summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/36839-8.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to '36839-8.txt')
-rw-r--r--36839-8.txt18506
1 files changed, 18506 insertions, 0 deletions
diff --git a/36839-8.txt b/36839-8.txt
new file mode 100644
index 0000000..fbebfef
--- /dev/null
+++ b/36839-8.txt
@@ -0,0 +1,18506 @@
+The Project Gutenberg eBook, Beknopte Geschiedenis van Friesland, by Wopke
+Eekhoff
+
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+
+
+
+Title: Beknopte Geschiedenis van Friesland
+ in Hoofdtrekken
+
+
+Author: Wopke Eekhoff
+
+
+
+Release Date: July 24, 2011 [eBook #36839]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO-8859-1
+
+
+***START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK BEKNOPTE GESCHIEDENIS VAN
+FRIESLAND***
+
+
+E-text prepared by Harry Lamé, André Engels, and the Online Distributed
+Proofreading Team (http://www.pgdp.net)
+
+
+
+Note: Project Gutenberg also has an HTML version of this
+ file which includes the original map.
+ See 36839-h.htm or 36839-h.zip:
+ (http://www.gutenberg.org/files/36839/36839-h/36839-h.htm)
+ or
+ (http://www.gutenberg.org/files/36839/36839-h.zip)
+
+
+ +------------------------------------------------------------------+
+ | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: |
+ | |
+ | In deze e-tekst wordt de volgende notatie gebruikt: |
+ | schuingedrukte tekst in het origineel wordt weergegeven tussen |
+ | _ en _, als in _tekst_; |
+ | gespatiëerde tekst wordt weergegeven tusen ~ en ~, als in |
+ | ~tekst~; |
+ | normaal gedrukte woorden in lange stukken schuingedrukte tekst |
+ | worden weergegeven tussen = en =, als in =tekst=; |
+ | woorden die in de brontekst in klein kapitaal gezet zijn, |
+ | worden hier weergegeven in hoofdletters; |
+ | tekens voorafgegaan door ^ zijn in het originele werk super- |
+ | script. |
+ | |
+ | Voetnoten zijn verplaatst naar direct onder de alinea waarin ze |
+ | vermeld zijn. |
+ | |
+ | Uitgebreidere opmerkingen zijn te vinden aan het einde van deze |
+ | tekst. |
+ | |
+ +------------------------------------------------------------------+
+
+
+
+
+
+BEKNOPTE GESCHIEDENIS VAN FRIESLAND IN HOOFDTREKKEN.
+
+
+
+
+ _"Van waar mag het toch zijn, vraagt de Geschiedvorscher, dat de
+ =Nederlanders= zich zoo vaak op de =Batavieren= beroepen, als op
+ hunne Voorvaders, uit wier bloed zij zeggen gesproten te zijn,
+ daar zulks historisch betwistbaar is? Wel waren zij de vroegste
+ en =meest beroemde bewoners= van een voornaam gedeelte des lands,
+ maar onze eigenlijke =voorvaderen= waren zij niet.--De Batavieren
+ verdwenen uit de Geschiedenis.--Zoodanig was het niet met de
+ =Friezen=. Boven vele andere Europesche volken hebben zij dit
+ vooruit, dat zij niet zijn ondergegaan bij die geweldige
+ omkeering der volken. Immer behielden zij den reeds lang
+ ingenomen grond, toen bijna alle landen van Europa van bewoners
+ verwisselden. Hier woonde de stam, welke zich staande hield, te
+ midden dier groote Europesche beroering, en hare plaatsen aan
+ geene andere inruilde. Zij echter breidde zich verder uit, van
+ het Vlie tot aan de Schelde; en altijd hier stand houdende, is
+ uit haar het nageslacht voortgesproten, dat immer deze landen
+ bewoonde. Meer dan Batavieren en Kaninefaten noemen wij,
+ Nederlanders, daarom =de Friezen= eigenlijk =onze vaderen=; dat
+ heldhaftige geslacht, hetwelk voor de teregt vereerde Batavieren
+ niet onderdeed; over wier naam wel is waar geen zoo poëtische
+ gloed ligt, als over de Batavieren, maar meer historische
+ waarheid; die daar staan te midden der volksberoeringen en
+ overstroomingen, als de krachtige eik in het woud, die de stormen
+ tart en door den stroom der wateren niet ontworteld wordt. Hen
+ ontmoeten wij reeds =vóór= onze Christelijke tijdrekening, en hun
+ nakroost, zich telkens verder over ons Vaderland uitbreidende,
+ heeft zich later weder binnen enger grenzen voortgeplant, tot op
+ onze dagen. En waarlijk, indien een Friso hun Stamvader is
+ geweest, dan hebben de dichterlijke tafereelen meer historische
+ waarheid geboekt, dien als onzen stamvader vermeldende, dan een'
+ Bato, wiens nakroost verdween."_
+
+ Prof. H. J. ROYAARDS.
+
+
+
+
+BEKNOPTE GESCHIEDENIS VAN FRIESLAND IN HOOFDTREKKEN;
+
+_bevattende een Overzigt van de lotgevallen der Friezen en van de
+voornaamste gebeurtenissen, gedurende bijna tweeduizend jaren in dit
+land voorgevallen._
+
+UIT VELE VROEGERE EN LATERE BRONNEN BEWERKT,
+
+DOOR
+
+W. EEKHOFF
+
+_Archivarius der stad Leeuwarden, Voorzitter van de Tweede Afdeeling der
+werkende Leden van het Friesch Genootschap van Geschied-, Oudheid- en
+Taalkunde, Lid van de Maatschappij van Nederlandsche Letterkunde te
+Leiden en van het Provinciaal Utrechtsch Genootschap van Kunsten en
+Wetenschappen._
+
+Met eene Schetskaart van den waarschijnlijken toestand van het land der
+Friezen en hunne naburen, omstreeks den aanvang onzer tijdrekening.
+
+_Historische zin, of eerbied voor de gedenkteekenen, de geschiedenis en
+de groote mannen des vaderlands, is het sieraad van een volk, dat in der
+vaderen glorie zijne eer en in de liefde voor zijn land zijn roem
+stelt._
+
+TE LEEUWARDEN, BIJ
+
+W. EEKHOFF.
+
+1851.
+
+
+De Schrijver en Uitgever van dit werk stelt zijn regt van kopij, tegen
+nadruk, verkorting, verkleining, vertaling of verandering van vorm,
+onder bescherming der Wet, van den 25 Jan. 1817, aan wier eischen hij
+heeft voldaan.
+
+
+
+
+VOORREDE.
+
+
+_Bij dezen neem ik de vrijheid mijne landgenooten aan te bieden eene
+=Beknopte Geschiedenis van Friesland, in Hoofdtrekken=. Verscheidene
+redenen hebben mij bewogen, dit onderwerp te behandelen en deze
+bewerking in het licht te geven. De belangrijkheid van die geschiedenis
+op zich zelve en in verband met die des vaderlands,--het gemis van een
+bevattelijk geschreven handboek over dit onderwerp,--de wensch van velen
+om zulk een werk, ingerigt naar de behoeften van dezen tijd, te
+bezitten,--de zucht om nuttig te zijn, en bovenal mijne aangeborene
+neiging voor de beoefening van die geschiedenis en liefde voor alle
+kennis en kunst, welke tot =Friesland= in betrekking staan,--ziet daar
+de drangredenen, welke eindelijk mijn schroom en wantrouwen van eigene
+krachten hebben overwonnen. Immers sedert die neiging op mijn tiende
+levensjaar bij mij werd opgewekt, en ik niet lang daarna het plan vormde
+eene korte Geschiedenis van =Friesland= te bewerken, heb ik gedurende
+dertig jaren over dit onderwerp zoo vele geschriften gelezen en
+aanteekeningen gemaakt, zoo vele stukken verzameld en onderzoekingen
+gedaan, dat de begeerte, om eenmaal de vrucht daarvan te leveren, meer
+opgewekt dan onderdrukt werd door al de menigvuldige bezwaren en moeiten
+hieraan verbonden. In weerwil ik dit onderwerp bij herhaling op
+verschillende wijzen bewerkt en geene inspanning geschroomd heb, bleef
+ik nogtans met de uitgave aarzelen, en de hoop voeden, dat een onzer
+geleerden of leden van het Friesch Genootschap die taak zou volbrengen.
+Telken jare echter werd ik daarin teleurgesteld._
+
+_Intusschen vernam ik, dat velen aan de bewerking van eene volledige en
+naauwkeurige Friesche Geschiedenis bezwaren en beletselen verbonden
+achtten, gewigtig genoeg, om ijverige beoefenaars van dit onderwerp af
+te schrikken het in zijn geheel te behandelen. Behalve dat men eerst de
+uitgave van nog meerdere bronnen en bouwstoffen verlangde, vorderde eene
+kritische behandeling van de uitgegevene kronijken groote moeite. En
+waar deze met WINSEMIUS in 1622 eindigen, zag men eene groote menigte
+Resolutieboeken van de Staten en Gedeputeerde Staten van =Friesland=,
+benevens eene massa onuitgegevene stukken in de Rijks-, Provinciale en
+Plaatselijke Archiven voor zich; om niet te spreken van de menigte
+bouwstoffen, in een aantal gedrukte werken der laatste tweehonderd jaren
+verspreid. Inderdaad, er wordt meer dan een menschenleeftijd toe
+vereischt, om daaruit al de bijzonderheden op te zamelen en tot één
+geheel te brengen, dat aan het ideaal van eene geschiedenis onzer
+provincie zou kunnen beantwoorden._
+
+_Het gewigt dier bezwaren en beletselen erkennende, zou dit alles
+meer in staat zijn, onze liefde voor de geschiedenis uit te dooven dan
+op te wekken. Het volbrengen van die taak en het bereiken van die nog
+denkbeeldige volmaaktheid blijve dus een volgend geslacht aanbevolen.
+Dat ik het, in weerwil van dat alles, toch gewaagd heb, het onderwerp te
+behandelen, moge echter niet tot mijne beschuldiging strekken. Want,
+daar al de nog te volbrengen nasporingen welligt meest bijzonderheden of
+specialiteiten betreffen, zoo heb ik, naar het licht, dat ons tijdvak
+beschijnt en naar de mate mijner krachten, mij zoeken te bepalen tot
+de =Hoofdtrekken= onzer geschiedenis, of tot die voornaamste
+gebeurtenissen, welke van het meeste belang en den grootsten invloed
+zijn geweest op de lotgevallen en de ontwikkeling van het volk.
+Aangezien ik mijne behandeling tevens tot één boekdeel wenschte te
+beperken, zoo waren deze hoofdpunten, waaromtrent wij meerdere zekerheid
+bezitten, voorshands ook voldoende tot het geven van een algemeen
+overzigt van deze geschiedenis; terwijl ook eene korte en eenvoudige
+voorstelling, bij wijze van tafereelen, het meest geschikt scheen, om de
+belangstelling voor dit onderwerp op te wekken._
+
+_Hartelijk wensch ik, dat anderen later die opgewekte belangstelling
+door volkomener en uitvoeriger bewerking mogen bevredigen, en dat deze
+arbeid bij voorraad moge voorzien in eene behoefte, welke mij dikwijls
+werd te kennen gegeven door personen uit verschillende standen, die
+gaarne met hunne volksgeschiedenis meer bekend wilden zijn. Niet minder
+natuurlijk is de wensch, dat dit werk moge bijdragen, om ook in andere
+provinciën van ons vaderland (vroeger deelen van het Friesche rijk) het
+belang en de waarde te doen erkennen van de geschiedenis der Friezen,
+als de stamvaders der Nederlanders, met betrekking tot de geschiedenis
+van =Nederland=. Bekend is het toch, dat de meeste vaderlandsche
+geschiedenissen, welke wij bezitten, zich als bij uitsluiting bepalen
+tot de historie van de aanzienlijkste provincie =Holland=. Die naam komt
+evenwel voor het eerst omstreeks het jaar 1000 voor. Het gansche
+vroegere tijdperk, en dus meer dan de helft der tijdruimte, bevat alzoo
+de geschiedenis van =Friesland=, aangezien de Batavieren reeds vroeg en
+spoorloos verdwenen. Het is dus grootelijks te verwonderen, dat de
+historieschrijvers van ons vaderland niet enkel de latere, maar ook de
+vroegere Friesche geschiedenis zoo lang verwaarloosd en soms zoo
+verminkt voorgesteld hebben, dewijl deze toch de hoofdbron of het
+~grondstuk~ is, waarop de geschiedenis van =Holland= of wel van geheel
+=Nederland= moet rusten. Reeds is dit erkend in de geschriften van de
+Utrechtsche geleerden wijlen Jhr. Mr. VAN ASCH VAN WIJCK en den Hoogl.
+ROYAARDS, wiens bestrijding van een verkeerd volksbegrip ik gemeend heb
+tegenover den titel te moeten mededeelen._
+
+_Vermits ik al de boven vermelde bezwaren en beletselen bij de bewerking
+heb ondervonden, heb ik mij met veel moeite beijverd, ze voor mijn doel
+te overwinnen, door in het bijzonder de hoofdzaken meer te doen uitkomen
+dan punten van ondergeschikt of betwist belang. Het is daarbij mijn
+hoogste streven geweest, om de beste bronnen te raadplegen, om de
+waarheid zonder partijdigheid na te sporen, en, bovenal, om eene
+~heldere~ en ~duidelijke voorstelling~ te geven van datgene, wat ons
+duurzaam belang kan inboezemen. Den tekst heb ik, op de wijze van mijne
+=Geschiedkundige Beschrijving van Leeuwarden=, zoo bevattelijk mogelijk
+geschreven, opdat ook dit werk als een nuttig en aangenaam
+Geschiedkundig Huisboek algemeene belangstelling mogt verdienen. Omtrent
+de belangrijkste zaken en betwiste of twijfelachtige punten heb ik voor
+beoefenaars van de geschiedenis en onderzoekende lezers in de
+=Aanteekeningen= meerdere bijzonderheden en bronnen medegedeeld; terwijl
+ik door de bijvoeging van historische tafels of overzigten en registers
+de bruikbaarheid van het geheel heb trachten te bevorderen. Daar de
+geschiedenis het beste onderwijs is voor alle standen der maatschappij,
+en zij ons de bijzondere pligten jegens ons vaderland doet kennen, zoo
+hoop ik eerlang ook eene verkorte uitgave, ten behoeve der scholen, in
+het licht te geven._
+
+_Bij de beoordeeling van dit werk gelieve men op te merken, dat ik
+minder nieuwe zaken medegedeeld, dan wel de verspreide berigten en
+vruchten der onderzoekingen van anderen tot een geheel gebragt heb. De
+waarheid of stellige zekerheid der feiten moge één en onveranderlijk
+zijn, de wijze van voorstelling, inkleeding en toepassing kan echter
+aanleiding geven tot zeer uiteenloopende meeningen en begrippen; vooral
+in een werk, bij welks behandeling, op een ongebaand pad, de meeste
+waarschijnlijkheid en persoonlijke beschouwingen het gebrek aan berigten
+soms moesten vervangen. Mogt ik echter in mijne, ter goeder trouw
+medegedeelde, opvattingen en inzigten gedwaald hebben, dan verzoek ik
+van bevoegde personen eene bescheidene beoordeeling en heusche
+teregtwijzing te ontvangen. In een ander opzigt hoop ik, dat wij Friezen
+te veel eerbied voor onze geschiedenis, voor ons zelve en voor onze
+christelijke verpligtingen jegens elkander zullen hebben, dan dat
+verschil van meening over sommige historische punten ons zou verlagen
+tot een hatelijk twistgeschrijf en openbare beleedigingen, waarin nijd
+en wraakzucht soms eene afschuwelijke rol spelen._
+
+_Overtuigd van mijne goede bedoelingen, doch evenzeer van mijne
+feilbaarheid, heb ik de naauwkeurigheid der bewerking zoo veel mogelijk
+trachten te verzekeren, door haar vóór de uitgave te laten lezen aan
+mijne veelgeachte vrienden de Heeren Mr. A. VAN HALMAEL JR. (wiens dood
+wij nu reeds betreuren), J. VAN LEEUWEN, Dr. J. G. OTTEMA, Jhr. Mr. H.
+B. VAN SMINIA en anderen, die ik hier openlijk mijnen dank toebreng voor
+de medegedeelde opmerkingen en teregtwijzingen. Mogt ik door de uitgave
+nog te veel gewaagd hebben, dan beken ik gaarne, daartoe vooral den moed
+te hebben bekomen door de volgende verklaring van laatstgenoemden
+deskundige: "Ik moet u betuigen, dat ik het werk met bijzonder veel
+genoegen gelezen heb, er bijna geheel mijne goedkeuring aan hecht en het
+op hoogen prijs stel. Alleen betreur ik het, dat het niet uitvoeriger en
+uitgebreider is behandeld. Doch dit lag voor het tegenwoordige niet in
+uw plan, en moeten wij dus voorshands tevreden zijn met hetgeen ons zoo
+goed gegeven is; in de hoop, dat gij later uwe krachten nog eens zult
+aanwenden, om ons eene grootere en volledige Geschiedenis van
+=Friesland= te leveren."_
+
+_En hiermede beveel ik dezen arbeid op nieuw der belangstelling mijner
+landgenooten aan._
+
+ Mei 1851.
+
+ W. EEKHOFF.
+
+
+
+
+EERSTE NAAMLIJST VAN INTEEKENAREN.
+
+
+ ZIJNE MAJESTEIT DEN KONING. g. p.
+
+ ZIJNE KONINKLIJKE HOOGHEID DEN PRINS VAN ORANJE. g. p.
+
+ ZIJNE KONINKLIJKE HOOGHEID PRINS FREDERIK DER NEDERLANDEN. g. p.
+
+ J. Ackersdijck, Hoogleeraar te Utrecht.
+ E. Adema, Secretaris van Rauwerderhem te Rauwerd.
+ C. Albarda, Kantonregter te Leeuwarden.
+ Mr. Herman Albarda, Advocaat te Leeuwarden.
+ Hor. Albarda, Jurid. Student te Groningen.
+ Mr. W. Albarda, Subst. Griffier by de Arrondissements Regtbank te
+ Leeuwarden. g. p.
+ K. S. Alberda, Landbouwer te Menaldum.
+ Jhr. W. Alberda van Ekenstein, te Groningen.
+ A. Alma, Notaris te Bergum.
+ J. S. Alma, Assessor van Franekeradeel te Schalsum.
+ J. C. & W. Altorffer, Boekh. te Middelburg. 2 ex.
+ M. C. Amoraal, te Leeuwarden.
+ L. Anders, Kantoorbediende te Leeuwarden.
+ Mr. J. H. Beucker Andreæ, Advocaat te Leeuwarden.
+ A. S. Andringa, Ondermeester te Koudum.
+ M. D. Anema, Lid van den Raad van Franekeradeel te Ried.
+ P. S. Anema, Lid van den Raad van Franekeradeel te Dongjum.
+ T. W. Anema, Landbouwer te Kimswerd.
+ Het Provinciaal Archief van Friesland.
+ E. Roos Baron van Asbeck, Grietman van Hemelumer Oldephaert en
+ Noordwolde te Koudum. g. p.
+ H. van Assen, Goud- en Zilversmid te Leeuwarden.
+ J. van Assen, te Leeuwarden.
+ R. Attama, Secretaris der stad Stavoren.
+ E. J. Attema, Notaris te Dragten.
+
+ J. van Baalen & Zn., Boekh. te Rotterdam.
+ B. T. Bakker, Lid van den Raad van Baarderadeel te Oosterlittens.
+ C. Bakker, Bzn. Boekhandelaar te Nieuwe Diep.
+ Jan F. Bakker, Stedelijk Ontvanger te Sneek.
+ S. J. Bakker, Assessor der Grietenij Rauwerderhem te Deersum.
+ W. L. Bakker, Assessor van Franekeradeel te Tjum.
+ L. S. Bakkes, Bakker te Tjummarum.
+ J. Banga, Burgemeester en Med. Doct. te Franeker.
+ J. Barends, Arrondissements Betaalmeester te Heerenveen.
+ Mr. P. de Beaufort, Lid der Gedep. Staten van Utrecht, aldaar.
+ S. van Sloterdijck Beekkerk, Directeur der Registratie en
+ Domeinen in Friesland te Leeuwarden.
+ Dr. E. M. Beima, Conservator aan 's Rijks Museum van Natuurlijke
+ Historie te Leiden.
+ H. J. C. Bekenkamp, Predikant te Knijpe.
+ A. M. van Belkum, Directeur van het Stads-Werkhuis te Leeuwarden.
+ J. C. van Belkum, Broodbakker te Leeuwarden.
+ P. Berg, Bakker te Ee.
+ Mr. C. Bergsma, Grietman van Idaarderadeel te Idaard.
+ E. H. Bergsma, 1e Luit. Ingenieur te Amsterdam.
+ H. van Berkum, Predikant te Stiens.
+ J. P. van Berkum, Predikant te Wolsum.
+ W. Beijerinck, Boekhandelaar te Amsterdam.
+ Jhr. Mr. C. L. van Beijma, Kantonregter te Dronrijp.
+ Jhr. E. D. van Beijma, Grietman van Baarderadeel te Weidum.
+ Jhr. Mr. C. L. van Beijma thoe Kingma, Secretaris van Haskerland
+ en Advocaat te Joure.
+ Jhr. U. H. Heerma van Beijma thoe Kingma, Grietman van
+ Franekeradeel te Zweins.
+ W. Bisschop, Litt. Hum. Cand. te Leiden.
+ A. Bleeker, Boekh. te Sneek.
+ J. Bloemsma, Boekhandelaar te Leeuwarden.
+ J. G. van Blom, Lid der Staten van Friesland en Notaris te
+ Dragten.
+ J. G. van Blom, voor het 5e Schooldistrict in Friesland.
+ G. H. van Boelens, Rijks-Ontvanger te Augustinusga.
+ Mr. J. H. van Boelens, Burgemeester der stad Leeuwarden.
+ J. T. de Boer, Assessor van Idaarderadeel te Roordahuizum.
+ J. Y. de Boer, Landbouwer te Hempens.
+ K. J. Boersma, te Kubaard.
+ Erven F. Bohn, Boekhandelaars te Haarlem.
+ A. M. Bokma de Boer, te Leeuwarden.
+ Mej. C. Bokma de Boer, te Leeuw.
+ W. Cool van Bokma, Boekh. te Sneek. 3 ex.
+ J. M. Bokma, te St. Jacobi-Parochie.
+ J. Fopma Bonnema Hzn. Landbouwer te Tjummarum.
+ R. J. Boorsma, Assessor van Baarderadeel te Weidum.
+ Mr. J. C. G. Boot, Rector van het Gymnasium te Leeuwarden.
+ Harmen H. Bosma, Koopman te Oosterend.
+ IJ. Bosma, Kweekeling te Bergum.
+ J. Brandsma, Notaris te Schiermonnikoog.
+ Mr. P. Brantsma, Officier van Justitie bij de Regtbank te
+ Heerenveen.
+ Jhr. G. P. C. van Breugel, Lid van den Raad en Ontvanger der
+ Directe Belastingen te Haarlem. g. p.
+ R. Baron van Breugel, Lid van den Raad van State te 's Hage.
+ J. H. Brinkman, Boekhandelaar te Amsterdam.
+ B. Brons Bzn., Onderwijzer te Haskerdijken.
+ G. Brouwer, Boekhandelaar te Deventer. 2 ex.
+ G. L. Brouwer, Secretaris van Oost-Stellingwerf te Oldeberkoop.
+ Dr. S. Brouwer, Oud-Hoogleeraar te Leeuwarden.
+ A. L. Brugsma, Doctorandus in de Letteren te Leeuwarden.
+ K. Bruining, Onderwijzer te Schalsum.
+ D. D. Büchler, te Amsterdam.
+ P. H. Buisma, Onderwijzer te Langweer.
+ B. Hopperus Buma, Jur. Student te Groningen.
+ J. Buma, Onderwijzer te Kollum.
+ Mevr. Wed. W. B. Buma, te Weidum.
+ Mr. W. W. Buma, Raadsheer in het Provinciaal Geregtshof van
+ Friesland te Leeuwarden.
+ F. H. Burghgraef, Secretaris der stad Franeker.
+ Wed. P. Burggraaff, Jr., Boekh. te Leeuwarden.
+ Th. J. van der Bij, Onderwijzer te Oenkerk.
+ E. J. A. Graaf van Bijlandt, Commissaris des Konings in de
+ provincie Zuid-Holl. te 's Hage. g. p.
+
+ J. Camminga, Ondermeester te Franeker.
+ J. Campen, Boekh. te Sneek. 4 ex.
+ G. ten Cate Fzn. Koopman te Leeuwarden.
+ S. ten Cate, Burgemeester der stad Sneek.
+ Mr. E. Manger Cats, Advocaat te Leeuwarden.
+ Mevr. S. Cats, Wed. Bieruma Oosting te Leeuwarden, g. p.
+ P. O. van der Chijs, Hoogleeraar en Directeur van het Munt- en
+ Penning-Kabinet te Leiden.
+ R. M. Cloppenburgh, te Hardegarijp.
+ H. Coster & Zn., Boekhandelaar te Alkmaar.
+ P. J. Costerus, Rector van het Gymnasium te Sneek.
+ K. J. Crap, Molenaar te St. Jacobi-Parochie.
+ S. Crommelin, Rustend Leeraar te Leeuwarden.
+ D. J. Couvée, Boekh. te Leiden.
+ F. J. Cuperus, Kuiper te Dronrijp.
+
+ H. J. Dauzon, Rijks-Ontvanger in de Wijk, bij Meppel.
+ Mr. A. Deketh, Advocaat-Generaal bij den Hoogen Raad der
+ Nederlanden te 's Hage.
+ G. H. M. Delprat, te Rotterdam.
+ Mr. W. M. J. van Dielen, voor het Leesg. Disce Legendo te
+ Utrecht.
+ Mr. J. Dirks, Lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal te
+ Leeuwarden.
+ J. Dirks, te Balk.
+ J. J. Doesburg, Boekhandelaar te Groningen, 3 ex.
+ De stad Dockum.
+ Erven Doorman, Boekhandelaar te 's Hage. 3 ex.
+ Mr. L. Dorhout, Plaatsverv. Kantonregter en Lid van den Raad der
+ stad Leeuwarden. g. p.
+ M. R. Douma, Landbouwer te Ee.
+ J. F. van Druten, Boekh. te Sneek.
+ van Druten en Bleeker, Boekh. te Sneek. 11 ex.
+ K. P. Duursma, Onderwijzer te Langezwaag.
+ F. Dijkstra, Onderwijzer der jeugd en der zeelieden te Nes op
+ Ameland.
+ F. A. Dijkstra, Landbouwer te Haskerdijken.
+ F. J. Dijkstra, Landbouwer te Ooster-Nijkerk. g. p.
+ T. R. Dijkstra, te Leeuwarden.
+ Waling Dijkstra, te Spannum.
+
+ O. J. Eekma, Boekhandelaar te Leeuwarden. 5 ex.
+ Dr. A. H. A. Ekker, Praeceptor aan het Gymn. te Utrecht.
+ J. Elgersma, Onderwijzer te Kimswerd.
+ S. F. Elgersma, te Lollum.
+ Jhr. Mr. W. E. Engelen, Secretaris van Leeuwarderadeel en
+ Advocaat te Leeuwarden.
+ W. A. Evertsz, Ridder van de Mil. Willemsorde, 4e kl.,
+ Secretaris van Utingeradeel en Notaris te Oldeboorn. g. p.
+ Jhr. Mr. C. van Eijsinga, Lid der Staten van Friesland te
+ Leeuwarden.
+ Jhr. Mr. F. J. J. van Eijsinga, Lid van de Eerste Kamer der
+ Staten-Generaal en der Arrond. Regtbank te Leeuwarden.
+ Jhr. I. F. van Eijsinga te Leeuwarden. 2 ex.
+ K. G. Eijsinga, Koopman te Leeuwarden.
+
+ J. M. Baart de la Faille, Medicinæ Doctor te Leeuwarden.
+ A. R. Falck, te Utrecht. g. p.
+ Corn. J. Feddes, Koopman te Leeuwarden.
+ P. H. Feenstra, Medic. Doct. te Kuikhorne.
+ P. M. Feenstra, Boekh. te Bolsward. 4 ex.
+ T. S. Feenstra, Boekhandelaar te Sneek. 4 ex.
+ D. Feikema, Wethouder der stad Franeker.
+ Mr. H. O. Feith, Archivarius der provincie Groningen.
+ H. Feringa Jzn. Oud-Griffier van het Vredegeregt te Augustinusga.
+ Dirk A. Ferwerda, Koopman te Stiens.
+ E. Ippius Fockens, Boekhandelaar te Franeker. 3 ex.
+ E. Schrader Fockens, Predikant te Jutrijp en Hommerts.
+ H. Frijlink, Boekhandelaar te Amsterdam.
+
+ I. Garcin, te Amsterdam.
+ P. A. van Gelder, Koopman te Dokkum.
+ Het Friesch Genootschap voor Geschied-, Oudheid- en Taalkunde te
+ Leeuwarden. g. p.
+ P. Gerbranda, Schoolonderwijzer te Lollum.
+ C. Gerdenier, Burgemeester der stad Medemblik. 2 ex.
+ Het Provinciaal Geregtshof van Friesland.
+ J. Gerritsen, Landbouwer in het Meer bij Heerenveen.
+ L. Gescher, Medicinæ Doctor te Leeuwarden.
+ M. van Geuns, Doopsgezind Leeraar te Leeuwarden.
+ Jhr. R. Gevaerts van Geervliet, Lid der Ridderschap van
+ Friesland, Ontvanger van 's Rijks Belastingen te Bergum.
+ H. P. A. van Gorcum, Boekh. te Assen.
+ O. Goslings, Cand. Notaris te Dokkum.
+ Het Provinciaal Gouvernement van Friesland. g. p.
+ Mr. M. Schaaff Gratama, Raadsheer in het Provinciaal Geregtshof
+ van Groningen.
+ J. H. Gunning, Predikant te Leeuwarden.
+
+ E. de Haan, Onderwijzer te Wirdum.
+ W. van Haarst, op Schoonoord bij Oirschot.
+ H. Haga, Doopsgezind Leeraar te Oldeboorn.
+ H. Haisma, Lid der Provinciale Staten van Friesland en Landbouwer
+ te Bergum.
+ F. A. van Hall, Minister van Staat te Amsterdam.
+ H. C. van Hall, Hoogleeraar te Groningen.
+ T. van Halteren, Boekhandelaar te Wildervank.
+ J. W. Hannema, Landbouwer te Hantum.
+ Mr. D. J. A. Baron van Harinxma Thoe Slooten, Raadsheer in het
+ Provinc. Geregtshof van Friesland te Leeuwarden.
+ M. P. D. Baron van Harinxma Thoe Slooten te Beetsterzwaag.
+ Mr. P. A. V. Baron van Harinxma Thoe Slooten, Kantonregter te
+ Holwerd.
+ H. J. van Hasinga, Adjunct Onderwijzer te Oosterzee.
+ D. J. Haspels, Boekh. te Nijmegen.
+ Sjoerd Jans Heeg, te Oosterend.
+ A. T. R. Sixma Baron van Heemstra, Grietman van Kollumerland te
+ Veenklooster. g. p.
+ C. S. Sixma Baron van Heemstra, te Zwolle.
+ D. A. Sixma Baron van Heemstra, Jur. Student te Groningen.
+ Mr. F. J. J. Baron van Heemstra, Grietman van Rauwerderhem te
+ Irnsum. g. p.
+ A. van der Heide, Onderwijzer te Leeuwarden.
+ Douwe van der Heide, Landbouwer te Ezumazijl.
+ H. A. van Helden, Boekhandelaar te Amsterdam. 2 ex.
+ Mr. E. van Heloma, te Zwolle.
+ Mr. M. van Heloma, Lid der Provinciale Staten van Friesland te
+ Heerenveen.
+ H. Hemkes Hzn., Onderwijzer te Voorburg.
+ P. H. Hendriks, te Groningen.
+ S. Gille Heringa, Directeur van het Postkantoor te Tilburg.
+ H. Klugkist Hesse, Lid der Staten van Friesland te Kollum. g. p.
+ F. Hessel, Boekh. te Heerenveen.
+ J. G. Heuveldop, Lid der Gedeputeerde Staten van Friesland te
+ Leeuwarden.
+ P. H. van den Heuvell, Boekh. te Leiden.
+ van Heiningen & Post Uiterweer, Boekhandelaars te Utrecht.
+ J. Hilarius, Boekhandelaar te Leeuwarden. 5 ex.
+ C. C. van der Hoek, Boekhandelaar te Leiden.
+ W. van der Hof, Schipper te Bakhuizen.
+ F. Holtkamp, Boekhandelaar te Sneek. 4 ex.
+ Jhr. Hooft van Woudenberg van Geerestein te Amsterdam. g. p.
+ J. W. van Hopbergen, 1e Luit. Adjudant, voor het Leesgez. van
+ Officieren van het 2e & 4e Bat. 3e Reg. Infant. te Leeuwarden.
+ W. Ter Horst, Fabrijkant te Leeuwarden.
+ J. van Hout, te Wognum.
+ J. O. van Houten, Boekhandelaar te Assen.
+ J. Ernst van Houtrijve, te Leeuwarden.
+ H. Höveker, Boekhandelaar te Amsterdam.
+ S. Hoijtema Pzn. Assessor van Utingeradeel te Akkrum.
+ Mr. U. H. Wielinga Huber, Raadsheer in het Provinc. Geregtshof
+ van Friesland te Kornjum. 2 ex.
+ Mr. H. U. Huguenin, te Sneek, voor het 8e Schooldistrict in
+ Friesland.
+ J. T. H. Huguenin, Predikant te Zuidwolde.
+ A. A. Hulshoff, Doopsgezind Leeraar te Leeuwarden.
+ K. van Hulst, Boekh. te Kampen.
+ P. P. Hylarides, Landbouwer te Witmarsum.
+
+ J. W. Idsardi, Landbouwer te Ee.
+ P. D. Idsinga, Landbouwer te Hantum.
+ Mr. G. W. H. Baron van Imhoff, Burgemeester der stad Groningen.
+
+ H. D. Jager, Grietenij-Ontvanger van Oost-Stellingwerf te
+ Oldeberkoop.
+ K. Jansma, Onderwijzer te Rottevalle.
+ Dr. L. J. F. Janssen, Conservator bij het Museum van Oudheden te
+ Leiden.
+ J. H. Jappé, Ingenieur-Verificateur van het Kadaster te
+ Groningen.
+ A. de Jong, te Leeuwarden.
+ A. de Jong Wzn., Koopman te Leeuwarden.
+ S. D. de Jong, Lid van den Grietenijraad van Idaarderadeel te
+ Warrega.
+ T. Joustra, Fabrijkant te Sneek.
+
+ Mej. J. C. Kapteijn, Hoofd-Onderwijzeres der Stedelijke
+ Meisjesschool te Leeuwarden.
+ P. N. van Kampen, Boekhandelaar te Amsterdam.
+ Abe J. Kat, Aannemer van publieke werken te Hindeloopen.
+ Jhr. Mr. O. R. van Andringa de Kempenaer te Leeuwarden. g. p.
+ Jhr. T. A. M. A. van Andringa de Kempenaer, Lid van de 1e Kamer
+ der Staten-Generaal en Grietman van het Bildt te St.
+ Anna-Parochie.
+ Jhr. W. van Andringa de Kempenaer, Grietman van Lemsterland te
+ Lemmer.
+ J. J. Kiestra, Geneesheer te Ee. g. p.
+ S. Kiestra, Onderwijzer te Sexbierum.
+ J. Kingma, Lid der Staten van Friesland en Olieslager te Makkum.
+ M. Kingma Hzn., Lid der Gedep. Staten van Friesland te Makkum.
+ E. S. van Kleffens, Kweekeling te Ee.
+ A. M. Klijnsma, Lid van den Grietenijraad van Lemsterland te
+ Lemmer.
+ S. T. Klijnsma, Luitenant-Kolonel Ingenieur te Arnhem.
+ B. Knierim, Logementhouder te Leeuwarden.
+ Mr. H. J. Koenen, Wethouder der stad Amsterdam. g. p.
+ Mr. H. van der Kooi, Griffier bij de Arrondissements-Regtbank te
+ Leeuwarden.
+ J. Koopmans, Koopman te Gorredijk.
+ K. Koopmans, Lid van den Raad van Lemsterland te Lemmer.
+ M. H. Koopmans, Veenbaas te Echten.
+ U. Koopmans, Grutter te Holwerd.
+ P. A. Koppius, Litt. Hum. Doct. en Predikant te Rottevalle.
+ N. D. Kroese, Onderwijzer te Hindeloopen.
+ A. P. H. Kuipers, Apotheker te Leeuwarden. g. p.
+ D. Kuipers, te Buitenpost.
+ H. Kuipers, te Amsterdam. g. p.
+
+ Mr. A. van der Laan, Griffier der Prov. Staten van Friesland te
+ Leeuwarden.
+ H. M. Labberté, te Tilburg.
+ H. J. Ladenius, te Leeuwarden.
+ Dr. C. Leemans, Directeur van 's Rijks Museum van Oudheden te
+ Leiden.
+ Bibliotheek der stad Leeuwarden.
+ Leesgezelschap te Slooten.
+ J. van Leeuwen, Griffier van het Prov. Geregtshof en Archivarius
+ der Provincie Friesland te Leeuwarden. g. p.
+ J. van Leeuwen Jr., Secretaris van Lemsterland te Lemmer.
+ W. Lemke, V. D. M. voor het Leesgez. te Warrega.
+ Mr. W. van Nauta Lemke, Advocaat te Leeuwarden.
+ Mr. J. van Lennep, Rijks-Advocaat te Amsterdam.
+ A. N. Lentz, Koopman te Franek.
+ R. A. Lentz, Schilder te Franeker.
+ D. H. van der Leij, te Dronrijp.
+ B. Lolcama, Lid van den Raad der stad Franeker.
+ R. Lonneman, Medic. en Artis Obst. Doct. te Franeker.
+ J. B. van Loghem Jr. Boekh. te Haarlem.
+ H. van Loo, Verwer te Leeuw.
+ J. van Loon Jzn. Fabrijkant te Huins.
+ Erven Loosjes, Boekh. te Haarlem.
+ Dr. E. J. Diest Lorgion, Predikant te Groningen.
+ Jhr. F. I. Lycklama à Nijeholt Lid der Ridderschap van Friesland
+ te Midlaren.
+ Jhr. Mr. G. W. F. Lycklama à Nijeholt, Grietman van
+ Oost-Stellingwerf te Oldeberkoop.
+ Jhr. J. A. Lycklama à Nijeholt, Lid der Provinc. Staten van
+ Friesland te Beetsterzwaag.
+ Jhr. W. H. Lycklama à Nijeholt, Grietman van Utingeradeel te
+ Oldeboorn.
+ R. Baron van Lijnden te Beetsterzwaag.
+
+ W. H. Maas, Predikant te Idsegahuizen.
+ E. van der Maaten, Stedelijk Ontvanger te Elburg.
+ Maatsch. tot Nut van 't Algemeen: Depart. Roordahuizum.
+ Mr. G. E. Le Maire, Regter in de Arr. Regtbank te Heerenveen.
+ H. Mantingh, Ontvanger te Oostermeer.
+ Mr. C. van Marle, Inspecteur-Generaal van het Middel van Waarborg
+ te Utrecht.
+ J. E. Martens, Stucadoor te Leeuwarden.
+ J. G. Arentsma Martin, Assessor van Ferwerderadeel, te Hallum.
+ J. E. Mebius, Boekhandelaar te Kollum. 3 ex.
+ T. E. Mebius, Boekhandelaar te St. Jacobi-Parochie. 6 ex.
+ van der Meer en Verbruggen, Boekhandelaars te Rotterdam.
+ H. van der Meer, Kweekeling te Roordahuizum.
+ G. Mees Azn. Regter in de Arrondissements-Regtbank te Rotterdam.
+ g. p.
+ A. Meeter Pzn. Onderwijzer te Arum.
+ J. Meeth Czn. Bode by de Staten van Friesland te Leeuwarden.
+ H. Meetsma, te 's Hage. g. p.
+ Mr. M. Meinesz, te Slooten.
+ A. H. R. Metelerkamp, Rijks-Ontvanger te Rottevalle.
+ T. G. van der Meulen, Boekh. te Bergum. 5 ex.
+ V. Meursinge, Boekhandelaar te Leeuwarden. 2 ex.
+ L. L. F. Mispelblom Beijer, Directeur van het Postkantoor te
+ Heerenveen.
+ G. J. Molengraaff, te Nijmegen.
+ S. Mollema, te Amsterdam.
+ J. Mulder, Wethouder der stad Franeker.
+ P. B. Mulder, Linnenbleeker te Leeuwarden.
+ E. Mulders, Onderwijzer te Rottevalle.
+ Mr. G. N. Mulier, Lid van den Raad der stad Leeuwarden.
+ P. Mulier, te Bolsward.
+ Gebr. Muller, Boekhandelaars te 's Bosch. 2 ex.
+ Mr. G. A. Munster Jordens, voor het Leesgez. te Deventer.
+ W. Muurling, Hoogleeraar te Groningen. g. p.
+
+ T. Hoog van Nes, Geëmploijeerde aan het Postkantoor te Rotterd.
+ P. H. Noordendorp, Boekhandelaar te 's Hage. 2 ex.
+ S. Noteboom, Boekhandelaar te Franeker.
+ D. T. Notten, voor de Bibl. der Maats. tot Nut van 't Algem. te
+ Echten.
+ A. Nugteren, Particulier te Rotterdam.
+ C. Star Numan, Hoogleeraar in de Regtsgeleerdh. te Groningen.
+ Is. An. Nijhoff, Boekhandelaar te Arnhem. 2 ex.
+
+ O. B. Oeberius, Notaris te St. Anna-Parochie.
+ Het Onderwijzers Gezelschap te Grouw.
+ U. Oosterbaan, Cand. Notaris in de Schrans, bij Leeuwarden.
+ J. H. Oosterdijk, Emeritus Predikant van Lunteren, op
+ Gelders-spijker bij Arnhem.
+ P. van Os, Instituteur te Sneek.
+ J. G. Ottema, Præceptor aan het Gymn. te Leeuwarden. g. p.
+
+ Mr. J. Pan, Raadsheer in het Provinciaal Geregtshof van Drenthe
+ te Assen.
+ Jhr. Mr. J. E. van Panhuijs, Commissaris des Konings in de
+ provincie Friesland te Leeuwarden. g. p.
+ H. Pasma Fzn., Landbouwer te Haskerdijken.
+ J. W. Petræus, Bankhouder te Harlingen.
+ Mr. I. H. Philipse, Hoogleeraar in de Regtsgeleerdheid te
+ Groningen.
+ G. Piekema, Ondermeester te Pingjum.
+ M. van der Plaats, Boekhandelaar te Harlingen. 8 ex.
+ F. Plantenga, te 's Hage.
+ F. W. van der Ploeg, Landbouwer te Ee.
+ J. Ploegsma, Onderwijzer te Rauwerd.
+ B. Poppes, Assessor van Lemsterland te Lemmer.
+ J. Poppes, Assessor van Gaasterland te Balk.
+ J. Post, Med. Doct. te Arnhem.
+ C. van der Post, Jr., Boekhandelaar te Utrecht. 5 ex.
+ Het Postkantoor te Harderwijk. 2 ex.
+ Het Postkantoor te Meppel.
+ F. Poutsma, te Slooten.
+ P. J. Prinsen, Directeur van 's Rijks Kweekschool voor
+ Onderwijzers te Haarlem.
+ M. Pruim, Instituteur te Dokkum.
+ U. Proost, Boekhandelaar te Leeuwarden. 2 ex.
+
+ Mr. A. Quæstius, Plaatsverv. Kantonregter te Dronrijp.
+
+ H. Raadsma, Timmerman te Ee.
+ K. Radersma, Onderwijzer te Wierum, voor het
+ Onderwijzers-Gezelschap West Dongeradeel.
+ Jhr. Mr. A. G. A. Ridder van Rappard, Staatsraad, Directeur van
+ 't Kabinet des Konings, te 's Hage.
+ Jhr. F. A. Ridder van Rappard, Secretaris-Generaal van het
+ Ministerie van Oorlog, te 's Hage.
+ R. A. Rauwerda, Landbouwer te Roodkerk.
+ J. H. Reddingius, Predikant te Morra en Lioessens.
+ Mr. R. A. B. Reddingius, Kantonregter te Sneek.
+ R. Reitsma, Onderwijzer te Scharnegoutum.
+ Mej. M. P. Reneman, te Leeuwarden.
+ L. H. W. Baron van Aylva Rengers, Luit.-Kolonel by het 7e
+ Regiment Infanterie te Utrecht.
+ L. R. v. Welderen Baron Rengers, Jur. Student te Groningen.
+ R. H. S. G. Juckema van Burmania Baron Rengers te Leeuwarden.
+ g. p.
+ S. van Welderen Baron Rengers, Grietman van Wymbritseradeel en
+ Lid der Provinciale Staten te Ysbrechtum.
+ W. F. L. Baron Rengers te Utrecht.
+ W. J. van Welderen Baron Rengers te Leeuwarden.
+ Dr. H. Riedel, Conrector te Groningen.
+ P. Risselada, Apotheker te Leeuwarden.
+ W. de Rivecourt, Gepensioneerd Kapitein te Zutphen.
+ A. J. Rodenhuis, Lid der Staten van Friesland en Wethouder der
+ stad Harlingen. g. p.
+ IJ. Rodenhuis Pzn. Zeehandelaar te Harlingen. g. p.
+ H. R. Roelfsema, Boekhandelaar te Groningen.
+ G. Roker, voor het Leesgezelschap te Tjallebert.
+ Th. Romein, Stads Architect te Leeuwarden.
+ D. T. Roorda te Wijtgaard.
+ H. L. Roorda, Boer te Kimswerd. g. p.
+ S. O. Roosjen te Hindeloopen.
+ H. J. Royaards, Hoogleeraar te Utrecht.
+ T. J. Rudolphi, Lid van den Raad en Landbouwer te Jutrijp.
+ Joh. W. Ruitinga, Apotheker te Harlingen.
+ J. de Ruijter, Boekhandelaar te Amsterdam.
+ E. P. Rijpma, Landbouwer te Ooster-Nijkerk.
+
+ Mr. L. R. Salverda, Secretaris van Opsterland te Beetsterzwaag.
+ R. Bloembergen Santée, 1e Deurwaarder bij de
+ Arrondissements-Regtbank te Leeuwarden.
+ A. Schaafsma, Aannemer te Harlingen.
+ A. Schaafsma, Boekhandelaar te Dokkum. 14 ex.
+ Schalekamp, van de Grampel & Bakker, Boekhandelaars te Amsterdam.
+ H. Scheltema, Ontvanger der Belastingen te Harderwijk. 2 ex.
+ Mr. H. W. de Blocq van Scheltinga, te Oranjewoud, g. p.
+ H. C. Schetsberg, Boekhandelaar te Leeuwarden. 2 ex.
+ L. Schierbeek, Boekhandelaar te Leeuwarden. 2 ex.
+ R. J. Schierbeek, Boekhandelaar te Groningen. 6 ex.
+ P. Wierdsma Schik te Leeuwarden.
+ A. L. Scholtens, Boekhandelaar te Groningen.
+ J. Kuiper van Schouwenburg, Lid van den Raad der stad Harlingen.
+ g. p.
+ B. Schuring, Boekh. te Weesp.
+ S. S. Schuurmans, Lid van den Grietenijraad van Rauwerderhem te
+ Rauwerd.
+ G. F. Baron thoe Schwartzenberg en Hohenlansberg, Grietman van
+ Menaldumadeel te Beetgum.
+ G. W. C. D. Baron thoe Schwartzenberg en Hohenlansberg, Grietman
+ van Haskerland te Joure.
+ U. Baron thoe Schwartzenberg en Hohenlansberg, Surnumerair bij de
+ Directe Belastingen te Leeuwarden. g. p.
+ W. H. T. Camstra Baron thoe Schwartzenberg en Hohenlansberg, Lid
+ der Prov. Staten van Friesland te Hichtum.
+ W. J. J. D. Baron thoe Schwartzenberg en Hohenlansberg, Grietman
+ van Doniawerstal te Langweer.
+ H. M. Scrinerius, Geneesheer te Witmarsum.
+ W. J. A. Seijffardt, Boekh. te Amsterdam.
+ Jhr. Mr. J. Hora Siccama van de Harkstede te Groningen.
+ S. G. Siedzesz, Burgemeester der stad Stavoren.
+ S. Sinnema, Contrôleur der Directe Belastingen te Dokkum.
+ J. E. Simon, Medicinæ Doctor te Leeuwarden.
+ L. van Sisseren, te Leeuwarden.
+ H. D. van Sloterdijck, te Leeuwarden.
+ Jhr. Mr. H. B. van Sminia, Grietman van Tietjerksteradeel te
+ Bergum. 1 ord. en 1 g. p.
+ Mevr. C. van Sminia, geb. Coehoorn van Scheltinga, te Oudkerk.
+ Jhr. H. van Sminia, Jur. Student te Groningen.
+ J. Molanus Smith, Onderwijzer te Hiaure.
+ De stad Sneek. g. p.
+ Jhr. Mr. H. M. Speelman Wobma, President van het Provinciaal
+ Geregtshof van Friesland te Leeuwarden.
+ Jhr. S. Speelman, te Leeuwarden.
+ J. A. Spree, te Leeuwarden.
+ M. van Staveren, Theol. Doct. en Predikant te Leeuwarden.
+ C. van der Sterr, te Helder.
+ Mr. B. S. Stienstra, Procureur te Sneek.
+ Wed. Mr. J. Stinstra, geb. Banga, te Franeker.
+ Simon Stinstra, Lid van den Raad van Harlingen.
+ W. P. van Stockum, Boekhandelaar te 's Hage. 3 ex.
+ Mr. G. N. de Stoppelaar, Advocaat te Middelburg.
+ G. Acker Stratingh, Math. Phil. Nat. et Med. Doct. te Groningen.
+ H. Stroband, te Franeker. g. p.
+ G. T. N. Suringar, Boekhandelaar te Leeuwarden.
+ T. Sybenga, Landbouwer te Nijkerk.
+ S. Sybrandi, Boekh. te Haarlem.
+ S. K. Sybrandi, Rustend Leeraar bij de Doopsgezinden te Haarlem.
+
+ H. R. Tacoma, Landbouwer te Pingjum.
+ S. Talsma, Onderwijzer te Roordahuizum.
+ W. Talsma, te Oenkerk.
+ T. Telenga, Boekhandelaar te Franeker. 20 ex.
+ Mr. A. Telting, Kantonregter te Franeker.
+ J. G. van Terveen en Zn., Boekhandelaars te Utrecht.
+ Mr. S. van Teijens, Grietman van Opsterland en Lid der Staten
+ van Friesland te Beetsterzwaag.
+ J. F. Thieme, Boekh. te Nijmegen.
+ J. Tichelaar Jzn. te Amsterdam, g. p.
+ H. Tiddens, Jur. Student te Groningen.
+ C. J. Tjessinga, Assessor van Barradeel te Minnertsga. g. p.
+ J. Lunsingh Tonckens, Med. Doctor te Beetsterzwaag.
+ Mr. G. M. Baron du Tour van Bellinchave, Raadsheer in het Prov.
+ Geregtshof van Friesland te Leeuwarden.
+ S. S. Tromp, Rustend Predikant te Britsum.
+ W. Tromp, Notaris te Bergum.
+ S. Tulp, Koopman te Leeuwarden. g. p.
+ Erven J. J. Tijl, Boekhandelaars te Zwolle. 2 ex.
+
+ R. J. Uilkema, Landbouwer te Scharnegoutum. g. p.
+
+ L. Valk, Rustend Predikant te Leeuwarden, voor het Leesgez.
+ D. A. van Valkenburg, Hoofd-Commies, belast met het Toesigt der
+ Bibliotheek van het Depart. van Oorlog te 's Hage.
+ P. Valter, Particulier te Deventer. g. p.
+ Dr. D. J. Veegens, Rector aan het Gymnasium te Amsterdam, g. p.
+ H. G. van der Veen, te Driezum.
+ Jan H. Veenbaas, Kastelein te Knijpe.
+ J. Veenland, Stud. Litt. Hum. te Rottevalle. g. p.
+ Jhr. Mr. P. B. J. Vegilin van Claerbergen, Lid der Gedeputeerde
+ Staten van Friesland te Joure. 1 ord. en 1 g. p.
+ H. W. van de Velde, Lid van den Grietenijraad van Utingeradeel te
+ Terhorne.
+ S. K. Thoden van Velzen, Predikant te Leeuwarden.
+ Gebr. Vermande, Boekh. te Hoorn
+ N. Burhoven Viëtor, Oud-Artill. Officier, Maire, Schout, Lid der
+ Prov. Staten van Friesland; Assessor van Menaldumadeel, Gepens.
+ Ontvanger der Directe Belastingen, op den huize Oorbijt te
+ Dronrijp.
+ D. Vas Visser, te Amsterdam, g. p.
+ J. Visser, Onderwijzer te Sneek.
+ J. H. Visser, Bakker te Witmarsum.
+ J. A. Visser, Jr., te Heeg.
+ P. A. Visser, Onderw. te Pingjum
+ S. W. Visser, Lid van den Raad van Lemsterland, te Lemmer.
+
+ J. P. van Visvliet, Archivarius der prov. Zeeland, te Middelburg.
+ G. W. Vreede, Hoogleeraar te Utrecht.
+ Dr. A. de Vries, Rustend Predikant te Haarlem.
+ F. Draisma de Vries, Lid van den Raad van Franekeradeel te
+ Achlum.
+ M. de Vries, Hoogl. te Groningen.
+ O. de Vries, Commissionair te Leeuwarden.
+
+ K. de Waard, Boekhandelaar te Groningen.
+ Mr. J. G. van Wageningen, Raadsheer in het Prov. Geregtshof van
+ Friesland te Leeuwarden.
+ Mr. J. H. J. van Wageningen, Secretaris van Baarderadeel te
+ Weidum.
+ M. S. de Wal, Secretaris der stad Leeuwarden.
+ O. P. Waller, Lid van den Raad der stad Leeuwarden.
+ W. C. Wansleven, Boekhandelaar te Zutphen.
+ Mr. C. C. C. Warmolts, Procureur en Wethouder der stad
+ Leeuwarden.
+ R. A. Wartena, Assessor van Rauwerderhem, te Rauwerd.
+ B. A. Wassenaar, Landbouwer te St. Jacobi-Parochie.
+ A. Wassenbergh, Predikant te St. Anna-Parochie.
+ I. Wentholt, Arrondissements Betaalmeester te Alkmaar.
+ Mr. P. ten Behm Wentholt, Regter te Heerenveen.
+ Mr. T. M. Wentholt, Griffier van het Kantongeregt te Harlingen.
+ J. P. van der Werf, Onderwijzer te Peins.
+ H. S. Westerbaan, Bakker te Arum.
+ S. H. Wiarda, Lid van den Raad van Baarderadeel te Bozum.
+ P. van Wicheren Hz., Boekhandelaar te Groningen. 6 ex.
+ Mr. C. Wichers Wierdsma, Grietman van Hennaarderadeel te Wommels.
+ J. H. Wierenga, Onderwijzer te Burum.
+ Mr. A. G. van Velsen Wiersma, Secretaris der stad Harlingen.
+ Harmen K. Wiersma, Landbouwer te Hichtum.
+ H. Wilhelmij, Landeigenaar te Bergum.
+ F. Wilkens, Boekhandelaar te Groningen.
+ N. van Willes, 1e Luit.-Adjudant bij het 3e Regiment Infanterie te
+ Arnhem, voor de Officiers-Bibliotheek. g. p.
+ T. R. Winia, Lid van den Raad van Baarderadeel te Huins.
+ T. S. van de Wint, Houthandelaar te Franeker.
+ Jhr. Mr. J. M. van Haersma de With, Grietman van Oost-Dongeradeel
+ te Metslawier. g. p.
+ H. G. Wittebol, te Leeuwarden.
+ F. J. Witteveen, Medic. Doctor en Lid van den Raad van
+ Lemsterland te Lemmer.
+ J. N. Witteveen, Lid van den Raad van Oost-Dongeradeel te
+ Metslawier.
+ J. A. van Woestenberg, Boekhandelaar te Utrecht.
+ I. Wouters, Lid der Staten van Friesland te Sneek.
+ C. Wouda, Stucadoor en Meubelfabrijkant te Leeuwarden.
+ H. C. Wouda, Wethouder der stad Sneek.
+ Mr. C. Wijbenga, Secretaris van Franekeradeel te Franeker.
+ J. Wijma Jzn. te Leeuwarden.
+ M. Wijt & Zn. Boekhandelaars te Rotterdam.
+
+ Dr. N. Ypeij, Lid van den Raad der stad Leeuwarden.
+ S. Ypeij, Jur. Student te Groningen.
+ J. H. van IJssel, V. D. M. te Hempens, voor het Leesgezelschap.
+ Jan S. IJzenbeek, Koopman te Harlingen.
+
+ A. K. Zandstra, Landbouwer te Langweer.
+ D. H. Zandstra, Landbouwer te Langweer.
+ Dirk Zeper, Wethouder der stad Leeuwarden.
+ H. Zeper, te Leeuwarden.
+ J. Zeven, Onderwijzer te Tjummarum.
+ J. G. de Waldkirch Ziepprecht, te Leiden.
+ J. Zuidema, Onderw. te Oostrum.
+ J. J. Zuidhoff, Onderwijzer te Ee.
+ F. F. van der Zwaag op het Huis ter Noord onder Oudwoude. g. p.
+ W. C. van der Zwaag, Predikant te Dronrijp.
+ P. H. van der Zijl, Landbouwer te Goënga. g. p.
+ Mr. P. Adama Zijlstra, Burgemeester der stad Harlingen. g. p.
+
+
+
+
+TWEEDE NAAMLIJST VAN INTEEKENAREN.
+
+
+ HARE MAJESTEIT DE KONINGIN-MOEDER. g. p.
+
+ J. H. Akkeringa, Doopsgezind Predikant te Workum.
+ S. Algera, Onderwijzer te Spannum.
+ T. Alma, Notaris te Menaldum.
+ E. J. Alta, Secretaris van Barradeel te Sexbierum.
+ Mr. J. P. Amersfoordt, Advokaat te Amsterdam.
+ A. Andreæ, Notaris en Lid der Staten van Friesland, te
+ Beetsterzwaag.
+ Mr. A. J. Andreæ, Oud-Directeur der Registratie en Domeinen te
+ Leeuwarden.
+ Mr. J. H. Beucker Andreæ, te Leeuwarden, voor de
+ Onderwijzers-gezelschappen in het 7e School-district van
+ Friesland.
+ J. A. Anema, te Arum.
+ D. Apon, Koopman te Amsterdam.
+ P. van Asperen, Koopman te Warrega.
+ Mr. C. J. van Assen, Hoogleeraar te Leiden.
+ P. S. Attema, te Leeuwarden.
+
+ J. van der Baan, Onderwijzer te Zaamslag.
+ M. A. J. Bakhuijzen, te 's Gravenhage.
+ J. Barends, Arrondissements-Betaalmeester te Heerenveen.
+ J. B. H. Bax, te Rotterdam, g. p.
+ C. H. Beekhuis, Notaris te Buitenpost.
+ Helm. Beekhuis, Predikant te Austerhaule.
+ H. Beekkerk, Ontvanger der Registratie te Oldeberkoop.
+ J. H. Behrns, te Franeker.
+ E. A. Bekius, te Lieve Vrouwe-Parochie.
+ J. M. Benteijn, Ridder der Militaire W. O. 4e kl., Ontvanger der
+ Registratie enz. te Leeuwarden.
+ Mr. P. J. Teding van Berkhout, te Amsterdam.
+ Bibliotheek der H.H. Officieren van het Instructie-Bataillon te
+ Kampen.
+ Bibliotheek der stad Leeuwarden.
+ Bibliotheek der stad Arnhem.
+ Bibliotheek der Officieren van het 5e Regiment Infanterie te
+ Vlissingen.
+ J. F. Blaauw, Predikant te Rotterdam.
+ J. J. de Blécourt, Notaris te Wildervank.
+ G. P. Bleeksma, Timmerman te Roordahuizum.
+ Mr. J. T. Bodel Nijenhuis, te Leiden.
+ Mr. F. A. van Boelens, Kantonregter te Beetsterzwaag.
+ J. B. de Boer, Predikant te Marrum.
+ M. L. de Boer, Predikant te Berlikum.
+ B. K. Bokma, Gemeente-Ontvanger van Idaarderadeel, te Grouw.
+ A. Bolman, Wijnhandelaar te Warrega.
+ C. J. Bolten, Ingenieur der 1e klasse van den Waterstaat te
+ Leeuwarden.
+ D. W. Bosch Dzn. te Amsterdam.
+ E. F. van den Bosch Pz. Rijks Veearts te St. Anna-Parochie.
+ J. Bosscha, Hoogleeraar te Amsterdam.
+ Mr. P. Bosscha, Hoogleeraar te Deventer.
+ H. T. Bosma, Landbouwer te Smalle-Ee onder Boornbergum.
+ Sake J. Bosma, Mr. Timmerman te Follega.
+ L. G. Bouricius, Arrond.-Directeur van 's Rijks Directe
+ Belastingen, R. N. L. te Utrecht.
+ D. D. Breuning, Lid der Staten van Friesland en Geneesh. te
+ Wolvega.
+ Jhr. J. A. van Brienen van Ramerus, Kapitein, 1e aanw. Ingenieur
+ te Nijmegen.
+ H. Brouwer, Predikant te Oudkerk.
+ S. Brouwer, Geneesheer te Bergum.
+ E. P. Brunger, Notaris en Lid der Staten van Friesland, te Lieve
+ Vrouwe-Parochie.
+ G. Brunia, Ondermeester te Sexbierum.
+ J. J. Buwalda, Med. Doctor te Franeker.
+
+ Jhr. V. V. van Cammingha, Burgemeester van Leeuwarderadeel te
+ Huizum.
+ H. G. Cannegieter, Med. Doctor te Hallum.
+ de Crane d'Heijsselaer, Borgemeester, op 't Hof de Buerstede te
+ Aertselaer, bij Antwerpen.
+
+ D. A. Deinema, Gepensioneerd Kapitein van 't O. Ind. Leger, te
+ Arnhem.
+ H. W. van Doesburg, Surnumerair bij 's Rijks Belastingen te
+ Amsterdam.
+ L. J. Dooper, Landbouwer te Hommerts.
+ Mr. H. I. Baron van Doorn van Westcapelle, Opper-Hofmaarschalk
+ van het Huis des Konings enz. te 's Hage.
+ P. H. Douma, te Hardegarijp.
+ J. Douwes, Predikant te Leens.
+ J. ab Utrecht Dresselhuis, Predikant te Wolfaartsdijk.
+ O. J. Dijkstra, Olieslager te Leeuwarden.
+
+ J. Ebbos, te Amsterdam.
+ P. Epkema, Doctor in de Letteren, te Amsterdam.
+ L. van Essen, Onderwijzer te Wijnjeterp, voor het Leesgezelschap:
+ Behoudt het goede.
+
+ J. L. Faber, Ondermeester te Bolsward.
+ Jhr. A. L. C. Fabricius van Heukelom, Lid der Ridderschap van
+ N.-Holland, te Amsterdam.
+ D. P. Farret, Rustend Predikant te Harlingen.
+ Bauke Feenstra, Opperwachtmeester by 't Regiment Rijdende
+ Artillerie, te Amersfoort.
+ A. Feickens, te Leeuwarden.
+ W. Feikema, Heelmeester te Oosterwolde.
+ A. Feima, Onderwijzer te Leeuwarden.
+ J. A. Feith, Kapitein-Ingenieur te Utrecht.
+ S. W. Fennema, te Bergum.
+ Mr. A. Ferf, Advocaat bij het Provinciaal Geregtshof van
+ Friesland, Ambtenaar bij het O. M., Kanton Bergum en Secretaris
+ der Grietenij Tietjerksteradeel te Bergum.
+ P. Fiers, Onderwijzer te Winsum.
+ J. Folkertsma, Predikant te Koudum.
+ D. Fontein Azn. Steenfabrijkant te Franeker.
+ Dirk Fontein Fz. Zeehandelaar te Harlingen.
+ Mr. J. A. Fontein, Kantonregter te Oudeberkoop.
+ Reiner Fontein, te Franeker.
+ G. R. Fopma, te Mantgum.
+ I. Fredriks, te Wolvega.
+
+ Willem F. Galema, Notariële klerk en Zaakwaarnemer te Marrum.
+ g. p.
+ J. H. van der Goot, Ontvanger te Oosterend.
+ S. H. van der Goot, Doopsgezind Predikant te Berlikum.
+ B. P. Gorter, Wethouder van de gemeente Haskerland te Joure.
+ J. J. Gouma, te Wolvega.
+ A. Gratama, Kassier te Leeuwarden.
+ K. van Someren Gréve, Mr. Steen- en Beeldhouwer te Sneek.
+ P. A. Guldenarm, te Franeker.
+ P. C. G. Guijot, te 's Hage.
+
+ W. Haamstra, Onderwijzer te Oosterwierum.
+ H. B. van der Haer, Lid der Gedep. Staten van Friesland, te
+ Leeuwarden.
+ K. J. R. v. Harderwijk, te Noordwijk-binnen.
+ E. R. Harkema, te Leeuwarden.
+ Cornelis Harmens, Zeehandelaar te Harlingen.
+ N. T. Haverschmidt, Lid van den Gemeente-raad en Apotheker te
+ Leeuwarden.
+ K. Sipkes Heep, Candidaat-Notaris te Holwerd.
+ D. Hekker Jr., Onderwijzer te Amsterdam.
+ G. A. van Hemert, Onderwijzer te Harlingen.
+ J. C. Hemsing, Med. Doctor te Blija.
+ Mr. W. J. Hemsing, Notaris en Secretaris van Gaasterland te Balk.
+ J. A. Hibma, Lid van den Raad van Barradeel te Sexbierum.
+ J. R. Hiddinga, Assessor van Barradeel te Wijnaldum.
+ A. M. Hiemstra, Lid van den Raad van Barradeel, te Klooster
+ Lidlum.
+ L. G. Hilbida, Assessor, waarnemend Grietman van Barradeel, te
+ Tjummarum.
+ J. Hingst, te Amsterdam.
+ J. Hingst, Predikant te Sijbrandaburen.
+ G. T. Hoekstra, te Deinum.
+ S. W. Hoekstra, Candidaat-Notaris te Wommels.
+ Abr. des Amorie van der Hoeven, Theol. Doct. en Professor,
+ Commandeur der Orde van den Nederlandschen Leeuw, Lid en vaste
+ Secretaris der 2e kl. van het Koninkl. Nederl. Instituut, te
+ Amsterdam.
+ W. J. Hofdijk, te Beverwijk.
+ T. Hofkamp, voor de Bibliotheek voor Onderwijzers van het 1e en
+ 2e Distrikt der prov. Groningen.
+ P. J. de Hoop, te Nieuwland.
+ J. E. F. Huguenin, te Franeker.
+ Huydecoper van Nichtevegt, Jur. Cand. te Utrecht.
+
+ K. G. Jensma, Landb. te Hallum.
+ T. Jentink, Pred. te Nieuwland.
+ Simon B. de Jong, te Leeuwarden.
+
+ K. J. Kalma, Lid der Prov. Staten van Friesland te Boxum.
+ O. van Kammen, Koopman te Leeuwarden.
+ H. F. Kamphuijzen, Onderwijzer bij de Kath. Armenschool te
+ Utrecht.
+ Otto Keer, Assuradeur te Amsterdam.
+ Mr. J. M. de Kempenaer, Advokaat te Arnhem.
+ Jhr. Mr. J. de Bosch Kemper, Advokaat-Gener. bij 't Geregtshof te
+ Amsterdam.
+ C. J. Kingma, Koopman te Leer. g. p.
+ I. Klein, Onderwijzer te Nijmegen.
+ C. C. Knoll, te Amsterdam.
+ A. T. Knoop, 1e Luit. bij het 1e Regiment Vesting-Artillerie te
+ Grave.
+ C. Koopmans, Ontvanger van Opsterland, te Beetsterzwaag.
+ H. M. Koopmans, te Lemmer.
+ S. A. Koopmans, Ondermeester te Oldeboorn.
+ T. A. Koopmans, te Beetsterzwaag.
+ S. R. Kuipers, Kastelein te Akkrum.
+
+ M. Th. Laurman, Predikant te Winsum.
+ P. Leendertz, Wzn. voor het Leesgezelschap te Woudsend.
+ Leesgezelschap te Bergum en Oostermeer.
+ Leesgezelschap te Arum.
+ Leesgezelschap: Miscens Utile Dulci, te Leijden.
+ Leesgezelschap: ter Beschaving, te Sneek.
+ Leesgezelschap te Folsgare.
+ Leesgezelschap (Het Geschied- en Letterkundig) te Zwolle.
+ A. van der Leeuw, te Delft.
+ T. Leistra, te Bergum.
+ Mr. D. J. van Lennep, voor de Bibliotheek van het Athenæum
+ Illustre te Amsterdam.
+ A. Rutgers van der Loeff, Predikant te Leiden.
+ W. Lomars, Bakker te Tjum.
+ J. D. Lont, Landbouwer te Hallum.
+ S. Lycklama à Nijeholt, Wethouder der stad Bolsward.
+
+ D. G. Mackay, Predikant te Stavoren.
+ W. Mebius, Predikant te St. Jacobi-Parochie.
+ Mr. G. A. de Meester, Lid der Staten van Gelderland, Advokaat en
+ Secretaris te Harderwijk.
+ Wed. I. Meesters-Tromp, te Steenwijk.
+ H. Meinesz, Ontvanger der Directe Belastingen te Amsterdam.
+ O. Meinsma, Rijks-Ontvanger te Meppel.
+ D. M. Mellema, Lid der Prov. Staten van Friesland en Landbouwer
+ te Oostrum.
+ F. H. Mertens, Stads-Bibliothekaris te Antwerpen.
+ H. Mestdagh, Boekhandelaar te Vlissingen.
+ Mr. L. Metman, Advokaat te 's Gravenhage.
+ J. C. Metzlar, Secretaris van West-stellingwerf te Wolvega.
+ A. H. v. d. Meulen, Koopman te Franeker.
+ Dr. P. A. van Meurs, Docent aan 't Gymnasium te Deventer.
+ J. F. Meijer, Ontvanger van 's Rijks belastingen te Witmarsum.
+ A. J. Mispelblom Beijer, Directeur der Posterijen te Leeuwarden.
+ H. Mohrman, voor het Leesgezelschap: Oefening volmaakt, te
+ Amsterdam.
+ Mr. J. Haitsma Mulier, Burgemeester der stad Bolsward.
+ Mr. T. Mulier, Burgemeester van Wonseradeel te Witmarsum.
+
+ Mr. C. F. F. Rinia van Nauta, Kantonregter van Bergum, te
+ Giekerk.
+ Mr. G. R. Nauta, President bij de Arrond.-Regtbank te Heerenveen.
+ Laurens Nauta, Kweekeling te Groningen.
+ A. R. Nicolai, Geneesheer te St. Anna-Parochie.
+ Johs. Nolledes, Olieslager te Leeuwarden.
+ G. Noordhof, Onderwijzer te Oosterwolde.
+ C. H. Nijdam, te Haskerdijken.
+
+ H. H. Okken, Min. Cand. en Hulpprediker te Bakkeveen.
+ U. P. Okken, Theol. Doct. en Predikant te Solwerd c. a.
+ J. S. Olivier, Secondant te Groningen.
+ A. van Otterloo, Instituteur te Amsterdam.
+ M. D. van Otterloo, Instituteur te Valburg.
+
+ S. van der Paauw, Stads-Architect te Leiden.
+ J. A. Palsma, voor het Leesgezelschap te Vrouwenbuurt.
+ P. K. Pel, Genees- en Heelkundige te Dragten.
+ de Petit, Kolonel van den Generalen Staf, te Arnhem.
+ R. Piekema, Commissaris van Policie der stad Leeuwarden.
+ Mr. G. L. Jansma van der Ploeg, Advokaat te Amsterdam.
+ T. van der Ploeg, Brandspuit- en Brandkast-fabrikant te Grouw.
+ G. Pol, V. D. M. te Baard, voor een Leesgezelschap.
+ Mr. J. Pols, Referendaris te 's Hage.
+ J. Posthuma, Med. Doctor te Dronrijp.
+ B. Prakken, Koopman en Wethouder der Gemeente Oost Stellingwerf
+ te Oosterwolde.
+ A. Winkler Prins, Doopsgezind Predikant te Veendam en Wildervank.
+
+ Mr. F. S. Reiding, Lid der Staten van Friesland en Secretaris van
+ Smallingerland.
+ A. C. Reneman, Wed. Persijn van Nauta, te Leeuwarden.
+ Mr. B. W. van Welderen Baron Rengers, te Leeuwarden.
+ Mr. S. J. van Rhijn, Griffier bij de Arrond. Regtbank te 's Hage.
+ J. K. van Riesen, Koopman te Grouw.
+ P. R. Römer, Geneesheer te Warrega.
+ E. S. Romkes, Assessor van Wijmbritseradeel te Scharnegoutum.
+
+ J. A. Schaaff, Notaris te Stiens.
+ J. Schaafsma, te Harlingen.
+ P. Scheltema, Archivarius der Hoofdstad en van de Provincie
+ Noord-Holland.
+ Mr. G. Schot, Notaris te Franeker.
+ J. M. Schrant, Professor in de Wijsbegeerte en Letteren te
+ Leiden.
+ J. C. Schultz Jacobi, Evang. Luth. Predikant te Rotterdam.
+ Mr. J. G. Schumacher, te Rotterdam.
+ J. Schuijten Hzn., te Dordrecht.
+ N. Sickler, Candidaat-Notaris te Leeuwarden.
+ G. D. Simon, Directeur der Belastingen in Friesland te
+ Leeuwarden.
+ J. D. Simon, Stedelijk Ontvanger te Leeuwarden.
+ M. C. Simon, Med. Doctor te Amsterdam.
+ N. J. Singels, Kostschoolhouder te Leeuwarden.
+ E. J. Sjoukes, te Lutkewierum.
+ J. W. Sluiter, Conrector aan het Gymnasium Erasmianum te
+ Rotterdam.
+ Jhr. Mr. C. J. Speelman, te Bolsward.
+ S. Spree, Ontvanger der Dir. Belastingen te Leeuwarden.
+ Dr. Th. Spree, te Veenwouden.
+ K. Stapensea, Geëmploijeerde ter Secretarie van Menaldumadeel te
+ Menaldum.
+ Jhr. N. J. Steengracht van Duivenvoorde, Hoogheemraad van
+ Rijnland te 's Hage.
+ A. W. Storm van 's Gravesande, te Enschedé.
+ Jhr. van der Straten van den Hill, Lid der Ridderschap van
+ Zeeland, op het huis te Hoorn, onder Rijswijk.
+ C. W. Stronck, Theol. Doctor en Predikant te Dordrecht.
+ Mr. Æ. M. de Swart, Procureur te Leeuwarden.
+ W. Swart, Med. Dr. te Leeuwarden.
+ A. H. Swerms, Beëedigd Klerk te Franeker.
+ J. H. Swildens, Instituteur te Amsterdam.
+ M. Sijbouts, Koopman te Leeuwarden.
+
+ H. Taconis, te Grouw.
+ J. Z. Tadema, Theol. Student te Amsterdam.
+ A. Tak, te Middelburg.
+ Mr. E. H. Tenckinck, Secretaris van Hennaarderadeel te Wommels.
+ Mr. Rein Terpstra, te Cleve.
+ H. N. van Teutem, Litt. en Theol. Doct. Predikant te Rotterdam.
+ H. A. Timmerman, Landbouwer te Munnekeburen.
+ P. J. Tolsma, Lid van den Raad van Barradeel te Almenum.
+ A. H. Tromp, te Woudsend.
+ A. M. Tromp, te Balk.
+ Mr. S. W. Tromp, Procureur en Wethouder der stad Leeuwarden.
+ D. Trompetter, Catechiseermeester te Harlingen.
+ E. van Tuinen, Apotheker te Leeuwarden.
+
+ B. B. van der Veen, Predikant te Eernewoude.
+ Mr. C. J. van der Veen, Lid der Gedeputeerde Staten van
+ Friesland, te Leeuwarden.
+ Mr. Jan van der Veen, Advokaat en Lid der Staten van Friesland,
+ te Leeuwarden. g. p.
+ Jhr. P. E. A. Vegilin van Claerbergen, oud Lid der Gedeputeerde
+ Staten van Friesland, te Blesse.
+ S. L. Vellinga, Deurwaarder te Bergum.
+ A. W. Vermeij, Predikant te Exmorra en Allingawier.
+ Dr. L. G. Visscher, Hoogleeraar te Utrecht.
+ W. W. Visser, Koopman te Gaastmeer.
+ Mr. C. L. Vitringa, Burgemeester en Notaris te Nunspeet.
+ J. J. van Vollenhoven, Predikant te Utrecht.
+ H. W. A. Voorhoeve, te Rotterdam, voor een Leesgezelschap.
+
+ Mr. R. IJ. Warmolts, Advokaat te Leeuwarden.
+ Is. Warnsinck, Architect, Secretaris der 4e kl. van het Kon. Ned.
+ Instituut te Amsterdam.
+ J. H. Warren, Rector van het Gymnasium te Dokkum.
+ B. K. Wassenaar, Landbouwer te St. Jacobi-Parochie.
+ Mej. L. P. Wentholt, te Franeker.
+ J. A. van Weperen, te Oosterwolde.
+ H. van der Werf, Koopman te Bolsward.
+ A. H. Wessels, Pred. bij de Christ. Afgescheidene Gemeente te
+ Rhijnsburg. g. p.
+ Dr. R. Westerhoff, Lid van de Tweede Kamer der Staten Generaal,
+ te Warffum.
+ C. S. Westra, Leerlooijer te Achlum.
+ Jan Westra, Opperwachtmeester bij het Regiment Rijdende
+ Artillerie te Amersfoort.
+ J. W. Weijerman, Hoofd-onderwijzer te Haarlem.
+ P. Wiarda, te Leeuwarden.
+ J. Wildeboer, Onderwijzer te Lekkum.
+ D. H. Wildschut, Theol. Doctor en Predikant te Amsterdam.
+ Mr. S. de Wind, Vice-President van het Prov. Geregtshof in
+ Zeeland, te Middelburg.
+ R. S. van de Wint, Ondermeester in de Stads-Burgerschool te
+ Harlingen.
+ Mr. J. M. de With, Plaatsverv. Kantonregter te Buitenpost.
+ J. B. Wolters, Boekhandelaar te Groningen.
+
+ H. Zaadstra, voor het Leesgezelschap te Oosterlittens.
+ Mr. Jac. Zeper, Koopman te Leeuwarden.
+ C. Zijlstra, Secondant te Barneveld.
+
+[Illustratie: Schetskaart van den WAARSCHIJNLIJKEN TOESTAND van het LAND
+DER FRIEZEN EN HUNNE NABUREN, _omstreeks den aanvang onzer
+tijdrekening_.
+
+_Volgens het ontwerp van Dr J. G. Ottema. Uitgegeven door W. Eekhoff,
+1851. Steendr der Wed. C. Brantsma._]
+
+
+
+
+VERDEELING EN ORDE VAN BEHANDELING.
+
+
+EERSTE TIJDVAK. _Het Oude Friesland._ Van de vroegste tijden of de komst
+der Romeinen in _Friesland_ tot op het einde van den strijd der Friezen
+en Franken onder _Keizer_ KAREL _den groote_. Van 11 jaren vóór CHRISTUS
+tot omstreeks den jare 800 van onze tijdrekening.
+
+TWEEDE TIJDVAK. _Het Vrije Friesland._ Van KAREL _den groote_ of de
+invoering van de Christelijke godsdienst tot op het einde der
+partijschappen tusschen de Schieringers en Vetkoopers en het verlies der
+onafhankelijkheid onder _Hertog_ ALBERT _van Saksen_. Van omstreeks het
+jaar 800 tot 1498.
+
+DERDE TIJDVAK. _Friesland bestuurd namens vreemde Vorsten._ Van de
+aanneming van _Hertog_ ALBERT _van Saksen_ tot Erfpotestaat van
+_Friesland_ tot de Hervorming in Kerk en Staat of de afwerping van het
+Spaansche juk. Van 1498 tot 1580.
+
+VIERDE TIJDVAK. _Friesland onder de Staten en de Stadhouders uit het
+Huis van Nassau._ Van de invoering der Hervorming tot de ontbinding der
+Nederlandsche republiek of de Staats-omwenteling. Van 1580 tot 1795.
+
+VIJFDE TIJDVAK. _Friesland tijdens de Fransche overheersching._ Van de
+Staats-omwenteling en de opheffing van het Stadhouderschap tot de
+herstelling van _Nederland_ en het vertrek der Franschen. Van 1795 tot
+1813.
+
+ZESDE TIJDVAK. _Het Nieuwe Friesland, onder de Koninklijke Regering._
+Van 1813 tot 1850.
+
+
+[Illustratie: BEKNOPTE GESCHIEDENIS VAN FRIESLAND, IN HOOFDTREKKEN;
+DOOR W. EEKHOFF.]
+
+
+
+
+BEKNOPTE GESCHIEDENIS VAN FRIESLAND, IN HOOFDTREKKEN.
+
+_Inleiding._
+
+
+Ons allen is zóó groot een lust tot kennis en wetenschap aangeboren, dat
+niemand kan twijfelen of de menschelijk natuur wordt, zonder uitzigt op
+eenig voordeel, van zelf daar heen getrokken. Algemeen is in het
+bijzonder bij alle volken de neiging, om te willen weten ~wat~ de
+oorsprong is van hun vaderland, ~welke~ merkwaardige gebeurtenissen
+daarin zijn voorgevallen, en ~hoe~ het in den loop der eeuwen tot zijnen
+tegenwoordigen toestand is gekomen.
+
+Deze loffelijke neiging en die vaderlandsliefde worden zeer versterkt,
+als de geschiedenis van dat volk eene eervolle afkomst kan aanwijzen;
+als zij voorstelt uit welke geringe beginselen vaak groote gevolgen zijn
+voortgekomen; maar vooral, wanneer zij aantoont, welke nooden en gevaren
+de voorvaderen al hebben doorgestaan, om dit erf te behouden en te
+verbeteren, en als zij uit den strijd tegen de vijanden des vaderlands
+edele bedrijven en heldendaden kan vermelden, waarin het nageslacht
+zijne eer en zijnen roem stelt.
+
+Dat alles is echter nog niet genoeg: want hoogere waarde voor verstand
+en hart heeft de geschiedenis, als wij daarin nasporen, welke de opkomst
+en ontwikkeling was van het volk en zijne belangen;--als zij ons
+aanwijst, door welke oorzaken, krachten en vermogens de vrijheid, de
+welvaart en andere maatschappelijke voorregten der ingezetenen zijn
+verkregen en vermeerderd, en onder welke omstandigheden zij in kennis en
+verlichting zijn toegenomen; maar bovenal, hoe zij door de Goddelijke
+Voorzienigheid zijn geleid, beschermd en gezegend, om gevormd te worden
+tot een beschaafden burgerstaat, waarvan de leden eene verhevener
+bestemming hebben dan het gedierte des velds.
+
+Weinige volken van _Europa_ kunnen op hoogere oudheid, eervoller afkomst
+en roemrijker geschiedenis bogen dan _de Friezen_. Zeldzaam en
+merkwaardig toch is het voorbeeld van een volk, dat gedurende achttien
+eeuwen zijn naam onveranderd bleef dragen, zijn eigen land bleef
+behouden, en dat zijne vrijheid, volksbestaan, taal, karakter en zeden
+zoo lang mogt bewaard zien. Vele naburige volken zijn gedurende dien
+tijd ontstaan en verdwenen of van naam veranderd--_de Friezen_ handhaven
+hun bestaan, van vóór onze jaartelling af, onafgebroken. Dikwijls
+zijn zij door vreemde legers aangevallen; veelmalen werd hunne
+onafhankelijkheid belaagd en scheen hun ondergang nabij, en
+immer bestookt door den oceaan, welke hen aan bijna alle zijden
+omringt,--moesten zij zich bestendig verdedigen tegen deze magtige
+vijanden, op wie zij, na vele verliezen, fier de overwinning mogten
+behalen. Op lage en moerassige landen en dorre heiden gevestigd, mogt
+het bovendien hunner noeste vlijt gelukken, dit land door dijk- en
+waterwerken te herscheppen in dát vruchtbaar en bloeijend oord, met
+talrijke steden, dorpen en gehuchten als bezaaid, hetwelk thans een der
+sieraden is van _Nederland_.
+
+Hoe pligtmatig is het dus niet voor ons, die, nog den ouden volksnaam
+dragende, de vruchten van dien strijd, inspanning en zorg genieten, en
+de voorregten en genoegens eener geregelde burgermaatschappij hier thans
+mogen smaken, om belang te stellen in de geschiedenis van dit land en
+dat volk. Daardoor toch zullen wij het voorgeslacht vereeren, waaraan
+wij zoo groote verpligting hebben, en kunnen opmerken hoeveel dank wij
+Gode verschuldigd zijn voor de hulp en bescherming, waarmede hij ons
+voorgeslacht boven vele andere volken begunstigde. Die belangstelling
+zal der Friezen nationaliteit en vaderlandsliefde, waardoor zij zich
+steeds blijven onderscheiden, waardig zijn. Zelfs zullen deze nieuw
+voedsel ontvangen door de vermelding van den roem huns lands en de eer
+huns volks. Nimmer echter moge dit in ijdelen volkstrots ontaarden, die
+tot beleediging of minachting van naburen strekt. Neen, de beoefening
+van die geschiedenis worde veeleer een middel tot beschaving, tot eene
+billijke opprijsstelling van de waarde der dingen, tot regtschapenheid
+en grootmoedigheid. Door haar verstandig te lezen en door acht te geven
+zoowel op de oorzaken en omstandigheden als op de gevolgen der daden en
+gebeurtenissen, zal deze bode der verloopene eeuwen de leermeesteres
+worden van onzen leeftijd, en licht verspreiden over onzen toestand. Zij
+zal vooral de eeuwige waarheid luide verkondigen, dat de hoogste
+Wijsheid in edele daden zelve hare belooning, gelijk in slechte daden de
+onvermijdelijke straf der boosheid zelve gelegd heeft. Zij zal ons met
+bemoedigende gevoelens vervullen voor de hoop der toekomst, daar zij
+aanwijst hoe met elk geslacht de toestand, de zeden en de beschaving des
+volks zijn verbeterd. Want waarheid bevat het kort en eenvoudig gezegde
+des dichters:
+
+ _In 't verleden ligt het heden,
+ In het =nu= wat worden zal._
+
+Op die wijze beoefend, zal de geschiedenis voor ons een tafereel zijn
+van Gods leiding met het voorgeslacht; dan zal zij geen bloot
+geheugenwerk, maar een waardig voorwerp van nasporing zijn, omdat zij
+leert uit hetgeen geschied is, en omdat zij den oorsprong verklaart van
+den maatschappelijken toestand, waarin wij ons thans bevinden.
+
+Hoe gaarne zouden wij eene uitvoerig bewerkte Geschiedenis van
+_Friesland_ bezitten, waarin dat alles in bijzonderheden ontwikkeld
+ware! Tot bewerking daarvan schijnt echter de tijd nog niet gekomen te
+zijn, en moeten er vooraf nog vele bijzondere bronnen opgespoord en
+uitgegeven worden. Wij willen echter eene schrede doen op dit
+uitgestrekte veld, door de ~hoofdtrekken~ dier geschiedenis of de
+voornaamste gebeurtenissen kort en eenvoudig te verhalen. Daardoor moge
+voorloopig worden voorzien in eene behoefte, welke velen onzer
+landgenooten gaarne bevredigd zagen; velen, ook in andere provinciën des
+vaderlands, welke vroeger deelen waren van het uitgestrekte Friesche
+rijk, en wier geschiedenis dus zamenvloeit met die, welke wij in de
+hoofdzaak tot de tegenwoordige provincie of het eigenlijk _Friesland_
+moesten bepalen. Hartelijk wenschen wij, dat onze bewerking, die, wegens
+gebrek aan bescheiden, niet in alles volledig kan zijn, eene heldere
+voorstelling moge geven van de hoofdgebeurtenissen, die den schakel der
+geschiedenis vormen.
+
+
+
+
+EERSTE TIJDVAK.
+
+HET OUDE FRIESLAND.
+
+VAN DE VROEGSTE TIJDEN TOT KEIZER KAREL DEN GROOTE.
+
+_Van het jaar 11 voor- tot omstreeks 800 na Christus._
+
+ Ende ist zaecke dat u belieft hier meer af te weeten, zoe bidde
+ ik u, dat ghy neerstelicken wilt overleesen die oude historien
+ van Vrieslant, inden welcken ghy alle dinck breeder ende claerder
+ vertelt zult vinden.
+
+ CORNELIS VAN GREBBER, van _Egmond_.
+ (1198)[1]
+
+ [1] Vermeld in de Aantt. op HOFDIJK'S _Jonker van Brederode_, Amst.
+ 1849, bl. 208.
+
+
+1. _De Afkomst der Friezen._
+
+De afkomst of oorsprong der Friezen schuilt zóó diep in den nacht der
+eeuwen en gaat het historische tijdperk, of de met zekerheid bekende
+geschiedenis van ons vaderland, zóó lang vooraf, dat niemand daaromtrent
+bepaalde berigten kan mededeelen. Het ontbreekt echter niet aan
+gissingen, vermoedens en volksverhalen deswege. Dat zij uit het noorden,
+uit _Scandinavië_ of _Zweden_ en _Noorwegen_ afstammen, wordt evenzeer
+beweerd, als dat zij uit _Azië_ of het oosten afkomstig en dóór
+_Germanië_ getrokken zouden zijn, vóór zij zich hier op deze kustlanden
+vestigden. Anderen houden hen voor een stam der Kimbren; doch volgens de
+jongste onderzoekingen der geleerden, zouden zij afstammen van de Celten
+of Kelten, wier voorgangers (door hen Vóór-Kelten of Vóór-Germanen
+genoemd) in een gedeelte van _Friesland_, het hooggelegene _Drenthe_, de
+stichters waren van de reusachtige ~Hunebedden~ of opeengestapelde
+steenbrokken, welke gedurende zoo vele eeuwen voorwerpen van bewondering
+zijn geweest[2]. Ook in _Gaasterland_ is in 1849 een dergelijk Hunebed,
+steengraf of kelder beneden den hoogen boschgrond ontdekt, bestaande uit
+eene massa zware steenbrokken, waar tusschen vuursteenen wiggen,
+urnscherven, houtskool enz. werden gevonden; een gedenkstuk der oudheid
+uit den vóór-historischen tijd, toen de bewoners dezer landen het
+gebruik van de metalen nog niet kenden[3].
+
+ [2] Uitvoerig handelt daarover Dr. G. ACKER STRATINGH in zijne _Aloude
+ Staat en Geschiedenis des Vaderl._ Gron. 1849, II 44, 88, 108. Zie
+ verder over de afkomst der Friezen de Voorrede van het 1e dl. van het
+ _Vriesch Charterboek_; YPEIJ, _Geschiedenis van de Ned. Taal_, Gron.
+ 1812, I 126, 150, II 106; FOEKE SJOERDS, _Beschrijving van Friesl._,
+ Leeuw. 1765, I 277; _Oudheden en Gestichten_, I 1, 38, II 337; Dr. L.
+ J. F. JANSSEN, _Drenthsche Oudheden_, 17, 167.
+
+ [3] Na een naauwkeurig onderzoek heeft de geleerde oudheidkenner Dr.
+ L. J. F. JANSSEN daarvan een uitvoerig verslag aan het Friesch
+ Genootschap medegedeeld, hetwelk geplaatst is in _de Vrije Fries_,
+ 1850, V 338.
+
+Meer geloof verwierf echter het volksverhaal, dat FRISO, eens Konings
+zoon uit _Indië_, na den dood van ALEXANDER _den groote_ uit zijn
+vaderland verdreven, zich met zijne broeders SAXO en BRUNO en vele
+anderen te scheep begeven hebbende, 313 jaren vóór onze tijdrekening met
+eene vloot in _Friesland_ zou aangeland zijn. Hij wordt gehouden voor
+den stichter van _Stavoren_, voor den bevolker van dit land en alzoo
+voor den stamvader der Friezen, die van hem hun naam ontleenden, gelijk
+de Saksers en Brunswijkers den hunnen van zijne broeders zouden
+ontvangen hebben.
+
+Het valt zeer moeijelijk te beslissen, in hoe ver dit aloude
+volksverhaal waarheid bevat. Toen het omstreeks veertien eeuwen later in
+de landskronyken werd opgenomen, werd het blijkbaar in den vorm en naar
+de denkwijze van dien tijd voorgesteld, versierd en uitgebreid, en
+daaraan eene gansche rij van Vorsten verbonden, die Prins FRISO in het
+bestuur van _Friesland_ zouden opgevolgd zijn[4]. Bestendig is dit
+verhaal het voorwerp geweest van geschil tusschen vele geleerden, die
+het bestreden en verdedigd hebben. De dichter WILLEM VAN HAREN heeft het
+zelfs tot onderwerp gekozen van een voortreffelijk heldendicht[5].
+
+ [4] Zie het _Tijdrekenkundig Overzigt van de Friesche Vorsten,
+ Opperhoofden, Koningen, Stadhouders_ enz., en de daar vóór geplaatste
+ inleiding, achter de _Aanteekeningen_ als Tweede _Bijlage_
+ medegedeeld, ter bekoming van een algemeen overzigt van de opvolging,
+ duur van regering en voornaamste feiten dezer personen.
+
+ [5] _Gevallen van Friso, Koning der Gangariden en Prasiaten_, Amst.
+ 1741, 8^o. De tweede omgewerkte druk verscheen in 1758 in 4^o. De
+ mindere waarde van dezen laatsten druk heeft Dr. J. H. HALBERTSMA
+ uitvoerig aangetoond in zijne _Fragmenten over het geslacht der van
+ Harens_, bl. 100, 137.
+
+Er bestaan nog meerdere verhalen en meeningen omtrent den oorsprong der
+Friezen, doch allen zijn even twijfelachtig, als de verklaringen van den
+naams-oorsprong[6]. Waarom zouden wij niet liever bekennen, dat de
+hooge oudheid ons verhindert deswege eenige zekerheid te bekomen, en dat
+er ~weinige~ trekken bekend zijn uit de eerste kindschheid der
+levensgeschiedenis onzer natie? Meer zeker is het echter, dat zij een
+der talrijke volksstammen waren van het uitgestrekte _Duitschland_ of
+_Germanië_. Doch volkomen zeker is het, dat zij hier reeds gevestigd
+waren, deze lage landen zich reeds tot eene bewoonbare plek gemaakt- en
+zich over eene groote landstreek uitgebreid hadden, toen de Romeinen, 11
+jaren vóór onze tijdrekening, voor het eerst in deze landen kwamen. De
+geschiedschrijvers van dat volk, wier werken wij bezitten als de eerste
+bronnen der geschiedenis van _Nederland_, maken melding van hen. Hoe
+lang zij toen reeds hier gewoond hadden, is onzeker, en, wegens gebrek
+aan kennis van de tijdrekenkunde en schrijfkunst bij dit volk, ook
+nimmer na te sporen.
+
+ [6] Zie de opsomming daarvan in VAN LEEUWEN'S Aantt. op _It aade
+ Friesche terp_, Leeuw. 1834, 291; VAN RIJN'S Aantt. en Nabericht op de
+ _Oudheden en Gestichten van Vriesland_, Leiden 1723, I 88, II 357;
+ YPEIJ, _Gesch. v. d. Ned. taal_, I 150; de Voorrede van het _Stamboek
+ van den Frieschen Adel_, Leeuw. 1846, bl. II; ACKER STRATINGH, II 108
+ en bij vele anderen.
+
+
+2. _De omvang en toestand van het Oude Friesland._
+
+Het gansche noordelijk gedeelte van _Nederland_, hetwelk thans de
+provinciën _Friesland_, _Groningen_ en _Drenthe_, benevens een deel van
+_Overijssel_, _Noord-Holland_ en de Zuiderzee uitmaakt, was, bij den
+aanvang van onze tijdrekening, ~het land der Friezen~. De rivier de Eems
+aan de oostzijde, en de Reker of Kinhem (bij _Alkmaar_), aan de
+zuidwestzijde, waren de grenzen van dit land[7]. Daar tusschen bevond
+zich het groote meer Flevo, met verscheidene grootere en kleinere
+rivieren, welke uit de hoogere oostelijke en zuidelijke streken door dit
+lagere land stroomden, om zich uit te storten in de Noordzee. Het waren
+de IJssel, de Vecht en het Flie, de Middelzee of het Boorndiep, de
+Lauwers, de Hunse, de Aa, de Fivel en andere stroomen, die alle, meest
+in noordelijke rigting, den bodem kliefden, vele beken en meren in zich
+opnamen, en zich een weg gebaand hadden door de duinen. De rij dezer
+door de natuur tegen de woede des oceaans opgeworpene zeeweringen was
+daardoor verbroken. De Noordzee had daardoor meer gelegenheid bekomen op
+deze landen in te breken. Haar geweld sloeg nu eerlang het voorland en
+daarna een groot deel der duinen zelve weg, waardoor de zeegaten
+vermeerderd en verbreed werden en de eilanden ontstonden. Zoo had dit
+land eeuwen lang te strijden met het geweld van stormen en vloeden, die
+hier groote stukken gronds wegrukten, daar den bodem deden aanwinnen,
+elders zandruggen en heuvels opwierpen, en de lagere landen met slib
+overdekten, waardoor de kleigronden zijn ontstaan.
+
+ [7] Zie over den loop dier rivieren de hierbij gevoegde _Schets_ en
+ _Aanteekening 1_. Die thans weinig meer bekende en verdwenen rivier de
+ ~Richara~, de ~Reker~ of ~Kinhem~, waarvan _Kennemerland_ zijn naam
+ draagt, welke voor den noordelijksten Rijnmond wordt gehouden, die
+ zich langs _Alkmaar_ bij _Petten_ in de Noordzee stortte, was destijds
+ van veel belang, en verdient hier vooral opgemerkt te worden, dewijl
+ zij als latere grensscheiding in de geschiedenis dikwijls voorkomt.
+ SCHOTANUS, _Beschrijv. end Chronijck_, opdr. en 301, Fran. 1655, noemt
+ haar: "de stroom Alckmaere of Almere, welcke Frieslandt ende Hollandt
+ dies tijdts scheydde." Zie daarover vooral HUYDECOPER op MELIS STOKE,
+ I 515; VAN DEN BERGH, _de Nederl. Wateren_, in NIJHOFF'S _Bijdragen_,
+ VII 208; ACKER STRATINGH, I 197 en OTTEMA, in _de Vrije Fries_, IV
+ 110; W. J. HOFDIJK noemt in zijn _Kennemerland_, 1850, 33: "het
+ _Reeker-wed_, of wadde, (een doorwaadbare, ondiepe waterboezem) die
+ zich van beneden _Koedijk_ tot aan de _Syper_ golf uitstrekte: alzoo
+ eene natuurlijke grens vormende tusschen _West-Friesland_ en 't
+ noordelijkst einde van _Kennemerland_." Zie ook het Jaarboekje:
+ _Holland_, 1851, bl. 175.
+
+De zamenstelling van de tegenwoordige oppervlakte van _Friesland_ levert
+bij onderzoek nog vele kenmerken op van hare oorspronkelijke vorming. Op
+een zandbodem rustende, bevat zij vele overblijfselen uit den
+eeuwenlangen geweldigen strijd van aarde, water en wind, welke na tijden
+van beroering in rust gekomen schijnen te zijn. Die bezinkingen en
+laagsgewijze opeenstapelingen getuigen van een woesten water-arbeid en
+door elkander werking van zand, veen, klei en gemengde stoffen,
+waarnevens zoo vele sporen zijn van groote watergangen, kolken en meren.
+Plaatselijke omstandigheden deden hier poelen en lagere streken, elders
+hooge gronden met kleiruggen ontstaan, waarnaar de stroomen hunne
+rigting verkregen. Zelfs is het waarschijnlijk, dat het water in
+_Friesland_ binnen de duinen eertijds boven de eb der Noordzee stond,
+doch van lieverlede is gedaald na het doorbreken van de duinen en het
+ontstaan van de eilanden, waardoor de gelegenheid tot afvoer van het uit
+het zuiden aanstroomende water gunstiger werd. Door die meerdere geulen
+en uitstroomingen kwam de stand van het binnen- met het buiten-water
+meer in evenwigt; een grooter gedeelte van den Frieschen grond kwam
+boven en werd bewoonbaar. Beurtelings gaf en nam zoo de Noordzee,
+waarmede dit kustland steeds in bestendigen strijd was. Door het dalen
+van den waterspiegel op Frieslands bodem verkregen de eertijds breede
+stroomen een grens en wallen, en kwamen de slijkruggen te stade, èn als
+waterkeeringen tegen de voortdurende overstroomingen, èn als
+woonplaatsen, welke door het ophoogen tot terpen eerlang de
+bewoonbaarheid vermeerderden van een land, dat eeuwen later voor het
+eerst door geregelde, hoewel nog zwakke, zeeweringen werd omgeven[8].
+
+ [8] Met genoegen heb ik bij deze globale voorstelling gebruik gemaakt
+ van denkbeelden over den oorspronkelijken toestand der omstreken van
+ _Sneek_, door den Heer J. F. BAKKER, Stedelijk Ontvanger te _Sneek_,
+ onlangs medegedeeld aan de Tweede Afdeeling van het Friesch
+ Genootschap.
+
+
+3. _De Oude Friezen._
+
+Omstreeks het begin onzer jaartelling werd dit land bewoond door _de
+Friezen_, welke destijds reeds in twee stammen verdeeld waren, waarvan
+de _Groote Friezen_ ten oosten en de _Kleine Friezen_ ten westen van den
+Fliestroom woonden. De eerste hadden de Cauchen ten oosten, de laatste
+de Frisiabonen, Caninefaten, Batavieren, Marsaten en andere stammen ten
+zuiden, tot naburen[9]. De gezinnen, familiën en horden, welke dezen
+Germaanschen volksstam uitmaakten, hadden welligt reeds lang een
+zwervend herdersleven geleid, vóór zij zich vestigden op deze
+kustlanden, waar de natuur toen anders nog weinig aanlokkelijks had. Zoo
+ver het oog reikte, bestond toch de bodem meest uit waterige landen of
+schorren, welke, allerwege doorsneden met killen, meren en poelen,
+dagelijks bij elk getij onderliepen. Nog vertoonde het land eene woeste
+natuur, eene onvruchtbare oppervlakte. Lang bleven de noordelijke, in
+de nabijheid der zee gelegene, landen zoo laag en moerassig, dat de
+Friezen met hun vee ze enkel des zomers konden bewonen. Zij waren alzoo
+verpligt in het najaar de hooger gelegene, min vruchtbare, doch
+veiliger zandstreken en wouden van _Gaasterland_, _Opsterland_, de
+_Stellingwerven_ en _Drenthe_ op te zoeken, ten einde daar te
+overwinteren.
+
+ [9] Omtrent de oorden, door die volksstammen bewoond, zie men de
+ vermelde _Schetskaart_.
+
+Doch ten gevolge der veelvuldige overstroomingen van de zee werden de
+noordelijke landen van tijd tot tijd met een vetten kleibodem overdekt
+en verhoogd. Die meerdere vruchtbaarheid van den grond boven die der
+zandstreken lokte hen uit, zich daar meer te vestigen. Aan groote
+gevaren stelden zij zich echter daarbij bloot, dewijl zij immer met de
+hooge vloeden der zee hadden te kampen. Daarom wierpen zij op hooge
+plaatsen, meest in de nabijheid van de kust der Noordzee en der
+Middelzee, met gemeenschappelijke krachten die talrijke heuvels of
+terpen op, welke nog in _Friesland_, _Groningen_ en elders onze
+bewondering verdienen. Op deze wijkplaatsen of vliedbergen, welke van
+tijd tot tijd verhoogd werden en waarin ze ook de aarden lijkbussen
+hunner afgestorvenen begroeven[10], sloegen zij hunne woningen op. Nog
+waren dit slechts hutten van takken, rijswerk en leem zamengesteld.
+Hunne kleeding bestond nog in eene beestenvacht, welke zij om hunne
+forsch gebouwde leden heensloegen. Als in een natuurstaat leefden zij
+hoogst eenvoudig. Eerst waren het vischvangst en jagt, vervolgens
+veefokkerij en landbouw, welke in hunne weinige behoeften voorzagen, en
+hun de noodzakelijkste huishoudelijke voorwerpen verschaften. Onder den
+invloed van goede zeden, werden zij bestuurd door de oudsten der
+gezinnen en des volks, die tevens voorgangers of priesters waren bij de
+vereering van de heidensche Goden, aan welke zij op geheiligde plaatsen
+en in bosschen godsdienstige eer bewezen en de offers hunner
+dankbaarheid toebragten.
+
+ [10] Zie _Oude Friesche Wetten_ in de Aantt. van P. WIERDSMA, 95, en
+ verder bl. 277, 278 en 295 van het 1e dl. mijner _Geschiedkundige
+ Beschrijving van Leeuwarden_, waar meerdere bijzonderheden en bronnen
+ zijn vermeld, welke ik hier zeker niet behoef te herhalen.
+
+Zeker was het een krachtig en moedig volk, dat zich, in weerwil van zoo
+vele moeiten en gevaren, zulk een oord tot eene geschikte woonplaats
+wist te bereiden. Doch niet zelden ziet men een volk, begaafd met
+oorspronkelijke deugden, door aanhoudende inspanning zijner vermogens,
+van de ongenade der natuur wenschelijker vruchten trekken dan van hare
+liefelijkste weldaden. Reeds hadden zij in dit afgezonderd oord lang
+gewoond, en waren ze talrijk en magtig geworden, toen eene belangrijke
+gebeurtenis eene groote verandering in hunnen toestand te weeg bragt.
+Zij kwamen voor het eerst in aanraking met een vreemd en beschaafd volk.
+
+
+4. _Der Friezen verbond met- en opstand tegen de Romeinen. (11 jaren
+voor- en 28 na Christus.)_
+
+Het was den Romeinen niet genoeg, reeds vele volken van het oosten
+overwonnen- en ook _Gallië_ (_Frankrijk_), _België_, de Batavieren en
+andere Germaansche stammen aan zich onderworpen te hebben. Met
+onbegrensde zucht tot uitbreiding van hun gebied, wilden zij, na den
+Rijnstroom als eene versterkingslinie met legerplaatsen bezet te hebben,
+ook de rustige volken van het noordelijk _Germanië_ ten onder brengen.
+Het was hun veldheer DRUSUS, die (11 jaren voor den aanvang onzer
+tijdrekening) met dat oogmerk den Rijn afzakte, en, met zijne schepen
+langs het land der Friezen trekkende, dit volk voor het eerst leerde
+kennen. Hij onderwierp het in zoo verre aan het Romeinsche gezag, dat
+hij een verbond van vriendschap met hen sloot, waarbij zij beloofden,
+jaarlijks een zeker getal ossenhuiden aan de Romeinen op te brengen.
+
+Getrouw voldeden de Friezen aan deze belofte, en bleven daardoor in
+goede verstandhouding met de Romeinen, die, om de zee te vermijden,
+verscheidene kanalen in dit land groeven ter verbinding van de rivieren,
+waarover hunne vlooten daarna vele malen door _Friesland_ stevenden.
+Maar, toen in het jaar 28 van onze jaartelling een wreede landvoogd,
+OLENNIUS, met de invordering van die schatting belast was, eischte hij
+eene grootere soort van ossenhuiden, dan zij konden leveren. Tegen zulk
+eene baatzuchtige handelwijze verzette het volk zich eerst niet. Doch,
+toen hij voortging hen te kwellen, en zich zelfs van hunne bezittingen,
+vrouwen en kinderen meester maakte,--toen stonden de Friezen tegen de
+Romeinen op en begonnen zij den regtvaardigsten strijd. Met al de woede
+van een getergd volk vielen zij op hunne onderdrukkers aan, versloegen
+de Romeinsche krijgsknechten, en belegerden hun bevelhebber, die in de
+sterkte _Flevum_, gevlugt was. Te vergeefs werd dit kasteel door de
+moedige, doch in de krijgskunst nog onbedrevene Friezen aangevallen.
+Weldra kwam nu een ander Romeinsch krijgshoofd, APRONIUS, met eene
+talrijke magt ruiters en keurbenden tot ontzet opdagen. Doch het volk
+trok ook deze nieuwe vijanden te gemoet, met zulk een gelukkig gevolg,
+dat zij op verschillende punten deels teruggedreven, deels verslagen
+werden; terwijl op éénen dag bij een gewijd bosch, _Baduhenna_ geheeten,
+900 en op eene andere plaats 400 Romeinen door de handen der getergde
+Friezen den dood vonden.
+
+Deze nederlaag kostte zoo vele Romeinen, en daaronder vele dappere
+oversten, het leven, dat de tijding daarvan Keizer TIBERIUS ontzette,
+hoewel hij de schade ontveinsde, omdat hij het niet durfde wagen de
+schande zijner wapenen te wreken. De Romeinsche Geschiedschrijver, die
+deze gebeurtenis verhaalt, voegt er bij: _Sinds dien tijd werd de
+Friesche naam vermaard onder de Germanen._ (Zie _Aant. 2_.)
+
+Sedert hebben de Romeinen de Friezen ongemoeid gelaten; ook later deden
+zij geene poging, om zich over deze nederlaag te wreken. Wèl kwam
+twintig jaren daarna hun veldheer CORBULO hier op nieuw, om eene
+bezetting in _Friesland_ te leggen, doch spoedig ontving hij van Keizer
+CLAUDIUS bevel, om over den Rijn, als de grens des rijks, terug te
+trekken.
+
+Roemrijk was alzoo deze overwinning van een klein en afgelegen volk op
+de wereld-dwingende Romeinen, die gewoon waren altijd te zegepralen en
+nooit eene nederlaag te lijden, en die der Friezen naburen, de Cauchen
+en Batavieren, nog zoo lang al de zwaarte der Romeinsche overheersching
+deden gevoelen. Het was destijds een even zeldzaam als merkwaardig blijk
+van heldenmoed en vrijheidsmin, hetwelk den Friezen een eervollen rang
+bezorgde in de geschiedenis der volken. Indien alle voorvallen uit de
+vroegste geschiedenis van een volk, gelijk uit de kindsche jaren van een
+groot man, belangrijk zijn, als middelen ter hunner ontwikkeling en
+volgende grootheid, dan is dit hier vooral het geval. Vandaar het
+schoone gezegde van onzen Frieschen dichter WILLEM VAN HAREN:
+
+ _O Dapperheid! o Deugd! Tot nog toe zag de zon
+ Geen volk, welks heerschappij zóó zegerijk begon.--
+ Ziedaar, hoe dat een volk, nog niet verwijfd van zeden,
+ Het onregtvaardig doel zeeghaftig kan weêrstaan
+ Van die de handen durft aan zijne Vrijheid slaan!_[11]
+
+ [11] Even als de volgende dichtregelen, uit het vermelde heldendicht
+ _Friso_.
+
+
+5. _De Gevolgen van der Friezen verkeer met de Romeinen._
+
+Voorzeker is het altijd eene groote ramp voor een volk, zijne
+onafhankelijkheid te verliezen, en veroverd of verdrukt te worden door
+eene andere en vreemde natie. Evenwel kunnen zulke rampen in de uitkomst
+dikwijls in zegeningen verkeeren, als ze in de hand van God middelen
+zijn tot ontwikkeling en vordering in beschaving. In bestendigen vrede
+rustig op zich zelf staande, blijft een volk veelal lang in den zelfden
+toestand, zonder ongemeene inspanning van krachten, welke alleen
+vooruitgang kan bevorderen. Doch verkeer en strijd met andere volken,
+die reeds lang hooger stonden in kennis en beschaving, was dikwijls eene
+leerschool tot verbetering van den maatschappelijken toestand. Daarom is
+het zoo belangrijk de ~gevolgen~ na te gaan van elke groote gebeurtenis
+en ook van deze.
+
+Zoolang de Friezen als in den natuurstaat verkeerden, waren hunne
+behoeften gering en hunne kleeding, woningen en levenswijze zeer
+eenvoudig. De Romeinen, die eene grootsche stad bewoonden, en ook in het
+oosten de weelde van onderscheidene volken mogten leeren kennen, hadden
+veel meerdere behoeften, welke zij ook hier zoo veel mogelijk wilden
+bevredigd zien. Zij werden dus de leermeesters der Friezen in het
+verbeteren van hunne woningen, huishoudelijke zaken, kleeding, spijzen
+enz. Deze voorzagen de Romeinen van levensmiddelen, en ruilden daartegen
+van hen allerlei voorwerpen in, ook tegen gemunt geld, zoodat er handel
+ontstond, mede met naburige volksstammen. Want ook het aanleggen van
+wegen en het verbeteren van de gemeenschap te water leerden zij van de
+Romeinen, wier talrijke vlooten, herhaalde malen door hun land
+trekkende, hun een denkbeeld gaven van scheepsbouw en scheepvaart. Vele
+zaken leerden zij kennen, waarvan zij vroeger geen begrip hadden, vooral
+ook het ijzer en andere metalen, die spoedig tot de noodzakelijkste
+behoeften behoorden.
+
+Nadat hun vee een voorwerp van handel was geworden, vond de veefokkerij
+groote aanmoediging. Doch van uitstekende waarde was de dienst, welke de
+Romeinen hun bewezen, in het verbeteren en uitbreiden van den akkerbouw,
+en door hun werktuigen en gereedschappen te verschaffen, om hier koren
+te bouwen, dat tot dusverre voor de legers veelal uit _Brittannië_ werd
+gehaald. Dit was van gewigtigen invloed. Doch niet slechts als
+levensmiddelen en voorwerpen van handel gaven de veldvruchten
+voordeelen. De bearbeiding van den grond gaf aan meerdere handen werk.
+Die grond verkreeg grootere waarde. De eigendom werd gevestigd. De
+bezitter werd meer gebonden aan de hoeve, die hij bebouwde, dan vroeger,
+toen hij dáár henen trok, waar hij de beste weiden voor zijn vee vond.
+De gehechtheid aan dien grond en aan het vaderland werd versterkt,
+zoodat de opofferingen ligter vielen, om dat land eerlang tegen de
+herhaalde overstroomingen der zee door dijken te beveiligen, waarmede de
+Romeinen elders reeds een aanvang maakten. In één woord: de eerste
+aanleiding tot nijverheid en handel, tot welvaart en maatschappelijke
+vereeniging, tot onderling leven en verkeer, en tot eenige meerdere
+kennis en beschaving, werd verkregen of bevorderd ten gevolge van het
+verkeer met de Romeinen. (_Aanteekening 3._)
+
+De ramp, welke de Friezen door het verlies van hunne onafhankelijkheid
+scheen te treffen, werd hun alzoo tot zegen, en tot eene oorzaak van
+verbetering en uitbreiding van hunne middelen van bestaan en tot
+ontwikkeling van hun verstand en bekwaamheden. Zoo leert de
+geschiedenis dikwijls de waarheid van de woorden des dichters:
+
+ _Des Hemels God, schoon Hij der menschen dwaasheên duldt,
+ Laat door het Kwaad somtijds het Goede zijn vervuld,
+ En, spottend met den weg van zwakke stervelingen,
+ Doet uit hun dwaasheid zelf wel nut en heil ontspringen._
+
+
+6. _Der Friezen Afgezanten te Rome. (59)_
+
+Een opmerkelijk voorval strekt ons ten bewijze, dat de Friezen, ondanks
+het voorgevallene, goede Bondgenooten van de Romeinen waren gebleven.
+
+Eenige bouwlanden, aan de boorden van den Rijn gelegen, en aan de
+Romeinsche soldaten ten gebruike afgestaan, waren een tijdlang onbebouwd
+gebleven en daarom door de Friezen ingenomen en gebruikt geworden. De
+bevelhebber van _Neder-Germanië_ beval hun echter deze oorden te
+verlaten. Hieruit ontstond een geschil van zóó veel belang, dat de
+Friezen het wel der moeite waardig achtten, twee hunner opperhoofden,
+door de Romeinen VERRITUS en MALORIX genoemd, ten jare 59, tot hen te
+zenden, ten einde hunne belangen aan Keizer NERO voor te dragen. Zij
+reisden naar _Rome_; doch vóór zij gehoor bij den Keizer konden bekomen,
+bragt men hen in den schouwburg van POMPEJUS. De eenvoudige Friezen
+begrepen weinig of niets van de voor hen vreemde schouwspelen. Onder de
+menigte toeschouwers bemerkten zij evenwel eenige personen in uitheemsch
+gewaad, die op de hooge zetels van de Romeinsche Raadsheeren waren
+gezeten. Op hunne vraag, wie dat waren, ontvingen zij tot antwoord, dat
+het gezanten waren van volken, die bekend stonden, in dapperheid, trouw
+en vriendschap jegens de Romeinen uit te munten, en aan wie dáárom deze
+eer werd bewezen. »Geen volk onder de zon overtreft de Friezen in
+dapperheid en trouw," antwoordden VERRITUS en MALORIX, en, hunne
+plaatsen verlatende, zetten zij zich ongenoodigd naast de vermelde
+gezanten neder. Zij gaven daardoor een blijk van fierheid en volkstrots,
+zoowel als van zelfstandigheid en eergierigheid; eigenschappen, welke te
+allen tijde kenmerken van der Friezen aard en karakter zijn gebleven. De
+wellevende Romeinen merkten daarin opregtheid en loffelijken naijver op;
+zelfs de wreede Keizer NERO duidde hun deze handelwijze niet ten kwade:
+want, ofschoon hij hun verlangen, om de in bezit genomene gronden te
+behouden, niet kon toestaan, schonk hij hun beide het Romeinsche
+burgerregt, als een uitnemend eerbewijs[12].
+
+ [12] TACITUS, _Jaarboeken_, 13, 310. Dat hunne namen in het Friesch
+ GERRIT en MURK waren, zoo als YPEIJ, I 161, wil, is waarschijnlijker
+ dan de meening van WINSEMIUS, 24, dat ze van het geslacht HERMANA en
+ CAMMINGHA zouden geweest zijn. Familienamen en Wapens schijnen hier
+ toch eerst omstreeks den tijd der kruistogten in de 11e eeuw te zijn
+ aangenomen.
+
+
+7. _Uitbreiding van Friesland. (240-455)_
+
+Het verkeer met de Romeinen had niet enkel der Friezen behoeften
+vermeerderd, maar ook hunne zucht opgewekt, om hun land te vergrooten.
+Het vorige verhaal geeft reeds een blijk hoe grooten prijs zij op
+landbezit stelden ten behoeve van hunnen akkerbouw, en hoeveel moeite
+zij zich gaven, om hun gebied uit te breiden. Eene groote verandering in
+den toestand veler volken van _Europa_ gaf eerlang aanleiding, om die
+zucht voedsel te geven en te bevredigen. Want de Romeinen, nadat zij
+eenmaal ten top van grootheid en magt waren gestegen, verzwakten onder
+hunne laatste slechte en heerschzuchtige Keizers, en vielen in den haat
+der volken, welke zij lang verdrukt hadden. Deze waren intusschen
+magtiger geworden, en ondersteunden ook elkander, om _Rome_ tegenstand
+te bieden. Zoo verleenden de Friezen omstreeks den jare 70 hulp aan
+hunne zuidelijke naburen de Batavieren, hoewel deze niet zoo gelukkig
+slaagden, als zij vroeger, in de afschudding van het Romeinsche juk.
+Meer andere stammen trachtten zich allengs van _Rome_ los te scheuren;
+bovendien vielen ook vele uit het oosten aanrukkende volken op het
+Romeinsche rijk aan. Eerlang had dit eene algemeene volksverhuizing ten
+gevolge.
+
+Opmerkelijk was vooral in het midden van de derde eeuw het verbond van
+een aantal volken, tusschen den ~Rijn~, de ~Noordzee~, de ~Elbe~ en de
+~Main~ woonachtig. Onder den naam van _Franken_ of Vrijen was hun doel
+het herwinnen van hunne onafhankelijkheid, door het verdrijven van de
+Romeinen uit deze streken; alsmede om zich-zelven te vestigen in hun
+gebied, vooral in het meer vruchtbare _Gallië_. Dit doel gelukte hun na
+langen strijd, en de naam van het tegenwoordige _Frankrijk_, dat zij
+veroverden, draagt daarvan nog getuigenis.
+
+Eerst namen de Friezen deel in dit verbond; doch zij waren te gehecht
+aan hun eigen land, om dit te verlaten, en zich aan de kansen van een
+twijfelachtigen strijd te wagen. Liever maakten zij van deze algemeene
+beweging gebruik tot het uitbreiden van hunne eigene grenzen, waartoe
+hun zoo gunstige gelegenheid werd aangeboden. »Het vuur der vrijheidsmin
+ontvlamde de Friezen niet minder dan de Franken. Door deze hun
+aangeboren zucht voor vrijheid boden zij telkens, wanneer zij door
+andere volken werden aangevallen, met weergâloozen moed, een
+onverzettelijken tegenstand, en gebeurde het niet zelden, dat zij, hunne
+vijanden overmannende, dezelve aan zich cijnsbaar maakten, in de meening
+van door de aanvallen op hen gedaan, daartoe volkomen regt te hebben.
+Werkelijk hebben zij in dit tijdperk veroveringen van dien aard op hunne
+naburen gemaakt, waardoor hunne heerschappij zich allengs tot eene
+groote uitgestrektheid heeft uitgezet"[13]. Zuidwaarts breidden zij zich
+alzoo over den ~Rijn~ en de ~Maas~ tot aan het ~Zwin~ of het ~Sincfal~,
+een zeeboezem in _West-Vlaanderen_, uit[14], en oostwaarts over de
+~Eems~ tot den ~Wezer~ of zelfs verder, welke laatste streken door de
+Cauchen en andere stammen waren verlaten[15]. Evenzoo deden de Saksers,
+welke de landen ten oosten en zuiden daarvan in bezit namen, en soms in
+verbond traden met de Friezen. Tusschen de jaren 240 en 455 bekwam het
+Friesche rijk alzoo eene groote uitgestrektheid langs de kust der
+~Noordzee~, bevattende alstoen een gedeelte van het tegenwoordige
+_Vlaanderen_, _Zeeland_, _Holland_, _Utrecht_, _Gelderland_,
+_Overijssel_, _Friesland_, _Groningen_, _Drenthe_, _Oost-Friesland_,
+_Oldenburg_ enz., met de landen, later door de ~Zuiderzee~ ingenomen.
+Ten gevolge van al die verhuizingen waren er dus in het midden der
+vijfde eeuw in het noordwestelijk gedeelte van _Europa_ drie magtige
+vrije volken gevestigd: de _Franken_, de _Friezen_ en de _Saksers_.
+(_Aanteek. 4._)
+
+ [13] YPEIJ, _Geschiedenis der Nederl. Taal_, I 150.
+
+ [14] Het ~Zwin~, oudtijds het ~Sincfal~ en later het ~Hazegat~
+ geheeten, komt in vele oude wetten en geschriften als de toenmalige
+ grens van _Friesland_ voor. Het is de eertijds breedere inham en haven
+ der stad _Sluis_ benoorden _Brugge_, welke _nog_ de grensscheiding
+ tusschen _Nederland_ en _België_, of tusschen het vaste land van
+ _Zeeland_ en _West-Vlaanderen_ uitmaakt. BLOMMAERT in zijne _Aloude
+ Geschiedenis der Belgen_, Gent 1849, 20, en VAN DEN BERGH in NIJHOFF'S
+ _Bijdragen_, VII 282, spreken uitvoerig over dezen grensstroom, die
+ zich tot _Damme_ uitstrekte, en in de 13e eeuw eene der voornaamste
+ havens niet slechts dezer landen, maar van gansch _Midden-Europa_ was.
+ Zie ook ACKER STRATINGH, I 114 en de kaart; DRESSELHUIS, _de Provincie
+ Zeeland_, 76 enz.
+
+ [15] Sommige schrijvers zeggen zelfs stellig: "tot over de Elve en dus
+ tot op de grenzen van _Denemarken_." Zie JOH. A LEIDIS _Chronicon_,
+ lib. II cap. 15; VAN LOON, _Aloude Regeeringwijs van Holland_, I 106,
+ enz.
+
+
+8. _Der Friezen togt naar Brittannië. (449)_
+
+Tegen het midden der vijfde eeuw werden de Britten, de oorspronkelijke
+bewoners van _Brittannië_ of het tegenwoordige _Engeland_, zeer ontrust
+door de Pikten en Schotten, die het noordelijk deel des lands in bezit
+genomen hadden. Tegen hunne overmagt niet bestand, hadden zij van hen
+reeds aanzienlijke verliezen in goed en bloed geleden. Van de Romeinen,
+die voorheen hen dikwerf tegen die volken beschermd hadden, maar nu van
+het eiland reeds vertrokken waren, konden zij geen bijstand meer
+verwachten. Zij zagen dus rond naar andere hulp, en meenden die het best
+te kunnen vinden bij hunne oostelijke naburen op het vaste land: de
+_Neder-Saksers_, die toen de Vlaamsche en een gedeelte der Fransche kust
+bewoonden en aan de scheepvaart en het zeeleven gewoon waren; de
+_Anglen_ en _Warners_, die zich aan de monden van den Rijn, Maas en Waal
+gevestigd hadden en de _Friezen_, die het verdere kustland bezaten.
+Volken, die zich meermalen ter bereiking van hunne bedoelingen
+verbonden; terwijl de Friezen, als de magtigste dezer stammen, zich
+daarna over een groot deel van het gebied der eersten uitbreidden.
+
+Als dappere en ondernemende volken bekend, namen zij, vol van strijdlust
+en tuk op roem en buit, gaarne de gelegenheid waar, om een zwakken
+nabuur, waarmede zij reeds lang in handelsbetrekking stonden, tegen
+zijnen sterkeren vijand bijstand t bieden. Welhaast staken zij dan op
+achttien schepen met hunne weerbare manschap over, onder bevel van twee
+kloeke krijgshelden, HENGIST en HORS geheeten, en boden der Britten
+Koning VORTIGERN hunne dienst aan. Spoedig zochten zij diens vijanden
+op, en mogt het hen in een roemrijken veldslag gelukken, de Pikten en
+Schotten te overwinnen, door ze deels te verslaan, deels te verdrijven.
+
+Doch dit inroepen van vreemde hulp (altijd zoo hoogst gevaarlijk) kwam
+den Koning duur te staan. Want die benden der Friezen, Anglen, Warners
+en Neder-Saksers, belooning eischende voor hunnen bijstand, werden door
+de vruchtbaarheid des lands zoodanig bekoord, dat zij in het beste
+gedeelte des rijks zich met der woon vestigden en eerst hunne vrouwen en
+kinderen en daarna nog velen hunner landgenooten tot zich lieten
+overkomen. Jaren lang duurde deze verhuizing van het vaste land naar het
+eiland voort. Eindelijk ontstond er tusschen hen en de Britten een
+hevigen strijd, waarin zij de zege mogten behalen. Nu werd de Koning
+gevangen genomen, vele aanzienlijken verloren het leven, de overigen
+namen de vlugt, en HENGIST, weldra bezitter van geheel _Kent_, werd tot
+Koning verheven, onder wien deze stammen zich hier verder vestigden en
+uitbreidden. De oude Britsche volksstam vestigde zich deels diep in de
+gebergten van _Wallis_, deels in het tegenwoordige _Brétagne_ in
+_Frankrijk_, waar hunne oorspronkelijke taal en zeden nog het langst
+bewaard bleven. Want de Angelsaksische en Friesche taal, zeden en
+gebruiken werden, met den veranderden volksnaam, in _Engeland_
+ingevoerd. Hoezeer ze in latere tijden veranderd en door vreemde woorden
+en vormen verbasterd zijn, is derzelver overeenstemming met de taal, de
+zeden en gebruiken der Friezen nog in onze dagen een bewijs van de
+vroegere onderlinge vermenging dezer volken, ten gevolge van dezen togt
+in het midden der vijfde eeuw. (Zie _Aanteekening 5_.)
+
+
+9. _De strijd der Friezen tegen de Franken._
+
+Sedert de verdrijving van de Romeinen en den ondergang van het
+Westersche keizerrijk waren de in _Gallië_ gevestigde _Franken_ magtig
+geworden. Eerlang bleek het, dat de veroveringszucht der Romeinen nu op
+hen was overgegaan. Zij konden niet dulden, dat de Friezen en Saksers
+zich over hunne vroegere landstreken hadden uitgebreid. Hunne
+heerschzucht had nieuw voedsel bekomen sedert hun Koning KLOVIS de
+Christelijke godsdienst had aangenomen (496): want de zucht, om deze
+leer te verspreiden en onder de heidensche volken voort te planten, werd
+nu voor hem en zijne opvolgers een voorwendsel bij hunne krijgstogten
+ter uitbreiding van hun gebied. Zij werden daartoe aangespoord door eene
+magtige Geestelijkheid, die hen ondersteunde, in de hoop dat zij het
+Westersche keizerrijk in nieuwe kracht zouden herstellen, en de eenheid
+en luister der Kerk bevorderen. Eerst dwongen zij de Friezen, zich tot
+den Rijn terug te trekken; daarna wilden zij hen noodzaken de
+Christelijke godsdienst aan te nemen, en eindelijk, wraak nemende wegens
+de door hen geledene nederlagen, trachtten zij Friezen en Saksers beide
+geheel te overwinnen en aan het Frankische gezag te onderwerpen.
+
+Die twee strijdbare volken sloegen nu met eene edele vrijheidszucht
+somtijds de handen in-een, tot onderlinge hulp en tegenstand. Met
+afwisselende kans werd die bloedige strijd gestreden. En met welk eene
+dapperheid zij hunne vrijheid en godsdienst verdedigden en dikwijls
+geduchte legers wederstonden--dit blijkt uit de langdurigheid van dien
+krijg, daar beide volken eerst na verloop van ruim drie eeuwen voor de
+overmagt bezweken. Vandaar, dat zij door hun gedrag in dien oorlog
+grooten roem bij andere volken verwierven.
+
+»Die strijd gedurende zoo vele eeuwen gestreden tusschen Franken en
+Friezen, tusschen Christendom en Heidendom, gevoerd door het zwaard der
+vorsten en het woord der geestelijken, geëindigd door de zegepraal des
+Christendoms en de kracht van KAREL _den groote_, maar niet tot oneer
+der overwonnenen,--die strijd verdient wel onze belangstelling, om zijne
+belangrijkheid en zijn invloed op de volgende geschiedenis des
+vaderlands. Het is een schoon schouwspel, te zien hoe een edel en dapper
+volk kampte en streed voor zijne zelfstandigheid en, hoe het, ook na die
+worsteling, haar wist te bewaren en te handhaven."[16]
+
+ [16] _De strijd der Friezen en Franken. Eene voorlezing door_ Jhr. Mr.
+ B. J. L. DE GEER, Utrecht 1850, bl. 6.
+
+De voornaamste bijzonderheden van dien strijd willen wij mededeelen bij
+de vermelding van
+
+
+10. _De pogingen der Franken ter invoering van de Christelijke
+Godsdienst in Friesland. (630-800)_
+
+In een geheel ander licht doet zich de strijd der Friezen tegen de
+Franken voor, als wij dien meer uit een godsdienstig dan staatkundig
+oogpunt beschouwen; als wij in de veroveringszucht der Franken een
+middel zien, hetwelk Gods wijsheid bezigde, om de Friezen aan de
+duisternis des heidendoms te onttrekken en hen in den zegen des
+Christendoms te doen deelen. Schijnbaar zouden zij die leer des
+evangelies, welke liefde en vrede verkondigt en de beschaving aller
+volken bedoelt, spoediger hebben aangenomen, als zij hun niet was
+opgedrongen door trotsche vijanden, die, met het zwaard in de vuist, hen
+van hunne dierbaarste panden, van vrijheid en godsdienst te gelijk
+wilden berooven. Groot waren deze beletselen bij de ruwheid en onkunde,
+welke nog algemeen heerschten. Neen, het verwondert ons niet, dat het
+toen reeds verbasterde Christendom zoo weinig ingang kon vinden bij een
+fier en krachtig volk, nog bezield door het Germaansch beginsel van
+liefde voor godsdienst en vrijheid, van haat tegen vreemde
+overheersching, en dat het zoo lang het uiterste beproefde, om zijne
+zelfstandigheid te bewaren.
+
+Rustig en vrij toch leefden de Friezen tusschen Schelde en Wezer in de
+6e eeuw, door hunne vorsten naar eigene instellingen en gewoonten
+bestuurd, door hunne dapperheid geacht en door toenemend handelsverkeer
+verbonden met hunne naburen,--totdat de aanvallen der Franken hen
+opriepen ter verdediging van den vaderlandschen grond. De minst bevolkte
+en afgelegene zuidelijke streken konden dezer overmagt op den duur niet
+weêrstaan. Na langen strijd werden zij ingenomen, en der Friezen gebied
+tot den Rijn bepaald. Van toen af stelden de Franken pogingen in het
+werk, om het Christendom bij de Friezen in te voeren. Het was hun Koning
+DAGOBERT I, die ten jare 630 te _Wiltenburg_ of _Utrecht_ eene eerste
+Christenkerk liet bouwen. Deze voormalige Romeinsche legerplaats, aan
+Rijn en Vecht zoo gunstig voor den handel gelegen, werd nu het
+middelpunt, zoowel van den strijd als van de verspreiding der nieuwe
+leer.
+
+De Geestelijkheid, die ten doel had, om in het westen van _Europa_ door
+de Franken een Christelijken Staat te stichten, zond nu weldra den
+ijverigen prediker ELIGIUS herwaarts, om onder de heidensche Friezen het
+evangelie te verkondigen. Hij werd daarin niet verhinderd door den
+vreedzamen Koning der Friezen ADGILD I, die zelfs den bisschop WILFRIED,
+op deze kusten gestrand, in bescherming nam tegen den Frankischen vorst
+EBROIN, en hem toeliet hier te onderwijzen en te doopen. Aan hem bleek
+het, dat vele Friezen minder afkeerig waren van het Christendom dan van
+de Franken.
+
+Een geheel andere geest bezielde zijn zoon en opvolger RADBOUD I. Den
+Franken vijandig, maakte hij van de zwakheid der opvolgers van DAGOBERT
+gebruik, om de verlorene landstreken te herwinnen en _Utrecht_ weder te
+bemagtigen. De daar gestichte St. Thomaskapel werd verwoest, en der
+Friezen vrijheid, grondbezit en godsdienst in luister hersteld (680).
+
+Eerst na verloop van twaalf jaren kwam echter PEPYN _van Herstal_ met
+een magtig Frankisch leger herwaarts, om dat verlies te herstellen. Dit
+gelukte hem, daar hij de landen bezuiden den Rijn weder veroverde, en,
+na hardnekkigen tegenstand, RADBOUD eene nederlaag toebragt bij
+_Dorestad_, het latere _Wijk bij Duurstede_, toenmaals de stapelplaats
+van den Frieschen handel (692). Hij dwong RADBOUD, zich te onderwerpen
+en de vrije prediking van het evangelie te gedoogen. Daartoe
+ondersteunde en beschermde hij den geloofsverkondiger WILLEBRORD, in
+_Engeland_ geboren, doch van afkomst aan de Friezen verwant en met hunne
+taal bekend[17]. Deze toch scheen zeer geschikt, hier de nieuwe leer
+voort te planten. Daarom werd hij in 696 te _Rome_ tot Aartsbisschop der
+Friezen gewijd. Eerst nadat de tegenstand van RADBOUD andermaal door
+PEPYN was overwonnen (697), gelukte het WILLEBRORD, te _Utrecht_ op
+nieuw eene kerk te bouwen, die later de zetel van dit Bisdom werd.
+IJverige pogingen werden er nu aangewend, om door onderwijs en prediking
+en door het stichten van bedehuizen op sommige plaatsen, van
+_Vlaardingen_ af tot _Heilo_ toe, het Christelijk geloof uit te breiden.
+Zij bleven echter meest tot den omtrek van _Utrecht_ bepaald, dewijl de
+ontoegankelijkheid der afgelegene noordelijke streken van _Friesland_ de
+algemeene verbreiding moeijelijker maakte.
+
+ [17] De stam- en taalverwantschap der Engelschen en Friezen
+ begunstigde zeer de pogingen dier Evangelie-predikers uit _Engeland_,
+ waar het Christendom reeds vroeg ingang vond en de zucht algemeen was,
+ om het ook onder de Heidensche volken uit te breiden. Zie ook
+ _Aanteekening 5_.
+
+ * * * * *
+
+Die algemeene invoering was ook vooreerst nog niet mogelijk, zoolang de
+onverzettelijke RADBOUD het Christendom zoo vijandig bleef. Naauwelijks
+was PEPYN in 714 gestorven, of hij vat de wapenen tegen der Franken
+gezag weder op, verdrijft hunne zendelingen uit zijn gebied, en verwoest
+de kerken, of geeft ze der voorouderlijke godsdienst terug (716). Hij
+trekt voort tot _Utrecht_ en verjaagt daar WILLEBRORD en zijne
+geestelijken, die de vlugt nemen naar _Trier_. Ook _Dorestad_ valt in
+zijne handen, en, daardoor weder meester van den Rijn, waagt hij het
+zelfs met zijn leger langs dien stroom naar _Keulen_ op te varen, waar
+PLECTRUDE, PEPYN'S weduwe, zich bevond. Daar behaalt hij op het
+Frankische leger onder KAREL MARTEL eene volkomene overwinning, verwoest
+de omliggende streken en keert met grooten buit beladen naar zijn rijk
+terug.
+
+»Is het wonder (zegt een geacht geschiedschrijver), dat bij dergelijke
+tooneelen, waarin de opkomende geslachten telkens eene oefenschool
+vonden voor onversaagdheid, en vervuld werden met het gevoel van eigene
+krachten, de geest van heldenmoed en van onafhankelijkheid, den
+_Frieschen_ landaard zoo bijzonder eigen, bevestigd en versterkt werd?
+Is het wonder, dat de deugden, aan woeste volken eigen, bij de Friezen
+lang gepaard bleven met de sporen der aloude ruwheid?"[18] En zulks te
+meer, omdat de Friezen, te gelijk met de Franken, in de Noormannen en
+Denen nog woester en gevaarlijker vijanden hadden te bestrijden,
+waartegen zij eeuwen lang een woedenden krijg voerden.
+
+ [18] J. BOSSCHA, _Neêrl. Heldendaden te land_, Leeuw. 1834, I 22.
+
+Reeds in het volgende jaar (717) kwam KAREL herwaarts, om over de
+geledene nederlaag eene geduchte wraak te nemen. In een hevigen strijd,
+aan den Rijn bij _Utrecht_, gelukt het hem op zijne beurt de overwinning
+te behalen op RADBOUD, die op nieuw genoodzaakt wordt het Frankische
+gezag te erkennen en de verkondiging van het evangelie toe te staan. Hij
+zelf zou toen beloofd hebben het Christendom aan te nemen. Doch toen de
+Bisschop WULFRAM hem daartoe te _Medemblik_, zijn zetel, den doop
+plegtig zou toedienen, en hij op zijne vraag, waar zijne Heidensche
+voorouders zich bevonden, tot antwoord ontving, dat deze, als
+ongeloovigen, verdoemd waren, trok hij zijn voet uit de doopvont terug,
+verklarende, liever met zijn voorgeslacht in Wodans zalig Walhalla dan
+met den geringen hoop Christenen in den hemel te willen zijn. Kort
+daarna stierf hij, in 719, hoog bejaard. Met groote standvastigheid en
+ijver had hij den strijd volgehouden tegen Franken en geestelijken.
+Geene nederlagen hadden hem ontmoedigd, maar hij was getrouw gebleven
+aan het doel zijns levens: de verdediging van der Friezen godsdienst en
+onafhankelijkheid.
+
+Zijn opvolger ADGILD II was even vredelievend als de eerste vorst van
+dien naam. Terwijl WILLEBRORD de Utrechtsche kerk in luister herstelde
+en zijne zendelingen overal uitzond, om de leer des kruises te
+verkondigen, liet hij de vrije prediking toe. Hij kon echter niet
+verhinderen, dat in het noorden of het hart van _Friesland_, waar het
+heidendom nog zijne meeste aanhangers telde, eene nieuwe poging werd
+gedaan tot verdrijving van de Franken en hunne zendelingen. Daarom kwam
+KAREL MARTEL in 726 en op nieuw in 736 met een leger in dit vroeger
+minder bezochte gedeelte van het Friesche rijk; in het laatstgenoemde
+jaar zelfs met eene vloot, welke de Middelzee inviel, aan wier boorden
+hij een bloedigen slag leverde, waarin ook der Friezen veldheer POPPO
+sneuvelde, terwijl Koning ADGILD van hartzeer daarover stierf. Door het
+vernietigen van tempels, godenbeelden en gewijde bosschen zocht men nu
+in _Oostergoo_ en _Westergoo_ het heidendom te verdelgen, en door
+prediking de nieuwe leer te planten. Doch te vergeefs: want zulke
+geweldige middelen waren meer geschikt om den wrok tegen de Franken in
+de harten des volks te voeden, dan het te winnen voor eene leer,
+waarvoor het nog onvatbaar was, en van wier hooge waarde en heiligheid
+het weinig blijken zag in de handelingen zijner vijanden. Dáárom werden
+de heiligdommen weldra hersteld en de Christenen verdreven. Zij werden
+daarin ondersteund door den laatsten hunner Koningen RADBOUD II, een
+even groot voorvechter van het heidendom en tegenstander van de Franken
+als zijn voorzaat van dien naam. Of deze RADBOUD een Fries was, dan wel
+een Deensch vorst, die het land met geweld veroverd had, ook om de
+Franken het voortdringen te beletten, is nog hoogst onzeker. De
+toestand, waarin het volk nu weder verkeerde, bewoog den edelen Bisschop
+BONIFACIUS, die reeds zoo lang in _Friesland_ en _Duitschland_ het
+evangelie had verkondigd, in 755 op nieuw naar het noordelijk gedeelte
+van het Friesche rijk te trekken. Krachtig door zijn vromen zin en
+geholpen door vijftig togtgenooten, onderwijst en predikt hij alom, rigt
+verwoeste kerken weder op en verzamelt en ondersteunt de verstrooide
+Christenen. Bij _Dokkum_ gekomen, staat hij op nieuw gereed te prediken,
+toen hij onverhoeds door eene bende heidensche Friezen wordt aangevallen
+en met de zijnen vermoord. Met christelijke lijdzaamheid offerde hij
+zich op aan de zaak, waaraan hij zijn leven had gewijd. Doch ook zijn
+bloed zou het zaad worden, waaruit de bloei der kerk ontsproot.
+
+ * * * * *
+
+Het Friesche rijk was destijds verdeeld in drie hoofdstammen. De
+~eigenlijke Friezen~, de kern van den ouden volksstam, woonden in het
+midden, tusschen de rivieren de ~Reker~ of ~Kinhem~ en de ~Eems~. Alle
+landstreken bezuiden de ~Reker~ (den vroeger vermelden Rijnmond bij
+_Petten_, benoorden _Alkmaar_), welke de Friezen van tijd tot tijd
+veroverd hadden, stonden het meest aan de aanvallen der Franken ten
+doel, en werden het eerst van het Friezen-verbond afgerukt, welligt
+reeds ten gevolge der veroveringen van PEPYN ~van Herstal~ in 692 en
+697, of van KAREL MARTEL in 715.
+
+De meest afgelegene en later aangewonnen landstreken, beoosten de rivier
+de ~Eems~ (_Oost-Friesland_, _Oldenburg_ enz.), weêrstonden het langst
+de magt der Franken, doordien zij zich met hunne naburen de Saksers tot
+tegenstand verbonden hadden, en in de ondernemingen en lotgevallen van
+dezen deelden.
+
+De ~oorspronkelijke Friezen~, tusschen de ~Reker~ en de ~Eems~ (een
+gedeelte van _Noord-Holland_, _Friesland_, _Groningen_, _Drenthe_ enz.
+bewonende), waarover RADBOUD II regeerde, stonden dus op zich zelve
+tegenover de Franken. Bij de vorderingen, welke de verkondiging van het
+Christendom van lieverlede gemaakt had, vooral tijdens de prediking van
+den vromen Bisschop BONIFACIUS, zagen velen hunner in, dat alle
+tegenstand op den duur vruchteloos zou zijn. Doch hun Koning bleef zich
+met kracht tegen de evangelieleer verzetten. De moord van BONIFACIUS,
+zoo men wil op aanstoken van RADBOUD geschied, bragt echter weldra eene
+groote verandering te weeg: want vele aanzienlijke, reeds bekeerde,
+Friezen vereenigden zich nu met de Franken, om dien moord te wreken. En
+toen RADBOUD, om staande te blijven in zijn gezag, de hulp inriep van
+WITIKIND, het opperhoofd der Saksers, wier woeste benden de Christenen
+hier gruwelijk vervolgden,--toen werden de Friezen zóó afkeerig van
+hunnen Koning, dat zij de ~bescherming~ inriepen van den Koning der
+Franken, op wiens komst RADBOUD naar _Denemarken_ vlugtte en de Saksers
+naar hun land terugtrokken (775).
+
+Die Koning der Franken was KAREL, eerlang _de groote_ bijgenaamd, wegens
+zijne voortreffelijke eigenschappen, grootsche ontwerpen en stoute
+daden, doch vooral wegens zijn voortreffelijk rijksbestuur en zorg voor
+de uitbreiding van het Christendom. Na den dood van zijn vader PEPYN _de
+korte_ (768) en van zijn broeder KARLOMAN (771) was hij meester geworden
+van geheel _Frankrijk_, dat hij vervolgens met het rijk der Longobarden,
+een gedeelte van _Spanje_, _Beijeren_ enz. vergrootte. Gaarne verleende
+hij zijne ~bescherming~ aan een volk, dat zijne achting had verworven
+wegens de dapperheid, waarmede het de aanvallen zijner voorgangers zoo
+láng had wederstaan, en dat nu eindelijk vrijwillig bereid was, aan een
+hunner hoofdvoorwaarden, de aanneming van de Christelijke godsdienst, te
+voldoen. Vanhier, dat hij, bij verdrag als ~Beschermheer~ van dit volk
+aangenomen, tot hetzelve in eene geheel andere betrekking kwam en het
+geheel anders behandelde dan volken, welke hij ~overwon~ of
+~veroverde~, gelijk het geval was met de Oost-Friezen en Saksers, die
+hij eerst in 804, na herhaalde en geweldige aanvallen, welke steeds den
+hevigsten tegenstand ondervonden, aan zijn gezag onderwierp[19]. (Zie
+ook bl. 47.)
+
+ [19] De algemeene bronnen van dit tijdvak zijn natuurlijk de Kronyken
+ van SCHARLENSIS, 1597, WINSEMIUS, 1622 en SCHOTANUS, 1658, alsmede
+ FOEKE SJOERDS, _Friesche Jaarboeken_, 1768, I; _Tegenw. Staat van
+ Friesland_, 1785, I; WAGENAAR, _Vad. Historie_, 1749, I; CERISIER,
+ _Gesch. der Ned._, 1781, I, 24, 29, 82-136; GAILLARD, _Geschied. van_
+ KAREL _den grooten_, 1785, I 225, II 32 enz.; WESTENDORP, _Jaarboek_,
+ Gron. 1829, 1-97; VAN LEEUWEN'S _Kronyk der vrije Friezen_, 1834,
+ 1-59, benevens de belangrijke Aanteekeningen daarop, enz. Omtrent de
+ bijzondere bronnen van dit laatste gedeelte, zie men _Aanteekening 6_.
+
+De vrucht van dezen langen en bloedigen strijd was alzoo de invoering
+van het Christendom, het licht der wereld, de bron van ware verlichting
+en beschaving, hetwelk overal, waar het is doorgedrongen, door de kennis
+van het Hoogste Wezen en van den Heiland der wereld, eene weldadige
+verandering in de denkwijze, gezindheden en zeden der volken heeft te
+weeg gebragt. Was die kennis in den beginne nog gebrekkig; was de
+eeredienst reeds verbasterd en bleven er lang verkeerde voorstellingen
+heerschen,--toch vereeren wij deze belangrijke gebeurtenis, welke zoo
+uitgestrekte gevolgen had, als de grondslag, waarop in volgende eeuwen
+werd voortgebouwd tot verspreiding van kennis en licht, en tot heiliging
+van ons geslacht door geloof, hoop en liefde.
+
+
+
+
+TWEEDE TIJDVAK.
+
+HET VRIJE FRIESLAND.
+
+VAN KEIZER KAREL DEN GROOTE TOT HERTOG ALBERT VAN SAKSEN.
+
+_Van omstreeks het jaar 800 tot 1498._
+
+
+11. _De Friezen tijdens Karel den groote._
+
+Na het eindigen van den strijd met de Franken en de vervanging van het
+Heidendom door het Christendom, was er een nieuw tijdperk van volksleven
+en ontwikkeling voor de Friezen aangebroken. Vrede en verzoening
+tusschen beide volken was daarvan het eerste gevolg. De langdurigheid
+van dien strijd levert reeds een bewijs op, dat de Friezen destijds
+talrijk, strijdbaar en vermogend waren. Er zijn vele blijken over, dat
+er toen onder de ingezetenen welvaart bestond, ten gevolge van landbouw,
+veeteelt en visscherij, wier voortbrengselen door handel en scheepvaart
+onder de naburen verspreid werden. _Utrecht_, _Duurstede_, _Tiel_,
+_Stavoren_, _Dokkum_ en andere plaatsen, aan den uitloop van
+onderscheidene rivieren op deze noordwestkust van _Europa_ gunstig
+gelegen, worden als handelsplaatsen vermeld, Reeds vroeg waren de
+Friezen als stoute zeevaarders vermaard. Ook langs den Rijn dreven zij
+handel met _Keulen_, en hadden zich mede te _Ments_ gevestigd, Zelfs
+waren er handwerken of fabrijken, die hier bloeiden, zoo als de
+lakenweverijen, welke eene zware wollen stof of duffel vervaardigden,
+nog _Fries_ genoemd, waarvan gekleurde en fraai bewerkte mantels werden
+gemaakt, die groote vermaardheid hadden en naar onderscheidene landen
+verzonden werden. Door Keizer KAREL werden op hooge feesten zulke
+~Friesche Mantels~ als kostbare geschenken uitgedeeld. (_Aanteekening
+7._)
+
+ * * * * *
+
+Van de drie hoofdstammen des Frieschen volks mogten alzoo de eigenlijke
+Friezen, wonende tusschen de ~Reker~ en de ~Eems~, het voorregt smaken,
+hunne vrijheid en onafhankelijkheid behouden te hebben, en, onder eigene
+wetten en opperhoofden, hunne eigendommen gerust te bezitten. Dit
+voorregt, waardoor zij zich _Vrije Friezen_ noemden, genoten zij boven
+hunne vroegere stamgenooten en naburen bij uitnemendheid. Want deze
+laatste waren door KAREL overwonnen, en stonden, naar het regt des
+oorlogs dier dagen, onder de vrije beschikking des Keizers, die
+onderscheidene gedeelten van dit eigendom opdroeg of wegschonk aan zijne
+Leenmannen, welke van de diep onderworpene inwoners cijns, schot, lot en
+heeren-diensten naar goedvinden vorderden. Zij behandelden deze als
+lijfeigenen en slaven, aan den grond verbonden. De invoering van de
+instellingen der ~Leenregering~ volgde toch overal, waar de Franken zich
+vestigden. Zwaar heeft dat ~Leenstelsel~ gedurende vele eeuwen op de
+meeste volken van _Europa_ gedrukt, en de ontwikkeling van welvaart en
+kennis verhinderd. Dit lot hebben deze Friezen niet ondergaan; zij zijn
+in het bezit hunner eigendommen, vrijheden en voorregten gebleven; en
+deze hadden voor hen hoogere waarde, omdat hunne naburen daarvan
+verstoken waren. Zij _eerbiedigden_ den Keizer van het Duitsche Rijk wel
+als Beschermheer, doch zij _gehoorzaamden_ hem niet als gebieder, die
+het regt had over hun land, personen en eigendommen te beschikken;
+terwijl zij voor die bescherming jaarlijks gaarne eene geringe schatting
+aan het Rijk opbragten. Die Vrijheid hebben zij te allen tijde als hun
+oorspronkelijk volksregt, waarop zij bijzonder gezet waren, gehandhaafd.
