diff options
Diffstat (limited to 'old')
| -rw-r--r-- | old/35741-8.txt | 14366 | ||||
| -rw-r--r-- | old/35741-8.zip | bin | 0 -> 251309 bytes |
2 files changed, 14366 insertions, 0 deletions
diff --git a/old/35741-8.txt b/old/35741-8.txt new file mode 100644 index 0000000..5ea4a54 --- /dev/null +++ b/old/35741-8.txt @@ -0,0 +1,14366 @@ +The Project Gutenberg EBook of Kunstenaarsleven te Parijs, by Henri Murger + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + +Title: Kunstenaarsleven te Parijs + Roman uit het Bohème-leven + +Author: Henri Murger + +Editor: W. J. A. Roldanus Jr. + +Release Date: April 1, 2011 [EBook #35741] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ISO-8859-1 + +*** START OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK KUNSTENAARSLEVEN TE PARIJS *** + + + + +Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed +Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project +Gutenberg + + + + + + + + + KUNSTENAARSLEVEN TE PARIJS + + Roman uit het Bohème-leven + + Door + + HENRI MURGER + Bewerkt door W. J. A. Roldanus Jr. + + + + Uitgegeven door J. M. Meulenhoff + te Amsterdam op het Damrak 88 + + + + + + +HOOFDSTUK I. + +HOE DE VRIENDENKRING DER BOHÈME TOT STAND KWAM. + + +Ziehier hoe het toeval, dat de ongeloovige sceptici den zaakwaarnemer +van onzen Lieven Heer noemen, op een goeden dag de individuen met +elkaar in aanraking bracht, die in hun broederlijke samenhoorigheid +later den vriendenkring zouden vormen, samengesteld uit dat deel +der Bohème, hetwelk de schrijver van dit boek getracht heeft aan het +publiek te doen leeren kennen. + +Op een goeden morgen (het was 8 April) werd Alexandre Schaunard, die +twee vrije kunsten, n. l. de schilderkunst en de muziek, beoefende, +plotseling gewekt door het wijsje, dat een haan uit de buurt, dien +hij als wekker gebruikte, hem toezong. + +"Allemachtig!" riep Schaunard uit, "mijn gevederde wekker loopt voor; +het kan nog onmogelijk vandaag zijn." + +Terwijl hij dit zeide, sprong hij vlug uit een meubelstuk, dat hij +na heel veel moeite en inspanning uitgedacht had, en dat 's nachts +de rol van bed speelde--en niet om er wat van te zeggen, maar het +speelde die vrij slecht--, terwijl het overdag die van alle andere +meubels vervulde, welke ten gevolge van de strenge koude, die den +vorigen winter geheerscht had, door afwezigheid schitterden: een +soort Jan-draag-an-meubel dus, zooals men ziet. + +Om zich tegen den snijdenden kouden morgenwind te beschermen, schoot +Schaunard inderhaast een rose zijden en met sterretjes en loovertjes +bezaaiden rok aan, dien hij als kamerjapon gebruikte. Dit klatergoud +was op een bal-masqué-nacht bij den artist achtergelaten door een +Pierrette, die zoo dom geweest was zich te laten vangen door de +bedriegelijke beloften van Schaunard, die, vermomd als markies de +Mondor, in zijn zakken den verleidelijken klank had laten rinkelen +van een dozijntje daalders, nagemaakt geld, uit een stuk metaal door +een uitslagmachine gesneden, en uit de accessoires van een schouwburg +geleend. + +Na zich in zijn kamertoilet gestoken te hebben, zette hij het raam en +het luik open. Als een lichtpijl drong plotseling een zonnestraal in +de kamer door, die hem dwong zijn oogen, welke nog vol slaap zaten, +wijd open te doen; tegelijkertijd sloeg het op een kerktoren in de +buurt vijf uur. + +"De ochtendstond in eigen persoon," mompelde Schaunard in zichzelf; +"dat is prachtig. Maar," voegde hij eraan toe, een kalender, die aan +den muur hing, raadplegende, "desniettemin is zij leelijk in de war. De +aanwijzingen der wetenschap verzekeren, dat in dezen tijd van het jaar +de zon eerst om half zes moet opgaan; het is pas vijf en nu is zij +al op. Een misdadige ijver! dat hemellichaam is heelemaal van streek; +ik zal een klacht indienen bij de sterrewacht. Intusschen," voegde hij +eraan toe, "zou ik me toch eigenlijk een beetje ongerust moeten gaan +maken; het is vandaag de dag, volgende op dien van gisteren, en daar +het gisteren de 7de was, moet het, tenzij Saturnus achterwaarts loopt, +vandaag de 8ste April zijn; en indien ik de woorden van dit geschrift +gelooven mag," zeide Schaunard, terwijl hij een deurwaardersexploot, +dat hij aan den muur geplakt had, ging lezen, "moet ik vandaag om +twaalf uur precies deze vertrekken verlaten en mijnheer Bernard, mijn +huisbaas, een som van vijf-en-twintig francs ter hand gesteld hebben +voor drie vervallen termijnen huur, die hij in een zeer slecht schrift +van mij opeischt. Zooals altijd had ik hoop gehad, dat het toeval er +zich mede zou belasten deze zaak in het reine te brengen; maar het +begint erop te lijken, dat het er geen tijd voor gehad heeft. Enfin, +ik heb nog zes uur voor me; wie weet, wanneer ik ze goed gebruik +.... Vooruit .... vooruit, op weg," voegde Schaunard eraan toe. + +Hij maakte aanstalten, om een overjas, waarvan de oorspronkelijk +langharige stof door een algemeene kaalheid was aangetast, aan te +trekken, toen hij plotseling als bezeten in zijn kamer een door hem +gecomponeerde balletdans begon uit te voeren, die hem op de publieke +bals meermalen de eer verschaft had kennis te maken met de politie. + +"Kijk, kijk!" riep hij uit, "het is verwonderlijk, zooals de +morgenlucht je op idées brengt; het is net, alsof ik mijn wijsje op +het spoor ben. Even probeeren ...." + +En, half naakt, ging hij voor zijn piano zitten en begon, na het +ingeslapen instrument door een stormachtigen accoordaanslag te hebben +gewekt, op het klavier den melodischen zin, dien hij reeds sedert +zoo langen tijd zocht, te vervolgen. + +"Do, sol, mi, do, la, si, do, ré, boem, boem. Fa, ré, mi, ré. Nee, +aïe! die ré is zoo valsch als Judas," riep Schaunard uit en sloeg +daarbij zoo hard als hij kon op de noot met den twijfelachtigen +klank. "Laten wij den mineur eens probeeren .... Die moet het verdriet +schilderen van een jong meisje, dat een witte margeriet in een blauw +meer ontbladert. Het is niet wat je een bepaald nieuw denkbeeld +noemt. Enfin, het is nu eenmaal de mode, en daar je niet makkelijk +een uitgever zoudt vinden, die een romance durft uitgeven, waarin +geen blauw meer voorkomt, moet ik me er wel in schikken .... Do, +sol, mi, do, la, si, do, ré; dat klinkt zoo kwaad niet, het geeft +vrijwel een denkbeeld van een madeliefje, vooral aan menschen, +die sterk zijn in botanie. La, si, do, ré, verdomde ré, loop naar +den bliksem! Om een goed denkbeeld te geven van het blauwe meer, +zou ik nu iets vochtigs, hemelsblauws, iets heldere-maanachtigs +(want de maan is ook van de partij) noodig hebben; maar laat ik +oppassen, dat ik de zwaan niet vergeet .... Fa, mi, la, sol," ging +Schaunard voort, terwijl hij de heldere noten van de hooge octaven +liet klinken. "Rest nu nog het afscheid van het jonge meisje, dat +besluit zich in het blauwe meer te storten, om zich weer met haar +onder de sneeuw begraven geliefde te vereenigen. Die ontknooping is +niet duidelijk," mompelde Schaunard, "maar zij is interessant. Daar +moet ik iets teers, iets melancholieks voor hebben; daar is het al, +daar is het al, dat zijn een twaalf maten, die weenen als Magdalena's, +het snijdt je door je hart! Brr! Brr!" zeide Schaunard, rillend in +zijn met sterren bezaaiden rok, "als het ook maar hout sneed! Er ligt +in mijn alkoof een balk, die me leelijk hindert, wanneer ik menschen +.... te dineeren heb; ik zal er een beetje vuur mede aanleggen .... la, +la .... ré, mi .... want ik voel, dat de inspiratie tegelijk met een +verkoudheid tot mij komt .... Enfin, ook al zoo erg niet! Laat ik +het jonge meisje verder verdrinken!" + +En terwijl zijn vingers het trillende klavier pijnigden, vervolgde +Schaunard met vlammend oog en gespannen oor zijn melodie, die, als +een ongrijpbare sylphide, zweefde midden in de klankrijke mist, welke +de trillingen van het instrument in de kamer schenen te doen oprijzen. + +"En laten we nu eens zien," ging Schaunard voort, "hoe mijn muziek +zich aanpast bij de woorden van mijn dichter." + +En hij neuriede met een onaangenaam stemgeluid dit fragment van poëzie, +die speciaal gebruikt wordt voor opéras comiques en ulevelrijmpjes: + + + La blonde jeune fille, + Vers le ciel étoilé, + En ôtant sa mantille, + Jette un regard voilé, + Et dans l'onde azurée + Du lac aux flots d'argent ... + . . . . . . . . + + +"Lieve Hemel!" riep Schaunard in een gerechtvaardigde verontwaardiging +uit, "de hemelsblauwe golf van een zilver meer, dat had ik nog +niet opgemerkt, dat is ten slotte te romantisch, die dichter is een +idioot, hij heeft nog nooit zilver of een meer gezien. Zijn ballade +is bovendien onzin; de caesuur der verzen staat mijn melodie in den +weg; in het vervolg zal ik mijn teksten zelf dichten, en niet later +dan op dit oogenblik begin ik er mee; daar ik mij in vorm gevoel, +zal ik een kleine schets van coupletten maken, om er mijn melodie +bij aan te passen." + +En Schaunard nam, zijn hoofd tusschen zijn beide handen begravende, +de houding aan van een sterveling, die betrekkingen met de Muzen +onderhoudt. + +Na verloop van eenige minuten van dit heilige huwlijk bracht hij een +van die gedrochtelijkheden ter wereld, welke de schrijvers van libretti +terecht monsters noemen en die zij vrij makkelijk improviseeren om +als voorloopige schets voor de inspiratie van den componist te dienen. + +Doch het monster van Schaunard had beteekenis en zin; het drukte vrij +duidelijk de ongerustheid uit, welke in zijn geest gewekt werd door +de brutale komst van dezen datum: den achtsten April. + +Ziehier het couplet: + + + Huit et huit font seize, + J'pose six et retiens un. + Je serais bien aise + De trouver quelqu'un + + De pauvre et d'honnête + Qui m' prête huit cents francs, + Pour payer mes dettes + Quand j'aurai le temps. + + Refrein. + + Et quand sonnerait au cadran suprême + Midi moins un quart. + Avec probité je paîrais mon terme (ter.) + A monsieur Bernard. + + +"Duivels," zeide Schaunard, toen hij zijn gedicht herlas, "terme en +suprême zijn nu niet bepaald millionairsrijmen, maar ik heb geen tijd +om ze rijk te maken. Laten we nu eens zien hoe de noten zich paren +met de lettergrepen." + +En met het hem eigen vreeselijk neusgeluid begon hij opnieuw zijn +romance uit te voeren. Ongetwijfeld voldaan over het resultaat, +dat hij verkregen had, wenschte Schaunard zichzelf geluk met een +jubelenden grijns, die, gelijk aan een accent circonflexe, zich telkens +wanneer hij tevreden over zichzelf was, schrijlings op zijn neus +vertoonde. Doch die trotsche gelukzaligheid was niet van langen duur. + +Het sloeg op den dichtstbijzijnden toren elf uur; iedere slag drong +in de kamer door en loste zich op in spottende klanken, die tot den +ongelukkigen Schaunard schenen te zeggen: "Ben je gereed?" + +De artist sprong op een stoel. + +"De tijd loopt als een hert," zeide hij .... "ik heb nog maar drie +kwartier om mijn vijf-en-zeventig francs en mijn nieuwe woning te +vinden. Ik kom er nooit mee klaar, dat zou tot het domein der tooverij +gaan behooren. Welnu, ik geef me vijf minuten om het te vinden"; +en zijn hoofd tusschen zijn knieën verbergend, daalde hij af in de +afgronden der overpeinzing. + +Toen de vijf minuten om waren, richtte Schaunard zijn hoofd weer op, +zonder iets gevonden te hebben, dat op vijf-en-zeventig francs geleek. + +"Er blijft nog slechts één manier over, om van hier weg te komen, +en die is, om heel gewoontjes weg te gaan; het is mooi weer, mijn +vriend het toeval wandelt misschien wel in het zonnetje. Hij moet +me maar gastvrijheid verleenen, totdat ik het middel gevonden heb, +om mijn zaken met mijnheer Bernard af te wikkelen." + +Nadat Schaunard de zakken van zijn overjas, die diep waren als kelders, +had volgepropt met al de voorwerpen, die zij konden bevatten, knoopte +hij in een das enkele stukken linnengoed en verliet daarop, niet zonder +met enkele woorden zijn domicilie te hebben vaarwel gezegd, zijn kamer. + +Toen hij de binnenplaats overstak, hield de concierge van het huis, +die blijkbaar op hem wachtte, hem plotseling staande. + +"Hé, mijnheer Schaunard!" riep hij hem toe, terwijl hij den artist +belette verder te gaan; "u bent toch niet vergeten, dat het vandaag +de 8ste is." + + + "Huit et huit font seize. + J'pose six et retiens un," + + +neuriede Schaunard; "ik denk nergens anders aan." + +"U bent wel wat laat met uw verhuizing," zeide de portier; "het is +half twaalf, en de nieuwe huurder, die uw kamer gehuurd heeft, kan +ieder oogenblik komen. U moet probeeren wat haast te maken!" + +"Maar dan moet u mij doorlaten," antwoordde Schaunard; "ik wou juist +een verhuiswagen halen." + +"Dat is prachtig; maar vòòr u verhuist, moet er nog een kleine +formaliteit vervuld worden. Ik heb order, dat u geen haar moogt +meenemen, voordat u de drie vervallen termijnen betaald hebt. Daartoe +zult u waarschijnlijk wel in staat zijn." + +"Voor den donder," zeide Schaunard, die een pas voorwaarts deed. + +"Kom dan even bij me in mijn loge, dan zal ik u uw quitantie geven." + +"Ik zal ze, als ik terugkom, wel meenemen." + +"Maar waarom niet dadelijk?" drong de concierge aan. + +"Ik moet geld wisselen .... Ik heb geen kleingeld." + +"Zoo, zoo!" zeide de andere ongerust, "gaat u geld wisselen? Om het u +makkelijk te maken, zal ik zoolang het pakje, dat u onder uw arm hebt, +en dat u zou kunnen hinderen, bewaren." + +"Mijnheer de concierge," zeide Schaunard in het volle besef van zijn +waardigheid; "wantrouwt u mij bij geval ook? Denkt u, dat ik mijn +meubels in een zakdoek meeneem?" + +"Neem me niet kwalijk, mijnheer," antwoordde de concierge, die een +toontje lager begon te zingen, "dat is mijn consigne. Mijnheer Bernard +heeft mij uitdrukkelijk bevolen u geen haar te laten medenemen, +voor u betaald hebt." + +"Maar kijk dan," zeide Schaunard, terwijl hij het pakje open maakte, +"dat zijn geen haren, maar hemden, die ik naar de waschvrouw breng, +die naast den geldwisselaar, twintig pas hiervandaan, woont." + +"Dat is wat anders," merkte de concierge, na den inhoud van het pakje +onderzocht te hebben, op. "Maar zonder indiscreet te willen zijn, +mijnheer Schaunard, zou ik ook uw nieuwe adres mogen weten?" + +"Ik ga in de rue de Rivoli wonen," antwoordde koeltjes de artist, +die, nu hij eenmaal in de straat was, zich zoo gauw mogelijk uit de +voeten maakte. + +"Rue de Rivoli," mompelde de concierge in zichzelf, terwijl hij met +zijn vingers in zijn neus pulkte, "het is wel een beetje vreemd, dat +ze hem in de rue de Rivoli kamers verhuurd hebben en hier heelemaal +geen informaties naar hem zijn komen nemen; het is wel een beetje +vreemd. Enfin, zonder betalen krijgt hij zijn meubels niet mede. Als +de nieuwe huurder nou maar niet net komt als Schaunard bezig is zijn +boeltje weg te halen. Dat zou me op de trap een herrie geven! Lieve +Hemel," zeide hij plotseling, terwijl hij zijn hoofd door het +schuifraampje stak, "daar heb je hem net." + +Gevolgd door een pakjesdrager, die nu niet bepaald onder zijn last +scheen te bezwijken, kwam op dat oogenblik een jonge man met een +witten Louis XIII hoed op, de vestibule binnen. + +"Mijnheer," vroeg hij den concierge, die hem tegemoet ging, "is mijn +appartement vrij?" + +"Nog niet, mijnheer, maar het zal niet lang meer duren. De +tegenwoordige huurder is een verhuiswagen gaan halen. Misschien wil +mijnheer zijn meubels zoo lang op de binnenplaats zetten." + +"Ik ben bang, dat het zal gaan regenen," antwoordde de jonge man, +terwijl hij kalm op een bouquetje viooltjes, dat hij tusschen zijn +tanden hield, kauwde, "en dan zouden mijn meubelen bederven. Vriendje," +voegde hij eraan toe, terwijl hij zich wendde tot den witkiel, +die achter hem was blijven staan en aan zijn draagzeel een aantal +voorwerpen had hangen, waarvan de concierge niet precies begrijpen +kon, wat het waren, "zet dat maar neer in de vestibule en ga dan +op mijn vroegere kamers halen wat er nog aan kostbare meubels en +kunstvoorwerpen over is." + +De witkiel zette langs den muur verschillende houten lijsten neer +van zes à zeven voet hoog, waarvan de bladen gemakkelijk heen en weer +konden gaan. + +"Kijk!" zeide de jonge man tegen den witkiel, terwijl hij een der +deksels opende en hem op een scheur in het linnen wees, "daar heb je +al een ongeluk. Er zit een stervormige barst in mijn Venetiaanschen +spiegel. Wees op je tweeden tocht voorzichtiger en let vooral goed +op mijn bibliotheek." + +"Wat bedoelt hij toch met zijn Venetiaanschen spiegel?" bromde de +concierge, die ongerust om de langs den muur geplaatste houten ramen +dwaalde, in zichzelf; "ik zie geen spiegel; maar dat is zeker een +grap, ik zie niets, dan een kamerschut; enfin we zullen wel eens +kijken wat er met de tweede reis mee komt." + +"Zou uw huurder niet gauw de kamers leeg maken? Het is half een, +en ik zou wel willen beginnen met inruimen," zeide de jonge man. + +"Hij zal nu wel dadelijk hier zijn," antwoordde de concierge; +"trouwens, zoo heel erg is het niet, want uw meubels zijn toch nog +niet hier," voegde hij eraan toe, nadruk leggend op de laatste woorden. + +De jonge man wilde antwoorden, toen juist een dragonder-ordonnance +de binnenplaats opkwam. + +"Woont mijnheer Bernard hier?" vroeg hij, terwijl hij een brief uit +zijn portefeuille haalde. + +"Die woont hier," antwoordde de concierge. + +"Hier is een brief voor hem," zeide de ordonnance, "geef mij het reçu +ervoor;" en hij overhandigde den concierge een reçu, dat deze in zijn +loge ging teekenen. + +"Neem me niet kwalijk, dat ik u even alleen laat," zeide de concierge +tot den jongen man, die ongeduldig op de binnenplaats heen en weer +liep, "maar ik heb hier een brief van den minister voor mijnheer +Bernard, den huisheer, dien moet ik even boven brengen." + +Toen de concierge op zijn kamer kwam, was mijnheer Bernard bezig zich +te scheren. + +"Wat wil je van me, Durand?" + +"Mijnheer," antwoordde deze, zijn pet afnemend, "een ordonnance is +dat voor u komen brengen, het komt van den minister." + +En hij gaf mijnheer Bernard den brief, op welks enveloppe het zegel +van het departement van Oorlog geplakt was. + +"Goede God!" zeide mijnheer Bernard, zòò ontdaan, dat hij zich bijna +in zijn gezicht sneed: "van het ministerie van Oorlog! Dat is zeker +mijn benoeming tot ridder van het Legioen van Eer, waarom ik reeds +zoo lang gevraagd heb; eindelijk laten zij mijn verdiensten recht +wedervaren. Hier, Durand," zeide hij, terwijl hij in zijn vestjeszakje +zocht, "daar heb je vijf francs om op mijn gezondheid te drinken. Ach, +ik heb mijn beurs niet in mijn zak; ik zal ze je dadelijk geven, +wacht maar even." + +De concierge was door dezen aanval van verpletterende edelmoedigheid, +waaraan zijn huisheer hem niet gewend had, zòò ontdaan, dat hij zijn +pet weer opzette. + +Maar mijnheer Bernard, die bij andere gelegenheden dien inbreuk op +de wetten der maatschappelijke hiërarchie niet geduld zou hebben, +scheen het niet op te merken. Hij zette zijn bril op, scheurde de +enveloppe open met de eerbiedige ontroering van een vizier, die een +firman van den sultan ontvangt, en begon den inhoud te lezen. Bij +de eerste regels groefde een vreeselijke grijns karmijnroode plooien +in het vet van zijn wangen, en begonnen zijn kleine oogjes vonken te +schieten, die bijna de lokken van zijn verwarde pruik in brand staken. + +In het kort zijn trekken veranderden plotseling zòò, dat men vermoed +zou hebben, dat er op zijn gezicht een aardbeving had plaats gehad. + +Ziehier den inhoud der missive, geschreven op papier met het hoofd +van het ministerie van Oorlog en met lossen teugel gebracht door +een ordonnance: + + + "Mijnheer en huisheer, + + De beleefdheid, die, mag men de mythologie gelooven, de grootmoeder + der hoofsche manieren is, verplicht mij u te doen weten, dat ik + mij in de wreede noodzakelijkheid bevind niet te kunnen voldoen + aan de gewoonte om zijn huur te betalen, vooral wanneer men + die schuldig is. Tot op dezen ochtend had ik de hoop gekoesterd, + dezen schoonen dag te kunnen vieren door uw drie huurquitanties te + voldoen. Chimère, illusie! Terwijl ik op het kussen der zekerheid + sluimerde, deed het ongeluk, anangke in het Grieksch, mijn hoop + in rook vervliegen. De gelden, waarop ik rekende--God, wat gaat + de handel slecht--zijn niet binnengekomen; van de belangrijke + sommen, die ik moet innen, heb ik nog slechts drie francs + ontvangen, die ik bovendien nog geleend heb; ik durf ze u niet + aanbieden. Betere dagen zullen aanbreken voor ons schoon Frankrijk + en voor mij, mijnheer, twijfel daar niet aan. Zoodra zij aan den + hemel geschitterd hebben, zal ik vleugels nemen, om u daarvan te + onderrichten en uit uw huis terug te halen de kostbare zaken, die + ik daar heb achtergelaten en die ik onder de bescherming stel van + u en van de wet, welke u verbiedt deze vòòr het verstrijken van + een jaar, te verkoopen in het geval, dat gij zulks zoudt willen + beproeven, om in het bezit te komen van de sommen, waarvoor gij + gecrediteerd zijt op de boeken van mijn rechtschapenheid. Ik beveel + u in het bijzonder mijn piano aan en den grooten lijst, waarin zich + zestig haarlokken bevinden, wier verschillende kleuren de geheele + gamma der haarnuances doorloopen en die door het ontleedmes der + Liefde ontnomen zijn aan het voorhoofd der Gratiën. + + "Gij kunt dus, mijnheer en huisheer, over het plafond, waaronder + ik gewoond heb, beschikken. Ik geef u daartoe mijn toestemming, + gewaarmerkt door mijn onderteekening. + + Alexandre Schaunard." + + +Toen mijnheer Bernard dezen brief, welken de artist in het bureau van +een zijner vrienden, die ambtenaar aan het ministerie van Oorlog was, +had geschreven, ten einde gelezen had, frommelde hij hem verontwaardigd +in elkaar; en toen zijn blik op vader Durand viel, die op de beloofde +fooi stond te wachten, vroeg hij hem ruw wat hij daar deed. + +"Ik wacht, mijnheer!" + +"Waarop?" + +"Wel, op het fooitje, dat mijnheer .... van wegens de goede +tijding!" stamelde de concierge. + +"Eruit! Kerel, blijf je met je pet op je kop in de kamer staan?" + +"Maar, mijnheer ...." + +"Vooruit, geen maren, eruit, of neen, wacht even. Wij zullen naar +de kamer van dien smeerlap-artist gaan, die verhuist zonder me te +betalen." + +"Wat?" riep de portier uit, "mijnheer Schaunard?" + +"Ja," antwoordde de huisheer, die hoe langer hoe meer op een razenden +Roland begon te gelijken. "En als hij ook maar het geringste heeft +meegenomen, dan jaag ik je weg, versta je, jaaààg ik je weg." + +"Maar dat bestaat niet!" mompelde de arme concierge, "mijnheer +Schaunard is niet vertrokken; hij is uitgegaan, om klein geld te +halen, om mijnheer te betalen, en om een verhuiswagen voor zijn +meubels te bestellen." + +"Zijn meubels weghalen!" riep mijnheer Bernard uit; "gauw wat; +ik ben er zeker van, dat hij daarmede bezig is; hij heeft je een +loer gedraaid om je uit je loge te lokken en zijn slag te slaan, +stommeling, die je bent!" + +"Lieve Hemel, stommeling, die ik ben!" riep vader Durand uit, bevend +voor de Olympische toorn van zijn heer, die hem op de trap meesleepte. + +Toen zij op de binnenplaats kwamen, werd de concierge aangesproken +door den jongen man met den witten hoed. + +"Hé daar, conciërge!" riep hij, "wanneer word ik nu eindelijk in +het bezit van mijn appartementen gesteld? Is het vandaag de 8ste of +niet? Heb ik hier gehuurd of niet? Heb ik je je Godspenning gegeven +of niet?" + +"Een oogenblik, mijnheer, een oogenblik!" zeide de huisheer, "dan ben +ik tot uw dienst. Durand," voegde hij eraan toe, zich tot den concierge +wendende, "ik zal mijnheer zelf wel te woord staan. Vlieg jij naar +boven, die smeerlap van een Schaunard is natuurlijk teruggekomen, +om zijn boeltje te pakken; sluit hem op, als je hem snapt, en kom +dan naar beneden, om de politie te halen." + +Vader Durand verdween de trap op. + +"Pardon, mijnheer," zeide hij, terwijl hij een buiging maakte, tot +den jongen man, met wien hij alleen gebleven was; "met wien heb ik +de eer te spreken?" + +"Mijnheer, ik ben uw nieuwe huurder; ik heb in dit huis een kamer op +de zesde verdieping gehuurd; en het begint me te vervelen, dat die +kamer nu nog niet leeg is." + +"Het spijt mij ook zeer, mijnheer," antwoordde mijnheer Bernard, +"maar er is een moeilijkheid ontstaan tusschen mij en den huurder, +voor wien u in de plaats komt." + +"Mijnheer, mijnheer!" gilde uit een raam van de hoogste verdieping +vader Durand; "mijnheer Schaunard is er niet....maar de kamer +is er.... Stommeling, die ik ben, ik bedoel, dat hij niets heeft +medegenomen, geen haar, mijnheer." + +"Dan is het goed. Kom naar beneden," antwoordde mijnheer Bernard. "Een +oogenblikje geduld, als het u blieft," ging hij voort, zich tot den +jongen man richtend. "Mijn concierge zal de voorwerpen, die de kamer +van mijn insolvabelen huurder versieren, naar den kelder brengen, +en binnen een half uur zult u de appartementen kunnen betrekken; +trouwens uw meubels zijn er ook nog niet." + +"Pardon, mijnheer," antwoordde de jonge man kalm. + +Mijnheer Bernard keek om zich heen, doch zag slechts de groote +kamerschutten, waarover de concierge ook al zijn hoofd geschud had. + +"Wat, pardon .... wat ...." mompelde hij, "maar ik zie niets." + +"Daar," antwoordde de jonge man, terwijl hij de bladen der lijsten +losmaakte en den verbaasden eigenaar een prachtig paleis-intérieur met +colonnes van jaspis, bas-reliefs en schilderijen van groote meesters +liet zien. + +"Maar uw meubels?" vroeg mijnheer Bernard. + +"Daar zijn ze," antwoordde de jonge man, terwijl hij op het luxueuze +meubilair wees, dat geschilderd was in het paleis, hetwelk hij +pas gekocht had in het hôtel Bullion [1] op een verkooping van een +salon-tooneel. + +"Mijnheer," antwoordde de huisheer, "ik wil liever aannemen, dat u +ernstiger meubelen hebt dan deze ...." + +"Wat, dit zijn echte Boule-meubelen." [2] + +"U begrijpt, dat ik garantie voor mijn huur moet hebben." + +"Voor den duivel, maar is een paleis dan geen voldoende garantie voor +de huur van een dakkamertje?" + +"Neen, mijnheer, ik wil meubels, echte meubels van mahoniehout!" + +"Helaas, mijnheer, goud noch mahoniehout maken ons gelukkig, heeft een +oud wijsgeer gezegd. En bovendien ik kan dat soort hout niet uitstaan; +het is zoo ordinair; iedereen heeft het." + +"Dat is allemaal tot uw dienst, mijnheer, maar u heeft dan toch zeker +wel andere meubels?" + +"Neen, dat neemt te veel plaats in in de kamer; wanneer je stoelen +hebt, weet je niet meer waar je moet gaan zitten." + +"Maar u hebt toch zeker een bed! Waar slaapt u op?" + +"Ik rust op de Voorzienigheid, mijnheer!" + +"Pardon, nog een vraag," zeide mijnheer Bernard, "wat is uw beroep?" + +Juist op dat oogenblik kwam de witkiel van den jongen man, van zijn +tweeden tocht terug, de binnenplaats op. Onder de voorwerpen, die +hij aan zijn draagzeel droeg, zag Durand een schildersezel. + +"O, mijnheer!" riep hij verschrikt uit, terwijl hij den huisheer op +den ezel wees. "Het is een schilder!" + +"Een artist, als ik het niet dacht!" gilde op zijn beurt mijnheer +Bernard, en de haren van zijn pruik rezen van schrik ten berge; +"een schilder!!! Maar heb je dan geen informaties genomen naar +mijnheer?" bulderde hij den concierge toe. "Wist je dan niet, wat +hij deed?" + +"Lieve Hemel," antwoordde de arme kerel, "hij had mij vijf francs +als goospenning gegeven; dus kon ik niet vermoeden...." + +"Wanneer u eindelijk klaar bent," vroeg op zijn beurt de jonge man. + +"Mijnheer," viel mijnheer Bernard hem in de rede, terwijl hij zijn +bril recht op zijn neus zette; "als u geen meubels hebt, kunt gij uw +kamer niet betrekken. De wet staat toe een huurder, die geen garantie +meebrengt, te weigeren." + +"En mijn woord dan?" vroeg de artist in zijn volle waardigheid. + +"Dat is niet zooveel waard als meubels ... u kunt ergens anders een +kamer zoeken. Durand zal u uw Godspenning teruggeven." + +"Wat?" zeide de concierge verschrikt, "die heb ik al naar de spaarbank +gebracht." + +"Maar mijnheer," viel de jonge man hem in de rede, "ik kan maar niet +zoo direkt een andere kamer vinden. Geef me tenminste gastvrijheid +voor één dag." + +"Ga in een hotel logeeren," antwoordde mijnheer Bernard. "Maar tusschen +twee haakjes," voegde hij er vlug aan toe, terwijl hem plotseling iets +in de gedachte viel; "als u dat wilt, dan zou ik u de kamer gemeubeld +met de meubels van mijn insolventen huurder kunnen geven. Maar zooals +u weet, moet in zoo'n geval de huur vooruit betaald worden." + +"Het is maar de vraag, hoeveel u voor dat krot moet hebben," zeide +de artist. + +"Maar het is heusch een zeer geschikte kamer; in verband met de +omstandigheden is de huur vijf-en-twintig francs per maand. Maar +vooruit betalen." + +"Dat hebt u al gezegd; en die zin verdient de eer van een bis niet," +antwoordde de jonge man, terwijl hij in zijn zakken zocht. "Hebt u +terug van vijfhonderd francs?" + +"Wat?" vroeg de huisheer stom-verbaasd. "U zegt?" + +"Nou, de helft van duizend dan. Hebt jullie soms zoo iets nooit +gezien?" voegde de artist eraan toe, terwijl hij het papier heen +en weer bewoog voor de oogen van den huisheer en van den concierge, +die op het gezicht daarvan hun evenwicht schenen te verliezen. + +"Ik zal het voor u laten wisselen," antwoordde mijnheer Bernard vol +eerbied; "er behoeft maar twintig francs af, want Durand zal u de +Godspenning teruggeven." + +"Die mag hij houden," zeide de artist, "op voorwaarde, dat hij mij +iederen ochtend komt zeggen welke dag en datum het is, den stand van +de maan, welk weer het is en onder welken regeeringsvorm wij leven." + +"Zeker, zeker mijnheer!" riep vader Durand uit, terwijl hij een +buiging van negentig graden maakte. + +"Al goed, kerel, je moet voor mij als almanak spelen. Intusschen moet +je mijn witkiel even helpen de boel boven te brengen." + +"Mijnheer," zeide de huisheer, "ik zal u de quitantie boven laten +brengen." + +Dien avond nog was de nieuwe huurder van mijnheer Bernard, de schilder +Marcel, geïnstalleerd in de tot een paleis gemetamorphoseerde kamers +van den voortvluchtigen Schaunard. + +Intusschen was gezegde Schaunard bezig te trachten overal in Parijs +geld los te krijgen. + +Schaunard had het leenen tot de hoogte van een kunst verheven. Het +geval voorziende, waarin hij de vreemdelingen zou moeten aanspreken, +had hij de manier, om vijf francs te leenen, in alle talen der +wereld geleerd. Hij had het repertoire der listen, die het edele +metaal gebruikt om aan hen, die het najagen, te ontsnappen, tot in +den grond bestudeerd; en beter dan een loods de uren der getijden, +kende hij de tijdstippen, waarop het bij anderen hoog of laag water +was, d. w. z. de dagen, waarop zijn vrienden en kennissen gewoonlijk +geld kregen. Er waren dan ook verschillende huizen, waarin men, als +hij 's ochtends op bezoek kwam, niet tegen elkaar zeide: "Daar heb je +mijnheer Schaunard"; maar "Daar heb je den eersten of vijftienden der +maand." Om dit soort belasting, die hij, wanneer de noodzakelijkheid +hem ertoe dwong, van de menschen, die de middelen hadden om hem die te +betalen, ging heffen, wat makkelijker en minder ingewikkeld te maken, +had Schaunard arrondissementsgewijze een alphabetisch tableau gemaakt, +waarop de namen van al zijn vrienden en kennissen stonden. Naast +iederen naam waren genoteerd het maximum der som, die hij in verband +met hun fortuin kon leenen, de tijdstippen, waarop het bij hen hoog +water was, benevens het uur der maaltijden met het gewone menu van het +huis. Behalve dat tableau hield hij er nog een boekhoudinkje op na, +waarin hij keurig boek hield van de sommen, die hem geleend waren, +tot de kleinste bedragen toe, want hij wilde zich niet verder bezwaren +dan tot een zeker cijfer, dat een Normandische oom, van wien hij +moest erven, nog in de pen had. Zoodra hij aan een persoon twintig +francs schuldig was, leende hij niet langer en betaalde de som in +eens terug, ook al moest hij voor die aflossing van hen, aan wie +hij minder schuldig was, meer leenen. Op die manier had hij altijd +een zeker crediet, dat hij zijn vlottende schuld noemde; en daar men +wist, dat hij de gewoonte had het geleende terug te geven, zoodra zijn +middelen het hem veroorloofden, hielp men hem, als men dat kon, gaarne. + +Nu had hij, sedert hij 's ochtends elf uur uitgegaan was om te trachten +de vijf-en-zeventig francs, die hij noodig had, bijeen te krijgen, +nog niet meer bij elkaar dan een daalder, dien hij te danken had aan +de medewerking der letters M., V. en R. van zijn beroemde lijst: +van de rest van het alphabet, dat evenals hij een termijn huur te +betalen had, kreeg hij nul op het request. + +Om zes uur luidde een hevige honger in zijn maag de etensbel; +hij was toen juist bij de barrière du Maine, waar de letter +U. woonde. Schaunard liep binnen bij de letter U., waar hij zijn +servetring had, als er servetten waren. + +"Naar wien wilt u toe?" vroeg de concierge hem in het voorbijgaan. + +"Naar mijnheer U ...." antwoordde de artist. + +"Die is niet thuis." + +"En Mevrouw?" + +"Ook niet: zij hebben me gevraagd aan een van hun vrienden, die van +avond bij hen zou komen, te zeggen, dat zij in de stad zijn gaan +eten: mocht u de bewuste persoon zijn, dan hebt u hier het adres," +en hij overhandigde Schaunard een stukje papier, waarop zijn vriend +U .... geschreven had: + +"Wij zijn bij Schaunard, rue .... No...., gaan eten; kom ons daar +halen." + +"Prachtig!" zeide hij, weggaande; "wanneer het toeval zich er mede +bemoeit, krijg je dikwijls aardige vaudevilles." + +Schaunard herinnerde zich toen, dat er vlak bij een klein herbergje +was, waar hij een paar maal voor weinig geld goed gegeten had, +en richtte zijn schreden naar dat etablissement, in de chaussée +du Maine gelegen en in de Bohème-wereld bekend onder den naam van +la Mère Cadet. Het was een etenshuis, waarvan de gewone clientèle +bestond uit de vrachtrijders naar Orleans, zangeressen uit den +Montparnasse en jonge rollen van het Bobino-theater. [3] Tijdens het +mooie seizoen komen schilders uit de vele ateliers in de nabijheid van +den Luxembourg, schrijvers van onuitgegeven boeken en journalisten van +obscure blaadjes gezamenlijk dineeren bij la Mère Cadet, die bekend +is voor haar konijnenragouts, haar echte zuurkool en een wit wijntje, +dat naar vuursteen smaakt. + +Schaunard ging onder de bosquets (boschjes) zitten: zoo noemde men +bij la Mère Cadet het dunne loof van een paar kromgegroeide boomen, +waarvan het ziekelijke groen onder tegen de zoldering was aangebracht. + +"Lieve Hemel, het kan me niet schelen ook," zeide Schaunard tot +zichzelf, "ik zal me eens lekker te goed doen en een feestmaal +bestellen." + +En zonder er gras over te laten groeien, bestelde hij een soep, +een halve portie zuurkool en twee halve konijnenragouts: hij had +n.l. opgemerkt, dat je, wanneer je halve porties bestelde, minstens +een kwart op het geheel won. + +Deze bestelling trok de aandacht van een jonge, in het wit gekleede +vrouw met oranjebloesem in het haar en balschoenen aan; een imitatie +van een imitatie-kanten sluier golfde over haar schouders, die beter +hun incognito hadden kunnen bewaren. Het was een zangeres van het +théâtre Montparnasse, waarvan de coulissen om zoo te zeggen uitkwamen +in la Mère Cadet. Gedurende een entre-acte van de Lucia di Lammermoor +was zij even komen eten; zij besproeide nu met een kleintje koffie een +maaltijd, die uitsluitend uit een artisjok in olie en azijn bestond. + +"Twee konijnenragouts, drommels!" zeide zij zacht tot het meisje, +dat als kellner dienst deed; "dat is ook een jonge man, die van goed +eten houdt. Hoeveel krijg je van me, Adèle?" + +"Vier sous voor de artisjok, vier voor een kleintje koffie en één +voor brood. Dat is negen sous." + +"Hier," zeide de zangeres, en zij ging weg onder het neuriën van: + + + Cet amour que Dieu me donne! + + +"Zij haalt de hooge A," zeide toen een mysterieus persoon, die, +achter een wal van oude boeken verborgen, aan dezelfde tafel als +Schaunard zat. + +"Haalt zij hem?" zeide Schaunard; "ik zou eerder zeggen, dat ze hem +thuis gelaten heeft. Het is dan ook belachelijk," voegde hij eraan +toe, terwijl hij met zijn vinger op den schotel wees, waaruit Lucia +di Lammermoor haar artisjok genuttigd had, "om je fausset in azijn +in te leggen." + +"Het is inderdaad een scherp zuur," begon weer de persoon, die reeds +gesproken had. "De stad Orleans produceert een soort, die terecht +een goede reputatie heeft." + +Schaunard nam den onbekende, die blijkbaar een gesprek wilde uitlokken, +aandachtig op. De starre blik uit zijn groote blauwe oogen, die +steeds iets schenen te zoeken, gaf aan zijn gelaatsuitdrukking het +karakter van vrome zielerust, die men zoo dikwijls bij seminaristen +ziet. Zijn gelaat had de kleur van oud, vergeeld ivoor, behalve +zijn wangen, die met een roodkleurige laag ingesmeerd schenen te +zijn. Zijn mond leek geteekend te zijn door een eerste-klas leerling, +dien men tijdens zijn werk tegen zijn elleboog gestooten had. De +negerachtig opgetrokken lippen lieten tanden zien, die een jachthond +geen oneer zouden hebben aangedaan, en de twee plooien van zijn kin +rustten op een witte das, waarvan de eene punt de sterren bedreigde, +terwijl de andere zich in den grond scheen te willen boren. Uit +een kalen vilten hoed met wonderlijk breede randen, stroomden zijn +haren in blonde watervallen. Hij had een notenkleurige pèlerine-jas, +die tot op de draad afgesleten en zoo ruw als een rasp was. Uit de +wijdopenstaande zakken van die jas kwamen bundels papier en brochures +te voorschijn. Zonder zich te bekommeren om de opmerkzaamheid, waarmede +hij opgenomen werd, nuttigde hij een portie zuurkool met worst, waarbij +hij telkens een tevreden geknor liet hooren. Onder het eten door las +hij een boek, dat open voor hem lag, en waarop hij nu en dan met een +potlood, dat hij achter zijn oor had zitten, aanteekeningen maakte. + +"Nou?" riep plotseling Schaunard uit en sloeg daarbij met zijn mes +tegen zijn glas; "waar blijft mijn konijnenragout?" + +"Mijnheer," antwoordde het meisje, dat met een schotel in haar hand +naar hem toe kwam, "die zijn er niet meer, dit is de laatste, en die +is al door mijnheer besteld," voegde zij eraan toe, terwijl zij den +schotel voor den man met de boeken neerzette. + +"Verduiveld!" riep Schaunard uit. + +Er klonk zooveel melancholieke teleurstelling door in dat +"Verduiveld!", dat de man met de boeken er door getroffen werd. Hij +schoof den wal van boeken, die zich tusschen hem en Schaunard verhief, +op zij en zeide, terwijl hij den schotel tusschen hen in zette, +op den zachtsten toon, dien hij in zijn stem leggen kon: + +"Zou ik het genoegen mogen hebben dit gerecht met u te deelen?" + +"Mijnheer," antwoordde Schaunard, "ik zou er u niet gaarne van +berooven." + +"U zult mij dus van het genoegen willen berooven, u een dienst te +bewijzen." + +"Als u het zoo opvat, mijnheer...." En Schaunard schoof zijn bord bij. + +"Veroorloof mij u den kop niet aan te bieden," zeide de vreemdeling. + +"Daar kan ik niet in komen, mijnheer," riep Schaunard uit. + +Maar toen hij zijn bord weer naar zich toe trok, zag hij, dat de +vreemdeling hem juist dat gedeelte gegeven had, dat hij zeide voor +zichzelf te willen houden. + +"Wat?" bromde Schaunard in zichzelf, "wil hij me met zijn beleefdheid +er tusschen nemen?" + +"Al moge," zeide de vreemdeling, "het hoofd het edelste deel van den +mensch zijn, van het konijn is het juist het tegenovergestelde. Vandaar +dan ook, dat er vele menschen zijn, die het niet kunnen uitstaan. Bij +mij is het juist andersom. Ik aanbid het, om zoo te zeggen." + +"Dan spijt het mij dubbel," zeide Schaunard, "dat gij u voor mij +daarvan beroofd hebt." + +"Wat? ... pardon," zeide de boekenman, "ik heb den kop voor mijzelf +gehouden. Ik heb zelfs de eer gehad u te doen opmerken, dat...." + +"Neem me niet kwalijk!" viel Schaunard hem in de rede, terwijl hij +hem zijn bord onder de neus hield; "maar wat is dat dan voor een stuk?" + +"Lieve Hemel! Wat zie ik, o goden? Nog een kop! Het is een bicephaal +[4] konijn!" riep de vreemdeling uit. + +"Bice...." stotterde Schaunard. + +".....phaal. Dat komt van het Grieksch. Inderdaad noemt mijnheer +de Buffon, die altijd manchetten droeg, voorbeelden van die +eigenaardigheid. Maar werkelijk, ik vind het inderdaad zeer aangenaam, +zoo'n natuurwonder gegeten te hebben." + +Tengevolge van dat incident was het gesprek voor goed aan den +gang. Schaunard, die in beleefdheid niet achter wilde blijven, bestelde +een nieuwe flesch. De boekenman liet een tweede aanrukken. Schaunard +offreerde salade, de man met de boeken toespijzen. Om acht uur stonden +er zes ledige flesschen op tafel. Al pratende had de openhartigheid, +die door de plengoffers van den rooden wijn besproeid was, hen ertoe +gebracht elkaar hun levensloop te vertellen; zij kenden elkander reeds, +alsof zij samen opgegroeid waren. Na de vertrouwelijke mededeelingen +van Schaunard aangehoord te hebben, had de boekenman hem verteld, +dat hij Gustave Colline heette; hij was wijsgeer van beroep en leefde +van de lessen, die hij gaf in mathematica, scholastica, botanica en +andere wetenschappen op ica. + +Het weinige geld, dat hij met lesgeven verdiende, besteedde Colline +voor het aankoopen van oude boeken. Zijn notenkleurige pèlerine was een +goede bekende aan alle boekenstalletjes van den pont de la Concorde tot +den pont Saint-Michel. Wat hij met al die boeken, waarvan het aantal +zòò groot was, dat men ze in een menschenleeftijd niet had kunnen +uitlezen, deed, wist niemand en hij zelf nog het allerminst. Maar die +manie was bij hem een hartstocht geworden; en wanneer hij 's avonds +zonder een nieuw oud boek thuis kwam, paste hij het woord van Titus +op zichzelf toe en zeide: "Ik heb een dag verloren laten gaan!" Zijn +innemende manieren en zijn wijze van uitdrukken, die een bloemlezing +van alle stijlen vormde, en de vreeselijke woordspelingen, waarmede +hij zijn gesprek kruidde, hadden haar uitwerking op Schaunard niet +gemist, die op staanden voet Colline permissie vroeg zijn naam te mogen +inlasschen op de beroemde lijst, waarover wij reeds gesproken hebben. + +Tamelijk aangeschoten en met den gang van menschen, die pas een +vertrouwlijk gesprek met wijnflesschen gevoerd hebben, verlieten zij +tegen negen uur la mère Cadet. + +Colline noodigde Schaunard uit met hem een kop koffie te gaan drinken, +wat deze aannam op voorwaarde dat de pousse-café voor zijn rekening +was. Zij gingen een café binnen in de rue Saint-Germain-l'Auxerrois, +dat op zijn uithangbord Momus, den god der Spelen en van het Lachen, +had. + +Toen zij binnenkwamen, was er juist een hevige discussie begonnen +tusschen twee stamgasten. Een van hen was een jonge man, wiens +gelaat zoo goed als geheel verloren ging in een zware, veelkleurige +baard. Als een tegenstelling tot dien overvloed van kinhaar was zijn +voorhoofd zoo kaal als een biljartbal; een klein groepje haren, die +zoo weinig talrijk waren, dat men ze zeer makkelijk zou kunnen tellen, +trachtte vergeefs die kaalheid te verbergen. Hij droeg een zwarte, +aan de ellebogen glad geschaafde jas, die, wanneer hij zijn armen te +hoog oplichtte, een paar onder de schouders aangebrachte luchtgaatjes +liet zien. Zijn broek kon desnoods nog voor zwart doorgaan, maar zijn +schoenen, die nooit nieuw geweest waren, schenen reeds meermalen aan de +voeten van den Wandelenden Jood de reis om de wereld gemaakt te hebben. + +Schaunard had opgemerkt, dat zijn vriend Colline en de jonge man met +de groote baard elkaar gegroet hadden. + +"Ken je dien mijnheer?" vroeg hij aan den wijsgeer. + +"Kennen bepaald niet," antwoordde deze, "maar ik zie hem wel eens in +de Bibliotheek. Ik geloof, dat het een schrijver is." + +"Zijn kleeding wijst er tenminste wel op," antwoordde Schaunard. + +De persoon, met wien de jonge man het aan den stok had, was iemand +van een jaar of veertig, die, zooals uit zijn groot hoofd, dat zonder +overgang van den hals tusschen zijn beide schouders zat, op te maken +was, ongetwijfeld aan een beroerte sterven zou. De onnoozelheid was +in groote letters op zijn laag, met een klein zwart kalotje bedekt +voorhoofd te lezen. Hij heette mijnheer Mouton en was ambtenaar op de +mairie van het vierde arrondissement, waar hij de overlijdensregisters +bijhield. + +"Mijnheer Rodolphe!" riep hij met een eunuch-orgaan uit, terwijl +hij den jongen man, dien hij aan een knoop van zijn jas vasthield, +heen en weer schudde, "wil ik u mijn meening eens zeggen? Nou, al die +couranten dienen tot niets. Kijk eens, laten we eens veronderstellen: +ik ben een huisvader, niet waar? .... goed ... Ik kom hier in het +café een partij domino spelen. Volg nu goed mijn redeneering." + +"Verder, verder!" zeide Rodolphe. + +"Welnu," ging vader Mouton voort, terwijl hij iederen zin scandeerde +met een vuistslag, die de flesschen en glazen op het tafeltje deed +rinkelen; "welnu, ik kijk de couranten eens in, goed .... Wat zie +ik? De een zegt wit, de ander zegt zwart, enzoovoort, enzoovoort. Wat +heb ik daaraan? Ik ben een goed huisvader, die hier komt om ...." + +"Zijn partijtje domino te spelen," zeide Rodolphe. + +"Iederen avond," ging mijnheer Mouton voort. "Nou, laten we eens +veronderstellen: Je begrijpt ...." + +"Heel goed!" zeide Rodolphe. + +"Ik lees een artikel, waar ik het niet mee eens ben. Dat maakt +me woedend, en ik verbijt me, ziet u, mijnheer Rodolphe, al die +couranten is leugenpak. Ja, leugenpak!" krijschte hij in de hoogste +tonen van zijn faussetstem, "en de journalisten zijn bandieten en +prutsschrijvers." + +"Maar toch, mijnheer Mouton ...." + +"Ja, bandieten," ging deze voort. "Zij zijn de oorzaak van alle +ongelukken in de wereld; zij hebben de revolutie en de assignaten +gemaakt; bewijs: Murat." + +"Pardon," viel Rodolphe hem in de rede; "u bedoelt Marat." + +"Waarachtig niet, waarachtig niet," ging Mouton voort; "Murat; ik +heb hem zien begraven, toen ik nog een kleine jongen was ...." + +"Maar ik verzeker u ...." + +"Ze hebben nog een stuk over hem in het Cirque gegeven ...." + +"Ja juist, precies," zeide Rodolphe: "dat is Murat." + +"Maar dat zeg ik al een uur lang," riep de stijfkoppige Mouton +uit. "Murat, die in een kelder werkte, wat? Welnu, laten we eens +veronderstellen. Hebben de Bourbons geen gelijk gehad om hem te +guillotineeren, omdat hij hen verraden had?" + +"Wien? Geguillotineerd! Verraden! Wat?" riep Rodolphe uit, die nu op +zijn beurt mijnheer Mouton bij den knoop van zijn jas pakte. + +"Wel Marat!" + +"O God, neen, neen, mijnheer Mouton, Murat. Laten we elkaar voor den +donder eindelijk begrijpen!" + +"Ja zeker. Murat, een hondsvot. Hij heeft den keizer in 1815 +verraden. Daarom beweerde ik, dat alle couranten één pot nat zijn," +ging mijnheer Mouton voort, daarbij op het voornaamste punt van zijn +rede, die hij een verklaring placht te noemen, terugkomend. "Weet u wat +ik zou willen, mijnheer Rodolphe? Welnu, laten we eens veronderstellen +.... Ik zou een goede courant willen ... O, niet groot ... goed, +en een die geen phrases maakt ... Zoo!" + +"U bent veeleischend," viel Rodolphe hem in de rede. "Een courant +zonder phrasen!" + +"Ja, zeker. Let nu goed op!" + +"Dat probeer ik!" + +"Een courant, die alleen berichten geeft over den gezondheidstoestand +van den koning en de goederen der aarde. Want wat heb je ten slotte +aan al die couranten, wanneer je er niets van begrijpt? Laten we +eens veronderstellen: Ik ben op het stadhuis, niet waar? Ik houd +mijn registers bij, prachtig! Welnu, het is net als wanneer ze tegen +me zouden zeggen: "Mijnheer Mouton, u schrijft de sterfgevallen in, +welnu, doe nu dit eens, doe nu dat eens. Welnu, wat moet dat, wat +moet dat? Welnu, met de couranten is het precies zoo," eindigde hij +zijn redeneering. + +"Zeer juist!" merkte iemand, die naast hem zat en de uiteenzetting +begrepen had, op. + +En mijnheer Mouton ging, nadat hij de gelukwenschen van eenige +stamgasten, die het met hem eens waren, in ontvangst genomen had, +verder met zijn partijtje domino. + +"Ik heb hem eens flink op zijn plaats gezet," zeide hij, terwijl hij +op Rodolphe wees, die aan het tafeltje van Schaunard en Colline was +gaan zitten. + +"Wat een stommeling!" zeide deze tot de twee jonge lui, terwijl hij +naar den ambtenaar wees. + +"Hij heeft dan ook een prachtigen kop met zijn wenkbrauwen als +rijtuigkappen en zijn kalfsoogen," merkte Schaunard op, terwijl hij +een prachtig doorgerookten neuswarmer uit zijn zak haalde. + +"Bliksems, mijnheer," zeide Rodolphe, "wat een mooie pijp hebt u daar!" + +"O, ik heb nog een heel wat mooiere, als ik uit ga," zeide Schaunard +onverschillig. "Geef me even wat tabak, Colline." + +"Lieve Hemel," riep de wijsgeer uit, "mijn tabak is op." + +"Sta mij toe u wat aan te bieden," zeide Rodolphe, terwijl hij een +pakje tabak uit zijn zak haalde en op tafel zette. + +Colline meende die beleefdheid met het offreeren van een rondje te +moeten beantwoorden. + +Rodolphe meende niet te kunnen weigeren. Het gesprek kwam op de +litteratuur. Rodolphe, naar zijn door zijn kleeding reeds verraden +beroep gevraagd, erkende zijn betrekkingen tot de Muzen en bestelde +een tweede rondje. Toen de kellner de flesch wilde medenemen, +vroeg Schaunard hem die maar te laten staan. Hij had in een van +Colline's zakken het zilveren duo van twee vijffrancstukken hooren +weerklinken. Rodolphe had weldra het niveau van openhartigheid bereikt, +waarop de beide vrienden zich reeds bevonden, en deed hun op zijn +beurt vertrouwelijke mededeelingen. + +Zij zouden zeker den nacht in het café hebben doorgebracht, indien +men hun niet was komen vragen heen te gaan. Zij waren nog geen tien +pas verder, waarover zij tusschen twee haakjes een kwartier gedaan +hadden, toen zij door een stortbui overvallen werden. Colline en +Rodolphe woonden aan de twee tegenovergestelde uiteinden van Parijs, +de eene in Ile-Saint-Louis, de andere in Montmartre. + +Schaunard, die totaal vergeten was, dat hij geen onderdak meer had, +stelde hun voor naar zijn kamer te gaan. + +"Ga met mij mede," zeide hij, "ik woon hier vlak bij; wij zullen den +nacht doorbrengen met praten over litteratuur en schoone kunsten." + +"En dan maak jij muziek en moet Rodolphe ons zijn gedichten +voordragen," zeide Colline. + +"Waarachtig, zeker," voegde Schaunard eraan toe, "we moeten lachen +en vroolijk zijn, we leven maar eens." + +Voor zijn huis gekomen, dat Schaunard slechts met moeite herkende, +ging hij op een paaltje zitten wachten op Rodolphe en Colline, die bij +een nog open zijnden wijnhandelaar de eerste elementen van een souper +waren gaan halen. Toen zij terug waren, klopte Schaunard meermalen +hard op de deur, want hij herinnerde zich vaag, dat de concierge de +gewoonte had hem te laten wachten. Eindelijk ging de deur open en vader +Durand, die in de heerlijkheden van den eersten slaap verzonken was +en zich niet herinnerde, dat Schaunard zijn huurder niet meer was, +maakte volstrekt geen tegenwerpingen, toen deze zijn naam door het +schuifraampje geroepen had. + +Toen zij alle drie boven op de trap waren (een even lange als moeilijke +klimpartij), uitte Schaunard, die voorop liep, een kreet van verbazing, +toen hij den sleutel in het slot van zijn kamerdeur zag steken. + +"Wat is er?" vroeg Rodolphe. + +"Ik begrijp er niets van," mompelde hij, "ik vind in het slot den +sleutel, dien ik vanmorgen medegenomen heb. Enfin, we zullen zien. Ik +had hem in mijn zak gestoken. Wel, alle duivels, daar heb je hem nog," +riep hij uit, terwijl hij den sleutel liet zien. + +"Dat is tooverij!" + +"Phantasmagorie," zeide Colline. + +"Phantasie," voegde Rodolphe eraan toe. + +"Maar," ging Schaunard voort, en in zijn stem beefde angst, "hooren +jullie dat?" + +"Wat?" + +"Wat?" + +"Mijn piano, die uit zichzelf speelt, ut, la mi ré do, la si sol, +ré. Vervloekte ré, die zal altijd valsch blijven!" + +"Maar dan is dat zeker jouw kamer niet," zeide Rodolphe, die Colline, +op wien hij zwaar leunde, in het oor fluisterde: + +"Hij is dronken!" + +"Dat geloof ik ook. In de eerste plaats is dat geen piano, maar +een fluit." + +"Maar jij bent ook dronken, mijn waarde," antwoordde de dichter den +wijsgeer, die op den steenen vloer was gaan zitten. "Het is een viool." + +"Een vio ... Ha, ha! Luister eens, Schaunard," stamelde Colline, +terwijl hij zijn vriend aan zijn beenen trok, "die is goed! Mijnheer +daar beweert, dat het een vio ...." + +"Alle duivels!" riep Schaunard, thans zeer angstig, uit; "mijn piano +speelt nog altijd, dat is tooverij!" + +"Phantasma .... gorie," huilde Colline, terwijl hij een der flesschen, +die hij in zijn hand had, liet vallen. + +"Phantasie," krijschte op zijn beurt Rodolphe. + +Midden onder dat lawaai ging plotseling de deur open en zagen zij +op den drempel iemand verschijnen met een drie-armigen kandelaar, +waarin rose kaarsen brandden. + +"Wat is er van uw dienst, heeren?" vroeg hij, terwijl hij beleefd de +drie vrienden groette. + +"Lieve Hemel, wat heb ik gedaan? Ik heb mij vergist, dit is mijn +kamer niet," zeide Schaunard. + +"Mijnheer," voegden Colline en Rodolphe gezamenlijk eraan toe: +"wees zoo goed onzen vriend te excuseeren; hij is zoo dronken als +een ladder." + +Plotseling schoot een lichtstraal door het benevelde brein van +Schaunard; hij had op zijn deur deze met krijt geschreven woorden +gelezen: + + + "Ik ben driemaal hier geweest, om mijn Nieuwjaarsgeschenken + te halen. + + Phémie." + + +"Waarachtig, maar ik ben wel degelijk thuis!" riep hij uit; "daar heb +je het visitekaartje, dat Phémie met Nieuwjaar heeft achtergelaten: +het is dus wel mijn deur." + +"Lieve God, mijnheer," zeide Rodolphe; "ik ben er werkelijk confuus +van." + +"Wees overtuigd, mijnheer," voegde Colline eraan toe, "dat ik een +werkzaam aandeel neem in de confuusheid van mijn vriend." + +De jonge man brak in een schaterlach uit. + +"Als u even binnen wilt komen," antwoordde hij, "dan zal uw vriend, +zoodra hij de kamer gezien heeft, zijn dwaling wel erkennen." + +"Gaarne." + +De dichter en de wijsgeer namen ieder Schaunard bij een arm en brachten +hem in de kamer, of liever in het paleis van Marcel, dien de lezer +zeker reeds herkend heeft. + +Schaunard keek eenigszins verward om zich heen en mompelde: + +"Het is verwonderlijk, hoe veel mooier mijn kamer geworden is." + +"Nou, ben je nu overtuigd?" vroeg Colline hem. + +Maar Schaunard had zijn piano in het oog gekregen, ging er naar toe +en begon gamma's te spelen. + +"He, luisteren jullie eens," zeide hij, terwijl hij verschillende +accoorden aansloeg; "Bravo, het dier heeft zijn baas herkend: si la +sol, fa mi ré! O, bliksemsche ré! Jij verandert ook nooit. Ik zie wel, +dat het mijn instrument is." + +"Hij houdt vol," zeide Colline tot Rodolphe. + +"Hij houdt vol," herhaalde Rodolphe tegen Marcel. + +"En dat dan," ging Schaunard voort, terwijl hij op den met sterren +en loovertjes bezaaiden rok, die over een stoel geworpen was, wees, +"dat is ook zeker mijn ambtsgewaad niet?" + +En hij keek Marcel uitdagend aan. + +"En dat dan," vervolgde Schaunard en trok het deurwaardersexploot, +waarvan hierboven sprake was, van den muur. + +En hij begon te lezen: + +"Dientengevolge zal mijnheer Schaunard gehouden zijn genoemde woning +te ontruimen en haar in goeden en bewoonbaren staat terug te geven +den achtsten April vòòr twaalf uur des namiddags. Ten bewijze daarvan +heb ik hem deze acte ter hand gesteld, waarvan de kosten vijf francs +bedragen. Nou, ben ik nou mijnheer Schaunard niet, wien de kamer bij +deurwaardersexploot opgezegd wordt en wien men gezegelde stukken, +waarvan de kosten vijf francs bedragen, vereert? En dan dat nog," +ging hij voort, toen hij zijn pantoffels aan de voeten van Marcel +zag; "zijn dat niet mijn muiltjes, geschenk van een mij dierbare +hand? Mijnheer," zoo wendde hij zich nu tot Marcel, "thans is het +aan u, om uw aanwezigheid in mijn laren en penaten te verklaren." + +"Mijne heeren," antwoordde Marcel en hij richtte zich hierbij in +het bijzonder tot Colline en Rodolphe, "mijnheer," en hij wees op +Schaunard, "mijnheer is op zijn kamer, ik beken het eerlijk." + +"Zoo," riep Schaunard uit, "dat is maar gelukkig ook." + +"Maar," vervolgde Marcel, "ook ik ben op mijn kamer." + +"Maar mijnheer," viel Rodolphe hem in de rede, "als onze vriend +toch ...." + +"Ja," vervolgde Colline, "als onze vriend ...." + +"En als u u van uw kant herinnert, dat ....", voegde Rodolphe eraan +toe, "hoe komt het dan ...." + +"Ja," echode Colline, "hoe komt het dan ...." + +"Neem plaats heeren," antwoordde Marcel, "dan zal ik u het mysterie +ophelderen." + +"Wat zoudt u ervan zeggen, als we die opheldering eens +besproeiden?" waagde Colline op te merken. + +"En daarbij familiaar een stukje aten?" voegde Rodolphe eraan toe. + +De vier jonge mannen zetten zich aan tafel en openden een hevigen +aanval op een stuk koud kalfsvleesch, dat de wijnhandelaar hun +afgestaan had. + +Marcel legde toen uit, wat er dien ochtend, toen hij was komen +verhuizen, tusschen hem en den huisbaas was voorgevallen. + +"Derhalve," zeide Rodolphe, "heeft mijnheer volkomen gelijk, wij zijn +zijn gasten." + +"Pardon, u bent hier thuis," antwoordde Marcel beleefd. + +Het kostte echter ontzaglijke moeite, om Schaunard aan zijn verstand +te brengen wat er gebeurd was. Een komisch incident maakte de zaak nog +ingewikkelder. Schaunard, die in een kast naar God weet wat zocht, +ontdekte daarin het kleingeld, dat Marcel dien ochtend van zijn +vijfhonderd francs teruggekregen had. + +"Ha," riep hij uit, "ik wist wel, dat mijn vriend, het toeval, mij +niet in den steek zou laten. Ik herinner me nu, dat ik van morgen +uitgegaan ben, om hem te zoeken ..... Voor die huurtermijnen, dat is +waar ook; hij is zeker in mijn afwezigheid hier geweest. Wij hebben +elkaar misgeloopen, dat is alles. Het is toch maar heel verstandig +van me geweest den sleutel op de kast te laten." + +"Zoete dwaasheid!" mompelde Rodolphe, toen hij zag hoe Schaunard de +geldstukken in even hooge hoopen opstapelde. + +"Droom en bedrog, dat is het leven," voegde de wijsgeer eraan toe. + +Marcel lachte. + +Een uur later lagen zij alle vier in een diepen slaap. + +Den volgenden middag om twaalf uur werden zij wakker; in den beginne +waren zij niet weinig verwonderd elkaar daar te vinden: Schaunard, +Colline en Rodolphe schenen elkaar zelfs niet te herkennen en noemden +elkaar mijnheer. Marcel moest er hen aan herinneren, dat zij den +vorigen avond met elkaar bij hem gekomen waren. + +Op dat oogenblik kwam Durand in de kamer. + +"Mijnheer," zeide hij tot Marcel, "het is vandaag de negende +April achttien honderd en veertig ... het is modderig op straat, +en Z. M. Louis-Philippe is nog steeds koning van Frankrijk en +Navarre. Lieve Hemel," riep vader Durand uit, toen hij zijn ouden +huurder zag, "daar heb je mijnheer Schaunard. Hoe bent u hier gekomen?" + +"Per telegraaf," antwoordde Schaunard. + +"Hoor hem eens aan," zeide de concierge, "u bent nog de oude +grappenmaker!" + +"Durand," zeide Marcel, "ik houd er niet van, dat de livrei zich in +mijn gesprekken mengt; je gaat naar het dichtstbijzijnde restaurant +en laat een dejeuner voor vier personen boven brengen. Hier heb je de +spijskaart," voegde hij eraan toe, terwijl hij hem een stukje papier +met het menu erop gaf. "En een beetje vlug." + +"Heeren," ging Marcel voort, "u hebt mij gisteren avond een souper +aangeboden, laat mij u nu hedenmorgen een dejeuner aanbieden, niet +bij mij, maar bij u," voegde hij eraan toe, terwijl hij Schaunard +zijn hand toestak. + +Na afloop van het dejeuner vroeg Rodolphe het woord. + +"Heeren," zeide hij, "staat mij toe, dat ik u verlaat ...." + +"O neen," zeide Schaunard op sentimenteelen toon, "laten we elkaar +niet meer verlaten." + +"Dat is zoo," merkte Colline op; "je bent hier erg op je gemak." + +"U een oogenblik verlaat," ging Rodolphe voort, "morgen verschijnt de +Echarpe d'Iris [5], een mode-tijdschrift, waarvan ik hoofdredacteur +ben, en ik moet de drukproeven nog corrigeeren. Binnen een uur ben +ik terug." + +"Alle duivels," zeide Colline; "dat brengt mij op de gedachte, dat ik +les moet geven aan een Indischen prins, die naar Parijs gekomen is, +om Arabisch te leeren." + +"Geef die les morgen," zeide Marcel. + +"Neen, dat gaat niet," antwoordde de wijsgeer: "de prins zou mij +vandaag betalen. En bovendien moet ik eerlijk bekennen, dat deze +schoone dag voor mij bedorven zou zijn, indien ik niet even langs de +boekenstalletjes loop." + +"Maar je komt toch terug?" vroeg Schaunard. + +"Met de snelheid van een met zekere hand afgeschoten pijl," antwoordde +de wijsgeer, die van excentrieke beeldspraak hield. + +En hij ging met Rodolphe weg. + +"Maar," zeide Schaunard, toen hij met Marcel alleen gebleven was, +"indien ik, in plaats van me hier te koesteren op het kussen van het +dolce far niente, wat goud ging zoeken om de begeerigheid van mijnheer +Bernard te stillen?" + +"Maar," zeide Marcel ongerust; "wil je dan nog steeds verhuizen?" + +"Lieve God, ik moet wel," antwoordde Schaunard, "ik heb immers een +exploot, waarvan de kosten vijf francs zijn, gekregen." + +"Maar," vervolgde Marcel, "als je verhuist, dan neem je zeker je +meubels mee?" + +"Ja, dat is mijn bedoeling, ik laat hier geen haar achter, zooals +mijnheer Bernard zegt." + +"Duivels, dat zal me leelijk in verlegenheid brengen, want ik heb je +kamers gemeubileerd gehuurd." + +"Waarachtig, dat is waar ook," zeide Schaunard. "Maar," voegde hij er +melancholiek aan toe, "er is geen enkele aanwijzing, dat ik vandaag +of morgen of wanneer ook mijn vijf-en-zeventig francs zal vinden." + +"Maar wacht even," riep Marcel uit, "ik heb een idee." + +"Laat hooren," zeide Schaunard. + +"De zaak staat zoo: wettelijk behoort de woning aan mij, omdat ik +een maand vooruit betaald heb." + +"De woning, ja; maar als ik betaal, neem ik de meubelen wettelijk mede; +en als het mogelijk was, zou ik ze zelfs onwettelijk medenemen." + +"Zoodat," zeide Marcel, "jij de meubels en geen woning, en ik een +woning en geen meubels heb." + +"Dat klopt," zeide Schaunard. + +"Maar mij bevalt de woning uitstekend." + +"En mij," merkte Schaunard op, "mij beviel ze nooit meer." + +"Wat zeg je?" + +"Nooit .... meer. Ik weet heel goed, wat ik zeg." + +"Welnu, dan kunnen we het op een accoordje gooien," meende Marcel; +"blijf bij me, ik lever de woning en jij levert de meubelen." + +"En de huur?" vroeg Schaunard. + +"Daar ik nu geld heb, betaal ik ditmaal; den volgenden keer is het +jouw beurt. Denk er eens over na." + +"Ik denk nooit na, vooral niet om een voorstel aan te nemen, dat +in mijn geest valt; ik neem het zonder bedenken aan. Bovendien zijn +schilder- en dichtkunst zusters." + +"Schoonzusters," vond Marcel. + +Op dat oogenblik kwamen Colline en Rodolphe, die elkaar op straat +ontmoet hadden, terug. + +Marcel en Schaunard stelden hen van hun vennootschap in kennis. + +"Heeren," riep Rodolphe uit, terwijl hij het in zijn broekzak liet +rinkelen, "ik offreer het gezelschap een diner." + +"Dat was juist mijn plan ook," zeide Colline, terwijl hij uit +zijn zak een goudstuk haalde, dat hij als een monocle naar +zijn oog bracht. "Mijn prins heeft mij dat gegeven voor een +Hindostansch-Arabische grammatica, die ik zooeven voor zes stuivers +gekocht heb." + +"En ik," zeide Rodolphe, "heb mij door den kassier van de Echarpe +d'Iris een voorschot laten geven van dertig francs, onder voorgeven, +dat ik mij moest laten inenten." + +"Het is vandaag dus Heiligendag," zeide Schaunard; "ik alleen heb +niets gekregen, dat is toch vernederend." + +"Intusschen," viel Rodolphe hem in de rede, "handhaaf ik mijn +uitnoodiging voor een diner." + +"En ik ook," zeide Colline. + +"Nou," zeide Rodolphe, "dan zullen we opgooien, wie betalen zal." + +"Neen," riep Schaunard uit, "ik weet wat beters, om jullie uit die +moeilijkheid te helpen, heel wat beters." + +"En dat is?" + +"Rodolphe betaalt het diner, en Colline geeft een souper." + +"Een Salomo-oordeel," riep de wijsgeer uit. + +"Dan zal het vandaag nog erger toegaan dan op de bruiloft van Camacho," +[6] meende Marcel. + +Het diner had plaats in een provençaalsch restaurant in de rue +Dauphine, dat bekend was door zijn litteraire kellners en zijn +ayoli-gerechten. Daar zij nog een plaatsje over moesten houden voor +het souper, dronken en aten zij matig. De den vorigen avond tusschen +Colline en Schaunard, en later met Marcel aangeknoopte kennismaking +werd nu intiemer; de vier jonge mannen heschen de vlag van hun +kunstinzichten, en alle vier erkenden, dat zij met denzelfden moed en +dezelfde verwachtingen bezield waren. Al pratende en debatteerende, +bemerkten zij, dat zij gemeenschappelijke sympathieën hadden, +dat zij allen dien zin voor en die behendigheid hadden in geestige +schermutselingen, welke opvroolijken, zonder te kwetsen; dat alle mooie +deugden der jeugd leefden in hun harten, die door het zien of hooren +van iets moois makkelijk in geestdrift waren te brengen. Alle vier, +van hetzelfde punt uitgegaan, om hetzelfde doel te bereiken, waren +van oordeel, dat iets anders dan het banale spel van het toeval hen +had samengebracht, en dat misschien de Voorzienigheid, de natuurlijke +beschermster der verlatenen, hen zoo samenvoerde en hun heel zacht +het woord van het Evangelie influisterde, dat eigenlijk de eenige +wet voor de geheele menschheid moest zijn: "Helpt elkander en hebt +elkander lief!" + +Tegen het einde van het diner, dat een eenigszins ernstig karakter +had aangenomen, stond Rodolphe op, om een toast uit te brengen op +de toekomst; Colline antwoordde met een kleine toespraak, die aan +geen enkel boek ontleend en vrij van alle oratorische wendingen was, +maar heel eenvoudig de simpele taal der natuur sprak, die zoo goed +doet begrijpen wat zoo slecht gezegd wordt. + +"De philosoof lijkt wel niet wijs!" mompelde Schaunard, over zijn +glas gebogen; "nu dwingt hij me water in mijn wijn te doen." + +Na het diner gingen ze een pousse-café drinken in Momus, waar zij den +vorigen dag den avond ook reeds hadden doorgebracht. Van dien dag af +was het daar voor de overige gasten niet meer uit te houden. + +Na de koffie en de daarbij behoorenden likeuren ging de nu voor +goed opgerichte bohème-clan terug naar de kamer van Marcel, die +voortaan den naam Elysée Schaunard droeg. Terwijl Colline het door +hem beloofde souper ging bestellen, haalden de anderen voetzoekers, +vuurpijlen en andere stukken vuurwerk; en voor zij aan tafel gingen, +staken zij uit een der vensters een prachtig vuurwerk af, dat het +heele huis op stelten zette en gedurende hetwelk de vier vrienden +uit volle borst zongen: + +"Célébrons, célébrons, célébrons ce beau jour!" + +Den volgenden ochtend vonden zij elkaar weer terug, doch ditmaal +zonder zich erover te verwonderen. Voor zij ieder weer tot hun werk +terugkeerden, gingen ze gezamenlijk eenvoudig dejeuneeren in Momus, +waar ze afspraken des avonds weer te zullen bijeenkomen en waar men +hen gedurende langen tijd dagelijks weer zag verschijnen. + +Dit zijn de hoofdpersonen, die men zal ontmoeten in de kleine verhalen, +waaruit dit boek bestaat, dat volstrekt geen roman is en geen andere +pretentie heeft dan die door zijn titel aangegeven; want de tooneelen +uit het Parijsche kunstenaars-leven zijn inderdaad niets anders dan +zedenstudiën, waarvan de helden behooren tot een tot dusver verkeerd +beoordeelde klasse, wier grootste gebrek een beetje losbandigheid is, +en die nog als excuus kunnen aanvoeren, dat die losbandigheid een +noodzakelijkheid is, welke het leven hun oplegt. + + + + + + +HOOFDSTUK II. + +EEN GEZANT DER VOORZIENIGHEID. + + +Schaunard en Marcel, die reeds van den vroegen ochtend af dapper aan +het werk waren, hielden plotseling op. + +"Alle duivels, wat heb ik een honger!" zeide Schaunard; en hij voegde +er langs zijn neus weg aan toe: "Wordt er vandaag niet gedejeuneerd?" + +Marcel scheen over die meer dan ooit ongelegen komende vraag zeer +verbaasd: + +"Sedert wanneer wordt er twee dagen achter elkaar gedejeuneerd?" zeide +hij. "Het was gisteren Donderdag." + +En, om zijn antwoord als het ware meer kracht bij te zetten, wees +hij met zijn schilderstokje op het gebod der Kerk. + + + "Vendredi chair ne mangeras, + Ni autre chose pareillement." + + +Schaunard kon geen antwoord vinden en begon weer te werken aan zijn +schilderij, dat een vlakte voorstelde met een rooden en een blauwen +boom, die elkaar een hand- of liever takdruk gaven. Een zeer duidelijke +en inderdaad ook zeer philosophische toespeling op de heerlijkheden +der vriendschap. + +Op dat oogenblik klopte de concierge aan de deur. Hij bracht een +brief voor Marcel. + +"Drie sous," zeide hij. + +"Heusch?" antwoordde de kunstenaar. "Die mag je houden." + +En hij sloeg de deur voor zijn neus dicht. + +Marcel verbrak het zegel en las. Bij de eerste woorden reeds begon +hij te springen als een acrobaat en hief luidkeels het volgende lied, +dat bij hem de hoogste graad van verrukking was, aan: + + + "Y'avait quat' jeunes gens du quartier + Ils étaient tous les quatre malades; + On les a m'nés à l'Hôtel-Dieu + Eu! eu! eu! eu!" + + +"Prachtig," zeide Schaunard en vervolgde: + + + "On les a mis dans un grand lit, + Deux à la tête et deux au pied. + + +"Dat kennen we al." + +Marcel ging door: + + + "Ils virent arriver un' petit' soeur, + Eur! eur! eur! eur!" + + +"Als je niet oogenblikkelijk ophoudt," zeide Schaunard, die reeds +symptomen van hersenverweeking begon te voelen, "dan ga ik het +allegro van mijn symphonie over den Invloed van het Blauw in de +Kunsten spelen." + +En hij stapte reeds naar zijn piano. + +Dit dreigement werkte als een droppel koud water, die in een borrelende +vloeibare massa valt. + +Marcel kalmeerde als door een tooverslag. + +"Hier!" zeide hij, terwijl hij den brief aan zijn vriend gaf; "lees!" + +Het was een uitnoodiging voor een diner van een député, een verlicht +beschermer der kunsten in het algemeen en in het bijzonder van Marcel, +die een schilderij van zijn landhuis gemaakt had. + +"Dat is voor vandaag," zeide Schaunard; "jammer, dat het geen +invitatie voor twee personen is. Maar daar bedenk ik me, dat jouw +député ministerieel gezind is; je kan, je mag die uitnoodiging niet +aannemen: je principes verbieden je brood te eten, dat gedrenkt is +in het zweet van het volk." + +"Ba!" zeide Marcel, "mijn député behoort tot de linkerzijde van het +centrum; hij heeft pas nog tegen de regeering gestemd. Bovendien zal +hij wel een opdracht voor me hebben, en hij heeft me beloofd mij in +andere kringen te introduceeren. En al is het ook vandaag honderd +maal Vrijdag, ik heb een honger als Ugolino in zijn toren; ik wil +vandaag dineeren en daarmede basta!" + +"Er zijn nog andere hinderpalen," ging Schaunard voort, die zijn +jaloerschheid op het fortuintje, dat zijn vriend ten deel viel, +niet bedwingen kon. "Je kunt toch niet zoo in je roode trui en met +je sjouwerspet op gaan dineeren." + +"Ik zal van Rodolphe of Colline een pak leenen." + +"Jeugdige dwaas! Ben je vergeten, dat wij den twintigsten van de +maand voorbij zijn en dat om dezen tijd de kleeren van die heeren +bij oom Jan logeeren?" + +"Maar ik zal toch vòòr vijf uur wel een zwart pak vinden," zeide +Marcel. + +"Ik heb drie weken noodig gehad, om er een te vinden, toen ik naar +de bruiloft van mijn neef moest--en dat was toch in het begin van +Januari." + +"Nou dan ga ik zoo!" antwoordde Marcel, terwijl hij met groote passen +de kamer op en en neer liep. "Van mij zal niet gezegd worden, dat +een armzalige quaestie van etiquette mij heeft weerhouden den eersten +stap in de wereld te doen." + +"O ja, dat is waar ook!" viel Schaunard, die het blijkbaar pleizierig +vond zijn vriend te plagen; "hoe staat het met je schoenen?" + +Marcel ging in een toestand van niet te beschrijven opwinding weg. Na +verloop van twee uur kwam hij terug met een boord. + +"Dat is alles wat ik heb kunnen vinden," zeide hij met een +deerniswaardig gezicht. + +"Daarvoor hadt je waarachtig niet zoo behoeven rond te loopen," +antwoordde Schaunard; "we hebben hier papier genoeg, om er een dozijn +te maken." + +"Maar alle duivels!" riep Marcel uit en rukte daarbij de haren uit +zijn hoofd; "we moeten hier toch kleeren hebben." + +En in alle hoekjes en gaatjes der beide kamers begon hij een nauwgezet +onderzoek. + +Na een uur zoekens had hij het volgende costuum bij elkaar: + +Een geruite broek. + +Een grijze hoed. + +Een roode das. + +Een eertijds witte handschoen. + +Een zwarte handschoen. + +"Daar zijn in geval van nood ten minste twee zwarte handschoenen uit +te maken," zeide Schaunard. "Maar wanneer je aangekleed bent, zal je er +uitzien als het zonnespectrum. Doch dat is minder--je bent schilder." + +Intusschen paste Marcel de schoenen. + +O ramp! Ze waren beide van denzelfden voet. + +Daar zag de wanhopige kunstenaar in een hoek een ouden schoen, +waarin ze gewoonlijk hun leege verfblazen gooiden. Hij maakte er zich +meester van. + +"Van kwaad tot erger," zeide zijn ironische makker: "de een is puntig +en de ander breed van voren." + +"Dat zie je niet; ik zal ze lakken." + +"Dat is een idée! Nu ontbreekt je alleen nog de onontbeerlijke rok." + +"O," zeide Marcel, terwijl hij zich van woede in zijn vuisten beet +"ik zou tien jaar van mijn leven en mijn rechterhand geven, als ik +er een had." + +Op dit oogenblik hoorden zij opnieuw op de deur kloppen. Marcel ging +open doen. + +"Mijnheer Schaunard?" zeide een vreemdeling, die op den drempel +bleef staan. + +"Dat ben ik," antwoordde de schilder en verzocht hem binnen te komen. + +"Mijnheer," zeide de onbekende, die een van die trouwhartige gezichten +had, welke den provinciaal kenmerken, "mijn neef heeft me verteld, +dat u zoo mooi portretten kunt schilderen; en daar ik op het punt sta +een reis naar de koloniën te maken, als gedelegeerde der raffinadeurs +van Nantes, zou ik gaarne een souvenir van mij aan mijn familie +achterlaten. Daarom ben ik naar u toe gekomen." + +"O, heilige Voorzienigheid!" ... mompelde Schaunard. "Marcel, geef +een stoel aan mijnheer...." + +"Blancheron," vulde de vreemdeling aan; "Blancheron uit Nantes, +afgevaardigde van de suikerindustrie, oud-burgemeester van V...., +kapitein van de garde nationale, en schrijver van een brochure over +de suikerquaestie." + +"Ik voel mij zeer vereerd, dat ik door u gekozen ben," zeide de +artist, terwijl hij een buiging maakte voor den gedelegeerde der +raffinadeurs. "En hoe wenscht u uw portret te hebben?" + +"Een miniature, zooals dit," antwoordde mijnheer Blancheron, terwijl +hij op een portret in olieverf wees; want, zooals voor zoovele anderen, +is voor den gedelegeerde alles, wat geen verf op huizen is, miniatuur: +zij kennen geen middenweg. + +Dit naïeve antwoord deed Schaunard dadelijk begrijpen met wien hij +te doen had, vooral toen de vreemdeling er nog aan toevoegde, dat +hij gaarne zijn portret in fijne kleuren geschilderd wilde hebben. + +"Ik gebruik nooit andere," zeide Schaunard. "En in welke grootte wilt +u uw portret?" + +"Zoo groot ongeveer," antwoordde mijnheer Blancheron, op een doek +van twintig francs wijzend. "Wat is de prijs daarvan?" + +"Vijftig tot zestig francs; vijftig zonder handen en zestig met." + +"Drommels, mijn neef sprak van dertig francs." + +"Dat hangt af van het seizoen," zeide de schilder; "in sommige tijden +zijn de kleuren veel duurder." + +"Zoo, dat is dus net als met den suiker." + +"Precies eender." + +"Nou, voor vijftig francs dan," zeide mijnheer Blancheron. + +"Dat zou ik u niet aanraden; voor tien francs meer schilder ik u met +uw suiker-brochure in uw handen, dat zal meer effect maken." + +"Waarachtig, u hebt gelijk!" + +"Lieve Hemel," zeide Schaunard in zichzelf; "als hij zoo doorgaat, dan +barst ik nog los en gooi ik hem een van mijn stukken naar zijn hoofd." + +"Heb je gezien?" fluisterde Marcel hem in. + +"Wat?" + +"Hij heeft een rok." + +"Ik snap je en ik zal je helpen. Laat mij maar begaan." + +"Welnu, mijnheer," zeide de gedelegeerde, "wanneer zullen we +beginnen? We moeten niet te lang wachten, want ik vertrek eerstdaags." + +"Ik moet zelf een klein reisje maken; overmorgen verlaat ik Parijs. Als +u het dus goed vindt, zullen we maar dadelijk beginnen. Een flinke +séance zal de zaak zeer bespoedigen." + +"Maar het zal zoo dadelijk donker zijn, en u kunt toch niet bij +kunstlicht schilderen," zeide mijnheer Blancheron. + +"Mijn atelier is zòò ingericht, dat ik er op ieder uur van den dag +kan werken..." viel de schilder hem in de rede. "Als u uw rok wilt +uittrekken en de pose aannemen, zullen we beginnen." + +"Mijn rok uittrekken? Waarom?" + +"Hebt u niet gezegd, dat het een portret voor uw familie moet zijn?" + +"Zeker." + +"Dan moet u ook in een kamerjapon geschilderd worden. Dat is trouwens +gewoonte ook." + +"Maar ik heb geen kamerjapon bij me." + +"Ik heb er een. Ik ben voor zulke gevallen ingericht," zeide Schaunard +en gaf zijn model een oud met verfvlekken overladen vod, dat den +eerzamen provinciaal op het eerste gezicht deed aarzelen. + +"Dat is al een heel raar kleedingstuk," zeide hij. + +"En heel kostbaar," antwoordde de schilder. "Indertijd heeft een +Turksch vizier het cadeau gegeven aan Horace Vernet, die het weer +aan mij vermaakt heeft. Ik ben zijn leerling." + +"Bent u een leerling van Vernet?" vroeg Blancheron. + +"Ja, mijnheer, en daar ben ik trotsch op.