende landlieden zelfs op _Dokkum_ aan, vanwaar + ze verjaagd en verder door de van _Leeuwarden_ afgezondene troepen + bedwongen werden. Een getal van 174 personen, die daaraan deel hadden + genomen of van Oranjegezindheid verdacht waren, werden op het Blokhuis + te _Leeuwarden_ gevangen gezet en een daarvan onthoofd. Velen werden + spoedig losgelaten, anderen met geldboeten gestraft. Zie uitvoerige + berigten deswege in de destijds uitgegevene _Beschrijving van de + oproerige Beweegingen in Friesland_. + + +43. _De val der Republiek en vernietiging van ons Volksbestaan._ + +Nog waren er geene drie jaren verloopen, of er bestond reeds behoefte +aan eene nieuwe Grondwet, welke verbeterde Staatsregeling in 1801 door +het volk werd aangenomen. Deze kenmerkte zich door meerdere toenadering +tot het oude, doordien de omvang der vroegere provinciën hersteld werd +en ook _Friesland_ zijn Naam herkreeg, met een Departementaal Bestuur +van elf leden; terwijl het Algemeen Bestuur was zamengesteld uit een +Staatsbewind van 12 en een Wetgevend Ligchaam van 35 leden. Hierop +volgde weldra eene nieuwe regeling van de Gemeentebesturen, aan wier +leden het Huishoudelijk beheer, gelijk de Policie en Justitie aan +Drosten en Geregten, alsmede aan Dorpregters was opgedragen. Daartoe +werd _Friesland_ verdeeld in 14 Drost-ambten. Bij de benoeming van vele +nieuwe personen tot regeringsleden was het een aangenaam verschijnsel, +eene meerdere toenadering en verzoening tusschen de vroegere partijen te +bespeuren; terwijl de gematigdheid van het Staatsbewind bereid was, de +vroegere scheuringen zoo veel mogelijk te heelen tot eendragtige +zamenwerking aan het algemeen belang. + +Want groot waren bij voortduring de bezwaren, welke op den Staat +drukten, ook buiten den geldnood, waarin men door dikwijls herhaalde +heffingen op de bezittingen en inkomsten, door leeningen en buitengewone +belastingen trachtte te voorzien, totdat deze in 1805 door een stelsel +van algemeene belastingen op allerlei voorwerpen werden vervangen. De +bezorgdheid van het Staatsbewind was in 1803 zelfs zóó groot, dat het +klaagde »over de gezonken welvaart, het steeds dieper verval van onze +nationale zeden en de toenemende onverschilligheid omtrent God en +Godsdienstige zaken, zoodat er redenen bestonden, om nieuwe en +onherstelbare rampen te vreezen"[370]. + + [370] Zie over al het vermelde de _Verzameling van Placaaten_, VI 168, + 179, 209, 224, 311, 345. + +Intusschen was de invloed van _Frankrijk_ en onze afhankelijkheid van +NAPOLÉON, die zich in 1804 tot Keizer had verheven, grooter geworden. +Eene gewijzigde Staatsregeling voor het Bataafsche Gemeenebest +was daarvan in 1805 het gevolg. De edele staatsman RUTGER JAN +SCHIMMELPENNINCK werd als Raadpensionaris met een Wetgevend Ligchaam +geplaatst aan het hoofd van het bewind, dat de belangen der +Departementen en Gemeenten door nieuwe verordeningen (ook op het +onderwijs) zocht te bevorderen. _Friesland_ werd nu ten aanzien van de +Justitie en Politie verdeeld in 15 Drost-ambten, welker bestuur uit een +Drost, Mederegters en Schepenen bestond. Dat bewind, hetwelk den +zorgvollen toestand des lands zoo veel mogelijk trachtte te lenigen, was +echter alleen de overgang tot eene Monarchale regering. NAPOLÉON'S wil +schiep het Koningrijk _Holland_, en plaatste zijnen broeder LODEWIJK op +den troon (5 Junij 1806). Op nieuw onderging de constitutie eene +wijziging, en werden den Koning vier Ministers met eén Wetgevend +Ligchaam van 38 leden toegevoegd, voor zooverre er voor dezen nog +een schijn van gezag was overgebleven na het vallen van de eenmaal +zoo grootsche republiek. Ten gevolge daarvan werd _Friesland_ in +den volgenden jare (vermeerderd met de eilanden _Vlieland_ en +_Terschelling_) gesteld onder het bestuur van een Land-Drost met zijne +zes Assessoren, benevens drie Kwartier-Drosten; terwijl de Steden van +den eersten rang, boven de 5,000 zielen, onder het bestuur kwamen van +een Burgemeester, vier Wethouders en eene Vroedschap, benevens eene +Schepensbank als nedergeregt. Ten platten lande werd een Baljuw aan het +hoofd van het bestuur van ieder der 30 Districten gesteld[371]. + + [371] Zie de _Verzameling van Placaaten_, VIII 1, 23, IX 483, X 193, + 482 env. + +De welwillendheid, waarmede de goedhartige Koning LODEWIJK de belangen +van ons vernederd vaderland tegenover de aanmatigingen van zijnen +heerschzuchtigen broeder voorstond, verzachtte aanmerkelijk het +misnoegen des volks over dit opgedrongen gezag. Door de ijverige zorgen +van den Land-Drost REGNERUS LIVIUS VAN ANDRINGA DE KEMPENAER en zijne +Assessoren mogt _Friesland_ gedurende de vier jaren van het koningschap +vele voorregten smaken. In vergelijking toch van _Holland_, dat door het +stilstaan van den handel kwijnde en van andere provinciën, die door +watervloeden en oorlogsrampen geteisterd werden, had ons gewest aan de +toenemende ontwikkeling van den landbouw en de veeteelt zelfs eene mate +van voorspoed en bloei te danken, welke eenigzins opwoog tegen de immer +stijgende schulden, lasten en bezwaren. Doch NAPOLÉON'S zucht om te +veroveren en te heerschen, bij voortdurende teleurstelling in zijn +wensch om _Engeland_ meester te worden, maakte hem vermetel, bitter en +onregtvaardig, vooral jegens zijnen broeder en ons vaderland. De Keizer +dwong hem, afstand te doen van den troon (1 Julij 1810), en weldra +volgden nu de besluiten, dat _Holland_ met het Keizerrijk werd +vereenigd, dat het Fransche stelsel van regering, wetgeving, belastingen +en conscriptie op ons land werd toegepast, en dat de renten der schuld +slechts voor een derde zouden worden voldaan. Het grondgebied werd +daarbij verdeeld in zeven Departementen, ieder bestuurd door een Prefekt +en Onder-Prefekten met een Raad van Prefekture. Alléén _Friesland_ bleef +daarvan zijn alouden Naam behouden, en ontving eene verdeeling in drie +Arrondissementen met drie Regtbanken, in 19 Kantons met zoovele +Vrederegters en in 93 Gemeenten met Maires aan het hoofd[372]. + + [372] _Verzameling van Placaaten_, XIV 97, 111, 137. + +Loodzwaar drukte van toen af de ijzeren hand des dwingelands op het +kwijnende vaderland, tot de diepste onderwerping aan zijne willekeur +gedoemd. Nogtans had _Friesland_ het voorregt, in den Prefekt JAN +GIJSBERT VERSTOLK een bestuurder te vinden, wiens wijsheid en +gematigdheid vele bezwaren der Fransche regering verzachtte, en die +daarvoor belooning vond in de algemeene hoogachting, in stede van den +haat en den vloek, welke elders op de hardvochtige en wreede handlangers +des tirans rustten. Wel kwamen er onder dit en het vorige bestuur vele +verbeteringen tot stand, welke wij duurzaam als heilzame vruchten der +verovering zullen vereeren; doch zij konden destijds niet opwegen tegen +de smartelijke verliezen, verbazende opofferingen van goed en bloed en +grievende vernederingen, die de natie moest dulden en ondergaan. Het +volksbestaan uitgewischt en ons land tot een wingewest van _Frankrijk_ +verlaagd--vele bronnen van volksbestaan vernietigd, door den handel aan +kluisters te leggen en de havens te sluiten--het volk zonder gezag of +invloed op het staatsbestuur--door den dwang van politie en censuur +verstoken van de vrijheid van spreken en schrijven--door knellende +belastingen, heffingen en inkwartieringen uitgezogen--de jongelingen +zonder uitzondering als op de slagtbank voor de krijgsdienst geprest tot +een bloedigen oorlog, waarin gansch _Europa_ deelde,--de inkomsten van +duizenden ingezetenen en gestichten tot op een derde verminderd--'s +lands taal en zeden verguisd en het hooger onderwijs, ook door de +vernietiging van Frieslands beroemde Hoogeschool, ingekrompen,--ja, +bezit en eigendom zelfs afhankelijk gesteld van de willekeur der +Fransche gezagvoerders:--ziedaar eenige der vele bijna ondragelijke +bezwaren en kwellingen, waaronder de landzaat gebukt ging. + +Zóó ver moest het komen, om de Nederlanders de droeve gevolgen hunner +vroegere partijschappen te doen betreuren; om hen, terwijl al het +dierbaarste hen naar buiten ontviel, tot zich zelve te doen inkeeren; om +hen in godsdienst en zedelijkheid de bron te doen zoeken van inwendigen +vrede, van kracht en moed onder vernedering en lijden, en om hen, bij de +stijgende magt en dwang des overmoedigen geweldenaars, te vervullen met +haat jegens hunne onderdrukkers en met hoop, neen, met het zekerste +vertrouwen op de toekomst. Immers, zulk eene algemeene verfoeide +dwinglandij, zulk een misbruik van gezag ~kon~ niet duurzaam zijn. Gods +Wijsheid en Liefde had onze vaderen tot zóó verre beproefd en gelouterd, +toen Zijne Almagt den man des bloeds, na eene uiterste krachtinspanning, +in de velden van _Rusland_ een perk stelde en vernederde, en voor de +lang verdrukte tolken den gewenschten dageraad van den dag der +verlossing, des vredes en der onafhankelijkheid deed gloren. Nooit mogen +de Nederlanders deze staats-omwenteling en hare oorzaken en gevolgen +vergeten![373] + + [373] Hoe belangrijk ook, duldt mijn bestek niet, hier stil te staan + bij den invloed dezer omwenteling op de hoogere belangen des volks. Ik + verwijs deswege liever naar de voortreffelijke verhandeling van den + Hoogleeraar KEMPER, _over den Invloed der Staatkundige Gebeurtenissen + en der Godsdienstige en Wijsgeerige begrippen, sedert ruim 25 jaren, + op de ware verlichting in het godsdienstige en zedelijke bij de volken + van Europa_, door Teijlers stichting bekroond en in 1820 ook + afzonderlijk uitgeven. + + + + +ZESDE TIJDVAK. + +HET NIEUWE FRIESLAND, ONDER DE KONINKLIJKE REGERING. + +VAN DE HERSTELLING VAN NEDERLAND TOT OP DE NIEUWE REGELING VAN HET +GEMEENTEWEZEN. + +_Van den jare 1813 tot 1851._ + + +44. _Bevrijding en Vestiging van den Nederlandschen Staat. 1813-1816._ + +De heerschzucht van NAPOLÉON had te veel gewaagd, toen hij, na een groot +deel van _Europa_ veroverd te hebben, ook het magtige _Rusland_ aanviel. +Zoodra liep de krijgskans hem niet tegen, of de lang door hem verdrukte +volken sloegen de handen met _Rusland_ in-een, om hem te vernederen en +zich zelve tot vorigen rang te herstellen. Terwijl de tijding van zijne +nederlagen de Fransche ambtenaren in _Nederland_ met schrik en schroom +vervulde, zoodat zij op zelfbehoud bedacht waren, werd te _'s +Gravenhage_ door GIJSBERT KAREL VAN HOGENDORP, (den kleinzoon van ONNO +ZWIER VAN HAREN) en zijne vaderlandlievende vrienden het plan gevormd, +eene omwenteling te bewerken en den _Prins van Oranje_, die zich in +_Engeland_ bevond, het gezag aan te bieden. + +Inmiddels zond de Russische overste Baron ROSEN een aantal kozakken naar +_Friesland_, die den 16 November 1813 te _Leeuwarden_ aankwamen. Nu +werd de vlugt der Franschen algemeen. Ook de Prefekt VERSTOLK verliet +deze provincie, waarna de Raad van Prefekture aan HECTOR VAN SMINIA de +waarneming van dat ambt opdroeg en zelf het gezag bleef bekleeden, in +afwachting van het welslagen der vrijheidlievende oogmerken in _Holland_ +(25 Nov.). Na eene pijnlijke onzekerheid van eenige dagen, schonken +eindelijk de gelukkige uitslag dier pogingen, de spoedige overkomst van +den Prins van _Oranje_ en de proclamatiën, eerst in zijn naam en daarna +door hem uitgevaardigd, de zekerheid, dat de Franschen bijna geheel +verdreven waren, dat het hatelijk juk der dwingelandij was afgeschud en +dat de verbrokene banden tusschen _Nederland_ en het Huis van _Oranje_ +op nieuw geknoopt waren, om de vrijheid en onafhankelijkheid des +vaderlands te herstellen. Onbeschrijfelijk groot was hier, gelijk alom, +de blijdschap over deze heugelijke gebeurtenis, welke op den 10 December +te _Leeuwarden_ en elders, bij 's Prinsen uitroeping tot Souverein +Vorst, met groote vreugdebedrijven- en twee dagen later in alle kerken +dezer provincie godsdienstig en dankbaar werd gevierd. + +Kort te voren waren namens den Prins en het Algemeen Bestuur der +_Vereenigde Nederlanden_ ENNIUS HARMEN BERGSMA, lid van het Keizerlijk +Geregtshof te _'s Gravenhage_, en HECTOR VAN SMINIA, waarnemend Prefekt, +benoemd tot _Commissarissen-Generaal_ ter organisatie van het +Departement _Friesland_, tot bereiking van welk doel zij in ieder der +drie Arrondissementen een Commissaris aanstelden. De Maires werden +afgeschaft en voorloopig in de steden door Burgemeesteren en +Vroedschappen en op het land door Schouten vervangen.[374] Algemeen was +de geestdrift, om mede te werken tot herstel van het herrezene +vaderland. Aanzienlijke giften in geld, goud en zilver werden daartoe +geofferd. Eene menigte personen nam dienst en trok uit, om de Franschen, +die zich nog in _Delfzijl_, _Koevorden_, _Gorinchem_, _Naarden_ en +elders genesteld hadden, te verdrijven. + + [374] De Administratie van het Departement _Friesland_ was in 1813 + zamengesteld uit: een Prefekt met 4 Raden van Prefekture en een + Secretaris Generaal; 3 Onder-Prefekten in de Arrondissementen, die + ieder 11 Raden hadden, terwijl de Algemeene Raad van het Departement + uit 16 personen bestond. In elk Arrondissement waren nog + Kantons-vergaderingen, met een President aan het hoofd. De 11 Steden + en 82 Gemeenten, waarin het Departement was verdeeld, werden door een + Maire, een of meer Adjunct-Maires en, naar gelang harer grootte, door + 30, 20 of 10 Municipale Raden bestuurd. + +Nadat in Maart 1814 een getal van 52 der aanzienlijkste ingezetenen of +Notabelen van _Friesland_ naar _Amsterdam_ waren genoodigd tot +beoordeeling van het Ontwerp van _Grondwet_, werd deze aangenomen, en +den 30 Maart WILLEM FREDERIK, _Prins van Oranje_, als _Souverein Vorst +der Vereenigde Nederlanden_ plegtig gehuldigd. Het voorloopig bestuur +der Commissarissen-Generaal werd den 6 April opgeheven door de benoeming +van Jhr. IDSERT ÆBINGA VAN HUMALDA tot _Gouverneur van Friesland_. Het +besluit van den 9 Maart 1815 herstelde de aloude verdeeling van dit +gewest in 30 of nu met de eilanden in 32 Grietenijen, onder het bestuur +van een Grietman, Assessoren en Leden van den Raad. Het bestuur der +Steden werd zamengesteld uit eenen Raad met vier of drie Burgemeesteren +aan het hoofd. + +Vele bepalingen van die staatsregeling voor 9 provinciën, welke nu weder +bestuurd werden door Staten, die voor de wetgeving 55 leden der +Staten-Generaal en voor het dagelijksch bestuur een Collegie van +Gedeputeerden benoemden, ontvingen echter spoedig eene wijziging, ten +gevolge onzer vereeniging met _België_ en de nieuwe Grondwet van 1815, +bij de vestiging van het _Koningrijk der Nederlanden_, met WILLEM _den +eerste_ als Koning aan het hoofd. + +Die uitbreiding van grondgebied, deze verheffing van onzen Staat tot een +Koningrijk, bij de herleving van handel, scheepvaart en nijverheid en de +herstelling van vele vroeger gesloopte betrekkingen en inrigtingen, +schenen voor de welvaart en het geluk van _Nederland_ eene schoone +toekomst te doen aanbreken. Ook in _Friesland_ werd de vroegere +hoogeschool te _Franeker_ in een Rijks-Athenæum hersteld; werden de +betrekkingen tusschen het volk en zijne vroegere bestuurders vernieuwd, +en ontsprongen er uit landbouw, veeteelt en handel bronnen van +volksvlijt en voorspoed, welke een nieuw leven verspreidden; terwijl de +ijver van het Algemeen en Provinciaal Bestuur, en niet minder van de +Plaatselijke Besturen, om herstellingen en verbeteringen aan te brengen, +op de ontwikkeling van alle standen en de bevordering van lang +verwaarloosde belangen van gunstigen invloed was. + + +45. _De jongste lotgevallen van Friesland. 1816-1851._ + +De blijde vooruitzigten, welke de vestiging van een onafhankelijk +volksbestaan geopend hadden, werden echter eerlang door tegenspoeden +getemperd. Nadat van 1816 tot 1824 bestendige afwisseling van +buitengemeen natte en drooge zomers schaarschheid en duurte en daarna +sterke daling van de prijzen der voortbrengselen van den landbouw ten +gevolge hadden, trof _Friesland_ den 5 Februarij 1825 met andere +gewesten eene geduchte ramp. Hevige en aanhoudende stormen deden op +verscheidene plaatsen dijkbreuken ontstaan, en binnen weinige uren was +tweederde gedeelte dezer bloeijende provincie overstroomd, en schenen +menschen, vee en bezittingen aan de woede der golven prijsgegeven te +zijn. De som der algemeene schade en verliezen, daardoor te weeg +gebragt, werd op niet minder dan 3 millioen Gulden geschat. Heerlijk +blonk echter toen ook, naast menig edelmoedig bedrijf tot redding en +hulpbetoon, de algemeene en bijzondere weldadigheid onzer landgenooten +uit, daar eene som van ruim 360,000 Gld. werd bijeengebragt, om de +schade, door behoeftige personen geleden, welke op ruim 680,000 Gld. +werd begroot, voor een deel te vergoeden[375]. In gelijke mate mogt +_Friesland_ de bewijzen der milddadigheid onzer landgenooten ontvangen, +toen in den volgenden jare, 1826, dit gewest door eene heerschende +ziekte en buitengewone sterfte werd geteisterd, ten gevolge waarvan ruim +20,000 nooddruftigen ondersteuning behoefden uit het fonds van +onderstand, hetwelk, uit eene som van bijna 110,000 Gld. en eene menigte +kleeding- en liggingsstukken bestaande, tot leniging van dien nood was +bijeengebragt[376]. + + [375] Zie over dit onderwerp het belangrijke werk van den Heer J. VAN + LEEUWEN, _Geschiedkundig Tafereel van den Watervloed en de + Overstroomingen in Friesland, in 1825_, en bijzonder Bijlage F, + benevens het _Rapport der Commissie voor de Noodlijdenden_. + + [376] Volgens het _Algemeen Verslag en Verantwoording van de + Provinciale Commissie van Onderstand_. + +Intusschen was de hoogbejaarde Jhr. ÆBINGA VAN HUMALDA, de edele vriend +en voorstander van kunsten en wetenschappen, in November 1826 als +Gouverneur dezer provincie vervangen door Jhr. JAN ADRIAAN VAN ZUIJLEN +VAN NIJEVELT, die eerlang aller hoogachting mogt verwerven door zijne +deugden en verdiensten ten aanzien der bevordering van Frieslands +belangen, bijzonder van den Waterstaat van dit gewest. De hoop, dat +rustige dagen van welvaart nu de geleden rampen zouden vervangen, werd +spoedig verijdeld door de gevolgen der Belgische omwenteling, welke van +1830 tot 1834 zware offers eischten. De algemeene geestdrift voor +Koning en Vaderland bragt die opofferingen nogtans gaarne en getrouw, en +mogten ook de duizenden, als soldaten en schutters uitgetrokkene +Friesche jongelieden en mannen vele blijken geven van krijgshaftigheid, +van onbezweken trouw en moed, waardoor onder het leger de Friesche naam +met eere werd gehandhaafd. + +Bijna bestendige welvaart begunstigde vervolgens de uitvoering van +belangrijke provinciale en plaatselijke werken van algemeen nut. Sedert +1827 werden de hoofdwegen met vele zijtakken naar de voornaamste steden +en dorpen bestraat of bepuind, waardoor de gemeenschap te land, vooral +in den winter, evenzeer werd bevorderd als die te water door het +uitdiepen en verbeteren van vele kanalen voor de scheepvaart en de +afstrooming[377]. De kadastrale meting van deze provincie, in 1812 en op +nieuw in 1825 aangevangen, had sedert 1834 eene meer regelmatige +verdeeling van de Grondbelasting ten gevolge[378]. Het _Friesch +Genootschap voor Geschied-, Oudheid- en Taalkunde_, in 1828 opgerigt, +verzamelde de krachten van alle beoefenaars en voorstanders dezer +belangrijke onderwerpen tot meerdere toelichting en openbaarmaking van +de bronnen onzer historische kennis; terwijl landbouw en veeteelt, +handel, fabrijkwezen en nijverheid met rustigen gang voorwaarts +streefden. + + [377] Zie de meeste dezer werken opgenoemd in mijne _Geschiedkundige + Beschrijving van Leeuwarden_, II 278 env. Het laatste gedeelte van dat + werk bevat zeer vele bijzonderheden omtrent de merkwaardige + verbeteringen en aanbouwingen, welke Frieslands Hoofdstad vooral in + dit tijdvak onderging. + + [378] Zie A. VAN TONDEREN, _Beschouwing van de Kadastrale Uitkomsten + in Vriesland_, Leeuw. 1842, voorr. VI en bl. 17. De vermindering der + hoofdsom van _Friesland_ was slechts [f]277,000, schoon deze + [f]400,000 had moeten zijn, welk bedrag deze provincie sedert 1806 elk + jaar te veel had betaald, zonder daarvoor ooit vergoeding te hebben + ontvangen. + +In 1840, merkwaardig door de herziening van de Grondwet en de +troonsopvolging van Koning WILLEM II, overleed de algemeen betreurde +Gouverneur VAN ZUIJLEN VAN NIJEVELT. Van zijn opvolger MAURITS PICO +DIDERIK _Baron_ VAN SYTZAMA, die zoo lang als volksvertegenwoordiger +achting had verworven, verwachtte men nu veel goeds voor de belangen van +dit gewest. En inderdaad heeft hij die, naar zijne inzigten, met den +meesten ijver voorgestaan, onder afwisseling van voor- en tegenspoed: +want de opheffing van het Rijks-Athenæum te _Franeker_ (1843), het +ontstaan van de longziekte onder het rundvee (1842 en 1845) en de +gevolgen van den bij herhaling mislukten aardappeloogst, welke met +duurte en schaarschheid van levensmiddelen en naar aanleiding daarvan, +met verontrustende volksbewegingen gepaard gingen (1847), waren even +smartelijke verschijnselen des tijds, als de Tentoonstelling der +voorwerpen van Friesche Nijverheid en Kunst, in 1844 te _Leeuwarden_ +gehouden, en de toeneming van den uitvoer der voortbrengselen van den +Frieschen landbouw en veeteelt, door de geopende stoomvaart op +_Engeland_ (1846), verblijdende waren. + +Het jaar 1848 opende eene nieuwe rij van belangrijke gebeurtenissen. Dat +_Nederland_, te midden der toenmaals, ten gevolge der Fransche +omwenteling, zoo fel bewogen volken, rustig bleef, had het vooral te +danken aan het kloek besluit van Koning WILLEM II tot onbekrompene +herziening van onze grondwettige instellingen. In dat zelfde jaar kwam +deze tot stand, om de ontwikkeling van een nieuw staatkundig volksleven +voor te bereiden. Doch de Koning, die _Friesland_, na het overlijden van +den Baron VAN SYTZAMA, Jhr. Mr JAN ERNST VAN PANHUIJS tot Gouverneur had +geschonken (3 Nov. 1848), beleefde dit niet. Reeds den 17 Maart 1849 +werd hij aan het vaderland ontrukt, en den 12 Mei opgevolgd door zijn +zoon Koning WILLEM III. 