summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/old
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to 'old')
-rw-r--r--old/35741-8.txt14366
-rw-r--r--old/35741-8.zipbin0 -> 251309 bytes
2 files changed, 14366 insertions, 0 deletions
diff --git a/old/35741-8.txt b/old/35741-8.txt
new file mode 100644
index 0000000..5ea4a54
--- /dev/null
+++ b/old/35741-8.txt
@@ -0,0 +1,14366 @@
+The Project Gutenberg EBook of Kunstenaarsleven te Parijs, by Henri Murger
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+Title: Kunstenaarsleven te Parijs
+ Roman uit het Bohème-leven
+
+Author: Henri Murger
+
+Editor: W. J. A. Roldanus Jr.
+
+Release Date: April 1, 2011 [EBook #35741]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO-8859-1
+
+*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK KUNSTENAARSLEVEN TE PARIJS ***
+
+
+
+
+Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
+Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project
+Gutenberg
+
+
+
+
+
+
+
+
+ KUNSTENAARSLEVEN TE PARIJS
+
+ Roman uit het Bohème-leven
+
+ Door
+
+ HENRI MURGER
+ Bewerkt door W. J. A. Roldanus Jr.
+
+
+
+ Uitgegeven door J. M. Meulenhoff
+ te Amsterdam op het Damrak 88
+
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK I.
+
+HOE DE VRIENDENKRING DER BOHÈME TOT STAND KWAM.
+
+
+Ziehier hoe het toeval, dat de ongeloovige sceptici den zaakwaarnemer
+van onzen Lieven Heer noemen, op een goeden dag de individuen met
+elkaar in aanraking bracht, die in hun broederlijke samenhoorigheid
+later den vriendenkring zouden vormen, samengesteld uit dat deel
+der Bohème, hetwelk de schrijver van dit boek getracht heeft aan het
+publiek te doen leeren kennen.
+
+Op een goeden morgen (het was 8 April) werd Alexandre Schaunard, die
+twee vrije kunsten, n. l. de schilderkunst en de muziek, beoefende,
+plotseling gewekt door het wijsje, dat een haan uit de buurt, dien
+hij als wekker gebruikte, hem toezong.
+
+"Allemachtig!" riep Schaunard uit, "mijn gevederde wekker loopt voor;
+het kan nog onmogelijk vandaag zijn."
+
+Terwijl hij dit zeide, sprong hij vlug uit een meubelstuk, dat hij
+na heel veel moeite en inspanning uitgedacht had, en dat 's nachts
+de rol van bed speelde--en niet om er wat van te zeggen, maar het
+speelde die vrij slecht--, terwijl het overdag die van alle andere
+meubels vervulde, welke ten gevolge van de strenge koude, die den
+vorigen winter geheerscht had, door afwezigheid schitterden: een
+soort Jan-draag-an-meubel dus, zooals men ziet.
+
+Om zich tegen den snijdenden kouden morgenwind te beschermen, schoot
+Schaunard inderhaast een rose zijden en met sterretjes en loovertjes
+bezaaiden rok aan, dien hij als kamerjapon gebruikte. Dit klatergoud
+was op een bal-masqué-nacht bij den artist achtergelaten door een
+Pierrette, die zoo dom geweest was zich te laten vangen door de
+bedriegelijke beloften van Schaunard, die, vermomd als markies de
+Mondor, in zijn zakken den verleidelijken klank had laten rinkelen
+van een dozijntje daalders, nagemaakt geld, uit een stuk metaal door
+een uitslagmachine gesneden, en uit de accessoires van een schouwburg
+geleend.
+
+Na zich in zijn kamertoilet gestoken te hebben, zette hij het raam en
+het luik open. Als een lichtpijl drong plotseling een zonnestraal in
+de kamer door, die hem dwong zijn oogen, welke nog vol slaap zaten,
+wijd open te doen; tegelijkertijd sloeg het op een kerktoren in de
+buurt vijf uur.
+
+"De ochtendstond in eigen persoon," mompelde Schaunard in zichzelf;
+"dat is prachtig. Maar," voegde hij eraan toe, een kalender, die aan
+den muur hing, raadplegende, "desniettemin is zij leelijk in de war. De
+aanwijzingen der wetenschap verzekeren, dat in dezen tijd van het jaar
+de zon eerst om half zes moet opgaan; het is pas vijf en nu is zij
+al op. Een misdadige ijver! dat hemellichaam is heelemaal van streek;
+ik zal een klacht indienen bij de sterrewacht. Intusschen," voegde hij
+eraan toe, "zou ik me toch eigenlijk een beetje ongerust moeten gaan
+maken; het is vandaag de dag, volgende op dien van gisteren, en daar
+het gisteren de 7de was, moet het, tenzij Saturnus achterwaarts loopt,
+vandaag de 8ste April zijn; en indien ik de woorden van dit geschrift
+gelooven mag," zeide Schaunard, terwijl hij een deurwaardersexploot,
+dat hij aan den muur geplakt had, ging lezen, "moet ik vandaag om
+twaalf uur precies deze vertrekken verlaten en mijnheer Bernard, mijn
+huisbaas, een som van vijf-en-twintig francs ter hand gesteld hebben
+voor drie vervallen termijnen huur, die hij in een zeer slecht schrift
+van mij opeischt. Zooals altijd had ik hoop gehad, dat het toeval er
+zich mede zou belasten deze zaak in het reine te brengen; maar het
+begint erop te lijken, dat het er geen tijd voor gehad heeft. Enfin,
+ik heb nog zes uur voor me; wie weet, wanneer ik ze goed gebruik
+.... Vooruit .... vooruit, op weg," voegde Schaunard eraan toe.
+
+Hij maakte aanstalten, om een overjas, waarvan de oorspronkelijk
+langharige stof door een algemeene kaalheid was aangetast, aan te
+trekken, toen hij plotseling als bezeten in zijn kamer een door hem
+gecomponeerde balletdans begon uit te voeren, die hem op de publieke
+bals meermalen de eer verschaft had kennis te maken met de politie.
+
+"Kijk, kijk!" riep hij uit, "het is verwonderlijk, zooals de
+morgenlucht je op idées brengt; het is net, alsof ik mijn wijsje op
+het spoor ben. Even probeeren ...."
+
+En, half naakt, ging hij voor zijn piano zitten en begon, na het
+ingeslapen instrument door een stormachtigen accoordaanslag te hebben
+gewekt, op het klavier den melodischen zin, dien hij reeds sedert
+zoo langen tijd zocht, te vervolgen.
+
+"Do, sol, mi, do, la, si, do, ré, boem, boem. Fa, ré, mi, ré. Nee,
+aïe! die ré is zoo valsch als Judas," riep Schaunard uit en sloeg
+daarbij zoo hard als hij kon op de noot met den twijfelachtigen
+klank. "Laten wij den mineur eens probeeren .... Die moet het verdriet
+schilderen van een jong meisje, dat een witte margeriet in een blauw
+meer ontbladert. Het is niet wat je een bepaald nieuw denkbeeld
+noemt. Enfin, het is nu eenmaal de mode, en daar je niet makkelijk
+een uitgever zoudt vinden, die een romance durft uitgeven, waarin
+geen blauw meer voorkomt, moet ik me er wel in schikken .... Do,
+sol, mi, do, la, si, do, ré; dat klinkt zoo kwaad niet, het geeft
+vrijwel een denkbeeld van een madeliefje, vooral aan menschen,
+die sterk zijn in botanie. La, si, do, ré, verdomde ré, loop naar
+den bliksem! Om een goed denkbeeld te geven van het blauwe meer,
+zou ik nu iets vochtigs, hemelsblauws, iets heldere-maanachtigs
+(want de maan is ook van de partij) noodig hebben; maar laat ik
+oppassen, dat ik de zwaan niet vergeet .... Fa, mi, la, sol," ging
+Schaunard voort, terwijl hij de heldere noten van de hooge octaven
+liet klinken. "Rest nu nog het afscheid van het jonge meisje, dat
+besluit zich in het blauwe meer te storten, om zich weer met haar
+onder de sneeuw begraven geliefde te vereenigen. Die ontknooping is
+niet duidelijk," mompelde Schaunard, "maar zij is interessant. Daar
+moet ik iets teers, iets melancholieks voor hebben; daar is het al,
+daar is het al, dat zijn een twaalf maten, die weenen als Magdalena's,
+het snijdt je door je hart! Brr! Brr!" zeide Schaunard, rillend in
+zijn met sterren bezaaiden rok, "als het ook maar hout sneed! Er ligt
+in mijn alkoof een balk, die me leelijk hindert, wanneer ik menschen
+.... te dineeren heb; ik zal er een beetje vuur mede aanleggen .... la,
+la .... ré, mi .... want ik voel, dat de inspiratie tegelijk met een
+verkoudheid tot mij komt .... Enfin, ook al zoo erg niet! Laat ik
+het jonge meisje verder verdrinken!"
+
+En terwijl zijn vingers het trillende klavier pijnigden, vervolgde
+Schaunard met vlammend oog en gespannen oor zijn melodie, die, als
+een ongrijpbare sylphide, zweefde midden in de klankrijke mist, welke
+de trillingen van het instrument in de kamer schenen te doen oprijzen.
+
+"En laten we nu eens zien," ging Schaunard voort, "hoe mijn muziek
+zich aanpast bij de woorden van mijn dichter."
+
+En hij neuriede met een onaangenaam stemgeluid dit fragment van poëzie,
+die speciaal gebruikt wordt voor opéras comiques en ulevelrijmpjes:
+
+
+ La blonde jeune fille,
+ Vers le ciel étoilé,
+ En ôtant sa mantille,
+ Jette un regard voilé,
+ Et dans l'onde azurée
+ Du lac aux flots d'argent ...
+ . . . . . . . .
+
+
+"Lieve Hemel!" riep Schaunard in een gerechtvaardigde verontwaardiging
+uit, "de hemelsblauwe golf van een zilver meer, dat had ik nog
+niet opgemerkt, dat is ten slotte te romantisch, die dichter is een
+idioot, hij heeft nog nooit zilver of een meer gezien. Zijn ballade
+is bovendien onzin; de caesuur der verzen staat mijn melodie in den
+weg; in het vervolg zal ik mijn teksten zelf dichten, en niet later
+dan op dit oogenblik begin ik er mee; daar ik mij in vorm gevoel,
+zal ik een kleine schets van coupletten maken, om er mijn melodie
+bij aan te passen."
+
+En Schaunard nam, zijn hoofd tusschen zijn beide handen begravende,
+de houding aan van een sterveling, die betrekkingen met de Muzen
+onderhoudt.
+
+Na verloop van eenige minuten van dit heilige huwlijk bracht hij een
+van die gedrochtelijkheden ter wereld, welke de schrijvers van libretti
+terecht monsters noemen en die zij vrij makkelijk improviseeren om
+als voorloopige schets voor de inspiratie van den componist te dienen.
+
+Doch het monster van Schaunard had beteekenis en zin; het drukte vrij
+duidelijk de ongerustheid uit, welke in zijn geest gewekt werd door
+de brutale komst van dezen datum: den achtsten April.
+
+Ziehier het couplet:
+
+
+ Huit et huit font seize,
+ J'pose six et retiens un.
+ Je serais bien aise
+ De trouver quelqu'un
+
+ De pauvre et d'honnête
+ Qui m' prête huit cents francs,
+ Pour payer mes dettes
+ Quand j'aurai le temps.
+
+ Refrein.
+
+ Et quand sonnerait au cadran suprême
+ Midi moins un quart.
+ Avec probité je paîrais mon terme (ter.)
+ A monsieur Bernard.
+
+
+"Duivels," zeide Schaunard, toen hij zijn gedicht herlas, "terme en
+suprême zijn nu niet bepaald millionairsrijmen, maar ik heb geen tijd
+om ze rijk te maken. Laten we nu eens zien hoe de noten zich paren
+met de lettergrepen."
+
+En met het hem eigen vreeselijk neusgeluid begon hij opnieuw zijn
+romance uit te voeren. Ongetwijfeld voldaan over het resultaat,
+dat hij verkregen had, wenschte Schaunard zichzelf geluk met een
+jubelenden grijns, die, gelijk aan een accent circonflexe, zich telkens
+wanneer hij tevreden over zichzelf was, schrijlings op zijn neus
+vertoonde. Doch die trotsche gelukzaligheid was niet van langen duur.
+
+Het sloeg op den dichtstbijzijnden toren elf uur; iedere slag drong
+in de kamer door en loste zich op in spottende klanken, die tot den
+ongelukkigen Schaunard schenen te zeggen: "Ben je gereed?"
+
+De artist sprong op een stoel.
+
+"De tijd loopt als een hert," zeide hij .... "ik heb nog maar drie
+kwartier om mijn vijf-en-zeventig francs en mijn nieuwe woning te
+vinden. Ik kom er nooit mee klaar, dat zou tot het domein der tooverij
+gaan behooren. Welnu, ik geef me vijf minuten om het te vinden";
+en zijn hoofd tusschen zijn knieën verbergend, daalde hij af in de
+afgronden der overpeinzing.
+
+Toen de vijf minuten om waren, richtte Schaunard zijn hoofd weer op,
+zonder iets gevonden te hebben, dat op vijf-en-zeventig francs geleek.
+
+"Er blijft nog slechts één manier over, om van hier weg te komen,
+en die is, om heel gewoontjes weg te gaan; het is mooi weer, mijn
+vriend het toeval wandelt misschien wel in het zonnetje. Hij moet
+me maar gastvrijheid verleenen, totdat ik het middel gevonden heb,
+om mijn zaken met mijnheer Bernard af te wikkelen."
+
+Nadat Schaunard de zakken van zijn overjas, die diep waren als kelders,
+had volgepropt met al de voorwerpen, die zij konden bevatten, knoopte
+hij in een das enkele stukken linnengoed en verliet daarop, niet zonder
+met enkele woorden zijn domicilie te hebben vaarwel gezegd, zijn kamer.
+
+Toen hij de binnenplaats overstak, hield de concierge van het huis,
+die blijkbaar op hem wachtte, hem plotseling staande.
+
+"Hé, mijnheer Schaunard!" riep hij hem toe, terwijl hij den artist
+belette verder te gaan; "u bent toch niet vergeten, dat het vandaag
+de 8ste is."
+
+
+ "Huit et huit font seize.
+ J'pose six et retiens un,"
+
+
+neuriede Schaunard; "ik denk nergens anders aan."
+
+"U bent wel wat laat met uw verhuizing," zeide de portier; "het is
+half twaalf, en de nieuwe huurder, die uw kamer gehuurd heeft, kan
+ieder oogenblik komen. U moet probeeren wat haast te maken!"
+
+"Maar dan moet u mij doorlaten," antwoordde Schaunard; "ik wou juist
+een verhuiswagen halen."
+
+"Dat is prachtig; maar vòòr u verhuist, moet er nog een kleine
+formaliteit vervuld worden. Ik heb order, dat u geen haar moogt
+meenemen, voordat u de drie vervallen termijnen betaald hebt. Daartoe
+zult u waarschijnlijk wel in staat zijn."
+
+"Voor den donder," zeide Schaunard, die een pas voorwaarts deed.
+
+"Kom dan even bij me in mijn loge, dan zal ik u uw quitantie geven."
+
+"Ik zal ze, als ik terugkom, wel meenemen."
+
+"Maar waarom niet dadelijk?" drong de concierge aan.
+
+"Ik moet geld wisselen .... Ik heb geen kleingeld."
+
+"Zoo, zoo!" zeide de andere ongerust, "gaat u geld wisselen? Om het u
+makkelijk te maken, zal ik zoolang het pakje, dat u onder uw arm hebt,
+en dat u zou kunnen hinderen, bewaren."
+
+"Mijnheer de concierge," zeide Schaunard in het volle besef van zijn
+waardigheid; "wantrouwt u mij bij geval ook? Denkt u, dat ik mijn
+meubels in een zakdoek meeneem?"
+
+"Neem me niet kwalijk, mijnheer," antwoordde de concierge, die een
+toontje lager begon te zingen, "dat is mijn consigne. Mijnheer Bernard
+heeft mij uitdrukkelijk bevolen u geen haar te laten medenemen,
+voor u betaald hebt."
+
+"Maar kijk dan," zeide Schaunard, terwijl hij het pakje open maakte,
+"dat zijn geen haren, maar hemden, die ik naar de waschvrouw breng,
+die naast den geldwisselaar, twintig pas hiervandaan, woont."
+
+"Dat is wat anders," merkte de concierge, na den inhoud van het pakje
+onderzocht te hebben, op. "Maar zonder indiscreet te willen zijn,
+mijnheer Schaunard, zou ik ook uw nieuwe adres mogen weten?"
+
+"Ik ga in de rue de Rivoli wonen," antwoordde koeltjes de artist,
+die, nu hij eenmaal in de straat was, zich zoo gauw mogelijk uit de
+voeten maakte.
+
+"Rue de Rivoli," mompelde de concierge in zichzelf, terwijl hij met
+zijn vingers in zijn neus pulkte, "het is wel een beetje vreemd, dat
+ze hem in de rue de Rivoli kamers verhuurd hebben en hier heelemaal
+geen informaties naar hem zijn komen nemen; het is wel een beetje
+vreemd. Enfin, zonder betalen krijgt hij zijn meubels niet mede. Als
+de nieuwe huurder nou maar niet net komt als Schaunard bezig is zijn
+boeltje weg te halen. Dat zou me op de trap een herrie geven! Lieve
+Hemel," zeide hij plotseling, terwijl hij zijn hoofd door het
+schuifraampje stak, "daar heb je hem net."
+
+Gevolgd door een pakjesdrager, die nu niet bepaald onder zijn last
+scheen te bezwijken, kwam op dat oogenblik een jonge man met een
+witten Louis XIII hoed op, de vestibule binnen.
+
+"Mijnheer," vroeg hij den concierge, die hem tegemoet ging, "is mijn
+appartement vrij?"
+
+"Nog niet, mijnheer, maar het zal niet lang meer duren. De
+tegenwoordige huurder is een verhuiswagen gaan halen. Misschien wil
+mijnheer zijn meubels zoo lang op de binnenplaats zetten."
+
+"Ik ben bang, dat het zal gaan regenen," antwoordde de jonge man,
+terwijl hij kalm op een bouquetje viooltjes, dat hij tusschen zijn
+tanden hield, kauwde, "en dan zouden mijn meubelen bederven. Vriendje,"
+voegde hij eraan toe, terwijl hij zich wendde tot den witkiel,
+die achter hem was blijven staan en aan zijn draagzeel een aantal
+voorwerpen had hangen, waarvan de concierge niet precies begrijpen
+kon, wat het waren, "zet dat maar neer in de vestibule en ga dan
+op mijn vroegere kamers halen wat er nog aan kostbare meubels en
+kunstvoorwerpen over is."
+
+De witkiel zette langs den muur verschillende houten lijsten neer
+van zes à zeven voet hoog, waarvan de bladen gemakkelijk heen en weer
+konden gaan.
+
+"Kijk!" zeide de jonge man tegen den witkiel, terwijl hij een der
+deksels opende en hem op een scheur in het linnen wees, "daar heb je
+al een ongeluk. Er zit een stervormige barst in mijn Venetiaanschen
+spiegel. Wees op je tweeden tocht voorzichtiger en let vooral goed
+op mijn bibliotheek."
+
+"Wat bedoelt hij toch met zijn Venetiaanschen spiegel?" bromde de
+concierge, die ongerust om de langs den muur geplaatste houten ramen
+dwaalde, in zichzelf; "ik zie geen spiegel; maar dat is zeker een
+grap, ik zie niets, dan een kamerschut; enfin we zullen wel eens
+kijken wat er met de tweede reis mee komt."
+
+"Zou uw huurder niet gauw de kamers leeg maken? Het is half een,
+en ik zou wel willen beginnen met inruimen," zeide de jonge man.
+
+"Hij zal nu wel dadelijk hier zijn," antwoordde de concierge;
+"trouwens, zoo heel erg is het niet, want uw meubels zijn toch nog
+niet hier," voegde hij eraan toe, nadruk leggend op de laatste woorden.
+
+De jonge man wilde antwoorden, toen juist een dragonder-ordonnance
+de binnenplaats opkwam.
+
+"Woont mijnheer Bernard hier?" vroeg hij, terwijl hij een brief uit
+zijn portefeuille haalde.
+
+"Die woont hier," antwoordde de concierge.
+
+"Hier is een brief voor hem," zeide de ordonnance, "geef mij het reçu
+ervoor;" en hij overhandigde den concierge een reçu, dat deze in zijn
+loge ging teekenen.
+
+"Neem me niet kwalijk, dat ik u even alleen laat," zeide de concierge
+tot den jongen man, die ongeduldig op de binnenplaats heen en weer
+liep, "maar ik heb hier een brief van den minister voor mijnheer
+Bernard, den huisheer, dien moet ik even boven brengen."
+
+Toen de concierge op zijn kamer kwam, was mijnheer Bernard bezig zich
+te scheren.
+
+"Wat wil je van me, Durand?"
+
+"Mijnheer," antwoordde deze, zijn pet afnemend, "een ordonnance is
+dat voor u komen brengen, het komt van den minister."
+
+En hij gaf mijnheer Bernard den brief, op welks enveloppe het zegel
+van het departement van Oorlog geplakt was.
+
+"Goede God!" zeide mijnheer Bernard, zòò ontdaan, dat hij zich bijna
+in zijn gezicht sneed: "van het ministerie van Oorlog! Dat is zeker
+mijn benoeming tot ridder van het Legioen van Eer, waarom ik reeds
+zoo lang gevraagd heb; eindelijk laten zij mijn verdiensten recht
+wedervaren. Hier, Durand," zeide hij, terwijl hij in zijn vestjeszakje
+zocht, "daar heb je vijf francs om op mijn gezondheid te drinken. Ach,
+ik heb mijn beurs niet in mijn zak; ik zal ze je dadelijk geven,
+wacht maar even."
+
+De concierge was door dezen aanval van verpletterende edelmoedigheid,
+waaraan zijn huisheer hem niet gewend had, zòò ontdaan, dat hij zijn
+pet weer opzette.
+
+Maar mijnheer Bernard, die bij andere gelegenheden dien inbreuk op
+de wetten der maatschappelijke hiërarchie niet geduld zou hebben,
+scheen het niet op te merken. Hij zette zijn bril op, scheurde de
+enveloppe open met de eerbiedige ontroering van een vizier, die een
+firman van den sultan ontvangt, en begon den inhoud te lezen. Bij
+de eerste regels groefde een vreeselijke grijns karmijnroode plooien
+in het vet van zijn wangen, en begonnen zijn kleine oogjes vonken te
+schieten, die bijna de lokken van zijn verwarde pruik in brand staken.
+
+In het kort zijn trekken veranderden plotseling zòò, dat men vermoed
+zou hebben, dat er op zijn gezicht een aardbeving had plaats gehad.
+
+Ziehier den inhoud der missive, geschreven op papier met het hoofd
+van het ministerie van Oorlog en met lossen teugel gebracht door
+een ordonnance:
+
+
+ "Mijnheer en huisheer,
+
+ De beleefdheid, die, mag men de mythologie gelooven, de grootmoeder
+ der hoofsche manieren is, verplicht mij u te doen weten, dat ik
+ mij in de wreede noodzakelijkheid bevind niet te kunnen voldoen
+ aan de gewoonte om zijn huur te betalen, vooral wanneer men
+ die schuldig is. Tot op dezen ochtend had ik de hoop gekoesterd,
+ dezen schoonen dag te kunnen vieren door uw drie huurquitanties te
+ voldoen. Chimère, illusie! Terwijl ik op het kussen der zekerheid
+ sluimerde, deed het ongeluk, anangke in het Grieksch, mijn hoop
+ in rook vervliegen. De gelden, waarop ik rekende--God, wat gaat
+ de handel slecht--zijn niet binnengekomen; van de belangrijke
+ sommen, die ik moet innen, heb ik nog slechts drie francs
+ ontvangen, die ik bovendien nog geleend heb; ik durf ze u niet
+ aanbieden. Betere dagen zullen aanbreken voor ons schoon Frankrijk
+ en voor mij, mijnheer, twijfel daar niet aan. Zoodra zij aan den
+ hemel geschitterd hebben, zal ik vleugels nemen, om u daarvan te
+ onderrichten en uit uw huis terug te halen de kostbare zaken, die
+ ik daar heb achtergelaten en die ik onder de bescherming stel van
+ u en van de wet, welke u verbiedt deze vòòr het verstrijken van
+ een jaar, te verkoopen in het geval, dat gij zulks zoudt willen
+ beproeven, om in het bezit te komen van de sommen, waarvoor gij
+ gecrediteerd zijt op de boeken van mijn rechtschapenheid. Ik beveel
+ u in het bijzonder mijn piano aan en den grooten lijst, waarin zich
+ zestig haarlokken bevinden, wier verschillende kleuren de geheele
+ gamma der haarnuances doorloopen en die door het ontleedmes der
+ Liefde ontnomen zijn aan het voorhoofd der Gratiën.
+
+ "Gij kunt dus, mijnheer en huisheer, over het plafond, waaronder
+ ik gewoond heb, beschikken. Ik geef u daartoe mijn toestemming,
+ gewaarmerkt door mijn onderteekening.
+
+ Alexandre Schaunard."
+
+
+Toen mijnheer Bernard dezen brief, welken de artist in het bureau van
+een zijner vrienden, die ambtenaar aan het ministerie van Oorlog was,
+had geschreven, ten einde gelezen had, frommelde hij hem verontwaardigd
+in elkaar; en toen zijn blik op vader Durand viel, die op de beloofde
+fooi stond te wachten, vroeg hij hem ruw wat hij daar deed.
+
+"Ik wacht, mijnheer!"
+
+"Waarop?"
+
+"Wel, op het fooitje, dat mijnheer .... van wegens de goede
+tijding!" stamelde de concierge.
+
+"Eruit! Kerel, blijf je met je pet op je kop in de kamer staan?"
+
+"Maar, mijnheer ...."
+
+"Vooruit, geen maren, eruit, of neen, wacht even. Wij zullen naar
+de kamer van dien smeerlap-artist gaan, die verhuist zonder me te
+betalen."
+
+"Wat?" riep de portier uit, "mijnheer Schaunard?"
+
+"Ja," antwoordde de huisheer, die hoe langer hoe meer op een razenden
+Roland begon te gelijken. "En als hij ook maar het geringste heeft
+meegenomen, dan jaag ik je weg, versta je, jaaààg ik je weg."
+
+"Maar dat bestaat niet!" mompelde de arme concierge, "mijnheer
+Schaunard is niet vertrokken; hij is uitgegaan, om klein geld te
+halen, om mijnheer te betalen, en om een verhuiswagen voor zijn
+meubels te bestellen."
+
+"Zijn meubels weghalen!" riep mijnheer Bernard uit; "gauw wat;
+ik ben er zeker van, dat hij daarmede bezig is; hij heeft je een
+loer gedraaid om je uit je loge te lokken en zijn slag te slaan,
+stommeling, die je bent!"
+
+"Lieve Hemel, stommeling, die ik ben!" riep vader Durand uit, bevend
+voor de Olympische toorn van zijn heer, die hem op de trap meesleepte.
+
+Toen zij op de binnenplaats kwamen, werd de concierge aangesproken
+door den jongen man met den witten hoed.
+
+"Hé daar, conciërge!" riep hij, "wanneer word ik nu eindelijk in
+het bezit van mijn appartementen gesteld? Is het vandaag de 8ste of
+niet? Heb ik hier gehuurd of niet? Heb ik je je Godspenning gegeven
+of niet?"
+
+"Een oogenblik, mijnheer, een oogenblik!" zeide de huisheer, "dan ben
+ik tot uw dienst. Durand," voegde hij eraan toe, zich tot den concierge
+wendende, "ik zal mijnheer zelf wel te woord staan. Vlieg jij naar
+boven, die smeerlap van een Schaunard is natuurlijk teruggekomen,
+om zijn boeltje te pakken; sluit hem op, als je hem snapt, en kom
+dan naar beneden, om de politie te halen."
+
+Vader Durand verdween de trap op.
+
+"Pardon, mijnheer," zeide hij, terwijl hij een buiging maakte, tot
+den jongen man, met wien hij alleen gebleven was; "met wien heb ik
+de eer te spreken?"
+
+"Mijnheer, ik ben uw nieuwe huurder; ik heb in dit huis een kamer op
+de zesde verdieping gehuurd; en het begint me te vervelen, dat die
+kamer nu nog niet leeg is."
+
+"Het spijt mij ook zeer, mijnheer," antwoordde mijnheer Bernard,
+"maar er is een moeilijkheid ontstaan tusschen mij en den huurder,
+voor wien u in de plaats komt."
+
+"Mijnheer, mijnheer!" gilde uit een raam van de hoogste verdieping
+vader Durand; "mijnheer Schaunard is er niet....maar de kamer
+is er.... Stommeling, die ik ben, ik bedoel, dat hij niets heeft
+medegenomen, geen haar, mijnheer."
+
+"Dan is het goed. Kom naar beneden," antwoordde mijnheer Bernard. "Een
+oogenblikje geduld, als het u blieft," ging hij voort, zich tot den
+jongen man richtend. "Mijn concierge zal de voorwerpen, die de kamer
+van mijn insolvabelen huurder versieren, naar den kelder brengen,
+en binnen een half uur zult u de appartementen kunnen betrekken;
+trouwens uw meubels zijn er ook nog niet."
+
+"Pardon, mijnheer," antwoordde de jonge man kalm.
+
+Mijnheer Bernard keek om zich heen, doch zag slechts de groote
+kamerschutten, waarover de concierge ook al zijn hoofd geschud had.
+
+"Wat, pardon .... wat ...." mompelde hij, "maar ik zie niets."
+
+"Daar," antwoordde de jonge man, terwijl hij de bladen der lijsten
+losmaakte en den verbaasden eigenaar een prachtig paleis-intérieur met
+colonnes van jaspis, bas-reliefs en schilderijen van groote meesters
+liet zien.
+
+"Maar uw meubels?" vroeg mijnheer Bernard.
+
+"Daar zijn ze," antwoordde de jonge man, terwijl hij op het luxueuze
+meubilair wees, dat geschilderd was in het paleis, hetwelk hij
+pas gekocht had in het hôtel Bullion [1] op een verkooping van een
+salon-tooneel.
+
+"Mijnheer," antwoordde de huisheer, "ik wil liever aannemen, dat u
+ernstiger meubelen hebt dan deze ...."
+
+"Wat, dit zijn echte Boule-meubelen." [2]
+
+"U begrijpt, dat ik garantie voor mijn huur moet hebben."
+
+"Voor den duivel, maar is een paleis dan geen voldoende garantie voor
+de huur van een dakkamertje?"
+
+"Neen, mijnheer, ik wil meubels, echte meubels van mahoniehout!"
+
+"Helaas, mijnheer, goud noch mahoniehout maken ons gelukkig, heeft een
+oud wijsgeer gezegd. En bovendien ik kan dat soort hout niet uitstaan;
+het is zoo ordinair; iedereen heeft het."
+
+"Dat is allemaal tot uw dienst, mijnheer, maar u heeft dan toch zeker
+wel andere meubels?"
+
+"Neen, dat neemt te veel plaats in in de kamer; wanneer je stoelen
+hebt, weet je niet meer waar je moet gaan zitten."
+
+"Maar u hebt toch zeker een bed! Waar slaapt u op?"
+
+"Ik rust op de Voorzienigheid, mijnheer!"
+
+"Pardon, nog een vraag," zeide mijnheer Bernard, "wat is uw beroep?"
+
+Juist op dat oogenblik kwam de witkiel van den jongen man, van zijn
+tweeden tocht terug, de binnenplaats op. Onder de voorwerpen, die
+hij aan zijn draagzeel droeg, zag Durand een schildersezel.
+
+"O, mijnheer!" riep hij verschrikt uit, terwijl hij den huisheer op
+den ezel wees. "Het is een schilder!"
+
+"Een artist, als ik het niet dacht!" gilde op zijn beurt mijnheer
+Bernard, en de haren van zijn pruik rezen van schrik ten berge;
+"een schilder!!! Maar heb je dan geen informaties genomen naar
+mijnheer?" bulderde hij den concierge toe. "Wist je dan niet, wat
+hij deed?"
+
+"Lieve Hemel," antwoordde de arme kerel, "hij had mij vijf francs
+als goospenning gegeven; dus kon ik niet vermoeden...."
+
+"Wanneer u eindelijk klaar bent," vroeg op zijn beurt de jonge man.
+
+"Mijnheer," viel mijnheer Bernard hem in de rede, terwijl hij zijn
+bril recht op zijn neus zette; "als u geen meubels hebt, kunt gij uw
+kamer niet betrekken. De wet staat toe een huurder, die geen garantie
+meebrengt, te weigeren."
+
+"En mijn woord dan?" vroeg de artist in zijn volle waardigheid.
+
+"Dat is niet zooveel waard als meubels ... u kunt ergens anders een
+kamer zoeken. Durand zal u uw Godspenning teruggeven."
+
+"Wat?" zeide de concierge verschrikt, "die heb ik al naar de spaarbank
+gebracht."
+
+"Maar mijnheer," viel de jonge man hem in de rede, "ik kan maar niet
+zoo direkt een andere kamer vinden. Geef me tenminste gastvrijheid
+voor één dag."
+
+"Ga in een hotel logeeren," antwoordde mijnheer Bernard. "Maar tusschen
+twee haakjes," voegde hij er vlug aan toe, terwijl hem plotseling iets
+in de gedachte viel; "als u dat wilt, dan zou ik u de kamer gemeubeld
+met de meubels van mijn insolventen huurder kunnen geven. Maar zooals
+u weet, moet in zoo'n geval de huur vooruit betaald worden."
+
+"Het is maar de vraag, hoeveel u voor dat krot moet hebben," zeide
+de artist.
+
+"Maar het is heusch een zeer geschikte kamer; in verband met de
+omstandigheden is de huur vijf-en-twintig francs per maand. Maar
+vooruit betalen."
+
+"Dat hebt u al gezegd; en die zin verdient de eer van een bis niet,"
+antwoordde de jonge man, terwijl hij in zijn zakken zocht. "Hebt u
+terug van vijfhonderd francs?"
+
+"Wat?" vroeg de huisheer stom-verbaasd. "U zegt?"
+
+"Nou, de helft van duizend dan. Hebt jullie soms zoo iets nooit
+gezien?" voegde de artist eraan toe, terwijl hij het papier heen
+en weer bewoog voor de oogen van den huisheer en van den concierge,
+die op het gezicht daarvan hun evenwicht schenen te verliezen.
+
+"Ik zal het voor u laten wisselen," antwoordde mijnheer Bernard vol
+eerbied; "er behoeft maar twintig francs af, want Durand zal u de
+Godspenning teruggeven."
+
+"Die mag hij houden," zeide de artist, "op voorwaarde, dat hij mij
+iederen ochtend komt zeggen welke dag en datum het is, den stand van
+de maan, welk weer het is en onder welken regeeringsvorm wij leven."
+
+"Zeker, zeker mijnheer!" riep vader Durand uit, terwijl hij een
+buiging van negentig graden maakte.
+
+"Al goed, kerel, je moet voor mij als almanak spelen. Intusschen moet
+je mijn witkiel even helpen de boel boven te brengen."
+
+"Mijnheer," zeide de huisheer, "ik zal u de quitantie boven laten
+brengen."
+
+Dien avond nog was de nieuwe huurder van mijnheer Bernard, de schilder
+Marcel, geïnstalleerd in de tot een paleis gemetamorphoseerde kamers
+van den voortvluchtigen Schaunard.
+
+Intusschen was gezegde Schaunard bezig te trachten overal in Parijs
+geld los te krijgen.
+
+Schaunard had het leenen tot de hoogte van een kunst verheven. Het
+geval voorziende, waarin hij de vreemdelingen zou moeten aanspreken,
+had hij de manier, om vijf francs te leenen, in alle talen der
+wereld geleerd. Hij had het repertoire der listen, die het edele
+metaal gebruikt om aan hen, die het najagen, te ontsnappen, tot in
+den grond bestudeerd; en beter dan een loods de uren der getijden,
+kende hij de tijdstippen, waarop het bij anderen hoog of laag water
+was, d. w. z. de dagen, waarop zijn vrienden en kennissen gewoonlijk
+geld kregen. Er waren dan ook verschillende huizen, waarin men, als
+hij 's ochtends op bezoek kwam, niet tegen elkaar zeide: "Daar heb je
+mijnheer Schaunard"; maar "Daar heb je den eersten of vijftienden der
+maand." Om dit soort belasting, die hij, wanneer de noodzakelijkheid
+hem ertoe dwong, van de menschen, die de middelen hadden om hem die te
+betalen, ging heffen, wat makkelijker en minder ingewikkeld te maken,
+had Schaunard arrondissementsgewijze een alphabetisch tableau gemaakt,
+waarop de namen van al zijn vrienden en kennissen stonden. Naast
+iederen naam waren genoteerd het maximum der som, die hij in verband
+met hun fortuin kon leenen, de tijdstippen, waarop het bij hen hoog
+water was, benevens het uur der maaltijden met het gewone menu van het
+huis. Behalve dat tableau hield hij er nog een boekhoudinkje op na,
+waarin hij keurig boek hield van de sommen, die hem geleend waren,
+tot de kleinste bedragen toe, want hij wilde zich niet verder bezwaren
+dan tot een zeker cijfer, dat een Normandische oom, van wien hij
+moest erven, nog in de pen had. Zoodra hij aan een persoon twintig
+francs schuldig was, leende hij niet langer en betaalde de som in
+eens terug, ook al moest hij voor die aflossing van hen, aan wie
+hij minder schuldig was, meer leenen. Op die manier had hij altijd
+een zeker crediet, dat hij zijn vlottende schuld noemde; en daar men
+wist, dat hij de gewoonte had het geleende terug te geven, zoodra zijn
+middelen het hem veroorloofden, hielp men hem, als men dat kon, gaarne.
+
+Nu had hij, sedert hij 's ochtends elf uur uitgegaan was om te trachten
+de vijf-en-zeventig francs, die hij noodig had, bijeen te krijgen,
+nog niet meer bij elkaar dan een daalder, dien hij te danken had aan
+de medewerking der letters M., V. en R. van zijn beroemde lijst:
+van de rest van het alphabet, dat evenals hij een termijn huur te
+betalen had, kreeg hij nul op het request.
+
+Om zes uur luidde een hevige honger in zijn maag de etensbel;
+hij was toen juist bij de barrière du Maine, waar de letter
+U. woonde. Schaunard liep binnen bij de letter U., waar hij zijn
+servetring had, als er servetten waren.
+
+"Naar wien wilt u toe?" vroeg de concierge hem in het voorbijgaan.
+
+"Naar mijnheer U ...." antwoordde de artist.
+
+"Die is niet thuis."
+
+"En Mevrouw?"
+
+"Ook niet: zij hebben me gevraagd aan een van hun vrienden, die van
+avond bij hen zou komen, te zeggen, dat zij in de stad zijn gaan
+eten: mocht u de bewuste persoon zijn, dan hebt u hier het adres,"
+en hij overhandigde Schaunard een stukje papier, waarop zijn vriend
+U .... geschreven had:
+
+"Wij zijn bij Schaunard, rue .... No...., gaan eten; kom ons daar
+halen."
+
+"Prachtig!" zeide hij, weggaande; "wanneer het toeval zich er mede
+bemoeit, krijg je dikwijls aardige vaudevilles."
+
+Schaunard herinnerde zich toen, dat er vlak bij een klein herbergje
+was, waar hij een paar maal voor weinig geld goed gegeten had,
+en richtte zijn schreden naar dat etablissement, in de chaussée
+du Maine gelegen en in de Bohème-wereld bekend onder den naam van
+la Mère Cadet. Het was een etenshuis, waarvan de gewone clientèle
+bestond uit de vrachtrijders naar Orleans, zangeressen uit den
+Montparnasse en jonge rollen van het Bobino-theater. [3] Tijdens het
+mooie seizoen komen schilders uit de vele ateliers in de nabijheid van
+den Luxembourg, schrijvers van onuitgegeven boeken en journalisten van
+obscure blaadjes gezamenlijk dineeren bij la Mère Cadet, die bekend
+is voor haar konijnenragouts, haar echte zuurkool en een wit wijntje,
+dat naar vuursteen smaakt.
+
+Schaunard ging onder de bosquets (boschjes) zitten: zoo noemde men
+bij la Mère Cadet het dunne loof van een paar kromgegroeide boomen,
+waarvan het ziekelijke groen onder tegen de zoldering was aangebracht.
+
+"Lieve Hemel, het kan me niet schelen ook," zeide Schaunard tot
+zichzelf, "ik zal me eens lekker te goed doen en een feestmaal
+bestellen."
+
+En zonder er gras over te laten groeien, bestelde hij een soep,
+een halve portie zuurkool en twee halve konijnenragouts: hij had
+n.l. opgemerkt, dat je, wanneer je halve porties bestelde, minstens
+een kwart op het geheel won.
+
+Deze bestelling trok de aandacht van een jonge, in het wit gekleede
+vrouw met oranjebloesem in het haar en balschoenen aan; een imitatie
+van een imitatie-kanten sluier golfde over haar schouders, die beter
+hun incognito hadden kunnen bewaren. Het was een zangeres van het
+théâtre Montparnasse, waarvan de coulissen om zoo te zeggen uitkwamen
+in la Mère Cadet. Gedurende een entre-acte van de Lucia di Lammermoor
+was zij even komen eten; zij besproeide nu met een kleintje koffie een
+maaltijd, die uitsluitend uit een artisjok in olie en azijn bestond.
+
+"Twee konijnenragouts, drommels!" zeide zij zacht tot het meisje,
+dat als kellner dienst deed; "dat is ook een jonge man, die van goed
+eten houdt. Hoeveel krijg je van me, Adèle?"
+
+"Vier sous voor de artisjok, vier voor een kleintje koffie en één
+voor brood. Dat is negen sous."
+
+"Hier," zeide de zangeres, en zij ging weg onder het neuriën van:
+
+
+ Cet amour que Dieu me donne!
+
+
+"Zij haalt de hooge A," zeide toen een mysterieus persoon, die,
+achter een wal van oude boeken verborgen, aan dezelfde tafel als
+Schaunard zat.
+
+"Haalt zij hem?" zeide Schaunard; "ik zou eerder zeggen, dat ze hem
+thuis gelaten heeft. Het is dan ook belachelijk," voegde hij eraan
+toe, terwijl hij met zijn vinger op den schotel wees, waaruit Lucia
+di Lammermoor haar artisjok genuttigd had, "om je fausset in azijn
+in te leggen."
+
+"Het is inderdaad een scherp zuur," begon weer de persoon, die reeds
+gesproken had. "De stad Orleans produceert een soort, die terecht
+een goede reputatie heeft."
+
+Schaunard nam den onbekende, die blijkbaar een gesprek wilde uitlokken,
+aandachtig op. De starre blik uit zijn groote blauwe oogen, die
+steeds iets schenen te zoeken, gaf aan zijn gelaatsuitdrukking het
+karakter van vrome zielerust, die men zoo dikwijls bij seminaristen
+ziet. Zijn gelaat had de kleur van oud, vergeeld ivoor, behalve
+zijn wangen, die met een roodkleurige laag ingesmeerd schenen te
+zijn. Zijn mond leek geteekend te zijn door een eerste-klas leerling,
+dien men tijdens zijn werk tegen zijn elleboog gestooten had. De
+negerachtig opgetrokken lippen lieten tanden zien, die een jachthond
+geen oneer zouden hebben aangedaan, en de twee plooien van zijn kin
+rustten op een witte das, waarvan de eene punt de sterren bedreigde,
+terwijl de andere zich in den grond scheen te willen boren. Uit
+een kalen vilten hoed met wonderlijk breede randen, stroomden zijn
+haren in blonde watervallen. Hij had een notenkleurige pèlerine-jas,
+die tot op de draad afgesleten en zoo ruw als een rasp was. Uit de
+wijdopenstaande zakken van die jas kwamen bundels papier en brochures
+te voorschijn. Zonder zich te bekommeren om de opmerkzaamheid, waarmede
+hij opgenomen werd, nuttigde hij een portie zuurkool met worst, waarbij
+hij telkens een tevreden geknor liet hooren. Onder het eten door las
+hij een boek, dat open voor hem lag, en waarop hij nu en dan met een
+potlood, dat hij achter zijn oor had zitten, aanteekeningen maakte.
+
+"Nou?" riep plotseling Schaunard uit en sloeg daarbij met zijn mes
+tegen zijn glas; "waar blijft mijn konijnenragout?"
+
+"Mijnheer," antwoordde het meisje, dat met een schotel in haar hand
+naar hem toe kwam, "die zijn er niet meer, dit is de laatste, en die
+is al door mijnheer besteld," voegde zij eraan toe, terwijl zij den
+schotel voor den man met de boeken neerzette.
+
+"Verduiveld!" riep Schaunard uit.
+
+Er klonk zooveel melancholieke teleurstelling door in dat
+"Verduiveld!", dat de man met de boeken er door getroffen werd. Hij
+schoof den wal van boeken, die zich tusschen hem en Schaunard verhief,
+op zij en zeide, terwijl hij den schotel tusschen hen in zette,
+op den zachtsten toon, dien hij in zijn stem leggen kon:
+
+"Zou ik het genoegen mogen hebben dit gerecht met u te deelen?"
+
+"Mijnheer," antwoordde Schaunard, "ik zou er u niet gaarne van
+berooven."
+
+"U zult mij dus van het genoegen willen berooven, u een dienst te
+bewijzen."
+
+"Als u het zoo opvat, mijnheer...." En Schaunard schoof zijn bord bij.
+
+"Veroorloof mij u den kop niet aan te bieden," zeide de vreemdeling.
+
+"Daar kan ik niet in komen, mijnheer," riep Schaunard uit.
+
+Maar toen hij zijn bord weer naar zich toe trok, zag hij, dat de
+vreemdeling hem juist dat gedeelte gegeven had, dat hij zeide voor
+zichzelf te willen houden.
+
+"Wat?" bromde Schaunard in zichzelf, "wil hij me met zijn beleefdheid
+er tusschen nemen?"
+
+"Al moge," zeide de vreemdeling, "het hoofd het edelste deel van den
+mensch zijn, van het konijn is het juist het tegenovergestelde. Vandaar
+dan ook, dat er vele menschen zijn, die het niet kunnen uitstaan. Bij
+mij is het juist andersom. Ik aanbid het, om zoo te zeggen."
+
+"Dan spijt het mij dubbel," zeide Schaunard, "dat gij u voor mij
+daarvan beroofd hebt."
+
+"Wat? ... pardon," zeide de boekenman, "ik heb den kop voor mijzelf
+gehouden. Ik heb zelfs de eer gehad u te doen opmerken, dat...."
+
+"Neem me niet kwalijk!" viel Schaunard hem in de rede, terwijl hij
+hem zijn bord onder de neus hield; "maar wat is dat dan voor een stuk?"
+
+"Lieve Hemel! Wat zie ik, o goden? Nog een kop! Het is een bicephaal
+[4] konijn!" riep de vreemdeling uit.
+
+"Bice...." stotterde Schaunard.
+
+".....phaal. Dat komt van het Grieksch. Inderdaad noemt mijnheer
+de Buffon, die altijd manchetten droeg, voorbeelden van die
+eigenaardigheid. Maar werkelijk, ik vind het inderdaad zeer aangenaam,
+zoo'n natuurwonder gegeten te hebben."
+
+Tengevolge van dat incident was het gesprek voor goed aan den
+gang. Schaunard, die in beleefdheid niet achter wilde blijven, bestelde
+een nieuwe flesch. De boekenman liet een tweede aanrukken. Schaunard
+offreerde salade, de man met de boeken toespijzen. Om acht uur stonden
+er zes ledige flesschen op tafel. Al pratende had de openhartigheid,
+die door de plengoffers van den rooden wijn besproeid was, hen ertoe
+gebracht elkaar hun levensloop te vertellen; zij kenden elkander reeds,
+alsof zij samen opgegroeid waren. Na de vertrouwelijke mededeelingen
+van Schaunard aangehoord te hebben, had de boekenman hem verteld,
+dat hij Gustave Colline heette; hij was wijsgeer van beroep en leefde
+van de lessen, die hij gaf in mathematica, scholastica, botanica en
+andere wetenschappen op ica.
+
+Het weinige geld, dat hij met lesgeven verdiende, besteedde Colline
+voor het aankoopen van oude boeken. Zijn notenkleurige pèlerine was een
+goede bekende aan alle boekenstalletjes van den pont de la Concorde tot
+den pont Saint-Michel. Wat hij met al die boeken, waarvan het aantal
+zòò groot was, dat men ze in een menschenleeftijd niet had kunnen
+uitlezen, deed, wist niemand en hij zelf nog het allerminst. Maar die
+manie was bij hem een hartstocht geworden; en wanneer hij 's avonds
+zonder een nieuw oud boek thuis kwam, paste hij het woord van Titus
+op zichzelf toe en zeide: "Ik heb een dag verloren laten gaan!" Zijn
+innemende manieren en zijn wijze van uitdrukken, die een bloemlezing
+van alle stijlen vormde, en de vreeselijke woordspelingen, waarmede
+hij zijn gesprek kruidde, hadden haar uitwerking op Schaunard niet
+gemist, die op staanden voet Colline permissie vroeg zijn naam te mogen
+inlasschen op de beroemde lijst, waarover wij reeds gesproken hebben.
+
+Tamelijk aangeschoten en met den gang van menschen, die pas een
+vertrouwlijk gesprek met wijnflesschen gevoerd hebben, verlieten zij
+tegen negen uur la mère Cadet.
+
+Colline noodigde Schaunard uit met hem een kop koffie te gaan drinken,
+wat deze aannam op voorwaarde dat de pousse-café voor zijn rekening
+was. Zij gingen een café binnen in de rue Saint-Germain-l'Auxerrois,
+dat op zijn uithangbord Momus, den god der Spelen en van het Lachen,
+had.
+
+Toen zij binnenkwamen, was er juist een hevige discussie begonnen
+tusschen twee stamgasten. Een van hen was een jonge man, wiens
+gelaat zoo goed als geheel verloren ging in een zware, veelkleurige
+baard. Als een tegenstelling tot dien overvloed van kinhaar was zijn
+voorhoofd zoo kaal als een biljartbal; een klein groepje haren, die
+zoo weinig talrijk waren, dat men ze zeer makkelijk zou kunnen tellen,
+trachtte vergeefs die kaalheid te verbergen. Hij droeg een zwarte,
+aan de ellebogen glad geschaafde jas, die, wanneer hij zijn armen te
+hoog oplichtte, een paar onder de schouders aangebrachte luchtgaatjes
+liet zien. Zijn broek kon desnoods nog voor zwart doorgaan, maar zijn
+schoenen, die nooit nieuw geweest waren, schenen reeds meermalen aan de
+voeten van den Wandelenden Jood de reis om de wereld gemaakt te hebben.
+
+Schaunard had opgemerkt, dat zijn vriend Colline en de jonge man met
+de groote baard elkaar gegroet hadden.
+
+"Ken je dien mijnheer?" vroeg hij aan den wijsgeer.
+
+"Kennen bepaald niet," antwoordde deze, "maar ik zie hem wel eens in
+de Bibliotheek. Ik geloof, dat het een schrijver is."
+
+"Zijn kleeding wijst er tenminste wel op," antwoordde Schaunard.
+
+De persoon, met wien de jonge man het aan den stok had, was iemand
+van een jaar of veertig, die, zooals uit zijn groot hoofd, dat zonder
+overgang van den hals tusschen zijn beide schouders zat, op te maken
+was, ongetwijfeld aan een beroerte sterven zou. De onnoozelheid was
+in groote letters op zijn laag, met een klein zwart kalotje bedekt
+voorhoofd te lezen. Hij heette mijnheer Mouton en was ambtenaar op de
+mairie van het vierde arrondissement, waar hij de overlijdensregisters
+bijhield.
+
+"Mijnheer Rodolphe!" riep hij met een eunuch-orgaan uit, terwijl
+hij den jongen man, dien hij aan een knoop van zijn jas vasthield,
+heen en weer schudde, "wil ik u mijn meening eens zeggen? Nou, al die
+couranten dienen tot niets. Kijk eens, laten we eens veronderstellen:
+ik ben een huisvader, niet waar? .... goed ... Ik kom hier in het
+café een partij domino spelen. Volg nu goed mijn redeneering."
+
+"Verder, verder!" zeide Rodolphe.
+
+"Welnu," ging vader Mouton voort, terwijl hij iederen zin scandeerde
+met een vuistslag, die de flesschen en glazen op het tafeltje deed
+rinkelen; "welnu, ik kijk de couranten eens in, goed .... Wat zie
+ik? De een zegt wit, de ander zegt zwart, enzoovoort, enzoovoort. Wat
+heb ik daaraan? Ik ben een goed huisvader, die hier komt om ...."
+
+"Zijn partijtje domino te spelen," zeide Rodolphe.
+
+"Iederen avond," ging mijnheer Mouton voort. "Nou, laten we eens
+veronderstellen: Je begrijpt ...."
+
+"Heel goed!" zeide Rodolphe.
+
+"Ik lees een artikel, waar ik het niet mee eens ben. Dat maakt
+me woedend, en ik verbijt me, ziet u, mijnheer Rodolphe, al die
+couranten is leugenpak. Ja, leugenpak!" krijschte hij in de hoogste
+tonen van zijn faussetstem, "en de journalisten zijn bandieten en
+prutsschrijvers."
+
+"Maar toch, mijnheer Mouton ...."
+
+"Ja, bandieten," ging deze voort. "Zij zijn de oorzaak van alle
+ongelukken in de wereld; zij hebben de revolutie en de assignaten
+gemaakt; bewijs: Murat."
+
+"Pardon," viel Rodolphe hem in de rede; "u bedoelt Marat."
+
+"Waarachtig niet, waarachtig niet," ging Mouton voort; "Murat; ik
+heb hem zien begraven, toen ik nog een kleine jongen was ...."
+
+"Maar ik verzeker u ...."
+
+"Ze hebben nog een stuk over hem in het Cirque gegeven ...."
+
+"Ja juist, precies," zeide Rodolphe: "dat is Murat."
+
+"Maar dat zeg ik al een uur lang," riep de stijfkoppige Mouton
+uit. "Murat, die in een kelder werkte, wat? Welnu, laten we eens
+veronderstellen. Hebben de Bourbons geen gelijk gehad om hem te
+guillotineeren, omdat hij hen verraden had?"
+
+"Wien? Geguillotineerd! Verraden! Wat?" riep Rodolphe uit, die nu op
+zijn beurt mijnheer Mouton bij den knoop van zijn jas pakte.
+
+"Wel Marat!"
+
+"O God, neen, neen, mijnheer Mouton, Murat. Laten we elkaar voor den
+donder eindelijk begrijpen!"
+
+"Ja zeker. Murat, een hondsvot. Hij heeft den keizer in 1815
+verraden. Daarom beweerde ik, dat alle couranten één pot nat zijn,"
+ging mijnheer Mouton voort, daarbij op het voornaamste punt van zijn
+rede, die hij een verklaring placht te noemen, terugkomend. "Weet u wat
+ik zou willen, mijnheer Rodolphe? Welnu, laten we eens veronderstellen
+.... Ik zou een goede courant willen ... O, niet groot ... goed,
+en een die geen phrases maakt ... Zoo!"
+
+"U bent veeleischend," viel Rodolphe hem in de rede. "Een courant
+zonder phrasen!"
+
+"Ja, zeker. Let nu goed op!"
+
+"Dat probeer ik!"
+
+"Een courant, die alleen berichten geeft over den gezondheidstoestand
+van den koning en de goederen der aarde. Want wat heb je ten slotte
+aan al die couranten, wanneer je er niets van begrijpt? Laten we
+eens veronderstellen: Ik ben op het stadhuis, niet waar? Ik houd
+mijn registers bij, prachtig! Welnu, het is net als wanneer ze tegen
+me zouden zeggen: "Mijnheer Mouton, u schrijft de sterfgevallen in,
+welnu, doe nu dit eens, doe nu dat eens. Welnu, wat moet dat, wat
+moet dat? Welnu, met de couranten is het precies zoo," eindigde hij
+zijn redeneering.
+
+"Zeer juist!" merkte iemand, die naast hem zat en de uiteenzetting
+begrepen had, op.
+
+En mijnheer Mouton ging, nadat hij de gelukwenschen van eenige
+stamgasten, die het met hem eens waren, in ontvangst genomen had,
+verder met zijn partijtje domino.
+
+"Ik heb hem eens flink op zijn plaats gezet," zeide hij, terwijl hij
+op Rodolphe wees, die aan het tafeltje van Schaunard en Colline was
+gaan zitten.
+
+"Wat een stommeling!" zeide deze tot de twee jonge lui, terwijl hij
+naar den ambtenaar wees.
+
+"Hij heeft dan ook een prachtigen kop met zijn wenkbrauwen als
+rijtuigkappen en zijn kalfsoogen," merkte Schaunard op, terwijl hij
+een prachtig doorgerookten neuswarmer uit zijn zak haalde.
+
+"Bliksems, mijnheer," zeide Rodolphe, "wat een mooie pijp hebt u daar!"
+
+"O, ik heb nog een heel wat mooiere, als ik uit ga," zeide Schaunard
+onverschillig. "Geef me even wat tabak, Colline."
+
+"Lieve Hemel," riep de wijsgeer uit, "mijn tabak is op."
+
+"Sta mij toe u wat aan te bieden," zeide Rodolphe, terwijl hij een
+pakje tabak uit zijn zak haalde en op tafel zette.
+
+Colline meende die beleefdheid met het offreeren van een rondje te
+moeten beantwoorden.
+
+Rodolphe meende niet te kunnen weigeren. Het gesprek kwam op de
+litteratuur. Rodolphe, naar zijn door zijn kleeding reeds verraden
+beroep gevraagd, erkende zijn betrekkingen tot de Muzen en bestelde
+een tweede rondje. Toen de kellner de flesch wilde medenemen,
+vroeg Schaunard hem die maar te laten staan. Hij had in een van
+Colline's zakken het zilveren duo van twee vijffrancstukken hooren
+weerklinken. Rodolphe had weldra het niveau van openhartigheid bereikt,
+waarop de beide vrienden zich reeds bevonden, en deed hun op zijn
+beurt vertrouwelijke mededeelingen.
+
+Zij zouden zeker den nacht in het café hebben doorgebracht, indien
+men hun niet was komen vragen heen te gaan. Zij waren nog geen tien
+pas verder, waarover zij tusschen twee haakjes een kwartier gedaan
+hadden, toen zij door een stortbui overvallen werden. Colline en
+Rodolphe woonden aan de twee tegenovergestelde uiteinden van Parijs,
+de eene in Ile-Saint-Louis, de andere in Montmartre.
+
+Schaunard, die totaal vergeten was, dat hij geen onderdak meer had,
+stelde hun voor naar zijn kamer te gaan.
+
+"Ga met mij mede," zeide hij, "ik woon hier vlak bij; wij zullen den
+nacht doorbrengen met praten over litteratuur en schoone kunsten."
+
+"En dan maak jij muziek en moet Rodolphe ons zijn gedichten
+voordragen," zeide Colline.
+
+"Waarachtig, zeker," voegde Schaunard eraan toe, "we moeten lachen
+en vroolijk zijn, we leven maar eens."
+
+Voor zijn huis gekomen, dat Schaunard slechts met moeite herkende,
+ging hij op een paaltje zitten wachten op Rodolphe en Colline, die bij
+een nog open zijnden wijnhandelaar de eerste elementen van een souper
+waren gaan halen. Toen zij terug waren, klopte Schaunard meermalen
+hard op de deur, want hij herinnerde zich vaag, dat de concierge de
+gewoonte had hem te laten wachten. Eindelijk ging de deur open en vader
+Durand, die in de heerlijkheden van den eersten slaap verzonken was
+en zich niet herinnerde, dat Schaunard zijn huurder niet meer was,
+maakte volstrekt geen tegenwerpingen, toen deze zijn naam door het
+schuifraampje geroepen had.
+
+Toen zij alle drie boven op de trap waren (een even lange als moeilijke
+klimpartij), uitte Schaunard, die voorop liep, een kreet van verbazing,
+toen hij den sleutel in het slot van zijn kamerdeur zag steken.
+
+"Wat is er?" vroeg Rodolphe.
+
+"Ik begrijp er niets van," mompelde hij, "ik vind in het slot den
+sleutel, dien ik vanmorgen medegenomen heb. Enfin, we zullen zien. Ik
+had hem in mijn zak gestoken. Wel, alle duivels, daar heb je hem nog,"
+riep hij uit, terwijl hij den sleutel liet zien.
+
+"Dat is tooverij!"
+
+"Phantasmagorie," zeide Colline.
+
+"Phantasie," voegde Rodolphe eraan toe.
+
+"Maar," ging Schaunard voort, en in zijn stem beefde angst, "hooren
+jullie dat?"
+
+"Wat?"
+
+"Wat?"
+
+"Mijn piano, die uit zichzelf speelt, ut, la mi ré do, la si sol,
+ré. Vervloekte ré, die zal altijd valsch blijven!"
+
+"Maar dan is dat zeker jouw kamer niet," zeide Rodolphe, die Colline,
+op wien hij zwaar leunde, in het oor fluisterde:
+
+"Hij is dronken!"
+
+"Dat geloof ik ook. In de eerste plaats is dat geen piano, maar
+een fluit."
+
+"Maar jij bent ook dronken, mijn waarde," antwoordde de dichter den
+wijsgeer, die op den steenen vloer was gaan zitten. "Het is een viool."
+
+"Een vio ... Ha, ha! Luister eens, Schaunard," stamelde Colline,
+terwijl hij zijn vriend aan zijn beenen trok, "die is goed! Mijnheer
+daar beweert, dat het een vio ...."
+
+"Alle duivels!" riep Schaunard, thans zeer angstig, uit; "mijn piano
+speelt nog altijd, dat is tooverij!"
+
+"Phantasma .... gorie," huilde Colline, terwijl hij een der flesschen,
+die hij in zijn hand had, liet vallen.
+
+"Phantasie," krijschte op zijn beurt Rodolphe.
+
+Midden onder dat lawaai ging plotseling de deur open en zagen zij
+op den drempel iemand verschijnen met een drie-armigen kandelaar,
+waarin rose kaarsen brandden.
+
+"Wat is er van uw dienst, heeren?" vroeg hij, terwijl hij beleefd de
+drie vrienden groette.
+
+"Lieve Hemel, wat heb ik gedaan? Ik heb mij vergist, dit is mijn
+kamer niet," zeide Schaunard.
+
+"Mijnheer," voegden Colline en Rodolphe gezamenlijk eraan toe:
+"wees zoo goed onzen vriend te excuseeren; hij is zoo dronken als
+een ladder."
+
+Plotseling schoot een lichtstraal door het benevelde brein van
+Schaunard; hij had op zijn deur deze met krijt geschreven woorden
+gelezen:
+
+
+ "Ik ben driemaal hier geweest, om mijn Nieuwjaarsgeschenken
+ te halen.
+
+ Phémie."
+
+
+"Waarachtig, maar ik ben wel degelijk thuis!" riep hij uit; "daar heb
+je het visitekaartje, dat Phémie met Nieuwjaar heeft achtergelaten:
+het is dus wel mijn deur."
+
+"Lieve God, mijnheer," zeide Rodolphe; "ik ben er werkelijk confuus
+van."
+
+"Wees overtuigd, mijnheer," voegde Colline eraan toe, "dat ik een
+werkzaam aandeel neem in de confuusheid van mijn vriend."
+
+De jonge man brak in een schaterlach uit.
+
+"Als u even binnen wilt komen," antwoordde hij, "dan zal uw vriend,
+zoodra hij de kamer gezien heeft, zijn dwaling wel erkennen."
+
+"Gaarne."
+
+De dichter en de wijsgeer namen ieder Schaunard bij een arm en brachten
+hem in de kamer, of liever in het paleis van Marcel, dien de lezer
+zeker reeds herkend heeft.
+
+Schaunard keek eenigszins verward om zich heen en mompelde:
+
+"Het is verwonderlijk, hoe veel mooier mijn kamer geworden is."
+
+"Nou, ben je nu overtuigd?" vroeg Colline hem.
+
+Maar Schaunard had zijn piano in het oog gekregen, ging er naar toe
+en begon gamma's te spelen.
+
+"He, luisteren jullie eens," zeide hij, terwijl hij verschillende
+accoorden aansloeg; "Bravo, het dier heeft zijn baas herkend: si la
+sol, fa mi ré! O, bliksemsche ré! Jij verandert ook nooit. Ik zie wel,
+dat het mijn instrument is."
+
+"Hij houdt vol," zeide Colline tot Rodolphe.
+
+"Hij houdt vol," herhaalde Rodolphe tegen Marcel.
+
+"En dat dan," ging Schaunard voort, terwijl hij op den met sterren
+en loovertjes bezaaiden rok, die over een stoel geworpen was, wees,
+"dat is ook zeker mijn ambtsgewaad niet?"
+
+En hij keek Marcel uitdagend aan.
+
+"En dat dan," vervolgde Schaunard en trok het deurwaardersexploot,
+waarvan hierboven sprake was, van den muur.
+
+En hij begon te lezen:
+
+"Dientengevolge zal mijnheer Schaunard gehouden zijn genoemde woning
+te ontruimen en haar in goeden en bewoonbaren staat terug te geven
+den achtsten April vòòr twaalf uur des namiddags. Ten bewijze daarvan
+heb ik hem deze acte ter hand gesteld, waarvan de kosten vijf francs
+bedragen. Nou, ben ik nou mijnheer Schaunard niet, wien de kamer bij
+deurwaardersexploot opgezegd wordt en wien men gezegelde stukken,
+waarvan de kosten vijf francs bedragen, vereert? En dan dat nog,"
+ging hij voort, toen hij zijn pantoffels aan de voeten van Marcel
+zag; "zijn dat niet mijn muiltjes, geschenk van een mij dierbare
+hand? Mijnheer," zoo wendde hij zich nu tot Marcel, "thans is het
+aan u, om uw aanwezigheid in mijn laren en penaten te verklaren."
+
+"Mijne heeren," antwoordde Marcel en hij richtte zich hierbij in
+het bijzonder tot Colline en Rodolphe, "mijnheer," en hij wees op
+Schaunard, "mijnheer is op zijn kamer, ik beken het eerlijk."
+
+"Zoo," riep Schaunard uit, "dat is maar gelukkig ook."
+
+"Maar," vervolgde Marcel, "ook ik ben op mijn kamer."
+
+"Maar mijnheer," viel Rodolphe hem in de rede, "als onze vriend
+toch ...."
+
+"Ja," vervolgde Colline, "als onze vriend ...."
+
+"En als u u van uw kant herinnert, dat ....", voegde Rodolphe eraan
+toe, "hoe komt het dan ...."
+
+"Ja," echode Colline, "hoe komt het dan ...."
+
+"Neem plaats heeren," antwoordde Marcel, "dan zal ik u het mysterie
+ophelderen."
+
+"Wat zoudt u ervan zeggen, als we die opheldering eens
+besproeiden?" waagde Colline op te merken.
+
+"En daarbij familiaar een stukje aten?" voegde Rodolphe eraan toe.
+
+De vier jonge mannen zetten zich aan tafel en openden een hevigen
+aanval op een stuk koud kalfsvleesch, dat de wijnhandelaar hun
+afgestaan had.
+
+Marcel legde toen uit, wat er dien ochtend, toen hij was komen
+verhuizen, tusschen hem en den huisbaas was voorgevallen.
+
+"Derhalve," zeide Rodolphe, "heeft mijnheer volkomen gelijk, wij zijn
+zijn gasten."
+
+"Pardon, u bent hier thuis," antwoordde Marcel beleefd.
+
+Het kostte echter ontzaglijke moeite, om Schaunard aan zijn verstand
+te brengen wat er gebeurd was. Een komisch incident maakte de zaak nog
+ingewikkelder. Schaunard, die in een kast naar God weet wat zocht,
+ontdekte daarin het kleingeld, dat Marcel dien ochtend van zijn
+vijfhonderd francs teruggekregen had.
+
+"Ha," riep hij uit, "ik wist wel, dat mijn vriend, het toeval, mij
+niet in den steek zou laten. Ik herinner me nu, dat ik van morgen
+uitgegaan ben, om hem te zoeken ..... Voor die huurtermijnen, dat is
+waar ook; hij is zeker in mijn afwezigheid hier geweest. Wij hebben
+elkaar misgeloopen, dat is alles. Het is toch maar heel verstandig
+van me geweest den sleutel op de kast te laten."
+
+"Zoete dwaasheid!" mompelde Rodolphe, toen hij zag hoe Schaunard de
+geldstukken in even hooge hoopen opstapelde.
+
+"Droom en bedrog, dat is het leven," voegde de wijsgeer eraan toe.
+
+Marcel lachte.
+
+Een uur later lagen zij alle vier in een diepen slaap.
+
+Den volgenden middag om twaalf uur werden zij wakker; in den beginne
+waren zij niet weinig verwonderd elkaar daar te vinden: Schaunard,
+Colline en Rodolphe schenen elkaar zelfs niet te herkennen en noemden
+elkaar mijnheer. Marcel moest er hen aan herinneren, dat zij den
+vorigen avond met elkaar bij hem gekomen waren.
+
+Op dat oogenblik kwam Durand in de kamer.
+
+"Mijnheer," zeide hij tot Marcel, "het is vandaag de negende
+April achttien honderd en veertig ... het is modderig op straat,
+en Z. M. Louis-Philippe is nog steeds koning van Frankrijk en
+Navarre. Lieve Hemel," riep vader Durand uit, toen hij zijn ouden
+huurder zag, "daar heb je mijnheer Schaunard. Hoe bent u hier gekomen?"
+
+"Per telegraaf," antwoordde Schaunard.
+
+"Hoor hem eens aan," zeide de concierge, "u bent nog de oude
+grappenmaker!"
+
+"Durand," zeide Marcel, "ik houd er niet van, dat de livrei zich in
+mijn gesprekken mengt; je gaat naar het dichtstbijzijnde restaurant
+en laat een dejeuner voor vier personen boven brengen. Hier heb je de
+spijskaart," voegde hij eraan toe, terwijl hij hem een stukje papier
+met het menu erop gaf. "En een beetje vlug."
+
+"Heeren," ging Marcel voort, "u hebt mij gisteren avond een souper
+aangeboden, laat mij u nu hedenmorgen een dejeuner aanbieden, niet
+bij mij, maar bij u," voegde hij eraan toe, terwijl hij Schaunard
+zijn hand toestak.
+
+Na afloop van het dejeuner vroeg Rodolphe het woord.
+
+"Heeren," zeide hij, "staat mij toe, dat ik u verlaat ...."
+
+"O neen," zeide Schaunard op sentimenteelen toon, "laten we elkaar
+niet meer verlaten."
+
+"Dat is zoo," merkte Colline op; "je bent hier erg op je gemak."
+
+"U een oogenblik verlaat," ging Rodolphe voort, "morgen verschijnt de
+Echarpe d'Iris [5], een mode-tijdschrift, waarvan ik hoofdredacteur
+ben, en ik moet de drukproeven nog corrigeeren. Binnen een uur ben
+ik terug."
+
+"Alle duivels," zeide Colline; "dat brengt mij op de gedachte, dat ik
+les moet geven aan een Indischen prins, die naar Parijs gekomen is,
+om Arabisch te leeren."
+
+"Geef die les morgen," zeide Marcel.
+
+"Neen, dat gaat niet," antwoordde de wijsgeer: "de prins zou mij
+vandaag betalen. En bovendien moet ik eerlijk bekennen, dat deze
+schoone dag voor mij bedorven zou zijn, indien ik niet even langs de
+boekenstalletjes loop."
+
+"Maar je komt toch terug?" vroeg Schaunard.
+
+"Met de snelheid van een met zekere hand afgeschoten pijl," antwoordde
+de wijsgeer, die van excentrieke beeldspraak hield.
+
+En hij ging met Rodolphe weg.
+
+"Maar," zeide Schaunard, toen hij met Marcel alleen gebleven was,
+"indien ik, in plaats van me hier te koesteren op het kussen van het
+dolce far niente, wat goud ging zoeken om de begeerigheid van mijnheer
+Bernard te stillen?"
+
+"Maar," zeide Marcel ongerust; "wil je dan nog steeds verhuizen?"
+
+"Lieve God, ik moet wel," antwoordde Schaunard, "ik heb immers een
+exploot, waarvan de kosten vijf francs zijn, gekregen."
+
+"Maar," vervolgde Marcel, "als je verhuist, dan neem je zeker je
+meubels mee?"
+
+"Ja, dat is mijn bedoeling, ik laat hier geen haar achter, zooals
+mijnheer Bernard zegt."
+
+"Duivels, dat zal me leelijk in verlegenheid brengen, want ik heb je
+kamers gemeubileerd gehuurd."
+
+"Waarachtig, dat is waar ook," zeide Schaunard. "Maar," voegde hij er
+melancholiek aan toe, "er is geen enkele aanwijzing, dat ik vandaag
+of morgen of wanneer ook mijn vijf-en-zeventig francs zal vinden."
+
+"Maar wacht even," riep Marcel uit, "ik heb een idee."
+
+"Laat hooren," zeide Schaunard.
+
+"De zaak staat zoo: wettelijk behoort de woning aan mij, omdat ik
+een maand vooruit betaald heb."
+
+"De woning, ja; maar als ik betaal, neem ik de meubelen wettelijk mede;
+en als het mogelijk was, zou ik ze zelfs onwettelijk medenemen."
+
+"Zoodat," zeide Marcel, "jij de meubels en geen woning, en ik een
+woning en geen meubels heb."
+
+"Dat klopt," zeide Schaunard.
+
+"Maar mij bevalt de woning uitstekend."
+
+"En mij," merkte Schaunard op, "mij beviel ze nooit meer."
+
+"Wat zeg je?"
+
+"Nooit .... meer. Ik weet heel goed, wat ik zeg."
+
+"Welnu, dan kunnen we het op een accoordje gooien," meende Marcel;
+"blijf bij me, ik lever de woning en jij levert de meubelen."
+
+"En de huur?" vroeg Schaunard.
+
+"Daar ik nu geld heb, betaal ik ditmaal; den volgenden keer is het
+jouw beurt. Denk er eens over na."
+
+"Ik denk nooit na, vooral niet om een voorstel aan te nemen, dat
+in mijn geest valt; ik neem het zonder bedenken aan. Bovendien zijn
+schilder- en dichtkunst zusters."
+
+"Schoonzusters," vond Marcel.
+
+Op dat oogenblik kwamen Colline en Rodolphe, die elkaar op straat
+ontmoet hadden, terug.
+
+Marcel en Schaunard stelden hen van hun vennootschap in kennis.
+
+"Heeren," riep Rodolphe uit, terwijl hij het in zijn broekzak liet
+rinkelen, "ik offreer het gezelschap een diner."
+
+"Dat was juist mijn plan ook," zeide Colline, terwijl hij uit
+zijn zak een goudstuk haalde, dat hij als een monocle naar
+zijn oog bracht. "Mijn prins heeft mij dat gegeven voor een
+Hindostansch-Arabische grammatica, die ik zooeven voor zes stuivers
+gekocht heb."
+
+"En ik," zeide Rodolphe, "heb mij door den kassier van de Echarpe
+d'Iris een voorschot laten geven van dertig francs, onder voorgeven,
+dat ik mij moest laten inenten."
+
+"Het is vandaag dus Heiligendag," zeide Schaunard; "ik alleen heb
+niets gekregen, dat is toch vernederend."
+
+"Intusschen," viel Rodolphe hem in de rede, "handhaaf ik mijn
+uitnoodiging voor een diner."
+
+"En ik ook," zeide Colline.
+
+"Nou," zeide Rodolphe, "dan zullen we opgooien, wie betalen zal."
+
+"Neen," riep Schaunard uit, "ik weet wat beters, om jullie uit die
+moeilijkheid te helpen, heel wat beters."
+
+"En dat is?"
+
+"Rodolphe betaalt het diner, en Colline geeft een souper."
+
+"Een Salomo-oordeel," riep de wijsgeer uit.
+
+"Dan zal het vandaag nog erger toegaan dan op de bruiloft van Camacho,"
+[6] meende Marcel.
+
+Het diner had plaats in een provençaalsch restaurant in de rue
+Dauphine, dat bekend was door zijn litteraire kellners en zijn
+ayoli-gerechten. Daar zij nog een plaatsje over moesten houden voor
+het souper, dronken en aten zij matig. De den vorigen avond tusschen
+Colline en Schaunard, en later met Marcel aangeknoopte kennismaking
+werd nu intiemer; de vier jonge mannen heschen de vlag van hun
+kunstinzichten, en alle vier erkenden, dat zij met denzelfden moed en
+dezelfde verwachtingen bezield waren. Al pratende en debatteerende,
+bemerkten zij, dat zij gemeenschappelijke sympathieën hadden,
+dat zij allen dien zin voor en die behendigheid hadden in geestige
+schermutselingen, welke opvroolijken, zonder te kwetsen; dat alle mooie
+deugden der jeugd leefden in hun harten, die door het zien of hooren
+van iets moois makkelijk in geestdrift waren te brengen. Alle vier,
+van hetzelfde punt uitgegaan, om hetzelfde doel te bereiken, waren
+van oordeel, dat iets anders dan het banale spel van het toeval hen
+had samengebracht, en dat misschien de Voorzienigheid, de natuurlijke
+beschermster der verlatenen, hen zoo samenvoerde en hun heel zacht
+het woord van het Evangelie influisterde, dat eigenlijk de eenige
+wet voor de geheele menschheid moest zijn: "Helpt elkander en hebt
+elkander lief!"
+
+Tegen het einde van het diner, dat een eenigszins ernstig karakter
+had aangenomen, stond Rodolphe op, om een toast uit te brengen op
+de toekomst; Colline antwoordde met een kleine toespraak, die aan
+geen enkel boek ontleend en vrij van alle oratorische wendingen was,
+maar heel eenvoudig de simpele taal der natuur sprak, die zoo goed
+doet begrijpen wat zoo slecht gezegd wordt.
+
+"De philosoof lijkt wel niet wijs!" mompelde Schaunard, over zijn
+glas gebogen; "nu dwingt hij me water in mijn wijn te doen."
+
+Na het diner gingen ze een pousse-café drinken in Momus, waar zij den
+vorigen dag den avond ook reeds hadden doorgebracht. Van dien dag af
+was het daar voor de overige gasten niet meer uit te houden.
+
+Na de koffie en de daarbij behoorenden likeuren ging de nu voor
+goed opgerichte bohème-clan terug naar de kamer van Marcel, die
+voortaan den naam Elysée Schaunard droeg. Terwijl Colline het door
+hem beloofde souper ging bestellen, haalden de anderen voetzoekers,
+vuurpijlen en andere stukken vuurwerk; en voor zij aan tafel gingen,
+staken zij uit een der vensters een prachtig vuurwerk af, dat het
+heele huis op stelten zette en gedurende hetwelk de vier vrienden
+uit volle borst zongen:
+
+"Célébrons, célébrons, célébrons ce beau jour!"
+
+Den volgenden ochtend vonden zij elkaar weer terug, doch ditmaal
+zonder zich erover te verwonderen. Voor zij ieder weer tot hun werk
+terugkeerden, gingen ze gezamenlijk eenvoudig dejeuneeren in Momus,
+waar ze afspraken des avonds weer te zullen bijeenkomen en waar men
+hen gedurende langen tijd dagelijks weer zag verschijnen.
+
+Dit zijn de hoofdpersonen, die men zal ontmoeten in de kleine verhalen,
+waaruit dit boek bestaat, dat volstrekt geen roman is en geen andere
+pretentie heeft dan die door zijn titel aangegeven; want de tooneelen
+uit het Parijsche kunstenaars-leven zijn inderdaad niets anders dan
+zedenstudiën, waarvan de helden behooren tot een tot dusver verkeerd
+beoordeelde klasse, wier grootste gebrek een beetje losbandigheid is,
+en die nog als excuus kunnen aanvoeren, dat die losbandigheid een
+noodzakelijkheid is, welke het leven hun oplegt.
+
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK II.
+
+EEN GEZANT DER VOORZIENIGHEID.
+
+
+Schaunard en Marcel, die reeds van den vroegen ochtend af dapper aan
+het werk waren, hielden plotseling op.
+
+"Alle duivels, wat heb ik een honger!" zeide Schaunard; en hij voegde
+er langs zijn neus weg aan toe: "Wordt er vandaag niet gedejeuneerd?"
+
+Marcel scheen over die meer dan ooit ongelegen komende vraag zeer
+verbaasd:
+
+"Sedert wanneer wordt er twee dagen achter elkaar gedejeuneerd?" zeide
+hij. "Het was gisteren Donderdag."
+
+En, om zijn antwoord als het ware meer kracht bij te zetten, wees
+hij met zijn schilderstokje op het gebod der Kerk.
+
+
+ "Vendredi chair ne mangeras,
+ Ni autre chose pareillement."
+
+
+Schaunard kon geen antwoord vinden en begon weer te werken aan zijn
+schilderij, dat een vlakte voorstelde met een rooden en een blauwen
+boom, die elkaar een hand- of liever takdruk gaven. Een zeer duidelijke
+en inderdaad ook zeer philosophische toespeling op de heerlijkheden
+der vriendschap.
+
+Op dat oogenblik klopte de concierge aan de deur. Hij bracht een
+brief voor Marcel.
+
+"Drie sous," zeide hij.
+
+"Heusch?" antwoordde de kunstenaar. "Die mag je houden."
+
+En hij sloeg de deur voor zijn neus dicht.
+
+Marcel verbrak het zegel en las. Bij de eerste woorden reeds begon
+hij te springen als een acrobaat en hief luidkeels het volgende lied,
+dat bij hem de hoogste graad van verrukking was, aan:
+
+
+ "Y'avait quat' jeunes gens du quartier
+ Ils étaient tous les quatre malades;
+ On les a m'nés à l'Hôtel-Dieu
+ Eu! eu! eu! eu!"
+
+
+"Prachtig," zeide Schaunard en vervolgde:
+
+
+ "On les a mis dans un grand lit,
+ Deux à la tête et deux au pied.
+
+
+"Dat kennen we al."
+
+Marcel ging door:
+
+
+ "Ils virent arriver un' petit' soeur,
+ Eur! eur! eur! eur!"
+
+
+"Als je niet oogenblikkelijk ophoudt," zeide Schaunard, die reeds
+symptomen van hersenverweeking begon te voelen, "dan ga ik het
+allegro van mijn symphonie over den Invloed van het Blauw in de
+Kunsten spelen."
+
+En hij stapte reeds naar zijn piano.
+
+Dit dreigement werkte als een droppel koud water, die in een borrelende
+vloeibare massa valt.
+
+Marcel kalmeerde als door een tooverslag.
+
+"Hier!" zeide hij, terwijl hij den brief aan zijn vriend gaf; "lees!"
+
+Het was een uitnoodiging voor een diner van een député, een verlicht
+beschermer der kunsten in het algemeen en in het bijzonder van Marcel,
+die een schilderij van zijn landhuis gemaakt had.
+
+"Dat is voor vandaag," zeide Schaunard; "jammer, dat het geen
+invitatie voor twee personen is. Maar daar bedenk ik me, dat jouw
+député ministerieel gezind is; je kan, je mag die uitnoodiging niet
+aannemen: je principes verbieden je brood te eten, dat gedrenkt is
+in het zweet van het volk."
+
+"Ba!" zeide Marcel, "mijn député behoort tot de linkerzijde van het
+centrum; hij heeft pas nog tegen de regeering gestemd. Bovendien zal
+hij wel een opdracht voor me hebben, en hij heeft me beloofd mij in
+andere kringen te introduceeren. En al is het ook vandaag honderd
+maal Vrijdag, ik heb een honger als Ugolino in zijn toren; ik wil
+vandaag dineeren en daarmede basta!"
+
+"Er zijn nog andere hinderpalen," ging Schaunard voort, die zijn
+jaloerschheid op het fortuintje, dat zijn vriend ten deel viel,
+niet bedwingen kon. "Je kunt toch niet zoo in je roode trui en met
+je sjouwerspet op gaan dineeren."
+
+"Ik zal van Rodolphe of Colline een pak leenen."
+
+"Jeugdige dwaas! Ben je vergeten, dat wij den twintigsten van de
+maand voorbij zijn en dat om dezen tijd de kleeren van die heeren
+bij oom Jan logeeren?"
+
+"Maar ik zal toch vòòr vijf uur wel een zwart pak vinden," zeide
+Marcel.
+
+"Ik heb drie weken noodig gehad, om er een te vinden, toen ik naar
+de bruiloft van mijn neef moest--en dat was toch in het begin van
+Januari."
+
+"Nou dan ga ik zoo!" antwoordde Marcel, terwijl hij met groote passen
+de kamer op en en neer liep. "Van mij zal niet gezegd worden, dat
+een armzalige quaestie van etiquette mij heeft weerhouden den eersten
+stap in de wereld te doen."
+
+"O ja, dat is waar ook!" viel Schaunard, die het blijkbaar pleizierig
+vond zijn vriend te plagen; "hoe staat het met je schoenen?"
+
+Marcel ging in een toestand van niet te beschrijven opwinding weg. Na
+verloop van twee uur kwam hij terug met een boord.
+
+"Dat is alles wat ik heb kunnen vinden," zeide hij met een
+deerniswaardig gezicht.
+
+"Daarvoor hadt je waarachtig niet zoo behoeven rond te loopen,"
+antwoordde Schaunard; "we hebben hier papier genoeg, om er een dozijn
+te maken."
+
+"Maar alle duivels!" riep Marcel uit en rukte daarbij de haren uit
+zijn hoofd; "we moeten hier toch kleeren hebben."
+
+En in alle hoekjes en gaatjes der beide kamers begon hij een nauwgezet
+onderzoek.
+
+Na een uur zoekens had hij het volgende costuum bij elkaar:
+
+Een geruite broek.
+
+Een grijze hoed.
+
+Een roode das.
+
+Een eertijds witte handschoen.
+
+Een zwarte handschoen.
+
+"Daar zijn in geval van nood ten minste twee zwarte handschoenen uit
+te maken," zeide Schaunard. "Maar wanneer je aangekleed bent, zal je er
+uitzien als het zonnespectrum. Doch dat is minder--je bent schilder."
+
+Intusschen paste Marcel de schoenen.
+
+O ramp! Ze waren beide van denzelfden voet.
+
+Daar zag de wanhopige kunstenaar in een hoek een ouden schoen,
+waarin ze gewoonlijk hun leege verfblazen gooiden. Hij maakte er zich
+meester van.
+
+"Van kwaad tot erger," zeide zijn ironische makker: "de een is puntig
+en de ander breed van voren."
+
+"Dat zie je niet; ik zal ze lakken."
+
+"Dat is een idée! Nu ontbreekt je alleen nog de onontbeerlijke rok."
+
+"O," zeide Marcel, terwijl hij zich van woede in zijn vuisten beet
+"ik zou tien jaar van mijn leven en mijn rechterhand geven, als ik
+er een had."
+
+Op dit oogenblik hoorden zij opnieuw op de deur kloppen. Marcel ging
+open doen.
+
+"Mijnheer Schaunard?" zeide een vreemdeling, die op den drempel
+bleef staan.
+
+"Dat ben ik," antwoordde de schilder en verzocht hem binnen te komen.
+
+"Mijnheer," zeide de onbekende, die een van die trouwhartige gezichten
+had, welke den provinciaal kenmerken, "mijn neef heeft me verteld,
+dat u zoo mooi portretten kunt schilderen; en daar ik op het punt sta
+een reis naar de koloniën te maken, als gedelegeerde der raffinadeurs
+van Nantes, zou ik gaarne een souvenir van mij aan mijn familie
+achterlaten. Daarom ben ik naar u toe gekomen."
+
+"O, heilige Voorzienigheid!" ... mompelde Schaunard. "Marcel, geef
+een stoel aan mijnheer...."
+
+"Blancheron," vulde de vreemdeling aan; "Blancheron uit Nantes,
+afgevaardigde van de suikerindustrie, oud-burgemeester van V....,
+kapitein van de garde nationale, en schrijver van een brochure over
+de suikerquaestie."
+
+"Ik voel mij zeer vereerd, dat ik door u gekozen ben," zeide de
+artist, terwijl hij een buiging maakte voor den gedelegeerde der
+raffinadeurs. "En hoe wenscht u uw portret te hebben?"
+
+"Een miniature, zooals dit," antwoordde mijnheer Blancheron, terwijl
+hij op een portret in olieverf wees; want, zooals voor zoovele anderen,
+is voor den gedelegeerde alles, wat geen verf op huizen is, miniatuur:
+zij kennen geen middenweg.
+
+Dit naïeve antwoord deed Schaunard dadelijk begrijpen met wien hij
+te doen had, vooral toen de vreemdeling er nog aan toevoegde, dat
+hij gaarne zijn portret in fijne kleuren geschilderd wilde hebben.
+
+"Ik gebruik nooit andere," zeide Schaunard. "En in welke grootte wilt
+u uw portret?"
+
+"Zoo groot ongeveer," antwoordde mijnheer Blancheron, op een doek
+van twintig francs wijzend. "Wat is de prijs daarvan?"
+
+"Vijftig tot zestig francs; vijftig zonder handen en zestig met."
+
+"Drommels, mijn neef sprak van dertig francs."
+
+"Dat hangt af van het seizoen," zeide de schilder; "in sommige tijden
+zijn de kleuren veel duurder."
+
+"Zoo, dat is dus net als met den suiker."
+
+"Precies eender."
+
+"Nou, voor vijftig francs dan," zeide mijnheer Blancheron.
+
+"Dat zou ik u niet aanraden; voor tien francs meer schilder ik u met
+uw suiker-brochure in uw handen, dat zal meer effect maken."
+
+"Waarachtig, u hebt gelijk!"
+
+"Lieve Hemel," zeide Schaunard in zichzelf; "als hij zoo doorgaat, dan
+barst ik nog los en gooi ik hem een van mijn stukken naar zijn hoofd."
+
+"Heb je gezien?" fluisterde Marcel hem in.
+
+"Wat?"
+
+"Hij heeft een rok."
+
+"Ik snap je en ik zal je helpen. Laat mij maar begaan."
+
+"Welnu, mijnheer," zeide de gedelegeerde, "wanneer zullen we
+beginnen? We moeten niet te lang wachten, want ik vertrek eerstdaags."
+
+"Ik moet zelf een klein reisje maken; overmorgen verlaat ik Parijs. Als
+u het dus goed vindt, zullen we maar dadelijk beginnen. Een flinke
+séance zal de zaak zeer bespoedigen."
+
+"Maar het zal zoo dadelijk donker zijn, en u kunt toch niet bij
+kunstlicht schilderen," zeide mijnheer Blancheron.
+
+"Mijn atelier is zòò ingericht, dat ik er op ieder uur van den dag
+kan werken..." viel de schilder hem in de rede. "Als u uw rok wilt
+uittrekken en de pose aannemen, zullen we beginnen."
+
+"Mijn rok uittrekken? Waarom?"
+
+"Hebt u niet gezegd, dat het een portret voor uw familie moet zijn?"
+
+"Zeker."
+
+"Dan moet u ook in een kamerjapon geschilderd worden. Dat is trouwens
+gewoonte ook."
+
+"Maar ik heb geen kamerjapon bij me."
+
+"Ik heb er een. Ik ben voor zulke gevallen ingericht," zeide Schaunard
+en gaf zijn model een oud met verfvlekken overladen vod, dat den
+eerzamen provinciaal op het eerste gezicht deed aarzelen.
+
+"Dat is al een heel raar kleedingstuk," zeide hij.
+
+"En heel kostbaar," antwoordde de schilder. "Indertijd heeft een
+Turksch vizier het cadeau gegeven aan Horace Vernet, die het weer
+aan mij vermaakt heeft. Ik ben zijn leerling."
+
+"Bent u een leerling van Vernet?" vroeg Blancheron.
+
+"Ja, mijnheer, en daar ben ik trotsch op.--Schande," mompelde hij in
+zichzelf, "ik verloochen mijn goden."
+
+"Daar hebt u dan ook reden voor, jonge man," antwoordde de
+gedelegeerde, terwijl hij de kamerjapon van zoo voorname afkomst
+aantrok.
+
+"Hang den rok van mijnheer aan den porte-manteau," zeide Schaunard
+met een beteekenisvollen blik tot zijn vriend.
+
+"Zeg eens," mompelde Marcel, terwijl hij zich op zijn prooi wierp en
+heimelijk naar Blancheron wees "hij ziet er prachtig uit zoo! Als je
+hem zoo eens schilderen kon!"
+
+"Ik zal het probeeren! Maar dat is van minder belang, kleed je gauw aan
+en maak, dat je weg komt, maar zorg, dat je om tien uur terug bent;
+ik zal hem wel tot zoo lang aan de praat houden. Maar vòòr alles,
+vergeet niet iets voor me mede te brengen."
+
+"Ik zal een ananas voor je meebrengen," antwoordde Marcel en maakte,
+dat hij weg kwam.
+
+Hij kleedde zich in vliegenden haast. De rok paste hem, alsof hij hem
+aangemeten was. Dan ging hij door de tweede deur van het atelier weg.
+
+Schaunard was intusschen met werken begonnen. Toen het heelemaal
+donker geworden was, hoorde mijnheer Blancheron het zes uur slaan en
+bedacht zich, dat hij nog niet gedineerd had. Hij vertelde dat aan
+den schilder.
+
+"Ik verkeer in hetzelfde geval, maar om u ter wille te zijn, zal ik
+mij daarvan vanavond maar speenen," zeide Schaunard; "wel had ik voor
+vanavond een invitatie in den faubourg Saint-Germain, maar we kunnen
+het werk nu niet afbreken, dat zou schade doen aan de gelijkenis."
+
+En hij begon weer te werken.
+
+"Maar," zeide hij plotseling, "we zouden kunnen dineeren, zonder dat
+we ons werk onderbreken. Er is hier vlak bij een uitstekend restaurant,
+vanwaar ze ons alles, wat we willen, kunnen brengen."