+Met regt kon dus HELMERS hen noemen:
+
+ _De Friezen, waardig 't bloed, waaruit zij zijn gesproten,
+ Aan wie de vrijheid met de melk is ingegoten._
+
+ * * * * *
+
+KAREL _de groote_ verdeelde het Friesche rijk nu in een aantal
+landschappen, waarover hij Graven en Schouten aanstelde; de andere
+bestuurders, opperhoofden en regters werden door het volk gekozen. In
+het tegenwoordige _Friesland_ ontstonden alzoo de Gouen of Graafschappen
+_Oostergoo_, _Westergoo_, _Stavoren_ en een deel van _Islegoo_. Ook hier
+voerde hij de rijkswetten of capitularia in, doch met behoud van de
+Friesche wetten, volksregten en gewoonten, welke hij in schrift liet
+brengen en naar de behoeften des volks en in verband met de rijkswetten
+wijzigde. Ten aanzien der vrijheid, (in tegenoverstelling der
+hofhoorigheid of leenroerigheid der andere volken) waren de voornaamste
+bepalingen dier wetten: dat de vrije Fries persoonlijk vrij en aan geen
+heer onderworpen was, zoodat hij kon gaan, werwaarts hij verkoos; dat
+hij ter verdediging van zijn land wel tot de volkswapening verpligt was,
+doch niet kon gedwongen worden, om buiten de grenzen zijns lands ten
+strijde te trekken; dat hij zijne bezittingen en ouderlijk erf vrij en
+onbelast bezat, en geene schatting behoefde te betalen, waarin hij zelf
+niet had toegestemd; dat hij onder de oude voorvaderlijke wetten en
+gebruiken leefde, waarvan de uitvoering was opgedragen aan overheden,
+regters en ambtlieden, door de vrije keus des volks benoemd enz. De
+volks-overleveringen voegen hier bij, dat de Keizer hun bij deze nog
+meerdere voorregten schonk, uithoofde de Friesche krijgsbenden hem
+vrijwillig bijstand verleenden op zijne krijgstogten in _Spanje_ (778),
+tegen de Wilten aan de Oostzee (789), tegen de Avaren aan den Donau
+(791), en vooral op den togt ter verovering van _Rome_ (809), tot
+herstel van Paus LEO in zijn gezag, bij welke gelegenheid de Friezen hun
+vaandel op Romes hoogsten burg zouden geplant hebben. (_Aanteek. 8._)
+
+Bij zoovele blijken van achting en onderscheiding jegens de Friezen
+voegde Keizer KAREL ter goeder ure de invoering, vestiging en
+bescherming van de Christelijke Godsdienst, als eene weldaad van hooge
+waarde. Onderscheidene predikers en zendelingen kwamen in _Friesland_
+het evangelie verkondigen. Al de inrigtingen van het heidendom werden
+zoo veel mogelijk verwijderd of vervangen, en op den grond der
+heidensche tempels en offerplaatsen christen-kerken en scholen gebouwd.
+De kerk van _Utrecht_ werd bij hare bezittingen bevestigd, en in gezag,
+rijkdom en aanzien uitgebreid. Geen vreemdeling, maar THEODARD, een
+Fries, werd daar als Bisschop aan het hoofd der Friesche geestelijkheid
+gesteld; gelijk aan WIJHO, LUDGER en HILDEGRIM, uit Frieschen stam, ter
+belooning van hunne ijverige evangelie-prediking, door KAREL bisdommen
+in _Saksen_ werden opgedragen.
+
+
+12. _Invloed der Franken en der vestiging van het Christendom._
+
+Groot waren gewis de gevolgen van de algemeene aanneming der
+evangelieleer. De redelijke geest der landzaten, zoo lang gedrukt door
+de duisternis des heidendoms, werd door een nieuw en weldadig licht
+beschenen, waardoor het leven eene hoogere beteekenis verkreeg. Niet
+slechts kennis en bekwaamheid, maar vooral ~menschelijkheid~ werd door
+het Christendom bevorderd, al bleven de uiterlijke vormen van den
+krachtigen mensch nog lang de blijken der vroegere woestheid en ruwheid
+dragen. Wel was dat Christendom toen reeds verbasterd en werd de
+eeredienst naar heidensche gewoonten geschoeid,--toch was het de eerste
+schrede ter bevordering van kennis, verlichting en beschaving, welke
+vooral later op de denkbeelden en zeden een weldadigen invloed
+verkregen.
+
+Bovendien werkte het Christendom gunstig op de vestiging en verbetering
+van den burgerlijken toestand des volks. Want waar, op geschikt gelegene
+plaatsen, kerken en leerscholen gebouwd werden, daar verzamelden de
+inwoners zich meer tot buurten en dorpen, waaruit eerlang de steden
+ontstonden. Gezellige verkeering, onderling dienstbetoon, bijstand in
+gevaar, zorg voor armen en ongelukkigen, hulp ter voorziening in
+elkanders behoeften, handwerken en handel,--dat alles droeg bij ter
+vorming van eene geregelde burgermaatschappij. Hun verkeer met
+Frankische geestelijken, ambtenaren en krijgslieden, afkomstig uit een
+land, waarin de meerdere beschaving van het zuidelijk _Europa_ reeds was
+doorgedrongen, moest op hunne kennis, zeden, levenswijze en
+huishoudelijke behoeften van grooten invloed zijn. Deze leerden den
+Friezen verschillende bedrijven en handwerken kennen; hunne huizen,
+dijken en gereedschappen verbeteren, en sluizen en bruggen aanleggen;
+alles tot meerdere beveiliging en onderlinge gemeenschap. De
+verpligtingen, welke hieruit voortvloeiden jegens het algemeen, haalden
+den maatschappelijken band naauwer toe, en werden er in de wetten zelfs
+bepalingen deswege opgenomen. De verlichte en edele KAREL _de groote_
+toch begreep zijne roeping, en, afkeerig om de door hem overwonnene
+volken met despotischen trots te onderdrukken, waren al zijne pogingen
+dáár henen gerigt, om door wijze maatregelen de stoffelijke,
+verstandelijke en godsdienstige belangen dier volken te bevorderen.
+Groot en edel was deze bedoeling in eene eeuw, waarin de onkunde nog zóó
+algemeen was, dat het voornaamste hulpmiddel tot beschaving, de lees- en
+schrijfkunst, bij de meeste volken nog onbekend en alleen in het bezit
+van weinige geestelijken was. Maar ook in deze behoefte voorzag eerlang
+het Christendom, hetwelk de zorg voor de opvoeding der jeugd aan de
+beoefening van kunsten en wetenschappen paarde. Met regt vereerden
+daarom ook de Friezen KAREL steeds als een weldoener, als een zegenrijk
+middel in Gods hand tot verbetering van hunnen toestand. Nog eeuwen lang
+na zijnen dood, die in 814 voorviel, erkenden zij, van hem de
+bevestiging van hunne vrijheid, de bescherming van hunne onafhankelijke
+instellingen en wetten ontvangen te hebben[20]. Daarom bleef hij in hun
+volksgezang en herinneringen leven. Zeker hadden zij de van hem
+ontvangene gunstbewijzen van weinige veroveringszuchtige vorsten kunnen
+verwachten: want gewigtig was het voorregt, »dat _Friesland_ onder der
+Franken heerschappij zijne zelfstandigheid behield, zijne nationaliteit
+bewaarde, en dat het einde van dien langen strijd wel eene nieuwe
+inrigting aan _Friesland_ gaf en de zegepraal aan het Christendom
+verzekerde, maar met behoud der vrijheid, der eigenaardigheid des
+volks."
+
+ [20] Zie dit in _Aanteekening 9_ nog in een stuk van 1430 vermeld.
+
+»En die bleef ook later behouden en vertoonde zich steeds krachtig en
+scherp tegenover alles, wat van Frankischen oorsprong of Frankischen zin
+was. Vandaar dien strijd tegen de graven van _Holland_, zoo hardnekkig
+gevoerd; die afgunstige bewaring hunner regten tegenover den Bisschop
+van _Utrecht_. Maar ook vandaar dien afkeer tegen de Friezen bij de
+Frankisch gezinde Hollandsche Kronykschrijvers, die eenen MELIS STOKE b.
+v. in zijn klooster te _Egmond_ bezielde; vandaar die eigenaardige
+ontwikkeling des Frieschen regts, des Frieschen volks in de volgende
+tijden, tegenover de overige gedeelten onzes vaderlands."
+
+»Wij zien het, niet waren het de Franken, die _Friesland_ overwonnen,
+maar het Christendom baande er den weg aan KAREL _den groote_, en aan
+hem onderworpen, werden de Friezen zelfstandig en vrij opgenomen in het
+westersch Christelijk keizerrijk, waarvan hij het hoofd was. Zoo kon het
+Friesche volkslied van KAREL zingen, dat hij geliefd en goed was, en
+trouw en waarheid stichtte en der Koningen wet en aller lieden keur en
+landregt en aller landen regten zette. Zoo eindigde die strijd, maar
+niet tot oneer der overwonnenen"[21].
+
+ [21] Prof. DE GEER, _de strijd der Friezen en Franken_, Utrecht 1850,
+ 43. Deze laatste denkbeelden en schoone voorstelling van den jongsten
+ schrijver over dit onderwerp heb ik zeer gaarne hier overgenomen, mede
+ als bewijs, hoe gunstig ook zij, die geene Friezen zijn, thans na rijp
+ onderzoek over den oorsprong der veel betwiste Friesche vrijheid
+ denken.
+
+ * * * * *
+
+Nog een blik op de gevolgen van deze hoogst belangrijke gebeurtenis, het
+keerpunt in het volksbestaan der Friezen. Zij hadden daardoor twee
+gewigtige betrekkingen aangeknoopt, welke, vereenigd, ongeveer acht
+eeuwen onder bijna gelijke vormen zouden stand houden: zij waren
+Christenen en, in zekeren zin, deelgenooten van het Duitsche Rijk
+geworden. Door de eerste werden zij leden van een groot en schoon
+verbond, dat reeds zoo vele volken van wijd uiteenloopenden aanleg en
+belangen omvatte, doch die allen door gevoelens van algemeene
+welwillendheid en onderlinge toegenegenheid het bestaan van een band van
+broederschap erkenden, en door gelijke beginselen van zedelijkheid en
+volkenregt zich verbonden gevoelden. De onderlinge gemeenschap dier
+volken werd hierdoor bevorderd. Men had regt op elkander; men leerde en
+onderrigtte elkander; men nam de vruchten der kennis en ondervinding,
+ook in handel, bedrijven en kunsten, van elkander over; en de wijsten of
+meest geoefende leeraren konden meer algemeen de schatten van kennis,
+godsdienstleer en zedelijkheid verkondigen, als vruchten van den
+weldadigen boom door Christus ten behoeve der menschen geplant. Zelfs de
+geestelijke oppermagt, welke zich in de middeleeuwen over het westelijk
+_Europa_ uitbreidde, bragt meer goeds dan kwaads te weeg, en was vaak
+een tegenwigt van heilzame strekking tegen de al te vaak misbruikte magt
+der wereldlijke regering.
+
+Ook de betrekking tot het Duitsche Rijk was voor het staatkundig bestaan
+der Friezen eene zaak van groot belang. Dat zij daartoe niet als
+overwonnenen en dienstpligtigen behoorden, was een voorregt, waarin geen
+ander volk met hen deelde, en waarom zij den naam van _Vrije Friezen_
+bij uitnemendheid droegen. Maar hunne wetten werden naar de bepalingen
+van het algemeene regt des rijks gewijzigd. De gelijkheid in de vormen
+van regtspleging en bestuur werd een band te meer met volken, van wie
+zij te lang waren afgescheiden geweest, behoudens de eigenaardigheid van
+hun stam en krachten. Door verkeer, omgang en betrekkingen met deze
+moest ook hier toeneming in beschaving worden bevorderd. Belangrijk was
+die betrekking inzonderheid voor de Friezen, omdat zij hen een waarborg
+was voor hunne vrijheid; een voormuur tegen de aanranding van
+geweldenaren, wier overmagt zij zeker niet waren ontkomen, zonder deze
+bescherming des rijks. Maar bovenal, omdat zij hen vrijwaarde van den
+last des Leenstelsels, dat onder heerschzuchtige heeren en magtige
+veroveraars met looden zwaarte op de diep vernederde volken van _Europa_
+drukte. Ja, deze betrekking bleek later daadwerkelijk eene beschutting
+te zijn tegen de hebzucht van anderen en tegen de partijzucht van den
+adel, bij het twisten over de onderlinge belangen.
+
+Beide betrekkingen waren in de hand des Allerhoogsten middelen ter
+verheffing van het volk, uit de duisternis tot het licht--door strijd en
+lijden tot volmaking. Bij al de beroeringen en woelingen onder de volken
+van het westelijk _Europa_, waarin de Friezen noodwendig moesten deelen
+en waaruit zij zich onmogelijk konden houden, viel hun in de gevolgen
+het beste deel te beurt. En mogt de strijd tegen vreemde vijanden hun
+moed en vaderlandsliefde sterken--het verbond en het verkeer met die
+vreemden bragt hen in aanraking, in gemeenschap, in stoffelijke en
+geestelijke verbroedering met de bewoners van andere oorden, die weder
+van hunne gemeenschap voordeel trokken.
+
+Zoo wil het God, wiens wijze leiding wij, ook te midden der
+heerschzuchtige woelingen zijner menschen-kinderen, ter bevordering van
+zijne heilige bedoelingen kunnen herkennen.
+
+
+13. _De invallen der Denen en Noormannen. (Van omstreeks 520-1010.)_
+
+Dat de Friezen hun onafhankelijk volksbestaan bleven behouden, verdient
+inderdaad onze verwondering in nog hoogere mate, als wij bedenken, dat
+zij in de zelfde eeuwen, waarin zij aan de zuid- of landzijde door de
+legers der magtige Franken werden aangevallen, en nog lang daarna, ook
+aan de noord- of zeezijde te kampen hadden met niet minder geduchte
+vijanden, die op den duur nog moeijelijker waren te weêrstaan. In die
+onveilige tijden, toen de verschillende volksstammen van het
+noordwestelijk _Europa_ zeldzaam eene vaste woonplaats hadden, zich
+gemakkelijk van de eene naar andere en betere landstreken verplaatsten,
+en nog geen volkenregt kenden of eerbiedigden, was de zucht om elkander
+te berooven en buit te maken veelal het hoofdbeginsel van den oorlog.
+
+Geen volk was als zoodanig meer gevreesd dan de _Noormannen_, dan die
+woeste benden van Deensche, Zweedsche en Noorweegsche zeeschuimers, wier
+schepen bij menigte den oceaan vervulden en onveilig maakten. Als stoute
+zeeroovers van vervaarlijke kracht en onverbiddelijke wreedheid, waren
+zij steeds de schrik der bewoners van de kusten der Noordzee en het
+Kanaal. Want niet alleen _Friesland_, maar ook _Frankrijk_ en _Engeland_
+verontrustten zij door hunne strooptogten. Onverhoeds landden zij, en
+overvielen de ongewapende landbewoners, welke zij uit huis en erf
+verdreven, om zich intusschen van derzelver goederen en vee meester te
+maken en dit met hunne schepen weg te voeren. Die aanvallen waren soms
+zóó stout, dat zij gansche streken overweldigden, het land aan hun gezag
+onderwierpen, en er door overmagt een tijdlang eene dwinglandij
+uitoefenden, welke voor den landzaat onduldbaar was. Vooral heeft de
+Deensche Koning HERIOLD met zijne broeders RORUK en HEMMING het
+zuidelijk deel van _Friesland_ jaren lang in bezit gehouden, waarbij ze
+hun zetel veelal in de aanzienlijke handelplaats _Dorestad_ gevestigd
+hadden. Zelfs wordt de laatste Friesche Koning RADBOUD II gehouden voor
+een Deensch vorst, die zich van dit land met geweld had meester
+gemaakt.
+
+De oude geschiedverhalen gewagen daarom telkens van hunne invallen en
+strooptogten, die omstreeks den jare 520 begonnen en eerst in de elfde
+eeuw opgehouden moeten zijn. Met het woeste en nog weinig bebouwde land
+hunner geboorte niet tevreden, zochten deze schrikbarende geweldenaars
+vooral die kustplaatsen op, waar handel en nijverheid reeds welvaart
+hadden verspreid, en waar zij dus de beste gelegenheid vonden, om buit
+te behalen. Waar ze kwamen, voerden ze plundering, moord en brand in hun
+gevolg, of legden de overrompelde bewoners zware schattingen op.
+Vandaar, dat het noemen van hun naam alom reeds siddering verwekte.
+
+Niet zelden echter ondervonden zij van de dapperheid der Friezen een
+tegenstand, welke hen met groot verlies naar hunne schepen deed
+terugkeeren. Immer moesten deze op hunne aanvallen bedacht en daar tegen
+gewapend zijn. Vreeselijke gevechten zijn er tegen hen gevoerd, waarbij
+de Friezen en hunne legerhoofden of Potestaten met eere streden, en hen
+afschrikten deze oorden vooreerst weder te bezoeken. Ja, »de Friezen
+zijn in de historie gekenmerkt als de moedigste bestrijders van de
+mannen uit het noorden"[22]. Uit zucht naar wraak trokken ook zij zelfs
+meermalen te scheep naar de Oostzee, om den Noorman de geledene
+verliezen in zijn eigen land betaald te zetten.
+
+ [22] Zie VAN LEEUWEN'S schets dezer togten voor de _Herinnering aan
+ het geslacht Sirtema van Grovestins_, in _de Vrije Fries_, V 232, en
+ vooral de noot op bl. 237, omtrent den tijd van het eindigen dezer
+ invallen.
+
+Er bestond echter, buiten de plunderzucht der Noormannen, nog eene
+reden, waarom zij _Friesland_ aan de Franken zoo lang en zoo hevig
+betwistten. Zij hadden het Christendom een gloeijenden haat gezworen. En
+indien de Franken voorgaven, de Friezen tegen hun geweld te willen
+beschermen, waren zij de eersten nog te meer vijandig, omdat deze de
+laatsten te gelijk aan het Heidendom zochten te onttrekken. Dat
+Heidendom toch vuurde hen aan tot den strijd en deed hen den heldendood
+met verrukking te gemoet zien, omdat deze hen zou overvoeren in een
+hemel, waar zij zich, bij al de genietingen van den wellust, dronken
+zouden drinken aan lekker bier uit de bloedige bekkeneelen hunner
+vijanden. Vreeselijk was daarom hunne verbittering tegen de
+Christen-Franken, die ze vervolgens ook in hun eigen land bestookten, en
+wier magt zelfs niet kon verhinderen, dat de Noormannen zich op hunne
+kust vestigden (_Normandië_).
+
+Somtijds werden zij evenwel met kracht wederstaan en geslagen. Toen in
+885 gansche drommen van dezen schrik der wateren _Engeland_,
+_Frankrijk_, _Vlaanderen_ en de _Nederlanden_ overstroomden, en aan de
+oevers van Theems en Seine, Schelde, Rijn en Maas de bloedige sporen
+hunner verwoestingen achterlieten, tastte eene vloot dezer zeeroovers
+ook de Oude of Neder-Saksers aan. Deze, toen aan de Vlaamsche kust
+gevestigd, konden bijstand bekomen van de Friezen, met wier hulp het hun
+gelukte, in één jaar tweemaal de overwinning op hen te behalen. Doch,
+hoe dikwijls ook verslagen, telkens groeide hun getal aan. Ongeloofelijk
+schijnt het bijna, dat er in 889 eene vloot met 100,000 Noormannen voor
+de Maas verscheen, waarvan het grootste gedeelte aan land kwam en de
+toegesnelde verdedigers dezer gewesten versloeg; maar ook, dat Keizer
+ARNOLD, in het volgende jaar 890, (zoo men meent ter plaatse, waar nu
+_Leuven_ ligt) met een groot leger hen tegentrekkende, hun eene
+allerbloedigste en beslissende nederlaag toebragt, »waarbij het vooral
+de Friezen waren, die zich het meest onderscheidden."
+
+Met de Franken als bondgenooten vereenigd, weêrstonden alzoo de Friezen
+de Noordsche heirmagten, waartegen beide volken steun vonden in
+elkander, en waarbij _Friesland_ aan _Frankrijk_ ten voormuur
+verstrekte. Ook hierdoor laat zich verklaren, welk belang de Franken
+hadden bij het bezit van _Friesland_, en evenzeer welk belang onze
+vaderen hadden bij de bescherming der Franken; wáárom zij KAREL _den
+groote_ als Beschermheer aannamen, en om welke reden deze hen meer als
+bondgenooten dan als overwonnenen behandelde. De vereenigde magt van
+Franken en Friezen beschermde, na 775, de gansche noordwestkust van
+_Europa_, van de Elve tot de Pyreneën, tegen het geweld der Noormannen.
+Meer algemeene en krachtdadige tegenstand verzwakte eerlang echter de
+krachten van dezen; en toen eindelijk, in de elfde eeuw, de weldadige
+stralen des Christendoms ook doordrongen tot die Noordsche rijken, er de
+ruwheid van zeden verzachtten en er volkenregt deden eerbiedigen,--toen
+verminderden van lieverlede die togten, welke eindelijk geheel
+ophielden.
+
+De Friesche geschiedboeken verhalen evenwel, dat nog in 1306 een hoop
+Noormannen de Lauwerszee inviel en hier verwoestingen aanrigtte; doch
+ook, dat zij door de Friezen dapper aangevallen- en, met achterlating
+van 900 dooden en grooten buit, naar hunne schepen gedreven werden,
+terwijl deze het verlies van 400 man, en daaronder hun wakkeren
+aanvoerder, den Potestaat REINDER CAMMINGHA, te betreuren hadden[23].
+
+ [23] De hoofdbron van de geschiedenis dezer invallen is thans het
+ belangrijke werk van Dr. J. H. VAN BOLHUIS, _de Noormannen in
+ Nederland_, Utrecht 1834, 2 st. Zie mede omtrent het vermelde, behalve
+ onze Kronyken op vele plaatsen, MOLHUIJSEN, in NIJHOFF'S _Bijdragen_,
+ VII 182; BOSSCHA, _Neêrlands Heldendaden_, I 22; FOEKE SJOERDS,
+ _Jaarboeken_, III 224 enz.
+
+Wij besluiten het algemeen overzigt van deze togten der Noormannen met
+de volgende lofspraak op de dapperheid der Friezen in dien strijd, van
+den dichter Mr. J. VAN LENNEP[24]:
+
+ [24] _De Roem van twintig eeuwen_, 1831.
+
+ _Nooren, Finnen, fiere Deenen,
+ Die hun overmacht vereenen,
+ Landen op de Friesche kust.
+ Meer nog dan de woeste dieren,
+ Dan de wolven, raven, gieren,
+ Die hun krijgsstandaarden cieren,
+ Zijn ze op roof en buit belust._
+
+ * * * * *
+
+ _Maar geen vloot, geen krijgsgevaren,
+ Maar geen plonderzieke scharen,
+ Zullen immer sidd'ring baren
+ In der Friezen fier gemoed.
+ De ijz'ren knods blinkt in hun handen:
+ Wie hen driftig aan durft randen,
+ Heeft zijn stoutheid ras geboet._
+
+ * * * * *
+
+ _Alle volkren op deze aard
+ Zien wij eens hun naam verliezen;
+ Maar de grootsche naam van Friezen
+ Blijft in eeuwigheid vermaard._
+
+
+14. _Het Verbond der Zeven Vrije Friesche Zeelanden._
+
+De opvolgers van KAREL _den groote_ en van zijn zoon LODEWIJK _den
+vrome_, die van 814 tot 840 regeerde, waren meestal zwakke Vorsten, die
+zich weinig met het bestuur van hunne eigene en veel minder met dat van
+deze afgelegene landen bemoeiden. Gedurige rijksverdeelingen en
+beroeringen van allerlei aard verzwakten bovendien hun gezag. Zelfs
+bleven de Graven of gezanten, welke in de eerste tijden jaarlijks of om
+de drie jaren in _Friesland_ kwamen, om in buitengewone zaken regt te
+spreken en de schatting te innen, eerlang geheel weg. Van deze
+nalatigheid maakten alzoo de vrijheidminnende bewoners dezer landen
+gretig gebruik, om zich nader aan elkander te verbinden en eene
+onafhankelijke volksregering te vestigen, vooral tot onderling
+hulpbetoon: aan de eene zijde tegen de invallen van de Noormannen en aan
+de andere zijde tegen de magtig gewordene Graven en Leenmannen.
+
+Deze toch maakten van die zelfde omstandigheden gebruik ter vergrooting
+van hunne magt en tot verdrukking van het volk. Dit was bijzonder het
+geval in dat eerst veroverde westelijk gedeelte van het Friesche rijk,
+tusschen het ~Sincfal~ en de ~Reker~, dat eerlang door de _Graven van
+Holland en Zeeland_, de _Bisschoppen van Utrecht_ en andere Heeren als
+eene eigene en erfelijke bezitting werd beschouwd. Het tweede gedeelte
+of het eigenlijk _Friesland_, tusschen de ~Reker~ en de ~Eems~, genoot
+eene gewenschte onafhankelijkheid, doch had veel te lijden van de woeste
+strooptogten der Denen. Het derde gedeelte, _Oost-Friesland_, tusschen
+de ~Eems~ en den ~Wezer~, dat ten gevolge van zijne gemeenschap met de
+Saksers later veroverd was, had reeds van KAREL'S zoon, LODEWIJK _den
+vrome_, het regt op het vaderlijk erfgoed, bij de verovering hun
+onthouden, terug bekomen. Het stond nu bloot aan de overheersching der
+Saksische Vorsten en andere Heeren en Bisschoppen, en verlangde zeer in
+het genot te deelen van gelijke regten en vrijheden, als de Friezen
+bewesten de Eems bezaten. Met deze oude stamgenooten sloot het dus een
+verbond tot onderlinge bescherming. Ook andere oostelijke stammen, onder
+gelijke omstandigheden verkeerende, en wonende tusschen den ~Wezer~ en
+de ~Elbe~, en van daar tot den ~Eider~ (de Noord- of Strand-Friezen),
+sloten zich een tijdlang daarbij aan, doch werden later daarvan
+afgetrokken.
+
+Hierdoor ontstond de staat der _Zeven Vrije Friesche Zeelanden_ of aan
+zee gelegene landstreken, welke door zoo vele stroomen of rivieren van
+elkander waren afgescheiden. Het _eerste Zeeland_ lag tusschen de
+~Reker~ en het ~Flie~ en was het latere _West-Friesland_ of een groot
+deel van _Noord-Holland_.
+
+Het _tweede Zeeland_, tusschen het ~Flie~ en de ~Middelzee~ of het
+~Boorndiep~, bevatte _Westergoo_, _Stavoren_, _Gaasterland_ en
+_Doniawerstal_, of ongeveer de westelijke helft van het tegenwoordig
+_Friesland_.
+
+Het _derde Zeeland_, tusschen de ~Middelzee~ en de ~Lauwers~, maakte een
+groot deel der oostelijke helft dezer provincie, of het landschap
+_Oostergoo_ met _Opsterland_, _Utingeradeel_, _Haskerland_ en
+_Ængwirden_ uit.
+
+De zuidoostelijke streken van dit gewest, als _Schoterland_,
+_Lemsterland_ en de _Stellingwerven_, vormden met het noordelijk
+gedeelte van _Overijssel_ en geheel _Drenthe_, die te zamen vermoedelijk
+het Graafschap _Islegoo_ uitmaakten, het _vierde Zeeland_.
+
+De landstreken, waaruit de tegenwoordige provincie _Groningen_ is
+zamengesteld, als: het _Gooregt_, _Hunsego_, _Fivelgo_, het _Oldampt_,
+_Westerwolde_ en het _Wester-kwartier_, benevens _Reiderland_, tusschen
+de ~Lauwers~ en de ~Eems~, maakten het _vijfde Zeeland_ uit.
+
+Het _zesde_ en _zevende Zeeland_ bevatte de landstreken, waaruit
+_Oost-Friesland_ enz. bestaat, en strekte zich van de ~Eems~ tot den
+~Wezer~ uit, terwijl de ~Jade~ de grens tusschen deze beide deelen was.
+
+Het doel dezer vereeniging van stamgenooten was eigenlijk een
+verdedigings-verbond. Ofschoon ieder dezer landschappen onafhankelijk op
+zich zelf stond en zijne eigene overheden, regters en wetten had, hield
+dit verbond allen als vrije Friezen aan elkander gestrengeld. Jaarlijks
+hielden de afgevaardigden uit ieder Zeeland een algemeenen Landsdag, om,
+in het belang van het geheele vrije land, de bestaande geschillen te
+beslechten, den vrede en eendragt te bevorderen, de wederspannigen tot
+gehoorzaamheid te brengen, zich tegen de aanvallen van vreemde Vorsten
+of de aanmatigingen van Leenheeren met eendragtigen moed te verbinden,
+en om nuttige wetten en verordeningen, te maken of de bestaande te
+verbeteren. De plaats, waar men tot dit einde bijeenkwam, noemde men den
+_Opstalsboom_, een beplante heuvel in de nabijheid der stad _Aurik_ in
+_Oost-Friesland_, welke nog in wezen is. Daar vergaderden op den eersten
+Dingsdag na het Pinksterfeest ieder jaar de geestelijken, edelen en
+vrijgeboren mannen, welke ieder der Zeelanden ter behartiging der
+algemeene belangen had afgezonden. In het midden zaten de voor elk jaar
+benoemde regters, die de voorstellen deden; daar om heen waren de
+plaatsen der afgevaardigden, terwijl het volk zich daar rondom schaarde.
+Indien een voorstel beviel, strekte een luid gekletter der wapenen tot
+een teeken van aanneming; doch een luid gemor verhief zich, zoodra het
+niet welgevallig was of nader moest worden besproken. Alles geschiedde
+overeenkomstig de zeden der oude Germanen, die hier het langst bewaard
+bleven[25].
+
+ [25] Naar aanleiding van WIARDA'S werkje over de _Landdagen der
+ Friezen bij Upstalboom_, gaf de Heer Mr. A. TELTING daarvan in de
+ _Leeuw. Cour._ 1831, N^o. 79 eene Herinnering, welke voor een groot
+ gedeelte is overgenomen in VAN LEEUWEN'S Aantt. op _it aade Friesche
+ terp_, bl. 399. Zie ook SCHOTANUS, 170 en _tabl._ 16.
+
+In elkander vonden deze Friesche landstreken alzoo een steun tot vorming
+van een vasten grondslag voor hun maatschappelijk welzijn, namelijk, het
+vermogen om te bestaan zonder hulp van buiten. Na het bezorgen hunner
+eigene veiligheid, rekenden zij het onnoodig van zwakke bondgenooten af
+te hangen. Alleen door het schild des Keizers achtten zij zich genoeg
+beschermd tegen aanrandingen van vreemden, en weinig deerde het hen, dat
+deze zelfde hoofden des rijks misbruik maakten van die bescherming, door
+sommige deelen van hun land nu aan dezen dan aan genen, als ware het
+leengoed, weg te schenken. Immer bleef die zucht, om onafhankelijk te
+willen bestaan, zonder hulp van buiten, een kenmerk van der Friezen
+aard.
+
+In die duistere en nog weinig beschaafde middeleeuwen, toen de lagere
+standen des volks in meest alle overheerde landen van _Europa_ met
+lijdzaamheid de onderdrukking en willekeur van het geweld der magtigen
+moesten verduren, was dit verbond eene even merkwaardige uitzondering
+als deze vrije toestand der ingezetenen eene groote zeldzaamheid. Eeuwen
+lang, zelfs tot in de 15e eeuw[26], heeft dat verbond bestaan, en eene
+vrijheid en volkstrouw beschermd, waarvan bij weinige andere volken het
+voorbeeld is. Dit feit is tevens een bewijs voor de geldigheid van den
+oorsprong van der Friezen volksvoorregten, door velen meermalen
+betwijfeld. Deze zijn echter door den Roomsch-Koning Graaf WILLEM II in
+1248 en door Keizer RUDOLF in 1276 erkend, bevestigd en vermeerderd,
+zoodat zij een wettig gezag bezaten[27]. Zuivere vrijheidsmin en hechte
+volkstrouw hielden onze Friesche vaderen verbonden. Met zelfgevoel en
+liefde waren zij aan hunne wetten en staatsinstellingen gehecht.
+»Dáárdoor wisten zij zich staande te houden te midden der groote
+Europesche beroeringen, en ruilden zij hunne plaatsen voor geene andere
+in. Ja, te midden dier volksbewegingen en overstroomingen stonden zij
+daar, als de krachtige eik in het woud, die de stormen tart en door den
+stroom der wateren niet ontworteld wordt"[28].
+
+ [26] Het verbond van 1430, in het _Vriesch Charterboek_, I 494,
+ schijnt een der laatste sporen dezer vereeniging te zijn. Zie _Aant.
+ 9_.
+
+ [27] Zie _Vriesch Charterb._ I 94; FOEKE SJOERDS, _Jaarb._ III 120.
+
+ [28] Zie ROYAARDS, _Geschiedenis der invoering en vestiging van het
+ Christend._ 41, uitvoeriger in het motto tegenover den titel
+ aangehaald.
+
+De volksstammen, welke tot dit verbond behoorden, hadden in den beginne
+eene volkomene volksregering. Doch in latere eeuwen, toen sommige edelen
+zich boven anderen in aanzien en magt begonnen te verheffen; toen het
+eene Zeeland zich regten en vrijheden boven het andere aanmatigde; toen
+de eerbied voor de wetten verminderde en de vrijheidszucht ontaarde in
+bandeloosheid:--toen werd het eigenbelang boven het algemeen belang
+voorgetrokken en deze schoone band vaneen gereten. In 1323 werd bij de
+Willekeuren van den Opstalsboom het verbond bekrachtigd, het regt der
+Overheden hernieuwd, de boosheid met straffen bedreigd en den landvrede
+bevestigd. Van latere vergaderingen is echter geen spoor. In 1361 werden
+er pogingen gedaan tot vernieuwing van het verbond, waarbij de
+vergaderingen van den _Opstalsboom_ werden verlegd naar het in magt
+sterk toenemende _Groningen_. Doch te vergeefs. Het had zijne
+verbindende kracht voor allen verloren. Binnenlandsche oorlogen en
+persoonlijke veeten, zucht naar gezag en heerschappij verteerden de
+krachten des volks. Geestelijke en wereldlijke Heeren maakten daarvan
+gebruik ter uitbreiding van hun gebied. Zóó ging het eene Zeeland voor
+en het andere na verloren, en werd de eenmaal zoo uitgestrekte Friesche
+vrijstaat gesloopt. Het eerste Zeeland, _West-Friesland_, bezweek, na
+zich langer dan drie eeuwen moedig verdedigd te hebben, voor de overmagt
+der Graven van _Holland_. _Oost-Friesland_ werd een buit van trotsche
+Hoofdlingen en Graven, die elkander lang de oppermagt betwistten, en aan
+de Bisschoppen van _Bremen_ en _Munster_ nog sommige gedeelten van dat
+land moesten afstaan. In _Overijssel_ (het _Over-sticht_) en _Drenthe_
+vestigde de magtig gewordene Utrechtsche Bisschop zijn wereldlijk gezag,
+gelijk hij reeds lang deed in de stad _Groningen_ en het _Gooregt_,
+welke hij door Stedevoogden liet besturen[29]. Alléén het tegenwoordige
+_Friesland_, de kern van den ouden volksstam, bleef ongedeerd en vrij,
+dewijl het zich steeds moedig tegen de aanvallen van vreemde Heeren mogt
+verdedigen. Dankbaar bleef het dit voorregt erkennen, zoo als ook blijkt
+uit een oud-friesch geschrift, vermoedelijk uit het begin der 15e eeuw,
+waarin omtrent dit gedeelte gezegd wordt: »Deze twee Zeelanden, als het
+tweede en derde (_Oostergoo_ en _Westergoo_), zijn tot nog toe vrij en
+anders geen Heer onderworpen, behalve den Keizer des Roomschen Rijks.
+Maar ontzettende schade en menigvuldige aanvechtingen hebben deze landen
+geleden, om hunne vrijheid te beschermen, welke hen geschonken is van
+den grooten Koning KAREL, waartoe zij vele zware strijden hebben
+geslagen tegen de Graven van _Holland_, om hunne landen te beschermen.
+Ook _Stellingwerf_ en _Schoterland_ zijn nog vrij, doch hebben zware
+aanvechtingen en oorlogen gehad met de Bisschoppen van _Utrecht_, die
+het overig gedeelte van dit vierde Zeeland (_Kuinder_, _Giethoorn_,
+_Vollenhove_, _Steenwijk_ en _Drenthe_) hebben bedwongen"[30].
+
+ [29] YPEIJ en FEITH, _Oudheden van het Gooregt en Groningen_, 1836, I,
+ 37 env.; DIEST LORGION, _Geschiedkundige Beschrijving van Groningen_,
+ 1849, 18 env.; DRIESSEN, _Monum. Gron._ 857.
+
+ [30] Zie het Klein Traktaat van de zeven Zeelanden in SCHOTANUS,
+ _Kronyk_, _tablinum_, 19, en, met de vertaling, in FOEKE SJOERDS,
+ _Beschrijving_, I 55. Vergelijk verder _Aanteekening 9_.
+
+Lang zou dit gedeelte die zeldzame en eervolle onafhankelijkheid hebben
+behouden, indien zijne burgers zich des waardig hadden gedragen. Maar
+ook zij leverden het bewijs, hoe bezwaarlijk de vrijheid, zelfs onder
+bescherming van goede wetten, wordt gehandhaafd, wanneer menschelijke
+zwakheden en ondeugden een overwigt in den staat bekomen. Eer- en
+heerschzucht begonnen den boventoon te voeren; de oude goede trouw werd
+vervangen door bandelooze partijzucht en familie-veeten. Een opperhoofd
+of Potestaat uit hun eigen midden had geen gezag meer; zoodat eindelijk
+de Keizer het bestuur van dit land opdroeg aan een vreemden vorst, aan
+Hertog ALBERT _van Saksen_, die hen tot eendragt en rust, tot orde en
+regt dwong, en hun den verloren vrede hergaf, doch ten koste van een
+groot deel der onafhankelijkheid.
+
+
+15. _Veranderingen in den toestand des bodems van Friesland._
+
+_Watervloeden, de Zuiderzee, de Middelzee enz._
+
+Een niet minder gevaarlijken vijand dan de Noormannen hadden de Friezen
+op hunne kust bestendig te bestrijden in de ~Noordzee~. Wel had de
+natuur hun laag gelegen land tegen haar geweld zoeken te beschermen door
+het met een zoom duinen te omgeven; wel had zucht tot zelfbeveiliging
+hen op hooge plaatsen menigvuldige terpen doen opwerpen, om tot woon- en
+schuilplaats voor personen en vee te strekken bij het opkomen der
+vloeden, die dagelijks de riviermonden binnenstroomden; zelfs waren ze,
+zoo men wil in de 7e eeuw, reeds begonnen, langs den oever zeedijken en
+waterkeeringen aan te leggen:--in gewone gevallen bood dit alles
+genoegzame bescherming aan, om hun het rustig bezit en genot van het
+land te verzekeren. Maar ongenoegzaam, ja zelfs onbeduidend waren die
+zwakke beveiligingsmiddelen, zoo dikwijls hevige stormen de hoog
+gestegen vloeden met woedend geweld voortzweepten, en deze, met
+verachting van allen wederstand, het land overstroomden, vele de
+gewrochten van menschelijke vlijt en arbeid verwoestten en nood en dood
+alom verspreidden. Ontzettende ellende en verbazende schade hebben de
+bewoners dezer landen gedurende vele eeuwen van deze geduchte en zoo
+dikwijls herhaalde watervloeden te lijden gehad.
+
+ Want, ach! als hij loeide, die woedende orkaan,
+ En randde de kusten des Vaderlands aan,
+ Wat waarde had dan nog het leven?
+ Dan dekte het zeezout het zuchtende land,
+ Verwijderde staag het bedwingende strand,
+ Deed honderden, duizenden sneven.
+
+ En huizen, en hoven, en menschen, en vee
+ Verzwolg ze, die woeste, verslindende zee,
+ En naakt en berooid moest hij vlugten
+ De landman;--'t verlies van zijn have getroost,
+ Behield hij zijn vrouw maar, zijne ouders, zijn kroost,
+ Wier dood er zoo velen deed zuchten.
+
+ En groende zijn weide als de lente verscheen?
+ Ontlook dan zijn koren, zijn welvaart? Ach neen!
+ Die zee, ach die zee wou niet wijken!
+ En schoon ook de landwind verdroogde die plas,
+ De zee liet haar zout, en de grond bleef moeras,
+ Geen scheutje, geen aar kon er prijken[31].
+
+ [31] Mr. A. VAN HALMAEL JR., _Lied, Kaspar Robles door den Frieschen
+ Landman toegezongen_, geplaatst in de Aantt. op de _Hulde aan H. J.
+ Groen_, door Mr. ROBIDÉ VAN DER AA, Leeuw. 1825, 18.
+
+Bij al die verliezen aan menschen, vee en bezittingen; bij al de schade,
+welke de algemeene welvaart telkens leed, onderging bovendien het land
+zelf ten gevolge dier veelvuldige overstroomingen een zeer groot
+verlies, doordien de zee eene groote uitgestrektheid gronds verzwolg.
+Elders werd daarentegen weêr land aangewonnen. Land werd in zee--zee
+werd in land herschapen.--Deze merkwaardige vervorming van een gedeelte
+des vaderlandschen bodems had op den toestand van het geheel en op de
+ligging van de bijzondere deelen en plaatsen een grooten invloed. Ten
+aanzien van het tegenwoordige _Friesland_ willen wij de voornaamste
+bijzonderheden daarvan mededeelen.
+
+De laaggelegene noordwesthoek van _Nederland_ stond natuurlijk het meest
+bloot aan de woede van den oceaan. Bovendien vloeiden hier verscheidene
+grootere en kleinere rivieren en stroomen zeewaarts, ter ontlasting
+van het boezemwater des lands. De ~IJssel~, door het Marsdiep
+uitstroomende, was van meer belang geworden sedert hij met een deel der
+wateren van den Rijn werd belast. Het ~Flie~, dat door de Vecht, het
+Zwarte water, de Kuinder of Tjonger en de Linde gevoed werd, was breeder
+en dieper geworden, sinds het bezwaard was met den afvoer der wateren
+uit het zuidelijk _Friesland_, waar langs het vroeger een deel zijner
+krachten had afgezet naar de ~Middelzee~ of het ~Boorndiep~. De
+aanvankelijke verlanding van dezen zeeboezem aan de zuidzijde gaf toch
+een geheel anderen loop aan vele stroomen, en was van evenveel belang
+als de nieuwe mond of uitstrooming, welke de Middelzee, reeds vóór de
+7e eeuw, tusschen _Terschelling_ en _Ameland_ had bekomen, waardoor zij
+de Boorn en vele wateren van _Oostergoo_ en _Westergoo_ gemakkelijker
+afvoerde. Verder was het de ~Lauwers~, welke, vereenigd met de Ee, de
+Hunse en de Aa, zich tusschen _Ameland_ en _Schiermonnikoog_ met een
+breeden mond in de Noordzee stortte. De eertijds geheel met duinen
+bezette kust was door deze riviermonden verbroken. De Noordzee had
+daardoor gelegenheid bekomen, om bij hevige stormen met meer geweld op
+deze landen in te breken, waarbij vele duinen weggeslagen en de zeegaten
+verbreed en verdiept werden. Terwijl aldus de toegang der zee ruimer en
+de afvoer van IJssel en Flie hooger en krachtiger was geworden, zoo
+bragten deze en andere omstandigheden te zamen genomen te weeg, dat de
+lage landen langs die zeegaten en stroomen van lieverlede afgeschuurd,
+verbroken en verzwolgen werden; dat de duinenrij slechts eene smalle
+strook lands kon beschermen, welke als zoovele eilanden bewaard bleven,
+en dat de gansche uitgestrektheid lands tusschen _Friesland_ en
+_Noord-Holland_ weggeslagen en met het oude meer Flevo vereenigd werd,
+waardoor de ~Zuiderzee~ is ontstaan[32].
+
+ [32] Vergelijk hierbij en bij het volgende Dr. OTTEMA'S _Kaart van de
+ Zuiderzee_, bij zijne Redevoering over haar ontstaan, in _de Vrije
+ Fries_, IV 183, in _Aanteekening 10_ nader vermeld.
+
+Dit alles geschiedde trapsgewijze door geduchte overstroomingen, wier
+geheugenis in de geschiedboeken is bewaard. Na lange voorbereiding werd
+het eerst in 1170 bij den vreeselijken Allerheiligen-vloed, die overal
+schrikbarende verwoestingen aanrigtte, het land tusschen _Medemblik_ en
+_Flieland_ weggescheurd, alsmede het meer Flevo aan de oostzijde
+vergroot. Na latere overstroomingen van het begin der volgende eeuw,
+bekwam die kom bezuiden _Flieland_, omstreeks 1237, nog grootere
+uitbreiding. Met geweld bruischte de zee nu vervolgens door de verwijde
+zeegaten op de lage landen in, zoodat, ten gevolge der watervloeden,
+welke _Friesland_ drie jaren achtereen teisterden, in 1250 al de overige
+landen bewesten de Friesche kust, van _Harlingen_ tot voorbij
+_Hindeloopen_, weggerukt en in eene onafzienbare watervlakte herschapen
+werden. Omstreeks dien zelfden tijd werd er bezuiden _de Lemmer_ nog
+grooter veld weggeslagen en daardoor de oppervlakte van het meer Flevo
+verdubbeld.
+
+Nadat in 1277 beoosten _Groningen_ eene groote uitgestrektheid aan den
+mond der Eems was weggerukt en in den Dollard herschapen, was de
+watervloed van 1287 hier zóó geducht, dat elders het gerucht werd
+verspreid, dat geheel _Friesland_ verzwolgen was. Het getal der daarbij
+omgekomene personen in dit gewest werd op 30,000 begroot. Hierbij had de
+~Westerzee~ weder eene uitbreiding verkregen door het wegslaan van de
+landstreek tusschen _Harlingen_ en _Terschelling_; terwijl de overige
+landen bezuiden dit eiland en _Ameland_, een groot gedeelte der
+tegenwoordige Wadden, eerlang voor de woede der golven bezweken. Na
+herhaalde watervloeden werd eindelijk in de volgende eeuw ook de
+landstreek tusschen _Medemblik_, _Enkhuizen_ en _Stavoren_ verzwolgen,
+waardoor de Westerzee met het vergroote meer Flevo vereenigd werd en de
+~Zuiderzee~ nagenoeg hare tegenwoordige grootte en grenzen verkreeg[33].
+(Zie _Aanteekening 10_.)
+
+ [33] Vermits de meeste toenmaals weggerukte gronden nog in zandplaten
+ en ondiepten bestaan, en aangezien de Noordzee sedert dien tijd door
+ het uitkolken van onze stranden en het afslaan van de eilanden voor
+ onze tegenwoordige zeeweringen hoe langer hoe gevaarlijker is
+ geworden, zijn er, die meenen, dat thans de tijd gekomen is, om
+ het vroeger verlorene te herwinnen, met al de middelen, welke de
+ kunst en het vermogen der 19e eeuw aanbieden. Wenschelijk wordt het
+ voorgesteld, dat de Noordzee tot hare oorspronkelijke grens (de
+ duinenrij op de eilanden) teruggedrongen en dat de Zuider- en
+ Lauwerszee met de daar tusschen gelegene Wadden bedijkt en tot land
+ gemaakt worden.
+
+ * * * * *
+
+Na zoo vele aanzienlijke verliezen in grond, in bewoners, in vee en
+eigendommen te hebben geleden, zou menigeen welligt dit gevaarvolle land
+verlaten en een veiliger oord opgezocht hebben. Niet alzoo onze vaderen,
+wier moed door al die gevaren opgewekt werd, om te strijden ter
+bedwinging van het woeste element. Met ijver trok men aan het werk, om
+langs de gespaarde kust zeedijken op te werpen, ten einde dit land te
+beschermen tegen meerdere verliezen.
+
+ Natuur! van wie de stervelingen
+ Een eigen Vaderland ontfingen,
+ Wat heeft ons met uw haat belaân,
+ Dat wij alleen van alle volken
+ Voor 't brijzelend geweld der diepe waterkolken
+ Aan alle kant ten doelwit staan?
+
+ Doch dat we ons niet van haar beklagen!
+ In weervergelding dezer plagen
+ Schonk ze ons een onverschrokken moed,
+ Om stout ten golven uit te stijgen,
+ Die al wat ze ons onthield vrijmachtig deed verkrijgen,
+ Ten prijz' van eigen zweet en bloed[34].
+
+ [34] BILDERDIJK, _de ware Liefde tot het Vaderland_.
+
+Reeds vroeger had men zulke breede zeeweringen langs de westkust van
+_Oostergoo_ en den oostoever van _Westergoo_ opgeworpen ter breideling
+van den breeden zeeboezem de ~Middelzee~ of het ~Boorndiep~. Ook had men
+Binnendijken of waterkeeringen in het land aangelegd, tot bescherming
+van sommige gedeelten, om de verspreiding van het vloedwater tegen te
+gaan. Aangenaam was echter bij al die verliezen het verschijnsel, dat,
+gelijktijdig met de wegscheuring van de westelijke landen, de
+~Middelzee~ van tijd tot tijd smaller en ondieper werd, en in de 13e en
+14e eeuw geheel in hoog en vruchtbaar land werd herschapen. In de
+vroegste tijden had deze zeeboezem waarschijnlijk eene breedte van de
+_Oudeschouw_ voorbij _Sneek_ en _Ylst_ tot _Bolsward_, en was de Hem- en
+Groendijk daarvan de waterkeering aan de zuidzijde. Een gedeelte van den
+tegenwoordigen Slagtedijk, van _Bolsward_, over _Bozum_, _Weidum_ en
+_Berlikum_ naar _Dijkshoek_, omzoomde haar aan de noord- en westzijde;
+terwijl de dijken, waarop thans meest straatwegen zijn aangelegd, van de
+_Oudeschouw_ over _Leeuwarden_ en verder voorbij _Stiens_ tot onder
+_Hallum_, haar ter oostzijde bedwongen.
+
+Toen nu, ten gevolge der verwijding van den ~Fliestroom~, de toevoer
+van water uit het zuiden naar de ~Middelzee~ verminderde, bewaarde deze
+stilstaande kom gereedelijk de slibstoffen, welke noordweste stormen
+elders wegrukten en herwaarts heenvoerden. Ten einde die ter zuidzijde
+aangeslibde gronden te bewaren en voor den landbouw met meerdere
+veiligheid te gebruiken, werd er een dijk gelegd, van _Rauwerd_ in
+zuidwestelijke rigting langs _Scharnegoutum_, _Tirns_ en _Folsgare_ tot
+nabij _Bolsward_. Doch het daardoor overgebleven meer verlandde ten
+gevolge van voortdurende aanslibbingen zoo spoedig, dat op dien grond
+reeds in 1277 de kerk van het dorp _Nieuwland_ gesticht werd. De
+uitbreiding van de Zuiderzee en het wegslaan van de gronden der Wadden
+bevorderde vervolgens de landwinning zoo snel, dat de Middelzee in de
+13e en 14e eeuw van lieverlede inkromp en in vruchtbaar kleiland
+herschapen werd, waarvan wij reeds in 1398 een gedeelte van _het Bildt_
+vinden vermeld. Vanhier, dat deze groote uitgestrektheid _Nieuwland_,
+welke in 1505 door de bedijking van _het Bildt_ werd afgesloten, eene
+belangrijke vergoeding geacht werd voor al de verlorene gronden bewesten
+de Friesche kust.
+
+Ten gevolge van dat alles had het land eene gansch andere gedaante
+verkregen. _Leeuwarden_, _Sneek_, _Ylst_ en _Bolsward_, welke als
+Zeeplaatsen in het opkomen waren, werden van toen af Landsteden en
+daardoor geheel andere belangen toegedaan. _Harlingen_, _Workum_ en
+_Hindeloopen_ daarentegen begonnen als zeeplaatsen te bloeijen;
+_Stavoren_ echter, die oude en aanzienlijke stad, welke aan eene
+gunstige ligging ter wederzijden van den Fliestroom hare scheepvaart
+en handel, welvaart en uitbreiding had te danken, zoodat zij
+onder de steden van het Hanseverbond als de derde in rang werd
+opgenomen,--_Stavoren_ had, ten gevolge van al die zeeveroveringen en
+de verbreeding van het Flie, een groot verlies te lijden. Wel bleef de
+ligging van het overgebleven gedeelte op dien landhoek aan de Zuiderzee
+zeer gunstig; wel verkreeg zij van de Hollandsche Graven, die van 1292
+tot 1414 daar hun gezag trachtten staande te houden, groote voorregten,
+en zag zij hare handelsprivilegiën op de Oostzee nog in 1363 en 1368
+door verbonden met de Koningen van _Denemarken_ en _Zweden_ bevestigd en
+uitgebreid: toch neigde zij eerlang ten val. De overlevering wil, dat
+hare welvaart verminderde ten gevolge van verregaande weelde en
+euvelmoed, waarvoor de verzanding van hare haven zelfs eene straf geacht
+werd. Nadat de zee eerst een gedeelte der stad met de in 1132 gestichte
+kerk en het oude St. Odulphus-klooster had weggeslagen, was een
+noodlottige brand, die ongeveer 500 huizen zou verteerd hebben, in 1420
+de oorzaak van meerdere afneming en verval, welke later aanmerkelijk
+zijn toegenomen[35].
+
+ [35] Zie _Charterboek_ I 72, 124, 227, 232 enz. WESTERMAN,
+ _Beschrijving van Stavoren_, van 1613, achter zijne _Zeepostille_.
+ Onder vele bijzonderheden omtrent de vroegere uitgebreidheid en handel
+ der stad vermeldt deze, dat de zeevaarders van _Stavoren_ de eerste
+ geweest zijn, die de Noordsche landen en de Zond bezochten, waarom de
+ Koning van _Denemarken_ hun het voorregt verleende van bij het
+ doorvaren van de Zond vóór alle andere schippers vertold te worden;
+ ter bewaring van welk privilegie zij vervolgens jaarlijks met het
+ eerste schip den Koning een Leidsch laken vereerden.
+
+ * * * * *
+
+Ofschoon later nog een aantal watervloeden _Friesland_ overstroomden en
+vele schade veroorzaakten, mogt het den Friezen toch gelukken, sedert
+dien tijd hun land te behouden en tegen meerdere verliezen te
+beschermen. Zeker kostte het verbazende moeite, volharding en
+opoffering, om dit land, dat lager ligt dan den dagelijkschen vloed der
+zee, met zulk eene uitgestrektheid zware zeedijken te omringen, om zoo
+vele kostbare zeesluizen aan te leggen, om zoo vele binnendijken en
+waterkeeringen met sluizen tot stand te brengen, en om zoo vele lage
+landen met kunstmiddelen vruchtgevend te maken en te houden. Gewis,
+indien moed en standvastige fierheid tot het overwinnen van moeiten en
+gevaren geene kenmerken van het karakter der Friezen waren
+geweest;--indien het vaderland, waaraan zij zoo zeer gehecht waren, hen
+niet dierbaarder was geworden, naar gelang de pogingen om het te
+behouden zorg en inspanning kostten,--zij zouden geene zoo grootsche
+overwinning behaald hebben in den strijd tegen een vijand, als de
+woedende Noordzee.
+
+Vrij moge men dan elders in trotsche gewrochten der bouwkunst
+of in reusachtige Hunebedden de krachten van het voorgeslacht
+bewonderen--hier, in dit gedeelte van het oude _Friesland_, zijn de
+talrijke terpen en zware zeeweringen eervolle blijken van volhardenden
+moed en liefde tot het vaderland. En gaarne zeggen wij dus een onzer
+volksdichters na:
+
+ _Sa faek troch stoarm yn djippe sé beditsen,
+ Oeralde ljeawe Friesce groun!
+ Waerd noait dy taie bôan foarbritsen,
+ Dy Friesen oen hjar lôan forboen._
+
+ _Trochloftich folk fen disse alde namme!
+ Weas jimmer op dy alders great.
+ Bljou iwich fen dy grise hege stamme
+ Ien grien, ien kreftich doerjend leat_[36].
+
+ [36] Dr. E. HALBERTSMA in _de Lapekoer fen Gabe Scroar_, 1834, 226.
+
+
+16. _Der Friezen aandeel in de Kruistogten naar het Heilige land.
+1096-1270._
+
+In het laatst der elfde eeuw werden de Christenen van het westen en ook
+de Friezen opgeroepen tot deelneming in een strijd, welke geheel
+_Europa_ in beweging bragt. _Palestina_ of het _Heilige land_, waar de
+stichter van het Christendom geleefd en geleden had, waaraan
+godsdienstige eerbied zoo vele heilige herinneringen verbond, bevond
+zich in de magt der Saracenen of Turken. De kwellingen, welke deze de
+Christenen aandeden, wekten in _Europa_ den godsdienstijver van vorsten
+en volken op tot het doen van een kruistogt, om _Palestina_ weder in de
+magt der Christenen te brengen.
+
+De eerste kruistogt werd ten jare 1096 ondernomen. Uit verschillende
+landen werd een verbazend groot leger bijeengebragt. Met vele bezwaren
+en rampen had het op den langen togt naar het oosten te strijden. Het
+gelukte echter deze kruisvaarders de steden _Nicéa_, _Antiochië_,
+_Cesaréa_ en _Jeruzalem_ te veroveren, en het koningrijk _Jeruzalem_ te
+stichten, waarvan GODFRIED VAN BOUILLON, Hertog van _Neder-Lotharingen_,
+tot Koning werd uitgeroepen, welken titel hij echter niet aannam, maar
+zich vergenoegde met dien van Beschermer van het Heilige graf.
+
+'t Is zeer natuurlijk, dat eene zoo krijgshaftige natie als de Friezen
+ijverig deel nam in dezen togt en aandeel had in deze overwinningen. Ook
+na KAREL _den groote_ hadden zij buitenlandsche Vorsten vrijwillig
+bijstand geboden, en bekend is het, dat de BURMANIA'S, CAMMINGHA'S,
+ROORDA'S en anderen in de 11e eeuw met roem overladen terugkeerden uit
+het leger van Keizer HENDRIK III, dien zij op zijne oorlogstogten in
+_Boheme_, _Hongarije_ en elders gevolgd waren[37]. In bijna al de
+kruisvaarten betoonden de Friezen zich roemruchtige kampvechters voor
+het Christelijk geloof, die andere volken in koenheid overtroffen, maar
+die onafhankelijk, onder eigene bevelhebbers staande, geen ander gezag
+eerbiedigden dan dat van den Paus. Oude geschiedverhalen noemen zelfs de
+namen der aanzienlijke edelen, onder welke zij in den eersten kruistogt
+uittrokken, als de leden der geslachten: LIAUCKAMA, BOTNIA, HERMANA,
+GALAMA, FORTEMAN en anderen. Bijzonder onderscheidden zich door
+dapperheid EELKO LIAUCKAMA en FEIKO BOTNIA, waarom zij tot bevelhebbers
+over 3000 man ruiters benoemd werden. Na in onderscheidene gevechten
+zware wonden bekomen te hebben, werden zij, na de verovering van
+_Jeruzalem_, ter belooning van hunnen moed, door den Koning tot Ridders
+geslagen. Bij de belegering van _Nicéa_ sneuvelde de laatste
+afstammeling der FORTEMANS met SICKO LIAUCKAMA en EPO HARTMAN op het bed
+van eer (1097).
+
+ [37] Dit vermeldt BOSSCHA, _Neêrlands Heldendaden_, I 34.
+
+Onderscheidene andere edelen, als HOMME HOMMINGA, GOFFE ROORDA, SICKO
+CAMMINGHA en TJALLING OCKINGA voerden eerlang nieuwe benden Friezen aan.
+In vele gevechten met de Saracenen behaalden zij grooten lof van
+dapperheid, waarom BOUDEWIJN, de tweede Koning van _Jeruzalem_, en
+andere hoofden des legers hen bijzondere achting toedroegen. Naar het
+vaderland terug verlangende, ontsloeg de Koning hen noode uit zijne
+dienst. Hij zelf geleidde hen met 100 ruiters naar _Jaffa_, vanwaar zij
+zich inscheepten, en eerlang, na vele gevaren te hebben doorgestaan, in
+_Friesland_ terugkwamen, waar zij met blijdschap in plegtigen optogt
+werden ontvangen (1106).
+
+ * * * * *
+
+Aan bijna al de verdere kruistogten, vooral aan die van de jaren 1119,
+1147 en 1189, namen vervolgens vele Friezen deel, en hielden zij den
+eens verworven roem van beleid en dapperheid staande. Doch op geenen
+togt behaalden zij grooter lof en eer, dan op een der laatste, in 1217
+ondernomen. De Priester OLIVIER van _Keulen_ was naar _Friesland_
+gezonden, om daar het kruis te prediken. Het gelukte hem, de menigte met
+zulk eene geestdrift voor dezen togt te bezielen, dat, volgens zijn
+eigen berigt, 50,000 Friezen de wapenen opnamen en zich te _Dokkum_ en
+elders op meer dan 80 schepen ter zee begaven. Onderweg vereenigde deze
+vloot zich met die van Graaf WILLEM I van _Holland_. Na zich lang in
+_Portugal_ te hebben opgehouden, overwinterden zij in de haven der
+Italiaansche stad _Corneto_, waar zij van Paus HONORIUS III vele
+gunstbewijzen ontvingen.
+
+In het volgende voorjaar zetten zij de reis voort naar de sterke
+Egyptische stad _Damiate_, aan een der monden van den Nijl en de
+Middellandsche zee gelegen. Reeds dadelijk bij de landing bewonderde het
+leger den moed van een Friesch boogschutter. Toen de Saracenen zich naar
+het strand begaven, om de landing te beletten, schoot deze onversaagde
+krijgsman de eene pijl na de andere op hen af, zoodat velen getroffen
+ter aarde zonken. Vlugtende ontwijken nu de anderen den vijand, en het
+was door deze koenheid, dat de Christenen hunne legerplaatsen
+ongehinderd konden opslaan.
+
+Vóór dat men de rivier kon opzeilen, om bij _Damiate_ te komen, moest er
+een sterke toren, op een eiland, veroverd worden, terwijl er eene
+ketting over de rivier was gespannen. De ongeduldige Friezen zwommen
+echter den Nijl over, en raakten slaags met de Saracenen. Men riep hen
+van daar terug, en nu hielpen zij met mannenmoed den sterken toren
+belegeren. Dappere tegenweer deed herhaalde aanvallen mislukken. Daarom
+bouwden de Friezen en Duitschers een vreemd krijgswerktuig, om hiermede
+den toren te bestormen. Op twee hunner schepen, koggen genaamd, legden
+zij zware balken, zetten vier masten daarop, en bouwden daar boven een
+toren, van planken en vlechtwerk, met huiden gedekt, om tegen de pijlen
+en het grieksch vuur der belegerden beschut te zijn. Een lange ladder en
+valbrug waren er aan verbonden, om den toren te kunnen beklimmen. Onder
+de gebeden der Christenen en den hevigsten tegenstand der Turken, werd
+met dit gevaarte de sterkte aangevallen. Van weerszijden werd woedend
+gestreden. Een jong ridder uit _Luik_ beklom het eerst den toren. Hem
+volgde een zeer jonge Fries, HAIJO, van _Wolvega_, die, met een
+dorschvlegel gewapend, allen versloeg, die hem tegenstonden, en ook het
+vaandel van den Sultan veroverde. Weldra werd nu, als blijk van de
+overwinning, onder het gejuich der Christenen, den standaard des kruises
+op den toren geplant. Later gelukte het de Friezen en Duitschers met
+bewonderenswaardige dapperheid de schipbrug over den Nijl te vernielen
+en de vrije vaart op deze rivier te openen. Geene mindere hulp boden zij
+bij de belegering van _Damiate_, dat in het laatst van 1219 overging. De
+Patriarch van _Jeruzalem_ en OLIVIER gaven de Friezen bij hunnen aftogt
+loffelijke getuigschriften mede van hunne betoonde stoutmoedigheid en
+braaf gedrag. Men wil, dat de inwoners van _Dokkum_, in welke zeeplaats
+vele schepen werden uitgerust, groot aandeel hadden aan dezen togt, en
+dat het koggeschip, dat lang tot windwijzer van hun toren diende,
+alsmede de drie sterren en eene kwartier maan, welke zij later in het
+stadswapen voerden, afkomstig zijn »ter gedachtenisse van de
+overwinningen, in de heilige oorlogen op de Saracenen behaald."
+
+De diensten door de Friezen op dien kruistogt bewezen, werden zelfs door
+het opperhoofd der kerk, Paus HONORIUS III, dankbaar erkend, bij
+gelegenheid dat hij in 1226 op nieuw hunne hulp inriep bij eenen
+afzonderlijken brief, waarin hij zich in dezer voege uitlaat: »Voorwaer,
+also ghy Vriesen voormaels met den Cruyce geteyckent, ons te scheepe in
+den Over-lande getrouwelyck gedient hebt, in alsulcker voegen, dat u
+loff ende eere van geslachte tot geslachte sal verbreydet worden, hebben
+wy noodich ende raetsaem gevonden, u specialycken, als vermaerde
+Camp-Vechters Christi, tot zynen dienste te roepen ende te verschryven;
+vast vertrouwende, dat terwylen ghy in stoutmoedicheyt ende cracht
+andere natien te boven gaet, dat ghy met manlycke couragie 't Heylige
+oorloge sult aanveerden, opdat wy, strydende voor 't aertsche Jerusalem,
+het eeuwige sullen bekomen."[38]
+
+ [38] Zie _Vriesch Charterboek_, I 93; VAN MIERIS, _Charterb._ 1 200;
+ WINSEMIUS, 161.
+
+ * * * * *
+
+Uit dezen zelfden kruistogt is het verhaal van een kloekmoedig bedrijf
+bewaard. Het gebeurde eens, dat de beide legers der Christenen en
+Saracenen tegenover elkander lagen, en zich ten strijde toerustten. Daar
+treedt een ongemeen groot Prins der Mooren voor het Saraceensche leger
+uit, en daagt, vol verwaanden trots, een der dapperste ridders der
+Christenen uit, om met hem een kampstrijd te wagen. Een moedig Friesch
+edelman uit het geslacht van ROORDA, van _Genum_, kon niet dulden, dat
+zulk eene uitdaging onbeantwoord bleef. Met verlof van zijn hoofdman en
+in vertrouwen op de hulp van den God der Christenen, treedt hij den
+gespierden moor, in het aanzien van beide legers, onversaagd tegen.
+Deze ziet met overmoed en verachting op hem neder, en denkt met éénen
+slag hem den schedel te klooven. Doch hij bedriegt zich. Ridderlijk valt
+ROORDA hem aan, en, al zijne krachten inspannende, brengt hij,
+dapperlijk vechtende, zijnen vijand verscheidene wonden toe, ja
+overweldigt, hem ten laatste zoo volkomen, dat de van spijt en woede
+brullende uitdager, doodelijk getroffen ter aarde valt. Gejuich vervult
+het leger der Christenen. Des Prinsen afgehouwen hoofd brengt hij als
+prijs der overwinning op de punt van zijn zwaard in het leger der
+kruisvaarders, waarin hij met uitbundigen lof en eere wordt ontvangen.
+Om deze kloeke daad werd hij tot Ridder geslagen, en hem toegestaan, een
+moriaanshoofd in zijn wapen te voeren, gelijk zijne nakomelingen nog
+eeuwen lang na hem hebben gedaan.
+
+ * * * * *
+
+Terwijl dit alles in het oosten voorviel, mogten ook verscheidene oorden
+van _Europa_ van der Friezen krijgsroem gewagen. Bij den grooten
+kruistogt van 1147 in _Portugal_ geland, was het mede door hunne hulp,
+dat de magtige stad _Lissabon_, na een lang en hevig beleg, aan de magt
+der Saracenen ontrukt werd. Zelfs vindt men gemeld, dat bij die
+gelegenheid 200 man Friezen, onder aanvoering van een vromen held,
+POPTATUS, 30,000 Heidenen verslagen hebben, welk getal echter overdreven
+zal zijn[39]. Bij een lateren togt (van 1217) hielpen zij, met 25
+schepen, de Portugesche stad _Santa Maria_ op de Saracenen veroveren. In
+1147 deelden zij, met de Westfalingers en Saksers verbonden, in een togt
+tegen de Wenden, of de Heidensche Slavoniërs aan de Oostzee. Ook daar
+gedroegen zij zich zoo dapper, dat als een (bijna ongeloofelijk) bewijs
+daarvan vermeld wordt, dat 100 Friezen, die zich te _Suse_ gevestigd
+hadden, aangemoedigd en voorgegaan door een edelen en onverschrokken
+priester, GERLACUS, zich tegen een heir van 3,000 Wenden verzetten en
+dit na een langdurig en hevig gevecht op de vlugt sloegen[40].
+
+ [39] Mr. SIMON VAN DER AA heeft dezen togt naar _Lissabon_ in
+ dichtmaat voorgesteld in den _Friesche Volks-Almanak_ voor 1845, 140.
+
+ [40] Zie bij SCHOTANUS, _Kronyk_, 92, het uitvoerig verhaal daarvan.
+
+Gelijktijdig dienden er onderscheidene Friesche edelen in de legers der
+voornaamste vorsten van _Europa_. Twee MARTENA'S stonden bij Keizer
+FREDERIK BARBAROSSA (_Roodbaard_) om hunne kloekmoedigheid in hooge
+gunst. De een sneuvelde in _Italië_; de andere was 's Keizers lotgenoot
+in den dood op zijnen togt naar _Palestina_ (1199). In den noodlottigen
+kruistogt van LODEWIJK IX, tegen _Tunis_, waren het de Friezen, die
+althans nog eenig voordeel behaalden. Keizer RUDOLF bewees de Friesche
+edelen bijzondere achting; vooral onderscheidde zich WATSE JOULSMA
+als een manhaftig krijgsman. Een andere Fries, die door zijne
+krijgsbedrijven zich buitenlands beroemd heeft gemaakt, was JUW DEKAMA,
+die Koning EDUARD I, bij de verovering van _Schotland_ belangrijke
+diensten bewees (1298). Een afstammeling van het zelfde geslacht vond,
+met een der BEYMA'S, den dood in _Italië_, waar zij te _Pisa_ begraven
+werden op last van Keizer HENDRIK VII, wien zij met hunne landgenooten
+AYLVA, HETTINGA en anderen hunnen dapperen arm geleend hadden (1312).
+Meerdere voorbeelden van Friesche krijgshelden uit dat tijdvak zouden
+wij kunnen opnoemen; doch genoeg om den heldenaard der Friezen regt te
+doen wedervaren[41].
+
+ [41] Dus spreekt de Hoogleeraar BOSSCHA, _Heldendaden_, I 34, 35, die
+ deze en andere krijgsbedrijven der Friezen met hoogen lof vermeldt.
+
+ * * * * *
+
+Maar vooral behaalden de Friezen grooten roem wegens hun ~beleid~, bij
+de belegering van de stad _Aken_, in 1248. De Hollandsche Graaf WILLEM
+II, door den invloed van den Paus tot Keizer van _Duitschland_ verkozen,
+moest dáár tot Roomsch-Koning gekroond worden; doch de vroeger verkoren
+Koning KOENRAAD hield de stad bezet voor zijnen vader, den in den ban
+gedanen Keizer FREDERIK II, en weigerde haar over te geven. Juist hadden
+verscheidene volken zich reisvaardig gemaakt, om een nieuwen kruistogt
+naar _Palestina_ te doen. De Paus ontsloeg hen echter van deze gelofte,
+indien zij zich naar _Aken_ wilden begeven, om deze stad voor Koning
+WILLEM in te nemen. Niet minder dan 200,000(?) krijgers trokken nu
+derwaarts. Te vergeefs benaauwden deze, bijna een halfjaar lang, de
+kloek verdedigde stad, die nog altijd langs eene vlakte aan de
+noordzijde gelegenheid had, nieuwen toevoer te bekomen.
+
+Tegen den herfst kwam echter, op verzoek des Konings, eene nieuwe bende
+Friezen, aangevoerd door een moedig edelman, TJAARD DOTINGA, in het
+leger aan. Deze begonnen met het bezetten van de vlakte benoorden de
+stad. Drie malen trachtten de nu geheel ingeslotene stedelingen hen van
+daar te verdrijven; doch de onverzettelijke Friezen weken geen voetbreed
+terug, maar verschansten zich op het veld, en namen ook eene andere
+sterkte in, die niemand te voren had durven aantasten. Doch dit was niet
+genoeg: want hoe fel de honger en ellende in de stad ook drongen, zij
+was tot geene overgave te bewegen. Daarom namen de Friezen list te baat,
+door de stad te bestoken met het zelfde element, waartegen zij in hun
+land met dijken en dammen hadden te strijden. Zij legden namelijk ten
+oosten der stad een zwaren en hoogen dijk over het lage land en dóór de
+beek, die het water afvoerde, hetwelk uit de talrijke bronnen der
+omgelegene bergen ontsprong. De door de herfstregens opgezwollen beken
+konden zich nu niet ontlasten, en zetten een groot deel der in een dal
+gelegene stad onder water. Nu klom de nood zóó hoog, dat de stad zich
+eindelijk overgaf, en Koning WILLEM zijne luisterrijke intrede in _Aken_
+deed, waar hij 1 Nov. 1248 werd gekroond.
+
+Gaarne had hij hun heldenarm zich verder ten nutte gemaakt, maar
+onverzettelijk verklaarden zij de opgenomene taak voor afgedaan. Zij
+keerden echter niet huiswaarts, dan na het ontvangen van vele
+betuigingen van dankbaarheid voor die hulp, en van een duurzaam
+getuigenis hunner betoonde dapperheid en bewezene diensten. Want de
+eerste verordening, welke Koning WILLEM, na zijne krooning, als
+aanstaand opperhoofd van het Duitsche rijk uitvaardigde, bestond in een
+Giftbrief, waarbij hij al de regten, vrijheden en privilegiën, welke de
+Friezen bezaten, als door Keizer KAREL _den groote_ hun gegund,
+bevestigde, goedkeurde en vernieuwde, »om te strekken tot een eeuwig
+monument, opdat de geheele natie der Friezen en hare nakomelingen mogten
+weten, in wat voege hare voorvaderen de Roomsche kerk en het keizerrijk
+geholpen en hunne sterkte en deugden getoond hadden in de belegering van
+_Aken_"[42]. Dit gunstbewijs werd door de vrijheidminnende Friezen
+steeds op hoogen prijs geschat, als een adelbrief voor het gansche volk
+en de grootste weldaad, waarmede de Koning hun ijver kon vergelden.
+Grooten roem verwierf hun gedrag bovendien bij naburige volken, in een
+ridderlijken tijd, toen moed, beleid en stoutmoedigheid in den strijd
+inzonderheid als hoofddeugden werden vereerd.
+
+ [42] Zie dezen Giftbrief in het _Charterboek_, I 94; WINSEMIUS, 168;
+ SCHOTANUS, _Kronyk_, 130, _tabl._ 10; FOEKE SJOERDS, _Jaarboeken_, III
+ 27; DIRKS, _de Friezen voor Aken_, in _de Vrije Fries_, V 53.
+
+Twintig jaren later gaven de Friezen nogmaals gehoor aan de laatste
+oproeping tot een kruistogt naar het Heilige land. Dit toch was toen op
+nieuw door de Saracenen ingenomen, en de hoog gestegen nood der
+Christenen aldaar bewoog den Franschen Koning LODEWIJK IX en den
+Engelschen Prins EDUARD, nog eene poging te doen om het te herwinnen,
+waartoe ook de Paus in de _Nederlanden_ het kruis deed prediken. In alle
+deelen van _Friesland_ betoonden vele personen zich tot hulp bereid, en
+weldra had men vijftig kogschepen bijeengebragt, waarop zij zich in 1269
+inscheepten. Na eenigen tijd in _Vlaanderen_ vertoefd te hebben,
+vertrokken zij naar _Marseille_, waar het kruisleger zich zou
+verzamelen. De Koning was echter reeds vertrokken naar de Afrikaansche
+kust, om _Tunis_ te belegeren; zij volgden hem derwaarts en hielpen met
+veel onverschrokkenheid den Graaf van _Vlaanderen_ eene overwinning op
+de Saracenen behalen. Vervolgens stevenden zij wel naar _Ptolemaïs_ en
+_Tyrus_, doch vonden geene gelegenheid tot den strijd. Integendeel, zij
+vonden het Christen-leger verdeeld; stormen hadden hunne schepen
+ontredderd; ziekten dunden hunne rijen; zoodat zij in 1270, in veel
+verminderd getal, den terugtogt naar het vaderland aannamen, en, na zoo
+vele vergeefsche pogingen gedaan te hebben, het Heilige land in het
+bezit der Saracenen moesten laten. (Zie _Aanteekening 11_.)
+
+Die herhaalde togten en verbazende opofferingen hadden gewis een
+gunstiger uitslag verdiend. Doch in belangrijke zaken is ook het willen
+grootsch, het streven edel, en het bezwijken geene schande.
+
+
+17. _Veranderingen in den toestand des volks en de vestiging van
+Gemeenten en Steden, gedurende en na de Kruistogten._
+
+De Kruistogten naar _Palestina_ zijn op zich zelve een merkwaardig
+verschijnsel in de geschiedenis. Maar hoogst belangrijk werden zij door
+hunne ~gevolgen~, dewijl deze geweldige beroering eene omkeering in den
+toestand der meeste staten van dit werelddeel te weeg bragt. Ook op den
+toestand der Friezen oefenden zij in verschillende betrekkingen en in
+verband met gelijktijdige gebeurtenissen een invloed uit, welken wij in
+eenige hoofdtrekken willen schetsen.
+
+Bij den immer voortdurenden krijg tegen de Noormannen waren, in de drie
+eerste eeuwen na de invoering van het Christendom, de omstandigheden
+niet zeer gunstig geweest, om den toestand des volks zóódanig te
+verbeteren en om dien vooruitgang te bevorderen, welken men van zoo
+heilrijk eene gebeurtenis had mogen verwachten. De geest van KAREL _den
+groote_, die zoo vaderlijk voor zijne landzaten had gezorgd, was uit
+het staatsbestuur geweken, en zijne laffe opvolgers waren geenszins
+gezind, als hij, om pogingen aan te wenden tot verbetering van de
+maatschappelijke betrekkingen des volks. Veeleer werd dit onderdrukt en
+der ellende prijs gegeven door magtige grooten, die veelal de Keizers
+de wet stelden en allerlei gunsten van hen konden bekomen. Der
+geestelijkheid scheen het genoeg te zijn, dat de volken Christenen waren
+geworden in naam en de eeredienst en plegtigheden der kerk bijwoonden,
+doch zij deden geene of geringe pogingen, om door onderwijs en leer het
+verstand te verlichten en de ruwheid van zeden te verzachten. Onkunde en
+bijgeloof heerschten alom en hielden de meeste volken in een staat van
+bekrompenheid en domheid, welke de hoofden der kerk hadden moeten
+verdrijven, zoo zij hunne Christelijke roeping eenigzins hadden
+begrepen. Doch zucht naar geld en gezag beheerschte toen vooral zoowel
+de geestelijkheid als den opkomenden adelstand, en het scheen alsof men
+de lagere standen met opzet in vernedering hield; terwijl het deze aan
+vermogen en gelegenheid ontbrak, om zich van die banden te ontslaan, en
+de steun te worden van den staat.
+
+De kruistogten gaven echter een schok, welke tot alle standen en
+betrekkingen doordrong, waardoor ze, in het bijzonder voor ons
+vaderland, van onberekenbare gevolgen zijn geweest. Even als van elke
+groote gebeurtenis, waren die gevolgen zoowel na- als voordeelig. Doch
+de nadeelen waren tijdelijk, golden meest bijzondere belangen en zijn
+alzoo geleden en vergeten. Maar de voordeelen, voor zooverre ze de
+algemeene belangen betroffen, zijn gebleven, en hebben hun invloed ook
+tot volgende geslachten uitgestrekt.
+
+Immers, die togten naar zoovele vreemde landen, en dat verkeer met
+allerlei volken waren voor velen onzer landgenooten eene leerschool,
+welke den kring der denkbeelden en behoeften uitbreidde. Het bezoeken
+van groote steden, het zien van schoone gebouwen en kunstwerken, en de
+kennis van zeevaart, wapenhandel, levenswijze, handwerken en
+gereedschappen van andere volken,--dit alles schonk aan de terugkeerende
+kruisvaarders bekwaamheden en hulpmiddelen tot vooruitgang, wier goede
+aanwending weldra allerwege welvaart verspreidde. De havens werden
+vervuld met schepen, die na volbragten kruistogt naar _Engeland_, de
+Oostzee en elders werden gerigt. Vele voortbrengselen van het Oosten
+werden naar deze Westersche streken overgebragt en door den handel
+allerwege verspreid. Slaven, die deelnamen aan deze togten, bekwamen
+daardoor hunne vrijheid. Vele vrije lieden werden nu gebezigd tot het
+verrigten van diensten, welke voormaals tot den allerlaagsten staat
+behoord hadden. Deze diensten vereischten nu een billijk loon, en, in
+geval van verschil, uitspraak van goede wetten. Dus kreeg het
+werkzaamste deel des volks schooner kans, om zich te beveiligen tegen de
+armoede, en om door handel en landbouw of oefening van bedrijven en
+kunsten tot het bezit van vaste goederen en welvaart te geraken. Heeft
+dit alles niet veel uitgewerkt, om de burgerlijke vrijheid in ons land
+te bevorderen?[43] Voorzeker, want algemeen waren de behoeften des volks
+vermeerderd, doch te gelijk had het ook krachten en gelegenheden
+bekomen, om daarin te voorzien. Zoo vele nieuwe kundigheden openden
+nieuwe uitzigten en ondernemingen. Leven en werkzaamheid baarden
+voorspoed, en vandaar, dat, naar aanleiding van dit alles, de
+middelstand in vermogen en geestkracht dermate toenam, dat hierdoor de
+stand der ~Burgers~ ontstond, en dat de door hen bewoonde dorpen tot
+~Steden~ werden verheven.
+
+ [43] STIJL, _Opkomst en bloei der Nederlanden_, 1778, 28.
+
+ * * * * *
+
+In _Friesland_ was die overgang echter niet zoo groot als in andere
+landstreken: want nevens de geestelijkheid en den in aanzien stijgenden
+Adel, of de groote grondbezitters, had de algemeene volksvrijheid hier
+een stand van vrije mannen gevestigd, die als huurders het land
+bebouwden of handel dreven en handwerken uitoefenden, en wier
+dienstbaren zelfs geene slaven of lijfeigenen waren, zoo als elders[44].
+Hier kende men geen Leenstelsel en ook geene Graven of Heeren, die
+elders, door het schenken van vrijheden en voorregten of privilegiën, de
+aan hen onderworpene of lijfeigene ingezetenen vrij verklaarden en
+daardoor de verheffing van de Steden bevorderden. De voordeelen van deze
+verheffing en de zucht naar onafhankelijkheid wekten bij de Friezen den
+geest van navolging op. Hier schijnen de bewoners van de aanzienlijkste
+dorpen of handelplaatsen, waarin de koop- en handwerkslieden zich al
+vroeg tot Gilden verbonden, zich onderling vereenigd te hebben ter
+bekoming van het regt, om zich zelve, door een eigen Bestuur, te doen
+regeren. Zij matigden zich het regt aan, om, met uitsluiting van de
+overige omliggende dorpen, handel te drijven, markten te houden, maten
+en gewigten vast te stellen en handwerken en bedrijven uit te oefenen,
+waaraan zij plaatselijke voorregten verbonden. Omstreeks het midden der
+13e eeuw en dus in den zelfden tijd, dat _Oostergoo_ en _Westergoo_,
+tot dusverre verdeeld in landstreken, waarschijnlijk Marken, Ferden
+en Hemrikken geheeten[45], eene nieuwe gemeente-regeling en verdeeling
+in Grietenijen bekwam, onttrokken zich alzoo die voornaamste
+handelplaatsen, vooral de hoofddorpen der Hemrikken, aan het Bestuur en
+de Regtsmagt van de Landgemeente of der Grietenij, ten einde zich zelve
+naar eigene, en voor hare bijzondere behoeften meer geschikte,
+wettelijke bepalingen te besturen; waarbij ze veelal een der
+vermogendste edelen, die daar stinzen gebouwd hadden, ter hunner
+bescherming aan het hoofd der regering stelden[46].
+
+ [44] Dat er ook slaven en lijfeigenen in _Friesland_ zouden geweest
+ zijn, wordt op grond van enkele plaatsen der oude Friesche wetten door
+ sommigen beweerd, doch door anderen tegengesproken, op grond der
+ algemeene volksvrijheid en gelijkheid van alle ingezetenen voor de
+ wet; alsmede, omdat de slavernij haren grond had in het regt van
+ verovering. Aangezien nu de Friezen, althans na KAREL _den groote_,
+ van het zwerven en veroveren hadden afgezien, en zich door eene
+ bijzondere gehechtheid aan hun land kenmerkten, is hier kwalijk aan
+ slavernij te denken, ten zij gevangen genomen Noormannen daarin
+ vielen. Zoo denkt ook HALBERTSMA in zijne _Letterkundige Naoogst_,
+ 1840, I 135, 138.
+
+ [45] Zie _Oude Friesche Wetten_ en de Aantt. van P. WIERDSMA, bl. 23,
+ 42, 70, 294, 304.
+
+ [46] Ten aanzien van dit, altijd zeer twijfelachtig, onderwerp, en
+ aangaande den aard en oorsprong van het Stederegt, neem ik de vrijheid
+ te verwijzen naar de uitvoerige berigten, medegedeeld in mijne
+ _Geschiedkundige Beschrijving van Leeuwarden_, I 8, 33, 274, 298 enz.
+ en de daarbij aangehaalde schrijvers.
+
+Bij gebrek aan stellige narigten zullen wij ons, uit velerlei
+omstandigheden, zeker met de meeste waarschijnlijkheid mogen
+voorstellen, dat er op zulk eene wijze in de 12e en 13e eeuw in
+_Friesland_, tusschen het Flie en de Lauwers, _elf_ Steden zijn
+ontstaan. Reeds vroeger (bl. 63) hebben wij gesproken over de oudste
+dier steden, over _Stavoren_, en evenzeer gewaagd van hare gunstige
+ligging aan den Fliestroom, waardoor hare scheepvaart en handel zich
+reeds vroeg ontwikkelden, als van de oorzaken, waardoor zij in verval is
+geraakt. _Dokkum_, aan de tegenovergestelde zijde van dit gewest op eene
+zeer hooge terp aan de Ee en de Donger, in de nabijheid der Lauwerszee
+voor scheepvaart en handel niet minder voordeelig gelegen en reeds vroeg
+door den marteldood van BONIFACIUS algemeen bekend, wordt naar den
+ouderdom voor de tweede in rang dezer steden gehouden. Aan de westzijde
+der Ee, waar zij met andere stroomen in de Middelzee viel, was
+_Leeuwarden_ aan een landhoek op twee breede terpen of werden ontstaan;
+eene ligging, aan dien breeden zeeboezem, welke visscherij, scheepvaart
+en handels-verkeer zeer begunstigde, en de spoedige uitbreiding dezer
+zeeplaats bevorderde. Zoolang zij een dorp was, droeg ze den naam van
+_Nijehove_, in tegenstelling van het daarbij gelegene en om zijne
+leerschool beroemde dorp _Oldehove_, waarmede zij aan de westzijde,
+gelijk met het dorp _Hoek_ aan de oostzijde in 1435 tot ééne grootere
+stad verbonden en uitgebreid werd, nadat zij, door het opslijken of
+verlanden van de Middelzee van eene Zee- in eene Landstad was
+herschapen. Dit zelfde was het geval met _Bolsward_, _Sneek_ en _Ylst_,
+oorspronkelijk aan de zuidzijde van dien zeeboezem gelegen, doch wier
+zeehandel en scheepvaart zich nu, na het gelijktijdig ontstaan van de
+Zuiderzee, verplaatsten naar _Harlingen_, _Workum_ en _Hindeloopen_, die
+zich eerlang uitbreidden en in bloei toenamen, ook ten gevolge van het
+verval van _Stavoren_. De opkomst en uitbreiding van _Franeker_, waar
+reeds vroeg de Grafelijke regtstoel en der Vijf deelen regtspleging werd
+gehouden, werd vooral bevorderd, doordien een aantal vermogende edelen
+van _Westergoo_ zich daar vestigde, en te midden der woningen van de
+nijvere burgers sterke huizen liet bouwen. Gelijktijdig vervielen de
+zeeplaatsen _Ezonstad_ aan de Lauwerszee, _Uitgong_ aan den mond der
+Middelzee, waaruit het latere aanzienlijke dorp _Berlikum_ ontsproot, en
+_Grind_, thans eene zandplaat N. W. van _Harlingen_. Het is echter zeer
+twijfelachtig of deze plaatsen, gelijk ook het, in eene lage veenachtige
+streek, afgelegene _Wartena_, eertijds stedelijke regten hebben bezeten:
+want dat wallen en poorten toen nog geene kenmerken waren van eene stad,
+hebben al de elf Friesche steden bewezen, dewijl de meeste daarvan eerst
+in de 14e en 15e eeuw, bij het toenemen van de binnenlandsche oorlogen,
+zijn versterkt geworden; terwijl _Ylst_, _Workum_ en _Hindeloopen_ zelfs
+geene wallen en poorten hebben bekomen en onbevestigd zijn gebleven.
+
+In het algemeen beschouwd, is het ontstaan van de Steden in ons
+vaderland een blijk, hoe een wakker gedeelte der toenmalige bevolking
+zich den kinderlijken leeftijd ontwassen achtte, en als knaap naar
+meerdere ontwikkeling en zelfstandigheid streefde; ofschoon het later
+mede eene der oorzaken werd van die bloedige partijschappen en
+burgeroorlogen, welke in ons vaderland zoo lang vooruitgang en
+beschaving hebben tegengehouden.
+
+ * * * * *
+
+Groot waren alzoo de veranderingen, welke _Friesland_, vooral
+gedurende de 13e eeuw, onderging, ten gevolge van een zamenloop van
+omstandigheden, die echter niet alle regtstreeksche gevolgen waren der
+kruistogten. De toestand des volks was in vele opzigten verbeterd; de
+bronnen van bestaan waren vermeerderd; kennis en bekwaamheden werden
+ontwikkeld, zoodat er voor de algemeene beschaving des volks werkelijk
+eene betere toekomst scheen aan te breken. Naar wijze wetten en
+verordeningen, welke nog voorhanden zijn[47], werden, bij jaarlijksche
+beurtwisseling, de Steden bestuurd door een Olderman, Burgemeesters en
+Schepenen, gelijk de Grietenijen door een Grietman en zijne Bijzitters
+of Regters. Aan allen was mede de uitoefening van het regt, zoowel in
+burgerlijke als in strafzaken, opgedragen, welke vroeger door den Graaf,
+den Schout of Schelte, den Asega of Aesga en den Frana met de door het
+volk verkozene regters geschiedde[48]. Toen werden de regtdagen of
+weerstallen en warven onder den open hemel, veelal op kerkhoven, later
+in of aan de kerken, gehouden, waarvan de _Wonser-_, _Midlumer-_ en
+_Donia-weerstallen_ of regtplaatsen nog bij name bekend zijn, even als
+de _Warkeamers_ nog aan sommige kerken worden gevonden[49]. De straffen
+voor de misdaden bestonden destijds in vee of in geld, als boete aan den
+beleedigde en breuk aan den regter en het volk, wegens de overtreding
+van de wet. Ieder Goo had bovendien een Landraad en Gooregters, die de
+algemeene belangen behandelden en hoofdmisdaden beregtten. In
+_Oostergoo_ hielden deze, althans in de 15e eeuw, de landsdagen op de
+stins _Barrahuis_ onder _Wirdum_, in _Westergoo_ te _Hartwerd_ en later
+te _Franeker_, en in de _Zevenwouden_ (eerst in het begin der 15e eeuw
+tot een geheel verbonden) te Rottum[50].
+
+ [47] _Oude Friesche Wetten_, afgedrukt in SCHOTANUS, _Beschrijvinge
+ van Frieslandt_, 1664, 23, en later verbeterd, vertaald en met
+ belangrijke aanteekeningen uitgegeven door P. WIERDSMA, Kampen en
+ Leeuwarden, 1782; RICHTHOFEN, _Friesische Rechtsquellen_, enz.
+
+ [48] Zie over die wijze van regtspleging, behalve de _O. F. W._, ook
+ het voortreffelijke werk van HALSEMA, bl. 56, 76, 91 en vervolgens, in
+ _Aanteekening 9_ breeder vermeld.
+
+ [49] Aanteekeningen op de _Oude Friesche Wetten_, 40, 106, 179, 197.
+
+ [50] Zie WORP VAN THABOR, _Kronyk_, IV 2.
+
+Later hielden de voornaamste edelen en geestelijken, met de hoofden der
+steden en grietenijen Gaarleggers of bijeenkomsten op verschillende
+plaatsen, om, onafhankelijk van den Landraad, de algemeene of bijzondere
+belangen te regelen. Tevens vinden wij in de geschiedenis dikwijls
+Potestaten vermeld, als hoofdbestuurders, opperbevelhebbers of
+aanvoerders, in de plaats van de vroegere Hertogen of Goograven. Welligt
+werden zij enkel in tijden van nood of gevaar gekozen en aan het hoofd
+van den Landraad geplaatst, om de hoogste magt voor een bepaalden tijd
+uit te oefenen. Omtrent deze personen heerscht er echter veel duisters
+in onze geschiedenis[51]. Het gansche Staatsbestuur droeg blijken, hoe
+zeer men de aanleiding tot misbruik van magt vreesde, en de regten des
+volks trachtte te bewaren tegen de aanmatigingen zoowel van vreemden
+als van sommige edelen[52]. »De Friesche natie leverde te dezen aanzien
+een treffend contrast op, met den staat van andere natiën vergeleken. In
+alle andere landen berustte toen de oppermagt óf in handen van eenen
+volstrekten Meester, óf zij was tusschen den Vorst en een klein getal
+wreede en hoogmoedige Edellieden verdeeld. Deze laatsten, welverre van
+de vrijheid der volken te beschermen, waren als zoo vele dwingelanden,
+die haar uitdelgden. De inwoners van _Friesland_, niet tevreden dat
+zij door eene afhankelijkheid, welke inderdaad slechts in naam bestond,
+aan het Duitsche rijk verbonden waren, en óf door zich zelven óf door
+hunne vertegenwoordigers invloed op de volksvergaderingen hadden,
+namen dikwijls het bestier der zaken op zich, en stelden zich
+staatsligchaamswijze aan het hoofd der openbare verrigtingen. Schoon de
+algemeene landsdag-vergaderingen voornamelijk uit de afgezondenen der
+onderscheidene regtsgebieden en plaatsen waren zamengesteld, hadden
+echter alle inwoners het regt haar bij te wonen. Ook ziet men, tot in de
+16e eeuw toe, openbare acten uitgegeven in den naam niet alleen van de
+Overheden, maar ook van de Gemeente en het gansche ligchaam des
+Volks"[53].
+
+ [51] Aanteekening op de _Oude Friesche Wetten_, 118.
+
+ [52] Zie over het vermelde VAN LOON, _Aloude Regeringswijs van
+ Holland_, IV 175; FOEKE SJOERDS, _Beschrijv._ I 423; _Tegenw. Staat_,
+ I 128; VAN HALMAEL, in het _Friesch Jierboeckjen foar 1834_, VII.
+
+ [53] _Grondwettige Herstelling van Nederlands Staatswezen_, Amsterdam
+ 1784, I 80, met aanhaling van het _Charterboek_, I 124, 131, en VAN
+ IDSINGA, _Staats-recht der Nederlanden_, 363.
+
+Gelijktijdig was er nog eene andere magt in den Staat en eene niet
+minder gevreesde regtbank, die der _Geestelijkheid_, wier invloed
+destijds van veel belang was, als naauw met het wereldlijk gezag
+verbonden. Wij achten het nuttig, ook daarvan een algemeen overzigt te
+geven.
+
+
+18. _De Friesche Geestelijkheid, Kerken en Kloosters in de
+middeleeuwen._
+
+In der Friezen aard en karakter is het dikwijls opgemerkt, dat zij tegen
+vreemde personen en nieuwe zaken vaak zeer ingenomen zijn, zoolang zij
+die niet kennen, doch dat zij later, als derzelver waarde de proef des
+onderzoeks heeft doorgestaan, daarvan even ijverige voorstanders worden,
+als zij vroeger tegenstanders waren. Het gezond verstand en de
+billijkheid (waardoor de Friezen zich steeds hebben onderscheiden)
+behalen dan de overwinning op een aangeboren afkeer van vreemden, op de
+gehechtheid aan het oude en op de vrees voor schade bij eene
+verandering, welke de voorzigtigheid nog niet als eene verbetering heeft
+leeren kennen.
+
+Omtrent geene zaak is dit krachtiger gebleken, dan ten aanzien van het
+Christendom. Eeuwen lang streden de Friezen daar tegen, ook om
+staatkundige redenen, en bleven zij afkeerig van de aanneming der
+Christelijke leer, zoolang zij haar niet kenden. Maar toen zij haar
+eenmaal hadden aangenomen en van hare waarde overtuigd waren, werden zij
+daarvan eerlang even groote voorstanders als weleer tegenstanders.
+Spoedig echter ging deze overgang niet, en zijn er, om boven vermelde
+redenen (zie bl. 75), uit de drie eerste eeuwen na de aanneming van die
+leer geringe sporen van dien ijver bekend. Maar de geschiedenis getuigt
+en de blijken zijn er nog van over, dat er weinige landen van gelijke
+uitgestrektheid in _Europa_ bestaan, waarin de vrome zin der ingezetenen
+uit eigene middelen zoo vele Kerken en Kloosters heeft gesticht en
+rijkelijk begiftigd, als in deze provincie. Ja, het is geene
+overdrijving als wij zeggen, dat er in _Friesland_ nagenoeg zoo vele
+Steden gesticht werden als er maanden-, zoo vele Kloosters als er weken-
+en zoo vele Dorpen als er dagen in het jaar zijn. Indien dan
+vreemdelingen in dit noordelijk geweest te vergeefs zoeken naar zulke
+grootsche en prachtige gewrochten der bouwkunst, als in andere landen
+door vereenigde krachten werden tot stand gebragt, dan kan nog het
+_aanzienlijk getal_ torenspitsen onzer steden en dorpen getuigen, dat de
+vroomheid der vaderen hier zeer vele bewijzen heeft achtergelaten van
+hunnen ijver voor Christendom en Kerk.
+
+Vermits KAREL _de groote_ bepaald had, dat de ingezetenen van ieder
+kerspel voor eene kerk en woning van den Pastoor moesten zorgen, zoo
+werden er in dit gedeelte van _Friesland_ bij de invoering van de
+Christelijke leer hier en daar reeds kerken gesticht. Het waren toen
+echter nog slechts van hout opgetrokkene bedehuizen met riet gedekt.
+Doch in de 11e, 12e en 13e eeuw, toen het bouwen met steen werd
+ingevoerd, vermeerderde dit getal in groote mate[54]. Daarvoor waren
+verscheidene redenen en aanleidingen. Toen toch werd de maatschappelijke
+toestand der gemeenten meer en meer geregeld, bij de toeneming van
+welvaart en vermogen. De zucht om verdienstelijke werken te doen,
+waarvoor de Kerk vergeving van zonden had toegezegd, was voor sommigen
+eene aansporing om zich naar het Heilige land te begeven, en voor
+anderen een prikkel, om door hunne middelen den opbouw van Kerken en
+Kloosters te bevorderen. Hier waren het nu vroomheid en godsdienstijver;
+daar eerzucht en hoogmoed, om iets grooters en schooners te bouwen dan
+anderen reeds hadden gedaan, en elders zucht naar onafhankelijkheid,
+gepaard met nijd en onderlinge wedijvering van de edelen, die elkander
+den voorrang in het offeren op de altaren betwistten, welke het getal
+kerken en parochiën deden vermeerderen[55].
+
+ [54] Ook HALSEMA getuigt bl. 466 en 469, dat de menigvuldige kerken in
+ _Friesland_ door de landzaten of karspellieden, waaronder eenige
+ weinige edelen, en niet door milddadigheid van koningen en vorsten
+ zijn gesticht en met de noodige goederen begiftigd, waarop hun regt
+ gegrond is tot bestelling van die kerken of het benoemen van leeraren
+ en het beheer van die goederen. Zie mede WIERSMA'S Aanteekeningen op
+ de _Oude Friesche Wetten_, 257, en SCHARLENSIS, 33^o.
+
+ [55] De Heer EYCK TOT ZUYLICHEM te _Utrecht_ heeft in _de Vrije
+ Fries_, V 163, eene Beschouwing van den Bouwtrant van eenige oude
+ Kerken in _Friesland_ gegeven, waarin hij de gewone, nog onveranderde
+ bouworde onzer dorpskerken zeer merkwaardig noemt, als behoorende tot
+ den Romaanschen of Oud-Gothischen bouwtrant, met ronde koorsluiting,
+ van niet later dan de 11e of 12e eeuw. Opmerkelijk is het, dat de
+ gewone bouworde onzer Kerktorens, met gewoon huisdak tusschen twee
+ brandgevels, hier even algemeen is als in _Denemarken_, en slechts
+ zeldzaam in zuidelijker provinciën wordt gevonden. Vele dier torens
+ hebben den vorm en de zwaarte onzer oude Friesche Stinzen, en schijnen
+ mede gebouwd te zijn met het doel, om door de ingezetenen gebruikt te
+ worden als plaats van toevlugt en bescherming, in tijden van nood en
+ gevaar.
+
+Nagenoeg de zelfde oorzaken en drijfveren werkten gelijktijdig mede, om
+de stichting en opbouw te bevorderen van een aantal _Kloosters_; van die
+gestichten in en nabij steden en dorpen, waarin een aantal mannen of
+vrouwen zich begaven, om zich van de woelige wereld af te zonderen en
+zich geheel over te geven aan godsdienstige bespiegelingen, gebeden en
+werken van liefdadigheid. Naarmate de onrust der tijden vermeerderde,
+ten gevolge der binnenlandsche oorlogen en partijschappen, namen deze
+kloosters in aantal en vermogen toe, dewijl weerlooze vrouwen en rustige
+ingezetenen daarin veiligheid en bescherming vonden, en tevens
+gelegenheid, om zich op wetenschappen en kunsten toe te leggen. Het _St.
+Bonifaas-klooster_ te _Dokkum_ en dat van _St. Odulphus_ te _Stavoren_
+worden hier voor de oudste gehouden. In _Oostergoo_ waren verder de
+voornaamste: de Abtdijen van _Mariëngaard_ en _Klaarkamp_ onder
+_Hallum_ en _Rinsumageest_, in 1163 en 1165 gesticht; benevens het
+_Smallen-eester-_, _Gerkes-_ en _Foswerder-klooster_; terwijl er alleen
+in en bij de stad _Leeuwarden_ vier zulke gestichten verrezen, waaronder
+het _Dominikaner-Klooster der Predikheeren_ (1245) (waarvan de nog
+bestaande Groote kerk de kapel was) tot de aanzienlijkste van dit gewest
+gerekend werd. In _Westergoo_ bekwamen de Abtdijen van _Lidlum_ bij
+_Tjummarum_ (1182), _Oldeklooster_ bij _Hartwerd_ (1191), _Ludingakerk_
+onder _Achlum_ (1157), benevens de kloosters _Thabor_ onder _Tirns_
+(1406) en _Groendijk_ bij _Sneek_, _Monnikebaaijum_ onder _Winsum_
+(1188) en meer andere groot aanzien en vermogen; terwijl van de
+kloosters der _Zevenwouden_ de _Aalsumer-_, _Nesser-_, _Hasker-_ en
+_Schoter-konventen_ het meest vermaard waren[56].
+
+ [56] Waarschijnlijk zal ik onder de Bijlagen eene Lijst van al de
+ Kloosters opnemen. Het aantal verschillende gebouwen, waaruit die
+ gestichten veelal bestonden, is opgenoemd door den Heer VAN LEEUWEN in
+ de Aantt. op _it aade Friesche terp_, bl. 440.
+
+ * * * * *
+
+Gedurende de drie à vier eeuwen, dat de meeste dezer kloosters in
+_Friesland_ bestonden, zijn ze van groot nut, gezag en invloed geweest.
+Want, vermits kloosters als _Lidlum_ in 1293, zoo men wil, 600 en
+_Mariëngaard_ 400 inwoners telden, welke doorgaans zeer bekwame Abten of
+Priors, die soms op buitenlandsche reizen geoefend waren, aan het hoofd
+hadden, en meest allen door erfenissen en giften aanzienlijke goederen
+bezaten, zoo waren deze gestichten eene veel vermogende magt in den
+Staat geworden. Heilzaam werkte die magt, ook buiten het geestelijke,
+ten behoeve van verschillende maatschappelijke belangen van dien tijd,
+waaraan zij tevens haar eigen voordeel zocht te verbinden: want de
+staatkundige en geestelijke betrekkingen, regten en verpligtingen der
+ingezetenen waren destijds zeer naauw vereenigd en stonden minder op
+zich zelve als later. Zoo verleenden de kloosters, wegens hunne
+aanzienlijke grondeigendommen, dikwijls krachtige hulp tot het aanleggen
+van zeedijken, het graven van vaarten, het verbeteren van wegen, het
+leggen van sluizen enz.;--zaken, tot wier daarstelling de afzonderlijke
+krachten der ingezetenen vaak te zwak of te verdeeld waren. Vele dorpen
+ondersteunden zij tot het bouwen van parochie-kerken; en, terwijl zij
+hier de verbetering van landerijen, daar de landwinning en elders de
+afgraving van de hooge veenen bevorderden, zien wij hen voor het
+algemeen belang vele openbare werken tot stand brengen. Behalve op de
+wetenschappen en kunsten, welke bijna alleen in deze vreedzame
+oefenplaatsen bescherming vonden, hadden de kloosterlingen ook veel
+invloed op de ontwikkeling van de nijverheid, door verbetering van de
+bouwkunst, van vele handwerken, van den landbouw en van het boter-en
+kaasmaken, welke, als bronnen van bestaan voor het volk, later zoo
+belangrijk werden.
+
+Zulk een magtig geestelijk ligchaam in den Staat werd eerlang ook van
+veel staatkundig belang in de regering des lands. De kloosters werden
+daarin vertegenwoordigd door bekwame Prelaten, die de belangen van de
+geestelijkheid en het volk op de landsdagen en gaarleggers deden gelden
+tegen de aanmatigingen van den adel. Zij voerden de pen, stelden de
+besluiten en verdragen, en werden dikwijls als afgezanten naar vreemde
+vorsten gezonden. Sommige kloosters voerden zelfs hevigen strijd tegen
+aanzienlijke geweldenaars, of namen deel in den binnenlandschen krijg
+door het ondersteunen van hunne partij of vrienden.
+
+Wanneer wij de bevolking van ieder dier vijftig Friesche kloosters
+door-een op zestig personen schatten, en bedenken, dat de
+parochie-kerken der elf steden en 360 dorpen een of meer Hoofdpriesters
+en vele ook een Vicaris hadden (om van de Prebende-priesters, die
+bijzondere altaren bedienden, te zwijgen), dan kunnen wij ons een gering
+denkbeeld vormen van de talrijkheid der toenmalige Friesche
+geestelijkheid. Wanneer wij bovendien opmerken, dat die kerken en
+kloosters in het bezit waren van een groot deel der vaste goederen in
+dit gewest of dat zij renten daarvan trokken[57]; alsmede, dat de meeste
+dier geestelijke personen zich door meerdere kennis en bekwaamheid
+onderscheidden, dan is het zeer natuurlijk, dat zij in een tijdvak,
+waarin het volk meerendeels nog onwetend en onmondig was, groot gezag en
+invloed konden en moesten uitoefenen. De gansche strekking van het
+Roomsch Katholijk godsdienst-stelsel droeg mede veel bij, om het volk
+aan de oppermagt der kerkelijke heerschappij onderworpen te houden. Lang
+werkte die magt gunstig, doch onmogelijk kon zij duurzaam zijn: want zij
+moest van zelf ontbonden worden, toen eerlang het volk, zijne
+kindschheid ontwassen, naar meerder licht streefde, en toen misbruiken
+het ligchaam der geestelijkheid zelve bevlekt hadden. In weerwil van al
+de onvolkomenheden der geestelijken en de ongeregeldheden, welke aan het
+kloosterleven eigen mogen geweest zijn, verdienen echter de geestelijke
+instellingen dier dagen onzen eerbied en duurzame belangstelling.
+Onbillijk is het immers, de toenmalige wereld naar onzen maatstaf en
+naar aanleiding van misbruiken, die zelfs de beste inrigtingen
+aankleven, te beoordeelen. Wie toch zou het evangelie willen verwerpen,
+om de vervolgingen, waartoe het aanleiding gaf? En wie ziet niet in de
+geschiedenis zoowel als in het dagelijksch leven, dat bekrompenheid,
+onkunde en gebrek aan godsdienst bij een groot deel der bevolking, 't
+welk enkel voor de zinnen leeft, de oorzaken zijn van dwaling, zonde en
+misbruik, ook van de heiligste zaken. Immer bestonden er evenwel vele
+stille vromen, die God en den Heer van ganscher harte liefhadden en
+dienden; die reinheid van gemoed en veredeling van den onsterfelijken
+geest hooger waardeerden, dan alle uitwendige praalvertooning. Deze
+vonden, onder de bestendige stormen van den krijg, in de kloosters een
+toevlugt en bescherming; zij waren een scherp tegenbeeld van de
+zinnelijk-dierlijke denkwijze der wereldlingen; zij toonden hen, die
+slechts naar roof en rijkdom, naar magt en aanzien jaagden, dat er nog
+iets beters te vinden was dan het vergankelijke. Door zulk een
+verhevener zin werkten zij weldadig op de wereld, die echter eerlang,
+uit partijzucht, de deugden en verdiensten der geestelijken vergat, om
+enkel de ondeugden van sommigen hunner, uitzonderingen op den algemeenen
+regel, voor de vergetelheid te bewaren. Hoe gebrekkig de kerkleer en hoe
+weinig verheffend de plegtigheden dier dagen ook waren, toch hielden zij
+de weldadige vlam der godsdienst levendig, en weerhielden zij het volk,
+om geheel tot woestheid en onwetendheid te vervallen. »Ja, hadden de
+middeleeuwen naast de hutten der landbewoners en de kasteelen van den
+meestal krijgvoerenden adel geene kloosters, als zoo vele wijkplaatsen
+en oefenperken voor denkende wezens, gekend, dan zou de maatschappij in
+_Europa_ slechts uit last- en roofdieren hebben bestaan"[58].
+
+ [57] De _Beneficiaal-boeken van Friesl._ (Leeuw. 1850) bevatten eene
+ lijst der Inkomsten en Bezittingen van meest alle ~Parochiën~, zoo als
+ die in 1543, op bevel der regering, aangegeven zijn. Het gezamenlijk
+ bedrag van de goederen der ~Kloosters~ zal wel niet minder geweest
+ zijn. Bekend is het, dat Graaf WILLEM III reeds in 1328 allen
+ Kloosteren en Geestelijken in _Holland_, _Zeeland_ en _Friesland_
+ verbood, meerdere vaste goederen aan te koopen, _Charterb._ I 183. Wij
+ betwijfelen het echter, dat zij in _Friesland_ ooit, en veelminder
+ destijds reeds, tweederden der landerijen zouden hebben bezeten, zoo
+ als CERISIER, _Tafereel der Nederl. Geschiedenis_, Utrecht 1781, I 411
+ en _Tegenwoordige Staat_, I 477 melden.
+
+ [58] Zoo oordeelt MACAULAY, in zijne voortreffelijke _Geschiedenis van
+ Engeland_, 's Hage 1850, I 9.
+
+ * * * * *
+
+Reeds bij de invoering van het Christendom was _Friesland_ tusschen het
+Flie en de Lauwers onder het geestelijk gebied van den Bisschop van
+_Utrecht_ gesteld, met uitzondering van de grietenij _Achtkarspelen_,
+welke, met _Groningen_ en verdere oostelijke landstreken, onder den
+Bisschop van _Munster_ kwam[59]. Het land was in de 13e eeuw verdeeld
+in Dekenschappen, aan wier hoofd Dekens of Landdekens stonden, welke
+aangesteld werden door den Bisschop en die Proosten der Utrechtsche
+kerk, welke Aarts Diakens in _Friesland_ waren. De Dekens met hunne
+Bijzitters hadden het bestuur en de regtspraak over de geestelijken en
+leeken der parochiën, volgens het Friesche Kerkelijk regt, het Zeendregt
+of _Syndriucht_ geheeten[60]. Alle drie of vier jaren kwam er een
+Koor-Bisschop, als afgezant van den Bisschop, herwaarts, om Zeend of
+Synode te houden en de hoogste geestelijke magt uit te oefenen. Later
+waren er ook in ieder Goo Geestelijke Commissarissen, die het opzigt
+hadden over het gedrag en de regtsoefening der Dekens, de levenswijze
+der geestelijken enz. Van de Kloosters werden sommige, die den rang van
+Abtdijen hadden, door Abten en andere door Priors bestuurd. Zij stonden
+geheel op zich zelve, en waren alleen den Paus onderworpen[61].
+
+ [59] Deze opmerkelijke uitzondering schrijft SCHOTANUS, _Beschrijv.
+ end Chronyck_, 301, daaraan toe, dat de evangelie-prediker LUDGER van
+ _Wierum_, later Bisschop van _Munster_, het Christelijk geloof in
+ _Achtkarspelen_ had gebragt, waardoor dit gedeelte bewesten de Lauwers
+ onder het geestelijk gebied van dat stift is gekomen.
+
+ [60] Behalve bij SCHOTANUS, t. a. p. 286, is dit Zeendregt, met
+ vertaling en belangrijke verklarende Aantt. van WIERDSMA, afgedrukt in
+ het 2e st. der _Oude Friesche Wetten_, 201, 207.
+
+ [61] Over de Friesche kerken en kloosters kan men uitvoeriger berigten
+ vinden in: SCHOTANUS, _Beschrijvinge end Chron._ 298; _Oudheden en
+ Gestichten_, I 24 en verv.; FOEKE SJOERDS, _Beschrijving_, I 64, 635;
+ _Tegenwoordige Staat_, I 32, 251, 434; VAN HALMAEL, in het _Friesch
+ Jierboeckjen foar 1834_, XV, en de _Lijst der Kloosters_ achter het
+ _Stamboek van den Frieschen Adel_; VAN LEEUWEN, Aantt. op _it aade
+ Friesche terp_, 395, 405, 440. Zeer wenschelijk is het, dat de
+ geschiedenis van de Friesche Kloosters eenmaal opzettelijk onderzocht
+ en behandeld mag worden.
+
+Hoe veel gezag de geestelijke oppermagt in de middeleeuwen ook over de
+volken van _Europa_ uitoefende, de geschiedenis heeft ook deze
+opmerkelijke bijzonderheid bewaard, dat de Friezen de zelfde vrijheid,
+welke zij in het staatkundige bezaten, ook ten aanzien van het
+geestelijke vasthielden en zich niet lieten ontwringen. »Zij toonden,
+wanneer zij het begrepen, van geen kerkbewind, hoe hoog ook, wetten te
+willen ontvangen, zich storende noch aan Bisschop noch aan Paus. In den
+boezem des volks bleef het regt en de magt berusten, om hunne eigene
+pastoren aan te stellen, kerkelijke bedieningen te begeven en de
+kerkegoederen te beheeren, waardoor zij ook zorgden, dat geene vreemden
+hier tot waardigheden verheven werden. Verpligte tienden aan de
+geestelijkheid hebben zij zich evenmin laten opleggen, als zij leenen
+wilden erkennen. Geene pauselijke besluiten waren van eenige kracht bij
+hunne geestelijkheid, indien ze niet door de burgerlijke regering
+gewettigd waren. Hieruit moet ook verklaard worden, dat de
+godsdienstleer der kerk hier veel zuiverder, dan wel in andere landen
+voorgedragen en beleden werd. Zóó was het gesteld in de kerk van geheel
+_Friesland_"[62].
+
+ [62] YPEIJ en DERMOUT, _Geschied. der Ned. Herv. Kerk_, Breda 1819, I
+ 410, Aantt. 185; YPEIJ, _Geschied. der Syst. Godgeleerdh._, Haarlem
+ 1793, I 180; BUMA, _Het regt der Friesche Floreenpligtigen_,
+ Leeuwarden 1849, 13, 30; doch vooral uitvoerige berigten deswege in
+ het belangrijke werk van V. IDSINGA, _Staats-recht der Nederl._ Leeuw.
+ 1758, I 379, en de in die werken aangehaalde schrijvers, bijzonder
+ HALSEMA, 475, en niet minder WIERDSMA in de _O. F. W._ 257.
+
+
+19. _De Partijschappen tusschen de Schieringers en Vetkoopers. (Van
+omstreeks 1300-1498.)_
+
+ Ik moet der Friezen aard vooraf u kennen leeren:
+ De zonen van dit land, kuisch, werkzaam, stout, en rond,
+ Verkleefd aan d' eigen haard en d' ouderlijken grond,
+ Eenvoudig, nooit door zucht naar nieuwigheên bewogen,
+ Betrachten, als het wit van al hun doen en pogen,
+ De vrijheid voor zich-zelve en 't oord door hen bewoond.
+ God, en de Keizer door het Hoofd der Kerk gekroond,
+ Ziedaar alleen 't gezag, de Heeren die ze erkennen,
+ En nimmer zal een Fries aan andren zich gewennen;
+ Hij lijdt geen schijn van dwang, aan lichaam noch aan ziel;
+ Geen keten waar' zoo licht, die hem verdraaglijk viel.
+ Geen vreemde inzonderheid beproeve 't hem te dwingen,
+ Die walgt van al het vreemde en alle vreemdelingen,
+ Er geen ten burger wil, hun omgang schuwt en vliedt,
+ En op zijn wettig erf hen noô vertoeven ziet.--
+ Zoo denkt een echte Fries, zoo denkt hij al zijn leven;
+ Dien inborst kunt ge niet hervormen of weêrstreven[63].
+
+ [63] VAN HALMAEL, _Ats Bonninga, Treurspel_, Leeuw. 1830, 2. Ten
+ aanzien mijner behandeling in het algemeen, doch van dit onderwerp in
+ het bijzonder, meen ik niet onopgemerkt te moeten laten, dat, daar ik
+ de Friesche Geschiedenis in Hoofdtrekken tracht voor te stellen, ik
+ zeker velen lezers en nog minder der wetenschap dienst zou doen,
+ wanneer ik hierin alle of zelfs de voornaamste feiten en
+ gebeurtenissen opnam, welke onze kronyken in bijzonderheden vermelden.
+ Bij mijne meer algemeene beschouwingen mag men die kronyken, ter
+ kennismaking met de bijzondere voorvallen, blijven lezen, waartoe ik,
+ behalve SCHARLENSIS, WINSEMIUS en SCHOTANUS, voor algemeen gebruik
+ bijzonder aanbeveel: _It aade Friesche Terp of Kronyk der
+ Geschiedenissen van de Vrije Friesen; met Bijvoegsels en
+ Aanteekeningen van_ J. VAN LEEUWEN, Leeuwarden 1834, 480 bladz., thans
+ voor slechts [f]1,30 algemeen te bekomen.
+
+Hoe gelukkig zoude een volk met zulke eigenschappen geweest zijn,
+wanneer het al zijne maatschappelijke voorregten, bij het genot van
+vrijheid, orde en welvaart, ~in vrede~ en ~eensgezindheid~ had mogen
+smaken! Doch het nog onbeschaafde en veelal ruwe volk was hiervoor nog
+evenmin vatbaar als de veelal krijgszuchtige adel, bij wien de volkstrek
+van eerzucht en ligtgeraaktheid zich het meest vertoonde. In die zelfde
+gunstige omstandigheden lagen ook de zaden van onrust en strijd. Want de
+vrijheid is een onwaardeerbaar voorregt, als zij goed aangewend wordt,
+en als ieder burger van zijn ~persoonlijk~ belang iets wil afstaan, om
+het ~algemeen~ belang te bevorderen. De welvaart is een zegen, zoolang
+zij niet misbruikt wordt: want goed geeft moed, en vermogen magt,
+hoezeer die dikwijls in overmoed en trots ontaarden. In volksregeringen
+zijn er bovendien altijd aanzienlijken, die zich de meeste magt
+aanmatigen, welke ligt tot heerschzucht overslaat; terwijl geen krachtig
+volk ooit misbruik van magt kon dulden, en de minderen altijd de
+vermogenden benijdden en hen gaarne zouden vernederen. In vroegere
+tijden, toen de oude eenvoudigheid nog zoo weinig behoeften kende, was
+het onderscheid in vermogen niet zoo groot en het verschil in standen
+minder merkbaar. Maar hoe zeer was alles veranderd! De kruistogten
+hadden eene strijdhaftigheid opgewekt en, vooral bij den adel, een
+hooghartigen ridderlijken geest nagelaten, welke bij een strijdbaar
+volk, dat gaarne gelegenheid zocht om zijn moed te koelen, gevaarlijk
+waren voor de inwendige rust. Hoe heilig en verheven de Christelijke
+godsdienst ook ware, waarvoor men zoo vele honderden kerken en kloosters
+stichtte, te zwak bleef haar zedelijke invloed op verstand en gemoed,
+vooral ter beteugeling van één hartstogt, welke immer en overal zulke
+schrikkelijke verwoestingen aanrigtte, en die toen vooral, als ware hij
+eene deugd, gevierd en geëerd werd. Het was de onchristelijke
+~wraakzucht~, de onverzoenlijke haat, de erfelijke veeten, welke voedsel
+vonden in den woesten, onbetemden volksaard en ras beleedigde eerzucht,
+die, onder al de vermelde omstandigheden, tusschen heerschzuchtige
+edelen en het volk, en vooral tusschen de adellijke geslachten
+onderling, eene verbittering deden ontstaan, welke in het laatst der
+12e eeuw uitbrak in de grootste aller rampen, in den--_Burgeroorlog_.
+
+ Een onverjaarde twist, wiens oorsprong is verloren,
+ Maar wiens gedachtnis schor den landzaat klinkt in de ooren,
+ Scheurde in twee deelen eens den Adel, meldt de faam,
+ En schonk aan ieder deel zijn hatelijken naam;
+ Vetkoopers doopte hij, die Oostergo verheerden,
+ En Schieringers, die meest in Westergo regeerden.
+ Die namen zwemen niet voor de almacht van den tijd,
+ Maar zijn de leuzen nog, alom, in elken strijd,
+ Die straks een tweeden baart ter teling van een ander.
+ Zoo drijven op ons strand de golven ook elkander,
+ En elke, daar ze een spoor heurs aanzijns achterlaat,
+ Versterkt aldus de macht van die te volgen staat.
+ Verblinden![64]
+
+ [64] VAN HALMAEL, _Ats Bonninga_, 4. Zie verder SCHARLENSIS, 33;
+ WINSEMIUS, 183; SCHOTANUS, 164; SJOERDS, _Jaarboeken_, III 129 enz.
+
+Ja, _Vetkoopers_ en _Schieringers_ waren de namen en leuzen der
+partijen, die, even als gelijktijdig de _Heeckerens_ en _Bronckhorsten_
+in _Gelderland_ en de _Hoekschen_ en _Kabeljaauwschen_ in _Holland_,
+hier de rust der burgers en den vrede des lands verstoorden door een
+nutteloozen strijd--niet tegen een buitenlandschen vijand, maar tegen
+zich zelve,--niet om eene eerlijke zaak, maar om gelijk te hebben, om
+zich te wreken over vermeende beleedigingen en nederlagen, en om, met
+vernedering van de eene, de zegepraal der andere partij te bevechten.
+Die namen schijnen aan te duiden, dat de strijd tot oorsprong had:
+verzet van het gemeene volk of de armen (nog wel het ~graauw~ genoemd,
+welk woord met ~schier~ verwant is en aan de grijze kleur der kleeding
+schijnt ontleend te zijn) tegen de rijken, die het ~vette~ der aarde
+genoten. 't Was echter niet ééne enkele oorzaak, die de onrust baarde:
+onderscheidene oorzaken en aanleidingen vloeiden zamen. Vele
+brandstoffen ontvlamden na het ophouden van de kruistogten. De daardoor
+opgewekte riddergeest en zucht om uit te blinken had tóen een doel
+gehad--het Heilige land. Doch bij gemis daarvan, werden de
+strijdkrachten van den adel nu onderling tegen elkander gerigt en
+verspild. Hevige twisten ontstonden er, nu over den voorrang in het
+offeren op de altaren der parochie-kerken, dan over de aanmatiging van
+gezag en heerschappij, welke de adel en de aanzienlijken zich
+veroorloofden ook over de minderen, waarvan velen zich intusschen tot
+een krachtvollen middelstand hadden verheven. De burgerijen der
+toenemende steden verzetten zich tegen die magt, en matigden zich regten
+aan ten nadeele van het platteland, welks bewoners dáárom de steden vaak
+zoo vijandig waren, dat zij alles deden om haar te vernederen en te
+benadeelen. Het geweld was de grondslag van het regt geworden. Doch
+welke ook de oorzaak ware, spoedig ging deze verloren of werd zij
+gewijzigd in den algemeenen burgerkrijg, waarin zich veel persoonlijke
+vijandschap en familie-twisten mengden, in welke iedereen partij moest
+kiezen.
+
+ * * * * *
+
+Er was toen geen besturend opperhoofd of Vorst in _Friesland_, aan wiens
+bevelen alle ingezeten moesten gehoorzamen. Ieder hunner had, volgens de
+wetten, gelijke regten. Maar juist daarom kon geene vrije Fries dulden,
+dat een ander zich boven hem in vermogen en aanzien verhief. Vanhier,
+dat de adel, die overal sterke kasteelen of stinzen stichtte en zich van
+het gezag meester trachtte te maken, in den haat viel der burgers en
+onderling strijd voerde. Zoo vestigen zich als Hoofdlingen in de
+voornaamste steden de geslachten: CAMMINGHA, UNIA en AUCKAMA te
+_Leeuwarden_, JONGAMA te _Bolsward_, SJAERDAMA te _Franeker_, HEEMSTRA
+en RIEMERSMA te _Dokkum_, GERBRANDA en GRATINGA te _Harlingen_, HARINXMA
+te _Sneek_ en _Slooten_ enz. Twistgierige edelen, die onder het volk hun
+aanhang hadden, belegerden elkander nu op hunne sloten of verwoestten
+elkanders bezittingen. Dan verzetten de burgers zich tegen het gezag van
+den adel, of de landbewoners zich tegen de aanmatigingen der steden, die
+op hare beurt de edelen bestookten of de dorpelingen uitplunderden. Met
+aangeworven hoopen bestreed men elkander, en kon men al zijn doel niet
+bereiken, dan vertrok men naar een ander, den omtrek in puin of in
+vlammen achterlatende. Men behoefde slechts kerken en kloosters
+rijkelijk te begiftigen, om kwijtschelding voor bedreven, ja
+aanmoediging en een eervollen naam te verwerven bij geestelijken en
+kloosterlingen, die vaak zelve oorlog tegen elkander voerden. Dikwijls
+trok die geestelijkheid partij; en, in plaats van door de kracht des
+evangelies, dat zachtmoedigheid, vergevingsgezindheid en liefde predikt,
+vrede te stichten, blies zij het vuur der tweedragt aan. Overal en tot
+alle standen drong de verdeeldheid door. Verschrikkelijk was, tusschen
+de jaren 1300 en 1500, soms de onrust, de haat, de vervolging en de
+onveiligheid van leven en bezittingen. Het regt, dat weinigen meer
+eerbiedigden, was van kracht beroofd, om al deze misdrijven te straffen:
+want geweld, willekeur en het regt van den sterkste gold overal. Roof,
+moord en brandstichting heerschten op vele plaatsen. Persoonlijke
+vrijheid, rust en welvaart, die groote voorregten van een burger, waren
+geweken. En wanneer bij dat alles soms ook de pest in deze oorden
+woedde, of watervloeden nood en dood verspreidden en hongersnood ten
+gevolge hadden--dan stegen jammer en ellende ten top, en werden die
+plagen gehouden voor straffen des hemels, wegens de boosheid van het
+ongelukkige volk. (Zie _Aanteek. 12_.)
+
+ * * * * *
+
+Intusschen waren er somtijds ook tijdperken van rust en verademing voor
+_Friesland_, even als er steden en grietenijen waren, die zich buiten
+den twist hielden en lang vrede genoten. Na hevige schokken, sloegen
+vaak de verbitterde vijanden, vermoeid van krijg, ook de bloedige handen
+ineen, om voor een tijdlang de vervolgingen te staken. Vooral geschiedde
+dit, wanneer een gevaar hen van buiten bedreigde, en de volksvrijheid
+door veroveraars belaagd werd[65]. En hoe dikwijls was dit niet het
+geval! Ook daarvan willen wij een tafereel ophangen, vermits het altijd
+een belangwekkend schouwspel oplevert, een mensch met den tegenspoed en
+een volk om de vrijheid te zien kampen.
+
+ [65] "Waer omme den Friesen schaedelicker was vrede, dan aenvechtinge
+ van vreemde heeren: want zij in tyde des vredes meer bloedt storten
+ onder malcanderen, dan als sy eendrachtelick die wtlandtsche vianden
+ teghen stonden," zegt WORP VAN THABOR, _Kronyk_, IV 5.
+
+
+20. _Der Friezen verdediging van hunne Vrijheid tegen de aanvallen van
+de Bisschoppen van Utrecht en de Graven van Holland._
+
+In het weleer door de Friezen ingenomene, doch later door de Franken
+weder veroverde westelijk gedeelte van het oude Friesche rijk (bezuiden
+de Kinhem of Reker in _Noord-Holland_) hadden de Duitsche keizers een
+groot deel lands als leengoed opgedragen of geschonken aan den Bisschop
+van _Utrecht_ en de Graven van _Holland_ en _Zeeland_. De eersten, die
+het geestelijk gezag over het bijna geheel _Friesland_ uitoefenden,
+trachtten ook hunne wereldlijke of staatkundige magt uit te breiden, en
+slaagden er in, om, met keizerlijke giftbrieven en geweld, van
+lieverlede een gedeelte van het vierde en vijfde der Friesche Zeelanden
+(de stad _Groningen_ met _Drenthe_ en het noorden van _Overijssel_) van
+het vrijheidsverbond af te trekken en onder hun wereldlijk gebied te
+brengen. Dit geschiedde echter niet zonder hevigen strijd. Zelfs leed de
+Bisschop OTTO II in 1226 daarbij eene zóó geduchte nederlaag, dat hij de
+krijgszuchtige poging, om zijn gebied te vergrooten, zelf met den dood
+moest boeten. Zijne opvolgers trachtten hun gebied ook in de
+_Stellingwerven_ te vestigen, doch hadden zeer veel moeite zich daar
+staande te houden. Te vergeefs liet Bisschop GUY _van Henegouwen_ er
+daarom in 1309 eene sterkte bouwen--eer deze voltooid was, wierpen de
+Friezen haar af, vervolgden hunne onderdrukkers tot _Vollenhove_, dat
+zij plunderden, en waar zij zelfs het Bisschoppelijke slot belegerden.
+Zij beschoten het van een houten stormgevaarte met steenen en pijlen
+zoodanig, dat de overgaaf nabij was, toen de Bisschop, met hulp van den
+Hollandschen Graaf en vele zijner edelen, over de Zuiderzee eene groote
+heirmagt overzond, die het slot ontzette en de Friezen met groot verlies
+deed wijken. Het voornemen, om hen in hun eigen land te vervolgen en te
+straffen, werd echter niet volbragt, maar verhinderd door hevige stormen
+en regens, zoodat het leger terug trok, en den Bisschop niets anders
+overbleef dan de Stellingwervers in den ban te doen, en eerlang een
+verdrag met hen te sluiten (1313)[66].--Ook later deden de Bisschoppen
+herhaalde vergeefsche pogingen, om deze streken tot onderwerping te
+brengen. Doch geen hunner vatte de zaak zoo ernstig ter hand als
+FREDERIK VAN BLANKENHEIM, in 1413. Met eene aanzienlijke krijgsmagt trok
+hij naar de Stellingwerven, verbrandde _Peperga_, _Blesdijk_ en andere
+dorpen en huizen, zonder zijn oogmerk te bereiken. In het zelfde jaar
+zond hij zijn Maarschalk ADOLF VAN SWIETEN met volk naar _Lemsterland_,
+waar deze door rooven en branden het gezag des Bisschops zocht te
+vestigen, doch spoedig eene geduchte wraak moest ondervinden, daar de
+bijeengetrokken Friezen hem aantastten en hem met bijna al zijn volk
+doodsloegen. Vanhier, dat de Bisschop zich haastte met hen een
+vredeverdrag te sluiten, en deze Woudlieden verder ongemoeid liet[67].
+
+ [66] Zie WAGENAAR, _Vaderlandsche Historie_, III 194; SJOERDS,
+ _Jaarboeken_, III 236; VAN KAMPEN, _Geschiedenis der Nederlanden_, I
+ 126; _Charterboek_ I 138, 151.
+
+ [67] _Charterboek_, 379; SCHOTANUS, _Beschrijv. end Chron._ 175; WORP
+ VAN THABOR, _Kron._ IV 10, 21; _Tegenwoordige Staat_, I 590.
+
+De _Hollandsche Graven_ hadden van de slappe regering van Keizer KAREL
+_den kale_ en zijne opvolgers gebruik gemaakt, om hun gezag uit te
+breiden, en om de voor hun persoon ontvangene groote Leenen
+stilzwijgend op hunne zonen en opvolgers te doen overgaan. Deze
+erfelijke overgang van de groote Leenen was eene zaak van veel gewigt.
+Nu magtige heerschers geworden zijnde, was hun gebied hen spoedig te
+klein; weldra zagen zij rond naar middelen om dat uit te breiden. Geene
+poging daartoe scheen gunstiger te zullen slagen dan een aanval op de
+ten noorden van hun Graafschap wonende West-Friezen; en eerlang was het
+besluit genomen, hen aan te vallen en te veroveren, opdat hun land van
+het Friesche verbond afgetrokken- en het Graafschap toegevoegd mogt
+worden.
+
+Dit ging echter niet zoo gemakkelijk als zij zich voorgesteld hadden:
+want verbazend was de dapperheid van dezen kleinen volksstam in dat lage
+en toen nog zoo waterrijke _Noord-Holland_ tegenover de in den krijg
+geharde Hollandsche benden. Al mogten ze vreezen, eens voor de overmagt
+te zullen moeten bezwijken,--toch wilden ze hunne vrijheid beschermen of
+duur verkoopen, vóór zij een Heer aannamen en zich bukten onder het juk
+der leenregering. Hun vrije toestand, nog een overblijfsel van het
+Germaansch beginsel, dat bij hen was bewaard gebleven, was een doorn in
+het oog dier Graven; en nadat hunne veroveringszucht den eersten aanval
+gewaagd had, zonder gunstigen uitslag, verklaarden zij als oproerigen en
+wederspannigen
+
+ _Die Friezen, tuk op krijg en achter hun moerassen
+ Geen leenplicht kennend en weerbarstig aan den dwang._[68]
+
+ [68] Mr. J. VAN LENNEP, _Verontschuldiging_, 1850, 22. Zie ook
+ EIKELENBERG, _West Friesland_, 24, 44, aangeh. in HOFDIJK, _Jonker van
+ Brederode_, 1849, Aanteekening 198.
+
+In een land, allerwege met meren en stroomen doorsneden, waren zij niet
+te genaken dan in zeer drooge zomers, of wanneer een strenge winter de
+wateren en wegen tot een vasten vloer had gemaakt. Boden zij gelegenheid
+tot een hoofdtreffen, dan was hun aanval hevig en onweêrstaanbaar. Dit
+ondervond reeds in 1004 Graaf ARNOUD in den bloedigen slag bij het dorp
+_Winkel_, waar hij met de bloem van den Hollandschen adel het leven
+liet. Bij een lateren aanval, in 1169, werd Graaf FLORIS III met eene
+menigte zijner edelen geheel-en-al door hen verslagen. Vruchteloos
+werden Hollands krachten gedurig aan hunne bestrijding verspild. Graaf
+WILLEM II meende eindelijk in het opwerpen van versterkte sloten het
+middel tot hunne onderwerping te hebben gevonden; doch ook dit werd door
+den hardnekkigen tegenstand der Friezen bijna onuitvoerlijk: want niet
+dan met de uiterste inspanning konden deze kasteelen tot stand
+gebragt-en tegen hunne woedende aanvallen verdedigd worden. En toen die
+zelfde Graaf WILLEM II, op het punt om _Keizer van Duitschland_ te
+worden, hen in persoon wilde bestrijden en daartoe den winter koos, om
+overal te kunnen doordringen, moest ook hij, bij _Hoogwoud_ door het ijs
+zakkende en door zijne vijanden overvallen, zijne vermetelheid met den
+dood boeten (1256).
+
+Zoo duurde de strijd immer voort. De Hollanders waren door buitenlandsch
+wapenbedrijf meer geoefend in den krijg; de Friezen hadden alleen hunne
+eigene dapperheid en listen daar tegenover te stellen. Huurbenden
+begonnen het leger der Hollanders te vermeerderen; de gedurige inbreuken
+van de zee en verwijding der stroomen verminderden gelijktijdig het erf
+en het vermogen der West-Friezen met de gelegenheid, om hulp van hunne
+oostelijke stamgenooten te bekomen. In weerwil dezer toegenomene
+bezwaren, ondervond Graaf FLORIS V, brandende van verlangen, om den dood
+zijns vaders te wreken, hoe moeijelijk het was, dit fiere volk van zijne
+vrijheid te berooven. Eerst na vier veldtogten en het bouwen van vier
+sterke kasteelen, en nadat een ontzettende watervloed het land
+geteisterd- en het volk weerloos gemaakt had, zoodat het niet moeijelijk
+viel met platboomde vaartuigen dorp voor dorp te bemagtigen, knakte hij
+der Friezen krachten (1288). Na zijn dood hadden zij nog eenmaal kracht
+genoeg den dwang te weêrstaan en drie der vier sloten te vernielen; doch
+dit was hunne laatste worsteling. Want Graaf JAN _van Avennes_ bragt met
+vreemde hulp een aanzienlijk heir bijeen, waarmede hij hen te land en
+ter zee aanviel en overmeesterde (1297). Hem gelukte het eindelijk door
+geweld een einde te maken aan hunne betrekking tot de overige Friesche
+Zeelanden, en _West-Friesland_, tusschen de Kinhem en het Flie, aan de
+Hollandsche Grafelijkheid toe te voegen. Ruim drie eeuwen lang (van 993
+tot 1297) duurde alzoo een strijd, die de overwonnenen tot grooter roem
+verstrekte dan de overwinnaars[69].
+
+ [69] Uithoofde dit onderwerp in onze vaderlandsche geschiedenissen
+ veelal verkeerd, of naar de opvatting van de Hollanders, wordt
+ voorgesteld, heb ik deze en de volgende togten dier Graven eenigzins
+ uitvoeriger bewerkt. Zie hierover breeder bij WAGENAAR, _Vaderlandsche
+ Historie_, II 115, 129, 235, 240, 260, 401; III 43, 102 enz.;
+ _Tegenwoordige Staat_, I 429; SJOERDS, _Jaarboeken_, II 169 env.;
+ BOSSCHA, _Heldendaden_, I 23 enz.
+
+ * * * * *
+
+Doch ook tot het bezit van _Friesland_ tusschen het Flie en de Lauwers
+strekte de begeerte der Hollandsche Graven zich uit, en dit lag nu aan
+de beurt, om met geweld van wapenen veroverd te worden, als het zich
+niet vrijwillig mogt onderwerpen. Deze Graven wendden voor, regt of
+aanspraak te hebben ook op dit land, op grond van Giftbrieven der
+Duitsche Keizers[70]. Doch die hoofden des rijks hadden vergeten of
+schenen onbekend te zijn met der Friezen volksregten en hunne
+oorspronkelijke betrekking tot het rijk, ten gevolge waarvan hun land
+geen leengoed- en dus voor geene verschenking of opdragt vatbaar was. En
+evenwel schonken zij _Oostergoo_, _Westergoo_ of _Stavoren_ nu aan de
+Bisschoppen van _Utrecht_, dan aan de Graven van _Holland_ of aan die
+van _Gelder_ en later weder aan den Markgraaf van _Brunswijk_ en
+anderen, hetzij als eene belooning voor genoten diensten, hetzij tot
+kwijting van schuld of wel om andere redenen[71]. De Friezen lieten hun
+regt daartegen somtijds wel gelden, doch bekreunden zich meesttijds
+daarover weinig of niet, en erkenden evenmin de geldigheid dier
+giftbrieven als zij gezind waren eenigen vreemden Landsheer, die zich
+aan hen wilde opdringen, te ontvangen; te meer, omdat zeldzaam iemand
+van die begunstigde personen zijne aanspraken deed of kon doen gelden,
+zoodat zij daarvan geringe of geene gevolgen ondervonden.
+
+ [70] Ofschoon Graaf ARNOUD in de geslachtlijst der Graven van _Gent_,
+ bij VAN LOON, _Aloude Hollandsche Histori_, 1734, II 236, reeds Heer
+ over geheel _Friesland_ genoemd wordt, en ook Giftbrieven in de levens
+ der eerste Graven, bij SCHRIVERIUS, hiervan gewagen, zoo heeft reeds
+ UBBO EMMIUS, _Hist. Fris._ lib. V, te kennen gegeven: "datter van de
+ Hollandsche scribenten bygelapt is, dat Vriesland oock van de
+ Bataviers af tot de Riviere den Lauwers in de selve gifte van Karel
+ mede begreepen, ende aen den selven Diederick geschoncken is geweest:
+ dewijl sulcks noch uyt oude Historiën of brieven van donatie kan waer
+ ghemaeckt worden; maer ter contrarie dit landt door de bepalinge van
+ Kinhem klaer en uytdruckelijck genoech daer uyt wordt geslooten." Zie
+ SCHRIVERIUS, _Levens der Graven_, 's Hage 1667, 34.
+
+ [71] Zie die zoogenaamde Giftbrieven op vele plaatsen in de
+ Hollandsche en Friesche Charterboeken. SCHOTANUS heeft in zijne
+ _Beschrijv. end Chron._ 71, vele verzameld onder een hoofdstuk: _Vande
+ verschenckingen deses Landts_. Zie ook HALSEMA, _Verh._ 306, en Mr. J.
+ DIRKS, _Bijdragen tot de Penningkunde van Friesland_, in de _Vrije
+ Fries_, III 28, 37 enz.
+
+ Ons Friesland was een maagd, die, schoon wat stug van aard,
+ In veler Vorsten hart een gloed van lusten baart;
+ De lust wekt list, en, om de maagd tot vrouw te maken,
+ Ontzag zich geen van hen haar d' ouderen te ontschaken[72].
+
+ [72] VAN HALMAEL, _de Schieringers en de Vetkoopers_, 142.
+
+Nog vóór het eindigen van den strijd tegen de West-Friezen verlangde
+Graaf FLORIS V ook _Friesland_ te bemagtigen. In 1288 schijnt hij
+daartoe eene vergeefsche poging gedaan te hebben; doch in 1292 gelukte
+het hem, om, met eene vloot over de Zuiderzee gekomen, zijn gezag alléén
+te vestigen in de koopstad _Stavoren_, welke zich daartoe zonder
+tegenstand gemakkelijk liet overhalen, omdat zij voor haren handel
+daarbij meer kon winnen dan verliezen. Want op den zelfden dag, den 1
+April 1292, dat zij den Graaf huldigde, verkreeg zij van hem voorregten
+en vrijheden, die voor haar van belang waren. Het is niet bekend, dat de
+Graaf verder pogingen deed, om ook het overig gedeelte van _Friesland_
+te bemagtigen[73].
+
+ [73] Zie _Charterb._ I 124, 126, 131 env.; SCHOTANUS, _tabl._ 13;
+ WINSEMIUS, 179; WAGENAAR, III 46; SJOERDS, III 142, 149, 181.
+
+Ofschoon _Stavoren_ in 1299 Graaf JAN II op gelijke wijze huldigde en de
+bevestiging harer privilegiën van hem verkreeg, schijnt zij die
+Hollandsche regering spoedig moede geweest- en haar afgevallen te zijn.
+Immers, naauwelijks was Graaf WILLEM III, die eerlang den bijnaam van de
+goede verwierf, in 1305 aan de regering gekomen, of hij ondernam met
+1500 man een togt naar _Friesland_, en landde in _Gaasterland_, met
+oogmerk om _Stavoren_ van de landzijde te bemagtigen. Doch de Friezen
+boden, onder hunnen Potestaat HESSEL MARTENA, hem zoo dapperen
+tegenstand, dat hij met de zijnen zich spoedig weder aan boord begaf en
+aftrok. Uithoofde er zich bij zijne benden West-Friezen bevonden, die
+vroeger door hunne stamgenooten tegen de overheersching der Hollandsche
+Graven geholpen waren, zoo namen de Friezen dezen aanval zeer euvel op.
+Daarom deden velen hunner een togt naar _Noord-Holland_, en bragten de
+ingezetenen van _Enkhuizen_ en omstreken met rooven en branden groote
+schade toe. Uit wraak zonden deze omgekochte brandstichters in
+_Friesland_, die eenige stinzen der edelen, welke bij dien togt
+tegenwoordig waren geweest, in koolen leidden. Uit weêrwraak stak men
+van hier nogmaals naar _Enkhuizen_ over, verbrandde wel vijf-en-twintig
+huizen dier stad en keerde met buit beladen terug, welk verlies de
+Enkhuizers weêr betaald zetten, door in 1310 het St. Odulphus-klooster
+te _Stavoren_ bij nacht uit te plunderen en in brand te steken[74].--Met
+zulk een barbaarschen haat en wraak vervolgden christen-landgenooten
+elkander in die dagen! En tot welk doel?
+
+ [74] WINSEMIUS, 187; SCHOTANUS, 165; WAGENAAR, III 225; _Tegenwoordige
+ Staat_, I 443, 446. In 1318 hadden er op nieuw zulke strooptogten
+ plaats.
+
+ * * * * *
+
+Graaf WILLEM had de overtuiging bekomen, dat het aanwenden van geweld
+het regte middel niet was om de Friezen te winnen. Hij nam dus zachtere
+middelen, eene behendige staatkunde te baat, om zijn doel te bereiken.
+In 1310 sloeg hij eene verzoening met _Stavoren_ voor, welke werd
+aangenomen; terwijl de roem zijner zachtmoedigheid en regtvaardigheid
+zelfs _Westergoo_ bewoog, hem, bij een verdrag, nabij _Alkmaar_
+gesloten, tot Heer aan te nemen; welligt, omdat het in de hooggerezen
+binnenlandsche twisten te vaak zijne zwakheid gevoelde tegenover het
+magtiger _Oostergoo_, dat zich tegen de aanneming van den Graaf
+bestendig bleef verzetten. Deze zag intusschen zijn gezag bevestigd door
+den Roomsch Koning LODEWIJK, die zelfs _Oostergoo_ en _Westergoo_ beide
+beval hem als Heer te erkennen (1314). In weerwil hij der Friezen
+verschillen met _Harderwijk_ en _Kampen_ zeer in hun belang regelde, en
+door vriendelijkheid en billijkheid ieder zocht te believen, verzetten
+die van _Stavoren_ in 1328 zich weder tegen zijn gezag, door het
+verjagen van zijne Schouten en het afbreken van hunne huizen. Hiertegen
+wapende de Graaf zich wel met eene vloot en leger, nam de Friesche
+schepen op de Zuiderzee en liet strooptogten doen in _Gaasterland_, doch
+ondervond tevens eene hevige wraak daarover van de Friezen, die zijne
+schepen moedig aanvielen en de vrijheid namen in _West-Friesland_
+wederkeerig te plunderen.
+
+Hoewel aan dit geschil, door bemiddeling der Geestelijkheid, een einde
+werd gemaakt door een zoen, welke te _Haarlem_ door den Graaf met
+_Stavoren_ en _Westergoo_ werd gemaakt, schijnt hij in _Friesland_
+weinig gezag te hebben uitgeoefend. Nooit is hij althans door
+_Oostergoo_ erkend geworden, en welligt ook nooit in persoon in
+_Friesland_ geweest om regten uit te oefenen. Een jaar na zijn
+overlijden, dat in 1337 voorviel, erkende _Stavoren_ zijn zoon en
+opvolger Graaf WILLEM IV wel als Heer, en bevestigde deze de voorregten
+dier stad, welke hij twee jaren later vermeerderde; doch _Westergoo_
+volgde dit voorbeeld evenmin als _Oostergoo_[75].
+
+ [75] Zie over het medegedeelde omtrent Graaf WILLEM _den goede_,
+ _Charterb._ 149-199; SCHOTANUS, 168; WINSEMIUS, 190 env.; WAGENAAR,
+ III 224; SJOERDS, _Jaarboeken_, III 228; _Teg. Staat_, I 454.
+
+ * * * * *
+
+Deze versmading van zijn vermeend gezag en eenige gewelddadigheden te
+_Stavoren_ voorgevallen, waarbij de zoon van een grafelijk ambtenaar
+het leven verloor, en welligt ook andere redenen, bewogen den trotschen
+en onbesuisden Graaf WILLEM IV ten jare 1345 krachtige maatregelen aan
+te wenden, om gansch _Friesland_ aan zich te onderwerpen. Hij bragt eene
+groote vloot bijeen, waarop hij een leger overvoerde, dat (zeker
+overdreven) op 85,000 man werd geschat. Hiermede stak hij over de
+Zuiderzee en landde in de nabijheid van _Stavoren_. Een krachtige
+nationale tegenstand werd hem geboden: want hoe min talrijk de nu als
+één man vereenigde en slecht gewapende Friezen ook waren, hun moed was
+een muur. Hunne liefde voor de vrijheid telde de overmagt niet der
+vijanden, maar klom met het gevaar, daar ze geene geweldige aanranding
+van hun land konden dulden. De grievende vernedering, welke de Graaf
+kort te voren het door hem belegerde en zich vrijwillig overgevende
+_Utrecht_ had aangedaan, spelde hen, wat zij van zijn wraaklust hadden
+te vreezen, als zij te kort schoten en hij mogt zegepralen. Zij trokken
+hem vurig te gemoet, en, zoo ooit, was het toen, dat het volgende
+_Strijdlied_ in hunnen mond voegde:
+
+ Wierne de alde Friesen fry,
+ Friesce soannen binne wy.
+ De alde moed is net forroen:
+ O, wy stjerre foar ues groun!
+
+ Stoarm in wetter haww' wy hôan
+ Oer ues ljeawe Friesce lôan;
+ 't Folk, dat foar nin weagen swicht,
+ Fait it oarlochsswird eak licht.
+
+ Jane wy den eak nin keap
+ Foar ien wylde stropers heap!
+ Frydom, koft troch eigen moed,
+ Is ues meer as goed in bloed.
+
+ 't Gleaune scerpe krigersswird
+ Loeke wy foar hoes in hird,
+ In wy binne eang of bang,
+ As foar frjemde keunings twang.
+
+ Broes' nou 't alde Friesce bloed!
+ Kom wer, frye Friesce moed!
+ Frydom, frydom is ues noft
+ As de foegels yn de loft.
+
+ De alde Friesen wierne fry,
+ Foar de frydom fjochte wy;
+ In ien echte frye Fries
+ Het fen frjemde twang ien grys[76].
+
+ [76] Dr. E. HALBERTSMA in _de Lapekoer fen Gabe Scroar_, 1834, 259.
+
+De vloot, door ruw herfstweder verstrooid, landde niet gelijktijdig,
+zoodat de Graaf geene gelegenheid had, zijn leger in behoorlijke orde te
+scharen. Dit werd ook vóórgekomen door de Friezen, die zoo dapper op de
+Hollandsche benden aanvielen, dat zij eerst een gedeelte, door JAN _van
+Henegouwen_ aangevoerd, versloegen, en daarna het andere gedeelte, met
+den Graaf aan het hoofd, zóó lang en zóó onversaagd, van den opgang der
+zon tot den laten avond, bestreden, dat het leger geheel verslagen en
+verstrooid werd, en dat de Graaf zelf in het heetst van het gevecht
+sneuvelde met zeer vele edelen uit de voornaamste geslachten van
+_Holland_, _Zeeland_ en _Henegouwen_, wier getal op 240, gelijk het
+gansche getal gesneuvelden van den vijand op 18,000(?) man begroot werd.
+
+»Holland en Zeeland smolt in rouw op de tyding deezer nederlaage," zegt
+een Hollandsch geschiedschrijver[77]. Wie billijkt niet die smart? en
+niet minder die »der jonge Graavin over de dood haars Egtgenoots?" Maar
+wie ontroert het niet, daarbij van eene vrouw te moeten lezen: »dat zij
+daarover zoo gebeten was op de Friezen, dat zij niet alleen hunne
+goederen in _Holland_ allen verbeurd verklaarde, maar dat zij ook het
+klooster _Mariënhof_ op het eiland _Marken_, door de Hallumer Abtdij
+_Mariëngaarde_ met Friesche Monniken bevolkt, aan hare wraakzucht
+opofferde, door eene bende krijgsvolk derwaarts te zenden, die, buiten
+oorlog en in koelen bloede, 't gebouw in brand stak en de ongelukkige
+monniken in de Zuiderzee smeet"[78].
+
+ [77] WAGENAAR, III 261. Zie verder SCHOTANUS, 180; WINSEMIUS, 202;
+ FOEKE SJOERDS, III 384; _Tegenwoordige Staat_, I 492.
+
+ [78] WAGENAAR, III 261. Indien WILLEM'S weduwe, JOHANNA, dit wreed
+ bedrijf niet heeft gepleegd, maar wel zijne zuster en opvolgster,
+ MARGAREET, gemalin van _Keizer_ LODEWIJK _van Beijeren_ (zoo als
+ SCHOTANUS en WINSEMIUS willen), dan is het nog schandelijker, dewijl
+ het dan na verloop van eenigen tijd en met koud overleg, en niet uit
+ droefheid of in drift geschiedde.
