diff options
| author | Roger Frank <rfrank@pglaf.org> | 2025-10-14 20:02:18 -0700 |
|---|---|---|
| committer | Roger Frank <rfrank@pglaf.org> | 2025-10-14 20:02:18 -0700 |
| commit | 8316f100dbefdf79b0223652b4176cb1e8ba6898 (patch) | |
| tree | 6edca4d07b2f0763754f07c9bc38e2e7f567970a /34784-8.txt | |
Diffstat (limited to '34784-8.txt')
| -rw-r--r-- | 34784-8.txt | 11178 |
1 files changed, 11178 insertions, 0 deletions
diff --git a/34784-8.txt b/34784-8.txt new file mode 100644 index 0000000..093bff6 --- /dev/null +++ b/34784-8.txt @@ -0,0 +1,11178 @@ +The Project Gutenberg eBook, Keur van Nederlandsche Synoniemen, by Teunis +Pluim + + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + + + + + +Title: Keur van Nederlandsche Synoniemen + Ten gebruike bij de studie voor de hulp- en hoofdacte en op inrichtingen voor M.O. + + +Author: Teunis Pluim + + + +Release Date: December 29, 2010 [eBook #34784] + +Language: Dutch + +Character set encoding: ISO-8859-1 + + +***START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK KEUR VAN NEDERLANDSCHE +SYNONIEMEN*** + + +E-text prepared by the Online Distributed Proofreading Team +(http://www.pgdp.net) + + + ++----------------------------------------------------------------+ +| | +| OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: | +| | +| De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, | +| verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te | +| moderniseren. | +| | +| Bladzijde-nummering is verwijderd. Afgebroken woorden aan het | +| einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. | +| | +| Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn | +| gecorrigeerd. Variaties in spelling zijn behouden. | +| | +| In het origineel cursieve tekst is weergegeven als _cursief_. | +| Uitgespatiëerde tekst is weergeven als ~uitgespatiëerd~, vette | +| tekst als $vet$ en onderstreepte tekst als #onderstreept#. | +| | +| In dit boek worden lage en hoge aanhalingstekens gebruikt. | +| De dubbele aanhalingstekens zijn in dit e-boek aangegeven als | +| »aanhalingstekens". | +| | +| Aan het eind van het boek volgt een overzicht van de | +| aangebrachte correcties. | +| | ++----------------------------------------------------------------+ + + + + + +KEUR VAN NEDERLANDSCHE SYNONIEMEN + +#TEN GEBRUIKE BIJ DE STUDIE VOOR DE HULP- EN +HOOFDACTE EN OP INRICHTINGEN VOOR M.O.# + +DOOR + +T. PLUIM, +Hoofd eener School te Baarn. + + + + + + + +VIERDE, HERZIENE DRUK. + +J. Muusses.--Purmerend.--1912. + + + + +VOORBERICHT + + +BIJ DEN EERSTEN DRUK. + +Er is geen betere »stijloefening" dan het bestudeeren van synoniemen; +hierdoor toch raakt men intiemer bekend met den rijkdom van vormen, +waarover onze taal beschikt, om allerlei schakeeringen van eenzelfde +hoofdbegrip uit te drukken. Het is dus wel te verklaren, dat het +behandelen van zinverwante woorden een veel voorkomende en hoogst +practische examen-opgave vormt. Toch mag het zeker verwondering baren, +dat het Nederlandsch slechts weinig werken over dit belangrijk onderdeel +der levende taal bezit. Na het thans verouderde »Woordenboek" van +Weiland en Landré (1821, 3 dln.) is slechts één werk verschenen, aan de +studie der synoniemen gewijd. Dit gunstig bekende »Handboek van Ned. +Synoniemen", door J. V. Hendriks (D. Mijs, f 2.50), dat verre boven +onzen lof verheven is, kan echter als _eerste_ studieboek bezwaarlijk +gebruikt worden: het geeft uit den aard der zaak te veel stof bij te +weinig oefeningen. Het kwam mij daarom niet ondienstig voor, uit den +rijken voorraad onzer synoniemen een keuze te doen, om zoo noodig een +grondiger en uitvoeriger behandeling van dit onderwerp voor te bereiden. + +Ik heb bij het schrijven van dit werkje een geleidelijke opklimming +in het oog gehouden en zeer veel plaats aan oefeningen ter toepassing +ingeruimd. Hierdoor vlei ik mij, dat dit boekje gebruikt kan worden op +onze Normaal- en Hoogere Burgerscholen, op onze Gymnasia en misschien +ook bij de studie voor de hoofdacte. + +Welwillende opmerkingen, die de bruikbaarheid kunnen verhoogen, zullen +mij steeds welkom zijn. + + 1904. + + +BIJ DEN TWEEDEN DRUK. + +De _tweede_ druk is zoo goed als ongewijzigd gebleven. + +Van geachte zijde werd mij er op gewezen, dat ik van Hendriks een wel +wat al te ruim gebruik zou gemaakt hebben. Waar deze schrijver niet +schroomde dikwijls Landré en Weiland woordelijk te volgen, meende ook +ik daartoe het recht te mogen hebben. Bovendien heb ik, evenals hij, +van het _Woordenboek der Ned. Taal_ een ijverig gebruik gemaakt, +terwijl ik verder nog raadpleegde: Kuypers _Woordenboek_, dr. Nassau's +_Geschriften_ en een paar Duitsche werken. Ik heb dus, als zoo menig +compilator, toegepast: »Je prends mon bien où je le trouve", daarbij +steeds voor oogen houdende, dat mijn werkje vóór alles _practisch_ moest +zijn. Uit de gunstige recensies en uit het vrij spoedig verschijnen van +den 2en druk, meen ik te mogen besluiten, dat het bruikbaar bevonden +wordt voor het doel, dat ik beoogde. + + 1907. + + +BIJ DEN DERDEN DRUK. + +De _derde_ druk is vermeerderd met een »Aanhangsel", waarin nog +een groot aantal (± 50 reeksen) der voornaamste synoniemen op meer +beknopte wijze zijn behandeld. Aan den gebruiker is het--bij wijze van +oefening--overgelaten zelf de voorbeelden ter toepassing te zoeken. Ik +mag mij vleien, dat daardoor de bruikbaarheid van het werkje nog is +toegenomen. (De prijs is niet verhoogd.) + + 1909. + + +BIJ DEN VIERDEN DRUK. + +Van de welwillende opmerkingen in »De School met den Bijbel" is een +dankbaar gebruik gemaakt. Ook heb ik op enkele andere plaatsen kleine +verbeteringen aangebracht. Het toenemend gebruik van dit werkje is mij +zeer aangenaam. + + Baarn, Maart 1912. T. PLUIM. + + + + +1. Draaglijk--draagbaar. + +_Wat gedragen kan worden._ + +~Draagbaar~ zegt dit in letterlijken zin; het wijst dus aan, dat iets +niet zoo zwaar is, of het kan gedragen worden: _Een last van 75 K.G. is +voor velen niet meer ~draagbaar~._ Soms beteekent het: verplaatsbaar, +niet-vastgemaakt (portatief): _een ~draagbare~ gaskachel_. + +~Draaglijk~ duidt meer in figuurlijken zin aan, dat iets te dragen valt, +d.w.z. te verduren, te dulden: _Een ~ondragelijke~ hitte._ + + * * * * * + +De zieke leed on-- pijn. + +Voor zoo'n reus als hij is, is zoo'n zak meel wel --. + +Je hebt daar eindelijk eens een -- opstel geschreven. + +Men heeft tegenwoordig ook -- electrische lampen. + + +2. Kostbaar--kostelijk. + +_Wat veel kost en dus hooge waarde heeft._ + +~Kostbaar~ wordt in letterlijke beteekenis gebruikt. _De drooglegging +der Zuiderzee is een ~kostbare~ onderneming._ + +~Kostelijk~ komt slechts figuurlijk voor; het wijst alleen op de hooge +waarde, de voortreffelijkheid, die iets bezit. Bij hevigen dorst is +water geen kostbare, maar wel een _~kostelijke~ drank_ (d. i. een drank, +die uitmunt door zijn voortreffelijkheid om den dorst te lesschen). + + * * * * * + +De koningin droeg een -- snoer van diamanten. + +Het is zonde, zulk -- eten te laten bederven. + +De -- hofhouding van Lodewijk XIV verslond schatten. + +Het was werkelijk een -- ingeving, zich zoo te kunnen redden. + + +3. Geestelijk--geestig--geestrijk. + +_Deze woorden zijn geen synoniemen en hebben dus geen gemeenschappelijke +beteekenis. Men treft ze evenwel vaak als examenopgave aan. (Men noemt +dergelijke woorden, die hetzelfde grondwoord hebben, ~paroniemen~ = +stamverwante woorden.)_ + +~Geestelijk~ is de tegenstelling van wereldlijk of lichamelijk: _De +~geestelijke~ stand; de ~geestelijke~ ontwikkeling._ + +~Geestig~ is synoniem met aardig, grappig, humoristisch: _Een ~geestig~ +gezegde. Een ~geestige~ voordracht._ + +~Geestrijk~ wil zeggen: rijk aan geest (van alcohol): _~geestrijke~ +dranken_. + + * * * * * + +Deze kinderen staan -- verre bij uw leerlingen ten achter. + +Ik heb hem een -- spotprent op zijn redevoering laten zien. + +Pater van Meurs, de bekende --, is vaak in zijn kleine gedichten zeer +--. + + »Het -- vocht der blonde druif + Maakt -- op zijn tijd", + +zeide een dichter; maar, hij had er bij kunnen voegen, is vaak ook +oorzaak, dat men -- achteruit gaat. + + +4. Zorgeloos--onbezorgd. + +_Geen zorg hebbende._ + +~Onbezorgd~ is hij, die niet bezorgd of bang voor gebrek of dreigende +gevaren behoeft te zijn. Het woord heeft dus een gunstige beteekenis. +_Hij heeft zooveel gespaard, dat hij een ~onbezorgden~ ouden dag kan +hebben._ + +~Zorgeloos~ wijst aan, dat iemand de zaken, die aan zijn zorg zijn +toevertrouwd, verwaarloost, of dat hij lichtzinnig voortleeft, zonder de +noodige zorg voor zijn toekomst te hebben. Het woord heeft dus altijd +een ongunstige bijgedachte. _Ofschoon hij meermalen met ontslag +bedreigd is, blijft hij nog altijd even ~zorgeloos~._ + + * * * * * + +Gij kunt -- zijn: geen kwaad zal u deren. + +Zou zij mij alleen getrouwd hebben, om een vroolijk en -- leven te +leiden? (Van Lennep.) + +Het ergert mij altijd, dat hij zoo -- en lichtzinnig voortleeft. + +Hij deed alle moeite om een opgeruimd en -- gelaat te vertoonen. (Van +Lennep.) + +Als gij zoo -- met uw geldzaken omgaat, zult gij spoedig arm zijn. + +Zonden, ofschoon gepleegd in -- vroolijkheid, waarbij men zich zelve +vergeet, ontgaan echter het oog van God niet. (Van der Palm.) + + +5. Geneigd--genegen. + +_Neiging tot iets hebbende._ + +~Geneigd~ geeft te kennen, òf dat de neiging iemand van nature eigen is, +dus tot zijn aard en karakter behoort, òf wel dat zij het gevolg is van +redeneering, inzicht of oordeel, die iemand tot iets doen overhellen. +(_Neigen_ = overhellen.) _De mensch is ~geneigd~ tot zonde_: zijn aard +brengt dat mede. _Ik ben ~geneigd~ dit toe te stemmen_: ik hel er toe +over (daar ik er over nagedacht heb). + +~Genegen~ ziet meer op de neigingen, die uit lust of begeerte ontstaan: +_Men vraagt een keukenmeid, een burgerpot kunnende koken en tevens +~genegen~ eenig huiswerk te verrichten_: die daar lust in heeft, er +_niet afkeerig_ van is. Bovendien kan ~genegen~ beteekenen: goedgunstig +gezind, liefhebbend: _De directeur is mij zeer ~genegen~._ + + * * * * * + +Mijn vriend is vroolijk van aard en altijd -- tot schertsen. + +Denkt gij, dat hij -- is, mij te woord te staan? + +Ik ben altijd --, het goede van iemand te denken. + +Ik zou bijna -- zijn, bij deze aanmerking nog een tweede te voegen. +(Inzicht, oordeel.) + +Niemand der aanwezigen scheen --, in het tekort der kas te willen +bijdragen. + +Het geluk is mij in deze onderneming niet --. + +Indien hij niet zoo tot vadzigheid en luiheid -- was, zou hij zeker de +betrekking gekregen hebben. + +Zoudt gij -- zijn, het voorzitterschap onzer vereeniging te willen +aanvaarden? + +Niemand is dezen onvriendelijken postdirecteur --. + + +6. Kinderachtig--kinderlijk--kindsch. + +_Wat een kind eigen is._ + +~Kinderachtig~ heeft een ongunstige beteekenis; het duidt aan, dat +volwassen menschen zich gedragen, alsof zij nog even weinig verstand als +een kind hadden. _Hoe ~kinderachtig~ van haar zoo bang voor spinnen te +zijn!_ + +~Kinderlijk~ is alles, wat met den aard van het kind overeenkomt, en wel +in gunstigen zin genomen. _Kinderlijke_ spelen. + +~Kindsch~ geeft te kennen, dat van oude menschen de geestvermogens zóó +zijn verzwakt, dat zij als 't ware weer kinderen zijn geworden. _Deze +oude vrouw is sedert een paar jaren geheel ~kindsch~._--Een enkele maal +heeft kindsch nog de letterlijke beteekenis: _Uit mijn ~kindsche~ jaren +herinner ik mij nog, dat wij vaak paaschvuren stookten._ + +(Men lette er op, dat kindschheid de fig., en kindsheid de letterlijke +beteekenis heeft.) + + * * * * * + +Foei, wat doet die groote jongen nog --. + +Met -- liefde hing de knaap zijn ouders aan. + +Gij moet niet te veel waarde aan de verhalen van dezen grijsaard +hechten: hij begint reeds -- te worden. + +Zijn -- vertrouwen op God werd niet beschaamd. + +Sedert mijn -- dagen ben ik daar niet meer geweest. + +In zijn -- eenvoud gaf de boer den vorst de hand en vraagde, hoe hij het +maakte. + + +7. Buigbaar--buigzaam. + +_Wat gebogen kan worden._ + +~Buigbaar~ duidt aan, dat een lichaam meer toevallig gebogen kan worden, +terwijl ~buigzaam~ te kennen geeft, dat het voorwerp krachtens zijn +innerlijke samenstelling gemakkelijk te buigen is. Een eikenhouten stok +is _buigbaar_, een glazen staaf niet; een stuk gummi is _buigzaam_. + +Ook onbuigbaar en onbuigzaam hebben dit verschil. In figuurlijke +beteekenis is het eerste dan ook sterker dan het tweede; bijv.: _Hij +heeft een ~onbuigzaam~ karakter_, dat wil zeggen: hij toont in zijnen +geheelen aanleg duidelijk, dat hij zich _niet licht_ door een ander +laat buigen of leiden in betrekking tot zijn meening of wil. Het is +dus niet noodig aan een ongunstige beteekenis te denken.--_Door zijn +~onbuigbaren~ trots berokkende hij zich vele vijanden_, d.w.z. zijn +trots was zóó sterk, dat hij zich _door niets_ liet buigen. Gewoonlijk +heeft onbuigbaar een eenigszins afkeurende beteekenis. + + * * * * * + +Zijn -- koppigheid ben ik eindelijk moede. + +Een dichter noemde onze taal: krachtig, rein, smeltend, -- en rijk. + +Als men een glazen buis verwarmt, is zij --. + +Zet u niet in het hoofd, dat gij hem tot andere gedachten zoudt kunnen +brengen: hij heeft een -- wil. + +Het karakter van den nieuwen consul was hun voorgesteld als welwillend: +zij hoopten, dat het -- zou wezen. (Beets.) + + +8. Lijdzaam--lijdelijk. + +_Niet op verzet bedacht._ + +~Lijdzaam~ beteekent geduldig, gelaten in het leed berustend, of kalm en +bedaard volhardend bij het volbrengen van een moeilijke taak. _Met +groote ~lijdzaamheid~ verdroeg hij de pijnen._ + +~Lijdelijk~ wil zeggen, dat men geen tegenstand biedt, of bij zekere +gebeurtenis werkeloos blijft. _Hoe hij die beleediging zoo ~lijdelijk~ +kon aanhooren, begrijp ik niet. Hij bleef bij dat afschuwelijk tooneel +een ~lijdelijk~ toeschouwer._ + + * * * * * + +Het was de politie onmogelijk, zulk een opruiende taal -- aan te hooren. + +De patiënt verdroeg -- de hevige pijnen van zijn wonden. + +Zoudt gij het -- kunnen aanzien, dat men uw goeden naam belasterde? + +De vrome pelgrim trekt vol ijver, maar toch --, langs het onverkwikkend +pad naar Jeruzalem. (Zie Da Costa's Hagar.) + + +9. Openbaar--openlijk. + +_Voor _of_ in het algemeen._ + +~Openbaar~ is datgene, wat voor ieder open is, waarvan niemand is +uitgesloten. Een _openbare_ vergadering; een _openbare_ wandeling. +Verder duidt het woord aan, dat iets vanwege de regeering is opgericht +of daartoe behoort: een _openbare_ school, een _openbare_ betrekking. + +~Openlijk~ wijst aan, dat iets niet in 't geheim geschiedt, dat het dus +voor niemand behoeft verborgen te worden. _Als gij niet betaalt, zet ik +uw naam ~openlijk~ in de courant._ + +Het tegengestelde van openbaar is: particulier, besloten; van openlijk: +in 't geheim, bedektelijk. + + * * * * * + +Ik zei hem -- de waarheid. + +Wanneer men in een -- vergadering iemand iets in het oor fluistert, +zegt men dat niet --. En wanneer men in een gesloten bijeenkomst iets -- +mededeelt, wil men dat nog niet altijd in het -- herhalen. + +De zaak zal in een -- vergadering behandeld worden. + +Ik zal u -- zeggen, hoe ik er over denk. + +De uitslag der vredesonderhandelingen werd door de Regeering -- gemaakt. + +Van alle -- gebouwen waaide de driekleur. + +Van der Duyn van Maasdam, Hogendorp en Van Limburg Styrum, in stilte +werkzaam voor de bevrijding, hielden zich gereed om ook -- op te treden, +zoo ras het gunstig tijdstip zou komen. + +Wat verstaat men onder het -- Ministerie? + + +10. Ontrouw--trouweloos. + +_Zonder trouw._ + +~Trouweloos~ handelt iemand, die van een vrijwillig aangegane +verbintenis met voorbedachten rade afwijkt, om zich zelf te bevoordeelen +en een ander nadeel te berokkenen; hij ontziet zich daartoe niet, +valsch en laag te handelen. Trouweloos te zijn is dus min of meer een +karaktertrek, d.w.z. de trouweloosheid blijft in den regel niet tot één +geval beperkt. Op het gegeven woord van den trouwelooze, hoe plechtig +bezworen, is geen staat te maken; hij is zelfs in staat zijn vriend te +verraden of van diens geheimen misbruik te maken, als hij er voordeel in +ziet. _Hoewel hij mij plechtig beloofd had mijn plannen strikt geheim te +houden, heeft hij ze toch aan mijn mededinger verraden; ik wist niet, +dat hij zóó ~trouweloos~ was._ + +~Ontrouw~ ziet meer op een bepaald geval. Het wijst óók wel aan, dat +iemand een aangegane verbintenis niet nakomt, doch niet zoozeer, omdat +dit in zijn karakter ligt, als wel tengevolge van veranderde inzichten; +van eigenbelang behoeft niet eens sprake te zijn. Is de trouwelooze +geheel en steeds zonder goede trouw, de ontrouwe is zulks slechts voor +een bepaald geval. _Hij is mij ~ontrouw~ geworden_ wil zeggen: hij heeft +mijn partij verlaten--hoewel hij mij trouw beloofd had--maar hij kan +daarom toch zijn nieuwe partij met de grootste trouw weer aanhangen. + + * * * * * + +Karel de Stoute werd door zijn gunsteling Campo Basso in den slag bij +Nancy -- verraden. Deze Italiaansche veldheer werd n.l. zijn vorst -- en +liep in 't beslissend oogenblik tot den vijand over. + +De -- dienstknecht leverde enkele brieven van zijn meester aan diens +vijanden over. + +Hij werd het oude geloof zijner vaderen --. + +Zou hij zoo -- zijn, dat hij zijn eigen broeder zou verraden? + + +11. Innerlijk--inwendig--innig. + +_Wat zich van binnen bevindt._ + +~Inwendig~ is alles, wat zich in de binnenruimte van een lichaam +bevindt; het is dus een tegenstelling met uitwendig, d.w.z. wat tot de +buitenzijde of de oppervlakte behoort: De _inwendige_ deelen van ons +lichaam. + +~Innerlijk~ ziet meer op den aard en het wezen van de deelen, waaruit +een voorwerp bestaat, in tegenstelling van _uiterlijk_, dat meer let +op den vorm, dien de deelen te zamen hebben en waardoor die deelen +min of meer verborgen worden. De _innerlijke_ waarde van een stalen +horlogeketting is niet groot (d.w.z. de waarde der bestanddeelen), +al moge hij door zijn kunstig bewerkten vorm (de uiterlijke waarde) +ook kostbaar zijn. Het wordt vooral figuurlijk gebruikt in betrekking +tot 's menschen karakter of tot wat er in zijn gemoed omgaat, in +tegenstelling met den lichamelijken vorm. _Uiterlijk is hij voorkomend +en vriendelijk, maar ~innerlijk~ is hij valsch en vol bedrog.--Hij werd +~innerlijk~ bewogen_ (d.i. in zijn gemoed, zonder dat het uiterlijk te +zien was). + +~Innig~ geeft aan, dat iets uit het diepst van ons binnenste +voortvloeit, waarvan onze ziel geheel doordrongen is: een _innige_ +liefde. + + * * * * * + +In het -- van dit reusachtige standbeeld heeft men een trap gemaakt. + +Hoewel hij -- spijt had, liet hij het aan niets merken. + +Hij stortte zijn hart uit in een -- gebed. + +De appel was -- verrot, hoe mooi hij er uitzag. + +Zijn -- kracht hield hem staande in dezen zwaren geloofsstrijd. + +De -- samenstelling van dit werktuig is zeer vernuftig bedacht. + +De Ruyter kenmerkte zich door zijn nederigheid en zijn -- godsvrucht. + + +12. Wettig--wettelijk--wettisch. + +_Volgens de wet._ + +~Wettig~ duidt aan, dat iets geheel overeenkomstig de bepalingen der +wet is, bijv. een _wettig_ huwelijk: bij het huwelijk is aan al de +bepalingen der wet voldaan. De _wettige_ erfgenamen zijn die erfgenamen, +die volgens of krachtens de bepalingen der wet aanspraak op de +nalatenschap hebben. + +~Wettelijk~ is datgene, wat bij de wet voorgeschreven is en dus een +uitvloeisel daarvan is. _Volgens ~wettelijk~ voorschrift moet bij +besmettelijke ziekten een briefje op de deur geplakt worden._ + +~Wettisch~ heet iemand, die zich streng aan de wet houdt en haar in +volle kracht (volgens de letter) wil toepassen. + + * * * * * + +Doordat ons Koninklijk Huis in de laatste regeeringsjaren van Willem III +zooveel leden verloor, werd het noodig de -- bepalingen omtrent de -- +erfgenamen in de grondwet nader te omschrijven. + +Deze notaris is een -- man; hij staat er op, alle -- formules nauwkeurig +te gebruiken, opdat het testament -- zij. + +Wij zullen langs -- weg verbetering van dien toestand trachten te +bewerken. + +Gij hebt den -- termijn van cassatie laten verloopen, gij moet dus in +het vonnis berusten. + +Het salaris bedraagt 50 gld. boven het -- minimum. + + +13. Dagelijksch--alledaagsch--daagsch. + +_Wel zijn deze woorden van ~dag~ afgeleid, maar eigenlijke synoniemen +zijn het niet; toch worden ze vaak ter vergelijking opgegeven._ (Zie +ook no. 3.) + +~Dagelijksch~ is alles, wat elken dag geregeld terugkeert. _De +~dagelijksche~ beweging der aarde om haar as duurt 24 uur. Hij verdient +ruim zijn ~dagelijksch~ brood._ + +~Alledaagsch~ beteekent, wat men alle dagen ziet, dus iets wat zeer +gewoon is; het heeft min of meer een geringschattende beteekenis. _Ik +dacht, dat hij zeer veel talent bezat, maar hij blijkt slechts een +~alledaagsch~ mensch te zijn._ + +~Daagsch~ wordt gebruikt in tegenstelling van zondagsch: _dit is mijn +~daagsche~ hoed_ (d.i. de hoed, dien ik op gewone werkdagen draag). + +Opmerking. _Daags_ is een bijwoord en beteekent: over dag: De zon +schijnt _daags_ maar 6 uur meer.--Ook _dagelijks_ is een bijwoord en +beteekent: elken dag: Hij doet _dagelijks_ een wandeling. (Hij doet +_daags_ een wandeling, wil zeggen: over dag, dus niet in den nacht.) +_'s Daags_ beteekent _per dag_ (in een tijdruimte van een dag): _hij +verdient 2 gld. 's ~daags~_. + + * * * * * + +In het -- leven wordt deze uitdrukking vaak gehoord. + +Mijn -- jas zit mij gemakkelijker dan mijn zondagsche. + +Gij behoeft daarvan niet zooveel ophef te maken: ik vind het een -- +geval. + +Op onze voetreis legden wij -- 8 uur af. + +Ik zou niet graag mijn -- wandeling willen missen. + +'s Nachts loopen er vijf treinen en -- twaalf. + + +14. Ruiterlijk--ridderlijk. + +_Openhartig._ + +~Ridderlijk~ doet denken aan de edelmoedigheid, welke den ridder eigen +was en die zijn _eer_ het hoogste stelde. _Zoodra hij bemerkte, dat hij +zijn vriend ten onrechte beschuldigd had, heeft hij ~ridderlijk~ zijn +beschuldiging teruggenomen._ + +~Ruiterlijk~ heeft meer de bijbeteekenis van ruw, maar oprecht, zooals +de oude ruiters waren, die meer den onverschrokken _moed_ hoog hielden +dan de fijne ridderlijke beleefdheidsvormen. _De oude tuinman kwam er +bij den graaf ~ruiterlijk~ voor uit, hoe hij over hem dacht._ (Het was +den graaf misschien minder aangenaam zulk een openhartig oordeel over +zijn eigen karakter te hooren, maar dat oordeel was toch oprecht gemeend +en bevatte niets dan waarheid.) + + * * * * * + +Het is -- van hem, dat hij na de grievende bejegening, die hij van zijn +besten vriend ondervond, hem toch weer in den nood bijstaat. (Het strekt +hem tot _eer_!) + +Het deed mij goed, dat hij zoo -- voor de waarheid durfde uitkomen. (Het +getuigt van _moed_!) + +De tocht naar Chattam was een -- bestraffing voor een schandelijke daad +der Engelschen. (Het eervolle op den voorgrond stellen!) + +De tocht naar Chattam was een -- bestraffing voor den laaghartigen +aanval der Engelschen op weerlooze visschersplaatsjes. (Het moedige op +den voorgrond stellen!) + + +15. Jong--jeugdig. + +_Wat niet oud is._ + +~Jong~ zegt dit in letterlijken zin. Een _jong_ kind; een _jonge_ +vereeniging. + +~Jeugdig~ stelt meer het niet-afgeleefd zijn op den voorgrond, dus het +vroolijke, het levenslustige, het sterke. _De grijsaard wijdde zich nog +met ~jeugdigen~ ijver aan de zaak, die hij voorstond._ Verkeerd is het +dus, van een _jeugdige_ vereeniging te spreken in den zin van een jonge, +pas opgerichte vereeniging. + + * * * * * + +In zijn -- jaren was hij een liefhebber van visschen. + +In -- overmoed klom de reiziger onversaagd den steilen berg op. + +Hij is nog betrekkelijk --, al ziet hij er oud uit. + +Al is hij ook oud geworden, zijn hart blijft nog --. + + +16. Zuinig--spaarzaam. + +_Niet verkwistend._ + +~Zuinig~ duidt aan, dat men zorg draagt, niet te veel uit te geven; men +wil voorkomen, dat hetgeen men bezit, te vroeg opraakt, daar men anders +te kort zou komen. _Wie zes gulden per week verdient, moet ~zuinig~ +huishouden._ + +~Spaarzaam~ is nog sterker; het onderstelt, dat men nog wil sparen of +overhouden. _Een ~spaarzame~ hand koopt anderlui's land._ Een spaarzaam +mensch geeft dus betrekkelijk zeer weinig uit; vandaar dat spaarzaam in +figuurlijken zin beteekent: niet overvloedig, beperkt; bijv.: _Het +vertrek was slechts ~spaarzaam~ verlicht._ + + * * * * * + +Het nieuwe bestuur dezer vereeniging is -- met de gelden omgegaan; er is +dan ook dit jaar voor het eerst geen tekort. Doordat hij -- is, heeft +hij reeds een aardig sommetje bijeen. + +Over de oudste plaatsen in ons land vindt men in de oorkonden slechts -- +berichten. + +Hij is van avond zeer -- met zijn woorden. + + +17. Klooven--klieven. + +_Met eenige kracht de deelen van elkander scheiden._ + +~Klooven~ duidt aan, dat na de werking de scheiding blijft bestaan, +terwijl ~klieven~ onderstelt, dat de vaneengescheiden deelen zich +spoedig weer vereenigen; ~klooven~ geschiedt daarom alleen met vaste, +~klieven~ met vloeibare of luchtvormige stoffen. ~Klooven~ ziet meer +op het voorwerp, dat de werking ondergaat en duidt dus een doel aan, +terwijl ~klieven~ meer let op het voorwerp, dat de werking verricht. +Men zegt dus: _de arbeider ~klooft~ het hout_; 1º. is de verbreking +der deelen blijvend; 2º. hout is een vast lichaam en 3º. het _doel_ +der werking is het hout klein te maken. Daarentegen zegt men: _het +schip ~klieft~ de baren_, immers 1º. is de verbreking der deelen van +voorbijgaanden aard; 2º. water is een vloeistof en 3º. het doel is niet +het water te scheiden, maar men wil den nadruk leggen op het schip zelf, +door aan te duiden, dat het snel vooruitkomt. + + * * * * * + +Ruwe diamanten moeten meestal -- worden. + +De blanke duiven door-- de stille avondlucht. + +De ridder reed op zijn vijand toe en -- hem met één slag van zijn zwaard +den kop. + +De wind is gunstig, en vroolijk -- het ranke schip de baren. + + +18. Stomp--bot. + +_Wat niet scherp is._ + +~Stomp~ zegt men meer van een punt, ~bot~ van de snede: _Een ~stompe~ +naald; een ~bot~ mes._ In figuurlijken zin beteekent ~bot~: niet scherp +van verstand, niet snedig, dus dom. _Hij is een ~bot~ mensch, een +botterik._ ~Stomp~ beteekent in overdrachtelijken zin: traag van +begrip of van oordeel, suf. _Door het lange peinzen was hij geheel +~verstompt~._ + + * * * * * + +Dit potlood heeft een -- punt. + +Een -- hoek is grooter dan een rechte. + +Ik heb mij daarop -- gedacht. + +»Hij zwaait het vreeslijk treffend zwaard, door duizend slagen +--geschaard." + +De jenever had hem geheel --. + + +19. Behandelen--bejegenen. + +_Zich op de een of andere wijze tegenover een ander gedragen._ + +~Bejegenen~ onderstelt een ontmoeting (in het Duitsch beteekent het dan +ook ontmoeten); het geeft de houding te kennen, die men bij zulk een +ontmoeting tegenover anderen aanneemt. Het woord heeft dus alleen +betrekking op personen. _Hij heeft mij op straat onheusch ~bejegend~._ + +~Behandelen~ geeft het handelen aan met betrekking tot menschen, dieren +of voorwerpen, zonder aan een ontmoeting te denken. In den regel wordt +er het bijdenkbeeld aan verbonden van een voortdurende herhaling der +werking. _Zulk een ~behandeling~ laat ik mij niet wel gevallen._ (_Zulk +een ~bejegening~_, zou slechts op één geval zien.) _Men moet de dieren +goed ~behandelen~._ (De werking wordt voortdurend herhaald.) + + * * * * * + +Hij trad het huis binnen en werd vriendelijk --. + +Als gij deze plant niet goed --, zal zij spoedig sterven. + +Ik had nooit gedacht, dat hij mij zoo minachtend durfde te --. + +Deze patroon -- zijn bedienden goed; de sollicitanten -- hij steeds +voorkomend. + + +20. Toonen--wijzen. + +_Laten zien._ + +~Toonen~ drukt dit begrip zonder meer uit, terwijl ~wijzen~ de +bijgedachte heeft, dat men iemand wil helpen of onderrichten. _~Toon~ +mij den brief en ik zal u ~wijzen~, hoe gij dien verbeteren moet. ~Wijs~ +hem den weg eens._ + +~Wijzen~ kan ook gebruikt worden zonder lijdend voorwerp en onderstelt +dan, dat men iemand op iets opmerkzaam wil maken: _hij ~wees~ met den +vinger naar ons; zij ~wees~ op haar stoel_. + +~Toonen~ komt soms ook voor in de beteekenis van: laten blijken, zonder +dat dit steeds opzettelijk behoeft te geschieden. _Zij ~toont~ weinig +verstand van de zaak te hebben._ + + * * * * * + +Ik zal u even --, hoe de weg loopt. + +Om hem te --, dat ik het goed met hem meende, heb ik hem de gevraagde +hulp verleend. + +Wanneer gij hem uw overmacht --, zal hij zich wel laten gezeggen. + +Hij -- zich met het geschenk niet tevreden. + +Ik zal u mijn opstel --, maar dan moet gij mij --, hoe ik de fouten moet +verbeteren. + +De zieke zeide niets, maar -- voortdurend op zijn voorhoofd. + + +21. Dompelen--doopen. + +_Nederwaarts in een vloeistof drukken._ + +~Dompelen~ duidt aan, dat het voorwerp geheel in de vloeistof wordt +gedrukt, ~doopen~ dat dit slechts gedeeltelijk geschiedt. _Een lichaam, +dat men in het water ~dompelt~, wordt lichter. Men ~doopt~ zijn vingers +in het water om er iets mee te besprenkelen._ (Vandaar de tegenwoordige +beteekenis van doopen in kerkelijken zin; vroeger was het werkelijk een +in- of onderdompelen.) + +Waarom zegt men wel: in rouw _dompelen_, en niet: in rouw _doopen_? + + * * * * * + +Voor gij gaat zwemmen, moet gij u eerst geheel in het water --. + +Deze beschuit is voor het kind te hard, -- ze daarom in de melk. + + +22. Zich vernederen--zich verlagen. + +_Alle gevoel van eigenwaarde afleggen._ + +~Vernederen~ zegt dit in gunstigen of ongunstigen zin. _Hij ~vernederde~ +zich voor God._ (In deze beteekenis kan men ook _zich verootmoedigen_ +gebruiken.) _Het kostte den trotschen ridder van voorheen groote moeite +zich te ~vernederen~ tot het verrichten van veldarbeid._ + +~Verlagen~ heeft altijd een ongunstige beteekenis en is veel sterker dan +vernederen; het duidt aan, dat iemand alle gevoel van menschelijkheid of +zedelijkheid op zij zet. _Hoe hij zich heeft kunnen ~verlagen~ voor een +handvol goud zijn besten vriend te verraden, kan ik mij niet begrijpen._ + + * * * * * + +Wie zich zelven verhoogt, zal -- worden. + +De echtgenoote van Oldenbarnevelt wilde zich niet -- om genade voor haar +man te vragen. + +De dronkenschap kan niet anders dan den mensch --. + +Gij moet u niet zoo -- om met zulk slecht gezelschap om te gaan. + +Door louter hebzucht gedreven, -- hij zich zijn vaderland te verraden. + + +23. Danken--wijten. + +_Iemand of iets als de oorzaak van een of ander beschouwen._ + +~Danken~ heeft betrekking op iets goeds of aangenaams, ~wijten~ +daarentegen heeft een ongunstige beteekenis. _Ik heb u mijn bevordering +te ~danken~. Zijn armoede heeft hij zich zelf te ~wijten~._ + +(Opmerkelijk is het, dat men dikwijls beide woorden verkeerd gebruikt +ziet; men spreekt dan bijv. van iemands vijandschap aan laster te +_danken_ hebben, of wel van: zijn beschermer veel goeds te _wijten_ +hebben. Mogelijk geeft de uitdrukking: iemand iets _dank ~weten~_, +aanleiding tot deze vergissing.) + + * * * * * + +Vele huisgezinnen hebben hun ondergang aan den drank te --. + +Uw slechte cijfers op het examen hebt gij aan uw ongeregelde studie te +--. + +Zijn schitterend examen heeft hij grootendeels aan zijn ijver te --. + +De nederlaag onzer troepen was aan de weifeling van den bevelhebber te +--. + +De overwinningen van Maurits waren grootendeels te -- aan zijn +uitnemende veldheerstalenten. + + +24. Hoedanigheid--eigenschap. + +_Wat aan iets eigen is of het kenmerkt._ + +Is het kenmerkende meer toevallig aan de zelfstandigheid eigen, dan +spreekt men van ~hoedanigheid~; is dat kenmerkende aan het bestaan +der zelfstandigheid noodwendig verbonden, dus van blijvenden aard, +dan gebruikt men ~eigenschap~. Als een blad papier dik of dun, goed +beschrijfbaar, geel of wit is, zijn dat hoedanigheden; men kan immers +deze hoedanigheden anders maken, zonder dat de stof ophoudt papier te +zijn. Postpapier is beschrijfbaar, dit is een eigenschap er van, immers +zonder die »hoedanigheid" zou het postpapier niet kunnen dienen. + + * * * * * + +Steenkolen hebben de --, dat zij brandbaar zijn. Geven zij bij de +verbranding weinig roet, dan is dat een goede --. + +Een bol heeft de --, dat hij rond is. + +In zijn -- als voogd, heeft hij uitstekend voor zijn neef gezorgd. + +Deelbaarheid is een algemeene -- der lichamen. + +Deze dienstbode bezit vele goede --, en daarom kan ik haar wel +aanbevelen. + + +25. Aanwezig--tegenwoordig. + +_Zich binnen een bepaalde ruimte bevindende._ + +~Aanwezig~ zegt dit zonder eenig bijbegrip; ~tegenwoordig~ onderstelt, +dat men invloed op de plaatshebbende handeling kan uitoefenen. _Hoewel +ik in de zaal ~aanwezig~ was, zat ik zoo in gedachten verzonken, dat ik +van het gesprokene niets kan na vertellen. Bij de behandeling van een +wetsvoorstel is de daarbij betrokken minister ~tegenwoordig~._ + + * * * * * + +Bij den hevigen brand was ik wel in de stad --, maar ik ben bij het +onheil niet -- geweest. + +Hoeveel leerlingen zijn er in uw klas --? + +Bij de proefles, die de sollicitanten gaven, waren ook de Raadsleden --. + +Toen de Tweede Kamer deze gewichtige voorstellen behandelde, waren bijna +alle leden --; ook was er veel publiek op de tribune --. + +Gij moest ook op ons feestje -- zijn, wij zouden het zeer op prijs +stellen. + +Er is nog een groote voorraad van dit papier --. + + +26. Aansprakelijk--verantwoordelijk. + +_Verplicht zijn de gevolgen van een daad op zich te nemen._ + +Men is ~verantwoordelijk~ wegens bestuur, men is ~aansprakelijk~ wegens +bezit. Het doel der verantwoordelijkheid is rechtvaardiging, +aansprakelijkheid verplicht tot schadevergoeding. + + * * * * * + +Je mag mijn fiets wel gebruiken, maar je bent er voor --. + +De ministers zijn -- voor hun besluiten. + +Als de kooper zijn verplichtingen niet kan nakomen, zijn de borgen --. + +Gij zijt nu oud en wijs genoeg, om -- voor uw daden te zijn. + +De notaris is -- voor de beleende gelden; hij is -- voor de fout in deze +koopacte. + +De voorzitter dezer vergadering is -- voor de goede orde; de +penningmeester is -- voor de gelden. + + +27. Opmerken--aanmerken. + +_Zijn gedachten of zijn meening over iets te kennen geven._ + +~Aanmerken~ veronderstelt een afkeurend oordeel. _Ik heb zooveel op den +inhoud van dit boek ~aan te merken~, dat ik het werk niemand kan +aanbevelen._ + +~Opmerken~ heeft een meer gunstige beteekenis; het onderstelt, dat men +op iets opmerkzaam maakt, hetgeen een ander over 't hoofd ziet en toch +van min of meer belang is. _Mag ik even ~opmerken~, dat men op dien +datum het schoolfeest niet kan houden, daar die dag een R.-K. feestdag +is._ + +~Opmerken~ veronderstelt meestal scherpzinnigheid, ~aanmerken~ een +gezond oordeel en grondige kennis. + + * * * * * + +Men had zooveel op zijn plan --, dat hij het opgaf. + +Wie een schrijver van een aardrijkskundig werk er op attent maakt, dat +hij een voornaam dorp heeft vergeten, heeft iets --; wie een groote +onjuistheid kan aanwijzen, heeft iets --. + +Op het karakter van dit jongmensch valt zooveel --, dat ik hem u niet +kan aanbevelen. + +Omtrent het karakter van dit jongmensch moet ik u --, dat hij zich +spoedig door anderen laat verleiden. + +Men spreekt van een gegronde -- en een snuggere --. + + +28. Afgelegen--eenzaam. + +_Wat buiten het gewone verkeer is._ + +~Afgelegen~ duidt aan, dat een of andere plaats moeilijk te bereiken is, +doordat zij ver van alle verkeerswegen ligt. _Hij woont in een +~afgelegen~ hoekje van Drente._ + +~Eenzaam~ wil zeggen: zonder gezelschap of bezoek. Op een afgelegen +plaats is ook weinig verkeer en is het er dus tevens eenzaam, daar men +er afgezonderd moet leven. Toch behoeft eenzaam niet altijd met het +begrip van afgelegen verbonden te zijn; iemand kan te midden van een +drukke stad toch een eenzaam leven leiden. + + * * * * * + +Hij werd tot straf naar een -- eiland verbannen. + +Ik vind den weg naar dit dorpje zeer --. + +Ik mag gaarne over de -- heide dwalen. + +Hoe meer buurtsporen worden aangelegd, hoe meer de -- streken van +voorheen bezocht worden. + +Hoewel hij een -- leven leidde, gevoelde hij zich toch niet alleen, daar +hij in zijn boeken zijn beste vrienden vond. + +»De leeuwerik zingt op de -- heide." + + +29. Oorzaak--reden. + +_De omstandigheid, die een werking ten gevolge heeft._ + +~Oorzaak~ zegt, dat de werking van 's menschen wil onafhankelijk is; +zij kan dus in de natuur gevonden worden, bijv.: _de ~oorzaak~ der +aardbevingen is nog niet voldoende opgehelderd_, of in omstandigheden, +waarop wij geen invloed hebben: _de ~oorzaak~ van den brand is +onbekend_. + +Ook wordt ~oorzaak~ gebruikt ten opzichte van onze handelingen, waarbij +onze wil niet opzettelijk in aanmerking komt: _zijn verkwistende +levenswijze is ~oorzaak~, dat hij arm is geworden_ (hij was n.l. niet +opzettelijk verkwistend om arm te worden). + +De ~reden~ is ten nauwste verbonden aan iemands uitdrukkelijken wil en +beweegt hem tot een daad. _Wat is de ~reden~, dat gij boos op hem zijt?_ +(Die reden _beweegt_ u boos te zijn.) + +~Opmerking.~ _Waardoor?_ vraagt naar een oorzaak; _waarom?_ naar een +reden. _Waardoor_ stijgt een luchtballon omhoog? _Waarom_ hebt gij uw +woord gebroken? + + * * * * * + +De -- van dit ongeluk is aan zijn eigen onvoorzichtigheid te wijten. + +Kent gij de --, waar-- hij als lid der vereeniging bedankt heeft? + +Kent gij de --, waar-- hij zoo ongelukkig is geworden? + +Wat is de --, dat men dit eiland niet bedijkt heeft? + +De hooge vloed is --, dat dit eiland voor bedijking rijp is. + + +30. Naderen--genaken. + +_In de nabijheid komen._ + +~Naderen~ wil zeggen, dat de afstand minder wordt; het bewegende +voorwerp komt dus dichterbij. _De trein ~nadert~.--Het schip ~nadert~ de +reede._ + +~Genaken~ is zóó kort bij iets of iemand komen, als maar eenigszins +mogelijk is: men wil het (of hem) _bereiken_. _Door de hitte van het +brandende huis kon men de deur niet meer ~genaken~._ + + * * * * * + +Door de vele klippen is het gevaarlijk deze kust te --. (De klippen +liggen nog vóór de kust.) + +Door de hevige branding kon het schip de kust niet --. (Het schip wilde +op de kust landen). + +Als er gevaar --, moet gij dubbel op uw hoede zijn. + +Deze man is zoo trotsch, dat hij bijna niet te -- is. + +De cholera -- al meer en meer ons land; men dient dus reeds +voorbehoedmiddelen te nemen. + +God geve, dat u geen leed zal --. + + +31. Ongerust--rusteloos--onrustig. + +_Geen rust hebbende._ + +~Rusteloos~ duidt aan, dat de werking zonder rust, zonder ophouden +voortduurt. _~Rusteloos~ arbeidde hij aan zijn grootsche taak voort._ + +~Onrustig~ wijst aan, dat er geen rust, d.i. geen kalmte of bedaardheid +aanwezig is: _Een ~onrustige~ slaap. Met ~onrustige~ blikken zag de +schuldige om zich, als vreesde hij elk oogenblik gegrepen te worden._ +Het woord komt dus vrijwel overeen met gejaagd. + +~Ongerust~ wijst aan, dat de rust (het kalme gevoel van veiligheid of +zekerheid) afwezig is; het beteekent dus: bang, angstig, bezorgd. _Ik +maak mij over zijn lang uitblijven zeer ~ongerust~._ + + * * * * * + +Zijn -- geweten joeg den moordenaar -- voort van de eene plaats naar de +andere. + +De -- ademhaling van het zieke kind maakt de moeder zeer --. + +Hoewel de vluchteling wist, dat hij zijn vervolgers ver achter zich had +gelaten, keek hij toch nog langen tijd -- om zich heen. + +Onvermoeide vlijt en een -- arbeid komen vele hinderpalen te boven. + +Daar wij in geen weken iets van onzen broeder hadden gehoord, werden +wij zeer --. + + +32. Ontwennen--afwennen. + +_Langzamerhand van een gewoonte afstand doen._ + +~Afwennen~ en ~ontwennen~, beide overgankelijk en wederkeerend gebruikt +en dus met _hebben_ vervoegd, verschillen hierin, dat ~afwennen~ +aanwijst, dat men opzettelijk zijn gewoonte of hebbelijkheid tracht af +te leggen, terwijl ~ontwennen~ dit als meer toevallig, onwillekeurig +voorstelt, als gevolg van veranderde omstandigheden. _Op raad van den +dokter heb ik mij het rooken ~afgewend~. De reizigers in een vreemd +werelddeel hebben zich al spoedig het rooken ~ontwend~._--Van slechte +gewoonten zegt men uitsluitend ~afwennen~: _Jongen, je moet dat +stotteren ~afwennen~_ (niet: ontwennen; de werking geschiedt +opzettelijk!). + +Worden ~ontwennen~ en ~afwennen~ intrans. gebruikt (dus met _zijn_ +vervoegd), dan is er niet zooveel verschil, daar afwennen in dit geval +niet opzettelijk geschiedt; alleen is ~afwennen~ dan sterker, doordat +het aanduidt, dat de vroegere geschiktheid geheel verloren is gegaan, +wat bij ~ontwennen~ niet het geval is. _Hij is het schaatsenrijden +geheel ~afgewend~_, als hij het n.l. niet meer kan en dus weer moet +aanleeren; _hij is het schaatsenrijden ~ontwend~_, wanneer hij het in +langen tijd niet gedaan heeft en het hem eerst dus wel weer vreemd zal +vallen. + + * * * * * + +Gij moet u --, van iedereen kwaad te willen spreken. + +Hij is het Duitsch spreken wel wat --, hoor maar, hoe moeilijk het hem +valt. + +Ik ben het kortschrift geheel --, het zal mij heel wat moeite kosten het +opnieuw aan te leeren. + +Het verblijf in Java's binnenlanden heeft hem spoedig de +geriefelijkheden der beschaafde maatschappij --. + +Het kind is zóó langen tijd in huis gebleven, dat het de buitenlucht +geheel -- is. + + +33. Gehecht--verkleefd--verknocht. + +_Door liefde of genegenheid aan een ander verbonden._ + +~Gehecht~ heeft de meest algemeene beteekenis en drukt het gevoel van +genegenheid niet zoo sterk als de beide andere woorden uit; het zegt +alleen, dat men niet gaarne gescheiden zou worden van den persoon of de +zaak, waaraan men gehecht is, daar die scheiding een smartelijk gevoel +zou doen ontstaan. _Deze jongen is zeer aan zijn onderwijzer ~gehecht~; +de hond is aan zijn meester ~gehecht~_, en omgekeerd: _de meester is aan +zijn hond ~gehecht~_. + +~Verkleefd~ wijst aan, dat er een engere band bestaat, voornamelijk van +onwankelbare trouw, waarmede men zijn ~meerdere~ aanhangt. _Het volk +gevoelde zich ~verkleefd~ aan den vorst._ + +~Verknocht~ drukt hetzelfde begrip als verkleefd uit, maar met de +bijgedachte, dat de band van trouw of genegenheid nog inniger is, zoodat +hij niet kan verbroken worden. _Het Nederlandsche volk gevoelt zich aan +het Huis van Oranje ~verknocht~._ + + * * * * * + +Hij is zoo aan zijn geboorteplaats --, dat hij nergens anders wil wonen. + +De oude dienstbode was zeer aan haar meesteres --. + +Door de teederste banden aan hun vorstin --, grepen de Hongaren naar de +wapenen en stonden Maria Theresia getrouw ter zijde. + +De Nederlandsche bevolking was van oudsher aan haar voorrechten --. + +Gelderland voelde zich bij 't begin van den 80-jarigen oorlog meer aan +Gulik en Kleef dan aan Holland en Zeeland --. + + +34. Loochenen--ontkennen. + +_Staande houden, dat iets niet zoo is._ + +~Ontkennen~ drukt dit zonder meer uit. _Deze schrijver ~ontkent~, dat +Jan van Schaffelaar van den toren is gesprongen.--De beschuldigde +~ontkent~, dat hij gestolen heeft._ + +~Loochenen~ heeft de bijgedachte, dat men tegen beter weten in iets +ontkent, dus dat men met opzet liegt. _Hij ~loochent~ wel dit stuk +geschreven te hebben, maar zijn schrift verraadt hem._ + + * * * * * + +Hoewel hij uitdrukkelijk --, dat hij de schrijver van dit artikel is, +wordt hij er toch algemeen voor gehouden. + +De dief -- eerst wel de waarheid van de verklaring der getuigen, maar +men bracht hem spoedig door overtuigende bewijzen tot bekentenis. + +Hardnekkig -- hij het bestaan van een zuster, die met hem de erfenis zou +moeten deelen, maar het onderzoek bewees, dat hij wel beter wist. + +Ten stelligste -- hij het bestaan van een zuster, die met hem de erfenis +zou moeten deelen; het onderzoek bewees, dat hij werkelijk gelijk had. + + +35. Onpartijdig--onzijdig. + +_Niet voor de eene of andere partij vooringenomen zijn._ + +~Onzijdig~ zegt, dat men in het geheel geen partij kiest (althans niet +openlijk); de onzijdige laat dus uit niets blijken, 't zij door woorden +of daden, welke partij zijn sympathie heeft. _In den strijd tusschen de +Remonstranten en Contra-Remonstranten hield prins Maurits zich eerst +~onzijdig~._ + +De ~onpartijdige~ kiest wel partij, d.w.z. geeft wel aan de eene of +andere partij zijn voorkeur, maar hij doet dit uit volle overtuiging, +zonder zich door vrees, omkooperij, winstbejag of andere onedele +drijfveeren te laten leiden; het is hem alleen om de waarheid te doen; +daarbij wil hij ook gaarne het goede in zijn tegenpartij erkennen. _Deze +geschiedschrijver staat bekend als een ~onpartijdig~ man._ + +Waarom kan men wel van een _onpartijdige_ uitspraak (vonnis), maar niet +van een _onzijdige_ uitspraak spreken? + + * * * * * + +In den Fransch-Duitschen oorlog hield ons land zich --. + +Ik heb hem als een -- beoordeelaar leeren kennen en waardeeren. + +Bij een twist tusschen man en vrouw blijve men liefst --. + +Deze courant geeft een -- voorstelling, van hetgeen in die vergadering +gebeurd is. + +Men heeft wel eens de -- van Oldenbarnevelts rechters in twijfel +getrokken; maar de geschiedenis van zijn rechtspleging weerlegt die +beschuldiging ten volle. + + +36. Talmen--dralen. + +_Traagheid betoonen._ + +~Dralen~ doet hij, die door zijn weifeling of vrees tot geen besluit +komt en dus met het werk niet begint.--~Talmen~ doet hij, die wel met +het werk begonnen is, maar er geen voortgang mee maakt, doordat hij òf +te traag van aard is, òf zich te zwak voor de opgenomen taak gevoelt. + + * * * * * + +Je moet niet zoolang --, begin maar terstond. + +Hij -- zoo vreeselijk met zijn werk, dat er van opschieten geen sprake +is. + +De veldheer -- tot den slag over te gaan, daar hij met de stellingen +van den vijand niet goed bekend was. + +De vijand -- met het beleg der stad zoo zeer, dat deze zich nog +voldoende kon voorbereiden. + +Door het lange -- met de toezending der vereischte sollicitatiestukken +heeft hij den vastgestelden termijn laten verstrijken. + +Komt mannen, niet --! vol moed den vijand aangevallen. + + +37. Ontdekken--uitvinden. + +_Van een onbekende zaak kennis krijgen._ + +Men ~ontdekt~, wat reeds bestond, maar nog niet bekend was: _Columbus +~ontdekte~ Amerika_ (letterlijk: het dek der onbekendheid, dat het land +voor Europa verborg, wegnemen). + +~Uitvinden~ heeft betrekking op nieuwigheden, die aan het menschelijk +vernuft te danken zijn en die te voren nog niet bekend waren. _De +~uitvinding~ van de boekdrukkunst schijnt men thans weer met meer recht +dan vroeger aan Laurens Janszoon Coster te mogen toeschrijven._ + +(De uitdrukking: »Ik zal den dader wel _uitvinden_", die men +tegenwoordig in navolging van vreemde talen wel hoort, is dus beslist af +te keuren; vooreerst bestaat de dader reeds, en 2º. wordt de dader niet +door een gelukkige combinatie van het menschelijk vernuft te voorschijn +gebracht, zooals uitvinden onderstelt.) + + * * * * * + +Tot zijn schrik -- de bankier, dat de boekhouder hem bedrogen had. + +Door de -- van het microscoop heeft men vele wonderen in de natuur --. + +Het geheim wist ik spoedig te --. + +Weet gij, wie de draadlooze telegrafie heeft --? + +Men heeft eindelijk het spoor van den misdadiger --. + +Door de -- van het rijwiel is het verkeer zeer vergemakkelijkt. + +Wie heeft de slingerwetten --? + + +38. Plagen--kwellen. + +_Iemand verdriet of onaangenaamheden veroorzaken._ + +~Plagen~ onderstelt, dat het verdriet niet bijzonder groot is, terwijl +~kwellen~ aanwijst, dat men iemand werkelijk leed (pijn, enz.) aandoet. +_Je mag den hond niet zoo ~plagen~, maar nog minder mag je hem +~kwellen~._--~Plagen~ wordt ook gebruikt in verbinding met hongersnood, +pest, duurte en andere onheilen, die al of niet als een straffe Gods +worden aangemerkt. _Het land werd met hongersnood ~geplaagd~._ (Denk ook +aan de plagen van Egypte!) + + * * * * * + +De reiziger werd door een hevigen dorst --. + +Gij moet de meid niet zoo --, door haar telkens om een wissewasje binnen +te laten komen. + +Wie de dieren --, heeft ook voor de menschen geen goed hart. + +Gij moet dat kleine kind niet zoo --. + +Karel V werd vaak door jicht --. + +Mijn broer -- mijn zuster altijd met haar dwazen hoed. + +Zijn knagend geweten -- hem dag en nacht. + + +39. Overeenkomen--overeenstemmen. + +_Bijna geheel aan elkander gelijk zijn._ + +~Overeenkomen~ drukt dit zonder nadere aanduiding uit. _De bouw van +deze beide kerken ~komt~ met elkander ~overeen~._ ~Overeenstemmen~ +ziet uitsluitend op meeningen, gevoelens of gedachten. (De letterlijke +beteekenis duidt aan: dezelfde _stem_ of toon hebben.) _Wij ~stemmen~ in +onze politieke gevoelens volkomen met elkander ~overeen~._ Men kan dus +niet zeggen: _de bouw van deze kerken ~stemt overeen~_. + + * * * * * + +De Veluwe -- in vele opzichten met Drente overeen. + +De getuigen -- niet met elkander overeen. + +De beide steden -- in handelsbeweging vrij wel overeen. + +Bij de keuze van een nieuwen president kon men niet gemakkelijk tot -- +geraken. + +De berichten over sommige feiten uit onze geschiedenis -- niet altijd +overeen. + + +40. Schaarsch--zeldzaam--zelden. + +_Weinig voorkomende._ + +~Zeldzaam~ duidt aan, dat iets slechts bij uitzondering gezien wordt, +doordat er zeer weinig van die voorwerpen bestaan. _Voor dezen +~zeldzamen~ postzegel heb ik drie gulden betaald._ + +~Schaarsch~ wil zeggen, dat van iets op een gegeven tijdstip minder +voorraad is, dan men verwacht had, zoodat er een tijdelijke behoefte aan +bestaat. _Daar de aardappelen dit jaar ~schaarsch~ zijn, besteedt men +hooge prijzen._ + +~Zeldzaam~ en ~schaarsch~ zijn bijvoeglijke naamwoorden, ~zelden~ is een +_bijwoord van tijd_ en beteekent _bijna nooit_. _Hoe komt het toch, dat +wij je tegenwoordig zoo ~zelden~ bij ons zien?