+
+En Schaunard wachtte met spanning de uitwerking van zijn trio
+meervouden af.
+
+"Ik ben het volkomen met u eens," zeide mijnheer Blancheron, "en het
+zal mij aangenaam zijn, indien u mij de eer wilt aandoen aan tafel
+mijn gast te zijn."
+
+Schaunard maakte een buiging.
+
+"Waarachtig," zeide hij tot zichzelf, "het is een brave kerel, een
+ware gezant der Voorzienigheid. Wilt u het menu maar opmaken?" vroeg
+hij aan zijn amphytrion. [7]
+
+"Het zal mij aangenaam zijn, indien u zich daarmede belasten wilt,"
+antwoordde deze beleefd.
+
+"Dat zal je berouwen," zong de schilder, die vliegensvlug de trap
+afstormde.
+
+Hij ging het restaurant binnen, liep naar de toonbank en stelde
+een menu samen, dat den Vatel [8] in den winkel bij het lezen bleek
+deed worden.
+
+"En goede Bordeaux."
+
+"Wie betaalt dat?"
+
+"Ik waarschijnlijk niet," zeide Schaunard; "maar een oom van me, een
+lekkerbek en fijnproever, dien u boven bij me zult zien. Zet dus je
+beste beentje voor en zorg, dat we binnen een half uur kunnen eten
+en denk erom, op echt porcelein."
+
+
+
+Om acht uur voelde mijnheer Blancheron reeds behoefte aan de borst van
+een vriend zijn denkbeelden over de suikerindustrie uit te storten,
+en declameerde hij voor Schaunard de brochure, die hij geschreven had.
+
+Deze begeleidde hem op den piano.
+
+Om tien uur dansten mijnheer Blancheron en zijn vriend een galop en
+tutoyeerden elkaar.
+
+Om elf uur zwoeren zij elkaar eeuwige trouw en maakten een testament,
+waarin zij elkaar wederkeerig hun fortuin nalieten.
+
+Om twaalf uur kwam Marcel thuis en vond ze in elkanders armen. Ze
+zwommen in tranen. Er stond al een halve duim water in het
+atelier. Marcel stootte zich tegen de tafel en zag de schitterende
+overblijfselen van het heerlijke festijn. Hij onderzocht de
+flesschen--zij waren totaal leeg.
+
+Hij wilde Schaunard wakker maken, maar deze dreigde hem te zullen
+vermoorden, als hij hem Mijnheer Blancheron, dien hij als hoofdkussen
+gebruikte, wilde ontrooven.
+
+"Ondankbare!" zeide Marcel, terwijl hij uit zijn rokzak een handvol
+noten te voorschijn haalde. "Mij vermoorden, mij, die een diner voor
+hem meegebracht heb."
+
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK III.
+
+DE LIEFDE IN DEN VASTENTIJD.
+
+
+Op een avond in den vastentijd kwam Rodolphe al vroeg thuis met het
+vaste plan om te gaan werken. Doch nauwlijks had hij zich aan tafel
+gezet en zijn pen in den inktkoker gedoopt, toen zijn aandacht door
+een zonderling geluid getrokken werd; en toen hij luisterde aan het
+indiscrete beschot, dat hem van de kamer ernaast scheidde, hoorde
+hij heel duidelijk een regelmatigen dialoog van kussen en andere
+amoureuse klanknabootsingen.
+
+"Drommels!" dacht Rodolphe, terwijl hij op de pendule keek, "het is nog
+niet laat ... en mijn buurvrouw is een Julia, die haar Romeo gewoonlijk
+nog lang na het zingen van de leeuwerik bij zich houdt. Ik zal vannacht
+niet kunnen werken." En hij zette zijn hoed op en ging uit.
+
+Toen hij zijn sleutel in de portiersloge wilde leggen, vond hij de
+vrouw van den concierge in de armen van een galant. De arme vrouw
+was er zoo verschrikt door, dat er meer dan vijf minuten verliepen,
+voordat zij kon opentrekken.
+
+"Ha!" dacht Rodolphe, "er zijn dus oogenblikken, waarop de portiersters
+weer vrouwen worden."
+
+Toen hij de huisdeur opende, vond hij in den hoek een dragonder
+en een keukenmeid in een avondmantel staan, die elkaar bij de hand
+vasthielden en het geld der liefde wisselden.
+
+"Alle duivels!" zeide Rodolphe met een toespeling op den krijgsman
+en zijn robuste vriendin, "dat zijn een paar ketters, die er niet
+aan denken, dat wij in de vasten zijn."
+
+En hij ging de straat op naar een van zijn vrienden, die in de
+buurt woonde.
+
+"Als Marcel thuis is," zeide hij tot zichzelf, "dan kunnen we den
+avond doorbrengen met eens lekker Colline over den hekel te halen. Je
+moet toch wat doen ...."
+
+Op zijn krachtig kloppen werd de deur op een kiertje open gemaakt en
+vertoonde zich daarin een jonge man met alleen een monocle op en een
+hemd aan.
+
+"Ik kan je vandaag niet ontvangen," zeide hij tegen Rodolphe.
+
+"Waarom niet?" vroeg deze.
+
+"Hier!" zeide Marcel en hij wees op een vrouwehoofd, dat achter een
+bedgordijn te voorschijn kwam; "hier heb je mijn antwoord!"
+
+"Zij is niet mooi!" antwoordde Rodolphe, toen de deur voor zijn
+neus gesloten was. "Maar wat nu?" zeide hij, toen hij weer op straat
+was. "Als ik eens naar Colline ging? Dan zouden we eens lekker over
+Marcel kunnen kletsen."
+
+Toen hij de gewoonlijk donkere en weinig drukke rue de l'Ouest
+doorging, zag hij plotseling een schaduw, die melancholiek heen en
+weer liep en binnensmonds verzen scheen te reciteeren.
+
+"He, he," zeide Rodolphe; "welk sonnet loopt daar zoo te
+blauwbekken? Lieve Hemel, het is Colline."
+
+"He, Rodolphe! Waar is de reis naar toe?"
+
+"Naar jou."
+
+"Daar zal je me niet vinden."
+
+"Wat doe je hier?"
+
+"Ik wacht."
+
+"En waar wacht je op?"
+
+"Ach!" zeide Colline met spottende hoogdravendheid, "waarop kan je
+wachten, wanneer je twintig bent, de hemel van sterren fonkelt en
+liederen door de lucht weerklinken?"
+
+"Spreek toch in proza."
+
+"Ik wacht op een vrouw."
+
+"Bonsoir," zeide Rodolphe, die in zichzelf pratend verder
+ging. "Bliksems! Is het dan vandaag St. Cupido en zou ik geen stap
+kunnen verzetten zonder op verliefden te stooten? Het is onzedelijk,
+schandelijk. Waarom doet de politie er niets aan?"
+
+Daar de Luxembourg nog open was, ging Rodolphe dien binnen, om zijn
+weg te bekorten. In de verlaten lanen zag hij dikwijls, als verschrikt
+door zijn passen, geheimzinnig elkaar omvattende paren voor zich uit
+vluchten, die, zooals een dichter gezongen heeft, de dubbele wellust
+der stilte en der schaduw zoeken.
+
+"Net een avond, die uit een roman overgeschreven is," zeide hij tot
+zichzelf. En toch ging hij, zijns ondanks door een smachtende bekoring
+bevangen, op een bank zitten en keek sentimenteel naar de maan.
+
+Na eenigen tijd was hij geheel door een hallucinatiekoorts
+bevangen. Het was, alsof de marmeren goden en heroën, die den tuin
+bevolken, van hun voetstukken afdaalden, om aan de godinnen en
+heroïnen het hof te maken; en hij hoorde heel duidelijk hoe de dikke
+Hercules de Velleda, wier tunica hem buitengewoon kort voorkwam,
+galante complimentjes influisterde.
+
+Van af de bank, waarop hij zat, zag hij, hoe de zwaan uit het bassin
+naar een nymph daar vlak bij ging.
+
+"Mooi!" dacht Rodolphe, die dit alles mythologisch opvatte, "dat is
+Juppiter, die naar zijn rendez-vous met Leda gaat. Als de bewaker ze
+nu maar niet betrapt."
+
+Dan legde hij zijn hoofd in zijn handen en boog zich nog dieper in
+de doornen van zijn gevoel. Doch op dit heerlijke oogenblik van zijn
+droom werd Rodolphe plotseling wakker geschrikt door een bewaker,
+die hem op zijn schouder tikte.
+
+"Mijnheer, de tuin wordt gesloten."
+
+"Dat is maar gelukkig ook," dacht Rodolphe. "Als ik hier nog vijf
+minuten bleef, zou ik in mijn hart meer vergeet-mij-nietjes hebben
+dan er op de oevers van den Rijn of in de romans van Alphonse Karr
+groeien."
+
+En met zachte stem een sentimenteele romance, die voor hem de
+Marseillaise der liefde was, neuriënd, verliet hij met vluggen pas
+den Luxembourg.
+
+Een half uur later zat hij--God weet hoe hij er kwam--in den Prado voor
+een glas punch te praten met een grooten, jongen man, die beroemd was
+om zijn neus, welke er door een merkwaardig privilege van ter zijde
+snavelvormig en en face plat uitzag; een meesterneus, wien het niet aan
+geest ontbrak en die genoeg avonturen medegemaakt had, om in dergelijke
+gevallen goeden raad te kunnen geven en zijn vriend nuttig te zijn.
+
+"Dus," zeide Alexandre Schaunard, de man met den neus, "je bent
+verliefd!"
+
+"Ja, mijn waarde .... ik heb het daarnet plotseling te pakken gekregen;
+precies hevige kiespijn, die je in je hart hebt."
+
+"Geef me je tabak eens," zeide Alexandre.
+
+"Stel je voor," ging Rodolphe voort, "dat ik sinds twee uur niets dan
+verliefden, mannen en vrouwen, twee aan twee, tegenkom. Ik kwam op
+het denkbeeld den Luxembourg in te loopen, waar ik allerlei soorten
+phantasmagorieën gezien heb; dat heeft me buitengewoon aangegrepen;
+elegieën schieten in mij op; ik blaat en ik kir; ik ben half lam, half
+duif geworden. Kijk me eens goed aan; ik moet wol en veeren hebben."
+
+"Wat heb je toch gedronken?" zeide Alexandre ongeduldig, "je laat me
+poseeren alsof ik een model ben."
+
+"Ik verzeker je, dat ik volkomen helder ben," zeide Rodolphe. "Of
+toch eigenlijk niet. Maar ik moet je eerlijk bekennen, dat ik behoefte
+heb om iets te omhelzen. Zie je, Alexandre, het is niet goed, dat de
+mensch alleen zij: kort en goed je moet me helpen een vrouw te vinden
+.... Wij zullen een rondgang door de balzaal maken, en daar moet jij
+de eerste, die ik je aanwijs, gaan zeggen, dat ik haar liefheb."
+
+"Waarom ga je zelf dat haar niet zeggen?" antwoordde Alexandre met
+zijn prachtigen nasalen bas.
+
+"Ach mijn waarde," zeide Rodolphe, "ik wil eerlijk bekennen, dat ik
+heelemaal vergeten ben hoe je het aan moet pakken, om zulke dingen te
+zeggen. Van al mijn liefderomans hebben mijn vrienden de inleiding
+geschreven, sommigen zelfs de ontknooping. Ik heb nooit een goed
+begin kunnen vinden."
+
+"Het is voldoende, om er een eind aan te kunnen maken," zeide
+Alexandre; "maar ik begrijp je. Ik heb een jong meisje gezien, die
+veel van hobo's houdt. Misschien val je wel in haar smaak."
+
+"Ach!" zeide Rodolphe, "ik zou zoo graag zien, dat zij witte
+handschoenen en blauwe oogen had."
+
+"Drommels, blauwe oogen, dat zal nog wel gaan .... maar witte
+handschoenen .... je weet toch, dat je niet alles tegelijk hebben
+kan. Maar laten we naar het aristocratische kwartier gaan."
+
+"Kijk," zeide Rodolphe, terwijl hij een salon binnenging, waar de
+modepoppetjes zich ophielden, "daar zit er een, die me nog al zacht
+toeschijnt ...." en hij wees op een vrij elegant gekleed meisje,
+dat zich in een hoek teruggetrokken had.
+
+"Goed," antwoordde Alexandre; "houd jij je maar wat op den
+achtergrond; ik zal voor jou den fakkel van den hartstocht in haar
+hart slingeren. Wanneer je moet komen, zal ik je roepen."
+
+Een minuut of tien stond Alexandre te praten met het jonge meisje,
+dat nu en dan in een vroolijken lach uitbarstte en eindelijk Rodolphe
+een glimlachje toewierp, dat meer dan duidelijk te kennen gaf: Kom
+maar, je advocaat heeft zijn proces gewonnen.
+
+"Ga nu maar," zeide Alexandre; "de overwinning is ons; het kleintje
+zal in ieder geval niet wreed zijn, maar doe in den beginne een
+beetje naief."
+
+"Dat behoef je me volstrekt niet te zeggen."
+
+"Ook goed," zeide Schaunard. "Geef mij nu eerst wat tabak en ga dan
+bij haar zitten."
+
+"Lieve Hemel," zeide het jonge meisje, toen Rodolphe naast haar
+plaats genomen had; "wat een type, die vriend van je. Hij heeft een
+stem als een jachthoorn."
+
+"Dat komt, omdat hij musicus is," antwoordde Rodolphe.
+
+Twee uur later bleven Rodolphe en zijn vriendinnetje voor een huis
+in de rue Saint-Denis staan.
+
+"Hier woon ik," zeide het jonge meisje.
+
+"Lieve Louise, wanneer zal ik je weer zien, en waar?"
+
+"Morgenavond om acht uur op je kamer."
+
+"Heusch?"
+
+"Hier heb je mijn woord," antwoordde Louise, terwijl zij Rodolphe
+haar frissche wangen toestak, die zoo maar in die prachtige rijpe
+vruchten van jeugd en gezondheid beet.
+
+Dol en dronken van liefde kwam Rodolphe weer op zijn kamer.
+
+"O," zeide hij, terwijl hij met groote passen op en neer liep;
+"dat kan zoo maar niet afloopen! Ik moet verzen maken."
+
+Den volgenden morgen vond de concierge in de kamer een dertig blaadjes
+papier, aan het hoofd waarvan majestueus deze enkele alexandrijn
+prijkte:
+
+"O l'Amour! ô l'Amour! prince de la jeunesse!"
+
+Rodolphe was dien dag, tegen zijn gewoonte in, al heel vroeg wakker,
+en hoewel hij weinig geslapen had, stond hij dadelijk op.
+
+"Dus," riep hij uit, "is het vandaag de groote dag .... Maar nog
+twaalf uur wachten .... Hoe die twaalf eeuwigheden doorkomen?"
+
+En toen zijn blik op zijn schrijftafel viel, was het alsof zijn pen
+heen en weer huppelde en tegen hem zei: Werk.
+
+"Werken? weg met het proza!... Ik wil niet hier blijven, het stinkt
+hier naar inkt!"
+
+Hij ging naar een café, waar hij zeker was geen vrienden te zullen
+aantreffen.
+
+"Zij zouden dadelijk zien, dat ik verliefd was," dacht hij.
+
+Na een zeer eenvoudig dejeuner gebruikt te hebben, liep hij naar het
+station en stapte in een coupé.
+
+Een half uur later was hij in de bosschen van Ville d'Avray.
+
+Rodolphe wandelde den geheelen dag door de verjongde natuur en keerde
+eerst tegen het vallen van den avond naar Parijs terug.
+
+Nadat hij den tempel, die zijn afgod zou ontvangen in orde gemaakt had,
+maakte hij een voor deze gelegenheid passend toilet, waarbij hij het
+zeer betreurde, dat hij zich niet geheel in het wit kleeden kon.
+
+Tusschen zeven en acht uur was hij ten prooi aan een hevige
+wacht-koorts, een langzame marteling, die hem zijn vroegere jaren
+en zijn vroegere verliefdheden weer in de gedachte terugriep. Dan
+droomde hij, volgens zijn gewoonte, reeds van een grooten hartstocht,
+een liefde in tien deelen, een waar lyrisch gedicht met maneschijn,
+ondergaande zon, afspraakjes onder wilgen, jaloezie, zuchten
+enz. enz. Zoo ging het iederen keer, als het toeval een vrouw aan
+zijn deur voerde, en geen enkele had hem verlaten zonder een aureool
+om haar voorhoofd en een collier van tranen om haar hals.
+
+"Zij zouden liever een hoed of een paar schoenen hebben," zeiden
+zijn vrienden.
+
+Maar Rodolphe was hardnekkig en tot nog toe hadden de talrijke
+ervaringen, die hij al had doorgemaakt, hem niet kunnen genezen. Hij
+wachtte nog altijd op een vrouw, die een idool voor hem zou willen
+zijn, een engel in zijde en fluweel, tot wie hij, als de inspiratie
+ze hem ingaf, zijn sonnetten kon richten.
+
+Eindelijk hoorde Rodolphe het "gewijde uur" slaan, en toen de laatste
+slag weerklonk, meende hij te zien dat de Amor en de Psyche op zijn
+pendule hun albasten lichamen tegen elkaar drukten. Op hetzelfde
+oogenblik werd er tweemaal bescheiden aan de deur geklopt.
+
+Rodolphe ging open doen; het was Louise.
+
+"Je ziet, dat ik op tijd ben," zeide zij.
+
+Rodolphe deed de gordijnen dicht en stak een nieuwe kaars aan.
+
+Intusschen had de kleine haar sjaal afgedaan en haar hoed afgezet en
+die beide op het bed gelegd. De hagelwitte lakens deden haar glimlachen
+en bijna een kleur krijgen.
+
+Louise was eerder gracieus dan mooi te noemen; haar frisch
+gezichtje verried een aantrekkelijke vermenging van naïveteit en
+schalkschheid. Het was iets als een motief van Greuze, gearrangeerd
+door Gavarni. [9] De bekoorlijke, jeugdige vormen van het jonge
+meisje kwamen zeer voordeelig uit door een toilet, dat, hoewel heel
+eenvoudig, ook bij haar die aangeboren kennis verried van koketterie,
+welke alle vrouwen bezitten van af haar eerste windselen tot aan haar
+bruidskleed. Louise scheen bovendien in het bijzonder de theorie der
+houdingen bestudeerd te hebben en nam voor Rodolphe, die haar met
+kunstenaarsoogen beschouwde, een reeks verleidelijke standen aan, die
+in hun gemaniereerdheid dikwijls meer gracieus dan natuurlijk waren:
+haar fijn geschoeide voetjes waren klein genoeg .... zelfs voor een
+romanticus, die Andalusische of Chineesche miniaturen als zijn ideaal
+beschouwt. Haar teere handen verrieden, dat zij niet aan werken gewoon
+waren. Inderdaad hadden zij in de laatste zes maanden de steken der
+naalden niet behoeven te vreezen. In het kort Louise was een van die
+trekvogeltjes, welke uit een gril en dikwijls uit noodzaak, haar nestje
+voor een dag of liever voor een nacht bouwen in de dakkamertjes van
+het Quartier latin en daar gaarne een paar dagen blijven, indien men
+ze door aardige invallen of zijden linten weet te binden.
+
+Na een uurtje met Louise gepraat te hebben, wees Rodolphe haar als
+een navolgenswaardig voorbeeld den groep van Amor en Psyche.
+
+"Zijn dat niet Paul en Virginie?" vroeg zij.
+
+"Ja," antwoordde Rodolphe, die haar niet dadelijk door een tegenspraak
+wilde krenken.
+
+"Zij zijn goed nagemaakt," vond Louise.
+
+"O je!" dacht Rodolphe, terwijl hij haar aankeek, "het arme kind
+is weinig bedreven in de litteratuur. Ik ben er zeker van, dat zij
+alleen op de hoogte is van de orthographie van het hart, die geen en
+of s in het meervoud schrijft. Ik zal een grammatica voor haar koopen."
+
+Toen Louise erover klaagde, dat haar schoenen haar knelden, hielp
+hij haar voorkomend bij het uittrekken.
+
+Plotseling ging het licht uit.
+
+"Hè?" riep Rodolphe uit, "wie heeft de kaars uitgeblazen?"
+
+Een vroolijke lach was het antwoord.
+
+Enkele dagen later kwam Rodolphe op straat een van zijn vrienden tegen.
+
+"Wat voer je toch uit?" vroeg deze hem. "We zien je heelemaal niet
+meer."
+
+"Ik maak huiselijke poëzie," was Rodolphe's antwoord.
+
+De ongelukkige sprak de waarheid. Hij had aan Louise meer gevraagd
+dan het arme kind hem had kunnen geven. Als doedelzak had zij niet
+de tonen van een lier. Zij sprak, om zoo te zeggen, het patois der
+liefde en Rodolphe wilde er absoluut de salontaal van spreken. Daardoor
+begrepen zij elkaar nauwlijks.
+
+Acht dagen later ontmoette Louise in hetzelfde danslokaal, waar zij
+Rodolphe voor het eerst gezien had, een blonden jongen man, met wien
+zij verscheidene malen danste en die haar na afloop van het bal naar
+zijn kamer meenam.
+
+Het was een tweedejaarsstudent, die heel goed het proza van het
+pleizier sprak en mooie oogen en rinkelende zakken had.
+
+Louise vroeg hem papier en inkt en schreef Rodolphe den volgenden
+brief:
+
+
+ "Reeken niet meer op mei, ik omhels je voor het laast. Adieu.
+
+ Louise."
+
+
+Toen Rodolphe 's avonds bij zijn thuiskomst dien brief las, ging zijn
+licht plotseling uit.
+
+"Kijk!" zeide hij nadenkend, "dat is de kaars, die ik den avond, dat
+Louise kwam, aangestoken heb: zij moest met onze liaison sterven. Als
+ik het vooruit geweten had, zou ik een langere genomen hebben,"
+voegde hij er half spijtig, half boos bij en hij legde het briefje
+van zijn maîtresse in een lade, die hij wel eens de catacomben van
+zijn liefde noemde.
+
+Toen Rodolphe eenigen tijd later eens bij Marcel was, raapte hij,
+om zijn pijp aan te steken, een stuk papier van den grond op, waarop
+hij het schrift en de orthographie van Louise herkende.
+
+"Ik heb een autograaf van dezelfde hand," zeide hij tot zijn vriend;
+"maar er staan in den mijne twee fouten minder dan in die van
+jou. Bewijst dat niet, dat zij meer van mij hield dan van jou?"
+
+"Dat bewijst, dat je een idioot bent!" antwoordde Marcel. "Blanke
+schouders en blanke armen hebben geen grammatica van noode."
+
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK IV.
+
+ALI-RODOLPHE, OF DE TURK TEGEN WIL EN DANK.
+
+
+Door een ongastvrijen huisheer verbannen, leefde Rodolphe sedert
+eenigen tijd in meer dwalenden toestand dan de wolken en volmaakte
+zich, zoo goed hij kon, in de kunst zonder avondeten naar bed te gaan
+of te soupeeren zonder naar bed te gaan. Zijn kok heette het Toeval
+en hij logeerde meestal in het hotel: De Bloote Hemel.
+
+Twee dingen echter verlieten Rodolphe te midden van al zijn
+tegenspoeden nooit: zijn goed humeur en het manuscript van
+"Le Vengeur", een drama, dat een lijdensweg door alle Parijsche
+schouwburgen gemaakt had.
+
+Op een goeden dag, toen Rodolphe ten gevolge van een al te fantastische
+danse macabre naar de "nor" gebracht was, stond hij plotseling
+tegenover een oom van hem, een zekeren mijnheer Monetti, kachelsmid,
+rookverdrijver en sergeant bij de garde nationale, dien hij in geen
+eeuwigheid gezien had.
+
+Geroerd door de tegenspoeden van zijn neef, beloofde oom Moretti zijn
+positie te verbeteren. Wij zullen zien hoe, als de lezer tenminste
+niet opziet tegen een zes verdiepingen hooge klimpartij.
+
+De leuning dus gepakt en naar boven. Oef! honderd vijf-en-twintig
+treden. Daar zijn we eindelijk boven. Nog een stap en wij zijn in de
+kamer, nog een en wij zouden er niet meer in zijn. Het is wat klein,
+maar het is hoog: en verder licht en lucht en uitzicht first class.
+
+Het meubilair bestaat uit verschillende kachels in den vorm van een
+schoorsteen, twee haarden, spaarovens (vooral wanneer je er geen
+vuur in aanlegt), een dozijn aarden of ijzeren pijpen en een menigte
+verwarmingstoestellen; laten we, om den inventaris te sluiten, nog
+noemen, een aan twee in den muur geslagen spijkers bevestigde hangmat,
+een tuinstoel met een poot eraf, een kandelaar met een afdruipglaasje
+en verschillende andere kunst- en luxe voorwerpen.
+
+Het tweede vertrek, het balcon, wordt gedurende het mooie seizoen
+door twee in potten staande dwerg-cypressen in een park veranderd.
+
+Op het oogenblik, dat wij binnentreden, beëindigt de bewoner van die
+heerlijkheid, een jonge als een Turk uit een opéra comique gekleede
+jonge man, een maaltijd, waarbij hij, zooals de aanwezigheid van een
+ex-ham en een te voren volle flesch wijn verraadt, op snoode wijze
+de wet van den propheet schendt. Na afloop van den maaltijd strekt de
+jonge man zich op zijn Oostersch uit op den vloer en begint nonchalant
+een met J. G. [10] gemerkte pijp te rooken. Terwijl hij zich geheel en
+al overgaf aan deze Aziatische gelukzaligheid, streelde hij van tijd
+tot tijd den rug van een prachtigen Newfoundlander, die ongetwijfeld
+die liefkoozing beantwoord zou hebben, als hij niet van terra cotta
+geweest was. Plotseling hoorde men op de gang geluid van stappen;
+de deur ging open en een man kwam binnen, die, zonder een woord te
+zeggen, recht op een der beide haarden, welke als secretaire dienst
+deed, toeliep, het deurtje van den oven openmaakte en er een rol
+papier uitnam, dat hij met groote aandacht ging lezen.
+
+"Wat?" riep de pas binnengekomene met een sterk Piemonteesch accent;
+"heb je dat hoofdstuk over de luchtgaten nog niet af?"
+
+"Neem me niet kwalijk, oom," antwoordde de Turk, "het hoofdstuk over
+de luchtgaten is een van de interessantste van uw boek en vereischt
+een nauwkeurige studie. Ik ben bezig het te bestudeeren."
+
+"Maar, ellendeling, dat antwoordt je me iederen dag. En hoe ver ben
+je met het hoofdstuk over de vulkachels?"
+
+"De vulkachel staat er goed voor. Maar van kachels gesproken, oom,
+als u me wat hout zoudt willen geven, zou ik er niets tegen hebben. Het
+is hier een klein Siberië. Ik heb het zoo koud, dat ik den thermometer
+zeker beneden nul zou laten dalen alleen door er naar te kijken."
+
+"Wat, heb je dien heelen takkebos al opgebruikt?"
+
+"Neem me niet kwalijk, oom, er zijn takkebossen en takkebossen,
+en de uwe was al heel klein."
+
+"Ik zal een kolengruisblok boven laten brengen. Dat bewaart de warmte."
+
+"Daarom geeft het die zeker niet."
+
+"Nou dan," zeide de Piemontees weggaande, "ik zal je wat talhout boven
+sturen. Maar morgen moet ik mijn hoofdstuk over de vulkachels hebben."
+
+"Wanneer ik vuur heb, zal ik daar beter vlam voor kunnen vatten,"
+zeide de Turk, terwijl de Piemontees de deur aan den buitenkant sloot.
+
+Wanneer we een tragedie aan het schrijven waren, zou nu het oogenblik
+aangebroken zijn, om den vertrouwde te laten optreden. Hij zou
+Noureddin of Osman moeten heeten en op tegelijk bescheiden en
+beschermende wijze onzen held moeten naderen en hem zijn geheim
+ontlokken met deze verzen:
+
+
+ "Quel funeste chagrin vous occupe, seigneur?
+ À votre auguste front, pourquoi cette pâleur?
+ Allah se montre-t-il à vos desseins contraire?
+ Ou le farouche Ali, par un ordre sévère,
+ A-t-il sur d'autres bords, en apprenant vos voeux,
+ Éloigné la beauté qui sut charmer vos yeux?"
+
+
+Maar wij schrijven geen tragedie, en moeten het dus, al hebben wij
+eigenlijk een vertrouwde dringend noodig, zonder hem stellen.
+
+Onze held is niet wat hij schijnt te zijn: de tulband maakt den
+Turk niet. Deze jonge man is onze vriend Rodolphe, die door zijn
+oom onder dak is gebracht, voor wien hij nu een "Handboek voor den
+Volmaakten Rookverdrijver" samenstelt. Mijnheer Monetti, die voor zijn
+kunst zeer geestdriftig was, had al zijn vrijen tijd gewijd aan de
+rookverdrijverij. Deze waardige Piemontees had voor zijn gebruik een
+stelregel gevonden, die bijna een pendant van dien van Cicero vormde,
+en in oogenblikken van grooten geestdrift riep hij uit: "Nascuntur poê
+.... liers" [11]. Op een goeden dag was deze waardige Piemontees, tot
+nut en stichting van de komende geslachten, op het denkbeeld gekomen
+een theoretischen codex te formuleeren van de grondbeginselen der
+kunst, in de praktische uitoefening waarvan hij uitblonk, en hij had,
+zooals wij gezien hebben, zijn neef uitverkoren, om zijn diepzinnige
+denkbeelden te gieten in een voor de menschheid begrijpelijken
+vorm. Rodolphe werd door hem gevoed, gelegerd enz. ... en zou na de
+voltooiing van het Handboek een gratificatie van honderd daalders
+krijgen.
+
+Om zijn neef tot werken aan te sporen, had Monetti hem in de eerste
+dagen edelmoedig een voorschot van vijftig francs gegeven. Maar
+Rodolphe, die al in een jaar zoo'n groote som niet gezien had,
+was half waanzinnig van blijdschap in gezelschap van zijn daalders
+uitgegaan en bleef drie dagen onder water: den vierden kwam hij,
+van de zwaarte der looddeelen bevrijd, weer boven.
+
+Monetti, die vurig verlangde zijn Handboek af te zien, daar hij hoopte
+er een brevet voor te krijgen, was bang voor nieuwe escapades van
+zijn neef. Om hem tot werken te noodzaken en hem te beletten uit te
+gaan, nam hij hem zijn kleeren af en gaf hem daarvoor in de plaats
+het kostuum, waarin we hem zooeven hebben aangetroffen.
+
+Desniettegenstaande vorderde het beroemde Handboek slechts piano
+aan, daar Rodolphe te eenenmale de voor dit genre van litteratuur
+vereischte eigenschappen miste. De oom wreekte zich over die trage
+onverschilligheid ten opzichte der schoorsteenen door zijn neef een
+aantal kwellingen te laten ondergaan. Nu eens gaf hij hem slechts
+kleine maaltijden en meermalen liet hij hem zonder rooktabak.
+
+Op een Zondag brak Rodolphe, na bloed en inkt over het beroemde
+hoofdstuk der luchtgaten gezweet te hebben, zijn pen, die hem in de
+vingers brandde, in tweeën en ging een wandeling maken in zijn park.
+
+Maar als om hem te plagen en zijn lust nog meer te prikkelen, kon hij
+nergens heen kijken, of hij zag voor ieder raam iemand zitten rooken.
+
+Op het vergulde balcon van een pasgebouwd huis kauwde een modegek in
+een kamerjapon tusschen zijn tanden een aristocratischen panatella. Een
+verdieping hooger joeg een artist den geurigen mist van Turksche tabak,
+die in een pijp met barnsteenen mondstuk brandde, voor zich uit. Voor
+het raam van een kroeg liet een dikke Duitscher zijn bier schuimen en
+blies met mechanischen regelmaat dikke wolken uit zijn Cudmer-pijp. Op
+straat kwamen zingend groepen werklieden met hun neuswarmers tusschen
+de lippen voorbij. En ook alle andere voetgangers, die de straat
+vulden, rookten.
+
+"Helaas!" zuchtte Rodolphe, "behalve ik en de schoorsteenen van mijn
+oom, rookt op dit oogenblik alles in de schepping."
+
+En met zijn voorhoofd op het hek van het balcon geleund, overdacht
+hij hoe bitter eigenlijk het leven was.
+
+Plotseling hoorde hij beneden zich een helderen, lang aangehouden
+lach. Rodolphe boog zich wat voorover, om te zien, vanwaar die
+uitbarsting van vreugde kwam, en hij bemerkte, dat hij opgemerkt was
+door de bewoonster van de verdieping beneden hem: mademoiselle Sidonie,
+de jeune première van het Théâtre du Luxembourg.
+
+Mademoiselle Sidonie kwam nu buiten op haar balcon en rolde met
+Castiliaansche handigheid lichte tabak, dien zij uit een geborduurden
+fluweelen tabakszak nam, in een blaadje dun papier.
+
+"Wat een mooie tabakszak," mompelde Rodolphe met contemplatieve
+bewondering.
+
+"Wie is die Ali-Baba?" dacht op haar beurt mademoiselle Sidonie.
+
+En zij zon op een voorwendsel om een gesprek aan te knoopen met
+Rodolphe, die van zijn kant niets liever wilde.
+
+"Lieve God!" riep mademoiselle Sidonie uit, alsof zij tegen zichzelf
+sprak, "wat vervelend toch, nu heb ik geen lucifers."
+
+"Mademoiselle, wilt u mij toestaan u er een paar aan te bieden?" vroeg
+Rodolphe, terwijl hij een paar lucifers in een papiertje wikkelde en
+op het balcon liet vallen.
+
+"Dank u zeer!" antwoordde Sidonie, terwijl zij haar sigaret aanstak.
+
+"Mademoiselle ...." ging Rodolphe voort, "zou ik u in ruil voor
+den kleinen dienst, dien mijn goede engel mij toegestaan heeft u te
+bewijzen, u mogen vragen?..."
+
+"Wat! Begint hij nu al te vragen!" dacht Sidonie, terwijl zij
+Rodolphe wat belangstellender opnam. "O, die Turken! Men zegt, dat zij
+wispelturig zijn, maar wel gezellige menschen. Spreek mijnheer!" zeide
+zij, terwijl zij naar Rodolphe opkeek; "wat wilt u?"
+
+"O, mademoiselle, in naam der Christelijke barmhartigheid smeek ik
+u om wat tabak: in geen twee dagen heb ik gerookt. Eén pijp maar ...."
+
+"Met alle genoegen, mijnheer .... Maar hoe moet ik dat doen? Neem de
+moeite om even een verdieping lager te komen."
+
+"Helaas, dat is mij niet mogelijk .... Ik ben opgesloten, maar mij
+blijft nog de vrijheid om een eenvoudig middel te gebruiken."
+
+En hij bond zijn pijp aan een touwtje en liet haar zakken op het
+balcon, waar mademoiselle Sidonie haar eigenhandig goed vol stopte,
+waarna Rodolphe haar, d. w. z. de pijp, weer langzaam en voorzichtig
+opheesch, wat zonder ongeval gelukte.
+
+"O, mademoiselle," zeide hij tot Sidonie, "wat zou die pijp mij nog
+lekkerder smaken, indien ik ze aan het vuur van uw oogen had kunnen
+aansteken."
+
+Deze aardige vleierij beleefde nu minstens haar honderdsten druk,
+maar mademoiselle Sidonie vond ze desniettemin prachtig.
+
+"U vleit me," meende ze te moeten antwoorden.
+
+"Ah, mademoiselle, ik verzeker u, dat u mij even bevallig toeschijnt
+als de drie Gratiën!"
+
+"Ali Baba is beslist zeer galant," dacht Sidonie .... "Bent u werkelijk
+een Turk?" vroeg zij dan aan Rodolphe.
+
+"Niet uit roeping," antwoordde hij, "maar vi coactus; [12] ik ben
+dramatisch auteur, madame."
+
+"En ik dramatische artiste," antwoordde Sidonie.
+
+Dan liet zij erop volgen:
+
+"Wilt u, waarde buurman, mij de eer aandoen bij mij te komen dineeren
+en verder den avond door te brengen?"
+
+"Helaas, mademoiselle, hoewel deze uitnoodiging den hemel voor mij
+opent, is het mij niet mogelijk haar aan te nemen. Zooals ik reeds
+de eer gehad heb u te zeggen, ben ik achter slot en grendel gezet
+door mijn oom, mijnheer Monetti, kachelsmid en rookverdrijver, wiens
+secretaris ik op dit oogenblik ben."
+
+"En toch zult u met mij dineeren," antwoordde Sidonie; "let goed op: ik
+ga in mijn kamer en zal tegen mijn plafond kloppen. Op de plek, waar ik
+klop, moet u kijken, en u zult daar de sporen vinden van een kijkgat,
+een judas, dat daar vroeger was, maar nu sedert lang dicht gespijkerd
+is: tracht het stuk hout, dat het gat afsluit, te verwijderen, dan
+zullen we, hoewel ieder bij ons thuis, zoo goed als samen zijn ...."
+
+Rodolphe zette zich dadelijk aan het werk. Na vijf minuten was er
+een verbinding tusschen de twee kamers tot stand gebracht.
+
+"Helaas!" zeide Rodolphe; "het gat is wel klein, maar er is toch nog
+altijd ruimte genoeg, om u mijn hart er doorheen te kunnen reiken."
+
+"En nu," zeide Sidonie, "gaan we eten. Dek bij je, dan zal ik u den
+schotel geven."
+
+Rodolphe liet aan een touwtje zijn tulband neer en heesch die, gevuld
+met eetwaren, weer op; daarna begonnen de dichter en de artiste samen,
+ieder aan zijn kant, te eten. Met zijn mond verslond Rodolphe de
+pastei, met zijn oogen mademoiselle Sidonie.
+
+"Mademoiselle!" zeide Rodolphe na afloop van het diner; "dank zij u,
+is mijn maag thans bevredigd. Zoudt u niet eveneens den geeuwhonger
+van mijn hart, dat reeds zoo lang gevast heeft, willen stillen?"
+
+"Arme jongen!" zuchtte Sidonie.
+
+Dit zeggende, klom zij op een stoel en bracht tot aan de lippen van
+Rodolphe haar hand, die deze met kussen bedekte.
+
+"Ach!" riep de jonge man uit; "hoe jammer dat u niet kunt doen als
+de Heilige Dionysius, die het recht had zijn hoofd in zijn handen
+te dragen."
+
+Na het diner ontspon zich een erotisch-litterair gesprek. Rodolphe
+sprak over zijn "Vengeur" en mademoiselle vroeg hem haar het stuk
+voor te lezen. Over den rand van het gat gebogen, begon Rodolphe
+zijn drama voor te dragen voor de actrice, die, om beter te kunnen
+hooren, was gaan zitten op een fauteuil, welken zij op haar commode
+gezet had. Mademoiselle Sidonie vond "Le Vengeur" een meesterstuk
+en beloofde, daar zij in den schouwburg, waaraan zij verbonden was,
+tevens de eerste viool speelde, Rodolphe, dat zij zou zorgen, dat
+zijn stuk zou worden aangenomen.
+
+Juist op het teederste oogenblik werd het gesprek gestoord door oom
+Monetti, wiens stap, licht als die van den commandeur, [13] op den
+corridor klonk. Rodolphe had nog slechts juist den tijd, om den judas
+te sluiten.
+
+"Daar!" zeide Monetti tot zijn neef, "hier heb je een brief, die je
+nu al een maand achterna loopt."
+
+"Laat eens zien!" zeide Rodolphe. "Oom!" riep hij na het lezen
+uit; "oom, ik ben rijk! Deze brief meldt me, dat ik een prijs van
+driehonderd francs gekregen heb van een Académie de Jeux floraux. [14]
+Geef me gauw mijn jas en mijn bagage. Ik wil mijn lauweren gaan
+plukken. Men wacht mij op het Capitool!"
+
+"En mijn hoofdstuk over de luchtgaten?" vroeg Monetti koud.
+
+"Maar oom, die trekken nu niet meer! Geef me mijn kleeren. Ik kan in
+dit costuum niet op straat komen ...."
+
+"Je gaat niet weg voor mijn Handboek af is," zeide zijn oom, terwijl
+hij Rodolphe weer achter slot en grendel sloot.
+
+Toen hij weer alleen was, aarzelde Rodolphe niet lang over wat hem
+te doen stond .... Hij bond een beddelaken, dat hij handig in een
+touwladder gemetamorphoseerd had, stevig aan zijn balcon en liet
+zich ondanks het gevaarlijke van de expeditie, met behulp van dien
+geïmproviseerden ladder op het balcon van mademoiselle Sidonie zakken.
+
+"Wie is daar?" riep deze uit, toen zij Rodolphe tegen de ruiten
+hoorde tikken.
+
+"Sstt!" antwoordde hij; "doe open ...."
+
+"Wat wilt u? Wie bent u?"
+
+"Hoe kunt ge dat nog vragen? Ik ben de dichter van Le Vengeur,
+en ik kom mijn hart halen, dat ik door den judas in uw kamer heb
+laten vallen."
+
+"Rampzalige!" zeide de actrice; "je hadt dood kunnen vallen!"
+
+"Luister, Sidonie ...." ging Rodolphe voort en liet haar den brief
+zien, dien hij pas gekregen had. "Zooals je ziet, lachen de fortuin
+en de roem mij toe .... Moge de liefde dat ook doen!"
+
+
+
+Den volgenden ochtend kon Rodolphe, dank zij een heerencostuum,
+dat Sidonie hem gegeven had, uit het huis van zijn oom ontsnappen
+.... Zijn eerste tocht was naar den vertegenwoordiger der Académie
+des Jeux floraux, om een gouden hondsroos in ontvangst te nemen ter
+waarde van honderd daalders, die bijna zoo lang leefden als de rozen
+plegen te leven.
+
+Een maand later kreeg mijnheer Monetti van zijn neef een uitnoodiging
+voor de première van "Le Vengeur". Dank zij het talent van mademoiselle
+Sidonie beleefde het stuk zeventien voorstellingen en bracht den
+schrijver veertig francs op.
+
+Eenigen tijd later--het was toen zomer--woonde Rodolphe in de Avenue
+Saint-Cloud, boom No. 3 links van het Bois de Boulogne, tak No. 5.
+
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK V.
+
+DE CAROLUSDAALDER.
+
+
+Tegen het einde van December kreeg het personeel van de firma Bidault
+[15] een honderd uitnoodigingsbrieven te bezorgen, waarvan hier een
+trouwe en eensluidende copie volgt:
+
+
+ "Mijnheer,
+
+ De heeren Rodolphe en Marcel verzoeken u hun de eer te bewijzen
+ Zaterdag a. s., den dag vòòr Kerstmis, den avond bij hen door te
+ brengen. Er zal gelachen worden.
+
+ P.S. Wij leven slechts eens in deze wereld!!"
+
+
+Programma van het feest.
+
+
+Zeven uur: Opening der salons; levendig en geanimeerd discours.
+
+Acht uur: Entrée en wandeling door de salons van de geestige auteurs
+van de door het Odéon geweigerde comédie: "De barende berg."
+
+Acht en een half uur: "De invloed van het blauw in de kunsten",
+nabootsende symphonie, voor te dragen door den beroemden
+pianist-componist Alexandre Schaunard.
+
+Negen uur: Eerste lezing van de verhandeling over de afschaffing van
+de straf van het treurspel.
+
+Negen en een half uur: Dispuut tusschen den hyperphysischen wijsgeer
+Gustave Colline en mijnheer Alexandre Schaunard over vergelijkende
+philosophie en meta-politiek. Om iedere lichamelijke botsing tusschen
+de twee tegenstanders te vermijden, worden ze beiden vastgebonden.
+
+Tien uur: De heer Tristan, letterkundige, zal zijn eerste liefde
+vertellen. Alexandre Schaunard zal hem daarbij op den piano begeleiden.
+
+Tien en een half uur: Tweede lezing van de verhandeling over de
+afschaffing van de straf van het treurspel.
+
+Elf uur: Voordracht over een jacht op casuarissen door een
+buitenlandschen prins.
+
+
+Tweede Deel.
+
+
+Twaalf uur: Marcel, historieschilder, zal zich laten blinddoeken, en
+met krijt de ontmoeting van Napoleon en Voltaire in de Champs-Elysées
+op het doek improviseeren. Rodolphe zal eveneens een parallel
+improviseeren tusschen den schepper van "Zaïre" en dien van den slag
+bij Austerlitz.
+
+Twaalf en een half uur: Nabootsing van de athletische spelen der 4de
+Olympiade door Gustave Colline in een kuisch déshabillé.
+
+Een uur: Derde lezing van de verhandeling over de afschaffing van de
+straf van het treurspel en collecte ten bate van de tragische dichters,
+die in de toekomst broodeloos zullen zijn.
+
+Twee uur: Begin der gezelschapspelen en samenstelling der quadrilles,
+die tot in den ochtend zullen worden voortgezet.
+
+Zes uur! Zonsopgang en slotkoor.
+
+Gedurende den geheelen duur van het feest zullen de ventilatoren
+werken.
+
+N. B. Ieder, die verzen zal willen lezen of voordragen, wordt
+onmiddellijk uit de salons verwijderd en aan de politie overgeleverd;
+men wordt ook verzocht geen stukjes kaars mede te nemen."
+
+Twee dagen later circuleerden exemplaren van dien brief in de onderste
+lagen der litteratuur- en kunstwereld, en veroorzaakten daar niet
+weinig opzien.
+
+Onder de genoodigden waren er echter eenigen, die de door de beide
+vrienden voorgespiegelde heerlijkheden in twijfel trokken.
+
+"Ik vertrouw het zaakje niet heelemaal," zeide een van die twijfelaars;
+"ik ben een paar maal op de Woensdagen van Rodolphe in de Rue de la
+Tour-d'Auvergne geweest, je kon er onmogelijk zitten en je dronk er een
+weinig gefiltreerd water uit bij elkaar gescharrelde potten en pannen."
+
+"Ditmaal," zeide een ander, "moet het echter bittere ernst zijn. Marcel
+heeft mij een plan van het heele feest laten zien, en dat belooft
+een magisch effect."
+
+"Komen er ook dames?"
+
+"Zeker Phémie Klad heeft gevraagd koningin van het feest te mogen
+zijn en Schaunard zal dames uit de groote wereld medebrengen."
+
+De oorsprong van dit feest, dat een zoo groote beroering in de
+Bohème-wereld, die aan gene zijde van de bruggen woont, veroorzaakte,
+was in het kort als volgt. Een jaar geleden ongeveer hadden Marcel en
+Rodolphe dit schitterende galafeest aangekondigd, dat steeds Zaterdag
+aanstaande moest plaats hebben; doch ten gevolge van allerlei moeilijke
+omstandigheden hadden zij reeds twee-en-vijftig maal dat "aanstaande"
+moeten verzetten, zoodat het eindelijk zoo ver gekomen was, dat de
+beide vrienden hun neus niet buiten de deur konden steken, zonder een
+stekelige opmerking te hooren van hun vrienden, waarvan er sommigen
+zelfs indiscreet genoeg waren om krachtig tegen zoo'n manier van doen
+te protesteeren. Daar de zaak langzamerhand op een fopperij begon te
+lijken, besloten de beide vrienden er een eind aan te maken, door zich
+van de verplichtingen, die zij op zich genomen hadden, te kwijten,
+en hadden zij derhalve de boven vermelde uitnoodiging verzonden.
+
+"Nu kunnen we niet meer terug," had Rodolphe gezegd; "we hebben onze
+schepen achter ons verbrand; we hebben nu nog acht dagen voor ons om
+de honderd francs te vinden, die we, om een dragelijk figuur te maken,
+beslist noodig hebben."
+
+"Als we ze noodig hebben, zullen we ze wel krijgen ook," was Marcels
+antwoord geweest. En met het verwaten vertrouwen, dat zij hadden
+in het toeval, sliepen de twee vrienden in, vast overtuigd, dat hun
+honderd francs reeds op weg waren: den weg van het onmogelijke.
+
+Doch toen den Donderdagavond voor het feest nog niets gearriveerd was,
+vond Rodolphe, dat het toch maar veiliger was het toeval een handje
+te helpen, wilden zij niet met beschaamde kaken staan, wanneer het
+uur sloeg om de kaarsen aan te steken. Voor het gemak wijzigden de
+beide vrienden langzamerhand de overdadige weelde van het door hen
+ontworpen programma.
+
+Door die verschillende wijzigingen, o. a. het schrappen van het
+artikel: Gebak, het zorgvuldig herzien en verminderen van het artikel:
+Ververschingen, werd het totaal der onkosten tot vijftien francs
+teruggebracht.
+
+Daarmede was het vraagstuk echter wel eenvoudiger gemaakt, doch
+niet opgelost.
+
+"Maar," zeide Rodolphe, "nu moeten we tot de uiterste middelen
+overgaan. We kunnen ditmaal in geen geval weer den datum verzetten."
+
+"Beslist onmogelijk."
+
+"Wanneer heb ik het laatst het verhaal van den slag bij Studzianka
+[16] gehoord?"
+
+"Een paar maanden geleden."
+
+"Twee maanden, prachtig, dat is een fatsoenlijke termijn; mijn oom
+kan zich waarachtig niet beklagen. Ik zal me morgen dan den slag
+bij Studzianka maar weer eens laten vertellen. Dat is vijf francs,
+die zeker binnenkomen."
+
+"En ik," zeide Marcel, "zal een Burchtruïne aan den ouden Médicis
+gaan verkoopen. Dat maakt ook vijf francs en als ik tijd heb, om er
+nog drie torentjes en een molen bij te kladden, misschien wel tien;
+dan zijn we aan ons budget."
+
+En de twee vrienden gingen slapen en droomden, dat de prinses van
+Belgiojoso hun verzocht hun ontvangdagen te verzetten, om haar haar
+meest geziene gasten niet te ontnemen.
+
+Den volgenden ochtend stond Marcel vroeg op, spande een nieuw doek
+en begon met ijver aan den bouw van een Burchtruïne, een artikel,
+dat hem steeds door een antiquiteiten-schacheraar op de place du
+Carrousel gevraagd werd. Intusschen ging Rodolphe een bezoek brengen
+aan zijn oom Monetti, die een matador was in het verhalen van den
+terugtocht uit Rusland, en aan wien Rodolphe vijf of zes maal per
+jaar, n.l. wanneer de geldnood erg nijpte, de voldoening schonk
+zijn veldtochten te vertellen in ruil voor een leening van wat geld,
+waartoe de veteraan-kachelsmid-rookverdrijver wel over te halen was,
+indien men bij het luisteren naar zijn verhalen slechts veel geestdrift
+wist te toonen.
+
+Tegen twee uur ontmoette Marcel, die met gebogen hoofd en een doek
+onder zijn arm op de place du Carrousel liep, daar Rodolphe, die van
+zijn oom kwam; zijn geheele houding wees op slechte berichten.
+
+"Nou," zeide Marcel; "ben je geslaagd?"
+
+"Neen, mijn oom is vandaag het museum in Versailles gaan kijken. En
+jij?"
+
+"Die schaapskop van een Médicis wil geen Burchtruïnes meer; hij heeft
+me een Bombardement van Tanger gevraagd."
+
+"Onze reputatie is naar de maan, als we ons feest niet geven,"
+mompelde Rodolphe. "Wat moet onze vriend, de invloedrijke criticus,
+wel denken, als ik hem voor niets een witte das en gele handschoenen
+laat aantrekken?"
+
+Ten prooi aan groote onrust gingen zij beiden naar het atelier terug.
+
+Op dat oogenblik sloeg het op de pendule van een buurman vier uur.
+
+"Wij hebben nog maar drie uur voor ons," zeide Rodolphe.
+
+"Maar," riep Marcel, terwijl hij vlak bij zijn vriend kwam staan,
+"ben je er wel zeker van, dat er hier geen geld over is?...."
+
+"Noch hier, noch elders. Waar zou dat saldo vandaan moeten komen?"
+
+"Als we eens onder de meubels zochten .... in de fauteuils? Men
+beweert immers, dat de emigranten ten tijde van Robespierre hun geld
+verstopten. Wie weet!... Onze fauteuil is misschien het eigendom van
+een emigrant geweest; en bovendien is hij zòò hard, dat ik al eens
+meer gedacht heb, dat er metalen in zitten ... zouden we niet eens
+tot een lijkschouwing overgaan?"
+
+"Dat is iets voor een klucht," antwoordde Rodolphe op een toon,
+waarin tegelijk ernst en toegeeflijkheid lag.
+
+Plotseling stiet Marcel, die zijn opgravingen in alle hoeken van het
+atelier had voortgezet, een luiden triomfkreet uit.
+
+"Wij zijn gered!" riep hij uit; "ik wist wel, dat hier geldswaarde
+verborgen lag. Kijk maar!" en hij liet Rodolphe een geldstuk zien,
+zoo groot als een daalder en half verteerd door roest en kopergroen.
+
+Het was een munt uit het tijdvak der Karolingers en niet zonder eenige
+kunstwaarde. Op het gelukkigerwijze gespaard gebleven inschrift kon
+men het jaartal van Karel den Groote lezen.
+
+"Dat ding is nauwlijks dertig sous waard," zeide Rodolphe met een
+minachtenden blik op de vondst van zijn vriend.
+
+"Dertig sous, goed gebruikt, kunnen veel uitwerken," antwoordde
+Marcel. "Met twaalfhonderd man heeft Napoleon tienduizend Oostenrijkers
+verslagen. Handigheid weegt tegen het getal op. Ik ga dadelijk den
+Carolusdaalder bij den ouden Médicis wisselen. Is er hier nog niet iets
+verkoopbaars? Waarachtig, als ik het gipsafgietsel van het scheenbeen
+van Jaconowski, den Russischen tamboer-majoor, eens meenam? Dat zou
+heel wat in het laadje brengen."
+
+"Neem het scheenbeen maar mee. Maar prettig is het allesbehalve. We
+hebben nu geen enkel kunstvoorwerp meer over."
+
+Tijdens Marcels afwezigheid ging Rodolphe, vast besloten de soirée,
+het mocht kosten wat het wilde, te geven, naar zijn vriend Colline,
+den hyperphysischen wijsgeer, die vlak in de buurt woonde.
+
+"Ik kom je verzoeken," zeide hij tegen hem, "mij een dienst te
+bewijzen. In mijn qualiteit van gastheer moet ik beslist een rok
+hebben, en .... ik heb er geen .... leen me de jouwe ...."
+
+"Maar," merkte Colline op, "in mijn qualiteit van gast heb ik mijn
+rok ook noodig."
+
+"Ik sta je toe in gekleede jas te komen."
+
+"Ik heb nooit een gekleede jas gehad, dat weet je even goed als ik."
+
+"Enfin, luister eens, we kunnen ook op een andere manier de zaak in
+orde brengen; jij zoudt niet op mijn soirée kunnen verschijnen en me
+je rok leenen."
+
+"Het is wel beroerd, maar dat gaat niet; ik sta op het programma en
+kan dus niet ontbreken."
+
+"Er zal nog heel wat meer ontbreken," zeide Rodolphe. "Leen me je
+rok, en wanneer je beslist komen wilt, kom dan, zooals je het zelf
+het beste vindt.... voor mijn part in je hemdsmouwen .... dan kan je
+voor een trouwen dienaar doorgaan ..."
+
+"Dat gaat niet," zeide Colline blozend. "Ik zal mijn notenkleurige
+paletot aantrekken. Maar het heele zaakje is per slot van rekening
+een beroerde boel."
+
+En toen hij merkte, dat Rodolphe zich reeds van zijn beroemde rok
+meester gemaakt had, riep hij tegen hem:
+
+"Maar wacht toch even .... Er zitten nog een paar kleinigheden in."
+
+De rok van Colline is een nadere beschouwing waard. In de eerste plaats
+was die rok volmaakt groen, en alleen uit gewoonte sprak Colline
+van zijn zwarte rok. En daar hij op dat oogenblik de eenige van de
+geheele troep was, die een rok bezat, hadden ook zijn vrienden de
+gewoonte aangenomen, om, wanneer zij van het officieele kleedingstuk
+van den wijsgeer spraken, zich te bedienen van de uitdrukking: de
+zwarte rok van Colline. Bovendien had dat beroemde kleedingstuk een
+zeer bijzonderen vorm, den meest bizarren, dien men zich denken kan:
+de zeer lange panden zaten n.l. aan een zeer korte taille en hadden
+twee zakken, ware afgronden, waarin Colline gewoon was een paar dozijn
+boeken, die hij altijd en eeuwig bij zich had, te bergen, wat zijn
+vrienden deed zeggen, dat de schrijvers en geleerden in den tijd, dat
+de bibliotheken gesloten waren, inlichtingen konden gaan inwinnen in
+de panden van Colline's rok, een bibliotheek, die steeds geopend was.
+
+Bij uitzondering bevatte Colline's rok dien dag slechts een quarto-deel
+van Bayle, een verhandeling over hyperphysische krachten in drie
+deelen, een deel Condillac, twee deelen Swedenborg en Pope's "Essai
+over den mensch." Eerst toen hij zijn zak-bibliotheek had leeggeruimd,
+stond hij Rodolphe toe den rok aan te trekken.
+
+"Hè," zeide deze, "de linkerzak is nog aardig zwaar; je hebt er zeker
+nog iets in gelaten."
+
+"Dat is waar ook," zeide Colline, "ik heb vergeten den
+vreemde-talen-zak leeg te maken." En hij haalde er twee Arabische
+grammatica's uit, een Maleisch woordenboek en een "Volmaakte
+veedrijver" in het Chineesch, zijn geliefkoosde lectuur.
+
+Toen Rodolphe weer thuis kwam, was Marcel met drie vijf francstukken
+aan het schijfwerpen. Het eerste oogenblik stiet Rodolphe de hand,
+die zijn vriend hem toestak, weg: hij geloofde aan een misdaad.
+
+"Laten we ons haasten," zeide Marcel .... "We hebben de benoodigde
+francs bijeen... Luister, hoe ik eraan gekomen ben: Bij den ouden
+Médicis trof ik een verzamelaar van antiquiteiten aan. Toen hij mijn
+munt zag, viel hij bijna flauw: dat was de eenige, die nog aan zijn
+collectie ontbrak. Hij had al in alle landen laten zoeken, om die
+leemte aan te vullen, en had reeds alle hoop op succes verloren. Hij
+aarzelde, toen hij mijn Carolusdaalder goed bekeken had, dan ook geen
+oogenblik om mij vijf francs te bieden. Médicis stiet mij met zijn
+elleboog aan, zijn blik vulde de rest aan. Hij wilde daarmede zeggen:
+"Laten we de buit samen deelen, dan bied ik hooger!" We zijn tot dertig
+francs gekomen. Daarvan heb ik er vijftien aan den Jood gegeven, en
+hier is de rest. Nu kunnen onze gasten komen; wij zijn nu in staat
+om hun oogen te verblinden. Maar hoe kom jij aan dien rok?"
+
+"O," zeide Rodolphe, "dien heb ik van Colline geleend." En toen hij
+zijn zakdoek uit zijn zak wilde halen, liet hij een klein deeltje
+Mandsjoesch vallen, dat in den vreemde-talen-zak was blijven zitten.
+
+De beide vrienden gingen nu dadelijk aan het werk. Het atelier werd
+in orde gebracht, de kachel aangemaakt; een met kaarsen voorziene
+schilderijlijst hingen ze bij wijze van kroonluchter aan den zolder;
+een bureau, dat als katheder voor de sprekers dienst moest doen,
+werd midden in het atelier geplaatst; daarvoor zetten zij hun eenigen
+fauteuil, waarop de invloedrijke criticus moest zitten, terwijl zij op
+een tafel alle aanwezige boeken: romans, gedichten en feuilletons,
+waarvan de schrijvers de soirée met hun tegenwoordigheid zouden
+vereeren, neerlegden. Ten einde alle mogelijke botsingen tusschen
+de verschillende variëteiten letterkundigen te vermijden, was het
+atelier verdeeld in vier afdeelingen, aan den ingang waarvan men op
+inderhaast vervaardigde borden lezen kon:
+
+
+ Dichters Romantici
+ Prozaschrijvers Classici
+
+
+Voor de dames was een ruimte in het midden vrijgelaten.
+
+"Alles is in orde, maar er ontbreken stoelen," zeide Rodolphe.
+
+"O," antwoordde Marcel, "er staan er verscheidene op het trapportaal,
+maar die staan vast aan den muur. Als we die eens los maakten!"
+
+"Dat zal wel dienen," meende Rodolphe, terwijl hij zich meester ging
+maken van de stoelen, die aan den een of anderen buurman behoorden.
+
+Het sloeg zes uur; de twee vrienden gingen vlug dineeren en kwamen weer
+gauw terug, om met de verlichting der salons te beginnen. Om zeven
+uur kwam Schaunard, vergezeld door drie dames, die haar diamanten
+en hoeden bij vergissing thuis gelaten hadden. Een van haar had een
+rooden omslagdoek met zwarte vlekken om. Schaunard maakte Rodolphe
+op haar speciaal opmerkzaam.
+
+"Dat is een echte vrouw van de wereld," zeide hij, "een Engelsche,
+die door den val der Stuarts in ballingschap is moeten gaan; zij
+leeft zeer eenvoudig en bescheiden van wat haar Engelsche lessen haar
+opbrengen. Haar vader is onder Cromwell kanselier geweest, zooals
+zij mij verteld heeft; je moet beleefd tegen haar zijn en haar niet
+te veel tutoyeeren."
+
+Inmiddels lieten zich op de trap talrijke stappen hooren--de gasten
+kwamen; zij waren erg verbaasd, toen zij vuur in den kachel zagen.
+
+Rodolphe's rok ging de dames tegemoet en kuste haar met
+achttiende-eeuwsche gratie de hand; toen er ongeveer twintig gasten
+waren, vroeg Schaunard, of er nog niets rondgediend moest worden.
+
+"Dadelijk," antwoordde Marcel; "we wachten op de komst van den
+invloedrijken criticus, om den punch aan te steken."
+
+Om acht uur waren alle genoodigden aanwezig, waarna een aanvang met
+het programma gemaakt werd. Tusschen de verschillende nummers werden
+er ververschingen aangeboden; wat, daar is men nooit precies achter
+kunnen komen.
+
+Tegen tien uur zag men het gele vest van den invloedrijken criticus
+verschijnen; hij bleef maar een uur en was matig in het gebruik der
+"ververschingen".
+
+Toen er tegen middernacht geen hout meer was en het aardig koud begon
+te worden, lootten de gasten, die zaten, wie zijn stoel in het vuur
+zou werpen.
+
+Om een uur stond iedereen.
+
+Toch bleef er onder de gasten een aangename, opgewekte stemming
+heerschen. Er viel geen enkel ongeval te betreuren, behalve een
+winkelhaak in den vreemde-talen-zak van Colline's rok en een klap,
+dien Schaunard aan de dochter van den kanselier van Cromwell toediende.
+
+Acht dagen lang was deze gedenkwaardige soirée het onderwerp van
+gesprek in het stadsdeel; en Phémie Klad, die de koningin van het feest
+geweest was, placht, wanneer zij er met haar vriendinnen over sprak,
+te zeggen:
+
+"Het was er prachtig; er waren zelfs waskaarsen."
+
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK VI.
+
+MADEMOISELLE MUSETTE.
+
+
+Mademoiselle Musette was een knap meisje van twintig jaar, die kort
+na haar komst te Parijs dat geworden was, wat knappe meisjes worden,
+wanneer zij een mooie taille, veel coquetterie, een weinig eerzucht
+en in het geheel geen orthographie bezitten. Nadat zij langen tijd de
+vreugde had uitgemaakt der soupers van het Quartier Latin, waar zij
+met altijd frissche, hoewel niet steeds zuivere stem een groot aantal
+landelijke liedjes zong, die haar den naam gaven, waaronder de beste
+rijmsmeden haar sedert gevierd hebben, verliet mademoiselle Musette
+plotseling de Rue de la Harpe, om de aan Venus gewijde hoogten van
+het Quartier Bréda te gaan bewonen.
+
+Al heel spoedig werd zij een der toonaangeefsters van de aristocratie
+van het genot en langzamerhand kwam zij tot die beroemdheid, welke
+daarin bestaat, dat men in de Parijsche couranten genoemd wordt of
+bij alle kunsthandelaars uitgestald staat.
+
+En toch was mademoiselle Musette een uitzondering onder de vrouwen,
+in wier midden zij leefde. Evenals alle ware vrouwen was zij van nature
+elegant en dichterlijk en hield zij van luxe en van alle genietingen,
+die daarvan het gevolg zijn; in haar coquetterie had zij een gloeiend
+verlangen naar al wat mooi en voornaam was, en zij zou, hoewel zij
+een dochter uit het volk was, volstrekt niet misplaatst geweest zijn
+te midden van de koninklijkste pracht en pronk. Doch mademoiselle
+Musette, die zelf jong en knap was, zou er nooit in toegestemd hebben
+de maîtresse te worden van een man, die niet eveneens jong en knap
+zou zijn. Men had haar dan ook eens de prachtige aanbiedingen hooren
+weigeren van een grijsaard, die zoo rijk was, dat hij de Croesus van
+de Chaussée-d'Antin genoemd werd, en aan Musette gouden bergen beloofd
+had. Intelligent en geestig als zij was, kon zij evenmin dwazen en
+fatten uitstaan, hoe ook hun leeftijd, hun titel en hun naam was.
+
+Musette was dus een flink, knap meisje, dat in liefdesaangelegenheden
+de helft van Champforts beroemd aphorisme: "De liefde is de
+uitwisseling van twee phantasieën" tot het hare maakte. [17]
+Haar liaisons werden dan ook nooit voorafgegaan door een van die
+schandelijke koopcontracten, welke de tegenwoordige galanterie
+onteeren. Zij speelde, zooals zij zelf zeide, altijd een eerlijk en
+open spel, en eischte, dat men haar oprechtheid met dezelfde munt
+terugbetaalde.
+
+Maar al waren haar neigingen heftig en spontaan, toch waren
+zij nooit duurzaam genoeg, om te stijgen tot de hoogte van een
+hartstocht. De buitensporige onbestendigheid van haar grillen
+en de groote onverschilligheid, die zij had voor de beurzen en
+spaarpenningen van hen, die haar het hof maakten, brachten een even
+buitensporige onbestendigheid in haar bestaan, dat een eeuwigdurende
+wisseling was tusschen eigen equipage en omnibus, tusschen bel-étage
+en vijfde verdieping, zijden japonnen en katoenen rokjes. Bekoorlijk
+meisje, levend gedicht van jeugd met uw helderen lach en vroolijk
+lied! Medelijdend hart, dat onder het even-geopende boezemlijfje
+voor iedereen klopt! mademoiselle Musette, zuster van Bernerette en
+Mimi Pinson! [18] Ik zou de pen van Alfred de Musset moeten hebben,
+om uw zorgelooze zwerftochten op de bloeiende paden der jeugd naar
+waarde te verhalen; en zeker zou hij u ook hebben willen bezingen,
+indien hij, evenals ik, u met uw lieve, valsche stem dit ongekunstelde
+couplet uit een van uw lievelingsliederen had hooren voordragen:
+
+
+ C'était un beau jour de printemps
+ Que je me déclarai l'amant,
+ L'amant d'une brunette
+ Au coeur de Cupidon,
+ Portant fine cornette
+ Posée en papillon.
+
+
+De geschiedenis, die wij nu gaan vertellen, is een der bekoorlijkste
+episoden uit het leven van deze bekoorlijke gelukzoekster, die zich
+aan het oordeel der wereld al heel weinig gelegen liet.
+
+Ten tijde, dat zij de maîtresse was van een jongen staatsraad, die
+haar galant den sleutel van zijn erfdeel in handen gegeven had, placht
+mademoiselle Musette eens per week een soirée te geven in haar aardig
+klein salonnetje in de rue de la Bruyère. Deze avondpartijen geleken
+op de meeste Parijsche soirées, met dit verschil, dat de gasten zich
+hier werkelijk amuseerden; wanneer er niet genoeg ruimte was, ging de
+een op den schoot van den ander zitten; en meermalen gebeurde het,
+dat twee uit hetzelfde glas dronken. Rodolphe, die de vriend van
+Musette was en die nooit iets anders dan haar vriend was (zij hebben
+geen van beiden ooit geweten, waarom), vroeg Musette op een goeden
+dag, of hij zijn vriend Marcel niet eens mocht medebrengen--"een
+talentvollen jongen", zeide hij, "voor wien de toekomst bezig is een
+rok van de Académie te borduren."
+
+"Breng hem maar mee," antwoordde Musette.
+
+Den avond nu, dat zij samen naar Musette zouden gaan, ging Rodolphe
+Marcel afhalen. De kunstenaar was bezig zijn toilet te maken.
+
+"Wat?" vroeg Rodolphe, "wil jij met een gekleurd overhemd in gezelschap
+verschijnen?"
+
+"Kwetst dat dan de etiquette?" zeide Marcel kalm.
+
+"Of het die kwetst? Tot bloedens toe, ongelukkige."
+
+"Bliksems!" vloekte Marcel met een blik op zijn overhemd, waar op
+een blauwen achtergrond wilde zwijnen door een troep honden vervolgd
+werden; "ik heb hier geen ander. Enfin, ik weet er niets anders op
+dan dat ik een vadermoorder aantrek; niemand zal dan de kleur van
+mijn overhemd zien, daar ik Methusalem tot mijn hals kan toeknoopen."
+
+"Wat?" zeide Rodolphe ongerust, "trek je Methusalem weer aan?"
+
+"Ik moet wel!" was Marcels antwoord. "God wil het, en mijn kleermaker
+ook; trouwens er zijn pas nieuwe knoopen aangezet, en ik heb hem pas
+met Frankfurter zwart opgeknapt."
+
+Methusalem was de rok van Marcel; hij noemde dien zoo, omdat het de
+doyen van zijn garde-robe was. Methusalem was naar de laatste mode
+van vier jaar geleden en schreeuwend groen van kleur. Marcel echter
+beweerde, dat hij er bij kunstlicht zwart uitzag.
+
+Vijf minuten later was Marcel met zijn toilet klaar; hij was met
+den meest volkomen slechten smaak gekleed: precies een kladschilder,
+die voor het eerst in de wereld gaat.
+
+Mijnheer Casimir Bonjour zal den dag, waarop men hem zal komen
+vertellen, dat hij tot lid van het Instituut gekozen is, nooit zoo
+verwonderd kunnen zijn als Marcel en Rodolphe waren, toen zij bij
+het huis van mademoiselle Musette kwamen. Ziehier de reden van hun
+verbazing: mademoiselle Musette, die sedert eenigen tijd met haar
+vriend den staatsraad gebrouilleerd was, was op een zeer kritiek
+oogenblik door hem in den steek gelaten. In opdracht van haar
+schuldeischers en van haar huisbaas waren haar meubels in beslag
+genomen en naar beneden gebracht, om den volgenden dag weggehaald en
+verkocht te worden. Niettegenstaande dit incident kwam het in Musette
+geen oogenblik op haar gasten in den steek te laten of de soirée
+af te zeggen. Met den meesten ernst liet zij de binnenplaats in een
+salon veranderen, legde zelf een tapijt op de steenen, maakte alles
+zooals gewoonlijk in orde, kleedde zich om haar gasten te ontvangen
+en noodigde al de medebewoners van het huis op haar klein feestje, ter
+opluistering waarvan de goede God voor een mooie illuminatie zorgde.
+
+Deze grap had een groot succes, nooit had er op de soirées van Musette
+zoo'n prettige en opgewekte toon geheerscht; er werd nog gezongen
+en gedanst, toen de witkielen de meubels, tapijten en divans kwamen
+halen en daardoor het gezelschap noodzaakten weg te gaan.
+
+Musette deed al haar gasten uitgeleide met het gezang:
+
+
+ "On en parlera longtemps, la ri ra,
+ De ma soirée de jeudi;
+ On en parlera longtemps, la ri ri."
+
+
+Slechts Marcel en Rodolphe bleven bij Musette, die naar haar kamer
+gegaan was, waar alleen het bed nog maar stond.
+
+"Hè," zeide Musette; "ik vind nu mijn avontuur lang zoo aardig niet
+meer; ik zal in het hotel De Bloote Hemel moeten gaan logeeren;
+ik ken het heel goed, het kan er zoo gemeen tochten."
+
+"O, mevrouw," zeide Marcel, "als ik de rijkdommen van Plutus bezat, dan
+zou ik u een tempel, schooner dan die van Salomo, aanbieden, maar ..."
+
+"Ge zijt geen Plutus, vriendlief. Maar dat is minder, ik ben je toch
+dankbaar voor je goede bedoeling .... Maar kom!" voegde zij eraan
+toe, terwijl zij haar blik door de kamer liet gaan; "ik verveelde me
+hier, en bovendien werd het meubilair oud; ik heb het nu al bijna zes
+maanden. Maar dat is niet alles; na het bal wordt er toch gesoupeerd,
+en ik zou graag wat consumeeren."
+
+"Laten we dan consou-peeren," zeide Marcel, die aan een
+woordspelingziekte leed, welke vooral in de ochtenduren zich deed
+gelden.
+
+Daar Rodolphe 's avonds bij het lansquenetspel een klein sommetje
+gewonnen had, nam hij Musette en Marcel mede naar een restaurant,
+dat juist geopend was.
+
+Na het déjeuner besloten zij, daar zij volstrekt geen lust hadden te
+gaan slapen, den dag in het vrije veld te gaan doorbrengen; en daar
+zij vlak bij een station waren, stapten zij in den eersten den besten
+trein, die vertrok, en reden naar Saint-Germain.
+
+Den geheelen dag liepen zij door de bosschen; eerst tegen zeven uur
+in den avond kwamen zij in Parijs terug. Marcel hield stok en stijf
+vol, dat het pas half een en de donkerte het gevolg van de bedekte
+lucht was.
+
+Gedurende de geheele soirée en de rest van den dag was Marcel, wiens
+hart als buskruit was, dat een enkele blik deed ontbranden, steeds
+verliefder geworden op Musette en had haar het hof gemaakt "in alle
+kleuren", zooals hij tegen Rodolphe zeide. Ja, hij was zelfs zoo ver
+gekomen, dat hij het knappe meisje had voorgesteld een nog mooier
+meubilair voor haar te koopen dan het oude; hij zou er zijn beroemde
+schilderij "De doortocht door de Roode Zee" voor verkoopen. Met
+angst en beven zag hij dan ook het oogenblik naderen, waarop hij zou
+moeten scheiden van Musette, die, hoewel zij zich haar handen, hals
+en toebehooren liet kussen, hem telkens, wanneer hij door middel van
+inbraak in haar hart trachtte te dringen, zachtjes van zich af stiet.
+
+Zoodra zij in Parijs terug waren, had Rodolphe zijn vriend met
+het jonge meisje alleen gelaten, dat hem nu vroeg haar naar huis
+te brengen.
+
+"Wilt u mij toestaan, dat ik u kom bezoeken?" vroeg Marcel. "Ik zou
+graag uw portret schilderen."
+
+"Maar beste jongen," antwoordde Musette; "ik kan je mijn adres niet
+geven, omdat ik dat morgen misschien niet meer heb; maar ik zal bij
+jou komen en je rok verstellen, waar zoo'n gat in zit, dat je er,
+zonder betalen, door zoudt kunnen verhuizen."
+
+"Ik zal op u wachten als op den Messias," zeide Marcel.
+
+"Maar niet zoo lang," was Musette's lachend antwoord.
+
+"Wat een bekoorlijk schepseltje," zeide Marcel tot zichzelf, terwijl
+hij langzaam verder liep; "de godin der vroolijkheid. Ik zal twee
+gaten in Methusalem maken."
+
+Hij was nog geen dertig pas verder, toen hij zich op zijn schouder
+voelde kloppen: het was mademoiselle Musette.
+
+"Beste mijnheer Marcel!" zeide zij; "is u een Fransch ridder?"
+
+"Dat ben ik. Rubens en mijn dame, luidt mijn devies."
+
+"Welnu, leen dan het oor aan mijn kommer en erbarm u mijner, edele
+heer," ging Musette verder, die een weinig in de litteratuur bedreven
+was, hoewel zij met de grammatica op zeer gespannen voet leefde;
+"de huisbaas heeft den sleutel van mijn kamer meegenomen, en het is
+elf uur: begrijp je?"
+
+"Natuurlijk," zeide Marcel en bood Musette zijn arm aan. Hij nam haar
+mede naar zijn op den Quai aux Fleurs gelegen atelier.
+
+Hoewel Musette bijna omviel van slaap, had zij toch nog kracht genoeg
+om te zeggen:
+
+"Vergeet niet, wat je me beloofd hebt."
+
+"O Musette, bekoorlijk wezen," zeide de artist met eenigszins ontroerde
+stem; "ge zijt hier onder een gastvrij dak; slaap in vrede, goeden
+nacht! Ik ga heen."
+
+"Waarom?" vroeg Musette, wier oogen bijna dicht vielen; "ik ben
+heusch niet bang; en dan zijn er toch twee kamers, ik zal op je canapé
+gaan slapen."
+
+"Mijn canapé is te hard, om erop te slapen; het lijkt wel, of hij
+met keisteenen opgemaakt is. Ik verleen u gastvrijheid bij mij en
+ga die vragen aan een vriend, die hier op dezelfde verdieping woont
+.... dat is verstandiger. Ik houd gewoonlijk wel mijn woord; maar ik
+ben twee-en-twintig en gij achttien, Musette .... ik ga. Goeden nacht."
+
+Den volgenden ochtend om acht uur kwam Marcel met een bloempot, dien
+hij op de markt gekocht had, weer op zijn kamer. Hij vond Musette,
+die zich geheel gekleed op bed geworpen had, nog slapende. Door het
+leven, dat hij maakte, werd zij wakker en stak Marcel haar hand toe.
+
+"Brave jongen!" zeide zij.
+
+"Brave jongen!" herhaalde Marcel, "is dat niet synoniem met:
+belachelijke dwaas?"
+
+"O, hoe kan je dat zeggen!" viel Musette hem in de rede; "dat is
+niets aardig van je; geef me liever dien mooien pot met bloemen,
+in plaats van dergelijke onaardige dingen naar mijn hoofd te werpen."
+
+"Alleen met dat doel heb ik hem hier gebracht," zeide Marcel. "Aanvaard
+hem dus en zing, als dank voor mijn gastvrijheid, een van je aardige
+liedjes voor mij; de echo van mijn dakkamertje zal misschien iets van
+uw stem bewaren, zoodat ik u nog kan hooren, wanneer ge weer weg zijt."
+
+"Zoo, dus je wilt me wegsturen?" vroeg Musette. "En als ik nu eens niet
+weg wil? Luister eens, Marcel, ik neem geen blaadje voor mijn mond, om
+te zeggen wat ik denk. Jij valt in mijn smaak en ik in den jouwe. Dat
+is nog geen liefde, maar het is er misschien de kiem van. Welnu, ik
+ga niet weg; ik blijf hier en zal hier blijven zoolang als de bloemen,
+die je me daarnet gegeven hebt, niet verwelkt zijn."
+
+"Ach!" riep Marcel uit, "maar dat zijn ze binnen twee dagen. Had ik
+dat geweten, dan had ik immortellen gekocht."
+
+
+
+Veertien dagen woonden Musette en Marcel al samen en leidden,
+hoewel zij dikwijls zonder geld zaten, het heerlijkste leven der
+wereld. Musette voelde voor Marcel een toegenegenheid, die niets
+gemeen had met haar vroegere verliefdheden, en Marcel begon bang te
+worden, dat hij werkelijk van zijn maîtresse zou gaan houden. Daar
+hij echter niet wist, dat zij harerzijds hetzelfde vreesde, keek hij
+iederen ochtend naar de bloemen, wier afsterven het einde van hun
+liaison zou beteekenen, en trachtte hij zich te verklaren, hoe zij
+iederen morgen opnieuw weer zoo frisch waren. Doch weldra vond hij den
+sleutel van het mysterie: toen hij op een goeden nacht wakker werd,
+zag hij Musette niet naast zich. Hij stond op, liep naar de kamer
+en vond daar zijn geliefde, die iederen nacht tijdens zijn slaap de
+bloemen begoot, om op die manier het verwelken tegen te gaan.
+
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK VII.
+
+DE GOLVEN VAN DEN PACTOLUS. [19]
+
+
+Het was 19 Maart .... En al zou Rodolphe zoo oud worden als
+Raoul-Rochette, die Ninive heeft zien bouwen, nooit zal hij dien
+datum vergeten, want juist op dien aan St. Joseph gewijden dag, des
+namiddags om drie uur verliet onze vriend het kantoor van een bankier,
+waar hij een som van vijfhonderd francs in klinkenden, gangbaren munt
+uitbetaald gekregen had.
+
+Het eerste gebruik, dat Rodolphe van dit in zijn zak terecht gekomen
+stukje van Peru maakte, bestond hierin, dat hij zijn schulden niet
+betaalde, en wel omdat hij zichzelf plechtig beloofd had voortaan
+spaarzaamheid te betrachten en geen extra- of overbodige uitgaven
+te doen. Hij had trouwens op dit punt zeer vaststaande denkbeelden
+en beweerde dan ook, dat men, alvorens te denken aan het overbodige,
+eerst voor het noodzakelijke zorgen moest; daarom betaalde hij zijn
+schuldeischers niet en kocht een Turksche pijp, die reeds sedert lang
+zijn begeerte had opgewekt.
+
+Met dit kostbare voorwerp gewapend, ging hij naar de woning van zijn
+vriend Marcel, bij wien hij reeds sedert eenigen tijd logeerde. Toen
+hij het atelier binnenkwam, luidden zijn zakken als de klokken van
+een dorpstoren op een hoogen feestdag. Toen Marcel dit ongewone
+geluid hoorde, dacht hij, dat het een van zijn buurlieden was, een
+verwoed beurs-speculant, die zijn agio-winst de revue liet passeeren,
+en hij mompelde:
+
+"Daar begint die intrigant van hiernaast weer met zijn epigrammen. Als
+dat nog lang zoo duurt, ga ik verhuizen. Het is niet mogelijk onder
+zoo'n lawaai te werken. Je zoudt waarachtig lust krijgen, om de kunst
+aan den kapstok te hangen en straatroover te worden."
+
+En zonder in de verste verte te vermoeden, dat zijn vriend Rodolphe
+in een Croesus veranderd was, ging Marcel verder werken aan zijn
+"Doortocht door de Roode Zee," waaraan hij nu al drie jaar bezig was.
+
+Rodolphe, die nog geen woord gezegd had en een proef bedacht, die
+hij met zijn vriend wilde nemen, zeide tot zichzelf: "We zullen
+dadelijk lachen, dat zal een jolige boel worden." En hij liet een
+vijffrancstuk vallen.
+
+Marcel keek op en staarde Rodolphe aan, die even ernstig was als een
+artikel uit de "Revue des deux Mondes".
+
+De kunstenaar raapte het geldstuk met een zeer voldaan gebaar op
+en bereidde het een zeer vriendelijke ontvangst, want, hoewel hij
+een kleurenmenger was, kende hij toch zijn wereld en was steeds
+zeer beleefd tegenover vreemdelingen. Daar hij bovendien wist, dat
+Rodolphe uitgegaan was, om te trachten wat geld te krijgen, beperkte
+hij, nu hij zag, dat zijn vriend daarin geslaagd was, zich ertoe het
+resultaat te bewonderen, zonder hem te vragen met behulp van welke
+middelen het verkregen was.
+
+Zonder een woord te zeggen, begon hij weer aan zijn werk en ging voort
+een Egyptenaar in de golven der Roode Zee te verdrinken. Terwijl hij
+bezig was dien moord te plegen, liet Rodolphe een tweede vijffrancstuk
+vallen. En terwijl hij heimelijk keek naar het gezicht, dat zijn
+vriend zou trekken, begon hij in zijn vuistje te lachen.
+
+Bij den helderen klank van het metaal sprong Marcel als door een
+electrischen schok getroffen, plotseling op en riep uit:
+
+"Wat? Heeft dat lied een tweede couplet?"
+
+Een derde stuk rolde over den vloer, toen nog een en nog een; ten
+slotte danste er een heele quadrille daalders in de kamer rond.
+
+Marcel begon zichtbare teekenen van zinsverbijstering te geven en
+Rodolphe lachte als het parterre van het Théâtre Français bij de
+eerste opvoering van "Johanna van Vlaanderen". Plotseling en zonder
+eenige omzichtigheid greep Rodolphe met volle handen in zijn zakken
+en begonnen de daalders een fabelachtigen steeple chase. Het was als
+een overstrooming van den Pactolus, als het bacchanaal van Juppiter
+bij Danaë.
+
+Marcel stond onbeweeglijk, stom, met starre oogen; de verbazing
+veroorzaakte bij hem een metamorphose, als die, welke de
+nieuwsgierigheid vroeger de vrouw van Loth had doen ondergaan; en
+toen Rodolphe zijn laatste rol van honderd francs op den grond smeet,
+was de artist aan een kant van zijn lichaam reeds geheel verzout.
+
+Rodolphe stond nog steeds te lachen. En bij die stormachtige
+vroolijkheid zou het gedonder van een orkest van Sax [20] zoo iets
+als het gezucht van een kind aan de moederborst geweest zijn.
+
+Verblind, ademloos en verstomd van ontroering dacht Marcel, dat hij
+droomde; en om de nachtmerrie, die zijn borst benauwde, te verjagen,
+beet hij zich tot bloedens toe in zijn vinger, wat hem zoo'n pijn
+deed, dat hij het uitschreeuwde. Toen merkte hij, dat hij klaar
+wakker was; en al dat goud aan zijn voeten ziende, riep hij als een
+treurspelheld uit:
+
+"Mag ik mijn oogen gelooven?"
+
+En dan de hand van Rodolphe in de zijne nemend:
+
+"Geef mij de verklaring van dit mysterie!"
+
+"Als ik die gaf, zou het er geen meer zijn!"
+
+"Maar hoe dan....?"
+
+"Dit goud is de vrucht van mijn zweet," zeide Rodolphe, terwijl hij
+het geld opraapte, dat hij op een tafel opstapelde! Dan ging hij een
+paar stappen achteruit, keek met eerbied naar de vijfhonderd francs
+en dacht:
+
+"Nu zal ik dus mijn droomen kunnen verwezenlijken."
+
+"Dat zal niet ver van de zesduizend francs af zijn," dacht op zijn
+beurt Marcel met een blik op de daalders, die op de tafel stonden te
+trillen. "Daar kom ik op een goed idée. Ik zal Rodolphe vragen mijn
+"Doortocht door de Roode Zee" te koopen!"
+
+Plotseling nam Rodolphe een theatrale houding aan en met groote
+plechtigheid in gebaar en stem zeide hij:
+
+"Luister eens, Marcel; het fortuin, dat ik hier voor uw oogen heb
+laten schitteren, is niet het resultaat van lage handelingen, ik heb
+niet met mijn pen gesjacherd, ik ben rijk, maar op mijn naam kleeft
+geen smet; een edelmoedige hand heeft mij dat goud gegeven, en ik
+heb een plechtige belofte afgelegd, om het te gebruiken ten einde
+mij door mijn werk een positie te verschaffen, die een ernstig man
+waardig is. De arbeid is de heiligste der plichten."
+
+"En het paard het edelste der dieren," viel Marcel hem in de
+rede. "Maar waar wil je eigenlijk heen? Wat bedoel je met die
+woorden? Waar haal je dat proza vandaan? Zeker uit de steengroeven
+der school van het gezond verstand?"
+
+"Val mij niet in de rede en scheid uit met je flauwe spotternijen,"
+zeide Rodolphe; "zij zouden trouwens toch afstuiten op het harnas
+van een onkwetsbaren wil, waarmede ik in het vervolg gepantserd ben."
+
+"Nou is de proloog lang genoeg. Waar wou je eigenlijk op neer komen?"
+
+"Luister naar mijn plannen: Gevrijwaard tegen de materieele zorgen
+des levens, wil ik ernstig aan het werk gaan; ik zal mijn meesterwerk
+voltooien en mij voor goed naam maken. In de eerste plaats breek ik
+met de Bohème-manieren, ik kleed mij zooals iedereen, koop een rok en
+ga de salons frequenteeren. Indien je denzelfden weg bewandelen wilt,
+zullen we samen kunnen blijven wonen, maar je zult mijn programma
+moeten aanvaarden. De strengste spaarzaamheid zal ons bestaan moeten
+beheerschen. Wanneer wij goed onze maatregelen weten te nemen, kunnen
+we drie maanden ongestoord en onbekommerd werken. Maar daarvoor is
+oeconomie noodig."
+
+"Beste vriend," zeide Marcel, "de oeconomie is een wetenschap,
+die alleen onder het bereik van de rijken valt, zoodat jij en ik er
+zelfs de grondbeginselen niet van kennen. Maar met een uitgave van
+zes francs zouden wij de werken kunnen koopen van Jean-Baptiste Say,
+een uitstekend oeconoom, die ons misschien de manier, om die kunst
+praktisch te beoefenen, zal kunnen leeren... Maar wat zie ik, heb je
+daar een Turksche pijp?"
+
+"Ja," zeide Rodolphe: "die heb ik voor vijf-en-twintig francs gekocht."
+
+"Wat, jij geeft vijf-en-twintig francs uit voor een pijp .... en
+durft dan nog van oeconomie te praten?"
+
+"Dat is zeer zeker oeconomie," antwoordde Rodolphe; "ik brak iederen
+dag een pijp van twee sous; aan het eind van een jaar maakt dat een
+uitgave, die heel wat grooter is dan die, welke ik nu gedaan heb
+.... Het is dus in werkelijkheid een besparing."
+
+"Waarachtig," zeide Marcel; "je hebt gelijk, daar zou ik nooit op
+gekomen zijn."
+
+Op dat oogenblik sloeg het zes uur.
+
+"Laten we nu gauw gaan dineeren," zeide Rodolphe; "ik wil vanavond nog
+met de uitvoering van mijn plan beginnen. Maar van eten gesproken,
+daar valt me iets in: wij verliezen iederen dag kostbaren tijd met
+het klaarmaken van ons diner. De tijd echter is de rijkdom van den
+arbeider, wij moeten er dus zuinig mede zijn. Met vandaag te beginnen
+gaan we buitenshuis eten."
+
+"Uitstekend," zeide Marcel; "twintig pas hier vandaan is een uitstekend
+restaurant; het is er wel een beetje duur; maar daar het vlak bij is,
+behoeven we niet ver te loopen en verdienen we aan tijd wat we aan
+geld uitgeven."
+
+"Vandaag zullen we nog gaan," zeide Rodolphe; "maar morgen of
+overmorgen zullen we nog oeconomischer maatregelen toepassen .... In
+plaats van naar een restaurant te gaan, zullen we een keukenmeid
+nemen."
+
+"Neen, neen!" viel Marcel hem in de rede; "laten we liever een knecht
+nemen, die tevens voor kok fungeeren kan. Bedenk eens welke groote
+voordeelen daaruit zullen kunnen voortvloeien. In de eerste plaats zal
+ons huishouden steeds in orde zijn: hij kan onze schoenen poetsen,
+mijn penseelen uitwasschen, onze boodschappen doen; ik zal zelfs
+probeeren hem wat smaak voor de schoone kunsten bij te brengen,
+dan kan hij mijn leerling worden. Op die manier sparen we met ons
+beiden per dag minstens zes uur uit, die we nu besteden aan allerlei
+onnoodige bezigheden, welke ons in ons werk hinderen."
+
+"Wacht even!" zeide Rodolphe; "ik heb nog een ander idée .... maar
+laten we eerst gaan dineeren!"
+
+Vijf minuten later zaten de beide vrienden in een der kamertjes van
+het naburige restaurant en zetten daar hun oeconomisch debat voort.
+
+"Weet je wat mijn idée is?" waagde Rodolphe op te merken; "wat zou
+je ervan zeggen, als we in plaats van een knecht een maîtresse nemen?"
+
+"Een maîtresse voor twee man!" viel Marcel verbaasd uit; "dat zou
+de gierigheid tot in het verkwistende drijven zijn; wij zouden onze
+spaarduiten gebruiken, om messen en andere moordwerktuigen te koopen,
+waarmede we elkaar te lijf zouden gaan. Neen, ik prefereer een knecht;
+bovendien staat dat deftig ook!"
+
+"Je hebt gelijk," zeide Rodolphe; "wij zullen een intelligenten jongen
+nemen; en als hij eenig begrip van orthographie heeft, zal ik hem
+leeren redigeeren."
+
+"Dat zal dan een bron van inkomsten voor hem zijn op zijn ouden dag,"
+zeide Marcel, terwijl hij de rekening, die vijftien francs bedroeg,
+optelde. "Jongens, dat is vrij duur. Gewoonlijk dineerden wij voor
+dertig sous samen."
+
+"Dat is zoo," vond Rodolphe, "maar we dineerden slecht en waren
+daardoor genoodzaakt 's avonds weer te soupeeren. Goed beschouwd is
+het dus een besparing."
+
+"Tegen jou valt niet te redeneeren," mompelde de schilder, door die
+redeneering overtuigd; "jij hebt altijd gelijk. Gaan we vanavond
+werken?"
+
+"Waarachtig niet. Ik ga naar mijn oom; dat is een brave kerel, ik zal
+hem op de hoogte brengen van mijn nieuwe positie, hij zal me goeden
+raad kunnen geven. En waar ga jij heen, Marcel?"
+
+"Ik ga den ouden Médicis vragen, of hij geen schilderijen voor mij
+te restaureeren heeft. A propos, geef mij even vijf francs."
+
+"Waarvoor?"
+
+"Ik wil over den Pont des Arts gaan."
+
+"O, dat is een onnoodige uitgave, die, ook al is zij niet zoo heel
+groot, toch met onze principes in strijd is."
+
+"Ik heb ongelijk, het is zoo," antwoordde Marcel; "ik zal over den
+Pont Neuf gaan .... maar dan neem ik een rijtuig."
+
+De twee vrienden namen afscheid en sloegen ieder een verschillenden
+weg in, die door een zonderlingen samenloop van omstandigheden hen
+beiden op dezelfde plaats terugbracht.