+
+Men is gewoon laag te vallen op de ruwheid der Friezen in hunne
+oorlogen; maar van zulk een gruwel heeft de Friesche geschiedenis geen
+voorbeeld. Rampzalig de eeuw en het land, waarin zelfs eene Vorstin zich
+zóó kon verlagen, en zich straffeloos vergrijpen aan het leven en de
+bezittingen van weerloozen! Wie onzer zou die tijden terugwenschen?
+
+Maar nog geen wraak genoeg. Graaf WILLEM V trachtte den dood zijns
+voorgangers te wreken door de Friezen--niet met eerlijke wapenen in
+openbaren strijd, maar te straffen, door het uitgeven van last- of
+kaperbrieven aan bijzondere personen, om op hen te panden, of hen te
+lande en te water, aan lijf en goed, allerwege te beschadigen en te
+berooven (1347). Van zulk een laag middel hadden de Friezen voor hunnen
+handel en bezittingen de grootste nadeelen te vreezen. Gaarne sloten zij
+dus in den volgenden jare een vredeverdrag of bestand voor twintig
+jaren, niet enkel met den Graaf, maar ook met de Ridderschap, Steden en
+Ingezetenen van _Holland_, _Zeeland_ en _West-Friesland_;--een verdrag,
+waarbij de voorwaarden geheel in het belang van _Oostergoo_ en
+_Westergoo_ gesteld waren, en waarbij de Graaf zelfs beloofde, dat zijne
+onderzaten de grenzen van _Friesland_ niet zouden overschrijden, dan in
+geval van nood en om koophandel te drijven, waartoe zij zich echter
+enkel tot de drie marktplaatsen _Harich_, _Kornwerd_ en _Holwerd_
+moesten bepalen[79]. Later gaf de Graaf ook den Friezen volle vrijheid,
+om in _Noord-Holland_ handel te drijven en de markt te _Haarlem_ te
+bezoeken[80].
+
+ [79] Dit belangrijk stuk, enkel vermeld in het _Charterboek_, I 208,
+ is eerst in 1817 uitgegeven door Jhr. J. C. DE JONGE, achter zijne
+ _Verhandeling over de Hoeksche en Kabeljaauwsche twisten_. Jhr. W. VAN
+ SWINDEREN gaf de hoofdinhoud daarvan met toelichtingen in 't
+ Mengelwerk der _Leeuwarder Courant_ van 1832, N^o. 61. De eerste
+ deelde de Heer VAN LEEUWEN ook mede in zijne Aanteekeningen op _it
+ aade Friesche terp_, 418.
+
+ [80] _Charterboek_; I 208; _Tegenwoordige Staat_, I 501.
+
+ * * * * *
+
+Zoo scheen dan eindelijk het tijdperk te zullen aanbreken van rust en
+vrede tusschen de ingezetenen van zoo nà bij elkander gelegene landen,
+die beide zoo veel belang hadden bij eene goede verstandhouding en bij
+het rustig genot van de wederzijdsche regten en bezittingen. Ofschoon
+_Stavoren_ kort daarna afviel (1352) en den Graaf als Heer aannam, uit
+baatzucht welligt, ten einde van hem voor haren handel vrijdom van
+tollen en gelijke voorregten te bekomen, als waarmede de Hollandsche
+koopsteden begunstigd waren;--ofschoon Keizer KAREL IV _Oostergoo_ en
+_Westergoo_ beval, den Graaf insgelijks als Heer te erkennen
+(1362)[81],--werd het bestand telkens verlengd, en bleven de Friezen
+eene halve eeuw lang van deze zijde ongestoord, hoewel zij gelijktijdig
+onderling in partijschappen hevig verdeeld waren[82]. Herhaaldelijk gaf
+echter de opvolgende Graaf van _Holland_, Hertog ALBRECHT _van
+Beijeren_, blijken, dat hij zijne aanspraken op het bezit van
+_Friesland_ geenszins liet varen. Doch hij waagde het niet, deze met
+eene krijgsmagt te doen gelden, dewijl hij in zijn eigen land moeite
+genoeg had, zich staande te houden bij de hooggestegen beroerten der
+Hoekschen en Kabeljaauwschen en bij huiselijke twisten, ten gevolge
+waarvan zijn oudste zoon, Graaf WILLEM _van Oostervant_, naar
+_Frankrijk_ gevlugt was. Dáár werd deze echter aan 's Konings tafel
+smadelijk verweten, dat hem die plaats der eere niet toekwam, vermits
+het wapen van zijn geslacht was geschonden of verloren door de nederlaag
+van zijn oudoom Graaf WILLEM IV, die in 's vijands land verslagen en nog
+onbegraven was, zonder dat iemand van zijn geslacht dien dood had
+gewroken[83].
+
+ [81] _Charterboek_, 208, 209, 210, 226, 227.
+
+ [82] _Charterboek_, 233-255.
+
+ [83] Tien dagen na den slag tusschen _Stavoren_ en _Warns_ in 1345 was
+ 's Graven lijk gevonden geworden door MARTEN, kommandeur der St.
+ Jansheeren te _Haarlem_, die het liet begraven in het Klooster
+ _Bloemkamp_ bij _Bolsward_, van waar het later door ALBRECHT naar
+ _Valenciennes_ is overgebragt. Onbegraven beteekent hier: in geen
+ vorstelijk graf bijgezet.
+
+ * * * * *
+
+Als een kloek ridder was hem die smaad onduldbaar. Die smet wilde hij
+afwisschen. De eerste stap daartoe was, zich met zijn vader te verzoenen
+en dezen te bewegen, om _Friesland_, het kostte wat het wilde, te
+veroveren. Dit gelukte hem, en naauwelijks was het voornemen van Hertog
+ALBRECHT, om de Friezen te bestrijden, bekend geworden, of er openbaarde
+zich eene zóó algemeene geestdrift tot deelneming, dat het scheen alsof
+er een kruistogt gepredikt ware. Vele aanzienlijke graven en ridders
+kwamen ook uit andere landen over, om deel te nemen aan een strijd,
+welke gelegenheid tot schitterende wapenfeiten scheen aan te bieden.
+Meer dan een jaar lang werden er in allerlei oorden, in en buiten des
+Graven gebied, manschappen aangenomen en schepen, door verbod om buiten
+'s land te varen, geprest tot den togt naar _Friesland_. Eene verbazende
+magt werd er alzoo ontwikkeld, waarvan het toenmaals eerst opkomende
+zeewezen van ons land nog geen voorbeeld had gegeven, en welke zelfs ook
+later geene weêrgade vond. Want (hoe onwaarschijnlijk ook) op 180,000
+man werd het leger begroot, dat uit Hollanders, Zeeuwen, Vlamingen en
+Henegouwers, ja zelfs uit Fransche, Engelsche en Duitsche hulpbenden
+bestond, welke werden overgevoerd op eene vloot, wier sterkte men op
+3000 groote schepen en 400 kleinere vaartuigen schatte.--En zulk eene
+vloot en leger achtte men noodig, om een land, zóó klein van omvang,
+doch zóó geducht door den heldenmoed en de vrijheidsliefde zijner
+bewoners, te veroveren! Een vervaarlijk onweder trok alzoo te zamen, dat
+_Friesland_ met eene onvermijdelijke overweldiging bedreigde.
+
+Hoe zouden de Friezen tegen zulk eene overmagt bestand zijn geweest?
+Terwijl de vijand, door geene onderhandelingen te bewegen, om van zijn
+voornemen af te zien, alle hulp van naburen bekomen- en hen alle wegen
+tot verkrijging van ondersteuning afgesneden had, konden zij uit hun
+eigen land niet meer dan 30,000 weerbare mannen bijeenbrengen. Om met
+deze, ongeoefend en slecht gewapend als ze waren, zulk een leger te
+wederstaan, scheen gevaarlijk, zoo niet roekeloos. Daarom gaf de door
+hen op een landsdag verkozen Potestaat JUW JUWINGA of JONGAMA van
+_Bolsward_, die als krijgsman op buitenlandsche togten vele proeven van
+dapperheid gegeven- en rijke ervaring verworven had, hun den
+verstandigen raad, om den vijand geen slag te leveren in het open veld,
+maar zich in de steden en dorpen te verschansen, ten einde het leger af
+te matten, en door gebrek aan leeftogt tot terugkeer te noodzaken. Doch
+met onstuimige strijdzucht verachtten zij dien raad, omdat het ontwijken
+van een slag den schijn zou geven alsof zij lafhartig een vijand
+ontweken, dien zij, even als hunne vaderen vijftig jaren vroeger, nog
+durfden staan. Afkeerig van allen dwang en met fierheid elke poging tot
+hunne overheersching verfoeijende, trokken zij, onder de kreet: »Wij
+sterven liever als vrije Friezen dan ons aan een vreemden heer te
+onderwerpen!" den vijand tegen, ten einde »vrij en friesch, met lijf en
+goed, de vrijheid te beschermen, en alle vreemde landsheeren
+eendragtelijk tegen te staan."
+
+Hertog ALBRECHT _van Beijeren_, die in het opperbevel door drie zijner
+zonen ondersteund werd, had zijne legermagt te _Enkhuizen_ verzameld,
+stak de Zuiderzee over en landde aan den zeedijk tusschen _de Lemmer_ en
+_de Kuinder_. Nadat de Friezen vruchteloos getracht hadden de landing te
+verhinderen, werd er, op den 29 Augustus 1396, op een daaraan gelegen
+groot veld, het _Oostzingerland_ of _Oosterzee-ingerland_ geheeten, bij
+_Schoterzijl_, slag geleverd. Verschrikkelijk was de woede van dit
+gevecht. Met heldenmoed voor hunne vrijheid strijdende, verrigtten de
+Friezen wonderen van dapperheid. Eenige uren lang bleef de zege
+twijfelachtig; maar, toen zij eindelijk door nieuwe benden aan alle
+zijden ingesloten waren, sloegen zij verwoed en verward op den vijand
+in, en moesten voor het welgewapende en overmagtige leger bukken. Een
+groot getal Friezen was gesneuveld en daaronder ook hun edele Potestaat,
+die, schoon men zijn raad niet wilde opvolgen, zich toch aan het hoofd
+des legers had gesteld, om allen door zijn voorbeeld aan te sporen[84].
+
+ [84] In alle tijden is het voorzeker een blijk van ongemeene
+ regtschapenheid, wanneer regenten, overstemd en verpligt zijnde een
+ besluit der meerderheid uit te voeren, van welks nadeelige strekking
+ zij zich voor hun persoon overtuigd houden, die uitvoering op eene
+ waardige wijze volbrengen, zelfs met gevaar van het leven of het
+ uitzigt op een wissen dood.
+
+Nog had het volk kracht genoeg, drie dagen later een tweede gevecht te
+wagen, hetwelk echter, even als latere herhaalde schermutselingen, niet
+gelukkiger uitviel, hoewel ook daarbij vele vijanden omkwamen. De
+Hollandsche benden trokken nu het land in, om de vrucht hunner
+zegepraal te genieten, door overal te plunderen en te branden. Vijf
+weken lang duurde dit woeden. Onstuimig herfstweder en gebrek aan
+leeftogt en betaling noodzaakten ALBRECHT het overschot van zijn leger
+nog vóór den winter terug te voeren naar _Enkhuizen_, waar het ontbonden
+werd. In _Stavoren_, waar hij een sterk kasteel zou hebben laten bouwen,
+en op andere plaatsen had hij eenige bezetting achtergelaten, doch deze
+werd weldra door de Friezen verdreven; en toen de Hertog, in Februarij
+1397, om die benden te hulp te komen, drie Hollandsche Edelen aan het
+hoofd van eene legermagt herwaarts zond, en deze te _Hindeloopen_
+meenden te landen, werden ze door de Friezen zoo krachtig ontvangen, dat
+zij met groot verlies naar hunne schepen en naar _Holland_ terugkeerden.
+Zoo waren al de voordeelen der behaalde overwinning verloren gegaan.
+Doch de overwinnaar was laag genoeg, om nu zijn wrok te koelen, door het
+uitgeven van een aantal magt- of pandbrieven aan vele personen, om zijne
+vijanden, de Friezen, te water en te land te beoorlogen, te beschadigen
+en afbreuk te doen. Zelfs stelde hij zijne twee Admiralen aan het hoofd
+dezer kaperschepen[85].
+
+ [85] Zie deze Brieven in het _Vriesch Charterboek_, I 260-269.
+
+ * * * * *
+
+De verpletterende ramp, welke _Friesland_ bedreigd en als ten ondergang
+bestemd had, was alzoo gelukkig te boven gekomen, en had de vrijheid uit
+den strijd het hoofd weder opgebeurd. 't Was echter, alsof het Hertog
+ALBRECHT krenkte, dat hij van zijne overwinning zoo slecht gebruik had
+gemaakt, en dat de vijand, dien hij wel overmeesterd, doch niet
+bedwongen had, zijne ontzettende opofferingen door de verdrijving van
+zijne benden met vernedering en bespotting vergold. Nogmaals wilde hij
+dat weerbarstige _Friesland_ veroveren, bedwingen en aan zijn gebied
+onderwerpen. Met nieuwen ijver hervatte hij de oorlogs-toebereidselen.
+In Mei 1398 beval hij al zijne leenmannen en ridders, zelfs die
+uitlandig waren, om hem, tegen het laatst der maand Junij, met een
+bepaald getal gewapende mannen ter hulp te komen tot den nieuwen togt
+naar _Friesland_. Evenzoo de steden van _Holland_, en _Zeeland_, waarvan
+enkel _Dordrecht_ moest leveren: 600 gewapende mannen, 20 timmerlieden,
+10 smeden, 10 metselaars en 25 schutters, benevens een aantal horden.
+Deze laatste waren bestemd om den overtogt langs moerassen en slechte
+wegen gemakkelijk te maken[86]; terwijl de getallen dier handwerkslieden
+blijken geven, dat de Hertog zijn gezag hier nu wilde vestigen door het
+bouwen van kasteelen, gelijk vroeger in _Noord-Holland_ was geschied,
+waartoe hij eene groote hoeveelheid »calck, yser ende hout dede copen
+totter timmeragie in ons reysen, die wy, off God wil(!), doen sullen op
+onse vyanden die Oistvriesen." Bovendien moesten de elf voornaamste
+Hollandsche steden 444 schepen (behalve de groote) leveren, en verzocht
+hij de stad _Zierikzee_, om hem 25 groote geproviandeerde schepen te
+leenen en daarmede de hulpbenden, welke hij in _Engeland_ had
+aangeworven, te halen en naar _Vlissingen_ te brengen. Van elders leende
+hij nog 300 schepen, ontbood hulp uit _Zeeland_, _Utrecht_, _Zalland_,
+het land van _Altena_ enz.; terwijl de Heer van _Hensberg_ hem met 200
+bemande galeijen en 4000 Gld., gelijk _Haarlem_ met 4 schepen en 5000
+oude Schilden, bijstand deed. Zelfs verzocht hij ondersteuning van den
+Koning van _Frankrijk_ en andere vreemde Vorsten, en besloten de
+Zeeuwen hem 8000 man te leveren, behalve de manschappen, welke reeds van
+hunne Steden waren gevorderd. Eindelijk waren de menigvuldige
+toebereidselen tot den Frieschen oorlog gereed, en het groote leger met
+de talrijke vloot te _Enkhuizen_ verzameld, alsof het de verovering van
+het Heilige land zou gelden[87].
+
+ [86] Dit is waarschijnlijker dan IDSINGA'S meening van planken, tot
+ bedekking van de kuilen, welke men den Hertog gezegd had, dat de
+ Friezen gegraven hadden ter plaatse, waar hij zou landen.
+
+ [87] Omtrent de krijgstoerustingen van dezen tweeden togt zijn er veel
+ meer bescheiden in de Hollandsche, Friesche en andere Charterboeken
+ bewaard dan omtrent den eersten. Blijkens deze werd er bijzondere zorg
+ gedragen voor bouwmaterialen, doch nog meer voor den leeftogt.
+ Omstreeks half Junij werden de personen benoemd, die de volgende
+ ambten op de vloot zouden bekleeden, als: 2 Admiralen, 2 Bos- en
+ Graafmeesters, 3 Timmermeesters, 2 Tentmeesters, 2 Tarwe- en
+ Bierkoopers, 2 Ossekoopers, 2 Wijnkoopers, 2 "Malvezie, craemcruyt
+ ende cokenkruyt besorgers," 2 Schape-, 2 Visch- en 2 Boter- en
+ Kaaskoopers, 4 Meester Ridderen, 5 Meester Knapen, mede belast "te
+ coopen schottelen, azyn, eyer, mostert, turff, ende zout." Voorts
+ "Pentiers, Bottelgiers, Cocks en Warderobben, die sullen besorgen XII
+ knechten meer dan sy nu hebben, die tortyssen dragen sullen voir mynen
+ Heere, ende die vierpannen voor myns Heren tenten te vieren, te
+ waecken ende die tenten helpen op te breken."--"Item, sal men hebben
+ vier groote schepen van Amsterdam, ende in elck schip vyff ovens; by
+ elcken schepe een schip met meel, ende in den grooten schepen sal men
+ leggen die barninge mede te backen. Binnen Medenblick sal men een deel
+ ovens stellen, om daer brood voor 't gemeen volck te backen, drie
+ bruyn ende 't vierde witt." Doch wij zouden te uitvoerig worden, als
+ wy meerdere bijzonderheden tot kenschetsing van dezen togt
+ mededeelden. Van wapentuigen of vuurwapenen vindt men hierbij echter
+ nog geen spoor vermeld.
+
+Op een der eerste dagen van Julij 1398 stak deze krijgsmagt, onder bevel
+van Graaf WILLEM _van Oostervant_, over de Zuiderzee, en landde tusschen
+_de Lemmer_ en _Takozijl_. Zij vond vooreerst geen tegenstand, gelijk
+vroeger: want de Friezen waren nu geheel anders gezind dan toen. Sedert
+dien tijd hadden de partijschappen het hoofd zóó verwoed opgestoken, dat
+het in den vorigen jare 1397 bij _Dronrijp_ tot een veldslag was
+gekomen, waarin de Vetkoopers de nederlaag hadden geleden. Uit zucht
+naar wraak en om zich te herstellen, helden deze nu naar de zijde van
+_Holland_ over en boden geen tegenstand, ook op hoop van door den Graaf
+in aanzienlijke betrekkingen gesteld te zullen worden. De Schieringers
+vreesden de gevolgen van dezen aanval minder; terwijl de ondervinding
+ook had geleerd, dat het vruchteloos was, zoo vele vreemde benden in het
+open veld te bestrijden. Naar den vroegeren raad van den Potestaat
+JUWINGA, hield men zich nu meer in de steden op en trachtte deze te
+versterken[88]. Het leger trok alzoo onverhinderd door _Gaasterland_,
+doch vond niet ver van _Hindeloopen_ vele Friezen verzameld, die eene
+poging wilden doen om _Stavoren_ te beschermen. Zij werden echter na een
+hevig gevecht verdreven, en nu trok men naar _Stavoren_, waarin zich
+eene groote menigte volks had verzameld. Langer dan drie weken werd deze
+stad vruchteloos belegerd, en zij gaf zich niet over, vóór de
+aanzienlijkste edelen van _Oostergoo_ en _Westergoo_ met WILLEM _van
+Oostervant_ in het leger een verdrag hadden gesloten, waarbij ze zijnen
+vader wel tot Heer aannamen, en hem toestonden sloten en burgten in het
+land te bouwen en overheden aan te stellen; doch waarbij ze tevens
+uitdrukkelijk bedongen, dat de Friezen hunne goederen vrij zouden
+blijven bezitten, dat zij tot geene heervaart buiten 's lands zouden
+verpligt zijn, dat hun veiligheid van personen en goederen verzekerd
+werd, dat ze hun eigen Friesch regt zouden behouden enz.[89]
+
+ [88] Zie dit omtrent _Leeuwarden_ in de _Geschiedk. Beschrijv._ I 55,
+ 372.
+
+ [89] Zie dit Verdrag in het _Charterb._ 281; SJOERDS, _Jaarb._ IV 127.
+
+Eerlang werd nu Hertog ALBRECHT _van Beijeren_ door geheel _Friesland_
+als Heer gehuldigd, bij uitvoerige zoen-en huldebrieven. Op verscheidene
+plaatsen liet hij kasteelen bouwen tot bedwang van het land; naar
+Hollandsche wijze stelde hij hier Schouten, Baljuwen en Schepenen aan,
+begiftigde vele aanzienlijke edelen met goederen, en deed hij ook
+daardoor werkelijk pogingen, om hier het Leenstelsel in te voeren.
+Hierin en in meerdere bepalingen van zijnen zoenbrief week hij af van
+het eerste verdrag van aanneming, en ziet daar al dadelijk den grond
+gelegd van een tegenstand en verzet van het volk, welke zich reeds in
+het begin des volgenden jaars openbaarden[90]. Die schending van het
+verdrag was den vrijheidminnenden Friezen even onduldbaar als al de
+blijken van overheersching; en inderdaad werden eerlang alle kasteelen
+door het volk gesloopt, de ambtenaren verjaagd en de bezettingen,
+behalve uit _Stavoren_, verdreven. Te vergeefs zond de Hertog nieuwe
+benden uit de Hollandsche steden naar _Stavoren_, dat door de Friezen
+krachtig, doch zonder vrucht, werd aangevallen. Te vergeefs trachtte hij
+bij een naderen zoenbrief door gunstiger bepalingen, omtrent het vrij en
+onbezwaard bezit der eigendommen, de schattingen en regten, de bezwaren
+der Friezen weg te nemen. Reeds was het gansche land tegen het
+Hollandsche gezag ingenomen en gewapend. Voor de derdemaal schreef hij
+in Julij 1400 eene algemeene heirvaart tegen de Friezen uit, en werden
+al zijne ridderen en leenmannen, steden en dorpen in _Holland_ en
+_Zeeland_, ja zelfs in _Utrecht_, aangeschreven, hem ten spoedigste met
+550 galeijen en een bepaald getal manschappen te hulp te komen.
+_Dordrecht_ was daarbij weder gesteld op 600 gewapende mannen en 40
+arbeiders, »of Smeden, Tymmerluden, Maetselairs ende andere luden met
+breecbilen, hantbomen, ghetouwen ende ander gherieschap, om te woesten
+ende te vellen alle Sloten, Stenhuzen ende Vestenissen, dye onze
+meynedighe luden van Oistvrieslant jeghens ons houden." De overige
+steden en plaatsen moesten hulp leveren naar evenredigheid[91].
+
+ [90] Dit blijkt uit de stukken _Charterb._ 289, 290, 298.
+
+ [91] Zie al die oproepingen in het _Charterb._ 309-314.
+
+Ook deze togt liep weder vruchteloos af, daar het leger, onder
+aanvoering van Graaf WILLEM _van Oostervant_ te _Stavoren_ geland, wel
+de zeekust langs trok, met de Friezen schermutselingen hield en _Dokkum_
+innam; doch te magteloos was, het Hollandsche gezag hier te herstellen,
+waarom het eerlang terugtrok, nadat al de pogingen, om 's Graven gezag
+ook in _Groningen_ te vestigen, mede verijdeld waren.
+
+In weerwil van zoo herhaalde teleurstellingen en aanzienlijke
+opofferingen, was de oude Hertog den strijd nog niet moede. In Junij des
+volgenden jaars 1401 schreef hij in _Holland_ en _Zeeland_ eene dubbele
+en driedubbele heirvaart uit, om hem te hulp te komen met gewapende
+mannen en sterke gravers met schup en spade en piek of boog, ten einde
+daarmede een togt te doen naar _Stavoren_, om de twee kasteelen te
+voltooijen, welke hij begonnen was, daar tot versterking van deze stad
+te doen bouwen[92]. Doch dit was ook zijne laatste poging ter bedwinging
+van een land, dat getoond had, zich niet te willen onderwerpen. De
+uitputting zijner geldmiddelen en de mindere gewilligheid der
+Hollandsche edelen en steden, om zijner veroveringszucht langer ten
+dienste te staan, deden hem zelfs naar vrede verlangen. Den 1 October
+1401 werd die te _Bolsward_ voor zes jaren gesloten, bij een verdrag,
+waarbij de Friezen tusschen den Wezer en _de Lemmer_ voor zich gunstige
+bepalingen van vrijheid en rust bedongen, en den Hertog alleen het
+gebied over _Stavoren_ lieten behouden[93].
+
+ [92] Zie deze stukken in het _Charterb._ 321-325, ook 298. Het
+ kasteel, in 1398 gesticht, schijnt dus toen verwoest te zijn geweest.
+
+ [93] Zie dit Verdrag in het _Charterb._ 327 en SJOERDS, _Jaarb._ IV
+ 225.
+
+ * * * * *
+
+De gevolgen van deze herhaalde togten en ongemeene kracht-inspanning
+waren voor Hertog ALBRECHT zeer bedroevend: want die verbazende
+krijgstoerustingen en de daarop gevolgde Arkelsche oorlog hadden hem zoo
+zeer verarmd en met schulden bezwaard, dat, bij zijn dood in 1404, zijn
+boedel door zijne weduwe met den voet werd gestooten. De Friezen
+herstelden zich vervolgens van hunne nederlaag, door het verjagen van de
+vijandelijke bezetting, maar het verlies van den Overwinnaar was
+onherstelbaar, dewijl hij overal, waar hem het gebieden voegde, verpligt
+was te gehoorzamen[94]. Zijne veroveringszucht gedijdde hem alzoo
+evenzeer tot schade en schande, als den Friezen tot eere, dewijl zij
+daardoor gelegenheid hadden, nieuwe blijken te geven van heldenmoed ter
+handhaving van vrijheid en regt, bij de bestrijding van overmagtige
+legers, die hun volksbestaan met den ondergang bedreigden. (Zie
+_Aanteekening 13_.)
+
+ [94] STIJL, _Opkomst en bloei der Nederlanden_, 2e dr. 59.
+
+ * * * * *
+
+Al de latere Graven van _Holland_ in de 15e eeuw hebben echter
+bestendig hunne vermeende aanspraak op _Friesland_ doen gelden, door
+bijna jaarlijks het geslotene vrede-verdrag te vernieuwen. Niet minder
+deden zij dit door het aanwenden van rustelooze pogingen, bij wijze van
+onderhandeling, om zich door de Friezen als Heer of Graaf erkend te
+zien, hoewel deze, wanneer de drang hun te sterk voorkwam, zich telkens
+tijdig genoeg verzekerden van nieuwe keizerlijke bullen, waarbij hun
+regt, om zich zelve te regeren en buiten het rijk, dat hun bescherming
+verleende, geenen heer onderdanig te zijn, werd bevestigd[95]. Geen dier
+Graven deed echter zijne aanspraken meer met geweld of magt van wapenen
+gelden. Dit was hun afgeleerd. Het lot hunner voorzaten bleef hen
+deswege eene heilzame waarschuwing. Onnatuurlijk was echter die klove
+tusschen zoo nabij elkander gelegen gewesten. Zeker zou eene gewenschte
+toenadering eerder hebben plaats gehad, indien de Hollanders niet immer
+getoond hadden, den meester te willen spelen over de Friezen, die echter
+niet gezind waren het hoofd zoo spoedig in den schoot te leggen, maar
+die stonden, waar zij meenden te moeten staan, zonder lafheid of vrees
+voor een heerschzuchtigen nabuur, wiens aanvallen zij zoo dikwijls
+gedrongen waren, op eene bloedige wijze betaald te zetten. Veel moest er
+nog gebeuren, geheel andere tijden en omstandigheden moesten er komen,
+vóór die verwijdering kon ophouden, om vervangen te worden door eene
+toenadering, vereeniging en zamenwerking, welke beider belangen en het
+heil des geheelen vaderlands in één staatkundigen band zou omvatten en
+bevorderen. Terwijl wij het dus bij deze togten betreuren, dat zoo vele
+Vorsten uit veroveringszucht zoo veel bloed hunner nijvere ingezetenen
+hebben verspild, heeft de geschiedenis der Friezen ons weder een
+luisterrijk voorbeeld gegeven, hoe zelfs geringe volken, door liefde tot
+de vrijheid bezield en aangedreven, met onverschrokken moed magtige
+overheerschers kunnen wederstaan, en hoe zij met de gebrekkigste
+hulpmiddelen uitkomsten te weeg brengen, welke de bewondering van
+tijdgenoot en nageslacht verdienen.
+
+ [95] Zie WORP VAN THABOR, IV 38, 97; _Charterb._ 399, 593.
+
+ _Zóó is de Fries. Wanneer gevaren
+ Der Vrijheid zweven, om zijn kust,
+ Dan weet zijn moed van geen bedaren,
+ Noch zijne Leeuw van logge rust.
+ Wee hem! die dezen Leeuw verschrikken
+ Of wil betemmen of verblikken,
+ Hij schuimbekt, raast en kent geen reên!_[96]
+
+ [96] O. Z. VAN HAREN, _de Geuzen_, 15e zang.
+
+
+21. _Oorzaken van het verlies der onafhankelijkheid._
+
+Het is inderdaad een opmerkelijk en raadselachtig verschijnsel in onze
+geschiedenis, dat hetzelfde volk, hetwelk zijne vrijheid zoo krachtig
+wist te verdedigen tegen vreemden, onderling zoo zwak was, dat het
+misbruik maakte van die vrijheid, door zich daden te veroorloven, welke
+zoodanig streden tegen de maatschappelijke orde, dat deze haren
+ondergang noodwendig moesten veroorzaken. Zoodra toch hadden de Friezen
+geene aanvallen van buiten meer te duchten, of zij waren op nieuw hevig
+onder elkander in krijg. Eensgezind jegens vreemden, was _Friesland_
+sterk; verdeeld en verzwakt door partijwoede, bereidde het zelf zijnen
+val. In algemeene trekken hebben wij hier vóór (bl. 93) over het
+ontstaan en den aard der partijschap tusschen de Schieringers en
+Vetkoopers gesproken; thans willen wij haar laatste tijdperk en de
+vrucht, die ze droeg, kortelijk vermelden.
+
+Na het sluiten van den vrede met Hertog ALBRECHT _van Beijeren_, staken
+de oude verdeeldheden met geweld het hoofd weder op, en de bloedige
+tooneelen van den burgerkrijg, tusschen de aanzienlijkste adellijke
+geslachten, kloosters en steden, vertoonden zich op nieuw. Dit was
+zoowel in _Friesland_, als in _Groningen_ en _Oost-Friesland_ het geval,
+en deze gedienstige naburen hadden heimelijke redenen, om hier het vuur
+der tweespalt bestendig aan te blazen. Gesteund door de Keizers, die
+hunne volksvoorregten in de 15e eeuw tweemalen bevestigden, waren de
+Friezen op hunne vrijheid zoo fier, dat deze in overmoed en
+bandeloosheid ontaardde. Handhaving van orde en rust, en gehoorzaamheid
+aan de wetten des lands zijn toch de eerste pligten van den burger,
+zullen de algemeene vrijheid en welvaart worden bevorderd en blijven
+bestaan; doch waar deze worden geschonden, waar ieder zijne persoonlijke
+vrijheid en willekeur met geweld wil doen gelden, en waar alle middelen
+geoorloofd geacht worden, om zijne partij te doen zegepralen,--daar moet
+de staat te gronde gaan. Zoo ging het vervolgens in den loop der
+onrustige 15e eeuw in _Friesland_.
+
+Gedurende al deze onlusten werd de band tusschen de Zeven Vrije Friesche
+Zeelanden ontbonden. Wel trachtten eenige leden daarvan in 1430 nog de
+oude betrekking te vernieuwen, door de belofte van elkander en de
+onderlinge voorregten te zullen beschermen; maar als zij deze
+bescherming verleenden, maakten sommigen daarvan dikwijls zulk een
+misbruik, dat het eene Zeeland over het andere begon te heerschen, en
+dat die hulp alzoo duur te staan kwam. Dit deed althans de stad
+_Groningen_, die in magt en gezag vooral was toegenomen, sedert de
+Opstalboomsche vergaderingen in 1361 derwaarts verlegd waren. Terwijl de
+Schieringers, die meest in _Westergoo_ woonden, soms hulp in _Holland_
+zochten, riepen de Vetkoopers van _Oostergoo_ daarentegen de
+ondersteuning van _Groningen_ in. Gereedelijk voldeed dit aan dat
+verlangen, zoo het slechts in magt of geld daarvoor vergoeding ontving.
+Ja, deze stad wist het met allerlei middelen zóó verre te brengen, dat
+zij, gebruik makende van de beroeringen, met een aantal edelen en
+geestelijken van _Friesland_ een verbond van bescherming aanging,
+waarbij haar een groot deel der oppermagt zou worden opgedragen. Dan de
+Keizer, wiens toestemming daartoe zij eerst listig had verkregen, zond
+eerst in 1485 en daarna weder in 1494 gezanten in _Friesland_ tot
+herstel van de rust. Zijn afgezant OTTO VAN LANGEN, Domheer van _Ments_,
+verklaarde dat verbond voor nietig, en verbood den Groningers, namens
+den Keizer, zich hier eenig regt of gezag aan te matigen[97].
+Vruchteloos wendde hij alle moeite aan om de verdeeldheden bij te
+leggen, en den zoo lang verloren vrede te herstellen. Op een landsdag te
+_Sneek_ gehouden en meest door de Schieringers bijgewoond, wist hij te
+bewerken, dat JUW DEKAMA, van _Baard_, een wijs en vredelievend man, tot
+Potestaat werd verkozen. Doch de Vetkoopers weigerden dezen te erkennen,
+zoodat het vuur der verdeeldheid, hetwelk hij getracht had te blusschen,
+nog meer ontvlamde. Al deze maatregelen, om den adel tot rust en
+eendragt te bewegen, werden verijdeld door de verbittering dier
+onbuigzame gemoederen. Met felle woede en vreemde hulp vochten de
+partijen om de zegepraal.--Terwijl dus de Friezen blijken gaven, dat zij
+zich zelve niet meer konden besturen, maar dat zij hunne krachten
+verspilden in onderlingen strijd, zonder op wet, regt of orde acht te
+geven,--toen behaagde het Keizer MAXIMILIAAN hieraan een einde te maken,
+door _Friesland_ op te dragen, of wel voor ruim 250,000 Goudgld. te
+verpanden, aan den moedigen ALBERT, _Hertog van Saksen_, dien hij,
+onder den titel van _Erfpotestaat_, het bestuur over dit gewest
+toevertrouwde[98].
+
+ [97] _Charterboek_, 754, 758, 760.
+
+ [98] Zie al de schrijvers aang. op bl. 136 der _Geschiedk. Beschrijv._
+ I.
+
+Op deze wijze ging de aloude Friesche vrijheid voor een groot gedeelte
+verloren, en was het volk genoodzaakt een vreemden bestuurder als Heer
+te erkennen. Die vrijheid, eens als blijk van onafhankelijkheid en
+zelfstandigheid zoo hoog geschat, was eene klank, was een denkbeeldig,
+ja zelfs schadelijk voorregt geworden, nadat ze was verbasterd in eene
+vrijheid om elkander schaamteloos te plunderen en te vermoorden. Het
+gezag der wetten zweeg toch voor het geweld. Bij velen gold toen de
+regel der losbandigheid:
+
+ _Mijn rechten zijn mijn wil, mijn wetboek is mijn zwaard.
+ Zoo denkt een vrije Fries, zijn eigen Heer en Koning,
+ Zoo wars van vleijerij als van ontzagbetooning_[99].
+
+ [99] VAN HALMAEL, _Ats Bonninga_.
+
+Die misbruikte vrijheid was een kanker, welke aan den Staat knaagde,
+eene doodelijke wonde gelijk, die tot behoud van het gansche ligchaam
+noodwendig moest worden uitgesneden. Door haar te verliezen, zijn nog
+grootere rampen, dan reeds zijn geleden, vóórgekomen. Want wij hebben ze
+niet kunnen vermelden al de bijzondere ellenden en gruwelen van roof,
+moord en brandstichting, welke gedurende zoo vele jaren in het nagenoeg
+regeringlooze _Friesland_ de inwoners nood en dood en schade
+berokkenden. Wij hebben gezwegen van de ingewikkelde familie-geschillen,
+waaruit de _Donia-oorlog_ en de _twist om Bolsward_ ontstonden[100]. Wij
+hebben niet kunnen verhalen hoe dikwijls de in bloei en magt toenemende
+steden _Leeuwarden_, _Bolsward_, _Sneek_, _Franeker_, _Slooten_ en
+andere in hare rustelooze twisten met de woeligste edelen JELKAMA,
+CAMSTRA, JUCKEMA, GROUSTINS, JONGAMA, HARINXMA, SJAERDAMA en anderen
+belegerd, verbrand en geplunderd werden; hoe zij op hare beurt de
+stinzen en dorpen verwoestten van die edelen, welke elkander gedurig
+beoorloogden; of welk een rol de Raad van _Groningen_ onder dat alles
+gespeeld heeft.
+
+ [100] In de Narede van hier vóór genoemde treurspel en in de _Friesche
+ Volks-Almanakken_ van 1841 en 1845 komen omtrent beide deze
+ onderwerpen belangrijke berigten voor, indien men deswege nader
+ wenscht ingelicht te worden.
+
+Voorzeker waren er nog altijd vele welgezinden, die de rust poogden te
+herstellen, en het sluiten van die talrijke verbonden van vrede
+bevorderden, welke er in deze eeuw zoo dikwijls tusschen de edelen,
+grietenijen, steden en gooën werden gesloten, als zoo vele getuigen van
+de goede voornemens en de behoefte aan eendragt en rust. Doch hoe
+spoedig werden ze weer verbroken door het geweld, dat sterker was dan de
+kracht der bezegelde zoenbrieven[101]. Het krijgvoeren was heviger
+geworden, sedert hier omstreeks 1460 het buskruid en het gebruik van
+kanonnen en geweren (destijds bussen en roeren genoemd) waren ingevoerd
+geworden. Vreemde woeste soldaten, die de zwakkere partij soms tot hulp
+liet overkomen, brandden en roofden op het onveilige land, waar niemand
+het zijne meer rustig bezat. Openbare werken, vaarten en wegen, ja zelfs
+de zeedijken werden ten gevolge der verdeeldheden veelal verwaarloosd,
+zoodat alleen in deze 15e eeuw dertien overstroomingen de algemeene
+ellende verzwaarden.
+
+ [101] Eene menigte dezer overeenkomsten tot onderlinge bescherming
+ bevat het _Charterboek_ en het Stedelijk Archief van _Leeuwarden_.
+
+De zucht om de onrustige wereld te ontvlieden bewoog vele vromen zich te
+begeven in de Kloosters, wier getal te gelijk met hunne bezittingen
+toenamen; terwijl anderen vergeving voor gepleegde misdaden zochten te
+bekomen, door het schenken van giften aan de geestelijkheid of tot den
+opbouw van forsche Kerkgebouwen, van welke er in deze eeuw, vooral in de
+steden, verscheidene vernieuwd en vergroot werden. Hoe zouden kennis en
+wetenschap hebben kunnen toenemen bij een immer krijgvoerend volk, dat
+integendeel door ruwheid en woestheid van zeden moest ontaarden. En de
+heilige godsdienst der Christenen, bestemd om door geloof, liefde en
+hoop het leven te veredelen en den geest voor eene betere toekomst te
+vormen, droeg alzoo geene harer waardige vruchten voor het
+maatschappelijk welzijn.
+
+Zulk een toestand van een land kon niet duurzaam zijn. Alwat kwaad is
+verwoest zich zelf. Alleen godsvrucht, zedelijkheid en pligtsbetrachting
+kunnen heilrijke en duurzame vruchten dragen tot volksgeluk. Het land
+had rust noodig, waarin het zich zou kunnen herstellen en zijne krachten
+ontwikkelen tot vooruitgang, tot voortdurenden wasdom en beschaving.
+Daartoe werd eene gansche verandering van den maatschappelijken toestand
+vereischt. Het verlies der onafhankelijkheid en het bestuur van een
+vreemden Vorst werd hiertoe het middel in de hand van Hem, die zelfs de
+dwalingen zijner kinderen dienstbaar maakt aan de bereiking van zijne
+vaderlijke bedoelingen tot hun heil.
+
+ _Zóó dekt de Almagtige zijn wegen;
+ Zóó is met wijsheid kracht vereend,
+ En 't allergrootste nut gelegen
+ In 't geen de mensch verwarring meent.
+ Maar onverwacht zal 't licht verschijnen,
+ Dat alle nevlen doet verdwijnen
+ En wijst der Godheid ware reên.
+ Leer, stervling! leer altijd te hopen,
+ Totdat de tijd uwe oogen open'
+ En toon', wáárom gij hebt geleên_[102].
+
+ [102] O. Z. VAN HAREN, in den aanhef van _de Geuzen_. Zie ook
+ _Aanteekening 14_.
+
+
+
+
+DERDE TIJDVAK.
+
+FRIESLAND BESTUURD NAMENS VREEMDE VORSTEN.
+
+VAN DE AANNEMING VAN HERTOG ALBERT VAN SAKSEN, TOT ERFPOTESTAAT VAN
+FRIESLAND, TOT DE HERVORMING IN KERK EN STAAT.
+
+_Van het jaar 1498 tot 1580._
+
+
+22. _Friesland onder het bestuur der Hertogen van Saksen. (1498-1515.)_
+
+ALBERT of ALBRECHT, _Hertog van Saksen-Meissen_, een der grootste
+veldheeren van zijn tijd, zonder wien een tijdlang geen krijg in
+_Duitschland_, _Hongarije_, _Italië_ en _Nederland_ werd gevoerd; de
+man, die de regterhand des Keizers genoemd werd en wegens zijne
+onversaagde krijgsbedrijven alom was ontzien, had gedurende de
+minderjarigheid van FILIPS II, door het bedwingen van de oproerige
+Vlamingen en door het dempen van den opstand van het Kaas- en Broodsvolk
+in _Holland_, dezen Graaf groote diensten bewezen. Het bleek alras, dat
+ALBERT niet gezind was met ledige handen te vertrekken, dewijl ook een
+hevige brand, welke de stad _Dresden_ in 1491 voor een groot gedeelte
+verteerde, zijne middelen had uitgeput. 300,000 Rijnsche guldens was de
+schuldvordering, welke hij, wegens achterstallige soldij aan zijne
+krijgsknechten, inbragt. Des Graven vader, Keizer MAXIMILIAAN, dien het
+immer aan geld, doch zelden aan beraad ontbrak, wist geen beter middel
+om zich uit deze verlegenheid te redden, dan door den Hertog, tegen
+teruggave van de Hollandsche sloten, voor deze som verpand, met het
+Erfstadhouderschap over _Friesland_ te beleenen, indien hij slechts kans
+zag, van dat gewest meester te worden. Reeds had hij dit zes jaren lang
+beproefd, door onderhandelingen en het heimelijk ondersteunen van de
+zwakkere partij der Schieringers, toen deze eindelijk, in 1498, openlijk
+zijne hulp inriepen tegen de Vetkoopers, die de Groningers tot steun
+hadden. Zóó hoog waren toen de partijschappen gestegen, dat men tot zulk
+een wanhopig middel overging, en (even als driehonderd jaren later) om
+zijne partij te doen zegepralen, liever vrijheid en vaderland prijs gaf
+aan vreemden, dan zich onderling te verstaan en vrede, eendragt en rust
+na te jagen!
+
+ALBERT zond nu spoedig zijn krijgsbevelhebber, Graaf WILLEBRORD VAN
+SCHAUMBURG, als stedehouder, met een leger van 2 à 3000 man naar
+_Friesland_. Weinig moeite kostte het dezen, de steden en grietenijen
+van _Westergoo_ te bemagtigen, en zijn Vorst dáár te doen erkennen. Doch
+het meer Vetkoopersgezinde _Oostergoo_ en vooral het afgelegene
+_Zevenwouden_ moesten met kracht van wapenen daartoe gedrongen worden.
+Zelfs werd _Leeuwarden_ tweemalen door hem belegerd, vóór het zich
+overgaf en het gezag des Hertogs erkende. Tot versterking van deze
+aanzienlijkste der toenmalige steden liet hij daar een groot kasteel,
+blokhuis of legerplaats bouwen, ter vestiging en bescherming van het
+opgedrongen gezag.
+
+In Junij van het volgende jaar, 1499, kwam ALBERT zelf met zijn zoon
+HENDRIK in _Friesland_, om het bestuur des lands te regelen. Hiertoe
+stelde hij een Provincialen Raad van elf edelen in, met zijn kanselier
+SIGMUNDT PHLUG aan het hoofd. Aan dezen Raad, te _Franeker_ op
+_Sjaerdama-huis_ gezeteld, was zoowel het bestuur van het land als de
+uitoefening van het regt opgedragen. Nadat hij in de kerk van _Oldehove_
+te _Leeuwarden_ met veel luister tot Landsheer was gehuldigd, vertrok
+hij naar _Groningen_, dewijl hij ook dat gewest, hem mede door den
+Keizer geschonken, had te bemagtigen.
+
+Hij had hier zijn zoon HENDRIK ter uitoefening van het bewind
+achtergelaten; doch deze was jong, onbedreven en heerschzuchtig. Hij
+handelde voor 't minst zeer onvoorzigtig en verkeerd, toen hij de
+Friezen met strengheid wilde besturen, en de uitschrijving van
+belastingen met scherpe bedreigingen deed gepaard gaan. Hierdoor bedierf
+hij de zaak zijns vaders in eens zóódanig, dat hij zich gehaat maakte
+bij vele Friezen, die ook toen weder hun volksaard toonden, door
+afkeerigheid van dwang en harde middelen, waardoor zij immer veel minder
+werden gewonnen als door redelijke overtuiging en zachte behandeling.
+Reeds in den volgenden jare, 1500, kwamen zij in verzet, weigerden de
+gevorderde belasting te voldoen, schoolden bijeen en bragten weldra eene
+groote magt onder de wapenen, waarmede zij den Hertog in _Franeker_ (van
+half Mei tot half Julij) belegerden, met oogmerk, om zich spoedig van
+dezen nieuwen Heer te ontslaan. Hoewel het getal dier misnoegden wel op
+16,000 begroot werd, was er zoo weinig orde en bestuur onder, dat zij
+het zwakke stadje niet eens konden bemagtigen, en zich eerlang
+verstrooiden, toen ALBERT zelf met eene legermagt van 5 à 6000 man tot
+ontzet kwam opdagen. Na over deze schending van zijn gezag wreede
+strafoefening gehouden te hebben, vertrok hij weder naar het beleg van
+_Groningen_, doch overleed kort daarna te _Emden_ (12 Sept. 1500).
+
+Vervolgens werd _Friesland_ gedurende drie jaren op naam van Hertog
+HENDRIK en zijnen broeder GEORG _van Saksen_ door den Stadhouder HUGO
+_van Leijsenach_ bestuurd. Niet voor Mei van den jare 1504 kwam Hertog
+GEORG zelf in _Friesland_ en alléén aan de regering. Eerst toen werd het
+landsbestuur met kracht aangevat, en werden er nuttige maatregelen tot
+stand gebragt. Als een verstandig man doorzag hij terstond de behoeften
+des lands, en met een krachtigen wil beraamde hij dadelijk de middelen,
+om daarin te voorzien, ten einde, door het invoeren van verbeteringen,
+orde en regel in het bestuur te brengen en het wezenlijk belang der
+ingezetenen te bevorderen. Zoo vaardigde hij in 1504 de bekende
+_Ordonnantie van Saksen_ uit, welke uitvoerige bepalingen ter
+uitoefening van het regterlijk en burgerlijk bestuur, zoowel door het
+Hof als in de grietenijen en dorpen en in de steden, bevatte. De
+uitvoering daarvan werd opgedragen aan een opperste Geregtshof, waarvoor
+te _Leeuwarden_ naast het Blokhuis eene Kanselarij werd gebouwd. Ook
+werd er eene Munt opgerigt in deze zelfde stad, welke dáárdoor het
+aanzien van Hoofdstad van _Friesland_ bekwam. Vervolgens voerde hij
+strenge bepalingen in tot herstel van de zoo deerlijk verwaarloosde
+zeedijken. De belangrijke aanslijking van _het Bildt_, welke zijn vader
+reeds in bezit had genomen, liet hij verpachten om bedijkt te worden.
+Bijna toegegroeide of onbevaarbare kanalen, als de Ee tusschen
+_Leeuwarden_ en _Dokkum_ en andere, welke mede gedurende de onlusten zoo
+lang waren verwaarloosd, werden uitgediept. Tusschen _Leeuwarden_ en
+_Franeker_, _Sneek_ en _Bolsward_, werden onder zijn bestuur breede
+vaarten deels gegraven, deels verbeterd, waardoor zoowel de gemeenschap
+te water tusschen de voornaamste steden als de afstrooming zeer werden
+bevorderd. Hij drong aan op het eenparig gebruik van maten en gewigten,
+en, terwijl de Friezen stellig weigerden aan zijne begeerte te voldoen
+ter invoering van het Leenstelsel, regelde hij de belasting op de
+vastigheden door de invoering van de Floreenrente, welke nog eeuwen lang
+daarna de grondslag der heffingen bleef en zulks ten deele nog is[103].
+
+ [103] Bij gebrek van een ordelijken maatstaf was de grondbelasting tot
+ dusverre zeer onevenredig geheven. Daarom liet de Hertog over geheel
+ _Friesland_ Cohieren aanleggen, bevattende lijsten van al de
+ vastigheden, met bijvoeging van de jaarlijksche huursom (destijds
+ rente genaamd) in Goudguldens of Floreenen van 28 stuivers. Op ieder
+ dezer Floreenen werd toen eene "Jaartax" of schatting van 3 stuivers
+ gelegd, welke later, naar de behoeften des lands, verhoogd werd, en in
+ de vorige eeuw reeds de hoogte van 2 dukatons ([f]6,30) bereikte. Naar
+ dezen maatstaf werden bovendien vele omslagen ten behoeve van het
+ onderhoud van zeedijken en andere openbare werken geheven. Zie
+ _Charterb._ II 13; SCHOTANUS, _Kronyk_, 497; FOEKE SJOERDS,
+ _Beschrijving_, I 881; _Tegenw. Staat_, IV 338; GRATAMA, _Gelukkige
+ toestand van Friesland_, Harl. 1795, 32.
+
+Door de invoering van al deze en meerdere verbeteringen mogt Hertog
+GEORG met regt een weldoener van _Friesland_ genoemd worden. Bovendien
+trof het hoogst gelukkig, dat de uitvoering daarvan werd voorbereid
+door-en voor een groot deel opgedragen was aan een Stadhouder, als
+HENDRIK, _Graaf van Stolberg_, die reeds in 1501 herwaarts kwam en van
+1505 tot 1508 's Hertogen plaatsbekleeder was. Een man, wiens naam wij
+met liefde en hoogachting noemen; van wien wel geene roemruchte
+heldendaden bekend zijn, maar die de lofspraak zijner tijdgenooten
+verdiende, dat hij alles deed wat de rust des lands, de welvaart der
+ingezetenen en de eer van zijnen Vorst kon bevorderen. Als »een goed,
+regtvaardig en onpartijdig regent en als een braaf Christen, die God
+boven alle menschen ontzag en zijnen pligt en het land lief had," werd
+hij door de Friezen bemind en vereerd. En toen hij, die reeds in 1509 te
+_Keulen_ overleed, in de Groote Kerk te _Leeuwarden_ met groote
+plegtigheid begraven werd, was de algemeene droefheid over zijnen dood
+eene waardige hulde aan zijne deugden en verdiensten.
+
+Hoe vele redenen hadden de Friezen dus niet, om het verlies van hunne
+onafhankelijkheid en het bestuur van een vreemden vorst te zegenen! Zij
+waren billijk genoeg, dit dan ook werkelijk te doen. Zij haalden adem na
+zoo langdurige vermoeijenissen van den krijg. Zij dankten God, zegt een
+tijdgenoot, onder zulk eene rustige regering te mogen leven, daar zij
+vergaten wat er vroeger al droevigs gebeurd was[104]. Want toen eerst
+werden er in _Friesland_ rust en maatschappelijke orde, regt en
+veiligheid, zoo groote voorregten eens burgers! verkregen. Landbouw en
+handel konden zich ongestoord ontwikkelen; godsdienst en zedelijkheid
+werden aangekweekt, en de welvaart der ingezetenen nam toe onder
+begunstiging van vrede en van een regtvaardig en zorgvol landsbestuur,
+dat zijne plannen tot verbetering met klem en kracht doorzette. Hoe
+jammer, dat die gelukkige toestand slechts weinige jaren duurde, en dat
+de menschelijke driften, uit verschil van meeningen en belangen ontstaan
+en door heillooze partijschappen gevoed, weldra op nieuw al de ellenden
+van den oorlog deden gevoelen.
+
+ [104] MARTENA, _Landboek_, _Chart._ II 67; DOUWAMA, _Geschriften_,
+ 135.
+
+EVERWIJN, _Graaf van Benthem_, in 1509 de opvolgende Stadhouder, was
+niet zoo rustig en verstandig als zijn voorganger, en mogt de
+genegenheid der Friezen niet verwerven. Integendeel, door het
+uitschrijven van drukkende schattingen, ook ten behoeve van den
+vruchteloozen oorlog ter bemagtiging van _Groningen_, en door andere
+maatregelen verbitterde hij het volk. Het griefde hen evenzeer, dat hij
+twee voorname edelen, GERBRAND MOCKEMA en JEMME HERJUWSMA, van
+heimelijke verstandhouding met den Graaf van _Oost-Friesland_
+beschuldigd en overtuigd, in 1512 te _Leeuwarden_ liet onthoofden. Het
+zwaard, dat door hunne halzen ging, wondde ook de harten des volks en
+sneed de genegenheid af, welke men den Saksischen Vorst tot dusver had
+toegedragen. Men haakte naar verandering, en meende daartoe hulp te
+zullen bekomen van den Hertog van _Gelder_, die ze gereedelijk beloofde,
+en zelfs voorgaf de Friezen behulpzaam te willen zijn in het
+terugbekomen hunner onafhankelijkheid. In dien drang van omstandigheden
+vond Hertog GEORG _van Saksen_ het geraden, zich veilig terug te
+trekken, en zijn regt op het bewind over _Friesland_ in 1515 voor
+100,000 Goudgld. over te dragen aan KAREL _van Oostenrijk, Graaf van
+Holland_[105].
+
+ [105] Zie over ALBERT en zijne zonen meer bijzondere berigten in VON
+ LANGENN, _Herzog Albrecht der Beherzte_, Leipzig 1838, 232 env. en
+ BÖTTIGER, _Geschichte des Kurstaates und Königreiches Sachsen_,
+ Hamburg 1830, I 468-480. Verder _Aanteekening 15_.
+
+
+23. _De Gelderschen in Friesland. (1514-1523.)_
+
+Te vergeefs hadden de Hertogen van _Saksen_ lang getracht, ook het
+naburige _Groningen_ en de Ommelanden te bemagtigen. Graaf EDZARD _van
+Oost-Friesland_ ondersteunde daartoe de Groningers, omdat hij vreesde,
+dat de Saksers daarna ook de onderwerping van zijn land mogten eischen.
+Tevens begeerde hij zelf het gebied over _Groningen_ te bekomen, en,
+toen zijne krachten te kort schoten, zocht hij daartoe hulp bij den
+listigen KAREL _van Egmond, Hertog van Gelder_. Doch tegen dezen
+heerschzuchtigen en geslepen Vorst was hij niet opgewassen. Zij kwamen
+heimelijk overeen, het wankelende Saksische gezag omver te stooten, door
+Geldersche benden in _Groningen_ en _Friesland_ te zenden, waarover
+EDZARD het bevel zou voeren in naam van KAREL, die, des verkiezende,
+zijn gezag weder als leenman aan den Koning van _Frankrijk_ zou kunnen
+opdragen. Doch, zoodra KAREL _van Egmond_ een gedeelte der voor zijne
+hulp bedongene som had ontvangen, gebruikte hij juist dit, om zoowel den
+Saks als EDZARD van het gezag te ontzetten en zich zelven in beider
+plaats te vestigen. Met list gelukte het hem, den trouwelooze, de
+Groningers in verlegenheid te brengen, en zich door hen als Opperheer te
+doen huldigen. Weinig stoorde hij zich aan EDZARD, die over deze
+misleiding in woede was ontstoken, en evenmin aan den Saks, die daarover
+wraak nam door het bedrijven van velerlei wreedheden. Nu rigtte hij al
+zijne krachten naar _Friesland_, om ook dáár het zelfde doel te
+bereiken, waartoe hij aanleiding vond in het verzoek van eenige
+aanzienlijke Friezen, om hen te hulp te komen ter verdrijving van de
+Saksers.
+
+Ten jare 1514 trok dan een groot getal Geldersche soldaten herwaarts.
+Met weinig moeite namen zij de steden en grietenijen van het zuidelijk
+gedeelte van _Friesland_ voor den Hertog van _Gelder_ in. Dit viel hun
+te gemakkelijker, dewijl zij overal voorgaven de herstelling van der
+Friezen vrijheid en ontheffing van de hooggestegene schattingen der
+Saksers aan te brengen. En toen eerlang het gerucht werd verspreid, dat
+de Saks _Friesland_ verraden- en aan den Hollandschen Graaf, den
+erfvijand, zoowel van de Friezen als van den Hertog, verkocht had, toen
+bleven er in het noordelijk gedeelte van dit gewest slechts drie steden
+en acht grietenijen over, die zich vóór KAREL _van Oostenrijk_ en niet
+vóór den Gelderschen Hertog verklaarden. _Sneek_ werd toen de zetel van
+het Geldersche gezag, dat daar zijn luister ten toon spreidde, en van
+daar talrijke benden uitzond ter bemagtiging van de overige deelen des
+lands.
+
+Op nieuw begon toen het vuur van partijschap en burgeroorlog te branden.
+De Bourgondische partij, die den Saks had vervangen, stond nu tegen de
+Geldersche over. Van beide zijden werden gruwelen bedreven, om elkander
+te vernietigen en om meester te worden. Verslagenheid en onveiligheid
+heerschten alom, daar de partijen elkander met woede bestreden, vele
+dorpen uitplunderden, kerken en kloosters verbrandden en de ingezetenen
+beroofden. Behalve de Geldersche en de Bourgondische knechten, deed dit
+bovendien inzonderheid eene talrijke bende, de _Zwarte hoop_ geheeten,
+op 5000 man begroot, die de Saks onbetaald had achtergelaten, en die
+dáárom zich zelve vergoeding zocht te bezorgen. Ook in andere provinciën
+bedreef zij schrikkelijken moedwil. Talrijke dorpen werden plat gebrand
+en de landzaten met onmenschelijke wreedheid behandeld. Zelfs waagden de
+Gelderschen het in 1516 de stad _Leeuwarden_ met eene groote magt aan te
+vallen en haar acht weken lang belegerd te houden. Zij braken echter
+eerlang op, toen Prins KAREL een aanzienlijk leger van 4000 knechten en
+300 ruiters uit _Holland_ herwaarts zond, dat te _Harlingen_ landde en
+_Leeuwarden_, den zetel van zijn gezag, ontzette. Deze Bourgondische
+benden deden nu herhaalde uitvallen, en bestreden bestendig de
+Gelderschen, die hulp uit _Groningen_ en zelfs uit _Frankrijk_ hadden
+ontvangen. Jaren lang bleef _Friesland_ alzoo een twistappel tusschen
+twee magtige vorsten, van wier woeste benden de lijdelijke ingezetenen
+alles kwaads hadden te verduren, zonder dat zij iets konden doen, om
+zich van dezen last te ontslaan. Eerst met den jare 1522 verkeerde de
+kans. De Hertog van _Gelder_, hoe moedig ook, en gewoon zich met
+geringe middelen tegen den magtigsten te meten en voor geene gevaren
+terug te deinzen, liet toen eindelijk zijne aanspraken op dit gewest
+varen, dewijl hij inzag, zich op den duur niet te kunnen staande houden
+tegen den magtigen Graaf van _Holland_, die intusschen ook _Koning van
+Spanje_ en _Keizer van Duitschland_ was geworden, en die als KAREL _de
+vijfde_ spoedig door wapenfeiten schitterde en door aanzien en vermogen
+algemeen ontzien en geëerd was.
+
+
+24. _Krijgsbedrijven van Groote Pier. (1515-1520.)_
+
+Bij al het plunderen en brandschatten van het platte land was ook de
+kerk en de buurt van het dorp _Kimswerd_ bij _Harlingen_ in 1515 door de
+uit _Holland_ overgekomene Bourgondische benden in asch gelegd. Daar
+woonde destijds een bemiddeld man, die zijn verlies en geleden hoon op
+eene geduchte wijze wilde wreken. Wegens zijne lange gestalte, sterkte
+en forsch voorkomen was hij onder den naam van LANGE of GROOTE PIER
+bekend, hoewel hij waarschijnlijk een edelman was uit het geslacht VAN
+HEEMSTRA[106]. Hij wordt beschreven als een rijzig zwart man, met groote
+oogen, breede schouders en langen baard, gruwelijk van aanzien,
+bijzonder als hij toornig was. Met velen uit den omtrek, die, even als
+hij, hunne have hadden verloren en van wraakzucht gloeiden, spande hij
+zaâm, en bragt weldra een legertje van omstreeks 600 man bijeen, dat
+eerlang, wegens koene bedrijven, den naam van de _Arumer Zwarte_ _hoop_
+verkreeg. Met zulk een wakker man als PIER en zijn niet minder kloeken
+neef GROOTE WIERD (JELCKAMA) aan het hoofd, maakten zij er hun eerste
+werk van, de Saksische benden na te zetten en uit _Friesland_ te
+verdrijven. Vervolgens bestreden zij vol moed de door den Graaf van
+_Holland_ herwaarts gezondene knechten, en verder allen, die zij
+meenden, dat de rust en de vrijheid des lands belaagden. Het was hun
+eenigste begeerte en ernstig streven, om alle vreemde vorsten en magten
+te doen wijken en de vroegere onafhankelijkheid des lands op nieuw te
+vestigen.
+
+ [106] Dit vermoeden van SCHOTANUS, op de kaart van _Wonseradeel_, is
+ bevestigd door de berigten in het _Stamboek van den Frieschen Adel_,
+ II, Nalez. 12.
+
+Gereedelijk vereenigden zij zich dus met de magt van den Hertog van
+_Gelder_, wiens vriendelijke woorden en beloften, dat hij de Friesche
+vrijheid in eere herstellen zou, zij zoo gaarne geloofden, omdat zij
+niets vuriger wenschten. Doch die Hertog van _Gelder_ vereenigde zich
+ook gaarne met hen, zoowel tot versterking van zijne krachten, als omdat
+hij deze onverschrokken Friezen zou hebben te vreezen, indien slechts
+het vermoeden bij hen oprees, dat hij heimelijk niets vuriger wenschte,
+dan om ook Heer van _Friesland_ te worden, gelijk hij reeds van
+_Groningen_ was. Dáár had sluwheid zijner heerschzucht de hand geboden,
+om een mededinger als Graaf EDZARD den voet te ligten. Hier kon PIER hem
+even gevaarlijk worden en zijne plannen verijdelen; en daarom scherpte
+hij zijn vernuft om nu ook dezen uit den weg te zetten, ten einde hem
+onschadelijk te maken, doch tevens aan zich verbonden te houden tot
+bereiking van zijne bedoelingen. En inderdaad, dit gelukte den geslepen
+Gelderschman boven verwachting.
+
+Drie middelen had hij daartoe in zijne magt. Het eerste was: den haat,
+welken de Friezen, even als hij, de Hollanders toedroegen, zoowel van
+ouds als wegens de verwoestingen, welke de uit _Holland_ overgezonden
+benden nu allerwege hadden aangerigt. Het tweede was: hunne vrees, dat
+zij, wier vaderen zoo vele eeuwen tegen de Hollandsche Graven met
+leeuwenmoed hadden gestreden, nu eindelijk door hen overheerscht zouden
+worden, dewijl de gehate Saks op eene, in hun oog, verraderlijke wijze
+_Friesland_, ~voor geld!~ had verkocht aan Prins KAREL _van Oostenrijk_,
+Gelders erfvijand en nu zijn mededinger om een land, dat hij hem
+betwisten zou, zoolang zijne vuist het zwaard kon voeren. Het derde
+middel was: eene vrij aanzienlijke vloot, welke hij op de Zuiderzee had
+toegerust en bemand, met oogmerk, om dát _Holland_ te tuchtigen en
+afbreuk te doen, waar hij kon. Jaren lang had hij dit reeds gedaan,
+zoowel te land als te water, met eene woede, die alom vrees en verbazing
+wekte. Sedert 1492 hadden KAREL'S grootvader en vader hem het regt op
+_Gelder_ en _Zutphen_ betwist, hoewel hij zich daarin door kracht van
+wapenen wist staande te houden. Immer vonden zij in hem een
+onverschrokken en listig vijand te bestrijden, die zelfs Fransche
+hulpbenden in dienst had, en die _Holland_ voor der Gelderschen invallen
+bestendig »in de uiterste bekommering" hield. Sinds hij in 1504 te
+_Harderwijk_ eene vloot uitrustte, had hij het vooral op de rijkgeladene
+koopvaardijschepen der Hollanders gemunt[107]. Mogt zijn eerste
+scheepstogt, in laatstgenoemd jaar, voor _Monnikendam_, mislukken, hij
+stelde zich later daarvoor ruimschoots schadeloos door herhaalde
+strooptogten en plunderingen. Zoowel op de Zuiderzee als op den Rijn,
+zoowel in _Overijssel_ als in _Utrecht_ streefde de onvermoeide krijger
+naar buit of gezag, en waagde het zelfs in 1507 en op nieuw in 1512
+_Amsterdam_ aan te vallen, de voorstad in brand te steken en 22
+koopvaardijschepen in vlammen te doen opgaan[108]. Dat zulk een man, die
+lang de gave bezat, zich bij het volk bemind te maken; die te
+_Groningen_ zich als Opperheer en in _Utrecht_ als Beschermheer erkend
+zag; die zijne Staten uitbreidde en het magtige _Holland_ ~vijftig~
+jaren lang trotseerde en groote schade berokkende,--dat zulk een man
+_Friesland_ in dien toestand niet dadelijk bemagtigd heeft, en het zelfs
+nimmer geheel heeft kunnen magtig worden, is altijd hoogst bevreemdend.
+
+ [107] Zie WAGENAAR, _Vaderlandsche Historie_, IV 306, 322, 324, die
+ ook vermeldt, dat FILIPS in 1504, tot bescherming van de Zuiderzee
+ tegen de Gelderschen, te _Hoorn_, _Enkhuizen_ en _Edam_ eenige
+ oorlogschepen uitrustte, en het bevel daarvan opdroeg aan een, bij
+ onze schrijvers onbekend gebleven, zeeman PIETER VAN LEEUWARDEN. Gewis
+ een vreemd verschijnsel, dat de Hollandsche Graaf destijds een Fries
+ tot vlootvoogd op zijne schepen aanstelde.
+
+ [108] WAGENAAR, _Vaderlandsche Historie_, IV 375; DEZ. _Amsterdam_, I
+ 210-214; VAN KAMPEN, _Geschied. der Nederlanden_, I 215-238; BOSSCHA,
+ _Heldendaden_, I 120; NIJHOFF, _Bijdragen_, VIII 66. Ik heb dit alles
+ inzonderheid gemeld, om te doen zien, dat al de hierna vermelde
+ bedrijven van PIER tegen _Holland_ niets anders waren dan eene
+ voortzetting van hetgeen KAREL _van Gelder_ reeds langer dan tien
+ jaren had gedaan, zoodat niet de Friezen, maar de Gelderschen oorlog
+ voerden tegen de Hollanders, waarin de Friezen slechts als hulpbenden
+ deelnamen.
+
+In zijnen toestand en voor zijn belang was het destijds weder eene
+gelukkige greep, dat hij PIER wist over te halen, om zich met zijne
+manschap te begeven op de Geldersche vloot, en om, onder den grootschen
+titel van _Admiraal der Zuiderzee_, het opperbevel daarvan te
+aanvaarden. Op die wijze schikte hij deze vrijheidlievende landzaten
+niet enkel van de hand, ten einde hier des te beter zijne bedoelingen na
+te jagen; maar zij konden hem met-een dienen, om het Bourgondische huis,
+dat hij een erfhaat had gezworen, te vernederen, om _Holland_ te
+beschadigen en om de hulp van krijgsbehoeften en levensmiddelen, welke
+van daar naar _Harlingen_ werd gezonden, tot ondersteuning van KAREL'S
+benden in _Friesland_, te onderscheppen en tot eigen voordeel aan te
+wenden. Deze laatste oogmerken waren genoeg, om PIER en de zijnen te
+bewegen, den voorslag aan te nemen en zich te scheep te begeven. Niets
+meer te verliezen hebbende, kenden zij ook geene eervoller taak dan het
+vernederen van de vijanden huns vaderlands, welks vrijheid toch in eere
+hersteld zou worden door den Hertog van _Gelder_, die dit zoo dikwijls
+beloofd had, en wiens vleijende woorden en toezeggingen zij niet durfden
+wantrouwen.
+
+En inderdaad PIER kweet zich zoo stout van zijn last; hij zette de taak
+der Gelderschen zoo krachtig voort, en roofde met zoo vele
+onversaagdheid alles, wat niet tot zijne partij behoorde, dat hij in
+1517 zijne vloot door al de genomene schepen tot 150 kielen, bemand met
+1200 man, zag aangegroeid, en als de geesel der Zuiderzee gevreesd werd.
+Wij zouden te uitvoerig worden, indien wij al de bekende bijzonderheden
+van zijne togten en scheepsstrijden hier wilden mededeelen. Zijne daden
+bewezen maar al te zeer, tot welk eene hoogte wraakzucht en volkshaat
+kunnen stijgen, en hoe vele onmenschelijkheden krijgers zich durven
+veroorloven onder de leus van voor het vaderland te strijden.
+
+Met zulk eene magt waagde hij het stoute plannen te volbrengen. Te
+vergeefs wapende _Holland_ zich tegen der Gelderschen euvelmoed door in
+de West-Friesche zeesteden bestendig schepen tegen hen uit te rusten.
+Het eerste elftal, dat PIER niet ver van _Hoorn_ ontmoette, nam hij
+prijs. Eene tweede vloot, van 28 zeilen onder HIERONIMUS SNEES, met
+betaling voor het krijgsvolk in _Friesland_ in zee gestoken, werd met 18
+schepen door hem aangevallen, na een bloedig gevecht bemagtigd en met
+400 gevangenen in triumf te _Workum_ opgebragt. Uit _Enkhuizen_ werd
+eene vloot baarsen en 34 rijnschepen afgezonden, om hem te bestrijden,
+doch ook deze werden genomen en deels vernield. Verstoord over de
+trouweloosheid van sommige kooplieden van _Medemblik_, verzamelt hij
+zijne magt bij _de Kuinder_, valt die stad aan, plundert en verbrandt
+haar ten deele, en keert met buit beladen terug. Ook _Hindeloopen_, dat
+door een hopman TENGNAGEL met 300 Bourgondische soldaten was bezet, viel
+hij heftig aan, drong er binnen, en, zonder de inwoners leed te doen,
+bemagtigde hij den vijand, waarvan er 170 in den strijd bleven en de
+overigen vlugtten of gevangen genomen werden. In 1519 geraakte hij niet
+ver van _Hoorn_ met overmagtige vijanden slaags. Reeds ziet hij een
+zijner schepen nemen; den bevelhebber verdrinken. Nu kent zijne woede en
+strijdlust geene palen. Krachtig spoort hij de zijnen aan. Een hevige
+aanval gelukt, en elf schepen zijn in zijne magt. Vijfhonderd Hollanders
+laat hij over boord werpen; zeilt naar _Hoorn_, dat ingenomen en
+geplunderd wordt; trekt _Enkhuizen_ na het nemen van een schip voorbij;
+begeeft zich weder naar _Medemblik_, waar hij een viertal huizen in
+brand laat steken, en keert daarop naar _Friesland_ terug. Men wil, dat
+hij ook andere Hollandsche plaatsen, als _Alkmaar_, _Beverwijk_ enz.,
+zou bemagtigd hebben, en dat mede de eilanden _Texel_, _Flieland_ en
+_Wieringen_ veel van zijn volk te lijden hadden. Alwat tusschen
+_Holland_ en _Friesland_ voer, hulken, karveelen en boeijers, ja ook
+Hamburger en andere koopvaardijschepen, nam hij prijs of stelde ze op
+rantsoen. Zelfs overwon hij »een carueell van oerloeghe wuyt Schotlandt,
+dat een Meester ende een Blockhuys op ter zee was." De buit (dien hij
+onder zijn volk verdeelde) was groot, maar het ontzag, dat hij baarde,
+was nog grooter[109].
+
+ [109] Dus spreekt MARTENA, _Landboek_, _Charterb._ II 92, 100.
+
+Dat hij de manschap der overwonnene schepen over boord wierp en liet
+verdrinken, is hem zeer euvel geduid. Doch zijne vijanden, die zijn
+vriend OFFINGAHUIS mishandelden, die zijn neef GROOTE WIERD te
+_Leeuwarden_ op een schavot eerlang deden onthoofden, en die een zijner
+beste kapteins voor zijne oogen in zee wierpen, gaven hem daarvan het
+voorbeeld, en vreeselijk verbitterd volgde hij dat na. Het was ook het
+krijgsregt dier ruwe, immer naar wraak hijgende dagen, waarvan de
+geschiedenis van Neêrlands Zeewezen, ook nog veel later, menigvuldige
+voorbeelden heeft[110]. Doch eerlijk was zulk een dood, in vergelijking
+van de schand- en moordtooneelen, welke de Hollandsche benden te
+gelijker tijd in _Friesland_, in koelen bloede, aanrigtten, zoo als
+onder anderen te _Irnsum_, waar der bezetting van _Douma-huis_
+lijfsgenade beloofd was, doch die na de overgave op de wreedste wijze,
+tot 27 personen toe, door beulshanden werd vermoord[111].
+
+ [110] DE JONGE, _Geschied. v. h. Ned. Zeewezen_, I 156, 189, 328, 351.
+
+ [111] Zie het roerend verhaal dier wreedheden, zoodat zelfs den beul
+ "dat arbeit verdroet," bij PETER VAN THABOR, _Archief_, II 201;
+ SCHOTANUS, _Kron._ 587; JACOBY, _Kort en Beknopt Chron._ Leeuw. 1755,
+ 121.
+
+Nadat PIER in 1517 de Gelderschen tot verdediging van het belegerde
+_Sneek_ ondersteund- en in het laatst van 1519 den Hertog van _Gelder_
+op een togt naar _Emmerik_ vergezeld had, zien wij hem op eens dat
+woelig krijgstooneel verlaten en zich als stil burger te _Sneek_
+nederzetten, waar hij reeds in het volgende jaar, 1520, overleed. Hij
+had geen ander doel gehad dan door de vernedering van zijne vijanden de
+vrijheid zijns vaderlands te herstellen. Maar toen hij eindelijk de
+listige handelwijze van Hertog KAREL bemerkte en diens bedoeling, om
+zelf Heer van _Friesland_ te worden, doorgrondde,--toen trok hij in
+teleurgestelde verwachting zich terug, om den uitslag van den strijd der
+partijen af te wachten. Ruwe moed en wreede dapperheid moge men hem te
+laste leggen, zonder op de wijze van oorlogvoeren in die dagen, ook bij
+zijne vijanden, acht te geven; de haat der door hem zoo fel bestredene
+Hollanders moge invloed gehad hebben op hunne geschiedschrijvers, die
+hem als een onmenschelijk geweldenaar en verachtelijk zeeschuimer
+voorstellen,--gansch anders is het oordeel over hem van land- en
+tijdgenooten, die met zijn persoon, gedrag en omstandigheden bijzonder
+bekend waren. De kloosterbroeder PETER VAN THABOR[112] noemt hem een
+man: »forsch van bouw en vervaarlijk van kracht en daardoor dapper en
+fel op zijne vijanden, maar rond en eerlijk van inborst en redelijk van
+hart als een Christen: want hij had eene goede meening, om vrij en
+friesch te wezen en het land in goeden staat te brengen en te houden.
+Hij toch was liever bij zijn ploeg gebleven, dan dat hij geoorloogd had.
+Maar dat men hem zijn land niet met vrede had laten bebouwen, en zijn
+huis, dorp en kerk verbrand had, dát wilde hij wreken zoo veel hij kon
+en mogt." Zijne edelmoedigheid betoonde hij ook dáárin, dat, toen zijn
+volk op de Zuiderzee een schip prijs genomen had, waarin zich de vrouwen
+en dochters bevonden van zijne vijanden, de vrienden der Saksers, HESSEL
+MARTENA en JUW BOTNIA, benevens eenige burgers van _Franeker_, hij de
+stem der wraak smoorde en hen enkel gevankelijk naar _Sneek_ liet
+voeren. Hoe hard hij de Hollanders ook viel, omdat zij zijn land
+bevochten, nogtans kon hij niet dulden, dat hun in _Friesland_ door
+de Gelderschen leed werd gedaan gedurende het bestand. Zoo kloekmoedig
+hij jegens den vijand was geweest, zoo rondborstig verweet hij
+de Gelderschen, dat zij de Friezen misleidden, en dat zij niet
+volbragten, wat ze beloofd hadden. Dáárom vreesden zij hem, die, als
+een onverbasterde zoon der vrijheid, de kenmerken van den echten
+Fries vertoonde, in zucht naar onafhankelijkheid, dapperheid en
+vaderlandsliefde. Daarom verdient zijn naam eene eervolle nagedachtenis,
+en zeggen wij gaarne den dichter VAN HALMAEL na:
+
+ [112] _Archief_, II 259, waar meerdere bijzonderheden, die hem
+ kenschetsen, worden gevonden.
+
+ _Die 't Vaderland in nood beschermt,
+ Voor recht en vrijheid strijdt,
+ Zich over weeûw en wees ontfermt,
+ Geweld noch onrecht lijdt;
+ Dien, zij hij boer, of edelman,
+ Of burger, of soldaat,
+ Dien prijs, wat prijzen mag en kan
+ Als steunsel van den Staat.
+ Dien reik m' alom, in ieder oord,
+ Dat knielt voor God-alleen,
+ Den laauwer, die den held behoort,
+ En d' eikenkrans metéén!_
+
+ _Held Pier, de groote Pier genoemd,--
+ Niet, slechts om lichaamskracht,--
+ Op wiens geboorte ons Kimswert roemt,
+ Zij zóó door ons herdacht.
+ Hij leed van Saksens dwinglandij,
+ En Hollands overmoed,
+ En vocht zich koen van beiden vrij,
+ Ten prijs van goed en bloed.
+ Hij zag zijn heerlijk Vaderland
+ Gefolterd, overheerd,
+ En 't slagzwaard blonk in 's landmans hand.
+ Hier blijf' zijn naam vereerd!_[113].
+
+ [113] _Friesche Volks-Almanak_, 1837, 98. Verder _Aanteekening 16_.
+
+
+25. _Frieslands voorspoed onder de regering der Stadhouders van Keizer
+Karel den vijfde. (1515-1555.)_
+
+_Keizer_ KAREL V is een der belangrijkste personen in de geschiedenis.
+In een gewigtig tijdvak, waarin de meeste volken van _Europa_, na
+langdurige verdrukking van wereldlijk en geestelijk gezag, naar meerdere
+vrijheid en verlichting streefden, en waarin de gevolgen der ontdekking
+van _Amerika_ en van de uitvinding der Boekdrukkunst gunstig begonnen te
+werken op handel, welvaart en kennis, was hij als Keizer van
+_Duitschland_, Koning van _Spanje_, _Napels_, _Sicilië_, _Mexico_ en
+_Peru_, Hertog van _Bourgondië_, Graaf van _Holland_ enz. een magtig
+gebieder over vele volken. Als een man van groote bekwaamheden, zoowel
+in de staatkunde als in de krijgskunst, wist hij deze landen, door zijne
+stadhouders of plaatsbekleeders, met wijsheid te doen besturen en met
+kracht tegen zijne vijanden te verdedigen. Het gelukte hem het eerst, in
+1543, alle Nederlandsche gewesten (te voren door afzonderlijke Heeren
+bezeten) onder één Hoofd te brengen, waardoor er meer eenheid in het
+bestuur des lands kwam. Bij zijne afwezigheid werden de Nederlanders
+eerst door zijne moei MARGARETHA _van Oostenrijk_, als Gouvernante, en
+sedert 1530 door zijne zuster MARIA _van Hongarije_ als Landvoogdes
+bestuurd.
+
+ * * * * *
+
+Toen KAREL in 1515 _Heer van Friesland_ was geworden, zond hij Graaf
+FLORIS _van Egmond_ als zijn Stadhouder herwaarts, om bezit van dit land
+te nemen. Doch de Gelderschen hadden zich intusschen van zulk een groot
+gedeelte meester gemaakt, dat alleen de steden _Leeuwarden_, _Harlingen_
+en _Franeker_, benevens slechts acht der noordelijkste grietenijen de
+zijde van KAREL kozen en hem huldigden. Er kwam alzoo eene groote
+krijgsmagt uit _Holland_ over, zoowel om zijn gezag in deze streken te
+beschermen als om het in andere uit te breiden, en de Gelderschen te
+bestrijden en te verdrijven. Dit ging evenwel zeer moeijelijk: want de
+Gelderschen hadden zich zóó vast genesteld, en wisten de ingezetenen
+door allerlei schoone beloften zóódanig tegen het gezag van den
+Hollandschen Graaf in te nemen, dat _Friesland_ gedurende de
+eerstvolgende jaren op nieuw al de ellenden van een binnenlandschen
+oorlog, van plundering, brand en moord had te verduren. Watervloeden en
+hongersnood verzwaarden nog de rampen, die de Friezen moesten lijden,
+omdat twee magtige Vorsten streden om het regt, wie hunner hen zou
+besturen. Dat regt moest hunne heerschzucht echter koopen voor het goed
+en bloed van duizenden stille burgers, die er weinig belang bij hadden,
+wie dit kleine hoekje lands bestuurde, zoo het slechts een gematigd
+bestuur ware. Gelukkig, dat de uitslag ten gunste van den verstandigsten
+Vorst was.
+
+Want eerst nadat de opvolgende Stadhouder WILLEM _van Roggendorf_ (1517)
+in 1521 vervangen was door GEORG SCHENCK, Vrijheer van _Toutenburg_,
+werden er krachtiger middelen ondernomen ter verdrijving van de
+Gelderschen. De stad _Sneek_, welke zoo lang hun zetel was geweest, werd
+in 1522 door hen verlaten; _Dokkum_ en _Bolsward_ gingen in het volgende
+jaar over, en in 1524 kwam geheel _Friesland_ onder het gezag van Keizer
+KAREL, die nu bij traktaat zich verbond, der Friezen land, vrijheden en
+regten te beschermen, en als Erfheer hen te doen besturen, tegen het
+genot van geene hoogere belastingen, dan die vroeger onder de Saksische
+regering waren toegestaan[114].
+
+ [114] Zie _Charterb._ II 143, 436-478; WINSEMIUS 463; SCHOT. 613.
+
+Met den jare 1524 werd dus de vrede in _Friesland_ hersteld en het
+bestuur des lands op een eenparigen voet geregeld. Terwijl andere
+provinciën van ons vaderland, als _Groningen_, _Utrecht_, _Overijssel_
+en _Gelderland_, nog bijna twintig jaren lang de twistappels der
+strijdende partijen bleven, hadden de Friezen het geluk, toen reeds het
+genot te bekomen van de grootste der maatschappelijke voorregten: van
+vrede en veiligheid en van orde in bestuur en regtspleging, die welvaart
+en vooruitgang ten gevolge hadden. De gunst van den nieuwen landsheer
+was der getrouw geblevene steden _Leeuwarden_, _Harlingen_ en _Franeker_
+al spoedig gebleken, door het ontvangen van belangrijke giften en
+voorregten, die haren bloei konden bevorderen, en waardoor zij mede in
+staat gesteld werden hare vestingwerken te versterken. Ook andere steden
+werden vervolgens met zulke privilegiën begiftigd. Klemmende bepalingen
+werden er gemaakt tot beter onderhoud van zeedijken, sluizen en vaarten.
+Nieuwe wegen werden er aangelegd en bestaande verbeterd, vooral om den
+toegang naar de Hoofdstad gemakkelijker te maken. Eene nieuwe Munt en
+Leerschool werden dáár opgerigt. Nuttige verordeningen ten aanzien van
+zeevaart en handel bevorderden den uitvoer van boter, kaas, granen,
+vleesch, visch en andere voortbrengselen des lands naar _Bremen_, de
+Oostzee en elders, zoodat er leven en verkeer, voorspoed en weelde
+ontstond, welke in alle rangen en standen van gunstigen invloed waren.
+Zoowel op het land als in de steden werd er een aantal aanzienlijke
+gebouwen, gestichten, kerken en torens gebouwd of vernieuwd, welke
+blijken droegen van moed, kracht en overvloed, waardoor men ook opgewekt
+werd kunsten en wetenschappen te beoefenen. Rustig en gelukkig waren dus
+de jaren, waarin de genoemde Stadhouder SCHENCK dit gewest vervolgens
+bestuurde. Ook zijne opvolgers, MAXIMILIAAN _van egmond_, Graaf van
+_Buren_ (1540) en JOHAN _van ligne_, Graaf van _Aremberg_ (1548), wisten
+zoowel de belangen van hunnen Heer als die der ingezetenen met ijver te
+bevorderen. Want in dit tijdperk van vrede en voorspoed, waarin de
+Nederlandsche gewesten, eindelijk onder één Heer vereenigd, één,
+elkander niet meer vijandig, geheel vormden, werden velerlei burgerlijke
+betrekkingen geregeld, de bronnen van bestaan ontwikkeld, kennis en
+beschaving gekweekt en onderling verkeer en vriendschappelijke
+toenadering bevorderd. De moed tot groote ondernemingen werd opgewekt.
+Zoo werden ook vele dorre hooge veengronden in het zuidoosten van
+_Friesland_ in dezen tijd in vruchtgevende akkers herschapen, door ze af
+te graven, den turf te vervoeren, groote vaarten aan te leggen en de
+afgegravene landen te ontginnen. Deze verveeningen, reeds vroeger
+begonnen, doch daar eerst toen op eene groote schaal voortgezet door den
+Raadsheer PIETER VAN DEKAMA en andere Heeren, hebben den oorsprong
+gegeven aan het vlek _Heerenveen_, de vruchtbaarheid van dat oord
+bevorderd, en daar leven en werkzaamheid bij groote voordeelen
+aangebragt.--Aldus werden de krachten en de geest der ingezetenen
+ontwikkeld en bereid, om in een volgend tijdperk vatbaar te zijn voor
+het genot van nog grootere voorregten, als burgers en als christenen.
+
+ * * * * *
+
+Het midden der 16e eeuw biedt alzoo een geschikt tijdpunt aan, om een
+overzigt te geven van den toenmaligen toestand des lands en de zeden der
+inwoners. Wij zullen daarbij niet het oordeel van latere schrijvers,
+maar de eenvoudige beschrijving van een tijdgenoot volgen. Daar die
+schrijver, WORP VAN THABOR, in 1538 overleed, zal deze schets welligt op
+omstreeks 1530 moeten worden toegepast. Des te meer zullen wij ons
+moeten verwonderen over de sporen van rijkdom en levensgenot, welke hij
+vermeldt. Deze toch zijn zoo vele blijken hoe spoedig een klein, doch
+nijver volk zich weet te herstellen van de rampen, welke de
+verwoestingen des oorlogs zoo vele jaren lang hadden te weeg gebragt.
+Opmerkelijk is het tevens, dat de Friezen, ondanks den invloed van de
+Saksische en Bourgondische Vorsten, hunne zelfstandigheid en
+nationaliteit bleven handhaven. Hun volksleven en eigendommelijkheid
+verhief zich steeds krachtig boven allen vreemden invloed, hoezeer de
+uiterlijke vormen van lieverlede verzacht en de zeden iets meer
+beschaafd werden. Hunne zedelijke eenheid en kracht wisten ook den
+volksaard en de voorvaderlijke instellingen zóó vast te bewaren en te
+beschermen tegen alle staatkundige overheersching, dat de pogingen der
+Stadhouders, om hunne vrijheden in te krimpen en de magt des Keizers te
+vergrooten, bij hen immer schipbreuk leden.
+
+
+26. _Schets van den Toestand van Friesland, omstreeks den jare 1530._
+
+»_Friesland_ (schrijft WORP VAN THABOR) is een vlak land, zonder bergen,
+maar rijk in groot en klein vee. In dat gedeelte, hetwelk aan den
+noordelijken oceaan grenst, bestaat de grond uit zware klei, vruchtbaar
+in granen, overvloedig in gras, overdekt met weidevelden en voor de
+veeteelt uitnemend geschikt. Vanhier, dat die streken ontzaggelijke
+groote en vette ossen opleveren, die door inheemsche en vreemde
+kooplieden naar elders worden uitgevoerd. Bovendien levert dit gedeelte
+van _Friesland_ overvloed van melk, boter en honig op, waarvan het vele
+streken van _Nederland_ voorziet. Het zuidelijk gedeelte des lands heeft
+een meer zandigen grond, en is meer geschikt voor graanbouw dan voor
+veeteelt. Ook heeft het meer overvloed van hout. Op vele andere
+plaatsen is de grond moerassig. Aldaar worden kluiten aarde (veen)
+uitgestoken, die, in de zon gedroogd, het gebrek aan hout, tot
+haardbrand, rijkelijk vergoeden; anderen evenwel voeden het vuur met
+gedroogden koemest. Overigens telt _Friesland_ slechts weinige steden,
+maar daarentegen des te talrijker dorpen en buurtschappen, die, bijna
+door het gansche land, zoodanig aan elkander gerijd zijn, dat men de
+eene van de andere naauwelijks onderscheiden kan. In sommige deelen
+vindt men uitgestrekte en nuttige meren, die overvloed van visch
+opleveren. Bovendien telt dit land, door Gods voorzienige zorg, zoo
+velerlei land- en watergevogelte, welks eijeren en vleesch een even
+voortreffelijk voedsel opleveren, dat zelfs aan rijke lekkerbekken niets
+ontbreekt, om hunnen smaak te streelen. Want, om van eenden, ganzen en
+andere soorten van vogels niet te spreken, die in _Friesland_ ontelbaar
+zijn, doch die men ook elders vindt, is er hier eene zóó groote
+hoeveelheid zwanen, dat niet slechts edelen en vermogenden, tot wier
+spijs zij meer bijzonder behooren, maar zelfs de geringere klassen en de
+boeren, daarvan tot verzadiging toe kunnen eten. _Friesland_ brengt
+derhalve alles wat tot levensonderhoud noodig is in den ruimsten
+overvloed voort; wijn en olie alleen uitgezonderd."
+
+
+27. _Schets van de Zeden der Friezen, omstreeks den jare 1530._
+
+»Terwijl ik den lof der Friezen te vermelden en hunne zeden te schetsen
+wensch (dus vervolgt WORP VAN THABOR), verdient te worden opgemerkt, dat
+de Friezen, hoewel zij tot de Germanen gerekend worden, thans door
+voorkomen, taal en zeden ten sterkste van de overige Duitsche volken
+verschillen. Dat verschil bestond reeds bij onze vaderen, zoodat een
+Fries, ver van zijn vaderland verwijderd, alleen daaraan gemakkelijk kon
+gekend worden. De oorzaak hiervan meen ik daaruit te moeten verklaren,
+dat de Friezen eertijds weinig omgang met hunne naburen hadden. Doch
+thans zijn zij, ten gevolge van het veelvuldig onderling verkeer, naar
+het uitwendige, meer aan de Duitschers gelijk geworden; ofschoon de
+vrouwen, nog tot op den huidigen dag, in kleeding, en vooral in kapsels,
+aanmerkelijk van de vrouwen der naburige volken verschillen.
+
+De Friesche landlieden overtreffen echter die van alle andere
+Germaansche gewesten door de beschaafdheid en ingetogenheid van hunne
+gesprekken en manieren; door de pracht hunner huizen, de netheid en
+fraaiheid van hun huisraad, de kostbaarheid en sierlijkheid hunner
+kleeding en hun overvloed van zilver en goud. Vandaar, dat de vrouwen op
+feestdagen zoodanig van goud en zilver schitteren, dat het moeijelijk
+zou zijn, elders in de christenwereld daarvan een dergelijk voorbeeld te
+vinden. Zelden ziet men alsdan eene boerenvrouw, die niet met een zuiver
+zilveren of vergulden gordel van groot gewigt is versierd. Hierbij
+voegen de rijken, naar voorvaderlijk gebruik, armbanden, en als
+borstsieraad gouden en zilveren haken en platen, van niet geringe
+waarde. En dit alles betreft nog slechts de vrouwen uit het volk. De
+adellijke vrouwen zijn met nog zoovele andere gouden en zilveren
+kleinodiën van allerlei aard opgepronkt, dat zij er meer mede beladen
+dan versierd schijnen, hetgeen voor de Duitschers, die soms _Friesland_
+bezoeken, een ongewoon en vermakelijk schouwspel oplevert.
+
+Ofschoon men gewoon is, aan de Friezen eene woeste en onmeêdoogende
+geaardheid toe te kennen, openbaren zij die echter, zoo men juist wil
+spreken, alleen ten opzigte van hunne vijanden, en geenszins van allen
+zonder onderscheid. Door buitengewone mildheid, wellevendheid en
+gastvrijheid overtreffen zij veeleer andere volken. Vreemdelingen,
+onbekenden en behoeftigen worden vaak vriendelijk ontvangen en rijkelijk
+onthaald. Ook vieren zij talrijke, ja bijna dagelijksche gastmalen,
+waarbij zij echter, naar de wijze der Germanen, gewoon zijn, zich meer
+dan betamelijk is aan de dronkenschap over te geven. Zij bezitten eene
+soort van horens, van wilde dieren afkomstig en van ontzettenden omvang,
+met goud of zilver beslagen, van welke zij zich bij hunne maaltijden
+bedienen. Als zij aan tafel een ander den beker toebrengen, zijn zij
+gewoon elkander de regterhand te drukken, waarbij de vrouwen gewoonlijk
+nog een kus voegen. Dit wordt in geen geval onvoegzaam geoordeeld.
+
+Tot lof des Frieschen volks is veel door de uitstekendste mannen
+geschreven, waarvan ons het een en ander in handen is gekomen. Ik zal
+mij vergenoegen hier aan te halen wat BARTHOLOMEUS _de Engelschman_ en
+na hem AENEAS SYLVIUS (die, later (1458) tot Paus verheven, den naam van
+PIUS II heeft aangenomen) in hunne schriften getuigd hebben. »Het
+Friesche volk, zeggen zij, is krijgshaftig, in den wapenhandel geoefend,
+van forschen en krachtigen ligchaamsbouw, van een kalm en onvertsaagd
+gemoed. Het is een vrij volk, dat zijne eigenaardige zeden heeft, en,
+ongeneigd om aan vreemden te gehoorzamen, ook over anderen niet begeert
+te heerschen. Uit liefde tot de vrijheid aarzelt het niet, zich aan
+levensgevaar bloot te stellen, en het verkiest den dood boven het juk
+der slavernij. Daarom erkennen zij ook geen krijgsrang of waardigheden,
+en dulden niet, dat iemand hunner, om den wille des oorlogs, zich boven
+zijne medeburgers verheffe. Echter gehoorzamen zij aan regters, die zij
+jaarlijks uit hun midden verkiezen, en die het gemeenebest naar
+billijkheid besturen. Op kuischheid stellen zij hoogen prijs, en het
+gebrek aan eerbaarheid wordt in de vrouwen gestrengelijk gestraft. »Zij
+hebben in hun gewest een aantal magtige en vorstelijke kloosters
+gesticht, waarin eene ontelbare menigte personen van beide seksen zich,
+in reinheid van zeden en onderwerping aan de ordelijke kloostertucht,
+aan de dienst van God hebben toegewijd." (Zie _Aanteekening 17_.)
+
+Deze beschrijvingen van het land en de zeden der Friezen in den
+toenmaligen tijd zijn voorzeker zeer gunstig. Zij dragen blijken van
+hooge ingenomenheid, welke zich laat verklaren uit der Friezen sterke
+liefde en gehechtheid aan hun land, hetwelk door de vaderen met veel
+zorg en strijd tegen de zee en de vijanden verdedigd was, en dat boven
+vele andere landen groote voorregten mogt genieten. Vandaar ook die
+geestkracht, moed en fierheid van karakter, waarvan zoo vele Friezen
+blijken gaven, en waarvan ons bij het verhaal van de latere
+gebeurtenissen zoo vele treffende voorbeelden zullen voorkomen: want
+naarmate die kenmerken van den volksaard toegepast werden op edele
+voorwerpen, gaven zij aanleiding tot het verrigten van schitterende
+daden, waar het de behartiging van de algemeene belangen gold.
+
+
+28. _Merkwaardige Personen, uit het midden der 16e eeuw._
+
+Waar het de behartiging van de algemeene belangen des vaderlands gold,
+daar zien wij in deze eeuw vooral den talrijken, krachtigen en
+vermogenden Frieschen Adel werkzaam; ofschoon ook de middelstand tijdens
+den langdurigen vrede in aanzien en vermogen toenam, zoodat daaruit
+reeds eenige personen voortkwamen, die zich door bekwaamheden
+onderscheidden en tot waardigheden verheven werden[115]. Een aantal der
+op het land verspreid wonende edelen, die vroeger met elkander oorlog
+voerden, besteedde nu den tijd van rust en vrede, om zich op de
+wetenschappen toe te leggen en zich in staatszaken te oefenen, ten einde
+in de raadsvergaderingen aan de lands belangen te kunnen medewerken.
+Sedert de oprigting van het _Hof van Friesland_ vielen vele edelen
+bijzonder op de beoefening van de regtsgeleerdheid, ten einde zich te
+bekwamen, om de eervolle betrekking van Raadsheer in dat Hof te
+bekleeden. Bij gebrek aan leerscholen in ons eigen land, deden zij ter
+verkrijging van kundigheden veelal groote reizen door _Duitschland_,
+_Frankrijk_ en zelfs _Italië_, waar zij de hoogescholen bezochten en
+veel kennis en ondervinding opdeden, zoodat sommigen na hunne terugkomst
+sieraden van hun vaderland werden en als staatsmannen of regtsgeleerden
+in hoog aanzien kwamen of tot belangrijke waardigheden geroepen werden.
+_Wittemberg_ en _Pavia_, doch vooral _Keulen_, _Leuven_ en _Rostok_,
+worden inzonderheid genoemd als plaatsen, werwaarts de jonge lieden uit
+_Friesland_ zich ter studie begaven[116]. Opmerkelijk is het althans,
+dat er, omstreeks het midden der 16e eeuw, toen de geleerdheid in ons
+vaderland nog op een lagen trap stond, uit _Friesland_ zoo vele
+uitstekende personen zijn voortgekomen, die door bekwaamheid en
+eer-ambten zich binnen- en buitenlands beroemd hebben gemaakt. De
+voornaamste der door ons bedoelde personen willen wij hier kortelijk
+vermelden.
+
+ [115] Eene lijst der Friesche Edelen, ten jare 1505, onder de
+ Saksische regering opgemaakt, komt voor bij WINSEMIUS, 402 en _Oudh.
+ en Gest._ II 502. Het was een vrije Adel, dat is, van geen Graaf of
+ Leenheer afhankelijk; doch ook dáárom bezat deze adel hier geene
+ heerlijke regten boven de overige ingezetenen, zoo als elders.
+
+ [116] Zie JANCKO DOUWAMA'S _Geschriften_, 508 en Inleid. 45. Hij raadt
+ zijne vrouw, hunne zonen liever naar _Parijs_ of _Orleans_ ter studie
+ te zenden, omdat het "aldaer niet also costumelijck is to drincken,
+ alst in dese Nederlanden wal is!"
+
+Als ~Regtsgeleerden~ en ~Staatsmannen~ hebben bijzonder uitgeblonken:
+VIGLIUS VAN AYTTA VAN ZWICHEM (geb. 1507 nabij _Wirdum_), die, wegens
+uitstekende bekwaamheden, door Keizer KAREL en zijn zoon FILIPS tot
+hooge waardigheden verheven, vooral als Voorzitter van den geheimen Raad
+te _Brussel_, in een belangrijk tijdperk zijn vaderland groote diensten
+bewees, even als zijn vriend JOACHIM HOPPERS (geb. 1522 te _Sneek_), die
+mogt opklimmen tot Geheimraad en Groot-Zegelbewaarder van den Koning van
+_Spanje_, te _Madrid_. AGGE ALBADA, van _Goënga_, was eerst Raadsheer in
+het Friesche Hof en daarna in het Keizerlijk Kamergerigt te _Spiers_ en
+bekleedde buitenlands ook andere aanzienlijke waardigheden. In dat
+zelfde Kamergerigt te _Spiers_ had ook zitting CIPRIANUS STAPERT, van
+_Wommels_, die door den Keurvorst van _Ments_ tot Hoogleeraar aldaar
+werd aangesteld. Evenzoo werden BOËTIUS EPO (BOTE YPES, van
+_Roordahuizum_) te _Douai_, WYBRANDUS VAN AYTTA te _Dôle_, JULIUS VAN
+BEYMA (geb. 1539 te _Dokkum_) te _Wittemberg_, REGNERUS SIXTINUS (geb.
+1543 te _Leeuwarden_) te _Marburg_, JOANNES VAN DOCKUM te _Keulen_ en
+SUFFRIDUS PETRUS (geb. 1527 te _Leeuwarden_) te _Erfurt_, _Leuven_ en
+_Keulen_, tot Hoogleeraren in de regten verheven. Verscheidene
+buitenlandsche Akademiën droegen alzoo blijken van de geleerdheid der
+Friezen. Bovendien waren in _Friesland_ KEMPO VAN MARTENA, HECTOR VAN
+HOXWIER, UPCO VAN BURMANIA, SICKE en PIETER VAN DEKAMA, SYDS TJAERDA,
+HAIJO HERMANNUS, WILCO VAN HOLDINGA en anderen om hunne geleerdheid en
+bekwaamheid destijds in hoog aanzien.
+
+Als beoefenaren van de ~Letterkunde~ der Grieken en Romeinen waren toen
+en later, behalve genoemde SUFFRIDUS PETRUS, zeer geacht: GEORG RATALLER
+(geb. 1528 te _Leeuwarden_), die Raadsheer werd te _Artois_, _Mechelen_
+en _Utrecht_, Gezant naar _Denemarken_ enz.; STEPHANUS SYLVIUS, Pastoor
+te _Leeuwarden_, te _Heidelberg_ tot Doctor in de Godgeleerdheid
+bevorderd, en WILLEM CANTER (geb. 1542 te _Leeuwarden_), die, even als
+VITUS WINSEMIUS en de vier geleerde broeders POPMA van _Ylst_,
+onderscheidene letterkundige en regtsgeleerde werken hebben uitgegeven.
+
+In de ~Wis-~, ~Natuur-~ en ~Geneeskundige Wetenschappen~ vinden wij
+destijds mede reeds mannen van naam vermeld, als: GEMMA FRISIUS (1508
+geb. te _Dokkum_) en zijn zoon CORNELIUS GEMMA, beide Hoogleeraren te
+_Leuven_, waar zij een aantal wiskundige geschriften in het licht gaven.
+Als Wis- en Bouwkundige en Schilder behaalde JAN VREDEMAN DE VRIES (geb.
+1527 te _Leeuwarden_) in _Antwerpen_ en elders grooten roem. JOANNES
+ACRONIUS (van _Akkrum_) was Hoogleeraar in de Genees- en Wiskunde te
+_Bazel_, in welke stad, op de grenzen van _Zwitserland_, ook LAURENTIUS
+DE FRIES in 1531 een geneeskundig werk in het licht gaf. ANDREAS MIRICA
+(geb. te _Lemmer_) doorreisde bijna geheel _Europa_ en was daarna te
+_Leeuwarden_ als Geneeskundige beroemd; SIXTUS HEMMEMA, Doctor in de
+Wis- en Geneeskunde te _Leuven_, bestreed de Astrologen dier dagen;
+terwijl PETRUS TIARA (in 1514 geb. te _Workum_), wegens zijne
+geleerdheid zoowel in de oude letteren als in de Wis-, Natuur- en
+Geneeskunde vermaard, na vele reizen Hoogleeraar werd te _Leuven_,
+_Douai_, _Leiden_ en _Franeker_.
+
+Ook de ~Geschiedenis~ van _Friesland_ vond in het eerste gedeelte dezer
+eeuw ijverige beoefenaars in JANCKO DOUWAMA van _Oldeboorn_, in KEMPO
+VAN MARTENA, in de kloosterbroeders PETER en WORP VAN THABOR, en later
+in CORNELIUS KEMPIUS (van _Dokkum_) en genoemden SUFFRIDUS PETRUS, in
+wier geschriften vele merkwaardige bijzonderheden uit sommige tijdvakken
+onzer geschiedenis voor het nageslacht zijn bewaard gebleven.
+(_Aanteekening 18._)
+
+Als wij in aanmerking nemen, hoe weinige hulpmiddelen er destijds nog
+maar bestonden ter bekoming van kennis en geleerdheid, dewijl het getal
+gedrukte boeken toen nog zoo gering was, en er, zoo ver bekend is, vóór
+1570 in _Friesland_ geene boekdrukkerij heeft bestaan;--en als wij
+bedenken, hoe gebrekkig toenmaals de wegen en de middelen van vervoer
+waren, zoodat het uiterst moeijelijk moet gevallen zijn, soms ook wegens
+het woeden van den oorlog, naar buitenlandsche hoogescholen te reizen,
+om kennis en wetenschap te vergâren:--dan mogen wij ons met regt
+verwonderen over het groot getal geleerden, welke _Friesland_ omstreeks
+het midden der 16e eeuw heeft opgeleverd. Dat velen hunner in naburige
+landen wetenschappelijke betrekkingen aannamen, was zeer natuurlijk,
+dewijl er vóór 1576 in _Noord-Nederland_ nog geene hoogescholen of
+algemeene leerstoelen van wetenschap bestonden. Zelfs deed de regering
+des lands lang moeite, om hier de beoefening van de wetenschappen te
+onderdrukken, omdat zij ze als schadelijk beschouwde, bijzonder voor de
+godsdienstige ontwikkeling des volks, welke men lang en met vele moeite
+te keer ging, dewijl zij geenerlei verandering in de godsdienst wilde
+gedoogen. In weerwil van velerlei bezwaren wisten echter de krachtige
+volksgeest en het gezond verstand der Friezen zich zelve een weg te
+banen, ter vermeerdering van kennis, ter ontwikkeling van het verstand
+en tot beschaving van den geest, welke eerlang, hoewel na hevigen
+strijd, rijke vruchten zouden dragen voor godsdienst en zedelijkheid, de
+zuilen van iederen burgerstaat.
+
+
+29. _De Regering van Koning Filips van Spanje. (1555-1580.)_
+
+Het was een merkwaardig schouwspel, hetwelk de stad _Brussel_ den 25
+October 1555 opleverde. _Keizer_ KAREL V, die bijna veertig jaren lang
+_Duitschland_, _Spanje_, _Nederland_ en zijne overige Staten met roem
+had bestuurd, haakte naar rust, welke hij door afzondering in een
+Spaansch klooster meende te zullen vinden. In eene plegtige vergadering
+van vorsten, grooten, geestelijken en afgevaardigden van al de
+Nederlandsche provinciën, deed hij afstand van de regering dezer landen
+ten behoeve van zijn zoon FILIPS. Hij deed dit met eene roerende
+aanspraak, waarin hij terugzag op hetgeen hij gedaan, had, terwijl hij
+hoopte, dat de jeugdiger krachten van zijn opvolger alles zouden
+vermogen, wat hem de duurzame liefde der ingezetenen zou kunnen doen
+verwerven. Hierna beloofde FILIPS onder eede, dat hij de regten der
+landzaten zoude handhaven, en ontving van de afgevaardigden den eed van
+trouw en hulde.
+
+Bij het doen van dezen eed viel er eene bijzonderheid voor, welke weder
+een blijk gaf van de fierheid en volkstrots der Friezen. Volgens eene
+gewoonte der vorsten van het Oostenrijksche huis, vorderde de hoftoon,
+dat de eed ~geknield~ werd afgelegd. Alle gezanten der zestien
+Nederlandsche provinciën volgden dit gebruik en knielden neder. Doch de
+acht afgevaardigden van _Friesland_ zagen hierin een vernederend
+huldebetoon, hetwelk hun eerbied voor het heilige alleen Gode toekende.
+Zij weigeren te knielen, en, terwijl zij te midden der nedergebogene
+schare alleen ~staan~ blijven, verontschuldigen zij zich bij monde van
+een hunner, GEMME VAN BURMANIA, door te zeggen:
+
+ _Wij Friezen knielen alléén voor God._
+
+Van dit rustige en fiere antwoord bekwam deze edelman sedert den bijnaam
+van _de Stand-Fries_, en is deze naam later dikwijls toegepast op ieder
+zijner landgenooten, die blijken geeft van fierheid, standvastigheid van
+karakter of van een krachtigen wil.
+
+ * * * * *
+
+De Nederlanders hadden weinig reden, om over deze verandering van
+landsheer tevreden te zijn. De trotsche geaardheid van FILIPS, die hier,
+gelijk in _Spanje_, als Koning wilde heerschen, dewijl hij deze landen
+als wingewesten der Spaansche kroon aanzag, en de dweepzucht, welke hem
+onstaatkundig deed handelen, toen hij geenerlei verandering in de oude
+en verbasterde kerkleer en wijze van godsdienst-oefening wilde gedoogen,
+namen de ingezetenen tegen zijn bestuur in. Zij baarden eerlang onrust,
+daarna verzet en eindelijk openbaren strijd tegen zijn gezag, dat hij
+met geweldige oorlogsmiddelen en door moorden en bannen wilde handhaven.
+Te vergeefs. Die schending van het regt des volks en van zijn pligt als
+vorst, deze heerschzucht en wreedheid konden de Nederlanders niet
+dulden. Lang verdrukt en getergd sloegen zij de handen ineen,
+weêrstonden geweld met geweld, en vormden een kleinen, doch naauw
+vereenigden staat. Zóó gaven de ondeugden en verkeerde handelingen van
+den Koning en zijne dienaren aanleiding, om hem gehoorzaamheid te
+weigeren en af te zweren. Zóó werd dit alles de oorzaak van de
+herstelling der vrijheid en onafhankelijkheid van _Nederland_ in
+godsdienst en burgerstaat. De voornaamste bijzonderheden van deze
+roemrijke overwinning willen wij nu schetsen, daar de Friezen in dezen
+strijd deelnamen op eene wijze, hunner aloude zucht voor vrijheid en
+onafhankelijkheid waardig.
+
+
+30. _Beginselen der Kerkhervorming; Geloofsvervolgingen; de
+Doopsgezinden. (1520-1560.)_
+
+De geschiedenis der ~volken~ staat dáárin gelijk met de geschiedenis van
+ieder ~persoon~, dat allen bestemd zijn, om uit den staat van onkunde en
+onbeschaafdheid op te klimmen tot kennis, bekwaamheid en volmaking.
+Naarmate de mensch ouder wordt, moet hij vaster gelooven, en meer
+naderen tot God, dien hij allengs beter moet leeren kennen en vereeren.
+Hij, de groote opvoeder van het menschdom, wiens wijze Voorzienigheid de
+lotgevallen van volken zoowel als van personen bestuurt, verschaft
+bovendien in elk tijdvak de middelen, om de maatschappij te doen
+opklimmen tot die verhevene bestemming, waarvoor de mensch is geschapen.
+Doch de dwaasheid van sommige magten, die hare bijzondere oogmerken meer
+voorstonden dan de algemeene belangen, poogde dikwijls die heilige
+bedoelingen te verijdelen. Waar toeneming in kennis en verlichting haar
+belang kon schaden, daar verduisterden zij het licht, en hielden de
+onderworpene volken in onkunde en domheid. Dit kon evenwel niet duurzaam
+zijn. Vele volken deden hun regt gelden, en vandaar een strijd, tusschen
+de voorstanders van duisternis en van licht, van behoud en van
+vooruitgang, waarvan vooral de kerkelijke geschiedenis bloedige
+tooneelen oplevert.
+
+De Christelijke Godsdienst, eens in het oosten in zuiverheid verkondigd,
+was bestemd om alle volken der aarde door haar licht te bestralen; om
+door geloof en liefde alom vrede en deugd te verspreiden; om den mensch
+te verheffen en het leven te heiligen door de hoop op eene betere
+toekomst, welke hare stralen schiet tusschen de nevelen van het heden.
+Spoedig echter werd die goddelijke leer door menschelijke dwalingen
+verbasterd. Aan de bereiking van staatkundige bedoelingen werd zij
+dienstbaar gemaakt. De heerschzucht vond in haar een middel om zich te
+verheffen. En om haar bij heidensche volken te beter ingang te doen
+vinden, werd hare eeredienst met prachtige versierselen en plegtigheden
+overladen. In deze schitterende uiterlijke vormen, in feestdagen, in de
+voorspraak der heiligen en in het brengen van offers aan de kerk en aan
+de geestelijken, meende het onkundige volk nu het wezen der godsdienst
+te zien.
+
+Die Geestelijkheid was alom in getal, aanzien en vermogen verbazend
+toegenomen. Doch wat deed zij ter opleiding en verlichting van het volk?
+In plaats van door de kracht der godsdienst de maatschappelijke gebreken
+te bestrijden, verstand en hart te vormen en het lijden des tijds te
+verzachten door de kracht van het geloof aan een toekomstig leven, had
+zij tegen de waarheid die beide verwonderlijke wapenen ontdekt:
+onwetendheid en dwaling. Zij verbood der wetenschap en het vernuft
+verder te gaan dan het getijboek, als om den geest op te sluiten binnen
+de kloostermuren van de leer der Kerk. Zij kantte zich aan tegen alles,
+wat den voortgang der menschelijke beschaving, de ontwikkeling van het
+verstand kon bevorderen. Het menschelijk geweten kwam tegen haar in
+opstand, en vroeg: wat wilt gij?
+
+Er was een boek, dat van het begin tot het einde van zijne hoogere
+afkomst getuigt; een boek, dat den geheelen schat van menschelijke
+kennis bevat, verhelderd en geheiligd door de geheele goddelijke
+wijsheid; een boek, door den eerbied der volken het Boek genoemd: de
+Bijbel! Dat boek hadden de Pausen verboden. Zoodanig was het door de
+leer der Kerk verdrongen, dat de Friezen reeds zeven eeuwen Christenen
+waren geweest, vóór dat welligt een hunner de Heilige Schrift had
+gezien, veelmin gelezen. Immers, men achtte dit verbod noodzakelijk,
+omdat zij een wapen kon worden tegen de Kerk, die voorgaf op haar
+gegrond te zijn. En in plaats van dat boek gaf hunne willekeur, welke
+zelfs het licht der rede trachtte uit te blusschen, aan de volken--de
+Inquisitie.--Onbegrijpelijke dwaling! Ongelukkige volken!
+
+Na de uitvinding van de boekdrukkunst en de herleving van de beoefening
+der oude letterkunde en wetenschappen, kwam echter de Bijbel in veler
+handen. Nu gingen de oogen open. Men zag het in, hoe diep de kerk was
+vervallen, en hoe vele misbruiken er heerschten. MAARTEN LUTHER had, in
+1517, in _Duitschland_ den moed, zich tegen den Paus en de gebreken der
+kerk te verzetten, om bijna al hare leerstukken te verwerpen, en om, op
+grond van een vrij onderzoek van de Heilige Schrift, terug te keeren tot
+een meer eenvoudig oorspronkelijk Christendom en minder zinnelijke
+eeredienst.
+
+De mare van zulk eene gewigtige hervorming in de godsdienst werd in alle
+streken van _Europa_ en ook hier met blijdschap vernomen en vond grooten
+bijval. Het staatkundig belang van Keizer KAREL bragt echter mede, dat
+hij den Paus tot vriend hield en beschermde. Dáárom weêrstond hij, ook
+met kracht van wapenen, in zijne landen de verspreiding van die nieuwe
+leer. Bestendig werden er nu sedert 1521 in _Friesland_ strenge
+plakkaten uitgevaardigd, waarbij de leeringen van LUTHER veroordeeld-,
+zijne boeken verboden- en zijne aanhangers met vervolging en straf
+bedreigd werden[117]. Doch men bedroog zich: want de vrije ingezetenen
+kenden den Keizer wel het regt toe, om hun land te laten besturen, maar
+niet, om over hun verstand en godsdienstige gevoelens te heerschen.
+Sedert 1522 kwam eene Nederduitsche vertaling van den Bijbel hier in
+veler handen. Met verbazing bemerkte men het verschil tusschen die leer
+en hare verkondiging door de Geestelijken. Te vergeefs zocht men daarin
+den grond van vele leerstellingen en plegtigheden der Kerk. Doch het
+gemoed vond daarin kracht en troost bij al de rampen van den oorlog, van
+ziekten, van overstroomingen en hongersnood, welke _Friesland_ omstreeks
+dien zelfden tijd had te verduren. In dezen tegenspoed had men behoefte
+aan godsdienst, aan meerder licht, dan de zinnelijke eeredienst der Kerk
+aanbood. Het leven verkreeg hooger waarde door het geloof, dat de harten
+doordrong, en hen God en den Heer leerde kennen en liefhebben in het
+uitzigt op eene betere wereld. En toen later de voorspoed blonk, vond
+men daarin moed en kracht, om hetgeen men als een schat van groote
+waarde op hoogen prijs had leeren stellen, te verdedigen en te behouden,
+tegen al de wreede vervolgingen der wereldlijke magt, die de Roomsche
+kerkleer met geweld trachtte te beschermen.
+
+ [117] _Charterb._ II 107, 415; WINS. 458; SCHOT. 621 env.
+
+ * * * * *
+
+Als de eerste priesters, die de kerk verlieten, of wel door de
+verkondiging van de zuivere leer des evangelies pogingen deden, om de
+kerk te hervormen, worden met eere genoemd GELLIUS FABER DE BOUMA van
+_Jelsum_ en MENNO SIMONS van _Witmarsum_. Dan, de eerste moest in 1536
+en de andere later vlugten, daar de strengheid der vervolging zeer was
+toegenomen, nadat in het vorige jaar ook hier eene oproerige beweging
+der Munstersche Wederdoopers tot openbaren strijd en vervolging
+aanleiding gaf. Allen, die blijken gaven van de Roomsche kerk af te
+vallen of ongenegen te zijn, werden vervolgens beschuldigd of verdacht,
+met die Wederdoopers overeen te stemmen; het allermeest de
+Doopsgezinden, die hun christelijk geloof in eenvoudigheid en stille
+afzondering wenschten te belijden. Sedert 1531 werd een aantal hunner
+vervolgd, onthoofd of verdronken, en spaarde de regering geene middelen
+om het gezag der Kerk te handhaven en de afvalligen te straffen.
+
+Doch ook hier werd het bloed dier martelaren weder het zaad eener kerk,
+welke in aantal van leden toenam, hoe meer zij door de vervolgingen
+verdrukt werden. De schijnbare smaad, hun aangedaan, stortte eene
+heilige geestdrift voor het goede en eerbied voor hunne gelatene
+vroomheid in de harten van anderen, wier onverbasterd gevoel zich tegen
+zulke onmenschelijke handelingen verzette. Doch dit alles was nog
+slechts een begin. Want nog dringender werden de bedreigingen der
+plakkaten des Keizers, toen hij het waagde, in 1550 de Inquisitie of het
+geloofs-onderzoek in _Nederland_ openlijk in te voeren. Van toen af, en
+vooral na 1557, wanneer WILLEM LINDANUS als Kettermeester herwaarts werd
+gezonden, stonden allen, die van de Roomsche kerkleer afweken, en zelfs
+zij, die verdacht waren van de nieuwe leer te begunstigen, aan wreede
+vervolgingen bloot. En zeker zou het getal martelaren hier destijds zeer
+talrijk zijn geweest, als de Stadhouder, het Hof en de Besturen al de
+bevelen des Keizers uitgevoerd en niet gematigd hadden. De Staten des
+lands verzetten zich zelfs tegen LINDANUS, en beschermden der
+ingezetenen vrijheid tegen zulk eene onduldbare heerschappij over hun
+geloof. De algemeene geest der landzaten toonde toch te duidelijk, dat
+de stroom niet meer viel te stuiten. Zij bleven dus hopen, dat de
+Regering haar eigen belang zou inzien, om door toegevendheid en
+gematigdheid billijk te zijn jegens een volk, dat men door dwang en
+bedreiging veel meer verbitterde dan terugbragt. (Zie _Aanteek. 19_.)
+
+ * * * * *
+
+Het zij mij vergund, aan het einde van dit overzigt meer bijzonder stil
+te staan bij de kerkgemeenschap der _Doopsgezinden_, welke zich te
+midden dier beroeringen in deze landen vertoonde en uitbreidde. Zij
+verdient hier eene afzonderlijke vermelding, eensdeels, omdat zij
+eene plant was, vooral van den Frieschen bodem; anderdeels, omdat zij
+zich hier zóó spoedig en aanzienlijk uitbreidde, dat bij de Hervorming
+van 1580 een vierde gedeelte der bevolking van _Friesland_ dezer
+gezindte toegedaan was[118], en, in 't algemeen, omdat zij, door de
+geheel eigenaardige rigting en de gewigtige waarheden, welke zij
+vertegenwoordigt en handhaaft, nog eene merkwaardige plaats onder de
+afdeelingen der Christenheid bekleedt.
+
+ [118] Wij zouden geneigd zijn dit bijna ongeloofelijk berigt te
+ wantrouwen, indien het niet was medegedeeld door een tijdgenoot, den
+ geachten geschiedschrijver EVERHARD VAN REYD, die, toen hij in 1602
+ stierf, Raad en Geheimschrijver was van den eersten Frieschen
+ Stadhouder, Graaf WILLEM LODEWIJK VAN NASSAU. Zie zijne _Historie der
+ Nederlantscher Oorlogen_, Leeuwarden 1650, 70.
+
+Reeds hebben wij MENNO SIMONS genoemd. Hij was echter niet de stichter
+dezer gezindte, gelijk velen ten onregte gemeend hebben, daartoe verleid
+door den naam van _Mennoniten_ of _Mennisten_, welken eene partij onder
+hen gaarne droeg en andersdenkenden hun over 't algemeen gaven. Zij
+bestonden reeds lang vóór MENNO, ja hadden in _Friesland_ reeds hunne
+martelaren vóór dat hij het punt van den doop begon te onderzoeken. Hun
+oorsprong is met geene zekerheid aan te wijzen; maar, in gevoelens met
+de Waldenzen verwant, vinden wij door geheel de middeleeuwen sporen van
+het aanwezen eener gemeenschap, die, welgeordend en over een groot deel
+van _Europa_, verspreid, als stillen in den lande het apostolisch
+Christendom in beoefening zocht te brengen. Zorgvuldig onttrok zij zich
+aan de opmerkzaamheid der wereld en der vervolgzieke geestelijkheid;
+totdat zij, door de groote beweging der geesten in den hervormingstijd
+opgewekt, bemoedigd werd, om openlijk mede te werken tot de vernieuwing
+des Christendoms. Zij verliet de veilige onbekendheid. In een groot
+gedeelte van _Europa_ zag men eene menigte gelijkgezinde menschen
+optreden, zonder dat men wist van waar zij hunne gevoelens hadden
+verkregen. Door geestelijke en wereldlijke magten vervolgd, trokken
+velen hunner uit _Frankrijk_, _Zwitserland_ en _Duitschland_ naar het
+noorden, ook naar _Friesland_, waar de regering minder streng was in de
+uitvoering van de plakkaten. Daar vonden zij vele gelijkgezinde
+Christenen, wier gemoed behoefte had aan eene betere godsdienst dan de
+verbasterde kerk aanbood, en die bevrediging vonden in het lezen en
+beleven van de Heilige Schrift. Tot dezen ging MENNO over; onder dezen
+werkte hij.
+
+Te _Witmarsum_ in 1496 geboren en tot den geestelijken stand opgeleid,
+werd hij in 1524 Kapelaan in het niet ver van _Harlingen_ gelegene
+_Pingjum_. Na verloop van twee jaren kwam hij, door eene twijfeling
+aangaande het misoffer, voor het eerst tot onderzoek van den Bijbel, en
+daardoor allengs tot meer evangelische inzigten. Niet voor 1531 vestigde
+de dood van SICKE SNIJDER, als de eerste der Doopsgezinde martelaren te
+_Leeuwarden_ onthoofd, zijne aandacht op den doop, en spoedig leerde hij
+den kinderdoop als eene instelling, niet des evangelies, maar des
+pausdoms kennen. Nadat hij intusschen in zijne geboorteplaats tot
+Pastoor was verkozen, begon hij zijne gevoelens over den aard en de
+eischen des Christendoms te verkondigen, en verkreeg hij grooten roem en
+toeloop onder het volk als evangelisch prediker.
+
+Nu eerst kwam hij in aanraking met de Doopsgezinden, die in zijne
+omstreken hunne gevoelens begonnen te verspreiden en te doopen. Hunne
+weldadige pogingen vonden bijval, doch werden spoedig afgebroken door
+eene geweldige beweging. Een onrustige geest, welke doorgaans met iedere
+hervorming gepaard gaat, had onder hunne geloofsgenooten eene partij van
+Wederdoopers gevormd, welke het koningrijk Gods met geweld zocht op te
+rigten. In _Munster_ belegerd, zond zij ook naar _Friesland_ hare
+zendelingen, die de eenvoudigen hier opruiden. MENNO stelde zich met
+alle kracht daar tegen, hield zelfs tot tweemalen met de hoofden der
+Munstersche partij eene zamenkomst, doch al zijne vermaningen baatten
+niet. De opgeruide menigte greep naar het zwaard. Op Paaschmaandag van
+1535 waren er te _Tjum_ ongeveer 300 vergaderd, die 200 krijgsknechten
+met verlies deden wijken. Door dit aanvankelijk voordeel bemoedigd,
+veroverden zij het _Oldeklooster_ bij _Bolsward_, lieten de monniken
+onverhinderd gaan en versterkten zich daar als in eene vesting. Hier
+werden ze door de krijgsmagt van den Stadhouder SCHENCK _van Toutenburg_
+belegerd. Moedig streden zij, doch, eindelijk voor de overmagt bezweken,
+boetten de meesten, en daaronder een eigen broeder van MENNO, hunne
+dwaasheid met het leven. Velen sneuvelden met het zwaard in de vuist,
+sommigen werden te _Leeuwarden_ onthoofd, anderen in het Hempenzermeer
+verdronken; doch ook velen ontkwamen, of werden om hunne eenvoudigheid
+losgelaten.
+
+Deze oproerige beweging der Munsterschen was, even als later de
+beeldenstorm, allen welgezinden zeer leed en de zaak der hervorming tot
+groote schade. Bij MENNO echter bragt zij eene groote verandering te
+weeg. Dat vergoten bloed viel hem heet op het harte, vervulde hem met
+diepe droefheid en deed hem tot zich zelven inkeeren. Hij toch predikte
+wel de evangelische leer, doch _deed_ niet alles wat hij predikte en
+geloofde. Tegen zijne overtuiging was hij nog altijd priester. Zijn
+geweten kon die strijdigheid niet langer dulden, daar hij behoefte had,
+zijn geloof uit zijne werken te toonen. Na een moeijelijken strijd van
+negen maanden, verkreeg hij eindelijk op zijne gebeden de noodige kracht
+tot verzaking en lijden. In 1536 verliet hij het pausdom en zijne
+pastorie met al de daaraan verbondene voordeelen, en voegde zich, in het
+uitzigt op armoede en verdrukking, bij de overige, rustig geblevene,
+doch toen strenger vervolgde Doopsgezinden. Van nu af aan predikte hij
+alléén het evangelie, van alle menschelijke instellingen ontdaan, tot
+ware boete op den smallen weg, dien hij zelf vrijwillig gekozen had.
+Bijna een jaar lang vertoefde hij in eene kleine woning in de nabijheid
+van _Witmarsum_, waar hij zijne vrienden stichtte en vermaande[119].
+Toen kwamen er zes of acht afgevaardigden der Doopsgezinden bij hem met
+het verzoek, om algemeen Leeraar of Opziener onder hen te willen zijn.
+Na lang aarzelen, aanvaardde hij deze bediening, en werkte hij nu in
+grooteren kring, te gelijk met zijn vriend DIRK PHILIPS, van
+_Leeuwarden_, en later ook met LEENERT BOUWENS, met gunstig gevolg aan
+de uitbreiding van het evangelisch geloof. Zóó bekwam de gemeenschap der
+Doopsgezinden, vooral door MENNO'S geleerdheid voorgelicht en verdedigd,
+door zijn ijver uitgebreid, maar bovenal door zijne gemoedelijke
+vroomheid bevestigd, een geregeld bestaan.
+
+ [119] _Menne Siemmens oud preechuis_ noemt SCHOTANUS dit huis op zijne
+ kaart van _Wonseradeel_. Bekend is het, dat dit bedehuis der daar nog
+ bestaande gemeente in 1828 hersteld- en met een schoon afbeeldsel van
+ MENNO, door VAN DER KOOI geschilderd, versierd is; terwijl
+ gelijktijdig eene fraai gegraveerde afbeelding van dit Menno
+ Simons-Kerkje is uitgegeven.
+
+De toenemende strengheid der plakkaten, welke velen zijner volgelingen
+den dood kostte, noodzaakten hem eerlang zijn vaderland te verlaten.
+_Emden_, »de herberg van Gods verdrukte gemeente" genoemd, nam hem op,
+doch weldra van daar verdreven, trok hij naar _Keulen_ en na verloop van
+twee jaren naar _Lubek_, en bleef, ondanks vele moeiten en gevaren, dáár
+en op andere plaatsen in _Nederland_ en het noordelijk _Duitschland_,
+met heiligen ijver een eenvoudig apostolisch Christendom prediken. Op
+eene plaats _Woesteveld_, tusschen _Hamburg_ en _Lubek_, mogt hij in de
+laatste jaren zijns levens eene veilige woonplaats bekomen, en door het
+drukken van zijne eigene godsdienstige geschriften een bestaan-, en als
+Oudste en Leeraar der gemeente gelegenheid vinden, om nuttig te zijn
+voor de belangen des evangelies. Dankbaar mogt hij zich verheugen, in
+verschillende landen meer dan 50 gemeenten gesticht- en velen voor het
+rijk zijns Heeren gewonnen te hebben. In _Friesland_ waren zijne
+medearbeiders intusschen in zijnen geest ijverig werkzaam, en mogt
+alleen LEENERT BOUWENS sedert 1551 op 74 plaatsen een getal van 6500
+personen, die aan hun christelijk geloof een zuiver leven wenschten te
+verbinden, den doop toedienen. Ook na MENNO'S overlijden (1561) nam deze
+gezindte, in weerwil der vervolgingen, hier en elders sterk toe, en
+zetten mede vele uit _Braband_ en _Vlaanderen_ gevlugte Doopsgezinden
+zich in dit gewest neder.
+
+ * * * * *
+
+Al de Protestanten hadden tijdens de hervorming dit met elkander gemeen,
+dat zij door onderzoek van de Heilige Schrift tot geloofsovertuiging
+kwamen, ijverden tegen de leer en de misbruiken der Kerk en nieuwe
+gemeenten stichtten. De grondslagen dier gemeenten werden gewijzigd door
+de omstandigheden en naar ieders ~opvatting~ van het evangelie. Vandaar
+zooveel verschil bij zooveel overeenkomst van geest en bedoeling. Zoo
+streed LUTHER vooral tegen de _werkheiligheid_ der Roomsche kerk, en
+kwam hij door tegenstelling: _tot de regtvaardigmaking uit het geloof,
+zonder de werken_, welke hij als kenmerkende leer aan zijne gezindte
+naliet. Zoo bestreden ZWINGLI en CALVIJN _het verheffen van het schepsel
+boven den Schepper_, en werd alzoo een der grondtrekken van de Hervormde
+kerk gerigt tot vernedering van het eerste, tot 's menschen
+ellendigheid, om den laatsten te verhoogen. In beide kerkgenootschappen
+stond alzoo de _leer_ op den voorgrond. Geheel anders was dit evenwel
+bij de Doopsgezinden. Waren de Hervormers geleerden, die _in_ de Kerk
+bleven, om haar in zich zelve te louteren, zij moesten daartoe strijd
+voeren tegen leerstellingen, in eene vroegere ontwikkeling des
+Christendoms ontstaan en op kerkvergaderingen vastgesteld;--de
+Doopsgezinden echter _verlieten_ die Kerk, voerden geen strijd tegen
+haar en bepaalden hun onderzoek enkel en in alle eenvoudigheid tot den
+Bijbel. Verkreeg de leer der Hervormers een wetenschappelijken vorm en
+hadden zij met gezag bekleede geloofsbelijdenissen noodig;--de
+Doopsgezinden hadden genoeg aan het evangelie, waarin zij het
+oorspronkelijk Christendom vonden met zijne verheffende leer, heiligen
+wandel en slechts twee instellingen: doop en avondmaal. In de poging om
+dat Christendom te herstellen, gingen zij dus eene schrede verder dan de
+Hervormers, die de bestaande Kerk zochten te verbeteren, te hervormen;
+die wel veel daarvan verwierpen, maar ook veel behielden; die ook den
+doop der Roomsche kerk behielden met de kerkgebouwen en de daaraan
+verbondene bezittingen en inkomsten. Doch de Doopsgezinden behielden
+dien doop niet, en daardoor verviel mede hunne betrekking tot de oude
+Kerk, welke zij verlieten met opoffering van alle aanspraken op
+gebouwen en goederen. Bepaalden de geleerde Hervormers zich bijzonder
+tot de _leer_,--de Doopsgezinden stelden zich het _leven_ ten hoofddoel.
+Den christelijken doop waardig te ondergaan en getrouw te beleven werd
+het middelpunt van hun gemoedelijk streven: aan de eene zijde, om de
+wereldsche begeerlijkheden te verzaken en aan de andere zijde, om een
+geestelijk leven, een vromen wandel te leiden.
+
+Hieruit ontstonden als van zelf die kenmerkende bijzonderheden, waardoor
+zij zich lang van de overige protestanten hebben onderscheiden: hunne
+_afgescheidenheid van de wereld_ en verzaking van hare genietingen,
+opdat zij door haar niet besmet en in hun christelijken wandel gestoord
+zouden worden;--hun weigeren om het _Overheidsambt_ te bekleeden en
+_Wapenen_ te dragen tot het voeren van oorlog, als in strijd met het
+geestelijk leven, waartoe zij zich onder dulden en lijden verbonden
+hadden;--hun weigeren van den _Eed_, dien zij voor den Christen
+ongeoorloofd beschouwden bij hunne groote waarheidsliefde en
+trouw;--hunne afkeerigheid van alle wereldsche praal en weelde bij hunne
+zucht naar eenvoudigheid in kleeding, levenswijze en zelfs in hunne
+bedehuizen, Vermaningen geheeten, en godsdienst-oefeningen. Zij hadden
+dus geene behoefte aan bezoldigde leeraars, dewijl ze minder prijs
+stelden op wetenschap en welsprekendheid dan op verlichte bijbelkennis
+en vroomheid des gemoeds, zoodat zij in hun midden altijd genoeg
+broeders hadden, die hen door een eenvoudig woord uit liefde konden en
+wilden stichten[120]. De gemeente zuiver en heilig te bewaren en naar
+het evangelie op te bouwen tot godzaligheid was hun hoogste streven, en
+hun geloof uit de werken te toonen hun eerste pligt.--Zóó waren en
+bleven de Doopsgezinden, zoolang zij zich buiten de wereld hielden.
+Hierna zullen wij gelegenheid vinden hunne latere lotgevallen en
+veranderingen, door het verkeer met en in de wereld, te vermelden[121].
+
+ [120] Nog bestaat er in Friesland zulk eene gemeente der _Oude
+ Friezen_ te _Balk_ in _Gaasterland_, waarin nagenoeg al het
+ bovenvermelde nog naauwkeurig wordt in acht genomen, en wier leden
+ (waaronder geene armen zijn) in de algemeene achting deelen, wegens
+ hun opregt en ongeveinsd geloof, deelnemende liefde en reine zeden.
+ Eene beschrijving van deze gemeente komt voor achter BLAUPOT TEN CATE,
+ _Geschiedenis der Doopsgezinden in Friesland_, Leeuwarden 1839, 370,
+ naar welk belangrijk werk wij, ook ten aanzien van dit gansche
+ onderwerp, verder verwijzen. Ook op _Ameland_ bestaat nog eene
+ dergelijke gemeente.
+
+ [121] Zie dit alles breeder voorgesteld in het uitmuntend geschrift:
+ _Onderzoek naar het kenmerkend beginsel der Doopsgezinden_, door D. S.
+ GORTER, Sneek 1850, 12 env. hetwelk ik hoofdzakelijk gevolgd ben met
+ nadere toelichting van den Schrijver, dien ik daarvoor bij deze mijnen
+ dank toebreng.
+
+
+31. _De Hervorming een tijdlang ingevoerd, maar weder onderdrukt.
+(1566.)_
+
+Veertig jarenlang hadden de Friezen bewijzen gegeven, dat zij eene
+verandering of hervorming van de oude en in zoo vele opzigten
+verbasterde kerkleer verlangden. Zij deden dit op grond der Heilige
+Schrift, die geene missen, boetedoeningen, biechten of aflaten, maar
+geloof, liefde en hoop, blijkbaar in een heilig leven, vorderde. Noch de
+Paus, noch de Keizer, noch de Koning wilde echter van eenige verandering
+in leer of godsdienst-oefening iets weten. Integendeel, sedert FILIPS
+_van Spanje_ Heer dezer gewesten was geworden, wilde zijne blinde
+dweepzucht, dat allen, die hun christelijk geloof niet meer naar de
+voorschriften der Roomsche kerk beleden, nog strenger dan vroeger
+vervolgd, gepijnigd en op den brandstapel gebragt zouden worden. Alles
+werd gedaan om het geestelijk en wereldlijk gezag der Kerk staande te
+houden.
+
+Daartoe diende ook in 1559 de oprigting van vier Aarts-Bisdommen en 13
+nieuwe Bisdommen in _Nederland_. De stad _Leeuwarden_ werd daarbij tot
+het hoofd eens Bisdoms en eener provincie verheven, waarop later de
+aanwijzing van het regtsgebied, het gezag en de inkomsten des Bisschops
+volgde. Maar tegen de invoering van deze opgedrongene weldaad des
+Konings verzetten de Staten en zelfs ook de Geestelijkheid van
+_Friesland_ zich zóó krachtig, dat de benoemde Bisschop niet overkwam,
+maar hem een ander Bisdom aangewezen werd.
+
+Die tegenstand had dus gebaat, en gaf moed tot meerder verzet tegen de
+eischen van _Spanje_. De meerderheid der ingezetenen toch, waaronder de
+adel en de aanzienlijksten des lands, gaven blijken, de zaak der
+hervorming toegedaan te zijn. Zoodra het gerucht der algemeene
+Beeldenstorm (den 14 Augustus 1566 in _West-Vlaanderen_ begonnen) zich
+door _Nederland_ verspreidde, beraamde de Regering van _Leeuwarden_
+middelen, om, zonder woest geweld, doch met bedaarde zorg, hier het
+zelfde doel--de afschaffing van de Roomsche en de invoering van de
+Hervormde eeredienst--te bereiken. Bij afwezigheid van den Stadhouder
+werd de beveiliging der Stads poorten aan de burgers opgedragen, en den
+6 September 1566 in eene groote vergadering van de Regering en de
+Bevelhebbers der schutterij, op voorstel van den wakkeren Burgemeester
+TJERK WALLES, besloten, om nu openlijk en met daden te toonen, wat men
+reeds zoo lang heimelijk gewenscht had. Eendragtig werd goedgevonden,
+het voorbeeld van vele Nederlandsche steden te volgen;--niet, om de
+kerken met baldadige woestheid te schenden, en beelden en sieraden aan
+de woede van het volk prijs te geven; maar door bedaarde standvastigheid
+en voorzigtig overleg het voorgestelde doel te bereiken: om de oude
+eeredienst af te schaffen en daarvoor dadelijk de Hervormde »preke" in
+de plaats te stellen. Nog dien zelfden avond ontvingen de Geestelijkheid
+en de Gilden bevel, om hunne eigendommen en sieraden onmiddelijk uit de
+drie parochie-kerken weg te nemen. Gedurende den nacht hield vervolgens
+een aantal burgers en werklieden zich bezig, om de kerken van de
+beelden, schilderijen en altaren te ontledigen, en deze gebouwen in te
+rigten naar de behoeften van de eeredienst der Hervormden. Reeds den
+volgenden dag, waarop verboden werd eenig godshuis of klooster te
+schenden, werden de predikanten door de Stads regering en de schutters
+in de kerk van _Oldehove_ gebragt, en werd daar de eerste leerrede naar
+de wijze der Hervormden gehouden, gelijk vervolgens dagelijks ook in de
+andere kerken geschiedde. De uitoefening van de Roomsche eeredienst werd
+verboden. Vele priesters traden uit eigene beweging tot de Hervorming
+toe[122].
+
+ [122] Zie dit alles uitvoeriger verhaald op bl. 218 der _Geschiedk.
+ Beschrijving van Leeuwarden_ I en bij de daar aangehaalde schrijvers.
+
+Met loffelijken ijver en stoutmoedigheid had de regering alzoo de groote
+zaak der reformatie doorgezet. Met bedaardheid en kalme bezinning werd
+hier door de overheid het zelfde doel bereikt, hetwelk elders met
+zooveel woestheid en godsdiensthaat op eene onwaardige wijze werd
+verkregen. Het is waar, in tijden van opgewonden geestdrift is het volk
+niet altijd binnen de palen der redelijkheid te houden, vooral na zoo
+lang geleden en zich ingehouden te hebben. Slechts korten tijd genoot
+men echter de vrucht van deze moedige poging. Want spoedig kwamen er
+bevelen van den Stadhouder en de Landvoogdes, om de oude kerkdienst te
+herstellen en de Hervormde predikanten te doen vertrekken. Mannelijk
+weigerde de eendragtige Regering en burgerij te gehoorzamen, en ~twintig
+weken~ lang hielden zij vol, om, in weerwil van scherpe bedreigingen,
+hun geloof naar hunne overtuiging te belijden. Ook _Sneek_ en _Franeker_
+volgden dit goede voorbeeld.
+
+Doch de tijd was nog niet rijp voor eene volkomene overwinning. Nog
+hooger moest de nood stijgen, maar ook nog krachtiger tegenstand
+ontwikkelen, ten einde eene grootere zegepraal en meer algemeene en
+duurzame bereiking van het goede doel te bevorderen. Op een bijzonder
+bevel des Konings kwam de Stadhouder AREMBERG in Januarij 1567 met eene
+aanzienlijke krijgsmagt te _Leeuwarden_, en eischte het verdrijven van
+de leeraren en de herstelling van de kerken. De Regering, tegen de
+overmagt van het geweld niet bestand, deed wel ernstige pogingen, om
+zijne toestemming te verwerven tot het voortdurend bestaan van de
+Hervormde godsdienst-oefeningen, doch te vergeefs: zij moest bukken en
+gehoorzamen. Uit vrees voor de volvoering van de bedreigde straffen,
+ontweken vele edelen en burgers nu een vaderland, dat zoo schandelijk
+verdrukt werd. Een zeventigtal vroegere priesters volgde hen, meest naar
+het herbergzame _Oost-Friesland_, waar de hervorming reeds vroeg was
+gevestigd, en waar men, onder bescherming der regering, lang veilig was
+voor de vervolgingen. De kerken werden ten behoeve der Roomsche
+eeredienst op den ouden voet hersteld. Hoe gematigd AREMBERG zijn last
+ook uitvoerde, zonder dat er bloedstorting plaats had, verwekte deze
+onderwerping groote smart en wrok jegens den Koning, tegen wien men zich
+eerst nu begon te verzetten en den tachtigjarigen strijd een aanvang
+deed nemen.
+
+
+32. _Aandeel van den Frieschen Adel in het Verbond der Nederlandsche
+Edelen. (1565.)_
+
+De bovenvermelde mislukte poging, ter bekoming van godsdienst-vrijheid
+naar de behoeften des volks, was voorafgegaan door eene belangrijke
+gebeurtenis, welke vervolgens van grooten invloed was;--eene
+gebeurtenis, zóó merkwaardig, dat zij in de rij onzer vaderlandsche
+herinneringen en roemdagen eene eervolle plaats bekleedt.
+
+De talrijke en meestal zeer vermogende Nederlandsche Adel trok zich de
+belangen der ingezetenen aan. Hij zag het, hoe alom de geest des volks
+zich tegen de willekeurige handelingen des Konings omtrent den
+veranderden vorm van godsdienst-oefening aankantte, zoodat algemeene
+tegenstand, zoo geen opstand, eerlang onvermijdelijk scheen. De Edelen
+voedden dus de hoop, dat de poging van een aanzienlijk ligchaam des
+lands den Koning tot zachtere maatregelen zou bewegen, opdat daardoor de
+rust hersteld wierde. Want nog was men toen vreemd van het denkbeeld, om
+_Spanje_ tegenstand te bieden, den Koning af te zweren en dit land tot
+een onafhankelijken Staat te verheffen. Eerst later werd men daartoe
+gedrongen. Toen wilde men nog het bestaande gezag handhaven en
+beschermen, met getrouwheid aan den Koning en zijne gezagvoerders.
+Twintig Edelen, te _Brussel_ bijeengekomen, ontwierpen in 1565 een
+Verbond, aan hetwelk spoedig nog 400 edelen uit alle Nederlandsche
+provinciën toetraden, met het doel, om 's lands vrijheid te verdedigen
+en de inquisitie te keer te gaan. Tot dat einde boden zij den 5 April
+1566 der Landvoogdes, op eene plegtige wijze, een smeekschrift aan,
+waarbij zij haar eerbiedig en ernstig verzochten, den Koning tot
+verzachting van de plakkaten tegen de godsdienst en tot opheffing van de
+geloofs-vervolging te bewegen, dewijl deze blijkbaar dienden, om onrust
+en oproer te verwekken en ellende over het land te brengen. Wel
+beloofde de Landvoogdes aan dit verzoek te zullen voldoen en moderatie
+of matiging van de uitvoering der plakkaten te zullen verzoeken; doch de
+wijze, waarop dit geschiedde, en de voortduring van de vervolgingen,
+welke aan die zoogenaamde _moderatie_ den bijnaam van _moorderatie_ gaf,
+overtuigden de edelen, hoe halsstarrig de Koning weigerde aan de
+billijke wenschen zijner onderzaten te voldoen. Zelfs werd hunne
+ernstige en welgemeende poging om 's Konings eigen belang te bevorderen
+in dier voege opgevat, als ware het eene beleedigende aanmatiging; ja
+bij het aanbieden van hun verzoek werden zij door den Raadsheer VAN
+BARLAYMONT, een der voornaamste raadsmannen der Landvoogdes, schimpender
+wijze eene troep bedelaars of _geuzen_ genoemd, welken schimpnaam zij
+echter tot een eernaam en onderscheidingsleus aannamen. Vandaar, dat, na
+de mislukking van hunne edele vaderlandsche poging, welke zij miskend
+zagen, de meeste dezer adellijke personen eerlang openlijk de hoofden
+werden van den strijd voor vrijheid en regt, tegen den Koning en zijn
+misbruikt gezag (1568).
+
+ * * * * *
+
+Lang hadden de Friezen gezwegen en het slaafsche juk der overheersching
+gedragen. Welkom was hun dus de gelegenheid, om blijken te geven van
+hunne zucht, om het belang des vaderlands krachtig te bevorderen. Toen
+drie afgevaardigden dier Edelen te _Leeuwarden_ kwamen, om den Frieschen
+Adel tot deelneming op te wekken, vonden zij, onder bescherming der
+Staten, hier zóó veel bijval, dat 108 Edelen, waaronder vele leden der
+regeringen van de steden en grietenijen, het Verbond teekenden en zich
+bereid verklaarden, de willekeur des Konings te helpen tegenstaan. Een
+getal, hetwelk, in vergelijking der 420 leden van het verbond uit al de
+17 Nederlandsche provinciën te zamen, zeker zeer aanzienlijk was, en
+blijk gaf, welk eene vrijheidszucht en moed de Friezen bezielde.
+Vruchteloos waren echter hunne eerste pogingen ter bekoming van
+verzachtende maatregelen. Evenzeer mislukte de poging, om vrijheid van
+godsdienst te bekomen: want nadat de hervorming te _Leeuwarden_ weder
+onderdrukt was, drong de Stadhouder AREMBERG bij de Staten aan, dat zij
+het Verbond der edelen zouden ontbinden, en dat deze zelfs den Koning om
+vergiffenis moesten smeken, dewijl zij anders het ergste hadden te
+vreezen. Doch de Staten waren evenzeer als de edelen voor geene
+bedreigingen meer vervaard. Dit blijkt uit het fiere en krachtige
+antwoord, hetwelk zij den Stadhouder deden toekomen in deze, voor die
+dagen, hoogst opmerkelijke woorden: »_dat zij, voor zich en de
+bondgenooten, alles goedkeurden, wat gedaan of gezegd was, en dat zij,
+noch uit gunstbejag, noch uit vrees, van hunne regten afstand zouden
+doen, maar liever een opmerkelijk voorbeeld van standvastigheid in het
+handhaven van 's lands vrijheden wilden geven, al moesten zij het ook
+met den dood bekoopen._"
+
+Zulk eene taal van de vertegenwoordigers des volks tegen den uitvoerder
+der bevelen eens dwingelands getuigde van een verheven moed en
+heldengeest, welke de aanzienlijksten des lands en velen dier verbondene
+edelen doordrong. Want al moest ook een aantal hunner met vele
+geestelijken en burgers in 1567, na het terugkeeren van AREMBERG en de
+komst van den wreeden Hertog van ALVA, vlugten, om de vervolgingen te
+ontgaan,--met den volgenden jare 1568 zien wij hen den strijd aanvangen
+tegen het misbruikte oppergezag en roemrijke daden verrigten. Toen
+toonden zij weder der Friezen oude moed en trouw, en hunne
+voorvaderlijke zucht voor vrijheid en onafhankelijkheid. Toen dachten
+zij vol moed en hoop:
+
+ _Geen bloed kan glorierijker vloeijen,
+ Dan 't geen het Vaderland bevrijd._
+
+En hiervoor hadden ze alles over, in de heilige overtuiging:
+
+ _Want, waar de Vrijheid is verloren,
+ Is 't Vaderland een ijdle naam_[123].
+
+ [123] ONNO ZWIER VAN HAREN, _de Geuzen_. Zie daarover _Aant. 20_.
+
+ * * * * *
+
+Al de personen te noemen, die deelnamen in dezen strijd, die goed en
+bloed waagden, om de vrijheid des vaderlands te herstellen, is hier niet
+mogelijk. Maar wij mogen de namen niet verzwijgen van hén, die door
+ijver en bekwaamheid de goede zaak het meest bevorderden, of die in de
+gelegenheid waren door grootsche bedrijven uit te munten. WYBRAND VAN
+AYLVA, Olderman van _Sneek_, en HESSEL VAN AYSMA, Raadsheer in het Hof,
+wisten, in vereeniging met JULIUS en SYDS VAN BOTNIA en GEMMA en UPCO
+VAN BURMANIA, door raad en daad met onwrikbare trouw de verdrukking
+tegen te staan. Aan JAN BONGA, JELLE EELSMA en WYBE VAN GROVESTINS
+gelukte het, zoowel te land als ter zee, den vijand afbreuk te doen.
+HOMME VAN HETTINGA verkocht zijne eigene bezittingen, om krijgsvolk aan
+te nemen, waarmede hij de Spaanschen bestreed, waarna hij _den Briel_
+hielp innemen, en van zijne vrijheidsliefde even groote bewijzen gaf als
+zijn broeder, TIETE, die, toen hij uit _Friesland_ moest wijken, in 1575
+met 200 zijner landgenooten bij _Wormer_ in _Noord-Holland_ ruim 1300
+Spanjaarden en Duitschers bestreed en overwon. Even als zij, trachtten
+HARING en HARTMAN VAN HARINXMA, aan het hoofd van vele ingezetenen van
+_Wymbritseradeel_, in 1572 de Friesche steden voor Prins WILLEM _van
+Oranje_ te verzekeren. Reeds hadden zij _Slooten_ ingenomen, toen zij in
+gevecht geraakten met de talrijker oude benden van ROBLES, waarbij
+HARTMAN de regterarm aan stukken werd geschoten, hoewel hij moeds genoeg
+had, om, zonder eenig blijk van pijn te geven, het vaandel met de
+linkerhand aan te vatten en de zijnen kloekmoedig tot den strijd te
+blijven aanvoeren[124]. Vier broeders uit het geslacht VAN EYSINGA
+muntten door liefde voor vrijheid en godsdienst uit, en getroostten zich
+daarvoor groote opofferingen en ballingschap. SJOERD VAN BEYMA en
+HARTMAN GALAMA stelden zich door kloeke bedrijven aan eene vervolging
+bloot, welke hen, op de Zuiderzee met hulp van verraad gevangen genomen,
+te _Brussel_ op een schavot het leven deed verliezen. HARING VAN GLINS,
+WILCO VAN HOLDINGA, DOUWE VAN HOTTINGA en zoo vele anderen trotseerden
+moedig velerlei gevaren en worden als bevorderaars der vrijheid met eere
+genoemd.
+
+ [124] Dit verhaalt zelfs de Spaanschgezinde Raadsheer CAROLUS, _de
+ rebus Casparis â Robles in Frisia gestis_, Leov. 1731, 56. "Hoe zou
+ iets van dien aard (zegt VAN KAMPEN, _Vaderl. Karakterkunde_, I 345)
+ de wereld doorklinken, wanneer het door een' _Spartaan_ was verrigt!