_ + + * * * * * + +Dat is een -- exemplaar van Vondels werken. + +Door de invoering der muntgasmeters zijn in sommige steden de +2½-centstukken -- geworden. + +Rijkdom en geluk vindt men -- vereenigd. + +De berichten van het oorlogsveld zijn zeer --. + +Bij Baarn groeit aan de Eembrug een -- plant; men ziet die plant maar -- +in de tuinen. + +Nu de aardappelen zoo -- zijn, eten wij maar veel meelspijzen. + +Haastige spoed is -- goed. + +De gastvrijheid onzer voorvaderen is -- geworden. + +Het is een -- genot dezen vioolspeler te hooren. + + +41. Nijgen--buigen. + +_Een vooroverwaartsche beweging maken._ + +~Nijgen~ is: slechts even buigen, liefst met een bevallige beweging, +zoodat het vooral van vrouwen gebruikt wordt. + +~Buigen~ onderstelt, dat de beweging sterker is; als teeken van +nederigheid of onderdanigheid is het dus van meer kracht dan ~nijgen~. +_Zij ~neeg~ het hoofd tot een beleefden groet. Hij ~boog~ het hoofd in +het bewustzijn van zijn schuld._ + + * * * * * + +De vorstin werd luide toegejuicht; vriendelijk -- nam zij die hulde in +ontvangst. + +De deputatie -- zeer diep voor den koning. + +Met een bevallige -- nam de zangeres de bloemen aan. + +Na den stormachtigen bijval -- de acteur naar alle zijden. + +Hij moest voor de overmacht --. + + +42. Overdrijven--vergrooten. + +_Iets grooter voorstellen dan het is._ + +~Overdrijven~ geschiedt meer uit hartstochtelijkheid, uit zucht om iets +van grooter gewicht te doen schijnen, dan het in werkelijkheid is; het +geschiedt dus niet uit boos opzet. _Dat er bij dit ongeval verscheidene +menschen verongelukt zijn, laat zich denken; doch dit getal op 200 te +stellen is zeker ~overdreven~._ + +~Vergrooten~ daarentegen onderstelt een bepaald opzet; men wil n.l. door +dat vergrooten een of ander doel des te gemakkelijker bereiken. _Om hun +zoon van zijn vertrek naar Indië terug te houden, hebben zijn ouders hem +de bezwaren van het Indische leven zeer ~vergroot~ voorgesteld._ + + * * * * * + +Kinderen zijn geneigd, hetgeen hun wedervaren is, te --. + +De vijand heeft de verliezen aan onze zijde zeer -- opgegeven, om zich +zelf des te meer roem toe te kennen. + +Het is begrijpelijk, dat een moeder de deugden van haar kind vaak --. + +Sommige couranten, die belang hadden bij den val van het ministerie, +hebben de beteekenis van deze gebeurtenis zeer --. + +»Ook 't goede kan men --, zoodat het ophoudt goed te zijn." + +Om hem van de sollicitatie terug te houden, heeft men de eentonigheid +van deze standplaats zeer --. + +Dat zij van opschik houdt, is waar, maar dat zij daardoor haar man arm +zou gemaakt hebben, is --. + + +43. Reis--tocht. + +_Het trekken van de eene plaats naar de andere._ + +~Tocht~ onderstelt, dat er moeilijkheden te overwinnen zijn, terwijl +~reis~ meer op den verren afstand ziet. Zoo spreekt men bij het leger +van veld_tochten_, niet van veld_reizen_. Waarom is het beter te zeggen +een _plezierreisje_ dan een _pleiziertochtje_? + + * * * * * + +Op hun huwelijks-- naar Zwitserland hebben zij prachtig weer gehad. + +De kruis-- hadden ten doel het Heilige Land te veroveren. + +Op onze -- door Duitschland hebben wij den Harz bezocht. + +Napoleons -- naar Rusland was het begin van het einde. + +De -- van den koning naar St.-Petersburg zal een week worden +uitgesteld. + +Maurits' -- naar Duinkerken is niet geslaagd. + +»Als iemand verre -- doet, dan kan hij wat verhalen." + + +44. Stom--sprakeloos. + +_Niet in staat te spreken._ + +~Sprakeloos~ wijst op een tijdelijk onvermogen, hetzij door ziekte, +hetzij door hevige gemoedsaandoening. _Hij stond ~sprakeloos~ van +schrik._ + +~Stom~ wijst op een aangeboren gebrek: _een ~stom~ kind_; of wel op het +natuurlijk onvermogen om te spreken: _het ~stomme~ vee_. + +Soms staat ~stom~ gelijk met _zwijgend_: _een ~stomme~ rol_, of wordt +ook wel gebruikt bij de hevigste ontroering en is dan sterker dan +sprakeloos: _Hij was ~stom~ van ontzetting._ + + * * * * * + +Het geld, dat -- is, maakt recht, wat krom is. + +Door den hevigen schrik was zij langen tijd --. + +Toen hij deze verpletterende tijding hoorde, was hij -- van ontzetting. + +Het front van dit orgel bevat verscheidene -- pijpen. + +Die man is wel ongelukkig: hij is -- en blind. + +Door een verlamming van de tong is zij -- geworden (was zij eenige dagen +--). + + +45. Vatbaar--geschikt. + +_De noodige eigenschappen voor iets bezittende._ + +~Vatbaar~ zegt, dat iemand in staat is tot het vatten of ontvangen van +invloeden buiten hem. _Hij is erg ~vatbaar~ voor allerlei ziekten._ + +~Geschikt~ duidt aan, dat iemand door zijn bekwaamheid of aanleg in +staat is, om iets te doen. _Hij is om zijn welsprekendheid zeer +~geschikt~ voor president dezer vereeniging._ + + * * * * * + +Die jongen is niet -- voor goede indrukken. + +Zulk een bedaard mensch is niet -- om als matroos te varen. + +Deze tuinman is ook -- voor koetsier. + +Ik geloof niet, dat deze booswicht voor verbetering -- is. + +Van Wassenaar-Obdam was niet -- voor vlootvoogd. + +Michiel de Ruyter was volstrekt niet -- voor vleierij. + +De commissaris van politie is zeer -- om het onderzoek te leiden. + + +46. Wijzigen--veranderen. + +_Iets anders maken._ + +~Wijzigen~ heeft betrekking op kleine veranderingen, die aan de +hoofdzaak weinig afdoen; ~veranderen~ onderstelt, dat iets, wat vorm +of strekking betreft, geheel anders wordt, en is dus veel sterker dan +~wijzigen~. _Ik zal den titel van dit boek: »Verhalen voor Jong-Holland" +~wijzigen~ in: »Verhalen voor de Jeugd".--Ik zal den titel van dit boek: +»Verhalen voor Jong-Holland" ~veranderen~ in: »Vertelselboek voor +'t Jonge Volkje"._ Evenzoo beteekent: _de wet ~wijzigen~_, daarin +slechts kleine veranderingen aanbrengen, terwijl _de wet ~veranderen~_ +beteekent: er een geheel andere strekking aan geven, 't zij door nieuwe +toevoegsels, 't zij de bestaande artikels door geheel andere te +vervangen. + + * * * * * + +Gij moet dezen zin in uw brief eenigszins --, want zoo is hij niet al te +duidelijk. + +Deze zin in uw brief bevat eigenlijk een beleediging; gij moet hem dus +noodzakelijk --. + +Hij -- zijn kleeding om zich onkenbaar te maken. + +De Minister heeft met de wenschen der Kamer rekening gehouden en een -- +wetsontwerp ingediend. + +Deze bewering in uw opstel is geheel onjuist; gij moet dus dit gedeelte +--. + +De keizer heeft het doodvonnis van den moordenaar -- in levenslange +opsluiting. + +De richting van de spoorlijn is met een kleine -- door de Kamer +goedgekeurd. + + +47. Verwelken--verdorren. + +_Zijn frischheid verliezen._ + +~Verdorren~ wil zeggen: alle levenssappen verliezen, zoodat het sterven +noodzakelijk moet volgen. _Deze boom is bijna ~verdord~._ + +~Verwelken~ ziet meer op het verliezen van frischheid, kleur of geur. +_Een ~verwelkte~ bloem. De bladen ~verwelken~ bij droog weder, en, als +zij niet begoten worden, ~verdorren~ zij ten laatste._ + + * * * * * + +Deze plant staat te --; zij moet noodzakelijk water hebben. + +Door den invloed van de nabijgelegen gasleiding schijnt deze beuk te --. + +De koolplanten staan reeds te --; als het niet spoedig regent, zullen +zij moeten --. + +Deze zangeres is een -- schoonheid. + + +48. Verzamelen--vergaderen (of vergaren). + +_Bijeenbrengen._ + +~Vergaderen~ duidt op het bijeenbrengen of bijeenkomen van +gelijksoortige zaken of personen, die bij elkander behooren, terwijl +~verzamelen~ gezegd wordt van ongelijksoortige dingen, die men +bijeenbrengt. _De gemeenteraad zal morgen ~vergaderen~_ (de leden +behooren bij elkander, om een eenheid te vormen).--_Op de markt hadden +zich vele menschen ~verzameld~, om Uilenspiegel te zien vliegen._ (Deze +menschen behoorden niet bij elkander: er was oud en jong, rijk en arm, +aanzienlijk en gering bijeen.)--Eindelijk ziet ~verzamelen~ soms vooral +op hetgeen verstrooid was en weer bijeengebracht wordt: _De veldheer +wist zijn gevluchte manschappen weer tot een nieuwen aanval te +~verzamelen~._ Vergelijk nu: _verzameling_ en _vergadering_. + + * * * * * + +Dit museum bevat een -- van incunabelen of wiegedrukken (boeken, vóór +1500 in ons land gedrukt). + +De bijen -- ijverig honig en was. (De honing is her en der verspreid.) + +In de zaal werd een -- van schilders gehouden. + +Wie den armen geeft, -- zich een schat in den hemel. + +Hij -- zijn krachten tot een laatst verweer. + +Mijn vriend doet veel aan het -- van prentbriefkaarten. + +Deze vereeniging -- elken laatsten Vrijdagavond der maand. + +Hij -- al zijn moed om tot dien stap over te gaan. + + +49. Week--zacht. + +_Niet hard._ + +~Week~ duidt aan, dat iets gevoelig is voor indrukken: de _weeke_ klei; +een _week_ gemoed. + +~Zacht~ stelt meer het aangename gevoel, dat de aanraking geeft, op den +voorgrond: het _zachte_ fluweel, een _zacht_ gemoed (d.i. aangenaam in +den omgang). + + * * * * * + +Een -- windje lispelde door de bladeren. + +Ik wist niet, dat hij zoo -- van hart was, zoodat hij geen lijden kan +zien. + +»En Neerlands -- grond hijgde onder 't wicht van wee." + +Wij hebben dit jaar een -- winter gehad. + +De boter is door de warmte erg -- geworden. + +Een dokter moet niet --, wel -- van gemoed zijn. + + +50. Breed--ruim--wijd. + +_Het tegengestelde van bekrompen._ + +~Ruim~ wil zeggen, dat men zich naar _alle_ zijden gemakkelijk kan +bewegen, terwijl ~breed~ dit alleen van één afmeting zegt. Een _breede_ +gang, een _ruime_ kamer. + +~Wijd~ geeft hetzelfde als breed aan, maar heeft de bijbeteekenis, dat +er veel of zelfs te veel plaats is voor een of ander voorwerp: een +_wijde_ mouw, den havenmond _verwijden_. + + * * * * * + +Men heeft op dezen berg een -- vergezicht. + +Hij vat zijn taak -- op. + +Die jas is u wel wat --. + +Hij heeft een -- inzicht in die zaak. + +Iets in den -- uitmeten. + +Een oneerlijk mensch heeft een -- geweten: »men kan er met paard en +wagen in omdraaien." + +Vele bewandelen den -- weg der zonde. + +»Het -- hemelrond Vertelt met blijden mond Gods eer en heerlijkheid." + +Van zulk een inkomen kan men -- leven. + +Hij verliet met zijn vaderlijk erfdeel het ouderlijk huis en trok de -- +wereld in. + + +51. Zeggen--spreken. + +_Zich in woorden uiten._ + +~Spreken~ duidt in het algemeen het vermogen daartoe aan, zonder op de +beteekenis of den inhoud der woorden te letten. _De mensch kan +~spreken~._ + +~Zeggen~ heeft de bijgedachte, dat men iets wenscht mede te deelen door +middel van de spraak; het let dus vooral op den inhoud. _Hij ~zeide~, +dat hij spoedig terug kwam._ Vandaar komt ~zeggen~ altijd overgankelijk +voor, terwijl ~spreken~ ook onovergankelijk gebruikt wordt, bijv.: _Hij +~sprak~ zeer lang in die vergadering_ (d.w.z. hij voerde lang het +woord). _Men kan veel ~spreken~ en toch weinig ~zeggen~._ + + * * * * * + +Ik zal je later wel eens --, waarom ik niet meega. + +De redenaar -- zeer mooi. + +Ik heb hem over die zaak --. + +Ik heb hem het mijne van de zaak --. + +Bij het -- moet gij niet te veel uw keel gebruiken. + +Dat is een -- voorbeeld (d.w.z. het zwijgt niet, maar het spreekt). + +Hij -- met luider stemme: »Blijf, waar gij zijt!" + +Toen ik hem naar de reden vroeg, -- hij geen woord. + +Toen ik met hem in den trein zat, -- hij geen woord. + +(Welk verschil is er tusschen: _Hij ~sprak~ geen woord_, en _Hij ~zeide~ +geen woord_?) + + +52. Schrik--ontzetting. + +_Hevige ontroering bij het aanschouwen van iets beangstigends._ + +~Schrik~ geeft meer de werking zelf aan, waarbij men bij 't zien +of hooren als 't ware opspringt (_schrikken_ = springen; vgl. +_schrikkel_jaar, 't jaar waarin de datums één dag meer verspringen). +Men kan zich spoedig herstellen en zijn kalmte terugkrijgen. + +Is de ontroering heviger, zoodat zij ons gemoed geheel vervult, dan +spreekt men van ~ontzetting~. (Zie No. 44.) + +(Verandert door schrik of ontzetting ons gelaat, dan spreekt men van +~ontstellen~.) + + * * * * * + +Van -- stond hij aan den grond vastgenageld. + +Van -- rezen hem de haren te berge. + +Met -- bemerkte hij, dat hij zijn geld verloren had. + +Met -- bemerkte de kapitein, dat het schip verloren was. + +Met -- zag de moeder het aan, hoe de vijand haar kinderen vermoordde. + +Toen de patroon den bediende op de vervalsching wees, -- deze. + +Van -- kon hij geen woord uitbrengen. + +Ieder vernam met --, welke gruwelen door de Turken gepleegd werden. + + +53. Beloonen--vergelden. + +_Iemand iets geven voor hetgeen hij gedaan heeft._ + +~Beloonen~ (soms _loonen_) geschiedt als een bewijs van goedkeuring +(door een meerdere) of om voor een bewezen dienst iets stoffelijks +(meest geld) te geven. _De vader ~beloont~ zijn kind. De eerlijke vinder +zal goed ~beloond~ worden._ + +~Vergelden~ onderstelt meer het geven van iets onstoffelijks voor +bewezen diensten en kan ook van een mindere jegens zijn meerdere gezegd +worden. _Het kind ~vergold~ door een voorbeeldig gedrag de zorgen zijner +ouders._ + +Bovendien ziet ~beloonen~ op den persoon (het _kind_ werd beloond), en +~vergelden~ op de zaak (de _zorgen_, niet de _ouders_ werden vergolden). +Men houde in het oog, dat beide woorden in figuurlijken zin soms in +ongunstige beteekenis voorkomen: _Het kwaad ~loont~ zijn meester._ +(Waarom niet _vergeldt_?)--_Kwaad met kwaad ~vergelden~._ (Waarom niet +_beloonen_?) + + * * * * * + +Moge God u voor al uw zorgen --. Moge God u al uw zorgen --. + +De onderwijzer -- den leerling voor zijn goed gedrag. + +De tijd, dien ik aan deze studie wijdde, is ruim -- geworden. + +Het kwaad -- steeds zich zelf. + +Jammer, dat hem die weldaad met zulk een ondank werd --. + +Jammer, dat hij voor die weldaad zoo met ondank werd --. + + +54. Slot--einde. + +_Het laatste gedeelte van een zaak of handeling._ + +~Einde~ zegt dit in het algemeen, ~slot~ onderstelt het einde van een +geordend en afgewerkt geheel. Een laan heeft wel een ~einde~, maar geen +~slot~; daarentegen heeft een brief wel een ~slot~, doordat de brief +een geordend en afgewerkt geheel is. Zoo zegt men: het ~einde~ van de +bladzijde, niet het ~slot~. Van een boek kunnen beide woorden gebruikt +worden; het ~einde~ vindt men na den laatsten regel, het ~slot~ ziet op +de laatste zinnen: _Dat boek bevat een pakkend ~slot~. Ik las dit boek +van het begin tot het ~einde~, maar vond niet het bewuste woord._ + +(Waarom zegt men wel _slot-zin_ en niet _einde-zin_?) + + * * * * * + +Aan het -- van dezen zandweg woont een jager. + +Het -- van dit gedicht munt uit door groote zeggingskracht. + +Aan het -- der volgende week hoop ik u te bezoeken. + +Tot -- gaf de spreker nog een gedichtje ten beste. + +De vergadering werd aan het -- rumoerig. + +Het -- zijner redevoering heb ik niet duidelijk verstaan. + +Aan het -- zijner redevoering verhief zich een daverend applaus. + +Vergeet niet het -- van uw brief in den behoorlijken vorm te schrijven. + +De brief was zoo lang, dat er geen -- aan scheen te komen. + + +55. Hooren--luisteren. + +_Door het gehoor iets waarnemen._ + +~Hooren~ drukt uit, dat dit onwillekeurig, soms zelfs tegen onzen zin +kan geschieden: _Wij ~hooren~ altijd het geloop op de verdieping boven +ons._ + +~Luisteren~ drukt uit, dat men scherp en met aandacht naar iets of +iemand hoort en is dus veel sterker. _De keukenmeid ~luisterde~ aan de +deur, wat er binnen gesproken werd._ + + * * * * * + +Wat -- ik, ga je vertrekken? + +-- eens, wat die man te vertellen heeft. + +De reiziger -- een vreemd geluid in het bosch; hij stond daarom stil en +--, wat het zijn mocht. + +De wind is zeker zuid, daar men den trein zoo goed kan --. + +In die vergadering -- men soms rare dingen. + +De geheele vergadering -- met gespannen aandacht naar den spreker. + +Ik heb wel --, dat hij iets zeide; maar ik heb er niet voldoende naar -- +om het u over te vertellen. + + +56. Frisch--versch. + +_Nog onbedorven, niet oud._ + +~Versch~ duidt aan, dat iets nog alle eigenschappen bezit, die het +gevolg zijn van zijn nog kort bestaan. _Dit vleesch is nog ~versch~_ +(het is nog niet bedorven of oud; het bestaat n.l. nog pas, d.w.z. de +koe is pas geslacht); _een ~versch~ ei_. + +~Frisch~ duidt aan, dat iets er jong of jeugdig uitziet, zonder het +daardoor nog te zijn; het nadert zoodoende de beteekenis van: sterk, +vol leven, gezond. _Na een rustigen slaap gevoelt men zich weer +~frisch~.--Een ~frissche~ kleur; ~frissche~ rozen._--Soms ook is het +synoniem met verkoelend: _een ~frissche~ wind_. + + * * * * * + +Een glas -- melk is een gezonde drank. Een glas -- water is in den zomer +aangenaam. + +De veldheer liet -- troepen aanrukken. + +Die man ziet er nog -- uit, al is hij reeds op jaren. + +Hier heb ik een bouquet -- bloemen. + +Dit vleesch schijnt mij niet -- meer. + +Al is in den winter -- lucht soms ook wat --, zij is daarom toch +onmisbaar. + +Op den wand zag men een -- gemetselde plek, waarachter de huisheer zijn +geld verstopt had. + +Er woei een -- koelte. + +Een glas citroen is 's zomers een -- drank. + + +57. Verwaarloozen--verzuimen. + +_Nalaten, wat men behoorde te doen._ + +~Verwaarloozen~ beteekent: niet meer voor iets zorgen, zoodat het +bederft of onbruikbaar wordt. _Hij heeft zijn tuin zoo laten +~verwaarloozen~, dat er haast niets meer dan onkruid in groeit._ + +~Verzuimen~ ziet op het nalaten van een of andere plicht. _Gij hebt +zeker weer ~verzuimd~ den brief te frankeeren._ + + * * * * * + +De regenten lieten de vestingen zoo --, dat de grachten dichtgroeiden en +de kanonnen op de wallen verroestten. + +Ik heb schandelijk --, u van mijn vertrek in kennis te stellen. + +Wat ziet dat kind er -- uit. + +Men beschuldigde de Gouvernante, dat zij opzettelijk de vloot liet --, +om ons land des te gemakkelijker aan Engeland te kunnen overleveren. +Deze valsche beschuldiging, dat zij haar plicht --, griefde haar diep. + +Gij hebt heel wat --, door de uitvoering niet bij te wonen. (Het was dus +uw plicht geweest te komen.) + + +58. Haast--spoed--ijl. + +_De snelheid, waarmee men een handeling volbrengt._ + +~Haast~ doet denken aan de snelle beweging, die men maakt om voort +te komen of om den arbeid af te krijgen. Als gevolg hiervan ontbreekt +meestal overleg en nadenken. _Gij behoeft met dit werk geen ~haast~ te +maken; ik heb er den tijd nog mee en zie liever, dat gij het kalm en +bedaard afmaakt.--In grooten ~haast~ heb ik dit geschreven: +verontschuldig dus mijn onduidelijk schrift._ + +~Spoed~ duidt aan, dat het werk geregeld en snel voortgaat, zonder door +tusschenpoozen van rust te worden onderbroken. _Dank zij den ~spoed~, +waarmee gewerkt kon worden, was het gebouw op den gewenschten tijd +klaar._ ~Spoed~ sluit dus evenals ~haast~ een snellen voortgang der +handeling in, maar heeft niet de bijgedachte, dat het werk met weinig +overleg tot stand komt. Wie met haast handelt, ontmoet soms een of +anderen tegenspoed en komt dus niet vooruit. _In zijn ~haast~, om nog +op tijd aan den trein te zijn, trok hij twee knoopen van zijn jas, die +eerst weer aangenaaid moesten worden. Door dit oponthoud kwam hij te +laat._ + +~IJl~ heeft veel overeenkomst met haast, maar duidt meer aan, dat men +den noodigen tijd voor 't werk mist en men zich derhalve reppen moet, om +dien tijd uit te winnen. Men spreekt dan ook van een _ijlbode_, daar er +geen tijd te verliezen is, integendeel er moet tijd uitgewonnen worden. +_Ik liet hem dit in aller~ijl~ weten._ + + * * * * * + +Hoe meerder --, hoe minder --. + +Ik hoop uw opdracht met bekwamen -- te volbrengen. + +Als gij zoo'n -- maakt, zal er van dat werk niet veel terecht komen. + +Ik zal zijn koffer als --goed laten bestellen. + +_Gebruik nu in zinnen_: haastig, spoedig, ijlings. + + +59. Verwisselen--verruilen (of ruilen). + +_Zich van iets ontdoen, om er iets anders voor in de plaats te nemen._ + +~Verruilen~ wil zeggen, dat de handeling opzettelijk en met eens anders +toestemming geschiedt, terwijl het verruilde voorwerp een anderen +eigenaar krijgt. _Ik heb mijn kleurdoos tegen zijn passerdoos +~verruild~._ + +~Verwisselen~ duidt aan, dat daarbij niet de toestemming van een ander +wordt vereischt, terwijl de handeling ook zonder opzet kan geschieden. +Bovendien kan men slechts gelijksoortige zaken verwisselen. _Bij +vergissing had ik mijn hoed tegen den zijnen ~verwisseld~._ (De +handeling is toevallig.)--_Kinderen, ~verwisselt~ de leien!_ (De +handeling is wel opzettelijk, maar elkanders toestemming is niet +vereischt; ook veranderen de leien niet van eigenaars.) Wat beteekent: +De kinderen _verruilen_ de leien? + + * * * * * + +Zij -- spoedig haar balcostuum tegen een huisjapon. + +De beide ontvangers hebben van standplaats --. + +In vroeger tijd dreef men uitsluitend --handel. + +De kinderen spelen vaak »boompje --". + +Ik zou met al zijn geld toch niet graag met hem --. + +De Zuidelijke Nederlanden zijn nog al eens vaak van naam --. + +Engeland heeft Helgoland tegen een deel van Afrika --. + +De beide vrouwen, die voor Salomo's vierschaar verschenen, hadden +elkanders kinderen --. + + +60. Nieuwsgierig--weetgierig--benieuwd. + +_Begeerig om iets te weten._ + +~Weetgierig~ is hij, die het wetenswaardige verlangt te kennen; het +heeft dus een gunstige beteekenis. _Deze knaap toont zich zeer +~weetgierig~, zoodat hij vol ijver studeert._ + +~Nieuwsgierig~ is hij, die allerlei nieuwtjes wenscht te weten, zaken, +waarmee hij soms niets te maken heeft. In den regel heeft het dan ook +een meer ongunstige beteekenis. _Deze vrouw is zeer ~nieuwsgierig~: +onophoudelijk begluurt en beluistert zij haar buren._ + +~Benieuwd~ ziet op de begeerte, om den afloop van iets, waarvan wij nog +in het onzekere zijn, te kennen: dit feit kan nog gebeuren moeten, en in +dit geval is de afloop natuurlijk nog niet bekend, of wel, het feit is +al gebeurd, maar de afloop is ons nog niet bekend. _Ik ben ~benieuwd~, +of hij zal slagen (of hij geslaagd is)._ + + * * * * * + +Toen men in 1903 den Amersfoortschen keisteen zou opgraven, was iedereen +--, of hij nog te vinden zou zijn. Zoodra hij eindelijk gevonden was, +waren velen -- genoeg, om den historisch geworden steen eens te gaan +zien. Enkelen waren zelfs -- genoeg om zijn geschiedenis uit de oude +geschriften op te diepen. + +Deze dienstbode is uiterst --, voortdurend staat zij aan de deur te +luisteren. + +Een -- jongen kan soms moeilijke vragen doen. + +Een -- jongen staat met zijn neus overal vooraan. + +Wij zijn --, of hij benoemd zal worden. + +Gij moet uw brieven beter voor de -- blikken van anderen verbergen. + + +61. Nalaten--achterlaten--overlaten. + +_Overblijven door het weggaan van anderen._ + +~Nalaten~ onderstelt altijd een overlijden en vestigt de aandacht op +de personen, die blijven leven, of op de goederen, die de overledene +bezat. _Hij ~liet~ slechts één zoon ~na~. Hij heeft een groot vermogen +~nagelaten~._ + +~Achterlaten~ onderstelt, dat iemand bij zijn vertrek de genoemde +personen of zaken niet meeneemt. _Hij ~liet~ bij zijn ontvluchting naar +Amerika zijn huisgezin ~achter~._ + +Moet bij dit woord niet aan een vertrek, maar óók aan overlijden gedacht +worden (evenals bij nalaten), dan duidt het vooral den toestand aan, +waarin de betrekkingen na den dood van hun bloedverwant verkeeren: _Hij +~liet~ een diepbedroefde weduwe onverzorgd ~achter~._ + +~Overlaten~ duidt aan, dat iemand bij zijn heengaan afstand doet van het +achtergelatene ten behoeve van een ander. _De vluchteling ontdeed zich +snel van zijn bovenkleeren, sprong te water en ~liet~ zijn kleeding aan +zijn vervolgers ~over~._ Wordt ~overlaten~ gebruikt bij een sterfgeval, +dan wijst het woord vooral aan, dat de overledene voor de nagelaten +betrekkingen niet heeft kunnen of willen zorgen. _Bij zijn dood heeft de +verkwister zijn gezin aan de grootste ellende ten prooi ~overgelaten~._ + + * * * * * + +De overleden schrijver heeft nog een bijna voltooiden roman --. + +Door zijn overhaaste vlucht moest hij een deel van zijn papieren --. + +Bij zijn vlucht moest hij het grootste deel zijner papieren aan zijn +vervolgers --. + +De gierigaard heeft een groot kapitaal --. + +Bij zijn dood liet hij zijn beide kinderen onverzorgd --. + +Zijn daden zullen hier een aangename herinnering --. + +Door zijn wanbeheer liet hij bij zijn dood zijn gezin aan de grootste +ellende --. + +Bij zijn vertrek liet hij groote schulden --. + +Bij zijn dood heeft hij groote schulden --. + +Hij liet mij aan mijn eigen lot --. + +Bij vergissing heb ik bij mijn vertrek uit de stad in mijn hotel een +handkoffertje --. + +De Kelten hebben hier vele sporen van hun verblijf --. + + +62. Overtuigen--overreden--overhalen. + +_Iemand tot andere gedachten brengen._ + +~Overreden~ wil zeggen: iemand door redeneering zoover brengen, dat +hij het een of ander doet of toestaat, waarvan hij te voren niet wilde +weten. _Het kostte ons veel moeite hem te ~overreden~, de benoeming van +voorzitter aan te nemen._ + +~Overhalen~ is niet zoo sterk als overreden; het onderstelt minder +klemmende redeneering en duidt meer op goed gekozen woorden of +verleidelijke voorstellen. Het wordt dus meer van alledaagsche zaken +gebezigd en kan ook een ongunstige beteekenis hebben. _Ik heb hem +~overgehaald~ nog een week zijn reis uit te stellen. Hij liet zich door +de dieven spoedig ~overhalen~ het gestolene in zijn woning te +verbergen._ + +~Overtuigen~ ziet niet zoozeer op de daden van iemand, als wel op zijn +meening, zijn inzicht. Het wil zeggen: iemand door grondige bewijzen +brengen tot de erkenning, dat hetgeen wij zeggen, volkomen waar is. Het +onderstelt meestal, dat wij zijn bedenkingen eerst moeten weerleggen, +alvorens hij de waarheid onzer woorden wil aannemen. _Ik heb hem +eindelijk ~overtuigd~, dat zijn levenswijze zijn gezondheid moet +ondermijnen in plaats van die te bevorderen._ + + * * * * * + +De verleider wist hem spoedig --, mee te doen. + +Men heeft hem reeds lang te vergeefs willen -- geheelonthouder te +worden; eerst toen men hem eindelijk -- had, dat de alcohol vooral voor +zijn gestel zeer schadelijk is, heeft hij zich als lid laten +inschrijven. + +Hoewel hij geheelonthouder is, heeft hij zich in een zwak oogenblik +laten --, een glas wijn te drinken. + +Men kon hem niet --, de candidatuur voor den gemeenteraad te aanvaarden. +Wij trachtten hem wel te --, dat een man van zijn kennis en ervaring in +den Raad onmisbaar was, maar hij bleef bij zijn voornemen. + +De gevangene wist den cipier --, hem bij de ontvluchting behulpzaam te +zijn. + + +63. Achting--eerbied--ontzag. + +_'t Gevoel, dat iemands voortreffelijkheid of meerderheid ons +inboezemt._ + +~Achting~ draagt men iemand toe, als men zijn voortreffelijke +hoedanigheden erkent en hem daarom eert. _Door deze edelmoedige +zelfopoffering verwierf de held zich de ~achting~ van alle medeburgers, +ja zelfs van zijn vijanden._ + +~Eerbied~ onderstelt, dat men iemands meerderheid levendig gevoelt en +hem dit door betooning van hulde en eer op eenigszins onderdanige wijze +duidelijk bewijst. Een request aan regeeringspersonen begint meestal: +_Geeft met verschuldigden ~eerbied~ te kennen_, enz. + +~Ontzag~ is de eerbied, dien men voor zijn meerderen gevoelt; het gaat +min of meer gepaard met een gevoel van vrees, daar zij ons voor onze +tekortkomingen en overtredingen kunnen straffen. _Geloofd zij God met +diepst ~ontzag~!_ (Waarom _diepst_, en niet _hoogst_?) + + * * * * * + +Gij moet den ouderdom met -- bejegenen. + +Door zijn strenge straffen wilde Alva -- inboezemen. + +De burgemeester verwierf zich door zijn uitstekend bestuur spoedig de -- +aller ingezetenen. + +Met diepen -- naderde de afgezant den koning. + +Onder de zwakke opvolgers van Karel den Grooten ging spoedig het -- voor +den vorst verloren. + +Toen het bekend werd, dat Leicester met den vijand in het geheim +onderhandelde, verloor hij weldra ieders --. + +Zoodra de koning de vergaderzaal binnentrad, verhieven zich alle leden +ten teeken van -- van hun zetel. + +Deze leerlingen schijnen weinig -- voor hun onderwijzer te hebben; zij +zouden anders ten minste met meer -- over hem spreken. + + +64. Betuigen--betoonen--bewijzen. + +_Zijn gevoelen doen blijken._ + +~Betuigen~ geschiedt door verzekeringen, door verklaringen, dus door +woorden. _Hij ~betuigde~ mij in hartelijke bewoordingen zijn +vriendschap._ + +~Betoonen~ is sterker: het onderstelt, dat men door zichtbare teekenen, +bijv. door daden, van zijn gevoelen blijk geeft. _Hij ~betoonde~ mij +zijn vriendschap, door mij in mijn ziekte vaak te bezoeken._ + +~Bewijzen~ komt vrijwel met betoonen overeen; alleen is het iets +sterker, doordat het doet denken aan overtuigende bewijzen. _Hij +~bewees~ mij zijn vriendschap, door mij in den nood getrouw bij te +staan._ + + * * * * * + +Hij -- wel zijn onschuld, maar hij kon ze niet --. + +De misdadiger was zeer bedroefd en -- daardoor berouw te hebben over het +gebeurde. + +Hij -- mij in een langen brief zijn leedwezen over de beleediging, die +hij mij aangedaan had. + +Jan van Schaffelaar -- zijn waren heldenmoed, door zich onverschrokken +van den toren te werpen. + +De Tweede Kamer -- haar deelneming in het overlijden van haar medelid in +een brief van rouwbeklag aan de weduwe. Zij -- haar deelneming, door de +zitting als teeken van rouw op te heffen. + +De regeering --, dat zij de verdiensten van den gesneuvelden held hoog +waardeerde, door op zijn graf een prachtig gedenkteeken op te richten. + + +65. Noodzaken--dwingen--dringen. + +_Iemand met kracht tot een handeling bewegen._ + +~Dwingen~ zegt, dat zulks door dwang, door geweld van anderen geschiedt; +de gedwongene moet tegen zijn zin doen, wat van hem geëischt wordt. _De +vijand wilde den schildwacht ~dwingen~ de wapens af te geven, maar de +brave soldaat liet zich liever doodschieten dan zijn post ontrouw te +worden._ + +~Noodzaken~ onderstelt, dat iemand niet door geweld, maar door den nood +der omstandigheden tot het uitvoeren der daad gebracht wordt; hem blijft +dus niets anders over dan zich te onderwerpen. ~Dwingen~ geschiedt +door machthebbende personen, terwijl ~noodzaken~ meer op de macht der +omstandigheden ziet. _Doordat de proviand begon op te raken, waren de +schipbreukelingen ~genoodzaakt~, zich op rantsoen te stellen._ + +~Dringen~ komt veel met dwingen overeen, maar is niet zoo sterk. Het +onderstelt, dat de betrokken persoon nog altijd eenige vrijheid van +beweging houdt (denk aan het opdringen te midden van een dichte +menigte); bij ~dwingen~ daarentegen heeft de bedoelde persoon niet de +minste vrijheid meer. _De uitvoerigheid der stof ~drong~ mij mijn +onderwerp slechts in hoofdzaken te behandelen._ + + * * * * * + +De Spanjaarden wilden Leiden door hongersnood -- zich over te geven. + +Doordat de weg zoo modderig was, waren wij -- van de fiets te stappen. + +Ik gevoel mij --, U mijn hartelijken dank te brengen voor Uw +medewerking. + +Eerst toen de Mogendheden Lodewijk XIV wilden -- zijn eigen kleinzoon te +bevechten, greep hij weer vol moed naar de wapenen. + +Heemskerck en Barents waren -- den kouden winter op Nova-Zembla door te +brengen. + +Door ware vriendschap jegens u --, moet ik u ernstig tegen dezen man +waarschuwen. + +Door het ongunstige weer waren wij --, van de reis af te zien. + + +66. Tevreden--vergenoegd. + +_Niet hakend naar meer._ + +~Tevreden~ is hij, die geen onbevredigde verlangens koestert en dus +voldaan is, met hetgeen hij heeft. + +~Vergenoegd~ zegt eveneens, dat men genoeg heeft, dus alles wat men +verlangt, maar drukt tevens uit, dat die tevredenheid met zichtbare +vreugde of blijdschap gepaard gaat. + + * * * * * + +Hij is -- met zijn lot en heeft daarom een gelukkig leven. + +Hij ziet er vandaag -- uit. + +Ik ben zeer -- over uw examen. + +Deze eenvoudige en -- menschen leven -- en blij. + + +67. Misgunnen--benijden. + +_Een ander niet in 't genot of het bezit van iets kunnen zien._ + +~Misgunnen~ duidt aan, dat men over dat bezit van een ander ontevreden +is. Men kan zelf wel iets dergelijks bezitten, maar toch kan men uit +vijandschap niet zien, dat een ander het ook heeft. Misgunnen stelt +dus vooral den persoon, niet zoozeer het voorwerp (of genot) op den +voorgrond. _Hij ~misgunt~ mij dit genoegen_, wil dus zeggen: hij draagt +mij een kwaad hart toe en daarom kan hij niet zien, dat ik een genoegen +smaak. + +~Benijden~ onderstelt, dat men het bezit (of genot) voor zichzelf +verlangt, doordat men het zelf niet heeft. Men kan dus een ons geheel +onbekend persoon benijden om zijn fiets; men behoeft hem dat rijwiel +volstrekt nog niet te misgunnen.--Soms heeft benijden de ongunstige +beteekenis verloren, bijv. _ik ~benijd~ u waarlijk uw mooien tuin_; men +wil door deze uitdrukking den tuin des te sterker prijzen, zoodat deze +zegswijze meer als vleierij moet opgevat worden. + + * * * * * + +De arme man stond getroffen door den rijkdom van zijn buurman; duidelijk +was het te zien, dat hij hem dien overvloed --. + +Ik -- je, dat je geslaagd bent, maar ik -- het je niet. + +Deze man heeft een onaangenaam karakter: hij -- ieder een vroolijken +dag. + +Er waren vele vrienden, die hem zijn succes --, maar nog meer vijanden, +die het hem --. + + +68. Voorbedachtelijk--opzettelijk. + +_Deze woorden geven te kennen, dat men het bepaalde voornemen heeft iets +te doen._ + +~Voorbedachtelijk~ (of gewoonlijk: met voorbedachten rade) onderstelt +meestal een slechte daad, ~opzettelijk~ daarentegen in den regel niet. + +~Opzettelijk~ is het tegengestelde van toevallig; men wil dus laten +blijken, dat men iets niet toevallig doet. _Ik heb hem ~opzettelijk~ +opgezocht, om hem te overtuigen, dat ik niet meer boos was._ +~Voorbedachtelijk~ onderstelt, dat men vooraf middelen bedacht heeft +ter bereiking van zijn doel; dit doel is bij _voorbedachtelijk_ altijd +misdadig, hetgeen bij _opzettelijk_ niet het geval behoeft te zijn. _De +edelen wekten Floris V met ~voorbedachten rade~ reeds spoedig uit zijn +middagslaap, om hem zoodoende zonder gevolg naar de valkenjacht te laten +trekken._ + + * * * * * + +Ik heb hem -- voor dien jongen gewaarschuwd. + +De dief heeft blijkbaar bij zijn inbraak -- eerst de weduwe vermoord. + +In dit park heeft men -- nestkastjes geplaatst, om meer zangvogels te +krijgen. + +Men heeft den reiziger -- van den weg gelokt, om hem des te +gemakkelijker te kunnen berooven. + +Daar de rijkskanselier Bismarck gaarne den oorlog met Frankrijk wilde, +beschuldigt men hem, dat hij -- het telegram van Ems zou hebben +verminkt. + +Ik heb u -- laten roepen, om u dit zelf te zeggen. + + +69. Aangezicht--gezicht--gelaat. + +_Het voorste deel van het hoofd._ + +~Aangezicht~ is de algemeene en gewone benaming, terwijl ~gelaat~ edeler +is als uitdrukking van het karakter. _Men heeft bijv. pijn in het +~aangezicht~_ en niet in het _~gelaat~. Men leest ontroering zoowel +op iemands ~aangezicht~, als op zijn ~gelaat~_, hoewel dit laatste +eigenaardiger en gepaster is, als uitdrukking der gemoedsbeweging. + +~Gezicht~ is hetzelfde als ~aangezicht~, maar behoort meer tot de +alledaagsche taal: _Ik zag hem vlak in het ~gezicht~._ Het kan ook van +dieren gebruikt worden: een _apengezicht_, en is daarom ook platter dan +~aangezicht~: _iemand een slag in het ~gezicht~ geven_. + + * * * * * + +Wie zijn neus schendt, schendt zijn --. + +Het -- is de spiegel der ziel. + +Hij viel op zijn -- en bad God om vergeving. + +Het kind viel op zijn -- en liep een schram op. + +Er lag een glans van voldoening op zijn --. + +Wacht u voor iemand met twee --. + +Ik ken hem alleen bij naam, niet van --. + +Wat heb je toch een rood -- gekregen! + +Met ontsteld -- kwam hij binnenstormen. + +Je hebt je -- niet goed gewasschen. + + +70. Bepalen--vaststellen. + +_Wat nog onzeker was, nauwkeurig aangeven._ + +~Vaststellen~ doet men letterlijk iets, dat _los_ of _wankel_ staat, +wat, bij uitbreiding van beteekenis, onzeker is of nog aanleiding geeft +tot twijfel. _De prijs werd door alle bakkers op 10 cent per K.G. +~vastgesteld~_ (de prijs was iets wankelends en daarom wilde men dien +nader en _vaster_ aangeven). + +~Bepalen~ is door palen een onbegrensde ruimte afperken, men _weet_ dan +voortaan de juiste ligging; het woord wijst er dus vooral op, dat het +_onbekende_ (niet het _twijfelachtige_) nauwkeurig wordt aangegeven. +_Het uur der vergadering werd eindelijk op 6 uur ~bepaald~._ (Het was +eerst nog _onbekend_!) + +~Vaststellen~ heeft dus ten doel den bestaanden twijfel of onzekerheid +weg te nemen, terwijl ~bepalen~ meer ziet op het nader aanduiden van het +onbekende. + + * * * * * + +Geen mensch kan den loop der sterren --, wel kunnen de astronomen dien +nauwkeurig --. + +Mijn vertrek is eindelijk op half Maart --. + +Het is eindelijk de politie gelukt de identiteit van den dief --. + +Het feest is op 31 Augustus --, maar het programma moet nog nader -- +worden. + +De erflater had --, dat een vierde van zijn nalatenschap aan het +weeshuis zou komen. + +Hebt gij de kenmerken van deze plant al --? (Zij waren onbekend!) + +De gemeenteraad heeft het percentage van de plaatselijke directe +belasting op 1.5 --. (Het was nog onzeker!) + +De Regeering heeft --, dat de aangeslibde gronden aan het Rijk behooren. + + +71. Edelmoedig--grootmoedig. + +_Beide woorden drukken een hoogen graad van zedelijke grootheid aan._ + +De ~edelmoedige~ heeft een edel gemoed, een edele ziel, en is dus +geneigd tot edele daden. Hij zal bijv. bij vijandschap de eerste zijn, +die de verzoenende hand aanbiedt en door geen wraak bezield wordt; hij +zal eigen genoegen opofferen om anderen daardoor van dienst te kunnen +zijn. + +~Grootmoedig~ drukt een nog hoogeren graad van zielegrootheid uit; +de grootmoedige is tot nog veel grooter opofferingen in staat dan de +edelmoedige: hij kan zelfs tegenover zijn vijanden edelmoedig zijn. _De +~edelmoedige~ verdient lof en toejuiching; de ~grootmoedige~ dwingt +bewondering af._ + + * * * * * + +Wie met eigen levensgevaar iemand uit een brandend huis redt, handelt +--; is de geredde zijn vijand, dan was de redder --. + +De zendeling was -- genoeg, al zijn have en goed voor de heidenen op te +offeren. Toen zij hem later vermoordden, was hij nog zoo --, dat hij +voor zijn moordenaars bad. + +De liefdezuster leidde een leven van -- zelfopoffering. + +De zelfopoffering van Jan van Schaffelaar was een -- daad. + +Welke gebreken de Boeren te veld ook hadden, men kan niets anders +zeggen, dan dat zij hun krijgsgevangenen -- behandelden. + +Ofschoon de wisselwachter jaren lang door zijn buurman op allerlei +wijzen beleedigd was, toonde hij zich zoo --, dat hij in de ure des +gevaars het eenigst kind van zijn buurman met eigen levensgevaar van een +wissen dood redde. + +Ofschoon de landheer recht had op de volle pacht, was hij na de +noodlottige overstrooming -- genoeg zijn pachters kwijtschelding van de +huur te verleenen. + + +72. Zwoegen--slooven--slaven. + +_Zwaren arbeid verrichten._ + +~Zwoegen~ ziet op een meer kortstondige, maar zeer sterke +krachtsinspanning, zoodat men er van hijgt. _Hoezeer Eliza ~zwoegde~ +onder haar dierbaren last (haar kind), toch ijlde zij voort om haar +zoontje te redden._ + +~Slaven~ doet denken aan een slaaf, die van 's morgens vroeg tot 's +avonds laat zwaar werken moet, zonder zelf de vruchten van zijn arbeid +te plukken; het woord legt vooral den nadruk op het langdurig werken, +terwijl ~sloven~ inzonderheid ziet op het vermoeiende en afmattende van +den langen en zwaren arbeid. _Menig daglooner moet heel wat ~sloven~ +voor zijn stukje brood. Tot 's avonds toe laat hij niet af van +~slaven~._ (Psalm 104.) + + * * * * * + +De man -- onder een zwaren last. + +Deze daglooner moet voor zijn dagelijksch brood hard --. + +Deze arbeider -- van vroeg tot laat en kan nog ternauwernood in zijn +onderhoud voorzien. + +Wat -- ge, o mensch naar goud of eer? (Waarom dit woord, en niet de twee +andere?) + +Moege-- en moegezongen slaap ik op den harden grond. (Waarom niet de +beide andere woorden?) + +Hij stierf nog jong, maar af-- vóór zijn jaren. + + +73. Plaats--plek--oord. + +_Een deel der ruimte._ + +~Oord~ heeft de meest algemeene beteekenis; het doet denken aan een +eenigszins uitgestrekte ruimte, waarvan men de grenzen niet nauwkeurig +opgeeft. _De trekvogels zoeken in het najaar een warmer ~oord~ op._ + +~Plaats~ ziet meer op een begrensd deel der ruimte, soms ook op een +nederzetting van menschen (dorp, stad, buurt, enz.), terwijl ~plek~ +bovendien aanduidt, dat die ruimte betrekkelijk klein is. _Ieder +lichaam neemt ~plaats~ in_ (d.w.z. een begrensd deel der ruimte; +_oord_ of _plek_ kan dus niet dienen). _In zijn ~plaats~ zou ik anders +handelen._ (Hier is _~plaats~_ figuurlijk gebruikt naar aanleiding van +de letterlijke beteekenis, dat iemand plaats inneemt.) _Op de Veluwe +vindt men niet vele groote ~plaatsen~. Dit ~plekje~ in het bosch is ons +dierbaar_ (een kleine plaats). + + * * * * * + +De --, waar het geld verborgen ligt, kan niemand terugvinden. + +In Amerika vindt men vele onherbergzame --. + +In ons land wordt nog op vele -- die gewoonte gevolgd. + +O dierbaar -- grond, waar eens mijn wieg op stond. + +Vele Boeren verlieten hun land om een rustiger -- op te zoeken. + +Hij is hier de rechte man op de rechte --. + +Op deze -- moet eens een kapel gestaan hebben. + +In zulk een afgelegen -- zou ik niet kunnen wonen. + +Op de --, waar thans de Dollart golft, vond men vroeger welvarende +dorpen. (Waarom is _plek_ hier niet juist?) + + +74. Deftig--plechtig--statig. + +_Deze woorden geven te kennen, dat het uiterlijk of de handelingen in +overeenstemming zijn met den ernst der omstandigheden._ + +~Deftig~ wijst aan, dat vooral achtbaarheid, waardigheid of +voornaamheid op den voorgrond treedt; het wordt zoowel van personen als +van zaken gezegd. _Hij kleedt zich altijd even ~deftig~. Een ~deftig~ +publiek. Een ~deftig~ huis. Een ~deftige~ begrafenis._ + +~Statig~ noemt men handelingen, die van uiterlijke praal (statie) +vergezeld gaan en vooral berekend zijn om indruk, ontzag, eerbied te +wekken: _een ~statige~ tred_. Ook gebruikt men dit woord om te kennen te +geven, dat het uiterlijk van een persoon of een ding door waardigheid of +ouderdom ontzag inboezemt: _Een ~statige~ gestalte. Een ~statige~ eik._ + +~Plechtig~ is afgeleid van plicht, dat oudtijds ambt of bediening +beteekende. Het heeft dan ook vooral betrekking op deftige ceremoniën, +die aan zeker ambt of waardigheid verbonden zijn. _Een ~plechtige~ +audiëntie._ Bij uitbreiding van beteekenis wijst het ook handelingen +aan, die aan de deftigheid tevens grooten ernst paren, of indrukwekkend +zijn; bijv. _een ~plechtige~ gelofte; hoe is Natuur zoo stil, zoo +~plechtig~_. + + * * * * * + +Toen de koning binnentrad, heerschte er een -- stilte. Met -- tred begaf +hij zich naar den troon en legde op -- toon den eed op de grondwet af. + +Wie woont er in dat -- huis? + +Jaarlijks op St.-Jan wordt in Laren (N.