+
+"Zoo, heb je je oom niet thuis gevonden?" vroeg Marcel.
+
+"En was de oude Médicis er niet?" was Rodolphe's wedervraag.
+
+En zij barstten in lachen uit.
+
+Toch gingen zij op een vroeg uur naar huis terug ... den volgenden
+ochtend namelijk.
+
+Twee dagen later hadden Rodolphe en Marcel een volledige metamorphose
+ondergaan. Beiden gekleed als pasgehuwden, waren zij zoo mooi,
+zoo schitterend, zoo elegant, dat zij, wanneer zij elkaar op straat
+tegenkwamen, aarzelden elkaar te herkennen.
+
+Hun oeconomisch stelsel werkte in al zijn kracht, de organisatie van
+het werk kwam echter slechts met groote moeite tot stand. Zij hadden
+een knecht gehuurd. Het was een lange slungel van vier-en-dertig jaar
+en Zwitsersche afkomst en niet al te groote intelligentie. Bovendien
+was hij niet voor knecht in de wieg gelegd; wanneer een van zijn
+heeren hem een eenigszins groot pakket te bezorgen gaf, kreeg
+Baptiste een kleur van verontwaardiging en liet de boodschap
+door een witkiel doen. Maar Baptiste had ook goede eigenschappen:
+wanneer men hem bijv. een haas gaf, kon hij daarvan zoo noodig een
+hazenpeper maken. Ook had hij, daar hij, alvorens knecht te worden,
+destillateur geweest was, een groote voorliefde voor die kunst gehouden
+en ontstal hij een groot deel van den tijd, dien hij voor zijn meesters
+moest gebruiken, aan het zoeken naar de samenstelling van een nieuw
+wondmiddel, waaraan hij zijn naam wilde geven. Verder had hij het
+ver gebracht in het maken van notenbrandewijn. Maar de kunst, waarin
+Baptiste door niemand geëvenaard werd, was die om de sigaren van Marcel
+op te rooken en ze aan te steken met de manuscripten van Rodolphe.
+
+Op een goeden dag wilde Marcel Baptiste in het costuum van Pharao voor
+zijn "Doortocht door de Roode Zee" laten poseeren. Baptiste weigerde
+dit beslist en zeide zijn dienst op.
+
+"Goed," zeide Marcel; "we zullen vanavond afrekenen."
+
+Toen Rodolphe thuis kwam, zeide zijn vriend tegen hem, dat Baptiste
+beslist weggezonden moest worden.
+
+"Wij hebben absoluut geen nut van hem," zeide hij.
+
+"Dat is zoo," antwoordde Rodolphe; "hij is een levend kunstvoorwerp."
+
+"Hij is zoo dom als het achtereind van een koe."
+
+"En lui!"
+
+"Hij moet weg."
+
+"Laten we hem wegsturen!"
+
+"Toch heeft hij eenige goede eigenschappen. Hij kan heel lekker
+hazenpeper maken."
+
+"En notenbrandewijn dan. Hij is de Raphaël van den notenbrandewijn."
+
+"Zeker, maar dat is ook het eenige, waarvoor hij deugt, en dat is
+voor ons niet voldoende. Wij verliezen al onzen tijd door al die
+discussies met hem."
+
+"Hij hindert ons in ons werk."
+
+"Het is zijn schuld, dat ik mijn "Doortocht door de Roode Zee" nog
+niet heb kunnen tentoonstellen. Hij heeft geweigerd om voor Pharao
+te poseeren."
+
+"En door hem heb ik het werk, dat mij opgedragen was, niet kunnen
+afmaken. Hij heeft geweigerd, om in de bibliotheek de aanteekeningen,
+die ik noodig had, te gaan halen."
+
+"Hij ruïneert ons."
+
+"We kunnen hem beslist niet houden."
+
+"Laten we hem dan wegzenden .... Maar eerst moeten we hem betalen."
+
+"Wij zullen hem betalen, maar weg moet hij! Geef me geld, dan zal ik
+met hem afrekenen."
+
+"Wat, geld! Ik houd toch de kas niet, maar jij!"
+
+"Geen quaestie van, jij! Jij hebt je met de generale intendantuur
+belast," zeide Rodolphe.
+
+"Maar ik geef je de heilige verzekering, dat ik geen geld heb!" riep
+Marcel uit.
+
+"Zou al het geld nou al op zijn? Dat is onmogelijk! Je kan geen
+vijfhonderd francs in acht dagen uitgeven, vooral wanneer je,
+zooals wij, met de grootste spaarzaamheid geleefd hebt en je je tot
+het strikt noodzakelijke beperkt (Tot het strikt overbodige had hij
+moeten zeggen.). Wij moeten de rekeningen even verifieeren, dan zullen
+we de fout wel vinden."
+
+"Ja, die wel," zeide Marcel, "maar niet het geld. Maar dat hindert
+minder, we kunnen toch het uitgaven-boekje wel even doorloopen."
+
+Ziehier het specimen van die boekhouding, welke onder de auspiciën
+van Sancta Oeconomica begonnen was.
+
+"19 Maart. Ontvangen: 500 francs. Uitgegeven: een Turksche pijp,
+25 francs; diner, 15 francs; diversen, 40 francs."
+
+"Wat zijn dat voor uitgaven?" vroeg Rodolphe aan Marcel, die las.
+
+"Dat weet je wel," antwoordde deze, "dat is de avond, dat we 's
+morgens pas thuis gekomen zijn. Trouwens daardoor hebben we vuur en
+licht gespaard."
+
+"Verder."
+
+"20 Maart. Dejeuner, 1 fr. 50; tabak 20 cent; diner, 2 fr.; een
+monocle, 2 fr. 50. Die monocle is voor jouw rekening. Waarvoor hadt
+je een monocle noodig? Je mankeert niets aan je oogen."
+
+"Je weet heel goed, dat ik voor de Echarpe d'Iris een verslag over
+de schilderijen-tentoonstelling moest maken; en zonder monocle
+kan je geen schilderijen beoordeelen; dat was een gerechtvaardigde
+uitgave. Verder? ...."
+
+"Een wandelstok ..."
+
+"O, die is voor jouw rekening," zeide Rodolphe. "Je hadt geen
+wandelstok noodig."
+
+"Dat is alles, wat den 20sten uitgegeven is," zeide Marcel, die
+op Rodolphe's uitval niet inging. "Den 21sten hebben we in de stad
+geluncht, gedineerd en gesoupeerd."
+
+"Dan hebben we dien dag toch niet veel uit kunnen geven?"
+
+"Inderdaad slechts een kleinigheid .... Bijna dertig francs."
+
+"Maar waaraan toch in hemelsnaam?"
+
+"Dat weet ik niet meer," antwoordde Marcel; "maar het staat onder de
+rubriek: Diversen."
+
+"Dat is een heel vage en verraderlijke titel," riep Rodolphe.
+
+"22 Maart. Dat was de dag, waarop Baptiste in dienst gekomen is;
+we hebben hem een voorschot van 5 francs op zijn loon gegeven; voor
+een draaiorgel 50 centimes; voor den afkoop van vier Chineesche
+boerenjongens, die door hun ouders, ongelooflijke drankorgels en
+doordraaiers, tot verdrinking in de Gele Rivier gedoemd waren,
+2 fr. 40 c."
+
+"Lieve Hemel," zeide Rodolphe, "verklaar mij toch eens de
+tegenstelling, die in dit artikel op te merken is. Als je aan
+draaiorgels geeft, waarom scheldt je dan op die doordraaiers en
+drankorgels van ouders. En waar was het noodig voor geld voor die
+Chineesche boerenjongens uit te geven? Als het nu nog boerenjongens
+op brandewijn geweest waren!"
+
+"Ik ben nu eenmaal grootmoedig geboren," antwoordde Marcel. "Doch
+lees jij nu eens verder. Tot nu toe zijn we niet veel van het
+spaarzaamheidsprincipe afgeweken."
+
+"23 Maart. Niets. 24 Maart. Idem. Dat zijn twee goede dagen, 25
+Maart. Een voorschot van 3 francs op het loon van Baptiste."
+
+"Het schijnt, dat we hem nog al veel voorschot gegeven hebben,"
+zeide Marcel.
+
+"Des te minder hebben we hem dan nu uit te betalen," antwoordde
+Rodolphe. "Ga verder."
+
+"26 Maart. Verschillende, uit een oogpunt van kunst nuttige uitgaven,
+36 fr. 40 c."
+
+"Wat hebben we dan voor nuttigs gekocht?" vroeg Rodolphe; "ik herinner
+me er niets van. 36 fr. 40 c., wat kan dat zijn?"
+
+"Herinner je je dat niet?... Dat is de dag, waarop wij de Notre-Dame
+beklommen hebben, om Parijs in vogelvlucht te zien."
+
+"Maar dat kost toch niet meer dan acht sous," dacht Rodolphe.
+
+"Ja, maar toen we weer beneden waren, zijn we in St. Germain gaan
+dineeren."
+
+"Dan is de zaak duidelijk."
+
+"27 Maart: Niets!"
+
+"Prachtig! Dat is nu eens spaarzaam!"
+
+"28 Maart. Voorschot aan Baptiste, 6 fr."
+
+"O, nu ben ik er zeker van, dat we hem niets meer te betalen
+hebben. Het is zelfs niet onmogelijk, dat hij ons nog wat schuldig
+is .... Enfin, dat zal ik wel eens narekenen."
+
+"29 Maart. Waarachtig, op 29 Maart hebben we niets uitgegeven. Er
+staat het begin van een preek voor in de plaats. 30 Maart. Juist, toen
+hadden we menschen te dineeren; een groote uitgave: 30 fr. 55c. Den
+31sten, dit is vandaag, hebben we nog niets uitgegeven. Je ziet dus,
+dat de boekhouding zeer nauwkeurig geweest is. Het totaal bedraagt
+op geen stukken na 500 francs."
+
+"Dan moet er nog geld in kas zijn."
+
+"We zullen zien," zeide Marcel, terwijl hij een lade opentrok. "Neen,
+er is niets meer, alleen een spin."
+
+"Een spin op den morgen brengt kommer en zorgen," merkte Rodolphe op.
+
+"Maar waar kan al dat geld gebleven zijn?" vroeg Marcel,
+terneergeslagen bij het zien van de ledige kas.
+
+"Vraag je dat nog?" zeide Rodolphe. "Dat is nogal eenvoudig: we hebben
+het aan Baptiste gegeven."
+
+"Wat is dat?" riep Marcel uit, die in de lade een stuk papier vond. "De
+rekening voor het laatste kwartaal huur!"
+
+"Hoe is die hier gekomen?" vroeg Rodolphe.
+
+"En gequiteerd ook!" voegde Marcel eraan toe. "Heb jij huur betaald?"
+
+"Ik? Loop nou rond!"
+
+"Maar wat beteekent dan?"
+
+"Maar ik bezweer je ...."
+
+"Wat is dan dit mysterie?" zongen zij in koor op de melodie der finale
+van La Dame Blanche.
+
+Baptiste, die graag muziek hoorde, kwam dadelijk aanloopen.
+
+Marcel liet hem de quitantie zien.
+
+"O ja, dat is waar ook!" zeide Baptiste langs zijn neus weg; "dat had
+ik nog vergeten te zeggen. De huisbaas is hier geweest, toen jullie
+uit waren, en om hem de moeite te besparen terug te moeten komen,
+heb ik hem maar betaald."
+
+"Waar heb je dat geld vandaan gehaald?"
+
+"O, ik heb het uit de la genomen, die stond open; ik dacht, dat de
+heeren die juist daarom open hadden laten staan, en ik zei zoo tegen
+mezelvers; De heeren hebben, toen ze uit gingen, vergeten te zeggen:
+"Baptiste, de huisbaas zal zijn huur komen halen, je moet hem betalen;"
+en toen heb ik gedaan, alsof ik dat bevel gekregen had, zonder het
+bevel gekregen te hebben."
+
+"Baptiste," zeide Marcel, ziedend van woede, "je hebt onze bevelen
+overtreden. Van af heden ben je uit onzen dienst ontslagen. Baptiste,
+geef je livrei terug."
+
+Baptiste nam zijn wasdoeken pet, waaruit zijn heele uniform bestond,
+af en gaf die aan Marcel.
+
+"Goed," zeide deze; "je kunt gaan ..."
+
+"En mijn loon?"
+
+"Ben je soms niet erg lekker? Je hebt al meer gekregen dan we je
+schuldig zijn. Ik heb je in nog geen veertien dagen veertien francs
+gegeven. Wat doe je met al dat geld? Mainteneer je soms een danseres?"
+
+"Op het slappe koord," voegde Rodolphe eraan toe.
+
+"Ik sta dus alleen op de wereld," zeide de ongelukkige knecht;
+"zonder iets, waarop ik mijn hoofd kan nederleggen!"
+
+"Neem dan je livrei maar terug," antwoordde Marcel, ondanks zichzelf
+aangedaan.
+
+En hij gaf de pet aan Baptiste terug.
+
+"En toch heeft die ongelukkige ons fortuin verkwist," zeide Rodolphe,
+toen hij den armen Baptiste zag weggaan. "Waar dineeren we vandaag?"
+
+"Dat zullen we morgen weten," antwoordde Marcel.
+
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK VIII.
+
+WAT EEN VIJFFRANCSSTUK KOST.
+
+
+Op een Zaterdagavond in den tijd, dat hij nog niet met mademoiselle
+Mimi "was", met wie we weldra kennis zullen maken, leerde Rodolphe
+aan zijn table-d'hôte een handelaarster in mode-artikelen,
+mademoiselle Laure geheeten, kennen. Toen zij gehoord had, dat
+Rodolphe hoofdredacteur van de Echarpe d'Iris en van den Castor,
+twee modebladen, was, begon zij, in de hoop, dat hij reclame voor
+haar artikelen zou maken, op vrij in het oog loopende wijze met hem
+te coquetteeren. Op die uitdagingen had Rodolphe geantwoord met een
+vuurwerk van galante complimentjes, die Benserade, Voiture en alle
+Ruggieri's van den precieusen stijl jaloersch gemaakt zouden hebben;
+en toen zij na afloop van het diner vernam, dat Rodolphe dichter was,
+gaf zij hem heel duidelijk te verstaan, dat zij niet ongeneigd was
+hem als haar Petrarca aan te nemen. Zelfs stond zij hem zonder veel
+omhaal van woorden een rendez-vous voor den volgenden dag toe.
+
+"Bij Juppiter!" zeide Rodolphe tot zichzelf, toen hij
+mademoiselle Laure naar huis bracht, "dat is beslist een beminlijke
+persoonlijkheid. Het lijkt wel, dat zij over een voldoende grammatica
+en een rijk voorziene garde-robe beschikt. Ik ben werkelijk wel
+geneigd haar gelukkig te maken."
+
+Toen zij bij de deur van haar huis gekomen was, liet mademoiselle
+Laure den arm van Rodolphe los en dankte hem hartelijk voor de moeite,
+die hij zich getroost had, om haar naar een zoo afgelegen stadswijk
+te brengen.
+
+"O, madame," antwoordde Rodolphe met een buiging, waarbij zijn gezicht
+op den grond kwam, "ik wilde, dat u te Moskou of op de Sunda-eilanden
+woonde, alleen om nog langer uw cavalier te kunnen zijn!"
+
+"Dat is wel wat erg ver!" antwoordde Laure gemaakt.
+
+"We zouden over de boulevards gegaan zijn, madame," zeide Rodolphe. "En
+sta mij toe, u, in den persoon van uw wang, de hand te kussen,"
+vervolgde hij, terwijl hij Laure, voor zij het verhinderen kon,
+een kus op de lippen drukte.
+
+"O, mijnheer," kirde zij, "dat gaat te vlug."
+
+"Ja, maar dan bereik ik ook eerder mijn doel," zeide Rodolphe. "In
+de liefde moeten de eerste afstanden in galop worden afgelegd."
+
+"Een type!" dacht de modiste, terwijl zij naar binnen ging.
+
+"Een allerliefst persoonlijkheidje," zeide Rodolphe, toen hij naar
+huis wandelde.
+
+Zoodra hij op zijn kamer was, ging hij naar bed en droomde de zoetste
+droomen. Hij zag zich op bals, in de schouwburgen en op wandelplaatsen
+met Laure aan zijn arm, die nog mooiere japonnen dan die, welke in
+de sprookjes van Moeder de Gans voorkomen, aan had.
+
+Volgens zijn gewoonte stond Rodolphe den volgenden dag om elf uur
+op. Zijn eerste gedachte was voor mademoiselle Laure.
+
+"Een heel beschaafde vrouw," mompelde hij. "Ik ben er zeker van,
+dat zij te Saint-Denis is opgevoed. Ik zal dus eindelijk het geluk
+leeren kennen een maîtresse te bezitten, die er warmpjes in zit. Ik
+moet mij offers voor haar getroosten. Ik zal dus mijn geld aan de
+Echarpe d'Iris gaan halen, een paar handschoenen koopen en met Laure
+gaan dineeren in een restaurant, waar ze servetten geven. Mijn rok
+is wel niet heel mooi meer, maar zwart kleedt toch altijd goed!"
+
+En hij ging naar het bureau van de Echarpe d'Iris.
+
+Op straat zag hij echter in den omnibus groote affiches met de woorden:
+
+
+ "Heden, Zondag, springen de waterwerken te Versailles."
+
+
+Het inslaan van den bliksem vlak voor zijn voeten zou op Rodolphe
+geen dieperen indruk gemaakt hebben dan het zien van dat affiche.
+
+"Het is vandaag Zondag! Dat was ik heelemaal vergeten!" riep hij
+uit. "Dan krijg ik nergens geld vandaag. Zondag! Alles wat in Parijs
+daalders heeft, is al op weg naar Versailles."
+
+Desniettemin liep Rodolphe, voortgedreven door een van die fabelachtige
+verwachtingen, waaraan de mensch zich steeds vastklampt, zoo snel als
+zijn beenen hem dragen konden, naar het bureau van zijn blad. Misschien
+zou een gelukkig toeval den kassier daar gebracht hebben.
+
+Mijnheer Boniface was er inderdaad geweest, doch onmiddellijk weer
+vertrokken.
+
+"Hij is naar Versailles," zeide de loopjongen.
+
+"Dat is verkeken," zeide Rodolphe.... "Maar wacht eens even. Het
+rendez-vous is vanavond pas. Het is nu twaalf uur, ik heb dus nog
+vijf uur om vijf francs te vinden--dat is twintig sous per uur,
+net als de paarden in het Bois de Boulogne. En nu voorwaarts marsch!"
+
+Daar hij juist in het stadsdeel was, waar een journalist woonde,
+dien hij den invloedrijken criticus noemde, besloot hij bij dezen
+een poging te wagen.
+
+"Ik vind hem zeker thuis," zeide hij, terwijl hij de trap opliep;
+"het is vandaag zijn feuilletondag, dus gaat hij niet uit. Ik zal
+van hem vijf francs leenen."
+
+"Ha, ben jij het!" zeide de criticus, toen hij Rodolphe zag, "je komt
+als geroepen; ik heb je een kleinen dienst te vragen."
+
+"Dat treft prachtig!" dacht de redacteur van de Echarpe d'Iris.
+
+"Was je gisteren in den Odéon?"
+
+"Daar ben ik altijd!"
+
+"Je hebt dus het nieuwe stuk gezien?"
+
+"Wie zou het anders gezien hebben? Het publiek van den Odéon ben ik!"
+
+"Dat is waar ook," zeide de criticus. "Je bent een der steunpilaren
+van dien schouwburg. Er loopt zelfs een gerucht, dat je subsidie
+geeft. Doch om op de zaak terug te komen, kan je me geen overzicht
+van het nieuwe stuk geven?"
+
+"Niets makkelijker dan dat. Ik heb het geheugen van een schuldeischer."
+
+"Van wien was het stuk?" vroeg de journalist aan Rodolphe, terwijl
+deze aan het schrijven was.
+
+"Van een mijnheer."
+
+"Dan zal het geen sterk stuk zijn."
+
+"In geen geval zoo sterk als een Turk."
+
+"Dan is het ook niet sterk. Want de Turken hebben geheel ten onrechte
+den naam van sterk te zijn. Zij zouden hier nog niet eens voor
+schoorsteenvegers deugen."
+
+"En waarom niet?"
+
+"Omdat alle schoorsteenvegers Savoyaards zijn, en alle Savoyaards
+weer Auvergners, en alle Auvergners weer kruiers zijn. En bovendien
+zijn er geen Turken meer, behalve op de bals masqués in de voorsteden
+en op de Champs Elysées, waar zij dadels verkoopen. De Turk is een
+vooroordeel. Een van mijn vrienden kent het Oosten heel goed en die
+heeft me verzekerd, dat al de onderdanen van die natie geboren zijn
+in de rue Coquenard."
+
+"Alleraardigst!"
+
+"Vind je?" vroeg de criticus. "Dan zet ik het in mijn feuilleton."
+
+"Hier heb je de analyse van het stuk," zeide Rodolphe. "Gauw gedaan,
+wat?"
+
+"Dat wel, maar het is verduiveld kort."
+
+"Wanneer je er wat gedachtenstreepjes bij zet en je kritische opinie
+ontwikkelt, neemt het plaats genoeg in."
+
+"Daar heb ik geen tijd voor, mijn waarde, en bovendien beslaat mijn
+kritische meening zooveel plaats niet."
+
+"Dan zet je er om de drie woorden een adjectief bij."
+
+"Zou je aan de analyse niet een korte, of liever een lange beschouwing
+over het stuk kunnen vasthechten?" vroeg de criticus.
+
+"Och," zeide Rodolphe, "ik heb wel mijn bepaalde ideeën over de
+tragedie, maar ik waarschuw je, dat ik ze al driemaal in den Castor
+en in de Echarpe d'Iris heb laten afdrukken."
+
+"Dat is minder; hoeveel regels beslaan je ideeën?"
+
+"Veertig regels."
+
+"Bliksems, jij hebt groote ideeën! Nou, wil je me je veertig regels
+leenen?"
+
+"Prachtig!" dacht Rodolphe. "Als ik hem voor twintig francs copie
+lever, zal hij mij geen vijf francs kunnen weigeren. Ik moet je
+echter eerlijk bekennen," zeide hij vervolgens tot den criticus, "dat
+mijn denkbeelden niet bepaald nieuw zijn. Zij zijn aan den elleboog
+een beetje doorgesleten. Voor ik ze liet drukken, heb ik ze in alle
+koffiehuizen van Parijs uitgebazuind: er is geen kellner in Parijs,
+die ze niet uit zijn hoofd kent."
+
+"Wat kan mij dat schelen?.... Je kent me nog niet. Is er, uitgezonderd
+de deugd, iets nieuws in de wereld?"
+
+"Hier!" zeide Rodolphe toen hij klaar was.
+
+"Donder en bliksem! Er mankeeren nog twee kolom... Waarmede dien
+afgrond te dempen? Kom, lever me, nu je toch hier bent, nog een
+paar paradoxen!"
+
+"Ik heb er van mijzelf niet bij me," zeide Rodolphe; "maar ik kan
+je er wel een paar leenen; ze zijn echter niet van mij; ik heb ze
+voor vijftig centimes van een vriend, die in geldverlegenheid zat,
+gekocht. Ze hebben nog maar heel weinig dienst gedaan."
+
+"Des te beter!" zeide de criticus.
+
+"Het gaat goed!" zeide Rodolphe tot zichzelf, terwijl hij weer begon
+te schrijven; "ik vraag hem minstens tien francs; in dezen tijd zijn
+de paradoxen even duur als jonge patrijzen."
+
+En hij schreef een dertig regels, waarin hij zottenpraat uitkraamde
+over piano's, goudvisschen, de school van het gezond verstand en
+Rijnwijn, dien hij toiletwijn noemde.
+
+"Prachtig," zeide de criticus; "doe mij nu nog het genoegen er bij
+te schrijven, dat het bagno de plaats in de wereld is, waar je de
+meeste rechtschapen menschen vindt."
+
+"Waarom?"
+
+"Om nog twee regels te vullen. Zoo, dat is in orde," zeide de
+invloedrijke criticus en riep zijn bediende, om zijn feuilleton naar
+de drukkerij te brengen.
+
+"En nu," zeide Rodolphe; "de koe bij de horens gevat!" En hij deed
+plechtig en ernstig zijn verzoek.
+
+"O je, mijn waarde," zuchtte de criticus, "ik heb zelf geen sou in
+huis. Lolotte ruïneert me met pomade en zooeven heeft zij mij tot
+mijn laatste halve duit uitgeschud om naar Versailles te gaan en de
+Nereïden en andere bronzen monsters water te zien spuwen."
+
+"Naar Versailles?" vroeg Rodolphe. "Is het vandaag dan een epidemie?"
+
+"Maar waarom heb je geld noodig?"
+
+"Ziehier het geval," antwoordde Rodolphe. "Om vijf uur heb ik een
+afspraak met een vrouw van de wereld, een gedistingeerde dame, die
+altijd in een omnibus uitgaat. Ik zou gaarne voor eenige dagen mijn
+lot aan het hare verbinden; en daarom komt het mij passend voor haar
+de zoetheden des levens te laten smaken. Diner, bal, wandelingen
+enz. enz. Ik heb absoluut vijf francs noodig; als ik ze niet vind,
+is in mijn persoon de geheele Fransche litteratuur onteerd."
+
+"Waarom leen je die som niet van die dame zelf?" vroeg de criticus.
+
+"Dat gaat den eersten keer niet. Alleen jij kunt mij redden!"
+
+"Bij alle mummies van Egypte zweer ik je op mijn woord van eer, dat
+ik zelfs geen geld heb, om een pijp van een sou of een panatella
+te koopen. Maar ik heb daar een paar boeken, die je zoudt kunnen
+verkoopen."
+
+"Vandaag, op Zondag, onmogelijk. Moeder Mansut, Lebigre en alle winkels
+op de kaden en in de rue Saint-Jacques zijn gesloten. En wat zijn het
+voor boeken? Zeker gedichten met het portret van den schrijver. Maar
+die dingen zijn onverkoopbaar."
+
+"Tenzij je er door de rechtbank toe veroordeeld wordt. Doch wacht
+even, daar heb je nog een bundel romances en een paar billetten voor
+concerten. Wanneer je het wat handig aanlegt, zou je er best wat geld
+van kunnen maken."
+
+"Ik zou liever wat anders meenemen, een broek bijv."
+
+"Daar," zeide de criticus, "neem dien Bossuet en die gipsbuste
+van Odilon Barrot nog mee; maar op mijn woord van eer, dat is het
+penningske der weduwe."
+
+"Ik zie in ieder geval je goeden wil," zeide Rodolphe. "Ik neem de
+schatten mede, maar als ik er dertig sous voor krijg, dan beschouw
+ik dat kunststuk als het dertiende werk van Hercules."
+
+Nadat hij ongeveer vier mijl had afgelegd, slaagde hij er met behulp
+van een welsprekendheid, waarvan hij bij groote gelegenheden het geheim
+bezat, in bij zijn waschvrouw twee francs te leenen, waarvoor hij de
+deelen poëzie, de romances en de buste van Barrot in pand moest geven.
+
+"Kom," zeide hij, toen hij de bruggen weer overging, "dat is tenminste
+de jus, nu moet ik het vleesch nog zien te vinden. Als ik eens naar
+mijn oom ging!"
+
+Een half uur later was hij bij zijn oom Monetti, die op het gelaat
+van zijn neef dadelijk las, waarom het ging. Hij was dus op zijn
+hoede en voorkwam iedere vraag door een serie klachten als:
+
+"Het zijn moeilijke tijden: het brood is duur, de klanten betalen niet,
+de huur moet worden opgebracht, de handel zit in het moeras enz. enz.,"
+en al de verdere huichelachtige klachten van winkeliers.
+
+"Zou je wel willen gelooven," zeide de oom, "dat ik genoodzaakt ben
+geld te leenen van mijn bediende, om een wissel te betalen?"
+
+"Dan hadt u mij even een boodschap moeten sturen," zeide Rodolphe. "Ik
+zou u het geld gaarne geleend hebben; drie dagen geleden heb ik
+tweehonderd francs gekregen."
+
+"Ik vind het heel aardig van je, jongen, maar je hebt zelf je geld
+noodig .... Maar zeg, nu je toch hier bent, zou je wel even een
+paar rekeningen voor me kunnen schrijven, die ik wil laten innen;
+je schrijft zoo'n mooie hand."
+
+"O je, die vijf francs zullen me duur kosten," zeide Rodolphe,
+terwijl hij zich aan het werk zette, dat hij zooveel mogelijk bekortte.
+
+"Beste oom," zeide hij, "daar ik weet, dat u een groot muziekliefhebber
+bent, heb ik een paar entrée's voor u medegebracht."
+
+"Heel vriendelijk van je, jongen. Wil je bij me blijven dineeren?"
+
+"Neen, dank u, oom; ik word in den Fauborg St. Germain op een diner
+verwacht. Ik verkeer zelfs eenigszins in verlegenheid, omdat ik geen
+tijd meer heb om geld te gaan halen, om handschoenen te koopen."
+
+"Heb je geen handschoenen bij je? Wil je de mijne leenen?"
+
+"Dat zal niet gaan; we hebben hetzelfde nummer niet; maar u zoudt
+mij verplichten mij te leenen...."
+
+"Negen-en-twintig sous, om een paar te koopen? Zeker, jongen, daar
+heb je ze. Wanneer je in gezelschap komt, moet je fatsoenlijk voor
+den dag komen. Beter benijd dan beklaagd, zeide je tante altijd. Ik
+ben blij, dat je in betere kringen komt .... Ik zou je wel wat meer
+gegeven hebben, maar ik heb op het oogenblik hier in het kantoor niet
+meer; ik zou naar boven moeten en ik kan den winkel niet alleen laten:
+ieder oogenblik komen er koopers."
+
+"En u vertelde daarnet, dat het zoo slecht met den handel ging!"
+
+Oom Monetti deed, of hij die opmerking niet hoorde en zeide tot zijn
+neef, die de negen-en-twintig sous in zijn zak stak:
+
+"Je behoeft je niet te haasten, om ze terug te geven."
+
+"Wat een gierige brok!" zeide Rodolphe, terwijl hij zich
+wegspoedde. "Nu ontbreken me nog een-en-dertig sous. Waar die
+te vinden? Wacht, een idee, laat ik naar den viersprong van de
+Voorzienigheid gaan."
+
+Dat was de naam, dien Rodolphe gaf aan het meest centrale punt van
+Parijs, d. w. z. het Palais Royal, een plek, waar het bijna onmogelijk
+is tien minuten te blijven staan zonder tien personen te ontmoeten,
+die je kent, vooral schuldeischers.
+
+Rodolphe ging dus op het bordes van het Palais-Royal op wacht
+staan. Ditmaal liet de Voorzienigheid zich lang wachten. Eindelijk
+meende Rodolphe haar te zien. Zij had een witten hoed, een groenen
+paletot en een wandelstok met een gouden knop .... een zeer elegant
+gekleede Voorzienigheid dus.
+
+Het was een voorkomende en bemiddelde, maar eenigszins woordenrijke
+jongeling.
+
+"Ik ben blij je te zien," zeide hij tot Rodolphe; "loop een eindje
+mede, dan kunnen we wat praten."
+
+"Ach, ik zal die woordenmarteling maar ondergaan," mompelde Rodolphe,
+terwijl hij zich door den witten hoed liet medenemen, die hem inderdaad
+zijn trommelvlies half kapot praatte.
+
+Toen zij bij den Pont des Arts kwamen, zeide Rodolphe:
+
+"Ik moet je nu verlaten, daar ik geen geld heb, om de tol voor de
+brug te betalen."
+
+"Kom maar mee," antwoordde de witte hoed, terwijl hij den invalide
+twee sous toewierp.
+
+"Nu is het oogenblik gekomen," dacht de redacteur van de Echarpe
+d'Iris, toen hij de brug overliep; aan het einde ervan bij de klok
+van het Instituut gekomen, bleef Rodolphe plotseling staan, wees met
+een wanhopig gebaar naar de wijzerplaat en riep uit:
+
+"Vervloekt! Kwart voor vijf. Ik ben verloren."
+
+"Wat is er?" zeide de andere verwonderd.
+
+"Wel, dat ik door jouw schuld een rendez-vous verzuim."
+
+"Een belangrijk?"
+
+"Dat zou ik denken .... Ik moest om vijf uur geld gaan halen .... in
+Batignolles .... Ik zal er nooit op tijd zijn .... Bliksems! Wat moet
+ik beginnen?"
+
+"Dat is nogal eenvoudig," zeide de woordenrijke, "ga met mij mee naar
+huis, dan zal ik je wat leenen."
+
+"Onmogelijk! Je woont in Montrouge, en om zes uur moet ik voor een
+zaak in de Chaussée-d'Antin zijn .... Een beroerde geschiedenis!"
+
+"Ik heb wel een paar sous op zak," zeide de Voorzienigheid bescheiden
+.... "maar niet veel."
+
+"Als ik genoeg had om een bakje te nemen, dan zou ik misschien nog
+op tijd in Batignolles kunnen zijn."
+
+"Hier heb je den inhoud van mijn beurs, mijn waarde, een-en-dertig
+sous."
+
+"Geef maar gauw hier, dan maak ik, dat ik weg kom!" zeide Rodolphe,
+die het vijf uur had hooren slaan, en hij haastte zich naar de plaats
+van zijn rendez-vous.
+
+"Dat is een heele toer geweest," zeide hij, terwijl hij zijn geld
+telde. "Honderd sous, precies op den kop af. Enfin, ik ben nu
+gered, en Laure zal zien, dat zij te doen heeft met een man, die
+savoir-vivre heeft. Ik wil vanavond met geen centime thuis komen. Ik
+moet de litteratuur weer tot eer brengen en bewijzen, dat het haar
+beoefenaars slechts aan geld ontbreekt, om rijk te zijn."
+
+Rodolphe vond mademoiselle Laure op de afgesproken plaats.
+
+"Nou," zeide hij tot zichzelf, "wat stiptheid betreft, lijkt zij wel
+een chronometer."
+
+Hij bracht den avond met haar door en smolt zijn vijf francs dapper
+in den smeltkroes der verkwisting. Mademoiselle Laure was verrukt
+over zijn manieren en was wel zoo goed eerst te merken, dat Rodolphe
+haar niet naar haar huis terugbracht vóór het oogenblik, dat hij haar
+zijn kamer liet binnentreden.
+
+"Het is verkeerd wat ik doe," zeide zij. "Zorg, dat ik er geen berouw
+over moet hebben door een ondankbaarheid, die uw sexe eigen is."
+
+"Madame," zeide Rodolphe, "ik sta bekend voor mijn bestendigheid, en
+wel in dien mate, dat al mijn vrienden zich over mijn trouw verwonderen
+en mij den bijnaam gegeven hebben van generaal Bertrand der Liefde."
+
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK IX.
+
+DE WITTE VIOOLTJES.
+
+
+In dien tijd was Rodolphe doodelijk verliefd op zijn nicht Angèle, die
+hem niet kon uitstaan, en de thermometer van den ingenieur Chevalier
+wees twaalf graden onder nul.
+
+Mademoiselle Angèle was de dochter van mijnheer Monetti, den
+kachelsmid-rookverdrijver, over wien we reeds meermalen gelegenheid
+hadden te spreken. Mademoiselle Angèle was achttien jaar en pas
+terug uit Bourgondië, waar zij vijf jaar doorgebracht had bij een
+bloedverwante, van wie zij later moest erven. Die bloedverwante
+was een oude vrouw, die nooit jong of mooi geweest was, maar altijd
+kwaadaardig, niettegenstaande of liever omdat zij vroom was. Angèle,
+die bij haar vertrek een bekoorlijk kind was, dat in haar jonge jaren
+reeds een bekoorlijk meisje beloofde te worden, kwam na verloop van
+vijf jaar als een knap, maar koel, droog, ongevoelig jong meisje
+terug. Het teruggetrokken provincieleven, de overdreven godsdienstige
+oefeningen en de bekrompen beginselen, volgens welke zij was opgevoed,
+hadden haar geest vervuld met vulgaire en dwaze vooroordeelen,
+haar phantasie lam geslagen en van haar hart een orgaan gemaakt,
+dat zich er toe bepaalde zijn functie als bloedsomloop-regulateur te
+vervullen. Angèle had, om zoo te zeggen, wijwater in plaats van bloed
+in haar aderen. Bij haar terugkeer ontving zij hem met een ijskoude
+reserve en Rodolphe trachtte ieder oogenblik vergeefs in haar de
+teedere snaar der herinneringen weer te doen trillen, herinneringen
+uit den tijd, toen zij samen de amourette à la Paul et Virginie
+gespeeld hadden, die tusschen neef en nicht zoo dikwijls gespeeld
+wordt. Toch was Rodolphe doodelijk verliefd op zijn nicht Angèle,
+die hem niet kon uitstaan; en toen hij op een goeden dag hoorde, dat
+het jonge meisje binnenkort naar een bal, dat ter gelegenheid van het
+huwelijk van een harer vriendinnen gegeven werd, zou gaan, liet hij
+zich door zijn hartstocht zoo ver medesleepen, dat hij Angèle voor dat
+bal een bouquet viooltjes beloofde. En na toestemming van haar vader
+gekregen te hebben, nam Angèle het galante aanbod van haar neef aan,
+waarbij zij er echter op aandrong, dat zij witte viooltjes zou krijgen.
+
+Gelukkig door de beminlijk- en vriendelijkheid van zijn nicht, ging
+hij dansend en zingend naar zijn "St. Bernard" terug. Zoo noemde hij
+zijn toenmalig domicilie; waarom zullen we dadelijk zien. Toen hij
+door het Paleis Royal ging en voorbij den winkel van madame Provost,
+de beroemde bloemiste, kwam, zag hij witte viooltjes in de etalage;
+uit nieuwsgierigheid liep hij naar binnen, om den prijs ervan te
+vragen. Een eenigszins toonbare bouquet kostte niet minder dan tien
+francs, doch er bestonden er, die nog duurder waren.
+
+"Alle duivels!" zeide Rodolphe; "tien francs, en nog maar acht dagen
+tijd, om dat millioen te vinden. Dat zal moeite kosten; maar dat is
+minder, mijn nicht krijgt haar bouquet. Ik heb al een idée."
+
+Dit avontuur overkwam Rodolphe in den tijd, dat hij nog in zijn
+litteraire genesis was. Al zijn inkomsten bestonden toen uit een
+maandelijksche toelage van vijftien francs, welke hem toegekend
+was door een van zijn vrienden, een groot dichter, die na een lang
+verblijf te Parijs met behulp van de noodige kruiwagens schoolmeester
+in de provincie geworden was. Rodolphe, aan wiens wieg de verkwisting
+als peet gestaan had, kwam met die toelage precies vier dagen rond;
+en daar hij het gewijde, maar weinig productieve beroep van elegisch
+dichter niet wilde opgeven, leefde hij de rest van de maand van die
+manna van het toeval, welke langzaam uit de korven der Voorzienigheid
+druppelt. Doch die vastentijd had voor hem geen verschrikkingen;
+hij bracht dien vroolijk door dank zij een stoïsche matigheid
+en de schatten der phantasie, die hij dagelijks uitgaf, om den
+eersten der maand te bereiken, dien Paaschdag, welke een einde
+maakte aan zijn lijdenstijd. Rodolphe woonde toentertijd in de rue
+Contrescarpe-Saint-Marcel in een groot gebouw, dat vroeger het hôtel
+de l'Eminence grise heette, omdat vader Joseph, de vervloekte ziel van
+Richelieu, daar gewoond zou hebben. Rodolphe woonde op de bovenste
+verdieping van dat huis, een der hoogste van Parijs. Zijn kamer,
+een soort belvédère, was in den zomer een heerlijke verblijfplaats;
+maar van October tot April was het een klein Kamschatka. De vier
+hoofdwinden, die door de vier vensters drongen, kwamen er gedurende
+den geheelen winter de meest woeste quatuors uitvoeren. Als een ironie
+zag men er nog een grooten schoorsteen, waarvan de groote opening een
+eerepoort scheen te zijn voor Borreas [21] en zijn gevolg. Dadelijk bij
+het intreden van de eerste koude had Rodolphe zijn toevlucht genomen
+tot een bijzonder verwarmingssysteem, hij had namelijk de weinige
+meubelen, die hij bezat, in regelmatige stukken gezaagd en na verloop
+van acht dagen was zijn meubilair aanzienlijk verminderd; hij hield
+niet meer dan zijn bed en twee stoelen over, waarbij de eerlijkheid nog
+gebiedt te zeggen, dat die meubelen van ijzer waren en dus van nature
+tegen brand verzekerd waren. Rodolphe had voor dit verwarmingsstelsel
+den naam: "verhuizen door den schoorsteen" uitgedacht.
+
+We waren dus in het midden van Januari, en de thermometer, die op den
+Quai des Lunettes twaalf graden aanwees, zou zeker nog twee of drie
+graden gedaald zijn, indien hij overgebracht was naar den belvédère,
+waaraan Rodolphe de bijnamen St. Bernard, Spitsbergen en Siberië
+gegeven had.
+
+Den avond, waarop hij aan zijn nicht witte viooltjes beloofd had,
+geraakte Rodolphe bij zijn thuiskomst in een heftige woede: de vier
+hoofdwinden hadden bij hun spel in de vier hoeken der kamer nog een
+ruit gebroken. Dat was in de laatste veertien dagen de derde. Rodolphe
+barstte in woedende vervloekingen tegen Aeolus en zijn heele familie
+Breekal los. Na dit nieuwe gat met het portret van een van zijn
+vrienden gestopt te hebben, ging Rodolphe geheel gekleed tusschen de
+twee wollen planken, die hij zijn matras noemde, liggen en droomde
+den geheelen nacht van witte viooltjes.
+
+Vijf dagen later had Rodolphe nog geen enkel middel gevonden, dat
+hem zou kunnen helpen zijn droom te verwezenlijken, en toch moest hij
+acht-en-veertig uur later den bouquet aan zijn nicht geven. Gedurende
+dien tijd was de thermometer nog meer gedaald, en de ongelukkige
+dichter was de wanhoop nabij bij de gedachte, dat de viooltjes
+nog duurder geworden zouden zijn. Eindelijk had de Voorzienigheid
+medelijden met hem en kwam hem op de volgende wijze te hulp.
+
+Toen hij op een goeden morgen toevallig bij zijn vriend Marcel, den
+schilder, ging dejeuneeren, vond hij hem in gesprek met een dame in
+den rouw. Het was een weduwe, wier man pas kort geleden gestorven
+was; zij kwam hem vragen naar den prijs van een manlijke hand, die
+met het opschrift:
+
+
+ "Ik wacht u, geliefde vrouw"
+
+
+geschilderd moest worden op het grafteeken, dat zij voor haar man
+had laten oprichten.
+
+Om het kunstwerk goedkooper te krijgen, liet zij den artist in den
+loop van het gesprek doorschemeren, dat hij, wanneer God haar weer
+met haar echtgenoot zou vereenigen, een tweede hand te schilderen zou
+krijgen, haar met een armband versierde hand, en wel met een nieuw
+opschrift, luidende:
+
+
+ "Eindelijk heeft God ons vereenigd"
+
+
+"Ik zal die beschikking in mijn testament zetten," zeide de weduwe,
+"met mijn uitdrukkelijken wil, dat u met de uitvoering ervan belast
+zult worden."
+
+"In dat geval, mevrouw," antwoordde de artist, "neem ik den prijs, die
+u mij voorstelt, aan, maar dan reken ik ook op den handdruk. Vergeet
+niet mij in uw testament te zetten."
+
+"Ook zou ik graag zien, dat het werk zoo gauw mogelijk gereed was,"
+zeide de weduwe; "maar neem er uw tijd voor, en vergeet vooral het
+litteeken op den duim niet. Ik wil een goed gelijkende hand."
+
+"Zij zal sprekend zijn, mevrouw, wees gerust," zeide Marcel, terwijl
+hij de weduwe uitliet. Doch op den drempel keerde zij zich weer om.
+
+"O ja, ik wou u nog graag wat vragen; ik zou graag op het graf van
+mijn man nog een vers laten aanbrengen, waarin de edele levenswandel
+en de laatste woorden, die hij op zijn sterfbed gesproken heeft,
+vermeld worden. Staat dat voornaam?"
+
+"Zeer voornaam .... men noemt dat een epitaphium .... het is heel
+voornaam."
+
+"Kent u niet iemand, die dat goedkoop voor mij zou kunnen maken? Ik
+heb wel een buurman, mijnheer Guérin, den openbaren schrijver, maar
+die is zoo peperduur."
+
+Bij die woorden wierp Rodolphe Marcel een blik toe, dien deze dadelijk
+begreep.
+
+"Mevrouw," zeide de schilder en wees op Rodolphe, "een gelukkig
+toeval heeft hier den persoon heen gevoerd, die u in deze droevige
+omstandigheden zou kunnen helpen. Mijnheer hier is een uitstekend
+dichter, u zoudt geen beteren kunnen vinden."
+
+"Ik zou er zeer op staan, dat het heel treurige verzen zijn," zeide
+de weduwe, "en dat er geen spelfouten in voor komen."
+
+"Mevrouw," antwoordde Marcel, "mijn vriend kent de orthographie op
+zijn duimpje: hij heeft op het college alle prijzen gewonnen."
+
+"Zoo," zeide de weduwe; "mijn neefje heeft laatst ook een prijs
+gekregen; en hij is toch pas zeven jaar."
+
+"Een zeer voorspoedig kind, mevrouw," was Marcels antwoord.
+
+"Maar," drong de weduwe aan, "kan mijnheer ook treurige verzen maken?"
+
+"Beter dan wie ook, mevrouw, want hij heeft veel verdriet in zijn
+leven gehad. Mijn vriend munt uit in treurige verzen; dat verwijten
+de couranten hem zelfs wel eens."
+
+"Wat?" riep de weduwe uit, "wordt er over hem in de couranten
+geschreven? Dan is hij zeker even knap als mijnheer Guérin, de
+openbare schrijver!"
+
+"O, nog veel knapper! Wend u maar tot hem, mevrouw, u zult er geen
+berouw over hebben."
+
+Nadat de weduwe den dichter de bedoeling van het opschrift in verzen,
+dat zij op het graf van haar man wilde laten aanbrengen, uiteengezet
+had, stemde zij erin toe Rodolphe tien francs te geven, als het gedicht
+in haar smaak viel; maar zij wilde de verzen heel gauw hebben. De
+dichter beloofde ze haar den volgenden dag reeds door bemiddeling
+van zijn vriend te zullen doen toekomen.
+
+"O goede fee Artemisia," riep Rodolphe uit, toen de weduwe weg was,
+"ik zweer je, dat je tevreden zult zijn; ik zal je een goede maat
+dooden-lyriek geven, en mijn orthographie zal beter zijn dan die
+van een hertogin. O goed oudje, moge, om u te beloonen, de hemel je
+honderdzeven jaar laten leven evenals goede brandewijn!"
+
+"Daar kom ik tegen op!" riep Marcel uit.
+
+"Dat is waar ook!" zeide Rodolphe; "ik zou bijna vergeten, dat je
+na haar dood nog een tweede hand te schilderen krijgt, en zoo'n lang
+leven je dat geld dus zou doen verliezen." En zijn handen ten hemel
+heffend, bad hij: "O, lieve God, verhoor mijn gebed niet! Hè," voegde
+hij er aan toe, "dat is een bofje, dat ik hierheen gekomen ben."
+
+"Ja, wat kwam je eigenlijk hier doen?" vroeg Marcel.
+
+"Daar denk ik nu ook weer aan en vooral nu ik, om dat gedicht te
+maken, den geheelen nacht op zal moeten blijven zitten, kan ik dat,
+wat ik je kwam vragen, onmogelijk missen, n.l. 1e. wat eten; 2e. wat
+tabak en een kaars; 3e. je ijsberencostuum."
+
+"Ga je naar een bal masqué? O ja, dat is waar ook, vanavond wordt
+het eerste gegeven."
+
+"Neen, dat niet; maar zooals je me hier ziet, ben ik even bevroren
+als het groote leger op zijn terugtocht uit Rusland. Mijn groen
+wollen paletot en mijn broek van Schotsch merinos zijn ongetwijfeld
+heel mooi, maar toch beter geschikt voor de lente en om onder den
+equator te wonen; wanneer je echter, zooals ik, je tenten onder den
+pool hebt opgeslagen, is een ijsberencostuum passender, ik zou bijna
+zeggen, onmisbaar."
+
+"Daar heb je de pels," zeide Marcel. "Het denkbeeld is niet kwaad,
+het beest heeft een vurig gestel, en je zult je erin voelen als een
+brood in een oven."
+
+Rodolphe was intusschen reeds in de huid van het dier gekropen.
+
+"Wat zal mijn thermometer gloeiend boos worden," zeide hij.
+
+"Wil je in dat costuum de straat op?" zeide Marcel tot zijn vriend,
+toen zij hun geheimzinnig diner, dat in schalen van vijf centimes
+opgediend werd, naar binnen hadden gewerkt.
+
+"Ik heb maling aan de heele wereld," zeide Rodolphe; "en bovendien
+begint vandaag het carnaval."
+
+En hij doorliep werkelijk heel Parijs in de ernstige houding van den
+viervoeter, in wiens huid hij zich gestoken had. En toen hij voorbij
+den thermometer van den ingenieur Chevalier kwam, trok hij er een
+langen neus tegen.
+
+Toen hij, niet zonder zijn concierge de stuipen van schrik op het lijf
+gejaagd te hebben, weer boven op zijn kamer was, stak de dichter zijn
+kaars aan, die hij, om de moedwillige streken van de Noordenwinden te
+voorkomen, met een doorschijnend stuk papier omgaf, en ging dadelijk
+aan het werk. Maar al heel gauw kwam hij tot de ontdekking, dat,
+al was zijn lichaam vrijwel tegen de koude beschermd, zijn handen
+het niet waren; en hij had nog geen twee verzen van zijn epitaphium
+op het papier, of zijn vingers begonnen te tintelen van de koude en
+lieten de pen vallen.
+
+"Tegen de elementen kan zelfs de moedigste niet op," zeide Rodolphe,
+die zich wanhopig achterover in zijn stoel liet vallen. "Caesar heeft
+wel den Rubicon overgestoken, maar over de Beresina had hij nooit
+kunnen komen."
+
+Plotseling echter ontsnapte een kreet van vreugde aan het diepst van
+zijn berenborst en stond hij zoo bruusk op, dat hij een deel van zijn
+inkt liet vallen op het smettelooze wit van zijn pels: hij had een
+idée, een nieuwen druk van het denkbeeld van Chatterton.
+
+Hij haalde onder zijn bed een grooten stapel papieren te voorschijn,
+waaronder zich een dozijn reusachtige manuscripten van zijn beroemd
+drama Le Vengeur bevond. Dit drama, waaraan hij twee jaar gewerkt
+had, was zoo dikwijls over- en omgewerkt, dat de gezamenlijke copieën
+een gewicht van zeven kilogram vormden. Rodolphe legde het jongste
+manuscript ter zijde en sleepte de overige naar den schoorsteen.
+
+"Ik wist wel, dat het nog eens geplaatst zou worden," riep hij uit
+.... "je moet echter geduld weten te hebben! Dat is toch zeker een
+flink takkenbosje proza. O, als ik geweten had, wat er gebeuren zou,
+dan had ik er nog een voorspel bij gemaakt en zou ik nu meer brandstof
+hebben .... Maar je kunt niet alles van te voren weten."
+
+En hij stak eenige bladen van het manuscript in brand en ontdooide
+zijn handen bij de vlammen daarvan. Na vijf minuten was het eerste
+bedrijf van Le Vengeur afgespeeld en had Rodolphe drie verzen van
+zijn epitaphium gereed.
+
+Niets ter wereld zou de verbazing der vier hoofdwinden hebben kunnen
+schilderen, toen zij vuur in de haard zagen.
+
+"Dat is gezichtsbedrog," blies de Noordenwind, die vroolijk in de
+berenharen van Rodolphe speelde.
+
+"Als we eens in den schoorsteen gingen blazen," antwoordde een andere
+wind, "dan zou de haard heerlijk gaan rooken."
+
+Maar juist toen zij den armen Rodolphe wilden gaan kwellen en
+treiteren, zag de Zuidenwind mijnheer Arago voor een raam van het
+observatorium zitten, vanwaar de geleerde met zijn vinger de vier
+winden dreigde.
+
+Onmiddellijk riep de Zuidenwind zijn broeders toe: "Laten we maken,
+dat we weg komen, de almanak geeft voor dezen nacht stil weer aan;
+wij zijn dus in tegenspraak met de sterrenwacht, en als we om twaalf
+uur niet thuis zijn, zal mijnheer Arago ons school laten blijven."
+
+Gedurende dien tijd brandde het tweede bedrijf van Le Vengeur met
+groot succes. En Rodolphe had tien verzen geschreven. Maar tijdens
+den duur van het derde bedrijf kon hij er slechts twee schrijven.
+
+"Ik heb altijd gevonden, dat die acte te kort was," mompelde Rodolphe;
+"maar je merkt die fouten altijd pas bij de opvoering. Gelukkig zal
+het volgende bedrijf langer duren: drie-en-twintig scènes, waaronder
+de troonscène, die het tooneel van mijn roem had moeten zijn."
+
+De slotwoorden der troonscène gingen in vlammen op, toen Rodolphe
+nog een strophe van zes regels te schrijven had.
+
+"En nu het vierde bedrijf," zei hij, terwijl zijn gezicht van dichtvuur
+gloeide. "Dat zal wel vijf minuten duren, het is heelemaal monoloog."
+
+Hij ging over tot de ontknooping, die opvlamde en onmiddellijk weer
+uitging. Op hetzelfde oogenblik vatte Rodolphe de laatste woorden
+van den overledene, te wiens verheerlijking hij gewerkt had, in een
+prachtvolle lyrische ontboezeming samen.
+
+"Er blijft nog genoeg over voor een tweede opvoering," zeide hij,
+terwijl hij de overgebleven manuscripten weer onder het bed schoof.
+
+
+
+Den volgenden avond om acht uur deed mademoiselle Angèle haar
+intrede in de balzaal met een prachtigen bouquet witte viooltjes,
+in het midden waarvan twee pas-ontloken witte rozen prijkten. Den
+geheelen avond kreeg zij om dien bouquet complimentjes van de
+dames en galante vleierijen van de heeren te hooren. Angèle was
+haar neef, die haar al die kleine voldoeningen van haar eigenliefde
+verschaft had, dan ook wel eenigermate dankbaar, en misschien zou
+zij, wanneer een bloedverwant der bruid, met wien zij verscheidene
+malen gedanst had, niet steeds om haar heen gedraaid had, nog meer
+aan hem gedacht hebben. Dat familielid was een jonge blonde man met
+een prachtige, kurkentrekkerachtig opgedraaide snor, de echte angel,
+waaraan onervaren jonge meisjesharten blijven hangen. De jonge man
+had Angèle reeds gevraagd om de twee witte rozen, die alleen nog
+waren overgebleven van den bouquet, waarvan iedereen een viooltje
+geplukt had .... Maar Angèle had geweigerd, doch alleen om ze tegen
+het einde van het bal te lagen liggen op een stoeltje, waarvan de
+blonde jongeling ze onmiddellijk ging weghalen.
+
+Op dat oogenblik vroor het veertien graden in den belvédère van
+Rodolphe, die, geleund voor zijn venster, in de richting van de
+barrière du Maine keek naar de lichten van de balzaal, waar Angèle
+danste, die hem niet uit kon staan.
+
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK X.
+
+DE STORMKAAP.
+
+
+Er zijn in de maanden, waarin een kwartaal begint, angstwekkende
+oogenblikken, gewoonlijk de 1ste en de 15de. Rodolphe, die deze beide
+data nooit zonder schrik zag naderen, noemde ze de "Stormkaap". Dien
+dag opent niet Aurora de poorten van het Oosten, maar schuldeischers,
+huiseigenaars, deurwaarders en andere geldzakdragers staan buiten de
+deur. Die dag begint met een plasregen van aanmaningen, rekeningen
+en wissels en eindigt met een hagelbui van protesten, dies irae!
+
+In den ochtend van zoo'n 15den April lag Rodolphe rustig te slapen
+.... en droomde, dat een van zijn ooms hem bij testament een geheele
+provincie van Peru had vermaakt .... met alle Peruaansche schoonen
+erin begrepen.
+
+Terwijl hij daar midden in een imaginairen Pactolus rondzwom, kwam het
+geluid van een sleutel, die in het slot ronddraaide, den ingebeelden
+erfgenaam op het schitterendste oogenblik van zijn gouden droom storen.
+
+Rodolphe ging rechtop in zijn bed zitten en keek slaapdronken om
+zich heen.
+
+Hij zag toen vaag in het midden van zijn kamer een man staan, die
+pas binnengekomen was, .... en wat voor een man!
+
+De matineuse vreemdeling had een driekanten hoed op, een lederen
+geldzak op zijn rug en een grooten portefeuille in zijn hand; hij had
+een grijzen linnen rok met staanden kraag aan en scheen buiten adem
+van het klimmen naar de vijfde verdieping. Zijn manier van optreden
+was zeer vriendelijk en minzaam en zijn gang was klankrijk als wanneer
+het kantoor van een bankier aan het wandelen zou gaan.
+
+Rodolphe was een oogenblik angstig; hij meende, bij den aanblik van
+den driekanten hoed en den rok, een politie-agent voor zich te zien.
+
+Maar het zien van den vrij goed gespekten geldzak genas hem van
+zijn dwaling.
+
+"O, nu begrijp ik het," dacht hij, "dat is een voorschot op mijn
+erfenis en die man komt van de Eilanden .... Maar waarom is hij dan
+geen neger?" Hij gaf den onbekende een wenk en zeide, op den geldzak
+wijzend:
+
+"Ik weet wat het is. Leg hem daar maar neer. Dank je wel."
+
+De vreemdeling was een wissellooper van de Banque de France en hield,
+als antwoord op Rodolphe's uitnoodiging, dezen een klein papiertje
+met veelkleurige teekens en cijfers onder den neus.
+
+"U wilt een bewijs van ontvangst?" vroeg Rodolphe. "Ja, dat hoort
+zoo. Geef me maar even pen en inkt."
+
+"Neen, ik kom zelf wat ontvangen," antwoordde de wissellooper;
+"een bedrag van honderdvijftig francs. Het is vandaag 15 April."
+
+"Ach zoo!" zeide Rodolphe, terwijl hij den wissel bekeek.... "Order
+Birmann, dat is mijn kleermaker .... Helaas!" voegde hij er
+droefgeestig aan toe, terwijl hij afwisselend naar de over het bed
+liggende overjas en naar den wissel keek, "de oorzaken verdwijnen,
+maar de gevolgen blijven. Wat, is het vandaag 15 April! Merkwaardig! Ik
+heb nog geen aardbeien gegeten!"
+
+De wissellooper, wien dat gepraat begon te vervelen, ging weg en
+zeide tot Rodolphe: "U hebt tot vier uur tijd om te betalen!"
+
+"Voor eerlijke menschen is er geen uur," antwoordde Rodolphe. "De
+intrigant", voegde hij er woedend aan toe, terwijl hij met zijn
+blikken den financier met zijn driekanten hoed volgde; "hij neemt
+zijn geldzak weer mee."
+
+Rodolphe trok de gordijnen van zijn bed dicht en trachtte weer den
+weg van zijn erfenis terug te vinden; maar hij vergiste zich in
+de richting en kwam trotsch en wel terecht in een droom, waarin de
+directeur van het Théâtre-Français hem heel nederig een drama voor
+zijn schouwburg kwam vragen en Rodolphe, met de gebruiken bekend,
+een voorschot vroeg. Maar juist op het oogenblik, dat de directeur
+door den zuren appel scheen te willen bijten, werd de slaper opnieuw
+half wakker gemaakt door het binnenkomen van een tweeden persoon,
+een nieuw creatuur van den 15den April.
+
+Het was mijnheer Benoît, de eigenaar van het hotel garni, waarin
+Rodolphe woonde; mijnheer Benoît was tegelijkertijd de huisheer, de
+schoenmaker en woekeraar voor zijn huurders; dien ochtend rook mijnheer
+Benoît sterk naar slechten brandewijn en vervallen rekeningen. Ook
+hij had een ledigen zak in zijn hand.
+
+"Duivels!" dacht Rodolphe; "dat is de directeur van het
+Théâtre-Français niet .... die zou een witte das dragen .... en zijn
+geldzak zou gevuld zijn!"
+
+"Morgen, mijnheer Rodolphe," zeide mijnheer Benoît, op het bed
+toetredend.
+
+"Mijnheer Benoît .... bonjour! Wat verschaft mij de eer van uw bezoek?"
+
+"Ach, ik wilde u komen zeggen, dat het vandaag 15 April is!"
+
+"Nu al? Wat gaat de tijd toch gauw! Het is ongelooflijk. Ik zal
+een nanking-broek moeten koopen. 15 April. Lieve Hemel, zonder u,
+mijnheer Benoît zou ik er nooit aan gedacht hebben. Wat een dank ben
+ik u verschuldigd!"
+
+"U bent me ook honderd twee-en-zestig francs schuldig," viel mijnheer
+Benoît hem in de rede. "En het wordt tijd, dat wij die kleine rekening
+eens in orde maken!"
+
+"Ik heb absoluut geen haast, mijnheer Benoît .... Ik wil u graag tijd
+geven .... Die kleine rekening zal nog wel grooter worden ...."
+
+"Maar u hebt mij al zoo dikwijls uitgesteld," merkte de huisheer op.
+
+"Nu, dan zullen we de zaak in orde maken, mijnheer Benoît, het is mij
+precies hetzelfde, vandaag of morgen ... En bovendien zijn we allen
+sterfelijk .... Laten we dus de zaak in orde maken ...."
+
+Een beminlijke glimlach speelde bij die woorden over het gerimpelde
+gelaat van mijnheer Benoît; en zelfs zijn geldzak blies zich tot
+hoopvolle verwachting op.
+
+"Wat ben ik u schuldig?" vroeg Rodolphe.
+
+"In de eerste plaats een kwartaal huur tegen vijf-en-twintig francs
+per maand, dat maakt vijf-en-zeventig francs."
+
+"Vergissingen buitengesloten," zeide Rodolphe. "En verder?"
+
+"Verder drie paar schoenen à twintig francs."
+
+"Een oogenblikje, mijnheer Benoît, een oogenblikje; laten we de
+zaken niet verwarren; ik heb nu niet meer te doen met den huisheer,
+maar met den laarzenmaker ... ik verlang daarvoor een afzonderlijke
+rekening. Cijfers zijn ernstige dingen, daarbij moet je geen abuizen
+maken."
+
+"Voor mijn part," zeide mijnheer Benoît, zacht gestemd door de hoop,
+dat hij eindelijk het woord: Voldaan onder de rekening zou kunnen
+zetten. "Hier is een afzonderlijke nota voor het schoeisel. Drie paar
+schoenen à twintig francs, maakt zestig francs."
+
+Rodolphe wierp een medelijdenden blik op een paar afgeloopen schoenen.
+
+"Helaas!" dacht hij, "wanneer de Wandelende Jood ze gedragen had,
+zouden ze in geen deerniswaardiger toestand kunnen zijn. En toch
+zijn ze door het naloopen van Marie zoo versleten .... Ga verder,
+mijnheer Benoît."
+
+"Ik zeide dus zestig francs," herhaalde deze. "Verder geleend
+zeven-en-twintig francs."
+
+"Wacht even, mijnheer Benoît. We hebben afgesproken, dat iedere
+heilige zijn eigen nis zou krijgen. U hebt mij dat geld geleend als
+vriend. Laten wij dus het gebied van het schoeisel verlaten en die
+van het vertrouwen en van de vriendschap, welke een afzonderlijke
+rekening vereischen, betreden. Hoe hoog loopt uw vriendschap voor mij?"
+
+"Zeven-en-twintig francs."
+
+"Zeven-en-twintig francs. Dan hebt u een vriend voor een koopje,
+mijnheer Benoît. Enfin, laten we eens optellen: Vijf-en-zeventig,
+zestig en zeven-en-twintig ... Dat is samen?"
+
+"Honderd twee-en-zestig francs," zeide mijnheer Benoît en presenteerde
+tegelijk de drie nota's.
+
+"Honderd twee-en-zestig francs," zeide Rodolphe .... "dat is
+merkwaardig. Wat is optellen toch een mooie kunst. Welnu, mijnheer
+Benoît, nu de rekening in orde gebracht is, kunnen we beiden gerust
+zijn en weten we waar we ons aan te houden hebben. De volgende maand
+zal ik u vragen de rekening voor Voldaan te teekenen, en daar in dien
+tijd het vertrouwen en de vriendschap, die gij voor mij koestert,
+slechts grooter kunnen worden, zult u mij voor het geval, dat dit
+noodig mocht zijn, opnieuw uitstel willen geven. Inmiddels zou ik,
+wanneer de huisheer en de laarzenmaker al te veel op betaling
+aandringen, den vriend vragen hen tot rede te brengen. Het is
+merkwaardig, mijnheer Benoît, maar telkens als ik aan uw drievoudige
+qualiteit van huisheer, laarzenmaker en vriend denk, voel ik de
+neiging in mij opkomen aan de Drieëenheid te gelooven."
+
+Terwijl Rodolphe sprak, was de huisheer tegelijk rood, groen, geel
+en wit geworden, en bij iedere nieuwe spotternij van zijn huurder nam
+deze regenboog der woede op zijn gelaat een meer intensieve kleur aan.
+
+"Mijnheer," antwoordde hij ten slotte, "ik houd er niet van voor den
+gek gehouden te worden. Ik heb lang genoeg gewacht. Ik zeg u de kamer
+op en indien u mij vanavond het geld niet geeft .... zal ik zien wat
+mij te doen staat ...."
+
+"Geld! Geld! Vraag ik van u geld?" zeide Rodolphe. "En bovendien,
+zelfs al had ik het, dan zou ik het u niet geven .... het is vandaag
+Vrijdag, en dat brengt ongeluk aan ...."
+
+De woede van mijnheer Benoît wakkerde aan tot een orkaan; en indien
+de meubelen niet zijn eigendom geweest waren, zou hij ongetwijfeld
+de pooten van een fauteuil stuk geslagen hebben.
+
+In plaats daarvan ging hij, bedreigingen mompelend, weg.
+
+"U vergeet uw geldzak!" riep Rodolphe hem achterna.
+
+"Wat een baantje!" mompelde de jonge man, toen hij alleen was. "Ik
+zou nog liever leeuwentemmer zijn."
+
+"Maar," ging Rodolphe voort, terwijl hij uit zijn bed sprong en zich
+vlug aankleedde, "hier kan ik niet blijven. De invasie der geallieerden
+zal hiermede nog wel niet geëindigd zijn. Ik moet vluchten, moet
+zelfs ontbijten. Wacht, als ik eens naar Schaunard ging. Ik kan bij
+hem eten en hem een paar sous te leen vragen. Honderd francs zullen
+voldoende voor mij zijn.... Naar Schaunard dus...."
+
+Terwijl hij de trap afging, kwam hij mijnheer Benoît tegen, die
+bij zijn andere huurders nieuwe échecs geleden had, wat zijn ledige
+geldzak, in deze omstandigheden een luxevoorwerp, duidelijk aantoonde.
+
+"Wanneer iemand naar me vraagt, moet u maar zeggen, dat ik buiten
+ben ... in de Alpen of zoo ...." zeide Rodolphe. "Of nog beter,
+dat ik hier niet meer woon."
+
+"Dan zeg ik tenminste de waarheid," bromde mijnheer Benoît, terwijl
+hij aan zijn woorden een bijzonderen nadruk gaf.
+
+Schaunard woonde in Montmartre. Dus moest Rodolphe heel Parijs
+door. Die wandeling was voor Rodolphe allergevaarlijkst.
+
+"Vandaag," zeide hij tot zichzelf, "zijn de straten met schuldeischers
+geplaveid."
+
+Toch ging hij niet, zooals hij eigenlijk het liefst gedaan had, de
+buitenboulevards. Een phantastische hoop drong hem den gevaarlijken
+weg door het centrum van Parijs te volgen. Op een dag, dat de
+millioenen in het openbaar op den rug der wisselloopers wandelen,
+dacht Rodolphe, zou het heel goed kunnen gebeuren, dat een onderweg
+vergeten billet van duizend francs op zijn Vincentius de Paula [22]
+lag te wachten. Hij liep daarom langzaam en met zijn hoofd naar den
+grond. Doch hij vond slechts twee spelden.
+
+Na verloop van twee uur kwam hij eindelijk bij Schaunard aan.
+
+"Zoo, ben jij het?" zeide deze.
+
+"Ja, ik kom vragen, of ik bij je dejeuneeren mag."
+
+"O je, dat treft slecht; ik heb zoo juist bezoek gehad van mijn
+maîtresse, die ik in geen veertien daag gezien had; als je tien
+minuten eerder was gekomen ...."
+
+"Maar heb je dan niet een honderd francs voor me te leen?" viel
+Rodolphe hem in de rede.
+
+"Wat?" antwoordde Schaunard vol verbazing; "kom jij me ook al geld
+vragen? Schaar je je bij mijn vijanden?"
+
+"Ik zal ze je Maandag teruggeven."
+
+"Of met St. Juttemis. Maar ben je dan vergeten, mijn waarde, welke
+dag het vandaag is. Ik kan je onmogelijk helpen. Maar je behoeft
+niet te wanhopen, de dag is nog niet om. Je kunt de Voorzienigheid
+nog tegenkomen, die staat nooit vòòr twaalven op."
+
+"Lieve Hemel!" zeide Rodolphe; "de Voorzienigheid heeft het veel te
+druk met de vogeltjes. Ik zal liever maar naar Marcel gaan."
+
+Marcel woonde toentertijd in de rue de Bréda. Rodolphe vond hem in
+een gedrukte stemming zitten voor zijn groot doek, dat den doortocht
+door de Roode Zee moest voorstellen.
+
+"Wat scheelt eraan?" vroeg Rodolphe bij zijn binnenkomen, "je ziet
+er zoo in-bedroefd uit."
+
+"Ach God!" zeide de dichter; "ik leef nu al veertien dagen in de
+Stille Week."
+
+Voor Rodolphe was dit allegorische antwoord zoo helder als bronwater.
+
+"Gezouten haring en ramenas! Dat ken ik!"
+
+Inderdaad voelde Rodolphe nog altijd een zouten smaak in zijn mond,
+wanneer hij dacht aan den tijd, dat hij tot het exclusieve gebruik
+van die visschen gedoemd was.
+
+"Alle duivels!" zeide hij, "dat is ernstig! Ik kwam je juist honderd
+francs vragen."
+
+"Honderd francs!" zeide Marcel .... "Je zweeft dus altijd nog in
+fantastische regionen. Me deze mythologische som te komen vragen
+op een tijdstip, dat je geregeld onder den aequator van de misère
+zit. Heb je soms hatchiche [23] gebruikt?"
+
+"Ik heb helaas heelemaal niets gebruikt!" zuchtte Rodolphe.
+
+En hij liet zijn vriend aan het strand der Roode Zee achter.
+
+Van twaalf tot vier uur zocht Rodolphe al zijn kennissen op; hij
+doorliep de acht-en-veertig stadsdeelen en legde, doch zonder eenig
+succes, acht mijlen af. De invloed van den 15den April deed zich
+overal met dezelfde strengheid gelden; intusschen naderde het uur van
+het diner. Maar het leek er niet veel op, dat het diner met het uur
+naderde. Rodolphe had een gevoel, alsof hij op het vlot der Medusa was.
+
+Toen hij den Pont Neuf over ging, viel hem plotseling iets in:
+
+"O, o!" zeide hij tot zichzelf, terwijl hij rechtsomkeert maakte,
+15 April, 15 April .... maar ik heb een uitnoodiging voor vandaag om
+te dineeren."
+
+Hij zocht in zijn zakken en vond er een gedrukt billet van den
+volgenden inhoud:
+
+
+ Barrière de la Villette
+
+ In den grooten Overwinnaar.
+
+ Salon voor drie honderd couverts
+
+ Jaarlijksch Banket Ter eere van de Geboorte van den Messias der
+ Menschheid op 15 April 184...
+
+ Geldig voor één persoon.
+
+ N.B. Men heeft slechts recht op een halve flesch wijn.
+
+
+"Ik deel weliswaar de meeningen der discipelen van den Messias niet,"
+zeide Rodolphe tot zichzelf, "maar ik wil met genoegen hun voedsel
+deelen." En met de snelheid van een vogel verslond hij den afstand,
+die hem van de barrière de la Villette scheidde.
+
+Toen hij in de salons van den Grooten Overwinnaar kwam, was er
+een ontzaglijke menigte bijeen .... De salon voor driehonderd
+couverts bevatte vijfhonderd personen. Een uitgestrekte horizont van
+kalfsvleesch met peen doemde op voor Rodolphe's blik.
+
+Eindelijk begon men de soep op te doen.
+
+Juist toen de gasten den lepel naar hun mond brachten, deden plotseling
+vijf of zes personen in burgerkleeding met verscheidene agenten en
+een commissaris van politie een inval in de zaal.
+
+"Mijne heeren!" zeide de commissaris, "op hoog bevel mag dit banket
+niet plaats hebben. Ik verzoek u dit lokaal te verlaten."
+
+"O, o!" zuchtte Rodolphe, terwijl hij met de anderen de zaal verliet:
+"het noodlot heeft mijn bord soep omgegooid!"
+
+Droefgeestig gestemd ging hij weer op weg naar zijn kamer, waar hij
+om elf uur aankwam.
+
+Mijnheer Benoît wachtte hem op.
+
+"O, bent u het?" zeide de huiseigenaar. "Hebt u gedacht aan wat ik
+u van ochtend gezegd heb? Brengt u geld mede?"
+
+"Ik moet het vannacht krijgen en zal het u dan morgenochtend geven,"
+antwoordde Rodolphe, terwijl hij in het hokje naar zijn sleutel en
+zijn kandelaar zocht. Hij vond geen van beide.
+
+"Mijnheer Rodolphe," zeide mijnheer Benoît, "het spijt me erg, maar
+ik heb uw kamer verhuurd; en een andere heb ik niet disponibel,
+u moet ergens anders een onderkomen zien te vinden."
+
+Rodolphe was voor geen klein geruchtje vervaard en een nacht onder den
+blooten hemel had voor hem niets verschrikkelijks. Bovendien kon hij
+bij slecht weer in een loge d'avant-scène van den Odéon overnachten,
+wat hem al meermalen overkomen was. Hij eischte echter eerst van
+mijnheer Benoît zijn "dingen" op, die uit een berg papieren bestonden.
+
+"Volkomen juist," zeide de huisheer; "ik heb niet het recht u die
+zaken af te nemen--zij liggen nog boven in de secretaire. Ga maar even
+mee; indien de persoon, die uw kamer gehuurd heeft, nog niet slaapt,
+kunnen we wel even binnen gaan."
+
+In den loop van den dag was de kamer verhuurd aan een jong meisje,
+Mimi, met wie Rodolphe indertijd een liefdes-duo begonnen was.
+
+Zij herkenden elkaar dadelijk. Rodolphe fluisterde Mimi iets in het
+oor en drukte haar zacht de hand.
+
+"Kijk eens hoe het regent!" zeide hij, terwijl hij haar opmerkzaam
+maakte op het onweer, dat juist losgebarsten was.
+
+Mademoiselle Mimi liep regelrecht naar mijnheer Benoît, die in een
+hoek van de kamer stond te wachten, en zeide tegen hem, terwijl zij
+op Rodolphe wees:
+
+"Mijnheer, mijnheer hier is degene, dien ik vanavond verwachtte
+.... Ik ben voor niemand verder thuis."
+
+"Zoo," zeide mijnheer Benoît met den lach van een boer, die kiespijn
+heeft. "Het is goed!"
+
+Terwijl Mimi inderhaast een geïmproviseerd souper klaarzette, sloeg
+het middernacht.
+
+"God zij dank!" zeide Rodolphe, "15 April is voorbij en de Stormkaap
+is gelukkig omzeild. Lieve Mimi," en hij sloot het mooie meisje in
+zijn armen en drukte haar een kus in haar hals; "ik wist vooruit,
+dat je het niet over je hart zou verkrijgen mij de deur uit te laten
+zetten. Jij bezit den gastvrijheidsknobbel!"
+
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XI.
+
+EEN CAFÉ DER BOHÈME.
+
+
+Hier volgt het verhaal hoe Carolus Barbemuche, letterkundige en
+Platonisch wijsgeer, op zijn vier-en-twintigste jaar lid der bohème
+werd.
+
+In dien tijd bezochten Gustave Colline, de groote wijsgeer, Marcel,
+de groote schilder, Schaunard, de groote musicus, en Rodolphe, de
+groote dichter, zooals zij elkaar onderling noemden, geregeld het café
+Momus, waar zij, omdat men ze altijd samen zag, den bijnaam van de
+"vier musketiers" [24] gekregen hadden. Inderdaad kwamen zij samen,
+gingen samen, speelden samen, bleven soms samen hun vertering schuldig,
+alles met een eenheid, het orkest van het Conservatorium waardig.
+
+Voor hun samenkomsten hadden zij een zaal gekozen, waarin veertig
+personen op hun gemak hadden kunnen zitten, maar men vond ze steeds
+alleen, want zij hadden ten slotte het vertrek voor de stamgasten
+onmogelijk gemaakt.
+
+De toevallige bezoeker, die zich in dat hol waagde, werd onmiddellijk
+bij zijn binnentreden het slachtoffer van het ruwe quartet en maakte
+zich meestal uit de voeten zonder zijn courant gelezen of zijn kleintje
+koffie gedronken te hebben, waarvan de room door de ongehoorde
+aphorismen over kunst, liefde en staathuishoudkunde zuur werd. De
+gesprekken van het vriendenviertal waren van dien aard, dat de kellner,
+die hen bediende, in den bloei van zijn leven idioot geworden was.
+
+Ten slotte liep het echter met de dwaasheden zoo de spuigaten uit,
+dat de eigenaar van het café zijn geduld verloor en op een goeden
+avond naar boven ging, om een ernstige uiteenzetting van zijn grieven
+te geven:
+
+1o. Mijnheer Rodolphe kwam reeds vroeg in den ochtend dejeuneeren en
+nam alle couranten van het etablissement mede naar zijn salon: hij was
+daarbij zelfs zoo veeleischend, dat hij opspeelde, wanneer de strookjes
+verbroken waren. Dit had ten gevolge, dat de overige gasten, van alle
+organen der openbare meening verstoken, tot aan het diner omtrent de
+politiek van den dag zoo onwetend bleven als een visch. Het gezelschap
+Bosquet wist nauwlijks de namen der leden van het nieuwe ministerie.
+
+Mijnheer Rodolphe had het café zelfs verplicht zich te abonneeren
+op den Castor, waarvan hij hoofdredacteur was. De eigenaar van het
+café had er zich eerst tegen verzet, maar daar mijnheer Rodolphe en
+zijn vrienden ieder kwartier den kellner met luide stem om den Castor
+vroegen, begonnen ook enkele andere stamgasten, wier nieuwsgierigheid
+door die herhaalde vragen gaande gemaakt was, naar dat blad te
+informeeren. Er werd dus een abonnement genomen op den Castor, een
+hoedenmakersvakblad, dat maandelijks met een vignet en wijsgeerig
+artikel van Gustave Colline verscheen.
+
+2o. Genoemde mijnheer Colline en zijn vriend Rodolphe waren gewoon zich
+van hun geestelijke inspanning te verpoozen door van 's ochtends tien
+tot 's nachts twaalf uur tric-trac te spelen; en daar het etablissement
+slechts één tric-tracbord had, werden de andere bezoekers in hun
+hartstocht voor dat spel benadeeld door het inbeslagnemen van dat
+bord door die heeren, die telkens, als men er hen om kwam vragen,
+strijk en zet antwoordden:
+
+"Het tric-tracbord is in handen. Kom morgen maar terug."
+
+Het gezelschap Bosquet zag zich dus genoodzaakt elkaar hun
+liefdesavonturen te vertellen of piquet te spelen.
+
+3o. Uit het oog verliezend, dat een café een openbare plaats is,
+heeft mijnheer Marcel zich de vrijheid veroorloofd er zijn ezel,
+zijn verfdoos en alle verdere schildersbenoodigdheden heen te
+brengen. Zelfs drijft hij de onbeschaamdheid zoo ver, dat hij personen
+van verschillend geslacht er als model laat poseeren, wat de zedelijke
+gevoelens van het gezelschap Bosquet kan kwetsen.
+
+4o. Het voorbeeld van zijn vriend volgend, heeft mijnheer Schaunard
+het plan zijn klavier naar het café over te brengen; ook heeft hij
+niet geschroomd er in koor een motief uit zijn symphonie: "De invloed
+van het blauw in de kunsten" te laten zingen. Mijnheer Schaunard is
+nog verder gegaan; hij heeft in de lantaarn, die als uithangbord voor
+het café dient, een transparant aangebracht met het opschrift:
+
+
+ GRATIS CURSUS IN VOCALE EN INSTRUMENTALE MUZIEK VOOR BEIDE
+ GESLACHTEN.
+
+ Zich aan te melden aan het buffet.
+
+
+Wat ten gevolge heeft, dat genoemd buffet ieder oogenblik overstroomd
+wordt door slechts oppervlakkig gekleede personen, die komen vragen
+"waar ze wezen motten."
+
+Bovendien geeft mijnheer Schaunard er rendez-vous aan een dame,
+die zich Phémie Klad noemt en nooit een hoed op heeft.
+
+Mijnheer Bosquet Jr. heeft dan ook verklaard, dat hij geen voet meer
+zou zetten in een café, waar de natuur zoo met voeten getreden wordt.
+
+5o. Ofschoon de heeren zich toch al met een zeer matige
+consumptie tevreden stelden, hebben zij getracht die nog meer te
+verminderen. Onder voorwendsel, dat zij de mokka op overspel met de
+chicorei betrapt hebben, hebben zij hier een spiritustoestel gebracht,
+waarop zij zelf koffie zetten, die zij aanzoeten met suiker, die
+buiten de deur tegen lagen prijs gekocht is, welke handelwijze een
+beleediging is voor de keuken van het etablissement.
+
+6o. Door de gesprekken der heeren tot in den grond bedorven, heeft de
+kellner Bergami, zijn nederige afkomst en alle gevoel van schaamte uit
+het oog verliezend, zich vermeten aan de buffetjuffrouw een gedicht
+te richten, waarin hij haar aanspoort haar plichten als moeder en
+echtgenoote te verzaken; uit den verwarden stijl heeft men meenen te
+moeten opmaken, dat die brief geschreven is onder den verderfelijken
+invloed van mijnheer Rodolphe en diens letterkundige voortbrengselen.
+
+Dientengevolge ziet de directeur van het etablissement zich tot zijn
+spijt verplicht het gezelschap-Colline te verzoeken een andere plaats
+voor zijn revolutionnaire samenkomsten te kiezen.
+
+Gustave Colline, de Cicero der troep, nam nu het woord en bewees a
+priori aan den eigenaar van het café, dat zijn klachten belachelijk
+en ongegrond waren; dat het voor hem juist een groote eer was, indien
+men zijn inrichting ervoor uitkoos om er een haard van intelligentie
+van te maken; dat zijn en zijner vrienden vertrek den ondergang van
+zijn café zou veroorzaken, dat door hun tegenwoordigheid tot de hoogte
+van een artistiek en litterair café verheven was.
+
+"Maar," merkte de eigenaar van het café op, "u en uw vrienden verteert
+zoo weinig."
+
+"Deze matigheid, waarover gij u beklaagt, is een argument ten gunste
+van onze goede zeden," was Colline's antwoord. "Bovendien hangt het
+slechts van u af, of wij onze uitgaven kunnen vermeerderen; u behoeft
+dan slechts crediet te geven."
+
+"Wij willen zelfs het rekening-courantboek cadeau geven," zeide Marcel.
+
+De eigenaar deed, alsof hij het niet hoorde, en vroeg eenige
+inlichtingen omtrent den brandbrief, dien Bergami tot zijn vrouw
+gericht had. Rodolphe, die ervan beschuldigd was als secretaris voor
+dien ongeoorloofden hartstocht gediend te hebben, betuigde met vuur
+en ijver zijn onschuld.
+
+"Trouwens," voegde hij eraan toe, "de deugd van uw vrouw was een
+zekere barrière, die ...."
+
+"O," zeide de eigenaar met een glimlach van trots, "mijn vrouw is te
+Saint-Denis [25] opgevoed."
+
+In het kort, Colline slaagde er tenslotte in den café-man te vangen
+in het net van zijn arglistige welsprekendheid, waarna de vrede
+hersteld werd op voorwaarde, dat de vier vrienden niet meer hun
+koffie zelf zouden zetten, dat het café een gratis-exemplaar van
+den Castor zou ontvangen, dat Phémie Klad een hoed zou opzetten, dat
+het tric-tracspel alle Zondagen van twaalf tot twee uur overgelaten
+zou worden aan het gezelschap Bosquet, en vooral, dat er geen nieuwe
+crediet zou gegeven worden.
+
+Gedurende enkele dagen ging alles goed.
+
+Den avond vòòr Kerstmis kwamen de vier vrienden in gezelschap van
+hun respectievelijke "echtgenooten" in het café.
+
+Er waren dus mademoiselle Musette, mademoiselle Mimi, het nieuwe
+vriendinnetje van Rodolphe, een allerliefst persoontje met een stem,
+helder als een klok, en Phémie Klad, de afgod van Schaunard. Dien avond
+droeg Phémie Klad een mutsje. Mademoiselle Colline, die men nooit zag,
+was als gewoonlijk thuis gebleven, om komma's in de handschriften
+van haar man te zetten. Na de koffie, die tegen alle gewoonten in
+door een bataillon glaasjes likeur geëscorteerd werd, bestelden zij
+punch. Weinig aan dergelijke uitspattingen gewend, liet de kellner de
+bestelling nog tweemaal herhalen. Phémie, die nog nooit in het café
+geweest was, scheen in extase, dat zij uit glaasjes met een voet mocht
+drinken. Marcel had het aan den stok met Musette over een nieuwen
+hoed, waarvan de herkomst hem verdacht voorkwam. Mimi en Rodolphe,
+die nog in de wittebroodsweken van hun samenleven waren, voerden
+een gesprek zonder woorden maar met allerlei vreemde geluiden. Wat
+Colline betreft, met een vriendelijken lach op zijn gelaat ging hij
+bij de dames alle galanterieën, die hij uit zijn collectie van den
+Almanach des Muses verzameld had, verkoopen.
+
+Terwijl dit vroolijke gezelschap zich aldus aan spel en lach overgaf,
+keek een vreemdeling, die eenzaam aan een tafeltje achter in de
+zaal zat, met vreemde blikken naar het schouwspel, dat zich voor
+hem afspeelde.
+
+Reeds sedert veertien dagen kwam hij iederen avond: hij was van alle
+bezoekers de eenige, die het vreeselijke lawaai, dat de bohémiens
+maakten, had kunnen uithouden. De lafste voor-de-gek-houderijen waren
+op zijn onverstoorbaarheid afgestooten; hij bleef met een mathematische
+regelmaat zijn pijp zitten rooken, zijn oogen starend op één punt,
+alsof hij een schat bewaken moest, het oor geopend voor alles,
+wat er om hem heen gezegd werd. Overigens scheen hij zachtmoedig en
+welgesteld, want hij bezat een horloge, dat door een gouden ketting
+in zijn zak in slaverij gehouden werd. Toen Marcel toevallig eens
+gelijk met hem aan het buffet stond, had hij gezien, dat hij een
+louis wisselde, om zijn vertering te betalen. Van dat oogenblik af
+noemden de vier vrienden hem den "kapitalist."
+
+Plotseling ontdekte Schaunard, die uitstekende oogen had, dat de
+glazen leeg waren.
+
+"Voor den duivel," zeide Rodolphe; "het is de avond vòòr Kerstmis;
+wij zijn allen goede Christenen .... we moeten een extraatje nemen."
+
+"Waarachtig, zeker," zeide Marcel, "laten we bovennatuurlijke dingen
+bestellen."
+
+"Colline," voegde Rodolphe eraan toe, "bel den kellner eens."
+
+Colline belde als een bezetene.
+
+"Wat zal het zijn?" vroeg Marcel.
+
+Colline maakte met zijn bovenlichaam een hoek van vijf-en-veertig
+graden en zeide, op de dames wijzend:
+
+"Het staat aan de dames om de volgorde en den aard der ververschingen
+te bepalen."
+
+"Ik," zeide Musette, die met haar tong klapte, "ik zou een glas
+champagne niet graag weigeren."
+
+"Ben je niet wijs?" vloog Marcel op. "Champagne .... dat is zelfs
+geen wijn."
+
+"Dat kan me minder schelen, ik vind het lekker en het maakt lawaai."
+
+"Ik," zeide Mimi, terwijl zij Rodolphe met een blik liefkoosde,
+"ik zou graag beaune willen hebben in zoo'n klein mandje."
+
+"Is jouw hoofd op hol?" vroeg Rodolphe.
+
+"Neen, maar ik wil het laten hollen," antwoordde Mimi, op wie de beaune
+een bijzonderen invloed had. Haar man werd door dat woord verpletterd.
+
+"En ik," zeide Phémie Klad, die op den elastischen divan op en neer zat
+te springen, "ik wil graag parfait amour. Dat is goed voor je maag."
+
+Schaunard bracht met zijn neusklank eenige woorden voort, die Phémie
+op haar basis deden sidderen.
+
+"Ach wat!" zeide Marcel, "het is niet alle dagen ker(st)mis, laten
+we er voor dezen keer eens honderdduizend francs aan spendeeren."
+
+"En," voegde Rodolphe eraan toe, "laten we niet vergeten, dat de baas
+zich beklaagt, dat we te weinig verteren."
+
+"Dat is zoo," zeide Colline. "Laten we een schitterend festijn
+aanrichten: trouwens we zijn den dames de meest passieve gehoorzaamheid
+verschuldigd; de liefde leeft van zelfverloochening, de wijn is het
+sap van het pleizier; het pleizier is de plicht der jeugd,--de vrouwen
+zijn bloemen, je moet ze begieten. Laten we haar dus begieten! Kellner,
+kellner!"
+
+En met een koortsachtige opgewondenheid ging hij aan het schelkoord
+hangen.
+
+De kellner schoot toe als op de vleugelen van den wind.
+
+Toen hij van champagne, beaune en diverse likeuren hoorde spreken,
+speelden zijn gelaatstrekken alle toonladders der verbazing af.
+
+"Ik heb zoo'n leeg gevoel in mijn maag," zeide Mimi, "ik zou wel trek
+in een paar sneedjes ham hebben."
+
+"En ik in sardientjes met boter," voegde Musette eraan toe.
+
+"En ik in radijs," zeide Phémie, "met wat vleesch erom heen."
+
+"Zeggen jullie nou maar dadelijk, dat je een souper wilt hebben,"
+merkte Marcel op.
+
+"Dat zou heusch zoo'n gek idée niet zijn," antwoordden de vrouwen.
+
+"Kellner, breng alles boven, wat voor een goed souper noodig is,"
+zeide Colline ernstig.
+
+De kellner was van verbazing driekleurig geworden.
+
+Langzaam liep hij naar het buffet en deelde daar den eigenaar van
+het café de buitengewone dingen mede, die ze hem besteld hadden.
+
+De café-man dacht, dat het een grap was, maar toen er weer gescheld
+werd, ging hij zelf naar boven en wendde zich tot Colline, voor wien
+hij een zeker respect had. Colline legde hem uit, dat zij den réveillon
+bij hem wilden vieren en hij het bestelde dus moest laten brengen.
+
+De eigenaar van het café antwoordde niets en ging met den kreeftengang
+weg, terwijl hij knoopen in zijn servet maakte. Een kwartier lang
+overlegde hij met zijn vrouw, tot deze, die dank zij de liberale
+opvoeding, die zij te Saint-Denis gehad had, een vereerster der
+schoone kunsten was, haar echtvriend wist over te halen het souper
+te laten opdienen.
+
+"Eigenlijk heb je gelijk," zeide hij; "het is best mogelijk, dat
+zij bij uitzondering eens geld hebben." En hij gaf den kellner order
+alles wat besteld was boven te brengen. Dan verdiepte hij zich met
+een ouden stamgast in een partij piquet. Een fatale onvoorzichtigheid!
+
+Van tien tot twaalf uur deed de kellner niets dan de trap op- en
+afloopen. Ieder oogenblik werden er extra-schotels besteld. Musette
+liet zich op zijn Engelsch bedienen en moest bij iederen hap een
+nieuw couvert hebben; Mimi dronk van alle wijnsoorten uit alle glazen;
+Schaunard had een onleschbaren Sahara in zijn keel; Colline onderhield,
+terwijl hij zijn servet met zijn tanden doorbeet, een kruisvuur met
+zijn oogen en kneep in den poot van de tafel, dien hij voor de knie
+van Phémie hield. Marcel en Rodolphe bleven echter stevig in den
+stijgbeugel der koelbloedigheid zitten en zagen niet zonder angst
+het uur der ontknooping naderen.
+
+De vreemdeling keek met een ernstige nieuwsgierigheid naar dit tooneel;
+van tijd tot tijd zag men zijn mond als tot een glimlach opengaan;
+dan hoorde men een knarsend geluid, alsof er een raam dicht gedaan
+werd. Dat was de vreemdeling, die inwendig lachte.
+
+Om kwart voor twaalf zond de buffetjuffrouw de rekening, die het
+ontzaglijke bedrag van 25 fr. 75 c. aanwees.
+
+"Ja," zeide Marcel, "nu zullen we moeten loten wie met den eigenaar zal
+moeten gaan onderhandelen. Dat zal een lang niet makkelijke zaak zijn."
+
+Ze namen een dominospel en trokken om het hoogste aantal.