--Schande," mompelde hij in +zichzelf, "ik verloochen mijn goden." + +"Daar hebt u dan ook reden voor, jonge man," antwoordde de +gedelegeerde, terwijl hij de kamerjapon van zoo voorname afkomst +aantrok. + +"Hang den rok van mijnheer aan den porte-manteau," zeide Schaunard +met een beteekenisvollen blik tot zijn vriend. + +"Zeg eens," mompelde Marcel, terwijl hij zich op zijn prooi wierp en +heimelijk naar Blancheron wees "hij ziet er prachtig uit zoo! Als je +hem zoo eens schilderen kon!" + +"Ik zal het probeeren! Maar dat is van minder belang, kleed je gauw aan +en maak, dat je weg komt, maar zorg, dat je om tien uur terug bent; +ik zal hem wel tot zoo lang aan de praat houden. Maar vòòr alles, +vergeet niet iets voor me mede te brengen." + +"Ik zal een ananas voor je meebrengen," antwoordde Marcel en maakte, +dat hij weg kwam. + +Hij kleedde zich in vliegenden haast. De rok paste hem, alsof hij hem +aangemeten was. Dan ging hij door de tweede deur van het atelier weg. + +Schaunard was intusschen met werken begonnen. Toen het heelemaal +donker geworden was, hoorde mijnheer Blancheron het zes uur slaan en +bedacht zich, dat hij nog niet gedineerd had. Hij vertelde dat aan +den schilder. + +"Ik verkeer in hetzelfde geval, maar om u ter wille te zijn, zal ik +mij daarvan vanavond maar speenen," zeide Schaunard; "wel had ik voor +vanavond een invitatie in den faubourg Saint-Germain, maar we kunnen +het werk nu niet afbreken, dat zou schade doen aan de gelijkenis." + +En hij begon weer te werken. + +"Maar," zeide hij plotseling, "we zouden kunnen dineeren, zonder dat +we ons werk onderbreken. Er is hier vlak bij een uitstekend restaurant, +vanwaar ze ons alles, wat we willen, kunnen brengen." + +En Schaunard wachtte met spanning de uitwerking van zijn trio +meervouden af. + +"Ik ben het volkomen met u eens," zeide mijnheer Blancheron, "en het +zal mij aangenaam zijn, indien u mij de eer wilt aandoen aan tafel +mijn gast te zijn." + +Schaunard maakte een buiging. + +"Waarachtig," zeide hij tot zichzelf, "het is een brave kerel, een +ware gezant der Voorzienigheid. Wilt u het menu maar opmaken?" vroeg +hij aan zijn amphytrion. [7] + +"Het zal mij aangenaam zijn, indien u zich daarmede belasten wilt," +antwoordde deze beleefd. + +"Dat zal je berouwen," zong de schilder, die vliegensvlug de trap +afstormde. + +Hij ging het restaurant binnen, liep naar de toonbank en stelde +een menu samen, dat den Vatel [8] in den winkel bij het lezen bleek +deed worden. + +"En goede Bordeaux." + +"Wie betaalt dat?" + +"Ik waarschijnlijk niet," zeide Schaunard; "maar een oom van me, een +lekkerbek en fijnproever, dien u boven bij me zult zien. Zet dus je +beste beentje voor en zorg, dat we binnen een half uur kunnen eten +en denk erom, op echt porcelein." + + + +Om acht uur voelde mijnheer Blancheron reeds behoefte aan de borst van +een vriend zijn denkbeelden over de suikerindustrie uit te storten, +en declameerde hij voor Schaunard de brochure, die hij geschreven had. + +Deze begeleidde hem op den piano. + +Om tien uur dansten mijnheer Blancheron en zijn vriend een galop en +tutoyeerden elkaar. + +Om elf uur zwoeren zij elkaar eeuwige trouw en maakten een testament, +waarin zij elkaar wederkeerig hun fortuin nalieten. + +Om twaalf uur kwam Marcel thuis en vond ze in elkanders armen. Ze +zwommen in tranen. Er stond al een halve duim water in het +atelier. Marcel stootte zich tegen de tafel en zag de schitterende +overblijfselen van het heerlijke festijn. Hij onderzocht de +flesschen--zij waren totaal leeg. + +Hij wilde Schaunard wakker maken, maar deze dreigde hem te zullen +vermoorden, als hij hem Mijnheer Blancheron, dien hij als hoofdkussen +gebruikte, wilde ontrooven. + +"Ondankbare!" zeide Marcel, terwijl hij uit zijn rokzak een handvol +noten te voorschijn haalde. "Mij vermoorden, mij, die een diner voor +hem meegebracht heb." + + + + + + +HOOFDSTUK III. + +DE LIEFDE IN DEN VASTENTIJD. + + +Op een avond in den vastentijd kwam Rodolphe al vroeg thuis met het +vaste plan om te gaan werken. Doch nauwlijks had hij zich aan tafel +gezet en zijn pen in den inktkoker gedoopt, toen zijn aandacht door +een zonderling geluid getrokken werd; en toen hij luisterde aan het +indiscrete beschot, dat hem van de kamer ernaast scheidde, hoorde +hij heel duidelijk een regelmatigen dialoog van kussen en andere +amoureuse klanknabootsingen. + +"Drommels!" dacht Rodolphe, terwijl hij op de pendule keek, "het is nog +niet laat ... en mijn buurvrouw is een Julia, die haar Romeo gewoonlijk +nog lang na het zingen van de leeuwerik bij zich houdt. Ik zal vannacht +niet kunnen werken." En hij zette zijn hoed op en ging uit. + +Toen hij zijn sleutel in de portiersloge wilde leggen, vond hij de +vrouw van den concierge in de armen van een galant. De arme vrouw +was er zoo verschrikt door, dat er meer dan vijf minuten verliepen, +voordat zij kon opentrekken. + +"Ha!" dacht Rodolphe, "er zijn dus oogenblikken, waarop de portiersters +weer vrouwen worden." + +Toen hij de huisdeur opende, vond hij in den hoek een dragonder +en een keukenmeid in een avondmantel staan, die elkaar bij de hand +vasthielden en het geld der liefde wisselden. + +"Alle duivels!" zeide Rodolphe met een toespeling op den krijgsman +en zijn robuste vriendin, "dat zijn een paar ketters, die er niet +aan denken, dat wij in de vasten zijn." + +En hij ging de straat op naar een van zijn vrienden, die in de +buurt woonde. + +"Als Marcel thuis is," zeide hij tot zichzelf, "dan kunnen we den +avond doorbrengen met eens lekker Colline over den hekel te halen. Je +moet toch wat doen ...." + +Op zijn krachtig kloppen werd de deur op een kiertje open gemaakt en +vertoonde zich daarin een jonge man met alleen een monocle op en een +hemd aan. + +"Ik kan je vandaag niet ontvangen," zeide hij tegen Rodolphe. + +"Waarom niet?" vroeg deze. + +"Hier!" zeide Marcel en hij wees op een vrouwehoofd, dat achter een +bedgordijn te voorschijn kwam; "hier heb je mijn antwoord!" + +"Zij is niet mooi!" antwoordde Rodolphe, toen de deur voor zijn +neus gesloten was. "Maar wat nu?" zeide hij, toen hij weer op straat +was. "Als ik eens naar Colline ging? Dan zouden we eens lekker over +Marcel kunnen kletsen." + +Toen hij de gewoonlijk donkere en weinig drukke rue de l'Ouest +doorging, zag hij plotseling een schaduw, die melancholiek heen en +weer liep en binnensmonds verzen scheen te reciteeren. + +"He, he," zeide Rodolphe; "welk sonnet loopt daar zoo te +blauwbekken? Lieve Hemel, het is Colline." + +"He, Rodolphe! Waar is de reis naar toe?" + +"Naar jou." + +"Daar zal je me niet vinden." + +"Wat doe je hier?" + +"Ik wacht." + +"En waar wacht je op?" + +"Ach!" zeide Colline met spottende hoogdravendheid, "waarop kan je +wachten, wanneer je twintig bent, de hemel van sterren fonkelt en +liederen door de lucht weerklinken?" + +"Spreek toch in proza." + +"Ik wacht op een vrouw." + +"Bonsoir," zeide Rodolphe, die in zichzelf pratend verder +ging. "Bliksems! Is het dan vandaag St. Cupido en zou ik geen stap +kunnen verzetten zonder op verliefden te stooten? Het is onzedelijk, +schandelijk. Waarom doet de politie er niets aan?" + +Daar de Luxembourg nog open was, ging Rodolphe dien binnen, om zijn +weg te bekorten. In de verlaten lanen zag hij dikwijls, als verschrikt +door zijn passen, geheimzinnig elkaar omvattende paren voor zich uit +vluchten, die, zooals een dichter gezongen heeft, de dubbele wellust +der stilte en der schaduw zoeken. + +"Net een avond, die uit een roman overgeschreven is," zeide hij tot +zichzelf. En toch ging hij, zijns ondanks door een smachtende bekoring +bevangen, op een bank zitten en keek sentimenteel naar de maan. + +Na eenigen tijd was hij geheel door een hallucinatiekoorts +bevangen. Het was, alsof de marmeren goden en heroën, die den tuin +bevolken, van hun voetstukken afdaalden, om aan de godinnen en +heroïnen het hof te maken; en hij hoorde heel duidelijk hoe de dikke +Hercules de Velleda, wier tunica hem buitengewoon kort voorkwam, +galante complimentjes influisterde. + +Van af de bank, waarop hij zat, zag hij, hoe de zwaan uit het bassin +naar een nymph daar vlak bij ging. + +"Mooi!" dacht Rodolphe, die dit alles mythologisch opvatte, "dat is +Juppiter, die naar zijn rendez-vous met Leda gaat. Als de bewaker ze +nu maar niet betrapt." + +Dan legde hij zijn hoofd in zijn handen en boog zich nog dieper in +de doornen van zijn gevoel. Doch op dit heerlijke oogenblik van zijn +droom werd Rodolphe plotseling wakker geschrikt door een bewaker, +die hem op zijn schouder tikte. + +"Mijnheer, de tuin wordt gesloten." + +"Dat is maar gelukkig ook," dacht Rodolphe. "Als ik hier nog vijf +minuten bleef, zou ik in mijn hart meer vergeet-mij-nietjes hebben +dan er op de oevers van den Rijn of in de romans van Alphonse Karr +groeien." + +En met zachte stem een sentimenteele romance, die voor hem de +Marseillaise der liefde was, neuriënd, verliet hij met vluggen pas +den Luxembourg. + +Een half uur later zat hij--God weet hoe hij er kwam--in den Prado voor +een glas punch te praten met een grooten, jongen man, die beroemd was +om zijn neus, welke er door een merkwaardig privilege van ter zijde +snavelvormig en en face plat uitzag; een meesterneus, wien het niet aan +geest ontbrak en die genoeg avonturen medegemaakt had, om in dergelijke +gevallen goeden raad te kunnen geven en zijn vriend nuttig te zijn. + +"Dus," zeide Alexandre Schaunard, de man met den neus, "je bent +verliefd!" + +"Ja, mijn waarde .... ik heb het daarnet plotseling te pakken gekregen; +precies hevige kiespijn, die je in je hart hebt." + +"Geef me je tabak eens," zeide Alexandre. + +"Stel je voor," ging Rodolphe voort, "dat ik sinds twee uur niets dan +verliefden, mannen en vrouwen, twee aan twee, tegenkom. Ik kwam op +het denkbeeld den Luxembourg in te loopen, waar ik allerlei soorten +phantasmagorieën gezien heb; dat heeft me buitengewoon aangegrepen; +elegieën schieten in mij op; ik blaat en ik kir; ik ben half lam, half +duif geworden. Kijk me eens goed aan; ik moet wol en veeren hebben." + +"Wat heb je toch gedronken?" zeide Alexandre ongeduldig, "je laat me +poseeren alsof ik een model ben." + +"Ik verzeker je, dat ik volkomen helder ben," zeide Rodolphe. "Of +toch eigenlijk niet. Maar ik moet je eerlijk bekennen, dat ik behoefte +heb om iets te omhelzen. Zie je, Alexandre, het is niet goed, dat de +mensch alleen zij: kort en goed je moet me helpen een vrouw te vinden +.... Wij zullen een rondgang door de balzaal maken, en daar moet jij +de eerste, die ik je aanwijs, gaan zeggen, dat ik haar liefheb." + +"Waarom ga je zelf dat haar niet zeggen?" antwoordde Alexandre met +zijn prachtigen nasalen bas. + +"Ach mijn waarde," zeide Rodolphe, "ik wil eerlijk bekennen, dat ik +heelemaal vergeten ben hoe je het aan moet pakken, om zulke dingen te +zeggen. Van al mijn liefderomans hebben mijn vrienden de inleiding +geschreven, sommigen zelfs de ontknooping. Ik heb nooit een goed +begin kunnen vinden." + +"Het is voldoende, om er een eind aan te kunnen maken," zeide +Alexandre; "maar ik begrijp je. Ik heb een jong meisje gezien, die +veel van hobo's houdt. Misschien val je wel in haar smaak." + +"Ach!" zeide Rodolphe, "ik zou zoo graag zien, dat zij witte +handschoenen en blauwe oogen had." + +"Drommels, blauwe oogen, dat zal nog wel gaan .... maar witte +handschoenen .... je weet toch, dat je niet alles tegelijk hebben +kan. Maar laten we naar het aristocratische kwartier gaan." + +"Kijk," zeide Rodolphe, terwijl hij een salon binnenging, waar de +modepoppetjes zich ophielden, "daar zit er een, die me nog al zacht +toeschijnt ...." en hij wees op een vrij elegant gekleed meisje, +dat zich in een hoek teruggetrokken had. + +"Goed," antwoordde Alexandre; "houd jij je maar wat op den +achtergrond; ik zal voor jou den fakkel van den hartstocht in haar +hart slingeren. Wanneer je moet komen, zal ik je roepen." + +Een minuut of tien stond Alexandre te praten met het jonge meisje, +dat nu en dan in een vroolijken lach uitbarstte en eindelijk Rodolphe +een glimlachje toewierp, dat meer dan duidelijk te kennen gaf: Kom +maar, je advocaat heeft zijn proces gewonnen. + +"Ga nu maar," zeide Alexandre; "de overwinning is ons; het kleintje +zal in ieder geval niet wreed zijn, maar doe in den beginne een +beetje naief." + +"Dat behoef je me volstrekt niet te zeggen." + +"Ook goed," zeide Schaunard. "Geef mij nu eerst wat tabak en ga dan +bij haar zitten." + +"Lieve Hemel," zeide het jonge meisje, toen Rodolphe naast haar +plaats genomen had; "wat een type, die vriend van je. Hij heeft een +stem als een jachthoorn." + +"Dat komt, omdat hij musicus is," antwoordde Rodolphe. + +Twee uur later bleven Rodolphe en zijn vriendinnetje voor een huis +in de rue Saint-Denis staan. + +"Hier woon ik," zeide het jonge meisje. + +"Lieve Louise, wanneer zal ik je weer zien, en waar?" + +"Morgenavond om acht uur op je kamer." + +"Heusch?" + +"Hier heb je mijn woord," antwoordde Louise, terwijl zij Rodolphe +haar frissche wangen toestak, die zoo maar in die prachtige rijpe +vruchten van jeugd en gezondheid beet. + +Dol en dronken van liefde kwam Rodolphe weer op zijn kamer. + +"O," zeide hij, terwijl hij met groote passen op en neer liep; +"dat kan zoo maar niet afloopen! Ik moet verzen maken." + +Den volgenden morgen vond de concierge in de kamer een dertig blaadjes +papier, aan het hoofd waarvan majestueus deze enkele alexandrijn +prijkte: + +"O l'Amour! ô l'Amour! prince de la jeunesse!" + +Rodolphe was dien dag, tegen zijn gewoonte in, al heel vroeg wakker, +en hoewel hij weinig geslapen had, stond hij dadelijk op. + +"Dus," riep hij uit, "is het vandaag de groote dag .... Maar nog +twaalf uur wachten .... Hoe die twaalf eeuwigheden doorkomen?" + +En toen zijn blik op zijn schrijftafel viel, was het alsof zijn pen +heen en weer huppelde en tegen hem zei: Werk. + +"Werken? weg met het proza!... Ik wil niet hier blijven, het stinkt +hier naar inkt!" + +Hij ging naar een café, waar hij zeker was geen vrienden te zullen +aantreffen. + +"Zij zouden dadelijk zien, dat ik verliefd was," dacht hij. + +Na een zeer eenvoudig dejeuner gebruikt te hebben, liep hij naar het +station en stapte in een coupé. + +Een half uur later was hij in de bosschen van Ville d'Avray. + +Rodolphe wandelde den geheelen dag door de verjongde natuur en keerde +eerst tegen het vallen van den avond naar Parijs terug. + +Nadat hij den tempel, die zijn afgod zou ontvangen in orde gemaakt had, +maakte hij een voor deze gelegenheid passend toilet, waarbij hij het +zeer betreurde, dat hij zich niet geheel in het wit kleeden kon. + +Tusschen zeven en acht uur was hij ten prooi aan een hevige +wacht-koorts, een langzame marteling, die hem zijn vroegere jaren +en zijn vroegere verliefdheden weer in de gedachte terugriep. Dan +droomde hij, volgens zijn gewoonte, reeds van een grooten hartstocht, +een liefde in tien deelen, een waar lyrisch gedicht met maneschijn, +ondergaande zon, afspraakjes onder wilgen, jaloezie, zuchten +enz. enz. Zoo ging het iederen keer, als het toeval een vrouw aan +zijn deur voerde, en geen enkele had hem verlaten zonder een aureool +om haar voorhoofd en een collier van tranen om haar hals. + +"Zij zouden liever een hoed of een paar schoenen hebben," zeiden +zijn vrienden. + +Maar Rodolphe was hardnekkig en tot nog toe hadden de talrijke +ervaringen, die hij al had doorgemaakt, hem niet kunnen genezen. Hij +wachtte nog altijd op een vrouw, die een idool voor hem zou willen +zijn, een engel in zijde en fluweel, tot wie hij, als de inspiratie +ze hem ingaf, zijn sonnetten kon richten. + +Eindelijk hoorde Rodolphe het "gewijde uur" slaan, en toen de laatste +slag weerklonk, meende hij te zien dat de Amor en de Psyche op zijn +pendule hun albasten lichamen tegen elkaar drukten. Op hetzelfde +oogenblik werd er tweemaal bescheiden aan de deur geklopt. + +Rodolphe ging open doen; het was Louise. + +"Je ziet, dat ik op tijd ben," zeide zij. + +Rodolphe deed de gordijnen dicht en stak een nieuwe kaars aan. + +Intusschen had de kleine haar sjaal afgedaan en haar hoed afgezet en +die beide op het bed gelegd. De hagelwitte lakens deden haar glimlachen +en bijna een kleur krijgen. + +Louise was eerder gracieus dan mooi te noemen; haar frisch +gezichtje verried een aantrekkelijke vermenging van naïveteit en +schalkschheid. Het was iets als een motief van Greuze, gearrangeerd +door Gavarni. [9] De bekoorlijke, jeugdige vormen van het jonge +meisje kwamen zeer voordeelig uit door een toilet, dat, hoewel heel +eenvoudig, ook bij haar die aangeboren kennis verried van koketterie, +welke alle vrouwen bezitten van af haar eerste windselen tot aan haar +bruidskleed. Louise scheen bovendien in het bijzonder de theorie der +houdingen bestudeerd te hebben en nam voor Rodolphe, die haar met +kunstenaarsoogen beschouwde, een reeks verleidelijke standen aan, die +in hun gemaniereerdheid dikwijls meer gracieus dan natuurlijk waren: +haar fijn geschoeide voetjes waren klein genoeg .... zelfs voor een +romanticus, die Andalusische of Chineesche miniaturen als zijn ideaal +beschouwt. Haar teere handen verrieden, dat zij niet aan werken gewoon +waren. Inderdaad hadden zij in de laatste zes maanden de steken der +naalden niet behoeven te vreezen. In het kort Louise was een van die +trekvogeltjes, welke uit een gril en dikwijls uit noodzaak, haar nestje +voor een dag of liever voor een nacht bouwen in de dakkamertjes van +het Quartier latin en daar gaarne een paar dagen blijven, indien men +ze door aardige invallen of zijden linten weet te binden. + +Na een uurtje met Louise gepraat te hebben, wees Rodolphe haar als +een navolgenswaardig voorbeeld den groep van Amor en Psyche. + +"Zijn dat niet Paul en Virginie?" vroeg zij. + +"Ja," antwoordde Rodolphe, die haar niet dadelijk door een tegenspraak +wilde krenken. + +"Zij zijn goed nagemaakt," vond Louise. + +"O je!" dacht Rodolphe, terwijl hij haar aankeek, "het arme kind +is weinig bedreven in de litteratuur. Ik ben er zeker van, dat zij +alleen op de hoogte is van de orthographie van het hart, die geen en +of s in het meervoud schrijft. Ik zal een grammatica voor haar koopen." + +Toen Louise erover klaagde, dat haar schoenen haar knelden, hielp +hij haar voorkomend bij het uittrekken. + +Plotseling ging het licht uit. + +"Hè?" riep Rodolphe uit, "wie heeft de kaars uitgeblazen?" + +Een vroolijke lach was het antwoord. + +Enkele dagen later kwam Rodolphe op straat een van zijn vrienden tegen. + +"Wat voer je toch uit?" vroeg deze hem. "We zien je heelemaal niet +meer." + +"Ik maak huiselijke poëzie," was Rodolphe's antwoord. + +De ongelukkige sprak de waarheid. Hij had aan Louise meer gevraagd +dan het arme kind hem had kunnen geven. Als doedelzak had zij niet +de tonen van een lier. Zij sprak, om zoo te zeggen, het patois der +liefde en Rodolphe wilde er absoluut de salontaal van spreken. Daardoor +begrepen zij elkaar nauwlijks. + +Acht dagen later ontmoette Louise in hetzelfde danslokaal, waar zij +Rodolphe voor het eerst gezien had, een blonden jongen man, met wien +zij verscheidene malen danste en die haar na afloop van het bal naar +zijn kamer meenam. + +Het was een tweedejaarsstudent, die heel goed het proza van het +pleizier sprak en mooie oogen en rinkelende zakken had. + +Louise vroeg hem papier en inkt en schreef Rodolphe den volgenden +brief: + + + "Reeken niet meer op mei, ik omhels je voor het laast. Adieu. + + Louise." + + +Toen Rodolphe 's avonds bij zijn thuiskomst dien brief las, ging zijn +licht plotseling uit. + +"Kijk!" zeide hij nadenkend, "dat is de kaars, die ik den avond, dat +Louise kwam, aangestoken heb: zij moest met onze liaison sterven. Als +ik het vooruit geweten had, zou ik een langere genomen hebben," +voegde hij er half spijtig, half boos bij en hij legde het briefje +van zijn maîtresse in een lade, die hij wel eens de catacomben van +zijn liefde noemde. + +Toen Rodolphe eenigen tijd later eens bij Marcel was, raapte hij, +om zijn pijp aan te steken, een stuk papier van den grond op, waarop +hij het schrift en de orthographie van Louise herkende. + +"Ik heb een autograaf van dezelfde hand," zeide hij tot zijn vriend; +"maar er staan in den mijne twee fouten minder dan in die van +jou. Bewijst dat niet, dat zij meer van mij hield dan van jou?" + +"Dat bewijst, dat je een idioot bent!" antwoordde Marcel. "Blanke +schouders en blanke armen hebben geen grammatica van noode." + + + + + + +HOOFDSTUK IV. + +ALI-RODOLPHE, OF DE TURK TEGEN WIL EN DANK. + + +Door een ongastvrijen huisheer verbannen, leefde Rodolphe sedert +eenigen tijd in meer dwalenden toestand dan de wolken en volmaakte +zich, zoo goed hij kon, in de kunst zonder avondeten naar bed te gaan +of te soupeeren zonder naar bed te gaan. Zijn kok heette het Toeval +en hij logeerde meestal in het hotel: De Bloote Hemel. + +Twee dingen echter verlieten Rodolphe te midden van al zijn +tegenspoeden nooit: zijn goed humeur en het manuscript van +"Le Vengeur", een drama, dat een lijdensweg door alle Parijsche +schouwburgen gemaakt had. + +Op een goeden dag, toen Rodolphe ten gevolge van een al te fantastische +danse macabre naar de "nor" gebracht was, stond hij plotseling +tegenover een oom van hem, een zekeren mijnheer Monetti, kachelsmid, +rookverdrijver en sergeant bij de garde nationale, dien hij in geen +eeuwigheid gezien had. + +Geroerd door de tegenspoeden van zijn neef, beloofde oom Moretti zijn +positie te verbeteren. Wij zullen zien hoe, als de lezer tenminste +niet opziet tegen een zes verdiepingen hooge klimpartij. + +De leuning dus gepakt en naar boven. Oef! honderd vijf-en-twintig +treden. Daar zijn we eindelijk boven. Nog een stap en wij zijn in de +kamer, nog een en wij zouden er niet meer in zijn. Het is wat klein, +maar het is hoog: en verder licht en lucht en uitzicht first class. + +Het meubilair bestaat uit verschillende kachels in den vorm van een +schoorsteen, twee haarden, spaarovens (vooral wanneer je er geen +vuur in aanlegt), een dozijn aarden of ijzeren pijpen en een menigte +verwarmingstoestellen; laten we, om den inventaris te sluiten, nog +noemen, een aan twee in den muur geslagen spijkers bevestigde hangmat, +een tuinstoel met een poot eraf, een kandelaar met een afdruipglaasje +en verschillende andere kunst- en luxe voorwerpen. + +Het tweede vertrek, het balcon, wordt gedurende het mooie seizoen +door twee in potten staande dwerg-cypressen in een park veranderd. + +Op het oogenblik, dat wij binnentreden, beëindigt de bewoner van die +heerlijkheid, een jonge als een Turk uit een opéra comique gekleede +jonge man, een maaltijd, waarbij hij, zooals de aanwezigheid van een +ex-ham en een te voren volle flesch wijn verraadt, op snoode wijze +de wet van den propheet schendt. Na afloop van den maaltijd strekt de +jonge man zich op zijn Oostersch uit op den vloer en begint nonchalant +een met J. G. [10] gemerkte pijp te rooken. Terwijl hij zich geheel en +al overgaf aan deze Aziatische gelukzaligheid, streelde hij van tijd +tot tijd den rug van een prachtigen Newfoundlander, die ongetwijfeld +die liefkoozing beantwoord zou hebben, als hij niet van terra cotta +geweest was. Plotseling hoorde men op de gang geluid van stappen; +de deur ging open en een man kwam binnen, die, zonder een woord te +zeggen, recht op een der beide haarden, welke als secretaire dienst +deed, toeliep, het deurtje van den oven openmaakte en er een rol +papier uitnam, dat hij met groote aandacht ging lezen. + +"Wat?" riep de pas binnengekomene met een sterk Piemonteesch accent; +"heb je dat hoofdstuk over de luchtgaten nog niet af?" + +"Neem me niet kwalijk, oom," antwoordde de Turk, "het hoofdstuk over +de luchtgaten is een van de interessantste van uw boek en vereischt +een nauwkeurige studie. Ik ben bezig het te bestudeeren." + +"Maar, ellendeling, dat antwoordt je me iederen dag. En hoe ver ben +je met het hoofdstuk over de vulkachels?" + +"De vulkachel staat er goed voor. Maar van kachels gesproken, oom, +als u me wat hout zoudt willen geven, zou ik er niets tegen hebben. Het +is hier een klein Siberië. Ik heb het zoo koud, dat ik den thermometer +zeker beneden nul zou laten dalen alleen door er naar te kijken." + +"Wat, heb je dien heelen takkebos al opgebruikt?" + +"Neem me niet kwalijk, oom, er zijn takkebossen en takkebossen, +en de uwe was al heel klein." + +"Ik zal een kolengruisblok boven laten brengen. Dat bewaart de warmte." + +"Daarom geeft het die zeker niet." + +"Nou dan," zeide de Piemontees weggaande, "ik zal je wat talhout boven +sturen. Maar morgen moet ik mijn hoofdstuk over de vulkachels hebben." + +"Wanneer ik vuur heb, zal ik daar beter vlam voor kunnen vatten," +zeide de Turk, terwijl de Piemontees de deur aan den buitenkant sloot. + +Wanneer we een tragedie aan het schrijven waren, zou nu het oogenblik +aangebroken zijn, om den vertrouwde te laten optreden. Hij zou +Noureddin of Osman moeten heeten en op tegelijk bescheiden en +beschermende wijze onzen held moeten naderen en hem zijn geheim +ontlokken met deze verzen: + + + "Quel funeste chagrin vous occupe, seigneur? + À votre auguste front, pourquoi cette pâleur? + Allah se montre-t-il à vos desseins contraire? + Ou le farouche Ali, par un ordre sévère, + A-t-il sur d'autres bords, en apprenant vos voeux, + Éloigné la beauté qui sut charmer vos yeux?" + + +Maar wij schrijven geen tragedie, en moeten het dus, al hebben wij +eigenlijk een vertrouwde dringend noodig, zonder hem stellen. + +Onze held is niet wat hij schijnt te zijn: de tulband maakt den +Turk niet. Deze jonge man is onze vriend Rodolphe, die door zijn +oom onder dak is gebracht, voor wien hij nu een "Handboek voor den +Volmaakten Rookverdrijver" samenstelt. Mijnheer Monetti, die voor zijn +kunst zeer geestdriftig was, had al zijn vrijen tijd gewijd aan de +rookverdrijverij. Deze waardige Piemontees had voor zijn gebruik een +stelregel gevonden, die bijna een pendant van dien van Cicero vormde, +en in oogenblikken van grooten geestdrift riep hij uit: "Nascuntur poê +.... liers" [11]. Op een goeden dag was deze waardige Piemontees, tot +nut en stichting van de komende geslachten, op het denkbeeld gekomen +een theoretischen codex te formuleeren van de grondbeginselen der +kunst, in de praktische uitoefening waarvan hij uitblonk, en hij had, +zooals wij gezien hebben, zijn neef uitverkoren, om zijn diepzinnige +denkbeelden te gieten in een voor de menschheid begrijpelijken +vorm. Rodolphe werd door hem gevoed, gelegerd enz. ... en zou na de +voltooiing van het Handboek een gratificatie van honderd daalders +krijgen. + +Om zijn neef tot werken aan te sporen, had Monetti hem in de eerste +dagen edelmoedig een voorschot van vijftig francs gegeven. Maar +Rodolphe, die al in een jaar zoo'n groote som niet gezien had, +was half waanzinnig van blijdschap in gezelschap van zijn daalders +uitgegaan en bleef drie dagen onder water: den vierden kwam hij, +van de zwaarte der looddeelen bevrijd, weer boven. + +Monetti, die vurig verlangde zijn Handboek af te zien, daar hij hoopte +er een brevet voor te krijgen, was bang voor nieuwe escapades van +zijn neef. Om hem tot werken te noodzaken en hem te beletten uit te +gaan, nam hij hem zijn kleeren af en gaf hem daarvoor in de plaats +het kostuum, waarin we hem zooeven hebben aangetroffen. + +Desniettegenstaande vorderde het beroemde Handboek slechts piano +aan, daar Rodolphe te eenenmale de voor dit genre van litteratuur +vereischte eigenschappen miste. De oom wreekte zich over die trage +onverschilligheid ten opzichte der schoorsteenen door zijn neef een +aantal kwellingen te laten ondergaan. Nu eens gaf hij hem slechts +kleine maaltijden en meermalen liet hij hem zonder rooktabak. + +Op een Zondag brak Rodolphe, na bloed en inkt over het beroemde +hoofdstuk der luchtgaten gezweet te hebben, zijn pen, die hem in de +vingers brandde, in tweeën en ging een wandeling maken in zijn park. + +Maar als om hem te plagen en zijn lust nog meer te prikkelen, kon hij +nergens heen kijken, of hij zag voor ieder raam iemand zitten rooken. + +Op het vergulde balcon van een pasgebouwd huis kauwde een modegek in +een kamerjapon tusschen zijn tanden een aristocratischen panatella. Een +verdieping hooger joeg een artist den geurigen mist van Turksche tabak, +die in een pijp met barnsteenen mondstuk brandde, voor zich uit. Voor +het raam van een kroeg liet een dikke Duitscher zijn bier schuimen en +blies met mechanischen regelmaat dikke wolken uit zijn Cudmer-pijp. Op +straat kwamen zingend groepen werklieden met hun neuswarmers tusschen +de lippen voorbij. En ook alle andere voetgangers, die de straat +vulden, rookten. + +"Helaas!" zuchtte Rodolphe, "behalve ik en de schoorsteenen van mijn +oom, rookt op dit oogenblik alles in de schepping." + +En met zijn voorhoofd op het hek van het balcon geleund, overdacht +hij hoe bitter eigenlijk het leven was. + +Plotseling hoorde hij beneden zich een helderen, lang aangehouden +lach. Rodolphe boog zich wat voorover, om te zien, vanwaar die +uitbarsting van vreugde kwam, en hij bemerkte, dat hij opgemerkt was +door de bewoonster van de verdieping beneden hem: mademoiselle Sidonie, +de jeune première van het Théâtre du Luxembourg. + +Mademoiselle Sidonie kwam nu buiten op haar balcon en rolde met +Castiliaansche handigheid lichte tabak, dien zij uit een geborduurden +fluweelen tabakszak nam, in een blaadje dun papier. + +"Wat een mooie tabakszak," mompelde Rodolphe met contemplatieve +bewondering. + +"Wie is die Ali-Baba?" dacht op haar beurt mademoiselle Sidonie. + +En zij zon op een voorwendsel om een gesprek aan te knoopen met +Rodolphe, die van zijn kant niets liever wilde. + +"Lieve God!" riep mademoiselle Sidonie uit, alsof zij tegen zichzelf +sprak, "wat vervelend toch, nu heb ik geen lucifers." + +"Mademoiselle, wilt u mij toestaan u er een paar aan te bieden?" vroeg +Rodolphe, terwijl hij een paar lucifers in een papiertje wikkelde en +op het balcon liet vallen. + +"Dank u zeer!" antwoordde Sidonie, terwijl zij haar sigaret aanstak. + +"Mademoiselle ...." ging Rodolphe voort, "zou ik u in ruil voor +den kleinen dienst, dien mijn goede engel mij toegestaan heeft u te +bewijzen, u mogen vragen?..." + +"Wat! Begint hij nu al te vragen!" dacht Sidonie, terwijl zij +Rodolphe wat belangstellender opnam. "O, die Turken! Men zegt, dat zij +wispelturig zijn, maar wel gezellige menschen. Spreek mijnheer!" zeide +zij, terwijl zij naar Rodolphe opkeek; "wat wilt u?" + +"O, mademoiselle, in naam der Christelijke barmhartigheid smeek ik +u om wat tabak: in geen twee dagen heb ik gerookt. Eén pijp maar ...." + +"Met alle genoegen, mijnheer .... Maar hoe moet ik dat doen? Neem de +moeite om even een verdieping lager te komen." + +"Helaas, dat is mij niet mogelijk .... Ik ben opgesloten, maar mij +blijft nog de vrijheid om een eenvoudig middel te gebruiken." + +En hij bond zijn pijp aan een touwtje en liet haar zakken op het +balcon, waar mademoiselle Sidonie haar eigenhandig goed vol stopte, +waarna Rodolphe haar, d. w. z. de pijp, weer langzaam en voorzichtig +opheesch, wat zonder ongeval gelukte. + +"O, mademoiselle," zeide hij tot Sidonie, "wat zou die pijp mij nog +lekkerder smaken, indien ik ze aan het vuur van uw oogen had kunnen +aansteken." + +Deze aardige vleierij beleefde nu minstens haar honderdsten druk, +maar mademoiselle Sidonie vond ze desniettemin prachtig. + +"U vleit me," meende ze te moeten antwoorden. + +"Ah, mademoiselle, ik verzeker u, dat u mij even bevallig toeschijnt +als de drie Gratiën!" + +"Ali Baba is beslist zeer galant," dacht Sidonie .... "Bent u werkelijk +een Turk?" vroeg zij dan aan Rodolphe. + +"Niet uit roeping," antwoordde hij, "maar vi coactus; [12] ik ben +dramatisch auteur, madame." + +"En ik dramatische artiste," antwoordde Sidonie. + +Dan liet zij erop volgen: + +"Wilt u, waarde buurman, mij de eer aandoen bij mij te komen dineeren +en verder den avond door te brengen?" + +"Helaas, mademoiselle, hoewel deze uitnoodiging den hemel voor mij +opent, is het mij niet mogelijk haar aan te nemen. Zooals ik reeds +de eer gehad heb u te zeggen, ben ik achter slot en grendel gezet +door mijn oom, mijnheer Monetti, kachelsmid en rookverdrijver, wiens +secretaris ik op dit oogenblik ben." + +"En toch zult u met mij dineeren," antwoordde Sidonie; "let goed op: ik +ga in mijn kamer en zal tegen mijn plafond kloppen. Op de plek, waar ik +klop, moet u kijken, en u zult daar de sporen vinden van een kijkgat, +een judas, dat daar vroeger was, maar nu sedert lang dicht gespijkerd +is: tracht het stuk hout, dat het gat afsluit, te verwijderen, dan +zullen we, hoewel ieder bij ons thuis, zoo goed als samen zijn ...." + +Rodolphe zette zich dadelijk aan het werk. Na vijf minuten was er +een verbinding tusschen de twee kamers tot stand gebracht. + +"Helaas!" zeide Rodolphe; "het gat is wel klein, maar er is toch nog +altijd ruimte genoeg, om u mijn hart er doorheen te kunnen reiken." + +"En nu," zeide Sidonie, "gaan we eten. Dek bij je, dan zal ik u den +schotel geven." + +Rodolphe liet aan een touwtje zijn tulband neer en heesch die, gevuld +met eetwaren, weer op; daarna begonnen de dichter en de artiste samen, +ieder aan zijn kant, te eten. Met zijn mond verslond Rodolphe de +pastei, met zijn oogen mademoiselle Sidonie. + +"Mademoiselle!" zeide Rodolphe na afloop van het diner; "dank zij u, +is mijn maag thans bevredigd. Zoudt u niet eveneens den geeuwhonger +van mijn hart, dat reeds zoo lang gevast heeft, willen stillen?" + +"Arme jongen!" zuchtte Sidonie. + +Dit zeggende, klom zij op een stoel en bracht tot aan de lippen van +Rodolphe haar hand, die deze met kussen bedekte. + +"Ach!" riep de jonge man uit; "hoe jammer dat u niet kunt doen als +de Heilige Dionysius, die het recht had zijn hoofd in zijn handen +te dragen." + +Na het diner ontspon zich een erotisch-litterair gesprek. Rodolphe +sprak over zijn "Vengeur" en mademoiselle vroeg hem haar het stuk +voor te lezen. Over den rand van het gat gebogen, begon Rodolphe +zijn drama voor te dragen voor de actrice, die, om beter te kunnen +hooren, was gaan zitten op een fauteuil, welken zij op haar commode +gezet had. Mademoiselle Sidonie vond "Le Vengeur" een meesterstuk +en beloofde, daar zij in den schouwburg, waaraan zij verbonden was, +tevens de eerste viool speelde, Rodolphe, dat zij zou zorgen, dat +zijn stuk zou worden aangenomen. + +Juist op het teederste oogenblik werd het gesprek gestoord door oom +Monetti, wiens stap, licht als die van den commandeur, [13] op den +corridor klonk. Rodolphe had nog slechts juist den tijd, om den judas +te sluiten. + +"Daar!" zeide Monetti tot zijn neef, "hier heb je een brief, die je +nu al een maand achterna loopt." + +"Laat eens zien!" zeide Rodolphe. "Oom!" riep hij na het lezen +uit; "oom, ik ben rijk! Deze brief meldt me, dat ik een prijs van +driehonderd francs gekregen heb van een Académie de Jeux floraux. [14] +Geef me gauw mijn jas en mijn bagage. Ik wil mijn lauweren gaan +plukken. Men wacht mij op het Capitool!" + +"En mijn hoofdstuk over de luchtgaten?" vroeg Monetti koud. + +"Maar oom, die trekken nu niet meer! Geef me mijn kleeren. Ik kan in +dit costuum niet op straat komen ...." + +"Je gaat niet weg voor mijn Handboek af is," zeide zijn oom, terwijl +hij Rodolphe weer achter slot en grendel sloot. + +Toen hij weer alleen was, aarzelde Rodolphe niet lang over wat hem +te doen stond .... Hij bond een beddelaken, dat hij handig in een +touwladder gemetamorphoseerd had, stevig aan zijn balcon en liet +zich ondanks het gevaarlijke van de expeditie, met behulp van dien +geïmproviseerden ladder op het balcon van mademoiselle Sidonie zakken. + +"Wie is daar?" riep deze uit, toen zij Rodolphe tegen de ruiten +hoorde tikken. + +"Sstt!" antwoordde hij; "doe open ...." + +"Wat wilt u? Wie bent u?" + +"Hoe kunt ge dat nog vragen? Ik ben de dichter van Le Vengeur, +en ik kom mijn hart halen, dat ik door den judas in uw kamer heb +laten vallen." + +"Rampzalige!" zeide de actrice; "je hadt dood kunnen vallen!" + +"Luister, Sidonie ...." ging Rodolphe voort en liet haar den brief +zien, dien hij pas gekregen had. "Zooals je ziet, lachen de fortuin +en de roem mij toe .... Moge de liefde dat ook doen!" + + + +Den volgenden ochtend kon Rodolphe, dank zij een heerencostuum, +dat Sidonie hem gegeven had, uit het huis van zijn oom ontsnappen +.... Zijn eerste tocht was naar den vertegenwoordiger der Académie +des Jeux floraux, om een gouden hondsroos in ontvangst te nemen ter +waarde van honderd daalders, die bijna zoo lang leefden als de rozen +plegen te leven. + +Een maand later kreeg mijnheer Monetti van zijn neef een uitnoodiging +voor de première van "Le Vengeur". Dank zij het talent van mademoiselle +Sidonie beleefde het stuk zeventien voorstellingen en bracht den +schrijver veertig francs op. + +Eenigen tijd later--het was toen zomer--woonde Rodolphe in de Avenue +Saint-Cloud, boom No. 3 links van het Bois de Boulogne, tak No. 5. + + + + + + +HOOFDSTUK V. + +DE CAROLUSDAALDER. + + +Tegen het einde van December kreeg het personeel van de firma Bidault +[15] een honderd uitnoodigingsbrieven te bezorgen, waarvan hier een +trouwe en eensluidende copie volgt: + + + "Mijnheer, + + De heeren Rodolphe en Marcel verzoeken u hun de eer te bewijzen + Zaterdag a. s., den dag vòòr Kerstmis, den avond bij hen door te + brengen. Er zal gelachen worden. + + P.S. Wij leven slechts eens in deze wereld!!" + + +Programma van het feest. + + +Zeven uur: Opening der salons; levendig en geanimeerd discours. + +Acht uur: Entrée en wandeling door de salons van de geestige auteurs +van de door het Odéon geweigerde comédie: "De barende berg." + +Acht en een half uur: "De invloed van het blauw in de kunsten", +nabootsende symphonie, voor te dragen door den beroemden +pianist-componist Alexandre Schaunard. + +Negen uur: Eerste lezing van de verhandeling over de afschaffing van +de straf van het treurspel. + +Negen en een half uur: Dispuut tusschen den hyperphysischen wijsgeer +Gustave Colline en mijnheer Alexandre Schaunard over vergelijkende +philosophie en meta-politiek. Om iedere lichamelijke botsing tusschen +de twee tegenstanders te vermijden, worden ze beiden vastgebonden. + +Tien uur: De heer Tristan, letterkundige, zal zijn eerste liefde +vertellen. Alexandre Schaunard zal hem daarbij op den piano begeleiden. + +Tien en een half uur: Tweede lezing van de verhandeling over de +afschaffing van de straf van het treurspel. + +Elf uur: Voordracht over een jacht op casuarissen door een +buitenlandschen prins. + + +Tweede Deel. + + +Twaalf uur: Marcel, historieschilder, zal zich laten blinddoeken, en +met krijt de ontmoeting van Napoleon en Voltaire in de Champs-Elysées +op het doek improviseeren. Rodolphe zal eveneens een parallel +improviseeren tusschen den schepper van "Zaïre" en dien van den slag +bij Austerlitz. + +Twaalf en een half uur: Nabootsing van de athletische spelen der 4de +Olympiade door Gustave Colline in een kuisch déshabillé. + +Een uur: Derde lezing van de verhandeling over de afschaffing van de +straf van het treurspel en collecte ten bate van de tragische dichters, +die in de toekomst broodeloos zullen zijn. + +Twee uur: Begin der gezelschapspelen en samenstelling der quadrilles, +die tot in den ochtend zullen worden voortgezet. + +Zes uur! Zonsopgang en slotkoor. + +Gedurende den geheelen duur van het feest zullen de ventilatoren +werken. + +N. B. Ieder, die verzen zal willen lezen of voordragen, wordt +onmiddellijk uit de salons verwijderd en aan de politie overgeleverd; +men wordt ook verzocht geen stukjes kaars mede te nemen." + +Twee dagen later circuleerden exemplaren van dien brief in de onderste +lagen der litteratuur- en kunstwereld, en veroorzaakten daar niet +weinig opzien. + +Onder de genoodigden waren er echter eenigen, die de door de beide +vrienden voorgespiegelde heerlijkheden in twijfel trokken. + +"Ik vertrouw het zaakje niet heelemaal," zeide een van die twijfelaars; +"ik ben een paar maal op de Woensdagen van Rodolphe in de Rue de la +Tour-d'Auvergne geweest, je kon er onmogelijk zitten en je dronk er een +weinig gefiltreerd water uit bij elkaar gescharrelde potten en pannen." + +"Ditmaal," zeide een ander, "moet het echter bittere ernst zijn. Marcel +heeft mij een plan van het heele feest laten zien, en dat belooft +een magisch effect." + +"Komen er ook dames?" + +"Zeker Phémie Klad heeft gevraagd koningin van het feest te mogen +zijn en Schaunard zal dames uit de groote wereld medebrengen." + +De oorsprong van dit feest, dat een zoo groote beroering in de +Bohème-wereld, die aan gene zijde van de bruggen woont, veroorzaakte, +was in het kort als volgt. Een jaar geleden ongeveer hadden Marcel en +Rodolphe dit schitterende galafeest aangekondigd, dat steeds Zaterdag +aanstaande moest plaats hebben; doch ten gevolge van allerlei moeilijke +omstandigheden hadden zij reeds twee-en-vijftig maal dat "aanstaande" +moeten verzetten, zoodat het eindelijk zoo ver gekomen was, dat de +beide vrienden hun neus niet buiten de deur konden steken, zonder een +stekelige opmerking te hooren van hun vrienden, waarvan er sommigen +zelfs indiscreet genoeg waren om krachtig tegen zoo'n manier van doen +te protesteeren. Daar de zaak langzamerhand op een fopperij begon te +lijken, besloten de beide vrienden er een eind aan te maken, door zich +van de verplichtingen, die zij op zich genomen hadden, te kwijten, +en hadden zij derhalve de boven vermelde uitnoodiging verzonden. + +"Nu kunnen we niet meer terug," had Rodolphe gezegd; "we hebben onze +schepen achter ons verbrand; we hebben nu nog acht dagen voor ons om +de honderd francs te vinden, die we, om een dragelijk figuur te maken, +beslist noodig hebben." + +"Als we ze noodig hebben, zullen we ze wel krijgen ook," was Marcels +antwoord geweest. En met het verwaten vertrouwen, dat zij hadden +in het toeval, sliepen de twee vrienden in, vast overtuigd, dat hun +honderd francs reeds op weg waren: den weg van het onmogelijke. + +Doch toen den Donderdagavond voor het feest nog niets gearriveerd was, +vond Rodolphe, dat het toch maar veiliger was het toeval een handje +te helpen, wilden zij niet met beschaamde kaken staan, wanneer het +uur sloeg om de kaarsen aan te steken. Voor het gemak wijzigden de +beide vrienden langzamerhand de overdadige weelde van het door hen +ontworpen programma. + +Door die verschillende wijzigingen, o. a. het schrappen van het +artikel: Gebak, het zorgvuldig herzien en verminderen van het artikel: +Ververschingen, werd het totaal der onkosten tot vijftien francs +teruggebracht. + +Daarmede was het vraagstuk echter wel eenvoudiger gemaakt, doch +niet opgelost. + +"Maar," zeide Rodolphe, "nu moeten we tot de uiterste middelen +overgaan. We kunnen ditmaal in geen geval weer den datum verzetten." + +"Beslist onmogelijk." + +"Wanneer heb ik het laatst het verhaal van den slag bij Studzianka +[16] gehoord?" + +"Een paar maanden geleden." + +"Twee maanden, prachtig, dat is een fatsoenlijke termijn; mijn oom +kan zich waarachtig niet beklagen. Ik zal me morgen dan den slag +bij Studzianka maar weer eens laten vertellen. Dat is vijf francs, +die zeker binnenkomen." + +"En ik," zeide Marcel, "zal een Burchtruïne aan den ouden Médicis +gaan verkoopen. Dat maakt ook vijf francs en als ik tijd heb, om er +nog drie torentjes en een molen bij te kladden, misschien wel tien; +dan zijn we aan ons budget." + +En de twee vrienden gingen slapen en droomden, dat de prinses van +Belgiojoso hun verzocht hun ontvangdagen te verzetten, om haar haar +meest geziene gasten niet te ontnemen. + +Den volgenden ochtend stond Marcel vroeg op, spande een nieuw doek +en begon met ijver aan den bouw van een Burchtruïne, een artikel, +dat hem steeds door een antiquiteiten-schacheraar op de place du +Carrousel gevraagd werd. Intusschen ging Rodolphe een bezoek brengen +aan zijn oom Monetti, die een matador was in het verhalen van den +terugtocht uit Rusland, en aan wien Rodolphe vijf of zes maal per +jaar, n.l. wanneer de geldnood erg nijpte, de voldoening schonk +zijn veldtochten te vertellen in ruil voor een leening van wat geld, +waartoe de veteraan-kachelsmid-rookverdrijver wel over te halen was, +indien men bij het luisteren naar zijn verhalen slechts veel geestdrift +wist te toonen. + +Tegen twee uur ontmoette Marcel, die met gebogen hoofd en een doek +onder zijn arm op de place du Carrousel liep, daar Rodolphe, die van +zijn oom kwam; zijn geheele houding wees op slechte berichten. + +"Nou," zeide Marcel; "ben je geslaagd?" + +"Neen, mijn oom is vandaag het museum in Versailles gaan kijken. En +jij?" + +"Die schaapskop van een Médicis wil geen Burchtruïnes meer; hij heeft +me een Bombardement van Tanger gevraagd." + +"Onze reputatie is naar de maan, als we ons feest niet geven," +mompelde Rodolphe. "Wat moet onze vriend, de invloedrijke criticus, +wel denken, als ik hem voor niets een witte das en gele handschoenen +laat aantrekken?" + +Ten prooi aan groote onrust gingen zij beiden naar het atelier terug. + +Op dat oogenblik sloeg het op de pendule van een buurman vier uur. + +"Wij hebben nog maar drie uur voor ons," zeide Rodolphe. + +"Maar," riep Marcel, terwijl hij vlak bij zijn vriend kwam staan, +"ben je er wel zeker van, dat er hier geen geld over is?...." + +"Noch hier, noch elders. Waar zou dat saldo vandaan moeten komen?" + +"Als we eens onder de meubels zochten .... in de fauteuils? Men +beweert immers, dat de emigranten ten tijde van Robespierre hun geld +verstopten. Wie weet!... Onze fauteuil is misschien het eigendom van +een emigrant geweest; en bovendien is hij zòò hard, dat ik al eens +meer gedacht heb, dat er metalen in zitten ... zouden we niet eens +tot een lijkschouwing overgaan?" + +"Dat is iets voor een klucht," antwoordde Rodolphe op een toon, +waarin tegelijk ernst en toegeeflijkheid lag. + +Plotseling stiet Marcel, die zijn opgravingen in alle hoeken van het +atelier had voortgezet, een luiden triomfkreet uit. + +"Wij zijn gered!" riep hij uit; "ik wist wel, dat hier geldswaarde +verborgen lag. Kijk maar!" en hij liet Rodolphe een geldstuk zien, +zoo groot als een daalder en half verteerd door roest en kopergroen. + +Het was een munt uit het tijdvak der Karolingers en niet zonder eenige +kunstwaarde. Op het gelukkigerwijze gespaard gebleven inschrift kon +men het jaartal van Karel den Groote lezen. + +"Dat ding is nauwlijks dertig sous waard," zeide Rodolphe met een +minachtenden blik op de vondst van zijn vriend. + +"Dertig sous, goed gebruikt, kunnen veel uitwerken," antwoordde +Marcel. "Met twaalfhonderd man heeft Napoleon tienduizend Oostenrijkers +verslagen. Handigheid weegt tegen het getal op. Ik ga dadelijk den +Carolusdaalder bij den ouden Médicis wisselen. Is er hier nog niet iets +verkoopbaars? Waarachtig, als ik het gipsafgietsel van het scheenbeen +van Jaconowski, den Russischen tamboer-majoor, eens meenam? Dat zou +heel wat in het laadje brengen." + +"Neem het scheenbeen maar mee. Maar prettig is het allesbehalve. We +hebben nu geen enkel kunstvoorwerp meer over." + +Tijdens Marcels afwezigheid ging Rodolphe, vast besloten de soirée, +het mocht kosten wat het wilde, te geven, naar zijn vriend Colline, +den hyperphysischen wijsgeer, die vlak in de buurt woonde. + +"Ik kom je verzoeken," zeide hij tegen hem, "mij een dienst te +bewijzen. In mijn qualiteit van gastheer moet ik beslist een rok +hebben, en .... ik heb er geen .... leen me de jouwe ...." + +"Maar," merkte Colline op, "in mijn qualiteit van gast heb ik mijn +rok ook noodig." + +"Ik sta je toe in gekleede jas te komen." + +"Ik heb nooit een gekleede jas gehad, dat weet je even goed als ik." + +"Enfin, luister eens, we kunnen ook op een andere manier de zaak in +orde brengen; jij zoudt niet op mijn soirée kunnen verschijnen en me +je rok leenen." + +"Het is wel beroerd, maar dat gaat niet; ik sta op het programma en +kan dus niet ontbreken." + +"Er zal nog heel wat meer ontbreken," zeide Rodolphe. "Leen me je +rok, en wanneer je beslist komen wilt, kom dan, zooals je het zelf +het beste vindt.... voor mijn part in je hemdsmouwen .... dan kan je +voor een trouwen dienaar doorgaan ..." + +"Dat gaat niet," zeide Colline blozend. "Ik zal mijn notenkleurige +paletot aantrekken. Maar het heele zaakje is per slot van rekening +een beroerde boel." + +En toen hij merkte, dat Rodolphe zich reeds van zijn beroemde rok +meester gemaakt had, riep hij tegen hem: + +"Maar wacht toch even .... Er zitten nog een paar kleinigheden in." + +De rok van Colline is een nadere beschouwing waard. In de eerste plaats +was die rok volmaakt groen, en alleen uit gewoonte sprak Colline +van zijn zwarte rok. En daar hij op dat oogenblik de eenige van de +geheele troep was, die een rok bezat, hadden ook zijn vrienden de +gewoonte aangenomen, om, wanneer zij van het officieele kleedingstuk +van den wijsgeer spraken, zich te bedienen van de uitdrukking: de +zwarte rok van Colline. Bovendien had dat beroemde kleedingstuk een +zeer bijzonderen vorm, den meest bizarren, dien men zich denken kan: +de zeer lange panden zaten n.l. aan een zeer korte taille en hadden +twee zakken, ware afgronden, waarin Colline gewoon was een paar dozijn +boeken, die hij altijd en eeuwig bij zich had, te bergen, wat zijn +vrienden deed zeggen, dat de schrijvers en geleerden in den tijd, dat +de bibliotheken gesloten waren, inlichtingen konden gaan inwinnen in +de panden van Colline's rok, een bibliotheek, die steeds geopend was. + +Bij uitzondering bevatte Colline's rok dien dag slechts een quarto-deel +van Bayle, een verhandeling over hyperphysische krachten in drie +deelen, een deel Condillac, twee deelen Swedenborg en Pope's "Essai +over den mensch." Eerst toen hij zijn zak-bibliotheek had leeggeruimd, +stond hij Rodolphe toe den rok aan te trekken. + +"Hè," zeide deze, "de linkerzak is nog aardig zwaar; je hebt er zeker +nog iets in gelaten." + +"Dat is waar ook," zeide Colline, "ik heb vergeten den +vreemde-talen-zak leeg te maken." En hij haalde er twee Arabische +grammatica's uit, een Maleisch woordenboek en een "Volmaakte +veedrijver" in het Chineesch, zijn geliefkoosde lectuur. + +Toen Rodolphe weer thuis kwam, was Marcel met drie vijf francstukken +aan het schijfwerpen. Het eerste oogenblik stiet Rodolphe de hand, +die zijn vriend hem toestak, weg: hij geloofde aan een misdaad. + +"Laten we ons haasten," zeide Marcel .... "We hebben de benoodigde +francs bijeen... Luister, hoe ik eraan gekomen ben: Bij den ouden +Médicis trof ik een verzamelaar van antiquiteiten aan. Toen hij mijn +munt zag, viel hij bijna flauw: dat was de eenige, die nog aan zijn +collectie ontbrak. Hij had al in alle landen laten zoeken, om die +leemte aan te vullen, en had reeds alle hoop op succes verloren. Hij +aarzelde, toen hij mijn Carolusdaalder goed bekeken had, dan ook geen +oogenblik om mij vijf francs te bieden. Médicis stiet mij met zijn +elleboog aan, zijn blik vulde de rest aan. Hij wilde daarmede zeggen: +"Laten we de buit samen deelen, dan bied ik hooger!" We zijn tot dertig +francs gekomen. Daarvan heb ik er vijftien aan den Jood gegeven, en +hier is de rest. Nu kunnen onze gasten komen; wij zijn nu in staat +om hun oogen te verblinden. Maar hoe kom jij aan dien rok?" + +"O," zeide Rodolphe, "dien heb ik van Colline geleend." En toen hij +zijn zakdoek uit zijn zak wilde halen, liet hij een klein deeltje +Mandsjoesch vallen, dat in den vreemde-talen-zak was blijven zitten. + +De beide vrienden gingen nu dadelijk aan het werk. Het atelier werd +in orde gebracht, de kachel aangemaakt; een met kaarsen voorziene +schilderijlijst hingen ze bij wijze van kroonluchter aan den zolder; +een bureau, dat als katheder voor de sprekers dienst moest doen, +werd midden in het atelier geplaatst; daarvoor zetten zij hun eenigen +fauteuil, waarop de invloedrijke criticus moest zitten, terwijl zij op +een tafel alle aanwezige boeken: romans, gedichten en feuilletons, +waarvan de schrijvers de soirée met hun tegenwoordigheid zouden +vereeren, neerlegden. Ten einde alle mogelijke botsingen tusschen +de verschillende variëteiten letterkundigen te vermijden, was het +atelier verdeeld in vier afdeelingen, aan den ingang waarvan men op +inderhaast vervaardigde borden lezen kon: + + + Dichters Romantici + Prozaschrijvers Classici + + +Voor de dames was een ruimte in het midden vrijgelaten. + +"Alles is in orde, maar er ontbreken stoelen," zeide Rodolphe. + +"O," antwoordde Marcel, "er staan er verscheidene op het trapportaal, +maar die staan vast aan den muur. Als we die eens los maakten!" + +"Dat zal wel dienen," meende Rodolphe, terwijl hij zich meester ging +maken van de stoelen, die aan den een of anderen buurman behoorden. + +Het sloeg zes uur; de twee vrienden gingen vlug dineeren en kwamen weer +gauw terug, om met de verlichting der salons te beginnen. Om zeven +uur kwam Schaunard, vergezeld door drie dames, die haar diamanten +en hoeden bij vergissing thuis gelaten hadden. Een van haar had een +rooden omslagdoek met zwarte vlekken om. Schaunard maakte Rodolphe +op haar speciaal opmerkzaam. + +"Dat is een echte vrouw van de wereld," zeide hij, "een Engelsche, +die door den val der Stuarts in ballingschap is moeten gaan; zij +leeft zeer eenvoudig en bescheiden van wat haar Engelsche lessen haar +opbrengen. Haar vader is onder Cromwell kanselier geweest, zooals +zij mij verteld heeft; je moet beleefd tegen haar zijn en haar niet +te veel tutoyeeren." + +Inmiddels lieten zich op de trap talrijke stappen hooren--de gasten +kwamen; zij waren erg verbaasd, toen zij vuur in den kachel zagen. + +Rodolphe's rok ging de dames tegemoet en kuste haar met +achttiende-eeuwsche gratie de hand; toen er ongeveer twintig gasten +waren, vroeg Schaunard, of er nog niets rondgediend moest worden. + +"Dadelijk," antwoordde Marcel; "we wachten op de komst van den +invloedrijken criticus, om den punch aan te steken." + +Om acht uur waren alle genoodigden aanwezig, waarna een aanvang met +het programma gemaakt werd. Tusschen de verschillende nummers werden +er ververschingen aangeboden; wat, daar is men nooit precies achter +kunnen komen. + +Tegen tien uur zag men het gele vest van den invloedrijken criticus +verschijnen; hij bleef maar een uur en was matig in het gebruik der +"ververschingen". + +Toen er tegen middernacht geen hout meer was en het aardig koud begon +te worden, lootten de gasten, die zaten, wie zijn stoel in het vuur +zou werpen. + +Om een uur stond iedereen. + +Toch bleef er onder de gasten een aangename, opgewekte stemming +heerschen. Er viel geen enkel ongeval te betreuren, behalve een +winkelhaak in den vreemde-talen-zak van Colline's rok en een klap, +dien Schaunard aan de dochter van den kanselier van Cromwell toediende. + +Acht dagen lang was deze gedenkwaardige soirée het onderwerp van +gesprek in het stadsdeel; en Phémie Klad, die de koningin van het feest +geweest was, placht, wanneer zij er met haar vriendinnen over sprak, +te zeggen: + +"Het was er prachtig; er waren zelfs waskaarsen." + + + + + + +HOOFDSTUK VI. + +MADEMOISELLE MUSETTE. + + +Mademoiselle Musette was een knap meisje van twintig jaar, die kort +na haar komst te Parijs dat geworden was, wat knappe meisjes worden, +wanneer zij een mooie taille, veel coquetterie, een weinig eerzucht +en in het geheel geen orthographie bezitten. Nadat zij langen tijd de +vreugde had uitgemaakt der soupers van het Quartier Latin, waar zij +met altijd frissche, hoewel niet steeds zuivere stem een groot aantal +landelijke liedjes zong, die haar den naam gaven, waaronder de beste +rijmsmeden haar sedert gevierd hebben, verliet mademoiselle Musette +plotseling de Rue de la Harpe, om de aan Venus gewijde hoogten van +het Quartier Bréda te gaan bewonen. + +Al heel spoedig werd zij een der toonaangeefsters van de aristocratie +van het genot en langzamerhand kwam zij tot die beroemdheid, welke +daarin bestaat, dat men in de Parijsche couranten genoemd wordt of +bij alle kunsthandelaars uitgestald staat. + +En toch was mademoiselle Musette een uitzondering onder de vrouwen, +in wier midden zij leefde. Evenals alle ware vrouwen was zij van nature +elegant en dichterlijk en hield zij van luxe en van alle genietingen, +die daarvan het gevolg zijn; in haar coquetterie had zij een gloeiend +verlangen naar al wat mooi en voornaam was, en zij zou, hoewel zij +een dochter uit het volk was, volstrekt niet misplaatst geweest zijn +te midden van de koninklijkste pracht en pronk. Doch mademoiselle +Musette, die zelf jong en knap was, zou er nooit in toegestemd hebben +de maîtresse te worden van een man, die niet eveneens jong en knap +zou zijn. Men had haar dan ook eens de prachtige aanbiedingen hooren +weigeren van een grijsaard, die zoo rijk was, dat hij de Croesus van +de Chaussée-d'Antin genoemd werd, en aan Musette gouden bergen beloofd +had. Intelligent en geestig als zij was, kon zij evenmin dwazen en +fatten uitstaan, hoe ook hun leeftijd, hun titel en hun naam was. + +Musette was dus een flink, knap meisje, dat in liefdesaangelegenheden +de helft van Champforts beroemd aphorisme: "De liefde is de +uitwisseling van twee phantasieën" tot het hare maakte. [17] +Haar liaisons werden dan ook nooit voorafgegaan door een van die +schandelijke koopcontracten, welke de tegenwoordige galanterie +onteeren. Zij speelde, zooals zij zelf zeide, altijd een eerlijk en +open spel, en eischte, dat men haar oprechtheid met dezelfde munt +terugbetaalde. + +Maar al waren haar neigingen heftig en spontaan, toch waren +zij nooit duurzaam genoeg, om te stijgen tot de hoogte van een +hartstocht. De buitensporige onbestendigheid van haar grillen +en de groote onverschilligheid, die zij had voor de beurzen en +spaarpenningen van hen, die haar het hof maakten, brachten een even +buitensporige onbestendigheid in haar bestaan, dat een eeuwigdurende +wisseling was tusschen eigen equipage en omnibus, tusschen bel-étage +en vijfde verdieping, zijden japonnen en katoenen rokjes. Bekoorlijk +meisje, levend gedicht van jeugd met uw helderen lach en vroolijk +lied! Medelijdend hart, dat onder het even-geopende boezemlijfje +voor iedereen klopt! mademoiselle Musette, zuster van Bernerette en +Mimi Pinson! [18] Ik zou de pen van Alfred de Musset moeten hebben, +om uw zorgelooze zwerftochten op de bloeiende paden der jeugd naar +waarde te verhalen; en zeker zou hij u ook hebben willen bezingen, +indien hij, evenals ik, u met uw lieve, valsche stem dit ongekunstelde +couplet uit een van uw lievelingsliederen had hooren voordragen: + + + C'était un beau jour de printemps + Que je me déclarai l'amant, + L'amant d'une brunette + Au coeur de Cupidon, + Portant fine cornette + Posée en papillon. + + +De geschiedenis, die wij nu gaan vertellen, is een der bekoorlijkste +episoden uit het leven van deze bekoorlijke gelukzoekster, die zich +aan het oordeel der wereld al heel weinig gelegen liet. + +Ten tijde, dat zij de maîtresse was van een jongen staatsraad, die +haar galant den sleutel van zijn erfdeel in handen gegeven had, placht +mademoiselle Musette eens per week een soirée te geven in haar aardig +klein salonnetje in de rue de la Bruyère. Deze avondpartijen geleken +op de meeste Parijsche soirées, met dit verschil, dat de gasten zich +hier werkelijk amuseerden; wanneer er niet genoeg ruimte was, ging de +een op den schoot van den ander zitten; en meermalen gebeurde het, +dat twee uit hetzelfde glas dronken. Rodolphe, die de vriend van +Musette was en die nooit iets anders dan haar vriend was (zij hebben +geen van beiden ooit geweten, waarom), vroeg Musette op een goeden +dag, of hij zijn vriend Marcel niet eens mocht medebrengen--"een +talentvollen jongen", zeide hij, "voor wien de toekomst bezig is een +rok van de Académie te borduren." + +"Breng hem maar mee," antwoordde Musette. + +Den avond nu, dat zij samen naar Musette zouden gaan, ging Rodolphe +Marcel afhalen. De kunstenaar was bezig zijn toilet te maken. + +"Wat?" vroeg Rodolphe, "wil jij met een gekleurd overhemd in gezelschap +verschijnen?" + +"Kwetst dat dan de etiquette?" zeide Marcel kalm. + +"Of het die kwetst? Tot bloedens toe, ongelukkige." + +"Bliksems!" vloekte Marcel met een blik op zijn overhemd, waar op +een blauwen achtergrond wilde zwijnen door een troep honden vervolgd +werden; "ik heb hier geen ander. Enfin, ik weet er niets anders op +dan dat ik een vadermoorder aantrek; niemand zal dan de kleur van +mijn overhemd zien, daar ik Methusalem tot mijn hals kan toeknoopen." + +"Wat?" zeide Rodolphe ongerust, "trek je Methusalem weer aan?" + +"Ik moet wel!" was Marcels antwoord. "God wil het, en mijn kleermaker +ook; trouwens er zijn pas nieuwe knoopen aangezet, en ik heb hem pas +met Frankfurter zwart opgeknapt." + +Methusalem was de rok van Marcel; hij noemde dien zoo, omdat het de +doyen van zijn garde-robe was. Methusalem was naar de laatste mode +van vier jaar geleden en schreeuwend groen van kleur. Marcel echter +beweerde, dat hij er bij kunstlicht zwart uitzag. + +Vijf minuten later was Marcel met zijn toilet klaar; hij was met +den meest volkomen slechten smaak gekleed: precies een kladschilder, +die voor het eerst in de wereld gaat. + +Mijnheer Casimir Bonjour zal den dag, waarop men hem zal komen +vertellen, dat hij tot lid van het Instituut gekozen is, nooit zoo +verwonderd kunnen zijn als Marcel en Rodolphe waren, toen zij bij +het huis van mademoiselle Musette kwamen. Ziehier de reden van hun +verbazing: mademoiselle Musette, die sedert eenigen tijd met haar +vriend den staatsraad gebrouilleerd was, was op een zeer kritiek +oogenblik door hem in den steek gelaten. In opdracht van haar +schuldeischers en van haar huisbaas waren haar meubels in beslag +genomen en naar beneden gebracht, om den volgenden dag weggehaald en +verkocht te worden. Niettegenstaande dit incident kwam het in Musette +geen oogenblik op haar gasten in den steek te laten of de soirée +af te zeggen. Met den meesten ernst liet zij de binnenplaats in een +salon veranderen, legde zelf een tapijt op de steenen, maakte alles +zooals gewoonlijk in orde, kleedde zich om haar gasten te ontvangen +en noodigde al de medebewoners van het huis op haar klein feestje, ter +opluistering waarvan de goede God voor een mooie illuminatie zorgde. + +Deze grap had een groot succes, nooit had er op de soirées van Musette +zoo'n prettige en opgewekte toon geheerscht; er werd nog gezongen +en gedanst, toen de witkielen de meubels, tapijten en divans kwamen +halen en daardoor het gezelschap noodzaakten weg te gaan. + +Musette deed al haar gasten uitgeleide met het gezang: + + + "On en parlera longtemps, la ri ra, + De ma soirée de jeudi; + On en parlera longtemps, la ri ri." + + +Slechts Marcel en Rodolphe bleven bij Musette, die naar haar kamer +gegaan was, waar alleen het bed nog maar stond. + +"Hè," zeide Musette; "ik vind nu mijn avontuur lang zoo aardig niet +meer; ik zal in het hotel De Bloote Hemel moeten gaan logeeren; +ik ken het heel goed, het kan er zoo gemeen tochten." + +"O, mevrouw," zeide Marcel, "als ik de rijkdommen van Plutus bezat, dan +zou ik u een tempel, schooner dan die van Salomo, aanbieden, maar ..." + +"Ge zijt geen Plutus, vriendlief. Maar dat is minder, ik ben je toch +dankbaar voor je goede bedoeling .... Maar kom!" voegde zij eraan +toe, terwijl zij haar blik door de kamer liet gaan; "ik verveelde me +hier, en bovendien werd het meubilair oud; ik heb het nu al bijna zes +maanden. Maar dat is niet alles; na het bal wordt er toch gesoupeerd, +en ik zou graag wat consumeeren." + +"Laten we dan consou-peeren," zeide Marcel, die aan een +woordspelingziekte leed, welke vooral in de ochtenduren zich deed +gelden. + +Daar Rodolphe 's avonds bij het lansquenetspel een klein sommetje +gewonnen had, nam hij Musette en Marcel mede naar een restaurant, +dat juist geopend was. + +Na het déjeuner besloten zij, daar zij volstrekt geen lust hadden te +gaan slapen, den dag in het vrije veld te gaan doorbrengen; en daar +zij vlak bij een station waren, stapten zij in den eersten den besten +trein, die vertrok, en reden naar Saint-Germain. + +Den geheelen dag liepen zij door de bosschen; eerst tegen zeven uur +in den avond kwamen zij in Parijs terug. Marcel hield stok en stijf +vol, dat het pas half een en de donkerte het gevolg van de bedekte +lucht was. + +Gedurende de geheele soirée en de rest van den dag was Marcel, wiens +hart als buskruit was, dat een enkele blik deed ontbranden, steeds +verliefder geworden op Musette en had haar het hof gemaakt "in alle +kleuren", zooals hij tegen Rodolphe zeide. Ja, hij was zelfs zoo ver +gekomen, dat hij het knappe meisje had voorgesteld een nog mooier +meubilair voor haar te koopen dan het oude; hij zou er zijn beroemde +schilderij "De doortocht door de Roode Zee" voor verkoopen. Met +angst en beven zag hij dan ook het oogenblik naderen, waarop hij zou +moeten scheiden van Musette, die, hoewel zij zich haar handen, hals +en toebehooren liet kussen, hem telkens, wanneer hij door middel van +inbraak in haar hart trachtte te dringen, zachtjes van zich af stiet. + +Zoodra zij in Parijs terug waren, had Rodolphe zijn vriend met +het jonge meisje alleen gelaten, dat hem nu vroeg haar naar huis +te brengen. + +"Wilt u mij toestaan, dat ik u kom bezoeken?" vroeg Marcel. "Ik zou +graag uw portret schilderen." + +"Maar beste jongen," antwoordde Musette; "ik kan je mijn adres niet +geven, omdat ik dat morgen misschien niet meer heb; maar ik zal bij +jou komen en je rok verstellen, waar zoo'n gat in zit, dat je er, +zonder betalen, door zoudt kunnen verhuizen." + +"Ik zal op u wachten als op den Messias," zeide Marcel. + +"Maar niet zoo lang," was Musette's lachend antwoord. + +"Wat een bekoorlijk schepseltje," zeide Marcel tot zichzelf, terwijl +hij langzaam verder liep; "de godin der vroolijkheid. Ik zal twee +gaten in Methusalem maken." + +Hij was nog geen dertig pas verder, toen hij zich op zijn schouder +voelde kloppen: het was mademoiselle Musette. + +"Beste mijnheer Marcel!" zeide zij; "is u een Fransch ridder?" + +"Dat ben ik. Rubens en mijn dame, luidt mijn devies." + +"Welnu, leen dan het oor aan mijn kommer en erbarm u mijner, edele +heer," ging Musette verder, die een weinig in de litteratuur bedreven +was, hoewel zij met de grammatica op zeer gespannen voet leefde; +"de huisbaas heeft den sleutel van mijn kamer meegenomen, en het is +elf uur: begrijp je?" + +"Natuurlijk," zeide Marcel en bood Musette zijn arm aan. Hij nam haar +mede naar zijn op den Quai aux Fleurs gelegen atelier. + +Hoewel Musette bijna omviel van slaap, had zij toch nog kracht genoeg +om te zeggen: + +"Vergeet niet, wat je me beloofd hebt." + +"O Musette, bekoorlijk wezen," zeide de artist met eenigszins ontroerde +stem; "ge zijt hier onder een gastvrij dak; slaap in vrede, goeden +nacht! Ik ga heen." + +"Waarom?" vroeg Musette, wier oogen bijna dicht vielen; "ik ben +heusch niet bang; en dan zijn er toch twee kamers, ik zal op je canapé +gaan slapen." + +"Mijn canapé is te hard, om erop te slapen; het lijkt wel, of hij +met keisteenen opgemaakt is. Ik verleen u gastvrijheid bij mij en +ga die vragen aan een vriend, die hier op dezelfde verdieping woont +.... dat is verstandiger. Ik houd gewoonlijk wel mijn woord; maar ik +ben twee-en-twintig en gij achttien, Musette .... ik ga. Goeden nacht." + +Den volgenden ochtend om acht uur kwam Marcel met een bloempot, dien +hij op de markt gekocht had, weer op zijn kamer. Hij vond Musette, +die zich geheel gekleed op bed geworpen had, nog slapende. Door het +leven, dat hij maakte, werd zij wakker en stak Marcel haar hand toe. + +"Brave jongen!" zeide zij. + +"Brave jongen!" herhaalde Marcel, "is dat niet synoniem met: +belachelijke dwaas?" + +"O, hoe kan je dat zeggen!" viel Musette hem in de rede; "dat is +niets aardig van je; geef me liever dien mooien pot met bloemen, +in plaats van dergelijke onaardige dingen naar mijn hoofd te werpen." + +"Alleen met dat doel heb ik hem hier gebracht," zeide Marcel. "Aanvaard +hem dus en zing, als dank voor mijn gastvrijheid, een van je aardige +liedjes voor mij; de echo van mijn dakkamertje zal misschien iets van +uw stem bewaren, zoodat ik u nog kan hooren, wanneer ge weer weg zijt." + +"Zoo, dus je wilt me wegsturen?" vroeg Musette. "En als ik nu eens niet +weg wil? Luister eens, Marcel, ik neem geen blaadje voor mijn mond, om +te zeggen wat ik denk. Jij valt in mijn smaak en ik in den jouwe. Dat +is nog geen liefde, maar het is er misschien de kiem van. Welnu, ik +ga niet weg; ik blijf hier en zal hier blijven zoolang als de bloemen, +die je me daarnet gegeven hebt, niet verwelkt zijn." + +"Ach!" riep Marcel uit, "maar dat zijn ze binnen twee dagen. Had ik +dat geweten, dan had ik immortellen gekocht." + + + +Veertien dagen woonden Musette en Marcel al samen en leidden, +hoewel zij dikwijls zonder geld zaten, het heerlijkste leven der +wereld. Musette voelde voor Marcel een toegenegenheid, die niets +gemeen had met haar vroegere verliefdheden, en Marcel begon bang te +worden, dat hij werkelijk van zijn maîtresse zou gaan houden. Daar +hij echter niet wist, dat zij harerzijds hetzelfde vreesde, keek hij +iederen ochtend naar de bloemen, wier afsterven het einde van hun +liaison zou beteekenen, en trachtte hij zich te verklaren, hoe zij +iederen morgen opnieuw weer zoo frisch waren. Doch weldra vond hij den +sleutel van het mysterie: toen hij op een goeden nacht wakker werd, +zag hij Musette niet naast zich. Hij stond op, liep naar de kamer +en vond daar zijn geliefde, die iederen nacht tijdens zijn slaap de +bloemen begoot, om op die manier het verwelken tegen te gaan. + + + + + + +HOOFDSTUK VII. + +DE GOLVEN VAN DEN PACTOLUS. [19] + + +Het was 19 Maart .... En al zou Rodolphe zoo oud worden als +Raoul-Rochette, die Ninive heeft zien bouwen, nooit zal hij dien +datum vergeten, want juist op dien aan St. Joseph gewijden dag, des +namiddags om drie uur verliet onze vriend het kantoor van een bankier, +waar hij een som van vijfhonderd francs in klinkenden, gangbaren munt +uitbetaald gekregen had. + +Het eerste gebruik, dat Rodolphe van dit in zijn zak terecht gekomen +stukje van Peru maakte, bestond hierin, dat hij zijn schulden niet +betaalde, en wel omdat hij zichzelf plechtig beloofd had voortaan +spaarzaamheid te betrachten en geen extra- of overbodige uitgaven +te doen. Hij had trouwens op dit punt zeer vaststaande denkbeelden +en beweerde dan ook, dat men, alvorens te denken aan het overbodige, +eerst voor het noodzakelijke zorgen moest; daarom betaalde hij zijn +schuldeischers niet en kocht een Turksche pijp, die reeds sedert lang +zijn begeerte had opgewekt. + +Met dit kostbare voorwerp gewapend, ging hij naar de woning van zijn +vriend Marcel, bij wien hij reeds sedert eenigen tijd logeerde. Toen +hij het atelier binnenkwam, luidden zijn zakken als de klokken van +een dorpstoren op een hoogen feestdag. Toen Marcel dit ongewone +geluid hoorde, dacht hij, dat het een van zijn buurlieden was, een +verwoed beurs-speculant, die zijn agio-winst de revue liet passeeren, +en hij mompelde: + +"Daar begint die intrigant van hiernaast weer met zijn epigrammen. Als +dat nog lang zoo duurt, ga ik verhuizen. Het is niet mogelijk onder +zoo'n lawaai te werken. Je zoudt waarachtig lust krijgen, om de kunst +aan den kapstok te hangen en straatroover te worden." + +En zonder in de verste verte te vermoeden, dat zijn vriend Rodolphe +in een Croesus veranderd was, ging Marcel verder werken aan zijn +"Doortocht door de Roode Zee," waaraan hij nu al drie jaar bezig was. + +Rodolphe, die nog geen woord gezegd had en een proef bedacht, die +hij met zijn vriend wilde nemen, zeide tot zichzelf: "We zullen +dadelijk lachen, dat zal een jolige boel worden." En hij liet een +vijffrancstuk vallen. + +Marcel keek op en staarde Rodolphe aan, die even ernstig was als een +artikel uit de "Revue des deux Mondes". + +De kunstenaar raapte het geldstuk met een zeer voldaan gebaar op +en bereidde het een zeer vriendelijke ontvangst, want, hoewel hij +een kleurenmenger was, kende hij toch zijn wereld en was steeds +zeer beleefd tegenover vreemdelingen. Daar hij bovendien wist, dat +Rodolphe uitgegaan was, om te trachten wat geld te krijgen, beperkte +hij, nu hij zag, dat zijn vriend daarin geslaagd was, zich ertoe het +resultaat te bewonderen, zonder hem te vragen met behulp van welke +middelen het verkregen was. + +Zonder een woord te zeggen, begon hij weer aan zijn werk en ging voort +een Egyptenaar in de golven der Roode Zee te verdrinken. Terwijl hij +bezig was dien moord te plegen, liet Rodolphe een tweede vijffrancstuk +vallen. En terwijl hij heimelijk keek naar het gezicht, dat zijn +vriend zou trekken, begon hij in zijn vuistje te lachen. + +Bij den helderen klank van het metaal sprong Marcel als door een +electrischen schok getroffen, plotseling op en riep uit: + +"Wat? Heeft dat lied een tweede couplet?" + +Een derde stuk rolde over den vloer, toen nog een en nog een; ten +slotte danste er een heele quadrille daalders in de kamer rond. + +Marcel begon zichtbare teekenen van zinsverbijstering te geven en +Rodolphe lachte als het parterre van het Théâtre Français bij de +eerste opvoering van "Johanna van Vlaanderen". Plotseling en zonder +eenige omzichtigheid greep Rodolphe met volle handen in zijn zakken +en begonnen de daalders een fabelachtigen steeple chase. Het was als +een overstrooming van den Pactolus, als het bacchanaal van Juppiter +bij Danaë. + +Marcel stond onbeweeglijk, stom, met starre oogen; de verbazing +veroorzaakte bij hem een metamorphose, als die, welke de +nieuwsgierigheid vroeger de vrouw van Loth had doen ondergaan; en +toen Rodolphe zijn laatste rol van honderd francs op den grond smeet, +was de artist aan een kant van zijn lichaam reeds geheel verzout. + +Rodolphe stond nog steeds te lachen. En bij die stormachtige +vroolijkheid zou het gedonder van een orkest van Sax [20] zoo iets +als het gezucht van een kind aan de moederborst geweest zijn. + +Verblind, ademloos en verstomd van ontroering dacht Marcel, dat hij +droomde; en om de nachtmerrie, die zijn borst benauwde, te verjagen, +beet hij zich tot bloedens toe in zijn vinger, wat hem zoo'n pijn +deed, dat hij het uitschreeuwde. Toen merkte hij, dat hij klaar +wakker was; en al dat goud aan zijn voeten ziende, riep hij als een +treurspelheld uit: + +"Mag ik mijn oogen gelooven?" + +En dan de hand van Rodolphe in de zijne nemend: + +"Geef mij de verklaring van dit mysterie!" + +"Als ik die gaf, zou het er geen meer zijn!" + +"Maar hoe dan....?" + +"Dit goud is de vrucht van mijn zweet," zeide Rodolphe, terwijl hij +het geld opraapte, dat hij op een tafel opstapelde! Dan ging hij een +paar stappen achteruit, keek met eerbied naar de vijfhonderd francs +en dacht: + +"Nu zal ik dus mijn droomen kunnen verwezenlijken." + +"Dat zal niet ver van de zesduizend francs af zijn," dacht op zijn +beurt Marcel met een blik op de daalders, die op de tafel stonden te +trillen. "Daar kom ik op een goed idée. Ik zal Rodolphe vragen mijn +"Doortocht door de Roode Zee" te koopen!" + +Plotseling nam Rodolphe een theatrale houding aan en met groote +plechtigheid in gebaar en stem zeide hij: + +"Luister eens, Marcel; het fortuin, dat ik hier voor uw oogen heb +laten schitteren, is niet het resultaat van lage handelingen, ik heb +niet met mijn pen gesjacherd, ik ben rijk, maar op mijn naam kleeft +geen smet; een edelmoedige hand heeft mij dat goud gegeven, en ik +heb een plechtige belofte afgelegd, om het te gebruiken ten einde +mij door mijn werk een positie te verschaffen, die een ernstig man +waardig is. De arbeid is de heiligste der plichten." + +"En het paard het edelste der dieren," viel Marcel hem in de +rede. "Maar waar wil je eigenlijk heen? Wat bedoel je met die +woorden? Waar haal je dat proza vandaan? Zeker uit de steengroeven +der school van het gezond verstand?" + +"Val mij niet in de rede en scheid uit met je flauwe spotternijen," +zeide Rodolphe; "zij zouden trouwens toch afstuiten op het harnas +van een onkwetsbaren wil, waarmede ik in het vervolg gepantserd ben." + +"Nou is de proloog lang genoeg. Waar wou je eigenlijk op neer komen?" + +"Luister naar mijn plannen: Gevrijwaard tegen de materieele zorgen +des levens, wil ik ernstig aan het werk gaan; ik zal mijn meesterwerk +voltooien en mij voor goed naam maken. In de eerste plaats breek ik +met de Bohème-manieren, ik kleed mij zooals iedereen, koop een rok en +ga de salons frequenteeren. Indien je denzelfden weg bewandelen wilt, +zullen we samen kunnen blijven wonen, maar je zult mijn programma +moeten aanvaarden. De strengste spaarzaamheid zal ons bestaan moeten +beheerschen. Wanneer wij goed onze maatregelen weten te nemen, kunnen +we drie maanden ongestoord en onbekommerd werken. Maar daarvoor is +oeconomie noodig." + +"Beste vriend," zeide Marcel, "de oeconomie is een wetenschap, +die alleen onder het bereik van de rijken valt, zoodat jij en ik er +zelfs de grondbeginselen niet van kennen. Maar met een uitgave van +zes francs zouden wij de werken kunnen koopen van Jean-Baptiste Say, +een uitstekend oeconoom, die ons misschien de manier, om die kunst +praktisch te beoefenen, zal kunnen leeren... Maar wat zie ik, heb je +daar een Turksche pijp?" + +"Ja," zeide Rodolphe: "die heb ik voor vijf-en-twintig francs gekocht." + +"Wat, jij geeft vijf-en-twintig francs uit voor een pijp .... en +durft dan nog van oeconomie te praten?" + +"Dat is zeer zeker oeconomie," antwoordde Rodolphe; "ik brak iederen +dag een pijp van twee sous; aan het eind van een jaar maakt dat een +uitgave, die heel wat grooter is dan die, welke ik nu gedaan heb +.... Het is dus in werkelijkheid een besparing." + +"Waarachtig," zeide Marcel; "je hebt gelijk, daar zou ik nooit op +gekomen zijn." + +Op dat oogenblik sloeg het zes uur. + +"Laten we nu gauw gaan dineeren," zeide Rodolphe; "ik wil vanavond nog +met de uitvoering van mijn plan beginnen. Maar van eten gesproken, +daar valt me iets in: wij verliezen iederen dag kostbaren tijd met +het klaarmaken van ons diner. De tijd echter is de rijkdom van den +arbeider, wij moeten er dus zuinig mede zijn. Met vandaag te beginnen +gaan we buitenshuis eten." + +"Uitstekend," zeide Marcel; "twintig pas hier vandaan is een uitstekend +restaurant; het is er wel een beetje duur; maar daar het vlak bij is, +behoeven we niet ver te loopen en verdienen we aan tijd wat we aan +geld uitgeven." + +"Vandaag zullen we nog gaan," zeide Rodolphe; "maar morgen of +overmorgen zullen we nog oeconomischer maatregelen toepassen .... In +plaats van naar een restaurant te gaan, zullen we een keukenmeid +nemen." + +"Neen, neen!" viel Marcel hem in de rede; "laten we liever een knecht +nemen, die tevens voor kok fungeeren kan. Bedenk eens welke groote +voordeelen daaruit zullen kunnen voortvloeien. In de eerste plaats zal +ons huishouden steeds in orde zijn: hij kan onze schoenen poetsen, +mijn penseelen uitwasschen, onze boodschappen doen; ik zal zelfs +probeeren hem wat smaak voor de schoone kunsten bij te brengen, +dan kan hij mijn leerling worden. Op die manier sparen we met ons +beiden per dag minstens zes uur uit, die we nu besteden aan allerlei +onnoodige bezigheden, welke ons in ons werk hinderen." + +"Wacht even!" zeide Rodolphe; "ik heb nog een ander idée .... maar +laten we eerst gaan dineeren!" + +Vijf minuten later zaten de beide vrienden in een der kamertjes van +het naburige restaurant en zetten daar hun oeconomisch debat voort. + +"Weet je wat mijn idée is?" waagde Rodolphe op te merken; "wat zou +je ervan zeggen, als we in plaats van een knecht een maîtresse nemen?" + +"Een maîtresse voor twee man!" viel Marcel verbaasd uit; "dat zou +de gierigheid tot in het verkwistende drijven zijn; wij zouden onze +spaarduiten gebruiken, om messen en andere moordwerktuigen te koopen, +waarmede we elkaar te lijf zouden gaan. Neen, ik prefereer een knecht; +bovendien staat dat deftig ook!" + +"Je hebt gelijk," zeide Rodolphe; "wij zullen een intelligenten jongen +nemen; en als hij eenig begrip van orthographie heeft, zal ik hem +leeren redigeeren." + +"Dat zal dan een bron van inkomsten voor hem zijn op zijn ouden dag," +zeide Marcel, terwijl hij de rekening, die vijftien francs bedroeg, +optelde. "Jongens, dat is vrij duur. Gewoonlijk dineerden wij voor +dertig sous samen." + +"Dat is zoo," vond Rodolphe, "maar we dineerden slecht en waren +daardoor genoodzaakt 's avonds weer te soupeeren. Goed beschouwd is +het dus een besparing." + +"Tegen jou valt niet te redeneeren," mompelde de schilder, door die +redeneering overtuigd; "jij hebt altijd gelijk. Gaan we vanavond +werken?" + +"Waarachtig niet. Ik ga naar mijn oom; dat is een brave kerel, ik zal +hem op de hoogte brengen van mijn nieuwe positie, hij zal me goeden +raad kunnen geven. En waar ga jij heen, Marcel?" + +"Ik ga den ouden Médicis vragen, of hij geen schilderijen voor mij +te restaureeren heeft. A propos, geef mij even vijf francs." + +"Waarvoor?" + +"Ik wil over den Pont des Arts gaan." + +"O, dat is een onnoodige uitgave, die, ook al is zij niet zoo heel +groot, toch met onze principes in strijd is." + +"Ik heb ongelijk, het is zoo," antwoordde Marcel; "ik zal over den +Pont Neuf gaan .... maar dan neem ik een rijtuig." + +De twee vrienden namen afscheid en sloegen ieder een verschillenden +weg in, die door een zonderlingen samenloop van omstandigheden hen +beiden op dezelfde plaats terugbracht. + +"Zoo, heb je je oom niet thuis gevonden?" vroeg Marcel. + +"En was de oude Médicis er niet?" was Rodolphe's wedervraag. + +En zij barstten in lachen uit. + +Toch gingen zij op een vroeg uur naar huis terug ... den volgenden +ochtend namelijk. + +Twee dagen later hadden Rodolphe en Marcel een volledige metamorphose +ondergaan. Beiden gekleed als pasgehuwden, waren zij zoo mooi, +zoo schitterend, zoo elegant, dat zij, wanneer zij elkaar op straat +tegenkwamen, aarzelden elkaar te herkennen. + +Hun oeconomisch stelsel werkte in al zijn kracht, de organisatie van +het werk kwam echter slechts met groote moeite tot stand. Zij hadden +een knecht gehuurd. Het was een lange slungel van vier-en-dertig jaar +en Zwitsersche afkomst en niet al te groote intelligentie. Bovendien +was hij niet voor knecht in de wieg gelegd; wanneer een van zijn +heeren hem een eenigszins groot pakket te bezorgen gaf, kreeg +Baptiste een kleur van verontwaardiging en liet de boodschap +door een witkiel doen. Maar Baptiste had ook goede eigenschappen: +wanneer men hem bijv. een haas gaf, kon hij daarvan zoo noodig een +hazenpeper maken. Ook had hij, daar hij, alvorens knecht te worden, +destillateur geweest was, een groote voorliefde voor die kunst gehouden +en ontstal hij een groot deel van den tijd, dien hij voor zijn meesters +moest gebruiken, aan het zoeken naar de samenstelling van een nieuw +wondmiddel, waaraan hij zijn naam wilde geven. Verder had hij het +ver gebracht in het maken van notenbrandewijn. Maar de kunst, waarin +Baptiste door niemand geëvenaard werd, was die om de sigaren van Marcel +op te rooken en ze aan te steken met de manuscripten van Rodolphe. + +Op een goeden dag wilde Marcel Baptiste in het costuum van Pharao voor +zijn "Doortocht door de Roode Zee" laten poseeren. Baptiste weigerde +dit beslist en zeide zijn dienst op. + +"Goed," zeide Marcel; "we zullen vanavond afrekenen." + +Toen Rodolphe thuis kwam, zeide zijn vriend tegen hem, dat Baptiste +beslist weggezonden moest worden. + +"Wij hebben absoluut geen nut van hem," zeide hij. + +"Dat is zoo," antwoordde Rodolphe; "hij is een levend kunstvoorwerp." + +"Hij is zoo dom als het achtereind van een koe." + +"En lui!" + +"Hij moet weg." + +"Laten we hem wegsturen!" + +"Toch heeft hij eenige goede eigenschappen. Hij kan heel lekker +hazenpeper maken." + +"En notenbrandewijn dan. Hij is de Raphaël van den notenbrandewijn." + +"Zeker, maar dat is ook het eenige, waarvoor hij deugt, en dat is +voor ons niet voldoende. Wij verliezen al onzen tijd door al die +discussies met hem." + +"Hij hindert ons in ons werk." + +"Het is zijn schuld, dat ik mijn "Doortocht door de Roode Zee" nog +niet heb kunnen tentoonstellen. Hij heeft geweigerd om voor Pharao +te poseeren." + +"En door hem heb ik het werk, dat mij opgedragen was, niet kunnen +afmaken. Hij heeft geweigerd, om in de bibliotheek de aanteekeningen, +die ik noodig had, te gaan halen." + +"Hij ruïneert ons." + +"We kunnen hem beslist niet houden." + +"Laten we hem dan wegzenden .... Maar eerst moeten we hem betalen." + +"Wij zullen hem betalen, maar weg moet hij! Geef me geld, dan zal ik +met hem afrekenen." + +"Wat, geld! Ik houd toch de kas niet, maar jij!" + +"Geen quaestie van, jij! Jij hebt je met de generale intendantuur +belast," zeide Rodolphe. + +"Maar ik geef je de heilige verzekering, dat ik geen geld heb!" riep +Marcel uit. + +"Zou al het geld nou al op zijn? Dat is onmogelijk! Je kan geen +vijfhonderd francs in acht dagen uitgeven, vooral wanneer je, +zooals wij, met de grootste spaarzaamheid geleefd hebt en je je tot +het strikt noodzakelijke beperkt (Tot het strikt overbodige had hij +moeten zeggen.). Wij moeten de rekeningen even verifieeren, dan zullen +we de fout wel vinden." + +"Ja, die wel," zeide Marcel, "maar niet het geld. Maar dat hindert +minder, we kunnen toch het uitgaven-boekje wel even doorloopen." + +Ziehier het specimen van die boekhouding, welke onder de auspiciën +van Sancta Oeconomica begonnen was. + +"19 Maart. Ontvangen: 500 francs. Uitgegeven: een Turksche pijp, +25 francs; diner, 15 francs; diversen, 40 francs." + +"Wat zijn dat voor uitgaven?" vroeg Rodolphe aan Marcel, die las. + +"Dat weet je wel," antwoordde deze, "dat is de avond, dat we 's +morgens pas thuis gekomen zijn. Trouwens daardoor hebben we vuur en +licht gespaard." + +"Verder." + +"20 Maart. Dejeuner, 1 fr. 50; tabak 20 cent; diner, 2 fr.; een +monocle, 2 fr. 50. Die monocle is voor jouw rekening. Waarvoor hadt +je een monocle noodig? Je mankeert niets aan je oogen." + +"Je weet heel goed, dat ik voor de Echarpe d'Iris een verslag over +de schilderijen-tentoonstelling moest maken; en zonder monocle +kan je geen schilderijen beoordeelen; dat was een gerechtvaardigde +uitgave. Verder? ...." + +"Een wandelstok ..." + +"O, die is voor jouw rekening," zeide Rodolphe. "Je hadt geen +wandelstok noodig." + +"Dat is alles, wat den 20sten uitgegeven is," zeide Marcel, die +op Rodolphe's uitval niet inging. "Den 21sten hebben we in de stad +geluncht, gedineerd en gesoupeerd." + +"Dan hebben we dien dag toch niet veel uit kunnen geven?" + +"Inderdaad slechts een kleinigheid .... Bijna dertig francs." + +"Maar waaraan toch in hemelsnaam?" + +"Dat weet ik niet meer," antwoordde Marcel; "maar het staat onder de +rubriek: Diversen." + +"Dat is een heel vage en verraderlijke titel," riep Rodolphe. + +"22 Maart. Dat was de dag, waarop Baptiste in dienst gekomen is; +we hebben hem een voorschot van 5 francs op zijn loon gegeven; voor +een draaiorgel 50 centimes; voor den afkoop van vier Chineesche +boerenjongens, die door hun ouders, ongelooflijke drankorgels en +doordraaiers, tot verdrinking in de Gele Rivier gedoemd waren, +2 fr. 40 c." + +"Lieve Hemel," zeide Rodolphe, "verklaar mij toch eens de +tegenstelling, die in dit artikel op te merken is. Als je aan +draaiorgels geeft, waarom scheldt je dan op die doordraaiers en +drankorgels van ouders. En waar was het noodig voor geld voor die +Chineesche boerenjongens uit te geven? Als het nu nog boerenjongens +op brandewijn geweest waren!" + +"Ik ben nu eenmaal grootmoedig geboren," antwoordde Marcel. "Doch +lees jij nu eens verder. Tot nu toe zijn we niet veel van het +spaarzaamheidsprincipe afgeweken." + +"23 Maart. Niets. 