-H.) een -- processie gehouden. + +De -- Koningslaan tegenover Soestdijk is een der schoonste van ons land. + +Bij die gelegenheid had hij zich -- gekleed. + +Hoe -- rijst de dagvorstin omhoog in het -- morgenuur. + +De -- Dom van Keulen is een der schoonste gebouwen van Duitschland. + +Op de Keizersgracht te Amsterdam vindt men vele -- huizen. + +Ik verzeker u --, die woorden nooit gesproken te hebben. + +Gebruik nu in zinnen: deftigheid, statigheid, plechtigheid. + + +75. Gissen--veronderstellen--vermoeden. + +_Iets voor waarschijnlijk houden, hoewel men geen volkomen zekerheid +heeft._ + +Neemt men iets als zeker aan, dat nog niet bewezen is, dan spreekt men +van ~veronderstellen~, meestal om er gevolgtrekkingen uit te maken. +_Daar ik ~veronderstel~, dat hij eerlijk is, durf ik hem wel in mijn +dienst nemen. Men ~veronderstelt~, dat het licht een trilling van den +aether is._ + +Heeft men eenige zekerheid omtrent de waarheid, van wat men +veronderstelt, dan spreekt men van ~vermoeden~. _De geleerden +~vermoeden~, dat in den loop der tijden de bodem van ons land gedaald +is; men heeft ten minste in Holland op vrij groote diepte boomen +gevonden, die alleen in drogen grond konden groeien._ + +~Gissen~ drukt uit, dat men uit de vele veronderstellingen de +waarschijnlijkste kiest. _Het bevreemdt mij wel, dat hij niet gekomen +is; ik ~gis~ echter, dat hij plotseling ongesteld is geworden_ (d.i. ik +heb er wel geen enkel bewijs voor, maar daar hij anders nooit wegblijft, +zou ik die veronderstelling voor de waarschijnlijkste houden). + + * * * * * + +Ik --, dat hij wel voor zijn examen zal slagen; hij heeft althans steeds +met ijver gestudeerd. + +Ik --, dat hij voor het examen van onderwijzer wel zal slagen, en zal +daarom reeds naar een betrekking voor hem uitzien. + +Ik --, dat hij uit boosheid niet gekomen is; hij kan zich ten minste +zeer driftig maken. + +De aanwezigheid van de groote planeet Neptunus werd reeds lang vóór de +ontdekking door een paar sterrekundigen --. + +Ik -- bij mijn lezers voldoende kennis der Fransche taal om de +aanhalingen onvertaald te laten. + +Over het doel van de ontmoeting der beide keizers werden door de +dagbladen wel allerlei -- gedaan, maar geen enkele bevredigde het +publiek. + +Bij een slinger moet gij --, dat hij geen gewicht heeft. + +Kunt gij ook niet eenigszins --, waarom hij kwaad op mij is? + +»Wie ooit de toekomst -- moog', Wat wezen zal, is voor ons oog In +duistren nacht verborgen." + + +76. Aanhouden--volharden--volhouden. + +_Een werking of toestand doen voortduren._ + +~Aanhouden~ drukt alleen uit, dat de werking bestendig blijft voortgaan, +dus zonder tusschenpoozen of zonder vermindering van kracht voortduurt. +_De regen blijft maar ~aanhouden~; ik geloof niet, dat het vandaag nog +droog wordt._ + +~Volharden~ wijst er op, dat de werking niet wordt gestaakt ondanks +de groote bezwaren, die zich voordoen of de verzoekingen, die ons +aanlokken; bij volharden is dus een vaste _wil_ noodig en het kan alzoo +alleen van personen gezegd worden. _De Nederlanders zijn langzaam in het +ontwerpen, maar ~volhardend~ in de uitvoering_ (d.w.z. de Nederlanders +_willen_ een eenmaal aangevangen arbeid niet opgeven). + +~Volhouden~ duidt aan, dat men met de werking niet uitscheidt, voordat +zij is afgeloopen of het doel bereikt is. Ook dit woord kan dus alleen +van personen gezegd worden (of van dieren in fabels). _Hij ~hield~ +zoolang ~vol~ met solliciteeren, tot hij geplaatst werd._ + + * * * * * + +De -- wint. + +De ezel stookte den vos op, om met schoppen en slaan zoolang --, totdat +deze niet meer behoefde te trekken. + +Hoewel velen hem tot andere gedachten zochten te brengen, -- hij bij +zijn plan. + +Hij heeft langen tijd met verzoeken om traktementsverhooging --, maar +zijn patroon -- in het weigeren. + +De -- drop holt den hardsten steen uit. + +Niettegenstaande een ander reeds lang den moed had opgegeven, bleef mijn +broeder -- en zag ten laatste werkelijk zijn moeite beloond. + +Hoezeer men den jongen christen met den marteldood dreigde, hij -- in +zijn geloof. + +De vorst blijft maar --, zoodat de scheepvaart gestremd is. + + +77. Dankbaarheid--erkentelijkheid--verplichting. + +_De uitwerking, die ontvangen weldaden op ieder rechtschapen gemoed +maken._ + +~Erkentelijkheid~ onderstelt, dat men gaarne tot een of anderen +wederdienst bereid is. _Uit ~erkentelijkheid~ voor uw medewerking bied +ik u hierbij een present-exemplaar van mijn werk aan._ + +~Dankbaarheid~ heeft de bijgedachte, dat de weldoener voor ons te hoog +staat om hem met een wederdienst te beloonen. _Men is God voor Zijn vele +weldaden ~dankbaarheid~ verschuldigd._ + +Dankbaarheid is dus sterker dan erkentelijkheid; daarom zegt men in 't +dagelijksch leven uit beleefdheid voor een bewezen dienst: »Ik ben u +_dankbaar_"; sprak men van »erkentelijkheid", dan zou men de gedachte +opwekken, dat men de bewezen goedheid wilde beloonen en daardoor zou men +haar waarde verminderen. + +~Verplichting~ gebruikt men, als men zedelijk tot erkentelijkheid +verplicht, d.i. gedwongen is. _Daar ik aan hem zeer veel ~verplichting~ +heb, wil ik hem niet in het minst tegenwerken._ + + * * * * * + +Ik was mijn ouders zeer -- voor het fraaie geschenk. + +De -- van een kind jegens zijn ouders is zeer groot. + +Uit -- voor de vele diensten den lande bewezen liet de Regeering den +zeeheld op 's lands kosten begraven. + +-- bezielde de muis, toen de leeuw haar de vrijheid schonk; toen zij +later de mazen van het net doorknaagde, bewees zij hem haar -- voor die +daad. + +De drenkeling besefte diep de --, die hij jegens den redder zijns levens +had. + +Loof den Heer met -- voor Zijn vele gaven. + +Ik ben mijn leermeester nog altijd -- voor de nuttige lessen, die hij +mij gaf. + +Ik gevoel levendig de --, die ik tegenover mijn pleegouders heb. + +Gebruik nu in zinnen: dankbaar, erkentelijk, verplicht. + + +78. Deemoedig--nederig--ootmoedig. + +_Deze woorden duiden aan, dat iemand blijkens zijn daden geen hoogen +dunk van zich zelven heeft._ + +~Nederig~ zegt omtrent de beweegredenen niets; het drukt evenwel zeer +sterk uit, dat de bescheidenheid uit uiterlijke blijken spreekt, zoodat +alle pracht en trotschheid verre blijft. _Hij is ~nederig~ gekleed.--In +een ~nederige~ woning vindt men soms meer geluk dan in een trotsch +paleis._ + +~Deemoedig~ onderstelt schuldgevoel, terwijl ~ootmoedig~ de bijgedachte +heeft, dat men zijn eigen kleinheid of nietigheid diep gevoelt. _Hij +smeekte God ~deemoedig~ om vergeving; hij onderwierp zich ~ootmoedig~ +aan Zijn wil._ + + * * * * * + +Met een -- hart beleed de berouwhebbende zoon zijn schuld. + +Hoe hoog M. Az. de Ruyter ook klom, hij bleef altijd even --; ja van +zijn grootste overwinningen gaf hij Gode -- de eer. + +De zondaar lag -- in het stof gebogen en bad God -- om vergiffenis. + +In Hoofts tijd eindigde men de brieven vaak met: »Blijve UEd. -- +dienaar". + +Hij is te -- om zich zóó te laten huldigen. + +Met knagend zelfverwijt in het hart keerde hij eindelijk -- naar zijn +ouders terug. + + +79. Dwars--scheef--schuin. + +_Niet rechtlijnig in betrekking tot andere voorwerpen._ + +~Dwars~ duidt de richting der lijn aan, die rechthoekig op een ander +staat. _Hij zwom ~dwars~ door de gracht._ + +Is de snijding der richtingslijn niet rechthoekig, dan spreekt men +van ~scheef~ en ~schuin~. Hierbij duidt men door ~scheef~ aan, dat de +richting verkeerd is, dat zij dus anders behoorde te zijn, hetgeen +~schuin~ niet onderstelt. _Dit pad loopt ~schuin~ door het bosch.--Deze +regel staat erg ~scheef~.--Deze letters staan ~schuin~_ (d.i. cursief) +_en die staan ~scheef~_ (dus verkeerd). + + * * * * * + +De storm wierp den boom -- over den weg, zoodat het verkeer gestremd +werd. + +Pas op, de tafel staat --. + +Sommige menschen hangen een schilderij -- (met een hoek voorover) om +het beter te belichten. + +Deze schilderij hangt iets --; hang ze dus recht. + +Ik geloof, dat gij mij den voet -- wilt zetten. + +Ik woon -- over den smid (n.l. recht er over) en -- tegenover den +bakker. + +Wat loopt hij zijn hakken --. + +Hij trachtte in -- richting de kust te bereiken. + +Hij heeft den hoed -- opgezet. + +De stormen wierpen een zandbank -- voor de haven. + + +80. Overwinning--zege--zegepraal. + +_De gunstige uitslag van den strijd._ + +~Overwinning~ ziet meer op den goeden uitslag, ~zege~ meer op het +moeilijke van den strijd en den daarmee gepaard gaanden roem. Toch wordt +dit onderscheid niet altijd in acht genomen en gebruikt men ~zege~, dat +meer tot den deftigen stijl beperkt is, ook in plaats van overwinning. +_Na de ~overwinning~ keerden de onzen met grooten buit terug.--Met +groote dapperheid bevochten de onzen de ~zege~._ + +(Verklaar nu, waarom men zegt: de overwinning _behalen_, en de zege +_bevechten_. En waarom spreekt men van een _beslissende_ overwinning en +van ~zege~teekenen?) + +~Zegepraal~ (triumf) was bij de Romeinen eigenlijk de plechtige intocht, +dien een veldheer na een beslissende overwinning in Rome mocht houden; +bij dezen intocht werden de zegeteekenen meegevoerd[1]; thans duidt men +met zegepraal meer den _vreugdevollen_ optocht na de overwinning aan. +(Verklaar die beteekenis uit de oorspronkelijke!) _Het houten paard der +Grieken werd in ~zegepraal~ binnen Troje gebracht._[1] + +[1] Zie uitvoeriger mijn »Wetenswaardig Allerlei". + + * * * * * + +De onzen behaalden een beslissende -- op den vijand. + +Eindelijk werd de -- door de onzen bevochten. + +De gevangen vorst werd in -- door de stad gevoerd. + +Wie heeft in den wedstrijd de -- behaald? + +Het zegevierend leger trok in -- naar de stad terug. + +Iedere nieuwe -- vlocht weer een nieuwen lauwer om Maurits' slapen. + +Hoe harder de strijd, hoe grooter de --. (Wat merkt gij hier op?) + +Sommige hovelingen waren naijverig op de -- van 's konings veldheer en +gunsteling. + +Onze waterbouwkundigen hebben menige -- op de zee behaald. + + +81. Overrompelen--overvallen--verrassen. + +_Onverwachts aanvallen._ + +Bij ~verrassen~ komt vooral de snelheid uit, waarmee de onverwachte +aanval geschiedt. In den regel wordt een of andere krijgslist gebruikt, +waarop dus de vijand niet gerekend heeft, zoodat hij zich moet +overgeven. (_Ras_ = snel.) _Het vijandelijk convooi werd door een paar +in hinderlaag liggende Boeren ~verrast~._ + +~Overvallen~ ziet meer op de heftigheid, men zou haast zeggen de +onbesuisdheid, waarmee de onverwachte aanval geschiedt, zoodat de +aangevallene voor een goed deel weerloos is. Toch kan hij misschien nog +den aanval afslaan, wat ~verrassen~ niet onderstelt. _De vijand werd bij +nacht ~overvallen~ en verloor vele dooden._ Figuurlijk: _Wij werden door +den regen midden op de heide ~overvallen~._ + +~Overrompelen~ heeft het bijdenkbeeld, dat door den onverwachten +aanval verwarring ontstaat; de aangevallene weet dus niet, wat te doen, +en zoo maakt de aanvaller zich des te zekerder van hem meester. _De +Utrechtsche Patriotten trachten in den nacht van 29 op 30 Juli 1787 het +paleis Soestdijk te ~overrompelen~, maar de bezetting werd nog tijdig +gewaarschuwd._ + + * * * * * + +De vijand heeft de vesting --. (Verklaar nu de drie schakeeringen.) + +Nauwelijks was de boot in zee gekomen, of zij werd door een storm --. + +De politie had zich in den boom verborgen en kon zoo gemakkelijk de +dieven --. + +Prins Maurits wist door middel van een turfschip Breda te --. + +Ik was vast besloten mijn toestemming niet te geven, maar hij heeft mij +weten te --. (Figuurlijk!) + +Een zwaar gewapende bende roovers heeft de reizigers in het bosch --. + +Terwijl de onzen vreedzaam in hun kamp zaten te eten, werden zij door +een bende Atjehers --. + + +82. Overtollig--overbodig--overdadig. + +_Meer dan noodig._ + +~Overtollig~ (van tal, tellen) is meer dan het vereischte getal, zoodat +het min of meer met _nutteloos_ gelijk staat of de beteekenis van +_hinderlijk_ nadert.--_Gij kunt de ~overtollige~ exemplaren van dit +boekje wel behouden_ (dat zijn de exemplaren, die na de uitdeeling nog +overblijven en dus voor het doel, de uitdeeling, nutteloos zijn). _Zet +deze drie ~overtollige~ stoelen even de kamer uit; zij staan ons alleen +maar in den weg._ + +~Overbodig~ noemt men alles, wat meer is dan geboden (d.i. verplicht, +noodig) wordt geacht; het onderstelt dus niet, dat iets nutteloos is, +maar komt vrijwel met _onnoodig_ overeen. _Ik bezit reeds een uitvoerig +werk over onze geschiedenis; dit beknopt boek zou dus maar ~overbodig~ +zijn._ + +~Overdadig~ (van overdaad) heeft een ongunstige beteekenis: het +nadert den zin van _onmatig_ of _verkwistend_. _Het ~overdadig~ rooken +benadeelt de gezondheid.--Zijn ~overdadige~ uitgaven zullen hem spoedig +arm maken._ + + * * * * * + +De stoommachines voeren het -- polderwater in den boezem. + +Zulke plichtplegingen zijn hier geheel --. + +Gij moet de -- gelden maar voor wat anders besteden. + +Zijn woning is vol van -- pracht. + +De meeste ophelderingen in dit boek zijn -- en hadden dus wel weggelaten +kunnen worden. + +Een -- gebruik van verkoelende vruchten is schadelijk voor de +gezondheid. + + +83. Mogelijk--misschien--wellicht. + +_Deze woorden geven te kennen, dat iets nog onzeker is._ + +~Misschien~ drukt uit, dat er nog groote onzekerheid bestaat. +_~Misschien~ zal hij komen, ~misschien~ ook niet._ + +~Wellicht~ (of: ~licht~) nadert meer de zekerheid. _Hij zal ~wellicht~ +nog komen, al is het ook regenachtig._ + +~Mogelijk~ onderstelt, dat de kans zeer groot is. _~Mogelijk~ zijn ze nu +al in Amsterdam._ + + * * * * * + +Zeg mij, wat u scheelt, dan kan ik u -- helpen (Troost: veel zekerheid +geven!) + +Ik zal eens even kijken; -- kan ik u helpen. (De waarschijnlijkheid is +zeer gering!) + +Ik heb zoo iets wel eens meer gedaan; -- kan ik ook u helpen. (De +zekerheid is groot!) + + +84. Nauw--eng--bekrompen. + +_Niet wijd of ruim._ + +~Nauw~ drukt zonder meer het tegengestelde van wijd uit: een _nauwe_ +straat. Zie No. 50. + +~Eng~ voegt er het begrip bij, dat iets door die nauwte bekneld wordt. +_De jas is mij te ~eng~. Een land~engte~_ en in figuurlijken zin: _Een +~eng~ gevoel._ + +~Bekrompen~ duidt aan, dat er minder ruimte is, dan vereischt wordt: +_Hij woont daar zeer ~bekrompen~_, en figuurlijk: _Een ~bekrompen~ +verstand._ + +Wat is sterker: Iemand in de ~engte~, of iemand in het ~nauw~ drijven? + + * * * * * + +Deze gang is wel wat --. + +Onze weg voerde door een -- pas. + +Een -- corset is schadelijk voor de gezondheid. + +Hij leeft in -- omstandigheden. + +In zoo'n -- steeg komt nooit een zonnestraaltje. + +Het werd hem -- om het hart. + +Deze kamer is voor al dat huisraad veel te --. + + +85. Lichtvaardig--lichtzinnig--luchthartig. + +_Niet geneigd tot ernstig nadenken._ + +~Luchthartig~ is hij, die vroolijk en onbezorgd van aard is en niet tot +ernstig nadenken over zijn handelingen komt. _Hij liep ~luchthartig~ +over het voorstel heen en nam het aan, zonder dat hij eigenlijk +vermoedde, waartoe hij zich verbond._ + +~Lichtzinnig~ heeft een ongunstige beteekenis; het ziet op een +karaktertrek van hem, die gebrek heeft aan den noodigen ernst en +die nooit vooraf de gevolgen zijner handelingen overweegt. _Hij is +~lichtzinnig~ genoeg, om al zijn geld aan die liefhebberij uit te +geven._ + +~Lichtvaardig~ is hij, die zich gemakkelijk door anderen laat meesleepen +of verleiden, doordat hij niet zelfstandig nadenkt en overlegt. _Hij was +~lichtvaardig~ genoeg om zijn geld in die onderneming te steken._ (Hij +liet zich daartoe gemakkelijk overhalen, doordat hij niet bedacht, wat +de gevolgen konden zijn. _Vaardig_ komt van _varen_ = _gaan_.) + + * * * * * + +Het -- gedrag zal dat jongmensch eenmaal duur komen te staan. + +Hij is veel te -- om zich daardoor lang uit zijn humeur te laten +brengen. + +Hij heeft zich al te -- laten verleiden om zijn meerdere aan te klagen. + +Het leven is veel te ernstig om het -- op te vatten. + +Gij moet nooit -- oordeelen over het gedrag van uw naasten (d.w.z. laat +u niet verleiden door den uiterlijken schijn, maar onderzoek zelf). + +Door den invloed van dat losbandig en -- gezelschap had de jonge student +spoedig zijn gezondheid geknakt. + + +86. Duister--donker--somber. + +_Gebrek aan licht hebbende._ + +~Somber~ geeft meer den onaangenamen indruk te kennen, dien een +belemmerde toegang van het licht teweeg brengt; ~donker~ ziet meer op +de onvoldoende belichting zelf. Een _somber_ vertrek heeft door zijn +bouworde (bijv. door weinig of kleine ramen, door boomen enz.) iets +onaangenaams en beklemmends. Daarentegen kan het vertrek door toevallige +omstandigheden _donker_ zijn. _Bij regenachtig weer is het in de kamer +vroeg ~donker~._ + +~Duister~ duidt een algeheele afwezigheid van licht aan, en is dus +sterker dan donker. Men spreekt daarom niet van maans_verdonkering_, +maar van maans_verduistering_. + +Figuurlijk gebruikt wil ~somber~ zeggen: triestig, bijv. een _sombere_ +stemming; ~donker~ staat dan gelijk met zorgwekkend: een _donkere_ +toekomst, terwijl ~duister~ dan beteekent: verward, onduidelijk, bijv. +een _duistere_ redeneering. (Verklaar de fig. uit de letterlijke +beteekenis der 3 woorden.) + + * * * * * + +Het was zoo -- in de kamer, dat ik niet meer lezen kon. + +Dit museum geeft van buiten den indruk een -- gebouw te zijn. + +Geen enkele ster verlichtte het nachtelijk --. + +Ik merkte terstond, dat hij -- gestemd was en zocht hem wat op te +vroolijken. + +Het volk, dat in de -- zit, zal een groot Licht zien. + +In de -- dagen der Fransche overheersching begon het volk zijn +partijschappen te vergeten. + +Gods wegen zijn dikwijls voor ons kortzichtig oog --. + +Op een regenachtigen, -- herfstdag werd de geliefde dichter ter aarde +besteld. + +Met een -- gemoed ging hij de -- toekomst tegen. + +»Uit het -- van den nacht Moet de dag eens rijzen." + + +87. Verlies--schade--afbreuk--nadeel. + +_Alles wat niet voordeelig voor ons is._ + +~Verlies~ duidt een vermindering van bezit aan. _Het ~verlies~ aan +dooden bedroeg aan onze zijde 500 man._ + +~Schade~ let meer op de vermindering der waarde of van den welstand. _De +~schade~ bij dezen brand wordt door verzekering gedekt. De storm deed +groote ~schade~ aan de dijken._ (Hun waarde als zeewering verminderde.) + +~Nadeel~ is het kwaad, dat met de belangen van iemand of iets in strijd +is. Uit dit nadeel (kwaad) kan o.a. schade of verlies voortvloeien. +_Door de strenge vorst hebben de schippers het grootste ~nadeel~ gehad_ +(de vorst was in strijd met hun belangen; er zullen hierdoor bijv. +minder verdiensten zijn geweest; of wel, er is een lading aardappelen +bevroren, zoodat er schade werd geleden, d.w.z. vermindering van +welstand). _Misbruik van sterken drank doet ~nadeel~ aan onze +gezondheid_ (of: _~benadeelt~ onze gezondheid_). Men zegt: _Door +~schade~ wordt men wijs_, en niet: _door ~nadeel~ wordt men wijs_, +immers wiens bezitting in waarde vermindert, wordt er niet altijd +ongelukkiger door, hij kan er soms zelfs een beter mensch door worden; +in dit geval is schade geen kwaad, dat strijdig is met onze belangen, +dus geen nadeel; men zegt dan ook in zulke gevallen: _~schade~ is altijd +geen ~nadeel~_. + +~Afbreuk~ is de schade, die men door anderen lijdt met krenking van ons +recht. _De laster, waaraan hij blootstond, heeft hem in zijn positie +~afbreuk~ gedaan._ Soms wijst het eenvoudig de verliezen aan, die +oorlogvoerende partijen elkander toebrengen: _De Watergeuzen deden den +Spanjaarden veel ~afbreuk~._ + +De overstrooming richt groote ~schade~ aan; menigeen lijdt er zware +~verliezen~ door; ook kan zij ~nadeel~ doen aan de vruchtbaarheid van +den bodem, als n.l. het zoute water niet spoedig geloosd wordt; +~afbreuk~ evenwel kan zij niet toebrengen. (Waarom niet?) + +Zet een winkelier zich in een buurt neer, waar reeds anderen dezelfde +nering hebben, dan brengt de eerste zijn collega's verlies, schade en +nadeel, soms ook afbreuk toe: immers de reeds gevestigde winkeliers +lijden ~verlies~ aan klandizie (vermindering van 't aantal); daardoor +vermindert hun welstand of de waarde van hun zaak, dat is hun ~schade~; +en daar de nieuwe winkelier misschien op minder eerlijke wijze ook hun +klanten weglokt, waarop _zij_ recht meenden te hebben, doet hij zijn +collega's ook ~afbreuk~. In ieder geval is die vestiging van een +concurrent een ~nadeel~ voor de reeds daar wonende winkeliers: die +vestiging strijdt n.l. met hun belangen. + + * * * * * + +De storm deed veel -- aan de duinen. + +Bij dien handel leed hij een groot -- aan kapitaal. + +Aan die betrekking is het -- verbonden, dat men ook Zondags bezet is. + +De --, die de koopman door het -- van zijn schip leed, wordt door +verzekering gedekt. + +Hij heeft door zijn onverwachte overplaatsing zijn huis met groot -- +moeten verkoopen; doch dit --, aan de benoeming verbonden, wordt +ruimschoots vergoed door de verhooging van salaris. + +Door oneerlijke concurrentie deed hij onze firma veel --. + +De engerlingen doen groote -- aan de planten. + +Men berekent het --, dat hij door dezen brand lijdt, op duizend gulden; +want door de lage assurantie wordt de -- slechts gedeeltelijk gedekt. + +De Duinkerker kapers deden onzen koopvaarders veel --. + + +88. Nadoen--navolgen--nabootsen--naäpen. + +_Hetzelfde doen wat een ander heeft voorgedaan._ + +~Nadoen~ zegt dit op de meest algemeene wijze; men doet precies, wat +een ander deed, 't zij in gunstigen of ongunstigen zin. _Wie kan mij dat +kunstje ~nadoen~? Achter zijn rug ~deden~ de deugnieten den onderwijzer +alles ~na~_ (zij wilden n.l. den onderwijzer bespottelijk maken). + +Als men door dat nadoen zich zelf bespottelijk maakt, spreekt men +van ~naäpen~. _Vele dienstboden gaan even modieus gekleed als haar +mevrouwen, al moeten zij ook een groot deel van haar loon voor deze +~naäperij~ opofferen._ + +~Navolgen~ geeft altijd een gunstige beteekenis; het duidt aan, dat +iemand in dezelfde goede richting werkzaam is, waarin een ander hem is +voorgegaan of voorgaat. _Deze edele zelfopoffering werd door velen +~nagevolgd~._ + +Terwijl ~navolgen~ uitdrukt, dat men het voorbeeld in alles gelijk wil +komen, wijst ~nabootsen~ aan, dat men alleen de uiterlijke gelijkenis +op den voorgrond stelt (bootsen = boetseeren). ~Navolgen~ ziet dus +op het wezenlijke, het innerlijke, ~nabootsen~ meer op den schijn, het +uiterlijke. Een edele daad is navolgenswaardig, niet nabootsenswaardig. +Wel zegt men: _Hij weet precies mijn stem ~na te bootsen~._ + + * * * * * + +Ik zal eens laten zien, hoe men deze letter schrijft, dan kan Jan het +straks eens --. + +Deze dichter heeft in zijn gedicht Homerus --. + +De vogelaar weet behendig het geluid van den kwartel --. + +Een deugdzaam mensch mag men in alles --. + +Uw broer schijnt voor tooneelspeler in de wieg gelegd; hij weet precies +zijn buurman --, ja zelfs zijn stem kan hij bedriegelijk --. + +In den pruikentijd werden hier allerlei onzinnige Fransche zeden --. + + +89. Bekoren--verrukken--vervoeren. + +_Door een of andere eigenschap onder sterken invloed van een ander +komen._ + +~Bekoren~ wil zeggen, dat de persoon (of zaak) zich geheel meester van +onze zinnen maakt en wij daardoor geheel onder den invloed komen. _De +arme dwaas liet zich geheel door den schijn ~bekoren~._ Het gevolg van +dezen toestand wordt aangeduid door ~verrukking~ en ~vervoering~. + +~Verrukken~ wijst aan, dat de bekoring ons in een hoogst aangenamen +toestand brengt, terwijl ~vervoeren~ te kennen geeft, dat wij ons tot +buitensporigheden laten verleiden. _Hij was geheel en al ~verrukt~ door +de voorkomende behandeling.--Door zijn onbegrensde heerschzucht liet +Napoleon zich ~vervoeren~ den tocht naar Rusland te ondernemen, +niettegenstaande het barre jaargetijde ophanden was._ + + * * * * * + +Wien zou zoo'n heerlijke zomeravond niet --? + +In zijn ijver voor de goede zaak liet hij zich zoozeer --, dat hij +onwellevend werd. + +Ik was zeer -- door dit onverwachte succes. + +Zulk een eenzaam leven zou mij niet kunnen --. + +De vreugde over de behaalde overwinning liet hem tot allerlei dwaze +dingen --. + +Geheel -- staarde hij langen tijd het portret zijner moeder aan. + +»Dan klimmen wij de heuvlen vroolijk op, En staren, diep --, van hunnen +top." + + +90. Gebieden--gelasten--bevelen. + +_Zijn wil aan zijn ondergeschikten kenbaar maken, opdat zij zich +daardoor bij hun handelingen laten leiden._ + +~Gebieden~ wordt gezegd van den machthebber en doet dus +onvoorwaardelijke gehoorzaamheid verwachten. _De koning ~gebood~ den +edelman, zich nooit meer aan het hof te vertoonen._ + +~Bevelen~ drukt uit, dat men anderen, die in onzen dienst staan, zegt, +wat zij doen moeten. _De veldheer ~beval~ zijn manschappen tot den +aanval over te gaan._ + +~Gebieden~ is dus (ook in figuurlijke beteekenis) sterker dan ~bevelen~. +_Ik ~gebied~ u heen te gaan_ is sterker dan: _ik ~beveel~ u heen te +gaan_. Bovendien ziet ~gebieden~ meestal op een voorschrift van +blijvenden en ~bevelen~ op een van tijdelijken aard. _God heeft ons +~geboden~ niet te stelen. De veldheer ~beval~, dat de soldaten niet +zouden plunderen._ + +~Gelasten~ onderstelt, dat men zijn ondergeschikte een last of opdracht +geeft, om dien te vervullen. _De generaal ~gelastte~ den koerier, +onmiddellijk versterking te gaan ontbieden._ Ook ziet ~gelasten~ soms op +bevel, waarvan het niet zeker is, of het wel uitgevoerd zal worden: _De +boschwachter ~gelastte~ den houtdief het gestolene af te geven._ + + * * * * * + +De regeering heeft --, dat op den dag van 's Konings begrafenis alle +klokken geluid moeten worden. + +De regeering heeft den burgemeesters --, ten spoedigste het aantal +scholen in hun gemeenten op te geven. + +Ik wensch uw bezoeken niet meer te ontvangen en -- u dus voortaan buiten +het hek te blijven. + +De Burgemeester heeft --, dat niemand meer vuilnis op de straat mag +werpen op straffe van 5 gulden. (Er wordt dus wel aan overtreding +gedacht.) + +De naastenliefde --, onze vijanden lief te hebben. + +De heer -- den koetsier, wat zachter te rijden. + +De heer -- den koetsier, om 3 uur met het rijtuig voor te komen. + +De onderwijzer -- den kinderen, voortaan niet meer buiten het hek te +spelen. + +De officier --, dat de troepen zich zouden terugtrekken. + +De spreker wenkte met de hand en -- stilte. + + +91. Armzalig--ellendig--kommervol. + +_In deerniswaardigen toestand verkeerende._ + +Bij ~ellendig~ denken wij hoofdzakelijk aan den ongelukkigen toestand, +waarin iemand verkeert. _De rijke man leed aan een verschrikkelijke +kwaal; eerst de dood maakte een einde aan zijn ~ellendig~ leven._ +(»Ellendig" beteekent letterlijk »anderlandig", d.i. de toestand van +een balling; _el_ vindt men ook nog in _elders_.) + +~Armzalig~ wijst aan, dat de ellendige toestand tevens ons medelijden +opwekt. _Deze arbeider slooft van den vroegen morgen tot den laten avond +om zijn ~armzalig~ bestaan te rekken._ + +~Ellendig~ en ~armzalig~ zien op personen, zaken of toestanden, +~kommervol~ wordt uitsluitend in betrekking tot menschen gebruikt; het +wijst aan, dat iemand veel kommer, veel zorg, verdriet of gebrek heeft. +_Niettegenstaande al zijn goud had hij toch een ~kommervol~ leven, daar +zijn eenige zoon voortdurend zijn levensvreugde vergalde._ + +Figuurlijk gebruikt duiden ~armzalig~ en ~ellendig~ ook personen of +zaken op minachtende wijze aan. _Dat ~ellendig~ gehaspel moet nu maar +uit zijn. Voor een ~armzalige~ duizend gulden heeft hij zijn vriend +verraden._ + + * * * * * + +Bij dien brand verloren drie menschen -- het leven. + +Wij traden de -- hut binnen en vonden den zieke in een -- toestand. + +Zijn -- leven heeft hem reeds vóór zijn jaren oud gemaakt. + +Die -- kerel heeft al heel wat menschen op schandelijke wijze bedrogen. + +Voor een paar -- guldens zou hij een moord plegen. + + +92. Mistrouwen--wantrouwen--verdenken. + +_Gelooven, dat iemand oneerlijk of slecht is._ + +~Mistrouwen~ wijst aan, dat men op iemand of iets niet moet vertrouwen, +daar het mogelijk is, dat wij bedrogen zouden uitkomen. _»O, ~mistrouw~ +'t Sirenenzingen, Bouw niet op 't geluk, mijn kind!" Het is beter +iemand, die men niet kent, te ~mistrouwen~ dan te vertrouwen._-- + +~Wantrouwen~ is sterker; een feit is voorgevallen, waardoor ons +vertrouwen in iemands eerlijkheid of goede trouw geschokt is; het is nog +wel geen volkomen zeker bewijs voor zijn oneerlijk of slecht karakter, +maar alle omstandigheden pleiten in het nadeel van den gewantrouwde. +_Sedert ik mijn vriend op een leugen betrapt heb, ~wantrouw~ ik +hem._--~Wantrouwen~ en ~mistrouwen~ zien op toekomstige handelingen, +~verdenking~ daarentegen heeft betrekking op het verleden. Het wijst een +sterk vermoeden aan, dat iemand iets slechts bedreven heeft. _Daar hij +onder ~verdenking~ stond medeplichtig aan den moord te zijn, is hij in +hechtenis genomen._ + + * * * * * + +Ik heb hem altijd voor een oprecht man gehouden, die mijn vertrouwen ten +volle waardig was, maar nu ik hem de vorige week op een onwaarheid +betrapt heb, -- ik hem. + +Ik zond dit belangrijk bericht aan de redactie van dat dagblad op; het +werd echter slechts »onder voorbehoud" opgenomen, daar men mij als een +onbekende --. + +Reeds meermalen is gebleken, dat de telegrammen van die courant onjuist +waren; ik ben dus zoo voorzichtig het blad altijd te --. + +De staatsman stond onder --, dat hij met den vijand was gaan heulen; +daarom -- men alles, wat hij aanried. + +Hoewel mijn buurman mij nog niet de minste aanleiding heeft gegeven hem +te --, -- ik hem toch en vertel ik hem geen geheimen. + + +93. Argwaan--achterdocht--kwaad vermoeden. + +_Een voorgevoel hebben, dat men bedrogen wordt._ + +Alle drie drukken uit, dat men niet zeker is, of iemand ons bedriegen +wil. ~Argwaan~ duidt vooral aan, dat men steeds bevreesd is door ieder +bedrogen te zullen worden; argwanend te zijn ligt dus meer in iemands +karakter. ~Achterdocht~ onderstelt, dat men tegen een bepaald persoon +zulk een argwaan meent te moeten koesteren. Ontdekt de achterdochtige +een of ander feit, dat zijn vrees versterkt, dan spreekt men van ~kwaad +vermoeden~. Een gierigaard koestert tegen iedereen _argwaan_; hij wordt +_achterdochtig_, als iemand hem zeer vriendelijk bejegent--in zijn +gedachten ziet hij reeds een aanval op zijn beurs gedaan--en hij vat een +_kwaad vermoeden_ tegen iemand op, als hij dezen _meent_ betrapt te +hebben op een oneerlijkheid. + + * * * * * + +Doordat hij vroeger door zijn besten vriend verraden is, koestert hij +thans tegen iedereen, die hem eenigszins voorkomend behandelt, --. + +Door het ongunstig uiterlijk van den vreemdeling vatte ik reeds terstond +-- tegen hem op. + +Nauwelijks was de nieuwe huisknecht een paar dagen in dienst, of er was +een zilveren lepel zoek; geen wonder dat er tegen hem -- rees. + + +94. Arm--armoedig--behoeftig--nooddruftig. + +_Gebrek aan het noodige hebbend._ + +~Arm~ duidt aan, dat men niets of zeer weinig bezit en staat tegenover +rijk. In figuurlijken zin duidt het eveneens een schaarschheid aan: +_arm_ aan woorden, _arm_ aan deugden. Wie arm is, kan slechts met moeite +rondkomen en moet zich velerlei genoegens ontzeggen. Blijkt dat arm zijn +vooral uit het uiterlijke van woning of kleeding, dan spreekt men van +~armoedig~. _Een ~armoedige~ hut, een ~armoedig~ gekleed man._ + +~Behoeftig~ duidt aan, dat men het noodige niet kan aanschaffen, terwijl +~nooddruftig~ aanwijst, dat zelfs het onontbeerlijkste wordt gemist. +Arm, armoedig, behoeftig en nooddruftig vormen dus een climax of +opklimming. Men houde evenwel in het oog, dat het laatste woord, +nooddruftig, uitsluitend tot den deftigen stijl beperkt is. + + * * * * * + +Wie rijk is aan goederen, is soms -- aan geluk. + +Al zijn deze menschen ook --, toch zien zij er niet -- uit. + +In den winter lijden de -- veel gebrek. Dan echter gaat de engel der +weldadigheid in stilte rond, om de -- te helpen. + +Soms treft men in een -- hut meer geluk aan, dan in een trotsch paleis. + +De rijkgeworden parvenu vergeet soms, dat hij eens -- is geweest; vaak +is hij hardvochtig genoeg om de -- ongetroost weg te zenden. + + +95. Afnemen--afbeuren--aflichten--afzetten. + +_Een voorwerp, dat zich op een ander bevindt, daarvan verwijderen._ + +~Afnemen~ heeft de ruimste beteekenis; het duidt alleen aan, dat de +bedoelde werking plaats heeft: _den hoed ~afnemen~_. + +~Afbeuren~ onderstelt, dat het voorwerp zwaar is en de handeling +dus moeite kost: _een zak koren van de weegschaal ~afbeuren~_; bij +~aflichten~ is dat niet het geval: bijv. _den hoed ~aflichten~_. +~Afzetten~ onderstelt, dat men het voorwerp een andere plaats geeft: +_hij ~zette~ den hoed ~af~ en hing hem aan den kapstok_; ~licht~ men +den hoed ~af~, dan zet men hem een oogenblik later weer op. Den hoed +~afnemen~ laat onbeslist, of men hem terstond weer opzet, dan wel +eenigen tijd in de hand houdt. + + * * * * * + +Help de meid even het stof --! + +De molenaar heeft den zak op den wagen gelegd; ik kan hem er onmogelijk +alleen --. + +Bij guur weer is het aan te raden bij het groeten den hoed slechts even +--. + +Toen het lijk in de groeve daalde, zag men iedereen den hoed --. + +Kom binnen, oom; trek uw overschoenen uit en -- uw hoed af. + +Bij het afstoffen van den schoorsteenmantel moet gij eerst voorzichtig +de pendule er --. + +Van dit stapeltje briefkaarten moogt gij er zes --. + + +96. Pracht--praal--pronk--luister. + +_Uiterlijk vertoon van grootheid._ + +Bij ~pracht~ staat vooral het denkbeeld van rijkdom of kostbaarheid op +den voorgrond. _Het paleis werd met groote ~pracht~ opnieuw +gemeubeld.--In dezen tuin vindt men een ~pracht~ van bloemen._ + +~Luister~ geeft te kennen, dat de glans of schittering ieders +bewondering afdwingt of (zooals bij ceremoniën) opzettelijk moet +afdwingen. _De generaal werd met grooten ~luister~ begraven._ + +~Pronk~ is een opzienbarende vertooning van pracht of luister met het +doel boven anderen te willen uitsteken; de pronkzuchtige wil bijv. zijn +meerdere in uiterlijk vertoon nadoen, om evenzeer bewondering af te +dwingen; het is derhalve een teeken van ijdelheid. _Ik had niet gedacht, +dat hij zoo op ~pronk~ gesteld was: ik hield hem altijd voor een nederig +en eenvoudig man._ Als voorwerpsnaam beteekent het meer sieraad: _Dit +gebouw is de ~pronk~ der stad._ + +~Praal~ ziet vooral op uiterlijk vertoon; het is een luister, waaraan de +ijdelheid niet vreemd is. _De altijd zoo ijdele familie liet zelfs dit +ongelukkige kind met groote ~praal~ begraven._ + + * * * * * + +Karel de Stoute spreidde bij zijn aanstaande kroning te Trier een groote +-- ten toon. Het was duidelijk te zien, dat hij --ziek van aard was. + +De -- van een ware heldendaad gaat nooit verloren. + +Dit dienstmeisje is blijkbaar zeer op -- gesteld. + +Hang uw hart niet aan 's werelds --, maar streef naar ernstiger dingen. + +Met veel -- werd de bruiloft van het adellijke paar gevierd, +niettegenstaande beide partijen weinig ten huwelijk brachten. + +De zomerzon straalt thans in haar vollen --. + +»Zulk een deken is een -- voor uw bed." (Advertentie.) + +De -- der Alpenmeren laat zich niet beschrijven. + +De 25-jarige regeering van den vorst werd in de residentie met groote(n) +-- gevierd. + +»Ziet gij ginds dien -- der dalen, dien verheven eikeboom?" + + +97. Barsch--stug--stuursch--norsch. + +_Zich onvriendelijk tegenover anderen gedragen._ + +~Stug~ is hij, die altijd in zich zelf gekeerd is en den omgang met +anderen liefst vermijdt, doordat hij zich niet gemakkelijk in de +samenleving beweegt. Hij spreekt meestal weinig en kortaf, alsof hij +boos ware, al is ook zijn hart niet kwaad. _Een ~stugge~ Fries._ + +~Stuursch~ is hij, die onvriendelijk is, doordat de eigenaardigheden +van zijn karakter zulks meebrengen. _Hij ziet altijd even ~stuursch~._ +Is hij daarbij ruw in den omgang, mort en gromt hij, om zijn +ontevredenheid of kwaadheid te luchten, dan gebruikt men ~norsch~. +_Hij behandelt zijn bedienden altijd even ~norsch~._ + +~Barsch~ duidt aan, dat het uiterlijk of de stem van iemand door zijn +onvriendelijkheid afstoot of vrees aanjaagt; het is hierbij evenwel niet +noodzakelijk, dat ook het karakter onaangenaam is, integendeel onder een +barsch uiterlijk schuilt soms een goedig hart. _Hij is wel wat ~barsch~ +in zijn uitvallen, maar hij meent het zoo kwaad niet._ + + * * * * * + +De Veluwsche boer is meestal -- in den omgang. + +Hij sprak op zulk een -- toon, dat de kleinen bang voor hem werden. + +Wat is hij vandaag weer --: op iedereen heeft hij wat aan te merken. + +Ik begrijp niet, waarom zij altijd zoo -- ziet; ik heb haar toch niets +misdaan. + +Hoewel ik het hem zeer vriendelijk vroeg, gaf hij toch een -- antwoord, +alsof ik hem diep beleedigd had. + +Ik houd niet van lieden, die vandaag vriendelijk en voorkomend en morgen +weer -- en -- zijn. + +Hoewel hij er -- uitziet, is hij toch altijd hulpvaardig. + + +98. Afslaan--afhakken--afhouwen--afkappen. + +_Met kracht een deel van het geheel scheiden._ + +~Afslaan~ gebruikt men, wanneer de scheiding door de kracht van het +slaan tot stand komt zonder op het werktuig te letten, bijv. een oor van +een pot afslaan (met een hamer, een steen, een stok, enz.). ~Afhakken~, +~afkappen~ en ~afhouwen~ onderstellen, dat de werking met een scherp +werktuig geschiedt, vooral met een bijl of zwaard. ~Afhakken~ duidt aan, +dat men herhaaldelijk het werktuig moet gebruiken, terwijl ~afhouwen~ +aanwijst, dat slechts eén slag met het scherpe werktuig noodig is. Bij +~afkappen~ ziet men meer op de uiteinden, die door het hakken of houwen +van het voorwerp worden gescheiden: bijv. _de takken ~afkappen~_. + + * * * * * + +Wie heeft de vergulde knoppen van het hek --? + +In vroegeren tijd werden den meineedigen de vingers --. + +Het zwaard van den beul bleek niet scherp genoeg, om den veroordeelde +het hoofd --. + +Gij moet deze dikke takken laten --, zij benemen u te veel licht. + +Met dezen stok kunt gij gemakkelijk de appels --. + +Wie zou van nacht zoo laag zijn geweest om al de koppen der coniferen +moedwillig te hebben --? + + +99. Gooien--werpen--smijten. + +_Iets met kracht van zich slingeren._ + +~Werpen~ behoort meer tot de beschaafde spreek- en schrijftaal, terwijl +~gooien~ en ~smijten~ gewoonlijk tot de volkstaal beperkt zijn. ~Werpen~ +heeft min of meer de bijbeteekenis, dat de werking met eenig overleg +en daardoor in een bepaalde richting geschiedt; ~gooien~ en ~smijten~ +daarentegen doen meer aan onbesuisd optreden denken. ~Gooien~ en +~smijten~ geschieden uitsluitend met de hand, ~werpen~ kan ook plaats +hebben met werktuigen. + +~Gooien~ en ~smijten~ verschillen onderling zeer weinig en worden +dan ook vaak voor elkander gebruikt. Alleen schijnt ~smijten~ minder +onbesuisd te zijn dan ~gooien~ (met _gauw_ verwant), en nadert het dus +eenigszins de beteekenis van werpen, bijv.: _Hij heeft mij een +beleediging voor de voeten ~gesmeten~._ + +Daar ~werpen~ meer gekuischt is dan de beide andere woorden, komt het +in vele uitdrukkingen voor, waar ~gooien~ en ~smijten~ gebruikt moesten +worden. + + * * * * * + +Hij heeft mij met een kei een gat in het hoofd --. + +Bij dat volksoproer werden op vele plaatsen de ruiten in--. + +De golven -- een lijk aan het strand. + +Van woede heeft hij den heelen boel door elkaar --. + +Hij heeft hem na die beleediging den handschoen toe--. + +Voordat de vijand in 't zicht kwam, heeft men in deze vesting nog +bezetting --. + +De ouden -- met blijden groote steenen in de stad. + +Van kwaadheid -- hij mij de trappen af. + +Terstond liet de bevelhebber den spion in de gevangenis --. + +Hij heeft den boel in het honderd --. + +Wie heeft dezen sneeuwbal in den schoorsteen --? + +Men moet geen goed geld naar kwaad geld --. + + +100. Voorgeven--beweren--voorwenden. + +_Deze woorden worden gebruikt om aan te duiden, dat men twijfelt aan de +waarheid, van hetgeen een ander zegt._ + +~Beweren~ geeft alleen den blooten twijfel te kennen; het beweerde kan +wel waar zijn, maar het moet nog nader bewezen of aangetoond worden; +zoolang het bewijs niet is geleverd, kan men het beweerde nog niet als +waarheid aannemen. _Hij ~beweert~, dat hij in een half uur van Baarn +naar Amersfoort kan fietsen_ (d.w.z. ik beschouw het wel niet als +onmogelijk, maar gelooven doe ik het nog niet, vóórdat hij dien rit van +12 K.M. in een half uur gedaan heeft). _De dagbladen ~beweren~, dat de +vrede gisteren geteekend is_ (d.w.z. men twijfelt aan de waarheid, +zoolang nadere bewijzen nog ontbreken). + +~Voorgeven~ drukt uit, dat men alle reden heeft om aan de waarheid van +iemands woorden te twijfelen; het is dus zoo goed als zeker, dat hij +onwaarheid spreekt. _Zij ~gaf voor~, hoofdpijn te hebben en mij daarom +niet te kunnen ontvangen._ + +Zegt men van iemand, dat hij iets ~voorwendt~, dan geeft men te kennen, +dat hij opzettelijk een leugen bezigt, om een of ander doel te bereiken; +hetgeen voorgewend wordt, is dus beslist een leugen. _Zij ~wendde~ +hoofdpijn ~voor~, teneinde mij niet behoeven te ontvangen._ + +~Beweren~ onderstelt dus, dat de waarheid van 't beweerde mogelijk is, +~voorgeven~, dat de waarheid sterk betwijfeld mag worden en +~voorwenden~, dat de waarheid geheel buitengesloten is. + + * * * * * + +Ik hoorde zooeven --, dat het ministerie zal aftreden. + +Dit dagblad --, dat in Amerika het telefoneeren zonder draad is +uitgevonden. + +Deze dame --, nog geen 25 jaren oud te zijn. + +De koning heeft een lichte ongesteldheid --, om van de feestelijkheden +bevrijd te zijn. + +De moordenaar bleef --, uit zelfverdediging te hebben gehandeld, hoewel +het bewezen is, dat hij zijn slachtoffer heeft uitgeplunderd. + +Aan mijn verzoek om de rekening voor mij te betalen, kon hij niet +voldoen onder --, dat hij zelf kort bij kas was. + +Al zijn kwalen zijn slechts --, om van werken ontslagen te zijn. + + +101. Regeeren--besturen--heerschen. + +_Gezag over een ander uitoefenen._ + +~Heerschen~ duidt de hoogste trap van macht aan; het wijst op »heer" +zijn, de opperste over allen, die geheel naar eigen inzicht kan +handelen. _God ~heerscht~ als aller koning. De Czaar ~heerscht~ +onbeperkt._ + +~Regeeren~ is minder sterk en wordt alleen gebezigd voor het +gezag-uitoefenen van vorsten (_rex_, 2e naamv. _regis_ = koning). In +figuurlijken zin wijst het er op, dat het gezag met groote willekeur +wordt uitgeoefend en anderen onmachtig maakt; bijv.: _Deze vrouw +~regeert~ haar man._ + +~Besturen~ doet minder denken aan het gezag van den bestuurder, dan wel +aan een leiden overeenkomstig vastgestelde bepalingen. Vandaar dat men +het vooral bezigt van staatshoofden, die geen souvereine macht bezitten. +_Jan de Witt ~bestuurde~ de Republiek met groot beleid._ Overdrachtelijk +duidt het een leiden aan met inzicht en overleg: _Deze vrouw ~bestuurt~ +haar man_ = zij leidt hem, waarheen zij wenscht. (Vergelijk boven: _Deze +vrouw ~regeert~ haar man_). + +Waarom zegt men: _de pokken ~heerschen~_? en niet: _regeeren_ of +_besturen_? + +Vergelijk nu: heerschappij--bestuur--regeering. + + * * * * * + +Onder de -- van koning Willem III werden vele spoorwegen aangelegd. + +De mazelen -- epidemisch. + +Men moet -- over zijn hartstochten hebben. + +De Burgemeester -- de gemeente. + +Men zegt wel eens: Het blinde toeval -- de wereld. + +Er -- over dit onderwerp een groote verwarring van denkbeelden. + +Deze vereeniging wordt goed --. + +In Rusland -- een vastlandsklimaat. + + +102. Aandachtig--oplettend--opmerkzaam. + +_Zijn gedachte op iets gevestigd hebben._ + +~Aandachtig~ zegt eenvoudig, dat men zijn gedachten bij de zaak heeft, +dat men dus niet aan iets anders denkt. + +~Oplettend~ is men, als men niet vluchtig over het gehoorde heenloopt, +maar zich moeite geeft het te overwegen; het onderstelt dus altijd +eenige inspanning van den geest, wat bij aandachtig niet direct noodig +is. + +_Men luistert ~aandachtig~ naar een verhaal_, d.w.z. men heeft zijn +gedachten er bij, men denkt niet aan iets anders. _Men is ~oplettend~, +als er iets geleerd moet worden_; d.w.z. men is ook wel aandachtig, maar +men geeft zich tevens moeite de zaak te overdenken, om ze te begrijpen. + +~Opmerkzaam~ wijst aan, dat men de zaak zoo goed mogelijk tracht te +begrijpen, door al haar kenmerken in hun onderling verband na te gaan, +opdat het gehoorde of gelezene in onzen geest worde opgenomen en +verwerkt. Men zoekt als het ware ~merk~teekens, die ons later den gang +der zaak gemakkelijk doen terugvinden. + +De _aandachtige_ luistert; de _oplettende_ tracht het gehoorde te +begrijpen; de _opmerkzame_ neemt het in zijn geest als eigendom op. De +_aandachtige_ wordt bijv. door een sprookje of een muziekstuk geboeid en +vergeet alles om zich heen; de _oplettende_ tracht bijv. de verklaring +van een natuurverschijnsel goed te begrijpen; de _opmerkzame_ zal bijv. +een schilderij zoo nauwkeurig en met allerlei onderlinge vergelijkingen +beschouwen, dat hij haar uit het hoofd kan nateekenen. + + * * * * * + +De vergadering luisterde -- naar de voorlezing der notulen. + +Hij beschouwde het gebouw zoo --, dat hij er thuis een welgelijkende +schets van maakte. + +Hij bekeek het gebouw zoo --, dat hij niet eens mijn nadering bemerkte. +(Hier wordt dus blootweg te kennen gegeven, dat al zijn gedachten op het +gebouw gericht waren.) + +Het kenmerk van deelbaarheid, dat ik thans zal bewijzen, is vrij +ingewikkeld; gij moogt dus wel -- zijn. + +Toen ik met hem voor het eerst door het bosch wandelde, keek hij zoo -- +rond, dat hij den volgenden keer alleen den weg kon vinden. + +Hij was onder de rede van den voorzitter zoo -- geweest, dat hij haar +bijna woordelijk kon opzeggen. + + +103. Bouwen--opslaan--oprichten--stichten. + +_Uit bouwstoffen een geheel vormen._ + +~Oprichten~ (letterlijk »omhoog heffen") gebruikt men, om aan te duiden, +dat iets uit den horizontalen in den verticalen stand moet komen: _een +standbeeld ~oprichten~_.--~Opslaan~ zegt men van tijdelijke verblijven, +die licht en dicht zijn en weinig moeite vereischen: _tenten +~opslaan~_.--~Bouwen~ gebruikt men van blijvende woningen, die uit +duurzamer stoffen en met grooter zorg worden samengesteld: _een school +~bouwen~_.--~Stichten~ zegt men van nog duurzamer en hechter gebouwen: +_een kerk ~stichten~_. (Een _stift_, d.i. _sticht_, heet een groot +gebouw voor geestelijken: klooster, abdij, enz.) Figuurlijk bezigt men +~stichten~ ook voor grondvesten: _een stad ~stichten~, een fonds voor +ouden van dagen ~stichten~; liefdadige ~stichtingen~_. Van vereenigingen +zegt men meer ~oprichten~. + + * * * * * + +Toen de cholera uitbrak, werden ijlings ziekenbarakken --. + +Ons huis is in 1870 --. + +De Handelsmaatschappij werd in 1824 --. + +Jan van Riebeek heeft de volksplanting aan de Kaap --. + +Ter eeuwige gedachtenis heeft men op de plaats, waar de koning +sneuvelde, een gedenkteeken --. + +De beroemde Aya Sophia (de prachtige moskee te Konstantinopel en door +onzen dichter Schaepman meesterlijk bezongen) is door keizer Justinianus +--. + +Jan van Nassau heeft de Unie van Utrecht --. + + d' Aertsbouheer uit den stam + Van Campen rust hieronder, + Die 't raedhuis t' Amsterdam + -- heeft, 't achtste wonder. + + +104. Befaamd--beroemd--berucht--vermaard. + +_Overal bekend._ + +~Berucht~ is: ongunstig bekend staan; ~beroemd~ daarentegen heeft +altijd een gunstige beteekenis: het beteekent bekend zijn tot zelfs +bij het nageslacht door edele daden, door kunst, door wetenschap, +enz. ~Vermaard~ is: van groote bekendheid zijn wegens een of andere +bijzonderheid, dus uitstekende of opvallende onder zijns gelijken. _De +echo van Muiderberg is ~vermaard~. De bokking van Harderwijk was vroeger +~vermaard~._ De vermaardheid behoeft echter niet aan het nageslacht +overgeleverd te worden. + +~Befaamd~ kan zoowel in goeden als kwaden zin gebruikt worden, maar is +minder sterk dan beroemd of berucht. Het onderstelt in den regel een +»eigenaardige" bekendheid. _Het ~befaamde~ Staphorster boertje._ + +~Befaamd~ komt af van Faam, Fama, de godin, die met een bazuin door +de lucht vliegt om de daden der groote mannen bekend te maken; zij +woonde in een paleis met 100 openingen en van klinkend metaal gemaakt. +(Verklaar het zinnebeeld!)--~Berucht~ komt van rucht, dat weer gevormd +is van _roepen_, evenals _kocht_ van _koopen_; er gaat dus een roep +van iemand uit. Oorspronkelijk kon dit ook een _goede_ roep zijn: +»_Beruchte_ Oranjeheld!" maar thans heeft het uitsluitend betrekking op +den _slechten_ roep.--~Vermaard~ komt van _mare_ = tijding, bericht. + + * * * * * + +Friesland is -- om zijn heerlijke boter. + +Sommige stegen en achterbuurten van Amsterdam zijn -- om het gespuis, +dat er woont. + +Onze schilders Rembrandt, Jan Steen, Potter e.a. zijn --. + +De -- Amersfoortsche keitrekking had plaats op 28 Mei 1903. (Een +»eigenaardige" bekendheid.) + +Haarlem is -- om zijn bloembollen. + +Jack the Ripper was een -- vrouwenmoorder. + +De Nederlanders zijn als waterbouwkundigen alom --. + +Sommige kuststreken van Italië zijn -- om hun moeraskoortsen. + +De -- vaster Succi kon het 40 dagen zonder eten uithouden. + +»Ginds prijkt dat grootsch gebouw, als achtste wonderwerk door heel +Europa --". ('t Stadhuis van Amsterdam.) + +»Allen zijn er het over eens, dat de jaren tusschen den zevenjarigen +oorlog en den Amerikaanschen Vrijheidsoorlog, de -- eerste +regeeringsjaren van Willem V, voor de Republiek de vette jaren bij +uitnemendheid zijn geweest". (Prof. Brugmans. Die eerste regeeringsjaren +van Willem V hebben een »eigenaardige" vermaardheid gekregen!) + + +105. Bedriegen--misleiden--verschalken--foppen. + +_Veroorzaken dat het onware voor waar wordt gehouden._ + +~Misleiden~ zegt letterlijk: op een verkeerden weg brengen en daardoor +dwaling veroorzaken; het wordt steeds figuurlijk gebruikt. _Door het +klatergoud liet de jongen zich ~misleiden~; hij dacht een gouden ring +gekregen te hebben en bemerkte later, dat het slechts een koperen was._ +(Het blinkende klatergoud bracht hem op een dwaalspoor; hij meende met +goud te doen te hebben en zag eerst later zijn dwaling in.) + +~Bedriegen~ onderstelt schending van vertrouwen met het doel zichzelf te +bevoordeelen: _De boekhouder ~bedroog~ zijn patroon_; of wel, het geeft +een teleurstelling aan in hetgeen men verwacht had: _Hij schreef mij +zelf te zullen komen, maar hij ~bedroog~ mij._--De Grieksche kunstenaar +Zeuxis wist de natuur zoo getrouw na te bootsen, dat de vogels op zijn +geschilderde druiven kwamen afvliegen. Hij ~misleidde~ de dieren, +doordat hij ze op een dwaalspoor bracht (nl. de onechte druiven werden +voor echte gehouden) en hij ~bedroog~ ze tevens, doordat hij hun +verwachting, om er van te kunnen eten, teleurstelde. + +~Verschalken~ heeft de bijbeteekenis, dat een list wordt aangewend; het +wordt gebruikt, wanneer de eene partij de andere door zulk een list +tracht te overwinnen of te verzwakken. _De vogelaar ~verschalkt~ de +kwartels_ (hij spant een net met lokaas). + +~Foppen~ heeft dezelfde grondgedachte als bedriegen, maar wordt alleen +van onschuldige handelingen gebezigd; bovendien is het bijna uitsluitend +tot de spreektaal beperkt. + +Als ik mijn makker een steentje in de hand stop, in plaats van bijv. een +appel, dan ~fop~ ik hem. Vandaar ook: _fopspeen_. + + * * * * * + +Laat u niet door den uiterlijken schijn --. + +De schipper Van Bergen wist de bezetting van 't kasteel van Breda te --. + +De rentmeester heeft den graaf op een schandelijke wijze --. + +Ik dacht hem mooi te zullen --, maar de oolijkerd was mij te slim af. + +Men moet dieven met dieven --. + +Door schoone beloften heeft hij zich tot dien stap laten --. + +Koop dat paard niet van hem, hij wil u blijkbaar --. + +De commiezen wisten de smokkelaars op slimme wijze te --. + + +106. Babbelen--praten--kouten--snappen--kakelen. + +_Weinig beduidende dingen zeggen._ + +~Snappen~ zegt men van kleine kinderen, die altijd wat te vertellen +hebben en dat snel en zonder ophouden doen. + +~Babbelen~ wordt van groote menschen en van schoolkinderen gezegd; +soms heeft het de onschuldige beteekenis verloren en duidt het meer +kwaadspreken aan. _Zij is een eerste ~babbelaarster~: vertrouw haar geen +geheim toe._ + +Wil men op afkeurende wijze te kennen geven, dat iemand zich luide doet +hooren, bijv. bij een kijfpartij, dan gebruikt men ~kakelen~. _Hoor die +vrouw daar eens staan te ~kakelen~, mijn ooren tuiten er van._--~Praten~ +doet men, als men met iemand een gesprek voert over alledaagsche zaken, +meestal uit tijdverdrijf. (Van ernstiger dingen zegt men _spreken_. _Kom +eens bij me ~praten~. Is mijnheer te ~spreken~?