't Was onder dezen, dat de bepalingen der +Grondwet in het leven traden, ten aanzien der regtstreeksche +verkiezingen van leden voor de Generale en Provinciale Staten (1849 en +50) en van de Gemeentebesturen (1851), en dat andere wettelijke +bepalingen en andere personen invloed verkregen op het bestuur. Bij de +invoering van de Gemeentewet, op den 5 Julij 1851, werd tevens de aloude +benaming van Grietenijen voor de plattelands-besturen in _Friesland_ +vervangen door die van Gemeenten, onder het bestuur van een +Burgemeester, Wethouders en leden van den Raad. (Zie _Aanteek. 27_.) + + * * * * * + +Met die belangrijke gebeurtenis sluit ik deze _Beknopte Geschiedenis van +Friesland, in Hoofdtrekken_, met dankzegging aan God, die mij krachten +schonk, deze taak naar vermogen te volbrengen. Het terugzigt op dit +tijdvak, zoowel als op de vroegere, is voorzeker verblijdende, omdat +wij, als de uitkomst van zoo velerlei wisselingen en lotgevallen, met +dankbaarheid mogen opmerken, hoe alles, onder de aanbiddelijke leiding +der Voorzienigheid, mogt medewerken, om de staatkundige, godsdienstige, +verstandelijke en burgerlijke voorregten des volks van lieverlede te +vermeerderen, ten einde zijne opvoeding en vorming, naar gelang zijner +vatbaarheid, meer en meer te voltooijen. Bij het bezit van zoo vele +voorregten en het genot van algemeene welvaart, die iederen burger thans +vergunnen, de genoegens des levens hier ongestoord te genieten en aan de +bevordering van het bijzondere en algemeene welzijn mede te werken, rust +er op het volk voorzeker eene dure verpligting, om zich die onschatbare +weldaden waardig te betoonen: om vrede en voorspoed niet enkel tot +genot, weelde en gemak, maar met wakkerheid en inspanning duurzaam tot +vermeerdering van godsdienstige en zedelijke kracht, tot uitbreiding +van zijne verstandelijke vermogens en de heiliging van hart en wandel +aan te wenden. Gezond verstand en goede trouw bij wakkerheid en vlijt +blijve de Friezen kenmerken. Een volk, dat naar het ~uitwendige~ zoo +vele voorregten bezit, als waarin wij Friezen ons mogen verheugen, past +het vooral, om, met het oog op de leer der geschiedenis en met +verstandige zorg voor de toekomst, zich door ~inwendige~ kracht te +sterken, tegen naderend gevaar en leed niet alleen, maar ook tot +bestrijding van vele maatschappelijke gebreken en tot verheffing en +veredeling van ons geslacht. Indien onze gezigtskring zich evenwel enkel +tot de stoffelijke voorregten van dit leven beperkt, en spijs en drank +ons, even als de dieren, alleen voldoening kunnen schenken, dan hebben +wij hier reeds genoeg, zoo niet te veel, ontvangen. Maar, neen! eene +zucht naar toeneming in kennis, in zedelijkheid en godsdienstzin bezielt +allen, die overtuigd zijn van hunne roeping, om zich hier te vormen voor +déze en dáárdoor voor te bereiden tot eene bétere wereld in het leven +der toekomst. Tot die vorming en voorbereiding schenkt God ons +gelegenheid en kracht door de verkondiging en beleving van zijn Woord; +en voorzeker zal het volksgeluk dáár het meest en het duurzaamst +gevestigd zijn, waar Geloof, Liefde en Hoop, niet enkel als Leer, maar +als Leven de bezielende beginselen der daden en gezindheden van het +onderling verkeer der ingezetenen zijn. Door deze kracht gesterkt, zal +de nog gebrekkige maatschappij meer rijpen voor hare bestemming, en +zullen alle van lieverlede toegenomene staatkundige en burgerlijke +voorregten, welke wij dankbaar erkennen en verstandig genieten zullen, +onder den zegen en het welbehagen van den grooten Opvoeder van het +menschelijk geslacht, middelen worden, om ons geluk voor tijd en +toekomst te verhoogen. + + + + +~AANTEEKENINGEN~, OPHELDERINGEN EN BIJVOEGSELS TOT DEZE BEKNOPTE +GESCHIEDENIS VAN FRIESLAND. + + + Komt! oefnen wy de vlerk der weetzucht laag by de aard, + Gods hulp zal met ons zijn, zy is 't die ons bewaart. + Zijn Wijsheid houdt zich aan den stervling niet verborgen. + Zy roept ons: Kom tot my, by avond en by morgen; + Zy toont zich wijd en zijd, en biedt de hand ons aan, + En noodigt ons, in ernst heur gangen na te gaan. + Ja, slaan wy ze ijvrig gâ! en leere ons de ondervinding + Ons eigen pad erkennen. Weg, sluier der verblinding! + Het weten maakt ons wijs. + Het menschelijk Verstand + Ziet wel in 't rond, maar 't heeft tot grijpen slechts één hand. + Vervul het met iets goeds; het zal niets ijdels zoeken. + Maar laat geen ledigheid u 't zorgloos hart verkloeken. + Ons weten schildert ons wat goed en kwaad is, voor, + En dringt ook in ons hart, ter vruchtbre kennis, door. + Het is de Onwetendheid die trotsch maakt en vermetel: + Want hoogmoed dringt zich steeds by zelfwaan op den zetel. + Aanspraaklijk zijn wy aan ons-zelf; maar ook aan God, + Voor al wat invloed heeft op dit en 't eeuwig lot. + + BILDERDIJK _naar_ SPIEGHEL. + + + + +~AANTEEKENINGEN~. + + +_Aanteekening 1_, op _bladzijde 10_. + +_De Oude Toestand van Friesland._ + +Vermits de voorstelling van den ~ouden toestand~ van _Friesland_, in den +tekst, hoe kort ook, afwijkt van die, welke in vroegere geschriften over +dit onderwerp, ook door mij zelven, is voorgedragen, zoo is het +noodzakelijk hier aan te wijzen, dat ik daarin meestal gevolgd ben de +denkbeelden van Dr. _J. G. Ottema_, in zijne uitmuntende verhandeling, +getiteld: Over den loop der Rivieren door het land der Friezen en +Batavieren, in het Romeinsche tijdperk, geplaatst in het tijdschrift van +ons Friesch Genootschap: de Vrije Fries, IV 105; waarbij is gevoegd eene +Kaart (met latijnsche benamingen), welke alles zeer aanschouwelijk +maakt. Deze nieuwe voorstelling is met zóó grondige bewijzen gestaafd, +dat zij wel verdiende meer algemeen bekend te zijn, en vergeleken te +worden met de vermelde voorstelling van Dr. _G. Acker Stratingh_, in +zijn Aloude Staat en Geschiedenis van Nederland. Ook om de eerste reden +heb ik, met goedvinden en onder opzigt van mijn vriend _Ottema_, eene +dergelijke Schetskaart (met nederduitsche benamingen) bij dit werk +gevoegd, ter verklaring van de anders al te beknopte beschrijving. + +Aangezien ik mij voorgenomen had, in den tekst zoo kort en eenvoudig +mogelijk te zijn, zoo heb ik het noodzakelijk geacht, hierbij eenige +Aanteekeningen te voegen: vooral, om rekenschap te geven van het +gestelde; om de nieuwere bronnen aan te wijzen, en om eere te geven aan +hen, die deze denkbeelden het eerst openbaar gemaakt en elders +uitvoeriger medegedeeld hebben. Ook voor hen, die de kort behandelde +onderwerpen nader willen onderzoeken, kan het nuttig zijn, hier telkens +de ~bijzondere~ bronnen aangewezen te zien. Het is echter mijn plan +niet, om in deze Aanteekeningen uitbreidingen te geven van het verhaalde +of kritische aanmerkingen en toevoegselen daarop, gelijk de Heer _J. van +Leeuwen_ heeft gedaan achter den nieuwen druk van it aade Friesche Terp, +welk belangrijk werkje ik bij deze zeer aanbeveel aan allen, die +uitvoeriger narigten omtrent vele punten wenschen te vernemen. Juist +omdat dáár zoovele schrijvers zijn aangehaald en ik gaarne zou zien, dat +die ~speciale~ Kronyk nevens mijne ~globale~ voorstelling van de +geschiedenis, in ~hoofdtrekken~, gebruikt wierde, om te zamen een +voegzaam geheel uit te maken, heb ik dikwijls mijne aanhalingen van +algemeene bronnen weggelaten, dewijl men die daar kan vinden, alsmede in +mijne Geschiedkundige Beschrijving van Leeuwarden, in 1846 en 47 in 2 +dln. uitgegeven. + + +_Aant. 2_, op _bladz. 16_. + +_Oudste Bronnen._ + +Het is de Romeinsche Geschiedschrijver _Tacitus_, die aangaande der +Romeinen verkeer in _Friesland_ en hunne nederlaag ons de vermelde +berigten medegedeeld heeft. Zie _Tacitus_, vert. van Hooft, 4e Jaarb. +182. Aangaande den naam en de ligging van het bosch Baduhenna of +Badu-herne (vermoedelijk in Gaasterland) zijn vele gissingen. +_Winsemius_, Chronique, 22 verklaart dien naam niet onaardig als een +Friesche Wapenkreet: _Ba, du hinne!_ welke als een echo door het bosch +klonk! Even zonderling is de vermelding van dit feit in de hoogst +zeldzame: Sommiere Memoriale ende Loffelycke Beschryvinghe van de +wydtvermaerde Keyserlycke vrye provintie van Vrieslandt, mitsgaders de +daden, het leven ende handelinge der vroomdadighe vrye Vriesen. In rijm +ghestelt door Jacob Liefs Amstelredammer, 1636: + + Noyt is u moedich volck trouplichtich niet besweecken: + Noyt is u Crijghers hert verflaut te ruch gheweecken, + Maer hebt de tieranny Ollenus wederstaen: + Doen ghy t' Romeynsche volck so machtich gingt verslaen, + Apronius slaet, hun volck ten roove van de Vogh'len + En het Romeynsche rot begroet met Is're Cogh'len.(!) + +Mr. _A. van Halmael Jr._ heeft deze gebeurtenis meer dichterlijk +voorgesteld in zijn treurspel: Adel en Ida, of de bevrijding van +Friesland, Leeuwarden 1831. In het voorberigt hiervan komen eenige +ophelderingen daaromtrent voor, en mede in zijn Beknopt Overzigt van de +Friesche Geschiedenis, waarvan het eerste gedeelte voorkomt achter _van +Leeuwen's_ uitgave van it aade Friesche Terp, bl. 289, 298, 300, en +vertaald in het Friesch Jierboeckjen, foar 1831 en vervolgens. + + +_Aant. 3_, op _bladz. 18_. + +_Oude Handels-geschiedenis._ + +Ofschoon de Geschiedschrijvers veelal de groote gebeurtenissen of feiten +vermelden, is het echter zeer belangrijk, uit veelvuldige bijzonderheden +na te gaan, hoedanig de innerlijke maatschappelijke toestand was van een +volk in verschillende tijden. Omtrent dit duistere tijdperk is zulks +vooral gedaan door den Heer Mr. _J. Dirks_, in zijne bekroonde +verhandeling: Geschiedkundig Onderzoek van den Koophandel der Friezen, +van de vroegste tijden tot aan den dood van Karel den Grooten, Utrecht +1846. Bij de lezing van dit hoogst belangrijke geschrift staat men +verbaasd over den rijkdom van bijzonderheden, welke de Schrijver met +uitstekende vlijt uit de bronnen heeft opgespoord. Dit laatste is in +zulk een werk van veel belang: vooral, omdat er, bijzonder bij de +Hollandsche geschiedschrijvers, die over Friesland en de Friezen hebben +geschreven, zoo vele onnaauwkeurige voorstellingen, verkeerde +denkbeelden en ongegronde beweringen bestaan, welke het doen betreuren, +dat zij, die over de geschiedenis van Nederland schrijven, zoo weinig +kennis dragen van die der provinciën, inzonderheid van Friesland. + + +_Aant. 4_, op _bladz. 23_. + +_De Oude Grenzen van Friesland._ + +Een niet minder belangrijk geschiedkundig onderzoek, naar de uitbreiding +en grenzen van _Friesland_ in verschillende tijdperken, heeft in de +laatste jaren licht verspreid over dit onderwerp. Ik bedoel de te +_Groningen_ in 1834 bekroonde verhandeling van den Heer Mr. _J. van +Doorninck_, later Archivarius van _Overijssel_, Commentatio de Frisiae +Terminis, waarvan de Heer _I. A. Nijhoff_ een uitvoerig verslag heeft +gegeven in zijne Bijdragen voor vaderl. geschiedenis en oudheidkunde, I +Aank. 57. Lezenswaardig zijn ook de mededeelingen van _Karl Türk_ in +zijn werkje: Altfrisland und Dänemark, Parchim 1835. + + +_Aant. 5_, op _bladz. 25_. + +_De verovering van Brittannië_ + +door de Friezen en andere volken en de gevolgen daarvan zijn zeer +uitvoerig behandeld door den Hoogleeraar _A. Ypey_ in zijne Geschiedenis +der Ned. Taal, I^e dl. 1812, 174 en II^e dl. 1832, 152; een werk, ook in +andere opzigten voor de Friesche geschiedenis en letterkunde van zeer +veel belang. De overeenkomst van het Friesch met het Engelsch is met +proeven aangewezen in het eerste deel van den Tegenw. Staat van Friesl. +Harl. 1785, bl. 156. Bekend is het gezegde: + + _Boetter, Brea in griene Tsies + Is goed Ingelsch in eak goed Friesch._ + +Als eene latere proeve dier taalverwantschap, ook tusschen het +tegenwoordige Friesch en Engelsch, deelen wij mede Dr. _Bowring's_ +vertaling der opdragt van _Posthumus'_ Keapman fen Venetien in Julius +Cesar fen _Shakspeare_, voorkomende in zijne schets der Friesche +Letterkunde, geplaatst in de Westminster Review, 1829, N^o. 23 en +vertaald in de Leeuw. Cour. 1830, N^o. 66: + + _Lyk az Gods sinne swiet uus wrâd oerschijnt;_ + Like as God's sun sweetly our world o'ershines; + + _Her warmtme in ljeacht in groed in libben schinkt;_ + Her warmth and light and growth and life sends; + + _Lijk az de mijlde rein elke eker fijnt:_ + Like as the mild rain each acre finds: + + _So dogt eak dat, wat ijn uus, minsken, tinkt._ + So does eke that, what in us, men, thinks. + + _Dij sprankel fen Gods fjoer, ijn uus lein, jouwt_ + That sparkle of God's fire, in us laid, gives + + _Oeral eak ljeacht in FREUGDE oon Adams team._ + O'erall eke light and JOIJ on Adam's train. + + _Wer dij wenn't, hulken, oaf paleisen, bouwt,_ + Where they dwelt, hulk (cottage) or palaces build, + + _In fen wat folk hij iz, ho hij him neam._ + And of what folk he is, how he him (self) names. + +Bij deze vergelijking (voegt _Bowring_ er achter) zal men hebben +opgemerkt, dat er van de twee-en-vijftig woorden een-en-vijftig in het +Engelsch bewaard en slechts weinig veranderd zijn geworden; terwijl +alleen het woord _freugde_ voor een van Normanschen oorsprong heeft +moeten wijken.--Doch ook in zijne schoone Brieven over Friesland (1829) +en Iets over de Friesche Letterkunde spreekt _Bowring_ bij herhaling van +der Friezen verwantschap en overeenkomst met den Angel-Saxischen stam, +als van eene natie, "wier voorvaderen onze voorvaderen waren, wier taal +en zeden eene zeer sterke overeenkomst hebben met de onze." Die +overeenkomst in taal en volkskarakter haalden hem allereerst tot een +onderzoek over. Bij iederen tred vond hij nieuwe punten van gelijkheid, +zoodat hij zich had kunnen verbeelden te verkeeren onder Angel-Saxen van +een meer gevorderden trap van verstandelijke beschaving. "Spreekwijzen, +(zegt hij) als verouderd Engelsch, klonken telkens in onze ooren, en wij +konden niet nalaten eene verwonderlijke overeenkomst tusschen hen en +onze voorouders te ontdekken. Hunne taal, zeer veel overeenkomende met +die, welke in Engeland gesproken werd, vele honderden van jaren voor dat +_Shakespeare_ schreef; hun ligchaamsgestalte, hun schrandere en +wijsgeerige geest, hunne ontwijfelbare betrekking met het beste deel van +den Engelschen volksstam--dit alles boezemde mij belang in." Zie ook +_Wagenaar_, Vad. Hist. I 289; _Cerisier_, Gesch. der Ned. I 80; +_Molhuysen_ in _Nijhoff's_ Bijdragen, VI 244, VII 180, 184, en de door +_van Leeuwen_ opgenoemde schrijvers in zijne Aantt. op de Kronyk, bl. +332. + + +_Aant. 6_, op _bladz. 34_. + +_Der Friezen strijd tegen de Franken._ + +Omtrent dit onderwerp, alsmede de invoering en vestiging van de +Christelijke godsdienst in deze landen zijn insgelijks in den jongsten +tijd onderscheidene uitmuntende geschriften in het licht verschenen en +door mij geraadpleegd. De bij het Kon. Ned. Instituut bekroonde +verhandelingen van Prof. _H. J. Royaards_ en Do. _E. J. Diest Lorgion_ +bevatten vele merkwaardige berigten, welke uit de overgeblevene bronnen +geput zijn, even als de vroeger aangehaalde voorlezing van Jhr. Mr. _B. +J. L. de Geer_, de strijd der Friezen en Franken, waarvan ik dikwijls +gebruik gemaakt heb. Zie ook de fraaije voorlezing van Do. _A. Winkler +Prins_, over _Radbout I_, geplaatst in de Vrije Fries, V 97, en _van +Loon_, Aloude Regeeringwijs van Holland, Leiden 1744, I 110 en verv. II +5 en verv. Daar ook deze schrijver op eerstgenoemde plaats verklaart, +dat Holland "tot in de elfde eeuwe toe, altyd VRIESLAND is genaamd +geworden," is het een aangenaam verschijnsel van onzen tijd, dat in de +geleerde en grondig bewerkte verhandelingen van _Royaards_ en _van Asch +van Wijck_ bij herhaling gewezen wordt op het hoog belang der +geschiedenis van Friesland ~voor~ of ~als~ de geschiedenis van Nederland +in de tien eerste eeuwen onzer tijdrekening; een belang, dat zoovele +Hollandsche Geschiedschrijvers schijnen te miskennen, als ze van de +_Friezen_ naauwelijks gewagen en van de hooggevierde _Batavieren_, de +vermeende stamvaders der Nederlanders, al te ligtvaardig overspringen op +de Franken en de Hollandsche Graven. Dáárom heb ik eene wederlegging van +dit verkeerde denkbeeld, uit het werk van Prof. _Royaards_, tegenover +den titel geplaatst, opdat ook deze mijne Geschiedenis niet beschouwd +zou worden als slechts ééne provincie betreffende en daarin met die van +andere gewesten gelijkstaande. + + +_Aant. 7_, op _bladz. 36_. + +_Handelsverkeer._ + +Uitvoerige bijzonderheden omtrent het onderwerp der vorige Aant. en +vooral omtrent den toenmaligen toestand des volks en des handels en het +vervaardigen van die Mantels vindt men in _Dirks_, Koophandel der +Friezen, doch vooral in de Geschiedkundige Beschouwing van het oude +Handelsverkeer der stad Utrecht, van den voortreffelijken Burgemeester +dier stad, Jhr. Mr. _H. M. A. J. van Asch van Wijck_, wiens ijver en +belangstelling mijne nasporingen in het Utrechtsche Archief in 1837 zoo +aangenaam en nuttig maakten. + + +_Aant. 8_, op _bladz. 38_. + +_Aard der Friesche Vrijheid._ + +De aanhef der Oude Friesche Wetten (met vele onschatbare aanteekeningen +door _P. Wierdsma_ in 1782 uitgegeven), blz. 1, 13, 109, 119 enz. +vermeldt die hulp ter verovering van Rome, en Mr. _Dirks_ heeft die +togten tegen de Wilten en Avaren historisch toegelicht in de Vrije +Fries, V 29. De voorstelling van den aard der Friesche vrijheid, door +mij gevolgd, waarbij onderscheid is gemaakt tusschen de verschillende +deelen van het Friesche rijk en tusschen _Karel_ als ~beschermheer~ van +de Friezen en als ~veroveraar~ van de West- en Oost-Friezen, is +duidelijk uiteengezet en met bewijzen gestaafd in de schoone +Verhandeling over de Benaming van Vrije Friezen, door den Heer _L. H. W. +van Aylva Baron Rengers_, in de Vrije Fries, V 193; een hoogst +belangrijk stuk, dat wij alle beoefenaars van de geschiedenis zeer +aanbevelen. + +Ten aanzien van der Friezen vrijheid ook omtrent geestelijke zaken, het +stichten van Kerken enz. heeft de Heer Mr. _W. W. Buma_ grondige +bewijzen bijeengebragt in: het Regt der Friesche Herv. Floreenpligtigen +op het verkiezen van Predikanten enz. toegelicht en verdedigd, Leeuw. +1849, bl. 14, 33. Bij al deze beschouwingen omtrent den oorsprong en den +aard der Friesche Vrijheid verlieze men niet uit het oog, dat de +toestand van onderscheidene omliggende landen en de daaruit +voortgevloeide instellingen naauw zamenhangen met de toenmalige regten +van het bijna algemeen ingevoerde Leenstelsel (eene uitvinding der +dwingelandij), van erfelijk geworden Graven of Leenmannen, van +lijfeigenschap en van heerlijke regten, wier _niet-bestaan_ in +_Friesland_ reeds een negatief voorregt opleverde. De staatkundige en +personeele vrijheid, welke alle volken van nature bezitten, werd hen +door verovering ontnomen,--den Friezen werd zij ~gelaten~. Daarom noemt +_Halsema_, bl. 44 als de hoofdkenmerken dezer vrijheid: "een vrije +persoonlijke staat en daaraan verknocht vrij bezit of bestuur van +goederen, in tegenoverstelling der Lijfeigenschap, benevens aandeel en +gezag in de regering des lands." _Bosscha_, Neerl. Heldend. I 20 zegt: +"Hunne burgerlijke vrijheid echter verloren zij niet; want zij behielden +het zwaard, het teeken der eer." Het denkbeeld van vrijheid kan dus +bezwaarlijk alleen en op zich zelf beschouwd worden, maar is +betrekkelijk, en dikwijls alleen geldig bij wijze van vergelijking met +eene vroegere overheersching of met de overheersching, waaronder naburen +zuchten. De oorsprong van der Friezen regt en van hunnen exeptioneelen +toestand komt vooral hierop neder: dat zij, bij de aanneming van _Karel +den groote_ (die hen, volgens de Oude Fr. Wetten, bl. 13, "in zijne +~bescherming~ nam, opdat zij den Noordman mogten ontkomen") "zich aan +geene territoriaal verovering, waarbij zij en al hun have het eigendom +der Franken zouden geworden zijn, onderworpen hebben." Op dit door de +groote gevolgen zoo belangrijke punt wordt door den Heer _Rengers_ +bijzonder gedrukt. Het is ook vermeld bij _van Doorninck_ en _Nijhoff_, +Bijdragen, I 66, boven aangehaald. De hoofdbepalingen der vrijheid zijn +medegedeeld door _Foeke Sjoerds_, Alg. Beschrijv. I 391, volgens +_Emmius_, 71 en de Oudheden en Gestichten, I 22. Met regt konden de +Friesche Staten alzoo in eene Deductie van 1674 betuigen: "want is 'er +ooit een natie onder de sonne geweest, die jalours van hare vryheid +geweest is, so is het de Vriessche natie geweest, die Aborigenes genaemt +worden, als die haer eygen name en woonplaets nimmermeer hebben +verandert." Charterboek, V 1037. + + +_Aant. 9_, op _bladz. 52, 55_. + +_Het verbond der zeven Zeelanden._ + +Een hoogst belangrijk overzigt van den staat, den regeringsvorm, de +wetten en betrekkingen van Friesland, tijdens het verbond der Zeelanden, +bevat (om niet te gewagen van den schat van kennis, welke daarover is +ten toon gespreid in de Voorreden der twee eerste deelen van het Vriesch +Charterboek) de Verhandeling van Mr. _D. F. J. van Halsema_, als +inleiding van het door hem daarbij uitgegevene Hunsingoër Landregt van +1252, voorkomende in het 2e deel der Verhandelingen van het Groninger +Genootschap: pro excolendo jure patrio, Gron. 1778;--een voortreffelijk +werk, dat ik reeds voor jaren herhaaldelijk bestudeerd heb, doch waaruit +ik voor mijn tegenwoordig doel weinig kon overnemen, dewijl ik mij tot +de hoofdtrekken der Friesche geschiedenis bepalen- en, om uitvoerigheid +te vermijden, tot mijn leedwezen vele bijzonderheden achterwege laten +moest. Ik verzoek, dat men dit bij de beoordeeling wel in het oog houde, +opdat men mij dáárom niet van oppervlakkigheid of onvolledigheid +beschuldige. Over de juiste grenzen van ieder dezer Zeelanden, wier +omvang door mij slechts in hoofdpunten is opgegeven, is steeds veel +verschil geweest. Dit zal er ook altijd blijven bestaan, omdat deze in +onderscheidene tijdperken uiteenliepen, en omdat wij uit die tijden +zelve deswege geene naauwkeurige opgaven bezitten. Men zie daarover de +Vrije Fries, IV 20 en 254; Tegenw. Staat van Friesland, I 46, +enz.