+
+Het lot wees ongelukkigerwijze Schaunard als plenipotentiaris
+aan. Schaunard was een uitstekend virtuoos, maar een slecht
+diplomaat. Hij kwam juist bij het buffet, toen de waard van zijn ouden
+stamgast verloren had. Woedend over zijn schandelijk verlies, was Momus
+in het humeur van een menscheneter en geraakte bij de eerste woorden
+van Schaunard in een hevigen toorn. Schaunard was een goed musicus,
+doch had een buitengewoon heftig karakter. Hij antwoordde met dubbel
+zoo grof geschut. De twist werd zoodoende hoe langer hoe giftiger,
+en ten slotte stormde de waard naar boven, om te zeggen, dat hij ze
+niet zou laten vertrekken, vòòr alles betaald was. Colline trachtte met
+zijn kalmeerende welsprekendheid den storm te bezweren, doch toen de
+café-man het servet zag, waarvan Colline pluksel gemaakt had, barstte
+zijn woede in dubbele heftigheid los en waagde hij het, om tenminste
+eenige zekerheid te hebben, zijn profane hand uit te steken naar den
+notehoutkleurigen paletot van den philosoof en de mantels van de dames.
+
+Een pelotonvuur van beleedigingen werd nu tusschen de bohémiens en
+den eigenaar van het établissement geopend.
+
+Intusschen praatten de dames gezellig over vroegere amourettes en
+modenieuwtjes.
+
+De vreemdeling echter liet nu zijn passieve houding varen;
+langzamerhand was hij opgestaan, had één pas gedaan, dan twee en liep
+ten slotte als een heel gewoon mensch op zijn twee beenen; hij kwam
+naar den café-man toe, nam hem ter zijde en praatte heel zachtjes
+met hem. Rodolphe en Marcel volgden hem met de oogen. Eindelijk was
+het gesprek afgeloopen en zeide de waard tot den vreemdeling:
+
+"Zeker vind ik het goed, mijnheer Barbemuche, zeker, maak u het maar
+met hen in orde."
+
+Mijnheer Barbemuche ging naar zijn tafeltje, om zijn hoed te halen,
+zette dien op, maakte een zwenking naar rechts, was in drie stappen
+bij Rodolphe en Marcel, nam zijn hoed af, boog voor de heeren,
+wierp den dames een groet toe, haalde zijn zakdoek te voorschijn,
+snoot zijn neus en nam dan met schuchtere stem het woord:
+
+"Ik moet u vergiffenis vragen voor mijn indiscretie, heeren. Reeds
+lang brand ik van verlangen, om kennis met u te maken, maar tot nog
+toe heb ik geen gunstige gelegenheid gevonden, om mij aan u voor
+te stellen. Veroorlooft u mij deze, welke zich thans voordoet, aan
+te grijpen?"
+
+"Zeker, zeker," zeide Colline, die dadelijk begreep waar de vreemdeling
+heen wilde.
+
+Rodolphe en Marcel bogen, zonder iets te zeggen.
+
+De overdreven lichtgeraaktheid van Schaunard bedierf bijna alles.
+
+"Neem me niet kwalijk, mijnheer," zeide hij eenigszins heftig,
+"u hebt niet de eer ons te kennen en de etiquette verzet er zich
+tegen, dat .... Zoudt u de goedheid willen hebben mij wat tabak
+te geven .... Verder zal ik mij bij het gevoelen van mijn vrienden
+aansluiten..."
+
+"Heeren," begon Barbemuche, "ik ben evenals u een discipel der
+schoone kunsten. Voor zoover ik uit uw gesprekken heb kunnen opmaken,
+stemmen onze smaken overeen, waarom ik de vurige begeerte koester tot
+uw vriendenkring te mogen behooren en u iederen avond hier te kunnen
+ontmoeten .... De eigenaar van dit etablissement is een bruut, maar ik
+heb een paar woorden met hem gesproken, en gij zijt volkomen vrij om
+te gaan of te blijven ..... Ik waag het de hoop uit te spreken, dat
+u mij het middel, om u hier weer te ontmoeten, niet zult onthouden,
+door den kleinen dienst aan te nemen, dien ...."
+
+Naar Schaunards wangen steeg een kleur van verontwaardiging.
+
+"Hij speculeert op onzen toestand," zeide hij. "Wij mogen zijn aanbod
+niet aannemen. Hij heeft onze rekening betaald--ik zal met hem een
+partij billard spelen om vijf-en-twintig francs en hem een paar
+caramboles voorgeven."
+
+Barbemuche nam het voorstel aan en was verstandig genoeg de partij
+te verliezen; maar door dezen trek won hij de achting der Bohème. Men
+scheidde met de afspraak den volgenden dag weer samen te komen.
+
+"Op die manier," zeide Schaunard tot Marcel, "zijn we hem niets
+schuldig en is onze waardigheid gered."
+
+"En kunnen we bijna nog een souper van hem eischen," voegde Colline
+eraan toe.
+
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XII.
+
+EEN INSTALLATIE IN DE BOHÈME.
+
+
+Carolus Barbemuche had het den avond, waarop hij een door de bohémiens
+gebruikt souper uit zijn particuliere kas betaald had, zoo weten aan te
+leggen, dat Gustave Colline met hem het café verliet, om naar huis te
+gaan. Van af het oogenblik n.l., dat hij de bijeenkomsten van de vier
+vrienden in het etablissement, waar hij hen uit een pijnlijken toestand
+verloste, bijwoonde, had Colline zijn bijzondere aandacht getrokken
+en voelde hij zich aangetrokken tot dien Sokrates, wiens Plato hij
+later worden zou. Daarom had hij al dadelijk Colline uitverkoren, om
+zich in den vriendenkring te introduceeren. Onderweg stelde Barbemuche
+Colline voor even in een café, dat nog open was, binnen te loopen, om
+nog wat te gebruiken. Niet alleen sloeg Colline die uitnoodiging af,
+maar hij verhaastte nog zijn tred, toen hij genoemd café voorbijging,
+en drukte zijn hyperphysischen vilten hoed diep in zijn oogen.
+
+"Waarom wilt u daar niet binnengaan?" vroeg Barbemuche, die met
+fijngevoelde beleefdheid aandrong.
+
+"Daar heb ik mijn redenen voor," antwoordde Colline. "De buffetjuffrouw
+in dat etablissement houdt zich veel met de exacte wetenschappen
+bezig, en wanneer wij er binnen gingen, zou het onvermijdelijk op een
+langdurig debat uitloopen, wat ik tracht te vermijden door noch op
+den middag, noch op andere uren, dat de zon schijnt, door deze straat
+te gaan. Dat is trouwens heel natuurlijk", voegde hij eraan toe;
+"ik heb met Marcel in dezen wijk gewoond."
+
+"Toch zou ik graag onder het genot van een glas punch nog een
+oogenblikje met u praten. Weet u hier in de buurt niet een of
+ander lokaal, waar u zoudt kunnen gaan zonder bezwaren .... van
+natuur-philosophischen aard weerhouden te worden?" vroeg Barbemuche,
+die het noodig oordeelde buitengewoon geestig te zijn.
+
+Colline dacht een oogenblik na.
+
+"O, ja, dat is waar, hier is een lokaal, waar ik beter verschijnen
+kan."
+
+En hij wees op den winkel van een wijnhandelaar.
+
+Barbemuche zette een leelijk gezicht en scheen te aarzelen.
+
+"Is het een fatsoenlijke inrichting?" vroeg hij.
+
+Zijn koude, gereserveerde houding, zijn weinige spraakzaamheid,
+zijn discreet glimlachje en vooral zijn horloge en zijn ketting met
+breloques hadden Colline op het denkbeeld gebracht, dat Barbemuche
+tot het een of ander gezantschap behoorde en bang was om zich te
+compromitteeren, wanneer hij in zoo'n kroeg kwam.
+
+"Er is geen kans, dat wij gezien worden," zeide hij; "op dit uur ligt
+het geheele corps diplomatique al onder de wol."
+
+Eindelijk besloot Barbemuche toch maar om naar binnen te gaan;
+maar met den geheimen wensch een kartonnen neus te hebben. Voor alle
+zekerheid vroeg hij een afzonderlijke kamer en hing een servet voor
+de ruiten van de glazen deur. Na deze voorzorgsmaatregelen scheen
+hij minder ongerust en bestelde een bowl punch. Door de warme drank
+wat opgewonden, werd Barbemuche iets spraakzamer; en na enkele
+bijzonderheden over zichzelf medegedeeld te hebben, waagde hij het
+de hoop uit te spreken, dat hij officieel in den bond der bohémiens
+zou worden opgenomen, en verzocht hij Colline's medewerking om hem
+te helpen dit eerzuchtige plan te verwezenlijken.
+
+Colline antwoordde, dat hij voor zijn persoon zich gaarne ter
+beschikking van Barbemuche stelde, doch dat hij hem natuurlijk niets
+zeker beloven kon.
+
+"U kunt op mijn stem rekenen," zeide hij, "maar ik kan natuurlijk
+niet op mij nemen over die van mijn vrienden te beschikken."
+
+"Maar om welke redenen zouden zij weigeren mij in hun kring op
+te nemen?"
+
+Colline zette het glas, dat hij juist naar zijn mond wilde brengen,
+weer op tafel en vroeg met een zeer ernstig gelaat aan den vermetelen
+Carolus:
+
+"Cultiveert u de schoone kunsten?"
+
+"Ik bebouw op bescheiden wijze deze edele velden der intelligentie,"
+antwoordde Carolus, die de vlag van zijn kunst meende te moeten toonen.
+
+Colline vond de phrase mooi gestyleerd en vroeg met een buiging:
+
+"Doet u aan muziek?"
+
+"Ik heb op den contrabas gespeeld."
+
+"Dat is een philosophisch instrument; die geeft zulke ernstige
+tonen. Welnu, daar gij dus verstand hebt van muziek, begrijpt u heel
+goed, dat men niet, zonder de wetten der harmonie te verstoren, een
+vijfden speler aan een quartet kan toevoegen; anders zou het geen
+quartet meer zijn."
+
+"Dat is zoo, dan wordt het een quintet," antwoordde Carolus.
+
+"U zegt?" vroeg Colline.
+
+"Een quintet."
+
+"Precies--juist op dezelfde wijze, alsof je aan de Drieëenheid, dien
+goddelijken driehoek, een vierden persoon toevoegde; het zou dan een
+vierhoek vormen, maar de godsdienst zou zijn basis verloren hebben."
+
+"Neem me niet kwalijk," zeide Carolus; wiens verstand te midden
+van al die doornstruiken van Colline's logica begon te struikelen,
+"maar ik zie niet in ...."
+
+"Let eens goed op," ging Colline voort; "hebt u verstand van
+astronomie?"
+
+"Een beetje .... ik ben bachelier." [26]
+
+"Daar bestaat nog een liedje over," zeide Colline: "Bachelier
+de Lisette .... Het wijsje herinner ik me niet meer .... Dus dan
+weet u natuurlijk, dat er vier hoofdwinden bestaan. Welnu, als er
+nu plotseling een hoofdwind bijkwam, dan zou de heele harmonie der
+natuur verstoord worden. Dat noemt men een cataclysme. Begrijpt u me?"
+
+"Ik wacht op de slotsom."
+
+"Inderdaad de slotsom is het slot van een rede, evenals de dood het
+einde van het leven en het huwelijk het einde van de liefde is. Welnu,
+mijn waarde heer, mijn vrienden en ik zijn gewoon met elkaar te leven
+en wij zijn bang door de opneming van een vijfde in onzen kring, de
+harmonie, die in ons concert van zeden, meeningen, smaak en karakter
+heerscht, te verstoren. Wij moeten eenmaal de vier hoofdwindstreken
+der moderne kunst worden; ik zeg u dit zonder er doekjes om te winden;
+en daar wij nu eenmaal met dat denkbeeld vertrouwd zijn, zou het ons
+onaangenaam stemmen nog een vijfde hoofdwindstreek te zien."
+
+"Maar wanneer je met je vieren bent, kan je toch even goed met je
+vijfjes zijn," waagde Carolus op te merken.
+
+"Ja, zeer zeker, maar dan ben je niet meer met je vieren."
+
+"Dat is een nietswaardige uitvlucht."
+
+"Er is niets nietswaardigs in deze wereld, alles is in alles, kleine
+beken maken groote rivieren, kleine lettergrepen maken alexandrijnen
+en bergen zijn uit zandkorrels opgebouwd; dat las ik dezer dagen in de
+Sagesse des nations; u kunt een exemplaar daarvan op den quai vinden."
+
+"U denkt dus, dat de heeren bezwaar zullen hebben mij in hun intiemen
+kring op te nemen?"
+
+"Ik ben er wel eenigszins bang voor. Maar vertel me eens, waarde heer,
+welke vore beploegt u het liefst in de edele velden der intelligentie?"
+
+"De groote wijsgeeren en de goede klassieke schrijvers zijn mijn
+voorbeelden, ik voed mij met hun studie. Télémaque heeft mij het
+eerst den hartstocht, die mij verteert, ingeboezemd."
+
+"Télémaque vind je bij hoopjes op de boekenstalletjes," zeide
+Colline. "Onlangs heb ik er nog een voor vijf sous gekocht, omdat
+het een koopje was. Maar ik wil het u, om u een pleizier te doen,
+graag afstaan. Overigens een goed en voor den toenmaligen tijd heel
+aardig samengesteld werk."
+
+"Ja, mijnheer," ging Carolus voort, "de hooge philosophie en de
+gezonde litteratuur, daarheen gaat mijn streven; mijns inziens is de
+kunst een priesterschap."
+
+"Zeker, zeker ...." zeide Colline; "daar bestaat nog een liedje op."
+
+En hij begon te zingen:
+
+
+ "Oui, l'art est un sacerdoce
+ Et sachons nous en servir.
+
+
+Ik geloof dat het uit Robert le Diable is," voegde hij eraan toe.
+
+"Ik zeide dus," ging Barbemuche voort, "dat de kunst een heilig beroep
+is en dat de schrijvers dus onophoudelijk ...."
+
+"Pardon, mijnheer," viel Colline, die een laat uur had hooren slaan,
+hem in de rede; "het zal zoo dadelijk ochtend zijn en ik ben erg bang,
+dat ik door nog langer uit te blijven iemand, die mij dierbaar is,
+ongerust zal maken; trouwens," mompelde hij nog in zichzelf, "ik had
+haar beloofd vroeg thuis te komen; het is vandaag haar ontvangdag!"
+
+"Inderdaad het is tamelijk laat!" zeide Carolus. "Laten we naar
+huis gaan."
+
+"Woont u ver hiervandaan?"
+
+"Rue Royale-Saint-Honoré, 10."
+
+Colline was bij een vroegere gelegenheid eens in dit huis geweest en
+herinnerde zich, dat het een prachtig heerenhuis was.
+
+"Ik zal morgen met de heeren over u spreken," zeide hij bij het
+afscheid nemen tot Carolus, "en ik beloof u, dat ik al mijn invloed
+zal aanwenden, om ze gunstig voor u te stemmen .... A propos, mag ik
+u nog een raad geven?"
+
+"Gaarne".
+
+"Wees aardig en galant tegenover de dames. Mimi, Musette en Phémie
+hebben een niet geringen invloed op mijn vrienden, en wanneer u het
+zoo weet aan te leggen, dat zij onder den druk van hun maîtressen
+komen, dan zult gij veel makkelijker bereiken, wat gij van Marcel,
+Schaunard en Rodolphe gedaan wilt krijgen."
+
+"Ik zal er mijn best voor doen."
+
+Den volgenden dag viel Colline als een bom te midden van het gezelschap
+der bohémiens: het was op het ontbijtuurtje, en ditmaal was werkelijk
+het ontbijt met het uur gekomen. De drie paren zaten aan tafel en
+deden zich te goed aan een orgie van artisjokken in pepersaus.
+
+"Alle donders!" zeide Colline; "het gaat hier royal toe, dat zal
+niet lang zoo kunnen duren. Ik kom," ging hij voort, "als gezant
+van den edelmoedigen sterveling, dien wij gisteravond in het café
+ontmoet hebben."
+
+"Zou hij nu het geld al komen terugvragen, dat hij ons voorgeschoten
+heeft?" vroeg Marcel.
+
+"He," zeide mademoiselle Mimi, "dat zou ik nooit van hem gedacht
+hebben, hij ziet er zoo fatsoenlijk uit."
+
+"Daar is geen sprake van," antwoordde Colline; "de jonge man zou gaarne
+in onzen kring worden opgenomen; hij wil aandeelen in onze maatschappij
+nemen en, zooals van zelf spreekt, ook de voordeelen daarvan genieten."
+
+De drie bohémiens keken elkaar aan.
+
+"Het voorstel is ingediend," eindigde Colline; "de discussies erover
+kunnen geopend worden."
+
+"Welke maatschappelijke positie bekleedt je beschermeling?" vroeg
+Rodolphe.
+
+"Hij is geen beschermeling van me," antwoordde Colline; "toen we
+gisteren avond uiteen gingen, hebben jullie me gevraagd hem te volgen,
+en hij, van zijn kant, noodigde me uit om met hem mede te gaan, dat
+viel dus prachtig samen. Ik heb hem dus gevolgd; en hij heeft mij
+een gedeelte van den nacht met allerlei attenties en fijne likeuren
+overstelpt, maar desniettemin heb ik mijn onafhankelijkheid bewaard."
+
+"Bravo!" zeide Schaunard.
+
+"Geef ons een schets van eenige van zijn hoofdkaraktertrekken,"
+vroeg Marcel.
+
+"Zielegrootheid, strenge zeden, bang om een wijnkroegje binnen te
+gaan, eind-examen gymnasium, de oprechtheid in eigen persoon, speelt
+op den contrabas, een natuur, die tusschenbeide vijf francs wisselt."
+
+"Bravo!" zeide Schaunard.
+
+"Wat verwacht hij van ons?"
+
+"Zooals ik reeds zeide, kent zijn eerzucht geen grenzen; zijn ideaal
+is ons te tutoyeeren."
+
+"Met andere woorden, hij wil ons exploiteeren, hij wil in onze karossen
+gezien worden."
+
+"En wat is zijn beroep?" was Marcels vraag.
+
+"Zijn kunstrichting? Zijn beroep? Litteratuur en philosophie door
+elkaar."
+
+"Waaruit bestaat zijn philosophische kennis?"
+
+"Hij beoefent een kleinsteedsche wijsbegeerte. Hij noemt de kunst
+een priesterschap."
+
+"Een priesterschap!" riep Rodolphe verschrikt uit.
+
+"Hij zegt het."
+
+"En tot welke litteratuurrichting behoort hij?"
+
+"Hij leest druk in Télémaque."
+
+"Bravo!" riep Schaunard, die op de wortels der artisjokken zat te
+knabbelen.
+
+"Wat, bravo, stommeling?" viel Marcel hem in de rede. "Zeg zoo iets
+als het je blieft niet, wanneer er andere menschen bij zijn."
+
+Schaunard gaf, in zijn woede over die terechtwijzing, Phémie, die
+hij op een aanval op zijn saus betrapte, bovendien nog onder de tafel
+door een trap.
+
+"Nog een vraag," zeide Rodolphe; "wat is zijn positie in deze
+wereld? Waarvan leeft hij? Hoe heet hij? Waar woont hij?"
+
+"Zijn positie is zeer eervol; hij is leeraar in alle mogelijke
+vakken bij een rijke familie. Hij heet Carolus Barbemuche, verteert
+zijn inkomsten op zeer voorname wijze en woont in de rue Royale in
+een hôtel."
+
+"Een hôtel garni?"
+
+"Neen, er zijn echte meubelen in."
+
+"Ik vraag het woord," zeide Marcel. "Het is duidelijk, dat Colline
+omgekocht is; hij heeft voor een som van kleine glaasjes likeur zijn
+stem verkocht. Val mij niet in de rede," zeide Marcel, die den wijsgeer
+zag opstaan, om te protesteeren; "je kunt straks antwoorden. Colline,
+die veile ziel, heeft u den vreemdeling onder een veel te gunstig
+aspect laten zien, dan dat het het beeld der waarheid kan zijn. Ik heb
+reeds gezegd, dat ik de bedoelingen van dezen vreemdeling doorzie. Hij
+wil op ons speculeeren. Hij denkt bij zichzelf: Kijk eens eventjes, dat
+zijn jongens, die carrière zullen maken; ik moet zien, dat ik me in hun
+zak verberg, dan kom ik tegelijk met hen aan den steiger van den roem."
+
+"Bravo," zeide Schaunard; "is er geen saus meer?"
+
+"Neen," antwoordde Rodolphe; "de oplaag is uitverkocht."
+
+"Anderzijds," ging Marcel voort, "streeft deze arglistige sterveling,
+welke door Colline beschermd wordt, misschien slechts met misdadige
+gedachten naar de eer, om in onzen kring opgenomen te worden. Wij zijn
+hier niet alleen, heeren," ging de redenaar voort en wierp daarbij
+een welsprekenden blik op de dames; "en de protégé van Colline is
+mogelijk een trouwelooze verleider, die zich onder den mantel der
+litteratuur bij ons wil indringen. Denkt goed na! Ik voor mij stem
+tegen de toelating."
+
+"Ik vraag slechts het woord voor een rectificatie," zeide
+Rodolphe. "In zijn merkwaardige improvisatie heeft Marcel gezegd,
+dat genoemde Carolus zich, met het doel om ons te onteeren, bij ons
+wil binnendringen onder den mantel der litteratuur."
+
+"Dat is een oratorische figuur," zeide Marcel.
+
+"Ik keur die figuur af; zij is slecht. De litteratuur heeft geen
+mantel."
+
+"Omdat ik hier de functies van rapporteur vervul," zeide Colline
+opstaande, "zal ik de conclusies van mijn rapport verdedigen. De
+jalousie, welke onzen vriend Marcel verteert, heeft zijn verstand
+verstoord, de groote kunstenaar is krankzinnig ...."
+
+"Tot de orde!" brulde Marcel.
+
+"Zoo krankzinnig, dat hij, een zoo voortreffelijke teekenaar, in
+zijn rede een figuur gebruikt heeft, waarvan de onjuistheid door den
+geestigen redenaar, die vòòr mij gesproken heeft, ten duidelijkste
+is aangetoond."
+
+"Colline is een idioot!" riep Marcel uit en gaf een heftigen vuistslag
+op tafel, die geen kleine beroering onder de borden veroorzaakte,
+"Colline heeft niet het minste begrip van gevoelszaken; op dat gebied
+is hij te eenenmale onbevoegd; in plaats van een hart heeft hij een
+oud, beschimmeld boek!" (Langdurig gelach van Schaunard.)
+
+Gedurende dit tumult schudde Colline den vloed van welsprekendheid,
+die hij tusschen de plooien van zijn witte das verborg. Toen de stilte
+weer hersteld was, ging hij verder:
+
+"Mijne heeren, met één enkel woord zal ik de hersenschimmige vrees,
+die de vermoedens van Marcel misschien ten opzichte van Carolus in
+u wakker geroepen hebben, doen verdwijnen."
+
+"Probeer het maar eens," zeide Marcel spottend.
+
+"Dat zal me niet moeilijker vallen dan dit", antwoordde Colline en
+blies een lucifer uit, waarmede hij zijn pijp aangestoken had.
+
+"Maar spreek dan toch," riepen Rodolphe, Schaunard en de vrouwen,
+die in het debat een levendig belang stelden, in koor uit.
+
+"Mijne heeren," zeide Colline, "hoewel ik persoonlijk en heftig
+in dezen kring ben aangevallen, hoewel men mij beschuldigd heeft
+den invloed, dien ik op u zou kunnen hebben, voor spiritualiën
+verkocht te hebben, zal ik toch, krachtig in het bewustzijn van
+mijn onschuld, niet antwoorden op de aanvallen, die gedaan zijn op
+mijn rechtschapenheid, oprechtheid en moraliteit." (Beweging.) "Een
+eigenschap echter wil ik echter niet, dat ook maar één oogenblik
+in twijfel getrokken wordt." (De redenaar slaat zich tweemaal op
+zijn buik.) "Men heeft het willen doen voorkomen, alsof ik mijn u
+zoo welbekende voorzichtigheid verloren heb. Men beschuldigt mij in
+uw kring een sterveling te willen binnensmokkelen, die de bedoeling
+heeft een aanslag te plegen op uw liefdesgeluk. Deze veronderstelling
+is een beleediging, de eerbaarheid en den goeden smaak van de dames
+hier aangedaan. Carolus Barbemuche is foei leelijk," (zichtbare
+tegenspraak op het gelaat van Phémie Klad. Lawaai onder de tafel,
+afkomstig van Schaunard, die de compromitteerende openhartigheid van
+zijn jonge vriendin met zijn voeten verbetert.)
+
+"Maar," ging Colline voort, "wat het ellendige argument, waarvan
+mijn tegenstander, door gebruik te maken van uw eersten schrik, een
+wapen smeedt tegen Carolus, geheel ontzenuwt: genoemde Carolus is een
+Platonisch wijsgeer." (Sensatie op de bank der heeren, tumult op de
+bank der dames.)
+
+"Platonisch, wat beteekent dat?" vroeg Phémie.
+
+"Dat is de ziekte van mannen, die een meisje niet durven zoenen,"
+antwoordde Mimi. "Ik heb een minnaar van dat soort gehad, maar na
+twee uur heb ik bonjour tegen hem gezegd."
+
+"Je reinste onzin!" vond Musette.
+
+"Je hebt gelijk, lieveling!" zeide Marcel tot haar; "Platonisme in
+liefde is hetzelfde als water in wijn. Laten we onzen wijn onversneden
+drinken."
+
+"En leve de jeugd!"
+
+De verklaring van Colline had een voor Carolus gunstigen ommekeer
+veroorzaakt. De wijsgeer wilde van die goede wending, door zijn
+handige en welsprekende pleitrede te weeg gebracht, gebruik maken.
+
+"Ik zie niet in", ging hij voort, "welke bezwaren redelijkerwijze
+nog ingebracht kunnen worden tegen dezen jeugdigen sterveling, die
+ons in ieder geval een dienst bewezen heeft. Wat mij nu betreft, ik,
+dien men beschuldigt onbezonnen gehandeld te hebben door hem in onzen
+kring te willen doen opnemen, ik beschouw die meening als een aanslag
+op mijn waardigheid. Ik heb in deze zaak gehandeld met de listigheid
+van een slang, en wanneer dit beleid niet door een gemotiveerd votum
+erkend wordt, neem ik mijn ontslag."
+
+"Wil je de kabinetsquaestie stellen?" vroeg Marcel.
+
+"Ja, die stel ik," antwoordde Colline.
+
+De drie bohémiens beraadslaagden onderling en verklaarden ten slotte
+eenstemmig, dat zij den wijsgeer het karakter van groot beleid,
+dat hij eischte, teruggaven. Colline liet daarop het woord aan
+Marcel, die, eenigszins teruggekomen van zijn vooringenomenheid,
+verklaarde, dat hij misschien voor de conclusies van den rapporteur
+zou stemmen. Maar alvorens het definitieve besluit, dat Carolus in
+de intimiteit van den vriendenkring zou worden toegelaten, te nemen,
+liet Marcel over het volgende amendement stemmen:
+
+"Daar het toelaten van een nieuw lid in den vriendenkring een ernstige
+zaak is, en daar een vreemdeling, onbekend als hij is met de zeden,
+karakters en inzichten van zijn kameraden, er elementen van tweedracht
+in zou kunnen brengen, moet ieder der leden een dag met genoemden
+Carolus doorbrengen en een onderzoek instellen naar zijn leven, zijn
+smaak, zijn litteraire capaciteiten en zijn garde-robe. De bohémiens
+zouden elkaar dan hun particuliere indrukken mededeelen, waarna
+zij zouden stemmen over weigering of aanneming: verder zou Carolus,
+vòòr zijn toelating, een proeftijd van een maand moeten doormaken,
+dat wil zeggen, dat hij vòòr dien tijd niet het recht zou hebben
+hen te tutoyeeren en hun op straat een arm te geven. Op den dag der
+installatie zou het nieuw-aangenomen lid een schitterend feestmaal
+moeten geven, waarvan de kosten minstens twaalf francs zouden moeten
+bedragen."
+
+Dit amendement werd met drie stemmen tegen één, die van Colline,
+aangenomen; deze vond, dat men niet genoeg vertrouwen in hem had en
+dat dit amendement een nieuwe aanslag op zijn beleid was.
+
+Dienzelfden avond ging Colline met opzet zeer vroegtijdig naar het
+café, om de eerste te zijn om Carolus te zien.
+
+Hij behoefde niet lang te wachten: Carolus kwam weldra met drie
+reusachtige bouquetten rozen in de hand.
+
+"Allemachtig!" riep Colline uit; "wat wilt u met dien tuin?"
+
+"Ik heb gedacht aan wat u me gisteren gezegd hebt: uw vrienden
+zullen ongetwijfeld met hun dames komen, en daarom heb ik die bloemen
+meegebracht; zij zijn heel mooi."
+
+"Dat geloof ik graag; ze zullen u minstens vijftien sous gekost
+hebben."
+
+"Stel u voor! In de maand December. Als u nu vijftien francs zeide!"
+
+"Lieve Hemel!" riep Carolus uit, "een trio daalders voor die eenvoudige
+kinderen van Flora, wat een dwaasheid! Is u misschien familie van de
+Cordillera's? Welnu, waarde heer, dat zijn vijftien francs, die wij
+in den letterlijken zin des woords uit het raam zullen moeten smijten."
+
+"Wat wilt u daarmede zeggen?"
+
+Colline vertelde nu welke jaloersche vermoedens Marcel onder zijn
+vrienden had gewekt, en bracht Carolus op de hoogte van de heftige
+discussie, die plaats had gehad tusschen de bohémiens naar aanleiding
+van zijn verzoek, om in den vriendenkring te worden opgenomen.
+
+"Ik heb betoogd, dat uw bedoelingen zoo rein en zuiver en eerlijk
+mogelijk waren," voegde Colline eraan toe; "maar de oppositie is niet
+minder krachtig geweest. Zorg er dus voor de jaloersche vermoedens,
+die men tegen u koesteren kan, niet aan te wakkeren door te galant
+tegen de dames te zijn; laten wij dus, om te beginnen, die bouquetten
+doen verdwijnen."
+
+En Colline nam de rozen en verborg ze in een kast, waarin ze alles
+en nog wat bewaarden.
+
+"Maar dat is niet alles," ging hij voort; "de heeren wenschen,
+alvorens op meer intiemen voet met u te komen, ieder afzonderlijk
+een onderzoek in te stellen naar uw karakter, uw smaak enz."
+
+En opdat Barbemuche zijn vrienden niet te veel aanstoot zou geven, gaf
+Colline hem in ruwe trekken een moreel portret van ieder der bohémiens.
+
+"Tracht nu met ieder afzonderlijk op goeden voet te komen, dan zullen
+zij ten slotte allemaal voor uw toelating stemmen."
+
+Carolus stemde in alles toe.
+
+Kort daarop verschenen de drie vrienden met hun respectievelijke
+"vrouwen".
+
+Rodolphe was zeer beleefd tegenover Carolus, Schaunard erg
+vertrouwelijk en familiaar, terwijl Marcel koel bleef. Carolus trachtte
+vroolijk en hartelijk te zijn tegenover de mannen, doch hield zich
+op een afstand van de dames.
+
+Bij het afscheid noodigde Barbemuche Rodolphe uit den volgenden dag
+met hem te dineeren met het verzoek 's middags reeds te komen.
+
+De dichter nam de invitatie aan.
+
+"Goed", zeide hij tot zichzelf; "ik begin dus de enquête."
+
+Rodolphe zorgde den volgenden dag op het afgesproken uur bij Carolus te
+zijn. Barbemuche woonde inderdaad in een zeer mooi heerenhuis in de rue
+Royale en had daar een kamer, waarin een zeker confort heerschte. Wel
+verwonderde het Rodolphe, dat, hoewel het nog klaarlichte dag was,
+de luiken gesloten, de gordijnen dichtgetrokken en twee kaarsen op
+een tafel aangestoken waren. Hij vroeg Barbemuche naar de bedoeling
+daarvan.
+
+"De studie," zeide deze, "is de dochter van het mysterie en der
+stilte."
+
+Ze gingen zitten en begonnen te praten. Na een uur wist Carolus met
+een geduld en een oratorische handigheid, die oneindig was, een zin
+te pas te brengen, die, niettegenstaande zijn bescheiden vorm, niets
+meer of minder dan een sommatie aan Rodolphe was, om te luisteren naar
+de voorlezing van een klein werkje, dat de vrucht van de doorwaakte
+nachten van genoemden Carolus was.
+
+Rodolphe begreep, dat hij gevangen was, en daar hij bovendien gaarne
+den stijl van Barbemuche wilde leeren kennen, boog hij zeer beleefd
+en verzekerde, dat het hem een waar genoegen en .....
+
+Carolus wachtte het slot van den zin niet af, vloog naar de deur,
+schoof den grendel ervoor, draaide den sleutel om, ging naar Rodolphe
+terug en nam eindelijk een klein schrift, waarvan het kleine formaat
+en de geringe dikte een glimlach van tevredenheid op het gelaat van
+den dichter te voorschijn riepen.
+
+"Is dat het manuscript van uw werk?" vroeg hij.
+
+"Neen", antwoordde Carolus, "dat is de catalogus van mijn manuscripten;
+ik zoek naar het nummer van het werkje, dat u mij wel wilt vergunnen
+u voor te lezen .. Hier is het: Don Lopez of het Noodlot, No. 14. Dat
+is op de derde plank."
+
+Hij opende een klein kastje, waarin Rodolphe tot zijn schrik een
+groote hoeveelheid handschriften zag staan, Carolus nam er een uit,
+sloot de kast en ging tegenover den dichter zitten.
+
+Rodolphe wierp een blik op een der vier cahiers, waaruit het werk
+bestond, waarvan het formaat hem aan de Maliebaan deed denken.
+
+"Enfin", zeide hij tot zichzelf, "het is niet in verzen ... maar het
+heet Don Lopez!"
+
+Carolus nam het eerste cahier en begon te lezen:
+
+"In een kouden winternacht reden twee ruiters, dicht gewikkeld in
+hun jassen op twee trage muilezels naast elkaar op een der wegen,
+die de vreeselijke eenzaamheid der stille Sierra Morena ...."
+
+"Lieve Hemel, waar ben ik!" dacht Rodolphe, die door dit begin
+verschrikt was. Carolus ging verder en las aan één stuk het eerste
+hoofdstuk, dat geheel in dien stijl geschreven was.
+
+Rodolphe luisterde maar half en zon op een middel om te ontsnappen.
+
+"Daar is wel een raam," zeide hij tot zichzelf; "maar behalve dat
+het dicht is, zijn we hier op de vierde verdieping. Ha, nu begrijp
+ik al die voorzorgsmaatregelen."
+
+"Wat zegt u van mijn eerste hoofdstuk?" vroeg Carolus; "maar wat ik
+u verzoeken mag, spaar mij uw kritiek niet."
+
+Rodolphe meende zich te kunnen herinneren, dat hij stukken hoogdravende
+philosophie over den zelfmoord, door genoemden Lopez, den held van
+den roman, uitgesproken, gehoord had en antwoordde op goed geluk af:
+
+"De groote figuur van don Lopez is zeer gewetensvol bestudeerd--het
+doet je onwillekeurig denken aan de Profession de foi du vicaire
+savoyard [27]; de beschrijving van den muilezel van don Alvar bevalt
+mij uitstekend en herinnert aan een schets van Géricault [28]. Het
+landschap geeft heele mooie lijnen; en wat de denkbeelden betreft,
+dat is zaad van Jean Jacques Rousseau, gezaaid op den bodem van
+Lesage. Echter moet ik één opmerking maken; U zet te veel komma's en
+gebruikt te veel het woord: "in den vervolge"; dat is een aardige
+uitdrukking, die het van tijd tot tijd wel doet en aan het geheel
+kleur geeft, maar die je niet te dikwijls gebruiken moet."
+
+Carolus nam zijn tweede cahier op en las nogmaals den titel: Don
+Lopez of het noodlot.
+
+"Ik heb indertijd ook een don Lopez gekend," zeide Rodolphe; "hij
+handelde in sigaretten en chocolade uit Bayonne; hij was misschien
+wel familie van den uwe.. Doch lees verder ...."
+
+Bij het einde van het tweede hoofdstuk viel de dichter Carolus in
+de rede:
+
+"Begint u nog geen keelpijn te krijgen?" vroeg hij.
+
+"Volstrekt niet," antwoordde Carolus; "ik zal u nu de geschiedenis
+van Inésille voorlezen."
+
+"Ik ben er zeer nieuwsgierig naar .... Maar indien het u vermoeien
+mocht, dan zou ik ...."
+
+"Hoofdstuk III!" zeide Carolus met een heldere stem.
+
+Rodolphe nam Carolus aandachtig op en merkte, dat hij een zeer korten,
+dikken nek en een hoog roode gelaatskleur had.
+
+"Ik heb nog één hoop," dacht de dichter, nadat hij die ontdekking
+gedaan had;--"een beroerte!"
+
+"Wij zullen nu met hoofdstuk IV beginnen. U wilt dan zeker wel zoo
+goed zijn mij te zeggen wat u van de liefdesscène denkt."
+
+En Carolus las verder.
+
+Toen Carolus Rodolphe even aankeek om op zijn gelaat de uitwerking
+van het tweegesprek te lezen, zag hij, dat de dichter, gebogen
+over zijn stoel zijn hoofd rekte in de houding van iemand, die naar
+ververwijderde klanken luistert.
+
+"Wat hebt u?" vroeg hij.
+
+"Sst!" zeide Rodolphe; "hoort u niets? Het is net of ik: Brand hoor
+roepen! Willen we even gaan kijken?"
+
+Carolus luisterde een oogenblik, doch hoorde niets.
+
+"Dan zal ik een oorsuizing gehad hebben," zeide Rodolphe; "lees verder;
+don Alvar interesseert me buitengewoon; het is een edele jongeling."
+
+Carolus las verder en legde al de muziek van zijn orgaan in de volgende
+woorden van den jongen don Alvar.
+
+"O, Inésille, wie ge zijt, engel of demon, en wat ook uw vaderland
+moge zijn, mijn leven behoort u, en ik zal u volgen, zij het naar
+den hemel, zij het naar de hel."
+
+Op dat oogenblik werd er aan de deur geklopt; een stem buiten riep
+Carolus.
+
+Het was de concierge, die een brief bracht, welken Carolus vlug
+open scheurde.
+
+"Een leelijke streep door de rekening!" zeide hij; "wij zullen
+verplicht zijn de verdere lezing tot een volgenden keer uit te stellen;
+ik krijg nl. een bericht, dat mij noodzaakt onmiddellijk uit te gaan."
+
+"O", dacht Rodolphe; "dat is een brief, die uit den hemel valt;
+ik herken daarop het zegel van de Voorzienigheid."
+
+"Indien u het goed vindt," zeide Carolus, "dan zullen we samen de
+boodschap doen, waartoe deze tijding mij noodzaakt, dan kunnen we
+daarna gaan dineeren."
+
+"Ik ben geheel tot uw dienst," zeide Rodolphe.
+
+Toen hij 's avonds weer in den vriendenkring zat, werd de dichter
+door zijn kameraden met vragen over Barbemuche bestormd.
+
+"Ben je tevreden over hem? Heeft hij je goed onthaald?" vroegen Marcel
+en Schaunard.
+
+"Ja, maar het heeft me heel wat gekost."
+
+"Wat? Heeft Carolus je laten betalen?" vroeg Schaunard met stijgende
+verontwaardiging.
+
+"Dat niet, maar hij heeft me een roman voorgelezen, waarin don Lopez
+en don Alvar de hoofdpersonen zijn en de jeune premiers hun geliefden
+Engel of Demon noemen."
+
+"Ontzettend!" riepen alle bohémiens in koor.
+
+"Maar", vroeg Colline, "afgezien nu van de litteratuur, wat is je
+meening omtrent Carolus?"
+
+"Barbemuche is een fatsoenlijke jonge man. Trouwens jullie kunnen
+persoonlijk je waarnemingen doen: Carolus wil ons n.l. een voor een als
+gast hebben. Schaunard is voor morgen te dejeuneeren gevraagd. Maar
+vertrouw, wanneer je naar Barbemuche gaat, de kast met manuscripten
+niet, dat is een gevaarlijk meubel."
+
+Schaunard was den volgenden dag precies op tijd bij Barbemuche
+en stelde een onderzoek in, zooals een beëedigd taxateur of een
+deurwaarder, die gerechtelijk beslag komt leggen, gewoon zijn in te
+stellen. Hij kwam dan ook terug met zijn hoofd vol aanteekeningen;
+hij had Carolus bestudeerd uit een oogpunt van zijn roerend goed.
+
+"Nu?" zoo vroegen ze hem; "wat is jouw meening?"
+
+"Die Barbemuche", riep Schaunard uit; "loopt over van goede
+eigenschappen; hij kent de namen van alle wijnsoorten en heeft
+me dingen laten eten zòò lekker, als je ze bij mijn tante op haar
+verjaardag niet krijgt. Met de kleermakers uit de rue Vivienne en
+de laarzenmakers van de Panorama's schijnt hij op den besten voet te
+staan. Bovendien heb ik opgemerkt, dat hij ongeveer even groot is als
+wij, zoodat we hem desnoods onze pakken kunnen leenen. Zijn zeden zijn
+minder streng dan Colline ons heeft willen doen gelooven; hij is overal
+heen meegegaan, waar ik hem wilde brengen, en hij heeft me getracteerd
+op een déjeuner in twee bedrijven, waarvan het tweede zich afgespeeld
+heeft in een kroeg van de halle, waarin ik heel goed bekend ben, omdat
+ik er in carnavalstijd heel wat orgieën heb medegemaakt. Carolus deed
+net alsof hij er thuis was. Marcel is voor morgen uitgenoodigd."
+
+Carolus wist, dat van de bohémiens Marcel zich het meest tegen zijn
+opneming in den vriendenkring verzette: hij ontving hem dan ook met
+de grootste voorkomendheid; maar vooral wist hij den kunstenaar voor
+zich te winnen door hem voor te spiegelen, dat hij portretten van de
+familie van zijn leerling te schilderen zou krijgen.
+
+Toen het Marcels beurt was, om zijn bevindingen mede te deelen,
+merkten zijn vrienden niets meer van de vijandelijke gezindheid,
+die hij in den beginne ten opzichte van Carolus getoond had.
+
+Den vierden dag deelde Colline Barbemuche mede, dat hij toegelaten was.
+
+"Wat? Ben ik heusch toegelaten?" riep Carolus dol-verheugd uit.
+
+"Ja", antwoordde Colline, "maar als u u verandert."
+
+"Wat bedoelt u daarmede?"
+
+"Ik bedoel, dat u nog een groot aantal vulgaire gewoonten hebt,
+die u u zult moeten afwennen."
+
+"Ik zal mijn best doen u in alles na te volgen," antwoordde Carolus.
+
+Gedurende zijn noviciaat bezocht de Platonische wijsgeer de bohémiens
+dagelijks, en daar hij op die manier in staat gesteld werd hun zeden
+grondiger te bestudeeren, kon het niet anders, of hij moest van de
+eene verbazing in de andere vallen.
+
+Op een goeden morgen kwam Colline met een van vreugde stralend gezicht
+bij Barbemuche.
+
+"Nu, mijn waarde," zeide hij, "je bent definitief toegelaten. Nu
+blijft nog slechts over om den dag en de plaats voor het groote
+feestmaal vast te stellen, en ik kom nu daarover eens met je praten."
+
+"Maar dat treft prachtig," antwoordde Carolus; "de ouders van mijn
+leerling zijn op dit oogenblik buiten en de jonge vicomte, wiens
+mentor ik ben, zal mij voor een avond de kamers wel willen afstaan:
+op die manier kunnen we het veel prettiger hebben, maar we zullen
+ook den jongen vicomte moeten inviteeren."
+
+"Dat zou prachtig zijn," vond Colline. "Wij zouden de horizonten
+der litteratuur voor hem kunnen openen; maar geloof je, dat hij zijn
+toestemming geven zal?"
+
+"Daar ben ik bij voorbaat zeker van."
+
+"Dan blijft nog alleen over den dag vast te stellen."
+
+"Dat zullen we vanavond in het café verder afspreken."
+
+Carolus ging nu dadelijk zijn leerling opzoeken en deelde hem mede,
+dat hij aangenomen was als lid van een voorname litterair-artistieke
+vereeniging, en dat hij, om zijn toelating te vieren, van plan was
+een diner en daarna een klein feestje te geven. Ten slotte noodigde
+hij hem uit aan de plechtige installatie deel te nemen ...
+
+"En daar je toch niet laat thuis kunt komen en het feest wel tot
+na middernacht zal duren, zullen we voor alle gemak dat diner maar
+hier aan huis geven. François, je knecht, zal het niet verraden;
+je ouders zullen er dus niets van te weten komen en jij zult op
+die manier kennis maken met de geestrijkste menschen uit Parijs,
+kunstenaars en schrijvers."
+
+"Die al gedrukt zijn?" vroeg de jonge man.
+
+"Zeker wel, gedrukt; een van hen is hoofdredacteur van de Echarpe,
+een tijdschrift waarop je moeder geabonneerd is; het zijn zeer
+gedistingeerde, bijna beroemde personen; ik ben hun intieme vriend. Zij
+hebben bekoorlijke vrouwen."
+
+"Komen er ook vrouwen bij?" vroeg de vicomte.
+
+"Verrukkelijke schepsels."
+
+"O, ik ben u zeer dankbaar voor uw uitnoodiging, waarde meester;
+natuurlijk zullen we het feest hier geven; we zullen alle kroonluchters
+laten aansteken en de hoezen van de meubelen laten nemen."
+
+'s Avonds in het café vertelde Barbemuche, dat het feest den volgenden
+Zaterdag gegeven zou worden.
+
+De bohémiens verzochten hun vriendinnen aan haar toilet te denken.
+
+"Vergeet vooral niet," zeiden zij tot haar, "dat we ditmaal in echte
+salons komen. Bereid je daar dus op voor: eenvoudige, maar rijke
+toiletten."
+
+Denzelfden dag nog werd de geheele straat er mede in kennis gesteld,
+dat Mimi, Phémie en Musette in de "wereld" zouden gaan.
+
+Op den ochtend van de plechtigheid geschiedde nog het volgende:
+Colline, Schaunard, Marcel en Rodolphe begaven zich gezamenlijk naar
+Barbemuche, die zeer verwonderd was ze al zoo vroeg te zien.
+
+"Er is toch niets gebeurd, waardoor het feest uitgesteld moet
+worden?" vroeg hij eenigszins ongerust.
+
+"Ja en neen," antwoordde Colline. "De zaak is deze. Tusschen ons
+gezegd en gezwegen, doen we onder ons nooit aan plichtplegingen;
+maar wanneer we met vreemden samenkomen, dan willen we graag een
+zeker decorum bewaren."
+
+"Welnu?" vroeg Barbemuche.
+
+"Welnu", ging Colline voort, "daar we vanavond den jongen edelman
+ontmoeten, die zijn salon voor ons opent, komen wij uit achting voor
+hem en uit achting voor onszelf je heel vriendschappelijk vragen,
+of je ons voor vanavond niet een paar kleedingstukken van goeden snit
+kan leenen. Je begrijpt even goed als wij, dat het voor ons zoo goed
+als onmogelijk is in trui en paletot de weelderige vertrekken van
+deze woning te bezoeken."
+
+"Maar," zeide Carolus; "ik heb geen vier rokken."
+
+"Ach!" zeide Colline, "we zullen ons wel weten te behelpen met wat
+je hebt."
+
+"Kijk maar eens!" zeide Carolus en opende een tamelijk rijk voorziene
+kleerkast.
+
+"Maar je hebt daar een compleet kleeding-arsenaal."
+
+"Drie hoeden!" zeide Schaunard in extase; "hoe kan je in Godsnaam
+drie hoeden hebben, als je maar één hoofd hebt."
+
+"En kijk eens wat een schoenen!" brulde Colline.
+
+In een oogwenk hadden zij ieder een volledige uitrusting gekozen.
+
+"Tot vanavond," zeiden zij, terwijl zij afscheid namen van Barbemuche;
+"de dames zullen er schitterend uitzien."
+
+"Maar", zeide Barbemuche met een blik op de geheel leeggeplunderde
+kast, "jullie laat voor mij niets over. Hoe moet ik jullie ontvangen?"
+
+"O, jij", zeide Rodolphe, "voor jou is het heel wat anders; jij bent
+de heer des huizes en behoeft het dus met de etiquette zoo nauw niet
+te nemen."
+
+"Maar ik heb alleen nog maar een kamerjapon, een slaapbroek, een
+flanellen vest en pantoffels over; jullie hebt alles weggenomen."
+
+"Wat hindert dat? Je bent bij voorbaat geëxcuseerd," antwoordden
+de bohémiens.
+
+Om zes uur werd er een prachtig diner in de eetzaal opgediend. De
+bohémiens arriveerden. Marcel hinkte een beetje en was in een slecht
+humeur. De jonge vicomte Paul snelde den dames tegemoet en geleidde
+ze naar de beste plaatsen. Mimi had een zeer fantastisch toilet
+aan. Musette was zeer uitdagend gekleed. Phémie geleek op een venster
+met gekleurde ramen, zij durfde bijna niet te gaan zitten. Het diner,
+dat twee en een half uur duurde, was zeer geanimeerd.
+
+De jonge vicomte Paul, die Mimi tot tafeldame had, stootte haar ieder
+oogenblik met waren hartstocht aan met zijn voet. Phémie vroeg bij
+iedere gang tweemaal om dezen of genen schotel. Schaunard zwelgde
+in het druivennat. Rodolphe improviseerde sonnetten en brak bij het
+aangeven van den rhythmus de glazen. Colline praatte met Marcel,
+die nog steeds knorrig was.
+
+"Wat heb je toch?" vroeg hij.
+
+"Ik heb zoo'n vreeselijke pijn aan mijn voet en dat hindert me. Die
+Carolus heeft een voet als een jong meisje."
+
+"O, als het anders niet is," vond Colline, "dan zullen we hem aan
+zijn verstand brengen, dat dit zoo niet langer gaat en dat hij
+"in den vervolge" zijn laarzen een paar nummers grooter moet laten
+maken. Wees maar gerust, dat zal ik wel in orde brengen. Maar ga nu
+mee naar den salon, waar liqueuren der Antillen ons roepen."
+
+Het feest begon met nieuwen glans en schittering. Schaunard zette
+zich voor den piano en speelde met een wonderbare bravoure zijn
+nieuwe symphonie: "De dood der jonkvrouw". Het mooie gedeelte van
+de Schuldeischersmarsch had zoo'n succes, dat hij het driemaal moest
+herhalen. Na afloop waren er twee snaren gesprongen.
+
+Marcel was nog steeds uit zijn humeur, en toen Carolus zich daarover
+bij hem beklaagde, antwoordde de schilder hem:
+
+"Mijn waarde heer Barbemuche, wij zullen nooit op intiemen voet met
+elkaar omgaan. Ziehier de reden. Physieke verschillen zijn bijna altijd
+een zekere aanwijzing voor psychische verschillen. Op dit punt zijn
+de wijsbegeerte en geneeskunde het volmaakt eens."
+
+"En verder?"
+
+"Welnu," zeide Marcel en wees op zijn voeten, "je laarzen, die veel
+en veel te nauw voor mij zijn, toonen aan, dat we niet hetzelfde
+karakter hebben; overigens was je feestje heel charmant!"
+
+Om één uur in den ochtend gingen de bohémiens langs een grooten omweg
+naar huis. Barbemuche was lichtelijk aangeschoten en sloeg allerlei
+onzin uit tegen zijn leerling, die op zijn beurt droomde van de blauwe
+oogen van mademoiselle Mimi.
+
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XIII.
+
+DE INWIJDINGSFUIF.
+
+
+Het gebeurde eenigen tijd, nadat de dichter Rodolphe met de jonge
+mademoiselle Mimi een eigen huishoudentje had opgezet; sedert
+ongeveer acht dagen heerschte er in den geheelen vriendenkring een
+groote onrust naar aanleiding van de verdwijning van Rodolphe, die
+plotseling als in een nevel scheen te zijn opgelost. Ze hadden hem
+gezocht op alle plaatsen, waar hij gewoon was te komen, en overal
+kregen ze hetzelfde antwoord:
+
+"We hebben hem in geen acht dagen gezien."
+
+Gustave Colline vooral was in duizend angsten en vreezen, en wel
+om de volgende reden. Eenige dagen te voren had hij Rodolphe een
+artikel van groote wijsgeerige waarde toevertrouwd, dat deze in de
+rubriek "Varia" van le Castor, het bekende hoedenmakersblad, waarvan
+hij hoofdredacteur was, zou opnemen. Was het philosophische artikel
+reeds voor de oogen van het verbaasde Europa verschenen? Dat was de
+vraag, die de ongelukkige Colline zich stelde; en men zal zich dien
+angst kunnen begrijpen, wanneer men weet, dat de philosoof nog niet
+het genoegen gehad had zich gedrukt te zien en dus van verlangen
+brandde, om te zien welken indruk zijn in cicero [29] gedrukt proza
+zou maken. Om zich die bevrediging van zijn eigenliefde te verschaffen,
+had hij reeds zes francs uitgegeven voor verschillende leeszalen zonder
+er le Castor te vinden. Daar hij dit niet langer volhouden kon, zwoer
+Colline zich een duren eed, dat hij geen minuut rust zou nemen alvorens
+de hand op den onvindbaren redacteur van dat blad gelegd te hebben.
+
+Geholpen door verschillende toevallige omstandigheden--het zou te veel
+tijd vorderen die alle te vertellen--gelukte het den wijsgeer zijn
+eed te houden. Twee dagen later had hij Rodolphe's woning uitgevorscht
+en ging hij hem 's morgens om zes uur opzoeken.
+
+Rodolphe woonde toentertijd in een hôtel garni in een eenzame straat
+van den faubourg Saint Germain, waar hij de vijfde verdieping betrokken
+had, omdat er geen zesde was. Toen Colline bij de deur kwam, vond hij
+den sleutel niet in het slot steken. Hij klopte een minuut of tien
+zonder dat hij van binnen antwoord kreeg; op de aubade kwam zelfs de
+concierge af, die Colline vroeg kalm te zijn.
+
+"U ziet toch wel, dat mijnheer slaapt," zeide hij.
+
+"Daarom wil ik hem wakker trommelen," antwoordde Colline en begon
+opnieuw te kloppen.
+
+"Dan wil hij u zeker niet antwoorden," meende de concierge, terwijl
+hij voor de deur van Rodolphe een paar lakschoenen en een paar
+dameslaarsjes, die hij juist gepoetst had, neerzette.
+
+"Wacht eens even," zeide Colline, terwijl hij het mannelijke en
+vrouwelijke paar laarzen bekeek; "een paar nieuwe lakschoenen. Ik
+heb me zeker in de deur vergist; hier moet ik zeker niet zijn."
+
+"Wien moet u eigenlijk hebben?" vroeg de concierge.
+
+"Vrouwenlaarsjes!" ging Colline voort als in zichzelf sprekend en
+denkend aan de strenge zeden van zijn vriend; "ja, ik heb me beslist
+vergist. Dit kan de kamer van Rodolphe beslist niet zijn."
+
+"Vraag excuus, mijnheer; dat is hier wel."
+
+"Zoo. Dan vergis jij je, beste man!"
+
+"Hoe bedoelt u dat?"
+
+"Dat je je beslist vergist," zeide Colline, terwijl hij op de
+lakschoenen wees. "Wat zijn dat?"
+
+"Dat zijn de schoenen van mijnheer Rodolphe; wat is daar voor
+verwonderlijks aan?"
+
+"En die daar?" zeide Rodolphe en wees hem de dameslaarsjes; "zijn
+die ook van mijnheer Rodolphe?"
+
+"Die zijn van zijn dame," zeide de concierge.
+
+"Van zijn dame?" riep Colline verbaasd uit. "Wat een
+wellusteling! Daarom wil hij natuurlijk niet open doen!"
+
+"Lieve Hemel!" zeide de concierge; "die jonge man is toch vrij om te
+doen of te laten wat hij wil; als mijnheer mij zijn naam wil zeggen,
+dan zal ik mijnheer Rodolphe zeggen, dat u hier geweest is."
+
+"Neen", zeide Colline, "nu ik eenmaal weet waar ik hem vinden kan,
+zal ik wel terugkomen." En hij ging heen, om zijn vrienden het groote
+nieuws te gaan vertellen.
+
+De lakschoenen van Rodolphe werden algemeen als fabels beschouwd, als
+een vrucht van Colline's rijke fantasie, en éénstemmig werd verklaard,
+dat zijn maîtresse een paradox was.
+
+En toch was die paradox een waarheid; want nog dienzelfden avond kreeg
+Marcel een collectieven brief voor alle vrienden van dezen inhoud:
+
+"Mijnheer en Mevrouw Rodolphe, letterkundigen, hebben de eer u uit
+te noodigen voor een diner, dat zij zich voorstellen morgenavond om
+vijf uur precies te geven.
+
+P.S. Er wordt van borden gegeten."
+
+"Mijne heeren," zeide Marcel, die zijn vrienden met den inhoud van
+den brief in kennis stelde, "Colline heeft toch gelijk: Rodolphe
+heeft werkelijk een maîtresse; bovendien vraagt hij ons te dineeren
+en het postscriptum belooft zelfs tafelgerei. Ik wil u niet verhelen,
+dat deze laatste paragraaf mij een lyrisch-poëtische overdrijving
+toeschijnt; we zullen echter dienen af te wachten."
+
+Op het aangegeven uur gingen den volgenden dag Marcel, Gustave Colline
+en Alexander Schaunard, uitgehongerd alsof ze in geen dagen gegeten
+hadden, naar Rodolphe, dien zij bezig vonden te spelen met een roode
+kat, terwijl een jonge vrouw de tafel dekte.
+
+"Heeren", zeide Rodolphe, terwijl hij zijn vrienden de hand drukte
+en met een gebaar naar de jonge vrouw wees, "mag ik u de vrouw des
+huizes voorstellen?"
+
+"Dan ben jij dus de heer des huizes?" zeide Colline.
+
+"Mimi," antwoordde Rodolphe, "ik stel je mijn beste vrienden voor,
+en doe nu de soep op."
+
+"O, mevrouw," zeide Alexandre Schaunard, terwijl hij naar Mimi toe
+ging, "u zijt frisch als een woudbloem."
+
+Na zich overtuigd te hebben, dat er in werkelijkheid assietten op tafel
+stonden, informeerde Schaunard wat zij te eten zouden krijgen. Hij
+dreef de nieuwsgierigheid zoo ver, dat hij de deksels van de pannen
+nam, waarin het diner kookte. De aanwezigheid van een kreeft maakte
+een diepen indruk op hem.
+
+Colline had Rodolphe even apart genomen, om hem naar zijn philosophisch
+artikel te vragen.
+
+"Dat is op de drukkerij," zeide Rodolphe. "Le Castor verschijnt
+a.s. Donderdag."
+
+Wij zullen niet trachten de vreugde van den wijsgeer te schilderen.
+
+"Heeren", zeide Rodolphe tot zijn vrienden; "jullie moeten het me niet
+kwalijk nemen, dat ik jullie zoolang zonder eenig bericht gelaten heb,
+maar ik was in mijn wittebroodsweken."
+
+En hij vertelde hun de geschiedenis van zijn "huwlijk" met dit
+bekoorlijke schepseltje, dat hem als bruidschat haar achttien jaar
+en zes maanden, twee porceleinen kopjes en een roode poes, eveneens
+Mimi genaamd, medegebracht had.
+
+"En nu, heeren," ging Rodolphe voort, "zullen wij onze nieuwe woning
+inwijden. Maar ik waarschuw je van te voren, dat het een eenvoudige
+burgerpot is en de truffels door de grootste hartelijkheid vervangen
+worden."
+
+Inderdaad bleef die bekoorlijke godin dan ook heerschen onder de
+gasten, die intusschen vonden, dat die "eenvoudige burgerpot" nog
+al meeviel. Rodolphe was dan ook "uit zijn slof geschoten." Colline
+maakte er op opmerkzaam, dat de borden verwisseld werden en verklaarde
+op luiden toon, dat mademoiselle Mimi het blauwe lint waardig was,
+waarmede de keizerinnen van het fornuis gedecoreerd worden, een zin,
+die voor het jonge meisje zuiver Sanskriet was, en die Rodolphe voor
+haar aldus vertaalde, "dat zij een uitstekende keukenmeid zou zijn."
+
+Het optreden van de kreeft veroorzaakte een algemeene
+bewondering. Onder voorwendsel dat hij in de natuurlijke historie
+gestudeerd had, vroeg Schaunard het dier te mogen verdeelen; hij maakte
+zelfs van de gelegenheid gebruik om een mes te breken en zichzelf de
+grootste portie toe te eigenen, wat een algemeene verontwaardiging
+deed ontstaan. Doch Schaunard was niet gevoelig, vooral niet op het
+punt: kreeft; en toen er nog een portie overbleef, was hij brutaal
+genoeg die apart te leggen onder voorwendsel, dat die hem als model
+moest dienen voor een stilleven, dat hij juist onder handen had.
+
+In hun toegeeflijke vriendschap deden de kameraden, alsof zij aan dezen
+leugen, die de vrucht van een onmatige eetlust was, geloof schonken.
+
+Colline daarentegen bewaarde al zijn sympathieën voor het dessert
+en weigerde zelfs halsstarrig om zijn deel van de rhumkoek te ruilen
+voor een toegangsbewijs voor de orangerie te Versailles, wat Schaunard
+hem voorstelde.
+
+Het discours werd langzamerhand geanimeerder.
+
+Op de drie flesschen met roode capsules volgden er drie met groene,
+in het midden waarvan ze weldra een flesch zagen te voorschijn
+komen, welker met een zilveren helm bedekte hals dadelijk verried,
+dat zij tot het regiment van Royal-Champenois behoorde. Het was
+een imitatie-champagne, die in de wijnbergen van Saint-Ouen geoogst
+was en te Parijs voor twee francs verkocht werd wegens liquidatie,
+zooals de wijnhandelaar beweerde.
+
+Maar niet het land maakt den wijn, en onze bohémiens aanvaardden
+den drank, dien ze in speciaal daarvoor bestemde glazen kregen,
+als echte Champagne en waren ondanks de weinige opgewektheid,
+waarmede de kurk uit zijn gevangenis ontsnapte, in extase over
+het voortreffelijke merk, toen zij de groote hoeveelheid schuim
+zagen. Schaunard gebruikte daarbij de rest van zijn bezinning, om
+zich in de glazen te vergissen en dat van Colline te ledigen, die op
+zijn beurt met het ernstigste gezicht van de wereld zijn beschuit in
+den mosterdpot doopte en mademoiselle Mimi het wijsgeerige artikel,
+dat in le Castor moest verschijnen, trachtte uit te leggen. Terwijl
+hij daarmede bezig was, werd hij plotseling bleek en vroeg permissie
+of hij even aan het raam naar de ondergaande zon mocht gaan kijken,
+hoewel het al tien uur was en de zon reeds lang onder de wol lag.
+
+"Het is jammer, dat de champagne niet gefrappeerd is," zeide Schaunard,
+die nogmaals trachtte zijn leeg glas te verwisselen voor een vol van
+zijn tafelbuurman, welke poging echter ditmaal geen succes had.
+
+"Mevrouw," zeide Colline, die genoeg versche lucht gehapt had, tegen
+Mimi, "je koelt champagne met ijs, ijs wordt gevormd door condensatie
+van water, aqua in het Latijn. Water bevriest bij twee graden, en er
+zijn vier jaargetijden, zomer, herfst en winter. Dat is de oorzaak
+geweest van den terugtocht uit Rusland; Rodolphe, geef mij nog een
+hemistichium champagne!"
+
+"Wat zegt je vriend toch?" vroeg Mimi, die er niets van begreep,
+aan Rodolphe.
+
+"O, hij vraagt, of ik hem nog een half glas Champagne wil geven,"
+antwoordde deze.
+
+Plotseling gaf Colline Rodolphe een harden klap op zijn schouder en
+zeide stotterend, alsof de lettergrepen als taai-taai tusschen zijn
+lippen bleven zitten:
+
+"Het is morgen Donderdag, niet?"
+
+"Neen, het is morgen Zondag."
+
+"Neen, Donderdag."
+
+"Neen, heusch niet, Zondag."
+
+"O, Zondag," zeide Colline, terwijl hij zijn hoofd heen en weer wiegde,
+"meestal is het morgen Don...der...dag..."
+
+En terwijl hij zijn gezicht in de ijspudding, die nog op zijn bord lag,
+drukte, sliep hij in.
+
+"Wat wil hij toch eigenlijk met zijn Donderdag?" vroeg Mimi.
+
+"O, nou ben ik er achter!" antwoordde Rodolphe, die de halsstarrigheid
+van den door zijn idée fixe gekwelden wijsgeer begon te begrijpen;
+"dat komt door zijn artikel in Le Castor ... Luister maar, hij droomt
+er hardop van."
+
+"Goed", zeide Schaunard, "dan krijgt hij ook geen koffie, niet waar
+mevrouw?"
+
+"Dat is waar ook, Mimi," zeide Rodolphe, "presenteer de koffie eens."
+
+Zij wilde juist opstaan, toen Colline, die van de ijspudding zijn
+koelbloedigheid eenigszins teruggekregen had, haar om haar middel
+vatte en haar vertrouwelijk in het oor fluisterde:
+
+"Mevrouw, de koffie is afkomstig uit Arabië, waar hij door een geit
+ontdekt is. Van daar uit kwam de gewoonte om koffie te drinken naar
+Europa. Voltaire dronk twee-en-zeventig koppen per dag. Ik drink ze
+zonder suiker, maar graag heel warm."
+
+"Lieve Hemel, wat een knappe vent!" dacht Mimi, terwijl zij de koffie
+en de pijpen bracht.
+
+Intusschen was het aardig laat geworden; het had al geruimen tijd
+geleden middernacht geslagen en Rodolphe trachtte zijn vrienden aan
+het verstand te brengen, dat het nu langzamerhand tijd werd om heen
+te gaan. Marcel, die nog volkomen helder was, stond op, om afscheid
+te nemen.
+
+Schaunard echter ontdekte, dat er in een flesch nog wat brandewijn
+was, en verklaarde, dat het nooit middernacht kon zijn, zoolang er
+nog een druppel in het glas was. Colline zat schrijlings op zijn
+stoel en bromde binnensmonds.
+
+"Maandag, Dinsdag, Woensdag, Donderdag...."
+
+"Maar lieve hemel," zeide Rodolphe wanhopig, "ik kan ze toch vannacht
+hier niet houden. Vroeger ging dat goed, maar nu is dat wat anders,"
+en hij keek daarbij naar Mimi, wier warme blik om eenzaamheid met
+hun tweetjes scheen te smeeken.
+
+"Wat moet ik beginnen? Geef mij toch eens raad, Marcel. Verzin toch
+een middel, om ze hier vandaan te krijgen!"
+
+"Neen, ik verzin er geen," zeide Marcel; "maar ik zal er een
+navolgen. Ik herinner me een comedie, waarin een intelligente knecht
+het middel vindt om drie als tempelieren zoo dronken schelmen uit
+het huis van zijn meester te zetten."
+
+"Ja, dat herinner ik me," antwoordde Rodolphe "dat komt in Kean [30]
+voor. De toestand is inderdaad vrijwel dezelfde."
+
+"Welnu, dan zullen we eens zien of het tooneel met de werkelijkheid
+overeenkomt. Wacht even, we zullen met Schaunard beginnen. Hé,
+Schaunard!" riep de schilder.
+
+"Ja, wat is er?" antwoordde deze, die in de blauwe zee van een zoete
+roes scheen te zwemmen.
+
+"Er is hier niets meer te drinken en we hebben allemaal nog dorst."
+
+"Ach ja," zeide Schaunard, "die flesschen zijn ook zoo klein!"
+
+"Nou luister dan; Rodolphe heeft besloten, dat we vannacht hier zouden
+blijven; maar er moet nog eerst wat gehaald worden, om te drinken,
+vòòr de winkels gesloten worden."
+
+"Mijn leverancier woont hier op den hoek van de straat," zeide
+Rodolphe. "Schaunard, ga jij er even heen en vraag uit mijn naam twee
+flesschen rhum."
+
+"Zeker, zeker, zeker!" zeide Schaunard, die bij vergissing de
+overjas van Colline aantrok, welke laatste met zijn mes ruiten op
+het tafellaken teekende.
+
+"Dat is nummer één!" zeide Marcel, toen Schaunard weg was. "Nou
+komt Colline aan de beurt: dat zal een heele dobber worden. Wacht,
+een idee. He, he, Colline!" schreeuwde hij, terwijl hij den wijsgeer
+heen en weer schudde.
+
+"Wat is er.... wat is er?"
+
+"Schaunard is weggegaan en heeft bij vergissing jouw jas aangetrokken."
+
+Colline keek om zich heen en zag inderdaad in plaats van zijn
+notehoutkleurige jas de geruite van Schaunard hangen. Deze ontdekking
+maakte hem zeer ongerust. Colline had n.l. ouder gewoonte in den loop
+van den dag de boekenstalletjes bezocht en voor vijftien sous een
+Finsche grammatica en een kleinen roman van Nisard: "De begrafenis
+van de melkvrouw" gekocht. Bij deze nieuwe aanwinst kwamen nog zeven
+of acht deelen hoogere philosophie, die hij altijd bij zich droeg, om
+steeds een arsenaal te hebben, waaruit hij argumenten zou kunnen putten
+voor het geval er wijsgeerige discussies ontstonden. De gedachte,
+dat die bibliotheek in handen van Schaunard was, deed bij hem het
+angstzweet uitbreken.
+
+"De ongelukkige!" riep Colline uit; "wat heeft hem bezield mijn
+overjas mee te nemen?"
+
+"Het is een vergissing."
+
+"Maar mijn boeken..... hij kan er een slecht gebruik van maken."
+
+"Wees maar niet bezorgd: hij zal ze niet lezen," zeide Rodolphe.
+
+"O, ik ken hem! Hij is in staat er zijn pijp mede aan te steken!"
+
+"Als je daar bang voor bent, dan kan je hem nog best inhalen," zeide
+Rodolphe; "hij is net weg; je zal hem nog wel aan de deur vinden."
+
+"Zeker moet ik hem inhalen," antwoordde Colline, terwijl hij zijn hoed
+opzette, waarvan de randen zoo breed waren, dat men er makkelijk voor
+tien personen thee op zou kunnen ronddienen.
+
+"Dat is nummer twee," zeide Marcel tot Rodolphe; "nu ben je vrij. Ik
+ga ook weg en zal den portier op zijn hart drukken, dat hij niet open
+moet doen, als er geklopt wordt."
+
+"Slaap lekker," zeide Rodolphe, "en wel bedankt!"
+
+Nadat hij zijn vriend uitgelaten had, hoorde Rodolphe op de trap een
+langaangehouden gemiauw, waarop zijn roode kat teeder antwoordde,
+terwijl hij behendig door de halfgeopende deur trachtte te ontsnappen.
+
+"Arme Romeo!" zeide Rodolphe; "je Julia roept je. Vooruit, ga je
+gang maar," en hij opende de deur voor het verliefde dier, dat met
+één sprong de trap af was en in de armen van zijn geliefde lag.
+
+Eindelijk met zijn maîtresse, die voor een spiegel in een bekoorlijke
+en verleidelijke houding haar haar in de krul stond te zetten, alleen,
+ging Rodolphe naar Mimi toe en drukte haar in zijn armen. Dan trok
+hij, als een musicus, die, alvorens zijn stuk te beginnen, een reeks
+accoorden aanslaat, om zich van de qualiteit van zijn instrument te
+overtuigen, Mimi op zijn knieën en drukte op haar schouder een langen,
+vurigen kus, die het frissche schepseltje van verlangen deed rillen.
+
+Het instrument klonk prachtig.
+
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XIV.
+
+MADEMOISELLE MIMI.
+
+
+O, vriend Rodolphe, wat is er toch gebeurd, dat ge zoo veranderd
+zijt? Moet ik de geruchten gelooven, die in omloop zijn, en heeft dat
+ongeluk zoozeer uw krachtige philosophie kunnen terneerslaan? Hoe zal
+ik, ik, de geschiedschrijver van uw vrij kunstenaarsheldendicht,
+zoo vol vroolijk gelach en jolijt, hoe zal ik op een voldoend
+melancholischen toon het smartelijk avontuur kunnen vertellen, dat
+een rouwfloers werpt over uw voortdurende levenslust en op die wijze
+plotseling den vroolijken klank van uw paradoxen tot zwijgen brengt?
+
+O, vriend Rodolphe, gaarne wil ik gelooven, dat uw smart groot is,
+maar dat is toch werkelijk geen reden, om dadelijk in het water te
+springen. Daarom raad ik je aan zoo gauw mogelijk een streep door
+het verleden te halen. Ontvlucht vooral de eenzaamheid, die bevolkt
+is met spookgestalten, welke uw bekommernissen tot het oneindige
+verlengen. Ontvlucht de stilte, waarin de echo der herinneringen nog
+weerklinkt van doorleefde vreugde en doorleefde smart. Werp moedig naar
+alle windstreken der vergetelheid den naam, dien ge zoo lief gehad
+hebt, en ook alles wat u nog overblijft van haar, die hem droeg. De
+haarlokken, die uw van hartstocht vurige lippen hebben gekust; het
+kristallen flaconnetje, waarin nog een rest van den parfum sluimert,
+die op dit oogenblik voor u gevaarlijker is om in te ademen dan alle
+vergiften der wereld; in het vuur de bloemen, de bloemen van gaas,
+van zijde en van fluweel; de witte jasmijnen, de door het bloed van
+Adonis gepurperde anemonen, de blauwe vergeet-mij-nietjes, en al die
+bekoorlijke ruikers, welke zij in de verre dagen van uw kort geluk
+samenbond. Toen hield ik ook van uw Mimi, en zag ik er geen gevaar in,
+dat gij haar lief hadt. Maar volg mijn raad: in het vuur die linten,
+die mooie roode, blauwe en gele linten, die haar hals en boezem
+sierden, om uw blikken te trekken en te boeien; in het vuur de kanten
+en mutsjes en sluiers, al die coquette prulletjes, waarmede ze zich
+tooide, om te gaan liefkoozen met mijnheer César, mijnheer Jérôme,
+mijnheer Charles of een anderen geliefde, dien de kalender aangaf,
+terwijl gij aan uw venster op haar stondt te wachten, rillend onder
+den guren wind en den rijp van den winter; in het vuur, Rodolphe,
+alles wat haar heeft toebehoord en wat u aan haar herinneren kan;
+in het vuur, meedoogenloos in het vuur, de liefdesbrieven. Zie, daar
+is er juist een, waarover ge tranen hebt gestort als uit een fontein,
+o, rampzalige vriend!
+
+
+ "Daar je niet thuis komt, ga ik naar mijn tante.
+
+ Het aanwezige geld neem ik mede, om een rijtuig te kunnen betalen.
+
+ Lucile."
+
+
+En dien avond hebt ge niet gegeten, Rodolphe; herinnert ge het u
+nog? En ge zijt bij mij gekomen en hebt op mijn kamer een vuurwerk van
+geestigheden afgestoken, die getuigden van de rust van uw ziel. Want ge
+geloofdet, dat Lucile bij haar tante was, en indien ik u gezegd had,
+dat zij bij mijnheer César of bij een comediant van den Montparnasse
+was, dan zoudt ge me zeker naar de keel gevlogen hebben. In het vuur
+ook dat andere briefje, dat geheel en al de laconische teederheid
+van het eerste ademt:
+
+"Ik ga laarzen bestellen; je moet beslist zorgen, dat je geld krijgt,
+zoodat ik ze overmorgen kan gaan halen."
+
+O, vriendlief, die laarzen hebben heel wat contredansen gedanst,
+waarin gij haar vis-à-vis niet waart!
+
+Aan het vuur die herinneringen, aan de winden haar asch prijsgeven!
+
+Maar Rodolphe, grijp, uit liefde voor de menschheid en ter wille van
+den roem van de Echarpe d'Iris en van den Castor, weer met vaste
+hand de teugels van den goeden smaak, die ge in uw zelfzuchtige
+smart slap hebt laten hangen; anders zouden de vreeselijkste dingen,
+waarvoor gij verantwoordelijk zoudt zijn, kunnen gebeuren. Wij zouden
+weer terugkeeren tot de pofmouwen en de klepbroeken en wij zouden op
+een goeden dag misschien weer hoeden in de mode zien komen, die het
+heelal beleedigen en den toorn des hemels op ons laden zouden.
+
+En nu is dan het oogenblik gekomen, om de liefdesgeschiedenis van onzen
+vriend Rodolphe en mademoiselle Lucile, meer bekend als mademoiselle
+Mimi, te vertellen.
+
+Midden in zijn vier-en-twintigste levensjaar werd Rodolphe plotseling
+aangegrepen door dien hartstocht, welke zoo'n grooten invloed op
+zijn leven had. In den tijd, dat hij Mimi voor het eerst ontmoette,
+leidde Rodolphe dat bewogen en fantastische leven, dat wij in de
+vorige tooneelen van deze serie hebben trachten te beschrijven. Hij
+was ongetwijfeld een der vroolijkste armoedzaaiers, die ooit in het
+land der bohémiens geleefd hebben. Wanneer hij een slecht middagmaal
+gebruikt en een goede aardigheid getapt had, dan liep hij trotscher
+op het plaveisel, dat hem dikwijls tot hoofdkussen diende, trotscher
+in zijn versleten rok, die uit alle naden om genade smeekte, dan een
+keizer in zijn purperen mantel. In den vriendenkring, waarin Rodolphe
+verkeerde, deed men ten gevolge van een geblaseerdheid, die aan sommige
+jonge mannen eigen is, net alsof men de liefde als een luxe-artikel,
+als een voorwendsel voor platte grappen beschouwde. Gustave Colline,
+die sedert lang intieme relaties onderhield met een vestenmaakster,
+welke hij naar lichaam en geest mismaakt had door haar dag en nacht de
+manuscripten van zijn wijsgeerige werken te laten copieeren, beweerde,
+dat de liefde een soort purgeermiddel was, geschikt om ieder nieuw
+jaargetijde in te nemen, ten einde de slechte lichaamsvochten te
+verwijderen. Te midden van al die valsche sceptici was Rodolphe de
+eenige, die met een zekeren eerbied over de liefde placht te spreken;
+en wanneer men het ongeluk had om met hem over dat thema te beginnen,
+dan was hij in staat om meer dan een uur lang elegieën te kirren over
+het geluk bemind te worden, over het blauw van het vredige meer, het
+suizen van den wind, het concert der sterren enz. enz. Schaunard had
+hem naar aanleiding daarvan den bijnaam Harmonika gegeven, terwijl
+Marcel een heel aardig woord verzonnen had, waarin hij een toespeling
+maakte zoowel op de Germaansch-sentimenteele ontboezemingen als op
+de vroegtijdige kaalheid van Rodolphe; hij noemde hem n.l. myosotis
+calva, d.i. het kale vergeet-mij-nietje. De waarheid was echter,
+dat toentertijd Rodolphe in allen ernst geloofde met alle dingen
+van jeugd en liefde afgerekend te hebben; hij zong overmoedig het De
+profundis over zijn hart, dat hij dood waande, terwijl het slechts
+sliep en gereed was ieder oogenblik te ontwaken, toegankelijker dan
+ooit voor vreugde en ontvankelijker dan ooit voor die zoete smarten,
+waarop hij niet meer hoopte en die hem nu wanhopig maakten. Gij hebt
+het gewild, Rodolphe, en wij zullen u niet beklagen, want de smart,
+waaraan gij lijdt, behoort tot die, welke men het meest terugwenscht,
+vooral wanneer men weet, dat men er voor goed van genezen is.
+
+Rodolphe dan ontmoette de jonge Mimi, die hij trouwens vroeger, toen
+zij nog de maîtresse van een zijner vrienden was, gekend had, en maakte
+haar tot de zijne. In den beginne was het een luid gebrom van afkeuring
+onder Rodolphe's vrienden, toen zij van zijn liaison hoorden, maar
+daar mademoiselle Mimi een zeer innemend persoontje was, volstrekt
+niet preutsch, en, zonder hoofdpijn te krijgen, hun tabaksrook en
+litteraire gesprekken kon verdragen, raakte men al spoedig aan haar
+gewend en behandelde haar als een kameraad. Mimi was een bekoorlijk en
+mooi wezentje, dat de plastieke en poëtische sympathieën van Rodolphe
+op bijzondere wijze bevredigde. Zij telde toen twee-en-twintig zomers,
+was klein, tenger gebouwd en grappig-ondeugend. Haar gelaat had iets
+aristocratisch, haar trekken echter, die buitengewoon fijn waren
+en door den glans van haar vochtig-blauwe oogen als het ware met
+een zacht licht overgoten werden, konden in sommige oogenblikken van
+verveling of slecht humeur een uitdrukking van een bijna beestachtige
+woestheid krijgen, waarin een physioloog misschien de aanwijzing
+gezien zou hebben van een grenzenlooze zelfzucht of van een groote
+ongevoeligheid. Maar meestal was het een charmant kopje met een jong,
+frisch lachje en oogen, die nu eens smachtend, dan weer veroverend
+coquet iemand aankeken. Het bloed der jeugd stroomde warm en snel door
+haar aderen en kleurde haar doorzichtige, als camelia's zoo blanke huid
+met rozenroode tinten. Die ziekelijke schoonheid bekoorde Rodolphe,
+dikwijls kroonde hij 's nachts uren lang steeds weer met kussen het
+bleeke voorhoofd van zijn geliefde, wier vochtige en moede oogen,
+half geopend, schitterden onder den gordijn van haar prachtige,
+bruine haren. Maar vooral haar handen, die zij niettegenstaande
+de zorgen voor het huishouden, blanker wist te houden dan wanneer
+zij de godin van het dolce far niente in eigen persoon geweest was,
+maakten Rodolphe waanzinnig op haar verliefd. En toch zouden die zoo
+teere en kleine handen, die voor de liefkoozingen van een lip zoo
+zachte kinderhanden, waarin Rodolphe zijn opnieuw bloeiend hart had
+nedergelegd, toch zouden die blanke handen van Mimi spoedig het hart
+van den dichter met haar rose nageltjes verminken.
+
+Na verloop van een maand begon Rodolphe te merken, dat hij een liaison
+gesloten had met een stormwind en dat zijn maîtresse een groot gebrek
+had. Zij ging n.l. gaarne op buurbezoek en bracht een groot gedeelte
+van haar tijd door bij de maintenées uit de buurt, waarmede zij, God
+weet hoe, kennis gemaakt had. En al heel spoedig werden de gevolgen
+merkbaar, waarvoor Rodolphe gevreesd had, toen hij van de nieuwe
+"kennissen" van zijn maîtresse hoorde. De onbestendige rijkdom van
+sommige dier nieuwe vriendinnen had een geheel woud van begeerten
+doen ontstaan in den geest van Mimi, die tot op dat oogenblik slechts
+bescheiden eischen gehad had en met het noodzakelijke, dat Rodolphe
+haar naar zijn beste krachten gaf, tevreden geweest was. Mimi begon te
+droomen van zijde, fluweel en kant. En niettegenstaande Rodolphe het
+haar verbood, bleef zij omgaan met die vrouwen, die haar éénstemmig
+trachtten te overreden te breken met den bohémien, die haar zelfs
+geen honderdvijftig francs kon geven voor een lakensche japon.
+
+"Een zoo knap meisje als jij," zeiden haar raadgeefsters haar,
+"kan makkelijk een betere "positie" vinden. Je behoeft maar te zoeken."
+
+En mademoiselle Mimi begon te zoeken. Rodolphe, die deze menigvuldige
+en onhandig gemotiveerde uitgangen met leede oogen aanzag, begon nu
+den smartelijken weg van argwaan en vermoedens in te slaan. Maar
+zoodra hij weer een nieuw bewijs van ontrouw op het spoor meende
+te zijn, bond hij steeds weer stevig een doek voor zijn oogen, om
+toch maar niets te zien, want niettegenstaande alles bleef hij Mimi
+aanbidden. Hij koesterde voor haar een jaloersche, phantastische,
+twistzieke liefde, die de jonge vrouw niet begreep, omdat zij toen
+voor Rodolphe nog slechts die lauwe genegenheid voelde, welke uit het
+dagelijksche samenzijn voortspruit. En bovendien was de eene helft
+van haar hart reeds verbruikt ten tijde van haar eerste liefde en
+was de andere helft nog vol herinnering aan haar eersten minnaar.
+
+Zoo verliepen acht maanden van afwisselend goede en slechte
+dagen. Gedurende dien tijd stond Rodolphe wel twintigmaal op het
+punt met Mimi te breken, die hem met alle uitgezochte wreedheden,
+waarover een vrouw zonder liefde beschikt, kwelde. Eerlijk gezegd
+was dit bestaan voor beiden een hel geworden. Maar Rodolphe had zich
+aan die dagelijksche twisten vrijwel gewend en vreesde niets zoozeer
+als het einde van dien toestand, omdat hij begreep, dat daarmede
+tevens voor goed een einde zou komen aan die opbruisingen van zijn
+jeugdig bloed en aan al de gemoedsbewegingen, die hij in zoo langen
+tijd niet meer gekend had. En dan waren er, om de waarheid niet te
+kort te doen, ook uren, waarin mademoiselle Mimi allen argwaan uit
+Rodolphe's door booze vermoedens verscheurd hart wist te verjagen. Er
+waren oogenblikken, waarin deze dichter, die door haar zijn verloren
+poëzie had teruggevonden, aan wien zij zijn jeugd teruggegeven had,
+die dank zij haar weer onder den aequator der liefde was doorgegaan,
+als een kind aan haar knieën nederknielde onder de betoovering van
+haar blauwen blik. Twee of driemaal per maand staakten Rodolphe en
+Mimi hun stormachtige twisten, om zich te verkwikken in de frissche
+oase van een liefdesnacht en liefdesgesprekken. Dan nam Rodolphe het
+glimlachende en opgewekte kopje van zijn vriendinnetje in zijn armen
+en sprak tot haar uren lang die bewonderenswaardige en dwaze taal,
+welke de hartstocht in uren van passie improviseert. In den beginne
+luisterde Mimi kalm, meer verbaasd dan ontroerd, maar langzamerhand
+sleepte de geestdriftige welsprekendheid, die beurtelings teeder,
+vroolijk en melancholiek was, ook haar mede. Zij voelde bij het
+contact van die liefde, het ijs der onverschilligheid, dat haar hart
+deed verstijven, smelten; koortsachtige begeerten begonnen haar dan
+te doortrillen, en zij sloeg haar armen om zijn hals en zeide hem in
+kussen alles wat zij niet in woorden zou hebben kunnen uitdrukken. En
+zoo verraste hen dan het morgenrood, oog in oog, hand in hand, borst
+aan borst, terwijl hun vochtige, van hartstocht brandende lippen nog
+steeds het onsterfelijke woord mompelden:
+
+
+ "Qui depuis cinq mille ans,
+ Se suspend chaque nuit aux lèvres des amants."
+
+
+Doch den volgenden dag ontstond uit een nietige aanleiding weer een
+twist en vluchtte de liefde, verschrikt, weer voor langen tijd.
+
+Eindelijk en ten laatste merkte Rodolphe, dat, als hij niet oppaste,
+de blanke handen van mademoiselle Mimi hem naar een afgrond zouden
+voeren, waarin hij zijn toekomst en zijn jeugd zou zien verdwijnen. Een
+oogenblik sprak de strenge logica in hem krachtiger dan de liefde,
+en hij overtuigde zichzelf door prachtige, op bewijzen steunende
+redeneeringen, dat zijn vriendinnetje hem niet lief had. Hij hield
+zich zelfs voor, dat de uren van liefde, die zij hem toestond,
+niets anders waren dan zinnelijke caprices, die getrouwde vrouwen
+voor haar mannen voelen, wanneer zij een nieuwe sjaal of een nieuwe
+japon willen hebben, of wanneer haar minnaar ver van haar weg is,
+wat als het ware een pendant is van het spreekwoord: "Bij gebrek
+aan brood eet men korstjes van pasteien." Om kort te gaan, Rodolphe
+kon zijn vriendinnetje alles vergeven behalve dat zij hem niet lief
+had. Hij nam dus een kloek besluit en zeide tegen mademoiselle Mimi,
+dat zij naar een anderen minnaar moest uitzien. Mimi begon te lachen
+en nam een uitdagende houding aan. Toen zij echter eindelijk inzag,
+dat Rodolphe bij zijn besluit bleef en haar heel kalm ontving, toen
+zij na een afwezigheid van vier-en-twintig uur weer terugkwam, begon
+toch die vastberadenheid, waaraan zij niet gewend was, haar ongerust te
+maken. Zij was nu twee of drie dagen lang de lieftalligheid zelve. Maar
+Rodolphe bleef bij wat hij gezegd had en vergenoegde zich te vragen,
+of zij al een ander gevonden had.
+
+"Ik heb nog niet eens gezocht," was haar antwoord.
+
+Zij had echter wel gezocht, en wel reeds voordat Rodolphe het haar
+aangeraden had. In een tijdsverloop van veertien dagen had zij twee
+pogingen gedaan. Een van haar vriendinnen had haar geholpen en haar
+in kennis gebracht met een manlijken bakvisch, die voor Mimi's oogen
+een horizont van Indische sjaals en palissandermeubelen had laten
+schitteren. Maar volgens het oordeel van Mimi zelf was de jonge
+student, die misschien heel sterk in algebra was, op het gebied der
+liefde nog een leek; en daar Mimi absoluut geen opvoedkundige neigingen
+had, liet zij haar verliefden novitius zitten met zijn sjaals, die nog
+in de weiden van Tibet graasden, en met de palissanderhouten meubelen,
+die in de Amerikaansche oerwouden nog in blad stonden.
+
+De student werd al heel spoedig vervangen door een Bretonschen edelman,
+waarop zij bliksemsnel verliefd raakte, en dien zij niet lang behoefde
+te smeeken haar tot gravin te verheffen.
+
+Niettegenstaande de protesten van zijn maîtresse had Rodolphe toch
+lucht van de een of andere intrigue gekregen; hij wilde precies weten
+waar hij aan toe was; en op een goeden morgen ging hij, na een nacht,
+dat mademoiselle Mimi niet thuis gekomen was, naar een plaats, waar hij
+vermoedde, dat zij zijn zou. Hier had hij volop gelegenheid zich een
+van die bewijzen, waaraan men nolens volens gelooven moet, diep in het
+hart te boren. Hij zag Mimi met door een aureool van wellust omkringde
+oogen aan den arm van haar nieuwen heer en meester het huis verlaten,
+waarin zij tot den adelstand verheven was. Haar nieuwe minnaar scheen
+echter heel wat minder trotsch op zijn nieuwe verovering dan Paris,
+de mooie Grieksche herder, na de schaking van de schoone Helena.
+
+Mademoiselle Mimi scheen eenigszins verrast, toen zij Rodolphe zag
+aankomen. Zij ging naar hem toe en zij spraken gedurende een minuut
+of vijf heel kalm met elkaar. Dan namen zij afscheid, om ieder huns
+weegs te gaan. De breuk was definitief.
+
+Rodolphe keerde dadelijk naar huis terug en bracht den geheelen dag
+door met het in pakjes bijeenpakken van alle dingen, die aan zijn
+maîtresse toebehoorden.
+
+In den loop van den dag na de "echtscheiding" kreeg Rodolphe bezoek
+van verscheidene van zijn vrienden en vertelde hun wat er voorgevallen
+was. Allen feliciteerden hem met die gebeurtenis als met een groot
+geluk.
+
+"Wij zullen u helpen, o dichter," zeide een van hen, die meermalen
+getuige geweest was van de kwellingen welke mademoiselle Mimi Rodolphe
+had laten verduren, "wij zullen u helpen om uw hart uit de handen van
+dat ellendige schepsel te bevrijden. En binnen korten tijd zult gij
+genezen zijn en weer verlangen met een andere Mimi te dwalen over de
+groene paden van Aulnay en Fontenay-aux-Roses."
+
+Rodolphe bezwoer, dat het nu voor goed uit was met zijn wroeging
+en wanhoop. Hij liet zich zelfs overhalen mede te gaan naar het
+bal Mabille, waar zijn veronachtzaamde kleeding al heel slecht de
+Echarpe d'Iris vertegenwoordigde, die hem vrijen toegang tot dezen
+tuin van galanterie en genot verschafte. Daar ontmoette Rodolphe weer
+andere vrienden, met wie hij begon te drinken. Hij vertelde hun zijn
+ongeluk met een ongehoorde overdaad van bizarre wendingen en woorden
+en gedurende een uur sprak hij met een hartstocht en een vuur, die
+de anderen stil maakten.
+
+"Helaas, helaas!" zeide de schilder Marcel, toen hij den regen van
+ironie hoorde, die van de lippen van zijn vriend stroomde, "Rodolphe
+is te vroolijk."
+
+"Hij is charmant!" antwoordde een jonge vrouw, aan wie Rodolphe een
+ruikertje bloemen aangeboden had, "en hoewel zijn kleeding nu niet
+bepaald schitterend is, zou ik mij graag compromitteeren door met
+hem te dansen, als hij mij vragen zou."
+
+Twee seconden later stond Rodolphe, die deze woorden gehoord had,
+voor haar en noodigde haar ten dans, wat dankbaar werd aanvaard.
+
+Rodolphe kende van de eerste grondbeginselen der dans evenveel als
+van den regel van drieën. Doch bezield door een buitengewonen moed,
+aarzelde hij niet zich in het dansgewoel te storten en improviseerde
+een dans, die aan alle vroegere choreographieën onbekend geweest
+was. Men noemt haar den pas des regrets et soupirs (dans der tranen
+en zuchten) en haar originaliteit verschafte haar een ongelooflijk
+succes. De drieduizend gasvlammen mochten vrij haar vurige tongen
+naar hem uitsteken, als om hem te bespotten, Rodolphe bleef steeds
+doordansen en wierp onophoudelijk zijn danseres handenvol nog
+onuitgegeven galanterieën in het gelaat.