_)--~Kouten~ onderstelt, +dat men met elkander schertsend praat en in die scherts genoegen vindt. + + * * * * * + +Hoor die kleine meid eens --, haar mondje staat geen oogenblik stil. + +Niemand mag onder de les --; dat is veel te hinderlijk. + +Zij zaten zoo druk over koetjes en kalfjes te --, dat zij aan geen tijd +meer dachten. + +Ik geloof, dat zij weer leelijk aan het -- is geweest. + +De gasten in de herberg zaten vroolijk bij 't knappend vuur te --: +meermalen steeg er een hartelijk gelach op. + + Trijn is verkouden, schor en heesch. + »Nog wil 't wijf --", zegt Kees. + Dat 's een van d'ellendigste gebreken: + Een vrouw, die zwijgen kan noch spreken. + + +107. Sterven--overlijden--doodgaan--ontslapen. + +_Ophouden te leven._ + +~Sterven~ drukt dit in 't algemeen uit; het heeft zoowel betrekking +op menschen als op dieren en planten. Van menschen wordt het vooral +gebruikt, als men de oorzaak van den dood opgeeft. _Deze man is van +hartzeer ~gestorven~._ + +~Doodgaan~ wordt uitsluitend van planten en dieren gezegd en alleen in +ruwe of platte taal ook van menschen. + +~Overlijden~ heeft altijd betrekking op menschen; het woord beteekent +n.l. overgaan, d.i. in een ander, naar men hoopt, beter leven. (_Lijden_ +van oudtijds _gaan_; vergelijk _verleden_ of _vergangen_ week.) Het +stelt dus het sterven minder hard voor ten opzichte der +achterblijvenden. + +Ook ~ontslapen~ zegt men alleen van menschen; het beteekent kalm en +langzaam sterven, alsof men inslaapt; deze uitdrukking verzacht dus +eveneens het begrip van sterven. + + * * * * * + +Na het -- van zijn vader rustte op hem de plicht voor zijn jongeren +broeder te zorgen. + +Het grootste deel van het leger -- van honger en gebrek. + +Heden is in den ouderdom van 80 jaren mijn grootvader in zijn Heer en +Heiland zacht en kalm --. + +Die plant zal wel --; je hebt haar niet goed behandeld. + +Deze dichter is reeds op 25-jarigen leeftijd --. + +Zalig zijn de dooden, die in den Heer --. + + +108. Vlijtig--ijverig--naarstig--nijver. + +_Deze woorden duiden aan, dat men zich inspant om een of ander werk tot +stand te brengen._ + +Bij ~ijverig~ denkt men aan de opgewektheid en volharding, soms zelfs +aan de vurigheid, waarmee men werkt. _Een ~ijverig~ leerling tracht ook +de moeilijkste les te leeren._ (Het ligt in zijn aard, steeds zóó te +studeeren.) + +~Vlijtig~ duidt aan, dat men de taak zoo spoedig mogelijk (dus zonder +oponthoud), maar ook zoo goed men kan afmaakt. _Hij zit ~vlijtig~ te +studeeren_ (d.w.z. hij studeert zonder zich te laten ophouden en spant +zich in, om alles zoo goed mogelijk te begrijpen; hij behoeft daarom +niet van nature met zooveel liefde voor de studie bezield te zijn, +zooals een ~ijverig~ student.) + +~Naarstig~ komt weinig meer voor; men zegt het vooral nog van kinderen, +die niet speelsch zijn, maar hun goeden wil en oplettendheid toonen, om +het opgegeven werk naar behooren af te maken. Soms ook duidt het aan, +dat men voortdurend bezigheid zoekt, in plaats van ledig te zitten. _Zoo +traag deze jongen is, zoo ~naarstig~ is zijn zuster. Dat meisje is een +~naarstig~ kind; zij zit daar al weer te breien._ + +~Nijver~ wijst aan, dat men aanhoudend en met overleg werkt, om de +vruchten van zijn arbeid te kunnen plukken. _De ~nijvere~ bijen_ +verzamelen reeds in den zomer haar voedsel voor den winter. Soms +beteekent het ook: geneigd tot industrie, bijv. _het ~nijvere~ Twente_. + + * * * * * + +Als gij -- doorwerkt, kunt gij van avond wel klaar zijn. + +Gij moogt wel wat -- (vergr. trap) bij uw werk zijn; ik geloof, dat gij +er weinig lust in hebt. + +Zij is een -- kind, men ziet haar bijna nooit ledig zitten. + +De -- landman zag zijn moeiten met een rijken oogst beloond. + +Van deze zaak is hij een -- voorstander. + +Een -- hand met een sparigen tand koopt anderlui's land. + +In die streek woont een -- bevolking. + + +109. Afslaan--afweren. + +_Een aanval tegengaan._ + +~Afweren~ geschiedt geheel uit zelfverdediging, men houdt daarbij den +vijand van zich af en dekt zich tegen zijn aanvallen. + +Bij ~afslaan~ denkt men meer aan een krachtdadig optreden: men valt den +vijand aan en tracht hem op de vlucht te drijven.--Figuurlijk gebruikt +komt alleen ~afweren~ voor, bijv. _het gevaar van iemand ~afweren~_; +_iemands liefkoozingen ~afweren~_. + + * * * * * + +De Spanjaarden liepen storm op Alkmaars muren, maar de aanval werd +krachtig --. + +Hij heeft den doodelijken slag --, door zich nog tijdig met het schild +te dekken. + +De vijand deed een onbesuisden aanval op ons leger, zoodat de +manschappen ternauwernood tijd hadden dien --. + +Men wist op het fort, dat de vijand naderde; zijn aanval werd dan ook +niet alleen --, maar zelfs met kracht --. + +Slechts aan de staatsmanskunst van den eersten minister was het te +danken, dat de oorlog nog -- werd. + + +110. Alom--overal--allerwegen. + +_Op alle plaatsen._ + +~Alom~ wijst de ruimte in haar geheel aan. _De tijding verspreidde zich +~alom~_, d.w.z. naar alle zijden over de geheele ruimte. + +~Overal~ ziet meer op elke plaats afzonderlijk, die men zich in die +ruimte denkt. _De tijding drong ~overal~ door_: d.w.z. op alle plaatsen, +geen enkele uitgezonderd, werd de tijding bekend. + +~Allerwegen~ wil eigenlijk zeggen: op alle wegen of zijden, en bij +uitbreiding op alle plaatsen. ~Overal~ kan een werking zóó voorstellen, +dat zij _achtereenvolgens_ iedere plaats bereikt, geen enkele +uitgezonderd; ~allerwegen~ wijst meer aan, dat de werking _gelijktijdig_ +op alle plaatsen voorkomt, al is er misschien ook een enkele plaats +(niet aan de _wegen_ gelegen) overgeslagen. _~Allerwegen~ heerschte er +een bedrijvige drukte._--Worden ~overal~ en ~allerwegen~ voor elkander +gebruikt, wat vaak voorkomt, dan is ~overal~ sterker, daar het geen +uitzondering duidt. _Ik heb hem ~overal~ gezocht, maar nergens +gevonden.--Deze gewoonte vindt gij anders ~allerwegen~._ + + * * * * * + +God is -- tegenwoordig. (Waarom is dit woord beter dan _overal_?) + +Op bergen en in dalen, Ja -- is God. (Nu denkt men aan alle plaatsen! +Waarom gebruikt men niet _allerwegen_?) + +Het feest van 's konings troonsbestijging werd -- in den lande met +opgewektheid gevierd. + +Er heerschte -- in de stad een feestelijke stemming. + +Deze plant vindt gij -- verspreid. + +De mare van zijn heldenfeit was spoedig -- verspreid. + +Hij staat -- bekend als een eerste kaatser. + +Langs de kaden van Rotterdam heerscht -- een ongekende bedrijvigheid. + +Hij volgt mij --, waar ik ga. + + +111. Aankondigen--voorspellen--voorzeggen. + +_Iets toekomstigs te kennen geven._ + +~Aankondigen~ is iets vooruit te kennen geven, dat volgens zeer gewone +of natuurlijke oorzaken plaats hebben moet. _De plotselinge daling van +den barometer ~kondigt~ storm ~aan~._ Soms is het begrip van tijd zoo +goed als geheel weggevallen, zoodat aankondigen dan eenvoudig beteekent: +bekend maken met iets, dat terstond zal gebeuren. _De heraut ~kondigde~ +met trompetgeschal de komst des konings ~aan~._ + +~Voorspellen~ duidt mindere zekerheid aan, daar het voorspelde meer +op bloote vermoedens, op volksgeloof, enz. berust. _De waarzegger +~voorspelt~ de toekomst. Een goed notenjaar ~voorspelt~ een strengen +winter._ + +~Voorzeggen~ beteekent: vooruit _zeggen_, dat iets zeker gebeuren zal, +en kan dus alleen door God of door Zijn gezanten gedaan worden. (Het +woord kan dus niet toegepast worden op zaken, zooals met _aankondigen_ +en _voorspellen_ wel het geval is, bijv. een daling van den barometer +kan niet _voorzeggen_.) _De geboorte van Jezus was reeds eeuwenlang +~voorzegd~_ (nl. door de profeten). Het woord wordt alleen in deftigen +stijl gebruikt. + + * * * * * + +Door de terugkomst der zwaluw wordt de lente --. + +Deze geleerde beweert, dat hij het weder een maand vooruit kan --. + +Drie harde slagen op de deur --, dat er iets bijzonders gebeurd was. + +»O zaalge Kerstnacht, ons zoo lang --!" + +Eensklaps ging de wind liggen en dit scheen een orkaan --. + +Zijn gefronst gelaat -- weinig goeds. + +Het kanongebulder -- de geboorte van een prins aan. + +Een kring om de maan -- regen en wind. (Niet _zeker_!) + +Jezus had Zijn dood en verrijzenis aan Zijn discipelen --. + + +112. Buitenlandsch--uitheemsch--vreemd. + +_Wat buiten onze grenzen thuis behoort._ + +~Buitenlandsch~ noemt men zoowel datgene, wat een ander land betreft, +als hetgeen er geschiedt of voorkomt en wel in tegenstelling met +binnenlandsch; bijv. het _buitenlandsch_ verkeer; de _buitenlandsche_ +handel; _buitenlandsche_ berichten; _buitenlandsche_ onlusten. + +~Uitheemsch~ is ook buitenlandsch, maar 't voegt er de gedachte bij, +dat het uitheemsche niet in ons eigen land voorkomt: _uitheemsche_ +gebruiken. (»Uitheemsche" handel kan niet, immers in ons land is óók wel +handel.)--Daar men licht geneigd is, op hetgeen uitheemsch is, laag neer +te zien, heeft het soms een ongunstige beteekenis: _Gij moet nooit +~uitheemsche~ dingen navolgen._ + +~Vreemd~ beteekent: wat in ons land of in de naaste omgeving geheel +onbekend is en dus van verre streken afkomstig moet zijn. _Dit is een +~vreemde~ soort aardappel._ + +Verder kan ~vreemd~ nog andere beteekenissen hebben, als: niet van onze +familie: mijn zoon bracht een _vreemden_ gast mee; onbekend: zij is mij +geheel _vreemd_; ongewoon: een _vreemd_ geval; zonderling: een _vreemde_ +kleeding; enz. + + * * * * * + +De minister van -- zaken heeft zijn ontslag genomen. + +Deze -- plant schijnt hier goed te tieren. + +Dat is een -- plant; ik zie ze voor het eerst hier groeien. + +Wat heeft die mijnheer -- gewoonten. + +Wij zullen de volgende week een -- reisje maken. + +In den Dierentuin vindt men prachtige -- gewassen. + +In dien -- oorlog zijn heel wat menschen omgekomen. + +Er heerschen in dat land -- zeden. + +Als dit voorval maar geen aanleiding geeft tot -- verwikkelingen! + + +113. Bekennen--belijden. + +_Zijn gevoelens of handelingen, die niet bekend waren, mededeelen._ + +~Bekennen~ duidt aan, dat men de bekentenis liever had verborgen +gehouden, maar door aandrang van buiten tot het mededeelen genoodzaakt +wordt. _De moordenaar moest tegenover zooveel deugdelijke bewijzen zijn +misdaad wel ~bekennen~._ + +~Belijden~ ziet meer op den innerlijken aandrang en gaat vooral met +een gevoel van berouw gepaard; het heeft dus een edeler beteekenis: +_Ootmoedig ~beleed~ hij zijn schuld._ Het wordt ook ten opzichte van +godsdienstige gevoelens gebruikt: _Zijn zonden ~belijden~._ + + * * * * * + +Hij wil zijn ongelijk nog niet --, maar wij zullen er hem wel toe +brengen. + +Met een verslagen hart -- hij voor God zijn schuld. + +Ik moet eerlijk --, dat ik hierin misgetast heb. + +Door de wroeging van zijn geweten aangegrepen, -- hij zijn schuld. + +_Gebruik ook in zinnen:_ Bekentenis en belijdenis. + + +114. Aanroepen--bidden--smeeken. + +_Zich in nood of gevaar tot iemand wenden, ten einde diens hulp of +bijstand te verkrijgen of de vervulling zijner wenschen te erlangen._ + +~Aanroepen~ gebruikt men hoofdzakelijk, als men den Almachtige luide +en eenigszins gejaagd om hulp vraagt en zich daarbij geheel op Zijn +voorzienigheid verlaat. _~Roep~ Hem ~aan~ in den dag der benauwdheid en +Hij zal u ruste geven._ + +~Bidden~ onderstelt, dat men kalmer aan God (of iemand, die ons kan +helpen) om hulp vraagt, terwijl ~smeeken~ een vuriger en dringender +bede te kennen geeft. _De voorganger ~bad~ God om een voorspoedigen +oogst.--Hij ~smeekte~ Hem, het leven der kranke vorstin te sparen._ + + * * * * * + +De blinde -- om een aalmoes. + +De ter dood veroordeelde -- om genade. + +De schipbreukelingen hoorde men in hun doodsangst God --. + +Ik -- u met een berouwvol hart om vergiffenis. + +In alle kerken werd voor het behoud van den vrede --. + +De radelooze moeder wierp zich op de knieën voor den wreeden soldaat en +-- hem haar kind niet te dooden. + +Vóór Hugo de Groot zich in de boekenkist verborg, -- hij God om een +voorspoedige reis. + + +115. Afstand--verte--verwijdering. + +_De ruimte tusschen twee voorwerpen._ + +~Verwijdering~ drukt uit, dat die tusschenruimte vroeger niet bestond. +Hoe meer men bijv. de stad achter zich laat, hoe grooter dus eigenlijk +de verwijdering wordt. Het gebruik wil echter, dat dit woord thans +alleen figuurlijk voorkomt. _Sedert er tusschen deze twee vrienden +~verwijdering~ is ontstaan, gaat ieder zijns weegs._ + +~Afstand~ duidt eenvoudig aan, dat er tusschen twee voorwerpen een +zekere ruimte bestaat als gevolg van den stand, dien zij ten opzichte +van elkander innemen. _De ~afstand~ tusschen Amsterdam en Baarn bedraagt +36 K.M._ (Waarom is hier _verwijdering_ niet gebruikelijk?) + +~Verte~ wijst alleen het tegengestelde van nabijheid aan en duidt dus +altijd op een eenigszins grooteren afstand. Men kan dan ook niet zeggen +in _een_ verte, maar wel in _de_ verte, terwijl afstand wel degelijk het +lidwoord van onbepaaldheid kan hebben. + + * * * * * + +Wanneer men een plaats al wandelend verlaat, neemt bij iedere schrede de +-- (het oorspronkelijke woord!) toe, d.w.z. men bevindt zich bij iederen +stap op grooteren -- van de stad, totdat men haar ten laatste nog +slechts in de -- kan zien. + +Hij bleef steeds op een eerbiedigen --. (Waarom niet _verte_?) + +Na den slag bij Nieuwpoort ontstond tusschen Maurits en Oldenbarnevelt +de eerste --. + +De visschersvrouw staarde in de --, of zij het schip van haar man kon +ontdekken. + +De -- tusschen vrijen en onvrijen werd vroeger streng bewaard. + +De verschillende belangen, die deze twee vrienden hebben, deden +langzamerhand een -- ontstaan. Zij behandelen elkander nu altijd op +eenigen --. + + +116. Eeuwig--eindeloos--oneindig. + +_Wat geen einde heeft._ + +~Eeuwig~ drukt oorspronkelijk uit, dat aan geen einde, maar ook aan geen +begin kan gedacht worden. In dezen zin kan men alleen zeggen: _God is +~eeuwig~._--Verder duidt het woord aan, dat er wel een begin is geweest, +maar dat er aan een einde onmogelijk kan gedacht worden: _het ~eeuwige~ +leven_. Om dit denkbeeld van: onmogelijk te kunnen eindigen, aan te +duiden, gebruikt men ~eeuwig~ ook figuurlijk van zaken, waaraan +feitelijk wel een einde kan zijn, al wordt de mogelijkheid daarvan +uitgesloten: _het ~Eeuwig~ Edict_. (Het duurde toch maar 5 jaren!) + +~Eindeloos~ wil zeggen, dat iets geen einde heeft, ofschoon zulk een +einde niet onmogelijk ware geweest. Terwijl ~eeuwig~ meer op den _tijd_ +ziet, vestigt ~eindeloos~ meestal de aandacht op de _ruimte_. _Een +~eindelooze~ vlakte lag vóór mij._ (Voor mijn blik had die vlakte geen +einde; misschien was er wel een eind aan!) + +Men spreekt van Gods _eeuwige_ liefde, omdat deze _ten_ _allen tijde_ +zal voortduren; ook spreekt men van Gods _eindelooze_ liefde tot de +zondaren, om aan te duiden, dat het einde van die liefde wel mogelijk +ware geweest, maar dat God te goedertierend is, om die liefde een einde +te doen nemen. (Welk der beide woorden is dus sterker?) + +~Oneindig~ duidt aan, dat er werkelijk aan de ruimte (of tijd) geen +einde is, bijv. _de rij der getallen is ~oneindig~_. Hieruit ontwikkelde +zich het begrip: onbegrensd, bijzonder groot, zóó groot zelfs, dat alle +afmetingen of grenzen wegvallen. Het wordt daarom gebruikt als bijw. van +graad: Een _oneindig_ groot verschil. Een _oneindig_ klein getal. Wat +beteekent nu: _Gods ~oneindige~ liefde_? + +Waarom kan men niet spreken van een _oneindige_ vlakte? Waarom niet +van een _eeuwige_ vlakte? (Eeuwig is een tijdsbegrip, oneindig een +ruimtebegrip!) Waarom mag men God niet den _Eindelooze_ heeten? + +Een _eindeloos_ krakeel schijnt geen einde te hebben; maar toch is dit +einde mogelijk, als de twist wordt bijgelegd. Een _eeuwig_ krakeel ziet +er op, dat er _ten allen tijde_ getwist wordt, dus wijst meer een +tijdsbegrip aan. + + * * * * * + +Onze blikken zwierven door de -- ruimte (d.w.z. langs den sterrenhemel). + +Wij lieten onze blikken over de -- heide dwalen. + +Ik zal u -- beminnen. + +In de wereld van het -- kleine treft men ook wonderen aan. + +De zon is op een -- afstand van ons verwijderd. + +De gewesten der Unie besloten ten -- dage verbonden te blijven. + +Ik ben dat -- gebedel moede, en zal er dus voor goed een eind aan maken. + +Er bestaat een -- groot verschil tusschen deze beide karakters. + +Hij bleef maar tot in het -- doorredeneeren. + +Hij zwierf reeds jaren op de -- baren. + + +117. Begrijpen--beseffen--bevatten--verstaan. + +_Duidelijke kennis van iets hebben._ + +~Verstaan~ drukt alleen uit, dat de aangeboden kennis (het gehoorde, +gelezene enz.) ons geestelijk eigendom wordt, maar geeft niet aan, of +dit met of zonder moeite onzerzijds, geschiedt. _Druk je wat duidelijker +uit, ik ~versta~ je niet._ (Letterlijk zegt _verstaan_: bij iets blijven +staan, om het goed op te nemen; vandaar ook de beteekenis van goed +hooren: _Nog op grooten afstand kon men den spreker ~verstaan~._) + +~Bevatten~ en ~begrijpen~ hebben het bijdenkbeeld, dat men zich moeite +geeft om van iets kennis te krijgen, terwijl zij verder onderstellen, +dat men voor het verwerven van die kennis eenige scherpzinnigheid moet +bezitten. ~Bevatten~ duidt aan, dat de zaak voor ons verstand niet te +_groot_ is, dat men ze kan _omvatten_, terwijl ~begrijpen~ er op wijst, +dat de zaak zoo nabij ons ligt, dat wij ze kunnen _grijpen_, m.a.w. dat +zij voor ons verstand niet te _hoog_ gaat. _Ik ~begrijp~ maar niet, dat +hij zich tot dien stap heeft laten overhalen_ (dat gaat _boven_ mijn +begrip). _Niemand kan de wijsheid des Scheppers ~bevatten~_ (in al haar +omvang doorgronden, daarvoor is ons verstand te klein). _Bevatten_ is +dus sterker dan _begrijpen_. + +~Beseffen~ wil zeggen, dat wij met ons bewustzijn (besef) van iets +kennis krijgen, zoodat wij ons die kennis goed bewust zijn. _Hij +~besefte~, welk een verplichting hij op zich genomen had_, d.i. hij is +er zich ten volle bewust van; hij is er van doordrongen en overtuigd. + + * * * * * + +Hij houdt zich, alsof hij mijn bedoeling niet --. + +Hij -- zeer goed de kunst, om zich bij iemand ongemerkt in te dringen. + +Al -- wij volkomen, dat wij met die verklaring ons vele vijanden zullen +berokkenen, willen wij ons er toch niet door laten terughouden. + +Ons verstand is te klein om al de wonderen der schepping te --. + +Ik -- zeer goed, dat de dichter in dit stuk op Oldenbarnevelt zinspeelt, +al kan ik van alle bijzonderheden de eigenlijke bedoeling niet --. + +Hij -- maar niet, dat hij op die wijze zijn ondergang te gemoet gaat. + +Dit hoofdartikel is zoo geleerd geschreven, dat ik er niets van kan --. + + +118. Driftig--oploopend--opvliegend. + +_Spoedig zijn kalmte verliezend._ + +~Driftig~ duidt aan, dat men licht in drift geraakt (zie $Drift$); de +gemoedsbeweging is echter van geen langen duur. + +~Opvliegend~ en ~oploopend~ wijzen er op, dat men van nature geneigd is, +spoedig in groote drift (d.i. toorn) te ontsteken; het is dus meer een +karaktertrek. Hierbij heeft ~opvliegend~ meer kracht dan ~oploopend~; +vliegen is immers sterker dan loopen. Wie dus dikwijls en om geringe +oorzaken driftig wordt, is oploopend of opvliegend. + +Waarom kan men wel zeggen: hij _wordt_ driftig, maar niet hij _wordt_ +oploopend of opvliegend? + + * * * * * + +Bij het hooren van die tijding, maakte hij zich vreeselijk --. + +Mijn neef heeft een -- karakter: bij de minste oorzaak stuift hij +geweldig op. + +Ik ga niet graag met zulk een -- mensch om. + +Hoewel hij kalm van aard is, wordt hij toch ook wel eens --. + +Een onderwijzer, die -- van natuur is, is weinig geschikt voor zijn +betrekking. + + +119. Bedroefd--droevig--treurig--bedrukt. + +_Het tegengestelde van blijde, opgewekt._ + +~Bedroefd~ wijst aan, dat de oorzaak der droefheid buiten ons ligt. _Hij +is zeer ~bedroefd~ over het verlies van zijn vader._ + +~Droevig~ en ~treurig~ laten in het midden, of de gemoedstoestand door +oorzaken van buiten teweeg gebracht wordt, dan wel een gevolg is van +innerlijke gesteldheid. Den ~bedroefde~ kan men van zijn smart bevrijden +door hem het verlorene terug te geven, of wel die smart kan door +troostwoorden eenigszins gelenigd worden; de ~droevige~ of ~treurige~ is +eigenlijk niet voor troost vatbaar (men weet immers de oorzaak niet!), +hij kan alleen opgevroolijkt worden.--~Droevig~ verschilt hierin van +~treurig~, dat het een kortstondiger toestand dan treurig aanwijst; +treurig is dus sterker. _Hij is reeds lang ~treurig~ gestemd; het wordt +tijd, hem op te vroolijken.--Haar ~droevige~ stemming van gisteren is +weer geheel geweken._ + +~Droevig~ en ~treurig~ worden ook van zaken gebezigd, om aan te duiden, +dat zij door een droevige of treurige stemming gekenmerkt zijn, of zulk +een stemming veroorzaken. _Het waren ~treurige~ dagen, toen de oorlog +het land verwoestte en den grond met bloed drenkte.--Het was een +~droevig~ oogenblik, toen hij bij zijn vertrek naar de Oost van zijn +oude moeder afscheid moest nemen.--Onlangs is hier een ~droevig~ ongeluk +gebeurd._ (Een _treurig_ is sterker!) + +~Bedrukt~ wijst aan, dat iemand door zijn droefheid wordt terneergedrukt +en dit niet verbergt, zoodat zijn droefheid uit zijn houding blijkt, of +op zijn gelaat staat te lezen. _Toen ik hem ontmoette, zag hij zeer +~bedrukt~, zoodat ik aanstonds een onheil vermoedde._ + + * * * * * + +Het was voor ons een -- tijd, toen onze vader van oneerlijkheid +verdacht werd. + +Hij was zoo -- over den dood zijner vrouw, dat men voor +verstandsverbijstering vreesde. + +Het is een -- gezicht, als men op een blindenschool het jonge volkje +ziet zitten. + +Het is --, dat Christenen elkander nog den oorlog aandoen. + +Aan zijn -- gelaat zag ik reeds, dat hij niet geslaagd was. + +Hij was zoo -- te moede, dat hij in niets belang stelde. + +In Friesland heerschen nog -- toestanden. (Waarom niet _droevig_?) + +Hij was zoo -- over het slechte gedrag van zijn zoon, dat hij oud werd +voor zijn tijd. + +Zulke -- verhalen passen niet voor de dartele jeugd. + +Huibert kwam, -- van zinnen, Moeder Duifkes woning binnen. + + +120. Aanvaarden--aannemen--op zich nemen--ontvangen. + +_In het bezit van iets komen._ + +~Aannemen~ en ~ontvangen~ onderstellen, dat de zaak ons door een ander +wordt overgedragen; _aannemen_ drukt evenwel uit, dat men vrijwillig +van het voorwerp bezit neemt (actief), terwijl _ontvangen_ meer een +lijdelijk in bezit komen onderstelt. Men _ontvangt_ een wonde, maar men +_neemt_ ze niet _aan_. Men _ontvangt_ onderwijs (lijdelijk), maar men +_neemt_ iemands leerstellingen _aan_ (actief). Tegenover _ontvangen_ +staat dus _geven_, tegenover _aannemen_ kan men _aanbieden_, +_overdragen_ stellen. + +~Aanvaarden~ geeft evenals aannemen ook wel een vrijwillig inbezitnemen +te kennen, maar wijst er tevens op, dat die aanvaarding zekere plichten +van ons eischt, bijv. de regeering _aanvaarden_. Zoodra men dus de +verantwoording voor die plichten op zich neemt, zoodra men derhalve de +betrekking of waardigheid _begint_ uit te oefenen, _aanvaardt_ men +haar. _Hij heeft zijn benoeming tot voorzitter wel ~aangenomen~, maar +de functie nog niet ~aanvaard~._ Daar dit aanvaarden gewoonlijk met +eenige officiëele plechtigheid gepaard gaat (inhuldiging der Koningin, +installatie van een burgemeester), gebruikt men ~aanvaarden~ ook wel in +de beteekenis van aannemen, doch met het bijdenkbeeld van eenigszins +op plechtige wijze; wat aanvaard wordt, moet dus een zaak van belang +zijn, zoodat het in dit geval sterker of beleefder is dan aannemen. +_~Aanvaard~ dit geschenk mijner hoogachting. Ik ~aanvaard~ uw erkenning +van schuld._--Een geheel andere beteekenis heeft het woord in zinnen +als: een reis ~aanvaarden~, d.w.z. beginnen te ondernemen. + +~Op zich nemen~ duidt aan, dat men zich verbindt iets te doen en de +verantwoordelijkheid daarvan voor zijn rekening neemt; het bepaalt +zich meestal tot het volbrengen van een enkele daad, terwijl +~aanvaarden~ een voortdurende verantwoordelijke werkzaamheid onderstelt. +_Hij ~nam op zich~, de verzoening tusschen de beide partijen tot stand +te brengen._ (Na de verzoening was zijn taak afgeloopen.) + + * * * * * + +Hebt gij mijn rekening wel --? + +Hebt gij den brief, met strafporto belast, --? + +Zou hij het beschermheerschap onzer vereeniging willen --? + +De nieuw gekozen voorzitter -- de benoeming aan en -- terstond zijn +functie; ook heeft hij --, eenige nieuwe leden aan te werven. + +Ik verzoek u wel dit klein bewijs mijner erkentelijkheid te willen --. + +Bij dien volksoploop -- menigeen een sabelhouw. + +Ik --, u in zes maanden voor dat examen klaar te maken. + +Het was van hem een edele daad, geheel alleen de verantwoordelijkheid +voor het tekort --. + +Wanneer zullen wij den tocht --? + +Hij heeft een opdracht van de regeering --, om een onderzoek naar den +oorsprong dezer ziekte in te stellen, maar men gelooft, dat hij die +opdracht niet zal --. + +De secretaris --, den president bij de -- van diens waardigheid te +complimenteeren. + + +121. Zwerven--dolen--dwalen. + +_Heen en weer gaan of trekken._ + +~Dwalen~ duidt aan, dat men den rechten weg, die naar het doel +voert, verlaten heeft, hetzij uit onkunde, hetzij uit achteloosheid +(vergissing); in den regel zal men dan trachten het juiste pad terug te +vinden. _Toen ik in het bosch van u afscheid genomen had, was ik den weg +vergeten en heb langen tijd ~gedwaald~._ + +~Dolen~ wijst aan, dat men geheel zonder doel rondtrekt, zooals bijv. de +dolende ridders van voorheen, òf dat men zóózeer is verdwaald, dat de +goede weg onmogelijk weer te vinden is. Het is dus sterker dan ~dwalen~. +_Wacht u voor een ~dolenden~ gids._ + +~Zwerven~ wijst een heen en weer trekken aan, waarbij men niet lang op +dezelfde plaats blijft, gewoonlijk als gevolg van de omstandigheid, dat +men geen vaste woonstede heeft. Een _zwervende_ volksstam. _Door de +bosschen te ~zwerven~ is een genot._ (In dezen zin gebruikt men ook wel +_dwalen_, maar dit is minder juist; immers bij _dwalen_ denkt men aan +den juisten weg, dien men kwijt is, welke bijgedachte in _zwerven_ niet +ligt opgesloten.) Verklaar nu: + + Een donkre den bekroont den heuvelspits, + Een trotsche boom en de eenige in den omtrek. + Gelijk een vinger, wenkend wie daar _doolt_, + Wijst hij den weg den _afgedwaalden zwerver_. + (Hélène Swarth.) + + * * * * * + +Als de herder --, -- de schapen. + +Een marskramer leidt een -- leven. + +Don Quichot wilde evenals de -- ridder op avonturen uitgaan. + +Ik geloof, dat gij op den -- weg zijt vervallen. + +In vroegeren tijd hield men veel van een ingewikkelden --hof. + +De Israëlieten moesten langen tijd tot straf door de woestijn --. + +De afdeeling soldaten, die Amsterdam in 1650 moest verrassen, raakte op +de Gooische heide aan het --, zoodat de aanslag mislukte. + +Ik geloof, dat gij hierin --; een ander heeft, naar ik meen, het +weefgetouw uitgevonden. + + +122. Gemeen--laag--ruw--plat. + +_Wat ons fijn gevoel onaangenaam aandoet of kwetst._ + +~Gemeen~ is oorspronkelijk: wat aan allen eigen is, dus iets zeer +gewoons of alledaagsch (een ~gemeen~ soldaat); langzamerhand heeft +het echter het bijdenkbeeld gekregen van wat de onbeschaafde menigte +eigen is, zoodat het thans een zeer ongunstige beteekenis bezit, n.l. +schurkachtig, eerloos, liederlijk. _Een ~gemeene~ kerel is tot allerlei +schandelijke daden in staat._ + +~Laag~ is het tegengestelde van hoog, verheven, edel, en komt vrijwel +met gemeen overeen; het drukt vooral uit, dat iets met onze begrippen +van eer in strijd is. Een _lage_ daad is het bijv. een vriend een geheim +te ontlokken, om er zelf voordeel mee te doen. + +~Plat~ wijst aan, dat er geen verheffing is en ziet hoofdzakelijk +op den onkieschen vorm, waarin men zijn gedachten uitdrukt. _Het +is tegenwoordig bij vele schrijvers gewoonte om allerlei ~platte~ +uitdrukkingen uit den volksmond letterlijk weer te geven._ (Die +uitdrukkingen zijn op zich zelf niet kwaad bedoeld, maar zij doen ons +fijn gevoel toch onaangenaam aan.) Een _gemeene_ uitdrukking daarentegen +is niet alleen plat, maar ook hoogst onzedelijk: zij _kwetst_ ons +gevoel. + +~Ruw~ gebruikt men, wanneer onder het platte, onbeschaafde uiterlijk +toch een goede of edele kern verscholen ligt, evenals een ruwe diamant +een groote innerlijke waarde verbergt. Bijv. een matroos kan ruw zijn en +toch een edel hart bezitten. Wij herinneren aan het bekende gedicht van +Asschenberg. Een blinde man zit aan den weg te bedelen; een rijk, deftig +heer geeft den stumper een .... oortje (¼ stuiver); maar een matroos, +die juist zijn gage heeft ontvangen, werpt hem een handvol zesthalven +toe met den uitroep: »Daar, blinde bl....! dat is beter dan een oortje!" +De uitdrukking was in dit geval wel eenigszins plat, maar niet laag of +gemeen: zij was alleen _ruw_. Gemeen of laag zouden die woorden geweest +zijn, als de _rijke_ ze gebezigd had; zij hadden dàn den ongelukkige +immers als een bespotting in de ooren geklonken en hem pijnlijk moeten +aandoen. + + * * * * * + +Wie zijn besten vriend verraadt, handelt --. + +Menig dronkaard slaat niet zelden -- taal uit. + +Al zijn sommige uitdrukkingen uit de achterbuurten ook --, zij geven +niet zelden blijk van echten volkshumor. + +Justus van Maurik teekende meermalen een -- zeebonk, die toch ons hart +weet te stelen. + +Doodgaan van een mensch gezegd is --. + +Een -- Griek wees den vijand een korteren weg door het gebergte aan. + + +123. Neigen--hellen--overhellen--overhangen. + +_Een schuinen stand hebben._ + +~Hellen~ wijst eenvoudig aan, dat er een afwijking van den loodrechten +stand bestaat. _Deze muur ~helt~ naar links._ + +~Overhellen~ drukt het begrip iets sterker uit. _De toren begint +bedenkelijk ~over te hellen~._ + +~Overhangen~ is nog sterker; het wijst er op, dat het voorwerp reeds +bijna een horizontalen stand heeft gekregen en zoodoende zich boven een +andere plaats bevindt. _De ~overhangende~ takken zullen wij laten +kappen._ + +Alleen ~overhellen~ wordt figuurlijk gebruikt. _In den slag bij +Nieuwpoort bleef de strijd lang onbeslist, totdat eindelijk de +overwinning naar Maurits' zijde begon ~over te hellen~._ (Men denkt +hierbij onwillekeurig aan de balans, waarvan de tong overhelt. Werk het +beeld verder uit!) + +~Neigen~ beteekent: in schuine richting nader bij den grond brengen of +buigen, en komt vooral overgankelijk voor. _De bloemen ~neigden~ haar +hoofd. »~Neig~, o God, Uw gunstige ooren!"_ (De Hoogere buigt zich tot +den lagere.) + + * * * * * + +Toen hij in het water viel, greep hij zich nog bijtijds aan een -- tak +vast. + +De meening der vergadering was aanvankelijk verdeeld; ten slotte echter +begon de meerderheid naar verwerping van het voorstel --. + +De berg -- zoo steil naar het dal, dat hij slechts met moeite te +beklimmen is. + +De dag -- ten einde. + +Vroeger -- ook ik tot die meening over, thans ben ik tot andere +gedachten gekomen. + +In enkele straten -- de huizen zoover over, dat zij op u dreigen neer te +vallen. + +Reeds vroeg -- zijn hart zich tot het kwade. + +Kent gij de wetten van het -- vlak? + +Zijn heerschappij -- ten ondergang. + + +124. Durven--wagen--zich verstouten--zich vermeten. + +_Den moed hebben om iets, dat gevaarlijk of moeilijk is, te ondernemen._ + +~Wagen~ onderstelt, dat er aan de onderneming gevaar verbonden is en dat +de uitslag niet zeker is, daar er zich verschillende zwarigheden kunnen +opdoen, die men vooraf niet had kunnen voorzien. _De vluchteling stond +eensklaps voor een breeden afgrond; toch ~waagde~ hij den sprong om zijn +vervolgers te ontkomen._ + +~Durven~ wijst aan, dat men den moed bezit, om het gevaar kalm te +trotseeren of de mogelijke nadeelige gevolgen van zijn daad op zich te +willen nemen. _Niettegenstaande het _»verboden toegang"_ ~durfde~ hij +toch in het bosch te wandelen. Niemand ~durfde~ zich in het brandende +huis te ~wagen~._ (Verklaar beide woorden: durven en wagen!) + +~Zich verstouten~ wijst aan, dat men meer bij oogenblikkelijke opwelling +de vreesachtigheid overwint en dan moed voelt ontwaken. _Eerst ~durfde~ +ik niet over de zaak te spreken, maar later ~verstoutte~ ik ~mij~ en +zeide hem de waarheid vlak in zijn gezicht._ + +Gaat het ~zich verstouten~ gepaard met overschatting van zijn kracht, +zoodat de onderneming groot gevaar loopt te mislukken, dan spreekt men +van ~zich vermeten~; het heeft dus altijd een min of meer ongunstige +bijbeteekenis. _Een vorst, die ~zich vermeet~, de rechten des volks met +voeten te treden, ondermijnt zelf zijn troon._ + + * * * * * + +Wie niet --, die niet wint. + +Ik -- het u bijna niet te vertellen, wat hij van u gezegd heeft. + +Een oogenblik weifelde hij; toen echter -- hij zich eensklaps en -- den +gevaarlijken sprong. + +Hoe hij zich heeft -- --, zijn meerderen openlijk aan te vallen, kon +niemand zich begrijpen. + +Gij kunt op mijn medewerking niet rekenen; aan zulk een onderneming -- +ik niet mee te doen. + +Ik -- het, uw hulp in te roepen. + +Langen tijd verdroeg hij lijdelijk de spotternij zijner medeleden, tot +hij zich eensklaps -- hen een gevoelige afstraffing toe te dienen. + +Wie zou zich --, Gods wegen te willen doorgronden? + +»Goed zoo, ge--! om een buil niet geven, -- maar het harte, dan volgt +ook de voet!" (De Schaatsenrijder.) + + +125. Doorgaans--gewoonlijk--meestal. + +_Wat bijna zonder uitzondering gebeurt._ + +~Doorgaans~ zegt, dat iets in de meeste gevallen plaats heeft, dus +zonder veel uitzonderingen. _Wij logeeren ~doorgaans~ iederen zomer in +Baarn._ + +~Gewoonlijk~ is sterker; het wijst op een gewoonte, een regelmaat, +waarop zoo goed als geen uitzonderingen bestaan. _~Gewoonlijk~ ben ik 's +avonds tusschen 7 en 8 het best te spreken._ + +~Meestal~ is het zwakst; het onderstelt wel een regel, maar voegt de +gedachte er bij, dat er nog wel eens uitzonderingen voorkomen. _Hij komt +~meestal~ te laat op school._ (~Gewoonlijk~ is sterker!) + + * * * * * + +_Beproef, of in onderstaande zinnen meer dan één woord kan worden +ingevuld en geef in zulke gevallen telkens de gewijzigde beteekenis op._ + +De menschen stellen -- hun eigen belang boven dat van anderen. + +De vreemdelingen bezoeken -- de prachtige ruïne op den berg. + +In de zomervacantie hebben wij -- elken dag regen gehad. + +Na een vermoeiende reis heeft mijn zuster -- hoofdpijn. + +Op een natten zomer volgt -- een mooi najaar. + +Men vindt -- bij de hoogste standen het minste levensgeluk. + +Bij een westenwind komt er -- regen. + +Deze polders werden in den winter -- overstroomd. + +De wereld wil -- bedrogen zijn. + +»De ouderdom komt met gebreken, En wie zeven kruisjes telt, Weet er -- +van te spreken." + + +126. Volledig--volkomen--volmaakt. + +_Waaraan niets ontbreekt._ + +~Volledig~ wijst aan, dat alle leden (of deelen), waaruit iets bestaat, +aanwezig zijn. Een _volledige_ jaargang van »Eigen Haard". Niets is dus +weg of achtergehouden. + +~Volkomen~ beteekent, dat alle vereischte eigenschappen behoorlijk en +wel aanwezig zijn. Een _volkomen_ vierkant. + +~Volmaakt~ is in den volstrekten zin: vrij van eenig gebrek. God alleen +is _volmaakt_. Daar echter alle menschelijk werk gebreken aankleven, +zou er niets volmaakts op de wereld zijn; het woord wordt dan ook meer +figuurlijk gebezigd in den zin van uitstekend, zóó, dat iets het +volmaakte zeer nabij komt. Een _volmaakte_ gezondheid. Hieruit is het +te verklaren, dat volkomen en volmaakt dikwijls voor elkander gebruikt +worden: Een _volkomen_ gezondheid. + + * * * * * + +Dit verhaal schijnt mij niet -- toe. + +Dit verhaal verdient geen -- geloof. + +Hij was de -- ridder, dien men kende. + +Ik heb een -- verzameling van onze postzegels. + +Gij kunt -- op hem vertrouwen. + +Op de volksschool behandel ik de spraakkunst niet meer --. + +In deze klasse heerscht een -- orde. + +Hij lijkt -- op zijn vader. + +Ik ben het -- met u eens. + +De dief legde een -- bekentenis af. + + +127. Vlieten--vloeien--stroomen. + +_Beweging van niet-vaste stoffen._ + +~Vloeien~ duidt een zachte, kalme beweging van vloeistoffen aan: _Het +water ~vloeit~ over den grond.--De tranen ~vloeiden~ uit zijn oogen._ + +~Vlieten~ wijst een meer voortdurende, kalme beweging in dezelfde +richting aan, en wordt eveneens alleen van vloeistoffen gebruikt. Het is +iets sterker dan _vloeien_ en behoort bovendien meer tot de schrijftaal. +_De tranen ~vloten~ hem over de wangen._ + +~Stroomen~ duidt een sterker beweging dan vlieten aan en wordt ook van +gassen gebezigd. _De tranen ~stroomden~ hem over de wangen. De rivier +~stroomt~; het beekje ~vliet~. De lucht ~stroomt~ van alle kanten toe._ + +Verklaar nu de figuurlijke beteekenis van: Uit deze stelling _vloeit_ +voort, dat de buitenhoeken van een driehoek samen 10 rechte hoeken +vormen.--Het volk _stroomde_ van alle zijden toe. + + * * * * * + +Deze bron van inkomsten houdt weldra op te --. + +Ik hoor duidelijk het gas uit de kraan --. + +Zijn leven -- zacht en kalm daarheen. (Verklaar de teekenachtige +uitdrukking!) + +De golven -- in wilde vaart over den dijk. + +Een stille traan -- uit zijn oog. + +Hieruit -- nog niet voort, dat ik u zal aanbevelen. + +Kabbelend -- het beekje tusschen groene weilanden voort. + +Een dichte menigte -- naar het feestterrein. + + +128. Vleugel--vlerk--wiek. + +_Het lichaamsdeel om te vliegen._ + +~Vleugel~ zegt dit in het algemeen: zoowel vogels als insecten hebben +vleugels. Verder gebruikt men vleugel in figuurlijken zin om een vlugge +beweging aan te duiden. _De schrik hecht ~vleugelen~ aan zijn voet.--Op +~vleugelen~ der liefde kom ik tot u._ + +~Vlerk~ beteekent gewoonlijk een gevederde vleugel en kan dus letterlijk +alleen van vogels gebezigd worden. + +~Wiek~ is hoofdzakelijk beperkt tot de deftige figuurlijke taal en komt +dan met vleugel overeen: het middel om zich snel te verplaatsen: _Op +de ~wieken~ der verbeelding._ (Alleen in enkele spreekwijzen van het +dagelijksch leven komt wiek voor: bijv. kortwieken, klapwieken, op eigen +wieken drijven.) + + * * * * * + +De struisvogels hebben wel -- maar zij kunnen er niet mee vliegen. + +Op de -- des winds naderde ons het heerlijke gezang. + +»Bontge-- vlinders zweven in den nooitvolprezen Mei." + +Dedalus wilde op wassen -- naar de zon vliegen. + +Wat een paar prachtige -- bezit deze vogel. + +Hij verhief zich op de -- der verbeelding in hooger sfeer. + +De linker -- van dezen papegaai is verlamd. + +De vrees hecht -- aan haar voeten. + +Hij is niet in zijn -- geschoten. + +Beschermend breidde hij de -- zijner liefde over mij uit. + +De linker-- van het gebouw is verwoest. + + +129. Vernielen--verwoesten--vernietigen. + +_Een einde aan 't bestaan van iets maken._ + +~Verwoesten~ zegt letterlijk: wat te voren een regelmatigen aanleg had +woest (tot een woestijn) maken; bij uitbreiding van beteekenis duidt het +ook aan: iets in een puinhoop doen verkeeren. _Het geheele land werd te +vuur en te zwaard ~verwoest~.--Bij het bombardement werd de schoone +hoofdkerk geheel ~verwoest~._ + +~Vernielen~ heeft alleen betrekking op voorwerpen; het duidt aan, dat +de deelen van elkander gescheiden worden, zoodat het voorwerp geheel +verminkt en onbruikbaar gemaakt wordt. _Dat meisje heeft al weer haar +pop ~vernield~._ (Waarom niet _verwoest_? Waarom kan men niet zeggen: De +stad werd _vernield_?) + +~Vernietigen~ wil letterlijk zeggen: tot niet maken, dus zóó te werk +gaan, dat er niets overblijft. (Vernielen en verwoesten laten altijd nog +_iets_ achter.) Daar in de natuur geen volstrekte vernietiging denkbaar +is, gebruikt men het woord bij voorkeur in figuurlijken zin, om het te +niet doen van menschelijke instellingen of handelingen aan te wijzen. +_Het verdrag is weer ~vernietigd~._ In letterlijken zin komt het bijv. +voor in: _Ik heb uw brief ~vernietigd~_ (bijv. door verbranding); de +brief als zoodanig heeft daardoor geheel opgehouden te bestaan. Vandaar +dat het ook soms verdelgen beteekent: _De spreeuwen ~vernietigen~ veel +schadelijke insecten._ + + * * * * * + +De hagel heeft de boekweit --. + +De hagel heeft de hoop op een goeden oogst --. + +De Noormannen hebben vele steden in ons land --. + +De nieuwe graaf -- vele voorrechten, door zijn voorgangers geschonken. + +Foei, wat heb je dat boek verschrikkelijk --. + +De sijsjes -- veel kleine insecten. + +Bij den Beeldenstorm zijn vele kunstwerken --. + +Men heeft langs scheikundigen weg een groot deel der archiefstukken --. + +De uitbarsting van den Vesuvius heeft vier steden --. + +De storm -- een groot deel der visschersschepen. + +Napoleons krijgsmacht werd in de sneeuwvelden van Rusland grootendeels +--. + +De jenever heeft zijn gezondheid totaal --. + + +130. Overeenkomst--verdrag--verbond. + +_Het aangaan van wederzijdsche verplichtingen._ + +~Overeenkomst~ duidt aan, dat de belanghebbende partijen over de +voorwaarden tot overeenstemming zijn gekomen en zich verplichten, die te +zullen nakomen. _De schrijver heeft met den uitgever een ~overeenkomst~ +aangegaan omtrent het copierecht van dit werk._ + +Wordt zulk een overeenkomst tusschen twee min of meer vijandige partijen +(ook staten) gesloten, ten einde hun geschillen of belangen bij te +leggen of te regelen, dan spreekt men van ~verdrag~. _Na het ~verdrag~ +van Delft verloor Jacoba van Beieren allen invloed._ + +Wanneer personen of staten zich vereenigen om _een bepaald doel_ te +bereiken met in achtneming van zekere voorwaarden, dan spreekt men van +een ~verbond~. _Het Drievoudig ~Verbond~ redde ons land tijdelijk van +een oorlog met Frankrijk._ (Men zou Frankrijk, desnoodig, gezamenlijk +beoorlogen.) + +Opmerking. ~Overeenkomst~ heet in betrekking tot personen ook wel +_contract_ en in betrekking tot staten of vorsten _conventie_; ~verdrag~ +noemt men ook wel _tractaat_, en ~verbond~ heet soms _alliantie_, _unie_ +of _compromis_. + + * * * * * + +Deze makelaars hebben een -- getroffen, om een gelijk procent provisie +te rekenen. + +Door het -- der Edelen werd de partij van den opstand eensklaps zeer +sterk. + +Wij hebben met Frankrijk een nieuw handels-- gesloten. + +De stedelijke regenten tijdens de Republiek hadden geheime -- aangegaan +om elkanders bloedverwanten te bevoordeelen. + +Na het -- van Rastadt werden de vijandelijkheden gestaakt. + +Men zegt, dat deze twee staten een -- hebben gesloten om den invloed van +Engeland tegen te gaan. (Doel!) + +Naar men zegt, was er tusschen Engeland en Duitschland een geheime -- +aangegaan, om elkanders vijanden in geenen deele te steunen. + + +131. Uitdenken--verzinnen--verdichten. + +_Iets nieuws bedenken._ + +~Uitdenken~ wijst aan, dat men het gevondene uit verschillende reeds +aanwezige gegevens opzettelijk bedacht heeft en er zich op heeft +toegelegd een afgewerkt geheel te verkrijgen. Het heeft dus veel +overeenkomst met uitvinden, maar dit laatste onderstelt, dat ook het +bloote toeval den uitvinder kan helpen. _De beweegkracht voor die +machine is vernuftig ~uitgedacht~_ (d.w.z., uit de voorhanden gegevens, +n.l. de wetten van beweging, is deze nieuwe beweegkracht door het denken +gevonden). + +~Verzinnen~ onderstelt ook wel een inspannen van onze gedachten, maar +het wijst er vooral op, dat de fantasie de hoofdrol vervult. _Het kost +mij veel moeite, allerlei voorbeelden te ~verzinnen~._ Soms duidt +~verzinnen~ aan, dat een of andere bewering, die men voor waarheid +uitgeeft, geheel onwaar is. _Dit bericht is van het begin tot het einde +geheel ~verzonnen~._ + +~Verdichten~ wijst er met nadruk op, dat het verzonnene als louter +vrucht der verbeelding geen geloof verdient; men wil dus het verdichte +niet als waarheid uitgeven, zooals bij _verzinnen_ het geval is. _De +hoofdpersoon in dezen historischen roman is geheel ~verdicht~._ + + * * * * * + +Een zeker Duitsch officier Drais moet de fiets hebben --. + +De spreuk boven de deur is heel aardig --. + +Sommigen beweren wel eens, dat de koene daad van Jan van Schaffelaar +geheel -- is. + +Wat -- hij al niet, om mij zoo te belasteren! + +Hij heeft een nieuw middel --, om een trein in volle vaart in een +oogenblik te doen stilstaan. + +In de oudste geschiedenis van Rome is zeer veel --. + +Ik moet iets --, om mijn wegblijven te verontschuldigen. + + +132. Straffen--bestraffen--tuchtigen--kastijden. + +_Iemand doen boeten voor bedreven kwaad._ + +~Straffen~ zegt dit in het algemeen, dus zonder nadere aanduiding. _De +dief werd met 3 jaren gevangenis ~gestraft~._ + +~Bestraffen~ zegt, dat alleen een berisping (een afkeuring in woorden) +wordt toegediend, en heeft dus betrekking op mindere vergrijpen. _Voor +zijn lichtzinnig gedrag liep hij een ~bestraffing~ op._ + +~Tuchtigen~ en ~kastijden~ hebben de bijgedachte, dat men den gestrafte +wil verbeteren. ~Tuchtigen~ stelt de verbetering evenwel zoo goed +als onmogelijk voor en is dus min of meer een wraakneming, terwijl +~kastijden~ den gestrafte wel voor verbetering vatbaar acht. Bovendien +doet kastijden vooral aan lichamelijke straf denken. _De roofzuchtige +Kafferstammen werden door de Boeren meermalen ~getuchtigd~.