24 Maart. Idem. Dat zijn twee goede dagen, 25 +Maart. Een voorschot van 3 francs op het loon van Baptiste." + +"Het schijnt, dat we hem nog al veel voorschot gegeven hebben," +zeide Marcel. + +"Des te minder hebben we hem dan nu uit te betalen," antwoordde +Rodolphe. "Ga verder." + +"26 Maart. Verschillende, uit een oogpunt van kunst nuttige uitgaven, +36 fr. 40 c." + +"Wat hebben we dan voor nuttigs gekocht?" vroeg Rodolphe; "ik herinner +me er niets van. 36 fr. 40 c., wat kan dat zijn?" + +"Herinner je je dat niet?... Dat is de dag, waarop wij de Notre-Dame +beklommen hebben, om Parijs in vogelvlucht te zien." + +"Maar dat kost toch niet meer dan acht sous," dacht Rodolphe. + +"Ja, maar toen we weer beneden waren, zijn we in St. Germain gaan +dineeren." + +"Dan is de zaak duidelijk." + +"27 Maart: Niets!" + +"Prachtig! Dat is nu eens spaarzaam!" + +"28 Maart. Voorschot aan Baptiste, 6 fr." + +"O, nu ben ik er zeker van, dat we hem niets meer te betalen +hebben. Het is zelfs niet onmogelijk, dat hij ons nog wat schuldig +is .... Enfin, dat zal ik wel eens narekenen." + +"29 Maart. Waarachtig, op 29 Maart hebben we niets uitgegeven. Er +staat het begin van een preek voor in de plaats. 30 Maart. Juist, toen +hadden we menschen te dineeren; een groote uitgave: 30 fr. 55c. Den +31sten, dit is vandaag, hebben we nog niets uitgegeven. Je ziet dus, +dat de boekhouding zeer nauwkeurig geweest is. Het totaal bedraagt +op geen stukken na 500 francs." + +"Dan moet er nog geld in kas zijn." + +"We zullen zien," zeide Marcel, terwijl hij een lade opentrok. "Neen, +er is niets meer, alleen een spin." + +"Een spin op den morgen brengt kommer en zorgen," merkte Rodolphe op. + +"Maar waar kan al dat geld gebleven zijn?" vroeg Marcel, +terneergeslagen bij het zien van de ledige kas. + +"Vraag je dat nog?" zeide Rodolphe. "Dat is nogal eenvoudig: we hebben +het aan Baptiste gegeven." + +"Wat is dat?" riep Marcel uit, die in de lade een stuk papier vond. "De +rekening voor het laatste kwartaal huur!" + +"Hoe is die hier gekomen?" vroeg Rodolphe. + +"En gequiteerd ook!" voegde Marcel eraan toe. "Heb jij huur betaald?" + +"Ik? Loop nou rond!" + +"Maar wat beteekent dan?" + +"Maar ik bezweer je ...." + +"Wat is dan dit mysterie?" zongen zij in koor op de melodie der finale +van La Dame Blanche. + +Baptiste, die graag muziek hoorde, kwam dadelijk aanloopen. + +Marcel liet hem de quitantie zien. + +"O ja, dat is waar ook!" zeide Baptiste langs zijn neus weg; "dat had +ik nog vergeten te zeggen. De huisbaas is hier geweest, toen jullie +uit waren, en om hem de moeite te besparen terug te moeten komen, +heb ik hem maar betaald." + +"Waar heb je dat geld vandaan gehaald?" + +"O, ik heb het uit de la genomen, die stond open; ik dacht, dat de +heeren die juist daarom open hadden laten staan, en ik zei zoo tegen +mezelvers; De heeren hebben, toen ze uit gingen, vergeten te zeggen: +"Baptiste, de huisbaas zal zijn huur komen halen, je moet hem betalen;" +en toen heb ik gedaan, alsof ik dat bevel gekregen had, zonder het +bevel gekregen te hebben." + +"Baptiste," zeide Marcel, ziedend van woede, "je hebt onze bevelen +overtreden. Van af heden ben je uit onzen dienst ontslagen. Baptiste, +geef je livrei terug." + +Baptiste nam zijn wasdoeken pet, waaruit zijn heele uniform bestond, +af en gaf die aan Marcel. + +"Goed," zeide deze; "je kunt gaan ..." + +"En mijn loon?" + +"Ben je soms niet erg lekker? Je hebt al meer gekregen dan we je +schuldig zijn. Ik heb je in nog geen veertien dagen veertien francs +gegeven. Wat doe je met al dat geld? Mainteneer je soms een danseres?" + +"Op het slappe koord," voegde Rodolphe eraan toe. + +"Ik sta dus alleen op de wereld," zeide de ongelukkige knecht; +"zonder iets, waarop ik mijn hoofd kan nederleggen!" + +"Neem dan je livrei maar terug," antwoordde Marcel, ondanks zichzelf +aangedaan. + +En hij gaf de pet aan Baptiste terug. + +"En toch heeft die ongelukkige ons fortuin verkwist," zeide Rodolphe, +toen hij den armen Baptiste zag weggaan. "Waar dineeren we vandaag?" + +"Dat zullen we morgen weten," antwoordde Marcel. + + + + + + +HOOFDSTUK VIII. + +WAT EEN VIJFFRANCSSTUK KOST. + + +Op een Zaterdagavond in den tijd, dat hij nog niet met mademoiselle +Mimi "was", met wie we weldra kennis zullen maken, leerde Rodolphe +aan zijn table-d'hôte een handelaarster in mode-artikelen, +mademoiselle Laure geheeten, kennen. Toen zij gehoord had, dat +Rodolphe hoofdredacteur van de Echarpe d'Iris en van den Castor, +twee modebladen, was, begon zij, in de hoop, dat hij reclame voor +haar artikelen zou maken, op vrij in het oog loopende wijze met hem +te coquetteeren. Op die uitdagingen had Rodolphe geantwoord met een +vuurwerk van galante complimentjes, die Benserade, Voiture en alle +Ruggieri's van den precieusen stijl jaloersch gemaakt zouden hebben; +en toen zij na afloop van het diner vernam, dat Rodolphe dichter was, +gaf zij hem heel duidelijk te verstaan, dat zij niet ongeneigd was +hem als haar Petrarca aan te nemen. Zelfs stond zij hem zonder veel +omhaal van woorden een rendez-vous voor den volgenden dag toe. + +"Bij Juppiter!" zeide Rodolphe tot zichzelf, toen hij +mademoiselle Laure naar huis bracht, "dat is beslist een beminlijke +persoonlijkheid. Het lijkt wel, dat zij over een voldoende grammatica +en een rijk voorziene garde-robe beschikt. Ik ben werkelijk wel +geneigd haar gelukkig te maken." + +Toen zij bij de deur van haar huis gekomen was, liet mademoiselle +Laure den arm van Rodolphe los en dankte hem hartelijk voor de moeite, +die hij zich getroost had, om haar naar een zoo afgelegen stadswijk +te brengen. + +"O, madame," antwoordde Rodolphe met een buiging, waarbij zijn gezicht +op den grond kwam, "ik wilde, dat u te Moskou of op de Sunda-eilanden +woonde, alleen om nog langer uw cavalier te kunnen zijn!" + +"Dat is wel wat erg ver!" antwoordde Laure gemaakt. + +"We zouden over de boulevards gegaan zijn, madame," zeide Rodolphe. "En +sta mij toe, u, in den persoon van uw wang, de hand te kussen," +vervolgde hij, terwijl hij Laure, voor zij het verhinderen kon, +een kus op de lippen drukte. + +"O, mijnheer," kirde zij, "dat gaat te vlug." + +"Ja, maar dan bereik ik ook eerder mijn doel," zeide Rodolphe. "In +de liefde moeten de eerste afstanden in galop worden afgelegd." + +"Een type!" dacht de modiste, terwijl zij naar binnen ging. + +"Een allerliefst persoonlijkheidje," zeide Rodolphe, toen hij naar +huis wandelde. + +Zoodra hij op zijn kamer was, ging hij naar bed en droomde de zoetste +droomen. Hij zag zich op bals, in de schouwburgen en op wandelplaatsen +met Laure aan zijn arm, die nog mooiere japonnen dan die, welke in +de sprookjes van Moeder de Gans voorkomen, aan had. + +Volgens zijn gewoonte stond Rodolphe den volgenden dag om elf uur +op. Zijn eerste gedachte was voor mademoiselle Laure. + +"Een heel beschaafde vrouw," mompelde hij. "Ik ben er zeker van, +dat zij te Saint-Denis is opgevoed. Ik zal dus eindelijk het geluk +leeren kennen een maîtresse te bezitten, die er warmpjes in zit. Ik +moet mij offers voor haar getroosten. Ik zal dus mijn geld aan de +Echarpe d'Iris gaan halen, een paar handschoenen koopen en met Laure +gaan dineeren in een restaurant, waar ze servetten geven. Mijn rok +is wel niet heel mooi meer, maar zwart kleedt toch altijd goed!" + +En hij ging naar het bureau van de Echarpe d'Iris. + +Op straat zag hij echter in den omnibus groote affiches met de woorden: + + + "Heden, Zondag, springen de waterwerken te Versailles." + + +Het inslaan van den bliksem vlak voor zijn voeten zou op Rodolphe +geen dieperen indruk gemaakt hebben dan het zien van dat affiche. + +"Het is vandaag Zondag! Dat was ik heelemaal vergeten!" riep hij +uit. "Dan krijg ik nergens geld vandaag. Zondag! Alles wat in Parijs +daalders heeft, is al op weg naar Versailles." + +Desniettemin liep Rodolphe, voortgedreven door een van die fabelachtige +verwachtingen, waaraan de mensch zich steeds vastklampt, zoo snel als +zijn beenen hem dragen konden, naar het bureau van zijn blad. Misschien +zou een gelukkig toeval den kassier daar gebracht hebben. + +Mijnheer Boniface was er inderdaad geweest, doch onmiddellijk weer +vertrokken. + +"Hij is naar Versailles," zeide de loopjongen. + +"Dat is verkeken," zeide Rodolphe.... "Maar wacht eens even. Het +rendez-vous is vanavond pas. Het is nu twaalf uur, ik heb dus nog +vijf uur om vijf francs te vinden--dat is twintig sous per uur, +net als de paarden in het Bois de Boulogne. En nu voorwaarts marsch!" + +Daar hij juist in het stadsdeel was, waar een journalist woonde, +dien hij den invloedrijken criticus noemde, besloot hij bij dezen +een poging te wagen. + +"Ik vind hem zeker thuis," zeide hij, terwijl hij de trap opliep; +"het is vandaag zijn feuilletondag, dus gaat hij niet uit. Ik zal +van hem vijf francs leenen." + +"Ha, ben jij het!" zeide de criticus, toen hij Rodolphe zag, "je komt +als geroepen; ik heb je een kleinen dienst te vragen." + +"Dat treft prachtig!" dacht de redacteur van de Echarpe d'Iris. + +"Was je gisteren in den Odéon?" + +"Daar ben ik altijd!" + +"Je hebt dus het nieuwe stuk gezien?" + +"Wie zou het anders gezien hebben? Het publiek van den Odéon ben ik!" + +"Dat is waar ook," zeide de criticus. "Je bent een der steunpilaren +van dien schouwburg. Er loopt zelfs een gerucht, dat je subsidie +geeft. Doch om op de zaak terug te komen, kan je me geen overzicht +van het nieuwe stuk geven?" + +"Niets makkelijker dan dat. Ik heb het geheugen van een schuldeischer." + +"Van wien was het stuk?" vroeg de journalist aan Rodolphe, terwijl +deze aan het schrijven was. + +"Van een mijnheer." + +"Dan zal het geen sterk stuk zijn." + +"In geen geval zoo sterk als een Turk." + +"Dan is het ook niet sterk. Want de Turken hebben geheel ten onrechte +den naam van sterk te zijn. Zij zouden hier nog niet eens voor +schoorsteenvegers deugen." + +"En waarom niet?" + +"Omdat alle schoorsteenvegers Savoyaards zijn, en alle Savoyaards +weer Auvergners, en alle Auvergners weer kruiers zijn. En bovendien +zijn er geen Turken meer, behalve op de bals masqués in de voorsteden +en op de Champs Elysées, waar zij dadels verkoopen. De Turk is een +vooroordeel. Een van mijn vrienden kent het Oosten heel goed en die +heeft me verzekerd, dat al de onderdanen van die natie geboren zijn +in de rue Coquenard." + +"Alleraardigst!" + +"Vind je?" vroeg de criticus. "Dan zet ik het in mijn feuilleton." + +"Hier heb je de analyse van het stuk," zeide Rodolphe. "Gauw gedaan, +wat?" + +"Dat wel, maar het is verduiveld kort." + +"Wanneer je er wat gedachtenstreepjes bij zet en je kritische opinie +ontwikkelt, neemt het plaats genoeg in." + +"Daar heb ik geen tijd voor, mijn waarde, en bovendien beslaat mijn +kritische meening zooveel plaats niet." + +"Dan zet je er om de drie woorden een adjectief bij." + +"Zou je aan de analyse niet een korte, of liever een lange beschouwing +over het stuk kunnen vasthechten?" vroeg de criticus. + +"Och," zeide Rodolphe, "ik heb wel mijn bepaalde ideeën over de +tragedie, maar ik waarschuw je, dat ik ze al driemaal in den Castor +en in de Echarpe d'Iris heb laten afdrukken." + +"Dat is minder; hoeveel regels beslaan je ideeën?" + +"Veertig regels." + +"Bliksems, jij hebt groote ideeën! Nou, wil je me je veertig regels +leenen?" + +"Prachtig!" dacht Rodolphe. "Als ik hem voor twintig francs copie +lever, zal hij mij geen vijf francs kunnen weigeren. Ik moet je +echter eerlijk bekennen," zeide hij vervolgens tot den criticus, "dat +mijn denkbeelden niet bepaald nieuw zijn. Zij zijn aan den elleboog +een beetje doorgesleten. Voor ik ze liet drukken, heb ik ze in alle +koffiehuizen van Parijs uitgebazuind: er is geen kellner in Parijs, +die ze niet uit zijn hoofd kent." + +"Wat kan mij dat schelen?.... Je kent me nog niet. Is er, uitgezonderd +de deugd, iets nieuws in de wereld?" + +"Hier!" zeide Rodolphe toen hij klaar was. + +"Donder en bliksem! Er mankeeren nog twee kolom... Waarmede dien +afgrond te dempen? Kom, lever me, nu je toch hier bent, nog een +paar paradoxen!" + +"Ik heb er van mijzelf niet bij me," zeide Rodolphe; "maar ik kan +je er wel een paar leenen; ze zijn echter niet van mij; ik heb ze +voor vijftig centimes van een vriend, die in geldverlegenheid zat, +gekocht. Ze hebben nog maar heel weinig dienst gedaan." + +"Des te beter!" zeide de criticus. + +"Het gaat goed!" zeide Rodolphe tot zichzelf, terwijl hij weer begon +te schrijven; "ik vraag hem minstens tien francs; in dezen tijd zijn +de paradoxen even duur als jonge patrijzen." + +En hij schreef een dertig regels, waarin hij zottenpraat uitkraamde +over piano's, goudvisschen, de school van het gezond verstand en +Rijnwijn, dien hij toiletwijn noemde. + +"Prachtig," zeide de criticus; "doe mij nu nog het genoegen er bij +te schrijven, dat het bagno de plaats in de wereld is, waar je de +meeste rechtschapen menschen vindt." + +"Waarom?" + +"Om nog twee regels te vullen. Zoo, dat is in orde," zeide de +invloedrijke criticus en riep zijn bediende, om zijn feuilleton naar +de drukkerij te brengen. + +"En nu," zeide Rodolphe; "de koe bij de horens gevat!" En hij deed +plechtig en ernstig zijn verzoek. + +"O je, mijn waarde," zuchtte de criticus, "ik heb zelf geen sou in +huis. Lolotte ruïneert me met pomade en zooeven heeft zij mij tot +mijn laatste halve duit uitgeschud om naar Versailles te gaan en de +Nereïden en andere bronzen monsters water te zien spuwen." + +"Naar Versailles?" vroeg Rodolphe. "Is het vandaag dan een epidemie?" + +"Maar waarom heb je geld noodig?" + +"Ziehier het geval," antwoordde Rodolphe. "Om vijf uur heb ik een +afspraak met een vrouw van de wereld, een gedistingeerde dame, die +altijd in een omnibus uitgaat. Ik zou gaarne voor eenige dagen mijn +lot aan het hare verbinden; en daarom komt het mij passend voor haar +de zoetheden des levens te laten smaken. Diner, bal, wandelingen +enz. enz. Ik heb absoluut vijf francs noodig; als ik ze niet vind, +is in mijn persoon de geheele Fransche litteratuur onteerd." + +"Waarom leen je die som niet van die dame zelf?" vroeg de criticus. + +"Dat gaat den eersten keer niet. Alleen jij kunt mij redden!" + +"Bij alle mummies van Egypte zweer ik je op mijn woord van eer, dat +ik zelfs geen geld heb, om een pijp van een sou of een panatella +te koopen. Maar ik heb daar een paar boeken, die je zoudt kunnen +verkoopen." + +"Vandaag, op Zondag, onmogelijk. Moeder Mansut, Lebigre en alle winkels +op de kaden en in de rue Saint-Jacques zijn gesloten. En wat zijn het +voor boeken? Zeker gedichten met het portret van den schrijver. Maar +die dingen zijn onverkoopbaar." + +"Tenzij je er door de rechtbank toe veroordeeld wordt. Doch wacht +even, daar heb je nog een bundel romances en een paar billetten voor +concerten. Wanneer je het wat handig aanlegt, zou je er best wat geld +van kunnen maken." + +"Ik zou liever wat anders meenemen, een broek bijv." + +"Daar," zeide de criticus, "neem dien Bossuet en die gipsbuste +van Odilon Barrot nog mee; maar op mijn woord van eer, dat is het +penningske der weduwe." + +"Ik zie in ieder geval je goeden wil," zeide Rodolphe. "Ik neem de +schatten mede, maar als ik er dertig sous voor krijg, dan beschouw +ik dat kunststuk als het dertiende werk van Hercules." + +Nadat hij ongeveer vier mijl had afgelegd, slaagde hij er met behulp +van een welsprekendheid, waarvan hij bij groote gelegenheden het geheim +bezat, in bij zijn waschvrouw twee francs te leenen, waarvoor hij de +deelen poëzie, de romances en de buste van Barrot in pand moest geven. + +"Kom," zeide hij, toen hij de bruggen weer overging, "dat is tenminste +de jus, nu moet ik het vleesch nog zien te vinden. Als ik eens naar +mijn oom ging!" + +Een half uur later was hij bij zijn oom Monetti, die op het gelaat +van zijn neef dadelijk las, waarom het ging. Hij was dus op zijn +hoede en voorkwam iedere vraag door een serie klachten als: + +"Het zijn moeilijke tijden: het brood is duur, de klanten betalen niet, +de huur moet worden opgebracht, de handel zit in het moeras enz. enz.," +en al de verdere huichelachtige klachten van winkeliers. + +"Zou je wel willen gelooven," zeide de oom, "dat ik genoodzaakt ben +geld te leenen van mijn bediende, om een wissel te betalen?" + +"Dan hadt u mij even een boodschap moeten sturen," zeide Rodolphe. "Ik +zou u het geld gaarne geleend hebben; drie dagen geleden heb ik +tweehonderd francs gekregen." + +"Ik vind het heel aardig van je, jongen, maar je hebt zelf je geld +noodig .... Maar zeg, nu je toch hier bent, zou je wel even een +paar rekeningen voor me kunnen schrijven, die ik wil laten innen; +je schrijft zoo'n mooie hand." + +"O je, die vijf francs zullen me duur kosten," zeide Rodolphe, +terwijl hij zich aan het werk zette, dat hij zooveel mogelijk bekortte. + +"Beste oom," zeide hij, "daar ik weet, dat u een groot muziekliefhebber +bent, heb ik een paar entrée's voor u medegebracht." + +"Heel vriendelijk van je, jongen. Wil je bij me blijven dineeren?" + +"Neen, dank u, oom; ik word in den Fauborg St. Germain op een diner +verwacht. Ik verkeer zelfs eenigszins in verlegenheid, omdat ik geen +tijd meer heb om geld te gaan halen, om handschoenen te koopen." + +"Heb je geen handschoenen bij je? Wil je de mijne leenen?" + +"Dat zal niet gaan; we hebben hetzelfde nummer niet; maar u zoudt +mij verplichten mij te leenen...." + +"Negen-en-twintig sous, om een paar te koopen? Zeker, jongen, daar +heb je ze. Wanneer je in gezelschap komt, moet je fatsoenlijk voor +den dag komen. Beter benijd dan beklaagd, zeide je tante altijd. Ik +ben blij, dat je in betere kringen komt .... Ik zou je wel wat meer +gegeven hebben, maar ik heb op het oogenblik hier in het kantoor niet +meer; ik zou naar boven moeten en ik kan den winkel niet alleen laten: +ieder oogenblik komen er koopers." + +"En u vertelde daarnet, dat het zoo slecht met den handel ging!" + +Oom Monetti deed, of hij die opmerking niet hoorde en zeide tot zijn +neef, die de negen-en-twintig sous in zijn zak stak: + +"Je behoeft je niet te haasten, om ze terug te geven." + +"Wat een gierige brok!" zeide Rodolphe, terwijl hij zich +wegspoedde. "Nu ontbreken me nog een-en-dertig sous. Waar die +te vinden? Wacht, een idee, laat ik naar den viersprong van de +Voorzienigheid gaan." + +Dat was de naam, dien Rodolphe gaf aan het meest centrale punt van +Parijs, d. w. z. het Palais Royal, een plek, waar het bijna onmogelijk +is tien minuten te blijven staan zonder tien personen te ontmoeten, +die je kent, vooral schuldeischers. + +Rodolphe ging dus op het bordes van het Palais-Royal op wacht +staan. Ditmaal liet de Voorzienigheid zich lang wachten. Eindelijk +meende Rodolphe haar te zien. Zij had een witten hoed, een groenen +paletot en een wandelstok met een gouden knop .... een zeer elegant +gekleede Voorzienigheid dus. + +Het was een voorkomende en bemiddelde, maar eenigszins woordenrijke +jongeling. + +"Ik ben blij je te zien," zeide hij tot Rodolphe; "loop een eindje +mede, dan kunnen we wat praten." + +"Ach, ik zal die woordenmarteling maar ondergaan," mompelde Rodolphe, +terwijl hij zich door den witten hoed liet medenemen, die hem inderdaad +zijn trommelvlies half kapot praatte. + +Toen zij bij den Pont des Arts kwamen, zeide Rodolphe: + +"Ik moet je nu verlaten, daar ik geen geld heb, om de tol voor de +brug te betalen." + +"Kom maar mee," antwoordde de witte hoed, terwijl hij den invalide +twee sous toewierp. + +"Nu is het oogenblik gekomen," dacht de redacteur van de Echarpe +d'Iris, toen hij de brug overliep; aan het einde ervan bij de klok +van het Instituut gekomen, bleef Rodolphe plotseling staan, wees met +een wanhopig gebaar naar de wijzerplaat en riep uit: + +"Vervloekt! Kwart voor vijf. Ik ben verloren." + +"Wat is er?" zeide de andere verwonderd. + +"Wel, dat ik door jouw schuld een rendez-vous verzuim." + +"Een belangrijk?" + +"Dat zou ik denken .... Ik moest om vijf uur geld gaan halen .... in +Batignolles .... Ik zal er nooit op tijd zijn .... Bliksems! Wat moet +ik beginnen?" + +"Dat is nogal eenvoudig," zeide de woordenrijke, "ga met mij mee naar +huis, dan zal ik je wat leenen." + +"Onmogelijk! Je woont in Montrouge, en om zes uur moet ik voor een +zaak in de Chaussée-d'Antin zijn .... Een beroerde geschiedenis!" + +"Ik heb wel een paar sous op zak," zeide de Voorzienigheid bescheiden +.... "maar niet veel." + +"Als ik genoeg had om een bakje te nemen, dan zou ik misschien nog +op tijd in Batignolles kunnen zijn." + +"Hier heb je den inhoud van mijn beurs, mijn waarde, een-en-dertig +sous." + +"Geef maar gauw hier, dan maak ik, dat ik weg kom!" zeide Rodolphe, +die het vijf uur had hooren slaan, en hij haastte zich naar de plaats +van zijn rendez-vous. + +"Dat is een heele toer geweest," zeide hij, terwijl hij zijn geld +telde. "Honderd sous, precies op den kop af. Enfin, ik ben nu +gered, en Laure zal zien, dat zij te doen heeft met een man, die +savoir-vivre heeft. Ik wil vanavond met geen centime thuis komen. Ik +moet de litteratuur weer tot eer brengen en bewijzen, dat het haar +beoefenaars slechts aan geld ontbreekt, om rijk te zijn." + +Rodolphe vond mademoiselle Laure op de afgesproken plaats. + +"Nou," zeide hij tot zichzelf, "wat stiptheid betreft, lijkt zij wel +een chronometer." + +Hij bracht den avond met haar door en smolt zijn vijf francs dapper +in den smeltkroes der verkwisting. Mademoiselle Laure was verrukt +over zijn manieren en was wel zoo goed eerst te merken, dat Rodolphe +haar niet naar haar huis terugbracht vóór het oogenblik, dat hij haar +zijn kamer liet binnentreden. + +"Het is verkeerd wat ik doe," zeide zij. "Zorg, dat ik er geen berouw +over moet hebben door een ondankbaarheid, die uw sexe eigen is." + +"Madame," zeide Rodolphe, "ik sta bekend voor mijn bestendigheid, en +wel in dien mate, dat al mijn vrienden zich over mijn trouw verwonderen +en mij den bijnaam gegeven hebben van generaal Bertrand der Liefde." + + + + + + +HOOFDSTUK IX. + +DE WITTE VIOOLTJES. + + +In dien tijd was Rodolphe doodelijk verliefd op zijn nicht Angèle, die +hem niet kon uitstaan, en de thermometer van den ingenieur Chevalier +wees twaalf graden onder nul. + +Mademoiselle Angèle was de dochter van mijnheer Monetti, den +kachelsmid-rookverdrijver, over wien we reeds meermalen gelegenheid +hadden te spreken. Mademoiselle Angèle was achttien jaar en pas +terug uit Bourgondië, waar zij vijf jaar doorgebracht had bij een +bloedverwante, van wie zij later moest erven. Die bloedverwante +was een oude vrouw, die nooit jong of mooi geweest was, maar altijd +kwaadaardig, niettegenstaande of liever omdat zij vroom was. Angèle, +die bij haar vertrek een bekoorlijk kind was, dat in haar jonge jaren +reeds een bekoorlijk meisje beloofde te worden, kwam na verloop van +vijf jaar als een knap, maar koel, droog, ongevoelig jong meisje +terug. Het teruggetrokken provincieleven, de overdreven godsdienstige +oefeningen en de bekrompen beginselen, volgens welke zij was opgevoed, +hadden haar geest vervuld met vulgaire en dwaze vooroordeelen, +haar phantasie lam geslagen en van haar hart een orgaan gemaakt, +dat zich er toe bepaalde zijn functie als bloedsomloop-regulateur te +vervullen. Angèle had, om zoo te zeggen, wijwater in plaats van bloed +in haar aderen. Bij haar terugkeer ontving zij hem met een ijskoude +reserve en Rodolphe trachtte ieder oogenblik vergeefs in haar de +teedere snaar der herinneringen weer te doen trillen, herinneringen +uit den tijd, toen zij samen de amourette à la Paul et Virginie +gespeeld hadden, die tusschen neef en nicht zoo dikwijls gespeeld +wordt. Toch was Rodolphe doodelijk verliefd op zijn nicht Angèle, +die hem niet kon uitstaan; en toen hij op een goeden dag hoorde, dat +het jonge meisje binnenkort naar een bal, dat ter gelegenheid van het +huwelijk van een harer vriendinnen gegeven werd, zou gaan, liet hij +zich door zijn hartstocht zoo ver medesleepen, dat hij Angèle voor dat +bal een bouquet viooltjes beloofde. En na toestemming van haar vader +gekregen te hebben, nam Angèle het galante aanbod van haar neef aan, +waarbij zij er echter op aandrong, dat zij witte viooltjes zou krijgen. + +Gelukkig door de beminlijk- en vriendelijkheid van zijn nicht, ging +hij dansend en zingend naar zijn "St. Bernard" terug. Zoo noemde hij +zijn toenmalig domicilie; waarom zullen we dadelijk zien. Toen hij +door het Paleis Royal ging en voorbij den winkel van madame Provost, +de beroemde bloemiste, kwam, zag hij witte viooltjes in de etalage; +uit nieuwsgierigheid liep hij naar binnen, om den prijs ervan te +vragen. Een eenigszins toonbare bouquet kostte niet minder dan tien +francs, doch er bestonden er, die nog duurder waren. + +"Alle duivels!" zeide Rodolphe; "tien francs, en nog maar acht dagen +tijd, om dat millioen te vinden. Dat zal moeite kosten; maar dat is +minder, mijn nicht krijgt haar bouquet. Ik heb al een idée." + +Dit avontuur overkwam Rodolphe in den tijd, dat hij nog in zijn +litteraire genesis was. Al zijn inkomsten bestonden toen uit een +maandelijksche toelage van vijftien francs, welke hem toegekend +was door een van zijn vrienden, een groot dichter, die na een lang +verblijf te Parijs met behulp van de noodige kruiwagens schoolmeester +in de provincie geworden was. Rodolphe, aan wiens wieg de verkwisting +als peet gestaan had, kwam met die toelage precies vier dagen rond; +en daar hij het gewijde, maar weinig productieve beroep van elegisch +dichter niet wilde opgeven, leefde hij de rest van de maand van die +manna van het toeval, welke langzaam uit de korven der Voorzienigheid +druppelt. Doch die vastentijd had voor hem geen verschrikkingen; +hij bracht dien vroolijk door dank zij een stoïsche matigheid +en de schatten der phantasie, die hij dagelijks uitgaf, om den +eersten der maand te bereiken, dien Paaschdag, welke een einde +maakte aan zijn lijdenstijd. Rodolphe woonde toentertijd in de rue +Contrescarpe-Saint-Marcel in een groot gebouw, dat vroeger het hôtel +de l'Eminence grise heette, omdat vader Joseph, de vervloekte ziel van +Richelieu, daar gewoond zou hebben. Rodolphe woonde op de bovenste +verdieping van dat huis, een der hoogste van Parijs. Zijn kamer, +een soort belvédère, was in den zomer een heerlijke verblijfplaats; +maar van October tot April was het een klein Kamschatka. De vier +hoofdwinden, die door de vier vensters drongen, kwamen er gedurende +den geheelen winter de meest woeste quatuors uitvoeren. Als een ironie +zag men er nog een grooten schoorsteen, waarvan de groote opening een +eerepoort scheen te zijn voor Borreas [21] en zijn gevolg. Dadelijk bij +het intreden van de eerste koude had Rodolphe zijn toevlucht genomen +tot een bijzonder verwarmingssysteem, hij had namelijk de weinige +meubelen, die hij bezat, in regelmatige stukken gezaagd en na verloop +van acht dagen was zijn meubilair aanzienlijk verminderd; hij hield +niet meer dan zijn bed en twee stoelen over, waarbij de eerlijkheid nog +gebiedt te zeggen, dat die meubelen van ijzer waren en dus van nature +tegen brand verzekerd waren. Rodolphe had voor dit verwarmingsstelsel +den naam: "verhuizen door den schoorsteen" uitgedacht. + +We waren dus in het midden van Januari, en de thermometer, die op den +Quai des Lunettes twaalf graden aanwees, zou zeker nog twee of drie +graden gedaald zijn, indien hij overgebracht was naar den belvédère, +waaraan Rodolphe de bijnamen St. Bernard, Spitsbergen en Siberië +gegeven had. + +Den avond, waarop hij aan zijn nicht witte viooltjes beloofd had, +geraakte Rodolphe bij zijn thuiskomst in een heftige woede: de vier +hoofdwinden hadden bij hun spel in de vier hoeken der kamer nog een +ruit gebroken. Dat was in de laatste veertien dagen de derde. Rodolphe +barstte in woedende vervloekingen tegen Aeolus en zijn heele familie +Breekal los. Na dit nieuwe gat met het portret van een van zijn +vrienden gestopt te hebben, ging Rodolphe geheel gekleed tusschen de +twee wollen planken, die hij zijn matras noemde, liggen en droomde +den geheelen nacht van witte viooltjes. + +Vijf dagen later had Rodolphe nog geen enkel middel gevonden, dat +hem zou kunnen helpen zijn droom te verwezenlijken, en toch moest hij +acht-en-veertig uur later den bouquet aan zijn nicht geven. Gedurende +dien tijd was de thermometer nog meer gedaald, en de ongelukkige +dichter was de wanhoop nabij bij de gedachte, dat de viooltjes +nog duurder geworden zouden zijn. Eindelijk had de Voorzienigheid +medelijden met hem en kwam hem op de volgende wijze te hulp. + +Toen hij op een goeden morgen toevallig bij zijn vriend Marcel, den +schilder, ging dejeuneeren, vond hij hem in gesprek met een dame in +den rouw. Het was een weduwe, wier man pas kort geleden gestorven +was; zij kwam hem vragen naar den prijs van een manlijke hand, die +met het opschrift: + + + "Ik wacht u, geliefde vrouw" + + +geschilderd moest worden op het grafteeken, dat zij voor haar man +had laten oprichten. + +Om het kunstwerk goedkooper te krijgen, liet zij den artist in den +loop van het gesprek doorschemeren, dat hij, wanneer God haar weer +met haar echtgenoot zou vereenigen, een tweede hand te schilderen zou +krijgen, haar met een armband versierde hand, en wel met een nieuw +opschrift, luidende: + + + "Eindelijk heeft God ons vereenigd" + + +"Ik zal die beschikking in mijn testament zetten," zeide de weduwe, +"met mijn uitdrukkelijken wil, dat u met de uitvoering ervan belast +zult worden." + +"In dat geval, mevrouw," antwoordde de artist, "neem ik den prijs, die +u mij voorstelt, aan, maar dan reken ik ook op den handdruk. Vergeet +niet mij in uw testament te zetten." + +"Ook zou ik graag zien, dat het werk zoo gauw mogelijk gereed was," +zeide de weduwe; "maar neem er uw tijd voor, en vergeet vooral het +litteeken op den duim niet. Ik wil een goed gelijkende hand." + +"Zij zal sprekend zijn, mevrouw, wees gerust," zeide Marcel, terwijl +hij de weduwe uitliet. Doch op den drempel keerde zij zich weer om. + +"O ja, ik wou u nog graag wat vragen; ik zou graag op het graf van +mijn man nog een vers laten aanbrengen, waarin de edele levenswandel +en de laatste woorden, die hij op zijn sterfbed gesproken heeft, +vermeld worden. Staat dat voornaam?" + +"Zeer voornaam .... men noemt dat een epitaphium .... het is heel +voornaam." + +"Kent u niet iemand, die dat goedkoop voor mij zou kunnen maken? Ik +heb wel een buurman, mijnheer Guérin, den openbaren schrijver, maar +die is zoo peperduur." + +Bij die woorden wierp Rodolphe Marcel een blik toe, dien deze dadelijk +begreep. + +"Mevrouw," zeide de schilder en wees op Rodolphe, "een gelukkig +toeval heeft hier den persoon heen gevoerd, die u in deze droevige +omstandigheden zou kunnen helpen. Mijnheer hier is een uitstekend +dichter, u zoudt geen beteren kunnen vinden." + +"Ik zou er zeer op staan, dat het heel treurige verzen zijn," zeide +de weduwe, "en dat er geen spelfouten in voor komen." + +"Mevrouw," antwoordde Marcel, "mijn vriend kent de orthographie op +zijn duimpje: hij heeft op het college alle prijzen gewonnen." + +"Zoo," zeide de weduwe; "mijn neefje heeft laatst ook een prijs +gekregen; en hij is toch pas zeven jaar." + +"Een zeer voorspoedig kind, mevrouw," was Marcels antwoord. + +"Maar," drong de weduwe aan, "kan mijnheer ook treurige verzen maken?" + +"Beter dan wie ook, mevrouw, want hij heeft veel verdriet in zijn +leven gehad. Mijn vriend munt uit in treurige verzen; dat verwijten +de couranten hem zelfs wel eens." + +"Wat?" riep de weduwe uit, "wordt er over hem in de couranten +geschreven? Dan is hij zeker even knap als mijnheer Guérin, de +openbare schrijver!" + +"O, nog veel knapper! Wend u maar tot hem, mevrouw, u zult er geen +berouw over hebben." + +Nadat de weduwe den dichter de bedoeling van het opschrift in verzen, +dat zij op het graf van haar man wilde laten aanbrengen, uiteengezet +had, stemde zij erin toe Rodolphe tien francs te geven, als het gedicht +in haar smaak viel; maar zij wilde de verzen heel gauw hebben. De +dichter beloofde ze haar den volgenden dag reeds door bemiddeling +van zijn vriend te zullen doen toekomen. + +"O goede fee Artemisia," riep Rodolphe uit, toen de weduwe weg was, +"ik zweer je, dat je tevreden zult zijn; ik zal je een goede maat +dooden-lyriek geven, en mijn orthographie zal beter zijn dan die +van een hertogin. O goed oudje, moge, om u te beloonen, de hemel je +honderdzeven jaar laten leven evenals goede brandewijn!" + +"Daar kom ik tegen op!" riep Marcel uit. + +"Dat is waar ook!" zeide Rodolphe; "ik zou bijna vergeten, dat je +na haar dood nog een tweede hand te schilderen krijgt, en zoo'n lang +leven je dat geld dus zou doen verliezen." En zijn handen ten hemel +heffend, bad hij: "O, lieve God, verhoor mijn gebed niet! Hè," voegde +hij er aan toe, "dat is een bofje, dat ik hierheen gekomen ben." + +"Ja, wat kwam je eigenlijk hier doen?" vroeg Marcel. + +"Daar denk ik nu ook weer aan en vooral nu ik, om dat gedicht te +maken, den geheelen nacht op zal moeten blijven zitten, kan ik dat, +wat ik je kwam vragen, onmogelijk missen, n.l. 1e. wat eten; 2e. wat +tabak en een kaars; 3e. je ijsberencostuum." + +"Ga je naar een bal masqué? O ja, dat is waar ook, vanavond wordt +het eerste gegeven." + +"Neen, dat niet; maar zooals je me hier ziet, ben ik even bevroren +als het groote leger op zijn terugtocht uit Rusland. Mijn groen +wollen paletot en mijn broek van Schotsch merinos zijn ongetwijfeld +heel mooi, maar toch beter geschikt voor de lente en om onder den +equator te wonen; wanneer je echter, zooals ik, je tenten onder den +pool hebt opgeslagen, is een ijsberencostuum passender, ik zou bijna +zeggen, onmisbaar." + +"Daar heb je de pels," zeide Marcel. "Het denkbeeld is niet kwaad, +het beest heeft een vurig gestel, en je zult je erin voelen als een +brood in een oven." + +Rodolphe was intusschen reeds in de huid van het dier gekropen. + +"Wat zal mijn thermometer gloeiend boos worden," zeide hij. + +"Wil je in dat costuum de straat op?" zeide Marcel tot zijn vriend, +toen zij hun geheimzinnig diner, dat in schalen van vijf centimes +opgediend werd, naar binnen hadden gewerkt. + +"Ik heb maling aan de heele wereld," zeide Rodolphe; "en bovendien +begint vandaag het carnaval." + +En hij doorliep werkelijk heel Parijs in de ernstige houding van den +viervoeter, in wiens huid hij zich gestoken had. En toen hij voorbij +den thermometer van den ingenieur Chevalier kwam, trok hij er een +langen neus tegen. + +Toen hij, niet zonder zijn concierge de stuipen van schrik op het lijf +gejaagd te hebben, weer boven op zijn kamer was, stak de dichter zijn +kaars aan, die hij, om de moedwillige streken van de Noordenwinden te +voorkomen, met een doorschijnend stuk papier omgaf, en ging dadelijk +aan het werk. Maar al heel gauw kwam hij tot de ontdekking, dat, +al was zijn lichaam vrijwel tegen de koude beschermd, zijn handen +het niet waren; en hij had nog geen twee verzen van zijn epitaphium +op het papier, of zijn vingers begonnen te tintelen van de koude en +lieten de pen vallen. + +"Tegen de elementen kan zelfs de moedigste niet op," zeide Rodolphe, +die zich wanhopig achterover in zijn stoel liet vallen. "Caesar heeft +wel den Rubicon overgestoken, maar over de Beresina had hij nooit +kunnen komen." + +Plotseling echter ontsnapte een kreet van vreugde aan het diepst van +zijn berenborst en stond hij zoo bruusk op, dat hij een deel van zijn +inkt liet vallen op het smettelooze wit van zijn pels: hij had een +idée, een nieuwen druk van het denkbeeld van Chatterton. + +Hij haalde onder zijn bed een grooten stapel papieren te voorschijn, +waaronder zich een dozijn reusachtige manuscripten van zijn beroemd +drama Le Vengeur bevond. Dit drama, waaraan hij twee jaar gewerkt +had, was zoo dikwijls over- en omgewerkt, dat de gezamenlijke copieën +een gewicht van zeven kilogram vormden. Rodolphe legde het jongste +manuscript ter zijde en sleepte de overige naar den schoorsteen. + +"Ik wist wel, dat het nog eens geplaatst zou worden," riep hij uit +.... "je moet echter geduld weten te hebben! Dat is toch zeker een +flink takkenbosje proza. O, als ik geweten had, wat er gebeuren zou, +dan had ik er nog een voorspel bij gemaakt en zou ik nu meer brandstof +hebben .... Maar je kunt niet alles van te voren weten." + +En hij stak eenige bladen van het manuscript in brand en ontdooide +zijn handen bij de vlammen daarvan. Na vijf minuten was het eerste +bedrijf van Le Vengeur afgespeeld en had Rodolphe drie verzen van +zijn epitaphium gereed. + +Niets ter wereld zou de verbazing der vier hoofdwinden hebben kunnen +schilderen, toen zij vuur in de haard zagen. + +"Dat is gezichtsbedrog," blies de Noordenwind, die vroolijk in de +berenharen van Rodolphe speelde. + +"Als we eens in den schoorsteen gingen blazen," antwoordde een andere +wind, "dan zou de haard heerlijk gaan rooken." + +Maar juist toen zij den armen Rodolphe wilden gaan kwellen en +treiteren, zag de Zuidenwind mijnheer Arago voor een raam van het +observatorium zitten, vanwaar de geleerde met zijn vinger de vier +winden dreigde. + +Onmiddellijk riep de Zuidenwind zijn broeders toe: "Laten we maken, +dat we weg komen, de almanak geeft voor dezen nacht stil weer aan; +wij zijn dus in tegenspraak met de sterrenwacht, en als we om twaalf +uur niet thuis zijn, zal mijnheer Arago ons school laten blijven." + +Gedurende dien tijd brandde het tweede bedrijf van Le Vengeur met +groot succes. En Rodolphe had tien verzen geschreven. Maar tijdens +den duur van het derde bedrijf kon hij er slechts twee schrijven. + +"Ik heb altijd gevonden, dat die acte te kort was," mompelde Rodolphe; +"maar je merkt die fouten altijd pas bij de opvoering. Gelukkig zal +het volgende bedrijf langer duren: drie-en-twintig scènes, waaronder +de troonscène, die het tooneel van mijn roem had moeten zijn." + +De slotwoorden der troonscène gingen in vlammen op, toen Rodolphe +nog een strophe van zes regels te schrijven had. + +"En nu het vierde bedrijf," zei hij, terwijl zijn gezicht van dichtvuur +gloeide. "Dat zal wel vijf minuten duren, het is heelemaal monoloog." + +Hij ging over tot de ontknooping, die opvlamde en onmiddellijk weer +uitging. Op hetzelfde oogenblik vatte Rodolphe de laatste woorden +van den overledene, te wiens verheerlijking hij gewerkt had, in een +prachtvolle lyrische ontboezeming samen. + +"Er blijft nog genoeg over voor een tweede opvoering," zeide hij, +terwijl hij de overgebleven manuscripten weer onder het bed schoof. + + + +Den volgenden avond om acht uur deed mademoiselle Angèle haar +intrede in de balzaal met een prachtigen bouquet witte viooltjes, +in het midden waarvan twee pas-ontloken witte rozen prijkten. Den +geheelen avond kreeg zij om dien bouquet complimentjes van de +dames en galante vleierijen van de heeren te hooren. Angèle was +haar neef, die haar al die kleine voldoeningen van haar eigenliefde +verschaft had, dan ook wel eenigermate dankbaar, en misschien zou +zij, wanneer een bloedverwant der bruid, met wien zij verscheidene +malen gedanst had, niet steeds om haar heen gedraaid had, nog meer +aan hem gedacht hebben. Dat familielid was een jonge blonde man met +een prachtige, kurkentrekkerachtig opgedraaide snor, de echte angel, +waaraan onervaren jonge meisjesharten blijven hangen. De jonge man +had Angèle reeds gevraagd om de twee witte rozen, die alleen nog +waren overgebleven van den bouquet, waarvan iedereen een viooltje +geplukt had .... Maar Angèle had geweigerd, doch alleen om ze tegen +het einde van het bal te lagen liggen op een stoeltje, waarvan de +blonde jongeling ze onmiddellijk ging weghalen. + +Op dat oogenblik vroor het veertien graden in den belvédère van +Rodolphe, die, geleund voor zijn venster, in de richting van de +barrière du Maine keek naar de lichten van de balzaal, waar Angèle +danste, die hem niet uit kon staan. + + + + + + +HOOFDSTUK X. + +DE STORMKAAP. + + +Er zijn in de maanden, waarin een kwartaal begint, angstwekkende +oogenblikken, gewoonlijk de 1ste en de 15de. Rodolphe, die deze beide +data nooit zonder schrik zag naderen, noemde ze de "Stormkaap". Dien +dag opent niet Aurora de poorten van het Oosten, maar schuldeischers, +huiseigenaars, deurwaarders en andere geldzakdragers staan buiten de +deur. Die dag begint met een plasregen van aanmaningen, rekeningen +en wissels en eindigt met een hagelbui van protesten, dies irae! + +In den ochtend van zoo'n 15den April lag Rodolphe rustig te slapen +.... en droomde, dat een van zijn ooms hem bij testament een geheele +provincie van Peru had vermaakt .... met alle Peruaansche schoonen +erin begrepen. + +Terwijl hij daar midden in een imaginairen Pactolus rondzwom, kwam het +geluid van een sleutel, die in het slot ronddraaide, den ingebeelden +erfgenaam op het schitterendste oogenblik van zijn gouden droom storen. + +Rodolphe ging rechtop in zijn bed zitten en keek slaapdronken om +zich heen. + +Hij zag toen vaag in het midden van zijn kamer een man staan, die +pas binnengekomen was, .... en wat voor een man! + +De matineuse vreemdeling had een driekanten hoed op, een lederen +geldzak op zijn rug en een grooten portefeuille in zijn hand; hij had +een grijzen linnen rok met staanden kraag aan en scheen buiten adem +van het klimmen naar de vijfde verdieping. Zijn manier van optreden +was zeer vriendelijk en minzaam en zijn gang was klankrijk als wanneer +het kantoor van een bankier aan het wandelen zou gaan. + +Rodolphe was een oogenblik angstig; hij meende, bij den aanblik van +den driekanten hoed en den rok, een politie-agent voor zich te zien. + +Maar het zien van den vrij goed gespekten geldzak genas hem van +zijn dwaling. + +"O, nu begrijp ik het," dacht hij, "dat is een voorschot op mijn +erfenis en die man komt van de Eilanden .... Maar waarom is hij dan +geen neger?" Hij gaf den onbekende een wenk en zeide, op den geldzak +wijzend: + +"Ik weet wat het is. Leg hem daar maar neer. Dank je wel." + +De vreemdeling was een wissellooper van de Banque de France en hield, +als antwoord op Rodolphe's uitnoodiging, dezen een klein papiertje +met veelkleurige teekens en cijfers onder den neus. + +"U wilt een bewijs van ontvangst?" vroeg Rodolphe. "Ja, dat hoort +zoo. Geef me maar even pen en inkt." + +"Neen, ik kom zelf wat ontvangen," antwoordde de wissellooper; +"een bedrag van honderdvijftig francs. Het is vandaag 15 April." + +"Ach zoo!" zeide Rodolphe, terwijl hij den wissel bekeek.... "Order +Birmann, dat is mijn kleermaker .... Helaas!" voegde hij er +droefgeestig aan toe, terwijl hij afwisselend naar de over het bed +liggende overjas en naar den wissel keek, "de oorzaken verdwijnen, +maar de gevolgen blijven. Wat, is het vandaag 15 April! Merkwaardig! Ik +heb nog geen aardbeien gegeten!" + +De wissellooper, wien dat gepraat begon te vervelen, ging weg en +zeide tot Rodolphe: "U hebt tot vier uur tijd om te betalen!" + +"Voor eerlijke menschen is er geen uur," antwoordde Rodolphe. "De +intrigant", voegde hij er woedend aan toe, terwijl hij met zijn +blikken den financier met zijn driekanten hoed volgde; "hij neemt +zijn geldzak weer mee." + +Rodolphe trok de gordijnen van zijn bed dicht en trachtte weer den +weg van zijn erfenis terug te vinden; maar hij vergiste zich in +de richting en kwam trotsch en wel terecht in een droom, waarin de +directeur van het Théâtre-Français hem heel nederig een drama voor +zijn schouwburg kwam vragen en Rodolphe, met de gebruiken bekend, +een voorschot vroeg. Maar juist op het oogenblik, dat de directeur +door den zuren appel scheen te willen bijten, werd de slaper opnieuw +half wakker gemaakt door het binnenkomen van een tweeden persoon, +een nieuw creatuur van den 15den April. + +Het was mijnheer Benoît, de eigenaar van het hotel garni, waarin +Rodolphe woonde; mijnheer Benoît was tegelijkertijd de huisheer, de +schoenmaker en woekeraar voor zijn huurders; dien ochtend rook mijnheer +Benoît sterk naar slechten brandewijn en vervallen rekeningen. Ook +hij had een ledigen zak in zijn hand. + +"Duivels!" dacht Rodolphe; "dat is de directeur van het +Théâtre-Français niet .... die zou een witte das dragen .... en zijn +geldzak zou gevuld zijn!" + +"Morgen, mijnheer Rodolphe," zeide mijnheer Benoît, op het bed +toetredend. + +"Mijnheer Benoît .... bonjour! Wat verschaft mij de eer van uw bezoek?" + +"Ach, ik wilde u komen zeggen, dat het vandaag 15 April is!" + +"Nu al? Wat gaat de tijd toch gauw! Het is ongelooflijk. Ik zal +een nanking-broek moeten koopen. 15 April. Lieve Hemel, zonder u, +mijnheer Benoît zou ik er nooit aan gedacht hebben. Wat een dank ben +ik u verschuldigd!" + +"U bent me ook honderd twee-en-zestig francs schuldig," viel mijnheer +Benoît hem in de rede. "En het wordt tijd, dat wij die kleine rekening +eens in orde maken!" + +"Ik heb absoluut geen haast, mijnheer Benoît .... Ik wil u graag tijd +geven .... Die kleine rekening zal nog wel grooter worden ...." + +"Maar u hebt mij al zoo dikwijls uitgesteld," merkte de huisheer op. + +"Nu, dan zullen we de zaak in orde maken, mijnheer Benoît, het is mij +precies hetzelfde, vandaag of morgen ... En bovendien zijn we allen +sterfelijk .... Laten we dus de zaak in orde maken ...." + +Een beminlijke glimlach speelde bij die woorden over het gerimpelde +gelaat van mijnheer Benoît; en zelfs zijn geldzak blies zich tot +hoopvolle verwachting op. + +"Wat ben ik u schuldig?" vroeg Rodolphe. + +"In de eerste plaats een kwartaal huur tegen vijf-en-twintig francs +per maand, dat maakt vijf-en-zeventig francs." + +"Vergissingen buitengesloten," zeide Rodolphe. "En verder?" + +"Verder drie paar schoenen à twintig francs." + +"Een oogenblikje, mijnheer Benoît, een oogenblikje; laten we de +zaken niet verwarren; ik heb nu niet meer te doen met den huisheer, +maar met den laarzenmaker ... ik verlang daarvoor een afzonderlijke +rekening. Cijfers zijn ernstige dingen, daarbij moet je geen abuizen +maken." + +"Voor mijn part," zeide mijnheer Benoît, zacht gestemd door de hoop, +dat hij eindelijk het woord: Voldaan onder de rekening zou kunnen +zetten. "Hier is een afzonderlijke nota voor het schoeisel. Drie paar +schoenen à twintig francs, maakt zestig francs." + +Rodolphe wierp een medelijdenden blik op een paar afgeloopen schoenen. + +"Helaas!" dacht hij, "wanneer de Wandelende Jood ze gedragen had, +zouden ze in geen deerniswaardiger toestand kunnen zijn. En toch +zijn ze door het naloopen van Marie zoo versleten .... Ga verder, +mijnheer Benoît." + +"Ik zeide dus zestig francs," herhaalde deze. "Verder geleend +zeven-en-twintig francs." + +"Wacht even, mijnheer Benoît. We hebben afgesproken, dat iedere +heilige zijn eigen nis zou krijgen. U hebt mij dat geld geleend als +vriend. Laten wij dus het gebied van het schoeisel verlaten en die +van het vertrouwen en van de vriendschap, welke een afzonderlijke +rekening vereischen, betreden. Hoe hoog loopt uw vriendschap voor mij?" + +"Zeven-en-twintig francs." + +"Zeven-en-twintig francs. Dan hebt u een vriend voor een koopje, +mijnheer Benoît. Enfin, laten we eens optellen: Vijf-en-zeventig, +zestig en zeven-en-twintig ... Dat is samen?" + +"Honderd twee-en-zestig francs," zeide mijnheer Benoît en presenteerde +tegelijk de drie nota's. + +"Honderd twee-en-zestig francs," zeide Rodolphe .... "dat is +merkwaardig. Wat is optellen toch een mooie kunst. Welnu, mijnheer +Benoît, nu de rekening in orde gebracht is, kunnen we beiden gerust +zijn en weten we waar we ons aan te houden hebben. De volgende maand +zal ik u vragen de rekening voor Voldaan te teekenen, en daar in dien +tijd het vertrouwen en de vriendschap, die gij voor mij koestert, +slechts grooter kunnen worden, zult u mij voor het geval, dat dit +noodig mocht zijn, opnieuw uitstel willen geven. Inmiddels zou ik, +wanneer de huisheer en de laarzenmaker al te veel op betaling +aandringen, den vriend vragen hen tot rede te brengen. Het is +merkwaardig, mijnheer Benoît, maar telkens als ik aan uw drievoudige +qualiteit van huisheer, laarzenmaker en vriend denk, voel ik de +neiging in mij opkomen aan de Drieëenheid te gelooven." + +Terwijl Rodolphe sprak, was de huisheer tegelijk rood, groen, geel +en wit geworden, en bij iedere nieuwe spotternij van zijn huurder nam +deze regenboog der woede op zijn gelaat een meer intensieve kleur aan. + +"Mijnheer," antwoordde hij ten slotte, "ik houd er niet van voor den +gek gehouden te worden. Ik heb lang genoeg gewacht. Ik zeg u de kamer +op en indien u mij vanavond het geld niet geeft .... zal ik zien wat +mij te doen staat ...." + +"Geld! Geld! Vraag ik van u geld?" zeide Rodolphe. "En bovendien, +zelfs al had ik het, dan zou ik het u niet geven .... het is vandaag +Vrijdag, en dat brengt ongeluk aan ...." + +De woede van mijnheer Benoît wakkerde aan tot een orkaan; en indien +de meubelen niet zijn eigendom geweest waren, zou hij ongetwijfeld +de pooten van een fauteuil stuk geslagen hebben. + +In plaats daarvan ging hij, bedreigingen mompelend, weg. + +"U vergeet uw geldzak!" riep Rodolphe hem achterna. + +"Wat een baantje!" mompelde de jonge man, toen hij alleen was. "Ik +zou nog liever leeuwentemmer zijn." + +"Maar," ging Rodolphe voort, terwijl hij uit zijn bed sprong en zich +vlug aankleedde, "hier kan ik niet blijven. De invasie der geallieerden +zal hiermede nog wel niet geëindigd zijn. Ik moet vluchten, moet +zelfs ontbijten. Wacht, als ik eens naar Schaunard ging. Ik kan bij +hem eten en hem een paar sous te leen vragen. Honderd francs zullen +voldoende voor mij zijn.... Naar Schaunard dus...." + +Terwijl hij de trap afging, kwam hij mijnheer Benoît tegen, die +bij zijn andere huurders nieuwe échecs geleden had, wat zijn ledige +geldzak, in deze omstandigheden een luxevoorwerp, duidelijk aantoonde. + +"Wanneer iemand naar me vraagt, moet u maar zeggen, dat ik buiten +ben ... in de Alpen of zoo ...." zeide Rodolphe. "Of nog beter, +dat ik hier niet meer woon." + +"Dan zeg ik tenminste de waarheid," bromde mijnheer Benoît, terwijl +hij aan zijn woorden een bijzonderen nadruk gaf. + +Schaunard woonde in Montmartre. Dus moest Rodolphe heel Parijs +door. Die wandeling was voor Rodolphe allergevaarlijkst. + +"Vandaag," zeide hij tot zichzelf, "zijn de straten met schuldeischers +geplaveid." + +Toch ging hij niet, zooals hij eigenlijk het liefst gedaan had, de +buitenboulevards. Een phantastische hoop drong hem den gevaarlijken +weg door het centrum van Parijs te volgen. Op een dag, dat de +millioenen in het openbaar op den rug der wisselloopers wandelen, +dacht Rodolphe, zou het heel goed kunnen gebeuren, dat een onderweg +vergeten billet van duizend francs op zijn Vincentius de Paula [22] +lag te wachten. Hij liep daarom langzaam en met zijn hoofd naar den +grond. Doch hij vond slechts twee spelden. + +Na verloop van twee uur kwam hij eindelijk bij Schaunard aan. + +"Zoo, ben jij het?" zeide deze. + +"Ja, ik kom vragen, of ik bij je dejeuneeren mag." + +"O je, dat treft slecht; ik heb zoo juist bezoek gehad van mijn +maîtresse, die ik in geen veertien daag gezien had; als je tien +minuten eerder was gekomen ...." + +"Maar heb je dan niet een honderd francs voor me te leen?" viel +Rodolphe hem in de rede. + +"Wat?" antwoordde Schaunard vol verbazing; "kom jij me ook al geld +vragen? Schaar je je bij mijn vijanden?" + +"Ik zal ze je Maandag teruggeven." + +"Of met St. Juttemis. Maar ben je dan vergeten, mijn waarde, welke +dag het vandaag is. Ik kan je onmogelijk helpen. Maar je behoeft +niet te wanhopen, de dag is nog niet om. Je kunt de Voorzienigheid +nog tegenkomen, die staat nooit vòòr twaalven op." + +"Lieve Hemel!" zeide Rodolphe; "de Voorzienigheid heeft het veel te +druk met de vogeltjes. Ik zal liever maar naar Marcel gaan." + +Marcel woonde toentertijd in de rue de Bréda. Rodolphe vond hem in +een gedrukte stemming zitten voor zijn groot doek, dat den doortocht +door de Roode Zee moest voorstellen. + +"Wat scheelt eraan?" vroeg Rodolphe bij zijn binnenkomen, "je ziet +er zoo in-bedroefd uit." + +"Ach God!" zeide de dichter; "ik leef nu al veertien dagen in de +Stille Week." + +Voor Rodolphe was dit allegorische antwoord zoo helder als bronwater. + +"Gezouten haring en ramenas! Dat ken ik!" + +Inderdaad voelde Rodolphe nog altijd een zouten smaak in zijn mond, +wanneer hij dacht aan den tijd, dat hij tot het exclusieve gebruik +van die visschen gedoemd was. + +"Alle duivels!" zeide hij, "dat is ernstig! Ik kwam je juist honderd +francs vragen." + +"Honderd francs!" zeide Marcel .... "Je zweeft dus altijd nog in +fantastische regionen. Me deze mythologische som te komen vragen +op een tijdstip, dat je geregeld onder den aequator van de misère +zit. Heb je soms hatchiche [23] gebruikt?" + +"Ik heb helaas heelemaal niets gebruikt!" zuchtte Rodolphe. + +En hij liet zijn vriend aan het strand der Roode Zee achter. + +Van twaalf tot vier uur zocht Rodolphe al zijn kennissen op; hij +doorliep de acht-en-veertig stadsdeelen en legde, doch zonder eenig +succes, acht mijlen af. De invloed van den 15den April deed zich +overal met dezelfde strengheid gelden; intusschen naderde het uur van +het diner. Maar het leek er niet veel op, dat het diner met het uur +naderde. Rodolphe had een gevoel, alsof hij op het vlot der Medusa was. + +Toen hij den Pont Neuf over ging, viel hem plotseling iets in: + +"O, o!" zeide hij tot zichzelf, terwijl hij rechtsomkeert maakte, +15 April, 15 April .... maar ik heb een uitnoodiging voor vandaag om +te dineeren." + +Hij zocht in zijn zakken en vond er een gedrukt billet van den +volgenden inhoud: + + + Barrière de la Villette + + In den grooten Overwinnaar. + + Salon voor drie honderd couverts + + Jaarlijksch Banket Ter eere van de Geboorte van den Messias der + Menschheid op 15 April 184... + + Geldig voor één persoon. + + N.B. Men heeft slechts recht op een halve flesch wijn. + + +"Ik deel weliswaar de meeningen der discipelen van den Messias niet," +zeide Rodolphe tot zichzelf, "maar ik wil met genoegen hun voedsel +deelen." En met de snelheid van een vogel verslond hij den afstand, +die hem van de barrière de la Villette scheidde. + +Toen hij in de salons van den Grooten Overwinnaar kwam, was er +een ontzaglijke menigte bijeen .... De salon voor driehonderd +couverts bevatte vijfhonderd personen. Een uitgestrekte horizont van +kalfsvleesch met peen doemde op voor Rodolphe's blik. + +Eindelijk begon men de soep op te doen. + +Juist toen de gasten den lepel naar hun mond brachten, deden plotseling +vijf of zes personen in burgerkleeding met verscheidene agenten en +een commissaris van politie een inval in de zaal. + +"Mijne heeren!" zeide de commissaris, "op hoog bevel mag dit banket +niet plaats hebben. Ik verzoek u dit lokaal te verlaten." + +"O, o!" zuchtte Rodolphe, terwijl hij met de anderen de zaal verliet: +"het noodlot heeft mijn bord soep omgegooid!" + +Droefgeestig gestemd ging hij weer op weg naar zijn kamer, waar hij +om elf uur aankwam. + +Mijnheer Benoît wachtte hem op. + +"O, bent u het?" zeide de huiseigenaar. "Hebt u gedacht aan wat ik +u van ochtend gezegd heb? Brengt u geld mede?" + +"Ik moet het vannacht krijgen en zal het u dan morgenochtend geven," +antwoordde Rodolphe, terwijl hij in het hokje naar zijn sleutel en +zijn kandelaar zocht. Hij vond geen van beide. + +"Mijnheer Rodolphe," zeide mijnheer Benoît, "het spijt me erg, maar +ik heb uw kamer verhuurd; en een andere heb ik niet disponibel, +u moet ergens anders een onderkomen zien te vinden." + +Rodolphe was voor geen klein geruchtje vervaard en een nacht onder den +blooten hemel had voor hem niets verschrikkelijks. Bovendien kon hij +bij slecht weer in een loge d'avant-scène van den Odéon overnachten, +wat hem al meermalen overkomen was. Hij eischte echter eerst van +mijnheer Benoît zijn "dingen" op, die uit een berg papieren bestonden. + +"Volkomen juist," zeide de huisheer; "ik heb niet het recht u die +zaken af te nemen--zij liggen nog boven in de secretaire. Ga maar even +mee; indien de persoon, die uw kamer gehuurd heeft, nog niet slaapt, +kunnen we wel even binnen gaan." + +In den loop van den dag was de kamer verhuurd aan een jong meisje, +Mimi, met wie Rodolphe indertijd een liefdes-duo begonnen was. + +Zij herkenden elkaar dadelijk. Rodolphe fluisterde Mimi iets in het +oor en drukte haar zacht de hand. + +"Kijk eens hoe het regent!" zeide hij, terwijl hij haar opmerkzaam +maakte op het onweer, dat juist losgebarsten was. + +Mademoiselle Mimi liep regelrecht naar mijnheer Benoît, die in een +hoek van de kamer stond te wachten, en zeide tegen hem, terwijl zij +op Rodolphe wees: + +"Mijnheer, mijnheer hier is degene, dien ik vanavond verwachtte +.... Ik ben voor niemand verder thuis." + +"Zoo," zeide mijnheer Benoît met den lach van een boer, die kiespijn +heeft. "Het is goed!" + +Terwijl Mimi inderhaast een geïmproviseerd souper klaarzette, sloeg +het middernacht. + +"God zij dank!" zeide Rodolphe, "15 April is voorbij en de Stormkaap +is gelukkig omzeild. Lieve Mimi," en hij sloot het mooie meisje in +zijn armen en drukte haar een kus in haar hals; "ik wist vooruit, +dat je het niet over je hart zou verkrijgen mij de deur uit te laten +zetten. Jij bezit den gastvrijheidsknobbel!" + + + + + + +HOOFDSTUK XI. + +EEN CAFÉ DER BOHÈME. + + +Hier volgt het verhaal hoe Carolus Barbemuche, letterkundige en +Platonisch wijsgeer, op zijn vier-en-twintigste jaar lid der bohème +werd. + +In dien tijd bezochten Gustave Colline, de groote wijsgeer, Marcel, +de groote schilder, Schaunard, de groote musicus, en Rodolphe, de +groote dichter, zooals zij elkaar onderling noemden, geregeld het café +Momus, waar zij, omdat men ze altijd samen zag, den bijnaam van de +"vier musketiers" [24] gekregen hadden. Inderdaad kwamen zij samen, +gingen samen, speelden samen, bleven soms samen hun vertering schuldig, +alles met een eenheid, het orkest van het Conservatorium waardig. + +Voor hun samenkomsten hadden zij een zaal gekozen, waarin veertig +personen op hun gemak hadden kunnen zitten, maar men vond ze steeds +alleen, want zij hadden ten slotte het vertrek voor de stamgasten +onmogelijk gemaakt. + +De toevallige bezoeker, die zich in dat hol waagde, werd onmiddellijk +bij zijn binnentreden het slachtoffer van het ruwe quartet en maakte +zich meestal uit de voeten zonder zijn courant gelezen of zijn kleintje +koffie gedronken te hebben, waarvan de room door de ongehoorde +aphorismen over kunst, liefde en staathuishoudkunde zuur werd. De +gesprekken van het vriendenviertal waren van dien aard, dat de kellner, +die hen bediende, in den bloei van zijn leven idioot geworden was. + +Ten slotte liep het echter met de dwaasheden zoo de spuigaten uit, +dat de eigenaar van het café zijn geduld verloor en op een goeden +avond naar boven ging, om een ernstige uiteenzetting van zijn grieven +te geven: + +1o. Mijnheer Rodolphe kwam reeds vroeg in den ochtend dejeuneeren en +nam alle couranten van het etablissement mede naar zijn salon: hij was +daarbij zelfs zoo veeleischend, dat hij opspeelde, wanneer de strookjes +verbroken waren. Dit had ten gevolge, dat de overige gasten, van alle +organen der openbare meening verstoken, tot aan het diner omtrent de +politiek van den dag zoo onwetend bleven als een visch. Het gezelschap +Bosquet wist nauwlijks de namen der leden van het nieuwe ministerie. + +Mijnheer Rodolphe had het café zelfs verplicht zich te abonneeren +op den Castor, waarvan hij hoofdredacteur was. De eigenaar van het +café had er zich eerst tegen verzet, maar daar mijnheer Rodolphe en +zijn vrienden ieder kwartier den kellner met luide stem om den Castor +vroegen, begonnen ook enkele andere stamgasten, wier nieuwsgierigheid +door die herhaalde vragen gaande gemaakt was, naar dat blad te +informeeren. Er werd dus een abonnement genomen op den Castor, een +hoedenmakersvakblad, dat maandelijks met een vignet en wijsgeerig +artikel van Gustave Colline verscheen. + +2o. Genoemde mijnheer Colline en zijn vriend Rodolphe waren gewoon zich +van hun geestelijke inspanning te verpoozen door van 's ochtends tien +tot 's nachts twaalf uur tric-trac te spelen; en daar het etablissement +slechts één tric-tracbord had, werden de andere bezoekers in hun +hartstocht voor dat spel benadeeld door het inbeslagnemen van dat +bord door die heeren, die telkens, als men er hen om kwam vragen, +strijk en zet antwoordden: + +"Het tric-tracbord is in handen. Kom morgen maar terug." + +Het gezelschap Bosquet zag zich dus genoodzaakt elkaar hun +liefdesavonturen te vertellen of piquet te spelen. + +3o. Uit het oog verliezend, dat een café een openbare plaats is, +heeft mijnheer Marcel zich de vrijheid veroorloofd er zijn ezel, +zijn verfdoos en alle verdere schildersbenoodigdheden heen te +brengen. Zelfs drijft hij de onbeschaamdheid zoo ver, dat hij personen +van verschillend geslacht er als model laat poseeren, wat de zedelijke +gevoelens van het gezelschap Bosquet kan kwetsen. + +4o. Het voorbeeld van zijn vriend volgend, heeft mijnheer Schaunard +het plan zijn klavier naar het café over te brengen; ook heeft hij +niet geschroomd er in koor een motief uit zijn symphonie: "De invloed +van het blauw in de kunsten" te laten zingen. Mijnheer Schaunard is +nog verder gegaan; hij heeft in de lantaarn, die als uithangbord voor +het café dient, een transparant aangebracht met het opschrift: + + + GRATIS CURSUS IN VOCALE EN INSTRUMENTALE MUZIEK VOOR BEIDE + GESLACHTEN. + + Zich aan te melden aan het buffet. + + +Wat ten gevolge heeft, dat genoemd buffet ieder oogenblik overstroomd +wordt door slechts oppervlakkig gekleede personen, die komen vragen +"waar ze wezen motten." + +Bovendien geeft mijnheer Schaunard er rendez-vous aan een dame, +die zich Phémie Klad noemt en nooit een hoed op heeft. + +Mijnheer Bosquet Jr. heeft dan ook verklaard, dat hij geen voet meer +zou zetten in een café, waar de natuur zoo met voeten getreden wordt. + +5o. Ofschoon de heeren zich toch al met een zeer matige +consumptie tevreden stelden, hebben zij getracht die nog meer te +verminderen. Onder voorwendsel, dat zij de mokka op overspel met de +chicorei betrapt hebben, hebben zij hier een spiritustoestel gebracht, +waarop zij zelf koffie zetten, die zij aanzoeten met suiker, die +buiten de deur tegen lagen prijs gekocht is, welke handelwijze een +beleediging is voor de keuken van het etablissement. + +6o. Door de gesprekken der heeren tot in den grond bedorven, heeft de +kellner Bergami, zijn nederige afkomst en alle gevoel van schaamte uit +het oog verliezend, zich vermeten aan de buffetjuffrouw een gedicht +te richten, waarin hij haar aanspoort haar plichten als moeder en +echtgenoote te verzaken; uit den verwarden stijl heeft men meenen te +moeten opmaken, dat die brief geschreven is onder den verderfelijken +invloed van mijnheer Rodolphe en diens letterkundige voortbrengselen. + +Dientengevolge ziet de directeur van het etablissement zich tot zijn +spijt verplicht het gezelschap-Colline te verzoeken een andere plaats +voor zijn revolutionnaire samenkomsten te kiezen. + +Gustave Colline, de Cicero der troep, nam nu het woord en bewees a +priori aan den eigenaar van het café, dat zijn klachten belachelijk +en ongegrond waren; dat het voor hem juist een groote eer was, indien +men zijn inrichting ervoor uitkoos om er een haard van intelligentie +van te maken; dat zijn en zijner vrienden vertrek den ondergang van +zijn café zou veroorzaken, dat door hun tegenwoordigheid tot de hoogte +van een artistiek en litterair café verheven was. + +"Maar," merkte de eigenaar van het café op, "u en uw vrienden verteert +zoo weinig." + +"Deze matigheid, waarover gij u beklaagt, is een argument ten gunste +van onze goede zeden," was Colline's antwoord. "Bovendien hangt het +slechts van u af, of wij onze uitgaven kunnen vermeerderen; u behoeft +dan slechts crediet te geven." + +"Wij willen zelfs het rekening-courantboek cadeau geven," zeide Marcel. + +De eigenaar deed, alsof hij het niet hoorde, en vroeg eenige +inlichtingen omtrent den brandbrief, dien Bergami tot zijn vrouw +gericht had. Rodolphe, die ervan beschuldigd was als secretaris voor +dien ongeoorloofden hartstocht gediend te hebben, betuigde met vuur +en ijver zijn onschuld. + +"Trouwens," voegde hij eraan toe, "de deugd van uw vrouw was een +zekere barrière, die ...." + +"O," zeide de eigenaar met een glimlach van trots, "mijn vrouw is te +Saint-Denis [25] opgevoed." + +In het kort, Colline slaagde er tenslotte in den café-man te vangen +in het net van zijn arglistige welsprekendheid, waarna de vrede +hersteld werd op voorwaarde, dat de vier vrienden niet meer hun +koffie zelf zouden zetten, dat het café een gratis-exemplaar van +den Castor zou ontvangen, dat Phémie Klad een hoed zou opzetten, dat +het tric-tracspel alle Zondagen van twaalf tot twee uur overgelaten +zou worden aan het gezelschap Bosquet, en vooral, dat er geen nieuwe +crediet zou gegeven worden. + +Gedurende enkele dagen ging alles goed. + +Den avond vòòr Kerstmis kwamen de vier vrienden in gezelschap van +hun respectievelijke "echtgenooten" in het café. + +Er waren dus mademoiselle Musette, mademoiselle Mimi, het nieuwe +vriendinnetje van Rodolphe, een allerliefst persoontje met een stem, +helder als een klok, en Phémie Klad, de afgod van Schaunard. Dien avond +droeg Phémie Klad een mutsje. Mademoiselle Colline, die men nooit zag, +was als gewoonlijk thuis gebleven, om komma's in de handschriften +van haar man te zetten. Na de koffie, die tegen alle gewoonten in +door een bataillon glaasjes likeur geëscorteerd werd, bestelden zij +punch. Weinig aan dergelijke uitspattingen gewend, liet de kellner de +bestelling nog tweemaal herhalen. Phémie, die nog nooit in het café +geweest was, scheen in extase, dat zij uit glaasjes met een voet mocht +drinken. Marcel had het aan den stok met Musette over een nieuwen +hoed, waarvan de herkomst hem verdacht voorkwam. Mimi en Rodolphe, +die nog in de wittebroodsweken van hun samenleven waren, voerden +een gesprek zonder woorden maar met allerlei vreemde geluiden. Wat +Colline betreft, met een vriendelijken lach op zijn gelaat ging hij +bij de dames alle galanterieën, die hij uit zijn collectie van den +Almanach des Muses verzameld had, verkoopen. + +Terwijl dit vroolijke gezelschap zich aldus aan spel en lach overgaf, +keek een vreemdeling, die eenzaam aan een tafeltje achter in de +zaal zat, met vreemde blikken naar het schouwspel, dat zich voor +hem afspeelde. + +Reeds sedert veertien dagen kwam hij iederen avond: hij was van alle +bezoekers de eenige, die het vreeselijke lawaai, dat de bohémiens +maakten, had kunnen uithouden. De lafste voor-de-gek-houderijen waren +op zijn onverstoorbaarheid afgestooten; hij bleef met een mathematische +regelmaat zijn pijp zitten rooken, zijn oogen starend op één punt, +alsof hij een schat bewaken moest, het oor geopend voor alles, +wat er om hem heen gezegd werd. Overigens scheen hij zachtmoedig en +welgesteld, want hij bezat een horloge, dat door een gouden ketting +in zijn zak in slaverij gehouden werd. Toen Marcel toevallig eens +gelijk met hem aan het buffet stond, had hij gezien, dat hij een +louis wisselde, om zijn vertering te betalen. Van dat oogenblik af +noemden de vier vrienden hem den "kapitalist." + +Plotseling ontdekte Schaunard, die uitstekende oogen had, dat de +glazen leeg waren. + +"Voor den duivel," zeide Rodolphe; "het is de avond vòòr Kerstmis; +wij zijn allen goede Christenen .... we moeten een extraatje nemen." + +"Waarachtig, zeker," zeide Marcel, "laten we bovennatuurlijke dingen +bestellen." + +"Colline," voegde Rodolphe eraan toe, "bel den kellner eens." + +Colline belde als een bezetene. + +"Wat zal het zijn?" vroeg Marcel. + +Colline maakte met zijn bovenlichaam een hoek van vijf-en-veertig +graden en zeide, op de dames wijzend: + +"Het staat aan de dames om de volgorde en den aard der ververschingen +te bepalen." + +"Ik," zeide Musette, die met haar tong klapte, "ik zou een glas +champagne niet graag weigeren." + +"Ben je niet wijs?" vloog Marcel op. "Champagne .... dat is zelfs +geen wijn." + +"Dat kan me minder schelen, ik vind het lekker en het maakt lawaai." + +"Ik," zeide Mimi, terwijl zij Rodolphe met een blik liefkoosde, +"ik zou graag beaune willen hebben in zoo'n klein mandje." + +"Is jouw hoofd op hol?" vroeg Rodolphe. + +"Neen, maar ik wil het laten hollen," antwoordde Mimi, op wie de beaune +een bijzonderen invloed had. Haar man werd door dat woord verpletterd. + +"En ik," zeide Phémie Klad, die op den elastischen divan op en neer zat +te springen, "ik wil graag parfait amour. Dat is goed voor je maag." + +Schaunard bracht met zijn neusklank eenige woorden voort, die Phémie +op haar basis deden sidderen. + +"Ach wat!" zeide Marcel, "het is niet alle dagen ker(st)mis, laten +we er voor dezen keer eens honderdduizend francs aan spendeeren." + +"En," voegde Rodolphe eraan toe, "laten we niet vergeten, dat de baas +zich beklaagt, dat we te weinig verteren." + +"Dat is zoo," zeide Colline. "Laten we een schitterend festijn +aanrichten: trouwens we zijn den dames de meest passieve gehoorzaamheid +verschuldigd; de liefde leeft van zelfverloochening, de wijn is het +sap van het pleizier; het pleizier is de plicht der jeugd,--de vrouwen +zijn bloemen, je moet ze begieten. Laten we haar dus begieten! Kellner, +kellner!" + +En met een koortsachtige opgewondenheid ging hij aan het schelkoord +hangen. + +De kellner schoot toe als op de vleugelen van den wind. + +Toen hij van champagne, beaune en diverse likeuren hoorde spreken, +speelden zijn gelaatstrekken alle toonladders der verbazing af. + +"Ik heb zoo'n leeg gevoel in mijn maag," zeide Mimi, "ik zou wel trek +in een paar sneedjes ham hebben." + +"En ik in sardientjes met boter," voegde Musette eraan toe. + +"En ik in radijs," zeide Phémie, "met wat vleesch erom heen." + +"Zeggen jullie nou maar dadelijk, dat je een souper wilt hebben," +merkte Marcel op. + +"Dat zou heusch zoo'n gek idée niet zijn," antwoordden de vrouwen. + +"Kellner, breng alles boven, wat voor een goed souper noodig is," +zeide Colline ernstig. + +De kellner was van verbazing driekleurig geworden. + +Langzaam liep hij naar het buffet en deelde daar den eigenaar van +het café de buitengewone dingen mede, die ze hem besteld hadden. + +De café-man dacht, dat het een grap was, maar toen er weer gescheld +werd, ging hij zelf naar boven en wendde zich tot Colline, voor wien +hij een zeker respect had. Colline legde hem uit, dat zij den réveillon +bij hem wilden vieren en hij het bestelde dus moest laten brengen. + +De eigenaar van het café antwoordde niets en ging met den kreeftengang +weg, terwijl hij knoopen in zijn servet maakte. Een kwartier lang +overlegde hij met zijn vrouw, tot deze, die dank zij de liberale +opvoeding, die zij te Saint-Denis gehad had, een vereerster der +schoone kunsten was, haar echtvriend wist over te halen het souper +te laten opdienen. + +"Eigenlijk heb je gelijk," zeide hij; "het is best mogelijk, dat +zij bij uitzondering eens geld hebben." En hij gaf den kellner order +alles wat besteld was boven te brengen. Dan verdiepte hij zich met +een ouden stamgast in een partij piquet. Een fatale onvoorzichtigheid! + +Van tien tot twaalf uur deed de kellner niets dan de trap op- en +afloopen. Ieder oogenblik werden er extra-schotels besteld. Musette +liet zich op zijn Engelsch bedienen en moest bij iederen hap een +nieuw couvert hebben; Mimi dronk van alle wijnsoorten uit alle glazen; +Schaunard had een onleschbaren Sahara in zijn keel; Colline onderhield, +terwijl hij zijn servet met zijn tanden doorbeet, een kruisvuur met +zijn oogen en kneep in den poot van de tafel, dien hij voor de knie +van Phémie hield. Marcel en Rodolphe bleven echter stevig in den +stijgbeugel der koelbloedigheid zitten en zagen niet zonder angst +het uur der ontknooping naderen. + +De vreemdeling keek met een ernstige nieuwsgierigheid naar dit tooneel; +van tijd tot tijd zag men zijn mond als tot een glimlach opengaan; +dan hoorde men een knarsend geluid, alsof er een raam dicht gedaan +werd. Dat was de vreemdeling, die inwendig lachte. + +Om kwart voor twaalf zond de buffetjuffrouw de rekening, die het +ontzaglijke bedrag van 25 fr. 75 c. aanwees. + +"Ja," zeide Marcel, "nu zullen we moeten loten wie met den eigenaar zal +moeten gaan onderhandelen. Dat zal een lang niet makkelijke zaak zijn." + +Ze namen een dominospel en trokken om het hoogste aantal. + +Het lot wees ongelukkigerwijze Schaunard als plenipotentiaris +aan. Schaunard was een uitstekend virtuoos, maar een slecht +diplomaat. Hij kwam juist bij het buffet, toen de waard van zijn ouden +stamgast verloren had. Woedend over zijn schandelijk verlies, was Momus +in het humeur van een menscheneter en geraakte bij de eerste woorden +van Schaunard in een hevigen toorn. Schaunard was een goed musicus, +doch had een buitengewoon heftig karakter. Hij antwoordde met dubbel +zoo grof geschut. De twist werd zoodoende hoe langer hoe giftiger, +en ten slotte stormde de waard naar boven, om te zeggen, dat hij ze +niet zou laten vertrekken, vòòr alles betaald was. Colline trachtte met +zijn kalmeerende welsprekendheid den storm te bezweren, doch toen de +café-man het servet zag, waarvan Colline pluksel gemaakt had, barstte +zijn woede in dubbele heftigheid los en waagde hij het, om tenminste +eenige zekerheid te hebben, zijn profane hand uit te steken naar den +notehoutkleurigen paletot van den philosoof en de mantels van de dames. + +Een pelotonvuur van beleedigingen werd nu tusschen de bohémiens en +den eigenaar van het établissement geopend. + +Intusschen praatten de dames gezellig over vroegere amourettes en +modenieuwtjes. + +De vreemdeling echter liet nu zijn passieve houding varen; +langzamerhand was hij opgestaan, had één pas gedaan, dan twee en liep +ten slotte als een heel gewoon mensch op zijn twee beenen; hij kwam +naar den café-man toe, nam hem ter zijde en praatte heel zachtjes +met hem. Rodolphe en Marcel volgden hem met de oogen. Eindelijk was +het gesprek afgeloopen en zeide de waard tot den vreemdeling: + +"Zeker vind ik het goed, mijnheer Barbemuche, zeker, maak u het maar +met hen in orde." + +Mijnheer Barbemuche ging naar