+ Doch zulke daden hadden bij ons plaats, zonder, gelijk te _Sparta_,
+ door de opoffering van alle menschelijk gevoel, beschaving en
+ handelverkeering met andere volken te worden gekocht."
+
+Doch niemand dezer overtrof in grootmoedigheid en bekwaamheid hun aller
+hoofd en sieraad, den edelen ~DUCO MARTENA~, die, zonder vrees voor
+gevaar, de regten des volks bleef handhaven; die, als staatsman en held,
+in raadzaal en strijd, zoowel te land als ter zee, te midden der
+hevigste vervolging, met raad en daad zijn vaderland diende, en al zijne
+bezittingen, ja zelfs die van twee zijner broederen, door hem geërfd,
+voor de zaak der vrijheid opofferde. Als lid van Gedeputeerde Staten
+handhaafde hij het uitsluitend regt der inboorlingen tot de regering,
+stuitte de geweldige maatregelen van ALVA, en poogde door voorspraak de
+gevangene bondgenooten te doen loslaten. Hoe hoog de nood ook klom, hij
+bezweek niet, maar werd voor _Friesland_, wat Prins WILLEM _van Oranje_
+voor het fel bestredene _Holland_ en andere provinciën was: de kracht,
+de steun, de hulp van den onder ALVA zoo diep gezonken staat. Die Prins
+werd zijn vriend en beschermer, welke hem, toen hij eindelijk
+_Friesland_ moest verlaten, als Admiraal het opperbevel over eene vloot
+op de Zuiderzee toevertrouwde. Blakende van liefde voor het land en de
+goede zaak, evenaarden zijn beleid en dapperheid de trouw en
+voorzigtigheid, waarmede hij ook later, in zijn vaderland teruggekeerd,
+den jeugdigen staat hielp opbouwen, zoodat aan zijne daden en deugden de
+verlossing des vaderlands voor een groot deel werd toegeschreven.
+(_Aant. 20._)
+
+Nooit mogen wij Friezen onze verpligting aan den edelen MARTENA en zijne
+medeverbondene edelen vergeten! Met eere mogen de namen van deze helden
+der vrijheid steeds genoemd worden: want onbegrijpelijk veel hebben zij
+doorgestaan, verrigt en opgeofferd, toen de willekeur der Spaansche
+overheersching zich de wreedste vervolging van personen en huisgezinnen,
+de verbeurt-verklaring van goederen en allerlei kwellingen veroorloofde:
+omdat, zij de vrijheid verlangden, om den zelfden God en Heer op eene
+andere wijze te vereeren dan de Koning van _Spanje_ wilde toestaan. Doch
+gelukkig, dat, na het doorstaan van al die rampen, eindelijk de
+overwinning volgde, welke ook de Friezen weder deed deelen in het
+voorregt van het bezit der vrijheid en onafhankelijkheid, welke men op
+hoogeren prijs had leeren schatten, naarmate de verkrijging moeite en
+opofferingen had gekost. Vooraf echter moest er nog veel geleden en
+gestreden worden.
+
+
+33. _Herstelling van de Friesche Zeeweringen onder Caspar de Robles.
+(1574.)_
+
+Te midden der verschrikkingen van den oorlog trof _Friesland_ bovendien
+eene ramp, welke groote nood en schade veroorzaakte. Zij had evenwel
+heilzame gevolgen voor de toekomst, en het is dáárom, dat wij ons
+verpligt achten, hierbij in het bijzonder stil te staan.
+
+Een hevige storm en daarop gevolgde watervloed, zoo ontzettend als ooit
+eenige deze landen trof, teisterde, op den 1 November 1570, alle aan de
+Noordzee gelegene landstreken. Met geweld op de Friesche dijken
+inbrekende, rees het water 10 à 12 voeten hoog op de landen, zoodat
+bijna het gansche gewest eene woeste zee gelijk scheen. Duizenden
+menschen verloren het leven: alléén in _Oost-_ en _West-Dongeradeel_
+kwamen er 2600 personen om. Een schat van vee, granen en andere
+levensmiddelen werd met een aantal gebouwen eene prooi van den vloed,
+die de zeedijken zoodanig had vernield, dat zij op sommige plaatsen
+geheel weggeslagen waren. Het land stond dus open voor de zee, die dan
+ook in de eerstvolgende jaren bij de minste verheffing van wind en vloed
+op nieuw de velden overstroomde. Dit alles, gevoegd bij verarming,
+duurte, hongersnood en oorlog, voerde de ellende der ingezetenen ten
+top, en schenen de krachten te falen, om die verliezen te boven te
+komen, en inzonderheid, om de zeedijken te herstellen, ten einde dit
+land duurzaam voor dergelijke rampen te beveiligen[125].
+
+ [125] Zie het officieele verhaal in het _Charterb._ III 847, 865;
+ WINSEMIUS, 550; OUTHOFS, _Watervloeden_, Embden 1720, 508, 535; VAN
+ LEEUWEN, _Watervloed_, Inl. XXXV.
+
+Geen gedeelte had meer geleden dan de Vijfdeelendijk, van _Dijkshoek_
+langs _Harlingen_ naar _Makkum_, en wel mede om deze reden, dat het
+onderhoud daarvan sedert lang het meest verwaarloosd was geworden, ten
+gevolge van langdurige en hevige geschillen, voornamelijk tusschen de
+ingezetenen, die buiten en binnen den Slagtedijk woonden over het
+aandeel, dat ieder hunner in het onderhoud zou hoeden. De eersten, de
+aan zee gelegene Grietenijën, verlangden daartoe meerdere hulp van de
+laatsten, ja zelfs ondersteuning ook van andere deelen van _Friesland_,
+voor welke de zeedijken van even groot belang waren. Reeds in 1533
+hadden de Stadhouder en het Hof in dit geschil eene beslissing gegeven,
+door bij Arbitrament te bepalen, door wie en op welke wijze de zeedijken
+zouden worden onderhouden[126]. In weerwil daarvan bleek het echter, dat
+de Binnendijksters niet waren te bewegen, om den Buitendijksters de
+meerder verlangde hulp te verleenen, en zoo bleef eene algemeene
+herstelling onuitgevoerd en het land steeds in groot gevaar verkeeren.
+
+ [126] Zie deze stukken in het _Charterboek_, II 627, 628 env.
+
+De herstelling of wel bijna geheele vernieuwing van dezen dijk was
+echter nu een dringend vereischte. De Buitendijksters, die de kosten
+daarvan op 300,000 Gld. begroot hadden, klaagden hunnen nood aan den
+Koning. Namens dezen bepaalde de Landvoogd ALVA in Augustus 1571, dat,
+tot vinding van die som, 40,000 Gld. zou worden omgeslagen over die
+deelen van dit gewest, welke weinig of geene dijken hadden te
+onderhouden, en dat de overige kosten door de Buiten- en Binnendijksters
+gelijkelijk zouden worden gedragen. Daar de laatste hierover vooraf niet
+waren gehoord, namen zij in deze beslissing geen genoegen, terwijl ook
+_Oostergoo_ zich tegen dien omslag verzette. ALVA vond dus goed, den 27
+October en 8 November 1571 deze uitspraak te schorsen, en, na een nader
+onderzoek, de beslissing op te dragen aan den Stadhouder, _Graaf van
+Megen_, met eenige Raden van _Overijssel_. Dan deze, reeds kort daarna,
+den 7 Januarij 1572, overlijdende, werd den 15 Maart dit onderzoek en
+die beslissing opgedragen aan CASPAR DE ROBLES, _Heer van Billy_, aan
+het hoofd eener commissie van Raadsheeren en Dijkgraven uit andere
+provinciën.
+
+ROBLES was destijds Kolonel van een regiment Waalsche knechten te
+_Groningen_. Portugees van geboorte, aan het Hof van KAREL V opgevoed,
+vereerd met het vertrouwen der Landvoogdes, die hem zelfs naar _Madrid_
+zond, om verzachting van de plakkaten te bewerken, was hij in 1569 te
+_Groningen_ gekomen, en had hij zoowel blijken gegeven van gestrengheid
+en ijver voor de zaak des konings, als van menschlievendheid ter redding
+en verzorging van allen, die door den Allerheiligenvloed ongelukkig
+waren geworden. Zoo men wil, bragt hij zelfs te _Brussel_ te weeg, dat
+de soldij zijner krijgsknechten van daar werd overgemaakt, en dat
+_Friesland_ en _Groningen_ een jaar lang van schatting ontheven werden,
+omdat hunne krachten naauwelijks toereikende waren om de geledene schade
+aan hunne zeeweringen te herstellen. Veler achting viel hem daardoor ten
+deel, bij al de strenge maatregelen, welke hij op bevel van ALVA moest
+nemen, om het Spaansche gezag te schragen. Kort na zijne overkomst in
+_Friesland_ (in April 1572) zag hij zich als Luitenant des nieuwen
+Stadhouders GILLIS VAN BARLAYMONT, _Heer van Hierges_, benoemd, en in
+het laatst des volgenden jaars (1573) in diens plaats tot Stadhouder en
+Kapitein-Generaal aangesteld. Hierdoor kwam hij nog beter in de
+gelegenheid, om zich van zijnen belangrijken last te kwijten[127].
+
+ [127] Zie al de stukken in het _Charterb._ III, 869, 876, 884, 891,
+ 894, 902 env.; CAROLUS, 235; KOK, _Vaderl. Woordenb._ 24e dl. 309.
+
+Nadat hij zich naar _Harlingen_ begeven en zich overtuigd had van den
+deerlijken toestand der meest weggeslagen dijken, was zijn besluit
+genomen, om krachtdadige middelen tot herstel aan te wenden, om allen
+tegenstand moedig het hoofd te bieden, en de onwilligen zelfs met geweld
+tot de uitvoering te dwingen. Na lang oponthoud, mede ten gevolge zijner
+geweldige maatregelen om 's konings gezag te handhaven tegen de pogingen
+der edelen, om _Friesland_ onder het gezag van Prins WILLEM te brengen,
+was de zaak zoo veel vooruitgegaan, dat in December 1572 de Binnen- en
+Buitendijksters beide al hunne geschillen en processen opdroegen aan
+ROBLES en eene andere commissie van Raadsheeren, belovende zich aan de
+uitspraak van deze arbiters te zullen onderwerpen. Hierop werd de
+goedkeuring van ALVA ontvangen en die uitspraak den 7 Augustus 1573
+gegeven. Daarbij werd, met afwijking van het arbitrament van 1533,
+vastgesteld, dat de zeedijk van _het Bildt_ tot _Makkum_ voor de helft,
+tot omstreeks _Harlingen_, door de Binnendijksters, en voor de
+wederhelft door de Buitendijksters zou worden gemaakt en onderhouden.
+Deze uitspraak werd in naam des Konings den 4 September door ALVA
+goedgekeurd, en daarna afgekondigd, om spoedig ten uitvoer gelegd te
+worden[128]. In het volgende voorjaar trok men met ijver aan het werk,
+nadat ROBLES en zijne Raden den 25 Maart 1574 bij eene uitvoerige
+ordonnantie had bepaald hoedanig het werk ingerigt, verdeeld en bestuurd
+zou worden. De dijk van vijf uren gaans lengte moest eene hoogte bekomen
+van 12 voet, met een beloop van 5 roede aan de zeezijde en 3 roede aan
+de landzijde, en eene kruin van 6 voet breedte. Het geheele werk werd
+verdeeld in elf perceelen. Aan ieder perceel werkte 300 man, welke
+onder het opzigt stonden van een kapitein, een schrijver of opzigter en
+12 rotmeesters. De werkuren waren gesteld van 's morgens 5 tot 's avonds
+6 uur; de drie schofturen daar tusschen werden door het uitsteken van
+een vaandel uit den toren van _Harlingen_ aangewezen. Een half uur
+bezuiden die stad werd een geheel nieuwe inlegger gemaakt, welke nog de
+_Kornels-dijk_ genoemd wordt. Ter bevordering van orde en gezag onder
+zoo groote menigte werklieden, waren daarbij strenge bepalingen gemaakt.
+Zelfs wil men, dat er eene galg op den dijk geplaatst was. ROBLES zelf
+hield naauwlettend toezigt en allen in bedwang door de vrees voor zijn
+ongenoegen en de bedreigde straffen.
+
+ [128] _Charterb._ III 909, 919, 931, 940, 946, 948, 958, 966, 979.
+
+Schoon het werk voorspoedig voortging, kon het echter dat jaar niet
+worden voltooid. Na het nemen van de noodige voorzorgen tegen den
+winter, werd het in het volgende voorjaar hervat en in den zomer van
+1575 geheel volbragt, waarna er nog een aantal hoofden, kisten en
+kribben van paalwerk werden aangebragt tot bescherming van den dijk en
+het breken van den golfslag. In den volgenden jare werd ter gedachtenis
+dezer zoo wél volbragte onderneming en ter eere van den wakkeren
+Stadhouder, als grenspaal tusschen de beide perken van onderhoud, op den
+dijk nabij _Harlingen_ een gedenkteeken opgerigt, waarvan de vier
+opschriften den tijd der stichting en de namen der stichters
+vermeldden[129].
+
+ [129] Zie deze opschriften en eene afbeelding van dezen _Terminus_ of
+ zoogenaamden _Steenenman_ bij WINSEMIUS, 588 en op de Friesche kaarten
+ van SCHENK en HALMA; FOEKE SJOERDS, _Beschrijv._ I 112, _Tegenw.
+ Staat_, III 594, IV 309; KOK, _Vad. Woordenb._ 24e dl. 314. Dit
+ gedenkteeken, in de vorige eeuw verloren geraakt, is in 1776 op kosten
+ van den Dijkgraaf, KAREL GEORG Grave VAN WASSENAER TWICKEL, in vorigen
+ vorm hersteld. Later zijn de beide oude koppen teruggevonden, en door
+ Jhr. I. ÆBINGA VAN HUMALDA bewaard op een gemetseld voetstuk in den
+ tuin van _Burmaniahuis_ te _Leeuwarden_. De steen met het latijnsche
+ hoofdopschrift der westzijde is in Mei 1851 teruggevonden, onder in
+ een muur gemetseld, bij gelegenheid der vergrooting van de buitenhaven
+ van _Harlingen_.
+
+Daar gelijktijdig ook de noordelijke zeeweringen dezer provincie werden
+hersteld, zoodat er in 1574 enkel aan die van _West-Dongeradeel_ van 12
+tot 1500 man werkten; daar er ook omtrent de zuidelijke zeedijken
+schikkingen tot verbeterd onderhoud werden gemaakt, en vermits de naam
+van het _Caspar-Robles-diep_ nog aanwijst, dat dit kanaal, tusschen het
+Bergumermeer en de Lauwers, ter bevordering eener betere gemeenschap met
+_Groningen_, door hem mede is tot stand gebragt,--zoo zien wij in dit
+alles met genoegen de blijken van hetgeen de standvastigheid en
+welberaden moed van ROBLES binnen zoo weinige jaren in _Friesland_ tot
+duurzaam heil des lands mogt tot stand brengen. In het zelfde jaar, dat
+het gedenkteeken werd opgerigt, verkeerde echter de kans, werd hij door
+zijn krijgsvolk gevangen genomen, te _Leeuwarden_ op het Blokhuis een
+tijdlang in bewaring gehouden, waarna hij in 1585 voor _Antwerpen_
+omkwam. Zijn naam en gedachtenis zijn echter bij elken Fries in gezegend
+aandenken gebleven, en gaarne zeggen wij den dichter na[130]:
+
+ [130] VAN HALMAEL, _Lied_. Zie bladz. 57 hier vóór.
+
+ _Daar staan zij, de reuzen, aan 't bogtige strand,
+ En houden de zee in den toom en aan band,
+ Bespotten, trotseren haar woede.
+ Slechts weinigen houden, bij dag en bij nacht,
+ Bij hen, bij die redders, die dwingers, de wacht;
+ Wij slapen gerust op hun hoede._
+
+ _Die reuzen van dijken, wie heeft ze gesticht?
+ Wie heeft ze in geledren en reijen gerigt,
+ Zoo als zij ons =Friesland= omgeven;
+ Een vijand, een dienaar des wreedsten tirans;
+ Maar eere zij hem, en de naam dezes mans
+ Blijv' hier, in ons harte, steeds leven._
+
+
+34. _Strijd en Zegepraal der Vrijheid en der Hervorming. (1568-1580.)_
+
+Onder afwisseling van voor- en tegenspoed, hadden de Friezen nog een
+hevigen strijd door te staan, vóór ze van hun verzet tegen _Spanje_
+eenige gewenschte vrucht zagen. In plaats van de verlangde verzachting
+van de maatregelen tegen de verandering in de godsdienst, zond de Koning
+den Hertog van ALVA in 1567 naar _Nederland_, om het volk met geweld tot
+het oude kerkgezag terug te brengen. Daartoe strekte ook de benoeming
+van CUNERUS PETRI tot Bisschop van _Leeuwarden_, die den 1 Februarij
+1570 zijne plegtige intrede deed, de kerk van _Oldehove_ tot
+Bisschoppelijke kerk wijdde, en hier en door de gansche provincie het
+pausdom en kerkelijk gezag in vollen luister verhief. Deze dwangmiddelen
+waren de Friezen zeer tegen de borst, en toen in dat zelfde jaar 1570 de
+hier vóór gemelde verschrikkelijke watervloed alom nood en dood
+verspreidde, de welvaart kwijnde, de vrees voor 's konings wraak toenam
+en de toekomst niets dan ellende spelde, beheerschte in _Friesland_ eene
+diepe verslagenheid aller gemoederen.
+
+Want nadat in 1568 de strijd was begonnen en de Stadhouder AREMBERG in
+den eersten slag tegen LODEWIJK _van Nassau_, bij _Heiligerlee_ in
+_Groningerland_, was gesneuveld, werd deze laatste daarna door ALVA bij
+_Jemmingen_, nabij de Eems, geheel verslagen. Een aantal der
+voornaamste Friezen verkeerde in ballingschap. Veler bezittingen werden
+verbeurd verklaard. Van niemand had men hulp te wachten. Er scheen dus
+weinig hoop te zijn op het welslagen van den strijd. Doch onze vaderen
+verflaauwden niet, en vertrouwden op de hulp van God, dien zij in stilte
+vereerden en om redding smeekten. Zijn zegen toch kon niet rusten op de
+wreede dwangmiddelen der Spaanschen, die de heiligste regten des volks
+en de voorschriften van godsdienst en menschlijkheid schonden, ja met
+voeten traden. Eindelijk kwam er dan ook van de zijde der zee eenige
+uitkomst opdagen. Reeds lang hadden JAN BONGA, Grietman van
+_West-Dongeradeel_ en anderen met een aantal schepen invallen op de
+Friesche kust gedaan, om enkele plaatsen op de Spanjaarden te veroveren,
+toen het gerucht der inneming van _den Briel_ (1 April 1572) aller hoop
+versterkte, dat de dag der verlossing spoedig zou aanbreken. Nadat
+onderscheidene steden van _Holland_ Prins WILLEM _van Oranje_ waren
+toegevallen, deed deze ook pogingen, om de voornaamste Friesche steden
+te winnen, en op zijne zijde te brengen. DUCO MARTENA en andere edelen
+spanden daartoe kloekmoedig hunne krachten in, en werkelijk gelukte het
+hun, _Slooten_, _Sneek_, _Bolsward_, _Franeker_ en _Dokkum_ te
+bemagtigen. De Prins haastte zich daarom, Graaf JOOST _van Schouwenburg_
+als zijn Stadhouder herwaarts te zenden; doch deze keus was niet
+gelukkig, en weldra bleek het, dat al deze pogingen nog ontijdig-, en
+als de vreugde over dezen voorspoed van korten duur waren. Want sedert
+AREMBERG'S dood was het Stadhouderschap over dit gewest opgedragen aan
+KAREL VAN BRIMEU, _Graaf van Megen_[131], en daarna aan GILLIS VAN
+BARLAYMONT, _Heer van Hierges_, die te gelijk ook over de andere
+noordelijke provinciën waren gesteld. Gedurende hunne afwezigheid werd
+het gezag hier waargenomen door SEGHER, _Heer van Groesbeeck_ en CASPAR
+DE ROBLES, als hunne plaatsvervangers, te gelijk met het te _Leeuwarden_
+gevestigde _Hof van Friesland_, dat sterk Spaanschgezind was. Nog vóór
+laatstgenoemde werkelijk Stadhouder werd, gelukte het hem, al de reeds
+ingenomene plaatsen te herwinnen en andere te versterken, zoodat de
+bondgenooten op nieuw eene teleurstelling moesten ondervinden in de
+herstelling van het Spaansche gezag.
+
+ [131] Over dezen zijn onlangs bijzondere berigten medegedeeld in zijne
+ betrekking als Stadhouder van _Gelderland_, in NIJHOFF'S _Bijdragen_,
+ VII 262. Zie over ROBLES het Tijdr. Overzigt der Vorsten hier achter,
+ en in het bijzonder VAN METEREN, _Hist. der Ned._ Amst. 1647, 112^o;
+ REINICO FRESINGA, van _Franeker_, _Memoriën_, in DUMBAR, _Analecta_,
+ Dav. 1722, III 10; _Charterb._ V 1062; _Register op de
+ Staats-resolutiën_, 186.
+
+Eerlang echter neigde dat gezag ten ondergang: want met den jare 1576
+verkeerde de kans, ten gevolge van een zamenloop van verscheidene
+omstandigheden. Toen het misnoegen der ingezetenen ten top was gestegen,
+en de _Prins van Oranje_ zelfs de zaken des lands als wanhopig
+voorstelde, stierf ALVA'S opvolger, Don LOUIS DE REQUESENS, sloegen de
+Spaansche soldaten aan het muiten, werd de Stadhouder ROBLES door zijn
+eigen krijgsvolk te _Groningen_ gevangen genomen, en verbonden
+verscheidene provinciën zich tot een verdrag, om gezamenlijk de
+staatkundige en godsdienstige vrijheid te verdedigen, de Spaansche
+benden te verdrijven en de vervolgingen te doen ophouden.
+
+Dit verdrag, de Bevrediging of _Pacificatie van Gent_ genaamd, had
+groote gevolgen. De eendragtige wil der landzaten versterkte de magt en
+den moed, om _Spanje_ te weêrstaan. Al de vroeger gevlugte ballingen
+kwamen terug. De uitoefening van de Hervormde godsdienst werd niet meer
+gestraft of gehinderd. De Raad van State, te _'s Gravenhage_ gevestigd,
+zette de goede zaak door, en zond GEORG VAN LALAING, later _Graaf van
+Rennenberg_ genaamd, als Stadhouder naar _Friesland_. De Bisschop van
+_Leeuwarden_ werd door hem gevangen genomen en verwijderd. Na de _Unie
+van Brussel_ (1577) werd in 1578 door den Landvoogd, Aartshertog
+MATTHIAS, de zoogenaamde Godsdienst- of _Religions-vrede_ afgekondigd,
+waarbij vrijheid van godsdienst voor Hervormden en Roomschen beide werd
+toegestaan, zoodat de eersten hier op vele plaatsen kerken bekwamen en
+openlijke godsdienst-oefeningen hielden.
+
+Doch dit alles was niet genoeg; men wilde meer. Men had zoo lang en zoo
+veel van de heerschzucht der Spanjaarden en Geestelijken geleden, dat
+men, toen het meerendeel der ingezetenen blijken gaf der hervorming
+toegedaan te zijn, verlangde van de Spaanschen en Roomschen geheel
+ontslagen te worden. Onmogelijk was dit, zoo lang de blokhuizen of
+kasteelen der steden _Leeuwarden_, _Harlingen_ en _Stavoren_ nog met
+Spaansche benden bezet bleven, dewijl, bij het minste blijk van opstand,
+het geschut dezer sterkten die steden groote schade kon aanbrengen. Deze
+~moesten~ dus veroverd worden, en hiertoe kreeg men meer moed na het
+sluiten der _Unie van Utrecht_ (1579), waarbij ook _Friesland_ zich met
+de overige zes noordelijke provinciën had verbonden, om _Spanje_ te
+wederstaan, de godsdienstvrijheid te beschermen en onderling een
+vereenigden Staat uit te maken.
+
+De burgerij van _Leeuwarden_, aangevoerd door den wakkeren
+tachtigjarigen Burgemeester ADJE LAMMERTS, durfde het bestaan, op bevel
+van Gedeputeerde Staten, het Blokhuis harer stad aan te tasten en
+kloekmoedig te veroveren, waarna, door het slechten van de wallen en
+het dempen van de grachten aan de stadzijde, deze sterkte ontmanteld
+werd. Deze heugelijke gebeurtenis, welke voorviel op den 1 Februarij
+1580, bragt den Friezen verlossing aan uit de wreede tirannij van
+_Spanje_ en van het pausdom, en was dus zeer rijk in gewigtige gevolgen.
+Dadelijk haalde men te _Leeuwarden_ de monniken en verdere geestelijke
+personen uit de kloosters, en geleidde hen, onder vreugde-bedrijf, met
+trompetten en trommelen de stad uit. De kasteelen van _Harlingen_ en
+_Stavoren_ gingen insgelijks over. Men was nu de Spanjaarden meester, en
+had weldra aan den _Prins van Oranje_ de gunstige beschikking te danken,
+om 100,000 Gld. uit 's Konings domeinen te heffen, vooral tot
+versterking van de steden _Leeuwarden_, _Harlingen_, _Sneek_ en
+_Slooten_, ten einde tegen de aanvallen des vijands bestand te zijn.
+Bloedige tooneelen, welke omwentelingen doorgaans vergezellen, had men
+echter niet te betreuren, daar alles vrij bezadigd toeging. De vreugde
+was grooter dan de wraaklust[132].
+
+ [132] Zie de breedere voorstelling van laatstvermelde groote
+ gebeurtenissen, welke hier eigenlijk te beknopt zijn medegedeeld, in
+ de _Geschiedkundige Beschrijving van Leeuwarden_, I 227 env. en de
+ daarbij vermelde bronnen en schrijvers.
+
+Reeds den 31 Maart 1580 namen de Staten van _Friesland_, een besluit,
+waarbij de Roomsche eeredienst afgeschaft en verboden werd, en waarbij
+bepaald werd, dat de renten van de Geestelijke goederen der kerken
+voortaan moesten aangewend worden ten behoeve der Hervormde eeredienst,
+tot onderhoud van predikanten, onderwijzers, armen en weldadige
+instellingen. Vele priesters en kloosterlingen gingen uit eigene
+beweging tot de Hervormde kerk over. De gebouwen der vijftig in
+_Friesland_ bestaande kloosters werden meest alle verkocht en gesloopt.
+Een nieuw leven bezielde de vrije burgers van den nieuwen Staat, die nu,
+van den band der dwingelandij ontslagen, God naar hun licht en
+overtuiging mogten vereeren, vol van dankbaarheid voor zoo zegenrijke
+verlossing.
+
+Wel had men nog vele jaren te strijden tegen de Spaansche benden, daar
+het naburige _Groningen_ nog gedurende veertien jaren den Koning
+onderworpen bleef,--moedig sloeg men echter de handen in-een tot opbouw
+van een vrijen burgerstaat, die alleen het welzijn der ingezetenen
+bedoelde. Vroeger dan eenige der andere provinciën, genoot _Friesland_
+dus dit voorregt; terwijl het zijne groote verpligting erkende aan den
+edelen Prins WILLEM _van Oranje_, door ook hem tot Stadhouder aan te
+stellen, en ook hem blijken van vereering te geven, toen hij in het
+volgende jaar 1581 zelf naar _Friesland_ overkwam tot regeling van vele
+zaken des bestuurs. Daardoor vond men zich mede gesterkt, tot het nemen
+van het gewigtige besluit, om den Koning van _Spanje_ vervallen te
+verklaren van zijn regt op deze landen. Deze afzwering van den Koning
+had in Julij 1581 op eene plegtige wijze plaats, en werd het gezag en
+het bestuur des lands toevertrouwd aan de _Staten_ van iedere provincie
+en van hare afgevaardigden: de _Algemeene Staten van Nederland_, als de
+wettige overheden der vrije landzaten.
+
+ * * * * *
+
+Na veel lijden en strijden werd aldus de onafhankelijkheid des lands
+hersteld, hoewel deze niet erkend werd door den Koning, die tot 1648, en
+alzoo nog bijna 70 jaren lang, moeite deed, om dit land te herwinnen.
+Deze omwenteling in den Staat en die hervorming van de Kerk, met zoo
+veel moeite verkregen, vestigde hier een vrijen protestantschen Staat,
+wier instellingen van gunstigen invloed waren op de belangen der
+ingezetenen, zoodat zij daardoor eene groote schrede voorwaarts deden op
+den weg der volmaking, zoowel ten aanzien van hunne burgerlijke
+betrekkingen als van hunne zedelijke, verstandelijke en godsdienstige
+beschaving. Dáárom dankten de vaderen God voor zijne hulp en
+bescherming; dáárom is deze verandering, als een keerpunt in de
+geschiedenis van ons vaderland, van zoo uitstekend gewigt, en dáárom
+vereeren wij deze belangrijke gebeurtenis als eene der voornaamste
+middelen tot verheffing van ons geslacht, ter vorming van goede burgers
+en vrome Christenen. Maar, als dankbare nakomelingen, vereeren wij
+tevens der vaderen moed en edele vrijheidszucht, en stemmen wij tot hun
+lof gaarne in met het antwoord van onzen dichter WILLEM VAN HAREN[133]
+op de vraag:
+
+ [133] _Tweede Lierzang_, Harderwijk 1742, 14.
+
+ _--Waarom zijn dan toch eertijds onze Vadren,
+ Met eerlijk bloed alleen gewapend in hunne adren,
+ En zonder krijgsvolk, zonder geld,
+ Niet afgemaakt door 't Spaansch geweld?_
+
+ _Omdat hun edle ziel, langs 't pad der Eer gedreven,
+ De Godsvrucht en de Trouw meer schatte dan het leven,
+ En, door hun deugd, des Hoogsten hand
+ Deed gunstig zijn voor 't Vaderland._
+
+ _Tot hen, tot dat geslacht, het oog dan opgeheven!
+ Eene andere eeuw aanschouwd, ten voorbeelde opgegeven!
+ De aloude Dapperheid en Deugd
+ Geprent in 't hart van onze jeugd!_
+
+
+
+
+VIERDE TIJDVAK.
+
+FRIESLAND ONDER HET BESTUUR DER STATEN EN DER STADHOUDERS UIT HET HUIS
+VAN NASSAU.
+
+VAN DE HERVORMING IN KERK EN STAAT, OF DE VESTIGING VAN DE REPUBLIEK DER
+VEREENIGDE NEDERLANDEN, TOT AAN DE STAATS-OMWENTELING EN DE KOMST DER
+FRANSCHEN.
+
+_Van het jaar 1580 tot 1795._
+
+
+35. _De vestiging van den nieuwen Staat. (1580-1648.)_
+
+De omwenteling van 1580 is een hoogst belangrijk keerpunt in de
+geschiedenis van _Friesland_. De staatkundige en godsdienstige toestand
+der ingezetenen onderging daardoor toch eene verbazende verandering,
+welke van uitgestrekte gevolgen was voor de toekomst. Ligt kunnen we ons
+voorstellen, hoe groot de blijdschap was onzer vaderen over die
+verlossing van de knellende dwinglandij der Spanjaarden, en hoe zeer
+deze gepaard ging met dankbaarheid aan God voor zijne wonderbare redding
+en hulp ter bekoming der vrijheid van godsdienst en geweten, welke men
+op te hooger prijs stelde, naarmate men ze lang gezocht en ontbeerd had.
+
+Doch die vreugde werd spoedig getemperd: want verbazend groot waren de
+bezwaren, welke zich spoedig opdeden, om het verkregene te behouden en
+te verdedigen tegen een vijand, van wiens wraaklust en bloeddorst
+_Haarlem_, _Naarden_, _Zutphen_ en andere steden reeds vroeger zulke
+moorddadige tooneelen hadden opgeleverd. Immers, ALEXANDER FARNESE,
+_Hertog van Parma_, een veldheer, die ALVA in krijgskunde evenaarde en
+in staatkundig beleid en buigzaamheid verre overtrof, was met nieuwe en
+talrijke Spaansche benden in _Nederland_ aangekomen. FRANÇOIS VERDUGO,
+_Heer van Schengen_, die zijn aanzien enkel aan dapperheid had te
+danken, was als Stadhouder des Konings met tien vaandels knechten
+gezonden naar _Groningen_, ter vervanging van den afvalligen RENNENBERG,
+die de schande zijner trouwloosheid niet lang overleefde. Uit die
+krachtig versterkte stad werd het oostelijk gedeelte van _Friesland_
+bestendig bestookt; terwijl het zuidelijk gedeelte van dit gewest bloot
+stond aan de uitvallen der bezetting van _Steenwijk_, sedert deze stad
+weder in handen der vijanden was gevallen. Zulk een uitval deden de
+Spanjaarden reeds in November 1580. Met eene verbazende snelheid trokken
+zij langs de zeekust, namen de schans van _de Lemmer_ in, overrompelden
+_Slooten_ (waarbij de edele DUCO MARTENA in hunne handen viel),
+herwonnen het kasteel van _Stavoren_, overmeesterden de schans bij
+_Makkum_ en roofden, onder schrikkelijken moedwil, tot aan de poorten
+van _Harlingen_. Algemeen was de verslagenheid in den lande en groot het
+gebrek aan krijgsvolk, aan geld en leeftogt, tot voortzetting van een
+strijd, die men bijna wanhoopte te zullen kunnen volhouden. Met veel
+moeite gelukte het de Friesche benden in den volgenden jare, die
+verloren plaatsen te herwinnen[134].
+
+ [134] WINSEMIUS, 679, 684. Volgens den staat van het krijgsvolk in
+ 1579 had men in _Friesland_ voor 3000 voetknechten, 200 ruiters, 200
+ pionniers enz. de som van ruim 43,000 Gld. in de _maand_ noodig.
+ _Charterb._ IV, 115. Zulk eene krijgsmagt hadden de Friezen te
+ wederstaan en te verdrijven ter bekoming der vrijheid!
+
+Intusschen had de edele Prins WILLEM _van Oranje_, op ernstig aanhouden
+der Staten van _Friesland_, besloten, ook deze provincie als Gouverneur
+en Stadhouder in zijne bescherming te nemen. Uithoofde der afgelegenheid
+en veelvuldige andere zorgen, benoemde hij BERNARD VAN MERODE, _Heer van
+Rummen_, hier tot zijn Luitenant of Plaatsbekleeder, doch kwam in April
+1581 zelf met zijne gemalin, CHARLOTTE VAN BOURBON, in _Friesland_, om
+orde te stellen op vele zaken der regering. Te _Harlingen_ aan wal
+gekomen, werd hij, algemeen als Vader des vaderlands vereerd, te
+_Leeuwarden_ op eene luisterrijke wijze ingehaald. Op een buitengewonen
+landsdag handelde hij met de Staten over vele zaken, en schreef, bij
+eene uitvoerige Ordonnantie, die wijze van regering, justitie, politie
+en beleid van het krijgswezen voor, welke hem op dat oogenblik de beste
+voorkwam[135]. Te kort echter was zijn verblijf, dan dat zijn invloed
+duurzaam heilzame gevolgen mogt hebben: want hoog waren toen reeds de
+verschillen gerezen tusschen de leden der regering over de mate en de
+grenzen van het gezag.
+
+ [135] WINSEMIUS, 689, 697; _Charterboek_ IV, 241.
+
+Bij de _Staten_ des lands of de Volmagten der grietenijën en steden toch
+berustte nu de oppermagt of de souvereiniteit. Deze hadden acht personen
+(twee uit ieder Goo en uit de Steden) benoemd tot hunne _Gedeputeerden_,
+aan wie met den Gouverneur of Stadhouder de uitvoerende magt en het
+dagelijksch bestuur van zaken was toevertrouwd: »bezonderlinge om
+voortaen te procederen tot grondelycke Evangelische Reformatie, soo wel
+in den saeken van den waren Religie, als de vervallene Politye over het
+gantsche Lant"[136]. Doch deze magt was, te gelijk met het beleid van de
+justitie, vroeger uitgeoefend door het _Hof van Friesland_, dat nu nog,
+bij voortduring, hetzelfde gezag wilde uitoefenen, ook ten aanzien van
+het burgerlijk bestuur. Deze Provinciale Raden, welke zoo lang even
+Spaanschgezind als de Gedeputeerden Staatsgezind waren geweest, werden
+in hunne vorderingen ondersteund, door de afgevaardigden der _Steden_,
+die nu, bij de verandering van regeringsvorm, even als de drie
+Gooën, bij het stemmen op de landsdagen een afzonderlijk kwartier
+wilden uitmaken. Zij eischten zelfs meer: want, daar eertijds de
+vertegenwoordiging had bestaan uit de Prelaten of de Roomsche
+Geestelijkheid en de Edelen en Eigenerfden, zoowel van het platteland
+als uit de steden, zoo verlangden zij nu, na het vervallen van het
+eerste staatslid (de Geestelijkheid), dat de steden evenveel
+afgevaardigden ten landsdage zouden zenden als het platteland. Het Hof
+ondersteunde die eischen, werkte met de steden de Gedeputeerden tegen,
+die door de Staten beschermd werden, en zoo was er bestendige twist en
+verdeeldheid onder al de leden der landsregering, met eene hevigheid,
+welke het algemeen belang met groote schade bedreigde[137]. Zoo
+verspilde men tijd en krachten, welke men zoo hoog noodig had tot
+regeling van de algemeene belangen en het bestrijden van een vijand, die
+nog bestendig een gewest bedreigde, waarbij hij, voor het behoud van
+geheel het noordelijk _Nederland_, zoo veel belang had. Vele staatsleden
+ijverden voor hunne meening uit zucht voor het algemeene welzijn, welke
+zich in de zelfde mate ontwikkelde, als zij zich boven de verdrukking
+had weten te verheffen; bij anderen was gehechtheid aan het oude in
+strijd met de nieuwe vormen en eischen van het oogenblik; doch er waren
+ook, die, uit eer- en heerschzucht, minder het algemeen dan hun eigen
+belang voorstonden; ja zelfs, die, wanhopende op den goeden uitslag, nog
+met _Spanje_ heulden. Zoo wilden ook de in welvaart en magt toegenomene
+steden gebruik maken van de gelegenheid ter bekoming van meer gezag in
+den Staat, en liet _Leeuwarden_ zich vooral krachtig gelden en veel
+voorstaan op de eer, dat het, als de grootste en sterkste stad des
+lands, de eerste geweest was, die de reformatie in kerk en staat had ten
+uitvoer gelegd. De onderlinge verbittering steeg zelfs zóó hoog, dat de
+Gedeputeerden _Leeuwarden_ verlieten en in 1584 en 1585 hunne
+vergaderingen en de landsdagen te _Franeker_ hielden[138].
+
+ [136] _Charterboek_, IV 235; STELLINGWERFF, _Politycq Discours_, 32.
+
+ [137] Zie het uitvoerig verhaal deswege in VAN REYD, _Nederl.
+ Oorlogen_, 61, en WINSEMIUS, 689, 714 env., benevens de verdere
+ ontwikkeling hiervan in de eerste _Aanteekening_ achter het 2e deel
+ mijner _Geschiedkundige Beschrijving van Leeuwarden_, 407 en de daar
+ aangehaalde schrijvers.
+
+ [138] Ook om deze reden werd in die jaren de Lands Akademie te
+ _Franeker_, en niet te _Leeuwarden_, opgerigt.
+
+Zoodanig was de toestand van _Friesland_ ten aanzien der regering, toen
+de vijand in 1583 op nieuw een inval in _Westergoo_ deed, roovende en
+brandende door _Oostergoo_ trok en zelfs de omstreken verontrustte van
+_Leeuwarden_, dat nog bezig was, zijne vestingwerken te versterken en
+uit te breiden. Gruwelijke mishandelingen en moorden kenmerkten zijne
+schreden. In allerijl werden de onverhoeds overvallene en verslagene
+ingezetenen opgeroepen, om die benden tegen te staan en ten lande uit te
+drijven[139].
+
+ [139] WINSEMIUS, 713; SCHOTANUS, 915.
+
+In deze »benaude gestaltenisse" des lands trachtte men vooral de grenzen
+zoo veel mogelijk te beveiligen, door het versterken van de oude en het
+opwerpen van nieuwe ~Schansen~ op een aantal plaatsen. Van tijd tot tijd
+werd dit getal vermeerderd, zoodat _Friesland_, buiten de versterkte
+steden, eerlang met eene zoom van kleine vestingen was omgeven. Aan de
+oostzijde werden daartoe _Oostmahorn_, _Munnekezijl_ en _Kollum_
+versterkt en _de Friesche palen_, _Zwartedijk_ en _Bredenberg_
+aangelegd. Tot verdediging van de zuidelijke grenzen werden de schansen
+_Bekhof_, _Slijkenburg_ en _de Blesse_ opgeworpen en die van _de
+Lemmer_, te _Hindeloopen_ en te _Sotterum_ bij _Makkum_ sterker gemaakt.
+Ook binnen in het land, te _Oldeboorn_, _Joure_, _Rottum_, _Terband_ en
+_Oudeschoot_, werden schansen gelegd, om den vijand den doortogt te
+verhinderen of die plaatsen te beschermen[140].
+
+ [140] WINSEMIUS, 705, 765, 833, 836; VAN REYD, 64, 152, 206. Bovendien
+ werd er in vele dorpskerken eene bezetting van 30 à 40 soldaten uit
+ het veldleger gelegd tot bescherming van het platteland. In andere
+ kerken hielden de ingezetenen dag- en nachtwachten.
+
+ * * * * *
+
+Bij dit alles was het duidelijk gebleken, dat het _Friesland_ aan een
+geschikt en krachtvol ~hoofd~ ontbrak, hetwelk zoowel de twistende
+regeringsleden als den nog onverslagen vijand wist te bedwingen, en dat
+tevens schrander genoeg was, om partij te trekken van den gelukkigen
+toestand, waarin de Friezen zich, in de hoofdzaak, bevonden. De
+Stadhouder MERODE toch was daartoe te oud en te zwak, en had te weinig
+invloed, om zich te doen gelden. Er werd een jonger en moediger man
+vereischt, om in het krijgswezen op alle punten te voorzien, en om de
+fiere en onbuigzame gemoederen te leiden van die staatsleden, welke,
+prat op de herkrijging van de zoo lang ontbeerde vrijheid, nu geen
+stroobreed wilden afstaan van hun regt of van hunne bijzondere meening
+omtrent de bevordering van het algemeen belang. Intusschen had men zoo
+weinig vertrouwen op eigene krachten en scheen de toestand des lands zoo
+hopeloos, om zonder vreemde hulp _Spanje_ het hoofd te bieden, dat de
+Nederlanders eerst de hulp van _Frankrijk_ inriepen en den _Hertog van
+Anjou en Alençon_ als beschermer der Nederlandsche vrijheid aannamen, en
+daarna bij herhaling en dringend zich der Koningin van _Engeland_
+aanboden[141].
+
+ [141] WINSEMIUS, 743 env.; V. REYD, 54; _Charterb._ IV 301, 530.
+
+Gelukkig dus voor _Friesland_, dat MERODE zijn ontslag verzocht en
+bekwam; doch nog gelukkiger, dat de _Prins van Oranje_, op verzoek der
+Friesche steden, in diens plaats stelde zijns broeders zoon, den
+vier-en-twintigjarigen Graaf WILLEM LODEWIJK _van Nassau_, die in Maart
+1584 de regering aanvaardde. Reeds drie jaren te voren, toen VERDUGO,
+met 10 vendelen Walen herwaarts gekomen, zijn eersten aanval, bij
+_Kollum_, op _Friesland_ deed, had zijn doorluchtige oom hem, pas van de
+Akademie van _Heidelberg_ teruggekeerd, met 600 man den Friezen te hulp
+gezonden. Naast den Engelschen Overste JOHN NORRITS, die den 18 Julij
+1581 bij _Munnekezijl_ een aanzienlijk voordeel op de Spaansche benden,
+sterk 6000 man, mogt behalen, werd hij, hoe jong ook nog, een krachtig
+tegenstander van VERDUGO. Dezen bestreed hij bij _Noordhorn_, aan het
+hoofd der ruiterij, met zulk eene uitstekende onverschrokkenheid, dat in
+hem zijn roemruchte oom LODEWIJK scheen te herleven, daar hij, hoe ook
+beschoten, met het grootste gevaar, bij herhaling zich door de
+vijandelijke slagorde heen sloeg. Ook _Koevorden_ hielp hij op hem
+winnen, hoewel hij daar al dadelijk door een zesponds kogel aan het
+linkerbeen dermate gewond werd, dat hij aan de gevolgen van dat schot al
+zijn leven kreupel ging. Elf jaren later werd hij voor die zelfde
+vesting nogmaals gekwetst. Onvertsaagd waagde hij zich op de
+gevaarlijkste togten, doch bleef verder ongedeerd[142].
+
+ [142] VAN REYD, 30, 61; WINSEMIUS, 703; _Charterboek_, IV 425;
+ BOSSCHA, _Heldendaden_, I 262, 267.
+
+Hij, die zich der Friezen zaak zoo ijverig had aangetrokken, verdiende
+en verwierf zich ook hun vertrouwen, hetwelk hij zich bij voortduring
+waardig maakte. Nadat Prins WILLEM _van Oranje_ door een noodlottigen
+dood den _Nederlanden_ ontvallen was, werd hij nog in het zelfde jaar
+1584 door de Staten tot »absoluit Stadholder ende Gouuerneur ouer deezen
+Landschappe" verkozen. Hij aanvaardde die hoogst moeijelijke taak, in
+weerwil der menigvuldige bezwaren en gevaren, waarin het land verkeerde,
+doch die hij als Nassauer het hoofd wilde bieden, naar het voorbeeld van
+zijnen doorluchtigen voorganger. Want terwijl de vijand van buiten het
+land bedreigde, was van binnen de verdeeldheid onder de regeringsleden
+tot eene ontzettende hoogte geklommen. Met bedaarde zorg en voorzigtige
+maatregelen zocht hij den onderlingen vrede te bevorderen, en leverde in
+den volgenden jare bij de Staten eene Memorie in, bevattende zijne
+voorslagen van hetgeen tot bescherming en verdediging tegen den gemeenen
+vijand moest gedaan worden. Door een wijs en gematigd bestuur in de
+zaken der regering, ook met betrekking tot de twistende staatsleden, en
+door beleid en dapperheid jegens de vijanden, verwierf hij aller
+achting, zoodat hij eerlang algemeen als Vader vereerd werd[143].
+
+ [143] WINSEMIUS, 752, 757; VAN REYD, 64; _Charterb._ IV 512. Bekend is
+ het, dat de Friezen hem veelal _uws heit_ noemden.
+
+De zorg voor de bevestiging van de verkregene vrijheid ging bij de
+Staten tevens gepaard met de zucht, om de ingevoerde Hervormde leer te
+beschermen en uit te breiden, en om te zorgen, dat alle steden en dorpen
+van goede Predikanten en Onderwijzers werden voorzien. Hiertoe waren
+vooral de inkomsten der plaatselijke geestelijke goederen aangewezen.
+Doch gebrek aan leeraren en de overtuiging van het belang der
+beoefening van de wetenschappen voor de verstandelijke ontwikkeling der
+ingezetenen bewogen de Staten, op voorstel der Friesche Geestelijkheid,
+de bezittingen der vervallene kloosters mede te bezigen tot oprigting
+van een Seminarium of Akademie, inzonderheid tot opleiding van
+Predikanten. De stad _Franeker_ werd daartoe bij voorkeur bestemd, en de
+voor negen jaren te _Leiden_ gestichte Hoogeschool tot voorbeeld
+genomen. Reeds den 29 Julij 1585 werd deze Akademie plegtig ingewijd, en
+alzoo de grond gelegd van dien beroemden zetel der geleerdheid, welke
+later voor wetenschappen en beschaving in dit gewest, ja voor geheel
+_Nederland_ en een deel van _Europa_, van weldadigen invloed is
+geweest[144].
+
+ [144] WINSEMIUS, 710, 747, 752, 758; SCHOTANUS, _Beschrijv._ 140.
+
+ * * * * *
+
+Inmiddels waren de bezettingen der steden en schansen, benevens het
+krijgswezen door de ijverige zorgen van Graaf WILLEM LODEWIJK op een
+beteren voet gebragt, en waande men zich verzekerd tegen den magtigen
+vijand, die _Groningen_ en _Steenwijk_ nog immer bezet hield. Doch die
+vijand bespiedde zorgvuldig elke gelegenheid, om _Friesland_ afbreuk te
+doen of te overvallen. Hij deed dit vooral in Januarij 1586, toen de
+Stadhouder zich tot regeling van zaken naar _'s Gravenhage_ begeven had
+en een strenge vorst een inval scheen te begunstigen. Een deel der
+bezetting van _Steenwijk_, sterk 3000 man en 700 ruiters, trok, onder
+aanvoering der Oversten VAN DEN BERG en TAXIS, onverhoeds door
+_Gaasterland_ naar _Hindeloopen_ en _Workum_; van daar voorbij
+_Bolsward_ door _Witmarsum_ en _Tjum_ naar _Spannum_ en _Winsum_, overal
+door moorden en branden de sporen zijner wraakzuchtige woede
+achterlatende. Zoo verre waren zij reeds gevorderd, toen de Friesche
+krijgsoverste STEYN MALTISSEN hen met ruim 1400 man tegentrok en te
+_Boxum_ met hen slaags geraakte. Vóór dat hij zich in slagorde kon
+stellen, werd hij door de Spanjaarden overvallen. Van beide zijden werd
+woedend gestreden; doch de onzen, voor de overmagt bukkende, werden
+deels verslagen, deels naar _Leeuwarden_ verdreven of gevangen genomen.
+Schrik en vrees ontzette algemeen de gemoederen, alsof de vijand zich nu
+weder in het hart des lands zou nestelen. Doch deze verkeerden spoedig
+in blijdschap en dankbaarheid »voor Godes sonderlinghe versieninge en
+genade," dewijl men 's lands behoudenis dááraan had te danken, dat het,
+op het zelfde uur, dat de slag gewonnen werd, begon te dooijen en te
+regenen, waardoor de Spaansche benden, met een haast, alsof zij
+vlugtten, naar _Steenwijk_ terugtrokken[145].
+
+ [145] WINSEMIUS 772; VAN VERVOU, _Gedenckw. Geschiedenissen_, 32; VAN
+ REYD, 68; VAN DEN SANDE, 16; VAN LEEUWEN, _Kronyk_, 199.
+
+Sedert deze ramp waren de Staten meer dan ooit geneigd, om, door het
+werven van meerder krijgsvolk, de bedoelingen des Stadhouders, ter
+verdrijving van den vijand, te ondersteunen. Zijn moed rees met het
+gevaar: want op het zelfde tijdstip, dat men, wegens de mislukte zending
+van den Engelschen landvoogd LEICESTER, meer den toorn dan de hulp van
+Koningin ELISABETH had te wachten, en terwijl de Spaansche armade, of de
+zoogenaamde onoverwinnelijke vloot, _Nederland_ met den ondergang
+bedreigde, vormde Graaf WILLEM LODEWIJK, in overleg met Prins MAURITS,
+het plan, om den oorlog niet langer verdedigender-wijze (_defensif_),
+maar voortaan aanvallender-wijze (_offensif_) te voeren, dewijl hij
+achtte, dat daarmede de helft zou gewonnen zijn[146].
+
+ [146] VAN REYD, 135; VAN DEN SANDE, 18.
+
+De moedige poging, om _Groningen_ aan den vijand te ontrukken, in 1587
+bij herhaling ondernomen, was daarvan een eerste gevolg. Zij mislukte,
+doch al de schermutselingen met den vijand, al het nemen en hernemen van
+de talrijke verschansingen op de noordoostelijke grenzen des lands,
+waren voor den jeugdigen held eene leerschool en strekten tot
+verzwakking van den vijand. Bij dat alles was hij met zijne 2 à 3000
+Friezen, zonder andere hulp, in een gedurigen en dikwijls moeitevollen
+strijd met VERDUGO'S benden, sterk 4 à 5000 man. Eerst in 1591 woog het
+belang der Unie, om de Spaanschen uit deze streken te verdrijven, zwaar
+genoeg, dat de Generale Staten en Prins MAURITS hem daartoe krachtige
+hulp boden. De vermeestering van de omliggende sterkten _Delfzijl_,
+_Enumatil_, _Lettelberd_ enz. was het eerste werk. In 1592 werd, na veel
+tegenspoed en een merkwaardig beleg van vijf weken, het sterke
+_Steenwijk_ gewonnen. Dit versterkte den moed tot verdere veroveringen,
+welke _Holland_ echter afried en wilde tegenhouden, waarop de
+voortvarende MAURITS ronduit antwoordde: dat, zoo _Holland_ deszelfs
+troepen terugtrok, hij, al ware het alléén met de Friezen en de
+ruiterij, het behaalde voordeel wilde vervolgen. Zijn voornemen
+zegevierde, en met ongemeene inspanning werd het door VERDUGO zeer
+versterkte _Koevorden_ aangevallen en na een hevig beleg gewonnen.
+Hierbij werd echter Graaf WILLEM LODEWIJK andermaal door een kogel
+getroffen. Na zijne herstelling veroverde hij in den volgenden jare
+_Wedde_, _Winschoten_, _Midwolde_ enz., schoon VERDUGO van deze
+afwezigheid gebruik maakte, om een strooptogt in het oostelijk gedeelte
+van _Friesland_ te doen, waarbij verscheidene dorpen verbrand en
+geplunderd werden[147].
+
+ [147] WINSEMIUS, 805, 810, 814; VAN REYD, 176-198; VAN LEEUWEN,
+ _Kronyk_, 202; BOSSCHA, _Heldendaden_, I 303, 309.
+
+Nadat men zich verder van de overige omliggende schansen verzekerd had,
+werd in Mei 1594 het beleg voor _Groningen_ geslagen, en, in weerwil van
+den krachtigen tegenstand der bezetting, met zoo veel moed, overleg en
+ijver doorgezet, dat deze stad zich den 23 Julij overgaf en Prins
+MAURITS en Graaf WILLEM LODEWIJK den volgenden dag hun plegtigen intogt
+in de stad hielden[148]. Hierdoor werd _Groningen_ en met haar de
+_Ommelanden_ als lid der Unie aangenomen en Graaf WILLEM LODEWIJK
+daarover tot Stadhouder aangesteld. Ofschoon de aftrekkende benden van
+VERDUGO voor het laatst nog hunne woede koelden, door in de
+_Zevenwouden_ te plunderen en te branden, was het winnen van deze stad
+met de omgelegene sterkten en het verdrijven van de Spaanschen uit deze
+noordelijke streken voor de veiligheid en het behoud van _Friesland_
+eene zaak van het hoogste belang. Algemeen was dus hier, even als in het
+gansche vaderland, de blijdschap over deze merkwaardige belegering en
+roemrijke overwinning op de Spanjaarden[149].
+
+ [148] Bij dit beleg, hetwelk beroemd is geworden in de geschiedenis,
+ berustte het opperbevel eigenlijk bij onzen Stadhouder; "nochtans uyt
+ beleeftheydt ende om meerder eendracht wille gunde hij Prins MAURITS
+ die eere mede, gelyck er steets eene sonderlinghe liefde ende
+ eenicheydt tusschen dese twee gheweest is," zegt VAN REYD, 234.
+
+ [149] Zie WINSEMIUS, 816-822; _Charterboek_, IV 883; VAN REYD,
+ 231-241, 253; V. D. SANDE, 22; BOSSCHA, _Heldendaden_, I 319;
+ WAGENAAR, VIII 368; WICHERS, _Tractaat van de Reductie der Stadt
+ Groningen_, 1794, II 277. Een naauwkeurig verhaal van het geheel is
+ vervat in de _Geschiedkundige Aanteekeningen omtrent het Beleg van
+ Groningen_, uitgegeven bij gelegenheid van den gecostumeerden optogt,
+ gehouden bij de inwijding van het Akademie-gebouw te _Groningen_ in
+ Sept. 1850; een werkje, hetwelk duurzaam historische waarde zal
+ bezitten.
+
+ * * * * *
+
+Ook op de verdere veldtogten van MAURITS stond onze Stadhouder hem
+waardig ter zijde. Bij de belegering van _Rijnberk_ was het »WILLEM
+LODEWIJK met zijne Friezen, die eene halve maan voor de Rijnpoort
+stormenderhand innamen," waardoor deze sleutel van den Rijn zich moest
+overgeven. Toen MAURITS vervolgens in drie maanden tijds negen
+versterkte steden en vijf kasteelen veroverde, in weerwil zijn vijand
+Aartshertog ALBERT 60,000 man tot zijne dienst had,--waren het weder
+»WILLEM LODEWIJK met zijne Friezen, die zich altijd op den voorgrond
+vertoonden." En ofschoon hij MAURITS in den slag bij _Nieuwpoort_ niet
+vergezelde, waren het dáár de door hem gevormde Friesche soldaten, welke
+zich eervol onderscheidden. Zeventien vaandelen of bijna 3000 Friezen
+waren onder den Overste-Luitenant TACO VAN HETTINGA derwaarts getrokken,
+en mogten, in de voorhoede, Prins MAURITS eene zegepraal helpen behalen,
+welke een der roemvolste bedrijven is in onze geschiedenis. Nadat 150
+Friesche piekeniers de Spanjaarden van de duinen hadden afgedrongen, gaf
+hun voorbarige, maar in dezen oogenblik weldadige kreet van: victorie!
+een schok tot eene algemeene voorwaartsche beweging van het
+Nederlandsche leger, welke van gunstig gevolg was. Dit schonk den
+Friezen tevens de gelegenheid, om den opperbevelhebber van het Spaansche
+leger, Don FRANCISCO DE MENDOZA, _Admirant van Arragon_, gevangen te
+nemen, waardoor een der grootste voordeelen van den slag werd
+behaald[150].
+
+ [150] Hoogst vermoedelijk viel dit te beurt aan het vaandel van EDZART
+ VAN GROVESTINS, die voorkomt in het _Stamboek_, I 133, II 83 en in het
+ _Leven en Bedrijf van Wilhelm en Maurits van Nassau_, Amst. 1651, 196;
+ terwijl hij bedoeld zal zijn met de woorden: _Hy krigge de Amerant mey
+ finzen_, in GYSBERT'S vers: _Egge, Wynering in Goadsfrjuen_, bl. 69.
+ De reden, waarom aan dit feit en dezen aanzienlijken gevangene, later
+ voor 23,000 Gld. gerantsoeneerd, immer zoo hooge waarde is gehecht,
+ verklaart de dichter H. A. MEIJER in eene Aant. op zijn _Heemskerk_,
+ 208 aldus: "Het gevangennemen van den Admirant van Arragon, Francisco
+ de Mendoça en andere aanzienlijke Spanjaarden, op het slagveld van
+ Nieuwpoort, had eene uitwisseling van krijgsgevangenen ten gevolge,
+ waardoor vele Nederlanders van de Spaansche galeijen en uit de
+ Spaansche kerkers werden ontslagen, en in hun vaderland terugkeerden."
+ Zie ook BOSSCHA, _Heldendaden_, I 334, 336, 355, 391. Onder de
+ Friesche oversten en kapiteins, die ten deele in deze en de volgende
+ strijden het leven lieten, worden met eere vermeld: DOUWE en FREDERIK
+ VAN GROVESTINS, JULIUS VAN EIJSINGA, QUIRYN DE BLAU, HANS VAN
+ OOSTHEIM, HANS DE VRIES, MICHIEL HAGHE, WILLEM WILLEMSZ. enz.
+
+Met wijs beleid wist Graaf WILLEM LODEWIJK vervolgens deze gewesten te
+besturen, en de eindelooze en vaak hevige twisten, zoo tusschen de stad
+_Groningen_ en de _Ommelanden_, als tusschen de Friesche staatsleden zoo
+veel mogelijk te bevredigen. Van de laatste mogt hij aangename blijken
+van dankbaarheid en vereering ontvangen. In weerwil der bezwaren,
+waaronder de provincie gebukt ging, vereerden zij hem in 1598 eene som
+van 36,000 Gld., en toen hij in 1607 eene reis naar _Duitschland_ wilde
+doen, deden zij hun verlof daartoe met een geschenk van 5000 Gld.
+vergezeld gaan. Bij het sluiten van het twaalfjarig bestand, in 1609,
+aan het hoofd der gemagtigden geplaatst, bleek vooral zijn »diepsinnich
+verstand" in de vereffening der strijdige belangen, en bepaalden de
+Friesche Staten, »tot erkentenis, belooning en vergoeding voor de groote
+diensten, door het Huis van Nassau aan dezen Staat bewezen," dat zijn
+politiek traktement verdubbeld- en zijn militair traktement tot 36,000
+Gld. 's jaars verhoogd zou worden[151]. Hij beminde de letteren,
+moedigde het beoefenen van de wetenschappen aan, zorgde dat ieder
+tevreden kon zijn over de regering, en was, ook door gematigdheid in de
+toenmalige twisten over geloofszaken, voor allen een voorbeeld ter
+navolging: want ofschoon de zelfde partij als Prins MAURITS toegedaan,
+had hij toch den moed, diens sterke maatregelen af te keuren, hem tot
+zachtheid en gematigdheid te raden en hem te waarschuwen voor de
+schromelijke gevolgen, welke de gansche wereld hem alléén zou wijten.
+Zijne verdiensten als staatsman werden geëvenaard door die als
+krijgsman, en men vindt zelfs tot zijn lof verhaald, dat hij de nieuwe
+krijgskunde het eerst in gebruik heeft gebragt, welke MAURITS vervolgens
+op zijn voorbeeld tot grootere volmaaktheid verhief[152]. Groot was dus
+de rouw in gansch _Friesland_ en de omgelegen gewesten, toen die edele
+Stadhouder in 1620 hun in 60jarigen ouderdom ontviel, nadat hij deze
+provincie 36 jaren lang met zoo veel wijsheid had bestuurd. Door het
+bezorgen van eene prachtige uitvaart of lijkstatie en het stichten van
+eene kostbare marmeren Graftombe in het koor der Groote Kerk te
+_Leeuwarden_, trachtten de Friesche Staten de nagedachtenis te huldigen
+van den voortreffelijken vorst, aan wien men zich ten hoogste verpligt
+gevoelde[153].
+
+ [151] VAN REYD, 329; _Regist. Staats-res._ 511; _Chart._ V 134, 159.
+
+ [152] WAGENAAR, V. H. X 408; BOSSCHA, _Heldend._ I 274 env.
+
+ [153] VAN DEN SANDE, 20, 87; WINS. 902; SCHOT. 861, 891; _Tegenw.
+ Staat_, IV 39, 74; FOEKE SJOERDS, _Beschrijv._ II 137, 184; SCHELTEMA,
+ _Staatk. Ned._ II 482; V. KAMPEN, _Gesch._ I 489; _Karakterk._ I 491;
+ _Levens v. ber. Ned._ II 1; VAN HEUSDE, _Diatr. in Guil. Lud. vit.
+ etc._; BAUDARTIUS, _Nass. Oorl._ 459; _Schuit- en Jagtpraatjes_, II
+ 35, 37, 87; AITZEMA, _Saken van Staet en Oorlogh_, 4^o. I 3, 16;
+ KLUIT, _Hist. der Holl. Staatreg._ III 499; _Geschiedk. Beschrijv. van
+ Leeuwarden_, II 2, 49, 95, 296, 427.
+
+ * * * * *
+
+Zijn jongere broeder, Graaf ERNST CASIMIR _van Nassau_, volgde hem op.
+Deze, op reizen door _Duitschland_, _Frankrijk_ en _Zwitserland_ in
+letteren en kunsten geoefend, had reeds 25 jaren lang onder hem en
+MAURITS dezen staat gediend, en mogt, vooral door zijn beleid en moed
+vóór den slag bij _Nieuwpoort_, grooten lof behalen. Hij was nu tot
+Veldmaarschalk van der Staten leger en Luit.-Gouverneur van _Gelderland_
+en _Utrecht_ opgeklommen, hoewel het geluk hem doorgaans minder
+begunstigde dan zijn moed het verdiende. Den 3 Augustus 1620 werd hij
+door de Staten van _Friesland_ tot Stadhouder en Kapitein-Generaal
+aangesteld, hoewel _Groningen_ en _Drenthe_ Prins MAURITS kozen en eerst
+na den dood van dezen, in 1625, hem deze waardigheid opdroegen. In alles
+betoonde hij zich een broeder waardig, die hem deze landen in vrede en
+voorspoed had achtergelaten, en hij spaarde geene zorg om hunne belangen
+te bevorderen. In het staatkundige genoot hij groot vertrouwen, zoodat
+de Algemeene Staten hem meermalen aanzienlijke gezantschappen en
+zendingen opdroegen. In den krijg stond hij MAURITS en FREDERIK HENDRIK
+verder als steun en raadsman ter zijde, en werden hem belangrijke togten
+ter verdrijving van den vijand toevertrouwd. Even als zoo vele leden van
+zijn geslacht, stierf ook hij op het bed van eer, in de dienst van het
+vaderland ter verkrijging der onafhankelijkheid. Bij het bezigtigen van
+_Roermonds_ loopgraven, voor welke vesting hij in 1632 het beleg had
+geslagen, ontving hij een schot; en sneuvelde »_Frieslands_ uitmuntende
+Stadhouder, de dappere en minzame ERNST CASIMIR, uitstekend geacht om
+zijne dapperheid en gedrag, tot groote droeffenisse van alle goede
+Patriotten ende mercklycke verachteringhe van de gemeene sake; hetwelcke
+een beclaeghelycke doodt voor de Geunieerde Landen ende den Prince was,
+also hy de oudste ende meest ervarendste overste was, die alle syne
+dinghen met een groot beleydt ende couragie, tot welstandt van de
+landen uytgevoert hadde"[154].
+
+ [154] DE LA PISE, 893; V. D. SANDE, 87, 163; WINS. 884, 902, 909;
+ _Charterb._ V 259. Zie verder over hem ook de meeste der hier vóór
+ aangehaalde schrijvers. VONDEL vereerde hem met eene _Lijckklacht,
+ Poëzij_, 456; G. CORVINUS hield in 1637 te _Herborn_ op hem eene
+ Lijkrede.
+
+Ook hij mogt van de Staten van _Friesland_ vele bewijzen van vertrouwen
+en vereering ontvangen, waarvan in 1627 een geschenk van 1500 en in 1630
+van 50,000 Gld. getuigden; terwijl hem kort voor zijn dood de
+erfopvolging van zijn zoon toegezegd was en zijner weduwe een pensioen
+van 4,000 Gld. werd toegelegd. Bij uitstek talrijk en prachtig was de
+lijkstoet, welke zijn stoffelijk deel ten grave geleide[155].
+
+ [155] Zie _Regist. op de Staats-resol._ 512. Het eenig bekende, rijk
+ uitgevoerde ex. der Afbeelding van deze Vorstelijke Begrafenis is
+ thans in het bezit van mijnen geachten vriend Jhr. Mr. H. B. VAN
+ SMINIA te _Bergum_.
+
+ * * * * *
+
+Ver van het tooneel des oorlogs verwijderd en bestendig het genot van
+den voorspoed smakende, verkeerde deze provincie in een bloeijenden
+toestand, toen de jeugdige HENDRIK CASIMIR I in December 1632 zijn
+voortreffelijken vader in de regering opvolgde. Rustig was zijne
+regering niet, wegens het duurzaam blaken der verschillen tusschen de
+staatsleden, welke zelfs aanleiding gaven tot oproerige bewegingen onder
+het volk. Om deze te bedwingen, zonden de Algemeene Staten bij herhaling
+gezanten en krijgsvolk herwaarts; doch de voorzigtige Stadhouder wist
+zijn invloed met veel beleid aan te wenden, om het inrukken van die
+troepen binnen _Leeuwarden_, als strijdig met de regten en de hoogheid
+van dit gewest, te beletten, en niet minder, om de verstoorde rust te
+herstellen en de twistende partijen vooreerst te bevredigen. Groote
+diensten heeft hij daarin dit gewest bewezen. Doch ook als krijgsman had
+hij zich der belangen van het vaderland gewijd, en vond Prins FREDERIK
+HENDRIK in hem een dapperen steun, aan wien hij belangrijke togten
+toevertrouwde. In 1637 en volgende jaren behaalde hij, aan het hoofd van
+het zoogenaamde vliegende leger, op de frontieren van Rijn, Maas en Waal
+vele voordeelen op de Spanjaarden, waarbij hij zich »met sonderlinge
+sorghvuldicheyt en vigilantie kweet," en om zijne goede zorg en orde,
+evenzeer als om zijne bescherming van de weerlooze ingezetenen tegen den
+vijand geprezen werd. Doch ook hij bragt zijn leven dat vaderland ten
+offer, als de negende der Nassausche helden, die in dezen krijg voor de
+goede zaak het leven lieten. Op den togt in _Vlaanderen_, niet ver van
+_Hulst_ eene schans aanvallende, waarbij de zijnen, uit »een
+sonderlinghe ghenegentheydt, die sij hem toedroegen, als Leeuwen
+vochten," werd hij in den rug geschoten, waaraan hij den 2 Julij 1640
+stierf, »tot hertelijcke droefheydt van 't gantsche Leger, van den
+Prince, die grote hope op hem hadde, en oock van de vyandt, by wien hy
+in aensien ende grote estime waer." Zelfs zou een vijandelijk
+hoofd-officier dien dag hebben gezegd: »de braveste Cavalier van
+_Nederlandt_ is gebleven." Uitbundig is de lof, welken tijdgenooten
+dezen jeugdigen held, die slechts 29 jaren mogt bereiken, toezwaaijen.
+De Friezen, die zijne godsdienstige braafheid en voortreffelijke
+eigenschappen hoogelijk vereerden, betreurden algemeen zijnen dood, en
+vergezelden vol rouw zijne plegtige uitvaart, waartoe de Staten eene som
+van niet minder dan 12,000 Gld. bestemden[156].
+
+ [156] _Chart._ V 341, 355; V. D. SANDE, 173, 199, 212, 215 en vooral
+ 217. Zie mede de vroeger vermelde schrijvers en VAN LEEUWEN'S Aantt.
+ op _it aade Friesche Terp_, 453 env.
+
+ * * * * *
+
+'t Was inderdaad een groot voorregt van _Friesland_, dat het zijn belang
+aldus had verbonden aan een Vorstelijk Huis, hetwelk bij opvolging
+waardige leden telde, in staat, om, bij het immer voortduren van den
+oorlog, te voldoen aan de eischen der Staten, die aan het hoofd der
+uitvoerende magt een man wilden bezitten, in wien zich de hoedanigheden
+vereenigden van »eenen aensienlycken, gequalificeerden ende vertrouden
+Persone, van cloeckheyt, dapperheyt ende goede ervarentheyt in materie
+van State ende Crychshandel"[157]. Die zeldzaam bestendig vereenigde
+gaven waren het deel der leden van dezen tak uit het beroemde stamhuis
+van _Nassau_, die ook hun belang aan dat van _Friesland_ hadden
+verbonden, en zich bij die verbindtenis even gelukkig gevoelden als de
+Friezen, die immer met dankbaar vaderlandsch gevoel hebben erkend, dat
+al hunne de Stadhouders uit dit doorluchtig geslacht, als staatsmannen
+en helden het vaderland tot nut en roem, en als menschen en christenen,
+door vereeniging van bekwaamheid met braafheid, den landzaat ten
+voorbeelde en der menschheid tot eere gestrekt hebben. Dit zegt veel,
+doch de geschiedenis zou dit in meerdere bijzonderheden kunnen
+vermelden, dan ons vergund is hier mede te deelen. Wie toch overtuigd is
+van den invloed, welke de zin, de zeden en geestrigting van regenten op
+een volk uitoefenen, die schat het voorregt hoog en acht dien invloed
+weldadig voor de zedelijke ontwikkeling van alle standen, wanneer die
+regenten om hunne bekwaamheden evenzeer geacht, als om hun karakter en
+gezindheden alom geëerd en bemind worden. En al mogen deze niet altijd,
+gelijk wapenfeiten, schitteren,--zij verspreiden een weldadigen gloed
+van liefde en verknochtheid, welke die geslachten overleeft in eene
+eervolle en zegenende nagedachtenis. Zóó herdenken wij, Friezen, de
+Stadhouders uit het Huis van _Nassau_, de stamvaders van het thans
+regerende Koninklijk geslacht. Op allen passen wij den wensch toe, dien
+de dichter DA COSTA omtrent WILLEM LODEWIJK uitte:
+
+ [157] _Charterboek_, V 259.
+
+ _Gedenk den vroomen held, die heel zijn zielzucht prentte,
+ O Neêrland! in de dienst, tot uw behoud verricht!
+ Gij, Friesland, 't allereerst, met Groningen, met Drenthe,
+ Zijn wakkre vaderzorg zoo duur, zoo teêr verpligt.
+ Gedenkt hem, Nassaus huis, gy, zyn doorluchte neven,
+ Van ouds gedragen op der Christnen heilgebed!
+ Gy, uit zyn Frieschen stam op Neêrlands troon verheven,
+ o Koning, op wiens keus meer dan Europa let!_[158]
+
+ [158] _Zangen uit verscheidenen leeftijd_, 1847, 110. Vele berigten
+ omtrent deze Stadhouders heb ik medegedeeld in de _Geschiedkundige
+ Beschrijving van Leeuwarden_, II 2, 3, 95, 296-319, 427 env. Ruime
+ stof is er voorhanden, om hunne levens uitvoerig te behandelen.
+
+Ook nu, in 1640, na het smartelijk verlies van Graaf HENDRIK CASIMIR,
+kon dat Huis die breuke heelen. In zijn broeder, Graaf WILLEM FREDERIK
+_van Nassau_, die, van gelijken aard en inborst, eene gelijke opleiding
+had genoten, vond het een Stadhouder, die dadelijk de afgebrokene taak
+kon opvatten. Wel vielen _Groningen_ en _Drenthe_ hem af, door zich
+Prins FREDERIK HENDRIK te kiezen, doch de Friesche Staten aarzelden
+niet, hem den 23 Julij 1640 eenparig tot hun Stadhouder en
+Kapitein-Generaal aan te stellen, welke betrekkingen hem eerst tien
+jaren later mede door de twee genoemde naburige provinciën werden
+opgedragen[159]. En dat ook hij door zijn beminnelijk karakter,
+krijgsdeugden en staatkundige bekwaamheden zich de hoogachting en
+erkentenis der Staten wist te verwerven, bleek mede daaruit dat zij hem
+in 1650 en op nieuw in 1661 een geschenk van 50,000 Gld. vereerden, en
+in 1651 hunne ingenomenheid met zijn huwelijk met Prinses ALBERTINE
+AGNES _van Oranje_, de dochter van FREDERIK HENDRIK, aan den dag legden,
+door haar, tot Kind of Dochter van Staat aangenomen, den Stadhouder tot
+Gemalin over te dragen en een geschenk van eene tonne gouds aan te
+bieden[160].
+
+ [159] _Charterboek_, V 458; WAGENAAR, _Vad. Hist._ XII 131.
+
+ [160] _Register op de Staats-resol._ 343, 513, 587. Vandaar (dat wij
+ dit hier voorloopig vermelden), dat de Friesche regenten zoo vele
+ bewijzen gaven van hunne ingenomenheid met het Stadhouderschap, zoowel
+ op de vermaarde Groote Vergadering van 1651, als in 1654 bij het
+ stemmen over de acte van uitsluiting in de Staten-Generaal. Tegen de
+ heerschzuchtige bedoelingen van _Holland_ en andere gewesten, die het
+ Stadhouderschap geheel schenen te willen vernietigen, protesteerden de
+ Friesche Afgevaardigden ten sterkste, als eene schending van de Unie,
+ als een maatregel tegen het belang des lands, en vooral als eene
+ beleedigende ondankbaarheid jegens het _Huis van Oranje_, hetwelk zoo
+ veel goeds verrigt had voor het vaderland. Zie AITZEMA, f^o. III 542,
+ 815, 826; KOK, _Vaderl. Woordenboek_, 16e dl. 603 en het _Register_ b.
+ v. 587.
+
+ * * * * *
+
+Intusschen was, met Gods hulpe, de tachtigjarige oorlog geëindigd door
+den Vrede, te _Munster_ in 1648 gesloten; een vrede, waarbij eindelijk
+door _Spanje_ de onafhankelijkheid der Nederlandsche gewesten erkend- en
+een perk gesteld werd aan de bloedige oorlogen en verbazende geldelijke
+opofferingen, welke _Nederland_ uit zich zelf niet had kunnen
+bestrijden, als de Almagtige het niet gesteund- en als het zelf geen
+gebruik gemaakt had van zijne gunstige ligging voor koophandel en
+zeevaart, door zich in _Oost-_ en _West-Indië_ buitengewone bronnen van
+nijverheid en voorspoed te openen. Die vrede en vrijheid, welke zoo
+groote opofferingen vergold en het bezit dier bronnen van welvaart
+bekrachtigde, had eene onbedenkelijke waarde voor het volksbestaan der
+Nederlanders. In _Friesland_, dat bij dit verbond was vertegenwoordigd
+door FRANS VAN DONIA, wonende op _Hinnema-state_ te _Jelsum_, was de
+vreugde over deze bevestiging van den Staat groot en algemeen. Daarom
+wilden ook 's lands Staten, dat zij op eene plegtige en luisterrijke
+wijze werd afgekondigd. Tot dat einde werd er tegen de Stads-Waag te
+_Leeuwarden_ een rijk versierde Triumfboog opgerigt, vóór welke op den
+26 Mei 1648 de afkondiging plaats had[161]. Bovendien werd er een
+Monument van deze gebeurtenis tegen den gevel van het Landshuis
+opgerigt[162].
+
+ [161] Eene beschrijving van de, in het Stedelijk Archief nog bewaarde,
+ afbeelding dezer plegtigheid heb ik gegeven in den tekst der _Twaalf
+ Gezigten op en in Leeuwarden_, 1850, bl. 15.
+
+ [162] Zie _Tegenw. Staat_, II 70 en _Geschiedk. Beschrijv._ II 16.
+
+Bij den terugblik op het behandelde gedeelte van dit tijdvak, moeten wij
+erkennen, uit de laatste tijden weinige bijzonderheden van het
+volksleven der Friezen te hebben medegedeeld. Dit is zeer natuurlijk.
+_Friesland_ genoot sedert de overgave van _Groningen_ in 1594 het
+voorregt, om, van het tooneel des oorlogs verwijderd, zich rustig aan
+zijne eigene en in de onveilige oorlogstijden veel verwaarloosde
+belangen te kunnen toewijden. Met wakkerheid legde het volk zich op de
+verbetering van landbouw en veeteelt, op de uitbreiding van handel,
+fabrijken en handwerken toe. De steden rezen in bloei en vermogen,
+werden verfraaid en vergroot en met aanzienlijke gebouwen en nuttige
+inrigtingen verrijkt[163]. Op het land verspreidde de ontwikkeling der
+bronnen van volksbestaan eene welvaart, welke de vergrooting der buurten
+van vele dorpen ten gevolge had; terwijl edelen en eigenerfden daarbij
+op hunne bezittingen zoo vele staten en landhuizen, ja soms kostbare
+kasteelen bouwden of herbouwden, dat het groote getal van derzelver
+namen op de kaarten der grietenijen nog onze verwondering verdient[164].
+Met den Staat werd tevens de burgerlijke toestand der ingezetenen
+gevestigd, en eene maatschappelijke inrigting geregeld, welke zeer lang
+onveranderd bleef bestaan.
+
+ [163] Ten aanzien van _Leeuwarden_ zie men daarvan veelvuldige
+ bewijzen in de _Geschiedkundige Beschrijving_, II 4-77.
+
+ [164] Van honderden dier gebouwen heb ik in mijn _Frisia Illustrata_,
+ of Teekeningen van Friesche kerken, gestichten, staten, dorpsgezigten
+ enz. uit de vorige eeuw, afbeeldingen verzameld.
+
+Die voorspoed, welke zich in alle standen verspreidde, had echter ook
+zijne schaduwzijde: want, zegt een geschiedschrijver dier dagen,
+»neffens dese verbeteringhe van het Landt, nam oock die hovaerdye ende
+pracht in Klederen, Huysraet, Bancquetten en alle kostelheyt ergerlijcke
+overhant, 't welck al te langhe waere in 't kleyne te verhalen"[165].
+Uitsluitende zorg voor enkel stoffelijke belangen, welke alléén geld en
+voordeel najaagde, stond de ontwikkeling van den geest steeds in den
+weg; en terwijl de geleerden, vooral op 's lands Hoogeschool te
+_Franeker_, met groote schreden vorderden op den weg der wetenschappen,
+hield de zedelijke, godsdienstige en letterkundige vooruitgang des volks
+geen gelijken tred met den stoffelijken voorspoed. Bovendien, sedert de
+Dordsche Synode in 1618 eenmaal had bepaald, wat de Hervormde Kerk voor
+christelijke waarheid te houden had, scheen men bevrediging te vinden in
+koude leerstellingen, die den warmen gloed van de godsdienst der liefde
+verdrongen hadden. Bij al den voorspoed betoonde men ook weinig
+behoefte aan godsdienst, terwijl men zijne staatkundige regten met des
+te meer ijver deed gelden. Vandaar, dat er nog eene andere oorzaak was,
+die nadeelig werkte op de zedelijke zoowel als de burgerlijke belangen.
+
+ [165] VAN REYD, 351; DE KONING, _Voorvad. Levenswijze_, 200.
+
+Vermits het regt tot stemming van bestuurders en staatsleden alléén
+gegrond was op het bezit van vaste goederen, was de zucht om meer
+bezittingen te verwerven, ten einde meer magt en invloed op het
+staatsbestuur te bekomen, evenzeer toegenomen als de zucht naar hoogheid
+en eere, en om zelf tot ambten en waardigheden te geraken.
+
+ _Thans (dachten ze in hun hart), thans komt het er op aan,
+ Om naar 't voordeeligst Ambt te streven en te staan:
+ En die naar kennis, kunst en wetenschap wil streven,
+ Doolt verre van den weg om met vermaak te leven.
+ Die Rijk is, is ook wijs, ook dapper, en in staat,
+ Om Friesland nut te zijn, én door beleid én raad.
+ Die magtig is in geld, in goedren overvloedig,
+ Is eerlijk, schrander, braaf, verheven en grootmoedig!_
+
+ _Dus achtte men welhaast de vaderlandsche zaak._
+
+ _Maar in een Vrij Gewest is ware Vreê te erkennen,
+ Wanneer men in de jeugd de kindren doe gewennen
+ Aan 't denkbeeld, dat de mensch niet voor zich zelve alleen
+ Geboren is, maar ook ten nutte van 't Gemeen;
+ Ja, dat zulks de eerste lust en de eerste pligt moet wezen,
+ Door geene Staatzucht, door geen Geldlust te belezen.
+ Daar derft de Raad des lands geen krachten, geenen moed,
+ Tot wering van het kwaad, tot staving van het goed.
+ De zon van het Gezag doet hare vruchtbre stralen
+ Dáár van den hoogen trans, van haren hemel dalen_[166].
+
+ [166] WILLEM VAN HAREN, _Lof der Vrede_, 's Hage 1742, 53, 59, 61.
+
+Voorzeker was het niet vreemd, dat zulk eene rigting, welke alle lessen
+der godsdienst tot vrede en zachtmoedigheid versmaadde, aanleiding gaf
+tot oneindige kuiperijen en partijschappen, welke de rust van den Staat
+bestendig in gevaar stelden en de uitvoering van gewigtige verbeteringen
+beletten. Een tijdgenoot (de Raadsheer VAN DEN SANDE, 208) getuigt
+deswege: »van die twist, oneenicheydt ende factien is de eenighste
+oorsake geweest, de overgroote ende ongheregelde ampt ende
+regieringhsucht, waerdoor voorgaende goede wetten, Lands-ordinantien
+ende resolutien zijn ontbonden, veracht ende met voeten ghetreeden,
+waerom goede Patriotten vreesden, dat uyt dusdanige ongebondenheyt
+eyndelijck eene nieuwe combustie, oock wel eene totale ruyne hares
+Vaderlandts ontstaen mochte." Ja, SCHOTANUS noemt »de vervloeckte
+staet-sucht een oude plage," gelijk UBBO EMMIUS »een grasseerende pest
+van dit Landt"; terwijl het tafereel, dat de eerste van den zedelijken
+toestand des volks, in het midden der 17e eeuw, ophangt[167], ons met
+bedroeving vervult, en weder een bewijs levert, dat de voorspoed (die
+proefsteen onzer zedelijke waarde), schoon een zegen des Allerhoogsten,
+door misbruik veelal meer verderfelijk is voor de waarachtige belangen
+eens volks, dan tegenspoed en lijden, welke veelal verkeerdelijk voor
+rampen, kastijdingen en plagen Gods worden gehouden.
+
+ [167] Aan het slot der Voorrede van zijne _Beschrijv. end Chronijck_
+ van 1655. Zie ook HALBERTSMA, _Letterk. Naoogst_, I 147, 150;
+ STARTER'S en FONTEYNE'S _Politycke Kuiper_, 1621, 1647; BAARDT,
+ _Deugden Spoor_, 1645, GYSBERT en meerdere geschriften van dien tijd.
+
+Evenmin als van de vroegere partijschappen der Schieringers en
+Vetkoopers, zullen wij nu een uitvoerig verhaal geven van deze
+Staatstwisten, welke vaak met gelijke hevigheid, doch onder andere
+omstandigheden en in eenigzins meer beschaafde vormen gevoerd werden
+als die vroegere. Omtrent al de twisten van KAREL ROORDA tegen Graaf
+WILLEM LODEWIJK, de verschillen over de opbrengst van _Frieslands_
+aandeel (_quota_) in de algemeene lasten en het inwilligen van de
+impositiën en generale middelen, allen reeds in 1593 aangevangen, later
+voortgezet en tot 1640 met hevigheid gevoerd, zoodat de Algemeene Staten
+bij herhaling afgezanten en krijgsvolk naar _Friesland_ moesten afzenden
+tot herstel van de rust en het innen van de schattingen,--omtrent dit
+alles kunnen wij hier in geene bijzonderheden treden[168]. Van meer
+duurzaam belang hebben wij het geacht, hierop te laten volgen een
+overzigt van den Regeringsvorm of het Staatsbestuur van _Friesland_ in
+dit tijdperk, dewijl deze met die gebeurtenissen in naauw verband stond
+en sommige onzer tegenwoordige instellingen daarvan nog uitvloeisels
+zijn. Tevens kan dit strekken tot verklaring van vele punten, welke bij
+de behandeling van de Geschiedenis vermeld worden.
+
+ [168] Wij hebben daarvan in _Aanteek. 21_ de bronnen medegedeeld voor
+ ieder, die in de nasporing van al deze onlusten bijzonder belang mogt
+ stellen.
+
+
+36. _De Regeringsvorm van Friesland, tijdens de Republiek._
+
+
+_De Staten._
+
+De Souvereiniteit of de Oppermagt des lands werd sedert 1580 in
+_Friesland_ uitgeoefend door de _Staten_, als gevolmagtigden, bij vrije
+keuze, van de bezitters van zoodanige vaste goederen, waaraan van ouds
+het stemregt was verknocht[169].
+
+ [169] Zie over dit onderwerp de belangrijke _Verhandeling over het
+ Stemrecht_, door P. WIERDSMA, Leeuw. 1792, en de Dissert. _de Jure
+ Suffragandi_, van E. DE WENDT VAN SYTZAMA, Utr. 1841.
+
+In Januarij van elk jaar werden door deze laatste in iedere Grietenij
+twee personen, waarvan de eene een Edelman en de andere een Eigenerfde
+of bezitter van eene stemhebbende plaats of zathe moest zijn, gestemd en
+als Volmagten ten Landsdage afgevaardigd; terwijl de Regeringen der
+Steden, uit Magistraat en Vroedschap bestaande, uit ieder dezer leden
+een Gecommitteerde benoemden.
+
+Het getal leden, dat den grooten Landsdag uitmaakte, bestond alzoo uit
+82, waarvan ieder kwartier in eene afzonderlijke Kamer zitting nam,
+hebbende _Oostergoo_ 22, _Westergoo_ 18, _Zevenwouden_ 20 en de _Steden_
+22 leden. Die zittingen werden gehouden in het _Landshuis_, naast de
+Canselarij, te _Leeuwarden_. De gewone of groote _Landsdag_, die
+niet langer dan zes weken mogt duren, werd altijd geopend op den
+eersten Donderdag in Februarij, welke dag den naam droeg van den
+_Propositiedag_: want, nadat dan alle Volmagten der vier kwartieren in
+de Kamer van _Oostergoo_ bijeengekomen waren, begaf de Stadhouder (zoo
+hij zich in _Leeuwarden_ bevond) zich aan het hoofd van Gedeputeerde
+Staten, met groote plegtigheid, van het Collegie naar het Landshuis, in
+de vergadering. Deze werd dan door den Secretaris van Gedeputeerden
+geopend met eene aanspraak, bevattende een overzigt van de
+omstandigheden des tijds en van de voornaamste punten, welke aan de
+beraadslaging der Staten zouden worden onderworpen, waarna hij de balans
+van de provinciale kas overleidde. Vervolgens deed een der Leeuwarder
+Predikanten (die daartoe beurtelings verkozen werden en hiervoor een
+geschenk ontvingen van 50 Gld., gelijk genoemde Secretaris van 500 Gld.)
+met opene deuren een gebed, tot afsmeeking van Gods zegen over de
+verrigtingen van den Landsdag, welke laatste plegtigheid altijd door
+eene talrijke menigte werd bijgewoond.
+
+Er was nog een _vijfde_ Kamer aan deze vergadering verbonden,
+het _Mindergetal_ genaamd, bestaande uit 8 personen, twee uit
+ieder kwartier, met den Stadhouder als Voorzitter. Ten einde de
+beraadslagingen van het groot getal Staten te vereenvoudigen, werden
+alle zaken, welke de Landsdag moest behandelen, vooraf in deze Kamer
+gebragt en onderzocht. Daarna gingen de twee leden van ieder kwartier,
+met het advies van het Mindergetal, naar hunne vergaderde Kamer, wier
+beslissing zij terugbragten in het Mindergetal, dat den uitslag der
+stemming, bij kwartieren, en daarnaar de Resolutiën der Staten opmaakte.
+Bij staking had de Stadhouder het voorregt der beslissing. Aan deze
+gewigtige vaste commissie was een Secretaris van Staat toegevoegd, tot
+welk hoogst belangrijk ambt steeds de bekwaamste personen werden
+gekozen.
+
+Aan deze Staten was, als de hoogste Overheid van den lande, de
+besturende en wetgevende magt toevertrouwd, en werden de belangen der
+provincie op zich zelve en in betrekking tot de Generaliteit, of het
+verbond met de overige provinciën, door hen behartigd en al de regten
+der oppermagt uitgeoefend, behoudens de fondamenteele beginselen van
+regering (zoo als men het noemde), welke ook zij verpligt waren te
+eerbiedigen. Op ingekomen zaken van gewigt of die geen uitstel leden,
+werd er somtijds een Buitengewone Landsdag uitgeschreven, waarop echter
+geene andere zaken mogten behandeld worden dan die waren opgegeven door
+
+
+_De Gedeputeerde Staten._
+
+Aan dit aanzienlijk Collegie, uit en door de Staten voor drie jaren
+benoemd, was de uitvoering van de Staatsbesluiten, het dagelijksch
+bestuur van de provincie, de zorg voor 's lands veiligheid, het toezigt
+over den waterstaat en veelvuldige bijzondere bemoeijingen betrekkelijk
+de policie, het krijgswezen, de geldmiddelen, de godsdienst, het
+onderwijs enz. opgedragen. Het bestond uit 9 leden, waarvan ieder der
+Gooën 2 en de Steden 3 verkozen, benevens een Secretaris.--Een Advokaat
+en Fiscaal, belast met de verdediging der provinciale belangen, was
+daaraan toegevoegd. Wekelijks hield het zijne vergaderingen op het
+Statenhuis of _Collegie_, thans het Gouvernements-gebouw, te
+_Leeuwarden_[170].
+
+ [170] Uitvoeriger berigten nopens deze Staats-collegiën vindt men in
+ FOEKE SJOERDS, _Beschrijv_. II 88; VAN BURMANIA, _de Jure Comitiorum_,
+ Fran. 1751, en _Tegenw. Staat_, IV 1. De Dissert. van Mr. S. W. H. A.
+ VAN BEIJMA THOE KINGMA, _Hist. Ord. Fris._ Leiden 1835, behoort tot
+ een vroeger tijdperk, van 1515-1581.
+
+
+_De Stadhouder._
+
+Het doorluchtig hoofd van den Staat, dat de luister der Oppermagt van de
+Staten bestendig vertoonde en waarnam, was de _Stadhouder_. Dit ambt en
+dezen naam, eigenlijk Stedehouder (Lieutenant) of Plaatsbekleeder van
+een afwezigen Vorst of Heer, had men gewijzigd overgenomen van de
+Spaansche Regering. Want hoewel de volksregering een uitvloeisel was der
+verkregene vrijheid, deed de veelheid der hoofden en zinnen en nog meer
+het belang van het krijgswezen de behoefte gevoelen aan een luisterrijk
+hoofd, dat, door den Souverein bekleed met magt en met de zorg voor de
+algemeene belangen belast, als het ware in het midden stond tusschen
+dien Souverein en het Volk. Van velen nam men dus ~raad~ in, omdat één
+mensch niet ligt alles ziet, doch de ~uitvoering~ werd overgelaten aan
+één persoon: want in eenheid is kracht. Zelf achtten de Staten het
+noodzakelijk, »dat eene veelhoofdige regering getemperd werd door een
+schijn of schaduw van Monarchie"[171].
+
+ [171] Zij betoogden dit in 1651 in een stuk bij AITZEMA, f^o. III 542.
+
+De Stadhouder deelde deze magt met Gedeputeerde Staten, aan wier
+hoofd hij als Voorzitter was geplaatst; terwijl hem tevens het
+oppergebied over het krijgsvolk en het beleid van den oorlog te land
+en te water was opgedragen, in de waardigheid van _Kapitein- en
+Admiraal-Generaal_, welke aan het Stadhouderschap was verbonden. Met
+betrekking tot de Generaliteit had hij zitting in den Raad van State
+te _'s Gravenhage_. Voorts kon hij zitting nemen in het Hof van Justitie
+en in de Rekenkamer. Hem was de jaarlijksche aanstelling van de
+Magistraats-personen in de steden en de beslissing van hunne geschillen
+opgedragen, terwijl het kwartier der steden hem mede de begeving van de
+omgaande Provinciale ambten had toevertrouwd[172]. Bovendien waren er,
+in verschillende tijden, meerdere regten en waardigheden aan dit hoog
+aanzienlijk ambt verbonden. In de hoofdzaak kwam het ambt des
+Stadhouders hierop neder: in het beschermen van de provincie tegen
+binnen-en buitenlandsch geweld; in het toezigt op het krijgswezen en in
+de zorg voor een goed en vaardig bestuur van de provinciale zaken met
+Gedeputeerde Staten.
+
+ [172] Hiervan zijn de zoogenaamde _Landsdag-penningen_ afkomstig, die,
+ aan de eene zijde het borstbeeld des Stadhouders en aan de andere
+ zijde het wapen des Stadhouders, omgeven van die der elf steden,
+ vertoonende, namens den Vorst aan hare Volmagten ten landsdage werden
+ uitgereikt. VAN LOON, _Historiepenn._ IV 169, heeft die bestemming
+ alzoo verkeerd opgegeven.
+
+_Friesland_ had het geluk, dat deze betrekking sedert 1584 op eene
+waardige wijze werd vervuld door acht elkander opvolgende Vorsten uit
+het Huis van Nassau, aan wier geslacht het gansche vaderland, sedert den
+vrijheids-oorlog, zoo veel verpligting had, en waaruit de tegenwoordige
+Koninklijke familie in eene regte lijn afstamt. De deugden en
+bekwaamheden van hen en hunne gemalinnen, die soms, bij minderjarigheid
+des opvolgers, de teugels van het bewind opvatten, leven nog voort in
+eene eervolle nagedachtenis. Hun zetel, het _Stadhouderlijk Hof_, thans
+het _Koninklijk Paleis_, te _Leeuwarden_, dat nog hunne afbeeldsels
+(gelijk de Groote Kerk hun stoffelijk overschot) bewaart, moge, even als
+de door hen aangelegde Prinsentuin aldaar, die herinnering duurzaam
+levendig houden[173].
+
+ [173] Zie de geschiedenis van dit en de andere Vorstelijke Gebouwen te
+ _Leeuwarden_ in de _Geschiedk. Beschrijv._ II 295 env. en eene
+ Volglijst dezer Stadhouders in de tweede Tijdrekenk. Lijst hier
+ achter. Ik herhaal hier den wensch, dat de Levens dezer Vorsten
+ eenmaal naauwkeurig mogen worden opgemaakt, vooral uit die groote
+ verzameling stukken, uitmakende het Archief dier Stadhouders, welke ik
+ in 1837 heb opgespoord in het Rijks-Archief en Huis-Archief des
+ Konings, volgens mijn berigt in _de Vrije Fries_, II 18.
+
+
+_Het Hof Provinciaal._
+
+De Hertogen van _Saksen_ hadden in 1499 een _Provincialen Raad_ te
+_Franeker_ en in 1504 een _Geregtshof_ te _Leeuwarden_ ingesteld en de
+Saksische Ordonnantie uitgevaardigd, waarbij de Keizerlijke regten met
+behoud van sommige lands gewoonten in _Friesland_ ingevoerd-, en
+bepalingen ter handhaving van het burgerlijk en regterlijk bestuur
+vastgesteld werden. In 1571 had dit Hof een grootsch gebouw, de
+_Canselarij_, tot zetel betrokken; doch bij de omwenteling van 1580 werd
+aan dat Hof alle bewind in de zaken der burgerlijke regering of het
+bestuur des lands onttrokken. Sedert dien tijd was alleen het beleid der
+civile en criminele Justitie, of de hoogste regtsmagt en uitspraak in
+burgerlijke geschillen en omtrent strafbare daden, aan dit Hof
+opgedragen. De eerste, ook wanneer men zich van de Nedergeregten bij
+appèl beriep op de uitspraak van het Hof, waarvan geen beroep op eenig
+hooger geregtshof kon geschieden. In 1602 werd door de Staten van
+_Friesland_ de _Lands Ordonnantie_ uitgevaardigd, welke, herzien en
+aangevuld in 1723, nevens het Romeinsche regt, als Hoofdwetboek het
+rigtsnoer bleef van eene Regtbank, die, door krachtbetoon en strikte
+regtvaardigheid, den meesten eerbied en het hoogste ontzag mogt
+verwerven. Groot was dit voorregt, dat _Friesland_ genoot boven andere
+provinciën, wier regtsmagt lang en vaak zeer willekeurig door Jonkers,
+Heeren, Drosten enz. op grond van oude kostumen en landregten werd
+uitgeoefend.
+
+Dit Hof van Justitie dan bestond uit 12 Raadsheeren, welke de Stadhouder
+uit eene nominatie van ieder der vier kwartieren koos, benevens een
+Procureur-Generaal en Griffier, ieder met een Substituut of hulp;
+alsmede een Rollarius, een Ontvanger der Canselarij-geregtigheden, een
+Sportelmaander, zes Deurwaarders, acht Boden enz. Dagelijks hield het
+Hof twee zittingen in de Canselarij, waar boven het eene Bibliotheek
+bezat, waarin de beste werken over de regtsgeleerdheid en aanverwante
+vakken waren opgenomen. Het Blokhuis werd als huis van arrest voor nog
+niet veroordeelde gevangenen--het Landschaps Tucht- of Werkhuis, na 1661
+als strafgevangenis gebezigd. Het Hof ontleende zijn aanzien voor een
+groot deel van de voortreffelijke geleerden uit den aanzienlijksten
+stand, welke gedurende drie eeuwen daarin als Raadsheeren zitting
+hadden[174].
+
+ [174] Jhr. E. M. VAN BURMANIA gaf in 1742 eene _Naamrol_ van deze
+ Raden van het Hof met korte levensschetsen in 't licht. Een vervolg
+ daarop, bevattende de namen der Rentmeesters van de Domeinen,
+ Procureurs-Generaals, Griffiers, Substituten en eerste Deurwaarders,
+ verscheen in 1748. De Saksische Ordonnantie komt voor in het
+ _Charterb._ II 35 en de Lands Ordonn. ald. IV 1138, V I, 99. Zie over
+ de Canselarij en genoemde gevangenissen de _Geschiedk. Beschrijv._ I
+ 112, 260; II 319, 333 env. Voorts FOEKE SJOERDS, _Beschrijv._ II 291;
+ _Tegenw. Staat_, IV 139. De Dissertatie van Mr. J. M. VAN BEIJMA,
+ Leiden 1835, bevat de geschiedenis van het Hof van zijn oorsprong tot
+ het einde der 16e eeuw.
+
+
+_De Rekenkamer_
+
+bestond uit vier Rekenmeesters, uit ieder kwartier een, die gelijktijdig
+met Gedeputeerden op het Collegie vergaderden. Aan hen was het toezigt
+over 's lands penningen, het nagaan van de rekeningen der ontvangers, de
+zorg voor de zaken der (in 1765 opgehevene) Munt enz. opgedragen. Dit
+collegie had een Secretaris, een Pensionaris, benevens eene Kamer van
+Financiën met een Commies-Generaal enz. In het bijzonder had zij het
+toezigt op
+
+
+_de Lands Kantoren._
+
+Deze en de Provinciale Ontvangers waren vier in getal, naar de wijze van
+invordering der belastingen; als:
+
+Het _Kantoor der Floreenen_, of van de opbrengst der Floreenrente uit de
+vaste goederen (de Landtax), benevens het middel der vijf speciën: het
+hoofd- en schoorsteengeld, de bezaaide landen, het horengeld en paarden.
+
+Het _Kantoor der Consumptiën_ ontving de gewone middelen of de
+belastingen op zout, wijn, bier, koffij, thee, zoete waren, laken, klein
+zegel, havenregten enz.
+
+Het _Kantoor der Losse Renten_ had de ontvang en uitbetaling der
+geldleeningen en renten, en der opbrengst van de belastingen op het
+gemaal, beestiaal, turf, brandhout, brandewijn, waagregt, passagie-geld,
+de equivalenten der ambtenaren, de collaterale successie, de registratie
+op den verkoop der vaste goederen enz.
+
+Het _Kantoor der Lijfrenten_ was belast met het beheer over, onder dezen
+naam, door den lande opgenomen gelden, en ontving de reële en personeele
+heffingen op de huren der vastigheden en aangeteekende kapitalen.
+
+Vroeger was er nog een _Kantoor der Domeinen_, of van de opbrengst van
+_het Bildt_ en der kloostergoederen, veenen en landen, der provincie
+toebehoorende enz. Na het verkoopen van deze vastigheden is dit kantoor
+in 1766 opgeheven en vereenigd met dat der consumptiën[175].
+
+ [175] Een uitvoerig overzigt van al de menigvuldige en zware
+ belastingen, welke in de vorige eeuw in _Friesland_ geheven werden,
+ vindt men in den _Tegenw. Staat_, IV 337. Zie daarover ook het
+ belangrijke boekje van Mr. D. _Over de belastingen der Republiek_,
+ Amst. 1837, bl. 127, 167.
+
+
+_De Generaliteit._
+
+Uithoofde van _Frieslands_ betrekking tot de _Unie_ of het verbond met
+de overige zes gewesten, die te zamen den Staat der _Zeven Vereenigde
+Nederlandsche Provinciën_ uitmaakten, waren er nog verscheidene
+aanzienlijke betrekkingen, welke daaruit voortvloeiden.
+
+In de _Staten-Generaal_ of de Algemeene Staten der Nederlanden,--die
+aanzienlijke vergadering van gevolmagtigde afgevaardigden uit iedere
+Provincie, tot waarneming en handhaving van het gemeen belang der
+bondgenooten, te _'s Gravenhage_ gezeteld,--werd _Friesland_
+vertegenwoordigd door vier Afgevaardigden, een uit ieder kwartier en
+somtijds nog een buitengewonen Raad uit dat der Steden. Gewone zaken
+werden in deze vergadering bij meerderheid van stemmen behandeld; doch
+tot buitengewone zaken, als: oorlogs-verklaring, werving, geldleening,
+verbonden met andere mogendheden enz. werd eenparigheid van stemmen en
+uitdrukkelijke toestemming der Staten van iedere provincie vereischt.
+Die gevolmagtigden hadden echter geen vrije stem, of magt om naar hun
+inzigt te handelen, maar moesten zich, vooral in gewigtige zaken,
+gedragen naar de resolutie, welke de Souvereine Staten hunner
+provinciën deswege hadden genomen, en telkens met dezen ruggespraak
+houden, wanneer er iets voorkwam, waartoe zij niet of niet genoeg gelast
+waren. Zeker was dit zeer voorzigtig gehandeld, doch in belangrijke en
+spoed vereischende zaken, veroorzaakte deze omslagtige wijze van
+beraadslaging zoodanige vertraging, dat daaruit dikwijls groote nadeelen
+en onaangenaamheden ontstonden.
+
+Het aandeel van ieder der provinciën in het dragen van de
+Generaliteits-lasten was verdeeld in dezer voege. Van de 100 Gulden
+betaalde:
+
+ _Gelderland_ 5 Gld. 12 Stuiv. 13 Penn.
+ _Holland_ 58 » 6 » 4-1/4 »
+ _Zeeland_ 9 » 3 » 8 »
+ _Utrecht_ 5 » 16 » 7-1/2 »
+ _Friesland_ 11 » 13 » 2-3/4 »
+ _Overijssel_ 3 » 11 » 5 »
+ _Groningen en Ommelanden_ 5 » 16 » 7-1/2 »
+ -----------------------------------
+ 100 » : » : »
+
+_Drenthe_ betaalde 1 boven de 100 Gld. Dat _Friesland_, in vergelijking
+van andere landprovinciën, bij deze zoogenaamde _Quota_ verbazend hoog
+was aangeslagen, valt gereedelijk in het oog, en heeft dan ook
+aanleiding gegeven, dat deze, buitendien voor eigene behoeften reeds zoo
+zwaar belaste, provincie zich daar tegen bijna twee eeuwen lang, doch
+vruchteloos, verzet- en eene billijker verdeeling van de algemeene
+lasten betoogd en verzocht heeft[176].
+
+ [176] Zie deswege Prof. N. YPEY, _Verhandeling over de Quotae_, Harl.
+ 1784, en vooral de krachtige _Deductie_ der Friesche Staten van 1786,
+ in groot en breed 4^o gedrukt, waarin tevens de ware toestand van 's
+ lands financiën is bloot gelegd. Prof. YPEY berekende, dat de Quota
+ van _Friesland_, in verhouding tot de overige provinciën, moest zijn:
+ 9 Gld. 12 St. 2 Penn. Eerst in de laatste jaren der republiek,
+ omstreeks 1792, vond dit gehoor, en werd de Quota dezer provincie op
+ ruim 9 Gld. gesteld.
+
+In den _Raad van State_ of de duurzame vergadering, welke voor de
+uitvoering en handhaving van de besluiten, wetten en bevelen der
+Algemeene Staten zorg droeg, doch later meer bepaald met de zorg voor
+het krijgswezen en de geldmiddelen der republiek was belast, had
+_Friesland_ twee van de twaalf leden, en mede twee afgevaardigden in de
+_Generaliteits-Rekenkamer_, welke met eene Kamer van Financiën en
+Muntkamer aan dezen Raad verbonden was.
+
+Het bestuur van de Lands Zeezaken of de Marine was opgedragen aan de
+_Admiraliteit der Vereenigde Nederlanden_, in 1586 opgerigt en in 1597
+voor vast geregeld. Zij bestond uit vijf Collegiën, waarvan _Friesland_
+er een bezat; terwijl deze provincie een afgevaardigde uit _Oostergoo_
+zond in het Collegie op de Maas te _Rotterdam_, een uit _Westergoo_ naar
+dat van het Noorder-kwartier te _Enkhuizen_ en een uit de _Zevenwouden_
+naar dat te _Amsterdam_ gevestigd. Bovendien werd dit gewest in de
+_Oost-_ zoowel als in de _West-Indische Compagnie_ door een lid
+vertegenwoordigd.
+
+Keeren wij nu weder terug tot de enkel Provinciale Regerings-collegiën.
+
+
+_Het Collegie ter Admiraliteit_
+
+van _Friesland_, waartoe _Groningen_ mede behoorde, was in 1596
+gevestigd te _Dokkum_, doch in 1645 verplaatst naar het gunstiger
+gelegene _Harlingen_. Het bestond uit tien leden, waarvan vier uit
+_Friesland_ en zes uit de overige provinciën, met den Stadhouder aan het
+hoofd, en ondersteund door een Raad en Advocaat-Fiscaal, een
+Secretaris, Ontvanger-Generaal, Equipagemeester, Vendumeester en
+verscheidene andere ambtenaren. De belangen van het Zeewezen van deze
+provincie, in verband met die des lands, werden verzorgd door dit
+aanzienlijk Collegie, hetwelk te _Harlingen_, behalve een Vergaderhuis,
+ruime Magazijnen en eene Scheepstimmerwerf bezat. De twee eersten werden
+in 1771 door een fellen brand in asch gelegd, waarbij ook de Secretarie
+met al hare archiven, benevens een groote voorraad scheepsbehoeften
+verloren ging. De laatste, de werf, ontving in 1781 en 1782 eene
+aanzienlijke vergrooting, zoodat daarop sedert verscheidene
+oorlogs-fregatten en andere groote schepen, van 24 tot 74 stukken
+gebouwd werden[177].
+
+ [177] Zie _Charterboek_, V 330, 477, 485, 493, 521, 558, en _Tegenw.
+ Staat_, III 13, waar eene uitvoerige beschrijving van dit Collegie
+ voorkomt.
+
+
+_De Monster-Commissarissen_
+
+waren vier in getal, uit elk kwartier een, en belast met de monstering
+der compagniën van den Staat, het toezigt op deszelfs vestingen en
+versterkte plaatsen, zoo in als buiten _Nederland_, het onderzoek van de
+krijgsbehoeften enz.[178]
+
+ [178] Zie omtrent deze en verdere opgenoemde betrekkingen de
+ Staatsbesluiten in het belangrijk Alph. _Register der Resolutiën van
+ de Staaten van Friesl._ 1570-1780, van J. A. DE CHALMOT, Kampen 1784.
+
+
+_Curatoren van 's Lands Hoogeschool te Franeker._
+
+Aan vier, uit ieder der kwartieren gekozene, aanzienlijke personen, was
+de zorg voor het hooger onderwijs en het bestuur van de Akademie
+opgedragen, overeenkomstig de Resolutiën, door de Staten deswege
+genomen. Sedert 1653 stond de Stadhouder als eerelid aan het hoofd van
+dit collegie, dat door een Secretaris werd ondersteund. Door het
+verordenen van gepaste maatregelen, goede inrigtingen en eene
+voorzigtige keuze van personen tot Hoogleeraren, hebben deze Curatoren
+gedurende ruim twee eeuwen veel bijgedragen tot den bloei en roem der
+Akademie te _Franeker_, »de kweekschool van groote mannen voor
+_Nederland_"[179].
+
+ [179] In VRIEMOET, _Athenæ Frisiacæ_, Leov. 1758, komt eene Lijst voor
+ van deze Curatoren, voorafgaande die der Hoogleeraren, met
+ levensschetsen van ieder. Over deze Hoogeschool zal in het vervolg
+ nader worden gesproken.
+
+
+_Het Jagtgeregt._
+
+Sedert 1591 was een aanzienlijk edelman als _Houtvester en Pluimgraaf_
+door de Staten bekleed met de regtsmagt over alle zaken, welke de Jagt,
+de Visscherij, het wildschieten, het rapen van eijeren enz. betroffen,
+voor zooverre daarbij lands plakkaten werden overtreden. In 1748 werd
+echter de Prins Stadhouder aangesteld tot _Opper-Houtvester_, met magt
+tot aanstelling van een _Luitenant-Houtvester_ en vier _Meester-Knapen_,
+die, met een Secretaris en 's Lands Fiscaal, een Geregt uitmaakten,
+waaraan sedert de hoogste regtsmagt ten aanzien van dit onderwerp was
+opgedragen, volgens het Reglement van den jare 1750.
+
+
+_Het Krijgsgeregt_
+
+dezer provincie bestond uit een _Geregts-Scholtus_ met twee
+_Assessoren_, een Secretaris, een Advocaat, een Kapitein-Gewaldige met
+zijn Luitenant en een Gerigts-Weibel of bode en trawanten. Alle
+misdrijven van het krijgsvolk, zoowel civiel als crimineel, werden door
+deze regtbank behandeld en ook aan lijf en leven gestraft; de laatste
+evenwel met overroeping van de bevelhebbers der troepen in deze
+provincie en met voorkennis des Stadhouders, die, bij doodstraffen, ook
+het regt van pardon had. De regtdagen of het kamergeregt werden gehouden
+te _Leeuwarden_ in de Lands Provoost of Gewaldige, achter de Galileër
+Kerk. Op voorstel van den Prins Stadhouder werd echter, bij
+Staats-resolutie van 24 Februarij 1775 dit »Provintiaal Krygsgerechte
+der Friessche en Nassauwsche Regimenten" opgeheven, en vervangen door
+een Krijgsraad met een Auditeur-Militair, op den voet der andere
+provinciën. De beroemde geleerde, PETRUS WIERDSMA, was de eerste, aan
+wien laatstgenoemd ambt, gedurende twintig jaren door hem bekleed, werd
+opgedragen[180].
+
+ [180] Omtrent de laatste onderwerpen zie men FOEKE SJOERDS,
+ _Beschrijv._ II 342 en de Staats-resolutiën; DE WAL, _Oratio de claris
+ Frisiæ Jureconsultis_, Leov. 1825, 415.
+
+
+_De Nedergeregten._
+
+Ieder der dertig _Grietenijen_ van _Friesland_ werd bestuurd door een
+_Grietman_ met twee, drie of meer _Bijzitters_ en een Secretaris.
+Gedeputeerde Staten (en sedert 1748 de Stadhouder) verkozen den Grietman
+en deze koos de Bijzitters, beide uit een drietal personen. Voor den
+eersten werd eene nominatie gemaakt door de meerderheid der dorpen,
+welke de meeste stemmen hadden van de stemgeregtigde ingezetenen, die
+voor de laatsten eene nominatie zamenstelden, en verder op gelijke wijze
+ontvangers, predikanten en onderwijzers stemden. Aan de politieke magt,
+welke dit Grietenij-bestuur uitoefende, ten aanzien van het belang en de
+veiligheid der ingezetenen, de uitvoering van de Staatsbesluiten, de
+zorg voor dijken, wegen, armen enz., was echter toenmaals een juridieke
+magt, eene mindere of lagere Regtbank, een _Nedergeregt_ verbonden, in
+vele opzigten overeenkomende met de latere Vrede- of Kantongeregten. Als
+zoodanig was het, behalve met de bestendige zorg omtrent de
+nalatenschappen, de minderjarigen, boedelscheidingen, verkoopingen enz.,
+in het bijzonder belast met de regeling van burgerlijke regtszaken en de
+vervolging van policie-misdrijven. Men kon zich echter van deze
+uitspraken beroepen op het Hof Provinciaal, hetwelk ten aanzien van
+strafbare daden of het crimineele alleen de hulp ter opsporing en
+inlichting genoot van de Nedergeregten, die slechts geringe
+policie-straffen, als geldboeten, aan de kaak stellen, korte gevangenis
+enz. konden opleggen. Tot dit einde werd er in elke grietenij wekelijks
+een regtdag gehouden op de regt- of weerkamer in de hoofdplaats. Een
+gewigtige steun en hulp tot dat alles vond het gezag toenmaals in de
+_Dorpregters_, over één groot of twee kleine dorpen, waartoe meestal de
+geschiktste ingezetenen, met name de onderwijzers werden gekozen, en aan
+wie vele kleine zorgen ter bevordering van het beheer, vrede, veiligheid
+en regt waren opgedragen. Tot deze geregten behoorden verder een
+Fiscaal, Executeur, Adsistenten enz.[181]
+
+ [181] Zie over de Grietenij-besturen de hier vóór aangehaalde werken,
+ benevens C. L. Â BEIJMA, _Tractatus de Grietmannis_, Fran. 1780; H. B.
+ VAN SMINIA, _Nieuwe Naamlijst van Grietmannen_, Leeuw. 1837; _de
+ Grietmannen in Friesland_, aldaar 1848.
+
+Minder eenparig of gelijkmatig was de regeringsvorm der elf Friesche
+_Steden_, welke in 1615, 1637, 1657 en 1786 nieuwe Reglementen van
+Raadsbestelling ontvingen, waarbij er soms eenige veranderingen in de
+namen of vormen kwamen; terwijl de verkiezing (door electeurs, uit de
+burgerij of de breede gemeente en de regeringsleden gekozen en bij
+herhaling uitgeloot) zeer zamengesteld was, om de onpartijdigheid van de
+keuze te verzekeren. Zoo bestond te _Leeuwarden_ de regering uit een
+(jaarlijks ten deele aftredende) _Magistraat_ van 12 en een _Vroedschap_
+van 40 leden, welke laatste in 1637 de Gezworene Gemeente had vervangen.
+De Vroedschappen werden voor hun leven gekozen en daaruit de nominatie
+van Magistraats-leden opgemaakt. De Magistraat of het regerend ligchaam,
+dat de Vroedschap in belangrijke zaken tot Raad had, was zamengesteld
+uit: 4 Burgemeesters, 6 Schepenen en 2 Bouwmeesters of Raadslieden, met
+een Secretaris, 4 Pensionarissen, 4 Rentmeesters en 20 Bevelhebberen of
+de Hopman en Vaandrik der Schutterij uit ieder der 10 espels, waarin de
+stad verdeeld was, en die in sommige gevallen stem hadden in
+regeringszaken. In andere steden bestond de Magistraat enkel uit 6 of 8
+Burgemeesters of met bijvoeging van 2 of 4 Raadslieden, en was het getal
+Vroedschappen geëvenredigd naar hare grootte. Bij de jaarlijksche
+aftreding van de Magistraatsleden werd er eene nominatie gemaakt,
+waaruit de Stadhouder eene keuze deed, evenwel volgens vrijwillige
+opdragt, eerst van 9 en daarna van alle 11 steden[182]. Behalve het
+burgerlijk bestuur van de steden was aan deze Magistraten of
+Burgemeesters ook de uitoefening van de regtsmagt der Nedergeregten
+opgedragen, op nagenoeg gelijke wijze als dit ten platten lande
+geschiedde, met geringe wijzigingen naar plaatselijke omstandigheden.
+
+ [182] Dat hiervan misbruik werd gemaakt en dat vooral Prins WILLEM V
+ zijne vrienden als _Premier_ aan het hoofd der Magistraten stelde,
+ heeft in het laatste tijdperk der republiek veel stof tot misnoegen
+ gegeven. Zie daarover in 't bijzonder (ALLART) _de Vrijheid_, 4e dr.
+ Amst. 1783, bl. 241, env. Ook dáárom trokken sommige steden in 1782
+ deze vrijwillige opdragt in, en vernieuwden zij vervolgens zelve hare
+ Magistraat. Vele Raadsbestellingen der steden zijn opgenomen in de
+ drie laatste deelen van den _Tegenw. Staat_; in het 4e dl. daarvan is
+ eene uitvoerige beschrijving van de geheele Regering. Zie ook FOEKE
+ SJOERDS, _Beschrijv._ II 378.
+
+
+_De Dijksgeregten._
+
+In eene provincie, welke lager ligt dan de gewone vloeden der zee,
+die haar voor het grootste gedeelte en aan alle zijden omringt en
+bestookt, was voorzeker geene zorg van meer belang dan die voor de
+zeedijken en sluizen. Veiligheid van personen en rustig bezit van
+goederen was toch geheel afhankelijk van de deugdzaamheid der middelen
+tot landverdediging. Met groote moeite en opofferingen hadden de vaderen
+die bolwerken rondom de kust opgeworpen; doch het kostbaar onderhoud
+ging steeds met groote bezwaren vergezeld, en tallooze watervloeden, die
+verschrikkelijke verwoestingen en belangrijke verliezen ten gevolge
+hadden, deden de Friezen eeuwen lang gevoelen, dat er krachtiger
+middelen van tegenstand vereischt werden, om meester te blijven van dit
+fel bestreden erf. Moeijelijk waren deze tot stand te brengen, zoolang
+ieder dorp der naast aan zee gelegene grietenijen, van ouds met het
+onderhoud belast, een zeker perk of deel van den algemeenen dijk had te
+herstellen, uit welke verpligting dikwijls hevige twisten en langdurige
+verschillen voortvloeiden. Eerst nadat de Kersvloed van 1717 hier op
+nieuw groote schade en verliezen had te weeg gebragt, kwam daarin
+verbetering. Want de Staten gelastten niet alleen de beschadigde werken
+te herstellen, maar ook alle dijken te verzwaren en te verhoogen, op
+een geregelden en vasten voet, en bovendien, dat in iedere
+zeedijks-contributie het onderhoud gemeen-gemaakt en aan de onmiddelijke
+zorg der dijksbesturen overgelaten zou worden. In weerwil van sterken
+tegenstand, werd bij Staats-resolutiën van 1718 en 1719 bepaald, dat in
+meestal de dijkspligtige grietenijen of dorpen en steden, waar zulks
+niet reeds het geval was, de vastigheden voortaan werden bezwaard met
+een omslag, in verhouding van de hoeveelheid der roeden dijkwerk, die
+zij vroeger in hun afzonderlijk perk hadden onderhouden. Dat deze
+krachtige maatregel van gelukkig gevolg was, bleek ook daaruit, dat
+_Friesland_ tot den jare 1775 van overstroomingen bevrijd bleef.
+
+Bij die gelegenheid werden er ook nadere bepalingen, onder den
+naam van Dijks-instructiën, gemaakt ten behoeve van sommige
+contributiën. De voornaamste dezer waren: 1. _Kollumerland_
+en _Nieuw Kruisland_, met _Gerkesklooster_ en _Visvliet_; 2.
+_Oost-Dongeradeel_ en der daaraan gelegen polders; 3. _West-Dongeradeel_
+en die der _Ternaarder-_ en _Holwerder-polders_; 4. _Ferwerderadeel_;
+5. _het Oud en Nieuw Bildt_ en die der latere bedijkingen; 6 en 7. _de
+Vijfdeelen_, van _Dijkshoek_ tot _Makkum_, waartoe de grietenijen
+_Franekeradeel_, _Menaldumadeel_, _Hennaarderadeel_, _Baarderadeel_
+en _Barradeel_ met de steden _Harlingen_ en _Franeker_, benevens zeven
+noordelijke dorpen van _Wonseradeel_, behoorden. Deze contributie was
+in twee deelen gescheiden: in binnen-en buitendijks, waarvan de
+scheiding was de zoogenaamde Steenenman bij _Harlingen_; 8.
+_Wonseradeels-Zuiderzeedijken_; 9. _Hemelumer-Oldephaert c. an._; 10.
+_Wijmbritseradeel_ met _Sneek_ en _Ylst_, eene uitgestrektheid dijks in
+de laatstvorige grietenij uitmakende; 11. _Workum_; 12. _het
+Workumer-Nieuwland_; 13. _Hindeloopen_; 14. in de _Zevenwouden_, de
+_Zeven Grietenijen_ (als: _Doniawarstal_, _Haskerland_, _Lemsterland_,
+_Schoterland_, _Gaasterland_, _Ængwirden_ en _Schoterland_, benevens
+_Opsterland_) met de stad _Slooten_; 15. _de Lindedijken_ enz.
+
+De Dijksbesturen of geregten, hoewel niet overal gelijk, bestonden
+veelal uit een Dijkgraaf (op _het Bildt_ Heemraad genaamd), uit twee of
+meer Dijks-Gedeputeerden en een Secretaris en Ontvanger, benevens
+Volmagten of Gecommitteerden uit de grietenijen of dorpen en steden, die
+het bestuur kozen, het oppertoezigt hadden en verantwoording van
+ontvangsten en uitgaven ontvingen, volgens naauwgezette bepalingen,
+welke omtrent dit belangrijk onderwerp door de Staten waren
+voorgeschreven[183].
+
+ [183] Met opgave van al de bijzonderheden is dit onderwerp uitvoerig
+ behandeld in het vierde deel van den _Teg. Staat_, bl. 273. Zie ook
+ FOEKE SJOERDS, I 265, II 452; _Regist. der Staats-res._ op _Dijken_,
+ enz.
+
+
+_Het Kerkbestuur._
+
+Sedert de Hervormde leer in _Friesland_, tot godsdienst van Staat was
+aangenomen, werden de belangen der Kerk, onder toezigt van den Staat, in
+elke plaats waargenomen door de _Kerkeraden_, bestaande uit Predikant,
+Ouderlingen en Diakenen, en door _Kerkvoogden_, die met het bestuur van
+de Kerke- en Pastorie goederen belast waren. De gemeenten, welke, in het
+laatst der 18e eeuw, 192 in getal waren, bediend door 208 leeraars,
+waren verdeeld in 6 _Klassen_, genoemd naar de plaatsen, waar de
+Klassikale vergaderingen werden gehouden, als: _Leeuwarden_, _Dokkum_,
+_Franeker_, _Sneek_, _Bolsward_ en _Zevenwouden_ of _Heerenveen_. In die
+vergaderingen hadden zitting al de predikanten, ieder met een ouderling,
+doch uit de steden twee. Aan haar was de handhaving van de Kerkelijke
+Wetten van _Friesland_ opgedragen[184]. Ieder klasse vaardigde jaarlijks
+twee predikanten en twee ouderlingen af ter zamenstelling van de
+_Provinciale Synode_, die in elke Pinksterweek plegtig en in het
+openbaar vergaderde, bij rondgang in de genoemde plaatsen, gelijk ook te
+_Harlingen_. In deze aanzienlijke kerk vergaderingen werden de belangen
+der Friesche Kerk behandeld onder toezigt van twee leden van
+Gedeputeerde Staten, die haar als Commissarissen-Politiek bijwoonden, om
+het evenwigt des gezags tusschen Staat en Kerk te bewaren. Daarin hadden
+mede zitting Correspondenten van de andere Provinciale Synoden, naar
+ieder van welke ook een lid uit deze provincie werd afgevaardigd. De
+uitvoering van de Synodale besluiten was opgedragen aan een collegie van
+12 Deputaten, hetwelk meermalen in het jaar vergaderde.
+
+ [184] Het _Compendium der Kerkelijke Wetten_ is eerst uitgegeven door
+ D^o. G. NAUTA, Amst. 1757, en in 1771 verbeterd en vermeerderd
+ herdrukt te Leeuwarden. In 1806 is daarop gevolgd een _Wetboek en
+ Kerken-orde voor Vriesland_, door de Synode van 1804 vastgesteld.
+
+In de eerste tijden werden de traktementen der predikanten alleen uit de
+pastorie-goederen genoten en zoo vele dorpen bijeengevoegd of
+gecombineerd, als noodig was, om hun een genoegzaam onderhoud te
+verzekeren. Die opbrengst werd echter reeds in 1584 tot eene som van 300
+Gld. aangevuld, als suppletie uit 's lands kas of uit de opbrengst van
+de kloostergoederen. Van lieverlede werd die som verhoogd, totdat zij in
+1699 tot 450 Gld. gebragt werd. De lage prijzen der landhuren, ten
+gevolge der veepest, gaven aanleiding tot het Staatsbesluit van 1744,
+dat de ingezetenen al hunne pastoriegoederen aan den lande konden
+overdragen, om genoemde som in haar geheel te kunnen ontvangen.
+Vervolgens werd bij Staats-resolutie van 1761 bepaald, al de
+pastoriegoederen der suppletie-trekkende plaatsen te verkoopen, waar
+tegen de Staat zich verbond, ieder der predikanten jaarlijks 500 Gld. en
+de Emeriti 300 Gld. uit te keeren[185].
+
+ [185] Zie die Res. en Lijst dier Vastigheden in de daarvan uitgegevene
+ _Billetten van Verkoping_, Leeuw. 1762 en 1763, 4^o. 2 dln.
+
+De benoeming van de Predikanten in de steden geschiedde door den
+Magistraat uit een drietal, door den Kerkeraad opgemaakt[186]. Ten
+platten lande hadden de Hervormde Stemgeregtigde eigenaars der vaste
+goederen het regt tot het beroepen van predikanten en het beheer van de
+kerke- en pastorie-goederen, als van ouds her, behouden[187].
+
+ [186] Omstreeks het midden der vorige eeuw zijn er door de Predikanten
+ LAURMAN, COLUMBA en DREAS, GREYDANUS, REINALDA, GREVENSTEIN en
+ ENGELSMA, _Naamlijsten van de Hervormde Predikanten_, welke sedert de
+ reformatie in de zes klassen van _Friesland_ het evangelie hebben
+ verkondigd, uitgegeven, meest voorzien met aanteekeningen, waarvan
+ sommige van veel historisch belang zijn.
+
+ [187] Zie over den aard en de geschiedenis van dit regt de beide
+ werkjes van den Heer Mr. W. W. BUMA, _het regt der Hervormde
+ Floreenpligtigen op de verkiezing van Predikanten en op het Beheer van
+ Kerkegoederen_, Leeuw. 1849, en _de Onbevoegdheid der Alg. Herv.
+ Synode tot het regelen van het Beheer der Plaatselijke Kerkegoederen_,
+ Leeuw. 1851, gelijk ook de werkjes van den Eerw. Heer J. H. REDDINGIUS
+ GZ. over dit onderwerp. Vele, overigens weinig bekende bijzonderheden
+ zijn daarin opgenomen.
+
+ * * * * *
+
+Bij de zorg, welke de Overheid steeds aan den dag legde voor het
+kerkelijke en voor de belangen der Akademie, zoowel ter vorming van
+waardige predikanten als ter bevordering van de studie der hoogere
+wetenschappen in het algemeen, vooral ten behoeve van de meest
+vermogende standen, steekt zeer af de toenmalige verwaarloozing van het
+lager onderwijs. Wel waren er in nagenoeg alle Steden Latijnsche Scholen
+gevestigd, welke gelegenheid aanboden tot opleiding van jongelieden, ook
+uit den burgerstand; wel poogden de Staten in 1774 te _Leeuwarden_ eene
+Fransche Kostschool op te rigten,--doch het onderwijs op de bijzondere
+scholen was zeer gebrekkig, en het lot der onderwijzers, bijzonder op
+het land, zeer beklagenswaardig. Een der meest verdienstelijke
+onderwijzers uit de vorige eeuw, FOEKE SJOERDS te _Ooster-Nijkerk_,
+die zich door onderscheidene historische werken beroemd maakte, heeft
+in een zijner geschriften van den toestand van het schoolwezen, dat
+»uit hoofde van de weinige bekwame Schoolmeesters en hun armoedigen
+staat aan eene algemene veragting was bloot gestelt," een tafereel
+opgehangen, hetwelk ons met bedroeving vervult[188]. In weerwil de
+Staten in 1580 reeds bepaalden, dat de geestelijke goederen ook tot
+onderhoud van scholen en onderwijzers zouden worden aangewend, was de
+bezoldiging zoo gering, dat er nog in 1768 weinige dorpen waren, waarin
+de onderwijzers, boven woning, tuin en een gering schoolgeld, meer dan
+100 of 150 Gld. inkomen genoten. Men leidde zich dus niet toe op de
+verkrijging van bekwaamheden voor eene betrekking, welke geen genoegzaam
+onderhoud verschafte, hoe nuttig zij ook ware voor het belang en de
+beschaving der maatschappij.--Het voorregt dat onze eeuw door de
+invoering van verbeterd onderwijs boven de vorige geniet, leeren wij
+alzoo door deze vergelijking hoogelijk waarderen.
+
+ [188] Zie zijne _Algemene Beschrijvinge van Friesland_, II 542.
+
+ * * * * *
+
+Zoodanig was in de hoofdzaak de regeringswijze van _Friesland_, tusschen
+de jaren 1580 en 1795. Het geheel was eene staatsinrigting, waarmede de
+Friezen zelve altijd zijn ingenomen geweest, al bestonden er bestendig
+ook klagten over gebreken en misbruiken, welke men gaarne veranderd zag,
+en waarvan vele reeds in 1627, 1672 en 1748 gewijzigd zijn. Ook toen
+verwarde men de onvolkomenheden en dwalingen der personen, die de
+regering uitmaken, weleens met den vorm van Staatsbestuur. Groot was en
+bleef steeds de invloed van den adel en de aanzienlijke geslachten en
+werd de volksregering of democratie getemperd door de aristocratie en
+omgekeerd. Dat hieruit bestendig strijd werd geboren, was zeer
+natuurlijk, hoewel het zeker is, dat de invloed dier aanzienlijke
+personen, die wegens hunne bezittingen de meeste belastingen betaalden
+en het grootste belang bij eene goede regering hadden, dit gewest meer
+voordeelig dan schadelijk is geweest. De oppermagt, of het vermogen om
+te regeren, òf door zich zelven òf door anderen, bleef in _Friesland_
+toch, als van eeuwen her, berusten bij het _volk_, voor zoo verre het
+vaste goederen bezat, en daardoor deel kon hebben in de keuze van de
+Overheden. De Staten, door hen, althans op het land, regtstreeks
+gekozen, waren de vertegenwoordigers en uitvoerders dier Souvereine
+magt[189]. Vandaar, dat een bekwaam schrijver uit het laatst der vorige
+eeuw omtrent de Friesche staatsgesteldheid kon zeggen: »Te vergeefs
+veranderden de volken rondom hen hunne taal, hunne Zeden, hunne Wetten
+en Regeeringsvorm; de Friezen integendeel vertoonen nog hun oude
+karakter; zy behouden nog de meesten hunner wetten; zy spreeken nog
+hunne oude taal. Bij hen heeft alles de eeuwen verduurd, en men zou
+zeggen, dat zij in hunne Veenen(?) eene veilige schuilplaats of een
+hulpmiddel tegen Veroveraars en Onderdrukkers gevonden hebben. De
+Friezen hebben hunne oude Rechten bewaard, als een dierbaar onderpand,
+om te toonen, dat zy nooit geheel verloren zyn geweest."[190]
+
+ [189] Nog heden ten dage zijn de bijeenroepingen van de
+ Floreenpligtigen in de dorpskerken, welke wij in de dagbladen lezen,
+ een overblijfsel van de magt en het regt der ingezetenen op de
+ regeling van hunne gemeentelijke belangen. Zie _Aanteekening 22_.
+
+ [190] _Grondwettige Herstelling van het Nederl. Staatswezen_, Amst.
+ 1784, I 81. Het derde deel, waarin de Staatsvorm van _Friesland_ in
+ het bijzonder zou behandeld worden, is echter niet verschenen.
+
+
+37. _Strijd tegen Buitenlandsche Gevaren bij Binnenlandsche Welvaart,
+tusschen den Munsterschen en den Utrechtschen vrede. 1648-1713._
+
+De vrede van _Munster_ had in den staatkundigen toestand van _Nederland_
+eene groote verandering te weeg gebragt. Nog grooter werd deze, toen
+kort daarna de jeugdige Stadhouder Prins WILLEM II overleed (1650). Daar
+_Groningen_ en _Drenthe_ nu den Frieschen Stadhouder, Graaf WILLEM
+FREDERIK, mede tot den hunnen aannamen, zoo stonden deze drie
+noordelijke gewesten vervolgens tegen al de overige stadhouderlooze
+provinciën over, en gaven de uiteenloopende belangen en inzigten
+dikwijls aanleiding tot hevige botsingen. _Friesland_ en zijn Stadhouder
+hadden nu alle kracht en beleid noodig, om zich te doen gelden tegen het
+overmagtige en overmoedige _Holland_, dat, sterk door zijne ligging,
+welvaart en rijke hulpbronnen, nu het de landprovinciën minder noodig
+had als bolwerken tegen _Spanje_, zijn belang en staatkunde voortaan
+alléén wilde doen zegevieren, en zijn wil als eene wet trachtte te doen
+gelden. Dát _Holland_ ijverde vooral vóór de Souvereiniteit der
+provinciën, vóór de vermindering van de land- en de vermeerdering van de
+zeemagt, doch tegen het Stadhouderschap. Ten aanzien van dit laatste
+vond het steeds een krachtigen bestrijder in _Friesland_.
+
+Dit bleek reeds op de Groote Vergadering, welke in Januarij 1651 te _'s
+Hage_ was bijeengeroepen tot regeling van de drie gewigtige punten: het
+bondgenootschap, de godsdienst en het krijgswezen (_unie_, _religie_ en
+_militie_). Ruim 300 afgevaardigden uit de verschillende gewesten kwamen
+daar bijeen. _Friesland_ zond er zestien van zijne bekwaamste
+staatkundigen met den Lands Secretaris, en had de eer, als voorzittende
+provincie, de vergadering door Dr. PIBO VAN DOMA, Ontvanger en Dijkgraaf
+van Kollumerland, met eene rede te doen openen, waarna de beroemde
+Raadpensionaris JACOB CATS de voorstellen mededeelde en _Hollands_
+gezindheden ontvouwde[191]. Wel zegevierde de staatkunde dier provincie,
+al ontweek zij ook het punt van het Stadhouderschap; doch toen zij in
+1654 in haren afkeer tegen de onvoorzigtige handelingen van Prins WILLEM
+II zoo ver ging, dat zij, bij eene _acte van seclusie_, diens eenigen
+zoon van de hoop op eenig bewind wilde uitsluiten, toen verzetten de
+Staten van _Friesland_ zich krachtig daartegen. In hevige bewoordingen
+betoonden zij zich verontwaardigd »over de ongehoorde ondanckbaerheyt
+tegens het loffelyck huys van Orangien, waer van de voorouderen soo
+treflich van den Staet deser vereenigde Nederlanden hebben gemeriteert,
+met haer goet ende bloet beschermt, ende soo notable victorien
+bevochten, waer door wy van die gedreigde ende bynae onvermydelycke
+slavernie syn gepræserveert, ende met Godes zegen tot soo een glorieuse
+Staet gebracht, als daer in wy ons tegenwoordichlyck bevinden"[192].
+
+ [191] AITZEMA, _Saken van Staet en Oorlogh_, 4^o. VII 205 env.
+ WAGENAAR, _Vaderl. Historie_, XII 153.
+
+ [192] _Charterboek_, V 575 en vele krachtige vertoogen bovendien in
+ AITZEMA, VIII 102 env., vooral tegen DE WITT, VAN BEVERNINGH en
+ NIEUPOORT gerigt. KOK, _Vad. Woordenb._ XVI 603.
+
+De afgevaardigden van _Holland_, stelden alle moeite in het werk, om
+_Friesland_ dit protest te doen intrekken; zij leverden eene ernstige
+wederlegging daarvan in, waartegen de ijverige Friesche afgevaardigden,
+HAUTBOIS en VAN WYCKEL, niets schuldig bleven, zoodat men hoe langer hoe
+meer op elkander verbitterd geraakte. Krachtig deden de Friezen het
+regt van het Vorstelijk huis gelden tegen het onregtvaardig gedrag van
+_Holland_, dat steeds de andere provinciën trachtte te overvleugelen.
+Zij drongen er mede op aan, dat hun Stadhouder tot Veldmaarschalk
+benoemd wierde, toen deze waardigheid door den dood van den Heer VAN
+BREDERODE was opengevallen (1655). Te vergeefs: want die Stadhouder was
+door het aanvoeren van het leger des Prinsen tegen _Amsterdam_ ook bij
+_Holland_ in ongenade gevallen.--Zóó ijverden de verbroederde gewesten
+tegen elkander en verzwakten de goede verstandhouding, welke duurzaam
+van zoo hoog belang was, dewijl het vaderland gelijktijdig van buiten
+bestookt werd door een vijand, die niet enkel Hollands hartader, handel
+en scheepvaart, maar ook de eer en de onafhankelijkheid des geheelen
+lands bedreigde.
+
+
+_De Engelsche oorlogen._
+
+Hevige burgertwisten in _Engeland_ hadden in 1649 ten gevolge, dat
+Koning KAREL I, de schoonvader van Prins WILLEM II, onthoofd- en dit
+rijk tot een gemeenebest verklaard werd onder het Protectorschap van
+OLIVIER CROMWELL. Deze betoonde zich al spoedig vijandig tegen
+_Nederland_, dat den verdreven koningszoon KAREL II had opgenomen, en
+welks bloeijende scheepvaart en handel den nijd hadden opgewekt der
+Engelschen, die, eene aanzienlijke zeemagt bezittende, het meesterschap
+over de zee voor zich alléén begeerden. Hoe gevaarlijk het ook was, zich
+met die zeemagt te meten--voor ons land was een oorlog onvermijdelijk;
+vooral, nadat CROMWELL onzen handel een gevoeligen slag had toegebragt
+door de _acte van navigatie_ (Oct. 1651), waarbij aan vreemden werd
+verboden, hunne waren binnen _Engeland_ te voeren, ten zij met Engelsche
+schepen. Vanhier, dat de Generale Staten, die in dit jaar onze zwakke
+vloot van 40 schepen reeds met 36 versterkt hadden, in het volgende jaar
+bevolen, dat de zeesteden nog 50 en de admiraliteiten nog 100 schepen
+zouden uitrusten. Van de eerste, of de directieschepen, zou _Holland_
+38, _Zeeland_ 9 en _Friesland_ met _Groningen_ 3 leveren; van de
+laatste, of de landsschepen, moesten de admiraliteiten van de _Maas_,
+van _Zeeland_ en het _Noorder-kwartier_ (_Noord-Holland_) ieder 16-1/2,
+_Friesland_ met _Groningen_ 17-1/2 en _Amsterdam_ de overige 33 schepen
+bekostigen[193].
+
+ [193] DE JONGE, _Geschiedenis van het Ned. Zeewezen_, II _a_ 30 env.;
+ WAGENAAR, _Vaderl. Historie_, XII 232 env.
+
+Bij eene nieuwe regeling van het Nederlandsche Zeewezen had _Friesland_,
+in vereeniging met _Groningen_, in 1596 een eigen _Collegie ter
+Admiraliteit_ verkregen, hetwelk te _Dokkum_ was gevestigd. Dan de
+minder gunstige ligging van deze stad tot aanbouw, toerusting en het
+uitbrengen van oorlogsschepen gaven reeds in 1603 aanleiding tot een
+voorstel, om dezen zetel van het Collegie te verplaatsen. Ook later,
+toen het verviel en vrij werkeloos bleef, drong men daarop aan, totdat
+eindelijk in 1642 (toen het niet meer dan 4 schepen bezat, waarvan het
+grootste slechts 16 stukken voerde), het besluit genomen en in 1645
+volbragt werd, om het Collegie ter Admiraliteit te verplaatsen naar
+_Harlingen_, welke stad verpligt werd, den zetel en de gevangen- en
+pakhuizen van het Collegie te bekostigen[194]. Van de gunstige ligging,
+ruime havens en veel beschikbaren grond tot werven in deze zeestad,
+welke gedurende de laatste halve eeuw zoo zeer in bloei was toegenomen,
+verwachtte men voor de belangen van het provinciale zeewezen gunstige
+gevolgen. Voor de uitbreiding en bescherming van de scheepvaart en
+handel van _Harlingen_ zelf scheen deze verplaatsing van zulk
+aanzienlijk ligchaam mede van groot belang te zijn. En toch bleef het
+Stedelijk Bestuur nalatig in het voldoen aan gezegde verpligting,
+waartoe het nog in 1653 moest aangespoord worden[195]. Het Collegie was
+alzoo dáár nog niet volkomen gevestigd, toen de eerste Engelsche oorlog
+uitbrak, en het zich op eens verpligt zag tot zulk een belangrijken
+aanbouw en uitrusting van oorlogsschepen. Hierop geheel niet voorbereid
+of ingerigt, voldeed het tragelijk aan deze, door den dreigenden nood
+gevorderde verpligting, waarom de Friesche Staten, die in 1652 consent
+gaven tot het aanwenden van 2 tonnen gouds en in het volgende jaar van 2
+millioen gulden ten behoeve van het zeewezen, hun ongenoegen te kennen
+gaven over de nalatigheid en de verkeerde handelingen van het Collegie.
+De Friesche Admiraliteit kon dan ook in 1653 tot de 154 schepen, waaruit
+onze zeemagt toen bestond, niet meer dan 10 bodems van 137 stukken,
+bemand met 500 matrozen, toebrengen[196]. Bij herhaling deden de Staten
+hun misnoegen blijken over het slecht bestuur van het Collegie, dat in
+1656 tot verantwoording werd geroepen wegens de gelden, voorgeschoten
+tot het bouwen van 60 schepen van oorlog. Sedert dien tijd schijnen de
+zaken gunstiger te zijn gegaan, en werd het alleen in 1659 212,000 Gld.
+toegestaan tot aanbouw en uitrusting van schepen, opdat _Friesland_ het
+zijne mogt toebrengen tot de middelen ter verdediging des vaderlands.
+
+ [194] _Charterboek_, IV 896, V 330, 477, 485, 486; _Reg. op de
+ Staats-resol._ 10, 205, 313; _Tegenw. Staat_, III 13.
+
+ [195] _Charterboek_ V 521, 558. Dit is te vreemder, omdat de Regering
+ van _Harlingen_ reeds in 1644 bij acte had aangenomen, "omme de Heeren
+ Raden ter Admiraliteyt op Stadts costen te voorsien met een bequame
+ huysinge tot het Collegie ende Vergaderinge, sampt gevangen- en
+ packhuysen."
+
+ [196] _Reg. Staats-resol._ 13; DE JONGE, _Zeewezen_, I 280, 281; II
+ _a_ 346, II _b_ 31, en verder de Resolutiën van Gedeputeerden.
+
+Bij dezen, in den aanvang zoo gebrekkigen, toestand der schepen,
+die tevens te min geschut en te weinig bekwaam volk hadden, moest
+het beleid en de moed der vroeger gevormde zeelieden veel vergoeden.
+Was het een geluk voor den staat, dat de later zoo beroemde MICHIEL
+ADRIAANSZ. DE RUYTER zich in 1652 eindelijk liet bewegen, in 's
+lands dienst te treden en, als Vice-kommandeur op eene vloot van 30
+schepen, 60 koopvaardijschepen te geleiden en te beschermen tegen de
+Engelschen,--op dien eersten togt blonk, als het eerste dappere bedrijf,
+de heldhaftigheid van een Friesch Kapitein uit. Deze was DOUWE AUKES,
+bevelvoerende op een der twee grootste Oost-Indievaarders, die nu ten
+oorlog waren toegerust, de _Struisvogel_ of _Vogelstruis_ geheeten,
+gewapend met 40 stukken en 200 man, terwijl het schip van DE RUYTER
+zelven slechts 28 stukken en 134 koppen voerde. Op den middag van den 26
+Aug. 1652 was het gevecht tegen den Vice-admiraal GEORGE AYSCUE, die 40
+schepen onder zich had, bij _Plymouth_ pas begonnen, toen bovengenoemd
+schip vooruit snelde en zich alleen te digt onder de Engelschen begaf,
+die dadelijk met drie of vier groote schepen den Struisvogel meenden te
+vernielen, door hem van alle zijden fel aan te tasten. De matrozen,
+ziende dat geen der Hollandsche schepen opkwam om hen te ontzetten,
+wilden niet vechten, maar het schip overgeven, waartoe ze hun Kapitein
+poogden te dwingen. Doch met het gevaar steeg den moed van dezen, die
+het uiterste wilde wagen. Met een sabel in de eene en een lont in de
+andere hand, »trad hij onder de Maets, dreygende hun alle, in geval sij
+nu niet vromelijck vochten, in de Lucht te doen springen, luidkeels
+roepende: Schept moed, mijn kinders, schept moed. Ik zal u den weg
+wijzen, en als wij de vijanden niet langer konnen wederstaan, dan zal ik
+u alle van de gevangenisse bevrijden, door middel van de lont, dien ik
+in de hand hebbe." Die taal maakte een gewenschten indruk en herstelde
+den verflaauwden moed der zijnen: ieder vloog naar zijne plaats en post.
+»En den valjanten DOUWE, die een Stuck op den Overloop hadde staen,
+waermede hy Seyn dede van los te branden, vierde met 24 Stucken in den
+Engelsman, die hy vry dicht had laten komen, soodat die met Volck en al
+wat daer op was dadelijck is gesoncken. Stracks kreeg hy het tweede
+Engels Schip op zij, een Bengel met 50 Stukken; DOUWE trefte die als de
+eerste met syn tweede Laeg Geschuts, soodat die oock stracks te gronde
+ging: op dese twee Schepen waren by de 900 Zielen, waer af niet eenen
+(dat men weet) levendig gebergt is. Den derden Engelsman, onder zyn
+scheut komende, kreegh ook soo veel, dat hy krengde;" waarna onze
+dappere Kapitein, na een verlies van 30 man, den weg open vond, om uit
+den drang te geraken en zich bij 's lands vloot te voegen[197]. In den
+avond namen de Engelschen, die 1300 dooden hadden, de vlugt, en DE
+RUYTER, verwonderd over den uitslag van dezen strijd tegen zoo groote
+overmagt, betuigde: »Als de almagtige God kloekmoedigheid wil geven, dan
+verkrijgt men de overwinning"[198].
+
+ [197] Van dezen DOUWE AUKES zijn geene andere bedrijven of
+ levensbijzonderheden bekend. Vermoedelijk verliet hij na den eerste
+ Engelschen oorlog de zee en werd koopman te _Amsterdam_, waar hij bij
+ den tweeden Engelschen oorlog, in 1665, in aanmerking kwam, om, wegens
+ zijn vroeger bedrijf, de gemagtigden tot 's lands vloot als Zeeraad te
+ dienen. Zie BRANDT, _de Ruiter_, 398. De _Holl. Mercurius_, 1666, 169
+ noemt hem, die verder niet bij BRANDT voorkomt, "een van de beste
+ Zee-helden van onsen tijt, so in goet beleyt, courage, als
+ ervarentheyt," en meent zelfs, dat hij in 1666 bestemd was tot
+ Luit.-Admiraal, in plaats van TJERK HIDDES.
+
+ [198] Ik ben het verhaal gevolgd in den _Hollantsche Mercurius_ van
+ 1652, III 82, nagenoeg overeenkomende met BRANDT, _Leven van de
+ Ruiter_, Amst. 1701, 27 en DE JONGE, _Zeewezen_, II _a_ 53.
+
+Nadat JOHAN DE WITT in 1653 Raadpensionaris van _Holland_ was geworden,
+deed hij moeite dezen oorlog te doen eindigen, hetgeen eerst in 1654
+gelukte. Bij voortduring werd er echter eene uitbreiding onzer zeemagt
+vereischt, om het gezag van den Staat als zeemogendheid te vestigen.
+Hierin slaagde men boven verwachting, en mogten onze voortreffelijke
+zeevoogden DE RUYTER, CORN. TROMP, DE WITH, VAN WASSENAAR en anderen
+grooten roem behalen bij de bescherming van onzen handel in de Oostzee
+en de verdediging van _Denemarken_ tegen _Zweden_ (1655, 1659), door het
+straffen van de zeeroovers in de Middellandsche zee (1656, 1661), door
+het beteugelen van de Kaapvaart der Franschen (1656), in den oorlog met
+_Portugal_ (1657), en bij de bescherming van onzen handel, scheepvaart
+en buitenlandsche bezittingen. KAREL II, die in _Holland_ zoo vele
+blijken van gastvrijheid en hulde had ontvangen, was echter naauwelijks
+op den Engelschen troon hersteld, of deze trouwlooze Vorst deed
+_Nederland_, welks bloeijende handel ook zijn nijd en wrevel had
+opgewekt, den oorlog aan (1665), nadat de vijandelijkheden reeds vroeger
+op eene verraderlijke wijze waren begonnen door het wegnemen van eenige
+onzer schepen en bezittingen. De verontwaardiging over zulk eene
+handelwijze spande de veerkracht onzer landgenooten, om alles aan te
+wenden, wat tot wederstand en vernedering van zulk een vijand kon
+strekken. De Staten van _Friesland_ waren thans meer dan ooit gezind,
+het hunne tot versterking der vloot bij te dragen. »Nu ontwikkelde ook
+de Vriesche Admiraliteit eene tot dusverre ongekende magt. Met geenen
+minderen ijver dan hare gezusters bezield, wist zij thans niet alleen
+het getal harer schepen aanmerkelijk te vermeerderen, maar dezelve ook
+zoodanig te doen uitrusten, dat zij onder de schoonste, best gewapende
+en uitmuntendst bemande van 's Lands vloot gerekend werden[199];
+waardoor de Vriesche zeelieden in de gelegenheid gesteld werden, om
+onder bijzondere opperhoofden deel te nemen aan de groote zeeslagen van
+dit tijdperk, hunnen van oudsher verkregen roem mannelijk te handhaven
+en zelfs te vermeerderen. Met den aanvang van dezen oorlog verdubbelde
+die Admiraliteit hare werkzaamheden, en nam het getal van hare groote
+schepen zoo aanmerkelijk toe, dat zij in staat was, een aanzienlijk en
+voortreffelijk smaldeel te leveren, hetwelk met die der overige
+collegien niet slechts kon vergeleken worden, maar die van sommige
+overtrof. Nu meenden de Staten van _Vriesland_, daartoe aangespoord door
+hetgeen omtrent de verheffing van zoo vele hoofdbevelhebbers in
+_Holland_ en _Zeeland_ gebeurd was, het noodig en nuttig te wezen, en
+geregtigd te zijn, om over hunne scheepsmagt ook eenen Luitenant- en
+Vice-Admiraal en eenen Schout-bij-nacht aan te stellen; tot welke
+waardigheden zij, in Lentemaand 1665, verhieven de Kapiteinen AUKE
+STELLINGWERF, RUDOLF COENDERS en HENDRIK BRUYNSVELT"[200].