+
+"Het is waarachtig bijna niet te gelooven," zeide Marcel, "Rodolphe
+doet me denken aan een dronken man, die op gebroken glazen danst."
+
+"Intusschen heeft hij een heele knappe vrouw aan den haak geslagen,"
+zeide een andere, die Rodolphe met zijn danseres zag weggaan.
+
+"Je neemt niet eens afscheid van ons!" riep Marcel tegen hem.
+
+Rodolphe ging weer naar den artist terug en stak hem zijn hand toe;
+die hand was koud en klam als vochtig marmer.
+
+Rodolphe's danseres was een krachtige dochter van Normandië, een
+opgewekte en levenslustige natuur, wier aangeboren onbeholpenheid te
+midden van de elegance en de luxe van het Parijsche bestaan en een
+lui leventje, al heel spoedig plaats gemaakt had voor aristocratische
+vormen. Zij liet zich madame Séraphine of iets van dien aard noemen en
+was op dat oogenblik de maîtresse van een door rheumatiek geplaagden
+pair de France, die haar maandelijks vijftig louis gaf, welke zij
+deelde met een elleridder, die haar niets dan slaag gaf. Rodolphe
+was in haar smaak gevallen; zij hoopte, dat hij haar niets zou geven,
+en nam hem mee naar huis.
+
+"Lucile," zeide zij tot haar kamenier; "ik ben vanavond voor niemand
+te spreken."
+
+En na even in haar toiletkamer geweest te zijn, kwam zij na vijf
+minuten in een speciaal kostuum terug. Zij vond Rodolphe onbeweeglijk
+en zwijgend in de kamer staan, want sedert hij daar binnen was,
+had hij zich verdiept in een duisternis vol stille snikken.
+
+"U kijkt mij niet meer aan, je spreekt niet tegen me," zeide Séraphine
+verwonderd.
+
+"Kom," zeide Rodolphe tot zich zelf en keek op, "laat ik naar haar
+kijken, maar alleen uit een oogpunt van kunst!"
+
+Et quel spectacle, alors, vint s'offrir à ses yeux! zooals Raoul in
+de Hugenooten zingt.
+
+Séraphine was bewonderenswaardig mooi. Haar prachtige vormen, die
+door de coupe van haar kleed zeer voordeelig uitkwamen, schemerden
+uitdagend en verleidelijk door het half doorzichtige weefsel. In
+Rodolphe's aderen begon het bloed van koortsachtig verlangen onstuimig
+te kloppen. Een gloeiende nevel steeg hem naar het hoofd. Hij zag
+Séraphine nu reeds met andere oogen dan die van een kunstkenner aan en
+nam de handen van het mooie meisje in de zijne. Het waren sublieme
+handen, als het ware gebeeldhouwd met den zuiversten beitel der
+Grieksche sculptuur. Rodolphe voelde die bewonderenswaardige handen
+in de zijne beven; en hoe langer hoe minder kunstcriticus wordend,
+drukte hij Séraphine tegen zich aan, wier wangen zich kleurden met
+den blos, dien men het morgenrood der wellust zou kunnen noemen.
+
+"Dit schepsel is werkelijk een instrument der wellust, een
+liefde-stradivarius, waarop ik gaarne een lied zou willen spelen,"
+dacht Rodolphe, toen hij het hart der schoone zeer duidelijk een
+stormaanval hoorde slaan.
+
+Op dat oogenblik werd er hard aan de bel getrokken.
+
+"Lucile, Lucile!" riep Séraphine tegen haar kamenier; "doe niet open,
+zeg, dat ik nog niet thuis ben."
+
+Bij den tweemaal uitgesproken naam Lucile stond Rodolphe op.
+
+"Ik wil u op geen enkele wijze in ongelegenheid brengen, mevrouw,"
+zeide hij. "Trouwens het wordt mijn tijd, het is al laat en ik woon
+ver weg. Goeden nacht!"
+
+"Wat, wilt u weg?" riep Séraphine uit, en liet haar oogen snelvuur
+geven; "waarom gaat u weg, waarom? Ik ben vrij; u kunt blijven."
+
+"Onmogelijk, mevrouw," antwoordde Rodolphe. "Ik verwacht vanavond
+een van mijn familieleden uit Vuurland, en die zou me zeker onterven,
+als hij mij niet thuis vond, om hem behoorlijk te ontvangen. Goeden
+nacht, mevrouw!"
+
+En hij snelde weg. De kamenier lichtte hem bij en Rodolphe keek haar
+toevallig in het gezicht. Het was een jong tenger meisje met sleependen
+gang; haar bleek gezichtje vormde een bekoorlijke tegenstelling met
+het van nature golvende, zwarte haar; haar blauwe oogen geleken op
+twee zwakke sterren.
+
+"O, spookgestalte!" riep Rodolphe uit en week terug voor haar, die
+den naam en het gezicht van zijn vriendinnetje had. "Terug! Wat wilt
+ge van mij?"
+
+En hij stormde de trap af.
+
+"Maar mevrouw!" zeide de kamenier, toen zij weer bij haar meesteres
+terugkwam, "bij dien jongen man is er één van de vijf op den loop!"
+
+"Zeg liever, dat hij een groote stommeling is!" antwoordde Séraphine
+woedend. "Enfin een goede leer voor een volgende keer! Als die stomme
+Léon nu maar zoo verstandig was dadelijk te komen!"
+
+Léon was de elleridder, die in zijn liefde-blazoen een zweep voerde.
+
+Rodolphe liep zoo hard als zijn beenen hem dragen konden, naar
+huis. Toen hij de trap opging, hoorde hij zijn rooden kater klagende
+zuchten uitstooten. Twee nachten lang riep hij zoo reeds vergeefs naar
+zijn ontrouwe schoone, een angora-Manon Lescaut, die op de daken in
+de buurt op galante avonturen uit was.
+
+"Arm dier," zeide Rodolphe; "ook jij bent bedrogen; jouw Mimi heeft
+je al even leelijke poetsen gebakken als de mijne mij. Maar laten
+we ons troosten. Het hart van vrouwen en van katten is een afgrond,
+dien mannen en katers nooit zullen kunnen peilen."
+
+Toen hij zijn kamer binnentrad, had hij, niettegenstaande de drukkende
+hitte, een gevoel, alsof er een ijsmantel om zijn schouders gelegd
+werd. Het was de koude der eenzaamheid, de vreeselijke eenzaamheid
+van den nacht, die door niets gestoord werd. Hij stak zijn kaars aan
+en zag bij het licht daarvan de kale kamer. Uit de kasten staken de
+ledige laden, en van den zolder tot den grond vulde een eindelooze
+triestheid deze kleine kamer, die aan Rodolphe grooter dan een woestijn
+scheen. Al voortloopend stiet zijn voet tegen de pakjes, die Mimi's
+eigendommen bevatten, en een gevoel van blijdschap doorstroomde hem,
+toen hij zag, dat zij ze nog niet was komen halen, wat zij volgens
+afspraak dien ochtend zou hebben gedaan. Rodolphe voelde, hoe hij
+er zich ook tegen verzette, het uur der reactie naderen, en hij
+voorzag heel goed, dat hij zijn uitgelatenheid van dien avond met een
+afschuwelijken nacht zou moeten boeten. Toch had hij nog eenige hoop,
+dat zijn door en door vermoeid lichaam zou slapen vòòr de smart,
+die hij zoo lang in zijn binnenste had onderdrukt, ontwaken zou.
+
+Toen hij echter het bed naderde en de gordijnen open sloeg, voelde hij
+bij den aanblik van deze legerstede, die in twee dagen niet aangeraakt
+was, en van de beide naast elkaar liggende kussens, onder een waarvan
+nog het kanten borduursel van een nachtmutsje te voorschijn kwam,
+zijn hart samenpersen in de onontkoombare schroef van die doffe smart,
+welke zich niet uiten kan. Hij viel neer voor het bed, drukte zijn
+voorhoofd in zijn handen, en riep, na een smartelijken blik in de
+eenzame kamer geworpen te hebben, uit:
+
+"Mimi, kleine Mimi, vreugde van mijn huis, ben je werkelijk heengegaan,
+heb ik je werkelijk weggezonden, zal ik je nooit meer terugzien? O
+God! O, gij lief, bruin kopje, dat zoo lang op deze plaats geslapen
+hebt, zult gij niet meer terugkomen, om er weer te slapen? O, gij
+grillige stem, wier liefdesgefluister me in verrukking bracht en
+wier booze tonen als muziek klonken, zal ik je niet meer hooren? En
+gij kleine, blanke, blauwdooraderde handjes, waarop ik zoo dikwijls
+mijn heete lippen drukte, o, gij kleine, blanke handen, hebt gij mijn
+laatsten kus ontvangen?"
+
+En Rodolphe drukte als in koortswaanzin zijn hoofd in de kussens,
+waaruit nog steeds de geur van het haar van zijn vriendinnetje
+opsteeg. Van achter uit het alkoof meende hij de spookgestalte
+van de heerlijke nachten, die hij met zijn jonge maîtresse daar had
+doorgebracht, te zien opdoemen. Helder en duidelijk hoorde hij Mimi's
+frisschen lach nog klinken door de nachtelijke stilte, en hij dacht
+verlangend terug aan die betooverende, aanstekelijke vroolijkheid,
+waarmede zij hem zoo dikwijls de zorgen en ellenden van hun aan
+wisselvalligheden zoo rijk bestaan had doen vergeten.
+
+Gedurende dien geheelen langen nacht liet hij de acht maanden de
+revue passeeren, welke hij met de jonge vrouw doorleefd had, die hem
+misschien nooit lief gehad had, maar wier gelogen teederheid toch
+aan zijn hart zijn jeugd en manlijke kracht had teruggegeven.
+
+Het grauwe ochtendlicht verraste hem, toen hij, door moeheid
+overmeesterd, zijn oogen, rood door de in den nacht gestorte tranen,
+gesloten had. Een smartelijke en vreeselijke nacht, zooals zelfs de
+meest spottende sceptici onder ons meer dan eens doorwaakt hebben.
+
+Toen 's ochtends zijn vrienden bij hem binnenkwamen, schrikten zij
+bij het zien van Rodolphe, wiens gelaat nog de duidelijkste sporen
+droeg van al de benauwdheden, die hem gedurende zijn nachtwake op
+den Olijfberg der liefde gekweld hadden.
+
+"Dat wist ik vooruit wel," zeide Marcel; "zijn vroolijkheid van
+gisteravond is hem op het hart geslagen. Maar dat mag niet zoo
+blijven voortgaan."
+
+En in overleg met twee of drie vrienden begon hij over mademoiselle
+Mimi een groot aantal indiscrete onthullingen te vertellen, waarvan
+ieder woord als een doorn in Rodolphe's hart drong. Zijn vrienden
+bewezen hem zonneklaar, dat zijn maîtresse hem steeds en overal,
+binnen- en buitenshuis, bedrogen had alsof hij een sul was, en dat dit
+als de engel der tering zoo bleeke schepsel slechts een juweelkistje
+was van lage gevoelens en verdorven instincten.
+
+De vrienden wisselden elkaar af in de taak, die zij op zich genomen
+hadden en waarvan het doel was Rodolphe tot het punt te brengen, waarop
+de liefde overgaat in verachting; doch dat doel werd slechts voor de
+helft bereikt. De wanhoop van den dichter veranderde in toorn. Woedend
+wierp hij zich op de pakjes, die hij den vorigen dag gereed gemaakt
+had; en nadat hij alle voorwerpen, die reeds Mimi's eigendom waren
+bij haar komst, op zijde gelegd had, hield hij alles wat hij haar
+gedurende hun liaison gegeven had, achter, d.w.z. het grootste gedeelte
+en voornamelijk de toiletartikelen, waaraan zij met alle vezels van
+haar in den laatsten tijd onverzadigbaar geworden behaagzucht hing.
+
+In den loop van den volgenden dag kwam Mimi haar "boeltje"
+halen. Rodolphe was thuis en alleen. Hij moest op dat oogenblik al
+zijn zelfrespect te hulp roepen, om zijn maîtresse niet om de hals
+te vallen. Hij ontving haar met zwijgende, stille beleedigingen,
+welke zij met dien kouden scherpen toon beantwoordde, die zelfs de
+zwakste en meest bedeesde naturen buiten zich zelf doet geraken. Bij
+de minachting, waarmede Mimi hem op hardnekkig-brutale wijze geeselde,
+barstte Rodolphe's toorn woest en angstaanjagend los, zoodat Mimi,
+bleek van vrees, zich een oogenblik afvroeg, of zij levend uit zijn
+handen zou komen. Op haar angstkreten snelden eenige medebewoners
+toe en trokken haar uit Rodolphe's kamer.
+
+Twee dagen later kwam een vriendin van Mimi Rodolphe vragen of hij
+Mimi's "boeltje" wilde teruggeven.
+
+"Neen," antwoordde Rodolphe.
+
+Dan wist hij de afgezante van zijn maîtresse aan het praten
+te krijgen. Zij vertelde hem, dat Mimi zich in uiterst benarde
+omstandigheden bevond en dat het niet lang meer zou duren, of zij
+had geen dak meer boven haar hoofd.
+
+"En haar geliefde, waar zij zoo dol op is?"
+
+"Maar die jonge man heeft volstrekt geen plan haar tot maîtresse te
+nemen," antwoordde Amélie. "Hij heeft er al lang een en hij schijnt
+zich van Mimi, die nu zoo lang bij mij is en mij erg in verlegenheid
+brengt, niets aan te trekken."
+
+"Zij moet maar zien, hoe zij het klaar speelt," zeide Rodolphe;
+"zij heeft het zelf zoo gewild; de zaak gaat mij niet langer aan."
+
+En hij begon mademoiselle Amélie het hof te maken en verzekerde haar,
+dat zij het mooiste meisje op aarde was.
+
+Amélie vertelde Mimi van haar bezoek aan Rodolphe.
+
+"Wat zegt hij? Wat doet hij?" vroeg Mimi. "Heeft hij over mij
+gesproken?"
+
+"Geen woord. Hij heeft je reeds heelemaal vergeten. Rodolphe heeft
+al een nieuw liefje en hij heeft voor haar een prachtig toilet
+gekocht, want hij heeft veel geld gekregen, en ziet er zelf uit als
+een prins. Het is een heel aardig iemand en hij zelf heeft mij heel
+vleiende complimentjes gemaakt."
+
+"Ik zal er wel achter komen wat dat allemaal beteekent," dacht Mimi.
+
+Dagelijks ging mademoiselle Amélie nu onder een of ander voorwendsel
+naar Rodolphe, die, men kon het draaien hoe men wilde, steeds weer
+over Mimi begon.
+
+"Zij is erg vroolijk," antwoordde de vriendin, "en schijnt zich al
+heel weinig van haar toestand aan te trekken. Overigens beweert zij,
+dat zij weer bij je terug kan komen, wanneer zij maar wil, zonder
+eenige tegemoetkoming van haar kant, en alleen maar om je vrienden
+woedend te maken."
+
+"Het is goed," zeide Rodolphe; "laat ze maar komen dan zullen we
+verder zien."
+
+En hij begon Amélie weer het hof te maken, die alles dadelijk aan
+Mimi ging overbrieven en verzekerde, dat Rodolphe "smoor" op haar was.
+
+"Hij heeft mijn handen en mijn pols gezoend," zeide zij; "kijk maar,
+ze zijn er nog rood van. Hij wil me morgen meenemen naar het bal."
+
+"Maar beste meid," zeide Mimi gepiqueerd, "ik begrijp heel goed,
+waar je heen wilt. Je wilt me wijs maken, dat Rodolphe verliefd op
+je is en niet meer aan mij denkt. Maar je verspilt je tijd, zoowel
+bij hem als bij mij."
+
+Inderdaad was Rodolphe alleen maar zoo vriendelijk tegen Amélie,
+om haar dikwijls bij zich te lokken, waardoor hij de gelegenheid had
+met haar over zijn maîtresse te spreken; doch met een macchiavellisme,
+dat misschien een welbewust doel had, deed Amélie, die zeer goed inzag,
+dat Rodolphe nog steeds van Mimi hield, en dat deze er volstrekt niet
+ongeneigd toe was weer naar hem terug te gaan, al haar best om door
+handig verzonnen berichten alles te vermijden, wat de twee geliefden
+weer tot elkaar zou kunnen brengen.
+
+Den dag, waarop zij naar het bal zou gaan, ging Amélie in den ochtend
+aan Rodolphe vragen, of de afspraak zoo bleef.
+
+"Zeker", antwoordde hij haar, "ik zou de gelegenheid, om de cavalier
+van de mooiste vrouw van onzen tegenwoordigen tijd te zijn, niet
+gaarne verzuimen."
+
+Amélie zette hetzelfde coquette gezicht, dat zij den avond van haar
+eenig debuut in een voorstadschouwburg in de rol van een soubrette
+van den vierden rang getrokken had, en beloofde op het afgesproken
+uur klaar te zijn.
+
+"A propos," zeide Rodolphe, "zeg aan mademoiselle Mimi, dat ik haar
+al haar zaakjes zal teruggeven, wanneer zij ter wille van mij haar
+minnaar eens voor een nacht ontrouw wil worden."
+
+Amélie bracht de boodschap over, doch gaf aan zijn woorden een geheel
+andere beteekenis dan die, welke zij erin geraden had.
+
+"Jouw Rodolphe is een ignobele kerel," zeide zij tegen Mimi; "zijn
+voorstel is een schande. Hij wil je door dien stap vernederen tot
+den rang der laagste deernen; en indien je naar hem toe gaat, zal
+hij je niet alleen je boeltje teruggeven, maar je bovendien de risée
+maken van al zijn vrienden; dat is een samenzwering, die ze onderling
+gesmeed hebben."
+
+"Ik ben niet van plan te gaan," zeide Mimi en vroeg, toen ze zag,
+dat Amélie bezig was toilet te maken, of zij naar het bal ging.
+
+"Ja", antwoordde de ander.
+
+"Met Rodolphe?"
+
+"Ja, hij zal me vanavond op twintig pas van het huis wachten."
+
+"Veel pleizier," zeide Mimi, die, toen het uur van het rendez-vous
+naderde, zoo gauw mogelijk naar den minnaar van mademoiselle Amélie
+liep en hem mededeelde, dat deze op het punt stond hem met haar
+(Mimi's) vroegeren minnaar te bedriegen.
+
+De mijnheer, jaloersch als een tijger, vloog naar mademoiselle Amélie
+en zeide tegen haar, dat hij het uitstekend vond, dat zij den avond
+in zijn gezelschap doorbracht.
+
+Om acht uur snelde Mimi naar de plek, waar Rodolphe op Amélie zou
+wachten. Zij zag haar vroegeren minnaar daar heen en weer loopen in de
+houding van iemand, die wacht; zij liep tweemaal langs hem heen, zonder
+hem te durven aanspreken. Rodolphe was dien avond heel elegant gekleed,
+en de heftige gemoedsbewegingen, waaraan hij in de laatste acht
+dagen ten prooi geweest was, hadden aan zijn gelaatsuitdrukking iets
+verhevens gegeven. Mimi voelde zich zeer onder den indruk. Eindelijk
+vermande zij zich om hem aan te spreken. Rodolphe nam het kalm en
+waardig op, informeerde naar haar gezondheidstoestand en vroeg ten
+slotte naar de beweegreden, die haar tot hem voerde; en dit alles
+op zachten, kalmen toon, waarin een accent van droefheid niet te
+miskennen viel.
+
+"Ik moet u een onaangename boodschap overbrengen: mademoiselle Amélie
+kan niet met u medegaan naar het bal--zij heeft bezoek van haar man."
+
+"Dan zal ik alleen naar het bal moeten gaan."
+
+Mimi deed op dit oogenblik alsof zij struikelde en leunde op den
+schouder van Rodolphe: hij gaf haar een arm en bood haar aan haar
+naar huis te brengen.
+
+"Dat zal niet gaan," zeide Mimi; "ik woon bij Amélie, en daar haar
+man bij haar is, kan ik niet naar huis gaan, vòòr hij weg is."
+
+"Luister eens," zeide nu de dichter tot haar; "ik heb je door
+bemiddeling van mademoiselle Amélie een voorstel laten doen; heeft
+ze dat overgebracht?"
+
+"Ja", zeide Mimi, "maar in bewoordingen, waaraan ik, zelfs na alles,
+wat er tusschen ons voorgevallen is, geen geloof schenken kan. Neen,
+Rodolphe, niettegenstaande alles wat u me verwijten kunt, heb ik nooit
+geloofd, dat gij in mij zoo weinig fijn gevoel veronderstelde, dat
+gij ook maar een oogenblik hebt kunnen denken, dat ik zoo'n voorstel
+zou aannemen."
+
+"U hebt me niet begrepen of men heeft u mijn voorstel verkeerd
+overgebracht. Maar wat ik gezegd heb, blijft van kracht," zeide
+Rodolphe; "het is nu negen uur, u hebt nog drie uur tijd om na te
+denken. Mijn sleutel steekt tot twaalf uur in het slot. Bonsoir,
+adieu, of tot weerziens."
+
+"Adieu dan!" zeide Mimi met bevende stem.
+
+En zoo scheidden zij ..... Rodolphe ging naar zijn kamer terug en
+wierp zich geheel gekleed op bed. Om half twaalf kwam Mimi binnen.
+
+"Ik kom u gastvrijheid vragen," zeide zij; "de man van Amélie is
+gebleven, en nu kan ik niet naar huis."
+
+Tot drie uur in den ochtend praatten zij. De eene verklaring volgde
+op de andere, waarin het familiare jij en jou afwisselde met het
+officieele u.
+
+Om vier uur ging de kaars uit. Rodolphe wilde een nieuwe aansteken.
+
+"Ach neen," zeide Mimi, "het is de moeite niet waard. Het is tijd,
+om naar bed te gaan."
+
+En vijf minuten later had haar aardig bruin kopje zijn plaats op het
+kussen weer ingenomen en riep zij met een vleiend stemmetje Rodolphe's
+lippen weer op haar kleine, blanke, blauwdooraderde handen, waarvan
+de paarlemoerkleur wedijverde met het wit der lakens. Rodolphe stak
+geen nieuwe kaars aan.
+
+Den volgenden ochtend stond Rodolphe het eerst op en zeide, terwijl
+hij Mimi verschillende pakjes wees, heel zacht en teeder:
+
+"Dat is uw eigendom, u kunt het medenemen .... ik houd woord."
+
+"O," antwoordde Mimi; "ik ben erg moe en kan al die groote pakken
+niet tegelijk dragen. Ik kom liever nog eens terug."
+
+En nadat zij zich aangekleed had, nam zij alleen een kraagje en een
+paar manchetten mede.
+
+"De rest kom ik wel halen .... stuk voor stuk," voegde zij er
+glimlachend aan toe.
+
+"Neen," zeide Rodolphe; "neem alles mede of niets, er moet een eind
+aan de zaak komen."
+
+"Of een nieuw begin, maar dan om altijd te duren," zeide de jonge Mimi,
+terwijl zij Rodolphe om de hals vloog.
+
+Na samen ontbeten te hebben, gingen ze in de omstreken een uitstapje
+maken. Toen zij door den Luxembourg liepen, kwamen zij een groot
+dichter tegen, die Rodolphe steeds met de grootste welwillendheid
+ontvangen had. Uit beleefdheid wilde Rodolphe doen, alsof hij hem
+niet zag. Maar de dichter liet hem er den tijd niet voor, en knikte
+hem in het voorbijgaan familiaar toe, terwijl hij zijn gezellin met
+een vriendelijk glimlachje groette.
+
+"Wie is dat?" vroeg Mimi.
+
+Rodolphe noemde haar een naam, die haar een kleur van blijdschap en
+trots deed krijgen.
+
+"Ja," zeide Rodolphe, "die ontmoeting met den dichter, die zoo mooi de
+liefde bezongen heeft, is een goed voorteeken en zal onze verzoening
+geluk aanbrengen."
+
+"Ik heb je lief," zeide Mimi innig en drukte haar vriend de hand,
+hoewel zij midden in de drukte van het verkeer waren.
+
+"Lieve hemel!" dacht Rodolphe; "wat is nu beter, of je altijd te
+laten misleiden, omdat je geloofd hebt, of nooit te gelooven uit
+vrees altijd misleid te worden?"
+
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XV.
+
+DONEC GRATUS.....
+
+
+We hebben reeds verteld op welke wijze de schilder Marcel mademoiselle
+Musette had leeren kennen. Op een goeden dag door den priester van
+de luim, die tevens maire van het dertiende arrondissement [31] is,
+met elkaar verbonden, hadden zij, zooals dat dikwijls het geval is,
+gemeend, met uitsluiting van hun hart getrouwd te zijn. Maar op een
+avond, toen zij na een heftigen twist besloten hadden onmiddellijk van
+elkaar weg te gaan, kwamen zij tot de ontdekking, dat hun handen,
+die zij elkaar ten afscheid gereikt hadden, elkander niet meer
+loslaten wilden. Bijna zonder het zelf te weten was hun luim liefde
+geworden. Half lachend bekenden zij elkaar hun liefde.
+
+"Dat is een heel ernstige zaak," zeide Marcel. "Hoe zijn we zoover
+gekomen?"
+
+"O," antwoordde Musette, "we zijn onoplettend geweest, we hebben niet
+genoeg voorzorgsmaatregelen genomen."
+
+"Wat is er aan het handje?" vroeg Rodolphe, die naast Marcel was
+komen wonen, toen hij de kamer binnenkwam.
+
+"Wel," antwoordde de schilder en wees daarbij op Musette, "mademoiselle
+en ik zijn daar zooeven tot een prachtige ontdekking gekomen. Wij
+zijn verliefd op elkaar. Dat is zeker in den slaap gekomen."
+
+"Oho, in den slaap, neen, dat geloof ik zoo gauw niet. Maar waar
+is het bewijs, dat jullie van elkaar houdt? Je overdrijft misschien
+het gevaar."
+
+"Voor den duivel!" riep Marcel uit, "we kunnen elkaar niet uitstaan."
+
+"En kunnen niet buiten elkaar," voegde Musette eraan toe.
+
+"Dan is de zaak zoo duidelijk mogelijk, kinderen. Jullie hebt allebei
+heel mooi willen spelen en je hebt allebei verloren. Het is precies
+mijn geschiedenis met Mimi. Bijna twee jaar lang hebben we nu al van
+'s morgens vroeg tot 's avonds laat ruzie. Met dat systeem laat je de
+huwlijken eeuwig duren. Vereenigt een Ja met een Neen en je krijgt
+een verbintenis à la Philemon en Baucis. Jullie huishouden zal een
+pendant van het mijne worden; en wanneer Schaunard en Phémie bij hun
+dreigement blijven en bij ons komen wonen, dan kan ons trio het hier
+in huis erg gezellig maken."
+
+Op dat oogenblik kwam Gustave Colline binnen. Ze vertelden hem het
+ongeluk, dat Musette en Marcel overkomen was.
+
+"Nou, philosoof," vroeg deze, "wat denk jij ervan?"
+
+Colline krabbelde op de haren van zijn hoed, die hem als dak diende,
+en bromde:
+
+"Dat heb ik van te voren wel zien aankomen. De liefde is een
+hazardspel. Wie zijn billen brandt, moet op de blaren zitten. Het is
+niet goed, dat de mensch alleen zij."
+
+Toen Rodolphe 's avonds bij Mimi kwam, waren zijn eerste woorden:
+
+"Ik heb nieuws. Musette is dol op Marcel en wil niet van hem vandaan."
+
+"Arme meid!" zeide Mimi. "Zij had zoo'n gezonde eetlust."
+
+"En van zijn kant is Marcel smoor op Musette. Zijn liefde is
+zes-en-dertig karaat, zooals die intrigant van een Colline zou zeggen."
+
+"Arme jongen," vond Mimi; "hij is zoo jaloersch!"
+
+"Dat is zoo," zeide Rodolphe; "hij en ik zijn leerlingen van Othello."
+
+Eenigen tijd later kwamen werkelijk Schaunard en Phémie Klad in
+hetzelfde huis als Rodolphe en Marcel wonen.
+
+Van af dien dag sliepen alle andere bewoners op een vulkaan en zegden
+na afloop van het kwartaal gezamenlijk de huur op.
+
+Inderdaad ging er bijna geen dag voorbij of er barstte in één van
+de huishoudens een onweer los. Nu eens waren het Mimi en Rodolphe,
+die, wanneer hun de krachten om te schreeuwen begonnen te ontbreken,
+elkaar hun meening duidelijk maakten door elkander de eerste de beste
+projectielen, die ze in handen kregen, naar het hoofd te slingeren. Dan
+weer, en dat gebeurde het meest, maakte Schaunard met het einde van
+zijn wandelstok eenige aanmerkingen op de melancholieke Phémie. Marcel
+en Musette echter hielden hun beraadslagingen met gesloten deuren;
+zij waren tenminste zoo voorzichtig de deuren en ramen dicht te doen.
+
+Wanneer er toevallig eens vrede heerschte in de drie huishoudens, dan
+waren de andere huurders wederom het slachtoffer van die tijdelijke
+eensgezindheid. De indiscretie der tusschenmuren verried hun al de
+geheimen der bohème-families en wijdde hen tegen hun wil in al hun
+mysteriën in. Meer dan een buurman verkoos dan ook den casus belli
+boven de ratificatiën der vredes-verdragen.
+
+Het bestaan, dat onze vrienden gedurende zes maanden leidden, was,
+eerlijk gezegd, al heel buitengewoon. De meest oprechte broederschap
+heerschte, zonder eenige mooidoenerij, in den vriendenkring, waarin
+alles aan allen behoorde, en, al naar het viel, geluk of ongeluk
+trouw gedeeld werd.
+
+Er waren in iedere maand enkele gala-dagen, dagen, waarop ze voor geen
+geld van de wereld zich zonder handschoenen op straat vertoond zouden
+hebben, dagen van uitgelatenheid, waarop ze van 's morgens vroeg tot
+'s avonds laat aten. Er waren echter ook andere dagen, waarop ze
+bijna zonder schoenen naar beneden gegaan zouden zijn, vastendagen,
+waarop ze, na niet gemeenschappelijk ontbeten te hebben, ook niet
+samen dineerden of hoogstens ertoe kwamen met behulp van oeconomische
+combinaties een van die maaltijden te ensceneeren, waarbij borden en
+lepels en vorken "geen rol speelden", zooals Mimi dat noemde.
+
+Doch wonderlijk genoeg ontstond er in dien kring, waartoe toch drie
+jonge, knappe vrouwen behoorden, tusschen de mannen niet de geringste
+oneenigheid; zij knielden dikwijls neer voor de minste luim van hun
+maîtresse, maar geen van drieën zou ook maar één oogenblik geaarzeld
+hebben tusschen de vrouw en den vriend.
+
+Liefde ontstaat vooral uit eigen beweging: zij is als het ware een
+improvisatie. Vriendschap daarentegen bouwt zich om zoo te zeggen op;
+zij is een gevoel, dat met omzichtigheid en bedachtzaamheid rondtast;
+zij is het egoïsme van den geest, terwijl de liefde het egoïsme der
+ziel is.
+
+Zes jaar lang kenden onze bohémiens elkaar nu al. Dit lange
+tijdsverloop, waarin zij dagelijks in elkaars gezelschap verkeerden,
+had, zonder de scherp omlijnde individualiteit van ieder afzonderlijk
+afbreuk te doen, een overeenstemming van ideeën, een geheel geschapen,
+dat zij elders niet gevonden zouden hebben. Zij hadden hun eigen zeden
+en gewoonten en een bijzondere taal, waarvan een vreemde den sleutel
+niet gevonden zou hebben. Wie hen niet van dichtbij kende, noemde hun
+vrije manier van optreden cynisme. En toch was het niets anders dan
+zich geven zooals zij waren. Als uitgesproken vijanden van iederen
+dwang, haatten zij alles wat onwaar, verachtten zij alles wat laag
+en gemeen was. Wanneer men hen van zelfoverschatting beschuldigde,
+antwoordden zij met een openhartige uiteenzetting van hun eerzucht,
+en in het bewustzijn van hun eigen waarde misbruikten zij hun eigen
+Ik niet.
+
+Hoewel zij gedurende de vele jaren van hun gemeenschappelijk leven
+en streven dikwijls door den nood gedwongen werden met elkaar te
+wedijveren, hadden zij nooit den vriendschapsband verbroken en,
+zonder er bepaald moeite voor behoeven te doen, den gevaarlijken
+klip van eigenliefde en ijdelheid weten te omzeilen, telkens wanneer
+anderen die in hen hadden trachten op te wekken, om oneenigheid
+tusschen hen te zaaien. Zij schatten elkaar op hun juiste waarde;
+en de trots, het beste tegengif tegen de ijverzucht, bewaarde hen
+voor alle kleinzielige beroepsjaloezie.
+
+Doch na zes maanden gemeenschappelijk samenleven brak er plotseling
+onder de bohémiens een echtscheidings-epidemie uit.
+
+Schaunard opende de rij. Op een goeden dag merkte hij, dat de eene
+knie van Phémie Klad beter gebouwd was dan de andere, en daar hij
+op het gebied der plastiek het strengste purisme huldigde, zond hij
+Phémie weg en gaf haar als souvenir den wandelstok, waarmede hij haar
+zoo dikwijls opmerkingen gemaakt had. Hij zelf ging inwonen bij een
+bloedverwant, bij wien hij gratis onderdak kreeg.
+
+Veertien dagen later verliet Mimi Rodolphe, om plaats te nemen in
+de equipage van den jongen vicomte Paul, den vroegeren leerling van
+Barbemuche, die haar geelzijden japonnen beloofd had.
+
+Na Mimi verdween Musette, om op opzienbarende wijze terug te keeren
+in de aristocratie der galante wereld, die zij verlaten had, om Marcel
+te volgen.
+
+Deze scheiding geschiedde zonder twist, zonder strijd, zonder
+voorbedachten rade. Geboren uit een luim, die liefde geworden was,
+werd deze liaison door een andere luim weer verbroken.
+
+Op een carnavalsavond had Musette op het gemaskerde bal in de Opera,
+waarheen zij met Marcel gegaan was, in een contredans als vis-à-vis
+een jongen man, die haar vroeger het hof gemaakt had. Zij herkenden
+elkaar en wisselden onder het dansen enkele woorden. Misschien
+zonder het te willen liet Musette, toen zij den jongen man van haar
+tegenwoordige levenswijze op de hoogte bracht, eenige spijt over het
+verleden doorschemeren. Doch hoe dit zij, aan het einde der quadrille
+vergiste Musette zich en nam, in plaats van Marcel, die haar cavalier
+was, de hand te geven, die van haar vis-à-vis, welke haar meetrok en
+met haar in het gewoel verdween.
+
+Marcel, die vrij ongerust was, zocht haar. Na een uur zag hij haar aan
+den arm van den jongen man en een van haar lievelingsliedjes zingend,
+uit het café van de Opera komen. Toen zij Marcel, die met zijn armen
+over elkaar in een hoek stond, zag, wierp zij hem een afscheidsgroet
+toe en zeide:
+
+"Ik kom terug."
+
+"Dat wil zeggen: wacht niet op mij!" vertaalde Marcel. Hij was
+jaloersch, maar logisch en kende Musette; hij wachtte dan ook niet
+langer, doch keerde met een vol hart en een leege maag naar huis
+terug. Hij keek in de kast, of er niet een paar kliekjes over waren:
+hij vond een stuk brood, zoo hard als graniet, en het skelet van een
+haring in het zuur.
+
+"Tegen truffels kon ik niet op," dacht hij. "Enfin, Musette zal
+tenminste goed gesoupeerd hebben." En nadat hij, onder voorwendsel
+zijn neus te moeten snuiten, een punt van zijn zakdoek tegen zijn
+oogen gedrukt had, ging hij naar bed.
+
+Twee dagen later werd Musette in een in rose tinten gehouden boudoir
+wakker. Voor de deur wachtte een blauwe equipage, en alle feeën der
+mode, die tot haar dienst gerequireerd waren, legden haar wonderwerken
+aan haar voeten. Musette zag er uit om te stelen, en haar jeugd scheen
+in dezen eleganten lijst nog jonger te worden. Zij begon nu haar oude
+leven weer, nam deel aan alle feesten en heroverde weer spoedig haar
+vroegere beroemdheid. Overal werd over haar gesproken: op de beurs
+zoowel als in de koffiekamer van het Parlement. Haar nieuwe minnaar,
+mijnheer Alexis, was een charmante jonge man. Dikwijls beklaagde hij
+zich tegenover Musette, dat hij haar wat lichtzinnig en onverschillig
+vond, wanneer hij over zijn liefde met haar sprak; dan keek Musette
+hem glimlachend aan, gaf hem haar hand en zeide:
+
+"Wat zal ik je zeggen, mijn waarde? Ik heb zes maanden lang geleefd
+met een jongen man, die me voedde met salade en waterachtige soep,
+me in het katoen gekleed liet gaan en me veel meenam naar het Odéon,
+omdat hij niet rijk was. Daar de liefde niets kost en ik gewoonweg
+gek op dat monster was, hebben we heel wat liefde verbruikt. Er zijn
+alleen nog maar wat kruimels over. Raap die op, ik zal je dat niet
+beletten. Ik heb je trouwens van te voren alles opgebiecht; en als
+de linten en strikjes niet zoo duur waren, zou ik nu nog bij mijn
+schilder zijn. En wat mijn hart betreft, ik hoor het, sedert ik een
+corset van tachtig francs draag, bijna niet meer kloppen, en ik ben
+erg bang, dat ik het in een van de laden van Marcel heb laten liggen."
+
+Het verdwijnen der drie Bohème-huishoudens gaf aanleiding tot een groot
+feest in het huis, dat zij bewoond hadden. Als vreugdebetoon gaf de
+eigenaar een grootsch diner en illumineerden de huurders hun ramen.
+
+Rodolphe en Marcel waren samen gaan wonen. Beiden hadden zij een
+idool gevormd, waarvan zij den naam niet goed wisten. Tusschenbeide
+gebeurde het, dat de een over Musette en de ander over Mimi sprak;
+dan hadden zij stof genoeg voor den geheelen avond. Zij haalden
+hun vroeger leven weer op en de liederen van Musette en de liederen
+van Mimi, en de slapelooze nachten en de verslapen ochtenduren en
+de in droomen genoten diners. Een voor een lieten zij in hun duo's
+van herinneringen al die vervlogen uren aan hun geest voorbijgaan;
+en zij eindigden gewoonlijk hun tweegesprek met te zeggen, dat zij
+per slot van rekening nog gelukkig waren, daar zij gezellig samen met
+hun voeten op het haardkleedje zaten, het houtvuur konden oppoken
+en hun pijp rooken en zij elkander hadden, om al die dingen hardop
+te zeggen, welke zij tot zichzelf zeiden, als zij alleen waren:
+n.l. dat zij van die schepseltjes, die bij haar verdwijning een stuk
+van hun jeugd hadden medegenomen, veel gehouden hadden en dat zij ze
+misschien nog lief hadden.
+
+Toen op een goeden avond Marcel den boulevard overstak, zag hij op
+enkele passen voor zich een jonge dame, die bij het uit haar rijtuig
+stappen een witten kous liet zien, welke een buitengewoon zuiveren
+vorm van het been verried; de koetsier zelf verslond de bekoorlijke
+"fooi" met zijn oogen.
+
+"Bliksems," dacht Marcel, "een alleraardigste kuit! Ik heb waarachtig
+zin haar mijn arm aan te bieden; laat eens kijken .... op welke manier
+zal ik haar het best aanspreken!.... Daar heb ik een idee.... Iets
+heel nieuws!"
+
+"Pardon, mevrouw," zeide hij, terwijl hij naar de onbekende, wier
+gezicht hij niet dadelijk zien kon, toe ging; "u hebt bij toeval mijn
+zakdoek niet gevonden?"
+
+"Zeker, mijnheer," antwoordde zij; "als het u blieft."
+
+En zij gaf Marcel een zakdoek, die zij in haar hand hield.
+
+De schilder rolde bij die woorden in een afgrond van verbazing.
+
+Maar een luid gelach, waarvan hij plotseling de volle laag in het
+gelaat kreeg, deed hem weer tot zichzelf komen; aan die vreugdefanfare
+herkende hij zijn oude liefde.
+
+Het was mademoiselle Musette.
+
+"Zoo, zoo!" riep zij uit; "mijnheer Marcel op jacht naar galante
+avontuurtjes. Hoe vindt je dit, zeg? Vroolijk is het zeker."
+
+"Ik vind het tamelijk," was zijn antwoord.
+
+"Wat doe je zoo laat in dit stadsdeel?" vroeg Musette.
+
+"Ik ga naar dit gebouw," lichtte hij haar in en wees naar een kleinen
+schouwburg, waar hij vrijen toegang had.
+
+"Uit liefde voor de kunst?"
+
+"Neen uit liefde voor Laure."
+
+"Wie is Laure?" vroeg Musette, wier oogen vraagteekens schoten.
+
+Marcel ging op zijn flauwe aardigheid door.
+
+"Dat is een chimère, die ik najaag en die binnen deze kleine muren
+ingénue-rollen speelt."
+
+En hij verfrommelde met zijn hand een imaginairen boezem.
+
+"U bent vanavond wel geestig," zeide Musette.
+
+"En u nieuwsgierig!"
+
+"Praat toch wat zachter, iedereen hoort ons, ze zullen ons nog voor
+een verliefd paar, dat ruzie heeft, aanzien."
+
+"Het zou de eerste keer niet zijn, dat zoo iets ons overkwam!" zeide
+Marcel.
+
+Musette zag in die woorden een uitdaging en antwoordde vlug:
+
+"En misschien de laatste keer ook niet, wel?"
+
+De vraag was duidelijk, zij klonk Marcel als het fluiten van een
+kogel in het oor.
+
+"Gij schitterende hemellichten," riep hij, opkijkend naar de sterren;
+"gij zijt getuigen, dat ik niet het eerste schot gelost heb. Vlug
+mijn pantser."
+
+Van dat oogenblik af was het vuur geopend.
+
+Het eenige noodige was nu nog maar, om een verbindingsstreepje te
+vinden, ten einde deze twee grillen, welke plotseling weer met zulk
+een gloed ontwaakt waren, samen te brengen.
+
+Al verder loopend keek Musette Marcel en Marcel Musette aan. Zij
+spraken niet, maar hun oogen, die plenipotentiarissen van het hart,
+ontmoetten elkaar dikwijls. Na een diplomatieke conferentie van een
+kwartier had dit congres van blikken deze aangelegenheid in alle
+stilte geregeld. Alleen de ratificatie moest nog plaats hebben.
+
+Het afgebroken gesprek werd weer voortgezet.
+
+"Zeg nou eens eerlijk," vroeg Musette, "waar wou je daarnet heen?"
+
+"Ik heb het je al gezegd: naar Laure."
+
+"Is zij knap?"
+
+"Haar mond is een nestje van glimlachjes!"
+
+"Dat ken ik al," zeide Musette.
+
+"Maar jij?" vroeg Marcel, "waar kwam jij vandaan op de vleugelen van
+dat rijtuig?"
+
+"Ik heb Alexis, die zijn familie gaat bezoeken, naar het station
+gebracht."
+
+"Wat is die Alexis voor een man?"
+
+Op haar beurt ontwierp Musette van haar tegenwoordigen minnaar een
+bekoorlijk beeld. Al verder wandelend bleven Marcel en Musette midden
+op den boulevard de comedie: "De terugkeer der liefde" spelen. Met
+dezelfde, nu eens liefkoozende, dan weer spottend plagende naïeveteit
+herhaalden zij strophe voor strophe die onsterfelijke ode, waarin
+Horatius en Lydia met zooveel gratie en bekoorlijkheid de heerlijkheid
+van hun nieuwe liefde bezingen en ten slotte aan hun oude liefde een
+postscriptum toevoegen.
+
+Toen zij bij den hoek van een straat kwamen, marcheerde plotseling
+een vrij sterke patrouille voorbij.
+
+Musette "organiseerde" vlug een angstige houding, klampte zich vast
+aan Marcel's arm en zeide:
+
+"Lieve Hemel, kijk eens, daar komen de schutters, zeker een
+revolutie. Laten we maken, dat we wegkomen; ik ben zoo bang: breng
+me weg!"
+
+"Maar waarheen?" vroeg Marcel.
+
+"Naar mijn huis," zeide Musette; "je zult eens zien hoe aardig het
+er is. Ik geef een souper: we zullen over politiek praten."
+
+"Neen," antwoordde Marcel, die steeds aan Alexis dacht; "ik ga
+niettegenstaande je uitnoodiging voor een souper niet met je mee. Ik
+drink niet graag wijn uit een andermans glazen."
+
+Musette wist op die weigering geen antwoord te geven. Plotseling zag
+zij door de mist van haar herinneringen weer het armoedige kamertje van
+den armen schilder--want Marcel was geen millionair geworden--en zij
+kwam op een ander denkbeeld. Een tweede patrouille, die kwam aanrukken,
+was voor haar een welkome gelegenheid om opnieuw een aanval van angst
+te krijgen.
+
+"Ze zullen gaan vechten!" riep zij uit; "ik durf niet naar huis
+terug. Lieve Marcel, breng mij naar een vriendin van me, die dicht
+bij jou wonen moet!"
+
+Toen zij den Pont Neuf overgingen, barstte Musette in een schaterlach
+uit.
+
+"Wat heb je?" vroeg Marcel.
+
+"Niets," antwoordde Musette; "ik bedenk me daar op eens, dat mijn
+vriendin verhuisd is. Zij woont tegenwoordig in Batignolles!"
+
+Toen Rodolphe Marcel en Musette arm in arm binnen zag komen, was hij
+heelemaal niet verbaasd.
+
+"Als de liefde niet goed begraven is," zeide hij, "is dat altijd het
+slot van het lied!"
+
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XVI.
+
+DE DOORTOCHT DOOR DE ROODE ZEE.
+
+
+Een jaar of vijf, zes werkte Marcel nu reeds aan dat beroemde doek,
+dat volgens zijn bewering de Doortocht door de Roode Zee moest
+voorstellen, en een jaar of vijf, zes reeds weigerde de jury hardnekkig
+dit kleurrijke meesterwerk. Ten gevolge van het heen en weer trekken
+van het atelier naar het Museum en van het Museum naar het atelier
+had het doek den weg dan ook zoo goed leeren kennen, dat het, wanneer
+men het op rolletjes gezet zou hebben, ongetwijfeld in staat geweest
+zou zijn zich alleen naar den Louvre te begeven. Marcel, die het
+tienmaal veranderd en van boven tot beneden omgewerkt had, schreef
+het ostracisme, dat hem jaarlijks den toegang tot den vierkanten
+Salon ontzegde, toe aan een persoonlijke vijandigheid der juryleden
+en had in zijn verloren oogenblikken ter eere van de cerberussen van
+het Instituut een kleinen dictionnaire van scheldwoorden samengesteld,
+die met scherpe en giftige illustraties versierd was. Deze verzameling
+was al heel gauw beroemd geworden en had in de ateliers en in de
+Ecole des Beaux-Arts hetzelfde succes verworven, dat eens ten deel
+gevallen was aan het onsterfelijke klaaglied van Jean Bélin, [32]
+schilder van den sultan van Turkije: alle schildersleerlingen van
+Parijs hadden er een exemplaar van in hun geheugen.
+
+Gedurende langen tijd had Marcel zich door de hardnekkige weigeringen,
+welke bij iedere tentoonstelling aan zijn doek ter deel vielen,
+niet laten ontmoedigen. Hij had zich nu eenmaal in zijn hoofd gezet,
+dat zijn werk, in kleinere verhoudingen dan, het verwachte pendant
+was van de "Bruiloft te Kanaän", dat gigantische meesterwerk, welks
+schitterende kleurenpracht het stof van drie eeuwen niet dof had kunnen
+maken. Ieder jaar zond Marcel dan ook weer tegen de opening van den
+"Salon" zijn doek aan de jury ter beoordeeling. Alleen wijzigde hij,
+om de juryleden op een dwaalspoor te brengen en te trachten het
+vooroordeel, dat zij blijkbaar tegen de "Doortocht van de Roode Zee"
+hadden, op te heffen, telkens een of ander detail, zonder echter
+iets te veranderen aan de compositie in haar geheel, en gaf het doek
+dienovereenkomstig een anderen naam.
+
+Op die wijze kwam de schilderij op een goeden dag als "Overtocht
+over den Rubicon" voor de jury; maar Pharao, die onder den mantel
+van Caesar slecht vermomd was, werd herkend en met alle eer, die hem
+verschuldigd was, afgewezen.
+
+Het volgend jaar bracht Marcel op verschillende punten van het
+linnen witte plekken aan, als zinnebeeld van de sneeuw, plantte in
+een hoek een den, trok een Egyptenaar den uniform van een grenadier
+der keizerlijke garde aan en doopte zijn schilderij: "Overtocht over
+de Beresina."
+
+Doch de jury, die dit jaar haar brillen op de opslagen van haar met
+groene palmtakken versierde rokken goed had schoongeveegd, werd geen
+slachtoffer van deze nieuwe list. Zij herkende het hardnekkige doek
+onmiddellijk en wel aan een groot, bont paard, dat schrikkend voor een
+golf der Roode Zee, steigerde. De robe van dit duivelsche paard werd
+door Marcel gebruikt voor alle proefnemingen, die hij op het gebied
+van coloriet deed, en hij noemde het in vertrouwelijke gesprekken de
+"synoptische tabel der fijne tinten," omdat hij met het spel van licht
+en schaduw op die plaats de meest verschillende kleurencombinaties wist
+aan te brengen. Doch, ongevoelig voor dit détail, had ook ditmaal de
+jury geen zwarte bolletjes genoeg om den "Overtocht over de Beresina"
+te weigeren.
+
+"Goed," zeide Marcel, "dat dacht ik wel. Het volgend jaar zal ik het
+inzenden onder den titel: "Doortocht door de panorama's"."
+
+"Zij zullen voor den gek, gi, ga, gi, ga, gek gehouden worden!" zong
+Schaunard op een nieuwe door hem gecomponeerde melodie, een vreeselijke
+melodie, lawaaierig als een gamma van donderslagen, en waarvan de
+begeleiding de schrik van alle piano's in de buurt was.
+
+"Hoe kunnen zij het weigeren zonder dat al het vermillioen van
+mijn Roode Zee hun op het gelaat komt en het met het scharlaken
+van schaamte bedekt?" mompelde Marcel, terwijl hij naar zijn doek
+keek..... "Wanneer men bedenkt, dat er voor honderd daalders verf en
+een millioen genie op zit, zonder nog te spreken van mijn schoone
+jeugd, die zoo kaal geworden is als mijn vilten hoed. Een ernstig
+werk, dat nieuwe horizonten voor de glazuurkunst opent. Maar zij
+zullen het niet voor de laatste maal gezien hebben; tot aan mijn
+laatsten ademtocht zal ik mijn schilderij inzenden. Ik zal zorgen
+dat het tenminste in hun geheugen gegraveerd blijft!"
+
+"Dat is de zekerste manier, om er gravures van te krijgen," merkte
+Gustave Colline op en voegde er voor zichzelf aan toe: "Een heel
+aardige woordspeling, heel aardig .... die zal ik verder vertellen."
+
+Marcel bleef zijn verwenschingen uitbraken, die Schaunard steeds weer
+op muziek bracht.
+
+"Zij willen mij niet in den Salon toelaten!" riep Marcel uit. "Ha,
+de regeering betaalt ze, geeft ze onderdak en het kruis van het
+Legioen van Eer, alleen maar met het doel, om eens per jaar, den
+eersten Maart, mijn doek te weigeren .... Maar ik zie heel goed,
+wat zij daarmede voor hebben, ik zie het heel goed in; zij hopen,
+dat ik mijn penseelen in stukken zal breken. Zij denken misschien wel,
+dat ik, wanneer zij mijn "Doortocht door de Roode Zee" weigeren, mij
+hals over kop uit het raam van de wanhoop zal storten. Maar zij kennen
+mijn hart al heel slecht, als ze me door zoo'n plompe list hopen te
+vangen. Ik zal voortaan de opening van den Salon niet afwachten. Van
+af heden zal mijn schilderij het Damokles-doek zijn, dat eeuwig boven
+hun leven zal hangen. Ik zal het van nu af eenmaal per week aan een
+van de heeren thuis zenden, in zijn eigen woning, in de schoot van
+zijn familie, midden in het hart van zijn particulier leven. Het zal
+hun huiselijke vreugde vergiftigen; zij zullen daardoor hun wijn
+zuur, hun wild aangebrand, hun vrouwen onuitstaanbaar vinden. Zij
+zullen binnen zeer korten tijd krankzinnig worden; en men zal ze een
+dwangbuis moeten aantrekken om op de zittingsdagen naar den Salon te
+kunnen gaan. Dat denkbeeld lacht mij toe."
+
+Eenige dagen later, toen Marcel zijn vreeselijke wraakplannen tegen
+zijn vervolgers reeds lang weer vergeten had, kreeg hij bezoek van
+vader Médicis. Zoo noemde men in den vriendenkring een Jood, Salomon
+geheeten, die toentertijd heel goed bekend was aan alle artistieke
+en litteraire bohémiens, met wie hij bijna dagelijks in aanraking
+kwam. Vader Médicis schacherde in alles en nog wat. Hij verkocht
+complete ameublementen van twaalf tot duizend daalders. Hij kocht
+alles en wist alles met winst weer kwijt te raken. De wisselbank van
+Proudhon is niets vergeleken bij het door Salomon toegepaste systeem,
+die het schachergenie bezat in een graad, welken zelfs de handigsten
+van zijn geloofsgenooten nog niet bereikt hadden. Zijn winkel op de
+Place du Caroussel was een tooverpaleis, waarin je alles vondt, wat
+je maar noodig hadt. Alle producten der natuur, alle voortbrengselen
+der kunst, alles wat voortkomt uit de ingewanden der aarde en het
+brein der menschen--alles was voor Médicis een handelsobject. Hij
+schacherde in alles, absoluut in alles, wat maar bestaat, hij werkte
+zelfs in het denkbeeldige. Médicis kocht n.l. denkbeelden, hetzij om ze
+zelf te exploiteeren, hetzij om ze weer te verkoopen. Bekend met alle
+schrijvers en alle kunstenaars, vertrouwde van de paletten en vriend
+van den inktpot, was hij om zoo te zeggen de Asmodé der kunsten. Hij
+gaf je sigaren in ruil voor een feuilleton, pantoffels voor een sonnet,
+versche zeevisch voor paradoxen; hij praatte tegen betaling--per
+uur zoo en zooveel--met de journalisten, die stof voor de chronique
+scandaleuse moesten verzamelen; hij bezorgde je toegangskaarten voor
+de kamertribunes en uitnoodigingen voor particuliere soirées; hij
+gaf schildersleerlingen onderdak per nacht, per week of per maand
+en liet zich daarvoor met copieën naar oude meesters in den Louvre
+betalen. De coulissen hadden voor hem geen geheimen. Hij zorgde ervoor,
+dat stukken werden aangenomen door de theaterdirecties. Hij was een
+wandelend adresboek van Parijs en kende de namen, de woonplaatsen en
+de geheimen van alle beroemdheden--zelfs van de meest obscure.
+
+Beter echter dan de uitvoerigste verklaring zullen eenige bladzijden
+uit zijn memoriaal u een denkbeeld kunnen geven van zijn alles
+omvattenden handel:
+
+
+20 Maart 184..
+
+Verkocht aan den antiquair L. het kompas, dat Archimedes
+tijdens het beleg van Syracuse gebruikt heeft. 75 francs
+
+Gekocht van den journalist V. ... de verzamelde, nog
+niet opengesneden werken van * * * *, lid der Académie. 10 francs
+
+Verkocht aan denzelfde een kritisch opstel over
+de verzamelde werken van * * * * lid der Académie. 30 francs
+
+Verkocht aan * * *, lid der Académie, een feuilleton
+van twaalf kolom over zijn verzamelde werken. 50 francs
+
+Gekocht van den schrijver R . . . een kritische verhandeling
+over de verzamelde werken van * * * * , lid der Académie
+française 10 francs
+
+benevens 50 pond steenkool en 2 K.G. koffie.
+Verkocht aan * * * * een porseleinen vaas, die aan madame
+du Barry toebehoord heeft. 18 francs
+
+Gekocht van de kleine D .... haar haar. 15 francs
+
+Gekocht van B .... een verzameling zedestudiën en de drie
+laatste spelfouten van den prefect van de Seine 6 francs
+
+benevens een paar Napolitaansche laarzen
+
+Verkocht aan Mlle. O ..... een blonde haarvlecht. 120 francs
+
+Gekocht van den historieschilder M. een reeks vroolijke
+teekeningen 25 francs
+
+Voor het opgeven aan mijnheer Ferdinand van het uur, waarop
+barones R .... de P..... naar de kerk gaat, en voor het
+verhuren van den kleinen entresol in den faubourg Montmartre,
+te zamen 30 francs
+
+Verkocht aan mijnheer Isidore zijn portret als Apollo 30 francs
+
+Verkocht aan Mlle. R .... een paar kreeften en zes paar
+handschoenen 36 francs
+
+(Ontvangen als voorschot 2 fr. 75 c.)
+
+Voor het verschaffen van een zesmaandsch crediet aan dezelfde
+bij madame * * *, modiste
+
+(Prijs nader overeen te komen)
+
+Voor het verschaffen aan madame * * *, modiste, van Mlle. R
+..... als klant
+
+(In plaats contant geld ontvangen 3 M. zijde en 6 el kant).
+
+Gekocht van den journalist R .... een vordering van
+120 francs op het blad * * *, thans in liquidatie 5 francs
+
+benevens 2 pond Turksche tabak.
+
+Verkocht aan mijnheer Ferdinand twee liefdesbrieven. 12 francs
+
+Gekocht van den schilder J .... het portret van Isidore als
+Apollo. 6 francs
+
+Gekocht van * * * * 75 K.G. van zijn werk over "Onderzeesche
+revoluties" 15 francs
+
+Verhuurd aan gravin de G .... een Saksisch servies 20 francs
+
+Gekocht van den journalist * * * * 52 regels in zijn
+Courrier de Paris 100 francs
+
+Verkocht aan O .... & Co. 52 regels in den Courrier de Paris
+van * * * * 300 francs
+
+Verhuurd aan Mlle. S .... G. .. op één dag een bed en een
+equipage . . . . . memorie
+
+(Zie de rekening van Mlle. S . ... G ..... in het grootboek,
+folio's 26 en 27)
+
+Gekocht van Gustave C .. . een brochure over de
+linnen-industrie 50 francs
+
+benevens een zeldzame editie van Flavius Josephus.
+
+Verkocht aan Mlle. S .... G . . . een modern ameublement 5000 francs
+
+Voor dezelfde een rekening bij den apotheker betaald 75 francs
+
+Idem idem bij de melkvrouw . . . . 3 fr. 85 c.
+
+Enz. enz.
+
+
+Uit deze aanhalingen ziet men duidelijk hoe uitgebreid de
+handelsbetrekkingen van den Jood Médicis waren, die, niettegenstaande
+zijn wijze van zaken doen niet steeds door den beugel kon, nog nooit
+door iemand lastig gevallen was.
+
+Toen de Jood met zijn intelligent gezicht bij de bohémiens binnentrad,
+zag hij dadelijk, dat hij op een voor hem gunstig oogenblik
+kwam. Inderdaad zaten de vier vrienden in krijgsraad bijeen en
+bespraken, onder voorzitterschap van een in hun maag hamerenden honger,
+de hoogst belangrijke brood- en vleeschvraagstukken. Het was een Zondag
+tegen het einde der maand--een rampzalige dag en een sinistere datum.
+
+Het binnenkomen van Médicis werd derhalve met een luid Hoera begroet,
+want ze wisten, dat de Jood te gierig was met zijn tijd, om dien met
+beleefdheidsbezoeken te verspillen. Zijn komst was dan ook steeds
+een zeker bewijs, dat er zaken te doen waren.
+
+"Goedenavond, heeren!" zeide de Jood. "Hoe gaat het?"
+
+"Colline!" riep Rodolphe, die languit op zijn bed lag en zwelgde in
+het genot van een horizontale houding; "Colline, neem jij de honneurs
+waar en geef onzen gast een stoel; een gast is heilig. Ik groet u
+uit naam van Abraham!" voegde de dichter eraan toe.
+
+Colline haalde een fauteuil, die even elastisch als staal was, schoof
+dien naar den Jood toen en zeide gastvrij:
+
+"Stel u een oogenblik voor, dat u Cinna [33] bent, en neem dezen
+zetel."
+
+Médicis liet zich in den fauteuil vallen en wilde enkele opmerkingen
+omtrent de hardheid ervan maken, toen hem nog juist bijtijds te
+binnen schoot, dat hij zelf dien indertijd met Colline geruild had
+voor een beginselverklaring, welke hij verkocht had aan een Kamerlid,
+dat de gave der improvisatie miste. Toen de jood ging zitten, lieten
+zijn zakken een zilveren klank hooren, waarvan de melodie de vier
+bohémiens in zoete droomerijen deed verzinken.
+
+"Laten we nu naar het lied luisteren," fluisterde Rodolphe Marcel
+in. "Het accompagnement is niet kwaad."
+
+"Mijnheer Marcel," zeide Médicis, "ik kom uw fortuin maken. Dat
+wil zeggen, ik kom u een prachtige gelegenheid aanbieden, om u in
+den artistieken wereld te introduceeren. U weet, mijnheer Marcel,
+de kunst is een dorre woestijnweg, waarop de roem een oase is."
+
+"Papa Médicis," zeide Marcel, die op kolen van ongeduld zat; "in naam
+der vijftig procent, uw gebenedijden schutspatroon, wees kort!"
+
+"Ja," voegde Colline eraan toe; "even kort als koning Pepijn, die even
+bondig was als u, want gij moet kort en bondig zijn, zoon van Jacob!"
+
+"Hei, hei, hei!" riepen de bohémiens verschrikt en keken rond, of de
+vloer zich niet opende, om den wijsgeer te verzwelgen.
+
+Doch ditmaal werd Colline nog niet verzwolgen.
+
+"De zaak is deze," ging Médicis voort. "Een rijke liefhebber, die een
+galerij verzamelt, welke een tournée door Europa moet maken, heeft
+mij opgedragen een reeks interessante schilderijen voor hem aan te
+koopen. Ik kom u nu voorstellen u in dat museum een plaatsje in te
+ruimen; in één woord: ik wil uw "Doortocht door de Roode Zee" koopen."
+
+"A contant?" vroeg Marcel.
+
+"A contant," antwoordde de Jood en liet het orkest in zijn broekzak
+weer spelen.
+
+"Ben je nou tevreden?" vroeg Colline.
+
+"Natuurlijk," zeide Rodolphe woedend; "we moeten waarachtig een paar
+bittere pillen koopen, om dien kerel zijn mond te stoppen. Zie je
+dan niet, lummel, dat hij met daalders spreekt? Bestaat er dan niets
+heiligs voor jou, vervloekte atheïst?"
+
+Colline klom op een tafel en nam de houding van Harpokrates, den god
+van het zwijgen, aan.
+
+"Ga verder, Médicis," zeide Marcel en wees op zijn schilderij:
+"Ik wil u de eer laten zelf den prijs van dit werk, dat eigenlijk
+onbetaalbaar is, te bepalen."
+
+De Jood legde vijftig nieuwe daalders op de tafel neer.
+
+"Dat is de voorhoede," zeide Marcel; "en wat verder?"
+
+"Mijnheer Marcel," zeide Médicis, "u weet heel goed, dat mijn eerste
+woord ook altijd mijn laatste is. Ik geef geen sou meer. Denk eens
+goed: 50 daalders, dat is 150 francs. Dit is een heele som, wat?"
+
+"Maar te weinig," antwoordde de artist; "alleen aan den mantel van
+Pharao zit voor meer dan vijftig daalders kobalt. Betaal tenminste
+het maakloon. Maak de stapeltjes gelijk, rond de som af en ik zal u
+Leo X noemen, Leo X bis."
+
+"Ziehier mijn laatste woord," antwoordde Médicis; "ik doe er geen sou
+bij, maar ik bied u alle vier een diner aan, wijn zooveel als u lust,
+en bij het dessert betaal ik in goud."
+
+"Niemand meer?" brulde Colline en sloeg driemaal met zijn vuist op
+tafel. "Eenmaal, andermaal; niemand meer? ten derden male!"
+
+"Nou goed dan!" zeide Marcel.
+
+"Ik zal morgen de schilderij laten halen," zeide de Jood. "En nu mee,
+mijne heeren, de tafel is gedekt!"
+
+Onder het zingen van het koor uit de Hugenooten: "A table, à
+table!" gingen de vier vrienden naar beneden.
+
+Médicis onthaalde de bohémiens op zeer royale manier. Hij liet hun een
+groot aantal gerechten voorzetten, die tot nog toe voor hen onbekende
+grootheden geweest waren. Na dit diner was kreeft niet langer een
+mythe voor Schaunard, die voor deze amphibie een hartstocht opvatte,
+welke dicht aan waanzin grensde.
+
+De vier vrienden verlieten het festijn dronken als waren zij op een
+wijnoogstfeest geweest. Deze dronkenschap had bijna betreurenswaardige
+gevolgen voor Marcel, die, toen hij 's morgens om twee uur voorbij
+zijn kleermaker kwam, met alle geweld zijn schuldeischer wilde wekken,
+om hem de honderd vijftig francs, die hij zoo pas ontvangen had,
+op afrekening te geven. Een sprankje gezond verstand, dat nog in
+Colline's geest over was, redde den kunstenaar nog juist op den rand
+van den afgrond.
+
+Acht dagen later zag Marcel in welke galerij zijn doek een plaatsje
+gekregen had. Toen hij door den faubourg Saint Honoré liep, stootte hij
+op een troepje menschen, dat blijkbaar met alle aandacht toekeek hoe er
+aan een winkel een uithangbord werd aangebracht. Dit uithangbord was
+niets meer of minder dan de schilderij van Marcel, die door Médicis
+aan een delicatessenhandelaar verkocht was. Alleen had de "Doortocht
+door de Roode Zee" nog een nieuwe verandering ondergaan en weer een
+anderen naam gekregen. Er was nog een stoomschip bij geschilderd en
+het doek heette nu: "In de haven van Marseille." Toen het doek onthuld
+werd, liet de nieuwsgierige menigte een gemompel van goedkeuring en
+bewondering hooren.
+
+Verrukt over dezen triomf, keerde Marcel zich om en zeide tot zichzelf:
+
+"De stem van het volk is de stem van God!"
+
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XVII.
+
+HET TOILET DER GRATIËN.
+
+
+Op een goeden morgen werd Mimi, die anders gewoon was tot diep in den
+ochtend te slapen, reeds op klokslag van tien uur wakker en scheen heel
+verbaasd Rodolphe noch naast zich noch in de kamer te zien. Den vorigen
+avond had zij hem, voor zij in slaap viel, toch aan zijn schrijftafel
+zien zitten, waaraan hij van plan was den geheelen nacht te blijven
+werken aan een extra-litterairen arbeid, die hem opgedragen was en
+waarbij, als hij gereed was, Mimi zeer veel belang had. De dichter
+had zijn vriendinnetje namelijk beloofd haar van de opbrengst van
+zijn werk een bepaalde voorjaarsjapon te koopen, waarvan zij een
+coupon had zien liggen in "De Twee Apen", een bekend modemagazijn,
+voor welks etalages Mimi's coquetterie haar godsdienstige plichten
+dikwijls ging vervullen. Sedert Rodolphe met het werk begonnen was,
+nam de voortgang ervan al de gedachten van Mimi in beslag. Dikwijls
+ging zij vlak bij den schrijvenden Rodolphe staan, keek over zijn
+schouder en zeide dan heel ernstig:
+
+"Nou, en hoe staat het met mijn japon?"
+
+"Wees maar gerust hoor, er is al een mouw klaar!"
+
+Toen zij op een goeden nacht hoorde hoe Rodolphe met zijn vingers
+klapte, wat meestal een bewijs was, dat hij tevreden was over zijn
+werk, ging zij plotseling rechtop in bed zitten, en riep, terwijl
+zij haar bruin kopje door de gordijnen stak:
+
+"Is mijn japon af?"
+
+"Kijk maar", antwoordde Rodolphe en liet haar vier groote,
+dichtbeschreven zijdjes zien; "ik heb zooeven den corsage gekocht."
+
+"Heerlijk!" riep Mimi. "Nu ontbreekt alleen de rok nog maar; hoeveel
+blaadjes heb je noodig om een rok te maken?"
+
+"Dat hangt ervan af; maar daar jij niet groot bent, zullen we met een
+blaadje of tien van vijftig regels à drie-en-dertig letters een heel
+fatsoenlijken rok kunnen hebben."
+
+"Ik ben niet groot, dat is zoo," zeide Mimi; "maar het mag toch niet
+den schijn hebben, alsof we stof te kort kwamen: de rokken worden op
+het oogenblik heel wijd gedragen en ik zou graag mooie groote plooien
+hebben, die zoo aardig frou-frou maken, wanneer je loopt."
+
+"Heel goed hoor," antwoordde Rodolphe ernstig, "ik zal tien letters
+meer op een regel zetten, dan kan jij je frou-frou krijgen."
+
+En overgelukkig sliep Mimi weer in.
+
+Daar zij zoo onvoorzichtig geweest was met haar vriendinnen Musette
+en Phémie te spreken over de mooie japon, die Rodolphe bezig was voor
+haar te maken, hadden de twee jonge meisjes al heel gauw de heeren
+Marcel en Schaunard in kennis gesteld met de vrijgevigheid van hun
+vriend tegenover zijn liefje; welke vertrouwelijke mededeelingen al
+even spoedig gevolgd waren door ondubbelzinnige toespelingen om het
+door den dichter gegeven voorbeeld na te volgen.
+
+"Wanneer het namelijk nog acht dagen zoo duurt," zeide Musette en
+trok daarbij aan de snor van Marcel, "dan zal ik me verplicht zien
+een broek van je te leenen, wanneer ik uit wil gaan."
+
+"Ik moet nog vijftien francs van een solide firma hebben," antwoordde
+Marcel; "zoodra ik die som krijg, zal ik een vijgeblad naar de nieuwste
+mode voor je koopen."
+
+"En wat krijg ik?" vroeg Phémie aan Schaunard. "Mijn peigne noir
+(zij kon het woord peignoir niet uitspreken) valt aan flarden."
+
+Schaunard vischte drie sous uit zijn vestjeszak op en gaf die aan
+zijn maîtresse met de woorden:
+
+"Hier kan je naald en draad voor koopen. Naai daar je peigne noir
+maar mee, dat zal je kennis vermeerderen en je tevens aangenaam bezig
+houden: utile dulci."
+
+Toch kwamen in een zeer in het geheim gehouden bijeenkomst Marcel en
+Schaunard met Rodolphe overeen, dat ieder van zijn kant zou trachten
+de rechtmatige ijdelheid van hun vriendinnetjes te bevredigen.
+
+"Een kleinigheid maakt die arme kinderen al mooi," had Rodolphe gezegd;
+"maar die kleinigheid moeten zij dan ook hebben. Sedert eenigen tijd
+gaat het met de schoone kunsten en de litteratuur zeer naar wensch;
+we verdienen bijna even veel als pakjesdragers."
+
+"Dat is zoo," antwoordde Marcel, "ik heb niet te klagen: de schoone
+kunsten verheugen zich in een ongekenden bloei; je zoudt bijna denken
+in den tijd van Leo X te leven."
+
+"Dat is waar ook," viel Rodolphe hem in de rede, "Musette heeft mij
+verteld, dat je de laatste acht dagen 's morgens vroeg al weggaat en
+pas met het vallen van den avond thuiskomt. Heb je werkelijk zooveel
+te doen?"
+
+"Een prachtig werk, mijn waarde! Médicis heeft het mij bezorgd. Ik maak
+n.l. in de kazerne Ave Maria de portretten van achttien grenadiers
+tegen gemiddeld 6 francs per stuk, met een éénjarige garantie voor
+de gelijkenis, net als bij horloges. Ik hoop het heele regiment tot
+klant te krijgen. Het was juist mijn voornemen Musette weer eens
+op te tuigen, zoodra Médicis mij betaald heeft, want met hem heb ik
+gecontracteerd, niet met de modellen."
+
+"En wat mij betreft," zeide Schaunard langs zijn neus weg, "ik heb,
+al zou je het niet zeggen, tweehonderd francs ergens liggen."
+
+"Laat ze dan voor den donder opstaan!" riep Rodolphe.
+
+"Binnen een paar dagen hoop ik ze bij den bankier te gaan halen,"
+ging Schaunard verder; "en ik wil het voor jullie niet onder stoelen
+en banken steken, dat het mijn plan is om, wanneer ik ze in ontvangst
+genomen heb, aan enkele van mijn hartstochten den vrijen teugel te
+laten. Bij den uitdrager hier vlak naast hangen n.l. een nangkin rok
+en een jachthoren, die me reeds lang de oogen uitsteken. Die zal ik
+me zeker zelf cadeau doen."
+
+"Maar," vroegen Marcel en Rodolphe tegelijk, "waar hoop je dat
+reusachtige kapitaal vandaan te krijgen?"
+
+"Luistert, heeren," zeide Schaunard, terwijl hij met een ernstig
+gezicht tusschen zijn twee vrienden ging zitten; "we behoeven
+elkaar niet te verhelen, dat we, voor we lid van het Instituut en
+belastingplichtig worden, nog een aardig stukje roggebrood zullen
+moeten naar binnen werken, en het dagelijksch brood is moeilijk te
+verdienen. Bovendien zijn we niet alleen; waar de hemel ons met een
+liefderijk hart geschapen heeft, heeft ieder van ons zijn tweede ik
+gekozen, om zijn lot met haar te deelen."
+
+"Waar natuurlijk een niet op gevallen is," viel Marcel hem in de rede.
+
+"Nu is het," ging Schaunard voort, "zelfs al betracht je de grootste
+zuinigheid, beslist onmogelijk, wanneer je niets hebt, nog wat over te
+leggen, vooral niet wanneer je honger altijd grooter is dan de schaal."
+
+"Waar wil je eigenlijk op neer komen?" vroeg Rodolphe.
+
+"Hierop", antwoordde Schaunard, "dat wij in onzen tegenwoordigen
+toestand al heel verkeerd zouden doen, om onzen neus op te halen,
+wanneer er zich, zelfs buiten het gebied van onze kunst, een
+gelegenheid voordoet, om een cijfer te zetten voor de nul, die ons
+maatschappelijk kapitaal vertegenwoordigt."
+
+"Hei, hei!" zeide Marcel, "wien van ons kan jij verwijten, dat hij zijn
+neus ophaalt? Heb ik, hoe groot schilder ik mettertijd ook zal zijn,
+er niet in toegestemd mijn penseel te offeren aan een schilderachtige
+reproductie van Fransche krijgers, die mij van hun zakgeld betalen? Ik
+zou zoo denken, dat ik niet aarzel af te dalen van den ladder van
+mijn toekomstige grootheid!"
+
+"En ik dan?" zeide op zijn beurt Rodolphe; "weet je niet, dat ik sinds
+veertien dagen aan een medisch-chirurgisch-osanorisch gedicht bezig
+ben voor een beroemden tandarts, die mijn inspiratie subsidieert met
+vijftien sous voor een dozijn Alexandrijnen, dat is iets meer dan voor
+een dozijn oesters? .... En toch schaam ik me daar niet voor; voor ik
+mijn Muze werkeloos zou laten, zou ik nog liever het adresboek van
+Parijs op rijm brengen. Wanneer je een lier hebt, dan moet je die,
+duivels nog toe, gebruiken ook .... En bovendien heeft Mimi hard
+schoenen noodig."
+
+"Dan zult ge mij er niet hard om vallen, wanneer je hoort, uit
+welken bron de Pactolus, waarvan ik een overstrooming verwacht,
+ontsprongen is."
+
+De geschiedenis van Schaunards tweehonderd francs was de volgende:
+
+Een dag of veertien geleden was hij binnengeloopen bij een
+muziekuitgever, die hem beloofd had hem bij zijn klanten muzieklessen
+of een plaats als pianist te bezorgen.
+
+"Bliksems," zeide de uitgever, toen hij hem binnen zag komen, "u komt
+als geroepen. Er is mij juist vandaag om een pianist gevraagd. Het
+is een Engelschman. Ik geloof, dat hij goed betalen zal .... Bent u
+werkelijk een goed pianist?"
+
+Schaunard dacht, dat een bescheiden optreden hem in de achting van
+zijn uitgever zou kunnen doen dalen. Een musicus, vooral een pianist,
+en bescheiden .... dat is een weinig voorkomende combinatie. Schaunard
+antwoordde dan ook met veel aplomb:
+
+"Ik ben een prima-pianist; als ik de tering, lange haren en een
+zwarten rok had, zou ik op dit oogenblik even beroemd zijn als de zon,
+en zoudt u, in plaats van aan mij achthonderd francs te vragen voor
+het drukken der partituur van de "Dood van de jonge maagd", mij op
+uw knieën en in een zilveren schaal er drieduizend komen aanbieden.
+
+"Doch hoe het zij," ging de kunstenaar voort, "een feit is het, dat,
+waar mijn vingers reeds tien jaar lang dwangarbeid op de toetsen
+verrichten, ik het ivoor en de kruisen vrij goed weet te behandelen."
+
+De persoon, tot wien Schaunard verwezen werd, was een Engelschman,
+Mr. Birn'n geheeten. De musicus werd het eerst in ontvangst genomen
+door een blauwen lakei, die hem aan een groenen lakei overhandigde,
+welke op zijn beurt hem weer overgaf aan een zwarten lakei, die hem
+in een salon bracht, waar hij een eilandbewoner tegenover zich zag,
+die in de houding van een spleenlijder, waardoor hij aan Hamlet
+deed denken, peinzend over de nietswaardigheid van ons bestaan,
+in een fauteuil weggedoken zat. Juist wilde Schaunard het doel
+van zijn komst uiteenzetten, toen doordringende kreten zich lieten
+hooren en hem de woorden afsneden. Dit vreeselijke gekrijsch, dat je
+trommelvlies bijna deed scheuren, werd uitgestooten door een papegaai,
+die op het balcon van de benedenverdieping op zijn stok zat.
+
+"O, deze beest, deze beest!" jammerde de Engelschman, die uit zijn
+fauteuil opsprong. "Hij zal doen sterven mij."
+
+En op hetzelfde oogenblik begon de vogel zijn repertoire af
+te krijschen, dat veel uitgebreider was dan dat van gewone
+papegaaien. Schaunard bleef stom verbaasd staan, toen hij het dier,
+op bevel van een vrouwelijke stem, de eerste verzen van het verhaal
+van Théramène [34] met de intonaties, die op het Conservatoire geleerd
+worden, hoorde voordragen.
+
+Deze papegaai was de lieveling van een actrice, wier boudoir
+toentertijd zeer gezocht was. Het was een van die vrouwen, welke,
+zonder dat men weet waarom of hoe, op den turf der galanterie
+tot waanzinnige prijzen genoteerd zijn en wier naam op de menu's
+van vrijgezellensoupers staat, waar zij als levend dessert dienst
+doen. In onzen tijd staat het voor een Christen "gekleed" om gezien
+te worden in het gezelschap van zulke heidinnen, die dikwijls niets
+antieks hebben behalve haar geboortebewijs. Wanneer zij knap zijn,
+zit er per slot van rekening nog zooveel kwaad niet bij: het ergste,
+dat je riskeert, is dat je eens op stroo moet slapen, omdat je haar
+een palissanderhouten ameublement gegeven hebt. Maar wanneer ze haar
+schoonheid bij het ons in parfumeriewinkels koopen en deze niet bestand
+is tegen drie druppels water op een lapje, wanneer haar geestigheid
+ophoudt bij een café-chantant-couplet en haar talent zetelt in de
+hand van een claqueur, dan is het bijna onbegrijpelijk hoe menschen
+van stand, die soms geest, een naam en een nieuw-modisch pak hebben,
+zich uit liefde tot het laag-bij-den-grondsche zoo laten medeslepen,
+dat zij schepsels, die hun huisknecht niet als liefje zou willen
+hebben, tot een mode-voorwerp verheffen.
+
+De hier bedoelde actrice nu behoorde tot die modeschoonheden. Zij
+noemde zich Dolorès en gaf zich uit voor een Spaansche, hoewel zij
+geboren was in het Parijsche Andalusië, dat de rue Coquenard [35]
+heet. Ofschoon de afstand tusschen de rue Coquenard en de rue de
+Provence slechts tien minuten bedraagt, had zij toch zeven à acht
+jaar noodig gehad om dien weg af te leggen. Haar voorspoed was
+toegenomen in denzelfden mate als haar schoonheid afgenomen was. Zoo
+had zij op den dag, dat zij haar eersten valschen tand liet inzetten,
+één paard, en den dag, dat zij een tweeden een buurman gaf, twee
+paarden. Thans leefde zij op zeer grooten voet, woonde in een paleis,
+gaf op de wedrennen te Longchamp de mode aan en organiseerde bals,
+waarop geheel Parijs tegenwoordig was, d.w.z. het geheele Parijs van
+die dames: de nietsdoende hovelingen van de lichtzinnigheid en van het
+schandaal, de lansquenetspelers en paradoxenjagers; zij, die met ledige
+hoofden rondboemelen en hun eigen tijd en die van anderen verspillen;
+de bravi der ontucht, de valsche adel, de ridders van geheimzinnige
+orden, die geheele bohème, waarvan men niet weet vanwaar zij komt en
+waar zij heen gaat; al die slechtbefaamde en beruchte schepsels; al
+die Eva's-dochteren, welke vroeger de lichaamsvrucht van haar moeder
+op een stalletje verkochten en deze nu in elegante boudoirs te koop
+aanbieden; dat geheele van de wieg tot het graf in het vuil wentelende
+ras, dat men bij de premières vindt met Golconda op het voorhoofd
+en Tibet op de schouders, en waarvoor toch de eerste viooltjes der
+lente en de eerste liefde der jonge mannen bloeien. Al die menschen,
+welke de couranten tout Paris noemen, verkeerden in de salons van
+mademoiselle Dolorès, de meesteres van de bovenbedoelde papegaai.
+
+Deze vogel, dien zijn oratorische talenten in den geheelen wijk
+beroemd gemaakt hadden, was langzamerhand de schrik der naaste buren
+geworden. Van zijn stang op het balcon maakte hij een tribune, vanwaar
+hij van 's morgens vroeg tot 's avonds laat eindelooze redevoeringen
+hield. Enkele met zijn meesteres bevriende journalisten hadden hem een
+paar parlementaire spreekwijzen geleerd, waardoor het dier buitengewoon
+sterk in de suikerquaestie was. Hij kende het repertoire der actrice
+van buiten en declameerde het zòò goed, dat hij in geval van ziekte
+desnoods haar rollen zou kunnen opnemen. Daar deze bovendien een
+polyglotte in haar gevoelens was en uit alle oorden der wereld
+bezoeken ontving, sprak de papegaai alle talen en ging zich soms
+in alle idiomen te buiten aan vloeken en verwenschingen, welke den
+schippersknechts, aan wie Vert-Vert [36] zijn al te geavanceerde
+opvoeding te danken had, het schaamrood naar de wangen gejaagd zoude
+hebben. Het gezelschap van dien vogel, dat de eerste tien minuten
+leerzaam en amusant kon zijn, werd een ware kwelling, wanneer het
+langer duurde. De buren hadden reeds meermalen geklaagd, doch de
+actrice had er geen oor voor gehad. Twee of drie huurders, eerzame
+familievaders, hadden in hun verontwaardiging over de lichte zeden
+der actrice, waarin de indiscreties van den papegaai ze had ingewijd,
+zelfs hun huur opgezegd aan den huiseigenaar, dien Dolorès in zijn
+zwakke zijde had weten te tasten.
+
+De Engelschman, bij wien we Schaunard hebben zien binnenkomen, had
+drie maanden lang geduld geoefend.
+
+Op een goeden dag echter hulde hij zijn woede, die eindelijk
+uitgebarsten was, onder een rok en witte das en liet zich met al
+de plichtplegingen, die noodig zijn om te Windsor bij koningin
+Victoria voor den handkus te worden toegelaten, bij mademoiselle
+Dolorès aanmelden.
+
+Toen deze hem zag binnenkomen, dacht zij eerst, dat het Hoffmann [37]
+in zijn kostuum van lord Spleen was, en noodigde hem, daar zij een
+collega goed wilde ontvangen, uit bij haar te blijven déjeuneeren. De
+Engelschman echter antwoordde in een Fransch, dat een Spaansche réfugié
+hem in vijf-en-twintig lessen geleerd had, met den grootsten ernst:
+
+"Ik neem aan uw uitnoodiging op voorwaarde, dat wij zullen opeten dien
+.... vreeselijken vogel," en hij wees op de kooi van den papegaai,
+die reeds den eilandbewoner in hem geroken had en hem met het "God
+save the King" begroette.
+
+Dolorès dacht, dat de Engelschman gekomen was, om haar voor den gek
+te houden, en wilde juist een heftig antwoord geven, toen Mr. Birn'n
+eraan toevoegde:
+
+"Daar ik ben zeer rijk, ik vogel wel koopen wil."
+
+Dolorès antwoordde, dat zij zeer gehecht was aan het dier en het niet
+in de handen van een ander wilde zien overgaan.
+
+"O, ik wil het ook niet hebben in mijne handen, maar onder mijne
+voeten!" zeide de Engelschman en liet den hak van zijn laarzen zien.
+
+Dolorès beefde van woede en wilde in verontwaardiging losbarsten,
+toen zij aan den vinger van den Engelschman een ring zag, waarvan de
+diamant misschien wel een rente van vijf-en-twintighonderd francs
+vertegenwoordigde. Die ontdekking werkte als een stortbad op haar
+woede. Zij bedacht, dat het niet verstandig zou zijn het aan den stok
+te krijgen met een man, die vijftigduizend francs aan zijn pink droeg.
+
+"Goed, mijnheer!" zeide zij dan ook; "als de arme Coco u last
+veroorzaakt, zal ik hem in de achterkamer zetten; op die manier zult
+u hem niet meer kunnen hooren."
+
+Het gezicht van den Engelschman helderde eenigszins op.
+
+"Maar toch," zeide hij en liet nogmaals zijn schoenen zien, "zou ik
+liever ...."
+
+"Wees maar niet bang," viel Dolorès hem in de rede; "van de plek,
+waar ik hem zetten zal, kan hij milord onmogelijk lastig vallen."
+
+"O, ik niet ben milord .... ik enkel ben esquire."
+
+Toen echter Mr. Birn'n zich, na een stijve buiging gemaakt te
+hebben, wilde terugtrekken, nam Dolorès, die haar belangen onder alle
+omstandigheden in het oog hield, van een hoektafeltje een klein pakje
+en zeide:
+
+"Mijnheer, vanavond wordt in den * * * Schouwburg mijn
+benefice-voorstelling gegeven. Ik moet in drie stukken optreden. Zoudt
+u mij willen toestaan u een paar loges aan te bieden. De prijs der
+plaatsen is slechts weinig verhoogd."
+
+En met die woorden drukte zij den eilandbewoner een tiental
+loge-biljetten in de hand.
+
+"Nu ik zoo bereidwillig geweest ben hem een dienst te bewijzen," dacht
+zij bij zichzelf, "is het voor hem, als hij tenminste een welopgevoed
+iemand is, onmogelijk mij dit te weigeren; en wanneer hij mij in mijn
+rood costuum ziet .... je kan nooit weten .... we wonen zoo vlak naast
+elkaar .... de diamant, dien hij aan zijn pink draagt, is de voorhoede
+van een millioen. Nou ja, hij is wel leelijk en erg vervelend, maar
+dat zal mij gelegenheid geven om zonder zeeziekte naar Londen te gaan."
+
+Nadat de Engelschman de toegangsbewijzen in zijn zak gestoken had,
+liet hij zich het doel, waarvoor zij bestemd waren, nog eens verklaren
+en vroeg dan naar den prijs.
+
+"De loge kost zestig francs en u hebt er tien .... Maar het heeft geen
+haast," voegde Dolorès eraan toe, toen zij zag, dat de Engelschman zijn
+portefeuille voor den dag wilde halen; "ik hoop, dat u, als buurman,
+mij van tijd tot tijd wel een bezoek zult brengen."
+
+Doch Mr. Birn'n antwoordde:
+
+"Ik niet houd van zaken op crediet;" en hij nam een billet van duizend
+francs uit zijn zak, legde het op tafel en stak de toegangsbewijzen
+in zijn portefeuille.
+
+"Ik zal u teruggeven," zeide Dolorès en opende een kastje, waarin
+zij haar geld bewaarde.
+
+"O, neen," zeide de Engelschman; "dat is drinkgeld," en hij ging heen,
+Dolorès, die door die woorden met stomheid geslagen was, alleen latend.
+
+"Drinkgeld!" riep zij uit, toen zij haar spraak teruggekregen had. "Wat
+een lomperd! Ik zal hem zijn geld teruggeven."
+
+Doch deze grofheid van Mr. Birn'n had slechts de opperhuid van haar
+trots gekwetst; bij nadere overweging werd zij kalmer; zij bedacht
+zich, dat twintig louis d'or toch een aardig sommetje vormden, en
+dat zij vroeger voor heel wat minder geld veel meer had moeten slikken.
+
+"Ach wat," zeide zij tot zichzelf; "je moet niet zoo trotsch
+zijn. Niemand heeft mij gezien en vandaag komt juist mijn
+waschvrouw. En bovendien radbraakt die Engelschman onze taal zoo,
+dat hij misschien wel gedacht heeft mij een complimentje te maken."
+
+En vroolijk deed Dolorès haar twintig louis achter slot en
+grendel. Doch na de voorstelling kwam zij woedend thuis. Mr. Birn'n had
+de toegangsbewijzen niet gebruikt en de tien loges waren leeg gebleven.
+
+Toen zij dan ook om half een het tooneel betrad, las de ongelukkige
+beneficiante op het gezicht van haar coulissen-"vriendinnen" heel
+duidelijk, hoe zij zich verkneukelden, dat de zaal zoo leeg was.
+
+Zij hoorde zelfs, hoe een vriendelijke collega, terwijl zij op de
+leege loges wees, tot een andere zeide:
+
+"Die arme Dolorès heeft een leeg huis."
+
+"In de loges zit bijna niemand."
+
+"En in het orkest geen kip!"
+
+"Lieve Hemel; haar naam op het affiche werkt als een luchtpomp."
+
+"En dan nog zoo verwaand, om de prijzen te verhoogen."
+
+"Een mooie benefiet. Ik wed, dat de recette in een spaarpot of in
+een hiel van een kous kan."
+
+"Daar is ze met haar fameus costuum met rood fluweelen linten."
+
+"Zij ziet er uit als een gekookte kreeft."
+
+"Hoeveel heb jij met je laatste benefiet gemaakt?" vroeg een der
+actrices aan haar vriendin. "Ik heb slechts zes francs overgehouden;
+de rest heeft mijn modiste genomen. Als ik niet bang was voor
+winterkloven, dan zou ik naar St. Petersburg gaan."
+
+"Wat? Nog geen dertig jaar en dan wil je al naar Rusland gaan!"
+
+"Wat zal ik je zeggen? En is jouw benefiet gauw?"
+
+"Over veertien dagen. Ik heb al voor duizend daalders verkocht,
+ongerekend de cadetten."
+
+"Kijk eens, de stalles loopen leeg."
+
+"Omdat Dolorès zingt."
+
+Inderdaad bracht Dolorès, even rood als haar kostuum, haar niet aan te
+hooren coupletten eruit. Toen zij met groote moeite het slot bereikt
+had, werden haar twee bloemruikers toegeworpen door twee vriendinnen
+(eveneens actrices), die zich over haar baignoire heen bogen en riepen:
+
+"Bravo, Dolorès!"
+
+Men kan zich voorstellen hoe woedend zij was. Zoodra zij op haar
+kamer kwam, opende zij, hoewel het midden in den nacht was, het
+raam en maakte Coco wakker, die op zijn beurt Mr. Birn'n weer wekte,
+die in vol vertrouwen op het woord der actrice was gaan slapen.
+
+Van dien dag af was de oorlog tusschen de actrice en den Engelschman
+uitgebroken: een oorlog op leven en dood, een oorlog zonder
+wapenstilstand of rust, waarin de beide betrokken deelnemers voor
+geen kosten of moeiten terugdeinsden. De papegaai, die door Dolorès
+diensovereenkomstig opgeleid werd, had een ernstige studie gemaakt van
+de tale Albions en braakte nu den geheelen dag door met zijn scherpste
+faussettonen vloeken tegen zijn buurman uit. Dat was inderdaad iets
+onverdragelijks. Dolorès zelf leed eronder, maar zij hoopte dat
+dit Mr. Birn'n binnen enkele dagen tot den aftocht zou dwingen:
+dat toch was het doel, dat haar eigenliefde zich gesteld had. De
+eilandbewoner van zijn kant had allerlei middelen uitgedacht om zich
+te wreken. Om te beginnen had hij in zijn salon een trommel-academie
+gesticht, maar de commissaris van politie had daarover zijn veto
+uitgesproken. Toen had hij, met den dag vindingrijker wordend, een
+schietbaan voor pistool aangelegd; dagelijks verschoten zijn bedienden
+minstens vijftig schijven. Weer kwam de commissaris tusschenbeide
+en maakte hem opmerkzaam op een artikel uit de politieverordening,
+waarbij het gebruik van vuurwapen in bewoonde huizen strafbaar
+gesteld was. Mr. Birn'n liet het vuren dus staken. Maar acht dagen
+later merkte mademoiselle Dolorès dat het in haar appartementen
+regende. Ten gevolge daarvan stelde de huiseigenaar een onderzoek in
+bij Mr. Birn'n, dien hij aantrof juist op het oogenblik, dat hij op
+het punt stond een zeebad te nemen in zijn salon. De wanden van dit
+vrij groote vertrek waren n.l. in de rondte met zinken platen bekleed;
+alle deuren waren toegespijkerd; en in dat geïmproviseerde bassin
+had men in een honderd drachten water een vijfhonderd centenaars zout
+vermengd. Het was een echte Oceaan in het klein. Niets ontbrak eraan,
+zelfs de visschen niet. Door een in het bovenpaneel van de middendeur
+aangebrachte opening kon men in dit zeetje afdalen en Mr. Birn'n nam
+op die wijze dagelijks een bad. Na korten tijd begon men in den wijk
+de werkingen van eb en vloed waar te nemen, terwijl mademoiselle
+Dolorès een halven duim water in haar slaapkamer had staan.