--De vader +~kastijdde~ den ongehoorzamen knaap._ + + * * * * * + +De overtreder wordt met een geldboete --. + +Wie wèl bemint, -- zijn kind. + +De bediende ontving voor zijn onvoorzichtigheid een welverdiende --. + +Sommige monniken -- zich. + +Karel de Vijfde deed een tocht naar Algiers om de zeeroovers te --. + +Hij is voor zijn misdaad reeds zwaar genoeg --. + + +133. Smart--verdriet--hartzeer--leed. + +_Pijnlijke gemoedsaandoening._ + +~Smart~ is het pijnlijke gevoel, dat ons plotseling treft en hevig +aandoet. _De ~smart~ der ouders bij het vernemen van den dood van hun +kind is niet te beschrijven._ (In letterlijken zin beteekent smart: +lichamelijke pijn, maar wordt niet veel meer gebruikt.) + +~Verdriet~ is de onaangename stemming, die zich van ons meester maakt, +wanneer het een of ander onzen geest kwelt; het ziet dus meer op een +smart van langer duur. _De ouders hadden veel ~verdriet~ van hun zoon_ +(hij paste n.l. slecht op, en dit kwelde hen voortdurend). + +Is het verdriet nog heviger, zoodat ons lichaam er onder lijdt, dan +spreekt men van ~hartzeer~; hoewel dus sterker dan verdriet, wordt +het minder openlijk geuit, ja meestal in 't verborgen gedragen. _Uit +~hartzeer~ over het slechte gedrag van zijn zoon is de vader aan een +uitterende ziekte gestorven._ + +~Leed~ is het kwaad, dat ons smartelijk treft, hetzij doordat het onze +hoop teleurstelt, of ons met rouw vervult; het doet ons dus korter of +langer tijd ~lijden~. _Moge God U voor dat ~leed~ bewaren_ (bijv. het +verlies van een kind). + + * * * * * + +In diepe -- stonden de nabestaanden om het lijk geschaard. + +Van -- over het verlies van zijn goeden naam is hij gestorven. + +Het deed hem innig --, dat hij op de begrafenis niet tegenwoordig kon +zijn. + +Met -- hebben wij den dood van onzen vriend vernomen. + +Hij is sedert eenigen tijd zeer neerslachtig; men kan duidelijk zien, +dat hij -- heeft. + +Het --, dat men den gevangen vrouwen aandeed, is te onmenschelijk om het +te beschrijven. + +Met stille berusting droeg hij het --, dat hem wedervoer. + +Hoezeer zijn binnenste door -- verteerd werd, liet hij niets van zijn +nameloos -- blijken. + +Het huwelijk met dien eerloozen bedrieger werd haar een bron van --. + + +134. Behoedzaam--voorzichtig--omzichtig. + +_Met overleg te werk gaande, om gevaar (schade) te vermijden._ + +~Behoedzaam~ duidt aan, dat men in gevaarlijke omstandigheden op zijn +hoede is om zich voor schade te vrijwaren. Men zorgt zooveel mogelijk +alles te voorkomen, wat het gevaar kan doen toenemen, terwijl men gereed +is om, mocht het gevaar ons naderen, het zooveel doenlijk af te weren. +_~Behoedzaam~, met het geladen geweer in de hand, naderde hij het hol +van den leeuw._ + +~Voorzichtig~ wijst aan, dat men zooveel mogelijk alle gevaren voorziet, +die zouden kunnen ontstaan; daardoor kan men zijn handelingen zóó +richten, dat men het gevaar tracht te ontgaan. _Hij was ~voorzichtig~ +genoeg om zich niet terstond door een belofte te verbinden. Gij moet het +~voorzichtig~ behandelen_, d.i. alle voorzorgen in acht nemen, dat het +voorwerp niet breekt. + +~Omzichtig~ is hij, die te midden van gevaren naar alle kanten om zich +ziet, of er soms gevaar dreigt. Het heeft dus eenigszins de beteekenis +van behoedzaam, maar het is nog sterker. + +De voorzichtige berekent vooraf de kansen, de behoedzame is zelden +voortvarend, de omzichtige is vaak wantrouwend. (Verklaar de +eigenschappen!) + + * * * * * + +De dief was -- genoeg, om zich vooraf een masker voor te doen; hij liep +-- den tuin door om op alle verdachte geluiden te letten, en eindelijk +klom hij -- het venster binnen. + +Er waait een gure wind; gij moogt dus wel -- zijn en u warm aankleeden. + +Bij het kiezen van uw vrienden moet gij -- te werk gaan. + +Wij hebben de weduwe -- den dood van haar echtgenoot medegedeeld. + +De sluipmoordenaar naderde -- zijn slachtoffer, om hem niet te wekken. + +In gevaarvolle tijden is een -- leidsman noodig. + +De orang-oetan klimt meestal langzaam en --, maar tevens met groote +zekerheid. Wil hij van den eenen boom in den anderen komen, dan slingert +hij zich er -- heen. + + +135. Altijd--altoos--steeds--immer--gedurig. + +_Wat zonder ophouden of uitzondering geschiedt._ + +~Altoos~ en ~altijd~ zeggen dit zoowel van het verledene als van het +toekomende: _Hij is ~altijd~ een braaf man geweest en zal het ~altoos~ +blijven._ Hoewel beide woorden meestal geheel zonder onderscheid in +beteekenis voor elkander gebruikt worden, schijnt ~altoos~ meer het +begrip van herhaling, en ~altijd~ dat van voortduring aan te duiden. +_Ik heb dien hond wel twintigmaal weggejaagd, maar hij komt ~altoos~ +weer terug. Ik zal u ~altijd~ dankbaar blijven._ Bovendien begint +_altoos_ meer en meer uit de schrijftaal te verdwijnen; zelfs in de +spreektaal komt het niet meer zoo vaak voor. + +Evenals ~altijd~ ziet ook ~steeds~ op een onafgebroken voortduring +zoowel in 't verleden als in de toekomst. Hoewel het in spreektaal +gewoonlijk en in de schrijftaal vaak door ~altijd~ vervangen wordt, is +het toch iets sterker dan ~altijd~. Het is n.l. met de bijwoordelijke +_s_ afgeleid van 't oude bijv. nw. _stede_ (verwant met _stad_), dat +~vast~, ~bestendig~ beteekende. Vandaar geeft ~steeds~ een onafgebroken +voortduring te kennen, die van standvastigheid, bestendigheid, +duurzaamheid getuigt, en wordt dus bij voorkeur in _goeden_ zin +gebezigd. _Hij was mij ~steeds~ getrouw_ (niet bijv.: _~steeds~ +ontrouw_). Dit is dus iets sterker dan: _Hij was mij ~altijd~ getrouw_, +daar _steeds_ de bestendigheid nog sterker doet uitkomen. + +~Immer~ ziet uitsluitend op de toekomst en duidt dan (sterker nog dan +altijd) een onafgebroken voortduring der werking aan: _Ik zal u ~immer~ +getrouw blijven._ + +~Gedurig~ duidde oorspronkelijk óók het begrip van onafgebroken +voortduring aan, maar beteekent thans meer een herhaling der werking en +is dan minder sterk dan altoos. _Hij komt ~gedurig~ hier._ + +Wij zien dus, dat met uitzondering van ~gedurig~ in zijn tegenwoordige +beteekenis het woord ~altijd~ in alle gevallen kan gebruikt worden. Denk +daaraan bij de volgende zinnen. + + * * * * * + +Ik heb het hem wel honderdmaal verboden en toch doet hij het -- weer. + +Ik zal mijn woord -- gestand doen. + +Ik vind het vervelend, dat hij mij -- lastig komt vallen. + +In dien storm heb ik -- aan u gedacht. + +Men moet -- zijn plicht doen. + +Als gij zoo kort in de buurt komt wonen, moet gij mij -- eens opzoeken. + +Ofschoon ik u ga verlaten, zal ik toch -- aan u denken. + +Als ik hem iets vraag, geeft hij mij -- een norsch antwoord. + +Hij vatte -- weer het plan op, om uit de gevangenis te vluchten. + +Ik heb het -- wel gezegd, dat hij niet te vertrouwen is. + +De koning was -- door een drom laaghartige vleiers omringd. + + +136. Intrekken--afschaffen--herroepen. + +_Een bestaande verordening of gewoonte te niet doen._ + +Geschiedt de tenietdoening door een bepaald persoon of door de overheid, +dan gebruikt men ~intrekken~ of ~herroepen~, terwijl ~afschaffen~ +aanduidt, dat vooral de veranderde tijdsomstandigheden veel invloed +op het te niet doen uitoefenen. Men gebruikt daarom ~afschaffen~ +vooral van gebruiken, gewoonten of instellingen, die verouderd zijn. +_De Oudhollandsche kermis wordt meer en meer ~afgeschaft~._ Daarentegen +gebruikt men ~intrekken~ en ~herroepen~ van wetten, besluiten, woorden, +enz., waarbij een bepaalde persoon betrokken is. ~Herroepen~ onderstelt +vaak (niet altijd) een dwang van anderen, terwijl ~intrekken~ meer +een handeling uit eigen beweging aanduidt; bovendien wordt intrekken +steeds gebezigd van voorstellen, die nog niet tot wet verheven zijn. +~Herroepen~ wijst er op, dat iets vroeger is uitgeroepen, luide +verkondigd, wat ~intrekken~ niet onderstelt. _Hij moest zijn lasterlijke +beschuldiging openlijk ~herroepen~. Bij de troonsbestijging van Karel +II werd de Acte van Seclusie ~ingetrokken~._ (Zij was vroeger in 't +geheim uitgevaardigd, niet openlijk afgekondigd.) + + * * * * * + +Na de bevrijding van de Fransche overheersching werd de censuur weer --. + +Men wilde hem dwingen zijn leerstellingen te --. + +De voorgestelde wet op het lager onderwijs zal worden --. + +Het zoogenaamde »plukgeld" (opcenten bij verpachtingen) is reeds in vele +streken --. + +Uit eigen beweging heeft hij zijn lasterlijke woorden --. + +Door den graaf werden bij de aanvaarding van zijn regeering verscheidene +privilegies --. + +Men dwong den lasteraar openlijk zijn beschuldiging te --. + +Na de -- van het Edict van Nantes kwamen zich hier vele vluchtelingen +vestigen. + +Bij de komst der Franschen werd de pijnbank --. + +De hinderlijke bepalingen op het wielrijden werden --. + + +137. Achteloos--onachtzaam--onoplettend--slordig. + +_De noodige zorg missende._ + +~Achteloos~ en ~onachtzaam~ geven aan, dat men op zijn zaken of plichten +niet voldoende acht geeft; onachtzaam slaat op een bepaald geval, op een +_fout_, terwijl achteloos op een gewoonte, een _gebrek_ wijst. _Uit +~onachtzaamheid~ stiet hij het glas van de tafel. Van iemand, die zoo +~achteloos~ als hij is, kan men geen degelijk werk verwachten._ + +~Onoplettend~ is hij, die niet opmerkzaam is op hetgeen hij doen moet; +hij heeft zijn aandacht niet bij de zaak en loopt er te vluchtig over +heen. _Als hij zoo ~onoplettend~ werkt, zal hij zich voortdurend +vergissen._ + +Is iemand achteloos uit traagheid of onordelijkheid, zoodat hij zijn +zaken niet voldoende behartigt, dan noemt men hem ~slordig~; het is nog +sterker dan achteloos. _Deze ontvanger is een ~slordig~ administrateur: +zijn boeken zijn nooit in orde._ + + * * * * * + +Als gij zoo -- met uw geldzaken zijt, zult gij spoedig arm zijn. + +De cipier was zoo --, dat de gevangene gemakkelijk kon ontsnappen. + +Het is geen wonder, dat hij zijn zaken weer in de war heeft gestuurd; +hij is er -- genoeg voor. + +Uit zijn -- kleeding blijkt voldoende, dat hij -- van aard is. + +Hij heeft zoo -- toegezien, dat hij niet eens mijn heengaan bemerkte. + +Waarom zijt gij zoo -- geweest, dat gij bij uw vertrek de deur niet hebt +gesloten? + + +138. Afgunst--wangunst--nijd--naijver. + +_Leedgevoel over het geluk van anderen._ + +~Naijver~ drukt dit het zachtst uit; het onderstelt dat men mededingers +heeft, die men voorbij wil streven. _In zijn ~naijver~ op den bijval, +dien zijn kunstbroeders inoogstten, liet de clown zich tot een +gevaarlijken sprong in den circus verleiden._ + +~Afgunst~ duidt aan, dat men aan een ander niet gunt, wat hij bezit of +ontvangt, terwijl ~wangunst~ bovendien te kennen geeft, dat men hetgeen +een ander ten deel valt, zelf wenscht te bezitten. + +~Nijd~ is nog sterker dan wangunst; het wijst aan, dat iemands welvaart +oorzaak is, dat men hem óók nog een kwaad hart toedraagt. (Vergelijk: +brood~nijd~!) + +_Hoe hooger hij in de gunst des konings steeg, hoe meer hij daardoor +de ~afgunst~ der overige hovelingen opwekte._ Sterker zou in dezen +zin _nijd_ zijn, immers dan duidde men aan, dat de hovelingen hem ook +vijandig gezind waren en hem misschien wel ten val zochten te brengen. +_Wangunst_ zou gebruikt moeten worden, als de hovelingen in zijn plaats +wilden komen. + + * * * * * + +De kleine Willem was boos, dat zijn zusje van haar peettante een mooie +pop gekregen had; uit -- greep hij de pop af en wierp ze in het water. + +Uit -- over de toenemende klandizie van zijn concurrent ging de +winkelier hem van vervalsching der waren betichten. + +Uit -- sloeg hij al zijn waren in prijs af, om zijn concurrent diens +klanten afhandig te maken. + +De onderlinge --, die er tusschen de groote mogendheden bestaat, is voor +de kleine staten een der voornaamste waarborgen hunner zelfstandigheid. + + +139. Laken--berispen--gispen--vitten--bedillen. + +_Een afkeurend oordeel vellen._ + +~Laken~ zegt, dat iets onvoorwaardelijk is af te keuren en heeft +hoofdzakelijk betrekking op handelingen, niet op de personen zelf. _Zijn +onbetamelijk gedrag werd door ieder ~gelaakt~._ + +~Berispen~ heeft de bijgedachte, dat een meerdere zijn mindere diens +verkeerde handelingen onder 't oog brengt en hem in afkeurende woorden +daarover bestraft; het wordt dus van de personen zelf gezegd. _De +onderwijzer ~berispte~ den leerling over het slordige werk._ + +~Gispen~ (d.i. met een gisp of roede slaan) geeft te kennen, dat men +in scherpe bewoordingen iemands handelingen afkeurt of hekelt. _Het +opzettelijk beleedigen van den gezant, waartoe de minister zich had +laten verleiden, werd door de vredespartij streng in hem ~gegispt~._ +(Het komt hoofdzakelijk alleen in de schrijftaal voor.) + +~Bedillen~ wijst aan, dat men op iemands doen en laten kleingeestige +aanmerkingen maakt uit zekere zucht om zich met alles te bemoeien. _Zijn +afkeurende critiek behoeft gij u niet aan te trekken: hij staat algemeen +bekend als iemand, die iedereen wil ~bedillen~._ + +Ontstaat de afkeuring uit afgunst en ontaardt zij in een breed uitmeten +van allerlei nietigheden of kleine gebreken, dan spreekt men van +~vitten~. _Ik had wel gedacht, dat hij op dit boek zou gaan ~vitten~: +hij is jaloersch op den opgang, dien het maakt._ + + * * * * * + +Het valt zonder twijfel in hem te --, dat hij zijn ouders niet beter +ondersteunt. + +De klerk had een paar kantoorgeheimen verklapt, en werd daarover door +zijn patroon ernstig --. + +Mijn buurman is het nooit naar den zin te maken; hij wil iedereen -- en +heeft op alles wat te --. + +In zijn rede heeft deze spreker de weifelende houding van het bestuur +ernstig --. + +De minister wilde den ambtenaar nog niet terstond ontslaan, maar heeft +hem eerst openlijk --. + +Als gij zoo gaat --, begrijpt iedereen, dat wangunst u drijft. + + +140. Bedaard--rustig--bezadigd--kalm. + +_De toestand, waarin de hartstochten geen heerschappij voeren._ + +~Rustig~ is hij, die weinig beweging maakt, die niet opgewonden is, die +zoowel innerlijk als uiterlijk rust geniet; hij acht zich geheel veilig +en leeft in dat bewustzijn stil voort. _Een ~rustige~ slaap; een +~rustig~ leven._ + +Wie ~bezadigd~ is, windt zich niet spoedig op; de omstandigheden hebben +weinig invloed op zijn gemoedstoestand; hij is in staat rustig over de +zaken na te denken en laat zich niet door zijn hartstocht verblinden. +_Hij heeft in een ~bezadigd~ artikel zijn meeningen uiteengezet, zoodat +zelfs zijn tegenpartij het met waardeering bespreekt._ + +~Kalm~ doet denken aan het water, dat niet door storm opgezweept +of bewogen wordt. Het duidt een rustige gemoedsgesteldheid aan als +gevolg van het zwijgen der hartstochten, zoodat alle heftigheid verre +blijft. _Hij ontsliep zacht en ~kalm~_ (d.i. zonder heftigheid van den +doodstrijd). _Hij dacht ~kalm~ na, over hetgeen hem na die ramp te doen +stond._ + +~Bedaard~ is hij, die evenals de natuur na een storm of onweer tot rust +gekomen is, bij wien de hartstochten hebben uitgewoed; alle heftigheid +is voorbij, zijn uiterlijk en zijn doen teekenen rust. _In een vloed van +scheldwoorden gaf hij zijn gemoed lucht; daarna wandelde hij ~bedaard~ +verder. Mijn oom is nu een ~bedaard~ mensch, maar vroeger was hij altijd +druk en opgewonden._--Soms wijst ~bedaard~ niet op een voorafgaande +heftigheid, doch drukt men er mee uit, dat iemand op bewonderenswaardige +wijze zijn hartstochten weet te bedwingen. _Hij hield zich ~bedaard~, +hoezeer het in hem kookte._ (~Kalm~ is hier niet op zijn plaats; de +hartstocht der woede immers beroerde wel degelijk zijn gemoed; kalm was +hij dus niet, maar wel bleef hij ~bedaard~.) + +Wat is nu het verschil tusschen deze zinnen: »_~Kalm~ hoorde hij de +beleediging aan_" en »_~Bedaard~ hoorde hij de beleediging aan_"? + + * * * * * + +De zieke genoot een -- slaap. + +Ik heb hem als een -- man leeren kennen, hoezeer men hem als een vurig +ijveraar had afgeschilderd. + +In die -- omgeving zal hij wel spoedig -- worden. + +Als gij u -- houdt, wil ik u alles mededeelen, wat hij heeft gezegd. + +In den politieken strijd laat men zich licht opwinden, en toch is het +noodig, dat men -- blijft om -- over zijn tegenpartij te kunnen +oordeelen. + +Zijn hoonende woorden griefden mij zóó, dat het mij moeite kostte -- te +blijven. + +Gij moet een -- en -- leven leiden, of uw kwaal zal spoedig verergeren. + +Toen de leeuw zijn vervolgers bemerkt had, liet hij een doordringend +gebrul hooren; daarna wachtte hij -- hun nadering af. + + +141. Barst--scheur--spleet--kloof. + +_De verbreking van den onderlingen samenhang._ + +~Barst~ duidt aan, dat er wel een scheiding tusschen de deeltjes +bestaat, maar dat er nog geen zichtbare opening is; de bedoelde +scheiding kan zelfs tot een kleine oppervlakte beperkt blijven. _Een +~barst~ in een glas._ + +Worden de deelen door scheuren, d.i. door een zekere kracht vaneen +getrokken, dan ontstaat een opening, een ~scheur~: _een ~scheur~ in een +jas; een ~scheur~ in het ijs_. + +Is de opening door splijten ontstaan, dus door grooter krachtsaanwending +dan scheuren, dan spreekt men van ~spleet~; een spleet is dus grooter, +wijder dan een scheur. _Een diepe ~spleet~ in de rots._ + +~Kloof~ geeft te kennen, dat de opening wijd is en gaapt: _een breede +rots~kloof~_. + +~Scheur~ zegt men van harde, zoowel als van zachte stoffen: een ~scheur~ +in glas, in linnen, in hout, in den kleigrond; ~kloof~ en ~spleet~ +alleen van harde voorwerpen (rotsgronden), terwijl ~barst~ gebruikt +wordt van harde, maar toch broze stoffen: glas, ijs; dus niet van +papier, linnen, enz. + + * * * * * + +Kijk eens goed, ik geloof, dat er in dit mooie glas een -- is. + +Het ijs toonde wel eenige --, maar het was toch wel te berijden. + +De -- in het ijs zal men van nacht moeten volgieten. + +De japon bleef aan een spijker haken en kreeg een leelijke --. + +De berg zat vol overlangsche --. + +De vluchteling verschool zich in een diepe --. + +De muur van dit huis vertoont bedenkelijke --. + +Ik meen aan den klank te hooren, dat de groote torenklok een -- heeft. + + +142. Ambacht--beroep--bedrijf--handwerk--nering. + +_Al deze woorden worden gebruikt, om een kostwinning aan te duiden._ + +~Beroep~ is het algemeenst en tevens de vereerendste uitdrukking; het +sluit het bijdenkbeeld in, dat men er voor geleerd of gestudeerd heeft +en door een benoeming of aanstelling als 't ware er toe geroepen is. Het +ziet meer op geestes- dan op handenarbeid. Advocaat, dokter, onderwijzer +hebben dus een beroep. (Zie ook 143.) + +~Ambacht~, ~bedrijf~ en ~handwerk~ duiden meer lichamelijken arbeid aan. +Bij ~handwerk~ denkt men aan arbeid, die door de handen wordt verricht +en waarbij het vooral op kracht en vaardigheid aankomt: houtzagen, +klompenmaken, nettenbreien.--~Ambacht~ onderstelt, dat men een zekere +bekwaamheid bezit, die men door oefening of nadenken langzamerhand heeft +verkregen; ook omvat het meer verscheidenheid van werkzaamheden; men +moet het leeren en het staat dus hooger dan handwerk.--Een ~bedrijf~ +onderstelt een arbeid, die verscheidene verwante zaken omvat, bijv. het +boerenbedrijf. + +~Nering~ ziet op een kostwinning, die door handel wordt verdiend, zooals +bijv. bij kruideniers. + +Soms heeft ~beroep~ ook de ruimere beteekenis van ambacht, nering, enz.; +bijv.: hij is van beroep timmerman. In dit geval wordt de kostwinning, +die wij hierboven een beroep noemden, een ~ambt~ geheeten. (Zie no. +143.) + + * * * * * + +Zeg nu, wie der volgende personen een ambacht, beroep, bedrijf, handwerk +of nering uitoefent: een notaris, een smid, een stratenmaker, een +theehandelaar, een aannemer, een sigarenmaker, een bloemist, een +fabrikant van diamanten. + + +143. Ambt--waardigheid--bediening--post. + +_Maatschappelijke betrekkingen, waartoe men door de bevoegde macht is +aangesteld._ + +~Ambt~ onderstelt, dat voor de betrekking een zekere mate van kennis en +ervaring noodig is en waarvoor men dus meestal een examen moet hebben +afgelegd; men wordt in elk geval door de overheid of bevoegde macht +toe benoemd.--~Bediening~, hetwelk oorspronkelijk aanduidt, dat men +als ondergeschikte in iemands dienst staat, heeft nu een meer verheven +beteekenis en wordt hoofdzakelijk van een predikant gezegd, hoewel +ook deze een ambt bekleedt, n.l. het predikambt.--Bij het woord +~waardigheid~ denkt men vooral aan de eer en het aanzien, die aan de +betrekking verbonden zijn: een minister, een commissaris der Koningin +bekleeden een waardigheid.--~Post~ ziet meer op een betrekking, waarbij +het vooral op vertrouwen aankomt. Toch wordt het vaak geheel gelijk +met ambt genomen: _Hij bekleedde jarenlang een eervollen ~post~._ Soms +stelt het ook het voordeelige van een betrekking op den voorgrond: _Een +vette ~post~._ + + * * * * * + +Een griffier bekleedt een --. + +De voorzitter der Staten-Generaal bekleedt een --. + +De Rijksontvanger bekleedt een -- of --. + +De predikant neemt een -- waar of bekleedt een --. + +De familie-regenten schonken alle voordeelige -- aan hun verwanten. +(Waarom hier niet waardigheid of ambt?) + +De notaris werd uit zijn -- ontzet. + +Aan den Prins werden alle -- zijner voorvaderen erfelijk opgedragen. + + +144. Wachten--verwachten--afwachten--verbeiden. + +_Op dezelfde plaats of in denzelfden toestand blijven, totdat iets +gebeurt._ + +~Wachten~ geeft dat blijven op dezelfde plaats zonder nadere aanduiding +aan. _Ik ~wachtte~ voor het hek, tot de trein voorbij was._ + +~Verwachten~ onderstelt, dat men met zekere belangstelling (verlangen, +vrees) uitziet, naar hetgeen gebeuren zal en dat men daarop min of meer +stellig rekent. _Ik ~verwacht~ ieder oogenblik mijn vader. Ik ~verwacht~ +een ongeluk._ + +~Verbeiden~ drukt hetzelfde uit, maar geeft tevens nog aan, dat men met +innig verlangen de gebeurtenis tegemoet ziet; het behoort alleen tot den +deftigen stijl. _De ~langverbeide~ dag was eindelijk gekomen._ (Waarom +kan men dus niet zeggen: De langverbeide _ramp_ was eindelijk gekomen?) + +Bij ~afwachten~ denkt men aan wachten, tot iets komt of iets gebeurt +en wel met eenige zekerheid. Wanneer men een bezoek _afwacht_, wacht +men zonder iets anders te doen, totdat de bezoekers komen, om op dat +oogenblik gereed te zijn en hen naar behooren te ontvangen. _Verwacht_ +men bezoek, dan ziet men gedurig (met belangstelling) eens uit, of +de gasten komen, terwijl men op hun bezoek rekent, door zich bijv. +behoorlijk te kleeden, maar men blijft niet (zooals bij afwachten) +op hen zitten wachten, daar men niet volkomen zeker van hun komst +is.--~Afwachten~ wijst, figuurlijk gebruikt, op een geduldig wachten +tot het einde toe, terwijl ~verwachten~ meer op het vooruitzien zelf +slaat. _Gij moet altijd kalm den uitslag ~afwachten~: dikwijls is hij +gunstiger, dan gij hadt durven ~verwachten~._ + +Ook heeft ~afwachten~ soms de beteekenis van _zich laten welgevallen_ of +_verdragen_: _Uw bevelen verkies ik niet ~af te wachten~._ + + * * * * * + +Laten wij hier zoolang --, tot de bui overgetrokken is. + +Laten wij hier de bui --, wij blijven er droog. + +Hoelang hebt gij op mij --? + +O zaal'ge stond, zoo lang --! + +De stoutmoedige jager waagde het, de nadering van den leeuw kalm --. + +Ik had --, dat hij boos op mij zou zijn. + +Heel het volk -- de ure, die de verlossing brengen zou. + +Eens voor al gezegd: ik wil geen complimenten --. + +Gij kunt gerust komen, ik zal uw bezoek gaarne --. + +Toen ik daar op den trein stond te --, om de komst van den vorst --, had +ik niet --, dat uw broer er ook zijn zou. + + +145. Afkeeren--afleiden--afwenden--aftrekken. + +_Van richting doen veranderen._ + +~Afkeeren~ onderstelt, dat de richting veranderd wordt, doordat men het +naderende voorwerp weet te doen _keeren_, d.i. draaien in tegengestelde +richting. Ook _wenden_ beteekent wel keeren of draaien, maar meer in een +zijdelingsche richting. _Een gevaar ~afkeeren~_ wil dus zeggen: maken, +dat het zich weer in tegengestelde richting van ons verwijdert, of dat +het teruggaat; _het gevaar ~afwenden~_ beteekent: het gevaar een andere, +zijdelingsche richting geven, zoodat het niet ons, maar mogelijk wel een +ander treft. ~Afkeeren~, dat dus een rechtstreeksch optreden, een +afdoenden maatregel onderstelt, is derhalve sterker dan ~afwenden~; +hierbij toch blijft feitelijk het gevaar bestaan. + +~Afleiden~ is ook wel een andere richting aan iets geven, doch wijst een +langzame, bijna ongemerkte richting aan; de beweging blijft wel bestaan, +doch men leidt ze, zooals men ze verlangt. _Toen zij in haar onderhoud +die onaangename zaak dreigde aan te roeren, wist hij behendig het +gesprek daarvan ~af te leiden~._ + +~Aftrekken~ is sterker dan afleiden; het wijst niet alleen aan, dat de +richting geheel wordt verlaten, maar ook, dat dit met meer of minder +kracht geschiedt. (Denk aan _trekken_!) _Hij heeft zich van de wereld +~afgetrokken~, om zich aan godsdienstige overpeinzingen te wijden._ + + * * * * * + +Het gevaar voor een vijandelijken inval werd --, doordat de regeering de +grenzen geducht liet versterken. + +Het gevaar, dat ons huis door de vlammen zou worden aangetast, werd --, +doordat de wind draaide. + +Mijn aandacht werd door dit tooneel zoo --, dat ik niet meer op mijn +gezelschap lette. + +Om verdere overstrooming te voorkomen, zal men een een gedeelte van het +rivierwater --. + +Gij moet trachten zijn treurige gedachten wat --. + +Na zooveel ondankbaarheid van zijn gunsteling te hebben ondervonden, +heeft de vorst zich geheel van hem --. + +Het voetvolk -- den aanval der ruiterij af, doch hiermee was alle gevaar +voor het leger niet --. + + +146. Afschrijven--naschrijven--overschrijven--uitschrijven. + +_Een afschrift maken of copiëeren._ + +Bij ~afschrijven~ denkt men aan het maken van afschriften van +belangrijke geschreven of gedrukte stukken; ~naschrijven~ wijst aan, +dat gedeelten van geschreven of gedrukte werken door een auteur +worden overgenomen, om ze als eigen werk uit te geven (plagiaat); +~overschrijven~ gebruikt men voor het in het net schrijven van hetgeen +men reeds in klad heeft gemaakt, of niet netjes genoeg heeft geschreven. +~Uitschrijven~ ziet op het overnemen van belangrijke gedeelten uit een +boek of handschrift, om er later zoo noodig gebruik van te maken. (In de +schoolwereld gebruikt men vaak het woord, als een leerling een gedeelte +uit een boek moet copiëeren, hetzij tot straf, hetzij om zuiver te +leeren schrijven.) + + * * * * * + +De kantoorklerk moest de koopakte tweemaal --, daar elk der beide +partijen een copie wilde hebben. + +Men beschuldigt dezen auteur, dat hij wel het derde deel van zijn boek +heeft --. + +Ik vind deze studie van prof. Fruin zoo belangrijk, dat ik er een groot +deel van heb --. + +Deze jongen had zijn werk zoo slordig gemaakt, dat hij het moest --. + +Je zoudt me een groot pleizier doen, als je dit oude handvest +(privilegie) voor mij woordelijk in Latijnsche letters wilde --; ik kan +het Gotisch schrift moeilijk lezen. + +De leerling had de regels voor de vervoeging zoo slecht geleerd, dat hij +ze tienmaal moest --. + + +147. Aantreffen--ontmoeten--tegenkomen--vinden. + +_De aanwezigheid van iets of iemand opmerken._ + +~Vinden~ zegt meestal, dat men opzettelijk naar die aanwezigheid zocht. +_Na lang zoeken, heb ik hem eindelijk ~gevonden~._ Soms is ook de +bijgedachte van zoeken geheel verdwenen. ~Aantreffen~ geeft meer een +toevallig samentreffen aan: _Ik dacht hem in het bosch te vinden en ik +~trof~ hem op het station ~aan~._ Duidelijk komt het verschil uit in +een zin als deze: _Ik heb hem den geheelen dag gezocht en ik ~trof~ hem +bij zijn oom ~aan~._ (Hier had ik hem niet verwacht te vinden.) _Ik heb +hem den geheelen dag gezocht en hem eindelijk bij zijn oom ~gevonden~._ +(Hier wordt gezegd, dat ik ook nog ten laatste bij zijn oom ging +zoeken.)--~Ontmoeten~ duidt aan, dat beide personen van verschillende +zijden samenkomen. Het kan zoowel toevallig als opzettelijk zijn: +_Ik ~ontmoette~ hem toevallig bij het aangaan der kerk. Wij hebben +afgesproken elkaar om zeven uur bij de kerk te ~ontmoeten~._ Bij +~ontmoeten~ bestaat de mogelijkheid, dat één der samenkomenden zich +bij de ontmoeting in rust bevindt; wil men uitdrukken, dat beiden +in beweging (in tegengestelde richting) zijn, dan gebruikt men +~tegenkomen~. _Op zijn wandeling naar Amersfoort ~kwam~ hij mijn neef +~tegen~._ (Deze wandelde op dat oogenblik dus ook; misschien gingen +beiden later verder huns weegs; maar zij kunnen ook verder bij elkander +gebleven zijn.) ~Aantreffen~ verschilt hierin van tegenkomen of +ontmoeten, dat de aangetroffene niet van plaats verandert, dus in een +toestand van rust verkeert. _Op den weg naar A. ~trof~ ik hem in het +hotel ~aan~._ In fig. zin worden ~vinden~, ~ontmoeten~ en ~aantreffen~ +ook toegepast op personen en zaken, die zich ergens bevinden en wier +aanwezigheid men moet of kan opmerken: _In Zwitserland ~vindt~ men hooge +bergen, ~treft~ men hooge bergen ~aan~. In dit boek ~ontmoet~ men vele +onjuistheden._ + + * * * * * + +Als gij oplettend toeziet, zult gij de fout wel --. + +Ik -- niet graag menschen, die zichzelf altijd op den voorgrond stellen. + +In Friesland worden uitmuntende weilanden --. + +Tot mijn groote verrassing heb ik mijn vriend dit jaar in de badplaats +--, terwijl ik hem in Zwitserland zou gezocht hebben. + +Dit gedicht schijnt mij bekend toe; ik heb het zeker vroeger al eens --. +Ik zal eens zoeken, bij welken dichter ik het -- kan. + +Schrijf mij eens, waar ik u in de stad -- kan. + +Op mijn fietstocht ben ik mijn vriend in de auto --. + +Men -- in de wereld meer leeds dan liefs. + +Na lang zwerven -- de karavaan eindelijk een oase. + +Volgens afspraak dacht ik mijn neef op zijn thuisreis in Utrecht te --, +maar hij heeft mij teleurgesteld. + +Op onze wandeling naar Soestdijk -- wij de Koningin. + + +148. Aanstonds--dadelijk--terstond--weldra--spoedig--gauw. + +_Deze woorden duiden aan, dat een handeling in zeer korten tijd +afloopt._ + +~Terstond~ en ~aanstonds~ geven te kennen, dat de handeling op hetzelfde +oogenblik (stonde) plaats heeft. ~Aanstonds~ evenwel onderstelt nog een +kleine tusschenruimte van tijd. _Nauwelijks had ik hem geroepen, of +~terstond~ kwam hij binnen. Even geduld, ik zal je ~aanstonds~ helpen._ + +~Dadelijk~ komt zeer veel met terstond overeen: het wijst aan, dat men +tot de ~daad~ overgaat zonder uitstel, zonder woordenwisseling, zonder +bedenking. _Ik vroeg hem mij te helpen en ~dadelijk~ was hij daartoe +bereid._ Als bijwoord is het meer tot de spreektaal beperkt; als +bijvoegelijk naamwoord komt het daarentegen uitsluitend in de +schrijftaal voor: _zonder de ~dadelijke~ hulp van den arts was de +gewonde zeker verloren geweest_. + +~Spoedig~ en ~gauw~ zeggen, dat de handeling met snelheid wordt +uitgevoerd en dus weinig tijd vordert. Er moet derhalve wel aan eenig +tijdsverloop gedacht worden. ~Gauw~ ziet meer op de vlugheid of snelheid +van beweging (»gauw" als water), terwijl ~spoedig~ meer aanduidt, dat er +spoed, voortgang gemaakt wordt. Gewoonlijk is in gemeenzame taal ~gauw~ +gebruikelijker dan ~spoedig~. _Hij heeft mij ~spoedig~ geholpen. Men had +~spoedig~ een veldtent opgeslagen. Die boodschap heb je ~gauw~ gedaan._ +Soms ook is bij ~spoedig~ en ~gauw~ het denkbeeld van snelheid der +handeling geheel op den achtergrond gedrongen en wordt alleen aan het +korte tijdsverloop gedacht. In dit geval komen zij meer met aanstonds, +dadelijk, terstond overeen, maar wijzen dan een eenigszins grootere +tijdruimte aan. _Hij zal ~spoedig~ hier zijn. Hij is ~gauw~ jarig._ In +deze beteekenis kan ook ~weldra~ gebruikt worden, maar dit woord komt +bijna uitsluitend in de schrijftaal voor. _Men mag ~weldra~ de indiening +van het wetsontwerp verwachten._ + + * * * * * + +Wie -- helpt, helpt dubbel. + +Als ik je roep, moet je -- komen. + +Je hebt veel te -- geschreven, ik kan er haast niets van lezen. + +Men verwacht algemeen, dat de vrede -- geteekend zal zijn. + +Dank zij de -- toegeschoten hulp, werd de brand nog tijdig gebluscht. + +Hij is zoo -- als water; houd hem dus goed in het oog. + +Ik zal -- komen; eerst moet ik nog dit briefkaartje schrijven. + +Hij was op mijn verzoek -- bereid het boek af te staan. + +Als de warmte eenigen tijd aanhoudt, zal men -- kunnen oogsten. + +(Verklaar, waarom men soms meer dan één woord kan invullen.) + + +149. Dom--onwetend--onkundig--onnoozel. + +_Weinig verstand of kennis bezittend._ + +~Dom~ zegt men van iemand, die een zeer traag verstand bezit, die vele +zaken niet of zeer moeilijk kan begrijpen en daardoor in het algemeen +weinig kennis zal bezitten. _Hij is veel te ~dom~ om voor dokter te +studeeren. Hij is nog te ~dom~ om in de volgende klasse te komen._ Soms +beteekent het ook gebrek aan doorzicht: _hij heeft een ~dommen~ streek +uitgehaald_. + +~Onnoozel~ duidt aan, dat iemand slechts zwakke geestvermogens en +daardoor een zeer beperkt verstand bezit, zoodat hij geen blijken kan +geven met oordeel te handelen. _Die jongen is ~onnoozel~. De ~onnoozele~ +hals geloofde alles, wat wij zeiden._ + +~Onkundig~ en ~onwetend~ wijzen beide op gemis aan kennis, zonder +daarbij op den natuurlijken aanleg te letten. ~Onkundig~ heeft meer +betrekking op de kennis van een bepaalde zaak, ~onwetend~ ziet meer op +het ontbreken van algemeene kennis. _Men liet de vrouw lang ~onkundig~ +van den dood harer zuster.--Hij is wel vlug van begrip, maar hij heeft +weinig onderwijs genoten, zoodat hij zeer ~onwetend~ is._ + + * * * * * + +Het -- volk beschuldigde de geneesheeren, dat zij de cholera-lijders +vergiftigd hadden. + +Zij was -- genoeg te meenen, dat men op haar gezelschap gesteld was. + +De regeering is nog -- van de samenzwering, die er dreigt. + +Hij is in vele dingen nog zoo --, dat men hem gemakkelijk bedriegen kan. + +Al mag die jongen ook niet -- zijn, hij ziet er toch in elk geval zeer +-- uit. + + +150. Dartel--speelsch--speelziek--uitgelaten. + +_Tot vroolijkheid geneigd._ + +Openbaart zich deze neiging als gevolg van levenslust in vlugge +bewegingen of in scherts en luim, dan spreekt men van ~dartel~. _Die +jongen is zoo ~dartel~, dat hij mij bij mijn werk hindert._ Uit zich de +dartelheid bij jonge kinderen vooral in den lust om te spelen in plaats +van te leeren, dan spreekt men van ~speelsch~. _Dit ventje is nog te +~speelsch~ om lang achter elkander stil te zitten leeren._ Wordt deze +speelschheid bij grootere kinderen aangetroffen, zoodat zij hun werk +veronachtzamen, dan noemt men hen ~speelziek~. _Als die jongen zoo +~speelziek~ blijft, zal hij niet kunnen overgaan._ (~Speelziek~ heeft +dus een ongunstige beteekenis, wat bij ~speelsch~ niet het geval is.) +Wordt de dartelheid bij ouderen door een of andere blijdschap sterk +overdreven, dan spreekt men van ~uitgelaten~. (Het beeld is ontleend aan +het jonge vee, dat men uit den stal laat en dat zijn vroolijkheid door +dartel springen aan den dag legt.) _De studenten waren zoo ~uitgelaten~, +dat men ze al van verre kon hooren._ ~Dartel~ te zijn ligt meer in +iemands karakter, terwijl ~uitgelaten~ meer op een enkel geval ziet. + + * * * * * + +De kinderen huppelen -- de weide rond. + +Dit hondje is nog zoo --, dat het alles, wat los en vast is, beetgrijpt. + +Foei, je moest je schamen, zóó oud en nog zóó --. + +Zij waren zoo -- van blijdschap, dat zij de allerzotste dingen deden. + + »Hoe is natuur zoo stil, zoo plechtig! + Het -- windje kwijnt." + + +151. Mat--moe--vermoeid--afgemat--loom. + +_Ongeschikt tot krachtsinspanning._ + +~Mat~ is men door een oorzaak _buiten_ ons, bijv. _~mat~ van de warmte_; +het komt dus eenigszins met ~loom~ overeen, d.w.z. traag van beweging. +(Schaak~mat~ is de koning, als hij zich niet meer bewegen kan; ~mat~ is +dus sterker dan loom.) Van kleuren gezegd beteekent _mat_ zooveel als +dof: _matblauw_. + +~Moe~ duidt eenvoudig den toestand aan, waarin men zich na zwaren arbeid +bevindt, terwijl ~vermoeid~ ook let op de oorzaak der vermoeidheid en +tevens grootere moeheid aanwijst: _Hij is erg ~moe~ en mag wel wat +uitrusten. Hij is door het onbesuisde fietsen zeer ~vermoeid~._ + +~Afgemat~ is nog sterker dan vermoeid; meestal is deze graad van +vermoeidheid op het gelaat te zien of aan mindere helderheid van geest +te bemerken. + +Opmerking. Het woord ~mat~ wordt gewoonlijk alleen in de alliteratie: +_mat en moe_ gebruikt. + + * * * * * + +Ik ben wat -- van de wandeling en blijf dus liever thuis. + +Zij was van de lange reis zoo --, dat zij wel twee dagen te bed moest +blijven. + +Bij zulk een hooge temperatuur gevoelt zich ieder --. + +Wordt gij soms -- van dit werk? + +Door het lange spreken was hij zoo --, dat hij verder van het woord +afzag. + +»O van uit die groene zoden, Waar zij rusten -- en --, Ruischt er van +mijn lieve dooden 't Blijde wederzien mij toe." + +Door de wekenlange inspanning zag hij er zeer -- uit. + +Een flinke jongen, als jij bent, moet niet zoo gauw -- worden. + +Er lag een -- tint over het landschap. + +Naar lichaam en geest -- viel zij in een zware ziekte. + +Er lag iets drukkends, iets -- over de feestelijke stemming. (Verklaar +dit fig. gebruik.) + + +152. Klimmen--klauteren--stijgen--rijzen. + +_Zich in de hoogte begeven._ + +~Stijgen~ kan met een enkelen stap geschieden: _hij ~stijgt~ te paard_, +terwijl ~klimmen~ altoos meer stappen onderstelt en dus ook met meer +moeite gepaard gaat: _hij ~klimt~ den berg op_. Heeft men bij het +klimmen ook de handen noodig, dan spreekt men van ~klauteren~; dit gaat +dus met nog meer moeite gepaard dan klimmen: _hij ~klauterde~ tegen de +rots op_. ~Rijzen~ sluit alle begrip van inspanning uit: _het water +~rijst~_, _de zon ~rijst~_, enz. In figuurlijken zin gebruikt men zonder +onderscheid in beteekenis voor rijzen ook wel stijgen of klimmen, maar +nooit klauteren, bijv.: »_de lofzang ~klimt~ uit Sions zalen_". + + * * * * * + +Laten wij op dezen heuvel --, dan hebben wij een ruim uitzicht. + +De prijs van het koren is --. + +Bij het -- zijner jaren verloor hij zijn levenslust niet. (Hier is +~klimmen~ beter, om het trapsgewijze stijgen sterker aan te duiden.) + +De barometer is sedert gisteren een weinig --. + +De matrozen -- als katten in het want. + +Uit duizend kelen -- een donderend hoera! op. + +Het water -- aan zijn lippen. + +Van uur tot uur -- onze ongerustheid. (Denk aan het trapsgewijze +rijzen!) + +Hij is van een geringe afkomst tot een hoogen staat --. + +De dieven -- tegen den tuinmuur op en -- daarna het achterraam binnen. + + +153. Aandoen--treffen--roeren--schokken. + +_Meer of minder sterk op het gemoed werken._ + +~Aandoen~ wijst op het teweegbrengen van een gevoel van droefheid of +van medelijden; soms ook van vreugde. _Bij het afscheid was hij zeer +~aangedaan~. Deze hulde ~deed~ den jubilaris zoo ~aan~, dat hij niets +kon zeggen._ + +~Treffen~ is sterker, daar het als een schot dieper in ons gemoed +doordringt. _Het was ~treffend~ te zien, hoezeer de gelukkige moeder den +redder van haar kind met dankbetuigingen overlaadde._ + +~Roeren~ is een aandoen, dat in ons binnenste de teederste snaren +aanroert; het is dus inniger dan aandoen. _De omstanders waren +~getroffen~, toen zij zagen, hoe ~roerend~ de moeder den redder van haar +kind dankte._ + +~Schokken~ duidt aan, dat men plotseling als door een schok getroffen +of geroerd wordt; het heeft dus altijd eenigszins de bijgedachte van +schrik. _De plotselinge dood van haar vader heeft haar diep ~geschokt~._ + + * * * * * + +Onder het lezen van dit droevig verhaal werd hij zeer --. + +Door zooveel blijken van innige deelneming diep --, had hij moeite zijn +dank uit te spreken. + +Het onverwachte verlies van zijn vermogen heeft hem zoo --, dat men voor +zijn leven vreest. + +De diepbedroefde vrouw gaf haar boezem lucht in een -- smeekbede om +gratie voor haar echtgenoot. + +Het »Haantje van den Toren" kan niemand lezen, zonder -- te worden; vele +passages zijn zoo fijngevoelig geteekend, dat zij ons diep --; het -- +ons, dat de zieke steeds zoo vol hoop blijft, al staat de dood voor de +deur en, het -- ons bijna, als wij lezen, dat op haar begrafenis +eindelijk de zoo lang verbeide zoele zuidenwind waait. + + +154. Verwonderen--verbazen--bevreemden--verrassen. + +_Deze woorden duiden aan, dat iets ons vreemd toeschijnt._ + +Wat anders uitkomt, dan wij verwacht hadden, of wat nieuw, +onbegrijpelijk of onverwacht voor ons is, ~verwondert~ ons. _Het +~verwondert~ mij, dat hij met zulk weer nog gekomen is._ (Het is +anders, dan wij verwacht hadden.) _Het ~verwondert~ een kind, dat de +magneetnaald altijd naar het noorden wijst._ (Een natuurkundige vindt +het zeer gewoon, maar een kind begrijpt het niet.) _Het ~verwonderde~ +hem, zijn vriend daar aan te treffen._ (Het was voor hem onverwacht.) + +Is onze verwondering zeer groot, dan spreekt men van ~verbazen~. _Hij +had mij stellig beloofd thuis op mij te wachten; het ~verbaasde~ mij +dan ook niet weinig, dat hij bij mijn komst reeds vertrokken was._ + +Is er in hetgeen ons verwondert, iets vreemds (onverklaarbaars of +raadselachtigs) gelegen, dan gebruikt men ~bevreemden~; het heeft dus +in den regel een onaangename bijbeteekenis. _Het ~bevreemdde~ mij zeer, +dat hij zoo teruggehouden tegenover mij was; ik kon ten minste niet +vermoeden, dat ik hem iets misdaan had._ + +~Verrassen~ daarentegen gebruikt men, als het onverwachte ons aangenaam +aandoet. _De onverwachte bevordering heeft mij zeer ~verrast~._ (Men +zegt wel: _de dieven werden ~verrast~_, maar dan heeft verrassen de +beteekenis van overvallen, en is dus geen synoniem van de bovenstaande +woorden: zie no. 81.) + + * * * * * + +Het -- ons dikwijls, dat ontwikkelde menschen nog zoo vaak bijgeloovig +blijken. + +Met zulk een practisch geschenk zult gij hem zeker --. + +Het -- ons, dat in dat dorp alle huizen van hout waren. + +Het geheimzinnig gedrag van onzen vriend -- ons. + +Het bezoek van mijn vader heeft mij niet weinig --. + +Heeft het u ook niet --, dat iemand, die zoo lang ons vertrouwen genoot, +ons zoo schandelijk heeft bedrogen? + +Heeft het u ook niet --, dat hij die betrekking gekregen heeft? + +Het -- iedereen, dat de vijanden zich eensklaps zoo gewillig +onderwierpen; niet ten onrechte vermoedde men, dat er een adder onder +het gras school. + +Het -- mij, dat de hagel niet meer schade heeft aangericht. + + +155. Beheerschen--betoomen--beteugelen--bedwingen. + +_Met kracht iemand of iets in zijn vrije beweging tegengaan._ + +~Beheerschen~ duidt aan, dat men zulks doet door de macht, waarover men +beschikt; het wijst er door zijn afleiding op, dat men ~heer~ is, dat +men doet gehoorzamen niet door leiding of bestuur, maar uitsluitend door +zijn gezag, dat men weet uit te oefenen, of door de macht, die men +bezit. _Deze volksleider bezit zulk een redenaarstalent, dat hij de +geheele vergadering weet te ~beheerschen~._ + +~Bedwingen~ wijst aan, dat men dwang gebruikt en onderstelt dus een +tegenstand, waarop het gezag door dwang zegeviert. Door ~bedwingen~ +wordt dus iets onderdrukt. _In korten tijd had de veldheer door krasse +maatregelen den opstand ~bedwongen~._ Hoe verklaart gij nu de fig. +beteekenis van: _zijn lachen ~bedwingen~_? + +Beheerschen en bedwingen kunnen betrekking hebben op een rust; +~beteugelen~ en ~betoomen~ doen denken aan hollende dieren, wier te +snelle loop met kracht wordt tegengehouden en geleid of bestuurd. In +letterlijken zin is betoomen sterker dan beteugelen, daar het eerste is +afgeleid van toom, het geheele hoofdstel, en teugel alleen de riem of +den band aanwijst. ~Betoomen~ is dus eigenlijk meer het geheele bestuur +onder zijn macht brengen en dus meester van de leiding te worden; +terwijl ~beteugelen~ meer slaat op de werking van terug houden of +stuiten; wat beteugeld wordt, komt dus tot stilstand, wordt geheel en +al te keer gegaan. Toch wordt dit verschil niet altijd in acht genomen. +_Het is goed zijn hartstochten te ~betoomen~_, d.w.z. onder zijn +bestuur, in zijn macht te krijgen en ze dus in hun snellen loop tegen te +gaan. _Het is noodzakelijk zijn blinde driften te ~beteugelen~_, m.a.w. +in te houden, te onderdrukken, zoodat zij niet meer werken. + + * * * * * + +Hij kon van aandoening zijn tranen niet --. + +De dronkaard moet trachten zijn zucht naar sterken drank te --. + +Bijna had ik uit verontwaardiging hem een grove beleediging naar het +hoofd geslingerd, maar gelukkig wist ik mij zelf nog te --. + +Door het aanplanten van jonge denneboomen tracht men de +zandverstuivingen te --. + +Hij wist door zijn krachtig optreden spoedig de brooddronkenheid der +soldaten te --. + +Gij moet uw sterke begeerte naar allerlei zinsgenot zooveel mogelijk --. + +De marktprijs wordt -- door vraag en aanbod. + + +156. Aanklagen--beschuldigen--betichten--aangeven--aanbrengen. + +_Kenbaar maken, dat iemand iets onbehoorlijks heeft verricht._ + +~Beschuldigen~ wijst in het algemeen aan, dat men op iemand de schuld +van iets legt, terwijl ~aanklagen~ bovendien uitdrukt, dat zulks +geschiedt voor een macht, die de bevoegdheid bezit den schuldige +te straffen. De aanklager neemt tevens de verplichting op zich, de +aanklacht door bewijzen of getuigen te staven. ~Aanklagen~ verlangt dus +een straf voor de misdaad, wat ~beschuldigen~ niet doet. Laat men het +onderzoek en de opsporing der bewijzen aan de rechterlijke macht over, +dan gebruikt men ~aangeven~ of ~aanbrengen~. Aanbrengen onderstelt +tevens, dat men uit wraak of uit zucht naar gewin een strafbare daad ter +kennisse van de overheid brengt, terwijl aangeven die onedele drijfveer +niet aanneemt. Wordt iemand valschelijk en met een boosaardig opzet een +zware misdaad ten laste gelegd, dan gebruikt men ~betichten~. Ook lette +men er op, dat van ~beschuldigen~, ~aanklagen~ en ~betichten~ het +lijdend voorwerp een persoonsnaam is, terwijl ~aangeven~ en ~aanbrengen~ +de misdaad tot lijdend voorwerp hebben. + +_Men ~beschuldigde~ den knecht algemeen, dat hij het huis in brand had +gestoken_; d.w.z. men gaf hem de schuld er van. + +_De boer ~klaagde~ den knecht ~aan~, toen deze den brand had gesticht_; +d.w.z. de boer diende een aanklacht bij den rechter in, en had er +bewijzen of getuigen voor. + +_De moord werd bij de justitie ~aangegeven~_; d.w.z. men stelde de +justitie er van in kennis en liet aan haar het verdere onderzoek over. + +_De werkvrouw ~bracht~ alles van de dienstboden bij Mevrouw ~aan~_; +d.w.z. om een plasdankje of wat ook te verdienen, verklapte zij alles. +(In de kinderwereld »verklikken".) + +_De hovelingen ~betichtten~ den schatmeester van diefstal_; d.w.z. zij +zochten hem uit wraakzucht ten val te brengen en klaagden hem +valschelijk aan. + + * * * * * + +Oudtijds gold de regel, dat de -- zijn eedhelpers moest meebrengen. + +Tichelaar -- Cornelis de Witt, dat deze den Prins naar het leven stond. + +De dierenvriendin zag, hoe een koopman zijn hond mishandelde, en draalde +niet, dit bij de politie --. + +De minderheid in die vergadering -- den voorzitter, dat hij opzettelijk +van het reglement van orde afweek, ten einde de aanneming van zijn +voorstel door te drijven. + +De soldaat heeft zijn meerdere van machtsmisbruik --. + +Het kan niet anders, of een zijner vijanden moet zijn misslag bij de +autoriteiten hebben --. + +Welk onderscheid is er tusschen: _Zijn geweten ~beschuldigde~ hem_, en: +_zijn geweten ~klaagde~ hem ~aan~_? + + +157. Gierig--vrekkig--karig--hebzuchtig--schraapzuchtig--inhalig. + +_Overdreven begeerig, om geld en goed te bezitten._ + +~Hebzuchtig~, ~schraapzuchtig~ en ~inhalig~ duiden aan, dat men zijn +bezit wil vermeerderen, een »nemen"; ~vrekkig~, ~gierig~ en ~karig~ +geven te kennen, dat men zijn bezit zooveel mogelijk tracht te behouden, +een »niet-missen." + +~Hebzuchtig~ is hij, die alles zelf wil hebben ten koste van anderen, en +wien het leed doet, dat hij niet alles heeft; ~inhalig~ wijst aan, dat +men zooveel mogelijk naar zich toe tracht te halen. ~Hebzuchtig~ ziet +meer op een eigenschap van het karakter; ~inhalig~ doelt meer op een +daad, waaruit die hebzucht spreekt. Die daad op zich zelf is wel niet +noodzakelijk onrechtvaardig, maar wordt toch zeker niet geprezen. De +inhalige zal bijv. op ieder halfcentje zien, waar een ander dat zou +schenken; hij laat zich een rekening van bijv. f 15.25,5 ook met dat +halfje betalen. Bij een erfenis zal hij dingen van geen of weinig waarde +nog willen verkoopen, om zooveel mogelijk »binnen te halen". + +De ~schraapzuchtige~ is ook hebzuchtig; hij wil overal nog iets van +afschrapen, wat een ander niet doen zou, doordat het de moeite niet +loont. Hij verbiedt bijv. den armen drommel op zijn landgoed een paar +takkenbossen te sprokkelen: hij verlangt er geld voor. + +~Karig~, ~gierig~ en ~vrekkig~ duiden aan, dat men zoomin mogelijk wil +missen van zijn overvloed. ~Karig~ drukt dit het minst sterk uit; wie +karig is, geeft weinig, en wat hij geeft, geeft hij slechts noode. +~Gierig~ en ~vrekkig~ zijn veel sterker en duiden bovendien aan, dat +men door hebzucht gedreven wordt, wat karig niet onderstelt. Bij een +gierigaard klopt een hulpbehoevende te vergeefs aan. Wordt de gierigheid +zoover gedreven, dat men hard en onbillijk wordt tegenover anderen, +ja--dat men ook zich zelf niet meer het noodige gunt, dan spreekt men +van ~vrekkig~. + + * * * * * + +Wie bij alles toont, zichzelf het eerst en het meest te willen bedenken, +is --. + +Wie bij een inzameling voor een watersnood van zijn schatten slechts +weinig offert, is --; wie niets wil geven, is --; wie daarbij de +inzamelaars nog onheusch bejegent en over dat »eeuwig gebedel" +lamenteert, is --. + +De rijkaard, die te midden zijner schatten vrijwillig half gebrek lijdt, +is --. + +Wie de appels, die van zijn boom in buurmans tuin vallen, nog laat +oprapen, is --. + +De boer, die zijn armen daglooner nog een kan karnemelk laat betalen, is +--; als hij den knecht wegens ziekte een halven dag loon kort, is hij +--. + +De natuur heeft dit land -- bedeeld. (De natuur wilde zoo min mogelijk +van haar overvloed voor dit land missen.) + + +158. Afkeer--afgrijzen--afschrik--afschuw--walg--tegenzin--weerzin. + +_De onaangename gewaarwording, teweeggebracht door iets dat ons +mishaagt._ + +~Tegenzin~ gebruiken we, als iets ons niet aanstaat, of wanneer het +betrekking heeft op een handeling, die wij tegen onzen zin verrichten. +Van personen wordt het woord zelden gebezigd.