summaryrefslogtreecommitdiff
path: root/34784-8.txt
diff options
context:
space:
mode:
Diffstat (limited to '34784-8.txt')
-rw-r--r--34784-8.txt11178
1 files changed, 11178 insertions, 0 deletions
diff --git a/34784-8.txt b/34784-8.txt
new file mode 100644
index 0000000..093bff6
--- /dev/null
+++ b/34784-8.txt
@@ -0,0 +1,11178 @@
+The Project Gutenberg eBook, Keur van Nederlandsche Synoniemen, by Teunis
+Pluim
+
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+
+
+
+
+Title: Keur van Nederlandsche Synoniemen
+ Ten gebruike bij de studie voor de hulp- en hoofdacte en op inrichtingen voor M.O.
+
+
+Author: Teunis Pluim
+
+
+
+Release Date: December 29, 2010 [eBook #34784]
+
+Language: Dutch
+
+Character set encoding: ISO-8859-1
+
+
+***START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK KEUR VAN NEDERLANDSCHE
+SYNONIEMEN***
+
+
+E-text prepared by the Online Distributed Proofreading Team
+(http://www.pgdp.net)
+
+
+
++----------------------------------------------------------------+
+| |
+| OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: |
+| |
+| De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, |
+| verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te |
+| moderniseren. |
+| |
+| Bladzijde-nummering is verwijderd. Afgebroken woorden aan het |
+| einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. |
+| |
+| Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn |
+| gecorrigeerd. Variaties in spelling zijn behouden. |
+| |
+| In het origineel cursieve tekst is weergegeven als _cursief_. |
+| Uitgespatiëerde tekst is weergeven als ~uitgespatiëerd~, vette |
+| tekst als $vet$ en onderstreepte tekst als #onderstreept#. |
+| |
+| In dit boek worden lage en hoge aanhalingstekens gebruikt. |
+| De dubbele aanhalingstekens zijn in dit e-boek aangegeven als |
+| »aanhalingstekens". |
+| |
+| Aan het eind van het boek volgt een overzicht van de |
+| aangebrachte correcties. |
+| |
++----------------------------------------------------------------+
+
+
+
+
+
+KEUR VAN NEDERLANDSCHE SYNONIEMEN
+
+#TEN GEBRUIKE BIJ DE STUDIE VOOR DE HULP- EN
+HOOFDACTE EN OP INRICHTINGEN VOOR M.O.#
+
+DOOR
+
+T. PLUIM,
+Hoofd eener School te Baarn.
+
+
+
+
+
+
+
+VIERDE, HERZIENE DRUK.
+
+J. Muusses.--Purmerend.--1912.
+
+
+
+
+VOORBERICHT
+
+
+BIJ DEN EERSTEN DRUK.
+
+Er is geen betere »stijloefening" dan het bestudeeren van synoniemen;
+hierdoor toch raakt men intiemer bekend met den rijkdom van vormen,
+waarover onze taal beschikt, om allerlei schakeeringen van eenzelfde
+hoofdbegrip uit te drukken. Het is dus wel te verklaren, dat het
+behandelen van zinverwante woorden een veel voorkomende en hoogst
+practische examen-opgave vormt. Toch mag het zeker verwondering baren,
+dat het Nederlandsch slechts weinig werken over dit belangrijk onderdeel
+der levende taal bezit. Na het thans verouderde »Woordenboek" van
+Weiland en Landré (1821, 3 dln.) is slechts één werk verschenen, aan de
+studie der synoniemen gewijd. Dit gunstig bekende »Handboek van Ned.
+Synoniemen", door J. V. Hendriks (D. Mijs, f 2.50), dat verre boven
+onzen lof verheven is, kan echter als _eerste_ studieboek bezwaarlijk
+gebruikt worden: het geeft uit den aard der zaak te veel stof bij te
+weinig oefeningen. Het kwam mij daarom niet ondienstig voor, uit den
+rijken voorraad onzer synoniemen een keuze te doen, om zoo noodig een
+grondiger en uitvoeriger behandeling van dit onderwerp voor te bereiden.
+
+Ik heb bij het schrijven van dit werkje een geleidelijke opklimming
+in het oog gehouden en zeer veel plaats aan oefeningen ter toepassing
+ingeruimd. Hierdoor vlei ik mij, dat dit boekje gebruikt kan worden op
+onze Normaal- en Hoogere Burgerscholen, op onze Gymnasia en misschien
+ook bij de studie voor de hoofdacte.
+
+Welwillende opmerkingen, die de bruikbaarheid kunnen verhoogen, zullen
+mij steeds welkom zijn.
+
+ 1904.
+
+
+BIJ DEN TWEEDEN DRUK.
+
+De _tweede_ druk is zoo goed als ongewijzigd gebleven.
+
+Van geachte zijde werd mij er op gewezen, dat ik van Hendriks een wel
+wat al te ruim gebruik zou gemaakt hebben. Waar deze schrijver niet
+schroomde dikwijls Landré en Weiland woordelijk te volgen, meende ook
+ik daartoe het recht te mogen hebben. Bovendien heb ik, evenals hij,
+van het _Woordenboek der Ned. Taal_ een ijverig gebruik gemaakt,
+terwijl ik verder nog raadpleegde: Kuypers _Woordenboek_, dr. Nassau's
+_Geschriften_ en een paar Duitsche werken. Ik heb dus, als zoo menig
+compilator, toegepast: »Je prends mon bien où je le trouve", daarbij
+steeds voor oogen houdende, dat mijn werkje vóór alles _practisch_ moest
+zijn. Uit de gunstige recensies en uit het vrij spoedig verschijnen van
+den 2en druk, meen ik te mogen besluiten, dat het bruikbaar bevonden
+wordt voor het doel, dat ik beoogde.
+
+ 1907.
+
+
+BIJ DEN DERDEN DRUK.
+
+De _derde_ druk is vermeerderd met een »Aanhangsel", waarin nog
+een groot aantal (± 50 reeksen) der voornaamste synoniemen op meer
+beknopte wijze zijn behandeld. Aan den gebruiker is het--bij wijze van
+oefening--overgelaten zelf de voorbeelden ter toepassing te zoeken. Ik
+mag mij vleien, dat daardoor de bruikbaarheid van het werkje nog is
+toegenomen. (De prijs is niet verhoogd.)
+
+ 1909.
+
+
+BIJ DEN VIERDEN DRUK.
+
+Van de welwillende opmerkingen in »De School met den Bijbel" is een
+dankbaar gebruik gemaakt. Ook heb ik op enkele andere plaatsen kleine
+verbeteringen aangebracht. Het toenemend gebruik van dit werkje is mij
+zeer aangenaam.
+
+ Baarn, Maart 1912. T. PLUIM.
+
+
+
+
+1. Draaglijk--draagbaar.
+
+_Wat gedragen kan worden._
+
+~Draagbaar~ zegt dit in letterlijken zin; het wijst dus aan, dat iets
+niet zoo zwaar is, of het kan gedragen worden: _Een last van 75 K.G. is
+voor velen niet meer ~draagbaar~._ Soms beteekent het: verplaatsbaar,
+niet-vastgemaakt (portatief): _een ~draagbare~ gaskachel_.
+
+~Draaglijk~ duidt meer in figuurlijken zin aan, dat iets te dragen valt,
+d.w.z. te verduren, te dulden: _Een ~ondragelijke~ hitte._
+
+ * * * * *
+
+De zieke leed on-- pijn.
+
+Voor zoo'n reus als hij is, is zoo'n zak meel wel --.
+
+Je hebt daar eindelijk eens een -- opstel geschreven.
+
+Men heeft tegenwoordig ook -- electrische lampen.
+
+
+2. Kostbaar--kostelijk.
+
+_Wat veel kost en dus hooge waarde heeft._
+
+~Kostbaar~ wordt in letterlijke beteekenis gebruikt. _De drooglegging
+der Zuiderzee is een ~kostbare~ onderneming._
+
+~Kostelijk~ komt slechts figuurlijk voor; het wijst alleen op de hooge
+waarde, de voortreffelijkheid, die iets bezit. Bij hevigen dorst is
+water geen kostbare, maar wel een _~kostelijke~ drank_ (d. i. een drank,
+die uitmunt door zijn voortreffelijkheid om den dorst te lesschen).
+
+ * * * * *
+
+De koningin droeg een -- snoer van diamanten.
+
+Het is zonde, zulk -- eten te laten bederven.
+
+De -- hofhouding van Lodewijk XIV verslond schatten.
+
+Het was werkelijk een -- ingeving, zich zoo te kunnen redden.
+
+
+3. Geestelijk--geestig--geestrijk.
+
+_Deze woorden zijn geen synoniemen en hebben dus geen gemeenschappelijke
+beteekenis. Men treft ze evenwel vaak als examenopgave aan. (Men noemt
+dergelijke woorden, die hetzelfde grondwoord hebben, ~paroniemen~ =
+stamverwante woorden.)_
+
+~Geestelijk~ is de tegenstelling van wereldlijk of lichamelijk: _De
+~geestelijke~ stand; de ~geestelijke~ ontwikkeling._
+
+~Geestig~ is synoniem met aardig, grappig, humoristisch: _Een ~geestig~
+gezegde. Een ~geestige~ voordracht._
+
+~Geestrijk~ wil zeggen: rijk aan geest (van alcohol): _~geestrijke~
+dranken_.
+
+ * * * * *
+
+Deze kinderen staan -- verre bij uw leerlingen ten achter.
+
+Ik heb hem een -- spotprent op zijn redevoering laten zien.
+
+Pater van Meurs, de bekende --, is vaak in zijn kleine gedichten zeer
+--.
+
+ »Het -- vocht der blonde druif
+ Maakt -- op zijn tijd",
+
+zeide een dichter; maar, hij had er bij kunnen voegen, is vaak ook
+oorzaak, dat men -- achteruit gaat.
+
+
+4. Zorgeloos--onbezorgd.
+
+_Geen zorg hebbende._
+
+~Onbezorgd~ is hij, die niet bezorgd of bang voor gebrek of dreigende
+gevaren behoeft te zijn. Het woord heeft dus een gunstige beteekenis.
+_Hij heeft zooveel gespaard, dat hij een ~onbezorgden~ ouden dag kan
+hebben._
+
+~Zorgeloos~ wijst aan, dat iemand de zaken, die aan zijn zorg zijn
+toevertrouwd, verwaarloost, of dat hij lichtzinnig voortleeft, zonder de
+noodige zorg voor zijn toekomst te hebben. Het woord heeft dus altijd
+een ongunstige bijgedachte. _Ofschoon hij meermalen met ontslag
+bedreigd is, blijft hij nog altijd even ~zorgeloos~._
+
+ * * * * *
+
+Gij kunt -- zijn: geen kwaad zal u deren.
+
+Zou zij mij alleen getrouwd hebben, om een vroolijk en -- leven te
+leiden? (Van Lennep.)
+
+Het ergert mij altijd, dat hij zoo -- en lichtzinnig voortleeft.
+
+Hij deed alle moeite om een opgeruimd en -- gelaat te vertoonen. (Van
+Lennep.)
+
+Als gij zoo -- met uw geldzaken omgaat, zult gij spoedig arm zijn.
+
+Zonden, ofschoon gepleegd in -- vroolijkheid, waarbij men zich zelve
+vergeet, ontgaan echter het oog van God niet. (Van der Palm.)
+
+
+5. Geneigd--genegen.
+
+_Neiging tot iets hebbende._
+
+~Geneigd~ geeft te kennen, òf dat de neiging iemand van nature eigen is,
+dus tot zijn aard en karakter behoort, òf wel dat zij het gevolg is van
+redeneering, inzicht of oordeel, die iemand tot iets doen overhellen.
+(_Neigen_ = overhellen.) _De mensch is ~geneigd~ tot zonde_: zijn aard
+brengt dat mede. _Ik ben ~geneigd~ dit toe te stemmen_: ik hel er toe
+over (daar ik er over nagedacht heb).
+
+~Genegen~ ziet meer op de neigingen, die uit lust of begeerte ontstaan:
+_Men vraagt een keukenmeid, een burgerpot kunnende koken en tevens
+~genegen~ eenig huiswerk te verrichten_: die daar lust in heeft, er
+_niet afkeerig_ van is. Bovendien kan ~genegen~ beteekenen: goedgunstig
+gezind, liefhebbend: _De directeur is mij zeer ~genegen~._
+
+ * * * * *
+
+Mijn vriend is vroolijk van aard en altijd -- tot schertsen.
+
+Denkt gij, dat hij -- is, mij te woord te staan?
+
+Ik ben altijd --, het goede van iemand te denken.
+
+Ik zou bijna -- zijn, bij deze aanmerking nog een tweede te voegen.
+(Inzicht, oordeel.)
+
+Niemand der aanwezigen scheen --, in het tekort der kas te willen
+bijdragen.
+
+Het geluk is mij in deze onderneming niet --.
+
+Indien hij niet zoo tot vadzigheid en luiheid -- was, zou hij zeker de
+betrekking gekregen hebben.
+
+Zoudt gij -- zijn, het voorzitterschap onzer vereeniging te willen
+aanvaarden?
+
+Niemand is dezen onvriendelijken postdirecteur --.
+
+
+6. Kinderachtig--kinderlijk--kindsch.
+
+_Wat een kind eigen is._
+
+~Kinderachtig~ heeft een ongunstige beteekenis; het duidt aan, dat
+volwassen menschen zich gedragen, alsof zij nog even weinig verstand als
+een kind hadden. _Hoe ~kinderachtig~ van haar zoo bang voor spinnen te
+zijn!_
+
+~Kinderlijk~ is alles, wat met den aard van het kind overeenkomt, en wel
+in gunstigen zin genomen. _Kinderlijke_ spelen.
+
+~Kindsch~ geeft te kennen, dat van oude menschen de geestvermogens zóó
+zijn verzwakt, dat zij als 't ware weer kinderen zijn geworden. _Deze
+oude vrouw is sedert een paar jaren geheel ~kindsch~._--Een enkele maal
+heeft kindsch nog de letterlijke beteekenis: _Uit mijn ~kindsche~ jaren
+herinner ik mij nog, dat wij vaak paaschvuren stookten._
+
+(Men lette er op, dat kindschheid de fig., en kindsheid de letterlijke
+beteekenis heeft.)
+
+ * * * * *
+
+Foei, wat doet die groote jongen nog --.
+
+Met -- liefde hing de knaap zijn ouders aan.
+
+Gij moet niet te veel waarde aan de verhalen van dezen grijsaard
+hechten: hij begint reeds -- te worden.
+
+Zijn -- vertrouwen op God werd niet beschaamd.
+
+Sedert mijn -- dagen ben ik daar niet meer geweest.
+
+In zijn -- eenvoud gaf de boer den vorst de hand en vraagde, hoe hij het
+maakte.
+
+
+7. Buigbaar--buigzaam.
+
+_Wat gebogen kan worden._
+
+~Buigbaar~ duidt aan, dat een lichaam meer toevallig gebogen kan worden,
+terwijl ~buigzaam~ te kennen geeft, dat het voorwerp krachtens zijn
+innerlijke samenstelling gemakkelijk te buigen is. Een eikenhouten stok
+is _buigbaar_, een glazen staaf niet; een stuk gummi is _buigzaam_.
+
+Ook onbuigbaar en onbuigzaam hebben dit verschil. In figuurlijke
+beteekenis is het eerste dan ook sterker dan het tweede; bijv.: _Hij
+heeft een ~onbuigzaam~ karakter_, dat wil zeggen: hij toont in zijnen
+geheelen aanleg duidelijk, dat hij zich _niet licht_ door een ander
+laat buigen of leiden in betrekking tot zijn meening of wil. Het is
+dus niet noodig aan een ongunstige beteekenis te denken.--_Door zijn
+~onbuigbaren~ trots berokkende hij zich vele vijanden_, d.w.z. zijn
+trots was zóó sterk, dat hij zich _door niets_ liet buigen. Gewoonlijk
+heeft onbuigbaar een eenigszins afkeurende beteekenis.
+
+ * * * * *
+
+Zijn -- koppigheid ben ik eindelijk moede.
+
+Een dichter noemde onze taal: krachtig, rein, smeltend, -- en rijk.
+
+Als men een glazen buis verwarmt, is zij --.
+
+Zet u niet in het hoofd, dat gij hem tot andere gedachten zoudt kunnen
+brengen: hij heeft een -- wil.
+
+Het karakter van den nieuwen consul was hun voorgesteld als welwillend:
+zij hoopten, dat het -- zou wezen. (Beets.)
+
+
+8. Lijdzaam--lijdelijk.
+
+_Niet op verzet bedacht._
+
+~Lijdzaam~ beteekent geduldig, gelaten in het leed berustend, of kalm en
+bedaard volhardend bij het volbrengen van een moeilijke taak. _Met
+groote ~lijdzaamheid~ verdroeg hij de pijnen._
+
+~Lijdelijk~ wil zeggen, dat men geen tegenstand biedt, of bij zekere
+gebeurtenis werkeloos blijft. _Hoe hij die beleediging zoo ~lijdelijk~
+kon aanhooren, begrijp ik niet. Hij bleef bij dat afschuwelijk tooneel
+een ~lijdelijk~ toeschouwer._
+
+ * * * * *
+
+Het was de politie onmogelijk, zulk een opruiende taal -- aan te hooren.
+
+De patiënt verdroeg -- de hevige pijnen van zijn wonden.
+
+Zoudt gij het -- kunnen aanzien, dat men uw goeden naam belasterde?
+
+De vrome pelgrim trekt vol ijver, maar toch --, langs het onverkwikkend
+pad naar Jeruzalem. (Zie Da Costa's Hagar.)
+
+
+9. Openbaar--openlijk.
+
+_Voor _of_ in het algemeen._
+
+~Openbaar~ is datgene, wat voor ieder open is, waarvan niemand is
+uitgesloten. Een _openbare_ vergadering; een _openbare_ wandeling.
+Verder duidt het woord aan, dat iets vanwege de regeering is opgericht
+of daartoe behoort: een _openbare_ school, een _openbare_ betrekking.
+
+~Openlijk~ wijst aan, dat iets niet in 't geheim geschiedt, dat het dus
+voor niemand behoeft verborgen te worden. _Als gij niet betaalt, zet ik
+uw naam ~openlijk~ in de courant._
+
+Het tegengestelde van openbaar is: particulier, besloten; van openlijk:
+in 't geheim, bedektelijk.
+
+ * * * * *
+
+Ik zei hem -- de waarheid.
+
+Wanneer men in een -- vergadering iemand iets in het oor fluistert,
+zegt men dat niet --. En wanneer men in een gesloten bijeenkomst iets --
+mededeelt, wil men dat nog niet altijd in het -- herhalen.
+
+De zaak zal in een -- vergadering behandeld worden.
+
+Ik zal u -- zeggen, hoe ik er over denk.
+
+De uitslag der vredesonderhandelingen werd door de Regeering -- gemaakt.
+
+Van alle -- gebouwen waaide de driekleur.
+
+Van der Duyn van Maasdam, Hogendorp en Van Limburg Styrum, in stilte
+werkzaam voor de bevrijding, hielden zich gereed om ook -- op te treden,
+zoo ras het gunstig tijdstip zou komen.
+
+Wat verstaat men onder het -- Ministerie?
+
+
+10. Ontrouw--trouweloos.
+
+_Zonder trouw._
+
+~Trouweloos~ handelt iemand, die van een vrijwillig aangegane
+verbintenis met voorbedachten rade afwijkt, om zich zelf te bevoordeelen
+en een ander nadeel te berokkenen; hij ontziet zich daartoe niet,
+valsch en laag te handelen. Trouweloos te zijn is dus min of meer een
+karaktertrek, d.w.z. de trouweloosheid blijft in den regel niet tot één
+geval beperkt. Op het gegeven woord van den trouwelooze, hoe plechtig
+bezworen, is geen staat te maken; hij is zelfs in staat zijn vriend te
+verraden of van diens geheimen misbruik te maken, als hij er voordeel in
+ziet. _Hoewel hij mij plechtig beloofd had mijn plannen strikt geheim te
+houden, heeft hij ze toch aan mijn mededinger verraden; ik wist niet,
+dat hij zóó ~trouweloos~ was._
+
+~Ontrouw~ ziet meer op een bepaald geval. Het wijst óók wel aan, dat
+iemand een aangegane verbintenis niet nakomt, doch niet zoozeer, omdat
+dit in zijn karakter ligt, als wel tengevolge van veranderde inzichten;
+van eigenbelang behoeft niet eens sprake te zijn. Is de trouwelooze
+geheel en steeds zonder goede trouw, de ontrouwe is zulks slechts voor
+een bepaald geval. _Hij is mij ~ontrouw~ geworden_ wil zeggen: hij heeft
+mijn partij verlaten--hoewel hij mij trouw beloofd had--maar hij kan
+daarom toch zijn nieuwe partij met de grootste trouw weer aanhangen.
+
+ * * * * *
+
+Karel de Stoute werd door zijn gunsteling Campo Basso in den slag bij
+Nancy -- verraden. Deze Italiaansche veldheer werd n.l. zijn vorst -- en
+liep in 't beslissend oogenblik tot den vijand over.
+
+De -- dienstknecht leverde enkele brieven van zijn meester aan diens
+vijanden over.
+
+Hij werd het oude geloof zijner vaderen --.
+
+Zou hij zoo -- zijn, dat hij zijn eigen broeder zou verraden?
+
+
+11. Innerlijk--inwendig--innig.
+
+_Wat zich van binnen bevindt._
+
+~Inwendig~ is alles, wat zich in de binnenruimte van een lichaam
+bevindt; het is dus een tegenstelling met uitwendig, d.w.z. wat tot de
+buitenzijde of de oppervlakte behoort: De _inwendige_ deelen van ons
+lichaam.
+
+~Innerlijk~ ziet meer op den aard en het wezen van de deelen, waaruit
+een voorwerp bestaat, in tegenstelling van _uiterlijk_, dat meer let
+op den vorm, dien de deelen te zamen hebben en waardoor die deelen
+min of meer verborgen worden. De _innerlijke_ waarde van een stalen
+horlogeketting is niet groot (d.w.z. de waarde der bestanddeelen),
+al moge hij door zijn kunstig bewerkten vorm (de uiterlijke waarde)
+ook kostbaar zijn. Het wordt vooral figuurlijk gebruikt in betrekking
+tot 's menschen karakter of tot wat er in zijn gemoed omgaat, in
+tegenstelling met den lichamelijken vorm. _Uiterlijk is hij voorkomend
+en vriendelijk, maar ~innerlijk~ is hij valsch en vol bedrog.--Hij werd
+~innerlijk~ bewogen_ (d.i. in zijn gemoed, zonder dat het uiterlijk te
+zien was).
+
+~Innig~ geeft aan, dat iets uit het diepst van ons binnenste
+voortvloeit, waarvan onze ziel geheel doordrongen is: een _innige_
+liefde.
+
+ * * * * *
+
+In het -- van dit reusachtige standbeeld heeft men een trap gemaakt.
+
+Hoewel hij -- spijt had, liet hij het aan niets merken.
+
+Hij stortte zijn hart uit in een -- gebed.
+
+De appel was -- verrot, hoe mooi hij er uitzag.
+
+Zijn -- kracht hield hem staande in dezen zwaren geloofsstrijd.
+
+De -- samenstelling van dit werktuig is zeer vernuftig bedacht.
+
+De Ruyter kenmerkte zich door zijn nederigheid en zijn -- godsvrucht.
+
+
+12. Wettig--wettelijk--wettisch.
+
+_Volgens de wet._
+
+~Wettig~ duidt aan, dat iets geheel overeenkomstig de bepalingen der
+wet is, bijv. een _wettig_ huwelijk: bij het huwelijk is aan al de
+bepalingen der wet voldaan. De _wettige_ erfgenamen zijn die erfgenamen,
+die volgens of krachtens de bepalingen der wet aanspraak op de
+nalatenschap hebben.
+
+~Wettelijk~ is datgene, wat bij de wet voorgeschreven is en dus een
+uitvloeisel daarvan is. _Volgens ~wettelijk~ voorschrift moet bij
+besmettelijke ziekten een briefje op de deur geplakt worden._
+
+~Wettisch~ heet iemand, die zich streng aan de wet houdt en haar in
+volle kracht (volgens de letter) wil toepassen.
+
+ * * * * *
+
+Doordat ons Koninklijk Huis in de laatste regeeringsjaren van Willem III
+zooveel leden verloor, werd het noodig de -- bepalingen omtrent de --
+erfgenamen in de grondwet nader te omschrijven.
+
+Deze notaris is een -- man; hij staat er op, alle -- formules nauwkeurig
+te gebruiken, opdat het testament -- zij.
+
+Wij zullen langs -- weg verbetering van dien toestand trachten te
+bewerken.
+
+Gij hebt den -- termijn van cassatie laten verloopen, gij moet dus in
+het vonnis berusten.
+
+Het salaris bedraagt 50 gld. boven het -- minimum.
+
+
+13. Dagelijksch--alledaagsch--daagsch.
+
+_Wel zijn deze woorden van ~dag~ afgeleid, maar eigenlijke synoniemen
+zijn het niet; toch worden ze vaak ter vergelijking opgegeven._ (Zie
+ook no. 3.)
+
+~Dagelijksch~ is alles, wat elken dag geregeld terugkeert. _De
+~dagelijksche~ beweging der aarde om haar as duurt 24 uur. Hij verdient
+ruim zijn ~dagelijksch~ brood._
+
+~Alledaagsch~ beteekent, wat men alle dagen ziet, dus iets wat zeer
+gewoon is; het heeft min of meer een geringschattende beteekenis. _Ik
+dacht, dat hij zeer veel talent bezat, maar hij blijkt slechts een
+~alledaagsch~ mensch te zijn._
+
+~Daagsch~ wordt gebruikt in tegenstelling van zondagsch: _dit is mijn
+~daagsche~ hoed_ (d.i. de hoed, dien ik op gewone werkdagen draag).
+
+Opmerking. _Daags_ is een bijwoord en beteekent: over dag: De zon
+schijnt _daags_ maar 6 uur meer.--Ook _dagelijks_ is een bijwoord en
+beteekent: elken dag: Hij doet _dagelijks_ een wandeling. (Hij doet
+_daags_ een wandeling, wil zeggen: over dag, dus niet in den nacht.)
+_'s Daags_ beteekent _per dag_ (in een tijdruimte van een dag): _hij
+verdient 2 gld. 's ~daags~_.
+
+ * * * * *
+
+In het -- leven wordt deze uitdrukking vaak gehoord.
+
+Mijn -- jas zit mij gemakkelijker dan mijn zondagsche.
+
+Gij behoeft daarvan niet zooveel ophef te maken: ik vind het een --
+geval.
+
+Op onze voetreis legden wij -- 8 uur af.
+
+Ik zou niet graag mijn -- wandeling willen missen.
+
+'s Nachts loopen er vijf treinen en -- twaalf.
+
+
+14. Ruiterlijk--ridderlijk.
+
+_Openhartig._
+
+~Ridderlijk~ doet denken aan de edelmoedigheid, welke den ridder eigen
+was en die zijn _eer_ het hoogste stelde. _Zoodra hij bemerkte, dat hij
+zijn vriend ten onrechte beschuldigd had, heeft hij ~ridderlijk~ zijn
+beschuldiging teruggenomen._
+
+~Ruiterlijk~ heeft meer de bijbeteekenis van ruw, maar oprecht, zooals
+de oude ruiters waren, die meer den onverschrokken _moed_ hoog hielden
+dan de fijne ridderlijke beleefdheidsvormen. _De oude tuinman kwam er
+bij den graaf ~ruiterlijk~ voor uit, hoe hij over hem dacht._ (Het was
+den graaf misschien minder aangenaam zulk een openhartig oordeel over
+zijn eigen karakter te hooren, maar dat oordeel was toch oprecht gemeend
+en bevatte niets dan waarheid.)
+
+ * * * * *
+
+Het is -- van hem, dat hij na de grievende bejegening, die hij van zijn
+besten vriend ondervond, hem toch weer in den nood bijstaat. (Het strekt
+hem tot _eer_!)
+
+Het deed mij goed, dat hij zoo -- voor de waarheid durfde uitkomen. (Het
+getuigt van _moed_!)
+
+De tocht naar Chattam was een -- bestraffing voor een schandelijke daad
+der Engelschen. (Het eervolle op den voorgrond stellen!)
+
+De tocht naar Chattam was een -- bestraffing voor den laaghartigen
+aanval der Engelschen op weerlooze visschersplaatsjes. (Het moedige op
+den voorgrond stellen!)
+
+
+15. Jong--jeugdig.
+
+_Wat niet oud is._
+
+~Jong~ zegt dit in letterlijken zin. Een _jong_ kind; een _jonge_
+vereeniging.
+
+~Jeugdig~ stelt meer het niet-afgeleefd zijn op den voorgrond, dus het
+vroolijke, het levenslustige, het sterke. _De grijsaard wijdde zich nog
+met ~jeugdigen~ ijver aan de zaak, die hij voorstond._ Verkeerd is het
+dus, van een _jeugdige_ vereeniging te spreken in den zin van een jonge,
+pas opgerichte vereeniging.
+
+ * * * * *
+
+In zijn -- jaren was hij een liefhebber van visschen.
+
+In -- overmoed klom de reiziger onversaagd den steilen berg op.
+
+Hij is nog betrekkelijk --, al ziet hij er oud uit.
+
+Al is hij ook oud geworden, zijn hart blijft nog --.
+
+
+16. Zuinig--spaarzaam.
+
+_Niet verkwistend._
+
+~Zuinig~ duidt aan, dat men zorg draagt, niet te veel uit te geven; men
+wil voorkomen, dat hetgeen men bezit, te vroeg opraakt, daar men anders
+te kort zou komen. _Wie zes gulden per week verdient, moet ~zuinig~
+huishouden._
+
+~Spaarzaam~ is nog sterker; het onderstelt, dat men nog wil sparen of
+overhouden. _Een ~spaarzame~ hand koopt anderlui's land._ Een spaarzaam
+mensch geeft dus betrekkelijk zeer weinig uit; vandaar dat spaarzaam in
+figuurlijken zin beteekent: niet overvloedig, beperkt; bijv.: _Het
+vertrek was slechts ~spaarzaam~ verlicht._
+
+ * * * * *
+
+Het nieuwe bestuur dezer vereeniging is -- met de gelden omgegaan; er is
+dan ook dit jaar voor het eerst geen tekort. Doordat hij -- is, heeft
+hij reeds een aardig sommetje bijeen.
+
+Over de oudste plaatsen in ons land vindt men in de oorkonden slechts --
+berichten.
+
+Hij is van avond zeer -- met zijn woorden.
+
+
+17. Klooven--klieven.
+
+_Met eenige kracht de deelen van elkander scheiden._
+
+~Klooven~ duidt aan, dat na de werking de scheiding blijft bestaan,
+terwijl ~klieven~ onderstelt, dat de vaneengescheiden deelen zich
+spoedig weer vereenigen; ~klooven~ geschiedt daarom alleen met vaste,
+~klieven~ met vloeibare of luchtvormige stoffen. ~Klooven~ ziet meer
+op het voorwerp, dat de werking ondergaat en duidt dus een doel aan,
+terwijl ~klieven~ meer let op het voorwerp, dat de werking verricht.
+Men zegt dus: _de arbeider ~klooft~ het hout_; 1º. is de verbreking
+der deelen blijvend; 2º. hout is een vast lichaam en 3º. het _doel_
+der werking is het hout klein te maken. Daarentegen zegt men: _het
+schip ~klieft~ de baren_, immers 1º. is de verbreking der deelen van
+voorbijgaanden aard; 2º. water is een vloeistof en 3º. het doel is niet
+het water te scheiden, maar men wil den nadruk leggen op het schip zelf,
+door aan te duiden, dat het snel vooruitkomt.
+
+ * * * * *
+
+Ruwe diamanten moeten meestal -- worden.
+
+De blanke duiven door-- de stille avondlucht.
+
+De ridder reed op zijn vijand toe en -- hem met één slag van zijn zwaard
+den kop.
+
+De wind is gunstig, en vroolijk -- het ranke schip de baren.
+
+
+18. Stomp--bot.
+
+_Wat niet scherp is._
+
+~Stomp~ zegt men meer van een punt, ~bot~ van de snede: _Een ~stompe~
+naald; een ~bot~ mes._ In figuurlijken zin beteekent ~bot~: niet scherp
+van verstand, niet snedig, dus dom. _Hij is een ~bot~ mensch, een
+botterik._ ~Stomp~ beteekent in overdrachtelijken zin: traag van
+begrip of van oordeel, suf. _Door het lange peinzen was hij geheel
+~verstompt~._
+
+ * * * * *
+
+Dit potlood heeft een -- punt.
+
+Een -- hoek is grooter dan een rechte.
+
+Ik heb mij daarop -- gedacht.
+
+»Hij zwaait het vreeslijk treffend zwaard, door duizend slagen
+--geschaard."
+
+De jenever had hem geheel --.
+
+
+19. Behandelen--bejegenen.
+
+_Zich op de een of andere wijze tegenover een ander gedragen._
+
+~Bejegenen~ onderstelt een ontmoeting (in het Duitsch beteekent het dan
+ook ontmoeten); het geeft de houding te kennen, die men bij zulk een
+ontmoeting tegenover anderen aanneemt. Het woord heeft dus alleen
+betrekking op personen. _Hij heeft mij op straat onheusch ~bejegend~._
+
+~Behandelen~ geeft het handelen aan met betrekking tot menschen, dieren
+of voorwerpen, zonder aan een ontmoeting te denken. In den regel wordt
+er het bijdenkbeeld aan verbonden van een voortdurende herhaling der
+werking. _Zulk een ~behandeling~ laat ik mij niet wel gevallen._ (_Zulk
+een ~bejegening~_, zou slechts op één geval zien.) _Men moet de dieren
+goed ~behandelen~._ (De werking wordt voortdurend herhaald.)
+
+ * * * * *
+
+Hij trad het huis binnen en werd vriendelijk --.
+
+Als gij deze plant niet goed --, zal zij spoedig sterven.
+
+Ik had nooit gedacht, dat hij mij zoo minachtend durfde te --.
+
+Deze patroon -- zijn bedienden goed; de sollicitanten -- hij steeds
+voorkomend.
+
+
+20. Toonen--wijzen.
+
+_Laten zien._
+
+~Toonen~ drukt dit begrip zonder meer uit, terwijl ~wijzen~ de
+bijgedachte heeft, dat men iemand wil helpen of onderrichten. _~Toon~
+mij den brief en ik zal u ~wijzen~, hoe gij dien verbeteren moet. ~Wijs~
+hem den weg eens._
+
+~Wijzen~ kan ook gebruikt worden zonder lijdend voorwerp en onderstelt
+dan, dat men iemand op iets opmerkzaam wil maken: _hij ~wees~ met den
+vinger naar ons; zij ~wees~ op haar stoel_.
+
+~Toonen~ komt soms ook voor in de beteekenis van: laten blijken, zonder
+dat dit steeds opzettelijk behoeft te geschieden. _Zij ~toont~ weinig
+verstand van de zaak te hebben._
+
+ * * * * *
+
+Ik zal u even --, hoe de weg loopt.
+
+Om hem te --, dat ik het goed met hem meende, heb ik hem de gevraagde
+hulp verleend.
+
+Wanneer gij hem uw overmacht --, zal hij zich wel laten gezeggen.
+
+Hij -- zich met het geschenk niet tevreden.
+
+Ik zal u mijn opstel --, maar dan moet gij mij --, hoe ik de fouten moet
+verbeteren.
+
+De zieke zeide niets, maar -- voortdurend op zijn voorhoofd.
+
+
+21. Dompelen--doopen.
+
+_Nederwaarts in een vloeistof drukken._
+
+~Dompelen~ duidt aan, dat het voorwerp geheel in de vloeistof wordt
+gedrukt, ~doopen~ dat dit slechts gedeeltelijk geschiedt. _Een lichaam,
+dat men in het water ~dompelt~, wordt lichter. Men ~doopt~ zijn vingers
+in het water om er iets mee te besprenkelen._ (Vandaar de tegenwoordige
+beteekenis van doopen in kerkelijken zin; vroeger was het werkelijk een
+in- of onderdompelen.)
+
+Waarom zegt men wel: in rouw _dompelen_, en niet: in rouw _doopen_?
+
+ * * * * *
+
+Voor gij gaat zwemmen, moet gij u eerst geheel in het water --.
+
+Deze beschuit is voor het kind te hard, -- ze daarom in de melk.
+
+
+22. Zich vernederen--zich verlagen.
+
+_Alle gevoel van eigenwaarde afleggen._
+
+~Vernederen~ zegt dit in gunstigen of ongunstigen zin. _Hij ~vernederde~
+zich voor God._ (In deze beteekenis kan men ook _zich verootmoedigen_
+gebruiken.) _Het kostte den trotschen ridder van voorheen groote moeite
+zich te ~vernederen~ tot het verrichten van veldarbeid._
+
+~Verlagen~ heeft altijd een ongunstige beteekenis en is veel sterker dan
+vernederen; het duidt aan, dat iemand alle gevoel van menschelijkheid of
+zedelijkheid op zij zet. _Hoe hij zich heeft kunnen ~verlagen~ voor een
+handvol goud zijn besten vriend te verraden, kan ik mij niet begrijpen._
+
+ * * * * *
+
+Wie zich zelven verhoogt, zal -- worden.
+
+De echtgenoote van Oldenbarnevelt wilde zich niet -- om genade voor haar
+man te vragen.
+
+De dronkenschap kan niet anders dan den mensch --.
+
+Gij moet u niet zoo -- om met zulk slecht gezelschap om te gaan.
+
+Door louter hebzucht gedreven, -- hij zich zijn vaderland te verraden.
+
+
+23. Danken--wijten.
+
+_Iemand of iets als de oorzaak van een of ander beschouwen._
+
+~Danken~ heeft betrekking op iets goeds of aangenaams, ~wijten~
+daarentegen heeft een ongunstige beteekenis. _Ik heb u mijn bevordering
+te ~danken~. Zijn armoede heeft hij zich zelf te ~wijten~._
+
+(Opmerkelijk is het, dat men dikwijls beide woorden verkeerd gebruikt
+ziet; men spreekt dan bijv. van iemands vijandschap aan laster te
+_danken_ hebben, of wel van: zijn beschermer veel goeds te _wijten_
+hebben. Mogelijk geeft de uitdrukking: iemand iets _dank ~weten~_,
+aanleiding tot deze vergissing.)
+
+ * * * * *
+
+Vele huisgezinnen hebben hun ondergang aan den drank te --.
+
+Uw slechte cijfers op het examen hebt gij aan uw ongeregelde studie te
+--.
+
+Zijn schitterend examen heeft hij grootendeels aan zijn ijver te --.
+
+De nederlaag onzer troepen was aan de weifeling van den bevelhebber te
+--.
+
+De overwinningen van Maurits waren grootendeels te -- aan zijn
+uitnemende veldheerstalenten.
+
+
+24. Hoedanigheid--eigenschap.
+
+_Wat aan iets eigen is of het kenmerkt._
+
+Is het kenmerkende meer toevallig aan de zelfstandigheid eigen, dan
+spreekt men van ~hoedanigheid~; is dat kenmerkende aan het bestaan
+der zelfstandigheid noodwendig verbonden, dus van blijvenden aard,
+dan gebruikt men ~eigenschap~. Als een blad papier dik of dun, goed
+beschrijfbaar, geel of wit is, zijn dat hoedanigheden; men kan immers
+deze hoedanigheden anders maken, zonder dat de stof ophoudt papier te
+zijn. Postpapier is beschrijfbaar, dit is een eigenschap er van, immers
+zonder die »hoedanigheid" zou het postpapier niet kunnen dienen.
+
+ * * * * *
+
+Steenkolen hebben de --, dat zij brandbaar zijn. Geven zij bij de
+verbranding weinig roet, dan is dat een goede --.
+
+Een bol heeft de --, dat hij rond is.
+
+In zijn -- als voogd, heeft hij uitstekend voor zijn neef gezorgd.
+
+Deelbaarheid is een algemeene -- der lichamen.
+
+Deze dienstbode bezit vele goede --, en daarom kan ik haar wel
+aanbevelen.
+
+
+25. Aanwezig--tegenwoordig.
+
+_Zich binnen een bepaalde ruimte bevindende._
+
+~Aanwezig~ zegt dit zonder eenig bijbegrip; ~tegenwoordig~ onderstelt,
+dat men invloed op de plaatshebbende handeling kan uitoefenen. _Hoewel
+ik in de zaal ~aanwezig~ was, zat ik zoo in gedachten verzonken, dat ik
+van het gesprokene niets kan na vertellen. Bij de behandeling van een
+wetsvoorstel is de daarbij betrokken minister ~tegenwoordig~._
+
+ * * * * *
+
+Bij den hevigen brand was ik wel in de stad --, maar ik ben bij het
+onheil niet -- geweest.
+
+Hoeveel leerlingen zijn er in uw klas --?
+
+Bij de proefles, die de sollicitanten gaven, waren ook de Raadsleden --.
+
+Toen de Tweede Kamer deze gewichtige voorstellen behandelde, waren bijna
+alle leden --; ook was er veel publiek op de tribune --.
+
+Gij moest ook op ons feestje -- zijn, wij zouden het zeer op prijs
+stellen.
+
+Er is nog een groote voorraad van dit papier --.
+
+
+26. Aansprakelijk--verantwoordelijk.
+
+_Verplicht zijn de gevolgen van een daad op zich te nemen._
+
+Men is ~verantwoordelijk~ wegens bestuur, men is ~aansprakelijk~ wegens
+bezit. Het doel der verantwoordelijkheid is rechtvaardiging,
+aansprakelijkheid verplicht tot schadevergoeding.
+
+ * * * * *
+
+Je mag mijn fiets wel gebruiken, maar je bent er voor --.
+
+De ministers zijn -- voor hun besluiten.
+
+Als de kooper zijn verplichtingen niet kan nakomen, zijn de borgen --.
+
+Gij zijt nu oud en wijs genoeg, om -- voor uw daden te zijn.
+
+De notaris is -- voor de beleende gelden; hij is -- voor de fout in deze
+koopacte.
+
+De voorzitter dezer vergadering is -- voor de goede orde; de
+penningmeester is -- voor de gelden.
+
+
+27. Opmerken--aanmerken.
+
+_Zijn gedachten of zijn meening over iets te kennen geven._
+
+~Aanmerken~ veronderstelt een afkeurend oordeel. _Ik heb zooveel op den
+inhoud van dit boek ~aan te merken~, dat ik het werk niemand kan
+aanbevelen._
+
+~Opmerken~ heeft een meer gunstige beteekenis; het onderstelt, dat men
+op iets opmerkzaam maakt, hetgeen een ander over 't hoofd ziet en toch
+van min of meer belang is. _Mag ik even ~opmerken~, dat men op dien
+datum het schoolfeest niet kan houden, daar die dag een R.-K. feestdag
+is._
+
+~Opmerken~ veronderstelt meestal scherpzinnigheid, ~aanmerken~ een
+gezond oordeel en grondige kennis.
+
+ * * * * *
+
+Men had zooveel op zijn plan --, dat hij het opgaf.
+
+Wie een schrijver van een aardrijkskundig werk er op attent maakt, dat
+hij een voornaam dorp heeft vergeten, heeft iets --; wie een groote
+onjuistheid kan aanwijzen, heeft iets --.
+
+Op het karakter van dit jongmensch valt zooveel --, dat ik hem u niet
+kan aanbevelen.
+
+Omtrent het karakter van dit jongmensch moet ik u --, dat hij zich
+spoedig door anderen laat verleiden.
+
+Men spreekt van een gegronde -- en een snuggere --.
+
+
+28. Afgelegen--eenzaam.
+
+_Wat buiten het gewone verkeer is._
+
+~Afgelegen~ duidt aan, dat een of andere plaats moeilijk te bereiken is,
+doordat zij ver van alle verkeerswegen ligt. _Hij woont in een
+~afgelegen~ hoekje van Drente._
+
+~Eenzaam~ wil zeggen: zonder gezelschap of bezoek. Op een afgelegen
+plaats is ook weinig verkeer en is het er dus tevens eenzaam, daar men
+er afgezonderd moet leven. Toch behoeft eenzaam niet altijd met het
+begrip van afgelegen verbonden te zijn; iemand kan te midden van een
+drukke stad toch een eenzaam leven leiden.
+
+ * * * * *
+
+Hij werd tot straf naar een -- eiland verbannen.
+
+Ik vind den weg naar dit dorpje zeer --.
+
+Ik mag gaarne over de -- heide dwalen.
+
+Hoe meer buurtsporen worden aangelegd, hoe meer de -- streken van
+voorheen bezocht worden.
+
+Hoewel hij een -- leven leidde, gevoelde hij zich toch niet alleen, daar
+hij in zijn boeken zijn beste vrienden vond.
+
+»De leeuwerik zingt op de -- heide."
+
+
+29. Oorzaak--reden.
+
+_De omstandigheid, die een werking ten gevolge heeft._
+
+~Oorzaak~ zegt, dat de werking van 's menschen wil onafhankelijk is;
+zij kan dus in de natuur gevonden worden, bijv.: _de ~oorzaak~ der
+aardbevingen is nog niet voldoende opgehelderd_, of in omstandigheden,
+waarop wij geen invloed hebben: _de ~oorzaak~ van den brand is
+onbekend_.
+
+Ook wordt ~oorzaak~ gebruikt ten opzichte van onze handelingen, waarbij
+onze wil niet opzettelijk in aanmerking komt: _zijn verkwistende
+levenswijze is ~oorzaak~, dat hij arm is geworden_ (hij was n.l. niet
+opzettelijk verkwistend om arm te worden).
+
+De ~reden~ is ten nauwste verbonden aan iemands uitdrukkelijken wil en
+beweegt hem tot een daad. _Wat is de ~reden~, dat gij boos op hem zijt?_
+(Die reden _beweegt_ u boos te zijn.)
+
+~Opmerking.~ _Waardoor?_ vraagt naar een oorzaak; _waarom?_ naar een
+reden. _Waardoor_ stijgt een luchtballon omhoog? _Waarom_ hebt gij uw
+woord gebroken?
+
+ * * * * *
+
+De -- van dit ongeluk is aan zijn eigen onvoorzichtigheid te wijten.
+
+Kent gij de --, waar-- hij als lid der vereeniging bedankt heeft?
+
+Kent gij de --, waar-- hij zoo ongelukkig is geworden?
+
+Wat is de --, dat men dit eiland niet bedijkt heeft?
+
+De hooge vloed is --, dat dit eiland voor bedijking rijp is.
+
+
+30. Naderen--genaken.
+
+_In de nabijheid komen._
+
+~Naderen~ wil zeggen, dat de afstand minder wordt; het bewegende
+voorwerp komt dus dichterbij. _De trein ~nadert~.--Het schip ~nadert~ de
+reede._
+
+~Genaken~ is zóó kort bij iets of iemand komen, als maar eenigszins
+mogelijk is: men wil het (of hem) _bereiken_. _Door de hitte van het
+brandende huis kon men de deur niet meer ~genaken~._
+
+ * * * * *
+
+Door de vele klippen is het gevaarlijk deze kust te --. (De klippen
+liggen nog vóór de kust.)
+
+Door de hevige branding kon het schip de kust niet --. (Het schip wilde
+op de kust landen).
+
+Als er gevaar --, moet gij dubbel op uw hoede zijn.
+
+Deze man is zoo trotsch, dat hij bijna niet te -- is.
+
+De cholera -- al meer en meer ons land; men dient dus reeds
+voorbehoedmiddelen te nemen.
+
+God geve, dat u geen leed zal --.
+
+
+31. Ongerust--rusteloos--onrustig.
+
+_Geen rust hebbende._
+
+~Rusteloos~ duidt aan, dat de werking zonder rust, zonder ophouden
+voortduurt. _~Rusteloos~ arbeidde hij aan zijn grootsche taak voort._
+
+~Onrustig~ wijst aan, dat er geen rust, d.i. geen kalmte of bedaardheid
+aanwezig is: _Een ~onrustige~ slaap. Met ~onrustige~ blikken zag de
+schuldige om zich, als vreesde hij elk oogenblik gegrepen te worden._
+Het woord komt dus vrijwel overeen met gejaagd.
+
+~Ongerust~ wijst aan, dat de rust (het kalme gevoel van veiligheid of
+zekerheid) afwezig is; het beteekent dus: bang, angstig, bezorgd. _Ik
+maak mij over zijn lang uitblijven zeer ~ongerust~._
+
+ * * * * *
+
+Zijn -- geweten joeg den moordenaar -- voort van de eene plaats naar de
+andere.
+
+De -- ademhaling van het zieke kind maakt de moeder zeer --.
+
+Hoewel de vluchteling wist, dat hij zijn vervolgers ver achter zich had
+gelaten, keek hij toch nog langen tijd -- om zich heen.
+
+Onvermoeide vlijt en een -- arbeid komen vele hinderpalen te boven.
+
+Daar wij in geen weken iets van onzen broeder hadden gehoord, werden
+wij zeer --.
+
+
+32. Ontwennen--afwennen.
+
+_Langzamerhand van een gewoonte afstand doen._
+
+~Afwennen~ en ~ontwennen~, beide overgankelijk en wederkeerend gebruikt
+en dus met _hebben_ vervoegd, verschillen hierin, dat ~afwennen~
+aanwijst, dat men opzettelijk zijn gewoonte of hebbelijkheid tracht af
+te leggen, terwijl ~ontwennen~ dit als meer toevallig, onwillekeurig
+voorstelt, als gevolg van veranderde omstandigheden. _Op raad van den
+dokter heb ik mij het rooken ~afgewend~. De reizigers in een vreemd
+werelddeel hebben zich al spoedig het rooken ~ontwend~._--Van slechte
+gewoonten zegt men uitsluitend ~afwennen~: _Jongen, je moet dat
+stotteren ~afwennen~_ (niet: ontwennen; de werking geschiedt
+opzettelijk!).
+
+Worden ~ontwennen~ en ~afwennen~ intrans. gebruikt (dus met _zijn_
+vervoegd), dan is er niet zooveel verschil, daar afwennen in dit geval
+niet opzettelijk geschiedt; alleen is ~afwennen~ dan sterker, doordat
+het aanduidt, dat de vroegere geschiktheid geheel verloren is gegaan,
+wat bij ~ontwennen~ niet het geval is. _Hij is het schaatsenrijden
+geheel ~afgewend~_, als hij het n.l. niet meer kan en dus weer moet
+aanleeren; _hij is het schaatsenrijden ~ontwend~_, wanneer hij het in
+langen tijd niet gedaan heeft en het hem eerst dus wel weer vreemd zal
+vallen.
+
+ * * * * *
+
+Gij moet u --, van iedereen kwaad te willen spreken.
+
+Hij is het Duitsch spreken wel wat --, hoor maar, hoe moeilijk het hem
+valt.
+
+Ik ben het kortschrift geheel --, het zal mij heel wat moeite kosten het
+opnieuw aan te leeren.
+
+Het verblijf in Java's binnenlanden heeft hem spoedig de
+geriefelijkheden der beschaafde maatschappij --.
+
+Het kind is zóó langen tijd in huis gebleven, dat het de buitenlucht
+geheel -- is.
+
+
+33. Gehecht--verkleefd--verknocht.
+
+_Door liefde of genegenheid aan een ander verbonden._
+
+~Gehecht~ heeft de meest algemeene beteekenis en drukt het gevoel van
+genegenheid niet zoo sterk als de beide andere woorden uit; het zegt
+alleen, dat men niet gaarne gescheiden zou worden van den persoon of de
+zaak, waaraan men gehecht is, daar die scheiding een smartelijk gevoel
+zou doen ontstaan. _Deze jongen is zeer aan zijn onderwijzer ~gehecht~;
+de hond is aan zijn meester ~gehecht~_, en omgekeerd: _de meester is aan
+zijn hond ~gehecht~_.
+
+~Verkleefd~ wijst aan, dat er een engere band bestaat, voornamelijk van
+onwankelbare trouw, waarmede men zijn ~meerdere~ aanhangt. _Het volk
+gevoelde zich ~verkleefd~ aan den vorst._
+
+~Verknocht~ drukt hetzelfde begrip als verkleefd uit, maar met de
+bijgedachte, dat de band van trouw of genegenheid nog inniger is, zoodat
+hij niet kan verbroken worden. _Het Nederlandsche volk gevoelt zich aan
+het Huis van Oranje ~verknocht~._
+
+ * * * * *
+
+Hij is zoo aan zijn geboorteplaats --, dat hij nergens anders wil wonen.
+
+De oude dienstbode was zeer aan haar meesteres --.
+
+Door de teederste banden aan hun vorstin --, grepen de Hongaren naar de
+wapenen en stonden Maria Theresia getrouw ter zijde.
+
+De Nederlandsche bevolking was van oudsher aan haar voorrechten --.
+
+Gelderland voelde zich bij 't begin van den 80-jarigen oorlog meer aan
+Gulik en Kleef dan aan Holland en Zeeland --.
+
+
+34. Loochenen--ontkennen.
+
+_Staande houden, dat iets niet zoo is._
+
+~Ontkennen~ drukt dit zonder meer uit. _Deze schrijver ~ontkent~, dat
+Jan van Schaffelaar van den toren is gesprongen.--De beschuldigde
+~ontkent~, dat hij gestolen heeft._
+
+~Loochenen~ heeft de bijgedachte, dat men tegen beter weten in iets
+ontkent, dus dat men met opzet liegt. _Hij ~loochent~ wel dit stuk
+geschreven te hebben, maar zijn schrift verraadt hem._
+
+ * * * * *
+
+Hoewel hij uitdrukkelijk --, dat hij de schrijver van dit artikel is,
+wordt hij er toch algemeen voor gehouden.
+
+De dief -- eerst wel de waarheid van de verklaring der getuigen, maar
+men bracht hem spoedig door overtuigende bewijzen tot bekentenis.
+
+Hardnekkig -- hij het bestaan van een zuster, die met hem de erfenis zou
+moeten deelen, maar het onderzoek bewees, dat hij wel beter wist.
+
+Ten stelligste -- hij het bestaan van een zuster, die met hem de erfenis
+zou moeten deelen; het onderzoek bewees, dat hij werkelijk gelijk had.
+
+
+35. Onpartijdig--onzijdig.
+
+_Niet voor de eene of andere partij vooringenomen zijn._
+
+~Onzijdig~ zegt, dat men in het geheel geen partij kiest (althans niet
+openlijk); de onzijdige laat dus uit niets blijken, 't zij door woorden
+of daden, welke partij zijn sympathie heeft. _In den strijd tusschen de
+Remonstranten en Contra-Remonstranten hield prins Maurits zich eerst
+~onzijdig~._
+
+De ~onpartijdige~ kiest wel partij, d.w.z. geeft wel aan de eene of
+andere partij zijn voorkeur, maar hij doet dit uit volle overtuiging,
+zonder zich door vrees, omkooperij, winstbejag of andere onedele
+drijfveeren te laten leiden; het is hem alleen om de waarheid te doen;
+daarbij wil hij ook gaarne het goede in zijn tegenpartij erkennen. _Deze
+geschiedschrijver staat bekend als een ~onpartijdig~ man._
+
+Waarom kan men wel van een _onpartijdige_ uitspraak (vonnis), maar niet
+van een _onzijdige_ uitspraak spreken?
+
+ * * * * *
+
+In den Fransch-Duitschen oorlog hield ons land zich --.
+
+Ik heb hem als een -- beoordeelaar leeren kennen en waardeeren.
+
+Bij een twist tusschen man en vrouw blijve men liefst --.
+
+Deze courant geeft een -- voorstelling, van hetgeen in die vergadering
+gebeurd is.
+
+Men heeft wel eens de -- van Oldenbarnevelts rechters in twijfel
+getrokken; maar de geschiedenis van zijn rechtspleging weerlegt die
+beschuldiging ten volle.
+
+
+36. Talmen--dralen.
+
+_Traagheid betoonen._
+
+~Dralen~ doet hij, die door zijn weifeling of vrees tot geen besluit
+komt en dus met het werk niet begint.--~Talmen~ doet hij, die wel met
+het werk begonnen is, maar er geen voortgang mee maakt, doordat hij òf
+te traag van aard is, òf zich te zwak voor de opgenomen taak gevoelt.
+
+ * * * * *
+
+Je moet niet zoolang --, begin maar terstond.
+
+Hij -- zoo vreeselijk met zijn werk, dat er van opschieten geen sprake
+is.
+
+De veldheer -- tot den slag over te gaan, daar hij met de stellingen
+van den vijand niet goed bekend was.
+
+De vijand -- met het beleg der stad zoo zeer, dat deze zich nog
+voldoende kon voorbereiden.
+
+Door het lange -- met de toezending der vereischte sollicitatiestukken
+heeft hij den vastgestelden termijn laten verstrijken.
+
+Komt mannen, niet --! vol moed den vijand aangevallen.
+
+
+37. Ontdekken--uitvinden.
+
+_Van een onbekende zaak kennis krijgen._
+
+Men ~ontdekt~, wat reeds bestond, maar nog niet bekend was: _Columbus
+~ontdekte~ Amerika_ (letterlijk: het dek der onbekendheid, dat het land
+voor Europa verborg, wegnemen).
+
+~Uitvinden~ heeft betrekking op nieuwigheden, die aan het menschelijk
+vernuft te danken zijn en die te voren nog niet bekend waren. _De
+~uitvinding~ van de boekdrukkunst schijnt men thans weer met meer recht
+dan vroeger aan Laurens Janszoon Coster te mogen toeschrijven._
+
+(De uitdrukking: »Ik zal den dader wel _uitvinden_", die men
+tegenwoordig in navolging van vreemde talen wel hoort, is dus beslist af
+te keuren; vooreerst bestaat de dader reeds, en 2º. wordt de dader niet
+door een gelukkige combinatie van het menschelijk vernuft te voorschijn
+gebracht, zooals uitvinden onderstelt.)
+
+ * * * * *
+
+Tot zijn schrik -- de bankier, dat de boekhouder hem bedrogen had.