--_Westendorp_, Jaarboek van en voor de prov. Groningen, 1829, I 133 +en 211 brengt de Zeelanden eerst tot 13e eeuw; even vreemd laat hij +_Friesland_ na 912 nog tot het Sincfal uitstrekken, zonder al het +vroeger voorgevallene in aanmerking te nemen. Nog in 1430 werd het +Verbond der gemeene Friezen, van het Flie tot over de Jade en de stad +Bremen, vernieuwd (Charterb. I 494). Daarin bepalen zij nog: onderling +te "willen mit der hulpe Gades Almechtig fry, Freesch, de eene mit den +anderen bystandich wesen, und beschermen unse Over-Olderen vaders recht, +van Coninck _Carolo_ beschreven recht, und by der gemeenen Freesen +Lantrecht und frydommen tho ewigen tyden to blyven; und mit lyff und +guet alle Duytsche Heeren buiten den Lande tho holden" enz. Hierin is de +gansche bedoeling van het verbond der Zeelanden te zamengevat. + + +_Aant. 10_, op _bladz. 59 en 60_. + +_Veranderde Toestand des lands, de Zuiderzee enz._ + +Als latere bronnen der geschiedenis van de veranderingen des bodems en +der watervloeden verwijzen wij hier naar de Inleiding van _van +Leeuwen's_ Tafereel van den Watervloed, Leeuw. 1826; _F. Arends_, Nat. +Geschiedenis van de Kusten der Noordzee, met Aanteekeningen van Dr. _R. +Westerhoff_, Gron. 1835, 2 dln., waarvan een derde deel de Geschiedenis +der Watervloeden bevat; Mr. _J. Scheltema_, drie verhandelingen over de +Geschiedenis der Zuiderzee, over de Veranderingen der kusten en +Aanwijzing van bijdragen daartoe, in zijn Geschied- en Letterkundig +Mengelwerk, Utr. 1836, VI^e dl. 2e st. bl. 55, 103, 137; Dr. _Acker +Stratingh_, Aloude Staat, waarvan het eerste deel de Bodem en de Wateren +bevat; maar vooral naar de Redevoering over het ontstaan der Zuiderzee, +van Dr. _J. G. Ottema_, met kaart, in de Vrije Fries, IV 183, een +vervolg op zijne, in Aant. 1 vermelde, Verhandeling over den Loop der +Rivieren enz. Daarin zijn vele verspreide berigten met zoo veel kennis +en schranderheid tot een geheel gebragt, dat ik dit voortreffelijk stuk +zeer aanbeveel, ter bekoming van naauwkeuriger denkbeelden dan ik +daarvan heb kunnen geven, wegens de bekrompenheid van mijn plan, hetwelk +mij dikwijls hinderlijk is geweest in de juiste en volledige +voorstelling. Wie evenwel aan mijne te korte aanwijzingen niet genoeg +heeft, kan in de opgenoemde bijzondere behandelingen van dit onderwerp +ruime stof voor zijn weetlust vinden. Omtrent de Geschiedenis van de +Middelzee verwijs ik naar de Nasporingen, in 1834 met mijne vrienden +_Brouwer_ en _van Peijma_ door mij uitgegeven. + + +_Aant. 11_, op _bladz. 74_. + +_De Friezen in de Kruistogten._ + +Al de berigten der Kronykschrijvers omtrent der Friezen aandeel in de +Kruistogten zijn het eerst bijeengebragt door den Oost-Frieschen +geschiedschrijver _T. D. Wiarda_ (1786). De Heer _J. van Leeuwen_ gaf +daarvan eene vertaling achter zijne vermelde uitgave van it aade +Friesche Terp, bl. 365. Doch naderhand (1842) heeft Mr. _J. Dirks_ deze +berigten kritisch onderzocht, en vergeleken met latere, ook +buitenlandsche bronnen, en daarvan in de Vrije Fries, II 135 en 221, +onder den titel van: Noord-Nederland en de Kruistogten, een verhaal of +Schetsen gegeven, inzonderheid _volgens de berigten van ooggetuigen en +tijdgenooten_. Deze voortreffelijke verhandeling, welke van vlijt en +bekwaamheid evenzeer getuigenis geeft, ben ik in mijne korte +voorstelling hoofdzakelijk gevolgd. Evenzoo zijn belangrijk stuk: de +Friezen voor Aken, in het 5e dl. van het zelfde tijdschrift, bl. 53. Het +verhaal van Roorda met den Moor vond ik in de verzameling Genealogiën, +onder den naam van het Handschrift Doys beschreven op bl. V der Voorrede +van het Stamboek van den Frieschen Adel, der Heeren _Hettema_ en _van +Halmael_. + + +_Aant. 12_, op _bladz. 98_. + +_De Schieringers en Vetkoopers._ + +Over den aard en oorsprong dezer Partijschappen is veel geschreven, +zonder dat echter iemand in staat was, daarvan zekere en naauwkeurige +berigten te kunnen mededeelen. Ik heb de vrijheid genomen daarover mijne +denkbeelden mede te deelen en daarvan een overzigt te geven in algemeene +trekken, dewijl toch de bijzonderheden, voor mijn doel te uitvoerig, in +onze kronyken kunnen nageslagen worden. In 1829 is er eene vrij dorre +kronykmatige Geschiedenis van de onlusten tusschen de Schieringers en +Vetkoopers door _A. v. H._ uitgegeven. Dit werk wordt dikwijls +verkeerdelijk toegeschreven aan Mr. A. _van Halmael Jr._, die grondiger +en meer wijsgeerige beschouwingen over dit zelfde onderwerp heeft +medegedeeld in de belangrijke Narede van zijn voortreffelijk treurspel: +Ats Bonninga, Leeuw. 1828, en in zijne rom.-dram. tafereelen: de +Schieringers en de Vetkoopers, Leeuw. 1841, waarin op bl. 25 eene +duidelijke ontwikkeling van den oorsprong dezer partijschappen voorkomt. +Belangrijk is ook de verhandeling van den Heer _P. Burggraaff_ over den +oorsprong en de namen dier partijen, voorkomende in het Tijdschrift voor +Onderwijzers, Gron. 1833, I 34.--Echter stelt _Jancko Douwama_ in zijne +Geschriften (van 1830-49 uitgegeven door het Friesch Genootschap), bl. +20, dat de naam ~Schieringers~ _sprekers_ beteekent tegen de _rijken_, +door hen ~Vetkoopers~ genoemd; terwijl hij beweert, dat de oorsprong der +partijschap gelegen was in de poging der armen, om, in navolging van de +partijen in _Holland_, de rijken te bewegen, om hun goed met hen te +deelen, zóó, "dat de arme vast met de rijcke in de kiste begosten to +tasten." Deze meening van een edelman, die ongaarne tegen den adel zou +getuigen, lijdt echter bedenking. Met veel meer waarschijnlijkheid mag +men uit al de omstandigheden opmaken, dat het de vrijheidszucht van het +in welvaart toenemende volk tegen de heerschzuchtige aanmatigingen van +den adel en de heerschappen, ook in de steden, was, welke de beroerten +ontstaan en, onder allerlei vormen en bijkomende omstandigheden, +voortduren deed. Misschien had een naijver tusschen _Oostergoo_ en +_Westergoo_ daarin ook een aandeel, en werd het vuur bestendig +aangeblazen door de onlusten in _Groningen_, door de heerschzuchtige +Oost-Friesche edelen en de Hollandsche Graven, die allen nu deze dan +gene partij met hunne hulp ondersteunden. Zie slechts _Worp van Thabor_, +Kronyk, IV 4, 19, 31, 33 enz. enz. + +In het begin moge het veeleer een strijd van de demokraten of liberalen +dier dagen geweest zijn tegen de aristokraten (welke wij ook later onder +andere vormen hebben zien herhalen), dan het uitvloeisel van een +communismus, waartegen het gezond verstand der Friezen zeker +zou opgekomen zijn,--later werd het enkel een strijd tusschen +heerschzuchtige edelen en hunnen aanhang, en tegen het gezag der +Groningers en de vreemde hulpbenden van elders. De Donia-oorlog en de +twist om Bolsward hielden de partijen bestendig tegen elkander in het +harnas, en bragten de gemeene zaak eindelijk ten val, doch tevens +redding aan voor het algemeen belang der ingezetenen. Het denkbeeld +van _J. Douwama_ verdient dus weinig gezag, aangezien het geen krijg +was, waarin het de armen te doen was, om buit te maken en zich +met het veroverde te verrijken. Ook ná dat de oorzaak des geschils +verdwenen was, duurden toch de vijandschappen voort, en werden ze +erfelijke veeten, hatelijk, laag en onverzoenbaar. _Huber_, Hed. +Rechtsgeleertheyt, II 3, noemde het een krijg, "bijna van alle tegen +alle, huis tegen huis, geslacht tegen geslacht, met onderling geweld, +rooven en bloedvergieten." Als bijkomende omstandigheid kan het echter +zijn invloed hebben uitgeoefend, vooral in die dagen van ruwheid en +domheid der lagere standen.--"Die Vetkooper-Partei war die der +Aristokratie," zegt Dr. _von Langenn_, Hertog Albrecht der Beherzte, +238, zeer eenvoudig, en bevestigt mijne boven medegedeelde meening. + + +_Aant. 13_, op _bladz. 121_. + +_De Aanvallen der Hollandsche Graven._ + +Uit het verschil van staatkundigen toestand en van beider betrekking tot +het keizerrijk tusschen de vrije Friezen benoorden en de door de Franken +veroverde Friezen of Hollanders bezuiden de Reker of de Kinhem (op +bladz. 10, 37, 50, 78 en 99 hier vóór uiteengezet), laat het zich +gereedelijk verklaren, dat de Graven van _Holland_, met dit Graafschap, +als rijksleen, door de Keizers verleid, geen regt hadden op +West-Friesland, het eerste der Zeven vrije Friesche Zeelanden, die geene +leenen kenden en ook aan het Duitsche rijk niet dienstpligtig of +hofhoorig waren, maar den Keizer alleen eerbiedigden als beschermheer +tegen de omringende leenmannen, veelal kleine dwingelanden. Doch dit +onderscheid en de aard van dezen verschillenden toestand, ten gevolge +waarvan de Hollandsche Graven evenmin regt hadden op het tegenwoordige +_Friesland_, is door weinige Hollandsche geschiedschrijvers in het oog +gehouden. Terwijl _Melis Stoke_ met volkomene waarheid kon zeggen: + + _Zyt des seecker en ghewis, + Dat het Graefschap van Hollant is + Een stuck van Frieslant ghenomen,_ + +spreken zij van de Friezen, althans West-Friezen, steeds, als ware +Friesland van Holland afgenomen, en als waren deze opstandelingen, die +beteugeld, wederspannigen, die getuchtigd en bedwongen moesten worden. +In dat geval hadden zij mede reeds vroeger onder de heerschappij dier +Graven moeten geweest zijn, en moest er een feit bestaan, dat zij zich +aan die heerschappij hadden onttrokken. Doch het tegendeel is waar. Het +privilegie van den Roomsch-Koning Graaf _Willem II_, van 1248, en die +der latere Keizers hebben althans de oude volksvoorregten der Friezen +bevestigd, en tevens vroegere regten van anderen op hun land (zoo die al +bestonden) vernietigd; ja zelfs hebben zij de Hollandsche Graven +verboden de Friezen te "molesteren." Zie Charterb. I 94, 399, 593-596; +_Stellingwerf_, Politycq Discours nopende den Staet van Frieslandt, +Fran. 1617, 19. De vraag: _Of de Graven van Holland, regtens, ooit +Heeren van Friesland waren_, is dus ook ontkennend beantwoord door Mr. +_A. van Halmael Jr._ in een stuk in 't Mengelwerk der Leeuw. Courant van +25 Junij 1833; alsmede in de Voorrede van zijn treurspel: Radboud de +tweede, Leeuw. 1839, welke stukken met de hem zoo eigene grondigheid +zijn behandeld. + +Doch onnaauwkeurige voorstellingen van Friesche zaken bij de Hollandsche +geschiedschrijvers zijn zeer algemeen. Zoo vond ik, bij het lezen van +een aantal boeken ten behoeve der behandeling van dit werk, mij ook +bitter teleurgesteld, dat ik in de beroemde Geschiedenis van het Nederl. +Zeewezen, van Jhr. Mr. _J. C. de Jonge_, niets vond van de voor dat +tijdvak zoo hoogst belangrijke Zeetogten der Hollandsche Graven naar +Friesland; geen woord van de togten van Graaf _Floris V_ in 1286 en 1292 +over de pas ontstane en voor de uitbreiding van het zeewezen zoo +belangrijke Zuiderzee, bepaaldelijk om _Stavoren_ te winnen; geen woord +over den belangrijken zeetogt van _Willem IV_ in 1345 derwaarts, en geen +verhaal, maar slechts eene aanhaling van de verbazende toerustingen van +_Albrecht van Beijeren_, in 1396 env. waaromtrent er in de Hollandsche +en Friesche Charterboeken zoo vele belangrijke stukken en bij de +geschiedschrijvers zoo talrijke berigten voorkomen. Voor zoover die mij, +als ongeletterde, bekend zijn, heb ik ze opgenoemd in de Geschiedk. +Beschrijv. van Leeuwarden, I 55 en 303, en verwijs ik derwaarts, om niet +in noodelooze herhalingen te vallen. Later vond ik daarvan eene +uitvoerige beschrijving in de Vaderl. Chronyk, Leijd. en Amst. 1784, +296-911 of het einde, waarvan ik echter geen gebruik meer heb kunnen +maken. Ik blijf die togten steeds beschouwen als een zeer merkwaardig +punt in de geschiedenis van _Holland_ zoowel als van _Friesland_, +hetwelk grootelijks verdiende nader te worden opgehelderd. Ook daarom +heb ik deze herhaalde togten, door velen dikwijls met elkander verward, +bij eene nadere omwerking meer uitgebreid, en zelfs breeder dan het +overig gedeelte van dit werk voorgesteld. + + +_Aant. 14_, op _bladz. 128_. + +_De toestand van Friesland in de 15e eeuw_ + +moge hier donker gekleurd voorkomen,--ieder, die de bijzonderheden +daarvan bij onze historieschrijvers wil nagaan, zal mij moeten +bijvallen, dat die toestand destijds deerniswaardig was. Ik heb dien ook +kortelijk vermeld in de Geschiedk. Beschrijv. I 76, 105 en dáár bij +meerdere aangehaalde schrijvers ook gewezen op het belangrijk tafereel, +door _Kempo van Martena_ daarvan opgehangen (Charterb. II 3). _Peter_ en +_Worp van Thabor's_ Kronyken; de Geschriften van _Jancko Douwama_; +_Westendorp_, Jaarboek van Gron. II; _van Halmael's_ Schieringers en +Vetkoopers en Ats Bonninga; tallooze plaatsen in het Charterboek en vele +andere werken, welke ik zou kunnen aanhalen, mogen het bevestigen. + + +_Aant. 15_, op _bladz. 135_. + +_De Saksische Regering_, + +hoe kort die ook duurde, heeft zeker een zeer gunstigen invloed gehad op +den staatkundigen, stoffelijken en burgerlijken toestand van +_Friesland_. _Het voordeel, hetwelk de Friezen trokken uit de +overheersching van Albrecht van Saxen_, is door den Heer _J. D. +Ankringa_ opzettelijk aangewezen in eene voorlezing, geplaatst in de +Vrije Fries, IV 379. Hij noemt daarin als de voornaamste voordeelen: +1^o. de verdrijving van kwaadwillige vijanden, bijzonder van de +hatelijke Groningers; 2^o. de orde en regelmaat van bestuur en het +daaruit voor ieder voortspruitend ongestoorde genot van zijne +bezittingen, vooral door de invoering van den Provincialen Raad en +Geregtshof, waardoor de behandeling van zaken en de regtspleging op een +goeden voet gebragt werden; 3^o. eene betere beveiliging van de zee, +door het verbeteren van de sluizen en zeeweringen te bevelen, waardoor +de overstroomingen later zijn verminderd, en 4^o. vermeerdering van +vruchtbare landerijen, door het bedijken van _het Bildt_.--Het breidelen +en vernietigen van de partijschappen der Schieringers en Vetkoopers, +waardoor er rust en eenheid onder de Friezen ontstond, en het vereenigen +der drie, vroeger op zich zelven staande en elkander vaak vijandige, +Gooën, als _Oostergoo_, _Westergoo_ en _Zevenwouden_ tot één geheel, +door één belang verbonden, voeg ik daarbij, als voordeelen van niet +minder gewigt. In de Geschiedk. Beschrijv. I 105-136 heb ik de mij +bekende schrijvers over dit tijdvak opgenoemd. Thans ben ik bijna geheel +_Martena's_ Landboek gevolgd.--Uit al het vorenstaande blijkt, dat de +regten en vrijheden des volks in vele opzigten door den Saks werden +geëerbiedigd, en dat het eigenlijk te veel gezegd is, wanneer men het +Saksische _bestuur_ eene overheersching noemt, en de vrijheid der +Friezen als verloren beschouwt. Dit denkbeeld is mede reeds bestreden +door _Stellingwerf_ in het aangeh. zeldzame Polityck Discours, bl. 24. +De verdere ontwikkeling hiervan zou te dezer plaatse tot te groote +uitvoerigheid leiden, doch verdiende weleens nader in het licht te +worden gesteld. Wanneer het volk werkelijk was overwonnen geweest, had +de Saks ook de magt gehad om het Leenstelsel hier in te voeren. Doch in +den Keizerlijken giftbrief was zijn gezag als Erf-Potestaat of +Gubernator beperkt, en bleven de Friezen, onder de bescherming des +rijks, in het bezit van hunne vroegere voorregten, welke daarin erkend +werden. Zie Charterb. I 786 env. + + +_Aant. 16_, op _bladz. 146_. + +_Groote Pier._ + +Veel is over dezen merkwaardigen man geschreven, zonder dat er nog van +hem eene volledige levensbeschrijving is bewerkt. Ik hoop daartoe nieuwe +bijdragen en oogpunten te hebben geleverd, na vroeger in het Mengelwerk +der Leeuw. Cour. van 1834, N^o. 20, hierover iets te hebben gegeven. +Voor hem, die dit onderwerp nader zou willen behandelen, verwijs ik +(buiten de in de noten aangehaalde) naar de volgende schrijvers: +_Scharlensis_, 113; _Winsemius_, 421; _Schotanus_, 567, 607 env.; _Sybe +Jarichs_, Corte Chronyck in de Analecta van Brouërius van Nidek, 461; +_Eggerik Beninga_, Hist. van Oostfriesl. in Matthæus, Analecta, IV 550; +_Foeke Sjoerds_, Beschrijv. I 818; Levensb. van verm. Mannen, I 45; +_Kok_, Vad. Woordb. XIV 16; _Halma_, Toneel der V. Ned. 382; Neêrl. +Heldendaden ter Zee, I 92; _Napjus_, Sneek, 40; _Gabbema_, Leeuw. 336, +342; _van Leeuwen_, Kronyk, 152, 435; _Greidanus_, Naaml. der Franek. +Pred. 64; benevens eene verh. in de Prov. Friesche Cour. 1851, N^o. 6 +env. het uitvoerigste en beste stuk over dit onderwerp. + +De krijgsbedrijven van _Groote Pier_ heb ik met opzet eenigzins +uitvoeriger behandeld, omdat het algemeen gevoelen over dezen persoon +zoo onbestemd of liever zoo ongunstig is, vooral bij Hollandsche +schrijvers. De door mij zoo hoog geachte Jhr. Mr. _de Bosch Kemper_ +noemt hem in zijn voortreffelijk werk: Geschiedk. Onderzoek naar de +Armoede in ons vaderland, Haarlem 1851, bl. 69, nog: "de Geldersche +Zeeroover _Groote Pier_." Even verkeerd is de voorstelling van den Heer +_D. R. Erdbrink_ te Enkhuizen, in het Leeskabinet voor Mei 1852, ook als +hij meent, dat _Pier_ de Saksische Zwarte Hoop, groot 3 à 4000 man, in +1517 op zijne vloot van _de Lemmer_ naar _Noord-Holland_ zou hebben +overgevoerd. + + +_Aant. 17_, op _bladz. 155_. + +_Worp van Thabor's Kronyk_ + +bestond tot dusverre alleen in Handschrift, en wel in verscheidene ex. +op verschillende plaatsen. Dr. _J. G. Ottema_ heeft van alle bekende ex. +een uitvoerig verslag gegeven in de Vrije Fries, III 105, waarna het +Friesch Genootschap de drie eerste, in het latijn geschrevene, boeken in +1847 heeft uitgegeven, onder den titel van Worperi Tyaerda ex +Renismageest, Chronicorum Frisiae libri tres. Het vierde boek, in het +nederduitsch van dien tijd geschreven, is in 1850 en 1851 gevolgd onder +den titel van: Kronijken van Friesland, bevattende de geschiedenis van +de vijftiende eeuw. De door mij gegevene uittreksels zijn genomen uit +het 1e boek, volgens eene vertaling van den Hoogleeraar _P. J. Veth_, +die in den elfden jaarg. van de Gids, bl. 552, een aanprijzend verslag +van deze belangrijke Kronyk heeft gegeven. Van den schrijver is weinig +meer bekend, dan dat hij zich naar zijne geboorteplaats _Rinsumageest +Worp van der Geest_ noemt, en eerst Monnik, daarna Supprior, vervolgens +Procurator en in 1523 Prior was van het bekende klooster _Thabor_, onder +_Tirns_ nabij _Sneek_, waarin hij in 1538 is overleden. Men verwarre +zijn werk echter niet met de Kronyk of Historie van Vriesland, door +_Peter Jacobsz. van Thabor_ of _Petrus Thaborita_, door _Visser_ en +_Amersfoordt_ uitgegeven in het Archief voor Vaderlandsche, en +inzonderheid Vriesche Geschiedenis, Oudheid-en Taalkunde, Leeuw. +1824-28, 3 st., welk niet minder belangrijk werk ik ook veelmalen heb +geraadpleegd. + +Eene dergelijke, doch uitvoeriger, algemeene beschrijving van +_Friesland_, van omstreeks eene halve eeuw later, bevat het eerste boek +van _Ubbo Emmius_, Rerum Frisicarum Historia, waarvan de eerste druk is +van Franeker, 1596. Eene andere, kortere algemeene beschrijving van +_Friesland_ is in 1616 gegeven door Do. _J. Bogerman_, destijds +Predikant te _Leeuwarden_, in de opdragt van zijn werkje: Praxis verae +poenitentiae, door Dr. _J. G. Ottema_ vertaald medegedeeld in de Vrije +Fries, II 215. Al deze beschrijvingen zijn, even als zoo vele verzen van +_Starter_ van dien tijd, hooggestemde lofredenen op dit land, hetwelk +_Bogerman_, wegens overvloed van ligchamelijke en geestelijke +zegeningen, (toen reeds) _een dal van vettigheid_ noemde. + + +_Aant. 17 (moest zijn 18)_, op _bladz. 159_. + +_De beroemde Friezen_, + +uit omstreeks het midden der 16e eeuw, in den tekst vermeld, waarbij ik +nog vele andere had kunnen voegen, komen bijna allen, met min of meer +uitvoerige levensschetsen, voor in het werkje van _Suffridus Petrus_, de +Scriptoribvs Frisiæ, geschreven en voor het eerst uitgegeven te Keulen +in 1593. Voorzeker baart het groot getal personen, in de tien laatste +decaden van dit werkje vermeld, verwondering, in vergelijking met het +getal beoefenaren der wetenschappen, welke andere provinciën des +vaderlands, zelfs _Holland_, tot 1593 hadden opgeleverd. + + +_Aant. 19_, op _bladz. 166_. + +_De Geschiedenis der Kerkhervorming in Friesland_ + +is in 1842, voortreffelijk bewerkt, uitgegeven door _E. J. Diest +Lorgion_, waar meer uitvoerige berigten, dan ik hier en vervolgens kon +mededeelen, worden gevonden. Vele oorzaken en aanleidingen van de +reformatie in dit gewest zijn mede uit allerlei bronnen nagespoord en +grondig behandeld in het uitmuntende werk: Geschiedenis der +Doopsgezinden in Friesland, door _S. Blaupot ten Cate_, Leeuw. 1839, +alsmede in het belangrijk werk: De Doopsgezinden en hunne herkomst, van +_J. H. Halbertsma_, Dev. 1843. Nog andere wetenswaardige berigten +omtrent dit tijdvak en de latere geschiedenis van de Lutherschen in +_Friesland_ en te _Leeuwarden_ komen voor in de Bijdragen tot de +geschiedenis der Evang.-Luthersche Kerk in de Nederl. verzam. door _J. +C. Schultz Jacobi_ en _F. J. Domela Nieuwenhuis_, Utr. 1844, 5e stuk, +bl. 166. Wie dus omtrent de voorvallen van dit merkwaardige tijdperk +nader wenscht ingelicht te worden, zal daartoe in genoemde werken ruime +gelegenheid vinden. + + +_Aant. 20_, op _bladz. 118_. + +_De Verbondene Edelen._ + +De hoofdbron der geschiedenis van dit onderwerp is en blijft nog steeds +het belangrijke werk van den Hoogl. _J. W. te Water_, Historie van het +Verbond en de Smeekschriften der Ned. Edelen, Middelb. 