zijn tafeltje, om zijn hoed te halen, +zette dien op, maakte een zwenking naar rechts, was in drie stappen +bij Rodolphe en Marcel, nam zijn hoed af, boog voor de heeren, +wierp den dames een groet toe, haalde zijn zakdoek te voorschijn, +snoot zijn neus en nam dan met schuchtere stem het woord: + +"Ik moet u vergiffenis vragen voor mijn indiscretie, heeren. Reeds +lang brand ik van verlangen, om kennis met u te maken, maar tot nog +toe heb ik geen gunstige gelegenheid gevonden, om mij aan u voor +te stellen. Veroorlooft u mij deze, welke zich thans voordoet, aan +te grijpen?" + +"Zeker, zeker," zeide Colline, die dadelijk begreep waar de vreemdeling +heen wilde. + +Rodolphe en Marcel bogen, zonder iets te zeggen. + +De overdreven lichtgeraaktheid van Schaunard bedierf bijna alles. + +"Neem me niet kwalijk, mijnheer," zeide hij eenigszins heftig, +"u hebt niet de eer ons te kennen en de etiquette verzet er zich +tegen, dat .... Zoudt u de goedheid willen hebben mij wat tabak +te geven .... Verder zal ik mij bij het gevoelen van mijn vrienden +aansluiten..." + +"Heeren," begon Barbemuche, "ik ben evenals u een discipel der +schoone kunsten. Voor zoover ik uit uw gesprekken heb kunnen opmaken, +stemmen onze smaken overeen, waarom ik de vurige begeerte koester tot +uw vriendenkring te mogen behooren en u iederen avond hier te kunnen +ontmoeten .... De eigenaar van dit etablissement is een bruut, maar ik +heb een paar woorden met hem gesproken, en gij zijt volkomen vrij om +te gaan of te blijven ..... Ik waag het de hoop uit te spreken, dat +u mij het middel, om u hier weer te ontmoeten, niet zult onthouden, +door den kleinen dienst aan te nemen, dien ...." + +Naar Schaunards wangen steeg een kleur van verontwaardiging. + +"Hij speculeert op onzen toestand," zeide hij. "Wij mogen zijn aanbod +niet aannemen. Hij heeft onze rekening betaald--ik zal met hem een +partij billard spelen om vijf-en-twintig francs en hem een paar +caramboles voorgeven." + +Barbemuche nam het voorstel aan en was verstandig genoeg de partij +te verliezen; maar door dezen trek won hij de achting der Bohème. Men +scheidde met de afspraak den volgenden dag weer samen te komen. + +"Op die manier," zeide Schaunard tot Marcel, "zijn we hem niets +schuldig en is onze waardigheid gered." + +"En kunnen we bijna nog een souper van hem eischen," voegde Colline +eraan toe. + + + + + + +HOOFDSTUK XII. + +EEN INSTALLATIE IN DE BOHÈME. + + +Carolus Barbemuche had het den avond, waarop hij een door de bohémiens +gebruikt souper uit zijn particuliere kas betaald had, zoo weten aan te +leggen, dat Gustave Colline met hem het café verliet, om naar huis te +gaan. Van af het oogenblik n.l., dat hij de bijeenkomsten van de vier +vrienden in het etablissement, waar hij hen uit een pijnlijken toestand +verloste, bijwoonde, had Colline zijn bijzondere aandacht getrokken +en voelde hij zich aangetrokken tot dien Sokrates, wiens Plato hij +later worden zou. Daarom had hij al dadelijk Colline uitverkoren, om +zich in den vriendenkring te introduceeren. Onderweg stelde Barbemuche +Colline voor even in een café, dat nog open was, binnen te loopen, om +nog wat te gebruiken. Niet alleen sloeg Colline die uitnoodiging af, +maar hij verhaastte nog zijn tred, toen hij genoemd café voorbijging, +en drukte zijn hyperphysischen vilten hoed diep in zijn oogen. + +"Waarom wilt u daar niet binnengaan?" vroeg Barbemuche, die met +fijngevoelde beleefdheid aandrong. + +"Daar heb ik mijn redenen voor," antwoordde Colline. "De buffetjuffrouw +in dat etablissement houdt zich veel met de exacte wetenschappen +bezig, en wanneer wij er binnen gingen, zou het onvermijdelijk op een +langdurig debat uitloopen, wat ik tracht te vermijden door noch op +den middag, noch op andere uren, dat de zon schijnt, door deze straat +te gaan. Dat is trouwens heel natuurlijk", voegde hij eraan toe; +"ik heb met Marcel in dezen wijk gewoond." + +"Toch zou ik graag onder het genot van een glas punch nog een +oogenblikje met u praten. Weet u hier in de buurt niet een of +ander lokaal, waar u zoudt kunnen gaan zonder bezwaren .... van +natuur-philosophischen aard weerhouden te worden?" vroeg Barbemuche, +die het noodig oordeelde buitengewoon geestig te zijn. + +Colline dacht een oogenblik na. + +"O, ja, dat is waar, hier is een lokaal, waar ik beter verschijnen +kan." + +En hij wees op den winkel van een wijnhandelaar. + +Barbemuche zette een leelijk gezicht en scheen te aarzelen. + +"Is het een fatsoenlijke inrichting?" vroeg hij. + +Zijn koude, gereserveerde houding, zijn weinige spraakzaamheid, +zijn discreet glimlachje en vooral zijn horloge en zijn ketting met +breloques hadden Colline op het denkbeeld gebracht, dat Barbemuche +tot het een of ander gezantschap behoorde en bang was om zich te +compromitteeren, wanneer hij in zoo'n kroeg kwam. + +"Er is geen kans, dat wij gezien worden," zeide hij; "op dit uur ligt +het geheele corps diplomatique al onder de wol." + +Eindelijk besloot Barbemuche toch maar om naar binnen te gaan; +maar met den geheimen wensch een kartonnen neus te hebben. Voor alle +zekerheid vroeg hij een afzonderlijke kamer en hing een servet voor +de ruiten van de glazen deur. Na deze voorzorgsmaatregelen scheen +hij minder ongerust en bestelde een bowl punch. Door de warme drank +wat opgewonden, werd Barbemuche iets spraakzamer; en na enkele +bijzonderheden over zichzelf medegedeeld te hebben, waagde hij het +de hoop uit te spreken, dat hij officieel in den bond der bohémiens +zou worden opgenomen, en verzocht hij Colline's medewerking om hem +te helpen dit eerzuchtige plan te verwezenlijken. + +Colline antwoordde, dat hij voor zijn persoon zich gaarne ter +beschikking van Barbemuche stelde, doch dat hij hem natuurlijk niets +zeker beloven kon. + +"U kunt op mijn stem rekenen," zeide hij, "maar ik kan natuurlijk +niet op mij nemen over die van mijn vrienden te beschikken." + +"Maar om welke redenen zouden zij weigeren mij in hun kring op +te nemen?" + +Colline zette het glas, dat hij juist naar zijn mond wilde brengen, +weer op tafel en vroeg met een zeer ernstig gelaat aan den vermetelen +Carolus: + +"Cultiveert u de schoone kunsten?" + +"Ik bebouw op bescheiden wijze deze edele velden der intelligentie," +antwoordde Carolus, die de vlag van zijn kunst meende te moeten toonen. + +Colline vond de phrase mooi gestyleerd en vroeg met een buiging: + +"Doet u aan muziek?" + +"Ik heb op den contrabas gespeeld." + +"Dat is een philosophisch instrument; die geeft zulke ernstige +tonen. Welnu, daar gij dus verstand hebt van muziek, begrijpt u heel +goed, dat men niet, zonder de wetten der harmonie te verstoren, een +vijfden speler aan een quartet kan toevoegen; anders zou het geen +quartet meer zijn." + +"Dat is zoo, dan wordt het een quintet," antwoordde Carolus. + +"U zegt?" vroeg Colline. + +"Een quintet." + +"Precies--juist op dezelfde wijze, alsof je aan de Drieëenheid, dien +goddelijken driehoek, een vierden persoon toevoegde; het zou dan een +vierhoek vormen, maar de godsdienst zou zijn basis verloren hebben." + +"Neem me niet kwalijk," zeide Carolus; wiens verstand te midden +van al die doornstruiken van Colline's logica begon te struikelen, +"maar ik zie niet in ...." + +"Let eens goed op," ging Colline voort; "hebt u verstand van +astronomie?" + +"Een beetje .... ik ben bachelier." [26] + +"Daar bestaat nog een liedje over," zeide Colline: "Bachelier +de Lisette .... Het wijsje herinner ik me niet meer .... Dus dan +weet u natuurlijk, dat er vier hoofdwinden bestaan. Welnu, als er +nu plotseling een hoofdwind bijkwam, dan zou de heele harmonie der +natuur verstoord worden. Dat noemt men een cataclysme. Begrijpt u me?" + +"Ik wacht op de slotsom." + +"Inderdaad de slotsom is het slot van een rede, evenals de dood het +einde van het leven en het huwelijk het einde van de liefde is. Welnu, +mijn waarde heer, mijn vrienden en ik zijn gewoon met elkaar te leven +en wij zijn bang door de opneming van een vijfde in onzen kring, de +harmonie, die in ons concert van zeden, meeningen, smaak en karakter +heerscht, te verstoren. Wij moeten eenmaal de vier hoofdwindstreken +der moderne kunst worden; ik zeg u dit zonder er doekjes om te winden; +en daar wij nu eenmaal met dat denkbeeld vertrouwd zijn, zou het ons +onaangenaam stemmen nog een vijfde hoofdwindstreek te zien." + +"Maar wanneer je met je vieren bent, kan je toch even goed met je +vijfjes zijn," waagde Carolus op te merken. + +"Ja, zeer zeker, maar dan ben je niet meer met je vieren." + +"Dat is een nietswaardige uitvlucht." + +"Er is niets nietswaardigs in deze wereld, alles is in alles, kleine +beken maken groote rivieren, kleine lettergrepen maken alexandrijnen +en bergen zijn uit zandkorrels opgebouwd; dat las ik dezer dagen in de +Sagesse des nations; u kunt een exemplaar daarvan op den quai vinden." + +"U denkt dus, dat de heeren bezwaar zullen hebben mij in hun intiemen +kring op te nemen?" + +"Ik ben er wel eenigszins bang voor. Maar vertel me eens, waarde heer, +welke vore beploegt u het liefst in de edele velden der intelligentie?" + +"De groote wijsgeeren en de goede klassieke schrijvers zijn mijn +voorbeelden, ik voed mij met hun studie. Télémaque heeft mij het +eerst den hartstocht, die mij verteert, ingeboezemd." + +"Télémaque vind je bij hoopjes op de boekenstalletjes," zeide +Colline. "Onlangs heb ik er nog een voor vijf sous gekocht, omdat +het een koopje was. Maar ik wil het u, om u een pleizier te doen, +graag afstaan. Overigens een goed en voor den toenmaligen tijd heel +aardig samengesteld werk." + +"Ja, mijnheer," ging Carolus voort, "de hooge philosophie en de +gezonde litteratuur, daarheen gaat mijn streven; mijns inziens is de +kunst een priesterschap." + +"Zeker, zeker ...." zeide Colline; "daar bestaat nog een liedje op." + +En hij begon te zingen: + + + "Oui, l'art est un sacerdoce + Et sachons nous en servir. + + +Ik geloof dat het uit Robert le Diable is," voegde hij eraan toe. + +"Ik zeide dus," ging Barbemuche voort, "dat de kunst een heilig beroep +is en dat de schrijvers dus onophoudelijk ...." + +"Pardon, mijnheer," viel Colline, die een laat uur had hooren slaan, +hem in de rede; "het zal zoo dadelijk ochtend zijn en ik ben erg bang, +dat ik door nog langer uit te blijven iemand, die mij dierbaar is, +ongerust zal maken; trouwens," mompelde hij nog in zichzelf, "ik had +haar beloofd vroeg thuis te komen; het is vandaag haar ontvangdag!" + +"Inderdaad het is tamelijk laat!" zeide Carolus. "Laten we naar +huis gaan." + +"Woont u ver hiervandaan?" + +"Rue Royale-Saint-Honoré, 10." + +Colline was bij een vroegere gelegenheid eens in dit huis geweest en +herinnerde zich, dat het een prachtig heerenhuis was. + +"Ik zal morgen met de heeren over u spreken," zeide hij bij het +afscheid nemen tot Carolus, "en ik beloof u, dat ik al mijn invloed +zal aanwenden, om ze gunstig voor u te stemmen .... A propos, mag ik +u nog een raad geven?" + +"Gaarne". + +"Wees aardig en galant tegenover de dames. Mimi, Musette en Phémie +hebben een niet geringen invloed op mijn vrienden, en wanneer u het +zoo weet aan te leggen, dat zij onder den druk van hun maîtressen +komen, dan zult gij veel makkelijker bereiken, wat gij van Marcel, +Schaunard en Rodolphe gedaan wilt krijgen." + +"Ik zal er mijn best voor doen." + +Den volgenden dag viel Colline als een bom te midden van het gezelschap +der bohémiens: het was op het ontbijtuurtje, en ditmaal was werkelijk +het ontbijt met het uur gekomen. De drie paren zaten aan tafel en +deden zich te goed aan een orgie van artisjokken in pepersaus. + +"Alle donders!" zeide Colline; "het gaat hier royal toe, dat zal +niet lang zoo kunnen duren. Ik kom," ging hij voort, "als gezant +van den edelmoedigen sterveling, dien wij gisteravond in het café +ontmoet hebben." + +"Zou hij nu het geld al komen terugvragen, dat hij ons voorgeschoten +heeft?" vroeg Marcel. + +"He," zeide mademoiselle Mimi, "dat zou ik nooit van hem gedacht +hebben, hij ziet er zoo fatsoenlijk uit." + +"Daar is geen sprake van," antwoordde Colline; "de jonge man zou gaarne +in onzen kring worden opgenomen; hij wil aandeelen in onze maatschappij +nemen en, zooals van zelf spreekt, ook de voordeelen daarvan genieten." + +De drie bohémiens keken elkaar aan. + +"Het voorstel is ingediend," eindigde Colline; "de discussies erover +kunnen geopend worden." + +"Welke maatschappelijke positie bekleedt je beschermeling?" vroeg +Rodolphe. + +"Hij is geen beschermeling van me," antwoordde Colline; "toen we +gisteren avond uiteen gingen, hebben jullie me gevraagd hem te volgen, +en hij, van zijn kant, noodigde me uit om met hem mede te gaan, dat +viel dus prachtig samen. Ik heb hem dus gevolgd; en hij heeft mij +een gedeelte van den nacht met allerlei attenties en fijne likeuren +overstelpt, maar desniettemin heb ik mijn onafhankelijkheid bewaard." + +"Bravo!" zeide Schaunard. + +"Geef ons een schets van eenige van zijn hoofdkaraktertrekken," +vroeg Marcel. + +"Zielegrootheid, strenge zeden, bang om een wijnkroegje binnen te +gaan, eind-examen gymnasium, de oprechtheid in eigen persoon, speelt +op den contrabas, een natuur, die tusschenbeide vijf francs wisselt." + +"Bravo!" zeide Schaunard. + +"Wat verwacht hij van ons?" + +"Zooals ik reeds zeide, kent zijn eerzucht geen grenzen; zijn ideaal +is ons te tutoyeeren." + +"Met andere woorden, hij wil ons exploiteeren, hij wil in onze karossen +gezien worden." + +"En wat is zijn beroep?" was Marcels vraag. + +"Zijn kunstrichting? Zijn beroep? Litteratuur en philosophie door +elkaar." + +"Waaruit bestaat zijn philosophische kennis?" + +"Hij beoefent een kleinsteedsche wijsbegeerte. Hij noemt de kunst +een priesterschap." + +"Een priesterschap!" riep Rodolphe verschrikt uit. + +"Hij zegt het." + +"En tot welke litteratuurrichting behoort hij?" + +"Hij leest druk in Télémaque." + +"Bravo!" riep Schaunard, die op de wortels der artisjokken zat te +knabbelen. + +"Wat, bravo, stommeling?" viel Marcel hem in de rede. "Zeg zoo iets +als het je blieft niet, wanneer er andere menschen bij zijn." + +Schaunard gaf, in zijn woede over die terechtwijzing, Phémie, die +hij op een aanval op zijn saus betrapte, bovendien nog onder de tafel +door een trap. + +"Nog een vraag," zeide Rodolphe; "wat is zijn positie in deze +wereld? Waarvan leeft hij? Hoe heet hij? Waar woont hij?" + +"Zijn positie is zeer eervol; hij is leeraar in alle mogelijke +vakken bij een rijke familie. Hij heet Carolus Barbemuche, verteert +zijn inkomsten op zeer voorname wijze en woont in de rue Royale in +een hôtel." + +"Een hôtel garni?" + +"Neen, er zijn echte meubelen in." + +"Ik vraag het woord," zeide Marcel. "Het is duidelijk, dat Colline +omgekocht is; hij heeft voor een som van kleine glaasjes likeur zijn +stem verkocht. Val mij niet in de rede," zeide Marcel, die den wijsgeer +zag opstaan, om te protesteeren; "je kunt straks antwoorden. Colline, +die veile ziel, heeft u den vreemdeling onder een veel te gunstig +aspect laten zien, dan dat het het beeld der waarheid kan zijn. Ik heb +reeds gezegd, dat ik de bedoelingen van dezen vreemdeling doorzie. Hij +wil op ons speculeeren. Hij denkt bij zichzelf: Kijk eens eventjes, dat +zijn jongens, die carrière zullen maken; ik moet zien, dat ik me in hun +zak verberg, dan kom ik tegelijk met hen aan den steiger van den roem." + +"Bravo," zeide Schaunard; "is er geen saus meer?" + +"Neen," antwoordde Rodolphe; "de oplaag is uitverkocht." + +"Anderzijds," ging Marcel voort, "streeft deze arglistige sterveling, +welke door Colline beschermd wordt, misschien slechts met misdadige +gedachten naar de eer, om in onzen kring opgenomen te worden. Wij zijn +hier niet alleen, heeren," ging de redenaar voort en wierp daarbij +een welsprekenden blik op de dames; "en de protégé van Colline is +mogelijk een trouwelooze verleider, die zich onder den mantel der +litteratuur bij ons wil indringen. Denkt goed na! Ik voor mij stem +tegen de toelating." + +"Ik vraag slechts het woord voor een rectificatie," zeide +Rodolphe. "In zijn merkwaardige improvisatie heeft Marcel gezegd, +dat genoemde Carolus zich, met het doel om ons te onteeren, bij ons +wil binnendringen onder den mantel der litteratuur." + +"Dat is een oratorische figuur," zeide Marcel. + +"Ik keur die figuur af; zij is slecht. De litteratuur heeft geen +mantel." + +"Omdat ik hier de functies van rapporteur vervul," zeide Colline +opstaande, "zal ik de conclusies van mijn rapport verdedigen. De +jalousie, welke onzen vriend Marcel verteert, heeft zijn verstand +verstoord, de groote kunstenaar is krankzinnig ...." + +"Tot de orde!" brulde Marcel. + +"Zoo krankzinnig, dat hij, een zoo voortreffelijke teekenaar, in +zijn rede een figuur gebruikt heeft, waarvan de onjuistheid door den +geestigen redenaar, die vòòr mij gesproken heeft, ten duidelijkste +is aangetoond." + +"Colline is een idioot!" riep Marcel uit en gaf een heftigen vuistslag +op tafel, die geen kleine beroering onder de borden veroorzaakte, +"Colline heeft niet het minste begrip van gevoelszaken; op dat gebied +is hij te eenenmale onbevoegd; in plaats van een hart heeft hij een +oud, beschimmeld boek!" (Langdurig gelach van Schaunard.) + +Gedurende dit tumult schudde Colline den vloed van welsprekendheid, +die hij tusschen de plooien van zijn witte das verborg. Toen de stilte +weer hersteld was, ging hij verder: + +"Mijne heeren, met één enkel woord zal ik de hersenschimmige vrees, +die de vermoedens van Marcel misschien ten opzichte van Carolus in +u wakker geroepen hebben, doen verdwijnen." + +"Probeer het maar eens," zeide Marcel spottend. + +"Dat zal me niet moeilijker vallen dan dit", antwoordde Colline en +blies een lucifer uit, waarmede hij zijn pijp aangestoken had. + +"Maar spreek dan toch," riepen Rodolphe, Schaunard en de vrouwen, +die in het debat een levendig belang stelden, in koor uit. + +"Mijne heeren," zeide Colline, "hoewel ik persoonlijk en heftig +in dezen kring ben aangevallen, hoewel men mij beschuldigd heeft +den invloed, dien ik op u zou kunnen hebben, voor spiritualiën +verkocht te hebben, zal ik toch, krachtig in het bewustzijn van +mijn onschuld, niet antwoorden op de aanvallen, die gedaan zijn op +mijn rechtschapenheid, oprechtheid en moraliteit." (Beweging.) "Een +eigenschap echter wil ik echter niet, dat ook maar één oogenblik +in twijfel getrokken wordt." (De redenaar slaat zich tweemaal op +zijn buik.) "Men heeft het willen doen voorkomen, alsof ik mijn u +zoo welbekende voorzichtigheid verloren heb. Men beschuldigt mij in +uw kring een sterveling te willen binnensmokkelen, die de bedoeling +heeft een aanslag te plegen op uw liefdesgeluk. Deze veronderstelling +is een beleediging, de eerbaarheid en den goeden smaak van de dames +hier aangedaan. Carolus Barbemuche is foei leelijk," (zichtbare +tegenspraak op het gelaat van Phémie Klad. Lawaai onder de tafel, +afkomstig van Schaunard, die de compromitteerende openhartigheid van +zijn jonge vriendin met zijn voeten verbetert.) + +"Maar," ging Colline voort, "wat het ellendige argument, waarvan +mijn tegenstander, door gebruik te maken van uw eersten schrik, een +wapen smeedt tegen Carolus, geheel ontzenuwt: genoemde Carolus is een +Platonisch wijsgeer." (Sensatie op de bank der heeren, tumult op de +bank der dames.) + +"Platonisch, wat beteekent dat?" vroeg Phémie. + +"Dat is de ziekte van mannen, die een meisje niet durven zoenen," +antwoordde Mimi. "Ik heb een minnaar van dat soort gehad, maar na +twee uur heb ik bonjour tegen hem gezegd." + +"Je reinste onzin!" vond Musette. + +"Je hebt gelijk, lieveling!" zeide Marcel tot haar; "Platonisme in +liefde is hetzelfde als water in wijn. Laten we onzen wijn onversneden +drinken." + +"En leve de jeugd!" + +De verklaring van Colline had een voor Carolus gunstigen ommekeer +veroorzaakt. De wijsgeer wilde van die goede wending, door zijn +handige en welsprekende pleitrede te weeg gebracht, gebruik maken. + +"Ik zie niet in", ging hij voort, "welke bezwaren redelijkerwijze +nog ingebracht kunnen worden tegen dezen jeugdigen sterveling, die +ons in ieder geval een dienst bewezen heeft. Wat mij nu betreft, ik, +dien men beschuldigt onbezonnen gehandeld te hebben door hem in onzen +kring te willen doen opnemen, ik beschouw die meening als een aanslag +op mijn waardigheid. Ik heb in deze zaak gehandeld met de listigheid +van een slang, en wanneer dit beleid niet door een gemotiveerd votum +erkend wordt, neem ik mijn ontslag." + +"Wil je de kabinetsquaestie stellen?" vroeg Marcel. + +"Ja, die stel ik," antwoordde Colline. + +De drie bohémiens beraadslaagden onderling en verklaarden ten slotte +eenstemmig, dat zij den wijsgeer het karakter van groot beleid, +dat hij eischte, teruggaven. Colline liet daarop het woord aan +Marcel, die, eenigszins teruggekomen van zijn vooringenomenheid, +verklaarde, dat hij misschien voor de conclusies van den rapporteur +zou stemmen. Maar alvorens het definitieve besluit, dat Carolus in +de intimiteit van den vriendenkring zou worden toegelaten, te nemen, +liet Marcel over het volgende amendement stemmen: + +"Daar het toelaten van een nieuw lid in den vriendenkring een ernstige +zaak is, en daar een vreemdeling, onbekend als hij is met de zeden, +karakters en inzichten van zijn kameraden, er elementen van tweedracht +in zou kunnen brengen, moet ieder der leden een dag met genoemden +Carolus doorbrengen en een onderzoek instellen naar zijn leven, zijn +smaak, zijn litteraire capaciteiten en zijn garde-robe. De bohémiens +zouden elkaar dan hun particuliere indrukken mededeelen, waarna +zij zouden stemmen over weigering of aanneming: verder zou Carolus, +vòòr zijn toelating, een proeftijd van een maand moeten doormaken, +dat wil zeggen, dat hij vòòr dien tijd niet het recht zou hebben +hen te tutoyeeren en hun op straat een arm te geven. Op den dag der +installatie zou het nieuw-aangenomen lid een schitterend feestmaal +moeten geven, waarvan de kosten minstens twaalf francs zouden moeten +bedragen." + +Dit amendement werd met drie stemmen tegen één, die van Colline, +aangenomen; deze vond, dat men niet genoeg vertrouwen in hem had en +dat dit amendement een nieuwe aanslag op zijn beleid was. + +Dienzelfden avond ging Colline met opzet zeer vroegtijdig naar het +café, om de eerste te zijn om Carolus te zien. + +Hij behoefde niet lang te wachten: Carolus kwam weldra met drie +reusachtige bouquetten rozen in de hand. + +"Allemachtig!" riep Colline uit; "wat wilt u met dien tuin?" + +"Ik heb gedacht aan wat u me gisteren gezegd hebt: uw vrienden +zullen ongetwijfeld met hun dames komen, en daarom heb ik die bloemen +meegebracht; zij zijn heel mooi." + +"Dat geloof ik graag; ze zullen u minstens vijftien sous gekost +hebben." + +"Stel u voor! In de maand December. Als u nu vijftien francs zeide!" + +"Lieve Hemel!" riep Carolus uit, "een trio daalders voor die eenvoudige +kinderen van Flora, wat een dwaasheid! Is u misschien familie van de +Cordillera's? Welnu, waarde heer, dat zijn vijftien francs, die wij +in den letterlijken zin des woords uit het raam zullen moeten smijten." + +"Wat wilt u daarmede zeggen?" + +Colline vertelde nu welke jaloersche vermoedens Marcel onder zijn +vrienden had gewekt, en bracht Carolus op de hoogte van de heftige +discussie, die plaats had gehad tusschen de bohémiens naar aanleiding +van zijn verzoek, om in den vriendenkring te worden opgenomen. + +"Ik heb betoogd, dat uw bedoelingen zoo rein en zuiver en eerlijk +mogelijk waren," voegde Colline eraan toe; "maar de oppositie is niet +minder krachtig geweest. Zorg er dus voor de jaloersche vermoedens, +die men tegen u koesteren kan, niet aan te wakkeren door te galant +tegen de dames te zijn; laten wij dus, om te beginnen, die bouquetten +doen verdwijnen." + +En Colline nam de rozen en verborg ze in een kast, waarin ze alles +en nog wat bewaarden. + +"Maar dat is niet alles," ging hij voort; "de heeren wenschen, +alvorens op meer intiemen voet met u te komen, ieder afzonderlijk +een onderzoek in te stellen naar uw karakter, uw smaak enz." + +En opdat Barbemuche zijn vrienden niet te veel aanstoot zou geven, gaf +Colline hem in ruwe trekken een moreel portret van ieder der bohémiens. + +"Tracht nu met ieder afzonderlijk op goeden voet te komen, dan zullen +zij ten slotte allemaal voor uw toelating stemmen." + +Carolus stemde in alles toe. + +Kort daarop verschenen de drie vrienden met hun respectievelijke +"vrouwen". + +Rodolphe was zeer beleefd tegenover Carolus, Schaunard erg +vertrouwelijk en familiaar, terwijl Marcel koel bleef. Carolus trachtte +vroolijk en hartelijk te zijn tegenover de mannen, doch hield zich +op een afstand van de dames. + +Bij het afscheid noodigde Barbemuche Rodolphe uit den volgenden dag +met hem te dineeren met het verzoek 's middags reeds te komen. + +De dichter nam de invitatie aan. + +"Goed", zeide hij tot zichzelf; "ik begin dus de enquête." + +Rodolphe zorgde den volgenden dag op het afgesproken uur bij Carolus te +zijn. Barbemuche woonde inderdaad in een zeer mooi heerenhuis in de rue +Royale en had daar een kamer, waarin een zeker confort heerschte. Wel +verwonderde het Rodolphe, dat, hoewel het nog klaarlichte dag was, +de luiken gesloten, de gordijnen dichtgetrokken en twee kaarsen op +een tafel aangestoken waren. Hij vroeg Barbemuche naar de bedoeling +daarvan. + +"De studie," zeide deze, "is de dochter van het mysterie en der +stilte." + +Ze gingen zitten en begonnen te praten. Na een uur wist Carolus met +een geduld en een oratorische handigheid, die oneindig was, een zin +te pas te brengen, die, niettegenstaande zijn bescheiden vorm, niets +meer of minder dan een sommatie aan Rodolphe was, om te luisteren naar +de voorlezing van een klein werkje, dat de vrucht van de doorwaakte +nachten van genoemden Carolus was. + +Rodolphe begreep, dat hij gevangen was, en daar hij bovendien gaarne +den stijl van Barbemuche wilde leeren kennen, boog hij zeer beleefd +en verzekerde, dat het hem een waar genoegen en ..... + +Carolus wachtte het slot van den zin niet af, vloog naar de deur, +schoof den grendel ervoor, draaide den sleutel om, ging naar Rodolphe +terug en nam eindelijk een klein schrift, waarvan het kleine formaat +en de geringe dikte een glimlach van tevredenheid op het gelaat van +den dichter te voorschijn riepen. + +"Is dat het manuscript van uw werk?" vroeg hij. + +"Neen", antwoordde Carolus, "dat is de catalogus van mijn manuscripten; +ik zoek naar het nummer van het werkje, dat u mij wel wilt vergunnen +u voor te lezen .. Hier is het: Don Lopez of het Noodlot, No. 14. Dat +is op de derde plank." + +Hij opende een klein kastje, waarin Rodolphe tot zijn schrik een +groote hoeveelheid handschriften zag staan, Carolus nam er een uit, +sloot de kast en ging tegenover den dichter zitten. + +Rodolphe wierp een blik op een der vier cahiers, waaruit het werk +bestond, waarvan het formaat hem aan de Maliebaan deed denken. + +"Enfin", zeide hij tot zichzelf, "het is niet in verzen ... maar het +heet Don Lopez!" + +Carolus nam het eerste cahier en begon te lezen: + +"In een kouden winternacht reden twee ruiters, dicht gewikkeld in +hun jassen op twee trage muilezels naast elkaar op een der wegen, +die de vreeselijke eenzaamheid der stille Sierra Morena ...." + +"Lieve Hemel, waar ben ik!" dacht Rodolphe, die door dit begin +verschrikt was. Carolus ging verder en las aan één stuk het eerste +hoofdstuk, dat geheel in dien stijl geschreven was. + +Rodolphe luisterde maar half en zon op een middel om te ontsnappen. + +"Daar is wel een raam," zeide hij tot zichzelf; "maar behalve dat +het dicht is, zijn we hier op de vierde verdieping. Ha, nu begrijp +ik al die voorzorgsmaatregelen." + +"Wat zegt u van mijn eerste hoofdstuk?" vroeg Carolus; "maar wat ik +u verzoeken mag, spaar mij uw kritiek niet." + +Rodolphe meende zich te kunnen herinneren, dat hij stukken hoogdravende +philosophie over den zelfmoord, door genoemden Lopez, den held van +den roman, uitgesproken, gehoord had en antwoordde op goed geluk af: + +"De groote figuur van don Lopez is zeer gewetensvol bestudeerd--het +doet je onwillekeurig denken aan de Profession de foi du vicaire +savoyard [27]; de beschrijving van den muilezel van don Alvar bevalt +mij uitstekend en herinnert aan een schets van Géricault [28]. Het +landschap geeft heele mooie lijnen; en wat de denkbeelden betreft, +dat is zaad van Jean Jacques Rousseau, gezaaid op den bodem van +Lesage. Echter moet ik één opmerking maken; U zet te veel komma's en +gebruikt te veel het woord: "in den vervolge"; dat is een aardige +uitdrukking, die het van tijd tot tijd wel doet en aan het geheel +kleur geeft, maar die je niet te dikwijls gebruiken moet." + +Carolus nam zijn tweede cahier op en las nogmaals den titel: Don +Lopez of het noodlot. + +"Ik heb indertijd ook een don Lopez gekend," zeide Rodolphe; "hij +handelde in sigaretten en chocolade uit Bayonne; hij was misschien +wel familie van den uwe.. Doch lees verder ...." + +Bij het einde van het tweede hoofdstuk viel de dichter Carolus in +de rede: + +"Begint u nog geen keelpijn te krijgen?" vroeg hij. + +"Volstrekt niet," antwoordde Carolus; "ik zal u nu de geschiedenis +van Inésille voorlezen." + +"Ik ben er zeer nieuwsgierig naar .... Maar indien het u vermoeien +mocht, dan zou ik ...." + +"Hoofdstuk III!" zeide Carolus met een heldere stem. + +Rodolphe nam Carolus aandachtig op en merkte, dat hij een zeer korten, +dikken nek en een hoog roode gelaatskleur had. + +"Ik heb nog één hoop," dacht de dichter, nadat hij die ontdekking +gedaan had;--"een beroerte!" + +"Wij zullen nu met hoofdstuk IV beginnen. U wilt dan zeker wel zoo +goed zijn mij te zeggen wat u van de liefdesscène denkt." + +En Carolus las verder. + +Toen Carolus Rodolphe even aankeek om op zijn gelaat de uitwerking +van het tweegesprek te lezen, zag hij, dat de dichter, gebogen +over zijn stoel zijn hoofd rekte in de houding van iemand, die naar +ververwijderde klanken luistert. + +"Wat hebt u?" vroeg hij. + +"Sst!" zeide Rodolphe; "hoort u niets? Het is net of ik: Brand hoor +roepen! Willen we even gaan kijken?" + +Carolus luisterde een oogenblik, doch hoorde niets. + +"Dan zal ik een oorsuizing gehad hebben," zeide Rodolphe; "lees verder; +don Alvar interesseert me buitengewoon; het is een edele jongeling." + +Carolus las verder en legde al de muziek van zijn orgaan in de volgende +woorden van den jongen don Alvar. + +"O, Inésille, wie ge zijt, engel of demon, en wat ook uw vaderland +moge zijn, mijn leven behoort u, en ik zal u volgen, zij het naar +den hemel, zij het naar de hel." + +Op dat oogenblik werd er aan de deur geklopt; een stem buiten riep +Carolus. + +Het was de concierge, die een brief bracht, welken Carolus vlug +open scheurde. + +"Een leelijke streep door de rekening!" zeide hij; "wij zullen +verplicht zijn de verdere lezing tot een volgenden keer uit te stellen; +ik krijg nl. een bericht, dat mij noodzaakt onmiddellijk uit te gaan." + +"O", dacht Rodolphe; "dat is een brief, die uit den hemel valt; +ik herken daarop het zegel van de Voorzienigheid." + +"Indien u het goed vindt," zeide Carolus, "dan zullen we samen de +boodschap doen, waartoe deze tijding mij noodzaakt, dan kunnen we +daarna gaan dineeren." + +"Ik ben geheel tot uw dienst," zeide Rodolphe. + +Toen hij 's avonds weer in den vriendenkring zat, werd de dichter +door zijn kameraden met vragen over Barbemuche bestormd. + +"Ben je tevreden over hem? Heeft hij je goed onthaald?" vroegen Marcel +en Schaunard. + +"Ja, maar het heeft me heel wat gekost." + +"Wat? Heeft Carolus je laten betalen?" vroeg Schaunard met stijgende +verontwaardiging. + +"Dat niet, maar hij heeft me een roman voorgelezen, waarin don Lopez +en don Alvar de hoofdpersonen zijn en de jeune premiers hun geliefden +Engel of Demon noemen." + +"Ontzettend!" riepen alle bohémiens in koor. + +"Maar", vroeg Colline, "afgezien nu van de litteratuur, wat is je +meening omtrent Carolus?" + +"Barbemuche is een fatsoenlijke jonge man. Trouwens jullie kunnen +persoonlijk je waarnemingen doen: Carolus wil ons n.l. een voor een als +gast hebben. Schaunard is voor morgen te dejeuneeren gevraagd. Maar +vertrouw, wanneer je naar Barbemuche gaat, de kast met manuscripten +niet, dat is een gevaarlijk meubel." + +Schaunard was den volgenden dag precies op tijd bij Barbemuche +en stelde een onderzoek in, zooals een beëedigd taxateur of een +deurwaarder, die gerechtelijk beslag komt leggen, gewoon zijn in te +stellen. Hij kwam dan ook terug met zijn hoofd vol aanteekeningen; +hij had Carolus bestudeerd uit een oogpunt van zijn roerend goed. + +"Nu?" zoo vroegen ze hem; "wat is jouw meening?" + +"Die Barbemuche", riep Schaunard uit; "loopt over van goede +eigenschappen; hij kent de namen van alle wijnsoorten en heeft +me dingen laten eten zòò lekker, als je ze bij mijn tante op haar +verjaardag niet krijgt. Met de kleermakers uit de rue Vivienne en +de laarzenmakers van de Panorama's schijnt hij op den besten voet te +staan. Bovendien heb ik opgemerkt, dat hij ongeveer even groot is als +wij, zoodat we hem desnoods onze pakken kunnen leenen. Zijn zeden zijn +minder streng dan Colline ons heeft willen doen gelooven; hij is overal +heen meegegaan, waar ik hem wilde brengen, en hij heeft me getracteerd +op een déjeuner in twee bedrijven, waarvan het tweede zich afgespeeld +heeft in een kroeg van de halle, waarin ik heel goed bekend ben, omdat +ik er in carnavalstijd heel wat orgieën heb medegemaakt. Carolus deed +net alsof hij er thuis was. Marcel is voor morgen uitgenoodigd." + +Carolus wist, dat van de bohémiens Marcel zich het meest tegen zijn +opneming in den vriendenkring verzette: hij ontving hem dan ook met +de grootste voorkomendheid; maar vooral wist hij den kunstenaar voor +zich te winnen door hem voor te spiegelen, dat hij portretten van de +familie van zijn leerling te schilderen zou krijgen. + +Toen het Marcels beurt was, om zijn bevindingen mede te deelen, +merkten zijn vrienden niets meer van de vijandelijke gezindheid, +die hij in den beginne ten opzichte van Carolus getoond had. + +Den vierden dag deelde Colline Barbemuche mede, dat hij toegelaten was. + +"Wat? Ben ik heusch toegelaten?" riep Carolus dol-verheugd uit. + +"Ja", antwoordde Colline, "maar als u u verandert." + +"Wat bedoelt u daarmede?" + +"Ik bedoel, dat u nog een groot aantal vulgaire gewoonten hebt, +die u u zult moeten afwennen." + +"Ik zal mijn best doen u in alles na te volgen," antwoordde Carolus. + +Gedurende zijn noviciaat bezocht de Platonische wijsgeer de bohémiens +dagelijks, en daar hij op die manier in staat gesteld werd hun zeden +grondiger te bestudeeren, kon het niet anders, of hij moest van de +eene verbazing in de andere vallen. + +Op een goeden morgen kwam Colline met een van vreugde stralend gezicht +bij Barbemuche. + +"Nu, mijn waarde," zeide hij, "je bent definitief toegelaten. Nu +blijft nog slechts over om den dag en de plaats voor het groote +feestmaal vast te stellen, en ik kom nu daarover eens met je praten." + +"Maar dat treft prachtig," antwoordde Carolus; "de ouders van mijn +leerling zijn op dit oogenblik buiten en de jonge vicomte, wiens +mentor ik ben, zal mij voor een avond de kamers wel willen afstaan: +op die manier kunnen we het veel prettiger hebben, maar we zullen +ook den jongen vicomte moeten inviteeren." + +"Dat zou prachtig zijn," vond Colline. "Wij zouden de horizonten +der litteratuur voor hem kunnen openen; maar geloof je, dat hij zijn +toestemming geven zal?" + +"Daar ben ik bij voorbaat zeker van." + +"Dan blijft nog alleen over den dag vast te stellen." + +"Dat zullen we vanavond in het café verder afspreken." + +Carolus ging nu dadelijk zijn leerling opzoeken en deelde hem mede, +dat hij aangenomen was als lid van een voorname litterair-artistieke +vereeniging, en dat hij, om zijn toelating te vieren, van plan was +een diner en daarna een klein feestje te geven. Ten slotte noodigde +hij hem uit aan de plechtige installatie deel te nemen ... + +"En daar je toch niet laat thuis kunt komen en het feest wel tot +na middernacht zal duren, zullen we voor alle gemak dat diner maar +hier aan huis geven. François, je knecht, zal het niet verraden; +je ouders zullen er dus niets van te weten komen en jij zult op +die manier kennis maken met de geestrijkste menschen uit Parijs, +kunstenaars en schrijvers." + +"Die al gedrukt zijn?" vroeg de jonge man. + +"Zeker wel, gedrukt; een van hen is hoofdredacteur van de Echarpe, +een tijdschrift waarop je moeder geabonneerd is; het zijn zeer +gedistingeerde, bijna beroemde personen; ik ben hun intieme vriend. Zij +hebben bekoorlijke vrouwen." + +"Komen er ook vrouwen bij?" vroeg de vicomte. + +"Verrukkelijke schepsels." + +"O, ik ben u zeer dankbaar voor uw uitnoodiging, waarde meester; +natuurlijk zullen we het feest hier geven; we zullen alle kroonluchters +laten aansteken en de hoezen van de meubelen laten nemen." + +'s Avonds in het café vertelde Barbemuche, dat het feest den volgenden +Zaterdag gegeven zou worden. + +De bohémiens verzochten hun vriendinnen aan haar toilet te denken. + +"Vergeet vooral niet," zeiden zij tot haar, "dat we ditmaal in echte +salons komen. Bereid je daar dus op voor: eenvoudige, maar rijke +toiletten." + +Denzelfden dag nog werd de geheele straat er mede in kennis gesteld, +dat Mimi, Phémie en Musette in de "wereld" zouden gaan. + +Op den ochtend van de plechtigheid geschiedde nog het volgende: +Colline, Schaunard, Marcel en Rodolphe begaven zich gezamenlijk naar +Barbemuche, die zeer verwonderd was ze al zoo vroeg te zien. + +"Er is toch niets gebeurd, waardoor het feest uitgesteld moet +worden?" vroeg hij eenigszins ongerust. + +"Ja en neen," antwoordde Colline. "De zaak is deze. Tusschen ons +gezegd en gezwegen, doen we onder ons nooit aan plichtplegingen; +maar wanneer we met vreemden samenkomen, dan willen we graag een +zeker decorum bewaren." + +"Welnu?" vroeg Barbemuche. + +"Welnu", ging Colline voort, "daar we vanavond den jongen edelman +ontmoeten, die zijn salon voor ons opent, komen wij uit achting voor +hem en uit achting voor onszelf je heel vriendschappelijk vragen, +of je ons voor vanavond niet een paar kleedingstukken van goeden snit +kan leenen. Je begrijpt even goed als wij, dat het voor ons zoo goed +als onmogelijk is in trui en paletot de weelderige vertrekken van +deze woning te bezoeken." + +"Maar," zeide Carolus; "ik heb geen vier rokken." + +"Ach!" zeide Colline, "we zullen ons wel weten te behelpen met wat +je hebt." + +"Kijk maar eens!" zeide Carolus en opende een tamelijk rijk voorziene +kleerkast. + +"Maar je hebt daar een compleet kleeding-arsenaal." + +"Drie hoeden!" zeide Schaunard in extase; "hoe kan je in Godsnaam +drie hoeden hebben, als je maar één hoofd hebt." + +"En kijk eens wat een schoenen!" brulde Colline. + +In een oogwenk hadden zij ieder een volledige uitrusting gekozen. + +"Tot vanavond," zeiden zij, terwijl zij afscheid namen van Barbemuche; +"de dames zullen er schitterend uitzien." + +"Maar", zeide Barbemuche met een blik op de geheel leeggeplunderde +kast, "jullie laat voor mij niets over. Hoe moet ik jullie ontvangen?" + +"O, jij", zeide Rodolphe, "voor jou is het heel wat anders; jij bent +de heer des huizes en behoeft het dus met de etiquette zoo nauw niet +te nemen." + +"Maar ik heb alleen nog maar een kamerjapon, een slaapbroek, een +flanellen vest en pantoffels over; jullie hebt alles weggenomen." + +"Wat hindert dat? Je bent bij voorbaat geëxcuseerd," antwoordden +de bohémiens. + +Om zes uur werd er een prachtig diner in de eetzaal opgediend. De +bohémiens arriveerden. Marcel hinkte een beetje en was in een slecht +humeur. De jonge vicomte Paul snelde den dames tegemoet en geleidde +ze naar de beste plaatsen. Mimi had een zeer fantastisch toilet +aan. Musette was zeer uitdagend gekleed. Phémie geleek op een venster +met gekleurde ramen, zij durfde bijna niet te gaan zitten. Het diner, +dat twee en een half uur duurde, was zeer geanimeerd. + +De jonge vicomte Paul, die Mimi tot tafeldame had, stootte haar ieder +oogenblik met waren hartstocht aan met zijn voet. Phémie vroeg bij +iedere gang tweemaal om dezen of genen schotel. Schaunard zwelgde +in het druivennat. Rodolphe improviseerde sonnetten en brak bij het +aangeven van den rhythmus de glazen. Colline praatte met Marcel, +die nog steeds knorrig was. + +"Wat heb je toch?" vroeg hij. + +"Ik heb zoo'n vreeselijke pijn aan mijn voet en dat hindert me. Die +Carolus heeft een voet als een jong meisje." + +"O, als het anders niet is," vond Colline, "dan zullen we hem aan +zijn verstand brengen, dat dit zoo niet langer gaat en dat hij +"in den vervolge" zijn laarzen een paar nummers grooter moet laten +maken. Wees maar gerust, dat zal ik wel in orde brengen. Maar ga nu +mee naar den salon, waar liqueuren der Antillen ons roepen." + +Het feest begon met nieuwen glans en schittering. Schaunard zette +zich voor den piano en speelde met een wonderbare bravoure zijn +nieuwe symphonie: "De dood der jonkvrouw". Het mooie gedeelte van +de Schuldeischersmarsch had zoo'n succes, dat hij het driemaal moest +herhalen. Na afloop waren er twee snaren gesprongen. + +Marcel was nog steeds uit zijn humeur, en toen Carolus zich daarover +bij hem beklaagde, antwoordde de schilder hem: + +"Mijn waarde heer Barbemuche, wij zullen nooit op intiemen voet met +elkaar omgaan. Ziehier de reden. Physieke verschillen zijn bijna altijd +een zekere aanwijzing voor psychische verschillen. Op dit punt zijn +de wijsbegeerte en geneeskunde het volmaakt eens." + +"En verder?" + +"Welnu," zeide Marcel en wees op zijn voeten, "je laarzen, die veel +en veel te nauw voor mij zijn, toonen aan, dat we niet hetzelfde +karakter hebben; overigens was je feestje heel charmant!" + +Om één uur in den ochtend gingen de bohémiens langs een grooten omweg +naar huis. Barbemuche was lichtelijk aangeschoten en sloeg allerlei +onzin uit tegen zijn leerling, die op zijn beurt droomde van de blauwe +oogen van mademoiselle Mimi. + + + + + + +HOOFDSTUK XIII. + +DE INWIJDINGSFUIF. + + +Het gebeurde eenigen tijd, nadat de dichter Rodolphe met de jonge +mademoiselle Mimi een eigen huishoudentje had opgezet; sedert +ongeveer acht dagen heerschte er in den geheelen vriendenkring een +groote onrust naar aanleiding van de verdwijning van Rodolphe, die +plotseling als in een nevel scheen te zijn opgelost. Ze hadden hem +gezocht op alle plaatsen, waar hij gewoon was te komen, en overal +kregen ze hetzelfde antwoord: + +"We hebben hem in geen acht dagen gezien." + +Gustave Colline vooral was in duizend angsten en vreezen, en wel +om de volgende reden. Eenige dagen te voren had hij Rodolphe een +artikel van groote wijsgeerige waarde toevertrouwd, dat deze in de +rubriek "Varia" van le Castor, het bekende hoedenmakersblad, waarvan +hij hoofdredacteur was, zou opnemen. Was het philosophische artikel +reeds voor de oogen van het verbaasde Europa verschenen? Dat was de +vraag, die de ongelukkige Colline zich stelde; en men zal zich dien +angst kunnen begrijpen, wanneer men weet, dat de philosoof nog niet +het genoegen gehad had zich gedrukt te zien en dus van verlangen +brandde, om te zien welken indruk zijn in cicero [29] gedrukt proza +zou maken. Om zich die bevrediging van zijn eigenliefde te verschaffen, +had hij reeds zes francs uitgegeven voor verschillende leeszalen zonder +er le Castor te vinden. Daar hij dit niet langer volhouden kon, zwoer +Colline zich een duren eed, dat hij geen minuut rust zou nemen alvorens +de hand op den onvindbaren redacteur van dat blad gelegd te hebben. + +Geholpen door verschillende toevallige omstandigheden--het zou te veel +tijd vorderen die alle te vertellen--gelukte het den wijsgeer zijn +eed te houden. Twee dagen later had hij Rodolphe's woning uitgevorscht +en ging hij hem 's morgens om zes uur opzoeken. + +Rodolphe woonde toentertijd in een hôtel garni in een eenzame straat +van den faubourg Saint Germain, waar hij de vijfde verdieping betrokken +had, omdat er geen zesde was. Toen Colline bij de deur kwam, vond hij +den sleutel niet in het slot steken. Hij klopte een minuut of tien +zonder dat hij van binnen antwoord kreeg; op de aubade kwam zelfs de +concierge af, die Colline vroeg kalm te zijn. + +"U ziet toch wel, dat mijnheer slaapt," zeide hij. + +"Daarom wil ik hem wakker trommelen," antwoordde Colline en begon +opnieuw te kloppen. + +"Dan wil hij u zeker niet antwoorden," meende de concierge, terwijl +hij voor de deur van Rodolphe een paar lakschoenen en een paar +dameslaarsjes, die hij juist gepoetst had, neerzette. + +"Wacht eens even," zeide Colline, terwijl hij het mannelijke en +vrouwelijke paar laarzen bekeek; "een paar nieuwe lakschoenen. Ik +heb me zeker in de deur vergist; hier moet ik zeker niet zijn." + +"Wien moet u eigenlijk hebben?" vroeg de concierge. + +"Vrouwenlaarsjes!" ging Colline voort als in zichzelf sprekend en +denkend aan de strenge zeden van zijn vriend; "ja, ik heb me beslist +vergist. Dit kan de kamer van Rodolphe beslist niet zijn." + +"Vraag excuus, mijnheer; dat is hier wel." + +"Zoo. Dan vergis jij je, beste man!" + +"Hoe bedoelt u dat?" + +"Dat je je beslist vergist," zeide Colline, terwijl hij op de +lakschoenen wees. "Wat zijn dat?" + +"Dat zijn de schoenen van mijnheer Rodolphe; wat is daar voor +verwonderlijks aan?" + +"En die daar?" zeide Rodolphe en wees hem de dameslaarsjes; "zijn +die ook van mijnheer Rodolphe?" + +"Die zijn van zijn dame," zeide de concierge. + +"Van zijn dame?" riep Colline verbaasd uit. "Wat een +wellusteling! Daarom wil hij natuurlijk niet open doen!" + +"Lieve Hemel!" zeide de concierge; "die jonge man is toch vrij om te +doen of te laten wat hij wil; als mijnheer mij zijn naam wil zeggen, +dan zal ik mijnheer Rodolphe zeggen, dat u hier geweest is." + +"Neen", zeide Colline, "nu ik eenmaal weet waar ik hem vinden kan, +zal ik wel terugkomen." En hij ging heen, om zijn vrienden het groote +nieuws te gaan vertellen. + +De lakschoenen van Rodolphe werden algemeen als fabels beschouwd, als +een vrucht van Colline's rijke fantasie, en éénstemmig werd verklaard, +dat zijn maîtresse een paradox was. + +En toch was die paradox een waarheid; want nog dienzelfden avond kreeg +Marcel een collectieven brief voor alle vrienden van dezen inhoud: + +"Mijnheer en Mevrouw Rodolphe, letterkundigen, hebben de eer u uit +te noodigen voor een diner, dat zij zich voorstellen morgenavond om +vijf uur precies te geven. + +P.S. Er wordt van borden gegeten." + +"Mijne heeren," zeide Marcel, die zijn vrienden met den inhoud van +den brief in kennis stelde, "Colline heeft toch gelijk: Rodolphe +heeft werkelijk een maîtresse; bovendien vraagt hij ons te dineeren +en het postscriptum belooft zelfs tafelgerei. Ik wil u niet verhelen, +dat deze laatste paragraaf mij een lyrisch-poëtische overdrijving +toeschijnt; we zullen echter dienen af te wachten." + +Op het aangegeven uur gingen den volgenden dag Marcel, Gustave Colline +en Alexander Schaunard, uitgehongerd alsof ze in geen dagen gegeten +hadden, naar Rodolphe, dien zij bezig vonden te spelen met een roode +kat, terwijl een jonge vrouw de tafel dekte. + +"Heeren", zeide Rodolphe, terwijl hij zijn vrienden de hand drukte +en met een gebaar naar de jonge vrouw wees, "mag ik u de vrouw des +huizes voorstellen?" + +"Dan ben jij dus de heer des huizes?" zeide Colline. + +"Mimi," antwoordde Rodolphe, "ik stel je mijn beste vrienden voor, +en doe nu de soep op." + +"O, mevrouw," zeide Alexandre Schaunard, terwijl hij naar Mimi toe +ging, "u zijt frisch als een woudbloem." + +Na zich overtuigd te hebben, dat er in werkelijkheid assietten op tafel +stonden, informeerde Schaunard wat zij te eten zouden krijgen. Hij +dreef de nieuwsgierigheid zoo ver, dat hij de deksels van de pannen +nam, waarin het diner kookte. De aanwezigheid van een kreeft maakte +een diepen indruk op hem. + +Colline had Rodolphe even apart genomen, om hem naar zijn philosophisch +artikel te vragen. + +"Dat is op de drukkerij," zeide Rodolphe. "Le Castor verschijnt +a.s. Donderdag." + +Wij zullen niet trachten de vreugde van den wijsgeer te schilderen. + +"Heeren", zeide Rodolphe tot zijn vrienden; "jullie moeten het me niet +kwalijk nemen, dat ik jullie zoolang zonder eenig bericht gelaten heb, +maar ik was in mijn wittebroodsweken." + +En hij vertelde hun de geschiedenis van zijn "huwlijk" met dit +bekoorlijke schepseltje, dat hem als bruidschat haar achttien jaar +en zes maanden, twee porceleinen kopjes en een roode poes, eveneens +Mimi genaamd, medegebracht had. + +"En nu, heeren," ging Rodolphe voort, "zullen wij onze nieuwe woning +inwijden. Maar ik waarschuw je van te voren, dat het een eenvoudige +burgerpot is en de truffels door de grootste hartelijkheid vervangen +worden." + +Inderdaad bleef die bekoorlijke godin dan ook heerschen onder de +gasten, die intusschen vonden, dat die "eenvoudige burgerpot" nog +al meeviel. Rodolphe was dan ook "uit zijn slof geschoten." Colline +maakte er op opmerkzaam, dat de borden verwisseld werden en verklaarde +op luiden toon, dat mademoiselle Mimi het blauwe lint waardig was, +waarmede de keizerinnen van het fornuis gedecoreerd worden, een zin, +die voor het jonge meisje zuiver Sanskriet was, en die Rodolphe voor +haar aldus vertaalde, "dat zij een uitstekende keukenmeid zou zijn." + +Het optreden van de kreeft veroorzaakte een algemeene +bewondering. Onder voorwendsel dat hij in de natuurlijke historie +gestudeerd had, vroeg Schaunard het dier te mogen verdeelen; hij maakte +zelfs van de gelegenheid gebruik om een mes te breken en zichzelf de +grootste portie toe te eigenen, wat een algemeene verontwaardiging +deed ontstaan. Doch Schaunard was niet gevoelig, vooral niet op het +punt: kreeft; en toen er nog een portie overbleef, was hij brutaal +genoeg die apart te leggen onder voorwendsel, dat die hem als model +moest dienen voor een stilleven, dat hij juist onder handen had. + +In hun toegeeflijke vriendschap deden de kameraden, alsof zij aan dezen +leugen, die de vrucht van een onmatige eetlust was, geloof schonken. + +Colline daarentegen bewaarde al zijn sympathieën voor het dessert +en weigerde zelfs halsstarrig om zijn deel van de rhumkoek te ruilen +voor een toegangsbewijs voor de orangerie te Versailles, wat Schaunard +hem voorstelde. + +Het discours werd langzamerhand geanimeerder. + +Op de drie flesschen met roode capsules volgden er drie met groene, +in het midden waarvan ze weldra een flesch zagen te voorschijn +komen, welker met een zilveren helm bedekte hals dadelijk verried, +dat zij tot het regiment van Royal-Champenois behoorde. Het was +een imitatie-champagne, die in de wijnbergen van Saint-Ouen geoogst +was en te Parijs voor twee francs verkocht werd wegens liquidatie, +zooals de wijnhandelaar beweerde. + +Maar niet het land maakt den wijn, en onze bohémiens aanvaardden +den drank, dien ze in speciaal daarvoor bestemde glazen kregen, +als echte Champagne en waren ondanks de weinige opgewektheid, +waarmede de kurk uit zijn gevangenis ontsnapte, in extase over +het voortreffelijke merk, toen zij de groote hoeveelheid schuim +zagen. Schaunard gebruikte daarbij de rest van zijn bezinning, om +zich in de glazen te vergissen en dat van Colline te ledigen, die op +zijn beurt met het ernstigste gezicht van de wereld zijn beschuit in +den mosterdpot doopte en mademoiselle Mimi het wijsgeerige artikel, +dat in le Castor moest verschijnen, trachtte uit te leggen. Terwijl +hij daarmede bezig was, werd hij plotseling bleek en vroeg permissie +of hij even aan het raam naar de ondergaande zon mocht gaan kijken, +hoewel het al tien uur was en de zon reeds lang onder de wol lag. + +"Het is jammer, dat de champagne niet gefrappeerd is," zeide Schaunard, +die nogmaals trachtte zijn leeg glas te verwisselen voor een vol van +zijn tafelbuurman, welke poging echter ditmaal geen succes had. + +"Mevrouw," zeide Colline, die genoeg versche lucht gehapt had, tegen +Mimi, "je koelt champagne met ijs, ijs wordt gevormd door condensatie +van water, aqua in het Latijn. Water bevriest bij twee graden, en er +zijn vier jaargetijden, zomer, herfst en winter. Dat is de oorzaak +geweest van den terugtocht uit Rusland; Rodolphe, geef mij nog een +hemistichium champagne!" + +"Wat zegt je vriend toch?" vroeg Mimi, die er niets van begreep, +aan Rodolphe. + +"O, hij vraagt, of ik hem nog een half glas Champagne wil geven," +antwoordde deze. + +Plotseling gaf Colline Rodolphe een harden klap op zijn schouder en +zeide stotterend, alsof de lettergrepen als taai-taai tusschen zijn +lippen bleven zitten: + +"Het is morgen Donderdag, niet?" + +"Neen, het is morgen Zondag." + +"Neen, Donderdag." + +"Neen, heusch niet, Zondag." + +"O, Zondag," zeide Colline, terwijl hij zijn hoofd heen en weer wiegde, +"meestal is het morgen Don...der...dag..." + +En terwijl hij zijn gezicht in de ijspudding, die nog op zijn bord lag, +drukte, sliep hij in. + +"Wat wil hij toch eigenlijk met zijn Donderdag?" vroeg Mimi. + +"O, nou ben ik er achter!" antwoordde Rodolphe, die de halsstarrigheid +van den door zijn idée fixe gekwelden wijsgeer begon te begrijpen; +"dat komt door zijn artikel in Le Castor ... Luister maar, hij droomt +er hardop van." + +"Goed", zeide Schaunard, "dan krijgt hij ook geen koffie, niet waar +mevrouw?" + +"Dat is waar ook, Mimi," zeide Rodolphe, "presenteer de koffie eens." + +Zij wilde juist opstaan, toen Colline, die van de ijspudding zijn +koelbloedigheid eenigszins teruggekregen had, haar om haar middel +vatte en haar vertrouwelijk in het oor fluisterde: + +"Mevrouw, de koffie is afkomstig uit Arabië, waar hij door een geit +ontdekt is. Van daar uit kwam de gewoonte om koffie te drinken naar +Europa. Voltaire dronk twee-en-zeventig koppen per dag. Ik drink ze +zonder suiker, maar graag heel warm." + +"Lieve Hemel, wat een knappe vent!" dacht Mimi, terwijl zij de koffie +en de pijpen bracht. + +Intusschen was het aardig laat geworden; het had al geruimen tijd +geleden middernacht geslagen en Rodolphe trachtte zijn vrienden aan +het verstand te brengen, dat het nu langzamerhand tijd werd om heen +te gaan. Marcel, die nog volkomen helder was, stond op, om afscheid +te nemen. + +Schaunard echter ontdekte, dat er in een flesch nog wat brandewijn +was, en verklaarde, dat het nooit middernacht kon zijn, zoolang er +nog een druppel in het glas was. Colline zat schrijlings op zijn +stoel en bromde binnensmonds. + +"Maandag, Dinsdag, Woensdag, Donderdag...." + +"Maar lieve hemel," zeide Rodolphe wanhopig, "ik kan ze toch vannacht +hier niet houden. Vroeger ging dat goed, maar nu is dat wat anders," +en hij keek daarbij naar Mimi, wier warme blik om eenzaamheid met +hun tweetjes scheen te smeeken. + +"Wat moet ik beginnen? Geef mij toch eens raad, Marcel. Verzin toch +een middel, om ze hier vandaan te krijgen!" + +"Neen, ik verzin er geen," zeide Marcel; "maar ik zal er een +navolgen. Ik herinner me een comedie, waarin een intelligente knecht +het middel vindt om drie als tempelieren zoo dronken schelmen uit +het huis van zijn meester te zetten." + +"Ja, dat herinner ik me," antwoordde Rodolphe "dat komt in Kean [30] +voor. De toestand is inderdaad vrijwel dezelfde." + +"Welnu, dan zullen we eens zien of het tooneel met de werkelijkheid +overeenkomt. Wacht even, we zullen met Schaunard beginnen. Hé, +Schaunard!" riep de schilder. + +"Ja, wat is er?" antwoordde deze, die in de blauwe zee van een zoete +roes scheen te zwemmen. + +"Er is hier niets meer te drinken en we hebben allemaal nog dorst." + +"Ach ja," zeide Schaunard, "die flesschen zijn ook zoo klein!" + +"Nou luister dan; Rodolphe heeft besloten, dat we vannacht hier zouden +blijven; maar er moet nog eerst wat gehaald worden, om te drinken, +vòòr de winkels gesloten worden." + +"Mijn leverancier woont hier op den hoek van de straat," zeide +Rodolphe. "Schaunard, ga jij er even heen en vraag uit mijn naam twee +flesschen rhum." + +"Zeker, zeker, zeker!" zeide Schaunard, die bij vergissing de +overjas van Colline aantrok, welke laatste met zijn mes ruiten op +het tafellaken teekende. + +"Dat is nummer één!" zeide Marcel, toen Schaunard weg was. "Nou +komt Colline aan de beurt: dat zal een heele dobber worden. Wacht, +een idee. He, he, Colline!" schreeuwde hij, terwijl hij den wijsgeer +heen en weer schudde. + +"Wat is er.... wat is er?" + +"Schaunard is weggegaan en heeft bij vergissing jouw jas aangetrokken." + +Colline keek om zich heen en zag inderdaad in plaats van zijn +notehoutkleurige jas de geruite van Schaunard hangen. Deze ontdekking +maakte hem zeer ongerust. Colline had n.l. ouder gewoonte in den loop +van den dag de boekenstalletjes bezocht en voor vijftien sous een +Finsche grammatica en een kleinen roman van Nisard: "De begrafenis +van de melkvrouw" gekocht. Bij deze nieuwe aanwinst kwamen nog zeven +of acht deelen hoogere philosophie, die hij altijd bij zich droeg, om +steeds een arsenaal te hebben, waaruit hij argumenten zou kunnen putten +voor het geval er wijsgeerige discussies ontstonden. De gedachte, +dat die bibliotheek in handen van Schaunard was, deed bij hem het +angstzweet uitbreken. + +"De ongelukkige!" riep Colline uit; "wat heeft hem bezield mijn +overjas mee te nemen?" + +"Het is een vergissing." + +"Maar mijn boeken..... hij kan er een slecht gebruik van maken." + +"Wees maar niet bezorgd: hij zal ze niet lezen," zeide Rodolphe. + +"O, ik ken hem! Hij is in staat er zijn pijp mede aan te steken!" + +"Als je daar bang voor bent, dan kan je hem nog best inhalen," zeide +Rodolphe; "hij is net weg; je zal hem nog wel aan de deur vinden." + +"Zeker moet ik hem inhalen," antwoordde Colline, terwijl hij zijn hoed +opzette, waarvan de randen zoo breed waren, dat men er makkelijk voor +tien personen thee op zou kunnen ronddienen. + +"Dat is nummer twee," zeide Marcel tot Rodolphe; "nu ben je vrij. Ik +ga ook weg en zal den portier op zijn hart drukken, dat hij niet open +moet doen, als er geklopt wordt." + +"Slaap lekker," zeide Rodolphe, "en wel bedankt!" + +Nadat hij zijn vriend uitgelaten had, hoorde Rodolphe op de trap een +langaangehouden gemiauw, waarop zijn roode kat teeder antwoordde, +terwijl hij behendig door de halfgeopende deur trachtte te ontsnappen. + +"Arme Romeo!" zeide Rodolphe; "je Julia roept je. Vooruit, ga je +gang maar," en hij opende de deur voor het verliefde dier, dat met +één sprong de trap af was en in de armen van zijn geliefde lag. + +Eindelijk met zijn maîtresse, die voor een spiegel in een bekoorlijke +en verleidelijke houding haar haar in de krul stond te zetten, alleen, +ging Rodolphe naar Mimi toe en drukte haar in zijn armen. Dan trok +hij, als een musicus, die, alvorens zijn stuk te beginnen, een reeks +accoorden aanslaat, om zich van de qualiteit van zijn instrument te +overtuigen, Mimi op zijn knieën en drukte op haar schouder een langen, +vurigen kus, die het frissche schepseltje van verlangen deed rillen. + +Het instrument klonk prachtig. + + + + + + +HOOFDSTUK XIV. + +MADEMOISELLE MIMI. + + +O, vriend Rodolphe, wat is er toch gebeurd, dat ge zoo veranderd +zijt? Moet ik de geruchten gelooven, die in omloop zijn, en heeft dat +ongeluk zoozeer uw krachtige philosophie kunnen terneerslaan? Hoe zal +ik, ik, de geschiedschrijver van uw vrij kunstenaarsheldendicht, +zoo vol vroolijk gelach en jolijt, hoe zal ik op een voldoend +melancholischen toon het smartelijk avontuur kunnen vertellen, dat +een rouwfloers werpt over uw voortdurende levenslust en op die wijze +plotseling den vroolijken klank van uw paradoxen tot zwijgen brengt? + +O, vriend Rodolphe, gaarne wil ik gelooven, dat uw smart groot is, +maar dat is toch werkelijk geen reden, om dadelijk in het water te +springen. Daarom raad ik je aan zoo gauw mogelijk een streep door +het verleden te halen. Ontvlucht vooral de eenzaamheid, die bevolkt +is met spookgestalten, welke uw bekommernissen tot het oneindige +verlengen. Ontvlucht de stilte, waarin de echo der herinneringen nog +weerklinkt van doorleefde vreugde en doorleefde smart. Werp moedig naar +alle windstreken der vergetelheid den naam, dien ge zoo lief gehad +hebt, en ook alles wat u nog overblijft van haar, die hem droeg. De +haarlokken, die uw van hartstocht vurige lippen hebben gekust; het +kristallen flaconnetje, waarin nog een rest van den parfum sluimert, +die op dit oogenblik voor u gevaarlijker is om in te ademen dan alle +vergiften der wereld; in het vuur de bloemen, de bloemen van gaas, +van zijde en van fluweel; de witte jasmijnen, de door het bloed van +Adonis gepurperde anemonen, de blauwe vergeet-mij-nietjes, en al die +bekoorlijke ruikers, welke zij in de verre dagen van uw kort geluk +samenbond. Toen hield ik ook van uw Mimi, en zag ik er geen gevaar in, +dat gij haar lief hadt. Maar volg mijn raad: in het vuur die linten, +die mooie roode, blauwe en gele linten, die haar hals en boezem +sierden, om uw blikken te trekken en te boeien; in het vuur de kanten +en mutsjes en sluiers, al die coquette prulletjes, waarmede ze zich +tooide, om te gaan liefkoozen met mijnheer César, mijnheer Jérôme, +mijnheer Charles of een anderen geliefde, dien de kalender aangaf, +terwijl gij aan uw venster op haar stondt te wachten, rillend onder +den guren wind en den rijp van den winter; in het vuur, Rodolphe, +alles wat haar heeft toebehoord en wat u aan haar herinneren kan; +in het vuur, meedoogenloos in het vuur, de liefdesbrieven. Zie, daar +is er juist een, waarover ge tranen hebt gestort als uit een fontein, +o, rampzalige vriend! + + + "Daar je niet thuis komt, ga ik naar mijn tante. + + Het aanwezige geld neem ik mede, om een rijtuig te kunnen betalen. + + Lucile." + + +En dien avond hebt ge niet gegeten, Rodolphe; herinnert ge het u +nog? En ge zijt bij mij gekomen en hebt op mijn kamer een vuurwerk van +geestigheden afgestoken, die getuigden van de rust van uw ziel. Want ge +geloofdet, dat Lucile bij haar tante was, en indien ik u gezegd had, +dat zij bij mijnheer César of bij een comediant van den Montparnasse +was, dan zoudt ge me zeker naar de keel gevlogen hebben. In het vuur +ook dat andere briefje, dat geheel en al de laconische teederheid +van het eerste ademt: + +"Ik ga laarzen bestellen; je moet beslist zorgen, dat je geld krijgt, +zoodat ik ze overmorgen kan gaan halen." + +O, vriendlief, die laarzen hebben heel wat contredansen gedanst, +waarin gij haar vis-à-vis niet waart! + +Aan het vuur die herinneringen, aan de winden haar asch prijsgeven! + +Maar Rodolphe, grijp, uit liefde voor de menschheid en ter wille van +den roem van de Echarpe d'Iris en van den Castor, weer met vaste +hand de teugels van den goeden smaak, die ge in uw zelfzuchtige +smart slap hebt laten hangen; anders zouden de vreeselijkste dingen, +waarvoor gij verantwoordelijk zoudt zijn, kunnen gebeuren. Wij zouden +weer terugkeeren tot de pofmouwen en de klepbroeken en wij zouden op +een goeden dag misschien weer hoeden in de mode zien komen, die het +heelal beleedigen en den toorn des hemels op ons laden zouden. + +En nu is dan het oogenblik gekomen, om de liefdesgeschiedenis van onzen +vriend Rodolphe en mademoiselle Lucile, meer bekend als mademoiselle +Mimi, te vertellen. + +Midden in zijn vier-en-twintigste levensjaar werd Rodolphe plotseling +aangegrepen door dien hartstocht, welke zoo'n grooten invloed op +zijn leven had. In den tijd, dat hij Mimi voor het eerst ontmoette, +leidde Rodolphe dat bewogen en fantastische leven, dat wij in de +vorige tooneelen van deze serie hebben trachten te beschrijven. Hij +was ongetwijfeld een der vroolijkste armoedzaaiers, die ooit in het +land der bohémiens geleefd hebben. Wanneer hij een slecht middagmaal +gebruikt en een goede aardigheid getapt had, dan liep hij trotscher +op het plaveisel, dat hem dikwijls tot hoofdkussen diende, trotscher +in zijn versleten rok, die uit alle naden om genade smeekte, dan een +keizer in zijn purperen mantel. In den vriendenkring, waarin Rodolphe +verkeerde, deed men ten gevolge van een geblaseerdheid, die aan sommige +jonge mannen eigen is, net alsof men de liefde als een luxe-artikel, +als een voorwendsel voor platte grappen beschouwde. Gustave Colline, +die sedert lang intieme relaties onderhield met een vestenmaakster, +welke hij naar lichaam en geest mismaakt had door haar dag en nacht de +manuscripten van zijn wijsgeerige werken te laten copieeren, beweerde, +dat de liefde een soort purgeermiddel was, geschikt om ieder nieuw +jaargetijde in te nemen, ten einde de slechte lichaamsvochten te +verwijderen. Te midden van al die valsche sceptici was Rodolphe de +eenige, die met een zekeren eerbied over de liefde placht te spreken; +en wanneer men het ongeluk had om met hem over dat thema te beginnen, +dan was hij in staat om meer dan een uur lang elegieën te kirren over +het geluk bemind te worden, over het blauw van het vredige meer, het +suizen van den wind, het concert der sterren enz. enz. Schaunard had +hem naar aanleiding daarvan den bijnaam Harmonika gegeven, terwijl +Marcel een heel aardig woord verzonnen had, waarin hij een toespeling +maakte zoowel op de Germaansch-sentimenteele ontboezemingen als op +de vroegtijdige kaalheid van Rodolphe; hij noemde hem n.l. myosotis +calva, d.i. het kale vergeet-mij-nietje. De waarheid was echter, +dat toentertijd Rodolphe in allen ernst geloofde met alle dingen +van jeugd en liefde afgerekend te hebben; hij zong overmoedig het De +profundis over zijn hart, dat hij dood waande, terwijl het slechts +sliep en gereed was ieder oogenblik te ontwaken, toegankelijker dan +ooit voor vreugde en ontvankelijker dan ooit voor die zoete smarten, +waarop hij niet meer hoopte en die hem nu wanhopig maakten. Gij hebt +het gewild, Rodolphe, en wij zullen u niet beklagen, want de smart, +waaraan gij lijdt, behoort tot die, welke men het meest terugwenscht, +vooral wanneer men weet, dat men er voor goed van genezen is. + +Rodolphe dan ontmoette de jonge Mimi, die hij trouwens vroeger, toen +zij nog de maîtresse van een zijner vrienden was, gekend had, en maakte +haar tot de zijne. In den beginne was het een luid gebrom van afkeuring +onder Rodolphe's vrienden, toen zij van zijn liaison hoorden, maar +daar mademoiselle Mimi een zeer innemend persoontje was, volstrekt +niet preutsch, en, zonder hoofdpijn te krijgen, hun tabaksrook en +litteraire gesprekken kon verdragen, raakte men al spoedig aan haar +gewend en behandelde haar als een kameraad. Mimi was een bekoorlijk en +mooi wezentje, dat de plastieke en poëtische sympathieën van Rodolphe +op bijzondere wijze bevredigde. Zij telde toen twee-en-twintig zomers, +was klein, tenger gebouwd en grappig-ondeugend. Haar gelaat had iets +aristocratisch, haar trekken echter, die buitengewoon fijn waren +en door den glans van haar vochtig-blauwe oogen als het ware met +een zacht licht overgoten werden, konden in sommige oogenblikken van +verveling of slecht humeur een uitdrukking van een bijna beestachtige +woestheid krijgen, waarin een physioloog misschien de aanwijzing +gezien zou hebben van een grenzenlooze zelfzucht of van een groote +ongevoeligheid. Maar meestal was het een charmant kopje met een jong, +frisch lachje en oogen, die nu eens smachtend, dan weer veroverend +coquet iemand aankeken. Het bloed der jeugd stroomde warm en snel door +haar aderen en kleurde haar doorzichtige, als camelia's zoo blanke huid +met rozenroode tinten. Die ziekelijke schoonheid bekoorde Rodolphe, +dikwijls kroonde hij 's nachts uren lang steeds weer met kussen het +bleeke voorhoofd van zijn geliefde, wier vochtige en moede oogen, +half geopend, schitterden onder den gordijn van haar prachtige, +bruine haren. Maar vooral haar handen, die zij niettegenstaande +de zorgen voor het huishouden, blanker wist te houden dan wanneer +zij de godin van het dolce far niente in eigen persoon geweest was, +maakten Rodolphe waanzinnig op haar verliefd. En toch zouden die zoo +teere en kleine handen, die voor de liefkoozingen van een lip zoo +zachte kinderhanden, waarin Rodolphe zijn opnieuw bloeiend hart had +nedergelegd, toch zouden die blanke handen van Mimi spoedig het hart +van den dichter met haar rose nageltjes verminken. + +Na verloop van een maand begon Rodolphe te merken, dat hij een liaison +gesloten had met een stormwind en dat zijn maîtresse een groot gebrek +had. Zij ging n.l. gaarne op buurbezoek en bracht een groot gedeelte +van haar tijd door bij de maintenées uit de buurt, waarmede zij, God +weet hoe, kennis gemaakt had. En al heel spoedig werden de gevolgen +merkbaar, waarvoor Rodolphe gevreesd had, toen hij van de nieuwe +"kennissen" van zijn maîtresse hoorde. De onbestendige rijkdom van +sommige dier nieuwe vriendinnen had een geheel woud van begeerten +doen ontstaan in den geest van Mimi, die tot op dat oogenblik slechts +bescheiden eischen gehad had en met het noodzakelijke, dat Rodolphe +haar naar zijn beste krachten gaf, tevreden geweest was. Mimi begon te +droomen van zijde, fluweel en kant. En niettegenstaande Rodolphe het +haar verbood, bleef zij omgaan met die vrouwen, die haar éénstemmig +trachtten te overreden te breken met den bohémien, die haar zelfs +geen honderdvijftig francs kon geven voor een lakensche japon. + +"Een zoo knap meisje als jij," zeiden haar raadgeefsters haar, +"kan makkelijk een betere "positie" vinden. Je behoeft maar te zoeken." + +En mademoiselle Mimi begon te zoeken. Rodolphe, die deze menigvuldige +en onhandig gemotiveerde uitgangen met leede oogen aanzag, begon nu +den smartelijken weg van argwaan en vermoedens in te slaan. Maar +zoodra hij weer een nieuw bewijs van ontrouw op het spoor meende +te zijn, bond hij steeds weer stevig een doek voor zijn oogen, om +toch maar niets te zien, want niettegenstaande alles bleef hij Mimi +aanbidden. Hij koesterde voor haar een jaloersche, phantastische, +twistzieke liefde, die de jonge vrouw niet begreep, omdat zij toen +voor Rodolphe nog slechts die lauwe genegenheid voelde, welke uit het +dagelijksche samenzijn voortspruit. En bovendien was de eene helft +van haar hart reeds verbruikt ten tijde van haar eerste liefde en +was de andere helft nog vol herinnering aan haar eersten minnaar. + +Zoo verliepen acht maanden van afwisselend goede en slechte +dagen. Gedurende dien tijd stond Rodolphe wel twintigmaal op het +punt met Mimi te breken, die hem met alle uitgezochte wreedheden, +waarover een vrouw zonder liefde beschikt, kwelde. Eerlijk gezegd +was dit bestaan voor beiden een hel geworden. Maar Rodolphe had zich +aan die dagelijksche twisten vrijwel gewend en vreesde niets zoozeer +als het einde van dien toestand, omdat hij begreep, dat daarmede +tevens voor goed een einde zou komen aan die opbruisingen van zijn +jeugdig bloed en aan al de gemoedsbewegingen, die hij in zoo langen +tijd niet meer gekend had. En dan waren er, om de waarheid niet te +kort te doen, ook uren, waarin mademoiselle Mimi allen argwaan uit +Rodolphe's door booze vermoedens verscheurd hart wist te verjagen. Er +waren oogenblikken, waarin deze dichter, die door haar zijn verloren +poëzie had teruggevonden, aan wien zij zijn jeugd teruggegeven had, +die dank zij haar weer onder den aequator der liefde was doorgegaan, +als een kind aan haar knieën nederknielde onder de betoovering van +haar blauwen blik. Twee of driemaal per maand staakten Rodolphe en +Mimi hun stormachtige twisten, om zich te verkwikken in de frissche +oase van een liefdesnacht en liefdesgesprekken. Dan nam Rodolphe het +glimlachende en opgewekte kopje van zijn vriendinnetje in zijn armen +en sprak tot haar uren lang die bewonderenswaardige en dwaze taal, +welke de hartstocht in uren van passie improviseert. In den beginne +luisterde Mimi kalm, meer verbaasd dan ontroerd, maar langzamerhand +sleepte de geestdriftige welsprekendheid, die beurtelings teeder, +vroolijk en melancholiek was, ook haar mede. Zij voelde bij het +contact van die liefde, het ijs der onverschilligheid, dat haar hart +deed verstijven, smelten; koortsachtige begeerten begonnen haar dan +te doortrillen, en zij sloeg haar armen om zijn hals en zeide hem in +kussen alles wat zij niet in woorden zou hebben kunnen uitdrukken. En +zoo verraste hen dan het morgenrood, oog in oog, hand in hand, borst +aan borst, terwijl hun vochtige, van hartstocht brandende lippen nog +steeds het onsterfelijke woord mompelden: + + + "Qui depuis cinq mille ans, + Se suspend chaque nuit aux lèvres des amants." + + +Doch den volgenden dag ontstond uit een nietige aanleiding weer een +twist en vluchtte de liefde, verschrikt, weer voor langen tijd. + +Eindelijk en ten laatste merkte Rodolphe, dat, als hij niet oppaste, +de blanke handen van mademoiselle Mimi hem naar een afgrond zouden +voeren, waarin hij zijn toekomst en zijn jeugd zou zien verdwijnen. Een +oogenblik sprak de strenge logica in hem krachtiger dan de liefde, +en hij overtuigde zichzelf door prachtige, op bewijzen steunende +redeneeringen, dat zijn vriendinnetje hem niet lief had. Hij hield +zich zelfs voor, dat de uren van liefde, die zij hem toestond, +niets anders waren dan zinnelijke caprices, die getrouwde vrouwen +voor haar mannen voelen, wanneer zij een nieuwe sjaal of een nieuwe +japon willen hebben, of wanneer haar minnaar ver van haar weg is, +wat als het ware een pendant is van het spreekwoord: "Bij gebrek +aan brood eet men korstjes van pasteien." Om kort te gaan, Rodolphe +kon zijn vriendinnetje alles vergeven behalve dat zij hem niet lief +had. Hij nam dus een kloek besluit en zeide tegen mademoiselle Mimi, +dat zij naar een anderen minnaar moest uitzien. Mimi begon te lachen +en nam een uitdagende houding aan. Toen zij echter eindelijk inzag, +dat Rodolphe bij zijn besluit bleef en haar heel kalm ontving, toen +zij na een afwezigheid van vier-en-twintig uur weer terugkwam, begon +toch die vastberadenheid, waaraan zij niet gewend was, haar ongerust te +maken. Zij was nu twee of drie dagen lang de lieftalligheid zelve. Maar +Rodolphe bleef bij wat hij gezegd had en vergenoegde zich te vragen, +of zij al een ander gevonden had. + +"Ik heb nog niet eens gezocht," was haar antwoord. + +Zij had echter wel gezocht, en wel reeds voordat Rodolphe het haar +aangeraden had. In een tijdsverloop van veertien dagen had zij twee +pogingen gedaan. Een van haar vriendinnen had haar geholpen en haar +in kennis gebracht met een manlijken bakvisch, die voor Mimi's oogen +een horizont van Indische sjaals en palissandermeubelen had laten +schitteren. Maar volgens het oordeel van Mimi zelf was de jonge +student, die misschien heel sterk in algebra was, op het gebied der +liefde nog een leek; en daar Mimi absoluut geen opvoedkundige neigingen +had, liet zij haar verliefden novitius zitten met zijn sjaals, die nog +in de weiden van Tibet graasden, en met de palissanderhouten meubelen, +die in de Amerikaansche oerwouden nog in blad stonden. + +De student werd al heel spoedig vervangen door een Bretonschen edelman, +waarop zij bliksemsnel verliefd raakte, en dien zij niet lang behoefde +te smeeken haar tot gravin te verheffen. + +Niettegenstaande de protesten van zijn maîtresse had Rodolphe toch +lucht van de een of andere intrigue gekregen; hij wilde precies weten +waar hij aan toe was; en op een goeden morgen ging hij, na een nacht, +dat mademoiselle Mimi niet thuis gekomen was, naar een plaats, waar hij +vermoedde, dat zij zijn zou. Hier had hij volop gelegenheid zich een +van die bewijzen, waaraan men nolens volens gelooven moet, diep in het +hart te boren. Hij zag Mimi met door een aureool van wellust omkringde +oogen aan den arm van haar nieuwen heer en meester het huis verlaten, +waarin zij tot den adelstand verheven was. Haar nieuwe minnaar scheen +echter heel wat minder trotsch op zijn nieuwe verovering dan Paris, +de mooie Grieksche herder, na de schaking van de schoone Helena. + +Mademoiselle Mimi scheen eenigszins verrast, toen zij Rodolphe zag +aankomen. Zij ging naar hem toe en zij spraken gedurende een minuut +of vijf heel kalm met elkaar. Dan namen zij afscheid, om ieder huns +weegs te gaan. De breuk was definitief. + +Rodolphe keerde dadelijk naar huis terug en bracht den geheelen dag +door met het in pakjes bijeenpakken van alle dingen, die aan zijn +maîtresse toebehoorden. + +In den loop van den dag na de "echtscheiding" kreeg Rodolphe bezoek +van verscheidene van zijn vrienden en vertelde hun wat er voorgevallen +was. Allen feliciteerden hem met die gebeurtenis als met een groot +geluk. + +"Wij zullen u helpen, o dichter," zeide een van hen, die meermalen +getuige geweest was van de kwellingen welke mademoiselle Mimi Rodolphe +had laten verduren, "wij zullen u helpen om uw hart uit de handen van +dat ellendige schepsel te bevrijden. En binnen korten tijd zult gij +genezen zijn en weer verlangen met een andere Mimi te dwalen over de +groene paden van Aulnay en Fontenay-aux-Roses." + +Rodolphe bezwoer, dat het nu voor goed uit was met zijn wroeging +en wanhoop. Hij liet zich zelfs overhalen mede te gaan naar het +bal Mabille, waar zijn veronachtzaamde kleeding al heel slecht de +Echarpe d'Iris vertegenwoordigde, die hem vrijen toegang tot dezen +tuin van galanterie en genot verschafte. Daar ontmoette Rodolphe weer +andere vrienden, met wie hij begon te drinken. Hij vertelde hun zijn +ongeluk met een ongehoorde overdaad van bizarre wendingen en woorden +en gedurende een uur sprak hij met een hartstocht en een vuur, die +de anderen stil maakten. + +"Helaas, helaas!" zeide de schilder Marcel, toen hij den regen van +ironie hoorde, die van de lippen van zijn vriend stroomde, "Rodolphe +is te vroolijk." + +"Hij is charmant!" antwoordde een jonge vrouw, aan wie Rodolphe een +ruikertje bloemen aangeboden had, "en hoewel zijn kleeding nu niet +bepaald schitterend is, zou ik mij graag compromitteeren door met +hem te dansen, als hij mij vragen zou." + +Twee seconden later stond Rodolphe, die deze woorden gehoord had, +voor haar en noodigde haar ten dans, wat dankbaar werd aanvaard. + +Rodolphe kende van de eerste grondbeginselen der dans evenveel als +van den regel van drieën. Doch bezield door een buitengewonen moed, +aarzelde hij niet zich in het dansgewoel te storten en improviseerde +een dans, die aan alle vroegere choreographieën onbekend geweest +was. Men noemt haar den pas des regrets et soupirs (dans der tranen +en zuchten) en haar originaliteit verschafte haar een ongelooflijk +succes. De drieduizend gasvlammen mochten vrij haar vurige tongen +naar hem uitsteken, als om hem te bespotten, Rodolphe bleef steeds +doordansen en wierp onophoudelijk zijn danseres handenvol nog +onuitgegeven galanterieën in het gelaat. + +"Het is waarachtig bijna niet te gelooven," zeide Marcel, "Rodolphe +doet me denken aan een dronken man, die op gebroken glazen danst." + +"Intusschen heeft hij een heele knappe vrouw aan den haak geslagen," +zeide een andere, die Rodolphe met zijn danseres zag weggaan. + +"Je neemt niet eens afscheid van ons!" riep Marcel tegen hem. + +Rodolphe ging weer naar den artist terug en stak hem zijn hand toe; +die hand was koud en klam als vochtig marmer. + +Rodolphe's danseres was een krachtige dochter van Normandië, een +opgewekte en levenslustige natuur, wier aangeboren onbeholpenheid te +midden van de elegance en de luxe van het Parijsche bestaan en een +lui leventje, al heel spoedig plaats gemaakt had voor aristocratische +vormen. Zij liet zich madame Séraphine of iets van dien aard noemen en +was op dat oogenblik de maîtresse van een door rheumatiek geplaagden +pair de France, die haar maandelijks vijftig louis gaf, welke zij +deelde met een elleridder, die haar niets dan slaag gaf. Rodolphe +was in haar smaak gevallen; zij hoopte, dat hij haar niets zou geven, +en nam hem mee naar huis. + +"Lucile," zeide