+
+Door de -- van het microscoop heeft men vele wonderen in de natuur --.
+
+Het geheim wist ik spoedig te --.
+
+Weet gij, wie de draadlooze telegrafie heeft --?
+
+Men heeft eindelijk het spoor van den misdadiger --.
+
+Door de -- van het rijwiel is het verkeer zeer vergemakkelijkt.
+
+Wie heeft de slingerwetten --?
+
+
+38. Plagen--kwellen.
+
+_Iemand verdriet of onaangenaamheden veroorzaken._
+
+~Plagen~ onderstelt, dat het verdriet niet bijzonder groot is, terwijl
+~kwellen~ aanwijst, dat men iemand werkelijk leed (pijn, enz.) aandoet.
+_Je mag den hond niet zoo ~plagen~, maar nog minder mag je hem
+~kwellen~._--~Plagen~ wordt ook gebruikt in verbinding met hongersnood,
+pest, duurte en andere onheilen, die al of niet als een straffe Gods
+worden aangemerkt. _Het land werd met hongersnood ~geplaagd~._ (Denk ook
+aan de plagen van Egypte!)
+
+ * * * * *
+
+De reiziger werd door een hevigen dorst --.
+
+Gij moet de meid niet zoo --, door haar telkens om een wissewasje binnen
+te laten komen.
+
+Wie de dieren --, heeft ook voor de menschen geen goed hart.
+
+Gij moet dat kleine kind niet zoo --.
+
+Karel V werd vaak door jicht --.
+
+Mijn broer -- mijn zuster altijd met haar dwazen hoed.
+
+Zijn knagend geweten -- hem dag en nacht.
+
+
+39. Overeenkomen--overeenstemmen.
+
+_Bijna geheel aan elkander gelijk zijn._
+
+~Overeenkomen~ drukt dit zonder nadere aanduiding uit. _De bouw van
+deze beide kerken ~komt~ met elkander ~overeen~._ ~Overeenstemmen~
+ziet uitsluitend op meeningen, gevoelens of gedachten. (De letterlijke
+beteekenis duidt aan: dezelfde _stem_ of toon hebben.) _Wij ~stemmen~ in
+onze politieke gevoelens volkomen met elkander ~overeen~._ Men kan dus
+niet zeggen: _de bouw van deze kerken ~stemt overeen~_.
+
+ * * * * *
+
+De Veluwe -- in vele opzichten met Drente overeen.
+
+De getuigen -- niet met elkander overeen.
+
+De beide steden -- in handelsbeweging vrij wel overeen.
+
+Bij de keuze van een nieuwen president kon men niet gemakkelijk tot --
+geraken.
+
+De berichten over sommige feiten uit onze geschiedenis -- niet altijd
+overeen.
+
+
+40. Schaarsch--zeldzaam--zelden.
+
+_Weinig voorkomende._
+
+~Zeldzaam~ duidt aan, dat iets slechts bij uitzondering gezien wordt,
+doordat er zeer weinig van die voorwerpen bestaan. _Voor dezen
+~zeldzamen~ postzegel heb ik drie gulden betaald._
+
+~Schaarsch~ wil zeggen, dat van iets op een gegeven tijdstip minder
+voorraad is, dan men verwacht had, zoodat er een tijdelijke behoefte aan
+bestaat. _Daar de aardappelen dit jaar ~schaarsch~ zijn, besteedt men
+hooge prijzen._
+
+~Zeldzaam~ en ~schaarsch~ zijn bijvoeglijke naamwoorden, ~zelden~ is een
+_bijwoord van tijd_ en beteekent _bijna nooit_. _Hoe komt het toch, dat
+wij je tegenwoordig zoo ~zelden~ bij ons zien?_
+
+ * * * * *
+
+Dat is een -- exemplaar van Vondels werken.
+
+Door de invoering der muntgasmeters zijn in sommige steden de
+2½-centstukken -- geworden.
+
+Rijkdom en geluk vindt men -- vereenigd.
+
+De berichten van het oorlogsveld zijn zeer --.
+
+Bij Baarn groeit aan de Eembrug een -- plant; men ziet die plant maar --
+in de tuinen.
+
+Nu de aardappelen zoo -- zijn, eten wij maar veel meelspijzen.
+
+Haastige spoed is -- goed.
+
+De gastvrijheid onzer voorvaderen is -- geworden.
+
+Het is een -- genot dezen vioolspeler te hooren.
+
+
+41. Nijgen--buigen.
+
+_Een vooroverwaartsche beweging maken._
+
+~Nijgen~ is: slechts even buigen, liefst met een bevallige beweging,
+zoodat het vooral van vrouwen gebruikt wordt.
+
+~Buigen~ onderstelt, dat de beweging sterker is; als teeken van
+nederigheid of onderdanigheid is het dus van meer kracht dan ~nijgen~.
+_Zij ~neeg~ het hoofd tot een beleefden groet. Hij ~boog~ het hoofd in
+het bewustzijn van zijn schuld._
+
+ * * * * *
+
+De vorstin werd luide toegejuicht; vriendelijk -- nam zij die hulde in
+ontvangst.
+
+De deputatie -- zeer diep voor den koning.
+
+Met een bevallige -- nam de zangeres de bloemen aan.
+
+Na den stormachtigen bijval -- de acteur naar alle zijden.
+
+Hij moest voor de overmacht --.
+
+
+42. Overdrijven--vergrooten.
+
+_Iets grooter voorstellen dan het is._
+
+~Overdrijven~ geschiedt meer uit hartstochtelijkheid, uit zucht om iets
+van grooter gewicht te doen schijnen, dan het in werkelijkheid is; het
+geschiedt dus niet uit boos opzet. _Dat er bij dit ongeval verscheidene
+menschen verongelukt zijn, laat zich denken; doch dit getal op 200 te
+stellen is zeker ~overdreven~._
+
+~Vergrooten~ daarentegen onderstelt een bepaald opzet; men wil n.l. door
+dat vergrooten een of ander doel des te gemakkelijker bereiken. _Om hun
+zoon van zijn vertrek naar Indië terug te houden, hebben zijn ouders hem
+de bezwaren van het Indische leven zeer ~vergroot~ voorgesteld._
+
+ * * * * *
+
+Kinderen zijn geneigd, hetgeen hun wedervaren is, te --.
+
+De vijand heeft de verliezen aan onze zijde zeer -- opgegeven, om zich
+zelf des te meer roem toe te kennen.
+
+Het is begrijpelijk, dat een moeder de deugden van haar kind vaak --.
+
+Sommige couranten, die belang hadden bij den val van het ministerie,
+hebben de beteekenis van deze gebeurtenis zeer --.
+
+»Ook 't goede kan men --, zoodat het ophoudt goed te zijn."
+
+Om hem van de sollicitatie terug te houden, heeft men de eentonigheid
+van deze standplaats zeer --.
+
+Dat zij van opschik houdt, is waar, maar dat zij daardoor haar man arm
+zou gemaakt hebben, is --.
+
+
+43. Reis--tocht.
+
+_Het trekken van de eene plaats naar de andere._
+
+~Tocht~ onderstelt, dat er moeilijkheden te overwinnen zijn, terwijl
+~reis~ meer op den verren afstand ziet. Zoo spreekt men bij het leger
+van veld_tochten_, niet van veld_reizen_. Waarom is het beter te zeggen
+een _plezierreisje_ dan een _pleiziertochtje_?
+
+ * * * * *
+
+Op hun huwelijks-- naar Zwitserland hebben zij prachtig weer gehad.
+
+De kruis-- hadden ten doel het Heilige Land te veroveren.
+
+Op onze -- door Duitschland hebben wij den Harz bezocht.
+
+Napoleons -- naar Rusland was het begin van het einde.
+
+De -- van den koning naar St.-Petersburg zal een week worden
+uitgesteld.
+
+Maurits' -- naar Duinkerken is niet geslaagd.
+
+»Als iemand verre -- doet, dan kan hij wat verhalen."
+
+
+44. Stom--sprakeloos.
+
+_Niet in staat te spreken._
+
+~Sprakeloos~ wijst op een tijdelijk onvermogen, hetzij door ziekte,
+hetzij door hevige gemoedsaandoening. _Hij stond ~sprakeloos~ van
+schrik._
+
+~Stom~ wijst op een aangeboren gebrek: _een ~stom~ kind_; of wel op het
+natuurlijk onvermogen om te spreken: _het ~stomme~ vee_.
+
+Soms staat ~stom~ gelijk met _zwijgend_: _een ~stomme~ rol_, of wordt
+ook wel gebruikt bij de hevigste ontroering en is dan sterker dan
+sprakeloos: _Hij was ~stom~ van ontzetting._
+
+ * * * * *
+
+Het geld, dat -- is, maakt recht, wat krom is.
+
+Door den hevigen schrik was zij langen tijd --.
+
+Toen hij deze verpletterende tijding hoorde, was hij -- van ontzetting.
+
+Het front van dit orgel bevat verscheidene -- pijpen.
+
+Die man is wel ongelukkig: hij is -- en blind.
+
+Door een verlamming van de tong is zij -- geworden (was zij eenige dagen
+--).
+
+
+45. Vatbaar--geschikt.
+
+_De noodige eigenschappen voor iets bezittende._
+
+~Vatbaar~ zegt, dat iemand in staat is tot het vatten of ontvangen van
+invloeden buiten hem. _Hij is erg ~vatbaar~ voor allerlei ziekten._
+
+~Geschikt~ duidt aan, dat iemand door zijn bekwaamheid of aanleg in
+staat is, om iets te doen. _Hij is om zijn welsprekendheid zeer
+~geschikt~ voor president dezer vereeniging._
+
+ * * * * *
+
+Die jongen is niet -- voor goede indrukken.
+
+Zulk een bedaard mensch is niet -- om als matroos te varen.
+
+Deze tuinman is ook -- voor koetsier.
+
+Ik geloof niet, dat deze booswicht voor verbetering -- is.
+
+Van Wassenaar-Obdam was niet -- voor vlootvoogd.
+
+Michiel de Ruyter was volstrekt niet -- voor vleierij.
+
+De commissaris van politie is zeer -- om het onderzoek te leiden.
+
+
+46. Wijzigen--veranderen.
+
+_Iets anders maken._
+
+~Wijzigen~ heeft betrekking op kleine veranderingen, die aan de
+hoofdzaak weinig afdoen; ~veranderen~ onderstelt, dat iets, wat vorm
+of strekking betreft, geheel anders wordt, en is dus veel sterker dan
+~wijzigen~. _Ik zal den titel van dit boek: »Verhalen voor Jong-Holland"
+~wijzigen~ in: »Verhalen voor de Jeugd".--Ik zal den titel van dit boek:
+»Verhalen voor Jong-Holland" ~veranderen~ in: »Vertelselboek voor
+'t Jonge Volkje"._ Evenzoo beteekent: _de wet ~wijzigen~_, daarin
+slechts kleine veranderingen aanbrengen, terwijl _de wet ~veranderen~_
+beteekent: er een geheel andere strekking aan geven, 't zij door nieuwe
+toevoegsels, 't zij de bestaande artikels door geheel andere te
+vervangen.
+
+ * * * * *
+
+Gij moet dezen zin in uw brief eenigszins --, want zoo is hij niet al te
+duidelijk.
+
+Deze zin in uw brief bevat eigenlijk een beleediging; gij moet hem dus
+noodzakelijk --.
+
+Hij -- zijn kleeding om zich onkenbaar te maken.
+
+De Minister heeft met de wenschen der Kamer rekening gehouden en een --
+wetsontwerp ingediend.
+
+Deze bewering in uw opstel is geheel onjuist; gij moet dus dit gedeelte
+--.
+
+De keizer heeft het doodvonnis van den moordenaar -- in levenslange
+opsluiting.
+
+De richting van de spoorlijn is met een kleine -- door de Kamer
+goedgekeurd.
+
+
+47. Verwelken--verdorren.
+
+_Zijn frischheid verliezen._
+
+~Verdorren~ wil zeggen: alle levenssappen verliezen, zoodat het sterven
+noodzakelijk moet volgen. _Deze boom is bijna ~verdord~._
+
+~Verwelken~ ziet meer op het verliezen van frischheid, kleur of geur.
+_Een ~verwelkte~ bloem. De bladen ~verwelken~ bij droog weder, en, als
+zij niet begoten worden, ~verdorren~ zij ten laatste._
+
+ * * * * *
+
+Deze plant staat te --; zij moet noodzakelijk water hebben.
+
+Door den invloed van de nabijgelegen gasleiding schijnt deze beuk te --.
+
+De koolplanten staan reeds te --; als het niet spoedig regent, zullen
+zij moeten --.
+
+Deze zangeres is een -- schoonheid.
+
+
+48. Verzamelen--vergaderen (of vergaren).
+
+_Bijeenbrengen._
+
+~Vergaderen~ duidt op het bijeenbrengen of bijeenkomen van
+gelijksoortige zaken of personen, die bij elkander behooren, terwijl
+~verzamelen~ gezegd wordt van ongelijksoortige dingen, die men
+bijeenbrengt. _De gemeenteraad zal morgen ~vergaderen~_ (de leden
+behooren bij elkander, om een eenheid te vormen).--_Op de markt hadden
+zich vele menschen ~verzameld~, om Uilenspiegel te zien vliegen._ (Deze
+menschen behoorden niet bij elkander: er was oud en jong, rijk en arm,
+aanzienlijk en gering bijeen.)--Eindelijk ziet ~verzamelen~ soms vooral
+op hetgeen verstrooid was en weer bijeengebracht wordt: _De veldheer
+wist zijn gevluchte manschappen weer tot een nieuwen aanval te
+~verzamelen~._ Vergelijk nu: _verzameling_ en _vergadering_.
+
+ * * * * *
+
+Dit museum bevat een -- van incunabelen of wiegedrukken (boeken, vóór
+1500 in ons land gedrukt).
+
+De bijen -- ijverig honig en was. (De honing is her en der verspreid.)
+
+In de zaal werd een -- van schilders gehouden.
+
+Wie den armen geeft, -- zich een schat in den hemel.
+
+Hij -- zijn krachten tot een laatst verweer.
+
+Mijn vriend doet veel aan het -- van prentbriefkaarten.
+
+Deze vereeniging -- elken laatsten Vrijdagavond der maand.
+
+Hij -- al zijn moed om tot dien stap over te gaan.
+
+
+49. Week--zacht.
+
+_Niet hard._
+
+~Week~ duidt aan, dat iets gevoelig is voor indrukken: de _weeke_ klei;
+een _week_ gemoed.
+
+~Zacht~ stelt meer het aangename gevoel, dat de aanraking geeft, op den
+voorgrond: het _zachte_ fluweel, een _zacht_ gemoed (d.i. aangenaam in
+den omgang).
+
+ * * * * *
+
+Een -- windje lispelde door de bladeren.
+
+Ik wist niet, dat hij zoo -- van hart was, zoodat hij geen lijden kan
+zien.
+
+»En Neerlands -- grond hijgde onder 't wicht van wee."
+
+Wij hebben dit jaar een -- winter gehad.
+
+De boter is door de warmte erg -- geworden.
+
+Een dokter moet niet --, wel -- van gemoed zijn.
+
+
+50. Breed--ruim--wijd.
+
+_Het tegengestelde van bekrompen._
+
+~Ruim~ wil zeggen, dat men zich naar _alle_ zijden gemakkelijk kan
+bewegen, terwijl ~breed~ dit alleen van één afmeting zegt. Een _breede_
+gang, een _ruime_ kamer.
+
+~Wijd~ geeft hetzelfde als breed aan, maar heeft de bijbeteekenis, dat
+er veel of zelfs te veel plaats is voor een of ander voorwerp: een
+_wijde_ mouw, den havenmond _verwijden_.
+
+ * * * * *
+
+Men heeft op dezen berg een -- vergezicht.
+
+Hij vat zijn taak -- op.
+
+Die jas is u wel wat --.
+
+Hij heeft een -- inzicht in die zaak.
+
+Iets in den -- uitmeten.
+
+Een oneerlijk mensch heeft een -- geweten: »men kan er met paard en
+wagen in omdraaien."
+
+Vele bewandelen den -- weg der zonde.
+
+»Het -- hemelrond Vertelt met blijden mond Gods eer en heerlijkheid."
+
+Van zulk een inkomen kan men -- leven.
+
+Hij verliet met zijn vaderlijk erfdeel het ouderlijk huis en trok de --
+wereld in.
+
+
+51. Zeggen--spreken.
+
+_Zich in woorden uiten._
+
+~Spreken~ duidt in het algemeen het vermogen daartoe aan, zonder op de
+beteekenis of den inhoud der woorden te letten. _De mensch kan
+~spreken~._
+
+~Zeggen~ heeft de bijgedachte, dat men iets wenscht mede te deelen door
+middel van de spraak; het let dus vooral op den inhoud. _Hij ~zeide~,
+dat hij spoedig terug kwam._ Vandaar komt ~zeggen~ altijd overgankelijk
+voor, terwijl ~spreken~ ook onovergankelijk gebruikt wordt, bijv.: _Hij
+~sprak~ zeer lang in die vergadering_ (d.w.z. hij voerde lang het
+woord). _Men kan veel ~spreken~ en toch weinig ~zeggen~._
+
+ * * * * *
+
+Ik zal je later wel eens --, waarom ik niet meega.
+
+De redenaar -- zeer mooi.
+
+Ik heb hem over die zaak --.
+
+Ik heb hem het mijne van de zaak --.
+
+Bij het -- moet gij niet te veel uw keel gebruiken.
+
+Dat is een -- voorbeeld (d.w.z. het zwijgt niet, maar het spreekt).
+
+Hij -- met luider stemme: »Blijf, waar gij zijt!"
+
+Toen ik hem naar de reden vroeg, -- hij geen woord.
+
+Toen ik met hem in den trein zat, -- hij geen woord.
+
+(Welk verschil is er tusschen: _Hij ~sprak~ geen woord_, en _Hij ~zeide~
+geen woord_?)
+
+
+52. Schrik--ontzetting.
+
+_Hevige ontroering bij het aanschouwen van iets beangstigends._
+
+~Schrik~ geeft meer de werking zelf aan, waarbij men bij 't zien
+of hooren als 't ware opspringt (_schrikken_ = springen; vgl.
+_schrikkel_jaar, 't jaar waarin de datums één dag meer verspringen).
+Men kan zich spoedig herstellen en zijn kalmte terugkrijgen.
+
+Is de ontroering heviger, zoodat zij ons gemoed geheel vervult, dan
+spreekt men van ~ontzetting~. (Zie No. 44.)
+
+(Verandert door schrik of ontzetting ons gelaat, dan spreekt men van
+~ontstellen~.)
+
+ * * * * *
+
+Van -- stond hij aan den grond vastgenageld.
+
+Van -- rezen hem de haren te berge.
+
+Met -- bemerkte hij, dat hij zijn geld verloren had.
+
+Met -- bemerkte de kapitein, dat het schip verloren was.
+
+Met -- zag de moeder het aan, hoe de vijand haar kinderen vermoordde.
+
+Toen de patroon den bediende op de vervalsching wees, -- deze.
+
+Van -- kon hij geen woord uitbrengen.
+
+Ieder vernam met --, welke gruwelen door de Turken gepleegd werden.
+
+
+53. Beloonen--vergelden.
+
+_Iemand iets geven voor hetgeen hij gedaan heeft._
+
+~Beloonen~ (soms _loonen_) geschiedt als een bewijs van goedkeuring
+(door een meerdere) of om voor een bewezen dienst iets stoffelijks
+(meest geld) te geven. _De vader ~beloont~ zijn kind. De eerlijke vinder
+zal goed ~beloond~ worden._
+
+~Vergelden~ onderstelt meer het geven van iets onstoffelijks voor
+bewezen diensten en kan ook van een mindere jegens zijn meerdere gezegd
+worden. _Het kind ~vergold~ door een voorbeeldig gedrag de zorgen zijner
+ouders._
+
+Bovendien ziet ~beloonen~ op den persoon (het _kind_ werd beloond), en
+~vergelden~ op de zaak (de _zorgen_, niet de _ouders_ werden vergolden).
+Men houde in het oog, dat beide woorden in figuurlijken zin soms in
+ongunstige beteekenis voorkomen: _Het kwaad ~loont~ zijn meester._
+(Waarom niet _vergeldt_?)--_Kwaad met kwaad ~vergelden~._ (Waarom niet
+_beloonen_?)
+
+ * * * * *
+
+Moge God u voor al uw zorgen --. Moge God u al uw zorgen --.
+
+De onderwijzer -- den leerling voor zijn goed gedrag.
+
+De tijd, dien ik aan deze studie wijdde, is ruim -- geworden.
+
+Het kwaad -- steeds zich zelf.
+
+Jammer, dat hem die weldaad met zulk een ondank werd --.
+
+Jammer, dat hij voor die weldaad zoo met ondank werd --.
+
+
+54. Slot--einde.
+
+_Het laatste gedeelte van een zaak of handeling._
+
+~Einde~ zegt dit in het algemeen, ~slot~ onderstelt het einde van een
+geordend en afgewerkt geheel. Een laan heeft wel een ~einde~, maar geen
+~slot~; daarentegen heeft een brief wel een ~slot~, doordat de brief
+een geordend en afgewerkt geheel is. Zoo zegt men: het ~einde~ van de
+bladzijde, niet het ~slot~. Van een boek kunnen beide woorden gebruikt
+worden; het ~einde~ vindt men na den laatsten regel, het ~slot~ ziet op
+de laatste zinnen: _Dat boek bevat een pakkend ~slot~. Ik las dit boek
+van het begin tot het ~einde~, maar vond niet het bewuste woord._
+
+(Waarom zegt men wel _slot-zin_ en niet _einde-zin_?)
+
+ * * * * *
+
+Aan het -- van dezen zandweg woont een jager.
+
+Het -- van dit gedicht munt uit door groote zeggingskracht.
+
+Aan het -- der volgende week hoop ik u te bezoeken.
+
+Tot -- gaf de spreker nog een gedichtje ten beste.
+
+De vergadering werd aan het -- rumoerig.
+
+Het -- zijner redevoering heb ik niet duidelijk verstaan.
+
+Aan het -- zijner redevoering verhief zich een daverend applaus.
+
+Vergeet niet het -- van uw brief in den behoorlijken vorm te schrijven.
+
+De brief was zoo lang, dat er geen -- aan scheen te komen.
+
+
+55. Hooren--luisteren.
+
+_Door het gehoor iets waarnemen._
+
+~Hooren~ drukt uit, dat dit onwillekeurig, soms zelfs tegen onzen zin
+kan geschieden: _Wij ~hooren~ altijd het geloop op de verdieping boven
+ons._
+
+~Luisteren~ drukt uit, dat men scherp en met aandacht naar iets of
+iemand hoort en is dus veel sterker. _De keukenmeid ~luisterde~ aan de
+deur, wat er binnen gesproken werd._
+
+ * * * * *
+
+Wat -- ik, ga je vertrekken?
+
+-- eens, wat die man te vertellen heeft.
+
+De reiziger -- een vreemd geluid in het bosch; hij stond daarom stil en
+--, wat het zijn mocht.
+
+De wind is zeker zuid, daar men den trein zoo goed kan --.
+
+In die vergadering -- men soms rare dingen.
+
+De geheele vergadering -- met gespannen aandacht naar den spreker.
+
+Ik heb wel --, dat hij iets zeide; maar ik heb er niet voldoende naar --
+om het u over te vertellen.
+
+
+56. Frisch--versch.
+
+_Nog onbedorven, niet oud._
+
+~Versch~ duidt aan, dat iets nog alle eigenschappen bezit, die het
+gevolg zijn van zijn nog kort bestaan. _Dit vleesch is nog ~versch~_
+(het is nog niet bedorven of oud; het bestaat n.l. nog pas, d.w.z. de
+koe is pas geslacht); _een ~versch~ ei_.
+
+~Frisch~ duidt aan, dat iets er jong of jeugdig uitziet, zonder het
+daardoor nog te zijn; het nadert zoodoende de beteekenis van: sterk,
+vol leven, gezond. _Na een rustigen slaap gevoelt men zich weer
+~frisch~.--Een ~frissche~ kleur; ~frissche~ rozen._--Soms ook is het
+synoniem met verkoelend: _een ~frissche~ wind_.
+
+ * * * * *
+
+Een glas -- melk is een gezonde drank. Een glas -- water is in den zomer
+aangenaam.
+
+De veldheer liet -- troepen aanrukken.
+
+Die man ziet er nog -- uit, al is hij reeds op jaren.
+
+Hier heb ik een bouquet -- bloemen.
+
+Dit vleesch schijnt mij niet -- meer.
+
+Al is in den winter -- lucht soms ook wat --, zij is daarom toch
+onmisbaar.
+
+Op den wand zag men een -- gemetselde plek, waarachter de huisheer zijn
+geld verstopt had.
+
+Er woei een -- koelte.
+
+Een glas citroen is 's zomers een -- drank.
+
+
+57. Verwaarloozen--verzuimen.
+
+_Nalaten, wat men behoorde te doen._
+
+~Verwaarloozen~ beteekent: niet meer voor iets zorgen, zoodat het
+bederft of onbruikbaar wordt. _Hij heeft zijn tuin zoo laten
+~verwaarloozen~, dat er haast niets meer dan onkruid in groeit._
+
+~Verzuimen~ ziet op het nalaten van een of andere plicht. _Gij hebt
+zeker weer ~verzuimd~ den brief te frankeeren._
+
+ * * * * *
+
+De regenten lieten de vestingen zoo --, dat de grachten dichtgroeiden en
+de kanonnen op de wallen verroestten.
+
+Ik heb schandelijk --, u van mijn vertrek in kennis te stellen.
+
+Wat ziet dat kind er -- uit.
+
+Men beschuldigde de Gouvernante, dat zij opzettelijk de vloot liet --,
+om ons land des te gemakkelijker aan Engeland te kunnen overleveren.
+Deze valsche beschuldiging, dat zij haar plicht --, griefde haar diep.
+
+Gij hebt heel wat --, door de uitvoering niet bij te wonen. (Het was dus
+uw plicht geweest te komen.)
+
+
+58. Haast--spoed--ijl.
+
+_De snelheid, waarmee men een handeling volbrengt._
+
+~Haast~ doet denken aan de snelle beweging, die men maakt om voort
+te komen of om den arbeid af te krijgen. Als gevolg hiervan ontbreekt
+meestal overleg en nadenken. _Gij behoeft met dit werk geen ~haast~ te
+maken; ik heb er den tijd nog mee en zie liever, dat gij het kalm en
+bedaard afmaakt.--In grooten ~haast~ heb ik dit geschreven:
+verontschuldig dus mijn onduidelijk schrift._
+
+~Spoed~ duidt aan, dat het werk geregeld en snel voortgaat, zonder door
+tusschenpoozen van rust te worden onderbroken. _Dank zij den ~spoed~,
+waarmee gewerkt kon worden, was het gebouw op den gewenschten tijd
+klaar._ ~Spoed~ sluit dus evenals ~haast~ een snellen voortgang der
+handeling in, maar heeft niet de bijgedachte, dat het werk met weinig
+overleg tot stand komt. Wie met haast handelt, ontmoet soms een of
+anderen tegenspoed en komt dus niet vooruit. _In zijn ~haast~, om nog
+op tijd aan den trein te zijn, trok hij twee knoopen van zijn jas, die
+eerst weer aangenaaid moesten worden. Door dit oponthoud kwam hij te
+laat._
+
+~IJl~ heeft veel overeenkomst met haast, maar duidt meer aan, dat men
+den noodigen tijd voor 't werk mist en men zich derhalve reppen moet, om
+dien tijd uit te winnen. Men spreekt dan ook van een _ijlbode_, daar er
+geen tijd te verliezen is, integendeel er moet tijd uitgewonnen worden.
+_Ik liet hem dit in aller~ijl~ weten._
+
+ * * * * *
+
+Hoe meerder --, hoe minder --.
+
+Ik hoop uw opdracht met bekwamen -- te volbrengen.
+
+Als gij zoo'n -- maakt, zal er van dat werk niet veel terecht komen.
+
+Ik zal zijn koffer als --goed laten bestellen.
+
+_Gebruik nu in zinnen_: haastig, spoedig, ijlings.
+
+
+59. Verwisselen--verruilen (of ruilen).
+
+_Zich van iets ontdoen, om er iets anders voor in de plaats te nemen._
+
+~Verruilen~ wil zeggen, dat de handeling opzettelijk en met eens anders
+toestemming geschiedt, terwijl het verruilde voorwerp een anderen
+eigenaar krijgt. _Ik heb mijn kleurdoos tegen zijn passerdoos
+~verruild~._
+
+~Verwisselen~ duidt aan, dat daarbij niet de toestemming van een ander
+wordt vereischt, terwijl de handeling ook zonder opzet kan geschieden.
+Bovendien kan men slechts gelijksoortige zaken verwisselen. _Bij
+vergissing had ik mijn hoed tegen den zijnen ~verwisseld~._ (De
+handeling is toevallig.)--_Kinderen, ~verwisselt~ de leien!_ (De
+handeling is wel opzettelijk, maar elkanders toestemming is niet
+vereischt; ook veranderen de leien niet van eigenaars.) Wat beteekent:
+De kinderen _verruilen_ de leien?
+
+ * * * * *
+
+Zij -- spoedig haar balcostuum tegen een huisjapon.
+
+De beide ontvangers hebben van standplaats --.
+
+In vroeger tijd dreef men uitsluitend --handel.
+
+De kinderen spelen vaak »boompje --".
+
+Ik zou met al zijn geld toch niet graag met hem --.
+
+De Zuidelijke Nederlanden zijn nog al eens vaak van naam --.
+
+Engeland heeft Helgoland tegen een deel van Afrika --.
+
+De beide vrouwen, die voor Salomo's vierschaar verschenen, hadden
+elkanders kinderen --.
+
+
+60. Nieuwsgierig--weetgierig--benieuwd.
+
+_Begeerig om iets te weten._
+
+~Weetgierig~ is hij, die het wetenswaardige verlangt te kennen; het
+heeft dus een gunstige beteekenis. _Deze knaap toont zich zeer
+~weetgierig~, zoodat hij vol ijver studeert._
+
+~Nieuwsgierig~ is hij, die allerlei nieuwtjes wenscht te weten, zaken,
+waarmee hij soms niets te maken heeft. In den regel heeft het dan ook
+een meer ongunstige beteekenis. _Deze vrouw is zeer ~nieuwsgierig~:
+onophoudelijk begluurt en beluistert zij haar buren._
+
+~Benieuwd~ ziet op de begeerte, om den afloop van iets, waarvan wij nog
+in het onzekere zijn, te kennen: dit feit kan nog gebeuren moeten, en in
+dit geval is de afloop natuurlijk nog niet bekend, of wel, het feit is
+al gebeurd, maar de afloop is ons nog niet bekend. _Ik ben ~benieuwd~,
+of hij zal slagen (of hij geslaagd is)._
+
+ * * * * *
+
+Toen men in 1903 den Amersfoortschen keisteen zou opgraven, was iedereen
+--, of hij nog te vinden zou zijn. Zoodra hij eindelijk gevonden was,
+waren velen -- genoeg, om den historisch geworden steen eens te gaan
+zien. Enkelen waren zelfs -- genoeg om zijn geschiedenis uit de oude
+geschriften op te diepen.
+
+Deze dienstbode is uiterst --, voortdurend staat zij aan de deur te
+luisteren.
+
+Een -- jongen kan soms moeilijke vragen doen.
+
+Een -- jongen staat met zijn neus overal vooraan.
+
+Wij zijn --, of hij benoemd zal worden.
+
+Gij moet uw brieven beter voor de -- blikken van anderen verbergen.
+
+
+61. Nalaten--achterlaten--overlaten.
+
+_Overblijven door het weggaan van anderen._
+
+~Nalaten~ onderstelt altijd een overlijden en vestigt de aandacht op
+de personen, die blijven leven, of op de goederen, die de overledene
+bezat. _Hij ~liet~ slechts één zoon ~na~. Hij heeft een groot vermogen
+~nagelaten~._
+
+~Achterlaten~ onderstelt, dat iemand bij zijn vertrek de genoemde
+personen of zaken niet meeneemt. _Hij ~liet~ bij zijn ontvluchting naar
+Amerika zijn huisgezin ~achter~._
+
+Moet bij dit woord niet aan een vertrek, maar óók aan overlijden gedacht
+worden (evenals bij nalaten), dan duidt het vooral den toestand aan,
+waarin de betrekkingen na den dood van hun bloedverwant verkeeren: _Hij
+~liet~ een diepbedroefde weduwe onverzorgd ~achter~._
+
+~Overlaten~ duidt aan, dat iemand bij zijn heengaan afstand doet van het
+achtergelatene ten behoeve van een ander. _De vluchteling ontdeed zich
+snel van zijn bovenkleeren, sprong te water en ~liet~ zijn kleeding aan
+zijn vervolgers ~over~._ Wordt ~overlaten~ gebruikt bij een sterfgeval,
+dan wijst het woord vooral aan, dat de overledene voor de nagelaten
+betrekkingen niet heeft kunnen of willen zorgen. _Bij zijn dood heeft de
+verkwister zijn gezin aan de grootste ellende ten prooi ~overgelaten~._
+
+ * * * * *
+
+De overleden schrijver heeft nog een bijna voltooiden roman --.
+
+Door zijn overhaaste vlucht moest hij een deel van zijn papieren --.
+
+Bij zijn vlucht moest hij het grootste deel zijner papieren aan zijn
+vervolgers --.
+
+De gierigaard heeft een groot kapitaal --.
+
+Bij zijn dood liet hij zijn beide kinderen onverzorgd --.
+
+Zijn daden zullen hier een aangename herinnering --.
+
+Door zijn wanbeheer liet hij bij zijn dood zijn gezin aan de grootste
+ellende --.
+
+Bij zijn vertrek liet hij groote schulden --.
+
+Bij zijn dood heeft hij groote schulden --.
+
+Hij liet mij aan mijn eigen lot --.
+
+Bij vergissing heb ik bij mijn vertrek uit de stad in mijn hotel een
+handkoffertje --.
+
+De Kelten hebben hier vele sporen van hun verblijf --.
+
+
+62. Overtuigen--overreden--overhalen.
+
+_Iemand tot andere gedachten brengen._
+
+~Overreden~ wil zeggen: iemand door redeneering zoover brengen, dat
+hij het een of ander doet of toestaat, waarvan hij te voren niet wilde
+weten. _Het kostte ons veel moeite hem te ~overreden~, de benoeming van
+voorzitter aan te nemen._
+
+~Overhalen~ is niet zoo sterk als overreden; het onderstelt minder
+klemmende redeneering en duidt meer op goed gekozen woorden of
+verleidelijke voorstellen. Het wordt dus meer van alledaagsche zaken
+gebezigd en kan ook een ongunstige beteekenis hebben. _Ik heb hem
+~overgehaald~ nog een week zijn reis uit te stellen. Hij liet zich door
+de dieven spoedig ~overhalen~ het gestolene in zijn woning te
+verbergen._
+
+~Overtuigen~ ziet niet zoozeer op de daden van iemand, als wel op zijn
+meening, zijn inzicht. Het wil zeggen: iemand door grondige bewijzen
+brengen tot de erkenning, dat hetgeen wij zeggen, volkomen waar is. Het
+onderstelt meestal, dat wij zijn bedenkingen eerst moeten weerleggen,
+alvorens hij de waarheid onzer woorden wil aannemen. _Ik heb hem
+eindelijk ~overtuigd~, dat zijn levenswijze zijn gezondheid moet
+ondermijnen in plaats van die te bevorderen._
+
+ * * * * *
+
+De verleider wist hem spoedig --, mee te doen.
+
+Men heeft hem reeds lang te vergeefs willen -- geheelonthouder te
+worden; eerst toen men hem eindelijk -- had, dat de alcohol vooral voor
+zijn gestel zeer schadelijk is, heeft hij zich als lid laten
+inschrijven.
+
+Hoewel hij geheelonthouder is, heeft hij zich in een zwak oogenblik
+laten --, een glas wijn te drinken.
+
+Men kon hem niet --, de candidatuur voor den gemeenteraad te aanvaarden.
+Wij trachtten hem wel te --, dat een man van zijn kennis en ervaring in
+den Raad onmisbaar was, maar hij bleef bij zijn voornemen.
+
+De gevangene wist den cipier --, hem bij de ontvluchting behulpzaam te
+zijn.
+
+
+63. Achting--eerbied--ontzag.
+
+_'t Gevoel, dat iemands voortreffelijkheid of meerderheid ons
+inboezemt._
+
+~Achting~ draagt men iemand toe, als men zijn voortreffelijke
+hoedanigheden erkent en hem daarom eert. _Door deze edelmoedige
+zelfopoffering verwierf de held zich de ~achting~ van alle medeburgers,
+ja zelfs van zijn vijanden._
+
+~Eerbied~ onderstelt, dat men iemands meerderheid levendig gevoelt en
+hem dit door betooning van hulde en eer op eenigszins onderdanige wijze
+duidelijk bewijst. Een request aan regeeringspersonen begint meestal:
+_Geeft met verschuldigden ~eerbied~ te kennen_, enz.
+
+~Ontzag~ is de eerbied, dien men voor zijn meerderen gevoelt; het gaat
+min of meer gepaard met een gevoel van vrees, daar zij ons voor onze
+tekortkomingen en overtredingen kunnen straffen. _Geloofd zij God met
+diepst ~ontzag~!_ (Waarom _diepst_, en niet _hoogst_?)
+
+ * * * * *
+
+Gij moet den ouderdom met -- bejegenen.
+
+Door zijn strenge straffen wilde Alva -- inboezemen.
+
+De burgemeester verwierf zich door zijn uitstekend bestuur spoedig de --
+aller ingezetenen.
+
+Met diepen -- naderde de afgezant den koning.
+
+Onder de zwakke opvolgers van Karel den Grooten ging spoedig het -- voor
+den vorst verloren.
+
+Toen het bekend werd, dat Leicester met den vijand in het geheim
+onderhandelde, verloor hij weldra ieders --.
+
+Zoodra de koning de vergaderzaal binnentrad, verhieven zich alle leden
+ten teeken van -- van hun zetel.
+
+Deze leerlingen schijnen weinig -- voor hun onderwijzer te hebben; zij
+zouden anders ten minste met meer -- over hem spreken.
+
+
+64. Betuigen--betoonen--bewijzen.
+
+_Zijn gevoelen doen blijken._
+
+~Betuigen~ geschiedt door verzekeringen, door verklaringen, dus door
+woorden. _Hij ~betuigde~ mij in hartelijke bewoordingen zijn
+vriendschap._
+
+~Betoonen~ is sterker: het onderstelt, dat men door zichtbare teekenen,
+bijv. door daden, van zijn gevoelen blijk geeft. _Hij ~betoonde~ mij
+zijn vriendschap, door mij in mijn ziekte vaak te bezoeken._
+
+~Bewijzen~ komt vrijwel met betoonen overeen; alleen is het iets
+sterker, doordat het doet denken aan overtuigende bewijzen. _Hij
+~bewees~ mij zijn vriendschap, door mij in den nood getrouw bij te
+staan._
+
+ * * * * *
+
+Hij -- wel zijn onschuld, maar hij kon ze niet --.
+
+De misdadiger was zeer bedroefd en -- daardoor berouw te hebben over het
+gebeurde.
+
+Hij -- mij in een langen brief zijn leedwezen over de beleediging, die
+hij mij aangedaan had.
+
+Jan van Schaffelaar -- zijn waren heldenmoed, door zich onverschrokken
+van den toren te werpen.
+
+De Tweede Kamer -- haar deelneming in het overlijden van haar medelid in
+een brief van rouwbeklag aan de weduwe. Zij -- haar deelneming, door de
+zitting als teeken van rouw op te heffen.
+
+De regeering --, dat zij de verdiensten van den gesneuvelden held hoog
+waardeerde, door op zijn graf een prachtig gedenkteeken op te richten.
+
+
+65. Noodzaken--dwingen--dringen.
+
+_Iemand met kracht tot een handeling bewegen._
+
+~Dwingen~ zegt, dat zulks door dwang, door geweld van anderen geschiedt;
+de gedwongene moet tegen zijn zin doen, wat van hem geëischt wordt. _De
+vijand wilde den schildwacht ~dwingen~ de wapens af te geven, maar de
+brave soldaat liet zich liever doodschieten dan zijn post ontrouw te
+worden._
+
+~Noodzaken~ onderstelt, dat iemand niet door geweld, maar door den nood
+der omstandigheden tot het uitvoeren der daad gebracht wordt; hem blijft
+dus niets anders over dan zich te onderwerpen. ~Dwingen~ geschiedt
+door machthebbende personen, terwijl ~noodzaken~ meer op de macht der
+omstandigheden ziet. _Doordat de proviand begon op te raken, waren de
+schipbreukelingen ~genoodzaakt~, zich op rantsoen te stellen._
+
+~Dringen~ komt veel met dwingen overeen, maar is niet zoo sterk. Het
+onderstelt, dat de betrokken persoon nog altijd eenige vrijheid van
+beweging houdt (denk aan het opdringen te midden van een dichte
+menigte); bij ~dwingen~ daarentegen heeft de bedoelde persoon niet de
+minste vrijheid meer. _De uitvoerigheid der stof ~drong~ mij mijn
+onderwerp slechts in hoofdzaken te behandelen._
+
+ * * * * *
+
+De Spanjaarden wilden Leiden door hongersnood -- zich over te geven.
+
+Doordat de weg zoo modderig was, waren wij -- van de fiets te stappen.
+
+Ik gevoel mij --, U mijn hartelijken dank te brengen voor Uw
+medewerking.
+
+Eerst toen de Mogendheden Lodewijk XIV wilden -- zijn eigen kleinzoon te
+bevechten, greep hij weer vol moed naar de wapenen.
+
+Heemskerck en Barents waren -- den kouden winter op Nova-Zembla door te
+brengen.
+
+Door ware vriendschap jegens u --, moet ik u ernstig tegen dezen man
+waarschuwen.
+
+Door het ongunstige weer waren wij --, van de reis af te zien.
+
+
+66. Tevreden--vergenoegd.
+
+_Niet hakend naar meer._
+
+~Tevreden~ is hij, die geen onbevredigde verlangens koestert en dus
+voldaan is, met hetgeen hij heeft.
+
+~Vergenoegd~ zegt eveneens, dat men genoeg heeft, dus alles wat men
+verlangt, maar drukt tevens uit, dat die tevredenheid met zichtbare
+vreugde of blijdschap gepaard gaat.
+
+ * * * * *
+
+Hij is -- met zijn lot en heeft daarom een gelukkig leven.
+
+Hij ziet er vandaag -- uit.
+
+Ik ben zeer -- over uw examen.
+
+Deze eenvoudige en -- menschen leven -- en blij.
+
+
+67. Misgunnen--benijden.
+
+_Een ander niet in 't genot of het bezit van iets kunnen zien._
+
+~Misgunnen~ duidt aan, dat men over dat bezit van een ander ontevreden
+is. Men kan zelf wel iets dergelijks bezitten, maar toch kan men uit
+vijandschap niet zien, dat een ander het ook heeft. Misgunnen stelt
+dus vooral den persoon, niet zoozeer het voorwerp (of genot) op den
+voorgrond. _Hij ~misgunt~ mij dit genoegen_, wil dus zeggen: hij draagt
+mij een kwaad hart toe en daarom kan hij niet zien, dat ik een genoegen
+smaak.
+
+~Benijden~ onderstelt, dat men het bezit (of genot) voor zichzelf
+verlangt, doordat men het zelf niet heeft. Men kan dus een ons geheel
+onbekend persoon benijden om zijn fiets; men behoeft hem dat rijwiel
+volstrekt nog niet te misgunnen.--Soms heeft benijden de ongunstige
+beteekenis verloren, bijv. _ik ~benijd~ u waarlijk uw mooien tuin_; men
+wil door deze uitdrukking den tuin des te sterker prijzen, zoodat deze
+zegswijze meer als vleierij moet opgevat worden.
+
+ * * * * *
+
+De arme man stond getroffen door den rijkdom van zijn buurman; duidelijk
+was het te zien, dat hij hem dien overvloed --.
+
+Ik -- je, dat je geslaagd bent, maar ik -- het je niet.
+
+Deze man heeft een onaangenaam karakter: hij -- ieder een vroolijken
+dag.
+
+Er waren vele vrienden, die hem zijn succes --, maar nog meer vijanden,
+die het hem --.
+
+
+68. Voorbedachtelijk--opzettelijk.
+
+_Deze woorden geven te kennen, dat men het bepaalde voornemen heeft iets
+te doen._
+
+~Voorbedachtelijk~ (of gewoonlijk: met voorbedachten rade) onderstelt
+meestal een slechte daad, ~opzettelijk~ daarentegen in den regel niet.
+
+~Opzettelijk~ is het tegengestelde van toevallig; men wil dus laten
+blijken, dat men iets niet toevallig doet. _Ik heb hem ~opzettelijk~
+opgezocht, om hem te overtuigen, dat ik niet meer boos was._
+~Voorbedachtelijk~ onderstelt, dat men vooraf middelen bedacht heeft
+ter bereiking van zijn doel; dit doel is bij _voorbedachtelijk_ altijd
+misdadig, hetgeen bij _opzettelijk_ niet het geval behoeft te zijn. _De
+edelen wekten Floris V met ~voorbedachten rade~ reeds spoedig uit zijn
+middagslaap, om hem zoodoende zonder gevolg naar de valkenjacht te laten
+trekken._
+
+ * * * * *
+
+Ik heb hem -- voor dien jongen gewaarschuwd.
+
+De dief heeft blijkbaar bij zijn inbraak -- eerst de weduwe vermoord.
+
+In dit park heeft men -- nestkastjes geplaatst, om meer zangvogels te
+krijgen.
+
+Men heeft den reiziger -- van den weg gelokt, om hem des te
+gemakkelijker te kunnen berooven.
+
+Daar de rijkskanselier Bismarck gaarne den oorlog met Frankrijk wilde,
+beschuldigt men hem, dat hij -- het telegram van Ems zou hebben
+verminkt.
+
+Ik heb u -- laten roepen, om u dit zelf te zeggen.
+
+
+69. Aangezicht--gezicht--gelaat.
+
+_Het voorste deel van het hoofd._
+
+~Aangezicht~ is de algemeene en gewone benaming, terwijl ~gelaat~ edeler
+is als uitdrukking van het karakter. _Men heeft bijv. pijn in het
+~aangezicht~_ en niet in het _~gelaat~. Men leest ontroering zoowel
+op iemands ~aangezicht~, als op zijn ~gelaat~_, hoewel dit laatste
+eigenaardiger en gepaster is, als uitdrukking der gemoedsbeweging.
+
+~Gezicht~ is hetzelfde als ~aangezicht~, maar behoort meer tot de
+alledaagsche taal: _Ik zag hem vlak in het ~gezicht~._ Het kan ook van
+dieren gebruikt worden: een _apengezicht_, en is daarom ook platter dan
+~aangezicht~: _iemand een slag in het ~gezicht~ geven_.
+
+ * * * * *
+
+Wie zijn neus schendt, schendt zijn --.
+
+Het -- is de spiegel der ziel.
+
+Hij viel op zijn -- en bad God om vergeving.
+
+Het kind viel op zijn -- en liep een schram op.
+
+Er lag een glans van voldoening op zijn --.
+
+Wacht u voor iemand met twee --.
+
+Ik ken hem alleen bij naam, niet van --.
+
+Wat heb je toch een rood -- gekregen!
+
+Met ontsteld -- kwam hij binnenstormen.
+
+Je hebt je -- niet goed gewasschen.
+
+
+70. Bepalen--vaststellen.
+
+_Wat nog onzeker was, nauwkeurig aangeven._
+
+~Vaststellen~ doet men letterlijk iets, dat _los_ of _wankel_ staat,
+wat, bij uitbreiding van beteekenis, onzeker is of nog aanleiding geeft
+tot twijfel. _De prijs werd door alle bakkers op 10 cent per K.G.
+~vastgesteld~_ (de prijs was iets wankelends en daarom wilde men dien
+nader en _vaster_ aangeven).
+
+~Bepalen~ is door palen een onbegrensde ruimte afperken, men _weet_ dan
+voortaan de juiste ligging; het woord wijst er dus vooral op, dat het
+_onbekende_ (niet het _twijfelachtige_) nauwkeurig wordt aangegeven.
+_Het uur der vergadering werd eindelijk op 6 uur ~bepaald~._ (Het was
+eerst nog _onbekend_!)
+
+~Vaststellen~ heeft dus ten doel den bestaanden twijfel of onzekerheid
+weg te nemen, terwijl ~bepalen~ meer ziet op het nader aanduiden van het
+onbekende.
+
+ * * * * *
+
+Geen mensch kan den loop der sterren --, wel kunnen de astronomen dien
+nauwkeurig --.
+
+Mijn vertrek is eindelijk op half Maart --.
+
+Het is eindelijk de politie gelukt de identiteit van den dief --.
+
+Het feest is op 31 Augustus --, maar het programma moet nog nader --
+worden.
+
+De erflater had --, dat een vierde van zijn nalatenschap aan het
+weeshuis zou komen.
+
+Hebt gij de kenmerken van deze plant al --? (Zij waren onbekend!)
+
+De gemeenteraad heeft het percentage van de plaatselijke directe
+belasting op 1.5 --. (Het was nog onzeker!)
+
+De Regeering heeft --, dat de aangeslibde gronden aan het Rijk behooren.
+
+
+71. Edelmoedig--grootmoedig.
+
+_Beide woorden drukken een hoogen graad van zedelijke grootheid aan._
+
+De ~edelmoedige~ heeft een edel gemoed, een edele ziel, en is dus
+geneigd tot edele daden. Hij zal bijv. bij vijandschap de eerste zijn,
+die de verzoenende hand aanbiedt en door geen wraak bezield wordt; hij
+zal eigen genoegen opofferen om anderen daardoor van dienst te kunnen
+zijn.
+
+~Grootmoedig~ drukt een nog hoogeren graad van zielegrootheid uit;
+de grootmoedige is tot nog veel grooter opofferingen in staat dan de
+edelmoedige: hij kan zelfs tegenover zijn vijanden edelmoedig zijn. _De
+~edelmoedige~ verdient lof en toejuiching; de ~grootmoedige~ dwingt
+bewondering af._
+
+ * * * * *
+
+Wie met eigen levensgevaar iemand uit een brandend huis redt, handelt
+--; is de geredde zijn vijand, dan was de redder --.
+
+De zendeling was -- genoeg, al zijn have en goed voor de heidenen op te
+offeren. Toen zij hem later vermoordden, was hij nog zoo --, dat hij
+voor zijn moordenaars bad.
+
+De liefdezuster leidde een leven van -- zelfopoffering.
+
+De zelfopoffering van Jan van Schaffelaar was een -- daad.
+
+Welke gebreken de Boeren te veld ook hadden, men kan niets anders
+zeggen, dan dat zij hun krijgsgevangenen -- behandelden.
+
+Ofschoon de wisselwachter jaren lang door zijn buurman op allerlei
+wijzen beleedigd was, toonde hij zich zoo --, dat hij in de ure des
+gevaars het eenigst kind van zijn buurman met eigen levensgevaar van een
+wissen dood redde.
+
+Ofschoon de landheer recht had op de volle pacht, was hij na de
+noodlottige overstrooming -- genoeg zijn pachters kwijtschelding van de
+huur te verleenen.
+
+
+72. Zwoegen--slooven--slaven.
+
+_Zwaren arbeid verrichten._
+
+~Zwoegen~ ziet op een meer kortstondige, maar zeer sterke
+krachtsinspanning, zoodat men er van hijgt. _Hoezeer Eliza ~zwoegde~
+onder haar dierbaren last (haar kind), toch ijlde zij voort om haar
+zoontje te redden._
+
+~Slaven~ doet denken aan een slaaf, die van 's morgens vroeg tot 's
+avonds laat zwaar werken moet, zonder zelf de vruchten van zijn arbeid
+te plukken; het woord legt vooral den nadruk op het langdurig werken,
+terwijl ~sloven~ inzonderheid ziet op het vermoeiende en afmattende van
+den langen en zwaren arbeid. _Menig daglooner moet heel wat ~sloven~
+voor zijn stukje brood. Tot 's avonds toe laat hij niet af van
+~slaven~._ (Psalm 104.)
+
+ * * * * *
+
+De man -- onder een zwaren last.
+
+Deze daglooner moet voor zijn dagelijksch brood hard --.
+
+Deze arbeider -- van vroeg tot laat en kan nog ternauwernood in zijn
+onderhoud voorzien.
+
+Wat -- ge, o mensch naar goud of eer? (Waarom dit woord, en niet de twee
+andere?)
+
+Moege-- en moegezongen slaap ik op den harden grond. (Waarom niet de
+beide andere woorden?)
+
+Hij stierf nog jong, maar af-- vóór zijn jaren.
+
+
+73. Plaats--plek--oord.
+
+_Een deel der ruimte._
+
+~Oord~ heeft de meest algemeene beteekenis; het doet denken aan een
+eenigszins uitgestrekte ruimte, waarvan men de grenzen niet nauwkeurig
+opgeeft. _De trekvogels zoeken in het najaar een warmer ~oord~ op._
+
+~Plaats~ ziet meer op een begrensd deel der ruimte, soms ook op een
+nederzetting van menschen (dorp, stad, buurt, enz.), terwijl ~plek~
+bovendien aanduidt, dat die ruimte betrekkelijk klein is. _Ieder
+lichaam neemt ~plaats~ in_ (d.w.z. een begrensd deel der ruimte;
+_oord_ of _plek_ kan dus niet dienen). _In zijn ~plaats~ zou ik anders
+handelen._ (Hier is _~plaats~_ figuurlijk gebruikt naar aanleiding van
+de letterlijke beteekenis, dat iemand plaats inneemt.) _Op de Veluwe
+vindt men niet vele groote ~plaatsen~. Dit ~plekje~ in het bosch is ons
+dierbaar_ (een kleine plaats).
+
+ * * * * *
+
+De --, waar het geld verborgen ligt, kan niemand terugvinden.
+
+In Amerika vindt men vele onherbergzame --.
+
+In ons land wordt nog op vele -- die gewoonte gevolgd.
+
+O dierbaar -- grond, waar eens mijn wieg op stond.
+
+Vele Boeren verlieten hun land om een rustiger -- op te zoeken.
+
+Hij is hier de rechte man op de rechte --.
+
+Op deze -- moet eens een kapel gestaan hebben.
+
+In zulk een afgelegen -- zou ik niet kunnen wonen.
+
+Op de --, waar thans de Dollart golft, vond men vroeger welvarende
+dorpen. (Waarom is _plek_ hier niet juist?)
+
+
+74. Deftig--plechtig--statig.
+
+_Deze woorden geven te kennen, dat het uiterlijk of de handelingen in
+overeenstemming zijn met den ernst der omstandigheden._
+
+~Deftig~ wijst aan, dat vooral achtbaarheid, waardigheid of
+voornaamheid op den voorgrond treedt; het wordt zoowel van personen als
+van zaken gezegd. _Hij kleedt zich altijd even ~deftig~. Een ~deftig~
+publiek. Een ~deftig~ huis. Een ~deftige~ begrafenis._
+
+~Statig~ noemt men handelingen, die van uiterlijke praal (statie)
+vergezeld gaan en vooral berekend zijn om indruk, ontzag, eerbied te
+wekken: _een ~statige~ tred_. Ook gebruikt men dit woord om te kennen te
+geven, dat het uiterlijk van een persoon of een ding door waardigheid of
+ouderdom ontzag inboezemt: _Een ~statige~ gestalte. Een ~statige~ eik._
+
+~Plechtig~ is afgeleid van plicht, dat oudtijds ambt of bediening
+beteekende. Het heeft dan ook vooral betrekking op deftige ceremoniën,
+die aan zeker ambt of waardigheid verbonden zijn. _Een ~plechtige~
+audiëntie._ Bij uitbreiding van beteekenis wijst het ook handelingen
+aan, die aan de deftigheid tevens grooten ernst paren, of indrukwekkend
+zijn; bijv. _een ~plechtige~ gelofte; hoe is Natuur zoo stil, zoo
+~plechtig~_.
+
+ * * * * *
+
+Toen de koning binnentrad, heerschte er een -- stilte. Met -- tred begaf
+hij zich naar den troon en legde op -- toon den eed op de grondwet af.
+
+Wie woont er in dat -- huis?
+
+Jaarlijks op St.-Jan wordt in Laren (N.-H.) een -- processie gehouden.
+
+De -- Koningslaan tegenover Soestdijk is een der schoonste van ons land.
+
+Bij die gelegenheid had hij zich -- gekleed.
+
+Hoe -- rijst de dagvorstin omhoog in het -- morgenuur.
+
+De -- Dom van Keulen is een der schoonste gebouwen van Duitschland.
+
+Op de Keizersgracht te Amsterdam vindt men vele -- huizen.
+
+Ik verzeker u --, die woorden nooit gesproken te hebben.
+
+Gebruik nu in zinnen: deftigheid, statigheid, plechtigheid.
+
+
+75. Gissen--veronderstellen--vermoeden.
+
+_Iets voor waarschijnlijk houden, hoewel men geen volkomen zekerheid
+heeft._
+
+Neemt men iets als zeker aan, dat nog niet bewezen is, dan spreekt men
+van ~veronderstellen~, meestal om er gevolgtrekkingen uit te maken.
+_Daar ik ~veronderstel~, dat hij eerlijk is, durf ik hem wel in mijn
+dienst nemen. Men ~veronderstelt~, dat het licht een trilling van den
+aether is._
+
+Heeft men eenige zekerheid omtrent de waarheid, van wat men
+veronderstelt, dan spreekt men van ~vermoeden~. _De geleerden
+~vermoeden~, dat in den loop der tijden de bodem van ons land gedaald
+is; men heeft ten minste in Holland op vrij groote diepte boomen
+gevonden, die alleen in drogen grond konden groeien._
+
+~Gissen~ drukt uit, dat men uit de vele veronderstellingen de
+waarschijnlijkste kiest. _Het bevreemdt mij wel, dat hij niet gekomen
+is; ik ~gis~ echter, dat hij plotseling ongesteld is geworden_ (d.i. ik
+heb er wel geen enkel bewijs voor, maar daar hij anders nooit wegblijft,
+zou ik die veronderstelling voor de waarschijnlijkste houden).