1776-96, 4 st. +waarvan de Geschiedenis der Watergeuzen, van Do. _A. P. van Groningen_ +een waardige tegenhanger is. Ik acht mij echter verpligt, hier bijzonder +te vermelden, dat het eerste werk voor geene provincie van meer gewigt +en belang is dan voor _Friesland_. Eensdeels, omdat het getal Edelen, +welke daarin met kortere of langere levensschetsen vermeld zijn, uit +deze provincie daarin vier maal grooter is dan van de overige 16 +provinciën, en alzoo blijk levert zoowel van de talrijkheid als de +vrijheidszucht van den toenmaligen Frieschen Adel;--anderdeels, omdat de +berigten aangaande de geslachten en verrigtingen dezer bondgenooten +daarin het meest uitvoerig zijn behandeld, ten gevolge der talrijke +mededeelingen, welke de schrijver mogt ontvangen van de Heeren _Ulbe_ en +_Eduard Marius van Burmania_, welke van zoo veel belang waren, dat hij +dáárom zijn werk aan laatstgenoemden Oudheidkundige uit dankbaarheid +opdroeg, terwijl die hulp in de opdragt eervol wordt vermeld. + +Na ruim twintig jaren tijdsverloop herinner ik mij thans nog met veel +genoegen, dat mijn edele begunstiger en vriend wijlen Jhr. _I. Æbinga +van Humalda_ mij in 1828 met dit werk bekend maakte, en dat ik toen, na +herhaalde lezing, van die 108 Friesche Verbondene Edelen biographische +Tabellen vervaardigd- en met vele bijzonderheden uit andere schrijvers +en geslachtlijsten aangevuld heb. Uit vrees van nog niet in staat te +zijn iets goeds te kunnen leveren, kon ik toen niet bewilligen in het +aanbod van Do. _J. H. Halbertsma_, om deze tabellen voor mij uit te +geven. + +Doch _Friesland_ heeft nog eene andere betrekking op dit onderwerp, +welke ik hier mede gaarne herinner, omdat het een der sieraden onzer +Nederlandsche letterkunde geldt. Nog vóór _te Water_ dit onderwerp +historisch toelichtte, heeft Jhr. _Onno Zwier van Haren_, in zijne +afzondering te _Wolvega_, de verdiensten dier Edelen en bijzonder der +Watergeuzen, door de dichtkunst verheerlijkt. In een ruwen vorm +verschenen in 1769 voor het eerst zijne verzen: Aan het Vaderland, later +en vooral in 1776 veel vermeerderd en verbeterd herdrukt onder den titel +van: de Geuzen. Na zoo herhaalde lezing van dit heerlijk dichtstuk, door +zulke belangrijke aanteekeningen toegelicht, zou ik zeer wenschen, dat +het, vooral in _Friesland_, meer algemeen bekend ware. Wetenschap en +kunst zijn daarin vereenigd en met zoo vele streelende vaderlandsche +herinneringen vereenzelvigd, dat het verstand en hart, gevoel en smaak +te zamen goed doet. Ik heb daarover, in verband met het leven des +vereerden dichters, meer uitvoerig gehandeld in den Friesche +Volks-Almanak voor 1837, 50. + + +_Aant. 21_, op _bladz. 222_. + +_De Friesche Staatstwisten_, + +welke, na de vroeger in den tekst reeds vermelde geschillen, bijzonder +tusschen de Landen en Steden, over het bekomen van den vierden stem in +den staat, vooral sedert 1593, gevoerd zijn, vindt men vrij uitvoerig +medegedeeld in de volgende werken: _Winsemius_, Chronique, 820, 828, +847-871, 891, 898;--_van Reijd_, Ned. Oorlogen, 200, 410, 418;--_van den +Sande_, Ned. Hist. ten vervolge op _van Reijd_, 29, 57, 69, 98, 121, +162, 173, 178, 186, 197, 205;--Charterboek, V 164, 274, 278, 333, 341, +358, 367;--Register op de Staats-resolutiën, 411, 478, 511, 695;--_van +Aitzema_, Saken van Staet en Oorlogh, 4^o. II 116, 211, 626, 633, 643, +800; III 160, 265, 344, 348, 522; 63, 81; 10, 292, 520, 528;--_Kok_, +Vad. Woordenb. XVI 594; benevens vele stukken in het Provinciaal en +Stedelijk Archief van _Leeuwarden_. + +Al deze en meerdere schrijvers over dit onderwerp zijn door mij gelezen, +met oogmerk, om die gebeurtenissen te behandelen. Doch, daar ze voor +eene beknopte behandeling niet vatbaar waren, en eene uitvoerige +voorstelling van oorzaken, verband en gevolgen mijn bestek ver te buiten +zou gaan, zoo heb ik daarvan _moeten_ afzien, en deze gebeurtenissen +enkel met een woord vermeld op de Tijdrekenk. Lijst. Bij eene +uitvoeriger behandeling van de Friesche Geschiedenis zullen ze alle in +het licht gesteld moeten worden. + + * * * * * + +In al die onlusten zien wij mede telkens den strijd herhalen tusschen de +vrienden van behoud en vooruitgang, en tusschen de democraten en de +aristocraten dier dagen; een strijd, welke in elke eeuw op eene andere +wijze vernieuwd wordt, zoolang het volk het besef zijner regten en +krachten behoudt en, niet door vrede of weelde ontzenuwd, inslaapt of +doof wordt voor zijn belang. In weerwil van al de goede eigenschappen +van den vervolgens door mij geschetsten Regeringsvorm van _Friesland_, +en ondanks eene algemeene verkiesbaarheid en alzoo een democratisch +beginsel de grondslag daarvan scheen uit te maken, heeft de welwikkende +en geleerde _Ulrik Huber_ aangewezen, dat de Aristocratie zich in +_Friesland_ van de teugels van het bewind had verzekerd. (Zie _Huber_, +Hedend. Rechtsgeleerth. Leeuw. 1699, II 11, 53 env., en _Vreede_, +Geschied- en Letterk. Herinneringen, Gor. 1836, II 65.) En was dit +wonder? "In een land, waarin van ondenkelijke tijden af de +oorspronkelijke oppermagt werd bezeten door de Edelen en Eigenerfden, +dat is, de bezitters van onroerende goederen, die het regt van stemmen +in gemeene zaken hadden," kon het niet anders, of de adel en de +aanzienlijken moesten in het bezit geraken van de oppermagt, van ambten +en bedieningen. De aard van het Stemregt leidde daartoe. Dat daarvan +dikwijls misbruik is gemaakt, is zeer natuurlijk bij al het +aanlokkelijke van magtsuitoefening en vaak kwalijk geplaatste eerzucht +bij onverstandigen. Maar met dat al is het mijne innige overtuiging, op +geschiedenis en overlevering gegrond, dat die Aristocratie, of de +regering van den adel en de aanzienlijken, voor _Friesland_ in de vorige +eeuwen van oneindig meer voordeel dan nadeel is geweest. Zij, die door +aanzienlijk grondbezit het meeste belang hadden bij het welzijn van den +staat, en daardoor ook het meeste aanspraak hadden op het bestuur +daarvan; zij stonden door stand, opvoeding, onderwijs en bekwaamheden in +verstandelijke en zedelijke kracht ook meestal veel hooger dan het volk +of wel de burgerstand dier dagen, welke toen minder ontwikkeld was dan +tegenwoordig. En zeker zullen de laatste, die thans meerdere +staats-burgerlijke regten hebben verkregen, onbillijk handelen, als zij +hunne verpligting aan 's lands vroegere overheden en de adellijke en +aanzienlijke familiën niet dankbaar erkennen. Het is dus onkunde of +kwade trouw, wanneer men thans laag valt op of smadelijk spreekt van een +uitvloeisel der vroegere staatsgesteldheid, welke, ja soms is misbruikt +geworden, doch die in 't algemeen heilzaam voor het belang des volks is +geweest. + + +_Aant. 22_, op _bladz. 246_. + +_De Regeringsvorm van Friesland, tijdens de republiek_ + +is door mij voorgesteld, zoo als zij omstreeks den jare 1770 bestond, om +niet telkens de kleine wijzigingen te vermelden, welke daarin sedert +1580 hadden plaats gehad. De voornaamste schrijvers over dit onderwerp +heb ik in de noten bij ieder onderdeel medegedeeld, doch acht het van +belang, hier nog eenige andere te vermelden, welke deswege nader kunnen +geraadpleegd worden. In zijn ganschen omvang is dit onderwerp behandeld +in _U. Huber_, Heedendaegse Rechts-geleertheyt, soo elders, als in +Frieslandt gebruikelijk, 2e dr. Leeuw. 1699, I 418, II 10 env. alsmede +in de weinig bekende Dissertatie van _E. H. Bergsma_, de antiqua et +hodierna Frisiorum Regiminis forma, Fran. 1779. Nog minder bekend is de +eenvoudige en heldere voorstelling, welke de voortreffelijke _P. +Wierdsma_ daarvan heeft gegeven in de beschrijving van deze provincie, +welke hij bezorgde ten behoeve der Nieuwe Aardrijksbeschrijving, door +_W. E. de Perponcher_, Utr. 1784, welke in het eerste deel bl. 303 is +opgenomen. (De reden daarvan heb ik vermeld in de Nasporingen omtrent de +Middelzee, bl. 52.) Ook in _Knoop_, Teg. Staat of Hist. Beschrijv. van +Friesl. Leeuw. 1763, bl. 328, en in _Busching_, Nieuwe Geographie, +verbeterd door _W. A. Bachiene_, Amst. 1775, IV 1191 komen uitvoerige +beschrijvingen daarvan voor, die ieder op zich zelve belangrijke +bijzonderheden bevatten. Zeer zonderling en hooggestemd is de +beschrijving van _Frieslands_ staatsbestuur van Mr. _Romijn de Hooghe_, +in zijn Spiegel van Staat, Amst. 1706. Het Groot Placaat- en Charterboek +van Vriesland, door de zorg van den Baron _G. F. thoe Schwartzenberg_, +op last der Staten, in 1768 begonnen en in 1795 in het 6e deel met den +jare 1705 geëindigd, bevat een onwaardeerbare schat van historische en +staatsstukken over alle deelen van dit gewest. Eene Verzameling van +Placaten, Reglementen en andere Stukken, door de Staten van Vriesland +geëmaneerd, is in 1748 begonnen, telt tot 1795 6 deelen in 4^o. en is +van toen af tot in 1810 voortgezet in 14 deelen. Ook deze bron heb ik +veel gebruikt. + +In de laatste helft der vorige eeuw begon men zich mede meer toe te +leggen op de ~Staatshuishoudkunde~ en ~Statistiek~ dezer provincie. In +de genoemde werken van _Knoop_, _Foeke_ _Sjoerds_, de Tegenw. Staat enz. +zijn daarover bereids belangrijke bijdragen gegeven. Ook _Nicolaas +Ypey_, Hoogleeraar in de Wiskunst en Vestingbouw te _Franeker_, die in +Waterstaatszaken dikwijls door Gedeputeerde Staten geraadpleegd werd, +gaf van zijne bedrevenheid in die vakken blijken in zijne Verhandelingen +over den uitvoer van het Hooi (in 1781 bekroond en met die van _Eelke +Alta_ en _Sjoerd Meinerts_ te _Harlingen_ uitgegeven) en over de Quotae, +Harl. 1784. Zeer belangrijk is mede het werkje van den lateren +Hoogleeraar _Seerp Gratama_, de gelukkige Toestand van Friesland +betoogd, Harl. 1795. Uit deze thans weinig meer voorkomende geschriften +wil ik de volgende bijzonderheden, tot kenschetsing van dit tijdvak, +mededeelen. + +De Bevolking van _Friesland_ is geheel onbekend vóór den jare 1715, en +werd in 1744 en op nieuw in 1748 opgemaakt. De opgave van 1744 was +135,133 personen, verdeeld in 36,947 huisgezinnen, onder welke men 4,600 +insolvente en 3,535 gealimenteerde telde. Latere zekere opgaven tot 1795 +gaan niet boven de 140,000 zielen.--In 1779 was het getal der +aangegevene koeijen 73,589, der rieren 23,519 en der paarden 23,359. De +uitvoer daarvan bestond in 1778 in: 7,732 koeijen, 245 ossen, 29 bullen, +1048 kalvers, 2001 paarden, 205 enters (eenjarigen) en 400 veulens, +namelijk, voor zoover daarvan passagiegeld was betaald. De waarde van +elke verkochte koe stelde _Ypey_ in gewone tijden op [f]40--, een +vierendeel boter op [f]16--, een schippond kaas op [f]6--, eene +leverweide hooi op [f]12--, een pondemate nieuw gras op [f]4--, de mest +van eene koe in 't jaar op [f]3.50. In de voorspoedige jaren van 1765 +tot 1779 klom de prijs der boter tot [f]21--, der kaas tot [f]12--, van +eene koe tot [f]60--. Bovendien noemt hij de verzending van Tonnevleesch +naar buiten aanzienlijk. In 1762 werden er op de Lands Wagen aangegeven +83,200 vierdevaten boter. Hij begroot daarentegen de som, welke aan +schattingen en renten, voor kleeding, levensmiddelen, dranken en +allerlei soort van waren ~uit~ _Friesland_ naar buiten ging, op +[f]3,800,000, buiten het bedrag van het hout, uit de Oostzee en elders +aangevoerd.--Belangrijk zijn mede zijne berigten over de toenmalige +Vrachtvaart, waarover wij ook op bl. 337 bijzonderheden hebben +medegedeeld, en waarbij wij nu nog wenschen te voegen, dat in de +merkwaardige Propositie van Prins _Willem IV_, tot verbetering van den +Koophandel der republiek, van 1751, dit opmerkelijk gezegde voorkomt, +dat toen reeds "geene Provincie van ons land meer reederijen had van +Smakken, Koffen en Galjoots, en waar meer dergelijke vaartuigen te huis +behoorden dan in _Friesland_, zonder nog eenige handel van belang te +hebben." + + +_Aant. 23_, op _bladz. 257_. + +_De Friesche Zeehelden_, + +welke, sedert den eersten Engelschen oorlog, bij _Brandt_, _Aitzema_, +Holl. Mercurius en _de Jonge_ in het bijzonder vermeld worden, zijn, in +vergelijking van vele Hollandsche en Zeeuwsche zeelieden, door hunne +tijdgenooten zoo weinig opgemerkt, dat er van niemand hunner volkomene +levensberigten tot ons zijn gekomen. Van weinigen weten wij iets meer +dan hun naam en een of ander kloek bedrijf, zonder van hunne geboorte- +of woonplaats en verder lot kennis te dragen; terwijl de onzekerheid +vergroot wordt, doordien verscheidene dezer zeelieden den zelfden +geslachtsnaam en een anderen voornaam dragen. + +Van _Tjerk Hiddes de Vries_ weten wij wel het meest, doch zijn genoemde +levensbeschrijver was nog onbekend met vele bijzonderheden, door den +Heer _de Jonge_ omtrent hem en zijn geslacht, waaruit vijf zeelieden +naam hebben gemaakt, medegedeeld (Zeewezen, II _b_ 216, IV _a_ 458, _b_ +581). Reeds in 1658 voerde hij het bevel over eene der gewapende fluiten +of transportschepen, welke de vloot van _Wassenaer_ naar de Sont +vergezelden, en onderscheidde hij zich toen door het nemen van drie +Zweedsche vaartuigen. In _Schotanus_, Beschrijv. v. Friesl. 261 komt hij +voor onder de Vroedschappen van _Harlingen_ in 1664, met bijvoeging van +Groot-Schipper, zoodat hij toen welligt niet meer in 's lands dienst +was, welke hij in 't volgende jaar, bij 't uitbreken van den tweeden +Eng. oorlog, weder zocht. Ik heb meerdere bijzonderheden omtrent hem +verzameld, welke ik gaarne wil mededeelen aan iemand, die het leven van +dezen voortreffelijken Admiraal op nieuw en naauwgezet wil nasporen en +beschrijven. Hier wil ik nog enkel vermelden, dat zijn broeder _Barent_ +of _Beern Hiddes de Vries_ met en onder hem bestendig als Kapitein heeft +gediend; dat zijns broeders zoon, _Hidde de Vries_, opklom tot Schout +bij nacht en zich in 1694 het bevel zag toevertrouwd over een eskader +van 14 schepen, toen hij in een hevig gevecht met Jan Bart doodelijk +gewond werd. De vijfde zeeman uit dit geslacht was _Tjerk Hiddes de +Vries_, in 1708 Luitenant bij de Admiraliteit van _Amsterdam_. Of ook +_Ysbrant de Vries_, in 1658 Kapitein op de vloot, tot deze familie +behoorde, is onbekend. _Brandt_, 142, 144, 223. + +Doch, hoe weinig er bekend is van _Auke Stellingwerf_, dien, verheven +tot Luitenant-Admiraal, hooggestemde lofverzen van de Hollandsche +dichters _Jeremias de Decker_ en _Heiman Dullaert_ ten deel vielen, dit +heeft mijn vriend de Heer Mr. _J. H. Beucker Andreæ_ ondervonden bij +zijne vergeefsche poging, om een levensberigt van dezen zeeheld zamen +te stellen. Er komen verscheidene personen van dien geslachtsnaam voor. +Het Register op de Staats-resol. 767 vermeldt in 1649 een _Andries +Stellingwerf_, door de Admiraliteit aangesteld tot Equipagemeester der +kustschepen. In het zelfde jaar 1653, dat wij in de Holl. Mercurius, 80, +een Kapitein _Frederik Stellingwerff_ op het schip Zevenwouden +(gezonken) vinden, werd die _Andries Pieters Stellingwerff_ door +Gedeputeerde Staten weder der Admiraliteit tot eenig emplooi +gerecommandeerd; en werkelijk vinden wij dezen in 1656 bij _Brandt_, +100, reeds als Kapitein van 't Prinsen wapen. In 1659 schreven +Gedeputeerde Staten aan de Gecommitteerden ter Generaliteit, dat het +schip van den Kapitein ... _Stellingwerf_, ter repartitie van de +Harlinger Admiraliteit staande, onder de ontbodene schepen mogt worden +begrepen. En in dat zelfde jaar zien wij bij _Brandt_, 186, 204, +Kapitein _Auke Stellingwerff_ vermeld, op den togt tegen _Zweden_ onder +_Verburg_, die hem naar den hoek van Schagen zond, om eene +koopvaardijvloot te verwachten, welke hij den 3 Maart 1660 naar het +vaderland geleidde. Na zijn sneuvelen werd zijn schip, de Zevenwouden, +door de Engelschen genomen, doch in het volgende jaar hernomen. +_Brandt_, Leven van de Ruiter, 382, 480. In 1676 was een _Jacob +Stellingwerf_ 1e Luit. op het schip Oostergoo. + +Behalve de genoemde _Hendrik Dirks Brunsveldt_, die in 1659 Kapitein en +later Schout bij nacht was (_Brandt_, 160, 190, 212; _de Jonge_, II _a_ +250, 259; Stamboek, II 59), vermeldt _Brandt_, 155, op 1658 ook nog een +Kapitein _Adriaan Bruinsveld_, die in dat jaar sneuvelde.--Zoo vinden +wij in 1652 een Kapitein _Sipke Fockes_ en in 1665-1673 _Anske Fockes_. +_Brandt_, 444. De zelfde noemt bl. 183, 193, 196 ook den Kolonel _Ernst +van Aylva_ en den Kapitein _Hemmema_, die in 1659 den togt naar _Zweden_ +mede maakten, doch denkelijk bij het krijgsvolk behoorden. De laatste +bleef voor _Nijborg_. Bij dezen togt waren 8 compagniën Friezen en 2 +eskadrons Friesche ruiterij. _Bosscha_, II 13.--Van den Kapitein +_Schelte Wiglema_ meldt _Brandt_, 41, dat hij in 1653 met al zijn volk +in de lucht vloog. Zoo men wil, stak hij, tusschen twee Eng. schepen +beklemd en geen uitkomst ziende, door overmaat van moed, zelf de lont in +'t kruid.--Nog vonden wij als Kapiteins van het Friesche Collegie +genoemd: _Reinier Sickema_ of _Sekema_, _Andries Douwes_, _Andriaan Hens +Kleintje_, _Jan Jans Vijselaar_, _Jacob Binckes_, _Pieter Feijkes +Eijkema_, _Wijtze Beijma_, _Yde Hijlkes Kolaart_, wiens schip Westergoo +in 1672 verbrandde; _Hendrik Jans Camp_, van wien _de Jonge_, II _a_ 78, +een dapper bedrijf vermeldt, enz.--Verder maakte zich verdienstelijk +_Joris Andringa_, die, eerst schrijver op het schip van den Kapt. de +Wildt, sedert 1665 het ambt van Secretaris van _de Ruyter_ bediende en +het dagregister hield, zoodat wij aan zijne zorg vermoedelijk de +naauwkeurige berigten omtrent diens luisterrijkste verrigtingen +verschuldigd zijn. _Brandt_ 396, 513, 549, 862, 912; _de Jonge_, III a +315, b 124, 220. In 1675 werd hij Kapitein op het schip Stad en Lande, +en onderscheidde zich door moed en bekwaamheid. Door bloedverwantschap +en vriendschap was hij aan _de Ruyter_, die hem in een brief Neef +_Andringa_ noemt, zeer verbonden.--Bij den togt naar _Chattam_ waren +_Simon Poppinga_ en _Meindert Jentjes_, kommandeurs van branders, die +voor hun lofwaardig gedrag vereeringen ontvingen. _Brandt_, 583; _de +Jonge_, II _b_ 445, en omtrent andere Friezen III _a_ 124, 130, 145, +269, 292, 380. + +Ook vervolgens onderscheidden zich nog andere Friesche zeevaarders, +van welke wij enkel noemen: _Douwe Harkes_, die in 1665 nabij _Tanger_ +met veel dapperheid een Engelsch fregat aantastte en veroverde, en +dien het in 1673 gelukte, drie Barbados-en Virginievaarders te +_Amsterdam_ op te brengen (_de Jonge_, II _b_ 243, III _a_ 381).--Van +_Jacob Binckes_ hebben wij in den tekst gesproken, doch zouden zijn +leven gaarne nader afzonderlijk bewerkt zien, vooral, dewijl _de Jonge_ +op zoo menigvuldige plaatsen van het 3e dl. daarvan belangrijke berigten +heeft medegedeeld.--In 1676 waren verscheidene Friesche schepen (ook +_Barend Hiddes de Vries_ als Kapitein en _Jacob Stellingwerf_ als 1e +Luit.) bij de vloot, welke de Staten onder _Tromp_ en _Evertsen +Denemarken_ te hulp zonden. Deze togt, waarbij zich ook Friesche +vrijwilligers bevonden, is uitvoerig beschreven in het zeldzame en +zonderlinge vers van _Foppe Foppeszoon Junior_: "Aenmerkelike Voyagie na +de Oost-zee enz. By maniere van dagverhaal, in riim, beschreven" enz., +met vele lofverzen van dergelijke rijmelaars in 1677 bij _Hero Galama_ +te _Harlingen_ gedrukt.--Omtrent _Christoffel Middagten_, mede van +_Sexbierum_ geboortig, die tot Kapitein en Schout bij nacht opklom en +zich door geschriften over den scheepsbouw, de scheepvaart en verbeterde +Zeekaarten loffelijk onderscheidde, heeft _de Jonge_ IV _a_ 485 goede +berigten medegedeeld.--In 1678 vinden wij vermeld een stoute Friesche +schipper _Barend Fokke_, die toen de reis van _Nederland_ naar _Batavia_ +in den, destijds ongehoorden, tijd van 3 maanden en 4 dagen deed, tot +geene geringe verwondering van den Gouverneur-Generaal van _Goens_, dien +hij door het bezorgen van een pakket brieven daarvan overtuigde. Over +_Ceilon_ vertrok hij weder naar het vaderland, zóó spoedig, dat +het bijgeloovige volk hem verdacht hield van met den booze in +verstandhouding te staan. Opmerkelijk is het, dat, zeker om eene andere +reden, ter eere van dezen kloeken zeeman op het eiland: het Kuipertje, +nabij _Onrust_, voor de reede van _Batavia_, een standbeeld is opgerigt, +hetwelk hem, in steen gehouwen, in zijne Friesche kleedij voorstelde. In +1808 is het door den Engelschen Admiraal _Dourie_ vernield, doch later +zijn de stukken daarvan nog gezien door _M. D. Teenstra_, die dit +verhaalt achter een vers ter zijner eere in den Frieschen Volks-Almanak, +1846, 171. + +Dat de Generaal _Aylva_ na 1672 niet weder als Luit.-Admiraal op de +vloot is geweest, scheen mede een gevolg te zijn van de bepaling der in +1673 door de Staten aangenomene Poincten reformatoir, art. 36: "Dat het +Admiraelschap van Frieslandt wordt verklaert vacant ende impetrabil te +syn, als werdende verstaen niet compatibel te zyn met eenige hooge +militaire charge te Lande." Charterb. V 963. Evenwel vermeldt _de Jonge_ +IV _a_ 309, dat in 1692 na _Aylva's_ dood door Koning _Willem_ (_?_) in +zijne plaats werd benoemd _Frederik Willem_ Graaf _van Bronckhorst +Stirum_, Vice-Adm. der Maze, hoewel hij niet in zee ging, omdat +_Friesland_ te weinig schepen leverde. + +De onderstand van het Friesche Collegie verminderde toch van lieverlede +zoodanig, dat het lang werkeloos bleef, en in 1689 slechts 3 schepen: +van Kapt. _Hidde de Vries_, Europa, Kapt. _Jentema_, de Windhond en +Kapt. _D._ (misschien _B._ of _Barend_) _de Vries_, de Brak, te zamen +470 koppen voerende, bij de vloot voegde. Later en nog in 1744 had het +maar twee schepen meer. Zie _Sylvius_, 1689, 203; _de Jonge_, III _b_ +390; IV _a_ 44, 48, 72, 174, 274. + + * * * * * + +Uit den tijd van het diepste verval onzer lands zeemagt, toen echter de +Friezen zoo talrijke koopvaardijschepen en vrachtvaarders in zee hadden; +toen, na het uitbreken van den oorlog tusschen _Engeland_ en +_Frankrijk_, in 1756, zóó vele onzer koopvaarders prijs genomen werden, +dat de Nederl. Jaerboeken van 1758, bl. 923 drie lijsten bevatten van +156 enkel Hollandsche schepen, door de Engelsche kapers geroofd en +opgebragt,--vinden wij nog een loffelijk bedrijf vermeld van _Jan +Binckes_, Kapitein van 's lands oorlogsschip: Maarssen, die den +roemrijken naam van zijn voorzaat _Jacob Binckes_ in eere hield. Tot +bescherming van eene koopvaardijvloot naar _Cadix_ gestevend, wilde hij +den 27 December 1758 de baai dier stad inzeilen, toen het de Engelsche +kapers gelukte, twee der hem aanvertrouwde schepen, gevoerd door de +schippers _Pieter Paauw_ en _Wigle Tjerks Zwart_, van het convooi af te +snijden, met oogmerk om die te _Gibraltar_ op te brengen. Zoodra +ontvangt _Binckes_ geen berigt van deze daad, of hij wendt zijn schip, +zet de roovers alléén na, herneemt zijne schepen uit hunne klaauwen en +komt daarmede den volgenden dag in de baai van _Cadix_ bij de overigen +terug.