+
+ [199] "Dit getuigt, onder anderen, de Raadpensionaris J. DE WITT, in
+ een' zijner brieven aan de Algemeene Staten."
+
+ [200] DE JONGE, _Zeewezen_, II _b_ 32, 105. Waar het mogelijk is, wil
+ ik over dit onderwerp het liefst de eigene woorden van dezen bevoegden
+ beoordeelaar mededeelen, die zeker het meeste gezag verdient.
+
+Deze, aan het hoofd geplaatst van het 5e eskader, dat uit 14 Friesche en
+Groninger oorlogsschepen bestond, vereenigden zich met 's lands vloot,
+welke door de zorg der Admiraliteiten en van DE WITT tot eene ongemeene
+sterkte was opgevoerd, vermits zij een getal uitmaakte van 103 schepen
+van oorlog, 7 jagten, 11 branders en 12 galjoten, gewapend met 4869
+stukken geschuts en voorzien met ruim 21,000 matrozen en soldaten. Deze
+magtige vloot, welke men bestand achtte, om zich met de Engelsche
+zeemagt te meten, stak den 23 Mei 1665 onder het opperbevel van den
+Luitenant-Admiraal JACOB VAN WASSENAAR OBDAM in zee. Doch tegen alle
+verwachting was de uitslag hoogst ongunstig. Ofschoon vele vlootvoogden
+wonderen van dapperheid bedreven, liet de, voor deze taak niet volkomen
+berekende, opperbevelhebber de gunstigste gelegenheid om op de
+Engelschen voordeel te behalen, voorbijgaan, zoodat, toen hij zelf met
+zijn schip in de lucht vloog,--de wakkere Admiraal KORTENAER gevallen en
+ook onze Admiraal STELLINGWERFF gesneuveld en diens schip, de
+Zevenwouden, door de Engelschen genomen was, de gansche vloot met
+groot verlies aftrok en veel verminderd en zwaar beschadigd in de
+vaderlandsche havens terugkeerde. Vele kapiteins werden wegens
+pligtverzuim strengelijk gestraft, doch ook andere, die zich dapper
+hadden gedragen, geprezen en bevorderd. Onder deze laatste was TJERK
+HIDDES DE VRIES van _Sexbierum_, die, als Kapitein van het schip: de
+Steden, zich op dezen togt door ongemeene manhaftigheid en schrander
+doorzigt onderscheiden hebbende[201], dadelijk in STELLINGWERFF'S plaats
+tot _Luitenant-Admiraal van Friesland_ werd aangesteld. Met weergalooze
+kracht-inspanning werd de ontredderde vloot hersteld, en reeds in
+Augustus des zelfden jaars weder naar zee gezonden, en nu wel onder het
+opperbevel van den algemeen geachten Luit.-Admiraal DE RUYTER, die, pas
+uit _Amerika_ in het vaderland teruggekeerd, onzen DE VRIES het bevel
+over een der vier smaldeelen van de vloot toevertrouwde. Hoe krachtig en
+moedig de onzen nu ook waren, zij vonden dit jaar geene gelegenheid, om
+met de Engelschen slaags te geraken. Men bleef zich dus versterken, in
+de hoop van in den volgenden jare den vijand op eene geduchte wijze te
+vernederen. Hiertoe werden krachtige toebereidselen gemaakt, en stonden
+de Friesche Staten dit jaar eene som van ruim 900,000 Gld. der
+Admiraliteit ten behoeve der zeemagt toe, en schroomde men niet, daartoe
+buitengewone heffingen en geldleeningen te doen[202].
+
+ [201] Zie een belangrijken brief van hem bij AITZEMA, XI _b_ 919;
+ WAGENAAR, XIII 147 env.; DE JONGE, II _b_ 180, 247, 281 env.
+
+ [202] Resol. van Gedeputeerden; _Reg. Staats-res_. 13, 206; _Chartb._
+ V 747, 749, 750; VITRINGA, _Memoriale Annotatien_, I 412 env.
+
+Werkelijk stak DE RUYTER den 5 Junij 1666 met eene verbazende vloot in
+zee, waarvan het tweede smaldeel, groot 28 schepen, geplaatst werd onder
+het bevel van TJERK HIDDES, die nu het schip _Groot Frisia_ voerde.
+Hevig was de hierop gevolgde vierdaagsche zeestrijd, waarin
+laatstgenoemde zeeheld, nadat EVERTSEN gesneuveld was, veelvuldige
+blijken gaf van ongemeene dapperheid, door bij herhaling moedig op den
+vijand in te breken, zoodat zelfs vreemden hem den lof gaven, dat hij
+»een der beste en kloekmoedigste Opperhoofden was, dien een groot deel
+der overwinning toekwam"[203]. Mede onderscheidde zich zijn
+Schout-bij-nacht HENDRIK BRUNSVELDT, van wien gemeld wordt, dat hij
+»sich wonder mannelyk queet: want van twee Vyandts Scheepen ter
+wederzyde aan boord geklampt zijnde, sulcx dat hij in het midden was
+leggende, soo heeft hy, in plaats van sich (gelyk de Engelsche Admiraal
+GEORGE ASCUE ghedaen heeft) op te geven en om quartier te roepen, syn
+Volk tot dapperheydt aangemoedight, en gheordineert, dat se ter
+weder-zyden souden overspringen en Enteren, gelyk ook aanstonts soo
+gheseght soo gedaen wierdt, nemende de valjante BRUNSVELDT, eer hy
+eenige assistentie konde bekomen, beyde zyn Bespringers wegh, en maakte
+hun beyde tot syn ghevangens." Niet genoeg bezet en daarna bevrijd,
+werden deze schepen van 40 en 58 stukken echter door Kapitein PAAUW ten
+tweeden male vermeesterd[204].
+
+ [203] _Memorien van den Grave de Guiche_, bl. 262 en 277 van het orig.
+ en 270 en 286 van de vert. Deze Fransche edelman, die zich met andere
+ aanzienlijke personen op de vloot bevond, schreef den naam van TJERK
+ HIDDES naar zijne Fransche uitspraak KIERKIDES, welke spelling ook de
+ schrandere vertaler behouden heeft.
+
+ [204] Ik vond dit verhaal (bij DE JONGE, II _b_ 282 en in het
+ officiëel verslag in den _Holl. Mercurius_, 90 slechts kort vermeld)
+ in een oorspronkelijk _Zee-Journael_ van dien togt, zoo als die
+ destijds, bij gemis van Couranten, te _Amsterdam_ en elders werden
+ gedrukt en onder den naam van _Nieuwe Tijdingen_ verspreid.--In 1663
+ hadden Gedeputeerde Staten hier een vasten _Post_ opgerigt, tweemalen
+ ter week van _Leeuwarden_ op _Zwolle_ en verdere plaatsen. Het _Huis
+ Benthem_ was hier het eerste Postkantoor en JETSE STIENSMA de eerste
+ Postmeester. _Charterboek_, V 693, 707.
+
+Groot was de vreugde in het vaderland over de schitterende overwinning,
+welke op dezen togt werd behaald. Men wilde echter het behaalde voordeel
+vervolgen en den vijand door vernedering tot vrede dwingen. Met den
+meesten ijver werd de vloot van de bekomene schade hersteld, zoodat
+reeds in Julij weder eene zeemagt het vaderland verliet, welke uit niet
+minder dan 118 zeilen, voorzien met ruim 22,000 man, bestond. Op den 4
+Augustus 1666 ving de strijd weder aan, doch onder min gunstige
+omstandigheden voor de onzen. Het Zeeuwsch en Friesch smaldeel, onder de
+Luit.-Admiralen JAN EVERTSEN en TJERK HIDDES DE VRIES, had de voorhoede,
+viel het Engelsch eskader der witte vlag kloekmoedig aan en leed daarbij
+geweldig, doch verdedigde zich gedurende eenige uren mannelijk. Weldra
+echter werden beide Admiralen, gelijk ook de Vice-Admiraal COENDERS, in
+het heetste van het gevecht, doodelijk gewond. »Hierdoor van hunne
+voornaamste Hoofden verstoken, verliezen de anderzins dappere Zeeuwen en
+Vriezen hunne gewone kloekmoedigheid." Terwijl nu de voorhoede wijkt,
+verflaauwt de moed der overige schepelingen van dit eskader, en valt de
+vijand met des te meer geweld op den middeltogt van DE RUYTER aan, die,
+eindelijk, strijdende wijkt en vervolgens den terugtogt aanneemt, zoodat
+hij met geringe verliezen de vloot in het verslagene vaderland
+terugbragt. In het volgende jaar 1667 wischte hij echter door zijn
+stouten togt naar _Chattam_ de smet dezer nederlaag uit, en werden de
+Engelschen gedwongen tot vrede, die nog in dat jaar te _Breda_ werd
+gesloten[205].
+
+ [205] DE JONGE, II _b_ 336, 344 env.; WAGENAAR, XIII 210; _Holl.
+ Mercurius_, 115; AITZEMA, XII 97; BRANDT, 515.
+
+Voor _Friesland_ vooral was het sneuvelen van den voortreffelijken TJERK
+HIDDES DE VRIES een groot en onherstelbaar verlies. De Zeeuwsche
+Admiraliteit getuigde van hem[206], »dat hij begaafd was met vele
+uitmuntende hoedanigheden, om zijne betrekking van Luitenant-Admiraal
+waardiglijk te bekleeden, en dat hij in de uitvoering daarvan
+menigvuldige bewijzen gegeven heeft, niet alleen van soldaat- en
+zeemanschap, maar ook van goede orde en conduite, mitsgaders van
+prompte expeditie." DE RUYTER schatte hem zóó hoog, dat hij niemand
+waardiger achtte hem in het opperbevel op te volgen dan DE VRIES, van
+wiens kunde en trouw hij volkomen overtuigd was. Algemeen werd hij »als
+een der kundigste en dapperste Zeehelden van dit tijdperk" geroemd. Ook
+'s lands Staten gaven blijken van hunne erkentenis bij zijnen dood, door
+het bezorgen van eene plegtige uitvaart bij zijne begrafenis te
+_Harlingen_, en door den zoon, na zijn sneuvelen geboren en tevens
+moederloos geworden, in hunne bescherming te nemen[207].
+
+ [206] DE JONGE, II _b_ 353; III _a_ 417. Zijne beste levensbeschrijv.
+ is die in de _Levens van Nederl. Mannen en Vrouwen_, Amst. en Harl.
+ 1776, III 1; KOK, XXX, 36; BRANDT, _de Ruiter_, 401, 407, 419, 423,
+ 424 env. Zie verder _Aanteekening 23_.
+
+ [207] Deze zoon, TJERK DE VRIES, ook in 's lands zeedienst opgeleid,
+ stierf reeds in 1689 als Kapitein van en op 's lands oorlogsschip: de
+ Brack op een terugtogt van _Engeland_.
+
+Tot opvolger van DE VRIES werd niet de vroeger zoo loffelijk
+vermelde DOUWE AUKES gekozen, maar een edelman, HANS WILLEM _Baron_
+VAN AYLVA, die toen Kolonel was bij het krijgsvolk te land; een man,
+die wel in 1667 den togt naar _Chattam_ mede maakte, doch een land- en
+geen zee-officier was, waarom hij in 1672, toen hij tevens tot
+Luitenant-Generaal der landmagt was bevorderd, zich niet bij de vloot
+voegde, maar, beter op zijne plaats, tot bescherming van _Friesland_ aan
+land bleef[208].
+
+ [208] Zie over AYLVA als Luit.-Admiraal: BRANDT, 558, 573, 585, 589,
+ 590, 594, 598, 599, 644, 646; DE JONGE, II _b_ 421; III _a_ 51, 124.
+
+Tot dien laatstgenoemden zeetogt leverde _Friesland_ slechts een fregat
+en een advisjacht, en in 1673 voegden zich slechts drie Friesche
+oorlogsschepen, benevens een brander en twee kleine vaartuigen, bij 's
+lands vloot. Ook werd er in AYLVA'S plaats geen nieuwe Luit.-Admiraal
+aangesteld. De groote inspanning, om zich tegen den vijand te land te
+verdedigen, geldgebrek, verschillen met _Groningen_ en tusschen de
+Staatsleden, en bewegingen onder het volk, gevoegd bij toenemende
+onverschilligheid omtrent _Frieslands_ belang bij eene zoo talrijke
+vloot--ziedaar zoo vele redenen, »waardoor de Vriesche zeemagt, welke in
+den voorgaanden oorlog zulk eene luisterrijke plaats in de vloot bekleed
+had, van hare kortstondige grootheid verviel"[209].
+
+ [209] Zie deze redenen breeder ontwikkeld bij DE JONGE, III _a_ 204.
+
+In weerwil de bloei der Friesche Admiraliteit zoo zeer was gedaald,
+bleven de Friesche zeelieden op de vloot, met de Zeeuwen onder BANCKERS
+vereenigd, bij herhaling blijken van dapperheid betoonen, door den
+vijand de meest mogelijke afbreuk toe te brengen. Ook waren er bij die
+vroegere togten mannen gevormd, die eerst later in de gelegenheid kwamen
+zich door roemrijke daden te onderscheiden. Onder deze verdient eene
+eerste plaats de uitmuntende Kapitein JACOB BINCKES of BENCKES, van
+_Koudum_, die, nadat hij de Algerijnsche zeeroovers had helpen
+tuchtigen, tweemalen als kommandeur met een smaldeel naar de
+_West-Indien_ gezonden werd, waar hij vele kloeke daden bedreef, in 1673
+met EVERTSEN in _Virginië_ grooten buit op de Engelschen behaalde,
+_New-York_ of wel geheel _Nieuw-Nederland_ op de Britten veroverde, en
+eindelijk »het eiland _Tabago_ tot het schouwtooneel maakte eener
+dapperheid, die eerst de Franschen met schande deed wijken en daarna op
+den hem toevertrouwden post een roemrijken dood stierf"[210].
+
+ [210] Mijn bestek gedoogt niet, aangaande dezen man meerdere
+ bijzonderheden mede te deelen. Omtrent weinige personen is DE JONGE
+ zóó uitvoerig, als over dezen dapperen zeeman, van wien hij vele, tot
+ dusverre onbekende, bijzonderheden heeft medegedeeld. Zie III _a_ Inl.
+ XII, 30, 345-366, 415, III _b_ 49, 275-363.
+
+ * * * * *
+
+Terwijl het vaderland aldus van ~buiten~ bedreigd werd door een
+geduchten vijand, die het tot eene tijdelijke overspanning van krachten
+dwong, welke het op den duur niet kon volhouden, was het van ~binnen~
+verre van rustig en voorspoedig gebleven. De republikeinsche geest der
+ingezetenen, die scherp acht gaf op de handelingen der regering, meende
+destijds niet zoo spoedig gebreken of misbruiken in het Staatsbestuur te
+ontwaren, of men school bijeen, gaf blijken van ernstig misnoegen, en
+deed de pogingen tot verbetering dikwijls vergezeld gaan van onrustige
+bewegingen, oploopen en soms wel van gewelddadigheden. Hierdoor werden
+de beste bedoelingen vaak bezoedeld of verijdeld, en de driften opgewekt
+der lagere volksklassen, van wier ruwe en ongebonden zeden in dit
+tijdvak wij vele voorbeelden zouden kunnen bijbrengen, welke geenszins
+tot eere strekken van dien goeden ouden tijd, dien wij waarlijk niet
+behoeven terug te wenschen[211].
+
+ [211] Tot kenschetsing van de zeden en den trap van beschaving dier
+ dagen, welke wij hier niet in bijzonderheden kunnen vermelden, meenen
+ wij een enkel bewijs te moeten aanvoeren. In het zelfde jaar 1661, dat
+ de Staten ten gevolge der toenemende publieke onveiligheid,
+ veroorzaakt door veelvuldige luije bedelaars, vagabonden en
+ landloopers, gedrongen waren een Lands Tucht- en Werkhuis op te
+ rigten, werden er plakkaten uitgevaardigd zoowel tegen "dát schadelyck
+ geboefte," als tegen het drukken van schandelijke en ergerlijke
+ boeken, alsmede tegen het onbehoorlijk zuipen en slempen op de
+ lijkmaaltijden. Zie die stukken in het _Charterb._ V 651, 653, 661,
+ 662. Den hoofdinhoud van het laatste willen wij hier mededeelen met de
+ woorden van HORATIUS VITRINGA in zijne MS. _Memoriale Annotatien_, I
+ 262:
+
+ "De Staten van _Frieslant_, insiende het schandelyck en godtloos
+ misbruick van 't suypen en slempen, dat daeghelycks en dickmaels by de
+ begraffenissen der dooden gepleecht wierde van alderhande soorten van
+ menschen, en hetwelcke soo groff gingh, dat menich droncken bout in
+ het sterffhuis konde vertoeven tot 9 à 10 uyren in den avont, en haer
+ alsdan als beesten laten nae huis leyden, nemende menichmael kannen en
+ glasen onder de mantel en hoyck mede om in het drincken niet vergeten
+ te worden; in voegen, dat een gemeen Burger tot een begraffenisse van
+ nooden hadde ten minste een aem wyns en sommige vrij wat
+ meer,--hebben, daerinne willende voorsien, den 13 Julij 1661 (op een
+ gravamen van 't Classis van _Leuwaerden_, in desen jare op het Synode
+ alhier vergadert, voorgedragen) by openbare placcaten laten verbieden,
+ dat niemand voortaen, soo groot als klein, edel ofte onedel, directe
+ off indirecte, voor off nae de begraffenisse, sal vermogen wyn, bier
+ off stercken dranck te doen schencken by poene van 50 Ggld., 't
+ appliceren 1/3 part voor den aenbrenger, 1/3 part voor den Officier en
+ 1/3 part voor de armen: waer mede het drincken oock een eynde heeft
+ genomen." Dit laatste wordt door de herhaling van dit plakkaat in 1683
+ tegengesproken. Zie _Charterb._ V 1213.
+
+Zoo werden de steden _Leeuwarden_ en _Franeker_ in 1657 grootelijks
+verontrust door burgergeschillen en klagten over de regeringsleden, die
+hevige verbittering hadden opgewekt, wegens het schenden van de
+reglementen en de vrijheden der ingezetenen, tegen wier belang eenige
+weinige staat- en baatzuchtige personen zich van het gezag hadden
+meester gemaakt. Met veel moeite en door het verleenen van nieuwe
+Reglementen van Raadsbestelling werden die onlusten door den Stadhouder
+en de Staten bevredigd[212]. Een ander misbruik dier dagen was het
+verkoopen van de lands ambten en betrekkingen, zoo burgerlijke als
+militaire, welke de regenten en bijzonder de Gedeputeerde Staten, die ze
+beurtelings begaven, in weerwil van vroegere verbodsbepalingen, niet
+altijd aan de waardigste personen, maar veelal aan hen, die de hoogste
+som daarvoor aanboden, opdroegen. Het misnoegen hierover, in 1662 op
+nieuw ontstaan, gaf zelfs aanleiding, dat het Hof twee regenten daarover
+proces aandeed, waarom de Staten, na lange onderhandelingen, daartegen
+strenge verbodsbepalingen uitvaardigden, en eene boete van 100 gouden
+Rijders op de overtreding daarvan vaststelden[213].
+
+ [212] VITRINGA, _Mem. Annotatien_, I 93; _Charterb._ V 592, 595, 604,
+ 606, 608, 609; _Tegenw. Staat_, II 169, 468.
+
+ [213] VITRINGA, I 271; _Charterb._ V 666, 667, 679, en AITZEMA, X 524,
+ die onschatbare bron voor onze vaderlandsche geschiedenis!
+
+Bij al deze bewegingen was het herhaaldelijk gebleken, welk eene
+vredelievende gezindheid en wijze gematigdheid den Stadhouder, Prins
+WILLEM FREDERIK _van Nassau_, bezielde. Groot was dus het verlies, toen
+deze brave Vorst den Friezen in 1664 door den dood ontviel. Een droevig
+ongeluk was daarvan de oorzaak, en wel het losbranden van zijn eigen
+pistool, dat eerst weigerde af te gaan en daarna, toen hij naar de
+oorzaak daarvan wilde zien, hem met een kogel, onder de kin in en nevens
+het oog uit, dermate trof, dat hij, na het schrijven van brieven aan de
+Staten en den Prins van Oranje en het maken van schikkingen omtrent zijn
+huis, zeven dagen later op eene den Christen waardige wijze stierf. De
+Staten, die hem in 1659 de erfopvolging zijns zoons hadden verzekerd,
+overtuigd van zijne »loffelycke, meriten, treffelycke daden en
+singuliere groote diensten in de krygs-expeditien, selfs met gevaer van
+Lyf en Leven, voor het Vaderlandt gedaen," huldigden zijne nagedachtenis
+mede door eene prachtige uitvaart bij zijne begrafenis op den 15
+December, waartoe zij de onkosten met eene som van 16,000 Gld
+bestreden[214]. Bovendien benoemden zij dadelijk zijnen minderjarigen
+zoon tot hunnen Stadhouder en Kapitein-Generaal, om deze waardigheden
+op zijn 20e jaar te aanvaarden, hoewel hij nu reeds in het genot
+gesteld werd van het traktement. Zijne opvoeding droegen zij zijner
+moeder en voogdes, de voortreffelijke Prinses ALBERTINE AGNES, op, en
+deze kweet zich daarvan op eene zoo loffelijke wijze, dat de jonge Vorst
+eerlang blijken gaf, de hem bij voorraad opgedragene betrekkingen en
+zijne aanzienlijke afkomst allezins waardig te zijn[215].
+
+ [214] Bij het terugkeeren van deze begrafenis had Prins JOAN MAURITS
+ _van Nassau_ het ongeluk, bij het overrijden van de Weeshuisbrug in
+ _Franeker_, in het water en onder zijn paard te vallen. Gelukkig
+ gered, moest hij daar eenige weken vertoeven tot zijne herstelling.
+ Eene afbeelding van dit voorval is daarna in steen gehouwen en
+ geplaatst in den muur van het Weeshuis, nevens deze brug, die daarvan
+ den naam van de Mauritsbrug ontving. AITZEMA, 823.
+
+ [215] VITRINGA, _Memorien_, I 388; _Charterboek_, V 616, 738, en
+ vooral uitvoerige berigten in AITZEMA, XI _a_ 75-131; SYLVIUS,
+ _Vervolg_, II 43; N. ARNOLDUS, _Vorstelijke
+ Rouw-Lyck-ende-Lof-Reeden_, Leeuw. 1664, 19; WAGENAAR, XIII 97; _Reg.
+ Staats-res._ 513.
+
+ * * * * *
+
+Deze ramp werd nu verder gevolgd door eene rij van tegenspoeden, die het
+vaderland in het uiterste gevaar bragten, die den landzaat groote schade
+berokkenden, en die de regering en het volk tot eene krachtige
+inspanning en aanwending van alle vermogens opwekten. Een geweldige
+storm en springvloed veroorzaakten in December 1665 talrijke dijkbreuken
+en eenen watervloed, zoo als _Friesland_ sedert 1570 niet had
+ondervonden[216]. Eene schrikkelijke pestziekte woedde, vooral in de
+steden, en rukte duizenden weg (1665, 1666)[217]. De oorlog met
+_Engeland_ (waarvan wij reeds hier vóór gewaagden) dreigde heviger dan
+ooit, en noopte tot verbazende uitrustingen, wervingen en geldheffingen,
+onder bestendige wisseling van nederlagen en zegepralen. Doch niet enkel
+ter zee, ook te land werd _Nederland_ gelijktijdig aangevallen en wel
+aan zijne minst versterkte oostzijde. De oorlogszuchtige CHRISTOF
+BERNHARD VAN GALEN, Bisschop van _Munster_, achtte zich door onzen Staat
+beleedigd, viel de oostelijke grensplaatsen aan en veroverde de
+_Dijlerschans_, waaruit hij echter door onzen Stadhouder WILLEM FREDERIK
+werd verdreven (Mei 1664). Uit wrok hierover bemagtigde hij een gedeelte
+van _Gelderland_ en _Overijssel_, en, na het winnen der schans van
+_Rooveen_, stond hij weldra met 8,000 man aan de onbeschermde grenzen
+van _Friesland_ (1665). Groot en algemeen was daarover hier de
+ontsteltenis en vrees, zoodat vele bewoners van het land met hunne
+goederen van waarde naar de steden vlugtten. Gelukkig kwam de
+Veldmaarschalk JOAN MAURITS _van Nassau_ weldra over zee herwaarts,
+stelde zich aan het hoofd der krijgsmagt, en wederstond den vijand, die
+door _Drenthe_ in _Groningerland_ was getrokken, met zóó gunstig gevolg,
+dat hij eerlang over de grenzen terugtrok, waarna in April 1666 de vrede
+met den Bisschop werd gesloten[218].
+
+ [216] VITRINGA, _Memorien_, I 432; AITZEMA, XI _b_ 1039.
+
+ [217] Ook onzen dichter GYSBERT JACOBSZ. met vrouw en zoon. Zie
+ HALBERTSMA, _Hulde_, II 299.
+
+ [218] VITRINGA, I 430; BOSSCHA, II 18; AITZEMA, XI _b_ 1034 env.
+ Volgens den eersten bedroegen de Provinciale lasten van Oorlog voor
+ _Friesland_ in 1666 [f]263,000 per maand of [f]2,178,000 in het jaar.
+
+
+_De Oorlogen met Frankrijk._
+
+Doch die vrede was kwalijk gemeend geweest, en, had hij eerst geheuld
+met _Engeland_ tot vernedering van onzen Staat, wier grootheid en
+aanzien den nijd van alle naburen scheen opgewekt te hebben,--geene drie
+jaren verliepen er, of die zelfde Bisschop vond daartoe een bondgenoot
+in den hooghartigen en oorlogszuchtigen LODEWIJK XIV, Koning van
+_Frankrijk_, die het evenzeer te doen was om de _Spaansche Nederlanden_
+(_België_), welke hij in 1667 aan het hoofd van een leger van 47,000 man
+binnentrok. Wel scheen het drievoudig verbond tusschen _Nederland_,
+_Engeland_ en _Zweden_, gelijk ook de vrede van _Aken_ (1668) aan den
+voortgang der Fransche wapenen een perk te stellen, en vleide men zich
+in ons land, dat de rust nu spoedig hersteld zou worden en dat men de
+zoo lang reeds verwaarloosde landmagt niet behoefde te versterken,--men
+bedroog zich zeer. Hoe gelukkig de staatkunde van DE WITT ook vele
+gevaren wist af te wenden, het grootste gevaar had hij niet voorzien,
+gelijk ook niemand vooraf wilde of konde gelooven, dat de Franschen »oyt
+couragie souden hebben, om tegens soo machtige Bontgenoten in 't velt te
+durven komen." De uitslag was echter geheel anders.
+
+De gekwetste eigenliefde en de roemzucht des jeugdigen Konings, die zoo
+vele grieven jegens _Nederland_ meende te hebben; de krijgshaftigheid
+zijns volks; het aanzienlijk leger en de schatten, waarover hij te
+beschikken had, en de oorlogszucht zijner bekwame veldoversten--en daar
+tegenover onze zwakke landmagt en vervallene vestingen bij de afgunst
+der vijandiggezinde naburen--dit alles begunstigde zijn toeleg, om
+_Nederland_, het kostte wat het wilde, te veroveren. Daartoe wist
+LODEWIJK eerst het drievoudig verbond te ontbinden, _Engeland_ en
+_Zweden_ aan Frankrijks belang te onderwerpen, en zich van de hulp te
+verzekeren van den Keurvorst van _Keulen_, van de Bisschoppen van
+_Munster_ en _Osnabrug_ en van den Hertog van _Brunswijk-Lunenburg_.
+Deze vereenigde magten hadden den ondergang besloten van _Nederland_,
+dat alzoo van alle uitzigt op hulp van buiten was verstoken. Hoe kon de
+uitslag van dien strijd twijfelachtig zijn? Hoe was het den Nederlanders
+mogelijk, ook bij de moedigste kracht-inspanning, zoo vele vijanden met
+hoop op gunstigen uitslag te wederstaan? Hoe gering die hoop ook ware en
+hoe zeker de ondergang des lands ook scheen--onze vaderen vertsaagden
+niet, wapenden zich moedig en vertrouwden den uitslag aan God, dien zij
+in dezen hoogen nood vurig om hulp en verlossing smeekten.
+
+ * * * * *
+
+Nadat _Frankrijk_ en _Engeland_ op den 7 April 1672 aan _Nederland_ den
+oorlog hadden verklaard, trok LODEWIJK XIV in persoon aan het hoofd van
+een leger van ongeveer 140,000 man met ongemeene snelheid herwaarts, met
+oogmerk om _Holland_ in eens binnen te dringen en de republiek in den
+hartader te treffen. Boven alle uitdrukking prachtig en ontzagverwekkend
+was dat leger, door veldoversten als CONDÉ, TURENNE en DE CHAMILLY
+aangevoerd. Wel hadden de Staten-Generaal, na hevige twisten, eindelijk
+den twee-en-twintigjarigen Prins WILLEM III het opperbevel over het
+krijgsvolk opgedragen en de zoo lang uitgestelde wervingen bevolen; doch
+vóór hij met een veldleger van 17,000 man naar de oostelijke grenzen kon
+trekken, stroomden de Munstersche en Keulsche troepen _Overijssel_
+binnen, waren de steden en vestingen aan den Rijn veroverd en stond
+LODEWIJK op onze grenzen om den Rijn over te trekken. Bij dezen
+overtogt, waartoe men op den 12 Junij eene doorwaadbare plaats had
+gekozen bij het Tolhuis, niet ver van _Lobith_ en de Kleefsche grenzen,
+had echter een merkwaardig voorval plaats, dat ik hier wil verhalen, ook
+omdat het de eer van der Friezen naam verhoogde te midden van de
+smadelijke vernedering des vaderlands.
+
+Nadat de bevelhebber van ons verdedigings-leger in de _Betuwe_, DE
+MONTBAS, zijne stellingen aan den Rijn op eene verdachte wijze had
+verlaten, werd de Veldmaarschalk WIRTZ door den _Prins van Oranje_ naar
+den post bij het Tolhuis gezonden. Hij had onder zijn bevel de vier
+regimenten ruiterij van KINGMA, HAERSOLTE, LA LECQ en JOSEPH, en
+ontmoette hier het regiment voetvolk van AYLVA. DE MONTBAS had dit
+laatste doen aftrekken naar _Nijmegen_. De bevelhebber dezer vesting,
+overtuigd van het belang van den post bij het Tolhuis, zond deze Friezen
+echter terug, en, nadat ze op nieuw naar _Nijmegen_ waren gezonden,
+wederom naar het Tolhuis, waar zij afgemat[219] aankwamen op het
+oogenblik, dat de overtogt der Franschen was begonnen. De ruiterij van
+WIRTZ trachtte dit te verhinderen, door hevig op de Franschen te vuren.
+Vruchteloos deed hij op den door het water trekkenden vijand een aanval,
+doch door het vijandelijk kanonvuur bestookt, trok hij terug en nam met
+al zijne kavalerie de vlugt. Het regiment van AYLVA, dat WIRTZ krachtig
+had ondersteund, was nu aan zich zelf overgelaten, en zag het nuttelooze
+van verderen tegenstand in, nu de talrijke vijand eenmaal den oever had
+bereikt. Zij willen echter niet vlugten, maar besluiten de wapenen neder
+te leggen, zich aan den vijand over te geven en van hem lijfsbehoud te
+vragen. CONDÉ staat hun dit verlangen onvoorwaardelijk toe. Daar staan
+zij nu geschaard met hun afgelegd geweer aan hunne voeten, in het volle
+vertrouwen, dat zij, na zich vruchteloos van hunnen pligt te hebben
+gekweten, niets van den vijand hebben te vreezen. Doch, wat zien zij?
+Daar vliegt de Hertog DE LONGUEVILLE, wien nog geene gelegenheid tot
+eenig wapenfeit was gegeven, gevolgd door een stoet van Edelen, ijlings
+aan op hen, die daar rustig staan. Zij zien den dollen hoop op zich
+toerijden en denken aan verraad. Zelfs zien zij een hunner officieren
+(waarschijnlijk afgezonden om te vernemen, of men zich aan 't woord des
+Generaals houden mag) door DE LONGUEVILLE met eene pistool treffen, en
+nu is hun besluit genomen, hun leven zoo duur mogelijk te verkoopen.
+Immers, het is op voorwaarde van lijfsbehoud, dat zij de wapenen
+nederlegden? Nu zij bedreigd worden, hebben zij het regt die weder op te
+vatten.
+
+ [219] De _Hollandse Mercurius_, 72, zegt zelfs, dat het "schoone
+ Regiment van ALUA van 't geduerig marcheren was afgemartelt, eerst uyt
+ de Spaensse Nederlanden na 't Leger, van daer na Nimwegen, van
+ Nimwegen na de Rijnkant, van de Rijnkant weer na Nimwegen, en weder
+ van daer na de Rijnkant."
+
+In de uiterste verwarring schieten zij op den toesnellenden brooddronken
+hoop in, en ontstaat er een moorddadig gevecht. Maar voor de laatsten,
+die bij den tot dusver gunstig geslaagden togt altijd lachten, is nu de
+ure des geweens gekomen. Hoe vermoeid en verontwaardigd de Friezen ook
+waren, zij treffen zeker. DE LONGUEVILLE, de aanvoerder, de volle neef
+van CONDÉ, stort terneder. Aan zijne zijde valt GUITRI, Grootmeester der
+koninklijke garderobe; de Graven DU PLESSIS, DE THEOBON, de Heeren
+BOURY, D'AUBUSSON, DE LA FORCE, DE LA SALLE--allen vinden hier hunnen
+dood. Vele Prinsen, Hertogen, Graven en aanzienlijke Edelen ontvangen
+wonden, waarvan bijna niemand hunner later geheel herstelde.
+
+CONDÉ, het hoofd der gansche armée, dat vreeselijk schieten hoorende,
+vliegt toe en gebiedt stilte; maar te vergeefs tracht hij dit bloedbad
+te stuiten. Een onzer officieren, OSSENBROEK of HASEBROEK, trekt de
+pistool, mikt op CONDÉ, die wel het schot ontwijkt, maar te gelijker
+tijd zijn arm, verbrijzeld, aan zijne zijde voelt nederzinken. De wond,
+die hij voelt, het verlies van zijn neef en het onverwachte van dezen
+aanval maken hem woedend; en, in plaats van nu nog een einde te maken
+aan dit gevecht, gebiedt hij thans de aansnellende troepen met alle magt
+op de onzen los te rukken. Nu wordt de strijd hernieuwd. »De Fransche
+Cavallerye barsten met een groote verwoetheyt los, en vallen met sulken
+furie als desperate menschen op dese Vriesen aan, die vigoureuse
+Resistentie bieden." Doch wat baatte dezen hun heldenmoed, tegen zulk
+eene aanzienlijke overmagt? Zij bezwijken weldra, terwijl de meesten hun
+leven duur verkoopen. LODEWIJK ziet het verschrikkelijke lot der zijnen,
+en, stampvoetende van spijt en ongeduld, verwenscht hij het oogenblik,
+waarin hij eene onderneming begon, die hem, pas op den vijandelijken
+bodem getreden, nu reeds meer edellieden en aanvoerders kostte dan
+menige veldslag.
+
+Van het schoone regiment VAN AYLVA bleef ten laatste, na langdurige
+worsteling, niet meer dan een klein hoopje over. De namen van eenige
+hunner aanvoerders zijn ons opgeteekend. Het waren de twee Kapiteins
+ANDRIES VAN VELSEN en DUCO VAN HEMMEMA; vijf Luitenants: DOUWE VAN
+EPPEMA, HAJO TWINGBERGEN, BARENT HEKMAN, BAVIUS ROMMEDA en JOH. BECHIUS;
+drie Vaandrigs: FREDERIK VAN OCKINGA, TARQUINIUS BEINTEMA en JAN DUDEN,
+met nog 4 Sergeanten en 105 Soldaten. Zij werden allen naar _Emmerik_
+gevoerd, waar zij zich langer dan twee maanden met water en brood
+moesten behelpen. De gesneuvelde helden rusten hier op een thans
+vergeten akker. Indien zulke mannen door den verraderlijken DE MONTBAS
+niet tot viermalen heen en weder gedreven en niet afgemat en te laat
+aangekomen waren, om den overtogt te verhinderen--gewis zij zouden als
+LEONIDAS met zijne dapperen dezen toegang tot hun vaderland ligt met zoo
+veel eer verdedigd hebben als die Spartanen. Zij zouden misschien den
+Franschen Koning teruggeworpen hebben. Dan zeker prijkte aan den Rijn
+eene eernaald op hun graf; nu rusten ze ongekend en vergeten.
+
+Maar deze dappere Friezen verdienen niet vergeten te worden: want deze
+gebeurtenis, als heldenfeit reeds belangrijk op zich zelve, had
+buitendien twee gevolgen, welke, op dát oogenblik, voor het vaderland
+van groot gewigt waren. Hun moedig gedrag maakte een diepen indruk op
+de overmoedige Fransche grooten, die den togt ter verovering van
+_Nederland_ als een speeltogtje beschouwden, en werkelijk, zoolang het
+leger in aantogt was, weinig tegenstand ontmoetten en geringe verliezen
+leden; doch die hier, bij den eersten tred op onzen bodem, al dadelijk
+met de eersten van den adel in rouw werden gedompeld. Het tweede
+voordeel, hierdoor te weeg gebragt, bestond dáárin, dat CONDÉ hier de
+eenige wond ontving, welke hij in al zijne veldtogten heeft bekomen,
+waardoor hij langer dan twee maanden te _Emmerik_ aan zijne legerstede
+geboeid en buiten gevecht bleef, waardoor zijn plan mislukte, om met
+20,000 ruiters, ieder met een soldaat achter zich op het paard,
+regelregt op _Amsterdam_ aan te rukken, en deze stad, van waar alle
+verdedigings-middelen toen naar elders waren verzonden, te overrompelen,
+om in eens zeker te zijn van den val der gansche republiek[220]. Dat
+zulk een plan verijdeld werd door dit schot, en dat de Voorzienigheid
+door dezen tegenspoed des vijands een eerste blijk gaf van hulp en
+bescherming,--ook dit gaf den vaderen moed in hun benarden toestand en
+kracht om dien vijand te wederstaan, bij groot gewin van tijd, om zich
+in staat van tegenweer te stellen. Dáárom blijve dit weinig bekende feit
+in geheugenis. Dáárom blijven wij deze vaderlandsche helden vereeren!
+(Zie verder _Aanteekening 24_.)
+
+ [220] VALKENIER, 458, zegt duidelijk: "Door dese quetsure van CONDÉ
+ bleef de groote Resolutie, om op _Amsterdam_ te gaan, geheel achter,
+ en wierden de concepten geheel verandert." Ook Kapitein W. J. KNOOP,
+ in zijn belangrijk stuk: _de Verdediging van Nederland_, in _de Gids_,
+ 1851, 317, houdt het voor "zeer waarschijnlijk, dat, wanneer dadelijk
+ na den overtogt van den Rijn het Fransche leger op Holland was
+ aangevallen, dat gewest zou zijn veroverd en daarmede het vaderland
+ verloren."
+
+Bij het voortrukken van de Franschen had Prins WILLEM III _Overijssel_
+verlaten en zich naar _Holland_ begeven, ten einde de oostelijke grenzen
+dier provincie te bezetten en te verdedigen tegen den vijand. Hij had te
+gelijk den Luitenant-Generaal HANS WILLEM _Baron_ VAN AYLVA met zijne
+overige benden naar _Friesland_ gezonden, ten einde zich geheel te
+wijden aan de bescherming van dit gewest. Doch naauwelijks was deze te
+_Leeuwarden_ aangekomen, of hem volgde het berigt, dat alle
+Overijsselsche steden zich schandelijk hadden overgegeven, en dat de
+Munstersche en Keulsche benden zich door _Drenthe_ naar _Koevorden_ en
+_Groningen_ hadden gewend en op de grenzen stonden van _Friesland_.
+Algemeene verslagenheid maakte zich van aller gemoederen meester; de
+steden waren onbevestigd en van alles onvoorzien, de troepen moedeloos;
+het geheele land was vol verwarring en vrees. Men noemde de regering
+radeloos, het volk redeloos, het land reddeloos.--In plaats van
+vertrouwen op- was er hevige verbittering tegen het landsbestuur, dat,
+door het verwaarloozen van de landmagt en van de verdedigings-werken,
+den vijand zoo zeer ruim baan had gegeven; terwijl het voetstoots
+overgaan van zoo vele steden en sterkten het vermoeden van gepleegd
+verraad opwekte. Vele ingezetenen van het platte land vlugtten naar de
+steden, waar alles in verwarring verkeerde: want elk was verlegen en
+verwachtte ieder oogenblik den vijand.
+
+In dezen hoogen nood verzochten Gedeputeerde Staten de Raden van den
+Hove, om hen met raad en daad bij te staan, waarop beide aanzienlijke
+collegiën in den nacht van den 13e en 14e Junij 1672 in stilte
+bijeenkwamen, om over den gevaarlijken toestand der provincie te
+raadplegen. Hier gold het de keus tusschen deze twee uitersten: of men
+zich gemeenschappelijk en met alle krachten tegen den vijand zou
+verdedigen, dan of men door eene provinciale capitulatie, op gunstige
+voorwaarden, zich uit deze onheilen zoude redden. Die keus was voor
+Friezen niet lang twijfelachtig. Met ter zijde stelling van alle
+bezwaren, nam men »een animeuse en cordate resolutie, om tot behout van
+Religie en Vryheyt, voor haardsteden en altaren met gesamentlijke hand
+het uyterste te wagen, en goet en bloet tot den laatsten effort te
+spendeeren"[221]. Men zond dadelijk afgevaardigden uit, om in _Holland_
+en _Groningen_ hulp te erlangen, welke echter door niemand werd
+verleend. Men was dus geheel aan eigene krachten overgelaten. De
+onmiddellijk bijeengeroepen Staten, die reeds vroeger vast- en bededagen
+uitgeschreven en eene geldleening van eenige tonnen gouds geopend
+hadden, benoemden nu eene commissie, die met het nemen van maatregelen
+tot verdediging dezer provincie werd belast. Zij kon echter over geene
+grootere magt beschikken, dan over 22 compagniën voetvolk en 15 à 16
+compagniën ruiterij, waarmede het gansche gewest op alle punten bezet en
+de aanvallen des vijands afgewend moesten worden. Hoe geringe magt bij
+zoo moeijelijke taak! Spoedig riep men dus de vroeger uitgeschrevene
+ligting van 3,000 man burgers in de wapenen. De Bevelhebbers van
+_Leeuwarden_, die in den nacht dadelijk met den Magistraat, Vroedschap
+en Predikanten maatregelen hadden beraamd, boden zich aan, om met de
+geheele burgerij uit te trekken; doch bij voorraad werd dit getal
+bepaald op 250 man, die in 3 compagniën, benevens eene compagnie
+vrijwilligers, reeds den volgenden dag »met ongemeene couragie en
+vreugde uyt marcheerden naar _Heerenveen_." Zulk een voorbeeld der
+Hoofdstad verdreef alle verslagenheid: want door »dit manmoedig Exempel
+der Stede _Leeuwarden_ raakten alle andere Steden in _Vriesland_ te
+gelijk met de Huysluyden ten platten lande, om mede in de wapenen te
+komen, dapper gaande. Geheele Grietenyen boden sich gewillig aan." Allen
+voegden zich bij het krijgsvolk van AYLVA, ten einde »een Legertjen te
+formeeren, om daar mede den Vyand te verwachten, en te betoonen, dat sy
+noch van 't rechte bloet der oude en beroemde Vriesen waren, die in
+stantvastigheyt alle Natiën overtroffen"[222]. Dit leger werd door AYLVA
+met veel voorzigtigheid gebruikt en op de grenzen bestendig in beweging
+gehouden, zoodat zelfs geen officier kennis droeg van de sterkte dezer
+magt, welke den vijand groot ontzag inboezemde.
+
+ [221] VALKENIER, 597; _Charterboek_, V 812 en verv.
+
+ [222] Zie VALKENIER, _'t Verwerd Europa_, Amst. 1675, 597 en vooral
+ het uitvoerig verhaal bij SYLVIUS, _Vervolg op_ AITZEMA, I 561.
+
+In allerijl werden nu ook de Buiten-fortificatiën der provincie, of de
+schansen _Munnekezijl_, _Friesche palen_, _Zwartedijk_, _Bredenberg_,
+_Bekhof_ of _Bekaf_, bij de _Schoterbrug_ enz. hersteld en met
+krijgsbehoeften en manschap voorzien. Aan de drie hoofdwegen werden er
+nieuwe verschansingen opgeworpen, als bij de _Blessebrug_, aan de
+Wetering tegenover de _Oudeschouw_, te _Gorredijk_ en twee aan den
+Zwarteweg op een uur afstands van _Leeuwarden_, welke laatste de namen
+ontvingen van _Albertine Agnes_ en _Hendrik Casimir_[223]. Een dergelijk
+retranchement werd ook aangelegd te _Heerenveen_, waar de Generaal
+AYLVA, die met genoemde commissie alles bestuurde, een hoofdkwartier
+vestigde. Een ander hoofdkwartier legde hij te _Bergum_, van waar hij
+zijne voorposten uitzette aan den hoofdweg op de Suameerder heide, waar
+deze zich verschansingen opwierpen. Met veel grond had men toch van de
+talrijke belegeraars van _Groningen_ een uitval in deze provincie te
+wachten, daar de Bisschop besloten had, eerst _Groningen_ te bemagtigen
+en intusschen _Friesland_ met 3 à 4,000 man bestendig in alarm te
+houden. Werkelijk had zulk een uitval reeds den 26 Julij plaats. Na in
+het Wester-kwartier van _Groningen_ hunne plunder- en roofzucht betoond
+te hebben, trokken 13 standaarden bisschoppelijke ruiters over
+_Duurswoude_ naar _Dragten_, aan welks zuidzijde zich eene brandwacht
+bevond, die, op het zien van de groote magt des vijands, naar de
+voorposten op de heide terugtrok. Deze, alzoo van het naderend gevaar
+verwittigd, gorden zich aan, trekken den vijand kloekmoedig tegen,
+waarna de vooruitrukkende ruiters, nabij _Nijega_, spoedig met de
+Bisschoppelijken slaags geraken. Deze, veinzende terug te trekken,
+lokken de Friezen in eene hinderlaag, waar een aantal soldaten in het
+koren verborgen ligt. Doch nu ondersteunt het Friesche voetvolk de
+ruiterij met zooveel dapperheid, dat zij, na een hevig gevecht, de
+benden des Bisschops met een verlies van 150 man terugdrijven, waarbij
+zij slechts 25 man verloren[224].
+
+ [223] Van eenige dezer schansen komen afbeeldingen voor bij SYLVIUS, I
+ 298 en in _d' Ontroerde Leeuw_, 70.
+
+ [224] Alleen _d' Ontroerde Leeuw_, 41 en _Holl. Mercurius_ van 1672,
+ 112 maken melding van dit feit, later door SYLVIUS in zijn _Vervolg
+ op_ AITZEMA en in _it aade Friesche Terp_ medegedeeld. Zie ook van D.
+ H. VAN DER MEER in den _Friesche Volks Almanak_, 1841, 44 meer
+ uitvoerige berigten deswege.
+
+De gunstige uitslag van deze eerste aanraking met den vijand versterkte
+den moed der ingezetenen en van het gansche verdedigings-leger in geene
+geringe mate. Bovendien waren de Friezen onbekrompen genoeg, om, hoezeer
+zij aan zich zelve waren overgelaten, in den hoogsten nood het fel
+benarde _Groningen_ nog bijstand te bieden met 230 soldaten, 20,000 pond
+buskruid en 2,000 Gld. geld, alsmede met een konvooi ruiterij, waarmede
+de Generaal AYLVA zelf die stad den 14 Augustus bezocht[225]. Men
+vreesde toen echter, dat de vijand ook aan de zuidzijde, van uit
+_Steenwijk_, een aanval op _Friesland_ zou wagen. En inderdaad had deze
+plaats. Nadat de Munsterschen eenige ruiterij naar _Heerenveen_ hadden
+gezonden tot verkenning, en deze door de onzen waren gevangen genomen,
+vielen zij in den nacht van den 18 en 19 Augustus op de schans van dit
+hoofdkwartier met groote hevigheid aan. Moedig teruggeslagen, herhalen
+zij nog twee malen den storm, doch worden door onze dappere verdedigers
+op nieuw wederstaan, zoodat zij met schade den terugtogt moesten
+aannemen[226].
+
+ [225] Dit vermeldt ELDERCAMPIUS in zijn _Journael_ van 't beleg, Gron.
+ 1672, en de _Holl. Mercurius_, 127, 129.
+
+ [226] VALKENIER, 807, die in dezen meer te vertrouwen is dan _it aade
+ Friesche Terp_, 245, dat dezen aanval tusschen den 8 en 9 September
+ stelt.
+
+Na den vijand alzoo tweewerf tegenstand geboden en teruggeslagen te
+hebben, had men zelfs den moed, hem in het veroverde _Overijssel_ aan te
+vallen en verliezen toe te brengen. Ofschoon eene poging van AYLVA, om
+met 1200 man _de Kuinder_ te veroveren, door het spoedig naderen van
+ontzet uit _Kampen_ en _Zwolle_ mislukte, liet men zich daardoor niet
+afschrikken. Ook om ontzag in te boezemen, wilde men een stouten aanslag
+wagen. Hiertoe werd in de maand Augustus het kleine, doch met zes
+bolwerken versterkte _Blokzyl_ gekozen. Na geheime onderhandelingen met
+ingezetenen dier plaats, die reeds den Bevelhebber geweigerd hadden,
+zich door een eed aan den Bisschop van _Munster_ te verbinden, waarom
+hij grootere bezetting had ingenomen, werden den 23 Augustus 450 van de
+moedigste Friesche soldaten en schutters, onder geleide van DIRK VAN
+BAERDT, Grietman van _West-Stellingwerf_ en Lid van Gedeputeerden, en
+onder het bevel van den Kapitein ALBERT CHRISTOFFEL VAN HANIA, over de
+Zuiderzee derwaarts gevoerd. Te _Blankenham_, op een uur afstands van
+_Blokzijl_, treden zij aan land, en weldra trekt de Munstersche
+bevelhebber hen met 300 man en twee veldstukken te gemoet. De Friezen
+vallen hem aan, en, na een hevig gevecht, gelukt het hun, hem met zoo
+veel overhaasting terug te slaan naar de schans, dat hij naauwelijks den
+tijd heeft de poort te sluiten voor zijne vervolgers, die mede pogen
+binnen te dringen. De gewapende burgers weigeren niet alleen den
+bevelhebber, om met hem de aanvallers te weêrstaan, maar ze dwingen hem
+zelfs de sterkte over te geven. Zij besluiten alles tot hunne bevrijding
+te wagen, jagen de Munsterschen van de wallen en kappen de Kuinderpoort
+open, terwijl intusschen de moedige Friezen de schans hevig aanvallen en
+door gracht en poort binnendringen. De vijand vlugt ter Zuiderpoort uit,
+maar laat, fel vervolgd en beschoten, nog menige doode achter, en
+daaronder ook den Kommandant, die, toen hij zich met de vlugt dacht te
+redden, door een Fries wordt doorschoten.
+
+»Alsoo is de Fortresse _Blokzijl_ door de wonderlijke bestieringe des
+Almogenden Gods, en de overgroote couragie der Vriesche Officieren ende
+Soldaten, als mede door de voorsichtige hulpe en bystand van de
+Burgeren, op den 23. Augusti, anno 1672. gewonnen, en in haar oude
+Vryheyt gestelt. _Vollenhoven_ is ook daar op van de Vyanden verlaten."
+De vroeger tweemalen te vergeefs aangevallene sterke _Kuinder-schans_
+werd daardoor mede gedrongen, zich aan de Friezen over te geven.
+
+Wij hebben dit merkwaardige wapenfeit in het bijzonder vermeld, omdat,
+nog vóór de verlossing van _Groningen_, »het kleine _Blokzijl_ zich de
+eer verwierf, van _het eerst van alle Nederlandsche steden_, het juk der
+vreemde overheersching, door eigene dapperheid en de hulp der Friezen,
+te hebben afgeworpen"[227]. De moed, om den vijand met goed gevolg te
+wederstaan en deze provincie verder te beveiligen, werd hierdoor zeer
+verlevendigd, en nog meer door de bevrijding van _Groningen_. Zelfs wil
+men, dat dit feit en de magt, welke AYLVA verder ontwikkelde, mede
+hebben bijgedragen, om den vijand het beleg van _Groningen_ (28 Aug.) te
+doen opbreken.
+
+ [227] Zie het uitvoerig verhaal bij SYLVIUS, I 427; VALKENIER, _'t
+ Verwerd Europa_, 803; _d' Ontroerde Leeuw_, 46; SIEGENBEEK,
+ _Geschiedenis der Burgerwapening_, 130; BOSSCHA, _Heldend._ II 126.
+ Ter belooning van "dese heroïque actie der Burgeren" werden, nog in
+ dat zelfde jaar, aan _Blokzyl_ stedelijke regten toegekend, volgens
+ octrooi van Prins WILLEM III.
+
+ * * * * *
+
+Toen deze voordeelen werden behaald, had er echter in _Friesland_ eene
+algemeene volkswapening plaats gehad, en was er eene belangrijke
+gebeurtenis voorgevallen, welke groote gevolgen had. Wij willen den loop
+dier omstandigheden, uit veelvuldige stukken van dien tijd, zoo kort
+mogelijk verhalen.
+
+ * * * * *
+
+Reeds hebben wij te kennen gegeven, dat de oorzaak van 's lands ongeval
+door vele burgers werd geweten aan de Regenten. De handelingen van velen
+hunner hadden het misnoegen der gemeente zoodanig opgewekt, dat zij het
+vertrouwen verloren hadden, en bedreigd werden met de blijken eener
+verbittering, welke reeds den 21 Junij het onstuimig gemeen van en
+omtrent _Sneek_ het huis van den Grietman van _Wymbritseradeel_ te
+_Ysbrechtum_ deed plunderen. Niet genoeg, dat overmagtige vijanden dit
+gewest van buiten met ondergang bedreigden--nog grootere ramp scheen den
+lande te gelijker tijd van binnen beschoren te zijn, door het misnoegen
+des volks tegen het gezag en door de verdeeldheid van de Staatsleden
+onderling, welke eerlang tot eene ontzettende hoogte stegen.
+
+Naauwelijks was op den 6 Julij te _Leeuwarden_ het berigt ontvangen, dat
+ook de sterke, ja bijna onwinbaar geachte, vesting _Koevorden_ zich
+zonder tegenstand aan den Bisschop had overgegeven, of de ontsteltenis
+en wrevel der burgers bedreigde de algemeene rust. Men school bijeen en
+maakte elkander het hoofd warm door het opsommen van allerlei grieven en
+bezwaren zoowel tegen de stads- als landsregering. Op aansporing van
+eenige predikanten en van den Hervormden Kerkeraad kwamen ruim 60
+burgers op den Stads Schutters-Doelen bijeen, die een Voorzitter en
+Schrijver benoemden en eenige punten ten papiere bragten, welke zij
+oordeelden, dat tot herstel van de vervallene zaken noodwendig in acht
+genomen moesten worden. Zij vaardigden daarmede eenigen hunner af naar
+Prinses ALBERTINE, de Staten en den Magistraat, en verwierven eenig
+gehoor, zoodat het besluit werd genomen, om in den uitersten nood de
+gansche provincie onder water te zetten. Ook de Prinses diende bij de
+Staten eene memorie in, bevattende voorslagen tot beveiliging van het
+bedreigde vaderland[228]. Intusschen groeide het getal misnoegden, dat
+op den Doelen vergaderde, tot 2 à 300 personen aan, die zeven punten aan
+de Stedelijke Regering voorstelden tot afwering van het klimmende
+gevaar. Deze stelde de gemeente gerust door zoo veel mogelijk in te
+willigen, met bepaling, dat ook de andere Steden daarover moesten
+verstaan worden, weshalve afgevaardigden daarvan op den 11 Julij te
+_Leeuwarden_ werden bijeengeroepen. Elf punten stelden deze vast, welke
+door Gecommitteerden aan de Staten werden overgebragt. Gelijktijdig
+vergaderden ook de Predikanten der Klassis van _Leeuwarden_, die op den
+12 Julij alle Predikanten van _Friesland_ in de hoofdstad ontboden, om
+zich de zaken des lands aan te trekken, en om, in overeenstemming met de
+stedelijke besturen, voorstellen tot verbetering en redding te doen. Een
+getal van niet minder dan 150 leeraren verscheen er, en begaf zich in
+statigen optogt naar het Landshuis, waar zij, bij monde van den
+moedigen, later zoo beroemden, BALTHASAR BEKKER, destijds Predikant te
+_Franeker_, aan de Staten te kennen gaven, »hoe groot de misbruiken
+waren, in Kerk en Staat ingeslopen; dat het verval van den Staat
+voornamelijk was veroorzaakt door het goddeloos ambtverkoopen, waardoor
+de gemeente bijna werd uitgeput en de rijkdommen gebragt onder eenige
+weinige personen, die aan het roer der regering zaten, zoodat er
+Grietmannen waren, die drie of vier van de aanzienlijkste ambten
+bedienden; dat men alzoo de betrekkingen niet gaf aan de bekwaamsten,
+maar aan hen, die daarvoor het meeste geld boden, ja zelfs aan kinderen,
+die den lande geen dienst konden doen; dat kunsten en wetenschappen niet
+werden gevoed, maar uitgebluscht, en dat men alzoo aan middelen van
+reformatie diende te denken tot afwering van den nakenden ondergang van
+den Staat, en bijzonder tot aanstelling van een generaal hoofd" enz.
+Verder leverden zij eene uitvoerige Deductie in, over wier inhoud zij
+ook des anderen daags, van 's morgens tot 's avonds, met de Staten
+beraadslaagden[229].
+
+ [228] Dit stuk is medegedeeld in de _Leeuw. Cour._ van 1836, No. 36.
+
+ [229] VITRINGA, _Mem. Annotatien_, I 639. Ik heb den inhoud dezer
+ aanspraak hier vooral medegedeeld, omdat al de verdere klagten en
+ bezwaren, welke tot de latere gebeurtenissen aanleiding gaven, in de
+ hoofdzaak hierop nederkwamen.
+
+Het behaagde den Staten aan den laatst geuiten wensch, ook door de
+Vergadering op den Doelen voorgesteld, dadelijk te voldoen, en op den 13
+Julij Zijne Vorstelijke Doorluchtigheid Prins HENDRIK CASIMIR _van
+Nassau_ te ontheffen van het afwachten zijns ouderdoms van twintig
+jaren, en »te stellen in de dadelycke functie ende poscessie van het
+Stadthouderschap ende Capiteinschap Generaal dezer Provincie" enz.[230]
+De jeugdige Vorst, die naauwelijks den ouderdom van 15 en een half jaar
+bereikt had, doch reeds den 8 Junij te vergeefs aan de Staten verzocht
+had, om in zijn rang als Kolonel tegen de Franschen te velde te mogen
+trekken, werd daarop dadelijk van het Hof gehaald, legde den eed af en
+werd nog dien zelfden dag in het Collegie van Gedeputeerde Staten en in
+het Hof Provinciaal ingeleid, en met gelukwenschen begroet, in de hoop,
+dat men van deze bevordering »alles goeds voor den dienst ende welstandt
+van den Lande onder Godes genadigen zeegen mogt verwachten."
+
+ [230] _Charterb._ V 831. Deze Resolutie is echter maar door 45 van de
+ 82 leden der Staten onderteekend. Zóó vele personen schijnen er
+ afwezig geweest te zijn?
+
+Deze gebeurtenis gaf algemeen genoegen, en had vooreerst dit gelukkig
+gevolg, dat de overige nog onverhoorde klagten der ingezetenen zoo lang
+tot zwijgen gebragt werden, dat de middelen tot landverdediging met
+gepaste zorg konden worden aangewend. Want reeds op den volgenden dag
+werd, op aandrang der Steden, het ligten van den derden man bevolen en
+dadelijk uitgevoerd. Op eens werden er alzoo nog 3000 man in de wapenen
+geroepen, om voor eene maand tot versterking van het leger of van de
+schansen te strekken en daarna afgelost te worden. Den 22 Julij trokken
+vier compagniën burgers van _Leeuwarden_ uit; twee compagniën (mede
+ieder van ruim 100 man) volgden later; den 20 Augustus werden allen door
+op nieuw uitgelote burgers vervangen, die zich naar de _Oudeschouw_ en
+tusschen _Garijp_ en _Tietjerk_ begaven. Eerst thans werden ook de
+wallen der hoofdstad, die reeds in den vorigen jare in staat van beleg
+was gesteld, en tot wier versterking de Staten reeds in Mei 24,000 Gld.
+hadden toegezegd, met kracht van arbeid verhoogd en verbeterd[231]. Nu
+was er ontzag voor de regering en ijver in de uitvoering; de
+verslagenheid en vrees, welke de krachten weder hadden verlamd, maakten
+plaats voor moed en inspanning, en in het overige der maanden Julij en
+Augustus betoonde het volk zich rustig van binnen en krachtig naar
+buiten. De jeugdige Stadhouder, in staatszaken door zijne verstandige
+moeder gesteund en in krijgszaken onderwezen en voorgelicht door een man
+als AYLVA, mogt een zeer gunstigen invloed uitoefenen; en met welk een
+gelukkig gevolg de door vreemde benden overal omringde Friezen den
+vijand nu wederstand boden, ja zelfs aanvielen en verdreven--daarvan
+hebben wij hier vóór reeds uitstekende bewijzen medegedeeld. AYLVA
+bevond zich met het hoofdleger meest te _Heerenveen_, en zag zijne magt
+door de genomene maatregelen zoodanig versterkt, dat deze, tegen het
+einde van Augustus, op omstreeks 8,000 man aan troepen, behalve nog
+5,000 gewapende landlieden werd geschat. Hij, die met den bijnaam van
+»de ontzaggelijke Generaal" was vereerd, nam alle mogelijke maatregelen,
+om _Friesland_ voor een inval des vijands te vrijwaren: sluizen
+werden opengezet, polders en bedijkte landen geïnundeerd, en
+veldverschansingen opgeworpen, die de zoogenaamde _Friesche linie_
+uitmaakten. Deze linie begon van de _Kuinder_ aan de Zuiderzee, volgde
+de Linde tot de _Blessebrug_, ging van daar noordwaarts naar de Tjonger
+en de verschanste _Schoterbrug_, wendde zich vervolgens over
+_Heerenveen_ en _Terbandsterschans_ naar _Gorredijk_, en van daar over
+de schansen _Bredenberg_, _Zwartedijk_ en _Friesche palen_ naar de
+grenzen. Echter is »_Friesland_ in 1672 minder behouden gebleven door
+zijne onderwaterzettingen en linie van verschansingen, welke nooit
+ernstig is aangevallen, als wel door de bekwaamheid van AYLVA en door de
+geestkracht der bevolking, die, vaardig de wapenen opvattende, spoedig
+eene magt uitmaakte, welke den vijand ontzag inboezemde en van elken
+aanval op _Friesland_ deed afzien"[232]. Hoe algemeen de nood en hoe
+dreigend het gevaar in den beginne ook ware--_Friesland_ bleef, God lof!
+vrij en ongedeerd, en met _Zeeland_ de eenige provincie des vaderlands,
+waar de overmagtige vijanden, die den ondergang van _Nederland_ besloten
+hadden, geene veroveringen behaalden.
+
+ [231] VITRINGA, 643; _Charterb._ V 834, 1074, 1075; _Geschiedk.
+ Beschrijving_, II 135; VALKENIER, 653 vermeldt, dat _Leeuwarden_
+ alléén 1000 weerbare burgers leverde. (Zie _Aanteek. 25_.)
+
+ [232] Dus oordeelt Kapitein W. J. KNOOP in _de Verdediging van
+ Nederland in 1672_, in _de Gids_, 1851, 330.
+
+ * * * * *
+
+Doch naar gelang het gevaar van buiten verminderde, vermeerderde de
+onrust van binnen. Daar moest nog een hevige strijd gestreden worden,
+vóór de vijanden van de regten en vrijheden des volks van het misbruikte
+gezag ontzet en door meer vrijzinnige mannen vervangen waren. Gelijk de
+smetstoffen in den dampkring zich allengs ophoopen, totdat ze eindelijk
+in een vervaarlijk onweder losbarsten, zich zelve verwoesten en een
+gezuiverden luchtstroom aanvoeren,--zoo leert ook de geschiedenis der
+volken, dat de meeste staatkundige en kerkelijke instellingen, in den
+loop der tijden zoodanig ontaarden, dat er soms eene geruchtmakende
+omwenteling noodig is, om het verbroken evenwigt te herstellen, en om
+verbeteringen in te voeren, welke vroeger, uit gehechtheid aan het oude,
+niet konden tot stand komen. Zóó was het geweest voor de reformatie--die
+hevige ontbranding en algeheele omkeering van zaken!--zóó was het
+gebleven in de naauwelijks gevestigde republiek. Toen er ten jare 1626
+verontrustende volksbewegingen waren ontstaan, en een aantal ingezetenen
+»Doleancen over de Abusen, in den Staet van Regieringhe in-gesloopen,"
+inleverde, waren de Staten verpligt geweest, ter bevrediging van de
+misnoegde burgers »reformatie, resolutie ende approbatie" van al die 35
+punten toe te staan. Doch aan de uitvoering daarvan werd kwalijk de hand
+gehouden. Vanhier zoo vele latere klagten, vooral tegen het verkoopen
+van de ambten, dat wel in 1662 verboden werd, maar toch bleef
+voortduren. Vanhier, dat de Staten bij het opkomen van het onweder in
+1672, zoo het schijnt uit eigene beweging, den 2 Maart eene commissie
+benoemden, »om met elkanderen te concerteeren over de beste middelen en
+expedienten tot een generaele reforme ende verbeeteringe, so in 't stuk
+van Militie, of Politie ende Finantien dienende"[233]. Die commissie
+bleef echter werkeloos, en schenen de regenten er belang bij te hebben,
+in de bestaande orde of wanorde geene veranderingen te brengen. De
+Staten hadden daardoor evenwel eene schuldbekentenis gedaan en de
+noodzakelijkheid van eene reformatie erkend. Dit bleef bij het volk niet
+onopgemerkt. Het kon echter geene krachtdadige middelen tot herstel
+verwachten van die zelfde regenten, die bij zoo velen het vertrouwen
+hadden verloren. Van lieverlede werd dus de strijd voorbereid tusschen
+de aanhangers van het behoud en van vooruitgang, die, toen de wenschen
+des volks onverhoord bleven, weldra met geweld zou losbarsten.
+
+ [233] _Charterboek_, V 299, 301, 313, 316, 666, 815.
+
+_Groningen_ was bevrijd en de kracht des vijands geknakt;--_Blokzyl_ was
+gewonnen door onze legermagt, wier sterkte nu ontzag baarde. De nood
+scheen dus geweken, de overwinning nabij te zijn. Zoo brak de maand
+September 1672 aan, en keerden de uitgetrokkene burgers terug. Weêr
+vingen de vergaderingen op den Doelen te _Leeuwarden_ aan. Deze
+»Doelisten" verzochten den Magistraat, om op nieuw de afgevaardigden uit
+alle Steden van _Friesland_ bijeen te roepen. Dit geschiedde, en op den
+9 September werden de vergaderingen van deze op het Raadhuis weder
+geopend. Zij ontwierpen 53 punten van reformatie, voor het meerendeel de
+zelfde doleanciën van 1626, doch nu meer uitgewerkt en toegepast op de
+tegenwoordige behoeften[234]. De hoofdzaken waren gebleven: dat niemand
+meer dan één ambt zou mogen bedienen; dat geene Grietmannen of
+ambtenaren leden der Staten mogten zijn, en dat niemand voortaan eenig
+ambt zou mogen verkoopen of voor geld overdragen.
+
+ [234] De beroemde ULRIK HUBER gaf in een naamloos geschrift, getit.
+ _Spiegel van Doleancie en Reformatie_, eene beoordeeling van deze
+ punten, met eene, in die dagen van opgewondenheid zoo nuttige
+ waarschuwing, "dat soo heerlijcken werck niet werde bezoedelt met de
+ vlecke van onrecht en onvoorsichtigheydt." Het ambtverkoopen noemt hij
+ daarin: "de schandvlecke ende de kancker van de Vriesche Regeringe."
+
+Deze Remonstrantie der Friesche Steden werd door 37 harer
+Gecommitteerden, die zich den 12 September in plegtigen optogt naar het
+Landshuis begaven, den Staten aangeboden. Bij monde van HIERONIMUS DE
+BLAU, Burgemeester van _Leeuwarden_, verzochten zij de goedkeuring en
+aanneming van deze punten, »die tot groot nut en eenigste behoud van
+het land strekten: opdat alzoo eenmaal, de misbruiken geweerd zijnde, de
+staat des lands in ouden luister en glans hersteld-, het regtmatig
+misnoegen der gemeente weggenomen- en hare gemoederen gerustgesteld
+mogten worden."
+
+Die moedige poging, waarbij tevens de zaak des volks door de Regenten
+der Steden was overgenomen en voorgestaan, verwekte ontzag. De Staten,
+die zich niet in toereikend getal aanwezig bevonden, om daarover te
+beraadslagen, namen hierop dit krachtig besluit: dat niemand der
+aanwezige leden _Leeuwarden_ zou mogen verlaten, en dat de overige leden
+op den 16 September ter vergadering moesten verschijnen, bij verbeurte
+van 500 gouden Friesche rijders (ongev. 1750 Gld). Nu werden de poorten
+gesloten en door de burgerwacht beveiligd: eensdeels, om het vertrekken
+van personen te keer te gaan, en anderdeels, om te verhoeden, dat de
+Staten meerdere krijgsmagt in de stad bragten, ten einde de reformatie
+in de geboorte te stuiten. Daarvoor bestond vrees. Groot was de spanning
+der gemoederen.
+
+De Staten vergaderden werkelijk op den bepaalden tijd, en hielden zich
+met het onderzoek van het voorgestelde bezig. Tevens kwamen de
+afgevaardigden der Steden weder bijeen, en begaven zich naar den
+Landsdag, om op de aanneming van hare punten aan te dringen. Ook het
+volk kon mede den uitslag kwalijk afwachten, maar verzamelde zich op den
+20 en 21 in grooten getale voor het Landshuis, met dreigend verzoek tot
+afdoening. Het werd echter gerustgesteld door genoemde afgevaardigden en
+eenige burgers, die inzage verzocht hadden van den stand der zaken.
+Doch, toen er op den 27 September nog geen besluit gevallen was, werd de
+opgewondene gemeente zóó ongeduldig, dat zij, de vergaderplaats
+bezettende, dreigde niet van daar te zullen gaan, vóór de resolutie
+genomen was; weshalve de Magistraat twee compagniën burgers derwaarts
+zond, om gevreesde onheilen te voorkomen. Op den laten avond werd echter
+het volk tevreden gesteld door het berigt, dat de Staten alle punten
+hadden aangenomen[235].
+
+ [235] Zie _Charterboek_ V 835, 837, benevens de toenmaals afzonderlijk
+ gedrukte stukken, welke zich bevinden in het HS. van VITRINGA, wiens
+ verhaal ik ben gevolgd, met aanvulling uit SYLVIUS, I 567 env.
+
+Aldus was er aan de volksstem gehoor gegeven, en bleef het gemeen zich
+nu en vervolgens onthouden van uitspattingen en gewelddadigheden, die
+zoo dikwijls met de invoering van groote veranderingen gepaard gaan.
+Doch niet minder gewigtig waren de gevolgen der uitvoering van dit
+Staatsbesluit. Tegen den 14 October werd er een nieuwe Landsdag
+uitgeschreven, waartoe nu vooraf vrije personen, die geene ambten of
+betrekkingen hadden, moesten worden gestemd. Dit geschiedde, en op den
+bepaalden dag werden de nieuwe Staten, op het Landshuis vergaderd,
+door den Stadhouder en Gedeputeerde Staten plegtig en wettig
+»geintroduceerd", als 's lands hoogste en souvereine magt. Dan, al
+dadelijk rees er verschil, _wie_ de geloofsbrieven der nieuwe leden
+moest onderzoeken. De oude Gedeputeerden verlangden dit te doen, in
+weerwil den 29 Maart te voren bepaald- en als eene fundamenteele wet
+aangenomen was, dat het visiteren der procuratiën van de Volmagten zou
+geschieden door 12 Staten en 4 Gedeputeerden, tot op de helft afgeloot,
+waar tegen het kwartier der Steden zich toen en nu weder verzette.
+
+Ons bestek gedoogt niet, deze in vele opzigten belangrijke verschillen
+hier in het breede te vermelden. Het zij genoeg, hier mede te deelen,
+dat de nieuwe Staten nu zelve elkanders geloofsbrieven onderzochten,
+dat zij nieuwe leden kozen tot Gedeputeerden, en dat zij zich vestigden
+als 's lands hoogste magt, in weerwil het kwartier der Steden zich aan
+de vergadering onthield.
+
+Die tweespalt werkte niet weinig de partij in de hand van die oude
+regeringsleden, welke noode van het gezag afstand hadden gedaan, en nu
+zich hevig beklaagden, dat zij binnen 's tijds wederregtelijk uit de
+regering gezet waren, zoodat zij hunne opvolgers niet als de wettige
+magt wilden erkennen. Integendeel, voor een vol jaar tot Volmagt
+gekozen, wilden zij het gezag zoo lang blijven uitoefenen. Daartoe
+schreven acht hunner, meest Grietmannen, die zich »de olde en wettelycke
+Regeringe deser Provintie" noemden, een Landsdag van al de vroegere
+Staten te _Sneek_ uit, gaven eene uitvoerige Deductie van hun regt,
+alsmede hunne punten van reformatie in het licht, en bevolen
+Gedeputeerde Staten zich naar _Sneek_ te begeven, nadat de regering van
+_Leeuwarden_ geweigerd had, hen in deze stad, als Staten, te ontvangen.
+
+Ziedaar dan op nieuw een vuur van verdeeldheid aan het branden, dat,
+terwijl de vijand de grenzen des lands nog steeds bedreigde, hoogst
+gevaarlijk was voor de veiligheid en het gezag van den Staat. Immers,
+indien de jeugdige Stadhouder en zijne moeder de partij der nieuwe
+Staten te _Leeuwarden_ hadden gekozen, was er een overwigt geweest; maar
+beide, het meest belang hebbende bij het kwartier der Steden, dat zich
+nog altijd aan de vergadering bleef onttrekken, schroomden, uit
+verregaande voorzigtigheid, zich partij te stellen, en riepen de hulp in
+van het Hof, om de twistende Staatsleden te bevredigen. Dit was echter
+niet mogelijk, dewijl de nieuwe Staten den Landsdag te _Sneek_ niet
+erkenden, zich mede bij Deductie daar tegen verdedigden, en geene
+pogingen onbeproefd lieten, om de Steden te bewegen ter vergadering te
+verschijnen, en den Stadhouder, om zitting te nemen aan het hoofd der
+Gedeputeerden, welk collegie echter nog niet ter helft voltallig was.
+Alle pogingen om deze geschillen bij te leggen, bleken ijdel te zijn:
+want ieder stond op zijn vermeend regt, zonder daarvan iets ten behoeve
+van den vrede te willen opofferen. De reeds zegevierende partij van
+vooruitgang en verbetering, of de nieuwe Staten, had, behalve de
+volksgunst, enkel tot steun de Regering van _Leeuwarden_, terwijl de
+partij van het behoud, of de oude Staten te _Sneek_, gesteund werd door
+den Stadhouder en zijne moeder met het Hof en het leger, benevens de
+overige Steden. De kans stond dus hagchelijk, of de reformatie in het
+belang des volks duurzaam zou zegepralen. Gelukkig, dat het volk zich
+rustig hield, terwijl het in sterke spanning den uitslag verbeidde.
+Eindelijk sloeg de twist tusschen de beide staatsmagten tot
+feitelijkheden over, waarbij de tusschenkomst van het Hof noodzakelijk
+was. In zulk een toestand van verwarring eindigde het merkwaardige jaar
+1672.
+
+ * * * * *
+
+Reeds voor eenigen tijd hadden de Staten-Generaal der Vereenigde
+_Nederlanden_ hunne tusschenkomst aangeboden tot herstel van de rust. De
+oude Staten hadden die verzocht en aangenomen; doch de nieuwe bedankten
+daarvoor, dewijl zij achtten, dat er geene andere wettige vergadering
+dan de hunne kon bestaan; terwijl zij, even als Gedeputeerde Staten, van
+al het voorgevallene een uitvoerig verslag naar _'s Gravenhage_
+opzonden, waarbij zij tevens de oude Staten als verstoorders van de
+gemeene rust aanklaagden[236]. Daarom wilden zij veeleer de bemiddeling
+van het Hof inroepen; doch daar dit hiertoe moeijelijk te bewegen was,
+en twee Landsdagen te gelijk niet konden blijven bestaan, zoo vonden de
+Staten-Generaal goed, in het begin des jaars 1673 drie hunner leden
+herwaarts te zenden. Het waren de Heeren R. VAN MOLENSCHOT, Pensionaris
+van _Dordrecht_, wegens _Holland_, M. VAN CROMMON, wegens _Zeeland_, en
+JOHS. EECK, wegens _Groningen_, die in last hadden, »om de ontstane
+onlusten tusschen de Regenten in deze provincie in der minne bij te
+leggen" niet alleen, maar ook, »om de Staten serieuselyck te versoeken
+ende aen te maenen tot betalinge van de quota voor de militie, de
+legerlasten ende subsidien, aen de geallieerden van den Staet belooft,
+waarin Frieslandt, door de groote Verdeeltheden onder de Regenten,
+defectueus was gebleven"; terwijl zij vast besloten waren, niet te
+vertrekken vóór de geschillen nedergelegd waren.
+
+ [236] Zie deze en verder hiertoe betrekkelijke stukken in het
+ _Charterboek_, V 888, 892, 931 env.
+
+Werkelijk hebben deze Heeren, in vereeniging met den Stadhouder en
+daarna met eenige leden van het Hof, geene moeite onbeproefd gelaten, om
+dit doel te bereiken, waartoe zij onderscheidene voorstellen,
+reglementen en 105 punten van reformatie voordroegen. Doch hieruit rezen
+nieuwe tegenkantingen en onlusten, welke met veel moeite werden
+bedwongen. Nadat den 17 Februarij een nieuwe landsdag te _Leeuwarden_
+was beschreven, waarbij die voorstellen met allen ernst werden
+aangedrongen, had men goede hope op een gunstig besluit van dezen. Doch
+alles te vergeefs: »alsoo dat de Heeren Gecommitteerden van Haer Hoog
+Mog., na met beleefde woorden soo wel als harde dreigementen sterck te
+hebben aengehouden, eyndelyck den 2 Maart vruchteloos en onverrichter
+saecken hebben moeten vertrecken, tot droefheyt van de welmeenende
+Ingesetenen des Landts"[237].
+
+ [237] VITRINGA, _Memoriale Annotatien_, I 706.
+
+Zoo scheen dan de breuke onheelbaar te zijn, en _Friesland_ op nieuw
+eene prooi der partijwoede te zullen worden. Doch neen! zij was in
+waarheid der genezing nabij: want alleen de vreemde inmenging der
+Staten-Generaal, door de onderliggende partij van _Sneek_ slechts
+begeerd, doch door die van _Leeuwarden_ steeds afgekeerd en vermeden,
+had de toenadering verhinderd. Die fiere Friezen wilden de herstelling
+van het gezag niet aan de hulp van vreemden dank weten. Met het vertrek
+der afgevaardigden veranderde de gansche zaak, terwijl de Landsdag te
+_Sneek_ bereids in zich zelven was te niet gegaan. Reeds den 7 Maart
+werd bij Staats-resolutie de beslissing van de verschilpunten aan den
+Stadhouder en negen Staatsleden opgedragen. Binnen acht dagen dienden
+deze een Reglement en 97 »Poincten Reformatoir" in, bevattende
+uitvoerige bepalingen ter wering van misbruiken en tot omschrijving van
+de grenzen des gezags in het bestuur dezer provincie. Daarbij werd
+tevens de uitschrijving van eene algemeene Amnestie voorgesteld, »op dat
+de memorie ende geheugenisse van alle die gepasseerde onlusten,
+dissentien ende murmuratien tusschen de Regenten te eenemael mogen
+worden weggenomen ende uytgewischt."
+
+Het was dit Reglement, hetwelk op den 19 Maart 1673 bij Staats-resolutie
+werd aangenomen, goedgekeurd en uitgevaardigd, waarbij voor den vervolge
+een beteren voet van regering werd vastgesteld, en waarmede deze
+onzalige staatstwisten een einde namen, tot groote vreugde van al de
+welmeenende ingezetenen des lands[238].
+
+ [238] Zie deze stukken in het _Charterb._ V 957, 959 env. Ook zijn ze
+ afzonderlijk gedrukt, en mede opgenomen in het _Recueil van
+ Reglementen_ enz. gedrukt te _'s Gravenhage_ in 1678, toen er over de
+ nakoming van deze punten nieuwe geschillen ontstonden.
+
+ * * * * *
+
+Deze bijlegging van de geschillen, die zegepraal der partij van den
+vooruitgang was niet enkel ter bevordering van de staatkundige regten
+des volks en ter afschaffing van vele misbruiken-, maar ook om eene
+andere reden eene zaak van groot belang. Hoe gelukkig men in den vorigen
+jare ook tegen de buitenlandsche magten had gestreden; met welk gunstig
+gevolg de dappere WILLEM III de Franschen op de Hollandsche grenzen
+wederstand had geboden, terwijl de RUYTER ter zee de Engelschen met roem
+bestreed--de toestand des lands was en bleef nog hoogst gevaarlijk.
+Gegrond was hier de vrees, dat de Bisschop van _Munster_ met versche
+benden herwaarts zou optrekken, om het verlorene _Koevorden_ te
+herwinnen, en deze noordelijke streken op nieuw met kracht aan te
+vallen. Ja, zelfs werd er eerlang een gerucht verspreid, dat TURENNE met
+eene groote magt naar _Friesland_ zou oprukken. Daarom trachtten de
+Staten het gansche gewest tijdig in weerbaren staat te stellen. Reeds
+den 25 Januarij 1673 werd bevolen, dat alle manschappen van 18 tot 60
+jaren zich moesten voorzien van geweer en dagelijks wapenoefeningen
+houden, en dat elk huisgezin één man moest leveren, om op het eerste
+bevel uit te trekken. Den 18 Maart werd het bevel herhaald, dat alle
+weerbare ingezetenen zich gereed moesten houden, om in geval van nood
+dadelijk op te komen. Den 21 April kwam de Veldmaarschalk Prins JOAN
+MAURITS _van Nassau_ herwaarts, gevolgd van eenige regimenten ruiterij
+en voetvolk, die tot versterking van _Heerenveen_ en _Joure_ gebruikt
+werden. Hier vernam hij, dat de Bisschop werkelijk in aantogt was, om
+een aanslag op _Koevorden_ te wagen, waarop hij zich dadelijk naar
+_Groningen_ begaf, om orde te stellen op het voorzien van genoemde
+vesting en de beveiliging van die provincie. Vervolgens gelastte hij
+hier de zeesluizen te openen, tot het inunderen van de lage streken;
+terwijl er een dam gelegd werd in de Linde, en de wegen op de grenzen
+onbruikbaar gemaakt werden. Hij riep de landlieden op, om aan het
+versterken van de schansen te arbeiden. Den 11 Julij bepaalden de
+Staten, dat het uittrekken van den derden man binnen 14 dagen zou plaats
+hebben, waarna het getal daarvan den 28 Julij op 3,000 man werd
+vastgesteld, welke iedere 14 dagen door anderen zouden afgelost worden.
+Dit uittrekken werd toen echter vertraagd door verschillen over het
+onderhouden van die manschappen, hetwelk de Staten ten laste der steden
+en grietenijen hadden gebragt[239].
+
+ [239] Zie _Charterb._ V 946, 973, 977, 983, 985, 988.
+
+Men had echter goed gezien, dat het gevaar toen op het hoogst was,
+en dat men een hevigen aanval van de Bisschoppelijke troepen had
+te wachten. Tusschen deze en de onzen hadden er wel gedurig
+schermutselingen plaatsgehad, waarbij met afwisselend geluk was
+gestreden; ook had Prins MAURITS den 2 Julij vier regimenten voetvolk en
+een regiment dragonders der Munsterschen in hun kwartier te _Staphorst_
+aangetast, waarna AYLVA te vergeefs een aanval op _Zwartsluis_
+waagde:--doch dit alles bragt geene beslissing te weeg, maar diende
+enkel, om onze grenzen te beveiligen en den vijand af te matten, of te
+ontmoedigen, om aan den voorgenomen aanval te denken[240].
+
+ [240] SYLVIUS, _Historien_, I 635, 636.
+
+De Bisschop, na in de omliggende provinciën zoo veel tegenspoed en
+schade geleden te hebben, wilde echter de verovering van _Friesland_
+beproeven, en in deze uiterste kracht-inspanning tevens de beslissing
+van den ganschen veldtogt wagen. Uit de Geldersche en Overijsselsche
+steden brengt hij van de beste Fransche, Keulsche en Munstersche troepen
+te _Steenwijk_ eene magt bijeen, welke op 6 à 7,000 man (door anderen op
+8,000 voetknechten en 100 ruiters) begroot werd. Op den 15 Augustus rukt
+hij daarmede langs verschillende wegen op _Friesland_ aan. Op het eerste
+berigt daarvan, trekken de onzen, onder gedurige schermutselingen met
+den vijand, van _Wolvega_ terug tot _Heerenveen_, welk hoofdkwartier
+Prins MAURITS, Prins HENDRIK CASIMIR en AYLVA tot het uiterste wilden
+verdedigen, waartoe ook dadelijk de derde man opgeroepen werd en de
+burgers van _Leeuwarden_, _Sneek_, _Franeker_ enz. reeds den volgenden
+nacht naar _Heerenveen_ vertrokken. Na de schansen van de _Blessebrug_
+en _Bekaf_ genomen te hebben, trok de vijand de _Stellingwerven_ in tot
+_Oudeschoot_. Verschillende gevechten vielen er voor, waarin hij
+herhaaldelijk werd geslagen. Zijne pogingen, om _Heerenveen_ te
+overweldigen, mislukten, en nu zocht hij zijn moedwil te koelen door de
+ingezetenen op contributie te stellen, door de dorpen te berooven, te
+plunderen en te branden, door het vee uit de weiden met zich te voeren
+en de vruchten des velds, welke stonden ingezameld te worden, te rooven
+of te verwoesten. Vooral _Wolvega_, _Oudeberkoop_ en _Makkinga_ hebben
+daarbij veel geleden. Ondanks het bekomen van versterking uit
+_Steenwijk_, vond hij in de dapperheid der Friesche benden, in de groote
+magt, welke hem tegengesteld werd door het spoedig toesnellen van de
+gewapende burgers, en in het door een hevigen noordwestewind opgestuwde
+water zoo veel tegenstand, dat zijn aanval geheel mislukte, en dat de
+bisschoppelijke troepen na verloop van vijf à zes dagen met groot
+verlies naar _Zwolle_, _Zutphen_ en _Arnhem_ terugtrokken. Eerst nadat
+de Friezen nog eenmaal krachtige hulp hadden geboden, om het door den
+Bisschop zoo lang en fel benarde _Koevorden_ te ontzetten, hetgeen in
+het begin van October, meest ten gevolge van een sterken oostewind,
+gelukte, werd het den uitgetrokken burgers vergund, de door hen bezette
+posten te verlaten en naar hunne woningen terug te keeren[241]. (Zie
+_Aanteekening 25_.)
+
+ [241] Uitvoerige bijzonderheden omtrent al het voorgevallene vindt men
+ in de belangrijke werken van dien tijd: _Holl. Mercurius_, 152, en
+ _d'Ontwaekte Leeuw_, Amst. 1673, I 36, 47, 60, 74, 122, 130; II 15,
+ 46, 47 env.; SYLVIUS, I 653; zie ook VAN LEEUWEN, _Kronyk_, 254.
+
+ * * * * *
+
+Groot en algemeen was de vreugde over deze bevrijding van _Friesland_,
+hetwelk, terwijl het grootste gedeelte der Nederlandsche provinciën zoo
+lang door de vijandelijke benden was overheerd, geplaagd en uitgezogen
+geworden, volkomen vrij was gebleven. Der Friezen oude moed en trouw
+had, met Gods bijstand, dit gewest in het bijzonder weder beveiligd. De
+vast- en bededagen, welke men zoo dikwijls had gehouden, werden nu
+vervangen door dankdagen, ook wegens de verlossing van het gansche
+vaderland van de overmagtige vijanden, die door hooger magt waren
+gestuit in hunne geweldige pogingen, om het te overmeesteren en onder
+hunne heerschappij te brengen.
+
+»Zoo werd het wijd beroemde en heldhaftige _Friesland_, van alle eeuwen
+vermaard als de moeder en te gelijk het kind van de Vrijheid; van de
+Romeinen gevreesd, door de Britten gehoorzaamd en door de Franken
+geëerd, als de voedster van ontembare helden, op nieuw met handen en
+tanden verdedigd. Zoo werd den Munsterschen Bisschop afgeleerd, de
+grenzen in te breken van een land, dat, door natuurlijke kracht en
+schrandere kunst versterkt, voor buitenlandsch geweld ongenaakbaar
+bleek te zijn, zoo lang het beschermd werd door fiere nazaten, niet
+ontaard van de heldendeugd der roemrijke voorvaderen"[242].
+
+ [242] ROMYN DE HOOGHE, _Spiegel van Staat_, Amsterdam 1706, I, 7e
+ tafereel, 1, 7.
+
+ * * * * *
+
+Na zoo krachtvolle inspanning had het vaderland behoefte aan rust en
+vrede. Er werden daartoe met _Munster_, _Keulen_, _Engeland_, ja zelfs
+eerlang ook met _Frankrijk_, en wel bij herhaling, verdragen gesloten,
+doch de trouweloosheid van den oorlogszuchtigen LODEWIJK XIV hield ons
+land nog langer dan twintig jaren in de wapenen, daar eerst met den
+vrede van _Rijswijk_ (1697) de rust duurzaam scheen te zullen zijn. Hoe
+gelukkig, dat _Nederland_ gedurende al die jaren in den, eerst lang
+vernederden, doch daarna roemrijk verhevenen, Prins WILLEM III een
+staatsman en held bezat, die den Franschen monarch, na hem dit land
+eerst hevig betwist te hebben, bij voortduring het hoofd kon bieden, en
+die nieuwe lauweren voor den vaderlandschen krijgsroem mogt behalen.
+
+Ook _Friesland_, dat, ver van het tooneel des oorlogs verwijderd, zich
+sedert 1673 weder rustig aan zijne eigene belangen kon wijden en de
+welvaart zijner ingezetenen bestendig zag toenemen,--ook dit gewest
+bezat gelijktijdig staatsmannen en helden, die den _Prins van Oranje_
+krachtdadig ondersteunden in het beveiligen van het vaderland en het
+bevorderen van zijne waardigheid en eer tegenover magtige naburen. DE
+RUYTER vond bij zijne laatste zeetogten in de dapperheid der, onder
+BANCKERS vereenigde, Zeeuwen en Friezen, die de Franschen en Engelschen
+»met hunne gewone kloekmoedigheid aantastten"; een krachtigen
+steun[243]. De dappere JACOB BINCKES, geroemd als »een voorsichtig
+soldaat, een manhaftig Capiteyn, een getrouw Commandeur en een
+goedertieren Christen, wiens voorige Heldendaden bewijs gaven van
+grooter verwachtingen," mogt intusschen de eer der Nederlandsche vlag in
+de _West-Indien_ roemrijk handhaven, en in 1677 nog eene overwinning op
+de Franschen behalen, na »een der hardnekkigste gevechten, waarvan de
+Geschiedenis van het Nederlandsche Zeewezen gewag maakt"[244]. De
+belangrijke Friesche staatsstukken van dien tijd getuigen van de
+uitstekende bekwaamheden van Staatsmannen, als WILLEM VAN HAREN, ALLART
+PIETER VAN JONGESTAL, HANS VAN WYCKEL, PIBO VAN DOMA, MATTHIJS, ASSUERUS
+en GYSBERT VAN VIERSSEN, ISAAC DE SCHEPPER en anderen[245], waarvan de
+eerste alleen in twaalf gezantschappen naar vreemde mogendheden en als
+vredehandelaar het hoog gezag des lands deed gelden en de belangen van
+oorlog en vrede regelde. Nog grooter roem behaalden HANS WILLEM _Baron_
+VAN AYLVA (hier vóór reeds zoo dikwijls vermeld), MENNO _Baron_ VAN
+COEHOORN en de Stadhouder HENDRIK CASIMIR II in den strijd voor het
+vaderland.
+
+ [243] Zie de voorbeelden daarvan bij DE JONGE, _Zeewezen_, III _a_
+ 130, 150, 269, 292.
+
+ [244] Behalve het vroeger aangehaalde uit DE JONGE, op bl. 259, blijkt
+ dit uit veelvuldige plaatsen in het 3e dl. 1e en 2e st. van zijn
+ voortreffelijk werk, waaruit ik tot mijn leedwezen geene meerdere
+ bijzonderheden kan mededeelen. Ook SYLVIUS, I, 14e bk. 341, 348, 15e
+ bk. 93 enz. gewaagt met veel lof van de heldendaden van BINCKES.
+
+ [245] Zie over dezen SCHELTEMA, _Staatkundig Nederland_, het
+ _Wapenboek_, het _Stamboek_, het _Charterboek_ enz.
+
+AYLVA, die van de bescherming zijner provincie zoo veel eer mogt
+verwerven, wist in den slag van _Senef_ (1674) »door uitstekende
+dapperheid zijn reeds verkregen »roem loffelijk te handhaven," en dien
+bij de belegering van _Keizersweerd_ en _Bonn_ en inzonderheid vóór en
+in den slag van _Fleurus_ (1690) te vergrooten. Als een der
+voortreffelijkste legerhoofden geacht, zag hij zich in het laatst zijns
+levens het opperbevel over de Staatsche troepen in _Braband_
+opgedragen[246]. COEHOORN, die zich in 1673 bij de belegering van
+_Maastricht_ als Kapitein voor het eerst door dapperheid onderscheidde,
+en vóór _Grave_[247] en in den slag van _Senef_ aan zijn heldenmoed de
+bevordering tot Kolonel had te danken, muntte vervolgens evenzeer als
+legerhoofd en als uitstekend vestingbouwkundige uit, daar hij in de
+versterkingskunst voor ons land een nieuw tijdvak deed aanbreken, en
+alzoo een waardig tegenstander werd van den beroemden Franschen
+Ingenieur VAUBAN. In den slag van _Fleurus_, waar hij »boven andere
+Nederlanders uitmuntte"; bij de roemrijke verdediging en daarna
+herneming van de sterke vesting _Namen_ (1692, 1695); door de
+versterking van _Groningen_, _Koevorden_, _Nijmegen_ en _Bergen op
+Zoom_; door de verovering van _Luik_ (1702), van _Bonn_ (1703) en andere
+schitterende wapenfeiten verdiende hij, tot de hoogste waardigheden
+opgeklommen en de groote Stededwinger en Friesche Jupiter genaamd, een
+eervollen rang onder de groote mannen des vaderlands[248].
+
+ [246] SYLVIUS, _Vervolg op_ AITZEMA, dat aan hem werd opgedragen, I
+ 287, 562 env. III, 1691, 51; BOSSCHA, _Heldendaden_, II 166, 232, 240,
+ _Bijlage_ 9 env.; _Friesche Volks Almanak_, 1841, 62.
+
+ [247] Uit dit beleg is de bijzonderheid bewaard, dat de Friesche
+ Luitenant LAURENTIUS DE BLAU, bij een aanval doodelijk getroffen, door
+ zijne achttienjarige jongevrouw, ANTJE TJEBBES TJEBBINGA, met veel
+ onverschrokkenheid uit de loopgraven werd gedragen, in de legerplaats
+ gebragt en naar _Leeuwarden_ vervoerd, om hem bij zijne vaderen te
+ doen rusten. Zie FERWERDA, _Wapenboek_, I in _de Blau_. Ook BOSSCHA,
+ II 193 vermeldt dit en Mr. VAN HALMAEL bezong dit blijk van
+ huwelijkstrouw in den _Alm. v. 't schoone en goede_, 1837.
+
+ [248] BOSSCHA, II 144, 172, 188, 192, 240, 258, 261, 315, 319 env.;
+ _Friesche Volks Almanak_, 1840, 104; N. YPEIJ, _Gedenkschrift van
+ Coehoorn_, Fran. 1781; CHALMOT, _Biogr. Woordenb._ VII 129; KOK,
+ _Vaderl. Woordenb._ X 366; _Levensbes. van Nederl. Mannen_, VII 169;
+ MERKES, _Memorie over Coehoorn_, 's Hage 1825; VAN KAMPEN, _Geschied._
+ II 138; _Karakterkunde_, II 415; VAN LOON, _Historiepenn._ IV 342; VAN
+ LEEUWEN in het _Friesch Jierboeckje_, 1829, 1.
+
+Prins HENDRIK CASIMIR II, bij den dood zijns vaders slechts zeven jaren
+oud, ontving eene verstandige opvoeding van zijne voortreffelijke
+moeder, Prinses ALBERTINE AGNES, die, ook nadat hij in 1672, ruim 15
+jaren oud, tot werkelijk Stadhouder was verheven, hem tot 1679 als
+voogdes ter zijde stond[249], gelijk hij in AYLVA een uitstekend
+leermeester en voorganger vond in den krijg. Reeds op zeventienjarigen
+ouderdom woonde hij den slag van _Senef_ bij, en was, »ook in het
+dreigendst levensgevaar, onafscheidelijk aan de zijde van den jeugdigen
+Opperbevelhebber WILLEM III, waardoor hij zich waardig toonde de spruit
+te zijn, in wie de edelaardigheid der telgen van ORANJE op den Frieschen
+stam was overgeplant." Als Stadhouder, mede over _Groningen_ en
+_Drenthe_, was hij zeer geacht, en gedroeg hij zich steeds edelmoedig
+jegens Prins WILLEM III, toen deze in 1677, al te heerschzuchtig over de
+afdanking van Friesch krijgsvolk beschikkende, daardoor, en mede bij de
+door hem voorgestelde werving van 16,000 man in 1684, een krachtigen
+tegenstand uitlokte van _Frieslands_ Staten, die onverzettelijk bleven
+in de uitoefening van hun regt, om zelve patenten of marschorders aan de
+troepen af te geven. Die Staten gaven den jeugdigen Vorst menig blijk
+van hunne genegenheid en vertrouwen. Zij verzochten hem zelfs eene
+gemalin te kiezen, en toen hij die gevonden had in de schrandere Prinses
+AMALIA _van Anhalt-Dessau_, werd haar niet enkel een geschenk van
+100,000 Gld. aangeboden, maar ook het vorstelijk paar bij den
+luisterrijken intogt te _Leeuwarden_, op den 19 Augustus 1684, een
+onthaal bereid, zoo als hier nog geen Vorst was ten deel gevallen, en
+waarbij men al de blijken van den rijkdom en de weelde dier bloeijende
+dagen ten toon spreidde[250]. In 1690 aangesteld tot tweeden
+Veldmaarschalk, gaf hij nieuwe blijken van ongemeene dapperheid in de
+veldslagen van _Fleurus_, waarbij zijne lijfgarde twee vaandelen
+veroverde op de bloem des Franschen legers, van _Steenkerke_ en
+_Neerwinden_. Nadat zijne gezondheid reeds bij den eersten veldtogt was
+geknakt, overleed hij den 15 Maart 1696 te _Leeuwarden_, algemeen om
+zijne deugden en verdiensten diep betreurd. Zijne edele moeder, Prinses
+ALBERTINE AGNES, overleefde hem slechts twee maanden, daar zij den 14
+Mei 1696 op het door haar gestichte lusthuis _Oranjewoud_ overleed[251].
+
+ [249] Toen de Prinses in 1679 naar _Duitschland_ vertrok en haar zoon
+ het bewind aanvaardde, nam zij van de Staten afscheid bij eene
+ Missive, waarin zij treffende blijken gaf van hare "groote liefde,
+ affectie ende danckbare erkentenis jegens dese gezegende Provincie;"
+ waarop de Staten eene resolutie namen, welke evenzeer van hunne
+ erkentenis en toegenegenheid getuigde en vergezeld ging van een
+ geschenk van 5,000 Gld. met toezegging van een jaarlijksch
+ lijfpensioen tot gelijk bedrag. Zie deze Missive en Resolutie bij
+ SYLVIUS, II 42. De regering van _Leeuwarden_ ontving bovendien een
+ brief, waarin de Vorstin hare goede gezindheden nog sterker uitdrukte.
+ Zie _Geschiedk. Beschrijv._ II 298. Later keerde zij echter in
+ _Friesland_ terug, en woonde meest op het _Oranjewoud_.
+
+ [250] Behalve in stukken van het Stedelijk Archief, vindt men eene
+ uitvoerige beschrijving van deze "Princelyke Inhalinge" bij SYLVIUS,
+ II, 1684, 125.
+
+ [251] Zie over deze Vorst en Vorstin: _Charterb._ V 914, 1103, 1216,
+ 1242; SYLVIUS, I 552, 653, _b_ 97, 178; _Regist. Staats res._ 46, 513,
+ 587; KOK, _Vaderl. Woordenb._ II 507, XVI 606, XX 547; FOEKE SJOERDS,
+ _Beschrijv._ II 188; _Tegenw. Staat_, II 147; VAN KAMPEN, _Karakterk._
+ II 337, 405, 414; BOSSCHA, _Heldendaden_, II 103, 168, 239, 240, 258;
+ STEENBERGEN, _Lijkrede op Prinses Albertine Agnes_; VAN LEEUWEN,
+ _Kronyk_, 456; VAN HALMAEL in den _Friesche Volks-Almanak_, 1844, 182.
+
+Behalve zeven dochters, liet de Prins slechts een zoon na, JAN WILLEM
+FRISO, die naauwelijks den ouderdom van acht jaren had bereikt. Al de
+waardigheden des vaders werden hem dadelijk door de Friesche Staten
+toegezegd, terwijl het bewind intusschen door zijne moeder en voogdes
+werd waargenomen. Van deze bekwame en schrandere vrouw ontving hij eene
+voortreffelijke opvoeding, welke zijn gunstigen aanleg dermate
+ontwikkelde, dat hij reeds op zijn 13e jaar de Hoogeschool te _Franeker_
+kon bezoeken. In het volgende jaar verwisselde hij deze met die van
+_Utrecht_, en wel op verzoek van Prins WILLEM III, die, zelf geene
+kinderen hebbende, den naam van _Oranje_ en de voortduring van zijn Huis
+in de _Nederlanden_ op dezen jongeling vestigen wilde, en hem daarom ook
+genoegzaam als zoon aannam en tot zijn vollen erfgenaam verklaarde. De
+spoedig hierop gevolgde dood van dezen tweeden vader (1702) was alzoo
+voor de verdere opleiding van den jongen Vorst een even groot nadeel,
+als de erfenis van titel en bezittingen hem voordeel scheen te beloven.
+De naijver van _Holland_ en de overige, nu op nieuw Stadhouderlooze,
+provinciën jegens _Friesland_ en zijne Stadhouders, reeds vroeger zoo
+dikwijls gebleken, was nu weder de oorzaak, dat men niet alleen aan de
+begeerte des Konings, om den jongen Prins in zijne waardigheden te doen
+opvolgen, geenszins voldeed, maar ook onverschillig toezag, dat
+_Pruissen_ zich van een gedeelte der erfenis van _Oranje_ meester
+maakte, hoezeer ook de Algemeene Staten, als uitvoerders van Koning
+WILLEM'S uitersten wil, daarvoor hadden behooren te zorgen. Te vergeefs
+ijverden de Friesche Staten dus voor zijne benoeming tot Generaal
+(1703), waarbij zij bestendig van de andere provinciën tegenwerking
+ondervonden[252]. Doch hij wilde dien rang niet als gunst ontvangen,
+maar door dappere daden verdienen.
+
+ [252] Zie die geschillen vermeld bij KOK, XVI 607; _Reg.
+ Staats-resol._ 517.--"Holland was voor Frieschen invloed bevreesd",
+ zegt GROEN VAN PRINSTERER, _Handboek der Vaderl. Geschiedenis_, 589.
+
+Daartoe scheen de gelegenheid zich aan te bieden, toen hij in 1703,
+eerst 16 jaren oud, als vrijwilliger met zijn leidsman VAN HEEMSTRA den
+eersten veldtogt bijwoonde. Immers, de zelfde oorlogszuchtige en
+trouwelooze Koning LODEWIJK XIV, die ons vaderland nu reeds langer dan
+30 jaren bijna onafgebroken met magtige legers had bestreden, had nu,
+ten gevolge van een staatkundig verschil over de Spaansche erfopvolging,
+den oorlogsfakkel in de _Spaansche Nederlanden_ (_België_) geworpen,
+waar zijn verbazend leger, op 300,000 man begroot, hevige tegenstanders
+ontmoette in Prins EUGENIUS _van Savoije_, die de troepen des Duitschen
+Keizers, en in den Hertog VAN MARLBOROUGH, die de verbondene Engelsche
+en Nederlandsche benden aanvoerde. Wegens het belang der zaak, waaraan
+men »de vrijheid van gantsch Europa" gelegen achtte, waren de Staten der
+Vereenigde gewesten, en wel bijzonder _Friesland_, eenstemmig gezind,
+tegenover den Franschen despoot eene geduchte magt te ontwikkelen. Zij
+hielden woord, en bragten gedurende dezen bloedigen oorlog van 1702 tot
+1712 een leger te velde, dat jaarlijks tusschen de 110 tot 130,000 man
+bedroeg[253]. Ook _Friesland_ getroostte zich tot dat einde verbazende
+opofferingen van geld en manschap, en zag de dapperheid zijner
+krijgsoversten en soldaten met eere erkend. Reeds omtrent de vier eerste
+jaren van dien krijg vermeldt een schrijver van dien tijd zulks in de
+volgende woorden: »Nu heeft die heerlyke Provintie de Lof, dat haare
+_Vriesen_ zo te voet als te paard, wel een groot gewicht in des Lands
+overwinningen inbrengen; en dat zy, streng en hardnekkig vechtende, de
+uitgepikte magt van 's Konings huis by _Ramillies_ gebrooken en
+vertreeden hebben, en in de Beleegeringen standvastig en schrander zyn,
+zo dat de vyandlycke Steeden, zelfs de alderuitgeleezenste sterke
+Vestingen, voor 't vuur van _Koehoorn_, de _Vriesschen Archimedes_,
+plooyen; voortgaande met zegevierende schreeden na _Europa'as_ Vryheid,
+door het vernederen van dien ontrouwen en hovaardigen _Franschen_
+Dwingeland"[254].
+
+ [253] BOSSCHA, II 301, 541 env. Bovendien had Staat gelijktijdig over
+ de 50 zware linieschepen in dienst. De schuld der republiek werd door
+ dezen oorlog vermeerderd met 350 millioen! GROEN, 588.
+
+ [254] ROMYN DE HOOGHE, _Spiegel van Staat_, Amst. 1706, I, 7e
+ tafereel, 28.
+
+'t Mogt den jeugdigen Prins FRISO, hoezeer brandend verlangende naar den
+strijd, niet gebeuren, in de eerste jaren, dat hij den Successie-oorlog
+aan de zijde van OUWERKERK bijwoonde, bijzondere blijken te geven van
+zijn krijgsmansaard en heldengeest. Niettemin waren die togten voor hem
+eene belangrijke leerschool; en miskenning was hem een prikkel, om zich
+zelven met waardigheid te verheffen. Eerst in 1708 werd hij in de
+gelegenheid gesteld, zich door dapperheid te onderscheiden en aller
+oogen op zich te vestigen. Doch toen ook was hij niet enkel bevorderd
+tot Generaal van het voetvolk, maar ook tot de waardigheden zijns
+vaders. Nadat hij, den ouderdom van 20 jaren bereikt hebbende, den 18
+November 1707 met groote plegtigheid te _Leeuwarden_ was ingehaald,
+werd hij den 22 dier maand tot Stadhouder en Kapitein-Generaal van
+_Friesland_ gehuldigd; terwijl zijne moeder als Voogdes den dank der
+Staten en eene gift en een jaargeld van 5,000 Gld. ontving. De luister
+van zijn Huis, in 1704 door den aankoop van de heerlijkheid _Ameland_
+(voor [f]175,000), en in 1708 door het Stadhouderschap van _Groningen_
+en _Drenthe_ verhoogd, werd in het volgende jaar bekroond door een
+gelukkig huwelijk met de schoone en brave Prinses MARIA LOUISA _van
+Hessen-Kassel_, waarover groote vreugde werd bedreven[255].
+
+ [255] Zie _Reg. Staats-resol._ 343, 517; LAMIGUE, _Leven van J. W.
+ Friso_, II 9, 30, 109, 117; KOK, XVI 682; _Tegenw. Staat_, II 376. Ook
+ deze Prinses ontving van de Friesche Staten eene tonne gouds als
+ huwelijks-gift, en de Prins een geschenk van 16,000 Gld.
+
+Inmiddels had de Prins in den slag bij _Oudenaarden_ (Mei 1708) zich de
+baan des roems ontsloten en getoond, wat het vaderland van hem
+verwachten kon. Met heldenmoed rukte hij aan het hoofd zijner bataljons
+op de bloem des Franschen legers aan en noodzaakte die te wijken: eerst
+viel hij het »door een meesterlijken togt en zwenking in de flank, en
+daarna door een stouten marsch in den rug", zoodat hij veel toebragt tot
+deze roemrijke overwinning. »De beslissende dapperheid, door
+_Frieslands_ jeugdigen Stadhouder hier betoond, zweefde op de tong van
+elken Vaderlandlievenden _Nederlander_"[256]. In het beleg van
+_Rijssel_, in 117 dagen met verbazende opofferingen gewonnen, was hij de
+tweede in het opperbevel, doch de eerste bij elk gevecht en iederen
+aanval. Ook _St. Amand_, _Doornik_ en _Gent_ hielp hij veroveren.
+Telkens bleek het, dat voor zijne onversaagdheid geen gevaar te groot en
+voor zijn moed geen tegenstand te sterk was. In den hoogst belangrijken
+slag bij _Malplaquet_ (1709), eerst geplaatst aan het hoofd van negen
+bataljons, die de vijandelijke verschansingen moesten beklimmen, rukt
+hij met zeldzame dapperheid tegen een vreeselijk kanon- en geweervuur
+in. »Voort, voort!" klinkt in een hevig kruisvuur zijne stem, en, als
+sleepte hij zijne troepen aan koorden met zich mede, spoeden zij naar
+hun doel. Het eerst de grachtboord der verschansing bereikende, zwaait
+de jonge held met den hoed in de hoogte, en stuiven al zijne benden in
+de gracht, bestijgen en veroveren met leeuwenmoed de borstwering, en
+verdrijven den vijand met de bajonet. Duizenden ziet hij om zich henen
+vallen en zelfs bijna al zijne officieren; met het klimmende gevaar
+voelt hij echter zijn heldenmoed rijzen, en blijft hij de zijnen
+aanvoeren, al zijn reeds twee paarden onder hem doodgeschoten. Een
+vaandrig grijpt hij het vaandel uit de hand, stuift daarmede alléén op
+de vijandelijke werken in, en, roepende: »volgt mij, mijne vrienden!
+hier is uw post!" plant hij het op de borstwering, die op nieuw wordt
+veroverd. Juist deze »voorbeeldelooze stoutmoedigheid," die
+persoonlijke, alle gevaar trotserende, moed van _Oranje_, welke aan
+roekeloosheid grensden, hadden de overwinning mede mogelijk gemaakt,
+ofschoon zij in hem misduid werden, daar hij altijd moest bedenken, dat
+hij de eenige Vorst was uit de huizen van _Nassau_ en _Oranje_, waarop
+de hoop des vaderlands was gevestigd. De Voorzienigheid spaarde hem
+echter als door een wonder.
+
+ [256] VAN KAMPEN, _Karaktk._ II b 530: BOSSCHA, _Neerl. Held._ II 420.
+
+Den 26 Februarij 1709 in het huwelijk getreden, weerhield zijn echt hem
+geen oogenblik in het volbrengen van zijne pligten als krijgsman. Reeds
+in Mei snelde hij naar het leger, en verliet het niet, voor hij nog in
+het laatst van October met Prins EUGENIUS _Bergen in Henegouwen_ had
+ingenomen. In 1710 was hij weder tijdig in het veld, en mogt hij _Douai_
+en _St. Venant_, na hevige belegeringen, helpen veroveren. Ook in 1711
+ging hij weder naar het leger, doch nu voor de laatste maal. In Julij
+naar _'s Gravenhage_ geroepen tot vereffening van de geschillen met den
+Koning van _Pruissen_ over de erfenis van Koning WILLEM, werd hij door
+een droevig ongeluk aan het vaderland ontrukt. De held, wien de
+kogelregen en het moorddadigste vuur bij _Malplaquet_ hadden
+gespaard--vond den dood in de golven, door het omslaan van de veerschouw
+op het Hollandsche diep bij den _Moerdijk_. Het geheele land betreurde
+dit verlies als eene zware ramp, en huldigde zijne deugden en
+verdiensten door uitbundige lofspraken. »Men had hem nooit genoeg geacht
+bij zijn leven, en kon hem niet genoeg beschreijen bij zijn dood. Bij de
+sierlijke gestalte eens jeugdigen ridders van ongemeene geestbeschaving
+voegde hij eene minzaamheid, bescheidenheid, kloekzinnigheid en
+goedaardigheid, ook te midden des oorlogs, en, bij den moed van een
+ACHILLES, liefde tot den vrede, welke den oorlog slechts als een
+noodzakelijk kwaad beschouwde;--eigenschappen, die aan JAN WILLEM FRISO
+de bewondering van alle tijden en de liefde van al zijne landgenooten
+hebben waardig gemaakt! Het leger, dat zulk een dierbaar hoofd moest
+missen, was niet te troosten: grijze krijgslieden smolten in tranen.
+Geen wonder dat zij treurden: want zij hadden hem leeren kennen in
+veldslagen en bij belegeringen, en hij had zich nu reeds die liefde en
+dat vertrouwen verworven, waardoor zijne voorouders steeds de ziel van
+de Nederlandsche legermagt waren geweest. Dat leger miste van nu af den
+invloed van die tooverkracht, waarmede de naam van _Oranje_ het altijd
+wist te bezielen"[257].
+
+ [257] LAMIGUE, _Leven_, II 237, 266; VAN EFFEN, _de Misanthrope_, II
+ 21; VAN KAMPEN, _Karakterk._ II 534; BOSSCHA, _Heldendaden_, II
+ 403-519; _Levensbeschrijv. van Nederlandsche Mannen_, VI 154, 284,
+ VIII 260; FERWERDA, _Wapenboek_, II. Acht dagen na 's Prinsen dood
+ (den 14 Julij voorgevallen) werd zijn lijk gevonden, te _Dordrecht_
+ gebalsemd en naar _Leeuwarden_ vervoerd, waar het eerst den 25
+ Februarij 1712 werd bijgezet in den Stadhouderlijken Grafkelder met
+ eene prachtige lijkstatie, voor wier kosten de Staten 16,000 Gld.
+ toestonden.
+
+Maar, welke was de smart der jeugdige gemalin van den Prins, met wie hij
+nog zoo kort verbonden was! Zij was de droefheid zelve, doch tevens een
+toonbeeld van de geestkracht, welke de Christelijke godsdienst onder
+lijden schenkt, als zij niet enkel het verstand, maar heel het gemoed
+vervult. Betaamt het vooral Vorsten, zich door grootmoedige daden en
+edele gezindheden boven de gewone menschen te verheffen--zij betoonde
+zich een echtgenoot waardig, over wien het gansche vaderland met haar
+treurde; zij heiligde dien rouw door haar geloof, en ontving daardoor
+kracht om hare pligten te vervullen, ook als Moeder. Den 1 September
+1711, en alzoo zes weken na den dood zijns vaders, werd WILLEM CAREL
+HENDRIK FRISO te _Leeuwarden_ geboren. De Staten van _Friesland_ die zoo
+veel innige deelneming betoond hadden in den rouw der Prinses, »met
+aanbieding van alle hulp en bijstand, met raad en daad," deelden nu
+evenzeer in den zegen, welke haar ten deel viel. Zij namen het
+Gevaderschap over den jongen Prins op zich, verklaarden het
+Erfstadhouderschap, gelijk ook de twee regimenten zijns vaders, op hem
+vervallen, en gaven meerdere blijken van toegenegenheid en teekenen van
+vreugde. Deze vonden weerklank in het gansche vaderland, dat nu weder
+eene mannelijke spruit bezat uit de huizen van _Oranje_ en _Nassau_,
+waaraan het nu reeds bijna anderhalve eeuw door banden van wederkeerige
+liefde en belang was verknocht geweest.
+
+ * * * * *
+
+Gelukkig spoedde de oorlog, nu weder zoo lang en zoo hevig gevoerd, bij
+'s Prinsen dood ten einde. De trotsche LODEWIJK XIV, die jaar op jaar
+zoo vele verliezen geleden had, en in en buiten zijn land door vijanden
+bedreigd werd, haakte naar den vrede, die, na lange onderhandelingen,
+den 11 April 1713 te _Utrecht_ werd gesloten. Die vrede, welke het
+vaderland eindelijk verademing en rust scheen te beloven, verwekte
+algemeene vreugde, die men ook in _Friesland_ aan den dag legde door het
+afsteken van een prachtig vuurwerk op de marktplaats te _Leeuwarden_.
+Uit deze provincie was daartoe als gevolmagtigde afgevaardigd de
+voortreffelijke staatsman SICCO VAN GOSLINGA, die tevens in den
+Successie-oorlog, van 1706 tot 1711, als Gedeputeerde te velde, door
+zijne uitstekende bekwaamheden het vaderland met raad en daad van dienst
+was geweest[258]. In dien oorlog hadden meerdere aanzienlijke Friezen
+uitgeblonken, waarvan met lof genoemd worden de Generaal-Majoors
+FREDERIK VEGILIN VAN CLAERBERGEN, JOACHIM VAN AMMAMA en FREDERIK VAN
+GROVESTINS. De laatste verwierf nog in 1712 grooten roem, door »met
+ongehoorde stoutheid" in _Frankrijk_ een inval te doen, welke LODEWIJK,
+dien hij tot nakoming van zijne verbindtenissen wilde dwingen, op zijnen
+troon deed sidderen. Met een vliegend legertje van 1800 dragonders en
+huzaren, mede onder bevel van den Brigadier VAN GLINSTRA, trok hij door
+_Champagne_ en de Bisdommen _Metz_, _Toul_ en _Verdun_, legde in 48
+dagen 800 Ned. mijlen in vijands land af, deed gansch _Lotharingen_
+beven, en boezemde ontzag in voor de Nederlandsche wapenen, die geen
+ander doel hadden, dan om door oorlog regt en vrede te verwerven[259].
+
+ [258] Belangrijke berigten over hem zijn medegedeeld door den Heer J.
+ VAN LEEUWEN in _de vrije Fries_, 1844, III 277. Ook BOSSCHA, II 469
+ env. en anderen vermelden hem, wiens graftombe nog de kerk van het
+ dorp _Dongjum_ versiert, met hoogen lof.
+
+ [259] Zie over de genoemde personen: VAN LEEUWEN, in _de vrije Fries_,
+ V 245; BOSSCHA, II 325, 370, 458, 473, 536, 543; WAGENAAR, _Vaderl.
+ Historie_, XVII 426, 466; VAN HAREN, _de Geuzen_, 10e Zang en Aant.;
+ _Frisia Nobilis_, 114, 331, 335; _Stamboek_, I 144, II 84; VAN SMINIA,
+ _Grietmannen_, 53.
+
+Die vrede werd verworven, doch ten koste van stroomen bloeds en
+millioenen schats. Gelukkig, dat de duurzame voorspoed des lands, door
+scheepvaart, handel en landbouw bevorderd, die offers kon brengen; dat
+een bestendige vrede daarmede niet te duur was gekocht in vergelijking
+van den smaad en de verliezen, welke op de zegepraal van en onderwerping
+aan den Franschen despoot zouden gevolgd zijn; en bovenal, dat de
+geestkracht en waardigheid der natie te midden dier dreigende gevaren
+zich zoo grootsch ontwikkelde en zich zoo fier daar boven verhief, dat
+zij niet enkel haren overmagtigen tegenstander, maar gansch _Europa_
+helden kon toonen, die den krijgsroem van _Nederland_ met nieuwen
+luister deden schitteren.--Dat _Friesland_ in de rij der Nederlandsche
+gewesten in staat was, zijn aandeel daartoe bij te brengen op eene
+wijze, zijnen alouden roem waardig--dit vermeldden wij voor de eer onzer
+provincie met genoegen, gelijk het volbrengen van elken pligt jegens het
+vaderland de streelendste gewaarwordingen verschaft.
+
+De belangrijkheid der geschiedenis van dit gedeelte van ons tijdvak en
+de rijkdom der, vroeger nog niet bewerkte, bronnen mogen mij
+verontschuldigen, dat ik dit uitvoeriger dan vorige gedeelten heb
+behandeld, hoezeer daarbij nog te veel achterwege is gelaten, dan dat
+het op volledigheid aanspraak zou kunnen maken.
+
+
+38. _Aanwas en Verbeteringen in den Toestand van Frieslands bodem.
+Waterstaat, Openbare Werken, Nijverheid enz. 1580-1795._
+
+De waarde der dingen rijst of daalt voorzeker naargelang van het
+oogpunt, waaruit wij ze beschouwen of met andere vergelijken. De
+inwoners van een land zijn zelve niet altijd de beste beoordeelaars van
+zijne waarde, vooral met betrekking tot andere landstreken of tot een
+vroegeren toestand. De blik, welke bekwame vreemdelingen daarin werpen,
+bekoort ons soms door nieuwheid en belangrijkheid van inzigten, welke de
+waarde van dit land in onze eigene schatting verhoogen en die de banden
+versterken, met welke wij ons aan onzen bodem en ons volk gehecht
+gevoelen.
+
+Zoo trok voor eenige jaren een bejaard Duitsch geleerde door ons
+vaderland, nog vol van jeugdigen lust en kracht, om het edele, groote en
+schoone, waar hij het vond, te erkennen en te bewonderen, die daarvan
+een gunstig getuigenis gaf[260]. Aan bergachtige natuurtooneelen gewoon,
+trof hem hier, »in deze klassieke vlakte, die afwisseling en
+tegenstelling van land en water, van oude en nieuwere steden, de
+middelpunten van het verkeer des nijveren volks, van fraaije land- en
+waterwegen, van weelderige weiden, heerlijke velden en tuinen, prachtige
+wouden en liefelijke boschjes, waaronder zich de woeste zandgronden
+schier verliezen, en vooral die grootsche duinen en daarachter in de
+verte de graauwe zee, die ontzettende!"
+
+ [260] Ik bedoel den Göttinger Hoogleeraar F. LÜCKE, die met Prof.
+ ULLMANN in 1847 _Nederland_ bezocht en zijne opmerkingen later
+ mededeelde. In _de Tijdspiegel_ en vóór de vertaling van LÜCKE'S
+ _Vredeleus_, Leeuw. 1850, zijn daarvan overzettingen gegeven.
+
+»Ook dit land", dacht hij, »heeft God geschapen en tot eene goede
+woonplaats zijner menschen-kinderen ingerigt, als zij Zijne heilige
+bedoelingen in de natuur regt verstaan en volgen. Juist dit, dat in dit
+land overal de regelende, bouwende, scheppende, worstelende menschelijke
+geest zich vertoont; dat men bij elke schrede de zedelijke degelijkheid,
+nijverheid, koenheid en netheid van het volk kan opmerken, daar het met
+edelen trots het land op de wrokkende zee verovert en er zich tegen
+verdedigt; woeste en vruchtbare gronden evenzeer weet te bebouwen, en
+water met land, vlakte met heuvels met kunstenaarshand, vaak op
+verrassende wijze, tot de liefelijkste landschappen, als tot lusthoven,
+verbindt,--juist dit had voor hem eene groote aantrekkelijkheid. De
+natuur zonder kunst en menschenwerk heeft haar schoon; maar volle
+bevrediging vindt de geest toch eerst dán, wanneer Natuur en
+Geschiedenis elkander doordringen. Ja, 't is een soort van godsdienstig
+genot, een land te zien, van de zedelijke kracht des volks zoo geheel
+doortrokken en bezield als dit, waarin het gebod des Scheppers, dat de
+mensch zich de geheele natuur moet onderwerpen, met zoo veel ernst en
+gelukkig gevolg volbragt wordt."
+
+Elk beschaafd volk heeft zijn historischen grondslag, waarvan het zich
+nooit kan losrukken. Hem kwam het voor, dat ons volk meer dan andere de
+bezielende herinnering van zijne groote gebeurtenissen bewaard-en zijn
+historischen grond, even als zijn land tegen de zee, bewaakt en
+verdedigd heeft. »Bewaart dien edelen historischen zin!" roept hij onzen
+landgenooten ten slotte toe, en wie gevoelt niet, dat in de kennis der
+geschiedenis, ook van den oorsprong en de verbetering van den
+vaderlandschen bodem, eene kracht ligt, om onze vaderlandsliefde te
+bevestigen en den moed te verhoogen, ten einde bij voortduring aan
+deszelfs volmaking met ijver mede te werken.
+
+Is zijne beschouwing op ons vaderland in het algemeen van
+toepassing,--zij is dit in het bijzonder op _Friesland_, waar de natuur
+zoo weinig, de hand des nijveren volks zoo veel ter bescherming en
+verbetering van den bodem heeft verrigt, ook zonder den steun van
+buitenlandsche hulpbronnen, waaraan _Holland_ vooral zijn aanzien en
+grootheid verschuldigd is. Daarom rekenen wij op de belangstelling onzer
+lezers inzonderheid, bij de beschouwing van de ~voornaamste~ oorzaken en
+middelen, waardoor in dit tijdvak de aanwas en de verbetering van den
+Frieschen bodem is bevorderd.
+
+
+_Aanwas. Bedijkingen._
+
+Verlies van grond had _Friesland_ niet meer te betreuren sedert de
+groote veranderingen, welke in de 13e en 14e eeuw de Zuiderzee deden
+ontstaan. (Zie bl. 56-64 hier vóór.) Integendeel, er was op verscheidene
+plaatsen langs de kust gelegenheid tot landwinning, welke zelfs meer
+algemeen zou geweest zijn, indien onze zeedijken, bij grootere breedte
+en vlakte, de bescherming hadden kunnen ontberen van de paalwerken,
+welker regtstandige afwering van de golven nu ten gevolge had, dat de
+aanslag van grond op vele plaatsen verhinderd en het strand uitgekolkt
+werd.
+
+De zelfde oorzaken, welke de verlanding van de Middelzee bevorderd
+hadden, bleven, ook nadat _het Bildt_ van 1505-1508 door een zwaren
+zeedijk was afgesloten, voortgaan, den hoek tusschen _Dijkshoek_
+en _Wierum_, welke bij weste- en zuidweste-winden in de luwte ligt,
+te vullen. Telkens, wanneer die aanslibbing eene belangrijke
+uitgestrektheid had verkregen, werd zij bedijkt. De eerste inpoldering
+daarvan geschiedde in 1580 en 1590 door het bedijken van den _Holwerder
+Wester- en Oosterpolder_ en den _Ternaarder-polder_, gezamenlijk ook
+_Nieuw-Dongeradeel_ genaamd. Hierop volgde in 1600 het bedijken van het
+_Nieuwe Bildt_, niet minder dan 1756 morgen bedragende met bovendien 260
+pondematen _Nieuw Munneke-Bildt_ onder _Ferwerderadeel_. De daarbij
+aangelegde _Nieuwe Bildtzijl_ werd echter reeds in 1655 gedamd, ten
+gevolge der voortdurende aanslijking, welke het mogelijk maakte, om in
+1715 de _Westelijke Bildt-pollen_, groot 444 morgen, en in 1754 de
+_Oostelijke Bildt-pollen_, groot 126 morgen, benevens het gansche
+_Noorderleeg_, door den tegenwoordigen zeedijk binnen te brengen. Sedert
+deze laatste bedijking bleef de gelegenheid tot landwinning benoorden
+_het Bildt_ en _Ferwerderadeel_ zóó gunstig, dat er tot heden, van _St.
+Jacobi-Parochie_ tot voorbij _Blija_, weder eenige honderden bunders
+vruchtbaar land op de kust zijn aangeslibd, welke de namen dragen van de
+_Bildt-pollen-Aanwas_, het _Noorderleegs-Buitenveld_, de _Keegen_ en de
+_Bokke- en Boere-pollen_[261].
+
+ [261] Zie meer uitvoerige berigten deswege in de _Nasporingen
+ betrekkelijk de Middelzee_, 83, 97; _Charterboek_, III 1045; V 487,
+ 489, 541, 1201; VI 163.
+
+Ook op den noordoosthoek dezer provincie werd in 1592 eene groote
+uitgestrektheid lands aangewonnen, doordien de _Anjumer-_ en
+_Lioessenser-polder_ bedijkt en vereenigd werd met het vroegere eilandje
+_de Band_. Doch _Oost-Dongeradeel_, ten opzigte der aanslijking zoo
+gunstig gelegen, verkreeg later een aanwas van nog grooter belang en
+meer gewigtig gevolg voor gansch _Oostergoo_. Bezuiden deze grietenij
+stroomde het Dokkumerdiep als een breede tak van de Lauwerszee tot aan
+de stad _Dokkum_, waar het zeewater eerst gekeerd werd door eene sluis,
+in 1583 aldaar van _Oudzijl_, bewesten die stad, overgebragt. Tusschen
+de dijken van dezen tak verzamelden de slibstoffen zich van lieverlede
+dermate, dat het vernaauwde diep den zeehandel van _Dokkum_ niet enkel
+belemmerde, maar bij hooge vloeden met sterker geweld op de dijken
+aandrong. In 1665 en vooral in 1717 bragt dit groote schade te weeg.
+Daarom nam men toen op nieuw in overweging het reeds in 1584 door de
+naastgelegene grietenijen geopperde denkbeeld (_Chb._ IV 456, V 445),
+om het gansche diep op de grenzen der provincie af te sluiten, door
+bij _Engwierum_ in den wijden mond tusschen _Kollumerland_ en
+_Oost-Dongeradeel_ een dijk met eene zeesluis te leggen. Het voorstel
+daartoe vond bij de Staten dien bijval, dat eerlang tot de uitvoering
+werd besloten. Dit werk, onder het bestuur van den bekwamen WILLEM LORÉ
+in 1725 op eene grootsche schaal ondernomen, werd in 1729 voltooid en
+had, terwijl de kosten bijna 3 tonnen gouds bedroegen, zeer belangrijke
+gevolgen. Want door dezen nieuwen _Statendijk_ van een half uur gaans
+lengte werden de naastgelegene grietenijen ontheven van het onderhoud
+van 6,000 roeden zeedijks ter wederzijden langs het diep tot _Dokkum_;
+de nieuwe zeesluis verving alsnu de Dokkumer, Driezumer, Oudwouder- en
+Kollumerzijlen, die vroeger in genoemd diep uitstroomden; de aangeslibde
+en binnengebragte gronden, die 661 bunders bedroegen, werden nu in
+vruchtbare bouwlanden herschapen, en het kolossale sluisgebouw met drie
+kokers (een meesterstuk van waterbouwkunde) was eene hoofdwaterlossing
+van _Oostergoo-_ en, na het uitgraven van het diep, ook voor de
+scheepvaart van _Dokkum_, eene zaak van groot gewigt geworden; terwijl
+een weg langs den breeden dijk (een model van waterkeering) en brug over
+de sluis eene verbinding daarstelden tusschen twee, vroeger ver van
+elkander gescheidene, grietenijen[262]. Buiten de sluis, sedert de
+_Dokkumer Nieuwe Zijlen_ genaamd, bleef de aanslibbing nog voortduren,
+en werd in 1752 aan de noordzijde het _Engwierumer-Nieuwland_ met een
+zeedijk omsloten. Evenzoo bleef de landwinning voortduren aan de
+zuidzijde van de buitenkil ter vergrooting van _Kollumerland_, hetwelk
+reeds in 1529 door bedijking was verrijkt geworden met de uitgestrekte
+waardgronden van _Nieuw-Kruisland_, ten oosten waarvan in 1689 reeds
+weder een aanwas met een kadijk was omgeven, welke zich tot de
+Buiten-Lauwers of de grenzen van _Groningen_ uitstrekte.
+
+ [262] De gansche geschiedenis van dit groote werk heb ik, bij
+ gelegenheid der droogmaking van de sluis in 1834, uit de
+ _Staats-resolutiën_ opgemaakt en met Prof. DE CRANE uitgegeven in het
+ werkje: WILLEM LORÉ _en zijne Dijken en Sluizen_, Fran. 1835, bl. 39.
+
+Aan de westkust dezer provincie was minder gelegenheid tot landwinning,
+dewijl deze al te zeer bloot stond aan den geweldigen en nimmer
+rustenden golfslag der Zuiderzee. Behalve eene uitgestrektheid lands
+nevens _Dijkshoek_[263], kunnen wij daar enkel gewagen van het
+_Workumer-Nieuwland_, vroeger een inham tusschen de steden _Workum_ en
+_Hindeloopen_. Reeds had Koning FILIPS II in 1557 WILLEM JANSZ.,
+Burgemeester van _Enkhuizen_, toegestaan, om dezen »Inbochte van den
+Strande, het Worckumer-Hop genaempt, omtrent den sluyse, genoempt
+Kolderzijl, groot 300 mergen," te bedijken, toen de Staten van
+_Friesland_ in 1605 en bij herhaling in 1610 daartoe octrooi verleenden
+aan _Workum_, dat de vergunning aan WILLEM JANSZ. bij overdragt had
+bekomen. Werkelijk scheen deze stad in 1621 eindelijk tot de bedijking
+te zullen overgaan; doch, daar de kosten van uitvoering hare krachten
+welligt te boven gingen, verbond zij zich met zes aanzienlijke Friesche
+edelen, die daartoe met haar eene overeenkomst sloten. Kort daarna werd
+het werk ondernomen en de nieuwe zeedijk in 1624 voltooid, waarbij de
+buitenhaven van _Workum_, het Zool genoemd, eene aanmerkelijke
+verlenging bekwam. Bij de aanzienlijke kosten, die hiertoe vereischt
+werden, had men toen en later met groote tegenspoeden te kampen, dewijl
+deze polder, van 1200 pondematen oppervlakte, sedert, ten gevolge van
+doorbraken in den dijk, drie malen is overstroomd geweest. Bij de
+dijkbreuk van 1776 werden er zelfs twee tonnen gouds gevorderd, om de
+geledene schade aan de zeewering, waarin op twee plaatsen gaten waren
+geslagen, te herstellen[264].
+
+ [263] Ten gevolge van aanslibbing werd de _Lunde-_ (of _Lidlumer_)
+ _zijl_ bij _Koehool_, N. W. van _Tjumarum_, verstopt, en onder
+ overeenkomst tusschen Gedeputeerden en de Regering van _Harlingen_,
+ van 1584, naar deze stad overgebragt (_Charterb._ IV 504). Hierdoor
+ ontstond het Lands-zijltje aan de Zoutsloot, thans nog een niet
+ onbelangrijk middel tot uitstrooming in die stad.
+
+ [264] Zie de hiertoe betrekkelijke stukken in het _Charterb._ V 112,
+ 172, 262, 263, 264, 268, 435, 585, 1204; _Reg. Staats-res._ 538, 859;
+ SCHOTANUS, _Beschrijv._ 266; FOEKE SJOERDS, _Beschrijv._ I 258; _Teg.
+ Staat_, III 396; VAN LEEUWEN, _Watervloed_, Inl. 52. Het octrooi van
+ 1557 en daarop gevolgde stukken vindt men in het Prov. Archief, _Lands
+ Dijkagieboek_, kopij 131-150. Het gezegde van WINSEMIUS, aan het slot
+ zijner _Chronique_, dat Keizer KAREL reeds vroeger octrooi zou hebben
+ gegeven, schijnt ongegrond.
+
+Aan de zuidkust werd in 1633 een inham, nabij _Mirns_, bedijkt, welke
+den naam van de _Wielpolder_ verkreeg (_Chb._ V 1205). Verder oostwaarts
+werden daar ter beveiliging des lands buitengewone maatregelen genomen.
+Ten gevolge van den slechten toestand der dijken van _de Kuinder_ en den
+watervloed van 1701, die in de zuidelijke grietenijen groote schade
+veroorzaakte, trachtte men in 1702 deze meer te beveiligen door het
+leggen van een geheel nieuwen zeedijk. Wegens de onvolkomenheid der
+aansluiting met den zeedijk van _Overijssel_, werd deze dijk niet langs
+de kust, maar op eenigen afstand daarvan binnenwaarts gelegd, en wel van
+de zoogenaamde _Boedsteden_ tot _Slijkenburg_, en alzoo langs de plaats,
+waar eertijds de _Schoterzijl_ lag, welke reeds jaren te voren meer
+benedenwaarts naar _Slijkenburg_ aan de Linde was verlegd geworden. Bij
+deze gelegenheid werd er door de provincie in den nieuwen dijk en de
+Tjonger eene sluis gelegd, welke thans nog den naam draagt van de
+_Schoterzijl_, gelijk de nieuwe zeewering dien van de _Statendijk_. Door
+dit belangrijk werk zagen de lage zuidelijke kwartieren hunne veiligheid
+zeer bevorderd; terwijl _Friesland_ daardoor onafhankelijk werd van
+Overijssels waterkeeringen. De landen ten zuiden van den nieuwen dijk en
+ten westen van de Worst-sloot of de grensscheiding werden nu enkel door
+een kadijk afgesloten[265].
+
+ [265] _Charterb._ VI 250-423; _Reg. Staats-res._ 187, 390, 733; FOEKE
+ SJOERDS, _Beschrijv._ I 265; _Teg. Staat_, III 542, IV 328.
+
+Nieuwe stormen en watervloeden in 1702 en 1703, die vooral de dijken van
+_Zevenwouden_ hevig teisterden, vorderden krachtige voorziening en deden
+de Staten zelfs bedacht zijn, om alle provinciale zeedijken te doen
+verhoogen en te verzwaren. Groote beletselen deden zich daartegen op.
+Eerst nadat in 1715 en 1717 dit gewest op nieuw door dijkbreuken en
+overstroomingen veel te lijden had, werden er krachtiger maatregelen tot
+verzwaring van het paal- en aardewerk en tot een beter onderhoud van de
+zeeweringen genomen. (Zie daarover bl. 238 hier vóór.)
+
+Eerlang echter bedreigde eene nieuwe ramp het vaderland met een gevaar,
+waarbij alle menschelijke kracht en schranderheid schenen te kort te
+schieten, doch waartegen 's lands Staten maatregelen van voorzorg in het
+werk stelden, welke even gewigtig als hoogst kostbaar waren. Een kleine
+worm, van een teêr en slijmachtig zamenstel, doch met een harden kop
+gewapend, doorboorde in 1731 en volgende jaren de zeepalen, welke den
+voet onzer dijken beschermen, dermate, dat men daarvan de grootste
+gevaren duchtte. De gansche westkust van _Friesland_, van _Dijkshoek_
+tot _Stavoren_, werd daardoor deerlijk geteisterd. Een harde wind in
+Julij 1732 sleepte bij duizenden doorknaagde palen weg; ook de deuren
+van sommige sluizen werden er door verteerd. De algemeene bekommering
+was zóó groot, dat er zelfs een Bededag werd gehouden, om de verlossing
+van dit kwaad van den Hemel af te smeeken.
+
+Aangezien alle herstelling van het paalwerk vruchteloos scheen, dewijl
+ook het nieuwe hout spoedig werd aangetast, trachtte men den dijksvoet
+te beschermen door zware keisteenen, welke uit _Noorwegen_ aangevoerd-
+en voor de paalwerken geworpen werden. Het landsbestuur kon echter den
+uitslag niet afwachten van dit nieuwe beveiligingsmiddel, dat eerst
+hevig bestreden-, doch later van groote dienst bevonden werd. Men achtte
+het noodzakelijk, om intusschen mede door het opwerpen van
+_Slaperdijken_ binnen de zeedijken de provincie op de gevaarlijkste
+punten door afsluiting te beveiligen. Op drie plaatsen werden zulke
+binnenleggers opgeworpen. Onder het beleid van gemelden Mathematicus
+LORÉ werd in 1732 de eerste dijk gelegd: van den binnendijk van het
+_Workumer-Nieuwland_ tot aan den heuvel, waarop _Koudum_ is gelegen,
+en van daar over _Galama-dammen_ tot aan den hoogen grond van
+_Hemelumer-Nijeburen_. Wegens den stijgenden nood riep men tot dit werk
+de hulp in van het Friesche krijgsvolk. Gesterkt door deze troepen,
+welke met het overige werkvolk een leger van ruim 2,000 man uitmaakten,
+werden in weinig meer dan drie maanden tijds eene binnenlandsche
+waterkeering, sedert de _Koudumer-Slaperdijk_ genoemd, van 180 voeten
+breedte en 1500 roeden lengte, midden door lage landen en diepe vaarten
+opgeworpen, en bovendien drie sluiswerken daarin tot stand gebragt,
+waarvan de kosten met die der aangekochte, deels vergravene, landen op
+ruim 125,000 Gld. te staan kwamen. Ten behoeve der waterlossing is
+later (1775) in het noordelijk gedeelte van dezen dijk, aan het
+_Workumer-Nieuwland_, nog eene sluis gebouwd.
+
+In het volgende jaar, 1733, werd de tweede Slaperdijk gelegd langs het
+dorp _Surig_, bezuiden _Harlingen_, met het doel, om het gevaar, waarin
+de vooruitspringende landhoek, het _Suriger-oord_, verkeerde, en de
+gevolgen, welke eene doorbraak van deszelfs dijken kon te weeg brengen,
+voor het overig gedeelte der provincie schadeloos te maken. Ook deze
+dijk van eene onverbreekbare sterkte, daar hij bij 300 roede lengte, 278
+voet breedte en 13 voet hoogte heeft, zoodat de kosten van aanleg 70,000
+Gld. bedroegen, werd naar het plan en onder opzigt van LORÉ aangelegd,
+die daarin weder een voorbeeld gaf van de volkomenste wijze van
+landverdediging tegen de zee; een voorbeeld, naar hetwelk wij zouden
+wenschen, dat eenmaal al onze overige zeedijken mogten kunnen worden
+hervormd[266].
+
+ [266] Meer uitvoerig heb ik de geschiedenis van het tot stand brengen
+ der beide laatstgemelde werken beschreven in het reeds genoemde
+ werkje: WILLEM LORÉ _en zijne Dijken en Sluizen_, bl. 59 env. waar
+ achter ook de gronden voor den laatst geuiten wensch zijn medegedeeld.
+
+Een niet minder gevaarlijk punt was destijds de _Lemsterhoek_, bewesten
+_de Lemmer_, dewijl men van eene doorbraak daarvan de schadelijkste
+gevolgen voor de _Zevenwouden_ had te duchten. Daarom werd er in het
+volgende jaar, 1734, daar achter mede een Slaperdijk, hoewel tot eene
+mindere breedte en hoogte, opgeworpen, en door deze afsnijding de
+veiligheid der zuidelijke streken niet weinig bevorderd[267]. Het plan,
+in dat jaar ontworpen, om meer binnenwaarts een algemeenen slaperdijk te
+leggen, dóór de lagere streken, van _Hemelumer-Nijeburen_ tot aan het
+hoogere gedeelte van _Schoterland_, is echter wegens het afnemen van de
+verschrikkelijke wormplaag niet ten uitvoer gebragt.
+
+ [267] _Tegenw. Staat_, IV 328. Daar ik vele bijzonderheden van al de
+ vermelde en andere speciale werken hier achterwege moet laten, zoo
+ houde men mij deze kortheid ten goede, uithoofde van het plan en
+ bestek van dit werk. Voor dit tijdvak heb ik slechts de hoofdpunten
+ willen aanwijzen van eene Geschiedkundige Beschrijving van
+ _Friesland_, welke ik gaarne uitvoerig en volledig zou willen
+ behandelen, als het mij niet aan tijd en krachten faalde. Hartelijk
+ wensch ik dus, dat een ander dit belangrijke onderwerp eens
+ opzettelijk mogt bewerken.
+
+Na dit overzigt van de voornaamste middelen tot landwinning en
+verdediging tegen de wateren, welke _Friesland_ immer ~van buiten~
+bedreigen, willen wij nu het oog slaan op de veroveringen, welke de
+nijvere landzaat ~van binnen~ op dit woeste element trachtte te behalen.
+
+
+_Bedijkingen van Meren._
+
+Waarschijnlijk wekte het voorbeeld van _Noord-Holland_, waarin men in
+den aanvang der 17e eeuw zoo vele groote meren bedijkte en droogmaakte,
+ook in _Friesland_ den lust tot dergelijke ondernemingen op. In 1613
+gaven de Staten daartoe het eerste octrooi aan _Stavoren_ ten aanzien
+van den grooten plas, beoosten die stad gelegen, en wiens ondiepte hare
+scheepvaart niet weinig belemmerde. Dan, naauwelijks was daartoe octrooi
+verleend, of er deden zich bezwaren en geschillen op, welke _Stavoren_
+trachtte te ontgaan, door de verkregene vergunning aan vier Raadsheeren
+en eenige andere personen over te dragen (1620). Deze beloofden het
+meer in twee gedeelten te zullen bedijken en droogmaken, met daar
+tusschen een kanaal naar _Stavoren_ en vaarten naar _Warns_ en
+_Molkwerum_. Met groote moeite werd dit werk volbragt, en het
+_Stavorsche Noorder-_ en _Zuidermeer_, ieder ongeveer 200 morgen groot,
+in vruchtgevend land herschapen. Niet minder moeite was er aan
+verbonden, om dit land droog te houden, hetgeen in het eerste meer met
+één en in het laatste met twee molens naauwelijks kon geschieden. Toen
+nu de molens van het Zuidermeer vernieuwd moesten worden, en Dr.
+BERNARDUS SCHOTANUS à STERRINGA, die in 1690 deze grietenij in kaart
+bragt, eene nieuwe soort van watermolen had uitgevonden, waarmede hij
+zoo veel water als met tien andere meende te kunnen uitmalen, behaagde
+het den eigenaren, hun regt aan hem over te dragen, en de Staten, om hem
+gunstige toezegging van ondersteuning te doen, ten einde het Zuidermeer
+droog te houden (1697). Nadat SCHOTANUS zich daartoe verbonden had met
+ERNST MOCKEMA VAN HARINXMA THOE SLOOTEN, Grietman van _Baarderadeel_,
+werd dit doel wel bereikt, echter niet zonder latere (tot heden
+voortdurende) subsidie der Staten, die ook hulp verleenden, toen beide
+meren bij den stormvloed van 1776 overstroomd werden[268].
+
+ [268] WINSEMIUS, _Chronique_, aan het slot; _Tegenw. Staat_, III 292;
+ _Charterb._ V 634, 1204; _Reg. Staats-res._ 367, 473, 543, 546, 764;
+ VAN LEEUWEN, _Watervloed_, Inl. 53.
+
+In 1633 bepaalden de Staten, dat het den bedijkers van meren zou
+vrijstaan, om tot het maken van dijken en ringslooten de omgelegene
+landen, tegen vergoeding, te gebruiken en bruggen en vaarten te
+verleggen. Dit strekte tot geene geringe aanmoediging en niet minder tot
+wering van geschillen. In 1633 werd alzoo het _Cherne-_ of _Sensmeer_
+met het daaraan verbondene _Atsebuurstermeer_, bewesten _Westhem_,
+bedijkt. Ook de droogmaking van het groote _Warregastermeer_ en van het
+kleine _Jornahuistermeer_, nabij _Warrega_, werd in dit jaar
+aangevangen. Meerdere octrooijen tot bedijking, waaraan veelal vijftig
+jaren vrijstelling van lands lasten was verbonden, werden er verleend,
+hoewel niet van alle is gebruik gemaakt. De laatste en voornaamste
+betroffen het _Wanswerdermeer_, groot 100 pondematen, in 1753; het
+_Hempenzermeer_ in 1779; het _Sillaardermeer_ onder _Kornwerd_ in 1778,
+om niet te spreken van kleinere meren, onder _Hallum_, _Ferwoude_,
+tusschen _Gaast_ en _Piaam_, bij _Surig_ enz.[269].
+
+ [269] _Charterb._ V 356, 634, 1204; _Reg. Staats-res._ 321, 539, 540,
+ 548, 553, 556, 632, 717.
+
+
+_Polders._
+
+Meer algemeen en voor de uitbreiding en ontwikkeling van den
+provincialen landbouw van nog grooter belang was het aanleggen van
+_Polders_. Landen, die ten gevolge van hunne lage ligging weinig vrucht
+gaven, of die bij de minste rijzing van het boezemwater spoedig blank
+stonden, werden, door ze met polderdijken te omsluiten, te bemesten en
+met een watermolen droog te houden, veel verbeterd en tot duurzaam
+gebruik geschikt gemaakt; terwijl andere, enkel door eene zomerkade
+omgeven, alleen 's winters aan de overstrooming van het buitenwater
+bleven bloot gesteld. Onmogelijk kunnen wij hier in bijzonderheden
+treden waar en wanneer die bepolderingen in verschillende oorden hebben
+plaats gehad. Nogtans mogen wij, als de voornaamste, niet onvermeld
+laten: de _Tjaard van Aylva's-polder_ bij _Burgwerd_, in 1680
+door de zorg van dezen Grietman van _Wonseradeel_, gelijk de
+_Greonterper-polder_, in 1714 onder zijn zoon en opvolger tot stand
+gebragt. De lust daartoe wakkerde aan na het uitvinden eener verbeterde
+zamenstelling van watermolen (1643, 1660, 1690), en nadat de aandacht
+der Staten op het hooge belang der zaak was gevestigd (1718). Veel
+hadden de toen nog weinig ontwikkelde grietenijen _Haskerland_ en
+_Doniawarstal_ aan die bepolderingen te danken; vooral, omdat zij op
+eene groote schaal met onbekrompene zorg werden verordend door de
+uitstekende staatsmannen Jhr. PHILIP FREDERIK en Jhr. JOHAN VEGILIN VAN
+CLAERBERGEN, waarvan de eerste van 1707 tot 1738 Grietman van
+_Haskerland_ en de laatste van 1722 tot 1772 Grietman van _Doniawarstal_
+was. Behalve twee hoofdwegen, legde de eerste in 1716 beoosten _Joure_
+een polder aan, welke nagenoeg een derde van de oppervlakte dier
+grietenij omvatte; terwijl de laatste in 1731 den _Vegilins-polder_
+onder _Langweer_ en in 1735 den _Boornzwaagster-polder_, te zamen groot
+720 pondematen, mogt tot stand brengen, en bevorderde, dat in 1741 de
+_Tryegaster-polder_, bevattende 1000 pondematen onder de drie dorpen
+_Ouwsterhaule_, _Ouwster-Nijega_ en _Oldouwer_, werd aangelegd. Doordien
+bij dit laatste werk aan den Nieuwe Rijn eene kortere rigting werd
+gegeven, en de meeste polderdijken met boomen beplant werden, was de
+herschepping van dit oord van zóó veel belang en bleken de voordeelen
+dezer ondernemingen zoo groot te zijn, dat ook andere voorname eigenaars
+werden aangespoord, dit loffelijk voorbeeld te volgen, waardoor daar en
+elders meerdere polders werden aangelegd, welke de aangewende moeite en
+kosten, door eene verhoogde vruchtbaarheid, weldra rijkelijk vergoedden.
+Dit alles te zamen genomen en gevoegd bij vele verbeteringen van
+bijzondere en openbare werken, had een gunstigen invloed op de
+ontwikkeling van landbouw, veeteelt en welvaart. En mogt JANCKO DOUWAMA
+in 1514 van _Friesland_ getuigen, dat het in den winter »quaet was to
+_Lewerden_ to comen, met dat het landt al vnder het water lach,"--ook
+ten aanzien van den waterstaat was er eene belangrijke schrede
+voorwaarts gedaan, om latere verbeteringen voor te bereiden[270].
+
+ [270] Zie J. DOUWAMA'S _Geschriften_, 201, en omtrent het verder
+ vermelde _Reg. Staats-res._ 3, 539, 546, 632; _Tegenw. Staat_, III
+ 490, 492, 494, 501, 505, IV 491; V. SMINIA, _Grietmannen_, 350, 358;
+ SCHELTEMA, _Staatk. Nederl._ II 388, _Wapenboek_ en _Stamboek_ in
+ _Vegilin_.