+
+ * * * * *
+
+Ik --, dat hij wel voor zijn examen zal slagen; hij heeft althans steeds
+met ijver gestudeerd.
+
+Ik --, dat hij voor het examen van onderwijzer wel zal slagen, en zal
+daarom reeds naar een betrekking voor hem uitzien.
+
+Ik --, dat hij uit boosheid niet gekomen is; hij kan zich ten minste
+zeer driftig maken.
+
+De aanwezigheid van de groote planeet Neptunus werd reeds lang vóór de
+ontdekking door een paar sterrekundigen --.
+
+Ik -- bij mijn lezers voldoende kennis der Fransche taal om de
+aanhalingen onvertaald te laten.
+
+Over het doel van de ontmoeting der beide keizers werden door de
+dagbladen wel allerlei -- gedaan, maar geen enkele bevredigde het
+publiek.
+
+Bij een slinger moet gij --, dat hij geen gewicht heeft.
+
+Kunt gij ook niet eenigszins --, waarom hij kwaad op mij is?
+
+»Wie ooit de toekomst -- moog', Wat wezen zal, is voor ons oog In
+duistren nacht verborgen."
+
+
+76. Aanhouden--volharden--volhouden.
+
+_Een werking of toestand doen voortduren._
+
+~Aanhouden~ drukt alleen uit, dat de werking bestendig blijft voortgaan,
+dus zonder tusschenpoozen of zonder vermindering van kracht voortduurt.
+_De regen blijft maar ~aanhouden~; ik geloof niet, dat het vandaag nog
+droog wordt._
+
+~Volharden~ wijst er op, dat de werking niet wordt gestaakt ondanks
+de groote bezwaren, die zich voordoen of de verzoekingen, die ons
+aanlokken; bij volharden is dus een vaste _wil_ noodig en het kan alzoo
+alleen van personen gezegd worden. _De Nederlanders zijn langzaam in het
+ontwerpen, maar ~volhardend~ in de uitvoering_ (d.w.z. de Nederlanders
+_willen_ een eenmaal aangevangen arbeid niet opgeven).
+
+~Volhouden~ duidt aan, dat men met de werking niet uitscheidt, voordat
+zij is afgeloopen of het doel bereikt is. Ook dit woord kan dus alleen
+van personen gezegd worden (of van dieren in fabels). _Hij ~hield~
+zoolang ~vol~ met solliciteeren, tot hij geplaatst werd._
+
+ * * * * *
+
+De -- wint.
+
+De ezel stookte den vos op, om met schoppen en slaan zoolang --, totdat
+deze niet meer behoefde te trekken.
+
+Hoewel velen hem tot andere gedachten zochten te brengen, -- hij bij
+zijn plan.
+
+Hij heeft langen tijd met verzoeken om traktementsverhooging --, maar
+zijn patroon -- in het weigeren.
+
+De -- drop holt den hardsten steen uit.
+
+Niettegenstaande een ander reeds lang den moed had opgegeven, bleef mijn
+broeder -- en zag ten laatste werkelijk zijn moeite beloond.
+
+Hoezeer men den jongen christen met den marteldood dreigde, hij -- in
+zijn geloof.
+
+De vorst blijft maar --, zoodat de scheepvaart gestremd is.
+
+
+77. Dankbaarheid--erkentelijkheid--verplichting.
+
+_De uitwerking, die ontvangen weldaden op ieder rechtschapen gemoed
+maken._
+
+~Erkentelijkheid~ onderstelt, dat men gaarne tot een of anderen
+wederdienst bereid is. _Uit ~erkentelijkheid~ voor uw medewerking bied
+ik u hierbij een present-exemplaar van mijn werk aan._
+
+~Dankbaarheid~ heeft de bijgedachte, dat de weldoener voor ons te hoog
+staat om hem met een wederdienst te beloonen. _Men is God voor Zijn vele
+weldaden ~dankbaarheid~ verschuldigd._
+
+Dankbaarheid is dus sterker dan erkentelijkheid; daarom zegt men in 't
+dagelijksch leven uit beleefdheid voor een bewezen dienst: »Ik ben u
+_dankbaar_"; sprak men van »erkentelijkheid", dan zou men de gedachte
+opwekken, dat men de bewezen goedheid wilde beloonen en daardoor zou men
+haar waarde verminderen.
+
+~Verplichting~ gebruikt men, als men zedelijk tot erkentelijkheid
+verplicht, d.i. gedwongen is. _Daar ik aan hem zeer veel ~verplichting~
+heb, wil ik hem niet in het minst tegenwerken._
+
+ * * * * *
+
+Ik was mijn ouders zeer -- voor het fraaie geschenk.
+
+De -- van een kind jegens zijn ouders is zeer groot.
+
+Uit -- voor de vele diensten den lande bewezen liet de Regeering den
+zeeheld op 's lands kosten begraven.
+
+-- bezielde de muis, toen de leeuw haar de vrijheid schonk; toen zij
+later de mazen van het net doorknaagde, bewees zij hem haar -- voor die
+daad.
+
+De drenkeling besefte diep de --, die hij jegens den redder zijns levens
+had.
+
+Loof den Heer met -- voor Zijn vele gaven.
+
+Ik ben mijn leermeester nog altijd -- voor de nuttige lessen, die hij
+mij gaf.
+
+Ik gevoel levendig de --, die ik tegenover mijn pleegouders heb.
+
+Gebruik nu in zinnen: dankbaar, erkentelijk, verplicht.
+
+
+78. Deemoedig--nederig--ootmoedig.
+
+_Deze woorden duiden aan, dat iemand blijkens zijn daden geen hoogen
+dunk van zich zelven heeft._
+
+~Nederig~ zegt omtrent de beweegredenen niets; het drukt evenwel zeer
+sterk uit, dat de bescheidenheid uit uiterlijke blijken spreekt, zoodat
+alle pracht en trotschheid verre blijft. _Hij is ~nederig~ gekleed.--In
+een ~nederige~ woning vindt men soms meer geluk dan in een trotsch
+paleis._
+
+~Deemoedig~ onderstelt schuldgevoel, terwijl ~ootmoedig~ de bijgedachte
+heeft, dat men zijn eigen kleinheid of nietigheid diep gevoelt. _Hij
+smeekte God ~deemoedig~ om vergeving; hij onderwierp zich ~ootmoedig~
+aan Zijn wil._
+
+ * * * * *
+
+Met een -- hart beleed de berouwhebbende zoon zijn schuld.
+
+Hoe hoog M. Az. de Ruyter ook klom, hij bleef altijd even --; ja van
+zijn grootste overwinningen gaf hij Gode -- de eer.
+
+De zondaar lag -- in het stof gebogen en bad God -- om vergiffenis.
+
+In Hoofts tijd eindigde men de brieven vaak met: »Blijve UEd. --
+dienaar".
+
+Hij is te -- om zich zóó te laten huldigen.
+
+Met knagend zelfverwijt in het hart keerde hij eindelijk -- naar zijn
+ouders terug.
+
+
+79. Dwars--scheef--schuin.
+
+_Niet rechtlijnig in betrekking tot andere voorwerpen._
+
+~Dwars~ duidt de richting der lijn aan, die rechthoekig op een ander
+staat. _Hij zwom ~dwars~ door de gracht._
+
+Is de snijding der richtingslijn niet rechthoekig, dan spreekt men
+van ~scheef~ en ~schuin~. Hierbij duidt men door ~scheef~ aan, dat de
+richting verkeerd is, dat zij dus anders behoorde te zijn, hetgeen
+~schuin~ niet onderstelt. _Dit pad loopt ~schuin~ door het bosch.--Deze
+regel staat erg ~scheef~.--Deze letters staan ~schuin~_ (d.i. cursief)
+_en die staan ~scheef~_ (dus verkeerd).
+
+ * * * * *
+
+De storm wierp den boom -- over den weg, zoodat het verkeer gestremd
+werd.
+
+Pas op, de tafel staat --.
+
+Sommige menschen hangen een schilderij -- (met een hoek voorover) om
+het beter te belichten.
+
+Deze schilderij hangt iets --; hang ze dus recht.
+
+Ik geloof, dat gij mij den voet -- wilt zetten.
+
+Ik woon -- over den smid (n.l. recht er over) en -- tegenover den
+bakker.
+
+Wat loopt hij zijn hakken --.
+
+Hij trachtte in -- richting de kust te bereiken.
+
+Hij heeft den hoed -- opgezet.
+
+De stormen wierpen een zandbank -- voor de haven.
+
+
+80. Overwinning--zege--zegepraal.
+
+_De gunstige uitslag van den strijd._
+
+~Overwinning~ ziet meer op den goeden uitslag, ~zege~ meer op het
+moeilijke van den strijd en den daarmee gepaard gaanden roem. Toch wordt
+dit onderscheid niet altijd in acht genomen en gebruikt men ~zege~, dat
+meer tot den deftigen stijl beperkt is, ook in plaats van overwinning.
+_Na de ~overwinning~ keerden de onzen met grooten buit terug.--Met
+groote dapperheid bevochten de onzen de ~zege~._
+
+(Verklaar nu, waarom men zegt: de overwinning _behalen_, en de zege
+_bevechten_. En waarom spreekt men van een _beslissende_ overwinning en
+van ~zege~teekenen?)
+
+~Zegepraal~ (triumf) was bij de Romeinen eigenlijk de plechtige intocht,
+dien een veldheer na een beslissende overwinning in Rome mocht houden;
+bij dezen intocht werden de zegeteekenen meegevoerd[1]; thans duidt men
+met zegepraal meer den _vreugdevollen_ optocht na de overwinning aan.
+(Verklaar die beteekenis uit de oorspronkelijke!) _Het houten paard der
+Grieken werd in ~zegepraal~ binnen Troje gebracht._[1]
+
+[1] Zie uitvoeriger mijn »Wetenswaardig Allerlei".
+
+ * * * * *
+
+De onzen behaalden een beslissende -- op den vijand.
+
+Eindelijk werd de -- door de onzen bevochten.
+
+De gevangen vorst werd in -- door de stad gevoerd.
+
+Wie heeft in den wedstrijd de -- behaald?
+
+Het zegevierend leger trok in -- naar de stad terug.
+
+Iedere nieuwe -- vlocht weer een nieuwen lauwer om Maurits' slapen.
+
+Hoe harder de strijd, hoe grooter de --. (Wat merkt gij hier op?)
+
+Sommige hovelingen waren naijverig op de -- van 's konings veldheer en
+gunsteling.
+
+Onze waterbouwkundigen hebben menige -- op de zee behaald.
+
+
+81. Overrompelen--overvallen--verrassen.
+
+_Onverwachts aanvallen._
+
+Bij ~verrassen~ komt vooral de snelheid uit, waarmee de onverwachte
+aanval geschiedt. In den regel wordt een of andere krijgslist gebruikt,
+waarop dus de vijand niet gerekend heeft, zoodat hij zich moet
+overgeven. (_Ras_ = snel.) _Het vijandelijk convooi werd door een paar
+in hinderlaag liggende Boeren ~verrast~._
+
+~Overvallen~ ziet meer op de heftigheid, men zou haast zeggen de
+onbesuisdheid, waarmee de onverwachte aanval geschiedt, zoodat de
+aangevallene voor een goed deel weerloos is. Toch kan hij misschien nog
+den aanval afslaan, wat ~verrassen~ niet onderstelt. _De vijand werd bij
+nacht ~overvallen~ en verloor vele dooden._ Figuurlijk: _Wij werden door
+den regen midden op de heide ~overvallen~._
+
+~Overrompelen~ heeft het bijdenkbeeld, dat door den onverwachten
+aanval verwarring ontstaat; de aangevallene weet dus niet, wat te doen,
+en zoo maakt de aanvaller zich des te zekerder van hem meester. _De
+Utrechtsche Patriotten trachten in den nacht van 29 op 30 Juli 1787 het
+paleis Soestdijk te ~overrompelen~, maar de bezetting werd nog tijdig
+gewaarschuwd._
+
+ * * * * *
+
+De vijand heeft de vesting --. (Verklaar nu de drie schakeeringen.)
+
+Nauwelijks was de boot in zee gekomen, of zij werd door een storm --.
+
+De politie had zich in den boom verborgen en kon zoo gemakkelijk de
+dieven --.
+
+Prins Maurits wist door middel van een turfschip Breda te --.
+
+Ik was vast besloten mijn toestemming niet te geven, maar hij heeft mij
+weten te --. (Figuurlijk!)
+
+Een zwaar gewapende bende roovers heeft de reizigers in het bosch --.
+
+Terwijl de onzen vreedzaam in hun kamp zaten te eten, werden zij door
+een bende Atjehers --.
+
+
+82. Overtollig--overbodig--overdadig.
+
+_Meer dan noodig._
+
+~Overtollig~ (van tal, tellen) is meer dan het vereischte getal, zoodat
+het min of meer met _nutteloos_ gelijk staat of de beteekenis van
+_hinderlijk_ nadert.--_Gij kunt de ~overtollige~ exemplaren van dit
+boekje wel behouden_ (dat zijn de exemplaren, die na de uitdeeling nog
+overblijven en dus voor het doel, de uitdeeling, nutteloos zijn). _Zet
+deze drie ~overtollige~ stoelen even de kamer uit; zij staan ons alleen
+maar in den weg._
+
+~Overbodig~ noemt men alles, wat meer is dan geboden (d.i. verplicht,
+noodig) wordt geacht; het onderstelt dus niet, dat iets nutteloos is,
+maar komt vrijwel met _onnoodig_ overeen. _Ik bezit reeds een uitvoerig
+werk over onze geschiedenis; dit beknopt boek zou dus maar ~overbodig~
+zijn._
+
+~Overdadig~ (van overdaad) heeft een ongunstige beteekenis: het
+nadert den zin van _onmatig_ of _verkwistend_. _Het ~overdadig~ rooken
+benadeelt de gezondheid.--Zijn ~overdadige~ uitgaven zullen hem spoedig
+arm maken._
+
+ * * * * *
+
+De stoommachines voeren het -- polderwater in den boezem.
+
+Zulke plichtplegingen zijn hier geheel --.
+
+Gij moet de -- gelden maar voor wat anders besteden.
+
+Zijn woning is vol van -- pracht.
+
+De meeste ophelderingen in dit boek zijn -- en hadden dus wel weggelaten
+kunnen worden.
+
+Een -- gebruik van verkoelende vruchten is schadelijk voor de
+gezondheid.
+
+
+83. Mogelijk--misschien--wellicht.
+
+_Deze woorden geven te kennen, dat iets nog onzeker is._
+
+~Misschien~ drukt uit, dat er nog groote onzekerheid bestaat.
+_~Misschien~ zal hij komen, ~misschien~ ook niet._
+
+~Wellicht~ (of: ~licht~) nadert meer de zekerheid. _Hij zal ~wellicht~
+nog komen, al is het ook regenachtig._
+
+~Mogelijk~ onderstelt, dat de kans zeer groot is. _~Mogelijk~ zijn ze nu
+al in Amsterdam._
+
+ * * * * *
+
+Zeg mij, wat u scheelt, dan kan ik u -- helpen (Troost: veel zekerheid
+geven!)
+
+Ik zal eens even kijken; -- kan ik u helpen. (De waarschijnlijkheid is
+zeer gering!)
+
+Ik heb zoo iets wel eens meer gedaan; -- kan ik ook u helpen. (De
+zekerheid is groot!)
+
+
+84. Nauw--eng--bekrompen.
+
+_Niet wijd of ruim._
+
+~Nauw~ drukt zonder meer het tegengestelde van wijd uit: een _nauwe_
+straat. Zie No. 50.
+
+~Eng~ voegt er het begrip bij, dat iets door die nauwte bekneld wordt.
+_De jas is mij te ~eng~. Een land~engte~_ en in figuurlijken zin: _Een
+~eng~ gevoel._
+
+~Bekrompen~ duidt aan, dat er minder ruimte is, dan vereischt wordt:
+_Hij woont daar zeer ~bekrompen~_, en figuurlijk: _Een ~bekrompen~
+verstand._
+
+Wat is sterker: Iemand in de ~engte~, of iemand in het ~nauw~ drijven?
+
+ * * * * *
+
+Deze gang is wel wat --.
+
+Onze weg voerde door een -- pas.
+
+Een -- corset is schadelijk voor de gezondheid.
+
+Hij leeft in -- omstandigheden.
+
+In zoo'n -- steeg komt nooit een zonnestraaltje.
+
+Het werd hem -- om het hart.
+
+Deze kamer is voor al dat huisraad veel te --.
+
+
+85. Lichtvaardig--lichtzinnig--luchthartig.
+
+_Niet geneigd tot ernstig nadenken._
+
+~Luchthartig~ is hij, die vroolijk en onbezorgd van aard is en niet tot
+ernstig nadenken over zijn handelingen komt. _Hij liep ~luchthartig~
+over het voorstel heen en nam het aan, zonder dat hij eigenlijk
+vermoedde, waartoe hij zich verbond._
+
+~Lichtzinnig~ heeft een ongunstige beteekenis; het ziet op een
+karaktertrek van hem, die gebrek heeft aan den noodigen ernst en
+die nooit vooraf de gevolgen zijner handelingen overweegt. _Hij is
+~lichtzinnig~ genoeg, om al zijn geld aan die liefhebberij uit te
+geven._
+
+~Lichtvaardig~ is hij, die zich gemakkelijk door anderen laat meesleepen
+of verleiden, doordat hij niet zelfstandig nadenkt en overlegt. _Hij was
+~lichtvaardig~ genoeg om zijn geld in die onderneming te steken._ (Hij
+liet zich daartoe gemakkelijk overhalen, doordat hij niet bedacht, wat
+de gevolgen konden zijn. _Vaardig_ komt van _varen_ = _gaan_.)
+
+ * * * * *
+
+Het -- gedrag zal dat jongmensch eenmaal duur komen te staan.
+
+Hij is veel te -- om zich daardoor lang uit zijn humeur te laten
+brengen.
+
+Hij heeft zich al te -- laten verleiden om zijn meerdere aan te klagen.
+
+Het leven is veel te ernstig om het -- op te vatten.
+
+Gij moet nooit -- oordeelen over het gedrag van uw naasten (d.w.z. laat
+u niet verleiden door den uiterlijken schijn, maar onderzoek zelf).
+
+Door den invloed van dat losbandig en -- gezelschap had de jonge student
+spoedig zijn gezondheid geknakt.
+
+
+86. Duister--donker--somber.
+
+_Gebrek aan licht hebbende._
+
+~Somber~ geeft meer den onaangenamen indruk te kennen, dien een
+belemmerde toegang van het licht teweeg brengt; ~donker~ ziet meer op
+de onvoldoende belichting zelf. Een _somber_ vertrek heeft door zijn
+bouworde (bijv. door weinig of kleine ramen, door boomen enz.) iets
+onaangenaams en beklemmends. Daarentegen kan het vertrek door toevallige
+omstandigheden _donker_ zijn. _Bij regenachtig weer is het in de kamer
+vroeg ~donker~._
+
+~Duister~ duidt een algeheele afwezigheid van licht aan, en is dus
+sterker dan donker. Men spreekt daarom niet van maans_verdonkering_,
+maar van maans_verduistering_.
+
+Figuurlijk gebruikt wil ~somber~ zeggen: triestig, bijv. een _sombere_
+stemming; ~donker~ staat dan gelijk met zorgwekkend: een _donkere_
+toekomst, terwijl ~duister~ dan beteekent: verward, onduidelijk, bijv.
+een _duistere_ redeneering. (Verklaar de fig. uit de letterlijke
+beteekenis der 3 woorden.)
+
+ * * * * *
+
+Het was zoo -- in de kamer, dat ik niet meer lezen kon.
+
+Dit museum geeft van buiten den indruk een -- gebouw te zijn.
+
+Geen enkele ster verlichtte het nachtelijk --.
+
+Ik merkte terstond, dat hij -- gestemd was en zocht hem wat op te
+vroolijken.
+
+Het volk, dat in de -- zit, zal een groot Licht zien.
+
+In de -- dagen der Fransche overheersching begon het volk zijn
+partijschappen te vergeten.
+
+Gods wegen zijn dikwijls voor ons kortzichtig oog --.
+
+Op een regenachtigen, -- herfstdag werd de geliefde dichter ter aarde
+besteld.
+
+Met een -- gemoed ging hij de -- toekomst tegen.
+
+»Uit het -- van den nacht Moet de dag eens rijzen."
+
+
+87. Verlies--schade--afbreuk--nadeel.
+
+_Alles wat niet voordeelig voor ons is._
+
+~Verlies~ duidt een vermindering van bezit aan. _Het ~verlies~ aan
+dooden bedroeg aan onze zijde 500 man._
+
+~Schade~ let meer op de vermindering der waarde of van den welstand. _De
+~schade~ bij dezen brand wordt door verzekering gedekt. De storm deed
+groote ~schade~ aan de dijken._ (Hun waarde als zeewering verminderde.)
+
+~Nadeel~ is het kwaad, dat met de belangen van iemand of iets in strijd
+is. Uit dit nadeel (kwaad) kan o.a. schade of verlies voortvloeien.
+_Door de strenge vorst hebben de schippers het grootste ~nadeel~ gehad_
+(de vorst was in strijd met hun belangen; er zullen hierdoor bijv.
+minder verdiensten zijn geweest; of wel, er is een lading aardappelen
+bevroren, zoodat er schade werd geleden, d.w.z. vermindering van
+welstand). _Misbruik van sterken drank doet ~nadeel~ aan onze
+gezondheid_ (of: _~benadeelt~ onze gezondheid_). Men zegt: _Door
+~schade~ wordt men wijs_, en niet: _door ~nadeel~ wordt men wijs_,
+immers wiens bezitting in waarde vermindert, wordt er niet altijd
+ongelukkiger door, hij kan er soms zelfs een beter mensch door worden;
+in dit geval is schade geen kwaad, dat strijdig is met onze belangen,
+dus geen nadeel; men zegt dan ook in zulke gevallen: _~schade~ is altijd
+geen ~nadeel~_.
+
+~Afbreuk~ is de schade, die men door anderen lijdt met krenking van ons
+recht. _De laster, waaraan hij blootstond, heeft hem in zijn positie
+~afbreuk~ gedaan._ Soms wijst het eenvoudig de verliezen aan, die
+oorlogvoerende partijen elkander toebrengen: _De Watergeuzen deden den
+Spanjaarden veel ~afbreuk~._
+
+De overstrooming richt groote ~schade~ aan; menigeen lijdt er zware
+~verliezen~ door; ook kan zij ~nadeel~ doen aan de vruchtbaarheid van
+den bodem, als n.l. het zoute water niet spoedig geloosd wordt;
+~afbreuk~ evenwel kan zij niet toebrengen. (Waarom niet?)
+
+Zet een winkelier zich in een buurt neer, waar reeds anderen dezelfde
+nering hebben, dan brengt de eerste zijn collega's verlies, schade en
+nadeel, soms ook afbreuk toe: immers de reeds gevestigde winkeliers
+lijden ~verlies~ aan klandizie (vermindering van 't aantal); daardoor
+vermindert hun welstand of de waarde van hun zaak, dat is hun ~schade~;
+en daar de nieuwe winkelier misschien op minder eerlijke wijze ook hun
+klanten weglokt, waarop _zij_ recht meenden te hebben, doet hij zijn
+collega's ook ~afbreuk~. In ieder geval is die vestiging van een
+concurrent een ~nadeel~ voor de reeds daar wonende winkeliers: die
+vestiging strijdt n.l. met hun belangen.
+
+ * * * * *
+
+De storm deed veel -- aan de duinen.
+
+Bij dien handel leed hij een groot -- aan kapitaal.
+
+Aan die betrekking is het -- verbonden, dat men ook Zondags bezet is.
+
+De --, die de koopman door het -- van zijn schip leed, wordt door
+verzekering gedekt.
+
+Hij heeft door zijn onverwachte overplaatsing zijn huis met groot --
+moeten verkoopen; doch dit --, aan de benoeming verbonden, wordt
+ruimschoots vergoed door de verhooging van salaris.
+
+Door oneerlijke concurrentie deed hij onze firma veel --.
+
+De engerlingen doen groote -- aan de planten.
+
+Men berekent het --, dat hij door dezen brand lijdt, op duizend gulden;
+want door de lage assurantie wordt de -- slechts gedeeltelijk gedekt.
+
+De Duinkerker kapers deden onzen koopvaarders veel --.
+
+
+88. Nadoen--navolgen--nabootsen--naäpen.
+
+_Hetzelfde doen wat een ander heeft voorgedaan._
+
+~Nadoen~ zegt dit op de meest algemeene wijze; men doet precies, wat
+een ander deed, 't zij in gunstigen of ongunstigen zin. _Wie kan mij dat
+kunstje ~nadoen~? Achter zijn rug ~deden~ de deugnieten den onderwijzer
+alles ~na~_ (zij wilden n.l. den onderwijzer bespottelijk maken).
+
+Als men door dat nadoen zich zelf bespottelijk maakt, spreekt men
+van ~naäpen~. _Vele dienstboden gaan even modieus gekleed als haar
+mevrouwen, al moeten zij ook een groot deel van haar loon voor deze
+~naäperij~ opofferen._
+
+~Navolgen~ geeft altijd een gunstige beteekenis; het duidt aan, dat
+iemand in dezelfde goede richting werkzaam is, waarin een ander hem is
+voorgegaan of voorgaat. _Deze edele zelfopoffering werd door velen
+~nagevolgd~._
+
+Terwijl ~navolgen~ uitdrukt, dat men het voorbeeld in alles gelijk wil
+komen, wijst ~nabootsen~ aan, dat men alleen de uiterlijke gelijkenis
+op den voorgrond stelt (bootsen = boetseeren). ~Navolgen~ ziet dus
+op het wezenlijke, het innerlijke, ~nabootsen~ meer op den schijn, het
+uiterlijke. Een edele daad is navolgenswaardig, niet nabootsenswaardig.
+Wel zegt men: _Hij weet precies mijn stem ~na te bootsen~._
+
+ * * * * *
+
+Ik zal eens laten zien, hoe men deze letter schrijft, dan kan Jan het
+straks eens --.
+
+Deze dichter heeft in zijn gedicht Homerus --.
+
+De vogelaar weet behendig het geluid van den kwartel --.
+
+Een deugdzaam mensch mag men in alles --.
+
+Uw broer schijnt voor tooneelspeler in de wieg gelegd; hij weet precies
+zijn buurman --, ja zelfs zijn stem kan hij bedriegelijk --.
+
+In den pruikentijd werden hier allerlei onzinnige Fransche zeden --.
+
+
+89. Bekoren--verrukken--vervoeren.
+
+_Door een of andere eigenschap onder sterken invloed van een ander
+komen._
+
+~Bekoren~ wil zeggen, dat de persoon (of zaak) zich geheel meester van
+onze zinnen maakt en wij daardoor geheel onder den invloed komen. _De
+arme dwaas liet zich geheel door den schijn ~bekoren~._ Het gevolg van
+dezen toestand wordt aangeduid door ~verrukking~ en ~vervoering~.
+
+~Verrukken~ wijst aan, dat de bekoring ons in een hoogst aangenamen
+toestand brengt, terwijl ~vervoeren~ te kennen geeft, dat wij ons tot
+buitensporigheden laten verleiden. _Hij was geheel en al ~verrukt~ door
+de voorkomende behandeling.--Door zijn onbegrensde heerschzucht liet
+Napoleon zich ~vervoeren~ den tocht naar Rusland te ondernemen,
+niettegenstaande het barre jaargetijde ophanden was._
+
+ * * * * *
+
+Wien zou zoo'n heerlijke zomeravond niet --?
+
+In zijn ijver voor de goede zaak liet hij zich zoozeer --, dat hij
+onwellevend werd.
+
+Ik was zeer -- door dit onverwachte succes.
+
+Zulk een eenzaam leven zou mij niet kunnen --.
+
+De vreugde over de behaalde overwinning liet hem tot allerlei dwaze
+dingen --.
+
+Geheel -- staarde hij langen tijd het portret zijner moeder aan.
+
+»Dan klimmen wij de heuvlen vroolijk op, En staren, diep --, van hunnen
+top."
+
+
+90. Gebieden--gelasten--bevelen.
+
+_Zijn wil aan zijn ondergeschikten kenbaar maken, opdat zij zich
+daardoor bij hun handelingen laten leiden._
+
+~Gebieden~ wordt gezegd van den machthebber en doet dus
+onvoorwaardelijke gehoorzaamheid verwachten. _De koning ~gebood~ den
+edelman, zich nooit meer aan het hof te vertoonen._
+
+~Bevelen~ drukt uit, dat men anderen, die in onzen dienst staan, zegt,
+wat zij doen moeten. _De veldheer ~beval~ zijn manschappen tot den
+aanval over te gaan._
+
+~Gebieden~ is dus (ook in figuurlijke beteekenis) sterker dan ~bevelen~.
+_Ik ~gebied~ u heen te gaan_ is sterker dan: _ik ~beveel~ u heen te
+gaan_. Bovendien ziet ~gebieden~ meestal op een voorschrift van
+blijvenden en ~bevelen~ op een van tijdelijken aard. _God heeft ons
+~geboden~ niet te stelen. De veldheer ~beval~, dat de soldaten niet
+zouden plunderen._
+
+~Gelasten~ onderstelt, dat men zijn ondergeschikte een last of opdracht
+geeft, om dien te vervullen. _De generaal ~gelastte~ den koerier,
+onmiddellijk versterking te gaan ontbieden._ Ook ziet ~gelasten~ soms op
+bevel, waarvan het niet zeker is, of het wel uitgevoerd zal worden: _De
+boschwachter ~gelastte~ den houtdief het gestolene af te geven._
+
+ * * * * *
+
+De regeering heeft --, dat op den dag van 's Konings begrafenis alle
+klokken geluid moeten worden.
+
+De regeering heeft den burgemeesters --, ten spoedigste het aantal
+scholen in hun gemeenten op te geven.
+
+Ik wensch uw bezoeken niet meer te ontvangen en -- u dus voortaan buiten
+het hek te blijven.
+
+De Burgemeester heeft --, dat niemand meer vuilnis op de straat mag
+werpen op straffe van 5 gulden. (Er wordt dus wel aan overtreding
+gedacht.)
+
+De naastenliefde --, onze vijanden lief te hebben.
+
+De heer -- den koetsier, wat zachter te rijden.
+
+De heer -- den koetsier, om 3 uur met het rijtuig voor te komen.
+
+De onderwijzer -- den kinderen, voortaan niet meer buiten het hek te
+spelen.
+
+De officier --, dat de troepen zich zouden terugtrekken.
+
+De spreker wenkte met de hand en -- stilte.
+
+
+91. Armzalig--ellendig--kommervol.
+
+_In deerniswaardigen toestand verkeerende._
+
+Bij ~ellendig~ denken wij hoofdzakelijk aan den ongelukkigen toestand,
+waarin iemand verkeert. _De rijke man leed aan een verschrikkelijke
+kwaal; eerst de dood maakte een einde aan zijn ~ellendig~ leven._
+(»Ellendig" beteekent letterlijk »anderlandig", d.i. de toestand van
+een balling; _el_ vindt men ook nog in _elders_.)
+
+~Armzalig~ wijst aan, dat de ellendige toestand tevens ons medelijden
+opwekt. _Deze arbeider slooft van den vroegen morgen tot den laten avond
+om zijn ~armzalig~ bestaan te rekken._
+
+~Ellendig~ en ~armzalig~ zien op personen, zaken of toestanden,
+~kommervol~ wordt uitsluitend in betrekking tot menschen gebruikt; het
+wijst aan, dat iemand veel kommer, veel zorg, verdriet of gebrek heeft.
+_Niettegenstaande al zijn goud had hij toch een ~kommervol~ leven, daar
+zijn eenige zoon voortdurend zijn levensvreugde vergalde._
+
+Figuurlijk gebruikt duiden ~armzalig~ en ~ellendig~ ook personen of
+zaken op minachtende wijze aan. _Dat ~ellendig~ gehaspel moet nu maar
+uit zijn. Voor een ~armzalige~ duizend gulden heeft hij zijn vriend
+verraden._
+
+ * * * * *
+
+Bij dien brand verloren drie menschen -- het leven.
+
+Wij traden de -- hut binnen en vonden den zieke in een -- toestand.
+
+Zijn -- leven heeft hem reeds vóór zijn jaren oud gemaakt.
+
+Die -- kerel heeft al heel wat menschen op schandelijke wijze bedrogen.
+
+Voor een paar -- guldens zou hij een moord plegen.
+
+
+92. Mistrouwen--wantrouwen--verdenken.
+
+_Gelooven, dat iemand oneerlijk of slecht is._
+
+~Mistrouwen~ wijst aan, dat men op iemand of iets niet moet vertrouwen,
+daar het mogelijk is, dat wij bedrogen zouden uitkomen. _»O, ~mistrouw~
+'t Sirenenzingen, Bouw niet op 't geluk, mijn kind!" Het is beter
+iemand, die men niet kent, te ~mistrouwen~ dan te vertrouwen._--
+
+~Wantrouwen~ is sterker; een feit is voorgevallen, waardoor ons
+vertrouwen in iemands eerlijkheid of goede trouw geschokt is; het is nog
+wel geen volkomen zeker bewijs voor zijn oneerlijk of slecht karakter,
+maar alle omstandigheden pleiten in het nadeel van den gewantrouwde.
+_Sedert ik mijn vriend op een leugen betrapt heb, ~wantrouw~ ik
+hem._--~Wantrouwen~ en ~mistrouwen~ zien op toekomstige handelingen,
+~verdenking~ daarentegen heeft betrekking op het verleden. Het wijst een
+sterk vermoeden aan, dat iemand iets slechts bedreven heeft. _Daar hij
+onder ~verdenking~ stond medeplichtig aan den moord te zijn, is hij in
+hechtenis genomen._
+
+ * * * * *
+
+Ik heb hem altijd voor een oprecht man gehouden, die mijn vertrouwen ten
+volle waardig was, maar nu ik hem de vorige week op een onwaarheid
+betrapt heb, -- ik hem.
+
+Ik zond dit belangrijk bericht aan de redactie van dat dagblad op; het
+werd echter slechts »onder voorbehoud" opgenomen, daar men mij als een
+onbekende --.
+
+Reeds meermalen is gebleken, dat de telegrammen van die courant onjuist
+waren; ik ben dus zoo voorzichtig het blad altijd te --.
+
+De staatsman stond onder --, dat hij met den vijand was gaan heulen;
+daarom -- men alles, wat hij aanried.
+
+Hoewel mijn buurman mij nog niet de minste aanleiding heeft gegeven hem
+te --, -- ik hem toch en vertel ik hem geen geheimen.
+
+
+93. Argwaan--achterdocht--kwaad vermoeden.
+
+_Een voorgevoel hebben, dat men bedrogen wordt._
+
+Alle drie drukken uit, dat men niet zeker is, of iemand ons bedriegen
+wil. ~Argwaan~ duidt vooral aan, dat men steeds bevreesd is door ieder
+bedrogen te zullen worden; argwanend te zijn ligt dus meer in iemands
+karakter. ~Achterdocht~ onderstelt, dat men tegen een bepaald persoon
+zulk een argwaan meent te moeten koesteren. Ontdekt de achterdochtige
+een of ander feit, dat zijn vrees versterkt, dan spreekt men van ~kwaad
+vermoeden~. Een gierigaard koestert tegen iedereen _argwaan_; hij wordt
+_achterdochtig_, als iemand hem zeer vriendelijk bejegent--in zijn
+gedachten ziet hij reeds een aanval op zijn beurs gedaan--en hij vat een
+_kwaad vermoeden_ tegen iemand op, als hij dezen _meent_ betrapt te
+hebben op een oneerlijkheid.
+
+ * * * * *
+
+Doordat hij vroeger door zijn besten vriend verraden is, koestert hij
+thans tegen iedereen, die hem eenigszins voorkomend behandelt, --.
+
+Door het ongunstig uiterlijk van den vreemdeling vatte ik reeds terstond
+-- tegen hem op.
+
+Nauwelijks was de nieuwe huisknecht een paar dagen in dienst, of er was
+een zilveren lepel zoek; geen wonder dat er tegen hem -- rees.
+
+
+94. Arm--armoedig--behoeftig--nooddruftig.
+
+_Gebrek aan het noodige hebbend._
+
+~Arm~ duidt aan, dat men niets of zeer weinig bezit en staat tegenover
+rijk. In figuurlijken zin duidt het eveneens een schaarschheid aan:
+_arm_ aan woorden, _arm_ aan deugden. Wie arm is, kan slechts met moeite
+rondkomen en moet zich velerlei genoegens ontzeggen. Blijkt dat arm zijn
+vooral uit het uiterlijke van woning of kleeding, dan spreekt men van
+~armoedig~. _Een ~armoedige~ hut, een ~armoedig~ gekleed man._
+
+~Behoeftig~ duidt aan, dat men het noodige niet kan aanschaffen, terwijl
+~nooddruftig~ aanwijst, dat zelfs het onontbeerlijkste wordt gemist.
+Arm, armoedig, behoeftig en nooddruftig vormen dus een climax of
+opklimming. Men houde evenwel in het oog, dat het laatste woord,
+nooddruftig, uitsluitend tot den deftigen stijl beperkt is.
+
+ * * * * *
+
+Wie rijk is aan goederen, is soms -- aan geluk.
+
+Al zijn deze menschen ook --, toch zien zij er niet -- uit.
+
+In den winter lijden de -- veel gebrek. Dan echter gaat de engel der
+weldadigheid in stilte rond, om de -- te helpen.
+
+Soms treft men in een -- hut meer geluk aan, dan in een trotsch paleis.
+
+De rijkgeworden parvenu vergeet soms, dat hij eens -- is geweest; vaak
+is hij hardvochtig genoeg om de -- ongetroost weg te zenden.
+
+
+95. Afnemen--afbeuren--aflichten--afzetten.
+
+_Een voorwerp, dat zich op een ander bevindt, daarvan verwijderen._
+
+~Afnemen~ heeft de ruimste beteekenis; het duidt alleen aan, dat de
+bedoelde werking plaats heeft: _den hoed ~afnemen~_.
+
+~Afbeuren~ onderstelt, dat het voorwerp zwaar is en de handeling
+dus moeite kost: _een zak koren van de weegschaal ~afbeuren~_; bij
+~aflichten~ is dat niet het geval: bijv. _den hoed ~aflichten~_.
+~Afzetten~ onderstelt, dat men het voorwerp een andere plaats geeft:
+_hij ~zette~ den hoed ~af~ en hing hem aan den kapstok_; ~licht~ men
+den hoed ~af~, dan zet men hem een oogenblik later weer op. Den hoed
+~afnemen~ laat onbeslist, of men hem terstond weer opzet, dan wel
+eenigen tijd in de hand houdt.
+
+ * * * * *
+
+Help de meid even het stof --!
+
+De molenaar heeft den zak op den wagen gelegd; ik kan hem er onmogelijk
+alleen --.
+
+Bij guur weer is het aan te raden bij het groeten den hoed slechts even
+--.
+
+Toen het lijk in de groeve daalde, zag men iedereen den hoed --.
+
+Kom binnen, oom; trek uw overschoenen uit en -- uw hoed af.
+
+Bij het afstoffen van den schoorsteenmantel moet gij eerst voorzichtig
+de pendule er --.
+
+Van dit stapeltje briefkaarten moogt gij er zes --.
+
+
+96. Pracht--praal--pronk--luister.
+
+_Uiterlijk vertoon van grootheid._
+
+Bij ~pracht~ staat vooral het denkbeeld van rijkdom of kostbaarheid op
+den voorgrond. _Het paleis werd met groote ~pracht~ opnieuw
+gemeubeld.--In dezen tuin vindt men een ~pracht~ van bloemen._
+
+~Luister~ geeft te kennen, dat de glans of schittering ieders
+bewondering afdwingt of (zooals bij ceremoniën) opzettelijk moet
+afdwingen. _De generaal werd met grooten ~luister~ begraven._
+
+~Pronk~ is een opzienbarende vertooning van pracht of luister met het
+doel boven anderen te willen uitsteken; de pronkzuchtige wil bijv. zijn
+meerdere in uiterlijk vertoon nadoen, om evenzeer bewondering af te
+dwingen; het is derhalve een teeken van ijdelheid. _Ik had niet gedacht,
+dat hij zoo op ~pronk~ gesteld was: ik hield hem altijd voor een nederig
+en eenvoudig man._ Als voorwerpsnaam beteekent het meer sieraad: _Dit
+gebouw is de ~pronk~ der stad._
+
+~Praal~ ziet vooral op uiterlijk vertoon; het is een luister, waaraan de
+ijdelheid niet vreemd is. _De altijd zoo ijdele familie liet zelfs dit
+ongelukkige kind met groote ~praal~ begraven._
+
+ * * * * *
+
+Karel de Stoute spreidde bij zijn aanstaande kroning te Trier een groote
+-- ten toon. Het was duidelijk te zien, dat hij --ziek van aard was.
+
+De -- van een ware heldendaad gaat nooit verloren.
+
+Dit dienstmeisje is blijkbaar zeer op -- gesteld.
+
+Hang uw hart niet aan 's werelds --, maar streef naar ernstiger dingen.
+
+Met veel -- werd de bruiloft van het adellijke paar gevierd,
+niettegenstaande beide partijen weinig ten huwelijk brachten.
+
+De zomerzon straalt thans in haar vollen --.
+
+»Zulk een deken is een -- voor uw bed." (Advertentie.)
+
+De -- der Alpenmeren laat zich niet beschrijven.
+
+De 25-jarige regeering van den vorst werd in de residentie met groote(n)
+-- gevierd.
+
+»Ziet gij ginds dien -- der dalen, dien verheven eikeboom?"
+
+
+97. Barsch--stug--stuursch--norsch.
+
+_Zich onvriendelijk tegenover anderen gedragen._
+
+~Stug~ is hij, die altijd in zich zelf gekeerd is en den omgang met
+anderen liefst vermijdt, doordat hij zich niet gemakkelijk in de
+samenleving beweegt. Hij spreekt meestal weinig en kortaf, alsof hij
+boos ware, al is ook zijn hart niet kwaad. _Een ~stugge~ Fries._
+
+~Stuursch~ is hij, die onvriendelijk is, doordat de eigenaardigheden
+van zijn karakter zulks meebrengen. _Hij ziet altijd even ~stuursch~._
+Is hij daarbij ruw in den omgang, mort en gromt hij, om zijn
+ontevredenheid of kwaadheid te luchten, dan gebruikt men ~norsch~.
+_Hij behandelt zijn bedienden altijd even ~norsch~._
+
+~Barsch~ duidt aan, dat het uiterlijk of de stem van iemand door zijn
+onvriendelijkheid afstoot of vrees aanjaagt; het is hierbij evenwel niet
+noodzakelijk, dat ook het karakter onaangenaam is, integendeel onder een
+barsch uiterlijk schuilt soms een goedig hart. _Hij is wel wat ~barsch~
+in zijn uitvallen, maar hij meent het zoo kwaad niet._
+
+ * * * * *
+
+De Veluwsche boer is meestal -- in den omgang.
+
+Hij sprak op zulk een -- toon, dat de kleinen bang voor hem werden.
+
+Wat is hij vandaag weer --: op iedereen heeft hij wat aan te merken.
+
+Ik begrijp niet, waarom zij altijd zoo -- ziet; ik heb haar toch niets
+misdaan.
+
+Hoewel ik het hem zeer vriendelijk vroeg, gaf hij toch een -- antwoord,
+alsof ik hem diep beleedigd had.
+
+Ik houd niet van lieden, die vandaag vriendelijk en voorkomend en morgen
+weer -- en -- zijn.
+
+Hoewel hij er -- uitziet, is hij toch altijd hulpvaardig.
+
+
+98. Afslaan--afhakken--afhouwen--afkappen.
+
+_Met kracht een deel van het geheel scheiden._
+
+~Afslaan~ gebruikt men, wanneer de scheiding door de kracht van het
+slaan tot stand komt zonder op het werktuig te letten, bijv. een oor van
+een pot afslaan (met een hamer, een steen, een stok, enz.). ~Afhakken~,
+~afkappen~ en ~afhouwen~ onderstellen, dat de werking met een scherp
+werktuig geschiedt, vooral met een bijl of zwaard. ~Afhakken~ duidt aan,
+dat men herhaaldelijk het werktuig moet gebruiken, terwijl ~afhouwen~
+aanwijst, dat slechts eén slag met het scherpe werktuig noodig is. Bij
+~afkappen~ ziet men meer op de uiteinden, die door het hakken of houwen
+van het voorwerp worden gescheiden: bijv. _de takken ~afkappen~_.
+
+ * * * * *
+
+Wie heeft de vergulde knoppen van het hek --?
+
+In vroegeren tijd werden den meineedigen de vingers --.
+
+Het zwaard van den beul bleek niet scherp genoeg, om den veroordeelde
+het hoofd --.
+
+Gij moet deze dikke takken laten --, zij benemen u te veel licht.
+
+Met dezen stok kunt gij gemakkelijk de appels --.
+
+Wie zou van nacht zoo laag zijn geweest om al de koppen der coniferen
+moedwillig te hebben --?
+
+
+99. Gooien--werpen--smijten.
+
+_Iets met kracht van zich slingeren._
+
+~Werpen~ behoort meer tot de beschaafde spreek- en schrijftaal, terwijl
+~gooien~ en ~smijten~ gewoonlijk tot de volkstaal beperkt zijn. ~Werpen~
+heeft min of meer de bijbeteekenis, dat de werking met eenig overleg
+en daardoor in een bepaalde richting geschiedt; ~gooien~ en ~smijten~
+daarentegen doen meer aan onbesuisd optreden denken. ~Gooien~ en
+~smijten~ geschieden uitsluitend met de hand, ~werpen~ kan ook plaats
+hebben met werktuigen.
+
+~Gooien~ en ~smijten~ verschillen onderling zeer weinig en worden
+dan ook vaak voor elkander gebruikt. Alleen schijnt ~smijten~ minder
+onbesuisd te zijn dan ~gooien~ (met _gauw_ verwant), en nadert het dus
+eenigszins de beteekenis van werpen, bijv.: _Hij heeft mij een
+beleediging voor de voeten ~gesmeten~._
+
+Daar ~werpen~ meer gekuischt is dan de beide andere woorden, komt het
+in vele uitdrukkingen voor, waar ~gooien~ en ~smijten~ gebruikt moesten
+worden.
+
+ * * * * *
+
+Hij heeft mij met een kei een gat in het hoofd --.
+
+Bij dat volksoproer werden op vele plaatsen de ruiten in--.
+
+De golven -- een lijk aan het strand.
+
+Van woede heeft hij den heelen boel door elkaar --.
+
+Hij heeft hem na die beleediging den handschoen toe--.
+
+Voordat de vijand in 't zicht kwam, heeft men in deze vesting nog
+bezetting --.
+
+De ouden -- met blijden groote steenen in de stad.
+
+Van kwaadheid -- hij mij de trappen af.
+
+Terstond liet de bevelhebber den spion in de gevangenis --.
+
+Hij heeft den boel in het honderd --.
+
+Wie heeft dezen sneeuwbal in den schoorsteen --?
+
+Men moet geen goed geld naar kwaad geld --.
+
+
+100. Voorgeven--beweren--voorwenden.
+
+_Deze woorden worden gebruikt om aan te duiden, dat men twijfelt aan de
+waarheid, van hetgeen een ander zegt._
+
+~Beweren~ geeft alleen den blooten twijfel te kennen; het beweerde kan
+wel waar zijn, maar het moet nog nader bewezen of aangetoond worden;
+zoolang het bewijs niet is geleverd, kan men het beweerde nog niet als
+waarheid aannemen. _Hij ~beweert~, dat hij in een half uur van Baarn
+naar Amersfoort kan fietsen_ (d.w.z. ik beschouw het wel niet als
+onmogelijk, maar gelooven doe ik het nog niet, vóórdat hij dien rit van
+12 K.M. in een half uur gedaan heeft). _De dagbladen ~beweren~, dat de
+vrede gisteren geteekend is_ (d.w.z. men twijfelt aan de waarheid,
+zoolang nadere bewijzen nog ontbreken).
+
+~Voorgeven~ drukt uit, dat men alle reden heeft om aan de waarheid van
+iemands woorden te twijfelen; het is dus zoo goed als zeker, dat hij
+onwaarheid spreekt. _Zij ~gaf voor~, hoofdpijn te hebben en mij daarom
+niet te kunnen ontvangen._
+
+Zegt men van iemand, dat hij iets ~voorwendt~, dan geeft men te kennen,
+dat hij opzettelijk een leugen bezigt, om een of ander doel te bereiken;
+hetgeen voorgewend wordt, is dus beslist een leugen. _Zij ~wendde~
+hoofdpijn ~voor~, teneinde mij niet behoeven te ontvangen._
+
+~Beweren~ onderstelt dus, dat de waarheid van 't beweerde mogelijk is,
+~voorgeven~, dat de waarheid sterk betwijfeld mag worden en
+~voorwenden~, dat de waarheid geheel buitengesloten is.
+
+ * * * * *
+
+Ik hoorde zooeven --, dat het ministerie zal aftreden.
+
+Dit dagblad --, dat in Amerika het telefoneeren zonder draad is
+uitgevonden.
+
+Deze dame --, nog geen 25 jaren oud te zijn.
+
+De koning heeft een lichte ongesteldheid --, om van de feestelijkheden
+bevrijd te zijn.
+
+De moordenaar bleef --, uit zelfverdediging te hebben gehandeld, hoewel
+het bewezen is, dat hij zijn slachtoffer heeft uitgeplunderd.
+
+Aan mijn verzoek om de rekening voor mij te betalen, kon hij niet
+voldoen onder --, dat hij zelf kort bij kas was.
+
+Al zijn kwalen zijn slechts --, om van werken ontslagen te zijn.
+
+
+101. Regeeren--besturen--heerschen.
+
+_Gezag over een ander uitoefenen._
+
+~Heerschen~ duidt de hoogste trap van macht aan; het wijst op »heer"
+zijn, de opperste over allen, die geheel naar eigen inzicht kan
+handelen. _God ~heerscht~ als aller koning. De Czaar ~heerscht~
+onbeperkt._
+
+~Regeeren~ is minder sterk en wordt alleen gebezigd voor het
+gezag-uitoefenen van vorsten (_rex_, 2e naamv. _regis_ = koning). In
+figuurlijken zin wijst het er op, dat het gezag met groote willekeur
+wordt uitgeoefend en anderen onmachtig maakt; bijv.: _Deze vrouw
+~regeert~ haar man._
+
+~Besturen~ doet minder denken aan het gezag van den bestuurder, dan wel
+aan een leiden overeenkomstig vastgestelde bepalingen. Vandaar dat men
+het vooral bezigt van staatshoofden, die geen souvereine macht bezitten.
+_Jan de Witt ~bestuurde~ de Republiek met groot beleid._ Overdrachtelijk
+duidt het een leiden aan met inzicht en overleg: _Deze vrouw ~bestuurt~
+haar man_ = zij leidt hem, waarheen zij wenscht. (Vergelijk boven: _Deze
+vrouw ~regeert~ haar man_).
+
+Waarom zegt men: _de pokken ~heerschen~_? en niet: _regeeren_ of
+_besturen_?
+
+Vergelijk nu: heerschappij--bestuur--regeering.
+
+ * * * * *
+
+Onder de -- van koning Willem III werden vele spoorwegen aangelegd.
+
+De mazelen -- epidemisch.
+
+Men moet -- over zijn hartstochten hebben.
+
+De Burgemeester -- de gemeente.
+
+Men zegt wel eens: Het blinde toeval -- de wereld.
+
+Er -- over dit onderwerp een groote verwarring van denkbeelden.
+
+Deze vereeniging wordt goed --.
+
+In Rusland -- een vastlandsklimaat.
+
+
+102. Aandachtig--oplettend--opmerkzaam.
+
+_Zijn gedachte op iets gevestigd hebben._
+
+~Aandachtig~ zegt eenvoudig, dat men zijn gedachten bij de zaak heeft,
+dat men dus niet aan iets anders denkt.
+
+~Oplettend~ is men, als men niet vluchtig over het gehoorde heenloopt,
+maar zich moeite geeft het te overwegen; het onderstelt dus altijd
+eenige inspanning van den geest, wat bij aandachtig niet direct noodig
+is.
+
+_Men luistert ~aandachtig~ naar een verhaal_, d.w.z. men heeft zijn
+gedachten er bij, men denkt niet aan iets anders. _Men is ~oplettend~,
+als er iets geleerd moet worden_; d.w.z. men is ook wel aandachtig, maar
+men geeft zich tevens moeite de zaak te overdenken, om ze te begrijpen.
+
+~Opmerkzaam~ wijst aan, dat men de zaak zoo goed mogelijk tracht te
+begrijpen, door al haar kenmerken in hun onderling verband na te gaan,
+opdat het gehoorde of gelezene in onzen geest worde opgenomen en
+verwerkt. Men zoekt als het ware ~merk~teekens, die ons later den gang
+der zaak gemakkelijk doen terugvinden.
+
+De _aandachtige_ luistert; de _oplettende_ tracht het gehoorde te
+begrijpen; de _opmerkzame_ neemt het in zijn geest als eigendom op. De
+_aandachtige_ wordt bijv. door een sprookje of een muziekstuk geboeid en
+vergeet alles om zich heen; de _oplettende_ tracht bijv. de verklaring
+van een natuurverschijnsel goed te begrijpen; de _opmerkzame_ zal bijv.
+een schilderij zoo nauwkeurig en met allerlei onderlinge vergelijkingen
+beschouwen, dat hij haar uit het hoofd kan nateekenen.
+
+ * * * * *
+
+De vergadering luisterde -- naar de voorlezing der notulen.
+
+Hij beschouwde het gebouw zoo --, dat hij er thuis een welgelijkende
+schets van maakte.
+
+Hij bekeek het gebouw zoo --, dat hij niet eens mijn nadering bemerkte.
+(Hier wordt dus blootweg te kennen gegeven, dat al zijn gedachten op het
+gebouw gericht waren.)
+
+Het kenmerk van deelbaarheid, dat ik thans zal bewijzen, is vrij
+ingewikkeld; gij moogt dus wel -- zijn.
+
+Toen ik met hem voor het eerst door het bosch wandelde, keek hij zoo --
+rond, dat hij den volgenden keer alleen den weg kon vinden.
+
+Hij was onder de rede van den voorzitter zoo -- geweest, dat hij haar
+bijna woordelijk kon opzeggen.
+
+
+103. Bouwen--opslaan--oprichten--stichten.
+
+_Uit bouwstoffen een geheel vormen._
+
+~Oprichten~ (letterlijk »omhoog heffen") gebruikt men, om aan te duiden,
+dat iets uit den horizontalen in den verticalen stand moet komen: _een
+standbeeld ~oprichten~_.--~Opslaan~ zegt men van tijdelijke verblijven,
+die licht en dicht zijn en weinig moeite vereischen: _tenten
+~opslaan~_.--~Bouwen~ gebruikt men van blijvende woningen, die uit
+duurzamer stoffen en met grooter zorg worden samengesteld: _een school
+~bouwen~_.--~Stichten~ zegt men van nog duurzamer en hechter gebouwen:
+_een kerk ~stichten~_. (Een _stift_, d.i. _sticht_, heet een groot
+gebouw voor geestelijken: klooster, abdij, enz.) Figuurlijk bezigt men
+~stichten~ ook voor grondvesten: _een stad ~stichten~, een fonds voor
+ouden van dagen ~stichten~; liefdadige ~stichtingen~_. Van vereenigingen
+zegt men meer ~oprichten~.
+
+ * * * * *
+
+Toen de cholera uitbrak, werden ijlings ziekenbarakken --.
+
+Ons huis is in 1870 --.
+
+De Handelsmaatschappij werd in 1824 --.
+
+Jan van Riebeek heeft de volksplanting aan de Kaap --.
+
+Ter eeuwige gedachtenis heeft men op de plaats, waar de koning
+sneuvelde, een gedenkteeken --.
+
+De beroemde Aya Sophia (de prachtige moskee te Konstantinopel en door
+onzen dichter Schaepman meesterlijk bezongen) is door keizer Justinianus
+--.
+
+Jan van Nassau heeft de Unie van Utrecht --.
+
+ d' Aertsbouheer uit den stam
+ Van Campen rust hieronder,
+ Die 't raedhuis t' Amsterdam
+ -- heeft, 't achtste wonder.
+
+
+104. Befaamd--beroemd--berucht--vermaard.
+
+_Overal bekend._
+
+~Berucht~ is: ongunstig bekend staan; ~beroemd~ daarentegen heeft
+altijd een gunstige beteekenis: het beteekent bekend zijn tot zelfs
+bij het nageslacht door edele daden, door kunst, door wetenschap,
+enz. ~Vermaard~ is: van groote bekendheid zijn wegens een of andere
+bijzonderheid, dus uitstekende of opvallende onder zijns gelijken. _De
+echo van Muiderberg is ~vermaard~. De bokking van Harderwijk was vroeger
+~vermaard~._ De vermaardheid behoeft echter niet aan het nageslacht
+overgeleverd te worden.
+
+~Befaamd~ kan zoowel in goeden als kwaden zin gebruikt worden, maar is
+minder sterk dan beroemd of berucht. Het onderstelt in den regel een
+»eigenaardige" bekendheid. _Het ~befaamde~ Staphorster boertje._
+
+~Befaamd~ komt af van Faam, Fama, de godin, die met een bazuin door
+de lucht vliegt om de daden der groote mannen bekend te maken; zij
+woonde in een paleis met 100 openingen en van klinkend metaal gemaakt.