--Men zie daarover Ned. Jaerboeken, 1758, 562, 1759, 123; +Onmiddelijk Vervolg op _Wagenaar_, XXII 420. + + +_Aant. 24_, op _bladz. 270_. + +_De Friezen aan den Rijn, in 1672._ + +Het gedrag van het regiment van _Aylva_ bij den overtogt van _Lodewijk +XIV_ over den Rijn, op den 12 Junij 1672, is in het schoone werk van +_Bosscha_, Neêrl. Heldendaden, II 57, wel uitvoerig en naar verdienste +voorgesteld, volgens _Valckenier_, 't Verwerd Europa, XV 455 en andere +bronnen, doch kort daarna heeft D^o. _O. G. Heldring_ deze gebeurtenis +nader onderzocht en toegelicht uit Fransche schrijvers, die in dezen wel +het meeste gezag verdienen. Dat zeer belangrijke stuk is, onder den +titel van: de Overtogt van Lodewijk XIV. over den Rijn, geplaatst in +het 1e dl. van Nijhoff's Bijdragen, 1837, bl. 93. Reeds vroeger heb ik +daarvan een uittreksel gegeven in den Friesche Volks-Almanak voor 1840, +96. Beide verhalen zijn op verscheidene punten aangevuld door de +berigten in het voortreffelijke werk der Heeren _van Sijpestein_ en _de +Bordes_, de verdediging van Nederland in 1672 en 1673, 's Hage 1850, 1e +st. 68 env. In Bijlage I, bl. 95 worden daar bovendien de overige +hoofd-officieren en kapiteins van dit regiment, uit 8 kompagniën +bestaande, met name opgenoemd. Dat al de in den tekst genoemde personen +daartoe behoorden, is mij mede gebleken uit de Resolutiën van Gedep. +Staten, waarin ik van bijna allen de aanstellingen heb gevonden. De +namen verschillen echter eenigzins, als: b. v. _Douwe van Ipema_, _Haje +Twernbergen_ en _Twenbergen_, _Bernhardt Hekman_, _Bavius Romeda_. In +laatst vermelde Bijlage komen tevens de namen voor van eene menigte +Friesche Officieren, die in het leger van den staat dienden.--Zeker +behoef ik geene verschooning te vragen, dat ik wegens de belangrijkheid +van dit feit hieromtrent uitvoeriger ben geweest dan omtrent andere +bijzondere punten, alsmede dat ik al het in 1672 en 1673 voorgevallene +breeder heb behandeld dan het overige. + + +_Aant. 25_, op _bladz. 281, 294_. + +_De Burgerwapening in 1672 en 1673_, + +ook ten aanzien van _Friesland_ in het vermelde werk van Prof. +_Siegenbeek_, 122, 144 eervol vermeld, was destijds van veel belang, en +mogt met den gelukkigsten uitslag worden bekroond. Er zijn omtrent het +uittrekken der burgers van onderscheidene steden en grietenijën +bijzonderheden bewaard, welke ik echter hier niet kan mededeelen. +Aangaande de uittogten van 1672 heeft Mr. _A. Telting_ vele medegedeeld +in zijne twee bijdragen: Oer B. Bekker, de Fulleniussen, in it Bloedjier +1672, geplaatst in het Friesch Jierboeckjen foar 1835, en Brief van +Goslik Colonna, Hopman over eene Compagnie Franeker burgers, aan den +Magistraat van _Franeker_, voorkomende in de Vrije Fries, I 70. Nog +meerdere bijzonderheden omtrent de snelle oproeping van den derden man +in 1673 heb ik gevonden in een hoogst zeldzaam werkje van dien zelfden +_Colonna_, getiteld: Journaal ofte Dagh-register van de uyttocht der +Burgerlycke Manschap, van de Provintie van Vrieslandt, uytgetogen in den +Jaare 1673. Bevattende al 't geene is voor-gevallen van den dagh onses +uyt-tocht, als zynde den 16. Augusti 1673. tot den dagh van onse +weder-komst, zynde den 5. October des selven jaars. Beschreven door +Goslingh Colonna. Te Bolsward by Hans Hanssen Gyselaer, Drucker en +Boekv. 1673, 4^o. + +De schrijver was toen "Excersiti-meester, Serjant en Sijpel-schrijver +van de Burgerij der stadt Franequer," onder den kapt. _Johannis Ennema_, +die met 65 koppen in twee ligters over _Sneek_ en _Terhorne_ te +_Heerenveen_ aankwamen, te gelijk met de burgers van _Leeuwarden_ en +_Sneek_, na het vernemen van ontmoedigende berigten en het ontmoeten +van verscheidene "schepen met gevluchte goederen." Nadat zij naar +_Joure_ gezonden waren, werd het berigt van het naderen van den vijand +spoedig vervangen door dit, dat "de Bisschopsche volkeren wederom waren +vertrocken." Den 27 en 29 Aug. hielden de drie regimenten _Oostergoo_, +_Westergoo_ en de Steden, bestaande uit 27 compagniën, te _Joure_ eene +"magnevyckelycke inspectie" voor Prins _Maurits_, Graaf _Hendrik_, den +Generaal _Aylva_ en de Gedeputeerden. Den 4 Sept. vertrokken 12 +compagnien over _Heerenveen_ (langs 79 vonders of houten!) naar het +retranchement _Gorredijk_, dat hij 1760 treden in omvang bevond. Daar +zoo min als op de vorige plaats viel er iets voor, dat inspanning +vorderde of vermelding verdient. + +Over den uittogt van 1673 is bijzonder uitvoerig de Holl. Mercurius, +153, die zelfs de resolutie van Gedeputeerden tot dadelijke uittrekking +bevat, welke niet in het Charterboek voorkomt. + +Met een woord herinner ik hier, dat de datums der feiten in de stukken +van dien tijd dikwijls 10 dagen verschillen, dewijl de eene schrijver de +dagteekening van den ouden en de ander die van den nieuwen stijl volgde. +Eerst 1 Jan. 1701 is de laatste in _Friesland_ aangenomen. Volledige +verklaringen omtrent dat belangrijk punt bevat de Hist. Verhandeling +over den Nieuwen Stijl, van wijlen mijn vriend den Hoogl. Mr. _J. W. de +Crane_, geplaatst in Visser en Amersfoordt, Archief, 1827, 2e dl. +Bovendien heeft laatstgenoemde geleerde in zijne Letter- en +Geschiedkundige Verzameling van eenige Biographische Bijdragen en +Berigten, Leeuw. 1841, 63, eene beschrijving gegeven van de Memoriale +Annotatien van _Horatius Vitringa_, welk Handschrift, thans bij het +Friesch Genootschap bewaard en meermalen door mij aangehaald, mij groote +diensten heeft bewezen, ook omdat de voornaamste gedrukte Staatsstukken +van dien tijd daarin mede zijn opgenomen. + + +_Aant. 26_, op _bladz. 350, 351_. + +_De toestand der Kerk en des Volks._ + +A. Al moge het oordeel van Godgeleerden, als boetpredikers, over den +zedelijken toestand hunner tijdgenooten eenzijdig en overdreven geacht +worden, toch is het een feit, dat in 1648 D^o. _Adr. Hasius_, pred. te +Leeuwarden, geliefde te zeggen in een werkje, getiteld: Den Geestelycken +Alarm, tot schrick der Godtloosen en troost der Vroomen enz. (ruim 800 +bladz. groot): "Sooder oyt een tijdt gheweest is, in dewelcke allerhande +sonden en grouwelen d'overhandt genomen hebben, 't is nu sulck een +tijdt. Krom en verdraeyt is het gheslachte der menschen, dat wy nu +beleven, ja soo verkeert, dat den meesten hoop in het boose gheleghen +zijn. De godtloosheydt is by vele soo hoogh geklommen, dat se de toppen +van de ware Godtsaligheydt 't eenemael, ghelijck als overdeckt heeft." +En dat gaat zoo voort, nog wel in eene Opdragt aan den Stadhouder en de +Gedeputeerden. Met even donkere kleuren schetste D^o. _H. Witzius_ in +1669 den toestand der kerk in zijn: Twist des Heeren met zijn Wyngaert. +En deze was een man van gezag, waarom hij zes jaren later te _Franeker_ +tot Hoogleeraar werd beroepen. + +B. Ofschoon een strafwetboek geen bewijs levert van de heerschende +ondeugden eener natie, zoo leveren toch de van tijd tot tijd +uitgevaardigde plakkaten veeleer blijken van voorzieningen tegen +heerschende gebreken en misdrijven. + +Van zoodanige plakkaten der Staten van Friesland vermelden wij ten +bewijze slechts deze weinige, waarvan sommige herhaaldelijk werden +uitgevaardigd: 1619, verhooging der strafbepaling op overspel; 1622, +tegen het mesvechten en doodslaan, het ontheiligen van den sabbath enz.; +1629, tegen luije bedelaars, landloopers, vagabonden, deugnieten enz., +die 't land zóó onveilig maakten, dat men, toen boevejagten met geweer +ontoereikend waren, in 1654 tot oprigting van een Tucht- en Werkhuis +voor hen moest besluiten; 1652, tegen het haarplukken en doodslaan; +1654, tegen brandstichters; 1661, tegen 't onbehoorlijk zuipen en +slempen op de lijkmaaltijden (zie bladz. 260 hier vóór); 1667, tegen 't +ijdel zweren en vloeken; 1671, tegen de ongeregeldheden en kwade +gedragingen van knechten en dienstmaagden; 1686, tegen duellen en +krakeelen enz.; terwijl de klagten over ergerlijke, kettersche en +zedelooze boeken zóó dikwijls herhaald werden, dat niemand sedert 1667 +langer een boek mogt uitgeven, tenzij het door de regering of de klassis +onderzocht en goedgekeurd ware. Zóó groot was de vrijheid in de +republiek, ten gevolge van het misbruik! Zie dit alles breeder in het +Charterboek, V 254, 269, 323, 467, 539, 567, 568, 635, 653, 661, 757, +774, 775, 805, 1257. + +C. Ten aanzien van het gedrag en de handelwijze der Hervormde +Predikanten zie men de berigten van D^o. _Diest Lorgion_, de Hervormde +Kerk, 123 en 340, waar de punten van beschuldiging en verbetering der +_Franeker_ klassis van 1662 voorkomen, waaruit ik op bl. 382 reeds +eenige zinsneden heb medegedeeld. + + +_Aant. 27_, op _bladz. 447_. + +_Besluit._ + +Hoe ruime stof zou er aanwezig zijn, indien ik hier in bijzonderheden +wilde vermelden, hoedanig de Gelukkige Toestand van Friesland, sinds die +in 1795 door _Gratama_ werd geschetst (zie bl. 338 hier vóór), thans is +toegenomen en verbeterd! Met de bevolking, welke in 1744 slechts 135,000 +en in 1796 161,000 zielen bedroeg en thans (1852) tot ruim 251,000 is +gestegen, zijn toch de middelen van bestaan en de bronnen van +volkswelvaart toegenomen; hebben wij onschatbare voorregten ten aanzien +van godsdienstige denkbeelden en van onderwijs en opvoeding ontvangen; +mogten wij onze staatkundige en burgerlijke betrekkingen verbeterd zien, +en werd de overtuiging gevestigd, dat wij, bij aanwending van +verstandelijke kennis en ijver, in den toestand onzer gronden en +bezittingen, in de voorwerpen van nijverheid en handel een aantal +voorwerpen bezitten, die voor duurzame ontwikkeling en toenemende +uitbreiding vatbaar zijn. Doch nadat ik de mij in dit werk gestelde +perken reeds verre ben overschreden, moet ik de vermelding daarvan +overlaten aan de behandeling van eene Statistieke en Plaatselijke +Beschrijving van Friesland. Of ik die, bij wijze van uitbreiding mijner +uitverkochte Aardrijkskundige Beschrijving van Friesland, van 1840, +eerlang zal kunnen, zal mogen bewerken;--of ik daartoe, bij mijn +bestendigen lust en liefde voor dit onderwerp, waarvoor ik zooveel heb +verzameld, onder al de menigvuldige zorgen voor beroep, ambt en +letterkundige betrekkingen, tijd en krachten zal bezitten;--dit mag ik +hopen, doch voorshands niet als een bepaald voornemen doen gelden. Na +aan deze, God dank! eindelijk voltooide Geschiedenis zoo lange jaren en +zoo ingespannen gewerkt te hebben, zullen de vermelde bewerking van een +Beroemd Friesland, en meer nog de groote moeite aan het toezigt op de +naauwkeurige uitvoering van den Nieuwe Atlas van Friesland (met zoo veel +regt een belangrijk voorwerp van naauwlettende zorg!) mij vooreerst te +veel bezig houden, om aan het volbrengen van eene taak te denken, welke +met dien Atlas een schoon geheel zou kunnen vormen, de eer en roem onzer +heerlijke provincie waardig! + +Om deze te bevorderen, en om bij voortduring nuttig te mogen zijn voor +mijne landgenooten, wier toegenegenheid ik dankbaar erkenne, daartoe +schenke de Algoede mij verder lust, kracht en zegen! Veel, zeer veel +blijft er na al het bewerkte nog te verrigten over, om Frieslands +geschiedenis en letterkunde zoodanig te behandelen, en uit tot dusverre +ontoegankelijke of weinig bekende bronnen voor het algemeen toe te +lichten, als de waardigheid vordert van eene provincie en van een volk, +wier belangrijkheid ook vreemden meer en meer erkennen, en waaromtrent +een beroemd Fransch schrijver mogt getuigen: + + Achttien eeuwen hebben den Rijn van loop zien veranderen en de + oevers van den Oceaan doen verzwelgen:--het Friesche Volk is + staande gebleven, als een historisch gedenkteeken, waardig om + zoowel den Franken als Angelsaksers en Scandinaviers gelijke + belangstelling in te boezemen. + + MALTE-BRUN. + + + + +_Eerste Bijlage._ + +~TIJDREKENKUNDIGE LIJST~ VAN DE VOORNAAMSTE GEBEURTENISSEN DER ~FRIESCHE +GESCHIEDENIS~. + + + + +EERSTE TIJDVAK. + +~OUD FRIESLAND.~ + +_Van de vroegste tijden tot Karel den groote._ + +Van het Jaar 11 vóór Chr. tot omstreeks 800 na Christus. + + +11 jaar vóór onze tijdrekening. + +Komst van Drusus in Friesland. De Friezen treden in verbond met de +Romeinen. + +28 jaar van onze tijdrekening. + +Opstand der Friezen tegen Olennius, Landvoogd der Romeinen, wier benden +bij het woud Baduhenna geslagen en uit Friesland verdreven worden. + +48. Corbulo, in het land der Friezen eene sterkte gesticht hebbende, +door Keizer Claudius teruggeroepen. + +59. Verritus en Malorix, afgezanten der Friezen, trekken naar Rome, om +Keizer Nero over de hun betwiste gronden aan den Rijn te spreken. + +69. De Friezen staan de Batavieren bij in den opstand van dezen tegen de +Romeinen. + +240-455. Trapsgewijze uitbreiding van het land der Friezen, zuidwaarts +tot over de Schelde, oostwaarts tot over den Wezer. + +250 omstr. De Friezen nemen deel in het Frankische Verbond, doch +verlaten het spoedig. + +449. Vele Friezen, steken met de Anglen, Saksers enz. over naar +Brittannië en vestigen zich in dat land. + +463. Begin van der Franken aanvallen op het Friesche rijk. + +520 en verv. Invallen der Denen en Noormannen in Friesland. + +630. De Franken vestigen zich te Wiltenburg (Utrecht), waar Dagobert I +eene kerk sticht, welke in + +680 door Koning Radboud I verwoest wordt. + +641. Komst van den Evangelie-verkondiger Eligius in Friesland, + +677 van Wilfrid, die in + +686 gevolgd wordt door Egbert en in + +690 door Wigbert en Willebrord. + +692. Koning Radboud bij Dorestad door Pepijn van Herstal overwonnen. + +696. Stichting van eene nieuwe kerk en het Bisdom Utrecht, door +Willebrord. + +716. Overwinning van Radboud op Karel Martel bij Keulen. + +717, 726 en 736. Karel Martel valt bij herhaling in Friesland tot +uitbreiding van het Frankische gezag en ter invoering van het Evangelie. + +755. Bonifacius op zijne togten ter verkondiging van het Christelijk +geloof te Dokkum met de zijnen vermoord. + +775. Karel de groote wordt door de Friezen als Beschermheer aangenomen. + +Invoering van het Christendom. + +800. Karel de groote, Koning der Franken, als Keizer van het Westen +gekroond. + + + + +TWEEDE TIJDVAK. + +~HET VRIJE FRIESLAND.~ + +_Van Karel den groote tot Albert van Saksen._ + +Van omstreeks 800-1498. + + +804. Verbond van Karel den groote met de door hem onderworpene Saksers +en Friezen beoosten de Eems, te Salza. + +806 en later. Herhaalde Watervloeden. + +808 en vervolgens. Vernieuwde invallen van de Denen en Noormannen op de +Friesche kusten. + +809. Togt der Friezen naar Rome ter hulpe van Keizer Karel. + +814. Keizer Karel sterft en wordt opgevolgd door zijn zoon Lodewijk den +vrome, die tot 840 regeert. + +1004. De Hollandsche Graven zoeken hun gebied uit te breiden door +West-Friesland (Noord-Holland) te veroveren, waarbij Graaf Arnoud +sneuvelt. + +1096. Begin van de Kruistogten naar het Heilige land, waaraan vervolgens +vele Friezen deelnemen. + +1169. Nederlaag van Graaf Floris III, bij een nieuwen inval in +West-Friesland. + +1170. Begin der wegscheuring van de landen bewesten de tegenwoordige +Friesche Kust, waardoor in de volgende eeuw de Zuiderzee ontstaat. + +Omstreeks 1200. Opkomst van de Friesche Steden, als Steden. + +1218. Heldendaden der Friezen bij de verovering van de Egyptische stad +Damiate. + +1248. De Friezen helpen Graaf Willem II, Roomsch Koning, de stad Aken +winnen, en ontvangen van hem de bevestiging van hunne vrijheden en +voorregten. + +1255. Graaf Willem II sneuvelt op een togt ter verovering van de West +Friezen. + +1260. Omstreeks dezen tijd is de verdeeling Van Oostergoo en Westergoo +in Grietenijen ingevoerd, en de Middelzee van lieverlede opgeslijkt, +tijdens de vergrooting van de Zuiderzee. + +1282. Graaf Floris V brengt de West-Friezen onder het gezag der +Hollandsche Graven, en weet in + +1292 zich ook te vestigen in Stavoren, welke stad hij met vele +voorregten begunstigt. + +Omstreeks 1300. Begin der partijschappen tusschen de Schieringers en +Vetkoopers, welke ongeveer twee eeuwen hebben gewoed. + +1310. Graaf Willem III door Westergoo, in naam, als Heer erkend. + +1345. Graaf Willem IV valt Friesland met eene aanzienlijke vloot en +leger bij Stavoren aan, doch wordt met vele edelen verslagen. + +1396 en 1398. Groote togten van Hertog Albrecht van Beijeren tegen de +Friezen. Slag bij Schoterzijl en Takozijl. Korte vestiging van het +Hollandsche gezag in Friesland. + +1400 en 1401. Nieuwe heirvaarten van Albrecht ter verovering van +Friesland, zonder zijn oogmerk te bereiken. + +1417. De Roomsch Koning Sigismund bevestigt de vrijheden en voorregten +der Friezen; evenzoo in + +1457 Keizer Frederik III. + +1435. Leeuwarden vergroot door de vereeniging van de stad met de +naburige dorpen Oldehove en Hoek. + +1470. Vergeefsche pogingen van Graaf Karel den stoute, om Heer van +Friesland te worden. + +1487. Bier-oproer te Leeuwarden, hetwelk door de Schieringers wordt +aangevallen en ingenomen. + +1491. Verbond van Oostergoo en Westergoo met de stad Groningen. + +1493. 's Keizers gezant, Otto van Langen, komt in Friesland ter +bemiddeling van de partijen. + +1495. De Schieringers nemen vreemde benden uit Holland en elders ter +hulp aan. + +1498. De Keizer draagt aan Hertog Albert van Saksen, als Erf-Potestaat, +het bestuur over Friesland op. + + + + +DERDE TIJDVAK. + +FRIESLAND BESTUURD NAMENS VREEMDE VORSTEN. + +_Van Albert van Saksen tot de Hervorming._ + +1498-1580. + +_A. De Saksische Regering._ + + +1498. Hertog Alberts Stedehouder, Willebrord van Schaumburg, trekt met +2,000 man in Westergoo, neemt Leeuwarden in, en verovert Oostergoo en +Zevenwouden. + +1499. Albert komt met zijn zoon Hendrik in Friesland, wordt gehuldigd en +stelt een Provincialen Raad in. + +1500. Hertog Hendrik verbittert de Friezen, die hem in Franeker +belegeren, doch aftrekken, zoodra Albert tot ontzet nadert. + +1504. Hertog Georg van Saksen komt in Friesland, plaatst te Leeuwarden +een Geregtshof en voert vele verbeteringen in, zoodat de rust en +welvaart hersteld worden. + +1505-8. Het Bildt verpacht en bedijkt. + +1509. Graaf Hendrik van Stolberg, de edele Stadhouder, overleden. + +1512. Jemme Herjuwsma en Gerbrand Mokkema te Leeuwarden onthoofd, wegens +verstandhouding met den Graaf van Oost-Friesland. + +1514. De Geldersche benden van Karel van Egmond bezetten een groot deel +van Friesland, belovende herstel der vrijheid. + + +_B. De Bourgondische Regering._ + +1515. Hertog Georg draagt Friesland over aan Karel van Oostenrijk, Graaf +van Holland enz.--Bestendige strijd van dezen tegen de Gelderschen om +het gebied. + +1516. Leeuwarden door de Gelderschen belegerd en door Bourgondische +benden ontzet. + +1517. Groote Pier maakt de Zuiderzee onveilig, om de Hollanders, die +zijne woonplaats verbrand hadden, afbreuk te doen. + +1522. De Gelderschen verlaten Sneek, 1523 Dokkum, Bolsward enz., zoodat +in 1524 geheel Friesland Keizer Karel V als Heer aanneemt. + +Begin van een langdurig tijdperk van vrede, welvaart en vooruitgang. + +1531. Begin der geloofsvervolgingen. Martelaren. + +1535. Ongeveer 300 der Munstersche Wederdoopers nemen Oldeklooster in, +doch worden belegerd, gevangen genomen en meerendeels omgebragt. + +1536. Gellius Faber de Bouma en Menno Simons verlaten het pausdom en +ondersteunen de zaak der hervorming. + +1550. Invoering van de Inquisitie. + +1551. De omstreken van Heerenveen ontgonnen en vaarten derwaarts +gegraven. + + +_C. De Spaansche Regering._ + +1555. Karel V draagt de regering over aan zijn zoon Filips II. + +1560. Invoering van nieuwe Aarts-Bisdommen en Bisdommen in Nederland. + +1565. 108 Friezen nemen deel aan het verbond der Nederlandsche Edelen +tegen Spanje. + +1566. De Hervormde leer te Leeuwarden en elders ingevoerd, doch weder +onderdrukt. + +1567. Herstelling van de Roomsche eeredienst. Komst van den Hertog van +Alva. Vlugt van vele Edelen en Geestelijken. + +1568. Begin van den tachtigjarigen oorlog tegen Spanje. De Stadhouder +Aremberg sneuvelt bij Heiligerlee. + +1570. Komst van Cunerus Petri, als Bisschop van Leeuwarden. Groote +schade en nood door den Allerheiligenvloed. + +1572. De pogingen der Bondgenooten, om eenige steden op de Spanjaarden +te veroveren, door Robles verijdeld. + +1574. Verbetering van de Zeeweringen onder Caspar de Robles. + +1576. De Pacificatie van Gent. + +1578. Afkondiging van den Religions-vrede. + +1579. De Unie van Utrecht gesloten. + +1580. De Blokhuizen van Leeuwarden, Harlingen en Stavoren veroverd; de +Hervorming van Staat en Kerk doorgezet. + + + + +VIERDE TIJDVAK. + +FRIESLAND ONDER DE STATEN EN STADHOUDERS. + +_Van de Hervorming tot de Staats-omwenteling._ + +1580-1795. + + +1580. De Roomsche eeredienst verboden en de Kloosters afgeschaft. +Invoering van de Hervormde leer. + +De Spaansche benden stroopen langs de zuidkust van Friesland. + +1580 en 90. Nieuw-Dongeradeel of de Holwerder- en Ternaarder-Polders +bedijkt. + +1581. Afzwering van Koning Filips II van Spanje. + +Prins Willem I komt in Friesland, om orde op de regering te stellen. + +Twisten tusschen de Staatsleden, de Gedeputeerden en het Hof. + +1582. De Hertog van Anjou tot Landvoogd aangenomen. + +1583. Inval der Spanjaarden. Proces tusschen de Landen en Steden. + +1584. Graaf Willem Lodewijk eerst tot Luit.