--Maakt iemand een +ongunstigen indruk op ons, al is 't ook zonder dat we daarvoor een +bepaalde reden weten op te geven, zoodat we hem liefst vermijden, dan +hebben wij een ~weerzin~ tegen hem.--Is dat gevoel sterker, zoodat het +ons noopt ons van iemand of iets af te keeren en wij er dus niet mee te +doen willen hebben, dan spreekt men van ~afkeer~; weerzin en afkeer +nopen alleen tot ontwijken en zetten niet aan tot daden. Passen wij +beide begrippen toe op spijzen en dranken, dan komt ~walging~ met afkeer +overeen en duidt het gevoel aan, dat ons onpasselijk zou maken; in +figuurlijken zin gebruikt men daarvoor ~walg~.--Wordt de afkeer bij +ons opgewekt door een persoon, die een hoogst ongunstig voorkomen +heeft,--door een voorwerp, dat ons door zijn leelijke gedaante vrees +inboezemt,--of door een handeling, waartegen ons gevoel in opstand komt, +dan spreken wij van ~afschrik~.--Het onweerstaanbaar gevoel, dat ons +overmant, wanneer wij bij het hooren of zien van iets door angst en +huivering worden aangegrepen en waarvan we reeds gruwen, als wij er aan +denken, noemen wij ~afschuw~. Is het gevoel van huivering of ontzetting, +waarmee de afschuw gepaard gaat, zeer sterk, dan spreekt men van +~afgrijzen~. + + * * * * * + +Slechts met -- heb ik uw opdracht vervuld. + +Deze man met zijn vleiende stem wekt altijd mijn -- op, zoodat ik liefst +niet met hem te doen heb. + +Ieder weldenkend mensch heeft een -- van den verrader. + +Met -- vernam men den verschrikkelijken moord in koelen bloede gepleegd. + +Ik heb altijd een -- van mosselen en paddestoelen gehad. + +De meeste vrouwen hebben een -- voor spinnen en padden. + +Van onzindelijkheid heeft ieder een --. + +De landlooper boezemde ons zulk een -- in, dat wij terstond op onze +schreden terugkeerden. + +Heb een -- voor het liegen en een -- voor de zonde. + +Men kon zien, dat hij tegen dien man een -- gevoelde, zoodat hij hem met +blijkbaren -- ontving. + +De onmenschelijke wreedheden, door den vijand in dien oorlog gepleegd, +las ieder met --, ja met --. + +Gebruik nu in zinnen: afkeerig, walgelijk, afschuwelijk, afgrijselijk. + + +159. Arglistig--listig--bedriegelijk--loos--slim--sluw. + +_Geneigd of geschikt, om op behendige wijze een ander te misleiden._ + +~Bedriegelijk~ drukt dit begrip het algemeenst uit; het zegt, dat de +persoon of zaak iemand bedriegen wil, maar laat in 't midden, op welke +wijze dit geschiedt.--~Listig~ was vroeger schrander en had toen steeds +een gunstige beteekenis; ook nu nog kan het een onschuldige, maar +schrander bedachte handeling aanduiden; de listige tracht partij te +trekken van zijn kennis en ervaring om zijn doel te bereiken, 't zij +om zich uit moeilijkheden te redden, 't zij langs slinksche wegen te +verkrijgen, wat hij langs den gewonen weg niet zou hebben bereikt. Toch +heeft het woord altijd het bijdenkbeeld van _onoprecht_. _Hij redde zich +op een ~listige~ wijze uit het gevaar._--Is het zijn bedoeling om iemand +in het ongeluk te storten en handelt hij dus met een boosaardig doel, +dan spreekt men van ~arglistig~ (arg = erg, boos).--~Loos~ is hij, die +door een zekere behendigheid onder bepaalde omstandigheden iets weet te +verkrijgen; die behendigheid is vooral het gevolg van veel ondervinding +en niet zoozeer van scherpzinnigheid; de loosheid openbaart zich door +het aanwenden van kleine middelen, die een weldenkende meestal beneden +zich acht. De vos, die de kaas van de raaf wil hebben en den vogel niet +bereiken kan, gaat het dier vleien; zijn ondervinding zegt hem, dat men +door vleierij veel kan verkrijgen, maar ...... een weldenkende wil van +zulk een middel geen gebruik maken.--De ~slimme~ gaat met overleg te +werk, daar hij aan loosheid ook scherpzinnigheid paart; hij ontwerpt een +weldoordacht plan, waarbij hij maatregelen neemt om allen tegenstand +zooveel mogelijk te ontgaan. Bepaald oneerlijke handelingen behoeft +hij niet te verrichten, ja men moet hem soms bewonderen om de +scherpzinnigheid, die hij aan den dag legt.--~Sluw~ is degene, die zijn +bedoelingen en de aangewende middelen behendig weet te verbergen, zoodat +de benadeelde volstrekt niet vermoedt, dat hij bedrogen wordt. Aan zijn +slimheid paart dus de sluwe nog een meesterschap in het veinzen of in +het verbergen van zijn plannen. Sluw is dus nog sterker dan slim, maar +heeft een ongunstige bijbeteekenis. + + * * * * * + +In onderstaande zinnen kan meestal meer dan één woord worden ingevuld. +Geef in dat geval telkens de veranderde beteekenis op. + +Op een -- wijze heeft hij het gezelschap een tijd langer bij zich +gehouden, dan het wilde; hij had nl. de klok bijna drie kwartier +teruggezet. + +Hij wist de stem van mijn buurman -- na te bootsen; ieder verkeerde dan +ook in den waan, dat buurman ons riep. + +De valschaard was -- genoeg, om niet te rusten, vóór hij mij in het +ongeluk gestort had. + +Het was werkelijk een -- zet van onzen vriend, dien wij allen moesten +bewonderen. + +De domme jongen bleek toch nog -- genoeg, om van den vreemdeling, wien +hij den weg had gewezen, een goede fooi los te krijgen. + +Hij wist zich op -- wijze het vertrouwen der oude dame te winnen, om +haar later des te gemakkelijker te kunnen oplichten. + +Aan de -- staatsmanskunst van Jan de Witt was het te danken, dat +Lodewijk XIV in zijn heerschzuchtige plannen gedwarsboomd werd. + + +160. Kracht--macht--sterkte--vermogen. + +_Het bezit van de voorwaarden, om een werking te verrichten._ + +~Vermogen~ duidt eenvoudig aan, dat men in staat is de werking te +verrichten, zonder daarom nog tot de uitvoering over te gaan. _De mensch +bezit het ~vermogen~ om te denken._ Soms beteekent het ook invloed: _zij +heeft veel ~vermogen~ op haar man_. + +~Kracht~ is de oorzaak, die een werking teweeg brengt of wijzigt: de +_zwaarte~kracht~_, de _span~kracht~_, de _~kracht~ van den storm_. _Zijn +lichaams~kracht~ is verbazend groot._ + +~Sterkte~ is het vermogen om aan een kracht weerstand te bieden. +_De ~sterkte~ van den dijk heeft de ~kracht~ der golven weerstaan. De +~sterkte~ van onze landsverdediging_ (d.i. dus het vermogen om aan de +kracht van den vijand weerstand te bieden) _ligt grootendeels in onzen +weeken bodem in verband met de onderwaterzettingen.--Zijn ~sterk~ gestel +weerstond den invloed van het ongezonde klimaat._ Men wenscht iemand bij +een ziekte _sterkte_ toe, om het verloop der ziekte te weerstaan; men +hoopt, dat de herstellende weer spoedig zijn _krachten_ zal herwinnen, +n.l. om zijn dagelijksch werk te kunnen verrichten. + +~Macht~ is het vermogen, om invloed uit te oefenen, vooral--hoewel niet +uitsluitend--door zijn maatschappelijke positie. _De ~macht~ des konings +is niet onbeperkt. De ~macht~ van het woord is vaak grooter, dan men +denkt._ Soms beteekent macht (van mogen) lichamelijk vermogen: _uit alle +~macht~ schreeuwen_. + +_Vergelijk nu_: ~sterk~, ~krachtig~ en ~machtig~. Wat beteekent +_vermogend_? + + * * * * * + +Hij was niet -- genoeg en bezweek voor de verleiding. + +De raadspensionaris Schimmelpenninck bezat een koninklijke --. + +Door den schrik verloor hij zijn spraak--. + +De -- der gewoonte is vaak een tweede natuur geworden. + +Zelfs -- muren kunnen de -- van het geschut niet weerstaan. + +Hij liep uit alle --, om zich nog te redden. + +Hij bezit het benijdenswaardig --, iedereen voor zich in te nemen. + +Deze -- spijs zal den zieke goed doen. + +Het fort was niet -- genoeg, om den vijand af te wachten en werd daarom +ontruimd. + +De -- van ons voorbeeld moet men niet onderschatten. + +Het zijn -- beenen, die de weelde kunnen dragen. + +Ik zal naar mijn beste -- aan uw opdracht voldoen. + +De benoeming voor deze vacature staat niet aan mij; ik heb het dus niet +in mijn -- u aan te stellen. + +De benoeming is reeds geschied; tot mijn leedwezen staat het dus niet in +mijn -- u nog aan te stellen. + + +161. Bekomen--krijgen--ontvangen--behalen--verwerven. + +_Bezitter van iets worden._ + +~Bekomen~, ~behalen~ en ~verwerven~ wijzen aan, dat men moeite doet, +om in het bezit te geraken. ~Behalen~ geeft dit in sterker mate aan dan +~bekomen~, terwijl ~verwerven~ nog grooter moeite (soms ook grooter eer) +onderstelt dan behalen. _Waar zijn deze waren te ~bekomen~? Hij heeft +daarmee veel roem ~behaald~. Hij heeft eindelijk een voordeelige positie +~verworven~._ In de uitdrukking _straf bekomen_, onderstelt men dus, dat +de schuldige alles deed, waardoor hij die straf heeft gekregen, al was +natuurlijk die straf niet het _doel_ van zijn handelen. + +~Krijgen~ en ~ontvangen~ geven te kennen, dat men ook zonder zijn +toedoen of inspanning in het bezit van iets komt. _De boomen ~krijgen~ +bladeren; hij ~ontving~ een berisping._ ~Ontvangen~ onderstelt, dat +hetgeen men ontvangt, door iemand gegeven is en door ons (actief) wordt +aangenomen: _Ik heb het geld ~ontvangen~._ Bij ~krijgen~ daarentegen +behoeft men niet altijd aan geven te denken, men kan hierbij ook meer +passief zijn. _Hij heeft de koorts ~gekregen~._ + +Uit de vergelijking der vier woorden volgt, dat ~krijgen~ het aangeduide +begrip (bezitter van iets worden) op de meest algemeene wijze (d.i. +zonder eenige nadere bepaling) aanduidt; het komt dan ook het meest in +de dagelijksche spreektaal voor. + + * * * * * + +De knecht heeft zijn loon --. + +Frederik Hendrik heeft met de inneming van Den Bosch veel roem --. + +Hij mocht de gunst des konings --. + +Wat heeft hij voor zijn moeite --? + +Uw brief heb ik in goede orde --. + +In plaats van een goede belooning heeft hij straf --. + +Dit werk is in alle boekwinkels te --. + +Door vlijt en inspanning heeft hij zich een aanzienlijk vermogen --. + +Wanneer zal ik het boek --, dat je me al zoo lang beloofd hebt? + + +162. Barmhartig--deelnemend--mededoogend--medelijdend. + +_Gevoel hebbende voor het leed van anderen._ + +~Barmhartig~ is het edelst. Het wijst niet alleen aan, dat men met het +lijden van anderen begaan is, maar dat men ook bereid is, dat leed te +verzachten. + +~Deelnemend~ is men, wanneer men deel neemt in het leed van anderen, +d. w. z. het leed gedeeltelijk ook tot het onze maakt; wij gevoelen dus +hetzelfde verdriet. (Soms beteekent het ook: deelnemen in het _geluk_ +van anderen.) + +~Medelijdend~ is men, wanneer wij het leed van anderen mede-lijden, +meegevoelen, zoodat wij begaan zijn met hun ongelukkig lot en wij hen +dus beklagen willen. Dit gevoel behoeft ons evenwel niet te brengen tot +het verleenen van hulp, gelijk de barmhartige doet. + +~Mededoogend~ is hetzelfde als medelijdend (doogen = lijden), maar wordt +alleen in deftigen stijl gebruikt. + + * * * * * + +Gij kent zeker wel de schoone gelijkenis van den -- Samaritaan. + +Gij kunt u verzekerd houden, dat ik hartelijk -- in het verlies, dat u +getroffen heeft. + +»Sla, o God vol --! Sla Uw oogen Nu genadig op ons neer." (Gez. 94.) + +Op -- toon vraagde hij het arme kind, waarom het schreide; toen hij +hoorde, dat de ongelukkige knaap geen vader of moeder meer had, was hij +-- genoeg, hem tot zich te nemen. + +Met -- belangstelling vraagde hij, hoe de zieke het maakte. + +God is een -- Vader. + + +163. Beven--trillen--sidderen--rillen--bibberen. + +_In een snel golvende beweging zijn._ + +~Trillen~ is de zwakste aanwijzing voor dit begrip: _de snaar ~trilt~_. + +~Beven~ is sterker en bij levenlooze voorwerpen zelfs de hoogste graad +van golvende beweging. _Zijn hand ~beefde~ van aandoening.--De aarde +~beeft~._ + +~Sidderen~ wordt alleen van levende wezens gezegd en is sterker dan +beven; het wijst vooral op een hevige innerlijke aandoening. _Hij +~sidderde~ van angst._ + +~Rillen~ is een trillen, veroorzaakt door verlaging der +lichaams-temperatuur: _hij ~rilde~ van kou_; het wordt dus alleen van +levende wezens gezegd, evenals ~bibberen~, dat een aanhoudend ~rillen~ +aanduidt en daarom sterker is: _Hij ~bibberde~ van de kou._ Het behoort +meer tot de gewone spreektaal. + +Waarom kan men wel zeggen: _zijn stem ~trilde~ of ~beefde~_, en niet: +_zijn stem ~sidderde~, ~rilde~ of ~bibberde~_? + + * * * * * + +Het riet -- in de avondkoelte. + +Bij dat gezicht -- wij van ontzetting. + +De arme bedelaarster -- van koude. + +Het is in deze kamer kil; ik begin te --. + +Zijn hart --, toen hij den dief zag naderen. + +Ik -- als een blad op den boom. + +Door de sterke -- der lucht dreunden de ramen. + +Hij -- van vrees, toen hij den vijand tegemoet moest treden. + +Van zulk een verhaal zou men -- en --. + + +164. Zien--kijken--staren--gluren--turen. + +_Door middel van het gezicht iets waarnemen._ + +~Zien~ laat in het midden, of dit met opzet of meer toevallig geschiedt. +_Men ~ziet~ daar soms meer, dan ons lief is_ (toevallig).--_Hij ~ziet~ +verlangend mijn komst tegemoet_ (met opzet). Het duidt soms ook het +bloote vermogen aan, dat men door 't gezichtszintuig iets kan waarnemen: +_Deze man kan niet meer ~zien~._ + +~Kijken~ onderstelt meer opzettelijk het oog op iets richten: _~Kijk~ +eens, of hij er aankomt.--Hij ~kijkt~ naar de sterren._ + +~Staren~ (star = stijf) beteekent met strakke, groote oogen naar iets +zien, meestal zonder doel en onwillekeurig, soms ook van verbazing, +schrik, enz. _Hij ~staarde~ mij verwonderd aan._ + +~Turen~ is met inspanning van 't gezicht naar iets kijken (dus met +opzet!), 't zij uit nieuwsgierigheid, 't zij om nauwkeurig waar te +nemen. _Hij ~tuurt~ met zijn kijker naar het stipje in de verte._ + +~Gluren~ beteekent hetzelfde als turen, maar met de bijgedachte, dat dit +in het geheim geschiedt. _Hij ~gluurde~ door een kiertje van de deur, om +te weten, wie er binnen was._ + + * * * * * + +Wat -- gij voor bijzonders aan deze schilderij? + +Sommigen meenen, dat de mol niet -- kan; maar dat is een dwaling. + +Waarom -- gij mij zoo aanhoudend aan? + +De visschersvrouw zat op het duin en -- peinzend over de groote +watervlakte. + +De visschersvrouw klom op het duin en -- naar het puntje aan den +horizon, of dat soms het schip van haar man was. + +De jongen was zóó nieuwsgierig, dat hij door het sleutelgat --. + +Mijnheer B. zal toch niet overleden zijn, daar ik hem in langen tijd +niet -- heb. + +Als gij goed uit uw oogen --, zult gij de fout in uw opstel wel --. + +Van ontzetting -- zij wezenloos voor zich uit. + +De matroos zat in het topje van den mast te --, of hij het land al -- +kon. + +Ik -- wel, dat gij door uw vingers zit te --. + +Als gij lang op hetzelfde punt --, begint het te wemelen. + +Gij moet eens in de courant --, of de dichter nog leeft. (Opzettelijk.) + +Daar -- ik in de courant, dat de dichter gestorven is. (Toevallig.) + + +165. Aangenaam--liefelijk--behaaglijk--bekoorlijk--bevallig. + +_Wat ons met zeker welgevallen vervult._ + +~Aangenaam~ drukt dit zonder meer uit; het kan zoowel van +gewaarwordingen als van personen of zaken gezegd worden. Een _aangenaam_ +gevoel.--Een _aangenaam_ mensch. Een _aangename_ lectuur. + +~Liefelijk~ geeft een edeler, fijner gevoel aan, inzonderheid van het +gezicht en gehoor. Een _liefelijk_ geluid.--»Die in een _liefelijke_ +streek Bij 't ruischen van een klare beek Zijn landhuis sticht en +akkerwoning, Wat is dat een gezegend koning." (Vondel.) + +~Behaaglijk~ ziet alleen op innerlijke aandoening en wordt dus nooit op +iets buiten ons toegepast. Een _behaaglijk_ gevoel van zelfvoldoening. + +~Bekoorlijk~ stelt vooral op den voorgrond, dat iets onze begeerte +opwekt of onze zinnen streelt. Een _bekoorlijk_ landschap. + +~Bevallig~, van personen gezegd, wordt gebruikt, om aan te duiden, dat +hun houding of manieren ons gezicht aangenaam aandoen. Een _bevallige_ +buiging. Van zaken gezegd (vooral voor wat men in de natuur opmerkt, of +van vormen) duidt het aan, dat ons gezicht aangenaam wordt aangedaan, +doch niet zoo innig als _liefelijk_ onderstelt. _Haarlem's ~bevallige~ +omstreken. ~Bevallige~ lijnen._ + + * * * * * + +Het was mij zeer --, dat gij mij hebt uitgenoodigd. + +Gij hebt hier in den tuin een -- plekje uitgezocht. + +Wat heeft dit -- meisje een -- stem. + +Door haar -- manieren weet zij spoedig iedereen voor zich in te nemen. + +De nachtegaal is de -- van onze zangvogels. + +Zij had zich in een -- rust op het zachte mos neergevlijd. + +Dat is een -- man in den omgang. + +In een -- houding bood het bloemenmeisje de Koningin een bloemtuil aan. +H. M. was over deze -- verschijning blijkbaar getroffen. + +In een -- dal stroomde met -- gekabbel een helder beekje. + +Ik heb u een -- tijding mee te deelen. + +Met -- wendingen zweefde de danseres op de tonen der muziek door de +zaal. + +De rozen verspreiden een -- geur. + +In -- zwier reed zij over het ijs. + + +166. Angst--bangheid--vrees--schroom--schrik. + +_Het onaangename gevoel van beklemdheid, door een naderend gevaar +opgewekt._ + +~Schroom~ is het zwakst; het geeft vooral te kennen, dat men tegen iets +opziet: door een moedig besluit is de schroom gemakkelijk te overwinnen. +Het woord is meer tot den deftigen stijl beperkt. _Met ~schroom~ naderde +hij den vorst._ + +~Angst~ duidt vooral het beklemmend gevoel aan, dat ons overmeestert; +het kan zoowel door iets buiten ons, als door eigen voorstellingen of +gedachten verwekt worden. _Plotseling overviel hem midden in het bosch +een hevige ~angst~, daar hij den weg niet meer wist._ (Oorzaak buiten +hem!)--_Toen hij aan roovers dacht, overviel hem plotseling een hevige +~angst~._ (Oorzaak in hem!) + +~Bangheid~ is zwakker dan angst; het heeft soms iets min of meer +belachelijks. _Toen de vrouw alleen in huis was, sloot zij uit +~bangheid~ alle deuren en ramen._ + +~Vrees~ wordt steeds door iets buiten ons opgewekt en heeft dus altijd +op een ander voorwerp of gebeurtenis betrekking, die steeds genoemd +worden. Terwijl ~angst~ (dat bovendien sterker aandoening dan ~vrees~ +aanwijst) vooral ziet op den toestand van 't gemoed, wijst ~vrees~ meer +aan, dat men het naderend gevaar niet durft afwachten of iemands macht +niet durft trotseeren, zoodat in den regel de vrees tot een of andere +handeling voert. _De ~vrees~ voor spoken heeft tot menige dwaasheid +aanleiding gegeven. De ~vrees~ voor het uitbreken der cholera deed +menigeen verhuizen. ~Vrees~ den Heer_ (leef dus naar Zijn wetten, om +Zijn toorn te ontgaan). + +~Schrik~ is de hevige ontroering, die iemand plotseling overvalt bij +het onverwacht gewaar worden van iets, dat vrees of angst verwekt. +_Op het onverwachte gezicht van den leeuw werd hij zóó door ~schrik~ +bevangen, dat hij zijn tegenwoordigheid van geest verloor._ Soms wordt +het gebruikt van iemand, die schrik verwekt: _Hij is een echte +kinder~schrik~._ + + * * * * * + +In radelooze -- liep de achtergelaten schepeling langs den oever heen en +weer. + +Met -- zag hij, dat de bliksem in zijn woning was geslagen. + +Hij neemt altijd met eenige -- het woord in deze vergadering. + +Alva verspreidde door zijn streng optreden alom -- in den lande. + +Het scheen, of de --, die hem aangreep, zijn krachten verdubbelde. + +De -- voor straf hield hem van de misdaad terug. + +Ik moet altijd lachen over de -- van dezen jongen. + +Door een hevigen -- bevangen, stond hij als aan den grond genageld. + +De --, dat men hem zijn geld zou ontstelen, liet den vrek geen oogenblik +met rust. + +De Ruyter had den bijnaam van »de -- van 's vijands vloten". + +Naarmate het kind langer uitbleef, klom de -- der ouders. + +Door zulk een strafoefening sloeg den opstandelingen de -- om het hart. + + +167. Beducht--bevreesd--bekommerd--bezorgd--beangst. + +_Door een gevoel van vrees of angst beklemd._ + +~Bevreesd~ duidt aan, dat iemand vrees koestert. (Zie no. 166.) _Hij was +~bevreesd~, zijn geld te verliezen._ + +~Beangst~ is sterker. (Zie no. 166.) _De ouders waren ~beangst~, dat zij +kun kind zouden verliezen._ + +~Beducht~ wijst er op, dat men over den afloop of den uitslag bevreesd +is; het behoort hoofdzakelijk tot den deftigen stijl. _Gij behoeft voor +zijn lot niet ~beducht~ te zijn._ + +~Bezorgd~ is men, als men zorg, onrust over iets heeft. _Ik ben +~bezorgd~ over het behoud van zijn leven._ + +~Bekommerd~ is veel sterker; het wijst op groote en drukkende onrust of +verdriet. _De vader zat ~bekommerd~ neer bij het ziekbed van zijn kind._ + + * * * * * + +_Als er in de volgende zinnen meer woorden ingevuld kunnen worden, geef +dan telkens de schakeering in de beteekenis op._ + +De moeder was zeer --, dat haar zoon iets zou ontbreken. + +Met een -- gelaat zag de ongelukkige ons aan. + +Hij maakte zich bij het geritsel in de takken zoo --, dat het zweet hem +uitbrak. + +Niet ten onrechte maakte de vorst zich -- over den toenemenden opstand. +Hij was --, dat hij dien niet zou kunnen onderdrukken. + +De veldheer was slechts een oogenblik -- den vijand te ontmoeten; +spoedig vermande hij zich en gaf bevel tot den aanval. + +Met een -- hart wachtten de ouders tevergeefs op de terugkomst van hun +zoon. + +De dokter is -- over de wending, die de ziekte neemt. + +Gij behoeft niet -- te zijn, dat hij u zal verraden; hij is in alle +opzichten te vertrouwen. + +Toen de onweersbui boven hem losbrak, werd hij zeer --. + +Met een -- gemoed was hij gekomen; met een verlicht hart verliet hij +ons weer. + + +168. Bewaren--behoeden--beschermen--beschutten--beveiligen. + +_Zorgen, dat geen kwaad iemand of iets kan deren._ + +De beide eerste woorden worden alleen gebruikt, om aan te wijzen, dat er +gevaar dreigen _kan_, de overige drie onderstellen, dat er werkelijk +gevaar dreigt. + +~Bewaren~ is zorgen, dat iets in ongeschonden staat blijft, dat dus geen +schadelijke invloeden op iets kunnen werken, m. a. w. dat het gevaar +verre blijft. _~Bewaar~ dit boek goed.--Moogt gij voor zulk een ramp +~bewaard~ blijven!_ d. w. z. moge zulk een ramp verre van u blijven. + +~Behoeden~ onderstelt ook wel hetzelfde als bewaren, maar voegt er +tevens bij, dat men op zijn hoede is, dus dat men voortdurend het ons +toevertrouwde in het oog houdt; dientengevolge is het sterker dan +bewaren. _God ~behoede~ u op uw verren tocht!_ + +~Beschermen~ en ~beschutten~ duiden beiden aan, dat er een _middel_ +gebruikt wordt, nl. een scherm en een schut, om het gevaar te keeren. +Een scherm houdt de _uitwerking_ van iets tegen (vuurscherm), een schut +moet meer den _aanvaller_ afweren. _De Alpen ~beschutten~ de Povlakte +tegen de noordenwinden.--De duinen ~beschermen~ ons land tegen de zee_ +(nl. haar overstrooming). Het gebruik wil echter, dat ~beschutten~ meer +op schadelijke invloeden en ~beschermen~ meer op gevaren ziet: _Gij moet +u tegen den kouden wind ~beschutten~.--Ik zal u tegen dit gevaar +~beschermen~._ + +~Beveiligen~ wijst aan, dat iets in veiligheid komt of blijft, terwijl +beschermen en beschutten nog altijd eenig gevaar onderstellen. _In zijn +afzondering was hij volkomen ~beveiligd~ tegen zijn vijanden._--Het is +dus sterker dan beschermen of beschutten. + + * * * * * + +Het was de moederliefde, die u in uw jeugd tegen velerlei gevaren heeft +--. + +Door de goede zorgen van den archivaris werden deze perkamenten +oorkonden voor ondergang --. + +Op het stadhuis waren eertijds de oorkonden in ijzeren kisten vrij goed +--. + +De bliksemafleider heeft den toren opnieuw --. + +Het is guur weer; gij moogt u wel wat tegen den noordenwind --. + +In de haven waren wij eindelijk -- tegen de aanvallen der roovers. + +Wien God --, is wel --. + +Een sterk geleide moest den koenen ontdekkingsreiziger in de +binnenlanden tegen de wilde stammen --. + +Door de uitvinding van het buskruit waren de ridders niet langer op hun +sterke kasteelen tegen de aanvallen der poorters --. + +De voortdurende waakzaamheid der poortwachters heeft de stad voor haar +ondergang --. + +De duinen worden thans met helm beplant, om ze tegen verstuiving te --. + +De koning wist het land voor een omwenteling te --. + +Onder het dichte loover waren wij tegen de brandende zonnestralen +uitstekend --. + + +169. Beletten--verhinderen--tegenhouden of +weerhouden--afhouden--terughouden. + +_Veroorzaken, dat iemand een of andere handeling niet kan verrichten._ + +~Afhouden~ zegt, dat men iemand ergens vandaan houdt, zoodat hij niet +met zijn daad kan beginnen. _Wij hebben hem van dit dwaze plan +~afgehouden~._ + +~Terughouden~ wijst er op, dat hij wel reeds bijna aan de behandeling +begonnen is, maar dat hij door onze tusschenkomst niet verder kan komen. +_Slechts met groote moeite slaagde ik er in, hem nog ter elfder ure van +die dwaze onderneming ~terug te houden~._ + +~Tegenhouden~ ziet er op, dat men iemand hindernissen in den weg +legt (bij _~afhouden~_ en _~terughouden~_ gebruikt men meer dwang of +overreding), evenals ~verhinderen~ (van _hinder_), zoodat men hem tracht +te noodzaken van zijn plan af te zien; ~tegenhouden~ wordt van den +persoon zelf gezegd, terwijl ~verhinderen~ meer slaat op de daad, die +men wil voorkomen. _Hij liet zich door al de bezwaren, die hem in den +weg gelegd werden, niet ~tegenhouden~, zijn plan te volvoeren.--De +veldheer wist te ~verhinderen~, dat de vijand hem in den rug aanviel._ + +Terwijl ~tegenhouden~ en ~verhinderen~ onderstellen, dat iemand +reeds pogingen gedaan heeft om iets te bereiken, maar in de verdere +voortzetting wordt gestuit, wijst ~beletten~ er op, dat hem zelfs die +poging onmogelijk gemaakt is; het woord is dus sterker dan de eerste +twee. _De veldheer wist te ~beletten~, dat de vijand hem in den rug +aanviel._ + + * * * * * + +Na lang praten gelukte het ons, hem van zijn voornemen, om naar Amerika +te vertrekken, --. + +Ga gerust uw gang, niets -- u, die reis naar Indië te doen. + +Te Marseille gekomen werd hij --, zijn reis naar Indië voort te zetten. + +Doordat de onzen tijdig waren gewaarschuwd, werd de vijand -- de stad te +verrassen. + +Door het dappere gedrag van den Kroonprins bij Quatre-Bras werd het +Fransche leger een dag in zijn opmarsch --. + +Door hem nog tijdig gevangen te nemen, heeft de politie hem -- te +ontvluchten. + +Door de ingevallen koude werd hij -- nog tijdig de vergadering te +bereiken. + +Zijn verkoudheid -- hem niet uit te gaan. + +Men moet den dronkaard van den ondergang, dien hij tegemoet gaat, --. + +Wij hebben hem gelukkig nog bijtijds --, dat hij er met ons geld van +doorging. + +De voorzitter wilde het voorstel liever niet in stemming brengen, maar +hij was door de oppositie niet in staat de stemming --. + + +170. Bestendig--duurzaam--onveranderlijk--standvastig--langdurig. + +_Deze woorden geven te kennen, dat iets ~blijft~ bestaan, zooals het +is._ + +~Bestendig~ is alles, wat uit zijn aard niet _verandert_: _bestendig_ +weder (d.w.z. het blijft onafgebroken, zooals het is). + +~Duurzaam~ is alles, wat uit zijn aard niet _ophoudt_: een _duurzame_ +vrede. (~Bestendig~ ziet dus op het innerlijk vermogen om niet te +veranderen, ~duurzaam~ wijst op de innerlijke eigenschap, dat iets niet +ophouden, geen einde nemen zal.) + +~Onveranderlijk~ drukt uit, dat iets door invloeden van buiten niet +veranderd kan worden: _Gods besluiten zijn ~onveranderlijk~_ (d.w.z. +geen invloed buiten God kan er verandering in brengen). + +~Standvastig~ ziet uitsluitend op personen en duidt aan, dat iemand +blijft standhouden niettegenstaande allerlei tegenwerking. Het wordt +steeds in gunstigen zin gebruikt in tegenstelling met halsstarrig. +_Hoewel men den gezant met allerlei schoone beloften zocht tevreden te +stellen, ja zelfs met straf dreigde, bleef hij ~standvastig~ aandringen +op het voldoen aan zijn eisch._ + +~Langdurig~ wijst aan, dat iets door invloeden van buiten lang duurt +(dus meer toevallig) in tegenstelling met duurzaam, dat op een innerlijk +vermogen wijst. _Een ~langdurige~ oorlog. De onderlinge naijver tusschen +de beide volken scheen geen ~duurzamen~ vrede te voorspellen. Eikenhout +is ~duurzaam~._--(Waarom niet: _langdurig_?) + + * * * * * + +»Ach, wij vinden, waar wij staren, niet -- hier beneên." + +»Gij hebt Uw troon op -- recht gebouwd." + +Na een -- onderzoek kwam men eindelijk den dader op het spoor. + +Hoezeer men hem zocht te verleiden, zijn partij afvallig te worden, was +hij toch -- genoeg, zijn eenmaal gegeven woord getrouw te blijven. + +Wat ook om ons heen moge wankelen, God alleen is --. + +Door zijn -- verblijf in den vreemde heeft hij veel ervaring opgedaan. + +Men heeft den dichter een standbeeld in -- brons opgericht. + +Hij viel in een -- ziekte, die zijn krachten sloopte. + +Willem van Oranje's zinspreuk was: »-- te midden der woelige golven." +(Is hier het bedoelde woord letterlijk of figuurlijk gebruikt?) + +»Niet steeds is de liefde -- van duur, hoe snel zij den boezem deed +jagen." (Tollens.) + + +171. Buit--prijs--prooi--roof--vangst. + +_Hetgeen men met geweld in zijn bezit brengt._ + +Is dit geweld onrechtvaardig, dan spreekt men van ~roof~: kerkroof, +zeeroof.--Is het geweld door het oorlogsrecht (tusschen twee partijen) +gewettigd, dan spreekt men van ~buit~: _Met grooten ~buit~ beladen +keerden de soldaten naar huis._--~Vangst~ zegt men van hetgeen de jacht +of de visscherij oplevert; daar men het vangen (d.i. grijpen) moet, +heeft het woord alleen betrekking op levende wezens. Oudtijds, toen de +gevangenen nog als slaven werden verkocht, konden zij onder den _buit_ +gerekend worden; thans moet men zeggen: _De slavenhalers hebben een +goede ~vangst~ gehad._ + +~Prooi~ noemt men de vangst, waarmee de verscheurende dieren zich +voeden; in figuurlijke beteekenis kent men een ~prooi~ toe aan de hevige +hartstochten of aan de geweldige werkingen der natuur, die men met +verscheurende dieren gelijkstelt. _Het huis is een ~prooi~ der vlammen +geworden._ + +~Prijs~ (van 't Fransche _prise_, d.i. de daad van het nemen) wordt +hoofdzakelijk in oorlogstijd gezegd van goederen, die de vijand in zijn +bezit krijgt, door ze meer zich toe te eigenen dan te veroveren; bijv. +de lading van koopvaardijschepen, die zich niet verdedigen kunnen, wordt +door den vijand _prijs_ gemaakt. Men zegt dan meestal: _prijs verklaard_ +of _voor goede prijs_ (v.) _verklaard_, dit laatste om het goed recht +als oorlogsbuit des te beter te doen uitkomen. (Het woord _verklaard_ +wijst dan aan, dat er geen gevecht behoefde geleverd te worden!) + + * * * * * + +Oudtijds kregen de soldaten een vast soldij benevens een aandeel in den +--. + +Daar stond de lichtzinnige jongeling, thans ten -- aan hevig +zelfverwijt. + +De dieven brachten hun -- zoo spoedig mogelijk in veiligheid. + +Een groot getal koopvaardijschepen werd door den vijand -- verklaard. + +De koopvaardijvloot werd door eenige oorlogsbodems verdedigd, maar ten +laatste grootendeels door den vijand -- gemaakt. + +De visscher heeft een slechte -- gehad. + +De politie heeft deze week een goede -- gedaan; zij legde de hand op +»Rooie Kees", die wegens -- en doodslag terecht moest staan, maar +nergens te vinden was. (Verklaar het figuurlijke der beteekenis van 't +eerste woord!) + +Zes schipbreukelingen werden een -- der woedende golven. + + +172. Bedenkelijk--zorgelijk--hachelijk--gevaarlijk. + +_Deze woorden geven te kennen, dat een toestand of omstandigheid gevaar +oplevert._ + +~Gevaarlijk~ zegt dit zonder eenige nadere aanwijzing. _Hij lijdt aan +een ~gevaarlijke~ ziekte._ + +~Bedenkelijk~ drukt alleen uit, dat de toestand ons tot nadenken, tot +ongerustheid stemt, hoewel een gunstige afloop nog niet uitgesloten is. +_De toestand van den zieke is wel ~bedenkelijk~, maar de geneesheer +geeft nog alle hoop._ + +~Zorgelijk~ geeft te kennen, dat het gevaar groot is; het maakt ons +bezorgd (bevreesd), dat de afloop ongunstig zal zijn. _De zieke heeft +reeds verscheidene dagen lang hevige koorts, zoodat zijn toestand +~zorgelijk~ is._ + +~Hachelijk~ zegt, dat de kans op een ongunstigen afloop grooter is dan +die op een gunstigen uitslag. (Men zegt ook vaak ~kritiek~.) _Toen de +Republiek in 1672 door vier mogendheden te gelijk werd aangevallen, was +de toestand zeer ~hachelijk~._ + + * * * * * + +In den Franschen tijd was het hoogst --, afkeurend over Napoleon te +spreken. + +De toestand van den zieke is --: men heeft reeds de bloedverwanten +ontboden. + +Het is een -- verschijnsel, dat de weelde ook in de lagere standen zeer +toeneemt. + +Toen de onzen reeds voor den vijand begonnen te wijken, verloor de +veldheer in dit -- oogenblik zijn bezinning niet; kort en krachtig sprak +hij zijn manschappen toe en wist ze met nieuwen moed te bezielen. Een +schitterende overwinning bekroonde hun moed. + +Het kan -- zijn, vruchten, die men niet kent, te eten. + +Het was een -- waagstuk, met een klein bootje het Kanaal over te steken. + +Hoewel de man -- ziek ligt, geloof ik toch, dat zijn toestand niet zoo +-- is, als gij meent. + + +173. Dapper--moedig--stout--onbevreesd--onverschrokken--onversaagd. + +_Geen gevaar ontziende._ + +~Moedig~ geeft te kennen, dat men overtuigd is van eigen kracht, om het +gevaar te overwinnen. _Een ~moedig~ gemzenjager klimt langs afgronden, +om zijn doel te bereiken._ + +~Dapper~ is hij, die vooral in den strijd onversaagd is en stand houdt, +waar anderen liever wijken. _Het kleine, maar ~dappere~ leger versloeg +den veel sterkeren vijand._ + +~Stout~ (of stoutmoedig) is hij, die het gevaar minacht, hetzij uit +onbekendheid, hetzij om een andere reden: hij onderneemt daden, die ons +vaak gewaagd of onuitvoerbaar toeschijnen. Een onervaren soldaat, die +overigens misschien minder moedig is dan zijn oudere krijgsmakkers, zal +soms lichter dan zij zich tot een stoute onderneming laten verleiden. +_Het was een ~stoute~ daad van Jan Haring op Bossu's schip over te +springen en de vlag naar beneden te halen._ + +~Onbevreesd~ is hij, die geen vrees kent, zoodat hij zich niet laat +afschrikken, om zich moedig te gedragen. _~Onbevreesd~ wachtte hij den +vijand af._ + +~Onverschrokken~ is hij, die zich door niets laat verschrikken, maar +zelfs het gevaarlijkste durft wagen. _Kapitein 't Hoen was een +~onverschrokken~ vrijbuiter, die meermalen dwars door den vijand heen +levensmiddelen binnen Haarlem bracht._ (Hij was misschien wel niet +altijd onbevreesd, maar hij liet zich door die vrees niet +terugschrikken.) + +~Onversaagd~ is hij, die niet aarzelt, als het gevaar moet getrotseerd +worden, en volhardt, als er tegenspoed komt. _~Onversaagd~ viel de +~onverschrokken~ held den vijand aan, toen deze een uitval waagde._ + + * * * * * + +Bij die schipbreuk wierp zich de strandvoogd -- in de woedende golven en +zwom naar het schip. (Dezen zin kan men met vier woorden invullen; doe +het en geef telkens de veranderde beteekenis op.) + +De vader, wiens kind door den arend was geroofd, klom -- den roover na. +(Men wil aanduiden, dat de vader niet aarzelde en zich door niets liet +tegenhouden, totdat hij het nest bereikt had.) + +Bij het gezicht van den vijand zag men den bevelhebber slechts even +verbleeken; toen viel hij -- het vijandelijke leger aan. (Onbevreesd was +hij dus zeker niet.) + +Na een -- gevecht van een paar uren sloeg men den vijand op de vlucht. + +Hoewel hij wist, dat het zijn meerdere onaangenaam zou zijn, heeft hij +dezen toch -- de waarheid gezegd. + +Onze geschiedenis is rijk aan -- mannen, die zich in menig gevecht -- +hebben gedragen; sommige zelfs hebben hun naam door een -- daad +vereeuwigd. + +De jager naderde -- het hol van den leeuw. (Welke woorden kunt gij +invullen? Geef daarvan rekenschap.) + + +174. Spijt--leedwezen--berouw--wroeging. + +_Het onaangename gevoel, dat zich van ons meester maakt, wanneer wij tot +het besef komen, verkeerd gehandeld te hebben._ + +~Spijt~ drukt dit het zwakst uit; het geldt dan ook hoofdzakelijk van +minder belangrijke daden. _Ik heb er ~spijt~ van, dat ik dit boek +gekocht heb._ + +~Leedwezen~ is sterker; het onderstelt een daad, waardoor wij ons zelven +of anderen verdriet of nadeel berokkend hebben. _Hij gaf mij zijn +~leedwezen~ er over te kennen, dat hij mij had moeten teleurstellen._ + +~Berouw~ is weer sterker dan leedwezen; het duidt aan, dat wij een +misslag of misdaad begaan hebben, waarover wij een aanhoudend leedwezen +gevoelen. Bovendien drukt het uit, dat wij dien misslag of die misdaad +gaarne ongedaan zouden maken, en laat meestal doorstralen, dat wij een +mogelijke herhaling wenschen te voorkomen. _Over de grievende +beleediging, die hij zijn besten vriend had aangedaan, voelde hij diep +~berouw~._ + +~Wroeging~ is de hoogste trap van berouw over een gepleegd kwaad. Het is +de foltering, die de misdadiger voelt, doordat zijn geweten hem niet met +rust laat. _Uit ~wroeging~ over zijn misdaad verviel hij tot wanhoop._ + + * * * * * + +Nu het vandaag zulk prachtig weer is geworden, heb ik er -- van, dat ik +van morgen niet op reis ben gegaan. + +Tichelaar werd op zijn ouden dag overal vervolgd door de -- van zijn +knagend geweten. + +Ik heb er nog steeds -- over, dat ik in mijn jeugd niet beter geleerd +heb. + +Tot zijn -- bemerkte hij, dat hij zijn bediende onschuldig had +aangeklaagd. + +Uit -- over zijn misdaad stierf hij reeds na korten tijd. + +De moordenaar toonde niet het minste -- over zijn afschuwelijke daad. + +Tot mijn -- moet ik u berichten, dat ik aan uw verzoek niet kan +voldoen. + + +175. +Eigenzinnig--stijfhoofdig--hoofdig--koppig--halsstarrig--hardnekkig. + +_Niet geneigd naar anderen te luisteren._ + +~Stijfhoofdig~ is hij, die zijn eigen hoofd wil volgen, zelfs al moet +hij erkennen, dat anderen het beter weten. ~Hoofdig~ en ~koppig~ drukken +hetzelfde iets minder sterk uit; ~koppig~ wordt ook van dieren gezegd +en heeft bovendien het nevenbegrip van onhandelbaar. _De jongen is +~stijfhoofdig~ genoeg, om toch de aangegeven fouten niet te willen +verbeteren. Wat ben je van daag weer ~hoofdig~. Een ~koppige~ ezel._ + +~Eigenzinnig~ komt ook wel met stijfhoofdig overeen, maar drukt nog het +bijdenkbeeld uit, dat men uit gehechtheid aan het oude of aan eigen +inzicht voor geen reden vatbaar is: men doet zijn _eigen zin_. _Hoewel +iedereen hem aanraadde, zijn melk aan de boterfabriek te leveren, was de +boer ~eigenzinnig~ genoeg, zelf te blijven karnen._ + +~Halsstarrig~ (d. i. een stijven hals hebbende) en ~hardnekkig~ (d. i. +een harden, stijven nek hebbende) gebruikt men om aan te duiden, dat +iemand een onbuigzamen wil heeft en zich daarom blijft verzetten. +~Hardnekkig~ kan ook in goeden zin voorkomen, wat bij ~halsstarrig~ +nimmer het geval is. _Na een ~hardnekkigen~ tegenstand moesten de Boeren +zich eindelijk onderwerpen. Hij weigert ~halsstarrig~ zich met zijn +buurman te verzoenen._ + + * * * * * + +Bokken zijn meestal -- dieren. + +Die jongen is vreeselijk --; hij weet, dat hij nablijven moet, als hij +zijn werk niet netter maakt en toch zit hij weer te knoeien. + +De Atjehers boden een -- tegenstand, zoodat de onzen een moeilijke taak +hadden. + +Kent gij het gedicht »De -- boer" van Staring? + +Hij houdt maar -- vol, dat hij niet gestolen heeft, en toch is de schijn +sterk tegen hem. + +Sommige landbouwers zijn zoo --, dat zij met de nieuwste uitkomsten der +landbouwkunde blijven spotten. + +Hoewel ik hem meermalen mijn hulp heb aangeboden, blijft hij die -- +weigeren. + +Na een -- gevecht moest de vijand eindelijk het veld ruimen. + +Niettegenstaande ik hem meermalen heb aangetoond, dat hij de studie op +een andere wijze moet aanvatten, is hij toch -- genoeg om op den ouden +weg voort te gaan. + + +176. Gedachtenis--nagedachtenis--aandenken--herinnering. + +_De bewustgeworden voorstelling van hetgeen vroeger geweest is._ + +~Herinnering~ wijst het vermogen aan, om zich het verledene weer voor +den geest terug te roepen, of wel het is de werking zelf. Slechts in dit +laatste geval is het synoniem met andere woorden en duidt dan alleen het +bloote bewustworden aan. _In dagen van verdriet valt de ~herinnering~ +aan gelukkiger tijden ons dubbel zwaar._ + +~Gedachtenis~ wijst aan, dat iemand of iets in onze gedachten blijft en +dus niet vergeten wordt. Het ziet dus op een voortduren. _Houdt dat in +uw ~gedachtenis~._ + +~Nagedachtenis~ heeft alleen betrekking op overleden personen, zelfs +van een ver voorgeslacht (dus niet op gebeurtenissen) en duidt het +voortleven in onze gedachten aan. _Tot zijn ~nagedachtenis~ werd voor +hem een gedenkteeken onthuld._ + +~Aandenken~ drukt uit, dat aan het vroegere (personen of zaken) vaak +gedacht wordt, bijv. hoe de persoon leefde, zoodat hij in levendige +herinnering blijft. _Hij zal in gezegend ~aandenken~ blijven +voortleven._ + +Opmerking verdient, dat herinnering, aandenken en gedachtenis ook een +voorwerp kunnen aanduiden, waardoor de herinnering, het aandenken of +de gedachtenis wordt levendig gehouden. _Mag ik u dit geschenk tot een +~aandenken~ aan dezen feestdag aanbieden?_ (Zoek ook een voorbeeld van +herinnering en van gedachtenis.) + + * * * * * + +Wij zullen van ons verblijf in Zuid-Limburg een aangename -- meenemen. + +De overledene bleef wegens zijn weldadigheid in gezegend -- voortleven. + +Ter -- aan de troonsbestijging der Koningin heeft men op verschillende +plaatsen een linde geplant. + +Deze dichter heeft aan de -- van den zeeheld een schoon gedicht gewijd. + +Ontvang dit als een -- aan uw eerste bezoek. + +Zijn verblijf aldaar liet zoo weinig -- bij de bewoners achter, dat het +weldra uit hun -- verdween. + +Dit horloge is nog een -- van mijn overleden oom. + +De -- van dezen weldoener der menschheid wordt nog steeds geëerd. + + +177. Bekwaam--geschikt--kundig--knap. + +_De vereischten bezittende, om iets naar behooren te verrichten._ + +~Kundig~ onderstelt veel theoretische kennis door ijverige studie van +een zeker vak opgedaan. _Hij is een ~kundig~ rechtsgeleerde._ + +~Bekwaam~ wijst aan, dat men aan kennis ook practische ervaring paart, +zoodat men degelijk werk kan leveren of voor een of andere betrekking +als aangewezen is. _Hij is een ~bekwaam~ timmerman; een ~bekwaam~ +onderwijzer._ + +~Geschikt~ wil zeggen, dat men wegens het bezit van de vereischte +vaardigheden voor een of andere handeling of betrekking bijzonder +bruikbaar is. _Ik weet een ~geschikte~ dienstbode voor u._ + +~Knap~ duidt aan, dat iemand veel geleerd heeft, hetzij in 't algemeen +of in een bepaald vak: _Hij is een ~knap~ man.--Mijn broer is zeer +~knap~ in de geschiedenis._ Een onderwijzer kan knap en toch niet +bekwaam voor zijn betrekking zijn. In den regel is ~knap~ tot de +spreektaal beperkt en behoort ~kundig~ meer tot de schrijftaal. + + * * * * * + +Een -- werkman vindt overal werk. + +In uw geval zou ik een -- advocaat raadplegen. + +Wij hebben een -- kindermeisje gevonden. + +Wie is de -- van deze jongens? + +Johan de Witt was een -- rechtsgeleerde en een -- staatsman, die zeer -- +was om de buitenlandsche zaken te leiden. + +Die man ziet er wel onnoozel uit, maar voor schaapherder is hij nog wel +--. + +Hij is een -- godgeleerde, maar wegens zijn schorre stem is hij voor +predikant niet --. + +Ik geloof niet, dat deze schoenmaker erg -- in zijn vak is, maar voor +verstelwerk is hij wel --. + +Deze hoogleeraar is een -- oriëntalist. + +Om dit oude gebouw naar behooren in den ouden stijl te herstellen moet +gij een -- architect zoeken. + + +178. Draaien--keeren--wenden--wentelen. + +_Een beweging maken, die van de rechte lijn afwijkt._ + +Bij een cirkelvormige beweging--om een vast punt dus--spreekt men van +~draaien~: _het wiel ~draait~_. + +Om aan te duiden, dat het voorwerp door de beweging een tegengestelden +stand krijgt, gebruikt men ~keeren~: _het schip ~keert~_ (waar dus de +voorsteven was, komt nu het roer). + +Is de verandering van stand niet zoo groot, dan spreekt men van ~wenden~ +(oorspronkelijk: zijwaarts doen gaan; vergelijk _wand_ = zijde): _het +schip ~wendt~ het roer_. + +Een herhaald wenden wordt letterlijk door ~wentelen~ aangeduid +(frequentief); het komt dus veel met draaien overeen, maar heeft de +bijgedachte, dat het voorwerp niet alleen voortdurend van stand maar ook +van plaats verandert. _Het zwijn ~wentelt~ zich in het slijk_ (d.i. +letterlijk: wendt zich voortdurend in het slijk en komt tevens op een +andere plaats). _De aarde ~draait~ om haar as en ~wentelt~ om de zon._ +(Waarom niet _~wentelt~_ om haar as, of _~draait~_ om de zon?) + + * * * * * + +Pas op, de straat is hier te nauw om er met je fiets te --. + +De wielen met gummi-banden -- bijna onhoorbaar over den weg. + +Je kunt je overjas nog best laten --. (Hoe verklaart gij, dat de +Duitscher hier _wenden_ gebruikt?) + +Als gij olie in de as gedruppeld hebt, moet gij het wiel een paar +minuten snel laten --. + +Toen hij zijn vijand op straat tegenkwam, -- hij het hoofd naar rechts. + +Hij -- maar in een cirkeltje rond, je wordt er niets wijzer door. + +Wij zullen het eens over een anderen boeg --. + +Gij moet dit vat olie voorzichtig naar de schuur --. + +De wandelaar stond even stil en -- toen op zijn schreden terug. + +De orgelman -- de voorzijde van het orgel naar ons huis en begon er toen +lustig op los te --. + +De vrouwen zagen den steen van Jezus' graf --. + + +179. Lomp--onbeleefd--onbeschoft--ongemanierd. + +_Zonder fatsoen._ + +~Onbeleefd~ wijst aan, dat men de regels der wellevendheid uit het oog +verliest. _Het is ~onbeleefd~ een dame naar haar leeftijd te vragen._ + +~Ongemanierd~ zegt, dat men onbeleefd in zijn manieren, in zijn +handelwijs is, zoodat men in den regel ergernis verwekt. _Het is hoogst +~ongemanierd~ aan tafel het zout met zijn vingers aan te vatten._ + +~Lomp~ wil zeggen, dat men de regels der wellevendheid niet kent en er +dus vaak lijnrecht mee in strijd handelt. _De ~lompe~ boer sprak den +Burgemeester met jij aan._ + +~Onbeschoft~ wijst aan, dat men wel de regels der wellevendheid kent, +maar ze opzettelijk overtreedt, met het doel iemand daardoor te +beleedigen. _Door zulk een ~onbeschoft~ antwoord van den boer werd de +Burgemeester woedend._ + + * * * * * + +Zooveel beleefdheid had ik van dien -- boer niet verwacht. + +Foei jongen, wat zit je bij het eten van je boterham -- te smakken. + +De landlooper werd ten laatste zoo --, dat hij mij allerlei vuile +scheldwoorden naar het hoofd wierp. + +Zorg er voor, Frits, dat je dadelijk voor de dames een voetenbankje +haalt, anders zou je -- zijn; misschien zouden ze je wel voor een -- +jongmensch houden. + +De -- boer hield zijn pet in de kamer op; hij werd zelfs zoo --, dat hij +tot den advocaat zeide: »Je kinderen lieken krek apen." + + +180. Ochtend--morgen--dageraad--het krieken van den dag. + +_Het begin van den dag._ + +~Dageraad~ en ~krieken~ wijzen op het begin van het licht, ~ochtend~ +op het begin van den tijd of den dag. Zoo zegt men: _men staat op met +~het krieken van den dag~ of met den ~dageraad~_, d. w. z. bij het licht +worden.