+(Verklaar het zinnebeeld!)--~Berucht~ komt van rucht, dat weer gevormd
+is van _roepen_, evenals _kocht_ van _koopen_; er gaat dus een roep
+van iemand uit. Oorspronkelijk kon dit ook een _goede_ roep zijn:
+»_Beruchte_ Oranjeheld!" maar thans heeft het uitsluitend betrekking op
+den _slechten_ roep.--~Vermaard~ komt van _mare_ = tijding, bericht.
+
+ * * * * *
+
+Friesland is -- om zijn heerlijke boter.
+
+Sommige stegen en achterbuurten van Amsterdam zijn -- om het gespuis,
+dat er woont.
+
+Onze schilders Rembrandt, Jan Steen, Potter e.a. zijn --.
+
+De -- Amersfoortsche keitrekking had plaats op 28 Mei 1903. (Een
+»eigenaardige" bekendheid.)
+
+Haarlem is -- om zijn bloembollen.
+
+Jack the Ripper was een -- vrouwenmoorder.
+
+De Nederlanders zijn als waterbouwkundigen alom --.
+
+Sommige kuststreken van Italië zijn -- om hun moeraskoortsen.
+
+De -- vaster Succi kon het 40 dagen zonder eten uithouden.
+
+»Ginds prijkt dat grootsch gebouw, als achtste wonderwerk door heel
+Europa --". ('t Stadhuis van Amsterdam.)
+
+»Allen zijn er het over eens, dat de jaren tusschen den zevenjarigen
+oorlog en den Amerikaanschen Vrijheidsoorlog, de -- eerste
+regeeringsjaren van Willem V, voor de Republiek de vette jaren bij
+uitnemendheid zijn geweest". (Prof. Brugmans. Die eerste regeeringsjaren
+van Willem V hebben een »eigenaardige" vermaardheid gekregen!)
+
+
+105. Bedriegen--misleiden--verschalken--foppen.
+
+_Veroorzaken dat het onware voor waar wordt gehouden._
+
+~Misleiden~ zegt letterlijk: op een verkeerden weg brengen en daardoor
+dwaling veroorzaken; het wordt steeds figuurlijk gebruikt. _Door het
+klatergoud liet de jongen zich ~misleiden~; hij dacht een gouden ring
+gekregen te hebben en bemerkte later, dat het slechts een koperen was._
+(Het blinkende klatergoud bracht hem op een dwaalspoor; hij meende met
+goud te doen te hebben en zag eerst later zijn dwaling in.)
+
+~Bedriegen~ onderstelt schending van vertrouwen met het doel zichzelf te
+bevoordeelen: _De boekhouder ~bedroog~ zijn patroon_; of wel, het geeft
+een teleurstelling aan in hetgeen men verwacht had: _Hij schreef mij
+zelf te zullen komen, maar hij ~bedroog~ mij._--De Grieksche kunstenaar
+Zeuxis wist de natuur zoo getrouw na te bootsen, dat de vogels op zijn
+geschilderde druiven kwamen afvliegen. Hij ~misleidde~ de dieren,
+doordat hij ze op een dwaalspoor bracht (nl. de onechte druiven werden
+voor echte gehouden) en hij ~bedroog~ ze tevens, doordat hij hun
+verwachting, om er van te kunnen eten, teleurstelde.
+
+~Verschalken~ heeft de bijbeteekenis, dat een list wordt aangewend; het
+wordt gebruikt, wanneer de eene partij de andere door zulk een list
+tracht te overwinnen of te verzwakken. _De vogelaar ~verschalkt~ de
+kwartels_ (hij spant een net met lokaas).
+
+~Foppen~ heeft dezelfde grondgedachte als bedriegen, maar wordt alleen
+van onschuldige handelingen gebezigd; bovendien is het bijna uitsluitend
+tot de spreektaal beperkt.
+
+Als ik mijn makker een steentje in de hand stop, in plaats van bijv. een
+appel, dan ~fop~ ik hem. Vandaar ook: _fopspeen_.
+
+ * * * * *
+
+Laat u niet door den uiterlijken schijn --.
+
+De schipper Van Bergen wist de bezetting van 't kasteel van Breda te --.
+
+De rentmeester heeft den graaf op een schandelijke wijze --.
+
+Ik dacht hem mooi te zullen --, maar de oolijkerd was mij te slim af.
+
+Men moet dieven met dieven --.
+
+Door schoone beloften heeft hij zich tot dien stap laten --.
+
+Koop dat paard niet van hem, hij wil u blijkbaar --.
+
+De commiezen wisten de smokkelaars op slimme wijze te --.
+
+
+106. Babbelen--praten--kouten--snappen--kakelen.
+
+_Weinig beduidende dingen zeggen._
+
+~Snappen~ zegt men van kleine kinderen, die altijd wat te vertellen
+hebben en dat snel en zonder ophouden doen.
+
+~Babbelen~ wordt van groote menschen en van schoolkinderen gezegd;
+soms heeft het de onschuldige beteekenis verloren en duidt het meer
+kwaadspreken aan. _Zij is een eerste ~babbelaarster~: vertrouw haar geen
+geheim toe._
+
+Wil men op afkeurende wijze te kennen geven, dat iemand zich luide doet
+hooren, bijv. bij een kijfpartij, dan gebruikt men ~kakelen~. _Hoor die
+vrouw daar eens staan te ~kakelen~, mijn ooren tuiten er van._--~Praten~
+doet men, als men met iemand een gesprek voert over alledaagsche zaken,
+meestal uit tijdverdrijf. (Van ernstiger dingen zegt men _spreken_. _Kom
+eens bij me ~praten~. Is mijnheer te ~spreken~?_)--~Kouten~ onderstelt,
+dat men met elkander schertsend praat en in die scherts genoegen vindt.
+
+ * * * * *
+
+Hoor die kleine meid eens --, haar mondje staat geen oogenblik stil.
+
+Niemand mag onder de les --; dat is veel te hinderlijk.
+
+Zij zaten zoo druk over koetjes en kalfjes te --, dat zij aan geen tijd
+meer dachten.
+
+Ik geloof, dat zij weer leelijk aan het -- is geweest.
+
+De gasten in de herberg zaten vroolijk bij 't knappend vuur te --:
+meermalen steeg er een hartelijk gelach op.
+
+ Trijn is verkouden, schor en heesch.
+ »Nog wil 't wijf --", zegt Kees.
+ Dat 's een van d'ellendigste gebreken:
+ Een vrouw, die zwijgen kan noch spreken.
+
+
+107. Sterven--overlijden--doodgaan--ontslapen.
+
+_Ophouden te leven._
+
+~Sterven~ drukt dit in 't algemeen uit; het heeft zoowel betrekking
+op menschen als op dieren en planten. Van menschen wordt het vooral
+gebruikt, als men de oorzaak van den dood opgeeft. _Deze man is van
+hartzeer ~gestorven~._
+
+~Doodgaan~ wordt uitsluitend van planten en dieren gezegd en alleen in
+ruwe of platte taal ook van menschen.
+
+~Overlijden~ heeft altijd betrekking op menschen; het woord beteekent
+n.l. overgaan, d.i. in een ander, naar men hoopt, beter leven. (_Lijden_
+van oudtijds _gaan_; vergelijk _verleden_ of _vergangen_ week.) Het
+stelt dus het sterven minder hard voor ten opzichte der
+achterblijvenden.
+
+Ook ~ontslapen~ zegt men alleen van menschen; het beteekent kalm en
+langzaam sterven, alsof men inslaapt; deze uitdrukking verzacht dus
+eveneens het begrip van sterven.
+
+ * * * * *
+
+Na het -- van zijn vader rustte op hem de plicht voor zijn jongeren
+broeder te zorgen.
+
+Het grootste deel van het leger -- van honger en gebrek.
+
+Heden is in den ouderdom van 80 jaren mijn grootvader in zijn Heer en
+Heiland zacht en kalm --.
+
+Die plant zal wel --; je hebt haar niet goed behandeld.
+
+Deze dichter is reeds op 25-jarigen leeftijd --.
+
+Zalig zijn de dooden, die in den Heer --.
+
+
+108. Vlijtig--ijverig--naarstig--nijver.
+
+_Deze woorden duiden aan, dat men zich inspant om een of ander werk tot
+stand te brengen._
+
+Bij ~ijverig~ denkt men aan de opgewektheid en volharding, soms zelfs
+aan de vurigheid, waarmee men werkt. _Een ~ijverig~ leerling tracht ook
+de moeilijkste les te leeren._ (Het ligt in zijn aard, steeds zóó te
+studeeren.)
+
+~Vlijtig~ duidt aan, dat men de taak zoo spoedig mogelijk (dus zonder
+oponthoud), maar ook zoo goed men kan afmaakt. _Hij zit ~vlijtig~ te
+studeeren_ (d.w.z. hij studeert zonder zich te laten ophouden en spant
+zich in, om alles zoo goed mogelijk te begrijpen; hij behoeft daarom
+niet van nature met zooveel liefde voor de studie bezield te zijn,
+zooals een ~ijverig~ student.)
+
+~Naarstig~ komt weinig meer voor; men zegt het vooral nog van kinderen,
+die niet speelsch zijn, maar hun goeden wil en oplettendheid toonen, om
+het opgegeven werk naar behooren af te maken. Soms ook duidt het aan,
+dat men voortdurend bezigheid zoekt, in plaats van ledig te zitten. _Zoo
+traag deze jongen is, zoo ~naarstig~ is zijn zuster. Dat meisje is een
+~naarstig~ kind; zij zit daar al weer te breien._
+
+~Nijver~ wijst aan, dat men aanhoudend en met overleg werkt, om de
+vruchten van zijn arbeid te kunnen plukken. _De ~nijvere~ bijen_
+verzamelen reeds in den zomer haar voedsel voor den winter. Soms
+beteekent het ook: geneigd tot industrie, bijv. _het ~nijvere~ Twente_.
+
+ * * * * *
+
+Als gij -- doorwerkt, kunt gij van avond wel klaar zijn.
+
+Gij moogt wel wat -- (vergr. trap) bij uw werk zijn; ik geloof, dat gij
+er weinig lust in hebt.
+
+Zij is een -- kind, men ziet haar bijna nooit ledig zitten.
+
+De -- landman zag zijn moeiten met een rijken oogst beloond.
+
+Van deze zaak is hij een -- voorstander.
+
+Een -- hand met een sparigen tand koopt anderlui's land.
+
+In die streek woont een -- bevolking.
+
+
+109. Afslaan--afweren.
+
+_Een aanval tegengaan._
+
+~Afweren~ geschiedt geheel uit zelfverdediging, men houdt daarbij den
+vijand van zich af en dekt zich tegen zijn aanvallen.
+
+Bij ~afslaan~ denkt men meer aan een krachtdadig optreden: men valt den
+vijand aan en tracht hem op de vlucht te drijven.--Figuurlijk gebruikt
+komt alleen ~afweren~ voor, bijv. _het gevaar van iemand ~afweren~_;
+_iemands liefkoozingen ~afweren~_.
+
+ * * * * *
+
+De Spanjaarden liepen storm op Alkmaars muren, maar de aanval werd
+krachtig --.
+
+Hij heeft den doodelijken slag --, door zich nog tijdig met het schild
+te dekken.
+
+De vijand deed een onbesuisden aanval op ons leger, zoodat de
+manschappen ternauwernood tijd hadden dien --.
+
+Men wist op het fort, dat de vijand naderde; zijn aanval werd dan ook
+niet alleen --, maar zelfs met kracht --.
+
+Slechts aan de staatsmanskunst van den eersten minister was het te
+danken, dat de oorlog nog -- werd.
+
+
+110. Alom--overal--allerwegen.
+
+_Op alle plaatsen._
+
+~Alom~ wijst de ruimte in haar geheel aan. _De tijding verspreidde zich
+~alom~_, d.w.z. naar alle zijden over de geheele ruimte.
+
+~Overal~ ziet meer op elke plaats afzonderlijk, die men zich in die
+ruimte denkt. _De tijding drong ~overal~ door_: d.w.z. op alle plaatsen,
+geen enkele uitgezonderd, werd de tijding bekend.
+
+~Allerwegen~ wil eigenlijk zeggen: op alle wegen of zijden, en bij
+uitbreiding op alle plaatsen. ~Overal~ kan een werking zóó voorstellen,
+dat zij _achtereenvolgens_ iedere plaats bereikt, geen enkele
+uitgezonderd; ~allerwegen~ wijst meer aan, dat de werking _gelijktijdig_
+op alle plaatsen voorkomt, al is er misschien ook een enkele plaats
+(niet aan de _wegen_ gelegen) overgeslagen. _~Allerwegen~ heerschte er
+een bedrijvige drukte._--Worden ~overal~ en ~allerwegen~ voor elkander
+gebruikt, wat vaak voorkomt, dan is ~overal~ sterker, daar het geen
+uitzondering duidt. _Ik heb hem ~overal~ gezocht, maar nergens
+gevonden.--Deze gewoonte vindt gij anders ~allerwegen~._
+
+ * * * * *
+
+God is -- tegenwoordig. (Waarom is dit woord beter dan _overal_?)
+
+Op bergen en in dalen, Ja -- is God. (Nu denkt men aan alle plaatsen!
+Waarom gebruikt men niet _allerwegen_?)
+
+Het feest van 's konings troonsbestijging werd -- in den lande met
+opgewektheid gevierd.
+
+Er heerschte -- in de stad een feestelijke stemming.
+
+Deze plant vindt gij -- verspreid.
+
+De mare van zijn heldenfeit was spoedig -- verspreid.
+
+Hij staat -- bekend als een eerste kaatser.
+
+Langs de kaden van Rotterdam heerscht -- een ongekende bedrijvigheid.
+
+Hij volgt mij --, waar ik ga.
+
+
+111. Aankondigen--voorspellen--voorzeggen.
+
+_Iets toekomstigs te kennen geven._
+
+~Aankondigen~ is iets vooruit te kennen geven, dat volgens zeer gewone
+of natuurlijke oorzaken plaats hebben moet. _De plotselinge daling van
+den barometer ~kondigt~ storm ~aan~._ Soms is het begrip van tijd zoo
+goed als geheel weggevallen, zoodat aankondigen dan eenvoudig beteekent:
+bekend maken met iets, dat terstond zal gebeuren. _De heraut ~kondigde~
+met trompetgeschal de komst des konings ~aan~._
+
+~Voorspellen~ duidt mindere zekerheid aan, daar het voorspelde meer
+op bloote vermoedens, op volksgeloof, enz. berust. _De waarzegger
+~voorspelt~ de toekomst. Een goed notenjaar ~voorspelt~ een strengen
+winter._
+
+~Voorzeggen~ beteekent: vooruit _zeggen_, dat iets zeker gebeuren zal,
+en kan dus alleen door God of door Zijn gezanten gedaan worden. (Het
+woord kan dus niet toegepast worden op zaken, zooals met _aankondigen_
+en _voorspellen_ wel het geval is, bijv. een daling van den barometer
+kan niet _voorzeggen_.) _De geboorte van Jezus was reeds eeuwenlang
+~voorzegd~_ (nl. door de profeten). Het woord wordt alleen in deftigen
+stijl gebruikt.
+
+ * * * * *
+
+Door de terugkomst der zwaluw wordt de lente --.
+
+Deze geleerde beweert, dat hij het weder een maand vooruit kan --.
+
+Drie harde slagen op de deur --, dat er iets bijzonders gebeurd was.
+
+»O zaalge Kerstnacht, ons zoo lang --!"
+
+Eensklaps ging de wind liggen en dit scheen een orkaan --.
+
+Zijn gefronst gelaat -- weinig goeds.
+
+Het kanongebulder -- de geboorte van een prins aan.
+
+Een kring om de maan -- regen en wind. (Niet _zeker_!)
+
+Jezus had Zijn dood en verrijzenis aan Zijn discipelen --.
+
+
+112. Buitenlandsch--uitheemsch--vreemd.
+
+_Wat buiten onze grenzen thuis behoort._
+
+~Buitenlandsch~ noemt men zoowel datgene, wat een ander land betreft,
+als hetgeen er geschiedt of voorkomt en wel in tegenstelling met
+binnenlandsch; bijv. het _buitenlandsch_ verkeer; de _buitenlandsche_
+handel; _buitenlandsche_ berichten; _buitenlandsche_ onlusten.
+
+~Uitheemsch~ is ook buitenlandsch, maar 't voegt er de gedachte bij,
+dat het uitheemsche niet in ons eigen land voorkomt: _uitheemsche_
+gebruiken. (»Uitheemsche" handel kan niet, immers in ons land is óók wel
+handel.)--Daar men licht geneigd is, op hetgeen uitheemsch is, laag neer
+te zien, heeft het soms een ongunstige beteekenis: _Gij moet nooit
+~uitheemsche~ dingen navolgen._
+
+~Vreemd~ beteekent: wat in ons land of in de naaste omgeving geheel
+onbekend is en dus van verre streken afkomstig moet zijn. _Dit is een
+~vreemde~ soort aardappel._
+
+Verder kan ~vreemd~ nog andere beteekenissen hebben, als: niet van onze
+familie: mijn zoon bracht een _vreemden_ gast mee; onbekend: zij is mij
+geheel _vreemd_; ongewoon: een _vreemd_ geval; zonderling: een _vreemde_
+kleeding; enz.
+
+ * * * * *
+
+De minister van -- zaken heeft zijn ontslag genomen.
+
+Deze -- plant schijnt hier goed te tieren.
+
+Dat is een -- plant; ik zie ze voor het eerst hier groeien.
+
+Wat heeft die mijnheer -- gewoonten.
+
+Wij zullen de volgende week een -- reisje maken.
+
+In den Dierentuin vindt men prachtige -- gewassen.
+
+In dien -- oorlog zijn heel wat menschen omgekomen.
+
+Er heerschen in dat land -- zeden.
+
+Als dit voorval maar geen aanleiding geeft tot -- verwikkelingen!
+
+
+113. Bekennen--belijden.
+
+_Zijn gevoelens of handelingen, die niet bekend waren, mededeelen._
+
+~Bekennen~ duidt aan, dat men de bekentenis liever had verborgen
+gehouden, maar door aandrang van buiten tot het mededeelen genoodzaakt
+wordt. _De moordenaar moest tegenover zooveel deugdelijke bewijzen zijn
+misdaad wel ~bekennen~._
+
+~Belijden~ ziet meer op den innerlijken aandrang en gaat vooral met
+een gevoel van berouw gepaard; het heeft dus een edeler beteekenis:
+_Ootmoedig ~beleed~ hij zijn schuld._ Het wordt ook ten opzichte van
+godsdienstige gevoelens gebruikt: _Zijn zonden ~belijden~._
+
+ * * * * *
+
+Hij wil zijn ongelijk nog niet --, maar wij zullen er hem wel toe
+brengen.
+
+Met een verslagen hart -- hij voor God zijn schuld.
+
+Ik moet eerlijk --, dat ik hierin misgetast heb.
+
+Door de wroeging van zijn geweten aangegrepen, -- hij zijn schuld.
+
+_Gebruik ook in zinnen:_ Bekentenis en belijdenis.
+
+
+114. Aanroepen--bidden--smeeken.
+
+_Zich in nood of gevaar tot iemand wenden, ten einde diens hulp of
+bijstand te verkrijgen of de vervulling zijner wenschen te erlangen._
+
+~Aanroepen~ gebruikt men hoofdzakelijk, als men den Almachtige luide
+en eenigszins gejaagd om hulp vraagt en zich daarbij geheel op Zijn
+voorzienigheid verlaat. _~Roep~ Hem ~aan~ in den dag der benauwdheid en
+Hij zal u ruste geven._
+
+~Bidden~ onderstelt, dat men kalmer aan God (of iemand, die ons kan
+helpen) om hulp vraagt, terwijl ~smeeken~ een vuriger en dringender
+bede te kennen geeft. _De voorganger ~bad~ God om een voorspoedigen
+oogst.--Hij ~smeekte~ Hem, het leven der kranke vorstin te sparen._
+
+ * * * * *
+
+De blinde -- om een aalmoes.
+
+De ter dood veroordeelde -- om genade.
+
+De schipbreukelingen hoorde men in hun doodsangst God --.
+
+Ik -- u met een berouwvol hart om vergiffenis.
+
+In alle kerken werd voor het behoud van den vrede --.
+
+De radelooze moeder wierp zich op de knieën voor den wreeden soldaat en
+-- hem haar kind niet te dooden.
+
+Vóór Hugo de Groot zich in de boekenkist verborg, -- hij God om een
+voorspoedige reis.
+
+
+115. Afstand--verte--verwijdering.
+
+_De ruimte tusschen twee voorwerpen._
+
+~Verwijdering~ drukt uit, dat die tusschenruimte vroeger niet bestond.
+Hoe meer men bijv. de stad achter zich laat, hoe grooter dus eigenlijk
+de verwijdering wordt. Het gebruik wil echter, dat dit woord thans
+alleen figuurlijk voorkomt. _Sedert er tusschen deze twee vrienden
+~verwijdering~ is ontstaan, gaat ieder zijns weegs._
+
+~Afstand~ duidt eenvoudig aan, dat er tusschen twee voorwerpen een
+zekere ruimte bestaat als gevolg van den stand, dien zij ten opzichte
+van elkander innemen. _De ~afstand~ tusschen Amsterdam en Baarn bedraagt
+36 K.M._ (Waarom is hier _verwijdering_ niet gebruikelijk?)
+
+~Verte~ wijst alleen het tegengestelde van nabijheid aan en duidt dus
+altijd op een eenigszins grooteren afstand. Men kan dan ook niet zeggen
+in _een_ verte, maar wel in _de_ verte, terwijl afstand wel degelijk het
+lidwoord van onbepaaldheid kan hebben.
+
+ * * * * *
+
+Wanneer men een plaats al wandelend verlaat, neemt bij iedere schrede de
+-- (het oorspronkelijke woord!) toe, d.w.z. men bevindt zich bij iederen
+stap op grooteren -- van de stad, totdat men haar ten laatste nog
+slechts in de -- kan zien.
+
+Hij bleef steeds op een eerbiedigen --. (Waarom niet _verte_?)
+
+Na den slag bij Nieuwpoort ontstond tusschen Maurits en Oldenbarnevelt
+de eerste --.
+
+De visschersvrouw staarde in de --, of zij het schip van haar man kon
+ontdekken.
+
+De -- tusschen vrijen en onvrijen werd vroeger streng bewaard.
+
+De verschillende belangen, die deze twee vrienden hebben, deden
+langzamerhand een -- ontstaan. Zij behandelen elkander nu altijd op
+eenigen --.
+
+
+116. Eeuwig--eindeloos--oneindig.
+
+_Wat geen einde heeft._
+
+~Eeuwig~ drukt oorspronkelijk uit, dat aan geen einde, maar ook aan geen
+begin kan gedacht worden. In dezen zin kan men alleen zeggen: _God is
+~eeuwig~._--Verder duidt het woord aan, dat er wel een begin is geweest,
+maar dat er aan een einde onmogelijk kan gedacht worden: _het ~eeuwige~
+leven_. Om dit denkbeeld van: onmogelijk te kunnen eindigen, aan te
+duiden, gebruikt men ~eeuwig~ ook figuurlijk van zaken, waaraan
+feitelijk wel een einde kan zijn, al wordt de mogelijkheid daarvan
+uitgesloten: _het ~Eeuwig~ Edict_. (Het duurde toch maar 5 jaren!)
+
+~Eindeloos~ wil zeggen, dat iets geen einde heeft, ofschoon zulk een
+einde niet onmogelijk ware geweest. Terwijl ~eeuwig~ meer op den _tijd_
+ziet, vestigt ~eindeloos~ meestal de aandacht op de _ruimte_. _Een
+~eindelooze~ vlakte lag vóór mij._ (Voor mijn blik had die vlakte geen
+einde; misschien was er wel een eind aan!)
+
+Men spreekt van Gods _eeuwige_ liefde, omdat deze _ten_ _allen tijde_
+zal voortduren; ook spreekt men van Gods _eindelooze_ liefde tot de
+zondaren, om aan te duiden, dat het einde van die liefde wel mogelijk
+ware geweest, maar dat God te goedertierend is, om die liefde een einde
+te doen nemen. (Welk der beide woorden is dus sterker?)
+
+~Oneindig~ duidt aan, dat er werkelijk aan de ruimte (of tijd) geen
+einde is, bijv. _de rij der getallen is ~oneindig~_. Hieruit ontwikkelde
+zich het begrip: onbegrensd, bijzonder groot, zóó groot zelfs, dat alle
+afmetingen of grenzen wegvallen. Het wordt daarom gebruikt als bijw. van
+graad: Een _oneindig_ groot verschil. Een _oneindig_ klein getal. Wat
+beteekent nu: _Gods ~oneindige~ liefde_?
+
+Waarom kan men niet spreken van een _oneindige_ vlakte? Waarom niet
+van een _eeuwige_ vlakte? (Eeuwig is een tijdsbegrip, oneindig een
+ruimtebegrip!) Waarom mag men God niet den _Eindelooze_ heeten?
+
+Een _eindeloos_ krakeel schijnt geen einde te hebben; maar toch is dit
+einde mogelijk, als de twist wordt bijgelegd. Een _eeuwig_ krakeel ziet
+er op, dat er _ten allen tijde_ getwist wordt, dus wijst meer een
+tijdsbegrip aan.
+
+ * * * * *
+
+Onze blikken zwierven door de -- ruimte (d.w.z. langs den sterrenhemel).
+
+Wij lieten onze blikken over de -- heide dwalen.
+
+Ik zal u -- beminnen.
+
+In de wereld van het -- kleine treft men ook wonderen aan.
+
+De zon is op een -- afstand van ons verwijderd.
+
+De gewesten der Unie besloten ten -- dage verbonden te blijven.
+
+Ik ben dat -- gebedel moede, en zal er dus voor goed een eind aan maken.
+
+Er bestaat een -- groot verschil tusschen deze beide karakters.
+
+Hij bleef maar tot in het -- doorredeneeren.
+
+Hij zwierf reeds jaren op de -- baren.
+
+
+117. Begrijpen--beseffen--bevatten--verstaan.
+
+_Duidelijke kennis van iets hebben._
+
+~Verstaan~ drukt alleen uit, dat de aangeboden kennis (het gehoorde,
+gelezene enz.) ons geestelijk eigendom wordt, maar geeft niet aan, of
+dit met of zonder moeite onzerzijds, geschiedt. _Druk je wat duidelijker
+uit, ik ~versta~ je niet._ (Letterlijk zegt _verstaan_: bij iets blijven
+staan, om het goed op te nemen; vandaar ook de beteekenis van goed
+hooren: _Nog op grooten afstand kon men den spreker ~verstaan~._)
+
+~Bevatten~ en ~begrijpen~ hebben het bijdenkbeeld, dat men zich moeite
+geeft om van iets kennis te krijgen, terwijl zij verder onderstellen,
+dat men voor het verwerven van die kennis eenige scherpzinnigheid moet
+bezitten. ~Bevatten~ duidt aan, dat de zaak voor ons verstand niet te
+_groot_ is, dat men ze kan _omvatten_, terwijl ~begrijpen~ er op wijst,
+dat de zaak zoo nabij ons ligt, dat wij ze kunnen _grijpen_, m.a.w. dat
+zij voor ons verstand niet te _hoog_ gaat. _Ik ~begrijp~ maar niet, dat
+hij zich tot dien stap heeft laten overhalen_ (dat gaat _boven_ mijn
+begrip). _Niemand kan de wijsheid des Scheppers ~bevatten~_ (in al haar
+omvang doorgronden, daarvoor is ons verstand te klein). _Bevatten_ is
+dus sterker dan _begrijpen_.
+
+~Beseffen~ wil zeggen, dat wij met ons bewustzijn (besef) van iets
+kennis krijgen, zoodat wij ons die kennis goed bewust zijn. _Hij
+~besefte~, welk een verplichting hij op zich genomen had_, d.i. hij is
+er zich ten volle bewust van; hij is er van doordrongen en overtuigd.
+
+ * * * * *
+
+Hij houdt zich, alsof hij mijn bedoeling niet --.
+
+Hij -- zeer goed de kunst, om zich bij iemand ongemerkt in te dringen.
+
+Al -- wij volkomen, dat wij met die verklaring ons vele vijanden zullen
+berokkenen, willen wij ons er toch niet door laten terughouden.
+
+Ons verstand is te klein om al de wonderen der schepping te --.
+
+Ik -- zeer goed, dat de dichter in dit stuk op Oldenbarnevelt zinspeelt,
+al kan ik van alle bijzonderheden de eigenlijke bedoeling niet --.
+
+Hij -- maar niet, dat hij op die wijze zijn ondergang te gemoet gaat.
+
+Dit hoofdartikel is zoo geleerd geschreven, dat ik er niets van kan --.
+
+
+118. Driftig--oploopend--opvliegend.
+
+_Spoedig zijn kalmte verliezend._
+
+~Driftig~ duidt aan, dat men licht in drift geraakt (zie $Drift$); de
+gemoedsbeweging is echter van geen langen duur.
+
+~Opvliegend~ en ~oploopend~ wijzen er op, dat men van nature geneigd is,
+spoedig in groote drift (d.i. toorn) te ontsteken; het is dus meer een
+karaktertrek. Hierbij heeft ~opvliegend~ meer kracht dan ~oploopend~;
+vliegen is immers sterker dan loopen. Wie dus dikwijls en om geringe
+oorzaken driftig wordt, is oploopend of opvliegend.
+
+Waarom kan men wel zeggen: hij _wordt_ driftig, maar niet hij _wordt_
+oploopend of opvliegend?
+
+ * * * * *
+
+Bij het hooren van die tijding, maakte hij zich vreeselijk --.
+
+Mijn neef heeft een -- karakter: bij de minste oorzaak stuift hij
+geweldig op.
+
+Ik ga niet graag met zulk een -- mensch om.
+
+Hoewel hij kalm van aard is, wordt hij toch ook wel eens --.
+
+Een onderwijzer, die -- van natuur is, is weinig geschikt voor zijn
+betrekking.
+
+
+119. Bedroefd--droevig--treurig--bedrukt.
+
+_Het tegengestelde van blijde, opgewekt._
+
+~Bedroefd~ wijst aan, dat de oorzaak der droefheid buiten ons ligt. _Hij
+is zeer ~bedroefd~ over het verlies van zijn vader._
+
+~Droevig~ en ~treurig~ laten in het midden, of de gemoedstoestand door
+oorzaken van buiten teweeg gebracht wordt, dan wel een gevolg is van
+innerlijke gesteldheid. Den ~bedroefde~ kan men van zijn smart bevrijden
+door hem het verlorene terug te geven, of wel die smart kan door
+troostwoorden eenigszins gelenigd worden; de ~droevige~ of ~treurige~ is
+eigenlijk niet voor troost vatbaar (men weet immers de oorzaak niet!),
+hij kan alleen opgevroolijkt worden.--~Droevig~ verschilt hierin van
+~treurig~, dat het een kortstondiger toestand dan treurig aanwijst;
+treurig is dus sterker. _Hij is reeds lang ~treurig~ gestemd; het wordt
+tijd, hem op te vroolijken.--Haar ~droevige~ stemming van gisteren is
+weer geheel geweken._
+
+~Droevig~ en ~treurig~ worden ook van zaken gebezigd, om aan te duiden,
+dat zij door een droevige of treurige stemming gekenmerkt zijn, of zulk
+een stemming veroorzaken. _Het waren ~treurige~ dagen, toen de oorlog
+het land verwoestte en den grond met bloed drenkte.--Het was een
+~droevig~ oogenblik, toen hij bij zijn vertrek naar de Oost van zijn
+oude moeder afscheid moest nemen.--Onlangs is hier een ~droevig~ ongeluk
+gebeurd._ (Een _treurig_ is sterker!)
+
+~Bedrukt~ wijst aan, dat iemand door zijn droefheid wordt terneergedrukt
+en dit niet verbergt, zoodat zijn droefheid uit zijn houding blijkt, of
+op zijn gelaat staat te lezen. _Toen ik hem ontmoette, zag hij zeer
+~bedrukt~, zoodat ik aanstonds een onheil vermoedde._
+
+ * * * * *
+
+Het was voor ons een -- tijd, toen onze vader van oneerlijkheid
+verdacht werd.
+
+Hij was zoo -- over den dood zijner vrouw, dat men voor
+verstandsverbijstering vreesde.
+
+Het is een -- gezicht, als men op een blindenschool het jonge volkje
+ziet zitten.
+
+Het is --, dat Christenen elkander nog den oorlog aandoen.
+
+Aan zijn -- gelaat zag ik reeds, dat hij niet geslaagd was.
+
+Hij was zoo -- te moede, dat hij in niets belang stelde.
+
+In Friesland heerschen nog -- toestanden. (Waarom niet _droevig_?)
+
+Hij was zoo -- over het slechte gedrag van zijn zoon, dat hij oud werd
+voor zijn tijd.
+
+Zulke -- verhalen passen niet voor de dartele jeugd.
+
+Huibert kwam, -- van zinnen, Moeder Duifkes woning binnen.
+
+
+120. Aanvaarden--aannemen--op zich nemen--ontvangen.
+
+_In het bezit van iets komen._
+
+~Aannemen~ en ~ontvangen~ onderstellen, dat de zaak ons door een ander
+wordt overgedragen; _aannemen_ drukt evenwel uit, dat men vrijwillig
+van het voorwerp bezit neemt (actief), terwijl _ontvangen_ meer een
+lijdelijk in bezit komen onderstelt. Men _ontvangt_ een wonde, maar men
+_neemt_ ze niet _aan_. Men _ontvangt_ onderwijs (lijdelijk), maar men
+_neemt_ iemands leerstellingen _aan_ (actief). Tegenover _ontvangen_
+staat dus _geven_, tegenover _aannemen_ kan men _aanbieden_,
+_overdragen_ stellen.
+
+~Aanvaarden~ geeft evenals aannemen ook wel een vrijwillig inbezitnemen
+te kennen, maar wijst er tevens op, dat die aanvaarding zekere plichten
+van ons eischt, bijv. de regeering _aanvaarden_. Zoodra men dus de
+verantwoording voor die plichten op zich neemt, zoodra men derhalve de
+betrekking of waardigheid _begint_ uit te oefenen, _aanvaardt_ men
+haar. _Hij heeft zijn benoeming tot voorzitter wel ~aangenomen~, maar
+de functie nog niet ~aanvaard~._ Daar dit aanvaarden gewoonlijk met
+eenige officiëele plechtigheid gepaard gaat (inhuldiging der Koningin,
+installatie van een burgemeester), gebruikt men ~aanvaarden~ ook wel in
+de beteekenis van aannemen, doch met het bijdenkbeeld van eenigszins
+op plechtige wijze; wat aanvaard wordt, moet dus een zaak van belang
+zijn, zoodat het in dit geval sterker of beleefder is dan aannemen.
+_~Aanvaard~ dit geschenk mijner hoogachting. Ik ~aanvaard~ uw erkenning
+van schuld._--Een geheel andere beteekenis heeft het woord in zinnen
+als: een reis ~aanvaarden~, d.w.z. beginnen te ondernemen.
+
+~Op zich nemen~ duidt aan, dat men zich verbindt iets te doen en de
+verantwoordelijkheid daarvan voor zijn rekening neemt; het bepaalt
+zich meestal tot het volbrengen van een enkele daad, terwijl
+~aanvaarden~ een voortdurende verantwoordelijke werkzaamheid onderstelt.
+_Hij ~nam op zich~, de verzoening tusschen de beide partijen tot stand
+te brengen._ (Na de verzoening was zijn taak afgeloopen.)
+
+ * * * * *
+
+Hebt gij mijn rekening wel --?
+
+Hebt gij den brief, met strafporto belast, --?
+
+Zou hij het beschermheerschap onzer vereeniging willen --?
+
+De nieuw gekozen voorzitter -- de benoeming aan en -- terstond zijn
+functie; ook heeft hij --, eenige nieuwe leden aan te werven.
+
+Ik verzoek u wel dit klein bewijs mijner erkentelijkheid te willen --.
+
+Bij dien volksoploop -- menigeen een sabelhouw.
+
+Ik --, u in zes maanden voor dat examen klaar te maken.
+
+Het was van hem een edele daad, geheel alleen de verantwoordelijkheid
+voor het tekort --.
+
+Wanneer zullen wij den tocht --?
+
+Hij heeft een opdracht van de regeering --, om een onderzoek naar den
+oorsprong dezer ziekte in te stellen, maar men gelooft, dat hij die
+opdracht niet zal --.
+
+De secretaris --, den president bij de -- van diens waardigheid te
+complimenteeren.
+
+
+121. Zwerven--dolen--dwalen.
+
+_Heen en weer gaan of trekken._
+
+~Dwalen~ duidt aan, dat men den rechten weg, die naar het doel
+voert, verlaten heeft, hetzij uit onkunde, hetzij uit achteloosheid
+(vergissing); in den regel zal men dan trachten het juiste pad terug te
+vinden. _Toen ik in het bosch van u afscheid genomen had, was ik den weg
+vergeten en heb langen tijd ~gedwaald~._
+
+~Dolen~ wijst aan, dat men geheel zonder doel rondtrekt, zooals bijv. de
+dolende ridders van voorheen, òf dat men zóózeer is verdwaald, dat de
+goede weg onmogelijk weer te vinden is. Het is dus sterker dan ~dwalen~.
+_Wacht u voor een ~dolenden~ gids._
+
+~Zwerven~ wijst een heen en weer trekken aan, waarbij men niet lang op
+dezelfde plaats blijft, gewoonlijk als gevolg van de omstandigheid, dat
+men geen vaste woonstede heeft. Een _zwervende_ volksstam. _Door de
+bosschen te ~zwerven~ is een genot._ (In dezen zin gebruikt men ook wel
+_dwalen_, maar dit is minder juist; immers bij _dwalen_ denkt men aan
+den juisten weg, dien men kwijt is, welke bijgedachte in _zwerven_ niet
+ligt opgesloten.) Verklaar nu:
+
+ Een donkre den bekroont den heuvelspits,
+ Een trotsche boom en de eenige in den omtrek.
+ Gelijk een vinger, wenkend wie daar _doolt_,
+ Wijst hij den weg den _afgedwaalden zwerver_.
+ (Hélène Swarth.)
+
+ * * * * *
+
+Als de herder --, -- de schapen.
+
+Een marskramer leidt een -- leven.
+
+Don Quichot wilde evenals de -- ridder op avonturen uitgaan.
+
+Ik geloof, dat gij op den -- weg zijt vervallen.
+
+In vroegeren tijd hield men veel van een ingewikkelden --hof.
+
+De Israëlieten moesten langen tijd tot straf door de woestijn --.
+
+De afdeeling soldaten, die Amsterdam in 1650 moest verrassen, raakte op
+de Gooische heide aan het --, zoodat de aanslag mislukte.
+
+Ik geloof, dat gij hierin --; een ander heeft, naar ik meen, het
+weefgetouw uitgevonden.
+
+
+122. Gemeen--laag--ruw--plat.
+
+_Wat ons fijn gevoel onaangenaam aandoet of kwetst._
+
+~Gemeen~ is oorspronkelijk: wat aan allen eigen is, dus iets zeer
+gewoons of alledaagsch (een ~gemeen~ soldaat); langzamerhand heeft
+het echter het bijdenkbeeld gekregen van wat de onbeschaafde menigte
+eigen is, zoodat het thans een zeer ongunstige beteekenis bezit, n.l.
+schurkachtig, eerloos, liederlijk. _Een ~gemeene~ kerel is tot allerlei
+schandelijke daden in staat._
+
+~Laag~ is het tegengestelde van hoog, verheven, edel, en komt vrijwel
+met gemeen overeen; het drukt vooral uit, dat iets met onze begrippen
+van eer in strijd is. Een _lage_ daad is het bijv. een vriend een geheim
+te ontlokken, om er zelf voordeel mee te doen.
+
+~Plat~ wijst aan, dat er geen verheffing is en ziet hoofdzakelijk
+op den onkieschen vorm, waarin men zijn gedachten uitdrukt. _Het
+is tegenwoordig bij vele schrijvers gewoonte om allerlei ~platte~
+uitdrukkingen uit den volksmond letterlijk weer te geven._ (Die
+uitdrukkingen zijn op zich zelf niet kwaad bedoeld, maar zij doen ons
+fijn gevoel toch onaangenaam aan.) Een _gemeene_ uitdrukking daarentegen
+is niet alleen plat, maar ook hoogst onzedelijk: zij _kwetst_ ons
+gevoel.
+
+~Ruw~ gebruikt men, wanneer onder het platte, onbeschaafde uiterlijk
+toch een goede of edele kern verscholen ligt, evenals een ruwe diamant
+een groote innerlijke waarde verbergt. Bijv. een matroos kan ruw zijn en
+toch een edel hart bezitten. Wij herinneren aan het bekende gedicht van
+Asschenberg. Een blinde man zit aan den weg te bedelen; een rijk, deftig
+heer geeft den stumper een .... oortje (¼ stuiver); maar een matroos,
+die juist zijn gage heeft ontvangen, werpt hem een handvol zesthalven
+toe met den uitroep: »Daar, blinde bl....! dat is beter dan een oortje!"
+De uitdrukking was in dit geval wel eenigszins plat, maar niet laag of
+gemeen: zij was alleen _ruw_. Gemeen of laag zouden die woorden geweest
+zijn, als de _rijke_ ze gebezigd had; zij hadden dàn den ongelukkige
+immers als een bespotting in de ooren geklonken en hem pijnlijk moeten
+aandoen.
+
+ * * * * *
+
+Wie zijn besten vriend verraadt, handelt --.
+
+Menig dronkaard slaat niet zelden -- taal uit.
+
+Al zijn sommige uitdrukkingen uit de achterbuurten ook --, zij geven
+niet zelden blijk van echten volkshumor.
+
+Justus van Maurik teekende meermalen een -- zeebonk, die toch ons hart
+weet te stelen.
+
+Doodgaan van een mensch gezegd is --.
+
+Een -- Griek wees den vijand een korteren weg door het gebergte aan.
+
+
+123. Neigen--hellen--overhellen--overhangen.
+
+_Een schuinen stand hebben._
+
+~Hellen~ wijst eenvoudig aan, dat er een afwijking van den loodrechten
+stand bestaat. _Deze muur ~helt~ naar links._
+
+~Overhellen~ drukt het begrip iets sterker uit. _De toren begint
+bedenkelijk ~over te hellen~._
+
+~Overhangen~ is nog sterker; het wijst er op, dat het voorwerp reeds
+bijna een horizontalen stand heeft gekregen en zoodoende zich boven een
+andere plaats bevindt. _De ~overhangende~ takken zullen wij laten
+kappen._
+
+Alleen ~overhellen~ wordt figuurlijk gebruikt. _In den slag bij
+Nieuwpoort bleef de strijd lang onbeslist, totdat eindelijk de
+overwinning naar Maurits' zijde begon ~over te hellen~._ (Men denkt
+hierbij onwillekeurig aan de balans, waarvan de tong overhelt. Werk het
+beeld verder uit!)
+
+~Neigen~ beteekent: in schuine richting nader bij den grond brengen of
+buigen, en komt vooral overgankelijk voor. _De bloemen ~neigden~ haar
+hoofd. »~Neig~, o God, Uw gunstige ooren!"_ (De Hoogere buigt zich tot
+den lagere.)
+
+ * * * * *
+
+Toen hij in het water viel, greep hij zich nog bijtijds aan een -- tak
+vast.
+
+De meening der vergadering was aanvankelijk verdeeld; ten slotte echter
+begon de meerderheid naar verwerping van het voorstel --.
+
+De berg -- zoo steil naar het dal, dat hij slechts met moeite te
+beklimmen is.
+
+De dag -- ten einde.
+
+Vroeger -- ook ik tot die meening over, thans ben ik tot andere
+gedachten gekomen.
+
+In enkele straten -- de huizen zoover over, dat zij op u dreigen neer te
+vallen.
+
+Reeds vroeg -- zijn hart zich tot het kwade.
+
+Kent gij de wetten van het -- vlak?
+
+Zijn heerschappij -- ten ondergang.
+
+
+124. Durven--wagen--zich verstouten--zich vermeten.
+
+_Den moed hebben om iets, dat gevaarlijk of moeilijk is, te ondernemen._
+
+~Wagen~ onderstelt, dat er aan de onderneming gevaar verbonden is en dat
+de uitslag niet zeker is, daar er zich verschillende zwarigheden kunnen
+opdoen, die men vooraf niet had kunnen voorzien. _De vluchteling stond
+eensklaps voor een breeden afgrond; toch ~waagde~ hij den sprong om zijn
+vervolgers te ontkomen._
+
+~Durven~ wijst aan, dat men den moed bezit, om het gevaar kalm te
+trotseeren of de mogelijke nadeelige gevolgen van zijn daad op zich te
+willen nemen. _Niettegenstaande het _»verboden toegang"_ ~durfde~ hij
+toch in het bosch te wandelen. Niemand ~durfde~ zich in het brandende
+huis te ~wagen~._ (Verklaar beide woorden: durven en wagen!)
+
+~Zich verstouten~ wijst aan, dat men meer bij oogenblikkelijke opwelling
+de vreesachtigheid overwint en dan moed voelt ontwaken. _Eerst ~durfde~
+ik niet over de zaak te spreken, maar later ~verstoutte~ ik ~mij~ en
+zeide hem de waarheid vlak in zijn gezicht._
+
+Gaat het ~zich verstouten~ gepaard met overschatting van zijn kracht,
+zoodat de onderneming groot gevaar loopt te mislukken, dan spreekt men
+van ~zich vermeten~; het heeft dus altijd een min of meer ongunstige
+bijbeteekenis. _Een vorst, die ~zich vermeet~, de rechten des volks met
+voeten te treden, ondermijnt zelf zijn troon._
+
+ * * * * *
+
+Wie niet --, die niet wint.
+
+Ik -- het u bijna niet te vertellen, wat hij van u gezegd heeft.
+
+Een oogenblik weifelde hij; toen echter -- hij zich eensklaps en -- den
+gevaarlijken sprong.
+
+Hoe hij zich heeft -- --, zijn meerderen openlijk aan te vallen, kon
+niemand zich begrijpen.
+
+Gij kunt op mijn medewerking niet rekenen; aan zulk een onderneming --
+ik niet mee te doen.
+
+Ik -- het, uw hulp in te roepen.
+
+Langen tijd verdroeg hij lijdelijk de spotternij zijner medeleden, tot
+hij zich eensklaps -- hen een gevoelige afstraffing toe te dienen.
+
+Wie zou zich --, Gods wegen te willen doorgronden?
+
+»Goed zoo, ge--! om een buil niet geven, -- maar het harte, dan volgt
+ook de voet!" (De Schaatsenrijder.)
+
+
+125. Doorgaans--gewoonlijk--meestal.
+
+_Wat bijna zonder uitzondering gebeurt._
+
+~Doorgaans~ zegt, dat iets in de meeste gevallen plaats heeft, dus
+zonder veel uitzonderingen. _Wij logeeren ~doorgaans~ iederen zomer in
+Baarn._
+
+~Gewoonlijk~ is sterker; het wijst op een gewoonte, een regelmaat,
+waarop zoo goed als geen uitzonderingen bestaan. _~Gewoonlijk~ ben ik 's
+avonds tusschen 7 en 8 het best te spreken._
+
+~Meestal~ is het zwakst; het onderstelt wel een regel, maar voegt de
+gedachte er bij, dat er nog wel eens uitzonderingen voorkomen. _Hij komt
+~meestal~ te laat op school._ (~Gewoonlijk~ is sterker!)
+
+ * * * * *
+
+_Beproef, of in onderstaande zinnen meer dan één woord kan worden
+ingevuld en geef in zulke gevallen telkens de gewijzigde beteekenis op._
+
+De menschen stellen -- hun eigen belang boven dat van anderen.
+
+De vreemdelingen bezoeken -- de prachtige ruïne op den berg.
+
+In de zomervacantie hebben wij -- elken dag regen gehad.
+
+Na een vermoeiende reis heeft mijn zuster -- hoofdpijn.
+
+Op een natten zomer volgt -- een mooi najaar.
+
+Men vindt -- bij de hoogste standen het minste levensgeluk.
+
+Bij een westenwind komt er -- regen.
+
+Deze polders werden in den winter -- overstroomd.
+
+De wereld wil -- bedrogen zijn.
+
+»De ouderdom komt met gebreken, En wie zeven kruisjes telt, Weet er --
+van te spreken."
+
+
+126. Volledig--volkomen--volmaakt.
+
+_Waaraan niets ontbreekt._
+
+~Volledig~ wijst aan, dat alle leden (of deelen), waaruit iets bestaat,
+aanwezig zijn. Een _volledige_ jaargang van »Eigen Haard". Niets is dus
+weg of achtergehouden.
+
+~Volkomen~ beteekent, dat alle vereischte eigenschappen behoorlijk en
+wel aanwezig zijn. Een _volkomen_ vierkant.
+
+~Volmaakt~ is in den volstrekten zin: vrij van eenig gebrek. God alleen
+is _volmaakt_. Daar echter alle menschelijk werk gebreken aankleven,
+zou er niets volmaakts op de wereld zijn; het woord wordt dan ook meer
+figuurlijk gebezigd in den zin van uitstekend, zóó, dat iets het
+volmaakte zeer nabij komt. Een _volmaakte_ gezondheid. Hieruit is het
+te verklaren, dat volkomen en volmaakt dikwijls voor elkander gebruikt
+worden: Een _volkomen_ gezondheid.
+
+ * * * * *
+
+Dit verhaal schijnt mij niet -- toe.
+
+Dit verhaal verdient geen -- geloof.
+
+Hij was de -- ridder, dien men kende.
+
+Ik heb een -- verzameling van onze postzegels.
+
+Gij kunt -- op hem vertrouwen.
+
+Op de volksschool behandel ik de spraakkunst niet meer --.
+
+In deze klasse heerscht een -- orde.
+
+Hij lijkt -- op zijn vader.
+
+Ik ben het -- met u eens.
+
+De dief legde een -- bekentenis af.
+
+
+127. Vlieten--vloeien--stroomen.
+
+_Beweging van niet-vaste stoffen._
+
+~Vloeien~ duidt een zachte, kalme beweging van vloeistoffen aan: _Het
+water ~vloeit~ over den grond.--De tranen ~vloeiden~ uit zijn oogen._
+
+~Vlieten~ wijst een meer voortdurende, kalme beweging in dezelfde
+richting aan, en wordt eveneens alleen van vloeistoffen gebruikt. Het is
+iets sterker dan _vloeien_ en behoort bovendien meer tot de schrijftaal.
+_De tranen ~vloten~ hem over de wangen._
+
+~Stroomen~ duidt een sterker beweging dan vlieten aan en wordt ook van
+gassen gebezigd. _De tranen ~stroomden~ hem over de wangen. De rivier
+~stroomt~; het beekje ~vliet~. De lucht ~stroomt~ van alle kanten toe._
+
+Verklaar nu de figuurlijke beteekenis van: Uit deze stelling _vloeit_
+voort, dat de buitenhoeken van een driehoek samen 10 rechte hoeken
+vormen.--Het volk _stroomde_ van alle zijden toe.
+
+ * * * * *
+
+Deze bron van inkomsten houdt weldra op te --.
+
+Ik hoor duidelijk het gas uit de kraan --.
+
+Zijn leven -- zacht en kalm daarheen. (Verklaar de teekenachtige
+uitdrukking!)
+
+De golven -- in wilde vaart over den dijk.
+
+Een stille traan -- uit zijn oog.
+
+Hieruit -- nog niet voort, dat ik u zal aanbevelen.
+
+Kabbelend -- het beekje tusschen groene weilanden voort.
+
+Een dichte menigte -- naar het feestterrein.
+
+
+128. Vleugel--vlerk--wiek.
+
+_Het lichaamsdeel om te vliegen._
+
+~Vleugel~ zegt dit in het algemeen: zoowel vogels als insecten hebben
+vleugels. Verder gebruikt men vleugel in figuurlijken zin om een vlugge
+beweging aan te duiden. _De schrik hecht ~vleugelen~ aan zijn voet.--Op
+~vleugelen~ der liefde kom ik tot u._
+
+~Vlerk~ beteekent gewoonlijk een gevederde vleugel en kan dus letterlijk
+alleen van vogels gebezigd worden.
+
+~Wiek~ is hoofdzakelijk beperkt tot de deftige figuurlijke taal en komt
+dan met vleugel overeen: het middel om zich snel te verplaatsen: _Op
+de ~wieken~ der verbeelding._ (Alleen in enkele spreekwijzen van het
+dagelijksch leven komt wiek voor: bijv. kortwieken, klapwieken, op eigen
+wieken drijven.)
+
+ * * * * *
+
+De struisvogels hebben wel -- maar zij kunnen er niet mee vliegen.
+
+Op de -- des winds naderde ons het heerlijke gezang.
+
+»Bontge-- vlinders zweven in den nooitvolprezen Mei."
+
+Dedalus wilde op wassen -- naar de zon vliegen.
+
+Wat een paar prachtige -- bezit deze vogel.
+
+Hij verhief zich op de -- der verbeelding in hooger sfeer.
+
+De linker -- van dezen papegaai is verlamd.
+
+De vrees hecht -- aan haar voeten.
+
+Hij is niet in zijn -- geschoten.
+
+Beschermend breidde hij de -- zijner liefde over mij uit.
+
+De linker-- van het gebouw is verwoest.
+
+
+129. Vernielen--verwoesten--vernietigen.
+
+_Een einde aan 't bestaan van iets maken._
+
+~Verwoesten~ zegt letterlijk: wat te voren een regelmatigen aanleg had
+woest (tot een woestijn) maken; bij uitbreiding van beteekenis duidt het
+ook aan: iets in een puinhoop doen verkeeren. _Het geheele land werd te
+vuur en te zwaard ~verwoest~.--Bij het bombardement werd de schoone
+hoofdkerk geheel ~verwoest~._
+
+~Vernielen~ heeft alleen betrekking op voorwerpen; het duidt aan, dat
+de deelen van elkander gescheiden worden, zoodat het voorwerp geheel
+verminkt en onbruikbaar gemaakt wordt. _Dat meisje heeft al weer haar
+pop ~vernield~._ (Waarom niet _verwoest_? Waarom kan men niet zeggen: De
+stad werd _vernield_?)
+
+~Vernietigen~ wil letterlijk zeggen: tot niet maken, dus zóó te werk
+gaan, dat er niets overblijft. (Vernielen en verwoesten laten altijd nog
+_iets_ achter.) Daar in de natuur geen volstrekte vernietiging denkbaar
+is, gebruikt men het woord bij voorkeur in figuurlijken zin, om het te
+niet doen van menschelijke instellingen of handelingen aan te wijzen.
+_Het verdrag is weer ~vernietigd~._ In letterlijken zin komt het bijv.
+voor in: _Ik heb uw brief ~vernietigd~_ (bijv. door verbranding); de
+brief als zoodanig heeft daardoor geheel opgehouden te bestaan. Vandaar
+dat het ook soms verdelgen beteekent: _De spreeuwen ~vernietigen~ veel
+schadelijke insecten._
+
+ * * * * *
+
+De hagel heeft de boekweit --.
+
+De hagel heeft de hoop op een goeden oogst --.
+
+De Noormannen hebben vele steden in ons land --.
+
+De nieuwe graaf -- vele voorrechten, door zijn voorgangers geschonken.
+
+Foei, wat heb je dat boek verschrikkelijk --.
+
+De sijsjes -- veel kleine insecten.
+
+Bij den Beeldenstorm zijn vele kunstwerken --.
+
+Men heeft langs scheikundigen weg een groot deel der archiefstukken --.
+
+De uitbarsting van den Vesuvius heeft vier steden --.
+
+De storm -- een groot deel der visschersschepen.
+
+Napoleons krijgsmacht werd in de sneeuwvelden van Rusland grootendeels
+--.
+
+De jenever heeft zijn gezondheid totaal --.
+
+
+130. Overeenkomst--verdrag--verbond.
+
+_Het aangaan van wederzijdsche verplichtingen._
+
+~Overeenkomst~ duidt aan, dat de belanghebbende partijen over de
+voorwaarden tot overeenstemming zijn gekomen en zich verplichten, die te
+zullen nakomen. _De schrijver heeft met den uitgever een ~overeenkomst~
+aangegaan omtrent het copierecht van dit werk._
+
+Wordt zulk een overeenkomst tusschen twee min of meer vijandige partijen
+(ook staten) gesloten, ten einde hun geschillen of belangen bij te
+leggen of te regelen, dan spreekt men van ~verdrag~. _Na het ~verdrag~
+van Delft verloor Jacoba van Beieren allen invloed._
+
+Wanneer personen of staten zich vereenigen om _een bepaald doel_ te
+bereiken met in achtneming van zekere voorwaarden, dan spreekt men van
+een ~verbond~. _Het Drievoudig ~Verbond~ redde ons land tijdelijk van
+een oorlog met Frankrijk._ (Men zou Frankrijk, desnoodig, gezamenlijk
+beoorlogen.)
+
+Opmerking. ~Overeenkomst~ heet in betrekking tot personen ook wel
+_contract_ en in betrekking tot staten of vorsten _conventie_; ~verdrag~
+noemt men ook wel _tractaat_, en ~verbond~ heet soms _alliantie_, _unie_
+of _compromis_.
+
+ * * * * *
+
+Deze makelaars hebben een -- getroffen, om een gelijk procent provisie
+te rekenen.
+
+Door het -- der Edelen werd de partij van den opstand eensklaps zeer
+sterk.
+
+Wij hebben met Frankrijk een nieuw handels-- gesloten.
+
+De stedelijke regenten tijdens de Republiek hadden geheime -- aangegaan
+om elkanders bloedverwanten te bevoordeelen.
+
+Na het -- van Rastadt werden de vijandelijkheden gestaakt.
+
+Men zegt, dat deze twee staten een -- hebben gesloten om den invloed van
+Engeland tegen te gaan. (Doel!)
+
+Naar men zegt, was er tusschen Engeland en Duitschland een geheime --
+aangegaan, om elkanders vijanden in geenen deele te steunen.
+
+
+131. Uitdenken--verzinnen--verdichten.