+
+De huisheer werd woedend en dreigde Mr. Birn'n met een proces tot
+schadevergoeding voor de in zijn pand aangerichte verwoesting.
+
+"Ik dan niet heb het recht in mijn huis mij te baden?"
+
+"Neen, mijnheer!"
+
+"Als ik niet heb het recht, dan goed," zeide de Engelschman vol
+eerbied voor de wet van het land, waarin hij leefde. "Het is jammer,
+ik amuseerde zoo mij."
+
+En denzelfden avond nog gaf hij order zijn Oceaan te laten
+leegloopen. Het was inderdaad hoog tijd: op den vloer had zich reeds
+een oesterbank gevormd.
+
+Doch daarom had Mr. Birn'n den strijd niet opgegeven; integendeel
+hij zocht naar een wettig middel tot voortzetting van dezen zeldzamen
+oorlog, die het onderwerp van gesprek uitmaakte van geheel Parijs, want
+de tijding van dit avontuur had zich spoedig in de schouwburg-foyers
+en andere openbare plaatsen verspreid. Het was dus voor Dolorès
+een eere-zaak om als overwinnares uit dezen strijd, die reeds tot
+verschillende weddenschappen aanleiding gegeven had, te voorschijn
+te treden.
+
+Mr. Birn'n was toen op het denkbeeld van den piano gekomen. Dat was
+zoo'n kwaad denkbeeld niet: het nietswaardigste van alle instrumenten
+was zonder twijfel in staat den strijd aan te binden tegen den
+nietswaardigsten van alle vogels. Zoodra dat goede denkbeeld
+bij hem opgekomen was, had de Engelschman zich gehaast het ten
+uitvoer te brengen. Hij had een piano gehuurd en daarbij een pianist
+gevraagd. Die pianist nu was, zooals men zich herinneren zal, onze
+vriend Schaunard. De Engelschman wijdde hem dadelijk in alle hem
+door den papegaai van zijn buurvrouw aangedane martelingen in en
+stelde hem ook in kennis met alles wat hij reeds geprobeerd had om
+de actrice tot overgave te dwingen.
+
+"Maar milord," zeide Schaunard; "er bestaat toch een heel eenvoudig
+middel om dat beest uit den weg te ruimen; peterselie. Alle
+scheikundigen zijn het volkomen eens, dat deze soepplant Pruisisch
+zuur voor die dieren is; strooi dus wat fijngehakte peterselie op uw
+tapijten en laat die uit het raam boven de kooi van Coco uitkloppen:
+hij zal daar even zeker aan sterven als wanneer hij te dineeren
+gevraagd was bij paus Alexander VI."
+
+"Daar ik wel aan heb gedacht," antwoordde Mr. Birn'n, "maar de dier
+wordt bewaakt; de piano is zekerder."
+
+Schaunard, die den Engelschman in den beginne niet begreep, keek hem
+verwonderd aan.
+
+"Luister eens wat ik bedacht heb. De comediante en haar dier slapen
+tot 's middags twaalf uur. Volg nu goed mijn redeneering ..... Ik
+van plan ben haar te storen in haar slaap. De wet van dit land mij
+toestaat te maken muziek van den ochtend tot den avond. Begrijpt u,
+wat ik verwacht van u?"
+
+"Maar de actrice zal het heusch niet zoo onaangenaam vinden om mij
+den geheelen dag piano te hooren spelen, en dat nog wel gratis,"
+meende Schaunard. "Ik ben een eerste klas pianist en wanneer ik tering
+had ....."
+
+"Ho, ho!" viel de Engelschman hem in de rede; "ik u ook niet zeg
+te maken goede muziek. U moet maar slaan op het instrument. Zoo
+bijvoorbeeld ....." en Mr. Birn'n probeerde een gamma te spelen;
+"en altijd hetzelfde, altijd hetzelfde, meedoogenloos, mijnheer
+de muzikant, altijd weer de gamma. Ik weet wat van geneeskunde,
+dat maakt krankzinnig. Zij zullen daar beneden krankzinnig worden,
+daarop ik reken. Neem plaats aan het instrument, mijnheer; ik betalen
+zal u goed."
+
+"Dit nu," zeide Schaunard, die al de bijzonderheden, welke men
+hierboven gelezen heeft, verteld had; "dit nu is sedert veertien
+dagen mijn bezigheid: een gamma en niets dan diezelfde gamma van
+'s ochtends vijf uur tot 's avonds. Het behoort, strikt genomen,
+niet tot de ernstige kunst; maar wat kan ik eraan doen, kinderen? De
+Engelschman betaalt voor het lawaaimaken tweehonderd francs per maand;
+je moet wel een beul voor je eigen lichaam zijn, om zoo'n buitenkansje
+van de hand te wijzen. Ik heb het aangenomen en over een paar dagen
+ga ik naar de bank om het salaris voor de eerste maand te halen."
+
+Aan het slot van die wederkeerige vertrouwelijke mededeelingen
+besloten de drie vrienden dit gelijktijdige binnenkomen van
+looddeelen te gebruiken, om de gerechtvaardigde coquetterie van hun
+vriendinnetjes te bevredigen en haar het voorjaarscostuum te geven,
+waarnaar zij zoo vurig verlangden. Bovendien spraken zij af, dat
+degene, die het eerst zijn geld krijgen zou, wachten moest tot bij
+de andere dezelfde blijde gebeurtenis plaats gehad zou hebben, om op
+die manier de inkoopen gemeenschappelijk te doen en de dames Mimi,
+Musette en Phémie gelijktijdig het genoegen te laten smaken zich
+"in een nieuwe huid te steken", zooals Schaunard het noemde.
+
+Twee of drie dagen na deze geheime bijeenkomst opende Rodolphe de
+rij, zijn osanorisch gedicht was betaald; hij woog tachtig francs
+zwaarder. Nog twee dagen later had Marcel van Médicis het honorarium
+voor achttien korporaalsportretten à zes francs ontvangen.
+
+"Het is net, of ik goud zweet," zeide de dichter.
+
+"Ik heb precies hetzelfde gevoel," antwoordde Marcel. "Als Schaunard
+nog lang talmt, zal ik onmogelijk mijn rol van anonymen Croesus verder
+kunnen spelen."
+
+Maar den volgenden dag reeds zagen de bohémiens Schaunard in een
+prachtig goudgeel nangkin jaquette thuiskomen.
+
+"Goede God!" riep Phémie, die door het zien van haar zoo elegant
+gebonden minnaar verblind werd; "waar heb jij die jas gevonden?"
+
+"Tusschen mijn papieren," antwoordde de gammakunstenaar, terwijl hij
+zijn vrienden een wenk gaf, om hem te volgen.
+
+"Ik heb het," zeide hij, toen zij alleen waren; "daar heb je het
+zaakje," en hij liet een handvol goudstukken zien.
+
+"Voorwaarts, marsch dan!" riep Marcel uit; "laten we de magazijnen
+gaan plunderen! Wat zal Musette in haar schik zijn!"
+
+"En Mimi dan!" voegde Rodolphe eraan toe. "Nou vooruit, ga je mee,
+Schaunard?"
+
+"Laat ik nog even op één ding wijzen!" antwoordde de
+gammakunstenaar. "Wanneer we de dames overladen met de duizend
+luimen der mode, begaan we misschien een dwaasheid. Denkt eens goed
+na. Zijn jullie niet bang, dat, als zij op de platen uit de Echarpe
+d'Iris gelijken, al die pracht en praal een verderfelijken invloed
+op haar karakter zal uitoefenen? En past het bovendien jongemannen,
+zooals wij zijn, de vrouwen zoo te behandelen, alsof wij afgeleefde en
+gerimpelde grijsaards waren? Ik zeg dit niet, omdat ik geen veertien of
+achttien francs ervoor over heb, om Phémie een nieuw costuum te geven,
+maar omdat ik bang ben, dat zij mij niet meer zal willen groeten, als
+zij eenmaal een nieuwen hoed heeft. En wat is ze knap, als ze alleen
+maar een bloem in haar haar heeft. Wat zeg jij ervan?" Deze vraag was
+gericht tot Colline, die tijdens Schaunard's rede binnengekomen was.
+
+"Ondank is de zoon der weldaad," zeide de wijsgeer.
+
+"En ook mogen jullie wel eens overwegen," ging Schaunard voort, "wat
+voor figuur jullie in je afgedragen pakken naast je vriendinnetjes
+in haar elegante costuums zult maken. Je zult er uit zien als haar
+kamermeisjes. Ik zeg dat niet voor mij," voegde Schaunard er aan toe,
+terwijl hij in zijn nangkin rok een breede borst zette, "ik kan mij
+nu, Goddank, overal laten zien!"
+
+Niettegenstaande de oppositie van Schaunard werd toch besloten
+den volgenden dag alle bazars in de buurt ter wille van de dames
+te plunderen.
+
+En werkelijk kwamen den volgenden ochtend op hetzelfde uur, dat wij
+in het begin van dit hoofdstuk mademoiselle Mimi heel verbaasd over
+de afwezigheid van Rodolphe wakker hebben zien worden, de dichter
+en zijn twee vrienden met een loopjongen uit de "Twee Apen" en een
+modiste, die de stalen droegen, de trap naar hun kamer op. Schaunard,
+die inmiddels den beroemden jachthoorn gekocht had, liep voorop en
+blies de ouverture van "De Karavaan."
+
+Musette en Phémie, door Mimi, die in den entresol woonde, geroepen,
+vlogen op het bericht, dat er hoeden en japonnen voor haar gebracht
+werden, als een lawine de trap af. Bij het zien van al de armzalige
+rijkdommen, die voor haar uitgestald lagen, werden de drie vrouwen
+bijna dol van blijdschap. Mimi kreeg een aanval van overmoedige
+vroolijkheid: zij sprong rond als een geit en zwaaide een dunne
+wollen sjaal heen en weer. Musette was Marcel om den hals gevlogen
+en had in iedere hand een klein groen laarsje, die zij als cymbalen
+tegen elkaar sloeg. Phémie keek snikkend Schaunard aan en kon niets
+anders uitbrengen dan de woorden:
+
+"O, mijn Alexander, mijn Alexander!"
+
+"Bij haar is het gevaar niet groot, dat ze de geschenken van Artaxerxes
+weigert," mompelde de wijsgeer Colline.
+
+Toen de eerste vreugde wat geluwd, de keuze gemaakt en de rekeningen
+betaald waren, zeide Rodolphe tot de drie dames, dat zij zorgen
+moesten den volgenden ochtend haar costuums af te hebben.
+
+"We gaan naar buiten!" zeide hij.
+
+"Dat is zoo moeilijk niet!" riep Musette uit. "Het is niet voor het
+eerst, dat ik op één en denzelfden dag een japon gekocht, geknipt,
+genaaid en aangetrokken heb. Wij zullen klaar zijn, niet waar dames?"
+
+"Natuurlijk!" riepen Mimi en Phémie tegelijk uit.
+
+Dadelijk gingen zij aan het werk en de eerstvolgende zestien uur
+gaven zij schaar en naald geen oogenblik rust.
+
+De volgende dag was de eerste Mei. De Paaschklokken hadden reeds
+eenige dagen tevoren de opstanding der lente ingeluid; en van alle
+kanten kwam zij nu haastig en vroolijk aan; zij kwam, zooals het in
+het Duitsche volkslied heet, als de jonge bruidegom, die den Meiboom
+onder het venster van zijn geliefde gaat planten. Zij schilderde den
+hemel blauw, de boomen groen en al het andere in mooie kleuren. Zij
+wekte de zon, die in haar nevelbed sliep, het hoofd op de van sneeuw
+zwangere wolken, die haar tot kussen dienden, en riep haar toe:
+"Sta op, vriendin, het is tijd! Hier ben ik! Vlug aan het werk! Trek
+zonder talmen je mooi nieuw stralenkleed aan en laat je dadelijk op
+je balkon zien, om mijn komst te melden!"
+
+Op dit verzoek was de zon inderdaad op weg gegaan en wandelde nu
+trotsch en stralend als een hoveling rond. De zwaluwen, die van hun
+pelgrimstocht naar het Oosten teruggekeerd waren, schoten pijlsnel
+door de lucht, de meidoorn sierde de struiken met de sneeuw van zijn
+bloesems; het viooltje doorgeurde het gras der bosschen, waarin men
+reeds de vogels met een liederenboek onder de vleugels uit hun nest
+zag komen. Het was inderdaad de lente, de echte lente der dichters
+en verliefden, en niet de lente van Matthieu Laensberg, [38] een
+leelijke lente met een rooden neus en door koude stijve vingers,
+die den arme nog doet rillen aan het hoekje van zijn haard, waarin
+de laatste vonken van zijn laatste houtblok reeds lang uitgedoofd
+zijn. Zoele koeltjes golfden door de heldere atmospheer en droegen
+de eerste geuren der naburige velden naar de stad. De heldere, warme
+zonnestralen klopten tegen de vensterruiten en zeiden tot den zieke:
+"Doe open, wij zijn de gezondheid!" en tot het meisje, dat in haar
+dakkamertje voor haar spiegel staat, die onschuldige eerste liefde
+der onschuldigen: "Doe open, opdat wij uw schoonheid beschijnen;
+wij zijn de lenteboden; nu kunt ge je linnen pakje aantrekken,
+je stroohoed opzetten en je mooie schoentjes gaan dragen: zie, de
+grasperken, waarop gedanst wordt, tooien zich met nieuwe bloemen,
+en reeds lokken de violen ten dans. Gegroet, gij schoone!"
+
+Toen de dichtstbijzijnde kerkklokjes het Angelus luidden, stonden onze
+drie ijverige coquetten, die nauwelijks tijd hadden kunnen vinden,
+om een paar uur te slapen, reeds voor haar spiegel, om een laatsten
+onderzoekenden blik op haar nieuwe toiletjes te werpen.
+
+Zij zagen er in haar gelijkkleurige costuums alle drie bekoorlijk
+uit en op haar gezichtjes was duidelijk de bevrediging te lezen,
+die de verwezenlijking van een lang gekoesterden wensch geeft.
+
+Vooral Musette straalde van schoonheid.
+
+"Ik ben nog nooit zoo in mijn schik geweest," zeide zij tot Marcel;
+"het is net, alsof de goede God al het geluk, dat voor mij bestemd is,
+in dit eene uur samengedrongen heeft, en ik ben bang, dat er nu voor
+het vervolg niet veel meer overblijft. Maar kom, wanneer er niet meer
+zijn zal, dan maken we het zelf. Wij hebben er een goed recept voor,"
+voegde zij er vroolijk aan toe, terwijl ze Marcel een kus gaf.
+
+Phémie had iets, dat haar hinderde.
+
+"Ik houd wel van het groen en de kleine vogels," zeide zij; "maar
+buiten kom je niemand tegen, zoodat niemand mijn mooien hoed en japon
+zal zien. Kunnen we niet op den boulevard gaan picnicken?"
+
+Om acht uur werd de geheele straat door de fanfares van den jachthoorn
+van Schaunard, die het signaal tot vertrek gaf, in rep en roer
+gebracht. De buren kwamen aan het venster, om de bohémiens voorbij
+te zien gaan. Colline, die van de partij was, sloot den stoet met
+de parasols der dames onder zijn arm. Een uur later was het geheele
+vroolijke troepje in Fontenay-aux-Roses.
+
+Toen zij 's avonds, aardig laat, thuiskwamen, verklaarde Colline,
+die den geheelen dag de functies van schatbewaarder vervuld had, dat
+zij zes francs vergeten hadden uit te geven, en legde dat overschot
+op tafel.
+
+"Wat moeten we daarmee beginnen?" vroeg Marcel.
+
+"Hoe zou je het vinden, als we er effecten voor kochten?" was
+Schaunard's antwoord.
+
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XVIII.
+
+DE MOF VAN FRANCINE.
+
+
+I
+
+Onder de echte bohémiens der echte bohème heb ik indertijd een
+zekeren Jacques D.... gekend. Hij was beeldhouwer en beloofde
+mettertijd een groot kunstenaar te zullen worden. Doch zijn ellendige
+levensomstandigheden hebben hem niet den tijd gelaten die beloften
+te houden. Hij stierf in Maart 1814, in het hospitaal Saint-Louis,
+zaal Sainte-Victoire, bed 14, aan uitputting.
+
+Ik leerde Jacques kennen in het hospitaal, waarin ik zelf langen tijd
+ziek gelegen had. Zooals ik reeds gezegd heb, stak er in Jacques
+een groot kunstenaar, doch hij liet er zich volstrekt niet op
+voorstaan. Gedurende de twee maanden, waarin ik hem bijna dagelijks
+opzocht en hij zich in de armen van den dood wiegen voelde, heb ik
+hem geen enkele maal hooren klagen, noch dat gelamenteer aanheffen,
+dat den onbegrepen kunstenaar zoo belachelijk gemaakt heeft. Hij is
+gestorven zonder eenige pose, met den vreeselijken grijns van de met
+den dood strijdenden op het gelaat. Zijn dood doet me zelfs denken aan
+een der afschuwelijkste scènes, die ik in dezen caravansérail [39]
+van menschelijk lijden heb medegemaakt. De vader, dien men met zijn
+overlijden in kennis gesteld had, was het lijk komen opeischen en had
+een tijd lang afgedongen op de door de administratie geëischte som van
+zes-en-dertig francs. Ook voor den dienst in de kerk marchandeerde
+hij zóó lang en zóó hardnekkig, dat men hem ten slotte zes francs
+minder liet betalen. Toen men het lijk in de kist wilde leggen, nam
+de ziekenoppasser het aan het hospitaal behoorende laken weg en vroeg
+aan een der vrienden van den overledene om geld voor het lijkkleed. De
+arme duivel, die geen sou bezat, ging dadelijk naar Jacques' vader,
+die in een opwelling van drift en woede vroeg, of men hem nooit met
+rust zou laten.
+
+Toen wierp de zuster, die dit afschuwelijke tooneel meemaakte, een
+blik op het lijk en sprak de aangrijpend naïeve woorden:
+
+"Maar mijnheer, de arme jongen kan toch zoo niet begraven worden:
+het is zoo koud; geef hem tenminste een hemd, opdat hij niet heelemaal
+naakt voor onzen lieven Heer verschijnt."
+
+Eindelijk gaf de vader den vriend vijf francs om een hemd te koopen,
+doch drukte hem daarbij op het hart het te halen bij een uitdrager
+in de rue Grange-aux-Belles, die tweedehandsche hemden had.
+
+"Dat is niet zoo duur," voegde hij eraan toe.
+
+Later kreeg ik opheldering omtrent die onmenschelijke hardheid van
+Jacques' vader: hij was woedend, dat zijn zoon zich aan de kunst
+gewijd had, en die woede was zelfs bij het zien van de lijkkist niet
+tot bedaren gekomen.
+
+Maar ik ben al heel ver afgedwaald van mademoiselle Francine en haar
+mof. Doch ik kom er nu toe: mademoiselle Francine was het eerste en
+eenige vriendinnetje van Jacques geweest, die toch niet oud gestorven
+was, want hij was nauwelijks drie-en-twintig, toen zijn vader hem
+heelemaal naakt onder den grond wilde laten stoppen. Jacques heeft
+mij het verhaal van die amourette gedaan, toen hij nummer 14 en ik
+nummer 16 was op de zaal Sainte-Victoire, een vreeselijke plaats om
+te sterven.
+
+Maar wacht nog even, lezer! Voor ik dit verhaal begin, dat zeer mooi
+zou zijn, als ik het kon oververtellen zooals Jacques het mij verteld
+heeft, moet ik nog eerst een pijp aansteken, die oude steenen pijp,
+die Jacques mij gegeven heeft op den dag, dat de dokter hem het rooken
+verboden had. Maar 's nachts, wanneer de broeder sliep, leende hij
+zijn pijp van mij en vroeg me wat tabak: je verveelt je 's nachts
+zoo in die groote zalen, wanneer je niet slapen kunt en pijn hebt.
+
+"Een of twee trekjes maar!" zeide hij, en ik liet hem zijn gang
+gaan en wanneer zuster Sainte-Géneviève de rondte deed, hield zij
+zich alsof zij niet merkte, dat er gerookt werd. O, goede zuster,
+wat waart ge goed en wat waart ge mooi, wanneer ge ons met wijwater
+kwaamt besprenkelen! We zagen u reeds van verre aankomen, wanneer
+ge zoo zacht liept onder de sombere gewelven in uw wijden witten
+nonnesluier, welks mooie plooien Jacques zoo bewonderde. O, goede
+zuster, gij waart de Beatrice [40] van dezen hel. Zoo zoet en zacht
+klonken uw troostwoorden, dat we alleen klaagden, om door u getroost
+te worden. Als mijn vriend Jacques niet gestorven was, zou hij voor
+u een kleine Heilige Maagd gebeeldhouwd hebben, goede zuster Géneviève!
+
+Eerste lezer: En waar blijft de mof nu? Ik zie er nog niets van.
+
+Tweede lezer: En mademoiselle Francine dan?
+
+Eerste lezer: Het is heelemaal geen vroolijk verhaal.
+
+Tweede lezer: Je kunt niets zeggen, voor we het slot weten.
+
+Ik vraag u wel vergiffenis, heeren, de pijp van mijn vriend is de
+oorzaak van al deze afdwalingen. Overigens heb ik volstrekt niet
+beloofd u te zullen laten lachen. Het gaat niet altijd vroolijk toe
+in het bohème-leven.
+
+Jacques en Francine hadden elkaar leeren kennen in een huis in de rue
+de la Tour d'Auvergne, waarin zij in het begin van April gelijktijdig
+waren komen wonen.
+
+Eerst na acht dagen werden tusschen den kunstenaar en het jonge meisje
+die buurpraatjes gewisseld, welke een noodzakelijk gevolg zijn van
+het op dezelfde verdieping wonen; en toch kenden zij elkaar reeds, nog
+voordat ze één woord gewisseld hadden. Francine wist, dat haar buurman
+een arme tobberd van een kunstenaar was, en Jacques had gehoord, dat
+zijn buurmeisje een naaistertje was, van huis weggeloopen, om zich
+aan de slechte behandeling door haar stiefmoeder te onttrekken. Zij
+deed wonderen van spaarzaamheid om er zich, zooals men dat noemt,
+"door heen te slaan" en daar zij nooit genietingen had leeren kennen,
+miste zij die niet en verlangde zij er niet naar.
+
+De kennismaking had plaats op de volgende manier. Op een zekeren
+Aprilavond kwam Jacques doodmoe, met een leege maag en in een heele
+trieste stemming op zijn kamer. Het was een onbestemde triestheid,
+die geen bepaalde reden heeft, die je overal en op ieder uur kan
+overvallen--een soort apoplexie van het hart, waarvoor voornamelijk die
+ongelukkigen, die alleen leven, vatbaar zijn. Jacques, die het in het
+kleine kamertje benauwd kreeg, wierp het raam open, om versche lucht te
+kunnen inademen. Het was een prachtige avond en de ondergaande zon spon
+om de heuvels van Montmartre een droefgeestigen tooversluier. Jacques
+bleef voor het raam zitten mijmeren en luisterde naar het koor der
+gevederde lentezangers, die in de avondstilte zongen; en zijn trieste
+stemming werd nog triester. Toen hij een raaf krassend voorbij zag
+vliegen, dacht hij aan den tijd, waarin de raven brood brachten aan
+Elia, den vromen kluizenaar, en maakte hij bij zichzelf de opmerking,
+dat de raven thans niet zoo barmhartig meer zijn. Ten slotte kon hij
+het niet langer uithouden, hij sloot zijn raam, trok het gordijn dicht
+en stak, daar hij geen geld had, om olie te koopen, een harskaars aan,
+die hij van een reis naar La Grande Chartreuse meegebracht had. En
+in een steeds melancholieker stemming stopte hij zijn pijp.
+
+"Gelukkig, dat ik nog zooveel tabak heb, dat ik het pistool door den
+rook niet meer zal zien," mompelde hij en begon te rooken.
+
+Mijn vriend Jacques moest dien avond wel heel droefgeestig zijn, dat
+hij erover dacht "het pistool te omsluieren". Dat was zijn laatste
+toevlucht in groote crisissen; en meestal lukte het hem wel. Het middel
+bestond hierin: Jacques rookte tabak, waarop hij een paar druppels
+laudanum gesprenkeld had, en hij rookte zoo lang, totdat de rookwolk,
+die uit zijn pijp kwam, dik genoeg geworden was, om alle voorwerpen,
+die in zijn kamertje waren, en met name een aan den muur hangend
+pistool in een waas voor hem te hullen. Dat was een kwestie van een
+pijp of tien. Wanneer het pistool geheel onzichtbaar geworden was,
+sliep hij gewoonlijk door de gecombineerde werking van de tabak en
+het laudanum in en meestal verliet zijn droefgeestigheid hem op den
+drempel van zijn droomen.
+
+Doch dien avond had Jacques al zijn tabak opgerookt en was het
+pistool volkomen onzichtbaar geworden, en nog was hij steeds bitter
+droefgeestig. Dien avond was daarentegen mademoiselle Francine
+buitengewoon opgewekt, toen zij naar huis terugkeerde en evenmin
+als Jacques' droefgeestigheid had Francine's opgewekte stemming
+een bepaalde oorzaak: het was een vroolijkheid, die, om zoo te
+zeggen, uit den hemel valt en die de goede God in goede harten doet
+nederdalen. Kort en goed, mademoiselle Francine was dus vroolijk en
+opgewekt en kwam zingend de trap op. Maar toen zij haar kamerdeur wilde
+open maken, blies plotseling een rukwind, die door het openstaande
+raam binnenkwam, haar kaars uit.
+
+"Lieve Hemel, hoe vervelend!" riep het jonge meisje uit. "Nu moet ik
+weer zes trappen op en af."
+
+Toen zij echter in Jacques' kamer licht zag, gaf een instinct van
+gemakzucht, geënt op een gevoel van nieuwsgierigheid, haar de gedachte
+in den kunstenaar om licht te vragen. Dat zijn van die diensten,
+die je elkaar onder verdiepingsgenooten dagelijks bewijst, dacht zij
+bij zichzelf, en het is volstrekt niet compromitteerend. Dus klopte
+zij tweemaal zacht op de deur van Jacques, die, een weinig verrast
+over dit late bezoek, open ging doen. Doch nauwelijks had zij een
+stap in de kamer gedaan, of de rook, die daarin hing, benam haar
+den adem en zij viel, voordat zij nog een woord had kunnen zeggen,
+bewusteloos op een stoel, waarbij zij haar sleutel en haar kaars
+uit haar hand liet vallen. Het was middernacht, iedereen in huis
+lag in diepe rust. Jacques vond het beter niet om hulp te roepen:
+hij was bang daardoor zijn buurmeisje aan allerlei praatjes te zullen
+blootstellen. Hij wierp dus slechts het raam open, om frissche lucht
+binnen te laten; en toen hij het jonge meisje een paar druppels water
+in het gezicht gesprenkeld had, zag hij, dat zij haar oogen opsloeg
+en langzamerhand weer bijkwam. Toen zij na verloop van vijf minuten
+weer geheel tot bewustzijn gekomen was, vertelde zij hem waarom zij
+bij hem had aangeklopt en maakte zij hem haar excuses voor den last,
+dien zij hem veroorzaakt had.
+
+"Nu ik weer heelemaal beter ben," voegde zij eraan toe, "kan ik
+weer naar mijn kamer". Hij had de deur geopend, toen zij bemerkte,
+dat zij niet alleen vergat haar kaars aan te steken, maar ook dat
+zij den sleutel van haar kamer niet had.
+
+"Ik ben nog wat in den war," zeide zij, terwijl zij met haar blaker
+naar de harskaars ging; "ik ben hier gekomen om licht te halen en nu
+ga ik zonder weg."
+
+Doch op hetzelfde oogenblik ging door de tocht, die ontstond door het
+open gebleven zijn van de deur en van het raam, plotseling de kaars
+uit en bevonden de twee jonge menschen zich in het donker.
+
+"Je zoudt bijna gelooven, dat het expres gebeurt," zeide Francine. "Wat
+vervelend, dat ik u zooveel overlast moet aandoen, maar zoudt u niet
+zoo goed willen zijn om wat licht te maken, anders zal ik mijn sleutel
+niet kunnen vinden."
+
+"Zeker wel, mademoiselle," antwoordde Jacques en zocht tastend naar
+lucifers.
+
+Hij had ze al heel gauw gevonden. Plotseling echter kwam hij op een
+eigenaardige gedachte; hij stak de lucifers in zijn zak en riep uit:
+
+"Lieve hemel, al weer een nieuwe moeilijkheid, mademoiselle, ik heb
+geen enkelen lucifer meer hier; ik heb den laatsten gebruikt, toen
+ik thuis kwam."
+
+"Een prachtig gevonden list," dacht hij bij zichzelf.
+
+"Goede God!" riep Francine uit; "ik kan wel naar mijn kamer gaan--ik
+zal daar niet in zeven slooten tegelijk loopen, maar om erin te komen,
+moet ik mijn sleutel hebben. Ach mijnheer, help mij even zoeken,
+hij moet op den grond liggen".
+
+"Laten we maar even zoeken, mademoiselle," zeide Jacques.
+
+En nu waren zij beiden in het donker naar het verloren schaap aan
+het zoeken; maar alsof zij door hetzelfde instinct bestuurd werden,
+ontmoetten hun handen, die op dezelfde plaats zochten, elkaar wel
+tienmaal in de minuut. En daar zij beiden even onhandig waren, vonden
+zij den sleutel niet.
+
+"De maan is op het oogenblik door een wolk bedekt, maar schijnt
+dadelijk vlak in mijn kamer," zeide Jacques. "Wacht u dus even. Straks
+zal zij ons bij het zoeken helpen."
+
+Om den tijd wat te bekorten, begonnen zij te praten. Een gesprek in
+het donker, in een klein kamertje, in een lentenacht; een gesprek,
+dat, in den beginne nietszeggend en onbeteekenend, langzamerhand
+vertrouwelijker wordt ..... u weet, waarheen dat leidt. De zinnen
+worden wat onsamenhangend en door veelzeggende pauzes onderbroken;
+de stem wordt zachter; woorden wisselen af met zuchten. De handen,
+die elkaar ontmoeten, vullen de gedachte aan, die uit het hart naar
+de lippen stijgt, en .... Zoekt het slot maar in uw herinneringen,
+jonge paartjes. Zoek het, jonge man, zoek het, jonge vrouw, zoekt
+het gij, die vandaag arm in arm en hand in hand loopt en elkaar twee
+dagen tevoren nog nooit gezien hadt.
+
+Eindelijk kwam de maan achter de wolken te voorschijn en wierp haar
+lichte stralen in het kamertje. Mademoiselle Francine werd wakker
+als uit een droom en stiet een klein gilletje uit.
+
+"Wat is er?" vroeg Jacques, die zijn armen om haar middel sloeg.
+
+"Niets," mompelde Francine; "ik dacht, dat ik hoorde kloppen."
+
+En zonder dat Jacques het merkte, schoof zij met haar voet den sleutel,
+dien zij vlak bij zag liggen, onder een kast.
+
+Zij wilde hem niet vinden.
+
+
+
+Eerste Lezer: Ik zal dit verhaal mijn dochter zeker niet in handen
+geven.
+
+Tweede Lezer: Tot nog toe heb ik geen haar van Francine's mof gezien;
+en wat het meisje zelf betreft, ik weet nog niet eens of zij bruin
+of blond is.
+
+Geduld lezers, geduld! Ik heb u een mof beloofd en ik zal u die ook
+geven, zooals mijn vriend Jacques er een gegeven heeft aan zijn arm
+vriendinnetje Francine, die, zooals ik hierboven door de puntjes heb
+aangeduid, zijn maîtresse geworden was. Francine was blond, blond
+en vroolijk, wat niet dikwijls voorkomt. Tot haar twintigste jaar
+had zij de liefde niet gekend; maar een onbestemd voorgevoel van
+haar naderend einde waarschuwde haar, dat zij zich moest haasten,
+als zij die nog wilde leeren kennen.
+
+Zij ontmoette Jacques en kreeg hem lief. Hun liaison duurde zes
+maanden. In het voorjaar hadden zij elkaar gevonden; in het najaar
+scheidden zij weer. Francine was een teringlijdster, zij wist het en
+haar vriend Jacques wist het ook: veertien dagen nadat hij met Francine
+was gaan samen wonen, had hij het gehoord van een van zijn vrienden,
+die dokter was. Zij zou met het vallen der gele bladeren heengaan,
+had hij gezegd.
+
+Francine had die voorspelling gehoord en zag eveneens, hoe wanhopig
+haar vriend daaronder was.
+
+"Wat kunnen ons die gele bladeren schelen?" zeide zij met een
+glimlach, waarin zij al haar liefde legde; "wat kan ons het najaar
+schelen? Wij zijn in den zomer en de bladeren zijn groen: laten we
+die niet ongebruikt voorbij laten gaan ..... En wanneer je ziet,
+dat ik uit dit leven heengaan wil, neem me dan in je armen, kus me
+en verbied me weg te gaan. Ik ben gehoorzaam, dat weet je; dus zal
+ik bij je blijven!"
+
+En zoo leefde dit bekoorlijke schepseltje vijf maanden lang met lachjes
+en liedjes op haar lippen het moeilijke bohème-leven mede. Jacques
+liet zich daardoor om den tuin leiden; zijn vriend zeide dikwijls tot
+hem: "Francine gaat achteruit; zij moet goed verpleegd worden." Dan
+liep Jacques heel Parijs af om geld te vinden voor de door den dokter
+voorgeschreven geneesmiddelen, maar Francine wilde er niets van weten
+en wierp ze het raam uit. Wanneer zij 's nachts een hoestaanval kreeg,
+stond zij zachtjes op en ging naar de gang, uit vrees, dat Jacques
+het anders hooren zou.
+
+Toen zij op een goeden dag samen buiten waren, zag Jacques, dat er aan
+de boomen gele bladeren begonnen te komen. Treurig keek hij Francine
+aan, die langzaam en mijmerend naast hem liep.
+
+Francine zag hem bleek worden en raadde de oorzaak ervan.
+
+"Je lijkt wel niet goed wijs," zeide zij, terwijl zij hem een kus gaf;
+"wij zijn pas in Juli; het is nog drie maanden voor October in het
+land is: en wanneer wij, zooals wij dat doen, elkaar dag en nacht
+liefhebben, dan verdubbelen we den tijd, dien we nog samen te leven
+hebben. En wanneer ik mij met het vallen der gele bladeren erger voel
+worden, dan gaan we in een dennenbosch wonen: daar zijn de bladeren
+altijd groen."
+
+
+
+In het begin van October moest Francine het bed blijven
+houden. Jacques' vriend behandelde haar. Het kleine kamertje, waarin
+zij woonden, lag op de bovenste verdieping van het huis en zag uit
+op een binnenplaats, waarin een boom stond, welks bladerentooi met
+den dag dunner werd. Jacques had een gordijn voor het raam gehangen,
+om den boom voor het oog van de zieke te verbergen; maar Francine
+stond erop, dat het weer weggenomen werd.
+
+"Lieve jongen!" zeide zij tot Jacques; "ik zal je honderd maal meer
+zoenen geven, dan de boom bladeren heeft .... En zij voegde eraan toe:
+"Ik voel me trouwens veel beter .... Ik zal heel gauw weer uit kunnen
+gaan, maar omdat het zoo koud is en ik geen winterhanden wil krijgen,
+moet je een mof voor me koopen."
+
+Gedurende den geheelen duur van haar ziekte was die mof haar eenige
+wensch.
+
+Den dag voor Allerheiligen was Jacques wanhopiger dan ooit. Francine
+zag het en wilde hem wat moed geven, en om hem te bewijzen, dat het
+werkelijk beter ging, stond zij op.
+
+Juist op dat oogenblik kwam de dokter, die haar dwong onmiddellijk
+weer naar bed te gaan.
+
+"Jacques," fluisterde hij den artist in het oor; "wees sterk,
+kerel! Het is afgeloopen .... Francine moet sterven."
+
+Jacques smolt in tranen weg.
+
+"Je kunt haar nu alles geven, wat zij vraagt; er is geen hoop meer."
+
+Francine hoorde met haar oogen wat de dokter haar vriend toefluisterde.
+
+"Geloof hem niet!" riep zij, terwijl zij haar armen naar Jacques
+uitstrekte; "geloof hem niet, hij liegt. Morgen gaan we samen uit
+.... dan is het Allerheiligen; het zal koud zijn, ga een mof voor me
+koopen .... Ik heb zoo vreeselijk het land aan winterhanden."
+
+Jacques wilde met zijn vriend weggaan; Francine echter vroeg den
+dokter nog even te blijven.
+
+"Ga jij de mof koopen, Jacques," zeide zij; "neem maar een goede,
+dan duurt hij des te langer."
+
+Toen zij met den dokter alleen was, zeide zij:
+
+"O, dokter, ik ga sterven, ik weet het .... Maar geef mij, vòòr ik
+heenga, nog een middel, dat mij voor één nacht mijn krachten teruggeeft
+.... ik smeek u erom: maak mij nog één nacht mooi, dan wil ik gaarne
+sterven, nu de goede God niet wil, dat ik nog langer leef."
+
+Toen de dokter haar zoo goed mogelijk troostte, woei een windvlaag
+door het openstaande raam een geel blad van den boom op de binnenplaats
+op het bed der zieke.
+
+Francine schoof het gordijn weg en zag, dat de boom heelemaal kaal was.
+
+"Dat is het laatste," mompelde zij en legde het blad onder haar kussen.
+
+"U zult morgen pas sterven," zeide de dokter tot haar; "u hebt nog
+een nacht voor u."
+
+"Wat een geluk!" zeide het jonge meisje. "Een winternacht .... die
+duurt lang."
+
+Jacques kwam met een mof terug.
+
+"Wat een mooie!" zeide Francine; "als ik uitga, zal ik hem dragen."
+
+Den nacht bracht zij in Jacques' armen door.
+
+Den volgenden dag, Allerheiligen, trad met het kleppen van het
+middag-angelus de doodstrijd in. Zij begon over haar geheele lichaam
+te beven.
+
+"Ik heb zulke koude handen," mompelde zij. "Geef me mijn mof."
+
+En zij wikkelde haar magere handen in het bont ....
+
+"Het is het einde," zeide de dokter tot Jacques; "geef haar een
+afscheidskus."
+
+Jacques drukte zijn lippen op die van zijn vriendinnetje. In het
+laatste oogenblik wilden zij de mof wegnemen, maar krampachtig hield
+zij die vast.
+
+"Neen, neen!" zuchtte zij; "laat ik die houden; het is winter en zoo
+koud ..... Mijn arme Jacques .... Mijn arme Jacques .... wat moet er
+van je worden ... O, God!"
+
+En den volgenden dag was Jacques alleen.
+
+Eerste lezer: Ik heb wel gezegd, dat het geen vroolijk verhaal was!
+
+Wat zal ik u zeggen, lezer? Men kan niet altijd lachen.
+
+
+
+
+II.
+
+Het was de ochtend van Allerheiligen. Francine was zooeven gestorven.
+
+Twee mannen waakten aan het sterfbed: de een, die erbij stond, was de
+dokter; de ander, die naast het bed geknield lag, drukte zijn lippen op
+de handen der doode en scheen die er in een wanhopigen kus voor eeuwig
+aan vast te willen kleven; dat was Jacques, Francine's minnaar. Reeds
+zes uur lang lag hij daar in een toestand van gevoelloosheid, die een
+gevolg van diepen smart schijnt te zijn. Een draaiorgel, dat onder
+zijn raam begon te spelen, riep hem eindelijk weer tot het leven terug.
+
+Dit orgel speelde een wijsje, dat Francine 's morgens bij het wakker
+worden placht te zingen.
+
+Een van die waanzinnige verwachtingen, welke slechts in de grootste
+wanhoop kunnen geboren worden, doorflitste plotseling Jacques'
+geest. Hij ging in gedachten een maand in het verleden terug, naar
+den tijd, dat Francine nog slechts stervende was; hij vergat het
+heden en beeldde zich een oogenblik in, dat de doode slechts sliep
+en dadelijk met het gewone morgenliedje op de lippen wakker zou worden.
+
+Doch nog voor de tonen van het orgel geheel weggestorven waren, was
+Jacques reeds tot de werkelijkheid teruggekeerd. Francine's mond was
+voor altijd verstomd en de glimlach, die haar laatste gedachte op
+haar lippen getooverd had, verdween reeds, om plaats te maken voor
+de trekken des doods.
+
+"Moed, Jacques!" zeide de dokter tot zijn vriend.
+
+Jacques stond op en keek den dokter aan:
+
+"Het is afgeloopen, niet waar? Er is geen hoop meer?"
+
+Zonder op die droevig-dwaze vraag te antwoorden, ging de dokter
+naar het bed, trok de gordijnen dicht, wendde zich dan weer tot den
+beeldhouwer en drukte hem de hand.
+
+"Francine is dood ....." zeide hij; "het was te verwachten. God weet,
+dat wij alles, wat in onze macht stond, gedaan hebben, om haar te
+redden. Het was een braaf meisje, Jacques, dat veel van je gehouden
+heeft, meer en anders, dan jij van haar hieldt; want haar liefde was
+niets dan liefde, terwijl er bij jou nog iets anders bij kwam. Francine
+is dood .... maar alles is nog niet afgeloopen; we moeten nu aan de
+voor de begrafenis noodige maatregelen denken. Wij zullen dat samen
+doen en een buurvrouw vragen tijdens onze afwezigheid bij het lijk
+te waken."
+
+Willoos liet Jacques zich door zijn vriend medenemen. De geheele
+dag ging heen met bezoeken aan de mairie, den begrafenisondernemer
+en het kerkhof. Daar Jacques in het geheel geen geld had, verpandde
+de dokter zijn horloge, een ring en verschillende kleedingstukken,
+om de kosten voor de begrafenis, die den volgenden dag zou plaats
+hebben, te kunnen bestrijden.
+
+Eerst laat in den avond kwamen zij samen terug. De buurvrouw drong
+er bij Jacques op aan wat te eten.
+
+"Goed," zeide hij; "geef maar wat; ik heb het koud en moet weer wat
+krachten verzamelen, want ik moet vannacht nog werken."
+
+De buurvrouw en de dokter begrepen niet wat hij bedoelde.
+
+Jacques ging aan tafel zitten en slokte zoo gulzig een paar happen
+naar binnen, dat hij er bijna in stikte. Toen vroeg hij wat te
+drinken. Doch toen hij het glas naar zijn mond bracht, liet hij het
+op den grond vallen. Het brak. Het glas had een herinnering in hem
+wakker geroepen, die op haar beurt zijn verdriet, dat een oogenblik
+ingesluimerd was, weer tot nieuw leven wekte. Op den dag n.l., dat
+Francine voor het eerst bij hem gekomen was, had het jonge meisje,
+dat toen reeds lijdende was, zich plotseling onwel gevoeld, en had
+Jacques haar uit dat glas wat suikerwater laten drinken. Later,
+toen zij samen woonden, hadden zij er een liefde-reliquie van gemaakt.
+
+Ook had de beeldhouwer in zijn zeldzame oogenblikken van rijkdom een
+paar maal voor zijn vriendinnetje een of twee flesschen versterkenden
+wijn, die haar door den dokter was voorgeschreven, gekocht, en dan
+had Francine altijd uit dat glas dien drank gedronken, waaruit haar
+liefde een betooverende vroolijkheid putte.
+
+Langer dan een half uur bleef Jacques sprakeloos naar die
+overblijfselen van dat dierbare, brooze souvenir te staren. Hij had
+een gevoel alsof ook zijn hart gebroken was en de scherven daarvan
+zijn borst verscheurden. Toen hij eindelijk weer tot de werkelijkheid
+teruggekeerd was, raapte hij de scherven van het glas bijeen en sloot
+die weg in een kast. Dan vroeg hij zijn buurvrouw twee kaarsen te
+halen en door den portier een emmer water te laten boven brengen.
+
+"Ga niet weg," verzocht hij den dokter, die daar geen oogenblik aan
+dacht; "ik heb je straks noodig."
+
+Toen het water en de kaarsen gebracht waren, bleven de twee vrienden
+alleen.
+
+"Wat wil je doen?" vroeg de dokter, toen hij zag, dat Jacques, na
+het water in een houten bak gegoten te hebben, er gips bij wierp.
+
+"Wat ik doen wil?" antwoordde Jacques; "kan je het niet raden? Ik
+wil een afdruk maken van Francine's hoofd; en omdat de moed daartoe
+mij zou ontbreken, als ik alleen bleef, mag je niet weggaan."
+
+Jacques trok de gordijnen van het bed open en sloeg het laken, waarmede
+het gelaat van de doode bedekt was, weg. Zijn hand begon te beven en
+een half-verstikte zucht steeg uit zijn borst op.
+
+"Breng de kaarsen eens hier," riep hij zijn vriend toe, "en houd den
+bak eens vast."
+
+De eene kaars werd aan het hoofdeinde van het bed gezet, zoodat het
+volle licht ervan op het gelaat der doode viel; de andere aan het
+voeteneinde. Dan doopte hij een penseel in olijfolie en wreef daarmede
+de wenkbrauwen, de wimpers en het haar in, dat hij opgemaakt had,
+zooals Francine het gewoonlijk droeg.
+
+"Op die manier zal het haar geen pijn doen, wanneer wij het masker
+afnemen," zeide hij tot zichzelf.
+
+Na deze voorzorgsmaatregelen genomen en het hoofd in een gemakkelijke
+houding gelegd te hebben, begon Jacques het gips in gelijke lagen op
+te leggen, totdat het masker de vereischte dikte had. Na een kwartier
+was de bewerking afgeloopen en volkomen geslaagd.
+
+Door een eigenaardig proces had op het gelaat van Francine een
+merkwaardige verandering plaats gegrepen. Het bloed, dat nog geen
+tijd gehad had geheel en al te verstijven, was ongetwijfeld door de
+hooge temperatuur van het gips weer warm geworden en naar de bovenste
+lichaamsdeelen gestroomd, zoodat het matwitte van het voorhoofd en de
+wangen langzamerhand een rosen tint begon te krijgen. De oogleden, die
+door het wegnemen van het masker eenigszins geopend waren, lieten het
+rustige blauw der oogen zien, welker blik een vaag begrijpen scheen
+te verraden, en de door een half glimlachje even geopende lippen
+schenen het bij het laatste afscheid vergeten woord te spreken,
+dat men slechts met het hart hoort.
+
+Trouwens, wie zou kunnen verzekeren, dat het begrip ophoudt op
+hetzelfde oogenblik, dat de gevoelloosheid van een wezen intreedt? Wie
+kan zeggen, dat de hartstochten sterven en verdwijnen tegelijk met
+den laatsten harteklop? Zou de ziel niet een enkele maal vrijwillig
+besloten kunnen blijven in het reeds voor de begrafenis gekleede
+lichaam, en van uit haar vleeschelijk omhulsel een oogenblik de
+droefheid en de tranen bespieden kunnen? Zij, die van ons scheiden,
+hebben zooveel redenen om hen, die blijven, te wantrouwen.
+
+Wie weet, of niet misschien op het oogenblik, dat Jacques besloot haar
+trekken met behulp der kunst te vereeuwigen, een laatste aardsche
+gedachte Francine weer was komen wekken uit den eersten sluimer van
+haar eeuwige rust. Misschien had zij zich herinnerd, dat hij, dien
+zij zoo pas verlaten had, behalve een minnaar ook een kunstenaar was;
+dat hij beide was, omdat hij niet het een zonder het andere kon zijn;
+dat voor hem de liefde de ziel der kunst was, en dat hij haar daarom
+slechts zoo lief gehad had, omdat zij voor hem vrouw en minnares
+tegelijk, een gevoel in een vorm had kunnen zijn. En toen had in haar
+begeerte om Jacques dat menschelijk beeld, dat voor hem het ideaal
+zelve geworden was, achter te laten, Francine misschien, hoewel reeds
+dood en koud en stijf, nog eenmaal op haar gelaat den glans van haar
+liefde en al de bekoring van haar jeugd weten te voorschijn te roepen:
+zij blies het kunstwerk leven in.
+
+En misschien had het arme meisje goed gedacht: want er bestaan onder
+de ware kunstenaars van die Pygmalions, die, in tegenstelling met
+hun klassieken naamgenoot, gaarne hun levende Galathea's in marmer
+zouden willen veranderen.
+
+Bij het zien van die kalme rust op dat gelaat, waarop de doodstrijd
+geen sporen achtergelaten had, zou niemand hebben kunnen gelooven aan
+het lange lijden, dat aan den dood voorafgegaan was. Francine scheen
+een liefdesdroom verder te droomen; en wanneer men haar daar zoo zag
+liggen, zou men gezegd hebben, dat zij aan schoonheid gestorven was.
+
+Uitgeput door vermoeienis, was de dokter in een hoek in slaap gevallen.
+
+Jacques daarentegen was opnieuw ten prooi aan zijn twijfel van
+zooeven. Zijn aan zinsbegoochelingen lijdende geest bleef hardnekkig
+in den waan, dat de vrouw, die hij zoo grenzenloos lief had, weer zou
+ontwaken; en daar van tijd tot tijd zwakke zenuwtrekkingen (het gevolg
+van het mouleeren van het gezicht) de onbeweeglijkheid van het lijk
+verbraken, versterkte dit schijnbare leven Jacques in zijn gelukkige
+illusie, die voortduurde tot den ochtend, toen een ambtenaar den dood
+constateeren en verlof tot begraven geven kwam.
+
+Trouwens evenals men geheel waanzinnig van wanhoop moest zijn, om aan
+haar dood te twijfelen, zoo moest men de onfeilbaarheid der wetenschap
+te hulp roepen om bij het zien van dat schoone wezen aan den dood te
+kunnen gelooven.
+
+Toen de buurvrouw Francine in de lijkkist legde, bracht men Jacques
+in een ander vertrek, waar hij enkele van zijn vrienden vond,
+die gekomen waren, om de ontslapene de laatste eer te bewijzen. De
+bohémiens onthielden zich tegenover Jacques, hoewel zij hem heel graag
+mochten lijden, van al die troostwoorden, die het verdriet toch slechts
+grooter maken. Zonder een van die woorden te spreken, welke in zulke
+oogenblikken zoo moeilijk te vinden en zoo pijnlijk om aan te hooren
+zijn, drukten zij, de een na den ander, hun vriend zwijgend de hand.
+
+"Het sterven van Francine is een groot ongeluk voor Jacques," zeide
+een hunner.
+
+"Zeker," antwoordde de schilder Lazare, een bizarre persoonlijkheid,
+die reeds vroeg alle hartstochten der jeugd had weten te overwinnen
+door daartegenover de onbuigzaamheid van een vasten wil te stellen,
+zoodat eindelijk de mensch in den kunstenaar ten onder gegaan
+was--"zeker, maar dan toch een ongeluk, waarvan hij zelf de grootste
+schuld is. Sedert Jacques Francine kent, is hij vreeselijk veranderd."
+
+"Zij heeft hem gelukkig gemaakt," merkte een derde op.
+
+"Gelukkig?" antwoordde Lazare; "wat noem je gelukkig? Hoe kunt ge een
+hartstocht, die iemand brengt in een toestand, waarin Jacques thans
+verkeert, geluk noemen? Laat hem eens een meesterwerk zien, hij zal
+er zich van afwenden; en om nog eenmaal zijn vriendinnetje levend te
+zien, zou hij desnoods een Titiaan of een Raphaël vertrappen. Mijn
+geliefde daarentegen is onsterfelijk en zal mij nooit bedriegen;
+zij woont in den Louvre en heet Joconda."
+
+Juist toen Lazare zijn theorieën over kunst en gevoel nader uiteen
+wilde gaan zetten, vertrok de stoet naar de kerk.
+
+Na enkele fluisterend uitgesproken gebeden zette de stoet zich in
+beweging naar het kerkhof.
+
+Daar het toevallig Allerzielen was, verdrong zich een groote menigte
+op den doodenakker. Velen keken om naar Jacques, die blootshoofds
+achter den lijkwagen liep.
+
+"Arme jongen!" zeide er een; "zeker zijn moeder."
+
+"Neen zijn vader!" dacht een ander.
+
+"Of zijn zuster!" merkte een derde op.
+
+Slechts een dichter, die op dit feest der herinnering, dat eenmaal
+per jaar in de nevels van November herdacht wordt, den doodenakker
+was komen bezoeken, om de gebaren van droefheid te bestudeeren, zou
+bij het zien van Jacques, als bij instinct gevoeld hebben, dat hij
+zijn geliefde naar haar laatste rustplaats bracht.
+
+Toen zij bij het graf gekomen waren, ontblootten de bohémiens het hoofd
+en plaatsten zich in een kring erom heen. Jacques stond aan den rand,
+zijn vriend de dokter hield zijn arm vast.
+
+De doodgravers hadden haast en wilden zoo gauw mogelijk klaar zijn.
+
+"Er wordt gelukkig niet gesproken," zeide er een. "Des te
+beter. Vooruit kameraad, opgepast!"
+
+En in een oogwenk werd de kist uit den wagen genomen en aan touwen in
+het graf neergelaten. De man trok nu de touwen onder de kist uit en
+kwam uit het gat, nam dan een schop en begon met een van zijn kameraads
+aarde op de kist te werpen. Weldra was het graf dichtgegooid. Een
+klein houten kruis werd erop geplaatst.
+
+Toen hoorde de dokter Jacques onder luide zuchten deze egoïstische
+woorden uitstooten:
+
+"Daar wordt mijn jeugd begraven!"
+
+Jacques behoorde tot een club, waarvan de leden zich "Waterdrinkers"
+noemden, en die een navolging scheen te zijn van den beroemden
+vriendenkring uit de rue des Quatre-Vents, waarvan sprake is in
+Balzac's mooien roman: "Un Grand Homme de province." Maar toch bestond
+er een groot verschil tusschen de helden van dien vriendenkring en
+de Waterdrinkers, die, zooals alle navolgers, het systeem, dat zij
+in praktijk wilden brengen, gruwlijk overdreven hadden. Dit verschil
+zal men alleen reeds uit dit enkele feit kunnen begrijpen, dat in
+het boek van Balzac de leden van den vriendenkring het doel, dat zij
+zich voor oogen gesteld hadden, ten slotte bereikten en daarmede het
+bewijs leverden, dat ieder systeem, dat tot het doel leidt, goed is,
+terwijl de club der waterdrinkers na een bestaan van vele jaren op
+heel natuurlijke wijze, n.l. door den dood van al haar leden, aan
+haar eind kwam, zonder dat de naam van een hunner verbonden was aan
+een werk, dat van hun bestaan had kunnen getuigen.
+
+Gedurende zijn liaison met Francine was de verhouding van Jacques
+tot de club der Waterdrinkers minder intiem geworden. Om in het
+onderhoud van hem en zijn vriendinnetje te kunnen voorzien, had
+hij enkele wetten en voorschriften, die op den oprichtingsdag der
+club door de Waterdrinkers plechtig onderteekend en bezworen waren,
+moeten overtreden.
+
+Steeds doorstappend op de stelten van een onzinnigen trots hadden deze
+jonge menschen als hoofdprincipe van hun club opgesteld, dat zij nooit
+van de hooge toppen der kunst zouden mogen afdalen, d.w.z. dat geen
+hunner, ook al drong de nood nog zoo, ook maar de geringste concessie
+daaraan mocht doen. Zoo zou bijv. de dichter Melchior er nooit in
+hebben toegestemd zijn "lier" voor eenige oogenblikken aan de wilgen
+te hangen, om een handelsprospectus of een politieke geloofsbelijdenis
+te schrijven. Dat was goed voor den dichter Rodolphe, een deugniet,
+die voor alles deugde, en die nooit een honderd-sous-stuk in zijn
+nabijheid liet komen zonder er, het kwam er niet op aan waarmee, op te
+schieten. Zoo zou ook de schilder Lazare, een trotsche armoedzaaier,
+nooit zijn penseel hebben willen bezoedelen door het portret van een
+kleermaker met een papegaai op zijn vinger te schilderen, zooals
+onze vriend Marcel eens gedaan had in ruil voor den beruchten rok
+Methusalem, waarop ieder van zijn maîtressen de kunst van oplappen
+geleerd had. Zoolang Jacques met de Waterdrinkers in gemeenschap van
+denkbeelden leefde, had hij zich aan die tyrannieke clubvoorschriften
+onderworpen; maar toen hij Francine had leeren kennen, wilde hij het
+arme, toen reeds zieke kind niet blootstellen aan de levenswijze, die
+hij tijdens zijn "ongehuwden staat", geleid had. Jacques was vòòr alles
+een oprechte, eerlijke natuur. Hij ging dus naar den president der
+club, den starren Lazare, en deelde hem mede, dat hij in het vervolg
+alle werkzaamheden, die hem wat zouden kunnen opbrengen, aannemen zou.
+
+"Je liefdesverklaring," antwoordde Lazare hem, "was tevens je afscheid
+aan de kunst. Wij zullen je vrienden blijven, als je dat wilt, maar je
+medeleden kunnen we niet meer zijn. Oefen je vak uit zooals je wilt;
+voor mij ben je geen beeldhouwer meer, maar een gipsmenger. Wel zal
+jij nu in het vervolg wijn kunnen drinken, en zullen wij evenals
+vroeger ons water drinken en ons kommiesbrood eten; maar wij blijven
+kunstenaars!"
+
+Wat Lazare echter ook zeggen mocht, Jacques bleef een kunstenaar. Maar
+om Francine bij zich te kunnen houden nam hij ook, wanneer de
+gelegenheid zich daartoe aanbood, werkzaamheden aan, die wat
+opbrachten. Zoo werkte hij bijv. een tijd lang in het atelier van
+den ornamentist Romagnési. Handig in de uitvoering en vindingrijk
+in het ontwerpen, had Jacques, zonder daarom ernstige kunst geheel
+vaarwel te moeten zeggen, een groote reputatie kunnen krijgen in
+die genre-composities, welke een der voornaamste artikelen in den
+luxe-handel geworden zijn. Maar Jacques was lui, zooals alle ware
+kunstenaars, en verliefd als een dichter. De jeugd was in hem laat,
+maar daardoor des te vuriger ontwaakt; en hij wilde, als had hij een
+voorgevoel van zijn vroegen dood, die geheel en al uitleven in de armen
+van Francine. Het gevolg daarvan was, dat de goede gelegenheden om
+te werken dikwijls aan zijn deur kwamen kloppen, zonder dat Jacques
+er antwoord op gaf; hij wilde zich niet laten storen: hij vond het
+te heerlijk te droomen in den glans der oogen van zijn vriendinnetje.
+
+Toen Francine gestorven was, ging de beeldhouwer zijn oude
+vrienden, de Waterdrinkers, weer opzoeken. Maar in dezen kring
+voerde de geest van Lazare de opperheerschappij: ieder lid leefde
+als versteend in het egoïsme van de kunst. Jacques vond daar niet wat
+hij zocht. Zijn wanhoop werd er niet begrepen; men trachtte zelfs die
+door redeneeringen tot zwijgen te brengen. Toen Jacques die weinige
+sympathie bemerkte, wilde hij liever met zijn smart alleen zijn dan
+deze op zoo'n manier aan discussies blootgesteld te zien. Hij brak
+dus volkomen met de Waterdrinkers en leefde alleen voor zichzelf.
+
+Vijf of zes dagen na Francine's begrafenis ging Jacques naar een
+marmerhandelaar van het kerkhof Mont-Parnasse en stelde hem de volgende
+transactie voor: de handelaar zou voor het graf van Francine een hekje
+leveren, dat Jacques zich voorbehield te teekenen, en bovendien den
+kunstenaar een stuk wit marmer geven, waartegenover Jacques zich
+verplichtte drie maanden lang als steenhouwer of beeldhouwer te
+werken. De fabrikant had toen verscheidene belangrijke bestellingen;
+hij ging naar het atelier van Jacques en kwam bij het zien der
+vele begonnen werken tot de overtuiging, dat het toeval hem in den
+persoon van Jacques een mooi fortuintje bracht. Acht dagen later had
+Francine's graf een hekje, terwijl het houten kruisje vervangen was
+door een groot steenen kruis, waarin Francine's naam gebeiteld was.
+
+Gelukkig had Jacques met een fatsoenlijk iemand te doen, die inzag,
+dat honderd kilogram gietijzer en drie vierkante voet marmer niet
+voldoende waren om drie maanden arbeid van den jongen kunstenaar,
+wiens talent hem verscheidene duizenden daalders had opgebracht,
+te betalen. Hij bood Jacques dan ook aan hem tegen een aandeel in de
+winst deelgenoot te maken van zijn zaak, maar de kunstenaar sloeg dat
+aanbod af. De weinige verscheidenheid der te behandelen onderwerpen
+kwam niet overeen met zijn vindingrijke natuur, en bovendien had hij
+wat hij wilde: n.l. een groot stuk marmer, waaruit hij een kunstwerk,
+dat hij voor Francine's graf bestemde, wilde te voorschijn roepen.
+
+In het begin der lente werden trouwens de levensomstandigheden van
+Jacques beter: zijn vriend de dokter bracht hem n.l. in kennis
+met een voornamen en rijken edelman, die zich te Parijs wilde
+vestigen en in een der voornaamste wijken een prachtig huis liet
+bouwen. Verschillende beroemde kunstenaars waren reeds aangezocht om
+mede te werken aan dit luxueuse paleis. Jacques kreeg de opdracht voor
+een salonschoorsteen. Het is me alsof ik zijn cartons nog voor mij zie;
+het was een bekoorlijk iets: het geheele sprookje van den winter was op
+dit marmer verteld, dat als omlijsting voor het vuur moest dienen. Daar
+Jacques' atelier te klein was, vroeg en verkreeg hij, om zijn werk
+uit te voeren, een vertrek in het nog niet bewoonde huis, terwijl hem
+bovendien een vrij groot voorschot op de voor het werk overeengekomen
+som gegeven werd. Het eerste, wat Jacques daarvan deed, was zijn vriend
+den dokter het geld, dat deze hem bij den dood van Francine geleend
+had, terug te geven; daarna ging hij naar het kerkhof, om den grond,
+waaronder zijn vriendinnetje rustte, onder bloemen te bedekken.
+
+Maar de lente was Jacques voor geweest, en op het graf van het jonge
+meisje bloeiden tusschen het groenende gras duizend bloemen. De
+kunstenaar had den moed niet ze eruit te trekken, want hij dacht, dat
+er iets van zijn vriendinnetje in deze bloemen overgegaan was. Toen
+de tuinman hem vroeg wat hij met die rozen en viooltjes doen moest,
+verzocht Jacques hem die te planten op een pas gedolven graf ernaast,
+de armzalige laatste rustplaats van een armzalige, die geen ander
+herkenningsteeken had dan een in de losse aarde gestoken stuk hout,
+waarop een krans van verschoten papieren bloemen hing, een armzalige
+liefdegave van een armzalige. Jacques verliet het kerkhof in een geheel
+andere stemming dan hij er gekomen was. Opgewekt en nieuwsgierig keek
+hij naar de mooie lentezon, diezelfde zon, die zoo dikwijls gouden
+stralen getooverd had in Francine's haar, wanneer zij met hem door
+de weiden liep en met haar blanke handen bloemen plukte. Een groote
+zwerm heerlijke gedachten en herinneringen zoemde in zijn hart. Toen
+hij voorbij een klein herbergje van den buitenboulevard kwam, viel het
+hem in, dat hij op een dag, toen hij door een onweer verrast werd, met
+Francine daar was binnengegaan en dat zij er samen gegeten hadden. Hij
+ging er nu ook binnen en liet het diner aan hetzelfde tafeltje van
+toen brengen. Het dessert werd op een beschilderd schaaltje opgediend;
+hij herkende het schaaltje en herinnerde zich, dat Francine wel een
+half uur lang bezig geweest was om de rebus, die er op geschilderd
+was, op te lossen; ook kwam hem weer een liedje in de gedachte,
+dat Francine voor hem gezongen had, toen de goedkoope landwijn, die
+meer vroolijkheid dan druivensap bevat, haar in een montere stemming
+gebracht had. Doch deze opwelling van zoete herinneringen deed thans
+wel zijn liefde, maar niet zijn verdriet ontwaken. Bijgeloovig, zooals
+alle dichterlijke en mijmerende naturen, verbeeldde Jacques zich, dat
+Francine zelf, toen zij hem daareven vlak bij zich had hooren loopen,
+hem uit haar graf deze wolk van blijde herinneringen had toegezonden,
+die hij niet met tranen wilde bevlekken. En hij verliet met lichten
+stap, opgeheven hoofd, schitterende oogen, kloppend hart en bijna een
+glimlach op de lippen het herbergje en neuriede onder het loopen het
+refrein van Francine's liedje:
+
+
+ L'amour rôde dans mon quartier,
+ Il faut tenir ma porte ouverte.
+
+
+Dit refrein was in den mond van Jacques nog een herinnering, maar toch
+was het ook reeds een lied, en misschien deed hij dien avond, zonder
+het zelf te vermoeden, den eersten stap op den weg, die van droefheid
+tot weemoed en van weemoed tot vergetelheid leidt. Ach, wat men ook
+doet of laat, de eeuwige en rechtvaardige wet der veranderlijkheid
+wil het zoo.
+
+Evenals de bloemen, die, misschien uit Francine's lichaam
+voortgesproten, op haar graf waren ontbloeid, zoo gistten de
+jeugdsappen in Jacques' hart, waarin de herinneringen aan zijn
+oude liefde onbestemde verlangens naar een nieuwe wekten. Bovendien
+behoorde Jacques tot dat ras van kunstenaars en dichters, die van
+hun hartstochten een werktuig voor hun kunst en poëzie maken en wier
+geest eerst dan volkomen levend is, wanneer de drijfkracht van het
+hart dien in beweging brengt. Bij Jacques was de kunst inderdaad
+een kind van zijn gevoel; tot in de kleinste dingen, die hij maakte,
+legde hij een stuk van zijn eigen ik. Hij kwam tot de ontdekking, dat
+de herinneringen niet langer voldoende voor hem waren, en dat zijn
+hart, evenals de molensteen, die bij gebrek aan koren afslijt, uit
+gebrek aan emotie zijn kracht verloor. Het werken had geen bekoring
+meer voor hem; de inspiratie, die anders koortsachtig en als uit
+zichzelf voortkomend werkte, kwam nu slechts onder den druk van lang
+en geduldig nadenken. Jacques was ontevreden en benijdde bijna de
+levenswijze van zijn oude vrienden, de Waterdrinkers.
+
+Hij trachtte afleiding te vinden, knoopte nieuwe vriendschapsbanden
+aan. Zoo ging hij veel om met den dichter Rodolphe, dien hij in
+een café had leeren kennen; beiden hadden een groote sympathie voor
+elkaar opgevat. Jacques had hem zijn verdriet verteld en Rodolphe
+had al heel gauw de oorzaak daarvan geraden.
+
+"Ik ken dat, kerel," zeide hij. En terwijl hij Jacques op de
+borst klopte, voegde hij eraan toe: "Gauw het vuur daarin weer
+aansteken! Zorg onmiddellijk voor een nieuw hartstochtje, dan komen
+de denkbeelden ook weer terug."
+
+"Ach!" zeide Jacques; "ik heb te veel van Francine gehouden."
+
+"Dat zal je niet beletten om haar altijd lief te hebben. Kus haar op
+de lippen van een ander."
+
+"O," zeide Jacques, "dat zal ik alleen maar kunnen, als ik een vrouw
+vond, die op haar leek!"
+
+En diep in gedachten verzonken ging hij heen.
+
+
+
+Zes weken later had Jacques al zijn phantasie weer terug gevonden,
+die weer ontvlamd was door de zachte blikken van een knap meisje,
+dat Marie heette en wier ziekelijke schoonheid eenigszins aan de arme
+Francine deed denken. Men kon zich inderdaad moeilijk iets aardigers
+denken dan die kleine Marie met haar achttien jaar min zes weken,
+wat zij nooit vergat op te merken. Hun liefdesbetrekkingen waren
+begonnen in den maneschijn, in den tuin van een danslokaal, bij
+den klank van een scherpe viool, van een teringachtige bas en een
+klarinet, die schetterde als een merel. Jacques had haar opgemerkt,
+toen hij met een ernstig gelaat om den voor de dansers gereserveerden
+kring heen liep. De luidruchtige en knappe bezoeksters van het lokaal,
+die den kunstenaar van gezicht kenden, fluisterden, wanneer zij hem in
+zijn eeuwig zwarte, tot aan de hals dichtgeknoopte jas stijf voorbij
+zagen komen, elkaar toe:
+
+"Wat komt die doodbidder hier toch doen? Moet er iemand begraven
+worden?"
+
+Jacques liep steeds alleen: zijn hart bloedde onder de doornen van
+een herinnering, die het orkest, dat op dit oogenblik een contradans
+speelde, die den kunstenaar droef als een De Profundis in de ooren
+klonk, nog levendiger maakte. Midden in zijn droomerijen zag hij Marie,
+die van uit een hoekje naar hem keek en in een luiden lach uitbarstte,
+toen zij zijn doodgraversgezicht zag. Jacques sloeg zijn oogen op en
+hoorde op drie pas van hem dat gelach, dat van onder een rose hoedje
+opklonk. Hij ging naar het jonge meisje toe en zeide enkele woorden
+tot haar, waarop zij antwoordde; hij bood haar zijn arm aan, om een
+wandeling door den tuin te maken; zij nam dien aan. Hij zeide haar,
+dat zij mooi was als een engel, wat zij hem nog tweemaal zeggen liet;
+hij plukte voor haar van de boomen groene appels, die zij met veel
+smaak opat, terwijl zij daarbij telkens weer dien helderen lach liet
+hooren, die het refrein van haar onverwoestbare vroolijkheid scheen
+te zijn. Jacques dacht aan den Bijbel en bedacht, dat men nooit
+tegenover een vrouw wanhopig moet zijn, vooral niet tegenover die,
+welke veel van appels houden. Hij maakte dus met het rose hoedje nog
+een wandeling door den tuin, waarvan weer het gevolg was, dat hij,
+die alleen op het bal gekomen was, het niet alleen verliet.
+
+Maar toch had hij Francine niet vergeten: hij kuste, zooals Rodolphe
+het uitgedrukt had, haar dagelijks op de lippen van Marie en werkte in
+het geheim aan het beeld, dat hij op het graf der doode plaatsen wilde.
+
+Toen Jacques op een goeden dag geld gekregen had, kocht hij voor
+Marie een zwarte japon. Het jonge meisje was er erg blij mede, ook al
+vond zij, dat zwart voor den zomer geen bijzondere vroolijke kleur
+was. Doch Jacques zeide haar, dat zwart zijn lievelingskleur was en
+dat zij hem een groot pleizier zou doen, als zij die japon iederen
+dag zou dragen. Marie deed hem dat pleizier.
+
+Op een Zaterdagavond zeide Jacques tot het jonge meisje:
+
+"Kom morgenochtend vroeg, dan gaan we naar buiten."
+
+"Dat treft prachtig," antwoordde Marie; "ik heb een verrassing voor
+je. Het zal wel mooi weer zijn!"
+
+Marie werkte den geheelen nacht door aan een nieuwe japon, die zij
+voor haar spaarduitjes gekocht had, een allerliefst, rose japonnetje,
+waarmede zij 's Zondagsochtends, stralend van vreugde, in het atelier
+van Jacques kwam.
+
+De kunstenaar ontving haar koel, bijna grof.
+
+"En ik dacht nogal, dat ik je een plezier zou doen, toen ik dat lichte
+pakje kocht!" zeide Marie, die voor Jacques' koelheid geen verklaring
+vinden kon.
+
+"Wij gaan niet naar buiten," antwoordde hij; "ga maar terug, ik
+moet werken."
+
+Marie ging bedroefd naar huis. Onderweg kwam zij een jongen man
+tegen, die de geschiedenis van Jacques kende en haar vroeger het hof
+gemaakt had.
+
+"Wat, mademoiselle Marie, bent u niet meer in den rouw?"
+
+"In den rouw?" vroeg zij; "en voor wie?"
+
+"Wat, weet u dat niet? Het is toch bekend genoeg die zwarte japon,
+die Jacques u gegeven heeft ...."
+
+"Nou?"
+
+"Wel dat was een rouwjapon: Jacques liet u om Francine rouwen."
+
+Na dien dag heeft Jacques Marie niet meer gezien.
+
+Die breuk bracht hem ongeluk. De slechte dagen keerden terug: hij had
+geen werk meer en verviel in zoo'n groote ellende, dat hij, daar hij
+niet wist wat hij beginnen moest, zijn vriend den dokter vroeg hem
+in een ziekenhuis te laten opnemen. De dokter zag bij den eersten
+oogopslag, dat het niet veel moeite zou kosten daarvoor toestemming
+te krijgen. Zonder dat Jacques eenig vermoeden van zijn toestand had,
+was hij op weg, om weer spoedig bij Francine te zijn.
+
+Hij werd opgenomen in het hospitaal Saint-Louis.
+
+Daar hij nog werken en loopen kon, verzocht hij den directeur van
+het ziekenhuis hem een klein kamertje te willen geven, dat toch niet
+gebruikt werd, en liet daar een werkbank, beitels en leem brengen. De
+eerste veertien dagen werkte hij daar aan het beeld, dat hij voor
+Francine's graf bestemd had. Het was een engel met uitgestrekte
+vleugels. Dit beeld, dat Francine's trekken had, werd niet voltooid,
+want al heel gauw kon Jacques de trap niet meer op, en kort daarop
+mocht hij zelfs het bed niet meer uit.
+
+Toen Jacques op zekeren dag het cahier van den dokter in handen
+kreeg en daaruit zag welke geneesmiddelen hij kreeg, begreep hij,
+dat hij verloren was: hij schreef aan zijn familie en liet zuster
+Sainte-Géneviève, die hem met groote toewijding verpleegde, roepen.
+
+"Zuster," zeide hij tot haar, "in het kamertje boven, dat men mij
+heeft afgestaan, staat een kleine gipsfiguur; het beeld, dat een engel
+voorstelt, was bestemd voor een graf; maar ik heb geen tijd gehad
+het in marmer uit te voeren. En toch heb ik thuis een prachtig stuk,
+wit met rose aderen, liggen. Om kort te gaan .... zuster, ik geef u
+het kleine beeld, om het in de kapel te zetten."
+
+Enkele dagen later stierf Jacques. Daar de begrafenis gelijktijdig
+met de opening van den salon plaats had, konden de Waterdrinkers er
+niet bij tegenwoordig zijn. De kunst voor alles, had Lazare gezegd.
+
+Jacques' familie was niet rijk en de kunstenaar had geen eigen graf.
+
+Hij werd in een hoek van het kerkhof begraven.
+
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XIX.
+
+DE GRILLEN VAN MUSETTE.
+
+
+Men zal zich herinneren hoe Marcel zijn beroemd doek "De Doortocht door
+de Roode Zee", dat later als uithangbord voor een comestibleswinkel
+dienen zou, aan Médicis verkocht had. Den dag na den verkoop, die
+gevolgd was door een schitterend souper, hetwelk de Jood als toegift op
+den koop aan de bohémiens had aangeboden, ontwaakten Marcel, Schaunard,
+Colline en Rodolphe eerst diep in den ochtend en konden zich, nog
+onder den invloed als zij waren van de wijnen van den vorigen avond,
+eerst niet goed herinneren wat er eigenlijk gebeurd was. Toen van een
+kerk in de buurt het middag-Angelus klepte, keken zij elkaar met een
+melancholiek glimlachje aan.
+
+"Dat is het klokje, dat met zijn vrome klanken de geloovigen naar de
+eetzaal roept," zeide Marcel.
+
+"Zeker," antwoordde Rodolphe, "dit is het plechtige uur, waarop alle
+fatsoenlijke menschen naar het refectorium opgaan."
+
+"Dan zullen we toch moeten zien fatsoenlijke menschen te worden,"
+bromde Colline, voor wien iedere dag op den kalender St. Appetitus
+[41] was.
+
+"O, melkinrichting van mijn min; o, gezegende vier maaltijden van mijn
+jeugd, wat is er van u geworden?" voegde Schaunard eraan toe. En op
+een melancholiek, droomerig en zacht motief herhaalde hij: "Wat is
+er van u geworden?"
+
+"En te moeten denken, dat er op dit uur in Parijs alleen meer dan
+honderd coteletten in de pan liggen!" zeide Marcel.
+
+"En evenveel biefstukjes!" zuchtte Rodolphe.
+
+En als een tegenstelling vol bittere ironie schreeuwden, terwijl de
+vier vrienden elkaar voor het vreeselijke, dagelijks terugkeerende
+probleem van het dejeuner stelden, de kellners uit het restaurant
+beneden in het huis de bestellingen der gasten de keuken in.
+
+"Zullen die lummels nooit hun mond houden?" vroeg Marcel; "ieder
+woord geeft me een steek in mijn maag."
+
+"De wind zit in het Noorden!" zeide Colline ernstig en wees daarbij
+op een weerhaantje, dat op een dak in de buurt vroolijk heen en
+weer zwaaide; "wij zullen dus vandaag niet dejeuneeren, de elementen
+verzetten zich er tegen."
+
+"Hoe dat?" vroeg Marcel.
+
+"Dat is een atmospherologische waarneming, die ik gedaan heb," legde
+de wijsgeer uit: "een Noordenwind beteekent bijna altijd onthouding,
+evenals de Zuidenwind gewoonlijk pleizier en goed eten voorspelt. De
+philosophie noemt dat: wenken van uit den hooge."
+
+Als Gustave Colline een leege maag had, hadden zijn geestigheden
+iets grimmigs.
+
+Op hetzelfde oogenblik stiet Schaunard, die een van zijn armen in den
+afgrond, die als zak dienst deed, had gestoken, een gil van angst uit.
+
+"Hulp! Hulp! Er zit iemand in mijn jas," brulde hij, terwijl hij
+trachtte zijn hand uit de scharen van een levende kreeft te bevrijden.
+
+Op den angstkreet van Schaunard volgde onmiddellijk een andere
+gil. Marcel had werktuigelijk zijn hand in zijn zak gestoken en daarin
+een Amerika ontdekt, waaraan hij in het geheel niet meer dacht:
+d.w.z. de honderdvijftig francs, die de Jood Médicis hem voor zijn
+"Doortocht door de Roode Zee" betaald had.
+
+"Salueert, heeren!" zeide Marcel, terwijl hij een stapeltje daalders,
+waartusschen vijf of zes nieuwe louis schitterden, neerzette.
+
+"Je zoudt zeggen, dat ze leven!" vond Colline.
+
+"En wat een prachtige stemmen!" merkte Schaunard, die de goudstukken
+liet rinkelen, op.
+
+"Wat een mooie medailles!" voegde Rodolphe eraan toe; "precies stukjes
+uit de zon. Als ik koning was, zou ik geen andere munten in mijn rijk
+dulden en er de beeltenis van mijn vriendinnetje op laten slaan."
+
+"Kan je eigenlijk wel gelooven, dat er een land is, waar die dingen
+evenveel waard zijn als kiezelsteenen?" vroeg Schaunard. "De Amerikanen
+gaven er vroeger vier voor twee sous. Een van mijn voorouders heeft
+indertijd Amerika bezocht; hij heeft zijn graf gevonden in de maag
+der Wilden. Dat heeft den bloei der familie veel kwaad gedaan."
+
+"Maar vertel toch eens even," zeide Marcel met een blik op den kreeft,
+die een wandeling door de kamer was gaan maken; "waar komt dat beest
+vandaan?"
+
+"Nou begin ik me te herinneren," antwoordde Schaunard, "dat ik
+gisteren een ontdekkingsreis gemaakt heb in de keuken van Médicis;
+ik moet wel aannemen, dat dit reptiel, zonder het zelf te willen,
+in mijn zak gevallen is--die dieren zijn zoo bijziende. En nu ik het
+beest eenmaal heb, zal ik het maar houden ook; ik zal het temmen
+en rood verven, dat is een vroolijker kleur. Sinds Phémie weg is,
+ben ik melancholiek; nu heb ik tenminste gezelschap."
+
+"Heeren," riep Colline uit; "kijkt als het je blieft eens, de wind
+is naar het Zuiden gedraaid: we zullen dejeuneeren."
+
+"Dat geloof ik graag," zeide Marcel, terwijl hij een goudstuk van
+de tafel nam; "hier heb je er een, dat we eens lekker zullen laten
+braden, en met veel jus ook."
+
+De vaststelling van het menu werd lang en ernstig besproken. Iedere
+schotel gaf aanleiding tot een levendige discussie en werd daarna met
+meerderheid van stemmen vastgesteld. De door Schaunard voorgestelde
+omelette soufflée werd na zorgvuldig onderzoek afgestemd, evenals
+de witte wijnen, waartegen Marcel in verzet kwam in een krachtige
+improvisatie, die zijn oinologische kennis duidelijk aan het licht
+bracht.
+
+"De eerste plicht van een wijn is rood te zijn," riep de kunstenaar
+uit; "laat me met rust met jullie witte wijnen."
+
+"En de Champagne dan?" merkte Schaunard op.
+
+"Onzin! Een elegante appelwijn! Een epileptische coco [42]! Ik zou alle
+kelders van Epernay en Aï [43] voor één vat Bourgogne geven. Bovendien
+behoeven we vandaag geen grisettes te verleiden of vaudevilles te
+dichten. Ik stem tegen Champagne."
+
+Toen het programma definitief vastgesteld was, gingen Schaunard en
+Colline in het restaurant beneden het dejeuner bestellen.
+
+"Wat zou je er van zeggen als we wat vuur aanlegden?" vroeg Marcel.
+
+"Dat zou geen halsmisdaad zijn, de thermometer noodigt ons daar reeds
+lang toe uit," antwoordde Rodolphe. "Laten we wat vuur maken. Wat
+zal de kachel een kleur van verbazing krijgen!"
+
+En hij liep naar de trap en schreeuwde Colline na, dat hij hout moest
+laten boven brengen.
+
+Enkele oogenblikken later kwamen Schaunard en Colline, gevolgd door
+een kolendrager met een zware bos hout, weer boven.
+
+Toen Marcel in een lade naar waardelooze papieren zocht, om de kachel
+aan te maken, kreeg hij toevallig een brief in handen, waarvan het
+handschrift hem deed beven en dien hij heimelijk begon te lezen.
+
+Het was een door Musette met potlood geschreven brief uit den tijd,
+dat zij nog met Marcel samenwoonde; op den dag af was hij een jaar
+oud. De inhoud der weinige regels luidde:
+
+
+ "Lieveling,
+
+
+ Wees niet ongerust over mij, ik kom dadelijk weer terug. Ik ga
+ wat uit, om door het loopen wat warmer te worden: het vriest in
+ de kamer en de kolenhandelaar is voor ons dood. Ik heb de twee
+ laatste pooten van den stoel kapot geslagen, maar ze hebben niet
+ lang genoeg gebrand, om er een ei bij te koken. Bovendien fluit
+ de wind door het raam alsof hij hier thuis is, en blaast mij een
+ hoop slechte raadgevingen in, die je, wanneer ik ze zou opvolgen,
+ verdriet zouden doen. Ik vind het daarom beter een oogenblikje in
+ de buurt te gaan winkelen. Er moet fluweel zijn van tien francs
+ den meter. Het is ongelooflijk, dat moet ik zelf zien. Voor het
+ eten ben ik weer terug.
+
+
+ Musette."
+
+
+"Arme meid!" mompelde Marcel in zichzelf, terwijl hij den brief in
+zijn zak stak .... En met zijn hoofd in zijn handen bleef hij eenige
+oogenblikken in gedachten bij de haard zitten.
+
+In dien tijd leefden de bohémiens reeds lang in een toestand van
+weduwnaarschap, uitgezonderd Colline, wiens liefje steeds onzichtbaar
+en anoniem gebleven was.
+
+Zelfs Phémie, de lieve levensgezellin van Schaunard, had een naïeve
+ziel gevonden, die haar haar hart, een mahoniehouten ameublement en
+een ring van haar roode lokken aangeboden had. Veertien dagen na die
+schenking echter had Phémie's amant haar zijn hart en ameublement weer
+willen ontnemen, omdat hij aan haar vinger een ring van haar, maar
+nu zwart haar gezien had en haar daarom van verraad durfde verdenken.
+
+Toch was Phémie niet van het pad der deugd afgeweken; zij had alleen,
+omdat haar vriendinnen haar ieder oogenblik met den ring van roode
+haren plaagden, dien zwart laten verven. De "mijnheer" was met die
+verklaring zòò voldaan, dat hij voor Phémie een zijden japon kocht--de
+eerste in haar leven! Den dag, dat zij die voor het eerst droeg,
+riep de arme meid uit:
+
+"Nu kan ik rustig sterven."
+
+Musette was weer een bijna officieele persoonlijkheid geworden. Marcel
+had haar in geen drie of vier maanden meer gezien.
+
+En wat Mimi ten slotte betreft, Rodolphe had nooit meer iemand over
+haar hooren praten, behalve zichzelf, wanneer hij alleen was.
+
+"Nou?" vroeg plotseling Rodolphe, toen hij Marcel zoo peinzend bij
+den schoorsteen zag staan; "wil de kachel niet trekken?"
+
+"Zeker wel, zeker wel!" zeide de schilder, terwijl hij het hout
+aanstak, dat knetterend begon te branden.
+
+Terwijl de drie anderen door de voorbereidende maatregelen voor het
+dejeuner hun eetlust nog prikkelden, had Marcel zich weer in een hoekje
+teruggetrokken en legde het briefje, dat hij toevallig gevonden had,
+bij de andere souvenirs, die Musette hem gelaten had. Plotseling viel
+hem het adres in van een vrouw, met wie zijn vroegere vlam op zeer
+intiemen voet stond.
+
+"Ha!" riep hij hard genoeg, om door de anderen gehoord te worden, uit;
+"nu weet ik tenminste, waar ik ze vinden kan."
+
+"Wat vinden?" vroeg Rodolphe. "En wat voer je toch eigenlijk
+uit?" voegde hij eraan toe, toen hij zag, dat Marcel wilde gaan
+schrijven.
+
+"Niets .... Een brief, die haast heeft en dien ik bijna vergeten
+had. Ik ben dadelijk weer tot je beschikking."
+
+En hij schreef:
+
+
+ "Lieve kind,
+
+
+ Door een verpletterende apoplexie van geluk heb ik geld in mijn
+ schrijftafel! We hebben een reuzendejeuner, dat op dit oogenblik
+ staat te braden, edele wijnen, ja zelfs in de haard een echt
+ vuur, zooals gezeten burgers dat hebben. Dat moet ik zelf zien,
+ zou je vroeger gezegd hebben. Kom dus een oogenblik bij ons;
+ je zult hier Rodolphe, Colline en Schaunard vinden, en bij het
+ dessert, want er is waarachtig een dessert ook, moet jij dan
+ wat voor ons zingen. Daar wij nu eenmaal bij elkaar zijn, zullen
+ we waarschijnlijk een dag of acht aan tafel blijven. Je behoeft
+ dus niet bang te zijn, dat je te laat komt. Het is al zoo'n tijd
+ geleden, dat ik je niet heb hooren lachen. Rodolphe zal je het hof
+ maken en wij zullen van alles drinken op onze gestorven liefde,
+ op gevaar of ze tot nieuw leven te wekken. Tusschen menschen
+ zooals wij .... is de laatste kus nooit de laatste. Ach, als het
+ den vorigen winter niet zoo koud geweest was, zou je me misschien
+ in het geheel niet verlaten hebben. Je hebt me bedrogen voor een
+ bos hout en omdat je bang was voor winterhanden. Je hadt gelijk,
+ en ik ben er voor ditmaal even min boos om als voor andere
+ keeren. Maar kom je nu tenminste warmen, zoolang er vuur is.
+
+
+ Met heel veel kussen, Marcel."
+
+
+Toen deze brief af was, schreef Marcel een tweeden aan madame
+Sidonie, de vriendin van Musette, waarin hij haar verzocht den
+ingesloten brief zoo spoedig mogelijk aan het juiste adres te doen
+toekomen. Vervolgens ging hij naar den concierge, die de twee epistels
+moest wegbrengen. Daar hij hem vooruitbetaalde, zag de concierge
+in de hand van den schilder een goudstuk schitteren, waarom hij,
+alvorens zijn boodschap te doen, den huiseigenaar, aan wien Marcel
+nog achterstallige huur schuldig was, ging waarschuwen.
+
+"Mijnheer," zeide hij buiten adem van het trappen klimmen, "de
+kunstenmaker van de zesde etasie heit geld. U weet wel, die groote,
+die me altijd in m'n gezicht uitlacht, als ik met de kietansie kom!"
+
+"Ja, ik weet het wel!" zeide de huisheer; "die kerel, die zoo brutaal
+is geweest geld van me te willen leenen, om een gedeelte van de huur
+te kunnen afdoen. Ik heb hem de huur al opgezegd."
+
+"Juist, mijnheer. Maar nou zit-ie stikvol met geld; m'n oogen doen
+nog pijn van al het geschitter. Hij geeft nu een feest ..... het is
+een prachtig oogenblik."
+
+"Je hebt gelijk," viel de eigenaar hem in de rede; "ik zal straks
+zelf even naar boven gaan."
+
+Madame Sidonie was thuis, toen de brief van Marcel kwam, en liet haar
+kamermeisje dadelijk het ingesloten briefje naar Musette brengen.
+
+Musette woonde toen in een mooi appartement op de Chaussée
+d'Antin. Toen zij den brief van Marcel kreeg, was zij niet alleen en
+had bovendien voor dienzelfden avond een groot aantal uitnoodigingen
+voor een groot diner rondgezonden.
+
+"Dat is ook een wonder!" riep zij, lachend als een bezetene, uit.
+
+"Wat is er?" vroeg een knappe, jonge man, die stijf als een standbeeld
+voor haar stond.
+
+"Een invitatie voor een diner," antwoordde de jonge vrouw. "Hoe vindt
+je het?"
+
+"Ik vind het vervelend," zeide de jongeman.
+
+"Waarom?"
+
+"Waarom? Je denkt er toch zeker niet aan naar dat diner te gaan."
+
+"Daar denk ik zeker wel aan ..... Zie jij maar hoe jij het alleen
+klaar speelt!"
+
+"Maar beste kind, dat geeft toch heelemaal geen pas! Je moet een
+anderen keer maar eens gaan."
+
+"Die is goed, een anderen keer! Het is een invitatie van mijn ouden
+vriend Marcel en het is zoo'n zeldzaam geval, dat ik het zelf zien
+moet. Een anderen keer! Maar echte diners komen daar nog minder voor
+dan zonsverduisteringen!"
+
+"Wat! Je wilt ons in den steek laten, om naar dien kerel te gaan,
+en dat zeg je me zoo maar in mijn gezicht!"
+
+"Aan wien moet ik het anders zeggen? Aan den sultan van Turkije
+soms? Maar die heeft met de zaak niets te maken."
+
+"Maar dat is een buitengewone openhartigheid."
+
+"Je weet wel, dat ik anders ben dan de anderen," antwoordde Musette.
+
+"Maar wat zou je wel van mij denken, als ik je liet gaan, nu ik weet
+waarheen je gaat. Bedenk toch eens Musette, zoowel voor jou als voor
+mij zou dat in het geheel geen pas geven. Je moet je maar excuseeren
+bij dien jongen man."
+
+"Mijn beste Maurice," antwoordde Musette op vastberaden toon; "je
+wist wat je aan me hadt voor je me nam, je wist, dat ik vol grillen
+zit en dat niemand er zich op beroemen kan er één uit mijn hoofd
+gepraat te hebben."
+
+"Vraag me wat je wilt .... maar dat niet," zeide Maurice. "Er zijn
+grillen ..... en grillen."
+
+"Maurice, ik wil naar Marcel gaan ..... en ik ga," zeide Musette,
+terwijl zij haar hoed opzette. "Verlaat me, als je wilt, maar ik kan
+niet anders: Marcel is de beste jongen van de wereld en de eenige,
+waar ik ooit van gehouden heb. Als zijn hart van goud geweest was,
+zou hij het hebben laten smelten, om er ringen van voor mij te laten
+maken. Arme jongen!" voegde zij eraan toe, terwijl zij Maurice den
+brief liet zien, "zoodra hij wat vuur heeft, vraagt hij me me te komen
+warmen. O, als hij maar niet zoo lui en er geen fluweel en zijde in
+de winkels geweest was. Ik was echt gelukkig met hem; hij had het
+talent mij nu en dan werkelijk verdriet te doen, en hij heeft mij
+om al mijn liedjes den naam Musette gegeven. Als ik naar hem toe ga,
+kan je er tenminste zeker van zijn, dat ik bij je terugkom ..... als
+je tenminste de deur niet voor mijn neus dicht gooit."
+
+"Openhartiger zou je me moeilijk kunnen zeggen, dat je niet van me
+houdt," zeide de jonge man.
+
+"Kom nou, mijn beste Maurice, je bent te veel man van geest om ons in
+zoo'n ernstige discussie te verdiepen. Je hebt me net zoo als je een
+mooi paard in stal hebt, en ik houd van je ..... omdat ik houd van
+luxe, van drukke feesten, van alles wat straalt en schittert. Laten
+we niet sentimenteel worden: dat zou belachelijk en nutteloos zijn."
+
+"Maar laat ik dan tenminste met je mee gaan."
+
+"Maar je zou je daar volstrekt niet amuseeren," zeide Musette,
+"en je zou ons maar beletten het ook te doen. Je begrijpt toch,
+dat die jongen mij noodwendig zoenen zal."