--»_Sta gauw op, het is al ~ochtend~_" (d. w. z. de dag is al +begonnen, de nacht is voorbij). + +~Morgen~ ziet meer op de eerste uren, het eerste gedeelte van den dag: +_Dezen ~morgen~ heb ik in den tuin gespit._ Soms gebruikt men ook +_ochtend_, waar _morgen_ bedoeld is: _Gisteren~ochtend~ deed ik een +frissche wandeling._--Daar _ochtend_ slechts een oogenblik is, wenscht +men elkander geen _goeden ~ochtend~_, maar een _goeden ~morgen~_ +('t eerste gedeelte van den dag). Zoo zegt men wel: _ochtendstond_ en +_morgenstond_, maar niet: _de ~ochtend~stond heeft goud in den mond_, +men bedoelt immers: de morgen_tijd_. + + * * * * * + +Ik wensch u goeden --. + +Reeds bij -- stond er iemand voor onze deur. + +Morgen -- moet gij niet te lang slapen. + +Het --rood voorspelt mooi weer. + +Nauwelijks begon de -- te lichten, of wij verlieten ons huis. + +Ik laat mij elken -- om vijf uur wekken en werk dan den geheelen -- tot +acht uur door. + + »O welkom, schoone --, + Die uit een gulden kamer gaat + Met glans en heldre stralen." + (Luiken.) + + »De --ster drijft voor zich henen + De benden van het hemelsch heir." + (Vondel.) + + +181. Dalen--vallen--storten--zinken--zakken. + +_Een beweging naar beneden._ + +~Dalen~ wijst op een langzame beweging naar beneden toe, in +tegenstelling met rijzen, terwijl ~vallen~ aanduidt, dat die beweging +sneller gaat tengevolge van de aantrekkingskracht der aarde (het +voorwerp heeft dus geen ondersteuning meer). _Men liet gas uit de ballon +ontsnappen om op de heide neer te ~dalen~.--Een der mannen boog zich te +ver over het schuitje en ~viel~ naar beneden._ Geschiedt dit vallen van +een aanzienlijke hoogte of onverwacht, dan spreekt men van ~storten~. +_De Alpenjager verloor het evenwicht en ~stortte~ in een afgrond._ + +~Zakken~ en ~zinken~ duiden aan, dat de stof, waarop iets moet rusten +(water, modder, sneeuw, enz.), niet voldoende ondersteuning biedt. +Verdwijnt het voorwerp geheel in die stof, zoodat het niet meer +zichtbaar is, dan spreekt men van ~zinken~. _Wij ~zakten~ tot de enkels +in de modder.--Het schip kreeg een lek en ~zonk~ in de diepte._ (Waarom +kan men niet zeggen: de jager _zakte_ of _zonk_ in den afgrond?) Soms +ook duidt ~zakken~ alleen aan, dat het voorwerp een lageren stand dan +te voren inneemt: _de ballon ~zakte~_. Van het water kan men zeggen, +dat het _daalt_, _valt_ en _zakt_. ~Dalen~ duidt eenvoudig aan, dat de +waterspiegel lager wordt, vooral in tegenstelling van rijzen: _Vroeger +schijnt de zee meermalen gerezen en weer ~gedaald~ te zijn._ ~Vallen~ +zegt, dat de lager geworden waterstand met een bepaald peil wordt +vergeleken: _de rivier is van nacht 2 cM. ~gevallen~_.--~Zakken~ zegt +eenvoudig, dat het peil in betrekking tot een vroeger merk lager is +geworden: _Het water is vannacht ~gezakt~._ (Waarom kan men hier niet +spreken van _zinken_?) + + * * * * * + +Bij eb -- het water, bij vloed rijst het. + +Wij -- tot de knieën in de sneeuw. + +De arme man sloeg over boord en -- in de diepte. + +De bloesems -- als een zachte regen neder. + +Groote hagelsteenen -- uit de lucht. + +De moed is hem in de schoenen --. + +De sterke drank doet menigeen in het ongeluk --. + +Wacht een poosje, tot zijn drift wat -- is. + +Hij is in ongenade --. + +Een huis, dat --, moet nieuwe fundamenten hebben; een huis, dat --, +verdwijnt weldra geheel in den lossen grond. + +Hij was niet standvastig genoeg en -- voor de verleiding. + +»'k Zie de starren -- aan den stillen trans." + + +182. Hoogmoedig--hoovaardig--grootsch--trotsch--ijdel--fier--prat. + +_In groote mate met een gevoel van eigenwaarde bedeeld._ + +~Hoogmoedig~ zegt, dat men in het besef zijner meerderheid met +verachting op anderen neerziet. _Sedert hij burgemeester van dat dorp +geworden is, is hij zeer ~hoogmoedig~ geworden._ + +~Hoovaardig~ is sterker, het drukt uit, dat men zich nog grooter +(rijker, enz.) wil voordoen, dan men is: _ik begrijp niet dat hij nu zoo +~hoovaardig~ is geworden, vroeger was hij zoo nederig_. + +~Grootsch~, van zaken gebruikt, geeft het denkbeeld van grootte, ruimte, +eerbiedwaardigheid, voortreffelijkheid: _een ~grootsch~ gebouw, een +~grootsche~ gedachte_;--van personen gezegd is het ongunstig van +beteekenis: het wijst dan aan, dat men met ingebeelde grootheid of +voortreffelijkheid is bezield en in uiterlijken pronk behagen schept. +_Zie dat meisje eens ~grootsch~ zijn op haar mooie kleeren._ + +~Trotsch~, in goeden zin, is: vol van grootmoedig zelfvertrouwen of +een gepast gevoel van eigenwaarde. _Uw ~trotsch~ geslacht verwacht +rechtschapen loten uit zijn stam_ (Vondel); ook mag iemand, waar het +een gepast gevoel van eigenwaarde geldt, gerust zeggen: »_Ik ben er +~trotsch~ op zóó gehandeld te hebben._" Meestal evenwel ontstaat +trotschheid uit verkeerde zelfverheffing en daarmee gepaard gaande +verachting van anderen; de trotsche vermijdt dan ook angstvallig alles, +wat hem quasi zou vernederen en neemt een houding aan, die stuitend, +zelfs beleedigend voor anderen is. _Sedert hij burgemeester is geworden, +is hij te ~trotsch~ om met ons om te gaan._ Van zaken gebezigd, komt +~trotsch~ eenigszins met grootsch overeen, en wordt dan gebruikt, niet +zoozeer om de grootte, als wel om de hoogte uit te drukken: _~Trotsche~ +bergen_ (geen »grootsche" bergen). + +~Prat~ is hetzelfde als trotsch, maar er wordt steeds de reden +bijgevoegd: _~Prat~ op zijn afkomst._ Het woord is echter tot de +schrijftaal beperkt. + +~Fier~ (van Franschen oorsprong) drukt altijd een gepast gevoel van +eigenwaarde uit. _Met ~fieren~ blik trad hij voor zijn laaghartige +beschuldigers._ + +~IJdel~ duidt aan, dat men zich gaarne bewonderd en gevleid ziet. _Hij +was ~ijdel~ genoeg, om de vleierij van zijn vrienden voor goede munt aan +te nemen._ (IJdel kan ook beteekenen: 1º. zonder grond: ijdele hoop; 2º. +van geen langen duur: ons ijdel leven; 3º. aardschgezind: ijdele lieden +denken niet aan het leven hiernamaals; 4º. nutteloos: al zijn pogingen +waren ijdel.) + + * * * * * + +De -- raaf liet zich geducht door den vos beetnemen. + +Met -- opgeheven hoofd trad de mishandelde zijn beulen onder de oogen. + +Zijn -- hart heeft alle gevoel van vriendschap gebluscht. + +De -- schouwburg heft zijn kap en gaat tot aan de sterren pralen. +(Vondel.) + +Elkeen bewonderde hem over de uitvoering van dit -- denkbeeld. + +Van oudsher was de Nederlander -- op zijn voorrechten. + +Wij mogen er -- op zijn, dat hier reeds eeuwen vrijheid van geweten +bestaat. + +God wederstaat den --, maar den nederige schenkt Hij genade. + +Niemand kan dezen parvenu uitstaan, daar hij in 't oogloopend -- op zijn +rijkdom is. + +Hoe -- draaft het paard daarheen, als het zijn meester draagt. + +Toen de -- veldheer zich door zoo velen gevleid zag, werd hij --. + +Hij behoeft waarlijk niet zoo -- te zijn op zijn afkomst; zijn ouders +zijn maar eenvoudige lieden. + +Dat schijnt me een -- nufje toe. + +De pauw is een -- dier. + +Vroeger was hij vreeselijk --, maar het lot heeft hem nederig gemaakt. + +Ons loflied prijst den Schepper van het -- heelal. + +De -- eik werd door den bliksem getroffen. + +Hij was te --, om gebedeld brood te eten, zoolang hij nog werken kon. + +Deze schrijver is zoo --, dat hij niet de minste aanmerking op zijn werk +kan verdragen. + +Paul Kruger blijft een -- verschijning in de geschiedenis van +Zuid-Afrika. + +Toen de leeuw zich zag ingesloten, richtte hij zich -- op, alsof hij den +dood verachtte. + +De prachtige St.-Janskerk in Den Bosch is een -- gebouw. + + +183. Eischen--vorderen--vergen--verlangen. + +_Iets met aandrang vragen._ + +~Eischen~ drukt uit, dat men de gedachte aan een weigering uitsluit, +daar men van zijn recht overtuigd is of dat een plicht of een gelofte +tot gehoorzamen bindt. _Ik ~eisch~ het geld terug, dat gij van mij +geleend hebt. De wet ~eischt~ gehoorzaamheid aan haar bepalingen._ + +~Vorderen~ onderstelt wel, dat weigeren mogelijk is, maar toch niet +verwacht wordt, hetzij omdat degene, van wien men iets vordert, door +innerlijken drang weerhouden wordt te weigeren, hetzij hij bevreesd is +door dwangmiddelen tot het voldoen van het gevorderde gebracht te +worden. _Men ~vordert~ van een welopgevoed man, dat men hem op zijn +woord mag gelooven.--Ik ~vorder~ van hem schadevergoeding_ (d.w.z. +weigert hij soms, dan stel ik bij rechterlijk vonnis een _eisch_ tot +schadevergoeding in). + +~Verlangen~ duidt aan, dat men iets met zeer sterken aandrang vraagt, +maar dat men niet zeker is, of het verlangde zal worden toegestaan: het +laat in het midden, of men al dan niet recht op het gevraagde heeft. _De +minderjarige jongeling ~verlangde~ zijn vaderlijk erfdeel om de wereld +in te trekken._ (Ware hij meerderjarig geweest, dan had hij het kunnen +_eischen_ of _vorderen_.)--_Wij ~verlangden~ van onzen vriend nadere +opheldering van zijn gedrag._ (Een onderwijzer _eischt_ opheldering van +zijn leerling.) + +~Vergen~ (metathesis van vragen) duidt aan, dat men te veel verlangt. +_Hij ~vergt~ van mij, dat ik dat alles voor niets zal doen._ + + * * * * * + +De onderwijzer --, dat zijn leerlingen stipt op tijd komen; hij --, dat +zij jegens iedereen beleefd zullen zijn; hij mag niet --, dat er onder +schooltijd voortdurend een doodsche stilte heerscht. + +Ik -- oogenblikkelijk binnengelaten te worden. (Meer woorden?) + +Deze arbeid -- veel tijd. (Figuurlijk.) + +Hij had reeds te veel van mijn geduld --. + +De regeering -- onvoorwaardelijke gehoorzaamheid aan de wet. + +Ik mag van u niet --, dat gij mij voor niemendal zult helpen. + +Hij -- van mij, dat ik mijn verontschuldiging zal aanbieden, maar hij +vergeet, dat ik de beleedigde ben. + +Welken prijs -- gij voor deze boeken? + +De ouders -- van hun kinderen, dat zij zich behoorlijk in huis zullen +gedragen. + +Indien het niet te veel van uw goedheid -- is, zou ik u dit gaarne +verzoeken. + + +184. Aarzelen--schromen--weifelen--in twijfel staan--zich bedenken. + +_Geen vast besluit kunnen nemen._ + +~Aarzelen~ duidt oorspronkelijk een achterwaartsche beweging aan, het +wil dus zeggen: voor het besluit of de handeling terugdeinzen, doordat +men zich te zwak gevoelt. _Als men mij die betrekking aanbood, zou ik +~aarzelen~ ze aan te nemen._ + +~Schromen~ duidt aan, dat schroom (zie No. 166) de oorzaak is, waardoor +men niet tot een besluit kan komen. _Ik was hem al zoo dikwijls lastig +gevallen, dat ik ~schroomde~ alweder zijn hulp in te roepen._ + +~Weifelen~ duidt aan, dat men niet tot een besluit kan komen, doordat +men geen wilskracht, geen doortastendheid bezit. _Door zijn ~weifelen~ +in het beslissende oogenblik is de onderneming mislukt._ + +~In twijfel staan~ beteekent: tusschen twee zaken niet kunnen kiezen, +daar het vóór en tegen vrijwel tegen elkander opwegen. _Ik ~stond~ +langen tijd ~in twijfel~, of ik zou schrijven dan wel zelf zou gaan._ +(Twij = twee.) + +~Zich bedenken~ gebruikt men, als men zijn te nemen besluit vooraf nog +eens in ernstige overweging wenscht te nemen. _Ik kan mijn toestemming +nu nog niet geven, ik moet ~mij~ eerst nog eens terdege ~bedenken~._ +Soms beteekent het ook: op zijn reeds genomen besluit door nadenken +terugkomen. _In mijn eerste opwelling van woede besloot ik hem een +beleedigenden brief te schrijven, maar bij nader inzicht ~bedacht~ ik +~mij~ gelukkig nog._ + + * * * * * + +Wie buiten zijn toedoen in armoede vervalt, behoeft niet te -- om +ondersteuning te vragen. + +De bevelhebber -- tot den aanval over te gaan, daar hij een heftigen +tegenstand vermoedde. + +Langen tijd heb ik --, of ik voor arts dan wel voor notaris zou +studeeren. + +Ik hoor, dat hij plan heeft zijn geld in die gewaagde onderneming te +steken; voor hem hoop ik, dat hij -- zal. + +Hoewel gij er soms iemand onaangenaam door moet zijn, moogt gij niet --, +naar plicht en geweten te handelen. + +De koning had met een weinig toegeven den opstand nog kunnen voorkomen, +maar daar hij in het beslissende oogenblik -- tot zulk een verzoenende +daad over te gaan, verloor hij zijn laatste vrienden. + +Gij weet, op welke wijze gij zijn vriendschap behouden kunt; waarom -- +gij dan nog daartoe over te gaan? + +Gerust moogt gij --, vóór gij hem uw vriendschap opzegt, maar is uw +besluit genomen, -- dan ook niet het ten uitvoer te brengen. + +Door de -- houding, die ons land bij de voorgestelde alliantie aannam, +liet het de gelegenheid, om bondgenooten te winnen, voorbij gaan. + + +185. Blijdschap--vreugde--vroolijkheid--genoegen--verrukking. + +_Aangename aandoening van ons gemoed._ + +~Blijdschap~ ziet meer op een enkel geval en wordt door geringere +oorzaken teweeggebracht dan ~vreugde~, die dieper en langduriger +aandoet. Bovendien verschillen beide woorden ook hierin, dat +~blijdschap~ zich op 't gelaat afspiegelt, terwijl ~vreugde~ zich niet +noodzakelijk behoeft te uiten. Het goed gedrag van den zoon geeft den +vader vreugde; zijn thuiskomst na een korte afwezigheid veroorzaakt +blijdschap. (De vreugde duurt langer en uit zich wellicht niet; de +blijdschap was van voorbijgaanden aard en straalde misschien van 't +gelaat van den vader.) Geeft de blijdschap zich lucht ook door woorden, +lachen of gebaren, dan spreekt men van ~vroolijkheid~. Zijn vreugde kan +men verbergen, zijn vroolijkheid niet; blijdschap kan stil zijn (stille +blijdschap), vroolijkheid niet, bijv.: zij waren uitgelaten van +vroolijkheid. + +~Genoegen~ is minder sterk dan blijdschap; het is eigenlijk de toestand +van voldaanheid met hetgeen men wenscht of bezit. _Hij smaakte het +~genoegen~, de acte te behalen. Het doet mij ~genoegen~, dat gij komt._ +(In beide gevallen wijst het dus aan, dat de wensch vervuld werd.) +Tegenwoordig komt het soms ook overeen met vermaak: _Ik wensch u veel +~genoegen~ op uw reis_ (wat eigenlijk beteekent: ik hoop, dat gij al uw +wenschen bevredigd zult zien, n.l. uw wenschen naar genot en vermaak +op uw reis). _Hij schept veel ~genoegen~ of vermaak in het lezen van +romans. Met ~genoegen~ neem ik uw uitnoodiging aan_ (het zal mij een +vermaak zijn, bij u te komen). Genoegen kan ook nog beteekenen: de +oorzaak of het middel, dat ons vermaak verschaft: _ook de winter heeft +zijn ~genoegens~_. Verder moet er nog op gewezen worden, dat genoegen +en vermaak in de gewone spreektaal dikwijls vervangen worden door het +Fransche woord »pleizier". + +De hoogste trap van vreugde of blijdschap is ~verrukking~: de aangename +toestand, waarin alle andere gevoel in dat der vreugde opgaat. + + * * * * * + +De geboorte van den prins werd met groote -- begroet. + +Op de zilveren bruiloft heerschte er in dit huisgezin groote --. + +Het is mij altijd een -- door de geurende bosschen te dwalen. + +Die jongen heeft er altijd -- in, kleine kinderen te plagen. + +Met -- beschouwde de daglooner den grooten schat, dien hij had gevonden. + +De zieke had het --, nog voor zijn dood al zijn kinderen om zich te +zien. + +Het verdere van den feestavond werd in uitgelaten -- doorgebracht. + +Wie al te veel allerlei -- najaagt, verzuimt dikwijls zijn eerste +plichten. + +Het is mij een -- u te kunnen helpen. + +De -- der ouders, toen zij hun verloren gewaand kind terugvonden, is +niet te beschrijven. + +Tot algemeene -- begon onder de deftige toespraak van den voorzitter +plotseling een ezel te balken. + +Moge uw huwelijk u een bron zijn van ongestoorde --. + +Het bestuur dezer badplaats zorgt in den zomer voor allerlei --. + +Toen hij het langgewenschte portret zijner moeder vond, geraakte hij in +--. + +Met -- vernam men, dat de Koningin een bezoek aan de stad zou brengen. + +»Wat heilig vuur, doortintelt al mijn ad'ren! -- sleept mij +onweerstaanbaar mee!" + + +186. Boosheid--drift--toorn--woede--razernij. + +_De gemoedstoestand, waarin men alle kalmte verliest._ + +~Boosheid~ duidt aan, dat men misnoegen gevoelt, maar niet in zulke +sterke mate, als bij ~toorn~ het geval is. Verliest de toornige zijn +heerschappij over het verstand, dan spreekt men van ~woede~. Gaat deze +woede met groot getier of heftige bewegingen gepaard, dan gebruikt men +~razernij~.--~Drift~ is een snel opkomende opwelling van toorn, die +evenwel spoedig weer voorbij gaat. + + * * * * * + +In zijn -- had hij bijna zijn besten vriend vermoord. + +Hij wilde uit -- niet met ons meespelen. + +In zijn -- wierp hij mij een beleediging naar het hoofd, maar hij had er +spoedig groot berouw over. + +Hij ging in zijn -- zoo geweldig te keer, dat de menschen op straat +bleven staan luisteren. + +Spreek uw nieuwen patroon nooit tegen en doe stipt, wat hij zegt; want, +als gij zijn -- opwekt, jaagt hij u misschien wel de deur uit. + +Bij die grievende beleediging, zijn vader aangedaan, ontstak de zoon in +zulk een --, dat hij bijna een ongeluk had begaan. + +Zeg maar niets tegen hem; zijn -- zal wel spoedig gezakt zijn. + +Met verbeten -- stond de koopman het aan te zien, hoe zijn concurrent al +de klanten wist te lokken. + + +187. Omslachtig--breedvoerig--uitvoerig--omstandig--wijdloopig. + +_Het tegengestelde van beknopt._ + +~Omslachtig~ duidt aan, dat men veel _omslag_ maakt, d.i. een grooten +omhaal van woorden bezigt; men geeft dus veel meer in zijn verhaal, dan +noodig is. + +~Omstandig~ heet het verhaal, waarin alle voorname bijzonderheden +vermeld worden, alsof een omstander het feit vertelde. + +~Uitvoerig~ ziet op de redeneering of het verhaal, waarin niets gemist +wordt, wat voor het onderling verband noodig is. + +Wil men in een verslag de omstandigheden niet enkel noemen, maar ook +nader ontvouwen, om voor hem, die niet geheel op de hoogte is, des +te duidelijker te zijn, dan spreekt men van ~breedvoerig~. In een +breedvoerig betoog worden dus de verschillende onderdeelen van het +onderwerp nader uiteengezet en verklaard. Wie hierbij echter onnoodig +zaken aanroert en behandelt, en dus zijn redeneering of bewijsvoering +noodeloos rekt, wordt ~wijdloopig~. + +~Omstandig~ en ~uitvoerig~ zijn dus goede hoedanigheden van een +spreker of schrijver, soms moet hij ook ~breedvoerig~ zijn; maar +~omslachtigheid~ en ~wijdloopigheid~ zijn steeds af te keuren. + + * * * * * + +De rechter verlangt van de getuigen wel een --, maar geen -- verhaal. + +Deze -- uiteenzetting van het onderwerp was noodig, omdat anders het +publiek den spreker moeilijk had kunnen volgen. + +Van den toestand onzer koloniën komt in dit blad een -- verslag voor, +dat een helder licht op vele zaken werpt. + +In zijn ijver, om de onschuld van den beklaagde te doen uitkomen, hield +de advocaat zulk een -- betoog, dat het geduld van zijn toehoorders op +een te zware proef werd gesteld. + +De tijd ontbreekt mij om u een -- verslag van die vergadering te geven. + + +188. +Beleedigen--bespotten--hoonen--krenken--kwetsen--verguizen--smalen--smaden. + +_Iemand op grievende wijze behandelen._ + +~Beleedigen~ zegt dit in het algemeen, zonder dus nader aan te duiden, +waarin de beleediging bestaat. _De gezant werd op straat ~beleedigd~._ + +~Bespotten~ wijst aan, dat de beleediging met spottende woorden of +gebaren geschiedt; men bespot dus iemand (of iets) door hem belachelijk +te maken. _Gij moogt nooit de godsdienstige gebruiken van +andersdenkenden ~bespotten~._ + +Bij ~hoonen~ wordt de beleediging door vernedering en schande aangedaan. +_Met ~hoonend~ gelach werd de spreker, die in zijn rede bleef steken, +begroet._ + +Bij ~smaden~ denkt men meer aan verachting. _Uit de ~smadelijke~ +uitroepen van het volk kon de minister duidelijk merken, dat hij zijn +aanzien verloren had._ + +~Verguizen~ is de hoogste trap van smaden of hoonen. _Geen rechtgeaard +vaderlander laat zijn geboortegrond ~verguizen~._ + +~Krenken~ duidt aan, dat men iemand grieft, door hem in zijn eer of +rechten aan te tasten, terwijl ~kwetsen~ meer ziet op het beleedigen +van het gevoel. _Dat hij achteruitgezet werd, ~krenkte~ hem zóó, dat +hij ontslag aanvroeg. Deze plaat ~kwetst~ den goeden smaak._ + +~Smalen~ beteekent: zich minachtend en geringschattend over iemand +(of iets) uitlaten, door diens verdiensten of deugden met opzet te +verkleinen; soms heeft het de bijgedachte, dat de werking uit nijd of +afgunst geschiedt. _Hoezeer sommigen ook ~smaalden~ op het langzame +voortrukken van ons leger, de uitkomst bewees, dat de aanvoerder daarmee +goed had gedaan._ + + * * * * * + +De gemalin van prins Willem V achtte zich zwaar --, toen zij op haar +reis naar Den Haag werd tegengehouden; zij achtte zich in haar eer -- en +liet haar broeder voldoening eischen. + +Het geeft altijd een bewijs van slechte opvoeding, als men iemand om +zijn lichaamsgebreken --. + +Hij liet zich -- over het schilderij uit, omdat hij blijkbaar zijn +mededinger het behaalde succes niet gunde. + +Men moet nimmer een ander in zijn godsdienstige overtuiging --. + +Toen de arme stierenvechter het ongeluk had mis te stooten, werd hij +door het publiek met een -- geroep begroet. + +Liever dan de vaderlandsche vlag te laten --, vloog Van Speyk de lucht +in. + +Door zulk een miskenning van zijn verdiensten ten zeerste --, verliet +hij 's lands dienst. + +De Fransche koning achtte zich door het slaan van den gedenkpenning op +den vrede zwaar -- en eischte voldoening. + +Het is wel gemakkelijk op den afloop te --, maar de beste stuurlui staan +altijd aan wal. + +Ten diepste -- over de geleden nederlaag verviel Karel de Stoute in een +toestand van zinsverbijstering. + +Eindelijk brak het uur aan, dat den zoo lang -- man de waardeering te +beurt viel, waarop hij recht had. + +Dit boek, dat de goede zeden --, is op last der regeering verboden. + +»Triumf! de Nederlandsche Taal Is van het Fransche juk ontheven, En zal, +hoezeer de nijd ook --, Haar ouden luister doen herleven!" + + + + +AANHANGSEL.[1] + +[1] In dit aanhangsel zijn nog 50 reeksen zoo beknopt mogelijk +behandeld. Het is voor den belanghebbende een goede oefening zelf +voorbeelden ter verduidelijking of ter toetsing te zoeken. + + +189. Opbeuren--troosten. + +_Opnieuw moed en vertrouwen inboezemen._ + +~Troosten~ is het geleden verlies helpen verlichten en vertrouwen op de +toekomst opwekken; ~opbeuren~ (omhoog heffen): een door diepe droefheid +terneergeslagen gemoed met nieuwen levensmoed bezielen. + + +190. Oponthoud--vertraging. + +_Wat een werking in haar voortgang hindert._ + +~Oponthoud~ is een hindernis, die de werking tijdelijk doet ophouden, +stil doet staan; ~vertraging~ is alles, wat de werking trager, langzamer +doet gaan. + + +191. Verlichten--beschaven. + +_Verstand en gemoed ontwikkelen en veredelen._ + +~Verlichten~ is: lichter maken wat duister was, dus duidelijke begrippen +aanbrengen om daardoor 't verstand en de kennis te vergrooten en tevens +dwaalgrippen en bijgeloof te doen verdwijnen. ~Beschaven~ is: minder +ruw, fijner, zachter maken, dus den geest in _elk_ opzicht ontwikkelen, +niet alleen in betrekking tot helderheid van kennis en denken, maar +vooral ook met het oog op veredeling van zeden, smaak, gevoel en +wellevendheidsvormen. + + +191_bis_. Geheim--heimelijk. + +_Wat voor anderen verborgen moet blijven._ + +~Geheim~ is alles, wat de niet-ingewijde niet weet, wat met opzet +verborgen wordt gehouden: een _geheime_ vergadering; een _geheime_ +samenzwering. ~Heimelijk~ ziet op de wijze, de middelen, waarop of +waarmee men iets geheim houdt: een _heimelijke_ samenkomst (men komt +zóó samen, dat het niet gezien wordt); zich _heimelijk_ uit de voeten +maken. + + +192. Achten--waardeeren. + +_De waarde van iemand of iets erkennen._ + +~Waardeeren~ zegt men van alles, wat waarde voor ons heeft, wat men op +prijs wil stellen: _iemands moeite ~waardeeren~; gij moogt dit mooie +weer wel ~waardeeren~_. ~Achten~ doet men alleen menschen en wel om hun +zedelijke waarde of maatschappelijke betrekking. _Men ~waardeert~ een +hond om zijn waakzaamheid; men ~acht~ hem niet._ + + +193. Uitdeelen--verdeelen. + +_In deelen splitsen._ + +~Verdeelen~ zegt dit meer in 't bijzonder: _de erfenis wordt ~verdeeld~_ +(komt dus niet aan één persoon); _een boek in hoofdstukken ~verdeelen~; +appels onder de kinderen ~verdeelen~_. ~Uitdeelen~ ziet op het uitreiken +der deelen, waarin het geheel eerst verdeeld is: _de aandeelen in de +erfenis ~uitdeelen~_; of waarin het geheel meer toevallig gesplitst +wordt: _in 't wilde ~uitdeelen~; aalmoezen ~uitdeelen~_. + + +194. Vermeesteren--bemachtigen. + +_In zijn macht brengen._ + +~Bemachtigen~ zegt dit in 't algemeen; ~vermeesteren~ onderstelt +uitdrukkelijk strijd en geeft tevens te kennen, dat men over iets +meester wordt en dus naar willekeur er mee kan handelen. _Een plaatsje +~bemachtigen~. Een stad ~bemachtigen~_, en ook: _~vermeesteren~_ +(verschil!). + + +195. Bezitten--hebben. + +_Beide woorden beteekenen, iets in eigendom hebben._ + +~Hebben~ zegt dit in 't algemeen, zonder meer, terwijl ~bezitten~ gezegd +wordt van redelijke wezens, om te kennen te geven, dat zij over hun +bezitting vrijelijk kunnen beschikken en anderen daarvan uitsluiten. +_Een boom ~heeft~ bladeren.--Deze dame ~bezit~ veel huizen._ + + +196. Bloem--bloesem. + +_Het deel der plant, dat bloeit._ + +~Bloesem~ zegt dit met het oog op de later voort te brengen vruchten; +~bloem~ is de bloesem, die door bijzondere schoonheid, geur of kleur +zich onderscheidt en vooral daaraan zijn waarde ontleent, zoodat de +vrucht niet de hoofdzaak is. + + +197. Eer--roem. + +_De gunstige meening van iemands voortreffelijkheid._ + +~Eer~ geniet men als men door zijn medeburgers om zijn +voortreffelijkheid hooggeacht wordt en daarom met onderscheiding wordt +behandeld; ~roem~ is de bekendheid, die men om zijn groote daden of +andere voortreffelijkheden geniet, tot zelfs in het buitenland en vaak +nog bij het nageslacht. (In de uitdrukking: _~Eere~ zij God_ beteekent +_eer_ meer: _lof_, _lofprijzing_.) + + +198. Ontberen--missen. + +_Iets niet bezitten, wat men noodig heeft._ + +~Missen~, dat van menschen en dingen wordt gezegd, onderstelt, dat men +vroeger het gemiste gehad heeft; ~ontberen~, dat alleen van belangrijke +zaken wordt gebruikt, heeft de bijgedachte, dat het gemis zwaar gevoeld +wordt, zoodat het soms gebrek-lijden beteekent. + + +198_bis_. Achterhalen--inhalen. + +_Iets bereiken, wat vooruitgekomen is._ + +~Achterhalen~ is: door grootere snelheid, dan het vooruitgekomene heeft, +dit bereiken, meestal met vijandige bedoeling: _Een dief ~achterhalen~._ +~Inhalen~ is: door langer loopen of werken, of wegens de langzaamheid of +'t oponthoud van 't vooruitgekomene, dit bereiken: _een wandelaar +~inhalen~. Een mede-leerling in de klas ~inhalen~._ + + +199. Ontwaken--wakker worden. + +_Uit den slapenden toestand in dien van waken overgaan._ + +~Ontwaken~ ziet op 't ophouden van den slaap; ~wakker worden~ is het +beginnen van den wakenden toestand. Men kan dus niet »_wakker worden_ +uit den slaap", maar wel »_ontwaken_ uit den slaap". + + +200. Vlieden--vluchten. + +_Zich snel verwijderen van iets, dat gevaarlijk is._ + +~Vlieden~ is: vol angst zich snel verwijderen en is hoofdzakelijk tot +den verheven stijl beperkt. ~Vluchten~ heeft meer de bijgedachte van in +veiligheid trachten te komen. + + +201. Kosten--gelden. + +_Een zekere waarde hebben._ + +~Gelden~ ziet op den eenheidsprijs (marktprijs), ~kosten~ let meer op +hetgeen men voor iets betaalt, dus boven of beneden den marktprijs, of +wel voor iets in zijn geheel. _De tarwe ~geldt~ f 7. Mij ~kost~ deze +koffie maar f 1; zij ~geldt~ anders f 1.20 (per K.G.).--Deze voorraad +koffie ~kost~ f 25. Dit huis ~kost~ f 15000._ + +Figuurlijk is ~gelden~: waarde hebben, waard zijn; ~kosten~: betalen +met; bijv.: _Een ~geldige~ stem.--Dat zal moeite ~kosten~._ + + +202. Leugen--onwaarheid. + +_Iets, wat niet waar is._ + +~Onwaarheid~ zegt in 't algemeen, dat iets niet is, zooals men beweert; +er behoeft dus aan geen kwade bedoeling gedacht te worden: _Hij zegt, +dat Urk onbewoond is; maar dat is een ~onwaarheid~._ ~Leugen~ is een +opzettelijke afwijking van de waarheid. + + +203. Nazetten--vervolgen. + +_Iets, wat aan 't vluchten is, trachten in te halen._ + +~Vervolgen~ zegt dit in 't algemeen; ~nazetten~ voegt er de gedachte +bij, dat het met groote snelheid geschiedt. + + +204. Rust--stilte. + +_Zonder beweging of geluid._ + +~Rust~ is de toestand, die intreedt, als een beweging of werking +ophoudt; ~stilte~ is de toestand na 't ophouden van een heftige, van +geluiden vergezeld gaande beweging, of wel: de afwezigheid van elk +geluid. Vergelijk: _Een welverdiende ~rust~. Een rollend lichaam komt +eindelijk tot ~rust~.--De ~stilte~ na den storm. De ~stilte~ des grafs +(des doods)._ + + +205. Sturen--zenden. + +_Iets (iemand) ergens heen laten gaan._ + +~Sturen~ ziet vooral op het verwijderen: _een bedelaar ~wegsturen~; +~stuur~ de meid weg, zij beluistert ons_; bij ~zenden~ denkt men meer +aan een bepaald doel: _Een afgevaardigde ~zenden~. Een boek op zicht +~zenden~._ (Evenwel wordt ~zenden~ in de spreektaal meer door ~sturen~ +vervangen.) + + +206. Schuldeloos--onschuldig. + +_Zonder schuld._ + +~Schuldeloos~ behoort meer tot den verheven stijl en beteekent: geheel +zonder schuld of zonde zijn (dus meer in den zin der H. Schrift); +~onschuldig~ wil zeggen: geen schuld aan een bepaalde misdaad +hebbende: _Een ~onschuldige~ veroordeelen_; verder beteekent het: +menschelijkerwijze gesproken nog vrij van zonden of eenig kwaad: _Een +~onschuldig~ kind._ + + +207. Verdraagzaam--vreedzaam. + +_Bereid of geneigd om vrede te houden._ + +~Vreedzaam~ zegt, dat dit geschiedt zelfs met eenige opoffering van +eigen rechten; ~verdraagzaam~ heeft de bijgedachte, dat men vrede houdt, +door de meening van anderen te eerbiedigen. + + +208. Voorlooper--voorbode. + +_Een persoon of zaak, die op iets naderends wijst._ + +~Voorbode~ is die- of datgene, uit welks verschijnen men tot het naderen +van iets anders mag besluiten; ~voorlooper~ is de persoon, die de komst +en het werk van een ander voorbereidt en mogelijk maakt. + + +209. Getuige--zegsman. + +_De persoon, die de bewering van een ander bevestigt._ + +~Getuige~ is hij, die bij het voorval tegenwoordig was, en dus het +beweerde heeft gezien of gehoord. ~Zegsman~ onderstelt, dat wij voor de +waarheid van het beweerde zelf niet kunnen instaan, maar ons beroepen op +den persoon, die het ons verzekerd heeft. + + +210. Betreffen--raken--aangaan. + +_Met iets te maken hebben._ + +~Aangaan~ onderstelt, dat ons belang er mee gemoeid is evengoed als +van een ander. _Wacht, ik zal goed luisteren, want wat de spreker +daar zegt, ~gaat~ ook mij ~aan~.--Loop maar door, het ~gaat~ jou niet +~aan~._--~Betreffen~ is als 't ware meer een treffen, een mikken, +een raken op iemand, al schijnen ook anderen bedoeld: _Die vermaning +~betreft~ mij._ (Wat de spreker daar zegt, gaat niet anderen aan, maar +bepaaldelijk _mij_; hij vermaant mij persoonlijk, al zegt hij het niet +uitdrukkelijk.) ~Raken~ is de platte uitdrukking voor _aangaan_: +_~Raakt~ jou dat? Dat ~raakt~ je niet._ + + +211. Aanprijzen--prijzen--aanbevelen. + +_De voortreffelijke eigenschappen van iets of iemand opnoemen._ + +~Prijzen~ zegt, dat dit in woorden geschiedt en als gevolg van groote +tevredenheid: _hij ~prijst~ zijn knecht altijd_. ~Aanprijzen~ heeft het +bijdenkbeeld, dat men den hoorder gunstig wil stemmen om hem tot koopen +of aannemen aan te sporen. _Zijn waren ~aanprijzen~._ + +~Aanbevelen~ heeft de bijgedachte, dat men voor de aanbeveling zich op +eigen ondervinding of inzicht mag beroepen, en zich eenigszins borg +stelt: _Een onderwijzer ~aanbevelen~.--Een plan ~aanbevelen~._ + +(In de uitdrukking: _~Prijs~ den Heer!_ is _prijzen_ meer: _lofzingen_; +en _aanbevelen_ kan ook beteekenen: iemands gunst of zorgen inroepen: +_Ik ~beveel~ mijn zoon in uw hoede ~aan~._) + + +212. Bevrijden--verlossen--redden. + +_Uit een neteligen toestand vrij maken._ + +~Bevrijden~ en ~verlossen~ wijzen er op, dat het vrijgemaakte voorwerp +door iets anders wordt vastgehouden; verlossen zegt dit in sterkere mate +dan bevrijden. Immers _bevrijden_ onderstelt wel, dat de vrijheid is +verloren, maar dat de gevangen persoon zich binnen de bepaalde ruimte +nog vrij bewegen kan: hij is dus alleen zijn _vrijheid_ kwijt. Hij kan +dan ook, krachtens die vrije beweging, _zich zelf bevrijden_, terwijl +_zich zelf verlossen_ onbestaanbaar is. Immers _verlossen_ onderstelt +een _gebonden_ zijn, zoodat behalve de vrijheid ook elke beweging gemist +wordt. (Verlossen = _los_ maken, n.l. de banden of boeien.) + +~Redden~ ziet op het vrij maken uit een groot gevaar, waarin men anders +zou omkomen: _van den dood ~redden~; uit den brand ~redden~_. + +~Verlossen~ ziet alleen op menschen, ~bevrijden~ op alle levende +wezens, en ~redden~ ook op zaken. + + +213. Gedenkwaardig--merkwaardig--belangrijk. + +_In hooge mate de aandacht waard._ + +~Merkwaardig~: wat zich in dit opzicht bijzonder van andere +gelijksoortige dingen (menschen) onderscheidt en daarom licht +onthouden (»gemerkt") wordt: »_~Merkwaardige~ personen uit ons +verleden_".--~Gedenkwaardig~ is datgene, wat wegens zijn groote +beteekenis onze aandacht verdient en daarom waard is herhaaldelijk +herdacht te worden: _De ~gedenkwaardige~ slag bij Waterloo._ (Alleen +van zaken!) ~Belangrijk~ is alles, wat van veel belang is vooral in +de gevolgen en daarom niet over 't hoofd gezien mag worden: _De +~belangrijkste~ feiten opnoemen._ + + +214. Wildernis--woestijn--woestenij. + +_Een onbewoonde landstreek._ + +Een ~woestijn~ is een landstreek zonder bewoners of plantengroei +tengevolge van watergebrek; een ~wildernis~ is een onbewoonde streek, +waarin alles in natuurstaat wild dooreengroeit; zij kan zeer wel +vruchtbaar en dus voor ontginning geschikt zijn: _de ~wildernissen~ van +Afrika_; en ~woestenij~ onderstelt, dat de plek grond vroeger bebouwd +was, maar thans verwilderd is: _Duitschland geleek na den 30-jarigen +oorlog op vele plaatsen een ~woestenij~._ + + +215. Zwoel--warm--heet. + +_Een hoogen temperatuurgraad hebbende._ + +~Warm~ zegt dit in 't algemeen, vooral van een aangename temperatuur: +_'t Is hier lekker ~warm~._ ~Heet~ is veel sterker, en ~zwoel~ is: +afmattend, drukkend warm. (~Zwoel~ wordt alleen van de lucht gezegd.) + + +216. Versagen--wanhopen--vertwijfelen. + +_Alle hoop opgeven._ + +~Versagen~ is: zijn hoop in moeilijke omstandigheden verliezen door +gebrek aan moed en daardoor het begeerde doel laten varen: _Komt, +mannen, niet ~versaagd~, den vijand aangevallen!_--~Wanhopen~ is: +geen of weinig hoop meer hebben op een goeden uitslag, niet door +gebrek aan moed, maar door tegenwerking: _Ik ~wanhoop~ aan den goeden +afloop._--~Vertwijfelen~ is veel sterker; het heeft de bijgedachte: door +het ongeluk als gebroken zijn, verward en zonder overleg handelen en +zich zelf in het gevaar storten, daar men zich geheel verloren waant. + + +217. Oud--bejaard--bedaagd--afgeleefd. + +_Reeds lang bestaan hebbende._ + +~Bejaard~ en ~bedaagd~ worden alleen van menschen gezegd; ~oud~ en +~afgeleefd~ ook van dieren, en ~oud~ óók van dingen. ~Oud~ drukt dan ook +het genoemde begrip het algemeenst uit; ~bejaard~ is niet zoo sterk als +~bedaagd~[1], terwijl ~afgeleefd~ meer doet denken aan groote uitputting +(niet altijd echter door ouderdom).-- + +[1] Ik vermoed, omdat een oud mensch reeds de _dagen_ gaat tellen, in +plaats van de _jaren_. + + +218. Aandeel--deel--gedeelte--stuk. + +_Wat met andere te zamen het geheel uitmaakt._ + +~Deel~ stelt vooral de tegenstelling met het geheel op den voorgrond: +_dat is maar een ~deel~ van de waarheid; het zesde ~deel~_. Bij +~gedeelte~ denkt men meer aan een bepaald deel in tegenstelling met +een ander: _Het eerste ~gedeelte~ van den weg is zonnig; het volgende +~gedeelte~ niet._ ~Stuk~ zegt, dat iets van 't geheel is losgemaakt, +'t zij door toeval of met opzet: _een ~stuk~ van een vaas; een ~stuk~ +vleesch_. ~Aandeel~ beteekent het deel, dat iemand toekomt, en +onderstelt dus een verdeeling onder twee of meer personen. + + +219. Bezigheid--arbeid--werk--werkzaamheid. + +_De verrichting van een werking._ + +~Arbeid~ gaat gepaard met de inspanning van onze krachten, om iets, +waaraan veel moeite verbonden is, tot stand te brengen: _Een vermoeiende +~arbeid~._--~Werk~ eischt niet bepaald groote krachtinspanning +maar onderstelt meer kunst, vaardigheid of overleg: _zijn verbeelding +is weer aan 't ~werk~; dat is het ~werk~ zijner verbeelding; +dagelijksch ~werk~; de drooglegging der Zuiderzee is een grootsch +~werk~_ (overleg: 't overwinnen van vele hinderpalen door 't menschelijk +vernuft).--Arbeid en werk hebben betrekking op een tijdelijke werking; +bezigheid en werkzaamheid (gewoonlijk meervoud) zien meer op een telkens +terugkeerende handeling. ~Bezigheid~ onderstelt een voortdurend werken +zonder zware inspanning: _hij zoekt ~bezigheid~_; ook wordt het gezegd +van het werk, dat ambt of beroep meebrengt: _wegens ~ambtsbezigheden~ +verhinderd_. ~Werkzaamheid~ is sterker en onderstelt meer een bedrijvig +werken: in 't enkelvoud meer den lust tot werken; in 't meervoud de +handelingen zelf. + + +220. Uitvoeren--volvoeren--volbrengen--voleindigen. + +_Een werking ten einde brengen._ + +~Uitvoeren~ zegt, dat alles, wat tot de werking behoort, gedaan wordt, +om het beoogde doel te bereiken: _een plan ~uitvoeren~_. ~Volbrengen~ +en ~volvoeren~ wijzen meer op het algeheele beëindigen van het werk: +~volbrengen~ let daarbij meer op de werkzaamheid van den bewerker: _de +aarde ~volbrengt~ haar loop om de zon in een jaar_, terwijl ~volvoeren~ +meer het welslagen van een moeilijk werk op den voorgrond stelt: _Een +grootsch werk ~volvoeren~._ ~Voleindigen~ beteekent: het werk ten einde +brengen en het tevens den hoogst mogelijken graad van volkomenheid +geven: _Na twee jaar had de schilder het altaarstuk ~voleindigd~._ + + +221. Uitleggen--verklaren--verduidelijken--uiteenzetten. + +_De beteekenis van iets, dat onduidelijk is, volkomen duidelijk maken._ + +~Uitleggen~ is: de beteekenis in woorden aangeven: _droomen ~uitleggen~; +een tekst ~uitleggen~_ (als 't ware de deelen uiteen-leggen en ze goed +bekijken); ~verklaren~ is: wat niet helder of klaar is en dus moeilijk +begrepen kan worden, duidelijk maken: _Het ontstaan van dag en nacht +~verklaren~. Den oorlog ~verklaren~_ (= de redenen duidelijk maken). +~Verduidelijken~ zegt meer, dat iets al wel duidelijk is, maar dat men +het toch nog duidelijker wil maken: _Een voordracht door lichtbeelden, +een beschrijving door afbeeldingen ~verduidelijken~._-- + +~Uiteenzetten~ is: de deelen van een ingewikkelde zaak, te groot +om voor 't eerst in ééns te worden overzien, uit elkaar zetten en den +onderlingen samenhang verklaren, zoodat men een juist begrip van het +geheel verkrijgt; letterlijk: _een stoommachine ~uiteenzetten~_; fig.: +_de beteekenis van een historisch feit ~uiteenzetten~_ (= de oorzaken +aangeven, andere er mee in verband staande feiten noemen, de gevolgen +opsommen, enz.). + + +222. Baan--weg--straat--pad. + +_De ruimte, waarlangs men zich van de eene plaats naar de andere +begeeft._ + +~Weg~ zegt dit in 't algemeen; figuurlijk is het ook op de wijze, waarop +men iets bereikt of tracht te bereiken. ~Straat~ is een geplaveide weg +met eenige breedte; ~pad~ is een smalle weg, vooral voor voetgangers. +~Baan~ is een weg, die voor het verkeer geen hindernissen, bijv. door +oneffenheden, rotsblokken, enz. oplevert; het is dus een geëffende weg: +_kolfbaan, huwelijksbaan, glijbaan; een ~weg~ door de sneeuw ~banen~_. +Ook is ~baan~ de vaste weg van hemellichamen. + + +223. Afnemen--vervallen--verminderen. + +_Kleiner worden._ + +~Verminderen~ ziet op het kleiner worden van omvang of grootte, +vergeleken bij een _vroegeren_ toestand en heeft meer bepaald op één +geval betrekking: _Door den brand is zijn rijkdom ~verminderd~._ +~Afnemen~ is het langzaam minder worden en stelt vooral dat minder +worden _op dit oogenblik_ op den voorgrond: _zijn aanzien ~neemt af~_. +~Vervallen~ is: de vroegere kracht of beteekenis verliezen, zoodat de +ondergang onvermijdelijk wordt: _~Verval~ van krachten; een ~vervallen~ +grootheid._ + + +224. Uitstaan--doorstaan--verdragen--lijden--dulden. + +_Iets onaangenaams zonder verzet (passief) ondervinden._ + +~Lijden~ zegt dit op de meest algemeene wijze: _pijn ~lijden~, dorst +~lijden~_. ~Dulden~ heeft de bijgedachte, dat men het onaangename +wel gelaten, maar toch met eenigen tegenzin ondervindt: _Moet ik dat +lasteren nog langer ~dulden~?_ ~Verdragen~ wijst er op, dat men iets, +wat zwaar op ons drukt (vandaar: dragen!), meer gewillig duldt. _Gelaten +~verdroeg~ hij den smaad, waarmee men hem overlaadde._--~Uitstaan~ ziet +op den vasten wil, waarmee men iets pijnlijks of onaangenaams duldt, +terwijl ~doorstaan~ beteekent, dat men het onaangename (kwaad, leed, +gevaar enz.) tot het einde toe verdraagt en er niet onder bezwijkt. +_Hevige pijnen zonder smartkreten ~uitstaan~; een zware ziekte, de +vuurproef ~doorstaan~._ + + +225. Geven--mededeelen--schenken--vereeren--aanbieden--verleenen. + +_Iets in het bezit van een ander brengen._ + +~Geven~ is vooral: iemand iets overhandigen en het volle gebruik er van +afstaan. ~Mededeelen~ is: iets, wat men bezit, met een ander deelen. +~Schenken~ is: iets kosteloos geven, soms met de bijgedachte, dat +het voor den ontvangende vereerend is: _Ik ~schenk~ u dit boek op uw +verjaardag. Hij ~schonk~ mij zijn vertrouwen._ ~Vereeren~ is: schenken +in de laatste beteekenis met de bijgedachte van daardoor zijn achting of +vereering te toonen: _De koning ~vereerde~ den dichter met een bezoek._ +~Verleenen~ zegt, dat men iets uit hooge gunst schenkt: _De koning +~verleende~ den veroordeelde gratie._ ~Aanbieden~ is: iets willen geven, +zonder te weten of het aanvaard zal worden. + + +226. Ontvluchten--ontgaan--ontkomen--ontloopen--ontsnappen--ontwijken. + +_Zich van iets, wat onaangenaam is, verwijderen._ + +~Ontkomen~ zegt dit op de meest algemeene wijze; de overige synoniemen +geven ook het middel aan, waardoor men ontkomt. ~Ontwijken~ zegt, +dat men uitwijkt, uit den weg gaat, dus een ontmoeting vermijdt. +~Ontvluchten~ is: zich door groote snelheid (loopen, rijden, enz.) in +veiligheid brengen, of aan de macht van een meerdere ontkomen: _het +gevaar ~ontvluchten~; het ouderlijk huis ~ontvluchten~_. ~Ontloopen~ +is ontvluchten en wel bepaaldelijk door snel ~loopen~. _De deserteur +~ontliep~ zijn vervolgers._ ~Ontgaan~ zegt, dat het ontkomen meer +kalmer geschiedt, nl. door ~gaan~, bijv. door eenvoudig weg te gaan. +_De dichter vertrok naar 't buitenland, om alle huldebetoogingen op +zijn 70sten verjaardag te ~ontgaan~_; of meer door een toeval: _Door +'s Konings dood ~ontging~ de veroordeelde de doodstraf._ ~Ontsnappen~ +is een snel en behendig ontkomen aan iemand (iets), die ons reeds in +zijn macht heeft, zonder dat de tegenpartij het nog tijdig merkt: _Hij +~ontsnapte~ uit de gevangenis_ (de bewaker zag het niet). + + +227. Gering--klein--weinig--nietig. + +_Geen aanzienlijke grootte hebbende._ + +~Klein~ let hierbij vooral op de afmetingen; ~gering~ op de waarde, +'t aanzien of 't belang; ~weinig~ op de hoeveelheid, terwijl ~nietig~ +beteekent: zoo klein, dat het bijna niet opgemerkt wordt. + + +228. Bemiddeld--gegoed--vermogend--welgesteld--rijk. + +_In het bezit van veel geld of goed zijnde._ + +~Bemiddeld~ beteekent: van vele middelen voorzien, om een gemakkelijk +leven te kunnen leiden. ~Gegoed~ wil zeggen: _veel goed bezittende_ +(nl. roerende en onroerende goederen), zoodat men meer bezit, dan men +noodig heeft; het is dus sterker dan bemiddeld. ~Welgesteld~ is hij, +die zooveel bezit, dat hij wèl (ruim) kan leven (hij is wèl gesteld = +goed geplaatst in de maatschappij); het is nog iets sterker dan gegoed. +~Rijk~ is: een grooten overvloed van iets bezittende, ook fig.: _een +~rijke~ oogst, ~rijk~ aan verstand_. ~Vermogend~ zegt, dat men een +groot vermogen (kapitaal) bezit. (Het kan ook beteekenen _veel invloed +uitoefenende_, doch dan is 't afgeleid van _vermogen_ = _kunnen_: _een +~veelvermogend~ minister_.) + + +229. Begeeren--verlangen--wenschen--smachten--haken--reikhalzen. + +_Gaarne in het bezit of genot van iets komen._ + +~Begeeren~ zegt, dat men naar dat bezit of genot vrij sterk streeft: +_Gij zult niet ~begeeren~ uws naasten huis_[1]. ~Verlangen~ heeft de +bijgedachte, dat iets nog ver is, en dus op dit oogenblik nog niet +vervuld kan worden (_langen_ is: naar iets reiken): _hij ~verlangt~ +er nu reeds naar, om naar 't vaderland terug te keeren_. (Zie ook een +andere beteekenis in no. 183.) ~Wenschen~ is: iets gaarne willen hebben, +zonder te weten of de vervulling wel mogelijk is: _hij ~wenscht~ in +het vaderland te sterven_. ~Smachten~ is zeer sterk verlangen, zoodat +het min of meer onaangenaam valt, evenals iemand, die naar water +smacht: _Zij ~smachten~ naar het uur, waarop zij henensnellen_ (Tollens: +Nova-Zembla); vandaar ook: _~smachten~ van ~verlangen~_. ~Haken~ is een +sterk verlangen om iets naar zich toe te halen, als met een haak: _hij +~haakt~ naar eer en roem_. ~Reikhalzen~ is een min of meer _ongeduldig_ +sterk verlangen; het wachten valt bijna te lang (men rekt den hals uit +om iets eerder te kunnen genieten): _hij ziet ~reikhalzend~ naar uw +komst uit_. + +[1] ~Geeren~ is: op één punt uitloopen, hier ons streven. + + +230. Bijdragen--helpen--bevorderen. + +_Meewerken, dat iets zijn doel nader komt._ + +~Bevorderen~ heeft de bijgedachte, dat de medewerking geschiedt om het +doel zoo spoedig of volkomen mogelijk te bereiken (vorderen = verder +gaan). ~Helpen~ is meer zijn kracht met die van een ander vereenigen; +op den uitslag wordt niet zoo zeer gelet. ~Bijdragen~ beteekent bij de +reeds gebruikte middelen nog een ander voegen: _»Op alle wijzen moest +dus de vorst de studie der rechtswetenschap ~bevorderen~." Matigheid +~bevordert~ de gezondheid. Ik zal u gaarne bij dat werk ~helpen~. »De +partijschap doofde allengs uit, waartoe de nieuwe regeeringsvorm niet +weinig ~bijdroeg~."_ + + +231. Afstamming--geslacht--afkomst--geboorte. + +_Bloedverwantschap in betrekking tot de voorouders._ + +~Geslacht~ is de geheele reeks van afstammelingen van den stamvader der +familie tot op heden toe.--~Afstamming~ is de verbinding met voorouders +door tusschenleden: _Kent gij de ~afstamming~ onzer Koningin van Willem +van Oranje?