+
+_Iets nieuws bedenken._
+
+~Uitdenken~ wijst aan, dat men het gevondene uit verschillende reeds
+aanwezige gegevens opzettelijk bedacht heeft en er zich op heeft
+toegelegd een afgewerkt geheel te verkrijgen. Het heeft dus veel
+overeenkomst met uitvinden, maar dit laatste onderstelt, dat ook het
+bloote toeval den uitvinder kan helpen. _De beweegkracht voor die
+machine is vernuftig ~uitgedacht~_ (d.w.z., uit de voorhanden gegevens,
+n.l. de wetten van beweging, is deze nieuwe beweegkracht door het denken
+gevonden).
+
+~Verzinnen~ onderstelt ook wel een inspannen van onze gedachten, maar
+het wijst er vooral op, dat de fantasie de hoofdrol vervult. _Het kost
+mij veel moeite, allerlei voorbeelden te ~verzinnen~._ Soms duidt
+~verzinnen~ aan, dat een of andere bewering, die men voor waarheid
+uitgeeft, geheel onwaar is. _Dit bericht is van het begin tot het einde
+geheel ~verzonnen~._
+
+~Verdichten~ wijst er met nadruk op, dat het verzonnene als louter
+vrucht der verbeelding geen geloof verdient; men wil dus het verdichte
+niet als waarheid uitgeven, zooals bij _verzinnen_ het geval is. _De
+hoofdpersoon in dezen historischen roman is geheel ~verdicht~._
+
+ * * * * *
+
+Een zeker Duitsch officier Drais moet de fiets hebben --.
+
+De spreuk boven de deur is heel aardig --.
+
+Sommigen beweren wel eens, dat de koene daad van Jan van Schaffelaar
+geheel -- is.
+
+Wat -- hij al niet, om mij zoo te belasteren!
+
+Hij heeft een nieuw middel --, om een trein in volle vaart in een
+oogenblik te doen stilstaan.
+
+In de oudste geschiedenis van Rome is zeer veel --.
+
+Ik moet iets --, om mijn wegblijven te verontschuldigen.
+
+
+132. Straffen--bestraffen--tuchtigen--kastijden.
+
+_Iemand doen boeten voor bedreven kwaad._
+
+~Straffen~ zegt dit in het algemeen, dus zonder nadere aanduiding. _De
+dief werd met 3 jaren gevangenis ~gestraft~._
+
+~Bestraffen~ zegt, dat alleen een berisping (een afkeuring in woorden)
+wordt toegediend, en heeft dus betrekking op mindere vergrijpen. _Voor
+zijn lichtzinnig gedrag liep hij een ~bestraffing~ op._
+
+~Tuchtigen~ en ~kastijden~ hebben de bijgedachte, dat men den gestrafte
+wil verbeteren. ~Tuchtigen~ stelt de verbetering evenwel zoo goed
+als onmogelijk voor en is dus min of meer een wraakneming, terwijl
+~kastijden~ den gestrafte wel voor verbetering vatbaar acht. Bovendien
+doet kastijden vooral aan lichamelijke straf denken. _De roofzuchtige
+Kafferstammen werden door de Boeren meermalen ~getuchtigd~.--De vader
+~kastijdde~ den ongehoorzamen knaap._
+
+ * * * * *
+
+De overtreder wordt met een geldboete --.
+
+Wie wèl bemint, -- zijn kind.
+
+De bediende ontving voor zijn onvoorzichtigheid een welverdiende --.
+
+Sommige monniken -- zich.
+
+Karel de Vijfde deed een tocht naar Algiers om de zeeroovers te --.
+
+Hij is voor zijn misdaad reeds zwaar genoeg --.
+
+
+133. Smart--verdriet--hartzeer--leed.
+
+_Pijnlijke gemoedsaandoening._
+
+~Smart~ is het pijnlijke gevoel, dat ons plotseling treft en hevig
+aandoet. _De ~smart~ der ouders bij het vernemen van den dood van hun
+kind is niet te beschrijven._ (In letterlijken zin beteekent smart:
+lichamelijke pijn, maar wordt niet veel meer gebruikt.)
+
+~Verdriet~ is de onaangename stemming, die zich van ons meester maakt,
+wanneer het een of ander onzen geest kwelt; het ziet dus meer op een
+smart van langer duur. _De ouders hadden veel ~verdriet~ van hun zoon_
+(hij paste n.l. slecht op, en dit kwelde hen voortdurend).
+
+Is het verdriet nog heviger, zoodat ons lichaam er onder lijdt, dan
+spreekt men van ~hartzeer~; hoewel dus sterker dan verdriet, wordt
+het minder openlijk geuit, ja meestal in 't verborgen gedragen. _Uit
+~hartzeer~ over het slechte gedrag van zijn zoon is de vader aan een
+uitterende ziekte gestorven._
+
+~Leed~ is het kwaad, dat ons smartelijk treft, hetzij doordat het onze
+hoop teleurstelt, of ons met rouw vervult; het doet ons dus korter of
+langer tijd ~lijden~. _Moge God U voor dat ~leed~ bewaren_ (bijv. het
+verlies van een kind).
+
+ * * * * *
+
+In diepe -- stonden de nabestaanden om het lijk geschaard.
+
+Van -- over het verlies van zijn goeden naam is hij gestorven.
+
+Het deed hem innig --, dat hij op de begrafenis niet tegenwoordig kon
+zijn.
+
+Met -- hebben wij den dood van onzen vriend vernomen.
+
+Hij is sedert eenigen tijd zeer neerslachtig; men kan duidelijk zien,
+dat hij -- heeft.
+
+Het --, dat men den gevangen vrouwen aandeed, is te onmenschelijk om het
+te beschrijven.
+
+Met stille berusting droeg hij het --, dat hem wedervoer.
+
+Hoezeer zijn binnenste door -- verteerd werd, liet hij niets van zijn
+nameloos -- blijken.
+
+Het huwelijk met dien eerloozen bedrieger werd haar een bron van --.
+
+
+134. Behoedzaam--voorzichtig--omzichtig.
+
+_Met overleg te werk gaande, om gevaar (schade) te vermijden._
+
+~Behoedzaam~ duidt aan, dat men in gevaarlijke omstandigheden op zijn
+hoede is om zich voor schade te vrijwaren. Men zorgt zooveel mogelijk
+alles te voorkomen, wat het gevaar kan doen toenemen, terwijl men gereed
+is om, mocht het gevaar ons naderen, het zooveel doenlijk af te weren.
+_~Behoedzaam~, met het geladen geweer in de hand, naderde hij het hol
+van den leeuw._
+
+~Voorzichtig~ wijst aan, dat men zooveel mogelijk alle gevaren voorziet,
+die zouden kunnen ontstaan; daardoor kan men zijn handelingen zóó
+richten, dat men het gevaar tracht te ontgaan. _Hij was ~voorzichtig~
+genoeg om zich niet terstond door een belofte te verbinden. Gij moet het
+~voorzichtig~ behandelen_, d.i. alle voorzorgen in acht nemen, dat het
+voorwerp niet breekt.
+
+~Omzichtig~ is hij, die te midden van gevaren naar alle kanten om zich
+ziet, of er soms gevaar dreigt. Het heeft dus eenigszins de beteekenis
+van behoedzaam, maar het is nog sterker.
+
+De voorzichtige berekent vooraf de kansen, de behoedzame is zelden
+voortvarend, de omzichtige is vaak wantrouwend. (Verklaar de
+eigenschappen!)
+
+ * * * * *
+
+De dief was -- genoeg, om zich vooraf een masker voor te doen; hij liep
+-- den tuin door om op alle verdachte geluiden te letten, en eindelijk
+klom hij -- het venster binnen.
+
+Er waait een gure wind; gij moogt dus wel -- zijn en u warm aankleeden.
+
+Bij het kiezen van uw vrienden moet gij -- te werk gaan.
+
+Wij hebben de weduwe -- den dood van haar echtgenoot medegedeeld.
+
+De sluipmoordenaar naderde -- zijn slachtoffer, om hem niet te wekken.
+
+In gevaarvolle tijden is een -- leidsman noodig.
+
+De orang-oetan klimt meestal langzaam en --, maar tevens met groote
+zekerheid. Wil hij van den eenen boom in den anderen komen, dan slingert
+hij zich er -- heen.
+
+
+135. Altijd--altoos--steeds--immer--gedurig.
+
+_Wat zonder ophouden of uitzondering geschiedt._
+
+~Altoos~ en ~altijd~ zeggen dit zoowel van het verledene als van het
+toekomende: _Hij is ~altijd~ een braaf man geweest en zal het ~altoos~
+blijven._ Hoewel beide woorden meestal geheel zonder onderscheid in
+beteekenis voor elkander gebruikt worden, schijnt ~altoos~ meer het
+begrip van herhaling, en ~altijd~ dat van voortduring aan te duiden.
+_Ik heb dien hond wel twintigmaal weggejaagd, maar hij komt ~altoos~
+weer terug. Ik zal u ~altijd~ dankbaar blijven._ Bovendien begint
+_altoos_ meer en meer uit de schrijftaal te verdwijnen; zelfs in de
+spreektaal komt het niet meer zoo vaak voor.
+
+Evenals ~altijd~ ziet ook ~steeds~ op een onafgebroken voortduring
+zoowel in 't verleden als in de toekomst. Hoewel het in spreektaal
+gewoonlijk en in de schrijftaal vaak door ~altijd~ vervangen wordt, is
+het toch iets sterker dan ~altijd~. Het is n.l. met de bijwoordelijke
+_s_ afgeleid van 't oude bijv. nw. _stede_ (verwant met _stad_), dat
+~vast~, ~bestendig~ beteekende. Vandaar geeft ~steeds~ een onafgebroken
+voortduring te kennen, die van standvastigheid, bestendigheid,
+duurzaamheid getuigt, en wordt dus bij voorkeur in _goeden_ zin
+gebezigd. _Hij was mij ~steeds~ getrouw_ (niet bijv.: _~steeds~
+ontrouw_). Dit is dus iets sterker dan: _Hij was mij ~altijd~ getrouw_,
+daar _steeds_ de bestendigheid nog sterker doet uitkomen.
+
+~Immer~ ziet uitsluitend op de toekomst en duidt dan (sterker nog dan
+altijd) een onafgebroken voortduring der werking aan: _Ik zal u ~immer~
+getrouw blijven._
+
+~Gedurig~ duidde oorspronkelijk óók het begrip van onafgebroken
+voortduring aan, maar beteekent thans meer een herhaling der werking en
+is dan minder sterk dan altoos. _Hij komt ~gedurig~ hier._
+
+Wij zien dus, dat met uitzondering van ~gedurig~ in zijn tegenwoordige
+beteekenis het woord ~altijd~ in alle gevallen kan gebruikt worden. Denk
+daaraan bij de volgende zinnen.
+
+ * * * * *
+
+Ik heb het hem wel honderdmaal verboden en toch doet hij het -- weer.
+
+Ik zal mijn woord -- gestand doen.
+
+Ik vind het vervelend, dat hij mij -- lastig komt vallen.
+
+In dien storm heb ik -- aan u gedacht.
+
+Men moet -- zijn plicht doen.
+
+Als gij zoo kort in de buurt komt wonen, moet gij mij -- eens opzoeken.
+
+Ofschoon ik u ga verlaten, zal ik toch -- aan u denken.
+
+Als ik hem iets vraag, geeft hij mij -- een norsch antwoord.
+
+Hij vatte -- weer het plan op, om uit de gevangenis te vluchten.
+
+Ik heb het -- wel gezegd, dat hij niet te vertrouwen is.
+
+De koning was -- door een drom laaghartige vleiers omringd.
+
+
+136. Intrekken--afschaffen--herroepen.
+
+_Een bestaande verordening of gewoonte te niet doen._
+
+Geschiedt de tenietdoening door een bepaald persoon of door de overheid,
+dan gebruikt men ~intrekken~ of ~herroepen~, terwijl ~afschaffen~
+aanduidt, dat vooral de veranderde tijdsomstandigheden veel invloed
+op het te niet doen uitoefenen. Men gebruikt daarom ~afschaffen~
+vooral van gebruiken, gewoonten of instellingen, die verouderd zijn.
+_De Oudhollandsche kermis wordt meer en meer ~afgeschaft~._ Daarentegen
+gebruikt men ~intrekken~ en ~herroepen~ van wetten, besluiten, woorden,
+enz., waarbij een bepaalde persoon betrokken is. ~Herroepen~ onderstelt
+vaak (niet altijd) een dwang van anderen, terwijl ~intrekken~ meer
+een handeling uit eigen beweging aanduidt; bovendien wordt intrekken
+steeds gebezigd van voorstellen, die nog niet tot wet verheven zijn.
+~Herroepen~ wijst er op, dat iets vroeger is uitgeroepen, luide
+verkondigd, wat ~intrekken~ niet onderstelt. _Hij moest zijn lasterlijke
+beschuldiging openlijk ~herroepen~. Bij de troonsbestijging van Karel
+II werd de Acte van Seclusie ~ingetrokken~._ (Zij was vroeger in 't
+geheim uitgevaardigd, niet openlijk afgekondigd.)
+
+ * * * * *
+
+Na de bevrijding van de Fransche overheersching werd de censuur weer --.
+
+Men wilde hem dwingen zijn leerstellingen te --.
+
+De voorgestelde wet op het lager onderwijs zal worden --.
+
+Het zoogenaamde »plukgeld" (opcenten bij verpachtingen) is reeds in vele
+streken --.
+
+Uit eigen beweging heeft hij zijn lasterlijke woorden --.
+
+Door den graaf werden bij de aanvaarding van zijn regeering verscheidene
+privilegies --.
+
+Men dwong den lasteraar openlijk zijn beschuldiging te --.
+
+Na de -- van het Edict van Nantes kwamen zich hier vele vluchtelingen
+vestigen.
+
+Bij de komst der Franschen werd de pijnbank --.
+
+De hinderlijke bepalingen op het wielrijden werden --.
+
+
+137. Achteloos--onachtzaam--onoplettend--slordig.
+
+_De noodige zorg missende._
+
+~Achteloos~ en ~onachtzaam~ geven aan, dat men op zijn zaken of plichten
+niet voldoende acht geeft; onachtzaam slaat op een bepaald geval, op een
+_fout_, terwijl achteloos op een gewoonte, een _gebrek_ wijst. _Uit
+~onachtzaamheid~ stiet hij het glas van de tafel. Van iemand, die zoo
+~achteloos~ als hij is, kan men geen degelijk werk verwachten._
+
+~Onoplettend~ is hij, die niet opmerkzaam is op hetgeen hij doen moet;
+hij heeft zijn aandacht niet bij de zaak en loopt er te vluchtig over
+heen. _Als hij zoo ~onoplettend~ werkt, zal hij zich voortdurend
+vergissen._
+
+Is iemand achteloos uit traagheid of onordelijkheid, zoodat hij zijn
+zaken niet voldoende behartigt, dan noemt men hem ~slordig~; het is nog
+sterker dan achteloos. _Deze ontvanger is een ~slordig~ administrateur:
+zijn boeken zijn nooit in orde._
+
+ * * * * *
+
+Als gij zoo -- met uw geldzaken zijt, zult gij spoedig arm zijn.
+
+De cipier was zoo --, dat de gevangene gemakkelijk kon ontsnappen.
+
+Het is geen wonder, dat hij zijn zaken weer in de war heeft gestuurd;
+hij is er -- genoeg voor.
+
+Uit zijn -- kleeding blijkt voldoende, dat hij -- van aard is.
+
+Hij heeft zoo -- toegezien, dat hij niet eens mijn heengaan bemerkte.
+
+Waarom zijt gij zoo -- geweest, dat gij bij uw vertrek de deur niet hebt
+gesloten?
+
+
+138. Afgunst--wangunst--nijd--naijver.
+
+_Leedgevoel over het geluk van anderen._
+
+~Naijver~ drukt dit het zachtst uit; het onderstelt dat men mededingers
+heeft, die men voorbij wil streven. _In zijn ~naijver~ op den bijval,
+dien zijn kunstbroeders inoogstten, liet de clown zich tot een
+gevaarlijken sprong in den circus verleiden._
+
+~Afgunst~ duidt aan, dat men aan een ander niet gunt, wat hij bezit of
+ontvangt, terwijl ~wangunst~ bovendien te kennen geeft, dat men hetgeen
+een ander ten deel valt, zelf wenscht te bezitten.
+
+~Nijd~ is nog sterker dan wangunst; het wijst aan, dat iemands welvaart
+oorzaak is, dat men hem óók nog een kwaad hart toedraagt. (Vergelijk:
+brood~nijd~!)
+
+_Hoe hooger hij in de gunst des konings steeg, hoe meer hij daardoor
+de ~afgunst~ der overige hovelingen opwekte._ Sterker zou in dezen
+zin _nijd_ zijn, immers dan duidde men aan, dat de hovelingen hem ook
+vijandig gezind waren en hem misschien wel ten val zochten te brengen.
+_Wangunst_ zou gebruikt moeten worden, als de hovelingen in zijn plaats
+wilden komen.
+
+ * * * * *
+
+De kleine Willem was boos, dat zijn zusje van haar peettante een mooie
+pop gekregen had; uit -- greep hij de pop af en wierp ze in het water.
+
+Uit -- over de toenemende klandizie van zijn concurrent ging de
+winkelier hem van vervalsching der waren betichten.
+
+Uit -- sloeg hij al zijn waren in prijs af, om zijn concurrent diens
+klanten afhandig te maken.
+
+De onderlinge --, die er tusschen de groote mogendheden bestaat, is voor
+de kleine staten een der voornaamste waarborgen hunner zelfstandigheid.
+
+
+139. Laken--berispen--gispen--vitten--bedillen.
+
+_Een afkeurend oordeel vellen._
+
+~Laken~ zegt, dat iets onvoorwaardelijk is af te keuren en heeft
+hoofdzakelijk betrekking op handelingen, niet op de personen zelf. _Zijn
+onbetamelijk gedrag werd door ieder ~gelaakt~._
+
+~Berispen~ heeft de bijgedachte, dat een meerdere zijn mindere diens
+verkeerde handelingen onder 't oog brengt en hem in afkeurende woorden
+daarover bestraft; het wordt dus van de personen zelf gezegd. _De
+onderwijzer ~berispte~ den leerling over het slordige werk._
+
+~Gispen~ (d.i. met een gisp of roede slaan) geeft te kennen, dat men
+in scherpe bewoordingen iemands handelingen afkeurt of hekelt. _Het
+opzettelijk beleedigen van den gezant, waartoe de minister zich had
+laten verleiden, werd door de vredespartij streng in hem ~gegispt~._
+(Het komt hoofdzakelijk alleen in de schrijftaal voor.)
+
+~Bedillen~ wijst aan, dat men op iemands doen en laten kleingeestige
+aanmerkingen maakt uit zekere zucht om zich met alles te bemoeien. _Zijn
+afkeurende critiek behoeft gij u niet aan te trekken: hij staat algemeen
+bekend als iemand, die iedereen wil ~bedillen~._
+
+Ontstaat de afkeuring uit afgunst en ontaardt zij in een breed uitmeten
+van allerlei nietigheden of kleine gebreken, dan spreekt men van
+~vitten~. _Ik had wel gedacht, dat hij op dit boek zou gaan ~vitten~:
+hij is jaloersch op den opgang, dien het maakt._
+
+ * * * * *
+
+Het valt zonder twijfel in hem te --, dat hij zijn ouders niet beter
+ondersteunt.
+
+De klerk had een paar kantoorgeheimen verklapt, en werd daarover door
+zijn patroon ernstig --.
+
+Mijn buurman is het nooit naar den zin te maken; hij wil iedereen -- en
+heeft op alles wat te --.
+
+In zijn rede heeft deze spreker de weifelende houding van het bestuur
+ernstig --.
+
+De minister wilde den ambtenaar nog niet terstond ontslaan, maar heeft
+hem eerst openlijk --.
+
+Als gij zoo gaat --, begrijpt iedereen, dat wangunst u drijft.
+
+
+140. Bedaard--rustig--bezadigd--kalm.
+
+_De toestand, waarin de hartstochten geen heerschappij voeren._
+
+~Rustig~ is hij, die weinig beweging maakt, die niet opgewonden is, die
+zoowel innerlijk als uiterlijk rust geniet; hij acht zich geheel veilig
+en leeft in dat bewustzijn stil voort. _Een ~rustige~ slaap; een
+~rustig~ leven._
+
+Wie ~bezadigd~ is, windt zich niet spoedig op; de omstandigheden hebben
+weinig invloed op zijn gemoedstoestand; hij is in staat rustig over de
+zaken na te denken en laat zich niet door zijn hartstocht verblinden.
+_Hij heeft in een ~bezadigd~ artikel zijn meeningen uiteengezet, zoodat
+zelfs zijn tegenpartij het met waardeering bespreekt._
+
+~Kalm~ doet denken aan het water, dat niet door storm opgezweept
+of bewogen wordt. Het duidt een rustige gemoedsgesteldheid aan als
+gevolg van het zwijgen der hartstochten, zoodat alle heftigheid verre
+blijft. _Hij ontsliep zacht en ~kalm~_ (d.i. zonder heftigheid van den
+doodstrijd). _Hij dacht ~kalm~ na, over hetgeen hem na die ramp te doen
+stond._
+
+~Bedaard~ is hij, die evenals de natuur na een storm of onweer tot rust
+gekomen is, bij wien de hartstochten hebben uitgewoed; alle heftigheid
+is voorbij, zijn uiterlijk en zijn doen teekenen rust. _In een vloed van
+scheldwoorden gaf hij zijn gemoed lucht; daarna wandelde hij ~bedaard~
+verder. Mijn oom is nu een ~bedaard~ mensch, maar vroeger was hij altijd
+druk en opgewonden._--Soms wijst ~bedaard~ niet op een voorafgaande
+heftigheid, doch drukt men er mee uit, dat iemand op bewonderenswaardige
+wijze zijn hartstochten weet te bedwingen. _Hij hield zich ~bedaard~,
+hoezeer het in hem kookte._ (~Kalm~ is hier niet op zijn plaats; de
+hartstocht der woede immers beroerde wel degelijk zijn gemoed; kalm was
+hij dus niet, maar wel bleef hij ~bedaard~.)
+
+Wat is nu het verschil tusschen deze zinnen: »_~Kalm~ hoorde hij de
+beleediging aan_" en »_~Bedaard~ hoorde hij de beleediging aan_"?
+
+ * * * * *
+
+De zieke genoot een -- slaap.
+
+Ik heb hem als een -- man leeren kennen, hoezeer men hem als een vurig
+ijveraar had afgeschilderd.
+
+In die -- omgeving zal hij wel spoedig -- worden.
+
+Als gij u -- houdt, wil ik u alles mededeelen, wat hij heeft gezegd.
+
+In den politieken strijd laat men zich licht opwinden, en toch is het
+noodig, dat men -- blijft om -- over zijn tegenpartij te kunnen
+oordeelen.
+
+Zijn hoonende woorden griefden mij zóó, dat het mij moeite kostte -- te
+blijven.
+
+Gij moet een -- en -- leven leiden, of uw kwaal zal spoedig verergeren.
+
+Toen de leeuw zijn vervolgers bemerkt had, liet hij een doordringend
+gebrul hooren; daarna wachtte hij -- hun nadering af.
+
+
+141. Barst--scheur--spleet--kloof.
+
+_De verbreking van den onderlingen samenhang._
+
+~Barst~ duidt aan, dat er wel een scheiding tusschen de deeltjes
+bestaat, maar dat er nog geen zichtbare opening is; de bedoelde
+scheiding kan zelfs tot een kleine oppervlakte beperkt blijven. _Een
+~barst~ in een glas._
+
+Worden de deelen door scheuren, d.i. door een zekere kracht vaneen
+getrokken, dan ontstaat een opening, een ~scheur~: _een ~scheur~ in een
+jas; een ~scheur~ in het ijs_.
+
+Is de opening door splijten ontstaan, dus door grooter krachtsaanwending
+dan scheuren, dan spreekt men van ~spleet~; een spleet is dus grooter,
+wijder dan een scheur. _Een diepe ~spleet~ in de rots._
+
+~Kloof~ geeft te kennen, dat de opening wijd is en gaapt: _een breede
+rots~kloof~_.
+
+~Scheur~ zegt men van harde, zoowel als van zachte stoffen: een ~scheur~
+in glas, in linnen, in hout, in den kleigrond; ~kloof~ en ~spleet~
+alleen van harde voorwerpen (rotsgronden), terwijl ~barst~ gebruikt
+wordt van harde, maar toch broze stoffen: glas, ijs; dus niet van
+papier, linnen, enz.
+
+ * * * * *
+
+Kijk eens goed, ik geloof, dat er in dit mooie glas een -- is.
+
+Het ijs toonde wel eenige --, maar het was toch wel te berijden.
+
+De -- in het ijs zal men van nacht moeten volgieten.
+
+De japon bleef aan een spijker haken en kreeg een leelijke --.
+
+De berg zat vol overlangsche --.
+
+De vluchteling verschool zich in een diepe --.
+
+De muur van dit huis vertoont bedenkelijke --.
+
+Ik meen aan den klank te hooren, dat de groote torenklok een -- heeft.
+
+
+142. Ambacht--beroep--bedrijf--handwerk--nering.
+
+_Al deze woorden worden gebruikt, om een kostwinning aan te duiden._
+
+~Beroep~ is het algemeenst en tevens de vereerendste uitdrukking; het
+sluit het bijdenkbeeld in, dat men er voor geleerd of gestudeerd heeft
+en door een benoeming of aanstelling als 't ware er toe geroepen is. Het
+ziet meer op geestes- dan op handenarbeid. Advocaat, dokter, onderwijzer
+hebben dus een beroep. (Zie ook 143.)
+
+~Ambacht~, ~bedrijf~ en ~handwerk~ duiden meer lichamelijken arbeid aan.
+Bij ~handwerk~ denkt men aan arbeid, die door de handen wordt verricht
+en waarbij het vooral op kracht en vaardigheid aankomt: houtzagen,
+klompenmaken, nettenbreien.--~Ambacht~ onderstelt, dat men een zekere
+bekwaamheid bezit, die men door oefening of nadenken langzamerhand heeft
+verkregen; ook omvat het meer verscheidenheid van werkzaamheden; men
+moet het leeren en het staat dus hooger dan handwerk.--Een ~bedrijf~
+onderstelt een arbeid, die verscheidene verwante zaken omvat, bijv. het
+boerenbedrijf.
+
+~Nering~ ziet op een kostwinning, die door handel wordt verdiend, zooals
+bijv. bij kruideniers.
+
+Soms heeft ~beroep~ ook de ruimere beteekenis van ambacht, nering, enz.;
+bijv.: hij is van beroep timmerman. In dit geval wordt de kostwinning,
+die wij hierboven een beroep noemden, een ~ambt~ geheeten. (Zie no.
+143.)
+
+ * * * * *
+
+Zeg nu, wie der volgende personen een ambacht, beroep, bedrijf, handwerk
+of nering uitoefent: een notaris, een smid, een stratenmaker, een
+theehandelaar, een aannemer, een sigarenmaker, een bloemist, een
+fabrikant van diamanten.
+
+
+143. Ambt--waardigheid--bediening--post.
+
+_Maatschappelijke betrekkingen, waartoe men door de bevoegde macht is
+aangesteld._
+
+~Ambt~ onderstelt, dat voor de betrekking een zekere mate van kennis en
+ervaring noodig is en waarvoor men dus meestal een examen moet hebben
+afgelegd; men wordt in elk geval door de overheid of bevoegde macht
+toe benoemd.--~Bediening~, hetwelk oorspronkelijk aanduidt, dat men
+als ondergeschikte in iemands dienst staat, heeft nu een meer verheven
+beteekenis en wordt hoofdzakelijk van een predikant gezegd, hoewel
+ook deze een ambt bekleedt, n.l. het predikambt.--Bij het woord
+~waardigheid~ denkt men vooral aan de eer en het aanzien, die aan de
+betrekking verbonden zijn: een minister, een commissaris der Koningin
+bekleeden een waardigheid.--~Post~ ziet meer op een betrekking, waarbij
+het vooral op vertrouwen aankomt. Toch wordt het vaak geheel gelijk
+met ambt genomen: _Hij bekleedde jarenlang een eervollen ~post~._ Soms
+stelt het ook het voordeelige van een betrekking op den voorgrond: _Een
+vette ~post~._
+
+ * * * * *
+
+Een griffier bekleedt een --.
+
+De voorzitter der Staten-Generaal bekleedt een --.
+
+De Rijksontvanger bekleedt een -- of --.
+
+De predikant neemt een -- waar of bekleedt een --.
+
+De familie-regenten schonken alle voordeelige -- aan hun verwanten.
+(Waarom hier niet waardigheid of ambt?)
+
+De notaris werd uit zijn -- ontzet.
+
+Aan den Prins werden alle -- zijner voorvaderen erfelijk opgedragen.
+
+
+144. Wachten--verwachten--afwachten--verbeiden.
+
+_Op dezelfde plaats of in denzelfden toestand blijven, totdat iets
+gebeurt._
+
+~Wachten~ geeft dat blijven op dezelfde plaats zonder nadere aanduiding
+aan. _Ik ~wachtte~ voor het hek, tot de trein voorbij was._
+
+~Verwachten~ onderstelt, dat men met zekere belangstelling (verlangen,
+vrees) uitziet, naar hetgeen gebeuren zal en dat men daarop min of meer
+stellig rekent. _Ik ~verwacht~ ieder oogenblik mijn vader. Ik ~verwacht~
+een ongeluk._
+
+~Verbeiden~ drukt hetzelfde uit, maar geeft tevens nog aan, dat men met
+innig verlangen de gebeurtenis tegemoet ziet; het behoort alleen tot den
+deftigen stijl. _De ~langverbeide~ dag was eindelijk gekomen._ (Waarom
+kan men dus niet zeggen: De langverbeide _ramp_ was eindelijk gekomen?)
+
+Bij ~afwachten~ denkt men aan wachten, tot iets komt of iets gebeurt
+en wel met eenige zekerheid. Wanneer men een bezoek _afwacht_, wacht
+men zonder iets anders te doen, totdat de bezoekers komen, om op dat
+oogenblik gereed te zijn en hen naar behooren te ontvangen. _Verwacht_
+men bezoek, dan ziet men gedurig (met belangstelling) eens uit, of
+de gasten komen, terwijl men op hun bezoek rekent, door zich bijv.
+behoorlijk te kleeden, maar men blijft niet (zooals bij afwachten)
+op hen zitten wachten, daar men niet volkomen zeker van hun komst
+is.--~Afwachten~ wijst, figuurlijk gebruikt, op een geduldig wachten
+tot het einde toe, terwijl ~verwachten~ meer op het vooruitzien zelf
+slaat. _Gij moet altijd kalm den uitslag ~afwachten~: dikwijls is hij
+gunstiger, dan gij hadt durven ~verwachten~._
+
+Ook heeft ~afwachten~ soms de beteekenis van _zich laten welgevallen_ of
+_verdragen_: _Uw bevelen verkies ik niet ~af te wachten~._
+
+ * * * * *
+
+Laten wij hier zoolang --, tot de bui overgetrokken is.
+
+Laten wij hier de bui --, wij blijven er droog.
+
+Hoelang hebt gij op mij --?
+
+O zaal'ge stond, zoo lang --!
+
+De stoutmoedige jager waagde het, de nadering van den leeuw kalm --.
+
+Ik had --, dat hij boos op mij zou zijn.
+
+Heel het volk -- de ure, die de verlossing brengen zou.
+
+Eens voor al gezegd: ik wil geen complimenten --.
+
+Gij kunt gerust komen, ik zal uw bezoek gaarne --.
+
+Toen ik daar op den trein stond te --, om de komst van den vorst --, had
+ik niet --, dat uw broer er ook zijn zou.
+
+
+145. Afkeeren--afleiden--afwenden--aftrekken.
+
+_Van richting doen veranderen._
+
+~Afkeeren~ onderstelt, dat de richting veranderd wordt, doordat men het
+naderende voorwerp weet te doen _keeren_, d.i. draaien in tegengestelde
+richting. Ook _wenden_ beteekent wel keeren of draaien, maar meer in een
+zijdelingsche richting. _Een gevaar ~afkeeren~_ wil dus zeggen: maken,
+dat het zich weer in tegengestelde richting van ons verwijdert, of dat
+het teruggaat; _het gevaar ~afwenden~_ beteekent: het gevaar een andere,
+zijdelingsche richting geven, zoodat het niet ons, maar mogelijk wel een
+ander treft. ~Afkeeren~, dat dus een rechtstreeksch optreden, een
+afdoenden maatregel onderstelt, is derhalve sterker dan ~afwenden~;
+hierbij toch blijft feitelijk het gevaar bestaan.
+
+~Afleiden~ is ook wel een andere richting aan iets geven, doch wijst een
+langzame, bijna ongemerkte richting aan; de beweging blijft wel bestaan,
+doch men leidt ze, zooals men ze verlangt. _Toen zij in haar onderhoud
+die onaangename zaak dreigde aan te roeren, wist hij behendig het
+gesprek daarvan ~af te leiden~._
+
+~Aftrekken~ is sterker dan afleiden; het wijst niet alleen aan, dat de
+richting geheel wordt verlaten, maar ook, dat dit met meer of minder
+kracht geschiedt. (Denk aan _trekken_!) _Hij heeft zich van de wereld
+~afgetrokken~, om zich aan godsdienstige overpeinzingen te wijden._
+
+ * * * * *
+
+Het gevaar voor een vijandelijken inval werd --, doordat de regeering de
+grenzen geducht liet versterken.
+
+Het gevaar, dat ons huis door de vlammen zou worden aangetast, werd --,
+doordat de wind draaide.
+
+Mijn aandacht werd door dit tooneel zoo --, dat ik niet meer op mijn
+gezelschap lette.
+
+Om verdere overstrooming te voorkomen, zal men een een gedeelte van het
+rivierwater --.
+
+Gij moet trachten zijn treurige gedachten wat --.
+
+Na zooveel ondankbaarheid van zijn gunsteling te hebben ondervonden,
+heeft de vorst zich geheel van hem --.
+
+Het voetvolk -- den aanval der ruiterij af, doch hiermee was alle gevaar
+voor het leger niet --.
+
+
+146. Afschrijven--naschrijven--overschrijven--uitschrijven.
+
+_Een afschrift maken of copiëeren._
+
+Bij ~afschrijven~ denkt men aan het maken van afschriften van
+belangrijke geschreven of gedrukte stukken; ~naschrijven~ wijst aan,
+dat gedeelten van geschreven of gedrukte werken door een auteur
+worden overgenomen, om ze als eigen werk uit te geven (plagiaat);
+~overschrijven~ gebruikt men voor het in het net schrijven van hetgeen
+men reeds in klad heeft gemaakt, of niet netjes genoeg heeft geschreven.
+~Uitschrijven~ ziet op het overnemen van belangrijke gedeelten uit een
+boek of handschrift, om er later zoo noodig gebruik van te maken. (In de
+schoolwereld gebruikt men vaak het woord, als een leerling een gedeelte
+uit een boek moet copiëeren, hetzij tot straf, hetzij om zuiver te
+leeren schrijven.)
+
+ * * * * *
+
+De kantoorklerk moest de koopakte tweemaal --, daar elk der beide
+partijen een copie wilde hebben.
+
+Men beschuldigt dezen auteur, dat hij wel het derde deel van zijn boek
+heeft --.
+
+Ik vind deze studie van prof. Fruin zoo belangrijk, dat ik er een groot
+deel van heb --.
+
+Deze jongen had zijn werk zoo slordig gemaakt, dat hij het moest --.
+
+Je zoudt me een groot pleizier doen, als je dit oude handvest
+(privilegie) voor mij woordelijk in Latijnsche letters wilde --; ik kan
+het Gotisch schrift moeilijk lezen.
+
+De leerling had de regels voor de vervoeging zoo slecht geleerd, dat hij
+ze tienmaal moest --.
+
+
+147. Aantreffen--ontmoeten--tegenkomen--vinden.
+
+_De aanwezigheid van iets of iemand opmerken._
+
+~Vinden~ zegt meestal, dat men opzettelijk naar die aanwezigheid zocht.
+_Na lang zoeken, heb ik hem eindelijk ~gevonden~._ Soms is ook de
+bijgedachte van zoeken geheel verdwenen. ~Aantreffen~ geeft meer een
+toevallig samentreffen aan: _Ik dacht hem in het bosch te vinden en ik
+~trof~ hem op het station ~aan~._ Duidelijk komt het verschil uit in
+een zin als deze: _Ik heb hem den geheelen dag gezocht en ik ~trof~ hem
+bij zijn oom ~aan~._ (Hier had ik hem niet verwacht te vinden.) _Ik heb
+hem den geheelen dag gezocht en hem eindelijk bij zijn oom ~gevonden~._
+(Hier wordt gezegd, dat ik ook nog ten laatste bij zijn oom ging
+zoeken.)--~Ontmoeten~ duidt aan, dat beide personen van verschillende
+zijden samenkomen. Het kan zoowel toevallig als opzettelijk zijn:
+_Ik ~ontmoette~ hem toevallig bij het aangaan der kerk. Wij hebben
+afgesproken elkaar om zeven uur bij de kerk te ~ontmoeten~._ Bij
+~ontmoeten~ bestaat de mogelijkheid, dat één der samenkomenden zich
+bij de ontmoeting in rust bevindt; wil men uitdrukken, dat beiden
+in beweging (in tegengestelde richting) zijn, dan gebruikt men
+~tegenkomen~. _Op zijn wandeling naar Amersfoort ~kwam~ hij mijn neef
+~tegen~._ (Deze wandelde op dat oogenblik dus ook; misschien gingen
+beiden later verder huns weegs; maar zij kunnen ook verder bij elkander
+gebleven zijn.) ~Aantreffen~ verschilt hierin van tegenkomen of
+ontmoeten, dat de aangetroffene niet van plaats verandert, dus in een
+toestand van rust verkeert. _Op den weg naar A. ~trof~ ik hem in het
+hotel ~aan~._ In fig. zin worden ~vinden~, ~ontmoeten~ en ~aantreffen~
+ook toegepast op personen en zaken, die zich ergens bevinden en wier
+aanwezigheid men moet of kan opmerken: _In Zwitserland ~vindt~ men hooge
+bergen, ~treft~ men hooge bergen ~aan~. In dit boek ~ontmoet~ men vele
+onjuistheden._
+
+ * * * * *
+
+Als gij oplettend toeziet, zult gij de fout wel --.
+
+Ik -- niet graag menschen, die zichzelf altijd op den voorgrond stellen.
+
+In Friesland worden uitmuntende weilanden --.
+
+Tot mijn groote verrassing heb ik mijn vriend dit jaar in de badplaats
+--, terwijl ik hem in Zwitserland zou gezocht hebben.
+
+Dit gedicht schijnt mij bekend toe; ik heb het zeker vroeger al eens --.
+Ik zal eens zoeken, bij welken dichter ik het -- kan.
+
+Schrijf mij eens, waar ik u in de stad -- kan.
+
+Op mijn fietstocht ben ik mijn vriend in de auto --.
+
+Men -- in de wereld meer leeds dan liefs.
+
+Na lang zwerven -- de karavaan eindelijk een oase.
+
+Volgens afspraak dacht ik mijn neef op zijn thuisreis in Utrecht te --,
+maar hij heeft mij teleurgesteld.
+
+Op onze wandeling naar Soestdijk -- wij de Koningin.
+
+
+148. Aanstonds--dadelijk--terstond--weldra--spoedig--gauw.
+
+_Deze woorden duiden aan, dat een handeling in zeer korten tijd
+afloopt._
+
+~Terstond~ en ~aanstonds~ geven te kennen, dat de handeling op hetzelfde
+oogenblik (stonde) plaats heeft. ~Aanstonds~ evenwel onderstelt nog een
+kleine tusschenruimte van tijd. _Nauwelijks had ik hem geroepen, of
+~terstond~ kwam hij binnen. Even geduld, ik zal je ~aanstonds~ helpen._
+
+~Dadelijk~ komt zeer veel met terstond overeen: het wijst aan, dat men
+tot de ~daad~ overgaat zonder uitstel, zonder woordenwisseling, zonder
+bedenking. _Ik vroeg hem mij te helpen en ~dadelijk~ was hij daartoe
+bereid._ Als bijwoord is het meer tot de spreektaal beperkt; als
+bijvoegelijk naamwoord komt het daarentegen uitsluitend in de
+schrijftaal voor: _zonder de ~dadelijke~ hulp van den arts was de
+gewonde zeker verloren geweest_.
+
+~Spoedig~ en ~gauw~ zeggen, dat de handeling met snelheid wordt
+uitgevoerd en dus weinig tijd vordert. Er moet derhalve wel aan eenig
+tijdsverloop gedacht worden. ~Gauw~ ziet meer op de vlugheid of snelheid
+van beweging (»gauw" als water), terwijl ~spoedig~ meer aanduidt, dat er
+spoed, voortgang gemaakt wordt. Gewoonlijk is in gemeenzame taal ~gauw~
+gebruikelijker dan ~spoedig~. _Hij heeft mij ~spoedig~ geholpen. Men had
+~spoedig~ een veldtent opgeslagen. Die boodschap heb je ~gauw~ gedaan._
+Soms ook is bij ~spoedig~ en ~gauw~ het denkbeeld van snelheid der
+handeling geheel op den achtergrond gedrongen en wordt alleen aan het
+korte tijdsverloop gedacht. In dit geval komen zij meer met aanstonds,
+dadelijk, terstond overeen, maar wijzen dan een eenigszins grootere
+tijdruimte aan. _Hij zal ~spoedig~ hier zijn. Hij is ~gauw~ jarig._ In
+deze beteekenis kan ook ~weldra~ gebruikt worden, maar dit woord komt
+bijna uitsluitend in de schrijftaal voor. _Men mag ~weldra~ de indiening
+van het wetsontwerp verwachten._
+
+ * * * * *
+
+Wie -- helpt, helpt dubbel.
+
+Als ik je roep, moet je -- komen.
+
+Je hebt veel te -- geschreven, ik kan er haast niets van lezen.
+
+Men verwacht algemeen, dat de vrede -- geteekend zal zijn.
+
+Dank zij de -- toegeschoten hulp, werd de brand nog tijdig gebluscht.
+
+Hij is zoo -- als water; houd hem dus goed in het oog.
+
+Ik zal -- komen; eerst moet ik nog dit briefkaartje schrijven.
+
+Hij was op mijn verzoek -- bereid het boek af te staan.
+
+Als de warmte eenigen tijd aanhoudt, zal men -- kunnen oogsten.
+
+(Verklaar, waarom men soms meer dan één woord kan invullen.)
+
+
+149. Dom--onwetend--onkundig--onnoozel.
+
+_Weinig verstand of kennis bezittend._
+
+~Dom~ zegt men van iemand, die een zeer traag verstand bezit, die vele
+zaken niet of zeer moeilijk kan begrijpen en daardoor in het algemeen
+weinig kennis zal bezitten. _Hij is veel te ~dom~ om voor dokter te
+studeeren. Hij is nog te ~dom~ om in de volgende klasse te komen._ Soms
+beteekent het ook gebrek aan doorzicht: _hij heeft een ~dommen~ streek
+uitgehaald_.
+
+~Onnoozel~ duidt aan, dat iemand slechts zwakke geestvermogens en
+daardoor een zeer beperkt verstand bezit, zoodat hij geen blijken kan
+geven met oordeel te handelen. _Die jongen is ~onnoozel~. De ~onnoozele~
+hals geloofde alles, wat wij zeiden._
+
+~Onkundig~ en ~onwetend~ wijzen beide op gemis aan kennis, zonder
+daarbij op den natuurlijken aanleg te letten. ~Onkundig~ heeft meer
+betrekking op de kennis van een bepaalde zaak, ~onwetend~ ziet meer op
+het ontbreken van algemeene kennis. _Men liet de vrouw lang ~onkundig~
+van den dood harer zuster.--Hij is wel vlug van begrip, maar hij heeft
+weinig onderwijs genoten, zoodat hij zeer ~onwetend~ is._
+
+ * * * * *
+
+Het -- volk beschuldigde de geneesheeren, dat zij de cholera-lijders
+vergiftigd hadden.
+
+Zij was -- genoeg te meenen, dat men op haar gezelschap gesteld was.
+
+De regeering is nog -- van de samenzwering, die er dreigt.
+
+Hij is in vele dingen nog zoo --, dat men hem gemakkelijk bedriegen kan.
+
+Al mag die jongen ook niet -- zijn, hij ziet er toch in elk geval zeer
+-- uit.
+
+
+150. Dartel--speelsch--speelziek--uitgelaten.
+
+_Tot vroolijkheid geneigd._
+
+Openbaart zich deze neiging als gevolg van levenslust in vlugge
+bewegingen of in scherts en luim, dan spreekt men van ~dartel~. _Die
+jongen is zoo ~dartel~, dat hij mij bij mijn werk hindert._ Uit zich de
+dartelheid bij jonge kinderen vooral in den lust om te spelen in plaats
+van te leeren, dan spreekt men van ~speelsch~. _Dit ventje is nog te
+~speelsch~ om lang achter elkander stil te zitten leeren._ Wordt deze
+speelschheid bij grootere kinderen aangetroffen, zoodat zij hun werk
+veronachtzamen, dan noemt men hen ~speelziek~. _Als die jongen zoo
+~speelziek~ blijft, zal hij niet kunnen overgaan._ (~Speelziek~ heeft
+dus een ongunstige beteekenis, wat bij ~speelsch~ niet het geval is.)
+Wordt de dartelheid bij ouderen door een of andere blijdschap sterk
+overdreven, dan spreekt men van ~uitgelaten~. (Het beeld is ontleend aan
+het jonge vee, dat men uit den stal laat en dat zijn vroolijkheid door
+dartel springen aan den dag legt.) _De studenten waren zoo ~uitgelaten~,
+dat men ze al van verre kon hooren._ ~Dartel~ te zijn ligt meer in
+iemands karakter, terwijl ~uitgelaten~ meer op een enkel geval ziet.
+
+ * * * * *
+
+De kinderen huppelen -- de weide rond.
+
+Dit hondje is nog zoo --, dat het alles, wat los en vast is, beetgrijpt.
+
+Foei, je moest je schamen, zóó oud en nog zóó --.
+
+Zij waren zoo -- van blijdschap, dat zij de allerzotste dingen deden.
+
+ »Hoe is natuur zoo stil, zoo plechtig!
+ Het -- windje kwijnt."
+
+
+151. Mat--moe--vermoeid--afgemat--loom.
+
+_Ongeschikt tot krachtsinspanning._
+
+~Mat~ is men door een oorzaak _buiten_ ons, bijv. _~mat~ van de warmte_;
+het komt dus eenigszins met ~loom~ overeen, d.w.z. traag van beweging.
+(Schaak~mat~ is de koning, als hij zich niet meer bewegen kan; ~mat~ is
+dus sterker dan loom.) Van kleuren gezegd beteekent _mat_ zooveel als
+dof: _matblauw_.
+
+~Moe~ duidt eenvoudig den toestand aan, waarin men zich na zwaren arbeid
+bevindt, terwijl ~vermoeid~ ook let op de oorzaak der vermoeidheid en
+tevens grootere moeheid aanwijst: _Hij is erg ~moe~ en mag wel wat
+uitrusten. Hij is door het onbesuisde fietsen zeer ~vermoeid~._
+
+~Afgemat~ is nog sterker dan vermoeid; meestal is deze graad van
+vermoeidheid op het gelaat te zien of aan mindere helderheid van geest
+te bemerken.
+
+Opmerking. Het woord ~mat~ wordt gewoonlijk alleen in de alliteratie:
+_mat en moe_ gebruikt.
+
+ * * * * *
+
+Ik ben wat -- van de wandeling en blijf dus liever thuis.
+
+Zij was van de lange reis zoo --, dat zij wel twee dagen te bed moest
+blijven.
+
+Bij zulk een hooge temperatuur gevoelt zich ieder --.
+
+Wordt gij soms -- van dit werk?
+
+Door het lange spreken was hij zoo --, dat hij verder van het woord
+afzag.
+
+»O van uit die groene zoden, Waar zij rusten -- en --, Ruischt er van
+mijn lieve dooden 't Blijde wederzien mij toe."
+
+Door de wekenlange inspanning zag hij er zeer -- uit.
+
+Een flinke jongen, als jij bent, moet niet zoo gauw -- worden.
+
+Er lag een -- tint over het landschap.
+
+Naar lichaam en geest -- viel zij in een zware ziekte.
+
+Er lag iets drukkends, iets -- over de feestelijke stemming. (Verklaar
+dit fig. gebruik.)
+
+
+152. Klimmen--klauteren--stijgen--rijzen.
+
+_Zich in de hoogte begeven._
+
+~Stijgen~ kan met een enkelen stap geschieden: _hij ~stijgt~ te paard_,
+terwijl ~klimmen~ altoos meer stappen onderstelt en dus ook met meer
+moeite gepaard gaat: _hij ~klimt~ den berg op_. Heeft men bij het
+klimmen ook de handen noodig, dan spreekt men van ~klauteren~; dit gaat
+dus met nog meer moeite gepaard dan klimmen: _hij ~klauterde~ tegen de
+rots op_. ~Rijzen~ sluit alle begrip van inspanning uit: _het water
+~rijst~_, _de zon ~rijst~_, enz. In figuurlijken zin gebruikt men zonder
+onderscheid in beteekenis voor rijzen ook wel stijgen of klimmen, maar
+nooit klauteren, bijv.: »_de lofzang ~klimt~ uit Sions zalen_".
+
+ * * * * *
+
+Laten wij op dezen heuvel --, dan hebben wij een ruim uitzicht.
+
+De prijs van het koren is --.
+
+Bij het -- zijner jaren verloor hij zijn levenslust niet. (Hier is
+~klimmen~ beter, om het trapsgewijze stijgen sterker aan te duiden.)
+
+De barometer is sedert gisteren een weinig --.
+
+De matrozen -- als katten in het want.
+
+Uit duizend kelen -- een donderend hoera! op.
+
+Het water -- aan zijn lippen.
+
+Van uur tot uur -- onze ongerustheid. (Denk aan het trapsgewijze
+rijzen!)
+
+Hij is van een geringe afkomst tot een hoogen staat --.
+
+De dieven -- tegen den tuinmuur op en -- daarna het achterraam binnen.
+
+
+153. Aandoen--treffen--roeren--schokken.
+
+_Meer of minder sterk op het gemoed werken._
+
+~Aandoen~ wijst op het teweegbrengen van een gevoel van droefheid of
+van medelijden; soms ook van vreugde. _Bij het afscheid was hij zeer
+~aangedaan~. Deze hulde ~deed~ den jubilaris zoo ~aan~, dat hij niets
+kon zeggen._
+
+~Treffen~ is sterker, daar het als een schot dieper in ons gemoed
+doordringt. _Het was ~treffend~ te zien, hoezeer de gelukkige moeder den
+redder van haar kind met dankbetuigingen overlaadde._
+
+~Roeren~ is een aandoen, dat in ons binnenste de teederste snaren
+aanroert; het is dus inniger dan aandoen. _De omstanders waren
+~getroffen~, toen zij zagen, hoe ~roerend~ de moeder den redder van haar
+kind dankte._
+
+~Schokken~ duidt aan, dat men plotseling als door een schok getroffen
+of geroerd wordt; het heeft dus altijd eenigszins de bijgedachte van
+schrik. _De plotselinge dood van haar vader heeft haar diep ~geschokt~._
+
+ * * * * *
+
+Onder het lezen van dit droevig verhaal werd hij zeer --.
+
+Door zooveel blijken van innige deelneming diep --, had hij moeite zijn
+dank uit te spreken.
+
+Het onverwachte verlies van zijn vermogen heeft hem zoo --, dat men voor
+zijn leven vreest.
+
+De diepbedroefde vrouw gaf haar boezem lucht in een -- smeekbede om
+gratie voor haar echtgenoot.
+
+Het »Haantje van den Toren" kan niemand lezen, zonder -- te worden; vele
+passages zijn zoo fijngevoelig geteekend, dat zij ons diep --; het --
+ons, dat de zieke steeds zoo vol hoop blijft, al staat de dood voor de
+deur en, het -- ons bijna, als wij lezen, dat op haar begrafenis
+eindelijk de zoo lang verbeide zoele zuidenwind waait.
+
+
+154. Verwonderen--verbazen--bevreemden--verrassen.
+
+_Deze woorden duiden aan, dat iets ons vreemd toeschijnt._
+
+Wat anders uitkomt, dan wij verwacht hadden, of wat nieuw,
+onbegrijpelijk of onverwacht voor ons is, ~verwondert~ ons. _Het
+~verwondert~ mij, dat hij met zulk weer nog gekomen is._ (Het is
+anders, dan wij verwacht hadden.) _Het ~verwondert~ een kind, dat de
+magneetnaald altijd naar het noorden wijst._ (Een natuurkundige vindt
+het zeer gewoon, maar een kind begrijpt het niet.) _Het ~verwonderde~
+hem, zijn vriend daar aan te treffen._ (Het was voor hem onverwacht.)
+
+Is onze verwondering zeer groot, dan spreekt men van ~verbazen~. _Hij
+had mij stellig beloofd thuis op mij te wachten; het ~verbaasde~ mij
+dan ook niet weinig, dat hij bij mijn komst reeds vertrokken was._
+
+Is er in hetgeen ons verwondert, iets vreemds (onverklaarbaars of
+raadselachtigs) gelegen, dan gebruikt men ~bevreemden~; het heeft dus
+in den regel een onaangename bijbeteekenis. _Het ~bevreemdde~ mij zeer,
+dat hij zoo teruggehouden tegenover mij was; ik kon ten minste niet
+vermoeden, dat ik hem iets misdaan had._
+
+~Verrassen~ daarentegen gebruikt men, als het onverwachte ons aangenaam
+aandoet. _De onverwachte bevordering heeft mij zeer ~verrast~._ (Men
+zegt wel: _de dieven werden ~verrast~_, maar dan heeft verrassen de
+beteekenis van overvallen, en is dus geen synoniem van de bovenstaande
+woorden: zie no. 81.)
+
+ * * * * *
+
+Het -- ons dikwijls, dat ontwikkelde menschen nog zoo vaak bijgeloovig
+blijken.
+
+Met zulk een practisch geschenk zult gij hem zeker --.
+
+Het -- ons, dat in dat dorp alle huizen van hout waren.
+
+Het geheimzinnig gedrag van onzen vriend -- ons.
+
+Het bezoek van mijn vader heeft mij niet weinig --.
+
+Heeft het u ook niet --, dat iemand, die zoo lang ons vertrouwen genoot,
+ons zoo schandelijk heeft bedrogen?
+
+Heeft het u ook niet --, dat hij die betrekking gekregen heeft?
+
+Het -- iedereen, dat de vijanden zich eensklaps zoo gewillig
+onderwierpen; niet ten onrechte vermoedde men, dat er een adder onder
+het gras school.
+
+Het -- mij, dat de hagel niet meer schade heeft aangericht.
+
+
+155. Beheerschen--betoomen--beteugelen--bedwingen.
+
+_Met kracht iemand of iets in zijn vrije beweging tegengaan._
+
+~Beheerschen~ duidt aan, dat men zulks doet door de macht, waarover men
+beschikt; het wijst er door zijn afleiding op, dat men ~heer~ is, dat
+men doet gehoorzamen niet door leiding of bestuur, maar uitsluitend door
+zijn gezag, dat men weet uit te oefenen, of door de macht, die men
+bezit. _Deze volksleider bezit zulk een redenaarstalent, dat hij de
+geheele vergadering weet te ~beheerschen~._
+
+~Bedwingen~ wijst aan, dat men dwang gebruikt en onderstelt dus een
+tegenstand, waarop het gezag door dwang zegeviert. Door ~bedwingen~
+wordt dus iets onderdrukt. _In korten tijd had de veldheer door krasse
+maatregelen den opstand ~bedwongen~._ Hoe verklaart gij nu de fig.
+beteekenis van: _zijn lachen ~bedwingen~_?
+
+Beheerschen en bedwingen kunnen betrekking hebben op een rust;
+~beteugelen~ en ~betoomen~ doen denken aan hollende dieren, wier te
+snelle loop met kracht wordt tegengehouden en geleid of bestuurd. In
+letterlijken zin is betoomen sterker dan beteugelen, daar het eerste is
+afgeleid van toom, het geheele hoofdstel, en teugel alleen de riem of
+den band aanwijst. ~Betoomen~ is dus eigenlijk meer het geheele bestuur
+onder zijn macht brengen en dus meester van de leiding te worden;
+terwijl ~beteugelen~ meer slaat op de werking van terug houden of
+stuiten; wat beteugeld wordt, komt dus tot stilstand, wordt geheel en
+al te keer gegaan. Toch wordt dit verschil niet altijd in acht genomen.
+_Het is goed zijn hartstochten te ~betoomen~_, d.w.z. onder zijn
+bestuur, in zijn macht te krijgen en ze dus in hun snellen loop tegen te
+gaan. _Het is noodzakelijk zijn blinde driften te ~beteugelen~_, m.a.w.
+in te houden, te onderdrukken, zoodat zij niet meer werken.
+
+ * * * * *
+
+Hij kon van aandoening zijn tranen niet --.
+
+De dronkaard moet trachten zijn zucht naar sterken drank te --.
+
+Bijna had ik uit verontwaardiging hem een grove beleediging naar het
+hoofd geslingerd, maar gelukkig wist ik mij zelf nog te --.
+
+Door het aanplanten van jonge denneboomen tracht men de
+zandverstuivingen te --.
+
+Hij wist door zijn krachtig optreden spoedig de brooddronkenheid der
+soldaten te --.
+
+Gij moet uw sterke begeerte naar allerlei zinsgenot zooveel mogelijk --.
+
+De marktprijs wordt -- door vraag en aanbod.
+
+
+156. Aanklagen--beschuldigen--betichten--aangeven--aanbrengen.