-Gouverneur, daarna tot +Stadhouder aangenomen. Verdeeldheid onder de Regeringsleden. + +1585. 's Lands Akademie te Franeker opgerigt. + +Voortdurende gevaarlijke toestand des lands. + +1586. Inval der Spaanschen. Slag bij Boxum. + +Handelingen met den Engelschen Landvoogd Leicester. + +1588. Vergaan der Onoverwinnelijke Vloot. + +1591. Pogingen om den vijand uit Groningen en de andere vestingen te +verdrijven. + +1592. Steenwijk, Koevorden enz. gewonnen. + +1593. Verdugo's laatste strooptogt in Friesland. + +Verschillen tusschen Carel Roorda en Graaf Willem Lodewijk. + +1594. Groningen belegerd, gewonnen en met de Ommelanden tot de Unie +gebragt. + +Aftogt der Spaansche benden uit deze noordelijke streken. + +1596. Het Collegie ter Admiraliteit te Dokkum opgerigt. + +Verschillen over de inwilliging van de belastingen. + +1598. Bewegingen ten gevolge der handelingen van den Ontvanger-Generaal +Taco van Dijxtra. + +1600. In den slag van Nieuwpoort nemen de Friezen den Admirant van +Arragon gevangen. + +Hevige staatstwisten over de zware schattingen. Scheuring tusschen de +Regeringsleden. Gezanten der Algemeene Staten herwaarts gezonden. + +1600. Het Nieuwe Bildt bedijkt. + +1601. Amnestie tot herstel van 's lands rust. + +1602. De Lands-ordonnantie uitgevaardigd. + +1609. Twaalfjarig Bestand met Spanje. + +1609-15. Hevige verschillen tusschen de Stedelijke Regering en de +ingezetenen van Leeuwarden. + +Toenemende welvaart tijdens het Bestand. + +1613. Begin der bedijking van het Stavorensche Noorder- en Zuidermeer. + +1619. Uitbreiding en versterking van Leeuwarden. + +De leer, doch niet de Kerken-orde der Dordsche Synode in Friesland +aangenomen. + +1620. Graaf Willem Lodewijk sterft en wordt opgevolgd door Graaf Ernst +Casimir van Nassau. + +1622. Inval der Spanjaarden in de Zevenwouden. + +Verschillen over de Raadsbestelling der Steden. + +1624. Het Workumer-Nieuwland bedijkt. + +1626. Hevige bewegingen tegen de invoering van gelijke belastingen als +in Holland. + +Reformatie van de misbruiken in de regering. + +1631-37. Voortdurende onlusten over de verpachting van 's lands +middelen, de wijze van verdeeling, de inning der quota enz. + +Volksberoeringen. + +Gezanten der Algemeene Staten met krijgsvolk herwaarts gezonden. + +Groote verdeeldheid onder de Regering en het volk. + +1632. Dood van Graaf Ernst Casimir, die door Graaf Hendrik Casimir I +wordt opgevolgd. + +1633. Het Warregaster en andere Meren bedijkt en drooggemaakt. + +1640. Graaf Hendrik Casimir I sneuvelt en wordt door zijn broeder, Graaf +Willem Frederik van Nassau, als Stadhouder opgevolgd. + +1641. De Dragster-Compagnons-Veenvaart begonnen. + +1645. Het Friesche Collegie ter Admiraliteit van Dokkum naar Harlingen +overgebragt. + +1647. De eerste Trekweg, tusschen Leeuwarden en Harlingen, aangelegd en +door vele andere gevolgd. + +1648. De Vrede met Spanje te Munster gesloten. + + * * * * * + +1651 env. Verschillen van de Friesche Staten met die van Holland. + +1653. Eerste Engelsche Oorlog. + +1657. Onlusten te Leeuwarden, Franeker en elders jegens de +Regeringsleden. + +1662. Klagten en bewegingen over het verkoopen van de lands Ambten enz. + +1663. De Post van Leeuwarden op Zwolle ingevoerd. + +1664. Eerste aanvallen van den Bisschop van Munster. + +Dood van den Stadhouder Prins Willem Frederik. + +1665. Tweede Engelsche Oorlog. Frieslands Luitenant-Admiraal Auke +Stellingwerf sneuvelt. + +Schade door storm en watervloed. + +1666. Hevige zeegevechten. Lt.-Adm. Tjerk Hiddes de Vries gesneuveld. + +1672. Friesland, door de vereenigde Fransche, Munstersche en Keulsche +magten bedreigd, wapent en versterkt zich onder Aylva. + +Hevig gevecht tusschen het regiment van dien Generaal en de Franschen +bij den overtogt van dezen over den Rijn. + +Prins Hendrik Casimir II tot Stadhouder verkozen. + +De Munstersche benden bij herhaling afgeslagen en Blokzijl met hulp der +Friezen veroverd. + +Krachtige pogingen van het volk tot verbetering van de misbruiken in de +Regering. + +Nieuwe Staten gekozen, terwijl eenige oude leden een Landsdag te Sneek +houden. + +Hooggaande verdeeldheid tusschen de Regeringsleden. + +1673. Pogingen der Staten Generaal tot bemiddeling. Invoering van het +Reglement-reformatoir. Nieuwe volkswapening en versterking. Vruchtelooze +aanval van de bisschoppelijke troepen, die geslagen en verdreven worden. + +1675. De Labadisten vestigen zich te Wienwerd. + +1677. Heldendood van den Kommandeur Jacob Binckes op Tabago. + +1678. Verschillen met Prins Willem III over het afdanken van krijgsvolk, +gelijk in 1684 over de werving. + +1683. Fransche Hervormde vlugtelingen in bescherming genomen. + +1684. Huwelijk van Prins Hendrik Casimir met Prinses Amalia van +Anhalt-Dessau. + +1689. Dapperheid van dezen Prins, van Aylva en van Coehoorn in den +veldslagen van Fleurus enz. + +1696. Prins Hendrik Casimir II en zijne moeder Prinses Albertina Agnes +overlijden. + +1700. Aanvang van den Spaanschen Successie-oorlog. + +1701 en 3. Stormen, dijkbreuken en watervloeden. + +1702. De Statendijk en Schoterzijl aangelegd. + +1704. Voortzetting van het groote Veenkanaal van Lippenhuizen naar +Appelscha, van 1781 tot 1819 voltooid. + +1707. Prins Jan Willem Friso wordt Stadhouder; betoont in + +1708 env. grooten heldenmoed in den Successie-oorlog; huwt in + +1709 aan Prinses Maria Louisa van Hessen-Kassel, en komt in + +1711, bij het overvaren van het Strijensche sas, ongelukkig om het +leven. + +Prins Willem Carel Hendrik Friso geboren. + +1712. Inval van den Generaal Grovestins in Frankrijk. + +1713. De Vrede met Frankrijk te Utrecht gesloten. + + * * * * * + +1729. De Dokkumer Nieuwe Zijlen aangelegd. + +1730-34. Verwoestingen van den Paalworm. Slaperdijken aangelegd. + +1731. Prins Willem Carel Hendrik Friso Stadhouder, en in + +1734 gehuwd aan Prinses Anna van Engeland. + +1740. Aanvang van den Oostenrijkschen Successie-oorlog. + +1747. De Prins, als Willem IV, verheven tot Algemeen Stadhouder, verlaat +Friesland. + +1748. Hevige volksberoeringen. Verbeteringen in het Staatsbestuur. + +1751. Dood van den Prins. + +1759. Prinses Anna, Gouvernante, sterft, waarna Prinses Maria Louisa +Gouvernante wordt in Friesland, tot + +1765, toen zij overleed. + +1766. Prins Willem V aanvaardt het Stadhouderschap. + +1775 en 76. Dijkbreuken en overstroomingen. + +1780. Begin der staatkundige onlusten. + +1787. Eenige leden der Friesche Staten scheiden zich van de overige af +en vestigen zich te Franeker, dat versterkt en door de gewapende +Patriotten bezet wordt. + +De Pruissische troepen herstellen het stadhouderlijk gezag. + +Vervolging en vlugt van de Patriotten. + + + + +VIJFDE TIJDVAK. + +DE VOLKS- EN FRANSCHE REGERING. + +_Van de Omwenteling tot de herstelling van Nederland._ + +1795-1813. + + +1795. Prins Willem V vlugt. De Staats-omwenteling. + +De Franschen bezetten ons land. Volksregering. + +1798. Staatsregeling. Opheffing van de Souvereiniteit der provinciën. + +Het Feest der Een- en Ondeelbaarheid te Leeuwarden gevierd. + +1801. Nieuwe Staatsregeling. + +1805. Gewijzigde Staatsregeling met R. J. Schimmelpenninck als +Raad-pensionaris aan het hoofd van 't Bataafsch Gemeenebest. + +1806. Lodewijk Napoléon, Koning van Holland. + +1810. Nederland bij Frankrijk ingelijfd. + + + + +ZESDE TIJDVAK. + +DE KONINKLIJKE REGERING. + +_Van de herstelling van Nederland tot de invoering van de Gemeentewet._ + +1813-1851. + + +1813. Bevrijding van Nederland. Vertrek der Franschen. + +Prins Willem Frederik komt terug en wordt + +1814 Souverein Vorst der Nederlanden. Eerste Grondwet. + +Jhr. Idsert Æbinga van Humalda Gouverneur van Friesland. + +1815. De Staten en Grietenij-besturen hersteld. + +Nieuwe Grondwet voor het Koningrijk der Nederlanden (met België +vereenigd), onder Koning Willem I. + +Oprigting van het Athenæum te Franeker. + +1825. Dijkbreuken en overstroomingen. + +1826. Heerschende ziekte en groote sterfte. + +Jan Adriaan Baron van Zuijlen van Nijevelt Gouverneur. + +1827. Begin van het aanleggen van Straatwegen. + +1830. Afscheiding van België. Algemeene volkswapening. + +1830-50. Verbeteringen in Frieslands Waterstaat. + +1840. Gewijzigde Grondwet. Willem II Koning. + +Maurits Pico Diderik Baron van Sytzama Gouverneur. + +1843. Opheffing van het Rijks Athenæum te Franeker. + +1844. Tentoonstelling van voorwerpen van Friesche Nijverheid. + +1847. Duurte en volksbewegingen ten gevolge der aardappelziekte. + +1848. Nieuwe Grondwet. Jhr. Jan Ernst van Panhuijs Gouverneur. + +1849, 12 Mei. Willem III tot Koning gehuldigd. + +1851, 5 Julij. Invoering van de Gemeentewet. + +1852, 19 April. Koning Willem III bezoekt Friesland. + + + + +_Tweede Bijlage._ + +~TIJDREKENKUNDIG OVERZIGT~ VAN DE ~FRIESCHE VORSTEN~, OPPERHOOFDEN, +KONINGEN, STADHOUDERS ENZ. + +_van de vroegste tijden tot 1851._ + + +Alle volksgeschiedenissen, zonder eenige uitzondering, hebben hare +_mythen_, verdichtselen, sagen en overleveringen, waarmede zij +aanvangen. Zeldzaam zijn ze geheel verdicht; meestal is de waarheid +opgesierd en voorgesteld in een vorm, welke dadelijk verraadt, dat deze +verhalen eerst in schrift gesteld zijn in latere eeuwen (de 12e en 13e), +wier kenmerken en behoeften op vroegere gebeurtenissen overgebragt of +toegepast zijn. Zaken en voorstelling zijn daarin dus zeer moeijelijk te +onderscheiden. Langzamerhand vloeijen ook die verhalen met de ware +oorkonden zamen, zonder dat iemand in staat is met juistheid aan te +wijzen, waar het tijdpunt is, dat volkomene zekerheid geeft. Hoe meer +echter de gebeurtenissen, ook in de oude Friesche Landskronyken +verhaald, overeenstemmen met de godsdienstoefeningen, zeden, karakter en +gewoonten des volks en de omstandigheden der tijden--hoe meer waarde en +gezag wij er aan kunnen hechten, vooral, wanneer geschiedschrijvers van +andere landen deze berigten bevestigen. Sommigen hebben die verhalen als +waarheid aangenomen; anderen hebben ze verworpen: beide zyn te ver +gegaan. Waarheid en verdichting ondereengemengd en in het kleed der +oudheid gehuld, kunnen door geene magtspreuken vaneen gescheiden worden; +en zal het immer aan het verstandig oordeel en de mate der ontwikkeling +van ieder lezer blijven overgelaten, wat hij voor waarheid, voor +opgesierde waarheid of enkel verdichting, aanvulling of voorstelling +meent te moeten houden. Tegen Emmius, die al te veel heeft verworpen, is +vooral in den laatsten tijd de waarde der Friesche Kronyk van +Scharlensis verdedigd door Mr. J. van Lennep, in Nijhoff's Bijdragen; II +221. Belangrijk is te dezen aanzien ook de inleiding der verhandeling +van Mr. F. Binkes, over eene Volkplanting der Friezen in Zwitserland, in +de Vrije Fries, I 1, waar de ~ligtgeloovigen~ zoowel als de +~ongeloovigen~ nadeelig voor de beoefening der geschiedenis worden +genoemd.[379] + + [379] Men vergelijke hiermede ook mijne denkbeelden over dit + onderwerp, medegedeeld in de Geschiedkundige Beschrijving van + Leeuwarden, I 18-23. + +Zoodra de Friezen hier gevestigd waren, zich uitbreidden en vooral +sedert zij met de Romeinen in betrekking kwamen, hadden zij behoefte aan +Opperhoofden, die met de oudsten en de priesters de weinige algemeene +belangen regelden. Maar hoe hunne namen en welke hunne titels waren in +die eerste tijden--wie zal dit met zekerheid kunnen zeggen? Op grond van +oude volksverhalen, die van een roemrijken stamvader _Friso_, uit +het Oosten afkomstig, gewagen, geven de kronyken echter eene +aaneengeschakelde lijst van al de Vorsten, die van hem af het gebied +over Friesland hebben gevoerd. Zoolang het ons onmogelijk is, waarheid +en verdichting te scheiden, hebben wij eerbied voor deze volksverhalen, +en als zoodanig geven wij hier een kort overzigt van al de personen, +welke de overlevering als vroegere _Bestuurders van Friesland_ opgeeft. +Daar echter de schrijfkunst en de jaartelling of onze wijze van +tijdrekening eerst na de invoering van het Christendom in deze landen +(omstreeks het jaar 800) hier in gebruik gekomen en later meer algemeen +geworden zijn, zoo kan men alleen aan dezen maatstaf eenigzins de waarde +toetsten van de opgaven onzer kronyken ten aanzien van den tijd en de +bijzonderheden der vroegste gebeurtenissen. + + + + +EERSTE TIJDVAK. + +_Van Prins Friso tot Keizer Karel den groote._ + +Van het jaar 313 vóór- tot omstr. 800 na Christus. + +I. ZEVEN PRINSEN. + + +FRISO. (313 j. v. C.) + +Ten tijde van Alexander den groote zou deze Indische Prins, uit zijn +vaderland verdreven, zich met vele anderen op eene vloot begeven hebben, +waarmede zij, na vele omzwervingen, landden in Friesland, waar hij aan +het Flie eene stad stichtte, naar den God Stavo Stavoren geheeten. Hij +wordt gehouden voor den Stamvader der Friezen, voor den eersten bevolker +van dit land, hetwelk bij 68 jaren lang regeerde. Zijn zoon + + +ADEL (245 j. v. C.) + +volgde hem op, en zou gedurende zijne 94jarige regering de Noormannen +bestreden, wijze verordeningen gemaakt, den Adel ingesteld en de groote +gastmalen ingevoerd hebben. + + +UBBO, (151 j. v. C.) + +zijn zoon en opvolger, zou Keulen, gelijk de zonen van dezen Batenburg +en Vroonen gesticht hebben. Na 80 jaren geregeerd te hebben, volgde zijn +zoon + + +ASINGA ASKON (71 j. v. C.) + +hem op. Deze zou Stavoren vergroot en bemuurd, en onderscheidene +oorlogen met naburige volken gevoerd hebben, gedurende zijne 82jarige +regering. Op hem volgde + + +DIOKARUS SEGON, (11 j. n. C.) + +zijn neef en veldheer, onder wien de Friezen in het jaar 28 tegen de +Romeinen opstonden. Zijn zoon + + +DIBBALDUS SEGON, (46 j. n. C.) + +was zijn opvolger, om zijne krijgshaftige daden, zoowel te land als ter +zee, beroemd. + + +TABBO, (85) + +zijn veldheer, zou dapper met de Romeinen tegen de Britten gestreden en +ook de Denen bevochten hebben. + + +II. ZEVEN HERTOGEN. + + +ASKON, (130) + +zou, onder een anderen titel, de opvolger van zijn vader geworden zijn, +en tevens de stichter van verscheidene dorpen. Minder vredelievend dan +hij was zijn zoon en opvolger + + +ADELBOLD, (173) + +die de Romeinen met hulpbenden ondersteunde en tegen verschillende +naburige volken oorloogde. Zijn broeder + + +TITUS BOJOCALUS (187) + +wordt zeer geroemd als een geleerd en dapper vorst, bij den Romeinschen +Keizer en den Hertog van Braband, welken hij hulp bood, zeer geacht. + + +UBBO, (240) + +zijns broeders zoon, was zijn opvolger, en zou gedurende zijne vreedzame +regering vele gebouwen, sterkten en steden, ook Dokkum, gesticht hebben. + + +HARON UBBO (299) + +zou zich met de Denen verbonden en Diderik, den Koning van +West-Friesland, bestreden hebben. In zijn lusthuis bij het Roode Klif, +dat toen dikwijls vlammen braakte, zou hij, 97 jaren oud, in 335 +gestorven zijn. + + +ODILBALD (335) + +was zijn zoon en opvolger, die door zijne dapperheid het rijk zou +uitgebreid hebben, even als zijn zoon + + +ODOLF HARON, (360) + +de laatste der Hertogen, onder wien een groot getal Friezen zich, ten +gevolge van overbevolking, aan den Eider zou hebben nedergezet. + + +III. NEGEN KONINGEN. + + +RICHOLD UFFO. (392) + +Wegens de uitbreiding van Friesland nam deze den titel van Koning aan. +Tegen de Denen en Franken zou hij dapper gestreden en te Stavoren en +elders lusthuizen gebouwd hebben. + + +ODILBALD, (435) + +zijn zoon en opvolger, wordt geroemd als een goedertieren vorst, beleefd +jegens zijn volk en gevreesd door zijne vijanden. Hij trouwde eene +dochter des Konings van Denemarken. Zijn zoon + + +RICHOLD II (470) + +verdreef de Franken uit Westfalen en de Denen uit de Eems, en was bij +het volk zeer bemind. + + +BEROALD (533) + +volgde hem op, breidde de grenzen des lands uit en sneuvelde in een +gevecht tegen de Franken. Zijn zoon + + +ADGILD I (590) + +was een vredelievend vorst, die de prediking van het Evangelie toeliet +en de belangen des volks, ook door het opwerpen van terpen en zeedijken, +zeer bevorderde. + + +RADBOUD I, (672) + +zijn zoon en opvolger, wederstond even krachtig de invoering van de +christelijke godsdienst en de legers der Franken, als zijn vader +daaromtrent toegevend en vredelievend was geweest. Hij verwoestte de te +Utrecht reeds gestichte St. Thomaskerk, doch werd 12 jaren later door +Pepijn bij Dorestad geslagen. Na den dood van dezen versloeg hij het +Frankische leger bij Keulen, waarover Karel Martel zich wreekte, door +herhaaldelijk met eene vloot in Friesland te vallen. + + +ADGILD II (723) + +was weder het tegengestelde van zijn vader. Hij regeerde in rust en +vrede, en liet de prediking van het Evangelie toe, ja zou zelf de +christelijke leer hebben aangenomen. Zijn zoon + + +GONDEBALD (737) + +volgde zijn voorbeeld, zoodat het Christendom hier meer ingang vond. +Doch zijn broeder, + + +RADBOUD II, (749) + +in het heidensche Denemarken opgevoed, herstelde hier de voorvaderlijke +eeredienst, liet Bonifacius ombrengen en mishandelde met wreedheid de +Christenen, waartoe hij de hulp inriep van de Saksers. Het hierdoor +verbitterde volk klaagde zijn nood aan Karel den groote, die den +Frankischen troon had beklommen. Op de komst van dezen, vlugtte +Radboud, namen de Friesche Koningen een einde en de Friezen het +Christendom aan, waarbij zij zich stelden onder de bescherming van den +Frankischen Koning, die eerlang mede Keizer van Duitschland werd. + + + + +TWEEDE TIJDVAK. + +_Van Karel den groote tot Albert van Saksen._ + +Van omstreeks het Jaar 800 tot 1498. + +~KAREL~ DE ~GROOTE~, + +_Koning der Franken, Keizer van Duitschland, Beschermheer der Friezen._ + +IV. ZEVENTIEN LANDSHEEREN OF POTESTATEN. + + +MAGNUS FORTEMAN, (809) + +der Friezen veldoverste op den togt naar Rome, wordt voor den eersten +Potestaat gehouden. Onder de vrijheden, door Keizer Karel den Friezen +gelaten, was ook deze, dat zij uit hunne eigene inboorlingen een Overste +zouden kiezen, om het land zoowel in oorlog als in vrede te besturen. +Welligt werden deze Potestaten enkel in hoogen nood en voor een jaar of +een bepaalden tijd verkoren, en was hun een raad van achttien ervarene +mannen toegevoegd. In een strijd tegen de Saracenen is hij gesneuveld, +te Rome begraven en daarna heilig verklaard. + + +FOCKO of TACO LUDIGMAN (819) + +heeft het land trouw beschermd tegen de invallen der Deensche +zeeroovers, gelijk ook zijn opvolger + + +ADELBRIK ADÉLEN, (830) + +van Sexbierum, die een hertog van Zweden in een slag bij Kollum zou +overwonnen hebben. + + +HESSEL HERMANA, (869) + +van Minnertsga, wordt als een onversaagd krijgsman geroemd, die in den +strijd tegen de Noormannen zijn leven liet. + + +IGO GALEMA (overl. 886) + +trachtte de kusten en havens tegen die vijandelijke aanvallen te +versterken. + + +GOSSE LUDIGMAN (989) + +woonde te Stavoren, hetwelk destijds door handel en scheepvaart in +aanzien toenam. + + +SACO REINALDA (overl. 1167) + +wordt geroemd als een braaf en vredelievend man, onder wiens bestuur +vele Friezen op nieuw naar het Heilige land trokken. + + +SICKO SJAARDAMA (1237) + +wordt door sommigen voor den achtsten Potestaat gehouden, die omstreeks +1254 de aanbiedingen van Graaf Willem II, als hij hem de heerschappij +over Friesland mogt willen bezorgen, fier zou hebben afgeslagen. + + +REINDER CAMMINGHA (overl. 1306) + +gaf vele blijken van dapperheid, ook in den strijd tegen de Noormannen, +waarbij hij sneuvelde. + + +HESSEL MARTENA (overl. 