zij tot haar kamenier; "ik ben vanavond voor niemand +te spreken." + +En na even in haar toiletkamer geweest te zijn, kwam zij na vijf +minuten in een speciaal kostuum terug. Zij vond Rodolphe onbeweeglijk +en zwijgend in de kamer staan, want sedert hij daar binnen was, +had hij zich verdiept in een duisternis vol stille snikken. + +"U kijkt mij niet meer aan, je spreekt niet tegen me," zeide Séraphine +verwonderd. + +"Kom," zeide Rodolphe tot zich zelf en keek op, "laat ik naar haar +kijken, maar alleen uit een oogpunt van kunst!" + +Et quel spectacle, alors, vint s'offrir à ses yeux! zooals Raoul in +de Hugenooten zingt. + +Séraphine was bewonderenswaardig mooi. Haar prachtige vormen, die +door de coupe van haar kleed zeer voordeelig uitkwamen, schemerden +uitdagend en verleidelijk door het half doorzichtige weefsel. In +Rodolphe's aderen begon het bloed van koortsachtig verlangen onstuimig +te kloppen. Een gloeiende nevel steeg hem naar het hoofd. Hij zag +Séraphine nu reeds met andere oogen dan die van een kunstkenner aan en +nam de handen van het mooie meisje in de zijne. Het waren sublieme +handen, als het ware gebeeldhouwd met den zuiversten beitel der +Grieksche sculptuur. Rodolphe voelde die bewonderenswaardige handen +in de zijne beven; en hoe langer hoe minder kunstcriticus wordend, +drukte hij Séraphine tegen zich aan, wier wangen zich kleurden met +den blos, dien men het morgenrood der wellust zou kunnen noemen. + +"Dit schepsel is werkelijk een instrument der wellust, een +liefde-stradivarius, waarop ik gaarne een lied zou willen spelen," +dacht Rodolphe, toen hij het hart der schoone zeer duidelijk een +stormaanval hoorde slaan. + +Op dat oogenblik werd er hard aan de bel getrokken. + +"Lucile, Lucile!" riep Séraphine tegen haar kamenier; "doe niet open, +zeg, dat ik nog niet thuis ben." + +Bij den tweemaal uitgesproken naam Lucile stond Rodolphe op. + +"Ik wil u op geen enkele wijze in ongelegenheid brengen, mevrouw," +zeide hij. "Trouwens het wordt mijn tijd, het is al laat en ik woon +ver weg. Goeden nacht!" + +"Wat, wilt u weg?" riep Séraphine uit, en liet haar oogen snelvuur +geven; "waarom gaat u weg, waarom? Ik ben vrij; u kunt blijven." + +"Onmogelijk, mevrouw," antwoordde Rodolphe. "Ik verwacht vanavond +een van mijn familieleden uit Vuurland, en die zou me zeker onterven, +als hij mij niet thuis vond, om hem behoorlijk te ontvangen. Goeden +nacht, mevrouw!" + +En hij snelde weg. De kamenier lichtte hem bij en Rodolphe keek haar +toevallig in het gezicht. Het was een jong tenger meisje met sleependen +gang; haar bleek gezichtje vormde een bekoorlijke tegenstelling met +het van nature golvende, zwarte haar; haar blauwe oogen geleken op +twee zwakke sterren. + +"O, spookgestalte!" riep Rodolphe uit en week terug voor haar, die +den naam en het gezicht van zijn vriendinnetje had. "Terug! Wat wilt +ge van mij?" + +En hij stormde de trap af. + +"Maar mevrouw!" zeide de kamenier, toen zij weer bij haar meesteres +terugkwam, "bij dien jongen man is er één van de vijf op den loop!" + +"Zeg liever, dat hij een groote stommeling is!" antwoordde Séraphine +woedend. "Enfin een goede leer voor een volgende keer! Als die stomme +Léon nu maar zoo verstandig was dadelijk te komen!" + +Léon was de elleridder, die in zijn liefde-blazoen een zweep voerde. + +Rodolphe liep zoo hard als zijn beenen hem dragen konden, naar +huis. Toen hij de trap opging, hoorde hij zijn rooden kater klagende +zuchten uitstooten. Twee nachten lang riep hij zoo reeds vergeefs naar +zijn ontrouwe schoone, een angora-Manon Lescaut, die op de daken in +de buurt op galante avonturen uit was. + +"Arm dier," zeide Rodolphe; "ook jij bent bedrogen; jouw Mimi heeft +je al even leelijke poetsen gebakken als de mijne mij. Maar laten +we ons troosten. Het hart van vrouwen en van katten is een afgrond, +dien mannen en katers nooit zullen kunnen peilen." + +Toen hij zijn kamer binnentrad, had hij, niettegenstaande de drukkende +hitte, een gevoel, alsof er een ijsmantel om zijn schouders gelegd +werd. Het was de koude der eenzaamheid, de vreeselijke eenzaamheid +van den nacht, die door niets gestoord werd. Hij stak zijn kaars aan +en zag bij het licht daarvan de kale kamer. Uit de kasten staken de +ledige laden, en van den zolder tot den grond vulde een eindelooze +triestheid deze kleine kamer, die aan Rodolphe grooter dan een woestijn +scheen. Al voortloopend stiet zijn voet tegen de pakjes, die Mimi's +eigendommen bevatten, en een gevoel van blijdschap doorstroomde hem, +toen hij zag, dat zij ze nog niet was komen halen, wat zij volgens +afspraak dien ochtend zou hebben gedaan. Rodolphe voelde, hoe hij +er zich ook tegen verzette, het uur der reactie naderen, en hij +voorzag heel goed, dat hij zijn uitgelatenheid van dien avond met een +afschuwelijken nacht zou moeten boeten. Toch had hij nog eenige hoop, +dat zijn door en door vermoeid lichaam zou slapen vòòr de smart, +die hij zoo lang in zijn binnenste had onderdrukt, ontwaken zou. + +Toen hij echter het bed naderde en de gordijnen open sloeg, voelde hij +bij den aanblik van deze legerstede, die in twee dagen niet aangeraakt +was, en van de beide naast elkaar liggende kussens, onder een waarvan +nog het kanten borduursel van een nachtmutsje te voorschijn kwam, +zijn hart samenpersen in de onontkoombare schroef van die doffe smart, +welke zich niet uiten kan. Hij viel neer voor het bed, drukte zijn +voorhoofd in zijn handen, en riep, na een smartelijken blik in de +eenzame kamer geworpen te hebben, uit: + +"Mimi, kleine Mimi, vreugde van mijn huis, ben je werkelijk heengegaan, +heb ik je werkelijk weggezonden, zal ik je nooit meer terugzien? O +God! O, gij lief, bruin kopje, dat zoo lang op deze plaats geslapen +hebt, zult gij niet meer terugkomen, om er weer te slapen? O, gij +grillige stem, wier liefdesgefluister me in verrukking bracht en +wier booze tonen als muziek klonken, zal ik je niet meer hooren? En +gij kleine, blanke, blauwdooraderde handjes, waarop ik zoo dikwijls +mijn heete lippen drukte, o, gij kleine, blanke handen, hebt gij mijn +laatsten kus ontvangen?" + +En Rodolphe drukte als in koortswaanzin zijn hoofd in de kussens, +waaruit nog steeds de geur van het haar van zijn vriendinnetje +opsteeg. Van achter uit het alkoof meende hij de spookgestalte +van de heerlijke nachten, die hij met zijn jonge maîtresse daar had +doorgebracht, te zien opdoemen. Helder en duidelijk hoorde hij Mimi's +frisschen lach nog klinken door de nachtelijke stilte, en hij dacht +verlangend terug aan die betooverende, aanstekelijke vroolijkheid, +waarmede zij hem zoo dikwijls de zorgen en ellenden van hun aan +wisselvalligheden zoo rijk bestaan had doen vergeten. + +Gedurende dien geheelen langen nacht liet hij de acht maanden de +revue passeeren, welke hij met de jonge vrouw doorleefd had, die hem +misschien nooit lief gehad had, maar wier gelogen teederheid toch +aan zijn hart zijn jeugd en manlijke kracht had teruggegeven. + +Het grauwe ochtendlicht verraste hem, toen hij, door moeheid +overmeesterd, zijn oogen, rood door de in den nacht gestorte tranen, +gesloten had. Een smartelijke en vreeselijke nacht, zooals zelfs de +meest spottende sceptici onder ons meer dan eens doorwaakt hebben. + +Toen 's ochtends zijn vrienden bij hem binnenkwamen, schrikten zij +bij het zien van Rodolphe, wiens gelaat nog de duidelijkste sporen +droeg van al de benauwdheden, die hem gedurende zijn nachtwake op +den Olijfberg der liefde gekweld hadden. + +"Dat wist ik vooruit wel," zeide Marcel; "zijn vroolijkheid van +gisteravond is hem op het hart geslagen. Maar dat mag niet zoo +blijven voortgaan." + +En in overleg met twee of drie vrienden begon hij over mademoiselle +Mimi een groot aantal indiscrete onthullingen te vertellen, waarvan +ieder woord als een doorn in Rodolphe's hart drong. Zijn vrienden +bewezen hem zonneklaar, dat zijn maîtresse hem steeds en overal, +binnen- en buitenshuis, bedrogen had alsof hij een sul was, en dat dit +als de engel der tering zoo bleeke schepsel slechts een juweelkistje +was van lage gevoelens en verdorven instincten. + +De vrienden wisselden elkaar af in de taak, die zij op zich genomen +hadden en waarvan het doel was Rodolphe tot het punt te brengen, waarop +de liefde overgaat in verachting; doch dat doel werd slechts voor de +helft bereikt. De wanhoop van den dichter veranderde in toorn. Woedend +wierp hij zich op de pakjes, die hij den vorigen dag gereed gemaakt +had; en nadat hij alle voorwerpen, die reeds Mimi's eigendom waren +bij haar komst, op zijde gelegd had, hield hij alles wat hij haar +gedurende hun liaison gegeven had, achter, d.w.z. het grootste gedeelte +en voornamelijk de toiletartikelen, waaraan zij met alle vezels van +haar in den laatsten tijd onverzadigbaar geworden behaagzucht hing. + +In den loop van den volgenden dag kwam Mimi haar "boeltje" +halen. Rodolphe was thuis en alleen. Hij moest op dat oogenblik al +zijn zelfrespect te hulp roepen, om zijn maîtresse niet om de hals +te vallen. Hij ontving haar met zwijgende, stille beleedigingen, +welke zij met dien kouden scherpen toon beantwoordde, die zelfs de +zwakste en meest bedeesde naturen buiten zich zelf doet geraken. Bij +de minachting, waarmede Mimi hem op hardnekkig-brutale wijze geeselde, +barstte Rodolphe's toorn woest en angstaanjagend los, zoodat Mimi, +bleek van vrees, zich een oogenblik afvroeg, of zij levend uit zijn +handen zou komen. Op haar angstkreten snelden eenige medebewoners +toe en trokken haar uit Rodolphe's kamer. + +Twee dagen later kwam een vriendin van Mimi Rodolphe vragen of hij +Mimi's "boeltje" wilde teruggeven. + +"Neen," antwoordde Rodolphe. + +Dan wist hij de afgezante van zijn maîtresse aan het praten +te krijgen. Zij vertelde hem, dat Mimi zich in uiterst benarde +omstandigheden bevond en dat het niet lang meer zou duren, of zij +had geen dak meer boven haar hoofd. + +"En haar geliefde, waar zij zoo dol op is?" + +"Maar die jonge man heeft volstrekt geen plan haar tot maîtresse te +nemen," antwoordde Amélie. "Hij heeft er al lang een en hij schijnt +zich van Mimi, die nu zoo lang bij mij is en mij erg in verlegenheid +brengt, niets aan te trekken." + +"Zij moet maar zien, hoe zij het klaar speelt," zeide Rodolphe; +"zij heeft het zelf zoo gewild; de zaak gaat mij niet langer aan." + +En hij begon mademoiselle Amélie het hof te maken en verzekerde haar, +dat zij het mooiste meisje op aarde was. + +Amélie vertelde Mimi van haar bezoek aan Rodolphe. + +"Wat zegt hij? Wat doet hij?" vroeg Mimi. "Heeft hij over mij +gesproken?" + +"Geen woord. Hij heeft je reeds heelemaal vergeten. Rodolphe heeft +al een nieuw liefje en hij heeft voor haar een prachtig toilet +gekocht, want hij heeft veel geld gekregen, en ziet er zelf uit als +een prins. Het is een heel aardig iemand en hij zelf heeft mij heel +vleiende complimentjes gemaakt." + +"Ik zal er wel achter komen wat dat allemaal beteekent," dacht Mimi. + +Dagelijks ging mademoiselle Amélie nu onder een of ander voorwendsel +naar Rodolphe, die, men kon het draaien hoe men wilde, steeds weer +over Mimi begon. + +"Zij is erg vroolijk," antwoordde de vriendin, "en schijnt zich al +heel weinig van haar toestand aan te trekken. Overigens beweert zij, +dat zij weer bij je terug kan komen, wanneer zij maar wil, zonder +eenige tegemoetkoming van haar kant, en alleen maar om je vrienden +woedend te maken." + +"Het is goed," zeide Rodolphe; "laat ze maar komen dan zullen we +verder zien." + +En hij begon Amélie weer het hof te maken, die alles dadelijk aan +Mimi ging overbrieven en verzekerde, dat Rodolphe "smoor" op haar was. + +"Hij heeft mijn handen en mijn pols gezoend," zeide zij; "kijk maar, +ze zijn er nog rood van. Hij wil me morgen meenemen naar het bal." + +"Maar beste meid," zeide Mimi gepiqueerd, "ik begrijp heel goed, +waar je heen wilt. Je wilt me wijs maken, dat Rodolphe verliefd op +je is en niet meer aan mij denkt. Maar je verspilt je tijd, zoowel +bij hem als bij mij." + +Inderdaad was Rodolphe alleen maar zoo vriendelijk tegen Amélie, +om haar dikwijls bij zich te lokken, waardoor hij de gelegenheid had +met haar over zijn maîtresse te spreken; doch met een macchiavellisme, +dat misschien een welbewust doel had, deed Amélie, die zeer goed inzag, +dat Rodolphe nog steeds van Mimi hield, en dat deze er volstrekt niet +ongeneigd toe was weer naar hem terug te gaan, al haar best om door +handig verzonnen berichten alles te vermijden, wat de twee geliefden +weer tot elkaar zou kunnen brengen. + +Den dag, waarop zij naar het bal zou gaan, ging Amélie in den ochtend +aan Rodolphe vragen, of de afspraak zoo bleef. + +"Zeker", antwoordde hij haar, "ik zou de gelegenheid, om de cavalier +van de mooiste vrouw van onzen tegenwoordigen tijd te zijn, niet +gaarne verzuimen." + +Amélie zette hetzelfde coquette gezicht, dat zij den avond van haar +eenig debuut in een voorstadschouwburg in de rol van een soubrette +van den vierden rang getrokken had, en beloofde op het afgesproken +uur klaar te zijn. + +"A propos," zeide Rodolphe, "zeg aan mademoiselle Mimi, dat ik haar +al haar zaakjes zal teruggeven, wanneer zij ter wille van mij haar +minnaar eens voor een nacht ontrouw wil worden." + +Amélie bracht de boodschap over, doch gaf aan zijn woorden een geheel +andere beteekenis dan die, welke zij erin geraden had. + +"Jouw Rodolphe is een ignobele kerel," zeide zij tegen Mimi; "zijn +voorstel is een schande. Hij wil je door dien stap vernederen tot +den rang der laagste deernen; en indien je naar hem toe gaat, zal +hij je niet alleen je boeltje teruggeven, maar je bovendien de risée +maken van al zijn vrienden; dat is een samenzwering, die ze onderling +gesmeed hebben." + +"Ik ben niet van plan te gaan," zeide Mimi en vroeg, toen ze zag, +dat Amélie bezig was toilet te maken, of zij naar het bal ging. + +"Ja", antwoordde de ander. + +"Met Rodolphe?" + +"Ja, hij zal me vanavond op twintig pas van het huis wachten." + +"Veel pleizier," zeide Mimi, die, toen het uur van het rendez-vous +naderde, zoo gauw mogelijk naar den minnaar van mademoiselle Amélie +liep en hem mededeelde, dat deze op het punt stond hem met haar +(Mimi's) vroegeren minnaar te bedriegen. + +De mijnheer, jaloersch als een tijger, vloog naar mademoiselle Amélie +en zeide tegen haar, dat hij het uitstekend vond, dat zij den avond +in zijn gezelschap doorbracht. + +Om acht uur snelde Mimi naar de plek, waar Rodolphe op Amélie zou +wachten. Zij zag haar vroegeren minnaar daar heen en weer loopen in de +houding van iemand, die wacht; zij liep tweemaal langs hem heen, zonder +hem te durven aanspreken. Rodolphe was dien avond heel elegant gekleed, +en de heftige gemoedsbewegingen, waaraan hij in de laatste acht +dagen ten prooi geweest was, hadden aan zijn gelaatsuitdrukking iets +verhevens gegeven. Mimi voelde zich zeer onder den indruk. Eindelijk +vermande zij zich om hem aan te spreken. Rodolphe nam het kalm en +waardig op, informeerde naar haar gezondheidstoestand en vroeg ten +slotte naar de beweegreden, die haar tot hem voerde; en dit alles +op zachten, kalmen toon, waarin een accent van droefheid niet te +miskennen viel. + +"Ik moet u een onaangename boodschap overbrengen: mademoiselle Amélie +kan niet met u medegaan naar het bal--zij heeft bezoek van haar man." + +"Dan zal ik alleen naar het bal moeten gaan." + +Mimi deed op dit oogenblik alsof zij struikelde en leunde op den +schouder van Rodolphe: hij gaf haar een arm en bood haar aan haar +naar huis te brengen. + +"Dat zal niet gaan," zeide Mimi; "ik woon bij Amélie, en daar haar +man bij haar is, kan ik niet naar huis gaan, vòòr hij weg is." + +"Luister eens," zeide nu de dichter tot haar; "ik heb je door +bemiddeling van mademoiselle Amélie een voorstel laten doen; heeft +ze dat overgebracht?" + +"Ja", zeide Mimi, "maar in bewoordingen, waaraan ik, zelfs na alles, +wat er tusschen ons voorgevallen is, geen geloof schenken kan. Neen, +Rodolphe, niettegenstaande alles wat u me verwijten kunt, heb ik nooit +geloofd, dat gij in mij zoo weinig fijn gevoel veronderstelde, dat +gij ook maar een oogenblik hebt kunnen denken, dat ik zoo'n voorstel +zou aannemen." + +"U hebt me niet begrepen of men heeft u mijn voorstel verkeerd +overgebracht. Maar wat ik gezegd heb, blijft van kracht," zeide +Rodolphe; "het is nu negen uur, u hebt nog drie uur tijd om na te +denken. Mijn sleutel steekt tot twaalf uur in het slot. Bonsoir, +adieu, of tot weerziens." + +"Adieu dan!" zeide Mimi met bevende stem. + +En zoo scheidden zij ..... Rodolphe ging naar zijn kamer terug en +wierp zich geheel gekleed op bed. Om half twaalf kwam Mimi binnen. + +"Ik kom u gastvrijheid vragen," zeide zij; "de man van Amélie is +gebleven, en nu kan ik niet naar huis." + +Tot drie uur in den ochtend praatten zij. De eene verklaring volgde +op de andere, waarin het familiare jij en jou afwisselde met het +officieele u. + +Om vier uur ging de kaars uit. Rodolphe wilde een nieuwe aansteken. + +"Ach neen," zeide Mimi, "het is de moeite niet waard. Het is tijd, +om naar bed te gaan." + +En vijf minuten later had haar aardig bruin kopje zijn plaats op het +kussen weer ingenomen en riep zij met een vleiend stemmetje Rodolphe's +lippen weer op haar kleine, blanke, blauwdooraderde handen, waarvan +de paarlemoerkleur wedijverde met het wit der lakens. Rodolphe stak +geen nieuwe kaars aan. + +Den volgenden ochtend stond Rodolphe het eerst op en zeide, terwijl +hij Mimi verschillende pakjes wees, heel zacht en teeder: + +"Dat is uw eigendom, u kunt het medenemen .... ik houd woord." + +"O," antwoordde Mimi; "ik ben erg moe en kan al die groote pakken +niet tegelijk dragen. Ik kom liever nog eens terug." + +En nadat zij zich aangekleed had, nam zij alleen een kraagje en een +paar manchetten mede. + +"De rest kom ik wel halen .... stuk voor stuk," voegde zij er +glimlachend aan toe. + +"Neen," zeide Rodolphe; "neem alles mede of niets, er moet een eind +aan de zaak komen." + +"Of een nieuw begin, maar dan om altijd te duren," zeide de jonge Mimi, +terwijl zij Rodolphe om de hals vloog. + +Na samen ontbeten te hebben, gingen ze in de omstreken een uitstapje +maken. Toen zij door den Luxembourg liepen, kwamen zij een groot +dichter tegen, die Rodolphe steeds met de grootste welwillendheid +ontvangen had. Uit beleefdheid wilde Rodolphe doen, alsof hij hem +niet zag. Maar de dichter liet hem er den tijd niet voor, en knikte +hem in het voorbijgaan familiaar toe, terwijl hij zijn gezellin met +een vriendelijk glimlachje groette. + +"Wie is dat?" vroeg Mimi. + +Rodolphe noemde haar een naam, die haar een kleur van blijdschap en +trots deed krijgen. + +"Ja," zeide Rodolphe, "die ontmoeting met den dichter, die zoo mooi de +liefde bezongen heeft, is een goed voorteeken en zal onze verzoening +geluk aanbrengen." + +"Ik heb je lief," zeide Mimi innig en drukte haar vriend de hand, +hoewel zij midden in de drukte van het verkeer waren. + +"Lieve hemel!" dacht Rodolphe; "wat is nu beter, of je altijd te +laten misleiden, omdat je geloofd hebt, of nooit te gelooven uit +vrees altijd misleid te worden?" + + + + + + +HOOFDSTUK XV. + +DONEC GRATUS..... + + +We hebben reeds verteld op welke wijze de schilder Marcel mademoiselle +Musette had leeren kennen. Op een goeden dag door den priester van +de luim, die tevens maire van het dertiende arrondissement [31] is, +met elkaar verbonden, hadden zij, zooals dat dikwijls het geval is, +gemeend, met uitsluiting van hun hart getrouwd te zijn. Maar op een +avond, toen zij na een heftigen twist besloten hadden onmiddellijk van +elkaar weg te gaan, kwamen zij tot de ontdekking, dat hun handen, +die zij elkaar ten afscheid gereikt hadden, elkander niet meer +loslaten wilden. Bijna zonder het zelf te weten was hun luim liefde +geworden. Half lachend bekenden zij elkaar hun liefde. + +"Dat is een heel ernstige zaak," zeide Marcel. "Hoe zijn we zoover +gekomen?" + +"O," antwoordde Musette, "we zijn onoplettend geweest, we hebben niet +genoeg voorzorgsmaatregelen genomen." + +"Wat is er aan het handje?" vroeg Rodolphe, die naast Marcel was +komen wonen, toen hij de kamer binnenkwam. + +"Wel," antwoordde de schilder en wees daarbij op Musette, "mademoiselle +en ik zijn daar zooeven tot een prachtige ontdekking gekomen. Wij +zijn verliefd op elkaar. Dat is zeker in den slaap gekomen." + +"Oho, in den slaap, neen, dat geloof ik zoo gauw niet. Maar waar +is het bewijs, dat jullie van elkaar houdt? Je overdrijft misschien +het gevaar." + +"Voor den duivel!" riep Marcel uit, "we kunnen elkaar niet uitstaan." + +"En kunnen niet buiten elkaar," voegde Musette eraan toe. + +"Dan is de zaak zoo duidelijk mogelijk, kinderen. Jullie hebt allebei +heel mooi willen spelen en je hebt allebei verloren. Het is precies +mijn geschiedenis met Mimi. Bijna twee jaar lang hebben we nu al van +'s morgens vroeg tot 's avonds laat ruzie. Met dat systeem laat je de +huwlijken eeuwig duren. Vereenigt een Ja met een Neen en je krijgt +een verbintenis à la Philemon en Baucis. Jullie huishouden zal een +pendant van het mijne worden; en wanneer Schaunard en Phémie bij hun +dreigement blijven en bij ons komen wonen, dan kan ons trio het hier +in huis erg gezellig maken." + +Op dat oogenblik kwam Gustave Colline binnen. Ze vertelden hem het +ongeluk, dat Musette en Marcel overkomen was. + +"Nou, philosoof," vroeg deze, "wat denk jij ervan?" + +Colline krabbelde op de haren van zijn hoed, die hem als dak diende, +en bromde: + +"Dat heb ik van te voren wel zien aankomen. De liefde is een +hazardspel. Wie zijn billen brandt, moet op de blaren zitten. Het is +niet goed, dat de mensch alleen zij." + +Toen Rodolphe 's avonds bij Mimi kwam, waren zijn eerste woorden: + +"Ik heb nieuws. Musette is dol op Marcel en wil niet van hem vandaan." + +"Arme meid!" zeide Mimi. "Zij had zoo'n gezonde eetlust." + +"En van zijn kant is Marcel smoor op Musette. Zijn liefde is +zes-en-dertig karaat, zooals die intrigant van een Colline zou zeggen." + +"Arme jongen," vond Mimi; "hij is zoo jaloersch!" + +"Dat is zoo," zeide Rodolphe; "hij en ik zijn leerlingen van Othello." + +Eenigen tijd later kwamen werkelijk Schaunard en Phémie Klad in +hetzelfde huis als Rodolphe en Marcel wonen. + +Van af dien dag sliepen alle andere bewoners op een vulkaan en zegden +na afloop van het kwartaal gezamenlijk de huur op. + +Inderdaad ging er bijna geen dag voorbij of er barstte in één van +de huishoudens een onweer los. Nu eens waren het Mimi en Rodolphe, +die, wanneer hun de krachten om te schreeuwen begonnen te ontbreken, +elkaar hun meening duidelijk maakten door elkander de eerste de beste +projectielen, die ze in handen kregen, naar het hoofd te slingeren. Dan +weer, en dat gebeurde het meest, maakte Schaunard met het einde van +zijn wandelstok eenige aanmerkingen op de melancholieke Phémie. Marcel +en Musette echter hielden hun beraadslagingen met gesloten deuren; +zij waren tenminste zoo voorzichtig de deuren en ramen dicht te doen. + +Wanneer er toevallig eens vrede heerschte in de drie huishoudens, dan +waren de andere huurders wederom het slachtoffer van die tijdelijke +eensgezindheid. De indiscretie der tusschenmuren verried hun al de +geheimen der bohème-families en wijdde hen tegen hun wil in al hun +mysteriën in. Meer dan een buurman verkoos dan ook den casus belli +boven de ratificatiën der vredes-verdragen. + +Het bestaan, dat onze vrienden gedurende zes maanden leidden, was, +eerlijk gezegd, al heel buitengewoon. De meest oprechte broederschap +heerschte, zonder eenige mooidoenerij, in den vriendenkring, waarin +alles aan allen behoorde, en, al naar het viel, geluk of ongeluk +trouw gedeeld werd. + +Er waren in iedere maand enkele gala-dagen, dagen, waarop ze voor geen +geld van de wereld zich zonder handschoenen op straat vertoond zouden +hebben, dagen van uitgelatenheid, waarop ze van 's morgens vroeg tot +'s avonds laat aten. Er waren echter ook andere dagen, waarop ze +bijna zonder schoenen naar beneden gegaan zouden zijn, vastendagen, +waarop ze, na niet gemeenschappelijk ontbeten te hebben, ook niet +samen dineerden of hoogstens ertoe kwamen met behulp van oeconomische +combinaties een van die maaltijden te ensceneeren, waarbij borden en +lepels en vorken "geen rol speelden", zooals Mimi dat noemde. + +Doch wonderlijk genoeg ontstond er in dien kring, waartoe toch drie +jonge, knappe vrouwen behoorden, tusschen de mannen niet de geringste +oneenigheid; zij knielden dikwijls neer voor de minste luim van hun +maîtresse, maar geen van drieën zou ook maar één oogenblik geaarzeld +hebben tusschen de vrouw en den vriend. + +Liefde ontstaat vooral uit eigen beweging: zij is als het ware een +improvisatie. Vriendschap daarentegen bouwt zich om zoo te zeggen op; +zij is een gevoel, dat met omzichtigheid en bedachtzaamheid rondtast; +zij is het egoïsme van den geest, terwijl de liefde het egoïsme der +ziel is. + +Zes jaar lang kenden onze bohémiens elkaar nu al. Dit lange +tijdsverloop, waarin zij dagelijks in elkaars gezelschap verkeerden, +had, zonder de scherp omlijnde individualiteit van ieder afzonderlijk +afbreuk te doen, een overeenstemming van ideeën, een geheel geschapen, +dat zij elders niet gevonden zouden hebben. Zij hadden hun eigen zeden +en gewoonten en een bijzondere taal, waarvan een vreemde den sleutel +niet gevonden zou hebben. Wie hen niet van dichtbij kende, noemde hun +vrije manier van optreden cynisme. En toch was het niets anders dan +zich geven zooals zij waren. Als uitgesproken vijanden van iederen +dwang, haatten zij alles wat onwaar, verachtten zij alles wat laag +en gemeen was. Wanneer men hen van zelfoverschatting beschuldigde, +antwoordden zij met een openhartige uiteenzetting van hun eerzucht, +en in het bewustzijn van hun eigen waarde misbruikten zij hun eigen +Ik niet. + +Hoewel zij gedurende de vele jaren van hun gemeenschappelijk leven +en streven dikwijls door den nood gedwongen werden met elkaar te +wedijveren, hadden zij nooit den vriendschapsband verbroken en, +zonder er bepaald moeite voor behoeven te doen, den gevaarlijken +klip van eigenliefde en ijdelheid weten te omzeilen, telkens wanneer +anderen die in hen hadden trachten op te wekken, om oneenigheid +tusschen hen te zaaien. Zij schatten elkaar op hun juiste waarde; +en de trots, het beste tegengif tegen de ijverzucht, bewaarde hen +voor alle kleinzielige beroepsjaloezie. + +Doch na zes maanden gemeenschappelijk samenleven brak er plotseling +onder de bohémiens een echtscheidings-epidemie uit. + +Schaunard opende de rij. Op een goeden dag merkte hij, dat de eene +knie van Phémie Klad beter gebouwd was dan de andere, en daar hij +op het gebied der plastiek het strengste purisme huldigde, zond hij +Phémie weg en gaf haar als souvenir den wandelstok, waarmede hij haar +zoo dikwijls opmerkingen gemaakt had. Hij zelf ging inwonen bij een +bloedverwant, bij wien hij gratis onderdak kreeg. + +Veertien dagen later verliet Mimi Rodolphe, om plaats te nemen in +de equipage van den jongen vicomte Paul, den vroegeren leerling van +Barbemuche, die haar geelzijden japonnen beloofd had. + +Na Mimi verdween Musette, om op opzienbarende wijze terug te keeren +in de aristocratie der galante wereld, die zij verlaten had, om Marcel +te volgen. + +Deze scheiding geschiedde zonder twist, zonder strijd, zonder +voorbedachten rade. Geboren uit een luim, die liefde geworden was, +werd deze liaison door een andere luim weer verbroken. + +Op een carnavalsavond had Musette op het gemaskerde bal in de Opera, +waarheen zij met Marcel gegaan was, in een contredans als vis-à-vis +een jongen man, die haar vroeger het hof gemaakt had. Zij herkenden +elkaar en wisselden onder het dansen enkele woorden. Misschien +zonder het te willen liet Musette, toen zij den jongen man van haar +tegenwoordige levenswijze op de hoogte bracht, eenige spijt over het +verleden doorschemeren. Doch hoe dit zij, aan het einde der quadrille +vergiste Musette zich en nam, in plaats van Marcel, die haar cavalier +was, de hand te geven, die van haar vis-à-vis, welke haar meetrok en +met haar in het gewoel verdween. + +Marcel, die vrij ongerust was, zocht haar. Na een uur zag hij haar aan +den arm van den jongen man en een van haar lievelingsliedjes zingend, +uit het café van de Opera komen. Toen zij Marcel, die met zijn armen +over elkaar in een hoek stond, zag, wierp zij hem een afscheidsgroet +toe en zeide: + +"Ik kom terug." + +"Dat wil zeggen: wacht niet op mij!" vertaalde Marcel. Hij was +jaloersch, maar logisch en kende Musette; hij wachtte dan ook niet +langer, doch keerde met een vol hart en een leege maag naar huis +terug. Hij keek in de kast, of er niet een paar kliekjes over waren: +hij vond een stuk brood, zoo hard als graniet, en het skelet van een +haring in het zuur. + +"Tegen truffels kon ik niet op," dacht hij. "Enfin, Musette zal +tenminste goed gesoupeerd hebben." En nadat hij, onder voorwendsel +zijn neus te moeten snuiten, een punt van zijn zakdoek tegen zijn +oogen gedrukt had, ging hij naar bed. + +Twee dagen later werd Musette in een in rose tinten gehouden boudoir +wakker. Voor de deur wachtte een blauwe equipage, en alle feeën der +mode, die tot haar dienst gerequireerd waren, legden haar wonderwerken +aan haar voeten. Musette zag er uit om te stelen, en haar jeugd scheen +in dezen eleganten lijst nog jonger te worden. Zij begon nu haar oude +leven weer, nam deel aan alle feesten en heroverde weer spoedig haar +vroegere beroemdheid. Overal werd over haar gesproken: op de beurs +zoowel als in de koffiekamer van het Parlement. Haar nieuwe minnaar, +mijnheer Alexis, was een charmante jonge man. Dikwijls beklaagde hij +zich tegenover Musette, dat hij haar wat lichtzinnig en onverschillig +vond, wanneer hij over zijn liefde met haar sprak; dan keek Musette +hem glimlachend aan, gaf hem haar hand en zeide: + +"Wat zal ik je zeggen, mijn waarde? Ik heb zes maanden lang geleefd +met een jongen man, die me voedde met salade en waterachtige soep, +me in het katoen gekleed liet gaan en me veel meenam naar het Odéon, +omdat hij niet rijk was. Daar de liefde niets kost en ik gewoonweg +gek op dat monster was, hebben we heel wat liefde verbruikt. Er zijn +alleen nog maar wat kruimels over. Raap die op, ik zal je dat niet +beletten. Ik heb je trouwens van te voren alles opgebiecht; en als +de linten en strikjes niet zoo duur waren, zou ik nu nog bij mijn +schilder zijn. En wat mijn hart betreft, ik hoor het, sedert ik een +corset van tachtig francs draag, bijna niet meer kloppen, en ik ben +erg bang, dat ik het in een van de laden van Marcel heb laten liggen." + +Het verdwijnen der drie Bohème-huishoudens gaf aanleiding tot een groot +feest in het huis, dat zij bewoond hadden. Als vreugdebetoon gaf de +eigenaar een grootsch diner en illumineerden de huurders hun ramen. + +Rodolphe en Marcel waren samen gaan wonen. Beiden hadden zij een +idool gevormd, waarvan zij den naam niet goed wisten. Tusschenbeide +gebeurde het, dat de een over Musette en de ander over Mimi sprak; +dan hadden zij stof genoeg voor den geheelen avond. Zij haalden +hun vroeger leven weer op en de liederen van Musette en de liederen +van Mimi, en de slapelooze nachten en de verslapen ochtenduren en +de in droomen genoten diners. Een voor een lieten zij in hun duo's +van herinneringen al die vervlogen uren aan hun geest voorbijgaan; +en zij eindigden gewoonlijk hun tweegesprek met te zeggen, dat zij +per slot van rekening nog gelukkig waren, daar zij gezellig samen met +hun voeten op het haardkleedje zaten, het houtvuur konden oppoken +en hun pijp rooken en zij elkander hadden, om al die dingen hardop +te zeggen, welke zij tot zichzelf zeiden, als zij alleen waren: +n.l. dat zij van die schepseltjes, die bij haar verdwijning een stuk +van hun jeugd hadden medegenomen, veel gehouden hadden en dat zij ze +misschien nog lief hadden. + +Toen op een goeden avond Marcel den boulevard overstak, zag hij op +enkele passen voor zich een jonge dame, die bij het uit haar rijtuig +stappen een witten kous liet zien, welke een buitengewoon zuiveren +vorm van het been verried; de koetsier zelf verslond de bekoorlijke +"fooi" met zijn oogen. + +"Bliksems," dacht Marcel, "een alleraardigste kuit! Ik heb waarachtig +zin haar mijn arm aan te bieden; laat eens kijken .... op welke manier +zal ik haar het best aanspreken!.... Daar heb ik een idee.... Iets +heel nieuws!" + +"Pardon, mevrouw," zeide hij, terwijl hij naar de onbekende, wier +gezicht hij niet dadelijk zien kon, toe ging; "u hebt bij toeval mijn +zakdoek niet gevonden?" + +"Zeker, mijnheer," antwoordde zij; "als het u blieft." + +En zij gaf Marcel een zakdoek, die zij in haar hand hield. + +De schilder rolde bij die woorden in een afgrond van verbazing. + +Maar een luid gelach, waarvan hij plotseling de volle laag in het +gelaat kreeg, deed hem weer tot zichzelf komen; aan die vreugdefanfare +herkende hij zijn oude liefde. + +Het was mademoiselle Musette. + +"Zoo, zoo!" riep zij uit; "mijnheer Marcel op jacht naar galante +avontuurtjes. Hoe vindt je dit, zeg? Vroolijk is het zeker." + +"Ik vind het tamelijk," was zijn antwoord. + +"Wat doe je zoo laat in dit stadsdeel?" vroeg Musette. + +"Ik ga naar dit gebouw," lichtte hij haar in en wees naar een kleinen +schouwburg, waar hij vrijen toegang had. + +"Uit liefde voor de kunst?" + +"Neen uit liefde voor Laure." + +"Wie is Laure?" vroeg Musette, wier oogen vraagteekens schoten. + +Marcel ging op zijn flauwe aardigheid door. + +"Dat is een chimère, die ik najaag en die binnen deze kleine muren +ingénue-rollen speelt." + +En hij verfrommelde met zijn hand een imaginairen boezem. + +"U bent vanavond wel geestig," zeide Musette. + +"En u nieuwsgierig!" + +"Praat toch wat zachter, iedereen hoort ons, ze zullen ons nog voor +een verliefd paar, dat ruzie heeft, aanzien." + +"Het zou de eerste keer niet zijn, dat zoo iets ons overkwam!" zeide +Marcel. + +Musette zag in die woorden een uitdaging en antwoordde vlug: + +"En misschien de laatste keer ook niet, wel?" + +De vraag was duidelijk, zij klonk Marcel als het fluiten van een +kogel in het oor. + +"Gij schitterende hemellichten," riep hij, opkijkend naar de sterren; +"gij zijt getuigen, dat ik niet het eerste schot gelost heb. Vlug +mijn pantser." + +Van dat oogenblik af was het vuur geopend. + +Het eenige noodige was nu nog maar, om een verbindingsstreepje te +vinden, ten einde deze twee grillen, welke plotseling weer met zulk +een gloed ontwaakt waren, samen te brengen. + +Al verder loopend keek Musette Marcel en Marcel Musette aan. Zij +spraken niet, maar hun oogen, die plenipotentiarissen van het hart, +ontmoetten elkaar dikwijls. Na een diplomatieke conferentie van een +kwartier had dit congres van blikken deze aangelegenheid in alle +stilte geregeld. Alleen de ratificatie moest nog plaats hebben. + +Het afgebroken gesprek werd weer voortgezet. + +"Zeg nou eens eerlijk," vroeg Musette, "waar wou je daarnet heen?" + +"Ik heb het je al gezegd: naar Laure." + +"Is zij knap?" + +"Haar mond is een nestje van glimlachjes!" + +"Dat ken ik al," zeide Musette. + +"Maar jij?" vroeg Marcel, "waar kwam jij vandaan op de vleugelen van +dat rijtuig?" + +"Ik heb Alexis, die zijn familie gaat bezoeken, naar het station +gebracht." + +"Wat is die Alexis voor een man?" + +Op haar beurt ontwierp Musette van haar tegenwoordigen minnaar een +bekoorlijk beeld. Al verder wandelend bleven Marcel en Musette midden +op den boulevard de comedie: "De terugkeer der liefde" spelen. Met +dezelfde, nu eens liefkoozende, dan weer spottend plagende naïeveteit +herhaalden zij strophe voor strophe die onsterfelijke ode, waarin +Horatius en Lydia met zooveel gratie en bekoorlijkheid de heerlijkheid +van hun nieuwe liefde bezingen en ten slotte aan hun oude liefde een +postscriptum toevoegen. + +Toen zij bij den hoek van een straat kwamen, marcheerde plotseling +een vrij sterke patrouille voorbij. + +Musette "organiseerde" vlug een angstige houding, klampte zich vast +aan Marcel's arm en zeide: + +"Lieve Hemel, kijk eens, daar komen de schutters, zeker een +revolutie. Laten we maken, dat we wegkomen; ik ben zoo bang: breng +me weg!" + +"Maar waarheen?" vroeg Marcel. + +"Naar mijn huis," zeide Musette; "je zult eens zien hoe aardig het +er is. Ik geef een souper: we zullen over politiek praten." + +"Neen," antwoordde Marcel, die steeds aan Alexis dacht; "ik ga +niettegenstaande je uitnoodiging voor een souper niet met je mee. Ik +drink niet graag wijn uit een andermans glazen." + +Musette wist op die weigering geen antwoord te geven. Plotseling zag +zij door de mist van haar herinneringen weer het armoedige kamertje van +den armen schilder--want Marcel was geen millionair geworden--en zij +kwam op een ander denkbeeld. Een tweede patrouille, die kwam aanrukken, +was voor haar een welkome gelegenheid om opnieuw een aanval van angst +te krijgen. + +"Ze zullen gaan vechten!" riep zij uit; "ik durf niet naar huis +terug. Lieve Marcel, breng mij naar een vriendin van me, die dicht +bij jou wonen moet!" + +Toen zij den Pont Neuf overgingen, barstte Musette in een schaterlach +uit. + +"Wat heb je?" vroeg Marcel. + +"Niets," antwoordde Musette; "ik bedenk me daar op eens, dat mijn +vriendin verhuisd is. Zij woont tegenwoordig in Batignolles!" + +Toen Rodolphe Marcel en Musette arm in arm binnen zag komen, was hij +heelemaal niet verbaasd. + +"Als de liefde niet goed begraven is," zeide hij, "is dat altijd het +slot van het lied!" + + + + + + +HOOFDSTUK XVI. + +DE DOORTOCHT DOOR DE ROODE ZEE. + + +Een jaar of vijf, zes werkte Marcel nu reeds aan dat beroemde doek, +dat volgens zijn bewering de Doortocht door de Roode Zee moest +voorstellen, en een jaar of vijf, zes reeds weigerde de jury hardnekkig +dit kleurrijke meesterwerk. Ten gevolge van het heen en weer trekken +van het atelier naar het Museum en van het Museum naar het atelier +had het doek den weg dan ook zoo goed leeren kennen, dat het, wanneer +men het op rolletjes gezet zou hebben, ongetwijfeld in staat geweest +zou zijn zich alleen naar den Louvre te begeven. Marcel, die het +tienmaal veranderd en van boven tot beneden omgewerkt had, schreef +het ostracisme, dat hem jaarlijks den toegang tot den vierkanten +Salon ontzegde, toe aan een persoonlijke vijandigheid der juryleden +en had in zijn verloren oogenblikken ter eere van de cerberussen van +het Instituut een kleinen dictionnaire van scheldwoorden samengesteld, +die met scherpe en giftige illustraties versierd was. Deze verzameling +was al heel gauw beroemd geworden en had in de ateliers en in de +Ecole des Beaux-Arts hetzelfde succes verworven, dat eens ten deel +gevallen was aan het onsterfelijke klaaglied van Jean Bélin, [32] +schilder van den sultan van Turkije: alle schildersleerlingen van +Parijs hadden er een exemplaar van in hun geheugen. + +Gedurende langen tijd had Marcel zich door de hardnekkige weigeringen, +welke bij iedere tentoonstelling aan zijn doek ter deel vielen, +niet laten ontmoedigen. Hij had zich nu eenmaal in zijn hoofd gezet, +dat zijn werk, in kleinere verhoudingen dan, het verwachte pendant +was van de "Bruiloft te Kanaän", dat gigantische meesterwerk, welks +schitterende kleurenpracht het stof van drie eeuwen niet dof had kunnen +maken. Ieder jaar zond Marcel dan ook weer tegen de opening van den +"Salon" zijn doek aan de jury ter beoordeeling. Alleen wijzigde hij, +om de juryleden op een dwaalspoor te brengen en te trachten het +vooroordeel, dat zij blijkbaar tegen de "Doortocht van de Roode Zee" +hadden, op te heffen, telkens een of ander detail, zonder echter +iets te veranderen aan de compositie in haar geheel, en gaf het doek +dienovereenkomstig een anderen naam. + +Op die wijze kwam de schilderij op een goeden dag als "Overtocht +over den Rubicon" voor de jury; maar Pharao, die onder den mantel +van Caesar slecht vermomd was, werd herkend en met alle eer, die hem +verschuldigd was, afgewezen. + +Het volgend jaar bracht Marcel op verschillende punten van het +linnen witte plekken aan, als zinnebeeld van de sneeuw, plantte in +een hoek een den, trok een Egyptenaar den uniform van een grenadier +der keizerlijke garde aan en doopte zijn schilderij: "Overtocht over +de Beresina." + +Doch de jury, die dit jaar haar brillen op de opslagen van haar met +groene palmtakken versierde rokken goed had schoongeveegd, werd geen +slachtoffer van deze nieuwe list. Zij herkende het hardnekkige doek +onmiddellijk en wel aan een groot, bont paard, dat schrikkend voor een +golf der Roode Zee, steigerde. De robe van dit duivelsche paard werd +door Marcel gebruikt voor alle proefnemingen, die hij op het gebied +van coloriet deed, en hij noemde het in vertrouwelijke gesprekken de +"synoptische tabel der fijne tinten," omdat hij met het spel van licht +en schaduw op die plaats de meest verschillende kleurencombinaties wist +aan te brengen. Doch, ongevoelig voor dit détail, had ook ditmaal de +jury geen zwarte bolletjes genoeg om den "Overtocht over de Beresina" +te weigeren. + +"Goed," zeide Marcel, "dat dacht ik wel. Het volgend jaar zal ik het +inzenden onder den titel: "Doortocht door de panorama's"." + +"Zij zullen voor den gek, gi, ga, gi, ga, gek gehouden worden!" zong +Schaunard op een nieuwe door hem gecomponeerde melodie, een vreeselijke +melodie, lawaaierig als een gamma van donderslagen, en waarvan de +begeleiding de schrik van alle piano's in de buurt was. + +"Hoe kunnen zij het weigeren zonder dat al het vermillioen van +mijn Roode Zee hun op het gelaat komt en het met het scharlaken +van schaamte bedekt?" mompelde Marcel, terwijl hij naar zijn doek +keek..... "Wanneer men bedenkt, dat er voor honderd daalders verf en +een millioen genie op zit, zonder nog te spreken van mijn schoone +jeugd, die zoo kaal geworden is als mijn vilten hoed. Een ernstig +werk, dat nieuwe horizonten voor de glazuurkunst opent. Maar zij +zullen het niet voor de laatste maal gezien hebben; tot aan mijn +laatsten ademtocht zal ik mijn schilderij inzenden. Ik zal zorgen +dat het tenminste in hun geheugen gegraveerd blijft!" + +"Dat is de zekerste manier, om er gravures van te krijgen," merkte +Gustave Colline op en voegde er voor zichzelf aan toe: "Een heel +aardige woordspeling, heel aardig .... die zal ik verder vertellen." + +Marcel bleef zijn verwenschingen uitbraken, die Schaunard steeds weer +op muziek bracht. + +"Zij willen mij niet in den Salon toelaten!" riep Marcel uit. "Ha, +de regeering betaalt ze, geeft ze onderdak en het kruis van het +Legioen van Eer, alleen maar met het doel, om eens per jaar, den +eersten Maart, mijn doek te weigeren .... Maar ik zie heel goed, +wat zij daarmede voor hebben, ik zie het heel goed in; zij hopen, +dat ik mijn penseelen in stukken zal breken. Zij denken misschien wel, +dat ik, wanneer zij mijn "Doortocht door de Roode Zee" weigeren, mij +hals over kop uit het raam van de wanhoop zal storten. Maar zij kennen +mijn hart al heel slecht, als ze me door zoo'n plompe list hopen te +vangen. Ik zal voortaan de opening van den Salon niet afwachten. Van +af heden zal mijn schilderij het Damokles-doek zijn, dat eeuwig boven +hun leven zal hangen. Ik zal het van nu af eenmaal per week aan een +van de heeren thuis zenden, in zijn eigen woning, in de schoot van +zijn familie, midden in het hart van zijn particulier leven. Het zal +hun huiselijke vreugde vergiftigen; zij zullen daardoor hun wijn +zuur, hun wild aangebrand, hun vrouwen onuitstaanbaar vinden. Zij +zullen binnen zeer korten tijd krankzinnig worden; en men zal ze een +dwangbuis moeten aantrekken om op de zittingsdagen naar den Salon te +kunnen gaan. Dat denkbeeld lacht mij toe." + +Eenige dagen later, toen Marcel zijn vreeselijke wraakplannen tegen +zijn vervolgers reeds lang weer vergeten had, kreeg hij bezoek van +vader Médicis. Zoo noemde men in den vriendenkring een Jood, Salomon +geheeten, die toentertijd heel goed bekend was aan alle artistieke +en litteraire bohémiens, met wie hij bijna dagelijks in aanraking +kwam. Vader Médicis schacherde in alles en nog wat. Hij verkocht +complete ameublementen van twaalf tot duizend daalders. Hij kocht +alles en wist alles met winst weer kwijt te raken. De wisselbank van +Proudhon is niets vergeleken bij het door Salomon toegepaste systeem, +die het schachergenie bezat in een graad, welken zelfs de handigsten +van zijn geloofsgenooten nog niet bereikt hadden. Zijn winkel op de +Place du Caroussel was een tooverpaleis, waarin je alles vondt, wat +je maar noodig hadt. Alle producten der natuur, alle voortbrengselen +der kunst, alles wat voortkomt uit de ingewanden der aarde en het +brein der menschen--alles was voor Médicis een handelsobject. Hij +schacherde in alles, absoluut in alles, wat maar bestaat, hij werkte +zelfs in het denkbeeldige. Médicis kocht n.l. denkbeelden, hetzij om ze +zelf te exploiteeren, hetzij om ze weer te verkoopen. Bekend met alle +schrijvers en alle kunstenaars, vertrouwde van de paletten en vriend +van den inktpot, was hij om zoo te zeggen de Asmodé der kunsten. Hij +gaf je sigaren in ruil voor een feuilleton, pantoffels voor een sonnet, +versche zeevisch voor paradoxen; hij praatte tegen betaling--per +uur zoo en zooveel--met de journalisten, die stof voor de chronique +scandaleuse moesten verzamelen; hij bezorgde je toegangskaarten voor +de kamertribunes en uitnoodigingen voor particuliere soirées; hij +gaf schildersleerlingen onderdak per nacht, per week of per maand +en liet zich daarvoor met copieën naar oude meesters in den Louvre +betalen. De coulissen hadden voor hem geen geheimen. Hij zorgde ervoor, +dat stukken werden aangenomen door de theaterdirecties. Hij was een +wandelend adresboek van Parijs en kende de namen, de woonplaatsen en +de geheimen van alle beroemdheden--zelfs van de meest obscure. + +Beter echter dan de uitvoerigste verklaring zullen eenige bladzijden +uit zijn memoriaal u een denkbeeld kunnen geven van zijn alles +omvattenden handel: + + +20 Maart 184.. + +Verkocht aan den antiquair L. het kompas, dat Archimedes +tijdens het beleg van Syracuse gebruikt heeft. 75 francs + +Gekocht van den journalist V. ... de verzamelde, nog +niet opengesneden werken van * * * *, lid der Académie. 10 francs + +Verkocht aan denzelfde een kritisch opstel over +de verzamelde werken van * * * * lid der Académie. 30 francs + +Verkocht aan * * *, lid der Académie, een feuilleton +van twaalf kolom over zijn verzamelde werken. 50 francs + +Gekocht van den schrijver R . . . een kritische verhandeling +over de verzamelde werken van * * * * , lid der Académie +française 10 francs + +benevens 50 pond steenkool en 2 K.G. koffie. +Verkocht aan * * * * een porseleinen vaas, die aan madame +du Barry toebehoord heeft. 18 francs + +Gekocht van de kleine D .... haar haar. 15 francs + +Gekocht van B .... een verzameling zedestudiën en de drie +laatste spelfouten van den prefect van de Seine 6 francs + +benevens een paar Napolitaansche laarzen + +Verkocht aan Mlle. O ..... een blonde haarvlecht. 120 francs + +Gekocht van den historieschilder M. een reeks vroolijke +teekeningen 25 francs + +Voor het opgeven aan mijnheer Ferdinand van het uur, waarop +barones R .... de P..... naar de kerk gaat, en voor het +verhuren van den kleinen entresol in den faubourg Montmartre, +te zamen 30 francs + +Verkocht aan mijnheer Isidore zijn portret als Apollo 30 francs + +Verkocht aan Mlle. R .... een paar kreeften en zes paar +handschoenen 36 francs + +(Ontvangen als voorschot 2 fr. 75 c.) + +Voor het verschaffen van een zesmaandsch crediet aan dezelfde +bij madame * * *, modiste + +(Prijs nader overeen te komen) + +Voor het verschaffen aan madame * * *, modiste, van Mlle. R +..... als klant + +(In plaats contant geld ontvangen 3 M. zijde en 6 el kant). + +Gekocht van den journalist R .... een vordering van +120 francs op het blad * * *, thans in liquidatie 5 francs + +benevens 2 pond Turksche tabak. + +Verkocht aan mijnheer Ferdinand twee liefdesbrieven. 12 francs + +Gekocht van den schilder J .... het portret van Isidore als +Apollo. 6 francs + +Gekocht van * * * * 75 K.G. van zijn werk over "Onderzeesche +revoluties" 15 francs + +Verhuurd aan gravin de G .... een Saksisch servies 20 francs + +Gekocht van den journalist * * * * 52 regels in zijn +Courrier de Paris 100 francs + +Verkocht aan O .... & Co. 52 regels in den Courrier de Paris +van * * * * 300 francs + +Verhuurd aan Mlle. S .... G. .. op één dag een bed en een +equipage . . . . . memorie + +(Zie de rekening van Mlle. S . ... G ..... in het grootboek, +folio's 26 en 27) + +Gekocht van Gustave C .. . een brochure over de +linnen-industrie 50 francs + +benevens een zeldzame editie van Flavius Josephus. + +Verkocht aan Mlle. S .... G . . . een modern ameublement 5000 francs + +Voor dezelfde een rekening bij den apotheker betaald 75 francs + +Idem idem bij de melkvrouw . . . . 3 fr. 85 c. + +Enz. enz. + + +Uit deze aanhalingen ziet men duidelijk hoe uitgebreid de +handelsbetrekkingen van den Jood Médicis waren, die, niettegenstaande +zijn wijze van zaken doen niet steeds door den beugel kon, nog nooit +door iemand lastig gevallen was. + +Toen de Jood met zijn intelligent gezicht bij de bohémiens binnentrad, +zag hij dadelijk, dat hij op een voor hem gunstig oogenblik +kwam. Inderdaad zaten de vier vrienden in krijgsraad bijeen en +bespraken, onder voorzitterschap van een in hun maag hamerenden honger, +de hoogst belangrijke brood- en vleeschvraagstukken. Het was een Zondag +tegen het einde der maand--een rampzalige dag en een sinistere datum. + +Het binnenkomen van Médicis werd derhalve met een luid Hoera begroet, +want ze wisten, dat de Jood te gierig was met zijn tijd, om dien met +beleefdheidsbezoeken te verspillen. Zijn komst was dan ook steeds +een zeker bewijs, dat er zaken te doen waren. + +"Goedenavond, heeren!" zeide de Jood. "Hoe gaat het?" + +"Colline!" riep Rodolphe, die languit op zijn bed lag en zwelgde in +het genot van een horizontale houding; "Colline, neem jij de honneurs +waar en geef onzen gast een stoel; een gast is heilig. Ik groet u +uit naam van Abraham!" voegde de dichter eraan toe. + +Colline haalde een fauteuil, die even elastisch als staal was, schoof +dien naar den Jood toen en zeide gastvrij: + +"Stel u een oogenblik voor, dat u Cinna [33] bent, en neem dezen +zetel." + +Médicis liet zich in den fauteuil vallen en wilde enkele opmerkingen +omtrent de hardheid ervan maken, toen hem nog juist bijtijds te +binnen schoot, dat hij zelf dien indertijd met Colline geruild had +voor een beginselverklaring, welke hij verkocht had aan een Kamerlid, +dat de gave der improvisatie miste. Toen de jood ging zitten, lieten +zijn zakken een zilveren klank hooren, waarvan de melodie de vier +bohémiens in zoete droomerijen deed verzinken. + +"Laten we nu naar het lied luisteren," fluisterde Rodolphe Marcel +in. "Het accompagnement is niet kwaad." + +"Mijnheer Marcel," zeide Médicis, "ik kom uw fortuin maken. Dat +wil zeggen, ik kom u een prachtige gelegenheid aanbieden, om u in +den artistieken wereld te introduceeren. U weet, mijnheer Marcel, +de kunst is een dorre woestijnweg, waarop de roem een oase is." + +"Papa Médicis," zeide Marcel, die op kolen van ongeduld zat; "in naam +der vijftig procent, uw gebenedijden schutspatroon, wees kort!" + +"Ja," voegde Colline eraan toe; "even kort als koning Pepijn, die even +bondig was als u, want gij moet kort en bondig zijn, zoon van Jacob!" + +"Hei, hei, hei!" riepen de bohémiens verschrikt en keken rond, of de +vloer zich niet opende, om den wijsgeer te verzwelgen. + +Doch ditmaal werd Colline nog niet verzwolgen. + +"De zaak is deze," ging Médicis voort. "Een rijke liefhebber, die een +galerij verzamelt, welke een tournée door Europa moet maken, heeft +mij opgedragen een reeks interessante schilderijen voor hem aan te +koopen. Ik kom u nu voorstellen u in dat museum een plaatsje in te +ruimen; in één woord: ik wil uw "Doortocht door de Roode Zee" koopen." + +"A contant?" vroeg Marcel. + +"A contant," antwoordde de Jood en liet het orkest in zijn broekzak +weer spelen. + +"Ben je nou tevreden?" vroeg Colline. + +"Natuurlijk," zeide Rodolphe woedend; "we moeten waarachtig een paar +bittere pillen koopen, om dien kerel zijn mond te stoppen. Zie je +dan niet, lummel, dat hij met daalders spreekt? Bestaat er dan niets +heiligs voor jou, vervloekte atheïst?" + +Colline klom op een tafel en nam de houding van Harpokrates, den god +van het zwijgen, aan. + +"Ga verder, Médicis," zeide Marcel en wees op zijn schilderij: +"Ik wil u de eer laten zelf den prijs van dit werk, dat eigenlijk +onbetaalbaar is, te bepalen." + +De Jood legde vijftig nieuwe daalders op de tafel neer. + +"Dat is de voorhoede," zeide Marcel; "en wat verder?" + +"Mijnheer Marcel," zeide Médicis, "u weet heel goed, dat mijn eerste +woord ook altijd mijn laatste is. Ik geef geen sou meer. Denk eens +goed: 50 daalders, dat is 150 francs. Dit is een heele som, wat?" + +"Maar te weinig," antwoordde de artist; "alleen aan den mantel van +Pharao zit voor meer dan vijftig daalders kobalt. Betaal tenminste +het maakloon. Maak de stapeltjes gelijk, rond de som af en ik zal u +Leo X noemen, Leo X bis." + +"Ziehier mijn laatste woord," antwoordde Médicis; "ik doe er geen sou +bij, maar ik bied u alle vier een diner aan, wijn zooveel als u lust, +en bij het dessert betaal ik in goud." + +"Niemand meer?" brulde Colline en sloeg driemaal met zijn vuist op +tafel. "Eenmaal, andermaal; niemand meer? ten derden male!" + +"Nou goed dan!" zeide Marcel. + +"Ik zal morgen de schilderij laten halen," zeide de Jood. "En nu mee, +mijne heeren, de tafel is gedekt!" + +Onder het zingen van het koor uit de Hugenooten: "A table, à +table!" gingen de vier vrienden naar beneden. + +Médicis onthaalde de bohémiens op zeer royale manier. Hij liet hun een +groot aantal gerechten voorzetten, die tot nog toe voor hen onbekende +grootheden geweest waren. Na dit diner was kreeft niet langer een +mythe voor Schaunard, die voor deze amphibie een hartstocht opvatte, +welke dicht aan waanzin grensde. + +De vier vrienden verlieten het festijn dronken als waren zij op een +wijnoogstfeest geweest. Deze dronkenschap had bijna betreurenswaardige +gevolgen voor Marcel, die, toen hij 's morgens om twee uur voorbij +zijn kleermaker kwam, met alle geweld zijn schuldeischer wilde wekken, +om hem de honderd vijftig francs, die hij zoo pas ontvangen had, +op afrekening te geven. Een sprankje gezond verstand, dat nog in +Colline's geest over was, redde den kunstenaar nog juist op den rand +van den afgrond. + +Acht dagen later zag Marcel in welke galerij zijn doek een plaatsje +gekregen had. Toen hij door den faubourg Saint Honoré liep, stootte hij +op een troepje menschen, dat blijkbaar met alle aandacht toekeek hoe er +aan een winkel een uithangbord werd aangebracht. Dit uithangbord was +niets meer of minder dan de schilderij van Marcel, die door Médicis +aan een delicatessenhandelaar verkocht was. Alleen had de "Doortocht +door de Roode Zee" nog een nieuwe verandering ondergaan en weer een +anderen naam gekregen. Er was nog een stoomschip bij geschilderd en +het doek heette nu: "In de haven van Marseille." Toen het doek onthuld +werd, liet de nieuwsgierige menigte een gemompel van goedkeuring en +bewondering hooren. + +Verrukt over dezen triomf, keerde Marcel zich om en zeide tot zichzelf: + +"De stem van het volk is de stem van God!" + + + + + + +HOOFDSTUK XVII. + +HET TOILET DER GRATIËN. + + +Op een goeden morgen werd Mimi, die anders gewoon was tot diep in den +ochtend te slapen, reeds op klokslag van tien uur wakker en scheen heel +verbaasd Rodolphe noch naast zich noch in de kamer te zien. Den vorigen +avond had zij hem, voor zij in slaap viel, toch aan zijn schrijftafel +zien zitten, waaraan hij van plan was den geheelen nacht te blijven +werken aan een extra-litterairen arbeid, die hem opgedragen was en +waarbij, als hij gereed was, Mimi zeer veel belang had. De dichter +had zijn vriendinnetje namelijk beloofd haar van de opbrengst van +zijn werk een bepaalde voorjaarsjapon te koopen, waarvan zij een +coupon had zien liggen in "De Twee Apen", een bekend modemagazijn, +voor welks etalages Mimi's coquetterie haar godsdienstige plichten +dikwijls ging vervullen. Sedert Rodolphe met het werk begonnen was, +nam de voortgang ervan al de gedachten van Mimi in beslag. Dikwijls +ging zij vlak bij den schrijvenden Rodolphe staan, keek over zijn +schouder en zeide dan heel ernstig: + +"Nou, en hoe staat het met mijn japon?" + +"Wees maar gerust hoor, er is al een mouw klaar!" + +Toen zij op een goeden nacht hoorde hoe Rodolphe met zijn vingers +klapte, wat meestal een bewijs was, dat hij tevreden was over zijn +werk, ging zij plotseling rechtop in bed zitten, en riep, terwijl +zij haar bruin kopje door de gordijnen stak: + +"Is mijn japon af?" + +"Kijk maar", antwoordde Rodolphe en liet haar vier groote, +dichtbeschreven zijdjes zien; "ik heb zooeven den corsage gekocht." + +"Heerlijk!" riep Mimi. "Nu ontbreekt alleen de rok nog maar; hoeveel +blaadjes heb je noodig om een rok te maken?" + +"Dat hangt ervan af; maar daar jij niet groot bent, zullen we met een +blaadje of tien van vijftig regels à drie-en-dertig letters een heel +fatsoenlijken rok kunnen hebben." + +"Ik ben niet groot, dat is zoo," zeide Mimi; "maar het mag toch niet +den schijn hebben, alsof we stof te kort kwamen: de rokken worden op +het oogenblik heel wijd gedragen en ik zou graag mooie groote plooien +hebben, die zoo aardig frou-frou maken, wanneer je loopt." + +"Heel goed hoor," antwoordde Rodolphe ernstig, "ik zal tien letters +meer op een regel zetten, dan kan jij je frou-frou krijgen." + +En overgelukkig sliep Mimi weer in. + +Daar zij zoo onvoorzichtig geweest was met haar vriendinnen Musette +en Phémie te spreken over de mooie japon, die Rodolphe bezig was voor +haar te maken, hadden de twee jonge meisjes al heel gauw de heeren +Marcel en Schaunard in kennis gesteld met de vrijgevigheid van hun +vriend tegenover zijn liefje; welke vertrouwelijke mededeelingen al +even spoedig gevolgd waren door ondubbelzinnige toespelingen om het +door den dichter gegeven voorbeeld na te volgen. + +"Wanneer het namelijk nog acht dagen zoo duurt," zeide Musette en +trok daarbij aan de snor van Marcel, "dan zal ik me verplicht zien +een broek van je te leenen, wanneer ik uit wil gaan." + +"Ik moet nog vijftien francs van een solide firma hebben," antwoordde +Marcel; "zoodra ik die som krijg, zal ik een vijgeblad naar de nieuwste +mode voor je koopen." + +"En wat krijg ik?" vroeg Phémie aan Schaunard. "Mijn peigne noir +(zij kon het woord peignoir niet uitspreken) valt aan flarden." + +Schaunard vischte drie sous uit zijn vestjeszak op en gaf die aan +zijn maîtresse met de woorden: + +"Hier kan je naald en draad voor koopen. Naai daar je peigne noir +maar mee, dat zal je kennis vermeerderen en je tevens aangenaam bezig +houden: utile dulci." + +Toch kwamen in een zeer in het geheim gehouden bijeenkomst Marcel en +Schaunard met Rodolphe overeen, dat ieder van zijn kant zou trachten +de rechtmatige ijdelheid van hun vriendinnetjes te bevredigen. + +"Een kleinigheid maakt die arme kinderen al mooi," had Rodolphe gezegd; +"maar die kleinigheid moeten zij dan ook hebben. Sedert eenigen tijd +gaat het met de schoone kunsten en de litteratuur zeer naar wensch; +we verdienen bijna even veel als pakjesdragers." + +"Dat is zoo," antwoordde Marcel, "ik heb niet te klagen: de schoone +kunsten verheugen zich in een ongekenden bloei; je zoudt bijna denken +in den tijd van Leo X te leven." + +"Dat is waar ook," viel Rodolphe hem in de rede, "Musette heeft mij +verteld, dat je de laatste acht dagen 's morgens vroeg al weggaat en +pas met het vallen van den avond thuiskomt. Heb je werkelijk zooveel +te doen?" + +"Een prachtig werk, mijn waarde! Médicis heeft het mij bezorgd. Ik maak +n.l. in de kazerne Ave Maria de portretten van achttien grenadiers +tegen gemiddeld 6 francs per stuk, met een éénjarige garantie voor +de gelijkenis, net als bij horloges. Ik hoop het heele regiment tot +klant te krijgen. Het was juist mijn voornemen Musette weer eens +op te tuigen, zoodra Médicis mij betaald heeft, want met hem heb ik +gecontracteerd, niet met de modellen." + +"En wat mij betreft," zeide Schaunard langs zijn neus weg, "ik heb, +al zou je het niet zeggen, tweehonderd francs ergens liggen." + +"Laat ze dan voor den donder opstaan!" riep Rodolphe. + +"Binnen een paar dagen hoop ik ze bij den bankier te gaan halen," +ging Schaunard verder; "en ik wil het voor jullie niet onder stoelen +en banken steken, dat het mijn plan is om, wanneer ik ze in ontvangst +genomen heb, aan enkele van mijn hartstochten den vrijen teugel te +laten. Bij den uitdrager hier vlak naast hangen n.l. een nangkin rok +en een jachthoren, die me reeds lang de oogen uitsteken. Die zal ik +me zeker zelf cadeau doen." + +"Maar," vroegen Marcel en Rodolphe tegelijk, "waar hoop je dat +reusachtige kapitaal vandaan te krijgen?" + +"Luistert, heeren," zeide Schaunard, terwijl hij met een ernstig +gezicht tusschen zijn twee vrienden ging zitten; "we behoeven +elkaar niet te verhelen, dat we, voor we lid van het Instituut en +belastingplichtig worden, nog een aardig stukje roggebrood zullen +moeten naar binnen werken, en het dagelijksch brood is moeilijk te +verdienen. Bovendien zijn we niet alleen; waar de hemel ons met een +liefderijk hart geschapen heeft, heeft ieder van ons zijn tweede ik +gekozen, om zijn lot met haar te deelen." + +"Waar natuurlijk een niet op gevallen is," viel Marcel hem in de rede. + +"Nu is het," ging Schaunard voort, "zelfs al betracht je de grootste +zuinigheid, beslist onmogelijk, wanneer je niets hebt, nog wat over te +leggen, vooral niet wanneer je honger altijd grooter is dan de schaal." + +"Waar wil je eigenlijk op neer komen?" vroeg Rodolphe. + +"Hierop", antwoordde Schaunard, "dat wij in onzen tegenwoordigen +toestand al heel verkeerd zouden doen, om onzen neus op te halen, +wanneer er zich, zelfs buiten het gebied van onze kunst, een +gelegenheid voordoet, om een cijfer te zetten voor de nul, die ons +maatschappelijk kapitaal vertegenwoordigt." + +"Hei, hei!" zeide Marcel, "wien van ons kan jij verwijten, dat hij zijn +neus ophaalt? Heb ik, hoe groot schilder ik mettertijd ook zal zijn, +er niet in toegestemd mijn penseel te offeren aan een schilderachtige +reproductie van Fransche krijgers, die mij van hun zakgeld betalen? Ik +zou zoo denken, dat ik niet aarzel af te dalen van den ladder van +mijn toekomstige grootheid!" + +"En ik dan?" zeide op zijn beurt Rodolphe; "weet je niet, dat ik sinds +veertien dagen aan een medisch-chirurgisch-osanorisch gedicht bezig +ben voor een beroemden tandarts, die mijn inspiratie subsidieert met +vijftien sous voor een dozijn Alexandrijnen, dat is iets meer dan voor +een dozijn oesters? .... En toch schaam ik me daar niet voor; voor ik +mijn Muze werkeloos zou laten, zou ik nog liever het adresboek van +Parijs op rijm brengen. Wanneer je een lier hebt, dan moet je die, +duivels nog toe, gebruiken ook .... En bovendien heeft Mimi hard +schoenen noodig." + +"Dan zult ge mij er niet hard om vallen, wanneer je hoort, uit +welken bron de Pactolus, waarvan ik een overstrooming verwacht, +ontsprongen is." + +De geschiedenis van Schaunards tweehonderd francs was de volgende: + +Een dag of veertien geleden was hij binnengeloopen bij een +muziekuitgever, die hem beloofd had hem bij zijn klanten muzieklessen +of een plaats als pianist te bezorgen. + +"Bliksems," zeide de uitgever, toen hij hem binnen zag komen, "u komt +als geroepen. Er is mij juist vandaag om een pianist gevraagd. Het +is een Engelschman. Ik geloof, dat hij goed betalen zal .... Bent u +werkelijk een goed pianist?" + +Schaunard dacht, dat een bescheiden optreden hem in de achting van +zijn uitgever zou kunnen doen dalen. Een musicus, vooral een pianist, +en bescheiden .... dat is een weinig voorkomende combinatie. Schaunard +antwoordde dan ook met veel aplomb: + +"Ik ben een prima-pianist; als ik de tering, lange haren en een +zwarten rok had, zou ik op dit oogenblik even beroemd zijn als de zon, +en zoudt u, in plaats van aan mij achthonderd francs te vragen voor +het drukken der partituur van de "Dood van de jonge maagd", mij op +uw knieën en in een zilveren schaal er drieduizend komen aanbieden. + +"Doch hoe het zij," ging de kunstenaar voort, "een feit is het, dat, +waar mijn vingers reeds tien jaar lang dwangarbeid op de toetsen +verrichten, ik het ivoor en de kruisen vrij goed weet te behandelen." + +De persoon, tot wien Schaunard verwezen werd, was een Engelschman, +Mr. Birn'n geheeten. De musicus werd het eerst in ontvangst genomen +door een blauwen lakei, die hem aan een groenen lakei overhandigde, +welke op zijn beurt hem weer overgaf aan een zwarten lakei, die hem +in een salon bracht, waar hij een eilandbewoner tegenover zich zag, +die in de houding van een spleenlijder, waardoor hij aan Hamlet +deed denken, peinzend over de nietswaardigheid van ons bestaan, +in een fauteuil weggedoken zat. Juist wilde Schaunard het doel +van zijn komst uiteenzetten, toen doordringende kreten zich lieten +hooren en hem de woorden afsneden. Dit vreeselijke gekrijsch, dat je +trommelvlies bijna deed scheuren, werd uitgestooten door een papegaai, +die op het balcon van de benedenverdieping op zijn stok zat. + +"O, deze beest, deze beest!" jammerde de Engelschman, die uit zijn +fauteuil opsprong. "Hij zal doen sterven mij." + +En op hetzelfde oogenblik begon de vogel zijn repertoire af +te krijschen, dat veel uitgebreider was dan dat van gewone +papegaaien. Schaunard bleef stom verbaasd staan, toen hij het dier, +op bevel van een vrouwelijke stem, de eerste verzen van het verhaal +van Théramène [34] met de intonaties, die op het Conservatoire geleerd +worden, hoorde voordragen. + +Deze papegaai was de lieveling van een actrice, wier boudoir +toentertijd zeer gezocht was. Het was een van die vrouwen, welke, +zonder dat men weet waarom of hoe, op den turf der galanterie +tot waanzinnige prijzen genoteerd zijn en wier naam op de menu's +van vrijgezellensoupers staat, waar zij als levend dessert dienst +doen. In onzen tijd staat het voor een Christen "gekleed" om gezien +te worden in het gezelschap van zulke heidinnen, die dikwijls niets +antieks hebben behalve haar geboortebewijs. Wanneer zij knap zijn, +zit er per slot van rekening nog zooveel kwaad niet bij: het ergste, +dat je riskeert, is dat je eens op stroo moet slapen, omdat je haar +een palissanderhouten ameublement gegeven hebt. Maar wanneer ze haar +schoonheid bij het ons in parfumeriewinkels koopen en deze niet bestand +is tegen drie druppels water op een lapje, wanneer haar geestigheid +ophoudt bij een café-chantant-couplet en haar talent zetelt in de +hand van een claqueur, dan is het bijna onbegrijpelijk hoe menschen +van stand, die soms geest, een naam en een nieuw-modisch pak hebben, +zich uit liefde tot het laag-bij-den-grondsche zoo laten medeslepen, +dat zij schepsels, die hun huisknecht niet als liefje zou willen +hebben, tot een mode-voorwerp verheffen. + +De hier bedoelde actrice nu behoorde tot die modeschoonheden. Zij +noemde zich Dolorès en gaf zich uit voor een Spaansche, hoewel zij +geboren was in het Parijsche Andalusië, dat de rue Coquenard [35] +heet. Ofschoon de afstand tusschen de rue Coquenard en de rue de +Provence slechts tien minuten bedraagt, had zij toch zeven à acht +jaar noodig gehad om dien weg af te leggen. Haar voorspoed was +toegenomen in denzelfden mate als haar schoonheid afgenomen was. Zoo +had zij op den dag, dat zij haar eersten valschen tand liet inzetten, +één paard, en den dag, dat zij een tweeden een buurman gaf, twee +paarden. Thans leefde zij op zeer grooten voet, woonde in een paleis, +gaf op de wedrennen te Longchamp de mode aan en organiseerde bals, +waarop geheel Parijs tegenwoordig was, d.w.z. het geheele Parijs van +die dames: de nietsdoende hovelingen van de lichtzinnigheid en van het +schandaal, de lansquenetspelers en paradoxenjagers; zij, die met ledige +hoofden rondboemelen en hun eigen tijd en die van anderen verspillen; +de bravi der ontucht, de valsche adel, de ridders van geheimzinnige +orden, die geheele bohème, waarvan men niet weet vanwaar zij komt en +waar zij heen gaat; al die slechtbefaamde en beruchte schepsels; al +die Eva's-dochteren, welke vroeger de lichaamsvrucht van haar moeder +op een stalletje verkochten en deze nu in elegante boudoirs te koop +aanbieden; dat geheele van de wieg tot het graf in het vuil wentelende +ras, dat men bij de premières vindt met Golconda op het voorhoofd +en Tibet op de schouders, en waarvoor toch de eerste viooltjes der +lente en de eerste liefde der jonge mannen bloeien. Al die menschen, +welke de couranten tout Paris noemen, verkeerden in de salons van +mademoiselle Dolorès, de meesteres van de bovenbedoelde papegaai. + +Deze vogel, dien zijn oratorische talenten in den geheelen wijk +beroemd gemaakt hadden, was langzamerhand de schrik der naaste buren +geworden. Van zijn stang op het balcon maakte hij een tribune, vanwaar +hij van 's morgens vroeg tot 's avonds laat eindelooze redevoeringen +hield. Enkele met zijn meesteres bevriende journalisten hadden hem een +paar parlementaire spreekwijzen geleerd, waardoor het dier buitengewoon +sterk in de suikerquaestie was. Hij kende het repertoire der actrice +van buiten en declameerde het zòò goed, dat hij in geval van ziekte +desnoods haar rollen zou kunnen opnemen. Daar deze bovendien een +polyglotte in haar gevoelens was en uit alle oorden der wereld +bezoeken ontving, sprak de papegaai alle talen en ging zich soms +in alle idiomen te buiten aan vloeken en verwenschingen, welke den +schippersknechts, aan wie Vert-Vert [36] zijn al te geavanceerde +opvoeding te danken had, het schaamrood naar de wangen gejaagd zoude +hebben. Het gezelschap van dien vogel, dat de eerste tien minuten +leerzaam en amusant kon zijn, werd een ware kwelling, wanneer het +langer duurde. De buren hadden reeds meermalen geklaagd, doch de +actrice had er geen oor voor gehad. Twee of drie huurders, eerzame +familievaders, hadden in hun verontwaardiging over de lichte zeden +der actrice, waarin de indiscreties van den papegaai ze had ingewijd, +zelfs hun huur opgezegd aan den huiseigenaar, dien Dolorès in zijn +zwakke zijde had weten te tasten. + +De Engelschman, bij wien we Schaunard hebben zien binnenkomen, had +drie maanden lang geduld geoefend. + +Op een goeden dag echter hulde hij zijn woede, die eindelijk +uitgebarsten was, onder een rok en witte das en liet zich met al +de plichtplegingen, die noodig zijn om te Windsor bij koningin +Victoria voor den handkus te worden toegelaten, bij mademoiselle +Dolorès aanmelden. + +Toen deze hem zag binnenkomen, dacht zij eerst, dat het Hoffmann [37] +in zijn kostuum van lord Spleen was, en noodigde hem, daar zij een +collega goed wilde ontvangen, uit bij haar te blijven déjeuneeren. De +Engelschman echter antwoordde in een Fransch, dat een Spaansche réfugié +hem in vijf-en-twintig lessen geleerd had, met den grootsten ernst: + +"Ik neem aan uw uitnoodiging op voorwaarde, dat wij zullen opeten dien +.... vreeselijken vogel," en hij wees op de kooi van den papegaai, +die reeds den eilandbewoner in hem geroken had en hem met het "God +save the King" begroette. + +Dolorès dacht, dat de Engelschman gekomen was, om haar voor den gek +te houden, en wilde juist een heftig antwoord geven, toen Mr. Birn'n +eraan toevoegde: + +"Daar ik ben zeer rijk, ik vogel wel koopen wil." + +Dolorès antwoordde, dat zij zeer gehecht was aan het dier en het niet +in de handen van een ander wilde zien overgaan. + +"O, ik wil het ook niet hebben in mijne handen, maar onder mijne +voeten!" zeide de Engelschman en liet den hak van zijn laarzen zien. + +Dolorès beefde van woede en wilde in verontwaardiging losbarsten, +toen zij aan den vinger van den Engelschman een ring zag, waarvan de +diamant misschien wel een rente van vijf-en-twintighonderd francs +vertegenwoordigde. Die ontdekking werkte als een stortbad op haar +woede. Zij bedacht, dat het niet verstandig zou zijn het aan den stok +te krijgen met een man, die vijftigduizend francs aan zijn pink droeg. + +"Goed, mijnheer!" zeide zij dan ook; "als de arme Coco u last +veroorzaakt, zal ik hem in de achterkamer zetten; op die manier zult +u hem niet meer kunnen hooren." + +Het gezicht van den Engelschman helderde eenigszins op. + +"Maar toch," zeide hij en liet nogmaals zijn schoenen zien, "zou ik +liever ...." + +"Wees maar niet bang," viel Dolorès hem in de rede; "van de plek, +waar ik hem zetten zal, kan hij milord onmogelijk lastig vallen." + +"O, ik niet ben milord .... ik enkel ben esquire." + +Toen echter Mr. Birn'n zich, na een stijve buiging gemaakt te +hebben, wilde terugtrekken, nam Dolorès, die haar belangen onder alle +omstandigheden in het oog hield, van een hoektafeltje een klein pakje +en zeide: + +"Mijnheer, vanavond wordt in den * * * Schouwburg mijn +benefice-voorstelling gegeven. Ik moet in drie stukken optreden. Zoudt +u mij willen toestaan u een paar loges aan te bieden. De prijs der +plaatsen is slechts weinig verhoogd." + +En met die woorden drukte zij den eilandbewoner een tiental +loge-biljetten in de hand. + +"Nu ik zoo bereidwillig geweest ben hem een dienst te bewijzen," dacht +zij bij zichzelf, "is het voor hem, als hij tenminste een welopgevoed +iemand is, onmogelijk mij dit te weigeren; en wanneer hij mij in mijn +rood costuum ziet .... je kan nooit weten .... we wonen zoo vlak naast +elkaar .... de diamant, dien hij aan zijn pink draagt, is de voorhoede +van een millioen. Nou ja, hij is wel leelijk en erg vervelend, maar +dat zal mij gelegenheid geven om zonder zeeziekte naar Londen te gaan." + +Nadat de Engelschman de toegangsbewijzen in zijn zak gestoken had, +liet hij zich het doel, waarvoor zij bestemd waren, nog eens verklaren +en vroeg dan naar den prijs. + +"De loge kost zestig francs en u hebt er tien .... Maar het heeft geen +haast," voegde Dolorès eraan toe, toen zij zag, dat de Engelschman zijn +portefeuille voor den dag wilde halen; "ik hoop, dat u, als buurman, +mij van tijd tot tijd wel een bezoek zult brengen." + +Doch Mr. Birn'n antwoordde: + +"Ik niet houd van zaken op crediet;" en hij nam een billet van duizend +francs uit zijn zak, legde het op tafel en stak de toegangsbewijzen +in zijn portefeuille. + +"Ik zal u teruggeven," zeide Dolorès en opende een kastje, waarin +zij haar geld bewaarde. + +"O, neen," zeide de Engelschman; "dat is drinkgeld," en hij ging heen, +Dolorès, die door die woorden met stomheid geslagen was, alleen latend. + +"Drinkgeld!" riep zij uit, toen zij haar spraak teruggekregen had. "Wat +een lomperd! Ik zal hem zijn geld teruggeven." + +Doch deze grofheid van Mr. Birn'n had slechts de opperhuid van haar +trots gekwetst; bij nadere overweging werd zij kalmer; zij bedacht +zich, dat twintig louis d'or toch een aardig sommetje vormden, en +dat zij vroeger voor heel wat minder geld veel meer had moeten slikken. + +"Ach wat," zeide zij tot zichzelf; "je moet niet zoo trotsch +zijn. Niemand heeft mij gezien en vandaag komt juist mijn +waschvrouw. En bovendien radbraakt die Engelschman onze taal zoo, +dat hij misschien wel gedacht heeft mij een complimentje te maken." + +En vroolijk deed Dolorès haar twintig louis achter slot en +grendel. Doch na de voorstelling kwam zij woedend thuis. Mr. Birn'n had +de toegangsbewijzen niet gebruikt en de tien loges waren leeg gebleven. + +Toen zij dan ook om half een het tooneel betrad, las de ongelukkige +beneficiante op het gezicht van haar coulissen-"vriendinnen" heel +duidelijk, hoe zij zich verkneukelden, dat de zaal zoo leeg was. + +Zij hoorde zelfs, hoe een vriendelijke collega, terwijl zij op de +leege loges wees, tot een andere zeide: + +"Die arme Dolorès heeft een leeg huis." + +"In de loges zit bijna niemand." + +"En in het orkest geen kip!" + +"Lieve Hemel; haar naam op het affiche werkt als een luchtpomp." + +"En dan nog zoo verwaand, om de prijzen te verhoogen." + +"Een mooie benefiet. Ik wed, dat de recette in een spaarpot of in +een hiel van een kous kan." + +"Daar is ze met haar fameus costuum met rood fluweelen linten." + +"Zij ziet er uit als een gekookte kreeft." + +"Hoeveel heb jij met je laatste benefiet gemaakt?" vroeg een der +actrices aan haar vriendin. "Ik heb slechts zes francs overgehouden; +de rest heeft mijn modiste genomen. Als ik niet bang was voor +winterkloven, dan zou ik naar St. Petersburg gaan." + +"Wat? Nog geen dertig jaar en dan wil je al naar Rusland gaan!" + +"Wat zal ik je zeggen? En is jouw benefiet gauw?" + +"Over veertien dagen. Ik heb al voor duizend daalders verkocht, +ongerekend de cadetten." + +"Kijk eens, de stalles loopen leeg." + +"Omdat Dolorès zingt." + +Inderdaad bracht Dolorès, even rood als haar kostuum, haar niet aan te +hooren coupletten eruit. Toen zij met groote moeite het slot bereikt +had, werden haar twee bloemruikers toegeworpen door twee vriendinnen +(eveneens actrices), die zich over haar baignoire heen bogen en riepen: + +"Bravo, Dolorès!" + +Men kan zich voorstellen hoe woedend zij was. Zoodra zij op haar +kamer kwam, opende zij, hoewel het midden in den nacht was, het +raam en maakte Coco wakker, die op zijn beurt Mr. Birn'n weer wekte, +die in vol vertrouwen op het woord der actrice was gaan slapen. + +Van dien dag af was de oorlog tusschen de actrice en den Engelschman +uitgebroken: een oorlog op leven en dood, een oorlog zonder +wapenstilstand of rust, waarin de beide betrokken deelnemers voor +geen kosten of moeiten terugdeinsden. De papegaai, die door Dolorès +diensovereenkomstig opgeleid werd, had een ernstige studie gemaakt van +de tale Albions en braakte nu den geheelen dag door met zijn scherpste +faussettonen vloeken tegen zijn buurman uit. Dat was inderdaad iets +onverdragelijks. Dolorès zelf leed eronder, maar zij hoopte dat +dit Mr. Birn'n binnen enkele dagen tot den aftocht zou dwingen: +dat toch was het doel, dat haar eigenliefde zich gesteld had. De +eilandbewoner van zijn kant had allerlei middelen uitgedacht om zich +te wreken. Om te beginnen had hij in zijn salon een trommel-academie +gesticht, maar de commissaris van politie had daarover zijn veto +uitgesproken. Toen had hij, met den dag vindingrijker wordend, een +schietbaan voor pistool aangelegd; dagelijks verschoten zijn bedienden +minstens vijftig schijven. Weer kwam de commissaris tusschenbeide +en maakte hem opmerkzaam op een artikel uit de politieverordening, +waarbij het gebruik van vuurwapen in bewoonde huizen strafbaar +gesteld was. Mr. Birn'n liet het vuren dus staken. Maar acht dagen +later merkte mademoiselle Dolorès dat het in haar appartementen +regende. Ten gevolge daarvan stelde de huiseigenaar een onderzoek in +bij Mr. Birn'n, dien hij aantrof juist op het oogenblik, dat hij op +het punt stond een zeebad te nemen in zijn salon. De wanden van dit +vrij groote vertrek waren n.l. in de rondte met zinken platen bekleed; +alle deuren waren toegespijkerd; en in dat geïmproviseerde bassin +had men in een honderd drachten water een vijfhonderd centenaars zout +vermengd. Het was een echte Oceaan in het klein. Niets ontbrak eraan, +zelfs de visschen niet. Door een in het bovenpaneel van de middendeur +aangebrachte opening kon men in dit zeetje afdalen en Mr. Birn'n nam +op die wijze dagelijks een bad. Na korten tijd begon men in den wijk +de werkingen van eb en vloed waar te nemen, terwijl mademoiselle +Dolorès een halven duim water in haar slaapkamer had staan. + +De huisheer werd woedend en dreigde Mr. Birn'n met een proces tot +schadevergoeding