+
+"Musette," vroeg Maurice; "heb je ooit iemand ontmoet, die zoo
+inschikkelijk is als ik?"
+
+"Mijnheer de vicomte," antwoordde Musette; "toen ik onlangs met
+lord*** op de Champs Elysées een wandelrit maakte, heb ik Marcel
+daar ontmoet met zijn vriend Rodolphe: ze waren te voet, zaten
+slecht in hun kleeren en rookten hun neuswarmertjes. In geen drie
+maanden had ik Marcel gezien; ik had het gevoel, alsof mijn hart
+door het portier wou springen. Ik heb het rijtuig laten stil houden
+en een half uur lang met Marcel gepraat, terwijl geheel Parijs in
+equipages voorbij reed. Marcel heeft me toen een taartje gegeven en
+een ruikertje viooltjes van een sou, die ik dadelijk in mijn ceintuur
+gestoken heb. Toen hij wegging, wilde lord**** hem terugroepen, om
+hem te vragen met ons te gaan dineeren. Voor die vriendelijkheid heb
+ik hem een zoen gegeven. Dat is nu eenmaal mijn karakter; en als je
+dat niet bevalt, dan moet je het maar dadelijk zeggen, dan neem ik
+mijn pantoffels en mijn nachtmuts mee."
+
+"Het heeft toch ook zijn goede zijde, om arm te zijn!" zeide Maurice
+met iets van afgunst en droefheid in zijn stem.
+
+"O neen," antwoordde Musette; "als Marcel rijk was, zou ik hem nooit
+verlaten hebben."
+
+"Ga dan maar," zeide de jonge man en gaf haar de hand. "Die nieuwe
+japon staat je heel goed!"
+
+"Inderdaad het is of ik er vanochtend een voorgevoel van gehad
+heb. Marcel zal de eerste zijn, die me in mijn nieuwe japon een zoen
+zal geven. Nou, adieu, ik ga een beetje van het gewijde brood der
+vroolijkheid eten."
+
+Musette had dien dag een bekoorlijk toilet aan: nooit had het gedicht
+van haar jeugd en van haar schoonheid in een verleidelijker band
+gezeten. Bovendien bezat Musette van nature een goeden smaak. Toen
+zij op de wereld kwam, moet het eerste, wat zij met haar blikken
+zocht, een spiegel geweest zijn, om zich in haar luiers een mooie
+houding te kunnen geven; en voor zij gedoopt werd, had zij reeds de
+zonde der coquetterie begaan. Reeds in den tijd, dat zij nog in zeer
+behoeftige omstandigheden leefde en zich nog met japonnetjes van
+gedrukt katoen, hoedjes met pompons en geitenleeren laarsjes moest
+tevreden stellen, droeg zij die eenvoudige grisette-toiletjes met
+elegance en coquetterie. Deze knappe meisjes, half bijen, half mieren,
+die zingend de geheele week door werkten en den Goeden God slechts om
+mooi weer op Zondag smeekten, hadden gewoonlijk slechts lief met haar
+hart en zetten nu en dan de bloemetjes buiten. Nu is die soort geheel
+verdwenen, dank zij de tegenwoordige generatie van jonge mannen: een
+verdorven en verderfelijke, maar boven alles aanmatigende, opgeblazen
+en brutale generatie. Alleen uit genoegen voor minne paradoxen hebben
+zij die arme meisjes om haar door de heilige litteekenen van het
+werk geschonden handen gehoond en bespot, zoodat die handen weldra
+niet genoeg meer konden verdienen, om de uitgaven voor amandelzeep
+te bestrijden. Langzamerhand is het dien jongelingen gelukt haar hun
+opgeblazenheid en dwaasheid in te enten, en sedert is de grisette
+verdwenen. Toen werd de lorette geboren, een bastaardgeslacht,
+impertinente schepsels van middelmatige schoonheid, half vleesch,
+half schmink, wier boudoir een toonbank is, waarop zij stukken van
+haar hart, alsof het sneedjes roastbeef waren, te koop aanbieden. Het
+meerendeel van die meisjes, die het pleizier onteeren en een schande
+zijn voor de moderne galanterie, heeft dikwijls niet eens den geest
+van de dieren, wier veeren zij op haar hoeden dragen. En wanneer
+het door een groot toeval nog eens gebeurt, dat zij niet een liefde,
+zelfs niet een verliefdheid, maar een geile begeerte hebben, dan is
+het nog voor den een of anderen alledaagschen potsenmaker, dien de
+dwaze menigte op openbare bals toejuicht en voor wien de couranten,
+die vleiende hovelingen van al wat belachelijk is, reclame maken.
+
+Hoewel Musette gedwongen was in die wereld te leven, had zij toch
+niet de gewoonten noch de allures ervan; zij had niet die tot slavin
+zijn vernederende hebzucht, zooals die maar al te veel voorkomt bij
+die schepsels, welke alleen maar Bartjens lezen en cijfers schrijven
+kunnen. Zij was een intelligent, geestig meisje, dat in haar aderen
+het bloed van Manon Lescaut had, en, wars van elken dwang, zich nooit
+tegen een enkele gril had kunnen of willen verzetten, wat de gevolgen
+ervan ook mochten zijn.
+
+Marcel was de eenige man geweest, van wien zij werkelijk gehouden
+had. In ieder geval was hij de eenige geweest voor wien zij inderdaad
+geleden had, en al de hardnekkigheid van die instincten, welke haar
+trokken naar "alles wat schittert en straalt", was noodig geweest,
+om haar ertoe te kunnen brengen hem te verlaten. Zij was twintig jaar
+en luxe was voor haar bijna een levensbehoefte. Zij kon er wel eenigen
+tijd buiten, maar geheel afstand ervan doen kon zij niet. Haar eigen
+wispelturigheid maar al te goed kennende, had zij nooit het hangslot
+van een eed van trouw voor haar hart willen doen. Verscheidene jonge
+mannen, voor wie zij zelf veel voelde, hadden haar waarachtig lief
+gehad; en altijd had zij tegenover dezen met een openhartigheid, die
+gepaard ging met voorzichtigheid, gehandeld. De verbintenissen, die zij
+aanging, waren eenvoudig, eerlijk en waar als de liefdesverklaringen
+van Molière's boeren. "Jij hebt zin in mij, en ik zin in jou; top,
+laten we bruiloft vieren!" Wel tienmaal had Musette als zij gewild
+had, een "vaste positie", een zoogenaamde toekomst kunnen hebben;
+maar zij geloofde nauwlijks in de toekomst; ten opzichte daarvan was
+zij het scepticisme van Figaro toegedaan.
+
+"Morgen," zeide zij dikwijls, "morgen is een dwaasheid van den
+kalender, een dagelijksch voorwendsel, dat de menschen uitgevonden
+hebben, om hun zaken vandaag niet behoeven te doen. Morgen is er
+misschien een aardbeving--en vandaag staat de aarde nog vast!"
+
+Op een goeden dag deed een gentleman, met wien zij bijna zes maanden
+samengeleefd had en die intusschen tot over zijn ooren verliefd
+op haar geworden was, haar in allen ernst het voorstel met haar te
+trouwen. Musette had hem in zijn gezicht uitgelachen.
+
+"Ik mijn vrijheid door een huwlijkscontract aan banden leggen? Nooit
+in der eeuwigheid!"
+
+"Maar dag in dag uit sidder ik van angst, dat ik je verliezen zal."
+
+"Je zoudt me nog veel eerder verliezen, wanneer ik je vrouw was,"
+antwoordde Musette. "Laten we er niet verder over spreken. Trouwens
+ik ben niet vrij meer ook," voegde zij eraan toe en dacht bij die
+woorden ongetwijfeld aan Marcel.
+
+Zoo ging haar jeugd voorbij, terwijl zij zich op alle winden
+van het toeval liet medevoeren en velen, ja bijna ook zichzelf
+gelukkig maakte. Vicomte Maurice, met wien zij op dat oogenblik
+leefde, kostte het niet weinig moeite om zich aan dat ontembare,
+naar vrijheid snakkende karakter te wennen, en met een met jalousie
+sterk geoxydeerd ongeduld wachtte hij op den terugkeer van Musette,
+die hij naar Marcel had zien gaan.
+
+"Zal ze bij hem blijven?" vroeg de jonge man zich den geheelen avond
+af, terwijl hij zich dat vraagteeken als een dolk in zijn hart boorde.
+
+"Die arme Maurice!" zeide Musette van haar kant tot zichzelf; "hij
+vindt dat een beetje kras. Maar ach, de jeugd moet opgevoed worden."
+
+Toen sloeg haar gedachtengang plotseling een heel andere richting
+in; zij dacht aan Marcel, naar wien ze toeging; en terwijl zij alle
+herinneringen, die de naam van haar aanbidder in haar wakker riep,
+de revue liet passeeren, vroeg zij zich nieuwsgierig af, welk wonder
+bij hem de tafel gedekt had. Al loopende las zij den brief, dien de
+schilder haar geschreven had, nog eens over, en onwillekeurig maakte
+een gevoel van droefheid zich van haar meester. Doch dat duurde
+slechts een oogenblik. Musette overwoog terecht, dat zij nu minder
+dan ooit reden had om bedroefd te zijn, en toen er op dat oogenblik
+een sterke wind opstak, riep zij uit:
+
+"Het is toch gek; als ik niet naar Marcel zou willen gaan, zou de
+wind mij nu naar hem toe blazen."
+
+En haar pas versnellend liep zij verder, blij als een vogeltje,
+dat naar zijn eerste nest terugkeert.
+
+Plotseling begon het hard te sneeuwen. Musette keek rond of zij geen
+rijtuig zag, maar er was geen te bekennen. Daar zij juist in de straat
+was, waar haar vriendin Sidonie woonde, die Marcel's brief naar haar
+doorgestuurd had, kwam zij op het denkbeeld even bij haar binnen te
+gaan en daar te wachten, tot het weer wat beter zou zijn.
+
+Bij madame Sidonie vond zij een groot gezelschap bijeen. Er werd een
+partij lansquenet gespeeld, die drie dagen tevoren reeds begonnen was.
+
+"Laat ik jullie niet storen," zei de Musette; "ik blijf maar even."
+
+"Heb je den brief van Marcel gekregen?" fluisterde madame Sidonie
+haar in het oor.
+
+"Ja, dank je," antwoordde Musette, "ik ben op weg naar hem toe, hij
+heeft me te dineeren gevraagd. Ga je mee? Je zult je best amuseeren!"
+
+"Tot mijn spijt kan ik niet," zeide Sidonie, op de speeltafel
+wijzend. "En hoe staat het?" vroeg zij den bankhouder.
+
+"Er staan zes louis," antwoordde deze, terwijl hij de kaarten schudde.
+
+"Ik zet er twee," riep Sidonie.
+
+"Goed, ik ben niet trotsch, ik begin ook met twee," antwoordde de
+bankhouder, die reeds verscheidene malen gepast had. "Koning en aas;
+ik ben naar de maan," ging hij voort, terwijl hij de kaarten liet
+vallen; "alle koningen zijn dood!"
+
+"Hier mag niet over politiek gesproken worden," zeide een journalist.
+
+"En het aas is de vijand van mijn familie," merkte de bankhouder op,
+die nog een koning keerde. "Leve de koning!" riep hij uit; "lieve
+Sidonie, geef mij twee louis d'or."
+
+"Schrijf ze maar in je memorie pro memorie," zeide Sidonie woedend,
+dat zij verloren had.
+
+"Dat maakt dan vijfhonderd francs, kleintje," zeide de bankhouder." Je
+zult de duizend wel bereiken. Ik geef."
+
+Sidonie en Musette praatten zachtjes met elkaar. Het spel ging door.
+
+Ongeveer op hetzelfde uur gingen de bohémiens aan tafel. Gedurende
+het geheele dejeuner was Marcel opvallend onrustig. Iederen keer,
+dat men op de trap stappen hoorde, zagen de anderen hem opschrikken.
+
+"Wat heb je toch?" vroeg Rodolphe; "het is net, of je nog iemand
+wacht. Zijn we niet compleet?"
+
+Maar uit een blik, dien de schilder hem toewierp, begreep de dichter,
+welke gedachten zijn vriend bezig hielden.
+
+"Hij heeft gelijk," dacht hij bij zichzelf; "we zijn niet compleet."
+
+De blik van Marcel beteekende: Musette, die van Rodolphe: Mimi.
+
+"Er ontbreken vrouwen," zeide Schaunard plotseling.
+
+"Wil jij voor den duivel je losbandige taal wel eens voor je houden? We
+hadden toch afgesproken, dat er niet over liefde gesproken zou
+worden!" brulde Colline. "Daar schift de jus van."
+
+En terwijl buiten de sneeuw nog viel en in de haard het hout vroolijk
+vlamde en een vuurwerk van vonken afstak, begonnen de vier vrienden
+weer hun tot den rand gevulde glazen te ledigen.
+
+Terwijl Rodolphe met luide stem het refrein van een lied begon te
+zingen, dat hij onder in zijn glas gevonden had, werd er verscheidene
+malen op de deur geklopt.
+
+Als een duiker, die door een krachtigen afzet tegen den bodem weer naar
+de oppervlakte van het water komt, vloog Marcel, die reeds eenigszins
+onder den invloed was, haastig van zijn stoel op om open te maken.
+
+Musette was het niet.
+
+Op den drempel vertoonde zich een man, die een klein stukje papier
+in zijn hand hield. Zijn uiterlijk was niet onaangenaam, maar zijn
+chambercloak zag er onooglijk uit.
+
+"Ik vind u hier in nog al goeden welstand," zeide hij met een blik
+op de tafel, op het midden waarvan een groote lamsbout prijkte.
+
+"De huisbaas!" zeide Rodolphe; "laten wij hem de verschuldigde eer
+bewijzen!"
+
+"En hij begon met zijn mes en vork den generaalsmarsch op zijn bord
+te slaan.
+
+Colline gaf hem een stoel en Marcel riep uit:
+
+"Schaunard, geef mijnheer een glas!"
+
+En zich tot den huiseigenaar wendende, zeide hij:
+
+"U komt juist op het goede oogenblik! Wij waren juist op het
+punt een toast uit te brengen op den eigendom. Mijn vriend hier,
+mijnheer Colline, zeide precies eenige treffende dingen omtrent
+dat onderwerp. Maar nu u hier bent, zal hij, om u genoegen te doen,
+opnieuw beginnen. Vooruit, Colline!"
+
+"Pardon, heeren!" antwoordde de huisheer; "ik zou u niet graag
+verder storen."
+
+En hij ontvouwde het kleine papiertje, dat hij in zijn hand hield.
+
+"Wat is dat voor drukwerk?" vroeg Marcel.
+
+De huisheer, die inmiddels onderzoekend de kamer rondkeek, had het
+goud en zilver, dat nog op den schoorsteen was blijven staan, gezien
+en zeide:
+
+"De quitantie, die ik reeds de eer had u te laten presenteeren."
+
+"Precies," viel Marcel hem in de rede; "mijn trouw geheugen heeft die
+bijzonderheid niet vergeten; het was Vrijdag 8 October des namiddags
+te 12 uur."
+
+"Ik heb de quitantie reeds, als voldaan geteekend, en als het u niet
+derangeert, dan ....."
+
+"Mijnheer," zeide Marcel, "het lag in mijn bedoeling u te komen
+bezoeken. Ik moet eens ernstig met u praten."
+
+"Geheel tot uw dienst."
+
+"Doe mij dan eerst het genoegen een kleine verfrissching te nemen,"
+ging Marcel voort, terwijl hij hem een glas wijn opdrong. "Welnu,
+mijnheer, u hebt mij onlangs een papiertje thuis gestuurd met de
+beeltenis van een dame, die een weegschaal in haar hand houdt. De
+inhoud was onderteekend: "Godard.""
+
+"Dat is mijn deurwaarder," zeide de huisheer.
+
+"Hij heeft al een heel leelijk pootje," zeide Marcel. "Mijn vriend
+hier"--en hij wees op Colline--"die alle talen kent, is zoo goed
+geweest deze depeche, die mij vijf francs gekost heeft, voor mij te
+vertalen ...."
+
+"Het was een opzegging van de huur," viel de huisheer hem in de rede;
+"een voorzorgsmaatregel .... dat is zoo de gewoonte."
+
+"Ja juist, een opzegging," antwoordde Marcel. "Ik wilde u juist komen
+opzoeken, om over die zaak te spreken; ik zou n.l. die opzegging graag
+in een huurceel veranderd zien. Het huis bevalt me, de trap is netjes,
+de straat vroolijk en bovendien ben ik om familieredenen en andere
+oorzaken zeer aan deze woning gehecht".
+
+"Maar de laatste termijn huur moet nog betaald worden," zeide de
+huiseigenaar en liet opnieuw zijn quitantie zien.
+
+"Wij zullen die betalen, mijnheer, dat is ons vaste voornemen."
+
+Intusschen had de huisheer geen oog afgewend van den schoorsteen,
+waarop het geld lag, en de aantrekkingskracht van zijn hebzuchtige
+blikken was zòò groot, dat de geldstukken schenen te bewegen en naar
+hem toe te komen.
+
+"Ik vind het zeer aangenaam, dat ik juist op een oogenblik kom, dat
+wij deze kleine zaak kunnen regelen, zonder dat het u derangeert,"
+zeide hij en bood de quitantie aan Marcel aan, die de attaque niet
+anders pareeren kon dan door uit te wijken en met zijn schuldeischer
+nogmaals de scène tusschen don Juan en Dimanche [44] te spelen.
+
+"U hebt, geloof ik, ook nog eigendommen in de provincie?" vroeg hij.
+
+"O," antwoordde de huisheer; "niet noemenswaard: een klein landhuis
+in Bourgondië, een boerderij, weinig zaaks ..... de pachters betalen
+niet ..... Deze kleine vereffening," voegde hij eraan toe, terwijl
+hij nogmaals de quitantie aan Marcel trachtte te geven, "komt mij
+dan ook zeer van pas ..... Het is zestig francs, zooals u weet."
+
+"Zestig francs, precies!" zeide Marcel en nam van den schoorsteen
+drie goudstukken af. "Zestig francs, zeiden we," en hij legde de drie
+louis op eenigen afstand van den huisheer op de tafel.
+
+"Eindelijk!" mompelde deze; en zijn gelaat helderde op.
+
+En op zijn beurt legde hij de quitantie op tafel.
+
+Schaunard, Colline en Rodolphe volgden de ontwikkeling van het drama
+met gespannen aandacht.
+
+"Maar lieve Hemel," zeide Marcel; "daar u een Bourgondiër bent,
+zult u toch zeker niet weigeren een paar woordjes met een landgenoot
+te spreken."
+
+En hij trok een flesch ouden Mâcon open en schonk den huisheer een
+glas in.
+
+"Heerlijk!" zeide deze; "ik heb nooit beteren gedronken."
+
+"Ach, een oom van me, die in die streken woont, stuurt me zoo nu en
+dan een mandje."
+
+De huisheer was opgestaan en strekte zijn hand naar het voor hem
+geplaatste geld uit, maar Marcel hield hem tegen.
+
+"Ja, maar op één been kunt u niet loopen," zeide hij en dwong zijn
+schuldeischer nogmaals met hem en de drie andere bohémiens te klinken.
+
+De huisheer durfde niet weigeren. Hij dronk zijn glas leeg, zette
+het neer en wilde weer het geld nemen, toen Marcel uitriep:
+
+"Maar daar valt me nog iets in, mijnheer. Ik ben op het oogenblik nogal
+ruim bij kas. Mijn oom uit Bourgondië heeft me een supplement op mijn
+jaargeld gezonden. Ik ben bang dat geld er door te lappen. U weet,
+niet waar, de jeugd haalt wel eens dolle streken uit .... Wanneer ik
+u er niet mede beleedig, zou ik graag een termijn vooruit betalen."
+
+En opnieuw nam hij zestig francs in zilver van den schoorsteen en
+legde die bij de louis op tafel.
+
+"Ik zal u daar dadelijk een quitantie voor maken," zeide de eigenaar;
+"ik heb blanco formulieren in mijn zak"--en hij haalde zijn
+portefeuille te voorschijn--"ik zal die invullen en antidateeren."
+
+"Een aardige huurder," dacht hij bij zichzelf en wierp verliefde
+blikken naar de honderd-twintig francs.
+
+Bij dit voorstel stonden de drie bohémiens, die toch al niets van
+Marcel's diplomatie begrepen, gewoonweg "paf",
+
+"Maar de schoorsteen rookt," begon nu de schilder, "dat is erg
+onaangenaam."
+
+"Maar waarom hebt u me dat niet eerder gezegd? Dan had ik den
+schoorsteenveger laten komen," zeide de eigenaar, die voor den schilder
+niet onder wilde doen. "Morgen zal ik werklui sturen."
+
+En nadat hij de tweede quitantie ingevuld had, legde hij die bij de
+eerste, schoof ze toen beide naar Marcel toe en stak zijn hand weer
+naar het stapeltje geld uit.
+
+"U kunt u niet voorstellen, hoe gelegen die som mij op het oogenblik
+komt," zeide hij; "ik moet een paar rekeningen voor reparaties aan
+het huis betalen en ik was werkelijk om geld verlegen."
+
+"Het spijt mij, dat ik u wat heb moeten laten wachten!" viel Marcel
+hem in de rede.
+
+"O, zoo erg is het niet ..... Heeren, ik heb de eer ...." En weer
+stak hij zijn hand uit.
+
+"O, o, neem me niet kwalijk," zeide Marcel vlug; "zoover zijn we nog
+niet. Wie a zegt," en hij schonk opnieuw in, "moet ook b zeggen."
+
+"Dat is zoo," zeide deze en ging uit beleefdheid weer zitten.
+
+Ditmaal begrepen de bohémiens uit een blik, dien Marcel hun toewerp,
+wat zijn doel was.
+
+Intusschen begon de huisheer al op een vreemde manier met zijn
+oogen te draaien. Hij balanceerde op zijn stoel heen en weer, begon
+dubbelzinnige taal uit te slaan en beloofde Marcel, die hem een paar
+reparaties vroeg, fabelachtige verfraaiingen.
+
+"En nu de zware artillerie voor het front!" fluisterde de schilder
+Rodolphe in en wees op een flesch rhum.
+
+Na het eerste glaasje zong de huisheer een schuin liedje, dat Schaunard
+deed blozen.
+
+Na het tweede glaasje vertelde hij zijn huiselijke onaangenaamheden;
+en daar zijn vrouw Helena heette, vergeleek hij zich bij Menelaus.
+
+Na het derde glaasje kreeg hij een philosophische vlaag en gaf de
+volgende aphorismen ten beste:
+
+"Het leven is een stroom."
+
+"Geld maakt niet gelukkig."
+
+"De mensch is een ééndagsvlinder."
+
+"O, hoe lieflijk is de liefde!"
+
+Dan maakte hij Schaunard tot zijn vertrouweling en vertelde hij hem
+van zijn heimelijke liaison met een jong meisje, Euphémie geheeten,
+aan wie hij een mahoniehouten ameublement gegeven had. Daarbij gaf
+hij zoo'n nauwkeurig portret van dit jonge meisje, dat Schaunard een
+vreemd vermoeden in zich voelde opkomen, dat onmiddellijk daarna een
+zekerheid werd, toen de huisheer hem een brief, dien hij uit zijn
+portefeuille haalde, liet zien.
+
+"O, hemel!" riep Schaunard uit, toen hij de onderteekening zag;
+"hardvochtige, gij boort mij een dolk door het hart."
+
+"Wat heeft hij toch?" riepen de bohémiens, over die taal verwonderd,
+uit.
+
+"Kijk maar," zeide Schaunard; "deze brief is van Phémie. Dat is haar
+onderteekening."
+
+Schaunard liet den brief van zijn vroegere maîtresse circuleeren. Deze
+begon met de woorden:
+
+
+ "Mijn lief, dik beertje,"
+
+
+"Dat lief, dik beertje ben ik," zeide de huisheer, die vergeefsche
+pogingen deed om op te staan.
+
+"Prachtig!" zeide Marcel, die dit zag, "hij heeft zijn anker
+uitgeworpen."
+
+"Phémie, hardvochtige Phémie!" zuchtte Schaunard; "wat heb je me
+aangedaan!"
+
+"Ik heb voor haar in de rue Coquenard No. 12 een entresol laten
+meubileeren," stamelde de huisheer; "het is er heel aardig, heel
+aardig ..... maar het heeft me een aardige duit gekost .... Doch de
+ware liefde ziet niet op geld ..... en bovendien heb ik twintigduizend
+francs rente ..... Zij vraagt mij geld ...." ging hij voort, terwijl
+hij den brief weer in zijn zak stak; "Arme kleine! ... Ik zal haar
+dit geld geven ..... dat zal haar plezier doen."
+
+En hij strekte weer zijn hand naar het geld uit.
+
+"Wat is dat?" vroeg hij verbaasd, terwijl hij op de tafel rond tastte,
+"waar is het gebleven?"
+
+Het geld was verdwenen.
+
+"Een fatsoenlijk man mag zich onder geen voorwaarden tot zulk een
+misdadigen minnehandel leenen," had Marcel gezegd. "Mijn geweten en
+de moraal verbieden mij de huur aan dezen wellustigen kerel in handen
+te geven. Ik zal mijn huur niet betalen. Maar mijn ziel zal tenminste
+geen wroeging hebben. Wat een zeden! Een man met zoo weinig haren op
+zijn hoofd!"
+
+Intusschen was de huiseigenaar stomdronken geworden en sloeg met
+luide stem allerlei onzin tegen de flesschen uit.
+
+Daar hij nu al twee uur weg was, stuurde zijn vrouw, die ongerust
+begon te worden, eindelijk het dienstmeisje naar boven; toen zij haar
+meester in zoo'n toestand zag, stiet zij een gil van schrik uit.
+
+"Wat hebt u met hem uitgevoerd?" vroeg zij aan de bohémiens.
+
+"Niets," antwoordde Marcel; "hij is daarnet hierboven gekomen,
+om de huur te halen, en daar we geen geld hadden, hebben we hem
+uitstel gevraagd."
+
+"Maar hij is stom bezopen," zeide het dienstmeisje.
+
+"Dat was hij al grootendeels, toen hij hier kwam," antwoordde Rodolphe;
+"hij vertelde ons, dat hij zijn wijnkelder opgeruimd had."
+
+"Hij was al zòò in den lorem," voegde Colline eraan toe, "dat hij
+zijn quitanties zonder betaling hier wou laten."
+
+"Geef ze maar aan zijn vrouw," zeide ten slotte de schilder, terwijl
+hij de quitanties aan het dienstmeisje overhandigde, "wij zijn eerlijke
+jongens en willen geen misbruik maken van zijn toestand."
+
+"Lieve God, wat zal mevrouw wel zeggen?" zuchtte het dienstmeisje,
+dat haar meester, die nauwelijks op zijn beenen staan kon, meetrok.
+
+"Eindelijk!" riep Marcel verlicht uit.
+
+"Hij zal morgen wel terugkomen," zeide Rodolphe; "nu hij eenmaal geld
+gezien heeft."
+
+"Als hij terugkomt," zeide de kunstenaar, "dan dreig ik hem zijn
+vrouw zijn liaison met de jonge Phémie te zullen vertellen, dan zal
+hij wel uitstel geven."
+
+Toen de huisheer weg was, begonnen de vier vrienden weer te drinken
+en te rooken. Marcel was niettegenstaande zijn roes de eenige, die
+nog eenig besef had van wat er om hem gebeurde. Bij het minste leven
+op de trap vloog hij op, om de deur open te maken. Maar degenen, die
+naar boven kwamen, bleven altijd op een lagere verdieping. Langzaam
+ging de schilder dan weer in het hoekje bij de haard zitten. Het
+sloeg middernacht, en nog was Musette er niet.
+
+"Misschien was ze niet thuis, toen mijn brief kwam," dacht hij. "Ze
+zal hem dan vanavond bij haar thuiskomst vinden en morgen komen. Morgen
+hebben we ook nog vuur. Want komen zal zij. Tot morgen dus."
+
+En in zijn hoekje sliep hij in.
+
+Op hetzelfde oogenblik, dat Marcel van haar droomde, verliet Musette
+het huis van madame Sidonie, bij wie zij tot zoo lang gebleven
+was. Musette was niet alleen, een jong mensch was met haar; een
+rijtuig wachtte beneden voor de deur; zij stapten er samen in; het
+rijtuig reed in grooten vaart weg.
+
+De partij lansquenet duurde bij madame Sidonie voort.
+
+"Waar is Musette toch?" vroeg plotseling een der spelers.
+
+"En de kleine Séraphin?" een tweede.
+
+Madame Sidonie begon te lachen.
+
+"Die zijn er samen stil vandoor gegaan," zeide zij. "Een typische
+geschiedenis! Wat een zeldzaam exemplaar is die Musette toch! Stel
+je voor ...."
+
+En zij begon te vertellen hoe Musette, na bijna ongenoegen met vicomte
+Maurice gekregen en zich op weg naar Marcel begeven te hebben, heel
+toevallig even bij haar opgeloopen was en hier den jongen Séraphin
+aangetroffen had.
+
+"Ik had er dadelijk wel vermoeden op," zeide Sidonie, zichzelf in
+de rede vallend; "ik heb ze den geheelen avond in het oog gehouden,
+en waarachtig de jonge man is zoo kwaad niet. Kort en goed, zij zijn,
+zonder een woord te zeggen, weggegaan, en een kraan, die ze vinden
+kan. Doch hoe het zij; het is eigenlijk te gek om los te loopen,
+wanneer je bedenkt, dat Musette dol op Marcel is."
+
+"Maar als ze dol is op Marcel, wat wil ze dan eigenlijk met den
+kleinen Séraphin, die nog bijna een kind is? Hij heeft nooit een
+maîtresse gehad," merkte een der aanwezigen op.
+
+"Zij wil hem leeren lezen," antwoordde de journalist, die altijd heel
+"geestig" was, als hij verloren had.
+
+"Dat is goed en wel," meende Sidonie. "Waarom gaat ze met Séraphin,
+als ze van Marcel houdt? Dat gaat boven mijn petje."
+
+"Ja, waarom?"
+
+
+
+Vijf dagen lang leidden de bohémiens, zonder hun kamer ook maar
+één oogenblik te verlaten, het vroolijkste leventje, dat men zich
+denken kan. Van 's ochtends vroeg tot 's avonds laat zaten zij aan
+tafel. Een bewonderenswaardige wanorde heerschte in het vertrek,
+waarin een Pantagruelistische atmospheer hing. Op een bijna geheel uit
+oesterschalen bestaande bank lag een leger van de meest verschillende
+flesschen. De tafel was bedekt met allerlei etensrestjes, en in de
+haard brandde een formeel bosch.
+
+Ook op den ochtend van den zesden dag maakte Colline als
+opper-ceremoniemeester het menu voor het dejeuner, het diner en het
+souper op, zooals hij dat iederen morgen deed, en onderwierp het
+dan aan de goedkeuring van zijn vrienden, die het als teeken van
+instemming met hun handteekening voorzagen.
+
+Maar toen Colline de lade, die als schatkist dienst deed, opentrok,
+om het voor dien dag noodige geld te krijgen, deed hij verschrikt
+twee pas achteruit en werd bleek als de schim van Banquo. [45]
+
+"Wat is er?" vroegen de anderen onverschillig.
+
+"Wat er is? Ik heb nog maar dertig sous," zeide de philosoof.
+
+"Alle duivels!" riepen de anderen uit; "dat zal een heele verandering
+in het menu veroorzaken. Enfin, wanneer we die dertig sous goed
+gebruiken ..... Maar de truffels zullen er wel bij moeten inschieten."
+
+Eenige oogenblikken later was de tafel gedekt. Er stonden in volkomen
+symmetrie drie schotels op, n.l.:
+
+Een schotel haring;
+
+Een schotel aardappelen
+
+Een schotel kaas.
+
+In den schoorsteen brandden twee blokjes hout, zoo groot als een vuist.
+
+Buiten viel nog steeds de sneeuw.
+
+De vier bohémiens gingen aan tafel en legden hun servetten op hun
+knieën.
+
+"Het is vreemd," zeide Marcel; "maar die haring smaakt naar fazant."
+
+"Dat ligt aan de manier, waarop ik hem klaargemaakt heb," antwoordde
+Colline; "tot nu toe is de haring miskend."
+
+Op dat oogenblik kwam een vroolijk gezang de trap op en klopte aan
+de deur. Marcel, die bij de eerste tonen al opgesprongen was, vloog
+naar de deur, om open te doen.
+
+Musette sloeg haar armen om hem heen en zoende hem wel vijf minuten
+lang. Marcel voelde hoe zij in zijn armen beefde.
+
+"Wat heb je?" vroeg hij haar.
+
+"Ik heb het koud," zeide zij en liep naar den schoorsteen.
+
+"Hè," zeide Marcel, "we hebben zoo'n lekker vuurtje gehad."
+
+"Ja," zeide Musette met een blik op de overblijfselen van het
+vijfdaagsche feestmaal; "ik kom te laat."
+
+"Waarom?" vroeg Marcel.
+
+"Waarom?" zeide Musette .... en kreeg een kleur. In plaats van antwoord
+te geven ging zij op Marcels knieën zitten; zij beefde nog steeds en
+haar handen waren blauw van de kou.
+
+"Was je niet vrij?" vroeg Marcel haar fluisterend.
+
+"Ik niet vrij!" riep Musette uit. "O Marcel, al zat ik midden tusschen
+de sterren of in het paradijs van den goeden God, en jij gaf me een
+teeken, ik zou naar beneden komen. Ik niet vrij!...."
+
+En zij begon weer te rillen.
+
+"Er zijn hier vijf stoelen," zeide Rodolphe; "dat is een oneven getal,
+en bovendien heeft de vijfde een allerbelachelijksten vorm."
+
+En hij sloeg den stoel tegen den muur kapot en wierp de stukken in
+de haard. Het vuur flikkerde plotseling tot een heldere en vroolijke
+vlam op. Dan gaf hij Colline en Schaunard een wenk en ging met hen weg.
+
+"Waar gaan jullie heen?" vroeg Marcel.
+
+"Tabak halen!" antwoordden zij.
+
+"Ja, in Havana!" voegde Schaunard er aan toe en gaf Marcel een teeken
+van verstandhouding, waarop deze met een dankbaren blik antwoordde,
+
+"Waarom ben je niet eerder gekomen?" vroeg hij opnieuw aan Musette,
+toen zij alleen waren.
+
+"Ja, het is zoo, ik ben wat laat ...."
+
+"Vijf dagen om over den pont Neuf te komen. Heb je misschien een
+omweg over de Pyreneeën gemaakt?"
+
+Musette sloeg haar oogen neer en bleef zwijgen.
+
+"O jou slecht meisje!" zeide Marcel op droefgeestigen toon, terwijl
+hij zacht met zijn hand op den corsage van zijn vriendinnetje sloeg;
+"wat heb je daar toch onder zitten?"
+
+"Dat weet je heel goed," antwoordde zij snel.
+
+"Maar wat heb je gedaan, nadat ik je geschreven heb?"
+
+"Vraag het me niet!" smeekte zij en sloeg haar armen om hem heen;
+"vraag me niets. Laat ik me naast je warmen, zoo lang het koud is. Je
+ziet, ik had mijn mooiste japon aangetrokken, om naar je toe te gaan
+..... Die arme Maurice kon zich maar niet begrijpen, dat ik naar je
+toe wilde .... maar ik kon mijn verlangen niet bedwingen .... ik ben
+op weg gegaan .... Lekker, dat vuur!" voegde zij eraan toe, terwijl
+zij haar handjes dichter bij de vlammen hield. "Ik blijf tot morgen
+bij je. Goed?"
+
+"Het zal hier leelijk koud worden," zeide Marcel, "en eten is er ook
+niet meer. Je bent te laat gekomen."
+
+"Och, wat!" antwoordde Musette; "dan lijkt het des te meer op vroeger!"
+
+
+
+Rodolphe, Colline en Schaunard bleven vier-en-twintig uur uit, om
+hun tabak te halen. Toen zij weer terugkwamen, was Marcel alleen.
+
+Vicomte Maurice zag Musette na een afwezigheid van zes dagen eerst
+terug.
+
+Hij maakte haar geen enkel verwijt, vroeg alleen waarom zij zoo
+bedroefd was.
+
+"Ik heb ruzie gehad met Marcel," antwoordde zij; "we zijn kwaad van
+elkaar weggegaan!"
+
+"En toch zal je misschien weer naar hem terugkeeren?"
+
+"Wat zal ik je zeggen?" zeide Musette; "ik heb behoefte om van
+tijd tot tijd de lucht van dat leven in te ademen. Mijn dol bestaan
+gelijkt op een lied; ieder van mijn amourettes is een couplet ervan;
+maar Marcel is het refrein."
+
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XX.
+
+MIMI IN ZIJDE EN FLUWEEL.
+
+
+I.
+
+"Neen, neen, neen, ge zijt niet meer Lisette. Neen, neen, ge zijt
+niet meer Mimi!
+
+"Ge zijt nu mevrouw de vicomtesse, overmorgen zult ge misschien
+mevrouw de hertogin zijn, want ge hebt den voet op den ladder, die tot
+hoogheid leidt, bestegen; de deur van uw droomen heeft zich eindelijk
+voor uw schreden geopend en overwinnend en triompheerend zijt gij
+binnengetreden. Ik heb vooruit geweten, dat gij den een of anderen
+nacht daarin slagen zoudt. Het moest trouwens zoo gaan: uw kleine,
+blanke handjes waren voor niets doen geschapen en verlangden reeds
+lang naar den ring van een aristocratische verbintenis. Eindelijk
+hebt ge een blazoen! Maar wij zien toch nog altijd liever dat, hetwelk
+de jeugd aan uw schoonheid gaf: uw bleek gelaat, welks leliënveld uw
+blauwe oogen in vier kwartieren scheen te verdeelen. Doch edele vrouwe
+of grisette, bekoorlijk zijt gij altijd; en ik herkende u dadelijk,
+toen ge me onlangs op een avond op straat snel in uw mooie laarsjes
+voorbij liept, terwijl uw gehandschoend handje den wind hielp om
+de volants van uw robe op te houden, eensdeels om die niet vuil te
+laten worden, anderdeels om uw geborduurde onderrokken en à-jour
+kousen te laten zien. Ge hadt een hoed van een bewonderenswaardigen
+vorm en het kwam me voor, dat ge in groote verlegenheid verkeerde ten
+gevolge van een kostbaren kanten voile, die van dien kostbaren hoed
+neergolfde. Inderdaad een moeilijk geval: het gold immers de vraag, wat
+beter en voor uw coquetterie voordeeliger was, die voile neergelaten
+of opgeslagen te dragen. Wanneer ge hem voor uw gezicht zoudt dragen,
+dan liept ge kans niet herkend te worden door uw vrienden, die ge
+tegen zoudt kunnen komen, want die zouden zeker tienmaal langs u
+gegaan kunnen zijn, zonder ook maar te vermoeden, dat die prachtige
+enveloppe mademoiselle Mimi verborg. Sloegt ge hem daarentegen terug,
+dan liep de voile gevaar niet gezien te worden--en waartoe diende
+het anders dien te hebben? Doch ge wist die moeilijkheid op zeer
+geestrijke wijze te overwinnen, door den voile om de tien pas neer
+te doen en weer terug te slaan, dezen voile, dit kostbare weefsel,
+dat ongetwijfeld bewerkt is in het spinnewebbenland, dat Vlaanderen
+genoemd wordt en dat alleen zeker meer gekost heeft dan uw geheele
+vroegere garderobe samen .... Ach, Mimi! .... Pardon .... Ach, mevrouw
+de vicomtesse! Ik had, zooals ge nu ziet, wel gelijk, toen ik zeide:
+"Geduld, wanhoop niet: de toekomst gaat zwanger van kaschmir-sjaals,
+brillanten en intieme soupers. Ge wildet me toen niet gelooven,
+ongeloovige. Welnu, mijn voorspellingen zijn toch werkelijkheid
+geworden, en ik sta bij u thans zeker even hoog in aanzien als uw
+Oracles des Dames, die kleine heksenmeester in 18°, dien ge voor
+vijf sous aan een boekenstalletje op den pont Neuf gekocht hebt en
+dien ge met uw eeuwigdurende ondervragingen lastig vielt? Nogmaals,
+had ik geen gelijk met mijn prophetieën en zult ge me nu gelooven,
+wanneer ik u zeg, dat ge op deze trede niet zult blijven staan;
+als ik u zeg, dat ik, als ik aandachtig luister, in de diepte van
+uw toekomst, reeds het getrappel en gehinnik hoor van paarden,
+gespannen voor een blauwen coupé, bestuurd door een gepoederden
+koetsier, die de trede voor u neerslaat met de eerbiedige vraag:
+"Waar gaat mevrouw heen?" En zult ge me ook gelooven, als ik u zeg,
+dat ge later .... God geve, zoo laat mogelijk!... het doel van een
+lang gekoesterde eerzucht zult bereiken en een table d'hôte zult
+houden te Belleville of in Batignolles en u het hof gemaakt zal worden
+door oude militairen en gepensionneerde smachtende aanbidders, die
+in het geheim lansquenet en baccaraat bij u komen spelen. Maar voor
+dit tijdstip, waarop de zon van uw jeugd reeds ter kimme zal dalen,
+komt, zult ge nog heel wat ellen zijde en fluweel gebruiken; zullen
+nog heel wat vaderlijke erfdeelen in de smeltkroes van uw grillen en
+luimen wegsmelten, zal nog menige bloem in uw haar, nog menige bloem
+onder uw voet ontbladerd worden, zult ge zelf nog dikwijls van blazoen
+veranderen. Beurtelings zal op uw hoofd de parelsnoer der baronessen,
+de kroon der gravinnen en de diadeem der markiezinnen schitteren;
+als devies zult ge in uw wapen het woord: "Onbestendigheid" voeren;
+gij zult, al naar luim of behoefte, al die talrijke aanbidders op hun
+beurt of allen tegelijk weten te bevredigen, welke queue zullen komen
+maken in de anti-chambre van uw hart, zooals men queue maakt voor
+den ingang van een schouwburg, waar een trekstuk gegeven wordt. Ga
+dus voorwaarts, schud al uw herinneringen van u af, om ruimte te
+hebben voor uw eerzucht; voorwaarts dus: de weg, die voor u ligt,
+is mooi, en wij hopen, dat hij nog lang zacht voor uw voeten zijn
+mag; maar vòòr alles hopen wij, dat al die luxe en pracht, al die
+schitterende toiletten niet te spoedig de lijkwade zullen worden,
+waarin men uw vroolijkheid inwikkelt."
+
+Zoo sprak de schilder Marcel tot de kleine Mimi, die hij drie of vier
+dagen na haar tweede echtscheiding van den dichter Rodolphe ontmoet
+had. Hoewel hij getracht had op de spotternijen, die hier en daar door
+zijn horoscoop heen gezaaid waren, een sourdine te zetten, was Mimi
+in geen enkel opzicht het slachtoffer van Marcel's mooie woorden en
+begreep zij heel goed dat hij zich zonder eenigen eerbied voor haar
+nieuwen titel, vroolijk maakte over haar.
+
+"Je bent heel onaardig tegen me, Marcel," zeide mademoiselle Mimi;
+"dat is slecht van je: ik ben altijd goed voor je geweest, toen
+ik met Rodolphe samenwoonde, en dat ik hem verlaten heb, is zijn
+schuld. Heeft hij me niet bijna op straat gezet, en hoe heeft hij
+mij de laatste dagen, dat we bij elkaar waren, behandeld? Ik was erg
+ongelukkig. Jij weet niet wat voor een man Rodolphe is: een opvliegend
+en jaloersch karakter, dat mij langzamerhand vermoordde. Hij hield van
+me, dat weet ik heel goed, maar zijn liefde was even gevaarlijk als een
+geladen pistool. En wat voor een leven heb ik die vijftien maanden bij
+hem gehad? Ach, Marcel, ik wil mij niet beter voordoen dan ik ben,
+maar ik heb met Rodolphe veel geleden, dat weet je trouwens zelf
+ook wel! En niet omdat we het arm hadden, ben ik van hem weggegaan,
+daaraan was ik van jongsaf aan gewend; neen ik zeg je het je nogmaals:
+hij heeft mij weggejaagd; hij heeft mijn hart met voeten getreden;
+hij heeft me gezegd, dat ik geen eergevoel had, als ik bij hem bleef;
+hij heeft me gezegd, dat hij niet meer van me hield en dat ik maar een
+anderen minnaar moest zoeken; ja hij is zelfs zòò ver gegaan, dat hij
+mij een jongen man heeft aangewezen, die me het hof maakte; en door
+zijn eeuwige uittartingen is hij, om zoo te zeggen, de trait-d'union
+tusschen mij en dien jongen man geworden. Ik heb met hem slechts
+uit dépit tegen Rodolphe en door den nood gedwongen geleefd, want
+ik hield niet van hem; je weet zelf heel goed, dat ik niet veel op
+heb met zoo heel jonge kereltjes, zij zijn bijna altijd vervelend en
+sentimenteel als harmonica's. Enfin wat gebeurd is, is gebeurd en ik
+heb er geen spijt van; wanneer ik weer in denzelfden toestand kwam,
+zou ik hetzelfde doen. Nu ik niet meer bij hem ben en nu hij weet, dat
+ik gelukkig ben, is Rodolphe woedend en voelt hij zich verongelijkt;
+dat weet ik van iemand, die hem een paar dagen geleden gezien heeft:
+hij had roode oogen. En dat verwondert me niets, want ik wist wel, dat
+het zoo gaan zou en hij me heel gauw weer zou naloopen; maar je kunt
+hem uit mijn naam zeggen, dat het vergeefsche moeite is ..... ditmaal
+is het ernst geweest; het is nu voor goed tusschen ons uit ..... Heb
+je hem de laatste dagen nog gezien, Marcel en is hij werkelijk zoo
+veranderd?" vroeg Mimi plotseling op een heel anderen toon.
+
+"Zeker is hij veranderd," antwoordde Marcel; "heel erg veranderd
+zelfs."
+
+"Hij is bedroefd, dat spreekt. Maar wat kan ik er aan doen? Des te
+erger voor hem, het is zijn eigen schuld. Ten slotte moest er een
+eind aan komen. Troost jij hem, Marcel."
+
+"O, o," zeide Marcel kalm; "maak je daar maar niet ongerust over,
+Mimi; dat is al voor de grootste helft in orde."
+
+"Wat je daar zegt, is niet waar, beste jongen!" merkte Mimi eenigszins
+ironisch op; "zoo gauw zal Rodolphe er niet over heen zijn. Hoe
+was hij den avond voor mijn vertrek niet! Het was op een Vrijdag,
+ik wou dien nacht niet bij mijn nieuwen minnaar blijven, omdat ik
+bijgeloovig ben en de Vrijdag een ongeluksdag is."
+
+"Daar vergis je je in, Mimi: in de liefde is de Vrijdag een geluksdag;
+de Ouden noemden hem Dies Veneris."
+
+"Latijn heb ik nooit geleerd," viel Mimi hem in de rede. "Maar
+enfin; ik kwam dan bij Paul uit en vond Rodolphe beneden op straat op
+schildwacht staan. Hij wachtte op me. Het was laat, al over twaalven,
+en ik had honger, want ik had slecht gedineerd. Ik vroeg Rodolphe of
+hij niet wat voor het souper wilde halen. Een half uur later kwam
+hij terug met niet zoo veel bijzonders: brood, wijn, sardientjes,
+kaas en een appelkoek, dat was alles. In dien tusschentijd was ik
+onder de wol gekropen. Hij schoof de tafel bij het bed. Ik deed net,
+alsof ik niet op hem lette, maar ik nam hem heel goed op: hij was
+zoo bleek als een lijk, hij rilde en liep in de kamer op en neer
+als iemand, die niet weet wat hij wil. In een hoekje zag hij mijn
+pakjes met kleeren liggen. Dat scheen hem te hinderen en hij zette
+het scherm voor die pakjes, om ze niet meer te zien. Toen alles klaar
+was, begonnen we te eten; hij probeerde me te laten drinken, maar ik
+had geen honger of dorst meer. Ik had net een gevoel, alsof er een
+prop in mijn keel zat. Het was koud, want we hadden geen hout om vuur
+aan te leggen; je hoorde den wind door den schoorsteen fluiten. Het
+was wel triest. Rodolphe keek me voortdurend aan, zijn oogen stonden
+strak. Dan legde hij zijn hand in de mijne; en ik voelde hoe de zijne
+beefde, zij was warm en koud tegelijk.
+
+--"Dat is het begrafenismaal van onze liefde," zeide hij heel zacht.
+
+"Ik antwoordde niet, maar had ook niet den moed, mijn hand terug
+te trekken.
+
+--"Ik ben moe," zeide ik eindelijk; "het is laat, we moesten maar
+gaan slapen."
+
+"Rodolphe keek me aan. Ik had een van mijn dassen om mijn hoofd
+gebonden, om me een beetje tegen de koude te beschermen. Zonder een
+woord te zeggen nam hij die das weg.
+
+--"Waarom doe je dat?" vroeg ik. "Ik heb het koud."
+
+--"O, Mimi," zeide hij; "zet dezen nacht je gestreepte mutsje nog
+eens op. Dat zal je zooveel moeite niet kosten."
+
+"Hij bedoelde een bruin en wit gestreept nachtmutsje van gedrukt
+katoen, dat hij mij graag op zag hebben, omdat het hem herinnerde
+aan eenige gelukkige nachten. want daarnaar telden we onze gelukkige
+dagen. Daar het de laatste nacht was, dat ik bij hem zou slapen,
+durfde ik zijn verzoek niet te weigeren. Ik stond op en ging het
+mutsje, dat onder in een van de pakjes lag, halen; ik vergat het
+scherm weer op zijn plaats te zetten. Rodolphe merkte het en verborg
+voor de tweede maal de pakjes.
+
+--"Goeden nacht!" zeide hij tegen me.
+
+--"Goeden nacht!" antwoordde ik.
+
+"Ik dacht, dat hij mij een zoen zou geven, en ik zou mij daar niet
+tegen verzet hebben, maar hij nam slechts mijn hand en drukte die aan
+zijn lippen. Je weet, Marcel, hoe graag hij mijn handen kuste. Ik
+hoorde hem klappertanden en voelde, dat zijn lichaam zoo koud als
+marmer was. Hij hield mijn hand maar steeds vast en had zijn hoofd op
+mijn schouder gelegd, die al heel gauw nat van tranen was. Rodolphe
+was in een vreeselijken toestand. Hij beet in de beddelakens, om
+het niet uit te schreeuwen; maar ik hoorde zijn onderdrukt gesteun
+en voelde zijn tranen over mijn schouders stroomen, waarop zij eerst
+brandden als vuur, dan koud werden als ijs. Op dat oogenblik had ik
+al mijn moed noodig; en ik had dien noodig, dat verzeker ik je, want
+ik had maar één woord behoeven te zeggen, mijn hoofd maar behoeven om
+te keeren, en mijn mond zou Rodolphe's lippen aangeraakt hebben en wij
+zouden ons nogmaals verzoend hebben. Een oogenblik dacht ik werkelijk,
+dat hij in mijn armen sterven of minstens krankzinnig worden zou,
+wat vroeger bijna reeds het geval geweest is ..... herinner je je nog
+wel? Ik voelde, dat ik op het punt stond toe te geven; ik wilde den
+eersten stap tot verzoening doen; ik wilde hem in mijn armen sluiten,
+want je moet wel een hart van steen hebben om tegenover zoo'n smart
+ongevoelig te blijven. Plotseling herinnerde ik me echter de woorden,
+die hij den vorigen avond gezegd had: "Je hebt geen eergevoel, als je
+bij me blijft, want ik houd niet meer van je." En bij de herinnering
+aan die grofheden had ik Rodolphe naast mij hebben kunnen zien sterven,
+zou ik, ook al had ik geweten, dat een kus van mij hem zou hebben
+kunnen redden, mijn hoofd hebben afgewend. Uitgeput door vermoeienis
+viel ik eindelijk in een lichte sluimering. Ik hoorde Rodolphe nog
+steeds snikken, en ik verzeker je, Marcel, het duurde den geheelen
+nacht door. Toen de dag aanbrak en ik in dat bed, waarin ik voor het
+laatst sliep, keek naar mijn minnaar, dien ik ging verlaten, om in de
+armen van een ander te snellen, schrok ik vreeslijk bij het zien van
+de verwoestingen, die de smart op Rodolphe's gezicht had aangericht.
+
+"Hij stond op zonder iets te zeggen. Bij de eerste stappen, die
+hij deed, sloeg hij bijna tegen den grond, zoo zwak en afgemat was
+hij. Toch kleedde hij zich vlug aan en vroeg mij slechts of alles
+al klaar was en wanneer ik wegging. Ik antwoordde, dat ik nog niets
+zekers wist. Hij ging uit, zonder afscheid te nemen, zonder me een hand
+te geven. Op die manier zijn we van elkaar gegaan. Wat een steek zal
+het hem in zijn hart gegeven hebben, toen hij me bij zijn thuiskomst
+niet meer vond!"
+
+"Ik was op zijn kamer, toen hij thuiskwam," zeide Marcel tot Mimi,
+die buiten adem was van het lange verhaal. "Toen hij beneden om den
+sleutel vroeg, zeide de vrouw van den concierge tegen hem:
+
+--"De kleine is weg."
+
+--"Zoo," antwoordde Rodolphe, "dat verwondert me niets, dat had ik
+wel gedacht."
+
+"Toen liep hij de trap op en ik volgde hem, omdat ook ik voor een
+crisis vreesde. Maar er gebeurde niets van dien aard.
+
+--"Daar het nu al te laat is om nog een andere kamer te huren,"
+zeide hij tegen me, "zullen we het maar tot morgen uitstellen. Dan
+kan je met me meegaan. En laten we nu gaan eten."
+
+"Ik dacht, dat hij zich wilde gaan bedrinken, maar ik vergiste me. We
+dineerden heel eenvoudigjes in een restaurant, waar jij ook dikwijls
+met hem gezeten hebt. Om hem een beetje onder verdooving te brengen,
+had ik Beaune besteld."
+
+--"Dat was de lievelingswijn van Mimi," zeide hij tegen me;
+"we hebben dien samen dikwijls gedronken aan hetzelfde tafeltje,
+waaraan we nu zitten. Ik herinner me nog hoe zij op een goeden dag
+haar glas, dat zij reeds verscheidene malen geledigd had, naar mij
+toeschoof met de woorden: "Schenk nog eens in, met dien Beaune kom
+je uit de boonen." Een vrij flauwe woordspeling, nauwelijks goed voor
+een vaudeville, vindt je niet? Ja, Mimi kan goed drinken!"
+
+"Daar ik zag, dat hij zich weer in herinneringen wilde gaan verdiepen,
+begon ik over wat anders te praten, van jou was er geen sprake
+meer. Hij bracht den geheelen avond in mijn gezelschap door en scheen
+even kalm als de Middellandsche Zee. Wat mij het meest verwonderde,
+was dat zijn kalmte niets gekunstelds had. Hij was de onverschilligheid
+in eigen persoon. Tegen middernacht gingen we naar huis."
+
+--"Je schijnt je er over te verwonderen, dat ik in mijn toestand
+zoo kalm ben," zeide hij tegen me; "laat ik even een vergelijking
+gebruiken, die, als is zij misschien ook wat triviaal, tenminste de
+verdienste heeft juist te zijn. Mijn hart is als een fontein, waarvan
+de kraan den geheelen nacht open heeft gestaan, 's morgens is er
+geen droppel meer in. Zoo is het nu ook met mijn hart; al de tranen,
+die ik nog had, heb ik vannacht verhuild. Het is vreemd; ik dacht,
+dat ik rijker was aan smartuitingen en nu heeft één lijdensnacht
+mij uitgeput, mij volkomen op het droge gezet. Ik verklaar je op
+mijn eerewoord, dat het zoo is. En in hetzelfde bed, waarin ik den
+afgeloopen nacht naast een vrouw, die als een blok naast me lag, uit
+wanhoop bijna gestorven ben, zal ik straks, terwijl het hoofd van die
+vrouw op het kussen van een ander rust, slapen als een pakjesdrager,
+die een zwaren dag achter den rug heeft."
+
+"Comedie," dacht ik bij mijzelf; "voordat ik goed en wel weg ben,
+loopt hij met zijn hoofd tegen den muur."
+
+"Toch liet ik Rodolphe alleen en ging naar mijn eigen kamer, maar
+slapen deed ik niet. Om drie uur meende ik leven in de kamer van
+Rodolphe te hooren; ik vloog naar beneden in de meening, dat hij aan
+het ijlen was."
+
+"En?" vroeg Mimi.
+
+"Och, beste meid, Rodolphe sliep, het bed was in het geheel niet in
+de war; alles wees erop, dat zijn slaap rustig geweest was en niet
+lang op zich had laten wachten."
+
+"Dat is heel goed mogelijk," vond Mimi; "hij was zoo moe van den
+vorigen nacht ... Maar den volgenden morgen?"
+
+"Den volgenden morgen is Rodolphe mij al heel vroeg komen halen, en
+toen zijn we kamers gaan huren in een ander huis, die we denzelfden
+avond nog betrokken hebben."
+
+"En wat heeft hij gedaan, toen hij de kamer verliet, waarin we samen
+gewoond hebben?" vroeg Mimi; "wat heeft hij gezegd, toen hij scheidde
+van de kamer, waarin hij mij zoo heeft liefgehad?"
+
+"Hij heeft heel kalm zijn boeltje gepakt," antwoordde Marcel; "en
+daar hij in een lade een paar gehaakte handschoenen en twee of drie
+brieven vond, die jij vergeten hadt mede te nemen ...."
+
+"Dat weet ik," viel Mimi hem in de rede op een toon, die scheen te
+willen zeggen: Ik heb ze exprès vergeten, om een souvenir aan me achter
+te laten. "En wat heeft hij er mede gedaan?" voegde zij eraan toe.
+
+"Ik meen me te herinneren, dat hij de brieven in de haard en de
+handschoenen uit het raam gegooid heeft; maar zonder eenig theatraal
+gebaar, zonder pose, op een heel natuurlijke manier, zooals je dat
+doet, wanneer je iets, waar je niets meer aan hebt, weg doet."
+
+"Beste Marcel, uit den grond van mijn hart hoop ik, dat die
+onverschilligheid voortduren zal. Maar eerlijk gezegd, ik geloof niet
+aan een zoo spoedige genezing, en niettegenstaande alles wat je me
+zegt, ben ik er zeker van, dat mijn dichter een gebroken hart heeft."
+
+"Het is best mogelijk," antwoordde Marcel, terwijl hij afscheid nam van
+Mimi; "maar de stukken zijn nog goed, als ik mij niet sterk vergis."
+
+Gedurende dat gesprek op de straat wachtte vicomte Paul op zijn
+nieuwe maîtresse, die veel later dan afgesproken was bij hem kwam en
+allesbehalve vriendelijk tegen den vicomte was. Hij knielde voor haar
+neer en kirde haar zijn lievelingsromance voor: dat zij bekoorlijk
+was, bleek als de maan, zacht als een lam, maar dat hij haar vooral
+liefhad om de schoonheid van haar ziel.
+
+"Ach!" dacht Mimi, terwijl zij de golven van haar bruin haar op de
+sneeuw van haar schouders liet neervallen; "Rodolphe was niet zoo
+exclusief."
+
+
+
+
+II.
+
+Het was, zooals Marcel tegen Mimi gezegd had: Rodolphe scheen radicaal
+genezen te zijn van zijn liefde voor Mademoiselle Mimi, en drie of vier
+dagen na hun scheiding zag men den dichter geheel gemetamorphoseerd
+weer verschijnen. Hij was gekleed met een elegance, die hem zelf
+onherkenbaar voor zijn spiegel moest maken, en niets in of aan hem
+scheen de vrees te rechtvaardigen, dat hij het voornemen had zich te
+storten in de afgronden van het Niet, welk praatje mademoiselle Mimi
+met gehuicheld medelijden ingang trachtte te doen vinden. Rodolphe
+was inderdaad volkomen kalm; hij luisterde, zonder dat er ook maar één
+spier op zijn gelaat vertrok, naar de verhalen, die hem gedaan werden
+over de nieuwe en weelderige levenswijze van zijn vriendinnetje, dat
+er van haar kant een genoegen in vond hem zooveel mogelijk over haar te
+laten inlichten door een jonge vrouw, die haar vertrouwde gebleven was
+en in de gelegenheid verkeerde bijna iederen avond met hem te praten.
+
+"Mimi is erg gelukkig met vicomte Paul," zeide zij tegen den dichter;
+"zij schijnt dol verliefd op hem te zijn; één ding echter verontrust
+haar, zij is n.l. bang, dat gij haar rust zult komen storen door
+achtervolgingen, die echter zeer gevaarlijk voor u zouden zijn,
+want de vicomte aanbidt zijn maîtresse en heeft twee jaar lang de
+schermschool bezocht."
+
+"Zoo!" antwoordde Rodolphe; "zij kan rustig slapen; ik heb heelemaal
+geen lust azijn in het suikerwater van haar wittebroodsweken te
+gieten. En wat haar jeugdigen minnaar betreft, die kan gerust zijn
+degen aan den spijker laten hangen evenals Gastibelza, den man met
+den karabijn. [46]"
+
+Natuurlijk werd Mimi op de hoogte gebracht van de kalmte, waarmede
+haar vroegere minnaar al die bijzonderheden opnam, en van haar kant
+verzuimde zij niet met een schouderophalen te antwoorden:
+
+"Het is goed! We zullen binnenkort wel zien, waar het op uitloopt!"
+
+Intusschen was Rodolphe nog meer dan ieder ander verbaasd over die
+plotselinge onverschilligheid, welke, zonder de gewone phasen van
+droefgeestigheid en melancholie te doorloopen, volgde op de woeste
+stormen, die nog eenige dagen te voren in zijn hart gewoed hadden. De
+vergetelheid, die anders vooral voor ongelukkige verliefden zoo
+langzaam komt; de vergetelheid, die zij luide roepen en die zij
+nog luider terugstooten, wanneer zij haar voelen naderen; deze
+onverbiddelijke troosteresse had zich plotseling en onverwachts,
+zonder dat hij er zich tegen had kunnen verzetten, in Rodolphe's hart
+ingedrongen, en de naam van de vrouw, die hij zoo hartstochtelijk had
+liefgehad, kon nu genoemd worden, zonder in zijn ziel een weerklank te
+vinden. Wonderlijk, Rodolphe, wiens sterk geheugen de herinneringen aan
+dingen, die in de verst verwijderde dagen van het verleden geschied
+waren, en aan personen, die in zijn leven, al was het nog zoo lang
+geleden, een rol gespeeld of op zijn bestaan invloed gehad hadden,
+bewaarde; diezelfde Rodolphe kon, hoe hij zich ook inspande, zich vier
+dagen na de scheiding niet duidelijk de trekken herinneren van zijn
+vriendinnetje, dat met haar blanke, zachte handjes zijn leven bijna
+gebroken had. De zachte oogen, in wier schittering hij zoo dikwijls
+ingeslapen was, kon hij zich niet meer voor den geest roepen. Hij
+herinnerde zich zelfs den klank der stem niet meer, wier uitbarstingen
+van woede of verliefd gefluister hem tot waanzin brachten.
+
+Een van zijn vrienden, ook een dichter, die hem sinds zijn
+echtscheiding niet gezien had, zag hem op een avond blijkbaar in droeve
+gedachten verzonken met groote passen op straat op en neer loopen.
+
+"Zoo, ben jij daar!" zeide de dichter, terwijl hij Rodolphe de hand
+toestak en hem nieuwsgierig opnam.
+
+Daar hij zag, dat Rodolphe een bedroefd gezicht zette, meende hij
+hem wat moed te moeten inspreken:
+
+"Kom, kerel, moed! Ik weet, dat dergelijke dingen zwaar te dragen zijn,
+maar het had er toch eenmaal toe moeten komen. Beter nu dan later! En
+binnen drie maanden ben je weer heelemaal genezen!"
+
+"Wat voor een dwaasheid sta je toch uit te slaan?" zeide Rodolphe;
+"ik ben niet ziek."
+
+"Kom," antwoordde de ander, "houd je nou maar zoo groot niet. Ik ken
+de heele geschiedenis, en al kende ik die niet, dan zou ik die toch
+op je gezicht kunnen lezen."
+
+"Pas op, kerel, je vergist je!" zeide Rodolphe; "weliswaar ben ik
+vanavond een beetje mismoedig, waar wat de oorzaak daarvan betreft,
+sla je de plank heelemaal mis."
+
+"Ach, Rodolphe, waarom strijdt je toch zoo tegen? Het is heel
+natuurlijk; een liaison, die bijna twee jaar geduurd heeft, breek je
+niet zoo maar zonder kleerscheuren af."
+
+"Dat zeggen jullie allemaal!" zeide Rodolphe ongeduldig; "maar jullie
+hebt het allemaal op mijn woord van eer mis. Ik ben erg bedroefd en
+zie er misschien ook zoo uit, dat is mogelijk; maar ik ben het alleen
+maar, omdat mijn kleermaker mij vandaag mijn nieuwe pak zou bezorgen
+en het niet gedaan heeft. Zie je, daarom heb ik het land."
+
+"Grappenmaker, grappenmaker!" zeide de ander lachend.
+
+"Waarachtig niet, ik ben ernstig, doodernstig. Luister maar even naar
+mijn redeneering."
+
+"Nou ik luister: bewijs mij eens hoe je redelijkerwijze zoo'n bedroefd
+gezicht kunt zetten, omdat een kleermaker je pak niet thuisbezorgd
+heeft. Ga je gang, en laat eens hooren."
+
+"Je weet toch," zeide Rodolphe, "dat kleine oorzaken groote gevolgen
+kunnen hebben. Ik moest vanavond een zeer gewichtig bezoek afleggen
+en dat kan ik nu niet doen, omdat ik geen fatsoenlijk pak heb. Begrijp
+je het nu?"
+
+"Neen, volstrekt nog niet. Ik zie tot op dit oogenblik geen voldoende
+motief, om zoo het land te hebben. Je vindt het vervelend ..... omdat
+..... kort en goed, je lijkt wel dwaas, om me zoo iets op de mouw te
+willen spelden. Dat is mijn meening."
+
+"Kerel, je bent al bliksems halsstarrig. Je hebt altijd reden om het
+land te hebben, wanneer je een gelukje of zelfs maar een pleiziertje
+misloopt, omdat het dan zoo goed als onherroepelijk verloren is, want
+het is meestal zelfbedrog als je tegen je zelf zegt: "Ik zal het een
+anderen keer wel inhalen!" Maar om kort te gaan, ik had vanavond een
+rendez-vous met een jong meisje: ik zou haar ontmoeten in een huis,
+vanwaar ik haar misschien mee naar mijn kamer genomen zou hebben,
+als het korter was dan om naar de hare te gaan, en misschien ook wel,
+al was het langer. In dat huis nu wordt vanavond een soirée gegeven,
+een soirée waarop je alleen maar in rok kunt komen; ik heb geen rok,
+mijn kleermaker moest mij er een brengen; hij brengt dien rok niet, dus
+kan ik ook niet naar de soirée gaan; dus ontmoet ik het jonge meisje
+niet, dat nu misschien een ander ontmoet; dus breng ik haar noch naar
+mijn kamer noch naar de hare, waarheen ze nu misschien door een ander
+gebracht wordt. Zooals ik al zeide, loop ik derhalve een gelukje of
+een pleiziertje mis; derhalve heb ik het land; derhalve zie ik eruit,
+alsof ik het land heb; derhalve is de heele zaak heel natuurlijk."
+
+"Nou goed dan," zeide de vriend. "Derhalve ben je nauwelijks met je
+eenen voet uit de hel, of je stapt met je anderen weer in een nieuwe;
+maar, waarde vriend, toen ik je hier in de straat zag, maakte het
+toch precies den indruk, alsof je hier liept te schilderen."
+
+"Dat deed ik ook," antwoordde Rodolphe.
+
+"Maar het is toch wel heel toevallig, dat dit juist gebeurt in het
+stadsdeel, waarin je vroeger vriendinnetje woont: wat bewijst mij,
+dat je niet op haar wacht?"
+
+"Hoewel ik van haar gescheiden ben, hebben particuliere redenen mij
+genoopt in dit stadsgedeelte te blijven wonen; maar al zijn we bijna
+buren, toch zijn we even ver van elkaar verwijderd, alsof zij zich
+aan de Noord- en ik mij aan de Zuidpool bevond. Bovendien zit mijn
+vroegere maîtresse op dit oogenblik in het hoekje van den haard en
+neemt les in de Fransche taal bij vicomte Paul, die haar door middel
+van de orthographie op het pad der deugd wil terugbrengen. Lieve
+Hemel, wat zal hij haar verwennen! Enfin, dat is zijn zaak, nu hij de
+hoofdredacteur van zijn geluk is! Je ziet dus, dat je opmerkingen meer
+dan onzinnig zijn, en dat ik, verre van het uitgewischte spoor van mijn
+oude liefde weer te willen zoeken, juist een nieuwe op het spoor ben,
+die reeds in mijn nabijheid woont en nog dichter bij mij komen zal,
+want ik ben volkomen bereid haar een eind weegs tegemoet te gaan,
+en als zij dat ook wil doen, zal het niet lang duren voor we het
+eens zijn."
+
+"Ben je dus werkelijk alweer verliefd?" vroeg de dichter.
+
+"Dat ligt nu eenmaal in mijn natuur," antwoordde Rodolphe; "mijn
+hart lijkt op een woning, die je dadelijk te huur hangt, zoodra de
+bewoner heeft opgezegd. Wanneer een liefde mijn hart verlaat, hang
+ik een bordje uit, om een andere te krijgen. De kamers zijn bovendien
+prettig om te bewonen en pas gerepareerd."
+
+"En wie is die nieuwe afgod? Waar en wanneer heb je ze leeren kennen?"
+
+"Laat ik het je regelmatig vertellen," zeide Rodolphe. "Toen Mimi
+me verlaten had, was ik er vast van overtuigd, dat ik nooit van
+mijn leven weer verliefd zou worden, en geloofde ik in allen ernst,
+dat mijn hart van uitputting of ouderdomszwakte of wat je maar wilt
+gestorven was. Het had zoo hard en zoo lang geklopt, dat dit zeer
+goed mogelijk was. Kortom ik waande het dood, morsdood, zòò dood,
+dat ik erover dacht het net als Marlborough te begraven. Bij die
+gelegenheid gaf ik een klein begrafenisdinertje, waarop ik enkele
+van mijn intieme vrienden inviteerde. De gasten moesten een bedroefd
+gezicht trekken en de flesschen hadden een rouwfloers over de hals."
+
+"En waarom heb je mij niet gevraagd?"
+
+"Neem me niet kwalijk, maar ik wist het adres van de wolk, waarop je
+troont, niet."
+
+"Nou enfin, vertel maar verder!"
+
+"Een van de gasten had een jong meisje meegebracht, dat ook kort
+geleden door haar minnaar verlaten was. Een van mijn vrienden, die heel
+goed op de violoncel der sentimentaliteit speelt, vertelde haar mijn
+geschiedenis. Hij schilderde de jonge weduwe de goede hoedanigheden
+van mijn hart, dien armen doode, dien we juist wilden gaan begraven,
+en noodigde haar ten slotte uit een dronk te wijden aan zijn eeuwige
+rust. Doch haar glas opheffende zeide zij: "Integendeel, ik drink op
+zijn voortdurende gezondheid!" En bij die woorden wierp zij mij een
+blik toe, om een doode weer levend te maken, zooals men dat noemt, en
+hier kon men dat met recht zeggen, want nauwelijks had zij haar toast
+uitgebracht, of ik voelde, dat mijn hart het O Filii der Opstanding
+begon aan te heffen. Wat hadt jij in mijn plaats gedaan?"
+
+"Dat is ook een vraag!.... hoe heet zij?"
+
+"Dat weet ik zelf niet, en ik zal haar naam niet vragen, voordat we ons
+contract teekenen. Ik weet wel, dat ik volgens het inzicht van sommige
+menschen den wettelijken treurtermijn nog niet geheel doorloopen heb,
+maar ik heb aan mezelf dispensatie gevraagd en.... . verleend. Wat ik
+wel weet, is dat mijn aanstaande als bruidschat vroolijkheid, die de
+gezondheid is van den geest, en gezondheid, die de vroolijkheid van
+het lichaam is, zal medebrengen."
+
+"Is zij knap?"
+
+"Heel knap, vooral haar tint is mooi; je zoudt bijna denken, dat zij
+zich 's ochtends met het palet van Watteau schminkt.
+
+Elle est blonde, mon cher, et ses regards vainqueurs Allument
+l'incendie aux quatre coins des coeurs.
+
+Getuige het mijne!"
+
+"Een blondine? Dat verwondert me van jou!"
+
+"Ja ik heb genoeg van ivoor en ebbenhout, ik ga over tot de blondines."
+
+En al luchtsprongen makend, begon Rodolphe te zingen:
+
+
+ "Et nous chanterons à la ronde,
+ Si, vous voulez,
+ Que je l'adore, et qu'elle est blonde
+ Comme les blés."
+
+
+"Arme Mimi!" zeide de vriend; "zoo gauw vergeten!"
+
+Deze naam deed Rodolphe's uitbundigheid dadelijk verstommen en gaf aan
+het gesprek plotseling een andere wending. Rodolphe gaf zijn vriend
+een arm en vertelde hem uitvoerig de oorzaken van zijn breuk met Mimi;
+den angst, die zich van hem meester had gemaakt, toen zij hem had
+verlaten; hoe ontroostbaar hij geweest was, omdat hij meende, dat zij
+al zijn levenskracht en liefde met zich medegenomen had; en hoe hij
+twee dagen later tot de ontdekking gekomen was, dat hij zich vergist
+had, toen hij voelde, hoe het kruit van zijn hart, dat door zooveel
+snikken en tranen nat geworden was, onder den eersten van jeugd en
+hartstocht fonkelenden blik voor de eerste vrouw, die hij ontmoette,
+weer warm geworden was, vuur had gevat en ontploft was. Hij schilderde
+hem den plotselingen en geweldigen ommekeer, dien de vergetelheid,
+zonder dat hij die te hulp had geroepen, in hem veroorzaakt had,
+en hoe de smart in hem gestorven en in die vergetelheid begraven was.
+
+"Is het geen wonder?" vroeg hij aan den dichter.
+
+Doch deze, die alle smartelijke hoofdstukken van een ongelukkige
+liefde uit eigen ervaring kende, antwoordde:
+
+"Welneen, beste kerel, er gebeuren geen wonderen meer, noch voor jou
+noch voor anderen. Wat jou nu overkomt is mij ook overkomen. Wanneer
+de vrouwen, die wij liefhebben, onze maîtressen worden, houden zij
+op voor ons te zijn wat zij in werkelijkheid zijn. Wij zien ze dan
+niet alleen meer met de oogen van den minnaar, maar ook met die van
+den dichter. Zooals de schilder om een ledepop het keizerlijke purper
+of den met sterren bezaaiden sluier van een heilige jonkvrouw hangt,
+hebben wij altijd magazijnen vol schitterende mantels en verblindend
+witte gewaden, die we onverstandige, onbevallige of kwaadaardige
+schepselen om de schouders werpen; en wanneer zij dan zoo gekleed
+zijn in het kostuum, waarin onze ideale geliefden ons in het azuur
+van onze droomen verschenen, dan laten wij ons door deze vermomming
+om den tuin leiden. Wij belichamen onzen droom in de eerste de beste
+vrouw, tegen wie wij onze taal spreken, en die ons niet begrijpt.
+
+"En wanneer dan zoo'n schepsel, dat wij aanbidden en aan wiens voeten
+wij nederknielen, zichzelf het goddelijk omhulsel, waaronder wij het
+verborgen hadden, afrukt, om ons des te beter haar lage natuur en haar
+gemeene instincten te laten zien; wanneer zoo'n vrouw onze hand op haar
+hart legt, waarin niets meer klopt en misschien nooit iets geklopt
+heeft; wanneer zij haar sluier wegslaat en ons haar doffe oogen,
+haar bleeke lippen en haar verwelkte trekken zien laat, dan hullen
+wij haar weer in dien sluier en roepen uit: "Gij liegt, gij liegt! Ik
+heb je lief en gij hebt mij lief! Die witte boezem is het omhulsel
+van een hart, dat nog in de volle kracht van zijn jeugd is; ik heb je
+lief en gij hebt mij lief! Gij zijt mooi, gij zijt jong! Onder in al
+je gebreken leeft nog de liefde. Ik heb je lief en gij hebt mij lief!
+
+"Ten slotte echter--o, heelemaal ten slotte--bemerken wij, nadat wij
+ons vergeefs een driedubbele blinddoek voor de oogen gebonden hebben,
+dat wij zelfs de slachtoffers van onze dwalingen geworden zijn en
+jagen wij de ellendige weg, die den dag tevoren nog onze afgod was
+geweest; wij nemen dan den gouden sluier van onze poëzie terug, om
+ze den volgenden dag weer te werpen over de schouders van een nieuwe
+onbekende, die onmiddellijk haar plaats als stralenomkranst afgodsbeeld
+inneemt. En zoo zijn wij allen--vreeselijke egoisten bovendien, die de
+liefde liefhebben ter wille van de liefde; je begrijpt, wat ik bedoel;
+en wij drinken dien goddelijken nektar uit het eerste het beste glas,
+getrouw aan de spreuk:
+
+"Qu'importe le flacon, pourvu qu'on ait l'ivresse!"
+
+"Wat je daar zegt is even waar, als tweemaal twee vier is," zeide
+Rodolphe tot den dichter.
+
+"Ja," antwoordde deze, "het is waar en treurig, zooals bijna alle
+waarheden. Bonsoir."
+
+
+
+Twee dagen later hoorde mademoiselle Mimi, dat Rodolphe een nieuw
+vriendinnetje had. Zij informeerde echter verder slechts naar één ding,
+n.l. of hij haar even dikwijls de hand kuste als haarzelf vroeger.
+
+"Even dikwijls!" antwoordde Marcel. "En bovendien kust hij ook haar
+haren, het eene na het andere, en zij zullen zòò lang bij elkaar
+blijven, tot hij ze alle gekust heeft."
+
+"Hè!" antwoordde Mimi, terwijl ze met beide handen door haar haar
+streek; "gelukkig maar, dat hij zich niet in zijn hoofd gehaald heeft
+met mij hetzelfde te doen, anders waren we ons leven lang bij elkaar
+gebleven. Geloof je overigens werkelijk, dat hij heelemaal niet meer
+van me houdt?"
+
+"Ach!.... En houdt jij nog van hem?"
+
+"Ik heb nooit van hem gehouden!"
+
+"Dat is wel waar, Mimi, je hebt van hem gehouden op het oogenblik,
+dat het hart van een vrouw op zijn goede plaats zit. Je hebt van
+hem gehouden--spreek dat niet tegen, want juist daarin ligt je
+rechtvaardiging."
+
+"Bah!" zeide Mimi; "hij houdt nu van een ander!"
+
+"Dat is zoo!" zeide Marcel, "maar dat doet aan de andere zaak niets
+af. Later zal de herinnering aan jou voor hem zijn als die bloemen,
+welke men frisch en geurend tusschen de bladeren van een boek legt,
+en die men veel, heel veel later terugvindt, verwelkt, verkleurd en
+dood, maar toch nog altijd met een onbestemden geur van haar eerste
+frischheid."
+
+
+
+Op een avond, dat Mimi zacht een melodie neuriede, vroeg vicomte
+Paul haar:
+
+"Wat zing je daar, lieveling?"
+
+"De lijkrede van onze liefde, die mijn vroegere minnaar Rodolphe
+onlangs gedicht heeft."
+
+En zij zong:
+
+
+ "Je n'ai plus le sou, ma chère, et le Code,
+ Dans un cas pareil, ordonne l'oubli;
+ Et sans pleurs, ainsi qu'une ancienne mode,
+ Tu vas m'oublier, n'est-ce pas, Mimi?
+
+ C'est égal, vois-tu, nous aurons, ma chère,
+ Sans compter les nuits, passé d'heureux jours,
+ Ils n'ont pas duré longtemps; mais qu' y faire?
+ Ce sont les plus beaux qui sont les plus courts."
+
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XXI.
+
+ROMEO EN JULIA.
+
+
+Mooi als een plaatje uit zijn tijdschrift l'Echarpe d'Iris, met
+nieuwe handschoenen, elegante schoenen, gladgeschoren, gefriseerd,
+opgedraaide snorpunten, een wandelstokje in de hand, een monocle in
+het oog, stralend en verjongd stond onze vriend, de dichter Rodolphe
+op een Novemberavond op den boulevard op een rijtuig te wachten,
+waarmede hij zich naar huis wilde laten brengen.
+
+Rodolphe wachten op een rijtuig? Welk een ommekeer was er plotseling
+in zijn particulier leven gekomen?
+
+Op hetzelfde uur, dat de als het ware gemetamophorseerde dichter, een
+grooten regalia in den mond, zijn snor opdraaide en de blikken der
+dames trok, kwam een vriend van hem denzelfden boulevard langs. Het
+was de wijsgeer Colline. Rodolphe zag hem in de verte aankomen en
+herkende hem dadelijk; trouwens wie, die hem ook maar éénmaal in zijn
+leven gezien had, zou hem niet herkennen? Colline was als gewoonlijk
+belast en beladen met een dozijn oude boeken. In zijn onsterfelijken
+bruinen paletot, welks onverslijtbaarheid de veronderstelling,
+dat hij door de Romeinen gemaakt was, rechtvaardigde, en met zijn
+beroemden, breedgeranden hoed, die op een vilten koepel geleek,
+waaronder een zwerm hyperphysische droomen door elkaar krioelde,
+en die den bijnaam had van de "stormhoed van den Mambrin der moderne
+philosophie", liep Gustave Colline langzaam voort en declameerde voor
+zichzelf zacht de voorrede van een werk, dat sedert drie maanden ter
+perse lag ..... in zijn verbeelding. Zoo kwam hij langzamerhand bij
+den plek, waar Rodolphe stond te wachten; hij meende hem te herkennen,
+maar de buitengewone elegance van den dichter bracht den wijsgeer in
+twijfel en onzekerheid.
+
+"Rodolphe met handschoenen en een wandelstok! Een chimère! Een
+utopie! Een verstandsverbijstering! Rodolphe, die al even weinig haren
+heeft als de gelegenheid, gefriseerd! Waar zitten mijn oogen? Bovendien
+is mijn ongelukkige vriend op dit oogenblik druk bezig met het
+dichten van klaagliederen over het vertrek van zijn Mimi, die hem,
+naar ik heb hooren vertellen, heeft laten zitten.
+
+Intusschen was Colline, toen hij vlak bij Rodolphe stil bleef staan,
+wel genoodzaakt zich door de werkelijkheid der feiten te laten
+overtuigen; het was inderdaad Rodolphe, gefriseerd, met een wandelstok
+en handschoenen; het was onmogelijk, maar het was waar.
+
+"Alle duivels," riep Colline; "ik vergis me niet; jij bent het,
+het kan niet missen, ik ben er zeker van."
+
+"Ik ook," antwoordde Rodolphe.
+
+Colline begon nu zijn vriend van top tot teen op te nemen en zette
+daarbij een gezicht zooals de hofschilder Lebrun het geschilderd had,
+om de allergrootste verbazing uit te drukken. Maar plotseling ontdekte
+hij twee heel bijzondere dingen, die Rodolphe bij zich had, n.l. 1o
+een touwladder en 2o een kooitje, waarin een vogel rondvloog. Toen
+Colline die dingen zag, drukte zijn physionomie een gevoel uit, dat
+de hofschilder Lebrun op zijn doek der "Menschelijke Hartstochten"
+vergeten heeft weer te geven.
+
+"Kom," zeide Rodolphe tot zijn vriend; "ik heb de nieuwsgierigheid
+van je geest heel duidelijk door het venster van je oogen zien gluren;
+ik zal ze bevredigen; maar laten wij niet zoo hier op straat blijven;
+het is zoo koud, dat vraag en antwoord zouden bevriezen."
+
+En zij gingen een café binnen.
+
+Colline's oogen waren geen moment van den touwladder af, evenmin als
+van het kooitje, waarin de vogel, die door de warmte van het café wat
+fleuriger werd, begon te zingen in een taal, welke Colline, die toch
+een polyglot was, niet kende.
+
+"Vertel me nu eindelijk eens," vroeg Colline op den touwladder wijzend,
+"wat dat is?"
+
+"Een verbinding tusschen mijn geliefde en mij," antwoordde Rodolphe
+met den klank van een mandoline in zijn stem.
+
+"En dat?" vroeg de wijsgeer met een blik op den vogel.
+
+"Dat," zeide de dichter en zijn stem werd zacht als een lentebriesje;
+"dat is een klok."
+
+"Spreek toch zonder gelijkenissen, in alledaagsch proza, maar
+duidelijk!"
+
+"Goed. Heb je Shakespeare gelezen?"
+
+"En of! To be or not to be. Een groot philosoof.... Of ik hem
+gelezen heb!"
+
+"Herinner je je Romeo en Julia?"
+
+"Dat zou ik denken!" zeide Colline.
+
+En hij begon te reciteeren:
+
+
+ "It is not yet near day;
+ It was the nightingale, and not the lark,
+ That pierc'd the fearful hollow of thine ear. [47]
+
+
+"Ja hoor, ik herinner me Romeo en Julia best. En verder?"
+
+"Wat?" zeide Rodolphe, op den touwladder en den vogel wijzend, "begrijp
+je het nu nog niet? Ik ben verliefd, kerel, verliefd op een meisje,
+dat Julia heet!"
+
+"Nou, en verder?" vroeg Colline ongeduldig.
+
+"Welnu, daar mijn nieuwe geliefde Julia heet, heb ik het plan gevormd
+met haar het drama van Shakespeare nogmaals op te voeren. In de eerste
+plaats heet ik niet meer Rodolphe, maar Romeo Montague, en je zult me
+zeer verplichten mij in het vervolg zoo te noemen. Bovendien heb ik,
+opdat iedereen het zal weten, nieuwe visitekaartjes laten drukken. Maar
+dat is niet alles: ik zal van de omstandigheid, dat we nog niet in
+den carnavalstijd zijn, gebruik maken, om een fluweelen wambuis en
+een degen te dragen."
+
+"Om Tybalt te dooden?" vroeg Colline.
+
+"Precies," antwoordde Rodolphe. "Kort en goed, deze touwladder moet
+dienen, om binnen te komen bij mijn geliefde, die toevallig een balcon
+voor haar kamer heeft."
+
+"Maar die vogel, die vogel?" bleef Colline aandringen.
+
+"Wel, die vogel is een duif en moet de rol spelen van nachtegaal
+door iederen ochtend precies het oogenblik aan te geven, waarop mijn
+geliefde, uit wier omarming ik mij losmaken wil, haar armen om mijn
+hals slaan en juist zooals in de balconscène zeggen zal: "Neen, het
+is nog niet de dag, het was de nachtegaal ....." d.w.z.: "Neen , het
+is nog geen elf uur, het is vuil op straat, ga nog niet weg, het is
+zoo lekker hier." Om de illusie volkomen te maken, zal ik probeeren
+een min te krijgen en die ter beschikking van mijn geliefde stellen;
+en ik hoop, dat de kalender zoo goedgunstig zal zijn om mij nu en
+dan, wanneer ik het balcon van mijn Julia beklim, wat maneschijn te
+verleenen. Wat zeg je van mijn plan, philosoof?"
+
+"Heel aardig," antwoordde Colline; "maar wil je me misschien ook
+het mysterie van dit prachtige omhulsel, dat je onherkenbaar maakt,
+ontsluieren? .... Ben je millionair geworden?"
+
+Rodolphe gaf geen antwoord, maar wenkte een kellner en gaf hem
+onverschillig een louis met de woorden:
+
+"Houd maar af!"
+
+Dan sloeg hij op zijn vestjeszakje, dat begon te zingen.
+
+"Heb je soms een klokketoren in je zak, dat het daar zoo luidt?"
+
+"Een paar louis maar."
+
+"Echte louis d'or?" zeide Colline met een van verbazing gesmoorde
+stem. "Laat mij eens kijken, hoe die eruit zien!"
+
+Dan scheidden de beide vrienden, Colline, om Rodolphe's schatten en
+nieuwe liefde verder uit te bazuinen, Rodolphe om naar huis te gaan.
+
+In de week, die gevolgd was op den tweeden breuk met Mimi, had zich
+het volgende afgespeeld.
+
+Toen de dichter met zijn vriendinnetje gebroken had, voelde hij
+behoefte om van omgeving te veranderen en verliet hij met zijn vriend
+Marcel het sombere hôtel garni, welks eigenaar de beide heeren zonder
+al te veel spijt zag heengaan. Zooals wij reeds verteld hebben, gingen
+zij samen een ander onderdak zoeken en huurden twee kamers in hetzelfde
+huis en op dezelfde verdieping. De door Rodolphe gekozen kamer was
+veel geriefelijker dan al degene, die hij vroeger bewoond had. Er
+stonden bijna werkelijke meubels in; met name een canapé met een rood
+overtrek, dat fluweel moest voorstellen, welke stof echter in geen
+enkel opzicht het spreekwoord: "Doe wat ge moet" in praktijk bracht.
+
+Op den schoorsteen flankeerden twee porceleinen vazen met bloemen en
+een albasten pendule met afschuwlijke versieringen. Rodolphe zette
+de vazen in een kast en verzocht den huisheer, toen deze de pendule
+kwam opwinden, dat liever niet te doen.
+
+"De pendule mag voor mijn part op den schoorsteen blijven staan," zeide
+hij, "maar alleen als kunstvoorwerp; zij staat nu op middernacht,
+dat is een mooi uur; zij moet er dus op blijven staan. Zoodra zij
+vijf minuten later wijst, ga ik verhuizen ..... Een pendule!" ging
+Rodolphe, die zich nooit aan de tyrannie van een wijzerplaat had
+kunnen onderwerpen, tot zichzelf sprekende, voort; "een pendule is een
+verbitterde vijand , die je onverbiddelijk je bestaan uur voor uur,
+minuut voor minuut voortelt en je ieder oogenblik zegt: "Daar is weer
+een deel van je leven voorbij!" O, ik zou niet rustig kunnen slapen
+in een kamer, waarin een van die martelwerktuigen staat, in welker
+nabijheid zorgeloosheid en droomen onmogelijk zijn .... Een pendule,
+waarvan de wijzers zich verlengen tot aan je bed en je 's ochtends,
+wanneer je in een heerlijken sluimer ligt, komen prikken ..... Een
+pendule, die je steeds toeroept: "ding, ding, ding! Het is tijd,
+om te gaan werken, maak je los uit de armen van je heerlijken droom,
+onttrek je aan de liefkozingen van je visioenen (en soms aan die van
+werkelijkheden). Zet je hoed op, trek je schoenen aan, het is koud, het
+regent, ga aan je werk, het is tijd, ding, ding" ..... Een kalender is
+al meer dan mooi .... Mijn pendule moet verlamd blijven, anders ...."
+
+Gedurende dezen monoloog onderwierp Rodolphe zijn nieuwe kamer aan een
+nauwgezette inspectie en voelde daarbij in zich die heimelijke onrust,
+welke zich bijna altijd van ons meester maakt, wanneer we een nieuwe
+woning betrekken.
+
+"Ik heb," dacht hij bij zichzelf, "opgemerkt, dat de kamers, die we
+bewonen, een geheimzinnigen invloed uitoefenen op onze gedachten en
+derhalve ook op onze daden. Deze kamer hier is kil en stil als een
+graf. Indien hier ooit vroolijkheid heerschen zal, dan moet zij van
+buitenaf worden ingevoerd; en ook dan zal zij hier niet lang blijven,
+want onder dezen lagen zolder, die koud en grijs als een sneeuwlucht
+is, moet de lach zónder echo sterven. O wee, hoe zal mijn leven
+tusschen deze vier muren zijn!"
+
+
+
+Eenige dagen later echter was deze zoo trieste kamer verlicht en
+weerklonk van vroolijk gelach: Rodolphe gaf een inwijdingsfeest, en
+de talrijke ledige flesschen verklaarden meer dan genoeg de opgewekte
+stemming der gasten. De dichter zelf had zich door de aanstekelijke
+vroolijkheid der feestgenooten laten medesleepen. Hij zat met een
+jong meisje, dat het toeval hier gebracht en waar hij dadelijk
+beslag op gelegd had, in een hoek en flirtte met haar met woorden
+en handbewegingen. Tegen het einde van het feest was hij al zoover,
+dat hij een rendez-vous met haar had voor den volgenden dag.
+
+"Zoo," zeide hij tot zichzelf, toen hij weer alleen was, "deze
+avond is nog al aardig geslaagd. Mijn verblijf hier is onder goede
+voorteekenen begonnen."
+
+Den volgenden dag kwam Julia op het afgesproken uur bij hem. De avond
+ging geheel weg met verklaringen en uitleggingen. Julia had gehoord,
+dat Rodolphe kort geleden gebroken had met het blauwoogige meisje,
+waar hij zooveel van gehouden had; zij wist ook, dat Rodolphe na de
+eerste scheiding haar weer teruggenomen had, en was daarom bang het
+slachtoffer van een nieuwe verzoening te zullen worden.
+
+"Want, zie je," zeide zij met een aardig en schalksch gebaartje,
+"ik voel er heelemaal niets voor een belachelijke rol te spelen. Ik
+zeg je vooruit, dat ik niet makkelijk ben; ben ik hier eenmaal de
+vrouw des huizes"--en met een guitigen blik onderstreepte zij de
+beteekenis, die zij aan deze laatste woorden gaf--"dan blijf ik het
+en sta ik mijn plaats niet af."
+
+Rodolphe riep al zijn welsprekendheid te hulp om haar te overtuigen,
+dat haar vrees ongegrond was, en daar het jonge meisje van haar kant
+niets liever wilde dan overtuigd worden, waren zij het heel gauw
+eens. Doch die eensgezindheid hield weer op, toen het twaalf uur was,
+want Rodolphe wilde, dat Julia bleef, terwijl zij naar huis wilde gaan.