_--~Afkomst~ beteekent de afstamming in betrekking tot den +rang of stand van zijn stamvader of ook van zijn vader of moeder; +~geboorte~ heeft alleen betrekking op zijn ouders of ook op de plaats +(of het land), waar men ter wereld gekomen is. + +Vergelijk: _Iemand, die van ~geboorte~ van adel is, kan van moederszijde +van burgerlijke ~afkomst~ zijn. Een Nederlander van ~geboorte~ kan van +Duitsche ~afkomst~ zijn, als zijn voorouders of zijn ouders Duitschers +zijn en bij zijn geboorte in Nederland woonden. Zijn ~afstamming~ kan +hij misschien tot in de middeleeuwen nagaan, en hij kan wellicht tot een +beroemd ~geslacht~ behooren._ + + +232. Omweg--zijweg--uitweg. + +_De weg, die van den gewonen of hoofdweg afwijkt._ + +~Uitweg~ is een weg, die men meer toevallig nog ontdekt om op den +hoofdweg te komen, als men op een min of meer afgesloten plaats is +geraakt; zonder dien uitweg, zou men er dus moeten blijven; vandaar fig. +het middel om zich uit een neteligen of gevaarlijken toestand te redden: +_In een dicht bosch een ~uitweg~ zoeken. Dit is de eenige ~uitweg~ voor +hem, om zich nog te redden._--~Zijweg~ is de weg, die van den hoofdweg +afvoert; er is weinig of geen verkeer, zoodat men niet of zoo goed als +niet gezien wordt; vandaar: _langs ~zijwegen~ zijn doel bereiken_ (men +wil het doel verborgen houden). Vaak ook is aan ~zijweg~ het begrip +verbonden, dat hij op een dwaalspoor brengt, men slaat n.l. den zijweg +in, in plaats van den hoofdweg te houden: _de politie op ~zijwegen~ +lokken_. Een ~omweg~ voert ten slotte wel evenals de hoofdweg naar het +verlangde doel, maar eerst na veel langeren tijd. Kiest men zulk een +omweg, dan heeft het voor den oningewijde allen schijn, dat men een +ander doel dan het verlangde wil bereiken; in zoover brengt men een +ander daarmee, evenals door een zijweg, óók op een dwaalspoor; men geeft +echter op een omweg een ander doel voor, terwijl men het op een zijweg +meer geheim houdt: _Langs ~omwegen~ achter het geheim komen._ + + +233. Aantal--getal--tal--menigte--hoeveelheid. + +_Begrippen van veelheid._ + +Denkt men aan een verzameling van gelijksoortige eenheden, die men +nog niet geteld heeft, dan zegt men: ~hoeveelheid~. Is de hoeveelheid +geteld en kan zij dus bepaald worden uitgedrukt, dan spreekt men van +~getal~.--De drie andere woorden geven niet-getelde, dus onbepaalde +hoeveelheden te kennen. ~Aantal~ kan zoowel veel als weinig aanduiden +en vat meer elk voorwerp afzonderlijk in het oog: _een groot ~aantal~ +werkloozen trokken_ (liefst meerv.!) _door de straten_. ~Menigte~ +daarentegen drukt een groote hoeveelheid uit en stelt deze meer als een +samenhangende massa voor: _Een dichte ~menigte~ wachtte op de komst des +konings._--Het woord ~tal~ beteekent een groot aantal: _De jenever maakt +~tal~ van slachtoffers._ + + +234. Branden--flikkeren--laaien--gloeien--glimmen. + +_Onder lichtverschijnselen verbranden._ + +~Branden~ zegt dit vooral met de bijgedachte, dat er tevens warmte +ontwikkeld wordt; dus ook fig.: _~brandend~ heet_. ~Flikkeren~ ziet +op het heen en weer bewegen van de vlam; zijn de vlammen zeer groot en +hoog, dan spreekt men van ~laaien~: _een ~laaiende~ brand_; ~gloeien~ +is vurig, maar zonder vlam lichten, ook als het niet van vuur afkomstig +is; soms ziet het op het pijnlijk warmtegevoel: _een ~gloeiend~ +voorhoofd_.--~Glimmen~ is zwak gloeien: _~glimmende~ kolen, een +~glim~worm_. + + +235. Onstuimig--heftig--wild. + +_Een hooge mate van kracht uitende._ + +~Heftig~: de snelle, opgewonden, soms toornende beweging; ~onstuimig~: +een groote kracht op heftige wijze laten voelen; ~wild~: tevens ruw en +zonder regelmaat handelend. + + +236. Vertalen--overzetten--vertolken. + +_In een andere taal overbrengen._ + +~Vertalen~ zegt dit wel in 't algemeen (_uit het Fransch in het Duitsch +~vertalen~_), doch heeft meestal de bijgedachte: uit een vreemde +taal in de moedertaal overbrengen, of omgekeerd: _Een roman uit +het Duitsch ~vertalen~_ (dus in 't Nederlandsch). ~Overzetten~ is +gewoonlijk hiervoor 't deftige woord: »_Het N. T. getrouwelijk in de +Nederduitsche taal ~overgezet~_".--~Vertolken~ onderstelt feitelijk +een tusschenpersoon, een tolk, die voor een ander het gesproken +woord vertaalt. Vandaar figuurlijk: _iemands gevoelen ~vertolken~; +de tranen ~vertolkten~, wat er in zijn hart omging_ (de tranen zijn +de tusschenpersoon, de tolk). + + + + +REGISTER. + + $(De cijfers wijzen het nummer der reeksen aan; + de schuingedrukte woorden komen in het Aanhangsel voor.)$ + + +A. + +_aanbevelen_, 211. + +_aanbieden_, 225. + +aanbrengen, 156. + +aandachtig, 102. + +_aandeel_, 218. + +aandenken, 176. + +aandoen, 153. + +_aangaan_, 210. + +aangenaam, 165. + +aangeven, 156. + +aangezicht, 69. + +aanhouden, 76. + +aanklagen, 156. + +aankondigen, 111. + +aanmerken, 27. + +aannemen, 120. + +_aanprijzen_, 211. + +aanroepen, 114. + +aansprakelijk, 26. + +aanstonds, 148. + +aantreffen, 147. + +aanvaarden, 120. + +aanwezig, 25. + +_achten_, 192. + +aarzelen, 184. + +achteloos, 137. + +achterdocht, 93. + +_achterhalen_, 198_bis_. + +achterlaten, 61. + +achting, 63. + +afbeuren, 93. + +afbreuk, 87. + +_afgeleefd_, 217. + +afgelegen, 28. + +afgemat, 151. + +afgrijzen, 158. + +afgunst, 138. + +afhakken, 98. + +afhouden, 169. + +afbouwen, 98. + +afkappen, 98. + +afkeer, 158. + +afkeeren, 145. + +_afkomst_, 231. + +afleiden, 145. + +aflichten, 95. + +afnemen, 95, _223_. + +afschaffen, 136. + +afschrijven, 146. + +afschrik, 158. + +afschuw, 158. + +afslaan, 98, 109. + +_afstamming_, 231. + +afstand, 115. + +afwachten, 144. + +afwennen, 32. + +afwenden, 145. + +aftrekken, 145. + +afweren, 109. + +afzetten, 95. + +alledaagsch, 13. + +allerwegen, 110. + +alom, 110. + +altijd, 135. + +altoos, 135. + +ambacht, 142. + +ambt, 143. + +angst, 166. + +_arbeid_, 219. + +arglistig, 159. + +argwaan, 93. + +arm, 94. + +armoedig, 94. + +armzalig, 91. + + +B. + +_baan_, 222. + +babbelen, 106. + +bangheid, 166. + +barmhartig, 162. + +barsch, 97. + +barst, 141. + +beangst, 167. + +_bedaagd_, 217. + +bedaard, 140. + +bedenkelijk, 172. + +bedenken (zich), 184. + +bediening, 143. + +bedillen, 139. + +bedriegen, 105. + +bedriegelijk, 159. + +bedrijf, 142. + +bedroefd, 119. + +bedrukt, 119. + +beducht, 167. + +bedwingen, 155. + +befaamd, 104. + +_begeeren_, 229. + +begrijpen, 117. + +behaaglijk, 165. + +behalen, 161. + +behandelen, 19. + +beheerschen, 155. + +behoeden, 168. + +behoedzaam, 134. + +behoeftig, 94. + +_bejaard_, 217. + +bejegenen, 19. + +bekennen, 113. + +bekomen, 161. + +bekommerd, 167. + +bekoorlijk, 165. + +bekoren, 89. + +bekrompen, 84. + +bekwaam, 177. + +_belangrijk_, 213. + +beleedigen, 188. + +beletten, 169. + +belijden, 113. + +beloonen, 53. + +_bemachtigen_, 194. + +_bemiddeld_, 228. + +benieuwd, 60. + +benijden, 67. + +bepalen, 70. + +berispen, 139. + +beroemd, 104. + +beroep, 142. + +berouw, 174. + +berucht, 104. + +_beschaven_, 191. + +beschermen, 168. + +beschuldigen, 156. + +beschutten, 168. + +beseffen, 117. + +bespotten, 188. + +bestendig, 170. + +bestraffen, 132. + +besturen, 101. + +beteugelen, 155. + +betichten, 156. + +betoomen, 155. + +betoonen, 64. + +_betreffen_, 210. + +betuigen, 64. + +bevallig, 165. + +bevatten, 117. + +beveiligen, 168. + +bevelen, 90. + +beven, 163. + +_bevorderen_, 230. + +bevreemden, 154. + +bevreesd, 167. + +_bevrijden_, 212. + +bewaren, 168. + +beweren, 100. + +bewijzen, 64. + +bezadigd, 140. + +_bezigheid_, 219. + +_bezitten_, 195. + +bezorgd, 167. + +bibberen, 163. + +bidden, 114. + +blijdschap, 185. + +_bloem_, 196. + +_bloesem_, 196. + +boosheid, 186. + +bot, 18. + +bouwen, 103. + +_branden_, 234. + +breed, 50. + +breedvoerig, 187. + +buigbaar, 7. + +buigen, 41. + +buigzaam, 7. + +buit, 171. + +buitenlandsch, 112. + +_bijdragen_, 230. + + +D. + +daagsch, 13. + +dadelijk, 148. + +dagelijksch, 13. + +dageraad, 180. + +dalen, 181. + +dankbaarheid, 77. + +danken, 23. + +dapper, 173. + +dartel, 150. + +_deel_, 218. + +deelnemend, 162. + +deemoedig, 78. + +deftig, 74. + +dolen, 121. + +dom, 149. + +dompelen, 21. + +donker, 86. + +doodgaan, 107. + +doopen, 21. + +doorgaans, 125. + +_doorstaan_, 224. + +draagbaar, 1. + +draaglijk, 1. + +draaien, 178. + +dralen, 36. + +drift, 186. + +driftig, 118. + +dringen, 65. + +droevig, 119. + +duister, 86. + +_dulden_, 224. + +durven, 124. + +dwalen, 121. + +dwars, 79. + +dwingen, 65. + +duurzaam, 170. + + +E. + +edelmoedig, 71. + +eenzaam, 28. + +_eer_, 197. + +eerbied, 63. + +eeuwig, 116. + +eigenschap, 24. + +eigenzinnig, 175. + +einde, 54. + +eindeloos, 116. + +eischen, 183. + +ellendig, 91. + +eng, 84. + +erkentelijkheid, 77. + + +F. + +fier, 182. + +_flikkeren_, 234. + +foppen, 105. + +frisch, 56. + + +G. + +gauw, 148. + +gebieden, 90. + +_geboorte_, 231. + +gedachtenis, 176. + +_gedeelte_, 218. + +_gedenkwaardig_, 213. + +gedurig, 135. + +geestelijk, 3. + +geestig, 3. + +geestrijk, 3. + +_gegoed_, 228. + +gehecht, 33. + +_geheim_, 191_bis_. + +gelaat, 69. + +gelasten, 90. + +_gelden_, 201. + +gemeen, 122. + +genaken, 30. + +genegen, 5. + +geneigd, 5. + +genoegen, 185. + +_gering_, 227. + +geschikt, 45, 177. + +_geslacht_, 231. + +_getuige_, 209. + +_geven_, 225. + +gevaarlijk, 172. + +gewoonlijk, 125. + +gezicht, 69. + +gierig, 157. + +gispen, 139. + +gissen, 75. + +_glimmen_, 234. + +_gloeien_, 234. + +gluren, 164. + +gooien, 99. + +grootmoedig, 71. + +grootsch, 182. + + +H. + +haast, 58. + +hachelijk, 172. + +_haken_, 229. + +halsstarrig, 175. + +handwerk, 142. + +hardnekkig, 175. + +hartzeer, 133. + +_hebben_, 195. + +hebzuchtig, 157. + +heerschen, 101. + +_heet_, 215. + +_heftig_, 235. + +_heimelijk_, 191_bis_. + +hellen, 123. + +_helpen_, 230. + +herinnering, 176. + +herroepen, 136. + +hoedanigheid, 24. + +hoogmoedig, 182. + +hoonen, 188. + +hooren, 55. + +hoovaardig, 182. + + +I. + +immer, 135. + +_inhalen_, 198_bis_. + +inhalig, 157. + +innerlijk, 11. + +innig, 11. + +inwendig, 11. + +intrekken, 136. + + +J. + +jeugdig, 15. + +jong, 15. + + +K. + +kakelen, 106. + +kalm, 140. + +karig, 157. + +kastijden, 132. + +keeren, 178. + +kinderachtig, 6. + +kinderlijk, 6. + +kindsch, 6. + +klauteren, 152. + +_klein_, 227. + +klieven, 17. + +klimmen, 152. + +kloof, 141. + +klooven, 17. + +knap, 177. + +kommervol, 91. + +koppig, 175. + +kostelijk, 2. + +_kosten_, 201. + +kostbaar, 2. + +kouten, 106. + +kracht, 160. + +krenken, 188. + +krieken (van den dag), 180. + +krijgen, 161. + +kundig, 177. + +kwaad vermoeden, 93. + +kwellen, 38. + +kwetsen, 188. + +kijken, 164. + + +L. + +laag, 122. + +_laaien_, 234. + +laken, 139. + +langdurig, 170. + +leed, 133. + +leedwezen, 174. + +_leugen_, 202. + +lichtvaardig, 85. + +lichtzinnig, 85. + +liefelijk, 165. + +lijdelijk, 8. + +_lijden_, 224. + +lijdzaam, 8. + +listig, 159. + +lomp, 179. + +loochenen, 34. + +loom, 151. + +loos, 159. + +luchthartig, 85. + +luister, 96. + +luisteren, 55. + + +M. + +macht, 160. + +mat, 151. + +_mededeelen_, 225. + +mededoogend, 162. + +medelijdend, 162. + +meestal, 125. + +_merkwaardig_, 213. + +misgunnen, 67. + +misleiden, 105. + +misschien, 83. + +_missen_, 198. + +mistrouwen, 92. + +moe, 151. + +moedig, 173. + +mogelijk, 83. + +morgen, 180. + + +N. + +naäpen, 88. + +naarstig, 108. + +nabootsen, 88. + +nadeel, 87. + +naderen, 30. + +nadoen, 88. + +nagedachtenis, 176. + +naijver, 138. + +nalaten, 61. + +naschrijven, 146. + +nauw, 84. + +navolgen, 88. + +_nazetten_, 203. + +nederig, 78. + +neigen, 123. + +nemen (op zich), 120. + +nering, 142. + +_nietig_, 227. + +nieuwsgierig, 60. + +nooddruftig, 94. + +noodzaken, 65. + +norsch, 97. + +nijd, 138. + +nijver, 108. + + +O. + +ochtend, 180. + +omslachtig, 187. + +omstandig, 187. + +_omweg_, 232. + +omzichtig, 134. + +onachtzaam, 137. + +onbeleefd, 179. + +onbeschoft, 179. + +onbevreesd, 173. + +onbezorgd, 4. + +oneindig, 116. + +ongemanierd, 179. + +ongerust, 31. + +onkundig, 149. + +onnoozel, 149. + +onoplettend, 137. + +onpartijdig, 35. + +onrustig, 31. + +_onschuldig_, 206. + +_onstuimig_, 235. + +_ontberen_, 198. + +_ontgaan_, 226. + +ontdekken, 37. + +ontkennen, 34. + +_ontkomen_, 226. + +_ontloopen_, 226. + +ontmoeten, 147. + +ontrouw, 10. + +ontslapen, 107. + +_ontsnappen_, 226. + +ontstellen, 52. + +ontvangen, 120, 161. + +_ontvluchten_, 226. + +_ontwaken_, 199. + +ontwennen, 32. + +_ontwijken_, 226. + +ontzag, 63. + +ontzetting, 52. + +onveranderlijk, 170. + +onversaagd, 173. + +onverschrokken, 173. + +_onwaarheid_, 202. + +onwetend, 149. + +onzijdig, 35. + +oord, 73. + +oorzaak, 29. + +ootmoedig, 78. + +_opbeuren_, 189. + +openbaar, 9. + +openlijk, 9. + +oplettend, 102. + +oploopend, 118. + +opmerkzaam, 102. + +opmerken, 27. + +_oponthoud_, 190. + +oprichten, 103. + +opslaan, 103. + +opvliegend, 118. + +opzettelijk, 68. + +op zich nemen, 120. + +_oud_, 217. + +overal, 110. + +overbodig, 82. + +overdrijven, 42. + +overeenkomen, 39. + +overeenkomst, 130. + +overeenstemmen, 39. + +overhalen, 62. + +overhangen, 123. + +overhellen, 123. + +overlaten, 61. + +overlijden, 107. + +overreden, 62. + +overrompelen, 81. + +overschrijven, 146. + +overtollig, 82. + +overtuigen, 62. + +overvallen, 81. + +overwinning, 80. + +_overzetten_, 236. + + +P. + +_pad_, 222. + +plaats, 73. + +plagen, 38. + +plat, 122. + +plechtig, 74. + +plek, 73. + +post, 143. + +praal, 96. + +pracht, 96. + +prat, 182. + +praten, 106. + +prijs, 171. + +_prijzen_, 211. + +pronk, 96. + +prooi, 171. + + +R. + +_raken_, 210. + +razernij, 186. + +_redden_, 212. + +reden, 29. + +regeeren, 101. + +_reikhalzen_, 229. + +reis, 43. + +ridderlijk, 14. + +rillen, 163. + +_roem_, 197. + +roeren, 153. + +roof, 171. + +ruim, 50. + +ruiterlijk, 14. + +_rust_, 204. + +rusteloos, 31. + +rustig, 140. + +ruw, 122. + +_rijk_, 228. + +rijzen, 152. + + +S. + +schaarsch, 40. + +schade, 87. + +scheef, 79. + +schenken, 225. + +scheur, 141. + +schokken, 153. + +schraapzuchtig, 157. + +schrik, 52, 166. + +schromen, 184. + +schroom, 166. + +schuin, 79. + +_schuldeloos_, 206. + +sidderen, 163. + +slaven, 72. + +slim, 159. + +slordig, 137. + +slot, 54. + +sloven, 72. + +sluw, 159. + +_smachten_, 229. + +smaden, 188. + +smalen, 188. + +smart, 133. + +smeeken, 114. + +smijten, 99. + +snappen, 106. + +somber, 86. + +spaarzaam, 16. + +speelsch, 150. + +speelziek, 150. + +spijt, 174. + +spleet, 141. + +spoed, 58. + +spoedig, 148. + +sprakeloos, 44. + +spreken, 51. + +standvastig, 170. + +staren, 164. + +statig, 74. + +steeds, 135. + +sterkte, 160. + +sterven, 107. + +stichten, 103. + +_stilte_, 204. + +stom, 44. + +stomp, 18. + +storten, 181. + +stout, 173. + +_straat_, 222. + +straffen, 132. + +stroomen, 127. + +stug, 97. + +_stuk (deel)_, 218. + +_sturen_, 205. + +stuursch, 97. + +stijfhoofdig, 175. + +stijgen, 152. + + +T. + +talmen, 36. + +tegenhouden, 169. + +tegenkomen, 147. + +tegenwoordig, 25. + +tegenzin, 158. + +terstond, 148. + +terughouden, 169. + +tevreden, 66. + +tocht, 43. + +toonen, 20. + +toorn, 186. + +treffen, 153. + +treurig, 119. + +trillen, 163. + +_troosten_, 189. + +trotsch, 182. + +trouweloos, 10. + +tuchtigen, 132. + +turen, 164. + +twijfel (in -- staan), 184. + + +U. + +_uitdeelen_, 193. + +uitdenken, 131. + +_uiteenzetten_, 221. + +uitgelaten, 150. + +uitheemsch, 112. + +_uitleggen_, 221. + +uitschrijven, 146. + +_uitstaan_, 224. + +_uitvoeren_, 220. + +uitvoerig, 187. + +uitvinden, 37. + +_uitweg_, 232. + + +V. + +vallen, 181. + +vangst, 171. + +vaststellen, 70. + +vatbaar, 45. + +veranderen, 46. + +verantwoordelijk, 26. + +verbazen, 154. + +verbeiden, 144. + +verbond, 130. + +_verdeelen_, 193. + +verdenken, 92. + +verdichten, 131. + +verdorren, 47. + +_verdraagzaam_, 207. + +_verdragen_, 224. + +_verduidelijken_, 221. + +verdrag, 130. + +verdriet, 133. + +_vereeren_, 225. + +vergaderen, 48. + +vergelden, 53. + +vergen, 183. + +vergenoegd, 66. + +vergrooten, 42. + +verguizen, 188. + +verhinderen, 169. + +_verklaren_, 221. + +verkleefd, 33. + +verknocht, 33. + +verlagen, 22. + +verlangen, 183, _229_. + +_verleenen_, 225. + +_verlichten_, 191. + +verlies, 87. + +_verlossen_, 212. + +vermaard, 104. + +_vermeesteren_, 194. + +vermeten (zich), 124. + +_verminderen_, 223. + +vermoeden (kwaad), 93. + +vermoeden (gissen), 75. + +vermoeid, 151. + +vermogen, 160. + +_vermogend_, 228. + +vernederen, 22. + +vernielen, 129. + +vernietigen, 129. + +veronderstellen, 75. + +verplichting, 77. + +verrassen, 81, 154. + +verruilen, 59. + +verrukkelijk, 89. + +verrukking, 185. + +_versagen_, 216. + +versch, 56. + +verschalken, 105. + +verstaan, 117. + +verstouten, 124. + +_vertalen_, 236. + +verte, 115. + +_vertolken_, 236. + +_vertraging_, 190. + +_vertwijfelen_, 216. + +_vervallen_, 223. + +vervoeren, 89. + +_vervolgen_, 203. + +verwaarloozen, 57. + +verwachten, 144. + +verwelken, 47. + +verwerven, 161. + +verwijdering, 115. + +verwisselen, 59. + +verwoesten, 129. + +verwonderen, 154. + +verzamelen, 48. + +verzinnen, 131. + +verzuimen, 57. + +vinden, 147. + +vitten, 139. + +vlerk, 128. + +vleugel, 128. + +_vlieden_, 200. + +vlieten, 127. + +vloeien, 127. + +vlijtig, 108. + +_vluchten_, 200. + +_volbrengen_, 220. + +_voleindigen_, 220. + +volharden, 76. + +volhouden, 76. + +volkomen, 126. + +volledig, 126. + +volmaakt, 126. + +_volvoeren_, 220. + +voorbedachtelijk, 68. + +_voorbode_, 208. + +voorgeven, 100. + +_voorlooper_, 208. + +voorspellen, 111. + +voorwenden, 100. + +voorzeggen, 111. + +voorzichtig, 134. + +vorderen, 183. + +_vreedzaam_, 207. + +vreemd, 112. + +vrees, 166. + +vrekkig, 157. + +vreugde, 185. + +vroolijkheid, 185. + + +W. + +_waardeeren_, 192. + +waardigheid, 143. + +wachten, 144. + +wagen, 124. + +_wakker worden_, 199. + +walg, 158. + +wangunst, 138. + +_wanhopen_, 216. + +wantrouwen, 92. + +_warm_, 215. + +week, 49. + +weerhouden, 169. + +weerzin, 158. + +weetgierig, 60. + +_weg_, 222. + +weifelen, 184. + +_weinig_, 227. + +weldra, 148. + +_welgesteld_, 228. + +wellicht, 83. + +wenden, 178. + +_wenschen_, 229. + +wentelen, 178. + +_werk_, 219. + +_werkzaamheid_, 219. + +werpen, 99. + +wettelijk, 12. + +wettig, 12. + +wettisch, 12. + +wiek, 128. + +_wild_, 235. + +_wildernis_, 214. + +woede, 186. + +_woestenij_, 214. + +_woestijn_, 214. + +wroeging, 174. + +wijd, 50. + +wijdloopig, 187. + +wijten, 23. + +wijzen, 20. + +wijzigen, 46. + + +IJ. + +ijdel, 182. + +ijl (spoed), 58. + +ijverig, 108. + + +Z. + +zacht, 49. + +zakken, 181. + +zege, 80. + +zegepraal, 80. + +zeggen, 51. + +_zegsman_, 209. + +zelden, 40. + +zeldzaam, 40. + +_zenden_, 205. + +zien, 164. + +zinken, 181. + +zorgeloos, 4. + +zorgelijk, 127. + +zuinig, 16. + +zwerven, 121. + +zwoegen, 72. + +_zwoel_, 215. + +_zijweg_, 233. + + + + +$Werken van T. PLUIM.$ + + + + _Wetenswaardig Allerlei._ Hulp- en hoofdacte f 1.--, geb. f 1.25 + + + _Gids bij de studie voor de hoofdacte_ » 1.20 + + + _Merkwaardige Personen_ uit ons verleden. Leesboek, 2e druk » 0.25 + + + _Kleine Vaderlandsche Geschiedenis_, 9e druk » 0.20 + + + _Vaderlandsche Geschiedenis_ (met platen), 8e druk » 0.30 + + + _Kern der Vad. Gesch._, ter voorbereiding admissie-examen aan + Kweek-, Normaal- en H.B Scholen, 4e druk » 0.50 + + + _'s Lands Historie_, met platen en portretten. Voor de laagste + klassen van Kweek-, Normaal- en H.B. Scholen, 2e druk » 1.50 + + + _Tijdtafel der Vad. Gesch_, met wit doorschoten (voor de hulp- + en de hoofdacte), 2e dr. » 0.25 + + + _Gesch. onzer Staatsregeling_, (Hulp- en Hoofdacte enz.) + f 1.25, geb. » 1.50 + + * _Repetitieboekje der Algemeene Gesch._ (Hoofdacte), 2e druk » 1.-- + + * _Repetitieboekje der Vad. Gesch._ (Hulp- en Hoofdacte), 2e + druk » 0.60 + + * _Schetsen uit onze Beschavingsgeschiedenis_ (met J. N. van + Hesteren), voor studeerenden en belangstellenden » 2.75 + + + _Hoofdzaken der Alg. Gesch._ (Schetsen en Verhalen) voor + Normaalscholen enz., 2 deeltjes à » 1.-- + + * _Ons Land_, aardrijkskunde voor het L. O. » 0.30 + + * _Nederland door._ Eerste aardrijksk. leerb., met 13 blinde + kaartjes » 0.25 + + * _De Wereld door._ Eerste aardrijkskundig leerboekje van + Europa en de Werelddeelen (met 20 blinde kaartjes) » 0.35 + + + _Kern der Aardr. van Nederland_ (met platen en kaartjes) voor + 14- à 15-jarigen, 2e druk. Ingen. f 1.--, geb. » 1.25 + + + _Ons Land en zijn Bewoners_ (met platen en kaartjes) voor + hulp- en hoofdacte H.B.S., enz., 2e dr. Ingen. f 1.50, geb. » 1.75 + + + _Leerboek der Aardr. van Nederland_ (met platen en kaartjes) + voor Hoofdacte, enz. 1e deel f 1.25; 2e deel f 1.50; samen + geb. » 3.25 + + * _Taalwerk voor het 2e leerjaar_ (Tevens »Voorlooper" van den + Eenv. Taalcursus). Met plaatjes, 3e dr. » 0.25 + + * _Eenv. Taalcursus_ voor de Volksschool, 7e en 8e druk, 1e st. + 20 cts.; 2e-4e st. » 0.25 + (De Vijfde Druk verscheen in de Vereenv. Spelling, als + uitg. B.) + + * _Eenvoudige Spraakkunst_ voor admissie-examens voor Kweek-, + Normaal-, H.B. Scholen of Gymnasia, 3e dr. » 0.75 + + * _Oefeningen_ bij idem, 3e dr. » 0.75 + + * _Nieuwe Stelcursus_, voor het L.O., 5e dr., 1e en 2e st. 25 + cents; 3e en 4e stukje » 0.30 + (De Derde Druk verscheen in de Vereenv. Spelling als uitg. + B.) + + * _Stijloefeningen_, voor admissie-examens Kweek-, Normaal- en + H.B. Scholen (met vele examen-opgaven), 2e dr. » 0.60 + + * _Onze Taalschat._ Stijl- en Taaloefeningen voor Kweek- en + Normaalscholen, 4 stukjes, 2e en 3e dr. » 0.65 + + * _Keur van Nederl. Synoniemen._ Voor Hulp- en Hoofdacte, + H.B.S., enz., 4e druk » 1.50 + + * _Nederl. Spraakkunst_ (Hulp- en Hoofdacte) 2 dln. à » 1.25 + + _Zinsontleding_ (hoofd- en hulpacte, enz.) Uitgave van de + firma Leydenroth van Boekhoven te Utrecht » 0.70 + + _Kleine Zinsontleding._ Normaal-, H.B.S. en M.U.L.O. (Uitgave + als voren) » 0.35 + + * _Eenvoudige Rekencursus_ voor de Volksschool (1e en 2e dr.) + 6 st. à » 0.25 + + * _Handleiding_ bij idem » 1.-- + + * _Schetsen van Dieren._ Leesboek voor het L.O. met vele + afbeeldingen, 3 stukjes, 2e druk » 0.35 + + * _Leesboek voor het L.O._ Geïllustreerd door S. P. Huykman. + 1-3 st. à f 0.30. 4-6 st. à f 0.35. + ++ Uitgave van P. Noordhoff, _Groningen_. + +* Uitgave van J. Muusses, _Purmerend_. + + + + + #UITGAAF van J. MUUSSES te PURMEREND.# + + + $T. PLUIM.$ + +$NEDERLANDSCHE SPRAAKKUNST (2 deelen)$ $à f 1.25.$ + +De Schrijver heeft bij het maken van dit werk rekening gehouden met +de veelvuldig voorkomende klacht van de commissiën voor ~hoofd- en +hulp-acte~, n.l. »dat vele candidaten er zich blijkbaar meer op +toeleggen een overzicht van de verschijnselen op taalgebied van buiten +te leeren, dan te trachten zich van hun aard een helder begrip te +vormen". + +Daarom heeft de Schrijver zich vooral beijverd, om die verschijnselen +breedvoerig en grondig te verklaren; hierdoor is het werk grooter +geworden dan bijv. dat van Terwey, hoewel de omvang der leerstof vrijwel +gelijk is. Veel, wat anders in een paar woorden wordt gezegd, zonder op +den grond der feiten door te dringen, is in dit werk helder en duidelijk +uiteengezet, zoodat ook het geheugen er wel bij vaart, immers een goed +begrijpen werkt ook het onthouden in de hand. + +Zoodoende is deze Spraakkunst als bij uitstek aangewezen voor hen, die +de taalverschijnselen ook willen verklaard zien, en is het daardoor in +het bijzonder geschikt voor candidaat-hoofdonderwijzers, die veelal +zonder hulp grammatica moeten bestudeeren. + + + $T. PLUIM.$ + +$KEUR VAN NEDERLANDSCHE WOORDAFLEIDINGEN.$ + + $Prijs f 1.25, geb. f 1.50.$ + +Nu in de laatste jaren de taalwetenschap over de afkomst der meeste +woorden zulk een helder licht heeft verspreid, meende de schrijver goed +te doen, de voornaamste uitkomst dezer wetenschap onder het bereik der +studeerenden te brengen. Hij deed daartoe een keuze uit den rijken +voorraad en trachtte het gekozene zoo eenvoudig mogelijk te behandelen. + +Bij de keuze der woorden heeft hij zich vooral laten leiden door de +overweging dat weinig gebruikte woorden achterwege konden blijven, +evenals zulke, waarvan de afleiding òf onbekend òf vrij onzeker is. + + * * * * * + + + + + +------------------------------------------------+ + | | + | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: | + | | + | De volgende correcties zijn in de tekst | + | aangebracht: | + | | + | Bron (B:) -- Correctie (C:) | + | | + | B: _~Kostbaar~_ wordt in letterlijke | + | C: ~Kostbaar~ wordt in letterlijke | + | B: eerst geen tekort. {lege regel} Doordat | + | C: eerst geen tekort. Doordat hij | + | B: verantwoordelijk wegens bestuur, | + | C: ~verantwoordelijk~ wegens bestuur, | + | B: men is aansprakelijk | + | C: men is ~aansprakelijk~ | + | B: _wijzigen_. _Ik zal den titel | + | C: ~wijzigen~. _Ik zal den titel | + | B: zal den titel van dit boek | + | C: zal den titel van dit boek: | + | B: slechts één zoon na. Hij heeft | + | C: slechts één zoon ~na~. Hij heeft | + | B: gescheiden: bijv. de takken afkappen | + | C: gescheiden: bijv. _de takken ~afkappen~_ | + | B: bijv. het gevaar van iemand afweren; | + | C: bijv. _het gevaar van iemand ~afweren~_; | + | B: iemands liefkoozingen afweren. | + | C: _iemands liefkoozingen ~afweren~_. | + | B: komst des konings aan._ | + | C: komst des konings ~aan~._ | + | B: _Hij ~nam~ op zich, de verzoening | + | C: _Hij ~nam op zich~, de verzoening | + | B: _Deze ~muur~ helt naar links._ | + | C: _Deze muur ~helt~ naar links._ | + | B: maar later ~verstoutte~ ik mij en | + | C: maar later ~verstoutte~ ik ~mij~ en | + | B: gepaard met met overschatting van | + | C: gepaard met overschatting van | + | B: gevaarlijken sprong, | + | C: gevaarlijken sprong. | + | B: getrouw_ (niet bijv: _~steeds~ | + | C: getrouw_ (niet bijv.: _~steeds~ | + | B: »_~Kalm~ hoorde hij, de | + | C: »_~Kalm~ hoorde hij de | + | B: als van zachte stoffen: een scheur | + | C: als van zachte stoffen: een ~scheur~ | + | B: ~vette~ post._ | + | C: vette ~post~._ | + | B: wandeling naar Amersfoort kwam hij | + | C: wandeling naar Amersfoort ~kwam~ hij | + | B: Zwitserland zou gezocht hebben, | + | C: Zwitserland zou gezocht hebben. | + | B: het wetsontwerp verwachten_ | + | C: het wetsontwerp verwachten._ | + | B: In onze verwondering zeer groot, | + | C: Is onze verwondering zeer groot, | + | B: niet aanaanneemt. Wordt iemand | + | C: niet aanneemt. Wordt iemand | + | B: 157. Gierig--karig--hebzuchtig | + | C: 157. Gierig--vrekkig--karig--hebzuchtig | + | B: onderstelt. _Haarlem's ~bevallig~ | + | C: onderstelt. _Haarlem's ~bevallige~ | + | B: beperkt. _Met schroom ~naderde~ | + | C: beperkt. _Met ~schroom~ naderde | + | B: no. 166.) Hij _was | + | C: no. 166.) _Hij was | + | B: ~bezorgd~ voor het behoud | + | C: ~bezorgd~ over het behoud | + | B: (Welke woorden kunt hij | + | C: (Welke woorden kunt gij | + | B: geval is het synomiem met andere | + | C: geval is het synoniem met andere | + | B: Duitscher hier _wenden_ gebruikt.) | + | C: Duitscher hier _wenden_ gebruikt?) | + | B: het ~krieken van den dag~ | + | C: ~het krieken van den dag~ | + | B: of met ~den dageraad~_, | + | C: of met den ~dageraad~_, | + | B: in Den Bosch is een -- gebouw | + | C: in Den Bosch is een -- gebouw. | + | B: mij voor niemandal zult helpen. | + | C: mij voor niemendal zult helpen. | + | B: een achterwaatsche beweging | + | C: een achterwaartsche beweging | + | B: beslissende oogenblik i de onderneming | + | C: beslissende oogenblik is de onderneming | + | B: langen tijd in ~twijfel~, of ik | + | C: langen tijd ~in twijfel~, of ik | + | B: ~omslachtig~ en ~wijdloopigheid~ zijn | + | C: ~omslachtigheid~ en ~wijdloopigheid~ zijn | + | B: ~bemachtigen~_, en ook: _vermeesteren_ | + | C: ~bemachtigen~_, en ook: _~vermeesteren~_ | + | B: handeling. _Bezigheid_ onderstelt een | + | C: handeling. ~Bezigheid~ onderstelt een | + | B: is dus een gëffende weg: | + | C: is dus een geëffende weg: | + | B: veroordeelde de doodstraf,_ ~Ontsnappen~ | + | C: veroordeelde de doodstraf._ ~Ontsnappen~ | + | B: en onroerende goederen, zoodat men meer | + | C: en onroerende goederen), zoodat men meer | + | B: gij de afstamming onzer Koningin van | + | C: gij de ~afstamming~ onzer Koningin van | + | B: »Het N. T. getrouwelijk in de | + | Nederduitsche taal ~overgezet~". | + | C: »_Het N. T. getrouwelijk in de | + | Nederduitsche taal ~overgezet~_". | + | B: duurzaam, 70. | + | C: duurzaam, 170. | + | B: eigenschap, 42. | + | C: eigenschap, 24. | + | B: gauw, 182. | + | C: gauw, 148. | + | B: herinnering, 167. | + | C: herinnering, 176. | + | B: krieken (van den dag) 180 | + | C: krieken (van den dag), 180. | + | B: laken, 130. | + | C: laken, 139. | + | B: mistrouwen, 90. | + | C: mistrouwen, 92. | + | B: onkundig, 194. | + | C: onkundig, 149. | + | B: ontvangen, 120; 161. | + | C: ontvangen, 120, 161. | + | B: opzettelijk. 68. | + | C: opzettelijk, 68. | + | B: schrik, 52; 166. | + | C: schrik, 52, 166. | + | B: stomp, 28. | + | C: stomp, 18. | + | B: uitgelaten, 156. | + | C: uitgelaten, 150. | + | B: _uitweg_, 237. | + | C: _uitweg_, 232. | + | B: verdenking, 92. | + | C: verdenken, 92. | + | B: verlangen, 183; _229_. | + | C: verlangen, 183, _229_. | + | B: _verlichting_, 191. | + | C: _verlichten_, 191. | + | B: verrassen, 81; 154. | + | C: verrassen, 81, 154. | + | B: wangunst, 131. | + | C: wangunst, 138. | + | B: _wanhopen_. 216. | + | C: _wanhopen_, 216. | + | B: weerzien, 158. | + | C: weerzin, 158. | + | B: _weiuig_, 227. | + | C: _weinig_, 227. | + | B: wiek, 138. | + | C: wiek, 128. | + | B: zorgelijk, 127. | + | C: zorgelijk, 172. | + | B: _zijweg_, 233. | + | C: _zijweg_, 232. | + | | + +------------------------------------------------+ + + + +***END OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK KEUR VAN NEDERLANDSCHE SYNONIEMEN*** + + +******* This file should be named 34784-8.txt or 34784-8.zip ******* + + +This and all associated files of various formats will be found in: +http://www.gutenberg.org/dirs/3/4/7/8/34784 + + + +Updated editions will replace the previous one--the old editions +will be renamed. + +Creating the works from public domain print editions means that no +one owns a United States copyright in these works, so the Foundation +(and you!) can copy and distribute it in the United States without +permission and without paying copyright royalties. Special rules, +set forth in the General Terms of Use part of this license, apply to +copying and distributing Project Gutenberg-tm electronic works to +protect the PROJECT GUTENBERG-tm concept and trademark. Project +Gutenberg is a registered trademark, and may not be used if you +charge for the eBooks, unless you receive specific permission. If you +do not charge anything for copies of this eBook, complying with the +rules is very easy. You may use this eBook for nearly any purpose +such as creation of derivative works, reports, performances and +research. They may be modified and printed and given away--you may do +practically ANYTHING with public domain eBooks. Redistribution is +subject to the trademark license, especially commercial +redistribution. + + + +*** START: FULL LICENSE *** + +THE FULL PROJECT GUTENBERG LICENSE +PLEASE READ THIS BEFORE YOU DISTRIBUTE OR USE THIS WORK + +To protect the Project Gutenberg-tm mission of promoting the free +distribution of electronic works, by using or distributing this work +(or any other work associated in any way with the phrase "Project +Gutenberg"), you agree to comply with all the terms of the Full Project +Gutenberg-tm License (available with this file or online at +http://www.gutenberg.org/license). + + +Section 1. General Terms of Use and Redistributing Project Gutenberg-tm +electronic works + +1.A. By reading or using any part of this Project Gutenberg-tm +electronic work, you indicate that you have read, understand, agree to +and accept all the terms of this license and intellectual property +(trademark/copyright) agreement. If you do not agree to abide by all +the terms of this agreement, you must cease using and return or destroy +all copies of Project Gutenberg-tm electronic works in your possession. +If you paid a fee for obtaining a copy of or access to a Project +Gutenberg-tm electronic work and you do not agree to be bound by the +terms of this agreement, you may obtain a refund from the person or +entity to whom you paid the fee as set forth in paragraph 1.E.8. + +1.B. "Project Gutenberg" is a registered trademark. It may only be +used on or associated in any way with an electronic work by people who +agree to be bound by the terms of this agreement. There are a few +things that you can do with most Project Gutenberg-tm electronic works +even without complying with the full terms of this agreement. See +paragraph 1.C below. There are a lot of things you can do with Project +Gutenberg-tm electronic works if you follow the terms of this agreement +and help preserve free future access to Project Gutenberg-tm electronic +works. See paragraph 1.E below. + +1.C. The Project Gutenberg Literary Archive Foundation ("the Foundation" +or PGLAF), owns a compilation copyright in the collection of Project +Gutenberg-tm electronic works. Nearly all the individual works in the +collection are in the public domain in the United States. If an +individual work is in the public domain in the United States and you are +located in the United States, we do not claim a right to prevent you from +copying, distributing, performing, displaying or creating derivative +works based on the work as long as all references to Project Gutenberg +are removed. Of course, we hope that you will support the Project +Gutenberg-tm mission of promoting free access to electronic works by +freely sharing Project Gutenberg-tm works in compliance with the terms of +this agreement for keeping the Project Gutenberg-tm name associated with +the work. You can easily comply with the terms of this agreement by +keeping this work in the same format with its attached full Project +Gutenberg-tm License when you share it without charge with others. + +1.D. The copyright laws of the place where you are located also govern +what you can do with this work. Copyright laws in most countries are in +a constant state of change. If you are outside the United States, check +the laws of your country in addition to the terms of this agreement +before downloading, copying, displaying, performing, distributing or +creating derivative works based on this work or any other Project +Gutenberg-tm work. The Foundation makes no representations concerning +the copyright status of any work in any country outside the United +States. + +1.E. Unless you have removed all references to Project Gutenberg: + +1.E.1. The following sentence, with active links to, or other immediate +access to, the full Project Gutenberg-tm License must appear prominently +whenever any copy of a Project Gutenberg-tm work (any work on which the +phrase "Project Gutenberg" appears, or with which the phrase "Project +Gutenberg" is associated) is accessed, displayed, performed, viewed, +copied or distributed: + +This eBook is for the use of anyone anywhere at no cost and with +almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or +re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included +with this eBook or online at www.gutenberg.org + +1.E.2. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is derived +from the public domain (does not contain a notice indicating that it is +posted with permission of the copyright holder), the work can be copied +and distributed to anyone in the United States without paying any fees +or charges. If you are redistributing or providing access to a work +with the phrase "Project Gutenberg" associated with or appearing on the +work, you must comply either with the requirements of paragraphs 1.E.1 +through 1.E.7 or obtain permission for the use of the work and the +Project Gutenberg-tm trademark as set forth in paragraphs 1.E.8 or +1.E.9. + +1.E.3. If an individual Project Gutenberg-tm electronic work is posted +with the permission of the copyright holder, your use and distribution +must comply with both paragraphs 1.E.1 through 1.E.7 and any additional +terms imposed by the copyright holder. Additional terms will be linked +to the Project Gutenberg-tm License for all works posted with the +permission of the copyright holder found at the beginning of this work. + +1.E.4. Do not unlink or detach or remove the full Project Gutenberg-tm +License terms from this work, or any files containing a part of this +work or any other work associated with Project Gutenberg-tm. + +1.E.5. Do not copy, display, perform, distribute or redistribute this +electronic work, or any part of this electronic work, without +prominently displaying the sentence set forth in paragraph 1.E.1 with +active links or immediate access to the full terms of the Project +Gutenberg-tm License. + +1.E.6. You may convert to and distribute this work in any binary, +compressed, marked up, nonproprietary or proprietary form, including any +word processing or hypertext form. However, if you provide access to or +distribute copies of a Project Gutenberg-tm work in a format other than +"Plain Vanilla ASCII" or other format used in the official version +posted on the official Project Gutenberg-tm web site (www.gutenberg.org), +you must, at no additional cost, fee or expense to the user, provide a +copy, a means of exporting a copy, or a means of obtaining a copy upon +request, of the work in its original "Plain Vanilla ASCII" or other +form. Any alternate format must include the full Project Gutenberg-tm +License as specified in paragraph 1.E.1. + +1.E.7. Do not charge a fee for access to, viewing, displaying, +performing, copying or distributing any Project Gutenberg-tm works +unless you comply with paragraph 1.E.8 or 1.E.9. + +1.E.8. You may charge a reasonable fee for copies of or providing +access to or distributing Project Gutenberg-tm electronic works provided +that + +- You pay a royalty fee of 20% of the gross profits you derive from + the use of Project Gutenberg-tm works calculated using the method + you already use to calculate your applicable taxes. The fee is + owed to the owner of the Project Gutenberg-tm trademark, but he + has agreed to donate royalties under this paragraph to the + Project Gutenberg Literary Archive Foundation. Royalty payments + must be paid within 60 days following each date on which you + prepare (or are legally required to prepare) your periodic tax + returns. Royalty payments should be clearly marked as such and + sent to the Project Gutenberg Literary Archive Foundation at the + address specified in Section 4, "Information about donations to + the Project Gutenberg Literary Archive Foundation." + +- You provide a full refund of any money paid by a user who notifies + you in writing (or by e-mail) within 30 days of receipt that s/he + does not agree to the terms of the full Project Gutenberg-tm + License. You must require such a user to return or + destroy all copies of the works possessed in a physical medium + and discontinue all use of and all access to other copies of + Project Gutenberg-tm works. + +- You provide, in accordance with paragraph 1.F.3, a full refund of any + money paid for a work or a replacement copy, if a defect in the + electronic work is discovered and reported to you within 90 days + of receipt of the work. + +- You comply with all other terms of this agreement for free + distribution of Project Gutenberg-tm works. + +1.E.9. If you wish to charge a fee or distribute a Project Gutenberg-tm +electronic work or group of works on different terms than are set +forth in this agreement, you must obtain permission in writing from +both the Project Gutenberg Literary Archive Foundation and Michael +Hart, the owner of the Project Gutenberg-tm trademark. Contact the +Foundation as set forth in Section 3 below. + +1.F. + +1.F.1. Project Gutenberg volunteers and employees expend considerable +effort to identify, do copyright research on, transcribe and proofread +public domain works in creating the Project Gutenberg-tm +collection. Despite these efforts, Project Gutenberg-tm electronic +works, and the medium on which they may be stored, may contain +"Defects," such as, but not limited to, incomplete, inaccurate or +corrupt data, transcription errors, a copyright or other intellectual +property infringement, a defective or damaged disk or other medium, a +computer virus, or computer codes that damage or cannot be read by +your equipment. + +1.F.2. LIMITED WARRANTY, DISCLAIMER OF DAMAGES - Except for the "Right +of Replacement or Refund" described in paragraph 1.F.3, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation, the owner of the Project +Gutenberg-tm trademark, and any other party distributing a Project +Gutenberg-tm electronic work under this agreement, disclaim all +liability to you for damages, costs and expenses, including legal +fees. YOU AGREE THAT YOU HAVE NO REMEDIES FOR NEGLIGENCE, STRICT +LIABILITY, BREACH OF WARRANTY OR BREACH OF CONTRACT EXCEPT THOSE +PROVIDED IN PARAGRAPH 1.F.3. YOU AGREE THAT THE FOUNDATION, THE +TRADEMARK OWNER, AND ANY DISTRIBUTOR UNDER THIS AGREEMENT WILL NOT BE +LIABLE TO YOU FOR ACTUAL, DIRECT, INDIRECT, CONSEQUENTIAL, PUNITIVE OR +INCIDENTAL DAMAGES EVEN IF YOU GIVE NOTICE OF THE POSSIBILITY OF SUCH +DAMAGE. + +1.F.3. LIMITED RIGHT OF REPLACEMENT OR REFUND - If you discover a +defect in this electronic work within 90 days of receiving it, you can +receive a refund of the money (if any) you paid for it by sending a +written explanation to the person you received the work from. If you +received the work on a physical medium, you must return the medium with +your written explanation. The person or entity that provided you with +the defective work may elect to provide a replacement copy in lieu of a +refund. If you received the work electronically, the person or entity +providing it to you may choose to give you a second opportunity to +receive the work electronically in lieu of a refund. If the second copy +is also defective, you may demand a refund in writing without further +opportunities to fix the problem. + +1.F.4. Except for the limited right of replacement or refund set forth +in paragraph 1.F.3, this work is provided to you 'AS-IS', WITH NO OTHER +WARRANTIES OF ANY KIND, EXPRESS OR IMPLIED, INCLUDING BUT NOT LIMITED TO +WARRANTIES OF MERCHANTIBILITY OR FITNESS FOR ANY PURPOSE. + +1.F.5. Some states do not allow disclaimers of certain implied +warranties or the exclusion or limitation of certain types of damages. +If any disclaimer or limitation set forth in this agreement violates the +law of the state applicable to this agreement, the agreement shall be +interpreted to make the maximum disclaimer or limitation permitted by +the applicable state law. The invalidity or unenforceability of any +provision of this agreement shall not void the remaining provisions. + +1.F.6. INDEMNITY - You agree to indemnify and hold the Foundation, the +trademark owner, any agent or employee of the Foundation, anyone +providing copies of Project Gutenberg-tm electronic works in accordance +with this agreement, and any volunteers associated with the production, +promotion and distribution of Project Gutenberg-tm electronic works, +harmless from all liability, costs and expenses, including legal fees, +that arise directly or indirectly from any of the following which you do +or cause to occur: (a) distribution of this or any Project Gutenberg-tm +work, (b) alteration, modification, or additions or deletions to any +Project Gutenberg-tm work, and (c) any Defect you cause. + + +Section 2. Information about the Mission of Project Gutenberg-tm + +Project Gutenberg-tm is synonymous with the free distribution of +electronic works in formats readable by the widest variety of computers +including obsolete, old, middle-aged and new computers. It exists +because of the efforts of hundreds of volunteers and donations from +people in all walks of life. + +Volunteers and financial support to provide volunteers with the +assistance they need are critical to reaching Project Gutenberg-tm's +goals and ensuring that the Project Gutenberg-tm collection will +remain freely available for generations to come. In 2001, the Project +Gutenberg Literary Archive Foundation was created to provide a secure +and permanent future for Project Gutenberg-tm and future generations. +To learn more about the Project Gutenberg Literary Archive Foundation +and how your efforts and donations can help, see Sections 3 and 4 +and the Foundation web page at http://www.gutenberg.org/fundraising/pglaf. + + +Section 3. Information about the Project Gutenberg Literary Archive +Foundation + +The Project Gutenberg Literary Archive Foundation is a non profit +501(c)(3) educational corporation organized under the laws of the +state of Mississippi and granted tax exempt status by the Internal +Revenue Service. The Foundation's EIN or federal tax identification +number is 64-6221541. Contributions to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation are tax deductible to the full extent +permitted by U.S. federal laws and your state's laws. + +The Foundation's principal office is located at 4557 Melan Dr. S. +Fairbanks, AK, 99712., but its volunteers and employees are scattered +throughout numerous locations. Its business office is located at +809 North 1500 West, Salt Lake City, UT 84116, (801) 596-1887, email +business@pglaf.org. Email contact links and up to date contact +information can be found at the Foundation's web site and official +page at http://www.gutenberg.org/about/contact + +For additional contact information: + Dr. Gregory B. Newby + Chief Executive and Director + gbnewby@pglaf.org + +Section 4. Information about Donations to the Project Gutenberg +Literary Archive Foundation + +Project Gutenberg-tm depends upon and cannot survive without wide +spread public support and donations to carry out its mission of +increasing the number of public domain and licensed works that can be +freely distributed in machine readable form accessible by the widest +array of equipment including outdated equipment. Many small donations +($1 to $5,000) are particularly important to maintaining tax exempt +status with the IRS. + +The Foundation is committed to complying with the laws regulating +charities and charitable donations in all 50 states of the United +States. Compliance requirements are not uniform and it takes a +considerable effort, much paperwork and many fees to meet and keep up +with these requirements. We do not solicit donations in locations +where we have not received written confirmation of compliance. To +SEND DONATIONS or determine the status of compliance for any +particular state visit http://www.gutenberg.org/fundraising/donate + +While we cannot and do not solicit contributions from states where we +have not met the solicitation requirements, we know of no prohibition +against accepting unsolicited donations from donors in such states who +approach us with offers to donate. + +International donations are gratefully accepted, but we cannot make +any statements concerning tax treatment of donations received from +outside the United States. U.S. laws alone swamp our small staff. + +Please check the Project Gutenberg Web pages for current donation +methods and addresses. Donations are accepted in a number of other +ways including checks, online payments and credit card donations. +To donate, please visit: +http://www.gutenberg.org/fundraising/donate + + +Section 5. General Information About Project Gutenberg-tm electronic +works. + +Professor Michael S. Hart is the originator of the Project Gutenberg-tm +concept of a library of electronic works that could be freely shared +with anyone. For thirty years, he produced and distributed Project +Gutenberg-tm eBooks with only a loose network of volunteer support. + +Project Gutenberg-tm eBooks are often created from several printed +editions, all of which are confirmed as Public Domain in the U.S. +unless a copyright notice is included. Thus, we do not necessarily +keep eBooks in compliance with any particular paper edition. + +Most people start at our Web site which has the main PG search facility: + + http://www.gutenberg.org + +This Web site includes information about Project Gutenberg-tm, +including how to make donations to the Project Gutenberg Literary +Archive Foundation, how to help produce our new eBooks, and how to +subscribe to our email newsletter to hear about new eBooks. + |