+
+_Kenbaar maken, dat iemand iets onbehoorlijks heeft verricht._
+
+~Beschuldigen~ wijst in het algemeen aan, dat men op iemand de schuld
+van iets legt, terwijl ~aanklagen~ bovendien uitdrukt, dat zulks
+geschiedt voor een macht, die de bevoegdheid bezit den schuldige
+te straffen. De aanklager neemt tevens de verplichting op zich, de
+aanklacht door bewijzen of getuigen te staven. ~Aanklagen~ verlangt dus
+een straf voor de misdaad, wat ~beschuldigen~ niet doet. Laat men het
+onderzoek en de opsporing der bewijzen aan de rechterlijke macht over,
+dan gebruikt men ~aangeven~ of ~aanbrengen~. Aanbrengen onderstelt
+tevens, dat men uit wraak of uit zucht naar gewin een strafbare daad ter
+kennisse van de overheid brengt, terwijl aangeven die onedele drijfveer
+niet aanneemt. Wordt iemand valschelijk en met een boosaardig opzet een
+zware misdaad ten laste gelegd, dan gebruikt men ~betichten~. Ook lette
+men er op, dat van ~beschuldigen~, ~aanklagen~ en ~betichten~ het
+lijdend voorwerp een persoonsnaam is, terwijl ~aangeven~ en ~aanbrengen~
+de misdaad tot lijdend voorwerp hebben.
+
+_Men ~beschuldigde~ den knecht algemeen, dat hij het huis in brand had
+gestoken_; d.w.z. men gaf hem de schuld er van.
+
+_De boer ~klaagde~ den knecht ~aan~, toen deze den brand had gesticht_;
+d.w.z. de boer diende een aanklacht bij den rechter in, en had er
+bewijzen of getuigen voor.
+
+_De moord werd bij de justitie ~aangegeven~_; d.w.z. men stelde de
+justitie er van in kennis en liet aan haar het verdere onderzoek over.
+
+_De werkvrouw ~bracht~ alles van de dienstboden bij Mevrouw ~aan~_;
+d.w.z. om een plasdankje of wat ook te verdienen, verklapte zij alles.
+(In de kinderwereld »verklikken".)
+
+_De hovelingen ~betichtten~ den schatmeester van diefstal_; d.w.z. zij
+zochten hem uit wraakzucht ten val te brengen en klaagden hem
+valschelijk aan.
+
+ * * * * *
+
+Oudtijds gold de regel, dat de -- zijn eedhelpers moest meebrengen.
+
+Tichelaar -- Cornelis de Witt, dat deze den Prins naar het leven stond.
+
+De dierenvriendin zag, hoe een koopman zijn hond mishandelde, en draalde
+niet, dit bij de politie --.
+
+De minderheid in die vergadering -- den voorzitter, dat hij opzettelijk
+van het reglement van orde afweek, ten einde de aanneming van zijn
+voorstel door te drijven.
+
+De soldaat heeft zijn meerdere van machtsmisbruik --.
+
+Het kan niet anders, of een zijner vijanden moet zijn misslag bij de
+autoriteiten hebben --.
+
+Welk onderscheid is er tusschen: _Zijn geweten ~beschuldigde~ hem_, en:
+_zijn geweten ~klaagde~ hem ~aan~_?
+
+
+157. Gierig--vrekkig--karig--hebzuchtig--schraapzuchtig--inhalig.
+
+_Overdreven begeerig, om geld en goed te bezitten._
+
+~Hebzuchtig~, ~schraapzuchtig~ en ~inhalig~ duiden aan, dat men zijn
+bezit wil vermeerderen, een »nemen"; ~vrekkig~, ~gierig~ en ~karig~
+geven te kennen, dat men zijn bezit zooveel mogelijk tracht te behouden,
+een »niet-missen."
+
+~Hebzuchtig~ is hij, die alles zelf wil hebben ten koste van anderen, en
+wien het leed doet, dat hij niet alles heeft; ~inhalig~ wijst aan, dat
+men zooveel mogelijk naar zich toe tracht te halen. ~Hebzuchtig~ ziet
+meer op een eigenschap van het karakter; ~inhalig~ doelt meer op een
+daad, waaruit die hebzucht spreekt. Die daad op zich zelf is wel niet
+noodzakelijk onrechtvaardig, maar wordt toch zeker niet geprezen. De
+inhalige zal bijv. op ieder halfcentje zien, waar een ander dat zou
+schenken; hij laat zich een rekening van bijv. f 15.25,5 ook met dat
+halfje betalen. Bij een erfenis zal hij dingen van geen of weinig waarde
+nog willen verkoopen, om zooveel mogelijk »binnen te halen".
+
+De ~schraapzuchtige~ is ook hebzuchtig; hij wil overal nog iets van
+afschrapen, wat een ander niet doen zou, doordat het de moeite niet
+loont. Hij verbiedt bijv. den armen drommel op zijn landgoed een paar
+takkenbossen te sprokkelen: hij verlangt er geld voor.
+
+~Karig~, ~gierig~ en ~vrekkig~ duiden aan, dat men zoomin mogelijk wil
+missen van zijn overvloed. ~Karig~ drukt dit het minst sterk uit; wie
+karig is, geeft weinig, en wat hij geeft, geeft hij slechts noode.
+~Gierig~ en ~vrekkig~ zijn veel sterker en duiden bovendien aan, dat
+men door hebzucht gedreven wordt, wat karig niet onderstelt. Bij een
+gierigaard klopt een hulpbehoevende te vergeefs aan. Wordt de gierigheid
+zoover gedreven, dat men hard en onbillijk wordt tegenover anderen,
+ja--dat men ook zich zelf niet meer het noodige gunt, dan spreekt men
+van ~vrekkig~.
+
+ * * * * *
+
+Wie bij alles toont, zichzelf het eerst en het meest te willen bedenken,
+is --.
+
+Wie bij een inzameling voor een watersnood van zijn schatten slechts
+weinig offert, is --; wie niets wil geven, is --; wie daarbij de
+inzamelaars nog onheusch bejegent en over dat »eeuwig gebedel"
+lamenteert, is --.
+
+De rijkaard, die te midden zijner schatten vrijwillig half gebrek lijdt,
+is --.
+
+Wie de appels, die van zijn boom in buurmans tuin vallen, nog laat
+oprapen, is --.
+
+De boer, die zijn armen daglooner nog een kan karnemelk laat betalen, is
+--; als hij den knecht wegens ziekte een halven dag loon kort, is hij
+--.
+
+De natuur heeft dit land -- bedeeld. (De natuur wilde zoo min mogelijk
+van haar overvloed voor dit land missen.)
+
+
+158. Afkeer--afgrijzen--afschrik--afschuw--walg--tegenzin--weerzin.
+
+_De onaangename gewaarwording, teweeggebracht door iets dat ons
+mishaagt._
+
+~Tegenzin~ gebruiken we, als iets ons niet aanstaat, of wanneer het
+betrekking heeft op een handeling, die wij tegen onzen zin verrichten.
+Van personen wordt het woord zelden gebezigd.--Maakt iemand een
+ongunstigen indruk op ons, al is 't ook zonder dat we daarvoor een
+bepaalde reden weten op te geven, zoodat we hem liefst vermijden, dan
+hebben wij een ~weerzin~ tegen hem.--Is dat gevoel sterker, zoodat het
+ons noopt ons van iemand of iets af te keeren en wij er dus niet mee te
+doen willen hebben, dan spreekt men van ~afkeer~; weerzin en afkeer
+nopen alleen tot ontwijken en zetten niet aan tot daden. Passen wij
+beide begrippen toe op spijzen en dranken, dan komt ~walging~ met afkeer
+overeen en duidt het gevoel aan, dat ons onpasselijk zou maken; in
+figuurlijken zin gebruikt men daarvoor ~walg~.--Wordt de afkeer bij
+ons opgewekt door een persoon, die een hoogst ongunstig voorkomen
+heeft,--door een voorwerp, dat ons door zijn leelijke gedaante vrees
+inboezemt,--of door een handeling, waartegen ons gevoel in opstand komt,
+dan spreken wij van ~afschrik~.--Het onweerstaanbaar gevoel, dat ons
+overmant, wanneer wij bij het hooren of zien van iets door angst en
+huivering worden aangegrepen en waarvan we reeds gruwen, als wij er aan
+denken, noemen wij ~afschuw~. Is het gevoel van huivering of ontzetting,
+waarmee de afschuw gepaard gaat, zeer sterk, dan spreekt men van
+~afgrijzen~.
+
+ * * * * *
+
+Slechts met -- heb ik uw opdracht vervuld.
+
+Deze man met zijn vleiende stem wekt altijd mijn -- op, zoodat ik liefst
+niet met hem te doen heb.
+
+Ieder weldenkend mensch heeft een -- van den verrader.
+
+Met -- vernam men den verschrikkelijken moord in koelen bloede gepleegd.
+
+Ik heb altijd een -- van mosselen en paddestoelen gehad.
+
+De meeste vrouwen hebben een -- voor spinnen en padden.
+
+Van onzindelijkheid heeft ieder een --.
+
+De landlooper boezemde ons zulk een -- in, dat wij terstond op onze
+schreden terugkeerden.
+
+Heb een -- voor het liegen en een -- voor de zonde.
+
+Men kon zien, dat hij tegen dien man een -- gevoelde, zoodat hij hem met
+blijkbaren -- ontving.
+
+De onmenschelijke wreedheden, door den vijand in dien oorlog gepleegd,
+las ieder met --, ja met --.
+
+Gebruik nu in zinnen: afkeerig, walgelijk, afschuwelijk, afgrijselijk.
+
+
+159. Arglistig--listig--bedriegelijk--loos--slim--sluw.
+
+_Geneigd of geschikt, om op behendige wijze een ander te misleiden._
+
+~Bedriegelijk~ drukt dit begrip het algemeenst uit; het zegt, dat de
+persoon of zaak iemand bedriegen wil, maar laat in 't midden, op welke
+wijze dit geschiedt.--~Listig~ was vroeger schrander en had toen steeds
+een gunstige beteekenis; ook nu nog kan het een onschuldige, maar
+schrander bedachte handeling aanduiden; de listige tracht partij te
+trekken van zijn kennis en ervaring om zijn doel te bereiken, 't zij
+om zich uit moeilijkheden te redden, 't zij langs slinksche wegen te
+verkrijgen, wat hij langs den gewonen weg niet zou hebben bereikt. Toch
+heeft het woord altijd het bijdenkbeeld van _onoprecht_. _Hij redde zich
+op een ~listige~ wijze uit het gevaar._--Is het zijn bedoeling om iemand
+in het ongeluk te storten en handelt hij dus met een boosaardig doel,
+dan spreekt men van ~arglistig~ (arg = erg, boos).--~Loos~ is hij, die
+door een zekere behendigheid onder bepaalde omstandigheden iets weet te
+verkrijgen; die behendigheid is vooral het gevolg van veel ondervinding
+en niet zoozeer van scherpzinnigheid; de loosheid openbaart zich door
+het aanwenden van kleine middelen, die een weldenkende meestal beneden
+zich acht. De vos, die de kaas van de raaf wil hebben en den vogel niet
+bereiken kan, gaat het dier vleien; zijn ondervinding zegt hem, dat men
+door vleierij veel kan verkrijgen, maar ...... een weldenkende wil van
+zulk een middel geen gebruik maken.--De ~slimme~ gaat met overleg te
+werk, daar hij aan loosheid ook scherpzinnigheid paart; hij ontwerpt een
+weldoordacht plan, waarbij hij maatregelen neemt om allen tegenstand
+zooveel mogelijk te ontgaan. Bepaald oneerlijke handelingen behoeft
+hij niet te verrichten, ja men moet hem soms bewonderen om de
+scherpzinnigheid, die hij aan den dag legt.--~Sluw~ is degene, die zijn
+bedoelingen en de aangewende middelen behendig weet te verbergen, zoodat
+de benadeelde volstrekt niet vermoedt, dat hij bedrogen wordt. Aan zijn
+slimheid paart dus de sluwe nog een meesterschap in het veinzen of in
+het verbergen van zijn plannen. Sluw is dus nog sterker dan slim, maar
+heeft een ongunstige bijbeteekenis.
+
+ * * * * *
+
+In onderstaande zinnen kan meestal meer dan één woord worden ingevuld.
+Geef in dat geval telkens de veranderde beteekenis op.
+
+Op een -- wijze heeft hij het gezelschap een tijd langer bij zich
+gehouden, dan het wilde; hij had nl. de klok bijna drie kwartier
+teruggezet.
+
+Hij wist de stem van mijn buurman -- na te bootsen; ieder verkeerde dan
+ook in den waan, dat buurman ons riep.
+
+De valschaard was -- genoeg, om niet te rusten, vóór hij mij in het
+ongeluk gestort had.
+
+Het was werkelijk een -- zet van onzen vriend, dien wij allen moesten
+bewonderen.
+
+De domme jongen bleek toch nog -- genoeg, om van den vreemdeling, wien
+hij den weg had gewezen, een goede fooi los te krijgen.
+
+Hij wist zich op -- wijze het vertrouwen der oude dame te winnen, om
+haar later des te gemakkelijker te kunnen oplichten.
+
+Aan de -- staatsmanskunst van Jan de Witt was het te danken, dat
+Lodewijk XIV in zijn heerschzuchtige plannen gedwarsboomd werd.
+
+
+160. Kracht--macht--sterkte--vermogen.
+
+_Het bezit van de voorwaarden, om een werking te verrichten._
+
+~Vermogen~ duidt eenvoudig aan, dat men in staat is de werking te
+verrichten, zonder daarom nog tot de uitvoering over te gaan. _De mensch
+bezit het ~vermogen~ om te denken._ Soms beteekent het ook invloed: _zij
+heeft veel ~vermogen~ op haar man_.
+
+~Kracht~ is de oorzaak, die een werking teweeg brengt of wijzigt: de
+_zwaarte~kracht~_, de _span~kracht~_, de _~kracht~ van den storm_. _Zijn
+lichaams~kracht~ is verbazend groot._
+
+~Sterkte~ is het vermogen om aan een kracht weerstand te bieden.
+_De ~sterkte~ van den dijk heeft de ~kracht~ der golven weerstaan. De
+~sterkte~ van onze landsverdediging_ (d.i. dus het vermogen om aan de
+kracht van den vijand weerstand te bieden) _ligt grootendeels in onzen
+weeken bodem in verband met de onderwaterzettingen.--Zijn ~sterk~ gestel
+weerstond den invloed van het ongezonde klimaat._ Men wenscht iemand bij
+een ziekte _sterkte_ toe, om het verloop der ziekte te weerstaan; men
+hoopt, dat de herstellende weer spoedig zijn _krachten_ zal herwinnen,
+n.l. om zijn dagelijksch werk te kunnen verrichten.
+
+~Macht~ is het vermogen, om invloed uit te oefenen, vooral--hoewel niet
+uitsluitend--door zijn maatschappelijke positie. _De ~macht~ des konings
+is niet onbeperkt. De ~macht~ van het woord is vaak grooter, dan men
+denkt._ Soms beteekent macht (van mogen) lichamelijk vermogen: _uit alle
+~macht~ schreeuwen_.
+
+_Vergelijk nu_: ~sterk~, ~krachtig~ en ~machtig~. Wat beteekent
+_vermogend_?
+
+ * * * * *
+
+Hij was niet -- genoeg en bezweek voor de verleiding.
+
+De raadspensionaris Schimmelpenninck bezat een koninklijke --.
+
+Door den schrik verloor hij zijn spraak--.
+
+De -- der gewoonte is vaak een tweede natuur geworden.
+
+Zelfs -- muren kunnen de -- van het geschut niet weerstaan.
+
+Hij liep uit alle --, om zich nog te redden.
+
+Hij bezit het benijdenswaardig --, iedereen voor zich in te nemen.
+
+Deze -- spijs zal den zieke goed doen.
+
+Het fort was niet -- genoeg, om den vijand af te wachten en werd daarom
+ontruimd.
+
+De -- van ons voorbeeld moet men niet onderschatten.
+
+Het zijn -- beenen, die de weelde kunnen dragen.
+
+Ik zal naar mijn beste -- aan uw opdracht voldoen.
+
+De benoeming voor deze vacature staat niet aan mij; ik heb het dus niet
+in mijn -- u aan te stellen.
+
+De benoeming is reeds geschied; tot mijn leedwezen staat het dus niet in
+mijn -- u nog aan te stellen.
+
+
+161. Bekomen--krijgen--ontvangen--behalen--verwerven.
+
+_Bezitter van iets worden._
+
+~Bekomen~, ~behalen~ en ~verwerven~ wijzen aan, dat men moeite doet,
+om in het bezit te geraken. ~Behalen~ geeft dit in sterker mate aan dan
+~bekomen~, terwijl ~verwerven~ nog grooter moeite (soms ook grooter eer)
+onderstelt dan behalen. _Waar zijn deze waren te ~bekomen~? Hij heeft
+daarmee veel roem ~behaald~. Hij heeft eindelijk een voordeelige positie
+~verworven~._ In de uitdrukking _straf bekomen_, onderstelt men dus, dat
+de schuldige alles deed, waardoor hij die straf heeft gekregen, al was
+natuurlijk die straf niet het _doel_ van zijn handelen.
+
+~Krijgen~ en ~ontvangen~ geven te kennen, dat men ook zonder zijn
+toedoen of inspanning in het bezit van iets komt. _De boomen ~krijgen~
+bladeren; hij ~ontving~ een berisping._ ~Ontvangen~ onderstelt, dat
+hetgeen men ontvangt, door iemand gegeven is en door ons (actief) wordt
+aangenomen: _Ik heb het geld ~ontvangen~._ Bij ~krijgen~ daarentegen
+behoeft men niet altijd aan geven te denken, men kan hierbij ook meer
+passief zijn. _Hij heeft de koorts ~gekregen~._
+
+Uit de vergelijking der vier woorden volgt, dat ~krijgen~ het aangeduide
+begrip (bezitter van iets worden) op de meest algemeene wijze (d.i.
+zonder eenige nadere bepaling) aanduidt; het komt dan ook het meest in
+de dagelijksche spreektaal voor.
+
+ * * * * *
+
+De knecht heeft zijn loon --.
+
+Frederik Hendrik heeft met de inneming van Den Bosch veel roem --.
+
+Hij mocht de gunst des konings --.
+
+Wat heeft hij voor zijn moeite --?
+
+Uw brief heb ik in goede orde --.
+
+In plaats van een goede belooning heeft hij straf --.
+
+Dit werk is in alle boekwinkels te --.
+
+Door vlijt en inspanning heeft hij zich een aanzienlijk vermogen --.
+
+Wanneer zal ik het boek --, dat je me al zoo lang beloofd hebt?
+
+
+162. Barmhartig--deelnemend--mededoogend--medelijdend.
+
+_Gevoel hebbende voor het leed van anderen._
+
+~Barmhartig~ is het edelst. Het wijst niet alleen aan, dat men met het
+lijden van anderen begaan is, maar dat men ook bereid is, dat leed te
+verzachten.
+
+~Deelnemend~ is men, wanneer men deel neemt in het leed van anderen,
+d. w. z. het leed gedeeltelijk ook tot het onze maakt; wij gevoelen dus
+hetzelfde verdriet. (Soms beteekent het ook: deelnemen in het _geluk_
+van anderen.)
+
+~Medelijdend~ is men, wanneer wij het leed van anderen mede-lijden,
+meegevoelen, zoodat wij begaan zijn met hun ongelukkig lot en wij hen
+dus beklagen willen. Dit gevoel behoeft ons evenwel niet te brengen tot
+het verleenen van hulp, gelijk de barmhartige doet.
+
+~Mededoogend~ is hetzelfde als medelijdend (doogen = lijden), maar wordt
+alleen in deftigen stijl gebruikt.
+
+ * * * * *
+
+Gij kent zeker wel de schoone gelijkenis van den -- Samaritaan.
+
+Gij kunt u verzekerd houden, dat ik hartelijk -- in het verlies, dat u
+getroffen heeft.
+
+»Sla, o God vol --! Sla Uw oogen Nu genadig op ons neer." (Gez. 94.)
+
+Op -- toon vraagde hij het arme kind, waarom het schreide; toen hij
+hoorde, dat de ongelukkige knaap geen vader of moeder meer had, was hij
+-- genoeg, hem tot zich te nemen.
+
+Met -- belangstelling vraagde hij, hoe de zieke het maakte.
+
+God is een -- Vader.
+
+
+163. Beven--trillen--sidderen--rillen--bibberen.
+
+_In een snel golvende beweging zijn._
+
+~Trillen~ is de zwakste aanwijzing voor dit begrip: _de snaar ~trilt~_.
+
+~Beven~ is sterker en bij levenlooze voorwerpen zelfs de hoogste graad
+van golvende beweging. _Zijn hand ~beefde~ van aandoening.--De aarde
+~beeft~._
+
+~Sidderen~ wordt alleen van levende wezens gezegd en is sterker dan
+beven; het wijst vooral op een hevige innerlijke aandoening. _Hij
+~sidderde~ van angst._
+
+~Rillen~ is een trillen, veroorzaakt door verlaging der
+lichaams-temperatuur: _hij ~rilde~ van kou_; het wordt dus alleen van
+levende wezens gezegd, evenals ~bibberen~, dat een aanhoudend ~rillen~
+aanduidt en daarom sterker is: _Hij ~bibberde~ van de kou._ Het behoort
+meer tot de gewone spreektaal.
+
+Waarom kan men wel zeggen: _zijn stem ~trilde~ of ~beefde~_, en niet:
+_zijn stem ~sidderde~, ~rilde~ of ~bibberde~_?
+
+ * * * * *
+
+Het riet -- in de avondkoelte.
+
+Bij dat gezicht -- wij van ontzetting.
+
+De arme bedelaarster -- van koude.
+
+Het is in deze kamer kil; ik begin te --.
+
+Zijn hart --, toen hij den dief zag naderen.
+
+Ik -- als een blad op den boom.
+
+Door de sterke -- der lucht dreunden de ramen.
+
+Hij -- van vrees, toen hij den vijand tegemoet moest treden.
+
+Van zulk een verhaal zou men -- en --.
+
+
+164. Zien--kijken--staren--gluren--turen.
+
+_Door middel van het gezicht iets waarnemen._
+
+~Zien~ laat in het midden, of dit met opzet of meer toevallig geschiedt.
+_Men ~ziet~ daar soms meer, dan ons lief is_ (toevallig).--_Hij ~ziet~
+verlangend mijn komst tegemoet_ (met opzet). Het duidt soms ook het
+bloote vermogen aan, dat men door 't gezichtszintuig iets kan waarnemen:
+_Deze man kan niet meer ~zien~._
+
+~Kijken~ onderstelt meer opzettelijk het oog op iets richten: _~Kijk~
+eens, of hij er aankomt.--Hij ~kijkt~ naar de sterren._
+
+~Staren~ (star = stijf) beteekent met strakke, groote oogen naar iets
+zien, meestal zonder doel en onwillekeurig, soms ook van verbazing,
+schrik, enz. _Hij ~staarde~ mij verwonderd aan._
+
+~Turen~ is met inspanning van 't gezicht naar iets kijken (dus met
+opzet!), 't zij uit nieuwsgierigheid, 't zij om nauwkeurig waar te
+nemen. _Hij ~tuurt~ met zijn kijker naar het stipje in de verte._
+
+~Gluren~ beteekent hetzelfde als turen, maar met de bijgedachte, dat dit
+in het geheim geschiedt. _Hij ~gluurde~ door een kiertje van de deur, om
+te weten, wie er binnen was._
+
+ * * * * *
+
+Wat -- gij voor bijzonders aan deze schilderij?
+
+Sommigen meenen, dat de mol niet -- kan; maar dat is een dwaling.
+
+Waarom -- gij mij zoo aanhoudend aan?
+
+De visschersvrouw zat op het duin en -- peinzend over de groote
+watervlakte.
+
+De visschersvrouw klom op het duin en -- naar het puntje aan den
+horizon, of dat soms het schip van haar man was.
+
+De jongen was zóó nieuwsgierig, dat hij door het sleutelgat --.
+
+Mijnheer B. zal toch niet overleden zijn, daar ik hem in langen tijd
+niet -- heb.
+
+Als gij goed uit uw oogen --, zult gij de fout in uw opstel wel --.
+
+Van ontzetting -- zij wezenloos voor zich uit.
+
+De matroos zat in het topje van den mast te --, of hij het land al --
+kon.
+
+Ik -- wel, dat gij door uw vingers zit te --.
+
+Als gij lang op hetzelfde punt --, begint het te wemelen.
+
+Gij moet eens in de courant --, of de dichter nog leeft. (Opzettelijk.)
+
+Daar -- ik in de courant, dat de dichter gestorven is. (Toevallig.)
+
+
+165. Aangenaam--liefelijk--behaaglijk--bekoorlijk--bevallig.
+
+_Wat ons met zeker welgevallen vervult._
+
+~Aangenaam~ drukt dit zonder meer uit; het kan zoowel van
+gewaarwordingen als van personen of zaken gezegd worden. Een _aangenaam_
+gevoel.--Een _aangenaam_ mensch. Een _aangename_ lectuur.
+
+~Liefelijk~ geeft een edeler, fijner gevoel aan, inzonderheid van het
+gezicht en gehoor. Een _liefelijk_ geluid.--»Die in een _liefelijke_
+streek Bij 't ruischen van een klare beek Zijn landhuis sticht en
+akkerwoning, Wat is dat een gezegend koning." (Vondel.)
+
+~Behaaglijk~ ziet alleen op innerlijke aandoening en wordt dus nooit op
+iets buiten ons toegepast. Een _behaaglijk_ gevoel van zelfvoldoening.
+
+~Bekoorlijk~ stelt vooral op den voorgrond, dat iets onze begeerte
+opwekt of onze zinnen streelt. Een _bekoorlijk_ landschap.
+
+~Bevallig~, van personen gezegd, wordt gebruikt, om aan te duiden, dat
+hun houding of manieren ons gezicht aangenaam aandoen. Een _bevallige_
+buiging. Van zaken gezegd (vooral voor wat men in de natuur opmerkt, of
+van vormen) duidt het aan, dat ons gezicht aangenaam wordt aangedaan,
+doch niet zoo innig als _liefelijk_ onderstelt. _Haarlem's ~bevallige~
+omstreken. ~Bevallige~ lijnen._
+
+ * * * * *
+
+Het was mij zeer --, dat gij mij hebt uitgenoodigd.
+
+Gij hebt hier in den tuin een -- plekje uitgezocht.
+
+Wat heeft dit -- meisje een -- stem.
+
+Door haar -- manieren weet zij spoedig iedereen voor zich in te nemen.
+
+De nachtegaal is de -- van onze zangvogels.
+
+Zij had zich in een -- rust op het zachte mos neergevlijd.
+
+Dat is een -- man in den omgang.
+
+In een -- houding bood het bloemenmeisje de Koningin een bloemtuil aan.
+H. M. was over deze -- verschijning blijkbaar getroffen.
+
+In een -- dal stroomde met -- gekabbel een helder beekje.
+
+Ik heb u een -- tijding mee te deelen.
+
+Met -- wendingen zweefde de danseres op de tonen der muziek door de
+zaal.
+
+De rozen verspreiden een -- geur.
+
+In -- zwier reed zij over het ijs.
+
+
+166. Angst--bangheid--vrees--schroom--schrik.
+
+_Het onaangename gevoel van beklemdheid, door een naderend gevaar
+opgewekt._
+
+~Schroom~ is het zwakst; het geeft vooral te kennen, dat men tegen iets
+opziet: door een moedig besluit is de schroom gemakkelijk te overwinnen.
+Het woord is meer tot den deftigen stijl beperkt. _Met ~schroom~ naderde
+hij den vorst._
+
+~Angst~ duidt vooral het beklemmend gevoel aan, dat ons overmeestert;
+het kan zoowel door iets buiten ons, als door eigen voorstellingen of
+gedachten verwekt worden. _Plotseling overviel hem midden in het bosch
+een hevige ~angst~, daar hij den weg niet meer wist._ (Oorzaak buiten
+hem!)--_Toen hij aan roovers dacht, overviel hem plotseling een hevige
+~angst~._ (Oorzaak in hem!)
+
+~Bangheid~ is zwakker dan angst; het heeft soms iets min of meer
+belachelijks. _Toen de vrouw alleen in huis was, sloot zij uit
+~bangheid~ alle deuren en ramen._
+
+~Vrees~ wordt steeds door iets buiten ons opgewekt en heeft dus altijd
+op een ander voorwerp of gebeurtenis betrekking, die steeds genoemd
+worden. Terwijl ~angst~ (dat bovendien sterker aandoening dan ~vrees~
+aanwijst) vooral ziet op den toestand van 't gemoed, wijst ~vrees~ meer
+aan, dat men het naderend gevaar niet durft afwachten of iemands macht
+niet durft trotseeren, zoodat in den regel de vrees tot een of andere
+handeling voert. _De ~vrees~ voor spoken heeft tot menige dwaasheid
+aanleiding gegeven. De ~vrees~ voor het uitbreken der cholera deed
+menigeen verhuizen. ~Vrees~ den Heer_ (leef dus naar Zijn wetten, om
+Zijn toorn te ontgaan).
+
+~Schrik~ is de hevige ontroering, die iemand plotseling overvalt bij
+het onverwacht gewaar worden van iets, dat vrees of angst verwekt.
+_Op het onverwachte gezicht van den leeuw werd hij zóó door ~schrik~
+bevangen, dat hij zijn tegenwoordigheid van geest verloor._ Soms wordt
+het gebruikt van iemand, die schrik verwekt: _Hij is een echte
+kinder~schrik~._
+
+ * * * * *
+
+In radelooze -- liep de achtergelaten schepeling langs den oever heen en
+weer.
+
+Met -- zag hij, dat de bliksem in zijn woning was geslagen.
+
+Hij neemt altijd met eenige -- het woord in deze vergadering.
+
+Alva verspreidde door zijn streng optreden alom -- in den lande.
+
+Het scheen, of de --, die hem aangreep, zijn krachten verdubbelde.
+
+De -- voor straf hield hem van de misdaad terug.
+
+Ik moet altijd lachen over de -- van dezen jongen.
+
+Door een hevigen -- bevangen, stond hij als aan den grond genageld.
+
+De --, dat men hem zijn geld zou ontstelen, liet den vrek geen oogenblik
+met rust.
+
+De Ruyter had den bijnaam van »de -- van 's vijands vloten".
+
+Naarmate het kind langer uitbleef, klom de -- der ouders.
+
+Door zulk een strafoefening sloeg den opstandelingen de -- om het hart.
+
+
+167. Beducht--bevreesd--bekommerd--bezorgd--beangst.
+
+_Door een gevoel van vrees of angst beklemd._
+
+~Bevreesd~ duidt aan, dat iemand vrees koestert. (Zie no. 166.) _Hij was
+~bevreesd~, zijn geld te verliezen._
+
+~Beangst~ is sterker. (Zie no. 166.) _De ouders waren ~beangst~, dat zij
+kun kind zouden verliezen._
+
+~Beducht~ wijst er op, dat men over den afloop of den uitslag bevreesd
+is; het behoort hoofdzakelijk tot den deftigen stijl. _Gij behoeft voor
+zijn lot niet ~beducht~ te zijn._
+
+~Bezorgd~ is men, als men zorg, onrust over iets heeft. _Ik ben
+~bezorgd~ over het behoud van zijn leven._
+
+~Bekommerd~ is veel sterker; het wijst op groote en drukkende onrust of
+verdriet. _De vader zat ~bekommerd~ neer bij het ziekbed van zijn kind._
+
+ * * * * *
+
+_Als er in de volgende zinnen meer woorden ingevuld kunnen worden, geef
+dan telkens de schakeering in de beteekenis op._
+
+De moeder was zeer --, dat haar zoon iets zou ontbreken.
+
+Met een -- gelaat zag de ongelukkige ons aan.
+
+Hij maakte zich bij het geritsel in de takken zoo --, dat het zweet hem
+uitbrak.
+
+Niet ten onrechte maakte de vorst zich -- over den toenemenden opstand.
+Hij was --, dat hij dien niet zou kunnen onderdrukken.
+
+De veldheer was slechts een oogenblik -- den vijand te ontmoeten;
+spoedig vermande hij zich en gaf bevel tot den aanval.
+
+Met een -- hart wachtten de ouders tevergeefs op de terugkomst van hun
+zoon.
+
+De dokter is -- over de wending, die de ziekte neemt.
+
+Gij behoeft niet -- te zijn, dat hij u zal verraden; hij is in alle
+opzichten te vertrouwen.
+
+Toen de onweersbui boven hem losbrak, werd hij zeer --.
+
+Met een -- gemoed was hij gekomen; met een verlicht hart verliet hij
+ons weer.
+
+
+168. Bewaren--behoeden--beschermen--beschutten--beveiligen.
+
+_Zorgen, dat geen kwaad iemand of iets kan deren._
+
+De beide eerste woorden worden alleen gebruikt, om aan te wijzen, dat er
+gevaar dreigen _kan_, de overige drie onderstellen, dat er werkelijk
+gevaar dreigt.
+
+~Bewaren~ is zorgen, dat iets in ongeschonden staat blijft, dat dus geen
+schadelijke invloeden op iets kunnen werken, m. a. w. dat het gevaar
+verre blijft. _~Bewaar~ dit boek goed.--Moogt gij voor zulk een ramp
+~bewaard~ blijven!_ d. w. z. moge zulk een ramp verre van u blijven.
+
+~Behoeden~ onderstelt ook wel hetzelfde als bewaren, maar voegt er
+tevens bij, dat men op zijn hoede is, dus dat men voortdurend het ons
+toevertrouwde in het oog houdt; dientengevolge is het sterker dan
+bewaren. _God ~behoede~ u op uw verren tocht!_
+
+~Beschermen~ en ~beschutten~ duiden beiden aan, dat er een _middel_
+gebruikt wordt, nl. een scherm en een schut, om het gevaar te keeren.
+Een scherm houdt de _uitwerking_ van iets tegen (vuurscherm), een schut
+moet meer den _aanvaller_ afweren. _De Alpen ~beschutten~ de Povlakte
+tegen de noordenwinden.--De duinen ~beschermen~ ons land tegen de zee_
+(nl. haar overstrooming). Het gebruik wil echter, dat ~beschutten~ meer
+op schadelijke invloeden en ~beschermen~ meer op gevaren ziet: _Gij moet
+u tegen den kouden wind ~beschutten~.--Ik zal u tegen dit gevaar
+~beschermen~._
+
+~Beveiligen~ wijst aan, dat iets in veiligheid komt of blijft, terwijl
+beschermen en beschutten nog altijd eenig gevaar onderstellen. _In zijn
+afzondering was hij volkomen ~beveiligd~ tegen zijn vijanden._--Het is
+dus sterker dan beschermen of beschutten.
+
+ * * * * *
+
+Het was de moederliefde, die u in uw jeugd tegen velerlei gevaren heeft
+--.
+
+Door de goede zorgen van den archivaris werden deze perkamenten
+oorkonden voor ondergang --.
+
+Op het stadhuis waren eertijds de oorkonden in ijzeren kisten vrij goed
+--.
+
+De bliksemafleider heeft den toren opnieuw --.
+
+Het is guur weer; gij moogt u wel wat tegen den noordenwind --.
+
+In de haven waren wij eindelijk -- tegen de aanvallen der roovers.
+
+Wien God --, is wel --.
+
+Een sterk geleide moest den koenen ontdekkingsreiziger in de
+binnenlanden tegen de wilde stammen --.
+
+Door de uitvinding van het buskruit waren de ridders niet langer op hun
+sterke kasteelen tegen de aanvallen der poorters --.
+
+De voortdurende waakzaamheid der poortwachters heeft de stad voor haar
+ondergang --.
+
+De duinen worden thans met helm beplant, om ze tegen verstuiving te --.
+
+De koning wist het land voor een omwenteling te --.
+
+Onder het dichte loover waren wij tegen de brandende zonnestralen
+uitstekend --.
+
+
+169. Beletten--verhinderen--tegenhouden of
+weerhouden--afhouden--terughouden.
+
+_Veroorzaken, dat iemand een of andere handeling niet kan verrichten._
+
+~Afhouden~ zegt, dat men iemand ergens vandaan houdt, zoodat hij niet
+met zijn daad kan beginnen. _Wij hebben hem van dit dwaze plan
+~afgehouden~._
+
+~Terughouden~ wijst er op, dat hij wel reeds bijna aan de behandeling
+begonnen is, maar dat hij door onze tusschenkomst niet verder kan komen.
+_Slechts met groote moeite slaagde ik er in, hem nog ter elfder ure van
+die dwaze onderneming ~terug te houden~._
+
+~Tegenhouden~ ziet er op, dat men iemand hindernissen in den weg
+legt (bij _~afhouden~_ en _~terughouden~_ gebruikt men meer dwang of
+overreding), evenals ~verhinderen~ (van _hinder_), zoodat men hem tracht
+te noodzaken van zijn plan af te zien; ~tegenhouden~ wordt van den
+persoon zelf gezegd, terwijl ~verhinderen~ meer slaat op de daad, die
+men wil voorkomen. _Hij liet zich door al de bezwaren, die hem in den
+weg gelegd werden, niet ~tegenhouden~, zijn plan te volvoeren.--De
+veldheer wist te ~verhinderen~, dat de vijand hem in den rug aanviel._
+
+Terwijl ~tegenhouden~ en ~verhinderen~ onderstellen, dat iemand
+reeds pogingen gedaan heeft om iets te bereiken, maar in de verdere
+voortzetting wordt gestuit, wijst ~beletten~ er op, dat hem zelfs die
+poging onmogelijk gemaakt is; het woord is dus sterker dan de eerste
+twee. _De veldheer wist te ~beletten~, dat de vijand hem in den rug
+aanviel._
+
+ * * * * *
+
+Na lang praten gelukte het ons, hem van zijn voornemen, om naar Amerika
+te vertrekken, --.
+
+Ga gerust uw gang, niets -- u, die reis naar Indië te doen.
+
+Te Marseille gekomen werd hij --, zijn reis naar Indië voort te zetten.
+
+Doordat de onzen tijdig waren gewaarschuwd, werd de vijand -- de stad te
+verrassen.
+
+Door het dappere gedrag van den Kroonprins bij Quatre-Bras werd het
+Fransche leger een dag in zijn opmarsch --.
+
+Door hem nog tijdig gevangen te nemen, heeft de politie hem -- te
+ontvluchten.
+
+Door de ingevallen koude werd hij -- nog tijdig de vergadering te
+bereiken.
+
+Zijn verkoudheid -- hem niet uit te gaan.
+
+Men moet den dronkaard van den ondergang, dien hij tegemoet gaat, --.
+
+Wij hebben hem gelukkig nog bijtijds --, dat hij er met ons geld van
+doorging.
+
+De voorzitter wilde het voorstel liever niet in stemming brengen, maar
+hij was door de oppositie niet in staat de stemming --.
+
+
+170. Bestendig--duurzaam--onveranderlijk--standvastig--langdurig.
+
+_Deze woorden geven te kennen, dat iets ~blijft~ bestaan, zooals het
+is._
+
+~Bestendig~ is alles, wat uit zijn aard niet _verandert_: _bestendig_
+weder (d.w.z. het blijft onafgebroken, zooals het is).
+
+~Duurzaam~ is alles, wat uit zijn aard niet _ophoudt_: een _duurzame_
+vrede. (~Bestendig~ ziet dus op het innerlijk vermogen om niet te
+veranderen, ~duurzaam~ wijst op de innerlijke eigenschap, dat iets niet
+ophouden, geen einde nemen zal.)
+
+~Onveranderlijk~ drukt uit, dat iets door invloeden van buiten niet
+veranderd kan worden: _Gods besluiten zijn ~onveranderlijk~_ (d.w.z.
+geen invloed buiten God kan er verandering in brengen).
+
+~Standvastig~ ziet uitsluitend op personen en duidt aan, dat iemand
+blijft standhouden niettegenstaande allerlei tegenwerking. Het wordt
+steeds in gunstigen zin gebruikt in tegenstelling met halsstarrig.
+_Hoewel men den gezant met allerlei schoone beloften zocht tevreden te
+stellen, ja zelfs met straf dreigde, bleef hij ~standvastig~ aandringen
+op het voldoen aan zijn eisch._
+
+~Langdurig~ wijst aan, dat iets door invloeden van buiten lang duurt
+(dus meer toevallig) in tegenstelling met duurzaam, dat op een innerlijk
+vermogen wijst. _Een ~langdurige~ oorlog. De onderlinge naijver tusschen
+de beide volken scheen geen ~duurzamen~ vrede te voorspellen. Eikenhout
+is ~duurzaam~._--(Waarom niet: _langdurig_?)
+
+ * * * * *
+
+»Ach, wij vinden, waar wij staren, niet -- hier beneên."
+
+»Gij hebt Uw troon op -- recht gebouwd."
+
+Na een -- onderzoek kwam men eindelijk den dader op het spoor.
+
+Hoezeer men hem zocht te verleiden, zijn partij afvallig te worden, was
+hij toch -- genoeg, zijn eenmaal gegeven woord getrouw te blijven.
+
+Wat ook om ons heen moge wankelen, God alleen is --.
+
+Door zijn -- verblijf in den vreemde heeft hij veel ervaring opgedaan.
+
+Men heeft den dichter een standbeeld in -- brons opgericht.
+
+Hij viel in een -- ziekte, die zijn krachten sloopte.
+
+Willem van Oranje's zinspreuk was: »-- te midden der woelige golven."
+(Is hier het bedoelde woord letterlijk of figuurlijk gebruikt?)
+
+»Niet steeds is de liefde -- van duur, hoe snel zij den boezem deed
+jagen." (Tollens.)
+
+
+171. Buit--prijs--prooi--roof--vangst.
+
+_Hetgeen men met geweld in zijn bezit brengt._
+
+Is dit geweld onrechtvaardig, dan spreekt men van ~roof~: kerkroof,
+zeeroof.--Is het geweld door het oorlogsrecht (tusschen twee partijen)
+gewettigd, dan spreekt men van ~buit~: _Met grooten ~buit~ beladen
+keerden de soldaten naar huis._--~Vangst~ zegt men van hetgeen de jacht
+of de visscherij oplevert; daar men het vangen (d.i. grijpen) moet,
+heeft het woord alleen betrekking op levende wezens. Oudtijds, toen de
+gevangenen nog als slaven werden verkocht, konden zij onder den _buit_
+gerekend worden; thans moet men zeggen: _De slavenhalers hebben een
+goede ~vangst~ gehad._
+
+~Prooi~ noemt men de vangst, waarmee de verscheurende dieren zich
+voeden; in figuurlijke beteekenis kent men een ~prooi~ toe aan de hevige
+hartstochten of aan de geweldige werkingen der natuur, die men met
+verscheurende dieren gelijkstelt. _Het huis is een ~prooi~ der vlammen
+geworden._
+
+~Prijs~ (van 't Fransche _prise_, d.i. de daad van het nemen) wordt
+hoofdzakelijk in oorlogstijd gezegd van goederen, die de vijand in zijn
+bezit krijgt, door ze meer zich toe te eigenen dan te veroveren; bijv.
+de lading van koopvaardijschepen, die zich niet verdedigen kunnen, wordt
+door den vijand _prijs_ gemaakt. Men zegt dan meestal: _prijs verklaard_
+of _voor goede prijs_ (v.) _verklaard_, dit laatste om het goed recht
+als oorlogsbuit des te beter te doen uitkomen. (Het woord _verklaard_
+wijst dan aan, dat er geen gevecht behoefde geleverd te worden!)
+
+ * * * * *
+
+Oudtijds kregen de soldaten een vast soldij benevens een aandeel in den
+--.
+
+Daar stond de lichtzinnige jongeling, thans ten -- aan hevig
+zelfverwijt.
+
+De dieven brachten hun -- zoo spoedig mogelijk in veiligheid.
+
+Een groot getal koopvaardijschepen werd door den vijand -- verklaard.
+
+De koopvaardijvloot werd door eenige oorlogsbodems verdedigd, maar ten
+laatste grootendeels door den vijand -- gemaakt.
+
+De visscher heeft een slechte -- gehad.
+
+De politie heeft deze week een goede -- gedaan; zij legde de hand op
+»Rooie Kees", die wegens -- en doodslag terecht moest staan, maar
+nergens te vinden was. (Verklaar het figuurlijke der beteekenis van 't
+eerste woord!)
+
+Zes schipbreukelingen werden een -- der woedende golven.
+
+
+172. Bedenkelijk--zorgelijk--hachelijk--gevaarlijk.
+
+_Deze woorden geven te kennen, dat een toestand of omstandigheid gevaar
+oplevert._
+
+~Gevaarlijk~ zegt dit zonder eenige nadere aanwijzing. _Hij lijdt aan
+een ~gevaarlijke~ ziekte._
+
+~Bedenkelijk~ drukt alleen uit, dat de toestand ons tot nadenken, tot
+ongerustheid stemt, hoewel een gunstige afloop nog niet uitgesloten is.
+_De toestand van den zieke is wel ~bedenkelijk~, maar de geneesheer
+geeft nog alle hoop._
+
+~Zorgelijk~ geeft te kennen, dat het gevaar groot is; het maakt ons
+bezorgd (bevreesd), dat de afloop ongunstig zal zijn. _De zieke heeft
+reeds verscheidene dagen lang hevige koorts, zoodat zijn toestand
+~zorgelijk~ is._
+
+~Hachelijk~ zegt, dat de kans op een ongunstigen afloop grooter is dan
+die op een gunstigen uitslag. (Men zegt ook vaak ~kritiek~.) _Toen de
+Republiek in 1672 door vier mogendheden te gelijk werd aangevallen, was
+de toestand zeer ~hachelijk~._
+
+ * * * * *
+
+In den Franschen tijd was het hoogst --, afkeurend over Napoleon te
+spreken.
+
+De toestand van den zieke is --: men heeft reeds de bloedverwanten
+ontboden.
+
+Het is een -- verschijnsel, dat de weelde ook in de lagere standen zeer
+toeneemt.
+
+Toen de onzen reeds voor den vijand begonnen te wijken, verloor de
+veldheer in dit -- oogenblik zijn bezinning niet; kort en krachtig sprak
+hij zijn manschappen toe en wist ze met nieuwen moed te bezielen. Een
+schitterende overwinning bekroonde hun moed.
+
+Het kan -- zijn, vruchten, die men niet kent, te eten.
+
+Het was een -- waagstuk, met een klein bootje het Kanaal over te steken.
+
+Hoewel de man -- ziek ligt, geloof ik toch, dat zijn toestand niet zoo
+-- is, als gij meent.
+
+
+173. Dapper--moedig--stout--onbevreesd--onverschrokken--onversaagd.
+
+_Geen gevaar ontziende._
+
+~Moedig~ geeft te kennen, dat men overtuigd is van eigen kracht, om het
+gevaar te overwinnen. _Een ~moedig~ gemzenjager klimt langs afgronden,
+om zijn doel te bereiken._
+
+~Dapper~ is hij, die vooral in den strijd onversaagd is en stand houdt,
+waar anderen liever wijken. _Het kleine, maar ~dappere~ leger versloeg
+den veel sterkeren vijand._
+
+~Stout~ (of stoutmoedig) is hij, die het gevaar minacht, hetzij uit
+onbekendheid, hetzij om een andere reden: hij onderneemt daden, die ons
+vaak gewaagd of onuitvoerbaar toeschijnen. Een onervaren soldaat, die
+overigens misschien minder moedig is dan zijn oudere krijgsmakkers, zal
+soms lichter dan zij zich tot een stoute onderneming laten verleiden.
+_Het was een ~stoute~ daad van Jan Haring op Bossu's schip over te
+springen en de vlag naar beneden te halen._
+
+~Onbevreesd~ is hij, die geen vrees kent, zoodat hij zich niet laat
+afschrikken, om zich moedig te gedragen. _~Onbevreesd~ wachtte hij den
+vijand af._
+
+~Onverschrokken~ is hij, die zich door niets laat verschrikken, maar
+zelfs het gevaarlijkste durft wagen. _Kapitein 't Hoen was een
+~onverschrokken~ vrijbuiter, die meermalen dwars door den vijand heen
+levensmiddelen binnen Haarlem bracht._ (Hij was misschien wel niet
+altijd onbevreesd, maar hij liet zich door die vrees niet
+terugschrikken.)
+
+~Onversaagd~ is hij, die niet aarzelt, als het gevaar moet getrotseerd
+worden, en volhardt, als er tegenspoed komt. _~Onversaagd~ viel de
+~onverschrokken~ held den vijand aan, toen deze een uitval waagde._
+
+ * * * * *
+
+Bij die schipbreuk wierp zich de strandvoogd -- in de woedende golven en
+zwom naar het schip. (Dezen zin kan men met vier woorden invullen; doe
+het en geef telkens de veranderde beteekenis op.)
+
+De vader, wiens kind door den arend was geroofd, klom -- den roover na.
+(Men wil aanduiden, dat de vader niet aarzelde en zich door niets liet
+tegenhouden, totdat hij het nest bereikt had.)
+
+Bij het gezicht van den vijand zag men den bevelhebber slechts even
+verbleeken; toen viel hij -- het vijandelijke leger aan. (Onbevreesd was
+hij dus zeker niet.)
+
+Na een -- gevecht van een paar uren sloeg men den vijand op de vlucht.
+
+Hoewel hij wist, dat het zijn meerdere onaangenaam zou zijn, heeft hij
+dezen toch -- de waarheid gezegd.
+
+Onze geschiedenis is rijk aan -- mannen, die zich in menig gevecht --
+hebben gedragen; sommige zelfs hebben hun naam door een -- daad
+vereeuwigd.
+
+De jager naderde -- het hol van den leeuw. (Welke woorden kunt gij
+invullen? Geef daarvan rekenschap.)
+
+
+174. Spijt--leedwezen--berouw--wroeging.
+
+_Het onaangename gevoel, dat zich van ons meester maakt, wanneer wij tot
+het besef komen, verkeerd gehandeld te hebben._
+
+~Spijt~ drukt dit het zwakst uit; het geldt dan ook hoofdzakelijk van
+minder belangrijke daden. _Ik heb er ~spijt~ van, dat ik dit boek
+gekocht heb._
+
+~Leedwezen~ is sterker; het onderstelt een daad, waardoor wij ons zelven
+of anderen verdriet of nadeel berokkend hebben. _Hij gaf mij zijn
+~leedwezen~ er over te kennen, dat hij mij had moeten teleurstellen._
+
+~Berouw~ is weer sterker dan leedwezen; het duidt aan, dat wij een
+misslag of misdaad begaan hebben, waarover wij een aanhoudend leedwezen
+gevoelen. Bovendien drukt het uit, dat wij dien misslag of die misdaad
+gaarne ongedaan zouden maken, en laat meestal doorstralen, dat wij een
+mogelijke herhaling wenschen te voorkomen. _Over de grievende
+beleediging, die hij zijn besten vriend had aangedaan, voelde hij diep
+~berouw~._
+
+~Wroeging~ is de hoogste trap van berouw over een gepleegd kwaad. Het is
+de foltering, die de misdadiger voelt, doordat zijn geweten hem niet met
+rust laat. _Uit ~wroeging~ over zijn misdaad verviel hij tot wanhoop._
+
+ * * * * *
+
+Nu het vandaag zulk prachtig weer is geworden, heb ik er -- van, dat ik
+van morgen niet op reis ben gegaan.
+
+Tichelaar werd op zijn ouden dag overal vervolgd door de -- van zijn
+knagend geweten.
+
+Ik heb er nog steeds -- over, dat ik in mijn jeugd niet beter geleerd
+heb.
+
+Tot zijn -- bemerkte hij, dat hij zijn bediende onschuldig had
+aangeklaagd.
+
+Uit -- over zijn misdaad stierf hij reeds na korten tijd.
+
+De moordenaar toonde niet het minste -- over zijn afschuwelijke daad.
+
+Tot mijn -- moet ik u berichten, dat ik aan uw verzoek niet kan
+voldoen.
+
+
+175.
+Eigenzinnig--stijfhoofdig--hoofdig--koppig--halsstarrig--hardnekkig.
+
+_Niet geneigd naar anderen te luisteren._
+
+~Stijfhoofdig~ is hij, die zijn eigen hoofd wil volgen, zelfs al moet
+hij erkennen, dat anderen het beter weten. ~Hoofdig~ en ~koppig~ drukken
+hetzelfde iets minder sterk uit; ~koppig~ wordt ook van dieren gezegd
+en heeft bovendien het nevenbegrip van onhandelbaar. _De jongen is
+~stijfhoofdig~ genoeg, om toch de aangegeven fouten niet te willen
+verbeteren. Wat ben je van daag weer ~hoofdig~. Een ~koppige~ ezel._
+
+~Eigenzinnig~ komt ook wel met stijfhoofdig overeen, maar drukt nog het
+bijdenkbeeld uit, dat men uit gehechtheid aan het oude of aan eigen
+inzicht voor geen reden vatbaar is: men doet zijn _eigen zin_. _Hoewel
+iedereen hem aanraadde, zijn melk aan de boterfabriek te leveren, was de
+boer ~eigenzinnig~ genoeg, zelf te blijven karnen._
+
+~Halsstarrig~ (d. i. een stijven hals hebbende) en ~hardnekkig~ (d. i.
+een harden, stijven nek hebbende) gebruikt men om aan te duiden, dat
+iemand een onbuigzamen wil heeft en zich daarom blijft verzetten.
+~Hardnekkig~ kan ook in goeden zin voorkomen, wat bij ~halsstarrig~
+nimmer het geval is. _Na een ~hardnekkigen~ tegenstand moesten de Boeren
+zich eindelijk onderwerpen. Hij weigert ~halsstarrig~ zich met zijn
+buurman te verzoenen._
+
+ * * * * *
+
+Bokken zijn meestal -- dieren.
+
+Die jongen is vreeselijk --; hij weet, dat hij nablijven moet, als hij
+zijn werk niet netter maakt en toch zit hij weer te knoeien.
+
+De Atjehers boden een -- tegenstand, zoodat de onzen een moeilijke taak
+hadden.
+
+Kent gij het gedicht »De -- boer" van Staring?
+
+Hij houdt maar -- vol, dat hij niet gestolen heeft, en toch is de schijn
+sterk tegen hem.
+
+Sommige landbouwers zijn zoo --, dat zij met de nieuwste uitkomsten der
+landbouwkunde blijven spotten.
+
+Hoewel ik hem meermalen mijn hulp heb aangeboden, blijft hij die --
+weigeren.
+
+Na een -- gevecht moest de vijand eindelijk het veld ruimen.
+
+Niettegenstaande ik hem meermalen heb aangetoond, dat hij de studie op
+een andere wijze moet aanvatten, is hij toch -- genoeg om op den ouden
+weg voort te gaan.
+
+
+176. Gedachtenis--nagedachtenis--aandenken--herinnering.
+
+_De bewustgeworden voorstelling van hetgeen vroeger geweest is._
+
+~Herinnering~ wijst het vermogen aan, om zich het verledene weer voor
+den geest terug te roepen, of wel het is de werking zelf. Slechts in dit
+laatste geval is het synoniem met andere woorden en duidt dan alleen het
+bloote bewustworden aan. _In dagen van verdriet valt de ~herinnering~
+aan gelukkiger tijden ons dubbel zwaar._
+
+~Gedachtenis~ wijst aan, dat iemand of iets in onze gedachten blijft en
+dus niet vergeten wordt. Het ziet dus op een voortduren. _Houdt dat in
+uw ~gedachtenis~._
+
+~Nagedachtenis~ heeft alleen betrekking op overleden personen, zelfs
+van een ver voorgeslacht (dus niet op gebeurtenissen) en duidt het
+voortleven in onze gedachten aan. _Tot zijn ~nagedachtenis~ werd voor
+hem een gedenkteeken onthuld._
+
+~Aandenken~ drukt uit, dat aan het vroegere (personen of zaken) vaak
+gedacht wordt, bijv. hoe de persoon leefde, zoodat hij in levendige
+herinnering blijft. _Hij zal in gezegend ~aandenken~ blijven
+voortleven._
+
+Opmerking verdient, dat herinnering, aandenken en gedachtenis ook een
+voorwerp kunnen aanduiden, waardoor de herinnering, het aandenken of
+de gedachtenis wordt levendig gehouden. _Mag ik u dit geschenk tot een
+~aandenken~ aan dezen feestdag aanbieden?_ (Zoek ook een voorbeeld van
+herinnering en van gedachtenis.)
+
+ * * * * *
+
+Wij zullen van ons verblijf in Zuid-Limburg een aangename -- meenemen.
+
+De overledene bleef wegens zijn weldadigheid in gezegend -- voortleven.
+
+Ter -- aan de troonsbestijging der Koningin heeft men op verschillende
+plaatsen een linde geplant.
+
+Deze dichter heeft aan de -- van den zeeheld een schoon gedicht gewijd.
+
+Ontvang dit als een -- aan uw eerste bezoek.
+
+Zijn verblijf aldaar liet zoo weinig -- bij de bewoners achter, dat het
+weldra uit hun -- verdween.
+
+Dit horloge is nog een -- van mijn overleden oom.
+
+De -- van dezen weldoener der menschheid wordt nog steeds geëerd.
+
+
+177. Bekwaam--geschikt--kundig--knap.
+
+_De vereischten bezittende, om iets naar behooren te verrichten._
+
+~Kundig~ onderstelt veel theoretische kennis door ijverige studie van
+een zeker vak opgedaan. _Hij is een ~kundig~ rechtsgeleerde._
+
+~Bekwaam~ wijst aan, dat men aan kennis ook practische ervaring paart,
+zoodat men degelijk werk kan leveren of voor een of andere betrekking
+als aangewezen is. _Hij is een ~bekwaam~ timmerman; een ~bekwaam~
+onderwijzer._
+
+~Geschikt~ wil zeggen, dat men wegens het bezit van de vereischte
+vaardigheden voor een of andere handeling of betrekking bijzonder
+bruikbaar is. _Ik weet een ~geschikte~ dienstbode voor u._
+
+~Knap~ duidt aan, dat iemand veel geleerd heeft, hetzij in 't algemeen
+of in een bepaald vak: _Hij is een ~knap~ man.--Mijn broer is zeer
+~knap~ in de geschiedenis._ Een onderwijzer kan knap en toch niet
+bekwaam voor zijn betrekking zijn. In den regel is ~knap~ tot de
+spreektaal beperkt en behoort ~kundig~ meer tot de schrijftaal.