+
+
+_Groote Veenkanalen, Ontginningen enz._
+
+Verbetering en vooruitgang, ja, bestonden er; doch ten aanzien van het
+bedijken van meren en het bepolderen van landen was dit meer bijzonder
+het geval in de lager gelegene westelijke helft dezer provincie. Het
+veelal hooger liggende oostelijk gedeelte had daarin echter in een ander
+opzigt aandeel. De meeste grietenijen van _Zevenwouden_, grootendeels
+bestaande uit zandgronden en hooge en lage veenen, hadden behoefte aan
+afgraving en ontginning; en de wakkere geest onzer vaderen heeft zich
+daar, na het overwinnen van groote bezwaren, werkzaam getoond op eene
+wijze, waarover wij met regt verwonderd staan, als wij de schoone
+plaatsen _Heerenveen_, _Dragten_, _Beetsterzwaag_, _Gorredijk_,
+_Oudeberkoop_, _Balk_ enz. met hare lommerrijke omstreken als de
+vruchten eener verstandige volks-nijverheid beschouwen. 't Zou een
+belangrijk tafereel opleveren, de trapswijze ontwikkeling van die
+plaatsen en oorden in bijzonderheden na te sporen. Hier kan ik slechts
+de hoofdtrekken daarvan vermelden, in verband met den aanleg van zoo
+vele vaarten, welke ik echter met de nieuwe wegen aan het einde van dit
+hoofdstuk wilde behandelen.
+
+Naarmate de vroeger (bl. 150) vermelde afgraving van de hooge veenen in
+_Schoterland_ toenam, werd de eerst van nabij _Akkrum_ naar
+_Heerenveen_ en vervolgens verder oostwaarts gegravene Compagnonsvaart
+verlengd en wegens den rijzenden grond met vier schutsluizen voorzien.
+Aan de boorden daarvan nam _Heerenveen_ in omvang en bloei toe, en
+breidde _Nieuw-Brongerga_ of de _Beneden-_ en _Boven-Knijpe_ zich uit.
+Welige weiden hadden de plaats vervangen van het dorre hoogveen, dat nu
+den turfhandel en scheepvaart ruim vertier verschafte. In 1732 ontvingen
+deze Compagnons der _Dekama-_, _Cuick-en-Foits-veenen_ op nieuw octrooi
+van de Staten, »om hun Veenvaart, dwars door de ruwe en sterile veenen,
+ook anderen toebehoorende, verder te mogen graven," zoodat zij
+vervolgens tot nevens _Hornsterzwaag_ werd opgelegd. Gelijke
+herschepping tot bouwland en bosschen ondergingen ook de omstreken van
+_Brongerga_ en _Oudeschoot_, sedert Prinses ALBERTINE AGNES op dien
+zandgrond, kort na 1664, het vorstelijk lustslot _Oranjewoud_ liet
+bouwen en den omtrek beplanten, hetwelk ook anderen tot ontginningen
+aanmoedigde, waardoor dit oord eerlang een bekoorlijk aanzien
+verkreeg[271].
+
+ [271] Zie _Tegenw. Staat_, III 518, 528; _Reg. Staats-res._ 552.
+
+Eene dergelijke groote verandering, ten gevolge van het graven van eene
+Veenvaart ten behoeve van het afsteken van het hoogveen, onderging ook
+het oostelijk gedeelte der grietenijen _Smallingerland_ en _Opsterland_;
+en de eerst onbeduidende dorpjes _Noorder-_en-_Zuider-Dragten_ hadden
+daaraan hunne opkomst en uitbreiding tot een aanzienlijk vlek te danken.
+De hoofdaanleiding daartoe was, dat zij in 1641 eene overeenkomst sloten
+met zekeren PASSCHIER HENDRIK BOLLEMAN van _'s Gravenhage_, die, in
+gemeenschap met eenige anderen, aannam, eene hoofdvaart of grifte van
+ongeveer 30 voet breedte, benevens eene dwarsvaart te graven en met
+bruggen en sluizen te voorzien, met oogmerk, om bij de veenen te kunnen
+komen, die te vergraven en den turf langs die vaarten af te voeren. Dit
+doel werd niet enkel bereikt en de vaart en dwarsvaart met vele wijken
+in de eerstvolgende jaren tot op de grenzen dier grietenijen volbragt,
+maar vruchtbare bouw- en weilanden namen weldra de plaats in der veenen,
+wier afgraving en vervoer leven en werkzaamheid, handel en voorspoed
+verspreidden, zoodat in die zelfde jaren de weinige huizen van _Dragten_
+tot eene groote en welgeregelde buurt aangroeiden, waarbij spoedig
+molens en fabrijken, kerken, scholen en andere gebouwen gesticht werden.
+Deze uitbreiding en welvaart had men alzoo alléén te danken aan het
+graven van de vaart, die, naarmate de verveening zich uitbreidde, ten
+gevolge van eene nadere overeenkomst van 1649, drie uren verderop werd
+gegraven langs _Ureterp_ en de _Friesche palen_ naar _Bakkeveen_ (1664).
+Van daar is zij later (1756) voortgezet tot voorbij het dorp _Haule_,
+waar eene dwarsvaart aanleiding heeft gegeven tot het ontstaan van de
+uitgestrekte veenkolonie _Haulerwijk_[272].
+
+ [272] Naauwkeurige bijzonderheden omtrent het eerste bevat het fraaije
+ werkje van mijn vriend J. G. VAN BLOM, _de opkomst van het vlek
+ Dragten_, Leeuw. 1840. Zie over _Bakkeveen_ D. H. VAN DER MEER in den
+ _Friesche Volks-Almanak_, 1839, 29 env.
+
+In het westelijk gedeelte dier zelfde grietenij _Opsterland_ waren JUW
+DEKAMA en anderen reeds vóór 1580 begonnen onder _Korte-_ en
+_Langezwaag_ te verveenen, waartoe de Jonkerssloot en de Nieuwesloot
+werden gegraven, toen in 1645 de Heeren CRACK, OENEMA, FOCKENS en
+TEIJENS eene belangrijke overeenkomst slooten tot het graven van vaarten
+en het ontginnen van de veenen in dat oord. Een gevolg hiervan was, dat
+er van genoemde slooten een beter afvoerkanaal gegraven werd
+noordwestwaarts over de Wijde-Wispel en het Nieuwe diep tot in de
+Boorn. Als het begin eener groote onderneming was dit kanaal van veel
+gewigt. Spoedig werd het ook zuidoostwaarts voortgezet naar het
+Gorreveen. Hierbij ontstond er op de plaats, waar die nieuwe vaart den
+rijdweg sneed, langs beide eene kruisbuurt, _Gorredijk_, welke ten
+gevolge van verveening, ontginning en handel zoo sterk werd aangebouwd,
+dat zij, na in 1672 versterkt te zijn, in 1685 eene eigene kerk bekwam
+en een welbebouwd en aanzienlijk vlek is geworden. Reeds lag het in het
+plan van genoemde heeren, deze vaart ook verder oostwaarts op te leggen,
+zelfs tot naar _Bakkeveen_. Toen nu in 1704 AUGUSTINUS LYCKLAMA À
+NIJEHOLT, sedert 1693 Grietman van _Opsterland_, de voornaamste eigenaar
+was der veenvaarten van _Gorredijk_, _Terwispel_, _Kortezwaag_ en
+_Lippenhuizen_, verzocht en verkreeg hij met zijne compagnons van de
+Staten verlof, om de vaart van _Lippenhuizen_ verder oostwaarts dwars
+door de hooge veenen te mogen graven en opleggen. Dit geschiedde, en na
+verloop van ruim 50 jaren was de breede vaart reeds voorbij _Hemrik_ en
+_Wijnjeterp_ gevorderd, het veen vergraven en als turf vervoerd, en de
+ondergrond deels tot vruchtbaar land gemaakt. Zijn zoon DANIEL DE BLOCQ
+LYCKLAMA À NIJEHOLT, van 1731 tot 1773 Grietman van _Oost-Stellingwerf_
+en vervolgens tot 1781 van _Opsterland_, wilde deze onderneming
+vervolgen, en gaf daartoe in 1778 den Staten te kennen, hoe gunstig de
+aangevangen arbeid tot dusverre geslaagd was; dat de behoefte der
+fabrijken vorderde, dat er meerdere veenen werden aangestoken, en dat de
+uitgestrekte veenvelden van _Appelscha_ en _Fochteloo_ hem daartoe het
+meest geschikt voorkwamen; weshalve hij octrooi verzocht, om de vaart te
+verlengen en nu in zuidoostelijke rigting te graven over _Donkerbroek_,
+_Oosterwolde_ en _Appelscha_ tot aan de grenzen van _Drenthe_, tot welke
+hoogst nuttige onderneming hij, als voornaamste eigenaar, reeds
+toestemming van de overige eigenaars en ingezetenen had verkregen. De
+Staten, vreezende, dat deze provincie daardoor met het invloeijende
+water uit _Drenthe_ zou bezwaard worden, wezen dit verzoek eerst af;
+doch de zaak was van zoo groot gewigt en zoo uitgestrekt gevolg, dat zij
+later een naauwkeurig onderzoek van het terrein bevolen, en eerst
+daarna, den 2 Mei 1781, hunne toestemming verleenden, onder voorwaarden,
+dat de vaart niet verder dan tot op 20 koningsroeden afstands van de
+grensscheiding mogt worden gegraven, en dat er »een val of schuttelbank"
+(duiker) in de Kuinder of Tjonger gelegd zou worden, waar de vaart dit
+riviertje zoude snijden, volgens eene overeenkomst, met de grietenijen
+_Schoterland_ en _West-Stellingwerf_ deswege te sluiten[273].
+
+ [273] Opgemaakt uit de Staats-resolutiën, benevens oorspronkelijke
+ stukken uit het Provinciaal Archief. Zie ook _Tegenw. Staat_, III 568;
+ VAN SMINIA, _Grietmannen_, 387, 388.
+
+Werkelijk ving hij met de zijnen kort na het ontvangen van het octrooi
+den arbeid aan, en werd de vaart met een scherpen hoek zuidoostwaarts
+voortgezet over _Donkerbroek_ tot nabij de Tjonger, waaraan een kapitaal
+van ongeveer 80,000 Gld. werd te koste gelegd. Dan nu deed er zich
+omtrent de voortzetting een belangrijk bezwaar op. Kort vóór het
+ontvangen van het octrooi had hij deswege eene overeenkomst aangegaan
+met de provincie _Drenthe_, welke had op zich genomen, de vaart te
+vervolgen van de Tjonger tot aan de grenzen of in de Wittewijk. Sedert
+de groote Smildervaart in 1612 onder _Diever_ was aangevangen, had het
+landschap daarvan in 1767 den eigendom bekomen; doch om de menigvuldige
+bezwaren van _Overijssel_ ten aanzien der uitvaart van _Meppel_ naar
+_Zwartsluis_ te ontgaan, trachtte _Drenthe_ nu langs deze vaart een
+afvoer door _Friesland_ te bekomen. Dit mislukte ten gevolge der
+bepaling van het octrooi, dat de vaart niet _door_ de grenslinie
+gegraven mogt worden. Na lang uitstellen, begon _Drenthe_ omstreeks 1790
+wel eene geul of vaart te graven van de Tjonger naar _Appelscha_, doch
+ten gevolge der omwenteling bleef dit werk steken. Hoe ijverig ook de
+erven LYCKLAMA bij de verschillende opvolgende besturen op de uitvoering
+aandrongen, eerst in 1810 vernietigde Koning LODEWIJK hunne overeenkomst
+met _Drenthe_, hen vrij latende, de onderneming op eigen kosten voort te
+zetten. Niet voor 1813 konden de Compagnons daaraan gevolg geven. In
+1816 en 1817 werd nu de vaart met rijdweg daarnevens voortgezet tot
+onder _Oosterwolde_, en was zij in 1819 tot nevens _Appelscha_ genaderd,
+waarna zij tot op 20 roeden van de grens is voltooid en later met
+zijtakken uitgebreid. Tot bestrijding der kosten van deze kapitale vaart
+met daartoe behoorende werken, waartoe wegens het bestendig rijzen van
+den grond, acht verlaten, benevens een duiker in de Tjonger en
+onderscheidene groote bruggen behooren, is van 1816 tot 1841 eene som
+van 120,000 Gld. genegotieerd, terwijl men intusschen in 1827 begonnen
+is met het verkoopen van het hoogveen[274]. Sedert zijn er door het
+afsteken van het veen en het vervoer daarvan met duizenden turfschepen,
+door ontginning van de ondergronden en door het bouwen van huizen en
+schepen, tonnen schats in omloop gebragt, de welvaart der ingezetenen
+bevorderd, de dorpen _Donkerbroek_, _Oosterwolde_ en _Appelscha_
+uitgebreid en in bloei toegenomen, en de herschepping en ontwikkeling
+voorbereid van een oord, dat eeuwen lang, als »een leedig capitaal en
+dood corpus," veelal woest had gelegen, vóór dat de nijvere menschelijke
+hand het ten dienste van duizenden de schatting afdwong tot
+vermeerdering van de welvaart en het nationaal vermogen. Lof en eere
+komt daarvoor aan de wakkere ondernemers toe, doch vooral aan den
+eersten ontwerper, wiens naam men te regt in gedachtenis heeft willen
+houden door het in 1848 nieuw gebouwde Compagnonshuis te _Appelscha_ te
+noemen: _Augustinus-state_.
+
+ [274] Toen was er nog geene spade gestoken in het veen, en thans
+ werken er des zomers veelal meer dan _duizend_ personen in, en varen
+ er jaarlijks ongeveer 8 à 9,000 turfschepen door _Oldeboorn_ en
+ _Gorredijk_ derwaarts. Van _Gorredijk_ tot _Appelscha_ of het 8e
+ verlaat is het verschil van den waterstand bijna _elf_ Ned. ellen. Zóó
+ veel hooger ligt de zuidoosthoek dezer provincie dan het binnenland.
+
+Veel wordt er thans in ons land gesproken over kanalisatie. Doch weinig
+bekend is het, hoe krachtig _Friesland_ te dezen aanzien vele andere
+provinciën is vóórgegaan, dewijl alléén de laatst vermelde drie groote
+veenvaarten te zamen eene lengte van ruim _twintig_ uren gaans uitmaken,
+welke, ten gevolge der ondernemingszucht van partikulieren, door
+menschenhanden zijn uitgegraven en met zoo talrijke sluizen, bruggen,
+wegen en andere werken voorzien. Eene vergelijking der kaarten van den
+_Nieuwe Atlas van Friesland_ met die van SCHOTANUS, van 1664 en 1718,
+levert overtuigende bewijzen op, hoe véél er in dit opzigt alleen in de
+laatste 150 jaren in deze provincie is verrigt, en hoe zeer zij daardoor
+in waarde, in geldelijk en voortbrengend vermogen, in bewoonbaarheid en
+geschiktheid tot voortdurende ontwikkeling is toegenomen.
+
+Doch ten aanzien van dit onderwerp is dit nog niet alles. De grietenij
+_West-Stellingwerf_ onderging mede groote verandering. Nadat de Staten
+vergunning hadden verleend tot het graven van drie vaarten: uit de
+Tjonger naar _Wolvega_ (1645) en uit de Linde naar _Finkega_ en naar
+_Noordwolde_ (1642), werd ook de groote uitgestrektheid heide en
+hoogveen, tegen de zuid-zuidoostelijke grenzen, aangestoken, afgegraven,
+met breede dwarsvaarten en wijken. doorsneden en ten behoeve van den
+landbouw ontgonnen. Nog in 1782, toen TJEERD en MARCUS VAN HELOMA
+eigenaren van deze veen-compagnie waren, ontvingen zij op nieuw octrooi,
+om uit de Compagnons-Vierdepartendwarsvaart, dóór de grens, tot in het
+Vleddersche veen te mogen opwijken.--Ook het zuidelijk gedeelte der
+grietenij _Achtkarspelen_, waar de monniken van _Gerkesklooster_ reeds
+vroeg turf groeven, welken zij langs de Oude Veenstervaart en door
+_Munnekezijl_ uitvoerden, werden de ondergronden in den omtrek van
+_Surhuisterveen_ omstreeks 1600 door een aantal Doopsgezinden meer
+ontgonnen en bebouwd, en werd er in 1648 eene vaart gegraven van daar
+naar het Kolonelsdiep, waaraan een dwarsvaart en ontelbare wijken werden
+verbonden. Evenzoo ontstond het dorp _Rottevalle_ ten gevolge van
+verveeningen, welke ook in de daarbij gelegene Folgera-veenen bestendig
+werden voortgezet (1742). Met regt kon alzoo Jhr. VEGILIN in 1766
+zeggen: »dat door dit alles werd te weege gebragt, dat de geheele
+oostersche zoom van onze Provintie, die voor 150 jaar of daar omtrent
+nog t' eenemaal onvrugtbaar en met hooge Veenen bezet was, een cierlyke,
+vrugtbare, en wel bevolkte Landsdouw is geworden"[275].
+
+ [275] Jr. J. VEGILIN VAN CLAERBERGEN, _Vertoog over de Veengraveryen_,
+ Leeuw. 1766, 24, 29, 179; _Reg. Staats-res._ 320, 539, 540;
+ _Charterb._ V 503; _Teg. Staat_, III 593 env.; BLAUPOT TEN CATE,
+ _Geschiedenis der Doopsgezinden in Friesland_, 165.
+
+
+_Vergraving van de lage Veenen._
+
+Verleenden de Staten gaarne aanmoediging tot _af_graving van de _hooge_
+veenen, omdat beide, het voortbrengsel en de ondergrond, strekten om het
+nationaal vermogen te vermeerderen,--met meer zorg sloegen zij steeds de
+_ver_graving van de _lage_ veenen of klynlanden gade, omdat het
+voortbrengsel alléén en voor ééns voordeel gaf, doch een groot deel
+lands in een waterplas verkeerde en aan den landbouw en de bewoning
+onttrok. Reeds in 1600 en 1610 rezen er klagten over de nadeelen, welke
+dit landverderven voor de naastlegers en 's lands kas te weeg bragt.
+Evenwel enkel om de schade wegens verlies van grondbelasting te
+verhoeden, werd toen deswege vastgesteld, dat niemand zulk eene
+veengraverij mogt beginnen, vóór dat hij in het zelfde dorp een ander
+stuk lands had aangewezen, waarop de floreen tot hoeding van de lands
+schattingen en andere lasten, op de te vergraven landen liggende, wierd
+overgebragt. Later moest er eene som van 100 Rijksdaalders en daarna van
+500 Gld. voor elken floreen op obligatie in 's lands kas gestort worden,
+tot verzekering van de floreenschatting der provincie. Na 1718 liet men
+alleen op deze en soortgelijke voorwaarden de verdere vergraving toe,
+welke, na onder _Oostermeer_ en _Boornbergum_ en in _Haskerland_ te zijn
+begonnen, inzonderheid na 1680 in _Tietjerksteradeel_, _Ængwirden_,
+_West-Stellingwerf_, _Opsterland_ en elders sterk was toegenomen[276].
+
+ [276] _Charterb._ V 171, VI 256; _Reg. Staats-res._ 382, 429, 448,
+ 459, 530, 531, 535, 818, 823; _Teg. Staat_, III 525, IV 573.
+
+Tot dusverre waren de nadeelen dezer verveening voor de provincie niet
+zoo groot, dewijl men den turf gemeenlijk uit lange petten groef, waar
+tusschen men eene smalle strook gronds liet liggen, zoodat deze veenen
+na lang verloop van tijd weder digt groeiden en tot beweidbaar land
+gemaakt werden. Maar in den jare 1751 kwam een aantal veenbazen en
+werklieden uit _Giethoorn_ herwaarts, die eene andere wijze van
+verveenen invoerden, welke aan enkele personen wel grootere voordeelen
+aanbragt, doch armoede naliet, dewijl daarbij het gansche stuk lands
+werd vergraven. Vooral in de omstreken van _St. Jansga_ en _Oudehaske_,
+gelijk ook bezuiden _Oostermeer_ (de Leijen), in _West-Stellingwerf_ en
+elders zijn daardoor verbazende kommen waters ontstaan. De verzending
+van de daaruit gegravene baggelaar en sponturf naar _Holland_, en elders
+bragt evenwel aanzienlijke winsten op, welke vele eigenaars destijds in
+koophandel en scheepvaart besteedden en daarvan alzoo nieuwe voordeelen
+trokken. Te vergeefs wezen deskundigen op de gevolgen van dit
+landverdervend kwaad. Ook de Staten namen in overweging, om het gevaar,
+dat hieruit, bij toeneming, voor deze provincie was te duchten, te keer
+te gaan. Doch zij deinsden terug voor de bezwaren, en bij hun besluit
+van 2 Maart 1767 werd alles weder op den ouden voet gelaten[277].
+
+ [277] Om de Staten bij hunne beraadslagingen over dit onderwerp voor
+ te lichten, schreef Jhr. VEGILIN het genoemde belangrijke werkje over
+ de _Veengraverijen_, waarin hij de vermelde nadeelen en de middelen
+ daar tegen uitvoerig aanwijst. Zijne denkbeelden vonden echter
+ verscheidene bestrijders in GERLSMA, ONEÏDES en anderen, die daar
+ tegen geschriften in het licht gaven. Zie ook _Reg. Staats-res._ 818.
+
+
+_Nieuwe Vaarten en Wegen._
+
+Het plan der Magistraten van _Harlingen_ en _Leeuwarden_, om langs de
+vaart tusschen beide steden een bepuind trekpad aan te leggen, in 1640
+ontworpen en in 1646 volbragt, was niet enkel ter bevordering van eene
+geregelde gemeenschap en ten behoeve van handel en scheepvaart van veel
+belang, maar de goede uitslag daarvan wekte allerwege een geest van
+navolging op, welke voor de gansche provincie gunstige gevolgen had. In
+het volgende jaar 1647 wist _Dokkum_ alléén een dergelijken trek weg
+langs de Ee naar de hoofdstad tot stand te brengen, en het betoonde een
+ongemeenen moed en ijver, door maatregelen aan te wenden tot het doen
+graven van een geheel nieuw kanaal met rijdweg, van daar langs _Kollum_
+tot _Stroobos_. Vermits de uitvoering van deze groote onderneming afhing
+van het besluit der provincie _Groningen_ nopens het vervolgen van deze
+vaart, van _Stroobos_ tot de stad _Groningen_, vorderde de zaak niet
+spoedig. Onder begunstiging des Stadhouders werd zij echter van 1654 tot
+1656 volbragt en voortgezet, waardoor de gemeenschap met het naburige
+_Groningen_ veel verbeterd- en het verkeer met _Dokkum_, mede als plaats
+van doortogt, zeer bevorderd werd.
+
+Ook de steden _Bolsward_ (1652) en _Sneek_ (1662) sloten zich bij
+den trekweg van _Leeuwarden_ op _Harlingen_ aan. Van _Bolsward_
+werd de trekweg verlengd tot _Workum_; ja zelfs zijn er octrooijen
+verleend tot het graven van eene vaart met trekweg van _Sneek_ en
+_Workum_ naar _Stavoren_, welke beide laatste plannen echter niet tot
+stand zijn gekomen. Aanzienlijke dorpen, als _Hallum_, _Rinsumageest_,
+_Kollum_ (1648) en daarna ook _Weidum_ (1688) trachtten zich tevens in
+het genot te stellen van zulk een verbeterd middel van vervoer en
+gemeenschap, door het aanleggen van zijtakken van hunne buurten
+naar de hoofdtrekvaarten. Voegt men hierbij, dat er te gelijk octrooijen
+werden verleend tot het leggen van eenen weg van _Dokkum_ naar
+_Damwoude_ (1649), en van eene vaart met weg van _Damwoude_ naar _Dokkum_
+(1664), van eene vaart naar _Twijzel_ (1680) en naar _Driezum_ (1688),
+en van wegen door _Schoterland_ (1661), naar _Grouw_ (1671), van
+_Koudum_ over _Galama-dammen_ naar _Hemelum_ (1688) en vele andere
+meer[278],--dan zien wij in de laatste helft der 17e eeuw dit onderwerp
+met buitengewonen ijver behartigd, zoodat eene veel verbeterde
+gemeenschap met de hoofdstad en tusschen vele steden, dorpen en oorden
+daarvan het gevolg was.
+
+ [278] Zie breedere berigten deswege in de _Geschiedkundige
+ Beschrijving van Leeuwarden_, II 67, 423 en de daar aangehaalde
+ stukken; alsmede op de genoemde jaren onder de Octrooien in het
+ _Register op de Staats-resolutiën_ en vele daarvan in het
+ _Charterboek_.
+
+Was de oostelijke hoofdweg der provincie door het aanleggen van den
+Zwarteweg, reeds in 1531, veel verbeterd--de zuidelijke, van
+_Leeuwarden_ naar _Steenwijk_, had daaraan evenzeer behoefte. Tot
+_Roordahuizum_ den ouden zeedijk volgende, was hij in 1546 eerst langs
+_Friens_, later door _Rauwerd_ gelegd, om over _Irnsum_ en de _Oude
+Schouw_ naar _Akkrum_ te leiden. Nog grooter omweg moest men maken van
+daar tot nabij _Oldeboorn_ en dan naar _Terbandsterschans_, langs een
+kronkelenden weg, wiens vorm weinig van dien eener zaag verschilde. 't
+Was dus bij voorraad eene wezenlijke verbetering, toen Jhr. PHILIP
+FREDERIK VEGILIN VAN CLAERBERGEN naast het grootste en slechtste
+gedeelte dezer beruchte _Haskerdijken_ een nieuwen en nagenoeg regten
+weg liet leggen. Hij deed dit in het zelfde jaar 1716, dat hij den hier
+vóór vermelden grooten polder in _Haskerland_ aanleidde, en bekroonde
+dit werk tot heil zijner grietenij in 1723, door van genoemden weg over
+het Deel (_de Nieuwe Schouw_) een geheel nieuwen weg te leggen naar het
+aanzienlijke vlek _Joure_, dat hem en zijn nageslacht zoo veel is
+verpligt.
+
+Deze weg was van te meer belang, omdat een ander verdienstelijk
+Grietman, REGNERUS VAN ANDRINGA, van _Lemsterland_, welingerigte
+veerschepen had doen aanleggen van _de Lemmer_ op _Amsterdam_, _Zwolle_
+en _Kampen_ (1703), alsmede een postwagen van _de Lemmer_ op _Groningen_
+en daarna ook op _Leeuwarden_ (1740), waardoor hij mede het belang van
+eerstgenoemde zeeplaats, zoo veel aan hem verschuldigd, gelijk ook van
+_Joure_, als plaats van doortogt, bevorderde[279]. Behalve de vroeger
+genoemde, vinden wij overigens in de 18e eeuw niet verder gewag
+gemaakt, dan van het aanleggen van een rijdweg over de Ried door de
+_Trynwouden_ (van _Ryperkerk_ naar _Oudkerk_) in 1725, en van _Sondel_
+naar _Takozyl_ in het zelfde jaar; alsmede van de Helomavaart onder
+_Oudetryne_ in 1748[280].
+
+ [279] _Charterb._ VI 394; _Reg. Staats-res._ 547, 550, 842; VAN
+ SMINIA, _Grietmannen_, 358, 373; TE WATER, _Verbond der Edelen_, II
+ 157.
+
+ [280] _Reg. op de Staats-res._ 550, 553.
+
+
+_Landbouw, Handel, Scheepvaart en Nijverheid._
+
+Al deze onderwerpen staan zeker in zeer naauw verband met de
+verbeteringen, welke den stoffelijken toestand van _Friesland_ in dit
+tijdvak mogt te beurt vallen, en waarvan wij de voornaamste hebben
+opgenoemd. De ontwikkeling van de trapsgewijze vorderingen dezer vakken,
+onder den invloed van verschillende omstandigheden, zou een belangrijk
+tafereel opleveren, doch meer bronnen en ruimte vorderen, dan waarover
+wij kunnen beschikken. Men vergunne ons dus hier enkel aan te stippen,
+dat de Staten,--die in 1634 reeds een octrooi gaven op »de inventie om
+Bosch, Heide en andere sterile Landen te verbeteren," en die overigens
+wel gezind waren, om de bedijking van lage en buitendijksche landen, en
+het ontginnen van heidevelden aan te moedigen--het belang van den
+landbouw trachtten te bevorderen, door sedert 1634 bij herhaling op
+zware straf te verbieden, dat de mest, asch, vuil en aarde buiten deze
+provincie gevoerd wierden. Tot behoud en uitbreiding van de houtkultuur
+strekte tevens hunne bepaling, dat niemand twee eikenboomen zou mogen
+vellen, of hij moest er drie voor in de plaats planten (1673)[281].
+
+ [281] _Chartb._ V 651, 973.
+
+In de eerste helft der 18e eeuw hadden landbouw en veeteelt in dit
+gewest met zware rampen te worstelen. De gevolgen der overstroomingen in
+1701 en 1702, en daarna weder in 1717, hielden de lage streken jaren
+lang in kwijnenden toestand, bij hooge schattingen en lage prijzen van
+het vee. De veepest, welke eerst in 1713 woedde en in 1744 en 45 weder
+met zulk een geweld uitbrak, dat er alleen van November tot Julij
+123,000 runderen stierven, bragt groote schade aan en had gewigtige
+gevolgen. Sedert men omstreeks 1720 meer algemeen invoerde, de
+graslanden te greppelen, te bemesten en het gras vroeger te
+maaijen[282], was de hooioogst aanzienlijker geworden, en gaf ook de
+uitvoer daarvan naar andere provinciën groote voordeelen; hoewel de
+Staten, door dien uitvoer somtijds te verbieden, pogingen deden, om het
+verbruik van het hooi in dit gewest zelf, door het aanfokken van meer
+vee, te bevorderen, ten einde daarvan voor eigene welvaart nog grooter
+en duurzamer voordeelen te verwerven.
+
+ [282] Men maaide eertijds niet vóór St. Jan (24 Junij), als het zaad
+ begon te vallen, wanneer men met een stok tegen het gras sloeg. De
+ reden, waarom het vroegere maaijen zoo veel verkieslijker is, is
+ aangewezen in den _Almanak voor Landbouwers_, 1852, 14. Het meer
+ verdeelen van de zeer groote stukken veldland door slooten, had bij
+ het greppelen mede gunstige gevolgen. Het toenemen van de turfgraverij
+ heeft ook het verbranden van den met ried vermengden mest, waarvan men
+ dompen maakte, doen ophouden; terwijl de uitbreiding van den graanbouw
+ mede de waarde van den mest deed stijgen.
+
+Doch tegenspoeden hebben dikwijls heilzame uitwerkselen voor de
+toekomst, wanneer de nood het oordeel scherpt, de krachten spant en
+middelen zoekt aan te wenden, welke de voorspoed onopgemerkt had
+gelaten. Na het verlies van zoo vele runderen gaf de toenemende
+schaapsteelt, bij de hooge prijzen van de wol, daarvoor eenige
+vergoeding, en werden vele oude weilanden gebroken en tot bouwland
+aangelegd, waarbij men ook het klaverzaaijen tot nieuwland invoerde. De
+sedert 1750 meer algemeen gewordene aardappelteelt en de toegenomen
+cichorei- en vlasbouw begunstigden mede de pogingen der landbouwers tot
+verbetering en vooruitgang, zoodat onze boerenstand zich door
+bekwaamheid, ijver en welstand voordeelig bij die van andere provinciën
+onderscheidde. De bepoldering nam allerwege toe, gelijk ook het getal
+bouwhoeven, dewijl men vroeger te veel land bij ééne boereplaats
+gebruikte. Blijken van meerderen voorspoed openbaarden zich vooral na
+1765, zoodat, toen in 1769 en volgende jaren de veepest op nieuw woedde,
+die schade het algemeen belang minder krenkte.
+
+Doch de landbouw had tevens veel te danken aan de uitbreiding van den
+Handel en de Scheepvaart, die van 1760 tot 1780 en ook nog later
+ongemeen bloeiden en groote winsten aanbragten. Nog in 1789 werd het
+getal Friesche schepen, dat vooral tot de buitenlandsche vrachtvaart
+gebezigd werd, op 2,000 begroot, gelijk alléén in 1780 meer dan 40
+nieuwe schepen de verschillende havens dezer provincie verlieten.
+_Frieslands_ gunstige ligging en rijkdom van voortbrengselen, die
+bij gereeden aftrek van lieverlede in prijs stegen, wekten de
+ondernemingszucht op. Bepaalden handel en buitenvaart eerst zich meest
+op de Oostzee, _Hamburg_, _Bremen_, _Noorwegen_ en de Fransche en
+Spaansche kusten, men beproefde ook regtstreekschen handel op
+_Engeland_; en van welke gunstige gevolgen dit voor het belang dezer
+provincie is geworden, vooral ten aanzien van onze boter, kaas, paling,
+vee enz., is algemeen bekend. Te voren had men deze en andere voorwerpen
+steeds te _Amsterdam_ ter markt gebragt, om van daar verder verzonden te
+worden. De binnenlandsche vaart op de overige provinciën, tot uit- en
+invoer van verschillende voortbrengselen en benoodigdheden, ondersteunde
+dien handel, welke tevens van gunstigen invloed was op onderscheidene
+fabrijken en trafijken, die er in den loop der 18e eeuw zoo vele werden
+opgerigt[283], waarvan de steen- en pannebakkerijen, de zoutkeeten en
+kalkbranderijen een ruim deel in de winsten hadden. Het fabrikaat der
+Friesche bonten, dat in 1748 in _Harlingen_ nog een duizendtal wevers
+werk verschafte en overal, ook naar de _West-Indiën_, verzonden werd,
+bezweek echter, even als de eertijds zoo bloeijende saaijet-fabrijken,
+waarvan _Franeker_ alleen er 21 telde, voor de buitenlandsche
+mededinging. Doch ook handel en scheepvaart vervielen na het einde van
+dit tijdvak, ten gevolge van den Engelschen oorlog en andere rampen.
+Nogtans kon een bevoegd beoordeelaar zijne beschouwingen omtrent den
+gelukkigen toestand van _Friesland_ in 1795 besluiten in de overtuiging:
+»dat ons land een gezegend land is; dat wy een vruchtbaaren grond
+hebben, eene groote verscheidenheid van Voortbrengzelen, en een by
+uitstek bloeienden Landbouw; een gezond Klimaat, en sterkte van lichaam
+en geest by de inwoonders. Voorts een goeden Koophandel, eene
+aanzienelyke Vragtvaart, en een tamelyk getal goede Fabrieken.--Het
+gevolg van dit alles vereenigd, moet zyn _Blyde Welvaart en
+Volks-geluk_"[284].
+
+ [283] Van de daartoe verleende octrooijen noemen wij hier enkel, nieuw
+ geinventeerde Molens, om hout-, pot- en weedasch te malen: 1700; eene
+ Azijn fabrijk, 1720; eene Suiker-rafinaderij te _Harlingen_, 1724;
+ eene Stijfselmakerij te _Franeker_, 1731; een Snuif- en Verwmolen te
+ _Leeuwarden_, 1760; een Papiermolen te _Makkum_, 1767; eene
+ Glasblazerij aldaar, 1768; eene Meekrapstoof te _Leeuwarden_, 1751,
+ enz.
+
+ [284] De latere Groninger Hoogleeraar S. GRATAMA in zijne _Gelukkige
+ Toestand van Friesland_, 25, in _Aanteek. 22_ vermeld met meerdere
+ schrijvers over dit onderwerp; als: YPEIJ, _Verhandeling over den
+ uitvoer van Hooi_; _Teg. Staat_, IV 570, 596 env.; VEGILIN, _over de
+ Veengraverijen_, 25, 57 enz. Zie mede over het aangevoerde het
+ onschatbare _Charterb._ IV 620, 726, V 106, 471, 658, 755; _Reg.
+ Staats-res._ 337, 363, 495, 517, 528 enz. Gaarne zouden wij zien, dat
+ ook dit belangrijk onderwerp eens uitvoeriger wierde behandeld.
+
+
+39. _De Kerkelijke Belangen van Friesland._
+
+
+_De Hervormde Kerk._
+
+Lang hadden de Hervormden in _Friesland_ de verdrukking van het
+Spaansche gezag verdragen en te vergeefs vrijheid van godsdienst, naast
+of nevens de bestaande Katholijke Kerk, begeerd, toen eindelijk de
+Pacificatie van _Gent_ (1576), de Religions-vrede (1578) en de Unie van
+_Utrecht_ (1579) de vervolgingen om het geloof deden staken, en de
+wensch, dat zij hunne godsdienst-oefeningen onverhinderd mogten houden,
+vervuld werd. Roomschen en Onroomschen bezaten nu alzoo gelijke
+vrijheid. Mogten de eersten zich hierdoor verzwakt gevoelen,--de
+laatsten, die spoedig bleken verreweg de groote meerderheid der
+ingezetenen uit te maken, hadden eene kracht ontvangen, welke alras zich
+liet gelden. Zij hadden zoo schrikkelijk veel van de Spaansche tirannij
+geleden, en de verbastering van de Roomsche Kerk had reeds zoo lang
+ergernis gegeven, dat zij deze niet naast of nevens zich konden dulden.
+Men moet zich verplaatsen in die dagen van opgewondenheid en
+verbittering, toen men het woord verdraagzaamheid naauwelijks kende, om
+te beseffen, dat het doel van den strijd geen ander kon zijn, dan de
+zegepraal van de sterkste en de ondergang van de zwakkere partij. En hoe
+zeer begunstigden de omstandigheden des tijds niet de overwinning van de
+zaak der Hervormden!
+
+Immers, nadat de moed der burgers van _Leeuwarden_ het Blokhuis dier
+stad veroverd had, en ook de kasteelen van _Harlingen_ en _Stavoren_
+gewonnen waren, verwekte de verraderlijke afval van den Stadhouder
+RENNENBERG te _Groningen_ (3 Maart 1580) hier zóó algemeene
+verontwaardiging, dat de Roomsche eeredienst nog in die zelfde maand
+door de Friesche Staten werd afgeschaft. De kloosters werden nu
+ontbonden en de gebouwen verkocht of aan de uitroeijing van het algemeen
+prijs gegeven, en werd de Hervormde leer ingevoerd en gevestigd door de
+bepaling, dat alle gemeenten van bekwame predikanten en onderwijzers
+zouden worden voorzien. Bovendien werd in de ordonnantie van den
+Stadhouder Prins WILLEM I van den volgenden jare vastgesteld, dat er in
+_Friesland_ geene andere godsdienst dan de Hervormde zou mogen worden
+uitgeoefend[285].
+
+ [285] WINSEMIUS, 595-710; SCHOTANUS, 790-884; _Charterb._ IV 119, 144,
+ 148, 150, 218, 221, 225, 235, 241, 280, 296 enz.; FOEKE SJOERDS,
+ _Beschrijv._ II 727 env.; LORGION, _Geschied. der Kerkhervorming in
+ Friesl._ 110 env. en _de Ned. Herv. Kerk in Friesl._ 1 env.
+
+Deze vestiging van de Kerk door het Staatsgezag, dat haar als eene
+voedsterling beschermde en als voogd bestuurde, was vooral in den
+beginne voor haar eene zaak van groot gewigt; eensdeels, omdat haar
+toestand nog zoo onzeker was, zoolang _Groningen_ in de magt was der
+Spanjaarden, die zóó herhaaldelijk invallen in _Friesland_ deden, dat de
+zaak der vrijheid nog veertien jaren lang in het grootste gevaar
+verkeerde; anderdeels, uit hoofde van het gebrek aan bekwame
+predikanten, wier getal lang ontoereikende was, om al de gemeenten van
+een leeraar te voorzien. Ook dààrom stichtte de Staat eene Lands
+Akademie te _Franeker_ (1585), welke van lieverlede in dien nood voorzag
+en der Kerk vervolgens gewigtige diensten bewees. Deze was dus tot den
+Staat in eene omgekeerde verhouding gekomen, als waarin vroeger de
+Roomsche Kerk stond. Rijk, onafhankelijk en gewapend met kerkelijk
+gezag, had die hare geestelijke belangen steeds zelve geregeld, buiten
+de wereldlijke overheid, in wier bestuur zij zelfs een belangrijk
+aandeel had door hare afgevaardigden op de landsdagen. Wel deden de
+Hervormde predikanten spoedig pogingen, om zich aan die voogdijschap van
+het Staatsgezag te onttrekken; doch, in weerwil der botsingen, welke
+hieruit nu en dan ontstonden, bleven de Staten hun regt en pligt
+handhaven, om, nevens de bescherming, welke zij der Kerk verleenden,
+daarop te gelijk toezigt te houden en daarover gezag uit te oefenen.
+Zelfs bepaalden de Staten, dat geen Synodaal besluit van eenige kracht
+zou zijn, vóór dat het door de Staatsmagt goedgekeurd ware. En deze
+steun kwam der Kerk meermalen ter bevordering van hare belangen te
+stade: zoowel bij de vele en vaak bittere twisten, welke de predikanten
+onderling en tegen de Synode voerden, als niet het minst tegenover
+andere Kerkgenootschappen, dewijl er in het bijzonder in deze provincie
+een zoo groot getal Doopsgezinden bestond, en het aantal Roomschgezinden
+en Lutherschen van lieverlede aanmerkelijk toenam. Lang werden de
+godsdienst-oefeningen van dezen door strenge plakkaten verboden, hoewel
+ze niet altijd streng werden uitgevoerd, zoodat de Hervormde Synoden
+veel malen gelegenheid vonden, zich over de miskenning van haar
+uitsluitend voorregt, de slapheid der besturen en de »ongelimiteerde
+licentie der dissenters" te beklagen. Ook ten aanzien der zeden en de
+wering van misbruiken en ongeregeldheden riep de Kerk dikwijls de hulp
+van het Staatsgezag in[286].
+
+ [286] LORGION, _de Herv. Kerk_, 3 env. Zie over de Synode bl. 240 hier
+ vóór.
+
+ * * * * *
+
+Maar welke was de geest, de rigting, de kenmerkende leer dezer Kerk? In
+de eerste eeuw of het omwentelingstijdvak waren deze zeer verschillende,
+doch zij ondergingen groote verandering, meest ten gevolge van vreemden
+invloed, en van het streven naar eenheid van geloofsbegrip, dewijl de
+heerschzucht der sterkere partij steeds over de zwakkere trachtte te
+zegevieren. De oorsprong der geloofsverandering lag in de verbastering
+van de Roomsche Kerk. Om deze te bestrijden en te verbeteren bezat men
+geen ander wapen en middel dan het heilige Evangelie, dat tevens al de
+behoeften vervulde dergenen, die in reine godsvereering vrijheid van
+geloof aan zuiveren wandel wilden paren. Vandaar, dat in de allereerste
+geloofsbelijdenis der Nederlandsche Hervormde Kerk, van omstreeks 1550,
+drie beginselen op den voorgrond stonden, welke toen voor kenmerkenden
+regel en rigtsnoer waren aangenomen; namelijk: 1^o. het _Evangelische
+beginsel_, of de aanneming van de Heilige Schrift als Gods Woord,
+waarvan Christus de hoofdinhoud uitmaakt, met verwerping van alle
+menschelijk gezag, hetwelk in de Roomsche Kerk heerschende was; 2^o. het
+beginsel van _vrij onderzoek en vrije belijdenis van de Evangelische
+waarheid_, mede tegenover Rome's kerkleer, welke slaafsche
+gehoorzaamheid en vervolgzieke onverdraagzaamheid van andersdenkenden
+predikte, en 3^o. het beginsel van _voortdurende Hervorming_, van
+toeneming in kennis en ontwikkeling van het Christendom, als de
+grondslag, waarop de Kerk, heilig in leer en leven, moest worden
+voortgebouwd en voltooid, tot vorming van vrome burgers van den Staat en
+van waardige leden der gemeente Gods in het leven der toekomst[287].
+
+ [287] Men zie dit nader uiteengezet in het belangrijke werkje van
+ Prof. MUURLING, _over de echt Christelijke Beginselen der
+ oorspronkelijke Nederlandsche Hervormde Kerk_, Gron. 1849. Mijne
+ voorstelling, ook van het vervolg, is op het gezag van dezen
+ voortreffelijken geleerde gegrond.
+
+Hoe gelukkig zou ons vaderland geweest zijn, wanneer het aan deze
+oorspronkelijke beginselen en eigene opvatting van het evangelie, als
+eene kracht Gods tot zaligheid, ware getrouw gebleven! Hoe weldadig zou
+de algemeene aanneming en beleving van zulk eene eenvoudig schoone leer
+duurzaam gewerkt hebben op het algemeene welzijn! Hoe vele twisten,
+rampen en ellenden waren daardoor niet vermeden geworden! Doch de
+zelfstandigheid der Nederlanders, in andere opzigten zoo krachtig aan
+den dag gelegd, bezweek in dezen voor buitenlandschen invloed. Vreemde
+geleerden, die zich de ~geloofsleer~ tot hoofddoel des Christendoms
+stelden, vormden ingewikkelde stelsels en vervormden de evangelie-leer
+tot eene leerstellige godgeleerdheid. Deze vond allerwege aanhangers,
+waaruit spoedig partijen ontstonden, die, hevig onder elkander
+twistende, de nog niet eens gevestigde Kerk jammerlijk verwarden en
+verscheurden terwijl de staatkunde der Spaansche regering dat vuur van
+verdeeldheid voedsel gaf en aanblies. Ofschoon LUTHER'S denkbeelden en
+gevoelens reeds vroegtijdig in _Friesland_ bekend waren, en de
+Augsburgsche belijdenis van 1530, zoo als die door MELANCHTON veranderd
+was, ook hier bijval vond, was het verkeer van vele Friezen in
+_Oost-Friesland_, waar men voornamelijk de gevoelens van ZWINGLI had
+aangenomen, de oorzaak, dat de hervorming hier eerst eene Zwingliaansche
+rigting aannam, alsof het noodzakelijk ware, de partij van een dier
+Hervormers te kiezen. Laatstgenoemde rigting werd echter spoedig
+verdrongen door het Kalvinisme, dat in 1567 in _Brabant_ boven alle
+andere rigtingen ingang vond en zich streng wist te handhaven[288].
+Nadat het ook door Prins WILLEM I en daarna door Graaf WILLEM LODEWIJK
+was aangenomen, bragt MENSO ALTING, een der weinige Oost-Friesche
+predikanten, die de gevoelens van KALVIJN waren toegedaan, met de hulp
+van Dr. OTTO SWALUE veel toe, om die rigting bij de Friesche
+predikanten te doen aannemen, waartoe de invoering van den
+Heidelbergschen Catechismus tevens een gereed hulpmiddel aanbood.
+
+ [288] Zie dit breeder bij YPEIJ en DERMOUT, _Geschied. der Ned. Herv.
+ Kerk_, Breda 1822, II 50-66, 177, 181 en Aant. bl. 105 env.
+
+Uit de kerkordening der Dordsche Synode van 1578 en uit de merkwaardige
+twistreden, in 1596 te _Leeuwarden_ door den Hervormden predikant
+RUARDUS ACRONIUS en den Doopsgezinden leeraar PETER VAN CEULEN in 156
+zittingen gehouden, blijkt echter, dat er in de toenmalige leerstukken
+der Hervormden nog sporen der vroeger genoemde Nederlandsche beginselen
+waren overgebleven. Doch ook deze moesten verdrongen worden. Daartoe
+werd vooral de eerste Hoogeschool des lands dienstbaar gemaakt: want van
+de _achttien_ hoogleeraren in de godgeleerdheid, welke aan de Leidsche
+Akademie van 1576 tot 1618 beroepen werden, waren _veertien_
+vreemdelingen, die de leer van KALVIJN omtrent de Drieëenheid,
+Vóórverordinering, Gods vrijmagtige genade, Voldoening, Erfzonde en
+andere verborgenheden of met het evangelie strijdige leerstukken met
+ijver voorstonden en »de dorre stelselzucht en spitsvindige haarkloverij
+hare hoogte deden bereiken." In twee der vier overige Hoogleeraren, in
+ARMINIUS en EPISCOPIUS, vonden zij bestrijders: deze waren de laatste
+verdedigers van de oorspronkelijke Nederlandsche beginselen, welke men
+trachtte te verdringen. Tot welk een hevigen strijd dit aanleiding gaf;
+met welk eene bitterheid Remonstranten en Contra-Remonstranten elkander
+jaren lang bestreden, en hoe de Dordsche Synode van 1618 en 19, door het
+Staatsgezag ondersteund, daaraan een einde maakte, door de eersten als
+gedaagden te veroordeelen en het vaderland uit te drijven, om de
+zegepraal van de laatste partij te bevorderen--wien is dit bedroevende
+blad onzer geschiedenis onbekend? En wie heeft het niet betreurd, dat de
+hoogste en heiligste belangen des volks, vrijheid van godsdienst en
+geweten, waarvoor men zoo lang tegen _Rome_ en _Spanje_ had gestreden,
+nu werden aangerand door eene Synode, welke, met een gezag als van
+vroegere Conciliën en Pausen, besliste en bepaalde, welke leerbegrippen
+voortaan bij uitsluiting in _Nederland_ geduld zouden worden. Zóó trad
+men te gelijk het zevende artikel van de Nederlandsche geloofsbelijdenis
+met voeten. De godgeleerdheid leidde der godsvrucht onverbreekbare
+banden aan, wrong de menschelijke rede een breidel in den mond en
+verloochende het beginsel der liefde, dat de hoofdinhoud des evangelies
+is. Doch reeds de Heer zelf zeide: »Te vergeefs eeren zij mij, leerende
+leeringen, dat geboden van menschen zijn."
+
+Van de Friezen, die anders voor »eene koene, zelfstandige en voor zich
+zelve denkende natie" werden gehouden, had men mogen verwachten, dat zij
+dit juk van kerkelijke heerschappij zich even fier van de schouders
+geweerd zouden hebben ten aanzien der _leer_, als zij zich krachtig
+verzetten tegen de _kerkenorde_, bij post-acta door de Synode
+vastgesteld. Hoewel de steden deze aannamen, werd ze door de Staten der
+landkwartieren strengelijk verboden en de oude wijze van kerkbestuur en
+beroeping van predikanten gehandhaafd[289].
+
+ [289] Zie de stukken betrekkelijk de Synode in het _Charterb._ V 219,
+ 229, 230, 249, 253, 254, 258, 269, 270; _Reg. Staats-res._ 378, 785;
+ WINSEMIUS, 900; FOEKE SJOERDS, _Beschrijv._ II 738; LORGION, _de Herv.
+ Kerk_, 63 env.; YPEIJ en DERMOUT, I 414, II 241, Aant. bl. 165, en
+ vooral BRANDT, _Hist. der Reformatie_, II 552, IV 17-22, 285, 288,
+ 766. De Friesche Staten beschouwden die kerkenorde als voor deze
+ provincie "niet prakticabel, en tegen 's lands resolutien strijdig in
+ vele punten."
+
+Doch er was een man in _Friesland_ en wel predikant te _Leeuwarden_,
+JOHANNES BOGERMAN, een Oostfries van geboorte, die zich reeds sedert
+jaren had onderscheiden door geleerdheid en ijver voor de leerstellingen
+van KALVIJN, en die nu vooral zijn invloed deed gelden. Met nog twee
+predikanten en drie ouderlingen, benevens twee door de Staten verkozene
+commissarissen namens _Friesland_ ter Synode afgevaardigd, werd hij
+spoedig tot Voorzitter gekozen. Hoe bekwaam hij ook ware, zijn gedrag in
+die betrekking, zijne onverdraagzaamheid en hevigheid, zijne
+heerschzucht en bitterheid, vooral bij de wegzending van de miskende
+Remonstranten, zijn algemeen, ook door de leden der Synode, afgekeurd.
+Wel had _Friesland_, ook door zucht naar vaste beginselen gedreven, de
+Synode gewenscht en bevorderd; doch men was hier te weinig met de
+Remonstranten in aanraking geweest en had tot dusverre mildere
+beginselen jegens andersdenkenden betoond, dan dat men zulk eene harde
+behandeling kon goedkeuren. Vermits men oordeelde, dat BOGERMAN zijn
+last en gezag blijkbaar was te buiten gegaan, waren de Staten en de
+Synode hier geweldig tegen hem ingenomen en zóó verontwaardigd over zijn
+gedrag, dat men hem in staat van beschuldiging gesteld- en zelfs
+gebannen wilde hebben[290].
+
+ [290] Zie de bijzonderheden daaromtrent bij BRANDT, II 3, 12, 243,
+ 430, III 141, IV 17 env. ook erkend door YPEIJ en DERMOUT, II 213,
+ 219, 230, Aant. bl. 165; LORGION, _de Herv. Kerk_, 65; VAN KAMPEN,
+ _Vad. Geschied._ I 476; _Karakterkunde_, II 19.
+
+Niettemin werden de leerstellingen of canones der Dordsche Synode in
+_Friesland_ algemeen ingevoerd, en een formulier van aanneming door de
+predikanten onderteekend. Slechts twee predikanten van _Dokkum_, HAIO
+LAMBERTI en PETRUS HERMANNI, leverden daartegen enkel bezwaren in, en
+werden dáárom afgezet. Doch de onbillijke behandeling hen aangedaan, bij
+het gunstig getuigenis van den Magistraat en Kerkeraad van _Dokkum_
+omtrent hunne leer en wandel, bezorgde hen verscheidene aanhangers, die
+zich van de Gereformeerde Kerk afscheidden en in die stad eene
+Remonstrantsche Gemeente vestigden. Hoe zeer ook gesmaad, verstoord,
+verdreven en vervolgd, en bij een scherp plakkaat verboden, mogten die
+Remonstranten zich daar lang staande houden, en ook den edelen balling
+DIRK RAFELS KAMPHUYZEN eene schuilplaats aanbieden na zoo lange
+vervolging, welke hem hier, niet dan op voorspraak, een kort verblijf
+gunde, daar hij weldra, na het voltooijen van zijne schoone
+_Stichtelijke Rijmen_ en _Uitbreiding van de Psalmen_, overleed
+(1626)[291].
+
+ [291] _Charterb._ V 282, 320; LORGION, _de Herv. Kerk_, 67-77, 83,
+ 314, 330. Over KAMPHUIJZEN'S verblijf en graf te _Dokkum_ zie men de
+ berigten van Prof. DE CRANE, in zijne _Letter- en Geschiedkundige
+ Verzameling_, Leeuw. 1841, 37.
+
+»Dat de Hervormde Kerk, zoo pas in het leven getreden, het beginsel,
+waaraan zij haar ontstaan te danken had, dadelijk weêr zou verlaten, en
+zelve de gruwelen zou navolgen, die zij in Rome's dwangmiddelen
+verfoeide;--dat zij voor het Evangelische het Dogmatische beginsel
+verwisselen, en voor het vrije onderzoek en de vrije belijdenis der
+waarheid gehoorzaamheid aan de leer der Kerke opleggen zou, en dat zij
+het beginsel van voortdurende hervorming zou laten varen voor het
+gevoelen, dat de Hervormde Kerk in leerstellingen en eeredienst
+volmaakt, en dus de alleen ware Kerk was, buiten welke geene zaligheid
+was te vinden,"--wie had dit kunnen verwachten van eene Nederlandsche
+Kerk, in haren oorsprong op zulke echt Christelijke beginselen gebouwd?
+»Het moge vreemd schijnen; het is toch niet anders, zoo als uit de
+geschiedenis blijkt.
+
+»Het gevolg daarvan was, dat leerstellingen de plaats van het Evangelie
+innamen; dat het Dogmatismus (de stelselzucht) in de Kerk en in de
+Godgeleerdheid weêr begon te heerschen; dat het Scholasticisme der
+Middeneeuwen weêr in het leven geroepen werd en zich van de scholen der
+Godgeleerden meester maakte, en dat jagt op ketterij, helaas! ook in de
+Hervormde Kerk begon gedreven te worden. Zoo openbaarden zich de
+overblijfsels van den alouden Roomschen zuurdeesem in hunne volle
+gisting en kracht! Van de Kerkleer af te wijken, was gevaarlijker en
+werd strenger gestraft, dan afwijking van het Evangelie van CHRISTUS.
+Deze Kerkleer naauwkeurig te ontwikkelen, haar-fijn uit te pluizen,
+scherpzinnig tegen andersdenkenden te verdedigen en met bewijzen,
+voetstoots en vaak op den klank der woorden af, uit den Bijbel ontleend,
+te staven, ziedaar, wat de Godgeleerdheid en hare studie uitmaakte. Men
+streed en kampte voor begrippen, alsof de zaligheid er in gelegen ware.
+Vooral het leerstuk der Voorverordinering, niet zonder reden het _dogma
+tremendum_ genoemd, het _leerstuk waarvoor men beeft_, heeft eene
+troebele en onuitputtelijke bron geopend van twist en tweedragt, van
+onrust en wanhoop; want het zette de vrijheid en dus ook de
+verantwoordelijkheid des menschen ter zijde, en berustte op eene
+onwaarachtige, zelfs vreeselijke voorstelling van God, en tastte alzoo
+de deugd, de zedelijkheid en het waarachtig Christelijk leven in het
+hart aan"[292].
+
+ [292] Woorden van Prof. MUURLING, t. a. pl. 27, 45, 49, 51, met
+ verwijzing naar de verhandd. van Prof. KIST, _over de beginselen en
+ het onvoltooide der Kerkhervorming_ en Prof. HOFSTEDE DE GROOT, _over
+ den gang der Godgeleerdh. in Nederl._ beide in het _Ned. Archief_, I
+ en II.
+
+Ziedaar eene schildering van den veranderden toestand der Kerk ten
+gevolge der Dordsche Synode, die een bedroevenden ~teruggang~ in het
+kerkelijk en geestelijk leven veroorzaakte, dewijl zij bij den een een
+blind formulier-geloof en bij den ander de zaden van dweepzucht en
+verbittering jegens andersdenkenden aankweekte. Eenheid van
+geloofsbegrip mogt wenschelijk zijn, als men elkanders opvattingen van
+het Evangelie in de zelfde Kerk niet broederlijk kon verdragen--wreede
+uitsluiting en verbanning uit den lande bij verschil van gevoelen over
+het inzigt van de waarheid was onchristelijk; terwijl men, ook bij het
+bezit van die eenheid, voortging met twisten en haarkloven, en zich
+verre van vrede- en liefdegezind betoonde. Hoe vele honderden
+twistschriften uit de beide vorige eeuwen bewijzen dit niet! En in hoe
+weinige stichtelijke boeken van dien tijd, die door het volk zoo véél
+werden gelezen, is gezond verstand en goeden smaak, zelfs in de titels
+en opschriften, te vinden[293]! Waarlijk, wij kunnen ons niet genoeg
+over dien teruggang in de godsdienst verbazen, als wij daarbij den
+gelijktijdigen grooten vooruitgang van wetenschappen en kunsten, in het
+bloeijendste tijdperk der Nederlandsche letterkunde, vergelijken. Doch
+'t was toen een even vreemd verschijnsel als hetgeen wij thans, in het
+midden der 19e eeuw, moeten beleven, dat deze zelfde leerstellige
+denkbeelden, welke men meende dat reeds lang voor het licht van
+godsdienstige en letterkundige beschaving geweken waren, op nieuw bij
+velen bijval vinden en verkondigd en verspreid worden. Doch de
+geschiedenis heeft reeds geoordeeld, en aangetoond, hoe, onder de
+leiding Gods, de dwaasheden der menschen en alle pogingen tot
+terugwerking moeten dienen, om het rijk van waarheid, verlichting en
+deugd eens des te grootere zege te doen behalen tot Zijne eer.
+
+ [293] Eene groote menigte werken van Friesche Godgeleerden uit dit
+ tijdvak heb ik verzameld. Indien de zaken niet te heilig waren, zou
+ eene bloemlezing uit derzelver inhoud een belagchelijk tafereel kunnen
+ opleveren. Slechts één titel voeg ik hierbij als proeve: _Samsons
+ Leeuwen-aes vervult met Honing. Ofte dan vernederden Jesus; Arm
+ wordende, om de sijne door sijn Armoede Rijck te maecken_ enz. In
+ XLIII _leer en troost-rijcke Prædicatiën_. door THEOD. COUPERUM, Præd.
+ te _Warga._ Leeuw. bij Hero Nauta, 1671.
+
+Die nieuwe rigting der Kerk was te meer bedroevend, omdat zij der
+godsdienst hare kracht en invloed benam op de zeden en op de zedelijke
+vorming en verstandelijke beschaving des volks. Het denkbeeld, dat God
+een Vader is, die al zijne kinderen in Christus door liefde tot
+gehoorzaamheid aan Zijn wil, en door reinheid van gemoed en wandel tot
+Zich wil trekken, ging toch verloren in de voorstelling van een
+trotschen Monarch, die zijne afgevallene onderdanen naar loutere
+willekeur verstoot of bevoorregt; eene leer, die den mensch evenzeer
+van God en zijn pligt moet verwijderen, als de eerste hem bestendig
+tot toenadering en vereeniging met den Vader noopt. Want onze
+gelijkvormigheid aan God en verhevenheid boven de gansche dierlijke
+schepping, een der sterkste beweeggronden, om uit Christelijke
+beginselen goddelijk te handelen met de gaven door den Heer ons
+verleend, werd miskend en als een dwaalleer ten toon gesteld en
+verbannen.
+
+Is het dus vreemd, dat wij in zoo vele godgeleerde schriften van dien
+tijd de ijsselijkste schilderingen aantreffen van het zedebederf, ja van
+den zedeloozen toestand der natie?[294] Dat buitengewone rampen immer
+werden gehouden voor straffen des hemels, wegens de boosheden des volks?
+Dat ook anderen vele klagten aanhieven over de maatschappelijke gebreken
+en heerschende ondeugden? Leveren de plakkaatboeken van 's lands
+regering niet de bewijzen, hoe treurig het toenmaals gesteld was met de
+openbare veiligheid, en van de verregaande kwaadwilligheid, boosheid en
+ruwheid van zeden, welke men te vergeefs door ordonnantiën en
+verbodsbepalingen trachtte te bedwingen of te doen afnemen?[295]. En de
+meeste dezer plakkaten werden uitgevaardigd op klagten van de Synode of
+van de predikanten, die wel konden klagen en aanwijzen, doch die zóó
+weinig deden voor de godsdienstige opleiding en vorming van hunne
+gemeente-leden, dat zij op de dorpen slechts eenmaal op den dag des
+Heeren predikten en geheel geene catechisatiën hielden, zoodat het
+kerkelijk godsdienstig onderwijs van de jeugd, waarin de kracht, het
+heil en de hoop der gemeenten is gelegen, jammerlijk verwaarloosd
+werd[296]. Vandaar ook die vijandschap, haat en vervolging, waarmede
+velen den beroemden BALTHASAR BEKKER bejegenden, toen deze, als
+predikant te _Oosterlittens_, omstreeks 1662 begon, des Zondags ook 's
+namiddags te prediken en cathechisatiën te houden, waartoe hij weldra
+onderscheidene leerboekjes trachtte uit te geven. De smaad en
+veelvuldige onaangenaamheden dezen verlichten en edelen man daarover en
+over zijne wijsgeerige denkbeelden in _Friesland_ aangedaan, waren
+evenzeer een bewijs van den bekrompenen en onverdraagzamen geest zijner
+tijdgenooten, als het besluit der Staten van 1682, om het »inkruipen van
+schadelijke nieuwigheden, libertinisterij en ketterij" te weren en de
+verdeeldheden onder de godgeleerden te bedwingen door het verbod, om in
+eenerlei opzigt af te wijken van de formulieren van eenigheid en den
+Heidelbergschen Catechismus[297]. Zóó betoonde men zich steeds afkeerig
+van eenige verandering, uitbreiding of verheldering van de
+geloofsbegrippen, welke zich immer in den zelfden beperkten kring
+moesten blijven bewegen. Doch BEKKER, hoe zéér den vrede beminnende,
+bleef voor de waarheid, naar zijne opvatting, ijveren. In 1679 te
+_Amsterdam_ beroepen, mogt hij van zijne wakkere poging, om het
+volksgeloof omtrent de kometen, als voorboden van rampen en oordeelen,
+te bestrijden (1683), evenveel eer en eene roemrijke overwinning op de
+heerschende dwaalbegrippen behalen, als toen hij in 1691 door zijn
+beroemd boek, _de Betoverde Weereld_ (in bijna alle talen van _Europa_
+overgebragt), het gezag van den vorst der duisternis aanviel, het
+mensch-onteerend bijgeloof aan duivelarij en tooverij in den hartader
+aantastte, en veler oogen voor het licht der waarheid opende, in weerwil
+der hevige vervolgingen en beroeringen door een aantal predikanten tegen
+hem verwekt. Nooit echter zal het nageslacht ophouden, hem, tegenover
+zijne eeuw, als een held te vereeren en wegens zijne deugden en
+verdiensten als een weldoener te zegenen[298].
+
+ [294] Zie bewijzen daarvan in _Aanteekening 26_, en bl. 260 hier vóór.
+
+ [295] Zie bewijzen daarvan in _Aanteekening 26_, en bl. 260 hier vóór.
+
+ [296] Zie mede _Aanteek. 26_.
+
+ [297] _Charterboek_, V 972, 1203.
+
+ [298] Veelvuldig zijn de geschriften van en over den zoo hoog door mij
+ vereerden BEKKER. Ik wil daarvan enkel vermelden die van Do. DIEST
+ LORGION, _B. Bekker in Franeker_ en _in Amsterdam_, Gron. 1848 en 51,
+ 3 dln. waarin bijna al de overige zijn opgenoemd.
+
+ * * * * *
+
+Dan het was »de mode van dien tijt, dat de een den ander om het minste
+verschil in gedachten, al was 't van saacken, die self de Godgeleertheyt
+niet en raackten, voor een ketter afmaalde, en om de rolle ten vollen
+uyt te spelen, aanklaagde aan _Classen_, _Synoden_, en _Politijke_
+vergaderingen, daarse meenden, dat haare autoriteyt iets soude konnen
+gelden"[299]. Vandaar, dat de geestelijkheid bestendig veel beweging
+maakte door haren onverdraagzamen ijver tegen de bij oogluiking gedulde
+vergaderingen van de Doopsgezinden, Lutherschen en Roomschen, ja zelfs
+tegen de vestiging eener Waalsche Gemeente te _Leeuwarden_ (1657), en
+daarna niet minder tegen de dweepende sekte der Labadisten, die zich in
+1675, na den dood van JEAN DE LABADIE, met den leeraar YVON aan het
+hoofd, op _Thetinga-state_ te _Wieuwerd_ vestigde en hare gemeenschap
+dáár ongeveer vijftig jaren lang wist staande te houden. Op hare
+vroegere omzwervingen zoowel als hier sloten verschillende aanzienlijke
+en geleerde personen, waaronder de beroemde ANNA MARIA VAN SCHURMAN, de
+Jonkvrouwen VAN SOMMELSDIJK, de verloskundige HENDRIK VAN DEVENTER enz.
+zich bij deze sekte aan, ten einde, afgescheiden van de bedorvene
+wereld, te voldoen aan hunne behoefte, om bij de leer een christelijk
+leven te voegen[300]. Hare denkbeelden hadden zelfs invloed op vele
+hervormden, waaronder vooral WILHELMUS à BRAKEL, die, in zijne zoo veel
+gelezene _Redelijke Godsdienst_, aandrong op meer gemoedelijke
+godsvrucht; ofschoon dat opgewekt godsdienstig leven, verkeerd gerigt,
+bij velen leidde tot dweeperij, welke hier steeds een vruchtbaren akker
+vond.
+
+ [299] Dus oordeelde de beroemde CAMPEGIUS VITRINGA in de voorrede van
+ zijn boek _over den Tempel van Ezechiel_, Fran. 1687.
+
+ [300] Zie over deze sekte het belangrijke werk van mijn vriend Do. H.
+ VAN BERKUM, _de Labadie en de Labadisten_, Sneek 1851, 2 dln.
+
+Nog meer werd de Kerk verontrust, toen de resultaten van de ijverig
+beoefende wetenschap van lieverlede in het leven traden en sommige
+leerstukken aan het wankelen schenen te brengen. De stellingen der
+wijsbegeerte van DES CARTES en de nieuwe denkbeelden van den geleerden
+COCCEJUS, eerst hoogleeraar te _Franeker_ en daarna te _Leiden_, vonden
+bijval en werden aan Frieslands Hoogeschool door mannen als JOANNES VAN
+DER WAEYEN, CAMPEGIUS VITRINGA en HERM. ALEX. ROËLL beschermd en
+verdedigd. Dewijl deze hunne leer niet wilden onderwerpen aan het
+oordeel of de veroordeeling der kerkelijken, die zich daartegen hevig
+verzetten, waren bittere twisten daarvan het gevolg. De meer verlichte
+denkbeelden van DAVID FLUD VAN GIFFEN, predikant te _Nieuw-Brongerga_,
+vonden nogtans bij het Stadhouderlijk gezin op het _Oranjewoud_
+bescherming; terwijl Gedeputeerde Staten dikwijls hun gezag gebruikten,
+om de vervolgingen te staken en der Synode het zwijgen op te leggen. De
+aanhangers van VOETIUS en andere voorvechters van de oude waarheid
+hielden echter vol, het regt der kerk te doen gelden, zoodat eerlang
+eene scheuring in twee partijen, _Coccejanen_ en _Voetianen_ genoemd,
+onvermijdelijk was. Ondanks dien tegenstand was er vooruitgang, en
+bragten die twisten veel toe, om de bestredene godgeleerde stellingen
+naauwkeuriger te onderzoeken, en de grondslagen te leggen tot meer
+evangelische kennis en verlichte denkbeelden. Doch lang zou het duren,
+eer men zich aan het eens opgelegde juk zou kunnen ontworstelen.
+
+ * * * * *
+
+Ja, nog langer dan honderd jaren zou het duren, eer de stralen van een
+beter licht konden doorbreken. Zóó vast en sterk waren eens de kluisters
+van den vrijen geest gesmeed, dat wij in bijna de gansche 18e eeuw de
+Hervormde Kerk in den zelfden gebonden toestand zien verkeeren van
+slaafsche onderwerping aan de Dordsche leer en gehechtheid aan de
+formulieren van eenigheid, wier gezag in 1729, na hevige oneenigheden,
+nog meer verbindend werd gemaakt. Zulke oneenigheden en onbeduidende
+twisten over allerlei nietigheden maakten in de hoofdzaak de
+geschiedenis uit der Kerk in deze eeuw; met deze uitzondering: dat zij
+zich ook vergreep aan de geloofsbegrippen van eene andere, door de
+Staatsmagt toegelatene, kerkgemeenschap. Sedert de Doopsgezinden in 1672
+vrijheid van godsdienstoefening hadden bekomen, werden zij als stille
+burgers ongemoeid gelaten. Doch in 1722 werd hunne vrijheid van
+geloofsbegrippen door de Hervormde Synode, uit vrees dat zij
+Sociniaansche stellingen zouden voorstaan, aangerand, door hunne 150
+leeraars te dwingen tot onderteekening van eene verklaring omtrent de
+Drieëenheid, een leerstuk, niet door den Heer verkondigd, maar door
+Godgeleerden ontworpen. Gelukkig, dat hunne verdediging door
+Gedeputeerde Staten aangenomen- en de inquisitie der Synode toen
+tegengegaan werd. Zulk eene poging, om heerschappij te voeren over het
+geloof van anderen, werd in 1738 herhaald, en had de afzetting van twee
+Doopsgezinde leeraren van _de Knijpe_ en _Heerenveen_ ten gevolge. Nog
+meer gerucht maakte kort daarop de klagt der kerkelijken, dat in de
+leerredenen van JOANNES STINSTRA, Doopsgezind leeraar te _Harlingen_,
+over de natuur en gesteldheid van Christus Koningrijk, Sociniaansche
+gevoelens zouden verkondigd zijn. Alle Hervormde classen in _Friesland_
+en alle theologische faculteiten in _Nederland_ werden door Gedeputeerde
+Staten uitgenoodigd dit boek te beoordeelen. Natuurlijk was aller
+oordeel in den geest der beschuldiging. Slechts één man had den moed
+zich tegen de meening van die allen te verzetten, en aan te toonen, dat
+die beschuldiging ongegrond was. Het was de groote HERMAN VENEMA,
+hoogleeraar in de godgeleerdheid te _Franeker_, die, op het voetspoor
+der verlichte VITRINGA'S, vader en zoon, eene verbeterde predikwijze had
+voorgesteld; die vrije en heldere begrippen omtrent de godsdienst
+verkondigde, en die gedurende de vier-en-zestig jaren, dat hij een
+sieraad was van Frieslands Hoogeschool, bovendien door zijne
+geleerdheid, christelijke braafheid en verdraagzaamheid zóó hoog geacht
+was, dat zelfs zijne tegenstanders hem niet durfden aanranden. Hoe
+gematigd en verstandig dat advies van VENEMA ook ware, hij alléén was
+niet tegen de bevooroordeelde en twistzieke geestelijkheid
+bestand:--STINSTRA werd van het leeraarambt ontzet en eerst 15 jaren
+later hersteld. Doch de smet door dit gedrag op de Hervormde Kerk
+geworpen, ook door vele tijdgenooten veroordeeld, werd alleen opgewogen
+door de moedige en edele poging van VENEMA, die, door den tijd tevens
+geregtvaardigd, gelukkig tegen dreigende vervolgingen bescherming en
+steun vond in den voortreffelijken Prins WILLEM IV en diens verlichten
+vriend EPO SJUCK VAN BURMANIA. Deze edelman, lang lid van Gedeputeerde
+Staten, had later zelfs den moed VENEMA openlijk te prijzen, doch
+tevens te voorspellen, dat zijne verlichte gevoelens weinig ingang
+zouden vinden bij zijne tijdgenooten: »want," zeide hij, »de tijd is
+'er niet na geschikt, om de Menschen de oude wijfs grollen uit het
+hoofd te praaten. Gij hoopt doch vrucht'loos, dat de Rede eens zal
+verwinnen."[301]
+
+ [301] Zie BLAUPOT TEN CATE, _Doopsgez. in Friesland_, 208, 351;
+ LORGION, _de Herv. Kerk_, 240; YPEIJ en DERMOUT, III 455. Het stuk van
+ BURMANIA aan VENEMA, een Latijnsch en Nederd. vers, getiteld: _Gelofte
+ aan Vulcaan_, is ook in andere opzigten belangrijk, als blijk, hoe er
+ reeds in 1764 een beter licht aanbrak bij sommigen, die zich aan de
+ verouderde boeijen trachtten te ontwringen en daarom den bijnaam van
+ _Toleranten_ hadden ontvangen. Zoo zegt hij in 't begin:
+
+ Zo vloek ik 't laffe werk, de kwaad' aantekeningen
+ Van 't gros der Leeraars, die zich binnen de enge kringen
+ Van een Systema, daar hun Weetenschap op rust,
+ Beperken, wars van moeite en noeste letterlust.
+ Zoo vloek ik hen, die by hun Meesters woorden zweeren.--
+ Gij waart het, schrand're man, die 't eerst U onderwond
+ Om van het oude pad, dog met beschroomde schreeden,
+ In weerwil van den hoop, in veelen, af te treeden, enz.
+
+Niettegenstaande de heerschappij en de verdeeldheden der godgeleerden
+nog lang bleven voortduren en de gehechtheid aan de kerkelijke
+leerstellingen onveranderlijk scheen te zijn, zou de tijd toch eenmaal
+aanbreken, dat die leerbegrippen verdrongen zouden worden en vervangen
+door christelijke denkbeelden en evangelische gezindheden. Het
+heerschzuchtig gedrag van den Leeuwarder predikant BLOM jegens den
+Magistraat dier stad in 1763 en de hooggaande twisten daaruit, gelijk
+twee jaren later uit het houden van eene leerrede over de Christelijke
+Liefde door G. T. DE COCK verwekt, welke door het staatsgezag werden
+geëindigd, terwijl gelijktijdig VOLTAIRE'S verhandeling over de
+Verdraagzaamheid, te _Leeuwarden_ vertaald en gedrukt, werd
+verboden,--ziedaar de laatste sporen van den geest van heerschzucht en
+tegenwerking, die de Kerk zoo lang hadden beroerd. Ook daaruit bleek
+het, dat er een nieuw licht aan het dagen was, hetwelk vele
+gemeente-leden welgevallig tegenblonk. De geest der lessen van den, zoo
+ongemeen lang gespaarden, VENEMA, die, boven vooroordeelen verheven,
+meer heldere begrippen verspreidde en zijne leerlingen bovenal tot
+liefde, vrede en verdraagzaamheid aanspoorde, begon van lieverlede de
+Kerk te vervullen en voor de toekomst betere vruchten te beloven.
+
+Terwijl de zucht naar vooruitgang dus merkbaar was, had zij bij velen
+een nadeelig gevolg. Men was afkeerig geworden van eene leer, in vormen
+en wetten gekluisterd, die den geest met een last van grondstellingen
+had bezwaard; en terwijl men dus de kerkelijke leerbegrippen verzaakte,
+verwierpen velen met-een de grondslagen der heilige leer van Christus.
+Vandaar, dat »in het eind der vorige eeuw onder de beschaafde klassen
+der maatschappij de verachting van de godsdienst heerschend was
+geworden. De geest, geheel met de belangen des tijds vervuld, vroeg niet
+meer naar het eeuwige. Slechts bij weinigen, wien het vergankelijke niet
+kon voldoen, bleef de zucht naar iets hoogers bestaan"[302]. Ondanks de
+regtzinnigheid al hare krachten inspande, om het oude te behouden; in
+weerwil eene dweepzieke menigte zich tegen elke verandering aankantte,
+waren er van zulk eene geestrigting ook in _Friesland_ vele sporen,
+nadat de langdurige vrede en welvaart een buitengewonen voorspoed
+gekweekt en een geest van overmoed, vrijheid en onafhankelijkheid
+ontwikkeld hadden, welke sedert 1780 in staatkundige beroeringen aan den
+dag gelegd werden. Ook de predikanten trokken partij, namen deel aan den
+wapenhandel en ondersteunden vooral de partij, welke tegen den
+Stadhouder was gezind, waarom verscheidene hunner in 1787, bij het
+herstel van het Stadhouderlijk gezag, werden afgezet. Eene groote
+verandering, in den loop der tijden voorbereid, was echter noodzakelijk
+geworden.
+
+ [302] OPZOOMER, _het Wezen der Deugd_, 1, 20.
+
+En deze volgde weldra op de staats-omwenteling van 1795. Bij de
+bestaande begrippen van vrijheid, gelijkheid en broederschap was het
+natuurlijk, dat de staatsmagt nu »een iegelijk onbelemmerde Vrijheid van
+geweten, en de ongestoorde uitoefening van zijne Godsdienst plegtig
+verzekerde"[303]. De Hervormde Kerk verloor daarbij het voorregt, dat
+zij meer dan twee eeuwen had bezeten, om de heerschende Kerk of de Kerk
+van den Staat te zijn, en daarmede viel ook de laatste steun der
+scholastieke godgeleerdheid en der kerkelijke regtzinnigheid.
+Inzonderheid werd dat voorregt geheel opgeheven bij de scheiding van
+Kerk en Staat, welke in 1796 hierop volgde. Eerst bij de Staatsregeling
+van 1 Mei 1798 werden daaromtrent bepalingen voorgeschreven; terwijl bij
+besluit van de Synodale vergadering te _Heerenveen_, in 1804 gehouden,
+een nieuw Wetboek en Kerkenorde voor _Friesland_ werd ingevoerd.
+Ofschoon men de leerstellingen der Dordsche Synode daarbij als grondslag
+van de leer der Kerk, althans in naam, bleef behouden, was daarin,
+gelijk sedert in de gansche rigting der Kerk, een gezegende vooruitgang
+tot betere denkbeelden en gezindheden te erkennen, en was men vrij
+algemeen tot meer heldere inzigten, tot meer liefderijke gevoelens, tot
+meer christelijk leven gekomen. Een blijk daarvan was mede de invoering
+van de Evangelische Gezangen in 1805, welke, even als de in 1773
+ingevoerde verbeterde Psalmberijming, zoo veel bijdroegen, om de
+stichting bij de godsdienst-oefeningen te verhoogen en godsdienstige
+gevoelens aan te kweeken.
+
+ [303] Publicatie der Provisioneele Representanten van het volk van
+ _Friesland_, van 21 Febr. 1795, _Verzaameling van Placaaten_, I 24.
+
+Intusschen waren er elders Genootschappen opgerigt, die belijders van
+verschillende gezindten tot één christelijk doel vereenigden, en welke
+ook hier een weldadigen invloed uitoefenden. Er waren in de Kerk mannen
+opgestaan, als: HINLOPEN, KIST, CLARISSE, STUART, VAN DER ROEST, EGELING
+en anderen elders, gelijk LIEFSTING, BRINK, BROUWER, NIEUWOLD, BRUINING
+enz. in _Friesland_, die door prediking en schriften een evangelischen
+geest onder het volk bragten; terwijl in de scholen der Godgeleerdheid
+VAN VOORST, TINGA, GREVE en REGENBOGEN te _Franeker_, gelijk elders VAN
+HAMELSVELD, MUNTINGHE, VAN DER PALM, AN. YPEIJ, HERINGA, SURINGAR en
+BORGER, waarvan de vier laatste Friezen waren, door hun onderwijs en
+schriften alle geloofs- en zedeleer tot het evangelie terugbragten, de
+leerstellingen aan Gods woord leerden toetsen, nuttelooze twisten
+vermeden, eene gezonde uitlegkunde deden veldwinnen en uit wijsbegeerte
+en geschiedenis licht aanbragten voor het Christendom. In dit gewest
+heeft vooral de _Christelijke Godgeleerdheid_ van den Franeker
+Hoogleeraar J. H. REGENBOGEN (1810) veler oogen geopend voor het licht
+der waarheid, in verband met het gezag der rede. Zóó werd de Hervormde
+Kerk, terwijl het vaderland gelouterd werd door staatkundige
+verdrukking, op nieuw tot een Evangelisch-Hervormde Kerk hervormd; en,
+nadat in 1816 de band der formulieren van eenigheid voorzigtig was
+losgemaakt, mogt men in 1817 ook in _Friesland_ het Derde Eeuwfeest der
+Kerkhervorming bij alle Protestantsche Gemeenten onderling en met eene
+broederlijke liefde en eensgezindheid vieren, welke de kroon zette op de
+overwinning, welke de tijdgeest, of liever Gods vaderlijke besturing, op
+de bekrompenheid van het voorgeslacht had behaald, in terugkeering tot
+de genoemde drie oorspronkelijke beginselen van de Nederlandsche
+Hervormde Kerk. Zóó mogten rede, gezond verstand en godsdienstzin
+zegevieren op het kerkelijk leerbegrip.
+
+Hoe verblijdend dit verschijnsel, hoe weldadig het licht zij, dat thans
+bijna algemeen ten aanzien der christelijke waarheid en geloofsleer is
+ontstoken--voor allen is er eene hooge roeping aan verbonden, om,
+voorgelicht door de verhevenste zedeleer, thans als kinderen des lichts
+te wandelen, en om door toeneming in gemoedelijke godsvrucht en
+christelijke deugd en door beleving van het geloof te toonen, dat de
+beschaving, ontwikkeling en veredeling van het menschelijk geslacht de
+vrucht en het doel is der gezegende godsdienst van Christus.
+
+
+_De Doopsgezinden._
+
+Vóór de omwenteling van 1580 hadden de Hervormden en Doopsgezinden
+gemeenschappelijk geijverd tegen de onderdrukking van _Spanje_ en vóór
+vrijheid van geloof en geweten. Na die omwenteling en de zegepraal der
+hervorming hadden beide gezindten zeker gelijke aanspraak op het genot
+van deze vrijheid en de bescherming van het Staatsgezag; te meer, daar
+de Doopsgezinden toen ongeveer een vierde gedeelte der bevolking van
+_Friesland_ uitmaakten, en, zonder aanspraak te maken op de kerken en
+derzelver bezittingen, toelieten, dat de Hervormden daarvan bezit
+namen. En evenwel, hoe gunstig Prins WILLEM _van Oranje_ ook jegens
+de Doopsgezinden in het algemeen gezind was, werd bij zijne
+provisioneele Ordonnantie op het stuk van justitie, politie, kerk en
+krijgshandeling, in 1581 te _Harlingen_ uitgevaardigd, bepaald, dat
+geene andere dan de Gereformeerde religie in deze provincie zou mogen
+worden uitgeoefend[304].
+
+ [304] _Charterboek_, IV 241; WINSEMIUS, 700; BLAUPOT TEN CATE,
+ _Geschiedenis der Doopsgezinden in Friesland_, 124. Zie ook hier voor
+ bl. 167-174, 199.
+
+Het moge waar zijn, dat eenheid van belijdenis of de erkenning van
+slechts ééne Kerk als de Kerk van Staat in die dagen noodzakelijk kan
+geweest zijn,--wij moeten het tevens met lof en eere vermelden, dat de
+Friesche Hervormde Kerk, in de eerste achttien jaren harer vestiging,
+van dit haar uitsluitend regt een verstandig gebruik en geen misbruik
+heeft gemaakt; vermoedelijk, omdat zij toen nog meer doordrongen was van
+de oorspronkelijke beginselen, waarop de Nederlandsche Hervormde Kerk
+was gebouwd, en welke wij vroeger (bl. 342) hebben vermeld. In weerwil
+der genoemde, later tot wet gewordene, bepaling, is er geen spoor, dat
+de Doopsgezinden in dit gewest, die afgescheiden van de wereld wenschten
+te leven, gedurende die jaren door het Staats- of Kerkgezag zijn
+gehinderd geworden in de vrije uitoefening van hunne, in stilte
+gehoudene, godsdienst-oefeningen, welke bij oogluiking werden geduld.
+Staat en Kerk hebben hier toen het voorbeeld gegeven van eene edele
+verdraagzaamheid, welke men later meende, dat geene eigenschap van dien
+tijd of van eene heerschende Kerk kon zijn. Ja, Staat en Kerk gaven nog
+een merkwaardig blijk van naijver, gelijkstelling en onpartijdigheid,
+door in 1596 toe te staan, dat er in de Galileërkerk te _Leeuwarden_ een
+twistgesprek over de verschilpunten der leer tusschen den Hervormden
+predikant RUARDUS ACRONIUS en den Doopsgezinden leeraar PETER VAN
+CEULEN werd gehouden, waartoe van den 16 Augustus tot den 17 November
+niet minder dan 156 zittingen gebezigd werden, zonder tot eenig ander
+doel te leiden dan tot de openbaarmaking van beider denkbeelden en
+begrippen[305]. Bij die gelegenheid werd door PETER VAN CEULEN dankbaar
+erkend, »dat de loffelijke Overheid hen tot nog toe vrijheid van religie
+in alle goedigheid en beleefdheid vergund had, gelijk zij gaarne der
+Overheid wilden gehoorzamen in hetgeen zij verstonden niet strijdig te
+zijn tegen Gods heilig woord, hopende dat God haar in dat zelfde
+voornemen zou laten."
+
+ [305] Het merkwaardig _Protocol, dat is, de gantsche handelinge des
+ ghesprecx_, waarbij steeds leden van Gedeputeerde Staten en der
+ regering van _Leeuwarden_ tegenwoordig waren, in den volgenden jare
+ gedrukt, in 4^o. ruim 500 bl. in twee kolommen groot, berust in de
+ Stedelijke Bibliotheek van _Leeuwarden_. Zie een uitvoerig verslag
+ daarvan bij BLAUPOT TEN CATE, bl. 131-137.
+
+Dan, wij hebben het vroeger reeds opgemerkt, dat de afwijking van de
+oorspronkelijke beginselen der Hervormde Kerk de oorzaak geweest is van
+hare latere verbastering en van vele rampen. Zij was mede de oorzaak,
+dat die goede geest van broederlijke verdraagzaamheid, welke haar tot
+dusverre had gekenmerkt, werd verdrongen door een geest van heerschzucht
+en bittere vervolgzucht. Sedert 1598 werden er bij de Synode en de
+Besturen pogingen gedaan, om de Doopsgezinden het vergaderen te beletten
+en het prediken te verbieden. GELDORP en BOGERMAN, predikanten te
+_Sneek_, gesterkt door de Overheid dier stad, verstoorden in 1600
+werkelijk hunne bijeenkomsten, en gaven in den volgenden jare eene
+vertaling in het licht van BEZA'S boekje _over het Ketterstraffen_,
+waarbij zij verklaarden, dat men slechts ééne godsdienst in den Staat
+moest dulden, en dat het verschoonen van ketters vredehouden met den
+Satan was. Zulke onchristelijke, ja onmenschelijke denkbeelden, welke
+men vroeger onder de Spaansche inquisitie met zoo veel regt onduldbaar
+had geoordeeld, werden aldus met de streng Kalvinistische gevoelens uit
+den vreemde ingehaald en geënt op den jeugdigen, reeds zoo welig
+bloeijenden, boom der Nederlandsche vrijheid. En welke vruchten zulks
+droeg, dit bleek, helaas! eerlang op de Synode van _Dordrecht_, waar die
+zelfde BOGERMAN, als Voorzitter, die zelfde beginselen in het groot in
+toepassing bragt ten aanzien der Remonstranten. (Zie bl. 344 hier vóór.)
+
+Gelukkig, dat BOGERMAN, die in 1608, als predikant te _Leeuwarden_, zoo
+zeer geijverd had tegen de Doopsgezinden, die beginselen ook niet op hen
+toepaste; en nog gelukkiger, dat juist de strijd tegen de Remonstranten
+de oorzaak werd, dat de Doopsgezinden sedert 1611 eenige verademing
+genoten en geene verstoring of vervolging hadden te lijden. De
+verdeeldheid in de Hervormde Kerk zelve had de aandacht afgeleid van
+hen, die bovendien zich hoe langer hoe meer in de toegenegenheid van
+regenten en medeburgers vestigden door hun ingetogen leven en de
+bevordering van handel en fabrijken, waardoor zij in welvaart en
+vermogen toenamen, en als goede burgers van den Staat lasten en
+schattingen gewillig droegen. Zij maakten van die rust en goede
+gezindheid gebruik, door op vele plaatsen nieuwe en grootere vermaningen
+of kerken te bouwen. Wel ondervonden zij daarbij nu en dan tegenstand
+van de plaatselijke besturen, doch niet vóór 1644 en bijzonder na 1651
+wekte dit den naijver op van de Hervormde predikanten. Zij klaagden
+daarover op de Synode, en deze beklaagde zich bij de Staten over de
+»ongelimiteerde Mennonitische groote licentie," welke zij ingebonden
+wilde hebben. De Staten, die in 1659 toegestaan hadden, dat de
+Doopsgezinden met de verklaring van ja en neen, in plaats van een eed,
+zouden kunnen volstaan, bevolen daarop wel de Gedeputeerden in 1661, om
+de plakkaten omtrent de Wederdoopers (waarmede men nog altijd de rustige
+Doopsgezinden wilde verwarren) te vernieuwen; doch er is geen blijk, dat
+deze aan dit bevel hebben voldaan[306]. Hoe zeer ook gezind om de
+regtzinnige leer der Kerk te handhaven, dachten zij gunstiger over
+zoovele vreedzame burgers, die men bij voortduring wel oogluikend moest
+dulden, ook omdat men ze niet verdrijven kon zonder groote schade voor
+het algemeen belang; te meer, dewijl zij zulk een aanzienlijk gedeelte
+der bevolking dezer provincie uitmaakten, daar hun aantal in 1666 op
+ongeveer 20,000 zielen geschat werd, welke op 72 plaatsen gemeentelijke
+vereenigingen hadden.
+
+ [306] _Charterboek_, V 577, 621, 654 en de Resolutiën der Staten, der
+ Gedeputeerde Staten en der Regering van _Leeuwarden_.
+
+Integendeel, Gedeputeerde Staten ontzagen zulk een aanzienlijk ligchaam,
+welks goede zeden, vlijt en eerlijkheid in den handel hunne achting had
+verworven, en welks verzamelden rijkdom spoedig bleek den Staat van
+groot nut te kunnen zijn. Immers, toen bij het uitbreken van den tweeden
+Engelschen oorlog, in 1665, de provincie tot uitrusting van
+oorlogsschepen en andere lasten groote sommen noodig had, en eene
+geldleening van 5 tonnen gouds te vergeefs beproefd werd, zochten zij de
+Doopsgezinden aan, die leening in twee termijnen tegen 5 ten honderd te
+voldoen, met aanbod, dat zij voor hun zelven bevrijd zouden blijven van
+het dragen van wapenen. Bereidwillig voldeden zij destijds aan dit
+verlangen, en op nieuw in 1672, toen de nood des vaderlands nog hooger
+was gestegen. Op verzoek der Staten schoten zij der provincie toen nog
+400,000 Gld. tegen eene rente van 4 ten honderd voor, buiten de
+aanzienlijke bijdragen, welke zij persoonlijk tot de verdediging des
+lands veil hadden.
+
+Zulke groote opofferingen bleven van de zijde der Staten niet
+onvergolden. Deze besloten den 28 Februarij 1672, den Doopsgezinden
+voortaan _vrijheid van religie_ toe te staan, terwijl zij voor hunne
+personen van de algemeene volkswapening vrijgesteld bleven. Dit
+voorregt, van uitstekend belang, werd dankbaar door hen ontvangen, en
+was voor den vervolge van grooten invloed op hun rustig bestaan en
+verdere ontwikkeling. Ook later, in 1677, gaven zij nogmaals gehoor aan
+het verzoek der Staten tot het sluiten eener leening van 132,943 Gld.,
+zoodat zij alsnu in twaalf jaren tijds de provincie met een kapitaal van
+1,032,943 Gld. bijstand hadden geboden[307].
+
+ [307] Zie _Charterboek_, V 747, 749, 814, 1122; _Register op
+ Staats-resolutiën_, 179; TEN CATE, 176.
+
+ * * * * *
+
+Mogten de Doopsgezinden zóó door den Staat beschermd worden, de
+Hervormde Kerk had tegen hen eene blijvende grieve, eensdeels, wegens
+hunne afwijking van de gevoelens, welke zij als de eenige ware meende te
+moeten handhaven, en anderdeels, wegens hunne veelvuldige onderlinge
+verdeeldheden. Daarin vond zij eene beschuldiging en een grond tevens,
+om de noodzakelijkheid van hare eigene eenheid des geloofs te
+verdedigen. Schoon de Doopsgezinden geene kenmerkende leerstellingen
+hadden aangenomen, maar, zich enkel aan de Heilige Schrift vasthoudende,
+aan ieder hunner leden vrijheid van denkwijze lieten, en zich bijzonder
+door hun ijver voor het christelijk _leven_ onderscheidden, bleef de
+eenheid van leer beter onder hen bewaard. De Hervormden, met wien zij in
+de eerste tijden, ook blijkens de eerste Geloofsbelijdenis van omstreeks
+1550, meer overeenstemden, weken van lieverlede meer af; en door het
+aannemen der gevoelens van KALVIJN en van de leerstellingen der Dordsche
+Synode werd het verschil en de breuk tusschen beide kerkgenootschappen
+nog grooter. Legden de Hervormden er zich op toe, om bij de beschouwing
+van den weg der zaligheid alles alléén aan God toe te schrijven, terwijl
+de mensch in zijne geheele bedorvenheid daartoe niets _kon_ bijbrengen,
+en bij de genoegzaamheid der plaatsvervangende gehoorzaamheid van
+Christus ook niet behoefde;--de Doopsgezinden moesten afkeerig zijn van
+zulk eene voorstelling, in welke zij geene drangredenen tot eenen
+christelijken wandel konden vinden en die eigene werkzaamheid en
+spanning van zedelijke krachten onnoodig maakte. Vandaar, dat bij de
+eersten de beginselen van een lijdelijk Christendom en bij de laatsten
+van eene werkdadige Godsdienst meer werden ontwikkeld, tot een
+onderscheidend kenmerk van elke gezindte.
+
+Maar juist der Doopsgezinden ijver voor het christelijk leven bragt hen
+op den weg van onderlinge verdeeldheid en scheuring. Dat de Gemeente in
+haren wandel heilig en onberispelijk moest zijn; dat de ban of
+uitsluiting onontbeerlijk was, om alle vlekken en rimpels uit haar te
+verwijderen, en dat men de gebannenen ook in het dagelijksch verkeer
+moest mijden,--daarin kwamen allen overeen. Doch hoe ver men den ban en
+de mijding moest uitstrekken, daarover ontstonden verdeeldheden. Hunne
+Oudsten, LEENERT BOUWENS en DIRK PHILIPS, met heiligen ernst bezield,
+ijverden voor strengheid; de zachte geest van MENNO SIMONS vermaande
+gedurig tot gematigdheid, totdat hij, eindelijk overreed en zelf met den
+ban bedreigd, uit vrees voor scheuring zich bij hen voegde. Toen nu de
+strenge partij door het gezag van MENNO de overhand had bekomen,
+scheidden de gematigden zich omstreeks 1555 af en vormden afzonderlijke
+gemeenten. In _Oost-Friesland_, werden deze eerst _Schedemakers_ en in
+deze provincie _Franekers_ geheeten, doch later algemeen _Waterlanders_
+genoemd, welken naam zij ook eerst alleen in _Holland_ hadden gedragen,
+toen de anderen met dien van _Mennoniten_ werden onderscheiden. De
+Waterlanders leefden verder rustig en muntten uit door zuiverheid van
+zeden en onderlinge liefde. Onder de strenge banners ontstonden evenwel
+spoedig nieuwe oneenigheden: eerst naar aanleiding van vreemde zeden,
+door vlugtelingen, vooral uit _Vlaanderen_, aangebragt, welke in 1568
+eene scheuring veroorzaakten, ten gevolge eener mislukte poging tot
+hereeniging in de vermaning te _Harlingen_. Daar de partij der Friezen,
+welligt uit zucht tot vrede, daarbij eene dubbelzinnige rol speelde, gaf
+dit aanleiding, dat de meeste gemeenten in dit gewest de tegenpartij in
+het gelijk stelden, en zich met haar vereenigden. Later ontstonden er
+nog vele kleine scheuringen, doch bleven er in _Friesland_ vooral drie
+hoofdpartijen bestaan: de _Waterlanders_, de _Friezen_ en de
+_Vlamingen_.
+
+Allengs echter bedaarde de opgewonden ijver. Verbittering maakte plaats
+voor vriendschap, en op den tijd van scheuring volgde in den loop der
+17e eeuw een tijd van vereeniging, welke de meeste gescheidene gemeenten
+eerlang weder tot één bragt. De vroegere strengheid, bij welke de zorg
+voor zuivere zeden dikwijls de broederlijke liefde uitdreef, week voor
+een milderen geest. Door handel en bedrijf kwamen de Doopsgezinden
+allengs meer in maatschappelijk verkeer met andere burgers en in
+aanraking met de wereld. Een meer wetenschappelijk onderzoek van de
+Heilige Schrift deed hen aan bijzaken mindere waarde hechten. Zoo kwam
+er meerdere toenadering onderling en met andersdenkenden. Talrijke
+vergaderingen van hunne Oudsten getuigden van hunne zucht naar
+vereeniging. Belijdenissen werden in die vergaderingen opgemaakt, welke
+tot grondslag van vereeniging strekten en hunne gevoelens te gelijk aan
+anderen meer bekend maakten. Hoe zeer moest die goede geest niet
+toenemen, sedert zij in 1672 van de Staatsmagt de erkenning van hun
+bestaan en de lang begeerde vrijheid tot uitoefening van hunne
+godsdienst hadden verkregen?
+
+Eene eerste en weldadige vrucht daarvan was de oprigting van de
+_Friesche Doopsgezinde Societeit_ in 1695. Deze bestond in eene
+verbindtenis van meest alle Doopsgezinde gemeenten, met het doel, om
+»liefde, vrede en eenigheid onder elkander te bewaren, en om te zorgen,
+dat de noodlijdende gemeenten, benevens de Broeders, die daarin de
+predikdienst waarnamen, door onderlinge bijdragen naar vermogen mogten
+worden ondersteund." Deze vereeniging was van zeer gunstig gevolg voor
+den welstand van de gemeenten en van de gansche broederschap, en
+bevorderde een geest van onderlinge goedwilligheid en verbroedering,
+welke eerlang in den loop der 18e eeuw ten gevolge had, dat in die
+plaatsen, waar Friesche, Vlaamsche, Waterlandsche of andere gemeenten
+bestonden, vereenigingen tot stand kwamen, welke eindelijk, alle partij-
+en sektengeest verbannende, één krachtig en zelfstandig kerkgenootschap
+in het leven riep, dat getrouw was gebleven aan het eenige fondament,
+dat gelegd kan worden, al waren zijne leden ook van lieverlede uit hunne
+afzondering _in_ de wereld overgegaan.
+
+Vóór dit echter geschiedde, hadden zij nog eenige moeijelijke
+aanvallen door te staan. Als wij ons herinneren, welk een geest van
+onverdraagzamen ijver de Hervormde predikanten onderling bezielde jegens
+hunne eigene broederen, als: BEKKER, VAN GIFFEN en de Franeker
+Hoogleeraren, toen deze den moed hadden eenige meerdere vrijzinnigheid
+aan den dag te leggen, dan verwondert het ons geenszins, dat zij weinig
+genoegen namen in der Staten goedgunstigheid jegens de Doopsgezinden,
+waardoor alle vroegere klagten der Synode in eens gesmoord waren.
+Daarenboven was het duidelijk, dat er tusschen hen en de verketterde
+Remonstranten, Collegianten, Labadisten en Hernhutters eene
+vriendschappelijke aanraking bestond: sekten toch, die men verdacht
+hield van besmet te zijn met Sociniaansche gevoelens, welke de Kerk met
+den meesten afschuw verfoeide, waarom Socinianen, Kwakers en Dompelaars
+sedert 1662 bij plakkaat aan strenge vervolging waren blootgesteld;
+terwijl bij de vernieuwing van dit plakkaat in 1687 openlijk gezegd
+werd, dat die dwaalgeesten zich met de Doopsgezinden vermengden. Dien
+ten gevolge werd in 1687 een hunner leeraren op eene aanklagt gebannen
+en 1719 op nieuw. De bezorgdheid der Synode was zóó groot, dat zij in
+1722 zelfs Gedeputeerde Staten wist over te halen, dat van alle
+Doopsgezinde leeraren de onderteekening zou geëischt worden van een
+formulier tot erkentenis van het leerstuk der Drieëenheid, op straf van
+ontzetting en eene boete van 100 gouden Friesche rijders, als zij het
+leeraarambt bleven waarnemen. Stootend was het dezen voorzeker, dat een
+ander kerkgenootschap de vrijheid nam, hen voor te schrijven, wat zij
+hadden te gelooven omtrent een godgeleerd begrip, waarvoor zij onder de
+hen voorgelegde bewoordingen geen grond vonden in het evangelie. Allen
+(op slechts één na) weigerden de onderteekening, en zoo bleven dan nu
+hunne vergaderplaatsen gesloten. Zij leverden echter hunne bezwaren daar
+tegen bij de Staten in, die verstandig genoeg waren de gegrondheid
+daarvan te erkennen en de resolutie op te schorten, waardoor dit
+dreigende onheil werd afgewend.[308]
+
+ [308] _Charterb._ V 670, VI 130; TEN CATE, 148, 312, 313. De gevoelens
+ van de Poolsche Godgeleerden LELIUS en FAUSTUS SOCINUS, in 1638
+ verbannen, welke het meest van de leer der Kerk afweken, waren
+ bijzonder hunne ontkenning van het leerstuk der Drieëenheid en der
+ Erfzonde en twijfelingen omtrent de godgelijkheid des Heeren.
+
+De beschuldiging van Sociniaansche gevoelens toegedaan te zijn, trof in
+1738 drie leeraren van _Heerenveen_ en _de Knype_, waarvan twee van
+hunne bediening ontzet werden. De Doopsgezinde Societeit beklaagde zich
+hierover wel bij de Staten, doch zonder gevolg, dewijl men onvoorzigtig
+genoeg was geweest die handeling _inquisitie_ te noemen. Doch de
+geleerde JOANNES STINSTRA, leeraar te _Harlingen_, die in deze zaak den
+meesten ijver had betoond tot verdediging van het aangerande regt der
+Doopsgezinden tot vrijheid van geloof, viel kort daarop onder gelijke
+beschuldiging, dewijl men voorgaf, dat zijne uitgegevene predikatiën
+_over de natuur en gesteldheid van Christus Koningrijk_ met
+Sociniaansche denkbeelden besmet waren. Op de klagt der Synode aan
+Gedeputeerde Staten vonden deze goed, dat alle synodale klassen van
+_Friesland_ en alle theologische faculteiten in _Nederland_ het boek van
+STINSTRA zouden onderzoeken en hunne bevinding mededeelen. Deze was
+natuurlijk overeenkomstig de beschuldiging: want wie zou zich tegen het
+oordeel der Synode durven verzetten? Slechts één man had dien moed, die
+onpartijdigheid van onderzoek, die verachting van menschenvrees, waar
+het de belangen van waarheid en regt gold. De hoogleeraar VENEMA, reeds
+vroeger loffelijk door ons vermeld (bl. 355), die in verstand,
+geleerdheid en liefde boven zijne eeuw verre verheven was, verklaarde,
+niet één stellig bewijs van socinianerij in het boek te kunnen
+aanwijzen. In weerwil van dit gunstig oordeel, dat de verbolgenheid van
+velen tegen VENEMA opwekte, werd STINSTRA afgezet, en, ondanks de
+dringende verzoeken zijner gemeente en der Friesche Societeit, gedurende
+vijftien jaren (1742-1757) van zijnen kansel geweerd; hoewel hij
+intusschen, op verzoek van verlichte edelen en staatsleden, tijdens den
+landsdag, dikwijls te _Leeuwarden_ kwam prediken, bij welke gelegenheid
+de voornaamste Friesche grooten in de eenvoudige vermaning onder zijn
+gehoor verschenen. Wel ergerde dit de Hervormde predikanten, doch deze
+bescherming van de aanzienlijksten des lands schrikte hen af, verder
+iets tegen de Doopsgezinden te ondernemen[309]. Wij vermelden dit minder
+ter eere van STINSTRA, als wel om te bewijzen, dat er in het midden der
+18e eeuw bij vele aanzienlijke Friezen niet alleen godsdienstzin
+bestond, maar ook eene zucht naar meer vrijzinnige en evangelische
+begrippen, en tot verbreking van de banden, met welke de Kerk, nog
+altijd gesteund door het Staatsgezag, de leer immer binnen de zelfde
+enge grenzen wilde beperkt hebben. Het gezond verstand van hen, die men
+den bijnaam van _Toleranten_ had gegeven, begon zich te verzetten tegen
+de Dordsche leerstukken; en hoe krachtiger de predikanten deze wilden
+handhaven, hoe sterker de tegenstand werd der voorstanders van den
+vooruitgang jegens de aanhangers van het behoud.
+
+ [309] Dit verhalen YPEIJ en DERMOUT, III 531 op grond van het
+ _Historisch Verhaal omtrent Ds. de Cock_, 58, waar zelfs gezegd wordt,
+ dat hij "het puik der Friesche Baronnen (alle Heeren van Bon-Sens)
+ onder zijn gehoor had." Zie ook LORGION, _de Herv. Kerk_, 241 en TEN
+ CATE, 214 en 351, waar ruim 40 geschriften opgenoemd worden, welke
+ betrekkelijk deze, destijds zoowel elders als in _Friesland_, veel
+ geruchtmakende zaak zijn uitgegeven.
+
+De Doopsgezinden, die sedert de oprigting van hunne Kweekschool te
+_Amsterdam_ in 1735 meer wetenschappelijk gevormde leeraars ontvingen,
+die eene betere predikwijze en meer beschaafden spreek- en schrijftrant
+invoerden, en ook door andere geschriften, alsmede door vertalingen der
+werken van RICHARDSON, TILLOTSON, BLAIR enz. zich jegens de
+vaderlandsche letterkunde verdienstelijk maakten, waren steeds vrienden
+van gematigden vooruitgang en bondgenooten van hen, die wilden, dat ook
+de Hervormde Kerk zou deelen in de stralen der blijkbaar toenemende
+verlichting. En terwijl zij van lieverlede afstand deden van hunne
+begrippen omtrent het overheidsambt en het wapendragen, gaven zij aan-
+en ontvingen zij van de Hervormden menigvuldige blijken van
+verdraagzaamheid, toenadering en verbroedering. Hadden de twee
+Doopsgezinde instellingen: _Teijler's Godgeleerd en Tweede Genootschap_
+(1779) en de _Maatschappij: tot nut van 't Algemeen_ (1785), de
+bevordering van de waarheid der christelijke godsdienst, de uitbreiding
+van de wetenschap en de verstandelijke ontwikkeling van het volk ten
+doel--met gemeenschappelijke krachten en verwijdering van alle
+geloofsverschil hebben zoowel Hervormden als Doopsgezinden geijverd om
+dat doel te bereiken, en daardoor de eer en bloei van beide instellingen
+bevorderd tot duurzaam heil des vaderlands[310]. Ook de Friesche
+Doopsgezinden hebben tot dat alles het hunne toegebragt, en zullen de
+geschriften van STINSTRA, NIEUWENHUIS, DE VRIES, OOSTERBAAN, STIJL,
+KOOPMANS, HANEKUIK, HOEKSTRA, BROUWER, WIELING en anderen bestendig
+getuigen van hun ijver, zoowel voor Christendom en Kerk, als voor
+wetenschap en volksgeluk. De verzachting van begrippen en toenadering
+van de Protestanten onderling mogt den lang bestaanden scheidsmuur doen
+vallen, die toenadering moest echter ten gevolge hebben eene verminderde
+getal-sterkte hunner Kerkgemeenschap.
+
+ [310] Zie dit meer bijzonder aangewezen in de verhandeling van Prof.
+ SIEGENBEEK, _over hetgeen het Kerkgenootschap der Doopsgezinden, in de
+ laatste 50 jaren, tot verspreiding van redelijke Godsdienstkennis,
+ handhaving van het zuivere Christendom en verbetering der Predikwijze,
+ in de Protestantsche Kerk van Nederland heeft toegebragt_, geplaatst
+ in het 6e dl. van KIST en ROYAARDS, _Archief_, Leiden 1835, 203.
+
+Het werd mede eene aanleiding, dat vele Doopsgezinden, op verren afstand
+van eene gemeente wonende, geene zwarigheid maakten tot de Hervormde
+Kerk over te gaan.[311] Zeker hadden de staatkundige omstandigheden en
+de offers, welke de omwenteling van 1795 eischte, daarop een merkbaren
+invloed: want verlies van fondsen en daardoor van de gelegenheid om
+wetenschappelijk gevormde leeraars te kunnen bekomen, hebben vele kleine
+gemeenten op het land doen vervloeijen. Ten gevolge van dat alles daalde
+het getal gemeenten toen tot 42 en dat der zielen tot ruim 12,000,
+hoewel het laatste getal in 1851 weder tot ruim 15,000 was toegenomen.
+Die omwenteling schonk evenwel ook hun volkomene gelijkstelling met
+andere gezindten en onbeperkte vrijheid van godsdienstige begrippen.
+Sedert dien tijd hebben geene schokken hun kerkelijk bestaan verontrust,
+maar als rustige burgers van den staat, vasthoudende aan de grondslagen
+hunner evangelische belijdenis, zijn zij toegenomen in innerlijke kracht
+en in uitwendig aanzien, deelende in de zelfde voorregten, welke de met
+haar verbroederde Hervormden in de negentiende eeuw mogen genieten, bij
+gelijkheid van streven naar meerdere ontwikkeling en volmaking van
+christelijke beginselen, tot vorming van waardige burgers voor den Staat
+en bovenal voor het Koningrijk Gods in het leven der toekomst.
+
+ [311] Over de oorzaken van het verminderde getal leden heeft D^o.
+ BLAUPOT TEN CATE een afzonderlijk werkje geschreven, getiteld:
+ _Gedachten over de Getals-vermindering bij de Doopsgezinden_, Amst.
+ 1844, naar aanleiding van opmerkingen deswege in het belangrijke werk
+ van D^o. J. H. HALBERTSMA, _de Doopsgezinden en hunne herkomst_, Dev.
+ 1843. Volgens eene lijst daarin, zijn er in _Friesland_ wel 27
+ gemeenten te niet gegaan.
+
+
+_De Lutherschen_[312].
+
+ [312] Het volgende is hoofdzakelijk getrokken uit de berigten van de
+ Eerw. Heeren SCHULTZ JACOBI en SCHUTTE, in _Aant._ 19 breeder vermeld.
+ Zie ook bl. 164 hier vóór, en meerdere bijzonderheden in mijne
+ _Geschiedkundige Beschrijving van Leeuwarden_, II 118.
+
+Sedert LUTHER in 1517 openlijk den kamp waagde tegen _Rome_ en de
+misbruiken der Kerk, vonden zijn moed en gevoelens in ons vaderland
+spoedig weerklank. Bijzonder was dit het geval in _Friesland_, volgens
+de berigten van zijn tijdgenoot PETER VAN THABOR op het jaar 1524[313].
+»Door zijne schriften (meldt deze) en door zijne beschuldigingen tegen
+den Paus en de regenten der Kerk, alsmede tegen de Kloosters en velerlei
+menschelijke inzettingen en misbruiken, had hij het gansche Christenrijk
+beroerd, en waren er te _Amsterdam_ vooral groote ongeregeldheden
+voorgevallen. Hoewel er in _Friesland_ daarover toen nog niet zulke
+twisten bestonden, waren er nogtans vele priesters en geleerde lieden,
+die LUTHER bijvielen, en zelfs twee priesters van het klooster _Aanjum_
+naar hem toegeloopen." Reeds vroeger, onder de Saksische regering,
+hadden verscheidene Friezen de Saksische Hoogeschool te _Wittenberg_
+bezocht, en van 1522 tot 1559 nam dit getal aanmerkelijk toe, volgens
+eene daarvan bestaande breede lijst[314]. Vermits LUTHER eerst in 1546
+overleed, zoo is het duidelijk, dat zijne leerlingen in _Friesland_
+denkbeelden en gevoelens terugbragten, welke den voortgang en de
+uitbreiding van de zaak der hervorming gunstig waren. Vandaar dan ook,
+dat in al de eerste plakkaten, sedert 1521 namens den Keizer tegen de
+ketters en verzakers van het geloof der Kerk hier afgekondigd, LUTHER en
+zijne dolingen wel het meest worden veroordeeld en de verspreiding van
+zijne schriften en gevoelens verboden[315].
+
+ [313] _Kronijk_, in het _Archief_ van VISSER en AMERSFOORDT, II 427.
+
+ [314] Bij SCHULTZ JACOBI, 173, 184. Hij heeft deze lijst opgemaakt uit
+ het Album der Wittenbergsche Hoogeschool, dat echter slechts tot 1560
+ is gedrukt.
+
+ [315] Zie deze plakkaten in het _Charterboek_, II 107, 194, 415, 514,
+ 563, 594, 626, 633 env.
+
+En evenwel, hoe groot die invloed van LUTHER in _Friesland_ ook geweest
+is, om eene verandering van geloof, gemoed en leven te weeg te brengen,
+is er volstrekt geen blijk, dat er in de 16e eeuw hier eene, naar hem
+genoemde, sekte of gemeentelijke vereeniging, welke bepaaldelijk de
+Augsburgsche belijdenis volgde, is gevestigd geweest. Later toch waren
+de plakkaten meer gerigt tegen MENNO SIMONS en de hervormings-gezinden
+in het algemeen. De sterke toeneming van de Doopsgezinden en de
+aanneming van de bijzondere begrippen van ZWINGLI en daarna van KALVIJN
+bij de Hervormden schijnen de oorzaken geweest te zijn, dat de
+Lutherschen zich hier niet tot eene afzonderlijke gezindte gevestigd
+hebben. Sommigen hunner begaven zich naar _Oost-Friesland_, anderen
+vereenigden zich bij hunne uitsluiting in 1581 met de Hervormden, zoodat
+het getal dergenen, die de leerstellingen van LUTHER bleven aankleven,
+gering zal geweest zijn.
+
+In de volgende eeuw vermeerderde dat getal van lieverlede.
+Onderscheidene personen uit den vreemde zetten zich hier neder, of
+kwamen in het gevolg der Friesche Stadhouders of met Duitsche benden
+herwaarts over. Ook aan de Akademie te _Franeker_ bevonden zich veelal
+verscheidene Luthersche studenten. Toen in 1650 het getal dezer laatste,
+uit _Duitschland_, _Zweden_, _Denemarken_ enz. 31 bedroeg, deden zij
+eene eerste poging, om in _Friesland_ eene Luthersche Kerk op te
+rigten. Eerst deden zij een aanzoek daartoe aan den Akademischen
+Senaat, en, toen zij bij dezen geen gehoor vonden, aan Gedeputeerde
+Staten. Dan, de Hoogleeraren bragten daartegen zoo vele bezwaren in; zij
+vreesden van eene toegeeflijkheid in dezen zóó ernstige gevolgen voor de
+Kerk en de rust der Hoogeschool, dat de Staten meenden, genoemd verzoek
+van de hand te moeten wijzen[316]. Evenmin slaagde zeker zwervend
+predikant, JOHANNES DURÆUS, in 1656, om de Gedeputeerden in gunstiger
+stemming te brengen jegens zijne geloofsgenooten.
+
+ [316] Uit de Akademische akten medegedeeld door D^o. LORGION, _de
+ Hervormde Kerk_, 118.
+
+Intusschen hielden de Lutherschen toenmaals reeds in stilte
+vergaderingen zoowel te _Leeuwarden_ als te _Harlingen_, welke
+oogluikend werden toegelaten. De ijverzucht der Hervormde predikanten
+werd daardoor echter opgewekt, en de Synode van 1663 beval een onderzoek
+deswege, waarna zij in 1668 hare klagten daarover bij Gedeputeerde
+Staten inbragt. Zij werd daartoe inzonderheid bewogen, omdat de
+Lutherschen, na in dat jaar van de Staten te vergeefs verlof gevraagd te
+hebben, om te _Leeuwarden_ eene kerk te bouwen, een predikant uit
+_Amsterdam_ hadden ontvangen, die zoowel hier als te _Harlingen_ al te
+openbaar predikte. Gedeputeerden, gelijk ook de Magistraat, waren eerst
+wel genegen tot toegevendheid; doch toen de Lutherschen in het houden
+van hunne bijeenkomsten in eene vaste vergaderplaats hoe langer hoe
+vrijer werden, drongen de klagten en beschuldigingen van den Hervormden
+Kerkeraad zóó sterk, dat de Overheid zich in 1671 verpligt zag het bevel
+te geven, dat de predikant binnen drie dagen moest vertrekken en dat de
+vergaderingen belet of verstrooid zouden worden.
+
+Ofschoon de regering rekkelijk genoeg was, de uitvoering van dit besluit
+nog langer dan drie maanden uit te stellen, was men verpligt te
+gehoorzamen en zich te onderwerpen. Doch reeds in het volgende jaar 1672
+kwam er een ander predikant over, en toen in dit jaar de Staten aan de
+Doopsgezinden vrijheid van godsdienst-oefening toestonden, werd de hoop
+der Lutherschen verlevendigd, dat dit voorregt weldra ook hun mogt ten
+deel vallen. Zij bleven in stilte vergaderen in een achteraf staand huis
+in de Nieuwe Oosterstraat. Dit was echter zeer bouwvallig, en toen nu
+een rijk lid der gemeente, Jhr. ANDREAS MÖLLER, aanbood, om op die
+plaats voor zijne kosten een nieuw kerkgebouw te doen optrekken, waagde
+men het in Junij 1680 met den opbouw daarvan te beginnen. Doch met deze
+stoute daad was men te ver gegaan: want spoedig volgde het bevel van den
+Magistraat, om den arbeid te staken en het gebouwde af te breken,
+hetgeen, in weerwil van herhaalde en dringende verzoeken, geschiedde.
+
+Die tegenstand noopte de verdrukte gemeente om het uiterste te wagen en
+van de Staten vrijheid van godsdienst-oefening te verzoeken. Door
+medewerking van mannen van invloed werd deze den 22 Julij 1681 gelukkig
+verleend, evenwel op voorwaarde van te zullen vergaderen in een gewoon
+huis en in stilheid, zonder gebruik te maken van eene klok[317].
+Onmiddelijk hierna ving men aan met den opbouw van de kerk, waartoe de
+gemeente, die toen ongeveer 3 à 400 zielen telde, gaarne de overige
+kosten droeg. In 1692 werd daar naast eene kosterswoning en in 1697 eene
+pastorie in de nabijheid aangekocht. Dat kerkgebouw is in 1773
+vernieuwd en vergroot, vooral ten gevolge van den ijver en invloed des
+welsprekenden leeraars AUGUSTUS STERK, onder wien de gemeente tot 6 à
+700 zielen was aangegroeid. In 1843 is daarnevens eene nieuwe pastorie
+gebouwd.
+
+ [317] Zie dit besluit in het _Charterb._ V 1194 en bij SCHUTTE, 189;
+ alsmede _Reg. Staats-res._ 447; YPEIJ en DERMOUT, I Aant. bl. 153.
+
+ * * * * *
+
+Weinige zijn de bijzonderheden, welke omtrent de overige Luthersche
+gemeenten in _Friesland_ bekend zijn. De gemeente te _Harlingen_, te
+gelijker tijd met die van _Leeuwarden_ ontstaan, had in den beginne
+gemeenschappelijk met dezen den zelfden predikant. In 1669, toen zij een
+eigen huis tot eene kerk aankocht, was het getal harer leden reeds
+ongeveer 150. Even als in andere handelsteden nam dit getal van
+lieverlede in de 18e eeuw toe. Doch de geweldige twisten, welke ook dit
+kerkgenootschap en onderscheidene gemeenten daarvan beroerd hebben,
+gaven aanleiding tot scheuring, waardoor er te _Harlingen_ twee
+gemeenten ontstonden, waarvan de eerste den naam van de _Evangelisch
+Luthersche_ bleef dragen, terwijl de tweede, die zich, in navolging van
+de splitsing der Amsterdamsche gemeente, afscheidde, den naam van
+_Herstelde_ daar vóór voegde.
+
+Ook te _Balk_ is eene kleine gemeente geweest, gelijk mede op _Ameland_,
+welke tot 1817 als filiaal- of bijgemeente twee of driemalen 's jaars
+bezocht werd door den predikant van _Leeuwarden_, die dan in de
+Hervormde kerk te _Ballum_ doop en avondmaal bediende. Evenzoo werd
+_Workum_ een filiaal-gemeente van _Harlingen_. Te _Sneek_, _Franeker_,
+_Dokkum_, _Makkum_, _Dragten_, _Joure_, _het Bildt_ en elders bevonden
+zich later nog een grooter of kleiner getal Lutherschen. De geest
+van broederlijke eensgezindheid tusschen de Protestantsche
+kerkgenootschappen in deze provincie heeft thans gelukkig eene
+onderlinge toenadering bevorderd, welke de aanleiding tot vroegere
+afzondering grootendeels heeft doen verdwijnen. Het getal Evangelisch
+Lutherschen in _Friesland_ is thans, in 1851, echter niet grooter dan
+700, en dat der Herstelde van 126.
+
+
+_De Roomsch Katholijken._
+
+De aanneming van de zaak der hervorming in _Friesland_ was bij de
+omwenteling van 1580 zóó algemeen, dat er slechts weinige ingezetenen
+waren, die uit gehechtheid of overtuiging de oude Katholijke eeredienst
+bleven toegedaan, terwijl andere, uit vrees voor vervolging, deze
+provincie verlieten en later daarin terugkeerden. Tot den jare 1593
+verkeerde die voormalige Kerk hier alzoo »in eenen geheel verlatenen
+toestand; naauwelijks bevond zich hier een Priester, en die er waren,
+hielden zich uit vrees schuil." Dit verklaart althans Pater WILLEBRORDUS
+VAN DER HEIJDEN, die een verhaal heeft geschreven van de pogingen, welke
+de zendelingen der _Jezuiten_ van 1593 tot 1638 in _Friesland_ hebben
+aangewend, om de Roomsche eeredienst, welke bij de staatsomwenteling was
+te niet gegaan, zoo veel mogelijk weder op te beuren en te herstellen,
+waartoe hij zelf gedurende elf jaren ijverig medewerkte[318]. Wij noemen
+dit eene opmerkelijke verklaring, omdat zij van die zijde dit bekende
+feit bevestigt, en het bewijs levert, dat de latere Katholijken in dit
+gewest niet de Katholijken waren van vóór 1580, maar of vreemden of
+latere afvalligen van de eens aangenomene hervorming.
+
+ [318] _Verhaal van de verrigtingen der Jezuieten in Friesland_ is de
+ titel van dit geschrift, dat, uit het latijn vertaald, in 1842 door de
+ Heeren AMERSFOORDT en EVERTSZ is uitgegeven, met vele belangrijke
+ aanmerkingen over dit onderwerp verrijkt.
+
+De sedert 1593 bestendig in grooter getal overgekomene zendelingen der
+Jezuiten lieten geene pogingen onbeproefd, om sommige edelen, eenvoudige
+landlieden en zwakke burgers òf op nieuw in het oude geloof der Kerk te
+bevestigen, òf voor hunne zaak te winnen. Vermits niet alle Hervormde
+gemeenten in den eersten tijd met geschikte predikanten konden voorzien
+worden, en de overdrijving van de Kalvinistische stellingen velen onder
+de Hervormden tegenstond, slaagden zij aanvankelijk zeer gunstig. Reeds
+in 1606 vestigde zich te _Leeuwarden_ een wereldlijk priester, LAMBERTUS
+ENGELBERTS LAMBRINGA, die in 1609 door SASBOUT VOSMAER, zich noemende
+opvolger van den Utrechtschen Aartsbisschop, tot Deken en Aartsdiaken
+van _Leeuwarden_ werd aangesteld. De meeste zorg, veel vernuft en groote
+welsprekendheid wendden zij aan, om het Katholijk geloof voort te
+planten. Een hunner, CARBONELLI, had wel 600 zielen voor hunne zaak
+gewonnen. In 1636, toen VAN DER HEIJDEN wel acht priesters tot
+medehelpers had, aan wie verschillende grietenijen tot werkkring waren
+aangewezen, had hij alleen 523 personen gedoopt en 600 paren in den echt
+verbonden; terwijl in het volgende jaar 480 personen te _Leeuwarden_ van
+hem absolutie ontvingen. Ja, zij rekenden er op, dat elk jaar hun
+ongeveer 800 zielen aanbragt.
+
+Met ongemeenen moed weêrstonden of ontweken zij dikwijls het gevaar, dat
+hen bestendig bedreigde en herhaalde malen trof, van verstrooid,
+verjaagd, gevangen genomen en geboet te worden. Want zoowel de Algemeene
+als de Provinciale Staten hadden in en na den jare 1580 strenge
+plakkaten doen uitgaan tegen de priesters en de pauselijke ceremoniën,
+bijeenkomsten enz. Na 1593 werden die verbodsbepalingen, welke nagenoeg
+elk jaar op nieuw werden uitgevaardigd, dreigender, de bevelen aan de
+plaatselijke besturen scherper en de boeten op de overtreding hooger
+gesteld. Zelfs had hij, aan wiens huis zulk eene verbodene
+godsdienst-oefening plaats had, 100 Friesche gouden Rijders verbeurd.
+Nadat, volgens besluit der Hollandsche zending der Jezuiten,
+_Leeuwarden_ aan WILLEM WARIGHEM, _Zwolle_, _Groningen_ en _Sneek_ aan
+ARNOLD CATHUIS en _Harlingen_ aan GERARDUS CARBONELLI waren ten deel
+gevallen, breidden zij vooral over deze steden en omstreken hunne zorgen
+uit. Toen er in 1616 een gerucht ging, dat uit het huis van een »papist"
+te _Harlingen_ tot onder de Hervormde kerk mijnen waren gegraven, om
+deze laatste met buskruid te vernielen, lieten Gedeputeerde Staten, op
+aanklagt der classis van _Franeker_, dat huis onverwachts door 35
+soldaten overvallen en plunderen, waarbij in eene kast een aantal
+brieven en andere stukken van den priester WARIGHEM werd gevonden. De
+Staten achtten deze stukken belangrijk genoeg, om ze door den druk
+gemeen te maken, hetgeen in het latijn en in het nederduitsch
+geschiedde, opdat men zou kunnen zien »met wat practijken ende hoe
+groote neersticheyt de Jesuyten hare _negotiatie_ (so sij 't noemen)
+dryven, en hoe sy de Paeusselijcke Religie met de Jesuijtsche
+heerschappye tot onderganck van de gereformeerde Kercke ende Republijcke
+soecken voort te planten"[319].
+
+ [319] _Iesvitica per Vnitas Belgij Prov. Negociatio_ is de latijnsche,
+ en _Der Jesuyten Negotiatie ofte Coop-handel inde Vereenichde Nederl._
+ de Nederduitsche titel van dit hoogst zeldzame, in de Stedelijke
+ Bibliotheek van _Leeuwarden_ bewaarde geschrift, dat den Heeren
+ AMERSFOORDT en EVERTSZ zelfs onbekend bleef, en waarvan zij bl. 49 en
+ 250 melding maken naar eene schets, welke SCHELTEMA daarvan gaf in
+ KIST en ROYAARDS, _Archief_, III 399.
+
+In weerwil der hier na toegenomene vervolging en ondanks het
+staatsbesluit van 1638, waarbij aan alle priesters bevolen werd, binnen
+zes dagen uit deze provincie te vertrekken, bleven zij voortgaan, »om
+met groote cloeckheyt alle perijckelen te weerstaen en nae vermoghen
+zielen te winnen met Godts gratie." En inderdaad, als wij lezen hoe
+dikwijls zij zich daarbij aan levensgevaar bloot stelden; welk een moed
+zij voor hunne zaak aan den dag legden, en hoe onvermoeid zij werkzaam
+waren, om hun doel te bereiken en aanhangers te verwerven,--en als wij
+daarmede vergelijken de beschuldigingen tegen de Hervormde predikanten
+destijds ingebragt, zoodat de klassis van _Franeker_ het in 1662 noodig
+vond hen te bevelen, »tot verhoedinge van luijheijd en traagheijd in den
+H. dienst tot tweemaal te prediken en catechisatiën te houden, en dat
+het prediken niet in bloten sleur, en door alweder en weder dat selfde
+ten voorschijn te brengen en alsoo alleen om de uur te krijgen, werde
+verrigt"[320]--dan is het duidelijk, dat de onverpoosde ijver der
+Jezuiten en de laauwheid der Hervormden de oorzaken waren, dat de
+Katholijken van lieverlede in getal en krachten toenamen. Hoezeer het de
+Synode ook ergerde en hoe dikwijls zij ook klaagde over de »paepsche
+stoutigheden, het plegen van pausselyke ceremonien en het houden van
+conventiculen," waartegen de Staten tot aan 1686 bestendig de plakkaten
+vernieuwden,--zij moest toezien, dat de Katholijken hoe langer hoe
+onbeschroomder hunne godsdienst-oefeningen hielden en in de meeste
+steden en in en buiten vele dorpen in bekende bedehuizen bijeenkwamen.
+Die openbaarheid hinderde 1680 den Hervormden Kerkeraad van _Leeuwarden_
+zoodanig, dat op zijn verzoek, »om de paepsche afgoderij te weeren", de
+Magistraat al de altaar-sieraden uit het huis van Dr. VAN CAMPEN liet
+wegnemen en het zilverwerk in de Munt versmelten; terwijl de eigenaar
+van dat huis eene boete van 300 Gld. opgelegd werd, omdat hij bleef
+voortgaan met het houden van zamenkomsten. Groote wrok verwekten in deze
+stad de berigten van de vervolgingen, welke de Fransche Hervormden, ten
+gevolge der herroeping van het edikt van _Nantes_, hadden te verduren:
+zoodat op den 26 Julij 1687 de vergaderplaatsen der Roomschen door het
+gemeen werden aangevallen, verstoord en geplunderd, waarbij altaren,
+schilderijen, beelden en versiersels op de straat geworpen en openlijk
+verbrand werden[321].
+
+ [320] LORGION, Bijlagen tot _de Ned. Herv. Kerk_, 340.
+
+ [321] Zie SYLVIUS, _Vervolg op_ AITZEMA, 1687, III 95.
+
+Sedert 1693 vinden wij echter van geene vervolgingen of verhinderingen
+meer gewag gemaakt. Alleen de Jezuiten bleven strengelijk geweerd, en
+werden de plakkaten tegen deze nog in 1708 vernieuwd[322]. Het groot
+getal vreemdelingen, dat zich hier van tijd tot tijd nederzette en de
+Katholijke leer beleed, gevoegd bij de toenemende verdraagzaamheid van
+het Landsbestuur schijnen de oorzaken geweest te zijn, dat men de
+godsdienstige bijeenkomsten van deze rustige burgers voortaan bij
+oogluiking toeliet. Ten aanzien van het stemregt en het vervullen van
+openbare bedieningen bleven zij echter buitengesloten. »Zij werden,"
+gelijk de geleerde HUBER zegt, »meest door de wetten ingetoomt, omdat
+sy, vóór desen Meesters geweest zijnde en ziende hare partije de
+machtigste in _Europa_, ook door een zeer nauwe verbintenisse gehecht
+aen den _Paus_ en daer op stout, voor gevaarlijk aen den Staet worden
+gehouden"[323].
+
+ [322] Zie al de Staatsbesluiten vermeld op het _Register_, bl. 352,
+ 605, 614, en vele daarvan op de daarin vermelde datums gedrukt in het
+ _Charterboek_; alsmede meerdere bijzonderheden in mijne
+ _Geschiedkundige Beschrijving van Leeuwarden_, II 171, 197.
+
+ [323] _Heedendaegse Rechts-geleertheyt_, _Leeuw._ 1699, I 25.
+
+Eerst nadat de edele Paus CLEMENS XIV (GANGANELLI) de orde der Jezuiten
+had afgeschaft, betoonden de Friesche Staten zich rekkelijker jegens de
+Katholijken. Bij plakkaat van den 16 Maart 1776 stelden zij vast, dat
+het der R. K. gemeenten in deze provincie vergund zou zijn, onder
+goedkeuring van het plaatselijk bestuur, alléén wereldlijke Priesters en
+Kapelanen aan te stellen, die beloven moesten, geene stellingen te
+zullen leeren, welke het regt van- en de gehoorzaamheid aan de oppermagt
+der hooge Overheid konden krenken; alsmede, dat zij geregtigd zouden
+zijn, op naam en ten behoeve van kerken, geestelijken en armen, vaste
+goederen te bezitten, te erven en aan te nemen. Bovendien werd bepaald,
+dat de armbezorgers van al de toenmalige bezittingen van iedere gemeente
+naauwkeurige lijsten zouden opmaken en bij de plaatselijke besturen
+inleveren, om het verduisteren van die goederen te voorkomen[324].
+
+ [324] Zie _Verzameling van Placaten_, IV 367, 372.
+
+Sedert dien tijd kreeg dit kerkgenootschap een meer gevestigd bestaan en
+nam het getal van deszelfs statiën toe, zoodat dit eerlang tot ruim
+dertig steeg, waaronder eene Janseniste gemeente of de Bisschoppelijke
+Cleregie te _Leeuwarden_, welke echter in 1805 is te niet gegaan wegens
+verminderd getal leden. Eerst bij de omwenteling van 1795 verkregen de
+Katholijken volkomene gelijkheid van regten met andere gezindten, dewijl
+de provisioneele Representanten van het volk van _Friesland_, bij
+besluit van 22 Februarij 1795, verklaarden, de onbelemmerde vrijheid van
+geweten en de ongestoorde uitoefening van ieders godsdienst te zullen
+handhaven[325]; een besluit, dat den 5 Augustus 1796 door de Nationale
+Vergadering werd bekrachtigd. Toen later, ten gevolge der scheiding van
+Kerk en Staat, bij de Staatsregeling van 1 Mei 1798, omtrent den
+eigendom van de kerkgebouwen en pastoriehuizen der voormaals heerschende
+Kerk schikkingen tusschen de verschillende kerkgenootschappen waren
+voorgeschreven, bleek het in deze provincie, en bijzonder in de
+talrijkste gemeente _Leeuwarden_, welk een geest van onderlinge
+welwillendheid en hulpbetoon de onderscheidene gezindten bezielde, en
+hoe deze, met eerbiediging van ieders regten, belangrijke bezwaren kon
+opheffen[326]. Mogt die geest, ook in andere tijden en omstandigheden,
+duurzaam blijven bestaan, en mogten de uiteenloopende kerkgenootschappen
+allen wedijveren in liefde tot God en de naasten! Dan zeker zal het rijk
+van deugd, beschaving en volksgeluk hier meer en meer bloeijen en
+waardige burgers kweeken voor dit en het toekomstige vaderland.
+
+ [325] Aldaar, I 24.
+
+ [326] Sedert dien tijd is het getal Roomsch Katholijken in deze
+ provincie dermate toegenomen, dat het Aartspriesterschap van
+ _Friesland_ thans, 1851, uit ruim 21,000 zielen bestaat, uitmakende 31
+ statiën en 32 gemeenten, met een Deken en Aartspriester, te _Sneek_
+ wonende, aan het hoofd.
+
+
+_De Joden._
+
+'t Is inderdaad een zonderling contrast in de geschiedenis, dat in het
+zelfde jaar 1619, waarin de Remonstranten, die in ondergeschikte punten
+van geloof van de heerschende Kerk verschilden, uit den lande gebannen
+werden,--de allengs van elders overgekomen Joden of Israëliten, wier
+geloof lijnregt tegen dat der heerschende Kerk over stond, van de Staten
+van _Holland_ vrijheid van godsdienst-oefening verkregen. Zóó verdragen
+twistende bloedverwanten beter vreemden dan elkander.
+
+Lang hadden er in ons vaderland Joden verkeerd, toen een aantal uit
+_Portugal_ overgekomene Israëliten zich omstreeks 1595 te _Amsterdam_
+vestigde[327]. De Hoogduitsche Joden hebben echter eerst in 1636 daar
+eene gemeente opgerigt. Van uit die destijds zoo zeer bloeijende
+handelstad verspreidden deze zich eerlang in andere provinciën, en
+zetten in 1645 eenige gezinnen zich te _Leeuwarden_ neder. Zij werden
+door de Overheid stilzwijgend geduld, en later, 1670, met eene plek
+gronds tot eene begraafplaats begunstigd. Bij de toeneming van hun
+getal, gingen sommigen ook naar andere steden dezer provincie, waar de
+gelegenheid tot het drijven van kleinhandel hun het gunstigst voorkwam.
+Alleen de vreemde Joden, die hier kwamen bedelen en bedriegelijken
+handel dreven, wekten het misnoegen op van de Regering, zoodat ze
+bestendig verdreven en in 1770 zelfs bij lands plakkaat geweerd- en met
+vagabonden gelijk gesteld werden. In 1772 schreven de Staten ook het
+formulier voor, waarnaar »de Gerechten en Predikanten(?) verplicht
+waren, de Jooden in den Huwelyken Staat te bevestigen"[328]. Nadat hun
+getal, dat in 1754 te _Leeuwarden_ 140 zielen bedroeg, in 1798 tot 433
+zielen was toegenomen, lieten zij daar in 1805 eene nieuwe en groote
+Synagoge bouwen. Vervolgens nam ook deze gezindte in dit gewest zoodanig
+toe, dat de _Nederlandsche Israëliten_ in _Friesland_ thans een
+_Synagogaal Ressort_ uitmaken, met eene Hoofdsynagoge te _Leeuwarden_,
+door een Opper-Rabbijn bediend, benevens vijf Ring-synagogen, als: te
+_Gorredijk_, _Harlingen_, _Bolsward_, _Lemmer_ en _Sneek_, met twee
+bijkerken te _Noordwolde_ en _Hindeloopen_; terwijl hun getal op den 1
+Januarij 1851 ruim 2,000 zielen bedroeg.
+
+ [327] WAGENAAR, _Amsterdam_, II 220. Sedert is dit onderwerp
+ herhaaldelijk en uitvoerig behandeld in VAN WIJN, _Huiszittend
+ Leeven_, Amst. 1801; VAN HAMELSVELD, _Geschiedenis der Joden_, ald.
+ 1807, en vooral in de onder laatsten titel door het Utrechtsch
+ Genootschap bekroonde verhandeling van den Heer H. J. KOENEN, 1843,
+ wezenlijk een sieraad onzer letterkunde.
+
+ [328] Zie _Reg. Staats-res._ 370, 598, 344, waar het plakkaat en
+ formulier voorkomen; alsmede meerdere berigten in de _Geschiedkundige
+ Beschrijving van Leeuwarden_, II 198.
+
+
+40. _Frieslands Roem in Kunsten en Wetenschappen._
+
+Weinige onderwerpen zijn er, welke zoo belangrijk en tevens zoo
+bekoorlijk zijn, als de Geschiedenis van de Letterkunde. Hoe gaarne zou
+ik dus, indien het mij niet aan tijd en krachten faalde, onder
+bovenstaanden titel, een uitvoerig tafereel willen ophangen van der
+Friezen aandeel in de pogingen der Nederlanders, om de vruchten van
+hunnen geest en ijver dienstbaar te maken tot uitbreiding van het rijk
+van waarheid, kennis en deugd en tot aankweeking van goeden smaak en
+kunstzin? Eigenschappen, welke, als kenmerken en vereischen van het
+streven naar meerdere volmaking, het wezen en het doel eener
+burgermaatschappij moeten uitmaken. De mensch, half dier, half engel,
+heeft toch hoogere behoeften en eene edeler bestemming dan brood en
+vleesch kunnen bevredigen of vervullen. Gelukkig zij dus, die bij het
+leven des ligchaams ook het leven van den geest trachten te voeden: want
+de wetenschappen en kunsten zijn, naast de godsdienst, evenzeer sieraden
+als onmisbare hulpmiddelen ter opvoeding en beschaving van een volk in
+deze aardsche oefenschool voor eene betere wereld. Zonder vorming voor
+die wereld is er hier toch geene vatbaarheid voor geluk, geene kracht om
+te lijden en te strijden, geen moed om te sterven.
+
+Dat tafereel van de geschiedenis der letterkunde in _Friesland_ zou
+zeker tevens de blijken leveren, dat deze provincie, naar gelang harer
+bevolking en krachten, zich wel met andere provinciën des vaderlands
+heeft kunnen meten in den edelen wedstrijd ter bevordering van het ware,
+goede en schoone; zelfs met _Holland_, welks roem in kunsten en
+wetenschappen ook door den Baron COLLOT D'ESCURY zoo eervol is
+gehandhaafd. Of heeft niet een van Hollands eigene geschiedschrijvers,
+de voortreffelijke VAN KAMPEN, mede erkend: »Het is inderdaad
+hoogstmerkwaardig, dat _Friesland_, een zoo middelmatig Gewest van het
+kleine _Nederland_, in allerlei takken van menschelijke kennis, zoo vele
+uitstekende mannen heeft opgeleverd; zoodat men moet bekennen, dat dit
+Gewest zoo rijk geweest is in beroemde mannen, in zijnen schoot
+voortgebragt of gekoesterd, als bezwaarlijk eenig Land van gelijke
+uitgebreidheid in _Europa_"[329].
+
+ [329] Zie zijne _Beknopte Geschiedenis der Letteren en Wetenschappen
+ in de Nederlanden_, Delft 1826, III 254, 258.
+
+Hoe aangenaam en belangrijk het behandelen van dit onderwerp ook zij,
+het volbrengen daarvan moet ik echter aan een ander beoefenaar van
+wetenschap en kunst in deze provincie overlaten. Naar het bestek en plan
+van dit werk kan ik hier van dit onderwerp in hoofdtrekken slechts
+datgene aanstippen, wat ik wensch, dat een ander, met gelijken lust,
+doch meer bekwaamheid, uitvoeriger en vollediger in het licht moge
+stellen, in verband met de ontwikkeling van beschaving en volksgeluk.
+
+In de eerste plaats verdient dan onze aandacht:
+
+
+_Frieslands Hoogeschool te Franeker._
+
+In weerwil de Spaansche benden nog op de grenzen stonden des lands, dat
+zij herhaaldelijk door hunne invallen verontrustten;--ondanks gebrek aan
+krijgsvolk en middelen, die de verworvene onafhankelijkheid moesten
+verzekeren;--niettegenstaande hevige twisten tusschen de leden der
+regering over de mate en de grenzen des gezags--waren de Staten van
+_Friesland_ zeer spoedig bedacht, om, als eene eerste vrucht van de
+zegepraal der hervorming, hier eene kweekschool der wetenschappen te
+stichten; vooral, om de kerk van geschikte predikanten te voorzien. Zij
+meenden tevens aan de goederen der voormalige kloosters, aan den lande
+vervallen, geene betere bestemming te kunnen geven, dan om ze dienstbaar
+te maken tot het vrome doel, om de jeugd door onderwijs te vormen voor
+de dienst van Kerk en Staat, die behoefte hadden aan eene leerschool,
+tot dusverre steeds buitenlands gezocht. En op den zelfden landsdag van
+1584, waarop zij den eed tot afzwering van Koning FILIPS herhaalden en
+Graaf WILLEM LODEWIJK _van Nassau_ tot hunnen Stadhouder verkozen,
+besloten zij tot oprigting van een »Seminarium ofte Collegium tot
+welstand der Kercke Gods en het Polytische Regiment"[330].
+
+ [330] WINSEMIUS 747, 752, 758; SCHOTANUS, _Beschrijv._ 139; VRIEMOET,
+ _Athenæ Frisiacæ_, IV.
+
+Het voormalige Kruisebroeders-klooster te _Franeker_ werd daartoe
+aangewezen, en de voor acht jaren te _Leiden_ gestichte Akademie tot
+voorbeeld gekozen. In verschillende vakken werden geleerde mannen tot
+Hoogleeraren benoemd; ja zelfs twee, TIARA en DRUSIUS, van _Leiden_
+herwaarts beroepen, waarna de plegtige inwijding den 29 Julij 1585
+plaats had. Door de hoogleeraren geheel en de studenten ten deele van
+alle belastingen vrij te stellen; door het oprigten van een Akademische
+Bibliotheek; door het aannemen van een groot getal Alumni, die op lands
+kosten studeerden, waarvan het getal in 1598 tot 124 bepaald werd; door
+het instellen van eene Oeconomie en daarna van eene Beurs of algemeene
+tafel, ook voor minvermogende en vreemde studenten, en door wijze wetten
+en verordeningen trachtte het landsbestuur alles te bevorderen, wat tot
+bloei en uitbreiding van de Akademie kon strekken. De gewenschte vrucht
+daarvan bleef ook niet achter. Nadat in 1604 vier Curatoren namens de
+Staten meer bepaald met de zorg voor de belangen der Hoogeschool belast
+waren, nam het aantal studenten ongemeen toe, en werd ook het getal
+hoogleeraren vermeerderd; terwijl de roem van hunne geleerdheid en
+onderwijs mede vele buitenlanders aanspoorde, het kleine, doch voor de
+beoefening van de wetenschappen zoo geschikte _Franeker_ te bezoeken. De
+akademische inrigtingen werden vervolgens in 1632 met een Hortus
+Botanicus en in 1752 met Laboratorium Chemicum vermeerderd[331].
+Vandaar, dat, in weerwil het getal Alumni lands voedsterlingen in 1664
+tot op 41 verminderd was, het bij de plegtige viering van het eerste
+eeuwfeest der Akademie in 1685 bleek, dat het getal der gedurende de
+eerste honderd jaren ingeschreven studenten niet minder dan 10,643 had
+bedragen[332].
+
+ [331] Zie de Staatsstukken betrekkelijk deze Hoogeschool in het
+ _Charterb._ IV 657, 820, 943, 1075; V 108, 246, 297, 317, 328, 518,
+ 522, 546, 551, 628, 730, 758, 999; _Reg. Staats-res._ 5, 35, 110, 473,
+ 557, 647, 774; benevens de MS. Res. van Gedeputeerden.
+
+ [332] Volgens het nog aanwezige Album. De Feestrede van Prof. N.
+ BLANCARDUS, bij die gelegenheid gehouden, komt met vertaling voor in
+ SYLVIUS, _Vervolg op_ AITZEMA, II 23e bk. 91.
+
+Maar welke Hoogleeraren waren het ook, die door hun onderwijs en
+schriften de inboorlingen tot bekwame mannen vormden en zoo vele
+vreemdelingen, ook uit ver verwijderde landen, tot zich trokken? In de
+~Godgeleerdheid~ waren het LYDIUS, VAN DER LINDEN en LUBBERTUS, en op
+hun voetspoor twee SCHOTANUSSEN, CLOPPENBURG en ARNOLDUS, die den roem
+der Hoogeschool vestigden, gelijk WITSIUS, VAN MARCK, twee VITRINGA'S,
+twee VAN DER WAEYENS, ROËLL, CONRADI, VENEMA en VAN VOORST, die hem
+handhaafden en uitbreidden. In de ~Regtsgeleerdheid~ werd te _Franeker_
+eene school gevormd, welke uitstekende leerlingen kweekte onder de
+hoogleeraren VAN BEIJMA, twee SCHOTANUSSEN, VAN DEN SANDE, FABER en
+BOURICIUS, die later nog overtroffen werden door WISSENBACH, twee
+HUBERS, NOODT, SCHULTING, WESTENBERG en HEINECCIUS, die Europeschen roem
+verwierven, alsmede door twee VOORDA'S, WIELING, TROTZ, CANNEGIETER enz.
+De ~Genees-~, ~Wis-~ en ~Natuurkundige Wetenschappen~ vonden ijverige
+beoefenaars in AULETIUS, CLINGBIJL, METIUS, M. WINSEMIUS, VAN DER LINDEN
+en HOLWARDA, doch vooral in twee MATTHÆUSSEN, twee FULLENIUSSEN, MUYS,
+LORÉ, OUWENS, twee YPEIJS, twee BRUGMANSEN, CAMPER, VAN SWINDEN enz.
+Inzonderheid bloeide hier de beoefening van de ~Oude Talen~, ~Letteren~
+en ~Geschiedenis~ onder mannen als: TIARA, DRUSIUS en AMAMA, die de
+grondslagen legden, waarop RHALA, PASOR, P. WINSEMIUS, MOLL en TERENTIUS
+voortbouwden, om onder BOS, SCHULTENS, WESSELING en VRIEMOET zich uit te
+breiden en door HEMSTERHUIS, BURMAN, D'ARNAUD, VALCKENAER en SCHRADER
+eene schitterende hoogte te bereiken, waarvan onder VAN LENNEP, VAN
+KOOTEN en WASSENBERGH nog de stralen blonken[333].
+
+ [333] Levensbeschrijvingen van de meest al de genoemde Hoogleeraren
+ bevat het werk van VRIEMOET, hier vóór op bl. 234 aangehaald.
+
+Inderdaad, eene rij van geëerbiedigde namen, meest Friezen van geboorte,
+door de wijsheid van Frieslands staatsleden aan deze Hoogeschool
+verbonden, om het licht van geleerdheid en wetenschap te verspreiden;
+mannen, die voor Kerk, Staat en andere hoogescholen uitmuntende
+leerlingen vormden, en die hun roem aan de eer van _Franeker_ hebben
+verbonden. 't Was dáárom, dat de geschiedschrijver van Neêrlands
+letterkunde deze stad bij herhaling hulde bragt, als eene bron van
+kennis voor ons vaderland, daar hij »_Franeker_ eens de eerste en
+voornaamste Hoogeschool van _Nederland_ en de kweekhof van groote
+mannen voor _Leyden_" noemde[334].
+
+ [334] VAN KAMPEN, t. a. p. II 248, 259, 261, 311, 313, 364, 520, 609.
+ Op al deze plaatsen staaft die schrijver het hooge aanzien der
+ Franeker Akademie met bewijzen; terwijl het laatste gezegde
+ bevestiging vindt in een getal van _dertig_ Hoogleeraren, van
+ _Franeker_ naar _Leiden_ beroepen. Hij voegt er bij: "De _Friesche_
+ Hoogeschool telde in dit tijdperk, 1713-80, vijf der meestberoemde
+ Letterkundigen van _Europa_ onder hare Hoogleeraren, SCHULTENS,
+ HEMSTERHUYS, VALCKENAER, WESSELING en BURMAN, en was dus een waar
+ _Athenæum_ (niet in den zin van minderheid beneden eene _Akademie_)."
+
+»Zoo heeft God dese Academie steeds seer gesegent, met vermaerde Mannen,
+die tot alle tyden hier geweest zijn, en die, naest vele vryheden ende
+groote privilegien, de gunst, vriendschap en de beleeftheyt genoten van
+de Regenten en Principaelen des Landts, welke dese Academie beminden en
+voorstonden als de croon en cieraedt der Provincie"[335]. De eenmaal
+ingestelde heilzame verordeningen moesten echter bij herhaling
+vernieuwd, uitgebreid en aangedrongen worden, wegens veelvuldige
+ingeslopen misbruiken; terwijl zoovele, uit verschillende natiën
+herwaarts gevloeide, studenten te dikwijls aanleiding gaven tot klagten
+over drinkgelagen en baldadigheden, waartegen soms strenge maatregelen
+werden genomen. Van den aanvang af werd toch als het doel der studiën
+voorgesteld, om zoowel uit te munten »in geleertheyt als seden ende
+eerbaerheyt, opdat de jeugd, die opgequeeckt wordt tot Predick ende
+Richtstoelen, den roem van eenen goeden wandel en een reyn gemoet met
+haer brengen"[336].
+
+ [335] Prof. SCHOTANUS, _Beschrijv._ 140.
+
+ [336] Aldaar, 145, 177.
+
+Bij den tijdelijk ongunstigen toestand der provinciale financiën konden
+de Staten, die tot dusverre de belangen der Akademie zoo onbekrompen
+hadden bevorderd, goedvinden, in 1774 eenige »poincten van menage" in te
+voeren. Deze hadden noodlottige gevolgen, zoodat, ook wegens het
+verminderen van het getal vreemde studenten, haar bloei blijkbaar
+gedaald was, toen in 1785 het tweede eeuwfeest der Hoogeschool
+schijnbaar met luister werd gevierd.