1313) + +schroomde den strijd evenmin, vooral tegen de aanvallen van de +Hollandsche Graven, hoewel hij anders geacht was om zijne +vredelievendheid. + + +JUW JUWINGA, (1396) + +van Bolsward, was door buitenlandsche togten als krijgsman beroemd, toen +hij, bij den grooten zeetogt van Albrecht van Beijeren tegen Friesland, +tot der Friezen Potestaat en Veldoverste werd verkozen. Dapper +strijdende, sneuvelde hij in den veldslag bij Schoterzijl. + + +SICKE DEKAMA, GALE HANIA en ODO BOTNIA, (1399) + +de eersten de hoofden der Schieringers, gelijk de laatste der +Vetkoopers, waren sedert hunne verzoening den vrede toegedaan, en +moeijelijk te bewegen, om der Friezen aanvoerders te zijn ter +verdrijving van de Hollanders. Onder + + +SJOERD WIARDA, van Goutum, en HARING HARINXMA, van Heeg, (1404) + +de eerste voor Oostergoo en de laatste voor Westergoo benoemd, gelukte +het den Friezen, zich van het Hollandsche gezag te ontslaan en de +Friesche vrijheid te herstellen. Doch nu ook begonnen de partijschappen +tusschen de Schieringers en Vetkoopers op nieuw te blaken. Tot het +benoemen van een nieuwen Potestaat was men niet te bewegen. Op raad van +den gezant des Keizers, Otto van Langen, werd eindelijk + + +JUW DEKAMA, van Baard, (1494) + +verkozen en hem een raad van 24 personen toegevoegd. Doch te vergeefs +poogde hij in die onlusten vrede te stichten, daar ook de Vetkoopers +hem, den Schieringer, niet wilden erkennen. Daarom droeg de Keizer in +1498 het bestuur over Friesland op aan een vreemden Vorst, aan Albert, +Hertog van Saksen. + + + + +DERDE TIJDVAK. + +_Van Albert van Saksen tot de Hervorming._ + +_1498-1580._ + +V. ERFHEEREN VAN FRIESLAND EN HUNNE STADHOUDERS. + + +_A. De Saksische Regering._ + + +~ALBERT~, _Hertog van Saksen-Meissen_, (1498) + +geboren in 1443, was gedurende de voogdijschap van Keizer Maximiliaan +over zijn zoon Filips II, Graaf van Holland, tot Stadhouder van dat +gewest aangesteld. Hij had daar door krachtige middelen de tweespalt der +Hoekschen en Kabeljaauwschen en van het Kaas- en Broodsvolk weten te +dempen, toen hem, ter vergoeding der gemaakte kosten, door den Keizer +het bestuur over Friesland werd opgedragen. Nadat hij het met benden had +doen bezetten, kwam hij met zijn zoon in 1499 over, stelde orde op de +zaken en een Provincialen Raad te Franeker in, ontzette zijn zoon, in +1500 in die stad belegerd, en overleed kort daarna te Emden. + + +~HENDRIK~, _Hertog van Saksen_, (1499) + +met zijn vader herwaarts gekomen, werd, ten gevolge zijner strenge +maatregelen, in Franeker door de Friezen belegerd, vertrok kort daarna +in bedevaart naar Spanje, hoewel hij later de eerste der Duitsche +Vorsten was, die de leer van Luther omhelsde. Hij was geb. in 1473 en +stierf in 1541. Van 1500 tot 1504 werd Friesland bestuurd op naam van +hem en zijn broeder + + +~GEORG~, _Hertog van Saksen_, (1504) + +die, geb. in 1471, in 1504 zelf overkwam, te Leeuwarden een Geregtshof, +Munt enz. instelde, vele goede verordeningen invoerde, doch later door +zware schattingen en knevelarijen misnoegen verwekte, zoodat hij, door +den oorlog met Groningen en door den Graaf van Oost-Friesland en den +Hertog van Gelder in het naauw gebragt, Friesland in 1515 aan Karel van +Oostenrijk overdroeg. + + +_Stadhouders._ + + +WILLEBRORD VAN SCHAUMBURG. (1498) + +Als krijgsoverste vooruit gezonden, gelukte het hem Friesland +grootendeels te bezetten, en, na Leeuwarden twee malen belegerd te +hebben, daar een kasteel te bouwen. + + +HUGO, _Burggraaf_ VAN LEIJSENACH, (1500) + +een Saksisch edelman, wist hier zijns Vorsten gezag te vestigen, doch +gaf door zijne strenge maatregelen weinig genoegen. + + +WILLEM TRUCHSES (1504) + +schijnt korten tijd Stadhouder geweest te zijn tijdens de vestiging van +het Geregtshof te Leeuwarden. + + +HENDRIK, _Graaf van Stolberg en Heer van Wernigerrode_, (1506) + +kwam welligt reeds in 1499 met de Hertogen in Friesland, zoodat hij veel +kennis van het land en den aard en de behoeften der inwoners had +opgedaan, toen hem, na het vertrek van Georg, het bewind werd +opgedragen. Als een verstandig man en braaf christen maakte hij die +kennis dienstbaar aan de bevordering van het heil des lands en van de +belangen der ingezetenen, die zijn ijver met liefde en dankbaarheid +beloonden, dewijl hij ramp in zegen deed verkeeren. Algemeen betreurd, +stierf hij te Keulen, 1509, doch werd, volgens zijne begeerte, te +Leeuwarden in de Jakobijner-kerk met luister begraven. De nagedachtenis +van dezen edelen landvoogd blijve hier duurzaam in zegening! + + +EVERWIJN, _Graaf van Benthem_, (1509) + +bedierf de zaak der Saksers hier door drukkende schattingen en geweldige +middelen, om zich staande te houden tegen de Vorsten, die de Friezen +hulp verleenden tot ondermijning van zijn gezag. + + +_B. De Bourgondische Regering._ + + +~KAREL VAN OOSTENRIJK~, _Hertog van Bourgondië, Graaf van Holland, Heer +van Friesland_. (1515) + +In 1500 geb. te Gent, aanvaarde hij in 1515 de regering van Holland en, +door overdragt, van Friesland, werd in 1517 Koning van Spanje, in 1519 +Keizer van Duitschland en in 1543 Heer van alle Nederlandsche Gewesten. +Rijk in schatten, magt en bekwaamheden, was zijn leven een luisterrijk +tafereel van roemwaardige bedrijven, welke echter door strenge +geloofsvervolgingen werden ontsierd. Na de regering in 1555 aan zijn +zoon Filips te hebben overgedragen, stierf hij in 1558 in een klooster +in Spanje. Gedurende zijn bestuur waren Margaretha van Oostenrijk, van +1506-1530, Maria van Oostenrijk, Koningin van Hongarije, van 1530-1555, +en later Margaretha van Parma, van 1559-1567, Gouvernantes of Algemeene +Landvoogdessen, terwijl Friesland bestuurd werd door de volgende + + +_Stadhouders._ + + +FLORIS VAN EGMOND, _Heer van IJsselstein_. (1515) + +Toen hij hier kwam, om de hulde der ingezetenen te ontvangen, waren +slechts 3 steden en 8 grietenijen zijnen Heer getrouw gebleven. Al het +overige bevond zich in de magt der Gelderschen, tegen wie hij hevigen +krijg voerde, zonder veel te vorderen. Na twee jaren volgde + + +WILLEM, _Vrijheer van Roggendorf_, (1517) + +een Oostenrijksch edelman, hem op. Hij was weinig geschikt om de +belangen van zijn Vorst in zulke tijden te bevorderen. Aldus bleven de +partijen een hevigen strijd voeren, totdat + + +GEORGE SCHENCK, _Vrijheer van Toutenburg enz._ (1521) + +bij zijne komst krachtiger maatregelen nam, de Gelderschen verdreef en +Friesland in 1524 geheel onder Keizer Karel en in rust bragt, waardoor +de algemeene welvaart eerlang zeer toenam. De achting, welke hij +daardoor verwierf, werd echter verminderd door zijne strenge vervolging +van de Onroomschen. + + +MAXIMILIAAN VAN EGMOND, _Graaf van Buren enz._ (1540) + +de zoon van bovenvermelden Floris, de vriend van Keizer Karel, mogt het +land in vrede en voorspoed gelukkig besturen. + + +JOHAN VAN LIGNE, _Graaf van Aremberg_. (1548) + +Onder dezen ging de regering over aan Koning Filips, wiens strenge +plakkaten hij met wijze voorzigtigheid lang wist te matigen, zoodat +zijne deugden en bekwaamheden de achting der Friezen verwierven. Later +werd hij echter gedrongen de doorbrekende hervorming met kracht tegen te +werken, en het Nassausche leger bij Heiligerlee in Groningerland slag te +leveren, waarbij hij met 1800 der zijnen sneuvelde. Bij afwezigheid van +hem, gelijk ook van zijn opvolger, was + + +SEGHER, _Heer van Groesbeek_, + +hier, als Luitenant-Stadhouder, met het bestuur der zaken belast. + + +_C. De Spaansche Regering._ + + +~FILIPS~, _Koning van Spanje, Vorst der Nederlanden enz._ + +In 1526 geb. ontving hij in 1555 de regering over deze landen uit handen +van zijnen vader. Hoe hij ze liet besturen, hoe hij de hervorming +tegenstond en door de wreedste vervolgingen de Nederlanders onderdrukte, +is hier vóór en elders uitvoerig vermeld. In 1581 afgezworen, overleed +hij in 1598 onder de smartelijkste gevolgen van zijn schandelijk leven. + + +_Stadhouders._ + + +KAREL VAN BRIMEU, _Graaf van Megen_, (1568) + +was reeds sinds 1559 Stadhouder van Gelderland, toen hij in dit jaar ook +als zoodanig over Friesland, Groningen, Overijssel en Lingen aangesteld +werd. Vandaar, dat hij zich weinig met dit gewest bemoeide, ofschoon de +harde maatregelen van Alva, de invoering van het Bisdom Leeuwarden, de +watervloeden van 1570 env. hier grooten nood en veel onrust en beweging +veroorzaakten. Hij overleed in 1572, en werd als Stadhouder over al de +genoemde provinciën vervangen door + + +GILLIS VAN BARLAYMONT, _Heer van Hierges_, (1572) + +onder wien de Geuzen zelfs Bolsward, Slooten, Dokkum, Sneek en Franeker +innamen. Deze had echter toenmaals als Onder-Stadhouder een man als + + +CASPAR DE ROBLES, _Heer van Billy_, (1572) + +die eerst als Kolonel der Spaansche benden en daarna (1573) als +Stadhouder wel met kracht de belangen, des Konings voorstond, doch +tevens na genoemde watervloeden blijken gaf van menschlievendheid en +zorg tot herstel van de zeedijken, waartoe hij de onwilligen met +geweldige middelen dwong, en dus later voor de ingevoerde verbeteringen +grooten dank mogt behalen. Dit blijkt ook uit den Steenenman bij +Harlingen, een gedenkteeken ter zijner eere gesticht. Ook heeft hij het +Kolonelsdiep tusschen het Bergumermeer en Stroobos laten graven. In 1576 +is hij door zijn eigen krijgsvolk te Groningen gevangen genomen, en +sneuvelde in 1585 bij het springen van de brug in het beleg van +Antwerpen. + + * * * * * + +Nadat Friesland en Groningen zich bij de Staatsgezinden gevoegd hadden, +zond Prins Willem I als Stadhouder herwaarts: + + +GEORG VAN LALAING, _Graaf van Rennenberg_; (1577) + +doch in 1580 bragt hij Groningen verraderlijk weder aan de Spaansche +zijde. + + +FRANÇOIS VERDUGO, _Heer van Schengen_, (1580) + +was de laatste Spaansche Stadhouder, die vooral Groningen bezet hield, +dikwijls in Friesland viel en de pogingen der Friezen en Staatschen, om +die stad te winnen, nog tot hare overgave in 1594 wist te verijdelen. + + + + +VIERDE TIJDVAK. + +_Van de Hervorming tot de Staats-omwenteling._ + +1580-1795. + +VI. DE SOUVEREINE STATEN VAN FRIESLAND EN HUNNE STADHOUDERS. + + +~WILLEM~ I, _Prins van Oranje_, (1580) + +de grondlegger van den Nederlandschen Staat, noemde zich Gouverneur +van Braband, Holland, Zeeland, West-Friesland en Utrecht, Luitenant +en Stadhouder-Generaal van Prins Matthias en Gouverneur en +Kapitein-Generaal over de Nederlanden, toen hij, na de afwerping van het +Spaansche juk, ook door de Staten van Friesland tot Stadhouder en +Gouverneur van dit gewest werd benoemd. Hij was geb. den 14 April 1533, +en werd te Delft verraderlijk doorschoten den 10 Julij 1584. Hij had + + +BERNARD VAN MERODE, _Heer van Rummen_, (1580) + +tot zijn Luitenant (plaatsvervanger) en Kapitein-Generaal in Friesland +aangesteld. Deze edele en dappere voorstander van de vrijheid deed vele +moeite, om in dien tijd van onrust en tweedragt de zaken des lands te +regelen; doch ook wegens hoogen ouderdom was hij daartoe te zwak en +verzocht drie jaren later zijn ontslag, waarna hij in 1591 overleed. + + +WILLEM LODEWIJK, _Graaf van Nassau_, (1584) + +de oudste zoon van Prins Willem's broeder, Jan de Oude, geb. den 13 +Maart 1560, was in 1581 met krijgsvolk Friesland te hulp gekomen en in +Dec. 1583 naauwelijks tot Luitenant in Merode's plaats verkozen, toen +hij, ten gevolge van Prins Willem's dood, den 16 October 1584 door de +Staten tot Stadhouder en Gouverneur van Friesland werd verkozen. Als +Staatsman wist hij met voorzigtige wijsheid de belangen des lands te +bevorderen en de twistende regeringsleden te bevredigen; als held heeft +hij door het wederstaan van de Spanjaarden en het belegeren en winnen +van Groningen, Koevorden, Steenwijk en omliggende sterkten veel +toegebragt, om de rust en veiligheid der ingezetenen te verzekeren. In +1587 huwde hij Prinses Anna, de dochter van zijn oom Prins Willem, die +echter reeds in het volgende jaar stierf. Deze voortreffelijke +Stadhouder, mede om zijne godsdienstige braafheid algemeen geacht en +bemind, stierf den 31 Mei 1620, en werd plegtig begraven in 't Koor der +Groote Kerk te Leeuwarden, waar de Staten eene marmeren Graftombe ter +zijner eere lieten oprigten. Hij werd opgevolgd door zijnen jongeren +broeder + + +ERNST CASIMIR, _Graaf van Nassau_, (1620) + +geboren den 24 Dec. 1573 en in 1607 gehuwd met Sophia Hedwig Hertogin +van Brunswijk, was Luit. Gouverneur van Gelderland, Zutphen en Utrecht +en Veldmaarschalk van der Staten leger, toen hij den 3 Augustus 1620 tot +Stadhouder van Friesland werd aangesteld. In staatszaken werden hem +belangrijke zendingen opgedragen; in krijgsverrigtingen, veldslagen en +belegeringen was hij beroemd wegens heldenmoed en beleid. In het beleg +van Roermond liet hij het leven op den 2 Junij 1632. Hij had tot +opvolger zijn oudsten zoon + + +HENDRIK CASIMIR I, _Graaf van Nassau_, (1632) + +die, geboren in 1611, slechts 21 jaren bereikt had, toen hij den 14 Dec. +1632 tot Stadhouder en Kapitein-Generaal van Friesland, gelijk daarna +ook van Groningen en Drenthe aangesteld werd. Hoe jong ook nog, toonde +hij in de binnenlandsche geschillen veel standvastigheid en beleid, +doch, vooral op verschillende krijgstogten onder Frederik Hendrik, een +heldenmoed, waardoor hij evenveel eer verwierf als hij door zijne +vroomheid en deugden ieders hoogachting verdiende. Ten gevolge eener +wonde, bekomen in de bestorming van eene schans nabij Hulst in +Vlaanderen, stierf hij, algemeen betreurd, ongehuwd, den 13 Junij 1640. +Zijn jongere broeder + + +WILLEM FREDERIK, _Graaf_ en daarna _Vorst_ of _Prins van Nassau_, (1640) + +den 7 Augustus 1613 geboren, werd zijn opvolger, bij voorraad alleen als +Stadhouder van Friesland, waartoe hij den 23 Julij 1640 werd verkozen; +terwijl Groningen en Drenthe Prins Frederik Hendrik en daarna Prins +Willem II aanstelden en eerst in 1650 hem als zoodanig verkozen. Hij +vergezelde zijn broeder op vele veldtogten, en gaf daarbij blijken van +ongemeenen moed en groote bekwaamheden in het krijgswezen. Vooral bij de +belegering van Sas van Gent in 1644 gedroeg hij zich als een held. +Willem II vertrouwde hem in 1647 den hagchelijken aanslag op Amsterdam +toe. In 1652 trad hij in het huwelijk met Albertina Agnes, de dochter +van Frederik Hendrik, die later, gedurende de minderjarigheid van haren +zoon, met veel roem als Voogdes 's lands zaken behartigde. Door zijn +braaf karakter en gematigd gedrag verwierf hij de genegenheid der Staten +en des volks, waarvan hij vele bewijzen mogt ontvangen. In het laatste +jaar zijns levens trok hij den Bisschop van Munster tegen en veroverde +op hem de Dijlerschans. Hij stierf den 31 October 1664, nadat hij eenige +dagen te voren zich zelven had gekwetst met een zadelpistool, hetwelk, +eerst weigerende, bij het uittrekken van den stamper onverwacht +losbrandde. Hij liet, nevens eene dochter, een zoon en opvolger na in + + +HENDRIK CASIMIR II, _Prins van Nassau_, (1679) + +geboren den 18 Januarij 1657, in 1672 tot Stadhouder en +Kapitein-Generaal en in 1675 tot Erfstadhouder, mede door Groningen en +Drenthe, verkoren, aanvaardde hij in 1679 het bewind. De opvoeding van +zijne voortreffelijke moeder, het onderwijs aan 's lands Akademie te +Franeker (1671) en de opleiding en het voorbeeld van den Generaal van +Aylva vormden hem als staatsman en krijgsheld. Nog slechts 17 jaren oud +was hij in den slag van Senef (1674) onafscheidelijk aan de zijde van +Prins Willem III, hoewel een val met zijn paard daar zijne gezondheid +voor het leven knakte. In 1689 tot tweeden Veldmaarschalk benoemd, +handhaafde hij in de veldslagen van Fleurus, Steenkerke en Neerwinden +den roem van den Nassauschen naam. Deze edelmoedige en voortreffelijke +Vorst stierf in 1696, algemeen betreurd. In 1683 was hij in den echt +verbonden met Prinses Amalia van Anhalt-Dessau, welke hij zeven dochters +naliet, behalve een zoon en opvolger + + +JAN WILLEM FRISO, _Prins van Oranje en Nassau_. (1707) + +Kort was het leven, doch roemvol de loopbaan van dezen jeugdigen held, +die het vaderland zooveel beloofde. Den 14 Augustus 1687 geboren en dus +bij het overlijden zijns doorluchtigen vaders slechts acht jaren oud, +vond hij een tweeden vader in Prins Willem III, die hem tevens tot +erfgenaam van het Prinsdom Oranje en van zijne nalatenschap verklaarde. +Het bewind werd intusschen door zijne moeder als Voogdes waargenomen, +tot dat hij in 1707 het Stadhouderschap over Friesland en in 1708 over +Groningen en Drenthe aanvaardde. Reeds had hij toen als vrijwilliger +eenige togten in den Successie-oorlog mede gemaakt, doch geene +gelegenheid gevonden om uit te munten. Nu tot Generaal verheven, toonde +hij bij de belegering van onderscheidene sterke vestingen, doch vooral +in de veldslagen bij Oudenaarden en Malplaquet, een beleid, eene +onverschrokkenheid, een heldenmoed, welke het gansche vaderland +verbaasden, en met vreugde deden zien, hoe roemrijk in den jeugdigen +Frieschen telg der Nassausche Vorsten de dapperheid van den uitgestorven +Oranjestam herleefde. Rouw, diepe rouw vervulde dus geheel Nederland en +het leger der bondgenooten, toen deze held van zooveel verwachting--niet +aan de spits zijner dapperen, maar op den 14 Julij 1711 bij het +overvaren van het Hollandsche diep, in de golven den dood vond. Op dat +oogenblik was er geene mannelijke spruit uit de huizen van Oranje en +Nassau in Nederland meer over. Doch twee jaren te voren (26 Febr. 1709) +was Prins Friso in het huwelijk getreden met de edele Prinses Maria +Louisa van Hessen-Kassel, die, zes weken na het verliezen van haren diep +betreurden gemaal, gelukkig van een zoon beviel, waarin de Vorstelijke +stam tot heden bewaard bleef. + + +WILLEM CAREL HENDRIK FRISO, _Prins van Oranje en Nassau_, (1731) + +werd op den 1 September 1711 te Leeuwarden geboren, en zag door zijne +brave moeder en voortreffelijke leermeesters aan zijne opvoeding de +meeste zorg besteed. Nadat die moeder het stadhouderlijk gezag gedurende +twintig jaren als Voogdes had gevoerd, aanvaardde hij den 12 September +1731 het Erf-stadhouderschap en trouwde den 25 Maart 1734 met Anna, +Kroonprinses van Groot-Brittanje. Na in 1718 tot Stadhouder van +Groningen en in 1722 van Drenthe en Gelderland verkozen te zijn, zag hij +zich in 1747 door de volksstem eensklaps tot Erfstadhouder van al de +overige provinciën uitgeroepen en als _Willem de vierde_ met +waardigheden overladen. Onder het wigt van zooveel staatszorg, bij +zooveel ijver om 's lands belang in alle opzigten te bevorderen, bezweek +de edele Prins reeds den 22 October 1751. Den 4 Februarij 1752 werd zijn +gebalsemd lijk te Delft bijgezet. + + +WILLEM _de vijfde, Prins van Oranje en Nassau_, (1766) + +geboren te 's Gravenhage den 8 Maart 1748, aanvaardde het +Stadhouderschap over al de gewesten den 8 Maart 1766 en werd den 4 +October 1767 in den echt verbonden met Frederika Sophia Wilhelmina, +Prinses van Pruissen. Na, ten gevolge der hooggestegen staatsgeschillen, +in 1787 door de Pruissische legermagt in zijn gezag hersteld te zijn, +was hij, bij het aanrukken van de Franschen, den 20 Januarij 1795 +genoodzaakt, het vaderland te verlaten en de wijk te nemen naar +Engeland. Hij overleed te Brunswijk in 1806. + + + + +ZESDE TIJDVAK. + +_De Koninklijke Regering._ + +1813-1851. + + +WILLEM I, of WILLEM FREDERIK, + +_Prins van Oranje en Nassau enz._ + +werd den 24 Augustus 1772 te 's Gravenhage geboren en huwde den 1 +October 1791 te Berlijn Frederika Louisa Wilhelmina, Prinses van +Pruissen. Na zich in de krijgsdienst eervol te hebben onderscheiden, zag +ook hij zich verpligt in 1795 te vlugten, en gedurende 18 jaren de smart +der ballingschap te verduren. Des te verblijdender was in het laatst van +1813 zijne terugroeping in het vaderland, dat, de Fransche +overheersching moede, uitzag naar herstel en dat hem weldra als +Souverein Vorst huldigde (30 Maart 1814). Door de vereeniging van ons +land met België tot Koning der Nederlanden verheven en den 18 Maart 1815 +gehuldigd, was het Huis van Oranje in hem tot een vroeger nooit gekenden +luister gestegen. Onbepaald vertrouwen en liefde ondersteunden gedurende +vele jaren de pogingen, welke hij tot herstel en verheffing des +vaderlands aanwendde. Schitterende blijken ontving hij daarvan van +Noord-Nederland bij den opstand der Belgen in 1830. Te vergeefs trachtte +hij die breuk te herstellen. Zware opofferingen had de natie daarvoor +veil. Na op den 8 October 1840 afstand van de regering te hebben gedaan, +overleed Koning Willem Frederik, Graaf van Nassau, den 12 December 1843 +te Berlijn, en werd den 2 Januarij 1844 plegtig te Delft bijgezet. + + +WILLEM II, of WILLEM FREDERIK GEORGE LODEWIJK, + +_Prins van Oranje en Nassau enz._ + +was geboren te 's Gravenhage den 6 December 1793, deelde de ballingschap +met zijne ouders, doch vond eerlang in Engelsche dienst gelegenheid zich +als krijgsman te onderscheiden. Daarvan gaf hij mede, na de herstelling +des vaderlands, eervolle blijken in den slag van Waterloo, 1815, gelijk +in 1831 in den tiendaagschen veldtogt. Den 21 Februarij 1816 gehuwd aan +Anna Polowna, Grootvorstin van Rusland, werd hij den 28 November 1840 +plegtig als Koning gehuldigd. Nadat hij den 13 Maart 1848 het +merkwaardig besluit nam tot herziening van de Grondwet, overleed hij +reeds den 17 Maart 1849 te Tilburg. De plegtige begrafenis te Delft had +op den 4 April plaats. + + +WILLEM III, of WILLEM ALEXANDER PAUL FREDERIK LODEWIJK, _Prins van +Oranje en Nassau enz._ + +geboren te Brussel den 19 Februarij 1817 en den 19 Junij 1839 gehuwd met +Sophia Frederika Mathilda, Prinses van Wurtemberg, volgde hem op, en +werd op den 12 Mei 1849 te Amsterdam gehuldigd. Op den 19 April 1852 +deed hij zijne plegtige intrede in Friesland. Zijn oudste zoon, Prins +Willem Nicolaas Alexander Frederik Karel Hendrik, geboren den 4 +September 1840, bezocht dit gewest in Julij 1851. + + +_Gouverneurs._ + + +Jhr. I. ÆBINGA VAN HUMALDA, + +geboren te Leeuwarden den 12 September 1754, in 1780 Raad in den Hove en +in 1791 Grietman van Hennaarderadeel, deelde van 1795 tot 1806 met het +Huis van Oranje de ballingschap. Sedert 1811 Maire van de gemeente +Wommels, werd hij den 6 April 1814 door den Souvereinen Vorst benoemd +tot Gouverneur van Friesland. Ten jare 1826 eervol ontslagen en tot +Staatsraad in buitengewone dienst benoemd, mogt hij tot den 19 Februarij +1834 de vruchten van een welbesteed leven smaken. Op het kerkhof te +Dronrijp werd hij begraven. + + +JAN ADRIAAN _Baron_ VAN ZUIJLEN VAN NIJEVELT, + +geboren den 25 Augustus 1776 te Rotterdam, was Griffier der Staten van +Holland, toen hij bij Kon. besluit van 3 November 1826 benoemd werd tot +Gouverneur dezer provincie, welke waardigheid hij eervol bekleedde tot +aan zijn dood op den 29 Maart 1840. + + +MAURITS PICO DIDERIK _Baron_ VAN SYTZAMA, + +geboren den 2 Junij 1789, was Grietman van Idaarderadeel, Lid van de +Staten en daarna van de Tweede Kamer der Staten Generaal en Staatsraad, +toen hij den 12 October 1840 zijne benoeming ontving tot Gouverneur. +Slechts bijna acht jaren behartigde hij in die betrekking de belangen +dezer provincie, daar hij reeds den 15 Julij 1848 overleed en te Friens +werd begraven. + + +Jhr. Mr. JAN ERNST VAN PANHUIJS, + +geboren te Groningen den 12 Julij 1808, was van 1838 tot 1848 Lid van de +Arrondissements Regtbank te Winschoten en sedert 1840 Lid van de Tweede +Kamer der Staten Generaal, toen hij bij Kon. besluit van den 3 November +1848 benoemd werd tot Gouverneur van dit gewest, dat thans zijn ijver en +zorg voor deszelfs belang op hoogen prijs stelt. + + + + +INHOUD EN VERDEELING. + + + Inleiding bl. 1. + Verdeeling en orde van behandeling 5. + + +EERSTE TIJDVAK. + +~Het Oude Friesland.