+
+ * * * * *
+
+Een -- werkman vindt overal werk.
+
+In uw geval zou ik een -- advocaat raadplegen.
+
+Wij hebben een -- kindermeisje gevonden.
+
+Wie is de -- van deze jongens?
+
+Johan de Witt was een -- rechtsgeleerde en een -- staatsman, die zeer --
+was om de buitenlandsche zaken te leiden.
+
+Die man ziet er wel onnoozel uit, maar voor schaapherder is hij nog wel
+--.
+
+Hij is een -- godgeleerde, maar wegens zijn schorre stem is hij voor
+predikant niet --.
+
+Ik geloof niet, dat deze schoenmaker erg -- in zijn vak is, maar voor
+verstelwerk is hij wel --.
+
+Deze hoogleeraar is een -- oriëntalist.
+
+Om dit oude gebouw naar behooren in den ouden stijl te herstellen moet
+gij een -- architect zoeken.
+
+
+178. Draaien--keeren--wenden--wentelen.
+
+_Een beweging maken, die van de rechte lijn afwijkt._
+
+Bij een cirkelvormige beweging--om een vast punt dus--spreekt men van
+~draaien~: _het wiel ~draait~_.
+
+Om aan te duiden, dat het voorwerp door de beweging een tegengestelden
+stand krijgt, gebruikt men ~keeren~: _het schip ~keert~_ (waar dus de
+voorsteven was, komt nu het roer).
+
+Is de verandering van stand niet zoo groot, dan spreekt men van ~wenden~
+(oorspronkelijk: zijwaarts doen gaan; vergelijk _wand_ = zijde): _het
+schip ~wendt~ het roer_.
+
+Een herhaald wenden wordt letterlijk door ~wentelen~ aangeduid
+(frequentief); het komt dus veel met draaien overeen, maar heeft de
+bijgedachte, dat het voorwerp niet alleen voortdurend van stand maar ook
+van plaats verandert. _Het zwijn ~wentelt~ zich in het slijk_ (d.i.
+letterlijk: wendt zich voortdurend in het slijk en komt tevens op een
+andere plaats). _De aarde ~draait~ om haar as en ~wentelt~ om de zon._
+(Waarom niet _~wentelt~_ om haar as, of _~draait~_ om de zon?)
+
+ * * * * *
+
+Pas op, de straat is hier te nauw om er met je fiets te --.
+
+De wielen met gummi-banden -- bijna onhoorbaar over den weg.
+
+Je kunt je overjas nog best laten --. (Hoe verklaart gij, dat de
+Duitscher hier _wenden_ gebruikt?)
+
+Als gij olie in de as gedruppeld hebt, moet gij het wiel een paar
+minuten snel laten --.
+
+Toen hij zijn vijand op straat tegenkwam, -- hij het hoofd naar rechts.
+
+Hij -- maar in een cirkeltje rond, je wordt er niets wijzer door.
+
+Wij zullen het eens over een anderen boeg --.
+
+Gij moet dit vat olie voorzichtig naar de schuur --.
+
+De wandelaar stond even stil en -- toen op zijn schreden terug.
+
+De orgelman -- de voorzijde van het orgel naar ons huis en begon er toen
+lustig op los te --.
+
+De vrouwen zagen den steen van Jezus' graf --.
+
+
+179. Lomp--onbeleefd--onbeschoft--ongemanierd.
+
+_Zonder fatsoen._
+
+~Onbeleefd~ wijst aan, dat men de regels der wellevendheid uit het oog
+verliest. _Het is ~onbeleefd~ een dame naar haar leeftijd te vragen._
+
+~Ongemanierd~ zegt, dat men onbeleefd in zijn manieren, in zijn
+handelwijs is, zoodat men in den regel ergernis verwekt. _Het is hoogst
+~ongemanierd~ aan tafel het zout met zijn vingers aan te vatten._
+
+~Lomp~ wil zeggen, dat men de regels der wellevendheid niet kent en er
+dus vaak lijnrecht mee in strijd handelt. _De ~lompe~ boer sprak den
+Burgemeester met jij aan._
+
+~Onbeschoft~ wijst aan, dat men wel de regels der wellevendheid kent,
+maar ze opzettelijk overtreedt, met het doel iemand daardoor te
+beleedigen. _Door zulk een ~onbeschoft~ antwoord van den boer werd de
+Burgemeester woedend._
+
+ * * * * *
+
+Zooveel beleefdheid had ik van dien -- boer niet verwacht.
+
+Foei jongen, wat zit je bij het eten van je boterham -- te smakken.
+
+De landlooper werd ten laatste zoo --, dat hij mij allerlei vuile
+scheldwoorden naar het hoofd wierp.
+
+Zorg er voor, Frits, dat je dadelijk voor de dames een voetenbankje
+haalt, anders zou je -- zijn; misschien zouden ze je wel voor een --
+jongmensch houden.
+
+De -- boer hield zijn pet in de kamer op; hij werd zelfs zoo --, dat hij
+tot den advocaat zeide: »Je kinderen lieken krek apen."
+
+
+180. Ochtend--morgen--dageraad--het krieken van den dag.
+
+_Het begin van den dag._
+
+~Dageraad~ en ~krieken~ wijzen op het begin van het licht, ~ochtend~
+op het begin van den tijd of den dag. Zoo zegt men: _men staat op met
+~het krieken van den dag~ of met den ~dageraad~_, d. w. z. bij het licht
+worden.--»_Sta gauw op, het is al ~ochtend~_" (d. w. z. de dag is al
+begonnen, de nacht is voorbij).
+
+~Morgen~ ziet meer op de eerste uren, het eerste gedeelte van den dag:
+_Dezen ~morgen~ heb ik in den tuin gespit._ Soms gebruikt men ook
+_ochtend_, waar _morgen_ bedoeld is: _Gisteren~ochtend~ deed ik een
+frissche wandeling._--Daar _ochtend_ slechts een oogenblik is, wenscht
+men elkander geen _goeden ~ochtend~_, maar een _goeden ~morgen~_
+('t eerste gedeelte van den dag). Zoo zegt men wel: _ochtendstond_ en
+_morgenstond_, maar niet: _de ~ochtend~stond heeft goud in den mond_,
+men bedoelt immers: de morgen_tijd_.
+
+ * * * * *
+
+Ik wensch u goeden --.
+
+Reeds bij -- stond er iemand voor onze deur.
+
+Morgen -- moet gij niet te lang slapen.
+
+Het --rood voorspelt mooi weer.
+
+Nauwelijks begon de -- te lichten, of wij verlieten ons huis.
+
+Ik laat mij elken -- om vijf uur wekken en werk dan den geheelen -- tot
+acht uur door.
+
+ »O welkom, schoone --,
+ Die uit een gulden kamer gaat
+ Met glans en heldre stralen."
+ (Luiken.)
+
+ »De --ster drijft voor zich henen
+ De benden van het hemelsch heir."
+ (Vondel.)
+
+
+181. Dalen--vallen--storten--zinken--zakken.
+
+_Een beweging naar beneden._
+
+~Dalen~ wijst op een langzame beweging naar beneden toe, in
+tegenstelling met rijzen, terwijl ~vallen~ aanduidt, dat die beweging
+sneller gaat tengevolge van de aantrekkingskracht der aarde (het
+voorwerp heeft dus geen ondersteuning meer). _Men liet gas uit de ballon
+ontsnappen om op de heide neer te ~dalen~.--Een der mannen boog zich te
+ver over het schuitje en ~viel~ naar beneden._ Geschiedt dit vallen van
+een aanzienlijke hoogte of onverwacht, dan spreekt men van ~storten~.
+_De Alpenjager verloor het evenwicht en ~stortte~ in een afgrond._
+
+~Zakken~ en ~zinken~ duiden aan, dat de stof, waarop iets moet rusten
+(water, modder, sneeuw, enz.), niet voldoende ondersteuning biedt.
+Verdwijnt het voorwerp geheel in die stof, zoodat het niet meer
+zichtbaar is, dan spreekt men van ~zinken~. _Wij ~zakten~ tot de enkels
+in de modder.--Het schip kreeg een lek en ~zonk~ in de diepte._ (Waarom
+kan men niet zeggen: de jager _zakte_ of _zonk_ in den afgrond?) Soms
+ook duidt ~zakken~ alleen aan, dat het voorwerp een lageren stand dan
+te voren inneemt: _de ballon ~zakte~_. Van het water kan men zeggen,
+dat het _daalt_, _valt_ en _zakt_. ~Dalen~ duidt eenvoudig aan, dat de
+waterspiegel lager wordt, vooral in tegenstelling van rijzen: _Vroeger
+schijnt de zee meermalen gerezen en weer ~gedaald~ te zijn._ ~Vallen~
+zegt, dat de lager geworden waterstand met een bepaald peil wordt
+vergeleken: _de rivier is van nacht 2 cM. ~gevallen~_.--~Zakken~ zegt
+eenvoudig, dat het peil in betrekking tot een vroeger merk lager is
+geworden: _Het water is vannacht ~gezakt~._ (Waarom kan men hier niet
+spreken van _zinken_?)
+
+ * * * * *
+
+Bij eb -- het water, bij vloed rijst het.
+
+Wij -- tot de knieën in de sneeuw.
+
+De arme man sloeg over boord en -- in de diepte.
+
+De bloesems -- als een zachte regen neder.
+
+Groote hagelsteenen -- uit de lucht.
+
+De moed is hem in de schoenen --.
+
+De sterke drank doet menigeen in het ongeluk --.
+
+Wacht een poosje, tot zijn drift wat -- is.
+
+Hij is in ongenade --.
+
+Een huis, dat --, moet nieuwe fundamenten hebben; een huis, dat --,
+verdwijnt weldra geheel in den lossen grond.
+
+Hij was niet standvastig genoeg en -- voor de verleiding.
+
+»'k Zie de starren -- aan den stillen trans."
+
+
+182. Hoogmoedig--hoovaardig--grootsch--trotsch--ijdel--fier--prat.
+
+_In groote mate met een gevoel van eigenwaarde bedeeld._
+
+~Hoogmoedig~ zegt, dat men in het besef zijner meerderheid met
+verachting op anderen neerziet. _Sedert hij burgemeester van dat dorp
+geworden is, is hij zeer ~hoogmoedig~ geworden._
+
+~Hoovaardig~ is sterker, het drukt uit, dat men zich nog grooter
+(rijker, enz.) wil voordoen, dan men is: _ik begrijp niet dat hij nu zoo
+~hoovaardig~ is geworden, vroeger was hij zoo nederig_.
+
+~Grootsch~, van zaken gebruikt, geeft het denkbeeld van grootte, ruimte,
+eerbiedwaardigheid, voortreffelijkheid: _een ~grootsch~ gebouw, een
+~grootsche~ gedachte_;--van personen gezegd is het ongunstig van
+beteekenis: het wijst dan aan, dat men met ingebeelde grootheid of
+voortreffelijkheid is bezield en in uiterlijken pronk behagen schept.
+_Zie dat meisje eens ~grootsch~ zijn op haar mooie kleeren._
+
+~Trotsch~, in goeden zin, is: vol van grootmoedig zelfvertrouwen of
+een gepast gevoel van eigenwaarde. _Uw ~trotsch~ geslacht verwacht
+rechtschapen loten uit zijn stam_ (Vondel); ook mag iemand, waar het
+een gepast gevoel van eigenwaarde geldt, gerust zeggen: »_Ik ben er
+~trotsch~ op zóó gehandeld te hebben._" Meestal evenwel ontstaat
+trotschheid uit verkeerde zelfverheffing en daarmee gepaard gaande
+verachting van anderen; de trotsche vermijdt dan ook angstvallig alles,
+wat hem quasi zou vernederen en neemt een houding aan, die stuitend,
+zelfs beleedigend voor anderen is. _Sedert hij burgemeester is geworden,
+is hij te ~trotsch~ om met ons om te gaan._ Van zaken gebezigd, komt
+~trotsch~ eenigszins met grootsch overeen, en wordt dan gebruikt, niet
+zoozeer om de grootte, als wel om de hoogte uit te drukken: _~Trotsche~
+bergen_ (geen »grootsche" bergen).
+
+~Prat~ is hetzelfde als trotsch, maar er wordt steeds de reden
+bijgevoegd: _~Prat~ op zijn afkomst._ Het woord is echter tot de
+schrijftaal beperkt.
+
+~Fier~ (van Franschen oorsprong) drukt altijd een gepast gevoel van
+eigenwaarde uit. _Met ~fieren~ blik trad hij voor zijn laaghartige
+beschuldigers._
+
+~IJdel~ duidt aan, dat men zich gaarne bewonderd en gevleid ziet. _Hij
+was ~ijdel~ genoeg, om de vleierij van zijn vrienden voor goede munt aan
+te nemen._ (IJdel kan ook beteekenen: 1º. zonder grond: ijdele hoop; 2º.
+van geen langen duur: ons ijdel leven; 3º. aardschgezind: ijdele lieden
+denken niet aan het leven hiernamaals; 4º. nutteloos: al zijn pogingen
+waren ijdel.)
+
+ * * * * *
+
+De -- raaf liet zich geducht door den vos beetnemen.
+
+Met -- opgeheven hoofd trad de mishandelde zijn beulen onder de oogen.
+
+Zijn -- hart heeft alle gevoel van vriendschap gebluscht.
+
+De -- schouwburg heft zijn kap en gaat tot aan de sterren pralen.
+(Vondel.)
+
+Elkeen bewonderde hem over de uitvoering van dit -- denkbeeld.
+
+Van oudsher was de Nederlander -- op zijn voorrechten.
+
+Wij mogen er -- op zijn, dat hier reeds eeuwen vrijheid van geweten
+bestaat.
+
+God wederstaat den --, maar den nederige schenkt Hij genade.
+
+Niemand kan dezen parvenu uitstaan, daar hij in 't oogloopend -- op zijn
+rijkdom is.
+
+Hoe -- draaft het paard daarheen, als het zijn meester draagt.
+
+Toen de -- veldheer zich door zoo velen gevleid zag, werd hij --.
+
+Hij behoeft waarlijk niet zoo -- te zijn op zijn afkomst; zijn ouders
+zijn maar eenvoudige lieden.
+
+Dat schijnt me een -- nufje toe.
+
+De pauw is een -- dier.
+
+Vroeger was hij vreeselijk --, maar het lot heeft hem nederig gemaakt.
+
+Ons loflied prijst den Schepper van het -- heelal.
+
+De -- eik werd door den bliksem getroffen.
+
+Hij was te --, om gebedeld brood te eten, zoolang hij nog werken kon.
+
+Deze schrijver is zoo --, dat hij niet de minste aanmerking op zijn werk
+kan verdragen.
+
+Paul Kruger blijft een -- verschijning in de geschiedenis van
+Zuid-Afrika.
+
+Toen de leeuw zich zag ingesloten, richtte hij zich -- op, alsof hij den
+dood verachtte.
+
+De prachtige St.-Janskerk in Den Bosch is een -- gebouw.
+
+
+183. Eischen--vorderen--vergen--verlangen.
+
+_Iets met aandrang vragen._
+
+~Eischen~ drukt uit, dat men de gedachte aan een weigering uitsluit,
+daar men van zijn recht overtuigd is of dat een plicht of een gelofte
+tot gehoorzamen bindt. _Ik ~eisch~ het geld terug, dat gij van mij
+geleend hebt. De wet ~eischt~ gehoorzaamheid aan haar bepalingen._
+
+~Vorderen~ onderstelt wel, dat weigeren mogelijk is, maar toch niet
+verwacht wordt, hetzij omdat degene, van wien men iets vordert, door
+innerlijken drang weerhouden wordt te weigeren, hetzij hij bevreesd is
+door dwangmiddelen tot het voldoen van het gevorderde gebracht te
+worden. _Men ~vordert~ van een welopgevoed man, dat men hem op zijn
+woord mag gelooven.--Ik ~vorder~ van hem schadevergoeding_ (d.w.z.
+weigert hij soms, dan stel ik bij rechterlijk vonnis een _eisch_ tot
+schadevergoeding in).
+
+~Verlangen~ duidt aan, dat men iets met zeer sterken aandrang vraagt,
+maar dat men niet zeker is, of het verlangde zal worden toegestaan: het
+laat in het midden, of men al dan niet recht op het gevraagde heeft. _De
+minderjarige jongeling ~verlangde~ zijn vaderlijk erfdeel om de wereld
+in te trekken._ (Ware hij meerderjarig geweest, dan had hij het kunnen
+_eischen_ of _vorderen_.)--_Wij ~verlangden~ van onzen vriend nadere
+opheldering van zijn gedrag._ (Een onderwijzer _eischt_ opheldering van
+zijn leerling.)
+
+~Vergen~ (metathesis van vragen) duidt aan, dat men te veel verlangt.
+_Hij ~vergt~ van mij, dat ik dat alles voor niets zal doen._
+
+ * * * * *
+
+De onderwijzer --, dat zijn leerlingen stipt op tijd komen; hij --, dat
+zij jegens iedereen beleefd zullen zijn; hij mag niet --, dat er onder
+schooltijd voortdurend een doodsche stilte heerscht.
+
+Ik -- oogenblikkelijk binnengelaten te worden. (Meer woorden?)
+
+Deze arbeid -- veel tijd. (Figuurlijk.)
+
+Hij had reeds te veel van mijn geduld --.
+
+De regeering -- onvoorwaardelijke gehoorzaamheid aan de wet.
+
+Ik mag van u niet --, dat gij mij voor niemendal zult helpen.
+
+Hij -- van mij, dat ik mijn verontschuldiging zal aanbieden, maar hij
+vergeet, dat ik de beleedigde ben.
+
+Welken prijs -- gij voor deze boeken?
+
+De ouders -- van hun kinderen, dat zij zich behoorlijk in huis zullen
+gedragen.
+
+Indien het niet te veel van uw goedheid -- is, zou ik u dit gaarne
+verzoeken.
+
+
+184. Aarzelen--schromen--weifelen--in twijfel staan--zich bedenken.
+
+_Geen vast besluit kunnen nemen._
+
+~Aarzelen~ duidt oorspronkelijk een achterwaartsche beweging aan, het
+wil dus zeggen: voor het besluit of de handeling terugdeinzen, doordat
+men zich te zwak gevoelt. _Als men mij die betrekking aanbood, zou ik
+~aarzelen~ ze aan te nemen._
+
+~Schromen~ duidt aan, dat schroom (zie No. 166) de oorzaak is, waardoor
+men niet tot een besluit kan komen. _Ik was hem al zoo dikwijls lastig
+gevallen, dat ik ~schroomde~ alweder zijn hulp in te roepen._
+
+~Weifelen~ duidt aan, dat men niet tot een besluit kan komen, doordat
+men geen wilskracht, geen doortastendheid bezit. _Door zijn ~weifelen~
+in het beslissende oogenblik is de onderneming mislukt._
+
+~In twijfel staan~ beteekent: tusschen twee zaken niet kunnen kiezen,
+daar het vóór en tegen vrijwel tegen elkander opwegen. _Ik ~stond~
+langen tijd ~in twijfel~, of ik zou schrijven dan wel zelf zou gaan._
+(Twij = twee.)
+
+~Zich bedenken~ gebruikt men, als men zijn te nemen besluit vooraf nog
+eens in ernstige overweging wenscht te nemen. _Ik kan mijn toestemming
+nu nog niet geven, ik moet ~mij~ eerst nog eens terdege ~bedenken~._
+Soms beteekent het ook: op zijn reeds genomen besluit door nadenken
+terugkomen. _In mijn eerste opwelling van woede besloot ik hem een
+beleedigenden brief te schrijven, maar bij nader inzicht ~bedacht~ ik
+~mij~ gelukkig nog._
+
+ * * * * *
+
+Wie buiten zijn toedoen in armoede vervalt, behoeft niet te -- om
+ondersteuning te vragen.
+
+De bevelhebber -- tot den aanval over te gaan, daar hij een heftigen
+tegenstand vermoedde.
+
+Langen tijd heb ik --, of ik voor arts dan wel voor notaris zou
+studeeren.
+
+Ik hoor, dat hij plan heeft zijn geld in die gewaagde onderneming te
+steken; voor hem hoop ik, dat hij -- zal.
+
+Hoewel gij er soms iemand onaangenaam door moet zijn, moogt gij niet --,
+naar plicht en geweten te handelen.
+
+De koning had met een weinig toegeven den opstand nog kunnen voorkomen,
+maar daar hij in het beslissende oogenblik -- tot zulk een verzoenende
+daad over te gaan, verloor hij zijn laatste vrienden.
+
+Gij weet, op welke wijze gij zijn vriendschap behouden kunt; waarom --
+gij dan nog daartoe over te gaan?
+
+Gerust moogt gij --, vóór gij hem uw vriendschap opzegt, maar is uw
+besluit genomen, -- dan ook niet het ten uitvoer te brengen.
+
+Door de -- houding, die ons land bij de voorgestelde alliantie aannam,
+liet het de gelegenheid, om bondgenooten te winnen, voorbij gaan.
+
+
+185. Blijdschap--vreugde--vroolijkheid--genoegen--verrukking.
+
+_Aangename aandoening van ons gemoed._
+
+~Blijdschap~ ziet meer op een enkel geval en wordt door geringere
+oorzaken teweeggebracht dan ~vreugde~, die dieper en langduriger
+aandoet. Bovendien verschillen beide woorden ook hierin, dat
+~blijdschap~ zich op 't gelaat afspiegelt, terwijl ~vreugde~ zich niet
+noodzakelijk behoeft te uiten. Het goed gedrag van den zoon geeft den
+vader vreugde; zijn thuiskomst na een korte afwezigheid veroorzaakt
+blijdschap. (De vreugde duurt langer en uit zich wellicht niet; de
+blijdschap was van voorbijgaanden aard en straalde misschien van 't
+gelaat van den vader.) Geeft de blijdschap zich lucht ook door woorden,
+lachen of gebaren, dan spreekt men van ~vroolijkheid~. Zijn vreugde kan
+men verbergen, zijn vroolijkheid niet; blijdschap kan stil zijn (stille
+blijdschap), vroolijkheid niet, bijv.: zij waren uitgelaten van
+vroolijkheid.
+
+~Genoegen~ is minder sterk dan blijdschap; het is eigenlijk de toestand
+van voldaanheid met hetgeen men wenscht of bezit. _Hij smaakte het
+~genoegen~, de acte te behalen. Het doet mij ~genoegen~, dat gij komt._
+(In beide gevallen wijst het dus aan, dat de wensch vervuld werd.)
+Tegenwoordig komt het soms ook overeen met vermaak: _Ik wensch u veel
+~genoegen~ op uw reis_ (wat eigenlijk beteekent: ik hoop, dat gij al uw
+wenschen bevredigd zult zien, n.l. uw wenschen naar genot en vermaak
+op uw reis). _Hij schept veel ~genoegen~ of vermaak in het lezen van
+romans. Met ~genoegen~ neem ik uw uitnoodiging aan_ (het zal mij een
+vermaak zijn, bij u te komen). Genoegen kan ook nog beteekenen: de
+oorzaak of het middel, dat ons vermaak verschaft: _ook de winter heeft
+zijn ~genoegens~_. Verder moet er nog op gewezen worden, dat genoegen
+en vermaak in de gewone spreektaal dikwijls vervangen worden door het
+Fransche woord »pleizier".
+
+De hoogste trap van vreugde of blijdschap is ~verrukking~: de aangename
+toestand, waarin alle andere gevoel in dat der vreugde opgaat.
+
+ * * * * *
+
+De geboorte van den prins werd met groote -- begroet.
+
+Op de zilveren bruiloft heerschte er in dit huisgezin groote --.
+
+Het is mij altijd een -- door de geurende bosschen te dwalen.
+
+Die jongen heeft er altijd -- in, kleine kinderen te plagen.
+
+Met -- beschouwde de daglooner den grooten schat, dien hij had gevonden.
+
+De zieke had het --, nog voor zijn dood al zijn kinderen om zich te
+zien.
+
+Het verdere van den feestavond werd in uitgelaten -- doorgebracht.
+
+Wie al te veel allerlei -- najaagt, verzuimt dikwijls zijn eerste
+plichten.
+
+Het is mij een -- u te kunnen helpen.
+
+De -- der ouders, toen zij hun verloren gewaand kind terugvonden, is
+niet te beschrijven.
+
+Tot algemeene -- begon onder de deftige toespraak van den voorzitter
+plotseling een ezel te balken.
+
+Moge uw huwelijk u een bron zijn van ongestoorde --.
+
+Het bestuur dezer badplaats zorgt in den zomer voor allerlei --.
+
+Toen hij het langgewenschte portret zijner moeder vond, geraakte hij in
+--.
+
+Met -- vernam men, dat de Koningin een bezoek aan de stad zou brengen.
+
+»Wat heilig vuur, doortintelt al mijn ad'ren! -- sleept mij
+onweerstaanbaar mee!"
+
+
+186. Boosheid--drift--toorn--woede--razernij.
+
+_De gemoedstoestand, waarin men alle kalmte verliest._
+
+~Boosheid~ duidt aan, dat men misnoegen gevoelt, maar niet in zulke
+sterke mate, als bij ~toorn~ het geval is. Verliest de toornige zijn
+heerschappij over het verstand, dan spreekt men van ~woede~. Gaat deze
+woede met groot getier of heftige bewegingen gepaard, dan gebruikt men
+~razernij~.--~Drift~ is een snel opkomende opwelling van toorn, die
+evenwel spoedig weer voorbij gaat.
+
+ * * * * *
+
+In zijn -- had hij bijna zijn besten vriend vermoord.
+
+Hij wilde uit -- niet met ons meespelen.
+
+In zijn -- wierp hij mij een beleediging naar het hoofd, maar hij had er
+spoedig groot berouw over.
+
+Hij ging in zijn -- zoo geweldig te keer, dat de menschen op straat
+bleven staan luisteren.
+
+Spreek uw nieuwen patroon nooit tegen en doe stipt, wat hij zegt; want,
+als gij zijn -- opwekt, jaagt hij u misschien wel de deur uit.
+
+Bij die grievende beleediging, zijn vader aangedaan, ontstak de zoon in
+zulk een --, dat hij bijna een ongeluk had begaan.
+
+Zeg maar niets tegen hem; zijn -- zal wel spoedig gezakt zijn.
+
+Met verbeten -- stond de koopman het aan te zien, hoe zijn concurrent al
+de klanten wist te lokken.
+
+
+187. Omslachtig--breedvoerig--uitvoerig--omstandig--wijdloopig.
+
+_Het tegengestelde van beknopt._
+
+~Omslachtig~ duidt aan, dat men veel _omslag_ maakt, d.i. een grooten
+omhaal van woorden bezigt; men geeft dus veel meer in zijn verhaal, dan
+noodig is.
+
+~Omstandig~ heet het verhaal, waarin alle voorname bijzonderheden
+vermeld worden, alsof een omstander het feit vertelde.
+
+~Uitvoerig~ ziet op de redeneering of het verhaal, waarin niets gemist
+wordt, wat voor het onderling verband noodig is.
+
+Wil men in een verslag de omstandigheden niet enkel noemen, maar ook
+nader ontvouwen, om voor hem, die niet geheel op de hoogte is, des
+te duidelijker te zijn, dan spreekt men van ~breedvoerig~. In een
+breedvoerig betoog worden dus de verschillende onderdeelen van het
+onderwerp nader uiteengezet en verklaard. Wie hierbij echter onnoodig
+zaken aanroert en behandelt, en dus zijn redeneering of bewijsvoering
+noodeloos rekt, wordt ~wijdloopig~.
+
+~Omstandig~ en ~uitvoerig~ zijn dus goede hoedanigheden van een
+spreker of schrijver, soms moet hij ook ~breedvoerig~ zijn; maar
+~omslachtigheid~ en ~wijdloopigheid~ zijn steeds af te keuren.
+
+ * * * * *
+
+De rechter verlangt van de getuigen wel een --, maar geen -- verhaal.
+
+Deze -- uiteenzetting van het onderwerp was noodig, omdat anders het
+publiek den spreker moeilijk had kunnen volgen.
+
+Van den toestand onzer koloniën komt in dit blad een -- verslag voor,
+dat een helder licht op vele zaken werpt.
+
+In zijn ijver, om de onschuld van den beklaagde te doen uitkomen, hield
+de advocaat zulk een -- betoog, dat het geduld van zijn toehoorders op
+een te zware proef werd gesteld.
+
+De tijd ontbreekt mij om u een -- verslag van die vergadering te geven.
+
+
+188.
+Beleedigen--bespotten--hoonen--krenken--kwetsen--verguizen--smalen--smaden.
+
+_Iemand op grievende wijze behandelen._
+
+~Beleedigen~ zegt dit in het algemeen, zonder dus nader aan te duiden,
+waarin de beleediging bestaat. _De gezant werd op straat ~beleedigd~._
+
+~Bespotten~ wijst aan, dat de beleediging met spottende woorden of
+gebaren geschiedt; men bespot dus iemand (of iets) door hem belachelijk
+te maken. _Gij moogt nooit de godsdienstige gebruiken van
+andersdenkenden ~bespotten~._
+
+Bij ~hoonen~ wordt de beleediging door vernedering en schande aangedaan.
+_Met ~hoonend~ gelach werd de spreker, die in zijn rede bleef steken,
+begroet._
+
+Bij ~smaden~ denkt men meer aan verachting. _Uit de ~smadelijke~
+uitroepen van het volk kon de minister duidelijk merken, dat hij zijn
+aanzien verloren had._
+
+~Verguizen~ is de hoogste trap van smaden of hoonen. _Geen rechtgeaard
+vaderlander laat zijn geboortegrond ~verguizen~._
+
+~Krenken~ duidt aan, dat men iemand grieft, door hem in zijn eer of
+rechten aan te tasten, terwijl ~kwetsen~ meer ziet op het beleedigen
+van het gevoel. _Dat hij achteruitgezet werd, ~krenkte~ hem zóó, dat
+hij ontslag aanvroeg. Deze plaat ~kwetst~ den goeden smaak._
+
+~Smalen~ beteekent: zich minachtend en geringschattend over iemand
+(of iets) uitlaten, door diens verdiensten of deugden met opzet te
+verkleinen; soms heeft het de bijgedachte, dat de werking uit nijd of
+afgunst geschiedt. _Hoezeer sommigen ook ~smaalden~ op het langzame
+voortrukken van ons leger, de uitkomst bewees, dat de aanvoerder daarmee
+goed had gedaan._
+
+ * * * * *
+
+De gemalin van prins Willem V achtte zich zwaar --, toen zij op haar
+reis naar Den Haag werd tegengehouden; zij achtte zich in haar eer -- en
+liet haar broeder voldoening eischen.
+
+Het geeft altijd een bewijs van slechte opvoeding, als men iemand om
+zijn lichaamsgebreken --.
+
+Hij liet zich -- over het schilderij uit, omdat hij blijkbaar zijn
+mededinger het behaalde succes niet gunde.
+
+Men moet nimmer een ander in zijn godsdienstige overtuiging --.
+
+Toen de arme stierenvechter het ongeluk had mis te stooten, werd hij
+door het publiek met een -- geroep begroet.
+
+Liever dan de vaderlandsche vlag te laten --, vloog Van Speyk de lucht
+in.
+
+Door zulk een miskenning van zijn verdiensten ten zeerste --, verliet
+hij 's lands dienst.
+
+De Fransche koning achtte zich door het slaan van den gedenkpenning op
+den vrede zwaar -- en eischte voldoening.
+
+Het is wel gemakkelijk op den afloop te --, maar de beste stuurlui staan
+altijd aan wal.
+
+Ten diepste -- over de geleden nederlaag verviel Karel de Stoute in een
+toestand van zinsverbijstering.
+
+Eindelijk brak het uur aan, dat den zoo lang -- man de waardeering te
+beurt viel, waarop hij recht had.
+
+Dit boek, dat de goede zeden --, is op last der regeering verboden.
+
+»Triumf! de Nederlandsche Taal Is van het Fransche juk ontheven, En zal,
+hoezeer de nijd ook --, Haar ouden luister doen herleven!"
+
+
+
+
+AANHANGSEL.[1]
+
+[1] In dit aanhangsel zijn nog 50 reeksen zoo beknopt mogelijk
+behandeld. Het is voor den belanghebbende een goede oefening zelf
+voorbeelden ter verduidelijking of ter toetsing te zoeken.
+
+
+189. Opbeuren--troosten.
+
+_Opnieuw moed en vertrouwen inboezemen._
+
+~Troosten~ is het geleden verlies helpen verlichten en vertrouwen op de
+toekomst opwekken; ~opbeuren~ (omhoog heffen): een door diepe droefheid
+terneergeslagen gemoed met nieuwen levensmoed bezielen.
+
+
+190. Oponthoud--vertraging.
+
+_Wat een werking in haar voortgang hindert._
+
+~Oponthoud~ is een hindernis, die de werking tijdelijk doet ophouden,
+stil doet staan; ~vertraging~ is alles, wat de werking trager, langzamer
+doet gaan.
+
+
+191. Verlichten--beschaven.
+
+_Verstand en gemoed ontwikkelen en veredelen._
+
+~Verlichten~ is: lichter maken wat duister was, dus duidelijke begrippen
+aanbrengen om daardoor 't verstand en de kennis te vergrooten en tevens
+dwaalgrippen en bijgeloof te doen verdwijnen. ~Beschaven~ is: minder
+ruw, fijner, zachter maken, dus den geest in _elk_ opzicht ontwikkelen,
+niet alleen in betrekking tot helderheid van kennis en denken, maar
+vooral ook met het oog op veredeling van zeden, smaak, gevoel en
+wellevendheidsvormen.
+
+
+191_bis_. Geheim--heimelijk.
+
+_Wat voor anderen verborgen moet blijven._
+
+~Geheim~ is alles, wat de niet-ingewijde niet weet, wat met opzet
+verborgen wordt gehouden: een _geheime_ vergadering; een _geheime_
+samenzwering. ~Heimelijk~ ziet op de wijze, de middelen, waarop of
+waarmee men iets geheim houdt: een _heimelijke_ samenkomst (men komt
+zóó samen, dat het niet gezien wordt); zich _heimelijk_ uit de voeten
+maken.
+
+
+192. Achten--waardeeren.
+
+_De waarde van iemand of iets erkennen._
+
+~Waardeeren~ zegt men van alles, wat waarde voor ons heeft, wat men op
+prijs wil stellen: _iemands moeite ~waardeeren~; gij moogt dit mooie
+weer wel ~waardeeren~_. ~Achten~ doet men alleen menschen en wel om hun
+zedelijke waarde of maatschappelijke betrekking. _Men ~waardeert~ een
+hond om zijn waakzaamheid; men ~acht~ hem niet._
+
+
+193. Uitdeelen--verdeelen.
+
+_In deelen splitsen._
+
+~Verdeelen~ zegt dit meer in 't bijzonder: _de erfenis wordt ~verdeeld~_
+(komt dus niet aan één persoon); _een boek in hoofdstukken ~verdeelen~;
+appels onder de kinderen ~verdeelen~_. ~Uitdeelen~ ziet op het uitreiken
+der deelen, waarin het geheel eerst verdeeld is: _de aandeelen in de
+erfenis ~uitdeelen~_; of waarin het geheel meer toevallig gesplitst
+wordt: _in 't wilde ~uitdeelen~; aalmoezen ~uitdeelen~_.
+
+
+194. Vermeesteren--bemachtigen.
+
+_In zijn macht brengen._
+
+~Bemachtigen~ zegt dit in 't algemeen; ~vermeesteren~ onderstelt
+uitdrukkelijk strijd en geeft tevens te kennen, dat men over iets
+meester wordt en dus naar willekeur er mee kan handelen. _Een plaatsje
+~bemachtigen~. Een stad ~bemachtigen~_, en ook: _~vermeesteren~_
+(verschil!).
+
+
+195. Bezitten--hebben.
+
+_Beide woorden beteekenen, iets in eigendom hebben._
+
+~Hebben~ zegt dit in 't algemeen, zonder meer, terwijl ~bezitten~ gezegd
+wordt van redelijke wezens, om te kennen te geven, dat zij over hun
+bezitting vrijelijk kunnen beschikken en anderen daarvan uitsluiten.
+_Een boom ~heeft~ bladeren.--Deze dame ~bezit~ veel huizen._
+
+
+196. Bloem--bloesem.
+
+_Het deel der plant, dat bloeit._
+
+~Bloesem~ zegt dit met het oog op de later voort te brengen vruchten;
+~bloem~ is de bloesem, die door bijzondere schoonheid, geur of kleur
+zich onderscheidt en vooral daaraan zijn waarde ontleent, zoodat de
+vrucht niet de hoofdzaak is.
+
+
+197. Eer--roem.
+
+_De gunstige meening van iemands voortreffelijkheid._
+
+~Eer~ geniet men als men door zijn medeburgers om zijn
+voortreffelijkheid hooggeacht wordt en daarom met onderscheiding wordt
+behandeld; ~roem~ is de bekendheid, die men om zijn groote daden of
+andere voortreffelijkheden geniet, tot zelfs in het buitenland en vaak
+nog bij het nageslacht. (In de uitdrukking: _~Eere~ zij God_ beteekent
+_eer_ meer: _lof_, _lofprijzing_.)
+
+
+198. Ontberen--missen.
+
+_Iets niet bezitten, wat men noodig heeft._
+
+~Missen~, dat van menschen en dingen wordt gezegd, onderstelt, dat men
+vroeger het gemiste gehad heeft; ~ontberen~, dat alleen van belangrijke
+zaken wordt gebruikt, heeft de bijgedachte, dat het gemis zwaar gevoeld
+wordt, zoodat het soms gebrek-lijden beteekent.
+
+
+198_bis_. Achterhalen--inhalen.
+
+_Iets bereiken, wat vooruitgekomen is._
+
+~Achterhalen~ is: door grootere snelheid, dan het vooruitgekomene heeft,
+dit bereiken, meestal met vijandige bedoeling: _Een dief ~achterhalen~._
+~Inhalen~ is: door langer loopen of werken, of wegens de langzaamheid of
+'t oponthoud van 't vooruitgekomene, dit bereiken: _een wandelaar
+~inhalen~. Een mede-leerling in de klas ~inhalen~._
+
+
+199. Ontwaken--wakker worden.
+
+_Uit den slapenden toestand in dien van waken overgaan._
+
+~Ontwaken~ ziet op 't ophouden van den slaap; ~wakker worden~ is het
+beginnen van den wakenden toestand. Men kan dus niet »_wakker worden_
+uit den slaap", maar wel »_ontwaken_ uit den slaap".
+
+
+200. Vlieden--vluchten.
+
+_Zich snel verwijderen van iets, dat gevaarlijk is._
+
+~Vlieden~ is: vol angst zich snel verwijderen en is hoofdzakelijk tot
+den verheven stijl beperkt. ~Vluchten~ heeft meer de bijgedachte van in
+veiligheid trachten te komen.
+
+
+201. Kosten--gelden.
+
+_Een zekere waarde hebben._
+
+~Gelden~ ziet op den eenheidsprijs (marktprijs), ~kosten~ let meer op
+hetgeen men voor iets betaalt, dus boven of beneden den marktprijs, of
+wel voor iets in zijn geheel. _De tarwe ~geldt~ f 7. Mij ~kost~ deze
+koffie maar f 1; zij ~geldt~ anders f 1.20 (per K.G.).--Deze voorraad
+koffie ~kost~ f 25. Dit huis ~kost~ f 15000._
+
+Figuurlijk is ~gelden~: waarde hebben, waard zijn; ~kosten~: betalen
+met; bijv.: _Een ~geldige~ stem.--Dat zal moeite ~kosten~._
+
+
+202. Leugen--onwaarheid.
+
+_Iets, wat niet waar is._
+
+~Onwaarheid~ zegt in 't algemeen, dat iets niet is, zooals men beweert;
+er behoeft dus aan geen kwade bedoeling gedacht te worden: _Hij zegt,
+dat Urk onbewoond is; maar dat is een ~onwaarheid~._ ~Leugen~ is een
+opzettelijke afwijking van de waarheid.
+
+
+203. Nazetten--vervolgen.
+
+_Iets, wat aan 't vluchten is, trachten in te halen._
+
+~Vervolgen~ zegt dit in 't algemeen; ~nazetten~ voegt er de gedachte
+bij, dat het met groote snelheid geschiedt.
+
+
+204. Rust--stilte.
+
+_Zonder beweging of geluid._
+
+~Rust~ is de toestand, die intreedt, als een beweging of werking
+ophoudt; ~stilte~ is de toestand na 't ophouden van een heftige, van
+geluiden vergezeld gaande beweging, of wel: de afwezigheid van elk
+geluid. Vergelijk: _Een welverdiende ~rust~. Een rollend lichaam komt
+eindelijk tot ~rust~.--De ~stilte~ na den storm. De ~stilte~ des grafs
+(des doods)._
+
+
+205. Sturen--zenden.
+
+_Iets (iemand) ergens heen laten gaan._
+
+~Sturen~ ziet vooral op het verwijderen: _een bedelaar ~wegsturen~;
+~stuur~ de meid weg, zij beluistert ons_; bij ~zenden~ denkt men meer
+aan een bepaald doel: _Een afgevaardigde ~zenden~. Een boek op zicht
+~zenden~._ (Evenwel wordt ~zenden~ in de spreektaal meer door ~sturen~
+vervangen.)
+
+
+206. Schuldeloos--onschuldig.
+
+_Zonder schuld._
+
+~Schuldeloos~ behoort meer tot den verheven stijl en beteekent: geheel
+zonder schuld of zonde zijn (dus meer in den zin der H. Schrift);
+~onschuldig~ wil zeggen: geen schuld aan een bepaalde misdaad
+hebbende: _Een ~onschuldige~ veroordeelen_; verder beteekent het:
+menschelijkerwijze gesproken nog vrij van zonden of eenig kwaad: _Een
+~onschuldig~ kind._
+
+
+207. Verdraagzaam--vreedzaam.
+
+_Bereid of geneigd om vrede te houden._
+
+~Vreedzaam~ zegt, dat dit geschiedt zelfs met eenige opoffering van
+eigen rechten; ~verdraagzaam~ heeft de bijgedachte, dat men vrede houdt,
+door de meening van anderen te eerbiedigen.
+
+
+208. Voorlooper--voorbode.
+
+_Een persoon of zaak, die op iets naderends wijst._
+
+~Voorbode~ is die- of datgene, uit welks verschijnen men tot het naderen
+van iets anders mag besluiten; ~voorlooper~ is de persoon, die de komst
+en het werk van een ander voorbereidt en mogelijk maakt.
+
+
+209. Getuige--zegsman.
+
+_De persoon, die de bewering van een ander bevestigt._
+
+~Getuige~ is hij, die bij het voorval tegenwoordig was, en dus het
+beweerde heeft gezien of gehoord. ~Zegsman~ onderstelt, dat wij voor de
+waarheid van het beweerde zelf niet kunnen instaan, maar ons beroepen op
+den persoon, die het ons verzekerd heeft.
+
+
+210. Betreffen--raken--aangaan.
+
+_Met iets te maken hebben._
+
+~Aangaan~ onderstelt, dat ons belang er mee gemoeid is evengoed als
+van een ander. _Wacht, ik zal goed luisteren, want wat de spreker
+daar zegt, ~gaat~ ook mij ~aan~.--Loop maar door, het ~gaat~ jou niet
+~aan~._--~Betreffen~ is als 't ware meer een treffen, een mikken,
+een raken op iemand, al schijnen ook anderen bedoeld: _Die vermaning
+~betreft~ mij._ (Wat de spreker daar zegt, gaat niet anderen aan, maar
+bepaaldelijk _mij_; hij vermaant mij persoonlijk, al zegt hij het niet
+uitdrukkelijk.) ~Raken~ is de platte uitdrukking voor _aangaan_:
+_~Raakt~ jou dat? Dat ~raakt~ je niet._
+
+
+211. Aanprijzen--prijzen--aanbevelen.
+
+_De voortreffelijke eigenschappen van iets of iemand opnoemen._
+
+~Prijzen~ zegt, dat dit in woorden geschiedt en als gevolg van groote
+tevredenheid: _hij ~prijst~ zijn knecht altijd_. ~Aanprijzen~ heeft het
+bijdenkbeeld, dat men den hoorder gunstig wil stemmen om hem tot koopen
+of aannemen aan te sporen. _Zijn waren ~aanprijzen~._
+
+~Aanbevelen~ heeft de bijgedachte, dat men voor de aanbeveling zich op
+eigen ondervinding of inzicht mag beroepen, en zich eenigszins borg
+stelt: _Een onderwijzer ~aanbevelen~.--Een plan ~aanbevelen~._
+
+(In de uitdrukking: _~Prijs~ den Heer!_ is _prijzen_ meer: _lofzingen_;
+en _aanbevelen_ kan ook beteekenen: iemands gunst of zorgen inroepen:
+_Ik ~beveel~ mijn zoon in uw hoede ~aan~._)
+
+
+212. Bevrijden--verlossen--redden.
+
+_Uit een neteligen toestand vrij maken._
+
+~Bevrijden~ en ~verlossen~ wijzen er op, dat het vrijgemaakte voorwerp
+door iets anders wordt vastgehouden; verlossen zegt dit in sterkere mate
+dan bevrijden. Immers _bevrijden_ onderstelt wel, dat de vrijheid is
+verloren, maar dat de gevangen persoon zich binnen de bepaalde ruimte
+nog vrij bewegen kan: hij is dus alleen zijn _vrijheid_ kwijt. Hij kan
+dan ook, krachtens die vrije beweging, _zich zelf bevrijden_, terwijl
+_zich zelf verlossen_ onbestaanbaar is. Immers _verlossen_ onderstelt
+een _gebonden_ zijn, zoodat behalve de vrijheid ook elke beweging gemist
+wordt. (Verlossen = _los_ maken, n.l. de banden of boeien.)
+
+~Redden~ ziet op het vrij maken uit een groot gevaar, waarin men anders
+zou omkomen: _van den dood ~redden~; uit den brand ~redden~_.
+
+~Verlossen~ ziet alleen op menschen, ~bevrijden~ op alle levende
+wezens, en ~redden~ ook op zaken.
+
+
+213. Gedenkwaardig--merkwaardig--belangrijk.
+
+_In hooge mate de aandacht waard._
+
+~Merkwaardig~: wat zich in dit opzicht bijzonder van andere
+gelijksoortige dingen (menschen) onderscheidt en daarom licht
+onthouden (»gemerkt") wordt: »_~Merkwaardige~ personen uit ons
+verleden_".--~Gedenkwaardig~ is datgene, wat wegens zijn groote
+beteekenis onze aandacht verdient en daarom waard is herhaaldelijk
+herdacht te worden: _De ~gedenkwaardige~ slag bij Waterloo._ (Alleen
+van zaken!) ~Belangrijk~ is alles, wat van veel belang is vooral in
+de gevolgen en daarom niet over 't hoofd gezien mag worden: _De
+~belangrijkste~ feiten opnoemen._
+
+
+214. Wildernis--woestijn--woestenij.
+
+_Een onbewoonde landstreek._
+
+Een ~woestijn~ is een landstreek zonder bewoners of plantengroei
+tengevolge van watergebrek; een ~wildernis~ is een onbewoonde streek,
+waarin alles in natuurstaat wild dooreengroeit; zij kan zeer wel
+vruchtbaar en dus voor ontginning geschikt zijn: _de ~wildernissen~ van
+Afrika_; en ~woestenij~ onderstelt, dat de plek grond vroeger bebouwd
+was, maar thans verwilderd is: _Duitschland geleek na den 30-jarigen
+oorlog op vele plaatsen een ~woestenij~._
+
+
+215. Zwoel--warm--heet.
+
+_Een hoogen temperatuurgraad hebbende._
+
+~Warm~ zegt dit in 't algemeen, vooral van een aangename temperatuur:
+_'t Is hier lekker ~warm~._ ~Heet~ is veel sterker, en ~zwoel~ is:
+afmattend, drukkend warm. (~Zwoel~ wordt alleen van de lucht gezegd.)
+
+
+216. Versagen--wanhopen--vertwijfelen.
+
+_Alle hoop opgeven._
+
+~Versagen~ is: zijn hoop in moeilijke omstandigheden verliezen door
+gebrek aan moed en daardoor het begeerde doel laten varen: _Komt,
+mannen, niet ~versaagd~, den vijand aangevallen!_--~Wanhopen~ is:
+geen of weinig hoop meer hebben op een goeden uitslag, niet door
+gebrek aan moed, maar door tegenwerking: _Ik ~wanhoop~ aan den goeden
+afloop._--~Vertwijfelen~ is veel sterker; het heeft de bijgedachte: door
+het ongeluk als gebroken zijn, verward en zonder overleg handelen en
+zich zelf in het gevaar storten, daar men zich geheel verloren waant.
+
+
+217. Oud--bejaard--bedaagd--afgeleefd.
+
+_Reeds lang bestaan hebbende._
+
+~Bejaard~ en ~bedaagd~ worden alleen van menschen gezegd; ~oud~ en
+~afgeleefd~ ook van dieren, en ~oud~ óók van dingen. ~Oud~ drukt dan ook
+het genoemde begrip het algemeenst uit; ~bejaard~ is niet zoo sterk als
+~bedaagd~[1], terwijl ~afgeleefd~ meer doet denken aan groote uitputting
+(niet altijd echter door ouderdom).--
+
+[1] Ik vermoed, omdat een oud mensch reeds de _dagen_ gaat tellen, in
+plaats van de _jaren_.
+
+
+218. Aandeel--deel--gedeelte--stuk.
+
+_Wat met andere te zamen het geheel uitmaakt._
+
+~Deel~ stelt vooral de tegenstelling met het geheel op den voorgrond:
+_dat is maar een ~deel~ van de waarheid; het zesde ~deel~_. Bij
+~gedeelte~ denkt men meer aan een bepaald deel in tegenstelling met
+een ander: _Het eerste ~gedeelte~ van den weg is zonnig; het volgende
+~gedeelte~ niet._ ~Stuk~ zegt, dat iets van 't geheel is losgemaakt,
+'t zij door toeval of met opzet: _een ~stuk~ van een vaas; een ~stuk~
+vleesch_. ~Aandeel~ beteekent het deel, dat iemand toekomt, en
+onderstelt dus een verdeeling onder twee of meer personen.
+
+
+219. Bezigheid--arbeid--werk--werkzaamheid.
+
+_De verrichting van een werking._
+
+~Arbeid~ gaat gepaard met de inspanning van onze krachten, om iets,
+waaraan veel moeite verbonden is, tot stand te brengen: _Een vermoeiende
+~arbeid~._--~Werk~ eischt niet bepaald groote krachtinspanning
+maar onderstelt meer kunst, vaardigheid of overleg: _zijn verbeelding
+is weer aan 't ~werk~; dat is het ~werk~ zijner verbeelding;
+dagelijksch ~werk~; de drooglegging der Zuiderzee is een grootsch
+~werk~_ (overleg: 't overwinnen van vele hinderpalen door 't menschelijk
+vernuft).--Arbeid en werk hebben betrekking op een tijdelijke werking;
+bezigheid en werkzaamheid (gewoonlijk meervoud) zien meer op een telkens
+terugkeerende handeling. ~Bezigheid~ onderstelt een voortdurend werken
+zonder zware inspanning: _hij zoekt ~bezigheid~_; ook wordt het gezegd
+van het werk, dat ambt of beroep meebrengt: _wegens ~ambtsbezigheden~
+verhinderd_. ~Werkzaamheid~ is sterker en onderstelt meer een bedrijvig
+werken: in 't enkelvoud meer den lust tot werken; in 't meervoud de
+handelingen zelf.
+
+
+220. Uitvoeren--volvoeren--volbrengen--voleindigen.
+
+_Een werking ten einde brengen._
+
+~Uitvoeren~ zegt, dat alles, wat tot de werking behoort, gedaan wordt,
+om het beoogde doel te bereiken: _een plan ~uitvoeren~_. ~Volbrengen~
+en ~volvoeren~ wijzen meer op het algeheele beëindigen van het werk:
+~volbrengen~ let daarbij meer op de werkzaamheid van den bewerker: _de
+aarde ~volbrengt~ haar loop om de zon in een jaar_, terwijl ~volvoeren~
+meer het welslagen van een moeilijk werk op den voorgrond stelt: _Een
+grootsch werk ~volvoeren~._ ~Voleindigen~ beteekent: het werk ten einde
+brengen en het tevens den hoogst mogelijken graad van volkomenheid
+geven: _Na twee jaar had de schilder het altaarstuk ~voleindigd~._
+
+
+221. Uitleggen--verklaren--verduidelijken--uiteenzetten.
+
+_De beteekenis van iets, dat onduidelijk is, volkomen duidelijk maken._
+
+~Uitleggen~ is: de beteekenis in woorden aangeven: _droomen ~uitleggen~;
+een tekst ~uitleggen~_ (als 't ware de deelen uiteen-leggen en ze goed
+bekijken); ~verklaren~ is: wat niet helder of klaar is en dus moeilijk
+begrepen kan worden, duidelijk maken: _Het ontstaan van dag en nacht
+~verklaren~. Den oorlog ~verklaren~_ (= de redenen duidelijk maken).
+~Verduidelijken~ zegt meer, dat iets al wel duidelijk is, maar dat men
+het toch nog duidelijker wil maken: _Een voordracht door lichtbeelden,
+een beschrijving door afbeeldingen ~verduidelijken~._--
+
+~Uiteenzetten~ is: de deelen van een ingewikkelde zaak, te groot
+om voor 't eerst in ééns te worden overzien, uit elkaar zetten en den
+onderlingen samenhang verklaren, zoodat men een juist begrip van het
+geheel verkrijgt; letterlijk: _een stoommachine ~uiteenzetten~_; fig.:
+_de beteekenis van een historisch feit ~uiteenzetten~_ (= de oorzaken
+aangeven, andere er mee in verband staande feiten noemen, de gevolgen
+opsommen, enz.).
+
+
+222. Baan--weg--straat--pad.
+
+_De ruimte, waarlangs men zich van de eene plaats naar de andere
+begeeft._
+
+~Weg~ zegt dit in 't algemeen; figuurlijk is het ook op de wijze, waarop
+men iets bereikt of tracht te bereiken. ~Straat~ is een geplaveide weg
+met eenige breedte; ~pad~ is een smalle weg, vooral voor voetgangers.
+~Baan~ is een weg, die voor het verkeer geen hindernissen, bijv. door
+oneffenheden, rotsblokken, enz. oplevert; het is dus een geëffende weg:
+_kolfbaan, huwelijksbaan, glijbaan; een ~weg~ door de sneeuw ~banen~_.
+Ook is ~baan~ de vaste weg van hemellichamen.
+
+
+223. Afnemen--vervallen--verminderen.
+
+_Kleiner worden._
+
+~Verminderen~ ziet op het kleiner worden van omvang of grootte,
+vergeleken bij een _vroegeren_ toestand en heeft meer bepaald op één
+geval betrekking: _Door den brand is zijn rijkdom ~verminderd~._
+~Afnemen~ is het langzaam minder worden en stelt vooral dat minder
+worden _op dit oogenblik_ op den voorgrond: _zijn aanzien ~neemt af~_.
+~Vervallen~ is: de vroegere kracht of beteekenis verliezen, zoodat de
+ondergang onvermijdelijk wordt: _~Verval~ van krachten; een ~vervallen~
+grootheid._
+
+
+224. Uitstaan--doorstaan--verdragen--lijden--dulden.
+
+_Iets onaangenaams zonder verzet (passief) ondervinden._
+
+~Lijden~ zegt dit op de meest algemeene wijze: _pijn ~lijden~, dorst
+~lijden~_. ~Dulden~ heeft de bijgedachte, dat men het onaangename
+wel gelaten, maar toch met eenigen tegenzin ondervindt: _Moet ik dat
+lasteren nog langer ~dulden~?_ ~Verdragen~ wijst er op, dat men iets,
+wat zwaar op ons drukt (vandaar: dragen!), meer gewillig duldt. _Gelaten
+~verdroeg~ hij den smaad, waarmee men hem overlaadde._--~Uitstaan~ ziet
+op den vasten wil, waarmee men iets pijnlijks of onaangenaams duldt,
+terwijl ~doorstaan~ beteekent, dat men het onaangename (kwaad, leed,
+gevaar enz.) tot het einde toe verdraagt en er niet onder bezwijkt.
+_Hevige pijnen zonder smartkreten ~uitstaan~; een zware ziekte, de
+vuurproef ~doorstaan~._
+
+
+225. Geven--mededeelen--schenken--vereeren--aanbieden--verleenen.
+
+_Iets in het bezit van een ander brengen._
+
+~Geven~ is vooral: iemand iets overhandigen en het volle gebruik er van
+afstaan. ~Mededeelen~ is: iets, wat men bezit, met een ander deelen.
+~Schenken~ is: iets kosteloos geven, soms met de bijgedachte, dat
+het voor den ontvangende vereerend is: _Ik ~schenk~ u dit boek op uw
+verjaardag. Hij ~schonk~ mij zijn vertrouwen._ ~Vereeren~ is: schenken
+in de laatste beteekenis met de bijgedachte van daardoor zijn achting of
+vereering te toonen: _De koning ~vereerde~ den dichter met een bezoek._
+~Verleenen~ zegt, dat men iets uit hooge gunst schenkt: _De koning
+~verleende~ den veroordeelde gratie._ ~Aanbieden~ is: iets willen geven,
+zonder te weten of het aanvaard zal worden.
+
+
+226. Ontvluchten--ontgaan--ontkomen--ontloopen--ontsnappen--ontwijken.
+
+_Zich van iets, wat onaangenaam is, verwijderen._
+
+~Ontkomen~ zegt dit op de meest algemeene wijze; de overige synoniemen
+geven ook het middel aan, waardoor men ontkomt. ~Ontwijken~ zegt,
+dat men uitwijkt, uit den weg gaat, dus een ontmoeting vermijdt.