voor de in zijn pand aangerichte verwoesting. + +"Ik dan niet heb het recht in mijn huis mij te baden?" + +"Neen, mijnheer!" + +"Als ik niet heb het recht, dan goed," zeide de Engelschman vol +eerbied voor de wet van het land, waarin hij leefde. "Het is jammer, +ik amuseerde zoo mij." + +En denzelfden avond nog gaf hij order zijn Oceaan te laten +leegloopen. Het was inderdaad hoog tijd: op den vloer had zich reeds +een oesterbank gevormd. + +Doch daarom had Mr. Birn'n den strijd niet opgegeven; integendeel +hij zocht naar een wettig middel tot voortzetting van dezen zeldzamen +oorlog, die het onderwerp van gesprek uitmaakte van geheel Parijs, want +de tijding van dit avontuur had zich spoedig in de schouwburg-foyers +en andere openbare plaatsen verspreid. Het was dus voor Dolorès +een eere-zaak om als overwinnares uit dezen strijd, die reeds tot +verschillende weddenschappen aanleiding gegeven had, te voorschijn +te treden. + +Mr. Birn'n was toen op het denkbeeld van den piano gekomen. Dat was +zoo'n kwaad denkbeeld niet: het nietswaardigste van alle instrumenten +was zonder twijfel in staat den strijd aan te binden tegen den +nietswaardigsten van alle vogels. Zoodra dat goede denkbeeld +bij hem opgekomen was, had de Engelschman zich gehaast het ten +uitvoer te brengen. Hij had een piano gehuurd en daarbij een pianist +gevraagd. Die pianist nu was, zooals men zich herinneren zal, onze +vriend Schaunard. De Engelschman wijdde hem dadelijk in alle hem +door den papegaai van zijn buurvrouw aangedane martelingen in en +stelde hem ook in kennis met alles wat hij reeds geprobeerd had om +de actrice tot overgave te dwingen. + +"Maar milord," zeide Schaunard; "er bestaat toch een heel eenvoudig +middel om dat beest uit den weg te ruimen; peterselie. Alle +scheikundigen zijn het volkomen eens, dat deze soepplant Pruisisch +zuur voor die dieren is; strooi dus wat fijngehakte peterselie op uw +tapijten en laat die uit het raam boven de kooi van Coco uitkloppen: +hij zal daar even zeker aan sterven als wanneer hij te dineeren +gevraagd was bij paus Alexander VI." + +"Daar ik wel aan heb gedacht," antwoordde Mr. Birn'n, "maar de dier +wordt bewaakt; de piano is zekerder." + +Schaunard, die den Engelschman in den beginne niet begreep, keek hem +verwonderd aan. + +"Luister eens wat ik bedacht heb. De comediante en haar dier slapen +tot 's middags twaalf uur. Volg nu goed mijn redeneering ..... Ik +van plan ben haar te storen in haar slaap. De wet van dit land mij +toestaat te maken muziek van den ochtend tot den avond. Begrijpt u, +wat ik verwacht van u?" + +"Maar de actrice zal het heusch niet zoo onaangenaam vinden om mij +den geheelen dag piano te hooren spelen, en dat nog wel gratis," +meende Schaunard. "Ik ben een eerste klas pianist en wanneer ik tering +had ....." + +"Ho, ho!" viel de Engelschman hem in de rede; "ik u ook niet zeg +te maken goede muziek. U moet maar slaan op het instrument. Zoo +bijvoorbeeld ....." en Mr. Birn'n probeerde een gamma te spelen; +"en altijd hetzelfde, altijd hetzelfde, meedoogenloos, mijnheer +de muzikant, altijd weer de gamma. Ik weet wat van geneeskunde, +dat maakt krankzinnig. Zij zullen daar beneden krankzinnig worden, +daarop ik reken. Neem plaats aan het instrument, mijnheer; ik betalen +zal u goed." + +"Dit nu," zeide Schaunard, die al de bijzonderheden, welke men +hierboven gelezen heeft, verteld had; "dit nu is sedert veertien +dagen mijn bezigheid: een gamma en niets dan diezelfde gamma van +'s ochtends vijf uur tot 's avonds. Het behoort, strikt genomen, +niet tot de ernstige kunst; maar wat kan ik eraan doen, kinderen? De +Engelschman betaalt voor het lawaaimaken tweehonderd francs per maand; +je moet wel een beul voor je eigen lichaam zijn, om zoo'n buitenkansje +van de hand te wijzen. Ik heb het aangenomen en over een paar dagen +ga ik naar de bank om het salaris voor de eerste maand te halen." + +Aan het slot van die wederkeerige vertrouwelijke mededeelingen +besloten de drie vrienden dit gelijktijdige binnenkomen van +looddeelen te gebruiken, om de gerechtvaardigde coquetterie van hun +vriendinnetjes te bevredigen en haar het voorjaarscostuum te geven, +waarnaar zij zoo vurig verlangden. Bovendien spraken zij af, dat +degene, die het eerst zijn geld krijgen zou, wachten moest tot bij +de andere dezelfde blijde gebeurtenis plaats gehad zou hebben, om op +die manier de inkoopen gemeenschappelijk te doen en de dames Mimi, +Musette en Phémie gelijktijdig het genoegen te laten smaken zich +"in een nieuwe huid te steken", zooals Schaunard het noemde. + +Twee of drie dagen na deze geheime bijeenkomst opende Rodolphe de +rij, zijn osanorisch gedicht was betaald; hij woog tachtig francs +zwaarder. Nog twee dagen later had Marcel van Médicis het honorarium +voor achttien korporaalsportretten à zes francs ontvangen. + +"Het is net, of ik goud zweet," zeide de dichter. + +"Ik heb precies hetzelfde gevoel," antwoordde Marcel. "Als Schaunard +nog lang talmt, zal ik onmogelijk mijn rol van anonymen Croesus verder +kunnen spelen." + +Maar den volgenden dag reeds zagen de bohémiens Schaunard in een +prachtig goudgeel nangkin jaquette thuiskomen. + +"Goede God!" riep Phémie, die door het zien van haar zoo elegant +gebonden minnaar verblind werd; "waar heb jij die jas gevonden?" + +"Tusschen mijn papieren," antwoordde de gammakunstenaar, terwijl hij +zijn vrienden een wenk gaf, om hem te volgen. + +"Ik heb het," zeide hij, toen zij alleen waren; "daar heb je het +zaakje," en hij liet een handvol goudstukken zien. + +"Voorwaarts, marsch dan!" riep Marcel uit; "laten we de magazijnen +gaan plunderen! Wat zal Musette in haar schik zijn!" + +"En Mimi dan!" voegde Rodolphe eraan toe. "Nou vooruit, ga je mee, +Schaunard?" + +"Laat ik nog even op één ding wijzen!" antwoordde de +gammakunstenaar. "Wanneer we de dames overladen met de duizend +luimen der mode, begaan we misschien een dwaasheid. Denkt eens goed +na. Zijn jullie niet bang, dat, als zij op de platen uit de Echarpe +d'Iris gelijken, al die pracht en praal een verderfelijken invloed +op haar karakter zal uitoefenen? En past het bovendien jongemannen, +zooals wij zijn, de vrouwen zoo te behandelen, alsof wij afgeleefde en +gerimpelde grijsaards waren? Ik zeg dit niet, omdat ik geen veertien of +achttien francs ervoor over heb, om Phémie een nieuw costuum te geven, +maar omdat ik bang ben, dat zij mij niet meer zal willen groeten, als +zij eenmaal een nieuwen hoed heeft. En wat is ze knap, als ze alleen +maar een bloem in haar haar heeft. Wat zeg jij ervan?" Deze vraag was +gericht tot Colline, die tijdens Schaunard's rede binnengekomen was. + +"Ondank is de zoon der weldaad," zeide de wijsgeer. + +"En ook mogen jullie wel eens overwegen," ging Schaunard voort, "wat +voor figuur jullie in je afgedragen pakken naast je vriendinnetjes +in haar elegante costuums zult maken. Je zult er uit zien als haar +kamermeisjes. Ik zeg dat niet voor mij," voegde Schaunard er aan toe, +terwijl hij in zijn nangkin rok een breede borst zette, "ik kan mij +nu, Goddank, overal laten zien!" + +Niettegenstaande de oppositie van Schaunard werd toch besloten +den volgenden dag alle bazars in de buurt ter wille van de dames +te plunderen. + +En werkelijk kwamen den volgenden ochtend op hetzelfde uur, dat wij +in het begin van dit hoofdstuk mademoiselle Mimi heel verbaasd over +de afwezigheid van Rodolphe wakker hebben zien worden, de dichter +en zijn twee vrienden met een loopjongen uit de "Twee Apen" en een +modiste, die de stalen droegen, de trap naar hun kamer op. Schaunard, +die inmiddels den beroemden jachthoorn gekocht had, liep voorop en +blies de ouverture van "De Karavaan." + +Musette en Phémie, door Mimi, die in den entresol woonde, geroepen, +vlogen op het bericht, dat er hoeden en japonnen voor haar gebracht +werden, als een lawine de trap af. Bij het zien van al de armzalige +rijkdommen, die voor haar uitgestald lagen, werden de drie vrouwen +bijna dol van blijdschap. Mimi kreeg een aanval van overmoedige +vroolijkheid: zij sprong rond als een geit en zwaaide een dunne +wollen sjaal heen en weer. Musette was Marcel om den hals gevlogen +en had in iedere hand een klein groen laarsje, die zij als cymbalen +tegen elkaar sloeg. Phémie keek snikkend Schaunard aan en kon niets +anders uitbrengen dan de woorden: + +"O, mijn Alexander, mijn Alexander!" + +"Bij haar is het gevaar niet groot, dat ze de geschenken van Artaxerxes +weigert," mompelde de wijsgeer Colline. + +Toen de eerste vreugde wat geluwd, de keuze gemaakt en de rekeningen +betaald waren, zeide Rodolphe tot de drie dames, dat zij zorgen +moesten den volgenden ochtend haar costuums af te hebben. + +"We gaan naar buiten!" zeide hij. + +"Dat is zoo moeilijk niet!" riep Musette uit. "Het is niet voor het +eerst, dat ik op één en denzelfden dag een japon gekocht, geknipt, +genaaid en aangetrokken heb. Wij zullen klaar zijn, niet waar dames?" + +"Natuurlijk!" riepen Mimi en Phémie tegelijk uit. + +Dadelijk gingen zij aan het werk en de eerstvolgende zestien uur +gaven zij schaar en naald geen oogenblik rust. + +De volgende dag was de eerste Mei. De Paaschklokken hadden reeds +eenige dagen tevoren de opstanding der lente ingeluid; en van alle +kanten kwam zij nu haastig en vroolijk aan; zij kwam, zooals het in +het Duitsche volkslied heet, als de jonge bruidegom, die den Meiboom +onder het venster van zijn geliefde gaat planten. Zij schilderde den +hemel blauw, de boomen groen en al het andere in mooie kleuren. Zij +wekte de zon, die in haar nevelbed sliep, het hoofd op de van sneeuw +zwangere wolken, die haar tot kussen dienden, en riep haar toe: +"Sta op, vriendin, het is tijd! Hier ben ik! Vlug aan het werk! Trek +zonder talmen je mooi nieuw stralenkleed aan en laat je dadelijk op +je balkon zien, om mijn komst te melden!" + +Op dit verzoek was de zon inderdaad op weg gegaan en wandelde nu +trotsch en stralend als een hoveling rond. De zwaluwen, die van hun +pelgrimstocht naar het Oosten teruggekeerd waren, schoten pijlsnel +door de lucht, de meidoorn sierde de struiken met de sneeuw van zijn +bloesems; het viooltje doorgeurde het gras der bosschen, waarin men +reeds de vogels met een liederenboek onder de vleugels uit hun nest +zag komen. Het was inderdaad de lente, de echte lente der dichters +en verliefden, en niet de lente van Matthieu Laensberg, [38] een +leelijke lente met een rooden neus en door koude stijve vingers, +die den arme nog doet rillen aan het hoekje van zijn haard, waarin +de laatste vonken van zijn laatste houtblok reeds lang uitgedoofd +zijn. Zoele koeltjes golfden door de heldere atmospheer en droegen +de eerste geuren der naburige velden naar de stad. De heldere, warme +zonnestralen klopten tegen de vensterruiten en zeiden tot den zieke: +"Doe open, wij zijn de gezondheid!" en tot het meisje, dat in haar +dakkamertje voor haar spiegel staat, die onschuldige eerste liefde +der onschuldigen: "Doe open, opdat wij uw schoonheid beschijnen; +wij zijn de lenteboden; nu kunt ge je linnen pakje aantrekken, +je stroohoed opzetten en je mooie schoentjes gaan dragen: zie, de +grasperken, waarop gedanst wordt, tooien zich met nieuwe bloemen, +en reeds lokken de violen ten dans. Gegroet, gij schoone!" + +Toen de dichtstbijzijnde kerkklokjes het Angelus luidden, stonden onze +drie ijverige coquetten, die nauwelijks tijd hadden kunnen vinden, +om een paar uur te slapen, reeds voor haar spiegel, om een laatsten +onderzoekenden blik op haar nieuwe toiletjes te werpen. + +Zij zagen er in haar gelijkkleurige costuums alle drie bekoorlijk +uit en op haar gezichtjes was duidelijk de bevrediging te lezen, +die de verwezenlijking van een lang gekoesterden wensch geeft. + +Vooral Musette straalde van schoonheid. + +"Ik ben nog nooit zoo in mijn schik geweest," zeide zij tot Marcel; +"het is net, alsof de goede God al het geluk, dat voor mij bestemd is, +in dit eene uur samengedrongen heeft, en ik ben bang, dat er nu voor +het vervolg niet veel meer overblijft. Maar kom, wanneer er niet meer +zijn zal, dan maken we het zelf. Wij hebben er een goed recept voor," +voegde zij er vroolijk aan toe, terwijl ze Marcel een kus gaf. + +Phémie had iets, dat haar hinderde. + +"Ik houd wel van het groen en de kleine vogels," zeide zij; "maar +buiten kom je niemand tegen, zoodat niemand mijn mooien hoed en japon +zal zien. Kunnen we niet op den boulevard gaan picnicken?" + +Om acht uur werd de geheele straat door de fanfares van den jachthoorn +van Schaunard, die het signaal tot vertrek gaf, in rep en roer +gebracht. De buren kwamen aan het venster, om de bohémiens voorbij +te zien gaan. Colline, die van de partij was, sloot den stoet met +de parasols der dames onder zijn arm. Een uur later was het geheele +vroolijke troepje in Fontenay-aux-Roses. + +Toen zij 's avonds, aardig laat, thuiskwamen, verklaarde Colline, +die den geheelen dag de functies van schatbewaarder vervuld had, dat +zij zes francs vergeten hadden uit te geven, en legde dat overschot +op tafel. + +"Wat moeten we daarmee beginnen?" vroeg Marcel. + +"Hoe zou je het vinden, als we er effecten voor kochten?" was +Schaunard's antwoord. + + + + + + +HOOFDSTUK XVIII. + +DE MOF VAN FRANCINE. + + +I + +Onder de echte bohémiens der echte bohème heb ik indertijd een +zekeren Jacques D.... gekend. Hij was beeldhouwer en beloofde +mettertijd een groot kunstenaar te zullen worden. Doch zijn ellendige +levensomstandigheden hebben hem niet den tijd gelaten die beloften +te houden. Hij stierf in Maart 1814, in het hospitaal Saint-Louis, +zaal Sainte-Victoire, bed 14, aan uitputting. + +Ik leerde Jacques kennen in het hospitaal, waarin ik zelf langen tijd +ziek gelegen had. Zooals ik reeds gezegd heb, stak er in Jacques +een groot kunstenaar, doch hij liet er zich volstrekt niet op +voorstaan. Gedurende de twee maanden, waarin ik hem bijna dagelijks +opzocht en hij zich in de armen van den dood wiegen voelde, heb ik +hem geen enkele maal hooren klagen, noch dat gelamenteer aanheffen, +dat den onbegrepen kunstenaar zoo belachelijk gemaakt heeft. Hij is +gestorven zonder eenige pose, met den vreeselijken grijns van de met +den dood strijdenden op het gelaat. Zijn dood doet me zelfs denken aan +een der afschuwelijkste scènes, die ik in dezen caravansérail [39] +van menschelijk lijden heb medegemaakt. De vader, dien men met zijn +overlijden in kennis gesteld had, was het lijk komen opeischen en had +een tijd lang afgedongen op de door de administratie geëischte som van +zes-en-dertig francs. Ook voor den dienst in de kerk marchandeerde +hij zóó lang en zóó hardnekkig, dat men hem ten slotte zes francs +minder liet betalen. Toen men het lijk in de kist wilde leggen, nam +de ziekenoppasser het aan het hospitaal behoorende laken weg en vroeg +aan een der vrienden van den overledene om geld voor het lijkkleed. De +arme duivel, die geen sou bezat, ging dadelijk naar Jacques' vader, +die in een opwelling van drift en woede vroeg, of men hem nooit met +rust zou laten. + +Toen wierp de zuster, die dit afschuwelijke tooneel meemaakte, een +blik op het lijk en sprak de aangrijpend naïeve woorden: + +"Maar mijnheer, de arme jongen kan toch zoo niet begraven worden: +het is zoo koud; geef hem tenminste een hemd, opdat hij niet heelemaal +naakt voor onzen lieven Heer verschijnt." + +Eindelijk gaf de vader den vriend vijf francs om een hemd te koopen, +doch drukte hem daarbij op het hart het te halen bij een uitdrager +in de rue Grange-aux-Belles, die tweedehandsche hemden had. + +"Dat is niet zoo duur," voegde hij eraan toe. + +Later kreeg ik opheldering omtrent die onmenschelijke hardheid van +Jacques' vader: hij was woedend, dat zijn zoon zich aan de kunst +gewijd had, en die woede was zelfs bij het zien van de lijkkist niet +tot bedaren gekomen. + +Maar ik ben al heel ver afgedwaald van mademoiselle Francine en haar +mof. Doch ik kom er nu toe: mademoiselle Francine was het eerste en +eenige vriendinnetje van Jacques geweest, die toch niet oud gestorven +was, want hij was nauwelijks drie-en-twintig, toen zijn vader hem +heelemaal naakt onder den grond wilde laten stoppen. Jacques heeft +mij het verhaal van die amourette gedaan, toen hij nummer 14 en ik +nummer 16 was op de zaal Sainte-Victoire, een vreeselijke plaats om +te sterven. + +Maar wacht nog even, lezer! Voor ik dit verhaal begin, dat zeer mooi +zou zijn, als ik het kon oververtellen zooals Jacques het mij verteld +heeft, moet ik nog eerst een pijp aansteken, die oude steenen pijp, +die Jacques mij gegeven heeft op den dag, dat de dokter hem het rooken +verboden had. Maar 's nachts, wanneer de broeder sliep, leende hij +zijn pijp van mij en vroeg me wat tabak: je verveelt je 's nachts +zoo in die groote zalen, wanneer je niet slapen kunt en pijn hebt. + +"Een of twee trekjes maar!" zeide hij, en ik liet hem zijn gang +gaan en wanneer zuster Sainte-Géneviève de rondte deed, hield zij +zich alsof zij niet merkte, dat er gerookt werd. O, goede zuster, +wat waart ge goed en wat waart ge mooi, wanneer ge ons met wijwater +kwaamt besprenkelen! We zagen u reeds van verre aankomen, wanneer +ge zoo zacht liept onder de sombere gewelven in uw wijden witten +nonnesluier, welks mooie plooien Jacques zoo bewonderde. O, goede +zuster, gij waart de Beatrice [40] van dezen hel. Zoo zoet en zacht +klonken uw troostwoorden, dat we alleen klaagden, om door u getroost +te worden. Als mijn vriend Jacques niet gestorven was, zou hij voor +u een kleine Heilige Maagd gebeeldhouwd hebben, goede zuster Géneviève! + +Eerste lezer: En waar blijft de mof nu? Ik zie er nog niets van. + +Tweede lezer: En mademoiselle Francine dan? + +Eerste lezer: Het is heelemaal geen vroolijk verhaal. + +Tweede lezer: Je kunt niets zeggen, voor we het slot weten. + +Ik vraag u wel vergiffenis, heeren, de pijp van mijn vriend is de +oorzaak van al deze afdwalingen. Overigens heb ik volstrekt niet +beloofd u te zullen laten lachen. Het gaat niet altijd vroolijk toe +in het bohème-leven. + +Jacques en Francine hadden elkaar leeren kennen in een huis in de rue +de la Tour d'Auvergne, waarin zij in het begin van April gelijktijdig +waren komen wonen. + +Eerst na acht dagen werden tusschen den kunstenaar en het jonge meisje +die buurpraatjes gewisseld, welke een noodzakelijk gevolg zijn van +het op dezelfde verdieping wonen; en toch kenden zij elkaar reeds, nog +voordat ze één woord gewisseld hadden. Francine wist, dat haar buurman +een arme tobberd van een kunstenaar was, en Jacques had gehoord, dat +zijn buurmeisje een naaistertje was, van huis weggeloopen, om zich +aan de slechte behandeling door haar stiefmoeder te onttrekken. Zij +deed wonderen van spaarzaamheid om er zich, zooals men dat noemt, +"door heen te slaan" en daar zij nooit genietingen had leeren kennen, +miste zij die niet en verlangde zij er niet naar. + +De kennismaking had plaats op de volgende manier. Op een zekeren +Aprilavond kwam Jacques doodmoe, met een leege maag en in een heele +trieste stemming op zijn kamer. Het was een onbestemde triestheid, +die geen bepaalde reden heeft, die je overal en op ieder uur kan +overvallen--een soort apoplexie van het hart, waarvoor voornamelijk die +ongelukkigen, die alleen leven, vatbaar zijn. Jacques, die het in het +kleine kamertje benauwd kreeg, wierp het raam open, om versche lucht te +kunnen inademen. Het was een prachtige avond en de ondergaande zon spon +om de heuvels van Montmartre een droefgeestigen tooversluier. Jacques +bleef voor het raam zitten mijmeren en luisterde naar het koor der +gevederde lentezangers, die in de avondstilte zongen; en zijn trieste +stemming werd nog triester. Toen hij een raaf krassend voorbij zag +vliegen, dacht hij aan den tijd, waarin de raven brood brachten aan +Elia, den vromen kluizenaar, en maakte hij bij zichzelf de opmerking, +dat de raven thans niet zoo barmhartig meer zijn. Ten slotte kon hij +het niet langer uithouden, hij sloot zijn raam, trok het gordijn dicht +en stak, daar hij geen geld had, om olie te koopen, een harskaars aan, +die hij van een reis naar La Grande Chartreuse meegebracht had. En +in een steeds melancholieker stemming stopte hij zijn pijp. + +"Gelukkig, dat ik nog zooveel tabak heb, dat ik het pistool door den +rook niet meer zal zien," mompelde hij en begon te rooken. + +Mijn vriend Jacques moest dien avond wel heel droefgeestig zijn, dat +hij erover dacht "het pistool te omsluieren". Dat was zijn laatste +toevlucht in groote crisissen; en meestal lukte het hem wel. Het middel +bestond hierin: Jacques rookte tabak, waarop hij een paar druppels +laudanum gesprenkeld had, en hij rookte zoo lang, totdat de rookwolk, +die uit zijn pijp kwam, dik genoeg geworden was, om alle voorwerpen, +die in zijn kamertje waren, en met name een aan den muur hangend +pistool in een waas voor hem te hullen. Dat was een kwestie van een +pijp of tien. Wanneer het pistool geheel onzichtbaar geworden was, +sliep hij gewoonlijk door de gecombineerde werking van de tabak en +het laudanum in en meestal verliet zijn droefgeestigheid hem op den +drempel van zijn droomen. + +Doch dien avond had Jacques al zijn tabak opgerookt en was het +pistool volkomen onzichtbaar geworden, en nog was hij steeds bitter +droefgeestig. Dien avond was daarentegen mademoiselle Francine +buitengewoon opgewekt, toen zij naar huis terugkeerde en evenmin +als Jacques' droefgeestigheid had Francine's opgewekte stemming +een bepaalde oorzaak: het was een vroolijkheid, die, om zoo te +zeggen, uit den hemel valt en die de goede God in goede harten doet +nederdalen. Kort en goed, mademoiselle Francine was dus vroolijk en +opgewekt en kwam zingend de trap op. Maar toen zij haar kamerdeur wilde +open maken, blies plotseling een rukwind, die door het openstaande +raam binnenkwam, haar kaars uit. + +"Lieve Hemel, hoe vervelend!" riep het jonge meisje uit. "Nu moet ik +weer zes trappen op en af." + +Toen zij echter in Jacques' kamer licht zag, gaf een instinct van +gemakzucht, geënt op een gevoel van nieuwsgierigheid, haar de gedachte +in den kunstenaar om licht te vragen. Dat zijn van die diensten, +die je elkaar onder verdiepingsgenooten dagelijks bewijst, dacht zij +bij zichzelf, en het is volstrekt niet compromitteerend. Dus klopte +zij tweemaal zacht op de deur van Jacques, die, een weinig verrast +over dit late bezoek, open ging doen. Doch nauwelijks had zij een +stap in de kamer gedaan, of de rook, die daarin hing, benam haar +den adem en zij viel, voordat zij nog een woord had kunnen zeggen, +bewusteloos op een stoel, waarbij zij haar sleutel en haar kaars +uit haar hand liet vallen. Het was middernacht, iedereen in huis +lag in diepe rust. Jacques vond het beter niet om hulp te roepen: +hij was bang daardoor zijn buurmeisje aan allerlei praatjes te zullen +blootstellen. Hij wierp dus slechts het raam open, om frissche lucht +binnen te laten; en toen hij het jonge meisje een paar druppels water +in het gezicht gesprenkeld had, zag hij, dat zij haar oogen opsloeg +en langzamerhand weer bijkwam. Toen zij na verloop van vijf minuten +weer geheel tot bewustzijn gekomen was, vertelde zij hem waarom zij +bij hem had aangeklopt en maakte zij hem haar excuses voor den last, +dien zij hem veroorzaakt had. + +"Nu ik weer heelemaal beter ben," voegde zij eraan toe, "kan ik +weer naar mijn kamer". Hij had de deur geopend, toen zij bemerkte, +dat zij niet alleen vergat haar kaars aan te steken, maar ook dat +zij den sleutel van haar kamer niet had. + +"Ik ben nog wat in den war," zeide zij, terwijl zij met haar blaker +naar de harskaars ging; "ik ben hier gekomen om licht te halen en nu +ga ik zonder weg." + +Doch op hetzelfde oogenblik ging door de tocht, die ontstond door het +open gebleven zijn van de deur en van het raam, plotseling de kaars +uit en bevonden de twee jonge menschen zich in het donker. + +"Je zoudt bijna gelooven, dat het expres gebeurt," zeide Francine. "Wat +vervelend, dat ik u zooveel overlast moet aandoen, maar zoudt u niet +zoo goed willen zijn om wat licht te maken, anders zal ik mijn sleutel +niet kunnen vinden." + +"Zeker wel, mademoiselle," antwoordde Jacques en zocht tastend naar +lucifers. + +Hij had ze al heel gauw gevonden. Plotseling echter kwam hij op een +eigenaardige gedachte; hij stak de lucifers in zijn zak en riep uit: + +"Lieve hemel, al weer een nieuwe moeilijkheid, mademoiselle, ik heb +geen enkelen lucifer meer hier; ik heb den laatsten gebruikt, toen +ik thuis kwam." + +"Een prachtig gevonden list," dacht hij bij zichzelf. + +"Goede God!" riep Francine uit; "ik kan wel naar mijn kamer gaan--ik +zal daar niet in zeven slooten tegelijk loopen, maar om erin te komen, +moet ik mijn sleutel hebben. Ach mijnheer, help mij even zoeken, +hij moet op den grond liggen". + +"Laten we maar even zoeken, mademoiselle," zeide Jacques. + +En nu waren zij beiden in het donker naar het verloren schaap aan +het zoeken; maar alsof zij door hetzelfde instinct bestuurd werden, +ontmoetten hun handen, die op dezelfde plaats zochten, elkaar wel +tienmaal in de minuut. En daar zij beiden even onhandig waren, vonden +zij den sleutel niet. + +"De maan is op het oogenblik door een wolk bedekt, maar schijnt +dadelijk vlak in mijn kamer," zeide Jacques. "Wacht u dus even. Straks +zal zij ons bij het zoeken helpen." + +Om den tijd wat te bekorten, begonnen zij te praten. Een gesprek in +het donker, in een klein kamertje, in een lentenacht; een gesprek, +dat, in den beginne nietszeggend en onbeteekenend, langzamerhand +vertrouwelijker wordt ..... u weet, waarheen dat leidt. De zinnen +worden wat onsamenhangend en door veelzeggende pauzes onderbroken; +de stem wordt zachter; woorden wisselen af met zuchten. De handen, +die elkaar ontmoeten, vullen de gedachte aan, die uit het hart naar +de lippen stijgt, en .... Zoekt het slot maar in uw herinneringen, +jonge paartjes. Zoek het, jonge man, zoek het, jonge vrouw, zoekt +het gij, die vandaag arm in arm en hand in hand loopt en elkaar twee +dagen tevoren nog nooit gezien hadt. + +Eindelijk kwam de maan achter de wolken te voorschijn en wierp haar +lichte stralen in het kamertje. Mademoiselle Francine werd wakker +als uit een droom en stiet een klein gilletje uit. + +"Wat is er?" vroeg Jacques, die zijn armen om haar middel sloeg. + +"Niets," mompelde Francine; "ik dacht, dat ik hoorde kloppen." + +En zonder dat Jacques het merkte, schoof zij met haar voet den sleutel, +dien zij vlak bij zag liggen, onder een kast. + +Zij wilde hem niet vinden. + + + +Eerste Lezer: Ik zal dit verhaal mijn dochter zeker niet in handen +geven. + +Tweede Lezer: Tot nog toe heb ik geen haar van Francine's mof gezien; +en wat het meisje zelf betreft, ik weet nog niet eens of zij bruin +of blond is. + +Geduld lezers, geduld! Ik heb u een mof beloofd en ik zal u die ook +geven, zooals mijn vriend Jacques er een gegeven heeft aan zijn arm +vriendinnetje Francine, die, zooals ik hierboven door de puntjes heb +aangeduid, zijn maîtresse geworden was. Francine was blond, blond +en vroolijk, wat niet dikwijls voorkomt. Tot haar twintigste jaar +had zij de liefde niet gekend; maar een onbestemd voorgevoel van +haar naderend einde waarschuwde haar, dat zij zich moest haasten, +als zij die nog wilde leeren kennen. + +Zij ontmoette Jacques en kreeg hem lief. Hun liaison duurde zes +maanden. In het voorjaar hadden zij elkaar gevonden; in het najaar +scheidden zij weer. Francine was een teringlijdster, zij wist het en +haar vriend Jacques wist het ook: veertien dagen nadat hij met Francine +was gaan samen wonen, had hij het gehoord van een van zijn vrienden, +die dokter was. Zij zou met het vallen der gele bladeren heengaan, +had hij gezegd. + +Francine had die voorspelling gehoord en zag eveneens, hoe wanhopig +haar vriend daaronder was. + +"Wat kunnen ons die gele bladeren schelen?" zeide zij met een +glimlach, waarin zij al haar liefde legde; "wat kan ons het najaar +schelen? Wij zijn in den zomer en de bladeren zijn groen: laten we +die niet ongebruikt voorbij laten gaan ..... En wanneer je ziet, +dat ik uit dit leven heengaan wil, neem me dan in je armen, kus me +en verbied me weg te gaan. Ik ben gehoorzaam, dat weet je; dus zal +ik bij je blijven!" + +En zoo leefde dit bekoorlijke schepseltje vijf maanden lang met lachjes +en liedjes op haar lippen het moeilijke bohème-leven mede. Jacques +liet zich daardoor om den tuin leiden; zijn vriend zeide dikwijls tot +hem: "Francine gaat achteruit; zij moet goed verpleegd worden." Dan +liep Jacques heel Parijs af om geld te vinden voor de door den dokter +voorgeschreven geneesmiddelen, maar Francine wilde er niets van weten +en wierp ze het raam uit. Wanneer zij 's nachts een hoestaanval kreeg, +stond zij zachtjes op en ging naar de gang, uit vrees, dat Jacques +het anders hooren zou. + +Toen zij op een goeden dag samen buiten waren, zag Jacques, dat er aan +de boomen gele bladeren begonnen te komen. Treurig keek hij Francine +aan, die langzaam en mijmerend naast hem liep. + +Francine zag hem bleek worden en raadde de oorzaak ervan. + +"Je lijkt wel niet goed wijs," zeide zij, terwijl zij hem een kus gaf; +"wij zijn pas in Juli; het is nog drie maanden voor October in het +land is: en wanneer wij, zooals wij dat doen, elkaar dag en nacht +liefhebben, dan verdubbelen we den tijd, dien we nog samen te leven +hebben. En wanneer ik mij met het vallen der gele bladeren erger voel +worden, dan gaan we in een dennenbosch wonen: daar zijn de bladeren +altijd groen." + + + +In het begin van October moest Francine het bed blijven +houden. Jacques' vriend behandelde haar. Het kleine kamertje, waarin +zij woonden, lag op de bovenste verdieping van het huis en zag uit +op een binnenplaats, waarin een boom stond, welks bladerentooi met +den dag dunner werd. Jacques had een gordijn voor het raam gehangen, +om den boom voor het oog van de zieke te verbergen; maar Francine +stond erop, dat het weer weggenomen werd. + +"Lieve jongen!" zeide zij tot Jacques; "ik zal je honderd maal meer +zoenen geven, dan de boom bladeren heeft .... En zij voegde eraan toe: +"Ik voel me trouwens veel beter .... Ik zal heel gauw weer uit kunnen +gaan, maar omdat het zoo koud is en ik geen winterhanden wil krijgen, +moet je een mof voor me koopen." + +Gedurende den geheelen duur van haar ziekte was die mof haar eenige +wensch. + +Den dag voor Allerheiligen was Jacques wanhopiger dan ooit. Francine +zag het en wilde hem wat moed geven, en om hem te bewijzen, dat het +werkelijk beter ging, stond zij op. + +Juist op dat oogenblik kwam de dokter, die haar dwong onmiddellijk +weer naar bed te gaan. + +"Jacques," fluisterde hij den artist in het oor; "wees sterk, +kerel! Het is afgeloopen .... Francine moet sterven." + +Jacques smolt in tranen weg. + +"Je kunt haar nu alles geven, wat zij vraagt; er is geen hoop meer." + +Francine hoorde met haar oogen wat de dokter haar vriend toefluisterde. + +"Geloof hem niet!" riep zij, terwijl zij haar armen naar Jacques +uitstrekte; "geloof hem niet, hij liegt. Morgen gaan we samen uit +.... dan is het Allerheiligen; het zal koud zijn, ga een mof voor me +koopen .... Ik heb zoo vreeselijk het land aan winterhanden." + +Jacques wilde met zijn vriend weggaan; Francine echter vroeg den +dokter nog even te blijven. + +"Ga jij de mof koopen, Jacques," zeide zij; "neem maar een goede, +dan duurt hij des te langer." + +Toen zij met den dokter alleen was, zeide zij: + +"O, dokter, ik ga sterven, ik weet het .... Maar geef mij, vòòr ik +heenga, nog een middel, dat mij voor één nacht mijn krachten teruggeeft +.... ik smeek u erom: maak mij nog één nacht mooi, dan wil ik gaarne +sterven, nu de goede God niet wil, dat ik nog langer leef." + +Toen de dokter haar zoo goed mogelijk troostte, woei een windvlaag +door het openstaande raam een geel blad van den boom op de binnenplaats +op het bed der zieke. + +Francine schoof het gordijn weg en zag, dat de boom heelemaal kaal was. + +"Dat is het laatste," mompelde zij en legde het blad onder haar kussen. + +"U zult morgen pas sterven," zeide de dokter tot haar; "u hebt nog +een nacht voor u." + +"Wat een geluk!" zeide het jonge meisje. "Een winternacht .... die +duurt lang." + +Jacques kwam met een mof terug. + +"Wat een mooie!" zeide Francine; "als ik uitga, zal ik hem dragen." + +Den nacht bracht zij in Jacques' armen door. + +Den volgenden dag, Allerheiligen, trad met het kleppen van het +middag-angelus de doodstrijd in. Zij begon over haar geheele lichaam +te beven. + +"Ik heb zulke koude handen," mompelde zij. "Geef me mijn mof." + +En zij wikkelde haar magere handen in het bont .... + +"Het is het einde," zeide de dokter tot Jacques; "geef haar een +afscheidskus." + +Jacques drukte zijn lippen op die van zijn vriendinnetje. In het +laatste oogenblik wilden zij de mof wegnemen, maar krampachtig hield +zij die vast. + +"Neen, neen!" zuchtte zij; "laat ik die houden; het is winter en zoo +koud ..... Mijn arme Jacques .... Mijn arme Jacques .... wat moet er +van je worden ... O, God!" + +En den volgenden dag was Jacques alleen. + +Eerste lezer: Ik heb wel gezegd, dat het geen vroolijk verhaal was! + +Wat zal ik u zeggen, lezer? Men kan niet altijd lachen. + + + + +II. + +Het was de ochtend van Allerheiligen. Francine was zooeven gestorven. + +Twee mannen waakten aan het sterfbed: de een, die erbij stond, was de +dokter; de ander, die naast het bed geknield lag, drukte zijn lippen op +de handen der doode en scheen die er in een wanhopigen kus voor eeuwig +aan vast te willen kleven; dat was Jacques, Francine's minnaar. Reeds +zes uur lang lag hij daar in een toestand van gevoelloosheid, die een +gevolg van diepen smart schijnt te zijn. Een draaiorgel, dat onder +zijn raam begon te spelen, riep hem eindelijk weer tot het leven terug. + +Dit orgel speelde een wijsje, dat Francine 's morgens bij het wakker +worden placht te zingen. + +Een van die waanzinnige verwachtingen, welke slechts in de grootste +wanhoop kunnen geboren worden, doorflitste plotseling Jacques' +geest. Hij ging in gedachten een maand in het verleden terug, naar +den tijd, dat Francine nog slechts stervende was; hij vergat het +heden en beeldde zich een oogenblik in, dat de doode slechts sliep +en dadelijk met het gewone morgenliedje op de lippen wakker zou worden. + +Doch nog voor de tonen van het orgel geheel weggestorven waren, was +Jacques reeds tot de werkelijkheid teruggekeerd. Francine's mond was +voor altijd verstomd en de glimlach, die haar laatste gedachte op +haar lippen getooverd had, verdween reeds, om plaats te maken voor +de trekken des doods. + +"Moed, Jacques!" zeide de dokter tot zijn vriend. + +Jacques stond op en keek den dokter aan: + +"Het is afgeloopen, niet waar? Er is geen hoop meer?" + +Zonder op die droevig-dwaze vraag te antwoorden, ging de dokter +naar het bed, trok de gordijnen dicht, wendde zich dan weer tot den +beeldhouwer en drukte hem de hand. + +"Francine is dood ....." zeide hij; "het was te verwachten. God weet, +dat wij alles, wat in onze macht stond, gedaan hebben, om haar te +redden. Het was een braaf meisje, Jacques, dat veel van je gehouden +heeft, meer en anders, dan jij van haar hieldt; want haar liefde was +niets dan liefde, terwijl er bij jou nog iets anders bij kwam. Francine +is dood .... maar alles is nog niet afgeloopen; we moeten nu aan de +voor de begrafenis noodige maatregelen denken. Wij zullen dat samen +doen en een buurvrouw vragen tijdens onze afwezigheid bij het lijk +te waken." + +Willoos liet Jacques zich door zijn vriend medenemen. De geheele +dag ging heen met bezoeken aan de mairie, den begrafenisondernemer +en het kerkhof. Daar Jacques in het geheel geen geld had, verpandde +de dokter zijn horloge, een ring en verschillende kleedingstukken, +om de kosten voor de begrafenis, die den volgenden dag zou plaats +hebben, te kunnen bestrijden. + +Eerst laat in den avond kwamen zij samen terug. De buurvrouw drong +er bij Jacques op aan wat te eten. + +"Goed," zeide hij; "geef maar wat; ik heb het koud en moet weer wat +krachten verzamelen, want ik moet vannacht nog werken." + +De buurvrouw en de dokter begrepen niet wat hij bedoelde. + +Jacques ging aan tafel zitten en slokte zoo gulzig een paar happen +naar binnen, dat hij er bijna in stikte. Toen vroeg hij wat te +drinken. Doch toen hij het glas naar zijn mond bracht, liet hij het +op den grond vallen. Het brak. Het glas had een herinnering in hem +wakker geroepen, die op haar beurt zijn verdriet, dat een oogenblik +ingesluimerd was, weer tot nieuw leven wekte. Op den dag n.l., dat +Francine voor het eerst bij hem gekomen was, had het jonge meisje, +dat toen reeds lijdende was, zich plotseling onwel gevoeld, en had +Jacques haar uit dat glas wat suikerwater laten drinken. Later, +toen zij samen woonden, hadden zij er een liefde-reliquie van gemaakt. + +Ook had de beeldhouwer in zijn zeldzame oogenblikken van rijkdom een +paar maal voor zijn vriendinnetje een of twee flesschen versterkenden +wijn, die haar door den dokter was voorgeschreven, gekocht, en dan +had Francine altijd uit dat glas dien drank gedronken, waaruit haar +liefde een betooverende vroolijkheid putte. + +Langer dan een half uur bleef Jacques sprakeloos naar die +overblijfselen van dat dierbare, brooze souvenir te staren. Hij had +een gevoel alsof ook zijn hart gebroken was en de scherven daarvan +zijn borst verscheurden. Toen hij eindelijk weer tot de werkelijkheid +teruggekeerd was, raapte hij de scherven van het glas bijeen en sloot +die weg in een kast. Dan vroeg hij zijn buurvrouw twee kaarsen te +halen en door den portier een emmer water te laten boven brengen. + +"Ga niet weg," verzocht hij den dokter, die daar geen oogenblik aan +dacht; "ik heb je straks noodig." + +Toen het water en de kaarsen gebracht waren, bleven de twee vrienden +alleen. + +"Wat wil je doen?" vroeg de dokter, toen hij zag, dat Jacques, na +het water in een houten bak gegoten te hebben, er gips bij wierp. + +"Wat ik doen wil?" antwoordde Jacques; "kan je het niet raden? Ik +wil een afdruk maken van Francine's hoofd; en omdat de moed daartoe +mij zou ontbreken, als ik alleen bleef, mag je niet weggaan." + +Jacques trok de gordijnen van het bed open en sloeg het laken, waarmede +het gelaat van de doode bedekt was, weg. Zijn hand begon te beven en +een half-verstikte zucht steeg uit zijn borst op. + +"Breng de kaarsen eens hier," riep hij zijn vriend toe, "en houd den +bak eens vast." + +De eene kaars werd aan het hoofdeinde van het bed gezet, zoodat het +volle licht ervan op het gelaat der doode viel; de andere aan het +voeteneinde. Dan doopte hij een penseel in olijfolie en wreef daarmede +de wenkbrauwen, de wimpers en het haar in, dat hij opgemaakt had, +zooals Francine het gewoonlijk droeg. + +"Op die manier zal het haar geen pijn doen, wanneer wij het masker +afnemen," zeide hij tot zichzelf. + +Na deze voorzorgsmaatregelen genomen en het hoofd in een gemakkelijke +houding gelegd te hebben, begon Jacques het gips in gelijke lagen op +te leggen, totdat het masker de vereischte dikte had. Na een kwartier +was de bewerking afgeloopen en volkomen geslaagd. + +Door een eigenaardig proces had op het gelaat van Francine een +merkwaardige verandering plaats gegrepen. Het bloed, dat nog geen +tijd gehad had geheel en al te verstijven, was ongetwijfeld door de +hooge temperatuur van het gips weer warm geworden en naar de bovenste +lichaamsdeelen gestroomd, zoodat het matwitte van het voorhoofd en de +wangen langzamerhand een rosen tint begon te krijgen. De oogleden, die +door het wegnemen van het masker eenigszins geopend waren, lieten het +rustige blauw der oogen zien, welker blik een vaag begrijpen scheen +te verraden, en de door een half glimlachje even geopende lippen +schenen het bij het laatste afscheid vergeten woord te spreken, +dat men slechts met het hart hoort. + +Trouwens, wie zou kunnen verzekeren, dat het begrip ophoudt op +hetzelfde oogenblik, dat de gevoelloosheid van een wezen intreedt? Wie +kan zeggen, dat de hartstochten sterven en verdwijnen tegelijk met +den laatsten harteklop? Zou de ziel niet een enkele maal vrijwillig +besloten kunnen blijven in het reeds voor de begrafenis gekleede +lichaam, en van uit haar vleeschelijk omhulsel een oogenblik de +droefheid en de tranen bespieden kunnen? Zij, die van ons scheiden, +hebben zooveel redenen om hen, die blijven, te wantrouwen. + +Wie weet, of niet misschien op het oogenblik, dat Jacques besloot haar +trekken met behulp der kunst te vereeuwigen, een laatste aardsche +gedachte Francine weer was komen wekken uit den eersten sluimer van +haar eeuwige rust. Misschien had zij zich herinnerd, dat hij, dien +zij zoo pas verlaten had, behalve een minnaar ook een kunstenaar was; +dat hij beide was, omdat hij niet het een zonder het andere kon zijn; +dat voor hem de liefde de ziel der kunst was, en dat hij haar daarom +slechts zoo lief gehad had, omdat zij voor hem vrouw en minnares +tegelijk, een gevoel in een vorm had kunnen zijn. En toen had in haar +begeerte om Jacques dat menschelijk beeld, dat voor hem het ideaal +zelve geworden was, achter te laten, Francine misschien, hoewel reeds +dood en koud en stijf, nog eenmaal op haar gelaat den glans van haar +liefde en al de bekoring van haar jeugd weten te voorschijn te roepen: +zij blies het kunstwerk leven in. + +En misschien had het arme meisje goed gedacht: want er bestaan onder +de ware kunstenaars van die Pygmalions, die, in tegenstelling met +hun klassieken naamgenoot, gaarne hun levende Galathea's in marmer +zouden willen veranderen. + +Bij het zien van die kalme rust op dat gelaat, waarop de doodstrijd +geen sporen achtergelaten had, zou niemand hebben kunnen gelooven aan +het lange lijden, dat aan den dood voorafgegaan was. Francine scheen +een liefdesdroom verder te droomen; en wanneer men haar daar zoo zag +liggen, zou men gezegd hebben, dat zij aan schoonheid gestorven was. + +Uitgeput door vermoeienis, was de dokter in een hoek in slaap gevallen. + +Jacques daarentegen was opnieuw ten prooi aan zijn twijfel van +zooeven. Zijn aan zinsbegoochelingen lijdende geest bleef hardnekkig +in den waan, dat de vrouw, die hij zoo grenzenloos lief had, weer zou +ontwaken; en daar van tijd tot tijd zwakke zenuwtrekkingen (het gevolg +van het mouleeren van het gezicht) de onbeweeglijkheid van het lijk +verbraken, versterkte dit schijnbare leven Jacques in zijn gelukkige +illusie, die voortduurde tot den ochtend, toen een ambtenaar den dood +constateeren en verlof tot begraven geven kwam. + +Trouwens evenals men geheel waanzinnig van wanhoop moest zijn, om aan +haar dood te twijfelen, zoo moest men de onfeilbaarheid der wetenschap +te hulp roepen om bij het zien van dat schoone wezen aan den dood te +kunnen gelooven. + +Toen de buurvrouw Francine in de lijkkist legde, bracht men Jacques +in een ander vertrek, waar hij enkele van zijn vrienden vond, +die gekomen waren, om de ontslapene de laatste eer te bewijzen. De +bohémiens onthielden zich tegenover Jacques, hoewel zij hem heel graag +mochten lijden, van al die troostwoorden, die het verdriet toch slechts +grooter maken. Zonder een van die woorden te spreken, welke in zulke +oogenblikken zoo moeilijk te vinden en zoo pijnlijk om aan te hooren +zijn, drukten zij, de een na den ander, hun vriend zwijgend de hand. + +"Het sterven van Francine is een groot ongeluk voor Jacques," zeide +een hunner. + +"Zeker," antwoordde de schilder Lazare, een bizarre persoonlijkheid, +die reeds vroeg alle hartstochten der jeugd had weten te overwinnen +door daartegenover de onbuigzaamheid van een vasten wil te stellen, +zoodat eindelijk de mensch in den kunstenaar ten onder gegaan +was--"zeker, maar dan toch een ongeluk, waarvan hij zelf de grootste +schuld is. Sedert Jacques Francine kent, is hij vreeselijk veranderd." + +"Zij heeft hem gelukkig gemaakt," merkte een derde op. + +"Gelukkig?" antwoordde Lazare; "wat noem je gelukkig? Hoe kunt ge een +hartstocht, die iemand brengt in een toestand, waarin Jacques thans +verkeert, geluk noemen? Laat hem eens een meesterwerk zien, hij zal +er zich van afwenden; en om nog eenmaal zijn vriendinnetje levend te +zien, zou hij desnoods een Titiaan of een Raphaël vertrappen. Mijn +geliefde daarentegen is onsterfelijk en zal mij nooit bedriegen; +zij woont in den Louvre en heet Joconda." + +Juist toen Lazare zijn theorieën over kunst en gevoel nader uiteen +wilde gaan zetten, vertrok de stoet naar de kerk. + +Na enkele fluisterend uitgesproken gebeden zette de stoet zich in +beweging naar het kerkhof. + +Daar het toevallig Allerzielen was, verdrong zich een groote menigte +op den doodenakker. Velen keken om naar Jacques, die blootshoofds +achter den lijkwagen liep. + +"Arme jongen!" zeide er een; "zeker zijn moeder." + +"Neen zijn vader!" dacht een ander. + +"Of zijn zuster!" merkte een derde op. + +Slechts een dichter, die op dit feest der herinnering, dat eenmaal +per jaar in de nevels van November herdacht wordt, den doodenakker +was komen bezoeken, om de gebaren van droefheid te bestudeeren, zou +bij het zien van Jacques, als bij instinct gevoeld hebben, dat hij +zijn geliefde naar haar laatste rustplaats bracht. + +Toen zij bij het graf gekomen waren, ontblootten de bohémiens het hoofd +en plaatsten zich in een kring erom heen. Jacques stond aan den rand, +zijn vriend de dokter hield zijn arm vast. + +De doodgravers hadden haast en wilden zoo gauw mogelijk klaar zijn. + +"Er wordt gelukkig niet gesproken," zeide er een. "Des te +beter. Vooruit kameraad, opgepast!" + +En in een oogwenk werd de kist uit den wagen genomen en aan touwen in +het graf neergelaten. De man trok nu de touwen onder de kist uit en +kwam uit het gat, nam dan een schop en begon met een van zijn kameraads +aarde op de kist te werpen. Weldra was het graf dichtgegooid. Een +klein houten kruis werd erop geplaatst. + +Toen hoorde de dokter Jacques onder luide zuchten deze egoïstische +woorden uitstooten: + +"Daar wordt mijn jeugd begraven!" + +Jacques behoorde tot een club, waarvan de leden zich "Waterdrinkers" +noemden, en die een navolging scheen te zijn van den beroemden +vriendenkring uit de rue des Quatre-Vents, waarvan sprake is in +Balzac's mooien roman: "Un Grand Homme de province." Maar toch bestond +er een groot verschil tusschen de helden van dien vriendenkring en +de Waterdrinkers, die, zooals alle navolgers, het systeem, dat zij +in praktijk wilden brengen, gruwlijk overdreven hadden. Dit verschil +zal men alleen reeds uit dit enkele feit kunnen begrijpen, dat in +het boek van Balzac de leden van den vriendenkring het doel, dat zij +zich voor oogen gesteld hadden, ten slotte bereikten en daarmede het +bewijs leverden, dat ieder systeem, dat tot het doel leidt, goed is, +terwijl de club der waterdrinkers na een bestaan van vele jaren op +heel natuurlijke wijze, n.l. door den dood van al haar leden, aan +haar eind kwam, zonder dat de naam van een hunner verbonden was aan +een werk, dat van hun bestaan had kunnen getuigen. + +Gedurende zijn liaison met Francine was de verhouding van Jacques +tot de club der Waterdrinkers minder intiem geworden. Om in het +onderhoud van hem en zijn vriendinnetje te kunnen voorzien, had +hij enkele wetten en voorschriften, die op den oprichtingsdag der +club door de Waterdrinkers plechtig onderteekend en bezworen waren, +moeten overtreden. + +Steeds doorstappend op de stelten van een onzinnigen trots hadden deze +jonge menschen als hoofdprincipe van hun club opgesteld, dat zij nooit +van de hooge toppen der kunst zouden mogen afdalen, d.w.z. dat geen +hunner, ook al drong de nood nog zoo, ook maar de geringste concessie +daaraan mocht doen. Zoo zou bijv. de dichter Melchior er nooit in +hebben toegestemd zijn "lier" voor eenige oogenblikken aan de wilgen +te hangen, om een handelsprospectus of een politieke geloofsbelijdenis +te schrijven. Dat was goed voor den dichter Rodolphe, een deugniet, +die voor alles deugde, en die nooit een honderd-sous-stuk in zijn +nabijheid liet komen zonder er, het kwam er niet op aan waarmee, op te +schieten. Zoo zou ook de schilder Lazare, een trotsche armoedzaaier, +nooit zijn penseel hebben willen bezoedelen door het portret van een +kleermaker met een papegaai op zijn vinger te schilderen, zooals +onze vriend Marcel eens gedaan had in ruil voor den beruchten rok +Methusalem, waarop ieder van zijn maîtressen de kunst van oplappen +geleerd had. Zoolang Jacques met de Waterdrinkers in gemeenschap van +denkbeelden leefde, had hij zich aan die tyrannieke clubvoorschriften +onderworpen; maar toen hij Francine had leeren kennen, wilde hij het +arme, toen reeds zieke kind niet blootstellen aan de levenswijze, die +hij tijdens zijn "ongehuwden staat", geleid had. Jacques was vòòr alles +een oprechte, eerlijke natuur. Hij ging dus naar den president der +club, den starren Lazare, en deelde hem mede, dat hij in het vervolg +alle werkzaamheden, die hem wat zouden kunnen opbrengen, aannemen zou. + +"Je liefdesverklaring," antwoordde Lazare hem, "was tevens je afscheid +aan de kunst. Wij zullen je vrienden blijven, als je dat wilt, maar je +medeleden kunnen we niet meer zijn. Oefen je vak uit zooals je wilt; +voor mij ben je geen beeldhouwer meer, maar een gipsmenger. Wel zal +jij nu in het vervolg wijn kunnen drinken, en zullen wij evenals +vroeger ons water drinken en ons kommiesbrood eten; maar wij blijven +kunstenaars!" + +Wat Lazare echter ook zeggen mocht, Jacques bleef een kunstenaar. Maar +om Francine bij zich te kunnen houden nam hij ook, wanneer de +gelegenheid zich daartoe aanbood, werkzaamheden aan, die wat +opbrachten. Zoo werkte hij bijv. een tijd lang in het atelier van +den ornamentist Romagnési. Handig in de uitvoering en vindingrijk +in het ontwerpen, had Jacques, zonder daarom ernstige kunst geheel +vaarwel te moeten zeggen, een groote reputatie kunnen krijgen in +die genre-composities, welke een der voornaamste artikelen in den +luxe-handel geworden zijn. Maar Jacques was lui, zooals alle ware +kunstenaars, en verliefd als een dichter. De jeugd was in hem laat, +maar daardoor des te vuriger ontwaakt; en hij wilde, als had hij een +voorgevoel van zijn vroegen dood, die geheel en al uitleven in de armen +van Francine. Het gevolg daarvan was, dat de goede gelegenheden om +te werken dikwijls aan zijn deur kwamen kloppen, zonder dat Jacques +er antwoord op gaf; hij wilde zich niet laten storen: hij vond het +te heerlijk te droomen in den glans der oogen van zijn vriendinnetje. + +Toen Francine gestorven was, ging de beeldhouwer zijn oude +vrienden, de Waterdrinkers, weer opzoeken. Maar in dezen kring +voerde de geest van Lazare de opperheerschappij: ieder lid leefde +als versteend in het egoïsme van de kunst. Jacques vond daar niet wat +hij zocht. Zijn wanhoop werd er niet begrepen; men trachtte zelfs die +door redeneeringen tot zwijgen te brengen. Toen Jacques die weinige +sympathie bemerkte, wilde hij liever met zijn smart alleen zijn dan +deze op zoo'n manier aan discussies blootgesteld te zien. Hij brak +dus volkomen met de Waterdrinkers en leefde alleen voor zichzelf. + +Vijf of zes dagen na Francine's begrafenis ging Jacques naar een +marmerhandelaar van het kerkhof Mont-Parnasse en stelde hem de volgende +transactie voor: de handelaar zou voor het graf van Francine een hekje +leveren, dat Jacques zich voorbehield te teekenen, en bovendien den +kunstenaar een stuk wit marmer geven, waartegenover Jacques zich +verplichtte drie maanden lang als steenhouwer of beeldhouwer te +werken. De fabrikant had toen verscheidene belangrijke bestellingen; +hij ging naar het atelier van Jacques en kwam bij het zien der +vele begonnen werken tot de overtuiging, dat het toeval hem in den +persoon van Jacques een mooi fortuintje bracht. Acht dagen later had +Francine's graf een hekje, terwijl het houten kruisje vervangen was +door een groot steenen kruis, waarin Francine's naam gebeiteld was. + +Gelukkig had Jacques met een fatsoenlijk iemand te doen, die inzag, +dat honderd kilogram gietijzer en drie vierkante voet marmer niet +voldoende waren om drie maanden arbeid van den jongen kunstenaar, +wiens talent hem verscheidene duizenden daalders had opgebracht, +te betalen. Hij bood Jacques dan ook aan hem tegen een aandeel in de +winst deelgenoot te maken van zijn zaak, maar de kunstenaar sloeg dat +aanbod af. De weinige verscheidenheid der te behandelen onderwerpen +kwam niet overeen met zijn vindingrijke natuur, en bovendien had hij +wat hij wilde: n.l. een groot stuk marmer, waaruit hij een kunstwerk, +dat hij voor Francine's graf bestemde, wilde te voorschijn roepen. + +In het begin der lente werden trouwens de levensomstandigheden van +Jacques beter: zijn vriend de dokter bracht hem n.l. in kennis +met een voornamen en rijken edelman, die zich te Parijs wilde +vestigen en in een der voornaamste wijken een prachtig huis liet +bouwen. Verschillende beroemde kunstenaars waren reeds aangezocht om +mede te werken aan dit luxueuse paleis. Jacques kreeg de opdracht voor +een salonschoorsteen. Het is me alsof ik zijn cartons nog voor mij zie; +het was een bekoorlijk iets: het geheele sprookje van den winter was op +dit marmer verteld, dat als omlijsting voor het vuur moest dienen. Daar +Jacques' atelier te klein was, vroeg en verkreeg hij, om zijn werk +uit te voeren, een vertrek in het nog niet bewoonde huis, terwijl hem +bovendien een vrij groot voorschot op de voor het werk overeengekomen +som gegeven werd. Het eerste, wat Jacques daarvan deed, was zijn vriend +den dokter het geld, dat deze hem bij den dood van Francine geleend +had, terug te geven; daarna ging hij naar het kerkhof, om den grond, +waaronder zijn vriendinnetje rustte, onder bloemen te bedekken. + +Maar de lente was Jacques voor geweest, en op het graf van het jonge +meisje bloeiden tusschen het groenende gras duizend bloemen. De +kunstenaar had den moed niet ze eruit te trekken, want hij dacht, dat +er iets van zijn vriendinnetje in deze bloemen overgegaan was. Toen +de tuinman hem vroeg wat hij met die rozen en viooltjes doen moest, +verzocht Jacques hem die te planten op een pas gedolven graf ernaast, +de armzalige laatste rustplaats van een armzalige, die geen ander +herkenningsteeken had dan een in de losse aarde gestoken stuk hout, +waarop een krans van verschoten papieren bloemen hing, een armzalige +liefdegave van een armzalige. Jacques verliet het kerkhof in een geheel +andere stemming dan hij er gekomen was. Opgewekt en nieuwsgierig keek +hij naar de mooie lentezon, diezelfde zon, die zoo dikwijls gouden +stralen getooverd had in Francine's haar, wanneer zij met hem door +de weiden liep en met haar blanke handen bloemen plukte. Een groote +zwerm heerlijke gedachten en herinneringen zoemde in zijn hart. Toen +hij voorbij een klein herbergje van den buitenboulevard kwam, viel het +hem in, dat hij op een dag, toen hij door een onweer verrast werd, met +Francine daar was binnengegaan en dat zij er samen gegeten hadden. Hij +ging er nu ook binnen en liet het diner aan hetzelfde tafeltje van +toen brengen. Het dessert werd op een beschilderd schaaltje opgediend; +hij herkende het schaaltje en herinnerde zich, dat Francine wel een +half uur lang bezig geweest was om de rebus, die er op geschilderd +was, op te lossen; ook kwam hem weer een liedje in de gedachte, +dat Francine voor hem gezongen had, toen de goedkoope landwijn, die +meer vroolijkheid dan druivensap bevat, haar in een montere stemming +gebracht had. Doch deze opwelling van zoete herinneringen deed thans +wel zijn liefde, maar niet zijn verdriet ontwaken. Bijgeloovig, zooals +alle dichterlijke en mijmerende naturen, verbeeldde Jacques zich, dat +Francine zelf, toen zij hem daareven vlak bij zich had hooren loopen, +hem uit haar graf deze wolk van blijde herinneringen had toegezonden, +die hij niet met tranen wilde bevlekken. En hij verliet met lichten +stap, opgeheven hoofd, schitterende oogen, kloppend hart en bijna een +glimlach op de lippen het herbergje en neuriede onder het loopen het +refrein van Francine's liedje: + + + L'amour rôde dans mon quartier, + Il faut tenir ma porte ouverte. + + +Dit refrein was in den mond van Jacques nog een herinnering, maar toch +was het ook reeds een lied, en misschien deed hij dien avond, zonder +het zelf te vermoeden, den eersten stap op den weg, die van droefheid +tot weemoed en van weemoed tot vergetelheid leidt. Ach, wat men ook +doet of laat, de eeuwige en rechtvaardige wet der veranderlijkheid +wil het zoo. + +Evenals de bloemen, die, misschien uit Francine's lichaam +voortgesproten, op haar graf waren ontbloeid, zoo gistten de +jeugdsappen in Jacques' hart, waarin de herinneringen aan zijn +oude liefde onbestemde verlangens naar een nieuwe wekten. Bovendien +behoorde Jacques tot dat ras van kunstenaars en dichters, die van +hun hartstochten een werktuig voor hun kunst en poëzie maken en wier +geest eerst dan volkomen levend is, wanneer de drijfkracht van het +hart dien in beweging brengt. Bij Jacques was de kunst inderdaad +een kind van zijn gevoel; tot in de kleinste dingen, die hij maakte, +legde hij een stuk van zijn eigen ik. Hij kwam tot de ontdekking, dat +de herinneringen niet langer voldoende voor hem waren, en dat zijn +hart, evenals de molensteen, die bij gebrek aan koren afslijt, uit +gebrek aan emotie zijn kracht verloor. Het werken had geen bekoring +meer voor hem; de inspiratie, die anders koortsachtig en als uit +zichzelf voortkomend werkte, kwam nu slechts onder den druk van lang +en geduldig nadenken. Jacques was ontevreden en benijdde bijna de +levenswijze van zijn oude vrienden, de Waterdrinkers. + +Hij trachtte afleiding te vinden, knoopte nieuwe vriendschapsbanden +aan. Zoo ging hij veel om met den dichter Rodolphe, dien hij in +een café had leeren kennen; beiden hadden een groote sympathie voor +elkaar opgevat. Jacques had hem zijn verdriet verteld en Rodolphe +had al heel gauw de oorzaak daarvan geraden. + +"Ik ken dat, kerel," zeide hij. En terwijl hij Jacques op de +borst klopte, voegde hij eraan toe: "Gauw het vuur daarin weer +aansteken! Zorg onmiddellijk voor een nieuw hartstochtje, dan komen +de denkbeelden ook weer terug." + +"Ach!" zeide Jacques; "ik heb te veel van Francine gehouden." + +"Dat zal je niet beletten om haar altijd lief te hebben. Kus haar op +de lippen van een ander." + +"O," zeide Jacques, "dat zal ik alleen maar kunnen, als ik een vrouw +vond, die op haar leek!" + +En diep in gedachten verzonken ging hij heen. + + + +Zes weken later had Jacques al zijn phantasie weer terug gevonden, +die weer ontvlamd was door de zachte blikken van een knap meisje, +dat Marie heette en wier ziekelijke schoonheid eenigszins aan de arme +Francine deed denken. Men kon zich inderdaad moeilijk iets aardigers +denken dan die kleine Marie met haar achttien jaar min zes weken, +wat zij nooit vergat op te merken. Hun liefdesbetrekkingen waren +begonnen in den maneschijn, in den tuin van een danslokaal, bij +den klank van een scherpe viool, van een teringachtige bas en een +klarinet, die schetterde als een merel. Jacques had haar opgemerkt, +toen hij met een ernstig gelaat om den voor de dansers gereserveerden +kring heen liep. De luidruchtige en knappe bezoeksters van het lokaal, +die den kunstenaar van gezicht kenden, fluisterden, wanneer zij hem in +zijn eeuwig zwarte, tot aan de hals dichtgeknoopte jas stijf voorbij +zagen komen, elkaar toe: + +"Wat komt die doodbidder hier toch doen? Moet er iemand begraven +worden?" + +Jacques liep steeds alleen: zijn hart bloedde onder de doornen van +een herinnering, die het orkest, dat op dit oogenblik een contradans +speelde, die den kunstenaar droef als een De Profundis in de ooren +klonk, nog levendiger maakte. Midden in zijn droomerijen zag hij Marie, +die van uit een hoekje naar hem keek en in een luiden lach uitbarstte, +toen zij zijn doodgraversgezicht zag. Jacques sloeg zijn oogen op en +hoorde op drie pas van hem dat gelach, dat van onder een rose hoedje +opklonk. Hij ging naar het jonge meisje toe en zeide enkele woorden +tot haar, waarop zij antwoordde; hij bood haar zijn arm aan, om een +wandeling door den tuin te maken; zij nam dien aan. Hij zeide haar, +dat zij mooi was als een engel, wat zij hem nog tweemaal zeggen liet; +hij plukte voor haar van de boomen groene appels, die zij met veel +smaak opat, terwijl zij daarbij telkens weer dien helderen lach liet +hooren, die het refrein van haar onverwoestbare vroolijkheid scheen +te zijn. Jacques dacht aan den Bijbel en bedacht, dat men nooit +tegenover een vrouw wanhopig moet zijn, vooral niet tegenover die, +welke veel van appels houden. Hij maakte dus met het rose hoedje nog +een wandeling door den tuin, waarvan weer het gevolg was, dat hij, +die alleen op het bal gekomen was, het niet alleen verliet. + +Maar toch had hij Francine niet vergeten: hij kuste, zooals Rodolphe +het uitgedrukt had, haar dagelijks op de lippen van Marie en werkte in +het geheim aan het beeld, dat hij op het graf der doode plaatsen wilde. + +Toen Jacques op een goeden dag geld gekregen had, kocht hij voor +Marie een zwarte japon. Het jonge meisje was er erg blij mede, ook al +vond zij, dat zwart voor den zomer geen bijzondere vroolijke kleur +was. Doch Jacques zeide haar, dat zwart zijn lievelingskleur was en +dat zij hem een groot pleizier zou doen, als zij die japon iederen +dag zou dragen. Marie deed hem dat pleizier. + +Op een Zaterdagavond zeide Jacques tot het jonge meisje: + +"Kom morgenochtend vroeg, dan gaan we naar buiten." + +"Dat treft prachtig," antwoordde Marie; "ik heb een verrassing voor +je. Het zal wel mooi weer zijn!" + +Marie werkte den geheelen nacht door aan een nieuwe japon, die zij +voor haar spaarduitjes gekocht had, een allerliefst, rose japonnetje, +waarmede zij 's Zondagsochtends, stralend van vreugde, in het atelier +van Jacques kwam. + +De kunstenaar ontving haar koel, bijna grof. + +"En ik dacht nogal, dat ik je een plezier zou doen, toen ik dat lichte +pakje kocht!" zeide Marie, die voor Jacques' koelheid geen verklaring +vinden kon. + +"Wij gaan niet naar buiten," antwoordde hij; "ga maar terug, ik +moet werken." + +Marie ging bedroefd naar huis. Onderweg kwam zij een jongen man +tegen, die de geschiedenis van Jacques kende en haar vroeger het hof +gemaakt had. + +"Wat, mademoiselle Marie, bent u niet meer in den rouw?" + +"In den rouw?" vroeg zij; "en voor wie?" + +"Wat, weet u dat niet? Het is toch bekend genoeg die zwarte japon, +die Jacques u gegeven heeft ...." + +"Nou?" + +"Wel dat was een rouwjapon: Jacques liet u om Francine rouwen." + +Na dien dag heeft Jacques Marie niet meer gezien. + +Die breuk bracht hem ongeluk. De slechte dagen keerden terug: hij had +geen werk meer en verviel in zoo'n groote ellende, dat hij, daar hij +niet wist wat hij beginnen moest, zijn vriend den dokter vroeg hem +in een ziekenhuis te laten opnemen. De dokter zag bij den eersten +oogopslag, dat het niet veel moeite zou kosten daarvoor toestemming +te krijgen. Zonder dat Jacques eenig vermoeden van zijn toestand had, +was hij op weg, om weer spoedig bij Francine te zijn. + +Hij werd opgenomen in het hospitaal Saint-Louis. + +Daar hij nog werken en loopen kon, verzocht hij den directeur van +het ziekenhuis hem een klein kamertje te willen geven, dat toch niet +gebruikt werd, en liet daar een werkbank, beitels en leem brengen. De +eerste veertien dagen werkte hij daar aan het beeld, dat hij voor +Francine's graf bestemd had. Het was een engel met uitgestrekte +vleugels. Dit beeld, dat Francine's trekken had, werd niet voltooid, +want al heel gauw kon Jacques de trap niet meer op, en kort daarop +mocht hij zelfs het bed niet meer uit. + +Toen Jacques op zekeren dag het cahier van den dokter in handen +kreeg en daaruit zag welke geneesmiddelen hij kreeg, begreep hij, +dat hij verloren was: hij schreef aan zijn familie en liet zuster +Sainte-Géneviève, die hem met groote toewijding verpleegde, roepen. + +"Zuster," zeide hij tot haar, "in het kamertje boven, dat men mij +heeft afgestaan, staat een kleine gipsfiguur; het beeld, dat een engel +voorstelt, was bestemd voor een graf; maar ik heb geen tijd gehad +het in marmer uit te voeren. En toch heb ik thuis een prachtig stuk, +wit met rose aderen, liggen. Om kort te gaan .... zuster, ik geef u +het kleine beeld, om het in de kapel te zetten." + +Enkele dagen later stierf Jacques. Daar de begrafenis gelijktijdig +met de opening van den salon plaats had, konden de Waterdrinkers er +niet bij tegenwoordig zijn. De kunst voor alles, had Lazare gezegd. + +Jacques' familie was niet rijk en de kunstenaar had geen eigen graf. + +Hij werd in een hoek van het kerkhof begraven. + + + + + + +HOOFDSTUK XIX. + +DE GRILLEN VAN MUSETTE. + + +Men zal zich herinneren hoe Marcel zijn beroemd doek "De Doortocht door +de Roode Zee", dat later als uithangbord voor een comestibleswinkel +dienen zou, aan Médicis verkocht had. Den dag na den verkoop, die +gevolgd was door een schitterend souper, hetwelk de Jood als toegift op +den koop aan de bohémiens had aangeboden, ontwaakten Marcel, Schaunard, +Colline en Rodolphe eerst diep in den ochtend en konden zich, nog +onder den invloed als zij waren van de wijnen van den vorigen avond, +eerst niet goed herinneren wat er eigenlijk gebeurd was. Toen van een +kerk in de buurt het middag-Angelus klepte, keken zij elkaar met een +melancholiek glimlachje aan. + +"Dat is het klokje, dat met zijn vrome klanken de geloovigen naar de +eetzaal roept," zeide Marcel. + +"Zeker," antwoordde Rodolphe, "dit is het plechtige uur, waarop alle +fatsoenlijke menschen naar het refectorium opgaan." + +"Dan zullen we toch moeten zien fatsoenlijke menschen te worden," +bromde Colline, voor wien iedere dag op den kalender St. Appetitus +[41] was. + +"O, melkinrichting van mijn min; o, gezegende vier maaltijden van mijn +jeugd, wat is er van u geworden?" voegde Schaunard eraan toe. En op +een melancholiek, droomerig en zacht motief herhaalde hij: "Wat is +er van u geworden?" + +"En te moeten denken, dat er op dit uur in Parijs alleen meer dan +honderd coteletten in de pan liggen!" zeide Marcel. + +"En evenveel biefstukjes!" zuchtte Rodolphe. + +En als een tegenstelling vol bittere ironie schreeuwden, terwijl de +vier vrienden elkaar voor het vreeselijke, dagelijks terugkeerende +probleem van het dejeuner stelden, de kellners uit het restaurant +beneden in het huis de bestellingen der gasten de keuken in. + +"Zullen die lummels nooit hun mond houden?" vroeg Marcel; "ieder +woord geeft me een steek in mijn maag." + +"De wind zit in het Noorden!" zeide Colline ernstig en wees daarbij +op een weerhaantje, dat op een dak in de buurt vroolijk heen en +weer zwaaide; "wij zullen dus vandaag niet dejeuneeren, de elementen +verzetten zich er tegen." + +"Hoe dat?" vroeg Marcel. + +"Dat is een atmospherologische waarneming, die ik gedaan heb," legde +de wijsgeer uit: "een Noordenwind beteekent bijna altijd onthouding, +evenals de Zuidenwind gewoonlijk pleizier en goed eten voorspelt. De +philosophie noemt dat: wenken van uit den hooge." + +Als Gustave Colline een leege maag had, hadden zijn geestigheden +iets grimmigs. + +Op hetzelfde oogenblik stiet Schaunard, die een van zijn armen in den +afgrond, die als zak dienst deed, had gestoken, een gil van angst uit. + +"Hulp! Hulp! Er zit iemand in mijn jas," brulde hij, terwijl hij +trachtte zijn hand uit de scharen van een levende kreeft te bevrijden. + +Op den angstkreet van Schaunard volgde onmiddellijk een andere +gil. Marcel had werktuigelijk zijn hand in zijn zak gestoken en daarin +een Amerika ontdekt, waaraan hij in het geheel niet meer dacht: +d.w.z. de honderdvijftig francs, die de Jood Médicis hem voor zijn +"Doortocht door de Roode Zee" betaald had. + +"Salueert, heeren!" zeide Marcel, terwijl hij een stapeltje daalders, +waartusschen vijf of zes nieuwe louis schitterden, neerzette. + +"Je zoudt zeggen, dat ze leven!" vond Colline. + +"En wat een prachtige stemmen!" merkte Schaunard, die de goudstukken +liet rinkelen, op. + +"Wat een mooie medailles!" voegde Rodolphe eraan toe; "precies stukjes +uit de zon. Als ik koning was, zou ik geen andere munten in mijn rijk +dulden en er de beeltenis van mijn vriendinnetje op laten slaan." + +"Kan je eigenlijk wel gelooven, dat er een land is, waar die dingen +evenveel waard zijn als kiezelsteenen?" vroeg Schaunard. "De Amerikanen +gaven er vroeger vier voor twee sous. Een van mijn voorouders heeft +indertijd Amerika bezocht; hij heeft zijn graf gevonden in de maag +der Wilden. Dat heeft den bloei der familie veel kwaad gedaan." + +"Maar vertel toch eens even," zeide Marcel met een blik op den kreeft, +die een wandeling door de kamer was gaan maken; "waar komt dat beest +vandaan?" + +"Nou begin ik me te herinneren," antwoordde Schaunard, "dat ik +gisteren een ontdekkingsreis gemaakt heb in de keuken van Médicis; +ik moet wel aannemen, dat dit reptiel, zonder het zelf te willen, +in mijn zak gevallen is--die dieren zijn zoo bijziende. En nu ik het +beest eenmaal heb, zal ik het maar houden ook; ik zal het temmen +en rood verven, dat is een vroolijker kleur. Sinds Phémie weg is, +ben ik melancholiek; nu heb ik tenminste gezelschap." + +"Heeren," riep Colline uit; "kijkt als het je blieft eens, de wind +is naar het Zuiden gedraaid: we zullen dejeuneeren." + +"Dat geloof ik graag," zeide Marcel, terwijl hij een goudstuk van +de tafel nam; "hier heb je er een, dat we eens lekker zullen laten +braden, en met veel jus ook." + +De vaststelling van het menu werd lang en ernstig besproken. Iedere +schotel gaf aanleiding tot een levendige discussie en werd daarna met +meerderheid van stemmen vastgesteld. De door Schaunard voorgestelde +omelette soufflée werd na zorgvuldig onderzoek afgestemd, evenals +de witte wijnen, waartegen Marcel in verzet kwam in een krachtige +improvisatie, die zijn oinologische kennis duidelijk aan het licht +bracht. + +"De eerste plicht van een wijn is rood te zijn," riep de kunstenaar +uit; "laat me met rust met jullie witte wijnen." + +"En de Champagne dan?" merkte Schaunard op. + +"Onzin! Een elegante appelwijn! Een epileptische coco [42]! Ik zou alle +kelders van Epernay en Aï [43] voor één vat Bourgogne geven. Bovendien +behoeven we vandaag geen grisettes te verleiden of vaudevilles te +dichten. Ik stem tegen Champagne." + +Toen het programma definitief vastgesteld was, gingen Schaunard en +Colline in het restaurant beneden het dejeuner bestellen. + +"Wat zou je er van zeggen als we wat vuur aanlegden?" vroeg Marcel. + +"Dat zou geen halsmisdaad zijn, de thermometer noodigt ons daar reeds +lang toe uit," antwoordde Rodolphe. "Laten we wat vuur maken. Wat +zal de kachel een kleur van verbazing krijgen!" + +En hij liep naar de trap en schreeuwde Colline na, dat hij hout moest +laten boven brengen. + +Enkele oogenblikken later kwamen Schaunard en Colline, gevolgd door +een kolendrager met een zware bos hout, weer boven. + +Toen Marcel in een lade naar waardelooze papieren zocht, om de kachel +aan te maken, kreeg hij toevallig een brief in handen, waarvan het +handschrift hem deed beven en dien hij heimelijk begon te lezen. + +Het was een door Musette met potlood geschreven brief uit den tijd, +dat zij nog met Marcel samenwoonde; op den dag af was hij een jaar +oud. De inhoud der weinige regels luidde: + + + "Lieveling, + + + Wees niet ongerust over mij, ik kom dadelijk weer terug. Ik ga + wat uit, om door het loopen wat warmer te worden: het vriest in + de kamer en de kolenhandelaar is voor ons dood. Ik heb de twee + laatste pooten van den stoel kapot geslagen, maar ze hebben niet + lang genoeg gebrand, om er een ei bij te koken. Bovendien fluit + de wind door het raam alsof hij hier thuis is, en blaast mij een + hoop slechte raadgevingen in, die je, wanneer ik ze zou opvolgen, + verdriet zouden doen. Ik vind het daarom beter een oogenblikje in + de buurt te gaan winkelen. Er moet fluweel zijn van tien francs + den meter. Het is ongelooflijk, dat moet ik zelf zien. Voor het + eten ben ik weer terug. + + + Musette." + + +"Arme meid!" mompelde Marcel in zichzelf, terwijl hij den brief in +zijn zak stak .... En met zijn hoofd in zijn handen bleef hij eenige +oogenblikken in gedachten bij de haard zitten. + +In dien tijd leefden de bohémiens reeds lang in een toestand van +weduwnaarschap, uitgezonderd Colline, wiens liefje steeds onzichtbaar +en anoniem gebleven was. + +Zelfs Phémie, de lieve levensgezellin van Schaunard, had een naïeve +ziel gevonden, die haar haar hart, een mahoniehouten ameublement en +een ring van haar roode lokken aangeboden had. Veertien dagen na die +schenking echter had Phémie's amant haar zijn hart en ameublement weer +willen ontnemen, omdat hij aan haar vinger een ring van haar, maar +nu zwart haar gezien had en haar daarom van verraad durfde verdenken. + +Toch was Phémie niet van het pad der deugd afgeweken; zij had alleen, +omdat haar vriendinnen haar ieder oogenblik met den ring van roode +haren plaagden, dien zwart laten verven. De "mijnheer" was met die +verklaring zòò voldaan, dat hij voor Phémie een zijden japon kocht--de +eerste in haar leven! Den dag, dat zij die voor het eerst droeg, +riep de arme meid uit: + +"Nu kan ik rustig sterven." + +Musette was weer een bijna officieele persoonlijkheid geworden. Marcel +had haar in geen drie of vier maanden meer gezien. + +En wat Mimi ten slotte betreft, Rodolphe had nooit meer iemand over +haar hooren praten, behalve zichzelf, wanneer hij alleen was. + +"Nou?" vroeg plotseling Rodolphe, toen hij Marcel zoo peinzend bij +den schoorsteen zag staan; "wil de kachel niet trekken?" + +"Zeker wel, zeker wel!" zeide de schilder, terwijl hij het hout +aanstak, dat knetterend begon te branden. + +Terwijl de drie anderen door de voorbereidende maatregelen voor het +dejeuner hun eetlust nog prikkelden, had Marcel zich weer in een hoekje +teruggetrokken en legde het briefje, dat hij toevallig gevonden had, +bij de andere souvenirs, die Musette hem gelaten had. Plotseling viel +hem het adres in van een vrouw, met wie zijn vroegere vlam op zeer +intiemen voet stond. + +"Ha!" riep hij hard genoeg, om door de anderen gehoord te worden, uit; +"nu weet ik tenminste, waar ik ze vinden kan." + +"Wat vinden?" vroeg Rodolphe. "En wat voer je toch eigenlijk +uit?" voegde hij eraan toe, toen hij zag, dat Marcel wilde gaan +schrijven. + +"Niets .... Een brief, die haast heeft en dien ik bijna vergeten +had. Ik ben dadelijk weer tot je beschikking." + +En hij schreef: + + + "Lieve kind, + + + Door een verpletterende apoplexie van geluk heb ik geld in mijn + schrijftafel! We hebben een reuzendejeuner, dat op dit oogenblik + staat te braden, edele wijnen, ja zelfs in de haard een echt + vuur, zooals gezeten burgers dat hebben. Dat moet ik zelf zien, + zou je vroeger gezegd hebben. Kom dus een oogenblik bij ons; + je zult hier Rodolphe, Colline en Schaunard vinden, en bij het + dessert, want er is waarachtig een dessert ook, moet jij dan + wat voor ons zingen. Daar wij nu eenmaal bij elkaar zijn, zullen + we waarschijnlijk een dag of acht aan tafel blijven. Je behoeft + dus niet bang te zijn, dat je te laat komt. Het is al zoo'n tijd + geleden, dat ik je niet heb hooren lachen. Rodolphe zal je het hof + maken en wij zullen van alles drinken op onze gestorven liefde, + op gevaar of ze tot nieuw leven te wekken. Tusschen menschen + zooals wij .... is de laatste kus nooit de laatste. Ach, als het + den vorigen winter niet zoo koud geweest was, zou je me misschien + in het geheel niet verlaten hebben. Je hebt me bedrogen voor een + bos hout en omdat je bang was voor winterhanden. Je hadt gelijk, + en ik ben er voor ditmaal even min boos om als voor andere + keeren. Maar kom je nu tenminste warmen, zoolang er vuur is. + + + Met heel veel kussen, Marcel." + + +Toen deze brief af was, schreef Marcel een tweeden aan madame +Sidonie, de vriendin van Musette, waarin hij haar verzocht den +ingesloten brief zoo spoedig mogelijk aan het juiste adres te doen +toekomen. Vervolgens ging hij naar den concierge, die de twee epistels +moest wegbrengen. Daar hij hem vooruitbetaalde, zag de concierge +in de hand van den schilder een goudstuk schitteren, waarom hij, +alvorens zijn boodschap te doen, den huiseigenaar, aan wien Marcel +nog achterstallige huur schuldig was, ging waarschuwen. + +"Mijnheer," zeide hij buiten adem van het trappen klimmen, "de +kunstenmaker van de zesde etasie heit geld. U weet wel, die groote, +die me altijd in m'n gezicht uitlacht, als ik met de kietansie kom!" + +"Ja, ik weet het wel!" zeide de huisheer; "die kerel, die zoo brutaal +is geweest geld van me te willen leenen, om een gedeelte van de huur +te kunnen afdoen. Ik heb hem de huur al opgezegd." + +"Juist, mijnheer. Maar nou zit-ie stikvol met geld; m'n oogen doen +nog pijn van al het geschitter. Hij geeft nu een feest ..... het is +een prachtig oogenblik." + +"Je hebt gelijk," viel de eigenaar hem in de rede; "ik zal straks +zelf even naar boven gaan." + +Madame Sidonie was thuis, toen de brief van Marcel kwam, en liet haar +kamermeisje dadelijk het ingesloten briefje naar Musette brengen. + +Musette woonde toen in een mooi appartement op de Chaussée +d'Antin. Toen zij den brief van Marcel kreeg, was zij niet alleen en +had bovendien voor dienzelfden avond een groot aantal uitnoodigingen +voor een groot diner rondgezonden. + +"Dat is ook een wonder!" riep zij, lachend als een bezetene, uit. + +"Wat is er?" vroeg een knappe, jonge man, die stijf als een standbeeld +voor haar stond. + +"Een invitatie voor een diner," antwoordde de jonge vrouw. "Hoe vindt +je het?" + +"Ik vind het vervelend," zeide de jongeman. + +"Waarom?" + +"Waarom? Je denkt er toch zeker niet aan naar dat diner te gaan." + +"Daar denk ik zeker wel aan ..... Zie jij maar hoe jij het alleen +klaar speelt!" + +"Maar beste kind, dat geeft toch heelemaal geen pas! Je moet een +anderen keer maar eens gaan." + +"Die is goed, een anderen keer! Het is een invitatie van mijn ouden +vriend Marcel en het is zoo'n zeldzaam geval, dat ik het zelf zien +moet. Een anderen keer! Maar echte diners komen daar nog minder voor +dan zonsverduisteringen!" + +"Wat! Je wilt ons in den steek laten, om naar dien kerel te gaan, +en dat zeg je me zoo maar in mijn gezicht!" + +"Aan wien moet ik het anders zeggen? Aan den sultan van Turkije +soms? Maar die heeft met de zaak niets te maken." + +"Maar dat is een buitengewone openhartigheid." + +"Je weet wel, dat ik anders ben dan de anderen," antwoordde Musette. + +"Maar wat zou je wel van mij denken, als ik je liet gaan, nu ik weet +waarheen je gaat. Bedenk toch eens Musette, zoowel voor jou als voor +mij zou dat in het geheel geen pas geven. Je moet je maar excuseeren +bij dien jongen man." + +"Mijn beste Maurice," antwoordde Musette op vastberaden toon; "je +wist wat je aan me hadt voor je me nam, je wist, dat ik vol grillen +zit en dat niemand er zich op beroemen kan er één uit mijn hoofd +gepraat te hebben." + +"Vraag me wat je wilt .... maar dat niet," zeide Maurice. "Er zijn +grillen ..... en grillen." + +"Maurice, ik wil naar Marcel gaan ..... en ik ga," zeide Musette, +terwijl zij haar hoed opzette. "Verlaat me, als je wilt, maar ik kan +niet anders: Marcel is de beste jongen van de wereld en de eenige, +waar ik ooit van gehouden heb. Als zijn hart van goud geweest was, +zou hij het hebben laten smelten, om er ringen van voor mij te laten +maken. Arme jongen!" voegde zij eraan toe, terwijl zij Maurice den +brief liet zien, "zoodra hij wat vuur heeft, vraagt hij me me te komen +warmen. O, als hij maar niet zoo lui en er geen fluweel en zijde in +de winkels geweest was. Ik was echt gelukkig met hem; hij had het +talent mij nu en dan