+
+Doch toen ook kwijnden de studiën mede onder het geklank der opgevatte
+wapenen bij den opgewekten vrijheidszin onder de staatkundige
+verdeeldheden en beroerten, waarvan _Franeker_ vooral de zetel was, en
+ten gevolge waarvan in 1787 vier hoogleeraren en een aantal studenten
+deze stad verlieten. Te vergeefs trachtte men voor en na 1795 de hieruit
+voortgevloeide nadeelen te herstellen. Hoewel het getal studenten
+vervolgens weder tot 80 klom, sleepte de Hoogeschool, in vergelijking
+van haar vroeger aanzien, in het tijdvak der overheersching een kwijnend
+bestaan voort; totdat het Keizer NAPOLÉON behaagde, haar in 1812 op te
+heffen, en dezen eens zoo roemrijken zetel van geleerdheid en
+wetenschap, die het vaderland zoo lang tot sieraad had verstrekt, te
+vernietigen[337].
+
+ [337] Behalve de bronnen, hier vóór vermeld, bevat de _Teg. Staat_, II
+ 512, het uitvoerigste overzigt van de geschiedenis der Hoogeschool,
+ welke echter tot dusverre nog zeer onvolkomen bekend is. Ook dáárom
+ wensch ik zeer, dat er uit de groote menigte stukken, welke er
+ betrekkelijk deze Akademie nog te _Franeker_ en in mijne eigene
+ verzameling aanwezig zijn, eenmaal eene volledige geschiedenis worde
+ opgemaakt, welke zeker voor onze letterkunde eene belangrijke bijdrage
+ zou zijn.
+
+
+_Godgeleerden._
+
+Ook behalve de vroeger genoemde hoogleeraren te _Franeker_ heeft
+_Friesland_ een groot getal ~Godgeleerden~ voortgebragt of gekweekt, die
+òf als Hoogleeraren op de andere vaderlandsche leerscholen, òf als
+Predikanten, door geleerdheid en uitgegevene geschriften hebben
+bijgedragen, om het licht van godsdienst-kennis te verspreiden en de
+leer der Kerk te handhaven. GELLIUS SNECANUS, SIBRANDUS WOMMELIUS,
+FESTUS HOMMIUS en GELLIUS DE BOUMA waren in de eerste tijden even
+werkzaam om de Kerk te vestigen, als later FRANCISCUS ELGERSMA, DOMICUS
+GOLTZIUS, ARNOLDUS LANDREBEN, THEODORUS SCHELTINGA, HENRICUS SICCAMA en
+HERO SIBERSMA, om haar op te bouwen en te stichten. De schriften van
+THEODORUS en WILHELMUS À BRAKEL waren vooral lang algemeen geacht; zelfs
+werd de _Redelijke Godsdienst_ des laatsten van 1700 tot 1767 17 malen
+herdrukt. DAVID FLUD VAN GIFFEN en BALTHAZAR BEKKER poogden echter meer
+heldere begrippen omtrent de godsdienst te verspreiden en vooroordeelen
+te bestrijden, welke pogingen eerst later vruchten droegen. JOH.
+WESSELIUS, THEODORUS VAN THUYNEN, NICOLAAS SCHIERE, IBERTUS FENNEMA,
+MARTINUS SWARTTE en JOHANNES PLANTINUS waren in de 18e eeuw door leer en
+schriften zeer in achting. AGGÆUS HAITSMA, GAVIUS NAUTA, JOANNES
+STINSTRA, BENJAMIN FRIESWIJK, JOHANNES HABBEMA en HERO OOSTERBAAN
+muntten te gelijk door geleerdheid uit. Toen eindelijk de voortgang der
+verlichting vrijmoedigheid schonk, om vrijzinnige evangelische
+denkbeelden voor te dragen en een beter licht voor de Kerk te ontsteken,
+waren het de Friesche predikanten FOKKO LIEFSTING, JACOBUS ENGELSMA
+MEBIUS, PETRUS en JAN BROUWER, PETRUS en GERBRAND BRUINING en JOHANNES
+HENRICUS NIEUWOLD, die, even als vervolgens de hoogleeraren JODOCUS
+HERINGA EZ., EELKE TINGA, ANNÆUS YPEIJ, LUCAS SURINGAR en ELIAS ANNES
+BORGER, ijverig hebben medegewerkt, om in ons vaderland de kluisters der
+verouderde kerkleer te verbreken en het evangelische Christendom in eere
+te herstellen.
+
+
+_Regtsgeleerden._
+
+Aanzienlijk is het getal Friezen, dat gedurende dit tijdvak in de
+~Regtsgeleerdheid~ grooten naam mogt verwerven[338]. Hebben wij die,
+welke aan de Franeker Akademie uitblonken, genoemd, ook andere
+Hoogescholen des vaderlands hebben zij tot eer verstrekt, als: te
+_Leiden_ JUCKE VAN BEIJMA, BERNARDUS SCHOTANUS, GERLACH SCHELTINGA,
+BAVIUS VOORDA en JAN VALCKENAER; te _Utrecht_, behalve de zelfde
+SCHOTANUS en VALCKENAER, CYPRIANUS REGNERUS VAN OOSTERGA en JACOBUS en
+JOHANNES HENRICUS VOORDA; terwijl mede op buitenlandsche Hoogescholen
+mannen als MEINARDUS VAN AITZEMA te _Rochelle_, FRANCISCUS MEINARDUS te
+_Poitiers_ en DOMINICUS VAN ARUM te _Jena_ de leerstoelen van het regt
+met roem hebben bekleed.
+
+ [338] Zie deze alle genoemd in Prof G. DE WAL'S _Oratio de claris
+ Frisiæ Jureconsultis_, in 1818 te _Franeker_ gehouden en in 1825,
+ vermeerderd met de levens dier personen, te _Leeuwarden_ uitgegeven.
+
+Hoe vele namen van uitstekende regtsgeleerden bevat ook niet de Naamrol
+der Raden van het Hof van _Friesland_, welker roem van bekwaamheid en
+strenge regtvaardigheid den luister van deze geëerbiedigde regtbank
+verhoogde; personen, meest uit de eerste standen, die voortdurend
+bewezen, hoe zeer de beoefening van dégelijke studiën bij den adel en de
+aanzienlijken van _Friesland_ in achting stond[339]. Nog talrijker is de
+Naamrol der Advokaten voor dit Hof, waarvan vele in deze en andere
+betrekkingen sieraden geworden zijn van hun vaderland. Ook de Naamlijst
+van de Grietmannen bevat eene menigte personen, die als regtsgeleerden
+en staatsmannen hebben uitgeblonken[340]. Velen hunner mogten toch als
+leden van de Staten of van de Gedeputeerde en Generale Staten, of in
+andere lands betrekkingen mede nuttig zijn en aanzien verwerven.
+Moeijelijk valt het uit zoo groot getal personen namen te noemen van
+hen, die zich het meest onderscheidden. Evenwel zullen de geschiedboeken
+des vaderlands altijd met eere vermelden de verrigtingen van mannen als:
+ROMBERTUS ULENBURG, ECO YSBRANDI, KEIMPE en FRANS VAN DONIA, de
+Ambassadeur WILLEM VAN HAREN, ALLARD PIETER VAN JONGESTAL, SICCO VAN
+GOSLINGA, ULBE AYLVA VAN BURMANIA, TJAARD en HESSEL DOUWE ERNST VAN
+AYLVA; gelijk mede van WILLEM en ONNO ZWIER VAN HAREN, WYBRAND VAN
+ITSMA, NICOLAAS ARNOLDI, EPO SJUCK VAN BURMANIA, PHILIP FREDERIK en
+JOHAN VEGILIN VAN CLAERBERGEN, GEORG FREDERIK Baron THOE SCHWARTZENBERG
+enz.; terwijl de geslachten SAECKMA, GROVESTINS, VAN SMINIA, VAN AYLVA,
+VAN EIJSINGA, LYCKLAMA, VAN WYCKEL, BOURICIUS, BEUCKER, RENGERS, VAN
+SCHELTINGA, HUBER, VAN VIERSSEN, AITZEMA, ANDRINGA, DE BLAU enz.
+onderscheidene leden telden, die bij opvolging als regtsgeleerden en
+staatsmannen hebben uitgemunt[341].
+
+ [339] Zie over het Hof bl. 227 en de noot op bl. 228 hier vóór.
+
+ [340] Zie VAN SMINIA, _Nieuwe Naamlijst van Grietmannen_, en bl. 235
+ hier vóór.
+
+ [341] Van vele dezer personen heeft onze landgenoot Mr. JAC. SCHELTEMA
+ levensschetsen gegeven in zijn belangrijk werk: _Staatkundig
+ Nederland_, Amsterdam 1805, 2 deelen. Zie ook VAN SMINIA,
+ _Grietmannen_, het _Wapenboek_, het _Stamboek_ enz.
+
+Buitendien waren er nog vele personen, die de vruchten hunner
+wetenschappelijke beoefening van de Regtsgeleerdheid door de uitgave van
+werken hebben bekend gemaakt. Van deze mogen wij de namen niet
+verzwijgen van SIBRANDUS SICCAMA, JACOBUS BOURICIUS, TJALLING VAN
+EIJSINGA, THOMAS HERBAJUS, HERO À SCHINGEN, JOHAN VAN DEN SANDE,
+ANTONIUS KANN, DOMINICUS HAMERSTER, GAJUS NAUTA, SIMON BINCKES, SACO
+HARMEN VAN IDSINGA, PETRUS WIERDSMA, PETRUS BRANDSMA, ENNIUS HARMEN
+BERGSMA en anderen. Doch reeds meer dan genoeg, om slechts aan te
+wijzen, dat _Friesland_ ook in dit tijdvak rijk is geweest aan mannen,
+die als regtsgeleerden en staatkundigen het belang en de eer des
+vaderlands op eene waardige wijze hebben bevorderd.
+
+
+_Genees-, Heel- en Verloskundigen._
+
+Ook in deze vakken kunnen wij mannen van naam vermelden. HENRICUS VAN
+BRA, S. EUGALENUS, ISBRAND HIERONYMUS FRANK, SIBOLDUS en JOHANNES
+HEMSTERHUIS, G. FOLLIN en HENDRIK VAN DEVENTER mogten in de 17e eeuw
+door hunne uitgegevene geschriften de kennis en den vooruitgang van die
+vakken evenzeer bevorderen, als in de 18e eeuw ROELOF ROUKEMA, BERNARDUS
+IDEMA, MURK VAN PHELSUM, TIBERIUS LAMBERGEN, SIMON STINSTRA, JAN DE REUS
+en FOLKERT SNIP; gelijk vervolgens WYNOLDUS MUNNIKS, GEORGIUS en GADSO
+COOPMANS, JOHANNES DE VRIES, JOHANNES MULDER, ADOLPHUS YPEIJ, SEBALD
+JUSTINUS BRUGMANS en anderen. Grooter was echter het getal
+
+
+_Wis- en Natuurkundigen._
+
+Reeds voor lang toch is opgemerkt, dat in der Friezen aard en karakter
+zich steeds een bijzonderen aanleg en neiging heeft geopenbaard voor de
+beoefening van de Mathematische wetenschappen in het algemeen en voor
+die der Sterre-, Meet- en Werktuigkunde in het bijzonder[342]. Hebben
+wij vroeger reeds de namen van onderscheidene beoefenaars dier vakken in
+de 16e eeuw genoemd (bl. 158), ook de 17e eeuw gaf daarvan bewijzen in
+JOHAN SEMS, JAN HENDRIK JARICHS VAN DER LEIJ, SIBRAND HANSEN KARDINAAL,
+LIEUWE WILLEMS GRAAF, THEODORUS HOEN, HIPPOLYTUS BEYEM VAN AERSSEN,
+RIEMER SIJBES, CHRISTOFFEL MIDDAGTEN, BERNARDUS SCHOTANUS À STERINGA en
+anderen, die meest allen door geschriften bewijzen gaven van hunne
+bekwaamheden. Nog rijker was de 18e eeuw in het voortbrengen van
+dergelijke vernuften, die veelal uit den eenvoudigen burgerstand of uit
+landbouwers voortkwamen, en grootendeels zonder onderwijs van anderen
+door eigen aanleg en inspanning zich vormden en soms eene verbazende
+hoogte mogten bereiken. Zoo waren te _Leeuwarden_ JOHANN HERMANN KNOOP,
+HAIJKE HAANSTRA, WIJTSE FOPPES DONGJUMA, LUITJEN F. WIERSMA en TJEERD
+RINGNEERIJ ijverig werkzaam, om door onderwijs en schriften den bloei te
+bevorderen van vakken, waarin ook RIENK JELGERHUIS, LUCAS OLING;
+MATTHEUS SIDERIUS en JAN WILLEM KARSTEN bewijzen gaven van groote
+bekwaamheden. Te _Harlingen_ onderscheidden MATTHIJS ADOLF VAN ISDINGA
+en ABE JANS HINGST zich evenzeer in de zeevaartkunde, als de
+uurwerkmaker TJEERD RADSMA in de werktuigkunde.
+
+ [342] Zie dit vooral betoogd in Professor C. EKAMA'S _Oratio de Frisia
+ ingeniorum Mathematicorum inprimis fertili_, te _Franeker_ in 1809
+ gehouden.
+
+Doch vooral te _Franeker_ en omstreken bloeiden deze vakken. Waren DAVID
+en CHRISTOFFEL MEESE als kruidkundigen hoog geacht--JAN PIETERS VAN DER
+BILDT en zijn kleinzoon BAUKE EISMA VAN DER BILDT mogten roem behalen
+door hunne teleskopen en andere optische werktuigen. Nevens verscheidene
+stille beoefenaren van wis- en sterrekunde onderscheidden zich daar
+verder WOUTER MARTENS VAN DER WERF, HENDRIK ANJEMA en PIBO STEENSTRA;
+terwijl de scheikundige BOUDEWIJN TIEBOEL en de beroemde wijsgeer FRANS
+HEMSTERHUIS ook uit deze stad voortkwamen. In den omtrek van _Franeker_
+waren het de broeders RIENTS en KLAAS PIERS SALVERDA te _Salwerd_, KLAAS
+GERRITS WIERINGA te _Achlum_ en OBBE SIKKES BANGMA te _Arum_, doch
+vooral JELTE EISINGA met zijne beide zonen, EISE en STEPHANUS, te
+_Dronrijp_, die ongemeene vorderingen maakten in de wis-, sterre- en
+werktuigkunde. EISE EISINGA mogt het door eigene oefening zelfs zóó
+verre brengen, dat hij van 1773 tot 1780 te _Franeker_ dát
+voortreffelijk Planetarium of beweegbaar hemelstelsel vervaardigde,
+hetwelk, na door Prof. VAN SWINDEN te zijn beschreven, een voorwerp
+geworden is der bewondering van duizenden, die het kwamen beschouwen,
+gelijk het nog een sieraad is dier stad[343].
+
+ [343] Uitvoeriger berigten over EISINGA en de uit dit tijdvak vermelde
+ personen zie men in het _Leven van Eisinga en Geschiedenis van zijn
+ Planetarium_, geplaatst voor den derden druk van VAN SWINDEN'S
+ _Beschrijving van het Planetarium_, voor eenige maanden door mij
+ uitgegeven.
+
+Wij zouden meerdere namen kunnen noemen, als: van NIKOLAAS EPKEMA,
+HENRICUS ÆNEAE, de gebroeders ROELOFS en anderen; doch het aangevoerde
+zal wel genoeg zijn, om te bewijzen, dat _Friesland_ steeds vruchtbaar
+is geweest in het voortbrengen ook van mathematische vernuften.
+
+Der Friezen aanleg voor de beoefening van dégelijke studiën, waartoe,
+behalve gezond oordeel, geschiktheid tot afgetrokken nadenken met
+de zucht om naauwkeurig te toetsen en te overwegen en niet minder
+volharding vereischt worden, gaf mede aanleiding, dat velen
+hunner voedsel voor den geest zochten in het nasporen van de
+geschiedenis.--Vandaar het groot getal der door deze provincie gekweekte
+
+
+_Geschiedschrijvers._
+
+Terwijl REINICO FRESINGA en FREDERIK VAN VERVOU van _Franeker_, EVERHARD
+VAN REYD te _Leeuwarden_ en vooral LIEUWE VAN AITZEMA van _Dokkum_ de
+belangrijke voorvallen van hunnen leeftijd voor het nageslacht te boek
+stelden, waren ANDREAS CORNELIUS, MARTINUS HAMCONIUS, BERNARDUS
+FURMERIUS, PIERIUS WINSEMIUS en daarna CHRISTIANUS SCHOTANUS en SIMON
+ABBES GABBEMA ijverig werkzaam, om de oudste geschiedenissen der Friezen
+op te delven uit de verspreide bronnen, welke het voorgeslacht hen had
+achtergelaten. Ook in de volgende eeuw ontbrak het niet aan vlijtige
+beoefenaars van de historie, waarvan de groote werken getuigen van
+JAQUES GEORGE DE CHAUFEPIÉ, FRANÇOIS HALMA, SIGEBERTUS HAVERKAMP, SACO
+HARMEN VAN IDSINGA en FOEKE SJOERDS, die echter zijne Beschrijving en
+Geschiedenis van _Friesland_ naauwelijks ter helft mogt voltooijen. En
+terwijl SIMON STIJL eene schitterende proeve gaf eener wijsgeerige
+beschouwing van de vaderlandsche geschiedenis, mogten EDUARD MARIUS en
+ULBO VAN BURMANIA, WYBRAND VAN ITSMA, ABRAHAM FERWERDA en anderen
+gewigtige bronnen en bijdragen in het licht geven; doch mogt het vooral
+den edelen GEORG FREDERIK Baron THOE SCHWARTZENBERG gebeuren, met hulp
+van Dr. NICOLAAS THOLEN en JOHAN FREDERIK MAURITS HERBELL, door de gunst
+van 's lands Staten, _Friesland_ een _Groot Plakkaat- en Charterboek_ te
+bezorgen, van uitstekende waarde en duurzaam belang.
+
+
+_Letterkundigen._
+
+Door de beoefening van de oude talen, bijzonder der Grieken en Romeinen,
+met oogmerk, om de voortreffelijke werken hunner klassieke schrijvers en
+dichters uit te leggen, op te helderen en tot veredeling van den smaak
+en verhooging van den kunstzin te kennen, heeft ons vaderland in de
+beide vorige eeuwen grooten roem verworven. Talrijke vreemdelingen
+kwamen soms herwaarts, alléén om de uitstekende mannen te hooren, welke
+in dit vak onze hoogescholen luister bijzetten. In hoe verre _Franeker_
+daartoe heeft bijgedragen, hebben wij reeds vermeld. Bovendien waren er
+hier nog andere letterkundigen, die òf in de scholen òf door
+uitgegevene geschriften het hunne hebben bijgebragt, om dezen grondslag
+der toenmalige geleerdheid te vestigen en dien roem te schragen. Dit
+deden JOH. FUNGERUS, E. E. L. MELLEMA, EDO NEUHUSIUS en zijne zonen
+REINIER en HENDRIK, alsmede TOBIAS, WERNERUS en HENRICUS GUTBERLETH,
+JOH. HILARIDES en anderen in de 17e eeuw; terwijl de 18e eeuw, waarin
+de scholen van VALCKENAER en SCHRADER bloeiden, mannen kweekte, als:
+SIGEBERTUS HAVERKAMP, THOMAS WOPKENS, OLPHERDUS BELIDA, PETRUS en
+GERHARDUS HORREUS, JOH. BALCK, JOH. PIERSON, GIJSBERT KOEN, H. VAN DER
+SLOOT en ERNST WILLEM HIGT; gelijk later RICHEUS VAN OMMEREN, JOH. ADAM
+NODELL, THEODORUS VAN KOOTEN, ADRIANUS HERINGA, FRANS HEMSTERHUIS en
+JOANNES VERWEIJ; alsmede JOH. RUARDI, JACOBUS TERPSTRA, JOH. DANIEL VAN
+LENNEP, HERMAN BOSSCHA, HENR. WAARDENBURG, EVERWINUS WASSENBERGH, H.
+FRIESEMAN, VALENTINUS SLOTHOUWER, ECCO EPKEMA en anderen, die tot op
+onzen leeftijd de kweekscholen van geleerdheid versierden en de vruchten
+van kennis en smaak aan velen hebben medegedeeld.
+
+Onderscheidene dezer en vroeger genoemde personen beoefenden tevens de
+Latijnsche poëzij, waarvan zij vele proeven hebben nagelaten, even als
+HERO en FREDERIK VAN INTHIEMA, JOANNES BOURICIUS, ERNESTUS BADERS,
+PAULUS VAN GHEMMENICH, CHRISTIAAN BRINK, VOP. HOR. ACKER en
+onderscheidene Friesche edelen, die er steeds een roem in stelden, smaak
+voor de oude letteren aan de beoefening van de wetenschappen te paren.
+
+
+_Dichters._
+
+'t Zou echter geenszins vreemd zijn, wanneer de vermelde karaktertrek
+der Friezen en hunne meer bepaalde neiging voor de studie van dégelijke
+wetenschappen aanleiding hadden gegeven tot mindere geschiktheid voor
+de beoefening van de Dichtkunst, welke, zwevende in het rijk der
+idealen, meer het denkbeeldige en bespiegelende dan de wezenlijkheid tot
+voorwerp heeft. Het is zoo; wanneer wij het groot getal verzenmakers,
+als: WIJBRAND MICHIELS, PETRUS BAARDT, T. SONNEMA, HENDRIK RINTJES,
+VITUS RINGERS, HERO GALAMA, FOPPE FOPPESZOON JUNIOR, GABBEMA enz. uit de
+17e eeuw, gelijk FRANÇOIS HALMA, ROELOF ROUKEMA, WIJBRANDUS DE GEEST,
+MAGDALENA POLLIUS, JETSKE REINOU VAN DER MALEN, EELKE MEINDERTS, CLARA
+FEIJOENA VAN SIJTZAMA, JOAN SANDE, JAN AUKES BAKKER, SYMEN en JAN
+ALTHUYSEN enz. uit de 18e eeuw, wier verzen om de onderwerpen of hunne
+zedelijke of godsdienstige strekking den bijval verwierven van hunne
+tijdgenooten, niet gelijk willen stellen met hen, wier verheffing, smaak
+en gevoel hun aanspraak geeft op den naam van Dichter, in den hoogeren
+zin van dat woord,--dan bepaalt dit getal zich tot weinige personen.
+Doch die weinige kunnen dan ook tegen eene groote menigte opwegen. Of
+zouden wij dien eernaam niet mogen toekennen aan ~JAN JANSZOON STARTER~,
+die in 1614 op twintigjarigen leeftijd te _Leeuwarden_ kwam en deze stad
+in 1620 weder verliet, doch gedurende die zes voorspoedige jaren van het
+bestand hier, èn door de oprigting van eene Rederijkerskamer: Och, mogt
+het rijzen! welke 80 aanzienlijke personen tot leden telde, èn door het
+opvoeren van treur- en blijspelen, èn door zijne onuitputtelijke en
+geestige dichtader, hier een lust en liefde voor de nieuwe Nederduitsche
+poëzij opwekte, welke verwonderlijk was[344]. Hij liet aan zijne
+talrijke vereerders de _Friesche Lusthof_, vol aardige minneliederen en
+trouwdichten, na, welke dien bijval vond, dat dezelve in dertien jaren 6
+of 7 malen gedrukt werd. Hoe groot de invloed ook was, dien STARTER
+tijdelijk uitoefende, deze was echter niet van duur of van dat gunstig
+gevolg, hetwelk men zich daarvan voor de toekomst had mogen beloven.
+
+ [344] Voor eenige jaren heb ik over _Starter en zijne Gedichten, in
+ betrekking tot den toestand der Letterkunde in Friesland in het eerste
+ gedeelte der 17e eeuw_ eene uitvoerige verhandeling zamengesteld, die
+ ik welligt eerlang eens zal uitgeven, ook omdat er zoo weinig van en
+ omtrent dezen dichter en dit tijdvak bekend is.
+
+Bovendien was hij de eerste, die verzen in de Landfriesche taal uitgaf.
+Eerlang vond hij daarin een navolger in ~GYSBERT JACOBSZ.~,
+schooldienaar te _Bolsward_, die, na eerst in het Nederduitsch zwakke
+proeven, nog in den trant van SPIEGHEL, te hebben gegeven, zich in het
+Friesch tot eene hoogte verhief, welke hem tot een voorwerp der
+bewondering zijner nakomelingen heeft gemaakt. In hem toch zien wij
+scheppend vernuft en kieschen smaak vereenigd met eene groote mate van
+gezond verstand, dat zijne dichterlijke verrukking leidde en ten teugel
+diende. In elk zijner meesterstukken schittert zijn talent en verlicht
+oordeel, als hij met bevallige losheid tafereelen uit het Friesche
+volksleven schildert, en, altoos wisselende naar den eisch des
+onderwerps, tusschen allerlei onderwerpen heerlijke lessen van
+levenswijsheid strooit; terwijl hij in alles een meesterschap over de
+taal betoont, zoo als nog niemand hare kracht en schoonheid had aan den
+dag gebragt. Dáárom vereeren de Friezen hunnen GYSBERT, als hun dichter
+bij uitnemendheid[345].
+
+ [345] Over GYSBERT sprekende, mag men zeker HALBERTSMA'S
+ voortreffelijke _Hulde_ niet verzwijgen en evenmin het leedgevoel
+ onderdrukken, dat deze dan nu, na 25 jaren wachtens, onvoltooid zal
+ blijven. Zijn _Letterkundige Naoogst_ heeft ons daarvoor echter eenige
+ vergoeding geschonken.
+
+Meer algemeen was de roem, welken de broeders ~WILLEM~ en ~ONNO ZWIER
+VAN HAREN~, niet enkel in hooge staatsbetrekkingen, maar inzonderheid
+als Dichters mogten verwerven. Terwijl in het midden der 18e eeuw de
+dichtkunst in ons vaderland ontaard was in de kunst om nette, rollende
+verzen te maken, zonder oorspronkelijkheid, dichterlijke vlugt of
+gevoel, toonden zij het vaderland door hunne mingepolijste poëzij, dat
+die vereischten der ware kunst nog niet geheel verloren waren. WILLEM
+mogt door zijn grootsch heldendicht: _Gevallen van Friso_ en zijne
+stoute _Lierzangen_ even grooten roem behalen als ONNO later door zijne
+_Geuzen_, _Treurspelen_, _Lierzangen_ enz. In vaderlandsch gevoel, in
+stoute beelden en vergelijkingen, in treffende grepen, in dichterlijke
+uitdrukking, in rijkdom van vinding en belangrijkheid van zaken dongen
+beide om den prijs. Die meesterstukken van waarachtige poëzij
+doordringen toch, waar men ze opsla, ieders hart met warm gevoel voor
+vaderland, vrijheid, menschenwaarde, godsvrucht en deugd. Vandaar, dat
+zij, die de hooge roeping des dichters vervulden, de dankbare
+bewondering van het nageslacht en de lofspraak van een BILDERDIJK
+verdienden:
+
+ _Van Harens, Broedrental dat zelden weêrga vond,
+ O Waarom zweeft uw naam geen wareldgordels rond!_[346]
+
+ [346] Ook omtrent de VAN HAREN'S heeft Dr. J. H. HALBERTMA zich door
+ de uitgave zijne _Fragmenten_ verdienstelijk gemaakt; even als de
+ Heeren DE VRIES en KEMPER door hunne verhandelingen, voor de nieuwe
+ uitgave der Werken van de VAN HAREN'S geplaatst. Reeds in 1747 schatte
+ D^o. HOFSTEDE de verdiensten dezer broeders zoo hoog, dat hij in eene
+ leerrede op de verheffing van Prins WILLEM IV, 104, verklaarde, dat
+ zij "een Standbeeld, naar de wyze der _Ouden_, in deezen Burgerstaat
+ verdiend hebben." _De Geuzen_ volgden echter eerst 22 jaren later. Zie
+ ook _Aanteekening 20_.
+
+In dit zelfde tijdvak mogten mede ERNST WILLEM HIGT, BOELARDUS
+AUGUSTINUS VAN BOELENS, CYNTHIA LENIGE en SIMON STIJL door
+voortreffelijke dichtvruchten eer en onderscheiding verwerven.
+
+
+_Schilders, Teekenaars en Graveurs._
+
+Dat smaak en gevoel voor beeldende Kunst, ook om boven vermelde
+reden, in _Friesland_ minder algemeen geheerscht zouden hebben, en
+dat dit afgelegene gewest (in vergelijking van het rijke en voor de
+gemeenschap met andere landen zoo gunstig gelegene _Holland_) weinige
+kunstbeoefenaren zou hebben voortgebragt,--ook dit zou zeer natuurlijk
+geweest zijn. En toch noemt de geschiedenis onzer vaderlandsche
+Schilder-, Teeken-en Graveerkunst een aantal Friezen, die het hunne
+hebben toegebragt om den Nederlandschen kunstroem te vestigen.
+
+Als ~Schilders~ hebben toch PIETER DE VALK, JACOB BAKKER, FRANS CARRÉ,
+JELLE REINIERS, JAKOB POTMA, WIJBRAND DE GEEST, SIMON en DIRK DE VRIES,
+GERARD EDEMA, MATTHIJS HAARINGS en WIGERUS VITRINGA zich in de 17e eeuw
+verdienstelijk gemaakt. En zouden wij daarbij ook niet mogen noemen
+MEINDERT HOBBEMA, wiens meesterstukken thans bijna tegen goud worden
+opgewogen?[347] Ook in de volgende eeuw waren TAKO HAJO JELGERSMA,
+BERNARDUS en MATTHIJS ACCAMA, HERMANUS BUSCH, RIENK JELGERHUIS en GERARD
+WIGMANA, even als J. DE WILDE, TACO SCHELTEMA, HERMANUS WOUTER BEEKKERK,
+DIRK PLOEGSMA, ALLERT VAN DER POORT, NICOLAAS BAUR, WILLEM BARTEL VAN
+DER KOOI enz. in verschillende vakken zeer geacht.
+
+ [347] Ook REMBRANDT had eenige betrekking op _Friesland_, doordien hij
+ hier (en niet te _Ransdorp_ of _Rarup_ in _Noord-Holland_) eene vrouw
+ zocht en vond in SASKIA, de dochter van den Leeuwarder Raadsheer Dr.
+ ROMBERTUS ULENBURG, met wie hij den 22 Junij 1634 te _St. Anna
+ Parochie_ in den echt werd verbonden, zoo als ik onlangs ontdekt en
+ met bewijzen heb kunnen staven.
+
+Als ~Teekenaars~ mogten MARGARETHA DE HEER, J. STELLINGWERF, PIETER
+IDSERDS PORTIER, PETRUS CAMPER, JOH. JELGERHUIS RZ. en anderen zich mede
+onderscheiden.
+
+Hoewel het niet bekend is, dat er in _Friesland_ ooit eene
+Plaatdrukkerij heeft bestaan, hebben toch als ~Graveurs~ uitgemunt:
+BOETHIUS of BOTE en SCHELTE VAN BOLSWERD, PETRUS FEDDES VAN HARLINGEN,
+JAN JAAPIX, J. VAN MUNNICKHUIZEN, JAN DE VOS, JACOBUS en ANNA FOLKEMA,
+PIETER TANJÉ, MICHIEL ELGERSMA en KLEIS LANTING, waarvan sommigen
+uitstekende kunstwerken hebben voortgebragt[348].
+
+ [348] Bijna al de genoemde kunstenaars komen met korte levensschetsen
+ voor in het bekende werk van IMMERZEEL, _de Levens en Werken der Holl.
+ en Vlaamsche Kunstschilders_ enz. Amst. 1842, 3 dln. Van
+ onderscheidene der laatste heb ik kunstwerken verzameld.
+
+Ziedaar enkel de namen genoemd van de voornaamste personen, welke, in
+verschillende vakken van kennis en kunst, uit _Friesland_ zijn
+voortgekomen en die hebben bijgedragen, om in ons vaderland vooruitgang
+in wetenschap, smaak en beschaving te bevorderen[349]. Gewis, dit gewest
+heeft naar vermogen zijne offers aan het rijk van het goede en schoone
+toegebragt, en roemvol is de rij van verdienstelijke personen, die onze
+vaderlandsliefde zich herinnert, en aan welke wij de hulde onzer
+vereering toebrengen als dankbare nakomelingen, die tevens een prikkel
+tot navolging vinden in de overtuiging:
+
+ _Der Vadren glorie strekt het Nageslacht tot eer._
+
+ [349] Het zou mij zeker niet moeijelijk gevallen zijn, om van al de
+ vermelde personen hierbij korte levensschetsen te voegen uit mijne
+ sedert 1826 verzamelde Aanteekeningen betrekkelijk beroemde Friezen.
+ Doch dan ware dit onderwerp voor deze _Beknopte Geschiedenis_ veel te
+ uitvoerig behandeld geworden, in verhouding tot het overig gedeelte.
+ En toch is het een zoo hoogst belangrijk onderwerp, dat ik hartelijk
+ wensch, dat het voornemen, door Jhr. Mr. H. B. VAN SMINIA en mij
+ opgevat, om een _Beroemd Friesland_ te bewerken en over eenige jaren
+ uit te geven, door ons zal mogen worden volbragt.
+
+
+41. _Vrede en Voorspoed verheffen--Zorgeloosheid en Partijschappen
+ontbinden den Staat._
+
+_Van den Utrechtschen vrede tot de Staatsomwenteling._
+
+_1713-1795_[350].
+
+ [350] Dit derde gedeelte der staatkundige geschiedenis van dit tijdvak
+ strekt ten vervolge van het tweede gedeelte, dat op bl. 308 eindigt.
+
+Niets is meer algemeen onder de menschen, dan dat zij, dagelijks door
+hoop en vrees geslingerd, aan vrede en voorspoed het denkbeeld van
+geluk--en aan nood en tegenspoed, dat van ongeluk verbinden. En echter
+leert de geschiedenis, ook van ons vaderland, dat--terwijl nood en
+tegenspoed de levenskrachten der natie opwekken en moed en inspanning
+ten algemeenen nutte ontwikkelen--ons geslacht veelal zwak genoeg was,
+om vrede en voorspoed meer te doen strekken tot gemak en genot, die
+verslapping nalaten, dan tot herstelling, verbetering en vooruitgang in
+velerlei betrekkingen van den staat en der maatschappij. Zóó misleiden
+de volken zich zelve, door van de beste der gaven geen verstandig
+gebruik te maken! Dán hoopen de smetstoffen in den staatkundigen
+dampkring zich op, totdat er eene geruchtmakende uitbarsting komt, welke
+allen uit den slaap opwekt en naar hulp en redding doet uitzien. Bij het
+licht des geloofs, dat God de natiën bestemd heeft, om steeds te
+vorderen in volmaking en beschaving, zien wij echter te midden van dit
+alles: dat alle pogingen om het ware en goede te bevorderen duurzaam tot
+heil strekken; dat de raadslagen der boozen verijdeld worden, en dat de
+dwalingen en verkeerdheden der menschen, onder Zijne liefdevolle
+leiding, middelen worden tot hunne leering en verheffing voor de
+toekomst.
+
+De loop der gebeurtenissen in ons vaderland gedurende de 18e eeuw heeft
+dit alles bewezen.--In de oorzaken, middelen en gevolgen daarvan had
+_Friesland_ rijkelijk zijn aandeel. Wij willen den afgebroken draad
+hervatten, en ook het voorgevallene in het laatste gedeelte van dit
+tijdvak in hoofdtrekken mededeelen.
+
+Had ons land ná den Munsterschen vrede van 1648 langer dan eene halve
+eeuw moeten oorlogvoeren met andere mogendheden,--op den vrede, in 1713
+te _Utrecht_ gesloten, volgde inderdaad eene veeljarige rust. Zelfs
+deden de Algemeene Staten al het mogelijke om den vrede te bewaren en
+den oorlog te schuwen, hetgeen ook na de aanzienlijke vermindering van
+de landmagt en de verwaarloozing van het zeewezen wel noodzakelijk was,
+ofschoon zij de eer en waardigheid des lands daarbij dikwijls in de
+waagschaal stelden. Onder het genot van die rust, bij welke de vroegere
+wakkerheid vervangen werd door zucht naar gemak en weelde, bleven
+koophandel en nijverheid bloeijen, ook in weerwil der rampen, welke nu
+en dan aanzienlijke offers eischten. Immers, nog was de veepest, in 1712
+begonnen, aan het woeden, toen _Friesland_ eerst in 1715, doch vooral
+bij den Kersvloed van 1717, verschrikkelijk werd geteisterd door
+dijkbreuken en overstroomingen, die groote schade te weeg bragten.
+Naauwelijks waren de hierop gevolgde herstellingen en verbeteringen van
+onze zeeweringen voltooid, en pas had eene heerschende ziekte en
+ongemeene sterfte in 1728 opgehouden, toen eene nieuwe volksramp, de
+paalworm, in 1730 en volgende jaren het land met een groot gevaar
+bedreigde en aanzienlijke sommen eischte tot beveiliging onzer havens en
+kusten; terwijl weinige jaren later, in 1744 en vervolgens, de veepest
+nog grootere verliezen veroorzaakte[351].
+
+ [351] Zie over deze hier slechts aangestipte punten ook bl. 238, 316,
+ 336 hier vóór.
+
+Intusschen had Prins WILLEM CAREL HENDRIK FRISO, door eene
+voortreffelijke moeder opgevoed, door de beste leermeesters gevormd en
+van nature met de edelste vermogens van verstand en hart begaafd, in
+1731 den twintigjarigen ouderdom bereikt en het Erfstadhouderschap over
+_Friesland_ aanvaard. Bij die gelegenheid had Prinses MARIA LOUISA het
+bewind nedergelegd, en nevens den dank der Staten voor de uitnemende
+diensten, welke hare wijsheid den Staat en deze Provincie had bewezen,
+eene gift van 5,000 Gld. en een lijfpensioen tot een gelijk bedrag, uit
+achting voor haar persoon en verdiensten, ontvangen. Reeds in 1718 was
+de Prins door _Groningen_ en in 1722 door _Drenthe_ en _Gelderland_ tot
+Stadhouder benoemd, welke waardigheden hij in 1729 had aanvaard, in
+weerwil der tegenkantingen van _Holland_ en andere provinciën, die deze
+uitbreiding van 's Prinsen magt met leede oogen aanzagen. In spijt
+der tegenbedenkingen van _Holland_ steeg het aanzien van den Prins nog
+meer door zijne echtverbindtenis met ANNA, Kroonprinses van
+_Groot-Brittanje_, oudste dochter van Koning GEORGE II, welke den 25
+Maart 1734 werd voltrokken. Luisterrijk was het onthaal, dat het
+vorstelijk paar, te _Harlingen_ aangekomen, den 11 Mei op zijn togt naar
+en in _Leeuwarden_ mogt ondervinden, waarbij de regering en de
+ingezetenen hunne hooge ingenomenheid met dit huwelijk aan den dag
+legden; terwijl 's lands Staten der Prinses eene tonne gouds tot eene
+huwelijksgift aanboden[352]. In de liefde zijner Friezen vond de Prins
+dan ook bestendig de meeste voldoening, bij al de geestkracht, welke
+hij bezat, om zich boven de bestendige vernedering, uitsluiting en
+tegenwerking der Staten van _Holland_ en andere gewesten fier te
+verheffen.
+
+ [352] Onder den titel van: _het Juichend Friesland_ is er destijds een
+ verhaal van deze blijde inkomst en beschrijving van de plegtigheden,
+ eerepoorten, illuminatien en vuurwerk in folio uitgegeven. Zie ook
+ _Reg. op de Staats-resol._ 343, 519.
+
+ * * * * *
+
+Hoe duurzaam het genot van vrede en voorspoed ook schenen te zijn, ten
+jare 1740 ontbrandde op eens de Oostenrijksche successie-oorlog, waaraan
+de meeste staten van _Europa_ deel namen. KAREL VI, Keizer van
+_Oostenrijk_, stierf, en liet den troon na aan zijne jeugdige dochter
+MARIA THERESIA, Koningin van _Hongarije_ en _Bohemen_. Zes mogendheden,
+_Beijeren_, _Pruissen_, _Polen_, _Spanje_, _Sardinië_ en _Frankrijk_
+zochten deze troonsopvolging te verhinderen, en zonden schielijk
+ontzaggelijke legers in _Duitschland_. In ons vaderland weifelden de
+staatkundige partijen in de keus, of men, uit kracht der pragmatieke
+Sanctie of het Weener verdrag van 1732, der Koningin hulp zou bieden,
+dan of men zich onzijdig en buiten den oorlog zou houden. De Algemeene
+Staten, alleen bedacht op zelfverdediging, versterkten hunne landmagt in
+1741 wel, eerst met 21,000 en daarna met nog 20,000 man; doch in plaats
+van hulpbenden aan MARIA THERESIA te zenden, besloten zij, haar een
+onderstand van 8 tonnen gouds aan te bieden. Toen er echter in het
+volgende jaar eene nieuwe aanvraag en wel om troepen kwam, waren de
+gevoelens zeer verdeeld. Sommigen, die den vrede tot elken prijs wilden
+bewaren, of die _Frankrijk_ vreesden, besloten tot onzijdigheid; maar
+anderen meenden, dat de goede trouw den Staat verpligtte, aan de
+traktaten gevolg te geven en hulptroepen te zenden. De wakkere WILLEM
+VAN HAREN koos met jeugdig vuur de zijde der laatsten, en nadat hij, als
+afgevaardigde van _Friesland_, in de vergadering der Algemeene Staten
+zijne welsprekendheid had uitgeput, om de vertegenwoordigers der
+provinciën tot zijne beginselen over te halen, nam hij zijn dichterlijk
+talent te baat, om ook het volk zelf met die beginselen van
+regtvaardigheid en goede trouw te bezielen. Hij gaf de _Leonidas_ en
+drie _Lierzangen_ in het licht, en--behaalde met deze gloeijende verzen
+eene staatkundige zegepraal op de harten des volks, die der dichtkunst
+wel bij de Grieken, maar nog nooit in ons land was te beurt gevallen.
+Men wil, dat er binnen drie dagen honderdduizend afdrukken van deze
+gedichten verkocht zijn. Het regende lofverzen op VAN HAREN. De
+opgewonden geest des volks werkte op dien der Staten, die daarom in 1743
+besloten, de Koningin met 20,000 man hulptroepen bij te slaan, welk
+getal in den volgenden jare werd verdubbeld. »Eere zij onzen Vaderen,
+die door eerlijkheid vergoed hebben, wat hun aan veerkracht ontbrak.
+Eere vooral den Staatsman en Dichter, die, in zijnen _Leonidas_, door
+het voorbeeld van den held van _Sparta_, de natie uit hare slaapziekte
+pogende op te wekken, hun, die niet schroomden het trouwblijven aan
+verbonden eene _koppigheid_ te noemen, met verontwaardiging toevoerde,
+hoe zij thans zelven door eed- en bond-breuk zich tot de diepte
+verlaagden der _Barbaren_, die hunnen val beoogden"[353].
+
+ [353] Deze Gedichten, te _'s Hage_ bij BEAUREGARD in 4^o. uitgegeven,
+ zijn daarna, vermeerderd met eene overzetting uit POLYBIUS in proza,
+ benevens eene menigte lofverzen op VAN HAREN, in 8^o. gedrukt te
+ _Harderwijk_. Ze zijn ook opgenomen in VAN HAREN'S _Werken_ bij
+ WESTERMAN. Zie mede HALBERTSMA, _Fragmenten over de van Harens_, 120
+ en SCHELTEMA, _Mengelwerk_, I 132; BOSSCHA, _Heldendaden_, II 555.
+
+Hoewel de Nederlanders in de vijf hierop gevolgde veldtogten van
+LODEWIJK XV in de _Oostenrijksche Nederlanden_ weinig eere mogten
+behalen, hebben toch onder de Friesche krijgsbevelhebbers zich
+onderscheiden: de Luitenant-Generaal JOHAN SICCO Baron THOE
+SCHWARTZENBERG, de Brigadier GEMME ONUPHRIUS VAN BURMANIA, de
+Luitenant-Kolonel LAAS ULBE VAN BURMANIA, benevens nog vier andere leden
+van dit geslacht; alsmede de Majoor DANIEL DE BLOCQ VAN BOURICIUS,
+Kommandant van het Regiment _Oranje-Friesland_; doch bovenal de dappere
+Luitenant-Generaal HOBBE ESAÏAS VAN AYLVA, Gouverneur van _Maastricht_,
+die van zijne uitstekende verdediging van deze sterke, doch hevig
+aangevallene vesting in 1748 zoo veel eere mogt behalen, dat zijn
+aanvaller, de Maarschalk van _Saksen_, als blijk van achting voor zijn
+moed en bekwaamheid, hem, nadat de vesting bij vredesverdrag was
+overgegaan, toestond, bij zijn eervollen uittogt vier kanonnen en twee
+mortieren uit de vesting mede te voeren. Nadat _Frankrijk_ verpligt
+werd, _Maastricht_ weder aan ons af te staan, werd dit geschut, op
+voorstel des Stadhouders, hem door den Raad van State vereerd, na
+voorzien te zijn van het opschrift: DONUM VIRTUTIS AYLVÆ, of _Eeregift
+voor Aylva's dapperheid_[354].
+
+ [354] In 1758 heeft de Generaal AYLVA deze zes stukken geschuts
+ gelegateerd aan de Staten van _Friesland_, op wier last ze, na zijn
+ overlijden in 1772, geplaatst werden vóór de Hoofdwacht te
+ _Leeuwarden_, volgens _Reg. Staats-res._ 41, 61; _Teg. Staat_, II 109;
+ TE WATER, _Verbond der Edelen_, II 167; KOK, _Vaderlandsch Woordenb._
+ II 403; BOSSCHA, _Heldend._ II 657; WAGENAAR, _Vad. Hist._ XX 180,
+ 190; VAN LEEUWEN, in _de Vrije Fries_, V 367, 382.
+
+ * * * * *
+
+Vóór echter deze oorlog door den vrede van _Aken_ (1748) geëindigd werd,
+hadden er in ons vaderland zelf merkwaardige gebeurtenissen plaats.
+Reeds lang hadden de bekwaamste staatslieden, zelfs Hollands
+voortreffelijke Raadpensionaris SIMON VAN SLINGELANDT, erkend: »dat het
+missen van eenen Stadhouder de gebreken in de Constitutie thans meer
+bespeuren, en nadeeliger uitwerkselen deed hebben, dan voordezen"[355].
+Doch de heerschzucht der bewindslieden, de trots der aristokratische
+aanmatiging en de willekeur der stedelijke regenten, door wie op vele
+plaatsen eene familie-regering was ingevoerd, hadden zich van het gezag
+meester gemaakt ter onderdrukking van het volk. En zoolang Hollands
+Staten halsstarrig weigerden, ook »uit vrees voor Frieschen invloed," de
+noodzakelijkheid van het Stadhouderschap te erkennen, bleven alle
+pogingen der vrienden van den Prins van _Oranje_, om zijn gezag uit te
+breiden, vruchteloos. Sedert het uitbreken van den oorlog werd het gemis
+van een éénhoofdig bestuur, het gebrek van een middelpunt van gezag,
+waardoor de kracht des bewinds verslapt was, meer gevoeld, en stegen de
+klagten over veelvuldige misbruiken in den staat, bijzonder over de
+knevelarijen der pachters van de gemeene lands middelen, met den dag.
+Had het tooneel des oorlogs zich tot dusverre tot _België_ bepaald en
+was _Vlaanderen_ reeds voor twee jaren door LODEWIJK XV veroverd--daar
+verbreidt zich op ééns het gerucht door het vaderland, dat de Franschen
+ook in _Staats-Vlaanderen_ zijn gevallen, zoodat _Zeeland_ in het
+grootste gevaar verkeert. Van waar nu hulp, van waar redding in dien
+nood? Even als in 1672, stak het volk de handen uit naar den nu, even
+als toen, door de staatsleden zoo lang verdrukten en miskenden _Prins
+van Oranje_. Op den 25 April 1747, op den zelfden dag, dat de Prins uit
+_Leeuwarden_ een brief afzond, waarbij hij den Staten van _Zeeland_
+zijne hulp en dienst aanbood, ging weder uit het kleine _Vere_ het eerst
+de kreet op, die, ijlings verspreid, dadelijk weerklank vond in geheel
+_Zeeland_, _Holland_ en de overige gewesten, zoodat binnen weinig tijds
+de volksstem Prins WILLEM CAREL HENDRIK FRISO, als WILLEM _den vierde_,
+als door een wonder, tot Erfstadhouder en Kapitein-Generaal en Admiraal
+over al de Vereenigde Nederlandsche gewesten verhief, en met zoo vele
+eerambten en waardigheden overlaadde, als nog geen zijner voorgangers
+had bezeten.
+
+ [355] SLINGELANDT, _Staatk. Geschriften_, I 212, 223; VAN KAMPEN,
+ _Verkorte Geschiedenis der Nederl._ II 232.
+
+De beminnelijke Vorst, die kon betuigen: »de hoogste eerzucht, die het
+hart eens stervelings kan streelen, is, zich als het voorwerp der liefde
+en hoogachting van een vrij volk te mogen beschouwen," aanvaardde met
+ware grootheid van ziel de hem aangebodene waardigheden, waarop zijn
+naam, afkomst en hoedanigheden hem regt gaven. Ja, hoe benard de
+toestand des lands ook ware, hij verheugde zich in de gelegenheid
+gesteld te worden, om met Gods hulp al zijne krachten aan te wenden ter
+bevordering van het welzijn des volks. Den 9 Mei vertrok de Prins van
+_Leeuwarden_ over _Harlingen_ met een jagt naar _Amsterdam_. Eene
+opgetogene menigte verbeidde hem, »den Verlosser van _Nederland_," daar,
+zoowel als bij zijn luisterrijken intogt in _'s Gravenhage_, als op
+aller handen gelijk in aller harten gedragen. De blijdschap des volks
+kende geene palen, en had het moed bekomen in het dreigende gevaar en
+hoop voor de toekomst. »Nooit moge de nakomelingschap die dagen van
+geestdrift vergeten!"[356]
+
+ [356] Deze woorden van den Prins, gerigt tot ONNO ZWIER VAN HAREN, die
+ veel tot 's Prinsen verheffing toebragt, hebben dezen later aanleiding
+ gegeven tot het ontwerpen van zijn uitstekend heldendicht: _de
+ Geuzen_, hier vóór en in _Aant. 20_ nader vermeld: "opdat die
+ onbegrijpelijke liefde en vertrouwen tusschen Vorst en Volk met
+ behoorlijke kleuren mogt worden beschreven." Zie het begin der
+ _Ophelderingen van de Geuzen_, en verder WAGENAAR, _Vad. Hist._ XX 78
+ env.; HAVERKAMP, _Leven van Prins Willem_ IV, 18, 45 env.
+
+Door die geestdrift en eenswillendheid bezield, mogt de natie zware
+offers brengen, om, tot afwering van den vijand, het leger te versterken
+en het land van binnen door gewapende magt te beschermen, waartoe overal
+eene _liberale gift_ met blijdschap werd opgebragt[357]. Dan, nu ook
+begon het volk, dat zich tegenover de regenten versterkt gevoelde door
+het gezag van den Prins, overal zijne regten te doen gelden, en
+verbetering te eischen van de veelvuldige, zoo ware als vermeende,
+misbruiken en ongeregeldheden in het staatsbestuur. Tot herstelling
+daarvan scheen nu eene gunstige gelegenheid te zijn geboren. Geweldige
+opschuddingen en hevige beroerten, die het gemeen gelegenheid gaven om
+uit te spatten, hadden bijna overal plaats. In Mei 1748 begonnen deze in
+_Groningen_ en daarna in _Friesland_. Die onlusten openbaarden zich het
+eerst door het gewelddadig vernielen van de opzigtershuisjes der
+pachters van het gemaal bij al de korenmolens in deze provincie. De
+gemeene landsmiddelen werden destijds bij wijze van verpachting geheven;
+doch de knevelarijen dier pachters, waaraan de ingezetenen bloot
+stonden, de zwaarte der belastingen op de noodwendigste levensbehoeften,
+de hinderlijke last van de havenpachten en het passagie-geld en daarbij
+de zware schuldenlast der provincie bij te vele zwaar-bezoldigde
+ambtenaren--ziedaar eenige der voornaamste grieven, waarvan velen onder
+Frieslands ingezetenen herstelling en verbetering wenschten.
+
+ [357] De eerste der vier termijnen van deze vrijwillige gift bragt in
+ Februarij 1748 alleen in de stad _Leeuwarden_ aan goud- en zilverwerk
+ en geld ruim 42,600 Gld. op, en bedroeg over geheel _Friesland_
+ 345,827 Gld. buiten het zilver, volgens eene MS. Aanteekening in mijne
+ verzameling.
+
+Om dit doel, zoo mogelijk, te bereiken, verschenen den 1 Junij 1748
+negen-en-vijftig der voornaamste burgers van _Harlingen_, als
+Gecommitteerden uit de ingezetenen dier stad, te _Leeuwarden_, die van
+Gedeputeerde Staten de opheffing van deze bezwaren verzochten. Tevens
+verlangden zij, dat het Erfstadhouderschap zoowel in de vrouwelijke als
+mannelijke lijn erfelijk verklaard mogt worden. De Staten, die de
+verpachting van de belastingen dadelijk hadden opgeheven, stonden dit
+laatste verzoek gereedelijk toe, en noodigden zelfs alle ingezetenen
+uit, om hunne bezwaren tegen den 5 Junij in te brengen. Tot dit einde
+werden er in alle steden en dorpen Gecommitteerden benoemd en naar
+_Leeuwarden_ afgevaardigd, om bezwaren in te leveren. De Magistraat dier
+stad had tot ontvangst van zoo vele personen, wier getal ruim 200
+beliep, de Groote of Jakobijner-kerk ingerigt, waar dit staatkundig
+Congres, onder sterke spanning des volks, werd gehouden. Veertien punten
+van redres onderling opgemaakt, werden aan de vergaderde Staten
+ingezonden en nog dien zelfden dag aangenomen en goedgekeurd.
+
+Op deze wijze werd de onrustige gemeente, die zich somtijds zeer
+dreigend en oproerig gedroeg, bevredigd. De Gecommitteerden achtten
+hunne taak echter nog niet afgedaan; maar, om de uitvoering van de
+toegezegde verbeteringen te bevorderen, benoemden zij twee personen uit
+iedere stad en elke grietenij, waarvan 24 vereenigd bleven, om
+voortaan op den Stads-Schutters-Doelen hunne werkzaamheden in het
+belang des volks voort te zetten, en met de Staten verder te
+onderhandelen. Na onderscheidene voorstellen, droegen zij den 5 Julij 73
+Punten-reformatoir voor, welke hoofdzakelijk met de vroegere bezwaren
+van 1627 en 1672 overeenkwamen, waarbij zij den 25 dier maand nog 47
+Punten voegden, welke, als de wenschen des volks, alle door de Staten
+werden aangenomen en uitgevaardigd. De Prins, verhinderd om door eene
+spoedige overkomst aan aller verlangen te voldoen, zond intusschen eenig
+krijgsvolk tot herstel van de rust in _Friesland_, benevens eene
+Commissie, om de zaken des lands te onderzoeken, en te handelen met de
+Gecommitteerden des volks en de Staten, die den Prins volkomene magt
+hadden verleend, »om de Constitutie des lands op vaste gronden te
+stellen, de ingeslopen abuizen in de regering, financiën als anderzins
+te redresseren, de provincie in rust en bloei te brengen enz." Welk een
+gebruik de brave Vorst van deze, nooit te voren dus afgestane, Oppermagt
+maakte, bleek eerlang, toen de Stadhouder den 18 December 1748 tot aller
+vreugde te _Leeuwarden_ kwam, en zijne voorstellen tot verbetering aan
+de plegtig vergaderde Staten mededeelde. Den 23 December werd alzoo zijn
+»Reglement, om te dienen tot eene fundamenteele en onverbreekelyke WET,
+waar naa alle Saaken, zoo van Politie als Justitie, daar in vervat,
+voortaan zullen werden beleid en behandelt," uitmakende 61 artikelen,
+uitgevaardigd. Hiermede, gelijk door het uitschrijven van eene algemeene
+Amnestie en van een nieuw stelsel van belastingen (dat echter spoedig
+onuitvoerbaar werd bevonden), werden alzoo de rust hersteld, vele
+aanleidingen tot misnoegen weggenomen en onderscheidene takken van
+beheer en gezag op een beteren voet geregeld[358].
+
+ [358] De bijzonderheden der gebeurtenissen van dit jaar zijn
+ bijeengebragt in het werkje: _het Verward Frieslandt_ (door J.
+ DOTINGH), Leeuw. 1749. Zie mede WAGENAAR, XX 196; _Nederl.
+ Jaerboeken_, II 524.
+
+Nooit bleek voorzeker aan _Friesland_ het gewigt en nut van het
+Stadhouderschap duidelijker, dan in dit merkwaardige jaar 1748. De Prins
+betreurde het echter met alle welgezinden, dat het opgewondene gemeen de
+goede zaak door oproerige bedreigingen, plunderingen en verwoestingen
+(te _Wier_, _St. Anna-Parochie_, _Hallum_ en elders) bezoedelde. Zeker
+bragten de persoonlijke hoedanigheden en gedragingen van den Prins, die
+de grootheid van zijn Huis enkel zocht in de grootheid van den Staat,
+veel toe, om hem dien invloed en die magt te bezorgen en aller harten
+aan zich verbonden te houden. Veel is er vervolgens door hem verrigt, om
+orde, regt, geldmiddelen en krijgstucht te herstellen en om koophandel
+en zeevaart te doen bloeijen. Wat mogt men nu verder niet voor het
+welzijn des lands verwachten van een Vorst, met zooveel magt bekleed,
+met zoo vele gaven versierd, en als een toonbeeld van christelijke
+deugden vereerd? Terwijl men zich over zulk eene gelukkige toekomst
+verheugde, behaagde het God, 's Prinsen levensdraad onverwachts af te
+snijden. Hij stierf reeds den 22 October 1751, diep betreurd door het
+gansche vaderland, dat zijne bewonderenswaardige grootmoedigheid had
+leeren kennen, en dat zijn ijver voor het belang des lands en liefde
+voor zijn volk met wederliefde en trouw had vergolden. Hoe kort de
+regering van Prins WILLEM _den vierde_ ook ware, zij was lang en eervol
+genoeg, om hem eene roemrijke plaats te bezorgen onder de edele Vorsten
+des vaderlands[359].
+
+ [359] Vele zijn de geschriften over dezen voortreffelijken Stadhouder,
+ die meest lofredenen zijn, en waarvan ik onderscheidene heb
+ bijeengebragt in de Bibliotheek zijner geboortestad, die zich met regt
+ op hem mag beroemen. Behalve naar WAGENAAR en de _Jaerboeken_ verwijs
+ ik enkel naar HAVERKAMP, _'s Lands verijdelde hoope_, Amst. 1753; O.
+ Z. VAN HAREN, _Lijkreeden_, Leeuw. 1766; HOFSTEDE, _Bloemen op het
+ graf_, Rott. 1752; _Levensb. van ber. Mannen_, VI 284; SCHELTEMA,
+ _Staatk. Ned._ II 487; V. KAMPEN, II 251, _Karakterk._ II 565.
+
+Inzonderheid was _Friesland_ wegens het voorgevallene in 1748 aan dien
+Stadhouder verpligt, vooral in vergelijking met andere provinciën, waar,
+even als in de zaken der Generaliteit, zoo vele misbruiken en
+verkeerdheden nog onverbeterd waren gebleven. Prinses ANNA, die na zijn
+dood, als Gouvernante van den minderjarigen Prins WILLEM V, het bewind
+had aanvaard, vermogt te weinig en bezat ook niet genoeg vertrouwen na
+het uitbreken van den oorlog tusschen _Engeland_ en _Frankrijk_, om veel
+goeds tot stand te kunnen brengen. Omdat de Staten de vermeerdering van
+de krijgsmagt niet wilden toestaan, wist zij tegen te gaan, dat onze
+zwakke zeemagt versterkt werd. En toch was dit laatste zoo noodzakelijk,
+dewijl de handel en scheepvaart, waarin ook _Friesland_ toen een
+belangrijk aandeel had, groote schade leden van de Engelschen, die
+zoo vele onzer koopvaardijschepen prijsverklaarden of hinder
+toebragten[360]. De dood van Prinses ANNA, op den 12 Januarij 1759,
+maakte een einde aan dien staat van spanning, en bevorderde dadelijk de
+versterking van onze zeemagt, tot beveiliging onzer vlooten tegen de
+roofzucht van de Engelsche zoowel als Fransche kapers.
+
+ [360] Het moedig gedrag van den Frieschen Zeekapitein JAN BINKES in
+ die dagen is vermeld achter _Aanteekening 23_.
+
+Terwijl _Holland_ en de vijf andere provinciën nu gedurende de
+minderjarigheid van Prins WILLEM V hoofdzakelijk bestuurd werden door
+zijn voogd en ook lateren leidsman LODEWIJK ERNST, Hertog van
+_Brunswijk-Wolfenbuttel_, Veldmaarschalk van den staat, hadden de Staten
+van _Friesland_ zoo veel eerbied voor 's Prinsen grootmoeder, Prinses
+MARIA LOUISA, dat zij haar, hoewel reeds 70 jaren oud, als Gouvernante
+op nieuw het bewind toevertrouwden. Met die waardigheid en kracht, welke
+de edele Prinses, sterk door haar christelijk geloof, immer had betoond
+onder zoo vele smartelijke verliezen, welke haar troffen, volbragt zij
+gedurende zes jaren deze taak. Zij deed dit zóódanig tot genoegen der
+Staten, dat deze bij haren algemeen betreurden dood, op den 9 April
+1765, konden betuigen: »dat zij een allergezegendst middel in Gods hand
+was geweest, om de welvaart dezer provincie met den uitersten ijver te
+bevorderen op eene zoo vreedzame en vriendelijke wijze, dat zij de
+liefde en hoogachting van Regenten en ingezetenen van allerlei staat
+voor lange jaren verkregen en tot den einde toe volkomen behouden
+had"[361].
+
+ [361] Dit betuigden de Staten in den brief van rouwbeklag aan haren
+ kleinzoon. Zie STUART, _vervolg op_ WAGENAAR, II 249; DE CHALMOT,
+ _Leven der Prinses_, Leeuw. 1765; J. VAN DEN BOSCH, _de Heeren
+ Stadhouderen van Vriesland_, Leeuw. 1770, 35, 86; _Levensbeschrijving
+ van Nederl. Mannen enz._ VI 154; VAN KAMPEN, _Karakterkunde_, II 562
+ enz.
+
+ * * * * *
+
+Een gelukkig tijdperk van rust en ongemeene welvaart was er voor het
+vaderland aangebroken, toen Prins WILLEM V in 1766 in alle provinciën
+als Erfstadhouder werd gehuldigd. Die voorspoed, welke ook _Friesland_
+bestraalde, werd in de eerstvolgende veertien jaren alleen door de
+veepest van 1769 en den watervloed van 1776 afgebroken. Wel trachtten de
+staatsleden de deerlijk vervallen geldmiddelen dezer provincie te
+verbeteren, doch er kwam veel minder goeds gedurende dit bloeijende en
+rustige tijdvak tot stand dan men had mogen verwachten. De vroegere
+wakkerheid was in vele opzigten door laauwheid en zorgeloosheid
+vervangen; terwijl zoo vele kleine twisten blijken gaven van de
+kregelheid, eerzucht en twistgierigheid, welke vele republikeinen dier
+dagen bezielden. Lang bleef ook de goede, doch dikwijls zwakke Prins in
+de volksgunst deelen, en ontving hij daarvan streelende bewijzen, toen
+hij _Friesland_ in 1773 en 1777 bij herhaling bezocht, omgeven van den
+glans der weelde, welke de voorspoed der ingezetenen overal ten toon
+spreidde.
+
+Doch hoe zeer veranderde die stemming des volks en de toestand des lands
+met den jare 1780!
+
+De vrijheids-oorlog der Noord-Amerikaansche volkplantingen tegen
+_Engeland_ verwekte allereerst eene ongemeene belangstelling en
+geestdrift. Bijzonder was dit het geval bij de vrijheidlievende Friezen,
+wier Staten zoo veel lof verwierven, doordien zij in 1782 de eerste van
+al de provinciën waren, die vóór de vrijverklaring van _Amerika_
+stemden[362].
+
+ [362] Zie LOOSJES, _Gedenkzuil der Vrij-verklaaring_, 31, 58, 64, 131,
+ 133, waar tevens voorkomt het Request van de Burger-Societeit te
+ _Leeuwarden_: _Door Vrijheid en IJver_ aan Gedeputeerden, met
+ aanbieding van een Zilveren Eerepenning, welke zij op dit besluit had
+ laten vervaardigen. De studenten te _Franeker_ huldigden hetzelve door
+ het afsteken van een vuurwerk. Ook hierdoor werd de vrijheidsgeest
+ overal aangewakkerd.
+
+Vermits de Hollandsche kooplieden de Amerikanen, in weerwil van
+Engelands verbod, bleven ondersteunen, moest dit natuurlijk een oorlog
+van ons land met _Engeland_ ten gevolge hebben. Bij de zwakheid van onze
+zeemagt bragt die vredebreuk onzen handel aanzienlijke schade toe. Groot
+verschil van staatkundige inzigten en daarbij een toenemend misnoegen
+over het gedrag van den Prins en meer nog over de handelingen van zijnen
+raadsman, den Hertog van BRUNSWIJK-WOLFENBUTTEL, dien men, nadat hij in
+den haat des volks was gevallen, verwijderd wilde hebben,--dit alles
+verwekte meer en meer verwijdering, verbittering, scheuring en
+partijschap.
+
+Het volk, dat de staatsleden beschuldigde van afgeweken te zijn van het
+Regerings-reglement van 1748, en zich beklaagde over de aanmatigingen
+der rijken, de voorregten der aristocratie en de misbruiken der
+familie-regering, verlangde meerdere regten uit te oefenen, en eischte
+grondwettige herstelling van het, in zoovele opzigten verbasterde,
+staatsbestuur. Het woord _vrijheid_, hetwelk in de zaak der Amerikanen
+zulk eene heilige beteekenis had, kwam hier in de mode, en werd,
+vermengd met de zonderlingste denkbeelden van Fransche wijsgeeren over
+godsdienst en volkenregt, getroeteld en in politieke klubs of
+fraterniteiten aangekweekt, tot ondermijning van het gezag der regenten.
+Zelfs benamen de Friesche Steden den Prins in 1782 het aan zijn vader en
+hem afgestane regt van Raadsbestelling en het begeven van de in haar
+kwartier rondgaande ambten. Noch het vertrek van den Hertog van
+BRUNSWIJK-WOLFENBUTTEL, noch de vrede met _Engeland_ (1784), noch een
+verdedigend verbond met _Frankrijk_ (1785), konden de opgewondene
+gemoederen tot rust brengen. Integendeel, nadat eene bedreiging
+van oorlog met Keizer JOZEF II het volk algemeen de wapenen in handen
+had gegeven, versterkten de alom opgerigte Vrij-korpsen of
+Exercitie-genootschappen de krijgshaftige houding der natie, waarvan een
+deel weldra met die zelfde wapenen hare overheden bedreigde en zich
+tegen het gezag verzette. De brave Prins, te zwak om in tijden van
+beweging het roer van staat met vaste hand te sturen, sloot zich nu bij
+de aristocratie aan, in plaats van eene poging te doen, om de verlorene
+vriendschap der patriotten te herwinnen, door hunne voornaamste wenschen
+in te willigen.
+
+In dien onrustigen stand van zaken waagden de Staten van _Friesland_
+het, den publieken geest, welke zich dagelijks krachtiger openbaarde en
+op de verbetering van talrijke misbruiken aandrong, te trotseren, door
+op den 25 September 1786 twee merkwaardige plakkaten uit te vaardigen.
+Bij het eerste werd het op strenge straf verboden, beleedigende
+geschriften uit te geven, of requesten en adressen over zaken der
+regering te teekenen. Bij het tweede werden de nu gevaarlijk geachte
+Exercitie-genootschappen opgeheven en verboden, en de burgers bevolen
+hunne wapenen af te leggen[363]. Dan, de stroom vloeide reeds te lang en
+te sterk, om, door zulke middelen gestuit, niet buiten zijne oevers te
+treden. De tegenstand des volks werd meer algemeen, de breuke tusschen
+de Prins-gezinden en Patriotten grooter, de verbittering sterker. De
+stad _Franeker_ werd in Mei 1787 het middelpunt, waar de gewapende
+misnoegden en tegenstanders van het Stadhouderlijk gezag zich
+vereenigden; waar een Defensiewezen zich tegen gevreesde aanvallen
+versterkte, door de stad met schansen en elf batterijen te omgeven en
+krijgsvoorraad bijeen te brengen, en waar in Augustus tien leden der
+Staten zich van die van _Leeuwarden_ afscheidden en, even als in 1672 te
+_Sneek_, eene tegenregering vormden, die, met versmading van de wettige
+meerderheid, hare bevelen, als de eenige en hoogste magt des lands,
+overal wilde doen eerbiedigen.
+
+ [363] Zie de _Verzameling van Placaten_, 339, 343; _Apologie van_ C.
+ L. VAN BEIJMA, 172, 230, en vele andere stukken van dien tijd.
+
+Zulk een verwarde toestand des lands, welke voor de rust, de veiligheid
+en welvaart der ingezetenen hoogst verderfelijk was, kon niet duurzaam
+zijn bij al de blijken, welke het volk gaf van nog niet rijp te zijn
+voor het genot van eene vrijheid, waarvan alléén de klank veler hoofden
+had bedwelmd; terwijl de band van ontzag, eerbied en liefde tusschen
+overheid, vorst en volk was verbroken. Welk persoon, wat stout bedrijf
+of welke merkwaardige gebeurtenis zou den veegen Staat redden? Helaas!
+den benarden Stadhouder, dien men in _Holland_ zoo veel leed had
+aangedaan, dat hij naar _Nijmegen_ was geweken, scheen geen ander middel
+tot zelfbehoud over te schieten, dan de hulp in te roepen van zijnen
+schoonbroeder, den Koning van _Pruissen_, die in September 1787 een
+leger van 20,000 man naar _Holland_ zond, om den Prins in zijn gezag te
+herstellen. Achtten velen deze inroeping van vreemde hulp eene grievende
+beleediging,--zij had voor het oogenblik dit gunstig gevolg, dat alom,
+na hevige uitspattingen, de volksberoeringen ophielden, en dat de Staten
+van _Holland_, met intrekking van al hunne besluiten, tegen den Prins
+genomen, den Stadhouder verzochten weder in _'s Gravenhage_ te komen.
+Zegepralende op zijne vijanden, die het vaderland ontvloden, hernam hij
+zijne waardigheden, en werd alom de bestaande regeringsvorm met kracht
+gehandhaafd.
+
+Maar welk gebruik maakten de Staten van _Friesland_ van deze overwinning
+van het gezag? Verdienden zij door edele grootmoedigheid en
+vergevensgezindheid den eerbied, waarop zij op nieuw aanspraak maakten?
+Neen, strenge vervolgingen bragten hen in verdenking, dat niet het
+welzijn des volks, maar het zegevieren hunner partij en zucht om het
+beleedigde gezag te wreken het roersel hunner daden was. Nadat allen,
+die zich verdedigers der grondwettige regten en vrijheden des volks
+noemden, met de talrijke te _Franeker_ zamengevloeide gewapende burgers
+die stad hadden verlaten, werd zij op den 24 September door de Staten
+bezet, en daarna gestraft met het uitligten van de deuren der poorten,
+welke in de kerk werden vastgelegd. Honderden Friesche patriotten
+vlugtten, waarvan de meesten te _St. Omer_ in _Frankrijk_ eene
+schuilplaats vonden. Vele leden van het defensiewezen en andere
+deelgenooten van den opstand tegen den bestaanden regeringsvorm werden
+gevat en door het Hof gevonnisd met gevangenzetting, geldboeten,
+verbeurdverklaring van goederen en andere straffen. Eene algemeene
+ontwapening des volks werd bevolen; de Fraterniteiten en andere
+dergelijke staatkundige bijeenkomsten werden streng verboden. Wel lieten
+de Staten den 16 October eene Amnestie afkondigen; doch deze bevatte,
+na eene opsomming van al het misdrevene zóó vele uitzonderingen, dat de
+meeste deelgenooten daar buitengesloten bleven, en zich liever den last
+der ballingschap buiten hun vaderland getroostten. Hard viel deze straf
+vooral vele rustige en brave burgers, die, met de beste bedoelingen,
+door den tijdgeest onwillekeurig waren medegevoerd geworden. Nog harder
+viel die vervolging, toen de Staten, ook nadat er reeds eenige jaren
+verloopen waren, doof bleven voor alle verzoeken tot matiging, zoodat
+zelfs nog in 1792 de zedige en verdienstelijke EISE EISINGA, die zich,
+na jaren omzwervens, te _Visvliet_ nedergezet had en daar gevat was, na
+een proces van een vol jaar, voor vijf jaren uit deze provincie gebannen
+werd, enkel omdat hij in 1787 lid was geweest van het defensiewezen te
+_Franeker_.
+
+Te onverklaarbaarder was dit streng volhouden der Staten, omdat zij,
+bekend met de wenschen des volks, waardoor de onlusten waren ontstaan,
+sedert 1787 bijna niets deden ter verbetering van het door zoovelen
+aangevallene staatsbestuur en tot wegneming van de algemeen erkende
+misbruiken;--doch vooral, omdat de staats-omwenteling van 1789 in
+_Frankrijk_ hun tot ontzetting deed zien, welk eene magt het volk
+tegenover den troon, den adel en de geestelijkheid kon ontwikkelen;
+welke de eischen waren van den onwederstaanbaren geest des tijds, en
+welke gevolgen het onverstandig vasthouden aan verouderde vormen en
+begrippen na zich ~moest~ slepen. Bekend was het bovendien, hoe
+zeer de Nederlandsche vlugtelingen blaakten van wraakzucht, om hunne
+overheden het inroepen der Pruissische hulp betaald te zetten; hoe
+zij zich met de Franschen verbroederden, en, door briefwisseling met
+hunne vrienden, in ons land de hoop levendig hielden op eene door hen
+voorbereide verlossing, ter bekoming van eene gelijke vrijheid en
+volkssouvereiniteit, als de Fransche republiek reeds had verworven. In
+weerwil de onmenschelijke tooneelen van het schrikbewind, na den val van
+Koning LODEWIJK XVI, alle mogendheden deden sidderen voor de woede van
+een bandeloos volk--bleven de Staten van _Friesland_ zorgeloos en gerust
+op het oude pad voortgaan. Ja, nog den 28 Januarij 1795, toen het water
+reeds tot aan de lippen was gestegen, ontveinsden zij het klimmende
+gevaar, daar zij, bij openlijk plakkaat, zich durfden »vleien, dat de
+Unie zal blyven bewaard, in het vertrouwen op het vooruitzigt van den
+gelukkigen en wenschelyken voortgang der aangevangene Vreedes
+Negotiatien; uit welken hoofde 'er zig gegronde hoope opdoet tot het
+zien eindigen van deezen bloedigen Oorlog."[364]
+
+ [364] _Verzameling van Placaaten_, 436, 437.
+
+Zóó blind, zóó onverzettelijk bleven 's lands Regenten, die echter reeds
+den volgenden dag al onthutst waren over »de verandering der gedaante
+van zaaken door de rampen des Oorlogs," waarom ze den predikanten
+bevolen te bidden, »dat God den bloedigen Oorlog mogt doen eindigen."
+Doch die oorlog was toen eerst aangevangen en zou nog twintig jaren
+lang, geweldiger dan ooit te voren, woeden, ten einde, onder Gods wijze
+en liefdevolle leiding, het middel te worden, om de natiën, die in vrede
+en voorspoed doof waren geweest voor de stem van godsdienst en rede, en
+blind voor hun duurzaam belang, door lijden en strijd te louteren, en,
+eerst na verloop van vele jaren van rampspoed, te verheffen tot eene
+betere maatschappelijke orde en meerdere vatbaarheid voor volksgeluk.
+
+
+
+
+VIJFDE TIJDVAK.
+
+FRIESLAND TIJDENS DE VOLKSREGERING EN DE FRANSCHE OVERHEERSCHING.
+
+VAN DE STAATS-OMWENTELING EN DE OPHEFFING VAN HET STADHOUDERSCHAP TOT DE
+HERSTELLING VAN NEDERLAND EN HET VERTREK DER FRANSCHEN.
+
+_Van het jaar 1795 tot 1813._
+
+
+42. _De Staats-omwenteling en hare gevolgen._
+
+Te laat namen de Staten van _Friesland_, den 7 Februarij 1795, het
+besluit tot opheffing van de vervolgingen en verbodsbepalingen, waarmede
+men sedert 1787 vele opgewondene ingezetenen in toom had gehouden. Na in
+_België_ lang tegenstand te hebben ondervonden, zegevierden de wapenen
+der Franschen, die nu door den vorst zich reeds in December 1794 den weg
+gebaand zagen over de rivieren, die ons vaderland meermalen tot eene
+natuurlijke beschutting verstrekten. De vroeger gevlugte patriotten, die
+in _Frankrijk_ de bloedige tooneelen van de revolutie-koorts hadden
+bijgewoond, snelden hen vooruit, en nog vóór de Franschen onzen Staat,
+op den 1 Februarij 1795, den oorlog verklaarden, ontvlugtte Prins WILLEM
+V met zijn gezin en vele zijner aanhangers het vaderland, dat ruim twee
+eeuwen veilig was geweest onder de hoede van ORANJE. De in 1787 alleen
+door de kracht der wapenen herstelde republiek was haren val nabij, en
+bezweek voor den revolutiegeest des volks, dat geheel andere beginselen
+dan vroeger huldigde en zich sterk waande door buitenlandschen invloed.
+
+Ook in _Friesland_ vestigde zich een _Committé Revolutionair_, hetwelk,
+na de omwenteling geheel voorbereiden den vrijheidsboom te _Leeuwarden_
+geplant te hebben, den 10 Februarij 1795 de Regenten der steden en
+grietenijen ontsloeg en andere personen aanstelde, onder luidruchtige
+vreugdebedrijven van het volk. Evenzoo verklaarde het den 19 Februarij
+met eene plegtige aanspraak de Staten van _Friesland_, gelijk den
+Erfstadhouder, vervallen van hunne waardigheden, met belofte van
+veiligheid voor hunne personen en verbod om te vlugten. Hierna werden er
+60 Provisioneele Representanten van het volk van _Friesland_ in hunne
+plaats aangesteld, en voorzien van eene instructie, welke de beginselen
+bevatte, waarnaar de nieuwe republiek voorloopig zou worden bestuurd.
+Het Committé legde toen tevens zijne taak neder, en »wenschte het volk
+plegtig geluk met de volbragte onvermijdelijke revolutie, en met de tot
+dusverre gelukkig herstelde vrijheid; onder betuiging, dat de
+bedaardheid, goede orde en rust, bij zulk eene verbazende omkeering van
+zaken overal bewaard, der Friesche natie voor het oog der geheele wereld
+tot onsterfelijken roem verstrekten."
+
+In de volgende dagen vaardigden de Provisioneele Representanten bij
+verschillende plakkaten hunne staatkundige geloofsbelijdenis uit, om
+ieder te doen zien, dat zij geen ander oogmerk hadden, dan om, ook door
+het afschaffen van de erfelijke aristocratie en familie-regering, de
+miskende regten des volks te handhaven, en veiligheid van personen en
+bezittingen, vrijheid van godsdienst en drukpers en gelijkheid van allen
+voor de wet te verzekeren, onder vermaning, van de verkregene
+voorregten door geene rustverstoring te bezoedelen.[365]
+
+ [365] Zie dit alles in de _Verzaamel. van Placaaten_, I 1-29, in de
+ _Dagverhalen_ en veelvuldige geschriften van dien tijd.
+
+En inderdaad, het verdient opmerking, dat zulk eene omwenteling en
+vernietiging van het eeuwenheugende gezag hier, door het volk zelf, zoo
+rustig en zonder schending van personen of bezittingen werd tot stand
+gebragt. Want eerst den 4 Maart deed de Fransche Generaal GASPARD
+THIERRY met een aantal huzaren zijne plegtige intrede in _Leeuwarden_,
+onder de uitbundigste vreugdebetooningen van het uit alle oorden te
+zamengevloeide volk, dat in den roes zijner blijdschap, hand aan hand
+met den luchthartigen Franschman dansende om den vrijheidsboom, zich
+zelf vergat, en zich niet bewust scheen te zijn, dat het eene inhaling
+was als van het Grieksche paard in _Troje_. Doch de Franschen hadden
+beloofd, als vrienden en bondgenooten te zullen overkomen, en als
+verlossers van de overheersching en beschermers van de nieuwe republiek,
+die ze zeker weldra weder zouden verlaten, werden ze dus ontvangen en
+bij de burgers ingekwartierd. Hoe spoedig bleek echter het tegendeel,
+nadat 150,000 hunner, meest uitgehongerde en halfnaakte, krijgslieden
+over het gansche land waren verspreid, waarvan _Friesland_ zijn aandeel
+rijkelijk bekwam!
+
+Immers, bij het Haagsche verdrag van den 26 April 1795 eischten de
+Franschen reeds, behalve den afstand van een aanzienlijk grondgebied,
+100 millioen gulden voor het bezorgen van de zoogenaamde vrijheid, onder
+verpligting van onzen Staat, om 25,000 man Franschen in dienst te houden
+en te bezoldigen. Doch de partij der patriotten had de overwinning
+behaald en zich gewroken op den Prins en de staatsleden, die hen in
+1787 hadden doen vlugten, maar--ten koste der onafhankelijkheid des
+lands. Het volk, gestreeld door de klanken van Vrijheid, Gelijkheid en
+Broederschap, spiegelde zich nu, bij de zegepraal der beginselen van de
+regten van den mensch en burger, de schoonste toekomst van eene veel
+verbeterde staatsinrigting voor; hoewel het, bij de schaarschheid en
+duurte van levensmiddelen en het stilstaan van sommige bronnen van
+bestaan, al dadelijk verpligt werd, om in herhaalde geldleeningen,
+heffingen en drukkende lasten aan de vermeende vrijheid zware offers te
+brengen[366].
+
+ [366] In 1796 beval het Provinciaal Bestuur zelfs, "ten einde de
+ Friesche trouw ongeschonden bewaard blijve" (!), dat het zesde
+ gedeelte der bezittingen van alle publieke corpora, of de stedelijke,
+ geestelijke, dorps-, kerke-, arme-, wees en gasthuis-goederen,
+ openlijk verkocht en het bedrag daarvan den lande tegen 3-1/2 proc.
+ rente opgeschoten moest worden. In het volgende jaar noopte de hooge
+ nood des lands het bestuur op nieuw, nog een vijfde gedeelte van het
+ overschot te eischen. Men gisse, welk eene massa vastigheden er dien
+ ten gevolge tegen lage prijzen verkocht en in handen gekomen is van
+ bijzondere personen, waarvan velen ze later voor meer dan het dubbele
+ van dien prijs verkocht hebben. Zie die besluiten in de _Verzameling
+ van Placaaten_, II 21, 73, 199.
+
+Intusschen geschiedde er in Mei eene algemeene oproeping van het volk
+van _Friesland_ tot stemming van 68 Representanten, die nu het roer der
+regering aanvaardden en aan negen hunner het waarnemen der zaken van het
+vroegere Collegie of de uitvoerende magt toevertrouwden. Nog scheen dit
+bestuur uit gematigde patriotten te bestaan, hoewel het de meeste leden
+van het Hof ontzette en door andere personen van zijnen geest deed
+vervangen (15 Julij), en toeliet, dat de Stadhouderlijke Tombes in de
+Groote Kerk te _Leeuwarden_ schandelijk vernield en de Grafkelders
+geschonden werden (1 Aug.). Evenwel bleef deze partij, bij het plan tot
+bijeenroeping van eene Nationale Conventie, met kracht van redenen de
+souvereiniteit en de onafhankelijkheid der provinciën vasthouden en
+verdedigen, omdat zij haar _zelfbestaan_ niet konde, niet wilde
+vernietigen, en omdat zij zich van eene vereeniging met de andere
+gewesten voor _Friesland_ groot gevaar en vele nadeelen voorstelde. Doch
+_Holland_, met een grooten schuldenlast bezwaard, trachtte de
+ineensmelting van de provinciën en de provinciale schulden door te
+drijven, en om dit doel te bereiken, spaarde het geene middelen, »geen
+vleijen en kuipen, geen dringen en dreigen." Het werd daarin ondersteund
+door een aantal hevige Friesche patriotten, die zich van de een- en
+ondeelbaarheid van den Staat veel heils voorspelden, en als heethoofdige
+ijveraars meer doortastende veranderingen begeerden. Zóó vormden zich
+onder de patriotten zelve partijen, die elkander uit verschil van inzigt
+wantrouwden en vervolgden met een haat en tweedragt, nog sterker dan
+vóór de omwenteling. In Januarij 1796 vestigden zich eenigen dier
+ijveraars zelfs tot een Committé van herstel, hoewel ze spoedig door de
+Representanten, die hen eene oproerige bende van baatzuchtige
+fortuinzoekers en intriganten noemden, werden gevangen gezet. Evenwel
+wist hunne partij te bewerken, dat Frieslands volksvertegenwoordigers
+met geweld uiteengejaagd en sommigen zelfs in hechtenis genomen werden.
+Met hulp der gewapende magt herstelde het gezag zich echter weder, doch
+kort daarna werd het andermaal verdreven door de doldriftige partij, die
+alzoo, door Fransche en Hollandsche hulp gesteund, zegevierde[367]. Wel
+kwam er intusschen den 1 Maart eene Nationale Vergadering te _'s
+Gravenhage_ bijeen, waarop _Friesland_ echter eerst, evenmin als
+_Zeeland_, afgevaardigden zond; doch de uiteenloopende meeningen der
+vier partijen hiervan verstonden elkander zóó weinig, dat zij enkel
+voorbereidde, hetgeen, na hevige onlusten en geweldige maatregelen, op
+de tweede Nationale Vergadering doorgedreven en met goedkeuring der
+meerderheid van het stemgeregtigde volk bij de Staatsregeling van 1 Mei
+1798 uitgevaardigd werd: dat de één-en-ondeelbare Bataafsche Republiek
+zou bestaan uit acht Departementen, met een Vertegenwoordigend Ligchaam,
+waarvan de eerste kamer uit 60 en de tweede uit 30 leden zou bestaan,
+benevens een Uitvoerend Bewind van 5 leden.
+
+ [367] 't Was deze partij, die in 1796 het bevel gaf tot wegneming van
+ alle, "de gelijkheid onteerende," titels, livreijen,
+ onderscheidingsteekens en wapens op gebouwen, grafzerken enz., als
+ hinderlijk aan de onvervreemdbare regten van den mensch en den burger.
+ _Verzameling van Placaaten_, II 17, 56,71.
+
+Ofschoon _Friesland_ bij die Staatsregeling voor het eerst na zoovele
+eeuwen zijn Naam verloor, daar het met _Groningen_ werd vereenigd onder
+den naam van het _Departement van de Eems_;--ofschoon het nu eindelijk
+aan Hollands heerschzucht en overwigt zijne souvereiniteit en
+zelfbestaan en alzoo een groot gedeelte zijner magt en invloed ten offer
+moest brengen, en zich bovendien met een ~veel grooter schuldenlast~ dan
+zijne eigene zag bezwaard;--ofschoon het Provinciaal Bestuur van
+_Friesland_, alléén uit aanmerking van »den bejammerenswaardigen
+toestand der republiek," gevolg gaf aan het bevel der Constitueerende
+Vergadering, die zich den 22 Januarij 1798 te _'s Gravenhage_ met geweld
+van de oppermagt had meester gemaakt, om, »met ontbinding van alle
+Provinciale Besturen, een Intermediair Administratief Bestuur,
+afhankelijk van en verantwoordelijk aan genoemde Vergadering," uit te
+maken:--toch werd die merkwaardige en in zoo vele opzigten vernederende
+gebeurtenis, een onvermijdelijk gevolg van den gang der omwenteling,
+hier met een luisterrijk Volksfeest gevierd. Ja, de democratische of
+revolutionaire partij had, na het overheerschen of verbannen van alle
+gematigde patriotten, door Hollandschen en Franschen invloed, in
+_Friesland_ veler gemoederen opgewonden tot een geestdrift, welke in al
+de zinnebeeldige voorstellingen en bedrijven van dat Volksfeest de
+belagchelijkste tooneelen opleverde. Op den 19 Mei 1798 werd het onder
+grooten toevloed van aanschouwers te _Leeuwarden_ gevierd. De
+_Een-en-Ondeelbaarheid_, verbeeld door eene maagd, met de acte van
+Staatsregeling in de hand, werd, zittende op een triumfwagen, tusschen
+een talrijken trein van regeringsleden, zinnebeeldig versierde personen
+en de gewapende magt, door de stad gevoerd, en geleid op een troon in
+den Tempel der Vrijheid, welke op de Langepijp was opgerigt. Nadat de
+personen, verbeeldende de Regten van den mensch, de Gelijkheid en de
+Broederschap, als ook de vier nationale Deugden en de vier Standen van
+den mensch, zich nevens haar geplaatst hadden, werd het zevenhoofdig
+Monster van het Federalisme (de zeven vroeger, op zich zelve souvereine,
+Vereenigde Provinciën) op een houtstapel gelegd en onder gejuich
+verbrand, waarna de President voor het Altaar der vrijheid eene
+aanspraak deed, en het feest met dansen om den Vrijheidsboom en andere
+luidruchtige vermaken werd besloten[368].
+
+ [368] De merkwaardige teekening, welke de verdienstelijke
+ kunstliefhebber PETRUS GROENIA (nog in 1831 bekend als Kolonel van
+ eene Afdeeling Friesche Schutterij) toen van deze plegtigheid
+ vervaardigde, is, met het Programma van den optogt, thans in mijn
+ bezit.
+
+Doch de partij, wier beginselen en bedoelingen nu hadden gezegepraald,
+regeerde niet lang. Nadat zij reeds in Februarij des vorigen jaars
+verontrust was door een dwaas oproer van Oranjegezinde ingezetenen uit
+den omtrek van _Kollum_[369], had op den 12 Junij 1798 te _'s
+Gravenhage_ eene soort van tegen-omwenteling plaats, waarbij het
+Uitvoerend Bewind en het Wetgevend Ligchaam met magt van wapenen werden
+uiteengedreven. Eerst nadat het volk zich, ingevolge de aangenomene
+Staatsregeling, eene nieuwe vertegenwoordiging had gekozen van meer
+gematigde personen, die eene algemeene vergiffenis van staatkundige
+misdrijven uitvaardigden, scheen er een einde te zullen komen aan al de
+revolutionaire woelingen en de omwenteling voltooid te zijn. Die
+Staatsregeling toch, welke vele verouderde vormen en misbruiken
+afschafte en de sedert jaren verkondigde theoriën omtrent het
+maatschappelijk verdrag en het regt en den invloed des volks op het
+staatsbestuur in werking bragt, was bij voorraad eene belangrijke
+schrede tot vooruitgang, tot verspreiding van mildere beginselen en tot
+bevrediging der eischen van het nieuwe geslacht, dat de vroegere banden
+was ontwassen. Na zoo hevige schokken en bittere vervolgingen van de
+partijen onderling, kwam er nu meerdere orde en rust onder de
+ingezetenen, en leerde men zich met bedaardheid onderwerpen aan de
+drukkende gevolgen eener omwenteling, welke een geheel anderen loop en
+rigting had genomen, dan zelfs de bewerkers zich hadden voorgesteld.
+
+ [369] Die volksbeweging, onder den naam van het _Kollumer oproer_
+ bekend, begon bij gelegenheid der opschrijving tot de gewapende dienst
+ te _Kollum_, en breidde zich weldra tot de omliggende dorpen en
+ grietenijen uit. "Onder den oproerkreet van Oranje boven!" trokken
+ eenige honderden gewapende landlieden zelfs op _Dokkum_ aan, vanwaar
+ ze verjaagd en verder door de van _Leeuwarden_ afgezondene troepen
+ bedwongen werden. Een getal van 174 personen, die daaraan deel hadden
+ genomen of van Oranjegezindheid verdacht waren, werden op het Blokhuis
+ te _Leeuwarden_ gevangen gezet en een daarvan onthoofd. Velen werden
+ spoedig losgelaten, anderen met geldboeten gestraft. Zie uitvoerige
+ berigten deswege in de destijds uitgegevene _Beschrijving van de
+ oproerige Beweegingen in Friesland_.
+
+
+43. _De val der Republiek en vernietiging van ons Volksbestaan._
+
+Nog waren er geene drie jaren verloopen, of er bestond reeds behoefte
+aan eene nieuwe Grondwet, welke verbeterde Staatsregeling in 1801 door
+het volk werd aangenomen. Deze kenmerkte zich door meerdere toenadering
+tot het oude, doordien de omvang der vroegere provinciën hersteld werd
+en ook _Friesland_ zijn Naam herkreeg, met een Departementaal Bestuur
+van elf leden; terwijl het Algemeen Bestuur was zamengesteld uit een
+Staatsbewind van 12 en een Wetgevend Ligchaam van 35 leden. Hierop
+volgde weldra eene nieuwe regeling van de Gemeentebesturen, aan wier
+leden het Huishoudelijk beheer, gelijk de Policie en Justitie aan
+Drosten en Geregten, alsmede aan Dorpregters was opgedragen. Daartoe
+werd _Friesland_ verdeeld in 14 Drost-ambten. Bij de benoeming van vele
+nieuwe personen tot regeringsleden was het een aangenaam verschijnsel,
+eene meerdere toenadering en verzoening tusschen de vroegere partijen te
+bespeuren; terwijl de gematigdheid van het Staatsbewind bereid was, de
+vroegere scheuringen zoo veel mogelijk te heelen tot eendragtige
+zamenwerking aan het algemeen belang.
+
+Want groot waren bij voortduring de bezwaren, welke op den Staat
+drukten, ook buiten den geldnood, waarin men door dikwijls herhaalde
+heffingen op de bezittingen en inkomsten, door leeningen en buitengewone
+belastingen trachtte te voorzien, totdat deze in 1805 door een stelsel
+van algemeene belastingen op allerlei voorwerpen werden vervangen. De
+bezorgdheid van het Staatsbewind was in 1803 zelfs zóó groot, dat het
+klaagde »over de gezonken welvaart, het steeds dieper verval van onze
+nationale zeden en de toenemende onverschilligheid omtrent God en
+Godsdienstige zaken, zoodat er redenen bestonden, om nieuwe en
+onherstelbare rampen te vreezen"[370].
+
+ [370] Zie over al het vermelde de _Verzameling van Placaaten_, VI 168,
+ 179, 209, 224, 311, 345.
+
+Intusschen was de invloed van _Frankrijk_ en onze afhankelijkheid van
+NAPOLÉON, die zich in 1804 tot Keizer had verheven, grooter geworden.
+Eene gewijzigde Staatsregeling voor het Bataafsche Gemeenebest
+was daarvan in 1805 het gevolg. De edele staatsman RUTGER JAN
+SCHIMMELPENNINCK werd als Raadpensionaris met een Wetgevend Ligchaam
+geplaatst aan het hoofd van het bewind, dat de belangen der
+Departementen en Gemeenten door nieuwe verordeningen (ook op het
+onderwijs) zocht te bevorderen. _Friesland_ werd nu ten aanzien van de
+Justitie en Politie verdeeld in 15 Drost-ambten, welker bestuur uit een
+Drost, Mederegters en Schepenen bestond. Dat bewind, hetwelk den
+zorgvollen toestand des lands zoo veel mogelijk trachtte te lenigen, was
+echter alleen de overgang tot eene Monarchale regering. NAPOLÉON'S wil
+schiep het Koningrijk _Holland_, en plaatste zijnen broeder LODEWIJK op
+den troon (5 Junij 1806). Op nieuw onderging de constitutie eene
+wijziging, en werden den Koning vier Ministers met eén Wetgevend
+Ligchaam van 38 leden toegevoegd, voor zooverre er voor dezen nog
+een schijn van gezag was overgebleven na het vallen van de eenmaal
+zoo grootsche republiek. Ten gevolge daarvan werd _Friesland_ in
+den volgenden jare (vermeerderd met de eilanden _Vlieland_ en
+_Terschelling_) gesteld onder het bestuur van een Land-Drost met zijne
+zes Assessoren, benevens drie Kwartier-Drosten; terwijl de Steden van
+den eersten rang, boven de 5,000 zielen, onder het bestuur kwamen van
+een Burgemeester, vier Wethouders en eene Vroedschap, benevens eene
+Schepensbank als nedergeregt. Ten platten lande werd een Baljuw aan het
+hoofd van het bestuur van ieder der 30 Districten gesteld[371].
+
+ [371] Zie de _Verzameling van Placaaten_, VIII 1, 23, IX 483, X 193,
+ 482 env.
+
+De welwillendheid, waarmede de goedhartige Koning LODEWIJK de belangen
+van ons vernederd vaderland tegenover de aanmatigingen van zijnen
+heerschzuchtigen broeder voorstond, verzachtte aanmerkelijk het
+misnoegen des volks over dit opgedrongen gezag. Door de ijverige zorgen
+van den Land-Drost REGNERUS LIVIUS VAN ANDRINGA DE KEMPENAER en zijne
+Assessoren mogt _Friesland_ gedurende de vier jaren van het koningschap
+vele voorregten smaken. In vergelijking toch van _Holland_, dat door het
+stilstaan van den handel kwijnde en van andere provinciën, die door
+watervloeden en oorlogsrampen geteisterd werden, had ons gewest aan de
+toenemende ontwikkeling van den landbouw en de veeteelt zelfs eene mate
+van voorspoed en bloei te danken, welke eenigzins opwoog tegen de immer
+stijgende schulden, lasten en bezwaren. Doch NAPOLÉON'S zucht om te
+veroveren en te heerschen, bij voortdurende teleurstelling in zijn
+wensch om _Engeland_ meester te worden, maakte hem vermetel, bitter en
+onregtvaardig, vooral jegens zijnen broeder en ons vaderland. De Keizer
+dwong hem, afstand te doen van den troon (1 Julij 1810), en weldra
+volgden nu de besluiten, dat _Holland_ met het Keizerrijk werd
+vereenigd, dat het Fransche stelsel van regering, wetgeving, belastingen
+en conscriptie op ons land werd toegepast, en dat de renten der schuld
+slechts voor een derde zouden worden voldaan. Het grondgebied werd
+daarbij verdeeld in zeven Departementen, ieder bestuurd door een Prefekt
+en Onder-Prefekten met een Raad van Prefekture. Alléén _Friesland_ bleef
+daarvan zijn alouden Naam behouden, en ontving eene verdeeling in drie
+Arrondissementen met drie Regtbanken, in 19 Kantons met zoovele
+Vrederegters en in 93 Gemeenten met Maires aan het hoofd[372].
+
+ [372] _Verzameling van Placaaten_, XIV 97, 111, 137.
+
+Loodzwaar drukte van toen af de ijzeren hand des dwingelands op het
+kwijnende vaderland, tot de diepste onderwerping aan zijne willekeur
+gedoemd. Nogtans had _Friesland_ het voorregt, in den Prefekt JAN
+GIJSBERT VERSTOLK een bestuurder te vinden, wiens wijsheid en
+gematigdheid vele bezwaren der Fransche regering verzachtte, en die
+daarvoor belooning vond in de algemeene hoogachting, in stede van den
+haat en den vloek, welke elders op de hardvochtige en wreede handlangers
+des tirans rustten. Wel kwamen er onder dit en het vorige bestuur vele
+verbeteringen tot stand, welke wij duurzaam als heilzame vruchten der
+verovering zullen vereeren; doch zij konden destijds niet opwegen tegen
+de smartelijke verliezen, verbazende opofferingen van goed en bloed en
+grievende vernederingen, die de natie moest dulden en ondergaan. Het
+volksbestaan uitgewischt en ons land tot een wingewest van _Frankrijk_
+verlaagd--vele bronnen van volksbestaan vernietigd, door den handel aan
+kluisters te leggen en de havens te sluiten--het volk zonder gezag of
+invloed op het staatsbestuur--door den dwang van politie en censuur
+verstoken van de vrijheid van spreken en schrijven--door knellende
+belastingen, heffingen en inkwartieringen uitgezogen--de jongelingen
+zonder uitzondering als op de slagtbank voor de krijgsdienst geprest tot
+een bloedigen oorlog, waarin gansch _Europa_ deelde,--de inkomsten van
+duizenden ingezetenen en gestichten tot op een derde verminderd--'s
+lands taal en zeden verguisd en het hooger onderwijs, ook door de
+vernietiging van Frieslands beroemde Hoogeschool, ingekrompen,--ja,
+bezit en eigendom zelfs afhankelijk gesteld van de willekeur der
+Fransche gezagvoerders:--ziedaar eenige der vele bijna ondragelijke
+bezwaren en kwellingen, waaronder de landzaat gebukt ging.
+
+Zóó ver moest het komen, om de Nederlanders de droeve gevolgen hunner
+vroegere partijschappen te doen betreuren; om hen, terwijl al het
+dierbaarste hen naar buiten ontviel, tot zich zelve te doen inkeeren; om
+hen in godsdienst en zedelijkheid de bron te doen zoeken van inwendigen
+vrede, van kracht en moed onder vernedering en lijden, en om hen, bij de
+stijgende magt en dwang des overmoedigen geweldenaars, te vervullen met
+haat jegens hunne onderdrukkers en met hoop, neen, met het zekerste
+vertrouwen op de toekomst. Immers, zulk eene algemeene verfoeide
+dwinglandij, zulk een misbruik van gezag ~kon~ niet duurzaam zijn. Gods
+Wijsheid en Liefde had onze vaderen tot zóó verre beproefd en gelouterd,
+toen Zijne Almagt den man des bloeds, na eene uiterste krachtinspanning,
+in de velden van _Rusland_ een perk stelde en vernederde, en voor de
+lang verdrukte tolken den gewenschten dageraad van den dag der
+verlossing, des vredes en der onafhankelijkheid deed gloren. Nooit mogen
+de Nederlanders deze staats-omwenteling en hare oorzaken en gevolgen
+vergeten![373]
+
+ [373] Hoe belangrijk ook, duldt mijn bestek niet, hier stil te staan
+ bij den invloed dezer omwenteling op de hoogere belangen des volks. Ik
+ verwijs deswege liever naar de voortreffelijke verhandeling van den
+ Hoogleeraar KEMPER, _over den Invloed der Staatkundige Gebeurtenissen
+ en der Godsdienstige en Wijsgeerige begrippen, sedert ruim 25 jaren,
+ op de ware verlichting in het godsdienstige en zedelijke bij de volken
+ van Europa_, door Teijlers stichting bekroond en in 1820 ook
+ afzonderlijk uitgeven.
+
+
+
+
+ZESDE TIJDVAK.
+
+HET NIEUWE FRIESLAND, ONDER DE KONINKLIJKE REGERING.
+
+VAN DE HERSTELLING VAN NEDERLAND TOT OP DE NIEUWE REGELING VAN HET
+GEMEENTEWEZEN.
+
+_Van den jare 1813 tot 1851._
+
+
+44. _Bevrijding en Vestiging van den Nederlandschen Staat. 1813-1816._
+
+De heerschzucht van NAPOLÉON had te veel gewaagd, toen hij, na een groot
+deel van _Europa_ veroverd te hebben, ook het magtige _Rusland_ aanviel.
+Zoodra liep de krijgskans hem niet tegen, of de lang door hem verdrukte
+volken sloegen de handen met _Rusland_ in-een, om hem te vernederen en
+zich zelve tot vorigen rang te herstellen. Terwijl de tijding van zijne
+nederlagen de Fransche ambtenaren in _Nederland_ met schrik en schroom
+vervulde, zoodat zij op zelfbehoud bedacht waren, werd te _'s
+Gravenhage_ door GIJSBERT KAREL VAN HOGENDORP, (den kleinzoon van ONNO
+ZWIER VAN HAREN) en zijne vaderlandlievende vrienden het plan gevormd,
+eene omwenteling te bewerken en den _Prins van Oranje_, die zich in
+_Engeland_ bevond, het gezag aan te bieden.
+
+Inmiddels zond de Russische overste Baron ROSEN een aantal kozakken naar
+_Friesland_, die den 16 November 1813 te _Leeuwarden_ aankwamen. Nu
+werd de vlugt der Franschen algemeen. Ook de Prefekt VERSTOLK verliet
+deze provincie, waarna de Raad van Prefekture aan HECTOR VAN SMINIA de
+waarneming van dat ambt opdroeg en zelf het gezag bleef bekleeden, in
+afwachting van het welslagen der vrijheidlievende oogmerken in _Holland_
+(25 Nov.). Na eene pijnlijke onzekerheid van eenige dagen, schonken
+eindelijk de gelukkige uitslag dier pogingen, de spoedige overkomst van
+den Prins van _Oranje_ en de proclamatiën, eerst in zijn naam en daarna
+door hem uitgevaardigd, de zekerheid, dat de Franschen bijna geheel
+verdreven waren, dat het hatelijk juk der dwingelandij was afgeschud en
+dat de verbrokene banden tusschen _Nederland_ en het Huis van _Oranje_
+op nieuw geknoopt waren, om de vrijheid en onafhankelijkheid des
+vaderlands te herstellen. Onbeschrijfelijk groot was hier, gelijk alom,
+de blijdschap over deze heugelijke gebeurtenis, welke op den 10 December
+te _Leeuwarden_ en elders, bij 's Prinsen uitroeping tot Souverein
+Vorst, met groote vreugdebedrijven- en twee dagen later in alle kerken
+dezer provincie godsdienstig en dankbaar werd gevierd.
+
+Kort te voren waren namens den Prins en het Algemeen Bestuur der
+_Vereenigde Nederlanden_ ENNIUS HARMEN BERGSMA, lid van het Keizerlijk
+Geregtshof te _'s Gravenhage_, en HECTOR VAN SMINIA, waarnemend Prefekt,
+benoemd tot _Commissarissen-Generaal_ ter organisatie van het
+Departement _Friesland_, tot bereiking van welk doel zij in ieder der
+drie Arrondissementen een Commissaris aanstelden. De Maires werden
+afgeschaft en voorloopig in de steden door Burgemeesteren en
+Vroedschappen en op het land door Schouten vervangen.[374] Algemeen was
+de geestdrift, om mede te werken tot herstel van het herrezene
+vaderland. Aanzienlijke giften in geld, goud en zilver werden daartoe
+geofferd. Eene menigte personen nam dienst en trok uit, om de Franschen,
+die zich nog in _Delfzijl_, _Koevorden_, _Gorinchem_, _Naarden_ en
+elders genesteld hadden, te verdrijven.
+
+ [374] De Administratie van het Departement _Friesland_ was in 1813
+ zamengesteld uit: een Prefekt met 4 Raden van Prefekture en een
+ Secretaris Generaal; 3 Onder-Prefekten in de Arrondissementen, die
+ ieder 11 Raden hadden, terwijl de Algemeene Raad van het Departement
+ uit 16 personen bestond. In elk Arrondissement waren nog
+ Kantons-vergaderingen, met een President aan het hoofd. De 11 Steden
+ en 82 Gemeenten, waarin het Departement was verdeeld, werden door een
+ Maire, een of meer Adjunct-Maires en, naar gelang harer grootte, door
+ 30, 20 of 10 Municipale Raden bestuurd.
+
+Nadat in Maart 1814 een getal van 52 der aanzienlijkste ingezetenen of
+Notabelen van _Friesland_ naar _Amsterdam_ waren genoodigd tot
+beoordeeling van het Ontwerp van _Grondwet_, werd deze aangenomen, en
+den 30 Maart WILLEM FREDERIK, _Prins van Oranje_, als _Souverein Vorst
+der Vereenigde Nederlanden_ plegtig gehuldigd. Het voorloopig bestuur
+der Commissarissen-Generaal werd den 6 April opgeheven door de benoeming
+van Jhr. IDSERT ÆBINGA VAN HUMALDA tot _Gouverneur van Friesland_. Het
+besluit van den 9 Maart 1815 herstelde de aloude verdeeling van dit
+gewest in 30 of nu met de eilanden in 32 Grietenijen, onder het bestuur
+van een Grietman, Assessoren en Leden van den Raad. Het bestuur der
+Steden werd zamengesteld uit eenen Raad met vier of drie Burgemeesteren
+aan het hoofd.
+
+Vele bepalingen van die staatsregeling voor 9 provinciën, welke nu weder
+bestuurd werden door Staten, die voor de wetgeving 55 leden der
+Staten-Generaal en voor het dagelijksch bestuur een Collegie van
+Gedeputeerden benoemden, ontvingen echter spoedig eene wijziging, ten
+gevolge onzer vereeniging met _België_ en de nieuwe Grondwet van 1815,
+bij de vestiging van het _Koningrijk der Nederlanden_, met WILLEM _den
+eerste_ als Koning aan het hoofd.
+
+Die uitbreiding van grondgebied, deze verheffing van onzen Staat tot een
+Koningrijk, bij de herleving van handel, scheepvaart en nijverheid en de
+herstelling van vele vroeger gesloopte betrekkingen en inrigtingen,
+schenen voor de welvaart en het geluk van _Nederland_ eene schoone
+toekomst te doen aanbreken. Ook in _Friesland_ werd de vroegere
+hoogeschool te _Franeker_ in een Rijks-Athenæum hersteld; werden de
+betrekkingen tusschen het volk en zijne vroegere bestuurders vernieuwd,
+en ontsprongen er uit landbouw, veeteelt en handel bronnen van
+volksvlijt en voorspoed, welke een nieuw leven verspreidden; terwijl de
+ijver van het Algemeen en Provinciaal Bestuur, en niet minder van de
+Plaatselijke Besturen, om herstellingen en verbeteringen aan te brengen,
+op de ontwikkeling van alle standen en de bevordering van lang
+verwaarloosde belangen van gunstigen invloed was.
+
+
+45. _De jongste lotgevallen van Friesland. 1816-1851._
+
+De blijde vooruitzigten, welke de vestiging van een onafhankelijk
+volksbestaan geopend hadden, werden echter eerlang door tegenspoeden
+getemperd. Nadat van 1816 tot 1824 bestendige afwisseling van
+buitengemeen natte en drooge zomers schaarschheid en duurte en daarna
+sterke daling van de prijzen der voortbrengselen van den landbouw ten
+gevolge hadden, trof _Friesland_ den 5 Februarij 1825 met andere
+gewesten eene geduchte ramp. Hevige en aanhoudende stormen deden op
+verscheidene plaatsen dijkbreuken ontstaan, en binnen weinige uren was
+tweederde gedeelte dezer bloeijende provincie overstroomd, en schenen
+menschen, vee en bezittingen aan de woede der golven prijsgegeven te
+zijn. De som der algemeene schade en verliezen, daardoor te weeg
+gebragt, werd op niet minder dan 3 millioen Gulden geschat. Heerlijk
+blonk echter toen ook, naast menig edelmoedig bedrijf tot redding en
+hulpbetoon, de algemeene en bijzondere weldadigheid onzer landgenooten
+uit, daar eene som van ruim 360,000 Gld. werd bijeengebragt, om de
+schade, door behoeftige personen geleden, welke op ruim 680,000 Gld.
+werd begroot, voor een deel te vergoeden[375]. In gelijke mate mogt
+_Friesland_ de bewijzen der milddadigheid onzer landgenooten ontvangen,
+toen in den volgenden jare, 1826, dit gewest door eene heerschende
+ziekte en buitengewone sterfte werd geteisterd, ten gevolge waarvan ruim
+20,000 nooddruftigen ondersteuning behoefden uit het fonds van
+onderstand, hetwelk, uit eene som van bijna 110,000 Gld. en eene menigte
+kleeding- en liggingsstukken bestaande, tot leniging van dien nood was
+bijeengebragt[376].
+
+ [375] Zie over dit onderwerp het belangrijke werk van den Heer J. VAN
+ LEEUWEN, _Geschiedkundig Tafereel van den Watervloed en de
+ Overstroomingen in Friesland, in 1825_, en bijzonder Bijlage F,
+ benevens het _Rapport der Commissie voor de Noodlijdenden_.
+
+ [376] Volgens het _Algemeen Verslag en Verantwoording van de
+ Provinciale Commissie van Onderstand_.
+
+Intusschen was de hoogbejaarde Jhr. ÆBINGA VAN HUMALDA, de edele vriend
+en voorstander van kunsten en wetenschappen, in November 1826 als
+Gouverneur dezer provincie vervangen door Jhr. JAN ADRIAAN VAN ZUIJLEN
+VAN NIJEVELT, die eerlang aller hoogachting mogt verwerven door zijne
+deugden en verdiensten ten aanzien der bevordering van Frieslands
+belangen, bijzonder van den Waterstaat van dit gewest. De hoop, dat
+rustige dagen van welvaart nu de geleden rampen zouden vervangen, werd
+spoedig verijdeld door de gevolgen der Belgische omwenteling, welke van
+1830 tot 1834 zware offers eischten. De algemeene geestdrift voor
+Koning en Vaderland bragt die opofferingen nogtans gaarne en getrouw, en
+mogten ook de duizenden, als soldaten en schutters uitgetrokkene
+Friesche jongelieden en mannen vele blijken geven van krijgshaftigheid,
+van onbezweken trouw en moed, waardoor onder het leger de Friesche naam
+met eere werd gehandhaafd.
+
+Bijna bestendige welvaart begunstigde vervolgens de uitvoering van
+belangrijke provinciale en plaatselijke werken van algemeen nut. Sedert
+1827 werden de hoofdwegen met vele zijtakken naar de voornaamste steden
+en dorpen bestraat of bepuind, waardoor de gemeenschap te land, vooral
+in den winter, evenzeer werd bevorderd als die te water door het
+uitdiepen en verbeteren van vele kanalen voor de scheepvaart en de
+afstrooming[377]. De kadastrale meting van deze provincie, in 1812 en op
+nieuw in 1825 aangevangen, had sedert 1834 eene meer regelmatige
+verdeeling van de Grondbelasting ten gevolge[378]. Het _Friesch
+Genootschap voor Geschied-, Oudheid- en Taalkunde_, in 1828 opgerigt,
+verzamelde de krachten van alle beoefenaars en voorstanders dezer
+belangrijke onderwerpen tot meerdere toelichting en openbaarmaking van
+de bronnen onzer historische kennis; terwijl landbouw en veeteelt,
+handel, fabrijkwezen en nijverheid met rustigen gang voorwaarts
+streefden.
+
+ [377] Zie de meeste dezer werken opgenoemd in mijne _Geschiedkundige
+ Beschrijving van Leeuwarden_, II 278 env. Het laatste gedeelte van dat
+ werk bevat zeer vele bijzonderheden omtrent de merkwaardige
+ verbeteringen en aanbouwingen, welke Frieslands Hoofdstad vooral in
+ dit tijdvak onderging.
+
+ [378] Zie A. VAN TONDEREN, _Beschouwing van de Kadastrale Uitkomsten
+ in Vriesland_, Leeuw. 1842, voorr. VI en bl. 17. De vermindering der
+ hoofdsom van _Friesland_ was slechts [f]277,000, schoon deze
+ [f]400,000 had moeten zijn, welk bedrag deze provincie sedert 1806 elk
+ jaar te veel had betaald, zonder daarvoor ooit vergoeding te hebben
+ ontvangen.
+
+In 1840, merkwaardig door de herziening van de Grondwet en de
+troonsopvolging van Koning WILLEM II, overleed de algemeen betreurde
+Gouverneur VAN ZUIJLEN VAN NIJEVELT. Van zijn opvolger MAURITS PICO
+DIDERIK _Baron_ VAN SYTZAMA, die zoo lang als volksvertegenwoordiger
+achting had verworven, verwachtte men nu veel goeds voor de belangen van
+dit gewest. En inderdaad heeft hij die, naar zijne inzigten, met den
+meesten ijver voorgestaan, onder afwisseling van voor- en tegenspoed:
+want de opheffing van het Rijks-Athenæum te _Franeker_ (1843), het
+ontstaan van de longziekte onder het rundvee (1842 en 1845) en de
+gevolgen van den bij herhaling mislukten aardappeloogst, welke met
+duurte en schaarschheid van levensmiddelen en naar aanleiding daarvan,
+met verontrustende volksbewegingen gepaard gingen (1847), waren even
+smartelijke verschijnselen des tijds, als de Tentoonstelling der
+voorwerpen van Friesche Nijverheid en Kunst, in 1844 te _Leeuwarden_
+gehouden, en de toeneming van den uitvoer der voortbrengselen van den
+Frieschen landbouw en veeteelt, door de geopende stoomvaart op
+_Engeland_ (1846), verblijdende waren.
+
+Het jaar 1848 opende eene nieuwe rij van belangrijke gebeurtenissen. Dat
+_Nederland_, te midden der toenmaals, ten gevolge der Fransche
+omwenteling, zoo fel bewogen volken, rustig bleef, had het vooral te
+danken aan het kloek besluit van Koning WILLEM II tot onbekrompene
+herziening van onze grondwettige instellingen. In dat zelfde jaar kwam
+deze tot stand, om de ontwikkeling van een nieuw staatkundig volksleven
+voor te bereiden. Doch de Koning, die _Friesland_, na het overlijden van
+den Baron VAN SYTZAMA, Jhr. Mr JAN ERNST VAN PANHUIJS tot Gouverneur had
+geschonken (3 Nov. 1848), beleefde dit niet. Reeds den 17 Maart 1849
+werd hij aan het vaderland ontrukt, en den 12 Mei opgevolgd door zijn
+zoon Koning WILLEM III. 't Was onder dezen, dat de bepalingen der
+Grondwet in het leven traden, ten aanzien der regtstreeksche
+verkiezingen van leden voor de Generale en Provinciale Staten (1849 en
+50) en van de Gemeentebesturen (1851), en dat andere wettelijke
+bepalingen en andere personen invloed verkregen op het bestuur. Bij de
+invoering van de Gemeentewet, op den 5 Julij 1851, werd tevens de aloude
+benaming van Grietenijen voor de plattelands-besturen in _Friesland_
+vervangen door die van Gemeenten, onder het bestuur van een
+Burgemeester, Wethouders en leden van den Raad. (Zie _Aanteek. 27_.)
+
+ * * * * *
+
+Met die belangrijke gebeurtenis sluit ik deze _Beknopte Geschiedenis van
+Friesland, in Hoofdtrekken_, met dankzegging aan God, die mij krachten
+schonk, deze taak naar vermogen te volbrengen. Het terugzigt op dit
+tijdvak, zoowel als op de vroegere, is voorzeker verblijdende, omdat
+wij, als de uitkomst van zoo velerlei wisselingen en lotgevallen, met
+dankbaarheid mogen opmerken, hoe alles, onder de aanbiddelijke leiding
+der Voorzienigheid, mogt medewerken, om de staatkundige, godsdienstige,
+verstandelijke en burgerlijke voorregten des volks van lieverlede te
+vermeerderen, ten einde zijne opvoeding en vorming, naar gelang zijner
+vatbaarheid, meer en meer te voltooijen. Bij het bezit van zoo vele
+voorregten en het genot van algemeene welvaart, die iederen burger thans
+vergunnen, de genoegens des levens hier ongestoord te genieten en aan de
+bevordering van het bijzondere en algemeene welzijn mede te werken, rust
+er op het volk voorzeker eene dure verpligting, om zich die onschatbare
+weldaden waardig te betoonen: om vrede en voorspoed niet enkel tot
+genot, weelde en gemak, maar met wakkerheid en inspanning duurzaam tot
+vermeerdering van godsdienstige en zedelijke kracht, tot uitbreiding
+van zijne verstandelijke vermogens en de heiliging van hart en wandel
+aan te wenden. Gezond verstand en goede trouw bij wakkerheid en vlijt
+blijve de Friezen kenmerken. Een volk, dat naar het ~uitwendige~ zoo
+vele voorregten bezit, als waarin wij Friezen ons mogen verheugen, past
+het vooral, om, met het oog op de leer der geschiedenis en met
+verstandige zorg voor de toekomst, zich door ~inwendige~ kracht te
+sterken, tegen naderend gevaar en leed niet alleen, maar ook tot
+bestrijding van vele maatschappelijke gebreken en tot verheffing en
+veredeling van ons geslacht. Indien onze gezigtskring zich evenwel enkel
+tot de stoffelijke voorregten van dit leven beperkt, en spijs en drank
+ons, even als de dieren, alleen voldoening kunnen schenken, dan hebben
+wij hier reeds genoeg, zoo niet te veel, ontvangen. Maar, neen! eene
+zucht naar toeneming in kennis, in zedelijkheid en godsdienstzin bezielt
+allen, die overtuigd zijn van hunne roeping, om zich hier te vormen voor
+déze en dáárdoor voor te bereiden tot eene bétere wereld in het leven
+der toekomst. Tot die vorming en voorbereiding schenkt God ons
+gelegenheid en kracht door de verkondiging en beleving van zijn Woord;
+en voorzeker zal het volksgeluk dáár het meest en het duurzaamst
+gevestigd zijn, waar Geloof, Liefde en Hoop, niet enkel als Leer, maar
+als Leven de bezielende beginselen der daden en gezindheden van het
+onderling verkeer der ingezetenen zijn. Door deze kracht gesterkt, zal
+de nog gebrekkige maatschappij meer rijpen voor hare bestemming, en
+zullen alle van lieverlede toegenomene staatkundige en burgerlijke
+voorregten, welke wij dankbaar erkennen en verstandig genieten zullen,
+onder den zegen en het welbehagen van den grooten Opvoeder van het
+menschelijk geslacht, middelen worden, om ons geluk voor tijd en
+toekomst te verhoogen.
+
+
+
+
+~AANTEEKENINGEN~, OPHELDERINGEN EN BIJVOEGSELS TOT DEZE BEKNOPTE
+GESCHIEDENIS VAN FRIESLAND.
+
+
+ Komt! oefnen wy de vlerk der weetzucht laag by de aard,
+ Gods hulp zal met ons zijn, zy is 't die ons bewaart.
+ Zijn Wijsheid houdt zich aan den stervling niet verborgen.
+ Zy roept ons: Kom tot my, by avond en by morgen;
+ Zy toont zich wijd en zijd, en biedt de hand ons aan,
+ En noodigt ons, in ernst heur gangen na te gaan.
+ Ja, slaan wy ze ijvrig gâ! en leere ons de ondervinding
+ Ons eigen pad erkennen. Weg, sluier der verblinding!
+ Het weten maakt ons wijs.
+ Het menschelijk Verstand
+ Ziet wel in 't rond, maar 't heeft tot grijpen slechts één hand.
+ Vervul het met iets goeds; het zal niets ijdels zoeken.
+ Maar laat geen ledigheid u 't zorgloos hart verkloeken.
+ Ons weten schildert ons wat goed en kwaad is, voor,
+ En dringt ook in ons hart, ter vruchtbre kennis, door.
+ Het is de Onwetendheid die trotsch maakt en vermetel:
+ Want hoogmoed dringt zich steeds by zelfwaan op den zetel.
+ Aanspraaklijk zijn wy aan ons-zelf; maar ook aan God,
+ Voor al wat invloed heeft op dit en 't eeuwig lot.
+
+ BILDERDIJK _naar_ SPIEGHEL.
+
+
+
+
+~AANTEEKENINGEN~.
+
+
+_Aanteekening 1_, op _bladzijde 10_.
+
+_De Oude Toestand van Friesland._
+
+Vermits de voorstelling van den ~ouden toestand~ van _Friesland_, in den
+tekst, hoe kort ook, afwijkt van die, welke in vroegere geschriften over
+dit onderwerp, ook door mij zelven, is voorgedragen, zoo is het
+noodzakelijk hier aan te wijzen, dat ik daarin meestal gevolgd ben de
+denkbeelden van Dr. _J. G. Ottema_, in zijne uitmuntende verhandeling,
+getiteld: Over den loop der Rivieren door het land der Friezen en
+Batavieren, in het Romeinsche tijdperk, geplaatst in het tijdschrift van
+ons Friesch Genootschap: de Vrije Fries, IV 105; waarbij is gevoegd eene
+Kaart (met latijnsche benamingen), welke alles zeer aanschouwelijk
+maakt. Deze nieuwe voorstelling is met zóó grondige bewijzen gestaafd,
+dat zij wel verdiende meer algemeen bekend te zijn, en vergeleken te
+worden met de vermelde voorstelling van Dr. _G. Acker Stratingh_, in
+zijn Aloude Staat en Geschiedenis van Nederland. Ook om de eerste reden
+heb ik, met goedvinden en onder opzigt van mijn vriend _Ottema_, eene
+dergelijke Schetskaart (met nederduitsche benamingen) bij dit werk
+gevoegd, ter verklaring van de anders al te beknopte beschrijving.
+
+Aangezien ik mij voorgenomen had, in den tekst zoo kort en eenvoudig
+mogelijk te zijn, zoo heb ik het noodzakelijk geacht, hierbij eenige
+Aanteekeningen te voegen: vooral, om rekenschap te geven van het
+gestelde; om de nieuwere bronnen aan te wijzen, en om eere te geven aan
+hen, die deze denkbeelden het eerst openbaar gemaakt en elders
+uitvoeriger medegedeeld hebben. Ook voor hen, die de kort behandelde
+onderwerpen nader willen onderzoeken, kan het nuttig zijn, hier telkens
+de ~bijzondere~ bronnen aangewezen te zien. Het is echter mijn plan
+niet, om in deze Aanteekeningen uitbreidingen te geven van het verhaalde
+of kritische aanmerkingen en toevoegselen daarop, gelijk de Heer _J. van
+Leeuwen_ heeft gedaan achter den nieuwen druk van it aade Friesche Terp,
+welk belangrijk werkje ik bij deze zeer aanbeveel aan allen, die
+uitvoeriger narigten omtrent vele punten wenschen te vernemen. Juist
+omdat dáár zoovele schrijvers zijn aangehaald en ik gaarne zou zien, dat
+die ~speciale~ Kronyk nevens mijne ~globale~ voorstelling van de
+geschiedenis, in ~hoofdtrekken~, gebruikt wierde, om te zamen een
+voegzaam geheel uit te maken, heb ik dikwijls mijne aanhalingen van
+algemeene bronnen weggelaten, dewijl men die daar kan vinden, alsmede in
+mijne Geschiedkundige Beschrijving van Leeuwarden, in 1846 en 47 in 2
+dln. uitgegeven.
+
+
+_Aant. 2_, op _bladz. 16_.
+
+_Oudste Bronnen._
+
+Het is de Romeinsche Geschiedschrijver _Tacitus_, die aangaande der
+Romeinen verkeer in _Friesland_ en hunne nederlaag ons de vermelde
+berigten medegedeeld heeft. Zie _Tacitus_, vert. van Hooft, 4e Jaarb.
+182. Aangaande den naam en de ligging van het bosch Baduhenna of
+Badu-herne (vermoedelijk in Gaasterland) zijn vele gissingen.
+_Winsemius_, Chronique, 22 verklaart dien naam niet onaardig als een
+Friesche Wapenkreet: _Ba, du hinne!_ welke als een echo door het bosch
+klonk! Even zonderling is de vermelding van dit feit in de hoogst
+zeldzame: Sommiere Memoriale ende Loffelycke Beschryvinghe van de
+wydtvermaerde Keyserlycke vrye provintie van Vrieslandt, mitsgaders de
+daden, het leven ende handelinge der vroomdadighe vrye Vriesen. In rijm
+ghestelt door Jacob Liefs Amstelredammer, 1636:
+
+ Noyt is u moedich volck trouplichtich niet besweecken:
+ Noyt is u Crijghers hert verflaut te ruch gheweecken,
+ Maer hebt de tieranny Ollenus wederstaen:
+ Doen ghy t' Romeynsche volck so machtich gingt verslaen,
+ Apronius slaet, hun volck ten roove van de Vogh'len
+ En het Romeynsche rot begroet met Is're Cogh'len.(!)
+
+Mr. _A. van Halmael Jr._ heeft deze gebeurtenis meer dichterlijk
+voorgesteld in zijn treurspel: Adel en Ida, of de bevrijding van
+Friesland, Leeuwarden 1831. In het voorberigt hiervan komen eenige
+ophelderingen daaromtrent voor, en mede in zijn Beknopt Overzigt van de
+Friesche Geschiedenis, waarvan het eerste gedeelte voorkomt achter _van
+Leeuwen's_ uitgave van it aade Friesche Terp, bl. 289, 298, 300, en
+vertaald in het Friesch Jierboeckjen, foar 1831 en vervolgens.
+
+
+_Aant. 3_, op _bladz. 18_.
+
+_Oude Handels-geschiedenis._
+
+Ofschoon de Geschiedschrijvers veelal de groote gebeurtenissen of feiten
+vermelden, is het echter zeer belangrijk, uit veelvuldige bijzonderheden
+na te gaan, hoedanig de innerlijke maatschappelijke toestand was van een
+volk in verschillende tijden. Omtrent dit duistere tijdperk is zulks
+vooral gedaan door den Heer Mr. _J. Dirks_, in zijne bekroonde
+verhandeling: Geschiedkundig Onderzoek van den Koophandel der Friezen,
+van de vroegste tijden tot aan den dood van Karel den Grooten, Utrecht
+1846. Bij de lezing van dit hoogst belangrijke geschrift staat men
+verbaasd over den rijkdom van bijzonderheden, welke de Schrijver met
+uitstekende vlijt uit de bronnen heeft opgespoord. Dit laatste is in
+zulk een werk van veel belang: vooral, omdat er, bijzonder bij de
+Hollandsche geschiedschrijvers, die over Friesland en de Friezen hebben
+geschreven, zoo vele onnaauwkeurige voorstellingen, verkeerde
+denkbeelden en ongegronde beweringen bestaan, welke het doen betreuren,
+dat zij, die over de geschiedenis van Nederland schrijven, zoo weinig
+kennis dragen van die der provinciën, inzonderheid van Friesland.
+
+
+_Aant. 4_, op _bladz. 23_.
+
+_De Oude Grenzen van Friesland._
+
+Een niet minder belangrijk geschiedkundig onderzoek, naar de uitbreiding
+en grenzen van _Friesland_ in verschillende tijdperken, heeft in de
+laatste jaren licht verspreid over dit onderwerp. Ik bedoel de te
+_Groningen_ in 1834 bekroonde verhandeling van den Heer Mr. _J. van
+Doorninck_, later Archivarius van _Overijssel_, Commentatio de Frisiae
+Terminis, waarvan de Heer _I. A. Nijhoff_ een uitvoerig verslag heeft
+gegeven in zijne Bijdragen voor vaderl. geschiedenis en oudheidkunde, I
+Aank. 57. Lezenswaardig zijn ook de mededeelingen van _Karl Türk_ in
+zijn werkje: Altfrisland und Dänemark, Parchim 1835.
+
+
+_Aant. 5_, op _bladz. 25_.
+
+_De verovering van Brittannië_
+
+door de Friezen en andere volken en de gevolgen daarvan zijn zeer
+uitvoerig behandeld door den Hoogleeraar _A. Ypey_ in zijne Geschiedenis
+der Ned. Taal, I^e dl. 1812, 174 en II^e dl. 1832, 152; een werk, ook in
+andere opzigten voor de Friesche geschiedenis en letterkunde van zeer
+veel belang. De overeenkomst van het Friesch met het Engelsch is met
+proeven aangewezen in het eerste deel van den Tegenw. Staat van Friesl.
+Harl. 1785, bl. 156. Bekend is het gezegde:
+
+ _Boetter, Brea in griene Tsies
+ Is goed Ingelsch in eak goed Friesch._
+
+Als eene latere proeve dier taalverwantschap, ook tusschen het
+tegenwoordige Friesch en Engelsch, deelen wij mede Dr. _Bowring's_
+vertaling der opdragt van _Posthumus'_ Keapman fen Venetien in Julius
+Cesar fen _Shakspeare_, voorkomende in zijne schets der Friesche
+Letterkunde, geplaatst in de Westminster Review, 1829, N^o. 23 en
+vertaald in de Leeuw. Cour. 1830, N^o. 66:
+
+ _Lyk az Gods sinne swiet uus wrâd oerschijnt;_
+ Like as God's sun sweetly our world o'ershines;
+
+ _Her warmtme in ljeacht in groed in libben schinkt;_
+ Her warmth and light and growth and life sends;
+
+ _Lijk az de mijlde rein elke eker fijnt:_
+ Like as the mild rain each acre finds:
+
+ _So dogt eak dat, wat ijn uus, minsken, tinkt._
+ So does eke that, what in us, men, thinks.
+
+ _Dij sprankel fen Gods fjoer, ijn uus lein, jouwt_
+ That sparkle of God's fire, in us laid, gives
+
+ _Oeral eak ljeacht in FREUGDE oon Adams team._
+ O'erall eke light and JOIJ on Adam's train.
+
+ _Wer dij wenn't, hulken, oaf paleisen, bouwt,_
+ Where they dwelt, hulk (cottage) or palaces build,
+
+ _In fen wat folk hij iz, ho hij him neam._
+ And of what folk he is, how he him (self) names.
+
+Bij deze vergelijking (voegt _Bowring_ er achter) zal men hebben
+opgemerkt, dat er van de twee-en-vijftig woorden een-en-vijftig in het
+Engelsch bewaard en slechts weinig veranderd zijn geworden; terwijl
+alleen het woord _freugde_ voor een van Normanschen oorsprong heeft
+moeten wijken.--Doch ook in zijne schoone Brieven over Friesland (1829)
+en Iets over de Friesche Letterkunde spreekt _Bowring_ bij herhaling van
+der Friezen verwantschap en overeenkomst met den Angel-Saxischen stam,
+als van eene natie, "wier voorvaderen onze voorvaderen waren, wier taal
+en zeden eene zeer sterke overeenkomst hebben met de onze." Die
+overeenkomst in taal en volkskarakter haalden hem allereerst tot een
+onderzoek over. Bij iederen tred vond hij nieuwe punten van gelijkheid,
+zoodat hij zich had kunnen verbeelden te verkeeren onder Angel-Saxen van
+een meer gevorderden trap van verstandelijke beschaving. "Spreekwijzen,
+(zegt hij) als verouderd Engelsch, klonken telkens in onze ooren, en wij
+konden niet nalaten eene verwonderlijke overeenkomst tusschen hen en
+onze voorouders te ontdekken. Hunne taal, zeer veel overeenkomende met
+die, welke in Engeland gesproken werd, vele honderden van jaren voor dat
+_Shakespeare_ schreef; hun ligchaamsgestalte, hun schrandere en
+wijsgeerige geest, hunne ontwijfelbare betrekking met het beste deel van
+den Engelschen volksstam--dit alles boezemde mij belang in." Zie ook
+_Wagenaar_, Vad. Hist. I 289; _Cerisier_, Gesch. der Ned. I 80;
+_Molhuysen_ in _Nijhoff's_ Bijdragen, VI 244, VII 180, 184, en de door
+_van Leeuwen_ opgenoemde schrijvers in zijne Aantt. op de Kronyk, bl.
+332.
+
+
+_Aant. 6_, op _bladz. 34_.
+
+_Der Friezen strijd tegen de Franken._
+
+Omtrent dit onderwerp, alsmede de invoering en vestiging van de
+Christelijke godsdienst in deze landen zijn insgelijks in den jongsten
+tijd onderscheidene uitmuntende geschriften in het licht verschenen en
+door mij geraadpleegd. De bij het Kon. Ned. Instituut bekroonde
+verhandelingen van Prof. _H. J. Royaards_ en Do. _E. J. Diest Lorgion_
+bevatten vele merkwaardige berigten, welke uit de overgeblevene bronnen
+geput zijn, even als de vroeger aangehaalde voorlezing van Jhr. Mr. _B.
+J. L. de Geer_, de strijd der Friezen en Franken, waarvan ik dikwijls
+gebruik gemaakt heb. Zie ook de fraaije voorlezing van Do. _A. Winkler
+Prins_, over _Radbout I_, geplaatst in de Vrije Fries, V 97, en _van
+Loon_, Aloude Regeeringwijs van Holland, Leiden 1744, I 110 en verv. II
+5 en verv. Daar ook deze schrijver op eerstgenoemde plaats verklaart,
+dat Holland "tot in de elfde eeuwe toe, altyd VRIESLAND is genaamd
+geworden," is het een aangenaam verschijnsel van onzen tijd, dat in de
+geleerde en grondig bewerkte verhandelingen van _Royaards_ en _van Asch
+van Wijck_ bij herhaling gewezen wordt op het hoog belang der
+geschiedenis van Friesland ~voor~ of ~als~ de geschiedenis van Nederland
+in de tien eerste eeuwen onzer tijdrekening; een belang, dat zoovele
+Hollandsche Geschiedschrijvers schijnen te miskennen, als ze van de
+_Friezen_ naauwelijks gewagen en van de hooggevierde _Batavieren_, de
+vermeende stamvaders der Nederlanders, al te ligtvaardig overspringen op
+de Franken en de Hollandsche Graven. Dáárom heb ik eene wederlegging van
+dit verkeerde denkbeeld, uit het werk van Prof. _Royaards_, tegenover
+den titel geplaatst, opdat ook deze mijne Geschiedenis niet beschouwd
+zou worden als slechts ééne provincie betreffende en daarin met die van
+andere gewesten gelijkstaande.
+
+
+_Aant. 7_, op _bladz. 36_.
+
+_Handelsverkeer._
+
+Uitvoerige bijzonderheden omtrent het onderwerp der vorige Aant. en
+vooral omtrent den toenmaligen toestand des volks en des handels en het
+vervaardigen van die Mantels vindt men in _Dirks_, Koophandel der
+Friezen, doch vooral in de Geschiedkundige Beschouwing van het oude
+Handelsverkeer der stad Utrecht, van den voortreffelijken Burgemeester
+dier stad, Jhr. Mr. _H. M. A. J. van Asch van Wijck_, wiens ijver en
+belangstelling mijne nasporingen in het Utrechtsche Archief in 1837 zoo
+aangenaam en nuttig maakten.
+
+
+_Aant. 8_, op _bladz. 38_.
+
+_Aard der Friesche Vrijheid._
+
+De aanhef der Oude Friesche Wetten (met vele onschatbare aanteekeningen
+door _P. Wierdsma_ in 1782 uitgegeven), blz. 1, 13, 109, 119 enz.
+vermeldt die hulp ter verovering van Rome, en Mr. _Dirks_ heeft die
+togten tegen de Wilten en Avaren historisch toegelicht in de Vrije
+Fries, V 29. De voorstelling van den aard der Friesche vrijheid, door
+mij gevolgd, waarbij onderscheid is gemaakt tusschen de verschillende
+deelen van het Friesche rijk en tusschen _Karel_ als ~beschermheer~ van
+de Friezen en als ~veroveraar~ van de West- en Oost-Friezen, is
+duidelijk uiteengezet en met bewijzen gestaafd in de schoone
+Verhandeling over de Benaming van Vrije Friezen, door den Heer _L. H. W.
+van Aylva Baron Rengers_, in de Vrije Fries, V 193; een hoogst
+belangrijk stuk, dat wij alle beoefenaars van de geschiedenis zeer
+aanbevelen.
+
+Ten aanzien van der Friezen vrijheid ook omtrent geestelijke zaken, het
+stichten van Kerken enz. heeft de Heer Mr. _W. W. Buma_ grondige
+bewijzen bijeengebragt in: het Regt der Friesche Herv. Floreenpligtigen
+op het verkiezen van Predikanten enz. toegelicht en verdedigd, Leeuw.
+1849, bl. 14, 33. Bij al deze beschouwingen omtrent den oorsprong en den
+aard der Friesche Vrijheid verlieze men niet uit het oog, dat de
+toestand van onderscheidene omliggende landen en de daaruit
+voortgevloeide instellingen naauw zamenhangen met de toenmalige regten
+van het bijna algemeen ingevoerde Leenstelsel (eene uitvinding der
+dwingelandij), van erfelijk geworden Graven of Leenmannen, van
+lijfeigenschap en van heerlijke regten, wier _niet-bestaan_ in
+_Friesland_ reeds een negatief voorregt opleverde. De staatkundige en
+personeele vrijheid, welke alle volken van nature bezitten, werd hen
+door verovering ontnomen,--den Friezen werd zij ~gelaten~. Daarom noemt
+_Halsema_, bl. 44 als de hoofdkenmerken dezer vrijheid: "een vrije
+persoonlijke staat en daaraan verknocht vrij bezit of bestuur van
+goederen, in tegenoverstelling der Lijfeigenschap, benevens aandeel en
+gezag in de regering des lands." _Bosscha_, Neerl. Heldend. I 20 zegt:
+"Hunne burgerlijke vrijheid echter verloren zij niet; want zij behielden
+het zwaard, het teeken der eer." Het denkbeeld van vrijheid kan dus
+bezwaarlijk alleen en op zich zelf beschouwd worden, maar is
+betrekkelijk, en dikwijls alleen geldig bij wijze van vergelijking met
+eene vroegere overheersching of met de overheersching, waaronder naburen
+zuchten. De oorsprong van der Friezen regt en van hunnen exeptioneelen
+toestand komt vooral hierop neder: dat zij, bij de aanneming van _Karel
+den groote_ (die hen, volgens de Oude Fr. Wetten, bl. 13, "in zijne
+~bescherming~ nam, opdat zij den Noordman mogten ontkomen") "zich aan
+geene territoriaal verovering, waarbij zij en al hun have het eigendom
+der Franken zouden geworden zijn, onderworpen hebben." Op dit door de
+groote gevolgen zoo belangrijke punt wordt door den Heer _Rengers_
+bijzonder gedrukt. Het is ook vermeld bij _van Doorninck_ en _Nijhoff_,
+Bijdragen, I 66, boven aangehaald. De hoofdbepalingen der vrijheid zijn
+medegedeeld door _Foeke Sjoerds_, Alg. Beschrijv. I 391, volgens
+_Emmius_, 71 en de Oudheden en Gestichten, I 22. Met regt konden de
+Friesche Staten alzoo in eene Deductie van 1674 betuigen: "want is 'er
+ooit een natie onder de sonne geweest, die jalours van hare vryheid
+geweest is, so is het de Vriessche natie geweest, die Aborigenes genaemt
+worden, als die haer eygen name en woonplaets nimmermeer hebben
+verandert." Charterboek, V 1037.
+
+
+_Aant. 9_, op _bladz. 52, 55_.
+
+_Het verbond der zeven Zeelanden._
+
+Een hoogst belangrijk overzigt van den staat, den regeringsvorm, de
+wetten en betrekkingen van Friesland, tijdens het verbond der Zeelanden,
+bevat (om niet te gewagen van den schat van kennis, welke daarover is
+ten toon gespreid in de Voorreden der twee eerste deelen van het Vriesch
+Charterboek) de Verhandeling van Mr. _D. F. J. van Halsema_, als
+inleiding van het door hem daarbij uitgegevene Hunsingoër Landregt van
+1252, voorkomende in het 2e deel der Verhandelingen van het Groninger
+Genootschap: pro excolendo jure patrio, Gron. 1778;--een voortreffelijk
+werk, dat ik reeds voor jaren herhaaldelijk bestudeerd heb, doch waaruit
+ik voor mijn tegenwoordig doel weinig kon overnemen, dewijl ik mij tot
+de hoofdtrekken der Friesche geschiedenis bepalen- en, om uitvoerigheid
+te vermijden, tot mijn leedwezen vele bijzonderheden achterwege laten
+moest. Ik verzoek, dat men dit bij de beoordeeling wel in het oog houde,
+opdat men mij dáárom niet van oppervlakkigheid of onvolledigheid
+beschuldige. Over de juiste grenzen van ieder dezer Zeelanden, wier
+omvang door mij slechts in hoofdpunten is opgegeven, is steeds veel
+verschil geweest. Dit zal er ook altijd blijven bestaan, omdat deze in
+onderscheidene tijdperken uiteenliepen, en omdat wij uit die tijden
+zelve deswege geene naauwkeurige opgaven bezitten. Men zie daarover de
+Vrije Fries, IV 20 en 254; Tegenw. Staat van Friesland, I 46,
+enz.--_Westendorp_, Jaarboek van en voor de prov. Groningen, 1829, I 133
+en 211 brengt de Zeelanden eerst tot 13e eeuw; even vreemd laat hij
+_Friesland_ na 912 nog tot het Sincfal uitstrekken, zonder al het
+vroeger voorgevallene in aanmerking te nemen. Nog in 1430 werd het
+Verbond der gemeene Friezen, van het Flie tot over de Jade en de stad
+Bremen, vernieuwd (Charterb. I 494). Daarin bepalen zij nog: onderling
+te "willen mit der hulpe Gades Almechtig fry, Freesch, de eene mit den
+anderen bystandich wesen, und beschermen unse Over-Olderen vaders recht,
+van Coninck _Carolo_ beschreven recht, und by der gemeenen Freesen
+Lantrecht und frydommen tho ewigen tyden to blyven; und mit lyff und
+guet alle Duytsche Heeren buiten den Lande tho holden" enz. Hierin is de
+gansche bedoeling van het verbond der Zeelanden te zamengevat.
+
+
+_Aant. 10_, op _bladz. 59 en 60_.
+
+_Veranderde Toestand des lands, de Zuiderzee enz._
+
+Als latere bronnen der geschiedenis van de veranderingen des bodems en
+der watervloeden verwijzen wij hier naar de Inleiding van _van
+Leeuwen's_ Tafereel van den Watervloed, Leeuw. 1826; _F. Arends_, Nat.
+Geschiedenis van de Kusten der Noordzee, met Aanteekeningen van Dr. _R.
+Westerhoff_, Gron. 1835, 2 dln., waarvan een derde deel de Geschiedenis
+der Watervloeden bevat; Mr. _J. Scheltema_, drie verhandelingen over de
+Geschiedenis der Zuiderzee, over de Veranderingen der kusten en
+Aanwijzing van bijdragen daartoe, in zijn Geschied- en Letterkundig
+Mengelwerk, Utr. 1836, VI^e dl. 2e st. bl. 55, 103, 137; Dr. _Acker
+Stratingh_, Aloude Staat, waarvan het eerste deel de Bodem en de Wateren
+bevat; maar vooral naar de Redevoering over het ontstaan der Zuiderzee,
+van Dr. _J. G. Ottema_, met kaart, in de Vrije Fries, IV 183, een
+vervolg op zijne, in Aant. 1 vermelde, Verhandeling over den Loop der
+Rivieren enz. Daarin zijn vele verspreide berigten met zoo veel kennis
+en schranderheid tot een geheel gebragt, dat ik dit voortreffelijk stuk
+zeer aanbeveel, ter bekoming van naauwkeuriger denkbeelden dan ik
+daarvan heb kunnen geven, wegens de bekrompenheid van mijn plan, hetwelk
+mij dikwijls hinderlijk is geweest in de juiste en volledige
+voorstelling. Wie evenwel aan mijne te korte aanwijzingen niet genoeg
+heeft, kan in de opgenoemde bijzondere behandelingen van dit onderwerp
+ruime stof voor zijn weetlust vinden. Omtrent de Geschiedenis van de
+Middelzee verwijs ik naar de Nasporingen, in 1834 met mijne vrienden
+_Brouwer_ en _van Peijma_ door mij uitgegeven.
+
+
+_Aant. 11_, op _bladz. 74_.
+
+_De Friezen in de Kruistogten._
+
+Al de berigten der Kronykschrijvers omtrent der Friezen aandeel in de
+Kruistogten zijn het eerst bijeengebragt door den Oost-Frieschen
+geschiedschrijver _T. D. Wiarda_ (1786). De Heer _J. van Leeuwen_ gaf
+daarvan eene vertaling achter zijne vermelde uitgave van it aade
+Friesche Terp, bl. 365. Doch naderhand (1842) heeft Mr. _J. Dirks_ deze
+berigten kritisch onderzocht, en vergeleken met latere, ook
+buitenlandsche bronnen, en daarvan in de Vrije Fries, II 135 en 221,
+onder den titel van: Noord-Nederland en de Kruistogten, een verhaal of
+Schetsen gegeven, inzonderheid _volgens de berigten van ooggetuigen en
+tijdgenooten_. Deze voortreffelijke verhandeling, welke van vlijt en
+bekwaamheid evenzeer getuigenis geeft, ben ik in mijne korte
+voorstelling hoofdzakelijk gevolgd. Evenzoo zijn belangrijk stuk: de
+Friezen voor Aken, in het 5e dl. van het zelfde tijdschrift, bl. 53. Het
+verhaal van Roorda met den Moor vond ik in de verzameling Genealogiën,
+onder den naam van het Handschrift Doys beschreven op bl. V der Voorrede
+van het Stamboek van den Frieschen Adel, der Heeren _Hettema_ en _van
+Halmael_.
+
+
+_Aant. 12_, op _bladz. 98_.
+
+_De Schieringers en Vetkoopers._
+
+Over den aard en oorsprong dezer Partijschappen is veel geschreven,
+zonder dat echter iemand in staat was, daarvan zekere en naauwkeurige
+berigten te kunnen mededeelen. Ik heb de vrijheid genomen daarover mijne
+denkbeelden mede te deelen en daarvan een overzigt te geven in algemeene
+trekken, dewijl toch de bijzonderheden, voor mijn doel te uitvoerig, in
+onze kronyken kunnen nageslagen worden. In 1829 is er eene vrij dorre
+kronykmatige Geschiedenis van de onlusten tusschen de Schieringers en
+Vetkoopers door _A. v. H._ uitgegeven. Dit werk wordt dikwijls
+verkeerdelijk toegeschreven aan Mr. A. _van Halmael Jr._, die grondiger
+en meer wijsgeerige beschouwingen over dit zelfde onderwerp heeft
+medegedeeld in de belangrijke Narede van zijn voortreffelijk treurspel:
+Ats Bonninga, Leeuw. 1828, en in zijne rom.-dram. tafereelen: de
+Schieringers en de Vetkoopers, Leeuw. 1841, waarin op bl. 25 eene
+duidelijke ontwikkeling van den oorsprong dezer partijschappen voorkomt.
+Belangrijk is ook de verhandeling van den Heer _P. Burggraaff_ over den
+oorsprong en de namen dier partijen, voorkomende in het Tijdschrift voor
+Onderwijzers, Gron. 1833, I 34.--Echter stelt _Jancko Douwama_ in zijne
+Geschriften (van 1830-49 uitgegeven door het Friesch Genootschap), bl.
+20, dat de naam ~Schieringers~ _sprekers_ beteekent tegen de _rijken_,
+door hen ~Vetkoopers~ genoemd; terwijl hij beweert, dat de oorsprong der
+partijschap gelegen was in de poging der armen, om, in navolging van de
+partijen in _Holland_, de rijken te bewegen, om hun goed met hen te
+deelen, zóó, "dat de arme vast met de rijcke in de kiste begosten to
+tasten." Deze meening van een edelman, die ongaarne tegen den adel zou
+getuigen, lijdt echter bedenking. Met veel meer waarschijnlijkheid mag
+men uit al de omstandigheden opmaken, dat het de vrijheidszucht van het
+in welvaart toenemende volk tegen de heerschzuchtige aanmatigingen van
+den adel en de heerschappen, ook in de steden, was, welke de beroerten
+ontstaan en, onder allerlei vormen en bijkomende omstandigheden,
+voortduren deed. Misschien had een naijver tusschen _Oostergoo_ en
+_Westergoo_ daarin ook een aandeel, en werd het vuur bestendig
+aangeblazen door de onlusten in _Groningen_, door de heerschzuchtige
+Oost-Friesche edelen en de Hollandsche Graven, die allen nu deze dan
+gene partij met hunne hulp ondersteunden. Zie slechts _Worp van Thabor_,
+Kronyk, IV 4, 19, 31, 33 enz. enz.
+
+In het begin moge het veeleer een strijd van de demokraten of liberalen
+dier dagen geweest zijn tegen de aristokraten (welke wij ook later onder
+andere vormen hebben zien herhalen), dan het uitvloeisel van een
+communismus, waartegen het gezond verstand der Friezen zeker
+zou opgekomen zijn,--later werd het enkel een strijd tusschen
+heerschzuchtige edelen en hunnen aanhang, en tegen het gezag der
+Groningers en de vreemde hulpbenden van elders. De Donia-oorlog en de
+twist om Bolsward hielden de partijen bestendig tegen elkander in het
+harnas, en bragten de gemeene zaak eindelijk ten val, doch tevens
+redding aan voor het algemeen belang der ingezetenen. Het denkbeeld
+van _J. Douwama_ verdient dus weinig gezag, aangezien het geen krijg
+was, waarin het de armen te doen was, om buit te maken en zich
+met het veroverde te verrijken. Ook ná dat de oorzaak des geschils
+verdwenen was, duurden toch de vijandschappen voort, en werden ze
+erfelijke veeten, hatelijk, laag en onverzoenbaar. _Huber_, Hed.
+Rechtsgeleertheyt, II 3, noemde het een krijg, "bijna van alle tegen
+alle, huis tegen huis, geslacht tegen geslacht, met onderling geweld,
+rooven en bloedvergieten." Als bijkomende omstandigheid kan het echter
+zijn invloed hebben uitgeoefend, vooral in die dagen van ruwheid en
+domheid der lagere standen.--"Die Vetkooper-Partei war die der
+Aristokratie," zegt Dr. _von Langenn_, Hertog Albrecht der Beherzte,
+238, zeer eenvoudig, en bevestigt mijne boven medegedeelde meening.
+
+
+_Aant. 13_, op _bladz. 121_.