+~Ontvluchten~ is: zich door groote snelheid (loopen, rijden, enz.) in
+veiligheid brengen, of aan de macht van een meerdere ontkomen: _het
+gevaar ~ontvluchten~; het ouderlijk huis ~ontvluchten~_. ~Ontloopen~
+is ontvluchten en wel bepaaldelijk door snel ~loopen~. _De deserteur
+~ontliep~ zijn vervolgers._ ~Ontgaan~ zegt, dat het ontkomen meer
+kalmer geschiedt, nl. door ~gaan~, bijv. door eenvoudig weg te gaan.
+_De dichter vertrok naar 't buitenland, om alle huldebetoogingen op
+zijn 70sten verjaardag te ~ontgaan~_; of meer door een toeval: _Door
+'s Konings dood ~ontging~ de veroordeelde de doodstraf._ ~Ontsnappen~
+is een snel en behendig ontkomen aan iemand (iets), die ons reeds in
+zijn macht heeft, zonder dat de tegenpartij het nog tijdig merkt: _Hij
+~ontsnapte~ uit de gevangenis_ (de bewaker zag het niet).
+
+
+227. Gering--klein--weinig--nietig.
+
+_Geen aanzienlijke grootte hebbende._
+
+~Klein~ let hierbij vooral op de afmetingen; ~gering~ op de waarde,
+'t aanzien of 't belang; ~weinig~ op de hoeveelheid, terwijl ~nietig~
+beteekent: zoo klein, dat het bijna niet opgemerkt wordt.
+
+
+228. Bemiddeld--gegoed--vermogend--welgesteld--rijk.
+
+_In het bezit van veel geld of goed zijnde._
+
+~Bemiddeld~ beteekent: van vele middelen voorzien, om een gemakkelijk
+leven te kunnen leiden. ~Gegoed~ wil zeggen: _veel goed bezittende_
+(nl. roerende en onroerende goederen), zoodat men meer bezit, dan men
+noodig heeft; het is dus sterker dan bemiddeld. ~Welgesteld~ is hij,
+die zooveel bezit, dat hij wèl (ruim) kan leven (hij is wèl gesteld =
+goed geplaatst in de maatschappij); het is nog iets sterker dan gegoed.
+~Rijk~ is: een grooten overvloed van iets bezittende, ook fig.: _een
+~rijke~ oogst, ~rijk~ aan verstand_. ~Vermogend~ zegt, dat men een
+groot vermogen (kapitaal) bezit. (Het kan ook beteekenen _veel invloed
+uitoefenende_, doch dan is 't afgeleid van _vermogen_ = _kunnen_: _een
+~veelvermogend~ minister_.)
+
+
+229. Begeeren--verlangen--wenschen--smachten--haken--reikhalzen.
+
+_Gaarne in het bezit of genot van iets komen._
+
+~Begeeren~ zegt, dat men naar dat bezit of genot vrij sterk streeft:
+_Gij zult niet ~begeeren~ uws naasten huis_[1]. ~Verlangen~ heeft de
+bijgedachte, dat iets nog ver is, en dus op dit oogenblik nog niet
+vervuld kan worden (_langen_ is: naar iets reiken): _hij ~verlangt~
+er nu reeds naar, om naar 't vaderland terug te keeren_. (Zie ook een
+andere beteekenis in no. 183.) ~Wenschen~ is: iets gaarne willen hebben,
+zonder te weten of de vervulling wel mogelijk is: _hij ~wenscht~ in
+het vaderland te sterven_. ~Smachten~ is zeer sterk verlangen, zoodat
+het min of meer onaangenaam valt, evenals iemand, die naar water
+smacht: _Zij ~smachten~ naar het uur, waarop zij henensnellen_ (Tollens:
+Nova-Zembla); vandaar ook: _~smachten~ van ~verlangen~_. ~Haken~ is een
+sterk verlangen om iets naar zich toe te halen, als met een haak: _hij
+~haakt~ naar eer en roem_. ~Reikhalzen~ is een min of meer _ongeduldig_
+sterk verlangen; het wachten valt bijna te lang (men rekt den hals uit
+om iets eerder te kunnen genieten): _hij ziet ~reikhalzend~ naar uw
+komst uit_.
+
+[1] ~Geeren~ is: op één punt uitloopen, hier ons streven.
+
+
+230. Bijdragen--helpen--bevorderen.
+
+_Meewerken, dat iets zijn doel nader komt._
+
+~Bevorderen~ heeft de bijgedachte, dat de medewerking geschiedt om het
+doel zoo spoedig of volkomen mogelijk te bereiken (vorderen = verder
+gaan). ~Helpen~ is meer zijn kracht met die van een ander vereenigen;
+op den uitslag wordt niet zoo zeer gelet. ~Bijdragen~ beteekent bij de
+reeds gebruikte middelen nog een ander voegen: _»Op alle wijzen moest
+dus de vorst de studie der rechtswetenschap ~bevorderen~." Matigheid
+~bevordert~ de gezondheid. Ik zal u gaarne bij dat werk ~helpen~. »De
+partijschap doofde allengs uit, waartoe de nieuwe regeeringsvorm niet
+weinig ~bijdroeg~."_
+
+
+231. Afstamming--geslacht--afkomst--geboorte.
+
+_Bloedverwantschap in betrekking tot de voorouders._
+
+~Geslacht~ is de geheele reeks van afstammelingen van den stamvader der
+familie tot op heden toe.--~Afstamming~ is de verbinding met voorouders
+door tusschenleden: _Kent gij de ~afstamming~ onzer Koningin van Willem
+van Oranje?_--~Afkomst~ beteekent de afstamming in betrekking tot den
+rang of stand van zijn stamvader of ook van zijn vader of moeder;
+~geboorte~ heeft alleen betrekking op zijn ouders of ook op de plaats
+(of het land), waar men ter wereld gekomen is.
+
+Vergelijk: _Iemand, die van ~geboorte~ van adel is, kan van moederszijde
+van burgerlijke ~afkomst~ zijn. Een Nederlander van ~geboorte~ kan van
+Duitsche ~afkomst~ zijn, als zijn voorouders of zijn ouders Duitschers
+zijn en bij zijn geboorte in Nederland woonden. Zijn ~afstamming~ kan
+hij misschien tot in de middeleeuwen nagaan, en hij kan wellicht tot een
+beroemd ~geslacht~ behooren._
+
+
+232. Omweg--zijweg--uitweg.
+
+_De weg, die van den gewonen of hoofdweg afwijkt._
+
+~Uitweg~ is een weg, die men meer toevallig nog ontdekt om op den
+hoofdweg te komen, als men op een min of meer afgesloten plaats is
+geraakt; zonder dien uitweg, zou men er dus moeten blijven; vandaar fig.
+het middel om zich uit een neteligen of gevaarlijken toestand te redden:
+_In een dicht bosch een ~uitweg~ zoeken. Dit is de eenige ~uitweg~ voor
+hem, om zich nog te redden._--~Zijweg~ is de weg, die van den hoofdweg
+afvoert; er is weinig of geen verkeer, zoodat men niet of zoo goed als
+niet gezien wordt; vandaar: _langs ~zijwegen~ zijn doel bereiken_ (men
+wil het doel verborgen houden). Vaak ook is aan ~zijweg~ het begrip
+verbonden, dat hij op een dwaalspoor brengt, men slaat n.l. den zijweg
+in, in plaats van den hoofdweg te houden: _de politie op ~zijwegen~
+lokken_. Een ~omweg~ voert ten slotte wel evenals de hoofdweg naar het
+verlangde doel, maar eerst na veel langeren tijd. Kiest men zulk een
+omweg, dan heeft het voor den oningewijde allen schijn, dat men een
+ander doel dan het verlangde wil bereiken; in zoover brengt men een
+ander daarmee, evenals door een zijweg, óók op een dwaalspoor; men geeft
+echter op een omweg een ander doel voor, terwijl men het op een zijweg
+meer geheim houdt: _Langs ~omwegen~ achter het geheim komen._
+
+
+233. Aantal--getal--tal--menigte--hoeveelheid.
+
+_Begrippen van veelheid._
+
+Denkt men aan een verzameling van gelijksoortige eenheden, die men
+nog niet geteld heeft, dan zegt men: ~hoeveelheid~. Is de hoeveelheid
+geteld en kan zij dus bepaald worden uitgedrukt, dan spreekt men van
+~getal~.--De drie andere woorden geven niet-getelde, dus onbepaalde
+hoeveelheden te kennen. ~Aantal~ kan zoowel veel als weinig aanduiden
+en vat meer elk voorwerp afzonderlijk in het oog: _een groot ~aantal~
+werkloozen trokken_ (liefst meerv.!) _door de straten_. ~Menigte~
+daarentegen drukt een groote hoeveelheid uit en stelt deze meer als een
+samenhangende massa voor: _Een dichte ~menigte~ wachtte op de komst des
+konings._--Het woord ~tal~ beteekent een groot aantal: _De jenever maakt
+~tal~ van slachtoffers._
+
+
+234. Branden--flikkeren--laaien--gloeien--glimmen.
+
+_Onder lichtverschijnselen verbranden._
+
+~Branden~ zegt dit vooral met de bijgedachte, dat er tevens warmte
+ontwikkeld wordt; dus ook fig.: _~brandend~ heet_. ~Flikkeren~ ziet
+op het heen en weer bewegen van de vlam; zijn de vlammen zeer groot en
+hoog, dan spreekt men van ~laaien~: _een ~laaiende~ brand_; ~gloeien~
+is vurig, maar zonder vlam lichten, ook als het niet van vuur afkomstig
+is; soms ziet het op het pijnlijk warmtegevoel: _een ~gloeiend~
+voorhoofd_.--~Glimmen~ is zwak gloeien: _~glimmende~ kolen, een
+~glim~worm_.
+
+
+235. Onstuimig--heftig--wild.
+
+_Een hooge mate van kracht uitende._
+
+~Heftig~: de snelle, opgewonden, soms toornende beweging; ~onstuimig~:
+een groote kracht op heftige wijze laten voelen; ~wild~: tevens ruw en
+zonder regelmaat handelend.
+
+
+236. Vertalen--overzetten--vertolken.
+
+_In een andere taal overbrengen._
+
+~Vertalen~ zegt dit wel in 't algemeen (_uit het Fransch in het Duitsch
+~vertalen~_), doch heeft meestal de bijgedachte: uit een vreemde
+taal in de moedertaal overbrengen, of omgekeerd: _Een roman uit
+het Duitsch ~vertalen~_ (dus in 't Nederlandsch). ~Overzetten~ is
+gewoonlijk hiervoor 't deftige woord: »_Het N. T. getrouwelijk in de
+Nederduitsche taal ~overgezet~_".--~Vertolken~ onderstelt feitelijk
+een tusschenpersoon, een tolk, die voor een ander het gesproken
+woord vertaalt. Vandaar figuurlijk: _iemands gevoelen ~vertolken~;
+de tranen ~vertolkten~, wat er in zijn hart omging_ (de tranen zijn
+de tusschenpersoon, de tolk).
+
+
+
+
+REGISTER.
+
+ $(De cijfers wijzen het nummer der reeksen aan;
+ de schuingedrukte woorden komen in het Aanhangsel voor.)$
+
+
+A.
+
+_aanbevelen_, 211.
+
+_aanbieden_, 225.
+
+aanbrengen, 156.
+
+aandachtig, 102.
+
+_aandeel_, 218.
+
+aandenken, 176.
+
+aandoen, 153.
+
+_aangaan_, 210.
+
+aangenaam, 165.
+
+aangeven, 156.
+
+aangezicht, 69.
+
+aanhouden, 76.
+
+aanklagen, 156.
+
+aankondigen, 111.
+
+aanmerken, 27.
+
+aannemen, 120.
+
+_aanprijzen_, 211.
+
+aanroepen, 114.
+
+aansprakelijk, 26.
+
+aanstonds, 148.
+
+aantreffen, 147.
+
+aanvaarden, 120.
+
+aanwezig, 25.
+
+_achten_, 192.
+
+aarzelen, 184.
+
+achteloos, 137.
+
+achterdocht, 93.
+
+_achterhalen_, 198_bis_.
+
+achterlaten, 61.
+
+achting, 63.
+
+afbeuren, 93.
+
+afbreuk, 87.
+
+_afgeleefd_, 217.
+
+afgelegen, 28.
+
+afgemat, 151.
+
+afgrijzen, 158.
+
+afgunst, 138.
+
+afhakken, 98.
+
+afhouden, 169.
+
+afbouwen, 98.
+
+afkappen, 98.
+
+afkeer, 158.
+
+afkeeren, 145.
+
+_afkomst_, 231.
+
+afleiden, 145.
+
+aflichten, 95.
+
+afnemen, 95, _223_.
+
+afschaffen, 136.
+
+afschrijven, 146.
+
+afschrik, 158.
+
+afschuw, 158.
+
+afslaan, 98, 109.
+
+_afstamming_, 231.
+
+afstand, 115.
+
+afwachten, 144.
+
+afwennen, 32.
+
+afwenden, 145.
+
+aftrekken, 145.
+
+afweren, 109.
+
+afzetten, 95.
+
+alledaagsch, 13.
+
+allerwegen, 110.
+
+alom, 110.
+
+altijd, 135.
+
+altoos, 135.
+
+ambacht, 142.
+
+ambt, 143.
+
+angst, 166.
+
+_arbeid_, 219.
+
+arglistig, 159.
+
+argwaan, 93.
+
+arm, 94.
+
+armoedig, 94.
+
+armzalig, 91.
+
+
+B.
+
+_baan_, 222.
+
+babbelen, 106.
+
+bangheid, 166.
+
+barmhartig, 162.
+
+barsch, 97.
+
+barst, 141.
+
+beangst, 167.
+
+_bedaagd_, 217.
+
+bedaard, 140.
+
+bedenkelijk, 172.
+
+bedenken (zich), 184.
+
+bediening, 143.
+
+bedillen, 139.
+
+bedriegen, 105.
+
+bedriegelijk, 159.
+
+bedrijf, 142.
+
+bedroefd, 119.
+
+bedrukt, 119.
+
+beducht, 167.
+
+bedwingen, 155.
+
+befaamd, 104.
+
+_begeeren_, 229.
+
+begrijpen, 117.
+
+behaaglijk, 165.
+
+behalen, 161.
+
+behandelen, 19.
+
+beheerschen, 155.
+
+behoeden, 168.
+
+behoedzaam, 134.
+
+behoeftig, 94.
+
+_bejaard_, 217.
+
+bejegenen, 19.
+
+bekennen, 113.
+
+bekomen, 161.
+
+bekommerd, 167.
+
+bekoorlijk, 165.
+
+bekoren, 89.
+
+bekrompen, 84.
+
+bekwaam, 177.
+
+_belangrijk_, 213.
+
+beleedigen, 188.
+
+beletten, 169.
+
+belijden, 113.
+
+beloonen, 53.
+
+_bemachtigen_, 194.
+
+_bemiddeld_, 228.
+
+benieuwd, 60.
+
+benijden, 67.
+
+bepalen, 70.
+
+berispen, 139.
+
+beroemd, 104.
+
+beroep, 142.
+
+berouw, 174.
+
+berucht, 104.
+
+_beschaven_, 191.
+
+beschermen, 168.
+
+beschuldigen, 156.
+
+beschutten, 168.
+
+beseffen, 117.
+
+bespotten, 188.
+
+bestendig, 170.
+
+bestraffen, 132.
+
+besturen, 101.
+
+beteugelen, 155.
+
+betichten, 156.
+
+betoomen, 155.
+
+betoonen, 64.
+
+_betreffen_, 210.
+
+betuigen, 64.
+
+bevallig, 165.
+
+bevatten, 117.
+
+beveiligen, 168.
+
+bevelen, 90.
+
+beven, 163.
+
+_bevorderen_, 230.
+
+bevreemden, 154.
+
+bevreesd, 167.
+
+_bevrijden_, 212.
+
+bewaren, 168.
+
+beweren, 100.
+
+bewijzen, 64.
+
+bezadigd, 140.
+
+_bezigheid_, 219.
+
+_bezitten_, 195.
+
+bezorgd, 167.
+
+bibberen, 163.
+
+bidden, 114.
+
+blijdschap, 185.
+
+_bloem_, 196.
+
+_bloesem_, 196.
+
+boosheid, 186.
+
+bot, 18.
+
+bouwen, 103.
+
+_branden_, 234.
+
+breed, 50.
+
+breedvoerig, 187.
+
+buigbaar, 7.
+
+buigen, 41.
+
+buigzaam, 7.
+
+buit, 171.
+
+buitenlandsch, 112.
+
+_bijdragen_, 230.
+
+
+D.
+
+daagsch, 13.
+
+dadelijk, 148.
+
+dagelijksch, 13.
+
+dageraad, 180.
+
+dalen, 181.
+
+dankbaarheid, 77.
+
+danken, 23.
+
+dapper, 173.
+
+dartel, 150.
+
+_deel_, 218.
+
+deelnemend, 162.
+
+deemoedig, 78.
+
+deftig, 74.
+
+dolen, 121.
+
+dom, 149.
+
+dompelen, 21.
+
+donker, 86.
+
+doodgaan, 107.
+
+doopen, 21.
+
+doorgaans, 125.
+
+_doorstaan_, 224.
+
+draagbaar, 1.
+
+draaglijk, 1.
+
+draaien, 178.
+
+dralen, 36.
+
+drift, 186.
+
+driftig, 118.
+
+dringen, 65.
+
+droevig, 119.
+
+duister, 86.
+
+_dulden_, 224.
+
+durven, 124.
+
+dwalen, 121.
+
+dwars, 79.
+
+dwingen, 65.
+
+duurzaam, 170.
+
+
+E.
+
+edelmoedig, 71.
+
+eenzaam, 28.
+
+_eer_, 197.
+
+eerbied, 63.
+
+eeuwig, 116.
+
+eigenschap, 24.
+
+eigenzinnig, 175.
+
+einde, 54.
+
+eindeloos, 116.
+
+eischen, 183.
+
+ellendig, 91.
+
+eng, 84.
+
+erkentelijkheid, 77.
+
+
+F.
+
+fier, 182.
+
+_flikkeren_, 234.
+
+foppen, 105.
+
+frisch, 56.
+
+
+G.
+
+gauw, 148.
+
+gebieden, 90.
+
+_geboorte_, 231.
+
+gedachtenis, 176.
+
+_gedeelte_, 218.
+
+_gedenkwaardig_, 213.
+
+gedurig, 135.
+
+geestelijk, 3.
+
+geestig, 3.
+
+geestrijk, 3.
+
+_gegoed_, 228.
+
+gehecht, 33.
+
+_geheim_, 191_bis_.
+
+gelaat, 69.
+
+gelasten, 90.
+
+_gelden_, 201.
+
+gemeen, 122.
+
+genaken, 30.
+
+genegen, 5.
+
+geneigd, 5.
+
+genoegen, 185.
+
+_gering_, 227.
+
+geschikt, 45, 177.
+
+_geslacht_, 231.
+
+_getuige_, 209.
+
+_geven_, 225.
+
+gevaarlijk, 172.
+
+gewoonlijk, 125.
+
+gezicht, 69.
+
+gierig, 157.
+
+gispen, 139.
+
+gissen, 75.
+
+_glimmen_, 234.
+
+_gloeien_, 234.
+
+gluren, 164.
+
+gooien, 99.
+
+grootmoedig, 71.
+
+grootsch, 182.
+
+
+H.
+
+haast, 58.
+
+hachelijk, 172.
+
+_haken_, 229.
+
+halsstarrig, 175.
+
+handwerk, 142.
+
+hardnekkig, 175.
+
+hartzeer, 133.
+
+_hebben_, 195.
+
+hebzuchtig, 157.
+
+heerschen, 101.
+
+_heet_, 215.
+
+_heftig_, 235.
+
+_heimelijk_, 191_bis_.
+
+hellen, 123.
+
+_helpen_, 230.
+
+herinnering, 176.
+
+herroepen, 136.
+
+hoedanigheid, 24.
+
+hoogmoedig, 182.
+
+hoonen, 188.
+
+hooren, 55.
+
+hoovaardig, 182.
+
+
+I.
+
+immer, 135.
+
+_inhalen_, 198_bis_.
+
+inhalig, 157.
+
+innerlijk, 11.
+
+innig, 11.
+
+inwendig, 11.
+
+intrekken, 136.
+
+
+J.
+
+jeugdig, 15.
+
+jong, 15.
+
+
+K.
+
+kakelen, 106.
+
+kalm, 140.
+
+karig, 157.
+
+kastijden, 132.
+
+keeren, 178.
+
+kinderachtig, 6.
+
+kinderlijk, 6.
+
+kindsch, 6.
+
+klauteren, 152.
+
+_klein_, 227.
+
+klieven, 17.
+
+klimmen, 152.
+
+kloof, 141.
+
+klooven, 17.
+
+knap, 177.
+
+kommervol, 91.
+
+koppig, 175.
+
+kostelijk, 2.
+
+_kosten_, 201.
+
+kostbaar, 2.
+
+kouten, 106.
+
+kracht, 160.
+
+krenken, 188.
+
+krieken (van den dag), 180.
+
+krijgen, 161.
+
+kundig, 177.
+
+kwaad vermoeden, 93.
+
+kwellen, 38.
+
+kwetsen, 188.
+
+kijken, 164.
+
+
+L.
+
+laag, 122.
+
+_laaien_, 234.
+
+laken, 139.
+
+langdurig, 170.
+
+leed, 133.
+
+leedwezen, 174.
+
+_leugen_, 202.
+
+lichtvaardig, 85.
+
+lichtzinnig, 85.
+
+liefelijk, 165.
+
+lijdelijk, 8.
+
+_lijden_, 224.
+
+lijdzaam, 8.
+
+listig, 159.
+
+lomp, 179.
+
+loochenen, 34.
+
+loom, 151.
+
+loos, 159.
+
+luchthartig, 85.
+
+luister, 96.
+
+luisteren, 55.
+
+
+M.
+
+macht, 160.
+
+mat, 151.
+
+_mededeelen_, 225.
+
+mededoogend, 162.
+
+medelijdend, 162.
+
+meestal, 125.
+
+_merkwaardig_, 213.
+
+misgunnen, 67.
+
+misleiden, 105.
+
+misschien, 83.
+
+_missen_, 198.
+
+mistrouwen, 92.
+
+moe, 151.
+
+moedig, 173.
+
+mogelijk, 83.
+
+morgen, 180.
+
+
+N.
+
+naäpen, 88.
+
+naarstig, 108.
+
+nabootsen, 88.
+
+nadeel, 87.
+
+naderen, 30.
+
+nadoen, 88.
+
+nagedachtenis, 176.
+
+naijver, 138.
+
+nalaten, 61.
+
+naschrijven, 146.
+
+nauw, 84.
+
+navolgen, 88.
+
+_nazetten_, 203.
+
+nederig, 78.
+
+neigen, 123.
+
+nemen (op zich), 120.
+
+nering, 142.
+
+_nietig_, 227.
+
+nieuwsgierig, 60.
+
+nooddruftig, 94.
+
+noodzaken, 65.
+
+norsch, 97.
+
+nijd, 138.
+
+nijver, 108.
+
+
+O.
+
+ochtend, 180.
+
+omslachtig, 187.
+
+omstandig, 187.
+
+_omweg_, 232.
+
+omzichtig, 134.
+
+onachtzaam, 137.
+
+onbeleefd, 179.
+
+onbeschoft, 179.
+
+onbevreesd, 173.
+
+onbezorgd, 4.
+
+oneindig, 116.
+
+ongemanierd, 179.
+
+ongerust, 31.
+
+onkundig, 149.
+
+onnoozel, 149.
+
+onoplettend, 137.
+
+onpartijdig, 35.
+
+onrustig, 31.
+
+_onschuldig_, 206.
+
+_onstuimig_, 235.
+
+_ontberen_, 198.
+
+_ontgaan_, 226.
+
+ontdekken, 37.
+
+ontkennen, 34.
+
+_ontkomen_, 226.
+
+_ontloopen_, 226.
+
+ontmoeten, 147.
+
+ontrouw, 10.
+
+ontslapen, 107.
+
+_ontsnappen_, 226.
+
+ontstellen, 52.
+
+ontvangen, 120, 161.
+
+_ontvluchten_, 226.
+
+_ontwaken_, 199.
+
+ontwennen, 32.
+
+_ontwijken_, 226.
+
+ontzag, 63.
+
+ontzetting, 52.
+
+onveranderlijk, 170.
+
+onversaagd, 173.
+
+onverschrokken, 173.
+
+_onwaarheid_, 202.
+
+onwetend, 149.
+
+onzijdig, 35.
+
+oord, 73.
+
+oorzaak, 29.
+
+ootmoedig, 78.
+
+_opbeuren_, 189.
+
+openbaar, 9.
+
+openlijk, 9.
+
+oplettend, 102.
+
+oploopend, 118.
+
+opmerkzaam, 102.
+
+opmerken, 27.
+
+_oponthoud_, 190.
+
+oprichten, 103.
+
+opslaan, 103.
+
+opvliegend, 118.
+
+opzettelijk, 68.
+
+op zich nemen, 120.
+
+_oud_, 217.
+
+overal, 110.
+
+overbodig, 82.
+
+overdrijven, 42.
+
+overeenkomen, 39.
+
+overeenkomst, 130.
+
+overeenstemmen, 39.
+
+overhalen, 62.
+
+overhangen, 123.
+
+overhellen, 123.
+
+overlaten, 61.
+
+overlijden, 107.
+
+overreden, 62.
+
+overrompelen, 81.
+
+overschrijven, 146.
+
+overtollig, 82.
+
+overtuigen, 62.
+
+overvallen, 81.
+
+overwinning, 80.
+
+_overzetten_, 236.
+
+
+P.
+
+_pad_, 222.
+
+plaats, 73.
+
+plagen, 38.
+
+plat, 122.
+
+plechtig, 74.
+
+plek, 73.
+
+post, 143.
+
+praal, 96.
+
+pracht, 96.
+
+prat, 182.
+
+praten, 106.
+
+prijs, 171.
+
+_prijzen_, 211.
+
+pronk, 96.
+
+prooi, 171.
+
+
+R.
+
+_raken_, 210.
+
+razernij, 186.
+
+_redden_, 212.
+
+reden, 29.
+
+regeeren, 101.
+
+_reikhalzen_, 229.
+
+reis, 43.
+
+ridderlijk, 14.
+
+rillen, 163.
+
+_roem_, 197.
+
+roeren, 153.
+
+roof, 171.
+
+ruim, 50.
+
+ruiterlijk, 14.
+
+_rust_, 204.
+
+rusteloos, 31.
+
+rustig, 140.
+
+ruw, 122.
+
+_rijk_, 228.
+
+rijzen, 152.
+
+
+S.
+
+schaarsch, 40.
+
+schade, 87.
+
+scheef, 79.
+
+schenken, 225.
+
+scheur, 141.
+
+schokken, 153.
+
+schraapzuchtig, 157.
+
+schrik, 52, 166.
+
+schromen, 184.
+
+schroom, 166.
+
+schuin, 79.
+
+_schuldeloos_, 206.
+
+sidderen, 163.
+
+slaven, 72.
+
+slim, 159.
+
+slordig, 137.
+
+slot, 54.
+
+sloven, 72.
+
+sluw, 159.
+
+_smachten_, 229.
+
+smaden, 188.
+
+smalen, 188.
+
+smart, 133.
+
+smeeken, 114.
+
+smijten, 99.
+
+snappen, 106.
+
+somber, 86.
+
+spaarzaam, 16.
+
+speelsch, 150.
+
+speelziek, 150.
+
+spijt, 174.
+
+spleet, 141.
+
+spoed, 58.
+
+spoedig, 148.
+
+sprakeloos, 44.
+
+spreken, 51.
+
+standvastig, 170.
+
+staren, 164.
+
+statig, 74.
+
+steeds, 135.
+
+sterkte, 160.
+
+sterven, 107.
+
+stichten, 103.
+
+_stilte_, 204.
+
+stom, 44.
+
+stomp, 18.
+
+storten, 181.
+
+stout, 173.
+
+_straat_, 222.
+
+straffen, 132.
+
+stroomen, 127.
+
+stug, 97.
+
+_stuk (deel)_, 218.
+
+_sturen_, 205.
+
+stuursch, 97.
+
+stijfhoofdig, 175.
+
+stijgen, 152.
+
+
+T.
+
+talmen, 36.
+
+tegenhouden, 169.
+
+tegenkomen, 147.
+
+tegenwoordig, 25.
+
+tegenzin, 158.
+
+terstond, 148.
+
+terughouden, 169.
+
+tevreden, 66.
+
+tocht, 43.
+
+toonen, 20.
+
+toorn, 186.
+
+treffen, 153.
+
+treurig, 119.
+
+trillen, 163.
+
+_troosten_, 189.
+
+trotsch, 182.
+
+trouweloos, 10.
+
+tuchtigen, 132.
+
+turen, 164.
+
+twijfel (in -- staan), 184.
+
+
+U.
+
+_uitdeelen_, 193.
+
+uitdenken, 131.
+
+_uiteenzetten_, 221.
+
+uitgelaten, 150.
+
+uitheemsch, 112.
+
+_uitleggen_, 221.
+
+uitschrijven, 146.
+
+_uitstaan_, 224.
+
+_uitvoeren_, 220.
+
+uitvoerig, 187.
+
+uitvinden, 37.
+
+_uitweg_, 232.
+
+
+V.
+
+vallen, 181.
+
+vangst, 171.
+
+vaststellen, 70.
+
+vatbaar, 45.
+
+veranderen, 46.
+
+verantwoordelijk, 26.
+
+verbazen, 154.
+
+verbeiden, 144.
+
+verbond, 130.
+
+_verdeelen_, 193.
+
+verdenken, 92.
+
+verdichten, 131.
+
+verdorren, 47.
+
+_verdraagzaam_, 207.
+
+_verdragen_, 224.
+
+_verduidelijken_, 221.
+
+verdrag, 130.
+
+verdriet, 133.
+
+_vereeren_, 225.
+
+vergaderen, 48.
+
+vergelden, 53.
+
+vergen, 183.
+
+vergenoegd, 66.
+
+vergrooten, 42.
+
+verguizen, 188.
+
+verhinderen, 169.
+
+_verklaren_, 221.
+
+verkleefd, 33.
+
+verknocht, 33.
+
+verlagen, 22.
+
+verlangen, 183, _229_.
+
+_verleenen_, 225.
+
+_verlichten_, 191.
+
+verlies, 87.
+
+_verlossen_, 212.
+
+vermaard, 104.
+
+_vermeesteren_, 194.
+
+vermeten (zich), 124.
+
+_verminderen_, 223.
+
+vermoeden (kwaad), 93.
+
+vermoeden (gissen), 75.
+
+vermoeid, 151.
+
+vermogen, 160.
+
+_vermogend_, 228.
+
+vernederen, 22.
+
+vernielen, 129.
+
+vernietigen, 129.
+
+veronderstellen, 75.
+
+verplichting, 77.
+
+verrassen, 81, 154.
+
+verruilen, 59.
+
+verrukkelijk, 89.
+
+verrukking, 185.
+
+_versagen_, 216.
+
+versch, 56.
+
+verschalken, 105.
+
+verstaan, 117.
+
+verstouten, 124.
+
+_vertalen_, 236.
+
+verte, 115.
+
+_vertolken_, 236.
+
+_vertraging_, 190.
+
+_vertwijfelen_, 216.
+
+_vervallen_, 223.
+
+vervoeren, 89.
+
+_vervolgen_, 203.
+
+verwaarloozen, 57.
+
+verwachten, 144.
+
+verwelken, 47.
+
+verwerven, 161.
+
+verwijdering, 115.
+
+verwisselen, 59.
+
+verwoesten, 129.
+
+verwonderen, 154.
+
+verzamelen, 48.
+
+verzinnen, 131.
+
+verzuimen, 57.
+
+vinden, 147.
+
+vitten, 139.
+
+vlerk, 128.
+
+vleugel, 128.
+
+_vlieden_, 200.
+
+vlieten, 127.
+
+vloeien, 127.
+
+vlijtig, 108.
+
+_vluchten_, 200.
+
+_volbrengen_, 220.
+
+_voleindigen_, 220.
+
+volharden, 76.
+
+volhouden, 76.
+
+volkomen, 126.
+
+volledig, 126.
+
+volmaakt, 126.
+
+_volvoeren_, 220.
+
+voorbedachtelijk, 68.
+
+_voorbode_, 208.
+
+voorgeven, 100.
+
+_voorlooper_, 208.
+
+voorspellen, 111.
+
+voorwenden, 100.
+
+voorzeggen, 111.
+
+voorzichtig, 134.
+
+vorderen, 183.
+
+_vreedzaam_, 207.
+
+vreemd, 112.
+
+vrees, 166.
+
+vrekkig, 157.
+
+vreugde, 185.
+
+vroolijkheid, 185.
+
+
+W.
+
+_waardeeren_, 192.
+
+waardigheid, 143.
+
+wachten, 144.
+
+wagen, 124.
+
+_wakker worden_, 199.
+
+walg, 158.
+
+wangunst, 138.
+
+_wanhopen_, 216.
+
+wantrouwen, 92.
+
+_warm_, 215.
+
+week, 49.
+
+weerhouden, 169.
+
+weerzin, 158.
+
+weetgierig, 60.
+
+_weg_, 222.
+
+weifelen, 184.
+
+_weinig_, 227.
+
+weldra, 148.
+
+_welgesteld_, 228.
+
+wellicht, 83.
+
+wenden, 178.
+
+_wenschen_, 229.
+
+wentelen, 178.
+
+_werk_, 219.
+
+_werkzaamheid_, 219.
+
+werpen, 99.
+
+wettelijk, 12.
+
+wettig, 12.
+
+wettisch, 12.
+
+wiek, 128.
+
+_wild_, 235.
+
+_wildernis_, 214.
+
+woede, 186.
+
+_woestenij_, 214.
+
+_woestijn_, 214.
+
+wroeging, 174.
+
+wijd, 50.
+
+wijdloopig, 187.
+
+wijten, 23.
+
+wijzen, 20.
+
+wijzigen, 46.
+
+
+IJ.
+
+ijdel, 182.
+
+ijl (spoed), 58.
+
+ijverig, 108.
+
+
+Z.
+
+zacht, 49.
+
+zakken, 181.
+
+zege, 80.
+
+zegepraal, 80.
+
+zeggen, 51.
+
+_zegsman_, 209.
+
+zelden, 40.
+
+zeldzaam, 40.
+
+_zenden_, 205.
+
+zien, 164.
+
+zinken, 181.
+
+zorgeloos, 4.
+
+zorgelijk, 127.
+
+zuinig, 16.
+
+zwerven, 121.
+
+zwoegen, 72.
+
+_zwoel_, 215.
+
+_zijweg_, 233.
+
+
+
+
+$Werken van T. PLUIM.$
+
+
+ + _Wetenswaardig Allerlei._ Hulp- en hoofdacte f 1.--, geb. f 1.25
+
+ + _Gids bij de studie voor de hoofdacte_ » 1.20
+
+ + _Merkwaardige Personen_ uit ons verleden. Leesboek, 2e druk » 0.25
+
+ + _Kleine Vaderlandsche Geschiedenis_, 9e druk » 0.20
+
+ + _Vaderlandsche Geschiedenis_ (met platen), 8e druk » 0.30
+
+ + _Kern der Vad. Gesch._, ter voorbereiding admissie-examen aan
+ Kweek-, Normaal- en H.B Scholen, 4e druk » 0.50
+
+ + _'s Lands Historie_, met platen en portretten. Voor de laagste
+ klassen van Kweek-, Normaal- en H.B. Scholen, 2e druk » 1.50
+
+ + _Tijdtafel der Vad. Gesch_, met wit doorschoten (voor de hulp-
+ en de hoofdacte), 2e dr. » 0.25
+
+ + _Gesch. onzer Staatsregeling_, (Hulp- en Hoofdacte enz.)
+ f 1.25, geb. » 1.50
+
+ * _Repetitieboekje der Algemeene Gesch._ (Hoofdacte), 2e druk » 1.--
+
+ * _Repetitieboekje der Vad. Gesch._ (Hulp- en Hoofdacte), 2e
+ druk » 0.60
+
+ * _Schetsen uit onze Beschavingsgeschiedenis_ (met J. N. van
+ Hesteren), voor studeerenden en belangstellenden » 2.75
+
+ + _Hoofdzaken der Alg. Gesch._ (Schetsen en Verhalen) voor
+ Normaalscholen enz., 2 deeltjes à » 1.--
+
+ * _Ons Land_, aardrijkskunde voor het L. O. » 0.30
+
+ * _Nederland door._ Eerste aardrijksk. leerb., met 13 blinde
+ kaartjes » 0.25
+
+ * _De Wereld door._ Eerste aardrijkskundig leerboekje van
+ Europa en de Werelddeelen (met 20 blinde kaartjes) » 0.35
+
+ + _Kern der Aardr. van Nederland_ (met platen en kaartjes) voor
+ 14- à 15-jarigen, 2e druk. Ingen. f 1.--, geb. » 1.25
+
+ + _Ons Land en zijn Bewoners_ (met platen en kaartjes) voor
+ hulp- en hoofdacte H.B.S., enz., 2e dr. Ingen. f 1.50, geb. » 1.75
+
+ + _Leerboek der Aardr. van Nederland_ (met platen en kaartjes)
+ voor Hoofdacte, enz. 1e deel f 1.25; 2e deel f 1.50; samen
+ geb. » 3.25
+
+ * _Taalwerk voor het 2e leerjaar_ (Tevens »Voorlooper" van den
+ Eenv. Taalcursus). Met plaatjes, 3e dr. » 0.25
+
+ * _Eenv. Taalcursus_ voor de Volksschool, 7e en 8e druk, 1e st.
+ 20 cts.; 2e-4e st. » 0.25
+ (De Vijfde Druk verscheen in de Vereenv. Spelling, als
+ uitg. B.)
+
+ * _Eenvoudige Spraakkunst_ voor admissie-examens voor Kweek-,
+ Normaal-, H.B. Scholen of Gymnasia, 3e dr. » 0.75
+
+ * _Oefeningen_ bij idem, 3e dr. » 0.75
+
+ * _Nieuwe Stelcursus_, voor het L.O., 5e dr., 1e en 2e st. 25
+ cents; 3e en 4e stukje » 0.30
+ (De Derde Druk verscheen in de Vereenv. Spelling als uitg.
+ B.)
+
+ * _Stijloefeningen_, voor admissie-examens Kweek-, Normaal- en
+ H.B. Scholen (met vele examen-opgaven), 2e dr. » 0.60
+
+ * _Onze Taalschat._ Stijl- en Taaloefeningen voor Kweek- en
+ Normaalscholen, 4 stukjes, 2e en 3e dr. » 0.65
+
+ * _Keur van Nederl. Synoniemen._ Voor Hulp- en Hoofdacte,
+ H.B.S., enz., 4e druk » 1.50
+
+ * _Nederl. Spraakkunst_ (Hulp- en Hoofdacte) 2 dln. à » 1.25
+
+ _Zinsontleding_ (hoofd- en hulpacte, enz.) Uitgave van de
+ firma Leydenroth van Boekhoven te Utrecht » 0.70
+
+ _Kleine Zinsontleding._ Normaal-, H.B.S. en M.U.L.O. (Uitgave
+ als voren) » 0.35
+
+ * _Eenvoudige Rekencursus_ voor de Volksschool (1e en 2e dr.)
+ 6 st. à » 0.25
+
+ * _Handleiding_ bij idem » 1.--
+
+ * _Schetsen van Dieren._ Leesboek voor het L.O. met vele
+ afbeeldingen, 3 stukjes, 2e druk » 0.35
+
+ * _Leesboek voor het L.O._ Geïllustreerd door S. P. Huykman.
+ 1-3 st. à f 0.30. 4-6 st. à f 0.35.
+
++ Uitgave van P. Noordhoff, _Groningen_.
+
+* Uitgave van J. Muusses, _Purmerend_.
+
+
+
+
+ #UITGAAF van J. MUUSSES te PURMEREND.#
+
+
+ $T. PLUIM.$
+
+$NEDERLANDSCHE SPRAAKKUNST (2 deelen)$ $à f 1.25.$
+
+De Schrijver heeft bij het maken van dit werk rekening gehouden met
+de veelvuldig voorkomende klacht van de commissiën voor ~hoofd- en
+hulp-acte~, n.l. »dat vele candidaten er zich blijkbaar meer op
+toeleggen een overzicht van de verschijnselen op taalgebied van buiten
+te leeren, dan te trachten zich van hun aard een helder begrip te
+vormen".
+
+Daarom heeft de Schrijver zich vooral beijverd, om die verschijnselen
+breedvoerig en grondig te verklaren; hierdoor is het werk grooter
+geworden dan bijv. dat van Terwey, hoewel de omvang der leerstof vrijwel
+gelijk is. Veel, wat anders in een paar woorden wordt gezegd, zonder op
+den grond der feiten door te dringen, is in dit werk helder en duidelijk
+uiteengezet, zoodat ook het geheugen er wel bij vaart, immers een goed
+begrijpen werkt ook het onthouden in de hand.
+
+Zoodoende is deze Spraakkunst als bij uitstek aangewezen voor hen, die
+de taalverschijnselen ook willen verklaard zien, en is het daardoor in
+het bijzonder geschikt voor candidaat-hoofdonderwijzers, die veelal
+zonder hulp grammatica moeten bestudeeren.
+
+
+ $T. PLUIM.$
+
+$KEUR VAN NEDERLANDSCHE WOORDAFLEIDINGEN.$
+
+ $Prijs f 1.25, geb. f 1.50.$
+
+Nu in de laatste jaren de taalwetenschap over de afkomst der meeste
+woorden zulk een helder licht heeft verspreid, meende de schrijver goed
+te doen, de voornaamste uitkomst dezer wetenschap onder het bereik der
+studeerenden te brengen. Hij deed daartoe een keuze uit den rijken
+voorraad en trachtte het gekozene zoo eenvoudig mogelijk te behandelen.
+
+Bij de keuze der woorden heeft hij zich vooral laten leiden door de
+overweging dat weinig gebruikte woorden achterwege konden blijven,
+evenals zulke, waarvan de afleiding òf onbekend òf vrij onzeker is.
+
+ * * * * *
+
+
+
+
+ +------------------------------------------------+
+ | |
+ | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: |
+ | |
+ | De volgende correcties zijn in de tekst |
+ | aangebracht: |
+ | |
+ | Bron (B:) -- Correctie (C:) |
+ | |
+ | B: _~Kostbaar~_ wordt in letterlijke |
+ | C: ~Kostbaar~ wordt in letterlijke |
+ | B: eerst geen tekort. {lege regel} Doordat |
+ | C: eerst geen tekort. Doordat hij |
+ | B: verantwoordelijk wegens bestuur, |
+ | C: ~verantwoordelijk~ wegens bestuur, |
+ | B: men is aansprakelijk |
+ | C: men is ~aansprakelijk~ |
+ | B: _wijzigen_. _Ik zal den titel |
+ | C: ~wijzigen~. _Ik zal den titel |
+ | B: zal den titel van dit boek |
+ | C: zal den titel van dit boek: |
+ | B: slechts één zoon na. Hij heeft |
+ | C: slechts één zoon ~na~. Hij heeft |
+ | B: gescheiden: bijv. de takken afkappen |
+ | C: gescheiden: bijv. _de takken ~afkappen~_ |
+ | B: bijv. het gevaar van iemand afweren; |
+ | C: bijv. _het gevaar van iemand ~afweren~_; |
+ | B: iemands liefkoozingen afweren. |
+ | C: _iemands liefkoozingen ~afweren~_. |
+ | B: komst des konings aan._ |
+ | C: komst des konings ~aan~._ |
+ | B: _Hij ~nam~ op zich, de verzoening |
+ | C: _Hij ~nam op zich~, de verzoening |
+ | B: _Deze ~muur~ helt naar links._ |
+ | C: _Deze muur ~helt~ naar links._ |
+ | B: maar later ~verstoutte~ ik mij en |
+ | C: maar later ~verstoutte~ ik ~mij~ en |
+ | B: gepaard met met overschatting van |
+ | C: gepaard met overschatting van |
+ | B: gevaarlijken sprong, |
+ | C: gevaarlijken sprong. |
+ | B: getrouw_ (niet bijv: _~steeds~ |
+ | C: getrouw_ (niet bijv.: _~steeds~ |
+ | B: »_~Kalm~ hoorde hij, de |
+ | C: »_~Kalm~ hoorde hij de |
+ | B: als van zachte stoffen: een scheur |
+ | C: als van zachte stoffen: een ~scheur~ |
+ | B: ~vette~ post._ |
+ | C: vette ~post~._ |
+ | B: wandeling naar Amersfoort kwam hij |
+ | C: wandeling naar Amersfoort ~kwam~ hij |
+ | B: Zwitserland zou gezocht hebben, |
+ | C: Zwitserland zou gezocht hebben. |
+ | B: het wetsontwerp verwachten_ |
+ | C: het wetsontwerp verwachten._ |
+ | B: In onze verwondering zeer groot, |
+ | C: Is onze verwondering zeer groot, |
+ | B: niet aanaanneemt. Wordt iemand |
+ | C: niet aanneemt. Wordt iemand |
+ | B: 157. Gierig--karig--hebzuchtig |
+ | C: 157. Gierig--vrekkig--karig--hebzuchtig |
+ | B: onderstelt. _Haarlem's ~bevallig~ |
+ | C: onderstelt. _Haarlem's ~bevallige~ |
+ | B: beperkt. _Met schroom ~naderde~ |
+ | C: beperkt. _Met ~schroom~ naderde |
+ | B: no. 166.) Hij _was |
+ | C: no. 166.) _Hij was |
+ | B: ~bezorgd~ voor het behoud |
+ | C: ~bezorgd~ over het behoud |
+ | B: (Welke woorden kunt hij |
+ | C: (Welke woorden kunt gij |
+ | B: geval is het synomiem met andere |
+ | C: geval is het synoniem met andere |
+ | B: Duitscher hier _wenden_ gebruikt.) |
+ | C: Duitscher hier _wenden_ gebruikt?) |
+ | B: het ~krieken van den dag~ |
+ | C: ~het krieken van den dag~ |
+ | B: of met ~den dageraad~_, |
+ | C: of met den ~dageraad~_, |
+ | B: in Den Bosch is een -- gebouw |
+ | C: in Den Bosch is een -- gebouw. |
+ | B: mij voor niemandal zult helpen. |
+ | C: mij voor niemendal zult helpen. |
+ | B: een achterwaatsche beweging |
+ | C: een achterwaartsche beweging |
+ | B: beslissende oogenblik i de onderneming |
+ | C: beslissende oogenblik is de onderneming |
+ | B: langen tijd in ~twijfel~, of ik |
+ | C: langen tijd ~in twijfel~, of ik |
+ | B: ~omslachtig~ en ~wijdloopigheid~ zijn |
+ | C: ~omslachtigheid~ en ~wijdloopigheid~ zijn |
+ | B: ~bemachtigen~_, en ook: _vermeesteren_ |
+ | C: ~bemachtigen~_, en ook: _~vermeesteren~_ |
+ | B: handeling. _Bezigheid_ onderstelt een |
+ | C: handeling. ~Bezigheid~ onderstelt een |
+ | B: is dus een gëffende weg: |
+ | C: is dus een geëffende weg: |
+ | B: veroordeelde de doodstraf,_ ~Ontsnappen~ |
+ | C: veroordeelde de doodstraf._ ~Ontsnappen~ |
+ | B: en onroerende goederen, zoodat men meer |
+ | C: en onroerende goederen), zoodat men meer |
+ | B: gij de afstamming onzer Koningin van |
+ | C: gij de ~afstamming~ onzer Koningin van |
+ | B: »Het N. T. getrouwelijk in de |
+ | Nederduitsche taal ~overgezet~". |
+ | C: »_Het N. T. getrouwelijk in de |
+ | Nederduitsche taal ~overgezet~_". |
+ | B: duurzaam, 70. |
+ | C: duurzaam, 170. |
+ | B: eigenschap, 42. |
+ | C: eigenschap, 24. |
+ | B: gauw, 182. |
+ | C: gauw, 148. |
+ | B: herinnering, 167. |
+ | C: herinnering, 176. |
+ | B: krieken (van den dag) 180 |
+ | C: krieken (van den dag), 180. |
+ | B: laken, 130. |
+ | C: laken, 139. |
+ | B: mistrouwen, 90. |
+ | C: mistrouwen, 92. |
+ | B: onkundig, 194. |
+ | C: onkundig, 149. |
+ | B: ontvangen, 120; 161. |
+ | C: ontvangen, 120, 161. |
+ | B: opzettelijk. 68. |
+ | C: opzettelijk, 68. |
+ | B: schrik, 52; 166. |
+ | C: schrik, 52, 166. |
+ | B: stomp, 28. |
+ | C: stomp, 18. |
+ | B: uitgelaten, 156. |
+ | C: uitgelaten, 150. |
+ | B: _uitweg_, 237. |
+ | C: _uitweg_, 232. |
+ | B: verdenking, 92. |
+ | C: verdenken, 92. |
+ | B: verlangen, 183; _229_. |
+ | C: verlangen, 183, _229_. |
+ | B: _verlichting_, 191. |
+ | C: _verlichten_, 191. |
+ | B: verrassen, 81; 154. |
+ | C: verrassen, 81, 154. |
+ | B: wangunst, 131. |
+ | C: wangunst, 138. |
+ | B: _wanhopen_. 216. |
+ | C: _wanhopen_, 216. |
+ | B: weerzien, 158. |
+ | C: weerzin, 158. |
+ | B: _weiuig_, 227. |
+ | C: _weinig_, 227. |
+ | B: wiek, 138. |
+ | C: wiek, 128. |
+ | B: zorgelijk, 127. |
+ | C: zorgelijk, 172. |
+ | B: _zijweg_, 233. |
+ | C: _zijweg_, 232. |
+ | |
+ +------------------------------------------------+
+
+
+
+***END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK KEUR VAN NEDERLANDSCHE SYNONIEMEN***
+
+
+******* This file should be named 34784-8.txt or 34784-8.zip *******
+
+
+This and all associated files of various formats will be found in:
+http://www.gutenberg.org/dirs/3/4/7/8/34784
+
+
+
+Updated editions will replace the previous one--the old editions
+will be renamed.
+
+Creating the works from public domain print editions means that no
+one owns a United States copyright in these works, so the Foundation
+(and you!) can copy and distribute it in the United States without
+permission and without paying copyright royalties. Special rules,
+set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to
+copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to
+protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project
+Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you
+charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you
+do not charge anything for copies of this eBook, complying with the
+rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose
+such as creation of derivative works, reports, performances and
+research. They may be modified and printed and given away--you may do
+practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is
+subject to the trademark license, especially commercial
+redistribution.
+
+
+
+*** START: FULL LICENSE ***
+
+THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE
+PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK
+
+To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free
+distribution of electronic works, by using or distributing this work
+(or any other work associated in any way with the phrase "Project
+Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project
+Gutenberg-tm License (available with this file or online at
+http://www.gutenberg.org/license).
+
+
+Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm
+electronic works
+
+1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm
+electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to
+and accept all the terms of this license and intellectual property
+(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all
+the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy
+all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession.
+If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project
+Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the
+terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or
+entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8.
+
+1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be
+used on or associated in any way with an electronic work by people who
+agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few
+things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works
+even without complying with the full terms of this agreement. See
+paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project
+Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement
+and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic
+works. See paragraph 1.E below.
+
+1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation"
+or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project
+Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the
+collection are in the public domain in the United States. If an
+individual work is in the public domain in the United States and you are
+located in the United States, we do not claim a right to prevent you from
+copying, distributing, performing, displaying or creating derivative
+works based on the work as long as all references to Project Gutenberg
+are removed. Of course, we hope that you will support the Project
+Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by
+freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of
+this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with
+the work. You can easily comply with the terms of this agreement by
+keeping this work in the same format with its attached full Project
+Gutenberg-tm License when you share it without charge with others.
+
+1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern
+what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in
+a constant state of change. If you are outside the United States, check
+the laws of your country in addition to the terms of this agreement
+before downloading, copying, displaying, performing, distributing or
+creating derivative works based on this work or any other Project
+Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning
+the copyright status of any work in any country outside the United
+States.
+
+1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg:
+
+1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate
+access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently
+whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the
+phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project
+Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed,
+copied or distributed:
+
+This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with
+almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or
+re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included
+with this eBook or online at www.gutenberg.org
+
+1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived
+from the public domain (does not contain a notice indicating that it is
+posted with permission of the copyright holder), the work can be copied
+and distributed to anyone in the United States without paying any fees
+or charges. If you are redistributing or providing access to a work
+with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the
+work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1
+through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the
+Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or
+1.E.9.
+
+1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted
+with the permission of the copyright holder, your use and distribution
+must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional
+terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked
+to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the
+permission of the copyright holder found at the beginning of this work.
+
+1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm
+License terms from this work, or any files containing a part of this
+work or any other work associated with Project Gutenberg-tm.
+
+1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this
+electronic work, or any part of this electronic work, without
+prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with
+active links or immediate access to the full terms of the Project
+Gutenberg-tm License.
+
+1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary,
+compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any
+word processing or hypertext form. However, if you provide access to or
+distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than
+"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version
+posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org),
+you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a
+copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon
+request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other
+form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm
+License as specified in paragraph 1.E.1.
+
+1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying,
+performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works
+unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9.
+
+1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing
+access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided
+that
+
+- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from
+ the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method
+ you already use to calculate your applicable taxes. The fee is
+ owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he
+ has agreed to donate royalties under this paragraph to the
+ Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments
+ must be paid within 60 days following each date on which you
+ prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax
+ returns. Royalty payments should be clearly marked as such and
+ sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the
+ address specified in Section 4, "Information about donations to
+ the Project Gutenberg Literary Archive Foundation."
+
+- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies
+ you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he
+ does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm
+ License. You must require such a user to return or
+ destroy all copies of the works possessed in a physical medium
+ and discontinue all use of and all access to other copies of
+ Project Gutenberg-tm works.
+
+- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any
+ money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the
+ electronic work is discovered and reported to you within 90 days
+ of receipt of the work.
+
+- You comply with all other terms of this agreement for free
+ distribution of Project Gutenberg-tm works.
+
+1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm
+electronic work or group of works on different terms than are set
+forth in this agreement, you must obtain permission in writing from
+both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael
+Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the
+Foundation as set forth in Section 3 below.
+
+1.F.
+
+1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable
+effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread
+public domain works in creating the Project Gutenberg-tm
+collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic
+works, and the medium on which they may be stored, may contain
+"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or
+corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual
+property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a
+computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by
+your equipment.
+
+1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right
+of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project
+Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project
+Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all
+liability to you for damages, costs and expenses, including legal
+fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT
+LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE
+PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE
+TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE
+LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR
+INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH
+DAMAGE.
+
+1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a
+defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can
+receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a
+written explanation to the person you received the work from. If you
+received the work on a physical medium, you must return the medium with
+your written explanation. The person or entity that provided you with
+the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a
+refund. If you received the work electronically, the person or entity
+providing it to you may choose to give you a second opportunity to
+receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy
+is also defective, you may demand a refund in writing without further
+opportunities to fix the problem.
+
+1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth
+in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO OTHER
+WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO
+WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE.
+
+1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied
+warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages.
+If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the
+law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be
+interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by
+the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any
+provision of this agreement shall not void the remaining provisions.
+
+1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the
+trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone
+providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance
+with this agreement, and any volunteers associated with the production,
+promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works,
+harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees,
+that arise directly or indirectly from any of the following which you do
+or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm
+work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any
+Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause.
+
+
+Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm
+
+Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of
+electronic works in formats readable by the widest variety of computers
+including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists
+because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from
+people in all walks of life.
+
+Volunteers and financial support to provide volunteers with the
+assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's
+goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will
+remain freely available for generations to come. In 2001, the Project
+Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure
+and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations.
+To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation
+and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4
+and the Foundation web page at http://www.gutenberg.org/fundraising/pglaf.
+
+
+Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive
+Foundation
+
+The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit
+501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the
+state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal
+Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification
+number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent
+permitted by U.S. federal laws and your state's laws.
+
+The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S.
+Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered
+throughout numerous locations. Its business office is located at
+809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email
+business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact
+information can be found at the Foundation's web site and official
+page at http://www.gutenberg.org/about/contact
+
+For additional contact information:
+ Dr. Gregory B. Newby
+ Chief Executive and Director
+ gbnewby@pglaf.org
+
+Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg
+Literary Archive Foundation
+
+Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide
+spread public support and donations to carry out its mission of
+increasing the number of public domain and licensed works that can be
+freely distributed in machine readable form accessible by the widest
+array of equipment including outdated equipment. Many small donations
+($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt
+status with the IRS.
+
+The Foundation is committed to complying with the laws regulating
+charities and charitable donations in all 50 states of the United
+States. Compliance requirements are not uniform and it takes a
+considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up
+with these requirements. We do not solicit donations in locations
+where we have not received written confirmation of compliance. To
+SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any
+particular state visit http://www.gutenberg.org/fundraising/donate
+
+While we cannot and do not solicit contributions from states where we
+have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition
+against accepting unsolicited donations from donors in such states who
+approach us with offers to donate.
+
+International donations are gratefully accepted, but we cannot make
+any statements concerning tax treatment of donations received from
+outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff.
+
+Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation
+methods and addresses. Donations are accepted in a number of other
+ways including checks, online payments and credit card donations.
+To donate, please visit:
+http://www.gutenberg.org/fundraising/donate
+
+
+Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic
+works.
+
+Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm
+concept of a library of electronic works that could be freely shared
+with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project
+Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support.
+
+Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed
+editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S.
+unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily
+keep eBooks in compliance with any particular paper edition.
+
+Most people start at our Web site which has the main PG search facility:
+
+ http://www.gutenberg.org
+
+This Web site includes information about Project Gutenberg-tm,
+including how to make donations to the Project Gutenberg Literary
+Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to
+subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks.
+