+
+"Neen!" zeide zij, toen hij bleef aandringen. "Waarom zouden we ons
+zoo haasten? Wij komen nog altijd vroeg genoeg waar we wezen willen,
+als jij tenminste niet blijft staan. Morgen kom ik terug."
+
+En zoo kwam zij een week lang iederen avond terug, om weer weg te gaan,
+zoodra het twaalf uur sloeg.
+
+Rodolphe vond dien langzamen voortgang volstrekt niet vervelend. Hij
+behoorde in het land der liefde of verliefdheid tot die soort van
+reizigers, die de reis rekken en schilderachtig trachten te maken. Deze
+kleine sentimenteele inleiding voerde hem echter ten slotte verder
+dan hij eigenlijk wilde gaan. En ongetwijfeld had mademoiselle Julia
+deze taktiek toegepast met het oogmerk hem tot dat punt te brengen,
+waarop verliefdheid, gerijpt door den tegenstand, op liefde begint
+te gelijken.
+
+Iederen keer, dat zij den dichter opzocht, merkte Julia in wat hij
+tot haar zeide, een grootere innigheid, een duidelijker uitgesproken
+gevoel op. Wanneer zij wat laat was, maakte zich die kenteekenende
+onrust van hem meester, welke het jonge meisje in verrukking bracht;
+en hij schreef haar zelfs brieven, welker bewoordingen haar reden gaven
+te hopen, dat zij weldra zijn wettige "vrouw des huizes" zou worden.
+
+Toen Marcel, die zijn vertrouwde gebleven was, bij toeval eens een
+van die epistels gelezen had, vroeg hij lachend:
+
+"Zijn dat stijloefeningen, of meen je werkelijk wat je schrijft?"
+
+"Waarachtig, ik meen het," antwoordde Rodolphe; "en het verwondert
+me zelf ook wel een beetje, maar toch is het zoo. Acht dagen geleden
+was ik in een zeer droefgeestige stemming. Die stilte en die kalmte,
+die zoo plotseling en onmiddellijk op de stormen van mijn vroeger leven
+gevolgd waren, maakten mij vreeselijk van streek, maar heel onverwacht
+kwam Julia. Ik hoorde in mijn ooren de fanfares van een vroolijkheid
+van een twintig-jarige weerklinken. Ik zag voor mij een frisch
+gezichtje, lachende oogen, een mondje om te kussen, en langzamerhand
+heb ik mij laten medevoeren op die helling der verliefdheid, welke
+mij misschien tot liefde leiden zal. Ik heb graag lief."
+
+Intusschen begon Rodolphe al heel gauw te merken, dat het slechts
+van hem afhing, om een slot te maken aan dezen roman, en was toen op
+het denkbeeld gekomen Shakespeare's Romeo en Julia te monteeren. Zijn
+toekomstige geliefde vond het een aardig idee en had haar medewerking
+toegezegd.
+
+De repetitie van de balconscène was vastgesteld juist op denzelfden
+avond, dat de wijsgeer Colline Rodolphe op straat ontmoette. De
+dichter had even te voren den zijden touwladder gekocht, waarmede
+hij op het balcon van Julia wilde klimmen. Daar de vogelkoopman geen
+nachtegaal voorhanden had, nam hij er een duif voor in de plaats, die,
+naar hem verzekerd werd, iederen ochtend bij het opgaan der zon zong.
+
+Op zijn kamer gekomen, bedacht de dichter, dat een hemelvaart per
+touwladder nu niet zoo heel gemakkelijk was en dat het derhalve
+wenschelijk was de balconscène vooruit in te studeeren, als hij niet,
+behalve de kans om te vallen, ook het gevaar wilde loopen, belachelijk
+en onhandig te schijnen in de oogen van haar, die hem wachtte. Hij
+sloeg dus twee spijkers diep in het plafond, maakte daaraan den
+touwladder vast en gebruikte de twee uren, die nog voor hem lagen,
+voor gymnastische oefeningen. Na talrijke vergeefsche pogingen slaagde
+hij er ten slotte in zoo goed en zoo kwaad als het ging twaalf sporten
+hoog te klimmen.
+
+"Ziezoo," zeide hij tot zichzelf; "nu ben ik zeker van mijn zaak;
+trouwens als ik onderweg blijf steken, zal de liefde mij vleugels
+geven."
+
+En met zijn touwladder en zijn duivenkooitje ging hij op weg naar
+Julia, die dicht in zijn buurt woonde. Haar kamer lag achter in een
+kleinen tuin en had inderdaad een balcon. Doch helaas, deze kamer
+bevond zich op den rez-de-chaussée en van den grond af kon men
+makkelijk zoo op het balcon stappen.
+
+Toen Rodolphe deze terreingesteldheid, welke zijn poëtisch klimplan
+in duigen deed vallen, zag, was hij zeer teneergeslagen.
+
+"Het zij zoo," zeide hij tot Julia; "wij kunnen de balconscène daarom
+toch wel opvoeren. Deze vogel hier zal ons morgen vroeg met zijn
+welluidende stem uit onzen sluimer wekken en ons precies het oogenblik
+kond doen, waarop wij met wanhoop in onze ziel moeten scheiden."
+
+En met deze woorden hing Rodolphe zijn kooitje in een hoekje van
+de kamer.
+
+Den volgenden ochtend om vijf uur vervulde de duif op tijd haar plicht
+en de kamer met een langaangehouden gekir, dat de twee geliefden
+zeker gewekt zou hebben, als zij geslapen hadden.
+
+"Welnu," zeide Julia, "thans is het oogenblik gekomen om naar het
+balcon te gaan en wanhopig afscheid te nemen."
+
+"De duif gaat voor," zeide Rodolphe; "wij zijn in November en dan
+gaat de zon pas om twaalf uur op."
+
+"Dat komt er niet op aan," zeide Julia; "ik sta op!"
+
+"En waarom?"
+
+"Ik heb een leeg gevoel in mijn maag en zou graag wat eten."
+
+"Het is merkwaardig, zooals onze sympathieën overeenstemmen, ik heb
+ook zoo'n gruwelijken honger," zeide Rodolphe, die nu ook opstond en
+zich vlug aankleedde.
+
+Intusschen had Julia reeds vuur aangelegd en keek nu of er nog wat
+in het buffet te vinden was; Rodolphe hielp haar zoeken.
+
+"Hier," zeide hij; "uien!"
+
+"En spek!"
+
+"En boter!"
+
+"En brood!"
+
+"Maar dat is ook alles."
+
+Gedurende dezen onderzoekingstocht kirde de optimistische duif niets
+vermoedend voort.
+
+Romeo keek Julia aan, Julia Romeo, en beiden de duif.
+
+Zij spraken geen woord, maar met dien blik was het vonnis over de
+klok-duif geveld. Hooger beroep en cassatie zou haar niet geholpen
+hebben--honger is een wreede raadgever.
+
+Rodolphe liet het spek in de sissende boter opkomen. Hij trok een
+ernstig en plechtig gezicht.
+
+Julia maakte in een droefgeestige stemming de uien schoon.
+
+De duif kirde nog steeds door... het was haar zwanezang.
+
+Het sudderen van de boter in de pan begeleidde het stervenslied.
+
+Vijf minuten later sudderde de boter nog, maar de duif zong, evenals
+de tempelridders, niet meer. [48]
+
+Romeo en Julia hadden hun klok à la crapoudine [49] gebraden.
+
+"Het diertje had een lieve stem," zeide Julia, toen zij aan tafel ging.
+
+"Ja, het was een lief beest," zeide Romeo en sneed het volgens de
+regelen der kunst bruingebraden duifje in stukken.
+
+En de twee verliefden keken elkaar aan en zagen in elkaars oog
+een traan.
+
+De huichelaars! Dat hadden de uien gedaan!
+
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XXII.
+
+MIMI'S DOOD.
+
+
+I.
+
+In de eerste dagen na zijn definitieven breuk met mademoiselle Mimi,
+die hem, zooals onze lezers zich herinneren zullen, verlaten had,
+om plaats te nemen in de equipage van vicomte Paul, had Rodolphe
+getracht zijn smart te vergeten door een nieuwe liefdesbetrekking
+aan te knoopen.
+
+Zijn nieuwe vriendinnetje was de blondine, voor wie wij hem op
+den dag van paradoxale dwaasheid het kostuum van Romeo hebben zien
+aantrekken. Doch deze liaison, die hij uit dépit en zij uit een gril
+begonnen waren, kon onmogelijk van langen duur zijn, daar Julia, in
+één woord gezegd, een ongestadige deerne was, die alle vrouwenstreken
+van a tot z kende, geestrijk genoeg was, om den geest van anderen
+op te merken en daarvan, als de gelegenheid zich voordeed, gebruik
+te maken, en slechts zooveel hart had, dat zij hartwater kreeg, als
+zij te veel gegeten had. Daarbij kwam nog een ongebreidelde zelfzucht
+en een grenzenlooze ijdelheid, die haar minder deden treuren om een
+gebroken been van haar minnaar dan om een volant minder aan haar japon
+of een verkleurd lint om haar hoed. Een betwistbare schoonheid, een
+ordinair schepsel, van nature begiftigd met alle slechte instincten,
+was zij toch door sommige eigenschappen en op sommige oogenblikken
+verleidelijk. Al heel gauw bemerkte zij, dat Rodolphe haar alleen
+genomen had, om hem met haar hulp de verlorene te doen vergeten,
+aan wie hij integendeel met meer verlangen dan ooit begon terug te
+denken, want nooit was de herinnering aan zijn vroeger vriendinnetje
+zoo levendig geweest.
+
+Op een goeden dag praatte Julia met een student in de medicijnen, die
+haar sedert eenigen tijd het hof maakte. Het gesprek kwam op Rodolphe.
+
+"Maar lieve kind," zeide de student, "die jongen gebruikt je,
+zooals wij helschen steen gebruiken om wonden te branden; hij wil
+zijn hart cauteriseeren. Je behoeft je voor hem niet druk te maken,
+en hem trouw zijn is absoluut niet noodig."
+
+"Maar," riep het jonge meisje lachend uit; "dacht je dan heusch,
+dat ik mij voor hem geneer?"
+
+En denzelfden avond nog gaf zij den student het bewijs van het
+tegendeel.
+
+Dank zij de babbelzucht van een van die gedienstige vrienden, die
+voor geen geld ter wereld een tijding, welke je bedroefd maken kan,
+onder zich zouden houden, kreeg Rodolphe lucht van de zaak en maakte
+er onmiddellijk gebruik van, om den ad-interim liaison af te breken.
+
+Hij zonderde zich nu af in een volkomen eenzaamheid, waarin al heel
+gauw alle vleermuizen der verveling hun nest kwamen maken. Dan riep
+hij het werk te hulp, maar het was vergeefsche moeite. lederen avond
+schreef hij, nadat hij evenveel droppels water gezweet als droppels
+inkt gebruikt had, een twintigtal regels, waarin een oud denkbeeld,
+nog meer levensmoe dan de Wandelende Jood, en gehuld in lompen,
+die hij gehaald had in een uitdragerswinkel, op het slappe koord der
+paradoxen danste. Bij het overlezen van die regels voelde Rodolphe
+zich als iemand, die in het bloembed, waar hij rozen gezaaid meent te
+hebben, brandnetels ziet groeien. Hij verscheurde dan het blad papier,
+waarop hij die rozenkrans van zotheden had afgebeden, en vertrapte
+het woedend onder zijn voet.
+
+"Waarachtig," zeide hij, terwijl hij zich op zijn linkerborst sloeg,
+"de snaar is gesprongen; ik moet van de kunst afzien."
+
+En daar eenigen tijd achtereen op al zijn pogingen, om te werken, een
+zelfde teleurstelling volgde, maakte een van die moedeloosheden zich
+van hem meester, welke het krachtigste zelfvertrouwen doen wankelen
+en de helderste geesten afstompen. Inderdaad niets is vreeselijker
+dan die eenzame worstelingen, welke nu en dan plaats vinden tusschen
+den koppig volhoudenden kunstenaar en de weerspannige kunst; niets
+is aangrijpender dan die nu eens smeekende, dan weer gebiedende
+aanroepingen van den scheppen willenden dichter tot de minachtend op
+hem neerziende of hem ontvluchtende Muze.
+
+De hevigste zielsangsten, de diepste aan het hart toegebrachte
+wonden veroorzaken geen lijden, dat te vergelijken is met dat,
+hetwelk men ondergaat in die uren van wanhoop en twijfel, welke maar
+al te dikwijls voorkomen bij hen, die zich wijden aan het gevaarlijke
+kunstenaarsberoep.
+
+Op die heftige crisissen volgden pijnlijke afmattingen. Uren lang bleef
+Rodolphe dan in een doffe wezenloosheid als versteend zitten. Zijn
+ellebogen rustend op de tafel, zijn oogen strak gericht op den
+lichtplek, dien het lamplicht op het blad papier beschreef, op het
+"slagveld", waarop zijn geest dagelijks overwonnen werd en zijn pen
+zich vergeefs inspande om het ongrijpbare denkbeeld te vervolgen,
+zag hij, gelijk aan figuren uit een tooverlantaren, waarmede men
+kinderen bezig houdt, fantastische beelden aan zich voorbijtrekken,
+die een panorama van zijn verleden voor hem ontrolden. Eerst kwamen
+de dagen van harden arbeid, waarin ieder uur van de wijzerplaat de
+vervulling van een plicht eischte, de aan de studie gewijde nachten,
+waarin hij sprak met de muze, die zijn in eenzaamheid en geduld
+gedragen armoede als in een tooverweelde herschiep. En met afgunst
+dacht hij terug aan het trotsche gevoel van zelfvertrouwen, dat hem
+vroeger bezielde, wanneer hij de taak, die hij zichzelf gesteld had,
+ten einde had gebracht.
+
+"O," riep hij uit; "niets gelijkt op u, niets evenaart u, genotrijke
+uitputting na volbrachten arbeid, die de rust van het far niente
+zachter doet schijnen. Noch de bevrediging van de ijdelheid noch de
+koortsachtige, onder de zware gordijnen van geheimzinnige alkoven
+verstikte zinnenzwijmel--niets gelijkt op dien edelen, kalmen vrede,
+die gewettigde zelfvoldaanheid, welke de arbeid den vlijtigen als
+eerste belooning geeft."
+
+En zijn blikken nog steeds gericht op de visioenen, die de tooneelen
+uit het verleden voor zijn geest bleven tooveren, klom hij weer naar de
+dakkamertjes, die hij gedurende zijn avontuurlijk bestaan bewoond had,
+en waarheen zijn muze, zijn eenige liefde en trouwe en standvastige
+vriendin toen, hem steeds gevolgd had, en het met de armoede goed
+vinden kon, zonder ooit haar hoopvol gezang te onderbreken. Doch
+daar verscheen plotseling midden in dit rustige, vredige en kalme
+bestaan de gestalte van een vrouw, en toen de muze die vrouw zag
+binnentreden in de woning, waarin zij tot dat oogenblik de eenige
+koningin en meesteresse geweest was, stond zij bedroefd op en ruimde
+haar plaats in voor de nieuw-aangekomene, in wie zij dadelijk een
+mededingster vermoedde. Een oogenblik aarzelde Rodolphe tusschen de
+muze, wie zijn blik een: "Blijf!" scheen toe te werpen, en de vreemde,
+tot wie zijn gebaar een: "Kom!" zeide. Hoe zou hij ook het bekoorlijke
+schepseltje, dat, gewapend met de verleidelijke bekoorlijkheden van een
+ontluikende schoonheid, tot hem kwam, hebben kunnen van zich stooten,
+dat schepseltje met haar kleine mondje en rose lipjes, dat een naief
+en tevens brutaal taaltje, vol guitige beloften, sprak? Hoe kon hij
+zijn hand weigeren aan het blanke, blauw geaderde handje, dat zich
+liefkozend naar hem uitstrekte? Hoe had hij: "Gaat heen!" kunnen
+roepen tot die bloeiende achttien jaren, wier aanwezigheid het huis
+reeds met een geur van jeugd en vreugde vervulde. En met haar zachte,
+licht bewogen stem zong zij de cavatine der verzoeking zoo verleidelijk
+mooi! Met haar levendige en schitterende oogen zeide zij: "Ik ben
+de liefde"; met haar lippen, waarop de kussen ontloken: "Ik ben het
+genot"; met haar bloeiend lichaam: "Ik ben het geluk" zòò wondermooi,
+dat Rodolphe zich liet medesleepen. En was die jonge vrouw dan ook
+in werkelijkheid niet de levende, geïncarneerde poëzie? Dankte hij
+haar niet de oogenblikken van meest verheven inspiratie? Had zij hem
+niet dikwijls bezield tot een enthousiasme, dat hem zoo hoog in den
+aether van het ideaal meevoerde, dat hij al het aardsche uit het oog
+verloor? En als hij om en door haar veel geleden had--was dan dat
+lijden niet een boetedoening voor al de ontzaglijke genietingen,
+die zij hem geschonken had; was het niet de gewone wraak van het
+noodlot, dat het volmaakte, ongestoorde geluk als iets goddeloos
+verbiedt? Indien de christelijke leer hun vergiffenis schenkt, die
+veel hebben lief gehad, dan schenkt zij die slechts, omdat zij ook
+veel geleden hebben, want aardsche liefde wordt eerst goddelijke
+hartstocht, als zij door tranen gelouterd is.
+
+Evenals men zich soms bedwelmt door den geur van reeds lang verwelkte
+rozen in te ademen, zoo bedwelmde Rodolphe zich door voor zijn geest
+te roepen zijn vroeger leven, waarin iedere dag een nieuwe elegie,
+een schokkend drama, een groteske comedie bracht. Hij doorleefde
+nogmaals alle phasen van zijn liefde voor de verloren geliefde,
+van af hun wittebroodsweken tot de huiselijke stormen, die tot hun
+laatsten breuk geleid hadden. Hij riep het geheele repertoire van
+alle listen van zijn vroeger vriendinnetje in zijn geheugen terug, hij
+herhaalde in zichzelf al haar kwinkslagen. Hij zag weer voor zich hoe
+zij in hun klein huishoudentje om hem heen draaide, haar lijfdeuntje:
+Ma mie Annette op de lippen, met dezelfde zorgelooze opgewektheid
+zoowel blijde als droeve dagen aanvaardend. En ten slotte moest hij
+erkennen, dat het verstand in liefdesaangelegenheiden altijd ongelijk
+heeft. Immers wat had hij bij dien breuk gewonnen? Toen hij met Mimi
+samenleefde, bedroog zij hem, dat is waar--maar dat hij het wist, was
+zijn eigen schuld, omdat hij zich de grootste moeite getroostte, om
+het te weten te komen, omdat hij altijd op den loer lag naar bewijzen,
+omdat hij zelf de dolken scherpte, die hij zich in het hart boorde. Was
+bovendien Mimi niet handig genoeg om hem zoo noodig te bewijzen, dat
+hij zich vergiste? En bovendien met wie was zij hem ontrouw? Meestal
+was het met een sjaal, een hoed, met dingen, niet met mannen. En had
+hij nu die rust, die kalmte, welke hij van een breuk met Mimi verwacht
+had, na haar vertrek teruggevonden? Helaas, neen! Alles, behalve zij,
+was gebleven. Vroeger kon hij tenminste nog uiting geven aan zijn
+smart, kon hij zijn hart luchten in beleedigingen en verwijten, kon
+hij laten zien, wat hij leed en het medelijden opwekken van haar,
+die de oorzaak van dat lijden was. Doch nu moest hij zijn smart in
+zich opkroppen, nu was zijn ijverzucht machtelooze woede geworden,
+want vroeger kon hij, wanneer hij achterdocht koesterde, Mimi beletten
+uit te gaan, haar bij zich houden en bewaken; maar thans zag hij
+haar aan den arm van haar nieuwen minnaar op straat en moest hij
+zich afwenden, om haar van vreugde stralend en op weg naar het een
+of ander pleiziertje, voorbij te laten gaan.
+
+Dat ellendige leven duurde een maand of drie, vier. Dan werd Rodolphe
+langzamerhand rustiger. Marcel, die, om te trachten Musette te
+vergeten, een lange reis gemaakt had kwam in Parijs terug en ging
+weer met Rodolphe samen wonen, zoodat zij elkaar konden troosten.
+
+Toen Rodolphe op een Zondag door den Luxembourg wandelde, kwam
+hij Mimi in groot toilet tegen. Zij ging naar een bal. Zij knikte
+hem in het voorbijgaan toe, wat hij met het afnemen van zijn hoed
+beantwoordde. Deze ontmoeting gaf hem weliswaar een steek door zijn
+hart, maar de emotie was toch minder pijnlijk dan gewoonlijk. Hij
+bleef nog wat in den Jardin du Luxembourg wandelen en ging vervolgens
+naar huis. Toen Marcel 's avonds ook thuiskwam, vond hij Rodolphe
+aan zijn schrijftafel.
+
+"Wat?" vroeg Marcel, terwijl hij over den schouder van den dichter
+keek, "ben je aan het werk ... en zelfs verzen?"
+
+"Ja," antwoordde Rodolphe vroolijk; "dat kleine dingetje hier in mijn
+borst is blijkbaar niet heelemaal dood. De vier uur, die ik hier
+nu al zit, heb ik het dichtvuur uit vroegere dagen teruggevonden,
+ik heb Mimi gezien!"
+
+"Ei!" zeide Marcel bang. "En hoe staat het met jullie?"
+
+"O, wees maar niet bang, we hebben elkaar slechts gegroet--verder
+niets."
+
+"Heusch?" vroeg Marcel.
+
+"Heusch! Tusschen ons is het voor goed uit, dat voel ik; maar als ik
+weer werken kan, schenk ik haar graag vergiffenis."
+
+"Maar waarom maak je, wanneer alles tusschen jullie uit is, nog verzen
+voor haar?" vroeg Marcel, die Rodolphe's verzen intusschen gelezen had.
+
+"Ach!" zeide de dichter; "ik neem mijn poëzie waar ik ze vind!"
+
+Acht dagen lang werkte hij aan dit kleine gedicht. Toen het klaar
+was, las hij het aan Marcel voor, die er heel tevreden over was en
+Rodolphe aanspoorde om zijn dichtader, die weer ontsprongen was,
+ook op ander gebied te laten vloeien.
+
+"Want," zoo merkte hij op, "het zou de moeite niet loonen van Mimi
+te scheiden, als je toch altijd met haar schim blijft leven. Maar,"
+voegde hij er glimlachend aan toe, "ik zou beter doen, wanneer ik,
+in plaats van tot anderen te preeken, tegen mezelf een strafpredikatie
+hield, want mijn hart is nog vol van Musette. Maar enfin, wij zullen
+toch niet altijd jonge menschen blijven, die op zulk duivelsgebroed
+verliefd zijn."
+
+"Ach!" zeide Rodolphe; "tot de jeugd behoef je helaas niet te zeggen:
+Ingerukt, marsch!"
+
+"Dat is wel zoo," antwoordde Marcel, "maar toch zijn er dagen, waarop
+ik een eerwaardige grijsaard zou willen zijn, lid van het Instituut,
+ridder van verschillende orden, en los van alle Musettes ter wereld. En
+de duivel mag me halen, als ik ooit weer tot haar terug keeren zou! En
+jij," vroeg hij lachend, "zou jij al graag zestig jaar achter den
+rug hebben?"
+
+"Vandaag had ik liever zestig francs in mijn zak!"
+
+
+
+Eenige dagen later sloeg mademoiselle Mimi, die met den jongen vicomte
+Paul in een koffiehuis zat, een revue open, waarin de verzen stonden,
+die Rodolphe voor haar gemaakt had.
+
+"Zoo, zoo!" zeide zij eerst lachend, "mijn vriend Rodolphe spreekt
+kwaad van me in tijdschriften."
+
+Doch toen zij het gedicht heelemaal uitgelezen had, bleef zij stil
+en peinzend voor zich uit zitten staren. Vicomte Paul vermoedde,
+dat zij aan Rodolphe dacht, en trachtte haar af te leiden.
+
+"Ik zal dat paar mooie oorbelletjes voor je koopen!" zeide hij
+tot haar.
+
+"Ja," zeide Mimi; "jij ..... jij hebt geld!"
+
+"En een hoed van Italiaansch stroo," voegde hij eraan toe.
+
+"Dank je," zeide Mimi, "maar als je me een pleizier wilt doen, koop
+dan dat hier voor mij."
+
+En zij wees op de aflevering, waarin zij het gedicht van Rodolphe
+gelezen had.
+
+"Dat? Neen!" zeide de vicomte boos.
+
+"Goed!" antwoordde Mimi koel. "Ik zal het zelf koopen voor geld,
+dat ik zelf verdienen wil. Ik koop het liever niet voor jouw geld."
+
+En werkelijk keerde Mimi voor twee dagen terug naar het atelier,
+waar zij vroeger bloemen gemaakt had, en verdiende daar het geld,
+dat zij noodig had, om de aflevering te kunnen koopen. Zij leerde
+Rodolphe's verzen van buiten en droeg ze, om den vicomte te plagen,
+dagelijks aan zijn vrienden voor.
+
+Het gedicht luidde:
+
+
+ Alors que je voulais choisir une maîtresse
+ Et qu'un jour le hasard fit rencontrer nos pas,
+ J'ai mis entre tes mains mon coeur et ma jeunesse
+ Et je t'ai dit: Fais-en tout ce que tu voudras.
+
+ Hélas! ta volonté fut cruelle, ma chère:
+ Dans tes mains ma jeunesse est restée en lambeaux.
+ Mon coeur s'est en éclats brisé comme du verre,
+ Et ma chambre est le cimetière
+ Où sont enterrés les morceaux
+ De ce qui t'aima tant naguère.
+
+ Entre nous maintenant, n-i, ni- c'est fini,
+ Je ne suis plus qu'un spectre et tu n'es qu'un fantôme,
+ Et sur notre amour mort et bien enselevi,
+ Nous allons, si tu veux, chanter le dernier psaume.
+
+ Pourtant ne prenons point un air écrit trop haut,
+ Nous pourrions tous les deux n'avoir pas la voix sûre;
+ Choisissons un mineur grave et sans fioriture;
+ Moi je ferai la basse et toi le soprano.
+
+ Mi, ré, mi, do, ré, la.--Pas cet air, ma petite!
+ S'il entendait cet air que tu chantais jadis,
+ Mon coeur, tout mort qu'il est, tressaillirait bien vite,
+ Et ressusciterait à ce De profundis.
+
+ Do, mi, fa, sol, mi, do,--Celui-ce me rappelle
+ Une valse à deux temps, qui me fit bien du mal,
+ Le fifre du rire aigu raillait le violoncelle,
+ Qui pleurait sous l'archet ses notes de cristal.
+
+ Sol, do, do, si, si, la.--Point cet air, je t'en prie,
+ Nous l'avons, l'an dernier, ensemble répété
+ Avec les Allemands qui chantaient leur patrie
+ Dans les bois de Meudon, par une nuit d'été.
+
+ Eh, bien, ne chantons pas, restons-en là, ma chère;
+ Et pour n'y plus penser, pour n'y plus revenir,
+ Sur nos amours défunts, sans haine et sans colère,
+ Jetons en souriant un dernier souvenir.
+
+ Nous étions bien heureux dans la petite chambre
+ Quand ruisselait la pluie et que soufflait le vent;
+ Assis dans le fauteuil, pres de l'âtre, en décembre,
+ Aux lueurs de tes yeux j'ai rêvé bien souvent.
+
+ La houille petillait; en chauffant sur les cendres,
+ La bouilloire chantait son refrein régulier,
+ Et faisait un orchestre au bal des salamandres
+ Qui voltigeaient dans le foyer.
+
+ Feuilletant un roman, paresseuse et frileuse,
+ Tandis que tu fermais tes yeux ensommeillés,
+ Moi je rajeunissais ma jeunesse amoureuse,
+ Mes lèvres sur tes mains et mon coeur à tes pieds.
+
+ Aussi, quand on entrait, la porte ouverte à peine,
+ On sentait le parfum d'amour et de gaîté
+ Dont notre chambre était du matin au soir pleine,
+ Car le bonheur aimait notre hospitalité.
+
+ Puis l'hiver s'en alla; par la fenêtre ouverte,
+ Le printemps un matin vint nous donner l'éveil,
+ Et ce jour-là tous deux dans la campagne verte
+ Nous allâmes courir au-devant du soleil.
+
+ C'était le vendredi de la sainte semaine,
+ Et, contre l'ordinaire, il faisait un beau temps,
+ Du val à la colline, et du bois à la plaine
+ D'un pied leste et joyeux, nous courûmes longtemps.
+
+ Fatigués cependant par ce pèlerinage,
+ Dans un lieu qui formait un divan naturel
+ Et d'où l'on pouvait voir du loin le paysage,
+ Nous nous sommes assis en regardant le ciel.
+
+ Les mains pressant les mains, épaule contre épaule,
+ Et sans savoir pourquoi, l'un et l'autre oppressés,
+ Notre bouche s'ouvrit sans dire une parole,
+ Et nous nous sommes embrassés.
+
+ Près de nous l'hyacinthe avec la violette
+ Mariaient leur parfum qui montait dans l'air pur;
+ Et nous vîmes tous deux, en relevant la tête,
+ Dieu qui nous souriait à son balcon d'azur.
+
+ Aimez-vous, disait-il; c'est pour rendre plus douce
+ La route où vous marchez que j'ai fait sous vos pas
+ Dérouler en tapis le velours de la mousse,
+ Embrassez-vous encore,--je ne regarde pas.
+
+ Aimez-vous, aimez-vous: dans le vent qui murmure,
+ Dans les limpides eaux, dans les bois reverdis,
+ Dans l'astre, dans la fleur, dans la chanson des nids,
+ C'est pour vous que j'ai fait renaître ma nature.
+
+ Aimez-vous, aimez-vous; et de mon soleil d'or,
+ De mon printemps nouveau qui réjouit la terre,
+ Si vous êtes contents, au lieu d'une prière
+ Pour me remercier--embrassez-vous encore.
+
+ Un mois après ce jour, quand fleurirent les roses,
+ Dans le petit jardin que nous avions planté,
+ Quand je t'aimais le mieux, sans m'en dire les causes,
+ Brusquement ton amour de moi s'est écarté.
+
+ Où s'en est-il allé? partout un peu, je pense;
+ Car, faisant triompher l'une et l'autre couleur,
+ Ton amour inconstant flotte sans préférence
+ D'un brun valet de pique au blond valet de coeur.
+
+ Te voilà maintenant heureuse: ton caprice
+ Règne sur une cour de joyeux jouvenceaux
+ Et tu ne peux marcher sans qu'à tes pieds fleurisse
+ Un parterre émaillé d'odorants madrigaux.
+
+ Dans les jardins de bal, quand tu fais ton entrée,
+ Autour de toi se forme un cercle langoureux;
+ Et le frémissement de la robe moirée,
+ Pâme en choeur laudatif ta meute d'amoureux.
+
+ Elégamment chaussé d'une souple bottine
+ Qui serait trop étroite au pied de Cendrillon,
+ Ton pied est si petit qu'à peine on le devine
+ Quand la valse t'emporte en son gai tourbillon.
+
+ Dans les bains onctueux d'une huile de paresse,
+ Tes mains, brunes jadis, ont retrouvé depuis
+ La pâleur de l'ivoire ou du lis que caresse
+ Le rayon argenté dont s'éclairent les nuits.
+
+ Autour de ton bras blanc une perle choisie
+ Constelle un bracelet ciselé par Froment,
+ Et sur tes reins cambrés un grand châle d'Asie
+ En cascade de plis ondule artistement.
+
+ La dentelle de Flandres et le point d'Angleterre,
+ La guipure gothique à la mate blancheur
+ Chef d'oeuvre arachnéen d'un age séculaire,
+ De ta riche toilette achève la splendeur.
+
+ Pour moi, je t'aimais mieux dans tes robes de toile
+ Printanière, indienne ou modeste organdi,
+ Atours frais et coquets, simple chapeau sans voile,
+ Brodequins gris ou noirs, et col blanc tout uni.
+
+ Car ce luxe nouveau qui te rend si jolie
+ Ne me rappelle pas mes amours disparus,
+ Et tu n'es que plus morte et mieux enselevie
+ Dans ce linceul de soie où ton coeur ne bat plus.
+
+ Lorsque je composai ce morceau funéraire
+ Qui n'est qu'un long regret de mon bonheur passé,
+ J'étais vêtu de noir comme un parfait notaire
+ Moins les bésicles d'or et le jabot plissé.
+
+ Un crêpe enveloppait le manche de ma plume
+ Et des filets de deuil encadraient le papier
+ Sur lequel j'écrivais ces strophes où j'exhume
+ Le dernier souvenir de mon amour dernier.
+
+ Arrivé cependant à la fin d'un poëme
+ Où je jette mon coeur dans le fond d'un grand trou,
+ --Gaîté de croque-mort qui s'enterre lui-même
+ Voilà que je me mets à rire comme un fou.
+
+ Mais cette gaîté-là n'est qu'une raillerie
+ Ma plume en écrivant a tremblé dans ma main,
+ Et quand je souriais, comme une chaude pluie,
+ Mes larmes effaçaient les mots sur le vélin.
+
+
+
+
+II.
+
+Het was 24 December, en dien avond had het quartier Latin steeds
+een bijzondere physiognomie. Van vier uur af waren de bureaux
+van de Bank van Leening, de winkels van uitdragers en antiquairs
+in boeken overstelpt door een luidruchtige menigte, die later in
+den avond een stormaanval begon op de slagerijen, gaarkeukens en
+kruidenierswinkels. En hadden de winkelknechts ook al evenals Briareus
+[50] honderd armen gehad, dan zouden zij toch niet in staat geweest
+zijn de klanten, die elkaar de waren als het ware uit de handen
+rukten, te helpen. Bij de bakkers werd, als in tijden van hongersnood,
+queue gemaakt. De wijnhandelaars verkochten de opbrengst van drie
+oogsten, en zelfs een handig statisticus zou moeite gehad hebben om
+het getal hammen en worsten te tellen, die door den beroemden Borel
+uit de rue Dauphine verkocht werden. Alleen op dien avond zette
+vader Cretaine, bijgenaamd Petit-Pain, achttien uitgaven van zijn
+boterkoekjes om. Gedurende den geheelen avond klonk uit alle huizen
+gezang en gelach, waren de vensters hel verlicht en vulde een ware
+kermis-atmospheer het stadskwartier.
+
+Naar oud gebruik werd het "réveillon" gevierd.
+
+Dien avond gingen tegen tien uur Marcel en Rodolphe in een vrij droeve
+stemming naar huis. Toen zij door de rue Dauphine kwamen, zagen zij
+in een fijne vleeschwaren- en comestibleshandel een groot gedrang
+en bleven, door die geurige gastronomische producten aangelokt, een
+oogenblik voor de ramen staan kijken; in hun aandachtige beschouwing
+geleken de twee bohémiens op den persoon uit een Spaanschen roman,
+die alleen door ernaar te kijken, de hammen mager deed worden.
+
+"Dat noemen ze een kalkoenschen haan met truffels," zeide Marcel en
+wees op een prachtigen vogel, die door zijn rose en doorzichtige
+huid de Perigourdsche knolletjes liet zien, waarmede het dier
+gefarceerd was. "Ik heb menschen gezien, die zòò goddeloos waren,
+om die dingen te eten zonder dat ze daarbij op hun knieën vielen,"
+voegde de schilder eraan toe, terwijl hij naar den kalkoen keek met
+blikken, die in staat geweest zouden zijn het dier te braden.
+
+"En wat zeg je van die heerlijke lamsbout?" vroeg Rodolphe. "Wat een
+prachtkleur. Je zoudt denken, dat hij zoo pas uit dien slagerswinkel,
+dien je op een schilderij van Jordaens ziet, weggehaald is. Lamsbouten
+zijn de lievelingsspijzen der goden en van madame Chandelier, mijn
+peettante."
+
+"En kijk die visschen eens," ging Marcel voort en wees op eenige
+forellen, "dat zijn de handigste zwemmers onder de waterbewoners. Die
+kleine diertjes, die er op het eerste gezicht zoo onbeduidend uitzien,
+zouden schatten kunnen verdienen, wanneer zij hun kunststukken lieten
+zien; stel je voor, ze zwemmen een snellen bergstroom even makkelijk
+op, als wij een paar uitnoodigingen voor een souper aannemen."
+
+"En daar dan, die groote stapel goudkleurige vruchten, waarvan
+het gebladerte gelijkt op een tropee van Turksche sabels; dat zijn
+ananassen, de goudreinetten der tropen."
+
+"Dat laat mij koud," antwoordde Marcel; "als het om fruit gaat, geef ik
+den voorkeur aan dat muisje rookvleesch, dien lamsbout of dat hammetje
+met zijn pantser van gelei, die zoo doorzichtig is als barnsteen."
+
+"Je hebt gelijk!" zeide Rodolphe; "de ham is de vriend van den mensch,
+als hij ze heeft. En toch zou ik die fazant niet afslaan."
+
+"Dat geloof ik graag," antwoordde Marcel; "fazant is het gerecht van
+gekroonde hoofden."
+
+Verder voortwandelend, kwamen zij verschillende vroolijke troepjes
+tegen, die naar huis terugkeerden, om Momus, Bacchus, Comus en andere
+lekkerbekkerij-godheden op us te vieren, en zij vroegen elkaar af,
+wie die mijnheer Camacho [51] was, wiens bruiloft met een grooten
+voorraad levensmiddelen gevierd werd.
+
+Marcel herinnerde zich plotseling welke datum het was.
+
+"Het is vandaag réveillon," zeide hij.
+
+"Herinner je je nog, hoe wij verleden jaar dien avond gesmuld hebben?"
+
+"Waarachtig zeker, bij Momus. Barbemuche heeft toen betaald. Ik had
+nooit kunnen denken, dat een zoo tenger meisje als Phémie zooveel
+worstjes naar binnen kon werken."
+
+"Hoe jammer, dat Momus onze vrijkaarten heeft ingetrokken," zeide
+Rodolphe.
+
+"Helaas!" antwoordde Marcel. "De dagen volgen, maar gelijken niet
+op elkaar."
+
+"Zou jij niet graag réveillon vieren?" vroeg Rodolphe.
+
+"Met wien en waarmee?"
+
+"Nou met mij!"
+
+"En het geld?"
+
+"Wacht even!" zeide Rodolphe; "ik zal even dat café hier binnenloopen,
+waar altijd een paar kennissen van me zijn, die grof spelen. Ik zal
+van een door het geluk begunstigde eenige sestertiën leenen en wel
+zooveel meebrengen, dat we een sardientje of een varkenspootje met
+een glas wijn kunnen bevochtigen."
+
+"Doe dat!" zeide Marcel; "ik heb honger als een paard. Ik zal wel
+even op je wachten."
+
+Rodolphe ging het café, waarvan hij de meeste stamgasten kende,
+binnen. Het was voor een der aanwezigen, die in tien keer drie honderd
+francs gewonnen had, een waar genoegen den dichter veertig sous te
+leenen, welke hij hem gaf met het slechte humeur, dat de speelkoorts
+in ons opwekt. Op een ander oogenblik en op een andere plaats zou
+hij hem misschien veertig francs geleend hebben.
+
+"En?" vroeg Marcel, toen hij Rodolphe weer buiten zag komen.
+
+"Hier heb je de recette," zeide de dichter en liet het geldstuk zien.
+
+"Een korstje met een klein worstje!" meende Marcel.
+
+Toch wisten zij het met die bescheiden som nog zòò ver te brengen,
+dat zij brood, wijn, vleesch, tabak, vuur en licht hadden.
+
+Dan gingen zij naar huis. Zij woonden toen in een hôtel garni,
+waar zij ieder een afzonderlijke kamer hadden. Daar die van Marcel,
+welke tegelijk als atelier dienst deed, grooter was, werd deze tot
+feestzaal uitverkoren. De beide vrienden maakten samen hun intiemen
+maaltijd gereed.
+
+Doch aan het kleine tafeltje, dat zij naast den kachel geschoven
+hadden, waarin het vochtige en slechte hout zonder vlammen of warmte
+verkoolde, kwam als een melancholieke geest de schim van het verleden
+aanzitten.
+
+Minstens een uur lang bleven zij zwijgend en peinzend zoo zitten,
+beiden bezig met dezelfde gedachte en beiden trachtend die voor elkaar
+te verbergen. Eindelijk verbrak Marcel het eerst de stilte.
+
+"Kom," zeide hij tot Rodolphe; "dit was toch ons plan niet!"
+
+"Wat bedoel je?" vroeg Rodolphe.
+
+"Lieve hemel, speel toch met mij geen kiekeboetje! Jij denkt aan wat je
+moest vergeten .... en met mij is het precies zoo, dat ontken ik niet!"
+
+"Nu dan ...."
+
+"Maar het moet de laatste maal zijn! Naar den duivel met al
+die herinneringen, die den wijn een zuren smaak geven en ons
+triest stemmen, terwijl iedereen zich amuseert!" riep Marcel uit,
+zinspelende op het vroolijke gelach en gezang, dat uit de kamers
+ernaast klonk. "Kom laten we aan wat anders denken en laat het verleden
+begraven blijven!"
+
+"Dat zeggen we altijd, en toch ...." zeide Rodolphe en viel weer in
+zijn droomen terug.
+
+"En toch komen wij er altijd weer op terug," vulde Marcel aan. "Dat
+komt, omdat we, in plaats van eerlijk de vergetelheid te zoeken,
+de meest onbeteekenende dingen als voorwendsel gebruiken, om oude
+herinneringen weer in ons wakker te roepen; dat komt vooral, omdat wij
+maar blijven voortleven in datzelfde milieu, waarin die schepsels,
+welke ons zoolang gekweld hebben, geleefd hebben. Wij zijn niet
+zoozeer de slaven van een hartstocht als wel van een gewoonte. Die
+boeien nu moeten wij verbreken, anders gaan wij in een belachelijke
+en schandelijke slavernij ten gronde. Welnu, het verleden is het
+verleden--weg met de banden, die ons daar nog aan binden; het uur is
+gekomen om voorwaarts te gaan zonder achterwaarts te zien; wij hebben
+onze jeugd, onzen tijd van onbezorgdheid en paradoxen gehad. Dit
+alles is heel mooi, je zoudt er een aardigen roman van kunnen maken;
+maar deze comedie van verliefde dwaasheden, deze tijdverspilling,
+die wij bedrijven met de verkwisting van menschen, die denken, dat zij
+de eeuwigheid uit kunnen geven, dat alles moet nu eindelijk eens een
+einde nemen! Wij zouden de verachting, die ons zou treffen, verdienen,
+wij zouden ons zelf moeten verachten, indien wij dit leven buiten
+de maatschappij, ja bijna buiten het leven zelf, nog langer zouden
+voortzetten. Want is het bestaan, dat wij leiden, eigenlijk wel een
+leven? En zijn die onafhankelijkheid, die vrijheid van zeden, waarop
+wij zoo prat gaan, eigenlijk geen heel middelmatige voordeelen? De
+ware vrijheid is: zonder hulp van anderen, uit eigen kracht kunnen
+leven. En kunnen wij dat? Neen. De eerste de beste domkop, wiens
+naam we geen vijf minuten zouden willen dragen, wreekt zich over onze
+spotternijen en wordt onze meester van af den dag, waarop wij honderd
+sous van hem leenen, die hij ons geeft, na ons voor honderd daalders
+aan listen en zelfvernedering te hebben laten uitgeven. Ik voor mij
+heb er genoeg van. De poëzie bestaat niet alleen in een ongeordend
+bestaan, in onverwachte meevallertjes, in verliefdheden, die den
+levensduur van een kaars hebben, in min of meer excentriek verzet
+tegen bestaande vooroordeelen, die eeuwig de wereld zullen blijven
+beheerschen, want het is makkelijker een dynastie omver te werpen
+dan een vooroordeel, hoe belachelijk het ook zijn mag. Het is nog
+geen bewijs van talent of genie, om midden in December een zomerjas
+te dragen; en je kan heel goed een echt dichter of kunstenaar zijn,
+wanneer je voor warme voeten zorgt en driemaal per dag eet. Hoe je de
+zaak ook draait of keert, indien je iets wilt bereiken, moet je den
+weg nemen, dien ook anderen inslaan. Deze woorden zullen je misschien
+wel verbazen, beste kerel, misschien zal je zeggen, dat ik mijn
+idealen verraad, je noemt me misschien verdorven, maar toch is wat
+ik zeg de uitdrukking van mijn vaste overtuiging. Buiten mijn weten
+heeft zich in mij een langzame en heilzame metamorphose voltrokken:
+het gezonde verstand is in mijn geest binnengekomen, met inbraak,
+wanneer je wilt, en ondanks mijzelf misschien; maar hoe dit zij,
+het is eindelijk binnengekomen en heeft mij bewezen, dat ik op den
+verkeerden weg was en dat het even belachelijk als gevaarlijk zou
+zijn daarop te blijven voortgaan. Ik vraag je af, wat zal er van
+ons worden, indien wij dit eentonige en nuttelooze vagabonden-leven
+blijven voortzetten? Wij loopen zoo langzamerhand naar de dertig en
+zijn nog steeds onbekend, hebben geen relaties, zijn ontevreden met
+alles en met ons zelf, afgunstig op allen, die wij een doel, wat het
+dan ook zij, zien bereiken, verplicht onze toevlucht te nemen tot een
+schandelijk parasiteeren, om verder te kunnen leven. En denk nu niet,
+dat dit een phantasiebeeld is, dat ik oproep, om je bang te maken! Ik
+zie volstrekt de toekomst niet systematisch zwart in, maar evenmin
+rooskleurig; ik zie ze met een juisten blik. Tot nog toe was het
+leven, dat wij geleid hebben, ons door de omstandigheden opgedrongen;
+wij hadden het excuus der noodwendigheid. Maar thans zouden we die
+verontschuldiging niet meer kunnen doen gelden; en wanneer wij niet in
+het gewone leven terugkeeren, dan is dat heelemaal onze vrije wil, want
+de hindernissen, waartegen we te vechten hadden, bestaan niet meer."
+
+"Maar kerel," zeide Rodolphe; "waar wil je eigenlijk heen? Om welke
+reden en met welk doel sta je zoo te preeken?"
+
+"Je begrijpt me heel goed," antwoordde Marcel op denzelfden ernstigen
+toon; "ik heb daarnet gezien, hoe jij, evenals ik trouwens, bestormd
+werdt door herinneringen, die je het verleden deden terugverlangen:
+jij dacht aan Mimi, zooals ik aan Musette; jij zoudt, evenals ik,
+je vriendinnetje graag naast je zien zitten. Welnu, ik zeg je, dat
+we niet meer aan die schepsels moeten denken, dat wij niet alleen
+geschapen en op de wereld gekomen zijn, om ons geheele bestaan op
+te offeren aan die vulgaire Manons, en dat die chevalier Desgrieux,
+die zoo mooi, zoo waar en zoo poëtisch is, alleen door zijn jeugd
+en door de illusies, die hij had weten te bewaren, niet belachelijk
+geworden is. Toen hij twintig jaar was, kon hij, zonder op te houden
+interessant te zijn, zijn geliefde naar de Antillen volgen; maar indien
+hij vijf-en twintig geweest was, zou hij Manon de deur gewezen hebben,
+en dat met het volste recht. Wij kunnen er onze oogen wel voor sluiten,
+beste kerel, maar het feit blijft bestaan: wij zijn oud, wij hebben te
+veel en te snel geleefd; ons hart is gesprongen en brengt nog slechts
+valsche tonen voort: je blijft niet drie jaar lang ongestraft verliefd
+op een Musette of een Mimi. Doch voor mij is het nu voor goed uit;
+en daar ik volkomen wil breken met de herinneringen aan Musette, zal
+ik nu onmiddellijk enkele kleinigheden, die zij bij mij achtergelaten
+heeft en die me dwingen aan haar te denken, als ik ze weer zie,
+in het vuur werpen."
+
+Marcel stond op en ging uit de lade van zijn commode een kartonnen
+doos halen, waarin de souvenirs aan Musette lagen, te weten een
+verdorde bouquet, een ceintuur, een stuk lint en enkele brieven.
+
+"Kom, Rodolphe, volg mijn voorbeeld!" zeide hij tot den dichter.
+
+"Welnu, het zij zoo!" riep Rodolphe, als kostte het hem moeite, uit;
+"je hebt gelijk. Ook ik wil een einde maken aan die herinnering aan
+dat meisje met haar blanke handen."
+
+En hij vloog de kamer uit, om een klein pakje met de souvenirs aan
+Mimi te halen, zoo ongeveer van denzelfden aard als die, waarvan
+Marcel nu zwijgend den inventaris opmaakte.
+
+"Dat treft prachtig," mompelde de schilder. "Deze snuisterijen kunnen
+gelijk het vuur, dat bijna uit is, nog wat aanwakkeren."
+
+"Waarachtig," antwoordde Rodolphe, "het is hier in de kamer een
+temperatuur voor een ijsberenfokkerij."
+
+"Kom," zeide Marcel, "laten we het brandduet aanheffen. Kijk, het
+proza van Musette vlamt als een punchbowl; het arme kind hield zoo
+van punch. Allo, Rodolphe, jouw beurt!"
+
+En gedurende enkele minuten wierpen zij beurtelings de reliquieën
+van hun liefde stuk voor stuk in het vuur, dat vroolijk knetterend
+opvlamde.
+
+"Arme Musette," zeide Marcel zacht, terwijl hij naar het laatste
+souvenir, dat hij in zijn handen had, keek.
+
+Het was een klein verwelkt bouquetje van veldbloemen.
+
+"Arme Musette, ze was toch wel mooi en ze hield wel van me, niet waar,
+klein bouquetje, heeft haar hart het je niet gezegd, toen je bloemen
+in haar corsage prijkten? Arm, klein bouquetje, het is net alsof je
+om genade smeekt; nu ik schenk je die, maar onder voorwaarde, dat je
+niet meer met mij over haar praat, nooit, nooit meer!"
+
+En hij maakte gebruik van een oogenblik, waarop hij meende, dat
+Rodolphe niet op hem lette, om het bouquetje in zijn borstzak te
+laten glijden.
+
+"Het spijt mij, maar ik kan niet anders," dacht de schilder.
+
+Toen hij echter tersluiks naar Rodolphe keek, zag hij, hoe de dichter
+aan het slot van zijn auto-da-fé een nachtmutsje, dat Mimi gedragen
+had, eerbiedig kuste en dan heimelijk in zijn zak stak.
+
+"Zoo," mompelde Marcel, "die is al even laf als ik."
+
+Toen Rodolphe naar zijn eigen kamer wilde gaan, werd er tweemaal
+zacht op de deur van Marcel geklopt.
+
+"Wie voor den duivel kan nog zoo laat hier willen zijn?" zeide de
+schilder.
+
+Een kreet van verbazing ontsnapte hem, toen hij de deur geopend had.
+
+Het was Mimi.
+
+Daar het donker in de kamer was, herkende Rodolphe zijn vriendinnetje
+niet dadelijk. Hij kon slechts een vrouwelijk wezen onderscheiden,
+en daar hij dacht, dat het een van die tijdelijke veroveringen van
+zijn vriend was, wilde hij zich uit discretie verwijderen.
+
+"Stoor ik jullie?" vroeg Mimi, die op den drempel was blijven staan.
+
+Bij het hooren van die stem viel Rodolphe, als door den bliksem
+getroffen, op zijn stoel neer.
+
+"Goeden avond," zeide Mimi, die naar hem toe ging en hem de hand
+drukte, wat hij werktuigelijk toeliet.
+
+"Wat voor den duivel kom jij hier doen?" vroeg Marcel; "en nog wel
+op dit uur?"
+
+"Ik heb het zoo koud," antwoordde Mimi rillend; "en daar ik in het
+voorbijgaan nog licht hier zag, ben ik, al is het wat laat, naar
+boven gekomen."
+
+Zij rilde nog steeds. Haar stem had een bijzonderen, kristalhelderen
+klank, die als een doodsklok in het hart van Rodolphe echode en het
+met een doffen angst vervulde: heimelijk nam hij haar nauwkeuriger
+op. Het was Mimi niet meer, het was haar schim.
+
+Marcel schoof een stoel naast den kachel voor haar.
+
+Mimi glimlachte, toen zij de heldere vlam vroolijk in de haard
+zag dansen.
+
+"Dat doet je goed," zeide zij, terwijl zij haar arme, door de koude
+blauwe handjes boven het vuur hield. "Tusschen twee haakjes, Marcel,
+weet je, waarom ik hier kom?"
+
+"Op mijn woord van eer niet!" antwoordde deze.
+
+"Nou," zeide Mimi; "ik kwam vragen of jullie niet zoudt kunnen zorgen,
+dat ik een kamer in dit huis krijg. In mijn hôtel garni hebben ze mij
+de deur gewezen, omdat ik in een maand geen huur betaald heb. Ik weet
+niet, waar ik heen moet."
+
+"Duivels," zeide Marcel hoofdschuddend; "wij staan bij den huisbaas
+ook niet erg in den pas, en een aanbeveling van ons zou je eer schaden
+dan nuttig zijn."
+
+"Maar wat moet ik dan beginnen? Ik weet werkelijk niet, waar ik
+heen moet."
+
+"Wat, ben je dan geen vicomtesse meer?" vroeg Marcel.
+
+"O God, neen!"
+
+"Al hoe lang niet meer?"
+
+"Al sedert twee maanden!"
+
+"Heb je den jongen vicomte te veel geplaagd?"
+
+"Neen," zeide zij, terwijl zij een steelschen blik wierp op Rodolphe,
+die in den donkersten hoek van de kamer was gaan zitten; "de vicomte
+heeft me een scène gemaakt naar aanleiding van het gedicht, dat men
+op mij gemaakt heeft. Wij hebben woorden gekregen, en toen heb ik
+hem den bons gegeven! Het is een echte gierigaard!"
+
+"Maar hij had je toch aardig in de kleeren gestoken, ten minste te
+oordeelen naar den keer, dat ik je eens gezien heb."
+
+"Dat wel!" zeide Mimi, "maar stel je voor, dat hij, toen ik den
+liaison afgebroken had, mij alles weer afgenomen heeft, en dat hij,
+zooals ik later gehoord heb, mijn kleeren verloot heeft aan een slechte
+table d'hôte, waar ik dikwijls met hem gegeten heb. En toch is het een
+rijke jongen, maar met al zijn fortuin is hij zoo gierig als een vrek
+en zoo stom als het achtereind van een koe; ik mocht niet eens wijn
+zonder water drinken en Vrijdag moest ik altijd vasten. Wil je wel
+gelooven, dat hij me zwarte wollen kousen wilde laten dragen, omdat
+die niet zoo gauw vuil worden als witte? Je kunt je niet voorstellen
+hoe driftig hij is. Hij heeft me dan ook aardig geërgerd. Ik kan wel
+zeggen, dat ik bij hem mijn vagevuurtijd doorgemaakt heb!"
+
+"En weet hij in welken toestand je nu bent?"
+
+"Ik heb hem niet meer teruggezien en wil hem ook niet
+terugzien!" antwoordde Mimi. "Alleen door aan hem te denken word ik
+al zeeziek! Ik zou liever van honger sterven dan hem om een stuiver
+vragen."
+
+"Maar," vroeg Marcel verder, "je bent, nadat je hem verlaten hebt,
+toch zeker niet alleen gebleven?"
+
+"Zeker wel, Marcel, zeker wel!" riep Mimi eenigszins heftig uit;
+"ik heb gewerkt om te kunnen leven; maar daar ik met het bloemenmaken
+niet genoeg verdienen kon, heb ik een ander beroep gekozen: ik poseer
+nu voor schilders. Als je soms werk voor mij hebt...." voegde zij er
+lachend aan toe.
+
+En toen zij zag, hoe Rodolphe, dien zij, hoewel zij tot zijn vriend
+sprak, geen oogenblik uit het oog verloor, een ongeduldige beweging
+maakte, ging zij verder:
+
+"O, maar ik poseer alleen maar voor mijn hoofd en mijn handen. Ik
+heb nog al wat te doen en van twee of drie schilders moet ik nog
+geld hebben. Binnen een paar dagen krijg ik het, maar tot zoolang
+moet ik onderdak hebben. Zoodra ik weer geld heb, ga ik naar mijn
+hôtel terug. Zoo," zeide zij met een blik op de tafel, waarop nog de
+praeparatieven stonden voor het bescheiden maal, dat de twee vrienden
+nauwlijks hadden aangeraakt; "zoo, gaan jullie soupeeren?"
+
+"Neen," zeide Marcel; "wij hebben geen honger."
+
+"Dan zijn jullie wel gelukkig," merkte Mimi naïef op.
+
+Bij die woorden voelde Rodolphe een steek in zijn hart; hij gaf Marcel
+een wenk, dien deze dadelijk begreep.
+
+"Maar nu je eenmaal hier bent," zeide de schilder, "moest je maar à
+la fortune du pot bij ons blijven eten. Wij waren van plan réveillon
+te vieren, maar ..... toen zijn we waarachtig aan iets anders gaan
+denken."
+
+"Ik val met mijn neus in de boter," zeide Mimi, terwijl zij een bijna
+hongerigen blik op de tafel wierp; "ik heb vanmiddag in het geheel niet
+gegeten," fluisterde zij den schilder in, opdat Rodolphe, die op zijn
+zakdoek beet, om niet in tranen uit te barsten, het niet zou hooren.
+
+"Schuif wat bij, Rodolphe!" zeide Marcel tot zijn vriend; "we zullen
+met ons drieën soupeeren!"
+
+"Neen!" zeide dichter, die in zijn hoek bleef zitten.
+
+"Ben je boos, Rodolphe, dat ik hier gekomen ben," vroeg Mimi zacht;
+"heb je liever, dat ik weer weg ga?"
+
+"Neen, neen!" antwoordde Rodolphe; "maar het doet mij pijn, dat ik
+je zoo terugzie."
+
+"Dat is mijn eigen schuld, Rodolphe--ik klaag dan ook niet; wat voorbij
+is, is voorbij, denk er maar niet verder aan. Kan je mijn vriend niet
+zijn, omdat je vroeger wat anders geweest ben? Ja toch! Zet dus niet
+zoo'n verdrietig gezicht meer en kom bij ons zitten!"
+
+Zij stond op, om naar hem toe te gaan; maar zij was zoo zwak, dat
+zij geen stap doen kon en op haar stoel terugviel.
+
+"De warmte heeft me bevangen," zeide zij; "ik kan niet meer op mijn
+beenen staan."
+
+"Kom nou bij ons zitten, Rodolphe," zeide Marcel.
+
+De dichter kwam bij hen zitten en begon met hen te eten. Mimi was
+erg uitgelaten.
+
+Toen het eenvoudige maal afgeloopen was, zeide Marcel tot Mimi:
+
+"Beste kind, het is ons niet mogelijk je hier in dit huis een kamer
+te geven."
+
+"Dus moet ik gaan!" zeide zij, terwijl zij trachtte op te staan.
+
+"Wel neen!" riep Marcel uit; "er is nog wel een andere manier, om de
+zaak te regelen; jij blijft hier in deze kamer en ik ga zoolang bij
+Rodolphe logeeren."
+
+"Dat is wel lastig voor jullie!" zeide Mimi; "maar het zal niet langer
+dan een paar dagen duren."
+
+"Het is volstrekt niet lastig voor ons," antwoordde Marcel; "dus zoo
+blijft het afgesproken: jij blijft hier en Rodolphe en ik slapen op
+de kamer van Rodolphe. Bonsoir, Mimi, slaap lekker!"
+
+"Ik dank jullie wel!" zeide zij, terwijl zij Marcel en Rodolphe,
+die weggingen, de hand gaf.
+
+"Wil ik de deur afsluiten?" vroeg Marcel, toen hij bij de deur was.
+
+"Waarom?" zeide Mimi met een blik op Rodolphe; "ik ben niet bang."
+
+Toen de twee vrienden in de kamer ernaast waren, vroeg Marcel
+plotseling aan Rodolphe:
+
+"En wat ben jij nu van plan te doen?"
+
+"Ik weet het zelf niet!" stamelde Rodolphe.
+
+"Kom, sta niet zoo te treuzelen, ga naar Mimi! Ik voorspel je, dat,
+wanneer je naar haar toegaat, jullie morgen weer verzoend zullen zijn!"
+
+"Wat zou jij gedaan hebben, als Musette teruggekomen was?" vroeg
+Rodolphe.
+
+"Als Musette in de kamer hiernaast was," antwoordde Marcel, "dan zou
+ik al een kwartier geleden niet meer in deze zijn."
+
+"Nou," zeide Rodolphe; "ik zal moediger zijn dan jij, ik blijf hier!"
+
+"Dat zullen we nog eens zien!" zeide Marcel, die reeds in bed lag;
+"ga jij ook naar bed?"
+
+"Zeker!" antwoordde Rodolphe.
+
+Doch toen Marcel midden in den nacht wakker werd, zag hij, dat Rodolphe
+weg was.
+
+'s Ochtends klopte Marcel zachtjes op de deur van de kamer, waarin
+Mimi sliep.
+
+"Binnen," riep zij. Toen zij hem zag, gaf zij hem een wenk zachtjes
+te praten, om Rodolphe, die nog sliep, niet wakker te maken. Hij zat
+in een fauteuil, dien hij bij het bed geschoven had, en rustte met
+zijn hoofd op het kussen naast Mimi.
+
+"Hebben jullie zoo den nacht doorgebracht?" vroeg Marcel verwonderd.
+
+"Ja," antwoordde het jonge meisje.
+
+Plotseling werd Rodolphe wakker. Na Mimi een kus gegeven te hebben,
+stak hij den schilder, die hoe langer hoe verbaasder scheen, de
+hand toe.
+
+"Ik zal zien, dat ik wat geld krijg, om eten te koopen," zeide hij
+tot Marcel; "houd jij Mimi zoo lang gezelschap."
+
+"En," vroeg Marcel aan het jonge meisje, toen zij alleen waren,
+"wat is er vannacht gebeurd?"
+
+"Ach God, niets dan treurige dingen," zeide Mimi; "Rodolphe houdt
+nog altijd van me."
+
+"Dat weet ik!"
+
+"Ja, jij hebt hem van mij willen aftrekken," zeide zij; "maar dat
+neem ik je niet kwalijk, Marcel, je hadt gelijk; ik heb dien armen
+jongen leelijk behandeld!"
+
+"En jij," vroeg Marcel, "houdt jij nog altijd van hem?"
+
+"Of ik van hem houd!" zeide zij handenwringend. "En dat is juist zoo'n
+pijniging voor me. Ik ben wel veranderd, beste jongen, en daarvoor
+is niet veel tijd noodig geweest."
+
+"Nou, als hij van jou houdt en jij van hem en jullie niet buiten
+elkaar kunt, moeten jullie maar weer samen gaan leven en dan probeeren,
+dat het ditmaal voor goed is."
+
+"Dat is onmogelijk," zeide Mimi.
+
+"Waarom?" vroeg Marcel; "zeker, het zou verstandiger zijn, indien
+jullie voor goed van elkaar gingen; maar om elkaar niet meer te zien,
+zouden jullie wel duizend mijl van elkaar moeten zijn!"
+
+"Wat bedoel je daarmee?"
+
+"Spreek er niet met Rodolphe over, dat zou hem te veel aanpakken--maar
+ik ga gauw voor goed weg."
+
+"Maar waarheen?"
+
+"Kijk eens, Marcel," zeide Mimi snikkend.
+
+En de dekens wat terugslaande, liet zij den schilder haar schouders,
+haar hals en haar armen zien.
+
+"Goede God!" riep Marcel verschrikt uit. "Arme meid!"
+
+"Zie je wel, beste jongen, dat ik mij niet vergis en dat ik spoedig
+sterven zal?"
+
+"Maar hoe is dat in zoo'n korten tijd kunnen gebeuren?" vroeg Marcel.
+
+"Ach!" antwoordde Mimi; "bij het leven, dat ik sedert twee maanden
+leid, is dat niet te verwonderen: al die slapelooze, doorweende
+nachten, dat poseeren in onverwarmde ateliers, het slechte voedsel,
+het vele verdriet.... En dan weet je nog niet alles: ik heb me
+met eau de Javel willen vergiftigen; ze hebben me gered, maar niet
+voor lang, zooals je ziet. Bovendien ben ik nooit heelemaal gezond
+geweest. Enfin, het is mijn eigen schuld: als ik kalm bij Rodolphe
+gebleven was, zou het zoover niet gekomen zijn. En nu kom ik dien
+armen jongen weer lastig vallen, maar het zal niet voor lang zijn:
+het laatste kleedingstuk, dat hij me geven zal, zal heelemaal wit
+zijn, Marcel, en daarin zal ik begraven worden. O, als je eens wist,
+hoe vreeselijk ik het vind, dat ik sterven moet! Rodolphe weet, dat ik
+ziek ben; gisteren heeft hij langer dan een uur sprakeloos naast mijn
+bed gezeten, toen hij mijn magere armen en schouders heeft gezien:
+hij herkende zijn Mimi niet meer ..... ach, mijn spiegel herkent
+me zelfs niet meer. Maar enfin, ik ben knap geweest en hij heeft
+veel van me gehouden. O lieve God," riep zij uit, terwijl zij haar
+gezicht in Marcel's handen verborg, "ik ga je verlaten, beste jongen,
+en Rodolphe ook. O, lieve God!"
+
+Tranen verstikten haar stem.
+
+"Kom, Mimi," zeide Marcel, "doe niet zoo wanhopig, je zult weer beter
+worden; je hebt alleen een goede verpleging en rust noodig."
+
+"Ach, neen!" antwoordde Mimi; "het loopt af met mij, ik voel het heel
+goed. Ik ben zoo vreeselijk zwak: toen ik gisterenavond hier kwam,
+heb ik meer dan een uur noodig gehad om boven te komen. En als ik hier
+een andere vrouw had aangetroffen, zou ik me uit het raam geworpen
+hebben. En toch was hij vrij, nu wij niet meer samen waren; maar
+zie je, Marcel, ik was er zeker van, dat hij nog van me hield. En
+daarom"--en weer barstte Mimi in tranen uit--"daarom alleen heb ik
+niet dadelijk willen sterven. Maar toch is het gedaan met mij. Och,
+Marcel, wat is hij toch een goede jongen, dat hij mij na alles wat ik
+hem aangedaan heb, toch nog bij zich genomen heeft. Ach, de lieve God
+is niet rechtvaardig, dat hij mij den tijd zelfs niet laat om weer
+goed te maken wat ik tegenover Rodolphe misdaan heb. En hij begrijpt
+heel goed hoe het met mij gesteld is. Ik wou niet, dat hij naast mij
+kwam liggen, want het is net alsof ik de wormen al aan mijn lichaam
+voel vreten. Wij hebben den geheelen nacht door samen geweend en over
+vroeger gesproken. O, wat is het toch droevig, dat je het geluk dan
+eerst ziet, wanneer het niet meer bereikbaar is en nadat het aan je
+voorbijgegaan is, zonder het te zien!.... O, het brandt me in mijn
+borst als vuur; en wanneer ik mijn ledematen beweeg, is het net,
+alsof zij zullen breken ..... Och, Marcel, geef me mijn japon even
+aan. Ik wil de kaart leggen, om te zien of Rodolphe geld meebrengen
+zal. Ik zou nog zoo graag eens lekker met jullie willen dejeuneeren,
+net als vroeger--het zal me geen kwaad doen, want God kan me toch niet
+zieker maken dan ik al ben. Kijk," zeide zij, terwijl ze Marcel de
+kaart liet zien, die zij gecoupeerd had; "dat is schoppen, de kleur
+van den dood. En hier klaveren," voegde zij er vroolijk aan toe. "We
+krijgen geld."
+
+Marcel wist niet wat hij moest zeggen bij die helderziende ijlkoortsen
+van dit ongelukkige schepseltje, dat, zooals zij zeide, de wormen
+reeds aan zich voelde vreten.
+
+Na een uur kwam Rodolphe terug. Hij bracht Schaunard en Colline
+mede. De musicus had zijn zomerjas aan: hij had, zoodra hij gehoord
+had, dat Mimi ziek was zijn winterjas verkocht, om Rodolphe geld te
+kunnen leenen. Colline van zijn kant had verschillende boeken van
+de hand gedaan. Weliswaar had hij liever een arm of been verzilverd,
+maar Schaunard had hem aan zijn verstand gebracht, dat men met zijn
+arm of been niets beginnen kan, waarom hij maar besloten had van zijn
+lievelingen afstand te doen.
+
+Mimi spande al haar krachten in om haar oude vrienden met een vroolijk
+gezicht te ontvangen.
+
+"Ik ben niet ondeugend meer," zeide zij tot hen, "en Rodolphe heeft
+mij vergiffenis geschonken. Als hij mij bij zich wij houden, zal ik
+klompen aantrekken en een halsdoek omdoen. Zijde is niet goed voor mijn
+gezondheid," voegde zij er met een hartverscheurend glimlachje aan toe.
+
+Op aandringen van Marcel had Rodolphe een van zijn vrienden, die
+pas dokter geworden was, laten halen. Het was dezelfde, die vroeger
+de kleine Francine behandeld had. Toen hij kwam, liet men hem met
+Mimi alleen.
+
+Rodolphe was door Marcel reeds te voren op de hoogte gebracht van
+den gevaarlijken toestand, waarin Mimi verkeerde. Toen de dokter Mimi
+onderzocht had, zeide hij tot Rodolphe:
+
+"Je kunt haar hier niet houden. Slechts een wonder kan haar redden. Zij
+moet naar het ziekenhuis. Ik zal je een brief voor de Pitié geven;
+een van mijn kennissen is daar assistent; ik zal hem vragen haar
+te behandelen. Als zij de lente haalt, kunnen we haar misschien nog
+heelemaal beter maken; maar als zij hier blijft, is het binnen acht
+dagen afgeloopen."
+
+"Ik zal het haar nooit durven voorstellen," zeide Rodolphe.
+
+"Ik heb het haar al gezegd," antwoordde de dokter, "en zij vindt het
+goed. Morgen zal ik je een formulier voor de Pitié zenden."
+
+"Beste jongen," zeide Mimi tot Rodolphe, "de dokter heeft gelijk. Je
+zoudt me hier niet kunnen verplegen, zooals het behoort; je moet
+mij naar het ziekenhuis laten gaan. O, ik zou nu zòò graag blijven
+leven, dat ik de rest van mijn leven mijn linkerhand in het vuur
+zou houden, als ik de jouwe in mijn rechter mocht hebben. Je komt me
+toch zeker dikwijls opzoeken. Kom wees niet zoo bedroefd: ik zal daar
+goed verpleegd worden, heeft de dokter gezegd. Je krijgt kalfssoep
+in het ziekenhuis, en het is er warm. En terwijl ik daar aan het
+opknappen ben, moet jij werken, om geld te verdienen; en wanneer ik
+weer beter ben, kom ik weer bij je terug en blijf ik altijd bij je. Ik
+heb nu heel veel hoop. Ik kom even knap als vroeger terug. Vroeger,
+toen ik je nog niet kende, ben ik ook eens ziek geweest, en toen
+ben ik ook beter geworden. En in dien tijd was ik niet gelukkig,
+en het zou beter geweest zijn, als ik toen maar gestorven was. Nu
+ik jou teruggevonden heb en wij nog gelukkig kunnen zijn, zullen
+ze me ook wel beter maken, want ik zal me krachtig tegen de ziekte
+verzetten. Ik zal alle leelijke drankjes, die ze me geven, slikken,
+en de dood zal me alleen maar met geweld van je kunnen nemen. Geef den
+spiegel eens, het is net, of ik al weer een kleur krijg. Ja," zeide
+zij, terwijl zij in den spiegel keek, "mijn mooie tint komt alweer
+terug. En kijk, mijn handen zijn nog altijd mooi; geef er nog eens
+een zoen op; het zal heusch de laatste keer niet zijn, jongenlief!"
+
+Toen zij dit gezegd had, sloeg zij haar armen om zijn hals en bedekte
+zijn gezicht onder haar loshangende haren.
+
+Voor zij naar het ziekenhuis ging, wilde zij nog een avond met al de
+vroegere vrienden samen zijn.
+
+"Laat me lachen," zeide zij; "vroolijkheid is voor een mensch het
+beste geneesmiddel. Die slaapmuts van een vicomte heeft mij ziek
+gemaakt. Hij wou me orthographie leeren, stel je voor; wat moest ik
+daarmede beginnen? En zijn vrienden--lieve God, wat een kerels! Je
+reinste hoenderhof, waarin de vicomte de pauw was. Hij merkte, God
+betert, zijn eigen linnengoed. Als hij ooit trouwt, krijgt hij vast
+de kinderen."
+
+Niets kon aangrijpender zijn dan deze opgewekte stemming, die, om zoo
+te zeggen, den dood van het lichaam overleefde. Slechts met inspanning
+van al hun geestkracht slaagden de bohémiens erin hun tranen terug
+te houden en het gesprek in den schertsenden toon te houden, waarin
+het gebracht was door dat arme kind, voor wie het noodlot zoo vlug
+het linnen voor haar laatste kleed weefde.
+
+Den volgenden ochtend kreeg Rodolphe het formulier voor het
+ziekenhuis. Mimi kon onmogelijk meer loopen: ze moest in het rijtuig
+worden gedragen. Tijdens het rijden leed zij vreeselijk onder de
+schokken. Maar het laatste, dat bij vrouwen sterft, de ijdelheid,
+overwon ook nu nog die pijnen: twee of driemaal liet zij het rijtuig
+voor mode-magazijnen stil staan, om naar de étalages te kijken.
+
+Toen zij in de op het formulier aangegeven zaal kwam, voelde Mimi
+haar hart samenkrimpen; een inwendige stem zeide haar, dat zij haar
+leven tusschen deze kale, droefgeestige muren zou eindigen. Al haar
+wilskracht moest zij te hulp roepen, om den somberen indruk, die haar
+had doen rillen, voor Rodolphe te verbergen.
+
+Toen zij te bed lag, omhelsde zij hem voor de laatste maal en drukte
+hem op het hart haar den volgenden Zondag te komen opzoeken.
+
+"Het ruikt hier zoo akelig," zeide zij; "breng bloemen voor me mee,
+viooltjes, die zijn er nog!"
+
+"Ja," zeide Rodolphe; "adieu, tot Zondag!"
+
+En hij trok de gordijnen dicht. Toen Mimi hoorde hoe de stappen van
+haar geliefde zich steeds verder verwijderden, kreeg zij plotseling
+een koortsaanval. Zij sloeg wild de gordijnen open, boog zich half
+uit haar bed en riep met een door tranen verstikte stem:
+
+"Rodolphe, neem me weer mee; ik wil weg!"
+
+De zuster kwam naar haar toe en trachtte haar te kalmeeren.
+
+"O," steunde Mimi; "ik zal hier sterven!"
+
+'s Zondagsochtends, den dag dat hij Mimi zou gaan opzoeken,
+herinnerde Rodolphe zich, dat hij haar beloofd had viooltjes mee
+te zullen brengen. Door een poëtisch bijgeloof gedreven, ging hij,
+niettegenstaande het vreeselijke weer, te voet naar de bosschen van
+Aulnay en Fontenay, waar hij zoo dikwijls met haar geweest was, om daar
+zelf de bloemen te zoeken, waarom zij hem gevraagd had. Twee uur lang
+dwaalde hij door het met sneeuw bedekte kreupelhout en lichtte met
+een klein stokje de struiken en het heidekruid op, tot hij eindelijk
+een paar viooltjes vond vlak bij het struikgewas langs den vijver
+van Le Plessis, hun lievelingsplekje, waar ze altijd heengingen,
+als ze buiten waren.
+
+Toen hij op den terugweg naar Parijs door het dorp Châtillon kwam, zag
+hij op het kerkplein een doopstoet en daarbij een van zijn vrienden,
+die met een zangeres van de Opéra peet was.
+
+"Wat voer jij hier uit?" vroeg hij, verwonderd Rodolphe daar te zien.
+
+De dichter vertelde wat er gebeurd was.
+
+De jonge man, die Mimi gekend had, werd door het verhaal zeer
+aangegrepen. Hij haalde een doos bonbons uit zijn zak en gaf die
+aan Rodolphe.
+
+"Die arme Mimi, geef haar dit uit mijn naam en zeg, dat ik eens naar
+haar kom kijken!"
+
+"Als je dat wil, moet je je haasten, anders zou je te laat kunnen
+komen," zeide Rodolphe en ging verder.
+
+Toen hij in het hospitaal kwam, vloog Mimi, die zich niet meer bewegen
+kon, hem met een blik om de hals.
+
+"Ha, daar zijn mijn bloemen!" riep zij, terwijl een glimlach van
+geluk om haar lippen speelde.
+
+Rodolphe vertelde haar zijn pelgrimstocht naar het struikgewas langs
+den vijver, dat het paradijs van hun liefde geweest was.
+
+"Lieve bloemen!" zeide het arme kind, terwijl zij de viooltjes kuste.
+
+Ook de bonbons vielen in haar smaak.
+
+"Ze hebben me dus nog niet heelemaal vergeten!" zeide zij. "Wat zijn
+jullie toch allemaal goed. Ik mag al je vrienden graag, Rodolphe!"
+
+Het samenzijn was bijna vroolijk te noemen. Ook Schaunard en Colline
+waren gekomen. De zuster moest hen tot weggaan aansporen, daar de
+bezoektijd reeds lang voorbij was.
+
+"Vaarwel!" zeide Mimi; "tot Donderdag dus! En zorg op tijd te zijn!"
+
+Toen Rodolphe den volgenden avond thuis kwam, vond hij een brief van
+een jongen assistent uit het ziekenhuis, aan wien hij Mimi bijzonder
+aanbevolen had. De brief bevatte slechts deze woorden:
+
+"Amice, ik moet je een treurige tijding geven: No. 8 is dood. Toen
+ik vanochtend door de zaal kwam, vond ik het bed leeg."
+
+
+
+Rodolphe viel op een stoel neer, maar geen tranen kwamen hem
+verlichting brengen. Toen Marcel later op den avond bij hem kwam,
+vond hij zijn vriend nog in dezelfde wezenlooze houding; met een
+handgebaar wees Rodolphe hem op den brief.
+
+"Arme meid!" zeide Marcel.
+
+"Het is vreemd," merkte Rodolphe op; "ik voel niets. Zou mijn liefde
+reeds gestorven zijn, toen ik hoorde, dat Mimi sterven moest?"
+
+"Wie zal het zeggen?" mompelde de schilder.
+
+Mimi's dood veroorzaakte in den kring der bohémiens een groote
+ontroering.
+
+Acht dagen later ontmoette Rodolphe op straat den assistent, die hem
+den dood van zijn vriendinnetje gemeld had.
+
+"Beste Rodolphe," zeide hij, "je neemt het me toch niet al te kwalijk,
+dat ik je door mijn voorbarigheid verdriet gedaan heb?"
+
+"Wat bedoel je?" vroeg Rodolphe verwonderd.
+
+"Wat? .... Weet je het niet? Heb je haar dan niet meer gezien?"
+
+"Wie?" schreeuwde Rodolphe.
+
+"Maar Mimi natuurlijk!"
+
+"Wat?" stamelde de dichter, die doodsbleek werd.
+
+"Ik had me vergist. Toen ik je die vreeselijke tijding schreef,
+was ik het slachtoffer van een dwaling. Kijk eens, ik was in twee
+dagen niet in het ziekenhuis geweest. Toen ik den derden dag weer
+terugkwam, vond ik het bed van je vrouw leeg. Op mijn vraag aan de
+zuster waar de zieke was, kreeg ik ten antwoord, dat zij 's nachts
+gestorven was. De zaak zit zoo in elkaar. Tijdens mijn afwezigheid
+was Mimi naar een andere zaal gebracht. In bed No. 8 hadden ze een
+andere vrouw gelegd, die nog denzelfden dag gestorven is. Dat is de
+oorzaak van mijn vergissing. Den dag, nadat ik je geschreven had,
+vond ik Mimi in een zaal ernaast. Jouw wegblijven had haar vreeselijk
+veel verdriet gedaan; zij gaf me een brief voor je, dien ik dadelijk
+naar je kamer gebracht heb."
+
+"Lieve God!" riep Rodolphe uit; "vanaf het oogenblik dat ik dacht,
+dat Mimi dood was, ben ik niet meer op mijn kamer geweest. Ik heb
+hier en daar bij mijn vrienden geslapen. Mimi leeft. God, wat moet
+zij wel van mijn wegblijven denken! Arme, arme meid! En hoe is het
+met haar? Wanneer heb je haar voor het laatst gezien?"
+
+"Eergisterenochtend. Zij was niet erger en niet beter, maar zij is
+erg ongerust over jou, ze denkt, dat je ziek bent!"
+
+"Ga dadelijk met me naar de Pitié," zeide Rodolphe; "ik moet ze zien."
+
+"Wacht hier een oogenblik," zeide de assistent, toen zij bij den
+ingang van het ziekenhuis waren, "ik zal den directeur vragen, of je
+haar zien mag."
+
+Rodolphe wachtte een kwartier in de vestibule. Toen kwam de assistent
+terug, greep de hand van den dichter en zeide:
+
+"Je moet maar denken, beste kerel, dat de brief, dien ik je acht
+dagen geleden geschreven heb, waarheid gesproken heeft."
+
+"Wat?" zeide Rodolphe, terwijl hij wankelde en steun zocht tegen een
+pilaar; "Mimi....."
+
+"Vanochtend om vier uur."
+
+"Breng mij naar de snijkamer, dan kan ik ze nog eenmaal zien,"
+vroeg Rodolphe.
+
+"Daar is ze niet meer," zeide de dokter. En terwijl hij den dichter op
+een grooten wagen wees, die op de binnenplaats stond voor een gebouw,
+waarboven het woord: Snijkamer te lezen was, voegde hij eraan toe:
+
+"Daarin is zij."
+
+Het was inderdaad de lijkwagen, waarin de niet opgevraagde lijken
+naar de gemeenschappelijke graven gebracht worden.
+
+"Adieu," zeide Rodolphe tot den assistent.
+
+"Wil ik soms met je meegaan?" vroeg deze.
+
+"Neen, dank je," zeide Rodolphe, terwijl hij zich langzaam
+verwijderde. "Ik wil alleen zijn!"
+
+
+
+
+
+
+HOOFDSTUK XXIII.
+
+MEN IS SLECHTS EENS JONG.
+
+
+Een jaar na Mimi's dood vierden Rodolphe en Marcel, die steeds bij
+elkaar gebleven waren, met een feest hun intrede in de officieele
+wereld. Marcel, die eindelijk tot den Salon was toegelaten, had er twee
+schilderijen geëxposeerd, waarvan er een gekocht was door een rijken
+Engelschman, een vroegeren minnaar van Musette. Met de opbrengst van
+dien verkoop en met die van een hem door de regeering opgedragen werk,
+had Marcel het grootste gedeelte van zijn oude schulden afgelost,
+zich in een fatsoenlijke woning geïnstalleerd en een echt atelier
+ingericht. Bijna tegelijk waren Schaunard en Rodolphe voor het publiek
+getreden, dat over den naam en het fortuin van kunstenaars beslist,
+de eerste met een album liederen, die op alle concerten gezongen
+werden en die zijn naam vestigden; de tweede met een boek, waarmede
+de kritiek zich een maand lang bezig hield. Barbemuche had zich sedert
+lang uit het bohème leven teruggetrokken, terwijl Gustave Colline een
+erfenis gekregen en een rijk huwlijk gedaan had en nu avondjes gaf,
+waarop muziek gemaakt en koekjes gegeten werden.
+
+Op een avond, dat Rodolphe in zijn fauteuil en met zijn voeten op
+zijn tapijt zat, zag hij Marcel opgewonden binnenkomen.
+
+"Weet je wat mij overkomen is?" vroeg hij.
+
+"Neen," antwoordde de dichter. "Ik weet alleen, dat ik bij je geweest
+ben, dat je beslist thuis was en dat je me niet hebt willen open doen."
+
+"Ik heb je wel gehoord. Raad eens wie bij mij was."
+
+"Hoe zou ik dat weten?"
+
+"Musette! Zij is gisteravond als débardeur [52] bij me binnen komen
+vallen."
+
+"Musette? Heb jij Musette teruggevonden?" vroeg Rodolphe met iets
+van spijt in zijn stem.
+
+"Maak je niet ongerust! de vijandelijkheden zijn niet hervat. Musette
+is den laatsten nacht van haar bohème-leven bij mij komen doorbrengen."
+
+"Wat bedoel je daarmee?"
+
+"Zij gaat trouwen."
+
+"Wat!" riep Rodolphe uit. "En met wien, lieve hemel?"
+
+"Met een postmeester, den voogd van haar laatsten minnaar, een type,
+naar het schijnt. Musette heeft tegen hem gezegd: "Waarde heer,
+alvorens ik u definitief mijn hand geef en met u naar het stadhuis
+rijd, wil ik nog eerst acht dagen volkomen vrijheid. Ik moet mijn zaken
+regelen en ik wil mijn laatste glas champagne drinken, mijn laatsten
+quadrille dansen en mijn vriend Marcel, die net zoo goed is als ieder
+ander, een laatsten kus geven." Acht dagen lang heeft het lieve kind
+naar mij gezocht, tot ze gisteravond juist op een oogenblik, dat ik aan
+haar dacht, bij mij is komen binnenvallen. Wij hebben een treurigen
+nacht gehad ..... het was lang dat van vroeger niet, lang niet. Wij
+zagen er net uit als een slechte copie van een meesterwerk. Ik heb
+naar aanleiding van deze laatste scheiding een klein klaaglied gemaakt,
+dat ik je voorjammeren zal, als je het goed vindt."
+
+En toen begon hij eenige coupletten te neuriën ...
+
+
+
+"Nou ben je toch zeker wel gerustgesteld," zeide Marcel, toen hij
+uitgejammerd had; "mijn liefde voor Musette is zoo dood als een pier,
+dat bewijst dit treurige treurlied wel."
+
+"Arme kerel!" zeide Rodolphe; "je verstand duelleert met je hart;
+pas op, dat het laatste niet gedood wordt."
+
+"Dat is al gebeurd," antwoordde de dichter; "het is afgeloopen met
+ons, we zijn dood en begraven. Je bent maar eens jong. Waar dineer
+je vanavond?"
+
+"Als je het goed vindt, kunnen we voor twaalf sous in ons oud
+restaurant in de rue du Four gaan eten, waar je nog van die echte
+dorpsborden hebt, en waar je, als je klaar bent, nog steeds trek hebt."
+
+"Neen, dank je wel," antwoordde Marcel. "Ik wil wel nog eens praten
+over het verleden, maar dan bij een goed glas wijn in een makkelijken
+fauteuil. Ach ja, ik ben nu eenmaal verdorven. Ik houd alleen nog
+maar van wat goed is."
+
+
+ EINDE.
+
+
+
+
+
+
+AANTEEKENINGEN
+
+
+[1] Een hôtel in de tegenwoordige rue-Jean-Jacques-Rousseau, waarin
+meubelverkoopingen gehouden werden.
+
+[2] Een bekend soort, met brons ingelegde meubelen.
+
+[3] De in het quartier latin gebruikelijke naam voor het Théâtre
+du Luxembourg.
+
+[4] Tweehoofdig.
+
+[5] De Regenboog.
+
+[6] Een beroemde slemppartij uit Cervantes' Don Quichotte, beschreven
+in hoofdstuk XX van dat werk.
+
+[7] Gastheer.
+
+[8] Vatel was de hofkok van Lodewijk XIV.
+
+[9] Greuze, volgens Diderot "le peintre des familles et des honnêtes
+gens", is bekend door zijn sentimenteel-kokette meisjesfiguren; Gavarni
+daarentegen gaf aan die koketterie een meer overmoedige uitdrukking.
+
+[10] Het fabriekstempel J. G. vindt men op kleine aarden pijpen,
+die voor twee sous verkrijgbaar zijn.
+
+[11] Cicero's uitdrukking was: Nascuntur poetae (Dichters worden
+geboren). Poêlier, beteekent kachelsmid, rookverdrijver.
+
+[12] Door geweld gedwongen.
+
+[13] Persoon uit don Juan, die steeds geharnast was en dus zeer
+zwaar liep.
+
+[14] Letterkundige wedstrijden, waarbij de winnaars een gouden bloem,
+meestal een roos, krijgen.
+
+[15] Met het personeel van de firma Bidault (den toenmaligen
+postdirecteur) worden de brievenbestellers bedoeld.
+
+[16] Een gefingeerde naam.
+
+[17] De tweede helft luidt... "en de aanraking van twee opperhuiden."
+
+[18] Zie de beide novellen van de Musset: "Frédéric et Bernerette"
+en "Mademoiselle Mimi Pinson."
+
+[19] Rivier in Lydië, bekend om haar goudrijkdom.
+
+[20] Sax was een fabrikant van beroemde muziekinstrumenten.
+
+[21] Borreas = Noordenwind.
+
+[22] Een heilige uit de R.K. kerk, die zich voornamelijk het lot van
+arme verworpenen en maatschappelijk ellendigen aantrok.
+
+[23] Een verdoovend, uit een soort hennepplant bereid middel.
+
+[24] Toespeling op Dumas' roman: "De drie musketiers".
+
+[25] Te Saint-Denis was een kostschool, waar dochters van officieren
+van het Legioen van Eer werden opgevoed.
+
+[26] Iemand, die toelatingsexamen voor de universiteit heeft gedaan.
+
+[27] "Geloofsbelijdenis van den savoyaardschen vicaris". Vergelijk
+Rousseau's Emile.
+
+[28] Géricault, een beroemd schilder, wiens doek "Vlot der Medusa",
+in 1819 groot opzien verwekte en de eerste overwinning van het realisme
+in de schilderkunst genoemd wordt.
+
+[29] Cicero is een lettersoort.
+
+[30] Vergelijk Dumas' Kean, 2de bedrijf, tooneel 1-3.
+
+[31] Parijs bezat vroeger slechts twaalf arrondissementen en evenveel
+bureaux voor den burgerlijken stand--een voor den maire van het
+dertiende arrondissement gesloten huwelijk was dus een huwelijk uit
+vrije liefde.
+
+[32] De "Complainte van Jean Bélin" is een satyriek gedicht van een
+onbekenden schrijver, dat in 1840 verschenen was. Ook in andere werken
+zinspeelt Murger er op.
+
+[33] Vergelijk Racine's Cinna, acte V, Scène I.
+
+[34] Vergelijk Racine's Phèdre, acte I, scène I.
+
+[35] In de Rue Coquenard ligt de kerk Notre-Dame-de-Lorette, wier
+naam overgegaan is op de schoone zondaressen, die in deze straat wonen.
+
+[36] De papegaai Vert-Vert is de held van een naar hem genoemd komisch
+epos van Gresset. Opgevoed in een klooster te Nivers, was hij zoo
+deugdzaam en vroom, dat zijn roem zich overal heen verbreidde en ook
+de nonnen in een klooster te Nantes hem wenschten te hooren. Op een
+boot daarheen gebracht, leerden de schippersknechts hem vloeken als
+een ketter, wat bij de nonnen groote consternatie verwekte.
+
+[37] Toespeling op Offenbach's operette Les contes d'Hoffmann.
+
+[38] Matthieu Laensberg leefde omstreeks 1680 als canonicus in Luik en
+gaf een kalender met weersvoorspellingen uit. Omstreeks 1840 aapten
+de socialisten (Louis Blanc) in hun volkskalender de populaire taal
+van den canonicus na om propaganda te maken voor revolutionnaire
+doeleinden; hierdoor werd de naam in Frankrijk in grootere kringen
+populair.
+
+[39] Letterlijk: een pleisterplaats voor karavanen.
+
+[40] Zinspeling op Dante's Inferno.
+
+[41] Eetlust.
+
+[42] Een verfrisschende drank (bereid uit citroen en zoethout),
+die in Frankrijk langs den weg verkocht wordt.
+
+[43] Bekende champagne-merken.
+
+[44] Zie Molière's Don Juan: Acte IV, scène III.
+
+[45] Zie Shakespeare's Macbeth.
+
+[46] Gastibelza is de held van het drama "Gastibelza of de Waanzinnige
+van Toledo" van d'Ennery en Cormon. In het tweede bedrijf wordt hij
+krankzinnig, in het derde echter krijgt hij, zooals dat een held
+betaamt, zijn verstand vrijwel weer terug. Hij komt nooit zonder zijn
+karabijn op het tooneel.
+
+[47] Neen, het is nog niet de dag; het was de nachtegaal en niet de
+leeuwerik, wiens tonen doordrongen tot je angstige ooren.
+
+[48] Toespeling op den versregel uit het laatste tooneel van
+Raynouard's tragedie: "Les Templiers":
+
+
+ "Mais il n'était plus temps; les chants avaient cessé".
+
+
+[49] Een duif à la crapoudine is een duif, die opgediend wordt in
+den vorm van een pad.
+
+[50] Een persoon uit de Grieksche mythologie met honderd armen.
+
+[51] Bekende persoon uit don Quichotte.
+
+[52] Débardeur = iemand, die tijdens het carnavalsfeest als houtdrager
+gecostumeerd rondloopt.
+
+
+
+
+
+
+End of Project Gutenberg's Kunstenaarsleven te Parijs, by Henri Murger
+
+*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK KUNSTENAARSLEVEN TE PARIJS ***
+
+***** This file should be named 35741-8.txt or 35741-8.zip *****
+This and all associated files of various formats will be found in:
+ http://www.gutenberg.org/3/5/7/4/35741/
+
+Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
+Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project
+Gutenberg
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+http://gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need, are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at http://www.pglaf.org.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at
+http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at http://pglaf.org
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit http://pglaf.org
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including checks, online payments and credit card donations.
+To donate, please visit: http://pglaf.org/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ http://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
diff --git a/old/35741-8.zip b/old/35741-8.zip
new file mode 100644
index 0000000..4a58585
--- /dev/null
+++ b/old/35741-8.zip
Binary files differ