~ + +_Van de vroegste tijden tot Keizer Karel den groote._ + +Van het jaar 11 voor- tot omstreeks 800 na Chr. + + 1. De Afkomst der Friezen, bl. 6. + 2. De omvang en toestand van het Oude Friesland 9. + 3. De Oude Friezen 12. + 4. Der Friezen verbond met- en opstand tegen de + Romeinen, 11 j. voor en 28 j. na Chr. 14. + 5. De Gevolgen van der Friezen verkeer met de Romeinen 17. + 6. Der Friezen Afgezanten te Rome, 59 19. + 7. Uitbreiding van Friesland, 240-455 20. + 8. Der Friezen togt naar Brittanië, 449 23. + 9. De strijd der Friezen tegen de Franken 25. + 10. De pogingen der Franken ter invoering van de + Christel. Godsdienst, 630-800 26. + + +TWEEDE TIJDVAK. + +~Het Vrije Friesland.~ + +_Van Keizer Karel den groote tot Hertog Albert van Saksen._ + +Van omstreeks 800 tot 1498. + + 11. De Friezen tijdens Karel den groote bl. 35. + 12. Invloed der Franken en der vestiging van het + Christendom 38. + 13. De invallen der Denen en Noormannen, 520-1010 43. + 14. Het Verbond der Zeven Vrije Friesche Zeelanden 49. + 15. Veranderingen in den toestand des bodems. + Watervloeden, de Zuiderzee, de Middelzee enz. 56. + 16. Der Friezen aandeel in de Kruistogten naar het + Heilige land, 1096-1270 65. + 17. Veranderingen in den toestand des volks, en de + vestiging van Gemeenten en Steden gedurende en na + de Kruistogten 75. + 18. De Friesche Geestelijkheid, Kerken en Kloosters in + de middeleeuwen 84. + 19. De Partijschappen tusschen de Schieringers en + Vetkoopers, 1300-1498 93. + 20. Aanvallen der Bisschoppen van Utrecht en der + Graven van Holland op der Friezen vrijheid 99. + 21. Oorzaken van het verlies der onafhankelijkheid 123. + + +DERDE TIJDVAK. + +~Friesland bestuurd namens vreemde Vorsten.~ + +_Van Albert van Saksen tot de Hervorming._ + +1498-1580. + + 22. Friesland onder het bestuur der Hertogen van + Saksen, 1498-1515 bl. 129. + 23. De Gelderschen in Friesland, 1514-1523 135. + 24. Krijgsbedrijven van Groote Pier, 1515-1520, 138. + 25. Frieslands voorspoed onder de regering der + Stadhouders van Keizer Karel V 147. + 26. Schets van den toestand van Friesland omstreeks + 1530 151. + 27. Schets van de zeden der Friezen omstreeks 1530 152. + 28. Merkwaardige Personen, uit het midden der 16e eeuw 155. + 29. De Regering van Koning Filips van Spanje, 1555-1580 160. + 30. Beginselen der Kerkhervorming; Geloofsvervolgingen; + de Doopsgezinden. 1520-1560 162. + 31. De Hervorming een tijdlang ingevoerd, maar weder + onderdrukt, 1566 174. + 32. Aandeel van den Frieschen Adel in het Verbond der + Nederlandsche Edelen, 1565 179. + 33. Herstelling van de Friesche Zeeweringen onder + Caspar de Robles, 1574 184. + 34. Strijd en Zegepraal der Vrijheid en der Hervorming, + 1568-1580 190. + + +VIERDE TIJDVAK. + +~Friesland onder het bestuur der Staten en der Stadhouders uit het Huis +van Nassau.~ + +_Van de Hervorming tot de Staats-omwenteling._ + +1580-1795. + + 35. De vestiging van den nieuwen Staat, 1580-1648, bl. 197. + 36. De Regeringsvorm van Friesland, tijdens de + Republiek 222. + 37. Strijd tegen buitenlandsche gevaren bij + binnenlandsche welvaart, tusschen den Munsterschen + en Utrechtschen vrede, 1648-1713 245. + De Engelsche Oorlogen 247. + De Oorlogen met Frankrijk 264. + 38. Aanwas en Verbeteringen in den toestand van + Frieslands bodem. Waterstaat, Openbare werken, + Nijverheid enz. 309. + _a._ Aanwas. Bedijkingen 311. + _b._ Bedijkingen van Meren 319. + _c._ Polders 321. + _d._ Groote Veenkanalen, Ontginningen enz. 323. + _e._ Vergraving van de lage Veenen 330. + _f._ Nieuwe Vaarten en Wegen 332. + _g._ Landbouw, Handel, Scheepvaart en + Nijverheid 335. + 39. De Kerkelijke Belangen van Friesland 339. + _a._ De Hervormde Kerk 339. + _b._ De Doopsgezinden 360. + _c._ De Lutherschen 374. + _d._ De Roomsch Katholijk. 379. + _e._ De Joden 385. + 40. Frieslands Roem in Kunsten en Wetenschappen 387. + _a._ De Hoogeschool te Franeker 388. + _b._ Godgeleerden 393. + _c._ Regtsgeleerden 395. + _d._ Genees-, Heel- en Verloskundigen 397. + _e._ Wis- en Natuurkundig. 397. + _f._ Geschiedschrijvers 399. + _g._ Letterkundigen 400. + _h._ Dichters 401. + _i._ Schilders, Teekenaars en Graveurs 405. + 41. Vrede en Voorspoed verheffen--Zorgeloosheid en + Partijschappen ontbinden den Staat. Van den + Utrechtschen Vrede tot de Staats-omwenteling, + 1713-1795 407. + + +VIJFDE TIJDVAK. + +~Friesland tijdens de volksregering en de Fransche overheersching.~ + +_Van de Omwenteling tot de herstelling van Nederland._ + +1795-1813. + + 42. De Staats-omwenteling en hare gevolgen, + 1795-1798 bl. 427. + 43. De val der Republiek en vernietiging van ons + volksbestaan, 1799-1813 435. + + +ZESDE TIJDVAK. + +~Het Nieuwe Friesland, onder de Koninklijke Regering.~ + +_Van de herstelling van Nederland tot op de nieuwe regeling van het +Gemeentewezen._ + +1813-1851. + + 44. Bevrijding en Vestiging van den Nederlandschen + Staat, 1813-1816 bl. 440. + 45. De jongste lotgevallen van Friesland, 1816-1851 443. + Besluit 447. + + + + +AANTEEKENINGEN, OPHELDERINGEN EN BIJVOEGSELS. + + + 1. De Oude Toestand van Friesland bl. 451. + 2. Oudste Bronnen 452. + 3. Oude Handels-geschieden. 452. + 4. De Oude Grenzen van Friesland 453. + 5. De verovering van Brittannië 453. + 6. Der Friezen strijd tegen de Franken 454. + 7. Handels-verkeer 455. + 8. Aard der Friesche Vrijheid 455. + 9. Het Verbond der Zeeland. 457. + 10. Veranderde toestand des lands, Zuiderzee 457. + 11. De Friezen in de Kruistogten 458. + 12. De Schieringers en de Vetkoopers 458. + 13. De Aanvallen der Hollandsche Graven 460. + 14. De toestand van Friesland in de 15e eeuw 461. + 15. De Saksische Regering 462. + 16. Groote Pier 462. + 17. Worp van Thabor's Kronyk 463. + 18. Beroemde Friezen uit de 16e eeuw, 464. + 19. De Geschiedenis der Kerkhervorming 464. + 20. De Verbondene Edelen 465. + 21. De Friesche Staatstwisten 466. + 22. De Regeringsvorm 467. + 23. De Friesche Zeehelden 469. + 24. De Friezen aan den Rijn in 1672 472. + 25. De Burgerwapening in 1672 en 1673 473. + 26. De toestand der Kerk en des Volks 474. + 27. Besluit 475. + + + + +BIJLAGEN. + + + I. Tijdrekenkundig Overzigt van de voornaamste + Gebeurtenissen der Friesche Geschiedenis 477. + II. Tijdrekenkundig Overzigt van de Friesche Vorsten, + Opperhoofden, Koningen, Stadhouders enz. van de + vroegste tijden tot 1851 486. + Inhoud en Verdeeling 501. + Alphabetisch Register 504. + + + + +ALPHABETISCH REGISTER VAN DE VOORNAAMSTE GEBEURTENISSEN, ZAKEN EN +PERSONEN. + + + A. + Aanwas van gronden, 311. + Achtkarspelen, 91, 330. + Adel (De Friesche), 65, 77, 97, 126, 155, 178, 465, 466. + Adgild I (Koning), 28, 489. + Adgild II (Koning), 30, 489. + Admiraliteit (De Friesche), 232, 248, 472. + Afkomst der Friezen, 6. + Aken door de Friezen gewonnen, 72. + Albertine Agnes (Prinses), 217, 263, 278, 299, 497. + Albert van Saksen (Hertog), 125, 129, 462, 492. + Albrecht van Beijeren (Togten van) naar Friesland, 111-121, 461. + Anna (Prinses), 409, 418, 494. + Appelschaster vaart en veenen, 326-29. + Aremberg (Graaf van), 177, 180, 190, 494. + Athenæum te Franeker, 443, 446. + Aylva (Hans Willem Baron van) Generaal, 258-297, 471, 472. + Aylva (Hobbe van), Generaal, 412. + + B. + Baduhenna (het woud), 15, 452. + Bedijkingen. Zie Dijken. + Beeldenstorm (De), 175. + Bekker (Balthazar), 279, 351. + Beroemde Mannen, 157, 388, 464, 469. + Bevolking van Friesland, 468, 475. + Bildt (Het), 62, 132, 312. + Binckes (Jacob), zeeheld, 259, 296, 471. + Binckes (Jan), Kapitein, 472. + Bisdom (Het) Leeuwarden opgerigt, 175, 190. + Bisschoppen van Utrecht, 41, 49, 91, 99. + Blokzijl door de Friezen veroverd, 275. + Bolsward, 62, 80, 148, 191. + Bonifacius, Geloofsverkondiger, 31. + Bouma (Gellius Faber de), 165. + Bourgondische (De) Regering, 135-150, 493. + Boxumer-slag (De), 206. + Brittannië met hulp der Friezen veroverd, 23, 453. + Brunsveldt, (Hendrik), Kapitein, 253, 256, 470. + + C. + Charterboek (Het Vriesch), 400, 467. + Christendom (Invoering van het), 26-42, 75, 84. + Coehoorn (Menno Baron van), 296, 297. + Compagnons-vaarten, 150, 324 env. + + D. + Damiate door de Friezen veroverd, 67. + Dekama (Juw), Potestaat, 125, 491. + Denen en Noormannen, 43. + Dichters (Beroemde Friesche), 401. + Dokkum, 32, 35, 68, 79, 120, 148, 232, 248, 346. + Dokkumerdiep en Nieuwe Zijlen, 312. + Doopsgezinden (De), 167-174, 354, 360-373. + Dorestad, 29, 35. + Douwe Aukes, zeeheld, 250. + Dragten uitgebreid, 324. + Dijken, 18, 56, 61, 132, 184-189, 238, 311, 319. + Dijksgeregten, 238. + + E. + Edelen (De Friesche Verbondene), 178, 465. + Eise Eisinga, 399, 425. + Engelsche Oorlogen, 247, 263, 266, 469. + Ernst Casimir (Graaf) van Nassau, 211, 496. + + F. + Fabrijken en handwerken, 35, 338. + Feest (Het) der Een- en Ondeelbaarheid, 433. + Filips (Koning) van Spanje, 160, 174, 195, 494. + Flie (Het), 10, 58, 62. + Floreenschatting (Oorsprong der), 133. + Franeker, 80, 82, 131, 147, 177, 201, 338, 388, 398, 423, 473. + Franken (De), 21-41, 454. + Frankrijk (Oorlogen met), 264-308, 472, 473. + Franschen (Komst en bestuur der), 429-40. + Friso (De), heldendicht van van Haren, 8. + Friso (Prins), Stamvader, 8, 487. + Friso (Prins Jan Willem), 300-305, 497. + + G. + Geestelijkheid (De Friesche), 84-93, 163, 194, 340. + Gelder (Hertog Karel van), 135. + Gemeentebesturen in Friesland, 81, 235, 435, 436, 441, 442, 447. + Genees-, Heel- en Verloskundigen (Beroemde Friesche), 397. + Generaliteit (Frieslands betrekking tot de), 230. + Genootschap (Het Friesch), 445. + Georg van Saksen (Hertog), 132, 492. + Geschiedschrijvers (Beroemde Friesche), 399. + Geuzen (De), 179, 414, 465. + Godgeleerden (Beroemde Friesche), 393. + Gorredijk aangelegd en versterkt, 273, 282, 326, 474. + Graven van Holland (Aanvallen der), 40, 49, 54, 99-122, 460. + Grenzen van Friesland, 9, 22, 50, 453. + Groningen, 50, 54, 99, 124, 127, 130, 135, 195, 208, 210, 274, 277. + Groote Pier, 138-146, 462. + Grovestins (Togt van Frederik), 307. + Gijsbert Jacobsz, 403. + + H. + Handel, 17, 35, 76, 149, 151, 335, 452, 455. + Harens (De van), Staatsmannen en Dichters, 296, 396, 403, 410, 414, + 465. + Harlingen, 62, 80, 147, 187, 193, 194, 232, 248, 338. + Heerenveen, 150, 273, 275, 281, 294, 324, 474. + Hendrik Casimir I (Graaf), 213, 496. + Hendrik Casimir II (Prins), 280-299, 497. + Hendrik van Saksen (Hertog), 130, 492. + Hendrik van Stolberg (Graaf), 183, 493. + Herstelling van Nederland, 440. + Hervormde (De) Kerk, 175, 194, 219, 339-360, 361. + Hervorming (Doorbreken van de), 165, 176, 194, 339. + Hindeloopen, 62, 80, 115, 118, 143. + Hof van Friesland (Het), 132, 156, 192, 200, 227. + Hoogeschool te Franeker (De), 201, 205, 219, 233, 340, 353, 388, 438. + Humalda (Jhr. I. Æbinga van), Gouverneur, 442, 500. + Hunebedden, 7, 64. + + J. + Joden (De), 385. + Juw Juwinga, Potestaat, 113, 491. + + K. + Kadaster ingevoerd, 443. + Karel de groote, 33-41, 85, 456, 490. + Karel (Graaf) van Oostenrijk, 135-151, 160, 493. + Karel (Hertog) van Gelder, 135-145. + Keizers (De Duitsche), 33, 36, 42, 49, 54, 73, 83, 99, 104, 122, 124, + 125. + Kerkbestuur van Friesland, 240. + Kerkelijke belangen van Friesland, 339-386, 474. + Kerken (Stichting van), 84-93, 127. + Kerkhervorming (De), 162, 194. + Kinhem (De) of Reker, rivier, 9, 10, 32, 49. + Kloosters (Stichting van), 84-93, 194, 340. + Kollumer Oproer, 433. + Kollumerland aangewonnen, 314. + Kruistogten (De), 65, 75, 458. + + L. + Labadisten (De) in Friesland, 352. + Lage Veenen vergraven, 330. + Landbouw, 13, 18, 34, 77, 88, 149, 151, 218, 335. + Langen (Otto van), Keizerlijk gezant, 125. + Leenstelsel, 36, 101, 119, 133. + Leeuwarden, 62, 79, 126, 130, 132, 137, 147, 175, 179, 190, 193, 194, + 199, 201, 271, 278, 234, 416, 429, 433, 441. + Lemmer (De), 334. + Letterkundigen (Beroemde Friesche), 400. + Lodewijk Napoleon, Koning van Holland, 436. + Lutherschen (De Evang.), 374. + + M. + Mantels (Friesche), 36. + Maria Louisa (Prinses), 303, 306, 419. + Martena (Duco), 182, 191, 198. + Meren bedijkt, 319. + Merode (Bernard van), 199, 202, 495. + Middelzee (De), 10, 50, 58, 61. + Munster (Oorlog met den Bisschop van), 263-295. + Munstersche Vrede (De), 217, 245. + + N. + Napoléon (Keizer), 436-39. + Nedergeregten, 235, 435. + Nieuwpoort (De Friezen in den slag van), 209. + Noormannen (Invallen der), 45. + + O. + Omwenteling van 1795, 427. + Onderwijs. Zie Scholen. + Ontginningen, 150, 323, 335. + Oost-Friezen, 34, 51, 54, 135, 177. + Opstalsboom (De), 51. + Oranjewoud (Het), 424. + + P. + Paalworm (De), 317, 408. + Panhuijs (Jhr. J. E. van), Gouverneur, 446, 500. + Pier (Groote), 138-146, 462. + Pieter van Leeuwarden, 140. + Polders aangelegd, 321, 337. + Potestaten, 82, 490. + Predikanten (Friesche), 204, 241, 279, 341. + + Q. + Quota (Frieslands) in de Generaliteits lasten, 222, 231, 289. + + R. + Radboud I (Koning), 28, 489. + Radboud II (Koning), 31, 489. + Regeringsvorm (Frieslands), 81, 222-244, 467. + Regtsgeleerden en Staatsmannen (Beroemde Friesche), 157, 296, 395. + Reker (De) of Kinhem, rivier, 9, 10, 32, 49. + Remonstranten in Friesland, 344, 346, 363. + Rennenberg (De Graaf van), 193, 198, 339, 495. + Robles (Caspar de), Stadhouder, 186-189, 192, 495. + Romeinen (De) in Friesland, 14. + Roomsch Katholijken (De), 379. + Roorda van Genum, 69. + + S. + Saksers (De Oude), 22, 34, 46. + Saksische (De) Vorsten en Regering, 125-135, 462, 492. + Schansen opgeworpen, 201, 273, 282. + Scheepvaart der Friezen, 18, 23, 35, 45, 67, 76, 79, 110, 149, 335, + 468. + Schieringers en Vetkoopers (De partijschappen der), 93-99, 123-128, + 458. + Schilders, Teekenaars en Graveurs (Beroemde Friesche), 405. + Scholen, 38, 40, 156, 159, 204, 242, 351, 436, 475. + Schoterzijl, 114, 316. + Simons (Menno), 165, 167. + Sincfal (Het) of Zwin, 22. + Slaperdijken aangelegd, 317. + Slooten, 194, 198. + Sneek, 62, 80, 125, 136, 148, 177, 194, 287. + Staatstwisten, 204, 221, 260, 283-290, 415, 466. + Stadhouders (de Nassausche), 202, 215, 217, 225, 246. + Starter (Jan Janszoon), 402. + Staten (De Friesche), 180, 195, 199, 200, 222, 285, 424, 442. + Stavoren, 35, 37, 60, 63, 79, 105, 120, 193. + Steden (Ontstaan der), 77, 99. + Steden (Regeringsvorm der), 236, 261, 436, 441. + Stellingwerf (Auke), Lt.-Admiraal, 253, 254, 469. + Stellingwerven (De), 55. + Straatwegen aangelegd, 445. + Stijl (Oude en Nieuwe), 474. + Successie-Oorlog (Oostenrijksche), 410. + ---- (Spaansche), 301. + Synode (Invloed der Dordsche), 346, 354. + Sytzama (M. P. D. Baron van), Gouverneur, 446, 500. + + T. + Taal (Friesche), 25, 403, 453. + Tentoonstelling van voorwerpen van Friesche Nijverheid, 446. + Terpen (De), 13, 64. + Thabor (Peter en Worp van), Kronykschrijvers, 145, 156, 159, 465. + Toestand (Oude) van Friesland, 9, 56, 451, 457. + Trekwegen aangelegd, 332. + Turfgraverijen, 150, 323-332, 336. + + U. + Utrecht, 27, 35, 38. + Utrechtsche Vrede (De), 307. + + V. + Vaarten en Kanalen, 17, 132, 150, 323, 332. + Veepesten, 336, 337, 408. + Vegilin (Philip Frederik en Johan), 322, 334. + Venema (Herman), Godgeleerde, 355, 357, 370. + Verstolk (J. G.), Prefekt, 438, 441. + Verveeningen, 88, 150, 152, 323, 330. + Voortbrengselen van Friesland, 17, 149, 151, 337, 468. + Vries (Tjerk Hiddes de), Luit. Admiraal, 254-258, 469. + Vrijheid (De Friesche), 36, 37, 42, 122, 126, 154, 180, 195, 422, 429, + 455. + Vijfdeelen (Der) zeedijken, 184. + + W. + Wartena, 80. + Watervloeden, 11, 56, 165, 184, 263, 315, 443. + Wederdoopers (Munstersche), 165, 169. + Weerstallen of regtsplaatsen, 82. + Wegen (Nieuwe) aangelegd, 332-335, 445. + West-Friesland, 50, 54, 101, 103. + Wetten (Oude Friesche), 37, 53, 81, 91, 455. + Wierd (Groote), 139, 144. + Willebrord, Geloofsverkondiger, 28. + Willem I (Koning), 441, 443, 499. + Willem I (Prins) van Oranje, 183, 191, 194, 195, 199, 204, 495. + Willem II (Graaf), Roomsch Koning, 53, 72, 102, 460. + Willem II (Koning), 446, 499. + Willem III (Koning), 447, 500. + Willem IV (Graaf) valt Friesland aan, 108, 112. + Willem V (Prins), 419-27, 498. + Willem Frederik (Graaf), 216, 245-262, 497. + Willem Karel Hendrik Friso (Prins), 306, 409, 414-18, 498. + Willem Lodewijk (Graaf) van Nassau, 203-211, 343, 496. + Willem van Oostervants (Graaf) togten naar Friesland, 111 env. + Wis- en Natuurkundigen (Beroemde Friesche), 397. + Workum, 62, 80, 142. + Workumer-Nieuwland bedijkt, 314. + Wijk bij Duurstede, 29, 35. + + IJ. + IJlst, 62, 80. + + Z. + Zeden der Friezen, 13, 18, 39, 152, 260, 350, 475. + Zeedijken. Zie Dijken. + Zeehelden (Friesche), 250-259, 295, 469. + Zeelanden (Het verbond der Zeven), 49, 124, 457. + Zeemagt (Frieslands), 248-259, 472. + Ziekte (Heerschende) van 1826, 444. + Zuiderzee (De), 59, 105, 142, 457. + Zuijlen (J. A. Baron van) van Nijevelt, Gouverneur, 444, 500. + Zwarte Hoop (De), 137. + Zwin (Het) of Sincfal, 22. + + + + +~VERBETERINGEN.~ + + + Bl. 113, reg. 3 v. b. _staat_: schepen 400 _lees_: schepen en 400 + " 159, " 5 " " (_Aanteekening_ 17.) " (_Aant._ 18.) + " 181, " 1 v. o. " _Aant._ 30. " (_Aant._ 20.) + " 232. Noot. Den 21 Mei 1790 is de _Quota_ van _Friesland_ + gesteld op 9 Gld. 7 st. volgens ZILLESEN, _Wijsgeerig + onderzoek, wegens Neerlands opkomst, bloei + en welvaard enz._ Amst. 1796, bl. 304. + " 269, reg. 3 v. o. _staat_: gebeurtenie, _lees_: gebeurtenis, + " 304, " 8 " " In April " Den 26 Februarij + " 350, " 2 v. b. " goedsdienst " godsdienst + " 356, " 5 v. o. " was " wars + " 360, " 1 v. b. " onderlingen " onderling en + " 409, " 10 v. o. " _Engeland_, " _Groot-Brittanje_, + + + + +GEDRUKT BIJ L. SCHIERBEEK, TE LEEUWARDEN. + + + + +[Illustratie: _Libera Sacra Deo Geminoque Superba Leone_ + +_Frisia Roma Tuum Fregit Iberque Iugum._] + + + + + +------------------------------------------------------------------+ + | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER | + | | + | Zie ook de Opmerkingen aan het begin van deze tekst. | + | | + | De originele spelling is aangehouden; slechts enkele overduide- | + | lijke zetfouten zijn stilzwijgend gecorrigeerd. Belangrijker | + | veranderingen worden hieronder beschreven. Inconsistenties in | + | spelling zijn niet veranderd. | + | Uitzonderingen: | + | Twijfelachtige namen zijn geverifiëerd en eventueel | + | gecorrigeerd: Francois in François, Vervov in Vervou; Jaques is| + | de correcte spelling; de namen Andriaan en Kersvloed zijn niet | + | veranderd. (onleesbaar) K. Thoden van Velzen: waarschijnlijk | + | Sijo Kornelius Thoden van Velzen. Albrecht der Beherschte | + | veranderd in Albrecht der Beherzte. Georg van Lalain veranderd | + | in Georg van Lalaing. Sincval veranderd in Sincfal zoals meest | + | voorkomend in de tekst en op de kaart. | + | | + | Inconsistenties in lay-out en het gebruik van leestekens in het | + | originele werk zijn behouden, behalve zoals hieronder aangegeven.| + | Het gebruik van aanhalingstekens, (kleine) kapitalen, | + | schuingedrukte woorden e.d. is verschillend in de hoofdtekst, de | + | voetnoten en de aanhangsels, zoals in het originele werk. | + | Uitzondering: | + | Letters met accenten in namen zijn in het originele werk in | + | onderkast gedrukt, in deze tekst in klein kapitaal (LYCKLAMA À | + | NIJEHOLT in plaats van LYCKLAMA à NIJEHOLT). | + | Rangtelwoorden worden in het originele boek in de hoofdtekst | + | weergegeven met een superscript e (als in 2^e). Om de | + | leesbaarheid te verbeteren worden deze rangtelwoorden hier als | + | 2e weergegeven. Andere superscripts zijn wel behouden. | + | | + | De errata zijn al in de tekst gecorrigeerd, behalve voetnoot 176 | + | bij bladzijde 232. Het was niet duidelijk of dit een aanvulling | + | bij de bestaande voetnoot was of een correctie op de tekst van de| + | voetnoot (het laatste is het meest waarschijnlijk). | + | | + | In het originele werk komen de symbolen voor voetnoten in de | + | tekst niet altijd overeen met die bij de voetnoot zelf. In | + | dergelijke gevallen is de volgorde van de eigenlijke voetnoten | + | als bepalend genomen. | + | | + | In het originele werk worden koppeltekens ook gebruikt om te | + | verwijzen naar losse woorden, zoals in "verraden- en verkocht | + | had". Dergelijke koppeltekens zijn overgenomen uit het origineel.| + | | + | Pagina 96, "Saken van Staet en Oorlogh:" waarschijnlijk zijn de | + | aanduidingen voor de delen IV en V weggevallen. | + | | + | Voetnoot 56: de hierin aangekondigde lijst van kloosters is | + | blijkbaar toch niet in het boek terechtgekomen. | + | | + | Pagina 350 heeft in het originele werk twee voetnoottekens in de | + | tekst en maar één voetnoot. De voetnoot kan betekking hebben op | + | beide markeringen, en is daarom twee maal als voetnoot opgenomen | + | (voetnoten 294 en 295). | + | | + | Pagina 369 heeft een voetnoot, maar geen voetnootmarkering in de | + | tekst. Deze voetnootmarkering is aan het einde van de betreffende| + | alinea geplaatst (voetnoot 308). | + | | + | Pagina 481, 80-jarige oorlog: beginjaar veranderd van 1518 in | + | 1568. | + | | + | Index: enkele trefwoorden op juiste alfabetische volgorde gezet. | + | Verwijzing naar niet bestaande pagina 509 verwijderd. | + | | + +------------------------------------------------------------------+ + + + +***END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK BEKNOPTE GESCHIEDENIS VAN +FRIESLAND*** + + +******* This file should be named 36839-8.txt or 36839-8.zip ******* + + +This and all associated files of various formats will be found in: +http://www.gutenberg.org/dirs/3/6/8/3/36839 + + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +http://www.gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at http://www.gutenberg.org/fundraising/pglaf. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at http://www.gutenberg.org/about/contact + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit http://www.gutenberg.org/fundraising/donate + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including checks, online payments and credit card donations. +To donate, please visit: +http://www.gutenberg.org/fundraising/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + http://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. + |