werkelijk verdriet te doen, en hij heeft mij +om al mijn liedjes den naam Musette gegeven. Als ik naar hem toe ga, +kan je er tenminste zeker van zijn, dat ik bij je terugkom ..... als +je tenminste de deur niet voor mijn neus dicht gooit." + +"Openhartiger zou je me moeilijk kunnen zeggen, dat je niet van me +houdt," zeide de jonge man. + +"Kom nou, mijn beste Maurice, je bent te veel man van geest om ons in +zoo'n ernstige discussie te verdiepen. Je hebt me net zoo als je een +mooi paard in stal hebt, en ik houd van je ..... omdat ik houd van +luxe, van drukke feesten, van alles wat straalt en schittert. Laten +we niet sentimenteel worden: dat zou belachelijk en nutteloos zijn." + +"Maar laat ik dan tenminste met je mee gaan." + +"Maar je zou je daar volstrekt niet amuseeren," zeide Musette, +"en je zou ons maar beletten het ook te doen. Je begrijpt toch, +dat die jongen mij noodwendig zoenen zal." + +"Musette," vroeg Maurice; "heb je ooit iemand ontmoet, die zoo +inschikkelijk is als ik?" + +"Mijnheer de vicomte," antwoordde Musette; "toen ik onlangs met +lord*** op de Champs Elysées een wandelrit maakte, heb ik Marcel +daar ontmoet met zijn vriend Rodolphe: ze waren te voet, zaten +slecht in hun kleeren en rookten hun neuswarmertjes. In geen drie +maanden had ik Marcel gezien; ik had het gevoel, alsof mijn hart +door het portier wou springen. Ik heb het rijtuig laten stil houden +en een half uur lang met Marcel gepraat, terwijl geheel Parijs in +equipages voorbij reed. Marcel heeft me toen een taartje gegeven en +een ruikertje viooltjes van een sou, die ik dadelijk in mijn ceintuur +gestoken heb. Toen hij wegging, wilde lord**** hem terugroepen, om +hem te vragen met ons te gaan dineeren. Voor die vriendelijkheid heb +ik hem een zoen gegeven. Dat is nu eenmaal mijn karakter; en als je +dat niet bevalt, dan moet je het maar dadelijk zeggen, dan neem ik +mijn pantoffels en mijn nachtmuts mee." + +"Het heeft toch ook zijn goede zijde, om arm te zijn!" zeide Maurice +met iets van afgunst en droefheid in zijn stem. + +"O neen," antwoordde Musette; "als Marcel rijk was, zou ik hem nooit +verlaten hebben." + +"Ga dan maar," zeide de jonge man en gaf haar de hand. "Die nieuwe +japon staat je heel goed!" + +"Inderdaad het is of ik er vanochtend een voorgevoel van gehad +heb. Marcel zal de eerste zijn, die me in mijn nieuwe japon een zoen +zal geven. Nou, adieu, ik ga een beetje van het gewijde brood der +vroolijkheid eten." + +Musette had dien dag een bekoorlijk toilet aan: nooit had het gedicht +van haar jeugd en van haar schoonheid in een verleidelijker band +gezeten. Bovendien bezat Musette van nature een goeden smaak. Toen +zij op de wereld kwam, moet het eerste, wat zij met haar blikken +zocht, een spiegel geweest zijn, om zich in haar luiers een mooie +houding te kunnen geven; en voor zij gedoopt werd, had zij reeds de +zonde der coquetterie begaan. Reeds in den tijd, dat zij nog in zeer +behoeftige omstandigheden leefde en zich nog met japonnetjes van +gedrukt katoen, hoedjes met pompons en geitenleeren laarsjes moest +tevreden stellen, droeg zij die eenvoudige grisette-toiletjes met +elegance en coquetterie. Deze knappe meisjes, half bijen, half mieren, +die zingend de geheele week door werkten en den Goeden God slechts om +mooi weer op Zondag smeekten, hadden gewoonlijk slechts lief met haar +hart en zetten nu en dan de bloemetjes buiten. Nu is die soort geheel +verdwenen, dank zij de tegenwoordige generatie van jonge mannen: een +verdorven en verderfelijke, maar boven alles aanmatigende, opgeblazen +en brutale generatie. Alleen uit genoegen voor minne paradoxen hebben +zij die arme meisjes om haar door de heilige litteekenen van het +werk geschonden handen gehoond en bespot, zoodat die handen weldra +niet genoeg meer konden verdienen, om de uitgaven voor amandelzeep +te bestrijden. Langzamerhand is het dien jongelingen gelukt haar hun +opgeblazenheid en dwaasheid in te enten, en sedert is de grisette +verdwenen. Toen werd de lorette geboren, een bastaardgeslacht, +impertinente schepsels van middelmatige schoonheid, half vleesch, +half schmink, wier boudoir een toonbank is, waarop zij stukken van +haar hart, alsof het sneedjes roastbeef waren, te koop aanbieden. Het +meerendeel van die meisjes, die het pleizier onteeren en een schande +zijn voor de moderne galanterie, heeft dikwijls niet eens den geest +van de dieren, wier veeren zij op haar hoeden dragen. En wanneer +het door een groot toeval nog eens gebeurt, dat zij niet een liefde, +zelfs niet een verliefdheid, maar een geile begeerte hebben, dan is +het nog voor den een of anderen alledaagschen potsenmaker, dien de +dwaze menigte op openbare bals toejuicht en voor wien de couranten, +die vleiende hovelingen van al wat belachelijk is, reclame maken. + +Hoewel Musette gedwongen was in die wereld te leven, had zij toch +niet de gewoonten noch de allures ervan; zij had niet die tot slavin +zijn vernederende hebzucht, zooals die maar al te veel voorkomt bij +die schepsels, welke alleen maar Bartjens lezen en cijfers schrijven +kunnen. Zij was een intelligent, geestig meisje, dat in haar aderen +het bloed van Manon Lescaut had, en, wars van elken dwang, zich nooit +tegen een enkele gril had kunnen of willen verzetten, wat de gevolgen +ervan ook mochten zijn. + +Marcel was de eenige man geweest, van wien zij werkelijk gehouden +had. In ieder geval was hij de eenige geweest voor wien zij inderdaad +geleden had, en al de hardnekkigheid van die instincten, welke haar +trokken naar "alles wat schittert en straalt", was noodig geweest, +om haar ertoe te kunnen brengen hem te verlaten. Zij was twintig jaar +en luxe was voor haar bijna een levensbehoefte. Zij kon er wel eenigen +tijd buiten, maar geheel afstand ervan doen kon zij niet. Haar eigen +wispelturigheid maar al te goed kennende, had zij nooit het hangslot +van een eed van trouw voor haar hart willen doen. Verscheidene jonge +mannen, voor wie zij zelf veel voelde, hadden haar waarachtig lief +gehad; en altijd had zij tegenover dezen met een openhartigheid, die +gepaard ging met voorzichtigheid, gehandeld. De verbintenissen, die zij +aanging, waren eenvoudig, eerlijk en waar als de liefdesverklaringen +van Molière's boeren. "Jij hebt zin in mij, en ik zin in jou; top, +laten we bruiloft vieren!" Wel tienmaal had Musette als zij gewild +had, een "vaste positie", een zoogenaamde toekomst kunnen hebben; +maar zij geloofde nauwlijks in de toekomst; ten opzichte daarvan was +zij het scepticisme van Figaro toegedaan. + +"Morgen," zeide zij dikwijls, "morgen is een dwaasheid van den +kalender, een dagelijksch voorwendsel, dat de menschen uitgevonden +hebben, om hun zaken vandaag niet behoeven te doen. Morgen is er +misschien een aardbeving--en vandaag staat de aarde nog vast!" + +Op een goeden dag deed een gentleman, met wien zij bijna zes maanden +samengeleefd had en die intusschen tot over zijn ooren verliefd +op haar geworden was, haar in allen ernst het voorstel met haar te +trouwen. Musette had hem in zijn gezicht uitgelachen. + +"Ik mijn vrijheid door een huwlijkscontract aan banden leggen? Nooit +in der eeuwigheid!" + +"Maar dag in dag uit sidder ik van angst, dat ik je verliezen zal." + +"Je zoudt me nog veel eerder verliezen, wanneer ik je vrouw was," +antwoordde Musette. "Laten we er niet verder over spreken. Trouwens +ik ben niet vrij meer ook," voegde zij eraan toe en dacht bij die +woorden ongetwijfeld aan Marcel. + +Zoo ging haar jeugd voorbij, terwijl zij zich op alle winden +van het toeval liet medevoeren en velen, ja bijna ook zichzelf +gelukkig maakte. Vicomte Maurice, met wien zij op dat oogenblik +leefde, kostte het niet weinig moeite om zich aan dat ontembare, +naar vrijheid snakkende karakter te wennen, en met een met jalousie +sterk geoxydeerd ongeduld wachtte hij op den terugkeer van Musette, +die hij naar Marcel had zien gaan. + +"Zal ze bij hem blijven?" vroeg de jonge man zich den geheelen avond +af, terwijl hij zich dat vraagteeken als een dolk in zijn hart boorde. + +"Die arme Maurice!" zeide Musette van haar kant tot zichzelf; "hij +vindt dat een beetje kras. Maar ach, de jeugd moet opgevoed worden." + +Toen sloeg haar gedachtengang plotseling een heel andere richting +in; zij dacht aan Marcel, naar wien ze toeging; en terwijl zij alle +herinneringen, die de naam van haar aanbidder in haar wakker riep, +de revue liet passeeren, vroeg zij zich nieuwsgierig af, welk wonder +bij hem de tafel gedekt had. Al loopende las zij den brief, dien de +schilder haar geschreven had, nog eens over, en onwillekeurig maakte +een gevoel van droefheid zich van haar meester. Doch dat duurde +slechts een oogenblik. Musette overwoog terecht, dat zij nu minder +dan ooit reden had om bedroefd te zijn, en toen er op dat oogenblik +een sterke wind opstak, riep zij uit: + +"Het is toch gek; als ik niet naar Marcel zou willen gaan, zou de +wind mij nu naar hem toe blazen." + +En haar pas versnellend liep zij verder, blij als een vogeltje, +dat naar zijn eerste nest terugkeert. + +Plotseling begon het hard te sneeuwen. Musette keek rond of zij geen +rijtuig zag, maar er was geen te bekennen. Daar zij juist in de straat +was, waar haar vriendin Sidonie woonde, die Marcel's brief naar haar +doorgestuurd had, kwam zij op het denkbeeld even bij haar binnen te +gaan en daar te wachten, tot het weer wat beter zou zijn. + +Bij madame Sidonie vond zij een groot gezelschap bijeen. Er werd een +partij lansquenet gespeeld, die drie dagen tevoren reeds begonnen was. + +"Laat ik jullie niet storen," zei de Musette; "ik blijf maar even." + +"Heb je den brief van Marcel gekregen?" fluisterde madame Sidonie +haar in het oor. + +"Ja, dank je," antwoordde Musette, "ik ben op weg naar hem toe, hij +heeft me te dineeren gevraagd. Ga je mee? Je zult je best amuseeren!" + +"Tot mijn spijt kan ik niet," zeide Sidonie, op de speeltafel +wijzend. "En hoe staat het?" vroeg zij den bankhouder. + +"Er staan zes louis," antwoordde deze, terwijl hij de kaarten schudde. + +"Ik zet er twee," riep Sidonie. + +"Goed, ik ben niet trotsch, ik begin ook met twee," antwoordde de +bankhouder, die reeds verscheidene malen gepast had. "Koning en aas; +ik ben naar de maan," ging hij voort, terwijl hij de kaarten liet +vallen; "alle koningen zijn dood!" + +"Hier mag niet over politiek gesproken worden," zeide een journalist. + +"En het aas is de vijand van mijn familie," merkte de bankhouder op, +die nog een koning keerde. "Leve de koning!" riep hij uit; "lieve +Sidonie, geef mij twee louis d'or." + +"Schrijf ze maar in je memorie pro memorie," zeide Sidonie woedend, +dat zij verloren had. + +"Dat maakt dan vijfhonderd francs, kleintje," zeide de bankhouder." Je +zult de duizend wel bereiken. Ik geef." + +Sidonie en Musette praatten zachtjes met elkaar. Het spel ging door. + +Ongeveer op hetzelfde uur gingen de bohémiens aan tafel. Gedurende +het geheele dejeuner was Marcel opvallend onrustig. Iederen keer, +dat men op de trap stappen hoorde, zagen de anderen hem opschrikken. + +"Wat heb je toch?" vroeg Rodolphe; "het is net, of je nog iemand +wacht. Zijn we niet compleet?" + +Maar uit een blik, dien de schilder hem toewierp, begreep de dichter, +welke gedachten zijn vriend bezig hielden. + +"Hij heeft gelijk," dacht hij bij zichzelf; "we zijn niet compleet." + +De blik van Marcel beteekende: Musette, die van Rodolphe: Mimi. + +"Er ontbreken vrouwen," zeide Schaunard plotseling. + +"Wil jij voor den duivel je losbandige taal wel eens voor je houden? We +hadden toch afgesproken, dat er niet over liefde gesproken zou +worden!" brulde Colline. "Daar schift de jus van." + +En terwijl buiten de sneeuw nog viel en in de haard het hout vroolijk +vlamde en een vuurwerk van vonken afstak, begonnen de vier vrienden +weer hun tot den rand gevulde glazen te ledigen. + +Terwijl Rodolphe met luide stem het refrein van een lied begon te +zingen, dat hij onder in zijn glas gevonden had, werd er verscheidene +malen op de deur geklopt. + +Als een duiker, die door een krachtigen afzet tegen den bodem weer naar +de oppervlakte van het water komt, vloog Marcel, die reeds eenigszins +onder den invloed was, haastig van zijn stoel op om open te maken. + +Musette was het niet. + +Op den drempel vertoonde zich een man, die een klein stukje papier +in zijn hand hield. Zijn uiterlijk was niet onaangenaam, maar zijn +chambercloak zag er onooglijk uit. + +"Ik vind u hier in nog al goeden welstand," zeide hij met een blik +op de tafel, op het midden waarvan een groote lamsbout prijkte. + +"De huisbaas!" zeide Rodolphe; "laten wij hem de verschuldigde eer +bewijzen!" + +"En hij begon met zijn mes en vork den generaalsmarsch op zijn bord +te slaan. + +Colline gaf hem een stoel en Marcel riep uit: + +"Schaunard, geef mijnheer een glas!" + +En zich tot den huiseigenaar wendende, zeide hij: + +"U komt juist op het goede oogenblik! Wij waren juist op het +punt een toast uit te brengen op den eigendom. Mijn vriend hier, +mijnheer Colline, zeide precies eenige treffende dingen omtrent +dat onderwerp. Maar nu u hier bent, zal hij, om u genoegen te doen, +opnieuw beginnen. Vooruit, Colline!" + +"Pardon, heeren!" antwoordde de huisheer; "ik zou u niet graag +verder storen." + +En hij ontvouwde het kleine papiertje, dat hij in zijn hand hield. + +"Wat is dat voor drukwerk?" vroeg Marcel. + +De huisheer, die inmiddels onderzoekend de kamer rondkeek, had het +goud en zilver, dat nog op den schoorsteen was blijven staan, gezien +en zeide: + +"De quitantie, die ik reeds de eer had u te laten presenteeren." + +"Precies," viel Marcel hem in de rede; "mijn trouw geheugen heeft die +bijzonderheid niet vergeten; het was Vrijdag 8 October des namiddags +te 12 uur." + +"Ik heb de quitantie reeds, als voldaan geteekend, en als het u niet +derangeert, dan ....." + +"Mijnheer," zeide Marcel, "het lag in mijn bedoeling u te komen +bezoeken. Ik moet eens ernstig met u praten." + +"Geheel tot uw dienst." + +"Doe mij dan eerst het genoegen een kleine verfrissching te nemen," +ging Marcel voort, terwijl hij hem een glas wijn opdrong. "Welnu, +mijnheer, u hebt mij onlangs een papiertje thuis gestuurd met de +beeltenis van een dame, die een weegschaal in haar hand houdt. De +inhoud was onderteekend: "Godard."" + +"Dat is mijn deurwaarder," zeide de huisheer. + +"Hij heeft al een heel leelijk pootje," zeide Marcel. "Mijn vriend +hier"--en hij wees op Colline--"die alle talen kent, is zoo goed +geweest deze depeche, die mij vijf francs gekost heeft, voor mij te +vertalen ...." + +"Het was een opzegging van de huur," viel de huisheer hem in de rede; +"een voorzorgsmaatregel .... dat is zoo de gewoonte." + +"Ja juist, een opzegging," antwoordde Marcel. "Ik wilde u juist komen +opzoeken, om over die zaak te spreken; ik zou n.l. die opzegging graag +in een huurceel veranderd zien. Het huis bevalt me, de trap is netjes, +de straat vroolijk en bovendien ben ik om familieredenen en andere +oorzaken zeer aan deze woning gehecht". + +"Maar de laatste termijn huur moet nog betaald worden," zeide de +huiseigenaar en liet opnieuw zijn quitantie zien. + +"Wij zullen die betalen, mijnheer, dat is ons vaste voornemen." + +Intusschen had de huisheer geen oog afgewend van den schoorsteen, +waarop het geld lag, en de aantrekkingskracht van zijn hebzuchtige +blikken was zòò groot, dat de geldstukken schenen te bewegen en naar +hem toe te komen. + +"Ik vind het zeer aangenaam, dat ik juist op een oogenblik kom, dat +wij deze kleine zaak kunnen regelen, zonder dat het u derangeert," +zeide hij en bood de quitantie aan Marcel aan, die de attaque niet +anders pareeren kon dan door uit te wijken en met zijn schuldeischer +nogmaals de scène tusschen don Juan en Dimanche [44] te spelen. + +"U hebt, geloof ik, ook nog eigendommen in de provincie?" vroeg hij. + +"O," antwoordde de huisheer; "niet noemenswaard: een klein landhuis +in Bourgondië, een boerderij, weinig zaaks ..... de pachters betalen +niet ..... Deze kleine vereffening," voegde hij eraan toe, terwijl +hij nogmaals de quitantie aan Marcel trachtte te geven, "komt mij +dan ook zeer van pas ..... Het is zestig francs, zooals u weet." + +"Zestig francs, precies!" zeide Marcel en nam van den schoorsteen +drie goudstukken af. "Zestig francs, zeiden we," en hij legde de drie +louis op eenigen afstand van den huisheer op de tafel. + +"Eindelijk!" mompelde deze; en zijn gelaat helderde op. + +En op zijn beurt legde hij de quitantie op tafel. + +Schaunard, Colline en Rodolphe volgden de ontwikkeling van het drama +met gespannen aandacht. + +"Maar lieve Hemel," zeide Marcel; "daar u een Bourgondiër bent, +zult u toch zeker niet weigeren een paar woordjes met een landgenoot +te spreken." + +En hij trok een flesch ouden Mâcon open en schonk den huisheer een +glas in. + +"Heerlijk!" zeide deze; "ik heb nooit beteren gedronken." + +"Ach, een oom van me, die in die streken woont, stuurt me zoo nu en +dan een mandje." + +De huisheer was opgestaan en strekte zijn hand naar het voor hem +geplaatste geld uit, maar Marcel hield hem tegen. + +"Ja, maar op één been kunt u niet loopen," zeide hij en dwong zijn +schuldeischer nogmaals met hem en de drie andere bohémiens te klinken. + +De huisheer durfde niet weigeren. Hij dronk zijn glas leeg, zette +het neer en wilde weer het geld nemen, toen Marcel uitriep: + +"Maar daar valt me nog iets in, mijnheer. Ik ben op het oogenblik nogal +ruim bij kas. Mijn oom uit Bourgondië heeft me een supplement op mijn +jaargeld gezonden. Ik ben bang dat geld er door te lappen. U weet, +niet waar, de jeugd haalt wel eens dolle streken uit .... Wanneer ik +u er niet mede beleedig, zou ik graag een termijn vooruit betalen." + +En opnieuw nam hij zestig francs in zilver van den schoorsteen en +legde die bij de louis op tafel. + +"Ik zal u daar dadelijk een quitantie voor maken," zeide de eigenaar; +"ik heb blanco formulieren in mijn zak"--en hij haalde zijn +portefeuille te voorschijn--"ik zal die invullen en antidateeren." + +"Een aardige huurder," dacht hij bij zichzelf en wierp verliefde +blikken naar de honderd-twintig francs. + +Bij dit voorstel stonden de drie bohémiens, die toch al niets van +Marcel's diplomatie begrepen, gewoonweg "paf", + +"Maar de schoorsteen rookt," begon nu de schilder, "dat is erg +onaangenaam." + +"Maar waarom hebt u me dat niet eerder gezegd? Dan had ik den +schoorsteenveger laten komen," zeide de eigenaar, die voor den schilder +niet onder wilde doen. "Morgen zal ik werklui sturen." + +En nadat hij de tweede quitantie ingevuld had, legde hij die bij de +eerste, schoof ze toen beide naar Marcel toe en stak zijn hand weer +naar het stapeltje geld uit. + +"U kunt u niet voorstellen, hoe gelegen die som mij op het oogenblik +komt," zeide hij; "ik moet een paar rekeningen voor reparaties aan +het huis betalen en ik was werkelijk om geld verlegen." + +"Het spijt mij, dat ik u wat heb moeten laten wachten!" viel Marcel +hem in de rede. + +"O, zoo erg is het niet ..... Heeren, ik heb de eer ...." En weer +stak hij zijn hand uit. + +"O, o, neem me niet kwalijk," zeide Marcel vlug; "zoover zijn we nog +niet. Wie a zegt," en hij schonk opnieuw in, "moet ook b zeggen." + +"Dat is zoo," zeide deze en ging uit beleefdheid weer zitten. + +Ditmaal begrepen de bohémiens uit een blik, dien Marcel hun toewerp, +wat zijn doel was. + +Intusschen begon de huisheer al op een vreemde manier met zijn +oogen te draaien. Hij balanceerde op zijn stoel heen en weer, begon +dubbelzinnige taal uit te slaan en beloofde Marcel, die hem een paar +reparaties vroeg, fabelachtige verfraaiingen. + +"En nu de zware artillerie voor het front!" fluisterde de schilder +Rodolphe in en wees op een flesch rhum. + +Na het eerste glaasje zong de huisheer een schuin liedje, dat Schaunard +deed blozen. + +Na het tweede glaasje vertelde hij zijn huiselijke onaangenaamheden; +en daar zijn vrouw Helena heette, vergeleek hij zich bij Menelaus. + +Na het derde glaasje kreeg hij een philosophische vlaag en gaf de +volgende aphorismen ten beste: + +"Het leven is een stroom." + +"Geld maakt niet gelukkig." + +"De mensch is een ééndagsvlinder." + +"O, hoe lieflijk is de liefde!" + +Dan maakte hij Schaunard tot zijn vertrouweling en vertelde hij hem +van zijn heimelijke liaison met een jong meisje, Euphémie geheeten, +aan wie hij een mahoniehouten ameublement gegeven had. Daarbij gaf +hij zoo'n nauwkeurig portret van dit jonge meisje, dat Schaunard een +vreemd vermoeden in zich voelde opkomen, dat onmiddellijk daarna een +zekerheid werd, toen de huisheer hem een brief, dien hij uit zijn +portefeuille haalde, liet zien. + +"O, hemel!" riep Schaunard uit, toen hij de onderteekening zag; +"hardvochtige, gij boort mij een dolk door het hart." + +"Wat heeft hij toch?" riepen de bohémiens, over die taal verwonderd, +uit. + +"Kijk maar," zeide Schaunard; "deze brief is van Phémie. Dat is haar +onderteekening." + +Schaunard liet den brief van zijn vroegere maîtresse circuleeren. Deze +begon met de woorden: + + + "Mijn lief, dik beertje," + + +"Dat lief, dik beertje ben ik," zeide de huisheer, die vergeefsche +pogingen deed om op te staan. + +"Prachtig!" zeide Marcel, die dit zag, "hij heeft zijn anker +uitgeworpen." + +"Phémie, hardvochtige Phémie!" zuchtte Schaunard; "wat heb je me +aangedaan!" + +"Ik heb voor haar in de rue Coquenard No. 12 een entresol laten +meubileeren," stamelde de huisheer; "het is er heel aardig, heel +aardig ..... maar het heeft me een aardige duit gekost .... Doch de +ware liefde ziet niet op geld ..... en bovendien heb ik twintigduizend +francs rente ..... Zij vraagt mij geld ...." ging hij voort, terwijl +hij den brief weer in zijn zak stak; "Arme kleine! ... Ik zal haar +dit geld geven ..... dat zal haar plezier doen." + +En hij strekte weer zijn hand naar het geld uit. + +"Wat is dat?" vroeg hij verbaasd, terwijl hij op de tafel rond tastte, +"waar is het gebleven?" + +Het geld was verdwenen. + +"Een fatsoenlijk man mag zich onder geen voorwaarden tot zulk een +misdadigen minnehandel leenen," had Marcel gezegd. "Mijn geweten en +de moraal verbieden mij de huur aan dezen wellustigen kerel in handen +te geven. Ik zal mijn huur niet betalen. Maar mijn ziel zal tenminste +geen wroeging hebben. Wat een zeden! Een man met zoo weinig haren op +zijn hoofd!" + +Intusschen was de huiseigenaar stomdronken geworden en sloeg met +luide stem allerlei onzin tegen de flesschen uit. + +Daar hij nu al twee uur weg was, stuurde zijn vrouw, die ongerust +begon te worden, eindelijk het dienstmeisje naar boven; toen zij haar +meester in zoo'n toestand zag, stiet zij een gil van schrik uit. + +"Wat hebt u met hem uitgevoerd?" vroeg zij aan de bohémiens. + +"Niets," antwoordde Marcel; "hij is daarnet hierboven gekomen, +om de huur te halen, en daar we geen geld hadden, hebben we hem +uitstel gevraagd." + +"Maar hij is stom bezopen," zeide het dienstmeisje. + +"Dat was hij al grootendeels, toen hij hier kwam," antwoordde Rodolphe; +"hij vertelde ons, dat hij zijn wijnkelder opgeruimd had." + +"Hij was al zòò in den lorem," voegde Colline eraan toe, "dat hij +zijn quitanties zonder betaling hier wou laten." + +"Geef ze maar aan zijn vrouw," zeide ten slotte de schilder, terwijl +hij de quitanties aan het dienstmeisje overhandigde, "wij zijn eerlijke +jongens en willen geen misbruik maken van zijn toestand." + +"Lieve God, wat zal mevrouw wel zeggen?" zuchtte het dienstmeisje, +dat haar meester, die nauwelijks op zijn beenen staan kon, meetrok. + +"Eindelijk!" riep Marcel verlicht uit. + +"Hij zal morgen wel terugkomen," zeide Rodolphe; "nu hij eenmaal geld +gezien heeft." + +"Als hij terugkomt," zeide de kunstenaar, "dan dreig ik hem zijn +vrouw zijn liaison met de jonge Phémie te zullen vertellen, dan zal +hij wel uitstel geven." + +Toen de huisheer weg was, begonnen de vier vrienden weer te drinken +en te rooken. Marcel was niettegenstaande zijn roes de eenige, die +nog eenig besef had van wat er om hem gebeurde. Bij het minste leven +op de trap vloog hij op, om de deur open te maken. Maar degenen, die +naar boven kwamen, bleven altijd op een lagere verdieping. Langzaam +ging de schilder dan weer in het hoekje bij de haard zitten. Het +sloeg middernacht, en nog was Musette er niet. + +"Misschien was ze niet thuis, toen mijn brief kwam," dacht hij. "Ze +zal hem dan vanavond bij haar thuiskomst vinden en morgen komen. Morgen +hebben we ook nog vuur. Want komen zal zij. Tot morgen dus." + +En in zijn hoekje sliep hij in. + +Op hetzelfde oogenblik, dat Marcel van haar droomde, verliet Musette +het huis van madame Sidonie, bij wie zij tot zoo lang gebleven +was. Musette was niet alleen, een jong mensch was met haar; een +rijtuig wachtte beneden voor de deur; zij stapten er samen in; het +rijtuig reed in grooten vaart weg. + +De partij lansquenet duurde bij madame Sidonie voort. + +"Waar is Musette toch?" vroeg plotseling een der spelers. + +"En de kleine Séraphin?" een tweede. + +Madame Sidonie begon te lachen. + +"Die zijn er samen stil vandoor gegaan," zeide zij. "Een typische +geschiedenis! Wat een zeldzaam exemplaar is die Musette toch! Stel +je voor ...." + +En zij begon te vertellen hoe Musette, na bijna ongenoegen met vicomte +Maurice gekregen en zich op weg naar Marcel begeven te hebben, heel +toevallig even bij haar opgeloopen was en hier den jongen Séraphin +aangetroffen had. + +"Ik had er dadelijk wel vermoeden op," zeide Sidonie, zichzelf in +de rede vallend; "ik heb ze den geheelen avond in het oog gehouden, +en waarachtig de jonge man is zoo kwaad niet. Kort en goed, zij zijn, +zonder een woord te zeggen, weggegaan, en een kraan, die ze vinden +kan. Doch hoe het zij; het is eigenlijk te gek om los te loopen, +wanneer je bedenkt, dat Musette dol op Marcel is." + +"Maar als ze dol is op Marcel, wat wil ze dan eigenlijk met den +kleinen Séraphin, die nog bijna een kind is? Hij heeft nooit een +maîtresse gehad," merkte een der aanwezigen op. + +"Zij wil hem leeren lezen," antwoordde de journalist, die altijd heel +"geestig" was, als hij verloren had. + +"Dat is goed en wel," meende Sidonie. "Waarom gaat ze met Séraphin, +als ze van Marcel houdt? Dat gaat boven mijn petje." + +"Ja, waarom?" + + + +Vijf dagen lang leidden de bohémiens, zonder hun kamer ook maar +één oogenblik te verlaten, het vroolijkste leventje, dat men zich +denken kan. Van 's ochtends vroeg tot 's avonds laat zaten zij aan +tafel. Een bewonderenswaardige wanorde heerschte in het vertrek, +waarin een Pantagruelistische atmospheer hing. Op een bijna geheel uit +oesterschalen bestaande bank lag een leger van de meest verschillende +flesschen. De tafel was bedekt met allerlei etensrestjes, en in de +haard brandde een formeel bosch. + +Ook op den ochtend van den zesden dag maakte Colline als +opper-ceremoniemeester het menu voor het dejeuner, het diner en het +souper op, zooals hij dat iederen morgen deed, en onderwierp het +dan aan de goedkeuring van zijn vrienden, die het als teeken van +instemming met hun handteekening voorzagen. + +Maar toen Colline de lade, die als schatkist dienst deed, opentrok, +om het voor dien dag noodige geld te krijgen, deed hij verschrikt +twee pas achteruit en werd bleek als de schim van Banquo. [45] + +"Wat is er?" vroegen de anderen onverschillig. + +"Wat er is? Ik heb nog maar dertig sous," zeide de philosoof. + +"Alle duivels!" riepen de anderen uit; "dat zal een heele verandering +in het menu veroorzaken. Enfin, wanneer we die dertig sous goed +gebruiken ..... Maar de truffels zullen er wel bij moeten inschieten." + +Eenige oogenblikken later was de tafel gedekt. Er stonden in volkomen +symmetrie drie schotels op, n.l.: + +Een schotel haring; + +Een schotel aardappelen + +Een schotel kaas. + +In den schoorsteen brandden twee blokjes hout, zoo groot als een vuist. + +Buiten viel nog steeds de sneeuw. + +De vier bohémiens gingen aan tafel en legden hun servetten op hun +knieën. + +"Het is vreemd," zeide Marcel; "maar die haring smaakt naar fazant." + +"Dat ligt aan de manier, waarop ik hem klaargemaakt heb," antwoordde +Colline; "tot nu toe is de haring miskend." + +Op dat oogenblik kwam een vroolijk gezang de trap op en klopte aan +de deur. Marcel, die bij de eerste tonen al opgesprongen was, vloog +naar de deur, om open te doen. + +Musette sloeg haar armen om hem heen en zoende hem wel vijf minuten +lang. Marcel voelde hoe zij in zijn armen beefde. + +"Wat heb je?" vroeg hij haar. + +"Ik heb het koud," zeide zij en liep naar den schoorsteen. + +"Hè," zeide Marcel, "we hebben zoo'n lekker vuurtje gehad." + +"Ja," zeide Musette met een blik op de overblijfselen van het +vijfdaagsche feestmaal; "ik kom te laat." + +"Waarom?" vroeg Marcel. + +"Waarom?" zeide Musette .... en kreeg een kleur. In plaats van antwoord +te geven ging zij op Marcels knieën zitten; zij beefde nog steeds en +haar handen waren blauw van de kou. + +"Was je niet vrij?" vroeg Marcel haar fluisterend. + +"Ik niet vrij!" riep Musette uit. "O Marcel, al zat ik midden tusschen +de sterren of in het paradijs van den goeden God, en jij gaf me een +teeken, ik zou naar beneden komen. Ik niet vrij!...." + +En zij begon weer te rillen. + +"Er zijn hier vijf stoelen," zeide Rodolphe; "dat is een oneven getal, +en bovendien heeft de vijfde een allerbelachelijksten vorm." + +En hij sloeg den stoel tegen den muur kapot en wierp de stukken in +de haard. Het vuur flikkerde plotseling tot een heldere en vroolijke +vlam op. Dan gaf hij Colline en Schaunard een wenk en ging met hen weg. + +"Waar gaan jullie heen?" vroeg Marcel. + +"Tabak halen!" antwoordden zij. + +"Ja, in Havana!" voegde Schaunard er aan toe en gaf Marcel een teeken +van verstandhouding, waarop deze met een dankbaren blik antwoordde, + +"Waarom ben je niet eerder gekomen?" vroeg hij opnieuw aan Musette, +toen zij alleen waren. + +"Ja, het is zoo, ik ben wat laat ...." + +"Vijf dagen om over den pont Neuf te komen. Heb je misschien een +omweg over de Pyreneeën gemaakt?" + +Musette sloeg haar oogen neer en bleef zwijgen. + +"O jou slecht meisje!" zeide Marcel op droefgeestigen toon, terwijl +hij zacht met zijn hand op den corsage van zijn vriendinnetje sloeg; +"wat heb je daar toch onder zitten?" + +"Dat weet je heel goed," antwoordde zij snel. + +"Maar wat heb je gedaan, nadat ik je geschreven heb?" + +"Vraag het me niet!" smeekte zij en sloeg haar armen om hem heen; +"vraag me niets. Laat ik me naast je warmen, zoo lang het koud is. Je +ziet, ik had mijn mooiste japon aangetrokken, om naar je toe te gaan +..... Die arme Maurice kon zich maar niet begrijpen, dat ik naar je +toe wilde .... maar ik kon mijn verlangen niet bedwingen .... ik ben +op weg gegaan .... Lekker, dat vuur!" voegde zij eraan toe, terwijl +zij haar handjes dichter bij de vlammen hield. "Ik blijf tot morgen +bij je. Goed?" + +"Het zal hier leelijk koud worden," zeide Marcel, "en eten is er ook +niet meer. Je bent te laat gekomen." + +"Och, wat!" antwoordde Musette; "dan lijkt het des te meer op vroeger!" + + + +Rodolphe, Colline en Schaunard bleven vier-en-twintig uur uit, om +hun tabak te halen. Toen zij weer terugkwamen, was Marcel alleen. + +Vicomte Maurice zag Musette na een afwezigheid van zes dagen eerst +terug. + +Hij maakte haar geen enkel verwijt, vroeg alleen waarom zij zoo +bedroefd was. + +"Ik heb ruzie gehad met Marcel," antwoordde zij; "we zijn kwaad van +elkaar weggegaan!" + +"En toch zal je misschien weer naar hem terugkeeren?" + +"Wat zal ik je zeggen?" zeide Musette; "ik heb behoefte om van +tijd tot tijd de lucht van dat leven in te ademen. Mijn dol bestaan +gelijkt op een lied; ieder van mijn amourettes is een couplet ervan; +maar Marcel is het refrein." + + + + + + +HOOFDSTUK XX. + +MIMI IN ZIJDE EN FLUWEEL. + + +I. + +"Neen, neen, neen, ge zijt niet meer Lisette. Neen, neen, ge zijt +niet meer Mimi! + +"Ge zijt nu mevrouw de vicomtesse, overmorgen zult ge misschien +mevrouw de hertogin zijn, want ge hebt den voet op den ladder, die tot +hoogheid leidt, bestegen; de deur van uw droomen heeft zich eindelijk +voor uw schreden geopend en overwinnend en triompheerend zijt gij +binnengetreden. Ik heb vooruit geweten, dat gij den een of anderen +nacht daarin slagen zoudt. Het moest trouwens zoo gaan: uw kleine, +blanke handjes waren voor niets doen geschapen en verlangden reeds +lang naar den ring van een aristocratische verbintenis. Eindelijk +hebt ge een blazoen! Maar wij zien toch nog altijd liever dat, hetwelk +de jeugd aan uw schoonheid gaf: uw bleek gelaat, welks leliënveld uw +blauwe oogen in vier kwartieren scheen te verdeelen. Doch edele vrouwe +of grisette, bekoorlijk zijt gij altijd; en ik herkende u dadelijk, +toen ge me onlangs op een avond op straat snel in uw mooie laarsjes +voorbij liept, terwijl uw gehandschoend handje den wind hielp om +de volants van uw robe op te houden, eensdeels om die niet vuil te +laten worden, anderdeels om uw geborduurde onderrokken en à-jour +kousen te laten zien. Ge hadt een hoed van een bewonderenswaardigen +vorm en het kwam me voor, dat ge in groote verlegenheid verkeerde ten +gevolge van een kostbaren kanten voile, die van dien kostbaren hoed +neergolfde. Inderdaad een moeilijk geval: het gold immers de vraag, wat +beter en voor uw coquetterie voordeeliger was, die voile neergelaten +of opgeslagen te dragen. Wanneer ge hem voor uw gezicht zoudt dragen, +dan liept ge kans niet herkend te worden door uw vrienden, die ge +tegen zoudt kunnen komen, want die zouden zeker tienmaal langs u +gegaan kunnen zijn, zonder ook maar te vermoeden, dat die prachtige +enveloppe mademoiselle Mimi verborg. Sloegt ge hem daarentegen terug, +dan liep de voile gevaar niet gezien te worden--en waartoe diende +het anders dien te hebben? Doch ge wist die moeilijkheid op zeer +geestrijke wijze te overwinnen, door den voile om de tien pas neer +te doen en weer terug te slaan, dezen voile, dit kostbare weefsel, +dat ongetwijfeld bewerkt is in het spinnewebbenland, dat Vlaanderen +genoemd wordt en dat alleen zeker meer gekost heeft dan uw geheele +vroegere garderobe samen .... Ach, Mimi! .... Pardon .... Ach, mevrouw +de vicomtesse! Ik had, zooals ge nu ziet, wel gelijk, toen ik zeide: +"Geduld, wanhoop niet: de toekomst gaat zwanger van kaschmir-sjaals, +brillanten en intieme soupers. Ge wildet me toen niet gelooven, +ongeloovige. Welnu, mijn voorspellingen zijn toch werkelijkheid +geworden, en ik sta bij u thans zeker even hoog in aanzien als uw +Oracles des Dames, die kleine heksenmeester in 18°, dien ge voor +vijf sous aan een boekenstalletje op den pont Neuf gekocht hebt en +dien ge met uw eeuwigdurende ondervragingen lastig vielt? Nogmaals, +had ik geen gelijk met mijn prophetieën en zult ge me nu gelooven, +wanneer ik u zeg, dat ge op deze trede niet zult blijven staan; +als ik u zeg, dat ik, als ik aandachtig luister, in de diepte van +uw toekomst, reeds het getrappel en gehinnik hoor van paarden, +gespannen voor een blauwen coupé, bestuurd door een gepoederden +koetsier, die de trede voor u neerslaat met de eerbiedige vraag: +"Waar gaat mevrouw heen?" En zult ge me ook gelooven, als ik u zeg, +dat ge later .... God geve, zoo laat mogelijk!... het doel van een +lang gekoesterde eerzucht zult bereiken en een table d'hôte zult +houden te Belleville of in Batignolles en u het hof gemaakt zal worden +door oude militairen en gepensionneerde smachtende aanbidders, die +in het geheim lansquenet en baccaraat bij u komen spelen. Maar voor +dit tijdstip, waarop de zon van uw jeugd reeds ter kimme zal dalen, +komt, zult ge nog heel wat ellen zijde en fluweel gebruiken; zullen +nog heel wat vaderlijke erfdeelen in de smeltkroes van uw grillen en +luimen wegsmelten, zal nog menige bloem in uw haar, nog menige bloem +onder uw voet ontbladerd worden, zult ge zelf nog dikwijls van blazoen +veranderen. Beurtelings zal op uw hoofd de parelsnoer der baronessen, +de kroon der gravinnen en de diadeem der markiezinnen schitteren; +als devies zult ge in uw wapen het woord: "Onbestendigheid" voeren; +gij zult, al naar luim of behoefte, al die talrijke aanbidders op hun +beurt of allen tegelijk weten te bevredigen, welke queue zullen komen +maken in de anti-chambre van uw hart, zooals men queue maakt voor +den ingang van een schouwburg, waar een trekstuk gegeven wordt. Ga +dus voorwaarts, schud al uw herinneringen van u af, om ruimte te +hebben voor uw eerzucht; voorwaarts dus: de weg, die voor u ligt, +is mooi, en wij hopen, dat hij nog lang zacht voor uw voeten zijn +mag; maar vòòr alles hopen wij, dat al die luxe en pracht, al die +schitterende toiletten niet te spoedig de lijkwade zullen worden, +waarin men uw vroolijkheid inwikkelt." + +Zoo sprak de schilder Marcel tot de kleine Mimi, die hij drie of vier +dagen na haar tweede echtscheiding van den dichter Rodolphe ontmoet +had. Hoewel hij getracht had op de spotternijen, die hier en daar door +zijn horoscoop heen gezaaid waren, een sourdine te zetten, was Mimi +in geen enkel opzicht het slachtoffer van Marcel's mooie woorden en +begreep zij heel goed dat hij zich zonder eenigen eerbied voor haar +nieuwen titel, vroolijk maakte over haar. + +"Je bent heel onaardig tegen me, Marcel," zeide mademoiselle Mimi; +"dat is slecht van je: ik ben altijd goed voor je geweest, toen +ik met Rodolphe samenwoonde, en dat ik hem verlaten heb, is zijn +schuld. Heeft hij me niet bijna op straat gezet, en hoe heeft hij +mij de laatste dagen, dat we bij elkaar waren, behandeld? Ik was erg +ongelukkig. Jij weet niet wat voor een man Rodolphe is: een opvliegend +en jaloersch karakter, dat mij langzamerhand vermoordde. Hij hield van +me, dat weet ik heel goed, maar zijn liefde was even gevaarlijk als een +geladen pistool. En wat voor een leven heb ik die vijftien maanden bij +hem gehad? Ach, Marcel, ik wil mij niet beter voordoen dan ik ben, +maar ik heb met Rodolphe veel geleden, dat weet je trouwens zelf +ook wel! En niet omdat we het arm hadden, ben ik van hem weggegaan, +daaraan was ik van jongsaf aan gewend; neen ik zeg je het je nogmaals: +hij heeft mij weggejaagd; hij heeft mijn hart met voeten getreden; +hij heeft me gezegd, dat ik geen eergevoel had, als ik bij hem bleef; +hij heeft me gezegd, dat hij niet meer van me hield en dat ik maar een +anderen minnaar moest zoeken; ja hij is zelfs zòò ver gegaan, dat hij +mij een jongen man heeft aangewezen, die me het hof maakte; en door +zijn eeuwige uittartingen is hij, om zoo te zeggen, de trait-d'union +tusschen mij en dien jongen man geworden. Ik heb met hem slechts +uit dépit tegen Rodolphe en door den nood gedwongen geleefd, want +ik hield niet van hem; je weet zelf heel goed, dat ik niet veel op +heb met zoo heel jonge kereltjes, zij zijn bijna altijd vervelend en +sentimenteel als harmonica's. Enfin wat gebeurd is, is gebeurd en ik +heb er geen spijt van; wanneer ik weer in denzelfden toestand kwam, +zou ik hetzelfde doen. Nu ik niet meer bij hem ben en nu hij weet, dat +ik gelukkig ben, is Rodolphe woedend en voelt hij zich verongelijkt; +dat weet ik van iemand, die hem een paar dagen geleden gezien heeft: +hij had roode oogen. En dat verwondert me niets, want ik wist wel, dat +het zoo gaan zou en hij me heel gauw weer zou naloopen; maar je kunt +hem uit mijn naam zeggen, dat het vergeefsche moeite is ..... ditmaal +is het ernst geweest; het is nu voor goed tusschen ons uit ..... Heb +je hem de laatste dagen nog gezien, Marcel en is hij werkelijk zoo +veranderd?" vroeg Mimi plotseling op een heel anderen toon. + +"Zeker is hij veranderd," antwoordde Marcel; "heel erg veranderd +zelfs." + +"Hij is bedroefd, dat spreekt. Maar wat kan ik er aan doen? Des te +erger voor hem, het is zijn eigen schuld. Ten slotte moest er een +eind aan komen. Troost jij hem, Marcel." + +"O, o," zeide Marcel kalm; "maak je daar maar niet ongerust over, +Mimi; dat is al voor de grootste helft in orde." + +"Wat je daar zegt, is niet waar, beste jongen!" merkte Mimi eenigszins +ironisch op; "zoo gauw zal Rodolphe er niet over heen zijn. Hoe +was hij den avond voor mijn vertrek niet! Het was op een Vrijdag, +ik wou dien nacht niet bij mijn nieuwen minnaar blijven, omdat ik +bijgeloovig ben en de Vrijdag een ongeluksdag is." + +"Daar vergis je je in, Mimi: in de liefde is de Vrijdag een geluksdag; +de Ouden noemden hem Dies Veneris." + +"Latijn heb ik nooit geleerd," viel Mimi hem in de rede. "Maar +enfin; ik kwam dan bij Paul uit en vond Rodolphe beneden op straat op +schildwacht staan. Hij wachtte op me. Het was laat, al over twaalven, +en ik had honger, want ik had slecht gedineerd. Ik vroeg Rodolphe of +hij niet wat voor het souper wilde halen. Een half uur later kwam +hij terug met niet zoo veel bijzonders: brood, wijn, sardientjes, +kaas en een appelkoek, dat was alles. In dien tusschentijd was ik +onder de wol gekropen. Hij schoof de tafel bij het bed. Ik deed net, +alsof ik niet op hem lette, maar ik nam hem heel goed op: hij was +zoo bleek als een lijk, hij rilde en liep in de kamer op en neer +als iemand, die niet weet wat hij wil. In een hoekje zag hij mijn +pakjes met kleeren liggen. Dat scheen hem te hinderen en hij zette +het scherm voor die pakjes, om ze niet meer te zien. Toen alles klaar +was, begonnen we te eten; hij probeerde me te laten drinken, maar ik +had geen honger of dorst meer. Ik had net een gevoel, alsof er een +prop in mijn keel zat. Het was koud, want we hadden geen hout om vuur +aan te leggen; je hoorde den wind door den schoorsteen fluiten. Het +was wel triest. Rodolphe keek me voortdurend aan, zijn oogen stonden +strak. Dan legde hij zijn hand in de mijne; en ik voelde hoe de zijne +beefde, zij was warm en koud tegelijk. + +--"Dat is het begrafenismaal van onze liefde," zeide hij heel zacht. + +"Ik antwoordde niet, maar had ook niet den moed, mijn hand terug +te trekken. + +--"Ik ben moe," zeide ik eindelijk; "het is laat, we moesten maar +gaan slapen." + +"Rodolphe keek me aan. Ik had een van mijn dassen om mijn hoofd +gebonden, om me een beetje tegen de koude te beschermen. Zonder een +woord te zeggen nam hij die das weg. + +--"Waarom doe je dat?" vroeg ik. "Ik heb het koud." + +--"O, Mimi," zeide hij; "zet dezen nacht je gestreepte mutsje nog +eens op. Dat zal je zooveel moeite niet kosten." + +"Hij bedoelde een bruin en wit gestreept nachtmutsje van gedrukt +katoen, dat hij mij graag op zag hebben, omdat het hem herinnerde +aan eenige gelukkige nachten. want daarnaar telden we onze gelukkige +dagen. Daar het de laatste nacht was, dat ik bij hem zou slapen, +durfde ik zijn verzoek niet te weigeren. Ik stond op en ging het +mutsje, dat onder in een van de pakjes lag, halen; ik vergat het +scherm weer op zijn plaats te zetten. Rodolphe merkte het en verborg +voor de tweede maal de pakjes. + +--"Goeden nacht!" zeide hij tegen me. + +--"Goeden nacht!" antwoordde ik. + +"Ik dacht, dat hij mij een zoen zou geven, en ik zou mij daar niet +tegen verzet hebben, maar hij nam slechts mijn hand en drukte die aan +zijn lippen. Je weet, Marcel, hoe graag hij mijn handen kuste. Ik +hoorde hem klappertanden en voelde, dat zijn lichaam zoo koud als +marmer was. Hij hield mijn hand maar steeds vast en had zijn hoofd op +mijn schouder gelegd, die al heel gauw nat van tranen was. Rodolphe +was in een vreeselijken toestand. Hij beet in de beddelakens, om +het niet uit te schreeuwen; maar ik hoorde zijn onderdrukt gesteun +en voelde zijn tranen over mijn schouders stroomen, waarop zij eerst +brandden als vuur, dan koud werden als ijs. Op dat oogenblik had ik +al mijn moed noodig; en ik had dien noodig, dat verzeker ik je, want +ik had maar één woord behoeven te zeggen, mijn hoofd maar behoeven om +te keeren, en mijn mond zou Rodolphe's lippen aangeraakt hebben en wij +zouden ons nogmaals verzoend hebben. Een oogenblik dacht ik werkelijk, +dat hij in mijn armen sterven of minstens krankzinnig worden zou, +wat vroeger bijna reeds het geval geweest is ..... herinner je je nog +wel? Ik voelde, dat ik op het punt stond toe te geven; ik wilde den +eersten stap tot verzoening doen; ik wilde hem in mijn armen sluiten, +want je moet wel een hart van steen hebben om tegenover zoo'n smart +ongevoelig te blijven. Plotseling herinnerde ik me echter de woorden, +die hij den vorigen avond gezegd had: "Je hebt geen eergevoel, als je +bij me blijft, want ik houd niet meer van je." En bij de herinnering +aan die grofheden had ik Rodolphe naast mij hebben kunnen zien sterven, +zou ik, ook al had ik geweten, dat een kus van mij hem zou hebben +kunnen redden, mijn hoofd hebben afgewend. Uitgeput door vermoeienis +viel ik eindelijk in een lichte sluimering. Ik hoorde Rodolphe nog +steeds snikken, en ik verzeker je, Marcel, het duurde den geheelen +nacht door. Toen de dag aanbrak en ik in dat bed, waarin ik voor het +laatst sliep, keek naar mijn minnaar, dien ik ging verlaten, om in de +armen van een ander te snellen, schrok ik vreeslijk bij het zien van +de verwoestingen, die de smart op Rodolphe's gezicht had aangericht. + +"Hij stond op zonder iets te zeggen. Bij de eerste stappen, die +hij deed, sloeg hij bijna tegen den grond, zoo zwak en afgemat was +hij. Toch kleedde hij zich vlug aan en vroeg mij slechts of alles +al klaar was en wanneer ik wegging. Ik antwoordde, dat ik nog niets +zekers wist. Hij ging uit, zonder afscheid te nemen, zonder me een hand +te geven. Op die manier zijn we van elkaar gegaan. Wat een steek zal +het hem in zijn hart gegeven hebben, toen hij me bij zijn thuiskomst +niet meer vond!" + +"Ik was op zijn kamer, toen hij thuiskwam," zeide Marcel tot Mimi, +die buiten adem was van het lange verhaal. "Toen hij beneden om den +sleutel vroeg, zeide de vrouw van den concierge tegen hem: + +--"De kleine is weg." + +--"Zoo," antwoordde Rodolphe, "dat verwondert me niets, dat had ik +wel gedacht." + +"Toen liep hij de trap op en ik volgde hem, omdat ook ik voor een +crisis vreesde. Maar er gebeurde niets van dien aard. + +--"Daar het nu al te laat is om nog een andere kamer te huren," +zeide hij tegen me, "zullen we het maar tot morgen uitstellen. Dan +kan je met me meegaan. En laten we nu gaan eten." + +"Ik dacht, dat hij zich wilde gaan bedrinken, maar ik vergiste me. We +dineerden heel eenvoudigjes in een restaurant, waar jij ook dikwijls +met hem gezeten hebt. Om hem een beetje onder verdooving te brengen, +had ik Beaune besteld." + +--"Dat was de lievelingswijn van Mimi," zeide hij tegen me; +"we hebben dien samen dikwijls gedronken aan hetzelfde tafeltje, +waaraan we nu zitten. Ik herinner me nog hoe zij op een goeden dag +haar glas, dat zij reeds verscheidene malen geledigd had, naar mij +toeschoof met de woorden: "Schenk nog eens in, met dien Beaune kom +je uit de boonen." Een vrij flauwe woordspeling, nauwelijks goed voor +een vaudeville, vindt je niet? Ja, Mimi kan goed drinken!" + +"Daar ik zag, dat hij zich weer in herinneringen wilde gaan verdiepen, +begon ik over wat anders te praten, van jou was er geen sprake +meer. Hij bracht den geheelen avond in mijn gezelschap door en scheen +even kalm als de Middellandsche Zee. Wat mij het meest verwonderde, +was dat zijn kalmte niets gekunstelds had. Hij was de onverschilligheid +in eigen persoon. Tegen middernacht gingen we naar huis." + +--"Je schijnt je er over te verwonderen, dat ik in mijn toestand +zoo kalm ben," zeide hij tegen me; "laat ik even een vergelijking +gebruiken, die, als is zij misschien ook wat triviaal, tenminste de +verdienste heeft juist te zijn. Mijn hart is als een fontein, waarvan +de kraan den geheelen nacht open heeft gestaan, 's morgens is er +geen droppel meer in. Zoo is het nu ook met mijn hart; al de tranen, +die ik nog had, heb ik vannacht verhuild. Het is vreemd; ik dacht, +dat ik rijker was aan smartuitingen en nu heeft één lijdensnacht +mij uitgeput, mij volkomen op het droge gezet. Ik verklaar je op +mijn eerewoord, dat het zoo is. En in hetzelfde bed, waarin ik den +afgeloopen nacht naast een vrouw, die als een blok naast me lag, uit +wanhoop bijna gestorven ben, zal ik straks, terwijl het hoofd van die +vrouw op het kussen van een ander rust, slapen als een pakjesdrager, +die een zwaren dag achter den rug heeft." + +"Comedie," dacht ik bij mijzelf; "voordat ik goed en wel weg ben, +loopt hij met zijn hoofd tegen den muur." + +"Toch liet ik Rodolphe alleen en ging naar mijn eigen kamer, maar +slapen deed ik niet. Om drie uur meende ik leven in de kamer van +Rodolphe te hooren; ik vloog naar beneden in de meening, dat hij aan +het ijlen was." + +"En?" vroeg Mimi. + +"Och, beste meid, Rodolphe sliep, het bed was in het geheel niet in +de war; alles wees erop, dat zijn slaap rustig geweest was en niet +lang op zich had laten wachten." + +"Dat is heel goed mogelijk," vond Mimi; "hij was zoo moe van den +vorigen nacht ... Maar den volgenden morgen?" + +"Den volgenden morgen is Rodolphe mij al heel vroeg komen halen, en +toen zijn we kamers gaan huren in een ander huis, die we denzelfden +avond nog betrokken hebben." + +"En wat heeft hij gedaan, toen hij de kamer verliet, waarin we samen +gewoond hebben?" vroeg Mimi; "wat heeft hij gezegd, toen hij scheidde +van de kamer, waarin hij mij zoo heeft liefgehad?" + +"Hij heeft heel kalm zijn boeltje gepakt," antwoordde Marcel; "en +daar hij in een lade een paar gehaakte handschoenen en twee of drie +brieven vond, die jij vergeten hadt mede te nemen ...." + +"Dat weet ik," viel Mimi hem in de rede op een toon, die scheen te +willen zeggen: Ik heb ze exprès vergeten, om een souvenir aan me achter +te laten. "En wat heeft hij er mede gedaan?" voegde zij eraan toe. + +"Ik meen me te herinneren, dat hij de brieven in de haard en de +handschoenen uit het raam gegooid heeft; maar zonder eenig theatraal +gebaar, zonder pose, op een heel natuurlijke manier, zooals je dat +doet, wanneer je iets, waar je niets meer aan hebt, weg doet." + +"Beste Marcel, uit den grond van mijn hart hoop ik, dat die +onverschilligheid voortduren zal. Maar eerlijk gezegd, ik geloof niet +aan een zoo spoedige genezing, en niettegenstaande alles wat je me +zegt, ben ik er zeker van, dat mijn dichter een gebroken hart heeft." + +"Het is best mogelijk," antwoordde Marcel, terwijl hij afscheid nam van +Mimi; "maar de stukken zijn nog goed, als ik mij niet sterk vergis." + +Gedurende dat gesprek op de straat wachtte vicomte Paul op zijn +nieuwe maîtresse, die veel later dan afgesproken was bij hem kwam en +allesbehalve vriendelijk tegen den vicomte was. Hij knielde voor haar +neer en kirde haar zijn lievelingsromance voor: dat zij bekoorlijk +was, bleek als de maan, zacht als een lam, maar dat hij haar vooral +liefhad om de schoonheid van haar ziel. + +"Ach!" dacht Mimi, terwijl zij de golven van haar bruin haar op de +sneeuw van haar schouders liet neervallen; "Rodolphe was niet zoo +exclusief." + + + + +II. + +Het was, zooals Marcel tegen Mimi gezegd had: Rodolphe scheen radicaal +genezen te zijn van zijn liefde voor Mademoiselle Mimi, en drie of vier +dagen na hun scheiding zag men den dichter geheel gemetamorphoseerd +weer verschijnen. Hij was gekleed met een elegance, die hem zelf +onherkenbaar voor zijn spiegel moest maken, en niets in of aan hem +scheen de vrees te rechtvaardigen, dat hij het voornemen had zich te +storten in de afgronden van het Niet, welk praatje mademoiselle Mimi +met gehuicheld medelijden ingang trachtte te doen vinden. Rodolphe +was inderdaad volkomen kalm; hij luisterde, zonder dat er ook maar één +spier op zijn gelaat vertrok, naar de verhalen, die hem gedaan werden +over de nieuwe en weelderige levenswijze van zijn vriendinnetje, dat +er van haar kant een genoegen in vond hem zooveel mogelijk over haar te +laten inlichten door een jonge vrouw, die haar vertrouwde gebleven was +en in de gelegenheid verkeerde bijna iederen avond met hem te praten. + +"Mimi is erg gelukkig met vicomte Paul," zeide zij tegen den dichter; +"zij schijnt dol verliefd op hem te zijn; één ding echter verontrust +haar, zij is n.l. bang, dat gij haar rust zult komen storen door +achtervolgingen, die echter zeer gevaarlijk voor u zouden zijn, +want de vicomte aanbidt zijn maîtresse en heeft twee jaar lang de +schermschool bezocht." + +"Zoo!" antwoordde Rodolphe; "zij kan rustig slapen; ik heb heelemaal +geen lust azijn in het suikerwater van haar wittebroodsweken te +gieten. En wat haar jeugdigen minnaar betreft, die kan gerust zijn +degen aan den spijker laten hangen evenals Gastibelza, den man met +den karabijn. [46]" + +Natuurlijk werd Mimi op de hoogte gebracht van de kalmte, waarmede +haar vroegere minnaar al die bijzonderheden opnam, en van haar kant +verzuimde zij niet met een schouderophalen te antwoorden: + +"Het is goed! We zullen binnenkort wel zien, waar het op uitloopt!" + +Intusschen was Rodolphe nog meer dan ieder ander verbaasd over die +plotselinge onverschilligheid, welke, zonder de gewone phasen van +droefgeestigheid en melancholie te doorloopen, volgde op de woeste +stormen, die nog eenige dagen te voren in zijn hart gewoed hadden. De +vergetelheid, die anders vooral voor ongelukkige verliefden zoo +langzaam komt; de vergetelheid, die zij luide roepen en die zij +nog luider terugstooten, wanneer zij haar voelen naderen; deze +onverbiddelijke troosteresse had zich plotseling en onverwachts, +zonder dat hij er zich tegen had kunnen verzetten, in Rodolphe's hart +ingedrongen, en de naam van de vrouw, die hij zoo hartstochtelijk had +liefgehad, kon nu genoemd worden, zonder in zijn ziel een weerklank te +vinden. Wonderlijk, Rodolphe, wiens sterk geheugen de herinneringen aan +dingen, die in de verst verwijderde dagen van het verleden geschied +waren, en aan personen, die in zijn leven, al was het nog zoo lang +geleden, een rol gespeeld of op zijn bestaan invloed gehad hadden, +bewaarde; diezelfde Rodolphe kon, hoe hij zich ook inspande, zich vier +dagen na de scheiding niet duidelijk de trekken herinneren van zijn +vriendinnetje, dat met haar blanke, zachte handjes zijn leven bijna +gebroken had. De zachte oogen, in wier schittering hij zoo dikwijls +ingeslapen was, kon hij zich niet meer voor den geest roepen. Hij +herinnerde zich zelfs den klank der stem niet meer, wier uitbarstingen +van woede of verliefd gefluister hem tot waanzin brachten. + +Een van zijn vrienden, ook een dichter, die hem sinds zijn +echtscheiding niet gezien had, zag hem op een avond blijkbaar in droeve +gedachten verzonken met groote passen op straat op en neer loopen. + +"Zoo, ben jij daar!" zeide de dichter, terwijl hij Rodolphe de hand +toestak en hem nieuwsgierig opnam. + +Daar hij zag, dat Rodolphe een bedroefd gezicht zette, meende hij +hem wat moed te moeten inspreken: + +"Kom, kerel, moed! Ik weet, dat dergelijke dingen zwaar te dragen zijn, +maar het had er toch eenmaal toe moeten komen. Beter nu dan later! En +binnen drie maanden ben je weer heelemaal genezen!" + +"Wat voor een dwaasheid sta je toch uit te slaan?" zeide Rodolphe; +"ik ben niet ziek." + +"Kom," antwoordde de ander, "houd je nou maar zoo groot niet. Ik ken +de heele geschiedenis, en al kende ik die niet, dan zou ik die toch +op je gezicht kunnen lezen." + +"Pas op, kerel, je vergist je!" zeide Rodolphe; "weliswaar ben ik +vanavond een beetje mismoedig, waar wat de oorzaak daarvan betreft, +sla je de plank heelemaal mis." + +"Ach, Rodolphe, waarom strijdt je toch zoo tegen? Het is heel +natuurlijk; een liaison, die bijna twee jaar geduurd heeft, breek je +niet zoo maar zonder kleerscheuren af." + +"Dat zeggen jullie allemaal!" zeide Rodolphe ongeduldig; "maar jullie +hebt het allemaal op mijn woord van eer mis. Ik ben erg bedroefd en +zie er misschien ook zoo uit, dat is mogelijk; maar ik ben het alleen +maar, omdat mijn kleermaker mij vandaag mijn nieuwe pak zou bezorgen +en het niet gedaan heeft. Zie je, daarom heb ik het land." + +"Grappenmaker, grappenmaker!" zeide de ander lachend. + +"Waarachtig niet, ik ben ernstig, doodernstig. Luister maar even naar +mijn redeneering." + +"Nou ik luister: bewijs mij eens hoe je redelijkerwijze zoo'n bedroefd +gezicht kunt zetten, omdat een kleermaker je pak niet thuisbezorgd +heeft. Ga je gang, en laat eens hooren." + +"Je weet toch," zeide Rodolphe, "dat kleine oorzaken groote gevolgen +kunnen hebben. Ik moest vanavond een zeer gewichtig bezoek afleggen +en dat kan ik nu niet doen, omdat ik geen fatsoenlijk pak heb. Begrijp +je het nu?" + +"Neen, volstrekt nog niet. Ik zie tot op dit oogenblik geen voldoende +motief, om zoo het land te hebben. Je vindt het vervelend ..... omdat +..... kort en goed, je lijkt wel dwaas, om me zoo iets op de mouw te +willen spelden. Dat is mijn meening." + +"Kerel, je bent al bliksems halsstarrig. Je hebt altijd reden om het +land te hebben, wanneer je een gelukje of zelfs maar een pleiziertje +misloopt, omdat het dan zoo goed als onherroepelijk verloren is, want +het is meestal zelfbedrog als je tegen je zelf zegt: "Ik zal het een +anderen keer wel inhalen!" Maar om kort te gaan, ik had vanavond een +rendez-vous met een jong meisje: ik zou haar ontmoeten in een huis, +vanwaar ik haar misschien mee naar mijn kamer genomen zou hebben, +als het korter was dan om naar de hare te gaan, en misschien ook wel, +al was het langer. In dat huis nu wordt vanavond een soirée gegeven, +een soirée waarop je alleen maar in rok kunt komen; ik heb geen rok, +mijn kleermaker moest mij er een brengen; hij brengt dien rok niet, dus +kan ik ook niet naar de soirée gaan; dus ontmoet ik het jonge meisje +niet, dat nu misschien een ander ontmoet; dus breng ik haar noch naar +mijn kamer noch naar de hare, waarheen ze nu misschien door een ander +gebracht wordt. Zooals ik al zeide, loop ik derhalve een gelukje of +een pleiziertje mis; derhalve heb ik het land; derhalve zie ik eruit, +alsof ik het land heb; derhalve is de heele zaak heel natuurlijk." + +"Nou goed dan," zeide de vriend. "Derhalve ben je nauwelijks met je +eenen voet uit de hel, of je stapt met je anderen weer in een nieuwe; +maar, waarde vriend, toen ik je hier in de straat zag, maakte het +toch precies den indruk, alsof je hier liept te schilderen." + +"Dat deed ik ook," antwoordde Rodolphe. + +"Maar het is toch wel heel toevallig, dat dit juist gebeurt in het +stadsdeel, waarin je vroeger vriendinnetje woont: wat bewijst mij, +dat je niet op haar wacht?" + +"Hoewel ik van haar gescheiden ben, hebben particuliere redenen mij +genoopt in dit stadsgedeelte te blijven wonen; maar al zijn we bijna +buren, toch zijn we even ver van elkaar verwijderd, alsof zij zich +aan de Noord- en ik mij aan de Zuidpool bevond. Bovendien zit mijn +vroegere maîtresse op dit oogenblik in het hoekje van den haard en +neemt les in de Fransche taal bij vicomte Paul, die haar door middel +van de orthographie op het pad der deugd wil terugbrengen. Lieve +Hemel, wat zal hij haar verwennen! Enfin, dat is zijn zaak, nu hij de +hoofdredacteur van zijn geluk is! Je ziet dus, dat je opmerkingen meer +dan onzinnig zijn, en dat ik, verre van het uitgewischte spoor van mijn +oude liefde weer te willen zoeken, juist een nieuwe op het spoor ben, +die reeds in mijn nabijheid woont en nog dichter bij mij komen zal, +want ik ben volkomen bereid haar een eind weegs tegemoet te gaan, +en als zij dat ook wil doen, zal het niet lang duren voor we het +eens zijn." + +"Ben je dus werkelijk alweer verliefd?" vroeg de dichter. + +"Dat ligt nu eenmaal in mijn natuur," antwoordde Rodolphe; "mijn +hart lijkt op een woning, die je dadelijk te huur hangt, zoodra de +bewoner heeft opgezegd. Wanneer een liefde mijn hart verlaat, hang +ik een bordje uit, om een andere te krijgen. De kamers zijn bovendien +prettig om te bewonen en pas gerepareerd." + +"En wie is die nieuwe afgod? Waar en wanneer heb je ze leeren kennen?" + +"Laat ik het je regelmatig vertellen," zeide Rodolphe. "Toen Mimi +me verlaten had, was ik er vast van overtuigd, dat ik nooit van +mijn leven weer verliefd zou worden, en geloofde ik in allen ernst, +dat mijn hart van uitputting of ouderdomszwakte of wat je maar wilt +gestorven was. Het had zoo hard en zoo lang geklopt, dat dit zeer +goed mogelijk was. Kortom ik waande het dood, morsdood, zòò dood, +dat ik erover dacht het net als Marlborough te begraven. Bij die +gelegenheid gaf ik een klein begrafenisdinertje, waarop ik enkele +van mijn intieme vrienden inviteerde. De gasten moesten een bedroefd +gezicht trekken en de flesschen hadden een rouwfloers over de hals." + +"En waarom heb je mij niet gevraagd?" + +"Neem me niet kwalijk, maar ik wist het adres van de wolk, waarop je +troont, niet." + +"Nou enfin, vertel maar verder!" + +"Een van de gasten had een jong meisje meegebracht, dat ook kort +geleden door haar minnaar verlaten was. Een van mijn vrienden, die heel +goed op de violoncel der sentimentaliteit speelt, vertelde haar mijn +geschiedenis. Hij schilderde de jonge weduwe de goede hoedanigheden +van mijn hart, dien armen doode, dien we juist wilden gaan begraven, +en noodigde haar ten slotte uit een dronk te wijden aan zijn eeuwige +rust. Doch haar glas opheffende zeide zij: "Integendeel, ik drink op +zijn voortdurende gezondheid!" En bij die woorden wierp zij mij een +blik toe, om een doode weer levend te maken, zooals men dat noemt, en +hier kon men dat met recht zeggen, want nauwelijks had zij haar toast +uitgebracht, of ik voelde, dat mijn hart het O Filii der Opstanding +begon aan te heffen. Wat hadt jij in mijn plaats gedaan?" + +"Dat is ook een vraag!.... hoe heet zij?" + +"Dat weet ik zelf niet, en ik zal haar naam niet vragen, voordat we ons +contract teekenen. Ik weet wel, dat ik volgens het inzicht van sommige +menschen den wettelijken treurtermijn nog niet geheel doorloopen heb, +maar ik heb aan mezelf dispensatie gevraagd en.... . verleend. Wat ik +wel weet, is dat mijn aanstaande als bruidschat vroolijkheid, die de +gezondheid is van den geest, en gezondheid, die de vroolijkheid van +het lichaam is, zal medebrengen." + +"Is zij knap?" + +"Heel knap, vooral haar tint is mooi; je zoudt bijna denken, dat zij +zich 's ochtends met het palet van Watteau schminkt. + +Elle est blonde, mon cher, et ses regards vainqueurs Allument +l'incendie aux quatre coins des coeurs. + +Getuige het mijne!" + +"Een blondine? Dat verwondert me van jou!" + +"Ja ik heb genoeg van ivoor en ebbenhout, ik ga over tot de blondines." + +En al luchtsprongen makend, begon Rodolphe te zingen: + + + "Et nous chanterons à la ronde, + Si, vous voulez, + Que je l'adore, et qu'elle est blonde + Comme les blés." + + +"Arme Mimi!" zeide de vriend; "zoo gauw vergeten!" + +Deze naam deed Rodolphe's uitbundigheid dadelijk verstommen en gaf aan +het gesprek plotseling een andere wending. Rodolphe gaf zijn vriend +een arm en vertelde hem uitvoerig de oorzaken van zijn breuk met Mimi; +den angst, die zich van hem meester had gemaakt, toen zij hem had +verlaten; hoe ontroostbaar hij geweest was, omdat hij meende, dat zij +al zijn levenskracht en liefde met zich medegenomen had; en hoe hij +twee dagen later tot de ontdekking gekomen was, dat hij zich vergist +had, toen hij voelde, hoe het kruit van zijn hart, dat door zooveel +snikken en tranen nat geworden was, onder den eersten van jeugd en +hartstocht fonkelenden blik voor de eerste vrouw, die hij ontmoette, +weer warm geworden was, vuur had gevat en ontploft was. Hij schilderde +hem den plotselingen en geweldigen ommekeer, dien de vergetelheid, +zonder dat hij die te hulp had geroepen, in hem veroorzaakt had, +en hoe de smart in hem gestorven en in die vergetelheid begraven was. + +"Is het geen wonder?" vroeg hij aan den dichter. + +Doch deze, die alle smartelijke hoofdstukken van een ongelukkige +liefde uit eigen ervaring kende, antwoordde: + +"Welneen, beste kerel, er gebeuren geen wonderen meer, noch voor jou +noch voor anderen. Wat jou nu overkomt is mij ook overkomen. Wanneer +de vrouwen, die wij liefhebben, onze maîtressen worden, houden zij +op voor ons te zijn wat zij in werkelijkheid zijn. Wij zien ze dan +niet alleen meer met de oogen van den minnaar, maar ook met die van +den dichter. Zooals de schilder om een ledepop het keizerlijke purper +of den met sterren bezaaiden sluier van een heilige jonkvrouw hangt, +hebben wij altijd magazijnen vol schitterende mantels en verblindend +witte gewaden, die we onverstandige, onbevallige of kwaadaardige +schepselen om de schouders werpen; en wanneer zij dan zoo gekleed +zijn in het kostuum, waarin onze ideale geliefden ons in het azuur +van onze droomen verschenen, dan laten wij ons door deze vermomming +om den tuin leiden. Wij belichamen onzen droom in de eerste de beste +vrouw, tegen wie wij onze taal spreken, en die ons niet begrijpt. + +"En wanneer dan zoo'n schepsel, dat wij aanbidden en aan wiens voeten +wij nederknielen, zichzelf het goddelijk omhulsel, waaronder wij het +verborgen hadden, afrukt, om ons des te beter haar lage natuur en haar +gemeene instincten te laten zien; wanneer zoo'n vrouw onze hand op haar +hart legt, waarin niets meer klopt en misschien nooit iets geklopt +heeft; wanneer zij haar sluier wegslaat en ons haar doffe oogen, +haar bleeke lippen en haar verwelkte trekken zien laat, dan hullen +wij haar weer in dien sluier en roepen uit: "Gij liegt, gij liegt! Ik +heb je lief en gij hebt mij lief! Die witte boezem is het omhulsel +van een hart, dat nog in de volle kracht van zijn jeugd is; ik heb je +lief en gij hebt mij lief! Gij zijt mooi, gij zijt jong! Onder in al +je gebreken leeft nog de liefde. Ik heb je lief en gij hebt mij lief! + +"Ten slotte echter--o, heelemaal ten slotte--bemerken wij, nadat wij +ons vergeefs een driedubbele blinddoek voor de oogen gebonden hebben, +dat wij zelfs de slachtoffers van onze dwalingen geworden zijn en +jagen wij de ellendige weg, die den dag tevoren nog onze afgod was +geweest; wij nemen dan den gouden sluier van onze poëzie terug, om +ze den volgenden dag weer te werpen over de schouders van een nieuwe +onbekende, die onmiddellijk haar plaats als stralenomkranst afgodsbeeld +inneemt. En zoo zijn wij allen--vreeselijke egoisten bovendien, die de +liefde liefhebben ter wille van de liefde; je begrijpt, wat ik bedoel; +en wij drinken dien goddelijken nektar uit het eerste het beste glas, +getrouw aan de spreuk: + +"Qu'importe le flacon, pourvu qu'on ait l'ivresse!" + +"Wat je daar zegt is even waar, als tweemaal twee vier is," zeide +Rodolphe tot den dichter. + +"Ja," antwoordde deze, "het is waar en treurig, zooals bijna alle +waarheden. Bonsoir." + + + +Twee dagen later hoorde mademoiselle Mimi, dat Rodolphe een nieuw +vriendinnetje had. Zij informeerde echter verder slechts naar één ding, +n.l. of hij haar even dikwijls de hand kuste als haarzelf vroeger. + +"Even dikwijls!" antwoordde Marcel. "En bovendien kust hij ook haar +haren, het eene na het andere, en zij zullen zòò lang bij elkaar +blijven, tot hij ze alle gekust heeft." + +"Hè!" antwoordde Mimi, terwijl ze met beide handen door haar haar +streek; "gelukkig maar, dat hij zich niet in zijn hoofd gehaald heeft +met mij hetzelfde te doen, anders waren we ons leven lang bij elkaar +gebleven. Geloof je overigens werkelijk, dat hij heelemaal niet meer +van me houdt?" + +"Ach!.... En houdt jij nog van hem?" + +"Ik heb nooit van hem gehouden!" + +"Dat is wel waar, Mimi, je hebt van hem gehouden op het oogenblik, +dat het hart van een vrouw op zijn goede plaats zit. Je hebt van +hem gehouden--spreek dat niet tegen, want juist daarin ligt je +rechtvaardiging." + +"Bah!" zeide Mimi; "hij houdt nu van een ander!" + +"Dat is zoo!" zeide Marcel, "maar dat doet aan de andere zaak niets +af. Later zal de herinnering aan jou voor hem zijn als die bloemen, +welke men frisch en geurend tusschen de bladeren van een boek legt, +en die men veel, heel veel later terugvindt, verwelkt, verkleurd en +dood, maar toch nog altijd met een onbestemden geur van haar eerste +frischheid." + + + +Op een avond, dat Mimi zacht een melodie neuriede, vroeg vicomte +Paul haar: + +"Wat zing je daar, lieveling?" + +"De lijkrede van onze liefde, die mijn vroegere minnaar Rodolphe +onlangs gedicht heeft." + +En zij zong: + + + "Je n'ai plus le sou, ma chère, et le Code, + Dans un cas pareil, ordonne l'oubli; + Et sans pleurs, ainsi qu'une ancienne mode, + Tu vas m'oublier, n'est-ce pas, Mimi? + + C'est égal, vois-tu, nous aurons, ma chère, + Sans compter les nuits, passé d'heureux jours, + Ils n'ont pas duré longtemps; mais qu' y faire? + Ce sont les plus beaux qui sont les plus courts." + + + + + + +HOOFDSTUK XXI. + +ROMEO EN JULIA. + + +Mooi als een plaatje uit zijn tijdschrift l'Echarpe d'Iris, met +nieuwe handschoenen, elegante schoenen, gladgeschoren, gefriseerd, +opgedraaide snorpunten, een wandelstokje in de hand, een monocle in +het oog, stralend en verjongd stond onze vriend, de dichter Rodolphe +op een Novemberavond op den boulevard op een rijtuig te wachten, +waarmede hij zich naar huis wilde laten brengen. + +Rodolphe wachten op een rijtuig? Welk een ommekeer was er plotseling +in zijn particulier leven gekomen? + +Op hetzelfde uur, dat de als het ware gemetamophorseerde dichter, een +grooten regalia in den mond, zijn snor opdraaide en de blikken der +dames trok, kwam een vriend van hem denzelfden boulevard langs. Het +was de wijsgeer Colline. Rodolphe zag hem in de verte aankomen en +herkende hem dadelijk; trouwens wie, die hem ook maar éénmaal in zijn +leven gezien had, zou hem niet herkennen? Colline was als gewoonlijk +belast en beladen met een dozijn oude boeken. In zijn onsterfelijken +bruinen paletot, welks onverslijtbaarheid de veronderstelling, +dat hij door de Romeinen gemaakt was, rechtvaardigde, en met zijn +beroemden, breedgeranden hoed, die op een vilten koepel geleek, +waaronder een zwerm hyperphysische droomen door elkaar krioelde, +en die den bijnaam had van de "stormhoed van den Mambrin der moderne +philosophie", liep Gustave Colline langzaam voort en declameerde voor +zichzelf zacht de voorrede van een werk, dat sedert drie maanden ter +perse lag ..... in zijn verbeelding. Zoo kwam hij langzamerhand bij +den plek, waar Rodolphe stond te wachten; hij meende hem te herkennen, +maar de buitengewone elegance van den dichter bracht den wijsgeer in +twijfel en onzekerheid. + +"Rodolphe met handschoenen en een wandelstok! Een chimère! Een +utopie! Een verstandsverbijstering! Rodolphe, die al even weinig haren +heeft als de gelegenheid, gefriseerd! Waar zitten mijn oogen? Bovendien +is mijn ongelukkige vriend op dit oogenblik druk bezig met het +dichten van klaagliederen over het vertrek van zijn Mimi, die hem, +naar ik heb hooren vertellen, heeft laten zitten. + +Intusschen was Colline, toen hij vlak bij Rodolphe stil bleef staan, +wel genoodzaakt zich door de werkelijkheid der feiten te laten +overtuigen; het was inderdaad Rodolphe, gefriseerd, met een wandelstok +en handschoenen; het was onmogelijk, maar het was waar. + +"Alle duivels," riep Colline; "ik vergis me niet; jij bent het, +het kan niet missen, ik ben er zeker van." + +"Ik ook," antwoordde Rodolphe. + +Colline begon nu zijn vriend van top tot teen op te nemen en zette +daarbij een gezicht zooals de hofschilder Lebrun het geschilderd had, +om de allergrootste verbazing uit te drukken. Maar plotseling ontdekte +hij twee heel bijzondere dingen, die Rodolphe bij zich had, n.l. 1o +een touwladder en 2o een kooitje, waarin een vogel rondvloog. Toen +Colline die dingen zag, drukte zijn physionomie een gevoel uit, dat +de hofschilder Lebrun op zijn doek der "Menschelijke Hartstochten" +vergeten heeft weer te geven. + +"Kom," zeide Rodolphe tot zijn vriend; "ik heb de nieuwsgierigheid +van je geest heel duidelijk door het venster van je oogen zien gluren; +ik zal ze bevredigen; maar laten wij niet zoo hier op straat blijven; +het is zoo koud, dat vraag en antwoord zouden bevriezen." + +En zij gingen een café binnen. + +Colline's oogen waren geen moment van den touwladder af, evenmin als +van het kooitje, waarin de vogel, die door de warmte van het café wat +fleuriger werd, begon te zingen in een taal, welke Colline, die toch +een polyglot was, niet kende. + +"Vertel me nu eindelijk eens," vroeg Colline op den touwladder wijzend, +"wat dat is?" + +"Een verbinding tusschen mijn geliefde en mij," antwoordde Rodolphe +met den klank van een mandoline in zijn stem. + +"En dat?" vroeg de wijsgeer met een blik op den vogel. + +"Dat," zeide de dichter en zijn stem werd zacht als een lentebriesje; +"dat is een klok." + +"Spreek toch zonder gelijkenissen, in alledaagsch proza, maar +duidelijk!" + +"Goed. Heb je Shakespeare gelezen?" + +"En of! To be or not to be. Een groot philosoof.... Of ik hem +gelezen heb!" + +"Herinner je je Romeo en Julia?" + +"Dat zou ik denken!" zeide Colline. + +En hij begon te reciteeren: + + + "It is not yet near day; + It was the nightingale, and not the lark, + That pierc'd the fearful hollow of thine ear. [47] + + +"Ja hoor, ik herinner me Romeo en Julia best. En verder?" + +"Wat?" zeide Rodolphe, op den touwladder en den vogel wijzend, "begrijp +je het nu nog niet? Ik ben verliefd, kerel, verliefd op een meisje, +dat Julia heet!" + +"Nou, en verder?" vroeg Colline ongeduldig. + +"Welnu, daar mijn nieuwe geliefde Julia heet, heb ik het plan gevormd +met haar het drama van Shakespeare nogmaals op te voeren. In de eerste +plaats heet ik niet meer Rodolphe, maar Romeo Montague, en je zult me +zeer verplichten mij in het vervolg zoo te noemen. Bovendien heb ik, +opdat iedereen het zal weten, nieuwe visitekaartjes laten drukken. Maar +dat is niet alles: ik zal van de omstandigheid, dat we nog niet in +den carnavalstijd zijn, gebruik maken, om een fluweelen wambuis en +een degen te dragen." + +"Om Tybalt te dooden?" vroeg Colline. + +"Precies," antwoordde Rodolphe. "Kort en goed, deze touwladder moet +dienen, om binnen te komen bij mijn geliefde, die toevallig een balcon +voor haar kamer heeft." + +"Maar die vogel, die vogel?" bleef Colline aandringen. + +"Wel, die vogel is een duif en moet de rol spelen van nachtegaal +door iederen ochtend precies het oogenblik aan te geven, waarop mijn +geliefde, uit wier omarming ik mij losmaken wil, haar armen om mijn +hals slaan en juist zooals in de balconscène zeggen zal: "Neen, het +is nog niet de dag, het was de nachtegaal ....." d.w.z.: "Neen , het +is nog geen elf uur, het is vuil op straat, ga nog niet weg, het is +zoo lekker hier." Om de illusie volkomen te maken, zal ik probeeren +een min te krijgen en die ter beschikking van mijn geliefde stellen; +en ik hoop, dat de kalender zoo goedgunstig zal zijn om mij nu en +dan, wanneer ik het balcon van mijn Julia beklim, wat maneschijn te +verleenen. Wat zeg je van mijn plan, philosoof?" + +"Heel aardig," antwoordde Colline; "maar wil je me misschien ook +het mysterie van dit prachtige omhulsel, dat je onherkenbaar maakt, +ontsluieren? .... Ben je millionair geworden?" + +Rodolphe gaf geen antwoord, maar wenkte een kellner en gaf hem +onverschillig een louis met de woorden: + +"Houd maar af!" + +Dan sloeg hij op zijn vestjeszakje, dat begon te zingen. + +"Heb je soms een klokketoren in je zak, dat het daar zoo luidt?" + +"Een paar louis maar." + +"Echte louis d'or?" zeide Colline met een van verbazing gesmoorde +stem. "Laat mij eens kijken, hoe die eruit zien!" + +Dan scheidden de beide vrienden, Colline, om Rodolphe's schatten en +nieuwe liefde verder uit te bazuinen, Rodolphe om naar huis te gaan. + +In de week, die gevolgd was op den tweeden breuk met Mimi, had zich +het volgende afgespeeld. + +Toen de dichter met zijn vriendinnetje gebroken had, voelde hij +behoefte om van omgeving te veranderen en verliet hij met zijn vriend +Marcel het sombere hôtel garni, welks eigenaar de beide heeren zonder +al te veel spijt zag heengaan. Zooals wij reeds verteld hebben, gingen +zij samen een ander onderdak zoeken en huurden twee kamers in hetzelfde +huis en op dezelfde verdieping. De door Rodolphe gekozen kamer was +veel geriefelijker dan al degene, die hij vroeger bewoond had. Er +stonden bijna werkelijke meubels in; met name een canapé met een rood +overtrek, dat fluweel moest voorstellen, welke stof echter in geen +enkel opzicht het spreekwoord: "Doe wat ge moet" in praktijk bracht. + +Op den schoorsteen flankeerden twee porceleinen vazen met bloemen en +een albasten pendule met afschuwlijke versieringen. Rodolphe zette +de vazen in een kast en verzocht den huisheer, toen deze de pendule +kwam opwinden, dat liever niet te doen. + +"De pendule mag voor mijn part op den schoorsteen blijven staan," zeide +hij, "maar alleen als kunstvoorwerp; zij staat nu op middernacht, +dat is een mooi uur; zij moet er dus op blijven staan. Zoodra zij +vijf minuten later wijst, ga ik verhuizen ..... Een pendule!" ging +Rodolphe, die zich nooit aan de tyrannie van een wijzerplaat had +kunnen onderwerpen, tot zichzelf sprekende, voort; "een pendule is een +verbitterde vijand , die je onverbiddelijk je bestaan uur voor uur, +minuut voor minuut voortelt en je ieder oogenblik zegt: "Daar is weer +een deel van je leven voorbij!" O, ik zou niet rustig kunnen slapen +in een kamer, waarin een van die martelwerktuigen staat, in welker +nabijheid zorgeloosheid en droomen onmogelijk zijn .... Een pendule, +waarvan de wijzers zich verlengen tot aan je bed en je 's ochtends, +wanneer je in een heerlijken sluimer ligt, komen prikken ..... Een +pendule, die je steeds toeroept: "ding, ding, ding! Het is tijd, +om te gaan werken, maak je los uit de armen van je heerlijken droom, +onttrek je aan de liefkozingen van je visioenen (en soms aan die van +werkelijkheden). Zet je hoed op, trek je schoenen aan, het is koud, het +regent, ga aan je werk, het is tijd, ding, ding" ..... Een kalender is +al meer dan mooi .... Mijn pendule moet verlamd blijven, anders ...." + +Gedurende dezen monoloog onderwierp Rodolphe zijn nieuwe kamer aan een +nauwgezette inspectie en voelde daarbij in zich die heimelijke onrust, +welke zich bijna altijd van ons meester maakt, wanneer we een nieuwe +woning betrekken. + +"Ik heb," dacht hij bij zichzelf, "opgemerkt, dat de kamers, die we +bewonen, een geheimzinnigen invloed uitoefenen op onze gedachten en +derhalve ook op onze daden. Deze kamer hier is kil en stil als een +graf. Indien hier ooit vroolijkheid heerschen zal, dan moet zij van +buitenaf worden ingevoerd; en ook dan zal zij hier niet lang blijven, +want onder dezen lagen zolder, die koud en grijs als een sneeuwlucht +is, moet de lach zónder echo sterven. O wee, hoe zal mijn leven +tusschen deze vier muren zijn!" + + + +Eenige dagen later echter was deze zoo trieste kamer verlicht en +weerklonk van vroolijk gelach: Rodolphe gaf een inwijdingsfeest, en +de talrijke ledige flesschen verklaarden meer dan genoeg de opgewekte +stemming der gasten. De dichter zelf had zich door de aanstekelijke +vroolijkheid der feestgenooten laten medesleepen. Hij zat met een +jong meisje, dat het toeval hier gebracht en waar hij dadelijk +beslag op gelegd had, in een hoek en flirtte met haar met woorden +en handbewegingen. Tegen het einde van het feest was hij al zoover, +dat hij een rendez-vous met haar had voor den volgenden dag. + +"Zoo," zeide hij tot zichzelf, toen hij weer alleen was, "deze +avond is nog al aardig geslaagd. Mijn verblijf hier is onder goede +voorteekenen begonnen." + +Den volgenden dag kwam Julia op het afgesproken uur bij hem. De avond +ging geheel weg met verklaringen en uitleggingen. Julia had gehoord, +dat Rodolphe kort geleden gebroken had met het blauwoogige meisje, +waar hij zooveel van gehouden had; zij wist ook, dat Rodolphe na de +eerste scheiding haar weer teruggenomen had, en was daarom bang het +slachtoffer van een nieuwe verzoening te zullen worden. + +"Want, zie je," zeide zij met een aardig en schalksch