+
+_De Aanvallen der Hollandsche Graven._
+
+Uit het verschil van staatkundigen toestand en van beider betrekking tot
+het keizerrijk tusschen de vrije Friezen benoorden en de door de Franken
+veroverde Friezen of Hollanders bezuiden de Reker of de Kinhem (op
+bladz. 10, 37, 50, 78 en 99 hier vóór uiteengezet), laat het zich
+gereedelijk verklaren, dat de Graven van _Holland_, met dit Graafschap,
+als rijksleen, door de Keizers verleid, geen regt hadden op
+West-Friesland, het eerste der Zeven vrije Friesche Zeelanden, die geene
+leenen kenden en ook aan het Duitsche rijk niet dienstpligtig of
+hofhoorig waren, maar den Keizer alleen eerbiedigden als beschermheer
+tegen de omringende leenmannen, veelal kleine dwingelanden. Doch dit
+onderscheid en de aard van dezen verschillenden toestand, ten gevolge
+waarvan de Hollandsche Graven evenmin regt hadden op het tegenwoordige
+_Friesland_, is door weinige Hollandsche geschiedschrijvers in het oog
+gehouden. Terwijl _Melis Stoke_ met volkomene waarheid kon zeggen:
+
+ _Zyt des seecker en ghewis,
+ Dat het Graefschap van Hollant is
+ Een stuck van Frieslant ghenomen,_
+
+spreken zij van de Friezen, althans West-Friezen, steeds, als ware
+Friesland van Holland afgenomen, en als waren deze opstandelingen, die
+beteugeld, wederspannigen, die getuchtigd en bedwongen moesten worden.
+In dat geval hadden zij mede reeds vroeger onder de heerschappij dier
+Graven moeten geweest zijn, en moest er een feit bestaan, dat zij zich
+aan die heerschappij hadden onttrokken. Doch het tegendeel is waar. Het
+privilegie van den Roomsch-Koning Graaf _Willem II_, van 1248, en die
+der latere Keizers hebben althans de oude volksvoorregten der Friezen
+bevestigd, en tevens vroegere regten van anderen op hun land (zoo die al
+bestonden) vernietigd; ja zelfs hebben zij de Hollandsche Graven
+verboden de Friezen te "molesteren." Zie Charterb. I 94, 399, 593-596;
+_Stellingwerf_, Politycq Discours nopende den Staet van Frieslandt,
+Fran. 1617, 19. De vraag: _Of de Graven van Holland, regtens, ooit
+Heeren van Friesland waren_, is dus ook ontkennend beantwoord door Mr.
+_A. van Halmael Jr._ in een stuk in 't Mengelwerk der Leeuw. Courant van
+25 Junij 1833; alsmede in de Voorrede van zijn treurspel: Radboud de
+tweede, Leeuw. 1839, welke stukken met de hem zoo eigene grondigheid
+zijn behandeld.
+
+Doch onnaauwkeurige voorstellingen van Friesche zaken bij de Hollandsche
+geschiedschrijvers zijn zeer algemeen. Zoo vond ik, bij het lezen van
+een aantal boeken ten behoeve der behandeling van dit werk, mij ook
+bitter teleurgesteld, dat ik in de beroemde Geschiedenis van het Nederl.
+Zeewezen, van Jhr. Mr. _J. C. de Jonge_, niets vond van de voor dat
+tijdvak zoo hoogst belangrijke Zeetogten der Hollandsche Graven naar
+Friesland; geen woord van de togten van Graaf _Floris V_ in 1286 en 1292
+over de pas ontstane en voor de uitbreiding van het zeewezen zoo
+belangrijke Zuiderzee, bepaaldelijk om _Stavoren_ te winnen; geen woord
+over den belangrijken zeetogt van _Willem IV_ in 1345 derwaarts, en geen
+verhaal, maar slechts eene aanhaling van de verbazende toerustingen van
+_Albrecht van Beijeren_, in 1396 env. waaromtrent er in de Hollandsche
+en Friesche Charterboeken zoo vele belangrijke stukken en bij de
+geschiedschrijvers zoo talrijke berigten voorkomen. Voor zoover die mij,
+als ongeletterde, bekend zijn, heb ik ze opgenoemd in de Geschiedk.
+Beschrijv. van Leeuwarden, I 55 en 303, en verwijs ik derwaarts, om niet
+in noodelooze herhalingen te vallen. Later vond ik daarvan eene
+uitvoerige beschrijving in de Vaderl. Chronyk, Leijd. en Amst. 1784,
+296-911 of het einde, waarvan ik echter geen gebruik meer heb kunnen
+maken. Ik blijf die togten steeds beschouwen als een zeer merkwaardig
+punt in de geschiedenis van _Holland_ zoowel als van _Friesland_,
+hetwelk grootelijks verdiende nader te worden opgehelderd. Ook daarom
+heb ik deze herhaalde togten, door velen dikwijls met elkander verward,
+bij eene nadere omwerking meer uitgebreid, en zelfs breeder dan het
+overig gedeelte van dit werk voorgesteld.
+
+
+_Aant. 14_, op _bladz. 128_.
+
+_De toestand van Friesland in de 15e eeuw_
+
+moge hier donker gekleurd voorkomen,--ieder, die de bijzonderheden
+daarvan bij onze historieschrijvers wil nagaan, zal mij moeten
+bijvallen, dat die toestand destijds deerniswaardig was. Ik heb dien ook
+kortelijk vermeld in de Geschiedk. Beschrijv. I 76, 105 en dáár bij
+meerdere aangehaalde schrijvers ook gewezen op het belangrijk tafereel,
+door _Kempo van Martena_ daarvan opgehangen (Charterb. II 3). _Peter_ en
+_Worp van Thabor's_ Kronyken; de Geschriften van _Jancko Douwama_;
+_Westendorp_, Jaarboek van Gron. II; _van Halmael's_ Schieringers en
+Vetkoopers en Ats Bonninga; tallooze plaatsen in het Charterboek en vele
+andere werken, welke ik zou kunnen aanhalen, mogen het bevestigen.
+
+
+_Aant. 15_, op _bladz. 135_.
+
+_De Saksische Regering_,
+
+hoe kort die ook duurde, heeft zeker een zeer gunstigen invloed gehad op
+den staatkundigen, stoffelijken en burgerlijken toestand van
+_Friesland_. _Het voordeel, hetwelk de Friezen trokken uit de
+overheersching van Albrecht van Saxen_, is door den Heer _J. D.
+Ankringa_ opzettelijk aangewezen in eene voorlezing, geplaatst in de
+Vrije Fries, IV 379. Hij noemt daarin als de voornaamste voordeelen:
+1^o. de verdrijving van kwaadwillige vijanden, bijzonder van de
+hatelijke Groningers; 2^o. de orde en regelmaat van bestuur en het
+daaruit voor ieder voortspruitend ongestoorde genot van zijne
+bezittingen, vooral door de invoering van den Provincialen Raad en
+Geregtshof, waardoor de behandeling van zaken en de regtspleging op een
+goeden voet gebragt werden; 3^o. eene betere beveiliging van de zee,
+door het verbeteren van de sluizen en zeeweringen te bevelen, waardoor
+de overstroomingen later zijn verminderd, en 4^o. vermeerdering van
+vruchtbare landerijen, door het bedijken van _het Bildt_.--Het breidelen
+en vernietigen van de partijschappen der Schieringers en Vetkoopers,
+waardoor er rust en eenheid onder de Friezen ontstond, en het vereenigen
+der drie, vroeger op zich zelven staande en elkander vaak vijandige,
+Gooën, als _Oostergoo_, _Westergoo_ en _Zevenwouden_ tot één geheel,
+door één belang verbonden, voeg ik daarbij, als voordeelen van niet
+minder gewigt. In de Geschiedk. Beschrijv. I 105-136 heb ik de mij
+bekende schrijvers over dit tijdvak opgenoemd. Thans ben ik bijna geheel
+_Martena's_ Landboek gevolgd.--Uit al het vorenstaande blijkt, dat de
+regten en vrijheden des volks in vele opzigten door den Saks werden
+geëerbiedigd, en dat het eigenlijk te veel gezegd is, wanneer men het
+Saksische _bestuur_ eene overheersching noemt, en de vrijheid der
+Friezen als verloren beschouwt. Dit denkbeeld is mede reeds bestreden
+door _Stellingwerf_ in het aangeh. zeldzame Polityck Discours, bl. 24.
+De verdere ontwikkeling hiervan zou te dezer plaatse tot te groote
+uitvoerigheid leiden, doch verdiende weleens nader in het licht te
+worden gesteld. Wanneer het volk werkelijk was overwonnen geweest, had
+de Saks ook de magt gehad om het Leenstelsel hier in te voeren. Doch in
+den Keizerlijken giftbrief was zijn gezag als Erf-Potestaat of
+Gubernator beperkt, en bleven de Friezen, onder de bescherming des
+rijks, in het bezit van hunne vroegere voorregten, welke daarin erkend
+werden. Zie Charterb. I 786 env.
+
+
+_Aant. 16_, op _bladz. 146_.
+
+_Groote Pier._
+
+Veel is over dezen merkwaardigen man geschreven, zonder dat er nog van
+hem eene volledige levensbeschrijving is bewerkt. Ik hoop daartoe nieuwe
+bijdragen en oogpunten te hebben geleverd, na vroeger in het Mengelwerk
+der Leeuw. Cour. van 1834, N^o. 20, hierover iets te hebben gegeven.
+Voor hem, die dit onderwerp nader zou willen behandelen, verwijs ik
+(buiten de in de noten aangehaalde) naar de volgende schrijvers:
+_Scharlensis_, 113; _Winsemius_, 421; _Schotanus_, 567, 607 env.; _Sybe
+Jarichs_, Corte Chronyck in de Analecta van Brouërius van Nidek, 461;
+_Eggerik Beninga_, Hist. van Oostfriesl. in Matthæus, Analecta, IV 550;
+_Foeke Sjoerds_, Beschrijv. I 818; Levensb. van verm. Mannen, I 45;
+_Kok_, Vad. Woordb. XIV 16; _Halma_, Toneel der V. Ned. 382; Neêrl.
+Heldendaden ter Zee, I 92; _Napjus_, Sneek, 40; _Gabbema_, Leeuw. 336,
+342; _van Leeuwen_, Kronyk, 152, 435; _Greidanus_, Naaml. der Franek.
+Pred. 64; benevens eene verh. in de Prov. Friesche Cour. 1851, N^o. 6
+env. het uitvoerigste en beste stuk over dit onderwerp.
+
+De krijgsbedrijven van _Groote Pier_ heb ik met opzet eenigzins
+uitvoeriger behandeld, omdat het algemeen gevoelen over dezen persoon
+zoo onbestemd of liever zoo ongunstig is, vooral bij Hollandsche
+schrijvers. De door mij zoo hoog geachte Jhr. Mr. _de Bosch Kemper_
+noemt hem in zijn voortreffelijk werk: Geschiedk. Onderzoek naar de
+Armoede in ons vaderland, Haarlem 1851, bl. 69, nog: "de Geldersche
+Zeeroover _Groote Pier_." Even verkeerd is de voorstelling van den Heer
+_D. R. Erdbrink_ te Enkhuizen, in het Leeskabinet voor Mei 1852, ook als
+hij meent, dat _Pier_ de Saksische Zwarte Hoop, groot 3 à 4000 man, in
+1517 op zijne vloot van _de Lemmer_ naar _Noord-Holland_ zou hebben
+overgevoerd.
+
+
+_Aant. 17_, op _bladz. 155_.
+
+_Worp van Thabor's Kronyk_
+
+bestond tot dusverre alleen in Handschrift, en wel in verscheidene ex.
+op verschillende plaatsen. Dr. _J. G. Ottema_ heeft van alle bekende ex.
+een uitvoerig verslag gegeven in de Vrije Fries, III 105, waarna het
+Friesch Genootschap de drie eerste, in het latijn geschrevene, boeken in
+1847 heeft uitgegeven, onder den titel van Worperi Tyaerda ex
+Renismageest, Chronicorum Frisiae libri tres. Het vierde boek, in het
+nederduitsch van dien tijd geschreven, is in 1850 en 1851 gevolgd onder
+den titel van: Kronijken van Friesland, bevattende de geschiedenis van
+de vijftiende eeuw. De door mij gegevene uittreksels zijn genomen uit
+het 1e boek, volgens eene vertaling van den Hoogleeraar _P. J. Veth_,
+die in den elfden jaarg. van de Gids, bl. 552, een aanprijzend verslag
+van deze belangrijke Kronyk heeft gegeven. Van den schrijver is weinig
+meer bekend, dan dat hij zich naar zijne geboorteplaats _Rinsumageest
+Worp van der Geest_ noemt, en eerst Monnik, daarna Supprior, vervolgens
+Procurator en in 1523 Prior was van het bekende klooster _Thabor_, onder
+_Tirns_ nabij _Sneek_, waarin hij in 1538 is overleden. Men verwarre
+zijn werk echter niet met de Kronyk of Historie van Vriesland, door
+_Peter Jacobsz. van Thabor_ of _Petrus Thaborita_, door _Visser_ en
+_Amersfoordt_ uitgegeven in het Archief voor Vaderlandsche, en
+inzonderheid Vriesche Geschiedenis, Oudheid-en Taalkunde, Leeuw.
+1824-28, 3 st., welk niet minder belangrijk werk ik ook veelmalen heb
+geraadpleegd.
+
+Eene dergelijke, doch uitvoeriger, algemeene beschrijving van
+_Friesland_, van omstreeks eene halve eeuw later, bevat het eerste boek
+van _Ubbo Emmius_, Rerum Frisicarum Historia, waarvan de eerste druk is
+van Franeker, 1596. Eene andere, kortere algemeene beschrijving van
+_Friesland_ is in 1616 gegeven door Do. _J. Bogerman_, destijds
+Predikant te _Leeuwarden_, in de opdragt van zijn werkje: Praxis verae
+poenitentiae, door Dr. _J. G. Ottema_ vertaald medegedeeld in de Vrije
+Fries, II 215. Al deze beschrijvingen zijn, even als zoo vele verzen van
+_Starter_ van dien tijd, hooggestemde lofredenen op dit land, hetwelk
+_Bogerman_, wegens overvloed van ligchamelijke en geestelijke
+zegeningen, (toen reeds) _een dal van vettigheid_ noemde.
+
+
+_Aant. 17 (moest zijn 18)_, op _bladz. 159_.
+
+_De beroemde Friezen_,
+
+uit omstreeks het midden der 16e eeuw, in den tekst vermeld, waarbij ik
+nog vele andere had kunnen voegen, komen bijna allen, met min of meer
+uitvoerige levensschetsen, voor in het werkje van _Suffridus Petrus_, de
+Scriptoribvs Frisiæ, geschreven en voor het eerst uitgegeven te Keulen
+in 1593. Voorzeker baart het groot getal personen, in de tien laatste
+decaden van dit werkje vermeld, verwondering, in vergelijking met het
+getal beoefenaren der wetenschappen, welke andere provinciën des
+vaderlands, zelfs _Holland_, tot 1593 hadden opgeleverd.
+
+
+_Aant. 19_, op _bladz. 166_.
+
+_De Geschiedenis der Kerkhervorming in Friesland_
+
+is in 1842, voortreffelijk bewerkt, uitgegeven door _E. J. Diest
+Lorgion_, waar meer uitvoerige berigten, dan ik hier en vervolgens kon
+mededeelen, worden gevonden. Vele oorzaken en aanleidingen van de
+reformatie in dit gewest zijn mede uit allerlei bronnen nagespoord en
+grondig behandeld in het uitmuntende werk: Geschiedenis der
+Doopsgezinden in Friesland, door _S. Blaupot ten Cate_, Leeuw. 1839,
+alsmede in het belangrijk werk: De Doopsgezinden en hunne herkomst, van
+_J. H. Halbertsma_, Dev. 1843. Nog andere wetenswaardige berigten
+omtrent dit tijdvak en de latere geschiedenis van de Lutherschen in
+_Friesland_ en te _Leeuwarden_ komen voor in de Bijdragen tot de
+geschiedenis der Evang.-Luthersche Kerk in de Nederl. verzam. door _J.
+C. Schultz Jacobi_ en _F. J. Domela Nieuwenhuis_, Utr. 1844, 5e stuk,
+bl. 166. Wie dus omtrent de voorvallen van dit merkwaardige tijdperk
+nader wenscht ingelicht te worden, zal daartoe in genoemde werken ruime
+gelegenheid vinden.
+
+
+_Aant. 20_, op _bladz. 118_.
+
+_De Verbondene Edelen._
+
+De hoofdbron der geschiedenis van dit onderwerp is en blijft nog steeds
+het belangrijke werk van den Hoogl. _J. W. te Water_, Historie van het
+Verbond en de Smeekschriften der Ned. Edelen, Middelb. 1776-96, 4 st.
+waarvan de Geschiedenis der Watergeuzen, van Do. _A. P. van Groningen_
+een waardige tegenhanger is. Ik acht mij echter verpligt, hier bijzonder
+te vermelden, dat het eerste werk voor geene provincie van meer gewigt
+en belang is dan voor _Friesland_. Eensdeels, omdat het getal Edelen,
+welke daarin met kortere of langere levensschetsen vermeld zijn, uit
+deze provincie daarin vier maal grooter is dan van de overige 16
+provinciën, en alzoo blijk levert zoowel van de talrijkheid als de
+vrijheidszucht van den toenmaligen Frieschen Adel;--anderdeels, omdat de
+berigten aangaande de geslachten en verrigtingen dezer bondgenooten
+daarin het meest uitvoerig zijn behandeld, ten gevolge der talrijke
+mededeelingen, welke de schrijver mogt ontvangen van de Heeren _Ulbe_ en
+_Eduard Marius van Burmania_, welke van zoo veel belang waren, dat hij
+dáárom zijn werk aan laatstgenoemden Oudheidkundige uit dankbaarheid
+opdroeg, terwijl die hulp in de opdragt eervol wordt vermeld.
+
+Na ruim twintig jaren tijdsverloop herinner ik mij thans nog met veel
+genoegen, dat mijn edele begunstiger en vriend wijlen Jhr. _I. Æbinga
+van Humalda_ mij in 1828 met dit werk bekend maakte, en dat ik toen, na
+herhaalde lezing, van die 108 Friesche Verbondene Edelen biographische
+Tabellen vervaardigd- en met vele bijzonderheden uit andere schrijvers
+en geslachtlijsten aangevuld heb. Uit vrees van nog niet in staat te
+zijn iets goeds te kunnen leveren, kon ik toen niet bewilligen in het
+aanbod van Do. _J. H. Halbertsma_, om deze tabellen voor mij uit te
+geven.
+
+Doch _Friesland_ heeft nog eene andere betrekking op dit onderwerp,
+welke ik hier mede gaarne herinner, omdat het een der sieraden onzer
+Nederlandsche letterkunde geldt. Nog vóór _te Water_ dit onderwerp
+historisch toelichtte, heeft Jhr. _Onno Zwier van Haren_, in zijne
+afzondering te _Wolvega_, de verdiensten dier Edelen en bijzonder der
+Watergeuzen, door de dichtkunst verheerlijkt. In een ruwen vorm
+verschenen in 1769 voor het eerst zijne verzen: Aan het Vaderland, later
+en vooral in 1776 veel vermeerderd en verbeterd herdrukt onder den titel
+van: de Geuzen. Na zoo herhaalde lezing van dit heerlijk dichtstuk, door
+zulke belangrijke aanteekeningen toegelicht, zou ik zeer wenschen, dat
+het, vooral in _Friesland_, meer algemeen bekend ware. Wetenschap en
+kunst zijn daarin vereenigd en met zoo vele streelende vaderlandsche
+herinneringen vereenzelvigd, dat het verstand en hart, gevoel en smaak
+te zamen goed doet. Ik heb daarover, in verband met het leven des
+vereerden dichters, meer uitvoerig gehandeld in den Friesche
+Volks-Almanak voor 1837, 50.
+
+
+_Aant. 21_, op _bladz. 222_.
+
+_De Friesche Staatstwisten_,
+
+welke, na de vroeger in den tekst reeds vermelde geschillen, bijzonder
+tusschen de Landen en Steden, over het bekomen van den vierden stem in
+den staat, vooral sedert 1593, gevoerd zijn, vindt men vrij uitvoerig
+medegedeeld in de volgende werken: _Winsemius_, Chronique, 820, 828,
+847-871, 891, 898;--_van Reijd_, Ned. Oorlogen, 200, 410, 418;--_van den
+Sande_, Ned. Hist. ten vervolge op _van Reijd_, 29, 57, 69, 98, 121,
+162, 173, 178, 186, 197, 205;--Charterboek, V 164, 274, 278, 333, 341,
+358, 367;--Register op de Staats-resolutiën, 411, 478, 511, 695;--_van
+Aitzema_, Saken van Staet en Oorlogh, 4^o. II 116, 211, 626, 633, 643,
+800; III 160, 265, 344, 348, 522; 63, 81; 10, 292, 520, 528;--_Kok_,
+Vad. Woordenb. XVI 594; benevens vele stukken in het Provinciaal en
+Stedelijk Archief van _Leeuwarden_.
+
+Al deze en meerdere schrijvers over dit onderwerp zijn door mij gelezen,
+met oogmerk, om die gebeurtenissen te behandelen. Doch, daar ze voor
+eene beknopte behandeling niet vatbaar waren, en eene uitvoerige
+voorstelling van oorzaken, verband en gevolgen mijn bestek ver te buiten
+zou gaan, zoo heb ik daarvan _moeten_ afzien, en deze gebeurtenissen
+enkel met een woord vermeld op de Tijdrekenk. Lijst. Bij eene
+uitvoeriger behandeling van de Friesche Geschiedenis zullen ze alle in
+het licht gesteld moeten worden.
+
+ * * * * *
+
+In al die onlusten zien wij mede telkens den strijd herhalen tusschen de
+vrienden van behoud en vooruitgang, en tusschen de democraten en de
+aristocraten dier dagen; een strijd, welke in elke eeuw op eene andere
+wijze vernieuwd wordt, zoolang het volk het besef zijner regten en
+krachten behoudt en, niet door vrede of weelde ontzenuwd, inslaapt of
+doof wordt voor zijn belang. In weerwil van al de goede eigenschappen
+van den vervolgens door mij geschetsten Regeringsvorm van _Friesland_,
+en ondanks eene algemeene verkiesbaarheid en alzoo een democratisch
+beginsel de grondslag daarvan scheen uit te maken, heeft de welwikkende
+en geleerde _Ulrik Huber_ aangewezen, dat de Aristocratie zich in
+_Friesland_ van de teugels van het bewind had verzekerd. (Zie _Huber_,
+Hedend. Rechtsgeleerth. Leeuw. 1699, II 11, 53 env., en _Vreede_,
+Geschied- en Letterk. Herinneringen, Gor. 1836, II 65.) En was dit
+wonder? "In een land, waarin van ondenkelijke tijden af de
+oorspronkelijke oppermagt werd bezeten door de Edelen en Eigenerfden,
+dat is, de bezitters van onroerende goederen, die het regt van stemmen
+in gemeene zaken hadden," kon het niet anders, of de adel en de
+aanzienlijken moesten in het bezit geraken van de oppermagt, van ambten
+en bedieningen. De aard van het Stemregt leidde daartoe. Dat daarvan
+dikwijls misbruik is gemaakt, is zeer natuurlijk bij al het
+aanlokkelijke van magtsuitoefening en vaak kwalijk geplaatste eerzucht
+bij onverstandigen. Maar met dat al is het mijne innige overtuiging, op
+geschiedenis en overlevering gegrond, dat die Aristocratie, of de
+regering van den adel en de aanzienlijken, voor _Friesland_ in de vorige
+eeuwen van oneindig meer voordeel dan nadeel is geweest. Zij, die door
+aanzienlijk grondbezit het meeste belang hadden bij het welzijn van den
+staat, en daardoor ook het meeste aanspraak hadden op het bestuur
+daarvan; zij stonden door stand, opvoeding, onderwijs en bekwaamheden in
+verstandelijke en zedelijke kracht ook meestal veel hooger dan het volk
+of wel de burgerstand dier dagen, welke toen minder ontwikkeld was dan
+tegenwoordig. En zeker zullen de laatste, die thans meerdere
+staats-burgerlijke regten hebben verkregen, onbillijk handelen, als zij
+hunne verpligting aan 's lands vroegere overheden en de adellijke en
+aanzienlijke familiën niet dankbaar erkennen. Het is dus onkunde of
+kwade trouw, wanneer men thans laag valt op of smadelijk spreekt van een
+uitvloeisel der vroegere staatsgesteldheid, welke, ja soms is misbruikt
+geworden, doch die in 't algemeen heilzaam voor het belang des volks is
+geweest.
+
+
+_Aant. 22_, op _bladz. 246_.
+
+_De Regeringsvorm van Friesland, tijdens de republiek_
+
+is door mij voorgesteld, zoo als zij omstreeks den jare 1770 bestond, om
+niet telkens de kleine wijzigingen te vermelden, welke daarin sedert
+1580 hadden plaats gehad. De voornaamste schrijvers over dit onderwerp
+heb ik in de noten bij ieder onderdeel medegedeeld, doch acht het van
+belang, hier nog eenige andere te vermelden, welke deswege nader kunnen
+geraadpleegd worden. In zijn ganschen omvang is dit onderwerp behandeld
+in _U. Huber_, Heedendaegse Rechts-geleertheyt, soo elders, als in
+Frieslandt gebruikelijk, 2e dr. Leeuw. 1699, I 418, II 10 env. alsmede
+in de weinig bekende Dissertatie van _E. H. Bergsma_, de antiqua et
+hodierna Frisiorum Regiminis forma, Fran. 1779. Nog minder bekend is de
+eenvoudige en heldere voorstelling, welke de voortreffelijke _P.
+Wierdsma_ daarvan heeft gegeven in de beschrijving van deze provincie,
+welke hij bezorgde ten behoeve der Nieuwe Aardrijksbeschrijving, door
+_W. E. de Perponcher_, Utr. 1784, welke in het eerste deel bl. 303 is
+opgenomen. (De reden daarvan heb ik vermeld in de Nasporingen omtrent de
+Middelzee, bl. 52.) Ook in _Knoop_, Teg. Staat of Hist. Beschrijv. van
+Friesl. Leeuw. 1763, bl. 328, en in _Busching_, Nieuwe Geographie,
+verbeterd door _W. A. Bachiene_, Amst. 1775, IV 1191 komen uitvoerige
+beschrijvingen daarvan voor, die ieder op zich zelve belangrijke
+bijzonderheden bevatten. Zeer zonderling en hooggestemd is de
+beschrijving van _Frieslands_ staatsbestuur van Mr. _Romijn de Hooghe_,
+in zijn Spiegel van Staat, Amst. 1706. Het Groot Placaat- en Charterboek
+van Vriesland, door de zorg van den Baron _G. F. thoe Schwartzenberg_,
+op last der Staten, in 1768 begonnen en in 1795 in het 6e deel met den
+jare 1705 geëindigd, bevat een onwaardeerbare schat van historische en
+staatsstukken over alle deelen van dit gewest. Eene Verzameling van
+Placaten, Reglementen en andere Stukken, door de Staten van Vriesland
+geëmaneerd, is in 1748 begonnen, telt tot 1795 6 deelen in 4^o. en is
+van toen af tot in 1810 voortgezet in 14 deelen. Ook deze bron heb ik
+veel gebruikt.
+
+In de laatste helft der vorige eeuw begon men zich mede meer toe te
+leggen op de ~Staatshuishoudkunde~ en ~Statistiek~ dezer provincie. In
+de genoemde werken van _Knoop_, _Foeke_ _Sjoerds_, de Tegenw. Staat enz.
+zijn daarover bereids belangrijke bijdragen gegeven. Ook _Nicolaas
+Ypey_, Hoogleeraar in de Wiskunst en Vestingbouw te _Franeker_, die in
+Waterstaatszaken dikwijls door Gedeputeerde Staten geraadpleegd werd,
+gaf van zijne bedrevenheid in die vakken blijken in zijne Verhandelingen
+over den uitvoer van het Hooi (in 1781 bekroond en met die van _Eelke
+Alta_ en _Sjoerd Meinerts_ te _Harlingen_ uitgegeven) en over de Quotae,
+Harl. 1784. Zeer belangrijk is mede het werkje van den lateren
+Hoogleeraar _Seerp Gratama_, de gelukkige Toestand van Friesland
+betoogd, Harl. 1795. Uit deze thans weinig meer voorkomende geschriften
+wil ik de volgende bijzonderheden, tot kenschetsing van dit tijdvak,
+mededeelen.
+
+De Bevolking van _Friesland_ is geheel onbekend vóór den jare 1715, en
+werd in 1744 en op nieuw in 1748 opgemaakt. De opgave van 1744 was
+135,133 personen, verdeeld in 36,947 huisgezinnen, onder welke men 4,600
+insolvente en 3,535 gealimenteerde telde. Latere zekere opgaven tot 1795
+gaan niet boven de 140,000 zielen.--In 1779 was het getal der
+aangegevene koeijen 73,589, der rieren 23,519 en der paarden 23,359. De
+uitvoer daarvan bestond in 1778 in: 7,732 koeijen, 245 ossen, 29 bullen,
+1048 kalvers, 2001 paarden, 205 enters (eenjarigen) en 400 veulens,
+namelijk, voor zoover daarvan passagiegeld was betaald. De waarde van
+elke verkochte koe stelde _Ypey_ in gewone tijden op [f]40--, een
+vierendeel boter op [f]16--, een schippond kaas op [f]6--, eene
+leverweide hooi op [f]12--, een pondemate nieuw gras op [f]4--, de mest
+van eene koe in 't jaar op [f]3.50. In de voorspoedige jaren van 1765
+tot 1779 klom de prijs der boter tot [f]21--, der kaas tot [f]12--, van
+eene koe tot [f]60--. Bovendien noemt hij de verzending van Tonnevleesch
+naar buiten aanzienlijk. In 1762 werden er op de Lands Wagen aangegeven
+83,200 vierdevaten boter. Hij begroot daarentegen de som, welke aan
+schattingen en renten, voor kleeding, levensmiddelen, dranken en
+allerlei soort van waren ~uit~ _Friesland_ naar buiten ging, op
+[f]3,800,000, buiten het bedrag van het hout, uit de Oostzee en elders
+aangevoerd.--Belangrijk zijn mede zijne berigten over de toenmalige
+Vrachtvaart, waarover wij ook op bl. 337 bijzonderheden hebben
+medegedeeld, en waarbij wij nu nog wenschen te voegen, dat in de
+merkwaardige Propositie van Prins _Willem IV_, tot verbetering van den
+Koophandel der republiek, van 1751, dit opmerkelijk gezegde voorkomt,
+dat toen reeds "geene Provincie van ons land meer reederijen had van
+Smakken, Koffen en Galjoots, en waar meer dergelijke vaartuigen te huis
+behoorden dan in _Friesland_, zonder nog eenige handel van belang te
+hebben."
+
+
+_Aant. 23_, op _bladz. 257_.
+
+_De Friesche Zeehelden_,
+
+welke, sedert den eersten Engelschen oorlog, bij _Brandt_, _Aitzema_,
+Holl. Mercurius en _de Jonge_ in het bijzonder vermeld worden, zijn, in
+vergelijking van vele Hollandsche en Zeeuwsche zeelieden, door hunne
+tijdgenooten zoo weinig opgemerkt, dat er van niemand hunner volkomene
+levensberigten tot ons zijn gekomen. Van weinigen weten wij iets meer
+dan hun naam en een of ander kloek bedrijf, zonder van hunne geboorte-
+of woonplaats en verder lot kennis te dragen; terwijl de onzekerheid
+vergroot wordt, doordien verscheidene dezer zeelieden den zelfden
+geslachtsnaam en een anderen voornaam dragen.
+
+Van _Tjerk Hiddes de Vries_ weten wij wel het meest, doch zijn genoemde
+levensbeschrijver was nog onbekend met vele bijzonderheden, door den
+Heer _de Jonge_ omtrent hem en zijn geslacht, waaruit vijf zeelieden
+naam hebben gemaakt, medegedeeld (Zeewezen, II _b_ 216, IV _a_ 458, _b_
+581). Reeds in 1658 voerde hij het bevel over eene der gewapende fluiten
+of transportschepen, welke de vloot van _Wassenaer_ naar de Sont
+vergezelden, en onderscheidde hij zich toen door het nemen van drie
+Zweedsche vaartuigen. In _Schotanus_, Beschrijv. v. Friesl. 261 komt hij
+voor onder de Vroedschappen van _Harlingen_ in 1664, met bijvoeging van
+Groot-Schipper, zoodat hij toen welligt niet meer in 's lands dienst
+was, welke hij in 't volgende jaar, bij 't uitbreken van den tweeden
+Eng. oorlog, weder zocht. Ik heb meerdere bijzonderheden omtrent hem
+verzameld, welke ik gaarne wil mededeelen aan iemand, die het leven van
+dezen voortreffelijken Admiraal op nieuw en naauwgezet wil nasporen en
+beschrijven. Hier wil ik nog enkel vermelden, dat zijn broeder _Barent_
+of _Beern Hiddes de Vries_ met en onder hem bestendig als Kapitein heeft
+gediend; dat zijns broeders zoon, _Hidde de Vries_, opklom tot Schout
+bij nacht en zich in 1694 het bevel zag toevertrouwd over een eskader
+van 14 schepen, toen hij in een hevig gevecht met Jan Bart doodelijk
+gewond werd. De vijfde zeeman uit dit geslacht was _Tjerk Hiddes de
+Vries_, in 1708 Luitenant bij de Admiraliteit van _Amsterdam_. Of ook
+_Ysbrant de Vries_, in 1658 Kapitein op de vloot, tot deze familie
+behoorde, is onbekend. _Brandt_, 142, 144, 223.
+
+Doch, hoe weinig er bekend is van _Auke Stellingwerf_, dien, verheven
+tot Luitenant-Admiraal, hooggestemde lofverzen van de Hollandsche
+dichters _Jeremias de Decker_ en _Heiman Dullaert_ ten deel vielen, dit
+heeft mijn vriend de Heer Mr. _J. H. Beucker Andreæ_ ondervonden bij
+zijne vergeefsche poging, om een levensberigt van dezen zeeheld zamen
+te stellen. Er komen verscheidene personen van dien geslachtsnaam voor.
+Het Register op de Staats-resol. 767 vermeldt in 1649 een _Andries
+Stellingwerf_, door de Admiraliteit aangesteld tot Equipagemeester der
+kustschepen. In het zelfde jaar 1653, dat wij in de Holl. Mercurius, 80,
+een Kapitein _Frederik Stellingwerff_ op het schip Zevenwouden
+(gezonken) vinden, werd die _Andries Pieters Stellingwerff_ door
+Gedeputeerde Staten weder der Admiraliteit tot eenig emplooi
+gerecommandeerd; en werkelijk vinden wij dezen in 1656 bij _Brandt_,
+100, reeds als Kapitein van 't Prinsen wapen. In 1659 schreven
+Gedeputeerde Staten aan de Gecommitteerden ter Generaliteit, dat het
+schip van den Kapitein ... _Stellingwerf_, ter repartitie van de
+Harlinger Admiraliteit staande, onder de ontbodene schepen mogt worden
+begrepen. En in dat zelfde jaar zien wij bij _Brandt_, 186, 204,
+Kapitein _Auke Stellingwerff_ vermeld, op den togt tegen _Zweden_ onder
+_Verburg_, die hem naar den hoek van Schagen zond, om eene
+koopvaardijvloot te verwachten, welke hij den 3 Maart 1660 naar het
+vaderland geleidde. Na zijn sneuvelen werd zijn schip, de Zevenwouden,
+door de Engelschen genomen, doch in het volgende jaar hernomen.
+_Brandt_, Leven van de Ruiter, 382, 480. In 1676 was een _Jacob
+Stellingwerf_ 1e Luit. op het schip Oostergoo.
+
+Behalve de genoemde _Hendrik Dirks Brunsveldt_, die in 1659 Kapitein en
+later Schout bij nacht was (_Brandt_, 160, 190, 212; _de Jonge_, II _a_
+250, 259; Stamboek, II 59), vermeldt _Brandt_, 155, op 1658 ook nog een
+Kapitein _Adriaan Bruinsveld_, die in dat jaar sneuvelde.--Zoo vinden
+wij in 1652 een Kapitein _Sipke Fockes_ en in 1665-1673 _Anske Fockes_.
+_Brandt_, 444. De zelfde noemt bl. 183, 193, 196 ook den Kolonel _Ernst
+van Aylva_ en den Kapitein _Hemmema_, die in 1659 den togt naar _Zweden_
+mede maakten, doch denkelijk bij het krijgsvolk behoorden. De laatste
+bleef voor _Nijborg_. Bij dezen togt waren 8 compagniën Friezen en 2
+eskadrons Friesche ruiterij. _Bosscha_, II 13.--Van den Kapitein
+_Schelte Wiglema_ meldt _Brandt_, 41, dat hij in 1653 met al zijn volk
+in de lucht vloog. Zoo men wil, stak hij, tusschen twee Eng. schepen
+beklemd en geen uitkomst ziende, door overmaat van moed, zelf de lont in
+'t kruid.--Nog vonden wij als Kapiteins van het Friesche Collegie
+genoemd: _Reinier Sickema_ of _Sekema_, _Andries Douwes_, _Andriaan Hens
+Kleintje_, _Jan Jans Vijselaar_, _Jacob Binckes_, _Pieter Feijkes
+Eijkema_, _Wijtze Beijma_, _Yde Hijlkes Kolaart_, wiens schip Westergoo
+in 1672 verbrandde; _Hendrik Jans Camp_, van wien _de Jonge_, II _a_ 78,
+een dapper bedrijf vermeldt, enz.--Verder maakte zich verdienstelijk
+_Joris Andringa_, die, eerst schrijver op het schip van den Kapt. de
+Wildt, sedert 1665 het ambt van Secretaris van _de Ruyter_ bediende en
+het dagregister hield, zoodat wij aan zijne zorg vermoedelijk de
+naauwkeurige berigten omtrent diens luisterrijkste verrigtingen
+verschuldigd zijn. _Brandt_ 396, 513, 549, 862, 912; _de Jonge_, III a
+315, b 124, 220. In 1675 werd hij Kapitein op het schip Stad en Lande,
+en onderscheidde zich door moed en bekwaamheid. Door bloedverwantschap
+en vriendschap was hij aan _de Ruyter_, die hem in een brief Neef
+_Andringa_ noemt, zeer verbonden.--Bij den togt naar _Chattam_ waren
+_Simon Poppinga_ en _Meindert Jentjes_, kommandeurs van branders, die
+voor hun lofwaardig gedrag vereeringen ontvingen. _Brandt_, 583; _de
+Jonge_, II _b_ 445, en omtrent andere Friezen III _a_ 124, 130, 145,
+269, 292, 380.
+
+Ook vervolgens onderscheidden zich nog andere Friesche zeevaarders,
+van welke wij enkel noemen: _Douwe Harkes_, die in 1665 nabij _Tanger_
+met veel dapperheid een Engelsch fregat aantastte en veroverde, en
+dien het in 1673 gelukte, drie Barbados-en Virginievaarders te
+_Amsterdam_ op te brengen (_de Jonge_, II _b_ 243, III _a_ 381).--Van
+_Jacob Binckes_ hebben wij in den tekst gesproken, doch zouden zijn
+leven gaarne nader afzonderlijk bewerkt zien, vooral, dewijl _de Jonge_
+op zoo menigvuldige plaatsen van het 3e dl. daarvan belangrijke berigten
+heeft medegedeeld.--In 1676 waren verscheidene Friesche schepen (ook
+_Barend Hiddes de Vries_ als Kapitein en _Jacob Stellingwerf_ als 1e
+Luit.) bij de vloot, welke de Staten onder _Tromp_ en _Evertsen
+Denemarken_ te hulp zonden. Deze togt, waarbij zich ook Friesche
+vrijwilligers bevonden, is uitvoerig beschreven in het zeldzame en
+zonderlinge vers van _Foppe Foppeszoon Junior_: "Aenmerkelike Voyagie na
+de Oost-zee enz. By maniere van dagverhaal, in riim, beschreven" enz.,
+met vele lofverzen van dergelijke rijmelaars in 1677 bij _Hero Galama_
+te _Harlingen_ gedrukt.--Omtrent _Christoffel Middagten_, mede van
+_Sexbierum_ geboortig, die tot Kapitein en Schout bij nacht opklom en
+zich door geschriften over den scheepsbouw, de scheepvaart en verbeterde
+Zeekaarten loffelijk onderscheidde, heeft _de Jonge_ IV _a_ 485 goede
+berigten medegedeeld.--In 1678 vinden wij vermeld een stoute Friesche
+schipper _Barend Fokke_, die toen de reis van _Nederland_ naar _Batavia_
+in den, destijds ongehoorden, tijd van 3 maanden en 4 dagen deed, tot
+geene geringe verwondering van den Gouverneur-Generaal van _Goens_, dien
+hij door het bezorgen van een pakket brieven daarvan overtuigde. Over
+_Ceilon_ vertrok hij weder naar het vaderland, zóó spoedig, dat
+het bijgeloovige volk hem verdacht hield van met den booze in
+verstandhouding te staan. Opmerkelijk is het, dat, zeker om eene andere
+reden, ter eere van dezen kloeken zeeman op het eiland: het Kuipertje,
+nabij _Onrust_, voor de reede van _Batavia_, een standbeeld is opgerigt,
+hetwelk hem, in steen gehouwen, in zijne Friesche kleedij voorstelde. In
+1808 is het door den Engelschen Admiraal _Dourie_ vernield, doch later
+zijn de stukken daarvan nog gezien door _M. D. Teenstra_, die dit
+verhaalt achter een vers ter zijner eere in den Frieschen Volks-Almanak,
+1846, 171.
+
+Dat de Generaal _Aylva_ na 1672 niet weder als Luit.-Admiraal op de
+vloot is geweest, scheen mede een gevolg te zijn van de bepaling der in
+1673 door de Staten aangenomene Poincten reformatoir, art. 36: "Dat het
+Admiraelschap van Frieslandt wordt verklaert vacant ende impetrabil te
+syn, als werdende verstaen niet compatibel te zyn met eenige hooge
+militaire charge te Lande." Charterb. V 963. Evenwel vermeldt _de Jonge_
+IV _a_ 309, dat in 1692 na _Aylva's_ dood door Koning _Willem_ (_?_) in
+zijne plaats werd benoemd _Frederik Willem_ Graaf _van Bronckhorst
+Stirum_, Vice-Adm. der Maze, hoewel hij niet in zee ging, omdat
+_Friesland_ te weinig schepen leverde.
+
+De onderstand van het Friesche Collegie verminderde toch van lieverlede
+zoodanig, dat het lang werkeloos bleef, en in 1689 slechts 3 schepen:
+van Kapt. _Hidde de Vries_, Europa, Kapt. _Jentema_, de Windhond en
+Kapt. _D._ (misschien _B._ of _Barend_) _de Vries_, de Brak, te zamen
+470 koppen voerende, bij de vloot voegde. Later en nog in 1744 had het
+maar twee schepen meer. Zie _Sylvius_, 1689, 203; _de Jonge_, III _b_
+390; IV _a_ 44, 48, 72, 174, 274.
+
+ * * * * *
+
+Uit den tijd van het diepste verval onzer lands zeemagt, toen echter de
+Friezen zoo talrijke koopvaardijschepen en vrachtvaarders in zee hadden;
+toen, na het uitbreken van den oorlog tusschen _Engeland_ en
+_Frankrijk_, in 1756, zóó vele onzer koopvaarders prijs genomen werden,
+dat de Nederl. Jaerboeken van 1758, bl. 923 drie lijsten bevatten van
+156 enkel Hollandsche schepen, door de Engelsche kapers geroofd en
+opgebragt,--vinden wij nog een loffelijk bedrijf vermeld van _Jan
+Binckes_, Kapitein van 's lands oorlogsschip: Maarssen, die den
+roemrijken naam van zijn voorzaat _Jacob Binckes_ in eere hield. Tot
+bescherming van eene koopvaardijvloot naar _Cadix_ gestevend, wilde hij
+den 27 December 1758 de baai dier stad inzeilen, toen het de Engelsche
+kapers gelukte, twee der hem aanvertrouwde schepen, gevoerd door de
+schippers _Pieter Paauw_ en _Wigle Tjerks Zwart_, van het convooi af te
+snijden, met oogmerk om die te _Gibraltar_ op te brengen. Zoodra
+ontvangt _Binckes_ geen berigt van deze daad, of hij wendt zijn schip,
+zet de roovers alléén na, herneemt zijne schepen uit hunne klaauwen en
+komt daarmede den volgenden dag in de baai van _Cadix_ bij de overigen
+terug.--Men zie daarover Ned. Jaerboeken, 1758, 562, 1759, 123;
+Onmiddelijk Vervolg op _Wagenaar_, XXII 420.
+
+
+_Aant. 24_, op _bladz. 270_.
+
+_De Friezen aan den Rijn, in 1672._
+
+Het gedrag van het regiment van _Aylva_ bij den overtogt van _Lodewijk
+XIV_ over den Rijn, op den 12 Junij 1672, is in het schoone werk van
+_Bosscha_, Neêrl. Heldendaden, II 57, wel uitvoerig en naar verdienste
+voorgesteld, volgens _Valckenier_, 't Verwerd Europa, XV 455 en andere
+bronnen, doch kort daarna heeft D^o. _O. G. Heldring_ deze gebeurtenis
+nader onderzocht en toegelicht uit Fransche schrijvers, die in dezen wel
+het meeste gezag verdienen. Dat zeer belangrijke stuk is, onder den
+titel van: de Overtogt van Lodewijk XIV. over den Rijn, geplaatst in
+het 1e dl. van Nijhoff's Bijdragen, 1837, bl. 93. Reeds vroeger heb ik
+daarvan een uittreksel gegeven in den Friesche Volks-Almanak voor 1840,
+96. Beide verhalen zijn op verscheidene punten aangevuld door de
+berigten in het voortreffelijke werk der Heeren _van Sijpestein_ en _de
+Bordes_, de verdediging van Nederland in 1672 en 1673, 's Hage 1850, 1e
+st. 68 env. In Bijlage I, bl. 95 worden daar bovendien de overige
+hoofd-officieren en kapiteins van dit regiment, uit 8 kompagniën
+bestaande, met name opgenoemd. Dat al de in den tekst genoemde personen
+daartoe behoorden, is mij mede gebleken uit de Resolutiën van Gedep.
+Staten, waarin ik van bijna allen de aanstellingen heb gevonden. De
+namen verschillen echter eenigzins, als: b. v. _Douwe van Ipema_, _Haje
+Twernbergen_ en _Twenbergen_, _Bernhardt Hekman_, _Bavius Romeda_. In
+laatst vermelde Bijlage komen tevens de namen voor van eene menigte
+Friesche Officieren, die in het leger van den staat dienden.--Zeker
+behoef ik geene verschooning te vragen, dat ik wegens de belangrijkheid
+van dit feit hieromtrent uitvoeriger ben geweest dan omtrent andere
+bijzondere punten, alsmede dat ik al het in 1672 en 1673 voorgevallene
+breeder heb behandeld dan het overige.
+
+
+_Aant. 25_, op _bladz. 281, 294_.
+
+_De Burgerwapening in 1672 en 1673_,
+
+ook ten aanzien van _Friesland_ in het vermelde werk van Prof.
+_Siegenbeek_, 122, 144 eervol vermeld, was destijds van veel belang, en
+mogt met den gelukkigsten uitslag worden bekroond. Er zijn omtrent het
+uittrekken der burgers van onderscheidene steden en grietenijën
+bijzonderheden bewaard, welke ik echter hier niet kan mededeelen.
+Aangaande de uittogten van 1672 heeft Mr. _A. Telting_ vele medegedeeld
+in zijne twee bijdragen: Oer B. Bekker, de Fulleniussen, in it Bloedjier
+1672, geplaatst in het Friesch Jierboeckjen foar 1835, en Brief van
+Goslik Colonna, Hopman over eene Compagnie Franeker burgers, aan den
+Magistraat van _Franeker_, voorkomende in de Vrije Fries, I 70. Nog
+meerdere bijzonderheden omtrent de snelle oproeping van den derden man
+in 1673 heb ik gevonden in een hoogst zeldzaam werkje van dien zelfden
+_Colonna_, getiteld: Journaal ofte Dagh-register van de uyttocht der
+Burgerlycke Manschap, van de Provintie van Vrieslandt, uytgetogen in den
+Jaare 1673. Bevattende al 't geene is voor-gevallen van den dagh onses
+uyt-tocht, als zynde den 16. Augusti 1673. tot den dagh van onse
+weder-komst, zynde den 5. October des selven jaars. Beschreven door
+Goslingh Colonna. Te Bolsward by Hans Hanssen Gyselaer, Drucker en
+Boekv. 1673, 4^o.
+
+De schrijver was toen "Excersiti-meester, Serjant en Sijpel-schrijver
+van de Burgerij der stadt Franequer," onder den kapt. _Johannis Ennema_,
+die met 65 koppen in twee ligters over _Sneek_ en _Terhorne_ te
+_Heerenveen_ aankwamen, te gelijk met de burgers van _Leeuwarden_ en
+_Sneek_, na het vernemen van ontmoedigende berigten en het ontmoeten
+van verscheidene "schepen met gevluchte goederen." Nadat zij naar
+_Joure_ gezonden waren, werd het berigt van het naderen van den vijand
+spoedig vervangen door dit, dat "de Bisschopsche volkeren wederom waren
+vertrocken." Den 27 en 29 Aug. hielden de drie regimenten _Oostergoo_,
+_Westergoo_ en de Steden, bestaande uit 27 compagniën, te _Joure_ eene
+"magnevyckelycke inspectie" voor Prins _Maurits_, Graaf _Hendrik_, den
+Generaal _Aylva_ en de Gedeputeerden. Den 4 Sept. vertrokken 12
+compagnien over _Heerenveen_ (langs 79 vonders of houten!) naar het
+retranchement _Gorredijk_, dat hij 1760 treden in omvang bevond. Daar
+zoo min als op de vorige plaats viel er iets voor, dat inspanning
+vorderde of vermelding verdient.
+
+Over den uittogt van 1673 is bijzonder uitvoerig de Holl. Mercurius,
+153, die zelfs de resolutie van Gedeputeerden tot dadelijke uittrekking
+bevat, welke niet in het Charterboek voorkomt.
+
+Met een woord herinner ik hier, dat de datums der feiten in de stukken
+van dien tijd dikwijls 10 dagen verschillen, dewijl de eene schrijver de
+dagteekening van den ouden en de ander die van den nieuwen stijl volgde.
+Eerst 1 Jan. 1701 is de laatste in _Friesland_ aangenomen. Volledige
+verklaringen omtrent dat belangrijk punt bevat de Hist. Verhandeling
+over den Nieuwen Stijl, van wijlen mijn vriend den Hoogl. Mr. _J. W. de
+Crane_, geplaatst in Visser en Amersfoordt, Archief, 1827, 2e dl.
+Bovendien heeft laatstgenoemde geleerde in zijne Letter- en
+Geschiedkundige Verzameling van eenige Biographische Bijdragen en
+Berigten, Leeuw. 1841, 63, eene beschrijving gegeven van de Memoriale
+Annotatien van _Horatius Vitringa_, welk Handschrift, thans bij het
+Friesch Genootschap bewaard en meermalen door mij aangehaald, mij groote
+diensten heeft bewezen, ook omdat de voornaamste gedrukte Staatsstukken
+van dien tijd daarin mede zijn opgenomen.
+
+
+_Aant. 26_, op _bladz. 350, 351_.
+
+_De toestand der Kerk en des Volks._
+
+A. Al moge het oordeel van Godgeleerden, als boetpredikers, over den
+zedelijken toestand hunner tijdgenooten eenzijdig en overdreven geacht
+worden, toch is het een feit, dat in 1648 D^o. _Adr. Hasius_, pred. te
+Leeuwarden, geliefde te zeggen in een werkje, getiteld: Den Geestelycken
+Alarm, tot schrick der Godtloosen en troost der Vroomen enz. (ruim 800
+bladz. groot): "Sooder oyt een tijdt gheweest is, in dewelcke allerhande
+sonden en grouwelen d'overhandt genomen hebben, 't is nu sulck een
+tijdt. Krom en verdraeyt is het gheslachte der menschen, dat wy nu
+beleven, ja soo verkeert, dat den meesten hoop in het boose gheleghen
+zijn. De godtloosheydt is by vele soo hoogh geklommen, dat se de toppen
+van de ware Godtsaligheydt 't eenemael, ghelijck als overdeckt heeft."
+En dat gaat zoo voort, nog wel in eene Opdragt aan den Stadhouder en de
+Gedeputeerden. Met even donkere kleuren schetste D^o. _H. Witzius_ in
+1669 den toestand der kerk in zijn: Twist des Heeren met zijn Wyngaert.
+En deze was een man van gezag, waarom hij zes jaren later te _Franeker_
+tot Hoogleeraar werd beroepen.
+
+B. Ofschoon een strafwetboek geen bewijs levert van de heerschende
+ondeugden eener natie, zoo leveren toch de van tijd tot tijd
+uitgevaardigde plakkaten veeleer blijken van voorzieningen tegen
+heerschende gebreken en misdrijven.
+
+Van zoodanige plakkaten der Staten van Friesland vermelden wij ten
+bewijze slechts deze weinige, waarvan sommige herhaaldelijk werden
+uitgevaardigd: 1619, verhooging der strafbepaling op overspel; 1622,
+tegen het mesvechten en doodslaan, het ontheiligen van den sabbath enz.;
+1629, tegen luije bedelaars, landloopers, vagabonden, deugnieten enz.,
+die 't land zóó onveilig maakten, dat men, toen boevejagten met geweer
+ontoereikend waren, in 1654 tot oprigting van een Tucht- en Werkhuis
+voor hen moest besluiten; 1652, tegen het haarplukken en doodslaan;
+1654, tegen brandstichters; 1661, tegen 't onbehoorlijk zuipen en
+slempen op de lijkmaaltijden (zie bladz. 260 hier vóór); 1667, tegen 't
+ijdel zweren en vloeken; 1671, tegen de ongeregeldheden en kwade
+gedragingen van knechten en dienstmaagden; 1686, tegen duellen en
+krakeelen enz.; terwijl de klagten over ergerlijke, kettersche en
+zedelooze boeken zóó dikwijls herhaald werden, dat niemand sedert 1667
+langer een boek mogt uitgeven, tenzij het door de regering of de klassis
+onderzocht en goedgekeurd ware. Zóó groot was de vrijheid in de
+republiek, ten gevolge van het misbruik! Zie dit alles breeder in het
+Charterboek, V 254, 269, 323, 467, 539, 567, 568, 635, 653, 661, 757,
+774, 775, 805, 1257.
+
+C. Ten aanzien van het gedrag en de handelwijze der Hervormde
+Predikanten zie men de berigten van D^o. _Diest Lorgion_, de Hervormde
+Kerk, 123 en 340, waar de punten van beschuldiging en verbetering der
+_Franeker_ klassis van 1662 voorkomen, waaruit ik op bl. 382 reeds
+eenige zinsneden heb medegedeeld.
+
+
+_Aant. 27_, op _bladz. 447_.
+
+_Besluit._
+
+Hoe ruime stof zou er aanwezig zijn, indien ik hier in bijzonderheden
+wilde vermelden, hoedanig de Gelukkige Toestand van Friesland, sinds die
+in 1795 door _Gratama_ werd geschetst (zie bl. 338 hier vóór), thans is
+toegenomen en verbeterd! Met de bevolking, welke in 1744 slechts 135,000
+en in 1796 161,000 zielen bedroeg en thans (1852) tot ruim 251,000 is
+gestegen, zijn toch de middelen van bestaan en de bronnen van
+volkswelvaart toegenomen; hebben wij onschatbare voorregten ten aanzien
+van godsdienstige denkbeelden en van onderwijs en opvoeding ontvangen;
+mogten wij onze staatkundige en burgerlijke betrekkingen verbeterd zien,
+en werd de overtuiging gevestigd, dat wij, bij aanwending van
+verstandelijke kennis en ijver, in den toestand onzer gronden en
+bezittingen, in de voorwerpen van nijverheid en handel een aantal
+voorwerpen bezitten, die voor duurzame ontwikkeling en toenemende
+uitbreiding vatbaar zijn. Doch nadat ik de mij in dit werk gestelde
+perken reeds verre ben overschreden, moet ik de vermelding daarvan
+overlaten aan de behandeling van eene Statistieke en Plaatselijke
+Beschrijving van Friesland. Of ik die, bij wijze van uitbreiding mijner
+uitverkochte Aardrijkskundige Beschrijving van Friesland, van 1840,
+eerlang zal kunnen, zal mogen bewerken;--of ik daartoe, bij mijn
+bestendigen lust en liefde voor dit onderwerp, waarvoor ik zooveel heb
+verzameld, onder al de menigvuldige zorgen voor beroep, ambt en
+letterkundige betrekkingen, tijd en krachten zal bezitten;--dit mag ik
+hopen, doch voorshands niet als een bepaald voornemen doen gelden. Na
+aan deze, God dank! eindelijk voltooide Geschiedenis zoo lange jaren en
+zoo ingespannen gewerkt te hebben, zullen de vermelde bewerking van een
+Beroemd Friesland, en meer nog de groote moeite aan het toezigt op de
+naauwkeurige uitvoering van den Nieuwe Atlas van Friesland (met zoo veel
+regt een belangrijk voorwerp van naauwlettende zorg!) mij vooreerst te
+veel bezig houden, om aan het volbrengen van eene taak te denken, welke
+met dien Atlas een schoon geheel zou kunnen vormen, de eer en roem onzer
+heerlijke provincie waardig!
+
+Om deze te bevorderen, en om bij voortduring nuttig te mogen zijn voor
+mijne landgenooten, wier toegenegenheid ik dankbaar erkenne, daartoe
+schenke de Algoede mij verder lust, kracht en zegen! Veel, zeer veel
+blijft er na al het bewerkte nog te verrigten over, om Frieslands
+geschiedenis en letterkunde zoodanig te behandelen, en uit tot dusverre
+ontoegankelijke of weinig bekende bronnen voor het algemeen toe te
+lichten, als de waardigheid vordert van eene provincie en van een volk,
+wier belangrijkheid ook vreemden meer en meer erkennen, en waaromtrent
+een beroemd Fransch schrijver mogt getuigen:
+
+ Achttien eeuwen hebben den Rijn van loop zien veranderen en de
+ oevers van den Oceaan doen verzwelgen:--het Friesche Volk is
+ staande gebleven, als een historisch gedenkteeken, waardig om
+ zoowel den Franken als Angelsaksers en Scandinaviers gelijke
+ belangstelling in te boezemen.
+
+ MALTE-BRUN.
+
+
+
+
+_Eerste Bijlage._
+
+~TIJDREKENKUNDIGE LIJST~ VAN DE VOORNAAMSTE GEBEURTENISSEN DER ~FRIESCHE
+GESCHIEDENIS~.
+
+
+
+
+EERSTE TIJDVAK.
+
+~OUD FRIESLAND.~
+
+_Van de vroegste tijden tot Karel den groote._
+
+Van het Jaar 11 vóór Chr. tot omstreeks 800 na Christus.
+
+
+11 jaar vóór onze tijdrekening.
+
+Komst van Drusus in Friesland. De Friezen treden in verbond met de
+Romeinen.
+
+28 jaar van onze tijdrekening.
+
+Opstand der Friezen tegen Olennius, Landvoogd der Romeinen, wier benden
+bij het woud Baduhenna geslagen en uit Friesland verdreven worden.
+
+48. Corbulo, in het land der Friezen eene sterkte gesticht hebbende,
+door Keizer Claudius teruggeroepen.
+
+59. Verritus en Malorix, afgezanten der Friezen, trekken naar Rome, om
+Keizer Nero over de hun betwiste gronden aan den Rijn te spreken.
+
+69. De Friezen staan de Batavieren bij in den opstand van dezen tegen de
+Romeinen.
+
+240-455. Trapsgewijze uitbreiding van het land der Friezen, zuidwaarts
+tot over de Schelde, oostwaarts tot over den Wezer.
+
+250 omstr. De Friezen nemen deel in het Frankische Verbond, doch
+verlaten het spoedig.
+
+449. Vele Friezen, steken met de Anglen, Saksers enz. over naar
+Brittannië en vestigen zich in dat land.
+
+463. Begin van der Franken aanvallen op het Friesche rijk.
+
+520 en verv. Invallen der Denen en Noormannen in Friesland.
+
+630. De Franken vestigen zich te Wiltenburg (Utrecht), waar Dagobert I
+eene kerk sticht, welke in
+
+680 door Koning Radboud I verwoest wordt.
+
+641. Komst van den Evangelie-verkondiger Eligius in Friesland,
+
+677 van Wilfrid, die in
+
+686 gevolgd wordt door Egbert en in
+
+690 door Wigbert en Willebrord.
+
+692. Koning Radboud bij Dorestad door Pepijn van Herstal overwonnen.
+
+696. Stichting van eene nieuwe kerk en het Bisdom Utrecht, door
+Willebrord.
+
+716. Overwinning van Radboud op Karel Martel bij Keulen.
+
+717, 726 en 736. Karel Martel valt bij herhaling in Friesland tot
+uitbreiding van het Frankische gezag en ter invoering van het Evangelie.
+
+755. Bonifacius op zijne togten ter verkondiging van het Christelijk
+geloof te Dokkum met de zijnen vermoord.
+
+775. Karel de groote wordt door de Friezen als Beschermheer aangenomen.
+
+Invoering van het Christendom.
+
+800. Karel de groote, Koning der Franken, als Keizer van het Westen
+gekroond.
+
+
+
+
+TWEEDE TIJDVAK.
+
+~HET VRIJE FRIESLAND.~
+
+_Van Karel den groote tot Albert van Saksen._
+
+Van omstreeks 800-1498.
+
+
+804. Verbond van Karel den groote met de door hem onderworpene Saksers
+en Friezen beoosten de Eems, te Salza.
+
+806 en later. Herhaalde Watervloeden.
+
+808 en vervolgens. Vernieuwde invallen van de Denen en Noormannen op de
+Friesche kusten.
+
+809. Togt der Friezen naar Rome ter hulpe van Keizer Karel.
+
+814. Keizer Karel sterft en wordt opgevolgd door zijn zoon Lodewijk den
+vrome, die tot 840 regeert.
+
+1004. De Hollandsche Graven zoeken hun gebied uit te breiden door
+West-Friesland (Noord-Holland) te veroveren, waarbij Graaf Arnoud
+sneuvelt.
+
+1096. Begin van de Kruistogten naar het Heilige land, waaraan vervolgens
+vele Friezen deelnemen.
+
+1169. Nederlaag van Graaf Floris III, bij een nieuwen inval in
+West-Friesland.
+
+1170. Begin der wegscheuring van de landen bewesten de tegenwoordige
+Friesche Kust, waardoor in de volgende eeuw de Zuiderzee ontstaat.
+
+Omstreeks 1200. Opkomst van de Friesche Steden, als Steden.
+
+1218. Heldendaden der Friezen bij de verovering van de Egyptische stad
+Damiate.
+
+1248. De Friezen helpen Graaf Willem II, Roomsch Koning, de stad Aken
+winnen, en ontvangen van hem de bevestiging van hunne vrijheden en
+voorregten.
+
+1255. Graaf Willem II sneuvelt op een togt ter verovering van de West
+Friezen.
+
+1260. Omstreeks dezen tijd is de verdeeling Van Oostergoo en Westergoo
+in Grietenijen ingevoerd, en de Middelzee van lieverlede opgeslijkt,
+tijdens de vergrooting van de Zuiderzee.
+
+1282. Graaf Floris V brengt de West-Friezen onder het gezag der
+Hollandsche Graven, en weet in
+
+1292 zich ook te vestigen in Stavoren, welke stad hij met vele
+voorregten begunstigt.
+
+Omstreeks 1300. Begin der partijschappen tusschen de Schieringers en
+Vetkoopers, welke ongeveer twee eeuwen hebben gewoed.
+
+1310. Graaf Willem III door Westergoo, in naam, als Heer erkend.
+
+1345. Graaf Willem IV valt Friesland met eene aanzienlijke vloot en
+leger bij Stavoren aan, doch wordt met vele edelen verslagen.
+
+1396 en 1398. Groote togten van Hertog Albrecht van Beijeren tegen de
+Friezen. Slag bij Schoterzijl en Takozijl. Korte vestiging van het
+Hollandsche gezag in Friesland.
+
+1400 en 1401. Nieuwe heirvaarten van Albrecht ter verovering van
+Friesland, zonder zijn oogmerk te bereiken.
+
+1417. De Roomsch Koning Sigismund bevestigt de vrijheden en voorregten
+der Friezen; evenzoo in
+
+1457 Keizer Frederik III.
+
+1435. Leeuwarden vergroot door de vereeniging van de stad met de
+naburige dorpen Oldehove en Hoek.
+
+1470. Vergeefsche pogingen van Graaf Karel den stoute, om Heer van
+Friesland te worden.
+
+1487. Bier-oproer te Leeuwarden, hetwelk door de Schieringers wordt
+aangevallen en ingenomen.
+
+1491. Verbond van Oostergoo en Westergoo met de stad Groningen.
+
+1493. 's Keizers gezant, Otto van Langen, komt in Friesland ter
+bemiddeling van de partijen.
+
+1495. De Schieringers nemen vreemde benden uit Holland en elders ter
+hulp aan.
+
+1498. De Keizer draagt aan Hertog Albert van Saksen, als Erf-Potestaat,
+het bestuur over Friesland op.
+
+
+
+
+DERDE TIJDVAK.
+
+FRIESLAND BESTUURD NAMENS VREEMDE VORSTEN.
+
+_Van Albert van Saksen tot de Hervorming._
+
+1498-1580.
+
+_A. De Saksische Regering._
+
+
+1498. Hertog Alberts Stedehouder, Willebrord van Schaumburg, trekt met
+2,000 man in Westergoo, neemt Leeuwarden in, en verovert Oostergoo en
+Zevenwouden.
+
+1499. Albert komt met zijn zoon Hendrik in Friesland, wordt gehuldigd en
+stelt een Provincialen Raad in.
+
+1500. Hertog Hendrik verbittert de Friezen, die hem in Franeker
+belegeren, doch aftrekken, zoodra Albert tot ontzet nadert.
+
+1504. Hertog Georg van Saksen komt in Friesland, plaatst te Leeuwarden
+een Geregtshof en voert vele verbeteringen in, zoodat de rust en
+welvaart hersteld worden.
+
+1505-8. Het Bildt verpacht en bedijkt.
+
+1509. Graaf Hendrik van Stolberg, de edele Stadhouder, overleden.
+
+1512. Jemme Herjuwsma en Gerbrand Mokkema te Leeuwarden onthoofd, wegens
+verstandhouding met den Graaf van Oost-Friesland.
+
+1514. De Geldersche benden van Karel van Egmond bezetten een groot deel
+van Friesland, belovende herstel der vrijheid.
+
+
+_B. De Bourgondische Regering._
+
+1515. Hertog Georg draagt Friesland over aan Karel van Oostenrijk, Graaf
+van Holland enz.--Bestendige strijd van dezen tegen de Gelderschen om
+het gebied.
+
+1516. Leeuwarden door de Gelderschen belegerd en door Bourgondische
+benden ontzet.
+
+1517. Groote Pier maakt de Zuiderzee onveilig, om de Hollanders, die
+zijne woonplaats verbrand hadden, afbreuk te doen.
+
+1522. De Gelderschen verlaten Sneek, 1523 Dokkum, Bolsward enz., zoodat
+in 1524 geheel Friesland Keizer Karel V als Heer aanneemt.
+
+Begin van een langdurig tijdperk van vrede, welvaart en vooruitgang.
+
+1531. Begin der geloofsvervolgingen. Martelaren.
+
+1535. Ongeveer 300 der Munstersche Wederdoopers nemen Oldeklooster in,
+doch worden belegerd, gevangen genomen en meerendeels omgebragt.
+
+1536. Gellius Faber de Bouma en Menno Simons verlaten het pausdom en
+ondersteunen de zaak der hervorming.
+
+1550. Invoering van de Inquisitie.
+
+1551. De omstreken van Heerenveen ontgonnen en vaarten derwaarts
+gegraven.
+
+
+_C. De Spaansche Regering._
+
+1555. Karel V draagt de regering over aan zijn zoon Filips II.
+
+1560. Invoering van nieuwe Aarts-Bisdommen en Bisdommen in Nederland.
+
+1565. 108 Friezen nemen deel aan het verbond der Nederlandsche Edelen
+tegen Spanje.
+
+1566. De Hervormde leer te Leeuwarden en elders ingevoerd, doch weder
+onderdrukt.
+
+1567. Herstelling van de Roomsche eeredienst. Komst van den Hertog van
+Alva. Vlugt van vele Edelen en Geestelijken.
+
+1568. Begin van den tachtigjarigen oorlog tegen Spanje. De Stadhouder
+Aremberg sneuvelt bij Heiligerlee.
+
+1570. Komst van Cunerus Petri, als Bisschop van Leeuwarden. Groote
+schade en nood door den Allerheiligenvloed.
+
+1572. De pogingen der Bondgenooten, om eenige steden op de Spanjaarden
+te veroveren, door Robles verijdeld.
+
+1574. Verbetering van de Zeeweringen onder Caspar de Robles.
+
+1576. De Pacificatie van Gent.
+
+1578. Afkondiging van den Religions-vrede.
+
+1579. De Unie van Utrecht gesloten.
+
+1580. De Blokhuizen van Leeuwarden, Harlingen en Stavoren veroverd; de
+Hervorming van Staat en Kerk doorgezet.
+
+
+
+
+VIERDE TIJDVAK.
+
+FRIESLAND ONDER DE STATEN EN STADHOUDERS.
+
+_Van de Hervorming tot de Staats-omwenteling._
+
+1580-1795.
+
+
+1580. De Roomsche eeredienst verboden en de Kloosters afgeschaft.
+Invoering van de Hervormde leer.
+
+De Spaansche benden stroopen langs de zuidkust van Friesland.
+
+1580 en 90. Nieuw-Dongeradeel of de Holwerder- en Ternaarder-Polders
+bedijkt.
+
+1581. Afzwering van Koning Filips II van Spanje.
+
+Prins Willem I komt in Friesland, om orde op de regering te stellen.
+
+Twisten tusschen de Staatsleden, de Gedeputeerden en het Hof.
+
+1582. De Hertog van Anjou tot Landvoogd aangenomen.
+
+1583. Inval der Spanjaarden. Proces tusschen de Landen en Steden.
+
+1584. Graaf Willem Lodewijk eerst tot Luit.-Gouverneur, daarna tot
+Stadhouder aangenomen. Verdeeldheid onder de Regeringsleden.
+
+1585. 's Lands Akademie te Franeker opgerigt.
+
+Voortdurende gevaarlijke toestand des lands.
+
+1586. Inval der Spaanschen. Slag bij Boxum.
+
+Handelingen met den Engelschen Landvoogd Leicester.
+
+1588. Vergaan der Onoverwinnelijke Vloot.
+
+1591. Pogingen om den vijand uit Groningen en de andere vestingen te
+verdrijven.
+
+1592. Steenwijk, Koevorden enz. gewonnen.
+
+1593. Verdugo's laatste strooptogt in Friesland.
+
+Verschillen tusschen Carel Roorda en Graaf Willem Lodewijk.
+
+1594. Groningen belegerd, gewonnen en met de Ommelanden tot de Unie
+gebragt.
+
+Aftogt der Spaansche benden uit deze noordelijke streken.
+
+1596. Het Collegie ter Admiraliteit te Dokkum opgerigt.
+
+Verschillen over de inwilliging van de belastingen.
+
+1598. Bewegingen ten gevolge der handelingen van den Ontvanger-Generaal
+Taco van Dijxtra.
+
+1600. In den slag van Nieuwpoort nemen de Friezen den Admirant van
+Arragon gevangen.
+
+Hevige staatstwisten over de zware schattingen. Scheuring tusschen de
+Regeringsleden. Gezanten der Algemeene Staten herwaarts gezonden.
+
+1600. Het Nieuwe Bildt bedijkt.
+
+1601. Amnestie tot herstel van 's lands rust.
+
+1602. De Lands-ordonnantie uitgevaardigd.
+
+1609. Twaalfjarig Bestand met Spanje.
+
+1609-15. Hevige verschillen tusschen de Stedelijke Regering en de
+ingezetenen van Leeuwarden.
+
+Toenemende welvaart tijdens het Bestand.
+
+1613. Begin der bedijking van het Stavorensche Noorder- en Zuidermeer.
+
+1619. Uitbreiding en versterking van Leeuwarden.
+
+De leer, doch niet de Kerken-orde der Dordsche Synode in Friesland
+aangenomen.
+
+1620. Graaf Willem Lodewijk sterft en wordt opgevolgd door Graaf Ernst
+Casimir van Nassau.
+
+1622. Inval der Spanjaarden in de Zevenwouden.
+
+Verschillen over de Raadsbestelling der Steden.
+
+1624. Het Workumer-Nieuwland bedijkt.
+
+1626. Hevige bewegingen tegen de invoering van gelijke belastingen als
+in Holland.
+
+Reformatie van de misbruiken in de regering.
+
+1631-37. Voortdurende onlusten over de verpachting van 's lands
+middelen, de wijze van verdeeling, de inning der quota enz.
+
+Volksberoeringen.
+
+Gezanten der Algemeene Staten met krijgsvolk herwaarts gezonden.
+
+Groote verdeeldheid onder de Regering en het volk.
+
+1632. Dood van Graaf Ernst Casimir, die door Graaf Hendrik Casimir I
+wordt opgevolgd.
+
+1633. Het Warregaster en andere Meren bedijkt en drooggemaakt.
+
+1640. Graaf Hendrik Casimir I sneuvelt en wordt door zijn broeder, Graaf
+Willem Frederik van Nassau, als Stadhouder opgevolgd.
+
+1641. De Dragster-Compagnons-Veenvaart begonnen.
+
+1645. Het Friesche Collegie ter Admiraliteit van Dokkum naar Harlingen
+overgebragt.
+
+1647. De eerste Trekweg, tusschen Leeuwarden en Harlingen, aangelegd en
+door vele andere gevolgd.
+
+1648. De Vrede met Spanje te Munster gesloten.
+
+ * * * * *
+
+1651 env. Verschillen van de Friesche Staten met die van Holland.
+
+1653. Eerste Engelsche Oorlog.
+
+1657. Onlusten te Leeuwarden, Franeker en elders jegens de
+Regeringsleden.
+
+1662. Klagten en bewegingen over het verkoopen van de lands Ambten enz.
+
+1663. De Post van Leeuwarden op Zwolle ingevoerd.
+
+1664. Eerste aanvallen van den Bisschop van Munster.
+
+Dood van den Stadhouder Prins Willem Frederik.
+
+1665. Tweede Engelsche Oorlog. Frieslands Luitenant-Admiraal Auke
+Stellingwerf sneuvelt.
+
+Schade door storm en watervloed.
+
+1666. Hevige zeegevechten. Lt.-Adm. Tjerk Hiddes de Vries gesneuveld.
+
+1672. Friesland, door de vereenigde Fransche, Munstersche en Keulsche
+magten bedreigd, wapent en versterkt zich onder Aylva.
+
+Hevig gevecht tusschen het regiment van dien Generaal en de Franschen
+bij den overtogt van dezen over den Rijn.
+
+Prins Hendrik Casimir II tot Stadhouder verkozen.
+
+De Munstersche benden bij herhaling afgeslagen en Blokzijl met hulp der
+Friezen veroverd.
+
+Krachtige pogingen van het volk tot verbetering van de misbruiken in de
+Regering.
+
+Nieuwe Staten gekozen, terwijl eenige oude leden een Landsdag te Sneek
+houden.
+
+Hooggaande verdeeldheid tusschen de Regeringsleden.
+
+1673. Pogingen der Staten Generaal tot bemiddeling. Invoering van het
+Reglement-reformatoir. Nieuwe volkswapening en versterking. Vruchtelooze
+aanval van de bisschoppelijke troepen, die geslagen en verdreven worden.
+
+1675. De Labadisten vestigen zich te Wienwerd.
+
+1677. Heldendood van den Kommandeur Jacob Binckes op Tabago.
+
+1678. Verschillen met Prins Willem III over het afdanken van krijgsvolk,
+gelijk in 1684 over de werving.
+
+1683. Fransche Hervormde vlugtelingen in bescherming genomen.
+
+1684. Huwelijk van Prins Hendrik Casimir met Prinses Amalia van
+Anhalt-Dessau.
+
+1689. Dapperheid van dezen Prins, van Aylva en van Coehoorn in den
+veldslagen van Fleurus enz.
+
+1696. Prins Hendrik Casimir II en zijne moeder Prinses Albertina Agnes
+overlijden.
+
+1700. Aanvang van den Spaanschen Successie-oorlog.
+
+1701 en 3. Stormen, dijkbreuken en watervloeden.
+
+1702. De Statendijk en Schoterzijl aangelegd.
+
+1704. Voortzetting van het groote Veenkanaal van Lippenhuizen naar
+Appelscha, van 1781 tot 1819 voltooid.
+
+1707. Prins Jan Willem Friso wordt Stadhouder; betoont in
+
+1708 env. grooten heldenmoed in den Successie-oorlog; huwt in
+
+1709 aan Prinses Maria Louisa van Hessen-Kassel, en komt in
+
+1711, bij het overvaren van het Strijensche sas, ongelukkig om het
+leven.
+
+Prins Willem Carel Hendrik Friso geboren.
+
+1712. Inval van den Generaal Grovestins in Frankrijk.
+
+1713. De Vrede met Frankrijk te Utrecht gesloten.
+
+ * * * * *
+
+1729. De Dokkumer Nieuwe Zijlen aangelegd.
+
+1730-34. Verwoestingen van den Paalworm. Slaperdijken aangelegd.
+
+1731. Prins Willem Carel Hendrik Friso Stadhouder, en in
+
+1734 gehuwd aan Prinses Anna van Engeland.
+
+1740. Aanvang van den Oostenrijkschen Successie-oorlog.
+
+1747. De Prins, als Willem IV, verheven tot Algemeen Stadhouder, verlaat
+Friesland.
+
+1748. Hevige volksberoeringen. Verbeteringen in het Staatsbestuur.
+
+1751. Dood van den Prins.
+
+1759. Prinses Anna, Gouvernante, sterft, waarna Prinses Maria Louisa
+Gouvernante wordt in Friesland, tot
+
+1765, toen zij overleed.
+
+1766. Prins Willem V aanvaardt het Stadhouderschap.
+
+1775 en 76. Dijkbreuken en overstroomingen.
+
+1780. Begin der staatkundige onlusten.
+
+1787. Eenige leden der Friesche Staten scheiden zich van de overige af
+en vestigen zich te Franeker, dat versterkt en door de gewapende
+Patriotten bezet wordt.
+
+De Pruissische troepen herstellen het stadhouderlijk gezag.
+
+Vervolging en vlugt van de Patriotten.
+
+
+
+
+VIJFDE TIJDVAK.
+
+DE VOLKS- EN FRANSCHE REGERING.
+
+_Van de Omwenteling tot de herstelling van Nederland._
+
+1795-1813.
+
+
+1795. Prins Willem V vlugt. De Staats-omwenteling.
+
+De Franschen bezetten ons land. Volksregering.
+
+1798. Staatsregeling. Opheffing van de Souvereiniteit der provinciën.
+
+Het Feest der Een- en Ondeelbaarheid te Leeuwarden gevierd.
+
+1801. Nieuwe Staatsregeling.
+
+1805. Gewijzigde Staatsregeling met R. J. Schimmelpenninck als
+Raad-pensionaris aan het hoofd van 't Bataafsch Gemeenebest.
+
+1806. Lodewijk Napoléon, Koning van Holland.
+
+1810. Nederland bij Frankrijk ingelijfd.
+
+
+
+
+ZESDE TIJDVAK.
+
+DE KONINKLIJKE REGERING.
+
+_Van de herstelling van Nederland tot de invoering van de Gemeentewet._
+
+1813-1851.
+
+
+1813. Bevrijding van Nederland. Vertrek der Franschen.
+
+Prins Willem Frederik komt terug en wordt
+
+1814 Souverein Vorst der Nederlanden. Eerste Grondwet.
+
+Jhr. Idsert Æbinga van Humalda Gouverneur van Friesland.
+
+1815. De Staten en Grietenij-besturen hersteld.
+
+Nieuwe Grondwet voor het Koningrijk der Nederlanden (met België
+vereenigd), onder Koning Willem I.
+
+Oprigting van het Athenæum te Franeker.
+
+1825. Dijkbreuken en overstroomingen.
+
+1826. Heerschende ziekte en groote sterfte.
+
+Jan Adriaan Baron van Zuijlen van Nijevelt Gouverneur.
+
+1827. Begin van het aanleggen van Straatwegen.
+
+1830. Afscheiding van België. Algemeene volkswapening.
+
+1830-50. Verbeteringen in Frieslands Waterstaat.
+
+1840. Gewijzigde Grondwet. Willem II Koning.
+
+Maurits Pico Diderik Baron van Sytzama Gouverneur.
+
+1843. Opheffing van het Rijks Athenæum te Franeker.
+
+1844. Tentoonstelling van voorwerpen van Friesche Nijverheid.
+
+1847. Duurte en volksbewegingen ten gevolge der aardappelziekte.
+
+1848. Nieuwe Grondwet. Jhr. Jan Ernst van Panhuijs Gouverneur.
+
+1849, 12 Mei. Willem III tot Koning gehuldigd.
+
+1851, 5 Julij. Invoering van de Gemeentewet.
+
+1852, 19 April. Koning Willem III bezoekt Friesland.
+
+
+
+
+_Tweede Bijlage._
+
+~TIJDREKENKUNDIG OVERZIGT~ VAN DE ~FRIESCHE VORSTEN~, OPPERHOOFDEN,
+KONINGEN, STADHOUDERS ENZ.
+
+_van de vroegste tijden tot 1851._
+
+
+Alle volksgeschiedenissen, zonder eenige uitzondering, hebben hare
+_mythen_, verdichtselen, sagen en overleveringen, waarmede zij
+aanvangen. Zeldzaam zijn ze geheel verdicht; meestal is de waarheid
+opgesierd en voorgesteld in een vorm, welke dadelijk verraadt, dat deze
+verhalen eerst in schrift gesteld zijn in latere eeuwen (de 12e en 13e),
+wier kenmerken en behoeften op vroegere gebeurtenissen overgebragt of
+toegepast zijn. Zaken en voorstelling zijn daarin dus zeer moeijelijk te
+onderscheiden. Langzamerhand vloeijen ook die verhalen met de ware
+oorkonden zamen, zonder dat iemand in staat is met juistheid aan te
+wijzen, waar het tijdpunt is, dat volkomene zekerheid geeft. Hoe meer
+echter de gebeurtenissen, ook in de oude Friesche Landskronyken
+verhaald, overeenstemmen met de godsdienstoefeningen, zeden, karakter en
+gewoonten des volks en de omstandigheden der tijden--hoe meer waarde en
+gezag wij er aan kunnen hechten, vooral, wanneer geschiedschrijvers van
+andere landen deze berigten bevestigen. Sommigen hebben die verhalen als
+waarheid aangenomen; anderen hebben ze verworpen: beide zyn te ver
+gegaan. Waarheid en verdichting ondereengemengd en in het kleed der
+oudheid gehuld, kunnen door geene magtspreuken vaneen gescheiden worden;
+en zal het immer aan het verstandig oordeel en de mate der ontwikkeling
+van ieder lezer blijven overgelaten, wat hij voor waarheid, voor
+opgesierde waarheid of enkel verdichting, aanvulling of voorstelling
+meent te moeten houden. Tegen Emmius, die al te veel heeft verworpen, is
+vooral in den laatsten tijd de waarde der Friesche Kronyk van
+Scharlensis verdedigd door Mr. J. van Lennep, in Nijhoff's Bijdragen; II
+221. Belangrijk is te dezen aanzien ook de inleiding der verhandeling
+van Mr. F. Binkes, over eene Volkplanting der Friezen in Zwitserland, in
+de Vrije Fries, I 1, waar de ~ligtgeloovigen~ zoowel als de
+~ongeloovigen~ nadeelig voor de beoefening der geschiedenis worden
+genoemd.[379]
+
+ [379] Men vergelijke hiermede ook mijne denkbeelden over dit
+ onderwerp, medegedeeld in de Geschiedkundige Beschrijving van
+ Leeuwarden, I 18-23.
+
+Zoodra de Friezen hier gevestigd waren, zich uitbreidden en vooral
+sedert zij met de Romeinen in betrekking kwamen, hadden zij behoefte aan
+Opperhoofden, die met de oudsten en de priesters de weinige algemeene
+belangen regelden. Maar hoe hunne namen en welke hunne titels waren in
+die eerste tijden--wie zal dit met zekerheid kunnen zeggen? Op grond van
+oude volksverhalen, die van een roemrijken stamvader _Friso_, uit
+het Oosten afkomstig, gewagen, geven de kronyken echter eene
+aaneengeschakelde lijst van al de Vorsten, die van hem af het gebied
+over Friesland hebben gevoerd. Zoolang het ons onmogelijk is, waarheid
+en verdichting te scheiden, hebben wij eerbied voor deze volksverhalen,
+en als zoodanig geven wij hier een kort overzigt van al de personen,
+welke de overlevering als vroegere _Bestuurders van Friesland_ opgeeft.
+Daar echter de schrijfkunst en de jaartelling of onze wijze van
+tijdrekening eerst na de invoering van het Christendom in deze landen
+(omstreeks het jaar 800) hier in gebruik gekomen en later meer algemeen
+geworden zijn, zoo kan men alleen aan dezen maatstaf eenigzins de waarde
+toetsten van de opgaven onzer kronyken ten aanzien van den tijd en de
+bijzonderheden der vroegste gebeurtenissen.
+
+
+
+
+EERSTE TIJDVAK.
+
+_Van Prins Friso tot Keizer Karel den groote._
+
+Van het jaar 313 vóór- tot omstr. 800 na Christus.
+
+I. ZEVEN PRINSEN.
+
+
+FRISO. (313 j. v. C.)
+
+Ten tijde van Alexander den groote zou deze Indische Prins, uit zijn
+vaderland verdreven, zich met vele anderen op eene vloot begeven hebben,
+waarmede zij, na vele omzwervingen, landden in Friesland, waar hij aan
+het Flie eene stad stichtte, naar den God Stavo Stavoren geheeten. Hij
+wordt gehouden voor den Stamvader der Friezen, voor den eersten bevolker
+van dit land, hetwelk bij 68 jaren lang regeerde. Zijn zoon
+
+
+ADEL (245 j. v. C.)
+
+volgde hem op, en zou gedurende zijne 94jarige regering de Noormannen
+bestreden, wijze verordeningen gemaakt, den Adel ingesteld en de groote
+gastmalen ingevoerd hebben.
+
+
+UBBO, (151 j. v. C.)
+
+zijn zoon en opvolger, zou Keulen, gelijk de zonen van dezen Batenburg
+en Vroonen gesticht hebben. Na 80 jaren geregeerd te hebben, volgde zijn
+zoon
+
+
+ASINGA ASKON (71 j. v. C.)
+
+hem op. Deze zou Stavoren vergroot en bemuurd, en onderscheidene
+oorlogen met naburige volken gevoerd hebben, gedurende zijne 82jarige
+regering. Op hem volgde
+
+
+DIOKARUS SEGON, (11 j. n. C.)
+
+zijn neef en veldheer, onder wien de Friezen in het jaar 28 tegen de
+Romeinen opstonden. Zijn zoon
+
+
+DIBBALDUS SEGON, (46 j. n. C.)
+
+was zijn opvolger, om zijne krijgshaftige daden, zoowel te land als ter
+zee, beroemd.
+
+
+TABBO, (85)
+
+zijn veldheer, zou dapper met de Romeinen tegen de Britten gestreden en
+ook de Denen bevochten hebben.
+
+
+II. ZEVEN HERTOGEN.
+
+
+ASKON, (130)
+
+zou, onder een anderen titel, de opvolger van zijn vader geworden zijn,
+en tevens de stichter van verscheidene dorpen. Minder vredelievend dan
+hij was zijn zoon en opvolger
+
+
+ADELBOLD, (173)
+
+die de Romeinen met hulpbenden ondersteunde en tegen verschillende
+naburige volken oorloogde. Zijn broeder
+
+
+TITUS BOJOCALUS (187)
+
+wordt zeer geroemd als een geleerd en dapper vorst, bij den Romeinschen
+Keizer en den Hertog van Braband, welken hij hulp bood, zeer geacht.
+
+
+UBBO, (240)
+
+zijns broeders zoon, was zijn opvolger, en zou gedurende zijne vreedzame
+regering vele gebouwen, sterkten en steden, ook Dokkum, gesticht hebben.
+
+
+HARON UBBO (299)
+
+zou zich met de Denen verbonden en Diderik, den Koning van
+West-Friesland, bestreden hebben. In zijn lusthuis bij het Roode Klif,
+dat toen dikwijls vlammen braakte, zou hij, 97 jaren oud, in 335
+gestorven zijn.
+
+
+ODILBALD (335)
+
+was zijn zoon en opvolger, die door zijne dapperheid het rijk zou
+uitgebreid hebben, even als zijn zoon
+
+
+ODOLF HARON, (360)
+
+de laatste der Hertogen, onder wien een groot getal Friezen zich, ten
+gevolge van overbevolking, aan den Eider zou hebben nedergezet.
+
+
+III. NEGEN KONINGEN.
+
+
+RICHOLD UFFO. (392)
+
+Wegens de uitbreiding van Friesland nam deze den titel van Koning aan.
+Tegen de Denen en Franken zou hij dapper gestreden en te Stavoren en
+elders lusthuizen gebouwd hebben.
+
+
+ODILBALD, (435)
+
+zijn zoon en opvolger, wordt geroemd als een goedertieren vorst, beleefd
+jegens zijn volk en gevreesd door zijne vijanden. Hij trouwde eene
+dochter des Konings van Denemarken. Zijn zoon
+
+
+RICHOLD II (470)
+
+verdreef de Franken uit Westfalen en de Denen uit de Eems, en was bij
+het volk zeer bemind.
+
+
+BEROALD (533)
+
+volgde hem op, breidde de grenzen des lands uit en sneuvelde in een
+gevecht tegen de Franken. Zijn zoon
+
+
+ADGILD I (590)
+
+was een vredelievend vorst, die de prediking van het Evangelie toeliet
+en de belangen des volks, ook door het opwerpen van terpen en zeedijken,
+zeer bevorderde.
+
+
+RADBOUD I, (672)
+
+zijn zoon en opvolger, wederstond even krachtig de invoering van de
+christelijke godsdienst en de legers der Franken, als zijn vader
+daaromtrent toegevend en vredelievend was geweest. Hij verwoestte de te
+Utrecht reeds gestichte St. Thomaskerk, doch werd 12 jaren later door
+Pepijn bij Dorestad geslagen. Na den dood van dezen versloeg hij het
+Frankische leger bij Keulen, waarover Karel Martel zich wreekte, door
+herhaaldelijk met eene vloot in Friesland te vallen.
+
+
+ADGILD II (723)
+
+was weder het tegengestelde van zijn vader. Hij regeerde in rust en
+vrede, en liet de prediking van het Evangelie toe, ja zou zelf de
+christelijke leer hebben aangenomen. Zijn zoon
+
+
+GONDEBALD (737)
+
+volgde zijn voorbeeld, zoodat het Christendom hier meer ingang vond.
+Doch zijn broeder,
+
+
+RADBOUD II, (749)
+
+in het heidensche Denemarken opgevoed, herstelde hier de voorvaderlijke
+eeredienst, liet Bonifacius ombrengen en mishandelde met wreedheid de
+Christenen, waartoe hij de hulp inriep van de Saksers. Het hierdoor
+verbitterde volk klaagde zijn nood aan Karel den groote, die den
+Frankischen troon had beklommen. Op de komst van dezen, vlugtte
+Radboud, namen de Friesche Koningen een einde en de Friezen het
+Christendom aan, waarbij zij zich stelden onder de bescherming van den
+Frankischen Koning, die eerlang mede Keizer van Duitschland werd.
+
+
+
+
+TWEEDE TIJDVAK.
+
+_Van Karel den groote tot Albert van Saksen._
+
+Van omstreeks het Jaar 800 tot 1498.
+
+~KAREL~ DE ~GROOTE~,
+
+_Koning der Franken, Keizer van Duitschland, Beschermheer der Friezen._
+
+IV. ZEVENTIEN LANDSHEEREN OF POTESTATEN.
+
+
+MAGNUS FORTEMAN, (809)
+
+der Friezen veldoverste op den togt naar Rome, wordt voor den eersten
+Potestaat gehouden. Onder de vrijheden, door Keizer Karel den Friezen
+gelaten, was ook deze, dat zij uit hunne eigene inboorlingen een Overste
+zouden kiezen, om het land zoowel in oorlog als in vrede te besturen.
+Welligt werden deze Potestaten enkel in hoogen nood en voor een jaar of
+een bepaalden tijd verkoren, en was hun een raad van achttien ervarene
+mannen toegevoegd. In een strijd tegen de Saracenen is hij gesneuveld,
+te Rome begraven en daarna heilig verklaard.
+
+
+FOCKO of TACO LUDIGMAN (819)
+
+heeft het land trouw beschermd tegen de invallen der Deensche
+zeeroovers, gelijk ook zijn opvolger
+
+
+ADELBRIK ADÉLEN, (830)
+
+van Sexbierum, die een hertog van Zweden in een slag bij Kollum zou
+overwonnen hebben.
+
+
+HESSEL HERMANA, (869)
+
+van Minnertsga, wordt als een onversaagd krijgsman geroemd, die in den
+strijd tegen de Noormannen zijn leven liet.
+
+
+IGO GALEMA (overl. 886)
+
+trachtte de kusten en havens tegen die vijandelijke aanvallen te
+versterken.
+
+
+GOSSE LUDIGMAN (989)
+
+woonde te Stavoren, hetwelk destijds door handel en scheepvaart in
+aanzien toenam.
+
+
+SACO REINALDA (overl. 1167)
+
+wordt geroemd als een braaf en vredelievend man, onder wiens bestuur
+vele Friezen op nieuw naar het Heilige land trokken.
+
+
+SICKO SJAARDAMA (1237)
+
+wordt door sommigen voor den achtsten Potestaat gehouden, die omstreeks
+1254 de aanbiedingen van Graaf Willem II, als hij hem de heerschappij
+over Friesland mogt willen bezorgen, fier zou hebben afgeslagen.
+
+
+REINDER CAMMINGHA (overl. 1306)
+
+gaf vele blijken van dapperheid, ook in den strijd tegen de Noormannen,
+waarbij hij sneuvelde.
+
+
+HESSEL MARTENA (overl. 1313)
+
+schroomde den strijd evenmin, vooral tegen de aanvallen van de
+Hollandsche Graven, hoewel hij anders geacht was om zijne
+vredelievendheid.
+
+
+JUW JUWINGA, (1396)
+
+van Bolsward, was door buitenlandsche togten als krijgsman beroemd, toen
+hij, bij den grooten zeetogt van Albrecht van Beijeren tegen Friesland,
+tot der Friezen Potestaat en Veldoverste werd verkozen. Dapper
+strijdende, sneuvelde hij in den veldslag bij Schoterzijl.
+
+
+SICKE DEKAMA, GALE HANIA en ODO BOTNIA, (1399)
+
+de eersten de hoofden der Schieringers, gelijk de laatste der
+Vetkoopers, waren sedert hunne verzoening den vrede toegedaan, en
+moeijelijk te bewegen, om der Friezen aanvoerders te zijn ter
+verdrijving van de Hollanders. Onder
+
+
+SJOERD WIARDA, van Goutum, en HARING HARINXMA, van Heeg, (1404)
+
+de eerste voor Oostergoo en de laatste voor Westergoo benoemd, gelukte
+het den Friezen, zich van het Hollandsche gezag te ontslaan en de
+Friesche vrijheid te herstellen. Doch nu ook begonnen de partijschappen
+tusschen de Schieringers en Vetkoopers op nieuw te blaken. Tot het
+benoemen van een nieuwen Potestaat was men niet te bewegen. Op raad van
+den gezant des Keizers, Otto van Langen, werd eindelijk
+
+
+JUW DEKAMA, van Baard, (1494)
+
+verkozen en hem een raad van 24 personen toegevoegd. Doch te vergeefs
+poogde hij in die onlusten vrede te stichten, daar ook de Vetkoopers
+hem, den Schieringer, niet wilden erkennen. Daarom droeg de Keizer in
+1498 het bestuur over Friesland op aan een vreemden Vorst, aan Albert,
+Hertog van Saksen.
+
+
+
+
+DERDE TIJDVAK.
+
+_Van Albert van Saksen tot de Hervorming._
+
+_1498-1580._
+
+V. ERFHEEREN VAN FRIESLAND EN HUNNE STADHOUDERS.
+
+
+_A. De Saksische Regering._
+
+
+~ALBERT~, _Hertog van Saksen-Meissen_, (1498)
+
+geboren in 1443, was gedurende de voogdijschap van Keizer Maximiliaan
+over zijn zoon Filips II, Graaf van Holland, tot Stadhouder van dat
+gewest aangesteld. Hij had daar door krachtige middelen de tweespalt der
+Hoekschen en Kabeljaauwschen en van het Kaas- en Broodsvolk weten te
+dempen, toen hem, ter vergoeding der gemaakte kosten, door den Keizer
+het bestuur over Friesland werd opgedragen. Nadat hij het met benden had
+doen bezetten, kwam hij met zijn zoon in 1499 over, stelde orde op de
+zaken en een Provincialen Raad te Franeker in, ontzette zijn zoon, in
+1500 in die stad belegerd, en overleed kort daarna te Emden.
+
+
+~HENDRIK~, _Hertog van Saksen_, (1499)
+
+met zijn vader herwaarts gekomen, werd, ten gevolge zijner strenge
+maatregelen, in Franeker door de Friezen belegerd, vertrok kort daarna
+in bedevaart naar Spanje, hoewel hij later de eerste der Duitsche
+Vorsten was, die de leer van Luther omhelsde. Hij was geb. in 1473 en
+stierf in 1541. Van 1500 tot 1504 werd Friesland bestuurd op naam van
+hem en zijn broeder
+
+
+~GEORG~, _Hertog van Saksen_, (1504)
+
+die, geb. in 1471, in 1504 zelf overkwam, te Leeuwarden een Geregtshof,
+Munt enz. instelde, vele goede verordeningen invoerde, doch later door
+zware schattingen en knevelarijen misnoegen verwekte, zoodat hij, door
+den oorlog met Groningen en door den Graaf van Oost-Friesland en den
+Hertog van Gelder in het naauw gebragt, Friesland in 1515 aan Karel van
+Oostenrijk overdroeg.
+
+
+_Stadhouders._
+
+
+WILLEBRORD VAN SCHAUMBURG. (1498)
+
+Als krijgsoverste vooruit gezonden, gelukte het hem Friesland
+grootendeels te bezetten, en, na Leeuwarden twee malen belegerd te
+hebben, daar een kasteel te bouwen.
+
+
+HUGO, _Burggraaf_ VAN LEIJSENACH, (1500)
+
+een Saksisch edelman, wist hier zijns Vorsten gezag te vestigen, doch
+gaf door zijne strenge maatregelen weinig genoegen.
+
+
+WILLEM TRUCHSES (1504)
+
+schijnt korten tijd Stadhouder geweest te zijn tijdens de vestiging van
+het Geregtshof te Leeuwarden.
+
+
+HENDRIK, _Graaf van Stolberg en Heer van Wernigerrode_, (1506)
+
+kwam welligt reeds in 1499 met de Hertogen in Friesland, zoodat hij veel
+kennis van het land en den aard en de behoeften der inwoners had
+opgedaan, toen hem, na het vertrek van Georg, het bewind werd
+opgedragen. Als een verstandig man en braaf christen maakte hij die
+kennis dienstbaar aan de bevordering van het heil des lands en van de
+belangen der ingezetenen, die zijn ijver met liefde en dankbaarheid
+beloonden, dewijl hij ramp in zegen deed verkeeren. Algemeen betreurd,
+stierf hij te Keulen, 1509, doch werd, volgens zijne begeerte, te
+Leeuwarden in de Jakobijner-kerk met luister begraven. De nagedachtenis
+van dezen edelen landvoogd blijve hier duurzaam in zegening!
+
+
+EVERWIJN, _Graaf van Benthem_, (1509)
+
+bedierf de zaak der Saksers hier door drukkende schattingen en geweldige
+middelen, om zich staande te houden tegen de Vorsten, die de Friezen
+hulp verleenden tot ondermijning van zijn gezag.
+
+
+_B. De Bourgondische Regering._
+
+
+~KAREL VAN OOSTENRIJK~, _Hertog van Bourgondië, Graaf van Holland, Heer
+van Friesland_. (1515)
+
+In 1500 geb. te Gent, aanvaarde hij in 1515 de regering van Holland en,
+door overdragt, van Friesland, werd in 1517 Koning van Spanje, in 1519
+Keizer van Duitschland en in 1543 Heer van alle Nederlandsche Gewesten.
+Rijk in schatten, magt en bekwaamheden, was zijn leven een luisterrijk
+tafereel van roemwaardige bedrijven, welke echter door strenge
+geloofsvervolgingen werden ontsierd. Na de regering in 1555 aan zijn
+zoon Filips te hebben overgedragen, stierf hij in 1558 in een klooster
+in Spanje. Gedurende zijn bestuur waren Margaretha van Oostenrijk, van
+1506-1530, Maria van Oostenrijk, Koningin van Hongarije, van 1530-1555,
+en later Margaretha van Parma, van 1559-1567, Gouvernantes of Algemeene
+Landvoogdessen, terwijl Friesland bestuurd werd door de volgende
+
+
+_Stadhouders._
+
+
+FLORIS VAN EGMOND, _Heer van IJsselstein_. (1515)
+
+Toen hij hier kwam, om de hulde der ingezetenen te ontvangen, waren
+slechts 3 steden en 8 grietenijen zijnen Heer getrouw gebleven. Al het
+overige bevond zich in de magt der Gelderschen, tegen wie hij hevigen
+krijg voerde, zonder veel te vorderen. Na twee jaren volgde
+
+
+WILLEM, _Vrijheer van Roggendorf_, (1517)
+
+een Oostenrijksch edelman, hem op. Hij was weinig geschikt om de
+belangen van zijn Vorst in zulke tijden te bevorderen. Aldus bleven de
+partijen een hevigen strijd voeren, totdat
+
+
+GEORGE SCHENCK, _Vrijheer van Toutenburg enz._ (1521)
+
+bij zijne komst krachtiger maatregelen nam, de Gelderschen verdreef en
+Friesland in 1524 geheel onder Keizer Karel en in rust bragt, waardoor
+de algemeene welvaart eerlang zeer toenam. De achting, welke hij
+daardoor verwierf, werd echter verminderd door zijne strenge vervolging
+van de Onroomschen.
+
+
+MAXIMILIAAN VAN EGMOND, _Graaf van Buren enz._ (1540)
+
+de zoon van bovenvermelden Floris, de vriend van Keizer Karel, mogt het
+land in vrede en voorspoed gelukkig besturen.
+
+
+JOHAN VAN LIGNE, _Graaf van Aremberg_. (1548)
+
+Onder dezen ging de regering over aan Koning Filips, wiens strenge
+plakkaten hij met wijze voorzigtigheid lang wist te matigen, zoodat
+zijne deugden en bekwaamheden de achting der Friezen verwierven. Later
+werd hij echter gedrongen de doorbrekende hervorming met kracht tegen te
+werken, en het Nassausche leger bij Heiligerlee in Groningerland slag te
+leveren, waarbij hij met 1800 der zijnen sneuvelde. Bij afwezigheid van
+hem, gelijk ook van zijn opvolger, was
+
+
+SEGHER, _Heer van Groesbeek_,
+
+hier, als Luitenant-Stadhouder, met het bestuur der zaken belast.
+
+
+_C. De Spaansche Regering._
+
+
+~FILIPS~, _Koning van Spanje, Vorst der Nederlanden enz._
+
+In 1526 geb. ontving hij in 1555 de regering over deze landen uit handen
+van zijnen vader. Hoe hij ze liet besturen, hoe hij de hervorming
+tegenstond en door de wreedste vervolgingen de Nederlanders onderdrukte,
+is hier vóór en elders uitvoerig vermeld. In 1581 afgezworen, overleed
+hij in 1598 onder de smartelijkste gevolgen van zijn schandelijk leven.
+
+
+_Stadhouders._
+
+
+KAREL VAN BRIMEU, _Graaf van Megen_, (1568)
+
+was reeds sinds 1559 Stadhouder van Gelderland, toen hij in dit jaar ook
+als zoodanig over Friesland, Groningen, Overijssel en Lingen aangesteld
+werd. Vandaar, dat hij zich weinig met dit gewest bemoeide, ofschoon de
+harde maatregelen van Alva, de invoering van het Bisdom Leeuwarden, de
+watervloeden van 1570 env. hier grooten nood en veel onrust en beweging
+veroorzaakten. Hij overleed in 1572, en werd als Stadhouder over al de
+genoemde provinciën vervangen door
+
+
+GILLIS VAN BARLAYMONT, _Heer van Hierges_, (1572)
+
+onder wien de Geuzen zelfs Bolsward, Slooten, Dokkum, Sneek en Franeker
+innamen. Deze had echter toenmaals als Onder-Stadhouder een man als
+
+
+CASPAR DE ROBLES, _Heer van Billy_, (1572)
+
+die eerst als Kolonel der Spaansche benden en daarna (1573) als
+Stadhouder wel met kracht de belangen, des Konings voorstond, doch
+tevens na genoemde watervloeden blijken gaf van menschlievendheid en
+zorg tot herstel van de zeedijken, waartoe hij de onwilligen met
+geweldige middelen dwong, en dus later voor de ingevoerde verbeteringen
+grooten dank mogt behalen. Dit blijkt ook uit den Steenenman bij
+Harlingen, een gedenkteeken ter zijner eere gesticht. Ook heeft hij het
+Kolonelsdiep tusschen het Bergumermeer en Stroobos laten graven. In 1576
+is hij door zijn eigen krijgsvolk te Groningen gevangen genomen, en
+sneuvelde in 1585 bij het springen van de brug in het beleg van
+Antwerpen.
+
+ * * * * *
+
+Nadat Friesland en Groningen zich bij de Staatsgezinden gevoegd hadden,
+zond Prins Willem I als Stadhouder herwaarts:
+
+
+GEORG VAN LALAING, _Graaf van Rennenberg_; (1577)
+
+doch in 1580 bragt hij Groningen verraderlijk weder aan de Spaansche
+zijde.
+
+
+FRANÇOIS VERDUGO, _Heer van Schengen_, (1580)
+
+was de laatste Spaansche Stadhouder, die vooral Groningen bezet hield,
+dikwijls in Friesland viel en de pogingen der Friezen en Staatschen, om
+die stad te winnen, nog tot hare overgave in 1594 wist te verijdelen.
+
+
+
+
+VIERDE TIJDVAK.
+
+_Van de Hervorming tot de Staats-omwenteling._
+
+1580-1795.
+
+VI. DE SOUVEREINE STATEN VAN FRIESLAND EN HUNNE STADHOUDERS.
+
+
+~WILLEM~ I, _Prins van Oranje_, (1580)
+
+de grondlegger van den Nederlandschen Staat, noemde zich Gouverneur
+van Braband, Holland, Zeeland, West-Friesland en Utrecht, Luitenant
+en Stadhouder-Generaal van Prins Matthias en Gouverneur en
+Kapitein-Generaal over de Nederlanden, toen hij, na de afwerping van het
+Spaansche juk, ook door de Staten van Friesland tot Stadhouder en
+Gouverneur van dit gewest werd benoemd. Hij was geb. den 14 April 1533,
+en werd te Delft verraderlijk doorschoten den 10 Julij 1584. Hij had
+
+
+BERNARD VAN MERODE, _Heer van Rummen_, (1580)
+
+tot zijn Luitenant (plaatsvervanger) en Kapitein-Generaal in Friesland
+aangesteld. Deze edele en dappere voorstander van de vrijheid deed vele
+moeite, om in dien tijd van onrust en tweedragt de zaken des lands te
+regelen; doch ook wegens hoogen ouderdom was hij daartoe te zwak en
+verzocht drie jaren later zijn ontslag, waarna hij in 1591 overleed.
+
+
+WILLEM LODEWIJK, _Graaf van Nassau_, (1584)
+
+de oudste zoon van Prins Willem's broeder, Jan de Oude, geb. den 13
+Maart 1560, was in 1581 met krijgsvolk Friesland te hulp gekomen en in
+Dec. 1583 naauwelijks tot Luitenant in Merode's plaats verkozen, toen
+hij, ten gevolge van Prins Willem's dood, den 16 October 1584 door de
+Staten tot Stadhouder en Gouverneur van Friesland werd verkozen. Als
+Staatsman wist hij met voorzigtige wijsheid de belangen des lands te
+bevorderen en de twistende regeringsleden te bevredigen; als held heeft
+hij door het wederstaan van de Spanjaarden en het belegeren en winnen
+van Groningen, Koevorden, Steenwijk en omliggende sterkten veel
+toegebragt, om de rust en veiligheid der ingezetenen te verzekeren. In
+1587 huwde hij Prinses Anna, de dochter van zijn oom Prins Willem, die
+echter reeds in het volgende jaar stierf. Deze voortreffelijke
+Stadhouder, mede om zijne godsdienstige braafheid algemeen geacht en
+bemind, stierf den 31 Mei 1620, en werd plegtig begraven in 't Koor der
+Groote Kerk te Leeuwarden, waar de Staten eene marmeren Graftombe ter
+zijner eere lieten oprigten. Hij werd opgevolgd door zijnen jongeren
+broeder
+
+
+ERNST CASIMIR, _Graaf van Nassau_, (1620)
+
+geboren den 24 Dec. 1573 en in 1607 gehuwd met Sophia Hedwig Hertogin
+van Brunswijk, was Luit. Gouverneur van Gelderland, Zutphen en Utrecht
+en Veldmaarschalk van der Staten leger, toen hij den 3 Augustus 1620 tot
+Stadhouder van Friesland werd aangesteld. In staatszaken werden hem
+belangrijke zendingen opgedragen; in krijgsverrigtingen, veldslagen en
+belegeringen was hij beroemd wegens heldenmoed en beleid. In het beleg
+van Roermond liet hij het leven op den 2 Junij 1632. Hij had tot
+opvolger zijn oudsten zoon
+
+
+HENDRIK CASIMIR I, _Graaf van Nassau_, (1632)
+
+die, geboren in 1611, slechts 21 jaren bereikt had, toen hij den 14 Dec.
+1632 tot Stadhouder en Kapitein-Generaal van Friesland, gelijk daarna
+ook van Groningen en Drenthe aangesteld werd. Hoe jong ook nog, toonde
+hij in de binnenlandsche geschillen veel standvastigheid en beleid,
+doch, vooral op verschillende krijgstogten onder Frederik Hendrik, een
+heldenmoed, waardoor hij evenveel eer verwierf als hij door zijne
+vroomheid en deugden ieders hoogachting verdiende. Ten gevolge eener
+wonde, bekomen in de bestorming van eene schans nabij Hulst in
+Vlaanderen, stierf hij, algemeen betreurd, ongehuwd, den 13 Junij 1640.
+Zijn jongere broeder
+
+
+WILLEM FREDERIK, _Graaf_ en daarna _Vorst_ of _Prins van Nassau_, (1640)
+
+den 7 Augustus 1613 geboren, werd zijn opvolger, bij voorraad alleen als
+Stadhouder van Friesland, waartoe hij den 23 Julij 1640 werd verkozen;
+terwijl Groningen en Drenthe Prins Frederik Hendrik en daarna Prins
+Willem II aanstelden en eerst in 1650 hem als zoodanig verkozen. Hij
+vergezelde zijn broeder op vele veldtogten, en gaf daarbij blijken van
+ongemeenen moed en groote bekwaamheden in het krijgswezen. Vooral bij de
+belegering van Sas van Gent in 1644 gedroeg hij zich als een held.
+Willem II vertrouwde hem in 1647 den hagchelijken aanslag op Amsterdam
+toe. In 1652 trad hij in het huwelijk met Albertina Agnes, de dochter
+van Frederik Hendrik, die later, gedurende de minderjarigheid van haren
+zoon, met veel roem als Voogdes 's lands zaken behartigde. Door zijn
+braaf karakter en gematigd gedrag verwierf hij de genegenheid der Staten
+en des volks, waarvan hij vele bewijzen mogt ontvangen. In het laatste
+jaar zijns levens trok hij den Bisschop van Munster tegen en veroverde
+op hem de Dijlerschans. Hij stierf den 31 October 1664, nadat hij eenige
+dagen te voren zich zelven had gekwetst met een zadelpistool, hetwelk,
+eerst weigerende, bij het uittrekken van den stamper onverwacht
+losbrandde. Hij liet, nevens eene dochter, een zoon en opvolger na in
+
+
+HENDRIK CASIMIR II, _Prins van Nassau_, (1679)
+
+geboren den 18 Januarij 1657, in 1672 tot Stadhouder en
+Kapitein-Generaal en in 1675 tot Erfstadhouder, mede door Groningen en
+Drenthe, verkoren, aanvaardde hij in 1679 het bewind. De opvoeding van
+zijne voortreffelijke moeder, het onderwijs aan 's lands Akademie te
+Franeker (1671) en de opleiding en het voorbeeld van den Generaal van
+Aylva vormden hem als staatsman en krijgsheld. Nog slechts 17 jaren oud
+was hij in den slag van Senef (1674) onafscheidelijk aan de zijde van
+Prins Willem III, hoewel een val met zijn paard daar zijne gezondheid
+voor het leven knakte. In 1689 tot tweeden Veldmaarschalk benoemd,
+handhaafde hij in de veldslagen van Fleurus, Steenkerke en Neerwinden
+den roem van den Nassauschen naam. Deze edelmoedige en voortreffelijke
+Vorst stierf in 1696, algemeen betreurd. In 1683 was hij in den echt
+verbonden met Prinses Amalia van Anhalt-Dessau, welke hij zeven dochters
+naliet, behalve een zoon en opvolger
+
+
+JAN WILLEM FRISO, _Prins van Oranje en Nassau_. (1707)
+
+Kort was het leven, doch roemvol de loopbaan van dezen jeugdigen held,
+die het vaderland zooveel beloofde. Den 14 Augustus 1687 geboren en dus
+bij het overlijden zijns doorluchtigen vaders slechts acht jaren oud,
+vond hij een tweeden vader in Prins Willem III, die hem tevens tot
+erfgenaam van het Prinsdom Oranje en van zijne nalatenschap verklaarde.
+Het bewind werd intusschen door zijne moeder als Voogdes waargenomen,
+tot dat hij in 1707 het Stadhouderschap over Friesland en in 1708 over
+Groningen en Drenthe aanvaardde. Reeds had hij toen als vrijwilliger
+eenige togten in den Successie-oorlog mede gemaakt, doch geene
+gelegenheid gevonden om uit te munten. Nu tot Generaal verheven, toonde
+hij bij de belegering van onderscheidene sterke vestingen, doch vooral
+in de veldslagen bij Oudenaarden en Malplaquet, een beleid, eene
+onverschrokkenheid, een heldenmoed, welke het gansche vaderland
+verbaasden, en met vreugde deden zien, hoe roemrijk in den jeugdigen
+Frieschen telg der Nassausche Vorsten de dapperheid van den uitgestorven
+Oranjestam herleefde. Rouw, diepe rouw vervulde dus geheel Nederland en
+het leger der bondgenooten, toen deze held van zooveel verwachting--niet
+aan de spits zijner dapperen, maar op den 14 Julij 1711 bij het
+overvaren van het Hollandsche diep, in de golven den dood vond. Op dat
+oogenblik was er geene mannelijke spruit uit de huizen van Oranje en
+Nassau in Nederland meer over. Doch twee jaren te voren (26 Febr. 1709)
+was Prins Friso in het huwelijk getreden met de edele Prinses Maria
+Louisa van Hessen-Kassel, die, zes weken na het verliezen van haren diep
+betreurden gemaal, gelukkig van een zoon beviel, waarin de Vorstelijke
+stam tot heden bewaard bleef.
+
+
+WILLEM CAREL HENDRIK FRISO, _Prins van Oranje en Nassau_, (1731)
+
+werd op den 1 September 1711 te Leeuwarden geboren, en zag door zijne
+brave moeder en voortreffelijke leermeesters aan zijne opvoeding de
+meeste zorg besteed. Nadat die moeder het stadhouderlijk gezag gedurende
+twintig jaren als Voogdes had gevoerd, aanvaardde hij den 12 September
+1731 het Erf-stadhouderschap en trouwde den 25 Maart 1734 met Anna,
+Kroonprinses van Groot-Brittanje. Na in 1718 tot Stadhouder van
+Groningen en in 1722 van Drenthe en Gelderland verkozen te zijn, zag hij
+zich in 1747 door de volksstem eensklaps tot Erfstadhouder van al de
+overige provinciën uitgeroepen en als _Willem de vierde_ met
+waardigheden overladen. Onder het wigt van zooveel staatszorg, bij
+zooveel ijver om 's lands belang in alle opzigten te bevorderen, bezweek
+de edele Prins reeds den 22 October 1751. Den 4 Februarij 1752 werd zijn
+gebalsemd lijk te Delft bijgezet.
+
+
+WILLEM _de vijfde, Prins van Oranje en Nassau_, (1766)
+
+geboren te 's Gravenhage den 8 Maart 1748, aanvaardde het
+Stadhouderschap over al de gewesten den 8 Maart 1766 en werd den 4
+October 1767 in den echt verbonden met Frederika Sophia Wilhelmina,
+Prinses van Pruissen. Na, ten gevolge der hooggestegen staatsgeschillen,
+in 1787 door de Pruissische legermagt in zijn gezag hersteld te zijn,
+was hij, bij het aanrukken van de Franschen, den 20 Januarij 1795
+genoodzaakt, het vaderland te verlaten en de wijk te nemen naar
+Engeland. Hij overleed te Brunswijk in 1806.
+
+
+
+
+ZESDE TIJDVAK.
+
+_De Koninklijke Regering._
+
+1813-1851.
+
+
+WILLEM I, of WILLEM FREDERIK,
+
+_Prins van Oranje en Nassau enz._
+
+werd den 24 Augustus 1772 te 's Gravenhage geboren en huwde den 1
+October 1791 te Berlijn Frederika Louisa Wilhelmina, Prinses van
+Pruissen. Na zich in de krijgsdienst eervol te hebben onderscheiden, zag
+ook hij zich verpligt in 1795 te vlugten, en gedurende 18 jaren de smart
+der ballingschap te verduren. Des te verblijdender was in het laatst van
+1813 zijne terugroeping in het vaderland, dat, de Fransche
+overheersching moede, uitzag naar herstel en dat hem weldra als
+Souverein Vorst huldigde (30 Maart 1814). Door de vereeniging van ons
+land met België tot Koning der Nederlanden verheven en den 18 Maart 1815
+gehuldigd, was het Huis van Oranje in hem tot een vroeger nooit gekenden
+luister gestegen. Onbepaald vertrouwen en liefde ondersteunden gedurende
+vele jaren de pogingen, welke hij tot herstel en verheffing des
+vaderlands aanwendde. Schitterende blijken ontving hij daarvan van
+Noord-Nederland bij den opstand der Belgen in 1830. Te vergeefs trachtte
+hij die breuk te herstellen. Zware opofferingen had de natie daarvoor
+veil. Na op den 8 October 1840 afstand van de regering te hebben gedaan,
+overleed Koning Willem Frederik, Graaf van Nassau, den 12 December 1843
+te Berlijn, en werd den 2 Januarij 1844 plegtig te Delft bijgezet.
+
+
+WILLEM II, of WILLEM FREDERIK GEORGE LODEWIJK,
+
+_Prins van Oranje en Nassau enz._
+
+was geboren te 's Gravenhage den 6 December 1793, deelde de ballingschap
+met zijne ouders, doch vond eerlang in Engelsche dienst gelegenheid zich
+als krijgsman te onderscheiden. Daarvan gaf hij mede, na de herstelling
+des vaderlands, eervolle blijken in den slag van Waterloo, 1815, gelijk
+in 1831 in den tiendaagschen veldtogt. Den 21 Februarij 1816 gehuwd aan
+Anna Polowna, Grootvorstin van Rusland, werd hij den 28 November 1840
+plegtig als Koning gehuldigd. Nadat hij den 13 Maart 1848 het
+merkwaardig besluit nam tot herziening van de Grondwet, overleed hij
+reeds den 17 Maart 1849 te Tilburg. De plegtige begrafenis te Delft had
+op den 4 April plaats.
+
+
+WILLEM III, of WILLEM ALEXANDER PAUL FREDERIK LODEWIJK, _Prins van
+Oranje en Nassau enz._
+
+geboren te Brussel den 19 Februarij 1817 en den 19 Junij 1839 gehuwd met
+Sophia Frederika Mathilda, Prinses van Wurtemberg, volgde hem op, en
+werd op den 12 Mei 1849 te Amsterdam gehuldigd. Op den 19 April 1852
+deed hij zijne plegtige intrede in Friesland. Zijn oudste zoon, Prins
+Willem Nicolaas Alexander Frederik Karel Hendrik, geboren den 4
+September 1840, bezocht dit gewest in Julij 1851.
+
+
+_Gouverneurs._
+
+
+Jhr. I. ÆBINGA VAN HUMALDA,
+
+geboren te Leeuwarden den 12 September 1754, in 1780 Raad in den Hove en
+in 1791 Grietman van Hennaarderadeel, deelde van 1795 tot 1806 met het
+Huis van Oranje de ballingschap. Sedert 1811 Maire van de gemeente
+Wommels, werd hij den 6 April 1814 door den Souvereinen Vorst benoemd
+tot Gouverneur van Friesland. Ten jare 1826 eervol ontslagen en tot
+Staatsraad in buitengewone dienst benoemd, mogt hij tot den 19 Februarij
+1834 de vruchten van een welbesteed leven smaken. Op het kerkhof te
+Dronrijp werd hij begraven.
+
+
+JAN ADRIAAN _Baron_ VAN ZUIJLEN VAN NIJEVELT,
+
+geboren den 25 Augustus 1776 te Rotterdam, was Griffier der Staten van
+Holland, toen hij bij Kon. besluit van 3 November 1826 benoemd werd tot
+Gouverneur dezer provincie, welke waardigheid hij eervol bekleedde tot
+aan zijn dood op den 29 Maart 1840.
+
+
+MAURITS PICO DIDERIK _Baron_ VAN SYTZAMA,
+
+geboren den 2 Junij 1789, was Grietman van Idaarderadeel, Lid van de
+Staten en daarna van de Tweede Kamer der Staten Generaal en Staatsraad,
+toen hij den 12 October 1840 zijne benoeming ontving tot Gouverneur.
+Slechts bijna acht jaren behartigde hij in die betrekking de belangen
+dezer provincie, daar hij reeds den 15 Julij 1848 overleed en te Friens
+werd begraven.
+
+
+Jhr. Mr. JAN ERNST VAN PANHUIJS,
+
+geboren te Groningen den 12 Julij 1808, was van 1838 tot 1848 Lid van de
+Arrondissements Regtbank te Winschoten en sedert 1840 Lid van de Tweede
+Kamer der Staten Generaal, toen hij bij Kon. besluit van den 3 November
+1848 benoemd werd tot Gouverneur van dit gewest, dat thans zijn ijver en
+zorg voor deszelfs belang op hoogen prijs stelt.
+
+
+
+
+INHOUD EN VERDEELING.
+
+
+ Inleiding bl. 1.
+ Verdeeling en orde van behandeling 5.
+
+
+EERSTE TIJDVAK.
+
+~Het Oude Friesland.~
+
+_Van de vroegste tijden tot Keizer Karel den groote._
+
+Van het jaar 11 voor- tot omstreeks 800 na Chr.
+
+ 1. De Afkomst der Friezen, bl. 6.
+ 2. De omvang en toestand van het Oude Friesland 9.
+ 3. De Oude Friezen 12.
+ 4. Der Friezen verbond met- en opstand tegen de
+ Romeinen, 11 j. voor en 28 j. na Chr. 14.
+ 5. De Gevolgen van der Friezen verkeer met de Romeinen 17.
+ 6. Der Friezen Afgezanten te Rome, 59 19.
+ 7. Uitbreiding van Friesland, 240-455 20.
+ 8. Der Friezen togt naar Brittanië, 449 23.
+ 9. De strijd der Friezen tegen de Franken 25.
+ 10. De pogingen der Franken ter invoering van de
+ Christel. Godsdienst, 630-800 26.
+
+
+TWEEDE TIJDVAK.
+
+~Het Vrije Friesland.~
+
+_Van Keizer Karel den groote tot Hertog Albert van Saksen._
+
+Van omstreeks 800 tot 1498.
+
+ 11. De Friezen tijdens Karel den groote bl. 35.
+ 12. Invloed der Franken en der vestiging van het
+ Christendom 38.
+ 13. De invallen der Denen en Noormannen, 520-1010 43.
+ 14. Het Verbond der Zeven Vrije Friesche Zeelanden 49.
+ 15. Veranderingen in den toestand des bodems.
+ Watervloeden, de Zuiderzee, de Middelzee enz. 56.
+ 16. Der Friezen aandeel in de Kruistogten naar het
+ Heilige land, 1096-1270 65.
+ 17. Veranderingen in den toestand des volks, en de
+ vestiging van Gemeenten en Steden gedurende en na
+ de Kruistogten 75.
+ 18. De Friesche Geestelijkheid, Kerken en Kloosters in
+ de middeleeuwen 84.
+ 19. De Partijschappen tusschen de Schieringers en
+ Vetkoopers, 1300-1498 93.
+ 20. Aanvallen der Bisschoppen van Utrecht en der
+ Graven van Holland op der Friezen vrijheid 99.
+ 21. Oorzaken van het verlies der onafhankelijkheid 123.
+
+
+DERDE TIJDVAK.
+
+~Friesland bestuurd namens vreemde Vorsten.~
+
+_Van Albert van Saksen tot de Hervorming._
+
+1498-1580.
+
+ 22. Friesland onder het bestuur der Hertogen van
+ Saksen, 1498-1515 bl. 129.
+ 23. De Gelderschen in Friesland, 1514-1523 135.
+ 24. Krijgsbedrijven van Groote Pier, 1515-1520, 138.
+ 25. Frieslands voorspoed onder de regering der
+ Stadhouders van Keizer Karel V 147.
+ 26. Schets van den toestand van Friesland omstreeks
+ 1530 151.
+ 27. Schets van de zeden der Friezen omstreeks 1530 152.
+ 28. Merkwaardige Personen, uit het midden der 16e eeuw 155.
+ 29. De Regering van Koning Filips van Spanje, 1555-1580 160.
+ 30. Beginselen der Kerkhervorming; Geloofsvervolgingen;
+ de Doopsgezinden. 1520-1560 162.
+ 31. De Hervorming een tijdlang ingevoerd, maar weder
+ onderdrukt, 1566 174.
+ 32. Aandeel van den Frieschen Adel in het Verbond der
+ Nederlandsche Edelen, 1565 179.
+ 33. Herstelling van de Friesche Zeeweringen onder
+ Caspar de Robles, 1574 184.
+ 34. Strijd en Zegepraal der Vrijheid en der Hervorming,
+ 1568-1580 190.
+
+
+VIERDE TIJDVAK.
+
+~Friesland onder het bestuur der Staten en der Stadhouders uit het Huis
+van Nassau.~
+
+_Van de Hervorming tot de Staats-omwenteling._
+
+1580-1795.
+
+ 35. De vestiging van den nieuwen Staat, 1580-1648, bl. 197.
+ 36. De Regeringsvorm van Friesland, tijdens de
+ Republiek 222.
+ 37. Strijd tegen buitenlandsche gevaren bij
+ binnenlandsche welvaart, tusschen den Munsterschen
+ en Utrechtschen vrede, 1648-1713 245.
+ De Engelsche Oorlogen 247.
+ De Oorlogen met Frankrijk 264.
+ 38. Aanwas en Verbeteringen in den toestand van
+ Frieslands bodem. Waterstaat, Openbare werken,
+ Nijverheid enz. 309.
+ _a._ Aanwas. Bedijkingen 311.
+ _b._ Bedijkingen van Meren 319.
+ _c._ Polders 321.
+ _d._ Groote Veenkanalen, Ontginningen enz. 323.
+ _e._ Vergraving van de lage Veenen 330.
+ _f._ Nieuwe Vaarten en Wegen 332.
+ _g._ Landbouw, Handel, Scheepvaart en
+ Nijverheid 335.
+ 39. De Kerkelijke Belangen van Friesland 339.
+ _a._ De Hervormde Kerk 339.
+ _b._ De Doopsgezinden 360.
+ _c._ De Lutherschen 374.
+ _d._ De Roomsch Katholijk. 379.
+ _e._ De Joden 385.
+ 40. Frieslands Roem in Kunsten en Wetenschappen 387.
+ _a._ De Hoogeschool te Franeker 388.
+ _b._ Godgeleerden 393.
+ _c._ Regtsgeleerden 395.
+ _d._ Genees-, Heel- en Verloskundigen 397.
+ _e._ Wis- en Natuurkundig. 397.
+ _f._ Geschiedschrijvers 399.
+ _g._ Letterkundigen 400.
+ _h._ Dichters 401.
+ _i._ Schilders, Teekenaars en Graveurs 405.
+ 41. Vrede en Voorspoed verheffen--Zorgeloosheid en
+ Partijschappen ontbinden den Staat. Van den
+ Utrechtschen Vrede tot de Staats-omwenteling,
+ 1713-1795 407.
+
+
+VIJFDE TIJDVAK.
+
+~Friesland tijdens de volksregering en de Fransche overheersching.~
+
+_Van de Omwenteling tot de herstelling van Nederland._
+
+1795-1813.
+
+ 42. De Staats-omwenteling en hare gevolgen,
+ 1795-1798 bl. 427.
+ 43. De val der Republiek en vernietiging van ons
+ volksbestaan, 1799-1813 435.
+
+
+ZESDE TIJDVAK.
+
+~Het Nieuwe Friesland, onder de Koninklijke Regering.~
+
+_Van de herstelling van Nederland tot op de nieuwe regeling van het
+Gemeentewezen._
+
+1813-1851.
+
+ 44. Bevrijding en Vestiging van den Nederlandschen
+ Staat, 1813-1816 bl. 440.
+ 45. De jongste lotgevallen van Friesland, 1816-1851 443.
+ Besluit 447.
+
+
+
+
+AANTEEKENINGEN, OPHELDERINGEN EN BIJVOEGSELS.
+
+
+ 1. De Oude Toestand van Friesland bl. 451.
+ 2. Oudste Bronnen 452.
+ 3. Oude Handels-geschieden. 452.
+ 4. De Oude Grenzen van Friesland 453.
+ 5. De verovering van Brittannië 453.
+ 6. Der Friezen strijd tegen de Franken 454.
+ 7. Handels-verkeer 455.
+ 8. Aard der Friesche Vrijheid 455.
+ 9. Het Verbond der Zeeland. 457.
+ 10. Veranderde toestand des lands, Zuiderzee 457.
+ 11. De Friezen in de Kruistogten 458.
+ 12. De Schieringers en de Vetkoopers 458.
+ 13. De Aanvallen der Hollandsche Graven 460.
+ 14. De toestand van Friesland in de 15e eeuw 461.
+ 15. De Saksische Regering 462.
+ 16. Groote Pier 462.
+ 17. Worp van Thabor's Kronyk 463.
+ 18. Beroemde Friezen uit de 16e eeuw, 464.
+ 19. De Geschiedenis der Kerkhervorming 464.
+ 20. De Verbondene Edelen 465.
+ 21. De Friesche Staatstwisten 466.
+ 22. De Regeringsvorm 467.
+ 23. De Friesche Zeehelden 469.
+ 24. De Friezen aan den Rijn in 1672 472.
+ 25. De Burgerwapening in 1672 en 1673 473.
+ 26. De toestand der Kerk en des Volks 474.
+ 27. Besluit 475.
+
+
+
+
+BIJLAGEN.
+
+
+ I. Tijdrekenkundig Overzigt van de voornaamste
+ Gebeurtenissen der Friesche Geschiedenis 477.
+ II. Tijdrekenkundig Overzigt van de Friesche Vorsten,
+ Opperhoofden, Koningen, Stadhouders enz. van de
+ vroegste tijden tot 1851 486.
+ Inhoud en Verdeeling 501.
+ Alphabetisch Register 504.
+
+
+
+
+ALPHABETISCH REGISTER VAN DE VOORNAAMSTE GEBEURTENISSEN, ZAKEN EN
+PERSONEN.
+
+
+ A.
+ Aanwas van gronden, 311.
+ Achtkarspelen, 91, 330.
+ Adel (De Friesche), 65, 77, 97, 126, 155, 178, 465, 466.
+ Adgild I (Koning), 28, 489.
+ Adgild II (Koning), 30, 489.
+ Admiraliteit (De Friesche), 232, 248, 472.
+ Afkomst der Friezen, 6.
+ Aken door de Friezen gewonnen, 72.
+ Albertine Agnes (Prinses), 217, 263, 278, 299, 497.
+ Albert van Saksen (Hertog), 125, 129, 462, 492.
+ Albrecht van Beijeren (Togten van) naar Friesland, 111-121, 461.
+ Anna (Prinses), 409, 418, 494.
+ Appelschaster vaart en veenen, 326-29.
+ Aremberg (Graaf van), 177, 180, 190, 494.
+ Athenæum te Franeker, 443, 446.
+ Aylva (Hans Willem Baron van) Generaal, 258-297, 471, 472.
+ Aylva (Hobbe van), Generaal, 412.
+
+ B.
+ Baduhenna (het woud), 15, 452.
+ Bedijkingen. Zie Dijken.
+ Beeldenstorm (De), 175.
+ Bekker (Balthazar), 279, 351.
+ Beroemde Mannen, 157, 388, 464, 469.
+ Bevolking van Friesland, 468, 475.
+ Bildt (Het), 62, 132, 312.
+ Binckes (Jacob), zeeheld, 259, 296, 471.
+ Binckes (Jan), Kapitein, 472.
+ Bisdom (Het) Leeuwarden opgerigt, 175, 190.
+ Bisschoppen van Utrecht, 41, 49, 91, 99.
+ Blokzijl door de Friezen veroverd, 275.
+ Bolsward, 62, 80, 148, 191.
+ Bonifacius, Geloofsverkondiger, 31.
+ Bouma (Gellius Faber de), 165.
+ Bourgondische (De) Regering, 135-150, 493.
+ Boxumer-slag (De), 206.
+ Brittannië met hulp der Friezen veroverd, 23, 453.
+ Brunsveldt, (Hendrik), Kapitein, 253, 256, 470.
+
+ C.
+ Charterboek (Het Vriesch), 400, 467.
+ Christendom (Invoering van het), 26-42, 75, 84.
+ Coehoorn (Menno Baron van), 296, 297.
+ Compagnons-vaarten, 150, 324 env.
+
+ D.
+ Damiate door de Friezen veroverd, 67.
+ Dekama (Juw), Potestaat, 125, 491.
+ Denen en Noormannen, 43.
+ Dichters (Beroemde Friesche), 401.
+ Dokkum, 32, 35, 68, 79, 120, 148, 232, 248, 346.
+ Dokkumerdiep en Nieuwe Zijlen, 312.
+ Doopsgezinden (De), 167-174, 354, 360-373.
+ Dorestad, 29, 35.
+ Douwe Aukes, zeeheld, 250.
+ Dragten uitgebreid, 324.
+ Dijken, 18, 56, 61, 132, 184-189, 238, 311, 319.
+ Dijksgeregten, 238.
+
+ E.
+ Edelen (De Friesche Verbondene), 178, 465.
+ Eise Eisinga, 399, 425.
+ Engelsche Oorlogen, 247, 263, 266, 469.
+ Ernst Casimir (Graaf) van Nassau, 211, 496.
+
+ F.
+ Fabrijken en handwerken, 35, 338.
+ Feest (Het) der Een- en Ondeelbaarheid, 433.
+ Filips (Koning) van Spanje, 160, 174, 195, 494.
+ Flie (Het), 10, 58, 62.
+ Floreenschatting (Oorsprong der), 133.
+ Franeker, 80, 82, 131, 147, 177, 201, 338, 388, 398, 423, 473.
+ Franken (De), 21-41, 454.
+ Frankrijk (Oorlogen met), 264-308, 472, 473.
+ Franschen (Komst en bestuur der), 429-40.
+ Friso (De), heldendicht van van Haren, 8.
+ Friso (Prins), Stamvader, 8, 487.
+ Friso (Prins Jan Willem), 300-305, 497.
+
+ G.
+ Geestelijkheid (De Friesche), 84-93, 163, 194, 340.
+ Gelder (Hertog Karel van), 135.
+ Gemeentebesturen in Friesland, 81, 235, 435, 436, 441, 442, 447.
+ Genees-, Heel- en Verloskundigen (Beroemde Friesche), 397.
+ Generaliteit (Frieslands betrekking tot de), 230.
+ Genootschap (Het Friesch), 445.
+ Georg van Saksen (Hertog), 132, 492.
+ Geschiedschrijvers (Beroemde Friesche), 399.
+ Geuzen (De), 179, 414, 465.
+ Godgeleerden (Beroemde Friesche), 393.
+ Gorredijk aangelegd en versterkt, 273, 282, 326, 474.
+ Graven van Holland (Aanvallen der), 40, 49, 54, 99-122, 460.
+ Grenzen van Friesland, 9, 22, 50, 453.
+ Groningen, 50, 54, 99, 124, 127, 130, 135, 195, 208, 210, 274, 277.
+ Groote Pier, 138-146, 462.
+ Grovestins (Togt van Frederik), 307.
+ Gijsbert Jacobsz, 403.
+
+ H.
+ Handel, 17, 35, 76, 149, 151, 335, 452, 455.
+ Harens (De van), Staatsmannen en Dichters, 296, 396, 403, 410, 414,
+ 465.
+ Harlingen, 62, 80, 147, 187, 193, 194, 232, 248, 338.
+ Heerenveen, 150, 273, 275, 281, 294, 324, 474.
+ Hendrik Casimir I (Graaf), 213, 496.
+ Hendrik Casimir II (Prins), 280-299, 497.
+ Hendrik van Saksen (Hertog), 130, 492.
+ Hendrik van Stolberg (Graaf), 183, 493.
+ Herstelling van Nederland, 440.
+ Hervormde (De) Kerk, 175, 194, 219, 339-360, 361.
+ Hervorming (Doorbreken van de), 165, 176, 194, 339.
+ Hindeloopen, 62, 80, 115, 118, 143.
+ Hof van Friesland (Het), 132, 156, 192, 200, 227.
+ Hoogeschool te Franeker (De), 201, 205, 219, 233, 340, 353, 388, 438.
+ Humalda (Jhr. I. Æbinga van), Gouverneur, 442, 500.
+ Hunebedden, 7, 64.
+
+ J.
+ Joden (De), 385.
+ Juw Juwinga, Potestaat, 113, 491.
+
+ K.
+ Kadaster ingevoerd, 443.
+ Karel de groote, 33-41, 85, 456, 490.
+ Karel (Graaf) van Oostenrijk, 135-151, 160, 493.
+ Karel (Hertog) van Gelder, 135-145.
+ Keizers (De Duitsche), 33, 36, 42, 49, 54, 73, 83, 99, 104, 122, 124,
+ 125.
+ Kerkbestuur van Friesland, 240.
+ Kerkelijke belangen van Friesland, 339-386, 474.
+ Kerken (Stichting van), 84-93, 127.
+ Kerkhervorming (De), 162, 194.
+ Kinhem (De) of Reker, rivier, 9, 10, 32, 49.
+ Kloosters (Stichting van), 84-93, 194, 340.
+ Kollumer Oproer, 433.
+ Kollumerland aangewonnen, 314.
+ Kruistogten (De), 65, 75, 458.
+
+ L.
+ Labadisten (De) in Friesland, 352.
+ Lage Veenen vergraven, 330.
+ Landbouw, 13, 18, 34, 77, 88, 149, 151, 218, 335.
+ Langen (Otto van), Keizerlijk gezant, 125.
+ Leenstelsel, 36, 101, 119, 133.
+ Leeuwarden, 62, 79, 126, 130, 132, 137, 147, 175, 179, 190, 193, 194,
+ 199, 201, 271, 278, 234, 416, 429, 433, 441.
+ Lemmer (De), 334.
+ Letterkundigen (Beroemde Friesche), 400.
+ Lodewijk Napoleon, Koning van Holland, 436.
+ Lutherschen (De Evang.), 374.
+
+ M.
+ Mantels (Friesche), 36.
+ Maria Louisa (Prinses), 303, 306, 419.
+ Martena (Duco), 182, 191, 198.
+ Meren bedijkt, 319.
+ Merode (Bernard van), 199, 202, 495.
+ Middelzee (De), 10, 50, 58, 61.
+ Munster (Oorlog met den Bisschop van), 263-295.
+ Munstersche Vrede (De), 217, 245.
+
+ N.
+ Napoléon (Keizer), 436-39.
+ Nedergeregten, 235, 435.
+ Nieuwpoort (De Friezen in den slag van), 209.
+ Noormannen (Invallen der), 45.
+
+ O.
+ Omwenteling van 1795, 427.
+ Onderwijs. Zie Scholen.
+ Ontginningen, 150, 323, 335.
+ Oost-Friezen, 34, 51, 54, 135, 177.
+ Opstalsboom (De), 51.
+ Oranjewoud (Het), 424.
+
+ P.
+ Paalworm (De), 317, 408.
+ Panhuijs (Jhr. J. E. van), Gouverneur, 446, 500.
+ Pier (Groote), 138-146, 462.
+ Pieter van Leeuwarden, 140.
+ Polders aangelegd, 321, 337.
+ Potestaten, 82, 490.
+ Predikanten (Friesche), 204, 241, 279, 341.
+
+ Q.
+ Quota (Frieslands) in de Generaliteits lasten, 222, 231, 289.
+
+ R.
+ Radboud I (Koning), 28, 489.
+ Radboud II (Koning), 31, 489.
+ Regeringsvorm (Frieslands), 81, 222-244, 467.
+ Regtsgeleerden en Staatsmannen (Beroemde Friesche), 157, 296, 395.
+ Reker (De) of Kinhem, rivier, 9, 10, 32, 49.
+ Remonstranten in Friesland, 344, 346, 363.
+ Rennenberg (De Graaf van), 193, 198, 339, 495.
+ Robles (Caspar de), Stadhouder, 186-189, 192, 495.
+ Romeinen (De) in Friesland, 14.
+ Roomsch Katholijken (De), 379.
+ Roorda van Genum, 69.
+
+ S.
+ Saksers (De Oude), 22, 34, 46.
+ Saksische (De) Vorsten en Regering, 125-135, 462, 492.
+ Schansen opgeworpen, 201, 273, 282.
+ Scheepvaart der Friezen, 18, 23, 35, 45, 67, 76, 79, 110, 149, 335,
+ 468.
+ Schieringers en Vetkoopers (De partijschappen der), 93-99, 123-128,
+ 458.
+ Schilders, Teekenaars en Graveurs (Beroemde Friesche), 405.
+ Scholen, 38, 40, 156, 159, 204, 242, 351, 436, 475.
+ Schoterzijl, 114, 316.
+ Simons (Menno), 165, 167.
+ Sincfal (Het) of Zwin, 22.
+ Slaperdijken aangelegd, 317.
+ Slooten, 194, 198.
+ Sneek, 62, 80, 125, 136, 148, 177, 194, 287.
+ Staatstwisten, 204, 221, 260, 283-290, 415, 466.
+ Stadhouders (de Nassausche), 202, 215, 217, 225, 246.
+ Starter (Jan Janszoon), 402.
+ Staten (De Friesche), 180, 195, 199, 200, 222, 285, 424, 442.
+ Stavoren, 35, 37, 60, 63, 79, 105, 120, 193.
+ Steden (Ontstaan der), 77, 99.
+ Steden (Regeringsvorm der), 236, 261, 436, 441.
+ Stellingwerf (Auke), Lt.-Admiraal, 253, 254, 469.
+ Stellingwerven (De), 55.
+ Straatwegen aangelegd, 445.
+ Stijl (Oude en Nieuwe), 474.
+ Successie-Oorlog (Oostenrijksche), 410.
+ ---- (Spaansche), 301.
+ Synode (Invloed der Dordsche), 346, 354.
+ Sytzama (M. P. D. Baron van), Gouverneur, 446, 500.
+
+ T.
+ Taal (Friesche), 25, 403, 453.
+ Tentoonstelling van voorwerpen van Friesche Nijverheid, 446.
+ Terpen (De), 13, 64.
+ Thabor (Peter en Worp van), Kronykschrijvers, 145, 156, 159, 465.
+ Toestand (Oude) van Friesland, 9, 56, 451, 457.
+ Trekwegen aangelegd, 332.
+ Turfgraverijen, 150, 323-332, 336.
+
+ U.
+ Utrecht, 27, 35, 38.
+ Utrechtsche Vrede (De), 307.
+
+ V.
+ Vaarten en Kanalen, 17, 132, 150, 323, 332.
+ Veepesten, 336, 337, 408.
+ Vegilin (Philip Frederik en Johan), 322, 334.
+ Venema (Herman), Godgeleerde, 355, 357, 370.
+ Verstolk (J. G.), Prefekt, 438, 441.
+ Verveeningen, 88, 150, 152, 323, 330.
+ Voortbrengselen van Friesland, 17, 149, 151, 337, 468.
+ Vries (Tjerk Hiddes de), Luit. Admiraal, 254-258, 469.
+ Vrijheid (De Friesche), 36, 37, 42, 122, 126, 154, 180, 195, 422, 429,
+ 455.
+ Vijfdeelen (Der) zeedijken, 184.
+
+ W.
+ Wartena, 80.
+ Watervloeden, 11, 56, 165, 184, 263, 315, 443.
+ Wederdoopers (Munstersche), 165, 169.
+ Weerstallen of regtsplaatsen, 82.
+ Wegen (Nieuwe) aangelegd, 332-335, 445.
+ West-Friesland, 50, 54, 101, 103.
+ Wetten (Oude Friesche), 37, 53, 81, 91, 455.
+ Wierd (Groote), 139, 144.
+ Willebrord, Geloofsverkondiger, 28.
+ Willem I (Koning), 441, 443, 499.
+ Willem I (Prins) van Oranje, 183, 191, 194, 195, 199, 204, 495.
+ Willem II (Graaf), Roomsch Koning, 53, 72, 102, 460.
+ Willem II (Koning), 446, 499.
+ Willem III (Koning), 447, 500.
+ Willem IV (Graaf) valt Friesland aan, 108, 112.
+ Willem V (Prins), 419-27, 498.
+ Willem Frederik (Graaf), 216, 245-262, 497.
+ Willem Karel Hendrik Friso (Prins), 306, 409, 414-18, 498.
+ Willem Lodewijk (Graaf) van Nassau, 203-211, 343, 496.
+ Willem van Oostervants (Graaf) togten naar Friesland, 111 env.
+ Wis- en Natuurkundigen (Beroemde Friesche), 397.
+ Workum, 62, 80, 142.
+ Workumer-Nieuwland bedijkt, 314.
+ Wijk bij Duurstede, 29, 35.
+
+ IJ.
+ IJlst, 62, 80.
+
+ Z.
+ Zeden der Friezen, 13, 18, 39, 152, 260, 350, 475.
+ Zeedijken. Zie Dijken.
+ Zeehelden (Friesche), 250-259, 295, 469.
+ Zeelanden (Het verbond der Zeven), 49, 124, 457.
+ Zeemagt (Frieslands), 248-259, 472.
+ Ziekte (Heerschende) van 1826, 444.
+ Zuiderzee (De), 59, 105, 142, 457.
+ Zuijlen (J. A. Baron van) van Nijevelt, Gouverneur, 444, 500.
+ Zwarte Hoop (De), 137.
+ Zwin (Het) of Sincfal, 22.
+
+
+
+
+~VERBETERINGEN.~
+
+
+ Bl. 113, reg. 3 v. b. _staat_: schepen 400 _lees_: schepen en 400
+ " 159, " 5 " " (_Aanteekening_ 17.) " (_Aant._ 18.)
+ " 181, " 1 v. o. " _Aant._ 30. " (_Aant._ 20.)
+ " 232. Noot. Den 21 Mei 1790 is de _Quota_ van _Friesland_
+ gesteld op 9 Gld. 7 st. volgens ZILLESEN, _Wijsgeerig
+ onderzoek, wegens Neerlands opkomst, bloei
+ en welvaard enz._ Amst. 1796, bl. 304.
+ " 269, reg. 3 v. o. _staat_: gebeurtenie, _lees_: gebeurtenis,
+ " 304, " 8 " " In April " Den 26 Februarij
+ " 350, " 2 v. b. " goedsdienst " godsdienst
+ " 356, " 5 v. o. " was " wars
+ " 360, " 1 v. b. " onderlingen " onderling en
+ " 409, " 10 v. o. " _Engeland_, " _Groot-Brittanje_,
+
+
+
+
+GEDRUKT BIJ L. SCHIERBEEK, TE LEEUWARDEN.
+
+
+
+
+[Illustratie: _Libera Sacra Deo Geminoque Superba Leone_
+
+_Frisia Roma Tuum Fregit Iberque Iugum._]
+
+
+
+
+ +------------------------------------------------------------------+
+ | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER |
+ | |
+ | Zie ook de Opmerkingen aan het begin van deze tekst. |
+ | |
+ | De originele spelling is aangehouden; slechts enkele overduide- |
+ | lijke zetfouten zijn stilzwijgend gecorrigeerd. Belangrijker |
+ | veranderingen worden hieronder beschreven. Inconsistenties in |
+ | spelling zijn niet veranderd. |
+ | Uitzonderingen: |
+ | Twijfelachtige namen zijn geverifiëerd en eventueel |
+ | gecorrigeerd: Francois in François, Vervov in Vervou; Jaques is|
+ | de correcte spelling; de namen Andriaan en Kersvloed zijn niet |
+ | veranderd. (onleesbaar) K. Thoden van Velzen: waarschijnlijk |
+ | Sijo Kornelius Thoden van Velzen. Albrecht der Beherschte |
+ | veranderd in Albrecht der Beherzte. Georg van Lalain veranderd |
+ | in Georg van Lalaing. Sincval veranderd in Sincfal zoals meest |
+ | voorkomend in de tekst en op de kaart. |
+ | |
+ | Inconsistenties in lay-out en het gebruik van leestekens in het |
+ | originele werk zijn behouden, behalve zoals hieronder aangegeven.|
+ | Het gebruik van aanhalingstekens, (kleine) kapitalen, |
+ | schuingedrukte woorden e.d. is verschillend in de hoofdtekst, de |
+ | voetnoten en de aanhangsels, zoals in het originele werk. |
+ | Uitzondering: |
+ | Letters met accenten in namen zijn in het originele werk in |
+ | onderkast gedrukt, in deze tekst in klein kapitaal (LYCKLAMA À |
+ | NIJEHOLT in plaats van LYCKLAMA à NIJEHOLT). |
+ | Rangtelwoorden worden in het originele boek in de hoofdtekst |
+ | weergegeven met een superscript e (als in 2^e). Om de |
+ | leesbaarheid te verbeteren worden deze rangtelwoorden hier als |
+ | 2e weergegeven. Andere superscripts zijn wel behouden. |
+ | |
+ | De errata zijn al in de tekst gecorrigeerd, behalve voetnoot 176 |
+ | bij bladzijde 232. Het was niet duidelijk of dit een aanvulling |
+ | bij de bestaande voetnoot was of een correctie op de tekst van de|
+ | voetnoot (het laatste is het meest waarschijnlijk). |
+ | |
+ | In het originele werk komen de symbolen voor voetnoten in de |
+ | tekst niet altijd overeen met die bij de voetnoot zelf. In |
+ | dergelijke gevallen is de volgorde van de eigenlijke voetnoten |
+ | als bepalend genomen. |
+ | |
+ | In het originele werk worden koppeltekens ook gebruikt om te |
+ | verwijzen naar losse woorden, zoals in "verraden- en verkocht |
+ | had". Dergelijke koppeltekens zijn overgenomen uit het origineel.|
+ | |
+ | Pagina 96, "Saken van Staet en Oorlogh:" waarschijnlijk zijn de |
+ | aanduidingen voor de delen IV en V weggevallen. |
+ | |
+ | Voetnoot 56: de hierin aangekondigde lijst van kloosters is |
+ | blijkbaar toch niet in het boek terechtgekomen. |
+ | |
+ | Pagina 350 heeft in het originele werk twee voetnoottekens in de |
+ | tekst en maar één voetnoot. De voetnoot kan betekking hebben op |
+ | beide markeringen, en is daarom twee maal als voetnoot opgenomen |
+ | (voetnoten 294 en 295). |
+ | |
+ | Pagina 369 heeft een voetnoot, maar geen voetnootmarkering in de |
+ | tekst. Deze voetnootmarkering is aan het einde van de betreffende|
+ | alinea geplaatst (voetnoot 308). |
+ | |
+ | Pagina 481, 80-jarige oorlog: beginjaar veranderd van 1518 in |
+ | 1568. |
+ | |
+ | Index: enkele trefwoorden op juiste alfabetische volgorde gezet. |
+ | Verwijzing naar niet bestaande pagina 509 verwijderd. |
+ | |
+ +------------------------------------------------------------------+
+
+
+
+***END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK BEKNOPTE GESCHIEDENIS VAN
+FRIESLAND***
+
+
+******* This file should be named 36839-8.txt or 36839-8.zip *******
+
+
+This and all associated files of various formats will be found in:
+http://www.gutenberg.org/dirs/3/6/8/3/36839
+
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+http://www.gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at http://www.gutenberg.org/fundraising/pglaf.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at http://www.gutenberg.org/about/contact
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit http://www.gutenberg.org/fundraising/donate
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including checks, online payments and credit card donations.
+To donate, please visit:
+http://www.gutenberg.org/fundraising/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ http://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
+