gebaartje, +"ik voel er heelemaal niets voor een belachelijke rol te spelen. Ik +zeg je vooruit, dat ik niet makkelijk ben; ben ik hier eenmaal de +vrouw des huizes"--en met een guitigen blik onderstreepte zij de +beteekenis, die zij aan deze laatste woorden gaf--"dan blijf ik het +en sta ik mijn plaats niet af." + +Rodolphe riep al zijn welsprekendheid te hulp om haar te overtuigen, +dat haar vrees ongegrond was, en daar het jonge meisje van haar kant +niets liever wilde dan overtuigd worden, waren zij het heel gauw +eens. Doch die eensgezindheid hield weer op, toen het twaalf uur was, +want Rodolphe wilde, dat Julia bleef, terwijl zij naar huis wilde gaan. + +"Neen!" zeide zij, toen hij bleef aandringen. "Waarom zouden we ons +zoo haasten? Wij komen nog altijd vroeg genoeg waar we wezen willen, +als jij tenminste niet blijft staan. Morgen kom ik terug." + +En zoo kwam zij een week lang iederen avond terug, om weer weg te gaan, +zoodra het twaalf uur sloeg. + +Rodolphe vond dien langzamen voortgang volstrekt niet vervelend. Hij +behoorde in het land der liefde of verliefdheid tot die soort van +reizigers, die de reis rekken en schilderachtig trachten te maken. Deze +kleine sentimenteele inleiding voerde hem echter ten slotte verder +dan hij eigenlijk wilde gaan. En ongetwijfeld had mademoiselle Julia +deze taktiek toegepast met het oogmerk hem tot dat punt te brengen, +waarop verliefdheid, gerijpt door den tegenstand, op liefde begint +te gelijken. + +Iederen keer, dat zij den dichter opzocht, merkte Julia in wat hij +tot haar zeide, een grootere innigheid, een duidelijker uitgesproken +gevoel op. Wanneer zij wat laat was, maakte zich die kenteekenende +onrust van hem meester, welke het jonge meisje in verrukking bracht; +en hij schreef haar zelfs brieven, welker bewoordingen haar reden gaven +te hopen, dat zij weldra zijn wettige "vrouw des huizes" zou worden. + +Toen Marcel, die zijn vertrouwde gebleven was, bij toeval eens een +van die epistels gelezen had, vroeg hij lachend: + +"Zijn dat stijloefeningen, of meen je werkelijk wat je schrijft?" + +"Waarachtig, ik meen het," antwoordde Rodolphe; "en het verwondert +me zelf ook wel een beetje, maar toch is het zoo. Acht dagen geleden +was ik in een zeer droefgeestige stemming. Die stilte en die kalmte, +die zoo plotseling en onmiddellijk op de stormen van mijn vroeger leven +gevolgd waren, maakten mij vreeselijk van streek, maar heel onverwacht +kwam Julia. Ik hoorde in mijn ooren de fanfares van een vroolijkheid +van een twintig-jarige weerklinken. Ik zag voor mij een frisch +gezichtje, lachende oogen, een mondje om te kussen, en langzamerhand +heb ik mij laten medevoeren op die helling der verliefdheid, welke +mij misschien tot liefde leiden zal. Ik heb graag lief." + +Intusschen begon Rodolphe al heel gauw te merken, dat het slechts +van hem afhing, om een slot te maken aan dezen roman, en was toen op +het denkbeeld gekomen Shakespeare's Romeo en Julia te monteeren. Zijn +toekomstige geliefde vond het een aardig idee en had haar medewerking +toegezegd. + +De repetitie van de balconscène was vastgesteld juist op denzelfden +avond, dat de wijsgeer Colline Rodolphe op straat ontmoette. De +dichter had even te voren den zijden touwladder gekocht, waarmede +hij op het balcon van Julia wilde klimmen. Daar de vogelkoopman geen +nachtegaal voorhanden had, nam hij er een duif voor in de plaats, die, +naar hem verzekerd werd, iederen ochtend bij het opgaan der zon zong. + +Op zijn kamer gekomen, bedacht de dichter, dat een hemelvaart per +touwladder nu niet zoo heel gemakkelijk was en dat het derhalve +wenschelijk was de balconscène vooruit in te studeeren, als hij niet, +behalve de kans om te vallen, ook het gevaar wilde loopen, belachelijk +en onhandig te schijnen in de oogen van haar, die hem wachtte. Hij +sloeg dus twee spijkers diep in het plafond, maakte daaraan den +touwladder vast en gebruikte de twee uren, die nog voor hem lagen, +voor gymnastische oefeningen. Na talrijke vergeefsche pogingen slaagde +hij er ten slotte in zoo goed en zoo kwaad als het ging twaalf sporten +hoog te klimmen. + +"Ziezoo," zeide hij tot zichzelf; "nu ben ik zeker van mijn zaak; +trouwens als ik onderweg blijf steken, zal de liefde mij vleugels +geven." + +En met zijn touwladder en zijn duivenkooitje ging hij op weg naar +Julia, die dicht in zijn buurt woonde. Haar kamer lag achter in een +kleinen tuin en had inderdaad een balcon. Doch helaas, deze kamer +bevond zich op den rez-de-chaussée en van den grond af kon men +makkelijk zoo op het balcon stappen. + +Toen Rodolphe deze terreingesteldheid, welke zijn poëtisch klimplan +in duigen deed vallen, zag, was hij zeer teneergeslagen. + +"Het zij zoo," zeide hij tot Julia; "wij kunnen de balconscène daarom +toch wel opvoeren. Deze vogel hier zal ons morgen vroeg met zijn +welluidende stem uit onzen sluimer wekken en ons precies het oogenblik +kond doen, waarop wij met wanhoop in onze ziel moeten scheiden." + +En met deze woorden hing Rodolphe zijn kooitje in een hoekje van +de kamer. + +Den volgenden ochtend om vijf uur vervulde de duif op tijd haar plicht +en de kamer met een langaangehouden gekir, dat de twee geliefden +zeker gewekt zou hebben, als zij geslapen hadden. + +"Welnu," zeide Julia, "thans is het oogenblik gekomen om naar het +balcon te gaan en wanhopig afscheid te nemen." + +"De duif gaat voor," zeide Rodolphe; "wij zijn in November en dan +gaat de zon pas om twaalf uur op." + +"Dat komt er niet op aan," zeide Julia; "ik sta op!" + +"En waarom?" + +"Ik heb een leeg gevoel in mijn maag en zou graag wat eten." + +"Het is merkwaardig, zooals onze sympathieën overeenstemmen, ik heb +ook zoo'n gruwelijken honger," zeide Rodolphe, die nu ook opstond en +zich vlug aankleedde. + +Intusschen had Julia reeds vuur aangelegd en keek nu of er nog wat +in het buffet te vinden was; Rodolphe hielp haar zoeken. + +"Hier," zeide hij; "uien!" + +"En spek!" + +"En boter!" + +"En brood!" + +"Maar dat is ook alles." + +Gedurende dezen onderzoekingstocht kirde de optimistische duif niets +vermoedend voort. + +Romeo keek Julia aan, Julia Romeo, en beiden de duif. + +Zij spraken geen woord, maar met dien blik was het vonnis over de +klok-duif geveld. Hooger beroep en cassatie zou haar niet geholpen +hebben--honger is een wreede raadgever. + +Rodolphe liet het spek in de sissende boter opkomen. Hij trok een +ernstig en plechtig gezicht. + +Julia maakte in een droefgeestige stemming de uien schoon. + +De duif kirde nog steeds door... het was haar zwanezang. + +Het sudderen van de boter in de pan begeleidde het stervenslied. + +Vijf minuten later sudderde de boter nog, maar de duif zong, evenals +de tempelridders, niet meer. [48] + +Romeo en Julia hadden hun klok à la crapoudine [49] gebraden. + +"Het diertje had een lieve stem," zeide Julia, toen zij aan tafel ging. + +"Ja, het was een lief beest," zeide Romeo en sneed het volgens de +regelen der kunst bruingebraden duifje in stukken. + +En de twee verliefden keken elkaar aan en zagen in elkaars oog +een traan. + +De huichelaars! Dat hadden de uien gedaan! + + + + + + +HOOFDSTUK XXII. + +MIMI'S DOOD. + + +I. + +In de eerste dagen na zijn definitieven breuk met mademoiselle Mimi, +die hem, zooals onze lezers zich herinneren zullen, verlaten had, +om plaats te nemen in de equipage van vicomte Paul, had Rodolphe +getracht zijn smart te vergeten door een nieuwe liefdesbetrekking +aan te knoopen. + +Zijn nieuwe vriendinnetje was de blondine, voor wie wij hem op +den dag van paradoxale dwaasheid het kostuum van Romeo hebben zien +aantrekken. Doch deze liaison, die hij uit dépit en zij uit een gril +begonnen waren, kon onmogelijk van langen duur zijn, daar Julia, in +één woord gezegd, een ongestadige deerne was, die alle vrouwenstreken +van a tot z kende, geestrijk genoeg was, om den geest van anderen +op te merken en daarvan, als de gelegenheid zich voordeed, gebruik +te maken, en slechts zooveel hart had, dat zij hartwater kreeg, als +zij te veel gegeten had. Daarbij kwam nog een ongebreidelde zelfzucht +en een grenzenlooze ijdelheid, die haar minder deden treuren om een +gebroken been van haar minnaar dan om een volant minder aan haar japon +of een verkleurd lint om haar hoed. Een betwistbare schoonheid, een +ordinair schepsel, van nature begiftigd met alle slechte instincten, +was zij toch door sommige eigenschappen en op sommige oogenblikken +verleidelijk. Al heel gauw bemerkte zij, dat Rodolphe haar alleen +genomen had, om hem met haar hulp de verlorene te doen vergeten, +aan wie hij integendeel met meer verlangen dan ooit begon terug te +denken, want nooit was de herinnering aan zijn vroeger vriendinnetje +zoo levendig geweest. + +Op een goeden dag praatte Julia met een student in de medicijnen, die +haar sedert eenigen tijd het hof maakte. Het gesprek kwam op Rodolphe. + +"Maar lieve kind," zeide de student, "die jongen gebruikt je, +zooals wij helschen steen gebruiken om wonden te branden; hij wil +zijn hart cauteriseeren. Je behoeft je voor hem niet druk te maken, +en hem trouw zijn is absoluut niet noodig." + +"Maar," riep het jonge meisje lachend uit; "dacht je dan heusch, +dat ik mij voor hem geneer?" + +En denzelfden avond nog gaf zij den student het bewijs van het +tegendeel. + +Dank zij de babbelzucht van een van die gedienstige vrienden, die +voor geen geld ter wereld een tijding, welke je bedroefd maken kan, +onder zich zouden houden, kreeg Rodolphe lucht van de zaak en maakte +er onmiddellijk gebruik van, om den ad-interim liaison af te breken. + +Hij zonderde zich nu af in een volkomen eenzaamheid, waarin al heel +gauw alle vleermuizen der verveling hun nest kwamen maken. Dan riep +hij het werk te hulp, maar het was vergeefsche moeite. lederen avond +schreef hij, nadat hij evenveel droppels water gezweet als droppels +inkt gebruikt had, een twintigtal regels, waarin een oud denkbeeld, +nog meer levensmoe dan de Wandelende Jood, en gehuld in lompen, +die hij gehaald had in een uitdragerswinkel, op het slappe koord der +paradoxen danste. Bij het overlezen van die regels voelde Rodolphe +zich als iemand, die in het bloembed, waar hij rozen gezaaid meent te +hebben, brandnetels ziet groeien. Hij verscheurde dan het blad papier, +waarop hij die rozenkrans van zotheden had afgebeden, en vertrapte +het woedend onder zijn voet. + +"Waarachtig," zeide hij, terwijl hij zich op zijn linkerborst sloeg, +"de snaar is gesprongen; ik moet van de kunst afzien." + +En daar eenigen tijd achtereen op al zijn pogingen, om te werken, een +zelfde teleurstelling volgde, maakte een van die moedeloosheden zich +van hem meester, welke het krachtigste zelfvertrouwen doen wankelen +en de helderste geesten afstompen. Inderdaad niets is vreeselijker +dan die eenzame worstelingen, welke nu en dan plaats vinden tusschen +den koppig volhoudenden kunstenaar en de weerspannige kunst; niets +is aangrijpender dan die nu eens smeekende, dan weer gebiedende +aanroepingen van den scheppen willenden dichter tot de minachtend op +hem neerziende of hem ontvluchtende Muze. + +De hevigste zielsangsten, de diepste aan het hart toegebrachte +wonden veroorzaken geen lijden, dat te vergelijken is met dat, +hetwelk men ondergaat in die uren van wanhoop en twijfel, welke maar +al te dikwijls voorkomen bij hen, die zich wijden aan het gevaarlijke +kunstenaarsberoep. + +Op die heftige crisissen volgden pijnlijke afmattingen. Uren lang bleef +Rodolphe dan in een doffe wezenloosheid als versteend zitten. Zijn +ellebogen rustend op de tafel, zijn oogen strak gericht op den +lichtplek, dien het lamplicht op het blad papier beschreef, op het +"slagveld", waarop zijn geest dagelijks overwonnen werd en zijn pen +zich vergeefs inspande om het ongrijpbare denkbeeld te vervolgen, +zag hij, gelijk aan figuren uit een tooverlantaren, waarmede men +kinderen bezig houdt, fantastische beelden aan zich voorbijtrekken, +die een panorama van zijn verleden voor hem ontrolden. Eerst kwamen +de dagen van harden arbeid, waarin ieder uur van de wijzerplaat de +vervulling van een plicht eischte, de aan de studie gewijde nachten, +waarin hij sprak met de muze, die zijn in eenzaamheid en geduld +gedragen armoede als in een tooverweelde herschiep. En met afgunst +dacht hij terug aan het trotsche gevoel van zelfvertrouwen, dat hem +vroeger bezielde, wanneer hij de taak, die hij zichzelf gesteld had, +ten einde had gebracht. + +"O," riep hij uit; "niets gelijkt op u, niets evenaart u, genotrijke +uitputting na volbrachten arbeid, die de rust van het far niente +zachter doet schijnen. Noch de bevrediging van de ijdelheid noch de +koortsachtige, onder de zware gordijnen van geheimzinnige alkoven +verstikte zinnenzwijmel--niets gelijkt op dien edelen, kalmen vrede, +die gewettigde zelfvoldaanheid, welke de arbeid den vlijtigen als +eerste belooning geeft." + +En zijn blikken nog steeds gericht op de visioenen, die de tooneelen +uit het verleden voor zijn geest bleven tooveren, klom hij weer naar de +dakkamertjes, die hij gedurende zijn avontuurlijk bestaan bewoond had, +en waarheen zijn muze, zijn eenige liefde en trouwe en standvastige +vriendin toen, hem steeds gevolgd had, en het met de armoede goed +vinden kon, zonder ooit haar hoopvol gezang te onderbreken. Doch +daar verscheen plotseling midden in dit rustige, vredige en kalme +bestaan de gestalte van een vrouw, en toen de muze die vrouw zag +binnentreden in de woning, waarin zij tot dat oogenblik de eenige +koningin en meesteresse geweest was, stond zij bedroefd op en ruimde +haar plaats in voor de nieuw-aangekomene, in wie zij dadelijk een +mededingster vermoedde. Een oogenblik aarzelde Rodolphe tusschen de +muze, wie zijn blik een: "Blijf!" scheen toe te werpen, en de vreemde, +tot wie zijn gebaar een: "Kom!" zeide. Hoe zou hij ook het bekoorlijke +schepseltje, dat, gewapend met de verleidelijke bekoorlijkheden van een +ontluikende schoonheid, tot hem kwam, hebben kunnen van zich stooten, +dat schepseltje met haar kleine mondje en rose lipjes, dat een naief +en tevens brutaal taaltje, vol guitige beloften, sprak? Hoe kon hij +zijn hand weigeren aan het blanke, blauw geaderde handje, dat zich +liefkozend naar hem uitstrekte? Hoe had hij: "Gaat heen!" kunnen +roepen tot die bloeiende achttien jaren, wier aanwezigheid het huis +reeds met een geur van jeugd en vreugde vervulde. En met haar zachte, +licht bewogen stem zong zij de cavatine der verzoeking zoo verleidelijk +mooi! Met haar levendige en schitterende oogen zeide zij: "Ik ben +de liefde"; met haar lippen, waarop de kussen ontloken: "Ik ben het +genot"; met haar bloeiend lichaam: "Ik ben het geluk" zòò wondermooi, +dat Rodolphe zich liet medesleepen. En was die jonge vrouw dan ook +in werkelijkheid niet de levende, geïncarneerde poëzie? Dankte hij +haar niet de oogenblikken van meest verheven inspiratie? Had zij hem +niet dikwijls bezield tot een enthousiasme, dat hem zoo hoog in den +aether van het ideaal meevoerde, dat hij al het aardsche uit het oog +verloor? En als hij om en door haar veel geleden had--was dan dat +lijden niet een boetedoening voor al de ontzaglijke genietingen, +die zij hem geschonken had; was het niet de gewone wraak van het +noodlot, dat het volmaakte, ongestoorde geluk als iets goddeloos +verbiedt? Indien de christelijke leer hun vergiffenis schenkt, die +veel hebben lief gehad, dan schenkt zij die slechts, omdat zij ook +veel geleden hebben, want aardsche liefde wordt eerst goddelijke +hartstocht, als zij door tranen gelouterd is. + +Evenals men zich soms bedwelmt door den geur van reeds lang verwelkte +rozen in te ademen, zoo bedwelmde Rodolphe zich door voor zijn geest +te roepen zijn vroeger leven, waarin iedere dag een nieuwe elegie, +een schokkend drama, een groteske comedie bracht. Hij doorleefde +nogmaals alle phasen van zijn liefde voor de verloren geliefde, +van af hun wittebroodsweken tot de huiselijke stormen, die tot hun +laatsten breuk geleid hadden. Hij riep het geheele repertoire van +alle listen van zijn vroeger vriendinnetje in zijn geheugen terug, hij +herhaalde in zichzelf al haar kwinkslagen. Hij zag weer voor zich hoe +zij in hun klein huishoudentje om hem heen draaide, haar lijfdeuntje: +Ma mie Annette op de lippen, met dezelfde zorgelooze opgewektheid +zoowel blijde als droeve dagen aanvaardend. En ten slotte moest hij +erkennen, dat het verstand in liefdesaangelegenheiden altijd ongelijk +heeft. Immers wat had hij bij dien breuk gewonnen? Toen hij met Mimi +samenleefde, bedroog zij hem, dat is waar--maar dat hij het wist, was +zijn eigen schuld, omdat hij zich de grootste moeite getroostte, om +het te weten te komen, omdat hij altijd op den loer lag naar bewijzen, +omdat hij zelf de dolken scherpte, die hij zich in het hart boorde. Was +bovendien Mimi niet handig genoeg om hem zoo noodig te bewijzen, dat +hij zich vergiste? En bovendien met wie was zij hem ontrouw? Meestal +was het met een sjaal, een hoed, met dingen, niet met mannen. En had +hij nu die rust, die kalmte, welke hij van een breuk met Mimi verwacht +had, na haar vertrek teruggevonden? Helaas, neen! Alles, behalve zij, +was gebleven. Vroeger kon hij tenminste nog uiting geven aan zijn +smart, kon hij zijn hart luchten in beleedigingen en verwijten, kon +hij laten zien, wat hij leed en het medelijden opwekken van haar, +die de oorzaak van dat lijden was. Doch nu moest hij zijn smart in +zich opkroppen, nu was zijn ijverzucht machtelooze woede geworden, +want vroeger kon hij, wanneer hij achterdocht koesterde, Mimi beletten +uit te gaan, haar bij zich houden en bewaken; maar thans zag hij +haar aan den arm van haar nieuwen minnaar op straat en moest hij +zich afwenden, om haar van vreugde stralend en op weg naar het een +of ander pleiziertje, voorbij te laten gaan. + +Dat ellendige leven duurde een maand of drie, vier. Dan werd Rodolphe +langzamerhand rustiger. Marcel, die, om te trachten Musette te +vergeten, een lange reis gemaakt had kwam in Parijs terug en ging +weer met Rodolphe samen wonen, zoodat zij elkaar konden troosten. + +Toen Rodolphe op een Zondag door den Luxembourg wandelde, kwam +hij Mimi in groot toilet tegen. Zij ging naar een bal. Zij knikte +hem in het voorbijgaan toe, wat hij met het afnemen van zijn hoed +beantwoordde. Deze ontmoeting gaf hem weliswaar een steek door zijn +hart, maar de emotie was toch minder pijnlijk dan gewoonlijk. Hij +bleef nog wat in den Jardin du Luxembourg wandelen en ging vervolgens +naar huis. Toen Marcel 's avonds ook thuiskwam, vond hij Rodolphe +aan zijn schrijftafel. + +"Wat?" vroeg Marcel, terwijl hij over den schouder van den dichter +keek, "ben je aan het werk ... en zelfs verzen?" + +"Ja," antwoordde Rodolphe vroolijk; "dat kleine dingetje hier in mijn +borst is blijkbaar niet heelemaal dood. De vier uur, die ik hier +nu al zit, heb ik het dichtvuur uit vroegere dagen teruggevonden, +ik heb Mimi gezien!" + +"Ei!" zeide Marcel bang. "En hoe staat het met jullie?" + +"O, wees maar niet bang, we hebben elkaar slechts gegroet--verder +niets." + +"Heusch?" vroeg Marcel. + +"Heusch! Tusschen ons is het voor goed uit, dat voel ik; maar als ik +weer werken kan, schenk ik haar graag vergiffenis." + +"Maar waarom maak je, wanneer alles tusschen jullie uit is, nog verzen +voor haar?" vroeg Marcel, die Rodolphe's verzen intusschen gelezen had. + +"Ach!" zeide de dichter; "ik neem mijn poëzie waar ik ze vind!" + +Acht dagen lang werkte hij aan dit kleine gedicht. Toen het klaar +was, las hij het aan Marcel voor, die er heel tevreden over was en +Rodolphe aanspoorde om zijn dichtader, die weer ontsprongen was, +ook op ander gebied te laten vloeien. + +"Want," zoo merkte hij op, "het zou de moeite niet loonen van Mimi +te scheiden, als je toch altijd met haar schim blijft leven. Maar," +voegde hij er glimlachend aan toe, "ik zou beter doen, wanneer ik, +in plaats van tot anderen te preeken, tegen mezelf een strafpredikatie +hield, want mijn hart is nog vol van Musette. Maar enfin, wij zullen +toch niet altijd jonge menschen blijven, die op zulk duivelsgebroed +verliefd zijn." + +"Ach!" zeide Rodolphe; "tot de jeugd behoef je helaas niet te zeggen: +Ingerukt, marsch!" + +"Dat is wel zoo," antwoordde Marcel, "maar toch zijn er dagen, waarop +ik een eerwaardige grijsaard zou willen zijn, lid van het Instituut, +ridder van verschillende orden, en los van alle Musettes ter wereld. En +de duivel mag me halen, als ik ooit weer tot haar terug keeren zou! En +jij," vroeg hij lachend, "zou jij al graag zestig jaar achter den +rug hebben?" + +"Vandaag had ik liever zestig francs in mijn zak!" + + + +Eenige dagen later sloeg mademoiselle Mimi, die met den jongen vicomte +Paul in een koffiehuis zat, een revue open, waarin de verzen stonden, +die Rodolphe voor haar gemaakt had. + +"Zoo, zoo!" zeide zij eerst lachend, "mijn vriend Rodolphe spreekt +kwaad van me in tijdschriften." + +Doch toen zij het gedicht heelemaal uitgelezen had, bleef zij stil +en peinzend voor zich uit zitten staren. Vicomte Paul vermoedde, +dat zij aan Rodolphe dacht, en trachtte haar af te leiden. + +"Ik zal dat paar mooie oorbelletjes voor je koopen!" zeide hij +tot haar. + +"Ja," zeide Mimi; "jij ..... jij hebt geld!" + +"En een hoed van Italiaansch stroo," voegde hij eraan toe. + +"Dank je," zeide Mimi, "maar als je me een pleizier wilt doen, koop +dan dat hier voor mij." + +En zij wees op de aflevering, waarin zij het gedicht van Rodolphe +gelezen had. + +"Dat? Neen!" zeide de vicomte boos. + +"Goed!" antwoordde Mimi koel. "Ik zal het zelf koopen voor geld, +dat ik zelf verdienen wil. Ik koop het liever niet voor jouw geld." + +En werkelijk keerde Mimi voor twee dagen terug naar het atelier, +waar zij vroeger bloemen gemaakt had, en verdiende daar het geld, +dat zij noodig had, om de aflevering te kunnen koopen. Zij leerde +Rodolphe's verzen van buiten en droeg ze, om den vicomte te plagen, +dagelijks aan zijn vrienden voor. + +Het gedicht luidde: + + + Alors que je voulais choisir une maîtresse + Et qu'un jour le hasard fit rencontrer nos pas, + J'ai mis entre tes mains mon coeur et ma jeunesse + Et je t'ai dit: Fais-en tout ce que tu voudras. + + Hélas! ta volonté fut cruelle, ma chère: + Dans tes mains ma jeunesse est restée en lambeaux. + Mon coeur s'est en éclats brisé comme du verre, + Et ma chambre est le cimetière + Où sont enterrés les morceaux + De ce qui t'aima tant naguère. + + Entre nous maintenant, n-i, ni- c'est fini, + Je ne suis plus qu'un spectre et tu n'es qu'un fantôme, + Et sur notre amour mort et bien enselevi, + Nous allons, si tu veux, chanter le dernier psaume. + + Pourtant ne prenons point un air écrit trop haut, + Nous pourrions tous les deux n'avoir pas la voix sûre; + Choisissons un mineur grave et sans fioriture; + Moi je ferai la basse et toi le soprano. + + Mi, ré, mi, do, ré, la.--Pas cet air, ma petite! + S'il entendait cet air que tu chantais jadis, + Mon coeur, tout mort qu'il est, tressaillirait bien vite, + Et ressusciterait à ce De profundis. + + Do, mi, fa, sol, mi, do,--Celui-ce me rappelle + Une valse à deux temps, qui me fit bien du mal, + Le fifre du rire aigu raillait le violoncelle, + Qui pleurait sous l'archet ses notes de cristal. + + Sol, do, do, si, si, la.--Point cet air, je t'en prie, + Nous l'avons, l'an dernier, ensemble répété + Avec les Allemands qui chantaient leur patrie + Dans les bois de Meudon, par une nuit d'été. + + Eh, bien, ne chantons pas, restons-en là, ma chère; + Et pour n'y plus penser, pour n'y plus revenir, + Sur nos amours défunts, sans haine et sans colère, + Jetons en souriant un dernier souvenir. + + Nous étions bien heureux dans la petite chambre + Quand ruisselait la pluie et que soufflait le vent; + Assis dans le fauteuil, pres de l'âtre, en décembre, + Aux lueurs de tes yeux j'ai rêvé bien souvent. + + La houille petillait; en chauffant sur les cendres, + La bouilloire chantait son refrein régulier, + Et faisait un orchestre au bal des salamandres + Qui voltigeaient dans le foyer. + + Feuilletant un roman, paresseuse et frileuse, + Tandis que tu fermais tes yeux ensommeillés, + Moi je rajeunissais ma jeunesse amoureuse, + Mes lèvres sur tes mains et mon coeur à tes pieds. + + Aussi, quand on entrait, la porte ouverte à peine, + On sentait le parfum d'amour et de gaîté + Dont notre chambre était du matin au soir pleine, + Car le bonheur aimait notre hospitalité. + + Puis l'hiver s'en alla; par la fenêtre ouverte, + Le printemps un matin vint nous donner l'éveil, + Et ce jour-là tous deux dans la campagne verte + Nous allâmes courir au-devant du soleil. + + C'était le vendredi de la sainte semaine, + Et, contre l'ordinaire, il faisait un beau temps, + Du val à la colline, et du bois à la plaine + D'un pied leste et joyeux, nous courûmes longtemps. + + Fatigués cependant par ce pèlerinage, + Dans un lieu qui formait un divan naturel + Et d'où l'on pouvait voir du loin le paysage, + Nous nous sommes assis en regardant le ciel. + + Les mains pressant les mains, épaule contre épaule, + Et sans savoir pourquoi, l'un et l'autre oppressés, + Notre bouche s'ouvrit sans dire une parole, + Et nous nous sommes embrassés. + + Près de nous l'hyacinthe avec la violette + Mariaient leur parfum qui montait dans l'air pur; + Et nous vîmes tous deux, en relevant la tête, + Dieu qui nous souriait à son balcon d'azur. + + Aimez-vous, disait-il; c'est pour rendre plus douce + La route où vous marchez que j'ai fait sous vos pas + Dérouler en tapis le velours de la mousse, + Embrassez-vous encore,--je ne regarde pas. + + Aimez-vous, aimez-vous: dans le vent qui murmure, + Dans les limpides eaux, dans les bois reverdis, + Dans l'astre, dans la fleur, dans la chanson des nids, + C'est pour vous que j'ai fait renaître ma nature. + + Aimez-vous, aimez-vous; et de mon soleil d'or, + De mon printemps nouveau qui réjouit la terre, + Si vous êtes contents, au lieu d'une prière + Pour me remercier--embrassez-vous encore. + + Un mois après ce jour, quand fleurirent les roses, + Dans le petit jardin que nous avions planté, + Quand je t'aimais le mieux, sans m'en dire les causes, + Brusquement ton amour de moi s'est écarté. + + Où s'en est-il allé? partout un peu, je pense; + Car, faisant triompher l'une et l'autre couleur, + Ton amour inconstant flotte sans préférence + D'un brun valet de pique au blond valet de coeur. + + Te voilà maintenant heureuse: ton caprice + Règne sur une cour de joyeux jouvenceaux + Et tu ne peux marcher sans qu'à tes pieds fleurisse + Un parterre émaillé d'odorants madrigaux. + + Dans les jardins de bal, quand tu fais ton entrée, + Autour de toi se forme un cercle langoureux; + Et le frémissement de la robe moirée, + Pâme en choeur laudatif ta meute d'amoureux. + + Elégamment chaussé d'une souple bottine + Qui serait trop étroite au pied de Cendrillon, + Ton pied est si petit qu'à peine on le devine + Quand la valse t'emporte en son gai tourbillon. + + Dans les bains onctueux d'une huile de paresse, + Tes mains, brunes jadis, ont retrouvé depuis + La pâleur de l'ivoire ou du lis que caresse + Le rayon argenté dont s'éclairent les nuits. + + Autour de ton bras blanc une perle choisie + Constelle un bracelet ciselé par Froment, + Et sur tes reins cambrés un grand châle d'Asie + En cascade de plis ondule artistement. + + La dentelle de Flandres et le point d'Angleterre, + La guipure gothique à la mate blancheur + Chef d'oeuvre arachnéen d'un age séculaire, + De ta riche toilette achève la splendeur. + + Pour moi, je t'aimais mieux dans tes robes de toile + Printanière, indienne ou modeste organdi, + Atours frais et coquets, simple chapeau sans voile, + Brodequins gris ou noirs, et col blanc tout uni. + + Car ce luxe nouveau qui te rend si jolie + Ne me rappelle pas mes amours disparus, + Et tu n'es que plus morte et mieux enselevie + Dans ce linceul de soie où ton coeur ne bat plus. + + Lorsque je composai ce morceau funéraire + Qui n'est qu'un long regret de mon bonheur passé, + J'étais vêtu de noir comme un parfait notaire + Moins les bésicles d'or et le jabot plissé. + + Un crêpe enveloppait le manche de ma plume + Et des filets de deuil encadraient le papier + Sur lequel j'écrivais ces strophes où j'exhume + Le dernier souvenir de mon amour dernier. + + Arrivé cependant à la fin d'un poëme + Où je jette mon coeur dans le fond d'un grand trou, + --Gaîté de croque-mort qui s'enterre lui-même + Voilà que je me mets à rire comme un fou. + + Mais cette gaîté-là n'est qu'une raillerie + Ma plume en écrivant a tremblé dans ma main, + Et quand je souriais, comme une chaude pluie, + Mes larmes effaçaient les mots sur le vélin. + + + + +II. + +Het was 24 December, en dien avond had het quartier Latin steeds +een bijzondere physiognomie. Van vier uur af waren de bureaux +van de Bank van Leening, de winkels van uitdragers en antiquairs +in boeken overstelpt door een luidruchtige menigte, die later in +den avond een stormaanval begon op de slagerijen, gaarkeukens en +kruidenierswinkels. En hadden de winkelknechts ook al evenals Briareus +[50] honderd armen gehad, dan zouden zij toch niet in staat geweest +zijn de klanten, die elkaar de waren als het ware uit de handen +rukten, te helpen. Bij de bakkers werd, als in tijden van hongersnood, +queue gemaakt. De wijnhandelaars verkochten de opbrengst van drie +oogsten, en zelfs een handig statisticus zou moeite gehad hebben om +het getal hammen en worsten te tellen, die door den beroemden Borel +uit de rue Dauphine verkocht werden. Alleen op dien avond zette +vader Cretaine, bijgenaamd Petit-Pain, achttien uitgaven van zijn +boterkoekjes om. Gedurende den geheelen avond klonk uit alle huizen +gezang en gelach, waren de vensters hel verlicht en vulde een ware +kermis-atmospheer het stadskwartier. + +Naar oud gebruik werd het "réveillon" gevierd. + +Dien avond gingen tegen tien uur Marcel en Rodolphe in een vrij droeve +stemming naar huis. Toen zij door de rue Dauphine kwamen, zagen zij +in een fijne vleeschwaren- en comestibleshandel een groot gedrang +en bleven, door die geurige gastronomische producten aangelokt, een +oogenblik voor de ramen staan kijken; in hun aandachtige beschouwing +geleken de twee bohémiens op den persoon uit een Spaanschen roman, +die alleen door ernaar te kijken, de hammen mager deed worden. + +"Dat noemen ze een kalkoenschen haan met truffels," zeide Marcel en +wees op een prachtigen vogel, die door zijn rose en doorzichtige +huid de Perigourdsche knolletjes liet zien, waarmede het dier +gefarceerd was. "Ik heb menschen gezien, die zòò goddeloos waren, +om die dingen te eten zonder dat ze daarbij op hun knieën vielen," +voegde de schilder eraan toe, terwijl hij naar den kalkoen keek met +blikken, die in staat geweest zouden zijn het dier te braden. + +"En wat zeg je van die heerlijke lamsbout?" vroeg Rodolphe. "Wat een +prachtkleur. Je zoudt denken, dat hij zoo pas uit dien slagerswinkel, +dien je op een schilderij van Jordaens ziet, weggehaald is. Lamsbouten +zijn de lievelingsspijzen der goden en van madame Chandelier, mijn +peettante." + +"En kijk die visschen eens," ging Marcel voort en wees op eenige +forellen, "dat zijn de handigste zwemmers onder de waterbewoners. Die +kleine diertjes, die er op het eerste gezicht zoo onbeduidend uitzien, +zouden schatten kunnen verdienen, wanneer zij hun kunststukken lieten +zien; stel je voor, ze zwemmen een snellen bergstroom even makkelijk +op, als wij een paar uitnoodigingen voor een souper aannemen." + +"En daar dan, die groote stapel goudkleurige vruchten, waarvan +het gebladerte gelijkt op een tropee van Turksche sabels; dat zijn +ananassen, de goudreinetten der tropen." + +"Dat laat mij koud," antwoordde Marcel; "als het om fruit gaat, geef ik +den voorkeur aan dat muisje rookvleesch, dien lamsbout of dat hammetje +met zijn pantser van gelei, die zoo doorzichtig is als barnsteen." + +"Je hebt gelijk!" zeide Rodolphe; "de ham is de vriend van den mensch, +als hij ze heeft. En toch zou ik die fazant niet afslaan." + +"Dat geloof ik graag," antwoordde Marcel; "fazant is het gerecht van +gekroonde hoofden." + +Verder voortwandelend, kwamen zij verschillende vroolijke troepjes +tegen, die naar huis terugkeerden, om Momus, Bacchus, Comus en andere +lekkerbekkerij-godheden op us te vieren, en zij vroegen elkaar af, +wie die mijnheer Camacho [51] was, wiens bruiloft met een grooten +voorraad levensmiddelen gevierd werd. + +Marcel herinnerde zich plotseling welke datum het was. + +"Het is vandaag réveillon," zeide hij. + +"Herinner je je nog, hoe wij verleden jaar dien avond gesmuld hebben?" + +"Waarachtig zeker, bij Momus. Barbemuche heeft toen betaald. Ik had +nooit kunnen denken, dat een zoo tenger meisje als Phémie zooveel +worstjes naar binnen kon werken." + +"Hoe jammer, dat Momus onze vrijkaarten heeft ingetrokken," zeide +Rodolphe. + +"Helaas!" antwoordde Marcel. "De dagen volgen, maar gelijken niet +op elkaar." + +"Zou jij niet graag réveillon vieren?" vroeg Rodolphe. + +"Met wien en waarmee?" + +"Nou met mij!" + +"En het geld?" + +"Wacht even!" zeide Rodolphe; "ik zal even dat café hier binnenloopen, +waar altijd een paar kennissen van me zijn, die grof spelen. Ik zal +van een door het geluk begunstigde eenige sestertiën leenen en wel +zooveel meebrengen, dat we een sardientje of een varkenspootje met +een glas wijn kunnen bevochtigen." + +"Doe dat!" zeide Marcel; "ik heb honger als een paard. Ik zal wel +even op je wachten." + +Rodolphe ging het café, waarvan hij de meeste stamgasten kende, +binnen. Het was voor een der aanwezigen, die in tien keer drie honderd +francs gewonnen had, een waar genoegen den dichter veertig sous te +leenen, welke hij hem gaf met het slechte humeur, dat de speelkoorts +in ons opwekt. Op een ander oogenblik en op een andere plaats zou +hij hem misschien veertig francs geleend hebben. + +"En?" vroeg Marcel, toen hij Rodolphe weer buiten zag komen. + +"Hier heb je de recette," zeide de dichter en liet het geldstuk zien. + +"Een korstje met een klein worstje!" meende Marcel. + +Toch wisten zij het met die bescheiden som nog zòò ver te brengen, +dat zij brood, wijn, vleesch, tabak, vuur en licht hadden. + +Dan gingen zij naar huis. Zij woonden toen in een hôtel garni, +waar zij ieder een afzonderlijke kamer hadden. Daar die van Marcel, +welke tegelijk als atelier dienst deed, grooter was, werd deze tot +feestzaal uitverkoren. De beide vrienden maakten samen hun intiemen +maaltijd gereed. + +Doch aan het kleine tafeltje, dat zij naast den kachel geschoven +hadden, waarin het vochtige en slechte hout zonder vlammen of warmte +verkoolde, kwam als een melancholieke geest de schim van het verleden +aanzitten. + +Minstens een uur lang bleven zij zwijgend en peinzend zoo zitten, +beiden bezig met dezelfde gedachte en beiden trachtend die voor elkaar +te verbergen. Eindelijk verbrak Marcel het eerst de stilte. + +"Kom," zeide hij tot Rodolphe; "dit was toch ons plan niet!" + +"Wat bedoel je?" vroeg Rodolphe. + +"Lieve hemel, speel toch met mij geen kiekeboetje! Jij denkt aan wat je +moest vergeten .... en met mij is het precies zoo, dat ontken ik niet!" + +"Nu dan ...." + +"Maar het moet de laatste maal zijn! Naar den duivel met al +die herinneringen, die den wijn een zuren smaak geven en ons +triest stemmen, terwijl iedereen zich amuseert!" riep Marcel uit, +zinspelende op het vroolijke gelach en gezang, dat uit de kamers +ernaast klonk. "Kom laten we aan wat anders denken en laat het verleden +begraven blijven!" + +"Dat zeggen we altijd, en toch ...." zeide Rodolphe en viel weer in +zijn droomen terug. + +"En toch komen wij er altijd weer op terug," vulde Marcel aan. "Dat +komt, omdat we, in plaats van eerlijk de vergetelheid te zoeken, +de meest onbeteekenende dingen als voorwendsel gebruiken, om oude +herinneringen weer in ons wakker te roepen; dat komt vooral, omdat wij +maar blijven voortleven in datzelfde milieu, waarin die schepsels, +welke ons zoolang gekweld hebben, geleefd hebben. Wij zijn niet +zoozeer de slaven van een hartstocht als wel van een gewoonte. Die +boeien nu moeten wij verbreken, anders gaan wij in een belachelijke +en schandelijke slavernij ten gronde. Welnu, het verleden is het +verleden--weg met de banden, die ons daar nog aan binden; het uur is +gekomen om voorwaarts te gaan zonder achterwaarts te zien; wij hebben +onze jeugd, onzen tijd van onbezorgdheid en paradoxen gehad. Dit +alles is heel mooi, je zoudt er een aardigen roman van kunnen maken; +maar deze comedie van verliefde dwaasheden, deze tijdverspilling, +die wij bedrijven met de verkwisting van menschen, die denken, dat zij +de eeuwigheid uit kunnen geven, dat alles moet nu eindelijk eens een +einde nemen! Wij zouden de verachting, die ons zou treffen, verdienen, +wij zouden ons zelf moeten verachten, indien wij dit leven buiten +de maatschappij, ja bijna buiten het leven zelf, nog langer zouden +voortzetten. Want is het bestaan, dat wij leiden, eigenlijk wel een +leven? En zijn die onafhankelijkheid, die vrijheid van zeden, waarop +wij zoo prat gaan, eigenlijk geen heel middelmatige voordeelen? De +ware vrijheid is: zonder hulp van anderen, uit eigen kracht kunnen +leven. En kunnen wij dat? Neen. De eerste de beste domkop, wiens +naam we geen vijf minuten zouden willen dragen, wreekt zich over onze +spotternijen en wordt onze meester van af den dag, waarop wij honderd +sous van hem leenen, die hij ons geeft, na ons voor honderd daalders +aan listen en zelfvernedering te hebben laten uitgeven. Ik voor mij +heb er genoeg van. De poëzie bestaat niet alleen in een ongeordend +bestaan, in onverwachte meevallertjes, in verliefdheden, die den +levensduur van een kaars hebben, in min of meer excentriek verzet +tegen bestaande vooroordeelen, die eeuwig de wereld zullen blijven +beheerschen, want het is makkelijker een dynastie omver te werpen +dan een vooroordeel, hoe belachelijk het ook zijn mag. Het is nog +geen bewijs van talent of genie, om midden in December een zomerjas +te dragen; en je kan heel goed een echt dichter of kunstenaar zijn, +wanneer je voor warme voeten zorgt en driemaal per dag eet. Hoe je de +zaak ook draait of keert, indien je iets wilt bereiken, moet je den +weg nemen, dien ook anderen inslaan. Deze woorden zullen je misschien +wel verbazen, beste kerel, misschien zal je zeggen, dat ik mijn +idealen verraad, je noemt me misschien verdorven, maar toch is wat +ik zeg de uitdrukking van mijn vaste overtuiging. Buiten mijn weten +heeft zich in mij een langzame en heilzame metamorphose voltrokken: +het gezonde verstand is in mijn geest binnengekomen, met inbraak, +wanneer je wilt, en ondanks mijzelf misschien; maar hoe dit zij, +het is eindelijk binnengekomen en heeft mij bewezen, dat ik op den +verkeerden weg was en dat het even belachelijk als gevaarlijk zou +zijn daarop te blijven voortgaan. Ik vraag je af, wat zal er van +ons worden, indien wij dit eentonige en nuttelooze vagabonden-leven +blijven voortzetten? Wij loopen zoo langzamerhand naar de dertig en +zijn nog steeds onbekend, hebben geen relaties, zijn ontevreden met +alles en met ons zelf, afgunstig op allen, die wij een doel, wat het +dan ook zij, zien bereiken, verplicht onze toevlucht te nemen tot een +schandelijk parasiteeren, om verder te kunnen leven. En denk nu niet, +dat dit een phantasiebeeld is, dat ik oproep, om je bang te maken! Ik +zie volstrekt de toekomst niet systematisch zwart in, maar evenmin +rooskleurig; ik zie ze met een juisten blik. Tot nog toe was het +leven, dat wij geleid hebben, ons door de omstandigheden opgedrongen; +wij hadden het excuus der noodwendigheid. Maar thans zouden we die +verontschuldiging niet meer kunnen doen gelden; en wanneer wij niet in +het gewone leven terugkeeren, dan is dat heelemaal onze vrije wil, want +de hindernissen, waartegen we te vechten hadden, bestaan niet meer." + +"Maar kerel," zeide Rodolphe; "waar wil je eigenlijk heen? Om welke +reden en met welk doel sta je zoo te preeken?" + +"Je begrijpt me heel goed," antwoordde Marcel op denzelfden ernstigen +toon; "ik heb daarnet gezien, hoe jij, evenals ik trouwens, bestormd +werdt door herinneringen, die je het verleden deden terugverlangen: +jij dacht aan Mimi, zooals ik aan Musette; jij zoudt, evenals ik, +je vriendinnetje graag naast je zien zitten. Welnu, ik zeg je, dat +we niet meer aan die schepsels moeten denken, dat wij niet alleen +geschapen en op de wereld gekomen zijn, om ons geheele bestaan op +te offeren aan die vulgaire Manons, en dat die chevalier Desgrieux, +die zoo mooi, zoo waar en zoo poëtisch is, alleen door zijn jeugd +en door de illusies, die hij had weten te bewaren, niet belachelijk +geworden is. Toen hij twintig jaar was, kon hij, zonder op te houden +interessant te zijn, zijn geliefde naar de Antillen volgen; maar indien +hij vijf-en twintig geweest was, zou hij Manon de deur gewezen hebben, +en dat met het volste recht. Wij kunnen er onze oogen wel voor sluiten, +beste kerel, maar het feit blijft bestaan: wij zijn oud, wij hebben te +veel en te snel geleefd; ons hart is gesprongen en brengt nog slechts +valsche tonen voort: je blijft niet drie jaar lang ongestraft verliefd +op een Musette of een Mimi. Doch voor mij is het nu voor goed uit; +en daar ik volkomen wil breken met de herinneringen aan Musette, zal +ik nu onmiddellijk enkele kleinigheden, die zij bij mij achtergelaten +heeft en die me dwingen aan haar te denken, als ik ze weer zie, +in het vuur werpen." + +Marcel stond op en ging uit de lade van zijn commode een kartonnen +doos halen, waarin de souvenirs aan Musette lagen, te weten een +verdorde bouquet, een ceintuur, een stuk lint en enkele brieven. + +"Kom, Rodolphe, volg mijn voorbeeld!" zeide hij tot den dichter. + +"Welnu, het zij zoo!" riep Rodolphe, als kostte het hem moeite, uit; +"je hebt gelijk. Ook ik wil een einde maken aan die herinnering aan +dat meisje met haar blanke handen." + +En hij vloog de kamer uit, om een klein pakje met de souvenirs aan +Mimi te halen, zoo ongeveer van denzelfden aard als die, waarvan +Marcel nu zwijgend den inventaris opmaakte. + +"Dat treft prachtig," mompelde de schilder. "Deze snuisterijen kunnen +gelijk het vuur, dat bijna uit is, nog wat aanwakkeren." + +"Waarachtig," antwoordde Rodolphe, "het is hier in de kamer een +temperatuur voor een ijsberenfokkerij." + +"Kom," zeide Marcel, "laten we het brandduet aanheffen. Kijk, het +proza van Musette vlamt als een punchbowl; het arme kind hield zoo +van punch. Allo, Rodolphe, jouw beurt!" + +En gedurende enkele minuten wierpen zij beurtelings de reliquieën +van hun liefde stuk voor stuk in het vuur, dat vroolijk knetterend +opvlamde. + +"Arme Musette," zeide Marcel zacht, terwijl hij naar het laatste +souvenir, dat hij in zijn handen had, keek. + +Het was een klein verwelkt bouquetje van veldbloemen. + +"Arme Musette, ze was toch wel mooi en ze hield wel van me, niet waar, +klein bouquetje, heeft haar hart het je niet gezegd, toen je bloemen +in haar corsage prijkten? Arm, klein bouquetje, het is net alsof je +om genade smeekt; nu ik schenk je die, maar onder voorwaarde, dat je +niet meer met mij over haar praat, nooit, nooit meer!" + +En hij maakte gebruik van een oogenblik, waarop hij meende, dat +Rodolphe niet op hem lette, om het bouquetje in zijn borstzak te +laten glijden. + +"Het spijt mij, maar ik kan niet anders," dacht de schilder. + +Toen hij echter tersluiks naar Rodolphe keek, zag hij, hoe de dichter +aan het slot van zijn auto-da-fé een nachtmutsje, dat Mimi gedragen +had, eerbiedig kuste en dan heimelijk in zijn zak stak. + +"Zoo," mompelde Marcel, "die is al even laf als ik." + +Toen Rodolphe naar zijn eigen kamer wilde gaan, werd er tweemaal +zacht op de deur van Marcel geklopt. + +"Wie voor den duivel kan nog zoo laat hier willen zijn?" zeide de +schilder. + +Een kreet van verbazing ontsnapte hem, toen hij de deur geopend had. + +Het was Mimi. + +Daar het donker in de kamer was, herkende Rodolphe zijn vriendinnetje +niet dadelijk. Hij kon slechts een vrouwelijk wezen onderscheiden, +en daar hij dacht, dat het een van die tijdelijke veroveringen van +zijn vriend was, wilde hij zich uit discretie verwijderen. + +"Stoor ik jullie?" vroeg Mimi, die op den drempel was blijven staan. + +Bij het hooren van die stem viel Rodolphe, als door den bliksem +getroffen, op zijn stoel neer. + +"Goeden avond," zeide Mimi, die naar hem toe ging en hem de hand +drukte, wat hij werktuigelijk toeliet. + +"Wat voor den duivel kom jij hier doen?" vroeg Marcel; "en nog wel +op dit uur?" + +"Ik heb het zoo koud," antwoordde Mimi rillend; "en daar ik in het +voorbijgaan nog licht hier zag, ben ik, al is het wat laat, naar +boven gekomen." + +Zij rilde nog steeds. Haar stem had een bijzonderen, kristalhelderen +klank, die als een doodsklok in het hart van Rodolphe echode en het +met een doffen angst vervulde: heimelijk nam hij haar nauwkeuriger +op. Het was Mimi niet meer, het was haar schim. + +Marcel schoof een stoel naast den kachel voor haar. + +Mimi glimlachte, toen zij de heldere vlam vroolijk in de haard +zag dansen. + +"Dat doet je goed," zeide zij, terwijl zij haar arme, door de koude +blauwe handjes boven het vuur hield. "Tusschen twee haakjes, Marcel, +weet je, waarom ik hier kom?" + +"Op mijn woord van eer niet!" antwoordde deze. + +"Nou," zeide Mimi; "ik kwam vragen of jullie niet zoudt kunnen zorgen, +dat ik een kamer in dit huis krijg. In mijn hôtel garni hebben ze mij +de deur gewezen, omdat ik in een maand geen huur betaald heb. Ik weet +niet, waar ik heen moet." + +"Duivels," zeide Marcel hoofdschuddend; "wij staan bij den huisbaas +ook niet erg in den pas, en een aanbeveling van ons zou je eer schaden +dan nuttig zijn." + +"Maar wat moet ik dan beginnen? Ik weet werkelijk niet, waar ik +heen moet." + +"Wat, ben je dan geen vicomtesse meer?" vroeg Marcel. + +"O God, neen!" + +"Al hoe lang niet meer?" + +"Al sedert twee maanden!" + +"Heb je den jongen vicomte te veel geplaagd?" + +"Neen," zeide zij, terwijl zij een steelschen blik wierp op Rodolphe, +die in den donkersten hoek van de kamer was gaan zitten; "de vicomte +heeft me een scène gemaakt naar aanleiding van het gedicht, dat men +op mij gemaakt heeft. Wij hebben woorden gekregen, en toen heb ik +hem den bons gegeven! Het is een echte gierigaard!" + +"Maar hij had je toch aardig in de kleeren gestoken, ten minste te +oordeelen naar den keer, dat ik je eens gezien heb." + +"Dat wel!" zeide Mimi, "maar stel je voor, dat hij, toen ik den +liaison afgebroken had, mij alles weer afgenomen heeft, en dat hij, +zooals ik later gehoord heb, mijn kleeren verloot heeft aan een slechte +table d'hôte, waar ik dikwijls met hem gegeten heb. En toch is het een +rijke jongen, maar met al zijn fortuin is hij zoo gierig als een vrek +en zoo stom als het achtereind van een koe; ik mocht niet eens wijn +zonder water drinken en Vrijdag moest ik altijd vasten. Wil je wel +gelooven, dat hij me zwarte wollen kousen wilde laten dragen, omdat +die niet zoo gauw vuil worden als witte? Je kunt je niet voorstellen +hoe driftig hij is. Hij heeft me dan ook aardig geërgerd. Ik kan wel +zeggen, dat ik bij hem mijn vagevuurtijd doorgemaakt heb!" + +"En weet hij in welken toestand je nu bent?" + +"Ik heb hem niet meer teruggezien en wil hem ook niet +terugzien!" antwoordde Mimi. "Alleen door aan hem te denken word ik +al zeeziek! Ik zou liever van honger sterven dan hem om een stuiver +vragen." + +"Maar," vroeg Marcel verder, "je bent, nadat je hem verlaten hebt, +toch zeker niet alleen gebleven?" + +"Zeker wel, Marcel, zeker wel!" riep Mimi eenigszins heftig uit; +"ik heb gewerkt om te kunnen leven; maar daar ik met het bloemenmaken +niet genoeg verdienen kon, heb ik een ander beroep gekozen: ik poseer +nu voor schilders. Als je soms werk voor mij hebt...." voegde zij er +lachend aan toe. + +En toen zij zag, hoe Rodolphe, dien zij, hoewel zij tot zijn vriend +sprak, geen oogenblik uit het oog verloor, een ongeduldige beweging +maakte, ging zij verder: + +"O, maar ik poseer alleen maar voor mijn hoofd en mijn handen. Ik +heb nog al wat te doen en van twee of drie schilders moet ik nog +geld hebben. Binnen een paar dagen krijg ik het, maar tot zoolang +moet ik onderdak hebben. Zoodra ik weer geld heb, ga ik naar mijn +hôtel terug. Zoo," zeide zij met een blik op de tafel, waarop nog de +praeparatieven stonden voor het bescheiden maal, dat de twee vrienden +nauwlijks hadden aangeraakt; "zoo, gaan jullie soupeeren?" + +"Neen," zeide Marcel; "wij hebben geen honger." + +"Dan zijn jullie wel gelukkig," merkte Mimi naïef op. + +Bij die woorden voelde Rodolphe een steek in zijn hart; hij gaf Marcel +een wenk, dien deze dadelijk begreep. + +"Maar nu je eenmaal hier bent," zeide de schilder, "moest je maar à +la fortune du pot bij ons blijven eten. Wij waren van plan réveillon +te vieren, maar ..... toen zijn we waarachtig aan iets anders gaan +denken." + +"Ik val met mijn neus in de boter," zeide Mimi, terwijl zij een bijna +hongerigen blik op de tafel wierp; "ik heb vanmiddag in het geheel niet +gegeten," fluisterde zij den schilder in, opdat Rodolphe, die op zijn +zakdoek beet, om niet in tranen uit te barsten, het niet zou hooren. + +"Schuif wat bij, Rodolphe!" zeide Marcel tot zijn vriend; "we zullen +met ons drieën soupeeren!" + +"Neen!" zeide dichter, die in zijn hoek bleef zitten. + +"Ben je boos, Rodolphe, dat ik hier gekomen ben," vroeg Mimi zacht; +"heb je liever, dat ik weer weg ga?" + +"Neen, neen!" antwoordde Rodolphe; "maar het doet mij pijn, dat ik +je zoo terugzie." + +"Dat is mijn eigen schuld, Rodolphe--ik klaag dan ook niet; wat voorbij +is, is voorbij, denk er maar niet verder aan. Kan je mijn vriend niet +zijn, omdat je vroeger wat anders geweest ben? Ja toch! Zet dus niet +zoo'n verdrietig gezicht meer en kom bij ons zitten!" + +Zij stond op, om naar hem toe te gaan; maar zij was zoo zwak, dat +zij geen stap doen kon en op haar stoel terugviel. + +"De warmte heeft me bevangen," zeide zij; "ik kan niet meer op mijn +beenen staan." + +"Kom nou bij ons zitten, Rodolphe," zeide Marcel. + +De dichter kwam bij hen zitten en begon met hen te eten. Mimi was +erg uitgelaten. + +Toen het eenvoudige maal afgeloopen was, zeide Marcel tot Mimi: + +"Beste kind, het is ons niet mogelijk je hier in dit huis een kamer +te geven." + +"Dus moet ik gaan!" zeide zij, terwijl zij trachtte op te staan. + +"Wel neen!" riep Marcel uit; "er is nog wel een andere manier, om de +zaak te regelen; jij blijft hier in deze kamer en ik ga zoolang bij +Rodolphe logeeren." + +"Dat is wel lastig voor jullie!" zeide Mimi; "maar het zal niet langer +dan een paar dagen duren." + +"Het is volstrekt niet lastig voor ons," antwoordde Marcel; "dus zoo +blijft het afgesproken: jij blijft hier en Rodolphe en ik slapen op +de kamer van Rodolphe. Bonsoir, Mimi, slaap lekker!" + +"Ik dank jullie wel!" zeide zij, terwijl zij Marcel en Rodolphe, +die weggingen, de hand gaf. + +"Wil ik de deur afsluiten?" vroeg Marcel, toen hij bij de deur was. + +"Waarom?" zeide Mimi met een blik op Rodolphe; "ik ben niet bang." + +Toen de twee vrienden in de kamer ernaast waren, vroeg Marcel +plotseling aan Rodolphe: + +"En wat ben jij nu van plan te doen?" + +"Ik weet het zelf niet!" stamelde Rodolphe. + +"Kom, sta niet zoo te treuzelen, ga naar Mimi! Ik voorspel je, dat, +wanneer je naar haar toegaat, jullie morgen weer verzoend zullen zijn!" + +"Wat zou jij gedaan hebben, als Musette teruggekomen was?" vroeg +Rodolphe. + +"Als Musette in de kamer hiernaast was," antwoordde Marcel, "dan zou +ik al een kwartier geleden niet meer in deze zijn." + +"Nou," zeide Rodolphe; "ik zal moediger zijn dan jij, ik blijf hier!" + +"Dat zullen we nog eens zien!" zeide Marcel, die reeds in bed lag; +"ga jij ook naar bed?" + +"Zeker!" antwoordde Rodolphe. + +Doch toen Marcel midden in den nacht wakker werd, zag hij, dat Rodolphe +weg was. + +'s Ochtends klopte Marcel zachtjes op de deur van de kamer, waarin +Mimi sliep. + +"Binnen," riep zij. Toen zij hem zag, gaf zij hem een wenk zachtjes +te praten, om Rodolphe, die nog sliep, niet wakker te maken. Hij zat +in een fauteuil, dien hij bij het bed geschoven had, en rustte met +zijn hoofd op het kussen naast Mimi. + +"Hebben jullie zoo den nacht doorgebracht?" vroeg Marcel verwonderd. + +"Ja," antwoordde het jonge meisje. + +Plotseling werd Rodolphe wakker. Na Mimi een kus gegeven te hebben, +stak hij den schilder, die hoe langer hoe verbaasder scheen, de +hand toe. + +"Ik zal zien, dat ik wat geld krijg, om eten te koopen," zeide hij +tot Marcel; "houd jij Mimi zoo lang gezelschap." + +"En," vroeg Marcel aan het jonge meisje, toen zij alleen waren, +"wat is er vannacht gebeurd?" + +"Ach God, niets dan treurige dingen," zeide Mimi; "Rodolphe houdt +nog altijd van me." + +"Dat weet ik!" + +"Ja, jij hebt hem van mij willen aftrekken," zeide zij; "maar dat +neem ik je niet kwalijk, Marcel, je hadt gelijk; ik heb dien armen +jongen leelijk behandeld!" + +"En jij," vroeg Marcel, "houdt jij nog altijd van hem?" + +"Of ik van hem houd!" zeide zij handenwringend. "En dat is juist zoo'n +pijniging voor me. Ik ben wel veranderd, beste jongen, en daarvoor +is niet veel tijd noodig geweest." + +"Nou, als hij van jou houdt en jij van hem en jullie niet buiten +elkaar kunt, moeten jullie maar weer samen gaan leven en dan probeeren, +dat het ditmaal voor goed is." + +"Dat is onmogelijk," zeide Mimi. + +"Waarom?" vroeg Marcel; "zeker, het zou verstandiger zijn, indien +jullie voor goed van elkaar gingen; maar om elkaar niet meer te zien, +zouden jullie wel duizend mijl van elkaar moeten zijn!" + +"Wat bedoel je daarmee?" + +"Spreek er niet met Rodolphe over, dat zou hem te veel aanpakken--maar +ik ga gauw voor goed weg." + +"Maar waarheen?" + +"Kijk eens, Marcel," zeide Mimi snikkend. + +En de dekens wat terugslaande, liet zij den schilder haar schouders, +haar hals en haar armen zien. + +"Goede God!" riep Marcel verschrikt uit. "Arme meid!" + +"Zie je wel, beste jongen, dat ik mij niet vergis en dat ik spoedig +sterven zal?" + +"Maar hoe is dat in zoo'n korten tijd kunnen gebeuren?" vroeg Marcel. + +"Ach!" antwoordde Mimi; "bij het leven, dat ik sedert twee maanden +leid, is dat niet te verwonderen: al die slapelooze, doorweende +nachten, dat poseeren in onverwarmde ateliers, het slechte voedsel, +het vele verdriet.... En dan weet je nog niet alles: ik heb me +met eau de Javel willen vergiftigen; ze hebben me gered, maar niet +voor lang, zooals je ziet. Bovendien ben ik nooit heelemaal gezond +geweest. Enfin, het is mijn eigen schuld: als ik kalm bij Rodolphe +gebleven was, zou het zoover niet gekomen zijn. En nu kom ik dien +armen jongen weer lastig vallen, maar het zal niet voor lang zijn: +het laatste kleedingstuk, dat hij me geven zal, zal heelemaal wit +zijn, Marcel, en daarin zal ik begraven worden. O, als je eens wist, +hoe vreeselijk ik het vind, dat ik sterven moet! Rodolphe weet, dat ik +ziek ben; gisteren heeft hij langer dan een uur sprakeloos naast mijn +bed gezeten, toen hij mijn magere armen en schouders heeft gezien: +hij herkende zijn Mimi niet meer ..... ach, mijn spiegel herkent +me zelfs niet meer. Maar enfin, ik ben knap geweest en hij heeft +veel van me gehouden. O lieve God," riep zij uit, terwijl zij haar +gezicht in Marcel's handen verborg, "ik ga je verlaten, beste jongen, +en Rodolphe ook. O, lieve God!" + +Tranen verstikten haar stem. + +"Kom, Mimi," zeide Marcel, "doe niet zoo wanhopig, je zult weer beter +worden; je hebt alleen een goede verpleging en rust noodig." + +"Ach, neen!" antwoordde Mimi; "het loopt af met mij, ik voel het heel +goed. Ik ben zoo vreeselijk zwak: toen ik gisterenavond hier kwam, +heb ik meer dan een uur noodig gehad om boven te komen. En als ik hier +een andere vrouw had aangetroffen, zou ik me uit het raam geworpen +hebben. En toch was hij vrij, nu wij niet meer samen waren; maar +zie je, Marcel, ik was er zeker van, dat hij nog van me hield. En +daarom"--en weer barstte Mimi in tranen uit--"daarom alleen heb ik +niet dadelijk willen sterven. Maar toch is het gedaan met mij. Och, +Marcel, wat is hij toch een goede jongen, dat hij mij na alles wat ik +hem aangedaan heb, toch nog bij zich genomen heeft. Ach, de lieve God +is niet rechtvaardig, dat hij mij den tijd zelfs niet laat om weer +goed te maken wat ik tegenover Rodolphe misdaan heb. En hij begrijpt +heel goed hoe het met mij gesteld is. Ik wou niet, dat hij naast mij +kwam liggen, want het is net alsof ik de wormen al aan mijn lichaam +voel vreten. Wij hebben den geheelen nacht door samen geweend en over +vroeger gesproken. O, wat is het toch droevig, dat je het geluk dan +eerst ziet, wanneer het niet meer bereikbaar is en nadat het aan je +voorbijgegaan is, zonder het te zien!.... O, het brandt me in mijn +borst als vuur; en wanneer ik mijn ledematen beweeg, is het net, +alsof zij zullen breken ..... Och, Marcel, geef me mijn japon even +aan. Ik wil de kaart leggen, om te zien of Rodolphe geld meebrengen +zal. Ik zou nog zoo graag eens lekker met jullie willen dejeuneeren, +net als vroeger--het zal me geen kwaad doen, want God kan me toch niet +zieker maken dan ik al ben. Kijk," zeide zij, terwijl ze Marcel de +kaart liet zien, die zij gecoupeerd had; "dat is schoppen, de kleur +van den dood. En hier klaveren," voegde zij er vroolijk aan toe. "We +krijgen geld." + +Marcel wist niet wat hij moest zeggen bij die helderziende ijlkoortsen +van dit ongelukkige schepseltje, dat, zooals zij zeide, de wormen +reeds aan zich voelde vreten. + +Na een uur kwam Rodolphe terug. Hij bracht Schaunard en Colline +mede. De musicus had zijn zomerjas aan: hij had, zoodra hij gehoord +had, dat Mimi ziek was zijn winterjas verkocht, om Rodolphe geld te +kunnen leenen. Colline van zijn kant had verschillende boeken van +de hand gedaan. Weliswaar had hij liever een arm of been verzilverd, +maar Schaunard had hem aan zijn verstand gebracht, dat men met zijn +arm of been niets beginnen kan, waarom hij maar besloten had van zijn +lievelingen afstand te doen. + +Mimi spande al haar krachten in om haar oude vrienden met een vroolijk +gezicht te ontvangen. + +"Ik ben niet ondeugend meer," zeide zij tot hen, "en Rodolphe heeft +mij vergiffenis geschonken. Als hij mij bij zich wij houden, zal ik +klompen aantrekken en een halsdoek omdoen. Zijde is niet goed voor mijn +gezondheid," voegde zij er met een hartverscheurend glimlachje aan toe. + +Op aandringen van Marcel had Rodolphe een van zijn vrienden, die +pas dokter geworden was, laten halen. Het was dezelfde, die vroeger +de kleine Francine behandeld had. Toen hij kwam, liet men hem met +Mimi alleen. + +Rodolphe was door Marcel reeds te voren op de hoogte gebracht van +den gevaarlijken toestand, waarin Mimi verkeerde. Toen de dokter Mimi +onderzocht had, zeide hij tot Rodolphe: + +"Je kunt haar hier niet houden. Slechts een wonder kan haar redden. Zij +moet naar het ziekenhuis. Ik zal je een brief voor de Pitié geven; +een van mijn kennissen is daar assistent; ik zal hem vragen haar +te behandelen. Als zij de lente haalt, kunnen we haar misschien nog +heelemaal beter maken; maar als zij hier blijft, is het binnen acht +dagen afgeloopen." + +"Ik zal het haar nooit durven voorstellen," zeide Rodolphe. + +"Ik heb het haar al gezegd," antwoordde de dokter, "en zij vindt het +goed. Morgen zal ik je een formulier voor de Pitié zenden." + +"Beste jongen," zeide Mimi tot Rodolphe, "de dokter heeft gelijk. Je +zoudt me hier niet kunnen verplegen, zooals het behoort; je moet +mij naar het ziekenhuis laten gaan. O, ik zou nu zòò graag blijven +leven, dat ik de rest van mijn leven mijn linkerhand in het vuur +zou houden, als ik de jouwe in mijn rechter mocht hebben. Je komt me +toch zeker dikwijls opzoeken. Kom wees niet zoo bedroefd: ik zal daar +goed verpleegd worden, heeft de dokter gezegd. Je krijgt kalfssoep +in het ziekenhuis, en het is er warm. En terwijl ik daar aan het +opknappen ben, moet jij werken, om geld te verdienen; en wanneer ik +weer beter ben, kom ik weer bij je terug en blijf ik altijd bij je. Ik +heb nu heel veel hoop. Ik kom even knap als vroeger terug. Vroeger, +toen ik je nog niet kende, ben ik ook eens ziek geweest, en toen +ben ik ook beter geworden. En in dien tijd was ik niet gelukkig, +en het zou beter geweest zijn, als ik toen maar gestorven was. Nu +ik jou teruggevonden heb en wij nog gelukkig kunnen zijn, zullen +ze me ook wel beter maken, want ik zal me krachtig tegen de ziekte +verzetten. Ik zal alle leelijke drankjes, die ze me geven, slikken, +en de dood zal me alleen maar met geweld van je kunnen nemen. Geef den +spiegel eens, het is net, of ik al weer een kleur krijg. Ja," zeide +zij, terwijl zij in den spiegel keek, "mijn mooie tint komt alweer +terug. En kijk, mijn handen zijn nog altijd mooi; geef er nog eens +een zoen op; het zal heusch de laatste keer niet zijn, jongenlief!" + +Toen zij dit gezegd had, sloeg zij haar armen om zijn hals en bedekte +zijn gezicht onder haar loshangende haren. + +Voor zij naar het ziekenhuis ging, wilde zij nog een avond met al de +vroegere vrienden samen zijn. + +"Laat me lachen," zeide zij; "vroolijkheid is voor een mensch het +beste geneesmiddel. Die slaapmuts van een vicomte heeft mij ziek +gemaakt. Hij wou me orthographie leeren, stel je voor; wat moest ik +daarmede beginnen? En zijn vrienden--lieve God, wat een kerels! Je +reinste hoenderhof, waarin de vicomte de pauw was. Hij merkte, God +betert, zijn eigen linnengoed. Als hij ooit trouwt, krijgt hij vast +de kinderen." + +Niets kon aangrijpender zijn dan deze opgewekte stemming, die, om zoo +te zeggen, den dood van het lichaam overleefde. Slechts met inspanning +van al hun geestkracht slaagden de bohémiens erin hun tranen terug +te houden en het gesprek in den schertsenden toon te houden, waarin +het gebracht was door dat arme kind, voor wie het noodlot zoo vlug +het linnen voor haar laatste kleed weefde. + +Den volgenden ochtend kreeg Rodolphe het formulier voor het +ziekenhuis. Mimi kon onmogelijk meer loopen: ze moest in het rijtuig +worden gedragen. Tijdens het rijden leed zij vreeselijk onder de +schokken. Maar het laatste, dat bij vrouwen sterft, de ijdelheid, +overwon ook nu nog die pijnen: twee of driemaal liet zij het rijtuig +voor mode-magazijnen stil staan, om naar de étalages te kijken. + +Toen zij in de op het formulier aangegeven zaal kwam, voelde Mimi +haar hart samenkrimpen; een inwendige stem zeide haar, dat zij haar +leven tusschen deze kale, droefgeestige muren zou eindigen. Al haar +wilskracht moest zij te hulp roepen, om den somberen indruk, die haar +had doen rillen, voor Rodolphe te verbergen. + +Toen zij te bed lag, omhelsde zij hem voor de laatste maal en drukte +hem op het hart haar den volgenden Zondag te komen opzoeken. + +"Het ruikt hier zoo akelig," zeide zij; "breng bloemen voor me mee, +viooltjes, die zijn er nog!" + +"Ja," zeide Rodolphe; "adieu, tot Zondag!" + +En hij trok de gordijnen dicht. Toen Mimi hoorde hoe de stappen van +haar geliefde zich steeds verder verwijderden, kreeg zij plotseling +een koortsaanval. Zij sloeg wild de gordijnen open, boog zich half +uit haar bed en riep met een door tranen verstikte stem: + +"Rodolphe, neem me weer mee; ik wil weg!" + +De zuster kwam naar haar toe en trachtte haar te kalmeeren. + +"O," steunde Mimi; "ik zal hier sterven!" + +'s Zondagsochtends, den dag dat hij Mimi zou gaan opzoeken, +herinnerde Rodolphe zich, dat hij haar beloofd had viooltjes mee +te zullen brengen. Door een poëtisch bijgeloof gedreven, ging hij, +niettegenstaande het vreeselijke weer, te voet naar de bosschen van +Aulnay en Fontenay, waar hij zoo dikwijls met haar geweest was, om daar +zelf de bloemen te zoeken, waarom zij hem gevraagd had. Twee uur lang +dwaalde hij door het met sneeuw bedekte kreupelhout en lichtte met +een klein stokje de struiken en het heidekruid op, tot hij eindelijk +een paar viooltjes vond vlak bij het struikgewas langs den vijver +van Le Plessis, hun lievelingsplekje, waar ze altijd heengingen, +als ze buiten waren. + +Toen hij op den terugweg naar Parijs door het dorp Châtillon kwam, zag +hij op het kerkplein een doopstoet en daarbij een van zijn vrienden, +die met een zangeres van de Opéra peet was. + +"Wat voer jij hier uit?" vroeg hij, verwonderd Rodolphe daar te zien. + +De dichter vertelde wat er gebeurd was. + +De jonge man, die Mimi gekend had, werd door het verhaal zeer +aangegrepen. Hij haalde een doos bonbons uit zijn zak en gaf die +aan Rodolphe. + +"Die arme Mimi, geef haar dit uit mijn naam en zeg, dat ik eens naar +haar kom kijken!" + +"Als je dat wil, moet je je haasten, anders zou je te laat kunnen +komen," zeide Rodolphe en ging verder. + +Toen hij in het hospitaal kwam, vloog Mimi, die zich niet meer bewegen +kon, hem met een blik om de hals. + +"Ha, daar zijn mijn bloemen!" riep zij, terwijl een glimlach van +geluk om haar lippen speelde. + +Rodolphe vertelde haar zijn pelgrimstocht naar het struikgewas langs +den vijver, dat het paradijs van hun liefde geweest was. + +"Lieve bloemen!" zeide het arme kind, terwijl zij de viooltjes kuste. + +Ook de bonbons vielen in haar smaak. + +"Ze hebben me dus nog niet heelemaal vergeten!" zeide zij. "Wat zijn +jullie toch allemaal goed. Ik mag al je vrienden graag, Rodolphe!" + +Het samenzijn was bijna vroolijk te noemen. Ook Schaunard en Colline +waren gekomen. De zuster moest hen tot weggaan aansporen, daar de +bezoektijd reeds lang voorbij was. + +"Vaarwel!" zeide Mimi; "tot Donderdag dus! En zorg op tijd te zijn!" + +Toen Rodolphe den volgenden avond thuis kwam, vond hij een brief van +een jongen assistent uit het ziekenhuis, aan wien hij Mimi bijzonder +aanbevolen had. De brief bevatte slechts deze woorden: + +"Amice, ik moet je een treurige tijding geven: No. 8 is dood. Toen +ik vanochtend door de zaal kwam, vond ik het bed leeg." + + + +Rodolphe viel op een stoel neer, maar geen tranen kwamen hem +verlichting brengen. Toen Marcel later op den avond bij hem kwam, +vond hij zijn vriend nog in dezelfde wezenlooze houding; met een +handgebaar wees Rodolphe hem op den brief. + +"Arme meid!" zeide Marcel. + +"Het is vreemd," merkte Rodolphe op; "ik voel niets. Zou mijn liefde +reeds gestorven zijn, toen ik hoorde, dat Mimi sterven moest?" + +"Wie zal het zeggen?" mompelde de schilder. + +Mimi's dood veroorzaakte in den kring der bohémiens een groote +ontroering. + +Acht dagen later ontmoette Rodolphe op straat den assistent, die hem +den dood van zijn vriendinnetje gemeld had. + +"Beste Rodolphe," zeide hij, "je neemt het me toch niet al te kwalijk, +dat ik je door mijn voorbarigheid verdriet gedaan heb?" + +"Wat bedoel je?" vroeg Rodolphe verwonderd. + +"Wat? .... Weet je het niet? Heb je haar dan niet meer gezien?" + +"Wie?" schreeuwde Rodolphe. + +"Maar Mimi natuurlijk!" + +"Wat?" stamelde de dichter, die doodsbleek werd. + +"Ik had me vergist. Toen ik je die vreeselijke tijding schreef, +was ik het slachtoffer van een dwaling. Kijk eens, ik was in twee +dagen niet in het ziekenhuis geweest. Toen ik den derden dag weer +terugkwam, vond ik het bed van je vrouw leeg. Op mijn vraag aan de +zuster waar de zieke was, kreeg ik ten antwoord, dat zij 's nachts +gestorven was. De zaak zit zoo in elkaar. Tijdens mijn afwezigheid +was Mimi naar een andere zaal gebracht. In bed No. 8 hadden ze een +andere vrouw gelegd, die nog denzelfden dag gestorven is. Dat is de +oorzaak van mijn vergissing. Den dag, nadat ik je geschreven had, +vond ik Mimi in een zaal ernaast. Jouw wegblijven had haar vreeselijk +veel verdriet gedaan; zij gaf me een brief voor je, dien ik dadelijk +naar je kamer gebracht heb." + +"Lieve God!" riep Rodolphe uit; "vanaf het oogenblik dat ik dacht, +dat Mimi dood was, ben ik niet meer op mijn kamer geweest. Ik heb +hier en daar bij mijn vrienden geslapen. Mimi leeft. God, wat moet +zij wel van mijn wegblijven denken! Arme, arme meid! En hoe is het +met haar? Wanneer heb je haar voor het laatst gezien?" + +"Eergisterenochtend. Zij was niet erger en niet beter, maar zij is +erg ongerust over jou, ze denkt, dat je ziek bent!" + +"Ga dadelijk met me naar de Pitié," zeide Rodolphe; "ik moet ze zien." + +"Wacht hier een oogenblik," zeide de assistent, toen zij bij den +ingang van het ziekenhuis waren, "ik zal den directeur vragen, of je +haar zien mag." + +Rodolphe wachtte een kwartier in de vestibule. Toen kwam de assistent +terug, greep de hand van den dichter en zeide: + +"Je moet maar denken, beste kerel, dat de brief, dien ik je acht +dagen geleden geschreven heb, waarheid gesproken heeft." + +"Wat?" zeide Rodolphe, terwijl hij wankelde en steun zocht tegen een +pilaar; "Mimi....." + +"Vanochtend om vier uur." + +"Breng mij naar de snijkamer, dan kan ik ze nog eenmaal zien," +vroeg Rodolphe. + +"Daar is ze niet meer," zeide de dokter. En terwijl hij den dichter op +een grooten wagen wees, die op de binnenplaats stond voor een gebouw, +waarboven het woord: Snijkamer te lezen was, voegde hij eraan toe: + +"Daarin is zij." + +Het was inderdaad de lijkwagen, waarin de niet opgevraagde lijken +naar de gemeenschappelijke graven gebracht worden. + +"Adieu," zeide Rodolphe tot den assistent. + +"Wil ik soms met je meegaan?" vroeg deze. + +"Neen, dank je," zeide Rodolphe, terwijl hij zich langzaam +verwijderde. "Ik wil alleen zijn!" + + + + + + +HOOFDSTUK XXIII. + +MEN IS SLECHTS EENS JONG. + + +Een jaar na Mimi's dood vierden Rodolphe en Marcel, die steeds bij +elkaar gebleven waren, met een feest hun intrede in de officieele +wereld. Marcel, die eindelijk tot den Salon was toegelaten, had er twee +schilderijen geëxposeerd, waarvan er een gekocht was door een rijken +Engelschman, een vroegeren minnaar van Musette. Met de opbrengst van +dien verkoop en met die van een hem door de regeering opgedragen werk, +had Marcel het grootste gedeelte van zijn oude schulden afgelost, +zich in een fatsoenlijke woning geïnstalleerd en een echt atelier +ingericht. Bijna tegelijk waren Schaunard en Rodolphe voor het publiek +getreden, dat over den naam en het fortuin van kunstenaars beslist, +de eerste met een album liederen, die op alle concerten gezongen +werden en die zijn naam vestigden; de tweede met een boek, waarmede +de kritiek zich een maand lang bezig hield. Barbemuche had zich sedert +lang uit het bohème leven teruggetrokken, terwijl Gustave Colline een +erfenis gekregen en een rijk huwlijk gedaan had en nu avondjes gaf, +waarop muziek gemaakt en koekjes gegeten werden. + +Op een avond, dat Rodolphe in zijn fauteuil en met zijn voeten op +zijn tapijt zat, zag hij Marcel opgewonden binnenkomen. + +"Weet je wat mij overkomen is?" vroeg hij. + +"Neen," antwoordde de dichter. "Ik weet alleen, dat ik bij je geweest +ben, dat je beslist thuis was en dat je me niet hebt willen open doen." + +"Ik heb je wel gehoord. Raad eens wie bij mij was." + +"Hoe zou ik dat weten?" + +"Musette! Zij is gisteravond als débardeur [52] bij me binnen komen +vallen." + +"Musette? Heb jij Musette teruggevonden?" vroeg Rodolphe met iets +van spijt in zijn stem. + +"Maak je niet ongerust! de vijandelijkheden zijn niet hervat. Musette +is den laatsten nacht van haar bohème-leven bij mij komen doorbrengen." + +"Wat bedoel je daarmee?" + +"Zij gaat trouwen." + +"Wat!" riep Rodolphe uit. "En met wien, lieve hemel?" + +"Met een postmeester, den voogd van haar laatsten minnaar, een type, +naar het schijnt. Musette heeft tegen hem gezegd: "Waarde heer, +alvorens ik u definitief mijn hand geef en met u naar het stadhuis +rijd, wil ik nog eerst acht dagen volkomen vrijheid. Ik moet mijn zaken +regelen en ik wil mijn laatste glas champagne drinken, mijn laatsten +quadrille dansen en mijn vriend Marcel, die net zoo goed is als ieder +ander, een laatsten kus geven." Acht dagen lang heeft het lieve kind +naar mij gezocht, tot ze gisteravond juist op een oogenblik, dat ik aan +haar dacht, bij mij is komen binnenvallen. Wij hebben een treurigen +nacht gehad ..... het was lang dat van vroeger niet, lang niet. Wij +zagen er net uit als een slechte copie van een meesterwerk. Ik heb +naar aanleiding van deze laatste scheiding een klein klaaglied gemaakt, +dat ik je voorjammeren zal, als je het goed vindt." + +En toen begon hij eenige coupletten te neuriën ... + + + +"Nou ben je toch zeker wel gerustgesteld," zeide Marcel, toen hij +uitgejammerd had; "mijn liefde voor Musette is zoo dood als een pier, +dat bewijst dit treurige treurlied wel." + +"Arme kerel!" zeide Rodolphe; "je verstand duelleert met je hart; +pas op, dat het laatste niet gedood wordt." + +"Dat is al gebeurd," antwoordde de dichter; "het is afgeloopen met +ons, we zijn dood en begraven. Je bent maar eens jong. Waar dineer +je vanavond?" + +"Als je het goed vindt, kunnen we voor twaalf sous in ons oud +restaurant in de rue du Four gaan eten, waar je nog van die echte +dorpsborden hebt, en waar je, als je klaar bent, nog steeds trek hebt." + +"Neen, dank je wel," antwoordde Marcel. "Ik wil wel nog eens praten +over het verleden, maar dan bij een goed glas wijn in een makkelijken +fauteuil. Ach ja, ik ben nu eenmaal verdorven. Ik houd alleen nog +maar van wat goed is." + + + EINDE. + + + + + + +AANTEEKENINGEN + + +[1] Een hôtel in de tegenwoordige rue-Jean-Jacques-Rousseau, waarin +meubelverkoopingen gehouden werden. + +[2] Een bekend soort, met brons ingelegde meubelen. + +[3] De in het quartier latin gebruikelijke naam voor het Théâtre +du Luxembourg. + +[4] Tweehoofdig. + +[5] De Regenboog. + +[6] Een beroemde slemppartij uit Cervantes' Don Quichotte, beschreven +in hoofdstuk XX van dat werk. + +[7] Gastheer. + +[8] Vatel was de hofkok van Lodewijk XIV. + +[9] Greuze, volgens Diderot "le peintre des familles et des honnêtes +gens", is bekend door zijn sentimenteel-kokette meisjesfiguren; Gavarni +daarentegen gaf aan die koketterie een meer overmoedige uitdrukking. + +[10] Het fabriekstempel J. G. vindt men op kleine aarden pijpen, +die voor twee sous verkrijgbaar zijn. + +[11] Cicero's uitdrukking was: Nascuntur poetae (Dichters worden +geboren). Poêlier, beteekent kachelsmid, rookverdrijver. + +[12] Door geweld gedwongen. + +[13] Persoon uit don Juan, die steeds geharnast was en dus zeer +zwaar liep. + +[14] Letterkundige wedstrijden, waarbij de winnaars een gouden bloem, +meestal een roos, krijgen. + +[15] Met het personeel van de firma Bidault (den toenmaligen +postdirecteur) worden de brievenbestellers bedoeld. + +[16] Een gefingeerde naam. + +[17] De tweede helft luidt... "en de aanraking van twee opperhuiden." + +[18] Zie de beide novellen van de Musset: "Frédéric et Bernerette" +en "Mademoiselle Mimi Pinson." + +[19] Rivier in Lydië, bekend om haar goudrijkdom. + +[20] Sax was een fabrikant van beroemde muziekinstrumenten. + +[21] Borreas = Noordenwind. + +[22] Een heilige uit de R.K. kerk, die zich voornamelijk het lot van +arme verworpenen en maatschappelijk ellendigen aantrok. + +[23] Een verdoovend, uit een soort hennepplant bereid middel. + +[24] Toespeling op Dumas' roman: "De drie musketiers". + +[25] Te Saint-Denis was een kostschool, waar dochters van officieren +van het Legioen van Eer werden opgevoed. + +[26] Iemand, die toelatingsexamen voor de universiteit heeft gedaan. + +[27] "Geloofsbelijdenis van den savoyaardschen vicaris". Vergelijk +Rousseau's Emile. + +[28] Géricault, een beroemd schilder, wiens doek "Vlot der Medusa", +in 1819 groot opzien verwekte en de eerste overwinning van het realisme +in de schilderkunst genoemd wordt. + +[29] Cicero is een lettersoort. + +[30] Vergelijk Dumas' Kean, 2de bedrijf, tooneel 1-3. + +[31] Parijs bezat vroeger slechts twaalf arrondissementen en evenveel +bureaux voor den burgerlijken stand--een voor den maire van het +dertiende arrondissement gesloten huwelijk was dus een huwelijk uit +vrije liefde. + +[32] De "Complainte van Jean Bélin" is een satyriek gedicht van een +onbekenden schrijver, dat in 1840 verschenen was. Ook in andere werken +zinspeelt Murger er op. + +[33] Vergelijk Racine's Cinna, acte V, Scène I. + +[34] Vergelijk Racine's Phèdre, acte I, scène I. + +[35] In de Rue Coquenard ligt de kerk Notre-Dame-de-Lorette, wier +naam overgegaan is op de schoone zondaressen, die in deze straat wonen. + +[36] De papegaai Vert-Vert is de held van een naar hem genoemd komisch +epos van Gresset. Opgevoed in een klooster te Nivers, was hij zoo +deugdzaam en vroom, dat zijn roem zich overal heen verbreidde en ook +de nonnen in een klooster te Nantes hem wenschten te hooren. Op een +boot daarheen gebracht, leerden de schippersknechts hem vloeken als +een ketter, wat bij de nonnen groote consternatie verwekte. + +[37] Toespeling op Offenbach's operette Les contes d'Hoffmann. + +[38] Matthieu Laensberg leefde omstreeks 1680 als canonicus in Luik en +gaf een kalender met weersvoorspellingen uit. Omstreeks 1840 aapten +de socialisten (Louis Blanc) in hun volkskalender de populaire taal +van den canonicus na om propaganda te maken voor revolutionnaire +doeleinden; hierdoor werd de naam in Frankrijk in grootere kringen +populair. + +[39] Letterlijk: een pleisterplaats voor karavanen. + +[40] Zinspeling op Dante's Inferno. + +[41] Eetlust. + +[42] Een verfrisschende drank (bereid uit citroen en zoethout), +die in Frankrijk langs den weg verkocht wordt. + +[43] Bekende champagne-merken. + +[44] Zie Molière's Don Juan: Acte IV, scène III. + +[45] Zie Shakespeare's Macbeth. + +[46] Gastibelza is de held van het drama "Gastibelza of de Waanzinnige +van Toledo" van d'Ennery en Cormon. In het tweede bedrijf wordt hij +krankzinnig, in het derde echter krijgt hij, zooals dat een held +betaamt, zijn verstand vrijwel weer terug. Hij komt nooit zonder zijn +karabijn op het tooneel. + +[47] Neen, het is nog niet de dag; het was de nachtegaal en niet de +leeuwerik, wiens tonen doordrongen tot je angstige ooren. + +[48] Toespeling op den versregel uit het laatste tooneel van +Raynouard's tragedie: "Les Templiers": + + + "Mais il n'était plus temps; les chants avaient cessé". + + +[49] Een duif à la crapoudine is een duif, die opgediend wordt in +den vorm van een pad. + +[50] Een persoon uit de Grieksche mythologie met honderd armen. + +[51] Bekende persoon uit don Quichotte. + +[52] Débardeur = iemand, die tijdens het carnavalsfeest als houtdrager +gecostumeerd rondloopt. + + + + + + +End of Project Gutenberg's Kunstenaarsleven te Parijs, by Henri Murger + +*** END OF THIS PROJECT GUTENBERG EBOOK KUNSTENAARSLEVEN TE PARIJS *** + +***** This file should be named 35741-8.txt or 35741-8.zip ***** +This and all associated files of various formats will be found in: + http://www.gutenberg.org/3/5/7/4/35741/ + +Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed +Proofreading Team at http://www.pgdp.net/ for Project +Gutenberg + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +http://gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS' WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need, are critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at http://www.pglaf.org. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Its 501(c)(3) letter is posted at +http://pglaf.org/fundraising. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at http://pglaf.org + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit http://pglaf.org + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including checks, online payments and credit card donations. +To donate, please visit: http://pglaf.org/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + http://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. diff --git a/old/35741-8.zip b/old/35741-8.zip Binary files differnew file mode 100644 index 0000000..4a58585 --- /dev/null +++ b/old/35741-8.zip |
